← Woordenboek der Grieksche en Romeinsche oudheid

Woordenboek der Grieksche en Romeinsche oudheid (part 4 of 7)

Part 4 of 7 · Dr. J. G. Schlimmer · Public domain text

About this edition

Source: Project Gutenberg e-text #34955, public domain in the United States · text not rewritten or summarized · How RedLectern is built

 

Contents (7)

Continue:

Woordenboek der Grieksche en Romeinsche oudheid (part 4 of 7)

Hesperidum insulae aan de kust van Afrika, buiten de straat van Gibraltar. Sommige schrijvers bedoelen hiermede de Fortunatorum insulae (de Canarische eilanden), anderen de Kaap-Verdische eilanden.

Hesperium promunturium, Hesperion keras, voorgebergte aan de Westkust van Afrika, tgw. kaap Verde, zie Hesperidum insulae.

Hesperus, Hesperos, Vesper, zoon van Astraeus of Cephalus en Eos, of van Atlas, werd, toen hij op den berg Atlas astronomische waarnemingen deed, van de aarde weggenomen en als avondster aan den hemel geplaatst. Hij was de vader van Hesperis en dus de grootvader der Hesperiden.

Hestia, Hestia, Histie, Vesta, dochter van Cronus en Rhea, godin van den huiselijken haard. Poseidon en Apollo hadden om hare hand gedongen, maar zij had gezworen eeuwig maagd te blijven, en had daarvoor van Zeus de gunst verworven, dat zij aan ieder offer aandeel zou hebben, in ieder huis als beschermende godin vereerd zou worden. De haard, het middelpunt van het huiselijk leven, en volgens oud gebruik het altaar der familie, was haar heiligdom, waar de huisvader haar bij iedere gewichtige gebeurtenis offers bracht. Voor zoo heilig werd deze plaats gehouden, dat smeekelingen en vervolgden daar een veilige wijkplaats vonden, en dat men zwoer bij Zeus, de gastvrije tafel en den huiselijken haard; vandaar dat smeekelingen en de heiligheid van den eed onder bescherming van Zeus en Hestia stonden. De staat, als een groot huisgezin beschouwd, had ook zijn gemeenschappelijken haard in het prytaneum waar ter eere der godin (Prytanitis) een eeuwig vuur onderhouden werd; bij het uitzenden van volkplantingen wordt van dit vuur medegegeven, om daarmede het vuur op haar altaar in de nieuwe stad te ontsteken.--Eigen tempels had zij weinig, maar in vele tempels van andere goden had zij een afzonderlijk altaar, bovendien werden haar bij het begin en het einde van ieder bizonder plechtig offermaal plengoffers gebracht. Men offerde haar eerstelingen der vruchten, jonge koeien, enz. Zij wordt afgebeeld met ernstige en waardige gelaatstrekken, in een eenvoudig sluitend kleed.

Hestiaea, Hestiaia, later Oreüs, z. a.

Hestiaeotis, Hestiaiotis, 1) het gebied der euboeïsche stad Hestiaea.--2) landschap in het N.W. van Thessalia.

Hesychius, Hesychios, van Alexandrië, schrijver van een belangrijk grieksch woordenboek, leefde waarschijnlijk op het einde der 6de eeuw n. C.

Hetairai, eigl. vriendinnen, in het bizonder publieke vrouwen. Door haar vrijeren omgang met mannen bereikten zij dikwijls een trap van geestbeschaving, waarop andere vrouwen zich op verre na niet plaatsen konden; te Athene wisten zij dikwijls ook de voortreffelijkste mannen te boeien. In sommige steden, bijv. te Corinthe, waren zij als hierodouloi, aan den tempel van Aphrodite verbonden, en kwam de opbrengst van haar bedrijf ten bate van dien tempel. Aphrodite zelve had te Athene, Ephesus, enz., den bijnaam van Hetaira.

Hetairiai, politieke clubs, te Athene en ook wel in andere democratische staten vereenigingen van oligarchen, waarvan de leden elkander onderling beschermden tegen onderdrukking van de regeerende partij en in processen en bij verkiezingen bijstonden, en die, wanneer de kans schoon scheen, ook medewerkten tot omverwerping der democratie. In aristocratisch geregeerde staten bestonden waarschijnlijk ook dergelijke clubs van vijanden der bestaande staatsinrichting.

Hetairoi, naam van de zware ruiterij in het macedonische leger. Zij stonden op den rechtervleugel, en bij de veldslagen van Alexander d. G. beginnen zij in den regel het gevecht.

Hetruria = Etruria.

Hiarbas of Iarbas, Iarbas, 1) zoon van Jupiter Ammon en eene garamantische (= libysche) nymf, koning der Gaetuliërs, van wien Dido een stuk land kocht tot den bouw van Carthago, en die vruchteloos naar hare hand dong.--2) koning van Numidia. In den burgeroorlog van Marius en Sulla koos hij de partij van Marius, doch werd door Pompeius tot de overgave genoodzaakt en ter dood gebracht (81).

Hibernia, ook Iuverna, Iverna, Ivernia, Iërna genoemd, Iouernia, Ierne, thans Ierland. De Romeinen kenden het bij name, doch hebben er nimmer vasten voet trachten te krijgen.

Hiberus, zie Iberus.

Hicetas, Hiketas, 1) tyran van Leontini, door de Syracusanen te hulp geroepen tegen den jongen Dionysius; toen men echter merkte dat hij zich van de stad trachtte meester te maken, vroeg men de Corinthiërs om hulp; hij werd door Timoleon tweemaal verslagen, eindelijk gevangen genomen en ter dood gebracht (339).--2) tyran van Syracuse, opvolger van Agathocles, na eene regeering van negen jaar verdreven (278).--3) van Syracuse, pythagoreïsch wijsgeer, leerde v.s. het eerst de beweging der aarde om hare as.

Hiëmpsal, Iampsas, 1) zoon van den numidischen koning Micipsa en neef van Jugurtha. Terstond na zijns vaders dood (118) geraakte hij met Jugurtha in twist en werd door dezen uit den weg geruimd, in 116.--2) numidische prins, door Hiarbas verdreven, maar door Pompeius hersteld.

Hiera, Hiera, 1) een der Liparische eilanden, ook Thermessa genaamd, ten N. van Sicilia.--2) een der Aegatische eilanden, ten W. van Sicilia.--3) eilandje in de zee tusschen Thera en Therasia, door een uitbarsting ontstaan, in 197 of in 66.

Hierapolis, Hierapolis, stad in Phrygia nabij de grenzen van Caria, niet ver van den Maeander, met een tempel van Cybele. Ook eene stad in Syria, W.-waarts van den Euphraat, vroeger Bambyce geheeten, zetel van den eeredienst der godin Atargatis (Derceto, z. a.).

Hierapytna, Hierapytna, grieksche stad aan de Z.-kust van Creta, in 140 gesticht in het gebied der Eteocretes.

Hiericus, Hierichous, Jericho = palmstad, sterke stad van Palaestina, ten N.O. van Jerusalem. In den omtrek groeide de beroemde balsemstruik, uit welks bast door insnijdingen de balsem werd verkregen. De weg van Jericho naar Jerusalem liep door eene wildernis, die om haar onveiligheid berucht was.

Hiero, Hieron, 1) oudste broeder van Gelo, regeerde tijdens diens leven over Gela en volgde hem, hoewel hij volgens G.'s testament gedurende de minderjarigheid van diens zoon het regentschap zou bekleeden, als tyran van Syracuse op (478). In het begin had hij met veel tegenstand, zelfs van den kant van zijn broeder Polyzelus, te kampen, en kwam het zelfs tot een oorlog met Agrigentum; de twisten werden echter door het verstandig gedrag van H. weldra bijgelegd en hij wist zich in de regeering te handhaven. Hij onderwierp Naxus en Catana, versloeg als bondgenoot der Cumaeërs de Etruriërs ter zee (474), en verjoeg den wreeden tyran Thrasydaeus uit Agrigentum (473). Hij wordt hoog geroemd als beschermer van kunsten en letteren, Aeschylus, Simonides, Bacchylides leefden langen tijd aan zijn hof. Hij stierf in 467 in de door hem gestichte stad Aetna.--2) Syracusaan van koninklijke afkomst, dapper en bekwaam legeraanvoerder, werd in 270, toen te Syracusae een democratische opstand uitbrak, door het leger tot veldheer gekozen, kwam door de hulp der aristocratische partij in de stad, dempte den opstand, wist zich van de muitende huurtroepen te ontslaan en een nieuw leger te vormen, waarmede hij de Mamertijnen bij Mylae versloeg. Daarop werd hij tot koning uitgeroepen (264) en poogde hij de macht van Syracusae te herstellen; inderdaad bereikte de stad door zijne wijze regeering zekere mate van welvaart, maar in de oorlogen tusschen de Romeinen en Carthagers kon hij niet onzijdig blijven. Aanvankelijk koos hij de partij der Carthagers, maar reeds na een jaar ging hij na de overwinning van App. Claudius tot de Rom. over, verplichtte zich schatting te betalen, stond een deel van zijn gebied af en regeerde over het overige onder romeinsche bescherming; hij bleef de getrouwe bondgenoot der Romeinen tot zijn dood (215).--3) beroemd vazenfabrikant in Athene, uit het begin van de 5de eeuw.

Hierocles, Hierokles, beroemd rhetor van Alabanda, wiens voordrachten Cicero hoorde.

Hierodouloi, andres (gynaikes, parthenoi) hieroi (-rai), tempeldienaars van minderen rang, die bij het brengen van offers, den priester bijstonden, den tempel onderhielden, enz. Z. ook Hetairai.

Hierokeryx, z. Eleusinia.

Hieromenia, heilige maand, schorsing van alle openbare bezigheden wegens een godsdienstig feest. In weerwil van den naam duurde de hieromenia, gewoonlijk slechts eenige dagen, een maand alleen bij de groote nationale feesten; in het laatste geval was er ook een algemeene schorsing van vijandelijkheden (ekecheiria) mede verbonden.

Hieromnemones, z. Amphictyones.

Hieron oros, Mons Sacer, berg in Thracië, aan de Propontis, dicht bij de Chersonesus Thracica. Hierop lag een versterking.

Hieronica (lex) frumentaria, de door Hiero II van Syracusae vastgestelde verordening voor de verpachting der korentienden, enz., die door de Rom. was in stand gehouden.

Hieronymus, Hieronymos, 1) treurspel- en dithyrambendichter, tijdgenoot van Aristophanes, die hem om zijn hoogdravenden stijl bespot.--2) van Rhodus, peripatetisch wijsgeer, leerling van Aristoteles, schrijver van verscheiden philosophische en geschiedkundige werken.--3) van Cardia, diende onder Alexander d. G., werd na diens dood in de oorlogen tusschen zijne opvolgers door Antigonus gevangen genomen, en bekleedde sedert onder dezen en onder zijn opvolgers tot in hoogen ouderdom burgerlijke en militaire betrekkingen. Hij schreef eene belangrijke geschiedenis van zijn tijd.--4) van Syracuse, kleinzoon en opvolger van Hiero (no. 2), koos in den tweeden punischen oorlog de zijde der Carthagers. Wegens zijne wreedheid en verkwisting gehaat, werd hij na 13 maanden geregeerd te hebben vermoord.--5) van Stridon, de kerkvader (348-420 n. C.), leefde sedert 386 in een klooster te Bethlehem, vertaalde den bijbel en de kroniek van Eusebius (z.a.), en schreef een werk De viris illustribus, dat uitsluitend Christenen behandelt.

Hierophantes, de voornaamste priester bij de eleusinische mysteriën; de waardigheid was erfelijk in het geslacht der Eumolpiden.

Hierosolyma (plur.), ta Hierosolyma, Jerusalem, hebr. Jerûsjalajim, vroeger Jebus, door David op de Jebusieten veroverd en tot hoofdstad verheven. Na Salomo bleef J. de hoofdstad van het rijk van Juda tot aan de verovering en verwoesting door Nebukadnezar (586). Na den terugkeer der Joden uit de babylonische ballingschap (537) werd de stad herbouwd. In 70 na C. werd zij door Titus geheel verwoest. In 130 legde Hadrianus er eene rom. kolonie aan, Aelia Capitolina. De stad van David bepaalde zich tot den heuvel Sion (burg) en den berg Moryah, waarop Salomo zijn tempel bouwde. Omstreeks 700 werd de heuvel Ophel met het Kaasmakersdal of Tyropoëon binnen den muur getrokken, benevens de N.-waarts van Sion gelegen stadswijk Acra. Herodes Agrippa ommuurde ook de zoogenaamde nieuwe stad, Bezetha. Ten N. en O. lag het dal van Josaphat met de beek Kedron, en aan de overzijde de Olijfberg (mons Oliveti).

Hilaira, Hilaeira, eene van de dochters van Leucippus, z. Apharetidae.

Hilarotragoedia, z. Rhinthon.

Hilleviones, naam, dien de ouden aan de bewoners van Scandia of Scandinavië gaven. Het zijn Germanen. Zie Scandia.

Himation, z. Pallium.

Himella, beek in het sabijnsche land, in den Avens uitloopende.

Himera, Himera, naam van eene stad op de N.-Kust van Sicilia en van twee rivieren, waarvan de eene noordwaarts stroomt en bij de gelijknamige stad in zee valt, en de andere, zuidwaarts stroomende, de grensscheiding vormde tusschen het gebied van Gela en dat van Agrigentum. Dat zij denzelfden naam dragen, komt hiervandaan, dat men oudtijds in de dwaling verkeerde, dat beide rivieren uit dezelfde bron ontsprongen.--De stad Himera was eene volkplanting van Zancle (Messina). In het begin der vijfde eeuw heerschte in H. zekere Terillus. Door Thero, tyran van Agrigentum verdreven, wendde hij zich om hulp tot de Carthagers, die een leger onder Hamilcar zonden. Toen had in 480 de verschrikkelijke slag aan de Himera plaats, waarin Hamilcar sneuvelde en Thero, met Gelo van Syracusae vereenigd, het carthaagsche leger vernietigde. Later gelukte het den Himeraeërs, met behulp van Hiero van Syracusae, zich van Agrigentum vrij te maken. In 409 evenwel landde een carthaagsch leger van 100.000 man onder Hamilcars kleinzonen Hannibal en Himilco op Sicilia. Selinus viel, vervolgens Himera, daarna Agrigentum. Op de plek, waar Hamilcar gesneuveld was, werden 3000 gevangenen als zoenoffer geslacht. Himera werd met den grond gelijk gemaakt en aan de overzijde der rivier eene nieuwe stad Thermae, ta Therma, gesticht. De badplaats zelf heet gewoonlijk Thermai hai Himeraiai, de inwoners Thermitai, Thermitani. Te Himera was de lierdichter Stesichorus (± 600) geboren; Thermae was de geboortestad van den tyran Agathocles.

Himerius, Himerios, van Prusa (315-386 n. C.), Grieksch rhetor en sophist, deed verscheiden reizen en vestigde zich te Athene, vanwaar Iulianus hem naar Antiochië liet komen en hem tot zijn secretaris aanstelde. 24 redevoeringen van hem zijn bewaard gebleven.

Himilco, Himilkon, naam van een carthaagsch zeevaarder, die (± 550) een tocht langs de Westkust van Europa, tot aan de tineilanden (Cassiterides insulae) ondernam. Hij wordt als bron vermeld bij Avienus (z.a.). Ook werd deze naam door verschillende carthaagsche veldheeren in de sicilische en punische oorlogen gedragen.

Hipparchos, bevelhebber der ruiterij. Te Athene was de ruiterij over de beide vleugels van het leger verdeeld, en waren er dus twee hipparchen, die jaarlijks bij stemming verkozen werden; bovendien was er een hipparch voor Lemnus. In het achaeisch en aetolisch verbond waren zij na de strategen de voornaamste ambtenaars.

Hipparchus, Hipparchos, 1) zoon van Pisistratus, had onder de regeering van zijn broeder Hippias veel invloed, dien hij vooral ten gunste van dichters en letterkundigen aanwendde; hij werd in 514 vermoord (z. Harmodius).--2) dichter der nieuwe attische comedie.--3) van Nicaea in Bithynië, werkte 160-120 te Rhodus en Alexandrië, maar ook in zijn vaderstad als wis- en sterrenkundige, en verwierf zeer grooten roem door de nauwkeurigheid zijner waarnemingen en berekeningen en door zijne ongeloofelijke werkzaamheid. Hij is de eerste Griek, die de trigonometrie beoefend heeft. Van zijne geschriften is er nog één op sterrenkundig gebied over. Zijne aardrijkskundige werken (pros Eratosthenen) worden vaak door Strabo geciteerd.

Hipparinus, Hipparinos, 1) vader van Dio.--2) zoon van den ouden Dionysius, na Dio's dood tyran van Syracuse (353-350).

Hipparis, Hipparis, rivier die door het moeras van Camarina, op de Z.kust van Sicilia, stroomde.

Hippemolgi, Hippemolgoi, een scythische nomadenstam in het N., wier voedsel hoofdzakelijk uit paardenmelk bestond.

Hippes, atheensche burgers uit de tweede der vier door Solon ingestelde phylen, met een eigendom, dat 300-500 medimnen of metreten kon opleveren; zij waren verplicht een strijdros te onderhouden en voornamelijk deze klasse leverde ruiters voor het leger; daar de ruiterij ten tijde van Solon echter niet meer dan 100, en nooit meer dan 1200 man sterk was, dienden de meeste burgers ook uit deze klasse als hoplieten. Ook de spartaansche hippes, eene koninklijke lijfwacht van 300 man, streden te voet, eerst in den peloponnesischen oorlog werd een werkelijk ruitercorps opgericht. Bij de Grieksche wijze van oorlogvoeren, was de beteekenis der ruiterij gering. Antieke ruiterij is niet in staat een charge uit te voeren. De ruiterij rijdt dus op den vijand in, en, dichtbij gekomen, tracht ieder ruiter afzonderlijk den vijand schade toe te brengen. Daar echter de stijgbeugel nog niet uitgevonden was, was de ruiter niet in staat, met zijn lans krachtige stooten toe te brengen; de lans werd dus meestal gebruikt om te werpen.

Hippias, Hippias, 1) zoon en opvolger van Pisistratus (528). Hij regeerde verstandig en gematigd, verminderde de belastingen, en begunstigde dichtkunst en letterkundige studiën. Na den dood van Hipparchus begon hij, niet gerust over de toekomst, strenger te regeeren en maakte hij zich soms aan gewelddadige handelingen schuldig. Inderdaad kregen kort daarna, terwijl hij bezig was Munychia te versterken, de Spartanen van het delphische orakel het bevel, Athene te bevrijden (z. Alcmaeonidae). Een eersten aanval sloeg H. met behulp van thessalische ruiterij af, maar toen bij een tweeden tocht zijne kinderen in handen vielen van Cleomenes I, die het spartaansche leger aanvoerde, zag hij zich genoodzaakt Attica te verlaten (510). Hij begaf zich naar Sigeum. Hij gaf echter de hoop niet op eens terug te keeren, en knoopte daartoe betrekkingen aan met de Lacedaemoniërs en later met Darius Hystaspis; hij volgde de Perzen naar Attica en stierf in of kort na den slag bij Marathon.--2) van Elis, tijdgenoot van Socrates, sophist van zeer uitgebreide kennis, die te Athene en in andere grieksche steden openbare voordrachten hield, waarin hij de geldigheid van conventie en geschreven recht betwistte, en aandrong op zoo sterk mogelijke ontwikkeling van ieders individualiteit. In de twee werken van Plato, die zijn naam dragen, wordt hij als ijdel en oppervlakkig ten toon gesteld.

Hippius, Hippia, Hippios, Hippia, bijnaam van Poseidon, Athena, Hera e. a. goden en godinnen.

Hippo, Hippon, 1) Hippo Regius, basilikos, thans Bona, op de numidische kust aan de golf van Hippo, later rom. kolonie, met ijzermijnen in den omtrek. In 430 n. C. werd de stad door de Vandalen verwoest.--2) Hippo Diarrhytus, diarrytos, in dat gedeelte van het carthaagsche gebied, dat Zeugitana heette.--3) stad der Carpetani in Tarraconensis, ten O. van Toletum.--4) Hippo of Hipponium, als rom. kolonie Vibo Valentia geheeten, z.a.

Hippocentauri, Hippokentauroi, z. Centauri.

Hippocles, Hippokles, zoon van Menippus, atheensch strateeg, trachtte in 412 te vergeefs de peloponnesische schepen te nemen, die van Sicilië terug kwamen. Een van de tien mannen, die tusschen de afzetting van de 30 en het herstel der democratie te Athene de regeering in handen hadden, draagt denzelfden naam; of het dezelfde persoon is, is onzeker.

Hippocoon, Hippokoon, 1) zoon van Oebalus en Batea, verdreef met de hulp zijner 12 zonen zijn broeder Tyndareos en maakte zich meester van de regeering over Sparta; hij werd met zijne zonen door Heracles gedood.--2) Thraciër, vergezelde Rhesus naar Troje.--3) tochtgenoot van Aeneas, bekwaam boogschutter.

Hippocrates, Hippokrates, 1) vader van Pisistratus.--2) Alcmaeonide, grootvader van Pericles.--3) broeder en opvolger van Cleander als tyran van Gela. Door de inwoners van Zancle, zijne bondgenooten, tegen de Samiërs te hulp geroepen, breidde hij, steunend op zijn talrijk huurleger, zijne macht door schandelijk verraad uit, onderwierp ook Naxus, Callipolis en Leontini, noodzaakte de Syracusanen door zijne overwinning bij de rivier Helorus (492) hem Camarina af te staan, en sneuvelde bij een aanslag op Hybla (491).--4) zoon van Ariphron, atheensch strateeg, sneuvelde in den slag bij Delium (424).--5) van Chius, schrijver van het oudste leerboek der meetkunde. Hij leefde in de 2de helft van de 5de eeuw.--6) van Cos, de beroemde grieksche geneesheer, geb. 460. Hij behoorde tot het geslacht der Asclepiaden en ontving het eerste onderwijs in de geneeskunde van zijn vader Heraclides en van andere artsen in zijn vaderland; ook de sophisten Prodicus en Gorgias worden zijne leermeesters genoemd, door sommigen ook Democritus. Van zijn leven is weinig bekend; in zijn jeugd deed hij groote reizen, tijdens de pest in den peloponnesischen oorlog hield hij zich te Athene op, hij stierf in zeer hoogen ouderdom te Larisa in Thessalië. Door nauwkeurige waarnemingen en grondig onderzoek verhief hij de geneeskunde tot wetenschap, zijne werken werden dan ook door Grieken, Romeinen en Arabieren ijverig bestudeerd en dikwijls van commentaren voorzien. Vele daarvan werden echter reeds door de ouden voor onecht gehouden, van de 72, die nu nog zijn naam dragen, worden gewoonlijk slechts 6 als echt beschouwd; het meest bekende draagt den naam Aphorismoi.--Ook zijne beide zonen, Thessalus en Draco, zijn schoonzoon, Polybus, en zijne twee naar hem genoemde kleinzonen waren artsen van naam en schrijvers van geneeskundige werken.

Hippocrene, Hippou krene, Hippokrene, Fons Caballinus, bron op den Helicon, ontstaan door den hoefslag van Pegasus, waarvan het water ieder, die er van dronk, in dichterlijke geestvervoering bracht.

Hippodamea, Hippodameia, 1) dochter van Oenomaüs (z.a.), koning van Elis, en Asterope. Bij Pelops werd zij moeder van Atreus, Thyestes en nog 4 of 11 zonen en 2 dochters. Zij spoorde hare zonen aan tot den moord van Chrysippus, zoon van Pelops en Axioche, en werd daarom door haar gemaal verstooten; zij stierf in Argolis.--2) echtgenoote van Pirithous; op hun bruiloft ontstond de strijd tusschen de Centauren en Lapithen.--3) = Briseis.--4) echtgenoote van Amyntor, moeder van Phoenix.--5) dochter van Anchises, gemalin van Alcathous.

Hippodamus, Hippodamos, van Miletus, beroemd bouwmeester ten tijde van Pericles, de eerste die in Griekenland regelmatig gebouwde straten aanlegde. Hij werd vooral beroemd door zijn werk aan den Piraeus, te Thurii en te Rhodus. Ook wordt hij genoemd als de schrijver van een ontwerp eener ideale staatsinrichting.

Hippodromus, hippodromos, renbaan voor paarden en wagens. De bovenstaande teekening stelt zulk een baan voor: een driehoekige ruimte K, waarin de toebereidselen voor den wedloop gemaakt worden en waar een altaar voor Poseidon Hippius staat, wordt aan eene zijde afgesloten door een zuilengalerij D, aan de twee andere zijden door eenigszins gebogen lijnen (abcd), gevormd door de stallen (oikemata) voor de paarden en wagens; alle deelnemers plaatsten zich in een rij voor een touw (kalodion, hysplex), dat van den top van den driehoek, het uitgangspunt (aphesis), naar de beide zijden van de baan gespannen was; op een gegeven teeken (een metalen arend verhief zich in de lucht) werd dit touw weggetrokken en de wedloop begon; de baan was in twee deelen verdeeld door een lagen aarden wal (choma) van F naar G, aan welks verste einde een altaar van Taraxippus F stond; hier moesten de rijders keeren en langs den anderen kant van den wal terugrijden tot het einddoel G. De baan werd ingesloten door zitplaatsen voor de toeschouwers AEB, die men liefst tegen een heuvel plaatste; waar geen heuvel was, maakte men eene kunstmatige verhooging; bij E was een uitgang.

Hippolochus, Hippolochos, 1) zoon van Bellerophon, koning van Lycië, vader van Glaucus.--2) zoon van Antimachus, Trojaan, door Menelaus gedood.

Hippolyte, Hippolyte, koningin der Amazonen; zij bezat een kostbaren gordel, haar door Ares geschonken, dien Heracles voor Admete, de dochter van Eurystheus, halen moest. Hipp. ontving den held goed en was bereid den gordel te geven, maar Hera spoorde haar en haar volk tot tegenstand aan; in den strijd, die hierdoor ontstond, viel Hipp. V. a. werd zij, niet Antiope (z. a.), door Theseus mede naar Athene genomen.

Hippolytus, Hippolytos, 1) een van de Giganten.--2) zoon van Theseus en Hippolyte of Antiope. Zijne stiefmoeder Phaedra beminde hem, en daar hij haar geen wederliefde schonk, belasterde zij hem bij Theseus alsof hij haar tot ontrouw had willen verleiden. In overijling bad Theseus, dat Poseidon zijn zoon zou straffen, en deze liet, toen Hipp. langs het strand reed, een monster uit zee opkomen, waardoor de paarden schuw werden, op hol gingen, en hun meester voortsleepten tot hij stierf. Artemis openbaarde echter zijne onschuld aan Theseus, liet hem door Asclepius in het leven terugroepen, en bracht hem naar haar heilig woud bij Aricia, waar hij onder den naam Virbius vereerd werd.--3) Christelijk schrijver uit de eerste helft der derde eeuw, leerling van Irenaeus, v. s. wegens kerkelijke twisten (hij was tegelijk met Callistus bisschop van Rome) uit Rome verbannen en bij de Christenvervolging van keizer Decius als martelaar gestorven. In dat deel van zijne werken, dat bewaard gebleven is, vindt men vele bizonderheden over wijsbegeerte, godsdienst en bijgeloof der ouden.

Hippomedon, Hippomedon, een van de zeven vorsten, die met Adrastus tegen Thebe optrokken; bij de belegering van die stad sneuvelde hij.

Hippomenes, Hippomenes, zoon van Megareus, echtgenoot van Atalante (z. a.).

Hipponax, Hipponax, van Ephesus, iambograaf omstreeks 540; van zijn leven is alleen bekend dat hij om politieke redenen naar Clazomenae vluchtte, zie ook Bupalus.

Hipponicus, Hipponikos, naam van verscheiden leden van een adellijk atheensch geslacht. Hiertoe behooren: 1) iemand die zich verrijkte door gebruik te maken van een vertrouwelijke mededeeling betreffende de seisachtheia van Solon; men houdt dit verhaal en de persoon zelve tegenwoordig voor verzonnen.--2) zijn kleinzoon, bijgenaamd Ammon, behield de schatten, die hem toevertrouwd waren door een Eretriënser, die na de verovering van zijn vaderstad naar Perzië medegevoerd werd (490). Ook dit verhaal is verzonnen.--3) zoon van Callias no. 1 en Elpinice (z. Cimon no. 2), sneuvelde in den slag bij Delium (424). De vrouw van Pericles was vroeger met hem gehuwd geweest, zijne dochter Hipparete werd de vrouw van Alcibiades.--4) zoon van Callias no. 2, schoonzoon van Alcibiades.

Hipponium, zie Hippo no. 4.

Hipponous, Hipponoos, z. Bellerophon.

Hippophagi, Hippophagoi, 1) scythisch volk in Persis.--2) volk in aziatisch Sarmatia, de tegenwoordige Kalmukken.

Hippotes, Hippotes, vader van Arne of van Aeolus no. 2 (z. a.).

Hippothoon, Hippothoon, zoon van Poseidon en Alope (z. a.). Na den dood van zijn grootvader Cercyon gaf Theseus hem de regeering over Eleusis.

Hippothoontis, Hippothontis, een van de 10 phylae, waarin de bevolking van Attica door Clisthenes verdeeld werd.

Hippothous, Hippothoos, 1) vader van Aepytus no. 2.--2) zoon van Priamus.--3) van Larisa, bondgenoot der Trojanen, door Ajax no. 2 gedood.

Hippotoxotai, een politiemacht van bereden boogschutters te Athene; men gebruikte hiervoor staatsslaven. In het begin van den peloponnesischen oorlog was hun aantal 200.

Hirpini, Hirpinoi, volk in het Z. van Samnium. Hoofdstad: Aeculanum.

Hirrus (C. Lucceius of C. Lucilius), z. Lucilii no. 4.

Hirtia (lex) van A. Hirtius (46). Zij sloot de aanhangers van Pompeius van alle ambten uit.

Hirtius (A.), uit een plebejisch geslacht, diende onder Caesar in Gallia, en vergezelde hem later naar Aegypte. Als praetor stelde Hirtius in 46 de hierboven vermelde wet voor. In 45 ging hij met Caesar naar Hispania. Overigens was hij meer schrijver dan krijgsman en bracht hij bij voorkeur zijn tijd door op zijn landgoed bij Praeneste. In 43 was hij consul met C. Vibius Pansa. Hoewel Hirtius na Caesars dood tot Antonius had overgeheld, gevoelde hij zich spoedig door diens aanmatigingen afgestooten, waartoe misschien de vertrouwde omgang met Cicero bijdroeg. Met Pansa en den jeugdigen Octavianus trok hij tegen Antonius op, doch sneuvelde in den slag hij Mutina (Modena), terwijl Pansa daags daarna aan zijne wonden bezweek. Het achtste boek der Commentarii de bello Gallico is van Hirtius afkomstig; waarschijnlijk heeft hij ook het bellum Alexandrinum geschreven.

Hirtuleius (L.), onderbevelhebber van Q. Sertorius in Hispania, die den rom. veldheeren in de jaren 79-76 verschillende nederlagen toebracht, doch in 75 sneuvelde.

Hispalis, Hispalis, thans Sevilla, aanzienlijke koopstad der Turdetani in Baetica, aan den Baetis (Guadalquivir). Caesar maakte er eene rom. kolonie van, Iulia Romula of Romulensis. Hispalis was door Phoeniciërs gesticht. De Baetis was tot hier voor zeeschepen bevaarbaar.

Hispania, Hispania, door de Grieken Iberia genoemd, tegenw. Spanje en Portugal, was tot in de derde eeuw den Rom. bijna onbekend. Na den eersten punischen oorlog zochten de Carthagers zich in H. schadeloos te stellen voor het verlies der italiaansche eilanden. In den tweeden oorlog ging ook H. voor hen verloren. De Romeinen verdeelden het land, voor zoover hunne heerschappij zich binnenwaarts uitstrekte, in twee provinciën: H. citerior en H. ulterior of Baetica, naar den Baetis (Guadalquivir). Oorspronkelijk strekte het eerste zich slechts uit langs de kust, maar langzamerhand werd ook het binnenland veroverd. In 180-178 werden de Celtiberiërs door Tib. Sempronius Gracchus, den vader der beide Gracchen, onderworpen en hun land, een groot gedeelte van het binnenland bij H. Citerior gevoegd. In 138 werd Lusitania, een landstreek in het Z.W., onderworpen, en aan Baetica toegevoegd. De volledige onderwerping van het geheele schiereiland had eerst in 19 plaats, toen Agrippa de Cantabriërs en Asturiërs onderwierp. Nu werd H. in 3 provincies verdeeld: Citerior, Ulterior Baetica en Ulterior Lusitania, waaronder ook Gallaecia en Asturia hoorden. Nog vóór den dood van Augustus werden Gallaecia en Asturia bij H. Citerior gevoegd, dat voortaan gewoonlijk Tarraconensis heet, naar de hoofdstad Tarraco; de andere twee provincies heeten nu Baetica en Lusitania. De bevolking bestond uit keltische en iberische stammen; de Iberiërs waren donker van tint. Vooral in Baetica troffen de Romeinen reeds een ver gevorderden trap van beschaving aan; vandaar dat geen andere provincie in gelijke mate als Hispania rom. zeden en gewoonten overnam. Seneca, Lucanus, Martialis, Quintilianus, Traianus, Hadrianus waren uit Hispania geboortig. Alleen stond de bevolking ook reeds toen bekend om hare luiheid en morsigheid. De bodem was in het Z. uiterst vruchtbaar en leverde ook verschillende metalen en edelgesteenten op. In het tijdperk der volksverhuizing werd Hispania afwisselend overstroomd door Vandalen, Sueven, Alanen en Westgothen.

Hispellum, voornaamste stad in Umbria, thans Spello.

Hister, zie Danuvius.

Histiaea, Histiaeotis = Hestiaea, Hestiaeotis.

Histiaeus, Histiaios, tyran van Miletus onder perzische opperheerschappij. Toen Darius Hystaspis in het land der Scythen ingevallen was, verzette Hist. zich tegen het plan om de brug over den Ister af te breken, waarvan de ondergang van het perzische leger het onvermijdelijk gevolg zou geweest zijn. Daarvoor werd hij met land in Thracië begiftigd, later begon Darius hem echter te wantrouwen en riep hij hem, naar het heette uit vriendschap, tot zich naar Susa. Later werd hij naar de kust gezonden, om den opstand van Aristagoras (z. a.) te dempen, waartoe hij hem heimelijk zelf had aangemoedigd; daar hij echter zag dat de satraap Artaphernes hem niet vertrouwde, vluchtte hij. Hij werd door de Chiërs gevangen genomen, maar weder vrijgelaten, en daar de Milesiërs weigerden hem te ontvangen, ging hij naar Byzantium, leefde daar eenigen tijd als zeeroover en werd eindelijk door Harpagus gevangen genomen en te Sardes door Artaphernes ter dood gebracht (498).

Historiae Augustae scriptores = Scriptores historiae Augustae.

Histria, Istria, schiereiland in het N. der Adriatische zee, door de ruwe Istri bewoond en in 177 onderworpen. Ten tijde van Varro, die een aardrijkskundig werk geschreven heeft, behoorde het westelijk gedeelte tot aan de Formio, bij Italië; Augustus heeft het gewest geheel bij Italië ingelijfd. Steden: Tergeste (Triest) en Pola.

Homeridae, Homeridai, familie of genootschap op Chius, van Homerus afstammend of naar hem genoemd; zij hadden zich tot taak gesteld de gedichten van Homerus ongeschonden te bewaren en de kennis er van algemeen te maken. In lateren tijd werden ook rhapsoden zoo genoemd, en over het algemeen zij, die zich met de gedichten van Homerus bezig hielden.

Homerus, Homeros, is volgens de overlevering de dichter van de Ilias en Odyssee, de twee beroemde heldendichten, die van den grootsten invloed waren op de beschaving der Grieken, gedurende hun volksbestaan den grondslag van alle verdere studiën vormden, en nog tot heden als modellen van epische poëzie beschouwd worden. Hij zou een zoon van Maeon, arm en blind geweest zijn; van zijn leeftijd wisten de ouden reeds niets, zoodat sommigen beweerden dat hij in de 12de eeuw, anderen dat hij later, sommigen zelfs dat hij niet vóór de 7de eeuw geleefd zou hebben; zeven steden beroemden zich de vaderstad van Hom. geweest te zijn, hoewel men erkende dat in dien strijd Smyrna en Chius de beste aanspraken konden doen gelden. De meest gezaghebbende meening was, dat de gedichten van Homerus in het midden der 9de eeuw in Ionië ontstaan waren.--Hoe dit zij, deze gedichten leefden gedurende vele eeuwen, waarin de schrijfkunst slechts weinig in gebruik was, in den mond van het volk, en hadden hunne verbreiding voornamelijk te danken aan de rhapsoden (z. a.) die bij feestelijke gelegenheden gedeelten er van voordroegen. Het ligt voor de hand dat sommige gedeelten meer in den smaak vielen dan andere, en dus meer gehoord werden, dat sommige, te lang voor eene voordracht, bekort moesten worden, dat andere, wat hun omvang betreft juist voor de voordracht geschikt, van een passend begin of slot moesten worden voorzien, kortom, onder deze omstandigheden waren de gedichten lang niet in al hunne deelen even algemeen bekend, en stonden zij op velerlei wijze aan vervalsching en verminking bloot, totdat, naar men meent onder Pisistratus en zijne zonen, de verspreide deelen door deskundigen verzameld en tot één geheel verwerkt werden. Deze maatregel bevorderde de studie der gedichten van Hom. zeer, in den bloeitijd van Athene was dan ook de kennis er van zeer algemeen, en personen, die de geheele Ilias en Odyssee van buiten konden opzeggen, waren niet zoo zeldzaam als men zou denken. Toen later te Alexandria de studie der taal- en letterkunde een hooge vlucht nam, kozen de beste alexandrijnsche geleerden, o. a. Zenodotus en Aristarchus, de werken van Hom. ter behandeling, trachtten met veel moeite den tekst te verbeteren, of schreven geleerde verklaringen er bij. Reeds onder hen werd door sommigen, die daarom chorizontes genoemd werden, de meening verdedigd, dat de Odyssee niet in denzelfden tijd ontstaan kon zijn als de Ilias, dat tusschen beide gedichten misschien wel eene tusschenruimte van 100 jaar lag, en dat zij dus niet van denzelfden dichter konden zijn. Nieuwere geleerden beweren echter, dat ook de afzonderlijke deelen van elk der beide werken te veel van elkander verschillen, om ze aan denzelfden maker toe te schrijven, dat bovendien zulke groote werken in een tijd, waarin de schrijfkunst zoo weinig algemeen was, niet hadden kunnen ontstaan, of ten minste weder spoedig hadden moeten vergeten zijn, en dat men dus moet aannemen, dat zoowel Ilias als Odyssee vóór Pisistratus niet anders bestaan hebben dan als afzonderlijke liederen, waarin eerst toen eenige samenhang gebracht zou zijn. Deze meening vindt bij sommigen zooveel bijval, dat men zelfs getracht heeft die oorspronkelijke liederen aan te wijzen, anderen verwerpen haar geheel, terwijl nog anderen toegeven dat beide gedichten uit de vereeniging van zulke kleinere liederen bestaan, maar aannemen dat die vereeniging veel vroeger, waarschijnlijk omstreeks het midden der 9de eeuw, tot stand gebracht zou zijn door iemand die Homerus heette, of misschien juist door dat werk den naam Homerus (samenvoeger) gekregen heeft. Tegenwoordig is de meest algemeene meening, dat elk van beide gedichten in hoofdzaak van denzelfden dichter is, doch dat daaraan op verschillende tijden, deels door hemzelven, deels door anderen, grootere en kleinere stukken zijn toegevoegd.--Behalve Ilias en Odyssee zijn nog eenige kleinere gedichten bewaard gebleven, die werken van Homerus heeten te zijn; deze zijn echter alle van lateren tijd en van zeer ongelijke waarde.

Homerus latinus, z. Silii no. 7.

Homoioi, gelijken. De wet van Epitadeus (z. a.) had tengevolge dat, in strijd met de instellingen van Lycurgus, het grondbezit te Sparta zich weldra in weinige handen bevond, terwijl de meerderheid der burgers tot armoede verviel. Deze ongelijkheid van vermogen bracht ook ongelijkheid in burgerlijke rechten mede, en nu noemden zich de rijke grondeigenaars homoioi, in tegenstelling van de armere burgers, hypomeiones.

Homole, Homole, berg, aan Pan gewijd, in Thessalia, nabij het dal Tempe.--Homole of Homolium, Homolion, stad in het N. van het thessalische landschap Magnesia.

Homona, Homonadenses, Homonades of Omana, Omanades, stad en roofzuchtig bergvolk in Pisidia, in het Taurusgebergte.

Honorius (Flavius), zoon van keizer Theodosius den Gr., die bij de deeling des rijks het Westen kreeg, terwijl aan zijn ouderen broeder Arcadius het Oosten werd toegewezen, 395 na C. Honorius was een nietsbeteekenende knaap. Zijn minister en voogd Stilicho, een voortreffelijk veldheer, wist wel de invallen van germaansche volkeren af te weren, maar deed niets tot ontwikkeling van den jongen vorst, hoewel deze zijne dochter had gehuwd. In 408 liet H., aan valsche inblazingen gehoor gevende, zijn schoonvader ombrengen en nu drongen de barbaren van alle zijden het rijk binnen en namen de eene provincie na de andere weg. De Westgothen onder Alarik veroverden zelfs Rome. Zie Alaricus. Eindelijk zag H. zich genoodzaakt, zijn veldheer Constantius tot mederegent aan te nemen en hem zijne zuster Placidia, weduwe van den westgothischen koning Athaulf, tot vrouw te geven. H. stierf zes jaar later, in 423.

Hopletes, burgers die tot de tweede der vier oude attische phylen behoorden.

Hoplitai, zwaargewapende infanteristen, het voornaamste deel van een grieksch leger. Zij droegen een harnas, helm en beenplaten van metaal, en waren gewapend met een kort zwaard, een langwerpig schild (aspis), en een werpspies van ongeveer 8 voet. De taak der zwaargewapenden was in gesloten gelederen op den vijand aan te rukken en diens slagorde te verbreken. Zij kregen, wanneer zij in dienst waren, betaling voor soldij en onderhoud voor zichzelven en een bediende; deze betaling was echter in verschillende tijden en omstandigheden hooger of lager.

Horae Quirini, zie Hersilia.

Horae, Horai, dochters van Zeus en Themis, godinnen der orde in de natuur en der afwisselende jaargetijden, verder ook van maatschappelijke orde, wet en recht. Zij zijn dienaressen van Zeus en zijn belast met het openen en sluiten van de poorten des hemels. Gewoonlijk worden drie Horen genoemd: Eunomia, Dice en Irene, te Athene vereerde men slechts twee: Thallo en Carpo, later nam men vier aan in overeenstemming met het aantal jaargetijden. Tempels hadden zij te Athene, Corinthe e. a. plaatsen.--Zij worden afgebeeld als schoone jonge vrouwen, luchtig gekleed en met bloemen en vruchten versierd.

Horatiae Valeriae (leges) van de consuls M. Horatius Barbatus en L. Valerius Poplicola Potitus, 449: 1) ut, quod tributim plebs iussisset, populum teneret;--2) dat de volkstribunen, de plebejische aedilen en de iudices decemviri sacrosancti zouden zijn;--3) dat geen nieuw overheidsambt zonder provocatio in het leven zou worden geroepen, op straffe des doods. Dit zijn geen eigenlijke wetten (leges) geweest, maar de voorwaarden, waarop de eendracht tusschen patres en plebs hersteld werd. Bovendien is de eerste wet, evenals de lex Publilia Philonis van 339 v. s. een anticipatie van de lex Hortensia van 287. Aan het bestaan van de derde wet wordt door sommige geleerden getwijfeld. Zie Valeriae leges de provocatione. Met iudices decemviri, in de 2de wet genoemd, worden volgens de gewone opvatting de decemviri stlitibus iudicandis bedoeld; z. echter aldaar.

Horatii, een patricisch geslacht. 1) De drie gebroeders, die, volgens het verhaal, onder de regeering van Tullus Hostilius den oorlog met Alba Longa beslechtten door een strijd met de drie Curiatii, en waarvan de eenig overgeblevene zijne zuster zou hebben neergestooten, omdat zij haren bruidegom, een der gesneuvelde Curiatii, beweende. V. s. is dit hoog poëtische verhaal aan een fabula praetexta van Ennius ontleend.--2) M. Horatius Pulvillus, een der consuls uit het eerste jaar der rom. republiek; hij wijdde den tempel van Jupiter Capitolinus.--3) P. Horatius Cocles (de éénoogige) verdedigde de houten paalbrug over den Tiber tegen de aandringende soldaten van Porsena, totdat zijne medeburgers de brug achter hem hadden afgebroken. Toen sprong hij in de rivier en kwam behouden in de stad terug, in weerwil eener hagelbui van pijlen. Zijne medeburgers richtten voor hem een standbeeld op en schonken hem zooveel land, als hij in een dag kon omploegen.--4) C. Horatius Pulvillus, consul in 477, sloeg de aanvallen der Volscen en Etruscers af, die Rome bijna hadden vermeesterd. In 457 was hij andermaal consul en overwon toen de Aequers.--5) M. Horatius Barbatus, consul in 449, herstelde met zijn ambtgenoot L. Valerius Poplicola wat de tienmannen bedorven hadden, verzoende de beide standen te Rome, bracht de beroemde leges Horatiae Valeriae (z.a.) tot stand, en behaalde eene groote overwinning op de Sabijnen.--6) Niet tot deze gens behoorde de beroemde dichter Q. Horatius Flaccus, de zoon van een vrijgelatene, geboren te Venusia in het jaar 65. Zijn vader zorgde met den meesten ijver voor zijne opvoeding en ging te Rome wonen, om zijn zoon de beste meesters te kunnen geven. Op zijn negentiende jaar ging H. te Athene zijne studiën voltooien. In 44 was hij krijgstribuun in het leger van Brutus en deelde in de nederlaag bij Philippi. In dezen burgeroorlog verloor hij zijn vaderlijk erfgoed, zoodat hij als scriba zijn brood moest verdienen. Doch de dichters Varius en Vergilius bevalen hem bij Maecenas aan, die hem bij zich ontbood (38), en hem wel eerst na 9 maanden opnieuw tot zich riep, maar hem toen ook in den kring zijner vrienden opnam, waarvan hij spoedig een onmisbaar lid werd. Van Maecenas kreeg hij (33) een klein landgoed, het Sabinum bij Tibur, ten geschenke, dat zijn geliefkoosd verblijf werd. Hij stierf, kort na Maecenas, in het jaar 8, ongehuwd. Horatius bracht als lierdichter het eerst grieksche maten van de oude Grieksche dichters op latijnschen bodem over. Zijne levensrichting was over het algemeen de epicureïsche; gaarne genoot hij het goede; toch kon hij ook sober en eenvoudig leven en zich naar de omstandigheden schikken als de beste stoicijn. In het staatkundige was de slag hij Philippi het graf zijner idealen geweest, in Octavianus zag hij voortaan den man, die den lang gehoopten vrede aan de wereld zou schenken. Wij bezitten van hem: Carmina of Odae (4 boeken), Epodon liber (z. Epodus no. 3), het Carmen saeculare, Satirae (2 boeken), Epistulae (2 boeken), waarvan de beroemdste de Epistula ad Pisones of Ars poetica.

Horta, eene Romeinsche godin wier tempel steeds open staat. Overigens is van haar niets bekend.

Horta, Hortanum, stad in Etruria, waar de Nar in den Tiber stroomt.

Hortator of pausarius, de man, die op het schip de maat aangaf bij het roeien, hetzij met een hamer, hetzij met de stem, soms ook met de fluit.

Hortensia (lex) van 287 van den dictator Q. Hortensius, ut eo iure, quod plebs statuisset, omnes Quirites tenerentur. Hiermede werden de plebiscita voor goed gelijk gesteld met leges, en de voorafgaande goedkeuring der tribunicische rogationes door den senaat afgeschaft. Eene andere lex Hortensia verklaarde de nundinae of marktdagen tot dies fasti.

Hortensii, een plebejisch geslacht. 1) L. Hortensius, volkstribuun in 422, een warm ijveraar voor de belangen der plebs.--2) Q. Hortensius, in 287 tot dictator gekozen om eene secessio plebis te bezweren, de auctor der lex Hortensia de plebiscitis.--3) Q. Hortensius Hortalus, (geb. 114), een van Rome's grootste redenaars, de evenknie van Cicero, en een handig en geslepen verdediger, niet altijd keurig in de keus zijner middelen. In 69 bekleedde hij het consulaat. In den burgeroorlog had hij onder Sulla gediend en verder bleef hij de aristocratische partij toegedaan. Hij stierf in 50. Hij was zeer vermogend en had zijn huis weelderig en met fijnen smaak ingericht; zijne keuken, wijnkelder en vischvijvers waren beroemd en zijne overdreven zorg daarvoor maakte hem wel eens tot een mikpunt van spotternij. Wij hebben geen enkel geschrift van hem; hij dichtte ook, doch zijne verzen konden den toets van zedelijkheid niet doorstaan. Ook schreef hij annales. Hij was een vertegenwoordiger van den asiatischen stijl (Asianismus), z. Hegesias no. 2.--4) Hortensia, dochter van no. 3, wordt genoemd als een voorbeeld van vrouwelijke welsprekendheid. Zij heeft in 42 de rechten der gehuwde vrouwen, die door een zware belasting getroffen werden, met succes ten overstaan van de triumviri verdedigd.

Horus, Horos, een aegyptisch god, zoon van Isis en Osiris, waarschijnlijk de god der opgaande zon, door de Grieken voor denzelfden gehouden als Apollo. Meer bekend bij Grieken en Rom. was echter een jongere Horus, een zwakke zoon van Osiris en in diens ouderdom geboren, naar men meent de god der ondergaande zon of winterzon. Onder den naam Harpocrates (z. a.) wordt hij vooral vereerd als god van het zwijgen.

Hospitium. Tusschen aanzienlijke familiën in verschillende steden en gewesten bestonden vaak banden van gastvriendschap. Bij het sluiten van zulk een band (foedus) werden de namen van beide familiën op eene zoogenaamde tessera hospitalis geschreven, eene soort van liniaal, zóó dat aan weerszijden een naam stond. Zulk eene tessera wordt dan doorgebroken en elke familie ontving eene helft. Op vertoon daarvan had men niet slechts aanspraak op herberging, maar ook, zoo noodig, op hulp en bescherming. De band ging op de erfgenamen over en werd als heilig beschouwd. De rom. grooten hadden zulke hospitia de geheele wereld door. Niet slechts echter bijzondere personen sloten zulke banden van gastvriendschap, zij komen ook voor tusschen staten, in welk geval van weerszijden vorstelijke personen en gezanten op staatskosten werden gehuisvest en onthaald. Dit heet hospitium publicum. Ook bestonden er hospitia tusschen tal van civitates in den vreemde en aanzienlijke familiën te Rome, waarmede dan tevens aan deze familie het patronaat werd opgedragen, d. w. z. de taak om de vreemde civitas in rechten als anderszins te vertegenwoordigen, hare burgers te Rome te beschermen en hare belangen voor te staan, ongeveer zooals in onze nieuwere maatschappij de consuls doen.

Hostilia, nu nog Ostiglia geheeten, stadje aan den Padus (Po), met een druk veer over de rivier, aan den weg van Bononia (Bologna) naar Mantua en Verona.

Hostilia curia, zie Curia.

Hostilianus (Gaius Valens), Caesar onder zijn vader Decius, 249 n. C., na diens dood (251) keizer, sterft weldra aan de pest.

Hostilii, een oud, patricisch geslacht, waarvan enkele leden in den tweeden en derden punischen oorlog en de oorlogen tegen Perseus en Antiochus III voorkomen. C. Hostilius Mancinus, consul in 137, werd door de Numantijners tot den vrede gedwongen, dien de rom. senaat evenwel verwierp. Mancinus werd toen uitgeleverd (z. Furia Atilia (lex)), doch de N. weigerden dit offer te aanvaarden. Later werd M. uit den senaat gestooten.

Hostis was oudtijds = peregrinus, terwijl in het oude fetiaalrecht perduellis voor vijand werd gebruikt. Later beteekende hostis een buitenlandschen vijand, perduellis een binnenlandschen, terwijl diens handeling, hoogverraad, door perduellio wordt uitgedrukt. Wanneer een onderworpen vijand opstaat, is hij een rebellis; wanneer burgers oproer maken, is het eene seditio.

Hostis iudicatio is een senaatsbesluit, waarbij van bepaalde personen verklaard werd, dat zij zich door hun daden tot vijanden van den staat gemaakt hadden, en dat zij dientengevolge van burgerrecht vervallen, vogelvrij en, zoo ze ambtenaren waren, ambteloos geworden waren. Dit besluit was vaak een toevoeging aan het senatus consultum ultimum (z. a.), en werd door de senaatspartij gebruikt als middel om woelingen te onderdrukken; het eerst is het toegepast tegen Ti., daarna tegen C. Gracchus, in 100 tegen Saturninus en Glaucia. De aan de senaatsregeering vijandige partij heeft altijd terecht de bevoegdheid der magistraten ontkend, om aan deze onwettige verklaring van den senaat gehoor te geven; vele van de consuls, die er zich door hadden laten bewegen om gevangenen terecht te stellen, zijn later met eenigen tijd van ballingschap gestraft, zooals o. a. Cicero wegens het dooden der Catilinarii in 63 (z. Clodiae (leges) no. 5).

Hybreos graphe, aanklacht wegens mishandeling. Het proces werd voor de heliasten (z. Heliaia) gevoerd en de straf werd naar omstandigheden door de rechters bepaald.

Hylles, een van de drie dorische phylae (z. a.), naar Hyllus genoemd.

Hunni, Hounnoi, aziatisch volk, dat oorspronkelijk in Mongolië woonde, en ± 375 n. C. over den Rha (Wolga) drong, de Alanen en Oostgothen onderwierp, andere volken voor zich uit dreef en vooral onder Attila, den "geesel Gods" (zie Attila) het romeinsche rijk teisterde. Na Attila's dood (453) viel het groote Hunnenrijk uiteen en ± 500 was de naam van Hunnen weder verdwenen. Omtrent een vroeger optreden van de Hunnen zie men Bactria.

Hypaithros heette de ruimte in het midden van een tempel, wanneer zij, zooals bij groote gebouwen soms het geval was, niet van een dak voorzien was. Men verkeert omtrent deze quaestie nog geheel in het duister; behalve het Pantheon te Rome zijn ons dergelijke tempels niet bekend. Z. verder onder Templum.

Hypaspistes, 1) schildknaap, een slaaf, die op marsch voor zijn heer schild, helm, enz. droeg.--2) in het macedonische leger lichtgewapende infanteristen, meer voor aanval dan voor verdediging bestemd, van een korte lans en een lang zwaard voorzien. Uit hen werd de koninklijke lijfwacht (agema) gekozen.

Hypekooi, op Creta = perioikoi.

Hypogrammateus = grammateus (z. a.) tes poleos, ook gr. tou demou of gr. tes boules kai tou demou genoemd.

Hypomeiones, z. Homoioi.

Hyacinthus, Hyakinthos, 1) zoon van Amyclas en Diomede, een buitengewoon schoon jongeling, die door Apollo en Zephyrus bemind werd. Toen Apollo eens met hem aan de oevers van den Eurotas met den discus speelde, dreef Zephyrus uit jaloerschheid de werpschijf van Apollo naar het hoofd van Hyac., zoodat deze doodelijk gewond werd. Apollo veranderde hem in de bloem, die zijn naam draagt. Te zijner eere vierden de Spartanen jaarlijks te Amyclae een groot feest, de Hyacinthia, dat drie dagen duurde; de eerste dag was een treurdag, waarop men aan Hyac. in stilte offers bracht, de beide volgende dagen hield men feestelijke optochten en wedspelen.--2) Lacedaemoniër, die ten tijde van Aegeus te Athene woonde. Toen Minos Athene met oorlog bedreigde (z. Aegeus), kregen de Atheners van het orakel den raad de kinderen van een vreemdeling te offeren; zij kozen daarvoor de dochters van Hyac. Niettemin werden zij door Minos overwonnen.

Hyades, Hyades, Suculae, sterrenbeeld aan den kop van den Stier, dat bij het begin van den regentijd opgaat (pluviae, tristes). Zij worden dochters van Atlas en Aethra of Pleione, of van Oceanus of van Melisseus genoemd, en waren de voedsters van Dionysus (nysaeische nimfen) of van Zeus (dodonaeïsche nimfen) geweest en ter belooning onder de sterren geplaatst. V. a. hadden zij zich dood getreurd om het verlies van hun broeder Hyas, die op de jacht omgekomen was.

Hyaea, Hyaia, vlek in het gebied der ozolische Locriërs.

Hyampea, Hyampeia, een van de toppen van den Parnassus = Lycoreus.

Hyampolis, Hyampolis, stad in Phocis bij Elatea, door Hyanten gesticht. De stad werd eerst verwoest door Xerxes, later door Philippus van Macedonia.

Hyantes, Hyantes, oude bewoners van Boeotia, door de Cadmeërs naar Phocis verdreven, waar zij Hyampolis stichtten. Een groot gedeelte vestigde zich in Aetolia. Hyantius, Hyanteus bij dichters = boeotisch, hyantis = aetolisch.

Hyarotes, Hyarotes = Hydraotes.

Hybla, Hybla, naam van drie steden op Sicilia, H. maior, he meizon of megale, v. s. ook Hybla Geleatis (Gereatis), Hybla he Geleatis, he Gereatis geheeten, lag aan den Aetna; H. minor, he mikra of Hybla ta Megara, ook wel Megara Hyblaea, v.s. ook Hybla Geleatis geheeten, lag ten N. van Syracusae, en werd Megara genoemd naar dorische kolonisten uit Megaris. De inwoners heetten Megares Hyblaioi. In den tweeden punischen oorlog werd het door de Rom. verwoest. Het derde, H. Heraea, Heraia of he elatton, lag aan den weg van Syracusae naar Gela. Uit een der drie Hybla's kwam de beroemde honig, Hyblaeum mel.

Hyccara, (plur.), ta Hykkara, stad der Sicani op de N.kust van Sicilia, in 415 door de Atheners veroverd en geplunderd en toen aan Segesta afgestaan.

Hydaspes, Hydaspes, zijtak van den Acesines, waarbij Alexander de Gr. zijne overwinning op koning Porus behaalde. Vergilius noemt hem minder juist Medus Hydaspes, daar het perzische rijk zich niet tot aan dezen stroom uitstrekte. Horatius noemt hem fabulosus = alleen bekend van hooren zeggen, n.l. bij de Rom.

Hydraotes, Hydraotes, een zijtak van den Acesines, evenals de Hydaspes.

Hydrea, Hydrea, thans Hydra, eilandje bij Argolis. De bevolking is van dryopischen stam.

Hydrochous, Hydrochoos = Aquarius.

Hydrophoria, Hydrophoria, reinigings- en verzoeningsfeest ter eere van Apollo of de onderaardsche goden of ter herinnering aan de slachtoffers van den zondvloed van Deucalion, op vele plaatsen van Griekenland in het voorjaar gevierd.

Hydruntum of Hydrus, Hydrous, thans Otranto, stad op de kust van Calabria, met eene uitstekende haven.

Hygiea, Hygieia, dochter van Asclepius, godin der gezondheid. Zij wordt gewoonlijk gemeenschappelijk met haar vader vereerd, maar staat ook in nauwe betrekking tot Athena, die ook den bijnaam Hygiea heeft. Op hare afbeeldingen heeft zij een slang in de hand, die zij uit een schaal laat drinken.

Hyginus (C. Iulius), een vrijgelatene van Augustus, geboortig uit Hispania, opzichter der palatijnsche bibliotheek. Hij was een vlijtig beoefenaar van taal- en oudheidkunde. Men veronderstelt, dat hetgeen wij op naam van Hyginus bezitten, een fabularum liber en een poëticon astronomicon niet van dezen Hyginus afkomstig is. Onder Traianus, v.a. ± 300, komt nog een Hyginus gromaticus voor (z. Groma).

Hylas, Hylas, zoon van Theodamas en Menodice, lieveling van Heracles, met wien hij deelnam aan den tocht der Argonauten. Toen Hylas in Mysië aan land gegaan was om water te scheppen, werd hij door bronnimfen geroofd, Heracles ging hem zoeken en bleef zoo lang uit, dat de Argonauten zonder hem vertrokken.--Ter eere van Hylas vierden de inwoners van Prusias een feest, waarbij geofferd werd bij de bron, waarin hij verdwenen was, en men in de bergen het zoeken van Heracles nabootste.

Hyle, Hyle, oud boeotisch stadje, aan het Hylische meertje.

Hylias, Hylias, grensrivier tusschen het gebied van Croton en dat van Sybaris in het land der Bruttii.

Hylice, Hylike (sc. limne), meer. Zie Hyle.

Hyllus, Hyllos, zoon van Heracles en Deïanira, de stamvader der Heracliden (z.a.), die in de Peloponnesus regeerden. Na een eersten inval in de Peloponnesus ging hij naar Thessalië, waar Aegimius hem een derde gedeelte van zijn land afstond, bij een tweeden inval werd hij door Echemus gedood.

Hyllus, Hyllos, zijtak van den Hermus, in aziatisch Ionia.

Hymen, Hymenaeus, Hymen, Hymenaios, zoon van Apollo en Calliope of Urania of van Dionysus en Aphrodite, bevrijdde eens een aantal jonge meisjes, die door zeeroovers gevangen genomen waren; daarom gedachten deze hem, toen zij trouwden, in het bruiloftslied, en sedert dien tijd wordt hij als een god van het huwelijk beschouwd, die in het bruiloftslied wordt aangeroepen. Hij komt voor in gezelschap van Aphrodite en Eros, zijne afbeeldingen gelijken op die van Eros, ofschoon hij grooter en ernstiger voorgesteld wordt; gewoonlijk is hij met rozen bekranst en draagt hij een fakkel en sluier in de hand.

Hymettus, Hymettos, berg in Attica ten O. van Athenae, voor een gedeelte met geurigen thym begroeid en hierom bekend door zijn voortreffelijken honig. De berg is ook bekend om zijn marmergroeven.

Hypacyris, Hypakyris, ook wel -caris, rivier in europeesch Sarmatia, onzeker welke.

Hypaepa, ta Hypaipa, stadje in Lydia aan de Z. helling van den Tmolus. Het was bekend om zijne schoone vrouwen.

Hypanis, Hypanis, naam van twee rivieren in Sarmatia, die van tegenovergestelde zijden in den Pontus Euxinus (Zwarte zee) stroomen. De eene heet thans de Bug, de andere, die op den Caucasus ontspringt, de Kuban. Ook = Hyphasis.

Hypata, Hypata of ta Hypata, bergstadje in het gebied der Aenianen tusschen Thessalia en Hellas. In de nabijheid was de vergaderplaats der heksen en toovenaars, de grieksche Blocksberg. De Hypataeërs hadden den naam, bekwame toovenaars te zijn.

Hypatia, Hypatia, de begaafde dochter van Theon (no. 3), beoefende evenals haar vader wis- en sterrenkunde en ook wijsbegeerte; zij werd bij een opstand van de Christenen in 415 n. C. gedood.

Hyperbolus, Hyperbolos, atheensch demagoog van geringe afkomst, die na den dood van Cleon als medestander van Alcibiades optrad en veel invloed verwierf. Door de blijspeldichters wordt hij voortdurend bitter bespot. In 417 werd hij door het ostracisme (z. a.) verbannen, hij vestigde zich op Samus, waar hij in 411 door de oligarchische partij vermoord werd.

Hyperborei, Hyperboreioi, een fabelachtig volk, meer noordelijk wonende dan de Noordewind (Boreas), en over wie deze dus nooit zijn kouden adem liet gaan. In hun land ging de zon slechts éénmaal 's jaars op en onder; hun land was een heerlijk land, waar alles spoedig rijpte, hun leven was een leven van geluk, zonder ooit eenigen twist of tweedracht. Zij konden 1000 jaar oud worden, doch meestal stortten zij zich vóór dien tijd, des levens zat, in zee. Zij waren aan den dienst van Apollo gewijd. Hyperboreus dichterlijk = noordsch.

Hyperborei montes, een gebergte in het gebied of naar den kant der Hyperborei, misschien eene duistere voorstelling van de Carpathen of van het Oeralgebergte.

Hyperenor, Hyperenor, een van de Sparten, zie Cadmus.

Hyperides, Hypereides, -rides, zoon van Glaucippus, een van de tien attische redenaars, leerling van Plato en Isocrates, in de politiek aanhanger van Demosthenes, hoewel hij zich in de zaak van Harpalus (z.a.) tegen hem keerde en zelfs als zijn beschuldiger optrad. Evenals Dem. en om dezelfde redenen werd hij door Alexander na de verovering van Thebe opgeëischt, maar niet uitgeleverd; ook aan den lamischen oorlog nam hij deel, en na den ongelukkigen afloop er van vluchtte hij naar Aegina, waar hij gevat en op bevel van Antipater ter dood gebracht werd (322). Van zijne redevoeringen zijn er in de vorige eeuw zes in Egypte teruggevonden.

Hyperion, Hyperion, een van de Titanen, vader van Helius, Selene en Eos. Ook Helius wordt dikwijls Hyperion genoemd.

Hyperm(n)estra, Hyperm(n)estra, zie Danaüs.

Hyphasis, Hyphasis, een zijtak van den Acesines.

Hypocaustum, vertrek, waarvan de vloer verwarmd werd door buizen of kanalen met heete lucht; vooral bij badkamers en in badhuizen werd deze wijze van verwarming toegepast.

Hyporchema, hyporchema, vroolijk lied ter eere van Apollo, met mimiek en dans voorgedragen.

Hypothebae, Hypothebai, oude stad in Boeotia, waaronder men of Potniae of wel de benedenstad van Thebae, rondom de Cadmea of burcht verstond.

Hypotheca, hypotheke, onderpand voor geleend geld, dat in het bezit van den schuldenaar blijft, en wanneer hij zijne schuld niet betaalt, ter voldoening van den schuldeischer verkocht wordt.

Hypsipyle, -pylea, Hypsipyle, -pyleia, dochter van Thoas, koningin van Lemnus toen de Argonauten op dat eiland landden. Zij bleven er een jaar, en Hyps. werd bij Iason moeder van twee zonen, Thoas en Euneus. Kort te voren hadden de vrouwen van Lemnus alle mannen in één nacht gedood, daar deze ontrouw geworden waren en thracische meisjes op het eiland gehaald hadden. Later ontdekte men echter, dat Hyps. haar vader gered had, zij moest vluchten, werd door zeeroovers gevangen genomen en aan Lycurgus, koning van Nemea, verkocht. Wegens den dood van Opheltes (z. a.) werd zij in de gevangenis geworpen, doch door hare beide zonen bevrijd.

Hypsus, rivier in het W. van Sicilië, die aan de Z.-kust, dicht hij Selinus uitmondt.

Hyrcania, Hyrkania, smalle, onvruchtbare landstreek en perzische provincie ten Z. en Z.O. der Caspische zee, ten Z. door bergketenen begrensd, waar tal van wilde, verscheurende dieren werden aangetroffen. De Hyrcaniërs hadden evenals andere volken van Iran de gewoonte, de lijken door honden te laten verslinden. De rijken hielden tot dit doel zelfs honden van edel ras.

Hyrcanum mare, z. Caspium mare.

Hyrcanus, zoon van den joodschen koning Alexander Jannaeus, uit het geslacht der Maccabaeën, leefde in hevigen strijd met zijn broeder Aristobulus. Deze laatste riep in 64 de tusschenkomst van Pompeius in, doch werd, daar hij dezen trachtte te misleiden, door P. gevangen genomen. Hyrcanus werd nu als leenvorst met den titel van hoogepriester-ethnarch, archiereus kai ethnarches, op den troon geplaatst, in welke waardigheid hij door Caesar in 47 bevestigd werd. In 37 liet Antonius hem onthoofden.

Hyrgis, Hyrgis, thans de Donetz, zijtak van den Tanaïs (Don) in Sarmatia.

Hyria, Hyria, 1) meer in Aetolia, ten W. van het meer Trichonis.--2) stad in Boeotia, nabij den Euripus, vlak bij Aulis, en tot het gebied van Tanagra behoorend.--3) stad in Italia aan den weg van Tarentum naar Brundisium, ook Uria geheeten.

Hyrmine, Hyrmine, ook Horminae, stad in het N. van Elis, nabij de kust.

Hyrtacides, zoon van Hyrtacus = Nisus no. 2.

Hysiae, Hysiai, 1) stad in het Z. van Argolis, bij de landstreek Thyreatis of Cynuria. Zij werd in den peloponnesischen oorlog door de Spartanen verwoest.--2) vlek in Boeotia, niet ver van het slagveld van Plataeae.

Hystaspes, Hystaspes, aanzienlijke Pers, vader van Darius I. Op zijne reizen naar Indië maakte hij kennis met de leer der Brahmanen, die hij later aan de Magiërs mededeelde. Dit verhaal heeft misschien betrekking op een anderen Hystaspes, die de leer van Zarathustra (Zoroaster, z.a.) ingevoerd heeft.

I.

Iacchus, Iakchos, naam van Dionysus in de eleusinische mysteriën; hij had een tempel te Athene, en bij den feestelijken optocht naar Eleusis ter gelegenheid van de mysteriën werd zijn beeld voor den stoet uitgedragen.

Iacetani, volksstam in Hispania tusschen de Pyrenaeën en den mond van den Iberus (Ebro). Z. ook Lacetani.

Iadera, Iadera, stad op de kust van Illyricum, in Liburnia.

Ialmenus, Ialmenos, zoon van Ares en Astyoche, regeerde nevens zijn broeder Ascalaphus in Orchomenus en streed voor Troje. V.s. was hij na den trojaanschen oorlog koning van het eiland Aretias.

Ialysus, Ialysos of Ialysos, eene der drie oudste steden van het eiland Rhodus. Het lag in het Noorden, dicht bij het latere Rhodus. Lindus en Camirus waren de beide andere steden. Volgens de overlevering waren zij gesticht door Ialysus, Lindus en Camirus, drie broeders. Zie verder Rhodus.

Iambe, Iambe, dochter van Pan en Echo, dienstmaagd van Celeüs. Door hare vroolijkheid wist zij het eerst de over het verlies harer dochter treurende Demeter tot lachen te bewegen; tot belooning werd zij de eerste priesteres van die godin en ter herinnering hieraan werden de feesten van Demeter met scherts en spotternij gevierd.

Iambische poëzie, een dichtsoort, voornamelijk gebruikt voor spot- en hekeldichten (carmen maledicum). Zij heeft waarschijnlijk haar oorsprong te danken aan het plagen en schertsen bij de feesten van Demeter (z. Iambe) en werd door Archilochus tot een bepaalden kunstvorm ontwikkeld. Van de epische poëzie, die tot dien tijd alleen beoefend was, onderscheidt zij zich door eenvoudiger taal en vluggere versmaat, daar in iederen voet de arsis tweemaal zoo lang is als de thesis.--Na Archilochus waren de meest bekende iambografen Simonides, Hipponax, Solon, en onder de Romeinen Catullus, Horatius, Martialis.

Iamblichus, Iamblichos, 1) van Babylon, grieksch romanschrijver in de 2de eeuw na C. Van zijn groote roman Babyloniaka is nog een uittreksel over.--2) van Chalcis in Coelesyria, neo-platonisch wijsgeer onder Constantijn d. G., leerling van Porphyrius. In zijne werken tracht hij de stelsels van Plato en Pythagoras te vereenigen, hij verdedigt alle godsdienstige begrippen, zoowel van Grieken en Romeinen als van verscheiden oostersche volken, tegen het Christendom en leert dat waarzeggerij en tooverij noodzakelijk zijn om de betrekking tusschen goden en menschen in stand te houden. Hijzelf werd door zijne leerlingen voor een heilig wonderdoener gehouden. Hij heeft vooral invloed gehad op keizer Julianus.

Iamnia, Iamneia, aanzienlijke stad in het Z.W. van Palaestina, niet ver van de zee.

Iamus, Iamos, zoon van Apollo en Euadne. Hij werd door Aepytus opgevoed, en toen hij volwassen was, ging hij op bevel van Apollo naar Olympia, waar hij als waarzegger beroemd werd, en de stamvader werd der Iamiden (Iamidai), een geslacht van priesters en waarzeggers te Olympia.

Iana, echtgenoote van Janus, oud-italische maangodin, waarschijnlijk dezelfde als Diana.

Ianiculus (mons), een der bergen van Rome, aan de overzijde van den Tiber. Op den top lag eene versterking, arx, waar bij volksvergaderingen eene roode vaan opgesteld en door eene wacht bewaakt werd. Deze gewoonte dagteekende uit den tijd, toen men nog op zijne hoede moest zijn tegen een onverwachten overval der naburige volken. Werd de vlag weggenomen, dan moest de vergadering uiteengaan.

Ianus, de god van deuren en poorten; vandaar heet hij Clusius (Clusivius), sluiter, en Patulcius, opener. Daar iedere deur, om zoo te zeggen, naar binnen en naar buiten ziet, wordt Janus afgebeeld met twee gezichten (Janus Geminus, Biceps, Bifrons); zoo komt hij het eerst op de munten voor, en wel op den ouden koperen as, terwijl men voor de kleinere stukken koppen van grieksche goden nam. Verder is Janus de god van alle begin, en de eerste maand des jaars (Januarius), en de eerste dag van elke maand (Kalendae) is aan hem gewijd; ook het eerste uur van den dag; vandaar heet hij Pater Matutinus. Hij waakt ook over het begin van het leven van ieder mensch, en heet als zoodanig Consevius. Zijn priester is de rex sacrorum, die hem o.a. op den 9 Jan. (Agonium) een ram offert in de regia. Een tempel had Janus oorspronkelijk niet, slechts een doorgang (Janus Geminus) aan den N.O.hoek van het forum was hem gewijd, ook Janus Quirinus geheeten, omdat hij toegang geeft tot de staatsmarkt, het forum Romanum. Deze doorgang moest steeds openstaan, tenzij er nergens oorlog was. Volgens de sage heeft Numa dezen Janus gesticht en ééns gesloten; in historischen tijd is hij viermaal gesloten geweest, ééns in 235, na het einde van de oorlogen op Sardinië en in Ligurië, en drie maal tijdens Augustus. Na den zeeslag bij Mylae (260) heeft C. Duilius, de overwinnaar in dien slag, Janus een tempel gewijd vóór de Porta Carmentalis, aan het forum holitorium. Zijne beelden hebben gewoonlijk een sleutel in de linkerhand, in de andere een staf zooals de portiers; bij deuren en poorten plaatste men gewoonlijk een borstbeeld van hem met twee aangezichten, die naar binnen en naar buiten gericht waren. Deze aangezichten waren meestal gelijk, soms echter was het eene jong, het andere oud, of het eene mannelijk, het andere vrouwelijk.

Iapetus, Iapetos, zoon van Uranus en Gaea, een van de Titanen, die deel nam aan den oorlog tegen Zeus en daarom in den Tartarus is opgesloten. Hij was de vader van Atlas, Menoetius, Prometheus en Epimetheus. V. a. een van de Giganten, zoon van Tartarus en Gaea.

Iapis = Iapyx no. 2.

Iapodes of Iapydes, Iapodes, illyrisch-keltisch bergvolk in Illyricum, op de grenzen van Liburnia en Histria. Hun land werd Iapydia genoemd. Zij tatouëerden zich. Onder Augustus werden zij voor goed onderworpen.

Iapygia, Iapygia, oude naam voor de Z.O. punt van Italia, thans Terra d'Otranto. Bij dichters = Calabria of ook wel Apulia.

Iapygium promunturium, Iapygia akra, ook wel prom. Sallentinum, Z.O. kaap van Italia, thans Capo di Leuca.

Iapyx, Iapyx, 1) zoon van Lycaon of van Daedalus, voerde eene kolonie van Cretensers naar Iapygië, dat naar hem genoemd is.--2) geneesheer van Aeneas.--3) de Noordwestenwind, die gunstig is voor hen, die van Brundisium naar Griekenland varen; bij de Romeinen heet hij gewoonlijk Favonius. Zie Windstreken.

Iarbas, zie Hiarbas.

Iardanus of -us, Iardanes, -os, naam van twee riviertjes, het eene op Creta nabij de stad Cydonia, het andere in Elis ten N. van Phea.

Iardanis, Iardanis, Omphale, dochter van den lydischen koning Iardanus.

Iasides, Iasides, zoon of afstammeling van Iasus of Iasion, bijv. Amphion, Palinurus, e. a.

Iasion, Iasius, Iasion, Iasios, zoon van Zeus of Corythus en Electra, geliefde van Demeter, die hem een zoon baarde, Plutus. Hij werd door Zeus uit minnenijd met den bliksem gedood. Met zijn broeder Dardanus werd hij op Samothrace in de mysteriën ingewijd, die hij ook op Sicilië ingevoerd zoude hebben.

Iasis, Atalante, dochter van Iasus.

Iaso, Iaso, dochter van Asclepius, godin der geneeskunde.

Iason, Iason, 1) zoon van Aeson, koning van Iolcus. Toen deze door zijn broeder Pelias van de regeering beroofd was, liet hij Iason naar Chiron brengen, die hem opvoedde. Op zijn twintigste jaar kwam Ias. naar Iolcus terug en eischte dat Pelias de regeering aan Aeson zou teruggeven; deze beloofde aan dien eisch te zullen voldoen, wanneer Ias. voor hem het gouden vlies (z. Phrixus) uit Aea wilde halen; hij gaf voor dat hem dit werk door een orakel was opgedragen, maar dat hij zich te oud gevoelde om het ten uitvoer te brengen. V. a. had Ias. bij zijne eerste ontmoeting met Pelias toevallig een schoen verloren, en had deze hem de onderneming opgedragen om hem te verwijderen, daar een orakel hem gewaarschuwd had voor iemand met één schoen. Ias. ondernam nu aan het hoofd der Argonauten (z. a.) den hem opgedragen tocht. Toen hij in Aea aangekomen was en aan koning Aeetes zijn verlangen had kenbaar gemaakt, verklaarde deze zich bereid de gouden vacht te geven, indien hij twee vuurspuwende stieren met metalen hoeven voor den ploeg spande, daarmede een stuk gronds omploegde, in de voren draketanden zaaide en de daaruit opgekomen mannen doodde; verder moest hij nog een reusachtigen draak dooden, die de vacht bewaakte en nooit sliep. Door de toovermiddelen van Medea (z. a.) was Ias. in staat deze moeilijke taak te vervullen, en toen Aeetes uitvluchten zocht, roofde hij met hare hulp de vacht en vluchtte hij met zijne reisgezellen en met Medea. Aeetes vervolgde hen, doch te vergeefs (z. Apsyrtus en Alcinous). Te Iolcus teruggekeerd, vonden zij dat Aeson en zijn geheel geslacht door Pelias vermoord waren; door een list van Medea werd Pelias (z. a.) gedood en Ias. gaf de regeering vrijwillig of gedwongen aan Acastus over. Hij trok daarop met zijne echtgenoote naar Corinthe, vatte liefde op voor Creusa (no. 4) en huwde haar; toen zij door de wraak van Medea gedood was, bracht ook hij zich om het leven. V. a. had hij zich eens op de landengte van Corinthe onder de Argo te slapen gelegd, en was hij door het instorten van het oude schip gedood.--2) tyran van Pherae, kwam omstreeks 378 aan de regeering en maakte zich in weinige jaren van de heerschappij over een groot deel van Thessalië meester. Hij was de bondgenoot van de Thebanen tegen de Spartanen, ofschoon hij na den slag bij Leuctra beide partijen tot matiging aanspoorde. Terwijl hij, naar men algemeen geloofde, met groote plannen omging, nl. om geheel Griekenland onder zijne heerschappij te brengen en den oorlog tegen Perzië te hervatten, werd hij in 370 vermoord.

Iasus, Iasos of Iassos, stad op de kust van Caria, met veel vischvangst, aan den sinus Iassicus. In de nabijheid stond onder den blooten hemel een standbeeld van Hestia, dat zelfs bij regen nimmer nat werd. De stad was gesticht door Argiven, later bevolkt door Milesiërs.

Iaxartes, Iaxartes, rivier in aziatisch Scythia, thans Syr-Daria, uitloopende in het Aral-meer; in de oudheid nam men echter aan, dat ze evenals de Oxus in de Caspische zee mondde; wel kende men een Oxia palus van hooren zeggen, maar dat de Oxus en Iaxartes hierin uitliepen, wist men niet. Z. ook Oxus. De Oxeiane limne, door Ptolemaeus vermeld, is niet het Aral-meer, maar de lacus Oaxus, een bronmeer in het Pamir-gebergte, waarschijnlijk het Victoriameer.

Iazyges, Iazyges, machtig sarmatisch volk aan de palus Maeotis (zee van Azow). Later trokken zij westwaarts en vestigden zich tusschen de Tisia (Theiss) en den Danubius. In de 4de eeuw na Chr. komen ze steeds als bondgenooten van de Quaden voor.

Iberia, Iberia, 1) grieksche naam voor Hispania.--2) landschap ten Z. van den Caucasus en ten O. van Colchis, thans Georgië, waarmede de Rom. onder Pompeius kennis maakten. Dit zeer vruchtbare gewest was geheel door bergen ingesloten en slechts door enkele passen toegankelijk. De bevolking was niet oorlogzuchtig, woonde in goed gebouwde huizen en was in kasten verdeeld.

Iberus, Iber, rivier in Hispania, thans Ebro, een tijd lang grensscheiding tusschen rom. en carthaagsch Hispania.

Ibycus, Ibykos, van Rhegium, grieksch lierdichter, die eenigen tijd aan het hof van Polycrates op Samus leefde en overigens een zwervend leven leidde. Op eene reis naar Corinthe werd hij door struikroovers gedood, terwijl een zwerm kraanvogels over zijn hoofd heenvloog, die hij aanriep om zijn dood te wreken. Toen nu kort daarna weder een zwerm van dezelfde vogels gedurende een feest over den schouwburg van Corinthe vloog, riep een der moordenaars onwillekeurig uit: "de kraanvogels van Ibycus!" waardoor de schuldigen ontdekt en gestraft werden. Vandaar het spreekwoord: hoi Ibykou geranoi. Zijne gedichten behandelden voor een deel mythische onderwerpen, beroemder echter waren bij de ouden zijne minnedichten.

Icaria of Icarus, Ikaria, Ikaros, vroeger Doliche geheeten, eiland in de Aegaeïsche zee, ten W. van Samus, volgens de mythe genoemd naar Icarus, wiens lijk hier aan land spoelde. De omliggende zee werd Icarium mare geheeten.

Icaris, Icariotis, Penelope, dochter van Icarius no. 2.

Icarius, Ikarios, 1) ook Icarus of Icarion, atheensch landbouwer, die van Dionysus den wijnbouw leerde. Toen hij eenige herders wijn had laten proeven en zij daardoor bedwelmd geworden waren, doodden zij hem, in de meening, dat hij hen vergiftigd had. Zijne dochter Erigone (z. a.) zocht hem langen tijd, geholpen door haar trouwen hond Maera; toen zij zijn lijk vond, hing zij zich aan een boom op. De goden plaatsten Ic. als Bootes of Arcturus, Erigone als de Maagd, Maera als Procyon (Icarius canis) aan den sterrenhemel. Vgl. Entoria.--2) zoon van Oebalus, werd met zijn broeder Tyndareos door hun halfbroeder Hippocoon uit Lacedaemon verdreven, maar later door Heracles teruggebracht. Hij had de hand zijner dochter Penelope beloofd aan dengene, die in den wedloop de overwinning zoude behalen. Odysseus was de overwinnaar en voerde haar als zijne gade mede naar zijn rijk, hoewel Ic. hem smeekte in Lacedaemon te blijven.

Icarus, Ikaros, 1) zoon van Daedalus (z. a.).--2) koning van Carië, z. Thestor.

Iccius, een vriend van Horatius, die in 24 aan den krijgstocht van Aelius Gallus tegen de Arabieren deelnam en later op Sicilia leefde, waar hij misschien de landgoederen van Agrippa beheerde. Hij was een beoefenaar der wijsbegeerte.

Icelus, Eikelos, z. Morpheus.

Iceni of Simeni, Simenoi, machtig volk in Britannia, in het tegenw. Norfolk en Suffolk, het volk van koningin Boadicca (z. a.).

Ichnae, Ichnai, 1) stad in het macedonische landschap Bottiaea, dicht bij den Axius (Vardar).--2) stad in de thessalische landstreek Phthiotis.--3) stad in het N. van Mesopotamia, ten N. van Nicephorium, waar Crassus eene overwinning op de Parthen behaalde.

Ichthyophagi, Ichthyophagoi, naam van onderscheidene van vischvangst levende volksstammen aan de kusten der Indische zee en hare inhammen en op de Westkust van Afrika.

Icilia (lex) sacrata, van den volkstribuun Sp. Icilius in 492 of 471, dat alwie een volkstribuun, die tot het volk sprak, zou belemmeren of in de rede vallen, door een concilium plebis tot elke straf kon veroordeeld worden.

Iciliae (leges) van den volkstribuun L. Icilius, 1) dat de secessio bij de dwingelandij der tienmannen niemand tot vergrijp zou worden aangerekend (449).--2) dat de mons Aventinus, die nog ager publicus was, aan de patricische erfpachters ontnomen en onder de plebejers verdeeld zou worden (456). Zie Icilii.

Icilii, plebejisch geslacht, dat tusschen 493 en 408 verscheidene volkstribunen heeft opgeleverd en bij de secessiones in 494 en 449 eene belangrijke rol speelde. O. a. is Sp. Icilius (v. a. Acilius) één van de 4 volkstribunen geweest, die ten gevolge van de lex Publilia Voleronis voor het eerst tributim in 471 zijn gekozen. De berichten omtrent de secessiones van 494 en 449 zijn tamelijk waardeloos, en dus ook de namen der daarbij optredende personen. Zie ook onder Duilii no. 1. Volgens sommigen is het feit dat Sp. Icilius in 471 tribunus plebis was, het eenige historisch betrouwbare bericht omtrent deze familie en de op hun naam staande wetten.

Iconium, Ikonion, volkrijke en welvarende hoofdstad van Lycaonia in Asia minor.

Ictinus, Iktinos, beroemd bouwmeester te Athene ten tijde van Pericles. Tot zijne belangrijkste werken behooren het Parthenon en de tempel van Demeter en Persephone te Eleusis.

Icus, Ikos, een van de noordelijke Cycladen, in de nabijheid van Peparethus.

Ida, Ide, dochter van Melisseus, een van de beide nimfen, die Zeus opvoedden.

Ida, Ide, Ide, boschrijk gebergte in Troas en het achterliggende Phrygia. Het was ook rijk aan bronnen. Idaea mater = Cybele, die hier vereerd werd; Idaeus puer = Ganymedes. Ook op Creta was een Ida-gebergte, met de grot, waarin Zeus was groot gebracht.

Idaea mater, Idaia, bijnaam van Rhea Cybele, naar den berg Ida, den hoofdzetel van haar eeredienst.

Idaei Dactyli = Dactyli Idaei.

Idaeus, Idaios, 1) zoon van Dardanus en Chryse, die met zijn vader in Phrygië kwam, en op den berg Ida den dienst van Rhea Cybele instelde.--2) trojaansch heraut.--3) zoon van Dares.

Idalia, Idalia, bijnaam van Aphrodite, naar den berg Idalium, waar zij een beroemden tempel had.

Idalium, Idalion oros, phoenicische stad in het binnenland van Cyprus, met een Aphrodite-tempel.

Idas, Idas, een van de Apharetiden (z. a.), ontvoerde Marpessa, de dochter van Euenus, koning van Aetolië, op een gevleugelden wagen, die hem door Poseidon geschonken was. Euenus vervolgde hem, vergezeld door Apollo, die eveneens het meisje begeerde, maar daar hij hem niet konde inhalen, stortte hij zich in de rivier Lycormas, die sedert dien tijd Euenus heet. Door Apollo in Messene gevonden, waagde Idas een gevecht met den god, maar Zeus scheidde hen en besliste dat Marpessa moest kiezen. Daar zij vreesde dat Apollo haar niet trouw zoude blijven, gaf zij aan Idas de voorkeur.

Idistavisus, vlakte aan den Visurgis (Weser), nabij de Porta Westphalica, waar Germanicus op de Cheruscers de nederlaag van Varus wreekte (16 n. C.).

Idmon, Idmon, een waarzegger, die de Argonauten vergezelde, ofschoon hij wist, dat hij onderweg zou omkomen. Hij stierf in Bithynië aan eene ziekte of aan den beet van een slang of een wild zwijn. De stad Heraclea was, naar het heette, rondom zijn graf gebouwd.

Idomene, Eidomene, stad in het macedonische gewest Mygdonia, aan den Axius (Vardar).

Idomeneus, Idomeneus, zoon van Deucalion no. 2, koning van Creta. Als een van hen, die naar de hand van Helena (z. a.) gedongen hadden, trok hij later mede tegen Troje op, waar hij zich door dapperheid onderscheidde. Op de terugreis door een geweldigen storm overvallen, deed hij de gelofte, dat hij aan Poseidon zou offeren wat hem in zijn vaderland het eerst zoude ontmoeten, en hij volbracht die gelofte, ofschoon zijn eigen zoon het slachtoffer er van werd. Toen ten gevolge hiervan door den toorn der goden een pest op Creta uitbrak, werd Id. verjaagd; hij ging naar de kust van Calabrië, vanwaar hij later naar Colophon ging of naar Creta terugkeerde. Zijn graf meende men te Cnosus te vinden, waar hij met Meriones als heros vereerd werd.

Idothea, Eidothea, dochter van Proteus.

Idrias, Idrias, stad en landstreek in Carìa, zie Stratonicea.

Idubeda, gebergte in Hispania, ten Z. van en ongeveer evenwijdig met den Iberus (Ebro), een deel van het tegenw. Cantabrisch gebergte.

Idumaea, Idymaia, Edôm, het land ten Z. van Palaestina.

Idus, de 15de dag der maanden Maart, Mei, Juli en October, in de overige maanden de 13de. Oorspronkelijk vielen de Idus samen met de volle maan, daarom zijn zij in het bijzonder gewijd aan Jupiter. Zie verder annus.

Idylle, eidyllion, een klein gedicht, bevattende schetsen uit het dagelijksch leven van herders en andere op het land levende personen van lageren stand.

Ientaculum, een licht ontbijt 's morgens vroeg voor degenen, die niet konden wachten tot het prandium, dat later in den voormiddag werd genomen en het karakter van een lunch droeg.

Iërne = Hibernia.

Ietae, Ietai, stad en berg op Sicilia, ten Z.W. van Panormus (Palermo).

Igilium, eilandje nabij de kust van Etruria, tegenover den mons Argentarius.

Ignominia, het verlies van goeden naam, eene oneer of openbare vernedering, welke men zich op den hals haalde door verkeerde handelingen of eene minder voegzame leefwijze, die wel niet onder het bereik der strafwetten vielen, maar toch van den kant der censoren eene openlijke berisping of terugzetting ten gevolge konden hebben. Zie ook infamia.

Iguvium, Igouion, aanzienlijk municipium in het hart van Umbria, aan de Z.W. helling van den Apenninus met een beroemden tempel van Jupiter, thans Eugubbio (Gubbio). Onder de puinhoopen van den tempel werden in de 15de eeuw na C. door een boer zeven koperen platen met opschriften in het Umbrisch gevonden, die meer dan duizend umbrische woorden bevatten en onder den naam van tabulae Eugubinae nog op het raadhuis te Eugubbio (Gubbio) bewaard worden.

Ilaira = Hilaira.

Ile, troep, schaar, in het bizonder afdeeling ruiterij. De macedonische lichte ruiterij (sarissophoroi) bestond uit 8 ilai van 128 man, de zware uit 15 van 200 man, waarbij nog eene zestiende kwam als koninklijke eerewacht (agema, ile basilike).

Ilercavones, Ilergavonenses, volk in Hispania aan den mond van den Iberus (Ebro). Hoofdstad: Dertosa (Tortosa).

Ilerda, thans Lerida, hoofdstad der Ilergetes in Hispania. Caesar versloeg hier Afranius en Petreius, legaten van Pompeius, in 49.

Ilergetes, aanzienlijk volk in Hispania tusschen den Iberus (Ebro) en de Pyrenaeën, met de steden Ilerda (Lerida) en Osca (Huesca).

Ilia = Rea Sylvia.

Iliades, Iliades, 1) Ganymedes, zoon van Ilus.--2) Romulus of Remus, zoon van Ilia.--3) soms algemeen voor Trojaan.

Ilienses, 1) inwoners van Ilium.--2) volksstam op Sardinia.

Ilion, -um, Ilion, Ilios = Troia.

Ilione, Ilione, dochter van Priamus en Hecabe, gehuwd met Polymestor. Zie Polydorus no. 2.

Ilipa, stad aan den Baetis (Guadalquivir) in Baetica, ten N. van Hispalis (Sevilla).

Ilis(s)us, Ilis(s)os, riv. in Attica, die op den Hymettus ontspringt en langs Athenae stroomt.

Ilithyia, Eileithuia, Eleutho, dochter van Zeus en Hera, godin die de vrouwen bij het baren helpt. Soms wordt van meer dan eene Il. gesproken; Hera en Artemis worden ook dikwijls Il. genoemd. Zij komt overeen met de rom. Juno Lucina.

Ilium, -on, Ilion, Ilios = Troia.

Illiberis, Illiberis, 1) stad in Baetica, nabij de bronnen van den Singulis (Xenil), thans Elvira.--2) stad in Gallia tusschen Narbo Martius en de grens van Hispania, eerst aanzienlijk, later vervallen, door Constantijn den Gr. herbouwd en naar zijne moeder Helena genoemd, thans Elne.

Illiturgis, Ilourgeia, belangrijke bergstad der Turduli, geheel in het Oosten van Baetica, aan den Baetis (Guadalquivir), in 210 door Scipio (Africanus) veroverd en verwoest, later herbouwd als Forum Iulium.

Illurgavonenses = Ilercavones.

Illustres, titel der hoogste klasse van ambtenaren onder Constantijn den Gr. Hiertoe behoorden de praefecti der vier praefecturae, waarin het rijk verdeeld was, en de zeven hoogste hofbeambten: de quaestor sacri palatii, minister van justitie en wetgeving, de magister officiorum of hofmaarschalk, de comes sacrarum largitionum, minister van financiën, de comes rerum privatarum, administrateur van 's keizers bijzonder vermogen, de praepositus sacri cubiculi of opperkamerheer, de beide comites domesticorum (equitum en peditum) of bevelhebbers der lijfwacht.

Illyricum, Illyris, to Illyrikon, Illyris. Het bergland tusschen Epirus en Histria, langs de Oostkust der Adriatische zee werd bij de Grieken Illyris of Illyria, bij de Rom. Illyricum genoemd. Het zuidelijke gedeelte tot aan den Drilon heette Illyris Graeca, met de steden Dyrrhachium (Epidamnus) en Apollonia, en hoorde in den romeinschen tijd tot Macedonia; het noordelijke heette Illyris Barbara of Romana. Van dit laatste werd wederom het Z.O.deel Dalmatia, het N.W. Liburnia genoemd. De rom. provincie Illyricum omvatte het tegenw. Dalmatië met Bosnië en Herzegowina. In het jaar 8 na C. kreeg de geheele provincie den naam Dalmatia (z. a.). Onder Diocletianus werd het geheele rom. rijk in vier praefecturen verdeeld; de praefectura Illyrici strekte zich toen uit van den Donau tot over geheel Griekenland; het oude rom. Illyricum behoorde er echter niet meer toe, zoodat de residentie Sirmium juist aan een uithoek lag, terwijl ten O. de mons Rhodope (Despotodagh) de grens vormde.

Ilus, Ilos, 1) zoon van Dardanus en Batea, volgde zijn vader in de regeering over Dardania op; daar hij kinderloos stierf, was zijn broeder Erichthonius zijn opvolger.--2) zoon van Tros en Callirrhoë, behaalde eens in Phrygië bij een wedstrijd in het worstelen de overwinning, en kreeg als prijs 50 jongelingen en 50 meisjes benevens een koe, met de opdracht van het orakel, om eene stad te stichten waar de koe zich zou nederleggen. Dientengevolge bouwde hij op een heuvel de stad Ilium, en toen hij Zeus om een teeken bad, dat hij het orakel goed begrepen had, vond hij den volgenden morgen voor zijn tent het Palladium.--V. s. had hij Tantalus en Pelops uit Paphlagonië verdreven.--3) zoon van Mermerus van Ephyre, bij wien Odysseus een middel ging halen om zijne pijlen te vergiftigen, wat hem echter geweigerd werd.--4) = Ascanius (z. a.). Zie ook Iulus.

Ilva, z. Aethalia.

Ilvates, ligurisch volk, dat aan de Noordzijde van den Apenninus ten N.O. van Genua woonde.

Imachara, stad in het binnenland van Sicilia ten N.O. van Henna.

Imagines, zie ius imaginum.

Imaus, Imaon oros, zie Emodi montes.

Imbrasia, Imbrasia, bijnaam van Hera, naar haar tempel aan de rivier Imbrasus; ook bijnaam van Artemis.

Imbrasus, Imbrasos, 1) rivier op het eiland Samus.--2) riviertje op Euboea, bij Taminae uitmondend.

Imbrus, -os, Imbros, eiland in het noordelijk gedeelte van de Aegaeïsche zee, bergachtig en boschrijk, een zetel van den dienst der Cabiren. Miltiades (z. a.) veroverde van uit de Chersonesus het eiland, dat voortaan in het bezit bleef van Athene.

Immaradus, Immarados, zoon van Eumolpus, sneuvelde met zijn vader in den oorlog tegen Erechtheus.

Imperator. Wanneer een veldheer eene luisterrijke overwinning had behaald, begroetten zijne soldaten hem met den titel imperator. Zijne lictoren doorvlochten alsdan hunne bijlbundels met lauriertakken, terwijl hij in een omlauwerden brief (litterae laureatae) den senaat bericht van zijne overwinning zond en achter zijn naam den imperatorstitel voegde. Wanneer hij dan in Italia teruggekeerd was, bleef hij met zijn leger buiten Rome gekampeerd, en verzocht den senaat een zegetocht binnen Rome te mogen houden. Kwam hij evenwel vóór dien tijd binnen de stad, dan verspeelde hij zijne aanspraken en zijn titel. Niet altijd werd de triumftocht toegestaan. In dit geval gebeurde het somtijds, dat de imperator een zegetocht op den albaanschen berg hield, ook wel eens, dat hij tegen den wil van den senaat onder de bescherming van één of meer volkstribunen zijn feestelijken intocht in de stad hield. In 143 werd den consul App. Claudius Pulcher (Claudii no. 12) de eer eener zegepraal geweigerd en een der volkstribunen dreigde hem van zijn wagen af te rukken, zoo hij toch den triumftocht ondernam. Toen sprong zijne dochter Claudia, eene Vestaalsche maagd, op den zegewagen, sloeg haar arm om haar vader heen, en niemand waagde verder eenig verzet. Zie verder triumphus. Augustus en de volgende keizers kregen het imperatorschap voor hun leven, dus als blijvenden titel, waarmede het veldheerschap over al de legers van het rijk gepaard ging. Zij voeren den titel vóór hun naam.

Imperium, was een bestanddeel van de macht van overheidspersonen, die geroepen konden worden om een leger aan te voeren of recht te spreken. Verder was daaraan verbonden het ius cum populo agendi, d.w.z. het recht om de comitia bijeen te roepen, het ius cum patribus agendi, het recht om den senaat bijeen te roepen, en het ius coërcitionis, het recht van bestraffing. Dit recht hadden de consuls, de praetoren, de dictator, de magister equitum, de interrex. Ook behoorde het bij de tijdelijk ingestelde ambten der decemviri legibus scribundis en der tribuni militum consulari potestate. Het imperium werd na de aanvaarding van het ambt verleend door eene lex curiata, die den wettig gekozen ambtenaar niet mocht geweigerd worden.

Impluvium, zie compluvium en atrium.

Inachides, Inachides, Epaphus, kleinzoon van Inachus. Soms in het algemeen voor een argivisch man, bijv. Perseus.

Inachis, Inachis, Io, dochter van Inachus, ook Isis, wanneer zij met Io vereenzelvigd wordt. Soms in het algemeen voor eene argivische of grieksche vrouw.

Inachus, Inachos, 1) zoon van Oceanus en Tethys, die na den watervloed van Deucalion de vlakte van Argos bewoonbaar maakte door al het water te vereenigen tot eene rivier, die vandaar zijn naam draagt. Hij vestigde het argivische rijk, waarvan hij de eerste koning was. Toen Poseidon en Hera over het bezit van Argos twistten, besliste hij ten gunste van Hera; door den toorn van Poseidon is Argos arm aan water. De dochter van Inachus was Io (Inachia iuvenca).--2) rivier van Argolis, die, voor zij de kust bereiken kan, in het zand verloopt. Zij is in den zomer droog.

Inarime = Aenaria.

Inaros, Inaros, lybisch koning, die onder Artaxerxes I een grooten opstand van Aegypte tegen de Perzen verwekte, waarbij hij door de Atheners ondersteund werd (459-454). Wel werd een perzische vloot op den Nijl vernietigd, Memphis ingenomen en nog andere voordeelen behaald, doch toen de atheensche vloot door Megabyzus vernietigd was (454), kon In. zich niet lang meer staande houden, hij gaf zich over, en werd vijf jaar later gekruisigd.

Inauguratio, zie Augures.

Incensus werd de burger genoemd, die zich bij den census verzuimde aan te geven, ten einde den krijgsdienst te ontduiken. Het was volkomen logisch dat men hem als slaaf verkocht en wellicht in den oudsten tijd ter dood bracht, daar hij zichzelf het burgerrecht niet waardig had gekeurd.

Incubatio = enkoimesis.

Incubus, z. Faunus.

India, India. Dit land was den Grieken weinig meer dan bij naam bekend, totdat Alexander de Gr. tot aan den Hyphasis, een der takken van den Indus, doordrong. Seleucus Nicator, de stichter van het Seleucidenrijk, kwam in India tot aan den Ganges en sloot met den indischen vorst Sandracotta een verbond. Toen evenwel onder zijne opvolgers Ariana weder verloren ging, werden de betrekkingen met India weder verbroken. Omtrent grootte en vorm hadden de ouden zeer onvolledige begrippen. Bij naam echter kenden en onderscheidden zij eenige gedeelten, als India intra en extra of trans Gangem, entos kai ektos tou Gangou, waaronder zij Voor- en Achter-Indië verstonden, de Aurea Chersonesus (Malakka), het eiland Taprobane (Ceylon), dat zij zich reusachtig groot voorstelden, de insula Agathodaemonis (Sumatra), Jaba (Java), enz.

Indibilis, vorst der Ilergeten in Hispania Tarraconensis. In den tweeden punischen oorlog wist Scipio (Africanus) hem door eene edelmoedige behandeling voor de rom. belangen te winnen. Indibilis betoonde zich evenwel trouweloos, doch werd door Scipio weder in genade aangenomen. Na diens vertrek viel hij opnieuw af, en sneuvelde toen.

Indicetae of Indigetes, Indiketai, volk in den N.O. uithoek van Tarraconensis. Hoofdstad: Emporium of Emporiae.

Indigetes dii = Dii indigetes.

Indigitamenta zijn gebedsformulieren, die door de pontifices in hun archief bewaard werden, en waarin steeds meerdere godheden aangeroepen werden, of ook wel ééne godheid onder meerdere namen, uit vrees de goddelijke hulp, die men inriep, anders niet deelachtig te zullen worden. Hierdoor werd het aantal goden van den oudsten Romeinschen eeredienst door splitsing van de eigenschappen tot in het oneindige vermeerderd. Zoo was Terminus (z. a.) oorspronkelijk een bijnaam van Jupiter. Vooral bij geboorte en huwelijk, in de eerste levensjaren van het kind en bij den landbouw werden dergelijke goden aangeroepen; bij het zaaien o.a. 12 verschillende goden. Bovendien drukte men zich met opzet, om geen godheid uit te sluiten, erg algemeen uit, en voegde aan de formule nog toe: sive deus sive dea, of sive mas sive femina, of ook wel sive quo alio numine fas est nominare.

Induciomarus, 1) een aanvoerder der Treviri in Gallia ten tijde van Caesar, door diens legaat Labienus verslagen en gedood (54).--2) een hoofd bij het gezantschap der Allobroges te Rome onder Cicero's consulaat (63).

Indus, Indos, 1) rivier, die door Cabalia of Cibyratis stroomt en tegenover het eiland Rhodus in zee valt.--2) rivier, thans nog Indus geheeten, ook Sindh, ten W. van Voor-Indië, eens de grens van het groote rijk der Perzen. Een zijtak is de Acesines, die wederom den Hydaspes, den Hydraotes, den Zadadrus en den Hyphasis opneemt. Tot aan den Hyphasis drong Alexander d. Gr. door. De genoemde bijrivieren vormen den Pendsjâb, het land der vijf stroomen.

Inessa of Inesa, oude naam der stad Aetna, aan den voet van den berg Aetna (z. a.).

Infamia, sterker dan ignominia, eerloosverklaring, waarmede het verlies van enkele rechten gepaard ging als: ius suffragii, ius honorum, de bevoegdheid om in rechten op te treden of getuigenis af te leggen. De infamie kon een gevolg zijn van eene veroordeeling; zij kon ook ex edicto praetoris toegepast worden wegens onteerende handelingen of het uitoefenen van een verachtelijk bedrijf.

Infelix arbor. Sommige boomen werden bij de Romeinen infelices arbores geheeten, zooals bijv. de oleaster of wilde olijf. Daar zulke boomen aan de onderaardsche goden gewijd waren, werden zij ook wel gebezigd, om er misdadigers aan op te hangen of te kruisigen.

Inferum, s. Tyrrhenum mare, de Tyrrheensche of Toscaansche zee, ten W. van Italië.

Infula, stemma, een breede, meestal wollen haarband of doek, die om het hoofd gewonden en door een vitta (lint) vastgehouden werd, zoodat de einden aan weerszijden afhingen. Zij was een zinnebeeld van onschendbaarheid, en werd o. a. door de vestaalsche maagden en later ook door de keizers gedragen.

Ingaevones, gemeenschappelijke naam der germaansche volken, die langs de kusten der Noordzee woonden; tot hen behoorden de Cimbren en Teutonen, de Chauken en de Friezen.

Ingauni, Ingaunoi, volk op de ligurische kust, met de stad Album Ingaunum, ten Z.W. van Genua. Tgw. Albenga.

Ingenuus, de eerste van de zoogenaamde dertig tyrannen (zie triginta tyranni no. 2), die zich na de gevangenneming van keizer Valerianus, in Pannonië tot Augustus liet uitroepen. Keizer Gallienus trok van Gallië uit hem tegemoet, en versloeg hem in 258 n. C. bij Mursa in Pannonië.

Iniuria, eerroof en persoonlijke beleediging. De wetten der XII tafelen vermeldden twee soorten: lichamelijke beleediging (o.a. membrum ruptum, os fractum) en spotliederen (occentatio), v. s. ook het uitspreken van betooveringsformulieren (malum carmen incantare). Het ius praetorium breidde echter het begrip iniuria aanmerkelijk uit en stond ook voor andere gevallen eene actio iniuriarum toe.

Ino, Ino, dochter van Cadmus en Harmonia, echtgenoote van Athamas (z.a.). Na haar dood werd zij door Poseidon onder de godheden der zee opgenomen, en onder den naam Leucothea op vele zeeplaatsen vereerd. Op Rhodus droeg zij den naam Italia, en verhaalde men, dat zij bij Poseidon moeder geworden was van zes zonen en eene dochter.--V.a. was zij door de Nereïden naar de monden van den Tiber gebracht, en toen Juno haar ook daar vervolgde, naar Rome gevlucht, waar Carmentis haar gastvrij opnam. Op raad van deze nam zij een inheemschen naam aan, en sedert wordt zij als Matuta (z. a.) vereerd.

Inous, Inoos, Melicertes, zoon van Ino.

Inquilinus, 1) de huurder van een huis, tegenover colonus, de pachter van een stuk land. In den lateren keizertijd worden beide uitdrukkingen dooréén-gebruikt voor den colonus.--2) de inwoner van een municipium, die naar Rome verhuist. Zoo noemde Catilina Cicero, die uit Arpinum stamde, hetgeen de verontwaardiging van den senaat opwekte.

Inscriptio als rechtsterm, het opmaken van het procesverbaal eener aanklacht en de onderteekening daarvan door den aanklager. Zie subscriptio.

Instaurativi (ludi), z. Ludi.

Instita, geplooide strook of aanzetsel, onder aan het romeinsch vrouwengewaad, waardoor dit laatste slepend werd. Vermoedelijk kon de instita aan- en afgehaakt worden.

Institutiones, z. Gaius.

Insubres, Insoubroi, machtige gallische stam in Gallia Transpadana, waarmede de Romeinen lang oorlog hebben moeten voeren. Hunne hoofdstad was Mediolanium (Milaan).

Insula, groot alleenstaand huis of wel een blok huizen, aan alle zijden door straten ingesloten. Daar de huurwoningen te Rome in groote blokken werden gebouwd, kreeg insula allengs de gewijzigde beteekenis van huurwoning, in tegenoverstelling van domus als eigen huis. De slaaf of vrijgelatene, wien het opzicht over het blok en het ophalen der huur was opgedragen, werd insularius genoemd. Een enkele maal wordt dit woord ook gebezigd voor den huurder eener woning.

Insula Allobrogum, de vlakte tusschen de Isara (Isère) en den Rhodanus (Rhône).

Intemilii, volk op de ligurische kust met de stad Album Intemilium, aan den voet der Alpes maritimae (Zee-Alpen).

Interamna, 1) stad in het Z. van Umbria, thans Terni, aan de rivier den Nar en aan de via Flaminia gelegen, lat. kolonie, geboorteplaats van keizer Tacitus. De inwoners werden Interamnates Nahartes genoemd. Niet ver boven de stad de beroemde watervallen (zie Avens).--2) stad in Latium aan den Liris, sedert 312 lat. kolonie.

Interamnia Praetuttiorum, stad in het land der Praetuttii in Picenum.

Intercatia, stad der Vaccaei in Hispania, ten N. van den Durius (Douro).

Intercessio, tusschenkomst of verzet van een overheidspersoon te Rome tegenover een ambtgenoot of tegenover lagere overheden en der volkstribunen tegenover alle andere magistraten (den dictator uitgezonderd). Zie appellatio. Hierbij deed zich het merkwaardige verschijnsel voor, dat de praetoren, hoewel ondergeschikt aan de consuls, toch, omdat zij onder gelijke auspiciën werden gekozen, collegae van de consuls waren. Al waren zij nu ook collegae minores, toch konden zij dus de comitiën, door consuls gehouden, storen. Als rechtsterm wordt intercessio gebruikt, wanneer de eene burger ten behoeve van den ander tusschen dezen en het gerecht treedt, bijv. door zich borg te stellen.

Intercidona, zie Deverra.

Intercisi (dies), zie Festi (dies).

Interdictum, een procesvorm, waarbij de praetor een tusschenuitspraak deed, hetzij in den vorm van een bevel (decretum) of van een verbod (interdictum). De naam interdictum is echter voor beide gevallen de heerschende geworden. Het diende dikwijls tot tijdelijke bevestiging van een bestaande toestand, bijv. tot aanwijzing, wie in het bezit der betwiste zaak zou blijven, totdat de rechter het vonnis had uitgesproken. Dikwijls ook diende het tot inleiding van een proces, waarbij dan de praetor voor beide partijen een interdict uitvaardigde, bijv. een verbod den rechtmatigen bezitter overlast aan te doen. Hieruit ontstond dan eene actie, waarbij de eene partij de andere beschuldigde tegen het bevel des praetors te hebben gehandeld, en die dan door dezen naar een iudex of naar recuperatores werd verwezen. Er zijn verschillende gevallen van interdicta.

Internum mare, he eso of entos thalatta, door de Rom. ook dikwijls nostrum mare genoemd, de tegenw. Middellandsche zee.

Interpres, algemeene naam voor tusschenpersonen, onderhandelaars, tolken, ook voor makelaars in stemmen bij verkiezingen.

Interrex, mesobasileus. Wanneer de koning te Rome gestorven was en geen opvolger terstond de regeering overnam, nam de senaat het bestuur op zich en wees door het lot uit zijn midden een interrex voor den tijd van vijf dagen aan, waarop dan een tweede, derde enz., volgden, ieder voor vijf dagen. Elke interrex benoemde zelf zijn opvolger. Ook onder de republiek kwam dit meermalen voor. Wanneer b.v. beide consuls gesneuveld waren of als vitio creati hun ambt hadden moeten neerleggen, dan keerden de auspiciën, zooals de term luidt, tot de patres (d. w. z. de patricische leden van den senaat) terug, en moesten er zoolang interreges optreden, totdat er een nieuwe consulsverkiezing had plaats gehad. Daar de comitiën eenigen tijd te voren moesten worden aangekondigd, konden de eerste interreges deze nooit houden. Deze waardigheid is nimmer anders dan door patriciërs bekleed.

Intestabilis is hij, die wegens infamia niet waardig is als getuige in rechten op te treden en ook geen ander als getuige kan oproepen. In ruimeren zin is een homo intestabilis een gemeen, eerloos mensch.

Inui castrum, vervallen zeestadje bij Ardea in Latium.

Inuus, bijnaam van Faunus.

Io, Io, dochter van Inachus, priesteres van Hera te Argos. Zeus beminde haar, en om haar aan de jaloersche vervolgingen van Hera te onttrekken, veranderde hij haar in een koe. Hera wist echter te verkrijgen dat die koe aan haar werd afgestaan en liet haar bewaken door Argus Panoptes (z. a.); toen deze door Hermes gedood was, kwelde zij haar door een horzel, die haar voortdurend stak en razend maakte. Om aan deze pijniging te ontkomen, zwierf Io lang door de meest verwijderde landen der aarde, totdat zij in Aegypte hare vroegere gedaante terug kreeg en moeder werd van Epaphus.

Iobates, Iobates, koning van Lycië, z. Bellerophon.

Iocaste, Iokaste, moeder en later echtgenoot van Oedipus (z. a.). Toen zij vernam dat zij met haar zoon gehuwd was, hing zij zich op.

Iol, zie Caesarea no. 6.

Iolaus, Iolaos, zoon van Iphicles, wagenmenner en vriend van Heracles. Hij was den held behulpzaam bij het bestrijden van de slang van Lerna, door een naburig woud in brand te steken en de gloeiende boomstammen aan te geven, waarmede de wonden van het monster dichtgeschroeid moesten worden. Bij de eerste olympische spelen behaalde hij de overwinning. Later trok hij met veertig zonen van Heracles naar Sardinië, waar hij een volkplanting stichtte en bij de woeste inwoners meer beschaafde zeden invoerde; van deze onderneming teruggekeerd, vond hij zijn vriend nog juist tijdig genoeg om den brandstapel voor hem op te richten, ook was hij de eerste die hem een offer bracht.--Toen de Heracliden door Eurystheus vervolgd werden, kwam hij uit de onderwereld terug om hen te helpen, v. s. was hij het die Eurystheus doodde of gevangen nam.

Iolcus, Iolkos, Iolkos, oude stad in het thessalische gewest Pelasgiotis, aan de Pagasaeïsche golf, de plaats van vertrek der Argonauten.

Iole, Iole, dochter van Eurytus, koning van Oechalia, door Heracles (z. a.) bemind; na zijn dood werd zij volgens zijn bevel de vrouw van Hyllus.

Ion, Ion, 1) de stamvader der Ioniërs, zoon van Xuthus en Creusa, huwde met Helice, de dochter van den koning van Aegialus, volgde zijn schoonvader in de regeering op, en noemde het volk Ioniërs. Door de Atheners in hun oorlog tegen de Eleusiniërs te hulp geroepen, wordt hij hun aanvoerder en na de overwinning hun koning; zijne zonen waren Hoples, Geleon, Aegicores en Argades, naar wie de vier ionische phylae genoemd zijn.--V. a. zoon van Apollo en Creusa, door zijne moeder te vondeling gelegd, en door Hermes naar Delphi gebracht, waar hij opgroeit en dienaar van den tempel wordt. Volgens een orakel nam Xuthus, die Creusa tot vrouw gekregen had, maar kinderloos gebleven was, hem tot zoon aan; Creusa, die vermoedt dat hij een onechte zoon van Xuthus is, wil hem vergiftigen, maar Apollo redt hem door een wonder en laat door de Pythia de verhouding tusschen moeder en zoon openbaren.--2) van Chius, tijdgenoot van Pericles, leefde in zijn jeugd geruimen tijd te Athene. Hij was de schrijver van verscheiden treurspelen en andere gedichten, tevens wijsgeer en geschiedschrijver, een man van smaak en fijne beschaving, zooals hij in zijn dagelijkschen omgang zoowel als in zijne werken toonde. Er zijn nog fragmenten van zijn werken over.--3) rhapsode van Ephesus, naar wien een van Plato's werken genoemd is.

Iones, Iones, een van de vier hoofdstammen der Grieken, die Attica, vele eilanden in de Aegaeïsche zee en een groot deel der Westkust van Kl. Azië bevolkt hebben. De ionische stam staat bovenaan, wat zeevaart en handel betreft. Zie ook Ionia en Achaia.

Ionia, Ionia, 1) oude naam voor het landschap Achaia in de Peloponnesus, voordat de Achaeërs de Ioniërs van daar verdreven hadden.--2) kustland met de voorliggende eilanden in Klein-Azië. Volgens de overlevering dagteekent de eerste ionische nederzetting aldaar, op de lydische kust, van ± 1044, toen onder aanvoering van Codrus' zonen Neleus en Androclus eene groote schaar naar Lydia overstak. Hier vormde zich allengs het ionisch stedenverbond: Phocaea, Clazomenae, Erythrae, Teos, Lebedus, Colophon, Ephesus, Priene, Myus, Miletus en de eilanden Samus en Chius. Ook de aeolische stad Smyrna voegde zich, vrijwillig of gedwongen, hierbij. Op kaap Mycale stond het Panionium, het gemeenschappelijk heiligdom van Poseidon, den ionischen stamgod. Croesus dwong de ionisch-aziatische Grieken de opperheerschappij van Lydia te erkennen; met Lydia kwamen zij in 545 onder Perzië. In 500 stonden zij vruchteloos tegen koning Darius I op, doch de perzische oorlogen maakten hen vrij, totdat de vrede van Antalcidas in 387 hen opnieuw aan Perzië prijs gaf. Verder deelden zij de lotgevallen van Klein-Azië. Ionia was het vaderland van de dichters Homerus, Mimnermus, Anacreon, van de schilders Zeuxis, Apelles, Parrhasius, van de wijsgeeren Thales, Anaximander, Anaxagoras, Xenophanes, van de geschiedschrijvers Hecataeus, Dionysius Milesius, e. a.

Ionium mare, Ionios pontos, de zee ten W. van Griekenland en Epirus. Het spreekt van zelf dat de uitgebreidheid eener open zee niet binnen grenzen te bepalen is. Sommigen breiden de ionische zee dan ook uit tot Sicilia; zelfs wordt de Adriatische zee wel Ionios mychos genoemd.

Iophon, Iophon, zoon van Sophocles en Nicostrate, treurspeldichter. Hoewel zijne werken soms flauw en langdradig genoemd worden, schijnen zij toch aanleiding gegeven te hebben tot het vermoeden, dat zijn vader hem er bij hielp. Het verhaal dat hij zijn vader op hoogen leeftijd voor de phratrie geroepen zou hebben, om hem wegens zwakte van geestvermogens het beheer van zijne bezittingen te doen ontnemen, en dat deze het onware van die bewering zou hebben aangetoond door den rechters zijn laatste werk, den Oedipus op Colonus, voor te lezen, is waarschijnlijk niets dan een verzinsel.

Joppe, Ioppe, thans Jaffa, oude havenstad op de kust van Judaea in Palaestina.

Jordanes, Iordanes, hoofdrivier van Palaestina, de Jordaan, ontspringt op den Hermon, vormt in zijn bovenloop het meer Merôm en verderop het meer Gennesareth, waaruit hij met een sterk verval naar de doode Zee (lacus Asphaltites) stroomt.

Ios, Ios, een der cycladische eilanden, ten Z. van Naxus, met eene stad van denzelfden naam, thans Nio. Men beweerde, dat er het graf van Homerus te zien was. Het eiland werd door Ioniërs bewoond.

Josephus (Flavius), zie Flavius Josephus.

Iovianus (Flavius Claudius), uit Moesia, werd, na den dood van Julianus in 363 na C., door de troepen tot keizer uitgeroepen, doch stierf binnen acht maanden, op zijn terugtocht naar Constantinopel.

Iphianassa, Iphianassa, 1) dochter van Agamemnon, waarschijnlijk dezelfde als Iphigenia.--2) dochter van Proetus.

Iphias, Euadne, dochter van Iphis.

Iphicles, -clus, Iphikles, Iphiklos, 1) zoon van Amphitryo en Alcmene, halfbroeder van Heracles en zijn metgezel bij verscheiden ondernemingen, ook nam hij deel aan de calydonische jacht. In den oorlog tegen Erginus gedroeg hij zich zoo dapper, dat Creon hem zijne jongste dochter tot vrouw gaf. Hij sneuvelde in den strijd tegen de Molioniden (z. Augias) of tegen Hippocoön (z. a.).--2) zoon van Thestius, een van de Argonauten, nam ook deel aan de calydonische jacht, en werd na afloop daarvan door Meleager gedood.--3) zoon van Phylacus of Cephalus, Argonaut, beroemd door zijne snelheid in het loopen, z. Melampus.

Iphicrates, Iphikrates, atheensch veldheer van geringe afkomst, werd op twintigjarigen leeftijd (393) aanvoerder der huurtroepen in den corinthischen oorlog. Eene nederlaag, die hem door de Spartanen toegebracht werd, leerde hem inzien, hoe weinig bruikbaar deze troepen tegen een geregeld grieksch leger waren, en van dien tijd besteedde hij de grootste moeite om ze behoorlijk te organiseeren, aan krijgstucht te gewennen, geregeld te laten oefenen, enz.; ook gaf hij hun wapenen, die meer overeenkwamen met de bestemming van dit krijgsvolk, o. a. het kleine, ronde schild (pelte, vanwaar de naam peltasten). Algemeen was de verwondering in Griekenland, toen Iph. met deze peltasten eene spartaansche afdeeling (mora) hoplieten geheel vernietigde (390). Wegens zijn verzet tegen de aanmatiging der Argiven werd hij uit de Peloponnesus teruggeroepen, daarop ging hij naar Thracië, waar hij den oorlog tegen de Spartanen voortzette; de vrede van Antalcidas ontnam hem echter de voordeelen, die hij hier behaald had. In de volgende jaren ondernam hij verscheiden tochten naar Thracië, hij herstelde Seuthes in de regeering en beoorloogde Cotys, later sloot hij echter een verbond met dezen en trouwde hij met diens dochter. Hij stond aan het hoofd van een grieksch huurleger, dat de Perzen zou helpen bij de herovering van Aegypte (374), maar ten gevolge van een twist met Pharnabazus keerde hij onverrichter zake terug. Daarna werd hij met eene vloot naar Corcyra gezonden, dat door de Spartanen belegerd werd, en ofschoon deze reeds teruggeslagen waren, toen hij aankwam, behaalde hij toch bij deze gelegenheid eenige voordeelen. Het bevel over deze vloot was oorspronkelijk aan Timotheüs opgedragen, en de ergernis der voornamen over diens afzetting gaf zich lucht in eene aanklacht tegen Iph., waartegen deze zich echter met glans verdedigde. Als bevelhebber in den thebaanschen oorlog, in Thracië en Macedonië, richtte hij niet veel uit, en de voordeelen, die hij door zijne politiek behaalde, waren niet duurzaam. Ten slotte werd hem in den bondgenootenoorlog met Chares en Timotheüs het opperbevel gegeven (356), en toen hij op aanklacht van Chares (z. a.) beboet was, verliet hij Athene. Hij schijnt in 353 in Thracië gestorven te zijn.

Iphidamas, Iphidamas, 1) zoon van Busiris, werd met zijn vader door Heracles gedood.--2) zoon van Antenor.

Iphigenia, Iphigeneia, dochter van Agamemnon en Clytaemnestra, of van Theseus en Helena, door Clytaemnestra als kind aangenomen. Toen de Grieken op weg naar Troje in de haven van Aulis werden teruggehouden door een windstilte, die Artemis uit toorn tegen Agamemnon of Menelaus gezonden had, verklaarde Calchas, dat Iph. aan Artemis geofferd moest worden. Onder voorwendsel dat zij met Achilles zoude trouwen, werd zij in het leger gehaald, maar toen zij reeds op het altaar lag, stelde Artemis eene hinde in haar plaats en ontvoerde haar naar Tauris. Daar deed zij vele jaren dienst als priesteres bij de menschenoffers aan Artemis (z. a.) Tauropolos, totdat Orestes er landde, zijne zuster herkende, en haar met het beeld der godin naar Griekenland ontvoerde. Te Brauron en te Megara meende men haar graf te vinden en werden haar offers gebracht.--V. a. was zij niet gestorven, maar onder den naam Hecate tot godin verheven, of werd zij na haar dood naar het eiland Leuce verplaatst, waar zij als Orsilochia met Achilles huwde. Artemis zelve draagt op sommige plaatsen den bijnaam Iph.

Iphimedea, Iphimedeia, -mede, dochter van Triops, echtgenoote van Aloeus, bij Poseidon moeder van de Aloaden.

Iphinoë, Iphinoe, eene van de Proetiden.

Iphis, Iphis, 1) koning van Argos, zoon van Alector, vader van Eteoclus en Euadne. Toen zijne beide kinderen dood waren, gaf hij de regeering over aan Sthenelus, den zoon van Capaneus.--2) zoon van Sthenelus, verloor het leven bij den tocht der Argonauten in een gevecht tegen Aeetes.--3) z. Anaxarete.--4) dochter van Ligdus en Telethusa. Daar haar vader voor hare geboorte gezegd had, dat hij zijn kind zou moeten dooden, indien het eene dochter was, daar hij geen geld had om een meisje op te voeden, gaf haar moeder voor, dat zij van een jongen bevallen was. Iphis werd nu als jongeling opgevoed, en toen zij volwassen was en haar vader wilde dat zij zoude trouwen, veranderde Isis haar in een man, zoodat het bedrog niet ontdekt werd.

Iphitus, Iphitos, 1) zoon van Eurytus, Argonaut, door Heracles (z. a.) verraderlijk gedood.--2) zoon van Naubolus, koning van Phocis.--3) koning van Elis, herstelde met Lycurgus de olympische spelen.

Ipsus, Ipsos, Ipsos, stadje in Phrygia, ten N. van Synnada, waar Antigonus in 301 in den slag tegen Seleucus en Lysimachus sneuvelde.

Ira, Eira, bergvesting in het N. van Messenia, die in den tweeden messenischen oorlog elf jaar (679-668) door Aristomenes tegen de Spartanen werd verdedigd.

Irassa, Irasa, Irassa, vruchtbare streek en stad in Cyrenaïca.

Iris, Iris, dochter van Thaumas en Electra, die met de snelheid van den wind (Podenemos, Aellopous) de bevelen der goden, vooral die van Hera, aan de menschen overbrengt. V. s. was zij bij Zephyrus moeder van Eros. Bij latere dichters is zij de personificatie van den regenboog. Op hare afbeeldingen heeft zij de gestalte van eene vlugge jonkvrouw en draagt zij een schitterend kleed, gouden vleugels aan de schouders en een staf in de hand; soms wordt zij afgebeeld met een kan, waarmede zij aan de wolken water toevoert.

Iris, Iris, rivier in Pontus, die langs Comana en Amasea stroomt en zich na een bochtigen loop ten O. van Amisus in den Pontus Euxinus (Zwarte zee) stort.

Irus, Iros, 1) zoon van Actor, vader van Eurytion. Toen deze door Peleus gedood was, wilde Irus het als zoenoffer aangeboden vee niet aannemen, daar hij van geen verzoening wilde weten. Peleus liet het daarop in vrijheid rondloopen, het werd door een wolf verscheurd, die in een steen veranderd werd en lang op de grens van Locris en Phocis staan bleef.--2) onbeschaamd bedelaar op Ithaca, door Odysseus bij zijne terugkomst weggejaagd. Spreekwoord: Iro pauperior.

Is, Is, rivier en stad in Mesopotamia, aan den Euphraat. In den omtrek werd asphalt gevonden, waarmede de muren van Babylon waren opgemetseld.

Isaeus, Isaios, 1) van Chalcis, een van de tien attische redenaars, leerling van Lysias en Isocrates, leermeester van Demosthenes; zijn onderwijs in de welsprekendheid wordt hoog geroemd. Van de talrijke redevoeringen, die hij als pleitbezorger voor anderen schreef, zijn elf bewaard gebleven, die alle over erfeniskwesties handelen.--2) sophist, die onder Traianus reeds op hoogen leeftijd uit Assyrië naar Rome kwam.

Isagoras, Isagoras, atheensch aristocraat, na de verdrijving der Pisistratiden tegenstander van Clisthenes, dien hij door de hulp van Cleomenes I voor korten tijd verdreef. Daarna werd hij tot eersten archont gekozen (508) en begon hij de staatsinstellingen in aristocratischen geest te hervormen. Weldra werd hij echter op zijne beurt verjaagd, en de pogingen van Cleomenes om hem met geweld terug te brengen mislukten.

Isara, naam van twee rivieren in Gallia Transalpina, 1) een zijtak van den Rhodanus (Rhône), thans de Isère.--2) een bijstroom der Sequana (Seine), thans de Oise geheeten.

Isauria, Isauria, in het Z. van Lycaonia, op de grenzen van Pisidia en Cilicia. Het land was bergachtig en werd door een woest rooversvolk bewoond. Wel behaalde P. Servilius Vatia (Isauricus) in 76 eene groote overwinning op hen, en vernietigde Pompeius hunne roofschepen en lijfde hun gebied in (65), doch geheel ten onder gebracht werden zij niet. Zie Galatia aan het slot. Sedert de 3de eeuw na C. ondernemen ze, verbonden met de bewoners van westelijk Cilicië, die nu ook Isauri heeten, geregeld groote strooptochten.

Ischolaus, Ischolaos, spartaansch veldheer, sneuvelde bij den eersten tocht van Epaminondas tegen Sparta in een gevecht tegen Arcadiërs (370).

Ischys, Ischys, Arcadiër, zoon van Elatus, z. Coronis no. 1.

Isionda, Isionda, Isinda, oude stad in het Z.W. van Pisidia.

Isis, Isis, aegyptische hemelgodin, moeder der opgaande zon (Horus) en gemalin der middagzon (Osiris). Zij was een van de weinige godheden, die in geheel Aegypte vereerd werden, vandaar dat, toen men eene verklaring poogde te vinden van de geheimzinnige mythen, die op hare verhouding tot de zon betrekking hebben, die mythen op zeer verschillende wijzen uitgelegd werden, waarbij aan het wezen van Isis tal van beteekenissen werden toegeschreven, die haar oorspronkelijk geheel vreemd waren. Zoo werd zij godin van het Nijldal, maangodin, godin van leven en vruchtbaarheid, helpster bij geboorten, godin van ziekte en gezondheid, koningin der onderwereld, waarvan zij de sleutels bewaart en waar zij recht spreekt over de dooden, godin van zee en stormen, wetgeefster, beschermster van het huwelijk en den staat, enz. Door de Grieken werd zij daarom vereenzelvigd met Demeter, Persephone, Hecate, Hera, Artemis, Io en vele andere godinnen, en haar voor een groot deel geheime, dikwijls met onzedelijkheid gepaarde, eeredienst vond bij hen vrij algemeen ingang. Ook bij de Rom. werd de dienst van Isis tegen het einde der republiek ingevoerd en, hoewel herhaaldelijk verboden, was hij in den keizertijd door het geheele rijk verbreid. Een offerplechtigheid ter eere van Isis is op blz. 338 voorgesteld.--Latere wijsgeeren zagen in Isis, wegens haar uitgebreiden werkkring, de personificatie der grondstof van het heelal of de alles beheerschende godheid.--Hare afbeeldingen gelijken op die van Hera, hare attributen zijn slangen, korenaren, lotus, de halve maan, het sistrum, e. a.

Ismarus, Ismaros, berg en stad in het gebied der Ciconen op de thracische kust. Bij dichters Ismarius = thracisch.

Ismene, Ismene, dochter van Oedipus en Iocaste. Zij bleef haar vader in zijn ongelukken getrouw en kwam hem in zijne verbanning inlichten omtrent thebaansche toestanden. Hoewel zij haar zuster Antigone (z. a.) had afgeraden tegen het bevel van Creon te handelen, was zij bereid de gevolgen van hare daad mede te dragen.

Ismenias, Ismenias, 1) rijk Thebaan, hoofd van de partij, die Sparta vijandig gezind was, geen democraat, zooals sommige schrijvers melden. In den corinthischen oorlog, waartoe hij, van Perzië uit met geld ondersteund, door zijn politiek aanleiding gegeven had, onderscheidde hij zich als veldheer. In 383 was hij polemarch, toen echter de Spartanen, door zijn ambtgenoot Leontiades geholpen, de Cadmea bezet hadden, werd hij gevangen genomen en als onruststoker ter dood veroordeeld.--2) zoon van den vorigen, vluchtte bij den dood van zijn vader naar Athene en bleef er tot 379. Hij werd met Pelopidas te Pherae gevangen gehouden (368) en vergezelde hem bij zijn gezantschap naar Perzië.

Ismenus, Ismenos, riviertje in Boeotia, dat door Thebae stroomt, het water der bron Dirce opneemt en in het meer Hylice valt. Hierna heeten de Thebaansche vrouwen bij Ovidius: Ismenides.

Isocrates, Isokrates, een van de tien attische redenaars. Hij was de zoon van een rijk Athener, geb. 436, en genoot het onderwijs van de beroemdste sophisten van zijn tijd en ook van Socrates. Zijn vader verloor in den peloponnesischen oorlog zijn vermogen, hijzelf verwierf zich echter grooten rijkdom, vooral door zijn onderwijs in de welsprekendheid, dat zeer gezocht was; v.s. had hij 100 leerlingen, die hem ieder 1000 drachmen betaalden; voor eene redevoering zou hij eens van Nicocles 20 talenten gekregen hebben. Zijn aanzien was groot, niet alleen bij zijne leerlingen, maar ook in wijderen kring, zelfs met vreemde vorsten (Philippus, Euagoras, Nicocles) stond hij in betrekking. Zelf trad hij uit bedeesdheid en wegens zijn zwakke stem nooit in het openbaar als redenaar op, hij schreef echter voor anderen pleitredenen, totdat hij in 388, na een kort verblijf op Chius, te gelijk met het openen zijner school, zich in een nieuwe richting ging bewegen als schrijver van verhandelingen, die den vorm van redevoeringen (feestredenen, leerredenen) behouden hebben, ofschoon zij niet bestemd zijn om voorgedragen, maar om gelezen te worden (logoi epideiktikoi kai symbouleutikoi). De voornaamste hiervan zijn: Panegyrikos (380), Plataïkos (373), Archidamos (365), Symmachikos e peri eirenes (357), Areopagitikos (354), Philippos (346), Panathenaïkos (342-339). Zijn taal is zuiver en eenvoudig, zijne perioden kunstig samengesteld; ook worden zijne werken, waarvan 21 bewaard gebleven zijn, als modellen van welsprekendheid geroemd, terwijl zij tevens getuigen van zijne vaderlandsliefde en vele juiste beschouwingen bevatten over de verwarde toestanden van zijn tijd. Over de waarde zijner kunst, die hij voor het praktische leven zeer hoog schat en waaraan hij, in tegenstelling met andere rhetoren, ook een zedelijke beteekenis toekende, is hij soms in polemiek met Plato. Uit verdriet over den afloop van den slag bij Chaeronea maakte hij, 98 jaar oud, een einde aan zijn leven.

Isoteles. Een metoikos, die zich op een of andere wijze jegens den staat verdienstelijk had gemaakt, werd beloond met de isoteleia. Daardoor werd hij, wat zijn geldelijke verplichtingen tegenover den staat betreft, en soms ook in andere opzichten, met de burgers gelijkgesteld.

Issa, Issa, eilandje op de dalmatische kust, thans Lissa. De inwoners waren flinke zeelieden; hunne booten werden lembi Issaei genoemd.

Issedones, Issedones, groot scythisch volk in Azië, aan de grenzen van Serica (China).

Issus, Issos, Issoi, stad in het O. van Cilicia, aan de Issische golf, waarbij Alexander de Gr. in 333 zijne tweede groote overwinning op de Perzen behaalde.

Istaevones = Istuaevones.

Ister, Istros, leerling van Callimachus, schrijver eener Atthis, en van vele andere werken. Er zijn alleen fragmenten over.

Ister, Istros, zie Danuvius.

Isthmia, Isthmia, de isthmische spelen, na de olympische en de pythische het voornaamste feest der Grieken. Zij werden om de twee jaar onder voorzitterschap der Corinthiërs, en na de verwoesting van Corinthe onder dat der Sicyoniërs, op de landengte van Corinthus ter eere van Poseidon Isthmius gehouden, en bestonden uit de gewone wedstrijden in loopen, vechten, rijden, enz., waarbij later voordrachten van gedichten of muziek kwamen. De overwinnaar kreeg een palmtak en een krans van eppe. De isthmische spelen werden tot laat in den rom. keizertijd gevierd en druk bezocht, daarom werden hier dikwijls afkondigingen van algemeen belang gedaan; hier werden de Grieken door T. Quinctius Flamininus en later door Nero vrij en autonoom verklaard.

Isthmius, Isthmios, bijnaam van Poseidon als den god, wien de isthmische spelen gewijd zijn.

Isthmus, Isthmos, landengte, bij uitnemendheid die van Corinthus. Op deze landengte stond de tempel van den isthmischen Poseidon en werden te zijner eer de isthmische spelen, ta Isthmia, gevierd. Dwars over de landengte, tusschen de Saronische golf en de Corinthische, liep eene soort van overtoom of rolbaan, diolkos (z. a.). Op deze wijze werd de gevaarlijke omvaart van kaap Malea vermeden.

Istria = Histria.

Istropolis, Istropolis, Istros, stad op de kust van Moesia, ten Z. der Donaumonden, kolonie van Miletus.

Istrus, Istros = Istropolis. Zie ook Danuvius.

Istuaevones, oude naam voor één der onderafdeelingen der Germanen, de Rijn-Germanen, waarvan de Sicambri den voornaamsten stam vormden.

Italia, Italia. Voordat Augustus de Alpenlanden onder Rome's heerschappij bracht, begon Italia in het N. eerst aan den voet der Alpen, en zelfs kon het noordelijk gedeelte, het dal van den Po en zijne bijrivieren, geschiedkundig eerst tot Italia gerekend worden, sedert Augustus het in zijne verdeeling van Italia in elf regiones opnam. Wel had Gallia Cispadana in 89, Transpadana in 49 het rom. burgerrecht gekregen, doch niettemin bleef Gallia Cisalpina nog provincie. Ethnografisch behoorde het ook niet tot Italia, daar het geheel door ligurische en gallische stammen was bezet. Zie Gallia Cisalpina.--Het eigenlijke oude Italia begon eerst dáár, waar het land zich op eenmaal versmalt, en waar zich de Rubico, vóór Sulla de Aesis, in de Adriatische, de Macra in de Tyrrheensche zee stort. De naam Italia wordt afgeleid van een oud umbrisch woord vitlu, rund (vitulus), en wordt oorspronkelijk alleen gebezigd van de uiterste Zuidpunt, de streek van het Sila-gebergte, dan van het heele Zuiden tot aan de rivieren de Laüs en de Siris (in Lucania), en ten slotte door de siciliaansche Grieken, de Sikeliotai, op geheel eigenlijk Italia toegepast. In den oudsten tijd komen verschillende deelen onder verschillende namen voor, die ook wel, vooral bij dichters, voor het geheel worden gebezigd, als: Ausonia of Opica, oorspronkelijk de Z.W. kust, Daunia en Iapygia aan de Z.O. kust, Oenotria, het wijnland, Tyrrhenia of Etruria, Saturnia of Latium, terwijl de Grieken het ook Hesperia, het avond- of Westland noemden. Onder de oudste bewoners worden de Umbri in Midden-Italia vermeld, die ook Etruria bewoonden, doch door de Etrusei in Umbria werden teruggedrongen. De Ausones, Aurunci of Osci woonden in Apulia, Campania (waaruit zij door Samnieten verdrongen werden) en in een deel van Latium. De Aborigines waren de stamvaders der Latijnen. Dan had men den sabellischen stam, waartoe de Sabini, Peligni, Marsi, Marrucini, Frentani, Hernici en anderen behoorden en die zich onder den algemeenen naam van Saunitae of Samnites over Samnium, Campania en Lucania uitbreidden. De kustbewoners van Apulia en Calabria waren misschien van illyrischen, de Bruttii van siculischen oorsprong. De kusten der zuidelijke helft (Beneden-Italië, Italia inferior, Magna Graecia) waren met grieksche, meest achaeïsche en dorische, koloniën bezet. In één woord, Italia vertoonde het bontste mengelmoes van verschillende bevolkingen en stammen, die elkander den bodem betwistten. Midden-Italia omvatte de landschappen Etruria, Umbria, Picenum, Samnium, Latium, Campania; Beneden-Italia bevatte Lucania, Bruttii, Apulia, Calabria. De namen der XI regiones, waarin Augustus Italia verdeelde, zijn de volgende: 1o. Latium et Campania, 2o. Apulia et Calabria, 3o. Lucania et Bruttii, 4o. Samnium, 5o. Picenum, 6o. Umbria, 7o. Etruria, 8o. Aemilia, 9o. Liguria, 10o. Venetia, 11o. Transpadana.

Italica, 1) rom. municipium in Baetica aan den Baetis (Guadalquivir), nabij Hispalis (Sevilla), door Scipio (Africanus maior) gesticht.--2) zie Corfinium.

Italicum bellum, zie Marsicum bellum.

Italus, Italos, aloud koning der Oenotriërs of der Siculi, zoon van Telegonus en Penelope. Hij was gehuwd met Electra, dochter van Latinus, en werd de vader van Remus of Romus.

Itanus, Itanos, stad op de Oostkust van Creta, met purperververijen.

Ithaca, Ithake, thans Thiaki, een der tegenw. Ionische eilanden, het kleine, maar beroemde eiland van Ulysses, tusschen Cephallenia en het vasteland gelegen. Tegenwoordig meenen echter vele geleerden het Homerische Ithaca in Leucas teruggevonden te hebben.

Ithome, Ithome, berg in het midden van Messenia, slechts van ééne zijde toegankelijk, waarvan de Messeniërs in hun eersten oorlog tegen Sparta (743-724) eene bergvesting maakten, die zij 10 jaar lang verdedigden. Aan den voet van den berg legde Epaminondas in 369 de stad Messene aan, waarvan Ithome de citadel werd. Ithome en de acropolis van Corinthus werden de beide horens, kerata, van de Peloponnesus genoemd.

Itius portus, to Ition, havenstad der Morini in Gallia, van waar Caesar naar Britannia overstak, thans Calais of Wissant; v. a. identisch met Gesoriacus portus (Boulogne s. m.).

Iton of Itonus, Iton, Itonos, oude stad in het midden van het thessalische landschap Phthiotis, met een beroemden tempel van Athena.

Ituraea, Itouraia, bergl. ten N.O. van Palaestina, tusschen Batanaea of Basan en de woestijn gelegen, ten O. van Bostra. De Ituraei waren woeste roovers, en beroemde boogschutters. Augustus voegde Ituraea aan het gebied van Herodes den Gr. toe; keizer Claudius deelde het bij Syria in.

Ityca, Ityke = Utica.

Itylus, Itylos, zoon van Zethus en Aedon (z. a.), die door zijne moeder bij vergissing gedood werd.

Itys, Itys, zoon van Tereus en Procne (z. a.), die door zijne moeder en tante gedood werd.

Iuba, Iobas, koning van Numidia, zoon van Hiëmpsal II, welke laatste een zoon was van Gauda. Indertijd had Hiëmpsal de party van Sulla gekozen, was daarop door de mariaansche partij verdreven, doch door Pompeius in zijn rijk hersteld. In 63/62, nog tijdens het leven van zijn vader, haalde Juba zich de vijandschap van Caesar op den hals; toen dus de burgeroorlog uitbrak, koos hij partij tegen Caesar; hij versloeg Caesars legaat C. Curio met diens geheele leger, doch de nederlaag der pompejaansche partij bij Thapsus in 46 noodzaakte hem tot de vlucht, en toen nu ook de zijnen hem begonnen in den steek te laten, bracht hij in wanhoop zichzelf om het leven. Zijn zoon Juba, nog een kind, werd door Caesar naar Rome gebracht en ontving daar eene zorgvuldige rom. opvoeding, zoodat hij later als geleerde grooten naam had. Hij schreef vooral over geschiedenis en aardrijkskunde. Augustus gaf hem in 25 het westelijk gedeelte van zijn vaderlijk rijk, het latere Mauretania Caesariensis, en bovendien het eigenlijke Mauretania (M. Tingitana) tot koninkrijk. Juba was gehuwd met Cleopatra Selene (zie Cleopatra no. 11). Hij overleed in 23 n. C., en werd opgevolgd door zijn zoon Ptolemaeus. Hij vestigde zijn residentie te Iol, dat hij verdoopte in Caesarea (z. a. no. 6).

Iudaea, Ioudaia, het Z. gedeelte van Palaestina, ten W. door de zee, ten O. door den Jordaan begrensd. In later tijd werd onder dezen naam ook wel geheel Palaestina als rom. provincie verstaan. Zie verder Palaestina.

Iudex. In civiele processen was het regel, dat de twistende partijen voor den praetor verschenen. De praetor nam kennis van de zaak, onderzocht of er eene actie in zat, d.w.z. of een der op zijn album vermelde gevallen van rechtsvordering op het geval van toepassing was; hij besliste echter zelf niet, of de eischende partij gelijk had (zie echter iudicium extra ordinem). Hij stelde alleen het ius vast, d. i. hij omschreef, wat recht was in geval de klager in zijn recht bleek te zijn, en wat er geschieden moest ingeval dit niet bleek. De vaststelling van den procesdag, de oproeping der getuigen geschiedden door den praetor, doch de beslissing, de uitspraak, het iudicium, werd door hem opgedragen òf aan een enkelen rechter, iudex, arbiter, òf in sommige gevallen aan een college van drie of vijf rechters, iudices recuperatores. Zulk een iudex kreeg van den praetor eene bepaalde instructie, waarin hem voor elk geval de uitspraak was voorgeschreven; hij had dus alleen te onderzoeken, of de eischer zijn recht bewijzen kon. De pleidooien en het getuigenverhoor hadden dus voor den rechter plaats. Wanneer iemand door den praetor werd opgeroepen, om als alleenstaand rechter op te treden, nam hij een consilium amicorum mede, ten einde hem als adviseurs ter zijde te staan. Het gewoonterecht eischte dit. Doch zijne uitspraak was de beslissende sententia iudicis, die geen hooger beroep toeliet.

De iudices bij de quaestiones perpetuae speelden eene andere rol. Deze quaestiones waren processen in strafzaken, waarbij de straf eens en voor goed door eene wet was vastgesteld. Het kwam er dus slechts op aan, of de schuld van den beklaagde bewezen kon worden of niet. Hier vormden derhalve de iudices een hof van gezworenen, waar meerderheid van stemmen gold. De wet bepaalde het aantal gezworenen, alsmede hoeveel er door aanklager en aangeklaagde mochten gewraakt worden (reiectio iudicum).

Jaarlijks werd door den praetor urbanus eene lijst opgemaakt van hen, die voor het rechtersambt in aanmerking kwamen (album iudicum). Eerst bestond de lijst alleen uit leden van den senatorenstand; de lex Sempronia van C. Gracchus (123) bracht hierin verandering door de senatoren uit te sluiten en het rechtersalbum samen te stellen uit hen, die den riddercensus hadden (zie equites). Sulla's lex Cornelia iudiciaria (81) gaf het rechtersambt aan den senaat terug. Ten gevolge van de reorganisatie van het strafrecht door Sulla ingevoerd, waren er voortaan 8 quaestiones, waarbij de meeste strafdelicten waren ingedeeld; daar er slechts zes praetoren beschikbaar waren, en sommige quaestiones, vooral die inter sicarios, gewoonlijk gesplitst moesten worden, wezen de praetoren voor elk van de overige een iudex quaestionis (z. a.) aan. De lex Aurelia van L. Aurelius Cotta (70) verdeelde de iudicia tusschen den senaat, den ridderstand en de tribuni aerarii, zoodat bij elke quaestio perpetua het gerechtshof uit drie afdeelingen of decuriae bestond. Caesars lex Iulia sloot de aeraartribunen wederom uit; M. Antonius voerde wederom eene derde decurie zonder census in, voornamelijk uit centuriones en veterani samengesteld; Augustus nam vier decuriën aan; de leden der vierde decurie werden ducenarii geheeten naar hun census van slechts 200000 sestertiën. Uit de rechterslijsten werd door den praetor, wien het aanging, voor iedere zaak het voorgeschreven aantal rechters door loting aangewezen, sortitio iudicum. Ingeval de wet bepaalde, dat in plaats der gewraakte rechters andere zouden geloot worden, heette dit subsortitio. Een arbiter behoefde niet uit het album iudicum te worden gekozen. Dikwijls gaven de twistende partijen zelf aan den praetor op, wien zij liefst als arbiter wenschten aangewezen te zien.

Iudex pedaneus, chamaidikastes. In het keizerstijdperk kwam de rechtspraak meer en meer in hand der overheden, en werd het iudicium extra ordinem de heerschende vorm. Soms evenwel werd in civiele zaken een onderzoek opgedragen aan een hulp- of onderrechter, die pedaneus wordt genoemd.

Iudex quaestionis. Daar er voor de quaestiones perpetuae niet zooveel praetoren beschikbaar waren als het getal quaestiones bedroeg, moesten wel enkele praetoren twee rubrieken van misdaden voor hunne rekening nemen. Zij konden zich dan wel met de instructie van twee quaestiones belasten, maar niet altijd bij beide als voorzitter van het gerechtshof optreden. In dit geval belastten zij een iudex met het voorzitterschap, die dan iudex quaestionis was. Dit was sedert Sulla geregeld een oud-aediel.

Iudicio (in), in iure. Bij civiele gedingen moeten streng gescheiden worden de handelingen in iure en in iudicio. In iure is al datgene, wat voor den praetor plaats vindt; in ius ambulare, ire, venire = tot den praetor gaan. In iudicio is alles, wat voor den rechter geschiedt.

Iudicium domesticum. De rom. vader was rechter over zijn gezin en kon krachtens zijn ius vitae et necis zware misdaden zijner kinderen, ja, zijner vrouw, zelfs met den dood straffen. Wanneer hij echter als huisrechter optrad, moest hij evengoed als elke alleen uitspraak doende rechter (zie iudex) zich eenige buren en bloedverwanten als consilium toevoegen.

Iudicium extra ordinem. Aldus wordt een iudicium geheeten, wanneer dezelfde overheid de zaak in iure en in iudicio behandelt, b.v. wanneer de praetor zelf uitspraak doet (zie iudex). Er konden zich gevallen voordoen, die niet naar een iudex konden verwezen worden, omdat zij naar het strenge rom. recht niet vervolgbaar waren, b.v. van een pupil, die nog te jong was om als rechtspersoon te kunnen optreden, tegen zijn voogd, en waarin toch eene tusschenkomst van hoogerhand wenschelijk was. Doch de uitspraak van eene overheid was geen vonnis, geene sententia iudicis, maar slechts een decretum, dat herroepen kon worden door dengene, die het had uitgevaardigd en dat ook niet verbindend was voor diens opvolger. Onder de republiek was het iudicium extra ordinem zeldzaam; onder de keizers werd het de heerschende vorm, en kon men zelfs van eene overheid op eene hoogere en in het hoogste ressort op den keizer zelven appelleeren, iets wat onder de republiek onbekend was.

Iudicium privatum. Dit komt, wat den aard betreft, overeen met hetgeen bij ons een civiel rechtsgeding heet, met dien verstande, dat bij de Rom. minder strafzaken waren dan bij ons, en dus vele zaken, die bij ons tot strafvervolging zouden leiden, bij hen slechts tot een civiel proces aanleiding gaven. Zie verder het begin van het artikel iudex.

Iudicium publicum. De strafrechtpleging was in Rome oorspronkelijk in handen van de ambtenaren (zie coercitio), maar ging voor zoover het burgers betrof door de verschillende leges de provocatione over op de volksvergadering. Bij res capitales werd nu de zaak geïnstrueerd door een quaestor, en bij veroordeeling en appel op het volk werden dan de comitia centuriata door een magistratus cum imperio bijeengeroepen, die dan het vonnis bekrachtigden of vernietigden (zie Contio). Bij boetezaken werden de opgelegde boeten bij overschrijding der provocatie-grens door de tribuni en aediles plebis voor het concilium plebis, door de magistratus populi voor de comitia tributa gerechtvaardigd. Daar echter het volk niet tegenover alle personen en in alle zaken een onpartijdig rechter was en het bijeenroepen der comitiën dikwerf op groote bezwaren stuitte, riep de volkstribuun L. Calpurnius Piso in 149 voor processen over afpersingen in de provinciën (repetundae) de eerste zoogenaamde quaestio perpetua in het leven. Bij zulk eene quaestio was de straf door de wet aangewezen; het proces werd nu gevoerd voor een hof van gezworen rechters, die nu alleen over schuld of onschuld uitspraak hadden te doen en die voor elke zaak in het door de wet bepaalde getal door het lot werden aangewezen (zie iudex). Allengs werd het aantal quaestiones perpetuae uitgebreid, evenals het aantal praetoren. Ieder burger kon thans als klager optreden. De praetor, wien de quaestio aanging, instrueerde de zaak en was in den regel voorzitter van het hof; zoo niet, dan werd hij als zoodanig vervangen door een iudex quaestionis (z. a.). Met de invoering der quaestiones perpetuae ging echter niet noodzakelijk de opheffing van het iudicium populi gepaard; de overheidspersonen, die het ius agendi cum populo hadden, konden altijd nog eene wet tot veroordeeling van dezen of genen voorstellen, doch uit den aard der zaak werd deze vorm van strafgeding zeldzamer.

Iugarius vicus, straat in Rome, die aan den zuidelijken voet van het Capitool van de porta Carmentalis naar het forum liep.

Iugerum, rom. vlaktemaat, 240 voet lang en 120 voet breed = omstreeks 1/4 hectare.

Iugum, zygos. Bij de ouden liep een tweespan van paarden of andere trekdieren onder een juk of dwarshout, dat op den nek der dieren lag en met riemen aan het tuig werd bevestigd, terwijl het uiteinde van den disselboom op dit juk rustte en er met een zwaren riem aan vastgebonden was. Soms was dit juk golvend om het beter aan den nek der dieren te doen sluiten, somtijds ook recht. Bij een vierspan liepen alleen de beide middelste onder het juk.--Het juk, waaronder nu en dan overwonnen legers moesten doorgaan, bestond uit twee speren, die in den grond waren gestoken en waaraan eene derde horizontaal was vastgebonden.

Iugurtha. Masinissa, koning van Numidia, had, voorzoover bekend is, drie zoons: Micipsa, Gulussa en Mastanabal. Micipsa volgde zijn vader op en regeerde van 148 tot 118. Hij had twee zoons, Hiëmpsal en Adherbal, bovendien had hij een onechten zoon van Mastanabal, Jugurtha, tot zoon aangenomen en tot medeërfgenaam van zijn rijk benoemd. Aan het hoofd der numidische hulptroepen diende Jugurtha onder P. Cornelius Scipio in 134 voor Numantia, waar hij grooten lof verwierf om zijn moed en zijn beleid. Na Micipsa's dood ontstond er spoedig twist tusschen de prinsen; Jugurtha, die naar de alleenheerschappij streefde, ruimde zijne beide neven uit den weg, terwijl hij door omkooping op groote schaal den rom. senaat de oogen deed sluiten voor hetgeen er in Numidia gebeurde. Doch eindelijk, toen het rom. volk over de omkoopbaarheid van den senaat oproerig begon te worden, werd aan Jugurtha de oorlog verklaard. De eerste veldheer, die tegen hem werd afgezonden, de consul L. Calpurnius Bestia (111), bezweek zelf voor het numidisch goud; daarop kwam in 110 de consul Sp. Postumius Albinus (Postumii no. 14), die al spoedig het bevel aan zijn broeder Aulus overliet, om te Rome de comitiën te houden. Door list wist Jugurtha zijn tegenstander te verschalken; het rom. leger moest zich overgeven en onder het juk doorgaan. Q. Caecilius Metellus (Caecilii no. 13), consul in 109, bestreed Jugurtha gedeeltelijk met diens eigen wapens en noodzaakte hem, naar zijn schoonvader Bocchus, koning van Mauretania, te vluchten. Beiden leden in 107 eene gevoelige nederlaag door C. Marius, die Metellus in het opperbevel was opgevolgd. Bocchus, voor zijn eigen troon bevreesd, leverde zijn schoonzoon uit aan L. Sulla, die als quaestor in Marius' leger diende (105). Jugurtha moest den zegetocht van Marius opluisteren, waarna men hem zes dagen lang in den kerker met den hongerdood liet worstelen en toen worgde.

Iulia (lex) van den consul L. Iulius Caesar (90), waarbij aan de italiaansche bondgenooten, die bij den algemeenen opstand aan Rome trouw gebleven waren, en evenzoo aan de Latijnen het burgerrecht werd toegekend.

Iuliae (leges) van C. Iulius Caesar.--1) lex de publicanis (door Caesar in het leven geroepen in zijn eerste consulaat, in 59), dat aan de belastingpachters in Asia het derde deel der pachtsommen zou worden terugbetaald wegens de verliezen, die zij in den mithradatischen oorlog hadden geleden.--2) lex agraria, zoogenaamd lex Campana, zie onder Agrariae (leges). Deze wet, evenals de vorige, van het jaar 59, werd door Caesar doorgedreven, niet zonder hevigen tegenstand van den senaat en van Caesars ambtgenoot M. Calpurnius Bibulus.--3) lex de repetundis (59), eene uitvoerige wet van meer dan 100 artikelen. O.a. beval zij, dat de verschuldigde gelden ook op hen zouden verhaald worden, die van den veroordeelde geld hadden ontvangen. Deze wet diende tot grondslag voor alle latere verordeningen op dit punt.--4) tot bekrachtiging der schikkingen, door Pompeius in Asia gemaakt (59).--5) lex de exsulibus, van het jaar 49 gedurende Caesars eerste dictatuur comitiorum habendorum causa. Door deze wet werden zij, die in de laatste jaren van misdrijven waren aangeklaagd en volgens rom. gewoonte vóór de uitspraak van het vonnis in ballingschap waren gegaan, in hun vroegeren staat hersteld (restitutio in integrum). Het was dus eene amnestie, waarvan echter T. Annius Milo met name was uitgesloten. Het bestaan van deze wet wordt met recht betwist; wel werden eenige personen, vooral eenigen, die volgens de lex Pompeia de ambitu veroordeeld waren, teruggeroepen, maar een bepaalde wet de reditu damnatorum is niet aan te nemen. Wel heeft M. Antonius na Caesar's dood uit de acta Caesaris eene lex Julia de exulibus, die natuurlijk apocryph was, gepubliceerd.--6) lex de pecuniis mutuis s. de aere alieno. In den burgeroorlog hadden velen geleden en was het crediet geschokt. Hierom beval de wet de benoeming van arbitri, die de geleden verliezen zouden taxeeren, waarna dan in verhouding daarvan een gedeelte der schulden zou worden geroyeerd. Ook deze wet dagteekent van het jaar 49. Hiermede ging, om het oppotten van geld te voorkomen, een bepaling gepaard, waarbij o.a. verboden werd, meer dan 15000 denarii aan contant geld te bezitten. Een aanvulling hiervan was de lex Julia de modo credendi et possidendi intra Italiam van 47, waarbij de kapitalisten verplicht werden een gedeelte van hun vermogen in grondbezit aan te leggen, en de schulden op het grondbezit drukkend, tot een bepaald bedrag beperkt werden.--7) lex de civitate Transpadanis danda, evenzeer van 49.--8) lex iudiciaria, tot opheffing der derde, uit tribuni aerarii bestaande decurie rechters (zie iudex). Deze wet is van het jaar 46, toen Caesar, na de pompejaansche partij overal verslagen te hebben, te Rome was teruggekeerd. Hij was in dit jaar ten derden male consul.--9) leges de vi et de maiestate, waardoor zij, die voor deze misdaden veroordeeld werden, niet slechts met aquae et ignis interdictio, maar bovendien met geheele of gedeeltelijke verbeurdverklaring van hun vermogen werden gestraft. Ook van 46.--10) lex de collegiis (46), tot opheffing der collegia, die niet van oudsher en wettig bestonden. Er hadden zich te Rome verschillende politieke clubs gevormd, die vooral bij verkiezingen ijverig in de weer waren. Tegen deze vereenigingen was Caesars wet gericht. V. s. zijn deze bepalingen bij edict vastgesteld.--11) lex de sacerdotiis (46), waarbij enkele priestercollegiën uitgebreid werden en o. a. bekrachtigd werd, wat toch reeds gebeurde, dat ook afwezigen tot priesters konden gekozen worden.--12) lex sumptuaria (46), waarbij o.a. het gebruik van draagstoelen, edelgesteenten, enz., beperkt werd, en op de markt wachters aangesteld werden, om wat boven het verbod gekocht werd, in beslag te nemen, ja zelfs in sommige gevallen aan lictoren en soldaten werd gelast, in de huizen binnen te gaan en wat buiten de perken der wet was, van tafel weg te nemen.--13) lex de provinciis (46), dat geen stadhouder in een praetorische provincie langer dan één, in eene consulaire langer dan twee jaar zou blijven.--14) lex de liberis legationibus (46), onzeker van welken inhoud. Door Cicero's lex Tullia was dit gezantschap-titulair tot den duur van één jaar beperkt. Caesar schijnt het weder te hebben uitgebreid. Deze wet is waarschijnlijk een onderdeel van de lex de provinciis.--15) lex municipalis (45), eene wet op het bestuur, de inrichting, het politiewezen, enz., der rom. municipiën.

Iuliae (leges) van C. Iulius Caesar Octavianus, 18. 1) lex sumptuaria, ter beperking vooral van de buitensporige uitgaven voor maaltijden en huiselijke feesten.--2) lex de adulteriis et de pudicitia, met strenge strafbepalingen.--3) leges de ambitu, de annona (tegen korenwoeker), de peculatu, enz., lex de iudiciis privatis van 17.--4) lex de maritandis ordinibus, zie lex Iulia et Papia Poppaea.

Iulia et Papia Poppaea (lex) de maritandis ordinibus, eigenlijk de lex Iulia van Octavianus (18), gewijzigd en uitgebreid in 9 na C. door de consuls M. Papius Mutilus en Q. Poppaeus Secundus. Zij had tot doel de bevordering der huwelijken, door aan het hebben van wettige kinderen voorrechten te verbinden. Zie ius liberorum.

Iulia Papiria (lex) de multarum aestimatione van de consuls L. Iulius Iulus en C. Papirius Crassus (430), verving de veeboete door een boete in geld. Ze bepaalde de waarde van een schaap op 10, van een os op 100 asses librales, zoodat de multa suprema (zie lex Aternia Tarpeia) voortaan bedroeg 3020 a. l. Bovendien werd bepaald, dat de boete de helft van het vermogen van den burger niet mocht overtreffen.

Iulia Plautia (lex), dat van gestolen goed geene usucapio geldig was. Van deze wet is niets zekers bekend; misschien zijn het bepalingen ontleend aan twee leges de vi, de lex Julia en de lex Plautia.

Iulia Titia (lex) de dando tutore bepaalde, dat in de provinciën door den stadhouder de voogd zou benoemd worden voor het geval, waarin te Rome de lex Atilia (z. a.) voorzag.

Iuliani. 1) Salvius Iulianus, beroemd jurist te Rome, in Africa geboren, stelde onder keizer Hadrianus op diens last het edictum perpetuum op. In de Pandecten komt zijn naam meermalen voor.--2) P. Salvius Iulianus, zoon van no. 1, een voortreffelijk en algemeen bemind generaal van Antoninus Pius, werd op last van Commodus ter dood gebracht.--3) M. Didius Severus Iulianus, had onder Antoninus Pius en diens opvolger hooge ambten bekleed, had in Belgica met succes tegen de Chauken en Chatten gestreden; was daarna stadhouder geweest van Dalmatia, van Germania Inferior (± 181 n. C.) en van Bithynia en Pontus. Toen na den dood van Pertinax de praetorianen den keizerstroon aan den meestbiedende verkochten, werd Didius Iulianus keizer voor de som van ongeveer 300 millioen sestertiën. Na eene regeering van 66 dagen werd hij door den senaat afgezet en door de soldaten vermoord (193 na C.). Zijn opvolger was Septimius Severus.

Iulianus (Flavius Claudius), neef van Constantijn den Gr., zoon van diens broeder Julius Constantius, geboren in 332 n. C., om zijn afval van het Christendom gewoonlijk Apostata genoemd, was te Constantinopel, te Nicomedea en te Athene in de letteren en wijsbegeerte onderwezen en gevoelde reeds vroeg een afkeer van het Christendom, waarin hij was opgevoed. Toen na den dood van Constantijn den Gr. diens drie zoons, Constantinus, Constantius en Constans de heerschappij verdeelden, lieten zij hunne bloedverwanten ombrengen; slechts twee neven, Gallus en Iulianus bleven gespaard (338). Een tijdlang werd Iulianus met zijn broeder Gallus naar een eenzaam landgoed, Macellum bij Caesarea in Cappadocië, verbannen. In 351 werd Gallus door keizer Constantius tot Caesar benoemd, en sedert dien tijd genoot Iulianus meer vrijheid; in 352 is hij onder den invloed zijner neoplatonische leermeesters heimelijk tot het Heidendom overgegaan. Constantius liet in 354 Gallus ombrengen en zond in 355 Iulianus met den titel van Caesar naar Gallia om de invallen der Germanen tegen te gaan. Daar voerde Iul. gelukkig oorlog, o.a. versloeg hij in 357 de Alemannen bij Argentoratum (Straatsburg), doch moest alle voorzichtigheid in acht blijven nemen om niet Constantius' argwaan op te wekken. In 360 echter wierp hij het masker af, zijn leger riep hem tot keizer uit, Constantius rukte wel tegen hem op, doch stierf op marsch (Nov. 361), en Iulianus werd algemeen als keizer erkend. Hij kwam er nu openlijk voor uit, dat hij een aanhanger was van den ouden godsdienst, begunstigde de heidenen, en zette de Christenen achteraf. Vooral zijn edikt, waarbij hij de christelijke rhetoren en sophisten verbood, de heidensche boeken bij hun onderwijs te gebruiken, zette kwaad bloed. Zijn plan was, een heidensche kerk te stichten, naar het model van de Christelijke, maar zijn theologie ontleende hij aan de leer der Neo-platonici, terwijl zijn moraal die der Neo-cynici was. Zijne plannen vonden zeer weinig instemming. In 363 trok hij uit op een veldtocht tegen de Perzen, en drong door tot onder de muren van Ctesiphon, maar moest toen langs een anderen weg terugkeeren. Bij een plotselingen overval snelde hij, uithoofde der hitte ongeharnast ten strijde en werd door een lanssteek doodelijk gewond. Zoo stierf hij (Juni 363) slechts 31 jaar oud, volgens zijne vijanden met de woorden: tandem vicisti Galilaee! Met zijn dood viel ook deze laatste poging om het Heidendom te herstellen. Er zijn nog een aantal brieven en vele zeer belangrijke geschriften van Iulianus overig. Hij schreef Grieksch, en beschouwde Griekenland als zijn tweede vaderland.

Iulii, een oud patricisch geslacht, dat onder Tullus Hostilius van Alba Longa naar Rome verhuisde en waarvan twee familiën naam verworven hebben, eerst de Iuli en later de Caesares. Zij leidden, althans in lateren tijd, hun oorsprong af van Aeneas' zoon Ascanius of Iulus. 1) C. Iulius Iulus, consul in 489.--2) C. Iulius Iulus, consul in 447, legde met veel takt de geschillen bij tusschen de beide standen.--3) Onder de krijgstribunen met consulaire macht komen nog eenige Iulii Iuli voor; in 352 is een C. Iulius Iulus dictator, in 473 komt een consul voor met den ongewonen voornaam Vopiscus, wiens kleinzoon in 393 censor was. Verder komen een enkele maal de familienamen Libo en Mento voor.--4) L. Iulius Caesar, consul in 90 bij het uitbreken van den bondgenootenoorlog, bezorgde door zijn lex de civitate het rom. burgerrecht aan de trouw gebleven socii in Italia. In den oorlog was hij niet gelukkig, zie Egnatii no. 2. In 89 was hij censor. In 87 werd hij als aristocraat door de mariaansche partij omgebracht.--5) C. Iulius Caesar Strabo Vopiscus, broeder van no. 4, wordt als redenaar en dichter geprezen. Hij heeft o.a. tragedies geschreven, maar niets van zijn werken is bewaard gebleven. Ook hij kwam in 87 om, daar een vriend zijn schuilplaats verried.--6) L. Iulius Caesar, consul in 64, stemde in 63 voor den dood van P. Cornelius Lentulis Sura, zijn zwager, omdat deze tot de samenzwering van Catilina behoorde. In 52 diende hij onder C. Iulius Caesar in Gallia. Na diens dood behoorde hij tot de hevige tegenstanders van zijn neef M. Antonius, die hem daarop vogelvrij verklaarde, doch later ongemoeid liet, op voorbede van Iulia (no. 7).--7) Iulia, zuster van no. 6 en moeder van M. Antonius, den drieman.--8) L. Iulius Caesar, zoon van no. 6, behoorde tot de aanhangers van Pompeius, en streed ook nog in Africa tegen Caesar, die hem echter, toen hij na Cato's dood Utica aan Caesar had overgegeven, genade schonk. Kort hierna overleed hij.--9) C. Iulius Caesar, grootvader van no. 11. Hij stierf plotseling, terwijl hij bezig was zich te kleeden.--10) C. Iulius Caesar, zoon van no. 9 en vader van no. 11, stierf ook plotseling, in 85.--11) C. Iulius Caesar, zoon van no. 10, geb. 13 Juli 100, de bekende veldheer en dictator, de grootste man zijner eeuw. Zijne moeder was eene Aurelia. Zijne verwantschap met C. Marius, die met Iulia, Caesars tante, gehuwd was, en met Cinna, wiens dochter Cornelia hij zelf had gehuwd, maakten hem bij Sulla verdacht, vooral toen hij weigerde, zijne vrouw te verstooten (82). Caesar achtte het derhalve geraden, zich uit Rome te verwijderen en zich in het sabijnsche land eenigen tijd schuil te houden. Toen Sulla's toorn eenigszins bedaard was, stak Caesar naar Asia over, waar hij onder den praetor M. Minucius Thermus zijn eersten veldtocht medemaakte (80). In 78 keerde Caesar naar Rome terug, op het bericht van Sulla's dood. In 77 klaagde hij den gewetenloozen Cn. Cornelius Dolabella (Cornelii no. 36) van afpersingen aan, en hoewel de rechters (weder uit den senaat gekozen) Dolabella vrijspraken, bereikte Caesar toch in zooverre zijn doel dat hij de opmerkzaamheid op zich vestigde en de hoop der volkspartij deed herleven. Doch de aristocratie was nog te machtig, en voorzichtigheidshalve verliet C. andermaal Rome en ging naar Rhodus, waar hij de lessen van den rhetor Molo in de welsprekendheid bijwoonde. Na zijn terugkeer wendde hij alle krachten aan, om de gunst van het volk deelachtig te worden door minzaamheid, dienstvaardigheid en mildheid. Nog als knaap was hij door toedoen van Marius reeds tot flamen Dialis gekozen, welke verkiezing Sulla echter in 82 ongeldig verklaarde; achtereenvolgens werd hij nu in 73 pontifex, in 68 quaestor, in 65 aedilis curulis, in 63 pontifex maximus, in 62 praetor urbanus. Men verdacht er Caesar, evenals Crassus van, deel te hebben gehad aan de Catilinarische samenzwering. Als aediel had hij schitterende spelen gegeven en prachtige bouwwerken laten oprichten, maar ook de door Sulla omvergeworpen zegeteekenen van Marius en Cinna hersteld; als voorzitter van de quaestio de sicariis veroordeelde hij in 64 twee vroegere aanhangers van Sulla, die een aantal vogelvrijverklaarden hadden omgebracht. In 61 was hij propraetor in Lusitania en Baetica, van waar hij met roem en rijken buit terugkeerde. In 60 sloot hij het geheim verbond, het zoogenaamde eerste driemanschap, met Pompeius en Crassus, en bekleedde in 59 het consulaat (zie Iuliae (leges)). Om den band hechter te maken, gaf hij zijne dochter Iulia aan Pompeius tot vrouw. Door de lex Vatinia van den volkstribuun P. Vatinius werden aan Caesar Gallia Cisalpina en Illyricum als provinciën toegewezen, waarbij de senaat nog Gallia Transalpina voegde. Tevens werden hem 4 legioenen toegewezen. Negen jaar bracht Caesar in Gallia door (58-49). Wel was hem het stadhouderschap slechts voor 5 jaar opgedragen, maar de lex Trebonia van den volkstribuun C. Trebonius in 55 had het met 5 jaar verlengd (het triumviraat was reeds in April 56 te Luca hernieuwd). In die negen jaar onderwierp hij geheel Gallia en Belgica en breidde in overeenstemming daarmede zijn leger uit. De commentarii de bello Gallico leeren ons, hoe meesterlijk hij van alle oneenigheden der Galliërs wist partij te trekken om zegevierend voorwaarts te dringen. Iulia echter stierf in 54 en Crassus in 53, en hiermede was de band tusschen Caesar en Pompeius verbroken. Pompeius begon Caesars wassende macht bedenkelijk te achten en toen de senaat aan C. beval, zijn leger af te danken en zijn ambt neder te leggen, terwijl Pompeius weigerde hetzelfde te doen, trok C. den 10den Januari 49 de Rubico over, het begin van den burgeroorlog, en veroverde binnen 2 maanden geheel Italia, terwijl Pompeius en de zijnen naar het Oosten gingen. Daarop begaf C. zich naar Hispania, waar hij de onderbevelhebbers van Pompeius, C. Afranius en M. Petreius bij Ilerda versloeg; vervolgens, na eerst het consulaat aanvaard te hebben, ijlde hij in het begin van 48 naar Epirus en Thessalia, leed wel bij Dyrrachium eene nederlaag, doch behaalde bij Pharsalus op het sterke, door Pompeius bijeengebrachte leger eene volkomene overwinning (6 Juni 48). Pompeius vluchtte naar Aegypte, doch werd vermoord nog voor hij te Alexandrië aan land stapte. Caesar regelde nu in Aegypte de troonsopvolging ten gunste der schoone Cleopatra, en had toen nog een oorlog door te staan met haar broeder Ptolemaeus XII, die in den Nijl verdronk (bellum Alexandrinum, zie Cleopatra no. 10). Na vervolgens in Azië Pharnaces van Pontus en Deiotarus van Galatia voor hunne aanhankelijkheid aan Pompeius gestraft te hebben, kwam C. in 47 te Rome terug, doch stak weldra naar Africa over, waar hij de pompejaansche partij vernietigde (slag bij Thapsus 46) en het oostelijk gedeelte van Numidia, tot aan de Ampsaga, inlijfde. In 46 hield hij te Rome een vierdubbelen triomftocht over Gallia, Aegypte, Pontus en Africa. In dit jaar valt ook de regeling van den rom. kalender met behulp van den sterrenkundige Sosigenes. Nog eenmaal moest hij te velde trekken tegen Pompeius' zonen, die in Hispania een leger op de been hadden gebracht (slag bij Munda, 45). Hij werd met eerbewijzen overladen, en onder verschillende titels bezat hij eene onbeperkte macht. In 49 was hij dictator, in 48 was hij consul, in 46 dictator en consul tegelijk, in 45 was hij tot dictator voor zijn leven en consul voor tien jaar benoemd, met den titel van imperator; als praefectus morum bezat hij censorische macht; de keuze der overheden werd hem overgelaten; hij mocht zijne beeltenis op de munt laten slaan, enz. Doch bij de aristocratische partij bleef een geheime wrok bestaan, en deels uit persoonlijke eerzucht, deels uit ijdelen waan, dat met Caesars dood de oude republiek zou herleven en de aanzienlijke familiën weder in het bezit harer vroegere macht zouden komen, vereenigden zich een zestigtal samenzweerders en overvielen C. den 15den Maart 44 in den senaat, waar hij, door 23 dolksteken doorboord, voor het standbeeld van Pompeius nederviel. Zijne begrafenis gaf tot hevige tooneelen aanleiding, vooral toen zijne testamentaire beschikkingen ten gunste van het volk bekend werden.--Behalve de eerste 7 boeken de bello Gallico hebben wij van hem nog 3 boeken de bello civili. Zijne redevoeringen en brieven, door de ouden bewonderd, zijn verloren gegaan, evenals zijne taalkundige werken. Als veldheer, staatsman, redenaar, kortom op welk gebied hij zich bewoog, overal muntte hij uit. Hij had een vriendelijk en openhartig karakter, een grenzenlooze eerzucht en ijzeren volharding.--12) Iulia, zuster van no. 11, gehuwd met M. Attius Balbus. Eene dochter uit dit huwelijk, Attia, huwde C. Octavius, en werd moeder van Augustus.--13) Iulia, dochter van no. 11 en van Cornelia (Cornelii no. 42), in 59 gehuwd met Pompeius, eene verstandige vrouw, die, zoolang zij leefde, eene breuk tusschen haar vader en haar man wist te voorkomen. Het was eene eenigszins vreemde verhouding, dat haar man zes jaar ouder dan haar vader was. Zij stierf in 54 bij eene bevalling.--14) C. Octavius, later C. Iulius Caesar Octavianus genoemd en in de geschiedenis onder den titel van Augustus bekend, was de zoon van C. Octavius (zie hierboven no. 12) en door zijn oudoom Caesar tot zoon aangenomen. Hij was in 63 geboren en verloor reeds in 59 zijn vader, waarna zijne moeder Attia met L. Marcius Philippus hertrouwde. Terwijl hij zich te Apollonia met zijne letterkundige studiën bezig hield, ontving hij het bericht van Caesars dood. Hij spoedde zich naar Italia, en was zoo voorzichtig, zich van Brundisium uit door een paar rom. legioenen, die hij daar aantrof, naar Rome te doen vergezellen. Over de gebeurtenissen, die toen volgden, zie men Antonii no. 4 en 6, Pompeii no. 13.--Na den slag bij Actium in 31 en den daarop volgenden dood van Antonius en Cleopatra regelde Octavianus de zaken in het Oosten en keerde als alleenheerscher te Rome terug. Hier werd hij met eerbewijzen overladen; hij legde echter 13 Jan. 27 de onbeperkte macht, die hij sinds Nov. 43 als triumvir bezat (zie Tresviri no. 9), vrijwillig neder, en gaf aan senaat en volk de republikeinsche vrijheid terug. Drie dagen later verleende de senaat hem den titel Augustus, en gaf hem tevens het grootste deel der pas afgestane macht terug. Van dezen dag dateert het Romeinsche keizerrijk of principaat. Augustus wilde slechts de eerste der burgers, princeps civium zijn. Hij behield het consulaat, dat hij tot 23 geregeld bekleedde, verder de tribunicia potestas, die hem in 36 voor onbepaalden tijd, in 30 levenslang was verleend. Hierdoor had de princeps de bevoegdheid van het tribunaat, was onschendbaar en kon alle rechten van het ambt uitoefenen zonder beperking van tijd of plaats. Verder verleende de senaat hem het imperium proconsulare over alle provincies, waar legers stonden, die hij door legati pro praetore liet besturen, en het oppertoezicht over de andere provinciën, die onder het beheer van den senaat bleven. Verder had hij het recht een lijfwacht te hebben, de cohortes praetoriae. Hij deelde zijn macht met den senaat, die nu o. a. ook voor zijne leden hooggerechtshof werd. Voor Rome brak nu een tijd van rust en vrede aan, dubbel welkom na het eindelooze bloedvergieten der laatste 18 jaren. Onder zijne voornaamste regeeringsdaden behooren de verdeeling van Italië in 11 en van Rome in 14 regiones, de oprichting van cohortes vigilum en cohortes praetoriae, de verdeeling der provinciën in keizerlijke en senatorische (zie hierboven), de aanstelling van een praefectus urbi en twee praefecti praetorio. De oorlogen, die hij nu voerde, hadden geene nieuwe veroveringen ten doel, maar òf behoud van het bestaande òf meer volledige onderwerping der volken in het rom. gebied. Zoo brachten zijne stiefzoons Drusus en Tiberius de Alpenvolken ten onder tot aan den Donau, om de grenzen van het rijk te bevestigen; vervolgens trachtten zij de rom. heerschappij tussen Rijn en Elbe op vaste grondslagen te vestigen, welk plan later door de nederlaag van Varus in duigen viel; Agrippa onderwierp de Cantabriërs en Asturiërs in Hispania. Zelf trok Augustus in 20 naar het Oosten en ontving van den parthischen koning de op Crassus en Antonius veroverde veldteekenen terug. Hij stierf te Nola in 14 na C. Zijne weduwe Livia hield zijn dood geheim, totdat Tiberius de noodige maatregelen had kunnen treffen, om zich in het bezit der heerschappij te stellen.--15) Voor de min of meer verwarde familiebetrekkingen van het huis van Augustus mogen de volgende opgaven dienen.

Augustus is driemaal gehuwd geweest: 1) met Claudia, dochter van den beruchten P. Clodius Pulcher, uit welk huwelijk geene kinderen waren;--2) met Scribonia, zuster van L. Scribonius Libo, in 40, een huwelijk uit staatkunde gesloten, dat in 39 weder ontbonden werd, juist op den dag harer bevalling van eene dochter Iulia;--3) met Livia Drusilla, wier vader Livius Drusus in den slag bij Philippi was gesneuveld. Zij was gehuwd met Tib. Claudius Nero en had twee zoons, in de geschiedenis bekend als Tiberius en Drusus. Augustus overreedde haar man, haar aan hem af te staan en nam toen Tiberius en Drusus als zoons aan.

a) Augustus en Scribonia.

Iulia, driemaal gehuwd, 1) met M. Claudius Marcellus, jong gestorven (zie Claudii no. 37),--2) met M. Vipsanius Agrippa, gest. 12,--3) met den lateren keizer Tiberius.

Wegens haar ergerlijken levenswandel werd zij in 2 door haar vader naar het eiland Pandataria en later naar Rhegium verbannen, waar zij in 14 na C. stierf.

Kinderen uit Iulia's tweede huwelijk.

* C. Caesar, † 4 na C., gehuwd met Drusus' dochter Livilla. * L. Caesar, † 2 na C. * Agrippa Postumus, 14 na C., na Augustus' dood door Tiberius uit den weg geruimd. * Iulia, om haar zedeloos gedrag in 9 na C. verbannen, † 28 na C. * Agrippina, gehuwd met Germanicus.

De verbanning der beide Iulia's (de dochter naar het eiland Trimerus (Trimetus) was eene deportatio.

b) Livia en Tib. Claudius Nero.

* Tiberius (keizer), geh. met Vipsania Agrippina, van wie hij tegen zijn zin moest scheiden, daar Augustus hem Iulia opdrong. * Drusus (zie Claudii, no. 26) geh. met Antonia minor, dochter v. den drieman M. Antonius (Antonii no. 11).

c. Tiberius en Vipsania Agrippina.

Drusus Caesar, gehuwd met Drusus' dochter Livilla, weduwe van C. Caesar. In overeenstemming met haar minnaar Seianus, praefectus praetorio onder Tiberius, ruimde zij haren echtgenoot uit den weg (23 n. C.). Zij werd met Seianus ter dood gebracht (31).

* Germanicus, gest. 4 jaar oud. * Tiberius, door keizer Caligula omgebracht. * Iulia, geh. met Nero, den zoon v. Germanicus, later met C. Rubellius Blandus (Rubellii no. 1), Op aanstoken v. Messalina werd zij omgebracht.

d) Drusus en Antonia minor.

* Germanicus (z. a.), geh. met Agrippina dochter van Iulia (zie boven). * Claudius (keizer), (zie onder). * Livilla, geh. 1) met C. Caesar,--2) met Drusus Caesar, (zie boven).

e) Germanicus en Agrippina

verloren van hunne 9 kinderen drie door den dood en lieten 6 kinderen na, n.l.: 3 dochters, Agrippina, Drusilla en Livilla, 3 zoons, Nero, Drusus en C. Caesar.

Van de zoons werden Nero en Drusus op last van Tiberius ter dood gebracht; C. Caesar is de latere keizer Caligula. Nero was gehuwd met Iulia, de kleindochter van Tiberius (zie boven). Agrippina (z. a.) is de moeder van keizer Nero geweest. Drusilla, eigenlijk Iulia Drusilla, werd de bijzit van haren broeder Caligula (zie Drusilla no. 2). De jongste zuster, Iulia Livilla, werd onder Claudius op aansporing van Messalina omgebracht.

f) Kinderen van keizer Claudius.

1) Uit zijn huwelijk met Plautia Urgulanilla werd een zoon Drusus geboren, die als knaap stikte doordat eene peer hem in de keel schoot. Eene dochter Claudia, na de echtscheiding geboren, erkende hij niet als de zijne.--2) Uit het huwelijk met Aelia Petina had hij eene dochter Antonia, die tweemaal gehuwd is.--3) Bij Valeria Messalina had hij eene dochter Octavia, gehuwd met keizer Nero, en een zoon, eerst Germanicus, doch vervolgens Britannicus geheeten, die door Nero vergiftigd is (55).--4) Van zijne vierde vrouw, Agrippina, de dochter van Germanicus, kreeg hijzelf geene kinderen. Haar zoon uit een vroeger huwelijk, de latere keizer Nero, werd echter door Claudius als zoon aangenomen.

N.B. De afstammelingen van Tiberius en Drusus, de aangenomen zonen van Augustus, voerden, voor zoover zij van het mannelijk geslacht waren, allen den familienaam Caesar. De vrouwelijke leden moeten allen ook Iulia geheeten hebben, zooals van sommige vermeld wordt.

Iulius Tutor, aanvoerder van de Galliërs in den bataafschen opstand, zie Civilis.

Iuliobona, zie Caletes.

Iulis, Ioulis, hoofdstad op het eiland Ceos.

Iulus, Ioulos = Ascanius, zoon van Aeneas. Hij had twee zoons, waarvan de oudste ook Iulus, de jongste Silvius heette.

Iunia (lex), de peregrinis van den volkstribuun M. Iunius Pennus, 126. Door deze wet werd aan de peregrini het verblijf te Rome ontzegd. Eene wet van gelijke strekking was de lex Papia, in 65. Beide wetten worden door Cicero sterk veroordeeld.

Iunia Licinia (lex) van de consuls D. Iunius Silanus en L. Licinius Murena, 62. Zij verbood, wetten heimelijk in het aerarium te brengen, hetgeen vermoedelijk beteekent, dat de nieuwe wetten voortaan onder getuigen in het archief moesten worden gedeponeerd.

Iunia Norbana (lex), onder keizer Tiberius, 19 na C. Deze wet bepaalde, dat slaven, die modis minus iustis waren vrijgelaten (dus niet per vindictam, per censum of per testamentum), niet het burgerrecht zouden erlangen, maar een rechtstoestand zouden hebben in den trant der vroegere latijnsche koloniën. Zulke vrijgelatenen worden Latini Iuniani geheeten. Zie ius Latii.

Iunii, een oud patricisch geslacht, dat, evenals de Iulii, van trojaanschen bloede heette te zijn. Het eerst wordt genoemd--1) M. Iunius, gehuwd met Tarquinia, eene zuster van Tarquinius Superbus. Hij werd met zijn oudsten zoon door den koning omgebracht.--2) L. Iunius Brutus (= de stompzinnige), zoon van no. 1. Hij ontsnapte den dood door zich als half onwijs voor te doen. Hij begeleidde de zonen van Tarquinius op een reis naar Delphi, en was de éénige, die de orakelspreuk begreep, die de god hun op hun vraag meegegeven had: wie het eerst te Rome zijn moeder kuste, zou te Rome regeeren; hij nu kuste den grond, en werd zóó doende later de eerste consul van Rome. Toen de verbittering des volks tegen Tarquinius Superbus en diens zonen door de onteering van Lucretia tot eene uitbarsting was gekomen, bewoog Brutus het leger tot den afval en werd een van de eerste consuls. Hem trof het harde lot, dat hij zijne beide zoons ter dood moest veroordeelen wegens samenzwering ten gunste van den verdreven koning. In hetzelfde jaar (509) sneuvelde hij, daar hij en 's konings zoon Aruns in den slag elkander gelijktijdig doorstaken. Er werd een standbeeld voor hem opgericht. Deze Iunii behooren tot het gebied der legende.

Iunii, een plebejisch geslacht, waarvan geene verwantschap met het vorige te ontdekken is. 1) L. Iunius Brutus, een der voorvechters der eerste secessio plebis en in 493 een der eerste volkstribunen. Zie echter tribuni plebis en secessio.--2) Dec. Iunius Brutus Scaeva, consul in 325, streed voorspoedig tegen de Vestini in Samnium. De berichten omtrent dezen veldtocht zijn niet geheel betrouwbaar.--3) C. Iunius Bubulcus Brutus, consul in 317, 313 en 311, in 312 magister equitum van den dictator C. Sulpicius Longus, en in 309 van L. Papirius Cursor, in 302 zelf dictator, streed roemrijk tegen Samnieten en Aequers, wijdde in 302 (v.a. 304) den tempel van Salus (z. Fabii no. 24).--4) D. Iunius Brutus, bijgenaamd Callaïcus, consul 138, overwon de Callaeci (Galliciërs) in Hispania en de Lusitaniërs (in Portugal) (138-137). Hij heeft Olysipo (Lissabon) aan den mond van de Taag versterkt, en Valentia no. 1 gesticht. Hij wordt een vrij goed redenaar genoemd, en was een man van fijne beschaving.--5) D. Iunius Brutus, consul in 77, gehuwd met Catilina's vriendin Sempronia.--6) D. Iunius Brutus, zoon van no. 5, diende onder Caesar in Gallia, waar hij de Veneti versloeg (56) en tegen Vercingetorix streed. In den burgeroorlog was hij admiraal van Caesar en werd door hem tot stadhouder van Gallia Cisalpina benoemd. Toch sloot hij zich bij de samenzweerders aan, vermoedelijk uit oprechte overtuiging. Na Caesars dood had hij met Antonius, die hem zijne provincie betwistte, een oorlog te voeren (bellum Mutinense, zie Antonii no. 4). Toen Octavianus ook de moordenaars van Caesar begon te vervolgen, en het meerendeel van Brutus' troepen afvallig werd, vluchtte hij naar M. Brutus, doch werd onderweg door een vriend, een gallisch opperhoofd, Camillus, gevangen genomen en op last van Antonius omgebracht.--7) M. Iunius Brutus, rechtsgeleerde (± 136), schrijver van een werk de iure civili.--8) M. Iunius Brutus, ook een groot rechtsgeleerde en geleerd man, stelde als volkstribuun in 83 voor, eene sterke rom. kolonie naar Capua te zenden, wat door Cicero zeer wordt afgekeurd. In den burgeroorlog was hij bij de mariaansche partij. Hij verdedigde Mutina tegen Pompeius. Na Sulla's dood sloot hij zich bij den oproerigen consul M. Aemilius Lepidus aan, doch werd op last van Pompeius vermoord, 77.--9) M. Iunius Brutus, ook wel eens Q. Caepio Brutus geheeten, daar hij door Q. Servilius Caepio (Servilii no. 18 z. a.) geadopteerd was, zoon van no. 8 en van Servilia, de beroemde stiefzuster van Cato van Utica (Servilii no. 19), ontving onder de leiding van zijne moeder en van zijn oom eene zorgvuldige opvoeding. Bij het uitbarsten van den burgeroorlog volgde hij eerst de vanen van Pompeius, na den slag bij Pharsalus evenwel werd hij de gunsteling van Caesar, die om der moeder wille den zoon van Servilia genegen was en spoedig Brutus zelven lief kreeg om zijne voortreffelijke eigenschappen. In 45 gaf Caesar hem het stadhouderschap over Gallia Cisalpina, waarvan Brutus zich met onbaatzuchtigheid kweet. Ook Cicero achtte hem hoog, droeg hem zijne geschriften Orator, de finibus bonorum et malorum en de Tusculanae disputationes op en liet hem de hoofdrol vervullen in het werk de claris oratoribus. In 44 droeg Caesar aan Brutus de praetura urbana op, waardoor hij C. Cassius teleurstelde en hevig verbitterde. Door dezen liet Brutus zich medesleepen in de samenzwering tegen zijn weldoener, niet uit persoonlijke eerzucht, maar in den waan dat Caesars dood de wedergeboorte der republiek zou zijn. Na den moord begaf Brutus zich niet terstond naar zijne provincie Macedonia, maar toefde nog in Italia, in de hoop, dat de openbare meening te Rome zich tegen M. Antonius en Octavianus zou keeren. Eerst in Sept. ging Brutus naar Macedonia, dat onderwijl door den senaat aan M. Antonius was toegewezen, die deze provincie weer voor Gallia Cisalpina verruilde (zie Antoniae leges no. 8, en Antonii no. 4 en 5), en aan zijn broeder C. afstond. Ook later verloren Brutus en Cassius een kostbaren tijd met niets doen, en lieten den driemannen den tijd zich te versterken. Bij Philippi in Macedonia had de beslissende slag plaats (herfst van 42). Brutus en Cassius hadden omstreeks 90000 man. In den eersten slag zegevierde Brutus op Octavianus, doch Antonius op Cassius, die zich in wanhoop liet dooden. In den tweeden slag werd ook Brutus verslagen, waarop hij zich zelf in zijn zwaard stortte. Zie ook Cassii no. 8. Zijne echtgenoote Porcia, Cato's dochter, liet zich op het bericht van zijn dood door kolendamp verstikken. De grootste fout van Brutus was zwakheid van karakter. Hij heeft boeken over wijsbegeerte en redekunst geschreven.--10) M. Iunius Gracchanus, vriend van C. Gracchus, aan welke vriendschap hij zijn bijnaam te danken had, schrijver van een boek de potestatibus.--11) M. Iunius Pennus, volkstribuun in 126, de auctor der lex Iunia de peregrinis, tegenstander der Gracchen.--12) L. Iunius Pullus, consul 249, verloor zijn geheele vloot door schipbreuk bij Phintias aan de Zuidkust van Sicilia.--13) M. Iunius Brutus Pera, dictator in 216 na den slag bij Cannae.--14) M. Iunius Silanus ging in 211 met Scipio (later Africanus maior) naar Hispania en behaalde als onderbevelhebber overwinningen op Mago en Hanno. Zijn zoon sneuvelde in 196 in den oorlog tegen de Bojers.--15) D. Iunius Silanus Manlianus, een geboren Manlius Torquatus, had zich als propraetor van Macedonia aan afpersingen schuldig gemaakt. Toen er nu klachten bij den senaat inkwamen, verzocht de vader T. Manlius Torquatus (Manlii no. 12) dat hem het onderzoek zou worden opgedragen. Hij bevond den zoon schuldig en verbande hem uit zijne oogen, waarop Silanus zich ophing (141).--16) M. Junius Silanus, werd als consul in 109 door de Cimbren in Gallia geheel verslagen.--17) D. Iunius Silanus, stiefvader van no. 9, consul in 62, stemde in 63 als consul designatus het eerst voor veroordeeling der 4 Catilinarii. Hij was een goed redenaar. Zie Iunia Licinia (lex).--18) M. Iunius Silanus koos na Caesars dood de partij van Antonius en werd in 25 met Octavianus consul. Hij was een zwager van Lepidus. Hij moet niet verward worden met zijn naamgenoot, die legaat was van Caesar in Gallia.--19) M. Iunius Silanus, onder Caligula stadhouder van Africa en een van 's keizers slachtoffers.--20) L. Iunius Silanus, een man van zeer braaf karakter, werd als afstammeling van Augustus het slachtoffer van Nero's achterdocht (65).--21) Iunius Blaesus, vader en zoon. De eerste was onder Augustus en Tiberius bevelhebber in Pannonia. Tiberius gaf hem den titel van imperator, welk eerbewijs na hem aan geen onderdaan meer ten deel viel. Hij was een oom van Seianus en verloor na diens val zijn invloed. De zoon, die onder zijn vader gediend had, maakte zich in 36 van kant, omdat hij bij Tiberius in ongenade gevallen was. Een kleinzoon, die zich in 69 bij Vitellius had aangesloten, werd door dezen uit wantrouwen uit den weg geruimd.--22) L. Iunius Arulenus Rusticus werd door Domitianus ter dood veroordeeld, omdat hij in geschrifte den lof had verkondigd van Paetus Thrasea en Helvidius Priscus.--23) C. Iunius (familie-naam onbekend), tijdgenoot van Cicero, werd veroordeeld omdat hij als iudex quaestionis zich had laten omkoopen (74).--24) L. Iunius Brutus Damasippus, gewoonlijk verkeerdelijk L. Licinius Damasippus genoemd, z. Licinii no. 19.--25) Q. Iunius Rusticus, z. Rusticus no. 2.

Iuno, koningin van den hemel en de goden (Regina), later zuster en gemalin van Jupiter, als beschermster van den romeinschen staat (Quiritis) met Jupiter en Minerva op het Capitolium vereerd (Capitolina). Bovenal is zij de godin der vrouwen, wien zij in alle levensomstandigheden, in ongehuwden en gehuwden staat, bij het huwelijk zelf en alle daarmede verbonden plechtigheden, bij het baren van kinderen, enz., helpend ter zijde staat; vandaar hare talrijke bijnamen, als: Virginalis, Matronalis, Iugalis, Pronuba, Lucina e. a. Zelfs heeft iedere vrouw hare Juno, evenals ieder man zijn Genius. Hare voornaamste feesten waren de Matronalia op 1 Maart (Calendae feminarum) en de Nonae Caprotinae op 7 Juli (z. Caprotina); de geheele maand Juni was haar gewijd en verder alle Kalendae. Als Juno Moneta had zij een tempel op de arx, waar de munt geslagen werd, die daarnaar benoemd is. Men offerde haar lammeren, witte koeien, enz., de gans werd als een haar geheiligd dier beschouwd. Als koningin des hemels wordt zij vereenzelvigd met de grieksche Hera en dochter van Saturnus en Ops genoemd, ofschoon zij meer macht en een meer uitgebreiden eigen werkkring heeft dan deze.

Iunonis promunturium, to tes Heras akroterion, naam van twee kapen, de eene aan de Zuidpunt van Hispania, thans kaap Trafalgar, de andere aan de westkant der corinthische landengte, ook Heraeum prom. genaamd.

Iupiter, de god van den hemel, de hoogste god der Romeinen, de goede en machtige god (Optimus Maximus), die in den hemel beschikt over licht en duisternis, storm, onweder, regen, enz. (Diespiter, Serenus, Fulgur, later Fulminator, Tonitrualis, Pluvius), en op aarde het lot van individuen en staten beheerscht, in hunne wederzijdsche betrekkingen wetten, recht en goede trouw beschermt, en zijn wil door wonderteekenen (Prodigialis) en orakels openbaart. Voornamelijk is hij de beschermgod van den romeinschen staat (Conservator, Custos), dien hij voor de wereldheerschappij bestemd heeft, en welks legers hij tegenover de vijanden van de vlucht terughoudt (Stator) en tot de overwinning leidt (Victor). Als zoodanig heeft hij met Juno en Minerva zijn tempel op het Capitolium (Capitolinus), waar hij door overheden en particulieren in alle gewichtige omstandigheden aangebeden wordt, waar de consul hem offers bracht als hij ten strijde trok en de uit den oorlog teruggekeerde overwinnaar hem zijn fasces en lauwerkrans aanbood (Triumphalis) of hem de behaalde spolia opima wijdde (Feretrius). Evenzoo was hij in ouden tijd de god van het latijnsch verbond geweest (Latiaris), en werd hij later in het bijzonder de god der romeinsche keizers. Bij het huwelijk per confarreationem (z. a.) werd hij aangeroepen als Jupiter farreus. Ter eere van J. Capitolinus vierde men de Ludi Romani, Capitolini, Magni en Plebei, ter eere van J. Latiaris de Feriae Latinae. Ook de Vinalia (z. a.) worden hem ter eere gevierd. De Idus van elke maand zijn hem gewijd. Ook wordt hij geëerd door twee epulae Iovis op de 1sten van September en November. Zijn bode en zinnebeeld is de arend.--Als hoogste god werd hij vereenzelvigd met Zeus en de zoon van Saturnus en Ops genoemd, en toen Sulla zijn tempel op het Capitolium na den brand liet herbouwen, werd zijn beeld geheel eene navolging van dat van Zeus te Olympia.

Iura (mons), Ioras, Iourassos, Iourasios, thans Jura, tusschen de Sequani en de Helvetii.

Iurisconsulti, ook iure consulti, iurisprudentes genoemd, waren, zooals de naam aanwijst, rom. rechtskundigen. In den oudsten tijd der republiek was het ius civile nauw verwant met het ius sacrum. Alles hing aaneen met vaste vormen en formulieren, die nauwkeurig moesten worden in acht genomen, wilde men zijn proces niet verliezen. Deze vormen waren te vinden in de libri pontificum. en werden voor de plebs zooveel mogelijk geheim gehouden. De iurisconsulti nu gaven inlichtingen aan hunne vrienden en cliënten omtrent de rechtsdagen en hetgeen men had in acht te nemen. Het ius Flavianum (z. a.) maakte aan deze geheimzinnigheid een einde en het geven van adviezen hield op het werk van priesters en enkele bevoorrechten te zijn, terwijl bovendien de invoering der formulae door de lex Aebutia de rechtspraak los maakte van den vroegeren omhaal. De iurisconsulti waren nu aanzienlijke mannen, die wetten en rechtsgeleerde boeken hadden bestudeerd en, hetzij te huis, hetzij op het forum, op bepaalde uren te spreken waren om adviezen te geven (respondere), als men hen kwam raadplegen (consulere), en die ook allerlei documenten opstelden, als testamenten, borgstellingen, contracten, aanklachten, enz. Ook gaven zij uitlegging van wetten. Jongelingen, die als rechtsgeleerden of pleiters wilden opgeleid worden, gingen bij zulke iurisconsulti in de leer en woonden hunne adviezen bij. Pleiten deden deze rechtskundigen niet. Het kon niet anders, of langzamerhand ontstond op deze wijze eene rechtswetenschap en de studie van het recht nam in omvang en diepte toe, naarmate de aequitas meer veld won op het strenge ius (zie ius honorarium). Die aequitas noopte de juristen, meer stelselmatige eenheid in het recht te brengen. Augustus kende aan de responsa prudentium kracht van wet toe bij rechtsvragen, die betwistbaar schenen. Er verrezen nu ook rechtsgeleerde scholen met bepaalde leeraars (professores iuris) en studenten (studiosi), die een leergeld of honorarium betaalden, wat bij de oude iurisconsulti niet het geval was.

Iüs, zie Ios.

Ius. Over de tegenstelling van in iure en in iudicio zie men iudicio (in).

Ius Aelianum, een werk van S. Aelius Paetus, bijgenaamd Catus (± 200), over de wetten der XII tafelen, met eene verklaring van duistere en verouderde woorden en eene bijvoeging der vormen, waaraan men zich te houden had. Z. Aelii no. 1.

Ius civile is het positieve recht, dat de rechtsbetrekkingen tusschen burgers onderling regelt. De volledige uitdrukking was ius civile Romanorum, te onderscheiden van ius Quiritium. Dit laatste sluit het rom. burgerrecht in, terwijl het eerste het specifiek rom. burgerlijk recht omvat.

Ius Flavianum, de door Cn. Flavius in 304 openbaar gemaakte verzameling van formulieren en bijzonderheden, waarvan de stipte inachtneming in rechten gevorderd werd. Zie Flavii no. 2.

Ius gentilicium of gentilitatis, het recht om als lid eener gens erfrechten en voogdijrechten te doen gelden, wanneer een overledene geene heredes sui en geene agnaten had.

Ius gentium, in theorie het bij alle volken geldende internationale recht, ius commune omnium hominum, ius quod apud omnes populos peraeque custoditur, quod apud omnes gentes sanctum est. In de praktijk evenwel is het ius gentium het recht, dat de Rom. in toepassing brachten in het verkeer met vreemde volken, een peregrinenrecht. Het onderscheidde zich van het ius civile vooral in twee opzichten, dat het minder gebonden was aan de wettelijk voorgeschreven vormen, en ook niet aan het gebruik der latijnsche taal. Over de wijzigingen, die hieruit voor het ius civile voortvloeiden, zie men het artikel ius honorarium. Wat wij onder volkenrecht verstaan, wordt in het Latijn beter uitgedrukt door ius belli et pacis.

Ius honorum, verkiesbaarheid tot de onbezoldigde rom. staats- en priesterambten, die als eerbewijzen en geschenken van de zijde des volks werden beschouwd. Gewoonlijk verstaat men onder honores meer uitsluitend de hooge ambten, te beginnen met de quaestuur.

Ius honorarium of praetorium, het praetorenrecht, ontstaan uit de edicta praetorum. Wij zullen hier met een paar voorbeelden ter opheldering volstaan. Volgens de wetten der XII tafelen werd de fur manifestus als slaaf het eigendom van den bestolene, tenzij hij zich vrijkocht. De afkoopsom was echter aan willekeur overgelaten, totdat een praetorisch edict ze op het vierdubbel van het gestolene stelde. Of wel, het ius civile schreef nauwkeurig voor, op welke wijzen de eigendom van verschillende zaken moest overgaan. Voor res mancipi b.v. was eene formeele overdracht, eene mancipatio per aes et libram, voorgeschreven, ten overstaan van libripens en getuigen. Het ius gentium, het rom. peregrinenrecht, was echter niet zoo streng aan vormen gebonden. Wanneer nu een rom. burger door onwetendheid eene res mancipi had gekocht of verkregen, b.v. een paard of een ezel, doch niet onder den wettigen vorm, maar door eenvoudige traditio, dan kon hij strikt genomen hieraan geen recht ontleenen en stond dus achter bij een peregrinus. Om deze onbillijkheid weg te nemen, erkende het praetorische recht op grond der aequitas in sommige gevallen ook onvolledige vormen als geldig. Ook onder het artikel hereditas is een voorbeeld opgenoemd. Zóó werd het strenge ius civile met het mildere ius gentium in overeenstemming gebracht. Het aldus verkregen goed kon dan wel niet als dominium gerekend worden, maar het edict stond toe, het in bonis te hebben, het feitelijk te bezitten, terwijl het dan door verjaring (usus, usucapio) mettertijd eigendom ex iure Quiritium kon worden.

Ius imaginum. Van hen, die een curulisch ambt bekleed hadden, mochten hunne gezinnen en nakomelingen wassen borstbeelden of, beter gezegd, maskers (cerae) laten vervaardigen, die imagines genoemd werden en in het atrium in kasten werden bewaard, terwijl naam en rang onder elke beeltenis op een ivoren of metalen plaatje (titulus) vermeld waren. Op huiselijke feestdagen werden deze imagines te voorschijn gehaald en bekranst. Bij lijkstaatsies werden zij door huurlingen voor het gelaat gedragen, alsof de voorvaderen mede ter begrafenis gingen.

Ius italicum. De italische bodem was vrij van grondlasten en kon in quiritischen eigendom worden bezeten. Onder de keizers werd meermalen aan steden in de provinciën dit recht toegekend, d. w. z. de bodem werd gelijkgesteld met italischen grond, alsof hij in Italia gelegen ware. Natuurlijk moesten de inwoners rom. burgers zijn, daar zij anders bij gebreke van commercium toch niets aan het ius italicum zouden gehad hebben. De stelling mag echter niet omgekeerd worden: als eene provinciestad de civitas heeft, dan volgt hieruit nog niet het ius italicum. Tevens vloeit uit dit recht voort, dat de stad, daar zij niet langer als provinciestad beschouwd wordt, aan het rechtstreeksch bestuur van den stadhouder onttrokken wordt, en de vrijheid eener italische stad verkrijgt. Dit recht werd alleen aan koloniën geschonken; vandaar dat somtijds provinciesteden om het ius coloniae verzochten, in de hoop, later het ius italicum te verwerven.

Ius Latii. De coloniae latinae populi Romani werden als socii Latini beschouwd. Zij hadden met Rome conubium en commercium, en hare inwoners konden onder zekere omstandigheden het rom. burgerrecht erlangen. Ten opzichte van dit laatste onderscheidde men een Latium maius en minus. In de steden, welke het L. minus hadden, werd het rom. burgerrecht verkregen door het bekleeden van een overheidsambt, in die met het L. maius reeds door het lidmaatschap van den stedelijken senaat, den ordo decurionum. Toen in 90 en 89 geheel Italia door de lex Iulia en de lex Plautia Papiria het burgerrecht verkreeg, en in 89 Gallia Cispadana door de lex Pompeia, en Transpadana in 49 door eene andere lex Iulia, verdween het ius Latii in Italië, doch werd vervolgens aan een aantal provinciesteden toegekend als een tusschentoestand tusschen den staat van peregrinus en dien van civis. Zie ook lex Iunia Norbana.

Ius liberorum. De lex Iulia et Papia Poppaea (z.a.), in het jaar 8 na C., schonk, tot aanmoediging van het huwelijk, voorrechten aan ouders van drie of meer wettige kinderen. O.a. ontsloeg zij vrijgeboren vrouwen na den dood harer echtgenooten van voogdij, indien zij vier kinderen hadden. Aan mannen schonk het ius liberorum een voorrang bij het dingen naar een ambt, een zekeren vrijdom van lasten, enz. Meermalen echter komt het voor, dat de keizers het ius liberorum uit gunst verleenen, zelfs aan personen zonder kinderen.

Ius naturae, bij de Rom. synoniem met ius gentium.

Ius Papisianum (Papirianum), eene verzameling wetten, zoogenaamd uit den koningstijd (leges regiae), voornamelijk op den eeredienst betrekking hebbende. Zij draagt haar naam naar zekeren Sextus v. a. Gaius Papisius (Papirius), omtrent wien overigens niets bekend is. Een uittreksel hiervan maakte Granius Flaccus, z. Granii no. 1.

Ius pontificium of sacrum, het sacrale recht, in zaken, die den godsdienst raakten, zooals het was opgeteekend in de libri pontificum. Zie ook iurisconsulti in het begin.

Ius postliminii. Volgens dit recht trad de rom. burger, die door krijgsgevangenschap tijdelijk zijn burgerrecht had verloren, bij zijn terugkeer op rom. bodem onmiddellijk weder in het bezit zijner vroegere rechten.

Ius praetorium = ius honorarium.

Ius Quiritium of Quiritarium. Terwijl het ius civitatis de staatsburgerlijke rechten van den rom. burger omvatte, heeft ius Quiritium meer eene privaatrechtelijke beteekenis, ofschoon men dit niet hebben kan zonder civis te zijn. Onder de keizers, toen door de alleenheerschappij de staatsburgerlijke rechten vrij wel gelijk nul waren geworden, krijgt civitas de beteekenis van burgerrecht als ondeelbaar geheel, en zegt men dus van een peregrinus, die rom. burger wordt, dat hij het ius civitatis krijgt, terwijl dan een Latinus (zie ius Latii), die reeds een deel van het burgerrecht, conubium en commercium, heeft en dus slechts eene aanvulling krijgt, gezegd wordt het ius Quiritium te erlangen.

Ius sacrum, zie ius pontificium.

Iustina, de schoone en verstandige gemalin van keizer Valentinianus I (364-375 na C.). Na zijn dood nam zij als regentes voor hun vierjarig zoontje Valentinianus II, die samen met zijn halfbroeder Gratianus tot Augustus was uitgeroepen, de regeering waar.

Iustinus, 1) de schrijver der Historiae Philippicae (waarschijnlijk uit de derde eeuw n. C.), die behalve een algemeen historisch overzicht, meer in het bijzonder de geschiedenis van Macedonia bevatten. Het werk is een uittreksel van een veel grooter werk onder denzelfden titel geschreven door Trogus Pompeius, ten tijde van Augustus.--2) Justinus Martyr uit Flavia Neapolis in Palaestina, was eerst heiden, maar ging later tot het Christendom over, en onderging den martelaarsdood in 165 n. C. Hij is de schrijver van een apologie in twee deelen en andere werken. Vele werken die hem vroeger toegeschreven werden, zijn niet van hem.

Iustitium, stilstand van rechtszaken en tevens van alle openbare aangelegenheden. In tijden van nood en gevaar en algemeene verslagenheid werd somtijds bij senaatsbesluit zulk een algemeene stilstand van zaken afgekondigd. Onder de keizers komt zulk een iustitium (van ius en sistere) alleen voor bij gewichtige sterfgevallen in de keizerlijke familie.

Iuthungi, een germaansche stam, tot de Sueven behoorend, en verwant met de Alemannen, waarin ze later opgaan. Ze komen voor het eerst in de 3de eeuw n. C. voor; ze woonden ten N. van Vindelicia en Raetia.

Iuturna, oudtijds ook Diuturna geheeten, nimf van eene bron in Latium bij de rivier de Numicus, waarvan het water genezende kracht had en te Rome bij vele offers gebruikt werd. Jupiter beminde haar en schonk haar tot loon voor hare wederliefde de onsterfelijkheid. Bij Janus werd zij moeder van Fontus. Zij was de zuster van Turnus, dien zij in den strijd tegen Aeneas bijstond, totdat Jupiter haar door de Dirae liet verjagen. Te Rome had zij een tempel, en vierde men te harer eer den 11den Januari een feest, de Iuturnalia; bovendien werd zij in tijden van droogte aangeroepen. De aan haar gewijde lacus Iuturnae bij den tempel van Castor en Pollux aan den voet van den Palatinus is bij de opgravingen van 1900-1902 weer te voorschijn gekomen.

Iuvavum, thans Salzburg, aan den Iuvavus (Salzach), eene belangrijke stad in Noricum.

Iuvenalis (D. Iunius), geboren te Aquinum in Latium, genoot eene rhetorische opleiding, doch is vooral bekend als hekeldichter onder de regeering van Traianus. In zijne 16 satiren geeselt hij met bitteren spot en verontwaardiging het zedenbederf van zijn tijd, doch niet zonder zich aan rhetorische overdrijving schuldig te maken. Volgens een verhaal, dat door sommigen betwijfeld wordt, zou hij onder Traianus in Aegypte, waar hij een militaire betrekking bekleedde, op hoogen leeftijd gestorven zijn.

Iuvencus (C. Vettius Aquilius), een Spaansch presbyter, gaf in 329 of 330 n. Chr. in epische versmaat in den trant van Vergilius in 4 boeken een bewerking der Evangeliën uit, waarbij hij vooral Matthaeus volgt.

Iuventii, een geslacht, uit Tusculum afkomstig. 1) M. Iuventius Thalna, in 170 volkstribuun, de eerste uit dit geslacht die het consulaat bekleedde (163), onderwierp Corsica en bleef plotseling dood, op het oogenblik dat hij de dankbetuiging van den senaat ontving.--2) P. Juventius, werd als praetor door Andriscus in Macedonia verslagen, en sneuvelde (149).--3) M. Iuventius Laterensis leed bij zijne candidatuur voor de aediliteit in 55 eene nederlaag, en klaagde hierop zijn gelukkiger mededinger Cn. Plancius aan van het oprichten van onwettige kiesvereenigingen (sodalitia) tot het omkoopen van stemmen. Cicero, schoon met Juventius bevriend, verdedigde Plancius, aan wien hij verplichting had. Na Caesars dood werd Juventius legaat van Lepidus, doch zag zijne troepen tot M. Antonius overloopen, en bracht toen zichzelf om het leven.--4) schrijver van fabulae palliatae (2de eeuw).--5) P. Iuventius Celsus, twee beroemde rechtsgeleerden, vader en zoon, de eerste ten tijde van Vespasianus, de tweede onder Domitianus, Nerva, Traianus en Hadrianus.

Iuvernia, Ivernia = Hibernia (Ierland).

Ixion, Ixion, zoon van Ares of Phlegyas, koning der Lapithen. Hij was gehuwd met de dochter van Deïoneus, en toen deze de gewone bruidsgeschenken van hem vorderde, noodigde Ix. hem bij zich en stortte hij hem in een vuurpoel. Niemand wilde hem van die schuld reinigen, maar Zeus, die hem genegen was, deed het en liet hem tot de tafel der goden toe. Zelfs toen hij Hera met zijne liefde vervolgde, vergaf Zeus hem, en om hem tevreden te stellen, schiep hij een wolk (Nephele) in de gedaante van Hera, die bij Ix. moeder werd van de Centauren. Toen hij zich echter op de gunst van Hera begon te beroemen, wierp Zeus hem in den Tartarus, waar hij aan een vurig rad gebonden werd, dat altijd ronddraait.

Ixionides, Ixionides, Pirithoüs en de Centauren, zonen van Ixion.

Iynx, Iynx, dochter van Peitho of Echo, die door toovermiddelen Zeus had doen ontbranden in liefde voor Io. Daarom veranderde Hera haar in een vogel, die als toovermiddel gebruikt wordt om liefde op te wekken. Men bond hem daartoe op een rad met vier spaken, dat men onder het uitspreken van tooverwoorden ronddraaide. Iason zou dit middel van Aphrodite geleerd en daarmede het hart van Medea gewonnen hebben.

K.

Kakosis goneon, orphanon, etc., slechte behandeling van ouders, familieleden, echtgenooten, pupillen, enz., mishandeling, onthouding van onderstand en dgl. Wie zich hieraan schuldig maakte, konde door eisangelia of apagoge voor den archont gebracht worden; de straf werd naar omstandigheden bepaald, op k. goneon stond atimie.

Kakotechnion dike, aanklacht wegens bedrog of valschheid, vooral in rechtszaken, in het bijzonder knoeierij met getuigen.

Kalendae = Calendae.

Karchedon = Carthago.

Karthago = Carthago.

Katakekaumene (sc. chora), het O. deel van Lydia, aldus genoemd, omdat de bodem van vulkanischen aard was, asphalt en lava bevatte en hierdoor zwart van kleur was, alsof de grond verbrand was.

Kataklesia = katakletos ekklesia, zie ekklesia.

Katalogos, lijst van burgers, die met uitsluiting van anderen een of ander recht of verplichting hebben. In het bizonder de lijst, waarop aangeteekend was in hoever zij tot den krijgsdienst verplicht waren, welke verplichting verschillend was naar verhouding van het vermogen. Het vervullen van den dienstplicht door hen, die op deze lijst stonden, heet ek katalogou strateuein; armere burgers, die er niet op stonden, werden alleen in buitengewone gevallen opgeroepen.

Katalysis tou demou, omverwerping der democratie of de poging daartoe, werd langs den weg der eisangelia voor de rechtbank der thesmotheten gebracht en naar goedvinden der rechters bestraft, waarschijnlijk meestal met den dood.

Katoikoi, z. Cleruchia, aan het slot.

Keadas of kaiadas, afgrond in den Taygetus, ten W. van Sparta, met bijna loodrechte wanden. Ter dood veroordeelden werden hierin geworpen, o. a. Aristomenes, de held van den tweeden messenischen oorlog.

Keres, (ook in het enkelvoud), godinnen van den gewelddadigen dood, vooral op het slagveld, waar zij tot het gevolg van Ares behooren. Zij worden dochters van Nyx, zusters van Morus en Thanatus genoemd. Later kregen zij de beteekenis van straffende en wrekende godinnen en meer algemeen van eene personificatie van al wat het leven vernietigt, ziekte, kommer, enz.

Kerkyra, Kerkyra = Corcyra.

Keryx, heraut, iemand die een koning, ambtenaar of priester bij zijne ambtsverrichtingen ter zijde staat, officiëele bekendmakingen en aankondigingen heeft te doen, enz. De herauten werden als heilig en onschendbaar beschouwd en genoten groot aanzien. In de familie der Kerykes te Athene (z. Ceryx) waren verscheiden priesterlijke waardigheden erfelijk, o. a. die van den keryx of hierokeryx bij de eleusinische mysteriën.

Klarotai, aphamiotai, lijfeigenen op Creta, waren in denzelfden toestand als de spartaansche heloten.

Klerouchia, z. Cleruchia, z. ook apoikia.

Kleter, kletor, in een proces de getuige, die bij de dagvaarding (prosklesis) van den aangeklaagde tegenwoordig geweest is, en bevestigt dat die dagvaarding in den behoorlijken vorm heeft plaats gehad.

Koine, he koine dialektos, gemeen grieksch, de taal, die sedert Alexander algemeen in Griekenland en het Oosten gesproken werd, en waarin ook de meeste boeken van het Nieuwe Testament en de Septuaginta (z. a.) geschreven zijn.

Kolakretai, oorspronkelijk zij, die bij groote offerfeesten van het vleesch der offerdieren een openbaren maaltijd bezorgden, later ambtenaars bij het financiewezen. Clisthenes beperkte hun werkkring, en in 410 zijn zij afgeschaft; in hun plaats traden de apodektai.

Korynephoroi, eigenlijk knotsdragers; te Sicyon lijfeigenen van denzelfden oorsprong en in denzelfden toestand als de spartaansche heloten.

Kosmoi, tien magistraten op Creta, wier bevoegdheden overeenkwamen met die der spartaansche ephoren. Een van hen, de protokosmos, gaf zijn naam aan het jaar.

Koureotis, de derde dag der Apaturia.

Kriou metopon, 1) Z.W.-kaap van Creta.--2) Z. kaap der Chersonesus Taurica (Krim).

Krypteia, soms beschouwd als eene jacht op heloten, die van staatswege aan de spartaansche jongelingen werd opgedragen; inderdaad eene oefening als voorbereiding tot den krijgsdienst, waarbij de jonge burgers het land in alle richtingen doorkruisten, vooral op de bewegingen der heloten acht gaven, en hen bij ieder vergrijp of bij de minste verdachte handeling terstond doodden.

Kyrbeis, z. Axones.

Kyria ekklesia, z. ekklesia.

Kyrios, degene, die over iemand of iets te beschikken heeft, in het bizonder degene, die een ander in rechten of in zijne betrekkingen tot vreemden vertegenwoordigt, zooals de vader of voogd voor onmondige kinderen, de man voor zijne vrouw, enz.

L.

Labarum, de keizerlijke standaard, door Constantijn den Gr. ingevoerd. Hij bestond uit een rijk geborduurd zijden vaandel met het monogram van J. C., hangende aan een stok in den vorm van een kruis.

Labda, Labda, dochter van Amphion, moeder van Cypselus.

Labdacidae, Labdakidai, de zoon en verdere afstammelingen van Labdacus: Laïus, Oedipus, Eteocles en Polynices.

Labdacus, Labdakos, zoon van Polydorus en Nycteis, koning van Thebe. Gedurende zijne minderjarigheid stond hij onder de voogdij van zijn grootvader Nycteus, later onder die van zijn oudoom Lycus.

Labeates, dapper volk in Dalmatia met de hoofdstad Scodra (Scutari).

Labeo, familienaam in de gens Antistia en de gens Fabia (Fabii no. 27).

Laberii, een plebejisch geslacht, waarvan het meest bekende lid Dec. Laberius is (105-43), rom. ridder en beroemd mimendichter. In weerwil van zijn rang dwong Caesar hem in 45 zelf als acteur op te treden en zich te meten met Publilius Syrus, tooneelspeler van beroep. Over deze diepe vernedering wreekte Laberius zich met bijtenden spot in een proloog, die nog bestaat.

Labicum, Labici, Labikon, oude stad van Latium, die zich met de Aequi verbonden had en daarom door de Rom. veroverd werd. Zij lag niet ver van Tusculum aan de via Labicana.

Labiena (lex), zie Attia (lex).

Labieni. 1) T. (Attius) Labienus, volkstribuun in 63 (z. Attia (lex)), klaagde Rabirius (z. a.) aan, en was later Caesars voornaamste legaat in Gallia, waar hij door beleid en onversaagdheid uitmuntte, ging uit eerzucht in 49 tot de partij van Pompeius over. Na den slag bij Pharsalus vluchtte hij naar Africa, en later na de nederlaag van Thapsus naar Hispania, waar hij in 45 bij Munda sneuvelde.--2) Q. (Attius) Labienus, zoon van no. 1, werd door Brutus en Cassius naar den parthischen koning Orodes gezonden om hulp te vragen. Op het bericht dat beiden bij Philippi waren omgekomen (42), bleef hij aan het parthische hof, en viel met Orodes' zoon Pacorus aan het hoofd van een parthisch leger in Syria, drong zelfs tot Caria door, doch werd in 39 door P. Ventidius, legaat van Antonius, verslagen. Door de Parthen verlaten, week hij naar Cilicia, waar hij op last van Ventidius werd omgebracht.--3) Labienus, die tijdens Sulla een werkzaam aandeel nam aan het ombrengen van vogelvrijverklaarden, werd na Caesars dood zelf op de lijst der proscripti gebracht en bezat moed genoeg om niet te vluchten, maar vóór zijne woning den dood af te wachten. Daar van dezen Labienus overigens niets bekend is, vermoedt men, dat de naam in den Griekschen tekst verschreven is.--4) T. Labienus, geschiedschrijver en redenaar, behoorde als republikein tot de hevigste tegenstanders van Augustus, zóó zelfs, dat sommigen hem spottend Rabienus noemden. Toen de senaat de verbranding zijner geschriften had bevolen, trok hij zich dit zóózeer aan, dat hij stierf.

Labotas, Labotas, 1) koning van Sparta, vierde Agide, reg. 995-958; in zijn tijd begonnen de twisten met Argos over Cynuria.--2) spartaansch harmost in het thessalische Heraclea, 409.

Labranda, ta Labranda, Labraunda, vlek in Caria ten N. van de stad Mylasa, met een tempel van Zeus.

Labrum, een groote steenen of metalen kuip tot allerlei gebruik, vooral het koudwaterbekken in de heete badzaal der badhuizen.

Labynetus, Labynetos, 1) koning van Babylon, die den vrede tusschen Cyaxares en Alyattes (z. a.) bewerkte, waarschijnlijk dezelfde als Nebucadnezar.--2) = Belsazar, laatste koning van Babylon, die in 538 door Cyrus van zijn rijk beroofd werd.

Labyrinthus, labyrinthos, gebouw, bestaande uit een ingewikkeld stelsel van vertrekken en gangen, zoodat het moeilijk is zijn weg er in te vinden. De naam is v.s. ontleend aan het gebouw, dat de aegyptische koning Amenehma III aan het meer Moeris bij Arsinoë liet bouwen (Loperohunt = paleis aan den ingang van het meer), v. a. afgeleid van labrys, de dubbele bijl, een heilig symbool, dat men op vele monumenten van Cnosus vindt. Waarschijnlijk was het aegyptische lab. eene vereeniging van 12 paleizen onder één dak voor de 12 nomen of distrikten van Aegypte; het bevatte 3000 kamers, waarvan de helft onder den grond lag en voor vreemden niet toegankelijk was. Op Samus had Polycrates door verscheiden bouwkundigen een lab. laten aanleggen. Ook het grafteeken van koning Porsena van Clusium wordt een lab. genoemd. Het lab. van Creta, door Daedalus aangelegd en tot verblijf voor den Minotaurus dienend, wordt eerst door schrijvers van lateren tijd vermeld, vandaar de meening, dat de verhalen omtrent dit bouwwerk mythisch zijn, en dat de uitgebreide steengroeven van Creta er toe aanleiding gegeven hebben. Anderen meenen, dat het bij Cnosus door Evans opgegraven paleis van Minos aanleiding gegeven heeft tot het ontstaan van de sage.

Lacedaemon, Lakedaimon = Sparta.

Lacerna, ruime mantel, voor aan den hals met een gesp of haak gesloten en vaak van een kap (cucullus) voorzien, dien men bij regen over het hoofd trok.

Lacetani, volk in het N.O. van Hispania Tarraconensis, in een bergachtige streek, misschien dezelfden als de Iacetani.

Lachares, Lachares, atheensch demagoog, kreeg na den slag bij Ipsus als aanhanger van Cassander grooten invloed, en wierp zich na diens dood als tyran op (297). Hij roofde, om aan geld te komen, o.a. de gouden mantel der godin, z. Athenae p. 102. Toen Athene zich aan Demetrius Poliorcetes overgaf, vluchtte hij naar Boeotië en werd hij te Coronea vermoord.

Laches, Laches, Athener, zoon van Melanopus, bevelvoerder van de vloot, die in 427 naar Leontini gezonden werd. In 425 werd hij teruggeroepen en door Cleon aangeklaagd, in den slag bij Delium diende hij als hopliet. Hij was werkzaam bij de onderhandelingen over den vrede van Nicias, en sneuvelde in den slag bij Mantinea (418). Een gesprek van Plato over de dapperheid is naar hem genoemd.

Lachesis, Lachesis, zij die het lot uitdeelt, eene van de Moerae, in lateren tijd afgebeeld met een aardbol, waarop zij 's menschen lot aanwijst.

Laciadae, Lakiadai, demus in Attica, ten W. van Athene.

Lacinia, bijnaam van Juno, naar haar beroemden tempel bij het voorgebergte Lacinium.

Lacinium promunturium, Lakinion akron, kaap in Z. Italia, bij Croton, met een beroemden tempel van Iuno Lacinia; thans kaap Nao.

Lacmon of Lacmus, Lakmon, noordelijkst gedeelte van het Pindusgebergte.

Laconica, Lakonike, Z.O. gewest der Peloponnesus, het land der Spartanen, vóór de dorische verovering door Achaeërs bewoond. De bevolking bestond uit drie klassen: de Spartiatae of Spartani, de afstammelingen der dorische veroveraars, die alleen het volledige burgerrecht bezaten,--de Lacedaemonii of Perioeci, die van de oude achaeïsche bevolking afstamden en vrij waren en in wier handen nijverheid en handel waren,--de Helotes, die servi publici waren. Het bestuur bestond uit twee koningen, één uit het stamhuis der Agiden of Agiaden en één uit dat der Procliden of Eurypontiden, uit den senaat van 28 leden en uit eene volksvergadering zonder recht van discussie. Het hoogste gezag was echter in handen van de 5 ephori, een collegie, dat slechts voor een jaar gekozen werd, doch waaraan zelfs de koningen gehoorzaamden. Beroemd waren de laconische wapenen, schoeisel en mantels. Laconica was de militaire grieksche staat bij uitnemendheid; de zoog. wetten van Lycurgus waren er bij uitstek op aangelegd, soldaten te vormen. Onder de bijzondere eigenaardigheden behooren: de opvoeding der knapen vanwege den staat, de gemeenschappelijke maaltijden of syssitia, de wetten tegen weelde. In Laconica behooren de mythen te huis van Leda en van Castor en Pollux.

Laconicum, z. balneum.

Lactantius Cae(ci)lius Firmianus, uit Africa, leerling van Arnobius, kwam tegen het einde der 3de eeuw na C. als rhetor naar Nicomedea. Later, ± 312, werd hij door Constantijn (den Gr.), toen nog te Trier, tot leeraar van diens zoon Crispus aangesteld. Lactantius werd Christen, toen hij reeds op eenigsins gevorderden leeftijd was; zijn voornaamste werk is de institutiones divinae. Om de klassieke kleur van zijn stijl wordt hij wel eens de Cicero Christianus genoemd. Aan hem wordt ook toegeschreven het kleine, maar belangrijke geschrift: De mortibus persecutorum (einde 313 of begin 314), dat in het eenige H. S. op naam staat van L. Caecilius.

Lacunar of laquear, zoldering, waarvan de balken ruiten vormden, zoogenaamd caissonwerk. Eigenlijk beteekent lacunar slechts de dieper liggende vakken tusschen de balken.

Lacus, elk groot open waterbekken; in de huishouding ook open kuipen om olie, wijn en dgl. in op te vangen en te bewaren. Het woord wordt ook wel gebezigd voor eene ommuurde, van boven opengelaten plek, die met een put slechts den vorm gemeen heeft, zooals de lacus Curtius op het forum te Rome (zie Curtii no. 2).

Lacydes, Lakydes, van Cyrene, opvolger van Arcesilaus als hoofd der platonische school (241-215).

Lade, Lade, eilandje bij Miletus, dat den ingang der haven dekte. Tegenwoordig is het door aanslibbing met den vasten wal verbonden. Toen in 494 de Perzen Lade vermeesterd hadden, kon de stad het niet uithouden.

Ladon, Ladon, de draak, die de appels der Hesperiden bewaakte.

Ladon, Ladon, naam van twee rivieren in de Peloponnesus. De grootste ontspringt in Arcadia en stort zich dicht bij de grens van Elis in den Alpheus; de andere, in Elis, is een zijtak van den Peneus.

Laeëtani, Leetanoi, volk in liet N.O. van Hispania aan de kust, met de hoofdst. Barcino (Barcelona).

Laelaps, Lailaps, de jachthond van Cephalus, z. Cephalus en Amphitryo.

Laelii, plebejisch geslacht, waarschijnlijk uit Tibur afkomstig. 1) C. Laelius, de boezemvriend van Scipio Africanus maior, vergezelde dezen op zijne veldtochten in Hispania en Africa en nam zelf een werkzaam aandeel aan de inneming van Carthago nova (209), den slag bij Baecula (208), de gevangenneming van Syphax (203). Hij was even goed vlootvoogd als generaal, een man van groote kennis en geleerdheid en groote welsprekendheid en daarbij iemand van een zeer beminnelijk karakter. Scipio liet door hem de berichten der verovering van Carthago nova en van den slag bij Zama naar Rome overbrengen. In 190 was Laelius consul.--2) C. Laelius, zoon van no. 1, de boezemvriend van Scipio Africanus minor, door Cicero als spreker ingevoerd in zijne geschriften de amicitia, de senectute en de republica. Hij vergezelde Scipio in 147 op diens tocht tegen Carthago en had het hoofdaandeel in de verovering der carthaagsche binnenhaven Cothon. Als praetor streed hij in 145 voorspoedig tegen Viriathus in Lusitania. Als consul wilde hij in 140 de zoogenaamde licinisch-sextische akkerwet vernieuwen, maar zag er wegens den tegenstand der aanzienlijken van af, hetgeen hem den bijnaam Sapiens verschafte. Hij deed zijn best om grieksche beschaving te Rome ingang te doen vinden. Hij was een geleerd man, dichter en schrijver, en bovenal uitstekend redenaar.--3) Laelia, twee dochters van no. 2, ook beroemd om hare welsprekendheid.--4) D. Laelius Balbus, volkstribuun in 54, trad in 59 op als aanklager van L. Valerius Flaccus (Valerii no. 25), die door Hortensius en Cicero verdedigd werd. Later koos Laelius de partij van Pompeius en voerde het bevel over diens vloot (48). Later streed hij onder Q. Cornificius in Africa en doodde zich, toen deze gesneuveld was (42).

Laena, chlaina, wollige of harige stof, ook een mantel, die hiervan vervaardigd was en o. a. bij sommige offers door de flamines gedragen werd.

Laenas, familienaam in de gens Popilia.

Laenii, plebejisch geslacht. Een zijner leden, M. Laenius Flaccus, rom. ridder, te Brundisium, nam Cicero, toen hij verbannen was, gastvrij op. Hij was ook een vriend van T. Pomponius Atticus.

Laërtes, Laertes, zoon van Arcisius en Chalcomedusa, vader van Odysseus, wordt genoemd als een van de deelnemers aan de calydonische jacht en den tocht der Argonauten. Hij leefde nog toen zijn zoon na zijne lange omzwervingen terugkwam, en werd door Athena verjongd, zoodat hij kon medestrijden tegen de oproerige bewoners van Ithaca.

Laërtiades, Laertiades, Odysseus, zoon van Laërtes.

Laespodias, Laispodias, atheensch veldheer in den peloponnesischen oorlog, werkzaam bij de oligarchische omwenteling van 411.

Laestrygones, Laistrygones, mythisch volk van menscheneters, in het verre Westen; later meende men hun woonplaats terug te vinden bij Leontini op Silicië of bij Formiae. Toen Odysseus in hun land kwam, regeerde er Antiphates (z.a.).

Laetorii, plebejisch geslacht, waarvan verschillende leden bij Livius voorkomen.

Laevi, ligurische stam in Gallia Transpadana, aan den Ticinus, met de stad Ticinum (Pavia). V. a. zijn het Kelten.

Laevinus, familienaam in de gens Valeria.

Lagus, Lagos, vader van Ptolemaeus I, naar wien de dynastie der Lagiden genoemd is.

Laïades, Laïades, Oedipus, zoon van Laïus.

Lais, Laïs, 1) corinthische hetaere, de schoonste vrouw van haar tijd; Diogenes en Aristippus behoorden tot hare aanbidders.--2) van Hyccara, dochter van Timandra, leefde als hetaere te Corinthe, waar Apelles en Hyperides haar bezochten. In Thessalië werd zij, naar men verhaalde, vermoord door vrouwen, die haar hare buitengewone schoonheid benijdden.

Laïus, Laios, zoon van Labdacus, koning van Thebe, leefde in zijn jeugd eenigen tijd als balling in de Peloponnesus en kon eerst na den dood van Amphion en Zethus in zijn vaderland terugkeeren. Hij was gehuwd met Iocaste, die hem een zoon baarde, Oedipus; daar een orakel voorspeld had, dat hij door zijn zoon gedood zou worden, en dat deze daarna met Iocaste zou trouwen, gaf hij het kind aan een herder om het op den Cithaeron te dooden. De herder volbracht zijn last echter niet, het kind groeide op, ontmoette vele jaren later zijn vader, geraakte met hem in twist en doodde hem zonder hem te kennen; z. Oedipus.

Laletani = Laeëtani.

Lamachus, Lamachos, zoon van Xenophanes, atheensch veldheer in den peloponnesischen oorlog, een man van grooten persoonlijken moed, ook in zijn uiterlijk en manieren geheel en al soldaat. In 437 verdreef hij den tyran Timasilaus uit Sinope. Hij was een van de onderteekenaars van den vrede van Nicias, en had met dezen en met Alcibiades het opperbevel bij den tocht naar Sicilië; zijn raad om onmiddellijk Syracusae aan te vallen werd echter niet opgevolgd. Hij sneuvelde in een gevecht tegen de Syracusanen, 414.

Lamia, Lamia, lybische koningin, die door Zeus bemind werd. Uit jaloerschheid beroofde Hera haar van al hare kinderen, en sedert dien tijd rooft zij de kinderen van anderen om ze te dooden. Daarom werd haar naam gebruikt om kinderen bang te maken.--De naam komt ook in het meervoud voor en beteekent dan spookachtige wezens, die kinderen en schoone jongelingen tot zich lokken, hun bloed uitzuigen en hun vleesch opeten.

Lamia, familienaam in de gens Aelia, z. Aelii no. 6.

Lamia, Lamia, thans Zeitoun, stad in het gebied der Maliërs, bekend door den lamischen oorlog (323).

Lamische oorlog heet de oorlog, dien de Grieken na den dood van Alexander voerden om zich van de macedonische heerschappij te ontslaan. De beweging ging van Athene uit, en het leger, dat voor een deel uit huurlingen bestond en waarvoor een aantal grieksche staten manschappen geleverd hadden, werd aangevoerd door Leosthenes, een Athener. In het begin kon Antipater geen voldoend leger tegen hem in het veld brengen, hij verloor een slag bij Heraclea en werd in de vesting Lamia ingesloten. Toen echter Leosthenes gesneuveld was en Antipater groote versterking uit Azië gekregen had, besliste de slag bij Crannon (322) den oorlog ten nadeele van de Grieken. Daar Antipater slechts met iederen staat afzonderlijk in onderhandeling wilde treden, werden de Atheners en Aetoliërs door hunne bondgenooten verlaten; Athene moest macedonische bezetting innemen, de anti-macedonische redenaars uitleveren, eene beperkte democratie invoeren, enz. De Aetoliërs bedongen gunstiger voorwaarden, daar Antipater spoedig wegens den loop der zaken in Azië Griekenland verlaten moest.

Lampadedromia, lampadephoria, lampas, lampados agon, fakkelwedloop, te Athene en elders bij eenige feesten gehouden; de mededingers, die soms te paard zaten, kregen elk een fakkel in de hand, overwinnaar was hij die het eerst het doel bereikte, zonder zijn fakkel te laten uitgaan. Het dragen van de onkosten hiervan behoorde tot de liturgieën.

Lampetia, Lampetie, dochter van Helius en Neaera. Zij bracht aan haar vader het bericht, dat zijne runderen op het eiland Thrinacia door de tochtgenooten van Odysseus geslacht waren.

Lampon, Lampon, waarzegger te Athene, door de blijspeldichters dikwijls als huichelaar bespot, aanvoerder der atheensche kolonie, die Thurii stichtte (444).

Lamponium, Lamponion, aeolische stad in het Z.W. van Troas, ook Lamponia genoemd.

Lamponius (M.), een Lucaniër, een van de aanvoerders der italische bondgenooten in den marsischen oorlog. Later sloot hij zich aan bij den jongen Marius en sneuvelde in 82 bij Porta Collina.

Lampridius (Aelius), rom. geschiedschrijver uit de 3de eeuw na C., een van de scriptores historiae Augustae, de levensbeschrijver der keizers Commodus, Diadumenianus (het zoontje van Opellius Macrinus), Heliogabalus en Alexander Severus.

Lamprus, Lampros, beroemd toonkunstenaar, v. s. leermeester van Sophocles en Socrates.

Lampsacus, Lampsakos, in Troas aan den Hellespont, vroeger Pityussa geheeten, phocensische kolonie, eene der drie steden, waarvan Artaxerxes I de inkomsten aan Themistocles schonk. Hier was de eeredienst gevestigd van Priapus, den god der tuinen, die door Aphrodite te Lampsacus ter wereld was gebracht.

Lamptrae, Lamptrai, twee attische demen, de ééne aan de Z.W. kust van Attica, niet ver ten Z.O. van kaap Zoster, de andere ten N. daarvan.

Lamus, Lamos, zoon van Poseidon, koning der Laestrygonen, mythisch stichter van Formiae (Lami urbs, Laestrygonia).

Lamus, Lamos, riv. en stad in Cilicia.

Lancia, Lankia, sterke vesting der Astures in Tarraconensis.

Langobardi, zie Longobardi.

Lanista, schermmeester, die gladiatores oefende en verhuurde.

Lanuvium, Lanouion, stad in Latium, aan de via Appia en den albaanschen berg, één van de steden van den latijnschen bond, waarmede Rome na den slag bij den lacus Regillus het eeuwig verbond gesloten heeft, geboorteplaats van Antoninus Pius, met een beroemden tempel van Juno Sospita.

Laocoon, Laokoon, zoon van Antenor of broeder van Anchises, priester van Apollo te Troje. Hij zou na het vertrek der Grieken aan Poseidon een dankoffer brengen, toen plotseling twee reusachtige slangen verschenen, die hem met zijne beide zonen doodden. Dit lot was de straf voor eene beleediging, aan Apollo aangedaan, v. s. doordat hij tegen den wil van dien god getrouwd was, of Athena wreekte zich op deze wijze, omdat hij aangeraden had het door de Grieken achtergelaten houten paard te verbranden, en zelfs zijn lans er tegen geworpen had.--De hierbij afgebeelde groep, waarvan het oorspronkelijke zich in het museum van het Vaticaan bevindt, is het werk van drie rhodische beeldhouwers, Agesander, Polydorus en Athenodorus, die waarschijnlijk niet, zooals men vroeger aannam, in de laatste helft der derde, maar in de 2de helft der eerste eeuw v. C. leefden.

Laodamas, Laodamas, 1) zoon van Eteocles, koning van Thebe; in den oorlog der Epigonen doodde hij Aegialeus, den zoon van Adrastus; hij leed echter de nederlaag en sneuvelde of vluchtte met het overschot van zijn leger naar Illyrië.--2) zoon van Antenor, door Aiax no. 2 gedood.--3) zoon van Alcinous.

Laodamia, Laodameia, 1) dochter van Bellerophon, bij Zeus moeder van Sarpedon, door Artemis gedood.--2) dochter van Acastus, gehuwd met Protesilaus. Toen zij den dood van haar echtgenoot vernam, smeekte zij de goden zoo dringend hem slechts voor weinige uren tot haar te laten terugkeeren, dat zij hare bede niet konden weigeren; toen de tijd, die hem was toegestaan, verstreken was, volgde zij hem in den dood.

Laodice, Laodike, 1) eene nimf, bij Phoroneus moeder van Niobe en Apis.--2) dochter van Priamus en Hecabe, gehuwd met Helicaon, zoon van Antenor.--V. a. was zij bij Acamas no. 1, moeder van Munitus, en toen deze aan een slangebeet stierf, stortte zij zich van een rots of werd zij door de aarde verzwolgen.--3) = Electra no. 4.--4) moeder van Seleucus I, die haar naam aan verscheiden steden gaf. Vele vrouwen in het geslacht der Seleuciden droegen dezen naam, o. a. de gemalin van Antiochus II (z. a.).

Laodicea, Laodikeia, naam van verschillende steden, door Seleucus I naar zijne moeder Laodice genoemd. 1) L. ad mare, he epi te thalatte, bloeiende stad op de syrische kust ten Z. van Antiochia, onder de rom. keizers kolonie met het ius italicum.--2) L. ad Libanum, he pros Libano, in het Z. van Coelesyria, wegens de veelvuldig voorkomende schurftziekte Scabiosa bijgenaamd.--3) L. ad Lycum, he pros to Lyko, aanzienlijke handelsstad in Phrygia, dicht bij Colossae, hoofdplaats van een rom. rechtsgebied.--4) L. combusta, he katakekaumene, in Lycaonia.

Laomedon, Laomedon, 1) zoon van Ilus en Eurydice, koning van Troje. Hij omgaf de stad met een muur, en bij dit werk hielpen hem Apollo en Poseidon, hetzij vrijwillig, hetzij tot straf voor verzet tegen Zeus; z. Aeacus. Toen het werk voltooid was, weigerde Laom. echter den goden het bedongen loon te betalen, daarom zond Poseidon een zeemonster dat het land verwoestte. Om den toorn der goden te bevredigen, zou Hesione, de dochter van Laom., aan dit monster geofferd worden, toen juist Heracles, van zijn tocht naar de Amazonen terugkeerend, in Troje aankwam en op zich nam de jonkvrouw te redden, waarvoor Laom. hem de goddelijke paarden van Tros (z. Ganymedes) zoude geven. Toen het monster echter gedood was, weigerde Laom. ook thans zijne belofte te vervullen. Heracles vertrok, maar kwam later met schepen terug, verwoestte de stad, en doodde Laom. met al zijne zonen, behalve Podarces.--2) van Mytilene, door Philippus van Macedonië verbannen, maar na diens dood door Alex. teruggeroepen. Hij vergezelde Alex. als tolk op zijne tochten en had het opzicht over de krijgsgevangenen. Later werd hij satraap van Syrië, van waar hij echter in 320 door Nicanor verjaagd werd.

Laomedontiades, Laomedontiades, Priamus, zoon van Laomedon. Soms worden ook de Trojanen of de Romeinen, als hunne afstammelingen, zoo genoemd.

Lapathus, Lapathos, aanzienlijke stad aan de N.-kust van Cyprus. Een ander Lapathus (gen. -untis) was een vlek aan den Noordkant van het dal Tempe.

Laphystius, Laphystios, bijnaam van Zeus, naar den gelijknamigen berg in Boeotië, waar hem in ouden tijd menschenoffers gebracht werden, z. Athamas.

Laphystius, Laphystios, berg in Boeotia, tusschen Lebadea en Coronea, met een tempel van Zeus Laphystius.

Lapidei campi, zie campi lapidei.

Lapis quadratus = Opus quadratum.

Lapithae, Lapithai, een thessalisch volk, afstammend van Lapithes, zoon van Apollo en Stilbe. Op de bruiloft van hun koning Pirithoüs beproefden de Centauren, die als gasten tegenwoordig waren, de bruid en andere vrouwen te ontvoeren, waardoor een strijd ontstond, die met de volkomen vernietiging der Centauren eindigde. In den oorlog tegen Aegimius werden de Lapithen op hun beurt door Heracles, bondgenoot van Aegimius, verslagen.

Laquear = lacunar.

Lara = Larunda.

Laranda, ta Laranda, aanzienlijke stad in het Z. van Lycaonia, in het Taurusgeb., een isaurisch zeerooversnest.

Lararium, zie Lares.

T. Larcius Flavus, zie Lartii no. 2.

Larentia, zie Acca Larentia.

Larentalia, een lijkofferfeest te Rome op 23 Dec. ter eere van Acca Larentia.

Lares, zijn oorspronkelijk beschermgeesten van de velden, en werden aan de compita (zie compitalia) vereerd; de Larenkapel staat daar, waar meerdere grondstukken aan elkaar grenzen, en heeft zooveel ingangen als er grondstukken zijn; ieder eigenaar offert op een altaar op eigen grond. Naast de Lares compitales vindt men in elk huis een Lar familiaris, die aan den huiselijken haard vereerd wordt, en de beschermgeest is van het huis. Later spreekt men van Lares (domestici). Oudtijds vond men hunne beelden in het atrium, later bewaarde men ze in een afzonderlijke kast, lararium, die bij den ingang van het huis of bij de slaapkamer stond. In den keizertijd worden gewoonlijk twee Lares afgebeeld, als dansende jongelingen, en tusschen hen in de Genius van den huisheer. Hun altaar was de huiselijke haard, waarin men bij iederen maaltijd een deel van de spijzen als offer voor de Lares wierp; bovendien bracht men hun offers op de Kalendae, Nonae en Idus van iedere maand, bij alle familiefeesten, in sommige gezinnen zelfs elken dag.--Maar niet alleen ieder huis en ieder compitum, ook vele andere plaatsen staan onder de hoede der Lares, die met een gemeenschappelijken naam L. publici genoemd worden. Onder deze staan vooraan de L. urbani of praestites, beschermgoden van den geheelen staat, Romulus, Remus, Acca Larentia e. a., verder L. viales, militares, enz.

Largitio, elke uitdeeling of geschenk aan het volk, o.a. spelen, gastmalen, uitdeeling van geld, enz. Over de geregelde uitdeelingen van koren van staatswege beneden den kostenden prijs zie men annona. Over de buitengewone uitdeelingen op kosten der gevers zie men congiarium. Somtijds heeft largitio de slechte beteekenis van omkooping, vooral wanneer zij wordt aangewend tegenover de iudices in een gerechtshof, wat slechts al te dikwijls gebeurde.

Larinum, Larinon, stad der Frentani in Samnium, rom. municipium. De inwoners heeten Frentani Larinates.

Lari(s)sa, Larissa, 1) stad der Pelasgen, in het thessalische landschap Pelasgiotis, aan den Peneus. Hier behoorde het vorstengeslacht der Aleuaden te huis.--2) stad in het thessalische landschap Phthiotis, tegen een berg gebouwd en vandaar kremaste, het hangende, genoemd.--3) naam van den burg der stad Argos.--4) zeestad aan de W.-kust van Troas, in de perzische oorlogen verwoest.--5) stad in aziatisch Aeolis, met den bijnaam Phriconis, Phrikonis of Aigyptia.--6) stad in Lydia, aan den Cayster, ook Ephesia bijgenaamd.--7) stad in Assyria, ten N. van de uitmonding van den Lycus of Zapatas in den Tigris, met muren van 100 voet hoog, ten tijde van Xenophon verlaten, de onlangs opgegraven stad Kalach, ten Z. van Niniveh, tgw. Nimroed; z. Ninus.--Dichterlijk Larissaeus = thessalisch.

Larisus, Larisos, grensriviertje tusschen Achaia en Elis.

Larius lacus, limne he Larios, vischrijk Alpenmeer, door den Addua (Adda) gevormd, thans meer van Como.

Lars Tolumnius, zie Tolumnius no. 2.

Lartii, patricisch geslacht, uit Etruria afkomstig. 1) Sp. Lartius Flavus wordt reeds in 506 als consul genoemd. In 490 komt hij andermaal voor.--2) T. Lartius Flavus, broeder van no. 1, consul in 498, werd door zijn ambtgenoot Q. Cloelius Siculus tot dictator benoemd. Hij was, volgens de traditie de eerste dictator. (V. a. was hij dit reeds in 501). In de verwikkelingen tusschen patriciërs en plebejers was hij steeds voor zachte maatregelen en kwijtschelding der schulden.

Larunda, Lara, bronnimf, die aan Juno de minnarijen van Jupiter en Juturna verried. Tot straf ontnam Jupiter haar de spraak en verwees hij haar naar de onderwereld. Bij Mercurius, die haar daarheen geleid had, werd zij moeder van de Lares Compitales.--Zij schijnt eene oud-italische godin des doods geweest te zijn, dezelfde die op de Feralia als Dea muta of tacita wordt aangeroepen.

Larvae, bij de Romeinen booze geesten van afgestorvenen, die tot straf voor een misdadig leven of wegens een verzuim bij hunne begrafenis in de onderwereld geen rust kunnen vinden, als schrikwekkende spookgestalten of skeletten ronddwalen, levenden door hunne verschijning soms waanzinnig maken, en zelfs de dooden verontrusten; z. Lemures.

Larymna, Larymna, twee plaatsjes, boven- en beneden-L. op de kust der opuntische Locriërs aan de Euboeische golf.

Las, Las, oude zeestad van Laconica, aan de Laconische golf. De naam Lapersai, bijnaam der Dioscuren, wordt door sommigen, waarschijnlijk ten onrechte, hiermede in verband gebracht, en vertaald als verwoesters van de stad Las.

Lasaea, Lasaia, stad aan de Z.-kust van Creta, nabij Gortyn.

Lasio, Lasion, grensvesting van Elis tegen Arcadia, aan den Ladon gelegen.

Lasthenes, Lasthenes, Olynthiër, die zich liet omkoopen om zijne vaderstad aan Philippus van Macedonië te verraden (348).

Lasus, Lasos, van Hermione, beroemd lyrisch dichter, die langen tijd te Athene aan het hof van Hipparchus leefde. Vooral zijne dithyramben werden geprezen, hoewel van hem gezegd wordt dat hij het eerst den tekst ondergeschikt maakte aan de muzikale begeleiding. Hij schreef ook over de theorie van muziek en poëzie, en onderrichtte v. s. Pindarus daarin.

Latericium (opus), z. Opus.

Latiaris, Latialis, bijnaam van Jupiter als beschermgod van het latijnsche stedenverbond.

Latifundium, een landgoed van groote uitgestrektheid. Daar de ager publicus, voor zoover de rom. staat zelf den bodem niet gebruikte, slechts in zeer groote perceelen in erfpacht werd gegeven, kon de kleine man, bij gebrek aan bedrijfskapitaal, zulke stukken niet in bezit nemen. Hierbij kwam, dat de middelstand in Italia verdween. Geld en grondbezit hoopten zich op onder een betrekkelijk gering aantal familiën. Hierdoor ontstonden er landgoederen, zooals men er nog in Oostenrijk-Hongarije en Schotland aantreft, zoo groot als en soms grooter dan eene nederlandsche provincie. Vandaar de spreuk: latifundia perdidere Italiam, het groot grondbezit heeft Italië te gronde gericht.

Latina (via). Deze liep van Rome langs Tusculum over den mons Algidus, verder langs Ferentinum, Fregellae en Casinum naar Campania, waar hij zich even vóór Capua met de via Appia vereenigt. Het is één van de oudste wegen die door de Romeinen zijn aangelegd; hij diende oorspronkelijk om de Latijnsche bondgenooten tegen de aanvallen der Aequi en Volsci te beschermen.

Latini, inwoners van Latium (z. a.).

Latini, inwoners der coloniae Latinae, zie ius Latii en coloniae no. 2.

Latini Iuniani, zie lex Iunia Norbana.

Latinum (nomen), zie Latium.

Latinus, zoon van Faunus en Marica of van Odysseus en Circe, van Telemachus en Circe, van Heracles en eene vrouw der Hyperboreërs, koning van Latium, die Aeneas gastvrij ontving, hem land afstond om eene stad te bouwen, en hem zijne dochter Lavinia ten huwelijk gaf.

Latium, he Latine, landschap van Midden-Italia. Men onderscheidt Latium vetus, het oude gebied der Latijnen, en Latium novum of adiectum, het gebied der Aurunci, Volsci en Hernici. Oud-Latium strekt zich in oude tijden van even benoorden den Tibermond naar het Zuiden uit tot aan Tarracina, en wordt in het Westen begrensd door Zuid-Etrurië, in het N. door den ager Sabinus, en verder in het N.O., O. en Z.O. door de Aequi, Hernici en Volsci. De voornaamste steden van dit gebied waren, behalve Rome en Alba, dat vroeg aan Rome over ging, Tibur, Praeneste, Tusculum, Aricia, Laurentum, Antium, Ardea en Circeii. Deze steden vormden met vele andere kleinere steden een bond, waarvan Rome het hoofd was. Rome had sedert 493 gelijke rechten als de 30 steden van Latium samen, zoodat er een tweeledig isopolitisch verbond bestond met wederkeerig burgerrecht en conubium. Dit was het gevolg van den oorlog, dien Latium na de verdrijving van Tarquinius Superbus met Rome had gevoerd. In 486 voegden zich de Hernicers als derde lid bij den bond. V. s. dateert dit laatste verbond eerst uit de 4de eeuw (zie Hernici). In de 5de eeuw verliezen de Latijnen veel terrein aan de Aequi (z.a.) en de Volsci. Aan de laatsten ging o. a. het geheele Zuiden tijdelijk te loor, z. de artikelen Antium en Circeii. In den loop van de 4de eeuw worden de Volsci, en verder ook de Hernici en Aurunci onderworpen, en nu reikt Latium in het Zuiden tot aan Campania (z.a.). Wat het Latijnsch-Hernicisch verbond betreft: in den gallischen oorlog schijnen de bondgenooten Rome in den steek te hebben gelaten. Het verbond werd wel hernieuwd, doch in 340 barstte de beslissende strijd uit, die in 338 met de nederlaag der Latijnen eindigde. Het latijnsche verbond werd ontbonden, en Rome sloot met elke stad een afzonderlijk verdrag op verschillenden voet, naar gelang van omstandigheden. Eenige steden werden als municipia bij Rome ingelijfd en kregen dus het romeinsche burgerrecht, doch sine suffragio. De overige, o. a. Tibur en Praeneste, werden afhankelijke socii. Rome behandelde hen echter op eenigszins anderen voet dan de bondgenooten in het overige Italia. De socii Latini, ook onder den naam van nomen Latinum bekend, konden in zekere gevallen rom. burgers worden, b.v. door het bekleeden van posten in hunne stad, welk recht ook aan de latijnsche koloniën buiten Latium werd toegekend (zie ius Latii), of wanneer zij naar Rome metterwoon verhuisden, mits met achterlating van een stamhouder in hunne oude woonplaats.

Latmus, Latmos, gebergte in Caria, waar de mythe te huis behoort van Selene en den schoonen slaper Endymion. Aan den voet strekte zich de sinus Latmicus, ho Latmikos kolpos, uit, aan welks ingang Miletus lag, doch die thans door de aanslibbing van den Maeander grootendeels is verdwenen. Latmius venator = Endymion.

Latobrigi, (Latovici), keltisch volk, naburen der Helvetii, met wie zij in 58 den verhuizingstocht ondernamen, die door Caesar belet werd.

Latoides, Letoïdes, Apollo, zoon van Leto.

Latois, Letois, Artemis, dochter van Leto.

Latona = Leto.

Latris, een groot eiland in de Oostzee, waarschijnlijk Seeland.

Latrunculorum (ludus), een rom. spel, dat met schijven op een bord werd gespeeld en eenige overeenkomst moet gehad hebben met een damspel of met ons belegeringsspel.

Laurentum, oud-latijnsche stad, aan zee, reeds in het rom.-carthaagsche handelsverdrag van 509 genoemd, waar de sage den zetel van koning Latinus plaatst, die tijdens Aeneas' komst in Latium heerschte. Niet ver van daar werd toen Lavinium gesticht en genoemd naar Lavinia, dochter van Latinus en echtgenoote van Aeneas. De Antonijnen vereenigden beide plaatsen tot één gemeente Laurentolavinium.

Lauretanus sinus, haven op de etruscische kust tusschen Populonia en Cosa.

Lauriacum, vesting aan den Donau, in Noricum, station van de Donauvloot.

Laurium, Laurion, -reion, berg op de Zuidpunt van Attica, met rijke zilvermijnen, waarvan de opbrengst jaarlijks onder de burgers van Attica werd verdeeld, totdat op voorstel van Themistocles besloten werd ze tot aanbouw van oorlogsschepen te bestemmen.

Lauron, Lauron, zeestad in het O. van Hispania, waarschijnlijk ten Z. van Valencia, ten W. van den Sucro, bekend om de belegering door Q. Sertorius en de vruchtelooze poging van Pompeius om de stad te ontzetten. In de nabijheid kwam ook de jonge Cn. Pompeius om, na den slag bij Munda.

Laus, Laos, grensrivier tusschen Lucania en Bruttii, met eene gelijknamige stad, door de Sybarieten gesticht. In ± 400 viel de stad in handen van de Lucaniërs, en in 389 werden de inwoners van Thurii daar door hen in een grooten veldslag verslagen, zie Graecia Magna.

Laus Pompeii, thans Lodi Vecchio, stad der Boii in Gallia Transalpina, ten Z.O. van Mediolanium (Milaan). Cn. Pompeius Strabo verhief ze in 89 tot een lat. kolonie, vandaar de naam; sedert 49 municipium.

Lausus, zoon van Mezentius, koning van Caere. Vader en zoon kwamen in den strijd tegen Aeneas om.--Een andere Lausus wordt genoemd als zoon van den albaanschen koning Numitor.

Lautulae, vlek in het land der Volsci tusschen Anxur of Tarracina en Fundi. In de nabijheid werd keizer Galba geboren.

Lautumiae, Latomiai, 1) de steengroeven, van Syracusae (z. a.), waarvan de steenen gebruikt waren voor het bouwen van de stad. Hierin werden in den herfst van 413 de krijgsgevangenen van het leger van Nicias neergelaten, op elkaar gedrongen, en aan honger en dorst, en alle onguurheid van het weer blootgesteld. Later maakte Dionysius er een staatsgevangenis van, die in de dagen van Verres nog in gebruik was.--2) De staatsgevangenis te Rome, naar die van Syracusae benoemd, wel te onderscheiden van den Carcer Mamertinus (z. Carcer); ze lag aan de Oostzijde van de Arx; misschien heeft men hier oorspronkelijk ook steenen gebroken voor den bouw der huizen; ook de buurt in de nabijheid heet Lautumiae, tusschen de Arx en het forum piscatorium (macellum).--3) Ook particuliere steengroeven worden wel eens latomiae (lapidariae) genoemd; het latijnsche woord is echter lapicidinae. Daarin te werken komt voor als tuchtstraf voor slaven.

Laverna, oorspronkelijk eene godin, die tot den kring der onderaardsche goden behoort, later beschermgodin der dieven (laverniones); zij had een altaar bij de Porta Lavernalis.

Lavicana (via). Deze liep van Rome langs Labicum en sloot zich verderop aan de via Latina aan.

Lavicum = Labicum.

Lavinia, dochter van Latinus en Amata. Ofschoon zij verloofd was met Turnus, werd zij aan Aeneas tot vrouw gegeven, toen deze in Italië aankwam. Dit was de voornaamste oorzaak van den oorlog tusschen Turnus en Aeneas, die met den dood van eerstgenoemde eindigde.--V. a. was zij de dochter van Anius en had Apollo haar de gave der voorspelling geschonken. Aeneas bewoog haar hem te volgen, zij baarde hem een zoon, Anius, maar stierf kort na hunne aankomst in Italië. De stad Lavinium is naar haar genoemd.

Lavinium, zie Laurentum.

Lavinius, Labinios, zijriviertje van den Padus (Po), even ten W. van den Rhenus (Rhenus no. 2), tgw. Lavino. V.s. had op een eilandje in deze beek de bekende bijeenkomst plaats tusschen Octavianus, Antonius en Lepidus. Zie echter Rhenus no. 2.

Lazae, Lazi, Lazai, Lazoi, roofzieke volksstam in Colchis.

Leaena, Leaina, atheensche hetaere, betrokken in de samenzwering van Harmodius en Aristogiton. Zij werd gevangen genomen en op de pijnbank gelegd, maar weigerde hardnekkig iets te verraden. Te harer gedachtenis richtte men een beeld op, dat eene leeuwin zonder tong voorstelde.

Leager, Leagros, Athener, zoon van Glaucon, ging met Sophanes aan het hoofd van 10000 Atheners naar Thracië, om er op de plaats, waar later Amphipolis stond, eene volkplanting te stichten. Toen zij echter te ver in het binnenland doordrongen, werden zij bij Drabescus door de Thraciërs overvallen en gedood (465).

Leander, Leandros, een jongeling van Abydus, die iederen nacht over den Hellespont zwom, om zijne geliefde Hero te ontmoeten, die priesteres van Aphrodite te Sestus was. Om hem den weg te wijzen, ontstak zij elken avond een licht op den toren van Sestus, maar in een stormachtigen nacht woei dit licht uit en L. vond zijn dood in de golven. Toen Hero den volgenden morgen van den toren zijn lijk zag aanspoelen, wierp zij zich naar beneden.

Learchus, Learchos, zoon van Athamas (z.a.) en Ino, werd door zijn vader gedood.

Lebadea, Lebadeia, thans Livadia, stad in Boeotia nabij de grens van Phocis. In de nabijheid was in eene grot binnen een bosch een orakel van Trophonius.

Lebaea, Lebaia, oude stad ergens in het N. van Macedonia.

Lebecii, Lebekisi, volksstam in Gallia Transpadana, met de hoofdstad Vercellae.

Lebedus, Lebedos, stad in aziatisch-Ionia in de nabijheid van Colophon, eenmaal zeer bloeiend, totdat Lysimachus een gedeelte der inwoners naar Ephesus overbracht.

Leben, Leben, haven van Gortyn op Creta, met een tempel van Asclepius.

Lebethrum, -thra, Leibethron, = Libethra.

Lebinthus, Lebinthos, klein eiland in de Aegaeische zee ten O. der Cycladen.

Lechaeum, Lechaion, haven van Corinthus, aan de Corinthische golf, door een dubbelen muur met de stad verbonden.

Lectio senatus, zie Senatus.

Lectisternium, een feestmaal, aan goden en godinnen aangeboden, wier beelden dan op rustbedden aan tafel werden neergelegd of, wat de godinnen betreft, op stoelen werden neergezet. Een maaltijd, uitsluitend voor godinnen aangericht, heette sellisternium.

Lectum, Lekton, kaap aan de Z.W.-spits van Troas, een uitlooper van het Idageb.

Lecythus, Lekythos, kleine vesting op het chalcidische schiereiland Sithonia, door Brasidas in den peloponnesischen oorlog op de Atheners vermeesterd.

Leda, Leda, dochter van Thestius, gemalin van Tyndareos. Zeus beminde haar om hare buitengewone schoonheid, in de gedaante van een zwaan wist hij zich toegang tot haar te verschaffen, en zij bracht twee eieren ter wereld; uit het eene daarvan kwam Helena, uit het andere de Dioscuren te voorschijn. V.a. baarde zij tegelijk Helena, Clytaemnestra en de Dioscuren, en waren Helena en Polydeuces kinderen van Zeus, de andere twee van Tyndareos, of Helena is de dochter van Zeus en de Dioscuren zijn kinderen van Tyndareos, of omgekeerd.

Ledon, Ledon, plaats in Phocis, aan den Cephisus.

Legatio libera, titulair gezant- of legaatschap. Senatoren, die om persoonlijke redenen eene reis wilden doen, ontvingen dikwijls van den rom. senaat den titel van legatus, die hun al de voordelen en eerbewijzen bezorgde, waarop een werkelijk gezant van den senaat aanspraak had, o.a. vrij vervoer en huisvesting. Om het misbruik, dat hiervan gemaakt werd, deed Cicero als consul in 63 een wetsvoorstel tot opheffing der liberae legationes, doch hij werd door de intercessio van een der volkstribunen in zijn plan verhinderd. Toch slaagde hij er in, den duur er van, die vroeger onbepaald was, tot een jaar te beperken.

Legatus beteekent in de eerste plaats gezant, in de tweede plaats onderbevelhebber. De veldheeren en stadhouders der provinciën kregen 3 of meer legaten mede, mannen van senatorischen rang en door den senaat benoemd, waarbij evenwel uit den aard der zaak op den wensch van den stadhouder of veldheer werd gelet. Zij stonden hem ter zijde in het bestuur der provincie en werden ook dikwijls aan het hoofd van afzonderlijke legerafdeelingen door hem uitgezonden. Moest een der legaten als plaatsvervangend stadhouder optreden (hetgeen in den regel echter den quaestor toekwam), dan was hij legatus pro praetore. Toen met Augustus sommige provinciën (later alle) keizerlijk werden, en dus de keizer de algemeene gouverneur daarvan werd, zond hij naar de provinciën zijne stadhouders met den titel van legati Caesaris of Augusti pro praetore, en wel naar de belangrijke provinciën met den rang van consulares, naar de andere met dien van praetorii. Verder kreeg toen elk legioen een legaat aan het hoofd, met den titel van legatus legionis. Dit was een praetorius.

Legio, legioen, in den beginne de gezamenlijke romeinsche krijgsmacht, 3000 man voetvolk en 300 ruiters. Toen Rome grooter werd en meer troepen te velde zond, werd legio de naam eener bepaalde troepenafdeeling. Tijdens den tweeden punischen oorlog was de gewone sterkte van een legioen 4200 man voetvolk en 300 man ruiterij. Het voetvolk bestond uit vier soorten en was verdeeld in manipuli, die ieder weder uit twee centuriae bestonden. Er waren in een legioen 10 manipels hastati en 10 manipels principes, elk van 120 man, en 10 manipels triarii, elk van 60 man, terwijl aan elke centurie 20 velites waren toegevoegd (zie overigens de artikelen centuria en centurio).

front +==============+ / | centuria | \ / | prior | \ / | 6 × 10 hast. | \ / | 2 × 10 vel. | \ manipulus +==============+ rechtervleugel \ | centuria | / \ | posterior | / \ | 6 × 10 hast. | / \ | 6 × 10 vel. | / +==============+

Opstelling van een legioen.

De drie soorten van wapens waren in den slag in drie liniën opgesteld, op deze wijze:

de 10 manipels hastati | | | | | | | | | | de 10 manipels principes | | | | | | | | | de 10 manipels triarii | | | | | | | | | |

Werd het legioen versterkt, dan geschiedde dit door het aantal hastati en principes in elke centurie te versterken. Scipio had in den slag bij Zama legioenen van 6200 man. In Caesars tijd was het legioen in 10 cohorten verdeeld; zie hierover cohors. De plaatsing dezer cohorten in den slag was deze:

front

+======+ +======+ +======+ +======+ | | | | | | | | 1e linie, +======+ +======+ +======+ +======+

+======+ +======+ +======+ | | | | | | 2e linie, +======+ +======+ +======+

+======+ +======+ +======+ | | | | | | reserve. +======+ +======+ +======+

Opstelling van cohorten.

De ruiterij was verdeeld in alae en elke ala weder in drie turmae; doch allengs verdween

de rom. ruiterij en werd vervangen door ruiterij der bondgenooten. Zie ook castra.

Het getal legioenen was vóór Augustus afhankelijk geweest van de omstandigheden. In den laatsten oorlog had Octavianus er 45, Antonius omstreeks 30 gehad, Augustus bracht dit getal gaandeweg terug op 28. Van deze sneuvelden nog drie in het Teutoburgerwoud onder Varus en werden niet vervangen. Elk legioen had, reeds vóór Augustus, een nummer en dikwijls ook een bijnaam, zooals uit de geschiedenis der burgeroorlogen blijkt. Wij laten hier de nummers en namen volgen, waarbij men in het oog moet houden dat sommige nummers dubbel voorkomen, een gevolg hiervan dat in de burgeroorlogen dubbele cijfers voorkwamen en onder de monarchie de legioenen hunne oude nummers behielden. I Germanica, II Augusta, III Augusta, III Cyrenaïca, III Gallica, IV Macedonica, IV Scythica, V Alaudae, V Macedonica, VI Victrix, VI Ferrata, VII zonder naam, VIII Augusta, IX Hispana, X Fretensis, X Gemina, XI zonder naam, XII Fulminata, XIII Gemina, XIV Gemina Martia Victrix, XV Apollinaris, XVI zonder naam, (XVII, XVIII en XIX vielen met Varus), XX Valeria Victrix, XXI Rapax, XXII Deiotariana, samen 28. Onder Vespasianus waren er 30, onder Septimius Severus 33, onder Diocletianus 175. In dien tijd was echter de getalsterkte veel geringer; in de 4de eeuw bedroeg die slechts 1000 man.

Legis actio, de inleiding tot een proces met de daarbij voorgeschreven formulieren en zinnebeeldige handelingen, waardoor men zijn vermeend recht deed gelden en waaraan men zich streng had te houden. Er waren er vijf: per sacramentum, per iudicis arbitrive postulationem, per condictionem, per manus iniectionem, per pignoris capionem. De geringste afwijking van de aan de wet ontleende of door de bevoegde macht als geldig erkende formule, b.v. wanneer men in plaats van het woord arbor te gebruiken, dat de wet aangaf, van vitis sprak bij een klacht over beschadiging van een wijngaard, deed het proces verliezen. De klager kon dus zijn klaagformule niet zelf opstellen, maar moest ze telkens aan een deskundige (een pontifex) vragen; later zijn de legis actiones in boekvorm uitgegeven, zie Flavii no. 2.

Zie omtrent de vervanging en gedeeltelijke afschaffing van deze oude vormen onder formula.

Leitourgia, letourgia, z. Liturgia.

Leïtus, Leitos, zoon van Alector, een van de Argonauten, aanvoerder der Boeotiërs voor Troje.

Lelantius campus, Lelanton pedion, 1) vlakte in W. Euboea, tusschen Chalcis en Eretria, met ijzer- en kopermijnen en om die reden een twistappel tusschen de beide steden, zie onder Chalcis. De vlakte heet naar de rivier, die er doorstroomt.--2) vlakte aan den mond van den Euenus in Aetolia, door aanslibbing ontstaan.

Leleges, Leleges, een oude, waarschijnlijk aziatische volksstam, verwant met de Cariërs, met wie ze steeds te samen genoemd worden. Ze treden ook in Griekenland op, maar schijnen zich later opgelost te hebben in de Hellenen. Zij waren voortreffelijke zeevaarders en tevens zeeroovers, en waren over Z. en W. Griekenland, en over de eilanden der Aegaeïsche zee verbreid en komen ook op Creta en in Caria voor. In historischen tijd vindt men ze nog in Troas, namelijk in Antandrus, Gargara en Pedasus (aan den Satnioïs gelegen).

Lelex, Lelex, koning van Megara (Lelegeia moenia), Lacedaemon of Leucadia, mythisch stamvader der Leleges.

Lemannus (lacus), Lemanos limne, thans meer van Genève, door den Rhodanus (Rhône) gevormd. In den keizertijd komt het ook voor als lacus Losonnensis, naar de stad Losonna of Lousonna (Lausanne).

Lemnius, Lemnios, bijnaam van Hephaestus naar het hem gewijde eiland Lemnus.

Lemnus, Lemnos, thans Stalimene, vroeger ook Aethalia, vrij groot eiland der Aegaeïsche zee, tusschen Chalcidice en Asia. Toen Hephaestus door Zeus uit den hemel was geworpen, viel hij op Lemnus neder. Als oudste bewoners worden Sintiërs uit Thracia genoemd. Vóór den Argonautentocht hadden de lemnische vrouwen hare mannen vermoord (vandaar Lemnia erga); de Argonauten landden er en verwekten bij de genoemde vrouwen de Minyers, Minyai, die later door de Pelasgen werden verdreven. Naar dit eiland werd Philoctetes gebracht, toen hij door zijne wond het kamp der Grieken vóór Troje verpestte. Onder Darius I werd het aan de Perzen onderworpen, doch later door Miltiades (no. 2) bevrijd. Het wordt dipolis geheeten naar zijne twee steden Myrina en Hephaestia(s). De zoogenaamde lemnische aarde was eene delfstof, die als verfstof en als geneesmiddel werd gebezigd. Bij den uitvoer werd er tot bewijs van echtheid een merk, sigillum, ingedrukt.

Lemonum, stad der Pictavi of Pictones in Gallia Transpadana, ten Z. van den Liger (Loire), thans Poitiers.

Lemovices, stam in Gallia Transpadana in Aquitania, ten N. van de Garumna. De naam leeft nog voort in Limousin. Hoofdstad: Augustoritum (Limoges).

Lemovii, een germaansche stam, alleen bij Tacitus vermeld; zij woonden aan de tegenw. Oostzee, ten Westen van de Rugii.

Lemures, bij de Rom. de geesten der afgestorvenen. Men geloofde dat zij den 9den, 11den en 13den Mei des nachts de plaatsen bezochten, die zij op aarde bewoond hadden, en vierde op die dagen omstreeks middernacht de Lemuria of Lemuralia, waarbij men door eigenaardige plechtigheden de geesten trachtte te verzoenen en van zich af te houden. Men offerde hen vooral boonen. Zie ook Larvae. Andere dagen, waarop doodenoffers verricht worden, zijn de Parentalia of Feralia (z. a.) en de Carnaria (zie Carna). Ovidius verklaart het ontstaan van het feest uit de begrafenis van Remus, en spreekt daarom ook van Remuria.

Lenaea, Lenaia, eig. Dionysia tapi Lenaio, feest ter eere van Dionysus te Athene bij het Lenaeum in de maand Gamelion (7de maand van het Attische jaar (Jan.-Febr.)) gevierd. Het drinken en offeren van den jongen wijn was hierbij hoofdzaak. Met klimop bekranst hield men een grooten optocht, waarbij men, op wagens gezeten (ex hamaxon), ieder dien men ontmoette plaagde en soms op zeer ruwe wijze bespotte. Tot de feestelijkheden behoorde een openbare maaltijd, waartoe van staatswege het vleesch verschaft werd. Ten slotte werden tooneelvoorstellingen gegeven.

Lenaeus, Lenaios, bijnaam van Dionysus, naar het Lenaeum, zijn oudsten tempel te Athene. Vandaar Lenaeus latex = wijn.

Lentulus, familienaam in de gens Cornelia, z. Cornelii no. 45-51.

Leo, Leon, 1) zoon van Eurycratidas, 14de koning van Sparta uit het geslacht der Agiden.--2) Spartaan, die eene volkplanting naar Heraclea in Trachinië aanvoerde (426).--3) spartaansch bevelhebber op Chius in de laatste tijden van den peloponnesischen oorlog.--4) bevelhebber der atheensche vloot bij Samus, die zich met Diomedon tegen de instelling van de regeering der 400 verzette (411); hij was een van de 10 strategen, die na het ontslag van Alcibiades aangesteld werden, en werd waarschijnlijk voor den slag bij de Arginusen krijgsgevangen gemaakt; onder de regeering van de 30 werd hij ter dood gebracht.--5) van Byzantium, leerling van Plato; hij was in zijne vaderstad aan de regeering, toen zij door Philippus belegerd werd (340). Door zijn toedoen weigerde men te Byzantium Chares te ontvangen, de hulp van Phocion nam hij echter gaarne aan. Later wist Philippus hem bij zijne medeburgers verdacht te maken, wat hij zich zoozeer aantrok, dat hij zich van het leven beroofde.--Zijn werk over den oorlog tusschen zijn vaderstad en Philippus is verloren gegaan.

Leobotes, Leobotes = Labotas.

Leochares, Leochares, atheensch beeldhouwer, die met Scopas aan het mausoleum van Halicarnassus werkte.

Leocorium, Leokorion, tempel te Athene, gewijd aan de drie dochters van Leos, die zich vrijwillig door haar vader lieten offeren om het land van de pest te bevrijden.

Leocrates, Leokrates, zoon van Stroebus, atheensch veldheer in den slag bij Plataea; na een gewonnen zeeslag en beleg onderwierp hij Aegina aan de Atheners (457).

Leodamas, Leodamas, atheensch redenaar van naam, leerling van Isocrates.

Leon, Leon, vlek ten N. van Syracusae, waar de Atheners in 415 en de Rom. in 214 hun eerste kamp opsloegen.

Leonidas, Leonidas, -des, 1) zoon van Anaxandridas, koning van Sparta, opvolger van zijn broeder Cleomenes I. Met een leger van ruim 6000 man, waaronder 300 Spartanen waren, verdedigde hij den doortocht der Thermopylae tegen het onmetelijke leger van Xerxes. Toen Xerxes, na vier dagen gewacht te hebben, eindelijk een aanval beproefde, werd hij op twee achtereenvolgende dagen met groot verlies teruggeslagen, en zelfs toen hij door het verraad van Ephialtes het leger der Grieken in den rug viel, wilde Leonidas niet terugtrekken; hij zond de ontmoedigde bondgenooten weg, en bleef de verdediging volhouden met zijne 300 Spartanen, 700 Thespiërs, die vrijwillig gebleven waren, en 400 verdachte Thebanen, die hij gedwongen had te blijven. De Thebanen liepen zoo spoedig mogelijk over, de Spartanen en Thespiërs sneuvelden tot den laatsten man (Juli 480). Xerxes liet het lijk van L. onthoofden en kruisigen, bij de Grieken bleef de nagedachtenis aan hem en de zijnen in liederen en gedenkteekenen bewaard.--2) L. II, koning van Sparta, ambtgenoot van Agis III (z.a.).--3) twee grieksche epigrammendichters, van wie gedichten in de grieksche anthologie zijn opgenomen, de eene, uit Tarentum, was een tijdgenoot van koning Pyrrhus van Epirus, de andere, uit Alexandrië, was een tijdgenoot van keizer Nero.--4) leermeester van Cicero's zoon te Athene.--5) van Anthedon, schilder uit de vierde eeuw, leerling van Euphranor.

Leonnatus, Leonnatos, van Pella, diende in de lijfwacht van Philippus van Macedonië. Als veldheer van Alexander onderscheidde hij zich vooral in den indischen veldtocht; bij de bestorming van de hoofdstad der Malli redde hij met Peucestas den koning het leven en werd hij zwaar gewond. Na Alex.'s dood werd hij satraap van Klein-Phrygië, toen hij echter op het gerucht van een opstand der Grieken Antipater te hulp snelde, sneuvelde hij in den slag bij Lamia (322).

Leonteus, Leonteus, 1) zoon van Coronus, vorst van Gyrtone, een van de belegeraars van Troje. Na den oorlog zou hij met zijn vriend Polypoetes Aspendus gesticht hebben.--2) leerling en, evenals zijne echtgenoote Themista, ijverig aanhanger van Epicurus.

Leontiades, Leontiades, 1) aanvoerder der Thebanen in den slag bij de Thermopylae.--2) hoofd der oligarchische partij te Thebe, die als polemarch de Cadmea den Spartanen in handen speelde (382). Toen Thebe door Pelopidas bevrijd werd, werd L. gedood.

Leontini, hoi Leontinoi, stad op Sicilia nabij de Oostkust, kol. van het noordelijker gelegen Naxus, gelegen in eene vruchtbare streek (Leontini campi). Burgertwisten brachten de stad in de afhankelijkheid van Syracusae. Later werd Leontini een bondgenoot van Carthago en werd het als zoodanig door de Rom. in den tweeden punischen oorlog vermeesterd en geplunderd.

Leontis, Leontis, een van de 10 phylae, waarin de bevolking van Attica door Clisthenes verdeeld werd.

Leontium, Leontion, stad in Achaia, in het binnenland.

Leoprepides, Leoprepides, Simonides van Ceos, zoon van Leoprepes.

Leosthenes, Leosthenes, Athener, aanvoerder der Grieken in den lamischen oorlog, overwon Antipater hij Heraclea en sneuvelde bij het beleg van Lamia.

Leotrophides, Leotrophides, lyrisch dichter te Athene, tijdgenoot van Aristophanes.

Leotychides, Leotychides, Leut-, 1) uit het geslacht der Eurypontiden, ondersteunde Cleomenes I (z. a.) bij zijne kuiperijen tegen Demaratus, en werd, nadat deze afgezet was, koning van Sparta (491). Hij was de aanvoerder der grieksche vloot in den zeeslag bij Mycale, maar later van verraad in een oorlog tegen de Aleuaden beschuldigd, vluchtte hij naar Tegea (469), waar hij stierf.--2) zoon van Agis I of, naar men beweerde, van Alcibiades; wegens dezen twijfel aan zijne echte geboorte werd hij van de regeering over Sparta uitgesloten (398).

Lepidus, familienaam in de gens Aemilia, z. Aemilii no. 1-5.

Lepontii, Lepontioi, Alpenvolk in het Z. van Raetia, waarnaar een gedeelte der Alpen nog de lepontische heet. Zij zijn met de andere Alpenvolken in 15 onderworpen.

Lepreum, Lepreon, oude stad in het elische gewest Triphylia.

Leptines, Leptines, 1) broeder van den ouden Dionysius, aanvoerder der vloot in den oorlog tegen de Carthagers. In 390 werd hij verbannen, later werd hij echter op de meest eervolle wijze teruggeroepen; hij sneuvelde in den slag bij Cronium (383).--2) tyran van Apollonia en Engyum op Sicilië, werd door Timoleon gedwongen de regeering neder te leggen en ging naar Corinthe.--3) een aanzienlijk Athener, wiens voorstel tot intrekking van alle vrijstellingen van belastingen en liturgieën door Demosthenes met gunstig gevolg bestreden werd.

Leptis, Leptis, naam van twee steden. L. magna lag op de lybische kust tusschen de beide Syrten en was eene aanzienlijke koopstad. Het was eene phoenicische kolonie. Later werd het rom. kolonie. Keizer Septimius Severus was er geboren. L. minor, ook door Phoeniciërs gesticht, lag in Byzacium, in de provincie Africa. Vroeger was het aan de Carthagers cijnsbaar, de schatting bedroeg een talent daags.

Lerna, Lerne, moeras en meer ten Z. van Argos, waar Heracles de lernaeïsche slang doodde.

Lerus, Leros, klein eiland bij de carische kust, met een tempel van Artemis.

Lesbonax, Lesbonax, 1) grieksch rhetor onder Augustus, van wien drie verdichte redevoeringen (declamationes) bewaard gebleven zijn.--2) grieksch taalkundige van lateren tijd, schrijver van een werkje peri schematon.

Lesbus, Lesbos, eiland op de aeolisch-aziatische kust, met aeolische bevolking, het vaderland van de dichters Alcaeus (± 600), Arion (± 625), Terpander (± 670) en de dichteres Sappho (± 600), van Pittacus, een der zeven wijzen (± 600), van den logograaf Hellanicus (± 450), den wijsgeer Theophrastus (± 310) e.a. Horatius noemt de lesbische lier voor het lierdicht in het algemeen. Libri Lesbiaci heeten bij Cicero de thans verloren gesprekken van den peripatetischen wijsgeer Dicaearchus, die als op Lesbus gevoerd werden voorgesteld. De inwoners van Lesbus hadden den naam, op een hoogen trap van beschaving te staan, waarmede echter sterke weelde en zedeloosheid gepaard ging. Het eiland bracht beroemden wijn voort. Sedert Cyrus behoorde Lesbus tot het perzische rijk, sedert 478 tot den attischen bond. De voornaamste steden zijn: Mytilene en Methymna, verder Antissa, Eresus, Pyrrha en Arisbe.

Lesches, Lesches, van Mytilene, een van de cyclici omstreeks het midden der 7de eeuw, dichter der Ilias mikra.

Lethe, Lethe, rivier in de onderwereld, waaruit de schimmen der afgestorvenen dronken om het verledene te vergeten.

Leto, Leto, Latona, dochter van Coeüs en Phoebe, dus van het geslacht der Titanen, vóór Hera gemalin van Zeus, bij wien zij moeder werd van Artemis en Apollo.--V.a. werd zij door Zeus bemind, toen hij reeds met Hera gehuwd was, daarom wordt zij over de geheele aarde door de jaloersche Hera vervolgd, totdat Zeus het eiland Delus uit de zee laat opkomen, waar zij eindelijk rust vindt, en aan den voet van den berg Cynthus Artemis en Apollo ter wereld bracht.--Zij is eene zachtmoedige, vriendelijke godin in donker gewaad, haar eeredienst is gewoonlijk met die van hare kinderen vereenigd.

Letrini, Letrinoi, vlek in Elis, tusschen de stad Elis en Olympia. Z. Alpheus.

Leuaci, volk in Belgica, onderhoorig aan de Nerviërs, misschien bij het tegenw. Leuven.

Leuca, ta Leuka, stadje aan de Z.O. spits van Calabria, bij het promunturium Iapygium.

Leucadia = Leucas.

Leucae, Leukai, stadje op de aziatische kust, tusschen Smyrna en Phocaea. Hier werd in 131 de consul P. Licinius Crassus Mucianus (Licinii no. 11) door den pergameenschen kroon-pretendent Aristonicus verslagen. Ook een stad in Laconica, ten Z.O. van Helos, door de Spartanen verwoest.

Leucas of Leucadia, Leukas, Leukadia, eiland in de Ionische zee, thans Santa Maura, dicht aan de acarnanische kust. Oorspronkelijk hing het door eene smalle landtong aan Acarnania vast, doch de Leucadiërs groeven deze door. In het Z. stak kaap Leucate in zee uit. Op den top stond een Apollo-tempel. De mythe laat hier Sappho zich in zee storten. Op het jaarlijksche feest van den god werd een misdadiger van boven afgeworpen, doch als hij het er levend afbracht, opgevischt en vrijgelaten. De oude hoofdstad was Nericus, later trad de jongere stad Leucas hiervoor in de plaats, die in de 3de eeuw zelfs als hoofdstad van geheel Acarnania gold. Tegenwoordig houden vele geleerden Leucas voor het Homerische Ithaca.

Leucasia = Leucosia.

Leuce, Leuke akte, 1) vlek en reede in Thracia aan de Propontis (zee v. Marmara).--2) = Achillis insula.--3) voorgebergte in het Z. van Euboea, ten W. van Geraestus.

Leuci, volk in Belgica, ten N. van de Lingones, in het Z. van het latere Lotharingen. Hoofdstad Tullum (Toul).

Leucimma, Leukimme, een der beide zuidkapen van het eiland Corcyra (Corfu).

Leuci montes, Leuka ore, bergketen in het W. van Creta.

Leucippe, Leukippe, 1) Oceanide, behoorde tot het gezelschap van Persephone, toen deze door Hades geroofd werd.--2) eene van de Minyades (z. a.).--3) dochter van Thestor (z. a.).--4) v. s. gemalin van Ilus, moeder van Laomedon.

Leucippides, Leukippides, Phoebe en Hilaira, dochters van Leucippus, z. Apharetidae.

Leucippus, Leukippos, 1) zoon van Oenomaüs, minnaar van de nimf Daphne. Toen hij zich in vrouwenkleederen in haar gezelschap indrong, werd hij door hare gezellinnen gedood.--2) zoon van Perieres, koning van Messenië, vader van Phoebe, Hilaira en Arsinoë.--3) van Abdera, Miletus of Elea, grieksch wijsgeer in de 5de eeuw, grondlegger der atomenleer, die door zijn leerling en vriend Democritus verder ontwikkeld werd. Bizonderheden omtrent zijn leven of leerstellingen zijn niet bekend.

Leuconium, Leukonion, stad in het Z. van Chios.

Leucopetra, Leukopetra, Z.W. kaap van het land der Bruttii, ten Z. van Rhegium.

Leucophrys, Leukophrys, stad in Caria aan den Maeander, nabij Magnesia, met een tempel van Artemis en een meer van steeds borrelend heet, doch drinkbaar water.

Leucosia, Leukosia, eiland in het Z. der golf van Paestum, aan de Westkust van Lucania.

Leucosyri, Leukosyroi, blanke Syriërs, naam dien de Grieken aan de Cappadociërs gaven. In den tijd van het groot-assyrische rijk, vóór de 15de eeuw, vestigden zich een aantal assyrische volkplantingen aan den Pontus Euxinus (Zwarte zee). Toen nu later de Grieken deze kust bezetten, noemden zij de bevolking Assyrioi, verkort Syrioi of Syroi, en breidden dezen naam uit tot het nog onbekende binnenland. De eigenlijke Syriërs in Syria waren bruinachtig van tint; vandaar tot onderscheiding de naam van blanke Syriërs.

Leucothea, Leukothea = Ino.

Leucothoë, Leukothoe, dochter van den babylonischen koning Orchamus. Apollo, die haar beminde, wist in de gedaante van hare moeder toegang tot haar te krijgen, en toen haar vader dit vernam, liet hij haar levend begraven. Apollo veranderde haar in een wierookplant.

Leuctra, ta Leuktra, 1) stad in Boeotia, in het Z. bij Thespiae. Hier versloeg Epaminondas in 371 de Spartanen.--2) stad aan de W. kust van Laconia tusschen Cardamyle en Thalamae.--3) stad in Arcadia op de laconische grenzen, in het gebied van Megalopolis.

Leuctrum = Leuctra no. 3.

Levaci = Leuaci.

Levana, eene godin, die door de Rom. aangeroepen werd, wanneer de vader zijn pasgeboren kind van den grond opnam, en daarmede te kennen gaf, dat hij het als het zijne erkende.

Lexiarchikon grammateion, z. Demos.

Lexiarchoi, zes beambten te Athene, die toezagen dat geen onbevoegde zich in de volksvergadering indrong, en dat niemand te laat kwam of te vroeg wegging.

Lexovii, Lexobioi, volksstam in Gallia in het tegenw. Normandië. Hoofdstad Noviomagus, thans Lisieux.

Libanius, Libanios, van Antiochië, geb. 314 n. C., studeerde te Athene en hield daarna eenigen tijd te Constantinopel zijn verblijf, waar hij als rhetor werkzaam was en een school stichtte, die zeer veel leerlingen trok. Ten gevolge van de kuiperijen zijner tegenstanders kon hij echter op den duur niet te C. blijven; in 344 vestigde hij zich te Nicomedië, waar hij vijf jaar bleef, daarna wederom te Constantinopel; in 354 keerde hij naar zijne geboortestad terug, waar hij op ongeveer tachtigjarigen leeftijd stierf. Onder Iulianus, die zeer met hem ingenomen was, en dien hij van zijn kant hoog vereerde, was hij quaestorius. Onder zijne talrijke werken, alle in het grieksch geschreven, zijn vele redevoeringen en brieven belangrijk voor de geschiedenis van zijn tijd.

Libanus, Libanos, de Libanon, een hoog, bijna ontoegankelijk gebergte langs de phoenicische kust. De toppen zijn met eeuwige sneeuw bedekt, vandaar de naam = witte berg. Op de hellingen vond men de beroemde cederbosschen, aan den voet groeide de wijnstok, doch door het roekeloos vellen der boomen is het gebergte kaal geworden. Ten O. loopt, ongeveer evenwijdig, de nog hoogere Antilibanus.

Libella, rom. zilveren muntstukje ter waarde van een as. De as was van koper.

Libentina, bijnaam van Venus, als godin van zinnelijk genot.

Liber, oud-italisch god, oorspronkelijk een nevenvorm van Jupiter, evenals Terminus (z. a.), vandaar Jupiter Liber geheeten; hij wordt ook dikwijls Liber Pater genoemd en eene godin Libera staat hem ter zijde. Reeds vroeg, sedert de invoering van den dienst van Demeter in 493 (z. Ceres), is hij met Dionysus geïdentificeerd, en tot een god van de voortbrengende kracht der natuur geworden. Meer in het bijzonder is hij god van den wijnbouw, en in de tijden van den wijnoogst worden te zijner eer allerwege in de steden en op het land vroolijke feesten gevierd. Zijne attributen en zijn eeredienst hebben veel overeenkomst met die van Dionysus, maar bovendien maakten de Romeinen hem naar aanleiding van zijn naam (vgl. Lyaeus) tot een god van burgerlijke en staatkundige vrijheid; zie Liberalia.

Libera, 1) z. Liber.--2) latijnsche naam van Ariadne, de bruid van Dionysus of Liber.

Liberalia, feesten ter eere van den oud-italischen god Liber (z. a.) en zijne echtgenoote Libera. Uit den aard der zaak kenmerkten zich deze feesten, die op het platteland gevierd werden, vooral in streken, waar men wijn teelde, door vroolijke opgewondenheid en door eene groote mate van vrijheid, waartoe ook de naam aanleiding gaf. Te Rome werd op 17 Maart een lentefeest gehouden, dat denzelfden naam droeg en waarop de jongelingen, die aan de kinderschoenen ontwassen waren (op omstreeks 17-jarigen leeftijd) de toga virilis of libera aannamen. Dan werden zij door hun vader en verwanten naar het forum begeleid en aan bekenden en invloedrijke personen voorgesteld en deden zóó hunne intrede in de wereld der volwassenen.

Libertas, de godin der persoonlijke vrijheid; Tib. Sempronius Gracchus (Sempronii no. 7) stichtte voor haar een tempel op den Aventinus (238). Later werd zij ook de godin der republikeinsche vrijheid, de libertas publica populi Romani; aan haar wijdde P. Clodius een heiligdom op de area van Cicero's huis (58).

Libertinus, libertus. Een vrijgelaten slaaf of slavin, libertinus, -na, blijft tegenover den gewezen eigenaar, die nu hun patronus is, een libertus, -ta, evenals pueri tegenover hunne ouders liberi heeten. Deden vrijgelatenen te kort aan den eerbied, dien zij hun patroon verschuldigd waren, dan kon de vrijlating herroepen worden. Zie over de vrijlating zelve manumissio.

Libethra, ta L(e)ibethra, stad in het macedonische gewest Piëria, aan den Olympus. De stad schijnt reeds vroeg door overstrooming verwoest te zijn. De streek was aan de Muzen geheiligd, doch de inwoners golden voor zeer prozaïsch, vandaar het gezegde: amousoteros ton Libethrion.

Libethrides, L(e)ibethrides, de Muzen, zoo genoemd naar den berg Libethrius, waar haar een grot en twee bronnen gewijd waren.

Libethrius mons, L(e)ibethrion oros, berg in Boeotia, een gedeelte van den Helicon, bij Coronea, met een grot en bronnen, aan de Muzen en de libethrische nymfen gewijd.

Libicii = Lebecii.

Libitina, oud-italiaansche godin van tuinen en wijngaarden. Servius Tullius verordende, dat bij ieder sterfgeval in haar tempel een geldstuk neergelegd moest worden, ten einde het aantal gestorvenen te kunnen bepalen. Daaruit ontstond het gebruik, om in dien tempel alle benoodigdheden voor eene begrafenis te huur of te koop aan te bieden, en ook de personen, wier diensten daarbij vereischt werden, kon men er vinden. Vandaar dat zij voor eene godin der begrafenissen gehouden werd en haar naam door dichters gebruikt wordt voor begrafenis of dood.--Later verwarde men haar met Lubentia of Libentina, een bijnaam van Venus, die in haar lucus een aedes had.

Libo, 1) uit Elis, bouwmeester van den tempel van Zeus te Olympia (ongeveer 468-456).--2) rom. familienaam, o. a. in de gens Iulia (z. Julii no. 3), de gens Livia, de gens Marcia, de gens Poetelia, de gens Scribonia (Scribonii no. 1, 3, 7, 9).

Libripens, de man, die bij coëmptio en mancipatio per aes et libram de weegschaal hield.

Liburnae of Liburnicae, sc. naves, scherpgebouwde snelvaarders, waarmede de Liburniërs den zeeroof plachten uit te oefenen. Zij waren uit lichte houtsoorten gebouwd. De Romeinen namen dit model over voor een gedeelte hunner oorlogsvloot.

Liburnia, Libournia, het N.W. gedeelte van Illyricum, het kustland tusschen eigenlijk Dalmatia en Histria, met de hoofdstad Scardona. De bewoners, uitstekende zeelieden, dreven met hunne snelle, lichte schepen een uitgebreiden handel, maar ook zeeroof. Omstreeks 176 zochten zij tegen hunne naburen bescherming bij de Rom., wien hunne vloot zeer te stade kwam.

Libya, Libye, dochter van Epaphus en Memphis, bij Poseidon moeder van Agenor. Het werelddeel Libya is naar haar genoemd.

Libya, Libye, oude naam voor het werelddeel Afrika, voor zoover het aan de oude Grieken bekend was. Zie Africa. In engeren zin het land ten W. van de Nijldelta en ten Z. van Cyrenaïca, waar de stam der Libyes woonde.

Libyci montes, to Libykon oros, het westelijke grensgebergte van Aegypte.

Libycum mare, Libykon pelagos, de zee langs de afrikaansche kust van de Nijldelta tot aan Carthago.

Libyphoenices, Libyphoinikes, de gemengde libysch-phoenicische bevolking op de kust van het carthaagsche gebied.

Libyssa, Libyssa, stad in Bithynia nabij de Propontis (zee v. Marmara), met het grafmonument van Hannibal.

Lichas, Lichas, 1) bode van Heracles, die hem uit naam van Deïanira het vergiftigde kleed bracht, dat met het bloed van Nessus besmeerd was; waanzinnig van pijn, verpletterde Heracles hem tegen een rots.--2) zoon van Arcesilaus, aanzienlijk Spartaan, beroemd door zijne gastvrijheid. Hij werd in den peloponnesischen oorlog dikwijls als gezant gebruikt, en verzette zich tegen de al te groote toegevendheid van de Spartanen tegenover de Perzen.

Licinia (lex) van den praetor P. Licinius Varus (208), dat de ludi Apollinares, in 212 ingesteld, jaarlijks op een vasten dag gevierd zouden worden.

Licinia (lex) tot instelling van het priestercollege der triumviri epulones, van den volkstribuun C. Licinius Lucullus (196) (Licinii no. 21); z. epulones.

Licinia (lex) de sacerdotiis, eigenlijk slechts eene rogatio, daar zij door het volk werd verworpen. De volkstribuun C. Licinius Crassus (145) had voorgesteld, voor de priesters de coöptatio af te schaffen en ze rechtstreeks door het volk te laten verkiezen.

Licinia (lex) de sodaliciis van den consul M. Licinius Crassus (55), waarbij de collegia sodalicia, kiesvereenigingen, die bij de lex Clodia van 58 weer toegelaten waren, werden opgeheven en verboden.

Licinia Cassia (lex) van de consuls P. Licinius Crassus en C. Cassius Longinus (171), dat voor dit jaar, wegens den op handen zijnden oorlog tegen Perseus geene tribuni militum door het volk mochten gekozen worden, maar de consuls en praetoren ze zouden kiezen en aanstellen.

Licinia Mucia (lex) de civibus redigundis van de consuls L. Licinius Crassus (Licinii no. 12) en Q. Mucius Scaevola (95). Deze wet verwees al de te Rome verblijf houdende socii uit Rome. Het schijnt, dat er toen vele Italiërs te Rome aanwezig waren, die den schijn aannamen, rom. burgers te zijn. Cicero noemt het eene lex inutilis et perniciosa. Zij wekte groote verbittering en heeft veel bijgedragen tot de uitbarsting van den bondgenootenoorlog.

Liciniae Sextiae (leges) van de volkstribunen C. Licinius Stolo en L. Sextius (367). 1) de consulatu, dat één der consuls uit de plebs zou gekozen worden. Aan het bestaan van deze wet wordt getwijfeld; vast staat slechts, dat L. Sextius Lateranus in 366 de eerste plebejische consul geweest is. Herhaaldelijk komen nog twee patricische consuls voor, zoo o.a. in 349 (zie Furii no. 11), voor het laatst in 343.--2) agraria, dat niemand meer dan 500 iugera (agri publici) zou bezitten. Zie Agrariae leges.--3) de X viris sacrorum, dat in plaats van IIviri tienmannen, en deze voor de helft uit de plebejers zouden gekozen worden. Ook aan het bestaan van deze wet wordt getwijfeld. Zie Decemviri no. 4.--4) de aere alieno, dat het geleende kapitaal met de genoten rente zou worden verminderd en het restant in drie jaarlijksche termijnen zou worden afbetaald. Sommige geleerden houden ook deze wet voor verzonnen, en wel naar den geest van den Sullaanschen tijd, toen zulke wetsvoorstellen herhaaldelijk opdoken.

Licinii, plebejisch geslacht, waartoe o. a. de familiën Calvus, Crassus, Damasippus, Lucullus, Murena, Nerva, Sacerdos, Varus behoorden. Het was afkomstig uit Etruria, de Murenae echter uit Lanuvium. 1) C. Licinius, een der eerste twee volkstribunen (493). V. a. heetten de twee eerste tribuni: L. Sicinius L. f. Velutus en L. Albinius C. f. Paterculus. Zie echter ook tribuni plebis.--2) P. Licinius Calvus Esquilinus, de eerste plebejische tribunus militum consulari potestate (400).--3) C. Licinius Calvus Stolo, in 376 consulairtribuun en in 368 de eerste plebejische magister equitum.--4) C. Licinius Calvus Stolo, volkstribuun 377-367, verschafte na tienjarigen strijd, met zijn ambtgenoot L. Sextius den plebejers toegang tot het consulaat. Dit verhaal is niet geheel betrouwbaar, zie leges Liciniae Sextiae. In 361 was hij zelf consul. De patriciërs klaagden hem aan, omdat hij in strijd met zijne eigene akkerwet, 1000 iugera staatsdomein in erfpacht bezat en hij werd tot eene zware geldboete veroordeeld. Ook dit verhaal is niet geheel betrouwbaar, zie Agrariae leges.--5) C. Licinius Macer, redenaar en annalist, volkstribuun in 73. In 66, toen Cicero praetor was, van afpersingen aangeklaagd, pleegde hij zelfmoord. Hij heeft annales geschreven.--6) C. Licinius Macer Calvus, zoon van no. 5, als redenaar en elegieëndichter bekend. (82-48). Hij was een vriend van Catullus en een tegenstander van Cicero.--7) P. Licinius Crassus Dives werd reeds jong pontifex maximus (212). In 210 was hij censor, nog voordat hij consul was geweest. In 205 bekleedde hij het consulaat. Hij was zeer ervaren in het ius pontificium.--8) P. Licinius Crassus, consul in 171, werd door Perseus van Macedonia bij Sycurium in Thessalia verslagen.--9) C. Licinius Crassus, broeder van no. 8 en diens legaat in 171, was zelf consul in 168.--10) C. Licinius Crassus, volkstribuun in 145, wiens rogatio de sacerdotiis verworpen werd, nam de gewoonte aan, wanneer hij in het openbaar het woord voerde, zich naar het volk te keeren en niet naar het senaatsgebouw, zooals tot nog toe gebruikelijk was.--11) P. Licinius Crassus Dives Mucianus, een geboren Mucius Scaevola, goed redenaar en jurist en kenner der grieksche taal, vriend van Tib. Gracchus, consul in 131, vond den dood op de vlucht na de nederlaag, hem bij Leucae door den pergameenschen kroonpretendent Aristonicus toegebracht. Hij was pontifex maximus.--12) L. Licinius Crassus, de beste redenaar van zijn tijd. Nog slechts 21 jaar oud, trad hij in 119 als beschuldiger van C. Papirius Carbo op, die hierop zichzelf ombracht (Papirii no. 11). In 95 was hij consul met Q. Mucius Scaevola (zie lex Licinia Mucia). Later was hij propraetor in Gallia Cisalpina. Hij stierf in 91, na nog in het vorige jaar de censuur bekleed te hebben. In Cicero's werk de oratore komt hij als een der hoofdpersonen voor.--12a) L. Licinius Crassus Scipio, aangenomen zoon van no. 12, z. Cornelii no. 24.--13) Licinia, dochter van no. 12, echtgenoote van den jongen Marius, eene zeer welsprekende vrouw. Ook eene oudere zuster bezat de gave der redekunst.--14) P. Licinius Crassus Dives, consul in 97, censor in 89, bracht verscheidene jaren als stadhouder in Hispania door en hield in 93 een triumphus over de Lusitaniërs. In den bondgenootenoorlog werd hij door M. Lamponius verslagen. Door de partij van Marius in 87 vogelvrij verklaard, sloeg hij de hand aan zichzelf.--15) M. Licinius Crassus Dives, zoon van no. 14, streed in den burgeroorlog onder Sulla en verwierf door het opkoopen van verbeurdverklaarde bezittingen een ontzaggelijk vermogen, dat hij nog langs verschillende wegen zocht te vermeerderen en dat hij tevens aanwendde om door het leenen van geld anderen van zich afhankelijk te maken. Als praetor verloste hij Rome in 71 van den slavenoorlog, waarop hij tegen het volgende jaar met Pompeius tot consul werd verkozen. Beide ambtgenooten waren allesbehalve eensgezind; Pompeius zocht de volksgunst door het herstel der tribunicische macht, Crassus door het volk aan 10000 tafels, op den openbaren weg aangericht, op een feestmaal te onthalen. Caesar trad verzoenend tusschen hen op, en in 60 kwam het zoogenaamde eerste driemanschap tot stand, dat in April 56 te Luca hernieuwd werd. In 55 werden Crassus en Pompeius ten tweeden male consuls; aan Crassus viel Syria als provincie ten deel. Uit hoop op roem trok hij tegen de Parthen te velde (54). Hij trok den Euphraat over, maar werd het volgend jaar in Mesopotamia, ten Z. van Carrhae, verslagen, waarbij zijn jongste zoon sneuvelde. Bij Carrhae andermaal aangevallen, werd hij bij een onderhoud met den parthischen veldheer verraderlijk afgemaakt (53).--16) M. Licinius Crassus Dives, zoon van no. 15, was quaestor van Caesar in Gallia; hij was waarschijnlijk gehuwd met Caecilia Metella, van wie het bekende grafmonument aan de Via Appia is (zie Caecilii no. 27).--17) P. Licinius Crassus Dives, zoon van no. 15, een bekwaam generaal, was onder Caesar legaat in Gallia geweest. Hij sneuvelde in 53 tegen de Parthen. Cicero roemt zijne kundigheden en zijne rechtschapenheid.--18) C. Licinius Mucianus, was onder Nero en Galba stadhouder van Syria, en ijverde voor de verheffing van Vespasianus op den troon. Deze zond hem naar Italia, waar hij met Domitianus het bestuur waarnam tot aan de komst des keizers. Sedert wijdde hij zich aan de wetenschap. Hij heeft o. a. een werk uitgegeven over hetgeen hij in het Oosten gezien had.--19) L. Licinius Damasippus, onjuiste naam voor L. Junius Brutus Damasippus (Junii no. 24). Hij was in 82 praetor, en liet toen op bevel van den jongen Marius, vóór hij Rome ontruimde, de voornaamste overgebleven leden van de optimatenpartij ombrengen. Na den slag bij Porta Collina (1 Nov. 82) liet Sulla hem met de overige krijgsgevangenen afmaken.--20) Licinius Damasippus, bij Cicero vermeld als liefhebber van standbeelden en tuinen. Bij Horatius komt een Damasippus voor, die zijn vermogen heeft doorgebracht en daarna stoicijn is geworden. Dit is waarschijnlijk dezelfde.--21) L. Licinius Lucullus, volkstribuun in 196 en een der eerste IIIviri epulones (zie lex Licinia).--22) L. Licinius Lucullus, consul in 151, overviel verraderlijk in Spanje de Vaccaei, die met de Romeinen verbonden waren; na vele moordtooneelen werd hij genoodzaakt het beleg voor hun hoofdstad Pallantia op te geven en terug te trekken. Het volgende jaar behaalde hij samen met Ser. Sulpicius Galba (z. Sulpicii no. 11) eenige voordeelen op de Lusitaniërs.--23) L. Licinius Lucullus, propraetor op Sicilia in 103, trachtte vruchteloos den slavenopstand aldaar te onderdrukken. Later werd hij wegens bedriegelijke handelingen veroordeeld en verbannen.--24) L. Licinius Lucullus, zoon van no. 23, was Sulla's quaestor in diens veldtocht tegen Mithradates en commandant van de vloot in de Aegaeische zee. Een verzoek van Fimbria (zie Flavii no. 4) den koning in de haven van Pitane in te sluiten, wees hij van de hand, waardoor Mithradates ontsnappen kon. In 76 was hij propraetor in Africa. In 74 was hij consul en kreeg als zoodanig de provincies Asia en en Cilicia, en werd belast met het opperbevel in den nieuwen mithradatischen oorlog, terwijl zijn ambtgenoot M. Aurelius Cotta met Bithynia het opperbevel kreeg over de vloot. In 73 versloeg hij den koning bij Cyzicus, verdreef hem uit de rom. provincie, veroverde vervolgens Pontus, trok hierop (69) tegen Tigranes van Armenia, den schoonzoon en bondgenoot van Mithradates, op en versloeg bij Tigranocerta eene aanzienlijke overmacht. Doch Lucullus had zich vijanden gemaakt onder de societates publicanorum, tegen wier afpersingen hij de Asiaten in bescherming had genomen; daarbij waren er, die de leiding van den oorlog aan Pompeius in handen wilden spelen. Het leger van Lucullus werd opgeruid en de soldaten weigerden eenparig den winterveldtocht in het onherbergzame Armenia voort te zetten. Lucullus moest de gemaakte veroveringen prijs geven en werd teruggeroepen (67). Hij zeide hierop het staatsleven vaarwel. Hij was ontzaggelijk rijk, doch in tegenstelling van zoovele anderen streng eerlijk en niet hebzuchtig. Hij was een der beschermers van den dichter Archias en zelf een kenner der grieksche literatuur. In zijne jongere jaren had hij in het Grieksch den bondgenootenoorlog beschreven. Zijne woning, landhuizen, boek- en kunstverzamelingen, alles was even rijk en prachtig. Hij stierf krankzinnig in 56.--25) M. Licinius Lucullus, broeder van no. 24, doch door M. Terentius Varro tot zoon aangenomen en dus M. Terentius Licinianus Varro, ook wel M. Terentius Varro Lucullus genoemd, was consul in 73 (z. Terentii no. 6 en Cassia Terentia (lex)), en bestuurde vervolgens Macedonia en onderwierp toen de Bessi, een thracische volksstam. Hij was een vriend van Cicero en stond hem in zijn ballingschap bij. Hij had niet de groote talenten van zijn broeder, en leefde op minder vorstelijken voet.--26) M. Licinius Lucullus, zoon van no. 24, opgegroeid onder de voogdij van Cato (minor) en Cicero, sneuvelde bij Philippi als aanhanger van Brutus en Cassius.--27) L. Licinius Murena, praetor in 156 (?), kreeg den naam Murena of Muraena (= makreel) naar de door hem aangelegde vischvijvers. Hij was één van de Xviri, die in 146 Griekenland als provincie Achaia ingericht hebben.--28) P. Licinius Murena, zoon van no. 27, groot oudheidkenner, sneuvelde in den strijd tegen de partij van Marius.--29) L. Licinius Murena, ook een zoon van no. 27, streed in 86 onder Sulla tegen den mithradatischen veldheer Archelaus. In 84 door Sulla als stadhouder in Asia achtergelaten, hervatte hij in 83 op eigen gezag den oorlog tegen Mithradates, doch werd verslagen (82) en daarna door Sulla teruggeroepen. Er werd hem echter een triumftocht toegestaan.--30) L. Licinius Murena streed eerst onder zijn vader (no. 29), daarna onder Lucullus (no. 24) tegen Mithradates. Als propraetor van Gallia (64) betoonde hij zich een eerlijk en rechtvaardig bewindsman. In 63 werd hij tot consul voor het volgende jaar gekozen, doch van ambitus beschuldigd. Cicero, Crassus en Hortensius traden als zijne verdedigers op en hij werd glansrijk vrijgesproken. Hij ondersteunde in 63 de veroordeeling van Catilina's saamgezworenen.--31) C. Licinius Murena, ook een zoon van no. 29, was in 63 legatus pro praetore van Gallia Cisalpina en liet de boden van Catilina gevangen nemen.--32) A. Terentius Varro Murena, een geboren Licinius, roeide in 25 het Alpenvolk der Salassers bijna uit. In hun gebied werd toen Augusta Praetoria (tgw. Aosta) aangelegd. In 23 liet Augustus hem, ofschoon hij een zwager van Maecenas was, wegens samenzwering ter dood brengen.--33) Een andere tak der Licinii waren de Nervae. Een hunner, P. Licinius Nerva, in 104 propraetor van Sicilia, gaf aanleiding tot den tweeden slavenoorlog aldaar.--34) C. Licinius Sacerdos, werd in 142 door den censor Scipio (Africanus minor) van meineed beticht, doch de zaak werd niet verder doorgezet.--35) C. Licinius Sacerdos, de voorganger van C. Verres, had zich als propraetor van Sicilia (74) door eerlijkheid en rechtschapenheid onderscheiden.--36) Nog een tak zijn de Vari. De voornaamste is C. Licinius Varus, consul in 236, die de Corsen onderwierp.--37) A. Licinius Archias, grieksch dichter uit Antiochia in Syria, zeer bevriend met L. Licinius Lucullus, van wien hij den gentielnaam Licinius aannam. Hij had door toedoen van Lucullus het burgerrecht van Heraclea (in Lucania) gekregen, en toen na den marsischen oorlog ook de Heracleoten het rom. burgerrecht erlangden, werd Archias rom. burger. In 62 echter werd hij beschuldigd, dat hij onwettig zich het burgerrecht zou hebben aangematigd. Cicero verdedigde hem.

Licinius (C. Valerius), uit Dacia geboortig, rom. keizer 308-324 n. C. Na den dood van Maximinus II Daia waren hij en zijn zwager Constantinus (later de Groote) de eenige overgebleven keizers. Toen ook tusschen hen de strijd ontbrandde, dolf Licinius het onderspit. Zie Constantinus. Een jaar na zijn afzetting werd Licinius, toen hij hoogverraad wilde plegen, te Thessalonice omgebracht (324).

Licinus, familienaam in de gens Porcia.

Lictores. De magistraten, die het imperium hadden, hadden lictoren in dienst, die de fasces of roedenbundels voor hen uit droegen. Een consul had er 12, een praetor binnen Rome 2, buiten de stad 6. De dictator had er 24, de magister equitum 6. Wanneer er een dictator benoemd was, hadden de consuls, althans binnen Rome, geene lictoren. De lictoren van deze soort vormden 3 decuriae, elk van 24 man. Een andere soort waren de lictores curiati, de 30 boden der 30 curiën. Zij maakten ééne decurie uit. De flamen Dialis en de vestaalsche maagden hadden ook ieder een lictor, die echter evenmin als de curiaatlictoren een roedenbundel droeg. De lictoren van een overheidspersoon gingen één voor één; hij, die het meeste vertrouwen genoot, was de achterste in de rij en dus het dichtst bij den magistraat (lictor proximus). Het was een vast gebruik, dat, wanneer de magistraat in het openbaar met iemand sprak, deze lictor altijd tusschen beiden in bleef staan.

Licus, zijrivier van den Donau in Vindelicia, thans Lech.

Licymnius, Likymnios, zoon van Electryon, ging met zijn zwager Amphitryo naar Thebae en huwde diens zuster Perimede. Hij vergezelde Heracles dikwijls op zijne tochten, en werd door diens zoon Tlepolemus, met opzet of bij ongeluk, gedood.

Lide, Lide, berg in Caria, bij Pedasa.

Ligarii, een geslacht van sabijnsche afkomst, waarvan in de burgeroorlogen drie broeders voorkomen. Een er van is Q. Ligarius, voor wien Cicero eene verdedigingsrede heeft gehouden. Hij was in 50 legaat in Africa geweest en wel legatus pro praetore bij ontstentenis van den stadhouder. Hij had echter de provincie overgedragen aan P. Attius Varus, aanhanger van Pompeius, en had L. Aelius Tubero, die door den senaat tot propraetor van Africa benoemd was, belet aan land te komen. Hij streed ook nog tegen Caesars veldheer C. Scribonius Curio, later tegen Caesar zelf, doch werd gevangen genomen en verbannen. Cicero wist echter in eene fijn doorwrochte rede Caesar tot genade te bewegen. Later vindt men Ligarius onder Caesars moordenaars.

Liger, rivier in Gallia, thans de Loire.

Ligii, Lugii, Lygii, een groote germaansche volksstam tusschen den bovenloop van Viadus (Oder) en Vistula (Weichsel). Uit hen zijn later de Vandalen en Burgundi voortgekomen.

Ligula, een soort eierlepel, grooter dan de cochlear (z. a.); ook als maat het 1/4 deel van een cyathus.

Liguria, Ligystike, het land in Boven-Italië, tusschen den sinus Ligusticus (golf v. Genua) en den Padus (Po). De inwoners, Ligures, Ligyes, waren een krijgshaftig volk; het land was boschrijk en in het Z. doorsneden door den Apenninus. Van omstreeks 240 tot op den tijd van Augustus poogden de Rom. het land te onderwerpen; eerst in 14 werd Liguria tot provincie gemaakt. De Liguriërs waren sterk gebruind.

Lilaea, Lilaia, oude stad in het N.W. van Phocis, nabij de bronnen van den Cephisus.

Lilybaeum, Lilybaion, westelijke kaap van Sicilia, met eene gelijknamige, uiterst sterke stad, in 390 door de Carthagers onder Himilco gesticht, die de inwoners van het nabijgelegen Motye hierheen overbracht, en de stad met een sterke bezetting voorzag. De Romeinen stieten in 250 voor Lilybaeum het hoofd. Onder de rom. heerschappij bleef Lilybaeum de zetel van een der beide quaestoren. De andere hield te Syracusae verblijf. Thans Marsala.

Limes imperii, in het algemeen de grens van het rom. rijk, meer in het bijzonder de Limes Germaniae Superioris en de Limes Raetiae. Deze grensversterking, die door de Flavische keizers begonnen en door latere keizers afgewerkt is, begint bij Rheinbrohl, loopt zuidoostelijk naar den Taunus, buigt dan noordelijk om, zoodat Friedberg en Wetterau ingesloten worden, en bereikt dan naar het Zuiden ombuigend, de Main bij Gross-Krotzenburg, die dan tot Miltenberg de grens vormt; dan loopt de limes in een rechte lijn bijna zuidelijk tot Lorch. Tot zoover reikt de limes Germaniae Superioris. Hier sluit zich bijna onder een rechten hoek de limes Raetiae aan, die in een boog ten Noorden van de Donau zich naar het Oosten richt, en boven Regensburg bij de Donau eindigt. Men heeft in de laatste jaren tal van castella opgegraven, waarvan het voornaamste, de Saalburg benoorden Homburg v. d. H., weer opgebouwd is.

Limnae, Limnai, (= moeras), stad in Messenia, op de grens van Laconia, met een tempel van Artemis Limnatis. Hier greep de aanleiding tot den eersten messenischen oorlog plaats, toen messenische meisjes door spartaansche jongelingen onteerd werden.--Eene wijk in Athene en in Sparta heette ook Limnae.--Ook een ionische stad op de W. kust van de thracische Chersonesus.

Limnaea, Limnaia, welvarend vlek in het N. van Acarnania, met eene haven aan de Ambracische golf.

Limone = Elone.

Limonum, stad der Pictones in Gallia, thans Poitiers.

Limus, een schort met schuine strepen, door den offerdienaar gedragen.

Limyra, ta Limyra, stad in het Z.O. van Lycia, aan de rivier Limyrus.

Lindus, Lindos, stad aan de O.-kust van Rhodus. Zie Ialysus.

Lingones, Lingones, aanzienlijk gallisch volk in Gallia op het tegenw. plateau van Langres, aan de bronnen der Mosa (Maas) en van den Matrona (Marne). Steden: Divio (Dijon), dat door sommigen tot het gebied der Sequani gerekend wordt, en Andematunum (Langres).

Linternum = Liternum.

Linus, Linos, een schoon jongeling, wiens vroege dood in zeer oude klaagliederen (linoi) betreurd werd, waarin dikwijls de uitroep ailinos herhaald werd. Te Argos heette hij de zoon van Apollo en Psamathe; hij was door zijne moeder te vondeling gelegd, bij een herder opgevoed, en toen hij opgegroeid was, door honden verscheurd. Psamathe werd, toen de geboorte van haar kind ontdekt was, door haar vader gedood. Om de schimmen der beide dooden te verzoenen, vierden de Argiven jaarlijks omstreeks de hondsdagen het feest arneis of kynophontis, waarbij lammeren geofferd en honden gedood werden, terwijl vrouwen onder het zingen van het Linuslied een optocht hielden. De Thebanen brachten hem jaarlijks een lijkoffer op den Helicon. Bij hen heette hij de zoon van Hermes en de Muze Urania, en was hij een beroemd zanger, die met Apollo een wedstrijd aanging en door hem gedood werd.--V. a. was hij gedood door zijn leerling Heracles (z. a.).

Lipara, Lipara, het grootste der Aeolische, Vulcanische of Liparische eilanden, ten N. van Sicilia, waartoe het in den keizertijd behoorde.

Lipaxus, Lipaxos, kuststad in het macedonische gewest Crossaea.

Lipomartyriou dike, aanklacht tegen iemand, die, in strijd met eene gedane belofte, niet als getuige verschenen is.

Lipsydrium, Leipsydrion, vesting aan den voet van het gebergte Parnes in Attica, ten Z.W. van Decelea, door de Pisistratiden onder leiding van Clisthenes bezet (± 512); zij werden echter door Hippius gedwongen het Attische land te verlaten.

Liquentia, rivier in het noordelijk gedeelte van het gebied der Veneti, die zich in de Adriatische zee stort.

Liris, Leiris, grensrivier tusschen Latium en Campania, die zich met weinig stroom bij Minturnae in zee stort; vandaar bij Horatius taciturnus amnis. In zijn bovenloop stroomt hij langs Sora en Fregellae, waar hij den Tolerus (Trerus) opneemt.

Lissus, Lissos, 1) rivier op Sicilia, een zijtak van den Terias, bij Leontini.--2) rivier in Thracia, die bij Maronea in zee valt.--3) stad aan de zuid-dalmatische kust, in 385 door Dionysius van Syracusae gesticht, met eene onneembare acropolis.

Litae, Litai, godinnen van berouw en gebed. Zij volgen Ate met langzame schreden, om het door deze bedreven kwaad weder goed te maken.

Litana silva, bergwoud op den Apenninus in Gallia Cispadana, ten Z.O. van Mutina (Modena). Ligging onzeker. Hier sneuvelde de consul L. Postumius Albinus in 216 tegen de Galliërs.

Literatus servus, een geletterde slaaf, zooals de aanzienlijken als secretaris, voorlezer, bibliothecaris, enz., gebruikten; doch ook gebrandmerkte slaaf, wien wegens ontvluchting of diefstal een F (fugitivus, fur) op het voorhoofd was gebrand.

Liternum, Liternon, ook Linternum, stad op de campaansche kust, ten Zuiden van de rivier de Clanius, naar de stad ook wel Liternus of Linternus genoemd. Tusschen de rivier en de stad lag langs de kust de Literna palus. In 196 werd de stad als rom. kolonie aangelegd op het grondgebied van Capua. Scipio Africanus maior is hier in 183 als balling gestorven en begraven.

Litis aestimatio, taxatie door den iudex van het voorwerp, waarover het geding loopt, voor zoover niet op eene bepaalde som was geprocedeerd. Bij een iudicium publicum komt een dergelijke taxatie ook wel voor. Wanneer b.v. iemand wegens afpersingen veroordeeld was, moest het bedrag daarvan nog getaxeerd worden, om hiernaar de schadevergoeding vast te stellen. Dit geschiedde door dezelfde rechters, die het vonnis hadden geveld.

Litis contestatio, plechtige oproeping van getuigen en vaststelling in hunne tegenwoordigheid van het punt, waarover het geding loopt. Hiermede werden de handelingen in iure besloten. Zie ook formula.

Litis denuntiatio, de door keizer M. Aurelius ingevoerde inleiding van een proces door het indienen eener schriftelijke klacht, ter vervanging der vroegere in ius vocatio.

Liturgia, letourgia, leit., eene uitgave ten bate van het algemeen door een enkel persoon gedragen. Te Athene behoorden tot de gewone (enkyklioi) liturgieën: choregie, gymnasiarchie, enz., tot de buitengewone: de triërarchie, proeisphora en architheorie. Van staatswege werd de persoon aangewezen, die met eene liturgie belast werd, uitgesloten waren archonten, erfdochters, minderjarigen, en zij wier vermogen minder dan 3 talenten bedroeg; ook bestonden er bepalingen om te voorkomen, dat hetzelfde vermogen te dikwijls door eene liturgie gedrukt werd, vgl. Antidosis. De liturgieën waren zeer kostbaar, vooral daar men, tenminste in den goeden tijd, uit mildheid of eerzucht of een streven naar de volksgunst, veel meer deed dan eigenlijk vereischt werd; de choregie kostte soms 5000 drachmen, de kosten van de triërarchie stegen soms tot een talent.

Lituus, de korte van boven spiraalvormig gekromde staf der augurs, die vrij van knoesten moest zijn. Ook de kromhoorn, die als blaasinstrument bij de rom. ruiterij diende.

Lityerses, Lityerses, Phrygiër, zoon van Midas, ontving de vreemdelingen gastvrij, doch dwong hen later hem bij den oogst te helpen en een wedstrijd in het maaien met hem aan te gaan; den overwonnenen sneed hij het hoofd af. Heracles doodde hem en wierp zijn lijk in de rivier de Maeander.

Liviae (leges) van den volkstribuun M. Livius Drusus, 122, die echter niet tot uitvoering kwamen, daar zij niet ernstig gemeend waren, doch slechts de strekking hadden, den invloed van C. Gracchus te ondermijnen. Zie hieromtrent verder onder Agrariae (leges).

Liviae (leges) van den volkstribuun M. Livius Drusus in 91: 1) lex iudiciaria, dat 1o. de senaat met 300 leden uit den ridderstand zou aangevuld worden, en dat uit dezen verdubbelden senaat de rechters zouden gekozen worden; 2o. er een onderzoek zou ingesteld worden naar die rechters, die zich hadden laten omkoopen.--2) leges agraria et de coloniis deducendis, in denzelfden trant als die van C. Gracchus. Zie verder onder Agrariae (leges).--3) lex frumentaria, waarbij de prijs van het koren verlaagd werd, overigens niet nader bekend.--4) lex nummaria, dat de zilveren munt voor 1/8 met koper zou vermengd worden.--5) lex de civitate, om aan de italiaansche socii het rom. burgerrecht toe te kennen. De laatstgenoemde wet kwam niet in behandeling; de overige werden door den senaat ongeldig verklaard, omdat ze gezamenlijk in stemming waren gebracht, hetgeen verboden was, zie Caecilia Didia (lex).

Livii, oud plebejisch geslacht, waarin de familie Drusus de voornaamste is. 1) M. Livius Denter, consul in 302, en na de lex Ogulnia (300) een der eerste plebejische pontifices.--2) C. Livius Drusus, broeder van no. 3, een uitstekend redenaar, hield, toen hij blind was geworden, zich bezig met het geven van rechtsgeleerde adviezen.--3) M. Livius Drusus, volkstribuun in 122, broeder van no. 2, was een tegenstander van C. Gracchus (zie leges Liviae). In 112 was hij consul en bestreed met goed gevolg de thracische Scordisci.--4) M. Livius Drusus, volkstribuun in 91, zoon van no. 3, was een goed redenaar en een man van edel karakter en onbesproken zeden. Door te groot zelfvertrouwen gedreven, meende hij, door aan alle partijen iets te geven, ze met elkander te kunnen verzoenen. Aan den senaat wilde hij een deel der rechtspraak teruggeven, aan het volk landerijen en uitdeelingen van koren, aan de bondgenooten het rom. burgerrecht verleenen (zie leges Liviae). Vooral dit laatste wetsvoorstel stiet overal op tegenstand (zie vooral Marcii no. 16), en Livius werd in zijn huis door een dweper vermoord.--5) Livia, zuster van no. 4, was bij M. Porcius Cato de moeder van Cato van Utica. Als weduwe hertrouwde zij met Q. Servilius Caepio (Servilii no. 17). Omtrent haar dochter Servilia z. Servilii no. 19.--6) M. Livius Macatus verdedigde in 214 Tarentum tegen Hannibal en hield zich in den burg staande, totdat Q. Fabius Maximus in 209 de stad heroverde.--7) M. Livius Salinator overwon als consul in 219 met zijn ambtgenoot L. Aemilius Paullus de Illyriërs; beiden werden wegens onregelmatigheden bij het verdeelen van den buit (de peculatu) veroordeeld. In 207 was hij andermaal consul en versloeg toen met zijn ambtgenoot C. Claudius Nero bij den Metaurus in Umbria Hannibals broeder Hasdrubal. In 204 was hij censor, wederom met Nero, bij welke gelegenheid de beide mannen, die elkander sedert vele jaren een diepen haat toedroegen, elkander onder de aerarii brachten. Door eene belasting op het zout te leggen, kreeg Livius in zijne censuur den spotnaam van Salinator.--8) Livia Drusilla, dochter van zekeren Appius Claudius Pulcher, die na zijn adoptie door een zekeren Livius M. Livius Drusus Claudianus heette, en die in den slag bij Philippi gesneuveld was, huwde met Tib. Claudius Nero, die haar echter aan Octavianus op diens aandrang afstond (38). Door hare schoonheid en haar verstand wist zij Octavianus geheel aan zich te boeien, zoodat hij de beide zoons, die Livia van haren eersten man had, Tiberius en Drusus, als de zijne aannam. Door Augustus werd zij bij testament met de namen Julia Augusta in de gens Julia opgenomen. Op haar zoon Tiberius had zij minder invloed, hoewel zij door hare maatregelen na Augustus' dood hem de regeering had verschaft. Zij overleed in 22 na C.--9) Over Livilla, dochter van Drusus en Antonia minor, en Livilla, dochter van Germanicus en Agrippina, zie men Iulii op het einde.--10) T. Livius Patavinus, niet met de gens Livia verwant, maar uit eene aanzienlijke familie te Patavium geboren, schreef eene uitvoerige geschiedenis van Rome van de stichting der stad af tot op den dood van Drusus (9), in 142 boeken. Hij werkte hieraan van 27 tot aan zijn dood. Hiervan bestaan nog I-X (tot 293), XXI-XLV (218-167) en nog zeer enkele fragmenten. Er zijn nog inhoudsopgaven (periochae) van bijna alle boeken over. Hij leefde 59-17 na C.--11) Livius Andronicus, een geboren Griek, uit Tarentum, bij de verovering dezer stad door de Rom. gevangen genomen (272) en te Rome als slaaf verkocht. Hij kwam als zoodanig in het huis van een der Livii en nam daarom als vrijgelatene den naam Livius aan. Hij was de eerste tooneeldichter der Romeinen, ± 240. Ook heeft hij de Odyssee in het Latijn overgebracht, in saturnische versmaat. Op enkele fragmenten na is alles verloren.

Lixus, oud-phoenicische nederzetting op de atlantische kust van Mauretanië.

Lochos, eene afdeeling soldaten in het spartaansche leger van onbepaalde sterkte, die echter in den regel omstreeks 100 man geweest zal zijn. In slagorde stond de lochos gewoonlijk acht man diep, op marsch vormde men dikwijls lochoi orthioi met smal front en groote diepte. De hieros lochos der Thebanen bestond uit 300 man. Toen later groote huurlegers gevormd werden, werd de indeeling in lochoi daarbij overgenomen. Aan het hoofd van den lochos stond een lochagos.

Locri Epizephyrii, Lokroi Epizephyrioi, eene oude stad op de kust van Bruttium, bij kaap Zephyrium, door Ozolische Locriërs gesticht. Zelf meenden zij, en men vindt die meening ook bij de dichters, dat zij afstamden uit Naryx of Narycus (z. a.), een klein plaatsje in het gebied der Opuntische Locriërs, en dat de stad gesticht was door de volgelingen van Aiax, den zoon van Oileus, nadat deze in den storm bij kaap Caphereus was omgekomen. Te Locri leefde in de 7de eeuw de beroemde wetgever Zaleucus. De stad bloeide door handel en vertier tot den tweeden punischen oorlog, toen ging zij achteruit en geraakte allengs in verval.

Locris, Lokris. De Locri, Lokroi, misschien van lelegischen stam, waren door de Phocensers, die als eene wig in hun gebied indrongen, in drie deelen versnipperd en geraakten nooit tot macht of aanzien. Aan de Euboeïsche golf woonden de Locri Opuntii, aldus genaamd naar de stad Opus (gen. -ntis) en de Locri Epicnemidii, naar den berg Cnemis. Deze twee vormden echter één staat, met Opus tot hoofdstad, en werden gezamenlijk ook wel de oostelijke Locriërs (eoioi) of hoi pros Euboian Lokroi genoemd. Aan de Corinthische golf woonden de Locri Ozolae, of westelijke (hesperioi) Locriërs, die meer dan de anderen een roofzieken aard behouden hadden. Tot hun gebied behoorden de steden Amphissa, bekend in den laatsten heiligen oorlog, en Naupactus (Lepanto), vanwaar de Doriërs naar de Peloponnesus waren overgestoken.

Locusta, beruchte giftmengster, die het vergif bereidde, waaraan keizer Claudius en Britannicus stierven. Onder Galba werd zij ter dood gebracht.

Logeion, het tooneel in engeren zin = proskenion.

Logistai, een collegie van 30, later 10 beambten, vroeger bij stemming verkozen, later door het lot aangewezen, die met de euthynoi de rekening en verantwoording der afgetreden overheidspersonen nazagen. Zie Euthynai.

Logographos, in het algemeen een prozaschrijver, meer in het bizonder een schrijver van geschiedenis of van redevoeringen. Vooral geeft men dien naam aan attische redenaars, die voor anderen pleidooien schreven; verder aan de oudste geschiedschrijvers, die het eerst sagen en mythen, welke tot hun tijd alleen in den mond van het volk geleefd hebben, in eenvoudig proza te boek stelden, en dus den eersten stap deden op het gebied der historiographie. De voornaamste zijn: Hecataeus, Acusilaus, Charon, Xanthus, Pherecydes, Hellanicus, Damastes.

Lollii, plebejisch geslacht uit Samnium. 1) M. Lollius Paullinus, consul in 21, werd in 16 door de germaansche volkeren aan den Rijn verslagen. Augustus vertrouwde hem zijn kleinzoon Gaius Caesar toe, toen deze in het jaar 1 naar het O. ging. Hij was een vriend van Horatius, die aan hem Carm. IV. 9 en aan zijne zoons Epist. I. 2 en 18 richtte.--2) Zijne kleindochter Lollia Paullina werd de echtgenoote van keizer Caligula, die haar echter weder verstiet. Later werd zij vermoord door toedoen van Agrippina (49 n. C.).--3) Q. Lollius Urbicus, legaat van keizer Antoninus Pius in Britannia, z. a.

Londinium, thans Londen, reeds in het rom. tijdperk eene aanzienlijke koopstad der Trinobantes.

Longinus, familienaam in de gens Cassia (Cassii no. 2-12).

Longinus, Longinos, Cassius L., geb. te Athene in het begin der 3de eeuw na C., verwierf groot aanzien als letterkundige en wijsgeer en gaf te Athene onderwijs in die vakken. Hij reisde veel, en leerde op een van zijne reizen koningin Zenobia kennen, die hem tot raadsman nam en zich op zijn aandrijven tegen de Rom. verzette; toen dus Zenobia overwonnen was, werd L. op last van Aurelianus ter dood gebracht (272). Van zijne talrijke werken is alleen eene verhandeling peri hypsous bewaard gebleven, en ook deze dateert naar veler meening uit een veel vroegeren tijd.

Longobardi, een dappere germaansche stam aan den linkeroever van de Beneden-Elbe; de naam is nog over in Bardewik bij Lüneburg. Tijdens de volksverhuizing trekt een groot gedeelte van het volk zuidoostelijk naar Donau en Theiss. In 568 n. Chr. vallen ze onder hun koning Alboin Italië binnen, en stichten daar het Longobardische rijk. Naar hen heet een gedeelte van Noord-Italië Lombardije.

Longula, albaansche gemeente, onderhoorig aan Antium, vroeg door de Romeinen verwoest.

Longus, Longos, waarschijnlijk einde van de 2de eeuw n. C., schrijver van een herdersroman (Poimenika ta kata Daphnin kai Chloen), die als de beste der oude romans geprezen wordt en ook meermalen door nieuwere schrijvers nagevolgd is. Over het leven van den schrijver is niets bekend.

Loretanus (portus) = Lauretanus Sinus.

Lorica, thorax, harnas, onverschillig of het slechts uit eene borstplaat bestond, of wel ook den rug bedekte. De harnassen waren dikwijls van lederen riemen vervaardigd, dikwijls ook van strooken metaal, die door middel van scharnieren over elkander konden schuiven. Wie het echter betalen kon, nam liefst een schubbenpantser (lorica squamata). Ook de borstweringen op muren heeten loricae.

Lorium, dorp aan de via Aurelia in Etruria, tusschen Rome en Alsium, sterfplaats van Antoninus Pius, die er ook was groot gebracht.

Loryma, ta Loryma, haven op de Zuidkust van Caria, tegenover Rhodus.

Lotis, nimf, die door Priapus met zijne liefde vervolgd werd; toen zij hem niet meer ontvluchten konde, veranderden de goden haar op hare bede in een lotus.

Lotophagi, Lotophagoi, volksstam in Africa aan de kleine Syrte, een goedaardig volk, dat van den lotusboom leefde. Door hun gebied liep een karavaanweg. Naar hen wordt het eiland Meninx in de kleine Syrte ook Lotophagitis genoemd.

Loxias, Loxias, bijnaam van Apollo, naar de duistere taal, waarin zijne orakels gegeven werden.

Lua, Lua Mater, dochter of vrouw van Saturnus, eene godin te wier eere de Romeinen na den slag buitgemaakte wapenen verbrandden, een offer dat strekte tot verzoening van het vergoten bloed. Het is waarschijnlijk een godheid, die een ongunstigen invloed uitoefent op het gezaaide.

Luca, Louka, thans Lucca, stad aan de grenzen van Liguria en Etruria, sedert 177 rom. kolonie.

Lucania, Leukania, gewest van Zuid-Italia ten Z. van Samnium en Apulia, ten N. van het land der Bruttii. Het bracht veel rundvee voort van de zwaarste en grootste soort, zoodat de Rom. in het eerst aan de olifanten, die Pyrrhus medebracht, den naam van lucanische ossen gaven. De Lucaniërs, die de oude Oenotriërs verdrongen hadden, waren van samnietischen stam. Zie Graecia magna. De kust was bezet met grieksche volkplantingen. Na den tarentijnschen oorlog kwam Lucania onder rom. heerschappij. Sedert den tweeden punischen oorlog is het land vervallen. Later is het nog meer ontvolkt door den slavenoorlog van 73-71.

Lucanus, familienaam in de gens Annaea.

Lucceii, plebejisch geslacht. 1) L. Lucceius geschiedschrijver van den bondgenooten-oorlog en den eersten burgeroorlog, bevriend met Cicero. Hij dong in 61 vergeefs naar het consulaat.--2) C. Lucceius Hirrus, z. Lucilii no. 4.--3) Q. Lucceius, geldwisselaar te Rhegium, getuige in het proces tegen Verres.--4) Lucceius Albinus, onder Nero procurator van Judaea (62-65 n. C.), vervolgens om zijne afpersingen overgeplaatst naar Mauretania, later onder Vitellius ter dood gebracht.

Luceres of Lucerenses, een van de drie oude stamtribus van den rom. staat. Zie Tities.

Luceria, Loukeria, of Nuceria, stad op de apulisch-samnietische grenzen, sedert 321 bondgenoot van Rome, herhaaldelijk door de Samnieten ingenomen en door de Romeinen heroverd, doch in 314 of 315 herbouwd en rom. kolonie.

Lucetius, bijnaam van Jupiter als god van het daglicht.

Lucianus, Loukianos, van Samosata, werd geboren omstreeks 125 n. C. Hij was een zoon van arme ouders en leerde aanvankelijk een handwerk, maar spoedig wijdde hij zich aan de studie der welsprekendheid, trad toen als pleitbezorger op, en reisde door Kl. Azië, Griekenland, Italië en Gallië, waar hij veel roem en geld verwierf door zijne voordrachten, waarvan verscheidene bewaard gebleven zijn. Eindelijk vestigde hij zich te Athene, waar hij zich ijverig bezig hield met de studie der wijsbegeerte, en een aantal werken schreef, die in den vorm van samenspraken in zuivere, eenvoudige taal en beschaafden stijl een duidelijk beeld geven van het leven van zijn veelbewogen tijd in al zijne uitingen. Met geestigen spot en satire hekelt de schrijver het verval der redekunst en literatuur, de ontaarding van beschaving en zeden, het volksgeloof en den ouden eeredienst, maar vooral het van overal indringende bijgeloof, en hen die daarin een middel vinden om de menigte te bedriegen, de gemaaktheid en het vertoon der stoicijnen en cynici--hoewel hij met Demonax bevriend was--terwijl hij daarentegen, hoewel hij persoonlijk tot de leer van Epicurus overhelt, met eerbied spreekt over de oude wijsgeeren van elke richting. Het laatste deel van zijn leven bracht bij in Aegypte door, waar hij een rechterlijk ambt bekleedde.

Lucifer, 1) = Hesperus en Phosphorus.--2) = Daduchus.

Lucifera, 1) bijnaam van eenige godinnen van het licht: Diana, Aurora, e. a.--2) vrouw van den Daduchus.

Lucilii, plebejisch geslacht. 1) C. Lucilius uit Suessa Aurunca, in het Z. van Latium (180-102), een vertrouwd vriend van Scipio Africanus minor en van C. Laelius. Hij was de eerste rom. hekeldichter, voorganger van Horatius, en hekelde zonder aanzien des persoons de gebreken van zijn tijd. Hoewel zijn versbouw stroef was, werd hij toch met graagte gelezen. Er zijn nog fragmenten van zijn werken over.--2) Lucilius Iunior, stoicijn, vriend van Seneca Philosophus, aan wien S. (Annaei no. 2) zijne Epistulae schreef en meerdere werken opdroeg, beoefende met ijver de wetenschappen en de dichtkunst. Hij is waarschijnlijk de schrijver van Aetna, een didactisch gedicht in hexameters.--3) Q. Lucilius Balbus, ook een aanhanger der stoische wijsbegeerte, door Cicero sprekend ingevoerd in zijn geschrift de natura deorum.--4) C. Lucilius Hirrus, ook wel, maar verkeerd C. Lucceius Hirrus genoemd, volkstribuun in 53, wierf in den burgeroorlog troepen voor Pompeius en werd door dezen naar den parthischen koning Orodes gezonden om diens hulp te winnen, maar werd door hem een tijdlang gevangen gehouden. Na Pompeius' dood werd L. door Caesar begenadigd, maar bij de vogelvrijverklaringen van 43 vluchtte hij naar S. Pompeius.

Lucina, bijnaam van Juno en Diana als godinnen, die bij de geboorte behulpzaam zijn.

Lucretii, oorspronkelijk patricisch geslacht, doch later met plebejische takken.--1) Sp. Lucretius Tricipitinus was senator en praefectus urbi onder Tarquinius Superbus. In 509 werd hij na het sneuvelen van Brutus in diens plaats consul, doch stierf kort daarop.--2) Lucretia, dochter van no. 1 en echtgenoote van L. Tarquinius Collatinus, eene vrouw van buitengewone schoonheid, werd door S. Tarquinius in hare woning overvallen en met geweld onteerd. Na het gebeurde aan haren man en aan haar vader te hebben medegedeeld, doorstak zij zich met een dolk. Het gevolg was de verdrijving der koninklijke familie. Het verhaal is dichterlijk en misschien gedeeltelijk aan een Romeinsche praetexta ontleend.--3) Bij Livius komen onder de hooge ambtenaren in de eerste twee eeuwen der republiek verschillende Lucretii Tricipitini voor, ook een C. Lucretius Gallus als rom. vlootvoogd tegen Perseus (171). Later werd hij, wegens afpersingen in grieksche steden, tot een groote geldboete veroordeeld.--4) Q. Lucretius Ofella had eerst tot de partij van Marius behoord, maar sloot zich bij Sulla's komst in Italia bij hem aan, en belegerde in den burgeroorlog in 82 den jongen Marius in Praeneste. Later liet Sulla hem op het forum vermoorden, omdat hij consul wilde worden zonder nog daartoe bevoegd te wezen.--5) Q. Lucretius, aanhanger van Pompeius, bracht zichzelf om, daar hij bij de inneming van Sulmo (49) niet in Caesars handen wilde vallen.--6) Q. Lucretius Vespillo, tijdgenoot van Sulla, redenaar en rechtsgeleerde.--7) Q. Lucretius Vespillo, werd in 43 op de proscriptielijst gezet, maar ontkwam, doordat zijne vrouw hem in zijn eigen huis verborgen hield; later werd door bemiddeling zijner vrienden zijn naam van de lijst geschrapt; in 19 werd hij door Augustus tot consul benoemd.--8) T. Lucretius Carus (98-55), schrijver van een rom. leerdicht de rerum natura in 6 boeken, waarin de leer van Epicurus ontwikkeld en verdedigd wordt. Met groote kunst heeft hij dit onderwerp op dichterlijke wijze weten te behandelen en door fraaie tafereelen en schilderingen afgewisseld.

Lucretilis, schilderachtige berg in het sabijnsche land, op de grenzen van Latium en niet ver van het buitenverblijf van Horatius.

Lucrinus (lacus), Lokrinos kolpos, N.W. inham der golf van Cumae op de kust van Campania, door afdamming in een meer herschapen. Het was beroemd om zijne heerlijke oesters. Augustus liet eene verbinding van het Avernische met het Lucrinische meer tot stand brengen, en in den dam eene doorvaart maken. Thans is er van den dam niets meer te vinden. Daar de naam Lucrinus aan lucrum (winst) deed denken, begonnen de censoren te Rome de publieke verpachting der staatsdomeinen met dien der oesterbanken in het genoemde meer. Voor de badgasten te Baiae leverde het meer een groot genot op.

Lucullus, familienaam in de gens Licinia (Licinii no. 21-26).

Lucumo, vorstentitel in de 12 etruscische bondsteden, etruscisch Lauchme.

Lucus, een heilig woud, doch ook een dikwijls voorkomende naam van steden, evenals bij ons verschillende plaatsnamen op -bosch uitgaan. 1) Lucus Asturum in Tarraconensis, heel in het N. van Asturia, ten N. van Ovetum, het tegenw. Oviedo.--2) Lucus Augusti, in Callaecia, thans Lugo.--3) Lucus Augusti, stad der Vocontii, ten O. van den Rhodanus (Rhône), in Gallia Narbonensis.--4) Lucus Angitiae, aan den Fucinus Lacus, tegenw. Luco. Zie Angitia.

Lucusta = Locusta.

Ludi. De oudste spelen der Romeinen stonden onder leiding van priesters of priesterschappen, zóó de Consualia (z. a.) en de Equirria (z. a.); ook de ludus Troiae (z. a.) behoort hiertoe; ze hangen samen met oude godsdienstige gebruiken. Van geheel anderen aard zijn de door magistraten gegeven veel belangrijker ludi votivi, zoo genoemd, omdat de senaat zich voor het geval van den gunstigen afloop van een oorlog door een gelofte (votum) tot het geven daarvan verplicht had. Zij vormden oorspronkelijk een onderdeel van den triumphus, hetgeen daaruit blijkt, dat ze beginnen met de pompa circensis, een plechtige optocht onder leiding van den consul in triumphaal gewaad, die van het Capitool uitging en eindigde in den circus maximus, waarop dan de wedrennen (z. circus) begonnen. Daar er geregeld oorlogen waren, werden de spelen al spoedig van votivi annui, waarbij het verband met den triumphus verloren ging. Ze werden nu Romani genoemd, terwijl buitengewone volgens gelofte gevierde feesten voortaan magni heeten. Ze begonnen met het epulum Jovis op de Iden van September, dan volgde den 14den Sept. de keuring der paarden (equorum probatio) en van 15-18 Sept. de eigenlijke circusspelen. Sinds 364 werden er tooneelvoorstellingen (ludi scenici) naar Etruscisch voorbeeld aan toegevoegd. Deze vielen op de dagen aan de Iden van September voorafgaande. In den aanvang waren dit pantomimische dansen onder begeleiding van fluitspel; het eerste tooneelstuk, een werk van Livius Andronicus werd in 240 opgevoerd. Eerst in 55 werd het eerste steenen theater door Pompeius gebouwd. Vóór dien tijd werd telkens een houten scena met oploopende zitbanken (spectacula, cavea) opgeslagen. De ludi Romani stonden onder de opperleiding van den consul, maar reeds sinds 366 hadden de aediles curules (z. aediles) de geheele regeling in handen.

Wanneer de ludi plebei het eerst zijn gehouden, weet men niet; v. s. dateeren ze uit den oudsten tijd der republiek. Tot geregelde spelen zijn ze waarschijnlijk geworden in 220, na de stichting van den circus Flaminius, waar de wedrennen, er mede verbonden, plaats hadden. Ook hieraan werden spoedig ludi scenici toegevoegd. Ze vallen in de maand November. Voorzitters zijn de aediles plebis. Verder vindt men ludi Cereales in April, ter eere van Ceres, Liber en Libera, v. s. ontstaan tegelijk met de wijding van den Cerestempel in 493, sinds 202 jaarlijks gevierd; slechts één dag was gewijd aan circusspelen, de andere dagen hadden ludi scenici plaats. Ze staan onder leiding van de aediles plebis. Evenzoo is de regeling bij de ludi Apollinares, ingesteld in 212, die onder leiding staan van den praetor urbanus. De ludi Megalenses (z. Megalesia), als jaarlijksche feesten ingesteld in 191, en de l. Florales, sinds 173, zijn in hoofdzaak l. scenici. Al deze spelen werden uit naam en op kosten van den staat gegeven.

De ambtenaren voegden uit eigen middelen aanzienlijke sommen hierbij, om zoodoende de volksgunst te winnen.

Behalve deze spelen vindt men in later tijd nog spelen ingesteld ter herinnering aan overwinningen, zooals de ludi victoriae Sullanae (ingesteld in 82) en de l. victoriae Caesaris (ing. in 46); dit zijn uitsluitend l. circenses.

In tegenstelling met de ludi staan de munera gladiatoria (z. gladiatores). Ze gaan oorspronkelijk uit van particulieren, gewoonlijk ter vervulling van een plicht van eerbied (munus) jegens een afgestorvene bij diens begrafenis. Zij zijn uit Etrurië ingevoerd en voor het eerst op het forum gegeven in 264. Eerst in 105 hebben de consuls P. Rutilius Rufus (Rutilii no. 2) en C. Mallius Maximus ze als buitengewone ludi van staatswege gegeven. Hetzelfde geldt van de venationes bestiarum (z. venatio) die voor het eerst in 186 voorkomen.

Ludi instaurativi. Dikwijls gebeurde het dat de spelen die van staatswege gegeven werden, wegens een fout in den vorm of een storing gestaakt werden, en dan opnieuw moesten gegeven worden. Deze instauratio is echter alleen van toepassing op de ludi Romani en de l. plebei.

Ludus Troiae, een soort van wapendans te paard, die te Rome in overoude tijden op 19 Maart (Quinquatrus) en 19 October (Armilustrium) door knapen van aanzienlijken stand onder leiding der tribuni celerum (z. a.) werd uitgevoerd. Vroeg in vergetelheid geraakt, werd het spel waarschijnlijk in den tijd van Sulla opnieuw ingesteld, en sedert wordt er nu en dan melding van gemaakt, vooral in den vroegen keizertijd. Vergilius (Aen. V 545-603) laat op bevel van Aeneas Ascanius met andere Trojaansche knapen op Sicilië dit spel als een soort carousselrijden opvoeren ter eere van zijn gestorven grootvader Anchises: "Troiaque nunc, pueri Troianum dicitur agmen" (v. 602).

Met Troje had het spel echter oorspronkelijk niets te maken.

Lugdunum, 1) zeer belangrijke stad van Gallia, aan de vereeniging van den Arar (Saône) met den Rhodanus (Rhône), sedert 43 rom. kol. en als zoodanig later Copia Claudia Augusta geheeten, thans Lyon. Onder de keizers was L. beroemd als residentie- en akademiestad; het had prachtige gebouwen, o. a. het paleis, waarin keizer Claudius geboren werd (10), eene grootsche waterleiding, enz. Bij de nieuwe indeeling van Gallia door Augustus werd Lugdunum hoofdst. van het uitgestrekte Gallia Lugdunensis. Hier had men ook sedert 12 de ara Romae et Augusti, waar vertegenwoordigers der 64 civitates van de 3 Galliae (Aquitania, Lugdunensis, Belgica) jaarlijks voor offers en feesten bijeenkwamen.--2) Lugdunum Convenarum, in Aquitania, hoofdst. der Convenae.--3) Lugdunum Batavorum, welke naam nu eenmaal als latijnsche naam voor Leiden in zwang is gekomen, hoewel het waarschijnlijk v. s. meer westelijk v. a. zuidwestelijk, in de duinen bij den Haag, lag.

Lugii = Ligii.

Luna, noordelijkste stad van Etruria met eene prachtige haven (thans de golf van Spezzia), sedert 177 rom. kolonie. In den omtrek waren beroemde marmergroeven, Lunense marmor, het tegenw. cararisch marmer.

Luna silva, in Germania, het zuidelijke gedeelte van het tegenw. Moravische gebergte, ten N. van Vindobona (Weenen).

Lupercal, de wolfsgrot, eene grot aan de N.W. helling van den Palatinus, aan Faunus gewijd.

Lupercalia, reinigings- en verzoeningsfeest ter eere van Faunus den 15den Februari gevierd. Het feest begon met het offeren van bokken in het Lupercal, een grot aan den voet van den Palatijnschen berg; bij dit offer raakte men twee jongelingen met het bebloede offermes op het voorhoofd aan, waarop een ander onmiddellijk het bloed met in melk gedoopte wol afwischte. Na het offermaal liepen de Luperci, alleen met de huiden der geofferde bokken bekleed, door de geheele stad, en sloegen ieder, die hen ontmoette, met riemen, die uit die huiden gesneden waren; deze riemen heetten februa; gehuwde vrouwen plaatsten zich gaarne op hun weg om zulk een slag te krijgen, in de hoop daardoor haar huwelijk met kinderen gezegend te zien. Om de uitgelatenheid, die hierbij heerschte, eenigszins tegen te gaan, bepaalde Augustus, dat baardelooze jongelingen niet aan den tocht door de stad mochten deelnemen.--De Luperc. werden tot het einde der 5de eeuw gevierd.

Luperci, priesters van Faunus. Zij waren verdeeld in twee collegia van 12 leden, de L. Fabiani en de L. Quintiliani of Quinctiales, waaraan sedert 45 ter eere van Caesar nog de L. Iulii werden toegevoegd.

Lupiae, Loupiai, stad van Calabria, tusschen Brundisium en Hydruntum (Otranto).

Luppia, thans de Lippe, die bij het tegenw. Wesel in den Rijn valt.

Lurius Agrippa (M.) werd door Octavianus tot praefectus van Sardinia aangesteld, doch door Menas (Menodorus), legaat van S. Pompeius, verjaagd (40). Bij Actium kommandeerde hij den rechtervleugel van de vloot van Octavianus.

Luscius Lavinius of Lanuvinus, blijspeldichter, tijdgenoot van Terentius (± 175) en meermalen diens mededinger.

Lusitania, Lousitania, ongeveer het tegenw. koninkrijk Portugal. Hier hield de Lusitaniër Viriathus 10 jaar lang (150-140) een hardnekkigen kamp tegen de Romeinen vol. Na zijn dood werd Lusitania onderworpen (138); zie verder Hispania.

Lustratio, in het algemeen eene zuivering of reiniging, katharmos. Sommige handelingen vorderden, dat men zich, al was het dan ook slechts door besprenkeling, reinigde, b. v. wie in een sterfhuis was geweest, besprenkelde zich bij het heengaan met water uit een vat, dat tot dit doel aan de deur was geplaatst. Soms werden geheele steden, volken, enz., gezuiverd, zooals het geval was, toen Athene na den moord van Cylon en de daarop gevolgde pest door Epimenides van bloedschuld gereinigd werd. Dat bij zulk eene lustratio van zware schuld ook dieren geofferd werden, spreekt van zelf. Vóór de tempels der goden stond ook een vat met wijwater, aqua lustralis. Men besprenkelde zich niet met de handen, maar met een olijf-, laurier-, myrten- of rosmarijntak, dien men in het water doopte.--Eene lustratio liberorum had kort na de geboorte plaats, bij de meisjes op den achtsten, bij de jongens op den negenden dag. Deze handeling, waarmede wij onzen doop eenigszins kunnen vergelijken, gold ook als beveiligingsmiddel tegen betoovering. De dag, waarop zij plaats had, heette dies lustricus. Bij de Romeinen werden ook vloten door offers voor het uitzeilen gereinigd; ook komen reinigingen van legers voor. Bij zware ziekten wendde men ook wel berookingen aan.

Lustrum, in het bijzonder het reinigingsoffer voor het rom. volk, dat telkens na afloop der volkstelling werd gehouden. Hierbij werden een zwijn, een schaap en een stier geofferd en het bloed in een groot bekken opgevangen. Dit offer droeg den naam van suovetaurilia. De censor die de plechtigheid bestuurde, bad daarbij, ut dii immortales res populi Romani meliores amplioresque facerent. De geijkte uitdrukking voor het houden van het lustrum is lustrum condere. Daar de census elke vijf jaar behoorde gehouden te worden, heeft lustrum, de beteekenis van vijfjarig tijdperk gekregen.

Lutatii, plebejisch geslacht. 1) C. Lutatius Catulus, consul 242, versloeg in het begin van 241 de carthaagsche vloot bij de Aegatische eil., en noodzaakte de Carthagers, om vrede te vragen.--2) Q. Lutatius Cerco, broeder van no. 1, nam als consul in 241 Falerii in, en was censor in 236, toen hij stierf. Hij genoot den roem van groote rechtschapenheid.--3) C. Lutatius Catulus, consul 220, werd door de Galliërs in Cisalpina in 219 met C. Servilius (Servilii no. 10) krijgsgevangen gemaakt en 16 jaar in gevangenschap gehouden.--4) Q. Lutatius Catulus, consul 102, versloeg als proconsul met C. Marius in 101 de Cimbren in Gallia Cisalpina. In den burgeroorlog werd hij als aanhanger der optimatenpartij door Marius, die hem haatte, vogelvrij verklaard, waarop hij zich door kolendamp liet stikken (87). Hij bezat in hooge mate de gave der welsprekendheid en daarbij een zeer fraaie stem. Hij schreef memoires, die verloren gegaan zijn.--5) Q. Lutatius Catulus, zoon van no. 4, gold na Sulla's dood als hoofd der aristocratische partij te Rome; hij was echter zeer gematigd en boezemde door zijn rechtschapen en edel karakter vriend en vijand eerbied in. Hij was consul in het jaar van Sulla's dood (78), (z. Plautia of Plotia (lex) de vi), en bedwong toen, met Pompeius vereenigd, den oproerigen consul Lepidus. Later bestreed hij de lex Manilia de imperio Cn. Pompei (66). Aan hem was het toezicht op den bouw van den nieuwen tempel voor Jupiter Capitolinus opgedragen, en aan de wijding daarvan in 69 ontleent hij den bijnaam van Capitolinus. Ook heeft hij het Tabularium gebouwd. Hij was de laatste princeps senatus tijdens de republiek. Hij overleed in 60.

Lutetia (Parisiorum), Loukotokia, -tekia, Louketia, hoofdstad der Parisii, thans Parijs, op een eiland in de Sequana (Seine), eene belangrijke handelsstad. Later residentie van verschillende keizers, o. a. van Iulianus, die hier een paleis liet bouwen.

Lutorius Priscus, rom. ridder, die een lijkzang op Germanicus had gedicht. Bij eene ziekte van Tiberius' zoon Drusus, had hij bij voorbaat ook een lijkzang op dezen vervaardigd, waarvoor hij door den senaat ter dood werd veroordeeld (21 n. C.).

Lyaeus, Lyaios, bevrijder (van zorgen), bijnaam van Dionysus; latex Lyaeus = wijn.

Lybas, Lybas, de schim van Polites, no. 1 of 2, die als plaaggeest de omstreken van Temesa door gruweldaden onveilig maakte, totdat hij door Euthynus verdreven werd.

Lycabettus, Lykabettos, een rotsheuvel dicht bij de muren van Athene, ten N.O. van de stad, links van den weg naar Marathon.

Lycaea, Lykaia, vlek in Arcadia, waarvan de inwoners door Epaminondas werden genoodzaakt, Megalopolis te helpen bevolken. Nabij het plaatsje lag de mons Lycaeus, Lykaion oros.

Lycaeus, Lykaios, bijnaam van Zeus en Pan, naar den hun gewijden berg Lycaeus.

Lycambes, Lykambes, z. Archilochus.

Lycaon, Lykaon, 1) zoon van Pelasgus en Meliboea of Cyllene, koning van Arcadië. Hij en zijne 50 zonen waren berucht wegens hun snoodheid en overmoed. Toen Zeus de aarde bezocht om zich van de boosheid der menschen te overtuigen, noodigden zij hem aan hunne tafel en zetten hem de ingewanden van een knaap voor, dien zij geslacht hadden. Zeus wierp echter de tafel omver en doodde L. met al zijne zonen door den bliksem of veranderde hen in wolven, alleen de jongste, Nyctimus, werd door Gaea gered, vgl. Arcas.--V. s. was het deze gruweldaad, die Zeus bewoog tot het zenden van den grooten vloed van Deucalion.--2) soms = Arcas, kleinzoon van den vorigen.--3) zoon van Priamus en Laothoë, door Achilles gedood.--4) koning van Lycië, vader van Pandarus.

Lycaonia, Lykaonia, landschap in het binnenland van Asia minor, een bijna boomloos gewest, doch door zijn weidegrond geschikt voor schapenteelt. In het N.O. lag het groote zoutmeer Tatta. De inwoners waren ervaren boogschutters. Z. Galatia aan het slot.

Lycaonis, Lykaonis, Lycaonia Arctus, Callisto, dochter van Lycaon.

Lyceum, Lykeion, oudste gymnasium van Athene, even buiten de muren ten O. der stad en nabij den Ilisus, met fraaie wandelingen, waar Aristoteles al wandelende zijne (peripatetische) lessen gaf. Het Lyceum droeg zijn naam naar den nabijgelegen tempel van Apollo Lyceus. Het werd, evenals de Academia, bij het beleg van Athene door Sulla in 86 verwoest.

Lyceus, Lykeios, bijnaam van Apollo, als den god, die de wolven van het vee afhoudt, of als lichtgod; v. s. = Lycius.

Lychnidus, Lychnidos, Lychnis, stad in Illyris barbara nabij de macedonische grenzen, hoofdstad der Dassaretae, aan de via Egnatia gelegen en aan het meer Lychnitis, Lychnitis (meer van Ochrida).

Lycia, Lykia, vruchtbaar landschap op de Zuidkust van Asia minor, waarvan de bewoners bij Homerus als bondgenooten der Trojanen voorkomen. Als bewoners komen nog voor: de Milyers, wier naam nog in het N.O. deel, Milyas, is blijven voortleven, en de Solymers, aan den berg Climax (z. a.) of Solyma (= trap), die als vijanden der Lyciërs voorkomen. De eigenlijke Lyciërs, Lykioi, die in het dal van den Xanthus wonen, noemden zich oudtijds Termilers, Termilai, Termiles. Zij zijn van indo-germaanschen stam, met een eigenaardige beschaving. Beroemd zijn de lycische rotsgraven. De grieksche taal is er vroeg doorgedrongen. Lycia wist zijne vrijheid tegen de Lydiërs te verdedigen, doch moest voor de Perzen bukken. Later maakte het deel uit van het attische zeeverbond. Het was toen eene republiek, uit 23 bondsgemeenten bestaande (Lykion to koinon of to koinon Lykion ethnos). De zetel van het bestuur was Xanthus, aan de gelijknamige rivier. Deze staatsvorm bleef, ook onder macedonische en syrische opperheerschappij bestaan tot in 188, toen de Rom. het gewest aan Rhodus wegschonken. In 167 werd Lycia weder vrij verklaard (z. Rhodus); in 43 na C. werd het met Pamphylia tot ééne romeinsche provincie gemaakt, waarvan Myra de hoofdstad werd. In Lycia behoort het monster Chimaera te huis, welke mythe ontleend is aan den vulkaan Chimaera aan de Oostkust.

Lycides, Lykides, Athener, die voor den slag bij Plataeae tot vrede met de Perzen aanried, en daarom met vrouw en kinderen gesteenigd werd.

Lycis, -cus, Lykis, -kos, atheensch blijspeldichter, tijdgenoot van Aristophanes.

Lycius, Lykios, bijnaam van Apollo, naar zijn orakel te Patara in Lycië (Lyciae sortes).

Lycius, Lykios, Athener, zoon van Myron no. 2, beeldhouwer en bronsgieter uit ± 440.

Lycoleon, Lykoleon, atheensch redenaar, leerling van Isocrates.

Lycomedes, Lykomedes, 1) koning der Dolopers op Scyrus, aan wiens hof Achilles (z.a.) voor den trojaanschen oorlog eenigen tijd leefde. Hij doodde Theseus door hem verraderlijk van een rots in zee te werpen, daarom werd zijn eiland later door de Atheners verwoest.--2) Athener, die in den slag bij Artemisium het eerste perzische schip veroverde.--3) van Mantinea, een rijk, ondernemend en vaderlandslievend man, die na den slag bij Leuctra de vereeniging der Arcadiërs en de stichting van Megalopolis bewerkte. Om Arcadië evenzeer van thebaanschen als van spartaanschen invloed vrij te houden, trachtte hij een bondgenootschap met Athene tot stand te brengen, maar van een reis daarheen terugkeerend, werd hij door arcadische ballingen gedood (366).

Lycomidae, Lykomidai, -medai, z. Lycus no. 4.

Lycon, Lykon, 1) zoon van Hippocoön, door Heracles gedood.--2) Trojaan, door Peneleüs gedood.--3) Athener, een van de aanklagers van Socrates.--4) Achaeër, die in het leger van Cyrus den jongeren diende; op den terugtocht spoorde hij zijne landgenooten tot verzet tegen Xenophon aan, en veroorzaakte hij verdeeldheid in het leger der Grieken.--5) van Troas, leerling van Strato en gedurende 43 jaar (269-226) hoofd der peripatetische school. Om zijne welsprekendheid werd hij Glykon, dulciloquus, genoemd, en stond hij in hooge gunst hij Antigonus, Attalus en Eumenes. Zijne philosophische werken zijn verloren gegaan.

Lycophron, Lykophron, 1) van Cythera, vriend van Aias no. 2, door Hector gedood.--2) zoon van Periander. Hij was bij zijn grootvader Procles opgevoed, en van dezen vernam hij, toen hij naar zijn vaderland zou terugkeeren, dat zijne moeder door Periander vermoord was. Te huis gekomen, gaf hij aan zijn toorn hierover in bittere woorden lucht, zoodat zijn vader hem uit zijn huis joeg, en later, toen hij alle pogingen tot verzoening afsloeg, naar Corcyra liet brengen. Toen Periander echter oud werd, en L. doof bleef voor alle beden om terug te keeren, bood P. hem eindelijk de regeering aan, en beloofde hij zelf op Corcyra te gaan wonen. Dit voorstel nam L. aan, maar voordat het tot uitvoering kwam, werd hij door de Corcyraeërs, die vreesden den dwingeland bij zich te ontvangen, gedood.--3) tyran van Pherae omstreeks het einde van den peloponnesischen oorlog, die onder begunstiging der Lacedaemoniërs naar de heerschappij over geheel Thessalië streefde.--4) zwager en een van de moordenaars van Alexander van Pherae; na diens dood regeerde hij totdat Philippus van Macedonië hem verjoeg.--5) van Chalcis op Euboea, grammaticus en dichter te Alexandrië, waar hij onder Ptolemaeus Philadelphus aan de bibliotheek werkzaam was. Behalve een boek over de comoedie en een aantal treurspelen, schreef hij een nog bewaard gebleven groot iambisch gedicht, Kassandra of Alexandra, waarin hij door deze profetes een groot aantal gebeurtenissen tot den tijd van Alexander d. G. laat voorspellen. Het werk is daardoor voor mythologie en geschiedenis belangrijk, dichterlijke waarde heeft het echter niet, bovendien is het zoo moeilijk te verstaan, dat aan L. deswege, de bijnaam skoteinos gegeven werd.

Lycopolis, 1) Lykon polis, stad aan den Nijl in Thebaïs, waar eens eene aethiopische legerschaar door wolven op de vlucht zou gedreven zijn, thans Syoet, in Opper-Aegypte, ten Z. van Hermopolis magna.--2) Lykou polis, stad in de Delta.

Lycorea, Lykoreia, stad aan den Lycoreus, den naar Delphi toegekeerden top van den Parnassus.

Lycoris, eigenlijk Cytheris geheeten, danseres, minnares van den rom. dichter Cornelius Gallus, later van M. Antonius.

Lycormas, Lykormas, rivier in Aetolia = Euenus.

Lycortas, Lykortas, van Megalopolis, na den dood van Philopoemen (183) strateeg van het achaeisch verbond. Hoe verdienstelijk hij zich ook in deze betrekking maakte, konde hij toch zijn gezag niet handhaven tegen het drijven der partijen, waarvan de val van het verbond het gevolg was.--De geschiedschrijver Polybius was zijn zoon.

Lyctus, Lyktos, eene der oudste steden van Creta, ten Z.O. van Cnossus. Lyctius = cretensisch.

Lycurgus, Lykourgos, 1) zoon van Dryas, koning der thracische Edoniërs, die zich tegen de invoering van den dienst van Dionysus verzette, daarom door Zeus blind gemaakt werd en vroeg stierf.--V. a. werd hij met waanzin gestraft, zoodat hij zijn eigen zoon doodde, en daarna naar een eenzame vlakte werd gebracht, waar hij door paarden verscheurd werd.--2) zoon van Aleüs en Neaera, koning van Arcadië, die Areïthous doodde.--3) zwager van Adrastus, die met de zeven vorsten tegen Thebe optrok. Hij werd na zijn dood door Asclepius in het leven teruggeroepen.--4) zoon van Pheres, koning van Nemea, vader van Opheltes.--5) de beroemde wetgever van Sparta. Hij leefde, naar men aanneemt, in de 9de eeuw, en wordt niet zonder beteekenis de zoon van Eunomus en de vader van Eucosmus genoemd. Hij behoorde tot het geslacht der Procliden en regeerde als voogd over zijn onmondigen neef Charilaus of Leobotas, maar door verschillende partijen verdacht gemaakt, vond hij het raadzaam het land te verlaten. Na 10 jaar op Creta, in Klein-Azië en Aegypte gereisd te hebben, keerde hij naar zijn vaderland terug, waar onder de zwakke regeering van zijn neef de burgertwisten eene gevaarlijke hoogte bereikt hadden. Met goedkeuring van het delphische orakel voerde hij eene geheel nieuwe staatsregeling in, geheel gegrond op de eigenaardigheden van het dorische volkskarakter, en waarvan dan ook de voornaamste trekken in andere dorische staten teruggevonden worden. Hij verdeelde de politieke macht onder de koningen, den raad (gerousia) en de volksvergadering, schreef gelijkheid van grondeigendom, gemeenschappelijke maaltijden (syssitia) voor de burgers, strenge leefregels en eene harde, wezenlijk militaire tucht voor, en trachtte iedere verandering te beletten of te bemoeielijken door een aantal bepalingen, als het weren van vreemdelingen, het verbod om te reizen, de beperking van handel en nijverheid, enz. V. s. was de geheele wetgeving, om gemakkelijker in het geheugen geprent te kunnen worden, in korte verzen (rhetrai) vervat. Toen hij gereed was, liet hij zijne medeburgers zweren niets aan zijne wetten te veranderen, voordat hij van een reis naar het delphische orakel teruggekeerd zou zijn, en toen dit zijn werk had goedgekeurd, eindigde hij in ballingschap zijn leven. De Spartanen vereerden hem eeuwen lang als een god en als den grondlegger hunner grootheid en hunner voortreffelijkheid in den oorlog. De wetgeving van Lyc. bleef in hoofdzaak eeuwen lang in stand, en eerst na den peloponnesischen oorlog wordt de eerste gewichtige verandering er in vermeld. Z. Epitadeus. Het is echter niet aan te nemen dat de geheele maatschappelijke en staatkundige inrichting van Sparta haar ontstaan aan één persoon te danken zoude hebben, en van vele instellingen kan men met zekerheid aantoonen, dat zij van veel lateren tijd zijn dan dien, waarin Lyc. zou geleefd hebben. Door velen wordt betwijfeld, dat er iemand bestaan zou hebben, die met recht de wetgever van Sparta genoemd zou kunnen worden.--6) Athener, aanvoerder der aristocratische partij in de burgertwisten na de wetgeving van Solon.--7) Athener, zoon van Lycophron, geb. 390, trad bij het dreigende gevaar van den kant van Macedonië als een krachtig verdediger der politiek van Demosthenes en Hyperides op; vooral verwierf hij roem door zijn beheer der financiën (338-327) en door zijne bemoeiingen tot versterking der vloot. Ofschoon de eenige redevoering, die van hem overgebleven is, hem niet als een van de eerste redenaars doet kennen, werd hij onder de 10 attische redenaars opgenomen. Hij stierf in 325/4 en werd op staatskosten begraven, nadat hem reeds bij zijn leven menig eerbewijs van het dankbare volk was ten deel gevallen.

Lycus, Lykos, 1) zoon van Poseidon en Celaeno, die door zijn vader een plaats op de eilanden der gelukzaligen verkreeg.--2) zoon van Hyrieus, vluchtte met zijn broeder Nycteus wegens een moord naar Thebe, waar zij gastvrij ontvangen werden. Na den dood van Nycteus regeerde hij als voogd over Labdacus, en toen deze gestorven was, over Laïus. Z. Amphion en Antiope.--3) zoon van den vorigen of van Poseidon, vermoordde gedurende eene afwezigheid van Heracles diens schoonvader Creon, en bedreigde ook Megara en hare kinderen, toen Heracles terugkeerde en hem doodde.--4) zoon van Pandion, vluchtte voor zijn broeder Aegeus naar het land der Termilae, dat naar hem Lycië genoemd werd. Hij was de stamvader der Lycomidae of Lycomedae, een geslacht van priesters bij de eleusinische mysteriën.--5) zoon van Dascylus, koning van Mysië, die de Argonauten en Heracles gastvrij opnam. Heracles veroverde voor hem het land der Bebryces, dat naar hem Heraclea genoemd werd.--6) uit Rhegium, leefde onder Ptolemaeus I en II, schreef een werk over de geschiedenis van Libyë, verder over Sicilië en over Thebe.

Lycus, Lykos, 1) rivier in Assyria, zijtak van den Tigris, ook Zabatas genoemd.--2) rivier in Pontus, zijtak van den Iris.--3) rivier in Phrygia, die tusschen Colossae en Laodicea een eind onder den grond voortstroomt en in den Maeander valt.--4) riviertje in Bithynia, bij Heraclea.

Lydda, ta Lydda, stad in Palaestina, later Diospolis, tusschen Joppe en Jerusalem.

Lydia, Lydia, land in het W. van Asia minor, oudtijds Maeonia geheeten; later heet nog het oostelijk gedeelte, aan den Boven-Hermus, Maeonia. Lydia wordt begrensd ten N. door Mysia, ten O. door Phrygia, ten Z. door Caria, terwijl de kust met grieksche steden bezet is. Het was een zeer oude staat. Van ± 1600 tot ± 1300 heerschte, volgens de latere grieksche overlevering, de dynastie der Atyaden, daarna die der Heracliden tot ± 687, toen met Gyges, de eerste historische persoonlijkheid, de Mermnaden op den troon kwamen. Onder dit huis werden de grieksche steden op de kust onderworpen. De grootste macht en uitgebreidheid bereikte het lydische rijk onder Croesus, doch toen werd het ook in eens door Cyrus ten val gebracht en tot eene perzische provincie gemaakt. Onafhankelijk is het daarna niet meer geweest. De Lydiërs, Lydoi, vroeger Maeones, Meones, vóór de perzische verovering een krijgshaftig volk, werden kunstmatig verwijfd gemaakt. Ze hebben reeds vroeg grieksche zeden en grieksche goden overgenomen en de grieksche taal is spoedig in hun land doorgedrongen. De Grieken meenden, dat de Etruscers van lydische afkomst waren; vandaar bij Vergilius Lydi = Etruscers, Lydius Thybris = de Tiber. In Lydia behooren de mythen te huis van Tantalus en van Midas, den koning met de ezelsooren. De hoofdstad is Sardes.

Lydiadas, Lydiadas, tyran van Megalopolis, een dapper en heerschzuchtig man, legde de alleenheerschappij neder, toen hij zag dat alle tyrannen in de Peloponnesus voor het achaeisch verbond wijken moesten. Later (233) werd hij strateeg van het verbond, maar Aratus verdrong hem. Toen Cleomenes in het gebied van Megalopolis een inval deed (226), verjoeg L. hem aan het hoofd zijner ruiterij, hij waagde zich echter te ver bij het vervolgen der vijanden, werd omsingeld en gedood.

Lydias, Lydias, ook Ludias, Loudias, rivier in Macedonia, die in zijn loop het meer Borborus vormt en zich vroeger in den Haliacmon uitstortte; tegenwoordig hebben deze twee stroomen ieder een eigen monding.

Lygdamis, Lygdamis, 1) hoofd der volkspartij op Naxus, moest voor de aristocratische partij het veld ruimen. Hij hielp Pisistratus bij diens pogingen om naar Athene terug te keeren, deze ondersteunde hem later wederkeerig, en zoo gelukte het hem, zich de alleenheerschappij over Naxus te verschaffen. Na eene regeering van 15 jaar echter werd hij door de Spartanen verjaagd (525).--2) tyran van Halicarnassus, vader van Artemisia (no. 1).

Lygdamus, dichter uit den kring van Messalla, waarschijnlijk een pseudonym, z. Albii.

Lyncestis, Lynkestis, een der westelijke landschappen van Macedonia, met eene illyrische bevolking, die oudtijds eigen vorsten had uit het geslacht der Bacchiaden. De inwoners heetten Lyncestae, Lynkestai.

Lynceus, Lynkeus, 1) zoon van Aegyptus, z. Danaüs.--2) een van de Apharetidae (z.a.); hij had zulk een scherp gezicht, dat hij in het binnenste der aarde kon zien.

Lyncus, Lynkos, koning van Scythië of van Sicilië, die van Triptolemus den akkerbouw leerde. Om zich de eer van de nieuwe uitvinding toe te eigenen, wilde hij Triptolemus dooden, maar Demeter voorkwam hem, en veranderde hem in een los.

Lyra, Lyra, 1) zeer oud muziekinstrument, met 3-9 snaren bespannen, dat men met de vingers van beide handen bespeelde, of met een plectrum in de eene hand en de vingers van de andere. De uitvinding er van wordt aan Hermes toegeschreven.--2) sterrenbeeld, naar men meende de lier van Orpheus.

Lyrische poëzie, omvat in het algemeen alle gedichten, die niet tot de epische of dramatische poëzie behooren, in het bijzonder echter die gedichten, die bestemd waren onder begeleiding van muziek en dans gezongen te worden. Hiertoe behooren de melische en de chorische poëzie, waarvan de eerstgenoemde liederen bevat, die door een enkel persoon onder begeleiding van muziek voorgedragen werden, en waarin de dichter, geheel anders dan in het epos of drama, aan zijne persoonlijke gevoelens en gedachten uiting geeft, terwijl tot de andere hymnen en gezangen behooren, die bij godsdienstige plechtigheden, feesten, enz., door een koor onder het uitvoeren van reidansen werden gezongen. De melische (aeolische) poëzie bloeide in de 7de en 6e eeuw, en werd vooral door dichters van den aeolischen stam (Alcaeus, Sappho) beoefend, de chorische (dorische) was reeds in zeer ouden tijd een deel van den eeredienst en bleef lang in handen der Doriërs, totdat zij in de 7de eeuw door Stesichorus, Arion e. a. tot een hoogen trap van volmaaktheid gebracht werd en sedert overal in Griekenland beoefenaars vond (Ibycus, Simonides, Pindarus, Bacchylides).--De Rom. hebben eerst tegen het einde der republiek op dit gebied iets geleverd, hun eerste lyrische dichter is Catullus, hun voornaamste Horatius.

Lyrnessus, Lyrnessos, stad in Mysia, ten Z.O. van Adramyttium. Hier hadden de Grieken Hippodamia, de dochter van Briseus (Briseis) buit gemaakt. Zie Briseis.

Lysander, Lysandros, 1) Lacedaemoniër, werd in 407 aan het hoofd van de vloot geplaatst. Daar hij zijne macht niet tegen die der Atheners opgewassen achtte, vermeed hij een open gevecht en trachtte hij zich ten eerste in alle staten met de oligarchische partijen in betrekking te stellen. Van de goede gezindheid van Cyrus, die kort te voren als satraap aan de kust gekomen was, maakte hij gebruik om zich ruime middelen voor het onderhoud van zijn vloot te verschaffen. Daar echter na afloop van zijn ambtsjaar de toestand niet merkbaar veranderd was, en hij vreesde dat zijn opvolger Callicratidas, een man van een geheel ander karakter dan hij, zijn werk ongedaan zoude maken, liet hij dezen door zijne vrienden en bondgenooten allerlei moeielijkheden in den weg leggen. Toen Callicratidas in den slag bij de Arginusen het leven verloren had, kreeg L. weder het opperbevel, ofschoon hij volgens de wet niet voor de tweede maal den titel van opperbevelhebber (nauarchos) voeren mocht. Door Cyrus weder ruim met geld ondersteund, zoodat hij na afloop van den oorlog nog 470 talenten naar Sparta medebracht, wist hij de Atheners in den waan te brengen, dat hij het weder niet tot een slag zou laten komen; ondertusschen wachtte hij het gunstige oogenblik af, totdat hij bij Aegospotami bij verrassing de geheele atheensche vloot van 180 schepen konde nemen; 3000 gevangenen werden ter dood gebracht. Alle aziatische en thracische bondgenooten van Athene vielen nu af, overal stelde L. eene regeering van 10 mannen in, waarvoor overal personen gekozen werden, bereid om alles te doen wat hij wilde. Daarop belegerde en nam hij Athene, liet hij de muren afbreken en stelde hij de regeering der 30 in, eindelijk dwong hij ook Samus, den eenigen staat die zich nog verzette, tot overgave. L. was toen de meest gevierde man in Griekenland, zijn roem werd door dichters bezongen, en menige stad richtte voor hem een altaar op als voor een god; hij had zijn doel bereikt, en Sparta tot den eersten staat in Griekenland, zichzelf tot den eersten man in Sparta gemaakt. Maar niet alleen dat zijn geluk veel afgunst verwekte, de middelen, die hij te baat nam om zijne macht te handhaven, maakten hem algemeen gehaat; met dobbelsteenen, zeide hij, bedriegt men kinderen, met eeden mannen. Toen de 30 mannen te Athene door de atheensche ballingen bedreigd werden, en L. hen met zijn leger kwam verdedigen, bewerkte koning Pausanias een vergelijk tusschen de partijen, waarvan het herstel der democratie het gevolg was. Ook in de andere staten moesten de ephoren, ten gevolge van de luide klachten der bevolking, een einde maken aan de regeering der 10 mannen. En toen L. later de verloren macht poogde te herwinnen, terwijl hij Agesilaus, die door zijn toedoen de regeering gekregen had, op zijn veldtocht in Azië vergezelde, trad deze zoo vastberaden tegen hem op, dat L. spoedig naar Europa terugkeerde. Door Pausanias tegengewerkt en door Agesilaus gekrenkt, beraamde hij nu het plan tot eene omwenteling, ten einde het erfelijk koningschap omver te werpen en de regeering voor alle Heracliden, waartoe ook hij behoorde, toegankelijk te maken. Om zich hiervoor steun te verschaffen, deed hij reizen naar de orakels van Delphi, Dodona en Ammon, maar hij vond, naar het schijnt, nergens wat hij wenschte. Zijne plannen kwamen ook niet tot uitvoering, want inmiddels brak de corinthische oorlog uit. L. werd naar Boeotië gezonden om zich bij Haliartus met Pausanias te vereenigen, het plan mislukte, hetzij Pausanias te laat kwam, hetzij L. met overijling te werk ging, en bij een aanval op Haliartus sneuvelde hij (395).--2) ephoor ten tijde van Agis III en begunstiger van diens hervormingsplannen.

Lysanoridas, Lysanoridas, een van de spartaansche harmosten, die in 379 de Cadmea aan de Thebanen overgaven; om zich aan de zware boete te onttrekken, waartoe hij hiervoor veroordeeld werd, ging hij in ballingschap.

Lysias, Lysias, zoon van Cephalus no. 2, geb. ± 445, ging, nadat hij eene voortreffelijke opvoeding genoten had, op den leeftijd van 15 jaar naar de atheensche volkplanting te Thurii. Daar beoefende hij onder leiding van Tisias welsprekendheid en wijsbegeerte, en stond hij, gedeeltelijk ook wegens zijn aanzienlijk vermogen, in hoog aanzien. Ten gevolge van de Athene vijandige stemming, die na den ongelukkigen afloop van de expeditie naar Sicilië in Thurii opkwam, moest hij echter met zijn broeder Polemarchus en 300 anderen, allen erkende aanhangers der democratie, van daar vluchten, en keerde hij in 412 naar Athene terug. Ook daar genoot hij, evenals zijn broeder, aller achting en vermeerderden zij hun vermogen door eene fabriek van schilden, waarin 120 slaven werkten. Door de 30 werden zij echter hiervan beroofd, Polemarchus werd gedood en L. moest naar Megara vluchten, van waar hij, zooveel als zijn verminderd vermogen het toeliet, krachtig medewerkte tot herstel der democratie. Zoodra hij teruggekeerd was, klaagde hij Eratosthenes, een van de 30, aan wegens den moord van Polemarchus, en de redevoering, die hij bij deze gelegenheid hield, verwierf zoo grooten lof, dat hij besloot voortaan zijn beroep te maken van het schrijven van pleitredenen. Zijne tijdgenooten waren zoo ingenomen met zijn werk, dat hij 233 redevoeringen geschreven heeft, waarvan hij alleen de genoemde zelf hield; de nog bestaande, 34 in aantal, die echter waarschijnlijk niet alle echt zijn, munten uit door zuivere taal, duidelijkheid, en vooral door een afwisselenden stijl, die met zeldzame bekwaamheid steeds in overeenstemming gebracht is met het karakter en de omstandigheden der verschillende sprekers. Door de alexandrijnsche geleerden werd hij onder de 10 attische redenaars opgenomen. Hij bereikte den leeftijd van 80 jaar.

Lysicles, Lysikles, 1) atheensch demagoog, na den dood van Pericles met Aspasia gehuwd.--2) atheensch veldheer in den slag bij Chaeronea, op eene aanklacht van Lycurgus (no. 7) ter dood veroordeeld.

Lysicrates, Lysikrates, Athener, die als choreeg in 334 den prijs won; het door hem volgens gewoonte opgerichte gedenkteeken (choregikos tripous, z. Choragus) bestaat nog; zie de afbeelding bij Athenae, blz. 103.

Lysimachea, Lysimacheia, bij de Rom. Lysimachia, vesting door Lysimachus na de verwoesting van Cardia op de thracische Chersonesus gesticht op de plaats, waar de Hellespont in de Propontis overgaat (309). De inwoners van Cardia en Pactye en andere plaatsen in de buurt gelegen, werden hierheen overgebracht. De plaats diende als hoofdstad van zijn nieuw gesticht rijk.

Lysimachus, Lysimachos, van Pella, zoon van Agathocles, geb. omstreeks 355, generaal en later vertrouwd vriend van Alexander d. G., onderscheidde zich vooral bij den indischen veldtocht en werd bij Sangala gewond. Na den dood van Alexander kreeg hij Thracië (323), en had daar zooveel te doen met het bestrijden zijner barbaarsche buren, dat hij zich lang buiten de twisten tusschen de andere veldheeren van Alex. hield. In 316 vereenigde hij zich echter met Ptolemaeus en Seleucus tegen Antigonus, doch deze wist hem nog lang in zijn eigen land bezig te houden. In 309 stichtte hij Lysimachea (z. a.). In 306 nam hij, evenals Antigonus, Ptolemaeus e. a., den titel van koning aan. In 302 begon hij den oorlog in Azië tegen Antigonus, en hoewel hij eerst voor de overmacht van zijn vijand moest wijken, behaalde hij in het volgende jaar met Seleucus de groote overwinning bij Ipsus. Hij verstiet toen zijne eerste gemalin, Amastris (no. 2), en huwde met Arsinoë (no. 7). In 297 begon Demetrius Poliorcetes de vijandelijkheden op nieuw en in 294 moest L. hem als koning van Macedonië erkennen, doch na eene mislukte poging om de Geten te onderwerpen, waarbij hij overwonnen en gevangen genomen, maar weldra weder vrij gelaten werd, verdreef hij hem met de hulp van Ptolemaeus en Seleucus (287), gaf de regeering aan Pyrrhus van Epirus, doch ontnam hem die weder na een jaar. Toen hij nu zijn zoon Agathocles op aandrijven van Arsinoë en van Ptolemaeus Ceraunus had laten vermoorden, vielen vele bloedverwanten en getrouwen van hem af, zijn achterdocht en wreedheid verwekte allerwege ontevredenheid, en weldra was geheel Klein-Azië tegen hem in opstand. Haastig trok hij over den Hellespont om de afvalligen te onderwerpen, maar in de vlakte van Corus, Korou pedion, ontmoette hij Seleucus, tot wien de weduwe van Agathocles gevlucht was; het kwam tot een gevecht, waarin L. overwonnen werd en sneuvelde (281).

Lysimelea palus, Lysimeleia limne, meer bij Syracusae, vroeger Syraco genoemd, waarvan dan de naam der stad zou afgeleid zijn.

Lysippe, Lysippe, eene van de Proetides.

Lysippus, Lysippos, van Sicyon, eerst smidsleerling, later beroemd beeldhouwer, die vooral voor Alexander d. G. en diens omgeving werkte. Alex. wilde zich door geen ander kunstenaar laten afbeelden. De op blz. 81 afgebeelde Ares wordt voor een copie van een werk van hem gehouden. Zijn meest bekende werk is de Apoxyomenus, waarvan het Vaticaansche Museum een voortreffelijke copie bezit. Hij beeldde de menschen niet af zooals ze zijn, maar zooals ze zich voordoen, quales esse videntur.

Lysis, Lysis, 1) Athener, leerling van Socrates; een van de gesprekken van Plato is naar hem genoemd.--2) van Tarentum, pythagoreïsch wijsgeer, ging na het vernietigen van het pythagoreïsch verbond naar Thebe, en werd de leermeester van Epaminondas.

Lysistratus, Lysistratos, 1) arm Athener, betrokken in het proces der Hermocopiden, hij werd ter dood veroordeeld, maar vluchtte.--2) beroemd beeldhouwer, broeder van Lysippus.

Lysius, Lysios = Lyaeus.

Lystra, Lystra, stad in Isauria, ten Z. van Iconium.

Lyttus = Lyctus.

M.

Macae, Makai, naam van twee volksstammen: op de arabische kust der Perzische golf en op de libysche kust tusschen de Syrten.

Macar, Macareus, Makar, Makareus, 1) een van de Heliadae (z. a.), vluchtte na den moord van Tenages naar Lesbus.--2) broeder van Canace (z. a.).--3) een van de tochtgenooten van Odysseus.--4) een van de Lapithen op de bruiloft van Pirithous.

Macareis, Issa, dochter van Macar no. 1, beminde van Apollo.

Macaria, Makaria, dochter van Heracles en Deïanira, vluchtte met hare broeders uit de Peloponnesus naar Attica, en beroofde zich vrijwillig van het leven, toen Eurystheus hen vervolgde, omdat een orakel op die voorwaarde aan de Heracliden de overwinning beloofd had.

Macaria, Makaria, oude naam van zeer vruchtbare eilanden, als Lesbus, Rhodus, Cyprus. Ook elders dragen vruchtbare streken dezen naam, o. a. de vlakte van Messenia, die door de rivier de Pamisus doorstroomd wordt.

Maccabaei, een joodsch geslacht, onder welks leiding de Joden zich ten tijde van Antiochus IV van de syrische heerschappij bevrijdden, en dat gedurende meer dan eene eeuw de regeering in handen had (167-40). De laatste der M. werd door Herodes gedood.

Maccus, een soort van domme Pierrot in de fabulae Atellanae.

Macedonia, Makedonia. De bakermat van het macedonische rijk is te zoeken in het landschap Emathia, ten W. van den Axius (Vardar). Hierdoor vindt men den naam Emathia ook voor Macedonia gebruikt. Hoewel de macedonische koningen de omliggende volken aan hun heerschappij trachtten te onderwerpen, bleef Macedonia toch een onbeteekenende staat tot aan de troonsbeklimming van Philippus II in 360. Deze vergrootte zijn rijk met Paeonia, een deel van Thracia en met het gebied der grieksche volkplantingen langs de kust en op Chalcidice, en maakte van Maced. in de 24 jaren zijner regeering eene machtige zee- en landmogendheid, die den Grieken de hegemonie afdwong. Zijn zoon Alexander de Gr. zette de veroveringen op nog grooter schaal voort. In het tijdperk der diadochen werd Maced. wel tot het europeesche gedeelte van het groote rijk beperkt, doch bleef toch een machtige staat, totdat de oorlog, door Philippus III tegen de Rom. gevoerd (200-197) het in eens van Rome afhankelijk maakte. Onder zijn zoon Perseus (179-168) werd het geheel een buit der Rom., die het voorloopig in vier republieken splitsten (Amphipolis, Thessalonica, Pella, Pelagonia), totdat het in 146 formeel tot rom. provincie werd gemaakt. De eigenlijke Macedones waren Grieken, die echter in hun ontwikkeling teruggebleven waren, daar ze door niet-grieksche, thracische en illyrische, stammen omgeven waren. Ze werden derhalve door de overige Grieken met minachting als barbaren beschouwd.

Macella, kleine vesting in het W. van Sicilia, in het binnenland ten N. van Entella gelegen.

Macellum (van makellon, omheining), overdekte marktplaats voor eetwaren te Rome. Er waren er twee: macellum Liviae op den Esquilijnschen, macellum magnum op den Caelischen berg. Ook in Pompeii heeft men een macellum opgegraven, waarvan de afbeelding op pg. 382 een voorstelling geeft.

Macer, naam van twee rom. dichters. De een, Aemilius Macer, uit Verona, gest. 16, een vriend van Vergilius en Ovidius, vertaalde in latijnsche verzen de dichtwerken van den arts Nicander (2de eeuw) van Colophon. De ander, C. Licinius Macer Calvus (82-48), was lierdichter en een vriend van Catullus. Zie verder Licinii no. 6. Verder maakt Ovidius nog melding van een vriend Macer, vervaardiger van epische gedichten.

Macestus, Makestos, rivier in Mysia, die zich met den Rhyndacus vereenigt.

Machaerus, Machairous, sterke grensvesting van Palaestina, in het Z. van Peraea, ten O. der Doode Zee. Hier heeft Johannes de Dooper gevangen gezeten.

Machanidas, Machanidas, Spartaan, die zich in 210 van de alleenheerschappij meester maakte en wreed regeerde; na drie jaar viel hij in een strijd tegen het achaeïsch verbond (207).

Machaon, Machaon, zoon van Asclepius en Epione, met zijn broeder Podalirius aanvoerder van eenige thessalische volken in den oorlog tegen Troje, waarin hij den dood vond. Zijne beenderen werden door Nestor naar Griekenland medegenomen, en bij Gerenia vond men zijn graf met een heiligdom.--Beide broeders waren vooral beroemd als geneesheeren, en de naam van M. wordt soms spreekwoordelijk voor een bekwaam geneesheer gebruikt.

Machlyes, Machlyes, 1) een libysche stam aan de kleine Syrte, ten Z. van de Tritonzee.--2) een scythische stam aan de palus Maeotis (zee van Azow).

Macistus, Makistos, stad in het elische landschap Triphylia. Ook een gebergte op Euboea.

Macra, Makres, grensriviertje tusschen Liguria en Etruria, valt bij Luna in de Ligurische zee. Oudtijds was het met den Rubico de Noordgrens van het eigenlijk Italië.

Macri campi, vlakte tusschen Parma en Mutina (Modena) in Gallia Cisalpina.

Macrinus (M. Opellius), eerst jurist, later praefectus praetorio onder Caracalla, vernam bij toeval, dat de keizer hem uit den weg wilde ruimen en liet toen heimelijk Caracalla ombrengen (217 n. C.). Het leger keurde de verheffing van Macrinus op den troon goed. Deze nam zijn jeugdig zoontje Diadumenianus tot medekeizer aan. Na eene niet zeer roemrijke regeering van 14 maanden (217-218) werden vader en zoon door de oproerige troepen vermoord.

Macro (Naevius Sertorius), praefectus praetorio onder Tiberius, opvolger van Seianus, bracht in 37 na C. Tiberius om, doch werd met zijne vrouw Ennia door Caligula uit den weg geruimd (38).

Macrobii, Makrobioi, aethiopische volksstam langs den Z. oceaan.

Macrobius (Ambrosius Theodosius), rom. taalgeleerde (± 400 na C.), van wien nog twee werken aanwezig zijn: Saturnalia convivia, in 7 boeken, en Commentarii in Somnium Scipionis, in 2 boeken.

Macrones, Makrones, machtige stam aan de Z. kust van de Zwarte Zee, in het O. van Pontus, tusschen de Mosynoeci en de Moschi.

Mactorium, Maktorion, stad in het Z. van Sicilia, ten N. van Gela.

Madaura of -rus, Madouros, stad in Numidia, ten Z.O. van Tipasa, geboorteplaats van den schrijver L. Appuleius.

Madena, distrikt van Armenia Minor.

Maduateni, thracische stam aan den Haemus.

Madytus, Madytos, havenstad van de thracische Chersonesus, aan den Hellespontus.

Maeander, Maiandros, rivier in Asia minor, ontspringt in het Z. van Phrygia bij Celaenae, loopt met tallooze kronkelingen door Caria en Ionia en valt tegenover Miletus in zee. De stroomgod is de grootvader van Caeneus, die dan ook Maeandrius iuvenis wordt geheeten.

Maeandrius, Maiandrios, regeerde na den dood van Polycrates (522), wiens geheimschrijver hij geweest was, eenigen tijd over Samus, toen echter na korten tijd Syloson door de Perzen teruggebracht werd (omstreeks 516), vluchtte M. naar Sparta, waar men hem wegens de schatten, die hij had medegebracht, gevaarlijk achtte en hem het verblijf in de stad verbood.

Maecenas, zie Cilnii.

Maecius Tarpa (Sp.), kunstcriticus van grooten naam, wien door Augustus de beoordeeling en keus der op te voeren tooneelstukken werd opgedragen.

Maedi, Maidoi, thracische volksstam aan den Strymon.

Maelii, plebejisch geslacht te Rome. 1) Sp. Maelius, rom. ridder, had in den hongersnood van 440 op groote schaal uitdeelingen van koren onder de onvermogenden gehouden. De patriciërs, naijverig op de genegenheid van het volk, beschuldigden hem van opruiing en eerzuchtige bedoelingen. Op zijne weigering, om voor het gerecht te verschijnen, werd hij door C. Servilius Ahala, mag. equitum van L. Quinctius Cincinnatus, die tot dictator seditionis sedandae causa benoemd was, op het forum doodgestoken (439). Het vermogen van Maelius werd verbeurd verklaard en zijn huis met den grond gelijk gemaakt; de open plek hierdoor ontstaan, kreeg den naam van Aequimaelium. Volgens een oudere lezing van het verhaal stak C. Servilius Ahala als ambteloos burger op straat Sp. Maelius dood, omdat deze naar de alleenheerschappij streefde. Het verhaal, waarvan alleen historisch is de terechtstelling van Maelius en het neerhalen van zijn huis, heeft, door het sanctionneeren van den tyrannenmoord, op de latere geschiedenis (men denke aan de vermoording van Caesar) ingewerkt.--2) Sp. Maelius, volkstribuun in 436, vervolgde den bovengenoemden Servilius Ahala, die den gepleegden moord met ballingschap moest boeten.--3) Q. Maelius, was een der twee volkstribunen, die in 321 in de bergengte van Caudium den vrede met de Samnieten hielpen sluiten en hierom met de beide consuls werden uitgeleverd.

Maelo, vorst der Sygambri, deed in 12 een inval in Gallia, maar werd door Drusus teruggedreven. Zie Claudii no. 26.

Maemacterion, Maimakterion, 5de maand van het Attische jaar (Nov.-Dec.), z. Annus.

Maemactes, Maimaktes, bijnaam van Zeus als god der stormen; te zijner eer werden in de maand Maemacterion de Maemacteria gevierd.

Maenades, Mainades, = Bacchae.

Maenalia, Mainalia, landstreek in Arcadië, ten W. van den berg Maenalus.

Maenalius, Mainalios, bijnaam van Pan, naar het gebergte Maenalus, waar hij zich bij voorkeur ophield.

Maenalus, Mainalon oros, berg en stad in het binnenland van Arcadia, ten ZW. van Mantinea, geliefkoosd verblijf van den god Pan. Bij dichters: Maenalius deus = Pan, Maenalius = arcadisch, Maenalis ursa = Callisto, Maenalii versus = herderszangen.

Maenia (columna), zie columna Maenia.

Maenia (lex), waarschijnlijk ± 287, v.a. van ± 300, ut in incertum comitiorum eventum patres auctores fierent, d.w.z. dat de patricische leden van den senaat (zie patres) vooraf de keuzen van de volksvergadering, hoe die ook mochten uitvallen, moesten bekrachtigen. Hierdoor werd de patrum auctoritas niet afgeschaft, maar tot een formaliteit gemaakt. Zie ook Publiliae (leges) no. 2.

Maenia (Menenia) (lex) agraria van den volkstribuun M. Maenius (Menenius), ging niet door, daar zijne ambtgenooten er tegen waren (410). Daar leges agrariae in werkelijkheid zoo vroeg niet voorkomen, is hoogst waarschijnlijk ook deze wet, evenals de lex Cassia (zie agrariae leges), verzonnen.

Maenia (of Menenia) Duilia (lex), zie Fenus.

Maenianum, balkon aan de voorzijde van een huis, genoemd naar C. Maenius, die als censor in 318 de gebouwen aan het forum van balkons voorzag, om bij openbare feesten meer toeschouwers te kunnen bergen.

Maenii, plebejisch geslacht. In 482 en 410 komen Maenii onder de volkstribunen voor met pogingen om ook de plebs aandeel aan den ager publicus te verschaffen. De eerste historische persoonlijkheid is C. Maenius, die in 338, als consul met L. Furius Camillus (Furii no. 12), voorspoedig streed tegen de opgestane Latijnen, vooral tegen Antium. In 320 was hij dictator; in 314 werd hij weder tot dictator gekozen om eene samenspanning te Capua te onderzoeken. Toen hij echter zijn onderzoek ook tot Rome wilde uitbreiden, verzette zich de adel, waarop hij zijn ambt neerlegde en zich aan een rechterlijk onderzoek onderwierp, dat glansrijk voor hem afliep. Men vertelt, dat ter eere zijner overwinning op de Antiaten de columna Maeniana (z. a.) op het forum is opgericht. Zie ook maenianum. In de eerste helft der 2de eeuw moet er te Rome een gek en verkwister geleefd hebben met name Maenius, over wien Horatius spreekt.

Maeon, Maion, de aanvoerder der 50 Thebanen, die Tydeus een hinderlaag legden en allen door dezen verslagen werden. M. liet hij echter op bevel van een orakel in leven.

Maeonia, Maionia, oude naam van Lydia (z. a.) en dientengevolge ook dichterlijk = Etruria.

Maeonides, Maionides, wordt Homerus soms genoemd als zoon van Maeon of als Lydiër (Maeoniër).

Maeonis, lydische (maeonische) vrouw, bijv. Omphale, Arachne.

Maeotis palus, Maiotis limne, thans zee van Azow. De omwonende scythische stammen werden met den algemeenen naam Maeotae aangeduid.

Maera, Maira, 1) de hond van Erigone, z. Icarius.--2) dochter van Proetus, jachtgezellin van Artemis; zij werd bij Zeus moeder van Locrus en werd daarom door Artemis gedood.--3) dochter van Atlas, gehuwd met Tegeates, den zoon van Lycaon.

Maesesses = Melesses.

Maevius, zie Bavius.

Magaba, berg in Galatia, tusschen Ancyra en den Halys, waar Cn. Manlius Vulso in 189 de Tectosages versloeg.

Magas, Magas, stiefzoon van Ptolemaeus I, werd door dezen tot stadhouder over Cyrene aangesteld, doch maakte zich onafhankelijk (280), en wist zich ook tegen Ptolemaeus II te handhaven. Hij stierf in 258. Zie ook Apama no. 2.

Magdolum, Magdolon, Magdolon, stad in Beneden-Aegypte, ten Z.Z.W. van Pelusium.

Mageddo = Megiddo.

Magetobriga, stad der Sequani in Gallia Transalpina.

Magi, Magoi, een medisch geslacht van priesters, droomuitleggers en orakelduiders, die ook in het staatkundige grooten invloed uitoefenden. Toen de heerschappij van de Mediërs op de Perzen overging, bleven de Magi hunne waardigheden behouden.

Magii, plebejisch geslacht uit Campania.

Magister admissionum, onder de latere keizers de opperkamerheer, die belast was met de toelating en ontvangst ter audiëntie bij den keizer.

Magister equitum, zie dictator.

Magister officiorum, hofmaarschalk van de keizerlijke hofhouding. Deze post behoorde tot de hooge hofambten, door Constantijn den Gr. ingesteld.

Magister populi, oude titel voor den dictator, als aanvoerder van het voetvolk.

Magister scriniorum, hoofd der keizerlijke kanselarij. Zie Scrinium.

Magna Mater, z. Rhea Cybele.

Magnentius (Flavius Magnus), rom. tegenkeizer in het W. des rijks, ontrukte den troon aan Constans, die in 350 na C. vermoord werd, doch werd door Constantius II bij Sirmium in 352 verslagen en benam zichzelf in 353 na C. te Lugdunum (Lyon) het leven.

Magnes, Magnes, een van de attische blijspeldichters vóór Aristophanes, wiens werken dikwijls den eersten prijs behaalden.

Magnesia, Magnesia, 1) oostelijk gedeelte van Thessalia, eene betrekkelijk smalle strook lands; uitloopende in een landtong, die de golf van Pagasae als het ware omarmt. De inwoners heetten Magnetes, Magnetes.--2) stad in Lydia, aan den voet van den berg Sipylus gelegen en daarom Magnesia ad Sipylum genoemd. Hier werd Antiochus III van Syria door L. Cornelius Scipio Asiaticus (Cornelii no. 14) in 190 verslagen.--3) stad in het lydisch-carische grensdistrikt, nabij den Maeander, ten Z.O. van Ephesus, met een beroemden tempel van Artemis. Dit Magnesia was eene der drie steden, waarvan Artaxerxes de inkomsten aan Themistocles toewees.

Magnum promunturium, kaap aan den mond van den Tagus, thans kaap Espichel, ook een kaap in Mauretania Caesariensis, dicht bij Siga.

Magnus portus, 1) haven in Gallaecia, thans baai van Corunha.--2) haven in Mauretania, thans Oran.

Mago, Magon, naam van verschillende carthaagsche staatslieden en veldheeren, waaronder vooral drie merkwaardig zijn: 1) Mago de Groote, ± 550-500, beroemd staatsman, die de grondslagen legde tot Carthago's grootheid en ook als generaal lauweren verwierf.--2) schrijver van een groot werk over den landbouw, dat later op last van den rom. senaat in het Latijn werd vertaald.--3) jongere broeder van Hannibal, die met dezen naar Italia toog en na den slag bij Cannae naar Carthago werd gezonden om het bericht over te brengen en versche troepen te halen. Hij werd echter naar Hispania gezonden ter ondersteuning van zijn broeder Hasdrubal. In 205 stak hij onverwachts van Gades in Spanje, dat hij moest ontruimen, naar Liguria over en veroverde Genua, doch werd in 203 in het gebied der Insubres verslagen, en toen hij in Genua terugkwam, kreeg hij daar het bevel, naar Carthago terug te keeren. V. s. stierf hij onderweg aan zijn wonden of door schipbreuk, v. a. leefde hij in 193 nog.

Magontiacum = Mogontiacum.

Maharbal, veldheer van Hannibal, die hem na den slag bij Cannae trachtte te overreden om rechtstreeks naar Rome op te trekken.

Maia, Maia, Maias, 1) dochter van Atlas en Pleione, de oudste der Pleiaden, bij Zeus moeder van Hermes.--2) italiaansche godin, soms ook Maiesta genoemd. Zij is de gemalin van Vulcanus, maar wordt later dikwijls met de grieksche Maia verward. De maand Mei was naar haar genoemd, en op den 1sten van die maand bracht de priester van Vulcanus haar een offer.

Maiesta = Maia no. 2.

Maiorianus (Flavius Iulianus), een der laatste keizers van het west.-rom. rijk, 457-461 na C. Hij roeide vele misbruiken uit, waardoor hij zich onder de ambtenaren vele vijanden maakte. Toen nu een oorlog tegen den vandaalschen koning Geiserik ongelukkig afliep, werd het leger onder den Sueef Ricimer tot opstand overgehaald en Maiorianus tot afstand gedwongen. Hij stierf weinige dagen later aan eene plotselinge ziekte. Het rijk verloor in hem een edel en doortastend vorst.

Makaron nesoi, ver afgelegen eilanden, waar de heroën, evenals in het Elysium, na driemaal op aarde zonder zonde geleefd te hebben, onder de regeering van Cronus een gelukzalig leven leiden. Zie ook Fortunatae insulae.

Makednoi, dorische stam, eerst tijdens Deucalion in Phthiotis, later aan den Pindus.

Malaca, Malaka, phoenicische kol., later rom. municipium in Hispania Baetica, thans Malaga.

Malchus, Malchos, 1) carthaagsch veldheer, ± 600-550, had eerst op Sicilië en Sardinië groote veroveringen gemaakt, en is daardoor de eigenlijke grondlegger geworden van de macht van Carthago, maar toen hij later op Sardinia eene groote nederlaag geleden had, werd hij uit Carthago verbannen. Hij trok toen tegen Carthago te velde, nam het in, en liet een aantal senatoren ter dood brengen. Later werd hij zelf ter dood veroordeeld, omdat hij naar de monarchie streefde. Het verhaal is eenigszins verward, maar toont in elk geval aan, dat het leger toen nog uit Carthagers bestond, en geen huurleger was.--2) koning der Nabataeërs, bondgenoot van Caesar in den alexandrijnschen oorlog.--3) uit Philadelphia no. 2, geschiedschrijver uit de 5de eeuw n. C., die het werk van Priscus no. 2 (z. a.) tot 480 n. C. voortzette.--4) = Porphyrius (z. a.).

Malea, Malea, 1) kaap aan de Zuidoostkust van het eil. Lesbus.--2) Z.O. punt van de Peloponnesus, thans kaap S. Angelo, die moeielijk was om te varen wegens de stroomingen en riffen.

Maleventum, vroegere naam van Beneventum.

Maliades, Malides, Maliades, Malides, nimfen, die kudden en vruchtboomen beschermen.

Malis, Malis, een klein landschap aan de Malische golf, sinus Maliacus, een N.W. inham der Euboeïsche golf. De inwoners heetten Malienses, Malies.

Malli, Malloi, indisch volk aan den Hydraotes, een der zijrivieren van den Indus.

Mallii, rom. geslacht, dat geene beroemde personen heeft opgeleverd. Bekend is slechts geworden de onbekwame consul Cn. Mallius Maximus, die in 105 met den proc. Q. Servilius Caepio (Servilii no. 15) den slag bij Arausio tegen de Cimbren verloor. Zie ook Manlii no. 15.

Malloea, Malloia, vesting in het thessalische landschap Perrhaebia.

Mallus, Mallos, oude stad van Cilicia nabij den Pyramus.

Maluginensis, familien. in de gens Cornelia.

Mamercinus, familien. in de gens Aemilia.

Mamercus, een oscische voornaam, dien wij alleen nog in de gens Aemilia aantreffen.

Mamertini, zonen van Mamers of Mars, campaansche huurtroepen (zie Campania) in dienst van Agathocles, na diens dood (289) uit Syracusae verdreven, nestelden zich toen in Messana, van waar zij strooptochten deden. Door de Syracusanen in het nauw gebracht, riepen de Mam. Carthagers en Rom. te hulp, hetgeen de aanleiding werd tot den eersten punischen oorlog. Messana komt vervolgens officieel voor onder den naam civitas Mamertinorum. Onder het stadhouderschap van Verres speelde de stad de rol van handlangster.

Mamertinus (Claudius), de schrijver van een dankrede aan keizer Iulianus (gratiarum actio de consulatu suo Iuliano Imp.), gehouden in 362 n. C. Hij was door Iulianus benoemd tot comes sacrarum largitionum, minister van finantiën, en later tot praefectus praetorio Illyrici et Italiae.

Mamilia (lex) van den volkstribuun C. Mamilius Limetanus, tot instelling van een gerechtelijk onderzoek tegen hen, die zich door Jugurtha hadden laten omkoopen (109).

Mamilii, rom. geslacht, uit Tusculum afkomstig. 1) Octavius Mamilius, te Tusculum, schoonzoon van Tarquinius Superbus, verleende hem na diens verdrijving hulp en sneuvelde bij het meer Regillus, evenals zijn zoon.--2) L. Mamilius Tusculanus, dictator van Tusculum, had den Romeinen hulp verleend, toen de Sabijn Herdonius in 460 bij een nachtelijken overval het Capitool vermeesterd had. Hiervoor kreeg L. Mamilius het rom. burgerrecht.--3) Q. Mamilius Vitulus, consul in 262, veroverde Agrigentum op de Puniërs.--4) C. Mamilius Limetanus, zie Mamilia (lex).

Mammaea (Iulia), moeder van keizer Alex. Severus (Severi no. 2), voor wien zij wegens zijne jeugd in den beginne als regentes optrad en met beleid het bewind voerde.

Mamurius Veturius, metaalwerker uit Etruria. Zie ancile.

Mamurra, rom. ridder van geringe afkomst, maar die onder Caesar in Gallia zijn fortuin had gemaakt en vervolgens te Rome door zijne houding en buitensporige levenswijze aanstoot gaf. Hij was uit Formiae, dat hierom door Horatius spottend urbs Mamurrarum wordt genoemd.

Mancinus, familienaam in de gens Hostilia.

Mancipatio, is de plechtige overdracht per aes et libram van eene zaak in tegenwoordigheid van 5 getuigen en een libripens. De kooper nam met een zeker formulier de zaak over en sloeg met een muntstuk (raudusculum) tegen de weegschaal. Zulk een mancipatio werd wettelijk gevorderd bij den verkoop van res mancipi. De geheele vorm was eene nabootsing van een verkoop uit den ouden tijd, toen het geld nog werd afgewogen. Deze handeling per aes et libram had ook plaats bij den huwelijksvorm door coëmptio en bij de emancipatio.

Mancipi (res). Tot de res mancipi behoorden volgens Ulpianus: praedia in Italico solo, tam rustica, qualis est fundus, quam urbana, qualis domus; item iura praediorum rusticorum, velut via, iter, actus, aquaeductus; item servi et quadrupedes, quae collo dorsove domantur, velut boves, muli, equi, asini. Van de genoemde iura of servituten beteekent iter het recht te voet of op een rijdier over eens anders grond te gaan, via, er met een voertuig over te rijden, actus, er vee over te drijven, aquaeductus, er water over te leiden. Zie verder servitus no. 1. Ulpianus voegt er nog bij, dat olifanten en kameelen, quamvis collo dorsove domentur, geene res mancipi zijn, daar zij tot de bestiae behooren. Res mancipi nu konden in rom. eigendom overgaan door in iure cessio, afstand ten overstaan van den praetor, door gerechtelijke toewijzing of adiudicatio of door eene wet, door erfenis en door mancipatio (z. a.). Was er in plaats van de vormelijke mancipatie eene eenvoudige traditio of overgave van hand in hand gebezigd, dan gaf dit geen wettigen rom. eigendomstitel of dominium. Zooals echter bij het artikel ius honorarium is aangewezen, kon de praetor toestaan, res mancipi te bezitten, in bonis habere. Door verjaring, usucapio, d. i. door ongestoord bezit van roerende goederen gedurende één jaar, van onroerende gedurende twee jaren, kon men dan toch het dominium verwerven.

Mancipium, 1) = mancipatio.--2) het voorwerp der mancipatie, vooral slaven, ook lasten trekdieren.--3) de betrekking van afhankelijkheid, waarin vrijen gebracht waren door mancipatie, zooals b.v. de pater fiduciarius verkreeg bij de emancipatio (z. a.) en zooals de pater naturalis nog slechts over zijn zoon behield, wanneer deze na den derden schijnverkoop weder aan hem werd teruggegeven. Of wel, wanneer volgens het oudste schuldrecht iemand in de macht van den schuldeischer was overgegaan. Een vrije, die in mancipio was, was wel servi loco, maar daarom nog geen servus.

Mandane, Mandane, dochter van Astyages, moeder van den ouden Cyrus.

Mandela, sabijnsch dorpje nabij het landgoed van den dichter Horatius.

Mandonius, een Hispaniër, broeder van Indibilis. Hij speelde dezelfde rol van herhaalde onderwerping en afval, tot hij gedood werd (206).

Mandrocles, Mandrokles, van Samus, beroemd bouwmeester, die voor Darius Hystaspis, toen deze tegen de Scythen optrok, een brug over den Bosporus legde; ter gedachtenis hieraan liet hij in den tempel van Hera op Samus een schilderij ophangen, die den tocht van het leger over de brug voorstelde.

Mandropolis, Mandropolis, stad in het Z. van Phrygia.

Mandubii, Mandoubioi, volk in Gallia ten W. van de Lingones. Tot hun gebied behoorde Alesia (Alise-Ste-Reine), waar Vercingetorix door Caesar belegerd werd.

Manduria, Mandyrion, stad der Sallentini in Calabria, aan den weg van Tarentum naar Hydruntum (Otranto). Hier sneuvelde de spartaansche koning Archidamus III in 338 tegen de Lucaniërs en Messapiërs, toen hij Tarentum te hulp kwam. In 209 werd de stad door den consul Q. Fabius Maximus Verrucosus (Fabii no. 16) veroverd.

Maneros, Maneros, zoon van den eersten koning van Aegypte, die jong stierf en, evenals Adonis, Linus e. a. in klaagliederen herdacht werd.

Manes, bij de Rom. de geesten der afgestorvenen, als goden gedacht (dii Manes). Zij wonen in de onderwereld en komen, behalve op bepaalde tijden, alleen dan op aarde, wanneer de levenden hen vergeten of verzuimen hun de verschuldigde offers te brengen. Deze offers bestonden uit koren, zout, wijn, melk, enz.--Te hunner eer vierde men den 21sten Februari het algemeene doodenfeest Feralia, waarbij de tempels van alle goden, die niet tot de onderwereld in betrekking stonden, gesloten waren.

Manetho, -thos, Manethon, -nethos, aegyptisch priester te Heliopolis, leefde onder Ptolemaeus Philadelphus. Onder zijne talrijke geschied-, natuur- en sterrenkundige werken behoorde ook eene geschiedenis van Aegypte (Aigyptiaka) van de oudste tijden tot Alexander d. G., waaruit o. a. eene volledige chronologische lijst van aegyptische koningen bewaard gebleven is. Zijne overige geschriften zijn alle verloren.

Mania, volgens de Romeinsche geleerden de moeder der Lares; ze heeft echter nooit vereering genoten. Haar naam is waarschijnlijk afgeleid van de maniae, poppen, die op de Compitalia aan de compita en voor de huisdeuren werden opgehangen.

Maniai heetten de Erinyes in sommige deelen van Griekenland, als godinnen, die door hare vervolgingen tot razernij drijven.

Maniliae (leges), van den volkstribuun C. Manilius in 66. 1) de libertinorum suffragiis, dat de vrijgelatenen in de tribus van hunne patroni, en dus in alle tribus zouden mogen stemmen, in plaats van in 4. Deze wet werd door den senaat ongeldig verklaard. Z. Manlia (lex) de libertinorum suffragiis.--2) de imperio Cn. Pompei, dat het voeren van den mithradatischen oorlog aan Pompeius zou worden opgedragen.

Manilianae (leges) venalium vendendorum, geene wetten, maar formulieren voor koop en verkoop, opgesteld door den kundigen jurist M'. Manilius, consul in 149.

Manilii, plebejisch geslacht, waarvan de meest bekende leden zijn: 1) M'. Manilius, consul in 149, ontving het bevel over het leger, dat tegen Carthago werd afgezonden, doch kon niets uitrichten, evenmin als zijn ambtgenoot L. Marcius Censorinus. Hij was met Laelius en Scipio bevriend en een scherpzinnig rechtsgeleerde, die gaarne adviezen gaf en ook rechtsgeleerde boeken schreef. Zie ook leges Manilianae.--2) C. Manilius, volkstribuun in 66 (zie leges Maniliae) is het meest bekend door Cicero's verdediging van het wetsontwerp de imperio Cn. Pompei. In het volgend jaar verdedigde Cicero hem zelf in een proces.--3) Manilius, rom. dichter ten tijde van Augustus, dichter eener Astronomica, die nog over is.--4) L. Manilius, z. Manlii no. 15.

Manimi, een stam der Ligii in O. Germania, tusschen Viadua (Oder) en Vistula (Weichsel).

Manipulus, eene afdeeling van twee centuriën soldaten, zie cohors. Volgens de afleiding der ouden zou de standaard van den manipel (zie vexillum) in den beginne bestaan hebben uit een handvol hooi aan een staak gebonden. De latere vexilla der manipels hebben boven op den stok een uitgestrekte hand.

Manlia (lex) de vicesima manumissionum, tot invoering eener belasting van 5%, door slaven, die vrijgelaten werden, van hunne marktwaarde te betalen. De voorsteller dezer wet, de consul Cn. Manlius Capitolinus Imperiosus (357) (Manlii no. 9), riep hiertoe de tribuutcomitiën bijeen, niet te Rome, maar in zijne legerplaats bij Sutrium. De volkstribunen echter namen maatregelen, dat dit niet ten tweede male gebeuren kon.

Manlia (lex) de libertinorum suffragiis, van een volkstribuun Cn. Manlius in 58. Misschien is dit wel de lex Manilia van 66. Cn. Manlius wordt ook wel C. Manlius of Manilius genoemd.

Manlii, rom. geslacht met patricische en plebejische takken. Voor Manlius vindt men ook wel Mallius geschreven. 1) A. Manlius Vulso, consul in 474, dwong de Vejenten tot het sluiten van een veertigjarig bestand.--2) A. Manlius Vulso Capitolinus, consulairtribuun in 405 en 402, beproefde in het laatste jaar te vergeefs Veji te vermeesteren.--3) L. Manlius Vulso Longus, consul in 256, trok met zijn ambtgenoot M. Atilius Regulus naar Africa. Na eerst de Carthagers bij Ecnomus te hebben verslagen, en Clupea te hebben bezet, keerde Vulso naar Rome terug, terwijl Regulus in Africa bleef. In zijn tweede consulaat (250) belegerde hij met zijn ambtgenoot C. Atilius Regulus tevergeefs de stad Lilybaeum op Sicilia.--4) Cn. Manlius Vulso, consul in 189, overwon de Galatiërs en sloot den vrede met Antiochus III van Syria.--5) A. Manlius Vulso, consul in 178, oorloogde minder gelukkig. De Histri maakten zich van zijn legerkamp aan den mond van den Timavus meester, maar werden daarna verslagen.--6) M. Manlius Capitolinus, consul in 392, redde in 389 het Capitool van eene nachtelijke overrompeling door de Galliërs. Het cognomen Capitolinus heeft hij echter niet om deze daad, zooals men wel eens aanneemt, maar omdat hij op het Capitool (de arx) woonde. In 385, toen de schulden der plebejers weder zeer hoog gestegen waren, offerde Manlius een groot deel van zijn vermogen op om plebejers uit de schuldgevangenschap vrij te koopen. De adel beschuldigde hem van verkeerde bedoelingen, doch de houding van het volk boezemde vrees in, en Manlius werd vrijgesproken. Of hij hierna werkelijk plannen tot oproer heeft voorbereid, is niet duidelijk. In eene volksvergadering te Rome werd hij wederom vrijgesproken, doch in eene tweede buiten Rome in een bosch gehouden, wegens hoogverraad veroordeeld. Hij werd van de tarpejische rots geworpen, zijn huis verwoest en de voornaam Marcus in de gens Manlia afgeschaft (384). Van dit geheele verhaal is alleen historisch het feit van Manlius' veroordeeling wegens het streven naar de koninklijke macht, de verwoesting van zijn huis, waarvan de grond later aan Iuno Moneta gewijd werd, en het afschaffen van den voornaam Marcus in de gens Manlia. Het verhaal van de ondragelijke schulden der plebejers is eerst in den bondgenootenoorlog ontstaan, toen dergelijke toestanden werkelijk bestonden. Zijn broeder A. Manlius Capit. was bij herhaling consulairtribuun.--7) P. Manlius Capitolinus, in 367 te midden der twisten over de licinisch-sextische wetsvoorstellen tot dictator benoemd, toonde zich tegen verwachting jegens deze voorstellen niet vijandig.--8) L. Manlius Capitolinus Imperiosus, aldus bijgenaamd om zijne gestrengheid, dictator in 363 clavi figendi causa, wilde ook eene lichting houden, waarvoor hij niet benoemd was, en ontging met moeite eene veroordeeling.--9) Cn. Manlius Capit. Imper., zoon van no. 8, consul in 359 en 357, censor in 351; z. Manlia (lex) de vicesima manumissionum.--10) T. Manlius Imper. Torquatus, ook een zoon van no. 8, was een uitstekend veldheer, doch een man van een woest en streng karakter. In een tweegevecht met een reusachtigen Galliër in den oorlog van 361 maakte hij diens gouden halsketen buit en werd sedert Torquatus genoemd. Hij was consul in 347, 344 en 340. In zijn derde consulaat behaalde hij door de zelfopoffering van P. Decius Mus eene schitterende overwinning op de Latijnen bij den Vesuvius, doch liet zijn zoon, die tegen zijns vaders bevel met een uittartenden vijand een strijd had aangevangen en hem verslagen had, ter dood brengen. Vandaar de bekende uitdrukking Manliana imperia. Het verhaal omtrent den slag bij de Vesuvius schijnt verzonnen, daarentegen heeft T. Manlius de Latijnen in 340 bij Trifanum, tusschen Sinuessa en Minturnae verslagen.--Het verhaal omtrent het ter dood brengen van zijn zoon wordt door andere schrijvers op naam van den dictator Postumius (431) gezet. Zie Postumii no. 4.--11) T. Manlius Torquatus, consul in 235 en 224, dictator in 208, sloot in 235, na een opstand der Sarden onderdrukt te hebben, den Ianustempel en streed later tegen de Galliërs (224) en de Carthagers (215). Hij was in het laatste jaar praetor, en versloeg de verbonden Carthagers en Sarden. De Carthagers werden uit Sardinië verdreven. Hij verloochende de onbuigzaamheid van karakter, aan zijne familie eigen, niet.--12) T. Manlius Torquatus verstiet zijn zoon D. Iunius Silanus (z. Iunii no. 15) uit zijne oogen wegens afpersingen, in Macedonia gepleegd, waarop de zoon zich ophing. De vader woonde de begrafenis niet bij (141).--13) L. Manlius Torquatus, consul in 65, was een groot vriend van den redenaar Hortensius en een zeer vaderlandslievend man. Hij had Catilina in 65 bijgestaan, toen deze van knevelarij beschuldigd was, doch keerde zich van hem af na de ontdekking der samenzwering.--14) L. Manlius Torquatus, zoon van no. 13, was een vriend van Cicero, die hem in zijn werk de finibus bonorum et malorum sprekend invoert. Hij was meer politiek man dan redenaar. In 62 klaagde hij P. Cornelius Sulla aan (zie Cornelii no. 54). In den burgeroorlog sloot hij zich aan bij de partij van Pompeius, werd door Caesar gevangen genomen, doch weder vrijgelaten, en sneuvelde later in Africa (47).--15) Verder komt er nog eene familie van Manlii Acidini voor. Onder de Manlii, die zonder familienaam (cognomen) voorkomen, behoort ook C. Manlius (of Mallius), die voor Catilina troepen bij Faesulae verzamelde en bij Pistoria sneuvelde (62). Verder L. Manlius (Mallius) v. a. L. Manilius, propraetor van Gallia Narbonensis, die in 78 tegen de Sertoriani te velde getrokken was, maar door den quaestor L. Hirtuleius, onderbevelhebber van Sertorius in Hispania geheel verslagen was; op zijn terugkeer naar de provincie werd de rest van zijn leger door de opgestane Aquitaniërs vernietigd en sneuvelde zijn onderbevelhebber L. Valerius Praeconinus (Valerii no. 25a).

Manteia, Mantike, de kunst van het verklaren der teekens, waardoor de godheid haar wil openbaart. Ook bij de Grieken wordt een onderscheid gemaakt tusschen signa oblativa en impetrativa (zie Auguria). Tot de eerste soort (semata, terata) behooren verschijnselen aan den hemel, het vliegen of roepen van een grooten vogel (oionos) en dgl. Het zijn in den regel alledaagsche verschijnselen, die alleen door den tijd, de plaats of de omstandigheden, waaronder men ze waarneemt, eene bizondere beteekenis verkrijgen, en dus gewoonlijk gemakkelijk te verklaren zijn als voorboden van geluk of ongeluk; lag de verklaring niet zoo voor de hand, dan riep men de hulp van een deskundige (mantis, theopropos, oionopolos) in. Altijd was die hulp noodig bij de andere soort van voorteekenen, waarom men de goden vroeg als een bepaald teeken van goed- of afkeuring van een voorgenomen handeling. De meest gebruikelijke wijze, waarop men zulk een teeken meende te vinden, was door de (bij Homerus nog niet genoemde) beschouwing der ingewanden van een geofferd dier (hieromanteia), waartoe men zich van de tusschenkomst van een hieroskopos bediende. Andere middelen om den wil der goden te vragen, zooals het waarnemen van de lijnen in de hand (cheiromanteia), van de kringen, veroorzaakt door een in het water geworpen voorwerp (hydromanteia), het gebruikmaken van loten (kleromanteia, sortilegium, z. sortes), en dgl. genoten geen algemeen vertrouwen en het geloof hieraan werd door velen min of meer als bijgeloof beschouwd. Zie ook enkoimesis.

Mantinea, Mantineia, eene der oudste steden van Arcadia, nabij de argolische grenzen in eene moerassige streek aan het riviertje Ophis gelegen, waar het des zomers drukkend heet en 's winters streng koud was. Tot aan de perzische oorlogen bestond het uit vijf dorpen, maar korten tijd daarna (464-459) werd de bevolking in de stad bijeengebracht, en werd het bestuur democratisch. In 385 werd Mantinea door de Spartanen verwoest, doch in 370 iets zuidelijker herbouwd. Door deze verwoesting verloor M. de hegemonie over Arcadia. In 362 behaalde Epaminondas, doch ten koste van zijn leven, bij het naburige bosch Pelagos eene schitterende overwinning op de Spartanen. Later behoorde M. tot het achaeïsch verbond. Toen het echter, bij de groote worsteling met Cleomenes III van Sparta, van het verbond afviel (229) werd het door Aratus, den strateeg der Achaeërs, zwaar gestraft. Ter eere van den macedonischen koning Antigonus Doson werd het in Antigonea herdoopt. Keizer Hadrianus, die er een prachtigen tempel voor zijn lieveling Antinoüs liet bouwen, gaf aan de stad haar ouden naam terug.

Mantius, Mantios, zoon van Melampus, vader van Clitus (no. 1) en Polyphides.

Manto, Manto, dochter van Tiresias. Toen Thebe door de Epigonen was ingenomen, werd zij met een deel van den buit aan den delphischen Apollo gebracht. Op bevel van het orakel werd zij naar Colophon gezonden, om er den tempel en het orakel van Apollo Klarios te stichten. Zij huwde daar met een Cretenser, Rhacius, die den tempel op zijne kosten liet bouwen, en werd bij hem moeder van Mopsus.--V. a. was zij ook in Italië gekomen, en had zij bij Tiberis een zoon gekregen, Ocnus, die de naar haar genoemde stad Mantua stichtte. V. a. is echter deze stad naar een andere Manto, dochter van Heracles, genoemd.

Mantua, Mantoua, oude stad op een eil. in den Mincius (Mincio), reeds door de Etruscers bewoond, toen zij nog als Rasennae in het Po-dal woonden. Sedert 89 lat. kolonie, sedert 49 municipium. In het nabijgelegen dorpje Andes was Vergilius geboren.

Mantus, de god der onderwereld bij de Etruriërs, gewoonlijk afgebeeld als een zeer groot gevleugeld wezen met woeste trekken, gewapend met een zwaard of hamer.

Manubiae (van manu habere), in het algemeen buit, in het bijzonder echter dat gedeelte, dat de overwinnende veldheer te zijner beschikking kreeg en dat meestal door hem werd aangewend tot stichting van een tempel, een zuilengang of eenig ander openbaar werk. In ongunstigen zin wordt het woord ook gebezigd van den buit, dien een stadhouder zich door afpersingen verwerft.--In het enkelvoud beteekent manubia in de taal der augurs een bliksemstraal. Zie Auguria no. 2.

Manumissio, vrijlating van slaven. Deze kon op verschillende wijze plaats vinden;--1) vindicta of festuca. De heer bracht zijn slaaf voor den praetor; diens lictor of een ander trad dan als assertor (z. a.) op, raakte het hoofd van den slaaf met een roedje (festuca, vindicta) aan, en zeide: hunc hominem liberum esse aio ex iure Quiritium. Daar nu de eigenaar niet tegensprak, verklaarde de praetor den man voor vrij.--2) censu. De meester liet zijn slaaf bij den census in de burgerlijsten inschrijven.--3) testamento. Door deze drie wijzen van vrijlating werd de slaaf niet alleen vrij man, maar ook burger. Als vierde wijze voegde Constantijn de Gr. er de vrijlating in de kerk (in ecclesia) bij. Een feitelijke toestand van vrijheid, doch zonder burgerrecht, was het gevolg van de manumissio inter amicos, binnenshuis in tegenwoordigheid van een vijftal vrienden als getuigen,--per mensam, doordat de eigenaar den slaaf als een vrij man aan tafel noodigde,--per epistulam of onderhandsche schriftelijke verklaring, zie lex Iunia Norbana. De lex Aelia Sentia (4 na C.) en de lex Furia Caninia beperkten het recht van vrijlating. De libertini werden alleen in de vier tribus urbanae ingeschreven (zie echter lex Manilia).

Manus is eigenlijk de macht van den echtgenoot over zijne vrouw, waardoor zij hem als eene dochter, filiae loco, toebehoort, en waardoor al wat zij bij het huwelijk medebrengt of later verwerft, het zijne wordt. De manus was het gevolg van een huwelijk, dat gesloten was door confarreatio of door coëmptio, van een huwelijk door usus alleen dan, wanneer er verjaring (usucapio) had plaats gehad, doordat de vrouw gedurende een vol jaar geen trinoctium buiten de echtelijke woning doorgebracht had. Terloops zij hier opgemerkt, dat de coëmptio op zich zelve wel manus, maar nog geen huwelijk tot stand brengt; zij moet met het huwelijk gepaard gaan. De beteekenis van manus wordt ook wel uitgebreid tot anderen, die in iemands potestas en vooral, die in iemands mancipium zijn.

Manus iniectio. Wanneer een gedaagde onwillig bevonden werd om met den eischer voor den praetor te verschijnen, dan kon de eischer in tegenwoordigheid van getuigen de hand aan hem slaan en hem met geweld medevoeren. Ook kon zulk eene manus iniectio in sommige andere gevallen plaats grijpen, b. v. wanneer de verliezende partij weigerachtig of onmachtig was aan het vonnis te voldoen, of wanneer men op heeterdaad betrapt werd, b. v. een fur manifestus. De legis actio per manus iniectionem is eene aanvullingsactie waarbij de eischer den praetor vergunning vraagt, om zonder verdere in ius vocatio den onwillige te grijpen.

Maracanda, ta Marakanda, groote hoofdstad van Sogdiana. Thans Samarkand.

Maraces, Marakoi, volksstam in Aetolia.

Marathon, Marathon, vlek op de O.kust van Attica, aan eene vlakte, die de marathonische werd genoemd. Dáár joeg Theseus den marathonischen stier. In de nabijheid, in een niet te breede vallei, behaalde Miltiades in 490 de beroemde overwinning op de Perzen.

Marathus, Marathos, oude bloeiende koopstad in het N. van Phoenice tegenover Aradus.

Marathusa, Marathousa, eilandje op de kust van aziatisch Ionia, nabij Clazomenae.

Marcellus, familienaam in de gens Claudia (Claudii no. 30-38).

Marcellus Empiricus, een Galliër van geboorte, lijfarts van keizer Theodosius den Grooten, schrijver van een nog bestaand werk, medicamentorum liber.

Marcia (aqua), waterleiding te Rome, die om haar heerlijk water geroemd werd. Zij was in 144 aangelegd door den praetor Q. Marcius Rex.

Marcia (lex) de censura, dat niemand ten tweeden male censor zou kunnen worden. Deze wet is aangenomen op verzoek van C. Marcius Rutilus, die in 265 ten tweede male censor was en dit voor het vervolg wilde voorkomen. De voorsteller van de wet is onbekend.

Marcia (lex) de Liguribus deditis. M. Popilius Laenas, consul in 173, had een onrechtvaardigen oorlog begonnen tegen den ligurischen stam der Statielli, die geen aanleiding hadden gegeven. Hij had verscheidene duizenden gedood of als slaven verkocht. De volkstribunen M. Marcius Sermo en Q. Marcius Scylla (172) deden met goedvinden van den senaat een wetsvoorstel om Laenas in staat van beschuldiging te stellen. De wet werd aangenomen, en Popilius ontsnapte alleen aan een veroordeeling door de partijdigheid van den praetor.

Marcia (lex) agraria, van L. Marcius Philippus, volkstribuun in 104 (zie Marcii no. 15), tot verdeeling van land onder arme burgers. De wet werd niet aangenomen.

Marcia Atinia (lex). De vrede met Philippus van Macedonia was in 197 gesloten. M. Claudius Marcellus (Claudii no. 31) echter, voor het volgende jaar tot consul benoemd en begeerig den oorlog te heropenen, trachtte den senaat voor te spiegelen, dat de vrede van de zijde van Philippus slechts bedrog was. Daarom lieten de volkstribunen Q. Marcius Rex en C. Antinius Labeo den vrede door een plebisciet bekrachtigen.

Marcia Porcia (lex), z. Maria (Marcia) Porcia (lex).

Marciana carmina, een boek met voorspellingen van zekeren beroemden waarzegger Marcius, dat in 213 ontdekt was en waarin de noodlottige afloop van den slag bij Cannae was voorspeld. De voorschriften van het tweede carmen werden door den senaat opgevolgd.

Marciana Silva, vroeger Abnoba mons geheeten, het tegenw. Schwarzwald, in het Z.W. van Germania.

Marcianopolis, Markianopolis, stad in Moesia inferior, even ten Z. van Odessus dicht bij de kust. Traianus had ze naar zijne zuster Marcia aldus genoemd.

Marcianus, Markianos, 1) aardrijkskundige uit Heraclea in Pontus, ± 400 na C., ontwerper van een periplous der bekende wereld, met afstandswijzer.--2) Aelius Marcianus, rom. jurist, wiens werken zijn uitgekomen na 217 n. C. (dood van keizer Caracalla).--3) Felix Capella Marcianus, ± 470 na C. uit Madaura in Africa, schrijver eener soort van encyclopaedie der zeven vrije kunsten, onder den titel Satira of Satiricon.--4) Zie Theodosius no. 3.

Marcii, een geslacht met verschillende takken, als Rex, Rutilus (later Censorinus), Crispus, Figulus, Philippus, Tremulus e. a. De eerste drie zijn patriciërs, de andere plebejers. 1) Numa Marcius volgde koning Numa Pompilius naar Rome en was diens raadsman bij de regeling van den eeredienst.--2) Ancus Marcius, vierde koning van Rome, kleinzoon van no. 1. Zie Ancus Marcius.--3) Cn. Marcius, bijgenaamd Coriolanus naar de verovering van Corioli in het gebied der Volscen. Volgens de overlevering zou hij bij gelegenheid van een hongersnood de plebejers door honger hebben willen dwingen tot afschaffing van het volkstribunaat (491). Dientengevolge verbannen, zocht hij hulp bij de Volscen, bracht aan het hoofd van een volscisch leger Rome tot op het uiterste in het nauw en liet zich slechts door de smeekbeden zijner moeder Veturia en zijner vrouw Volumnia bewegen om af te trekken. Volgens sommigen zou hij niet lang daarna door de Volscen vermoord zijn, volgens anderen op hoogen leeftijd als balling gestorven zijn.--4) Q. Marcius Rex, consul in 118, oorloogde tegen de Stoeni, een Alpenvolk in Liguria. Onder zijn consulaat werd Narbo (Narbonne) in Gallia Transalpina gekoloniseerd als Narbo Martius.--5) Q. Marcius Rex, consul in 68, zwager van P. Clodius. Daar zijn ambtgenoot L. Caecilius Metellus in zijn ambtsjaar stierf en diens benoemde opvolger nog voor de aanvaarding van zijn ambt overleed, liet men Rex verder alleen regeeren. Na afloop van het consulaat werd hij als proconsul naar Cilicië gezonden. Toen hij na zijn terugkeer zich ad urbem bevond, wachtende op den triumphus, werd hij in 63 door den senaat naar Etruria gezonden, om den Catilinariër Manlius te keer te gaan.--6) C. Marcius Rutilus overwon in 357 als consul de Privernaten (in Latium). In 356 was hij de eerste dictator uit de plebs en zegepraalde over de Etruscers. In 352 was hij andermaal consul, met P. Valerius Poplicola. Dit consulaat is merkwaardig doordat er toen, om aan den algemeenen schuldnood te gemoet te komen, eene soort staatsbank werd opgericht (zie quinqueviri mensarii). In 351 was Rutilus de eerste plebejische censor. In 344 en 342 bekleedde hij nogmaals het consulaat.--7) C. Marcius Rutilus, zoon van no. 6, werd als consul in 310 door de Samnieten verslagen en was censor in 294. In 265 was hij wederom censor, wat hem den bijnaam Censorinus verschafte. Hij berispte het volk, dat het ten tweeden male het censorschap aan denzelfden persoon had opgedragen, en verzocht het volk eene wet hiertegen te maken (zie lex Marcia).--8) L. Marcius Censorinus, belegerde als consul in 149 met zijn ambtgenoot M.' Manilius te vergeefs Carthago. Hij wordt als een wetenschappelijk man geroemd.--9) C. Marcius Censorinus, redenaar, koos in den burgeroorlog partij voor Marius. Hij werd echter eerst door Pompeius verslagen bij Sena, en vervolgens bij Praeneste door Sulla, in wiens handen hij viel en die hem ter dood liet brengen (82).--10) L. Marcius Censorinus, aanhanger van Antonius, nam deel aan den mutinensischen oorlog. Later was hij propraetor van Achaia.--11) Q. Marcius Crispus, een dapper krijgsman, met Cicero bevriend, belegerde met L. Staius Murcus op bevel van Caesar Q. Caecilius Bassus (Caecilii no. 28) te Apamea, maar stond in 43 de legioenen, waarover hij in Syria het bevel voerde, aan Cassius af.--12) C. Marcius Figulus was in den oorlog tegen Perseus (169) rom. vlootvoogd. Voor het jaar 162 werd hij tot consul verkozen, doch moest evenals zijn ambtgenoot P. Cornelius Scipio Nasica Corculum (Cornelii no. 20) als vitio creatus, zijn ambt nederleggen. In 156 bekleedde hij werkelijk het consulaat en werd hij door de Dalmatae verslagen.--13) C. Marcius Figulus, consul in 64.--14) Q. Marcius Philippus, consul in 186. Hem en zijn ambtgenoot Sp. Postumius Albinus werd opgedragen een onderzoek in te stellen naar de geheime vereenigingen, tengevolge waarvan de Bacchanaliën bij Senaatsbesluit in geheel Italia verboden werden. In een oorlog tegen de ligurische Apuani werd hij in een bosch in een hinderlaag gelokt en leed hij een zware nederlaag, waarnaar de plek Marcius saltus is genoemd. In 171 werd hij met A. Atilius Serranus (Atilii no. 8) als gezant naar Griekenland en Macedonia gezonden. Hij wist Perseus om den tuin te leiden en tot een wapenstilstand te bewegen, waardoor de Rom., die met hunne toebereidselen voor den oorlog niet gereed waren, tijd wonnen, terwijl Philippus de Grieken op Rome's hand bracht. Openlijk beroemde Philippus zich in den senaat op zijn sluwe handelwijze, en de groote meerderheid juichte hem toe. In 169 was hij andermaal consul en bracht Perseus eenige gevoelige verliezen toe. Het einde van den oorlog moest hij echter in 168 aan den nieuwen consul L. Aemilius Paullus overlaten.--15) L. Marcius Philippus, volkstribuun in 104, consul in 91, was in het eerst een van de mannen der volkspartij (zie Marcia (lex) agraria); uit den tijd van zijn tribunaat is zijn gezegde, dat er in den staat geen tweeduizend welgestelden waren, wat Cicero een capitalis oratio et ad aequationem bonorum pertinens noemt; later verzoende hij zich met de optimaten en werkte als consul mede om de wetten van M. Livius Drusus te doen opheffen. Later was hij aan de zijde van Sulla en vervolgens een voorstander van Pompeius, die bij hem in hoog aanzien stond. Hij was een zeer kundig man en een uitstekend redenaar, die vooral de gave bezat, onvoorbereid het woord te kunnen voeren.--16) L. Marcius Phillippus, zoon van no. 15, huwde met Attia, de moeder van Octavianus, wiens stiefvader hij dus werd. Hij was zoowel met Caesar als met Cicero bevriend en koos in den burgeroorlog niet openlijk partij.--17) L. Marcius Septimus, rom. ridder, redde in 212, toen P. en Cn. Cornelius Scipio in Hispania sneuvelden, het rom. leger van den ondergang. Hij hield met T. Fonteius Crassus het bevel tot aan de komst van P. Scipio (Africanus maior) en streed ook onder hem nog met roem.--18) Q. Marcius Tremulus, consul in 306, streed zegevierend tegen de Samnieten en de Hernicers.--19) Marcius Macer, veldheer van keizer Otho.--20) Q. Marcius Turbo Fronto Publicius Severus, onder Hadrianus stadhouder van Judaea, van Mauretania en later bevelhebber der lijfwacht.--21) Marcius, waarzegger ten tijde van den tweeden punischen oorlog, z. Marciana carmina.

Marcodurum, vlek der Ubii, ten W. van Colonia Agrippina (Keulen), thans Duren.

Marcomanni = grensbewoners, een suevische stam, schijnen eerst aan den Moenus (Main) te hebben gewoond. Omstreeks het begin onzer jaartelling veroverden zij onder aanvoering van Maroboduus Boiohaemum (Boheme). Marbod, een man van doorzicht en van groote heerschzucht, die te Rome aan het hof van Augustus was opgevoed, wist bij zijn volk een éénhoofdig bestuur en rom. krijgstucht in te voeren, en bracht een groot volkenverbond tot stand. Zijne heerschzucht bracht hem echter in een oorlog met de Cheruscers onder Arminius, later (18 n. C.) werd hij zelf door zijn eigen volk verdreven en week naar Ravenna uit, waar Tiberius hem liet wonen en waar hij ook gestorven is. Zijn werk bleef echter in stand, en de bond van Marcomannen werd later een van de geduchtste vijanden van het rom. rijk. Vooral tijdens de regeering van Domitianus en van Marcus Aurelius (166-172 en 178-181) werden er bloedige oorlogen gevoerd, totdat Commodus in 181 den vrede kocht. Ook in lateren tijd hadden de Donaulanden van hunne strooptochten te lijden, doch door zware verliezen tegen de Gothen werd hunne macht gebroken en wordt hun naam alleen nog onder de legerscharen van den Hunnenvorst Attila gevonden.

Mardi = Amardi.

Mardonius, Mardonios, zoon van Gobryas, schoonzoon van Darius Hystaspis, werd in 493 door Darius met een leger naar Griekenland gezonden, maar moest onverrichter zake terugkeeren, daar zijn vloot schipbreuk leed en zijn leger in Macedonië teruggeslagen werd. Hij was het, die later Xerxes tot den veldtocht tegen Griekenland dreef, en toen deze na den slag bij Salamis naar Azië terugkeerde, bleef M. op zijn verzoek met een groot leger achter. Nadat hij vergeefs getracht had met Athene onderhandelingen aan te knoopen rukte hij in het voorjaar van 479 van Thessalië uit weder voorwaarts en nam hij Athene in; vervolgens legerde hij zich in Boeotië en leverde hij bij Plataeae den beroemden veldslag, waarin hij na een dappere verdediging sneuvelde.

Marea, Marea, stad in het W. der Nijldelta, ten ZZW. van Alexandria, beroemd door den krachtigen wijn, die in den omtrek werd geteeld, vinum Mareoticum. Zij lag aan een groot meer, Mareotis lacus, dat door Nijlarmen en kanalen werd gevoed en van de zee slechts gescheiden was door de landtong, waarop Alexandria gebouwd was, zoodat deze stad er een reusachtigen binnenhaven aan had.

Mareotis, Mareotis, zie Marea.

Maresa, Maresa, Marissa, sterkte in Z. Palaestina aan den weg van Jerusalem naar Ascalon, dicht bij Eleutheropolis.

Margala (Margana), stad in Triphylia, in Elis. De inwoners heeten Marganes.

Margiana, Margiane, gewest in het O. gedeelte van het Perzische rijk, tusschen Parthyaea en Bactriane, doorsneden door de rivier Margus (Murghâb).

Margites, Margites, personificatie van verwaande domheid, die in grieksche sprookjes voorkomt, de held van een klein komisch epos, dat ten onrechte aan Homerus, door anderen aan Pigres, werd toegeschreven.

Margus, Margos, 1) rivier in Moesia Superior die dicht bij Viminacium in den Hister (Donau) valt, tgw. Morava.--2) z. Margiana.

Maria (lex) de suffragiis ferendis van C. Marius, toen hij in 119 volkstribuun was. Deze wet strekte om, door het vernauwen der bruggetjes in de volksvergadering, te voorkomen, dat personen zich er op plaatsten om de stemmenden lastig te vallen of te controleeren, hoe zij stemden.

Maria (Marcia) Porcia (lex) de triumphis, van de volkstribunen L. Marius (Marcius) en M. Porcius Cato in 62, dat de imperatores, die een zegetocht wenschten te houden, de waarheid der door hen verstrekte opgaven bij den praetor moesten bezweren.

Mariaba, zie Saba.

Mariamme, Mariamme, stad in Coelesyria ten W. van Emesa.

Mariana fossa, zie fossa.

Mariandyni, Mariandynoi, niet-thracische volksstam in het O. van Bithynia, bij Heraclea.

Marica, nimf, echtgenoote van Faunus en moeder van Latinus, of moeder van Faunus; zij had een tempel en heilig bosch bij Minturnae; wat eenmaal in dat bosch gebracht was, mocht er niet weder uitgehaald worden.

Marii, plebejisch geslacht. 1) C. Marius, in 156 in het dorp Cereate bij Arpinum uit ouders, die tot den boerenstand behoorden, geboren, gaf reeds vroeg bewijzen van groote krijgsmanstalenten. In 134 diende hij onder Scipio in den numantijnschen oorlog. In 119 ging hij als volkstribuun door zijne lex de suffragiis de kuiperijen der aanzienlijken bij de verkiezingen te keer. Zijn huwelijk met de adellijke Julia, de tante van Caesar, verschafte hem de praetuur, en in 114 was hij propraetor in Hispania, waar hij door rechtvaardigheid en handhaving van tucht en veiligheid zich de algemeene achting verwierf. In den jugurthijnschen oorlog bewees hij als legaat groote diensten aan Metellus (109 en 108) en werd voor 107 tot consul gekozen, vooral omdat hij tot de volkspartij behoorde en de optimaten door hunne omkoopbaarheid hun eigen aanzien hadden ondermijnd. In 105 bracht hij den oorlog ten einde en voerde Jugurtha gevankelijk mede naar Rome. Hij triumpheerde 1 Jan. 104. Hierna werd hij, daar Italië door de Cimbren en Teutonen bedreigd werd, vier jaar achtereen (104-101) tot consul gekozen. De Teutonen en Ambronen versloeg hij in 102 bij Aquae Sextiae (Aix in Provence), de Cimbren in 101 bij Vercellae. Hierna werd hij ten zesden male consul (100). In dit consulaat verbond hij zich met den woelzieken volkstribuun L. Appuleius Saturninus en den praetor C. Servilius Glaucia en werkte mede om zijn tegenstander Metellus Numidicus te doen verbannen, die de akkerwet van Saturninus weigerde te bezweren. Vervolgens verloochende hij in het oogenblik van gevaar ook Saturninus en Glaucia. Daar hij begreep, slechts in oorlogstijd de man van beteekenis te zijn, vertrok hij vervolgens naar Azië om met Mithradates van Pontus onderhandelingen aan te knoopen. In den bondgenootenoorlog verwierf hij zich nieuwe lauweren (90-89). In 88 barstte de mithradatische oorlog uit, doch tot groote teleurstelling van Marius ontging hem zoowel het opperbevel als het consulaat; beiden werden aan Sulla opgedragen. Dit was Marius te veel; door eene wet van den volkstribuun P. Sulpicius Rufus liet hij zich door het volk met het veldheerschap bekleeden, doch Sulla, die Italië nog niet verlaten had, keerde met zijn leger naar Rome terug, Sulpicius werd gedood, Marius en een aantal anderen werden vogelvrij verklaard. Met zijn zoon zwierf hij als gejaagd wild rond; bij Minturnae werd hij gevangen genomen en ontsnapte ter nauwernood aan den dood. Hij stak naar Africa over, waar hij op de puinhoopen van Carthago rondzwierf. Inmiddels keerden de zaken te Rome; Cinna, hoewel eerst verdreven en als consul afgezet, keerde met Marius terug en beiden werden voor het jaar 86 tot consul verkozen. Doch reeds op den 13den dag van zijn consulaat bezweek Marius, evenwel niet zonder eerst nog zijne wraakzucht op de optimaten te hebben botgevierd. Zijne asch werd later op Sulla's last opgegraven en in het water van den Anio geworpen.--2) C. Marius, aangenomen zoon van no. 1, woest en wreed als zijn vader in diens laatste levensjaren, deelde diens vlucht en kwam met hem terug. In 82 was hij consul. Sulla versloeg hem bij Sacriportus, en Ofella (Lucretii no. 4) belegerde hem in Praeneste. Toen hij de stad niet houden kon en zijne vlucht mislukte, bracht hij zich zelf om.--3) M. Marius Gratidianus, zie Gratidii.--4) M. Marius, een groot vriend van Cicero; hunne villa's te Pompeii lagen dicht bij elkander.--5) C. Amatius, Pseudo-Marius geheeten, een bedrieger, die zich voor een zoon of neef of kleinzoon van no. 1 uitgaf, door Caesar als bedrieger weggejaagd en later door M. Antonius ter dood gebracht werd.--6) Marius Celsus, veldheer onder Galba en Otho.--7) L. Marius Maximus, bekleedde in het begin der derde eeuw na C. vele hooge ambten, hij was o. a. proconsul van Africa en later van Asia, en in 223 voor de tweede maal consul. Hij schreef onder Alexander Severus biografiën van de keizers, van Nerva tot Elagabalus, in den trant van Suetonius. Excerpten hiervan zijn over in het werk der Scriptores historiae Augustae.

Marinus, Marinos, 1) beroemd ontleedkundige aan het einde der eerste eeuw n. C., wiens werken verloren zijn.--2) van Tyrus, een aardrijkskundige in de 2de eeuw na C., de eerste die de ligging van plaatsen naar lengte- en breedtegraden bepaalde. Ptolemaeus heeft van zijne werken dikwijls gebruik gemaakt.

Maris, Marisus, Maris, Marisos, thans Marosj, riv. in Dacia, zijtak der Tisia (Theiss). Herodotus en Strabo meenden, dat het een zijtak was van den Donau.

Marium, Marion, stad op de NW. kust van Cyprus, waarschijnlijk het latere Arsinoe.

Marmarica, Marmarike, thans Barca, landstreek op de Noordkust van Afrika tusschen Aegypte en Cyrenaïca. Hierin ligt het Ammonium. Gewoonlijk wordt Marmarica tot Cyrenaïca gerekend.

Marmessus, Marmyssus, Mermessos = Marpessus no. 1.

Maro, zie Vergilii.

Maroboduus, zie Marcomanni.

Marobudum, Maroboudon, eens de hoofdstad der Marcomanni, thans Budweis.

Maron, Maron, 1) zoon van Euanthes, Oenopion, Silenus of Dionysus, priester van Apollo te Ismarus, waar hij later zelf een heiligdom had.--2) zoon van Orsiphantus, een van de dapperste Spartanen, die in den slag bij de Thermopylae sneuvelde.

Maronea, Maroneia, ionische volkplanting in het gebied der Cicones op de thracische kust, beroemd om zijn heerlijken wijn. De stad wordt ook Orthagorea genoemd.

Marpessa, Marpessa, gemalin van Idas (z. a.), moeder van Cleopatra no. 2.

Marpessa, -sus, Marpesos, -ssos, 1) dorp in het gebied van Gergis in Troas, geboorteplaats van ééne der Sibyllen.--2) berg op Parus. Marpesia cautes = parisch marmer.

Marrubium of -vium, stad der Marsi aan den lacus Fucinus. Marruvia gens = Marsi.

Marrucini, Marroukinoi, klein, doch dapper volk in Samnium aan de Adriatische zee, ten O. der Vestini. Hoofdstad: Teate.

Marruvium = Marrubium.

Mars, italiaansche god vooral van den oorlog, wien de maand Maart gewijd is, dien men als Mars Silvanus en Averruncus aanriep, te wiens eere het feest der Ambarvalia in Mei door de landlieden met offers en vroolijke optochten gevierd werd, en die ook in het lied der fratres arvales bezongen werd. Bij het houden van het lustrum werd het bekende offer van zwijn, ram en stier, de suovetaurilia, aan hem gebracht, en de romeinsche burgers zijn daarvoor op het Marsveld (campus Martius) als exercitus opgesteld. Wanneer de grieksche godenleer in Italië doordringt, wordt Mars vereenzelvigd met den griekschen Ares, en bij het lectisternium (zie aldaar) van 217 werd het beeld van Venus (Aphrodite) naast het zijne geplaatst. Hij gaat de rom. legers voor in den strijd (Gradivus), zegent hunne wapenen (Quirinus), voert hen tot de overwinning (Victor) en brengt op die wijze ook den vrede terug (Pacifer); als vader van Romulus en Remus is hij als het ware de vader van het rom. volk (Pater, Marspiter), dat hij voortdurend blijft bewaken (Custos, Conservator). Wanneer een leger ten oorlog zou trekken, ging de aanvoerder in den ouden tempel van Mars in de regia en riep daar zijne bescherming in, terwijl hij tegen de heilige lans, het symbool van den god, en tegen de ancilia sloeg. Ook de oefeningen in den wapenhandel, de gladiatorengevechten en ruiterlijke spelen stonden onder zijne bescherming, en de oudtijds daarvoor bestemde plaats was naar hem genoemd (Campus Martius). De wolf, de specht, de stier en het paard waren hem geheiligd. Zijn dienst wordt waargenomen door een eigen priester, den flamen Martialis.--Hij wordt gewoonlijk afgebeeld als een jong strijder met helm en lans, soms op een strijdwagen zittend.

Marsacii, een volksstam aan of bij een der monden van den Rijn, misschien in Zeeland, wonend.

Marsi, Marsoi, 1) samnietisch volk op de grenzen van Latium, rondom het meer Fucinus, in eene streek, geheel door bergen ingesloten. In 304 tot een bondgenootschap met Rome gedwongen, bewaarden zij een diepen haat tegen de Rom., die in den bondgenootenoorlog, in 90, tot uitbarsting kwam. Hunne hoofdstad was Marruvium. Zij bezaten veel kennis van geneeskrachtige kruiden en stonden bekend als goede wondheelers, als slangenbezweerders en ook als toovenaars; vandaar Marsa naenia = tooverspreuk. De mythe laat hen dan ook afstammen van een zoon van Circe.--2) germaansch volk aan de tegenw. Ruhr, bondgenooten der Cherusci tegen Varus. Germanicus dreef hen terug, en sedert verdwijnt hun naam.

Marsicum bellum, aldus genaamd omdat de Marsi er het hoofdvolk van waren, ook wel bellum Italicum of bellum sociorum genoemd. De trotschheid, waarmede Rome na Carthago's val de italische bondgenooten bejegende, had diepen wrok opgewekt, die nog werd aangevuurd, toen de pogingen van M. Livius Drusus en anderen, om hun het burgerrecht te verschaffen, verijdeld werden. Een aantal volken van samnietischen stam, Marsen, Paeligners, Lucaniërs, Campaniërs, vereenigde zich tot een bond, zij maakten Corfinium tot hunne bondshoofdstad onder den naam Italica, en kozen een senaat, twee consuls en 12 praetoren. Twee jaar lang werd er met verbittering gestreden. Slag op slag werd geleverd. De voornaamste aanvoerders der bondgenooten waren Pompaedius Silo, C. Papius Mutilus, Vettius Cato, Pontius Telesinus, Marius Egnatius. Onder de rom. veldheeren onderscheidden zich Cn. Pompeius Strabo (consul in 89) en L. Cornelius Sulla, eerst als praetor, in 88 als consul. Reeds in den winter van 90 waren de Romeinen door den dreigenden afval van Umbria en Etruria genoodzaakt, door de lex Julia van den consul L. Julius Caesar aan de trouwgebleven bondgenooten, die het wenschten, het burgerrecht te geven. In het begin van 89 volgde daarop de lex Plautia Papiria van de volkstribunen M. Plautius Silvanus en C. Papirius Carbo, die het burgerrecht schonk aan alle Italianen ten zuiden van de Po, die zich binnen 60 dagen bij den praetor urbanus opgaven. Verder de lex Pompeia van Cn. Pompeius Strabo, waarbij het ius Latii aan de Transpadani gegeven werd. Deze maatregelen braken het verzet. Toch duurde de strijd ook nog in 88 voort. Midden-Italië was een toonbeeld van verwoesting; honderdduizenden waren omgekomen, Samnium was bijna ontvolkt, vooral Sulla had er op onmenschelijke wijze huis gehouden.

Marsigni, suevische volksstam in het O. van Germania, ten noorden van den Mons Asciburgius (het Reuzengebergte).

Marsus (Domitius), zie Domitii no. 19.

Marsyas, Marsyas, 1) zoon van Olympus, een Phrygiër, die de fluit vond, welke Athena had weggeworpen. Hij waagde het met Apollo, die de cither bespeelde, een wedstrijd aan te gaan, en toen hij de nederlaag leed, werd hij levend gevild. De huid werd in een hol bij Celaenae opgehangen en bewoog zich, naar men zeide, vroolijk, wanneer zij op de fluit hoorde spelen.--V. s. had hij ook tot het gevolg van Dionysus behoord.--2) van Pella, stiefbroeder van Antigonus, met Alexander den G. opgevoed, later veldheer onder Demetrius Poliorcetes, schrijver eener macedonische geschiedenis (Makedonika).--3) van Philippi, zoon van Critophemus, geschiedschrijver van lateren tijd dan de vorige, ofschoon zij dikwijls met elkander verward worden.

Marsyas, Marsyas naam van twee rivieren die beide in den Maeander vallen. De eene ontsprong volgens Xenophon op de markt van Celaenae in Phrygia, de andere stroomde door Caria.

Martialis (M. Valerius), epigrammendichter, te Bilbilis in Hispania geboren ± 40 na C., begaf zich, toen hij 24 jaar oud was, naar Rome en kwam bij Nero en diens opvolgers in gunst, vooral bij Domitianus, die hem het ius trium liberorum schonk en nog andere gunsten verleende. Na Nerva's dood keerde hij naar Bilbilis terug; eene rijke dame, Marcella, schonk hem daar een landgoed, waar hij ± 100 na C. overleed. Zijne 14 boeken met Epigrammata waren bij zijne tijdgenooten zeer in trek. Zie apophoreta. Aan de 14 boeken gaat een liber spectaculorum vooraf, in de handschriften epigrammaton liber geheeten.

Martianus (Aelius), zie Marcianus no. 2.

Martianus (Felix Capella), zie Marcianus no. 3.

Marus, noordelijke zijrivier van den Donau, die tegenover Carnuntum daarin valt, tgw. March.

Maruvium = Marrubium.

Mascas, Maskas, zijtak van den Euphraat, in Mesopotamia.

Masinissa, Mas(s)anasses, koning der Massylii in O. Numidia, zoon van koning Gala, was te Carthago opgevoed en met de grieksche en rom. letterkunde bekend geworden. In het begin van den tweeden punischen oorlog was hij met hart en ziel aan de zijde van Carthago, waartoe zijne verloving met Sophonisbe, dochter van Hasdrubal, den zoon van Gisco, veel bijdroeg. Daarentegen was Syphax, koning der Massaesylii in W. Numidia, met de Rom. verbonden. Masinissa streed onder Hasdrubal, Hamilcars zoon, in Hispania tegen den rom. veldheer Scipio. De Carthagers zochten ook Syphax voor zich te winnen, hetgeen hun ook gelukte door hem de schoone Sophonisbe, Masinissa's verloofde, tot vrouw te geven. Inmiddels had Scipio na zijne overwinning bij Baecula (210) onderhandelingen met M. aangeknoopt, en had deze met de hem eigene schranderheid den staat van zaken doorzien, en begrepen dat de vriendschap van Rome voor hem voordeeliger zou wezen dan de overheersching door Carthago, welks zaken hij ook achteruit zag gaan. Het verlies zijner hartstochtelijk beminde Sophonisbe vervulde hem met bitteren haat jegens Carthago. Ondertusschen was zijn vader gestorven, diens opvolger en neef Capusa door een overweldiger Mezetulus vermoord, en toen M. naar zijn vaderland terugkeerde, had hij met Mezetulus, Syphax en de Carthagers te kampen en moest zich als gejaagd wild in eene grot in het gebergte schuil houden. Evenwel, de kans keerde; hij herwon een gedeelte van zijn erfland, en toen Scipio in 204 in Africa landde, verbond hij zich met hem. Syphax werd tweemaal verslagen en moest zich gevangen geven; in M's handen viel ook Sophonisbe. Om deze voor rom. gevangenschap te behoeden, wilde M. haar tot vrouw nemen, doch toen Scipio haar zonder genade opeischte, liet M. haar den gifbeker drinken. Na den slag bij Zama kreeg M. het grootste gedeelte van Syphax' rijk en regeerde nog ruim eene halve eeuw, tot 149. Daar de grenzen tusschen zijn gebied en dat van Carthago niet nauwkeurig bepaald waren, vond hij gelegenheid de Carthagers bij herhaling met allerlei eischen en strooptochten lastig te vallen, wat door de Rom., niettegenstaande Carthago's billijke klachten, niet werd tegengegaan. Eindelijk greep de verbitterde stad zelve naar de wapenen (149), waardoor de derde punische oorlog ontbrandde.

Masinissa. | -------------------------------------- | | | Micipsa Gulussa Mastanabal | | | ------------------ | | | | | Adherbal Hiëmpsal Massiva Jugurtha | afstammeling: Juba.

Afstammelingen van Masinissa.

Masistius, Masistios, aanvoerder der perzische ruiterij onder Xerxes, sneuvelde kort voor den slag bij Plataeae.

Masias mons, Masion oros, grensgebergte van Armenia en Mesopotamia.

Massaesylii, Massaisylioi, volk in W. Numidia.

Massagetae, Massagetai, ruw en woest nomadenvolk tot de Iraniërs behoorend; in de tijden van Cyrus woonden ze in de steppen tusschen de Caspische zee en het Aralmeer; in de dagen van Alexander den Groote woonden ze ten W. en N.W. van Sogdiane, aan den rechteroever van den Oxus.

Massicus (mons), berg in het N.W. van Campania, die de grens vormt tusschen Campania en Latium, beroemd door zijn heerlijken wijn.

Massilia, Massalia, thans Marseille, eene volkplanting der Phocensers, ongeveer 600 gesticht, reeds vroeg vrijwillig en dus door een foedus aequum met Rome verbonden. Massilia was een belangrijke koopstad, waar letteren en wetenschappen in hooge mate bloeiden, zoodat Cicero ze het gallische Athene noemde. Daarom was M. een geliefkoosd verblijf van rijke rom. ballingen. In den strijd tusschen Caesar en Pompeius koos de stad, die aan beiden verplichting had, in het eerst geen partij. Toen echter de aristocratie de onzijdigheid verbroken had door eene vloot van Pompeius op te nemen, werd M. door Caesar belegerd en na hardnekkige tegenweer en twee zeegevechten ingenomen. Het moest zware oorlogslasten dragen, doch bleef eene civitas libera et foederata en door handel bloeiende.

Massiva, 1) numidische prins, neef van Masinissa.--2) kleinzoon van Masinissa, te Rome door toedoen van Jugurtha vermoord.

Massylii, Massylioi, volk in het O. van Numidia.

Mastanabal, Mastanabas, jongste zoon van Masinissa en vader van Jugurtha.

Mastarna, z. Servius Tullius.

Mastiani, zie Bastetani en Bastuli.

Mastusia, Mastousia akra, 1) berg in Ionia, aan welks helling de stad Smyrna was gebouwd.--2) de zuidelijkste punt van de thracische Chersonesus.

Masurius Sabinus, beroemd jurist onder Tiberius en volgende keizers, overleden onder Nero. Naar hem heet de school van C. Ateius Capito de sabiniaansche.

Matiana, Matiane, Matiene, het N.W. gedeelte van Media, het latere Atropatene (z.a.).

Matieni, plebejisch geslacht.

Matinus, uitspringend gedeelte van den mons Garganus in Apulia, nabij Horatius' geboorteplaats Venusia.

Matisco, stad der Aedui in het O. van Gallia Transalpina, aan den Arar (Saône), thans Mâcon.

Matius, 1) C. Matius, rom. ridder uit den tijd van Caesar en Cicero, die hem beiden oprecht liefhadden en hoogachtten. Hij was een der edelste en oprechtste figuren van zijn tijd en dikwijls de raadsman van Caesar, bij wien hij ook Cicero's voorspraak was.--2) Cn. Matius, dichter van mimi, uit de 1ste eeuw. Er zijn nog fragmenten van over.

Matralia, z. Matuta.

Matrimonium. Een wettig huwelijk kon slechts gesloten worden, wanneer beide partijen het conubium hadden. De oudste vorm voor een rom. huwelijk was de confarreatio, daarna kwam de coëmptio in zwang; van beide huwelijksvormen was de conventio in manum het gevolg. De coëmptio echter op zich zelve constitueerde het huwelijk niet; dit geschiedde door de nuptiae, waarbij men openlijk ten overstaan van familie en bruiloftsgasten elkander tot man en vrouw aannam, wat bij de confarreatio ten overstaan van priesters geschiedde. Nuptiae zonder coëmptio waren dus ook geldig, er volgde geene manus uit. Zulk een huwelijksvorm werd usus genoemd. De manus kon dan wel verworven worden door een onafgebroken samenleving van een jaar. Een echtverbintenis kan verbroken worden door een handeling, overeenstemmende met den vorm, waaronder zij gesloten was, zie divortium. Uit een matrimonium iustum of legitimum volgde de patria potestas over de kinderen.

Matrona, thans Marne, zijtak der Sequana (Seine). Matrona mons, zie Alpes.

Matronalia, feest ter eere van Juno Lacina den 1sten Maart (Calendae feminarum) gevierd, waarbij getrouwde vrouwen in haar tempel op den Esquilinus om huwelijksgeluk baden en haar bloemen wijdden.

Mattiacae (aquae), thans Wiesbaden.

Mattiaci, germaansche volksstam, in het tegenw. Nassau, binnen den limes Germaniae Superioris wonende. In hun gebied hadden de Rom. sterkten aangelegd. De naam van één dezer castella is nog over in Castel tegenover Maintz. De Mattiaci behoorden tot de Catti.

Mattium, thans Maden, hoofdstad der Catten, aan de Adrana (Eder).

Matuta, Mater Matuta, godin van den dageraad en geïdentificeerd met Ino Leucothea. Bij haar feest op 11 Juli, Matralia genoemd, droegen de vrouwen de kinderen van hare zusters, en baden eerst voor deze, en daarna voor haar eigene, daar Ino het kind van hare zuster Semele had opgevoed. In werkelijkheid zal dit wel een overblijfsel zijn uit den tijd, dat men een andere opvatting had omtrent bloedverwantschap.

Matutinus (Pater), z. Ianus.

Mauretania of Mauritania, Mauritania, he Maurousion ge, het tegenw. Fez en Marokko met een stuk van Algerië, tot aan de rivier de Muluccha (z.a.). Het was rijk aan wild en tam gedierte, bosschen en in de oudheid ook aan koren. Het werd bewoond door een krijgshaftige bevolking, de Mauri of Maurusii, die niet zwart van kleur was, niet donkerder van tint dan de bewoners van zuidelijk Europa zijn. Eerst in den jugurthijnschen oorlog kwamen de Rom. met hen in aanraking. Tijdens Caesar heerschten over Mauretania Bocchus (z.a.) en Bogudes. In 25 werd het samen met West-Numidia aan Juba II (z.a.) als koninkrijk geschonken. Onder keizer Claudius werd het (in 42 n. C.) ingelijfd. Het eigenlijke Mauretania, met de hoofdstad Tingis (Tanger) werd M. Tingitana genoemd, het vroegere West-Numidia heette M. Caesariensis naar de hoofdstad Caesarea, vroeger Iol.

Mauri, Maurusii, Mauroi, Maurousioi, bewoners van Mauretania. De naam Mauri is afkomstig van de Romeinen.

Mausoleum, Mausoleion, het prachtige praalgraf, dat bij Halicarnassus voor Mausolus gesticht was door zijne weduwe Artemisia (z. a.). Op een eenigszins langwerpig voetstuk of onderbouw van ± 37 voet hoog verrees een tempel, omgeven door 36 corinthische zuilen. Op deze rustte een pyramidaal dak, van boven afgeknot en gekroond door een marmeren vierspan. Het geheel was rijk met beeldwerk versierd. Het werd door de ouden onder de zeven wonderen der wereld gerangschikt en kostte drie jaren tijds, terwijl de uitstekendste kunstenaars er aan arbeidden.--De Rom. gebruikten den naam mausoleum ook voor andere prachtige grafgebouwen, als: het mausoleum Augusti en het mausoleum Hadriani, welk laatste, schoon ontdaan van zijne versieringen en in een kasteel veranderd, nog te Rome bestaat onder den naam van Engelsburg.

Mausolus, Mausolos, -sollos, vorst van Carië (377-353), ondersteunde Rhodus, Chius, enz., in den bondgenootenoorlog tegen Athene. Naar hem is het Mausoleum (z.a.) genaamd.

Mavors = Mars.

Maxentius (M. Aurelius Valerius), rom. keizer 306-312 na C., zoon van Maximianus. Toen Diocletianus en Maximianus in 305 hunne keizerlijke waardigheid neerlegden, werden Constantius Chlorus en Galerius, die Caesars waren, tot den rang van Augustus verheven en Valerius Severus en Maximinus Daia tot Caesars benoemd. Constantius Chlorus stierf in 306, zijn zoon Constantinus werd Caesar in plaats van Severus, die Augustus werd. Maxentius, over zijne uitsluiting verbitterd, maakte zich te Rome van de regeering meester. Zijn vader kwam hem te hulp, doch daar dezen nu ook weder de lust tot heerschen bekroop en hij evenals de zoon weder den titel van Augustus aannam, ontstond er twist en Maximianus werd door Maxentius verdreven. Maxentius maakte zich spoedig veracht en gehaat, en Constantinus trok tegen hem op en versloeg hem in 312 bij den pons Milvius, ten N. van Rome. Op de vlucht verdronk Maxentius in den Tiber.

Maximianus (M. Aurelius Valerius), bijgenaamd Herculius, een ruw maar bekwaam soldaat, van geringe afkomst, klom door zijne wapenfeiten op en werd door Diocletianus in 285 na C. tot Caesar en in 286 tot Augustus benoemd. Hij streed in Gallia tegen de Bagauden, die hij onderwierp (285), aan den Rijn tegen Franken, Alamannen en Burgundi, en in Afrika. In 305 na C. legde hij, schoon niet vrijwillig, doch onder den drang van Diocletianus, met dezen zijne waardigheid neder. Zie verder Maxentius. Toen Maximianus door zijn zoon verdreven was, nam hij de wijk naar zijn schoonzoon Constantinus; doch toen hij dezen naar het leven stond, liet C. hem in 310 na C. ter dood brengen.

Maximinus (Iulius Verus), een Thraciër van reusachtigen lichaamsbouw en een dapper krijgsman, bij het leger zeer bemind, stond aan het hoofd van den opstand der Rijntroepen tegen Alexander Severus (235 na C.) en werd tot keizer uitgeroepen. Hij vocht flink tegen Germanen, Daciërs en Sarmaten, maar zijn woestheid en wreedheid, waaraan hij nu vrijen teugel vierde, verbitterde volk, senaat en zelfs de troepen. De senaat verklaarde hem in 238 vogelvrij en hij werd met zijn zoon en mederegent L. Julius Verus Maximinus door zijne eigene troepen in zijn legerkamp vóór Aquileia vermoord.

Maximinus (Galerius Valerius), heette oorspronkelijk Daia, maar kreeg zijn lateren naam van zijn oom, keizer Galerius, die hem adopteerde. Hij werd in 305 n. C. door Diocletianus tot Caesar benoemd en kreeg het bestuur over het Oosten. Hij was een nietswaardig vorst, zeer bijgeloovig, en een verbitterd vervolger van de Christenen. Bij de verwarring, door Maxentius teweeggebracht, nam ook hij den titel van Augustus aan, in 310. In 313 werd hij te Adrianopel door Licinius verslagen en stierf te Tarsus in Cilicia.

Maximus, familienaam in een aantal gentes, vooral in de gens Fabia (Fabii no. 14-23) voorkomende. Zie ook gens Valeria (Valerii no. 14 en 16).

Maximus (Magnus Clemens), een Hispaniër, wierp zich in 383 na C. in Britannia als tegenkeizer tegen Gratianus op. Na de vermoording van Gratianus werd hij door Theodosius als keizer in het W. erkend, onder voorwaarde dat de 12-jarige Valentinianus II, het zoontje van Gratianus, Italia en Africa zou behouden. Toen Maximus in 387 deze voorwaarde wilde schenden, zond Theodosius zijn veldheer Arbogastes, een Frank, tegen hem af, die hem versloeg en ter dood bracht (388) en Val. II in de heerschappij herstelde.

Maximus (Petronius), rom. senator, bracht in 455 na C. Valentinianus III om en dwong diens weduwe Eudoxia, hem te huwen. Toen Eudoxia vernam, dat Maximus de moordenaar van V. was, riep zij den vandaalschen koning Geiserik uit Africa te hulp (dit bericht is onjuist). Geiserik kwam, plunderde Rome uit en sleepte duizenden gevangenen, ook Eudoxia met twee dochters, naar zijne hoofdstad Carthago mede. Vóór zijne aankomst in Rome echter was Maximus reeds door het verbitterde volk vermoord.

Maximus Ephesius, nieuw platonisch wijsgeer, die te Ephesus en te Constantinopel leerde. Men zeide dat hij Iulianus van het Christendom afvallig gemaakt had, en op grond hiervan werd hij door den proconsul Festus ter dood veroordeeld.

Maximus Tyrius, een van de voorloopers der nieuw-platonische school, leefde onder de Antonijnen als leeraar der wijsbegeerte en welsprekendheid in Griekenland en te Rome. 41 verhandelingen van hem zijn bewaard gebleven.

Maxyes, Maxyes, een volksstam in Africa aan het Triton-meer; zij beweerden, volgens het verhaal van Herodotus, van de Trojanen af te stammen, verfden zich met menie, en lieten het haar alleen aan de rechterzijde groeien.

Mazaca, ta Mazaka = Caesarea ad Argaeum.

Mazaetullus, zie Mezetulus.

Mazaeus, Mazaios, perzisch veldheer onder Darius Codomannus; hij liet de Macedoniërs ongehinderd over den Euphraat trekken, maar streed dapper bij Arbela; toen de slag echter in het voordeel der Macedoniërs beslist was, trok hij zich naar Babylon terug en gaf hij die stad zonder tegenstand over; daarvoor maakte Alexander hem satraap van Babylonië. Hij stierf kort daarna (328).

Mecone, Mekone, oude naam van Sicyon.

Mecyberna, Mekyberna, havenstad van Olynthus op Chalcidice, ten O. van Olynthus.

Medaura = Madaura.

Medea, Medeia, dochter van Aeetes en Idyia, berucht door hare tooverkunsten. Uit liefde voor Iason (z. a.) gaf zij hem de middelen aan de hand om de gouden vacht meester te worden en daarna vluchtte zij met hem uit haar vaderland en werd zij zijne gemalin. Toen Iason Iolcus belegerde, wist zij in de stad te komen en bewerkte zij op listige wijze den dood van Pelias (z. a.). Daardoor werd Iolcus genomen, Iason moest echter spoedig weder het land verlaten en ging met haar naar Corinthe, waar zij geruimen tijd gelukkig leefden en drie kinderen kregen. Toen Iason haar echter verstiet om met Creusa (no. 4) te huwen, ruimde zij deze door hare toovermiddelen uit den weg en doodde zij hare eigen kinderen om zich op Iason te wreken; daarna vluchtte zij naar Athene, waar zij bij Aegeus een zoon kreeg, dien zij Medus noemde, maar weldra moest zij ook van hier vluchten daar zij Theseus belaagde; zij ging met haar zoon naar Aria, waarvan de bewoners sedert Mediërs genoemd werden. Na haar dood werd zij in het Elysium geplaatst en huwde zij met Achilles.

Medeon, Medeon, naam van verschillende steden. 1) in Acarnania bij de Ambracische golf.--2) op de kust van Phocis, in den heiligen oorlog verwoest.--3) in Boeotia aan het Copaïsche meer.--4) in Dalmatia bij Scodra (Scutari).

Media, Media, hoogst belangrijk en volkrijk land van Azië, in het N.W. van Ariana. Deioces (709) wordt als de stichter van het medische rijk genoemd en van de hoofdstad Ecbatana. De oude hoofdstad was Rhagae. Dit rijk breidde zich ook buiten Media uit, o. a. over het stamverwante Persis. Met Cyrus ging de heerschappij van het medische vorstenhuis in het perzische over (560). Alexander d. G. splitste Media in twee gewesten: Groot-Medië en Atropatene. Bij dichters is dikwijls Medoi, Medi = Perzen, Medi ook wel = Parthen, Medum flumen = Euphraat.

Mediae murus, to Medias teichos. Deze muur, 20 parasangen lang, 100 voet hoog, 20 voet dik, uit gebakken steen opgetrokken en van poorten voorzien, liep van den Euphraat tot den Tigris, van boven Sipphara naar Sittace, en boven het kanalengebied van Babylonia en vormde de scheiding tusschen Mesopotamia en Babylonia, om dit laatste tegen invallen van die zijde te dekken. Volgens de overlevering heeft Semiramis, in werkelijkheid Nebucadnezar den muur gebouwd, om Babylon tegen aanvallen der Meden te beveiligen.

Medimnus, medimnos, grieksche inhoudsmaat voor droge waren = 52.5 L.

Mediolanum, Mediolanion (de lat. uitgang -ium komt slechts voor bij het tegenw. Milaan), naam van verschillende gallische steden. 1) in Gallia Transpadana, thans Milaan, dat in opschriften steeds Mediolanium heet. Sedert 89 lat. kolonie, sedert 49 municipium. In den keizertijd is het zeer belangrijk; in de 4de eeuw n. Chr. is het een der residentiesteden, en woonplaats van den praefectus praetorio Italiae.--2) in Gallia Transalpina bij de Santones, thans Saintes; bij de Eburovices, thans Evreux; bij de Bituriges.--3) ook bij de Ordovices, in Britannia.

Mediomatrici, volksstam in Belgica, aan de Mosella (Moezel). Hoofdstad Divodurum (Metz).

Medion = Medeon no. 1.

Medius Fidius, zie Dius Fidius.

Medma, grieksche kolonie aan de Westkust van het land der Bruttii, aan een gelijknamig riviertje.

Medoacus, Medoakos, rivier in Gallia Transpadana, die langs Patavium (Padua) stroomt en zich in de lagunen der Adriatische zee stort, thans Brenta.

Medobriga, Mundobriga, stad in Lusitania, dicht bij den mons Herminius, ten N. van den Tagus (Taag).

Medocus, Medokos, vorst der Odrysen, vriend van Alcibiades, in 389 door Thrasybulus tot een bondgenootschap met de Atheners overgehaald.

Medon, Medon, 1) zoon van Oileus, vluchtte wegens een moord naar Phylace; voor Troje werd hij door Aeneas gedood.--2) zoon van Codrus, wordt de eerste der atheensche archonten genoemd, waarschijnlijker is het echter dat hij de koninklijke waardigheid van zijn vader erfde, en dat onder zijne regeering het archontaat als een afzonderlijk ambt is ingesteld. Hij was de stamvader der Medontiden, in welk geslacht de waardigheid van archont tot 714 erfelijk bleef.--3) lacedaemonisch beeldhouwer omstreeks 600.

Meduli, volkje in Aquitania, aan den mond der Garumna aan den linker oever, omstreeks het tegenw. Medoc.

Medulli, volkje aan de Alpenhellingen in Gallia Narbonensis, aan de bronnen der Druentia (Durance), ten N. der Caturiges.

Medullia, oude latijnsche stad tusschen den Tiber en den Anio.

Medullinus, familienaam in de gens Furia.

Medus, Medos, rivier in Persis, stroomt langs Persepolis.

Medusa, Medousa, eene van de Gorgonen, de eenige die sterfelijk was, door Perseus (z.a.) onthoofd. Uit haar romp kwamen Chrysaor en het paard Pegasus (Medusaeus equus) te voorschijn, die Poseidon bij haar verwekt had. Haar hoofd werd door Athena op de aegis geplaatst.

Mefitis = Mephitis.

Megabates, Megabates, perzisch veldheer, die op raad van Aristagoras (z.a.) door Darius Hystaspis uitgezonden werd om Naxus te veroveren; om Aristagoras tegen te werken verried hij het plan aan de Naxiërs, zoodat de onderneming mislukte.

Megabazus, Megabazos, 1) veldheer van Darius Hystaspis, die den tocht naar Scythië medemaakte en na den terugkeer van Darius Thracië onderwierp.--2) zoon van Megabates, aanvoerder van de vloot van Xerxes.--3) werd door Artaxerxes I naar Griekenland gezonden om de Spartanen tot een inval in Attica te bewegen, toen de Atheners den opstand van Inaros ondersteunden; hij moest echter onverrichter zake terugkeeren.

Megabyzus, Megabyzos, 1) een van de saamgezworenen tegen den gewaanden Smerdis.--2) zoon van Zopyrus, een van de veldheeren van Xerxes, onder Artaxerxes I satraap van Syrië, overwon Inaros en de met hem verbonden Atheners, en maakte een einde aan den opstand van Aegypte (454). Ontevreden over de handelwijze van den koning tegenover de overwonnenen, stond hij op en, hoewel hij zich spoedig met Artaxerxes verzoende, bleef hij altijd verdacht; hij werd verbannen, ging naar Creta, doch kwam heimelijk naar Susa terug, waar hij eindelijk weder in genade aangenomen werd.

Megacles, Megakles, 1) Alcmaeonide, atheensch archont tijdens den opstand van Cylon, wiens aanhangers hij in strijd met zijne belofte liet dooden.--2) kleinzoon van den vorigen, aanvoerder der gematigde partij in de burgertwisten na Solon's vertrek uit Athene, moest voor Pisistratus vluchten (560), kwam daarna terug, en dwong op zijn beurt Pisistratus tweemaal Athene te verlaten, doch moest eindelijk voor goed voor zijn vijand het veld ruimen (537).--3) kleinzoon van den vorigen, zoon van Clisthenes no. 2, grootvader van Alcibiades, overwinnaar in de pythische spelen, tweemaal door het ostracismus verbannen.--4) kleinzoon van no. 2, oom van Pericles.--5) vriend van Pyrrhus van Epirus, sneuvelde in den slag bij Heraclea.

Megaera, Megaira, eene van de Erinyen.

Megalesia, of ludi Megalenses, feesten, in April gevierd ter eere der magna mater, Cybele. Zij gingen vergezeld van tooneelvoorstellingen, en wedrennen, en duurden zes dagen, gedurende welke men elkander wederkeerig ter maaltijd noodigde. De patricische vrouwen verrichtten daarbij nagenoeg dezelfde plechtigheden als de plebejische bij de kort daarop volgende Cerealia (z.a.). De priesters van Cybele, de Galli, hielden dan optochten door Rome. De Ludi Megalenses zijn ingesteld in 204, en met de inwijding van den tempel der Magna Mater op den Palatinus in 191 annui geworden (z. Ludi).

Megalopolis, Megale polis, Megalopolis, stad in het Z. van Arcadia, in 371 door Epaminondas gesticht als grensvesting tegen Sparta en kunstmatig bevolkt met de inwoners van bijna veertig naburige plaatsen, zoodat het tusschen 60- en 70000 inwoners telde. Later trad de stad tot het achaeïsch verbond toe (zie Lydiadas), doch werd in 226 door Cleomenes van Sparta ingenomen en verwoest. Ofschoon zij binnen weinige jaren herbouwd werd, kwam zij toch niet meer tot bloei, maar verviel meer en meer. Megalopolis was de geboorteplaats van Philopoemen en Polybius.

Megalophanes, Megalophanes, z. Ecdemus.

Megapenthes, Megapenthes, 1) zoon van Proetus, regeerde over Tiryns, maar ruilde zijn rijk met Perseus en werd zoo koning van Argos.--2) zoon van Menelaus, verdreef na den dood van zijn vader zijne stiefmoeder Helena uit Sparta.

Megara, Megara, dochter van Creon no. 3, gehuwd met Heracles en later met Iolaus.

Megara (gen. Megarae en -orum), ta Megara, hoofdstad van het staatje Megaris, op den Isthmus, met de havenstad Nisaea en den burcht Alcathoë. Megara was de geboorteplaats van den dichter Theognis en den wijsgeer Euclides, den leerling van Socrates.--Over Megara op Sicilia, zie Hybla.

Megareus, Megareus, gewoonlijk Menoeceus, zoon van Creon no. 2, benam zich vrijwillig het leven, toen Thebe door de zeven vorsten belegerd werd, dewijl Tiresias voorspeld had, dat slechts door het offer van een der Sparti de Thebanen in den oorlog overwinnaars konden zijn.

Megareïus, Hippomenes, zoon van Megareus.

Megarici, wijsgeeren uit de megarische school, z. Euclides no. 3.

Megaris, Megaris, klein gewest van Griekenland, aan en op den Isthmus, eerst door Ioniërs bevolkt, doch door de Doriërs veroverd. Het staatje lag dikwijls met Athene overhoop en had het dan meestal zwaar te verantwoorden, wanneer de Atheners door afsluiting der grenzen den invoer en het verkeer stremden. Dit was te gemakkelijker, omdat Megaris van Attica door een bergrij gescheiden was, waardoor een pas liep, in de rotsen uitgehouden, terwijl de bergpas, die over den Cithaeron naar Boeotia voerde, niet zonder gevaar was.

Megasthenes, Megasthenes, 1) van Chalcis, stichter van Cumae in Campanië.--2) vriend en raadsman van Seleucus Nicator, door dezen veelal voor zendingen naar het buitenland gebruikt. Zoo kwam hij dikwijls in Indië, waar hij de bouwstoffen verzamelde voor een werk over Indië (Indika), waarvan nog enkele fragmenten bestaan. Aan hem danken wij de berichten over de Indische kasten, over Boeddhisten en Brahmanen.

Meges, Meges, zoon van Phyleus, voor Troje aanvoerder der Epeërs of van de troepen uit Dulichium en de Echinaden.

Megiddo, Mageddo, oude stad in Palestina, in het Z.W. van Galilaea. In de nabijheid ontstond later uit eene rom. legerplaats de stad Legio.

Megista, Megiste, eilandje en havenstad op de kust van Lycia.

Megistias, Megistias, waarzegger uit Acarnanië, behoorde tot het leger van Leonidas en sneuvelde bij de Thermopylae.

Megistus, Megistos = Macestus.

Mela (M. Pomponius), uit Hispania, schrijver van een aardrijkskundig werk de chorographia of de situ orbis in 3 boeken. Hij leefde in den tijd der keizers Caligula en Claudius. Zijn werk is waarschijnlijk eerst na 46 n. Chr. uitgekomen.

Melae of Meles (gen. -ium), vlek in Samnium.

Melaena, Melaina, kaap aan de Noordpunt van den berg Mimas, in Ionia, ook Promonturium Atrum geheeten.

Melampus, Melampous, zoon van Amythaon en Idomene. Toen hij eens als kind in slaap gevallen was, kropen slangen over zijn lichaam en likten zijne ooren; sedert dien tijd verstond hij de taal der vogels en kon hij de toekomst voorspellen. Zijn broeder Bias dong naar de hand van Pero, de dochter van Neleus, die door haar vader beloofd was aan dengene, die hem de runderen van Iphiclus uit Thessalië zoude brengen. Nadat Bias hiertoe vergeefsche pogingen had aangewend, ondernam Mel. het, ze voor hem te halen, maar voorspelde dat hij ze eerst zou krijgen, na een jaar in de gevangenis doorgebracht te hebben. Inderdaad werd hij door Iphiclus gevangen genomen, maar toen hij na eenigen tijd verzocht naar een ander huis verplaatst te worden, omdat hij van houtwormen gehoord had dat de balken van dat, waarin hij zich bevond, geheel doorgeknaagd waren, zoodat het spoedig zoude instorten, en toen deze voorspelling inderdaad bewaarheid werd, erkende Iphiclus zijne voortreffelijkheid als ziener, en nadat Mel. hem de middelen had aan de hand gedaan, waardoor zijn huwelijk met kinderen gezegend zou worden, gaf hij hem de runderen vrijwillig mede. Eenigen tijd woonde Mel. nu in Messene, later genas hij de vrouwen van Argos van waanzin (z. Proetides); tot belooning kreeg hij, evenals Bias, een derde van het rijk, en huwde hij met Iphianassa, de dochter van koning Proetus.--V. s. had Mel. den dienst van Dionysus in Griekenland ingevoerd.

Melanchlaeni, Melanchlainoi, (zwartmantels), nomadenvolk in aziatisch Sarmatia.

Melanchrus, Melanchros, tyran van Mytilene, door Pittacus, Alcaeus en twee broeders van dezen gedood.

Melanippe, Melanippe, 1) dochter van Chiron, die aan Aeolus hare liefde schonk. Toen zij moeder worden zou, vluchtte zij uit vrees voor haar vader; op haar gebed werd zij door Artemis in een paard veranderd.--2) moeder van Aeolus (z. a.) en Boeotus.--3) eene Amazone, zuster van Hippolyte. Heracles nam haar gevangen, en liet haar niet vrij, voordat de koningin hem haar gordel gegeven had.--4) eene van de Meleagrides.

Melanippides, Melanippides, twee dithyrambendichters van Melus, grootvader en kleinzoon; met den laatsten, die op het einde der 5de eeuw leefde, begint het verval van deze dichtsoort.

Melanippus, Melanippos, 1) Thebaan, zoon van Astacus, gedroeg zich dapper bij de verdediging van Thebe tegen de zeven vorsten; hij versloeg Tydeus (z. a.), maar werd door Amphiaraus gedood.--2) een van de zonen van Agrius, die Oeneus van de regeering beroofden, waarvoor hij door Diomedes gedood werd.--3) zoon van Theseus en Periguna, de dochter van Sinis, overwinnaar in de nemeïsche spelen.

Melanthius, Melanthios, 1) geitenhoeder van Odysseus, maakte zich gedurende de afwezigheid van zijn heer aan ontrouw schuldig, en werd hij diens terugkomst op wreede wijze gedood.--2) aanvoerder der atheensche troepen, die aan Aristagoras van Miletus te hulp gezonden werden.--3) atheensch treurspeldichter, zoon van Philocles no. 1, vriend van Cimon.--4) van Rhodus, leerling van Carneades, bekend om zijn aangename wijze van voordragen.--5) schilder van de sicyonische school, leerling van Pamphilus. Hij leefde in de 4de eeuw.

Melantho, Melantho, 1) dochter van Deucalion, bij Poseidon moeder van Delphus.--2) een van de dienstmaagden in het huis van Odysseus, zij werd bij zijn terugkomst wegens haar ontrouw gedood.

Melanthus, Melanthos, zoon van Andropompus, koning van Messene, werd door de Heracliden verdreven en ging naar Attica. Toen Xanthus, de koning der Boeotiërs, een inval in Attica had gedaan, waagde Mel. een tweegevecht met hem, wat de atheensche koning Thymoetes geweigerd had te ondernemen. Gedurende het gevecht verscheen Dionysus achter Xanthus, en toen Mel. hem verweet dat hij niet alleen was, keerde X. zich om, en van dit oogenblik maakte zijn tegenstander gebruik om hem te doorsteken. Mel. werd koning van Attica, en ter herinnering aan de door bedrog behaalde overwinning werd, naar men zegt, het feest der Apaturia ingesteld.

Melas, Melas, naam van verschillende rivieren, die donker van kleur waren. 1) in Thracia, die ten W. der thracische Chersonesus in den sinus Melas, Melas kolpos, valt.--2) in het thessalische landschap Phthiotis, zijtak van den Apidanus.--3) in Malis, stroomde langs Heraclea in de malische golf uit.--4) in Boeotia, tusschen Orchomenus en Aspledon, ontlast zich in het Copaïsche meer.--5) op Sicilia bij Mylae.--6) op de grenzen van Pamphylia en Cilicia.

Melcarth, Melikarthos, phoenicisch zonnegod, door de Grieken met Heracles geïdentificeerd; hij werd vooral te Tyrus vereerd. Zie Melicertes.

Meldae of Meldi, Meldai, -doi, gallisch volk bij de Sequana en den Matrona, met de hoofdstad Iatinum (Meaux).

Meleager, Meleagros, 1) zoon van Oeneus en Althaea, geducht speerwerper, nam deel aan den Argonautentocht en was de aanvoerder van de calydonische jacht. Toen deze jacht was afgeloopen, ontstond over den kop en de huid van het gedoode dier, den prijs der overwinning, een bloedigen strijd tusschen de Aetoliërs en de Cureten; zoolang Mel. medestreed, behielden de Aetoliërs de overhand, maar toen zijne moeder hem vervloekte, omdat hij een van hare broeders in het gevecht verslagen had, trok hij zich terug, en de nood was hoog bij de Aetoliërs gestegen, eer hij zich door de beden zijner gemalin liet bewegen zich weder bij de strijdenden te voegen. Hij redde zijne landgenooten, maar werd zelf door Apollo met een pijl gedood.--V. a. waren op den zevenden dag na zijne geboorte de Moerae in de kamer zijner moeder gekomen en hadden gezegd, dat hij sterven zoude, zoodra een op den haard liggend stuk hout verbrand zoude zijn. Daarop nam Althaea het blok haastig uit het vuur en bewaarde het zorgvuldig. Na afloop van de calydonische jacht vereerde Mel. de schoone Atalante, die het zwijn de eerste wond had toegebracht, met de huid van het dier, maar de broeders van Althaea ontnamen haar die met geweld, waarop Mel. hen doodde. Hierover vertoornd, wierp zijne moeder het stuk hout op het vuur, waarop Mel. spoedig stierf.--2) veldheer van Alexander den Gr., bewerkte dat na diens dood Philippus Arrhidaeus tot koning uitgeroepen werd, door wien hij hoopte nevens Perdiccas de grootste macht in handen te krijgen. Deze doorzag echter zijn plan en liet hem met zijne aanhangers bij eene wapenschouwing dooden.--3) zoon van Ptolemaeus Lagi, regeerde na den dood van Ptolemaus Ceraunus twee maanden over Macedonië; daarna werd hij wegens zijne onbekwaamheid weggejaagd.--4) van Gadara, geestig epigrammendichter, maakte ook eene bloemlezing van oudere epigrammen; hij leefde omstreeks 80.

Meleagrides, Meleagrides, vier zusters van Meleager, waarvan twee aanhoudend den dood van haar broeder beweenden, totdat zij door Artemis in parelhoenders veranderd werden.

Meles, gen. -etis, Meles, kustriviertje bij Smyrna; in eene bij de bron gelegen grot zou Homerus zijne werken hebben gedicht. Vandaar Melesigenes = Homerus, en bij Tibultus Meleteae chartae = de gedichten van H.

Melesses (Maesesses), een afdeeling der Bastetani, in het Z. van Tarraconensis, met de hoofdstad Oringis (Orongis), en met zilvermijnen in zijn gebied.

Melete, Melete, eene van de boeotische Muzen.

Meletus, Meletos, 1) Athener, verdacht van oligarchische gezindheid en betrokken in het Hermocopidenproces.--2) een van de aanklagers van Socrates. V. s. werd hij kort na Socrates ter dood veroordeeld.--3) tragisch dichter, einde van de vijfde eeuw, misschien de vader van no. 2.

Melia, Melia, 1) nimf, dochter van Oceanus, bij Inachus moeder van Phoroneus en Aegialeus of Phegeus.--2) nimf, bij Poseidon moeder van Amycus.--3) dochter van Oceanus, door Apollo geschaakt en bij hem moeder van Ismenius en Tenerus.

Meliades, Meliades, Meliai, nimfen, ontstaan uit de bloeddruppels van den verminkten Uranus; zij worden ook voedsters van Zeus genoemd.

Melibocus mons, het Harz-gebergte.

Meliboea, Meliboia, 1) Oceanide, bij Pelasgus moeder van Lycaon.--2) dochter van Niobe, de eenige die niet door Artemis gedood werd. Zie Chloris no. 2.

Meliboea, Meliboia, zeestad van het thessalische landschap Magnesia, aan den voet van den Ossa gelegen, woonplaats van Philoctetes, Meliboeus dux.

Melicertes, Melikertes, zoon van Athamas (z. a.) en Ino, na zijn dood onder den naam Palaemon onder de godheden der zee opgenomen, door de Romeinen met Portunus geïdentificeerd. Velen meenen dat hij dezelfde is als de phoenicische god Melcarth. V. s. waren de isthmische spelen oorspronkelijk als lijkfeesten voor Mel. ingesteld, maar later door Theseus aan Poseidon gewijd.

Melinno, Melinno, lyrische dichteres uit Locri Epizephyrii, die misschien tegen het einde der eerste eeuw leefde. Van haar bestaat nog een kort gedicht, dat soms aan Erinna wordt toegeschreven.

Melische poëzie, z. Lyrische poëzie.

Melissa, Melissa, eene nimf, die den menschen het gebruik van honig leerde. Soms worden nimfen in het algemeen melissai genoemd, en ook de priesteressen van Demeter en van de ephesische Artemis dragen denzelfden naam.

Melisseus, Melisseus, koning van Creta, vader van Adrastea en Ida, de opvoedsters van Zeus.

Melissus, Melissos, 1) Thebaan, zoon van Telesiades, overwinnaar in de nemeïsche spelen.--2) van Samus, admiraal in den oorlog tegen Athene; Pericles leed eenmaal door hem eene nederlaag (441). Als wijsgeer behoorde hij tot de eleatische school; hij was een leerling van Parmenides, en trachtte in zijne geschriften de eenheid, eeuwigheid, onveranderlijkheid en onbewegelijkheid van het bestaande te bewijzen.--3) C. Mel., van Spoletium, vrijgelatene van Maecenas, schrijver van kluchten (ineptiarum libellus).--4) Aelius Mel., romeinsch grammaticus, schrijver van een werk de loquendi proprietate, leefde in de 2de eeuw na C.

Melita, Melite, thans Malta, eil. tusschen Sicilia en Africa, beroemd door het melitensisch lijnwaad en bekend door de catuli Melitaei of maltezer schoothondjes. Het eil. was eerst phoenicisch, toen carthaagsch, daarna rom.--Ook een eilandje op de dalmatische kust.

Melitaea, Melitaia, -iteia, oude stad in het thessalische gewest Phthiotis; aan den Enipeus.

Melitene, Melitene, stad en landschap in het O. van Cappadocia.

Mellaria, naam van twee steden in Baetica, de ééne ten N. van Corduba, in Baeturia, de andere aan het fretum Gaditanum (straat van Gibraltar).

Melleirenes, aanstaande eirenes, spartaansche jongelingen van 18 tot 20 jaar.

Mellepheboi, aanstaande epheboi, atheensche jongelingen van 15 tot 16 jaar.

Mel(l)on, Mel(l)on, rijk Thebaan, moest vluchten toen de Cadmea door de Spartanen bezet werd (382). Later beijverde hij zich zeer voor de bevrijding van Thebe en was hij tegelijk met Pelopidas boeotarch.

Melodunum, stad in Gallia op een eiland, door de Sequana (Seine) omspoeld, in het gebied der Senones, thans Melun.

Melpomene, Melpomene. Muze van muziek en zang, in het bizonder van het treurspel. Zij wordt afgebeeld met een tragisch masker in de hand en een krans op het hoofd.

Melus, Melos, thans Milo, eiland in de Aegaeische zee, tot de Sporaden gerekend, doch zeer W. en nabij de Cycladen gelegen. Door de ouden werd het rond of appelvormig genoemd, en de naam afgeleid van melon, appel; dezen vorm heeft het schijnbaar, wanneer men van het W. het eiland nadert, in werkelijkheid is het alles behalve rond. Het heeft een diepen inham, waaraan de gelijknamige stad lag. De bevolking was dorisch. In den peloponnesischen oorlog werd het eil. door de Atheners geblokkeerd en uitgehongerd (416), vandaar spreekwoordelijk limos Melios. Na de overgaaf werden de mannen omgebracht, en vrouwen en kinderen als slaven verkocht, en atheensche kolonisten er heen gezonden. De bodem van het eiland was warm door vulkanische werking, doch de opstijgende zwaveldampen waren zeer hinderlijk.

Memmia (lex) van den volkstribuun C. Memmius in 111, dat Jugurtha onder vrijgeleide naar Rome moest ontboden worden, om te verklaren, wie geld van hem hadden aangenomen.

Memmii, plebejisch geslacht, dat van Aeneas' tochtgenoot Mnestheus beweerde af te stammen. 1) C. Memmius, volkstribuun in 111, zette het volk op tegen de optimaten, die de eer van Rome veil hadden voor het goud van Jugurtha, en bewerkte dat de senaat een leger tegen hem afzond. Toen hij in 100 met den woesten C. Servilius Glaucia naar het consulaat dong, werd hij door dezen en diens medestander Saturninus in de volle volksvergadering om het leven gebracht.--2. C. Memmius, ten onrechte Gemellus genoemd, volkstribuun in 66, praetor in 58 en vervolgens propraetor in Bithynia, werd later wegens omkooping veroordeeld en ging in ballingschap naar Griekenland, waar hij in 47 stierf. Hij was een goed redenaar. Aan hem droeg Lucretius zijn gedicht de rerum natura op. Hij stond in geregelde briefwisseling met Cicero.--3) C. Memmius, stiefzoon van Sulla en volkstribuun in 54, klaagde A. Gabinius en C. Rabirius Postumus aan, die door Cicero werden verdedigd.--4) P. Memmius Regulus steunde Macro bij zijn pogingen om Seianus ten val te brengen. Later was hij proconsul van Achaia, Macedonia en Moesia (sedert 36 n. C.). Caligula dwong hem zijne vrouw Lollia Paullina aan hem af te staan. Hij stierf in 61.

Memnon, Memnon, 1) zoon van Tithonus en Eos, kwam met de Aethiopiërs van het Oosten (z. Aethiopes) Priamus te hulp en verrichtte vele heldendaden, o. a. doodde hij Antilochus; eindelijk werd hij door Achilles verslagen. Om Eos te troosten, gaf Zeus hem de onsterfelijkheid. Uit zijn brandstapel stegen vogels op (Memnonides), die ieder jaar zijn graf bezoeken en daar te zijner eere een wedstrijd houden.--Door eene verwarring tusschen de oostelijke en westelijke Aethiopiërs zijn vele verhalen omtrent M. ontstaan, die moeielijk met elkander zijn overeen te brengen; zijn graf toonde men aan den Hellespont, in Phoenicië en in Aethiopië, en verscheiden kolossale gebouwen werden naar hem genoemd, o. a. de koningsburcht van Susa Memnonia, en vooral een reusachtig beeld bij Thebe in Aegypte, waarvan door een aardbeving het bovenste gedeelte afgebroken was, en dat sedert dien tijd, wanneer het door de opgaande zon beschenen werd, een geluid gaf als een springende snaar. Uit het onderzoek van de nog bestaande overblijfsels van dit beeld is gebleken, dat het den oud-aegyptischen koning Amenophis III (omstreeks 1500) voorstelde.--2) van Rhodus, bekwaam aanvoerder der grieksche huurtroepen van Darius Codomannus. Bij den inval van Alexander den G. stelde hij voor Klein-Azië prijs te geven, met de vloot Alexander van Europa af te snijden, en in Griekenland en Macedonië bewegingen tegen hem in het leven te roepen; zijn raad werd echter niet opgevolgd. Na den slag bij den Granicus verdedigde hij Miletus en Halicarnassus, veroverde hij als bevelhebber der vloot Chius, Lesbus, enz., en stelde hij zich in betrekking met Agis; reeds was hij op het punt naar Europa over te steken, toen hij bij het beleg van Mytilene ziek werd en stierf (334).--3) schrijver van eene geschiedenis van het pontische Heraclea, waarvan enkele fragmenten bestaan. Hij leefde in de tweede eeuw na C.

Memphis, Memphis, oude belangrijke stad van Aegypte, even boven het begin der Nijldelta, 5 uren gaans in omtrek, met prachtige tempels en paleizen. Vooral de god Phtha en de stier Apis werden hier vereerd. In den omtrek vond men een aantal pyramiden.

Men, Men, 1) maangod bij de Phrygiërs.--2) = Menes.

Menae, Menai, bergstad der Siculi, aan den weg van Catana naar Gela, geboorteplaats van Ducetius. In de nabijheid lag de bron Menaïs, waarbij de inwoners zwoeren.

Menaechmus, Menaichmos, 1) van Naupactus, beeldhouwer omstreeks 500.--2) van Sicyon, tijdgenoot van Alexander den G., beeldhouwer en geschiedschrijver.--3) wiskundige, van wiens werken een fragment bewaard is. Van zijn leven is niets bekend.

Menaenum, Menainon, stad der Siculi, ten W. van Syracusae, stichting van Ducetius.

Menalippe = Melanippe.

Menander, Menandros, 1) atheensch veldheer in den peloponnesischen oorlog, nam deel aan den tocht naar Sicilië en aan den slag bij Aegospotami.--2) zoon van Diopithes, geb. 342, vriend van Theophrastus, Epicurus en Demetrius Phalereus. Hij is de voornaamste dichter der nieuwe attische comedie en schreef, naar men meent, meer dan 100 stukken, waarvan de juiste karakterteekening, de goed gevonden toestanden en de beschaafde toon geroemd worden. Slechts achtmaal werd hem een prijs toegekend, toch waren zijne werken zoo bekend, dat Ptolemaeus Lagi hem trachtte over te halen naar Alexandrië te komen; hij bleef echter te Athene, waar hij, 52 jaar oud, in het bad verongelukte. Van zijne comedies zijn sommige door Terentius e. a. in het Latijn bewerkt. Tal van verzen uit zijne werken worden door lateren geciteerd; ook zijn nog zeer onlangs belangrijke fragmenten van sommige stukken van hem gevonden.--3) van Ephesus, schrijver eener geschiedenis van Phoenicië.--4) leerling van Diogenes no. 2.

Menapii, Menapioi, belgisch volk, dat door de Usipetes en Tencteri van den Rijn tot over de Mosa (Maas) werd gedrongen, te midden van bosschen en moerassen. Het castellum Menapiorum is òf het tegenw. Kessel op den linker Maasoever tusschen Roermond en Venlo, òf, daar de Menapii later meer westelijk wonen, Cassel in het Departement du Nord, dat ook wel voor een Castellum Morinorum aangezien wordt. Verder ligt in hun land Turnacum, tgw. Doornik.

Menas, Menas = Menodorus.

Mende of Mendae, Mende, Mendai, kolonie van Eretria, op het chalcidische schiereiland Pallene, aan de golf van Thermae.

Mendes, gen. -etis, Mendes, stad in de Nijldelta aan den mendesischen rivierarm, zetel van den eeredienst van den God Mendes, die als zinnebeeld der voortbrengende natuurkracht onder de gedaante van een bok werd voorgesteld en door de Grieken met Pan werd vereenzelvigd.

Mendesium ostium, Mendesion stoma, een van de Nijlmonden, ten O. van den Phatnitischen mond gelegen.

Mene, Mene = Selene.

Menecles, Menekles, beroemd rhetor van Alabanda, wiens voordrachten Cicero hoorde.

Meneclidas, Menekleidas, thebaansch volksredenaar, vijand van Epaminondas en Pelopidas, wegens zijn kuiperijen tot geldboete veroordeeld.

Menecrates, Menekrates, 1) wijsgeer der eleatische school, leerling van Xenophanes, schrijver van aardrijkskundige werken.--2) van Syracuse, geneesheer ten tijde van Philippus van Macedonië, die zich door zijne ijdelheid belachelijk maakte.--3) verdienstelijk geneesheer onder Tiberius.--4) vrijgelatene van Pompeius, aanvoerder van de vloot van Sextus Pompeius; in een zeeslag bij Cumae werd zijn schip genomen en hij stortte zich in zee.--5) citharoede, in groot aanzien bij Nero.

Menedemus, Menedemos, 1) veldheer van Alexander d. G.--2) van Eretria, zoon van Clisthenes, leerling van Plato en Stilpo, daarna leeraar der wijsbegeerte te Eretria, en stichter der eretrische school. Hij bekleedde er aanzienlijke staatsambten, maar werd van verraad beschuldigd en vluchtte naar Antigonus Gonatas. Zijne leefwijze was eenvoudig en zijn omgang aangenaam, bij voorkeur hield hij zich bezig met de studie van oude dichters.--3) van Lampsacus, cynisch wijsgeer van de uiterste richting.--4) rhetor te Athene omstreeks 94.--5) Macedoniër; die door zijn gastvriend Iulius Caesar het romeinsche burgerrecht kreeg.

Menelai portus, Menelaios limen, havenstad in het O. van Cyrenaica, in het gebied der Gilligammae, volgens de mythe door Menelaus gesticht. Hier stierf Agesilaus van Sparta in 358 op den terugweg uit Aegypte.

Menelaium, Menelaion, berg in Laconica ten Z.O. van Sparta, bij Therapne, met een heiligdom voor Menelaus.

Menelaus, Menelaos, 1) zoon van Atreus of Plisthenes, broeder van Agamemnon (z. a.), gehuwd met Helena (z. a.), de dochter van Tyndareos, van wien hij de regeering over Sparta erft. Aan den trojaanschen oorlog neemt hij met 60 schepen deel, hij gaat met Odysseus naar Troje om Helena terug te vorderen, maar deze eisch wordt afgewezen. In den oorlog verricht hij onder bescherming van Athena en Hera vele heldendaden, hij overwint Paris in een tweegevecht, ofschoon Aphrodite zijn vijand uit zijne handen redt, strijdt met Hector en Aeneas, verdedigt het lijk van Patroclus en begeeft zich met het houten paard in de stad. Op zijn terugreis wordt hij bij kaap Malea door een storm overvallen, die hem naar Aegypte drijft, en eerst nadat hij 8 jaar rondgezworven had, keerde hij in zijn rijk terug. Hier leefde hij nog lang met Helena in vrede, rijkdom en geluk, eindelijk werd hij met haar naar het Elysium verplaatst. Niettemin werd hun graf bij Therapne getoond, waar te hunner eer een tempel was en spelen gevierd werden.--2) onechte zoon van Amyntas II; daar Phillippus hem niet vertrouwde en zijn leven bedreigde, ging hij bij de Atheners in dienst.--3) broeder van Ptolemaeus Lagi, verdedigde Salamis op Cyprus tegen Demetrius Poliorcetes, doch moest zich na eene langdurige en dappere verdediging overgeven (306).--4) van Marathus, onderwees Ti. Gracchus in de welsprekendheid.--5) beeldhouwer uit den tijd van keizer Tiberius. Van hem is de bekende groep Orestes en Electra, vroeger in Villa Ludovisi, tgw. in het Museo Nazionale te Rome.--6) van Alexandria, beroemd wis- en sterrenkundige, omstreeks 100 n.C. Hij heeft zich vooral bezig gehouden met trigonometrie en sphaerische astronomie.

Menenia (lex) agraria, z. Maenia (Menenia) (lex) agraria.

Menenia of Maenia Duilia (lex), zie Fenus.

Menenia Sestia (lex) van de consuls T. Menenius Lanatus en P. Sestius Capitolinus in 452, eene wet omtrent de multa suprema, zie Aternia Tarpeia (lex); omtrent den inhoud is verder niets zekers bekend.

Menenii, patricisch geslacht, doch met een plebejischen tak. 1) Agrippa Menenius, consul in 503, behaalde eene overwinning op de Sabijnen en wist volgens de overlevering in 494 door zijne toespraak (fabel van de maag en ledematen) de uitgeweken plebejers tot den terugkeer naar Rome te bewegen. Het geheele verhaal omtrent de uitwijking is onhistorisch, zie hieromtrent secessio plebis. Hij stierf arm en werd op staatskosten begraven. Dikwijls wordt hij Menenius Agrippa genoemd, doch Agrippa is hier vóórnaam.--2) T. Menenius Lanatus was consul in 477, in welk jaar de Fabii bij de Cremera werden verslagen. Ook hij zelf streed niet voorspoedig tegen de Etruscers. Na zijn consulaat klaagden twee volkstribunen hem aan wegens gebrek aan voorzorg, en het volk veroordeelde hem tot eene geldboete. Menenius kon dit niet verkroppen en liet zich doodhongeren.--3) T. Menenius Lanatus (ook C. of L.), consul in 452, trok zich, naar men zegt, het veldwinnen der plebejers tegenover de patriciërs zóó sterk aan, dat hij ernstig ziek werd. Het was juist in het jaar, dat de lex Terentilla de legibus scribendis werd uitgevoerd.

Menes, Menes, van Pella, onder Alexander d. G. satraap van Syrië, Phoenicië en Cilicië.

Menes, Men, Menes, eerste koning van Aegypte, stichter van Memphis.

Menesaechmus, Menesaichmos, atheensch redenaar, tegenstander van Demosthenes en Lycurgus.

Menestheus, 1) zoon van Peteos, stiet met de hulp der Tyndariden Theseus van den troon en voerde de Atheners voor Troje aan, waar hij sneuvelde.--2) zoon van Clytius, tochtgenoot van Aeneas.--3) zoon van Iphicrates, atheensch veldheer.

Menesthius, Menesthios, twee strijders in het leger der Grieken voor Troje; de eene was een zoon van Areïthous en Philomedusa, de andere van den riviergod Spercheus en Polydora, zuster van Achilles.

Menestratus, Menestratos, 1) Athener, aangeklaagd van een samenzwering tegen de oligarchische partij (404). Hij noemde zijne medeplichtigen en werd daarom vrijgesproken, doch na de wederinvoering der democratie werd hij met den dood gestraft.--2) beeldhouwer, van wien beroemde standbeelden in den tempel van Artemis te Ephesus stonden.

Menexenus, Menexenos, 1) leerling van Socrates, naar wien een der werken van Plato genoemd is.--2) vriend van Socrates, leerling van den sophist Ctesippus.--3) zoon van Socrates.

Meninx, MEeninx = Lotophagitis, z. Lotophagi.

Menippe, Menippe, en Metioche, dochters van Orion, door Aphrodite met schoonheid begaafd, door Athena in de kunst van weven onderwezen. Toen haar vaderland Aonië door de pest ontvolkt werd, offerden zij zich vrijwillig aan de onderaardsche goden om hen te verzoenen, en doorstaken zij zich de keel met een weverspoel. Persephone en Hades veranderden haar in kometen.

Menippus, Menippos, 1) tyran van Oreüs, werkte in het belang van Philippus van Macedonië tegen de Atheners.--2) veldheer van Philippus III (V) in zijn oorlog tegen de Rom.--3) dienaar van Antiochus d. G., die als gezant te Rome kwam en de Aetoliërs tegen de Rom. ophitste.--4) van Gadara, vroeger slaaf, later cynisch wijsgeer, een befaamd woekeraar, die zich na een belangrijk geldverlies van het leven beroofde (± 270). Zijne eigenaardige hekelschriften, in proza met verzen doormengd, vonden veel bijval en werden door Varro in het Latijn nagevolgd (Satyrae Menippeae, z. Terentii no. 1).--5) van Stratonicea, volgens het oordeel van zijn vriend Cicero de beste aziatische redenaar van zijn tijd.--6) van Pergamus, schrijver van een grieksch werk over aardrijkskunde, onder Augustus.

Menodorus, Menodoros, ook Menas, Menas, genoemd, vrijgelatene van Cn. of diens zoon S. Pompeius en admiraal van den laatste. Hij liep in 38 tot Octavianus over, aan wien hij zijne schepen uitleverde. Octavianus verhief hem tot den ridderstand en stelde hem tot legaat op zijne vloot aan. Inmiddels verhief S. Pompeius een ander vrijgelatene, Menecrates, tot vlootvoogd en zond dezen op Menodorus af. Bij Cumae raakten de beide vloten slaags, het schip van Menecrates werd genomen en deze sprong in zee en verdronk. Later ging Menodorus weder tot Pompeius over en vervolgens opnieuw tot Octavianus.

Menoeceus, 1) Menoikeus, vader van Creon, Iocaste en Hipponome.--2) z. Megareus.

Menoetiades, Menoitiades, Patroclus, zoon van Menoetius no. 2.

Menoetius, Menoitios, 1) zoon van Iapetus en Asia, om zijn overmoed door Zeus met den bliksem gedood en in den Tartarus geworpen.--2) zoon van Actor en Aegina, vader van Patroclus, Argonaut, vriend van Heracles, wien hij v. s. het eerst een offer bracht.--3) weidde de kudden van Hades op het eiland Erythea en verried aan Geryones, dat Heracles zijne runderen geroofd had. Daarom viel Heracles hem aan, toen hij hem in de onderwereld ontmoette; Persephone kwam echter tusschenbeide, zoodat M. er met een wond afkwam.

Menon, Menon, 1) vorst van Pharsalus, in den peloponnesischen oorlog bondgenoot der Atheners.--2) Thessaliër, een van de veldheeren van den jongeren Cyrus. Op den terugtocht na den slag bij Cunaxa, werd hij door Tissaphernes verraderlijk gevangen genomen en gedood. Hij wordt door Xenophon als heerschzuchtig en gewetenloos beschreven. Een der gesprekken van Plato is naar hem genoemd.--3) bevelhebber der thessalische ruiterij in den lamischen oorlog, grootvader van Pyrrhus.--4) geneesheer, leerling van Aristoteles.

Menophanes, Menophanes, veldheer van Mithradates, die in den eersten mithradatischen oorlog Delus plunderde en verwoestte.

Mentes, Mentes, 1) aanvoerder der Ciconen in den trojaanschen oorlog.--2) aanvoerder der Taphiërs, gastvriend van Odysseus. Onder zijne gedaante kwam Athena Telemachus bezoeken.

Mentor, Mentor, 1) van Ithaca, zoon van Alcimus, vertrouwd vriend van Odysseus, die hem bij zijn vertrek naar Troje de zorg voor zijn huis opdroeg. Athene nam dikwijls zijne gedaante aan, wanneer zij als beschermster van het huis van Odysseus optrad.--2) van Rhodus, broeder van Memnon no. 2, bevelhebber der grieksche troepen bij den opstand van Sidon tegen Perzië; door zijn verraad moest de stad zich aan Artaxerxes Ochus overgeven (351). Daarna was hij satraap in Klein-Azië en droeg hij veel bij tot de herovering van Aegypte. Hij stierf kort voor den inval van Alexander d. G.

Menyllus, Menyllos, bevelhebber der macedonische bezetting in Munychia na den lamischen oorlog, vriend van Phocion.

Mephitis of Mefitis, godin, die in Italië vereerd werd op verscheidene plaatsen, waar onzuivere dampen uit den grond opstegen.

Mercurii promunturium = Hermaeum pr.

Mercurius, god van handel en winst, oorspronkelijk misschien in het bijzonder van den graanhandel, in alle opzichten geïdentificeerd met Hermes. Zijn voornaamste feestdag viel op den 15den Mei, die tevens de feestdag was van het koopmansgild, dat tegelijk met de invoering van zijn eeredienst uit Zuid-Italië (in 495) was opgericht.

Merenda, een lichte maaltijd, waarvan de gewone tijd zeer verschillend wordt opgegeven. Misschien aten de boeren vroeger dan de stedelingen en gebruikten zij dit maal tegen den avond; in de stad gebruikte men het dan waarschijnlijk in den voormiddag, en valt het wellicht samen met het prandium.

Meriones, Meriones, vriend en wapenbroeder van Idomeneus (z. a.), uitmuntend als boogschutter en speerwerper.

Mermnadae, Mermnadai, de laatste dynastie der lydische koningen, van Gyges tot Croesus.

Meroë, Meroe, een priesterstaat met gelijknamige hoofdstad in Aethiopia tusschen de beide Nijltakken Astaboras (Atbara) en Astapus (Bahr-el-Azrek of blauwen Nijl). De ouden meenden, dat het rijk op een eiland lag; vandaar vindt men Insula Meroë nog op middeleeuwsche kaarten geteekend. In de eerste eeuw werd de hier heerschende priesterkaste door de onderhoorige negerstammen uitgemoord en ging de stad te gronde.

Merope, Merope, 1) Oceanide, bij Helius of Clymenus moeder van Phaëthon.--2) eene van de Heliades.--3) dochter van Atlas, gemalin van Sisyphus. In het sterrenbeeld der Plejaden is zij de ster, die den minsten glans heeft, omdat zij zich uit schaamte over hare liefde voor een sterveling het gezicht bedekt.--4) gemalin van Polybus, pleegmoeder van Oedipus.--5) dochter van Cypselus, gemalin van Cresphontes. Toen deze door Polyphontes gedood was, werd zij gedwongen den moordenaar te huwen.

Meropis, Meropis, oude naam van het eil. Cos.

Merops, Merops, 1) koning van Cos. Uit verdriet over den plotselingen dood zijner gemalin wilde hij zich van het leven berooven, maar Hera plaatste hem als adelaar onder de sterren.--2) koning van Aethiopië, gehuwd met Clymene no. 3.--3) koning van Percote, beroemd waarzegger, wiens zonen voor Troje door Diomedes gedood werden.

Merula, familienaam in de gens Cornelia.

Mesambria, Mesambrie, 1) stad der Cicones in Thracia, aan de Aegaeïsche zee.--2) = Mesembria.

Mesaulos, gang tusschen het mannen- en het vrouwenverblijf, die in het midden met een deur afgesloten kan worden.

Mesembria, Mesembria, belangrijke koopstad, kolonie van Byzantium en Chalcedon, gesticht na den ionischen opstand, in Thracia, aan den Pontus Euxinus (Zwarte zee) tusschen Apollonia en Odessus.

Mesogaea, Mesogaia, streek in het binnenland van Attica, vooral ten N. en O. van Athene.

Mesogis, Mesogis = Messogis.

Mesomedes, Mesomedes, vrijgelatene en gunsteling van keizer Hadrianus, dichter van eenige epigrammen en van een hymnus, die met de oude muzieknoten bewaard gebleven is.

Mesopotamia, Mesopotamia, een louter geografische naam, in het Seleucidentijdperk gegeven aan de landstreek tusschen den Euphraat en den Tigris van de armenische grenzen tot aan den medischen muur, dus tot aan Babylonia. Vóór dien tijd werd dit land eenvoudig als een deel van Assyria of van Syria beschouwd, zonder eigen naam. Het noordelijk gedeelte werd door de rivier Chaboras in twee deelen gesplitst, Osroene ten W., Mygdonia ten O.

Mespila, eene groote, doch verlaten stad, zes uren gaans in omtrek; waarschijnlijk de overblijfselen van het voormalige Niniveh, z. Ninus. Uit een bericht bij Xenophon, de eenige plaats, waar de naam Mesp. voorkomt, blijkt, dat de inwoners van die streek in X.'s tijd niets meer wisten van het vroegere assyrische rijk.

Messa, Messa, oude laconische havenstad, op de middelste Zuidspits der Peloponnesus, aan den Westkant gelegen.

Messala of Messalla, familienaam in de gens Valeria (Valerii no. 16, 26-29). Vipstanus Messala, zie Vipstani.

Messalina, 1) Valeria Messalina, gemalin van keizer Claudius, zie Valerii no. 33.--2) Statilia Messalina, derde gemalin van Nero, z. Statilii no. 6.

Messana, Messana, doch gewoonlijk Messene, op Sicilia, thans Messina, allereerst Zancle geheeten, daar de haven door eene sikkelvormige landtong gevormd werd. Het was gesticht door Siciliërs, en werd in de achtste eeuw gekoloniseerd door euboeïsche Chalcidiërs en Cumaeërs. Na de verwoesting van Miletus in 494 door de Perzen, vonden scharen Milesiërs en Samiërs hier een toevluchtsoord. Kort daarop maakte Anaxilaus, tyran van Rhegium, zich van Zancle meester en noemde het Messana, naar de Messeniërs, die hij in de stad opnam. In 396 werd de toenmaals bloeiende stad door de Carthagers verwoest. Dionysius de oude, tyran van Syracusae, liet ze spoedig herbouwen. Na den dood van Agathocles maakten diens huurbenden, de Mamertini, zich van haar meester (vóór 283) en vermoordden grootendeels de mannelijke bevolking. Zie verder Mamertini. Messana bleef eene aanzienlijke stad; de ruime haven kon 600 schepen bevatten.

Messapia, Messapia, oude grieksche naam voor Calabria.

Messapium, Messapion, berg aan de O. kust van Boeotia bij de stad Anthedon.

Messapus, 1) Boeotiër, die naar Italië ging, en naar wien Calabria den naam Messapia heeft.--2) een Latijn, zoon van Neptunus, paardentemmer, onkwetsbaar door vuur of staal.

Messene, Messene, stad, door Epaminondas in 369 aan den voet van den berg Ithome als hoofdstad van het bevrijde Messenia gesticht.

Messenia, Messenia, Z.W. gewest der Peloponnesus, in de oudheid bekend om zijn heerlijk klimaat, daar het in M. reeds zomer was, wanneer het in Laconica nog lente, in Arcadia nog winter was. Door de dichtbegroeide grensgebergten lag het tegen de koude winden beschut. Als oudste bewoners komen Leleges voor, waarbij later Argivi en Aeoles kwamen. In den Z.W. hoek woonden Dryopes. Bij de dorische volksverhuizing werd ook M. een dorische staat, met Stenyclarus tot hoofdstad. In de beide messenische oorlogen echter werd M. door de Spartanen veroverd, en de Messeniërs, die niet uitweken, werden tot Heloten gemaakt. In 464 stonden de Messeniërs op, bij gelegenheid dat Sparta door eene aardbeving zwaar geteisterd was. De strijd duurde jaren lang, tot eindelijk de opstandelingen onder beding van vrijen aftocht de wapens neerlegden. Grootendeels trokken zij naar Naupactus (Lepanto), dat hun door de Atheners werd ingeruimd. Na den peloponnesischen oorlog van daar verdreven, verstrooiden zij zich in verschillende richtingen. In 369 werd Messenia tot aan den Pamisus door Epaminondas vrij gemaakt; de ballingen, door hem uitgenoodigd, bevolkten de nieuwe hoofdstad Messene, en sedert dien tijd bleef het gewest onafhankelijk tot aan de rom. overheersching in 146.

Messenische oorlogen heeten drie oorlogen, waarvan de eerste de onderwerping van Messenië aan Sparta ten gevolge had, de andere twee voortkwamen uit mislukte pogingen der Messeniërs om zich te bevrijden. De eerste mess. oorlog (743-724, v. a. 730-710) ontstond naar aanleiding van geschillen over grenzen, roof van menschen en vee, enz., en begon met een nachtelijken aanval der Spartanen op Amphea, waarvan de meeste inwoners gedood werden. Daar de krijgskans den Messeniërs over het algemeen niet gunstig was, trokken zij zich in het sterke Ithome terug, en onder de leiding van Aristodemus (z. a.) brachten zij van hier uit den Spartanen dikwijls gevoelige slagen toe; na zijn dood werd echter Ithome genomen, vele Messeniërs verlieten het land, de overige kwamen in den toestand van heloten.--Het duurde echter niet lang voordat zij nog eene poging waagden om zich uit dien toestand te bevrijden. Te Andania begon de heldhaftige Aristomenes (z. a.) een opstand, waarbij zich in een oogenblik het geheele messenische volk aansloot, en die eerst na een langdurigen en moeielijken oorlog, den tweeden mess. oorlog (685-668, v. a. 660-643 of 645-630), bedwongen kon worden. Niet alleen werden de Messeniërs nu bijgestaan door Achaeërs, Argiven en Arcadiërs, maar bovendien heerschte onder de Spartanen verdeeldheid en bestond er gevaar voor een algemeenen opstand der perioeken en heloten. Toen zij zich echter onder den invloed der bezielde gedichten van Tyrtaeus (z. a.) weder tot eendrachtige samenwerking verbonden hadden, toen de arcadische koning Aristocrates de zaak der Messeniërs verried, en over het geheel de bondgenooten van dezen den langdurigen oorlog begonnen moede te worden, hadden de zaken weder denzelfden loop als vroeger: de Messeniërs trokken zich terug in de vesting Ira, en toen deze eindelijk ingenomen was, was de oorlog tot hun nadeel beslist. Ook nu verlieten weder velen het land. In hoeverre de gang van zaken in deze beide oorlogen werkelijk geweest is, zooals hier is beschreven, is wegens den aard der bronnen waardoor wij kennis ervan hebben, moeielijk te beoordeelen.--Toen in 464 Sparta door eene verschrikkelijke aardbeving tot den uitersten nood gebracht was, stonden de afstammelingen der oude Messeniërs op en begonnen zij den derden mess. oorlog. In de oude stad Ithome verschanst, boden zij den Spartanen lang weerstand, zelfs de Atheners, die onder Cimon den belegeraars te hulp gekomen waren, konden hen niet tot overgave dwingen. Eindelijk bedongen zij vrijen aftocht uit de Peloponnesus, en gaven de Atheners hun de stad Naupactus tot woonplaats (455).

Messiae (leges), van den volkstribuun C. Messius in 57: 1) tot terugroeping van Cicero;--2) om de cura annonae aan Pompeius op te dragen. Geen van beide wetten kwam echter in behandeling. De eerste werd noodeloos door de lex Cornelia de restituendo Cicerone (z. a.), de andere werd voorkomen door de lex Cornelia Caecilia (z. a.); zie verder Messii no. 1.

Messii, plebejisch geslacht. 1) C. Messius volkstribuun in 57, bevorderde de terugroeping van Cicero uit diens ballingschap en deed eene mislukte poging om Pompeius als praefectus annonae met bijna onbeperkte macht over leger, vloot, schatkist en provinciën te bekleeden. Later sloot hij zich aan bij Caesar.--2) Messius Maximus, vriend van den jongen Plinius.

Messogis, Messogis, grensgebergte tusschen Lydia en Caria.

Mestra, Mestra, dochter van Erysichthon no. 2. Door honger gekweld, verkocht haar vader haar als slavin, zij had echter van Poseidon het vermogen gekregen, zich in allerlei gedaanten te veranderen, en hiervan maakte zij gebruik om telkens tot haar vader terug te keeren en zich opnieuw te laten verkoopen.

Meta, eindpaal in den circus (z. a.).

Metabus, vader van Camilla (z. a.).

Metagenes, Metagenes, 1) dichter der oude comoedie, tijdgenoot van Aristophanes.--2) van Cnosus, uitvinder van den ionischen bouwstijl en medewerker bij den bouw van den tempel van Artemis te Ephesus, waarvan het plan door zijn vader Chersiphron gemaakt was.--3) Athener, onder Pericles bouwmeester van den tempel te Eleusis.

Metagitnion, Metageitnion, 2de maand van het Attische jaar (Aug.-Sept.), z. Annus.

Metanira, Metaneira, gemalin van Celeüs, moeder van Demophoön (z. a.).

Metapa, ta Metapa, stad in Aetolia aan het meer Trichonis.

Metapontum of -tium, Metapontion, meest oostelijke stad in Lucania aan de golf van Tarentum, volgens sommigen door Nestor, volgens anderen door Epeus gesticht. In werkelijkheid is de stad in de 7de eeuw door Achaeërs gesticht. Hier is Pythagoras gestorven; Cicero heeft zijn graf nog gezien. De Lucaniërs verwoestten de stad, die echter herbouwd werd. Door den tarentijnschen oorlog viel zij in handen der Rom., in 212 in die van Hannibal. Toen deze naar het land der Bruttii moest terugtrekken, nam hij de inwoners mede. Sedert kwam de stad in vergetelheid.

Metapontus, Metapontos, koning van Icaria, pleegvader van Aeolus (z. a.) en Boeotus.

Metaurus, Metauros, 1) rivier van Umbria, waarbij Hannibal's broeder Hasdrubal in 207 verslagen werd en sneuvelde.--2) rivier op de W.-kust van het land der Bruttii.

Metellus, familienaam in de gens Caecilia.

Methana, Methana, landtong en stad in Argolis, tusschen Troezen en Epidaurus, tegenover het eiland Aegina.

Methone, Methone, 1) stad op de Z.W.-spits van Messenia, thans Modon.--2) stad in Macedonia, in het landschap Pieria, aan de golf van Therma, bij welker beleg aan Philippus het rechteroog werd uitgeschoten.--3) in ouden tijd eene stad in het thessalische gewest Magnesia, aan de Pagasaeische golf.--4) = Methana.

Methydrium, Methydrion, stad in het hart van Arcadia, op een steile rots.

Methymna, Methymna, tweede stad van Lesbus, op de N.-kust gelegen, om haar wijn beroemd, geboorteplaats van den zanger Arion en den logograaf Hellanicus. Om hare trouw aan Athene werd zij in 406 door de Spartanen voor een gedeelte verwoest.

Metii = Mettii.

Metilia (lex) van den volkstribuun Metilius in 217, waarbij de magister equitum M. Minucius Rufus in macht gelijk werd gesteld met den (pro)dictator Q. Fabius Maximus Verrucosus, over wiens wijze van oorlogvoeren tegen Hannibal men ontevreden was.

Metilii, plebejisch geslacht. M. Metilius, volkstribuun in 217, z. Metilia (lex).

Metioche, Metioche, dochter van Orion, zuster van Menippe (z. a.).

Metionidae, Metionidai, Daedalus, Eupalamus en v. s. ook Sicyon, zonen van Metion, een zoon van Erechtheus, beroofden Pandion van de regeering, doch werden later door diens zonen verdreven.

Metiosedum = Melodunum.

Metis, Metis, dochter van Oceanus en Tethys. Zij bezorgde het braakmiddel, waardoor Cronus gedwongen werd zijne kinderen, die hij verslonden had, uit te braken. Zeus nam haar tot gemalin, maar daar hij door een orakel vernam, dat haar kind hem in wijsheid en macht zoude overtreffen, verslond hij haar, waarna uit zijn hoofd Pallas Athena geboren werd.

Metoikos, iemand, die metterwoon in een vreemden staat gevestigd is. Te Athene was hun aantal te allen tijde groot, in 309 bedroeg het 10000 volwassen mannen. Zij waren verplicht een burger tot patroon (prostates) te nemen, die hen in hunne betrekkingen tot den staat of de burgers, bijv. bij processen, vertegenwoordigde, en een jaarlijksche belasting (metoikion) van 12 drachmen te betalen. Wie deze verplichtingen niet nakwam, stond bloot aan eene graphe aprostasiou of eene apagoge metoikiou. Zij waren verder dienstplichtig, hoewel zij slechts bij uitzondering voor den dienst te velde schijnen opgeroepen te zijn, werden met liturgieën belast, en moesten bij sommige feesten bepaalde diensten doen. Grondeigendom konden zij niet verkrijgen, de handel was echter bijna geheel in hunne handen.--Een metoikos en iedere vreemdeling, die zich de rechten van een burger aanmatigde, konde deswege met de graphe xenias aangeklaagd en na veroordeeling als slaaf verkocht worden. Daarentegen werd dikwijls een met., die zich jegens den staat verdienstelijk had gemaakt, van alle of sommige van bovengenoemde verplichtingen vrijgesteld; z. isoteleis.

Meton, Meton, bouwmeester en sterrenkundige te Athene. Door een cyclus van 19 jaren, waarin 235 maanden of 6940 dagen zouden zijn, trachtte hij de verschillen tusschen het zonnejaar en het maanjaar te vereffenen. Deze tijdrekening zoude beginnen met den 13den Scirophorion 432, het schijnt echter, dat zij nooit algemeen in gebruik geweest is.

Metreta, metretes, amphoreus metretes, grootste grieksche maat voor natte waren, ongeveer = 39,4 L.

Metrodorus, Metrodoros, 1) beroemd rhapsode.--2) van Lampsacus, leerling of aanhanger van Anaxagoras.--3) van Chius, aanhanger van de leer van Democritus en leermeester van Anaxarchus.--4) van Lampsacus, de voornaamste leerling van Epicurus, schrijver van vele wijsgeerige werken, die verloren gegaan zijn. Hij stierf nog vóór Epicurus (277).--5) van Stratonicea, leerling van Carneades, behoorde eerst tot de epicureïsche, later tot de academische school.--6) van Scepsis, academisch wijsgeer, staatsman in dienst van Mithradates Eupator, wiens levensgeschiedenis hij beschreef. Hij had den bijnaam Misoromaios en was beroemd om zijn buitengewoon sterk geheugen.--7) vrijgelatene van Cicero, verdienstelijk geneesheer.--8) grieksch epigrammendichter, schrijver van aardrijks- en sterrenkundige werken, waarschijnlijk onder Constantijn den Gr.

Metronomoi, te Athene 10 door het lot aangewezen beambten, die toezicht hadden op maten en gewichten.

Metroon, te Athene de tempel van Rhea Cybele, waarin het archief (ta demosia grammata) bewaard werd.

Metropolis, Metropolis, naam van verschillende steden. 1) in Acarnania, ten O. der Ambracische golf.--2) in Thessalia, tusschen de rivieren Peneus en Europus.--3) in Lydia, tusschen Smyrna en Ephesus.--4) in Phrygia Maior, tusschen Apamea Cibotus en Synnada.

Mettii of Metii, oud latijnsch geslacht. 1) Mettius (Mettus) Fuffetius, dictator van Alba Longa, nam den voorslag van Tullus Hostilius aan, om den strijd tusschen Alba en Rome te doen beslissen door het bekende gevecht tusschen de Curiatiussen en Horatiussen. Ten gevolge hiervan moest Alba zich onderwerpen. In den strijd tusschen Rome en Veii hield Mettius zich echter op trouwelooze wijze buiten den strijd, waarop Tullus Hostilius hem door paarden vaneen liet scheuren.--2) Mettius Curtius, z. Curtius.--3) M. Mettius werd door Caesar tot Ariovistus gezonden, doch door dezen verraderlijk gevangen gehouden, en kreeg eerst na Ariovistus nederlaag zijne vrijheid terug (58).--4) Mettius Pompusianus, onder keizer Domitianus, had hij zich door waarzeggers laten diets maken, dat hij tot groote dingen was bestemd. Op den wand zijner kamer had hij een wereldkaart laten schilderen en hij bestudeerde ijverig Livius. Uit argwaan hierover liet de keizer hem ter dood brengen.

Metragyrtes, bedelpriester van de Meter ton theon, vgl. agyrtes.

Mettus Fuffetius, z. Mettii.

Metulum, Metoulon, hoofdstad der Iapydes in Liburnia.

Mevania, oude sterke stad in Umbria aan den weg van Rome naar Ancona, beroemd om het schoone rundvee, dat daar werd aangefokt.

Mezentius, koning van Caere. Turnus kwam tot hem om hulp, toen hij door Aeneas overwonnen was, of Mez. vluchtte naar Turnus, toen zijn volk hem om zijn wreedheid verdreven had. Te zamen zetten zij den oorlog voort, en in een gevecht werd Mez. door Aeneas of Ascanius gedood. Hij had van Turnus den wijnoogst van een jaar tot loon voor zijne hulp gevorderd, Aeneas wijdde echter dien oogst aan Jupiter en overwint door de hulp van dezen. Zie ook Vinalia no. 1.

Mezetulus of -tolus, of Mazaetullus, voornaam Numidiër, die zich van de regeering meester maakte, doch door Masinissa weder verdreven werd. Op bevel van dezen keerde hij later weder naar zijne woonsteden terug. Zie ook Masinissa.

Micare, een spel, nog in Italië bekend onder den naam van Morra. Het wordt door twee personen gespeeld. Beide spelers houden de rechterhand gesloten, openen ze plotseling tegelijk onder het opsteken van een of meer vingers en noemen tevens elk een cijfer. Heeft b.v. de een twee, de andere drie vingers omhoog gestoken en een der spelers het getal 5 genoemd, zoo heeft hij gewonnen. Heeft geen van beiden het juiste getal geraden, dan sluit men de hand weder en beproeft het opnieuw. Een man, in wien geen bedrog is, wordt spreekwoordelijk gekarakteriseerd met de woorden: dignus est, quicum in tenebris mices.

Micipsa, Mikipsas, zoon van Masinissa, volgde dezen in 148 als koning van Numidia op, en nam overeenkomstig zijns vaders wil zijne jongere broeders Gulussa en Mastanabal als mederegenten aan. De drie broeders regeerden samen eendrachtig en getrouw aan het bondgenootschap met Rome, hoewel zij in den derden punischen oorlog met het zenden van hulptroepen aan de Rom. eenigszins omzichtig te werk gingen. Toen echter Gulussa en Mastanabal overleden waren, sloot Micipsa zich enger bij Rome aan en zond hun bij herhaling hulpbenden naar Hispania. Hij overleed in 118 en liet de regeering na aan zijne twee zoons Adherbal en Hiëmpsal en zijn neef Jugurtha.

Micon, Mikon, 1) van Aegina, beeldgieter en schilder, tijdgenoot van Polygnotus.--2) van Syracuse, beeldgieter onder Hiero II.

Micythus, Mikythos, 1) z. Anaxilaus.--2) Thebaan, die zich liet omkoopen om te beproeven Epaminondas voor de belangen van Perzië te winnen.

Midas, Midas, zoon van Gordius en Cybele, koning van Phrygië. Toen Dionysus op zijn tochten ook in dat land kwam, verdwaalde Silenus in de tuinen van M. of werd hij gevangen, doordat hij uit een bron dronk, waarvan het water met wijn gemengd was, totdat hij bedwelmd in slaap viel. M. onderhield zich 10 dagen lang met hem en bracht hem daarna bij Dionysus terug. De god, verheugd dat hij zijn getrouwen makker terugzag, stond M. toe een gunst te vragen, en deze wenschte, dat alles in goud zoude veranderen, wat hij aanraakte. Zijn verlangen werd bevredigd, maar daar ook de spijzen, die hij wilde nuttigen, zoodra hij ze aanraakte in goud veranderden, zou hij van honger gestorven zijn, indien Dionysus hem niet op zijn verzoek het middel had gegeven om zich van die noodlottige eigenschap te bevrijden; daartoe baadde hij zich in de rivier Pactolus, die sedert rijk aan goudzand werd. M. was ook scheidsrechter in een muzikalen wedstrijd tusschen Apollo en Pan, en daar hij het fluitspel van Pan boven de tonen van Apollo's lier verkoos, kreeg hij tot straf van Apollo ezelsooren. Om deze te verbergen, vond hij de groote phrygische muts uit, alleen zijn barbier kende het geheim, maar deze had zich onder eede verbonden het aan niemand mede te deelen. Toch konde hij er niet geheel van zwijgen, daarom groef hij een gat in de aarde en fluisterde daarin: koning Midas heeft ezelsooren! Later groeide op die plaats een riet, dat dezelfde woorden fluisterde, telkens wanneer het door den wind bewogen werd. Uit wanhoop hierover bracht M. zich om het leven.

Midea, Midea, stad in het binnenland van Argos, ten O. van Mycenae.

Milanion, Meilanion, z. Atalanta.

Miletis, Byblis, dochter van Miletus. Miletis urbs, Tomi, volkplanting van de stad Miletus.

Miletus, Miletos, Cretenser, zoon van Apollo en Area of Deïone. Om aan den achterdochtigen Minos te ontsnappen, vluchtte hij met Sarpedon naar Caria, waar hij de stad Miletus stichtte.

Miletus, Miletos, eene der aanzienlijkste en schoonste steden van aziatisch Ionia, geboorteplaats van de wijsgeeren Thales, Anaximander en Anaximenes, van de logografen Cadmus en Hecataeus, van Aspasia. Miletus bestond uit een buiten- en een binnenstad, het had vier havens, door eilanden gedekt, van welke laatste Lade het voornaamste was. Het was oorspronkelijk een carische stad, die door de Ioniërs gekoloniseerd werd. Reeds vroeg heeft het door zeehandel gebloeid. Van hier uit zijn in de 7de eeuw 90 koloniën of handelsneerzettingen gesticht, vooral in de Propontis en den Pontus Euxinus; de voornaamste zijn: Abydus, Cyzicus, Sinope, Istrus en Olbia. Miletus was de ziel van den ionischen opstand in 500 en werd tot straf in 494 door de Perzen verwoest. Dit lot trof de stad ten tweede male, toen Alexander d. Gr. het op de Perzen veroverde (334). Beroemd was de milesische wol (vellera Milesia bij Vergilius).--Ook op de N-kust van Creta lag in ouden tijd eene stad van den zelfden naam.

Milichius, Meilichios, vergevingsgezinde, bijnaam van Zeus.

Milo, familienaam in de gens Annia (Annii no. 3).

Milo, Milon, van Croto, beroemd worstelaar, die 32 maal bij de groote feesten den prijs won. Hij droeg eens te Olympia een vierjarig rund door de renbaan en at het op één dag geheel op. In den oorlog tegen de Sybarieten stond hij aan het hoofd van zijne medeburgers. Op hoogen leeftijd vond hij in een bosch een halverwege gespleten boom, waarin een wig stak, hij trachtte den boom met zijne handen geheel in tweeën te trekken, maar de wig ging los, zijn handen raakten vastgeklemd, en hij werd door wilde dieren verscheurd.

Miltiades, Miltiades, 1) zoon van Cypselus, voornaam Athener, tegenstander van Pisistratus, ging in 559 op verzoek van de Dolonci naar de Chersonesus en werd hun vorst. Van uit de Chersonesus veroverde hij Lemnus en Imbrus.--2) zoon van Cimon, den broeder van den vorigen, werd in 518 door de Pisistratiden naar de Chersonesus gezonden om de regeering over het rijk van zijn oom te aanvaarden. Hij huwde met de dochter van een thracischen vorst, en volgde Darius I bij zijn tocht tegen de Scythen. Zijn voorstel om, door het afbreken van de brug over den Ister, Darius den terugtocht af te snijden, stuitte af op den tegenstand van Histiaeus. Na den ongelukkigen afloop van den ionischen opstand keerde hij naar Athene terug (494), hij werd aangeklaagd, omdat hij in de Chersonesus tyran geweest was, maar vrijgesproken, en in 490 werd hij als een van de strategen gekozen. Bij de landing der Perzen lieten zijne ambtgenooten het bevel geheel aan hem over, en door gebruik te maken van de plaatselijke gesteldheid en spoedig aan te vallen won hij den beroemden slag bij Marathon. Daarna ondernam hij een tocht om de eilanden te straffen, die zich bij de Perzen hadden aangesloten; hierin was hij echter niet gelukkig, en bij het beleg van Parus werd hij gekwetst en moest hij onverrichter zake terugkeeren. Zijne vijanden, vooral de Alcmaeoniden, klaagden hem nu aan wegens misbruik van het in hem gestelde vertrouwen, hij werd tot een boete van 50 talenten veroordeeld, en daar hij deze niet konde betalen, werd hij in de gevangenis gezet, waar hij na korten tijd stierf.

Milto, Milto, zie Aspasia no. 2.

Milvius pons, brug over den Tiber, een eind boven Rome, op het punt, waar de via Flaminia de rivier kruiste en de via Clodia zich van de via Fl. afscheidde. Ten Noorden van deze brug versloeg Constantijn de Groote in 312 n. Chr. keizer Maxentius.

Milyas, Milyas, het N. O. bergland van Lycia, oorspronkelijk de naam van het geheele land. De inwoners heetten Milyae, Milyai.

Mimallones, -lonides, Mimallones = Bacchae.

Mimas, Mimas, berg in Ionia op een schiereiland tegenover het eiland Chius.

Mimnermus, Mimnermos, van Colophon, elegisch dichter en musicus (eerste helft van de 6de eeuw), van wiens minnezangen sommige schoone fragmenten over zijn; hij is echter zwaarmoedig en sentimenteel, en naar aanleiding van een op rijperen leeftijd opgevatte maar onbeantwoorde liefde, bejammert hij vooral de kortheid van de jeugd en de lasten van den ouderdom.

Mimus, mimos, eene soort van comoedia, doch niet bestemd om op het tooneel te worden opgevoerd. Sophron van Syracusae, ± 430, was er de schepper van. Zijne stukjes, die hoog geroemd werden, gaven maatschappelijke toestanden, zeden en karakters weer, en waren geheel uit het leven gegrepen. Bij de vroolijke Siciliërs waren zulke losse opvoeringen bij landelijke feesten zeer in zwang. De mimen van Sophron geraakten door Plato ook te Athene bekend, en het genre werd hierdoor meer en meer verbreid. Ook Italia had zijn mimus, die oorspronkelijk bestond in een dialoog, dikwijls voor de vuist voorgedragen en met toepasselijke aardigheden gekruid, en die in dezen vorm nog lang dienst deed bij begrafenissen van rom. grooten, als wanneer eenige mimen-acteurs (ook mimi genoemd), in den begrafenisstoet losse voorvallen uit het leven van den overledene opvoerden. Toen keizer Vespasianus begraven werd, wiens zuinigheid door het volk voor gierigheid werd uitgekreten, vroeg opeens de archimimus, die 's keizers persoon voorstelde, hardop, hoeveel de begrafenis wel kostte. "Tien millioen sestertiën", was het antwoord. "Ge hadt er mij liever honderdduizend moeten geven en mijn lijk in den Tiber werpen."--In den laatsten tijd der republiek werd het schrijven van mimen een bepaalde tak van letterkunde en werden zij op het tooneel als nastukjes, exodia, opgevoerd. Het waren echter in hoofdzaak slechts schetsen, waarvan de uitwerking aan de vertooners was overgelaten. De naam is ontleend aan het werkwoord mimeisthai; een mimos is eigenlijk een nabootser.

Mina, mna, het 60ste deel van een talent = 100 drachmen.

Minatii, een plebejisch geslacht.

Mincii = Minicii.

Mincius, thans Mincio, komt uit Raetia, vormt in zijn loop den lacus Benacus (Gardameer), stroomt langs Mantua en valt dan in den Padus (Po).

Mindarus, Mindaros, werd in 411 opperbevelhebber der peloponnesische vloot. Hij leed eerst eene nederlaag tegen Thrasyllus en Thrasybulus bij Abydus, en toen Alcibiades weder aan het hoofd van het leger stond, versloeg deze hem in het begin van het volgende jaar te land en ter zee in den grooten slag bij Cyzicus, waarin M. zelf sneuvelde.

Mindii, plebejisch geslacht.

Minerva, romeinsche godin van wijsheid en kennis, geïdentificeerd met de grieksche Athena, en waarschijnlijk daardoor ook als oorlogsgodin beschouwd, maar in de eerste plaats beschermster van kunsten, wetenschappen en handwerken. Onder hare tempels was de voornaamste die op het Capitolium, waarin zij gemeenschappelijk met Jupiter en Juno vereerd werd. Bovendien had ze een tempel op den Aventinus, waarvan de stichtingsdag samenviel met haar voornaamste feest, de Quinquatrus (z. a.). Pingui Minerva of crassa M., op boersche wijze; sus Minervam, een zwijn, dat M. wil onderrichten, een domme betweter.

Minervae promunturium, Athenas akron, steil en scherp vooruitspringend voorgebergte op de kust van Campania tegenover het eil. Capreae, eene van de plaatsen, die de mythe als verblijf der Sirenen aanwees.

Minicii, rom. geslacht, dat eerst in den keizertijd wordt genoemd en waarvan enkele leden met het cognomen Fundanus voorkomen.

Minio, riviertje van Etruria, dat ten Z. van de stad Graviscae in zee valt.

Minius, Minios, rivier in het N.W. van Hispania, thans Minho, aldus genoemd, omdat men beweerde, dat hij minium of menie met zich voerde. Een andere naam is Baenis.

Minoa, 1) zie Heraclea Minoa.--2) eil. in de Saronische golf bij de havenstad Nisaea (zie Megara), waarmede het door eene brug verbonden was.--3) kaap en stad bij Epidaurus Limera in het Z.O. van Laconica.

Minois, Minois, Ariadne, dochter van Minos.

Minoïus, -nous, Minoios, -noos, van Minos afstammend, in het algemeen cretensisch.

Minos, Minos, 1) zoon van Zeus en Europa, later door Asterion (z.a.) aangenomen, dien hij als koning van Creta opvolgde. Hij geldt voor den grondlegger der vroege zeemacht van Creta en van de beroemde, oude cretensische staatsregeling. Na zijn dood werd hij rechter in de onderwereld.--2) kleinzoon van den vorigen, eveneens koning en wetgever van Creta. Hij beweerde dat hij door de goden tot de regeering geroepen was; om dit te bewijzen, nam hij aan te toonen, dat ieder gebed van hem verhoord zou worden. Hij bad nu, dat Poseidon een stier uit de golven zoude doen opkomen, dien hij hem dan offeren zou; de stier verscheen inderdaad en M. werd koning. Hij offerde echter niet den beloofden stier, maar een minder schoonen, en hierover vertoornd boezemde Poseidon aan Pasiphaë, de gemalin van M., eene onnatuurlijke liefde voor het dier in, waarvan de Minotaurus de vrucht was; daarna maakte hij het razend, zoodat het groote verwoestingen aanrichtte, totdat het door Heracles gevangen werd. M. voerde oorlog tegen Athene (z. Aegeus) en maakte het voor korten tijd schatplichtig. Toen Daedalus (z.a.), die voor hem het labyrinth gebouwd had, uit Creta gevlucht was en bij Cocalus op Sicilië een schuilplaats gevonden had, kwam M. hem daar opeischen; Cocalus deed alsof hij aan zijn eisch wilde voldoen en ontving hem vriendelijk, maar liet hem in een al te warm gemaakt bad stikken.--In de oudste mythen schijnt slechts van één persoon van den naam Minos sprake te zijn. De verhalen omtrent den grooten bloei en macht van het rijk van M., worden door opgravingen van den laatsten tijd te Cnosus en Phaestus (z.a.) bevestigd.

Minotaurus, Minotauros, een monster met een stierekop, voortgebracht door Pasiphaë en een stier (z. Minos), dat in het labyrinth van Creta opgesloten gehouden en met menschenvleesch gevoed werd. Theseus doodde het.

Minthe, Menthe, Minthe, eene door Hades beminde nimf, door Demeter of Persephone in een kruizemunt veranderd. De berg Minthe bij Pylus was naar haar genoemd.

Minturnae, Mintournai, stad in het Z. van Latium aan den mond van den Liris, in het oude gebied der Aurunci, in 296 rom. kol. De via Appia liep er langs. De slechte uitwatering der rivier vormde hier de beruchte moerassen aan de kust, paludes Minturnenses. Dáár hield Marius zich eenige dagen schuil, tot hij ontdekt werd, en slechts door een gelukkig toeval (een Cimbrische slaaf zou tot beul dienen, en schrikte daarvoor terug) den dood ontkwam. Bij de stad was een bosch en grot, aan de nimf Marica gewijd.

Minucia (lex) van den volkstribuun M. Minucius, in 216 na den slag bij Cannae, toen er eene groote geldcrisis te Rome heerschte. De wet strekte tot tijdelijke instelling eener mensa publica of staatsbank, onder beheer van triumviri mensarii.

Minucia (lex), van een volkstribuun Minucius Rufus, van 121, tot opheffing van de colonia Iunonia, in 122 door C. Gracchus op de plaats van het oude Carthago gesticht. Zie onder Agrariae leges: Lex Sempronia agraria van C. Gracchus.

Minucii, rom. geslacht, patricisch en plebejisch. 1) M. Minucius Augurinus, consul in 497 en 491.--2) L. Minucius Esquilinus Augurinus, consul in 458, werd door de Aequi ingesloten en door den dictator L. Quinctius Cincinnatus ontzet. Hij werd vervolgens door den dictator in zijn consulaat geschorst òf genoodzaakt het neer te leggen. In 450 was hij een der decemviri legibus scribundis. In 439 was hij het, die Sp. Maelius aanklaagde.--3) M. Minucius Rufus, consul in 221, in 217 magister equitum van den dictator Q. Fabius Maximus Verrucosus, werd door de lex Metilia (z. a.) met den dictator in gezag gelijk gesteld. In onberaden drift liet hij zich door Hannibal tot een slag verleiden en zou verloren zijn geweest, zoo Fabius niet tijdig te hulp ware geschoten. Toen echter zag Minucius zijn ongelijk in en stelde zich vrijwillig weder onder het opperbevel van Fabius. Hij sneuvelde in 216 bij Cannae.--4) Q. Minucius Rufus, consul in 197, zegevierde over de Liguriërs en Bojers, maar niet te Rome, maar op den mons Albanus.--5) M. Minucius Rufus, consul in 110, overwon als proconsul in 109 de thracische Scordisci en bouwde de porticus Minucia.--6) Q. Minucius Thermus, consul in 193, streed tegen de Liguriërs. In 189 sneuvelde hij onder den consul Cn. Manlius Vulso tegen de Galaten.--7) Onder den praetor Minucius Thermus, die Mytilene belegerde en innam (81-80), verrichtte Caesar zijn eersten krijgsdienst.--8) Minucius Thermus, in 62 volkstribuun, later (51 en 50) propraetor van Asia, behoorde onder de vrienden, met wie Cicero briefwisseling hield. In den burgeroorlog was hij aan de zijde van Pompeius.--9) L. Minucius Basilus was legaat van Caesar in Gallia; later was hij een van Caesars moordenaars; in 43 werd hij door zijn eigen slaven vermoord.--10) Minucius Felix, een beroemd advocaat te Rome, die in het einde der 2de (v.s. in het begin der 3de) eeuw n. Chr. een dialogus Octavius geschreven heeft, waarin op zeer scherpzinnige wijze de vooroordeelen tegen het Christendom worden te berde gebracht en weerlegd.

Minyades, Minyades, Leucippe, Arsippe en Alcathoë, dochters van Minyas, weigerden aan den dienst van Dionysus deel te nemen. Tot straf maakte de god haar waanzinnig, zoodat Leucippe haar eigen zoon doodde; daarna bleven zij in razernij door de bergen zwerven, totdat zij door Hermes in vleermuizen veranderd werden.

Minyae, Minyai, oud-grieksch volk, uit Thessalia onder aanvoering van Minyas naar Boeotia verhuisd, waar Orchomenus hunne hoofdstad was. Zij leverden het grootste aantal deelnemers aan den Argonautentocht. Ook zonden zij eene kolonie naar Lemnus, die echter later weder naar het eiland Thera en naar het Z. van Elis verhuisde.

Minyas, Minyas, koning van Orchomenus in Boeotië, mythisch stamvader der Minyers. Hij was de eerste, die een schatkamer liet bouwen, waarvan men nog overblijfsels meent te vinden.

Mirmillones, rom. zwaardvechters, die een gallischen helm droegen, waarvan de kam met een visch van metaal was versierd.

Misenum, Misenon, kaap van Campania bij Cumae. Augustus liet hier eene haven aanleggen als station voor de vloot der Tyrrheensche zee. Hierdoor ontstond aan de kust een stadje, dat thans verdwenen is. Zie Misenus.

Misenus, Misenos, 1) tochtgenoot van Odysseus.--2) vriend van Hector, bekwaam trompetter, later tochtgenoot van Aeneas; hij daagde de Tritonen tot een wedstrijd uit, en werd door een van hen gedood. Naar hem is kaap Misenum genoemd.

Missio, ontslag, b.v. uit den krijgsdienst, honesta, eervol, wegens volbrachten diensttijd, causaria, wegens ziekte of lichaamsgebreken, ignominiosa, wanneer men werd weggejaagd. Ook van zwaardvechters, die door de gunst van het volk of door de keizerlijke genade ontslagen en in vrijheid gesteld werden, wordt missio gebruikt, vandaar in het latere Latijn sine missione pugnare = op leven en dood vechten, geen kwartier geven.--In bona missio, lastgeving van den praetor om zich in het bezit te stellen van eens anders goed, dus inbeslagneming, executie.

Missus, zie Circus.

Mithradates (aldus volgens de pontische munten, bij de oude schrijvers Mithridates, Mithridates, een dikwijls voorkomende naam in het O. Vooral in het pontische koningshuis is deze naam beroemd geworden. Als stichter van het groote pontische rijk wordt Mithradates I genoemd, 337-302. Hij onderwierp zich aan Alexander d. G., doch werd door Antigonus gedood. Zijn zoon en opvolger, M. II, Ktistes bijgenaamd, hield zich tegen Alexanders opvolgers staande en vergrootte zijn gebied (282-266). M. V (IV) Euergetes (150-120) was bondgenoot der Rom. en ondersteunde hen in den oorlog tegen Aristonicus van Pergamum en kreeg daarvoor Groot-Phrygia. Zie echter Aquillii no. 1. Hij sneuvelde bij Sinope. Op hem volgde in 120 zijn zoon Mithradates VI (V) Eupator, de verbitterde vijand van Rome. Uit vrees voor de aanslagen zijner moeder brachten trouwe vrienden den 10-jarigen knaap na zijns vaders dood in het gebergte in veiligheid. Toen hij 20 jaar oud was, stelde hij zich aan het hoofd van het rijk, strafte zijne moeder en allen, die tegen hem hadden saamgespannen, en begon toen zijne veelomvattende plannen voor te bereiden. Hij was een man van ongemeene geestkracht, van een ijzersterk gestel, onvermoeibaar, bestand tegen ontberingen en uitspattingen, een goed redenaar, die 22 talen sprak, geslepen van aard, een man, die geen middelen en geen menschenlevens ontzag. Hij schiep zich een machtig leger en eene vloot, maakte rondom veroveringen en vermeesterde Cappadocia en Bithynia. Den Rom., die gedurende zijne minderjarigheid hem Groot-Phrygia hadden afgenomen, droeg hij een doodelijken haat toe. Toch waagde hij niet terstond den strijd, doch gaf bij herhaling toe aan de eischen van Rome, om Capp. en Bith. te ontruimen. Terwijl echter de proconsul M'. Aquillius (Aquillii no. 2) op trotschen toon het verzoek van Mithradates om zich tegen Bithynia te mogen verdedigen, afsloeg, stookte de rom. staatkunde Nicomedes III van Bith. heimelijk op, invallen in Pontus te doen. Eindelijk, in 88, barstte de bom. Met een ontzaglijk leger, versterkt door de hulptroepen van zijn schoonzoon Tigranes van Armenia, veroverde hij in korten tijd de rom. provincie Asia. Op een bevel des konings, van Ephesus uit gegeven, werden op één dag 80000 Rom. en Italianen, mannen, vrouwen en kinderen, door de verbitterde Aziaten gedood. Slechts Magnesia, Cos en Rhodus bleven aan Rome getrouw, terwijl daarentegen Athene en andere grieksche steden in Europa de zijde van M. kozen. De veldheer Archelaus scheepte zich naar Griekenland in, waar hij echter door Sulla bij Chaeronea en daarna bij Orchomenus in Boeotia werd verslagen (86), terwijl C. Flavius Fimbria den koning uit Asia grootendeels verdreef. De tijdsomstandigheden beletten Sulla zijn verblijf in Asia te rekken, hij sloot dus vrede met M. op deze voorwaarden: het gebied des konings werd tot Pontus beperkt, de krijgsgevangenen werden door hem vrijgelaten, de vloot uitgeleverd en 3000 talenten betaald (voorjaar van 85). Daar M. echter niet rustig bleef, hernieuwde de proconsul L. Licinius Murena in 83 den oorlog, dien hij echter op Sulla's bevel moest staken (81). In 74 achtte M. zich weder strijdvaardig en de oorlog ontbrandde ten derden male. M. knoopte betrekkingen aan met Sertorius in Hispania en met de zeeroovers, doch te vergeefs; Sertorius werd vermoord, en M. door L. Licinius Lucullus niet slechts uit de prov. Asia, maar zelfs uit Pontus verdreven, zoodat hij naar Armenia vluchtte. Daar Tigranes zijne uitlevering weigerde, rukte Lucullus Armenia binnen, doch moest door een oproer van zijn leger alle veroveringen prijs geven (zie Licinii no. 24). De lex Manilia (z. a.) droeg het voleindigen van den oorlog aan Pompeius op en deze bracht aan Mithradates den genadeslag toe, zoodat de koning, toen vergif niet werken wilde, waaraan hij zijn lichaam uit voorzorg van jongs af had gewend, zich door een slaaf liet doodsteken (voorjaar van 63). Zijne grenzenlooze wreedheid, die met zijne tegenspoeden nog toenam, had zijn eigen volk, zelfs zijn eigen zoon Pharnaces, van hem vervreemd.

Mithras, Mithras, perzische god van de zon en van het goede, die sedert het einde der romeinsche republiek ook in het Westen vereerd werd. Zijn dienst werd door Domitianus en Traianus officieel te Rome ingevoerd en was later zeer algemeen. Hij wordt gewoonlijk afgebeeld als een jongeling in oostersche kleederdracht, geknield op een stier, wien hij een mes in de keel stoot.

Mithridates = Mithradates.

Mithrines, -renes, Mithrines, -renes bevelhebber van Sardes, die deze stad na den slag bij den Granicus aan Alexander d. G. overgaf en daarvoor satraap van Armenië werd.

Mitra, een vrouwenkap van dichte stof, in eene punt uitloopende, die dan als een zak naar achteren hing.

Mitylene, Mitylene = Mytilene.

Mnasalcas, Mnasalkas, van Sicyon, een van de epigrammendichters der grieksche anthologie; hij leefde omstreeks het midden der 3de eeuw.

Mnaseas, Mnaseas, van Patrae, leerling van Eratosthenes, schrijver van een geschied- en aardrijkskundig werk.

Mnasippus, Mnasippos, werd in 373 met een spartaansche vloot naar Corcyra gezonden om er de aristocratische partij te ondersteunen. Hij had de stad reeds bijna door honger tot de overgave gedwongen, maar zijn hebzucht veroorzaakte ontevredenheid in zijn eigen leger, en toen de Coryraeërs dit bemerkten, deden zij een uitval, waarbij Mn. sneuvelde.

Mneme, Mneme, geheugen, eene van de boeotische Muzen, dikwijls voor dezelfde gehouden als Mnemosyne.

Mnemonides, de Muzen, dochters van Mnemosyne.

Mnemosyne, Mnemosyne, dochter van Uranus, godin van het geheugen, bij Zeus moeder van de Muzen.

Mnesarchus, Mnesarchos, leerling van Panaetius, hoofd der stoicijnsche school (110-90).

Mnesicles, Mnesikles, bouwmeester van de propylaeën op de acropolis van Athene.

Mnesilochus, Mnesilochos, 1) een van de 30 te Athene.--2) zoon van Euripides, tooneelspeler.

Mnesimachus, Mnesimachos, geestig blijspeldichter uit het middelste tijdperk der attische comoedie.

Mnestheus, tochtgenoot van Aeneas, de mythische stamvader van de Memmii.

Mnevis, Mneuis, een heilige stier der Aegyptenaars, te Heliopolis op dezelfde wijze vereerd als Apis te Memphis.

Mnoitai, Mnotai, lijfeigenen van den staat op Creta.

Moabitis, Moabitis, het land van Moab, ten O. der Doode zee.

Modius, rom. maat, ongeveer = 1/12 hectol.

Moenus, rivier in Germania, thans Main.

Moera, Moira, het den mensch beschoren deel of levenslot. Soms blijft de Moera volkomen een afgetrokken begrip en is dit levenslot eenvoudig door den wil der goden bepaald, dikwijls wordt zij echter als persoon gedacht, bekleed met eene geheimzinnige macht, waaraan ook de goden onderworpen zijn; hare beschikkingen zijn in hoofdzaak onherroepelijk, toch kunnen zij door goden en menschen, die met de uitvoering er van belast zijn, in sommige opzichten gewijzigd worden of kan men de vervulling er van eenigen tijd tegenhouden. In lateren tijd nam men aan dat er drie Moerae waren: Clotho, Lachesis en Atropus, dochters van Nyx of van Zeus en Themis, soms met een gemeenschappelijken naam Kataklothes, spinsters, genoemd, omdat zij den levensdraad van den mensch afspinnen, den tijd van zijne geboorte en van zijn dood bepalen en hem zijn lot toedeelen, waarbij zij dikwijls schijnbaar met wreedheid te werk gaan, maar ten slotte toch altijd de eeuwige wereldorde handhaven en beschermen. Zij worden meestal beschreven als leelijke oude vrouwen, maar afgebeeld als eerwaardige jonkvrouwen met ernstige gelaatstrekken. Eene soortgelijke personificatie van het noodlot is Aisa, die echter meer dan de Moerae altijd een afgetrokken begrip gebleven is.

Moeris, Moiris, gwl. Atticista genoemd, grieksch grammaticus onder Hadrianus, schrijver van een woordenboek, waarin atticismen (Lexeis Attikai) door later gebruikelijke uitdrukkingen verklaard worden.

Moeris, Moirios limne, meer in Aegypte, eigenlijk een laagliggend dal, tgw. Fajûm geheeten, dat met behulp van een kanaal en zware dijken in een ontzaggelijk waterbekken herschapen werd door koning Amenemha III. In het midden stonden twee reuzenbeelden van den koning en diens gemalin, en aan den ingang het reusachtige paleis Lo-pe-ro-hunt (zie Labyrinthus). Onder Ptolemaeus Philadelphus werd het meer grootendeels drooggelegd en met Grieksche kolonisten bevolkt. Hier zijn in den laatsten tijd tallooze papyri gevonden. In de middeleeuwen zijn de dammen bezweken en heeft het water een nieuw bekken gevormd.

Moero, Moiro, dichteres uit Byzantium op het einde der 4de eeuw; van hare talrijke werken zijn twee epigrammen bewaard gebleven.

Moesia, het land tusschen den Ister (Donau) en den Haemus (Balkan), sedert Tiberius rom. provincie. De inwoners heetten Moesi, Mysoi. Het gewest werd verdeeld in Moesia superior en inferior. Onder Aurelianus werd er eene nieuwe prov. tusschen gevoegd, Dacia Aureliani (z. a.).

Mogontiacum, thans Mainz, reeds onder de Rom. eene belangrijke vesting, hoofdstad van Germania Superior.

Moliones, -onidae, z. Actoriones.

Molo, Molon, z. Apollonius no. 3.

Molois, gen. -entis, Moloeis, beekje nabij Plataeae in Boeotia, dat in den Asopus valt. Daaraan stond een tempel van Demeter.

Molorchus, Molorchos, tuinier bij Nemea, die Heracles vriendelijk ontving en hem goeden raad gaf, toen hij den nemeïschen leeuw ging bestrijden.

Molossi, Molossoi, aanzienlijk volk in Epirus; eerst alleen in het O., aan de bronnen van den Arachthus, ten N. O. van Dodona gevestigd, breidden zij onder het huis der Aeaciden hun gezag over geheel Epirus uit. De naamheros van dit volk was Molossus, door Pyrrhus, den zoon van Achilles, bij Andromache verwekt (zie Helenus). De hoofdstad was eerst Passaron; later, onder Pyrrhus, sedert 294, Ambracia (z. a.). Bekend waren de groote molossische doggen.

Molossus, Molossos, zie Molossi.

Molus, Molos, zoon van Deucalion, vader van Meriones.

Molycreum, -cria, Molykreion, -kria, stad in Aetolia aan de invaart der Corinthische golf, kolonie van Corinthus.

Momus, Momos, zoon van Nyx, personificatie van spotternij en vitzucht. Toen hij in Aphrodite eene schoonheid vond, waarop hij geen aanmerking konde maken, barstte hij van spijt.

Mona, naam van twee eilanden tusschen Ivernia (Ierland) en Britannia. 1) Anglesey, dat eerst door Suetonius Paulinus, en later wederom door Agricola veroverd werd; het was de hoofdzetel van den Druidendienst.--2) het tegenwoordige Man, dat bij latere schrijvers Monapia heet.

Moneta, 1) latijnsche naam voor Mnemosyne.--2) de waarschuwende, bijnaam van Juno. In den oorlog tegen Pyrrhus had zij namelijk de Romeinen, die geldgebrek hadden, gewaarschuwd den strijd rechtvaardig te voeren, in welk geval het hun aan geld niet ontbreken zou. Naar aanleiding hiervan werd een tempel voor Juno M. gesticht, waar sedert dien tijd het geld gemunt werd. In werkelijkheid is de tempel reeds in 344 gewijd, op de plaats waar vroeger het huis van M. Manlius Capitolinus gestaan had. Het verhaal is dan later ontstaan, ter verklaring van het feit, dat de tempel van Juno Moneta voor het slaan van munt gebruikt werd.

Monoeci portus, zie Herculis mon. p.

Monoecus, Monoikos, bijnaam van Heracles op de kust van Ligurië, in het tegenwoordige Monaco.

Monopterus, monopteros, tempeltje in den vorm van een open koepel, dus zonder cella.

Mons Sacer = Sacer Mons.

Monstrum, zie Auguria.

Mopsium, Mopsion, heuvel en stad in Thessalia tusschen Tempe en Larissa.

Mopsopia, Mopsopia, oude naam voor Attica naar een overouden koning Mopsopus of Mopsops. Bij dichters mopsopius = atheensch, attisch.

Mopsucrene, Mopsou krene, stad in Cilicia, ten N. van Tarsus.

Mopsuestia, Mopsou hestia, stad in Cilicia aan den Pyramus, in de aleïsche vlakte, aleion pedion.

Mopsus, Mopsos, 1) zoon van Ampyx of Apollo en Chloris, Lapithe, nam deel aan de calydonische jacht en vergezelde de Argonauten als waarzegger; op dezen tocht stierf hij in Lybië aan een slangebeet. Hij werd als heros vereerd.--2) zoon van Rhacius of Apollo en Manto, beroemd waarzegger (z. Calchas en Amphilochus). Hij had te Colophon en te Mallus tempels, waar orakels gegeven werden.

Mora, bij de Spartanen sedert den derden messenischen oorlog eene afdeeling zware infanterie, waarschijnlijk in den regel 600 man tellend, doch niet altijd van dezelfde getalsterkte. Zes morai vormden het hoplietenleger.

Morbus comitialis, vallende ziekte, aldus genoemd, omdat, wanneer iemand staande de comitiën een toeval kreeg, deze gestaakt moesten worden.

Morgantium, Morgantia, Morgantion of -tine, oude stad in het binnenland van Sicilia, ten Z. W. van Centuripae, gesticht door een uit Italia verdreven stam der Morgetes, Morgetes.

Morgetes, Morgetes, een afdeeling der Oenotri in Zuid-Italia. Zie Morgantium.

Morini, Morinoi, volk in Belgica, aan het tegenw. nauw van Calais. Uit hunne haven Itius portus was de overvaart naar Britannia het kortst.

Moriones, misvormde dwergen, dikwijls kunstmatig mismaakt en verwrongen en verstompt, halve idioten, die bij aanzienlijke Rom. als narren werden gehouden.

Mormo, Mormo, Mormolyke, spook in vrouwengestalte, waarmede men kinderen bang maakte.

Morpheus, Morpheus, zoon en dienaar van Hypnus, die den menschen in den droom verschijnt en daarbij altijd eene menschelijke gedaante aanneemt. Hij wordt voorgesteld als een bejaard, ernstig man met vleugels aan het hoofd. Zijne broeders Icelus en Phobetor verschijnen in den droom als dieren, Phantasus als een levenloos voorwerp.

Morsimus, Morsimos, Athener, zoon van Philocles, arts en treurspeldichter, als zedeloos mensch en slecht dichter door Aristophanes gehekeld.

Morychus, Morychos, atheensch treurspeldichter, wegens zijne middelmatige poëzie en zijn weelderig leven door Aristophanes scherp gehekeld.

Mosa, rivier in Belgica, thans de Maas. Een arm van deze rivier vereenigde zich met een Rijnarm, de Waal; deze vereeniging, confluens Mosae et Rheni, had echter niet plaats bij het tegenw. Woudrichem, want deze laatste verbinding is in de middeleeuwen gegraven, maar tusschen Dreumel en Rossum. Een andere Maasarm liep zelfstandig naar zee, en vormde het Helium ostium.

Moschi, Moschoi, volk in Colchis, waarnaar een Z.W. tak van den Caucasus den naam draagt van Moschicus mons.

Moschion, Moschion, 1) atheensch treurspeldichter, jonger tijdgenoot van Euripides, dien hij in zijne werken schijnt nagevolgd te hebben. Wegens zijn zedeloos leven wordt hij door de blijspeldichters bespot.--2) geneesheer, dikwijls door Galenus aangehaald.--3) atheensch beeldhouwer in het midden der 2de eeuw.

Moschus, Moschos, van Syracuse, bucolisch dichter, jonger tijdgenoot van Theocritus, van wien nog eenige werken overgebleven zijn.

Mosella (= Maasje), rivier in Belgica, thans de Moezel, door Ausonius bezongen.

Mosynoeci, Mosynoikoi ( = torenbewoners), volksstam op de kust van Pontus, die in suikerbroodvormige huizen woonde. De grieksche schrijvers vertellen allerlei merkwaardigs van hunne ruwe zeden. Hun hoogste genot was lekker eten en drinken. Wanneer hun koning zijn waardigheid niet naar behooren bekleedde, lieten zij hem van honger sterven.

Mothakes, Modones, kinderen van spartaansche burgers en vrouwen uit den Helotenstand; zij waren vrij en hadden dikwijls het burgerrecht, ook werden zij met de jonge Spartanen opgevoed. Somtijds kregen zij het burgerrecht en sommige mothakes, bijv. Lysander en Callicratidas, bekleedden hooge waardigheden.

Mothone = Methone.

Mutuca, stad in het Zuiden van Sicilia.

Motye, Motye, oude stad op de N.W. kust van Sicilia, op een eilandje, dat met een brug aan het groote eiland verbonden was. De stad was afwisselend phoenicisch, carthaagsch, syracusaansch en wederom carthaagsch, tot Hamilcar de inwoners in 396 naar Lilybaeum overbracht.

Moxoene, landschap van Armenia, ten Z. van het meer Thospites.

Mucia (lex) van den volkstribuun P. Mucius Scaevola in 142, tot gerechtelijke vervolging van den praetor L. Hostius Tubulus, die zich had laten omkoopen.

Mucii, oud plebejisch geslacht. 1) C. Mucius Cordus had in 508 een aanslag gewaagd op koning Porsena, die Rome belegerde, doch in plaats van den koning had hij diens schrijver doorstoken. Om te doen zien, hoe weinig hij den folterdood vreesde, stak hij de rechterhand in de vlam van een offervuur en verhaalde den koning, dat hij door het lot als de eerste was aangewezen van 300 jongelingen, die gezworen hadden, P. naar het leven te staan, zoo hij niet aftrok. Aldus het verhaal. Mucius verkreeg van de zijnen den naam Scaevola (= linksch), benevens een stuk land, de Mucia prata.--2) P. Mucius Scaevola was in 175 de eerste consul uit deze gens, en hield een zegetocht over de Liguriërs. Zijn broeder Q. was consul in 174.--3) P. Mucius Scaevola, zoon van den vorigen P. (no. 2), consul in 133, pontifex maximus sedert 131 of 130, eerst verdacht de plannen van Tib. Gracchus te begunstigen, was later een voorstander der optimatenpartij. Hij muntte uit door redenaarstalent en groote rechtskennis. Hij heeft waarschijnlijk de annales maximi uitgegeven, z. annales.--4) P. Licinius Crassus Mucianus, broeder van no. 3. Zie onder de Licinii no. 11.--5) Q. Mucius Scaevola, zoon van no. 3, volkstribuun in 106, consul in 95 en pontifex maximus, bekleedde zijne meeste ambten tegelijk met den redenaar Crassus; hij was een streng eerlijk en rechtvaardig man, en bestuurde in 95 en 94 de provincie Asia zóó, dat de inwoners te zijner eer een jaarlijksch feest, Mucia, instelden. De tolpachters, aan wier woeker hij paal en perk stelde, durfden hem niet aan te tasten, maar veroordeelden zijn vriend, den legaat P. Rutilius Rufus. In 82 werd hij op last van den jongen Marius vermoord. Hij was een uitstekend rechtsgeleerde en groot redenaar.--6) Q. Mucius Scaevola, bijgenaamd de augur, consul in 117, zoon van den in no. 2 vermelden Q., was een man van gematigde beginselen, een verklaard vijand van geweld, o. a. tegen Gracchus; ook verzette hij zich tegen Sulla's verlangen om de beide Mariussen, vader en zoon, met nog 10 anderen tot vijanden van den staat te verklaren (88). Hij was altijd bereid, met raad en daad hen bij te staan, die zijne hulp behoefden. Zijne uitnemende rechtskennis was eene reden, dat aanzienlijke jongelieden, o. a. Cicero en Atticus, er eene eer in stelden, zijne leerlingen te mogen zijn. Cicero voert hem in meer dan één geschrift als spreker in.--7) Q. Mucius Scaevola, zoon van no. 6, ook augur, was een groot vriend van Cicero en vergezelde diens broeder Quintus in 59 naar Asia.--8) Mucia Tertia, dochter van Q. Mucius Scaevola no. 5, halve zuster van Q. Metellus Celer en Q. Metellus Nepos, was de derde vrouw van Cn. Pompeius Magnus, doch werd wegens echtbreuk met Caesar door hem verstooten. Later huwde zij met M. Aemilius Scaurus. Zij trachtte in den burgeroorlog Octavianus met haren zoon S. Pompeius te verzoenen.--9) Muciae, twee dochters van no. 6, beroemd om hare sierlijke taal.

Mugillanus, familienaam in de gens Papiria (Papirii no. 10).

Mulciber, die week en smeedbaar maakt, bijnaam van Vulcanus.

Mulsum, een drank, bereid uit most of wijn en honig.

Mulucha, Molochath, grensrivier tusschen Mauretania, het rijk van Bocchus, ten W. en Numidia, het rijk van Jugurtha, ten O.; in den keizertijd grens tusschen Mauretania Tingitana ten W. en M. Caesariensis ten O.

Mulvius pons = Milvius pons.

Mulus Marianus, een door Marius uitgevonden draagtoestel voor de bagage der soldaten. Hij bestond uit een staak, die waarschijnlijk met riemen op den rug werd vastgemaakt en waaraan van boven een plank bevestigd was om er den last op vast te binden.

Mummii, plebejisch geslacht, waarvan 1) in 187 twee volkstribunen, Q. en L., voorkomen, tegenstanders van M. Porcius Cato, toen deze de Scipiones (Cornelii no. 13 en 14) aanviel.--2) L. Mummius, een goedhartig en eerlijk, maar ruw en onbeschaafd man, die als consul in 146 naar Achaia werd gezonden en na de Achaeërs bij Leucopetra op den Isthmus verslagen te hebben, Corinthus veroverde, dat trouwens reeds door het grootste gedeelte der inwoners verlaten was. Van de achtergeblevenen werden velen vermoord, anderen als slaven verkocht, de stad werd geplunderd en aan de verwoesting prijs gegeven. Bij zijne terugkomst kreeg Mummius een zegetocht en den bijnaam Achaicus. In 142 was hij censor met Scipio Africanus minor; hij geraakte echter met hem in twist.--3) Sp. Mummius, broeder en legaat van no. 2, was meer beschaafd, hij had eenigen naam als redenaar en was de stoicijnsche wijsbegeerte toegedaan. Hij is de eerste Romein, die brieven in dichtmaat schreef, waarin hij op grappige wijze zijn wedervaren te Corinthe verhaalde.

Munatii, plebejisch geslacht, dat eerst tegen het einde der rom. republiek naam maakte. 1) L. Munatius Plancus, vriend en legaat van Caesar in Gallia, een man, schijnbaar van verzoenende gezindheid, die na Caesars dood zich bij Antonius en Lepidus aansloot, doch voor de moordenaars amnestie bepleitte. Toch was het de zucht om uit eigenbelang alle partijen te vriend te hebben, die hem dreef, en de vrees zichzelf te benadeelen maakte hem veeltijds besluiteloos. In 44 en 43 bestuurde hij Gallia comata en stichtte toen Rauraca, later Augusta Rauracorum geheeten, en Lugdunum (no. 1). In 42 was hij consul, in 40 voor Antonius landvoogd van Syria, waar hij afpersingen pleegde; vervolgens liep hij tot Octavianus over, voor wien hij later den titel Augustus bedacht. Zijn bijzonder leven was ver van smetteloos. Horatius wijdde hem een ode.--2) Cn. Munatius Plancus, broeder van no. 1, diende eerst onder Caesar en later onder zijn broeder, doch moest wegens ziekte naar huis terugkeeren.--3) T. Munatius Plancus Bursa, broeder van no. 1 en 2, volkstribuun in 52, ijverde voor Clodius en tegen Milo. Daarom trad Cicero als aanklager tegen hem op en hij werd veroordeeld. Later werd hij door Caesar teruggeroepen. In den Mutinensischen oorlog diende hij onder Antonius.--4) L. Plautius Plancus, door een Plautius geadopteerd, broeder der drie vorigen, kwam om bij de vogelvrijverklaringen onder het tweede driemanschap.

Munda, 1) stad in Baetica, ergens in den omtrek van Corduba (Cordova), bekend door de overwinning van Scipio op de Carthagers (214) en van Caesar op de zonen van Pompeius (45).--2) stad der Celtiberi in Tarraconensis.--3) rivier in Lusitania, thans Mondego.

Mundobriga = Medobriga.

Mundus is een kuil (fossa), waarvan men vooronderstelt, dat hij met de onderwereld in verbinding staat. Gewoonlijk is deze kuil gesloten; slechts op 24 Augustus, 5 October en 8 November wordt hij geopend; men spreekt dan van mundus patet; de schimmen der afgestorvenen hebben dan gelegenheid de aarde weder te bezoeken. Vooral wordt de naam mundus gebruikt voor een kuil, die bij de stichting van Roma quadrata in het midden van de stad werd aangelegd, en waarin men de eerstelingen van allerlei veldvruchten wierp; de plaats lag vóór den lateren Apollotempel op den Palatinus, en het altaar er bij heette ook Roma quadrata. Een andere mundus vond men op het forum, n. m. de lacus Curtius, zie Curtii no. 2. Hierin werden jaarlijks geldstukjes geofferd.

Municipium, stad, die bij Rome is ingelijfd, waarvan dus de burgers het rom. burgerrecht hebben, doch die tevens haar zelfstandig gemeentebestuur heeft behouden (zie daartegenover praefectura). De inwoners deelden in alle lasten der Romeinen, vooral dienstplicht en belasting, en hadden het commercium en conubium of één van beide, maar misten het ius suffragii et honorum. Ze hadden dus de civitas sine suffragio, en heetten municipes, d. w. z. qui munia capiunt, die de lasten op zich nemen (zonder de lusten). Tot deze steden behoorden o. a. Tusculum, Cumae, Fundi en Formiae. Langzamerhand kregen ze alle het volledig burgerrecht, zie Valeria (lex) van den volkstribuun Valerius Tappo (188). Na den oorlog met Pyrrhus hebben de Romeinen de civitas sine suffragio niet meer verleend, maar de verovering van Italia voltooid door het stichten van kolonies. Toen echter door de lex Iulia (90) en de lex Plautia Papiria (89) geheel Italia het burgerrecht verkreeg, werden alle zelfstandige steden van Italia municipia. Sedert dien tijd, vooral onder de keizers, werden verschillende steden in de provinciën tot municipia verheven. In den regel stonden aan het hoofd twee jaarlijksche overheden, duumviri iuri dicundo, eene enkele maal vindt men ook aedilen of een dictator. In den keizertijd bestond het stedelijk bestuur uit vier ambtenaren, n. m. II viri iuri dicundo en II viri aediles, die somtijds één college vormden. Verder had men een gemeenteraad, senatus, ordo decurionum of curia genoemd, die in den regel uit 100 leden bestond; aan het hoofd hiervan stonden de decemprimi. De senaat werd om de vijf jaar aangevuld bij den census door de II viri of III viri censoria potestate, gewoonlijk quinquennales genoemd. De burgerij (populus) was ingedeeld in tribus of in curiae, en kwam tributim of curiatim samen voor wetgeving, magistraats- en priesterkeuzen, evenals te Rome in de comitia. In bijna alle municipia vindt men pontifices en augures, door de comitia voor hun leven gekozen, verder flamines, die voor den tijd van één jaar door den gemeenteraad werden benoemd, en den eeredienst der geconsacreerde keizers, of van den nog regeerenden keizer verrichtten, flamines Augusti of Augustales geheeten. Hiervan onderscheiden waren de sexviri of seviri Augustales, die de spelen en offers, die ze gaven, zelf bekostigden. In den regel waren het libertini, en daar ze na afloop van het jaar hun eererechten behielden, vormden ze een bevoorrechten stand, ordo seviralium of ordo Augustalium geheeten. Met het priestercollege der sodales Augustales te Rome (zie sodales) hadden de Augustales in de municipia niets gemeen dan den naam.

Munimentum Corbulonis, versterking in het land der Friezen, door Corbulo aangelegd.

Munus (gladiatorium), z. Ludi aan het slot, en Gladiatores.

Munychia, Mounychia, de oostelijkste en kleinste der drie oorlogshavens van Athene. De haven lag aan den voet van den heuvel Munychia, die een sterke vesting vormde. Dichterlijk munychius = atheensch.

Munychia, Mounychia, feest ter eere van Artemis Munychia, te Athene den 16den Munychion gevierd; men offerde haar koeken, die met lichtjes bezet waren en de volle maan voorstelden. De slag bij Salamis werd tegelijk hiermede herdacht.

Munychion, Mounychion, 10de maand van het Attische jaar (April-Mei), z. Annus.

Munychus, Mounychos, 1) aanvoerder der Minyers, die, door de Thraciërs uit Orchomenus verdreven, zich in Attica vestigden.--2) = Munitus, z. Laodice no. 2.

Murcia, een godin, die een sacellum had in den Circus Flaminius te Rome, maar wier beteekenis reeds vroeg vergeten was; men noemde haar nu Myrtea, myrtengodin, en identificeerde haar met Venus.

Murena, familienaam in de gens Licinia (Licinii no. 27-32).

Murgantia, 1) stad in Samnium.--2) = Morgantium.

Murrha of murra, eene stof, waaromtrent reeds bij de ouden verschil van gevoelen bestond. Men had er allerlei vaatwerk van, murrhina vasa, als: bekers, vazen, schepnappen, enz., waarvoor fabelachtige sommen werden betaald. Zij waren licht en broos. V. s. heeft men hier te doen met chineesch porselein, uit het verre Oosten aangevoerd. Anderen denken aan vloeispaath.

Mursa, Moursa, stad in Pannonia Inferior, aan den Dravus, dicht bij de monding in den Donau. Tgw. Essek.

Mus, familienaam in de gens Decia.

Musa, beroemd arts. Zie Antonii no. 14.

Musae, Mousai, godinnen van het gezang, later ook van poëzie, kunst en wetenschap. In de oudste tijden sprak men van slechts ééne Muze, later worden er drie genoemd, Melete, Mneme en Aoede, wier dienst door de Aloaden aan den Helicon zou ingevoerd zijn; gewoonlijk neemt men echter negen Muzen aan, terwijl aan iedere een bepaalde werkkring wordt aangewezen. Hare namen zijn: Clio, Euterpe, Thalia, Melpomene, Terpsichore, Erato, Poly(hy)mnia, Urania en Calliope; zij zijn dochters van Zeus en Mnemosyne, v. a. van Uranus en Gaea en zijn geboren in Pieria (Pierides, Pimpleides). Inderdaad is de dienst der Muzen van dit land naar Boeotië aan den Helicon overgebracht, waar haar geliefkoosde plaats bleef (Helikoniades) en waar zij meer dan elders vereerd werden; hier hadden zij beelden en tempels, hier waren de haar gewijde bronnen Aganippe en Hippocrene en werd door de Thespiërs te harer eere het groote feest Mouseia gevierd. Niettemin verbreidde zich haar eeredienst over geheel Griekenland, vooral naar plaatsen, die rijk aan bronnen waren, en naar deze verschillende plaatsen hebben zij een groot aantal bijnamen.--Als godinnen van het gezang staan zij in betrekking tot Apollo, als godinnen der dramatische poëzie tot Dionysus, te Rome hadden zij een tempel gemeenschappelijk met Hercules. Over hare attributen zie de namen der verschillende Muzen.

Musaeus, Mousaios, 1) mythisch zanger, priester en waarzegger in Attica, dikwijls zoon of leerling van Orpheus genoemd. Zijne voorspellingen werden ten tijde der Pisistratiden door Onomacritus verzameld en vervalscht.--2) van Ephesus, dichter van een episch gedicht Perseis e. a.; hij leefde aan het hof te Pergamum.--3) dichter van een bevallig epos over Hero en Leander; hij leefde laat in den romeinschen keizerstijd, misschien eerst in het begin der 6de eeuw.

Musagetes, Mousagetes, bijnaam van Apollo als aanvoerder der Muzen.

Musculus, belegeringswerktuig, een schutdak, van voren schuin naar den grond afloopende, tot beschutting der soldaten, die eene mijn moesten graven.

Museum, Mouseion, tempel der Muzen of aan haar gewijd gebouw; bijzonder een gebouw te Alexandrië, waar de geleerden, die aan de bibliotheek werkzaam waren, woning en onderhoud vonden, het middelpunt der alexandrijnsche studiën. Bij de burgertwisten onder Aurelianus werd het verwoest.

Musicanus, Mousikanos, indisch vorst, die zich aan Alexander d. G. onderwierp, en door hem in het bezit van zijn rijk bevestigd werd. Toen hij later afviel, werd hij gevangen genomen en ter dood gebracht.

Musonius Rufus (C.), stoicijnsch wijsgeer uit den rom. ridderstand, geboortig uit Volsinii, van een zóó edel karakter, dat Vespasianus, toen hij de wijsgeeren uit Rome verbande (71 n. C.), hem uitzonderde en in hooge achting hield. Hij was door Nero als verdacht aan de samenzwering van Piso in 65 naar het eiland Gyarus verbannen, maar na diens dood teruggekeerd. Hij was de leermeester van Epictetus. Hij schreef in het Grieksch. Enkele fragmenten zijn er nog over.

Mustius (C.), rom. ridder, een van Cicero's vrienden.

Musulani, dappere volksstam in Numidia.

Muta, z. Larunda.

Muthul, rivier in Numidia, zijrivier van den Bagradas, bij de verdeeling als grens aangenomen tusschen Jugurtha's gebied en dat van Adherbal. In het dal van deze rivier, versloeg Metellus Numidicus (Caecilii no. 13) Jugurtha in 108.

Mutina, Moutine, thans Modena, fraaie, welvarende stad in Gallia Cisalpina, aan de via Aemilia, sedert 183 rom. kol. Bellum Mutinense wordt de oorlog genoemd van 44-43, toen na Caesars dood M. Antonius D. Brutus uit zijn stadhouderschap van Gallia Cisalpina wilde ontzetten. Zie Antonii no. 4 en Iunii no. 6.

Mu(t)tines of Myttones, een Libyphoenix, valt van de Carthagers af en speelt Acragas den Romeinen in handen (210), waardoor Sicilië voor de Carthagers verloren gaat. Later wordt hij Romeinsch burger, en heet nu M. Valerius Mutines.

Mutinus, -tunus Tutunus, god der vruchtbaarheid, geïdentificeerd met Priapus.

Mutusca, Mutuesca, zie Trebula no. 2.

Mycale, Mykale, voorgebergte op de aziatische kust tegenover het eiland Samus, bekend door de overwinning, die de Grieken in 479 onder Leotychides en Xanthippus te land en ter zee op de Perzen behaalden.

Mycalessus, Mykalessos, oude boeotische stad, tot het gebied van Tanagra behoorende. Op deze plek zou de koe het eerst geloeid hebben (mykasthai), welker spoor Cadmus volgen moest. In 413 werd de stad verwoest door thracische huurbenden in atheenschen dienst.

Myceensch tijdperk noemt men het tijdperk, dat op het aegaeische (z. a.) volgt en duurt tot de vestiging der Doriërs in de Peloponnesus. De bloeitijd van deze cultuur is vóór-grieksch, en wordt ook wel cretensisch genoemd (2500-1500); hierop volgt dan 1500-1000 de eigenlijk myceensche of achaeische cultuur. Hoewel uit dit tijdperk geen geschreven geschiedenis over is, stellen overblijfselen, in groote hoeveelheid gevonden te Mycenae, Tiryns, in Argolis, op de Cycladen en Creta, ons in staat ons den toen heerschenden beschavingstoestand voor te stellen. Groote gebouwen, paleizen en koningsgraven, en tal van kunstvoorwerpen in brons, goud en zilver, wijzen, bij het vorige tijdperk vergeleken, op aanmerkelijken vooruitgang in kunst en nijverheid.

Mycenae, Mykenai, stad in Argolis, de rijkszetel van Agamemnon en destijds de voornaamste stad van Griekenland. Toen echter de Doriërs in de Peloponnesus vielen en Argolis grootendeels vermeesterden, taande de luister van Mycenae, hoewel het nog een afzonderlijk staatje bleef. Toen Mycenae zich bij Sparta had aangesloten, werd het in 468 door de bewoners van Argos aangevallen en verwoest, daar de bevolking door den honger de plaats ontruimen moest. Mycenae had cyclopische muren; eene der poorten, waarvan nog overblijfsels bestaan, wordt de leeuwenpoort genoemd. Bij dichters is Mycenaeus dux = Agamemnon, Mycenis = Iphigenia.

Mycene, Mykene, dochter van Inachus.

Mycerinus, Mykerinos, koning van Aegypte omstreeks de 30ste eeuw, bouwde een pyramide, kleiner maar schooner dan die van zijne voorgangers Cheops en Chephren.

Myci, Mykoi, volk in het perzische landschap Gedrosia.

Myconus, Mykonos, ook Mycone, eil. van de Cycladengroep, ten N.O. van Delus. Spreekwoordelijk mia Mykonos = allemaal één pot nat, hetzij omdat de inwoners den naam hadden, allen kaalhoofdig te zijn, of wegens hun hebzucht en inhaligheid. Ook staan ze spreekwoordelijk bekend als klaploopers.

Mygdon, Mygdon, 1) koning der Bebryciërs, door Heracles op zijne reis naar de Amazonen gedood.--2) zoon van Acmon, vader van Coroebus, koning der Phrygiërs, streed met Otreus en Priamus tegen de Amazonen. Naar hem Mygdones = Phrygiërs, Mygdonius = phrygisch.

Mygdonia, Mygdonia, 1) landschap in Macedonia ten O. van den Axius (Vardar) en ten N. van Chalcidice.--2) streek ten Z. der Propontis in Phrygia en Bithynia, bevolkt door Mygdoniërs uit Thracia, zie Mygdon no. 2.--3) streek in het N.O. van Mesopotamia, Anthemusia, Anthemousia, bloemengaard, genoemd.

Mygdonius, rivier in N.O. Mesopotamia, stroomt langs Nisibis en valt in den Chaboras (z.a.).

Myia, Muia, 1) dochter van Pythagoras en Theano, gehuwd met den worstelaar Milo.--2) dichteres van Thespiae, v. s. dezelfde als Corinna.--3) spartaansche dichteres, van wie lofzangen op Apollo en Artemis vermeld worden.

Mylae, Mylai, kolonie van Zancle, gesticht ± 715, vesting en havenstad op de N.kust van Sicilia. In de nabijheid behaalde Duillius in 260 de overwinning ter zee op de Carthagers en Agrippa in 36 op S. Pompeius.

Myla(s)sa, ta Mylassa, welvarende stad in het binnenland van Caria, oude koningsresidentie.

Mylitta, Mylitta, babylonische godin van bevruchting en voortplanting, moeder van het heelal, door de Grieken voor dezelfde gehouden als Aphrodite Urania.

Myndus, Myndos, dorische kolonie in Caria nabij Halicarnassus. De stad was klein en had groote poorten. Toen Diogenes ze bezocht, gaf hij den raad, de poorten toch gesloten te houden, opdat de stad er niet uit zou loopen.

Myon, Myonia, Myon, Myonia, stad der ozolische Locriërs, ten N. van Amphissa, hoog gelegen aan een gevaarlijke bergpas, die naar Aetolia voerde.

Myonnesus, Myonnesos (= mosseleiland), kaap en stad in Ionia aan de golf van Ephesus. Hier werd in 190 de vloot van Antiochus III van Syria door L. Aemilius Regillus vernietigd.

Myoparo, myoparon, een licht, zeer snel loopend kaperschip.

Myos Hormus, myos hormos (= mosselhaven), belangrijke koopstad in Aegypte aan de Arabische golf, ongeveer tegenover de Zuidspits van Petraea.

Myra, ta Myra, aanzienlijke stad van Lycia, in den keizertijd hoofdstad van de provincie Lycia et Pamphylia, met de havenstad Andriace.

Myrcinus, Myrkinos of Myrkinos, versterkte stad in Thracië, in het land der Edoniërs, ten N. van Amphipolis. De stad was gesticht door Histiaeus van Miletus, doch werd spoedig door de Edoniërs veroverd. Aristagoras sneuvelde hier, toen hij trachtte de plaats te herwinnen, in 497.

Myriandus, Myriandrus, Myriandos, Myriandros, phoenicische volkplanting in Syria, aan de golf van Issus, een belangrijke handelsplaats.

Myrina, Myrina, 1) eene der steden van den aeolischen bond op de kust van Mysia, nabij Cyme.--2) stad op Lemnus.

Myrlea, Myrleia, stad aan de Propontis in Bithynia, aan den Cianus sinus, door de Colophoniërs gekoloniseerd, door koning Prusias I (± 200) vergroot en naar zijne gemalin Apama in Apamea verdoopt.

Myrmecides, Myrmekides, van Miletus, leefde ten tijde van Pericles te Athene als vervaardiger van fijne kunstwerken in ivoor en metaal.

Myrmidones, Myrmidones, het volk van Achilles. Volgens de sage was het eiland Aegina door de pest ontvolkt en veranderde Zeus op de bede van Aeacus de mieren (myrmekes) in menschen. Onder Aeacus' zoon Peleus zouden zij naar Thessalia getogen zijn, naar het landschap Phthiotis.

Myro, Myro = Moero.

Myron, Myron, 1) tyran van Sicyon, grootvader van Clisthenes no. 1.--2) van Eleutherae, beroemd beeldhouwer te Athene uit de eerste helft der 5de eeuw, leerling van Ageladas. Hij werkte bij voorkeur in metaal, zijne beelden van menschen en dieren muntten uit door natuurlijkheid. Vooral beroemd was zijne Koe en de Marsyasgroep; zijn Discobolus is op blz. 238 afgebeeld.--3) van Priene, beschreef de geschiedenis van den eersten messenischen oorlog. Hij leefde in de 2de eeuw.

Myronides, Myronides, zoon van Callias, een van de veldheeren der Atheners bij Plataeae, overwon de Corinthiërs bij Megara (457) en de Boeotiërs bij Oenophyta (456), waarna hij in bijna geheel Boeotië de democratie weder invoerde; van een krijgstocht naar Thessalië moest hij echter onverrichter zake terugkeeren. Als gematigd democraat streefde hij meer naar de ontwikkeling van Athene als landmacht dan als zeemacht.

Myrrha, Myrra, dochter van Cinyras en bij hem moeder van Adonis.

Myrrhina, Myrrine, ook Byrsine geheeten, dochter van Callias, gemalin van Hippias no. 1.

Myrsilus, Myrtilus, Myrsilos, Myrtilos, 1) zoon van Hermes, wagenmenner van Oenomaüs (z. a.), dien hij aan Pelops verried. Pelops had hem tot loon voor zijn verraad de helft van het rijk van Oenomaüs beloofd, maar om zich van deze belofte te ontslaan, wierp hij M. in zee. Door Hermes werd deze als voerman onder de sterren geplaatst.--2) = Candaules.--3) tyran van Mytilene, tijdgenoot van Alcaeus, die hem in zijne gedichten aanvalt.--4) van Methymna, geschiedschrijver in het begin der 3de eeuw.

Myrsinus, Myrsinos, stad der Epeërs bij de N.W. kust van Elis, later Myrtuntium geheeten.

Myrtea, z. Murcia.

Myrtis, Myrtis, van Anthedon, lyrische dichteres, leermeesteres van Corinna en Pindarus genoemd.

Myrtoum (mare), Myrtoon pelagos, dat gedeelte der Aegaeïsche zee, dat tusschen de buitenrij der Cycladen en Griekenland ligt. De naam schijnt ontleend aan het eilandje Myrtus, Myrtos of Myrto ten Z. van Euboea, dicht bij Geraestus.

Myrtuntium, Myrtontion = Myrsinus.

Myrtus, Myrtos, of Myrto, eiland, zie Myrtoum mare.

Mys, Mys, bekwaam graveur, toreutes, te Athene ten tijde van Pericles; hij maakte o. a. het schild bij de Athena Promachus van Phidias.

Myscellus, Myskellos, van Argos, zoude volgens een orakel eerst kinderen krijgen, wanneer hij een stad gebouwd had op een plaats, waar hij het bij helderen hemel zou zien regenen. In Italië gekomen, begon zijne vrouw, wanhopende aan de mogelijkheid hiervan, bitter te weenen, en M., hierin de vervulling van het orakel ziende, stichtte de stad Croton. Later keerde hij naar Argos terug, waar hij aangeklaagd werd omdat hij tegen de wet zijn vaderland verlaten had, maar Heracles veranderde de zwarte boonen, waarmede de rechters hem ter dood veroordeeld hadden, voor de opening van de stembus in witte, zoodat hij vrijgesproken werd.

Myscon, Myskon, aanvoerder der Syracusanen in den oorlog tegen Athene.

Mysia, Mysia, landstreek in het N.W. van Asia minor, bevolkt door den thracischen stam der Mysi, Mysoi. Mysia heeft nooit een afzonderlijken staat, noch eene perzische satrapie uitgemaakt; vandaar dat de grenzen niet te bepalen zijn. Het noordelijke gedeelte langs de Propontis (zee van Marmara) is Mysia minor, he mikra, ook Phrygia ad Hellespontum geheeten, omdat het onder den satraap van Phrygia stond. Het binnenland ten Z. hiervan was Mysia maior, he megale. Het oude trojaansche gebied werd Troas, Troas, genoemd. Langs de W.-kust strekte zich Aeolis uit. In het Z.W. had men de landstreek Teuthrania, Teuthrania, de bakermat van het latere rijk van Pergamus. Mysius dux = Telephus.

Myson, Myson, door sommigen in plaats van Periander onder de zeven wijzen van Griekenland gerekend.

Mistagogus, mystagogos, z. Eleusinia; alg. een gids, die vreemdelingen rondleidt, om hun de merkwaardigheden van een plaats te toonen.

Spotted a typo or a problem in this chapter? Tell us