Woordenboek der Grieksche en Romeinsche oudheid (part 6 of 7)
Puteoli, Pouteoloi, vroeger Dicaearchia geheeten, haven van Cumae, in 528 aan de golf van Cumae (golf v. Napels) door inwoners van Samos gesticht, welke golf later ook wel sinus Puteolanus werd genoemd. De stad kwam in 421 in handen der Samnieten, in 318 (v. a. in 338) werd ze romeinsch. In 194 werd ze rom. kolonie en kreeg haren naam naar de minerale bronnen in den omtrek, hetzij dan van putere wegens den stank der zwavelbronnen, hetzij van puteal. Een in zee uitgebouwde dam vormde eene ruime haven terwijl de kust met prachtige villa's was bebouwd. Cicero had hier een landgoed, zijn Puteolanum, waar hij zijne Quaestiones academicae schreef, ook Lucullus had hier eene villa en keizer Hadrianus werd er begraven. In 410 na C. werd P. door Alarik verwoest, in 455 door den Vandaal Genserik, in 545 door de Gothen onder Totilas, doch telkens werd het herbouwd en heet thans Pozzuoli.
Pyanepsia, Pyanepsia, een feest, den 7den Pyanepsion te Athene gevierd ter eere van Apollo en Athena, later ook ter gedachtenis aan Theseus, een soort afscheid van den zomer. Het ontleende zijn naam aan het koken en eten van een gerecht van boonen en andere peulvruchten. Zie ook eiresione.
Pyanepsion, Pyanepsion, 4de maand van het Attische jaar (Oct.-Nov.), z. Annus.
Pydna, Pydna, stad in Macedonia, in het landschap Pieria, nabij de golf van Thermae. Philippus van Mac. maakte er een sterke vesting van. Bij Pydna werd koning Perseus in 168 door L. Aemilius Paullus (Aemilii no. 10) verslagen.
Pygela, Pygela, later Phygela, stadje aan de aziatisch-ionische kust, even ten Z. van Ephesus, met een Artemistempel.
Pygmaei, Pygmaioi, zoo groot als een vuist, een volk van dwergen, wier land men aan de kusten van den Oceaan, aan de bronnen van den Nijl, in Indië of het hooge Noorden plaatste, maar wier bestaan door de ouden reeds geloochend werd, terwijl weder sommige nieuwere reizigers gelooven hen terug te vinden in een afrikaansch volk van kleine menschen nabij den evenaar. Volgens Homerus e. a. dichters trekken de kraanvogels jaarlijks uit om hunne korenvelden te plunderen en kunnen de P. zich slechts met moeite tegen deze vijanden verdedigen.
Pygmalion, Pygmalion, 1) z. Dido.--2) koning van Cyprus, werd verliefd op een door hemzelf gemaakt ivoren vrouwebeeld; op zijn gebed bezielde Aphrodite het beeld, waarna P. met de zoo geschapen vrouw huwde en bij haar vader werd van Paphus.
Pylades, Pylades, 1) zoon van Strophius, neef en getrouw vriend van Orestes (z. a.), met wiens zuster Electra hij huwde.--2) beroemd balletdanser (pantomimus) onder Augustus, door wien hij om zijn overmoedig gedrag tegenover het publiek uit Italië verbannen werd.
Pylae, Pylai (= poorten), naam van verschillende bergpassen. Zonder adjectief = Thermopylae.
Pylene, Pylene, oude stad in Aetolia, later Proschium.
Pylus, Pylos, 1) stadje in Elis aan den Peneus.--2) stad in het eleïsche gewest Triphylia, eenmaal de zetel van den grijzen Nestor.--3) stad op de Westkust van Messenia, in den peloponnesischen oorlog bekend door de blokkade van het nabijgelegen eiland Sphacteria (426). Door de ligging van dit eiland had Pylus eene der schoonste havens van Griekenland, thans de baai van Navarino genoemd.
Pyracmon, een Cycloop.
Pyramides, pyramides, de bekende steengevaarten in Aegypte, welke in verschillende groepen in een gedeelte van Midden-Aegypte langs den linker Nijloever liggen. Zij zijn alle vierzijdig, met de vier zijden naar de vier hemelstreken gekeerd. De grootste zijn die, waarvan de bouw door Herodotus aan de koningen Cheops, Chephren en Mycerinus wordt toegeschreven. De Rom. volgden enkele malen voor hunne grafgebouwen den pyramidenbouw op kleine schaal na, zie Cestius no. 1.
Pyramus, Pyramos, een babylonisch jongeling van buitengewone schoonheid, beminde de even schoone Thisbe en werd door haar bemind, maar hunne ouders, die in vijandschap met elkander leefden, wilden in hun huwelijk niet toestemmen. Lang zagen de minnenden daarom elkander slechts door een spleet in den gemeenschappelijken muur tusschen beider huizen, eindelijk spraken zij af elkander bij het graf van Ninus te ontmoeten. Nauwelijks was Thisbe op de afgesproken plaats verschenen, of zij werd verschrikt door net naderen van een leeuw, zij vluchtte en verloor in de verwarring haar sluier, dien de leeuw vond en met zijn muil, nog bevlekt door het bloed van pas verscheurde runderen, verscheurde. Kort daarop kwam ook P. en toen hij den bloedigen sluier zag, meende hij, dat Thisbe door een wild dier verscheurd was, hij trok zijn zwaard en doodde zich. Te laat keerde Thisbe terug, zij vond haar minnaar reeds dood en bracht zich nu ook met zijn zwaard om het leven.
Pyramus, Pyramos, vrij breede rivier in het O. van Cilicia, die in Cataonia ontspringt, door den Taurus heenbreekt en bij Mallus in zee valt.
Pyrasus, Pyrasos, oude, later verwoeste stad in het thessalische landschap Phthiotis, met een aan Demeter geheiligd bosch.
Pyrenaei montes, Pyrenaia ore, het scheidingsgebergte tusschen Gallia en Hispania, thans nog de Pyreneën geheeten.
Pyrene, Pyrene, 1) bij Herodotus vermelde keltische stad nabij de bronnen van den Ister (Donau).--2) = Pyrenaei montes.
Pyrenes promunturium, ook prom. Veneris geheeten, thans kaap Creuz, een oostelijke uitlooper der Pyrenaeën, met een tempel van Venus Pyrenaea.
Pyretus, Pyretos, zijtak van den Ister, thans de Pruth.
Pyrgi, Pyrgoi, 1) stad in het eleïsche gewest Triphylia op de messenische grenzen, volkplanting der Minyers.--2) oude stad met cyclopische muren in Zuid-Etruria, later havenstad van Caere, aan de via Aurelia. Pyrgi werd in 384 door Dionysius van Syracuse geplunderd. In de 2de eeuw was het rom. kolonie. Beroemd was de rijke tempel van Ilithia of Leucothea.
Pyrgoteles, Pyrgoteles, beroemd steensnijder, die uitsluitend het recht had het portret van Alexander den Gr. te graveeren.
Pyrgus, Pyrgos = Pyrgi no. 1.
Pyriphlegethon, Pyriphlegethon, geweldige vuurstroom, die den Tartarus omgeeft.
Pyrrha, Pyrra, dochter van Epimetheus en Pandora, gemalin van Deucalion (z. a.).
Pyrrha, Pyrra, 1) stad op het eil. Lesbus aan een inham, den Euripus Pyrrhaeus, later bij een aardbeving door een vloedgolf vernietigd.--2) stad en kaap in het thessalische landschap Phthiotis, aan de golf van Pagasae. Twee kleine nabijgelegen eilandjes heetten Pyrrha en Deucalion.
Pyrrhi castra, Pyrrou charax, sterkte in het N. van Laconica, uit eene oude legerplaats ontstaan, door Pyrrhus opgeslagen, toen deze in 272 in de Peloponnesus viel.
Pyrrho, Pyrron, van Elis, geb. omstreeks 360, gest. omstreeks 275, volgde, nadat hij verschillende grieksche wijsgeeren, o. a. Stilpo, gehoord had, met zijn vriend Anaxarchus Alexander op diens tochten naar Azië, waar hij ook met de gymnosophisten en magiërs kennis maakte. Hij kwam tot het besluit dat voor en tegen ieder stelsel evenveel te zeggen is, en dat ieder stelsel in zichzelf aan groote tegenstrijdigheden lijdt; daarom achtte hij de kennis van het wezen der dingen voor den mensch onbereikbaar (akatalepsia) en leerde, dat derhalve de wijze zich van een oordeel moet onthouden (epoche). Alleen in deugd en gemoedsrust (ataraxia) bestaat het geluk. De aanhangers van P. noemen zich, in tegenstelling met de dogmatikoi, gewoonlijk skeptikoi, ook aporetikoi, ephektikoi, zetetikoi, of eenvoudig Pyrroneioi.
Pyrrhus, Pyrros, 1) = Neoptolemus.--2) koning van Epirus, die van Achilles beweerde af te stammen. Na veel strijd kwam hij in 307 aan de regeering, na vijf jaar werd hij echter bij een opstand verjaagd, hij ging naar Demetrius Poliorcetes, streed dapper in den slag bij Ipsus, ging daarna naar Alexandrië, waar hij met een stiefdochter van Ptolemaeus I trouwde, en keerde, door zijn schoonvader met geld en troepen ondersteund, naar zijn land terug, eerst na den dood van Neoptolemus (no. 3) kreeg hij echter weder de regeering over het geheele rijk (296). Nu trachtte hij zijn gebied uit te breiden door verovering van de naburige landen, zelfs van Macedonië; hij vond steun bij de vijanden van Demetrius, en inderdaad werd hem na den val van dezen (287) de kroon aangeboden, maar zij werd hem weldra ontnomen door Lysimachus, tegen wien hij zelfs Epirus verdedigen moest. Vol vreugde gaf hij daarom gehoor aan de uitnoodiging der Tarentijnen, die zijne hulp tegen Rome inriepen, en hopende door dezen oorlog vergoeding voor het verlies van Macedonië te vinden, ging hij met een groot leger naar Italië (281). Hij versloeg de rom. legers bij Heraclea (280) en bij Asculum (Ausculum, 279), maar intusschen leed hij op zijn beurt onherstelbare verliezen, van de Tarentijnen kon hij alleen door de uiterste strengheid eenige medewerking krijgen, de waardige en heldhaftige houding der Rom. boezemde hem eerbied en vrees in, en eindelijk begon P. aan het slagen zijner onderneming te wanhopen. Hij verliet daarom Italië (278), waar hij echter zijn zoon Alexander met een leger achterliet en ging naar Sicilië om Syracuse tegen de Carthagers te helpen; overal met vreugde ontvangen, dwong hij de vijanden het beleg van Syracuse op te breken en ontnam hij hen hun geheel gebied op Sicilië behalve Lilybaeum, maar toen het hem niet gelukte hen ook van daar te verdrijven, begonnen de Siciliërs te wankelen, en toen P. toebereidselen maakte voor een landing in Afrika, brak er zelfs een opstand tegen hem uit en sloten vele steden zich weder bij de Carthagers aan. Nogmaals door de Tarentijnen dringend te hulp geroepen, greep hij gretig deze gelegenheid aan om uit zijn moeilijken toestand bevrijd te worden, hij ging naar Tarentum, maar werd door M'. Curius Dentatus v.s. bij Beneventum, v.a. in Arusinis Campis in Lucania verslagen en tot den terugtocht genoodzaakt (275). In zijn land teruggekeerd, deed hij plotseling een aanval op Macedonië, en het gelukte hem spoedig een groot deel er van onder zijne macht te brengen, maar op uitnoodiging van den Spartaan Cleonymus liet hij zijne veroveringen daar varen en keerde hij zich naar de Peloponnesus. Een aanval op Sparta mislukte, en toen P. op den terugtocht Argos wilde bezetten en de troepen van Antigonus Gonatas en van de Spartanen te gelijk met hem in de stad drongen, ontstond er een hevig straatgevecht, waarin P. een dakpan of een steen op het hoofd kreeg, neerviel en afgemaakt werd (272). Hoewel hij om zijn persoonlijken moed, zijn ridderlijk karakter en zijn ijver, ja zelfs om zijn uiterlijk, dat aan Alexander d. Gr. herinnerde, hij zijne troepen zeer bemind was, had hij door gemis aan volharding geen zijner ondernemingen tot een goed einde gebracht. Hij was de schrijver van eenige werken over krijgskunde, die verloren gegaan zijn.
Pythagoras, Pythagoras, 1) beroemd grieksch wijsgeer, van wiens leven en leer echter betrekkelijk weinig met zekerheid bekend is. Hij wordt een zoon van Mnesarchus genoemd, werd waarschijnlijk op Samus omstreeks 580 geboren, zou een leerling van Thales, Bias, Anaximander en Pherecydes geweest zijn, en groote reizen, o.a. naar Aegypte en Babylon, gedaan hebben. Ongeveer 50 jaar oud kwam hij te Croton en stichtte hij daar onder de aristocratische partij een bond, waarvan de strekking was het invoeren van allerlei hervormingen op zedelijken, wijsgeerigen en godsdienstigen grondslag en de vestiging eener streng aristocratische staatsinrichting. Inderdaad gelukte het zijn aanhangers, bezield door den ernst en ijver van P., niet slechts te Croton, maar in verscheiden steden van Beneden-Italië het staatsbestuur in hun geest te hervormen en grooten invloed te verkrijgen en in meerdere of in mindere mate meer dan een eeuw te behouden (vgl. Archytas).--De eigenlijke leerlingen van P. leefden met elkander in gemeenschap van goederen en onder inachtneming van zeer strenge leefregels en allerlei ceremoniën; eerst na velerlei beproevingen, langdurig zwijgen, enz., kon men in hun verbond worden opgenomen. Hij had onder hen zoo groot gezag, dat de woorden autos epha (hijzelf, de meester, heeft het gezegd) voor velen een afdoend argument waren, hijzelf zou zich daarentegen uit bescheidenheid den naam van philosophos gegeven hebben, terwijl zij, die zich met wijsgeerige studiën bezig hielden, zich vroeger sophistai of sophoi noemden. Van zijne leer is weinig met zekerheid te zeggen, daar zij grootendeels opzettelijk geheim gehouden werd; P. zelf heeft, naar het schijnt, niets geschreven; alle werken die onder zijn naam en misschien met een enkele uitzondering (z. Philolaus no. 2), alle die onder den naam zijner leerlingen bewaard gebleven zijn, zijn onecht. Hij of zijne volgelingen zochten het wezen der dingen in het getal; evenals zich daarin het begrensde en onbegrensde, het onevene en evene tot eene harmonie vereenigen, zoo zijn volgens hen in alle dingen tegengestelde elementen door getal en maat harmonisch vereenigd. Bij de toepassing van dit beginsel werden vooral de wiskundige wetenschappen (theorema van P.), de muziek en de astronomie (harmonie der sferen) beoefend; ook bij zedelijke begrippen namen formules de plaats van definities in, zooals bijv. de rechtvaardigheid door een kwadraatgetal voorgesteld werd. Waarschijnlijk heeft P. zelf slechts den grond gelegd tot dit stelsel, waarop dan door zijne leerlingen verder voortgebouwd is, van hemzelf is echter de leer der zielsverhuizing (vgl. Euphorbus).--Ook over het einde van P. zijn de berichten verschillend; v.s. werd hij bij een opstand der democratische partij verjaagd en vluchtte hij naar Metapontum, waar hij op 80- of 90-jarigen leeftijd stierf, v.a. werd bij dien opstand het gebouw, waarin hij en zijne leerlingen vereenigd waren, in brand gestoken en kwam hij met 300 zijner aanhangers daarbij om (500).--2) van Rhegium, beroemd beeldhouwer uit de eerste helft der 5de eeuw, hij maakte voornamelijk athletenbeelden van metaal, die door standen en verhoudingen uitmuntten.
Pytheas, Pytheas, 1) atheensch demagoog, vroeger partijgenoot, later tegenstander van Demosthenes; in den lamischen oorlog vluchtte hij naar Antipater.--2) van Massilia, beroemd zeevaarder en aardrijkskundige ten tijde van Alexander d. G., die ontdekkingsreizen deed langs de westelijke en noordelijke kusten van Europa. Zijne reisbeschrijvingen, waarin hij tevens dikwijls aardrijkskundige onderwerpen behandelde en sterrenkundige waarnemingen mededeelde, werden ten onrechte door velen als fabelachtig beschouwd.
Pythia, Pythia, z. Delphi.
Pythia, Pythia, de pythische spelen, om de vier jaar, en wel ieder derde Olympiadenjaar, tegen het einde van den zomer in de vlakte van Crissa gevierd ter eere van Apollo, die na het dooden van den draak Python zelf dit feest zou ingesteld hebben, z. Pytho. Het bestond oorspronkelijk alleen uit een muzikalen wedstrijd, later kwamen er naar het voorbeeld der olympische spelen andere wedstrijden bij. De prijs was een lauwerkrans. Kamprechters waren oorspronkelijk de Delphiërs, later de Amphictyonen. De P. behooren tot de groote nationale feesten en waren na de olympische spelen het meest in aanzien; zij werden steeds zeer druk bezocht en nog laat in den rom. keizertijd gevierd.--Vele steden vierden ook in hun eigen gebied feesten ter eere van den pythischen Apollo, die eveneens P. genoemd werden.
Pythius, Pythios, 1) bijnaam van den delphischen Apollo, naar den door hem gedooden draak Python.--2) een Lydiër, de rijkste man van zijn tijd, die Xerxes met zijn leger op zijn tocht naar Griekenland onthaalde en hem zijne schatten aanbood. Maar toen hij verzocht dat een van zijne vijf zonen van den krijgsdienst zou vrijgesteld worden, liet Xerxes dezen in stukken snijden.--3) = Pythodorus no. 2, z.a.
Pytho, Pytho, oude naam van Delphi en van de landstreek rondom den Parnassus. Apollo versloeg hier den draak Python en stelde hierna de pythische spelen in. In werkelijkheid zijn de pythische spelen ingesteld in 582, kort nadat tengevolge van den heiligen oorlog met Crisa het heiligdom van Delphi in de macht der Amphictyonen gekomen was (590).
Pythocles, Pythokles, atheensch redenaar van de macedonisch gezinde partij; hij werd te gelijk met Phocion ter dood gebracht.
Pythodorus, Pythodoros, 1) onbekwaam atheensch veldheer op Sicilië (425), werd na zijn aftocht van daar verdacht zich te hebben laten omkoopen en werd verbannen.--2) beroemd bouwmeester en schrijver over bouwkunst ten tijde van Alexander d. G. Hij bouwde den tempel van Athena Polias te Priene, en werkte ook mede aan den bouw van het Mausoleum.--3) twee beeldhouwers, die in de 1ste eeuw na C. aan het keizerlijk paleis op den Palatinus werkten.
Python, Python, een reusachtige draak, na de overstrooming van Deucalion uit het op aarde achtergebleven slijk geboren. Hij bewaakte het delphische orakel voor Gaea, maar werd door Apollo, toen deze het in bezit nam, gedood.
Pyxus, Pyxous = Buxentum.
Q.
Q. Rex. C. F. Zie regifugium.
Quadi, een suebische volksstam, die meestal samen met de Marcomannen genoemd wordt en in het tegenw. Moravië en omliggende streken woonachtig was. O. a. namen zij deel aan den grooten strijd, dien de Marcomannen van 166-175 na C. tegen Marcus Aurelius voerden, en ook in later tijd werden de rom. grenzen nog menigmaal door hen bestookt. Ze komen dan steeds voor in verbond met de in de Donau-Theiss-vlakte wonende Sarmaten (Iazyges), zie Iazyges. Tegen het einde der 4de eeuw na C., in het tijdperk der volksverhuizing, verdwijnen zij geheel.
Quadrans, kleine rom. koperen munt = 3 unciae of 1/4 as. Men vindt er nog met verschillende stempels, doch als algemeen kenmerk dragen zij drie knopjes, overeenstemmende met het getal onsen.
Quadrigati, z. Bigati.
Quadruplatores, meer gebruikelijke naam der delatores onder de rom. keizers.
Quaesitor, zie quaestor.
Quaestiones perpetuae, zie iudicium publicum en iudex. De eerste quaestio perpetua was de qu. repetundarum, in 149 door de lex Calpurnia in het leven geroepen.
Quaestor, tamias. Oorspronkelijk is dit woord hetzelfde als quaesitor, welke naam in zwang bleef voor hem, die met de leiding van een gerechtelijk onderzoek werd belast. Onder de rom. koningen komen quaestores parricidii voor, die niet slechts in zaken van moord, maar in het algemeen in res capitales werkzaam schijnen geweest te zijn als openbare aanklagers. Onder de republiek komen er reeds vroeg twee quaestores voor, die door de consuls benoemd werden, en hun ondergeschikt waren. Sedert 447 werden zij in de comitia tributa gekozen, zoodat ze magistratus populi werden. Sedert 421 werden er 4 benoemd, en wel promiscue de plebe ac patribus, waarvan twee te Rome bleven (quaestores urbani), en twee de consuls in den oorlog vergezelden. In 267 werd het getal op acht gebracht, waarvan 4 voor Italia, in 81 door Sulla op twintig, in 45 door Caesar op veertig. Het lot wees aan, welke twee als quaestores urbani of quaestores aerarii te Rome zouden blijven en naar welke provincie elk der overige zou gaan. Daar dus het lot den stadhouder en zijn quaestor samenbracht, bestond er tusschen hen een vinculum pietatis als tusschen vader en zoon, en was bij ontstentenis van den stadhouder de quaestor diens aangewezen plaatsvervanger. Overigens was hij belast met de boekhouding der staatsgelden in de provincie, evenals zijne ambtgenooten te Rome. De quaestores urbani of aerarii waren belast met het opsporen en vonnissen van halsmisdaden van niet-politieken aard (zie Contio). Zij oefenden deze rechtspraak uit als lasthebbers der consuls; bovendien waren zij werkzaam ten behoeve van de schatkist (aerarium) en toen door de instelling der quaestiones perpetuae langzamerhand hun crimineele rechtspraak verviel, werd het beheer der schatkist hun voornaamste bezigheid. Zij mochten geene uitbetalingen doen dan op een bevelschrift van den senaat, uitgezonderd aan de consuls, wanneer deze te Rome waren. Zij inden de belasting der burgers (tributa), der bondgenooten (stipendia), de inkomsten der bezittingen van den staat (vectigalia), verder de boeten (bona damnatorum) en de opbrengst van den oorlogsbuit (manubiae). Zie verder aerarium. Aan de quaestores urbani was ook opgedragen de zorg voor het onthaal van vreemde vorsten en gezanten. Uit den aard der zaak werd het werk voornamelijk verricht door een personeel van vaste klerken (scribae), aan wier hoofd de sex primi stonden, maar de quaestoren hadden de verantwoordelijkheid. Sedert de quaestuur de primus gradus ad honores was geworden, werd dit ambt door betrekkelijk jonge menschen bekleed. Daar men tien dienstjaren bij het leger moest tellen (die echter niet onafgebroken moesten worden uitgediend), was de leeftijd van 27 jaren, zooals bij de Gracchen het geval was, wel de vroegste voor de quaestuur. Eerst sedert het jaar 81 (lex Cornelia de magistratibus) hadden de quaestoren na afloop van hun ambtsjaar zitting in den senaat. De quaestoren aanvaardden hun ambt op 5 December.
Quaestor Caesaris of principis, zie candidatus principis.
Quaestor sacri palatii, onder keizer Constantijn den Gr. de eerste der hooge hofambtenaren, als het ware de rijkskanselier, tot wiens ressort wetgeving en justitie behoorden.
Quaestorium, de woning of de tent van den quaestor. Zie castra.
Quat(t)uorviri. 1) Quattuorviri iuri dicundo. In sommige municipia vond men duumviri iuri dicundo (z. a.) en twee aedielen, die dan gezamenlijk met bovenstaanden naam worden aangeduid.--2) Quattuorviri viis in urbe purgandis, eene commissie van vier leden, belast met de zorg voor de reinheid der straten en het onbelemmerd verkeer te Rome binnen den kring van den ouden muur van Servius Tullius. Het ambt bestond nog in de 3de eeuw n. C. Zij behoorden tot de zoogenaamde vigintisexviri (vigintiviri).--3) Zie praefecti Capuam Cumas.
Quinarius, rom. zilveren munt = 1/2 denarius, ter waarde van 5, later van 8 as.
Quinctii, patricisch gesl. 1) T. Quinctius Capitolinus Barbatus, een dapper held, consul in 471, 468, 465, 446, 443 en 439, streed bij herhaling tegen de Aequers, Volscen en andere naburen van Rome.--2) L. Quinctius Cincinnatus (= krullebol) was consul suffectus in 460. Na afloop van het jaar trok hij zich op zijne landhoeve terug, doch werd in 458 als dictator geroepen om den door de Aequers ingesloten consul L. Minucius Esquilinus Augurinus te ontzetten. In 16 dagen tijds had hij de Aequers schitterend verslagen en een triumftocht gehouden, waarop hij onmiddellijk de dictatuur neerlegde en weder naar zijne hoeve terugging. Op 80-jarigen leeftijd, in 439, werd hij andermaal tot de dictatuur geroepen, om de onlusten te bedwingen, die door of tegen Sp. Maelius verwekt waren. Op zijn last werd Maelius door den magister equitum C. Servilius Ahala omgebracht. Zie hieromtrent Maelii no. 1.--3) K. Quinctius Cincinnatus, zoon van no. 2, een rijzig en sterk jongeling, die zich in den oorlog onderscheiden had, doch heftig en opvliegend, zoodat hij zelfs beschuldigd werd zijn ouderen broeder in een twist te hebben doodgeslagen, deed in 461, bij den strijd over de lex Terentilia, met andere jonge adellijken een aanval op de volkstribunen en de plebs. Hij zag zich genoodzaakt in ballingschap te gaan; zijn vader moest de boete voor hem betalen.--4) T. Quinctius Pennus Cincinnatus was consul in 431 en 428.--5) T. Quinctius Cincinnatus Capitolinus, consulair-tribuun in 388 en 384, veroverde in 382 als dictator in tien dagen tijds Praeneste en negen andere steden en legde op den 20sten dag zijn dictatuur neder.--6) T. Quinctius Pennus Capitolinus Crispinus was in 361 dictator tegen de Galliërs.--7) T. Quinctius Pennus Capit. Crispinus had in 214 en 212 met roem op Sicilia en bij Capua gestreden, doch werd in 208 als consul met zijn ambtgenoot M. Claudius Marcellus door Hannibal in een hinderlaag gelokt en stierf aan de bekomen wonden.--8) T. Quinctius Flamininus diende eerst in Beneden-Italië onder Marcellus (208) en werd in 198, nog geen volle 30 jaar oud, consul. Als proconsul versloeg hij in 197 het macedonische leger bij Cynoscephalae, waarna hij op de isthmische spelen van 196 de Grieken voor vrij verklaarde. Vervolgens bedwong hij (195) Nabis, tyran van Sparta, regelde de grieksche aangelegenheden en hield in 194 te Rome een driedaagschen zegetocht. In 189 was hij censor. De senaat zond hem in 183 naar Prusias van Bithynia, om de uitlevering van Hannibal te eischen.--9) L. Quinctius Flamininus, broeder van no. 8, was in 197 zijn legaat, in 192 was hij consul, in 184 werd hij door den censor M. Porcius Cato uit den senaat gestooten.--In lateren tijd vindt men eenige plebejische Quinctii of Quintii, z. a.--10) P. Quintius, voor wien Cicero in een causa privata eene pleitrede hield (81).--11) L. Quintius, in 74 volkstribuun en tegenstander van den consul L. Licinius Lucullus, dezelfde, die in het proces van Cluentius tegen Cicero optrad.--12) Quintius Scapula verwekte in Hispania den oorlog tegen Caesar, doch kwam na den slag bij Munda (45) te Cordula om.--13) T. Quinctius Atta, gestorven 77, dichter van fabulae togatae (z. togata no. 2). Er zijn nog enkele fragmenten van over.
Quinctilianus, minder goede schrijfwijze voor Quintilianus, daar in zijn tijd in namen als Quintus en dgl. de c weinig meer geschreven werd.
Quinctilii, zie Quintilii.
Quinctilis, oude naam voor Juli (zie annus).
Quincunx, zeldzaam voorkomende koperen rom. munt van 5 unciae = 5/12 as. Behalve met den stempel was zij met vijf knopjes of puntjes gemerkt, op de wijze van de vijf op onze dobbelsteenen. Hiernaar droeg deze figuur ook den naam van quincunx. Wanneer bijv. soldaten of boomen in quincuncem staan, staan zij als in onderstaande figuur.
. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .
Opstelling in quincuncem
Quindecimviri, 1) sacrorum of sacris faciundis, zie decemviri sacrorum.--2) buitengewone commissiën, bijv. agris dividundis; het getal 15 was niet standvastig; commissiën van 3, 5 of 10 leden komen veel meer voor.
Quinquatrus, een feest ter eere van Minerva, jaarlijks te Rome van 19 tot 23 Maart gevierd. Het was een feest van kunstenaars en handwerkslieden, vooral van de fullones, van onderwijzers en scholieren; op den eersten dag (dies natalis Minervae) werden aan de godin onbloedige offers gebracht, den tweeden, derden en vierden dag werden gladiatorenspelen gegeven, den vijfden dag vierden voornamelijk de trompetters feest en werden hunne instrumenten gewijd (tubilustrium). Bij de Q. minores of minusculae (13 Juni) speelden daarentegen de fluitspelers de hoofdrol.
Quinquennales (viri), in de rom. municipia de naam van twee of drie overheidspersonen, wier werkkring met dien der censoren te Rome overeenkwam en die ook om de vijf jaren werden gekozen. Zie Municipium.
Quinqaertium = Pentathlum.
Quinqueviri, buitengewone commissiën, uit vijf leden bestaande, b. v. agris dividundis, muris turribusque reficiendis, enz. Quinqueviri mensarii komen in 352 voor, toen bij gelegenheid eener finantiëele crisis, op het initiatief der consuls P. Valerius Poplicola en C. Marcius Rutilus eene staatsbank (mensa) onder beheer van Vviri tijdelijk werd opgericht, die op voldoend onderpand voorschotten verleende. Een dergelijk geval had in 216 plaats (zie lex Minucia), doch toen onder beheer van IIIviri.
Quintana (via), zie castra.
Quintii, zie Quinctii. De spelling zonder c kwam in den laatsten tijd der Rom. republiek op en werd onder het keizerrijk de meest gebruikelijke.
Quintilianus (M. Fabius), uit Calagurris (Calahorra) in Hispania, omstreeks het jaar 35 n. C. geboren. Hij genoot zijne opleiding te Rome, waar hij vervolgens optrad als pleiter en bezoldigd leeraar in de welsprekendheid. Hij verwierf zich grooten naam. Twintig jaar lang vervulde hij het leeraarsambt, en toen hij het neerlegde, ± 91 na C., schonk keizer Domitianus hem de ornamenta consularia. Hierna schreef hij zijn beroemd werk de institutione oratoria in 12 boeken, een volledig leerboek der rhetorica, rijk van inhoud, zuiver en duidelijk van taal en voorstelling. Van de op zijn naam staande declamationes zijn alleen de 145 kleine misschien van hem; de 19 groote zijn onecht.
Quintilii of Quinctilii. 1) P. Quinctilius Varus (= krombeen), praetor, streed in 203 in Gallia Cisalpina zegevierend tegen Hannibals broeder Mago.--2) S. Quintilius Varus streed in het begin van den burgeroorlog met Domitius Ahenobarbus (Domitii no. 8) tegen Caesar. Caesar nam hem gevangen, doch stelde hem weer in vrijheid.--3) P. Quintilius Varus, zoon van no. 2, consul in het jaar 13, werd later stadhouder van Syria, van waar hij in 6 na C. naar Germania werd gezonden. Zijn onberaden ijver om rom. taal en instellingen in te voeren was oorzaak, dat hij met drie legioenen in het Teutoburger woud door den Cheruscer Arminius overvallen en zijn leger geheel vernietigd werd (Sept. 9 na C.).--4) Quintilius Varus uit Cremona, een vriend van Vergilius en Horatius, stierf in 23.--5) Onder de keizers Marcus Aurelius en Commodus komen nog twee broeders Quintilii voor, die in 178 tegen de Germanen streden. Commodus bracht hen om.
Quintus, Kointos, van Smyrna (Smyrnaeus), dichter van een episch gedicht in 14 zangen, ta meth' Homeron, bevattende de geschiedenis van den trojaanschen oorlog na den dood van Hector. Hoewel vrij langdradig en zonder eenheid, is het werk niet zonder verdiensten. Hij leefde vermoedelijk in de 4de eeuw na C. Naar Calabrië, waar het handschrift van zijn gedicht gevonden is, wordt hij dikwijls Calaber genoemd.
Quirinalia, een feest ter eere van Quirinus, dat op den 17 Februari te Rome werd gevierd. Zie ook Fornacalia.
Quirinalis (collis), een der bergen, waarop Rome was gebouwd, zie Roma.
Quirinius (P. Sulpicius), zie Sulpicii no. 21.
Quirinus, een van de oudste Romeinsche goden, in beteekenis overeenkomend met Mars. Later meende men, dat Q. een sabijnsche godheid was, wiens dienst door Numa naar Rome werd overgebracht; gewoonlijk wordt hij voor denzelfden gehouden als de onder de goden opgenomen Romulus (z. a.). Zijn oudste tempel te Rome lag op den mons Quirinalis, terwijl zijn dienst werd waargenomen door den flamen Quirinalis en door een afzonderlijk college van Salii (de Salii Agonenses), door Tullus Hostilius ingesteld. Q. is ook een bijnaam van Janus (z. a.).
Quirites. De oorsprong van dezen naam is zeer onzeker. Sommigen hebben hem afgeleid van de stad Cures in het sabijnsche land, anderen van een oud woord quiris of curis = speer. Doch wat ook de beteekenis zij, de herhaaldelijk voorkomende uitdrukkingen populus Romanus Quiritium of populus Romanus Quirites geven genoegzame aanwijzing, dat Quirites als volksnaam der rom. burgers gold. Daar nu deze naam vooral den rom. burger aanwijst in de uitoefening zijner burgerrechten, dus in vredestijd, zoo schijnt hieruit eene tegenstelling geboren te zijn tusschen Quirites als vreedzame burgers en milites, te meer daar sedert Marius het gros van het leger meer en meer uit beroepssoldaten was saamgesteld.
R.
Rabirii. 1) C. Rabirius, bejaard rom. senator, werd in 63 door den volkstribuun T. Labienus van hoogverraad (perduellio) beschuldigd, als medeplichtig aan den moord op den volkstribuun L. Appuleius Saturninus in het jaar 100. Het proces werd gevoerd voor het oude hof der duumviri perduellionis; Rabirius werd ter dood veroordeeld, doch beriep zich op het volk. Hij werd door de redenaars Hortensius en Cicero verdedigd, doch zou vermoedelijk, uit wrok tegen den senaat, ook door de comitiën veroordeeld zijn, indien niet de praetor Q. Metellus Celer de roode vaan (vexillum russeum) van den Janiculus had doen wegnemen tengevolge waarvan de volksvergadering moest uiteengaan. De aanklacht werd echter niet weder opgevat.--2) C. Rabirius Postumus, zoon van C. Curtius, neef en aangenomen zoon van no. 1, rom. ridder, was in Aegypte in dienst van koning Ptolemaeus XI Auletes geweest. A. Gabinius was in 54 beschuldigd en veroordeeld, op grond dat hij, als stadhouder van Syria, zich door den in een opstand verdreven koning voor 10000 talenten had laten omkoopen om hem op den troon van Aegypte te herstellen. Daar uit de bezittingen van Gabinius de boete, die gelijk was aan de ontvangen som, niet kon gevonden worden, werd Rabirius, die ook een deel van het geld had ontvangen, aangesproken voor het tekort. Schoon Cicero als verdediger van Gabinius, nu ook voor Rabirius pleitte, werd deze toch veroordeeld en ging in ballingschap. Zijn verblijf te Alexandrië was alles behalve vlekkeloos geweest. Later diende hij onder Caesar.--3) C. Rabirius, episch dichter van naam onder Augustus, bezong den slag bij Actium.
Racilius (L.), volkstribuun in 58, trok tegen P. Clodius voor Cicero partij.
Racotis, Rhakotis, oud vlek in Aegypte, dat bij de stichting van Alexandrië in den kring dezer stad werd getrokken en er eene wijk van werd.
Raeda, zie rheda.
Raetia, Rhaitia, welke spelling boven Rhaetia wordt verkozen, strekte, met het noordelijker Vindelicia vereenigd, zich uit van de Alpen tot aan den Donau en van den Rijn tot den Aenus (Inn). De oude Raeti werden voor stamverwanten der Etruscers gehouden, door keltische stammen teruggedrongen. Ten tijde van Augustus (15 voor Chr.) en niet dan na een hevigen strijd, werden de woeste bergbewoners door Drusus en Tiberius met de Vindelici tot onderwerping gebracht, en met de reeds vroeger onderworpen Vallis Poenina vereenigd tot een nieuwe provincie Raetia et Vindelicia. Er waren weinig steden. Tridentum (Trente) (z. a.) was oorspronkelijk een raetische stad, maar kwam later aan de keltische Cenomanes. Raetia en Vindelicia vormden de westelijkste rom. Donauprovincie; de Vindelici zijn Kelten, de Raeti niet.
Rambacia = Rhambacia.
Ramnes of Ramnenses, eene der drie oude stamtribus van Rome, z. echter Tities.
Raphia, Rhapheia, -ia, havenstad van Palaestina ten Z. W. van Gaza.
Rase(n)na, Rhasenna, naam die de Etruscers zichzelf geven.
Ratiaria, stad aan den Donau in Moesia Superior, later hoofdstad van Dacia Ripensis.
Ratomagus = Rotomagus.
Raudii campi = Campi Raudii.
Rauraci of Raurici, Rhaurakoi, volk in Gallia Transalpina, naburen der Helvetiërs, met wie 25000 hunner medetrokken bij hun verhuizingstocht tijdens Caesars aankomst in Gallia. Ze woonden in de omstreken van Basel. Hoofdplaats: Augusta Rauracorum = Augst bij Basel.
Ravenna, Rhabenna, stad nabij de Adriatische zee ten Z. van den Padus (Po) in Gallia Cisalpina. Het lag te midden eener moerassige streek en had gebrek aan drinkbaar water, daarom werd van de bewoners gezegd: sitiunt vivi, natant sepulti. De stad was met grachten doorsneden. Haar bloei dagteekent van den tijd, dat Augustus ze tot het station maakte van de vloot der Adriatische zee en hiervoor eene groote haven liet aanleggen (± 22). Reeds door hare ligging sterk, werd Ravenna nu eene vesting van den eersten rang. Daarom verlegde keizer Honorius zijne residentie hierheen en dit bleef zoo ook onder de volgende keizers, en na den val van het west-rom. rijk ook onder Odoacer en de oostgotische koningen.
Rea Silvia, ook Ilia genoemd, dochter van Numitor, werd door haar oom Amulius aan den dienst van Vesta gewijd, opdat zij kinderloos zou sterven. Toen zij moeder van Romulus en Remus was geworden, werd zij v. s. levend begraven, v. a. gevangen gezet, maar na den dood van Amulius bevrijd, of wel in den Tiber geworpen en door den stroomgod tot echtgenoote genomen.
Reate, Rheaton, -ate, oude stad der Aborigines in Midden-Italië, later door de Sabijnen vermeesterd en tot hunne hoofdplaats gemaakt. Zij lag aan de via Salaria in eene uiterst liefelijke vallei. Zie verder Avens.
Rebilus, familienaam in de gens Caninia.
Recitationes. Tijdens Augustus won de gewoonte veld, dat schrijvers, alvorens hunne geschriften uit te geven, voor een kleiner of grooter publiek gedeelten daarvan voorlazen, eensdeels om het oordeel der hoorders te vernemen, anderdeels om aan de uitgaaf meer openbaarheid te geven.
Recognitio equitum, zie Equites.
Recuperatores. Oorspronkelijk was dit de naam van een college van rechters, om na een oorlog te beslissen over teruggaaf van veroverd goed. Het was dan uit mannen van beide volken (Rom. en peregrini) saamgesteld. Allengs werd deze vorm ook te Rome ingevoerd bij processen tusschen Rom. en peregrini, en tusschen peregrini onderling. Daar deze gedingen altijd in korten termijn (binnen 10 dagen) moesten afloopen, namen de Rom. onderling ook meermalen hunne toevlucht tot zulk een hof van arbiters, b.v. in zaken van schuldvordering. Ook voor aanklachten tegen stadhouders wegens afpersingen werd wel van recuperatores gebruik gemaakt, het eerst in 171 bij het proces tegen P. Furius Philus, stadhouder van Lusitania. De iudices recuperatores werden telkens ten getale van 3 of 5 door den praetor aangewezen. Onder de keizers kreeg deze instelling steeds grooter uitgebreidheid.
Rediculus Tutanus Deus, een god, die voor de Porta Capena te Rome een tempel had; hij had, naar men zeide, toen Hannibal op Rome aanrukte, hem door verschrikkelijke visioenen tot den terugtocht genoodzaakt.
Redones, gallisch volk in het tegenw. Bretagne. Hoofdstad: Condate, thans Rennes.
Redux, bijnaam van Fortuna, als de godin, die legers en veldheeren behouden uit den strijd terugbrengt.
Regia, het oude koninklijk paleis van Numa, later de ambtswoning van den pontifex maximus, aan het forum naast den Vestatempel gelegen.
Regifugium. Het schijnt dat op den 24ste van sommige maanden door den rex sacrificus op het comitium te Rome een offer werd gebracht. Op den 24sten Februari, den gedenkdag van de verdrijving der koningen, moest hij na dit offer zich in allerijl naar huis spoeden. In verband hiermede heeft men de letters Q. REX C. F. in den rom. kalender wel verklaard: quando rex comitium fugit. Deze letters behooren echter bij den 24 Maart en den 24 Mei. Waarschijnlijker is dus de verklaring: quando rex comitiavit fas of fastus, d. w. z. dat die dagen eerst dan fasti waren, wanneer het offer van den rex op het comitium was afgeloopen en hijzelf naar huis was gegaan.
Regillensis, familienaam in de gens Postumia (Postumii no. 2, 3, 5, 6).
Regillum, plaatsje in den ager Sabinus, waaruit de gens Claudia stamde. Ligging onbekend.
Regillus lacus, meer in Latium, ten O. van Rome, tusschen Gabii en Lavicum, bekend door de overwinning der Rom. op de Latijnen in 498 of 493.
Regimen morum, zie Censor.
Regium flumen, basileios potamos, basileia dioryx, Nahar Malcha, thans nog Nahr el Malk, het grootste verbindingskanaal tusschen den Euphraat en den Tigris, waarvan de bouw aan Nebukadrezar wordt toegeschreven.
Regium Lepidi, ook forum Lepidi genoemd, stad in Gallia Cispadana, rom. kolonie, thans Reggio d'Emilia. Zie ook Rhegium.
Regulus, familienaam in de gens Atilia (Atilii no. 2-6).
Relegatio, zie deportatio.
Remi, Rhemoi, machtig gallisch volk in het Z. van Belgica, met de steden Durocortorum (Rheims) en Durocatalaunum (Châlons-sur-Marne).
Remmia (lex), zie Calumnia.
Remulus, een Rutuliër, zwager van Turnus, die tegen Aeneas en de Trojanen geweldig op zijne dapperheid snoefde, maar door Ascanius gedood werd.
Remuria = Lemuria, z. Lemures.
Remus, zie Romulus.
Repetundae, scil. pecuniae, gelden, die wederrechtelijk, b. v. door afpersing, verkregen waren en waarvan dus de teruggaaf geëischt moest worden. In het bijzonder was crimen repetundarum de beschuldiging van afpersing en knevelarij, tegen den stadhouder eener provincie ingebracht. Voor deze misdaad werd door de lex Calpurnia in 149 de eerste quaestio perpetua ingesteld.
Repotia, gen. -orum, nabruiloft, door den pas gehuwden echtgenoot daags na de nuptiae gegeven.
Repudium, echtscheiding, wanneer zij van ééne zijde kwam, dus wanneer de man zijne vrouw verstiet. In lateren tijd kon repudium ook van de zijde der vrouw plaats vinden. Zie divortium.
Resaina, Rhesaina, Rhesina, stad in het mesopotamische gewest Osroene, nabij de bronnen van den Chaboras, later Theodosiopolis.
Rescriptum, schriftelijk antwoord des keizers op vragen betreffende twijfelachtige of betwistbare rechtspunten, waarin hij de rechtsgronden aangaf, waarnaar eene zaak moest beoordeeld en behandeld worden.
Residuae, scil. pecuniae, achterhouding van gelden, aan de schatkist verschuldigd.
Restitutio in integrum, herstel in den vorigen toestand, kon plaats hebben door den praetor. Het vonnis werd hierdoor niet vernietigd, maar de gevolgen er van werden opgeheven. Dit gold echter slechts voor civiele zaken. Wanneer iemand aqua et igni interdictus was, kon hij alleen door de volksvergadering teruggeroepen en in zijne rechten hersteld worden. In de burgeroorlogen matigden zij, die de macht in handen hadden, zich dikwerf dit recht aan, en onder de keizers werd het een keizerlijk recht, waaruit zich spoedig het begrip van gratie (indulgentia) ontwikkelde. Eene andere rest. in int. vond plaats, wanneer eene censorische bestraffing door volgende censoren werd opgeheven.
Retiarius, een zwaardvechter, gewapend met een drietand en een net, dat hij zijne tegenpartij over het hoofd trachtte te werpen, om hem door inwikkeling weerloos te maken.
Reudigni, volk in het N. van Germania, op den rechteroever van den Albis, een van de kleine volkeren, die de godin Nerthus vereeren.
Rex, familienaam, vooral in de gens Marcia (Marcii no. 4 en 5).
Rex, de koning. Na de verdrijving der koningen behield dit woord bij de Rom. eene hatelijke beteekenis, met een begrip van den meester te willen spelen. Rex heet ook de rijke Romein tegenover zijne cliënten (z.a.). De rom. senaat verleende ook somtijds dezen titel aan vreemde vorsten, zooals aan Deiotarus. In dit geval staat rex vóór den eigennaam.--Rex bibendi of convivii is de president bij het drinkgelag, zie arbiter bibendi.
Rex sacrorum, sacrificus of sacrificulus. Na de verdrijving der koningen werd voor het verrichten der offers, die de koning te brengen had, onder bovenstaanden titel een priesterambt in het leven geroepen. De rex sacrorum werd voor zijn leven gekozen door den pontifex maximus; hij genoot groote eer, doch was voor altijd van alle burgerlijke ambten uitgesloten. In rang was hij de eerste van de priesterschap, toch was hij ondergeschikt aan den lager staanden pontifex maximus. Zijne vrouw, met wie hij per confarreationem moest gehuwd zijn, heette regina sacrorum en had ook offers te verrichten.
Rha, Rha, rivier in Sarmatia, thans Wolga.
Rhacius, Rhakios, z. Manto.
Rhadamanthys, -thus, Rhadamanthys, -thos, zoon van Zeus en Europa, werd door zijn broeder Minos van Creta verjaagd, en ging naar Ocalea in Boeotië, waar hij met Alcmene trouwde. Toen zijn leven op aarde geëindigd was, werd hij naar het Elysium verplaatst. Bij lateren is hij een van de rechters in de onderwereld.
Rhaetia = Raetia.
Rhagae, Rhagai, aanzienlijke stad in het N. van Media. Nadat het door eene aardbeving verwoest was, liet Seleucus Nicator het herbouwen onder den naam van Europus. In de parthische oorlogen werd het verwoest, en op of nabij de plek verrees Arsacia.
Rhambacia, Rhambakia, stad der Oriten aan de kust van het perzische landschap Gedrosia. Alexander de Gr. legde er eene kolonie aan.
Rhamnus, Rhamnous, demus in het N. van Attica, aan de Oostkust op eene landtong, met een tempel van Nemesis Rhamnusia. Een oudere tempel van Themis werd waarschijnlijk door de Perzen verwoest.
Rhamnusia virgo, Rhamnousia, he en Rhamnounti thea, Nemesis, zoo genoemd naar haar beroemd beeld in den demus Rhamnus.
Rhamphias, Rhamphias, Spartaan, die vóór den peloponnesischen oorlog als gezant met Athene onderhandelde en in dien oorlog een leger in Thessalië aanvoerde.
R(h)ampsinitus, Rhampsinitos, oud-aegyptisch koning, door velen voor denzelfden gehouden als Ramses III, die omstreeks 1150 stierf. Van hem wordt verhaald dat hij levend in de onderwereld afdaalde, met afwisselend geluk met Demeter dobbelde, en ten slotte met een gouden handdoek op aarde terugkeerde. Zijn schatkamer werd op dezelfde wijs bestolen als die van Hyrieus (z. Agamedes).
R(h)amses, Rhampses, of Ramessoe, naam van verscheiden aegyptische koningen. Vooral beroemd is Ramses II de Groote, door de Grieken Sesostris of Sesosis genoemd, die in de 14de eeuw regeerde, zegevierend in Libye, Aethiopië en ver in Azië doordrong, groote versterkingen, kanalen en andere bouwwerken liet aanleggen en over het geheel Aegypte tot den hoogsten trap van bloei bracht, die het ooit bereikt heeft.
Rhapsodus, rhapsodos, een zanger, die bij feestelijke gelegenheden gedichten voordraagt. Aan hen heeft men vooral het bewaren der gedichten van Homerus (z. a.) te danken, ofschoon zij niet alleen epische gedichten voordroegen, maar ook andere, mits alle verzen dezelfde maat hadden. Oudtijds talrijk en geacht, gingen zij later in beide opzichten achteruit. Zij waren kenbaar aan hun kleeding en hadden bij hun voordrachten een staf (rhabdos of aisakos) in de hand; in latere tijden droegen zij een rood kleed, als zij uit de Ilias, een violet, als zij uit de Odyssee voordroegen.
Rhea (of Cybele), Rhea, Rheia, Kybele, dochter van Uranus en Gaea, gemalin van Cronus en bij hem moeder der groote olympische goden Zeus, Poseidon, Hades, Hera, Hestia en Demeter. Zij werd in Griekenland oorspronkelijk alleen als zoodanig (Meter, Magna Mater) en gewoonlijk in gemeenschap met hare kinderen vereerd, vooral op Creta, waar zij Zeus ter wereld gebracht en voor Cronus verborgen zou hebben. Waarschijnlijk was het daar, dat haar dienst samensmolt met dien van de aziatische Cybele of Cybebe, de groote godin (Megale thea), moeder van alle leven in de natuur, ten gevolge waarvan zij mettertijd geheel met deze godin vereenzelvigd werd en zelfs den naam Cybele bij haar oorspronkelijken naam kreeg, terwijl bij haar dienst overal in Griekenland meer of minder aziatische gebruiken overgenomen werden. Deze Cybele werd algemeen in Azië vereerd met allerlei ceremoniën, die zich kenmerkten door buitensporige woestheid en een overmatig vertoon van droefheid en vreugde. De hoofdzetel harer vereering was Pessinus (Pessinountia), waar haar overoud, uit den hemel gevallen beeld (waarschijnlijk een meteoorsteen) in een tempel aan den berg Dindymus (Dindymene) stond. Hier droeg zij den naam Agdistis (z. a.) en vierde men jaarlijks te harer eer den dood en het herleven van haar geliefden Atys, waarbij de opgewondenheid zoo hoog steeg, dat de feestvierenden zich dikwijls ernstig wondden of verminkten. Hare priesters, de Galli, waren gesnedenen en hadden een zeker aandeel aan de regeering. De luidruchtigheid van hare feesten gaf aanleiding tot de voorstelling, dat de godin zelve behagen schept in het gezelschap van dienstbare geesten, die haar met geschreeuw en gegil en oorverdoovende muziek overal op hare woeste tochten door bergen en wouden, vergezellen. In Phrygië, waar haar dienst eveneens in groot aanzien stond (Phrygia thea, Phrygia mater), heetten die gezellen der godin, en eveneens hare priesters, Corybanten, op den Ida (Idaia thea, mater Idaea) Dactyli Idaei, op Creta, waar ook hare priesters naar hen genoemd waren, Cureten. Het geraas, dat door laatstgenoemden bij het uitvoeren van hun wapendans (prylis, pyrriche) gemaakt werd, werd verklaard als eene herinnering aan de pogingen van de Cureten, om te verhoeden dat het geschrei van den kleinen Zeus door zijn vader gehoord zou worden. Door deze voorstellingen krijgt de godin eenige overeenkomst met Dionysus, en in sommige mythen neemt Sabazius, die voor denzelfden als Dionysus gehouden werd, de plaats van Atys in.--Te Rome werd de dienst van Rhea bij de rampen van den tweeden punischen oorlog ingevoerd; in 204 werd op last der sibyllijnsche boeken het beeld der godin in den vorm van een meteoorsteen van Pessinus naar Rome gebracht en op den mons Palatinus een tempel voor haar gebouwd. Haar dienst werd waargenomen door phrygische Galli onder een Archigallus, die te Rome de luidruchtige plechtigheden van Klein-Azië herhaalden; het aandeel, dat de eigenlijke Rom. aan hare vereering namen, bepaalde zich tot de viering der Megalesia (z. a.), door maaltijden en wedstrijden op het tooneel en in de renbaan. In den keizertijd kwamen hierbij echter feesten ter gedachtenis aan Atys (22-27 Maart), en nog later, toen men zich van het wezen van Rhea slechts verwarde en mystieke voorstellingen maakte, ontaardde haar dienst in Taurobolia en Criobolia, offers van stieren en rammen, waarbij men zich door den doop met het bloed der offerdieren van zonden reinigde en als het ware op nieuw geboren werd.--De leeuw, de eik en de den zijn haar gewijd. Zij wordt gewoonlijk afgebeeld als eene waardige matrone, zittend op een troon met leeuwen aan beide zijden of op een door leeuwen getrokken wagen. Op het hoofd heeft zij een muurkroon en sluier.
Rhea Silvia, zie Rea Silvia.
Rhebas, Rhebas, rivier in Bithynia = Rhesus no. 1.
Rheda, een groote reiswagen op vier wielen, ingericht voor personen en bagage.
Rhegium (Regium), Rhegion, thans Reggio di Calabria (niet te verwarren met Regium Lepidi), aeolisch-messenische kolonie op de bruttische kust, aan het fretum Siculum (straat v. Messina), de gewone plaats van overvaart naar Sicilia. Rhegium was eene bloeiende handelsstad der Chalcidiërs, totdat Dionysius I van Syracuse het in 387 veroverde en vernietigde. Later werd de stad herbouwd, en kreeg ze de vrijheid terug. In 280 had de stad veel te lijden door een oproer van eene campaansche legerafdeeling, die als rom. bezetting in de stad lag. Het bleef Rome trouw in den oorlog met Hannibal, en in het bellum sociale. Aardbevingen en de rom. burgeroorlogen droegen er verder toe bij om de plaats te ontvolken, totdat Augustus er eene kolonie uitgelezen zeesoldaten heenzond (36).
Rhenea, Rheneia, oudtijds Ortygia, eil. bij Delus, waarheen de lijken van Delus werden overgebracht.
Rhenus, Rhenos, 1) de tegenw. Rijn, ontsprong op den mons Adula (zie aldaar), stroomde door den lacus Brigantinus (meer v. Konstanz), splitste zich bij het eiland der Batavieren in twee armen (vandaar Rhenus bicornis), waarvan de zuidelijke den naam Vacalis of Vahalis (Waal) droeg en zich met de Mosa (Maas) vereenigde. Caesars mededeeling, dat deze arm zich multis capitibus in zee stortte, werd reeds in de oudheid als onjuist erkend. De mond heette Helium ostium en was veel wijder dan tegenwoordig; de monding van den noordelijken arm, die langs Traiectum (Utrecht) en Lugdunum Batavorum (z. a.) liep, droeg geen bijzonderen naam. Een derde arm verbond den Rijn met den Ouden IJssel en viel nog noordelijker in zee door het Flevum ostium (vermoedelijk het Vlie). Een andere verbinding met de zee is de Vecht geweest, die bij Fectio (Vechten onder Bunnik) van den Krommen Rijn afbuigt en door sommigen voor de Fossa Drusiana gehouden wordt.--2) thans de Reno, stroomt langs Bononia (Bologna) naar den Padus (Po). Op een eil. in deze rivier zouden Octavianus, Antonius en Lepidus in 43 hun driemanschap hebben gesloten.
Rhesus, Rhesos, 1) zoon van Oceanus en Tethys, god van eene gelijknamige rivier in Bithynië of Troas.--2) zoon van Strymon of Eïoneus en eene Muze, koning van Thracië, die den Trojanen tegen de Grieken te hulp kwam. Hij had paarden, waarvan het lot van Troje afhing, als zij nl. in Troje voedsel of drank gebruikt hadden, was de stad niet te nemen. Daarom overvielen de Grieken hem nog voor hij de stad bereikte; hij werd met zijn gevolg door Diomedes gedood, en de paarden werden door Odysseus weggevoerd.
Rhesus, Rhesos, 1) rivier in Bithynia.--2) riviertje in Troas, zijtak van den Granicus.
Rhetrai, z. Lycurgus no. 5.
Rhianus, Rhianos, van Creta, episch dichter en grammaticus in de laatste helft der 3de eeuw; in zijne jeugd was hij slaaf geweest, later werd hij de vriend van Eratosthenes. Als zijne werken worden genoemd verscheiden epische gedichten en eene uitgave van Homerus.
Rhinocolura, ta Rhinokoloura of Rhinokoloura, stad in de woestijn tusschen Aegypte en Palaestina, dicht bij de zeekust.
Rhinthon, Rhinthon, van Syracuse of Tarentum, tijdgenoot van Ptolemaeus I, uitvinder der zoogenaamde Hilarotragoedia. Uit dien naam en uit de enkele verzen, die van zijne 38 stukken zijn overgebleven, kan men opmaken, dat het parodieën waren op oude treurspelen; iets naders is echter hieromtrent niet bekend. Z. Phlyax.
R(h)ipaei montes, ta Rhipaia ore, een hooge bergketen ergens in het hooge Noorden, waarschijnlijk de Carpathen, v. s. een deel van het Uralgebergte; ze worden ook Hyperborei montes geheeten (z. a.).
Rhipe, Rhipe, oude stad in het W. van Arcadia, bij Stratus.
Rhium, Rhion, zie Antirrhium.
Rhizinium, Rhizon, Rhizon, oude versterkte stad in Dalmatia aan een naar haar genoemde golf, sinus Rhizaeus, ten Z.O. van Epidaurus.
Rhoda, Rhode, havenstad in het N. O. van Hispania Tarraconensis.
Rhodanus, Rhodanos, thans de Rhône, die in zijn loop den lacus Lemannus (meer v. Genève) vormt. Het aantal monden wordt door de ouden verschillend opgegeven, zelfs tot zeven toe, hetgeen wel zal zijn toe te schrijven aan de veranderingen, die de rivier zelve in verloop van tijd in hare uitwatering heeft gebracht. Zie ook fossa Mariana.
Rhodius, Rhodios, rivier in Troas, die op den berg Ida ontspringt en in den Hellespont valt.
Rhodope, Rhodope, thracische bronnimf, gemalin van Haemus (z. a.).
Rhodope, Rhodope, hoog gebergte van Thracia, dat zich ten O. van den Nestus en verder langs de kust tot aan den Hebrus uitstrekt, thans Despoto-dagh. Dichterlijk Rhodopeius = thracisch, Rhodopeius vates = Orpheus.
Rhodopis, Rhodopis, eene hetaere uit Thracië, die ten tijde van Amasis te Naucratis woonde; zij besteedde een tiende van haar vermogen om ijzeren braadspeten te laten maken, die zij aan den delphischen tempel schonk.
Rhoduntia, Rhodountia, bergtop van den Oeta met een kasteel, niet ver van de Thermopylae.
Rhodus, -de, Rhodos, -de, dochter van Poseidon en Amphitrite, bij Helius moeder van de Heliadae. Helius liet voor haar en hare kinderen een eiland uit zee oprijzen, dat naar haar genoemd wordt.
Rhodus, Rhodos, eiland in het Z.O. der Aegaeische zee, nabij de dorisch-carische kust. Het had een heerlijk klimaat, bijna geen dag ging voorbij zonder zonneschijn; onder de voortbrengselen telde men marmer, scheepstimmerhout, wijn, vijgen en heerlijke visch. Als oudste inwoners worden de Telchinen genoemd, die met het eiland uit de zee waren verrezen, en de Heliaden, vervolgens kwamen ook Phoeniciërs en Aegyptenaars. De mythe laat verder nog vóór den trojaanschen oorlog eene dorische kolonie onder Heracles' zoon Tlepolemus naar Rhodus komen. In den perzischen oorlog sloot het eiland zich bij het atheensche zeeverbond aan. Het telde toen drie stadsgemeenten: Lindus, Ialysus en Camirus, die tot de dorische hexapolis (zie Doris no. 2) behoorden. In 411 bewerkte de aristocratie eene omwenteling en den afval van het attische zeeverbond; een zekere Dorilus haalde de bevolking der drie steden over tot het stichten eener gemeenschappelijke stad Rhodus op den N.O. hoek van het eiland (408), welke stad zich spoedig tot een ongekenden bloei verhief. Spoedig werd de democratie weder meester en sloot zich weder bij Athene aan, doch bezoedelde in den eersten tijd haar triomf door laagheden en ongerechtigheid. In 358 verliet Rhodus opnieuw de zijde van Athene; oligarchen, door de carische vorsten gesteund, maakten zich van het bewind meester, totdat het eiland afhankelijk werd van Idrieus, tyran van Halicarnassus. Alex. de Gr. legde macedonische bezetting op Rhodus, doch na zijn dood maakte het zich vrij. Vruchteloos poogde Demetrius Poliorcetes de stad in te nemen (304), z. Protogenes. Later waren de Rhodiërs in den macedonischen, den syrischen en den mithradatischen oorlog bondgenooten der Rom., en bewezen door hunne voortreffelijke zeemacht uitstekende diensten. In 168 werden ze echter bestraft voor hunne sympathie voor Macedonia; ze verloren een groot gedeelte van hun gebied op het vasteland (zie Lycia), en werden afhankelijk van Rome. Buiten de rom. burgeroorlogen konden zij zich niet houden, zij kozen partij voor Caesar en moesten dit na zijn dood door Cassius ontgelden. Sedert waren zij nu eens vrij, dan weder ingelijfd, totdat onder Vespasianus de vrijheid voor goed verloren ging. Omstreeks 400 na C. was Rhodus de hoofdstad der provincia insularum, die 53 eilanden omvatte. De stad Rhodus, met twee havens, lag amphitheatersgewijze tegen de bergen gebouwd. Zij was, even goed als Athene, eene kweekschool van kunst en wetenschap. Vooral beeldhouwkunst en redekunst bloeiden er, beide kenmerkten zich door het streven naar effekt. De rhodische rhetorenschool hield het midden tusschen aziatische gezwollenheid en attischen eenvoud; haar stichter was de redenaar Aeschines, die, toen hij Athene moest verlaten, zich te Rhodus vestigde. Het genus Rhodium viel over het algemeen in den smaak der Rom. Aan beelden was Rhodus rijk, maar vooral aan groote beelden. Het grootste was dat van Helius, aan wien het eiland geheiligd was. Het stond naast den ingang der haven en was meer dan 30 meter hoog; slechts weinigen konden de duimen omvatten. In de eene, uitgestrekte hand droeg het een vuurbekken, dat des avonds werd aangestoken. De maker was Chares van Lindus z.a. no. 2. In 278 opgericht, werd het in 222 door eene hevige aardbeving, die bijna de geheele stad verwoestte, omvergeworpen. Het orakel verbood, het beeld weder op te richten. Bijna negen eeuwen bleef het aan stukken liggen, totdat het in 672 na C. verkocht werd en op 300 kameelen weggevoerd. Eene andere hevige aardbeving, die aan den bloei van Rhodus den genadeslag toebracht, was die van 155 na C.
Rhoecus, Rhoikos, van Samus, beroemd beeldhouwer en bouwmeester, die het gieten van metalen beelden uitvond. Hij begon omstreeks 550 het bouwen van den tempel van Hera op Samus, die echter eerst door lateren voltooid is.
Rhoeteum, Rhoiteion, rotsachtige kuststreek van Troas, in verschillende kapen uitloopende, aan het Z.W. einde van den Hellespont, met eene gelijknamige stad. Rhoeteius ductor = Aeneas.
Rhoetus, Rhoitos, 1) of Rhoecus, een Centaur.--2) = Eurytus no. 5.
Rhosus, Rhosos, Rhossos, zeestad van Syria aan de golf van Issus.
Rhoxolani = Roxolani.
Rhyndacus, Rhyndakos, groote rivier in Vóór-Azië, die op de zuidelijke helling van den mysischen Olympus ontspringt en, met den Macestus vereenigd, in de Propontis (zee v. Marmara) valt.
Rhypes, Rhypes, oude achaeïsche bondstad tusschen Patrae (Patras) en Aegium, door Augustus verwoest, die de inwoners naar Patrae verplaatste.
Rhytium, Rhytion, oude stad ergens in het Z. van Creta.
Rica, vierkante doek met franje, door de rom. vrouwen bij sommige plechtigheden als sluier over het hoofd gedragen, doch niet zóó, dat het gelaat bedekt was.
Ricimer, zoon van een suebisch aanvoerder, was aan het hof van keizer Valentinianus III opgevoed. Als keizerlijk veldheer versloeg hij de Vandalen, Alanen, Westgothen, en kreeg zooveel macht, dat hij over den troon beschikte en keizers van het westersche rijk afzette en aanstelde. Wij geven hier eene korte chronologische opgaaf.
455. Valentinianus III vermoord, evenzoo zijn moordenaar Petronius Maximus. Flavius Maecius Avitus wordt in Gallië tot keizer uitgeroepen.
456. Ricimer zet Avitus af en stelt Maiorianus aan.
461. R. zet Maiorianus af en stelt Libius Severus aan, die in 465 sterft. Twee jaren zonder keizer.
467. Keizer Leo I v. het. oost-rom. rijk en Ricimer stellen Procopius Anthemius tot keizer aan.
472. Ricimer trekt tegen Anthemius op, belegert en verovert Rome en plaatst Anicius Olybrius op den troon.
473. Dood van Ricimer en van Olybrius. Glycerius wordt keizer.
Ricinium, ook rec., vierkante doek, die dubbel gevouwen en over het hoofd en om de schouders geslagen werd, vooral als rouwgewaad.
Rigodulum, stad der Treviri aan de Mosella (Moezel).
Ripaei montes = Rhipaei montes.
Ripuarii (Riparii), de Ripuarische of Oever-Franken, die hun naam ontleenen aan de Ripa Rheni, den linker oever van den Rijn, vooral de streek tusschen Rijn en Maas. De Franken, die hier en aan de overzijde van den Rijn wonen, worden in de 6de eeuw n. C. zóó genoemd ter onderscheiding van de Salische of Nederfranken (zie Salii).
Riti, Rheitoi, kleine zoutmeertjes aan den heiligen weg van Athene naar Eleusis.
Robigus, een god, die het koren tegen roest beschermde, en wien ter eere jaarlijks den 25sten April de Robigalia gevierd werden. Bij Ovidius komt ook eene godin Robigo voor.
Robur, de met zwaar eikenhout beslagen ondergrondsche verdieping van den rom. kerker. Zie carcer.
Rogatio, wetsvoorstel, dat nog niet tot wet is verheven.
Roma, Rhome, de bekende stad aan den Tiber, de hoofdstad van het rom. rijk. Of tot de bevolking oudtijds nog andere stammen hebben behoord dan de Latijnen, is niet bekend; uit de sage omtrent den sabijnschen maagdenroof (zie Romulus), en uit het bestaan van sabijnsche eerediensten in Rome b.v. van Sancus, heeft men gemeend te moeten opmaken, dat Sabijnen, op den Quirinalis wonende (zie Capitolinus (mons)), tot de stichting hebben medegewerkt. Dit alles is zeer onzeker. De bevolking heet Quirites (z. a.) of populus Romanus Quirites. De oudste nederzetting vond men op den Palatinus (z. a.) en de Velia. De eerste uitbreiding wordt gewoonlijk aangeduid met den naam Septimontium; naast de drie oudere: Palatinus, Cermalus, Velia, behooren hiertoe de montes: Fagutal, Oppius, Cispius en Caelius. Voor de stad der vier regiones: Palatina, Suburana, Esquilina, Collina, komen er dan nog bij: de Quirinalis met zijn uitlooper collis Latiaris, de Viminalis, en de laagte Argiletum. Tevens wordt tusschen de bergen het forum aangelegd, en de mons Capitolinus wordt arx en zetel van den tempel van Jupiter Capitolinus. De agger Servii Tullii (zie Servius Tullius) omvatte behalve de genoemde streken ook nog den mons Aventinus. Zie ook pomerium. In de vallei tusschen Aventinus en Palatinus, die wel eens vallis Murcia genoemd wordt, werd het Circus Maximus (z. a.) aangelegd. Aan de overzijde van den Tiber lag de mons Ianiculus, waarop een burcht lag, doch dit gedeelte ging in den oorlog met Porsena voor een wijl verloren.--Na den gallischen brand in 390 werd de stad ordeloos en onregelmatig herbouwd, zoodat zij geen fraai aanzien had. Van de inwendig zoo prachtige huizen der rijken zag men niets, daar zij ombouwd waren met winkels (zie domus), die de straten vernauwden. Het was bij het drukke verkeer een maatregel van veiligheid, dat men niet in een rijtuig door de straten mocht rijden. De stad breidde zich uit buiten den muur van Servius, en toen onder Sulla en later bij herhaling het pomerium werd verlegd en buitenwijken binnen den kring der stad werden getrokken, ging de muur op verscheiden plaatsen geheel verloren. Trouwens, een muur was onnoodig geworden; welke vijand kon Rome aanvallen? Augustus verdeelde de stad in veertien regiones. Na den grooten brand onder Nero (64 na C.) werd Rome met zorg herbouwd, met ruime, breede straten. Latere keizers brachten het hunne tot verfraaiing bij; Aurelianus (270-275 na C.) omringde de stad opnieuw met een vestingmuur, die nu ook den mons Pincius, den Campus Martius en over den Tiber den Ianiculus omvatte. Onder de keizers was Rome een groot kunstmuseum met tal van tempels, zegebogen, zuilengangen, prachtige badhuizen, openbare pleinen en honderden standbeelden, uit Azië en Griekenland overgebracht. Bij één triumftocht o.a. die van M. Fulvius Nobilior (Fulvii no. 11) over de Aetoliërs in 187, waren meer dan 500 marmeren en metalen standbeelden uit Griekenland naar Rome medegevoerd. Alleen standbeelden van paarden kon men te Rome meer dan 200 zien. Er waren 31 openbare bibliotheken, 8 of 9 circussen, 2 amphitheaters, 3 theaters, 15 of 16 thermen, 19 basilieken enz. Door verschillende waterleidingen werd Rome van water voorzien. De veertien regiones waren de volgende: 1) Porta Capena, de zuid-oostelijkste.--2) Caelimontium, met het macellum magnum.--3) Isis et Serapis, naar den tempel dezer godheden genoemd, met het groote amphitheatrum (z.a.) Flavium, de thermae (z. a.) van Titus en van Traianus.--4) Templum Pacis met het forum (z. a.) Pacis, door Vespasianus aangelegd, en den tempel van Venus en Roma.--5) Esquiliae, met het park van Maecenas.--6) Alta Semita (= Hoogstraat), met de thermen van Diocletianus en die van Constantijn en de groote castra praetoria (z. a.).--7) Via Lata (= Breêstraat), met de parken van Sallustius en van Lucullus en den tempel van Flora.--8) Forum Romanum, met het Capitolium (z. a.), comitium, verschillende tempels en basilicae, oudtijds de curia Hostilia (z. a.), de rostra (z. a.), de Regia (z. a.) en met nog een aantal andere fora (zie forum).--9) Circus Flaminius. Deze regio omvatte den campus Martius (z. a.), met de thermen en het Pantheon (z. a.) van Agrippa, de thermen van Nero, het theatrum (z. a.) van Balbus met 30000, dat van Marcellus, ook met 30000, dat van Pompeius met 40000 plaatsen,--de porticus Pompei en de curia Pompei, waar Caesar den dood vond, de villa publica der censoren, het Mausoleum Augusti, het amphitheater van Statilius Taurus, een aantal tempels enz.--10) Palatium, eerst eene minder aanzienlijke, oude wijk, sedert Augustus de wijk der paleizen. Zie Palatinus (mons). Op den berg stonden een beroemde Apollo-tempel en een der Magna Mater.--11) Circus Maximus, naar den grooten circus genoemd.--12) Piscina publica, met de thermen van Caracalla.--13) Aventinus, met den Diana-tempel, eene Tiberkade, losplaats voor de schepen (emporium) en groote korenmagazijnen.--14) Trans Tiberim, met de tuinen van Caesar, waarin Augustus eene naumachia bouwde. Tot deze regio behoorde ook de insula Tiberina met tempels van Veiovis, Faunus en Aesculapius.--Buiten den muur lag de mons Vaticanus; aan den Tiberoever juist over den pons Aelius verhief zich het mausoleum Hadriani (z. a.). Zeven bruggen voerden over den Tiber, waarvan de pons sublicius, eene houten paalbrug, de oudste was. De muur van Aurelianus was ruim drie uren gaans in omtrek. De bevolking van Rome ten tijde van Augustus wordt op ongeveer 1 1/2 millioen geschat.
Roma quadrata, zie Palatinus (mons).
Romani (ludi), ook magni en maximi geheeten, aan Jupiter, Juno en Minerva gewijd. Zij werden van 4 tot 19 September gevierd met wedrennen in den circus en met tooneelvertooningen. Zie Ludi.
Romilii, oud patricisch geslacht. T. Romilius Rocus Vaticanus, consul in 455, versloeg de Aequers, doch werd wegens het verkoopen van den buit met geldboete gestraft. Hij verbeurde echter de volksgunst niet en was later een der tienmannen (451).
Romulea, oude stad der Hirpini in Samnium, ten O. van Beneventum, door de Rom. verwoest.
Romulus, Rhomylos, volgens de sage met zijn tweelingbroeder Remus de stichter van Rome. Zij waren zoons van Rea Silvia, kleinzoons van Numitor. Hun oom Amulius beval bij hunne geboorte hen in den Tiber te werpen, doch zij werden op wonderdadige wijze gered en door zekeren herder Faustulus en diens vrouw Acca Larentia groot gebracht. Later door Numitor herkend en met hunne afkomst bekend gemaakt, doodden zij hun oom Amulius. Vervolgens besloten zij op den palatijnschen heuvel een stad te stichten. Bij de vraag, wie der beide broeders aan de nieuwe stad den naam zou geven, ontstond er een twist, waarin Remus omkwam (zie Lemures). De Sabijnsche maagdenroof deed een hevigen strijd ontstaan, die echter met verzoening en met ineensmelting der latijnsche nederzetting op den Palatinus en de sabijnsche op den Quirinalis (z. Roma) eindigde, onder gemeenschappelijk bestuur van Romulus en den Sabijn Titus Tatius, welke laatste echter niet lang daarna te Lanuvium werd vermoord. Na eene regeering van 37 jaar verdween Romulus bij gelegenheid van een hevig onweder. Het volk vreesde dat hij vermoord was, doch een der senatoren, Julius Proculus, verzekerde, dat hij Romulus door diens vader Mars in een vurigen wagen ten hemel had zien voeren en dat R. het bevel had achtergelaten, hem onder den naam Quirinus als god te eeren.
Romulus Augustus, om zijn jeugdigen leeftijd ook wel Augustulus genoemd, was de laatste keizer van het west-rom. rijk. Nadat Glycerius (zie Ricimer) in 475 n. C. door Julius Nepos was verdrongen, werd deze laatste in 475 afgezet door zijn magister militum Orestes. Orestes zette echter niet zichzelf de keizerskroon op, maar zette zijn zoon Romulus Augustus op den troon. In 476 werden zij door Odoacer in Placentia belegerd. Orestes werd gedood, het jonge keizertje afgezet en Odoacer als koning van Italië erkend. Rom. Aug. kreeg een landgoed in Campania.
Rorarii, eene afdeeling lichtgewapende troepen bij de oude rom. legers. Het waren jonge, ongeoefende manschappen, die in de acies achter de triarii stonden: zij openden het gevecht, door tusschen de rijen door vooruit te snellen, en trokken zich later weer naar hun standplaats terug. De ouden verklaarden den naam hieruit, dat zij, evenals regendruppels bij een onweder vallen, tusschen de geregelde troepen in, nu en dan een bui van werpschichten in 's vijands rijen wierpen.
Roscia (lex) theatralis, waarbij aan de ridders te Rome in het theater de 14 rijen zitplaatsen achter de orchestra (waar de senatoren zaten) werden ingeruimd. De wet beoogde hiermede een herstel van vroegere door Sulla opgeheven voorrechten. Hierbij werd ook de riddercensus van 400.000 sestertiën van 2 1/2 as = f 40,000 opnieuw vastgesteld. Deze wet was van den volkstribuun L. Roscius Otho, 67. Vandaar de uitdrukking in XIV sedere = equitem esse.
Roscii. 1) S. Roscius uit Ameria had na de vermoording zijns vaders zijn vermogen verloren door Sulla's vogelvrijverklaringen en werd later door Chrysogonus, den kooper zijner familiegoederen, beschuldigd van vadermoord, doch met gelukkigen uitslag verdedigd door Cicero.--2) Q. Roscius Gallus, een vrijgelatene, geb. in het dorpje Solonium bij Lanuvium, een zeer geliefd tooneelspeler in het rom. blijspel, was een zeer schoon gebouwd man, die door nauwgezette oefening in houding en gebaren in de tooneelspeelkunst eene te Rome ongekende hoogte bereikte. Hij verwierf zich door zijn talent een groot vermogen, was een zeer achtingswaardig man, zeer gezien bij aanzienlijke Romeinen, o. a. bij Sulla en Cicero, en de lieveling van het volk. Cicero verdedigde hem in een proces, de zaak betrof de verdeeling eener schadevergoeding voor een slaaf, die aan Roscius was toevertrouwd om hem als acteur op te leiden, doch die vermoord was. Roscius stierf omstreeks 62.--3) L. Roscius Otho, volkstribuun in 67, maker der lex Roscia theatralis.--4) L. Roscius Fabatus, aanhanger van Caesar, bij Mutina gesneuveld, 43.
Rosea rura (Velini), een liefelijke en vruchtbare landstreek bij Reate, aan de oevers van den Avens en bij den lacus Velinus.
Rostra, zie rostrum.
Rostrum, embolon, -los, sneb of ram van een oorlogsschip, oorspronkelijk een enkele zware balk, van voren met een metalen dierekop voorzien en ter hoogte van den waterspiegel uit den voorsteven vooruitstekende. Later werden het drie balken, aan de punt zwaar met metaal beslagen, en onder den waterspiegel aangebracht, zoodat het vijandelijk schip onder water werd lek gestooten. Toen in 338 de volscische stad Antium hare vloot moest uitleveren, werden de snebben er afgenomen en als zegeteeken te Rome op het forum aan het openbare spreekgestoelte gehecht, waarnaar dit laatste den naam van rostra verkreeg. Men stelle zich deze rostra voor als eene verhevenheid, waarop de spreker zich vrij kon bewegen en rondom van een borstwering of leuning voorzien. Naar een ouden gedenkpenning te oordeelen, rustte het geheel op een gewelfden onderbouw door kleine zuilen gedragen, aan welke zuilen de veroverde scheepssnebben bevestigd waren. Het lag aan die zijde van het comitium, die aan het Forum grenst. Daar oudtijds de contiones op het comitium gehouden werden, richtten de sprekers zich naar die zijde. In 145 begonnen de sprekers zich naar het Forum te wenden, en werden voortaan de contiones daar gehouden. Caesar liet aan de W.-zijde van het Forum een nieuwe spreektribune bouwen, rostra nova of Iulia, zonder echter de oude af te breken. De nieuwe had wel geen snebben tot versiering, maar de naam rostra ging er toch op over.
Rotomagus, havenstad der Vellocasses in Gallia, thans Rouaan.
Roxane, Rhoxane, dochter van Oxyartes, gemalin van Alexander d. G. Kort na den dood van haar echtgenoot bracht zij een zoon, Alexander (z. a. no. 8), ter wereld, met wien zij na vele wederwaardigheden door Cassander gedood werd (311).
Roxolani, Rhoxolanoi, machtige volksstam in Sarmatia ten N. van de Palus Maeotis (zee v. Azow).
Rubellii, een familie die eerst onder de keizers Tiberius en Nero voorkomt. 1) Rubellius Blandus was een gunsteling van Tiberius, die hem zijne kleindochter Julia, weduwe van Nero (den zoon van Germanicus), tot vrouw gaf.--2) Rubellius Plautus, zoon van no. 1, stond hoog in de gunst bij Agrippina, keizer Nero's moeder. Zij dacht er zelfs over hem te huwen, doch Nero verbande hem en liet hem later (62) ombrengen. Hij was een aanhanger van de Stoa, en een vriend van Barea Soranus.--3) Rubellius Blandus, zoon van no. 2, door Iuvenalis gehekeld als een ijdele onbeduidende man, die trotsch was op zijn hooge afkomst.
Rubi, stadje der Peucetii in Apulia, ten W. van Barium (Bari).
Rubico, Rhoubikon, riviertje dat sedert Sulla de grens vormde tusschen Gallia Cisalpina en het eigenlijke Italia. Door den R. over te trekken, rukte Caesar Italia binnen en gaf het sein tot den burgeroorlog.
Rubra Saxa, rotsen in Etruria bij de rivier Cremera, aan de via Flaminia.
Rubria (lex), tot stichting van eene kolonie op de puinhoopen van Carthago, in 122 door een volkstribuun Rubrius in overeenstemming met C. Gracchus tot stand gebracht. Dit was de eerste kolonie, die buiten Italia gesticht werd. De uitvoering van de wet viel aan C. Gracchus ten deel. De kolonie werd weer opgeheven, z. Carthago.
Rubria (lex), de Gallia Cisalpina, in 49, tot regeling van de rechtspleging in de gemeenten aldaar. Cisalpijnsch Gallië, hoewel reeds met burgerrecht begiftigd, bleef nog provincie onder een stadhouder tot het jaar 42.
Rubrica, roode aarde, roode verf. Daar de titels der wetten en het begin der artikelen met rood geschreven werden, heeft het woord de beteekenis gekregen van wetsartikel, ook wel van wet.
Rubricatus, Rhoubrikatos, 1) rivier in het O. van Hispania, even ten Z. van Barcino (Barcelona), thans Llobregat.--2) rivier in Numidia, die bij Hippo Regius in zee valt.
Rubrii, 1) Rubrius, volkstribuun in 122, zie lex Rubria.--2) Twee Rubrii, in het proces van Verres voorkomende, de één een achtenswaardig man, de ander een handlanger van Verres.--3) L. Rubrius, aanhanger van Pompeius.--4) Twee Rubrii komen onder de regeering van Tiberius als beschuldigden voor.--5) Rubrius Gallus, rom. generaal onder Nero, later op de hand van Otho en daarna van Vespasianus.
Rubrum mare = Erythraeum mare.
Rudiae, Rhodiai, Rhoudia, stad in Apulia tusschen Brundisium en Venusia, later municipium. De dichter Q. Ennius was hier geboren.
Rudis, schermstok, ook een staf, dien zwaardvechters ontvingen, wanneer hun het geluk ten deel viel, ontslag en vrijheid te krijgen. Zij waren dan rudiarii of rude donati.
Rufinus, familienaam in de gens Cornelia, zie Cornelii no. 57.
Rufinus, een Galliër, die onder keizer Theodosius den Gr. tot bevelhebber der lijfwacht opklom. Bij de verdeeling van het rijk werd hij minister en voogd van Arcadius, doch maakte zich door hebzucht en gierigheid gehaat. Zijn plan om zijne dochter aan Arcadius tot vrouw te geven, leed schipbreuk door toedoen van Eutropius. Rufinus trachtte nu onderhandelingen met de Hunnen aan te knoopen, doch werd op last van Stilicho, die met een leger kwam aanrukken, onder de oogen van Arcadius om het leven gebracht (395 n. C.).
Rufrae, stad in Samnium, tusschen Venafrum en Teanum Sidicinum.
Rufrium, stad der Hirpini in Samnium = Rufrae.
Rufus, familienaam in onderscheidene gentes, als: g. Annia, g. Claudia, g. Lartia, g. Minucia (Minucii no. 3-5), g. Pompeia (Pompeii no. 3-5), g. Pomponia, g. Rutilia, g. Sulpicia (Sulpicii no. 18-20), g. Valgia e.a.
Rufus, 1) arts uit Ephesus ten tijde van keizer Traianus, die verscheiden geneeskundige werken schreef, waarvan eenige bewaard gebleven zijn.--2) een schrijver, aan wien Plinius minor een aantal brieven richtte.--3) Sextus Rufus, juister Rufus Festus, onder keizer Valens schrijver van een breviarium rerum gestarum populi Romani.--4) Rufus Festus Avienus, z. Avienus.
Rugii, aanzienlijk volk in Germania aan de kust der Oostzee. Zij komen onder Attila in diens leger voor.
Rullianus, bijnaam in de gens Fabia (Fabii no. 14).
Rullus, familienaam in de gens Servilia (Servilii no. 25).
Rumina, romeinsche godin van zuigende kinderen en zuigend vee, had een tempel nabij den ficus Ruminalis, waar Romulus en Remus door de wolvin gezoogd waren, en waaronder in 296 door de Ogulnii (z. a.) een bronzen beeld van de wolvin met de twee zuigelingen werd opgesteld. Deze boom stond bij het Lupercal; eene andere vijgenboom, ficus Navia, naar den wonderpriester Attius Navius (z. Attii no. 1), wiens beeld in de nabijheid stond, benoemd, vond men later op het Comitium; ook deze wordt gewoonlijk, nadat de andere verdord was, Ruminalis geheeten. Het beeld van de Ogulnische wolvin is waarschijnlijk niet identisch met de nu nog bestaande wolvin van het Capitool, die veel ouder is, en op het Capitool heeft gestaan, waar ze in 65 door den bliksem beschadigd werd.--Nevens haar stond een mannelijke godheid Ruminus of Iupiter R.
Ruminalis ficus, z. Rumina.
Rupiliae (leges) tot regeling van verschillende zaken in het bestuur van Sicilia, van den proconsul P. Rupilius, nadat hij in 131 een einde had gemaakt aan den slavenoorlog op het eiland.
Rupilii, 1) P. Rupilius, uit geringen stand, doch een beschermeling van P. Cornelius Scipio Africanus minor, bracht het in 132 tot consul. Met gestrengheid ging hij te werk tegen de partijgenooten van Tib. Gracchus. Aan den slavenopstand in Sicilia maakte hij gelukkig een einde door de verovering van Tauromenium en Enna, waarbij 20000 slaven omkwamen. Door verschillende verordeningen (leges Rupiliae) bracht hij het bestuur van Sicilia op vasten voet (131).--2) L. Rupilius, broeder van no. 1, dong, ondanks den steun van Scipio, te vergeefs naar het consulaat.--3) P. Rupilius Rex, uit Praeneste, in 43 door Octavianus vogelvrij verklaard, vluchtte naar het legerkamp van Brutus; te Clazomenae had hij een geschil met een zekeren Persius, wat door Horatius op geestige wijze besproken wordt in de 7de Satira van het eerste boek.
Rus, Rhous, beek en vlek in Megaris, met tempels en graven van heroën.
Ruscino, Rhouskinon, rivier en stad der Sordones op de kust van Gallia Narbonensis, nabij de Pyrenaeën.
Rusellae, oudtijds eene der hoofdsteden van Etruria, aan de via Aurelia, dicht bij de kust, ten O. van Vetulonia. De kolossale muren, uit onregelmatige stukken graniet opgetrokken, bestaan nog en hebben een omtrek van meer dan een half uur gaans.
Rusticus, 1) familienaam, o. a. in de gens Fabia (Fabii no. 28) en de g. Iunia (Junii no. 22).--2) Q. Iunius Rusticus, stoicijnsch wijsgeer, leermeester en vriend van keizer Marcus Aurelius, onder wien hij hooge ambten bekleedde.
Ruteni, Rhoutenoi, gallisch volk op de grenzen van Gallia Narbonensis en Aquitania. Hoofdstad: Segodunum (Rhodez) aan den Veronius (Aveyron).
Rutilii, 1) P. Rutilius, volkstribuun in 169, klaagde C. Claudius Pulcher tijdens diens censuur aan van perduellio, en als niet zijn ambtgenoot Tib. Sempronius Gracchus voor hem in de bres was gesprongen, zou hij veroordeeld zijn. Zie Claudii no. 10.--2) P. Rutilius Rufus, door den wijsgeer Panaetius in de stoicijnsche leer onderwezen, rom. staatsman, annalist en redenaar, was onder Scipio in den numantijnschen oorlog (133) krijgstribuun, onder Metellus in den jugurthijnschen oorlog legaat (109), in 105 consul, in 95 legaat van Scaevola (Mucii no. 5) in Asia. Daar ging hij de afpersingen der publicani te keer, doch werd uit weerwraak in 92 van knevelarij beschuldigd, en daar de rechters uit de ridders werden gekozen, veroordeeld. Hij was een vriend van Scipio en van Laelius. Zijn verdere levensdagen sleet hij te Smyrna, waar hij verscheidene werken schreef. Als redenaar had hij grooten naam.--3) P. Rutilius Lupus, consul in 90, sneuvelde in den marsischen oorlog tegen Vettius Cato (Scato).--4) P. Rutilius Lupus, volkstribuun in 56, later aanhanger van Pompeius, kreeg van dezen het bestuur over Achaia.--5) L. Rutilius Lupus, rom. rhetor ten tijde van Tiberius, schreef een werkje Schemata lexeos in twee boeken, een vertaling van het werk van Gorgias no. 2 (z. a.).--6) Rutilius Claudius Namatianus, zie Namatianus.
Rutubis, havenstad aan de W.-kust van Mauretania.
Rutuli, Rhoutouloi, oud-italisch volk in Latium, met Ardea als hoofdstad. Zie Aeneas. Na hunne onderwerping door de Rom. verdwijnt hun naam uit de geschiedenis.
Rutupiae, Rhoutoupiai, haven in Zuid-Engeland, in het land der Cantii, aan het Nauw van Calais, station voor de overvaart van uit Bononia; het was beroemd om zijn oestercultuur.
S.
Saba of Sabae, Saba, Sabai, 1) naam van eene stad der Sabaeërs (z. Sabaei) in Arabia Felix, ook Mariaba geheeten, die op een hoogen, boschrijken berg was gelegen, en door den praefectus van Aegypte, Aelius Gallus, bij diens mislukten arabischen veldtocht te vergeefs aangevallen werd (24).--2) stad in Aethiopia aan de arabische golf.
Sabacos, Sabakos, -kon, koning van Aethiopië, die Aegypte veroverde en het na eene regeering van 50 jaar ten gevolge van een droomgezicht vrijwillig verliet. Dit zou volgens het verhaal van Herodotus in de 11e eeuw geschied zijn. In werkelijkheid hebben drie aethiopische koningen, waarvan de eerste Sabacos heette, tusschen 728 en 672 bij tusschenpoozen over Aegypte geregeerd, onder voortdurende oorlogen met de Assyriërs, die ten slotte het land veroverden.
Sabaei, Sabaioi, Seba, Sheba, aanzienlijk volk in Arabia Felix, in het tegenw. Yemen. Hun land bracht kostbare specerijen en reukwerken voort, waarin zij een winstgevenden handel dreven. Zij golden voor het rijkste en weelderigste volk der wereld. Van hun rijkdom waren allerlei fabelen in omloop.
Sabaria, Savaria, oude bojische stad, onder keizer Claudius rom. kolonie, in Pannonia Superior, waarvan nog vele overblijfselen aanwezig zijn (Stein am Anger).
Sabata, 1) oud etruscisch stadje ten N.-W. van Rome aan den lacus Sabatinus.--2) stad in Liguria, met een haven Vada Sabatia, ook wel kortweg Vada genoemd.
Sabatini, volksstam in Campania, aan de riv. Sabatus, een zijtak van den Vulturnus.
Sabatinus lacus, meertje in Etruria, ten N. W. van Rome.
Sabazius, Sabazios, een phrygisch of thracisch god, die door de Grieken overgenomen werd en met Dionysus vereenzelvigd werd; hij staat ook in betrekking tot Rhea Cybele (z. a.). Soms heet hij een zoon van Zeus en Persephone, en wordt van hem verhaald dat de Titanen hem op last van Hera in stukken scheurden, waarbij Zeus echter zijn hart redde en aan Athena gaf. Ook Zeus zou den naam S. gedragen hebben, maar dien bij de geboorte van Dionysus aan dezen afgestaan hebben.--Zijne feesten (Sabazia) overtroffen in buitensporigheid nog die van Dionysus en Rhea Cybele.
Sabbata, Sabbata, = Sabata no. 2.
Sabelli, zie Sabini.
Sabi Regnum, Sambou basileia, klein indisch rijkje van zekeren vorst Sabus of Sambus, in India, ten W. van den Ganges, ten O. van Pattalene.
Sabina, echtgenoote van keizer Hadrianus.--Over Poppaea Sabina zie Poppaei no. 3 en 4.
Sabini, Sabinoi, bergvolk in het hart van Midden-Italië, tusschen Etruria, Umbria en Latium. Het breidde zich in den loop der vijfde eeuw in Midden- en Zuid-Italië uit, waar het zich met de oude oscische bevolking vermengde en zelfs de taal daarvan aannam. In tegenstelling van de Sabijnen in de vroegere woonplaats werden de Sabijnen in het door hen veroverde gebied Samnites genoemd, Saunitai = Sabinitae. Evenals de naam Sabina, he Sabine, tot het gebied der oude Sabijnen beperkt bleef, bleef ook de naam Samnium, Saunitis, tot een gedeelte van het samnietisch gebied beperkt, hoewel de Samnieten ook Campania (z. a.) en Lucania vermeesterden en de Hernici in Latium, de Picentes of Piceni, de Marsi, Marrucini, Paeligni, Vestini, Frentani ook tot denzelfden stam behoorden. Al die stammen nu van sabijnschen oorsprong buiten het oude stamland worden gezamenlijk Sabelli genoemd en met inbegrip der Sabijnen zelven spreekt men nog liever van sabellischen, dan van sabijnschen stam. In het eigenlijke Samnium onderscheidde men de Hirpini, de Pentri, de Caudini, de Caraceni, in Campania de Picentini en Sidicini. De Sabijnen waren een krachtig, landbouwend volk; Cicero noemt ze fortissimos viros, florem Italiae ac robur rei publicae. De gewoonte van het ver sacrum (z. a.) bevorderde hunne verbreiding. Omtrent den Sabijnschen maagdenroof zie Romulus en Roma. De Sabijnen onderwierpen zich in 290 en werden cives sine suffragio. De Samnieten en de overige Sabellen zetten den strijd nog voort tot 272 en bogen toen ook noode het hoofd. In den bondgenootenoorlog waren zij verbitterde vijanden van Rome, totdat Sulla in 82 de beslissende zegepraal op Pontius Telesinus behaalde en den strijd in verdelging deed overgaan; Samnium werd uitgemoord en bleef braak liggen; van dezen slag heeft het zich nooit hersteld; men zag er voortaan slechts armoedige dorpen.
Sabiniani, naam der juristen uit de school van C. Ateius Capito. Zij werden zoo geheeten naar een der beroemdste vertegenwoordigers dezer school, Masurius Sabinus, ten tijde van Tiberius en Nero.
Sabinum, landgoed ten N. van Tibur, op de grenzen van het sabijnsche land, door Maecenas aan den dichter Horatius ten geschenke gegeven. Het was niet groot, maar lag heerlijk in een boschrijk dal. Op het landgoed ontsprong de bron Bandusia en vloeide de beek Digentia.
Sabinus, 1) Sabinus, rom. dichter, tijdgenoot van Ovidius, die o. a. antwoorden schreef op diens Heroïdes. Hij stierf op jeugdigen leeftijd; of dit dezelfde is als Sabinus, de vriend van Horatius, is onbekend.--2) Masurius Sabinus, uit Verona, rechtsgeleerde en oudheidkundige onder Tiberius en Nero, zie Sabiniani.--3) Flavius Sabinus, oudere broeder van Vespasianus, was onder Claudius stadhouder van Moesia en onder Nero praefectus urbi te Rome. Galba ontsloeg hem, doch Otho herstelde hem in zijn ambt. Bij den strijd tusschen de troepen van Vitellius en Vespasianus werd hij met een aantal senatoren en ridders op het Capitool ingesloten en door de soldaten van Vitellius belegerd. Toen deze het Capitool in brand staken, geraakte Sabinus in handen van het gepeupel, dat hem vermoordde.--4) Iulius Sabinus, een aanzienlijk Trevir, ruide zijn volk tegen Vespasianus op, doch werd gevat en ter dood gebracht.--5) Familienaam in de gentes Calvisia, Claudia, Poppaea en Sicinia.
Sabis, thans Sambre, zijtak der Mosa (Maas), op welks oever Caesar in een hevigen en gevaarlijken strijd de Nerviërs versloeg.
Sabrata, Sabrata, phoenicische volkplanting, later rom. kolonie in Tripolitana, tusschen de beide Syrten.
Sabrina, Sabrianas, rivier in het Z.W. van Britannia, thans Severn.
Sabus, zoon van Sancus, de oudste koning der Sabijnen, die als een god vereerd werd. Men schreef hem de uitvinding van den wijnbouw toe.
Sacadas, Sakadas, van Argos, beroemd toonkunstenaar en elegisch dichter, die driemaal bij de Pythia den prijs behaalde, omstreeks 600. Een niet nader bekend muziekinstrument wordt naar hem sakadion genoemd.
Sacae, Sakai, woest nomadenvolk, voortreffelijke ruiters en boogschutters, ten O. der Massageten, in het steppenland der tegenw. Kirghizen. Zie Bactria.
Sacellum, kapel aan eene godheid gewijd, bestaande uit een altaar met een muur er om, doch zonder dak.
Sacer, aan de goden geheiligd, doch in boozen zin = aan de goden der onderwereld gewijd en dus vogelvrij verklaard. Wie sacer was, kon straffeloos gedood worden, zulk een vonnis heette sacratio capitis. Zie sacratae (leges).
Sacer (mons), 1) heuvel 3/4 uur N.O.waarts van Rome aan den Anio, ongeveer waar de via Nomentana deze rivier kruist; v. a. bij Crustumerium. In de rom. geschiedenis is deze berg bekend door de eerste secessio plebis.--2) Zie Hieron oros.
Sacerdos, familienaam in de gens Licinia zie Licinii no. 34 en 35.
Sacra via, eene der hoofdstraten van Rome, die langs de noordelijke helling van den mons Palatinus naar het forum liep en daarvan den Zuidkant volgde in de richting naar het Capitool.
Sacramentum, 1) de krijgseed, die den soldaten werd afgenomen. Hierbij zwoeren de soldaten trouw aan den veldheer, later aan den keizer.--2) de geldsom die bij eene legis actio per sacramentum door beide partijen vóór het proces gedeponeerd en door den verliezer verbeurd werd. Dit was namelijk eene der oudste vormen om een proces in te leiden, dat men zijne tegenpartij op eene som geld daagde. Hij was afkomstig uit het ius pontificium en het verbeurde geld werd oorspronkelijk tot sacrale doeleinden bestemd. Vandaar dan ook de naam.
Sacratae (leges) heeten de wetten tot waarborg van de onschendbaarheid der volkstribunen en plebejische aedielen. Wie zich aan hen vergreep kon voor sacer (z. a.) verklaard worden. Om dezelfde reden wordt ook de lex Valeria Horatia de provocatione van 449 eene lex sacrata genoemd.
Sacratio capitis, zie sacer.
Sacriportus, 1) Hieros limen, vlek in Latium tusschen Signia en Praeneste, waar Sulla in 82 den jongen Marius versloeg.--2) stadje aan de golf van Tarentum, ten W. van Tarentum.
Sacrovir (Iulius), een aanzienlijk Aeduer, trachtte onder de regeering van Tiberius een opstand in Gallia te verwekken (21 n. C.), doch werd reeds in het eerste gevecht verslagen en viel op de vlucht door eigen hand.
Sacrum promunturium, hieron akroterion, naam van onderscheiden kapen: 1) Z.W. punt van Hispania (kaap St. Vincent).--2) ergens in het Noorden van Corsica.--3) W. spits van den Cragus in Lycia.--4) Nog een kaap in Lycia aan de pamphylische grenzen, tegenover de Chelidonische eilanden.--6) kaap in Pontus, ten W. van Trapezus.
Sadocus, Sadokos, zoon van den thracischen koning Sitalces, die zijn vader tot een bondgenootschap met Athene bewoog, en daarvoor met het atheensch burgerrecht begiftigd werd (431). Toen een gezantschap van Spartanen en Corinthiërs Sitalces tot het verbreken van dit bondgenootschap trachtte te bewegen, bewerkte Sadocus, dat de gezanten aan de Atheners werden uitgeleverd.
Sadyattes, Sadyattes, zoon en opvolger van Ardys, koning van Lydië 615-610, zette den door zijn vader begonnen oorlog met Miletus voort, doch kon evenmin als deze de stad innemen.
Saeculares (ludi), eeuwfeesten van Rome's bestaan. Door een heraut werd het volk opgeroepen tot deze spelen, quos numquam quisquam vidisset neque spectaturus esset. Plechtige offers, lectisternia, gebeden, optochten, wedrennen, gladiatorengevechten, venationes of dierengevechten, het ludicrum Troiae, zang, dans, enz., wisselden elkander af, drie dagen en drie nachten achtereen. De nachtelijke feestviering gaf aanleiding tot ongebondenheid, daarom verbood Augustus het bijwonen daarvan aan jongelieden van beiderlei kunne, tenzij onder toezicht van oudere bloedverwanten. Het feest werd besloten door een carmen saeculare, dat in den Apollotempel door 27 jongelingen en 27 jonge meisjes werd gezongen. Zóó heeft Augustus bij de nieuwe regeling door hem ingevoerd, het feest in 17 laten vieren, en Horatius heeft daarvoor het carmen saeculare gedicht. Vroeger was het meer een feest ter eere van Dis pater (Plouton) en Proserpina, tot afwending van onheilen, die naar het nieuwe saeculum niet konden overspringen, zooals men meende. Het feest is gevierd in 463, 363 en 263, en daarna weder opnieuw onder den verschen indruk van de rampen van den 1sten Punischen oorlog in 249, en dan weer in 146; dit zijn de Terentini ludi (z. a.). De ludi saeculares van Augustus zijn herhaald door Domitianus in 88 n. C. en door Septimius Severus in 204 n. C., waarbij het saeculum berekend werd op 110 jaar, terwijl daarnaast het stichtingsjaar der stad herdacht werd in 47 n. C. (800), 147 n. C. (900) en 248 (1001).
Saenia (lex), van L. Saenius, consul suffectus in de twee laatste maanden van 30. Door deze wet werd aan Octavianus het recht verleend, aanzienlijke plebejers onder de patricii op te nemen.
S(a)epinum, Saipinon, stad in Samnium, ten O. van Bovianum.
Saepta, zie ovile.
Saetabis, stad der Contestani in Hispania, ten Z. van den Sucro (Xucar). De plaats was een rom. municipium, met veel vlasteelt en weverijen. Ook wordt eene rivier van dezen naam in het Z. van Hispania vermeld.
Saevo mons, gebergte in Scandia, het tgw. noorweegsche Kjölengebergte.
Sagalassus, Sagalassos, aanzienlijke stad en grensvesting in Pisidia, op de helling van een heuvel gebouwd. De inwoners hadden den naam van bijzondere dapperheid.
Sagaris, Sagaris = Sangarius.
Sagartii, Sagartioi, nomadenstam in het binnenland van Iran, ten O. van Persis en Media.
Sagittarius, Arcitenens, Toxotes, het sterrenbeeld de Boogschutter, z. Chiron.
Sagmen, gewoonlijk plur. sagmina, zie verbena.
Sagra, Sagras, kustrivier in Bruttium, die tusschen Locri en Caulonia in zee valt. Hier werden omstreeks 550 de Crotoniaten bloedig verslagen door de inwoners van Locri Epizephyrii. Van hier kwam een grieksch spreekwoord, alethestera ton epi Sagra = het is nog waarachtiger dan het gebeurde bij Sagra.
Sagrus, rivier in Midden-Italië, stroomt door Noord-Samnium en het land der Frentani.
Sagum, een wollen soldatenmantel, die op den eenen schouder door een gesp werd vastgehouden en, uitgespreid, als deken kon gebezigd worden. In hoofdzaak was het een groote vierkante lap, die men dubbel vouwde en dan omsloeg. Zie de afbeelding bij fasces.
Saguntia of Segontia, Sagountia, stad der Arevaci in Hispania, aan een zijtakje van den Tagus, thans Siguenza.
Saguntum, Sagounton, bloeiende stad der Edetani aan de O.kust van Hispania, nabij het tegenw. Murviedro, aan de rivier Pallantias. Het was, zooals men later aannam, eene volkplanting van Zacynthus (Zante), en kolonisten uit Ardea hadden aan de stichting deelgenomen. Het was in bondgenootschap met Rome, toen het in 219 door Hannibal werd aangevallen en, in weerwil eener heldhaftige verdediging, ingenomen en verwoest werd. Toen de Carthagers hierop de uitlevering van Hannibal weigerden (Maart 218), begon de tweede punische oorlog. Later (210) werd Saguntum door de Romeinen als kolonie herbouwd.
Saii, Saioi, een thracische volksstam in de omgeving van Abdera.
Sais, Sais, oude hoofdstad van Beneden-Aegypte, aan den Bolbitinischen Nijlarm, met een prachtigen tempel der godin Neïth, het graf van Osiris en graven der oude Pharao's. Bij genoemden tempel werd het jaarlijksche lampenfeest gevierd, waarbij alle huizen gedurende den nacht met een kring van brandende lampen omgeven waren.
Saitis, Saitis, bijnaam, onder welken Athena te Lerna vereerd werd, misschien naar Sais in Aegypte, z. Neïth.
Sala, Salas, naam van twee rivieren in Germania, 1) de tegenw. saksische Saale, zijtak van den Albis (Elbe).--2) de tegenw. frankische Saale, zijtak van den Moenus (Main). Deze laatste was grensrivier tusschen de Hermunduri en de Chatti.
Salacia, romeinsche zeegodin, die tot den kring van Neptunus hoort; in de grieksch-romeinsche mythologie is ze bij Neptunus moeder van Triton. Ook bijnaam van Venus, de uit de zee geborene.
Salaeca, Saleca, stad in het gebied van Carthago, ten Z.O. van Utica, in 204 door Scipio Africanus Maior veroverd.
Salaminia, Salaminia, een atheensch schip, dat voor dezelfde doeleinden gebruikt werd als de Paralus (z. a.).
Salamis, Salamis, gen. -inos, 1) eiland aan de W.kust van Attica, bekend door de luisterrijke overwinning, die de grieksche vloot in 480 op die van Xerxes behaalde. Hier heerschte tijdens den trojaanschen oorlog Telamon, de vader van den eenen Ajax en van Teucer. Later kwam het eiland onder Megaris en werd onder Solon door de Atheners veroverd. In de 3de eeuw is het meestal in handen van de Macedoniërs, tot Athene het met hulp van Aratus in 232 hernam. De oude hoofdstad Salamis lag op de Zuidspits, de nieuwe, Salamis nova, op de Oostkust.--2) Toen Teucer van Troje terugkeerde, zonder zijn broeder Ajax te hebben gewroken, werd hij door Telamon verstooten. Daarop stevende Teucer oostwaarts en stichtte op de oostkust van Cyprus eene nieuwe stad Salamis, die de voornaamste stad van Cyprus werd. Zij had een zeer ruime haven. In 449 behaalden de Atheners hier eene overwinning op de perzische vloot. Onder de regeering van Constantijn den Gr. werd zij door eene aardbeving verwoest, doch onder den naam Constantia herbouwd en tot hoofdstad van Cyprus verheven.
Salapia, oude daunische stad in Apulia, v. s. door Diomedes gesticht. In den bondgenooten-oorlog werd ze verbrand en kwam niet weder tot bloei. Ze lag in eene moerassige streek, zoodat ze op sommige tijden bijna onbewoonbaar was.
Salapina palus, meer bij Salapia, dat door een kanaal met de zee verbonden en tot haven gemaakt werd.
Salaria (via), oudste heirweg in Italië, waarlangs het zout van de Salinae aan de monding van den Tiber naar het land der Sabijnen (Reate) vervoerd werd. Later werd de weg door de Apennijnen verlengd tot Truentum aan de Adriatische zee.
Salassi, Salassoi, Alpenvolk in den N.W. hoek van Gallia Cisalpina aan de Alpes Graiae en Poeninae. Onder Augustus werden zij minder onderworpen dan uitgeroeid (25 v. C.); de veldheer Terentius Varro (Licinii no. 32) liet er 26000 als slaven verkoopen. Er lagen goudmijnen in hun gebied. Uit de legerplaats der praetoriaansche bezetting ontstond de stad Augusta Praetoria, thans Aosta.
Saldae, Saldai, aanzienlijke zeestad in het O. van Mauretania Caesariensis.
Salduba, zie Caesaraugusta.
Sale, Sale, stad op de Z.kust van Thracia, ten W. van den Hebrus.
Saleca = Salaeca.
Salentini, Salentinoi, volksstam in Calabria aan de golf van Tarentum. Ook kaap Iapygium wordt naar hen promunturium Salentinum genoemd.
Salernum, Salernon (Salerno), zeestad in het Z. van Campania aan den sinus Paestanus (golf van Salerno), sedert 194 rom. kolonie.
Salganeus, Salganea, Salganeus, stadje in Boeotia aan den Euripus, O.waarts van Anthedon.
Salii, frankische stam in den omtrek van het eiland der Batavieren. Ze komen van den IJssel, en dringen in de 4de eeuw het Romeinsche rijk binnen, en zijn de stichters van het latere rijk van Clovis. Een hoofdbestanddeel van hen zijn v.s. de vroegere Sygambren (zie aldaar).
Salii, rom. priestercollege, verdeeld in twee gezelschappen, elk van 12 leden. Het oudste, waarvan de instelling toegeschreven wordt aan Numa Pompilius (zie ancile), had zijne offerplaats op den palatijnschen berg en droeg den naam van Salii Palatini. Het andere, ingesteld door Tullus Hostilius, had zijn heiligdom op den Quirinalis bij de porta Collina en heette Salii Collini (Agonenses of Agonales). De eersten waren aan den dienst van Mars, de laatsten aan dien van Quirinus gewijd. Den 1en Maart offerde de pontifex maximus in de Regia (z. a.), waar de heilige schilden geborgen waren, en op de volgende dagen trokken de Salii met de ancilia al dansende de stad door, alle tempels en altaren rond, terwijl hier en daar geofferd werd. Deze optocht duurde verscheiden dagen; de liederen, die daarbij gezongen werden, heetten axamenta, de plaatsen, waar de schilden 's nachts geborgen werden, mansiones. De optochten eindigden met een prachtig feestmaal, vandaar de uitdrukking epulae Saliares. De Saliërs droegen een priestermuts (zie apex en albogalerus), eene geborduurde tunica (tunica picta), een metalen borstharnas, de toga praetexta of de trabea, verder zwaard en speer. Zij werden uit de patriciërs gekozen, hun naam beteekent: dansers. Aan hun hoofd stond een magister Saliorum, op hem volgde de praesul of voordanser. Bij enkele hunner offers kwam een koor van jonkvrouwen voor, virgines Saliae, ook met borstpantser en priestermuts, dit waren echter geene priesteressen, maar gehuurde meisjes.
Salinae, naam van verschillende steden, in wier nabijheid zout gewonnen werd. Ook de zoutfabrieken droegen dezen naam (ook wel salifodinae = zoutgroeven). De pacht, die daarvoor aan den staat betaald werd, behoorde tot de vectigalia.
Salinator = zoutkooper, bijnaam in de gens Livia (Livii no. 7).
Sallentini = Salentini.
Sal(l)ustii, plebejisch geslacht. 1) C. Sallustius Crispus, geb. in 86 te Amiternum in het sabijnsche land, gaf zich in zijne jeugd nogal aan verkwisting en uitspattingen over. Als volkstribuun was hij in 52 vijandig gezind tegen Milo en diens verdediger Cicero. Door den censor App. Claudius Pulcher werd S. in 50 uit den senaat gestooten, doch Caesar bezorgde hem in 49 de quaestuur en bracht hem in den senaat terug. In 47 maakte Caesar hem tot stadhouder van Numidia, waar S. door afpersingen zijn fortuin herstelde, waarvan hij te Rome de prachtige horti Sallustiani op den Collis hortorum (M. Pincio) deed aanleggen. Slechts met moeite ontsnapte hij door Caesars invloed aan eene aanklacht. Na Caesars dood trok hij zich uit de staatszaken terug en wijdde zich aan letterkundigen arbeid. Wij hebben nog van hem twee volledige geschriften: Catilina en Jugurtha of Bellum Iugurthinum, alsmede fragmenten zijner 5 libri Historiarum. Wat verder op zijn naam staat, is onecht. De stijl van S. is gevormd naar dien van Thucydides, kernachtig en pittig. Zijne beschouwingen zijn pessimistisch, als van iemand, die de genietingen der wereld heeft leeren kennen en op lateren leeftijd tot inkeer is gekomen. Hij stierf in 35 of 34.--2) Cn. Sallustius, een vriend van Cicero.--3) C. Sallustius Crispus, achterneef en aangenomen zoon van no. 1, en erfgenaam van diens vermogen, zeer gezien bij Augustus en Tiberius. Horatius droeg hem eene ode op.--4) Flavius Sallustius, vicarius urbis Romae, werd door keizer Julianus tot praefectus praetorio Galliarum (361) en consul (363) benoemd. Hij trachtte te vergeefs Iulianus door middel van een brief van den veldtocht tegen Perzië af te houden. Een andere Sallustius uit dien tijd, wiens ware naam was Saturninus Secundus (Sallustius, juister Salutius, is in dezen tijd een signum, zie nomen), was praef. praet. Orientis, en begeleidde Iulianus op den tocht naar Perzië. Hij was ambtenaar in Gallia geweest, toen Julianus daar tegen de Germanen streed; Julianus had met hem vriendschap gesloten, en toen keizer Constantius hem daarom terugriep (359) had Julianus tot hem een troostrede, or. IV gericht, die nog over is. Na den dood van Iulianus wilde men hem tot keizer benoemen, maar hij weigerde. Hij is waarschijnlijk de schrijver van een werk peri theon kai kosmou.
Salluvii, de machtigste der ligurische stammen op de kust van Gallia Narbonensis, tusschen de Alpen en den Rhodanus (in het tegenw. Provence). In hun gebied werd in 600 door de Phocencers Massilia gesticht. Na langen strijd werden zij in 122 aan Rome onderworpen door den proconsul C. Sextius Calvinus, die in hun gebied Aquae Sextiae stichtte (Aix).
Salmacis, Salmakis, z. Hermaphroditus.
Salmanassar, Salmanasares, naam van eenige assyrische koningen. De beroemdste is S. IV, die gedurende zijne korte regeering (726-722) een einde maakte aan het rijk Israël, koning Hosea gevangen nam en Samaria veroverde.
Salmantica, stad der Vettones in Hispania aan den Termes, een zijrivier van den Durius (Douro), thans Salamanca.
Salmone, Salmone, 1) overoude stad in het elische gewest Pisatis aan den Enipeus.--2) = Salmonium.
Salmoneus, Salmoneus, zoon van Aeolus en Enarete, ging van Thessalië naar Elis en stichtte daar de stad Salmone. Hij waagde het zich met Zeus gelijk te stellen, en bootste daartoe door kunstmiddelen bliksem en donder na, maar Zeus doodde hem met den bliksem, wierp hem in den Tartarus en verwoestte de door hem gestichte stad.
Salmonis, Tyro, dochter van Salmoneus.
Salmonium of Samonium, kaap aan de N.O. punt van Creta.
Salmydessus, Salmydessos, stad en kuststreek van Thracia aan den Pontus Euxinus, berucht door strandroof.
Salo, rechterzijtak van den Iberus (Ebro) in Hispania, die langs de stad Bilbilis stroomt.
Saloë, zie Sipylus.
Salona of -nae, Salona, -nai, hoofdstad van Dalmatia, rom. kolonie, sterk door hare ligging, met slechts één toegang aan de landzijde door den nabijgelegen bergpas Clissura. In de nabijheid, bij Spalatum, lag de prachtige villa van Diocletianus, waarvan nog overblijfsels aanwezig zijn. Door de Gothen werd Salona verwoest. Het bleef echter ook onder het byzantijnsche keizerrijk een zeer belangrijke havenstad.
Salsa (mola), speltmeel met zout vermengd, waarmede de offerdieren vóór het slachten werden bestrooid.
Salus, personificatie van gezondheid en welvaart. De Salus publica populi Romani had sedert 302 een tempel op den Quirinalis (zie Fabii no. 24), die in de plaats kwam van een ouder heiligdom; men bad tot haar bij het begin van het jaar, maar moest eerst door middel van het augurium Salutis vragen of zulk een gebed geoorloofd was. De zaak is echter zeer onduidelijk overgeleverd. Nevens deze Salus werd in den keizertijd ook de Salus Augusta aangebeden.--Hare afbeeldingen gelijken veel op die van Fortuna.
Salustii = Sallustii.
Salutatio matutina, morgengroet of morgenbezoek, door vrienden en cliënten aan aanzienlijke personen gebracht. Dit bezoek had plaats in de eerste paar uren na zonsopgang. Zie clientes.
Salutius, z. Sallustii no. 4.
Salvidieni. Q. Salvidienus Salvius Rufus, van onaanzienlijke geboorte, was een groot vriend van Octavianus, vergezelde hem naar Apollonia, was later in den burgeroorlog zijn legaat, doch werd op zijn bevel ter dood gebracht wegens het aanknoopen van geheime onderhandelingen met Antonius.
Salvii. 1) Salvius, volkstribuun in 43, verzette zich tegen het senaatsbesluit, waardoor Antonius (in den mutinensischen oorlog) tot vijand van den staat werd verklaard. Toch was hij met Cicero een der eerste slachtoffers der proscriptie.--2) Salvius, voorlezer en bibliothecaris van T. Pomponius Atticus.--3) M. Salvius Otho, grootvader van keizer Otho, was uit Etruria afkomstig en kwam onder Augustus door Livia's invloed in den senaat.--4) L. Salvius Otho, zoon van no. 3, een gunsteling van Tiberius, zeer streng op het punt van krijgstucht, was stadhouder in Africa en ontdekte eene samenzwering tegen Claudius.--5) M. Salvius Otho, zoon van no. 4, rom. keizer. Zie Otho.--6) L. Salvius Otho Titianus, oudere broeder van no. 5, streed voor dezen tegen Vitellius bij Bedriacum, doch werd verslagen en gevangen genomen. Hij bleef echter gespaard.--7) C. Salvius Liberalis, redenaar, door Plinius minor zeer geprezen.--8) Salvius Iulianus, zie Iuliani.--9) Salvius, aanvoerder in een slavenopstand op Sicilia in 104, zie Tryphon.
Salyes, Salyes = Salluvii.
Samara, rivier in Belgica, de Somme.
Samaria, Samareia, of Schomrôn (= wachtpost), stad in het midden van Palaestina, door koning Omri gesticht als hoofdstad van het rijk van Israël, ter vervanging van het oude Sichem als residentie. Na den val van het rijk bleef het oude gebied van den stam van Ephraïm en den halven stam van Manasse onder den naam Samaritis of Samaria bekend. Tijdens de Makkabaeën ging het zuidelijke gedeelte aan Judaea verloren. De stad Samaria lag op een heuvel midden in een groot dal; in 722 werd zij verwoest door den assyrischen koning Salmanassar, in 307 onderging zij hetzelfde lot door Ptolemaeus I Lagi, en later nogmaals door den Makkabaeër Hyrcanus. Door Herodes den Gr. werd zij vergroot en verfraaid, en ter eere van Augustus Sebaste, Sebaste, genoemd. Over het landschap zie men verder Palaestina.
Samarobriva, stad der Ambiani in Belgica, aan de Samara (Somme), thans Amiens.
Sambuca, sambyke, 1) snareninstrument van zeer verschillende afmetingen, eenigszins overeenkomende met onze harp.--2) belegeringswerktuig, vermoedelijk eene valbrug, die uit een belegeringstoren werd neergelaten op de muren der belegerde stad.
Sambus, zie Sabi regnum.
Same, of -us, Same, -os, zie Cephallenia.
Samia, Samia = Samicum.
Samicum, Samikon, stad in het Z. van Elis, in Triphylia.
Saminthus, Saminthos, plaatsje in Argolis, ten N.W. van Mycenae.
Samnietische oorlogen. Bij de oude geschiedschrijvers worden 3 oorlogen van de Romeinen met de Samnieten vermeld. De eerste samnietische oorlog van 343 tot 341 heeft echter nooit plaats gehad, daar in dien tijd de Romeinen en Samnieten ten nauwste met elkaar verbonden waren, en de Samnieten de Romeinen hielpen om de Volscen en andere stammen te onderwerpen, en ook aan den oorlog tegen den Latijnschen bond (340-338) hebben deelgenomen. Er worden drie overwinningen uit het jaar 343 verzonnen: bij den Gaurus mons (z.a. en Cornelii no. 5), in de Caudijnsche passen en bij Suessula. De tweede (in werkelijkheid de eerste) Samn. oorlog is gevoerd van 328 of 326-304, waarin de voornaamste gebeurtenis is de nederlaag der Romeinen in de Caudijnsche passen in 321 (zie Caudium), waarna de oorlog een paar jaar gestaakt werd. De laatste oorlog duurde van 299 of 298 tot 290, en eindigde met de volledige onderwerping van Samnium (z. echter Sabini) en de inlijving van het sabijnsche land.
Samnites, Samnium, zie Sabini.
Samonium = Salmonium.
Samosata, ta Samosata, versterkte hoofdstad van Commagene, aan den Euphraat, geboorteplaats van Lucianus.
Samothrace, Samothrake, thans Samothraki, eiland op de thracische kust tegenover de monding van den Hebrus (Maritza), met een hoogen berg, Saoce, Saoke. Het eiland was vooral bekend door de vereering der Cabiri (z. a.).
Sampsiceramus, spotnaam, door Cicero aan Pompeius gegeven, naar een nietsbeduidend koninkje te Emesa in Syria.
Samus, Samos, thans Samo, machtig eiland op de ionisch-aziatische kust, eerst bevolkt door Lelegers en Cariërs, later door Ioniërs en Doriërs. Het was reeds vroeg eene aanzienlijke zeemogendheid; de Samiërs waren de eersten, die triëren bouwden (704). Na vele twisten tusschen adel en volk, maakte in ± 540 Polycrates zich van het bestuur meester. Zijne regeering was een tijdperk van grooten bloei. Kort na zijn dood werd het eiland, niet zonder tegenstand en verwoesting, aan de Perzen schatplichtig en onder Polycrates' jongeren broeder Syloson geplaatst. Onder Syloson's zoon Aeaces namen de Samiërs wel deel aan den ionischen opstand (500), doch liepen na den slag bij Lade tot den vijand over. Als lid van het attische zeeverbond bewaarde Samus later eene zekere mate van onafhankelijkheid, totdat in 440 bij een geschil tusschen Samus en Miletus de Atheners te gebiedend optraden, waarop het eiland de gehoorzaamheid opzegde. Na een beleg van negen maanden slaagde Pericles er in, den opstand te bedwingen; de vestingwerken werden geslecht, de vloot uitgeleverd, den Samiërs een zware boete opgelegd en een gedeelte van het eiland tot cleruchieën gemaakt. In den peloponnesischen oorlog bleef Samus aan Athene trouw, doch na den slag bij Aegospotami moest het voor Lysander zwichten en spartaansche bezetting opnemen, terwijl de atheensche kolonisten verdreven werden. In 394 kwam het opnieuw bij Athene, in 390 weder bij Sparta, daarna aan Perzië, in 365 werd het heroverd door de Atheners, die er in 352 weder 2000 cleruchen heenzonden. In 322 werd het door Perdiccas den Atheners ontnomen, in 319 door Polyperchon hun teruggegeven, en sedert veranderde het nog herhaaldelijk van meester, tot het eindelijk door Rome in den mithradatischen oorlog bij de provincie Asia werd ingelijfd. Door Octavianus werd het wel eene civitas libera, doch bloei en welvaart waren reeds lang verdwenen. Het eiland was ongemeen vruchtbaar, zoodat men zelfs spreekwoordelijk zeide, dat de kippen er melk gaven: pherei Samos kai ornithon gala. Bouw- en beeldhouwkunst stonden er eenmaal op hoogen trap, en de stad Samus, aan de Zuidoostkust gelegen, en amphitheaterswijze van het strand tegen heuvels oploopende, gold voor eene van de fraaiste en sterkste steden der oudheid. Tal van overblijfselen getuigen nog van den vroegeren tijd. Beroemd was ook het kostbare samische aardewerk. Samus was het vaderland van den decoratieschilder Agatharchus, den beeldhouwer en metaalgieter, tevens goud- en zilverwerker Theodorus, van de wijsgeeren Pythagoras en Melissus, de dichters Aeschrion en Choerilus e. a. De voornaamste godheid van het eiland was Hera, aan wie een zeer oude en beroemde tempel, door Rhoecus gebouwd, gewijd was.
Sana, Sane, Sane, naam van twee steden van Chalcidice, de eene op de Westkust van het schiereiland Pallene, de andere ten N. van de doorgraving van den berg Athos, aan den Singiticus sinus.
Sanchoniathon, Sanchun., Sanchouniathon, van Berytus, schrijver van eene zeer oude phoenicische geschiedenis, die door Herennius Philo (Philo no. 8) in het Grieksch vertaald werd. Men vermoedt dat Philo de schrijver en niet de vertaler van dit werk was, en dat de naam S. niets dan een verdichtsel van hem is.
Sancus, Semo S., zie Dius Fidius.
Sandalium, sandal(i)on, sandaal, bestond uit een zool met een bovenleder (zygon), dat de teenen en het voorste gedeelte van den voet bedekte.
Sandon, assyrisch heros, door de Grieken met Heracles geïdentificeerd.
Sandrocottus, Sandracottas, Sandrokottos, Sandrakottas, machtig koning van Palibothra, met wien Seleucus Nicator betrekkingen aanknoopte.
Sangala, Sangala, stad in het gebied der Cathaei in India.
Sangarius, Sangarios, aanzienlijke rivier van Asia minor, die in het O. van Phrygia op den berg Adoreus ontspringt, door Galatia, langs en door Bithynia stroomt en in den Pontus Euxinus valt. Evenals de Halys stroomt hij achtereenvolgens in de meest verschillende richtingen.
Sangus = Sancus.
Sanherib, Sanacharibos, koning van Assyrië, 704-681. Ten gevolge van oproerige bewegingen in Judaea en Phoenicië, die door Aegypte ondersteund werden, trok hij naar het Westen (701), maar eene pest richtte in zijn leger binnen kort zoo groote verwoestingen aan, dat hij terug moest trekken. Hij werd door een van zijne zonen gedood.
Sannyrion, Sannyrion, dichter der oude attische komedie, tijdgenoot van Aristophanes.
Sanquinii, geslacht, dat eerst in den romeinschen keizertijd voorkomt, onder Tiberius en Caligula. Bekend is vooral Q. Sanquinius Maximus, consul saffectus waarschijnlijk in 25 n. C., stierf als legatus pro praetore van Germania Inferior in 47.
Santones, -ni, Santones, -noi, volksstam in Gallia aan den Carantonus (Charente). Hun naam leeft nog voort in dien der landstreek Saintonges. Steden: Mediolanum (Saintes), Condate (Cognac).
Sapaei, Sapaioi, thracische stam ten O. van den mons Pangaeus.
Sapientes Septem, hoi heppa sophoi, de zeven wijzen van Griekenland, zeven tijdgenooten (7e en 6e eeuw), die door scherpzinnigheid en wijsheid uitmuntten en wier kort geformuleerde spreuken als algemeen geldige lessen van levenswijsheid beschouwd werden: Bias, Chilo, Cleobulus, Periander (v.a. Myson), Pittacus, Solon en Thales.
Sapis, Sapis, kustriviertje in Gallia Cispadana, dat ten Z. van Ravenna in de Adriatische zee valt.
Sapores, Sapores, naam van twee koningen uit het nieuw-perzische vorstenhuis der Sassaniden. 1) S. I (241(2)-273 na C.) voerde zware oorlogen tegen de Rom. en nam in 259 keizer Valerianus bij een onderhoud verraderlijk gevangen. Valerianus, die tot zijn dood toe (268) gevangene bleef, moest den perzischen koning tot voetbank dienen, wanneer deze te paard steeg. S. veroverde verder Syria, verwoestte Antiochia, Tarsus in Cilicia en drong in Cappadocia door. Door Odenathus en Zenobia werd hij echter in zijne veroveringen gestuit en naar zijn eigen gebied teruggedreven.--2) S. II (310-379 na C.) was mede een hevig vijand van Rome en vervolgde de Christenen. Het was in den oorlog tegen hem dat keizer Iulianus omkwam (363 na C.).
Sappho, Sappho, van Mytilene of Eresus op Lesbus, beroemde lyrische dichteres omstreeks 600. Daar zij tot de adelspartij behoorde, moest zij, evenals Alcaeus, omstreeks 596, haar vaderstad verlaten, en heeft toen een tijd lang op Sicilië geleefd. Later keerde zij terug. Zij onderwees te Mytilene jonge meisjes in muziek en poëzie. Overigens is van haar leven weinig of niets bekend, en de geruchten omtrent haar onzedelijken levenswandel blijken even weinig grond te hebben als het verhaal van hare onbeantwoorde liefde voor Phaon, die haar eindelijk zou hebben doen besluiten, zich van de Leucadische rots in zee te werpen.--Hare gedichten, meest in de naar haar genoemde sapphische versmaat geschreven, waarvan, behalve een vrij groot aantal fragmenten, slechts twee volledig bewaard zijn gebleven, munten uit door dichterlijken gloed en schoone taal, en worden door de ouden terecht hoog geprezen.
Saraceni, Sarakenoi, rondzwervende stam in Arabia Felix.
Sarangae, Sarangai, zie Drangiane.
Sarapis = Serapis.
Sardanapalus, Sardanapalos, wordt gewoonlijk de laatste koning van Assyrië genoemd. Van hem wordt verhaald, dat hij na een wellustig en verwijfd leven, door den Mediër Arbaces en den Babyloniër Belesys aangevallen, zich na een tweejarige heldhaftige verdediging in Niniveh met al zijne vrouwen en schatten liet verbranden, omstreeks 888. Inderdaad was de naam van den laatsten assyrischen koning Saracus, en werd Niniveh omstreeks 606 door Nabopolassar en Cyaxares ingenomen. De naam S. is, naar men vermoedt, dezelfde als Assurbanipal, die kort te voren (667-626) niet zonder roem over Assyrië regeerde.
Sardes (plur.), Sardeis, oude beroemde hoofdstad van Lydia, aan den voet van den Tmolus in het liefelijke dal van den Pactolus gelegen. In ± 500 werd de lichtgebouwde en grootendeels met stroo gedekte stad door de Ioniërs in brand gestoken. Dit lot onderging zij ook later door den syrischen koning Antiochus den Gr. (192). Ook werd zij tijdens keizer Tiberius door eene aardbeving verwoest. De burcht, die het paleis en de schatkamers bevatte, werd voor onneembaar gehouden. Er zijn nog enkele verstrooide overblijfselen van Sardes aanwezig. Sedert de verwoesting door den mongoolschen veroveraar Timoerlenk of Tamerlan is de stad niet meer opgebouwd.
Sardi, Sardooi, inwoners van Sardinia, een gemengd ras, traag en ruw, en bij de ouden als trouweloos en boosaardig aangeschreven, zoodat zij op de slavenmarkten weinig geld opbrachten en goedkoop waren (Sardi venales). Zij gingen in dierenhuiden gekleed (Sardi pelliti).
Sardica = Serdica.
Sardinia, Sardo, het tegenw. eiland Sardinië in de Tyrrheensche zee, hetwelk de Carthagers na den eersten punischen oorlog met Corsica moesten afstaan (238). Op de kust lagen phoenicische, carthaagsche en tyrrheensche volkplantingen. Het bezit van het eiland, zoowel door Rome als door Carthago, bepaalde zich eigenlijk tot het kustland. Het hart des lands, het bergland der Montes insani, werd nooit geheel onderworpen, en gedurig worden krijgstochten der Rom. tegen de Sardi (z. a.) vermeld. In 450 na C. kwam het eiland in handen der Vandalen. Het land was niet onvruchtbaar, doch aan landbouw werd weinig gedaan. Er waren schapen, die op geiten geleken; op de kusten werden veel konijnen gevangen, verder leverde het land graan, boomvruchten, zilver en ijzer op. De sardinische honig was eenigszins bitter, evenals de corsicaansche; vandaar: amarior melle Sardo. Er groeide een klimplant, Sardonia herba, met giftige eigenschappen, die een stuipachtig vertrekken van den mond te weeg bracht, risus Sardonius.
Sardonius of -nicus (risus), sardonisch lachen, zie Sardinia.
Sardus, Sardos, zoon van Maceris, voerde eene kol. uit Libye naar het eiland Ichnusa, dat naar hem Sardo (Sardinië) genoemd werd.
Sarepta, Sarapta, stad van Phoenice, met beroemden wijn, tusschen Tyrus en Sidon.
Sarissa, saris(s)a, een lans, bij de macedonische infanterie in gebruik. Onder Alexander den Gr. was de sar. hoogstens 5 1/2 M. lang, later beproefde men langere, er worden zelfs sar. van bijna 7 1/2 M. vermeld. Ook bij de ruiterij had men een corps sarisophoroi.
Sarmatia, Sarmatia. Sarmaten, Sarmatae, Sarmatai, was de naam van een uitgebreiden volksstam ten O. van den Beneden-Tanais (Don). Daarnaar is door den aardrijkskundige Pomponius Mela (± 50 na C.) de benaming Sarmatia in gebruik gekomen voor het land tusschen de Vistula (Weichsel) en den Tyras (Dniëster) ten W., den Rha (Wolga) ten O., den Caucasus met de aangrenzende zeeën ten Z. en het mare Suevicum of Sarmaticum (Oostzee) ten N. Als scheiding tusschen europeesch en aziatisch Sarmatia werd gewoonlijk de Tanais aangenomen (zie Europa). Sarmatia werd bovendien bewoond door een aantal groote volksstammen: Venedae (Wenden), Peucini, Bastarnae, Iazyges, Roxolani, Alauni of Alani, waartusschen een aantal kleinere woonden.
Sarmaticae portae, Sarmatikai pylai, bergpas in den Caucasus, die van Iberia noordwaarts naar Sarmatia voerde.
Sarmatici montes, het W. gedeelte der Alpes Bastarnicae, de tegenw. kleine Karpathen.
Sarmaticum mare, Sarmatikos okeanos, de Oostzee, bij dichters ook wel de Zwarte zee.
Sarmizegethusa, Sarmizegethouse, koninklijke residentie van koning Decebalus van Dacia, later na de verovering door Traianus rom. kolonie, colonia Ulpia Traiana Augusta.
Sarnus, Sarnos, rivier in Campania, die langs Nuceria stroomde en bij Pompeii in zee viel. Door de uitbarstingen van den Vesuvius is de loop gewijzigd.
Saronicus sinus, Saronikos kolpos, thans golf van Egina, tusschen Attica, den Isthmus en Argolis.
Sarpedon, Sarpedon, 1) zoon van Zeus en Europa, geraakte in twist met zijn broeder Minos en vluchtte met Miletus (z. a.) naar koning Cilix, dien hij tegen de Lyciërs bijstond. Later werd hij koning der Lyciërs. Hij beleefde drie menschengeslachten.--2) zoon van Zeus en Laodamea, koning der Lyciërs, kwam als bondgenoot van Priamus naar Troje, waar hij vele dappere daden verrichtte en eindelijk door Patroclus gedood werd. Zeus liet zijn lijk naar Lycië brengen om daar begraven te worden.
Sarpedon(ium) promunturium, Sarpedonia akra, 1) kaap van Thracia tegenover het eil. Imbrus.--2) kaap van Cilicia nabij Seleucia.
Sarrastes, oude stam in Campania aan den Sarnus.
Sarsina, Sarsina, stad in Umbria, later rom. municipium, nabij de grenzen van Cispadana, aan den Sapis.
Sarte, Sarte, stad op het chalcidische schiereiland Sithonia.
Sarus, Saros, belangrijke rivier, die in Cataonia op den Antitaurus ontspringt, door de stad Comana stroomt, door den Taurus breekt, langs de cilicische stad Adana vloeit en ten Z. van Tarsus in zee valt.
Saso, Sason, rotsig eilandje op de illyrische kust tegenover kaap Acroceraunium, een zeer gezochte schuilhoek en landingsplaats voor zeeroovers.
Saspires, -ri, Saspeires, -roi, scythisch volk in de gebergten van N.W. Armenia.
Sassanidae, Sassanidai. In 227, v. a. in 224 na C. wierp Artaxerxes (zie Artaxerxes no. 4), parthisch veldheer, den troon der Arsaciden omver, en stichtte het nieuw-perzische rijk. Naar Sassan, Artaxerxes' grootvader, die van de oud-perzische koningen beweerde af te stammen, werd het nieuwe vorstenhuis dat der Sassaniden genoemd. Zooveel mogelijk had een terugkeer plaats tot oudperzische zeden en instellingen; zoo herleefde o. a. de leer van Zoroaster en de titel "koning der koningen". Reeds Artaxerxes geraakte met de Rom. in oorlog en de Nieuw-Perzen betoonden zich even verbitterde vijanden van Rome als vroeger de Parthen. Het sassanidische rijk bestond tot in 631, toen de Arabieren Perzië veroverden.
Sassula, stad in Latium, aan Tibur onderhoorig; ligging onbekend.
Satala, ta Satala, aanzienlijke stad en strategisch punt in het N.O. van Armenia minor, van waar vier wegen naar de kust van den Pontus Euxinus (Zwarte zee) liepen. Het was een der sleutels van Pontus.
Saticula, Satikola, stad en sedert 313 lat. kolonie in Samnium op een berg aan de campaansche grens.
Satira, oud satura, eigenlijk: een allegaartje. Eene lanx satura was een schotel met allerlei spijzen gevuld, oorspronkelijk quae referta variis multisque primitiis sacris Cereris inferebatur. Vervolgens werden gedichten van verschillenden, weinig samenhangenden inhoud met dezen naam bestempeld en wordt de naam satura toegepast op de fescennische kluchten en de atellaansche boertspelen. Ennius bracht eene wijziging hierin. Zijne saturae hadden wel de oude afwisseling van vorm en maat, doch waren van meer ernstigen inhoud. Den grooten overgang echter tot het hekeldicht vormen de satiren van Lucilius (180-103), die in zijne schilderingen een critiseerenden toon aansloeg en aan Horatius tot voorbeeld heeft gestrekt. Zoo werd de satire een soort van causerie met hekelenden toon, bij Horatius vroolijk en luimig, bij Persius en Iuvenalis scherp of bitter. Niet alle satiren waren in versmaat, M. Terentius Varro (116-27) schreef proza en poëzie dooreen, door hem zelven saturae Menippeae genoemd, omdat hij de voor ons verloren geschriften van den cynischen wijsgeer Menippus tot voorbeeld nam. De varroniaansche satirenvorm vond o. a. navolging bij Seneca en in het Satyricon van Petronius, doch de hekelende strekking, die aan Varro's geschriften vreemd was gebleven, kreeg de overhand. In de grieksche literatuur komt de satire niet voor; vandaar zegt Quintilianus: satira quidem tota nostra est.
Satniois, Satnioeis, riviertje in het Z. van Troas, dat bij Hamaxitus in de Aegaeische zee valt.
Satrae, Satrai, vrijheidslievend volk in Thracia tusschen den Strymon en den Nestus.
Satricum, 1) stad in Latium nabij Antium, oorspronkelijk latijnsch, 488 volscisch, vaak door de Rom. hernomen en weer verloren, in 346 verwoest.--2) municipium aan den Liris, valt in 321 van de Romeinen af, en sluit zich aan bij de Samnieten; in 319 wordt de stad heroverd en ontwapend. Deze stad wordt vaak met de vorige verward.
Satrii. 1) Satrius Secundus verried Seianus.--2) Satrius Rufus, redenaar ten tijde van Domitianus en Nerva, een vriend van Plinius minor.
Saturae palus, moeras in Latium bij het promunturium Circeium, ontstaan door de gebrekkige uitwatering van den Nymphaeus, een riviertje, dat bij Norba ontspringt.
Satureium, -rium of -rum, stadje ten Z.O. van Tarentum, bekend door een fijn paardenras.
Saturius (P.), de advokaat van L. Fannius Chaerea, de tegenpartij van Q. Roscius Comoedus (Roscii no. 2).
Saturnalia, feest ter eere van Saturnus, jaarlijks te Rome van 17 tot 23 December gevierd. De grieksche wijze van viering van dit feest is ingevoerd in 217. Sedert offerde men aan den god Graeco ritu. Het feest werd beschouwd als eene herinnering aan de gouden eeuw, toen Saturnus op aarde leefde. Allerwege heerschte vroolijkheid, men liet allen arbeid rusten, gaf elkander maaltijden en geschenken, en zelfs de slaven genoten op die dagen vrijheid en werden soms zelfs door hunne heeren bediend, ter gedachtenis aan de gelijkheid van standen onder Saturnus' regeering. De geschenken, die men elkander gaf, waren vroeger meestal waskaarsen en poppen van aardewerk (z. Sigillaria), later voorwerpen van grootere waarde.
Saturnia, 1) oude dichterlijke naam voor Italia, meer in het bijzonder voor Latium (zie Saturnus).--2) oude stad van Etruria, rom. kolonie sedert 183, vroeger Aurinia geheeten.--Zie ook Saturnius.
Saturninus, 1) familienaam in de gentes Appuleia, Sentia, Volusia.--2) Aelius Saturninus werd van den capitolijnschen berg geworpen, omdat hij een spotdicht op keizer Tiberius had gemaakt (23 n. C.).--3) Aponius Saturninus versloeg in 69 onder Otho, als bestuurder van Moesia, de Rhoxolani, die een inval gedaan hadden, diende later onder Vespasianus, en verloor bijna het leven in een soldatenoproer.--4) een der zoogenaamde 30 tyrannen, die in 260 na C., na de gevangenneming van keizer Valerianus door de Perzen, allerwege tot rom. keizer werden uitgeroepen.--5) generaal onder Aurelianus en Probus, in 280 na C. in Syria tot keizer uitgeroepen en eerst na hevigen strijd overwonnen en door de troepen vermoord.
Saturnius, -a, Jupiter, Neptunus, Pluto, Juno en Vesta, kinderen van Saturnus.
Saturnus, oud-italisch god van zaadvelden en landbouw. Wegens sommige punten van overeenkomst tusschen hem en Cronus, met wien hij later geheel vereenzelvigd werd, verhaalde men dat hij, door Jupiter van den troon gestooten, na lange omzwervingen in Italië aangekomen en door Janus gastvrij ontvangen was; daarvoor had hij landbouw en beschaving ingevoerd en was zijne regeering een tijd van vrede, overvloed en geluk, dien men de gouden eeuw noemde. Zie ook Saturnalia.--In den tempel, dien hij gemeenschappelijk met zijne gemalin Ops aan den voet van het Capitolium had, werd de schatkist bewaard.
Satyri, Satyroi, wezens, die tot de omgeving van Dionysus behooren en evenals hij het rijke, weelderige leven der natuur voorstellen, maar op ruwe en grof zinnelijke wijs. Zij verheugen zich in drinken, dansen, spelen en muziek, gaarne zijn zij in gezelschap der nimfen, die zij dikwijls tevergeefs met hunne liefde lastig vallen, en jagen zij den eenzamen wandelaar in de stille bosschen vrees en schrik aan. Hun voorkomen wordt als half dierlijk beschreven; zij hadden stompe neuzen, borstelig haar, spitse ooren en een staart; in oudere kunstwerken worden zij dikwijls zoo voorgesteld, maar latere kunstenaars gaven hun eene jeugdige en bevallige gestalte en schoone, maar schalksche gelaatstrekken.--Bij de romeinsche dichters zijn zij gelijk aan Panen, Faunen en dgl.
Satyrica fabula, drama satyrikon, een tooneelstuk, dat op het grieksch tooneel na het treurspel opgevoerd werd, opdat de toeschouwers in vroolijke stemming den schouwburg zouden verlaten, z. Tetralogia. Deze stukken waren in den trant van treurspelen bewerkt, de hoofdpersonen waren ook de bekende epische en tragische helden, maar het koor bestond uit satyrs, die lichamelijk en zedelijk zulk een tegenstelling met die helden vormden, dat uit hunne ontmoeting lachwekkende toestanden geboren moesten worden. Deze dichtsoort werd door Pratinas te Athene ingevoerd.--De Cyclops van Euripides is het eenige satyrdrama, dat wij nog in zijn geheel bezitten.
Satyrus, Satyros, 1) S. I, koning van Bosporus, bondgenoot der Atheners (407-393).--2) S. II, koning van Bosporus, sneuvelde na eene korte regeering in een oorlog tegen zijn broeder Eumelus (310).--3) tooneelspeler te Athene, tijdgenoot van Demosthenes.--4) peripatetisch wijsgeer uit de 2de eeuw, schrijver van levensbeschrijvingen van beroemde mannen.--5) grammaticus, leerling van Aristarchus, tijdgenoot van den vorigen.--6) geleerd geneesheer, leermeester van Galenus, schrijver van commentaren op Hippocrates.--7) naam van een of twee epigrammendichters.
Sauconna, latere naam voor den Arar (Saône).
Saufeius (L.), vriend van T. Pomponius Atticus te Rome, die hem hielp om zijne bezittingen terug te krijgen, die hij in de troebelen na Caesar's dood verloren had.
Sauromatae = Sarmatae, zie Sarmatia.
Savaria = Sabaria.
Savo, 1) langzaam voortstroomende rivier in Campania tusschen den Liris en den Volturnus.--2) = Sabata no. 2.--3) stad bij de Zee-Alpen, aan zee, ten W. van Genua.
Sa(v)us, Saos, zijtak van den Ister (Donau), thans Sau of Save, in het Z. van Pannonia.
Saxa, zie Decidius Saxa.
Saxa rubra, zie Rubra saxa.
Saxum Tarpeium, zie Tarpeii en Capitolinus (mons).
Saxones, Saxones, germaansch volk tusschen den Albis (Elbe) en de Oostzee in het tegenw. Holstein gevestigd en eerst omstreeks 285 na C. als zeeschuimers opgetreden. Later vormden zij de kern van een verbond der volken van N.W. Germania (z. Chauci), dat zich ook in ons land uitstrekte tot aan de Isala, die de grensrivier tegen de Franken was. Een gedeelte van het volk vestigde zich samen met de Angili en de Jutten in de 5de eeuw n. Chr. in Engeland.
Scaea porta, Skaiai pylai, poort aan de Westzijde van Troje, die naar het grieksche leger leidde.
Scaeva, 1) een rom. centurio, die onder Caesar met roem in Britannia streed en in de burgeroorlogen een kasteel bij Dyrrachium met grooten moed verdedigde.--2) bij Horatius een verkwister, die zijne oude moeder vergiftigde.
Scaevola, familienaam in de gens Mucia.
Scalae Gemoniae, zie Gemoniae scalae.
Scaldis, rivier in Belgica, thans Schelde.
Scamander, Skamandros, 1) rivier in de trojaansche vlakte, om zijn gele kleur ook Xanthos genoemd. Hij ontsprong op het Idagebergte bij Scepsis, vereenigde zich dicht bij den mond met den Simoïs, waarna zij bij kaap Sigeum in zee vielen. De monding was reeds vroeg bijna dichtgeslibt, zoodat er een kanaal naar zee moest gegraven worden.--2) zie Egesta.
Scamandrius, Skamandrios, de eigenlijke naam van Astyanax.
Scandea, -ia, Skandeia, haven aan de O.-zijde van het eiland Cythera (Cerigo).
Scandia, Scandinavië, waarvan de ouden een zeer onjuiste of onvolledige kennis hadden. Zij kenden eenige eilanden, Scandiae insulae, waarvan het grootste op de Zuidspits van Zweden schijnt te doelen (het tegenw. Scania, Skone, Schonen). De bewoners heetten Hilleviones, en zijn van germaanschen stam.
Scandila, Scandira, eilandje in het W. der Aegaeische zee, bij Peparethus.
Scantia Silva, bosch in Campania, met bronnen (aquae Scantiae), in welker nabijheid ontvlambare gassen uit den bodem opstegen.
Scapte Hyle, Skapte hyle, thracisch kuststadje nabij den mons Pangaeus, aan Thasus behoorende. Uit de nabijgelegen goudmijnen trokken de Thasiërs 80 talenten 's jaars. Thucydides (de geschiedschrijver) die hier ook bezittingen had, bracht er van 423 tot 403 de jaren zijner ballingschap door.
Scaptensyla = Scapte Hyle.
Scaptia, oude, vroeg verdwenen stad van Latium.
Scaptii, rom. geslacht. M. Scaptius haalde Cicero, die toen proconsul van Cilicia was, over, het geschil over geleende gelden, dat tusschen M. Brutus en de stad Salamis op Cyprus gerezen was en dat Cicero ten gunste van Salamis wilde beslissen, niet af te doen, maar aan zijn opvolger, die op Brutus' hand was, over te laten.
Scapula, zie Quinctii no. 12.
Scardona, Skardona, hoofdst. van Liburnia, in het Z. gelegen, aan den Titius.
Scardus mons, Skardon oros, grensgebergte tusschen Illyria ten W. en Dardania en Paeonia ten O.
Scarphe, Scarphea, Skarphe, -pheia, stad der epicnemidische Locriërs, het knooppunt der wegen naar de Thermopylae.
Scatinavia = Scandia.
Scaurus, familienaam in de gentes Aurelia (Aurelii no. 10) en Aemilia (Aemilii no. 11-14).
Sceleratus campus, een plein of veld buiten de porta Collina te Rome, waar vestaalsche maagden, die hare gelofte van kuischheid geschonden hadden, levend begraven werden. Voordat de kluis werd dichtgemetseld, werd er, behalve spijze, ook eene brandende lamp in geplaatst, waardoor de dood nog werd verhaast.
Scena, skene, eigenlijk de achter- en zijwanden van het tooneel, in ruimeren zin het geheele tooneel met inbegrip van het proscenium en de ruimte er achter en er naast; hoi epi skenes, de tooneelspelers; ta apo skenes, liederen, die door de tooneelspelers, niet door het koor, gezongen werden.
Scenitae, Skenitai (= tentbewoners), algemeene naam der nomadische, onder tenten levende stammen in Arabia en Meroë.
Scepsis, Skepsis, oude stad in het binnenland van Troas, door Trojanen gesticht, later milesische kolonie. Toen later een groot gedeelte der bewoners naar Alexandria Troas was overgebracht, heette de oude stad Palaescepsis, Palaiskepsis.
Sceptici, Skeptikoi, z. Pyrrho.
Schedius, Schedios, naam van twee aanvoerders der Phocensers voor Troje, beiden door Hector gedood.
Scheria, Scheria, het eil. der Phaeaces (z. a.). In later tijd vond men dit eiland terug in Corcyra (z. a.).
Schiste hodos, de driesprong, waar Oedipus zijn vader Laius doodde; volgens Aeschylus bij Potniae aan den Cithaeron, volgens Sophocles in Phocis, in de buurt van Daulis (z. Parnassus).
Schoeneus, Schoineus, zoon van Athamas en Themisto, koning in Boeotië, vader van Atalante.
Schoenus, Schoinos, vlek in Boeotia, aan het meer van Hyle.
Schoenus, Schoinous (= biezenstad), 1) eene der havens van Corinthus, aan de Oostkust van den Isthmus, ten N. van Cenchreae.--2) vlek in het hart van Arcadia, bij Methydrium.
Scholium, scholion, aanteekening op den rand van een handschrift; zulke aanteekeningen bevatten critische opmerkingen, verklaringen van moeilijke plaatsen, enz. Veelal waren het uittreksels uit de werken van alexandrijnsche geleerden, en bij het copieeren van het handschrift werden zij dikwijls mede overgeschreven. De scholia, die in de nog bestaande handschriften gevonden worden, zijn van zeer ongelijke waarde en in de meeste gevallen is het onbekend van wien zij afkomstig zijn.
Sciapodes, Skiapodes, fabelachtig volk in Libye; zij hadden zulke groote voeten, dat zij die, wanneer zij zaten, als zonneschermen konden gebruiken.
Sciathus, Skiathos, eiland en stad in de Aegaeïsche zee nabij de kusten van Euboea en van het thessalische kustland Magnesia, door de Chalcidiërs gekoloniseerd, in 200 door de Macedoniërs verwoest, later een schuilhoek voor de zeeroovers.
Scidrus, Skidros, kleine grieksche stad aan de Westkust van Italia, in Lucania, ten O. van Pyxus (Buxentum).
Scillus, Skillous, stad in het elische gewest Triphylia, aan den Selinus, een zijtakje van den Alpheus. Xenophon bracht er een gedeelte zijner ballingschap door en stichtte er een tempel voor Artemis, in het klein gelijkende op dien te Ephesus.
Scione, Skione, stad van Chalcidice op het schiereiland Pallene.
Scipiades, iemand uit de familie der Scipio's, dichterlijk woord.
Scipio, familienaam in de gens Cornelia z. Cornelii 6-26.
Sciras, Skiras, bijnaam van Athena van onzekere beteekenis, vgl. Scirophoria.
Sciritis, Skiritis, eene woeste bergstreek in het N. van Laconica, genoemd naar het stadje Scirus, ten N. van Sparta, aan den weg naar Tegea. De inwoners, Sciritae, Skiritai, vormden in het spartaansche leger een afzonderlijk korps, meest van 600 man (Skirites lochos), dat de eereplaats aan den rechtervleugel innam, op marsch de voorhoede vormde en op de gevaarlijkste plaats gelegerd was.
Sciron, Sk(e)iron, 1) een berucht roover, die op de Scironische rots tusschen Attica en Megaris woonde, de voorbijgangers dwong hem de voeten te wasschen en hen daarna in zee schopte, waar zij door een schildpad werden verslonden. Theseus deed hem op dezelfde wijze omkomen.--2) zoon van Pylas, schoonzoon van Pandion. Hij betwistte Nisus de heerschappij over Megara, maar Aeacus, als scheidsrechter ingeroepen, kende Nisus de regeering en Sc. het opperbevel in den oorlog toe.
Scironides, Skironides, een van de atheensche strategen, die in 412 bij Miletus eene overwinning op de Lacedaemoniërs en Milesiërs behaalde; onder de 400 werd hij afgezet.
Scirophoria, Skirophoria, feest ter eere van Athena Sciras den 12den Scirophorion te Athene gevierd. Bij den feestelijken optocht van den burcht naar Eleusis liepen de priesteressen dier godin en de priesters van Erechtheus en Helius onder een groot wit zonnescherm (skiron), het zinnebeeld van bescherming tegen de hitte der aanstaande hondsdagen.
Scirophorion, Skirophorion, 12de maand van het Attische jaar (Juni-Juli), z. annus.
Scirtus, Skirtos, (= de huppelende), waterrijke rivier met sterk verval, die langs Edessa stroomt, en na zich met den Bilechas (Belias) vereenigd te hebben, bij Nicephorium in den Euphraat valt.
Scirus, Skiros, zie Sciritis.
Scodra, Skodra, hoofdstad der Labeates, een aanzienlijke stad en sterke vesting met vele rom. inwoners aan de Z. grens van Dalmatia, aan den lacus Labeatis, tgw. Scutari.
Scodrus = Scardus.
Scoedises, Skoidises = Scordiscus.
Scolatium, stad in het land der Bruttii, dicht bij den Sinus Scylleticus, sedert 122 rom. kolonie.
Scolium, skolion, skolion melos, een bizonder soort van liederen, door de Grieken aan tafel gezongen. De naam wordt afgeleid van de willekeurige volgorde, waarin zulke liederen door de gasten gezongen werden, terwijl bij andere tafelliederen, vooral bij godsdienstige gezangen, ieder op zijn beurt of allen met elkander zongen. Anderen denken aan eigenaardigheden in metrum of melodie. Beroemd is onder de scolia, die bewaard gebleven zijn, dat van Callistratus op Harmodius en Aristogiton.
Scollis, Skollis, gebergte in Acrorea.
Scolus, Skolos, 1) vlek in Boeotia ten O. van Erythrae, op de helling van den woesten Cithaeron aan den Asopus gelegen, zóó naargeestig, dat men zeide: eis Skolon met' autos imen, met' allo hepesthai. Hier zou Pentheus door de Bacchanten verscheurd zijn.--2) vlek nabij Olynthus.
Scomius, Skomion oros, hoog gebergte in Thracia, dat zich, O.waarts van den Scardus, van den Haemus afscheidt.
Scopadae, Skopadai, een adellijk geslacht dat te Crannon in Thessalië regeerde, totdat de tyrannen van Pherae zich verhieven.
Scopas, Skopas, 1) een van de Scopadae, beroemd door zijn rijkdom, bij wien Simonides langen tijd doorbracht. Bij een feestmaal kwam hij met al zijne gasten om door het instorten van de zoldering der eetzaal; alleen Simonides werd op wonderdadige wijze gered.--2) een van de Scopadae, van wien verhaald wordt dat hij met den jongen Cyrus bevriend was, en dat hij Socrates een toevluchtsoord aanbood.--3) van Parus, beroemd beeldhouwer en bouwmeester. Hij maakte bij voorkeur groepen in marmer, die door afwisselende, maar altijd bevallige standen uitmuntten. Vooral beroemd was van hem de groep van Nereïden en Tritonen, die, door Thetis en Poseidon geleid, aan Achilles zijne nieuwe wapenrusting komen brengen. Zijn bloeitijd valt omstreeks 380, op hoogen leeftijd (350) werkte hij nog mede aan het mausoleum van Halicarnassus. Hij is het meest bekend door zijne koppen, waarvan de oogen diep liggen en naar boven gericht zijn. Hiermede komt het hartstochtelijk element in de grieksche beeldhouwkunst op, het dwepende, zooals steeds in tijden, waarin men ontevreden is met de bestaande toestanden.
Scordisci, Skordiskoi, keltische volksstam in Pannonia op beide oevers van den benedenloop van den Savus.
Scordiscus, Skordiskos, of Scoedises, gebergte op de grenzen van Armenia en Armenia minor.
Scordus = Scardus.
Scorpius, het sterrenbeeld de Schorpioen, de onder de sterren verplaatste schorpioen, die Orion gedood had.
Scoti, Schotten, zie Picti.
Scotussa, Skotoussa, 1) oude stad in het thessalische gewest Pelasgiotis, niet ver van Cynoscephalae. Pelopidas behaalde hier in 364 eene overwinning op Alexander, tyran van Pherae.--2) stad in Macedonia ten O. van den Strymon.
Scribae, zie apparitores.
Scriboniae (rogationes), van den volkstribuun C. Scribonius Curio, in 50. Het waren slechts voorstellen, die echter niet in behandeling kwamen of verworpen werden. 1) de intercalando, over het inlasschen eener maand. Dit was meer een verzoek aan de pontifices, dan een wetsvoorstel. Het verzoek werd gedaan om tijd te winnen voor het doen aannemen zijner rogationes, wat vóór 1 Maart 50 moest gebeurd zijn. Toen het afgewezen werd, ging hij tot de partij van Caesar over, zie Scribonii no. 6.--2) viaria, over het onderhoud der openbare wegen, misschien ook een voorstel tot tolheffing.--3) alimentaria, over korenuitdeeling.--4) om het gebied van koning Juba tot rom. staatseigendom te verklaren.
Scribonianus (Furius Camillus of L. Arruntius Camillus), zie Furii no. 14.
Scribonii, plebejisch geslacht, waarvan de Libones en Curiones de voornaamste familiën zijn. 1) L. Scrib. Libo, volkstribuun in 216 en praetor in 204.--2) C. Scrib. Curio bouwde als aediel met zijn ambtgenoot Cn. Domitius Ahenobarbus (Domitii no. 2) in 196 den Faunus-tempel te Rome.--3) L. Scrib. Libo, drong in 149 als volkstribuun, gesteund door den 85-jarigen M. Porcius Cato (maior), op bestraffing van Ser. Sulpicius Galba (Sulpicii no. 11) aan, die zich tegenover de Lusitaniërs aan woordbreuk had schuldig gemaakt en verraderlijk hen, die zich ongewapend hadden overgegeven, had laten neerhouwen.--4) C. Scrib. Curio, een der voortreffelijkste redenaars van zijn tijd, praetor in 121.--5) C. Scrib. Curio, zoon van no. 4, minder goed redenaar dan zijn vader, was volkstribuun in 90 en diende in 84 onder Sulla tegen Mithradates; in 76 was hij consul; later versloeg hij als proconsul van Macedonia de Moesiërs en Dardaniërs en was de eerste rom. veldheer, die tot aan den Donau doordrong. Hij was een man van den ouden stempel en van strenge zeden, evenwel in het staatkundige niet onpartijdig. Hij was het, die Verres geluk wenschte met de verkiezing van Hortensius tot consul. In de zaak van Catilina stond hij aan Cicero's zijde. Later was hij een vurig tegenstander van Caesar. Hij stierf in 53.--6) C. Scribonius Curio, zoon van no. 5, weder een uitstekend redenaar, doch verkwistend en trouweloos van aard. Eerst was hij republikeinsch gezind doch in zijn volkstribunaat (50), (zie Scriboniae rogationes no. 1), ging hij tot de partij van Caesar over, v. s. door dezen omgekocht. Toen de onderhandelingen schipbreuk leden en het bekende senaatsbesluit tegen Caesar was aangenomen, nam Curio met C. Caelius en de tribunen M. Antonius en Q. Cassius in Jan. 49 de wijk naar Caesar. Hij diende hem vervolgens in Africa, en sneuvelde daar tegen Juba.--7) L. Scrib. Libo was een aanhanger van Pompeius, met wiens zoon Sextus zijne dochter was gehuwd. Hij streed in 49 als vlootvoogd tegen Caesar en bracht in 39 de overeenkomst tusschen Sextus Pompeius en het driemanschap tot stand. In 34 was hij consul. Hij was bevriend met Cicero.--8) Scribonia, zuster van no. 7, was de tweede vrouw van Octavianus en de moeder van Iulia, zie Iulii no. 14. Toen deze verbannen werd, trok zij met haar dochter mede.--9) L. Scrib. Libo Drusus wekte de ijverzucht van Tiberius op en werd door Fulcinius Trio van tooverij aangeklaagd. Om eene veroordeeling te ontgaan, pleegde hij zelfmoord (16 n. C.).--10) een drietal Scribonii werden door Caligula en Nero omgebracht.--11) Scrib. Largus was in 43 na C. geneesheer van keizer Claudius op diens reis naar Britannia. Hij schreef een werk compositiones medicamentorum, een receptenboek, dat gedeeltelijk bewaard is.
Scrinium, eene ronde doos, tot bewaring van handschriften, die daarin opgerold naast elkander werden gezet. Onder de keizers heetten de bureaux der keizerlijke kanselarij scrinia. Zij waren tijdens Constantijn den Gr. vier in getal: scrinium memoriae, scr. epistularum, scr. libellorum supplicum, scr. dispositionum. Aan het hoofd van elke afdeeling stond een magister en onder hem een proximus, beiden tot de spectabiles behoorende.
Scriptores historiae Augustae, een zestal schrijvers uit den tijd van Diocletianus en Constantijn, met name Aelius Spartianus, Vulcatius Gallicanus, Trebellius Pollio, Flavius Vopiscus, Aelius Lampridius en Iulius Capitolinus. Hunne, later tot een bundel saamgevoegde levensbeschrijvingen van rom. keizers loopen van 117-285 na C. Zij beginnen met het leven van Hadrianus en eindigen met dat van Carinus.
Scriptura, weidegeld, dat betaald werd bij het inschrijven van vee op de pascua publica, d. z. de weidegronden, die tot het romeinsche staatsdomein behoorden.
Scripulum of Scrupulum, zeer klein gewicht, het 1/24 eener uncia.
Scultenna, zijtak van den Padus (Po), die op geringen afstand O.waarts van Mutina stroomt.
Scutala, Scyt-, skytale, een stok, zooals de spartaansche overheden voor geheime correspondentie gebruikten. Een smalle witte strook werd stijf om den stok gewonden en overdwars beschreven; daarop werd de strook alleen verzonden, zoodat het geschrevene alleen kon gelezen worden, wanneer de strook om een stok van gelijke dikte gewonden werd. Ieder ambtenaar, die buitenslands ging, kreeg daarom zulk een stok mede.
Scutum, thyreos, langwerpig vierkant gebogen schild van het rom. voetvolk, omstreeks M. 1,20 lang en M. 0,80 breed, van hout gemaakt, met leder overtrokken, van een metalen rand voorzien en in het midden van een metalen knop of plaat om de slagen op te vangen. De verschillende legioenen hadden de schilden met verschillende kleuren en distinctieve figuren versierd.
Scylace, Skylake, oude nederzetting der Pelasgen aan de Propontis, ten O. van Cyzicus.
Scylaceum of -cium, Scylletium, Skylakion, grieksche stad op twee heuvels aan de Oostkust van het land der Bruttii, aan den sinus Scylacius, Skylletikos kolpos, gelegen, thans Squillace.
Scylax, Skylax, 1) van Caryanda, een logograaf, die op last van Darius Hystaspis eene onderzoekingsreis langs de aziatische kust van den Indus tot de Roode zee deed. De nog bestaande periplous tes thalasses tes oikoumenes, die op zijn naam staat, is van veel lateren tijd.--2) van Halicarnassus, vriend van Panaetius, als staatsman, wis- en sterrenkundige en toonkunstenaar beroemd.
Scylla, Skylla, 1) dochter van Poseidon en de nimf Crataeïs, een vreeselijk blaffend monster met 12 voeten en 6 lange halzen, ieder met een kop met 3 rijen puntige tanden. Zij woont in het diepe hol van eene aan zee staande, hemelhooge, door wolken omhulde rots, en tegenover haar op een andere rots woont een ander monster, Charybdis, die drie maal daags het zeewater met schepen en al wat er in is inzwelgt en het ook driemaal daags weder uitbraakt. Toen Odysseus tusschen de beide rotsen doorvoer, hield hij zijn schip zoo ver mogelijk van Charybdis af, maar daardoor kwam hij te dicht bij Sc., die met hare muilen 6 van zijne tochtgenooten wegroofde en verslond.--Sc. was vroeger een schoone zeenimf geweest, die door Glaucus of Poseidon bemind werd, uit jaloerschheid gaf Circe of Amphitrite haar hare latere afgrijselijke gedaante. Charybdis was eene dochter van Poseidon en Gaea, die aan Heracles eenige runderen ontroofd had, en daarvoor door Zeus met den bliksem in zee geslingerd was.--In lateren tijd verklaarde men de twee monsters als twee gevaarlijke rotsen aan de beide zijden van de sicilische zeeëngte.--2) dochter van Nisus (z. a.), die haar vader aan Minos verried. Uit afschuw voor hare daad liet Minos haar aan zijn schip vastbinden en door het water meesleuren, zoodat zij verdronk; of zij sprong in zee om het schip van Minos te volgen en werd in een zeevogel veranderd, die altijd door haren in een zeearend veranderden vader vervolgd wordt.
Scyllaeum, Skyllaion, 1) stad en kaap in het land der Bruttii, waarbij het monster Scylla zich ophield, ten N. van Rhegium. Anaxilas, tyran van Rhegium, legde hier eene versterkte haven aan.--2) kaap in Argolis bij Troezen.
Scyllaeum fretum = fretum Siculum.
Scylletium, Skylletion = Scylaceum.
Scymnus, Skymnos, van Chius, een geograaf van onbekenden tijd, misschien uit de 2de eeuw, schrijver eener Periegesis. Het nog bestaande gedicht, dat dien titel en den naam van Sc. draagt, is misschien eene metrische bewerking van zijn werk, dat in proza geschreven was.
Scyrus, Skyros, eiland en stad ten O. van Euboea, waar volgens de sage Thetis haar zoon Achilles aan het hof van koning Lycomedes in meisjeskleederen verborg. De bewoners waren Dolopes, die wegens zeeroof door de Amphictyonen bestraft werden. In 474 (of 473), na de vermeestering van Scyrus, ontdekte Cimon er het gebeente van Theseus, dat naar Athene werd overgebracht en in het Theseum bijgezet. Scyrus bleef onder Athene tot in den macedonischen oorlog, in 196 echter gaven de Rom. het aan Athene terug.
Scytala = Scutala.
Scythia, Skythia. Bij Herodotus is Scythia het land ten N. van den Pontus Euxinus (Zwarte Zee) tusschen den Ister en het land der Agathyrsi (thans Zevenbergen) ten W. en den Tanais (Don) ten O. Latere schrijvers breiden de grenzen oostwaarts uit. De bewoners, Scythae, Skythai, waren dapper en vrijheidslievend en alle pogingen der perzische koningen om hen te onderwerpen, mislukten. Zij hadden geene steden of dorpen, maar leefden in wagens. Zij bestonden uit een onbekend aantal stammen; het talrijkst waren de Sk. basileioi of krijgslieden, voorts had men herders en ook landbouwende stammen. Omstreeks 600 deden de Sc. een inval in Klein-Azië en Europa, doch werden na ruim een kwart eeuw door Cyaxares weder verdreven. Omtrent den tocht door Darius tegen hen ondernomen, z. Darius no. 1 en Histiaeus. Na 500 laten de Sc. niets van zich hooren, tot op den tijd van Mithradates. Na Traianus verdwijnt de naam Scythen uit Europa en verhuist naar Azië. Ptolemaeus (± 150 na C.) spreekt van een Scythia intra en extra Imaum. De Grieksche schrijvers van de 3de en 4de eeuw n. Chr. duiden met den naam Skythai vaak de Gothen aan, die zich in de 3de eeuw n. Chr. aan de Zwarte Zee hadden gevestigd (zie Gothi).--Zie ook toxotai.
Scythini, Skythinoi, volk op de W. grens van Armenia, door wier gebied Xenophon en de 10000 Grieken een tocht van vier dagmarschen maakten.
Scythopolis, Skythopolis, aanzienlijke stad van Palaestina, op de grenzen van Galilaea en Samaria, een weinig ten W. van den Jordaan gelegen, met eene zeer gemengde bevolking.
Sebaste, Sebaste, 1) stad op een eilandje aan de cilicische kust, door koning Archelaus (zie Archelaus no. 7) gesticht ter eere van Augustus, omdat de Rom. Cilicia aspera bij zijn rijk hadden gevoegd.--2) stad in het binnenland van Phrygia.--3) = Cabira.--4) zie Samaria.
Sebastea, Sebasteia, stad in Pontus in het brongebied van den Halys, door Pompeius tot stad verheven onder den naam Megalopolis, in den keizertijd onder den naam Sebastea zeer belangrijk als hoofdstad van Armenia minor.
Sebastopolis, Sebastopolis, latere naam van Dioscurias.
Sebennyticum ostium, Sebennytikon stoma, een der Nijlmonden, gelegen tusschen den Bolbitinischen en den Phatnitischen Nijlmond.
Sebennytus, Sebennytos, distrikt en stad in de Nijldelta aan den sebennytischen Nijlarm.
Sebethus, beekje bij Neapolis.
Sebinus lacus, in Gallia Transpadana, door den Ollius (Oglio) gevormd, thans lago d' Iseo.
Secessio plebis, uitwijking der plebs uit Rome onder bedreiging een eigene stad te zullen stichten. De eerste uitwijking, naar den Mons Sacer, die echter niet historisch is, had plaats in 494 ten gevolge van verdrukking en van strenge toepassing van het schuldrecht (ius nexus) en eindigde door de instelling van het volkstribunaat (zie tribuni plebis). Bij de tweede secessio, in 449, rukte het leger, dat op den Algidus stond, op naar den Aventinus, en toen werd, na onderhandelingen tusschen de strijdende partijen, een overeenkomst gesloten, waarbij de tienmannen (zie decemviri legibus scribundis) aftraden, en het consulaat hersteld werd (zie verder Horatiae Valeriae (leges). Bij de derde secessio plebis in 287 week het volk gewapend uit naar den Ianiculus; als gevolg hiervan kwam de lex Hortensia (z.a.) tot stand. Ook de tweede secessio wordt door sommige geleerden voor onhistorisch gehouden.
Sectio bonorum, openbare gerechtelijke verkooping in naam van den staat, b.v. bij verbeurdverklaringen. De verkoop had sub hasta plaats en geschiedde aan den meestbiedende. De kooper was nu aansprakelijk voor de schulden van den boedel en daar hij meestal op speculatie kocht, trachtte hij de gekochte massa weder in perceelen te verkoopen. Aan deze verbrokkeling is de naam sectio zijn ontstaan verschuldigd, de kooper heette alsdan sector. Bij bonorum emptio (z.a.) in den faillieten boedel had auctio plaats, geen sectio.
Secundi, 1) rom. familienaam, o.a. bij de Plinii.--2) Iulius Secundus, zeer geprezen redenaar ten tijde van keizer Vespasianus, een der sprekers in Tacitus' dialogus de oratoribus.--3) Secundus Carrinas, rhetor, door Caligula uit Rome verbannen, benam zich te Athene uit armoede het leven.
Secutor, zwaardvechter met zwaard en schild, die veeltijds tegen den retiarius vocht.
Sedetani = Edetani.
Seduni, volksstam aan den Boven-Rhodanus (Rhône) in het tegenw. Zwitserland in den omtrek van het tegenwoordige Sion of Sitten.
Sedusii, germaansch volk in het leger van Ariovistus.
Segesama, Segesama, stad der Murbogi in Hispania Tarraconensis, ten N.O. van Pallantia (Palencia).
Segesta, Segetia, Seia, Semonia, rom. godinnen, die het zaad onder de aarde en het reeds opgeschoten koren beschermden. Hare namen mochten alleen in de open lucht uitgesproken worden.
Segesta, Segeste = Egesta.
Segestes, cheruscisch opperhoofd, schoonvader van Arminius, die zijne dochter had geschaakt. Segestes was tegen Arminius vijandig gezind en had vruchteloos Varus gewaarschuwd, dat er verraad broeide (9 na C.). Later (15) riep hij tegen zijn schoonzoon de hulp van Germanicus in, die hem een woonplaats aanwees op den linker Rijnoever.
Segestus, -tes = Acestes.
Segetia, z. Segesta.
Segimerus, Segimeros, Segimeros, Segimer, 1) vader van Arminius, nam deel aan den strijd tegen Varus.--2) broeder van Segestes, onderwierp zich aan Germanicus in 15 na C.
Segimundus, Siegmond, zoon van Segestes, was Romeinsch priester te Ara Ubiorum, toen de opstand der Cheruscen uitbrak (9 na C.), en vluchtte toen naar zijn vaderland. In 15 werd hij door zijn vader uitgeleverd, en door Germanicus in genade aangenomen.
Segni, germaansche volksstam in Belgica tusschen de Eburones, die aan de Mosa (Maas), en de Treviri, die aan de Mosella (Moezel) woonden.
Segobriga, Segobriga, in Hispania Tarraconensis, 1) hoofdstad der Celtiberi, aan den bovenloop van den Sucro gelegen.--2) stad der Edetani, ten N.W. van Valentia (Valencia).
Segodunum, Segodounon, 1) hoofdstad der Ruteni in Aquitania, thans Rhodez.--2) stad der Hermunduri in Germania, misschien Würzburg aan den Main.
Segontia, Segontia = Saguntia.
Segontiaci, volksst. in het Z. van Britannia.
Segovia, Segoubia, stad der Arevaci in Hispania Tarraconensis, ten W. van de Iuga Carpetana, thans nog Segovia geheeten.
Seguntia, zie Saguntia.
Segusiani, Segousianoi, gallische volksstam in Lugdunensis, ten W. van den Rhodanus (Rhône), die hen van de Allobroges scheidde.
Segusiavi = Segusiani.
Segusini, alpenvolkje aan de Cottische Alpen, onderdanen van koning Cottius (z. a.). Hoofdstad: Segusio (Susa), waar nog een triumfboog bestaat, door Cottius ter eere van Augustus opgericht.
Segusio, zie Segusini en Cottiae Alpes.
Seia, z. Segesta.
Seianus (L. Aelius), zie Aelii no. 8.
Seii. 1) M. Seius wist als aediel in 74 bij eene groote duurte maatregelen te nemen om toch aan het volk te Rome goedkoop graan te leveren.--2) M. Seius, misschien zoon van no. 1, een vriend van D. Iunius Brutus.--3) Q. Seius Postumus werd door P. Clodius vergiftigd, omdat hij weigerde, hem zijn huis te verkoopen.--4) L. Seius Strabo, praefectus praetorio in 14 n. Chr. vader van L. Aelius Seianus, die nog in 14 zijn ambtgenoot werd (z.a.).--5) L. Seius Tubero, was in 16 na C. legaat onder Germanicus, in 18 met hem consul.
Seisachtheia, afschudding van lasten, een maatregel, door Solon genomen tot verlichting der arme burgers, die tengevolge eener verkeerde wettelijke regeling steeds dieper bij de rijken in schuld geraakten, hoe langer hoe minder in staat waren hunne schuldeischers te voldoen, en ten slotte dikwijls hunne bezittingen en zelfs hunne vrijheid verloren. Solon verklaarde alle hypotheken en misschien ook alle andere schuldvorderingen vervallen.--V. a. bestond de seis. in verlaging van den muntstandaard (zoodat 100 nieuwe drachmen de waarde hadden van 73 oude) en van den rentevoet, doch het is niet aan te nemen, dat deze maatregelen de beoogde, en ook werkelijk bereikte, gevolgen konden hebben.
Selene, Selene, Mene, Luna, godin der maan, dochter van Hyperion en Theia, zuster van Helius en Eos. Haar wagen is met witte paarden of koeien bespannen. Zij werd als maangodin dikwijls verward met Artemis, Hecate of Persephone, evenals Artemis draagt zij den naam Phoebe, en ook onderscheiden hare beelden zich van die van Artemis alleen door meer bekleeding en door een sluier van eigenaardigen vorm.
Seleucia, Seleukeia, naam van verschillende steden, meest door Seleucus I gesticht. 1) Sel. ad Tigridem, he epi tou Tigretos, eigenlijk niet onmiddellijk aan de Tigris, maar aan een zijkanaal gelegen. De muren waren gebouwd in den vorm van een adelaar met uitgespreide vlerken. Het was eene uiterst bloeiende handels- en fabrieksstad met eene bevolking van ongeveer 600000 zielen, Babyloniërs, Grieken, Macedoniërs, Joden. Kunsten en wetenschappen werden er vlijtig beoefend. In 116 na C. werd de stad wegens oproer door Traianus getuchtigd en gedeeltelijk door brand vernield. Door L. Verus werd zij in den Parthischen oorlog in 165 andermaal voor een groot gedeelte verwoest. Overvleugeld door het nabijgelegen Ctesiphon, ging S. voortdurend achteruit en was tijdens Iulianus geheel verlaten (363).--2) Sel. Pieria, he en Pieria, in Syria, aan zee gelegen ten N. der monding van den Orontes, met eene ruime en veilige haven. Als vesting was het schier onneembaar. Er bestaan nog belangrijke ruïnen en catacomben van, nabij Kapse.--3) Sel. ad Belum, he pros Belo, kleine vesting in Syria aan den berg Belus, in het Orontesdal, tusschen Emesa en Apamea.--4) stad in het N. van Palaestina, ten N. van het meer Samachonitis.--5) Sel. Tracheotis, he Tracheia, in Cilicia aspera, aan den Calycadnus (Saleph), met een orakel van Apollo en jaarlijksche spelen ter eere van Zeus Olympius. De wijsgeeren Athenaeus en Xenarchus waren hier geboren.--6) stad in het N. van Pisidia.--7) stad in het Z. van het perzische gewest Margiane, aan den bovenloop van den Margus, door Alexander den Gr. onder den naam van Alexandria gesticht, later door barbaren verwoest, doch door Antiochus I, Seleucus' zoon, herbouwd.
Seleucis, Seleukis, de schoonste provincie van Syria, ook Tetrapolis geheeten naar hare vier steden: Antiochia (Epidaphnes), Seleucia (Pieria), Apamea (ad Orontem) en Laodicea (ad Libanum).
Seleucus, Seleukos, 1) S. I. Nicator (Nikator), zoon van Antiochus en Laodice, verwierf onder Alexander d. Gr. vooral in Indië grooten roem als een van de aanvoerders der phalanx. Bij de tweede verdeeling van het rijk kreeg hij Babylonië tot satrapie en spoedig breidde hij zijn gebied uit, maar met Antigonus in twist geraakt, moest hij vluchten en begaf hij zich naar Ptolemaeus (316). Na den slag bij Gaza waagde hij het echter met een klein leger terug te keeren, hij nam Babylon in (1 Oct. 312, begin van de aera der Seleuciden) en veroverde weldra ook zonder veel moeite Susiana en Medië. In de nu volgende oorlogen wist hij zich tegen Antigonus met roem staande te houden, terwijl hij in Indië, nu als vriend, dan als vijand, zelfs verder dan Alexander doordrong en met den machtigen Sandrocottus voortdurend in betrekking stond. Hij was de eerste onder de diadochen, die den koningstitel aannam en hij besliste den slag bij Ipsus (301) door zijne olifanten, waarna hij Syrië, Mesopotamië, Armenië en een groot deel van Klein-Azië aan zijn rijk toevoegde. Toen hij eindelijk ook Demetrius Poliorcetes in handen gekregen had, konde hij rustig over zijn groot rijk regeeren, dat het grootste gedeelte van Alexanders veroveringen omvatte en zich van den Indus tot de Middellandsche zee uitstrekte. Nog op 77-jarigen leeftijd ondernam hij, aangespoord door Ptolemaeus Ceraunus, een veldtocht tegen Lysimachus; hij behaalde de overwinning, maar werd bijna aan de grens van Macedonië, dat hij nu wilde in bezit nemen, door Ptolemaeus verraderlijk gedood (281). S. wordt na Alexander de grootste krijgs- en staatsman van zijn tijd genoemd. Hij bevorderde in zijn rijk grieksche beschaving, kunst en wetenschap, talrijke (v.s. 75) nieuw gestichte steden in alle deelen van het land werden met Grieken en Macedoniërs bevolkt, ook zijn leger bestond uit Grieken en Macedoniërs. Daarentegen waren de Aziaten van alle aanzienlijke en invloedrijke betrekkingen uitgesloten. In het belang van handel en wetenschap liet hij de landen van den Ganges en de Caspische zee door Megasthenes en Patrocles bereizen en onderzoeken.--2) S. II Callinicus (Kallinikos), zoon en opvolger van Antiochus II, 247-226. Bij het begin zijner regeering deed Ptolemaeus Euergetes, om den moord zijner zuster Berenice (z. Antiochus no. 3) te wreken, een inval in Syrië, waardoor een groot deel van het rijk verloren ging; vele jaren had hij tegen den opstand van zijn broeder Antiochus Hierax te kampen; verscheiden provincies, later een deel der bactrische en parthische rijken, scheidden zich af en maakten zich onafhankelijk, eindelijk maakte Attalus van Pergamus van deze verwarde toestanden gebruik om zijn rijk ten koste van Syrië te vergrooten. Na een ongelukkig gevecht tegen Attalus vluchtend, viel S. van zijn paard en stierf.--3) S. III Ceraunus (Keraunos), zoon en opvolger van den vorigen, maakte krachtige toebereidselen tot herovering van het onder zijn vader verlorene, maar werd spoedig vermoord (223).--4) S. IV Philopator (Philopator), zoon en opvolger van Antiochus d. G., werd na een zwakke regeering (187-175) door zijn rentmeester Heliodorus vermoord.--5) S. V, oudste zoon van Demetrius Nicator, kort na het aanvaarden der regeering door zijne moeder vermoord (125).--6) S. VI Epiphanes (Epiphanes), zoon en opvolger van Antiochus VIII, voerde oorlog tegen zijn oom en neef (z. Antiochus no. 11 en 12) en kwam te Mopsuestia om het leven (95).
Selge, Selge, belangrijke pisidische bergvesting, een weinig ten N. der pamphylische grenzen aan den Eurymedon gelegen. De inwoners, die den naam hadden af te stammen van Lacedaemoniërs, waren zeer krijgshaftig en onderhielden steeds eene aanzienlijke krijgsmacht, waarmede zij hunne onafhankelijkheid handhaafden.
Selinus, Selinous, naam van onderscheidene steden en rivieren = klimopstad, klimoprivier. 1) stad op de Z.W. kust van Sicilia op een heuvel ten Westen van een gelijknamig riviertje. In een strijd met Egesta, riep Sel. de hulp van Syracuse in, Egesta die van Athene, hetgeen aanleiding gaf tot den grooten tocht der Atheners tegen Syracuse. In 409 werd Selinus door de Carthagers geplunderd en verwoest, doch herbouwd; in 249 werden de inwoners door de Carthagers naar Lilybaeum overgevoerd en Sel. andermaal aan verwoesting prijs gegeven. Het was ± 625 gesticht door Doriërs uit Megara Hyblaea. Zeer belangrijke ruïnen vooral van dorische tempels zijn nog over.--2) rivier in het elische distrikt Triphylia, zijtak van den Alpheus, langs de stad Scillus stroomende.--3) rivier in Achaia, die tusschen Aegium en Helice in zee valt.--4) riviertje in Mysia, nabij Pergamus, zijtak van den Caicus.--5) zeestad in het W. van Cilicia, later Traianopolis, de sterfplaats van Traianus.
Sella (curulis), zie Curulis.
Sellasia, Sellasia, stad in Laconica ten N. van Sparta, aan de rivier Oenus. Hier werd Cleomenes III in 221 verslagen door Antigonus Doson.
Selleis, Selleeis, 1) rivier bij Ephyra in Thesprotia, v. s. in Elis.--2) rivier nabij Sicyon.--3) riv. in Troas, bij Arisbe, die in den Hellespont uitstroomt.
Selli, Selloi, Helloi, priesters van het orakel van Zeus te Dodona, die uit het ruischen der bladeren van den heiligen eik de toekomst voorspelden. Zij waren gewoon op den blooten grond te slapen en hunne voeten niet te wasschen. Helli of Selli is ook de naam van de oorspronkelijke bevolking van Hellopia; zie Epirus.
Sellisternium. Daar het voor vrouwen niet welvoegelijk werd geacht, op rustbedden aan tafel te gaan liggen, zaten zij aan tafel aan. Bij een maaltijd, uitsluitend voor godinnen aangericht (zie lectisternium), werden er, om de beelden op te plaatsen, stoelen (sellae) om de tafel geplaatst.
Sely(m)bria, Sely(m)bria, stad op de thracische kust aan de Propontis (zee v. Marmara), oude volkplanting van Megara, thans Selivri.
Sembella, zilveren munt ter waarde van 1/2 libella of as. De semissis, ook = 1/2 as, was van koper. Door sommigen wordt het bestaan der zilveren sembella als muntstuk betwijfeld.
Semele, Semele, dochter van Cadmus en Harmonia, bij Zeus moeder van Dionysus. Hera, die jaloersch op haar was, kwam tot haar onder de gedaante van haar oude voedster en overreedde haar om Zeus te verzoeken, zich in zijne volle majesteit aan haar te vertoonen, zooals hij Hera bezocht. Daar Zeus haar vooraf beloofd had iederen wensch van haar te zullen vervullen, konde hij niet anders dan aan haar verzoek voldoen, maar toen hij haar te midden van donder en bliksem verscheen, verbrandde S. door den gloed. Haar ongeboren kind werd echter door Zeus gered (z. Dionysus), en later werd zij onder den naam Thyone onder de onsterfelijken opgenomen.
Sementinae, -tivae, rom. feest, na afloop van den zaaitijd op twee door een week gescheiden dagen van Januari ter eere van Ceres en Tellus gevierd, zie Feriae.
Semiramis, Semiramis, dochter van Derceto (z. a.), gehuwd met den assyrischen landvoogd Menon of Onnes, trok bij het beleg van Bactra door haar schoonheid en heldhaftigheid de aandacht van koning Ninus, die haar tot vrouw nam en bij wien zij moeder werd van Ninyas. Na den dood van haar gemaal nam zij voor haar zoon de regeering in handen, en gedurende haar geheel verder leven bleef zij die behouden; eerst toen zij na eene regeering van 42 jaar gestorven of van de aarde verdwenen was, volgde Ninyas haar op. Zij stichtte Babylon, liet talrijke verbazingwekkende versterkingen, kanalen en bouwwerken aanleggen en drong met hare legers zegevierend tot ver in Libye door, ook ondernam zij een krijgstocht naar Indië, die echter ongelukkig afliep.--V. s. hebben deze berichten, hoe overdreven ook, betrekking op de babylonische, v. a. assyrische koningin Sammuramat, die omstreeks 800 eenigen tijd voor haar minderjarigen zoon regeerde, krijgstochten ondernam naar Syrië, Phoenicië, Palaestina en Medië en den dienst van babylonische goden in Assyrië invoerde.
Semis(sis), koperen munt = 6 unciae of 1/2 as, aan de eene zijde gestempeld met een Jupiters-, Juno-, of Minerva-kop en de letter S, aan den anderen kant met den voorsteven van een schip. Zie ook Sembella.
Semnones, de machtigste der suebische volksstammen, ten N. der Hermunduren, in het tegenw. Thuringen tusschen den Albis (Elbe) en den Viadus (Oder). In hun gebied was in een heilig woud de vergaderplaats van de afgevaardigden van den suebischen volkenbond.
Semo Sancus, zie Dius Fidius.
Semones, goddelijke wezens van sabijnschen oorsprong, wier dienst door de Rom. werd overgenomen, in beteekenis gelijk aan de Genii.
Semonia, z. Segesta.
Semonides, waarschijnlijk juistere schrijfwijze dan Simonides.
Sempronia (lex) de pecunia credita, van den volkstribuun M. Sempronius Tuditanus (Sempronii no. 20) in 193. Door deze wet werden de rente- en woekerwetten van Rome ook van toepassing gemaakt op de latijnsche socii.
Sempronia (lex) agraria van den volkstribuun Tib. Sempronius Gracchus. Zie agrariae leges.
Semproniae (leges) van den volkstribuun C. Sempronius Gracchus in 123 en 122. 1) lex agraria, zie agrariae leges.--2) lex frumentaria, tot verkrijgbaarstelling van goedkoop koren, tegen 5/6 as den modius, zie annona.--3) lex de civitate Italicis sociis danda; de bedoeling was aan de Latini het burgerrecht, aan de andere socii de Latinitas te verleenen; het plan hiertoe wordt reeds aan Tib. Gracchus toegeschreven; ook ditmaal is de wet niet aangenomen.--4) lex, ne de capite civium iniussu populi iudicaretur, eene vernieuwing, vermoedelijk eene verscherping der leges Porciae. Deze wet was oorspronkelijk gericht tegen P. Popilius Laenas (Popilii no. 5, z. a.), die dan ook in ballingschap gegaan is.--5) lex iudiciaria, die de iudicia aan de equites gaf, zie iudex en equites.--6) lex de provinciis consularibus, dat de senaat jaarlijks nog vóór de comitiën de consulaire provinciën moest aanwijzen.--7) lex de provincia Asia a censoribus locanda, een wet, die de censoren verplichtte de belastingen van de provincie Asia (het rijk van Pergamum) te verpachten; deze wet was voor Asia een groote ramp, zie publicani.--Nog andere wetten worden vermeld, die vermoedelijk slechts bij een ontwerp gebleven zijn, of waarvan de inhoud duister is.
Sempronii, rom. geslacht, waarvan alleen de Atratini patricisch zijn. 1) A. Sempronius Atratinus, consul in 497 en 491.--2) L. Sempr. Atratinus, consul in 444, censor in 443.--3) S. Sempr. Atratinus, consul in 423, voerde een ongelukkigen oorlog tegen de Volscen. In 422 hierom aangeklaagd, werd hij vrijgesproken, maar in 420 wederom aangeklaagd en tot eene boete veroordeeld.--4) A. Sempr. Atratinus, was bij herhaling consulairtribuun, in 425, 420 en 416. Hij was een zoon van no. 2.--5) L. Sempr. Atratinus, consul in 34, was in den burgeroorlog vlootvoogd van Antonius, doch verliet diens zijde nog voor den slag bij Actium. Later sloeg hij levensmoede de hand aan zich zelf.--6) C. Sempr. Blaesus, consul in 253, ondernam met zijn ambtgenoot Cn. Servilius Caepio een tocht naar Africa. Zij voerden niet veel uit, leden op de tehuisreis schipbreuk en verloren 150 schepen. In 244 was Blaesus andermaal consul.--7) Tiberius Sempr. Gracchus, consul in 238, versloeg de Liguriërs en bezette Sardinia en Corsica.--8) Tib. Sempr. Gracchus, zoon van no. 7, consul in 215, behaalde met een leger, grootendeels bestaande uit slaven, wien de vrijheid beloofd was (volones), eene overwinning op Hannibals onderveldheer Hanno bij Beneventum (214). In 213 was hij ten tweeden male consul, maar in het begin van 212 werd hij door Mago in een hinderlaag gelokt en sneuvelde.--9) Tib. Sempr. Gracchus was in 190 in den syrischen oorlog legaat van L. Cornelius Scipio; in 187 was hij volkstribuun en trad toen als verdediger der gebroeders Scipio op (zie Cornelii no. 13). In 180 ging hij als praetor naar Hispania, streed zegevierend tegen de Celtiberiërs en hield in 178 een luisterrijken triumftocht. In 177 was hij consul en bevocht hij de Sarden. In 169 was hij censor en in 163 nogmaals consul. Hij was gehuwd met de edele Cornelia, dochter van P. Corn. Scipio Africanus maior. Van 12 kinderen behield hij slechts 3 in leven; de gebroeders Tib. en C. Gracchus en eene dochter Sempronia, later de echtgenoote van Scipio Africanus minor.--10) Tib. Semp. Gracchus, zoon van no. 9, diende in 146 onder zijn zwager Scipio in Africa en in 136 in den numantijnschen oorlog onder den proconsul C. Hostilius Mancinus. Over land naar Rome terugkeerende, werd hij getroffen door de ellende der armere klasse, terwijl de rijken grooter grondbezittingen hadden, dan zij konden bebouwen. In 133 trad hij als volkstribuun met eene akkerwet op, eene vernieuwing, eenigszins verzacht, van een nimmer uitgevoerde vroegere wet (zie agrariae leges). Toen zijn ambtgenoot M. Octavius, ondanks de smeekingen van Gracchus, zich tegen de behandeling bleef verzetten, stelde Gr. aan het volk voor, Octavius af te zetten. Dit geschiedde, doch aan de onschendbaarheid van het volkstribunaat was hierdoor een zware slag toegebracht. Toen hij nu ook voorstelde, de rijke erfenis van Attalus III van Pergamus niet in de schatkist te storten, maar onder de onvermogende burgers te verdeelen, opdat zij bij den te verkrijgen grond ook eenig bedrijfskapitaal zouden hebben, besloot de senaatspartij geweld te bezigen. Ten einde zich voor het volgende jaar tot volkstribuun te doen herkiezen, had Gr. met zijne aanhangers tijdig post gevat op het Capitool, doch werd door een aantal senatoren en gewapenden onder aanvoering van Scipio Nasica, bijgenaamd Serapio (zie Cornelii no. 21) overrompeld en met 300 der zijnen omgebracht. Zijn lijk werd in den Tiber geworpen.--11) C. Sempr. Gracchus, broeder van no. 10, doch bijna 10 jaren jonger, hernieuwde als volkstribuun in 123 de pogingen zijns broeders (zie agrariae leges) en zocht door verschillende wetten (zie Semproniae leges) de optimatenpartij te fnuiken (123 en 122). Deze echter slaagde er in, een anderen volkstribuun, M. Livius Drusus, over te halen, om door fraaie beloften en schoonklinkende woorden Gracchus' invloed bij het volk te ondermijnen. Dit ging te gemakkelijker, omdat Gr. als triumvir coloniae deducendae naar Carthago was vertrokken, zie Rubria (lex). Voor 121 werd Gr. niet herkozen. Een der nieuwe tribunen, Minucius Rufus (z. Minucia (lex) van 121), stelde nu voor, al de sempronische wetten in éénen adem op te heffen. Toen hierover zou gestemd worden, bezette Gr., die het plegen van geweld voorzag, met eene gewapende menigte den Aventijnschen berg, doch werd door den consul L. Opimius, aan het hoofd van senaat en ridderstand, verdreven. Omstreeks 3000 zijner aanhangers vielen in en na den strijd. Gr. zelf liet zich, om niet in handen zijner vijanden te vallen, door een slaaf dooden.--12) Sempronia, zuster van no. 10 en no. 11, gehuwd met Scipio Africanus minor (Cornelii no. 18).--13) Tib. Sempronius Gracchus werd door Augustus verbannen wegens ongeoorloofden omgang met diens dochter Julia. Tiberius liet hem ter dood brengen (14 n. C.). Hij is misschien de door Ovidius (Ex Ponto IV, 16, 31) genoemde tragische dichter Gracchus.--14) Tib. Sempr. Longus, consul in 218 bij het uitbreken van den tweeden punischen oorlog, veroverde Melite (Malta) en wilde naar Africa oversteken, toen hij op het bericht van Hannibals nadering werd teruggeroepen. Hij werd door H. bij de Trebia verslagen. In 215 versloeg hij den Carthager Hanno in Zuid-Italië bij Grumentum.--15) Tib. Sempr. Longus, zoon van no. 14, consul in 194, overwon de Bojers.--16) P. Sempr. Sophus, consul in 304, onderwierp de Aequi. In 301 was hij magister equitum van den dictator M. Valerius Corvus, in 299 (v. a. in 300) censor. In deze hoedanigheid vermeerderde hij het aantal tribus met twee. Hij was een der oudste iurisconsulti.--17) P. Sempr. Sophus, consul in 268, voltooide de onderwerping van Picenum. In 252 was hij censor met M.' Valerius Maximus Messa(l)la (Valerii no. 16); zij stieten 15 senatoren uit den senaat.--18) P. Sempr. Tuditanus ontkwam als krijgstribuun in 216 na dapperen strijd aan het bloedbad bij Cannae, was in 213 praetor, in 209 censor, in welke hoedanigheid hij Q. Fabius Maximus (Cunctator) tot princeps senatus benoemde. In 204 streed hij als consul bij Croton voorspoedig tegen Hannibal.--19) C. Sempr. Tuditanus leed als praetor in 197 eene nederlaag door de Hispaniërs en stierf aan de bekomen wonden.--20) M. Sempr. Tuditanus, volkstribuun in 193 (zie Sempronia (lex) de pecunia credita), consul in 185, overwon de Apuanische Liguriërs.--21) C. Sempr. Tuditanus diende in 146 onder L. Mummius in Griekenland en was consul in 129. Hij schreef een geschiedkundig werk.--22) Sempr. Asellio, geschiedschrijver, schreef de geschiedenis van zijn tijd, vanaf den Numantijnschen oorlog, toen hij onder P. Scipio Africanus krijgstribuun was (134), tot op Livius Drusus (91).--22) C. Sempr. Rufus, een vriend van Cicero.--23) Sempr. Densus, centurio bij de lijfwacht, trachtte, bij het oproer tegen Galba, diens aangenomen opvolger C. Calpurnius Piso Licinianus met eigen lijfsgevaar te beschermen.--24) Sempronia, echtgenoote van D. Iunius Brutus (Iunii no. 5), deelgenoote van de samenzwering van Catilina.
Sena, 1) Sena Gallica, Sene, thans Senigaglia, stad der senonische Galliërs, op de umbrische kust aan den mond der riv. Sena gesticht, sedert 283 rom. kolonie. In de nabijheid, aan den Metaurus, sneuvelde Hannibals broeder Hasdrubal in 207.--2) Sena Iulia, Saina, thans Siena, rom. kolonie in Etruria, ten Z. van Florentia.--3) Sena, eil. aan de W.punt van Gallia, thans Sein, met een orakel onder toezicht van negen maagden, die door het volk voor toovenaressen werden gehouden.
Senaculum, plaats waar de senatoren te Rome zich verzamelden totdat het uur der zitting aanbrak. Het lag aan de N.W. zijde van het Comitium, naast het Vulcanal.
Senatus, boule. In den koningstijd werd de koning in het bestuur bijgestaan door een raad der ouden (senatus, consilium regium), door hem zelven uit de patricische geslachten gekozen; de leden, patres (z. a.), waren oorspronkelijk ten getale van 100, later van 300. Bij het begin van de republiek ging de keuze der leden (lectio senatus) over op de consuls, die in de eerste plaats patriciërs kozen; eerst sedert de instelling der tribuni militum consulari potestate komen waarschijnlijk ook plebejers onder de senatoren voor, die dan conscripti geheeten hebben (zie patres). De lex Ovinia (z. a.) draagt de keuze op aan de censoren, terwijl de leden oud-ambtenaren en voor het meerendeel plebejers zijn. De curulische overheden behielden voortaan na het einde van hun ambtsjaar zitting in den senaat tot aan den eerstvolgenden census en kwamen dan natuurlijk in de eerste plaats voor senatoren in aanmerking. Tot zóó lang waren zij geene senatoren, maar personen, quibus in senatu sententiam dicere licebat. In ± 300 hebben ook de aediles plebis dit recht gekregen, terwijl het plebiscitum Atinium (zie Atinia (lex)) dit zittingsrecht ook tot de volkstribunen uitbreidde. Sedert Sulla (zie Corneliae leges van 81, aan het slot) werden ook de quaestoren in den senaat toegelaten. Recht van zitting had ook de flamen Dialis. Sulla hief de lectio senatus geheel op door de bepaling, dat jaarlijks 20 quaestoren moesten gekozen worden, die in den senaat zitting zouden nemen en houden. Met het herstel der censuur (70) kwam ook de lectio senatus terug, en terstond werd een aantal onwaardigen van de lijst geschrapt (senatu movere, eiicere). P. Clodius Pulcher zocht in 58 dit recht van uitstooting te beperken (zie Clodiae leges no. 4). Wat het getal betreft, schijnt de normale sterkte steeds op 300 te zijn gebleven, totdat Sulla het aantal op 600 bracht (zie Corneliae leges van 81 aan het slot). Zeker echter is het, dat de vergadering nooit door zooveel leden werd bijgewoond. De drukst bezochte senaatsvergadering (senatus frequentissimus) tijdens de republiek, waarvan wij kennis dragen en waarin Cicero's terugroeping uit de ballingschap ter tafel werd gebracht, telde 417 leden. Natuurlijk waren er altijd een aantal senatoren in dienst van den staat afwezig als stadhouders, legaten, enz. Caesar bracht het getal op 900, Antonius op 1000, welk getal later door Augustus op 600 werd teruggebracht. De werkkring van den senaat omvatte wel in het algemeen alles wat in het belang van den staat was, doch er waren vooral drie zaken, waarin de senaat zelfstandig handelde: de eeredienst, het finantiewezen en de buitenlandsche aangelegenheden. Onder het keizerrijk veranderde de toestand. De volksvergadering hield op te bestaan en hare rechten gingen over op den senaat; bovendien werd de senaat gerechtshof bij belangrijke politieke processen tegen hooggeplaatste personen; doch naarmate de absolute macht der keizers toenam, moest de beteekenis van den senaat lager zinken. Vóór Augustus was er geen maatstaf van vermogen vastgesteld voor de waardigheid van senator. Augustus stelde een census senatorius van 1 millioen sestertiën vast.--De zittingen moesten gehouden worden in een templum (z. a.); de voornaamste plaats was de curia Hostilia aan het forum. Wanneer overwinnende veldheeren hunne aanvraag om een triumftocht aan den senaat voordroegen, geschiedde dit in den Bellona-tempel, buiten de stad. Ook tal van andere vergaderplaatsen worden genoemd, als: de tempel der Eer, der Trouw, der Eendracht, die van Jupiter Capitolinus, van Jupiter Stator (waar Cicero zijne rede tegen Catilina uitsprak), de curia Pompei, het theatrum Pompei (waar Caesar werd omgebracht) enz. In enkele gevallen ook kwam de senaat onder den blooten hemel, sub divo, bijeen, b. v. wanneer het prodigium gemeld werd, bovem locutam esse. De zittingen waren wel niet voor het publiek toegankelijk, doch de deuren van het gebouw bleven geopend en in de zaal waren ook scribae, herauten en dgl. aanwezig, tenzij bij eene geheime zitting. Het recht om den senaat bijeen te roepen (cogere, vocare senatum) viel niet samen met het recht om hem te leiden (habere, consulere senatum, agere cum patribus, referre ad senatum) en senaatsbesluiten te maken. Beide rechten waren deel van het imperium; maar in de 3de eeuw is het ius agendi cum patribus ook aan de volkstribunen gegeven, niet echter het recht den senaat bijeen te roepen. De overheidspersoon, die den senaat bijeengeroepen had, gewoonlijk de consul, die de maandbeurt had, bij afwezigheid van beide consuls de praetor urbanus, bracht de aan de orde zijnde punten ter tafel (dit heet relatio) met de formule: quod bonum faustum felix fortunatumque sit populo Romano Quiritium. Referimus ad vos, patres conscripti, enz. Na de zaak te hebben ingeleid, vroeg hij: de ea re quid fieri placet? en noodigde dan de senatoren, quibus ius sententiae dicendae erat, in bepaalde volgorde (die echter niet in alle tijden dezelfde is geweest) uit, hunne meening te zeggen, op deze wijze: quid censes, M. Tulli? Allen waren verplicht te antwoorden, en de eerst gevraagde senator moest omtrent het aan de orde zijnde onderwerp een voorstel doen. Daartoe stond hij op en hield een rede (stans sententiam dicebat). Zijn conclusie leidde hij in met censeo of decerno of mihi placet. Hij, die daarop gevraagd werd, kon met het gedane voorstel (sententia) instemmen, of een ander voorstel doen. Hij kon echter ook zoolang sproken als hij verkoos en kon ook, als hij over de voorgestelde zaak had uitgesproken, over elke andere zaak het woord voeren: men denke aan Cato's praeterea censeo Carthaginem esse delendam. Daar een senaatsbesluit vóór zonsondergang behoorde genomen te zijn, werd dit middel wel eens gebezigd om het nemen van een besluit te verhinderen (diem dicendo consumere). De ambtenaren werden niet naar de rij af gevraagd, maar allen hadden het recht het woord te nemen, wanneer het hun behaagde. Na afloop van de discussies rangschikt de voorzitter de verschillende adviezen (pronuntiabat sententias) en liet dan daarover één voor één stemmen (discessio z. a.). Zie verder pedarii. Was nu de agenda afgehandeld, dan konden de andere ambtenaren, die het ius relationis hadden, de leiding overnemen, maar bepaalden zich dan gewoonlijk bij zaken, die tot hun werkkring behoorden (referre de singulis rebus). Het recht om den algemeenen politieken toestand ter sprake te brengen (referre de republica) kwam alleen toe aan dengene, die den senaat bijeengeroepen had. Deze had ook het recht van intercessio tegen iederen ambtenaar, die de leiding van hem overgenomen had, ook tegen de volkstribunen, die van het ius referendi het meest gebruik maakten. De grond van dit recht van intercessio was deze, dat de magistraat, die de leiding overnam, alienis auspiciis handelde.
Senatus auctoritas, senatus consultum. Een rechtsgeldig senaatsbesluit heet senatus consultum. Het werd op schrift gebracht door den voorzitter, die hierbij bijgestaan werd door eenige senatoren, qui scribendo adfuerunt. Werd een besluit door intercessio getroffen, dan heette het senatus auctoritas; het werd, hoewel het niet voor uitvoering vatbaar was, toch opgeteekend. De intercessio kon uitgeoefend worden door magistraatspersonen, qui eadem potestate qua ii qui senatus consultum facere vellent, maioreve essent, en door de tribuni plebis. Z. ook senatus aan het einde. Een senatus consultum tacitum is een besluit, in eene geheime zitting genomen. Omtrent de senatus auctoritas, vereischt voor wetsvoorstellen in de com. centuriata zie men patres.
Senatus consultum ultimum was de uiterste maatregel, waartoe de senaat overging, wanneer de staat door binnenlandsche onlusten of een buitenlandschen vijand naar zijn meening in gevaar verkeerde. Het was een uitnoodiging aan de in het besluit genoemde ambtenaren, in den vorm videant consules, (enz.) ne quid respublica detrimenti capiat. Zij verzocht hen, op eigen gezag alle naar omstandigheden noodige maatregelen te nemen, die in hun bevoegdheid lagen, zooals vormen van een leger met buitengewone lichtingen, bevelen uitvaardigen aan burgers en bondgenooten, met geweld de rust herstellen, enz. Zie ook hostis iudicatio.
Senatus municipalis. In de rom. municipia had men een gemeenteraad, senatus genoemd, wiens leden decuriones heeten en die ook wel ordo decurionum wordt genoemd. In den regel bestond hij uit 100 leden.
Seneca, familienaam, zie Annaei.
Senecio, familienaam, zie Herennii.
Senogallia = Sena Gallica.
Senones, Senones, machtige gallische volksstam aan de Sequana (Seine) in het latere Isle de France en Champagne. Hunne hoofdstad was Agedincum (Sens in Champagne). Een gedeelte van dit volk trok ± 400 de Alpen over naar Italië en stichtte daar aan de Adriatische zee de stad Sena, gewoonlijk Gallica bijgenaamd. Het waren deze Galliërs, die in 390 de Romeinen aan den Allia versloegen en het Capitool belegerden. In 283 werden zij door den consul P. Cornelius Dolabella Maximus verslagen en zoo goed als vernietigd. Z. Ager Gallicus.
Sentia Aelia (lex), zie Aelia Sentia (lex).
Sentii. 1) C. Sentius overwon in 89 als praetor de Thraciërs, na eerst zelf door hen te zijn verslagen.--2) C. Sentius Saturninus, vriend van den jongen Sex. Pompeius, consul in 29, toonde zich uiterst gestreng tegen afpersingen en ambitus. In 7 werd hij stadhouder van Syria en hield toen den census in Iudaea, later (4 en 5 n. C.) was hij legaat van Augustus in Germania.--3) C. Sentius Saturninus, een zoon van no. 2, consul in de eerste helft van het jaar 4 na C., zie Aelia Sentia (lex). In de tweede helft van ditzelfde jaar vindt men als consul suffectus Cn. Sentius Saturninus, die in 19 na C. legaat in Syria was.--4) Sentius Augurinus, een vriend van Plinius minor.
Sentinum, Sentinon, versterkte stad in Umbria aan den Aesis. Hier versloegen in 295 de Romeinen de vereenigde Samnieten, Galliërs en Etruscers. Consuls waren toen Q. Fabius Maximus Rullianus (zie Fabii no. 14) en P. Decius Mus, die volgens het verhaal zich ten doode wijdde.
Sepias, Sepias, Z.O. punt van het thessalische landschap Magnesia.
Sepinum = Saepinum.
Seplasia, eene straat te Capua, met parfumeriewinkels.
Sepphoris, Sepphoris = Diocaesarea.
Septem aquae, "de 7 meren", landstreek bij Reate in het sabijnsche land.
Septempeda, Septempeda, rom. municipium in het N. van Picenum, op de grens van Umbria.
Septemviri epulones, zie epulones.
Septentrio, Aparktias, de Noordenwind, zie Windstreken.
Septimii, rom. geslacht, waarvan in Cicero's tijd en later eenige leden voorkomen, echter niet belangrijk genoeg voor afzonderlijke vermelding. Aan het einde van de 2de eeuw na C. komt een dichter Septimius Serenus voor. Zie ook Dictys no. 2.
Septimius Geta, rom. keizer, zie Geta.
Septimius Severus, rom. keizer, zie Severi.
Septimontium, het zeven-heuvelenfeest, jaarlijks in Dec. te Rome gevierd, oorspronkelijk alleen door dat gedeelte van de bevolking, dat het Septimontium (zie Roma) vormde.
Septizonium, paleis (z. echter ook Nympheum) door keizer Septimius Severus aan de Z.O. zijde van den Palatinus opgericht. Het had drie verdiepingen kolonnades, elke voorzien van eene kroonlijst, die op de via Appia uitzagen. Paus Sixtus V liet het gebouw afbreken om aan de zuilen een andere bestemming te geven. Ook keizer Titus had een dergelijk gebouw laten oprichten.
Septa = saepta, zie ovile.
Septuaginta, hoi hebdomekonta, worden bij verkorting de 72 Joden genoemd, die volgens het verhaal op last van Ptolemaeus Philadelphus te Alexandrië het O.T. in het Grieksch hebben vertaald. Deze vertaling was in de Hellenistisch-Joodsche en in den Oud-Christelijke wereld algemeen in gebruik. De schrijvers van het Nieuwe Testament citeeren deze uitgave, nooit den Hebreeuwschen bijbel. De taal is de Koine, maar met belangrijke afwijkingen; men zou dit het Joden-Grieksch kunnen noemen.
Septunx = 7/12 as. Een muntstuk van deze waarde bestond niet.
Sequana, rivier in Gallia, thans Seine.
Sequani, keltisch volk, een der hoofdstammen van Gallia Transalpina, aan de Westzijde van het Juragebergte, vijanden van de Aeduërs. Hoofdstad: Vesontio (Besançon).
Serapeum, Serapeion, Serapis-tempel. Beroemd was vooral het Serapeum te Alexandrië in Aegypte, met een aanzienlijke bibliotheek, dat in 379 n. C. door Theophilus van Alexandria vernietigd werd.
Serapion, Serapion, 1) van Alexandrië, stichter eener empirische geneeskundige school, omstreeks 220.--2) van Antiochië, beroemd wiskundige en aardrijkskundige, waarschijnlijk tijdgenoot van Eratosthenes no. 2.
Serapis, Sarapis, een god, wiens beeld door Ptolemaeus I naar aanleiding van een droomgezicht uit Sinope gehaald werd en wiens eeredienst hij in Aegypte invoerde. Hij werd beschouwd als eene vereeniging van Osiris en Apis, als een god der afgestorven zielen, heer van gezondheid en ziekte. Zijn dienst vond ook ingang bij de Grieken en Rom., die hem met Zeus, Hades of Asclepius vereenzelvigden.
Serbouis lacus, Serbonis limne, een langgestrekt, ondiep zoutmeer ten O. van Aegypte langs de kust, in Casiotis. Daarvóór lag de Casius mons (z. Casius no. 1), en ten W. Pelusium, de grensvesting van Aegypte.
Serdica, Serdike, aanzienlijke stad in het N.O. van Thracia, nabij de grenzen van Moesia en Dardania, in de bergstreek, waar de Scomius zich van den Haemus afscheidt. Tgw. Sophia. Sedert Diocletianus behoorde dit gedeelte van Thracia, als Dacia mediterranea, tot de Praefectura Illyricum. Attila verwoestte de plaats, die echter weder werd opgebouwd.
Serenus Sammonicus (Q.), geleerde onder de regeering van Septimius Severus en Caracalla, die een groote bibliotheek had; op last van den laatstgenoemde werd hij ter dood gebracht. Zijn zoon, die den zelfden naam droeg, schreef als leek een receptenboek in hexameters, dat tot de lievelingslektuur van Alexander Severus behoorde, en nog in de middeleeuwen veel werd gelezen.
Seres, bewoners van Serica (z. a.).
Sergestus, een van de tochtgenooten van Aeneas, door de rom. Sergii als hun stamvader beschouwd.
Sergii, aanzienlijk patricisch geslacht. 1) L. Sergius Fidenas, consul in 437, verwierf zich zijn cognomen door zijne zegepraal op de Fidenaten en Vejenten.--2) M. Sergius, krijgstribuun in 205, ging met zijn ambtgenoot P. Matienus de schandelijke roofzucht der rom. bezetting te Locri Epizephyrii te keer en werd hiervoor door den rom. propraetor Q. Pleminius onder allerlei martelingen ter dood gebracht.--3) M. Sergius Silus, overgrootvader van no. 5, onderscheidde zich door moed in den tweeden punischen oorlog.--4) M. Sergius Silus, zoon van no. 3, was onder Aemilius Paullus bevelhebber der ruiterij in den oorlog tegen Perseus.--5) L. Sergius Catilina, achterkleinzoon van no. 3, toonde van jongs af een diep bedorven karakter. Hij bezat groote geestesgaven en was merkwaardig gehard tegen ontbering en inspanning, doch paarde daaraan een zeldzame gave van verleiding tot het kwade. Hij was een van Sulla's handlangers geweest bij de proscripties (zie Gratidii no. 3), werd in 77 quaestor, in 68 praetor en wilde in 65 naar het consulaat dingen, doch zag zich hierin verhinderd door eene aanklacht wegens afpersingen. Toen smeedde hij eene samenzwering, die echter door zijn eigen ongeduld mislukte. Toen hij in 64 niet tot consul verkozen was, beraamde hij een tweede complot met een groot aantal Rom. van aanzienlijken huize, voor een deel even berooid en in schulden gedompeld als hij zelf. Het doel was niets minder, dan de tegenstanders, den consul M. Tullius Cicero in de eerste plaats, om te brengen, Rome op verschillende punten in brand te steken en Italië en de provinciën onder elkander te verdeelen. Er waren te Rome en elders duizenden onder het volk, die niets te verliezen hadden en bij oproer en omwenteling althans de kans hadden iets te winnen. De onbedachtzaamheid van een der samenzweerders was oorzaak, dat het plan nog tijdig Cicero ter oore kwam, die hierop door zijne waakzaamheid de uitvoering er van voorkwam (63) en Catilina noodzaakte, Rome te verlaten en zich naar het leger te begeven, dat hij in het N. van Etruria in de bergen bij Faesulae verzameld had. Eenige hoofden der samenzwering bleven echter te Rome, en knoopten onderhandelingen aan met een gezantschap der Allobrogen, die juist te Rome waren om den senaat de grieven van hun volk kenbaar te maken. De brieven, die zij den gezanten medegaven, werden echter door Cicero onderschept, waarop de saamgezworenen in hechtenis werden genomen en, overeenkomstig het gevoelen van de meerderheid van den senaat, doch tegen Caesars raad, in den kerker door worging ter dood gebracht. Catilina zelf sneuvelde kort daarop na dapperen strijd in een slag bij Pistoria tegen de troepen van den legaat M. Petreius. De geheele loop der samenzwering is op meesterlijke wijze door Sallustius te boek gesteld.--6) C. Sergius Orata, een bekende lekkerbek en fijnproever, omstreeks het jaar 100.
Serica, Serike, het land der Seres, Seres, en der Sinae, Sinai, China. Het land der Sinae ligt ten Zuiden van Serica, en grenst aan den Sinus Magnus (de Zuid-Chineesche zee) en aan India trans Gangem; het is dus Zuid-China, terwijl Serica het binnenland en het Noorden van China (Mongolië en Mandschoerije) inneemt. Bij de ouden was het volk der Chineezen slechts bij naam uit de verhalen van oostersche kooplieden bekend. Zij hadden den naam, een zacht en goedaardig volk te zijn, dat echter den omgang met andere volken vermeed en niet gemakkelijk vreemden toeliet. Ammianus Marcellinus (390 na C.) had ook van den chineeschen muur gehoord. Ook wist men, dat Serica het vaderland was der zijdewormen; vandaar sericum = zijde. Zijden stoffen, vestes sericae, waren onder het keizerrijk ook te Rome niet onbekend.
Seriphus, Seriphos, een klein eiland, tot de groep der Cycladen behoorende, rotsig en onvruchtbaar, maar rijk aan metalen, o. a. ijzer en magneet. Hier laat de mythe de kist aanspoelen, waarin Danaë was opgesloten (zie Acrisius en Perseus en Dictys no. 1). Later vestigde zich op S. eene ionische kolonie. In den perzischen oorlog weigerde S. den Perzen schatting te betalen. Onder de rom. keizers werd het een verbanningsoord. Aristoteles vermeldt het bestaan van kikvorschen die niet kwaakten; vandaar Seriphios batrachos = een stomme, iemand die niet spreekt.
Sermyle, Sermyle, stad op de chalcidische landtong Sithonia.
Serranus, familienaam in de gens Atilia (Atilii no. 7-9).
Serrati, z. Bigati.
Serrium, Serreion, kaap en kasteel op de thracische kust, tegenover het eil. Samothrace.
Sertorius (Q.), geb. te Nursia in het sabijnsche land, had zich eerst op de studie van recht en redekunst toegelegd, diende als soldaat onder Marius in den strijd tegen de Cimbren en Teutonen (105-102) en vervolgens in Hispania onder T. Didius (97) als krijgstribuun. Als quaestor in Gallia Cisalpina onderscheidde hij zich in 91 door onvermoeiden ijver en in den marsischen oorlog door moed en krijgstalent, en verloor op het slagveld een oog. In den burgeroorlog was hij de partij van Marius toegedaan, en als praetor zelfs aanvoerder van een der vier legers, die in 87 Rome bestormden. Hij verafschuwde echter uit den grond van zijn hart de wreedheden, door Marius en Cinna bedreven. Na den dood van deze beiden wanhoopte Sertorius aan de verdere verdediging van Italië en Rome tegen Sulla en begaf hij zich naar Hispania Citerior (83), welk gewest hem als praetor door het lot was toegewezen. Sulla zond hem den proconsul C. Annius Luscus achterna. Wel verdedigde een legaat van Sertorius, Iulius Salinator, met moed den toegang tot de Pyrenaeën, doch na diens vermoording zag Sertorius zich genoodzaakt voor Luscus te wijken en zocht in Mauretania een toevluchtsoord. Van daar verdreven doolde hij op zee rond, doch Luscus versloeg zijne vloot. Andermaal in Mauretania geland, was hij gelukkiger (hij veroverde o. a. Tingis (Tanger)), totdat een gezantschap der Lusitaniërs, die in opstand waren tegen Rome, hem het bevel over hunne strijdkrachten kwam aanbieden. Toen begon Sertorius een guerilla; van alle zijden stroomden hem hispanische troepen toe, leger op leger der Rom. werd verslagen, de opstand breidde zich voortdurend uit, en Q. Caecilius Metellus Pius (Caecilii no. 17) kon dien niet meester worden. Doch ook Pompeius die in 76 met een leger ter ondersteuning van Metellus naar Hispania trok, kon evenmin Sertorius verslaan, en stelde toen een prijs op diens hoofd. Niet om dit bloedgeld te verdienen, maar alleen uit naijver en trotschheid smeedde een der onderbevelhebbers van Sertorius, de optimaat M. Perperna, die het niet kon dulden aan een man van nederige afkomst te moeten gehoorzamen, een complot, en S. werd in 72 op een gastmaal vermoord. Hiermede was ook de kracht van den oorlog gebroken.
Servare de caelo = signa observare de caelo. Deze uitdrukking wordt in het bijzonder gebezigd voor het nemen van auspiciën met de bedoeling de comitiën te storen. Bij de signa impetrativa kon men twee wegen inslaan; men kon in het algemeen een teeken van de goden vragen; men kon echter ook een bepaald teeken vragen en de overige veronachtzamen. Wie dus bepaald een goedkeurend teeken afbad, had slechts te wachten totdat hij zulk een teeken zag en had met de overige, die hij niet gevraagd had, niets te maken. Maar evenzoo kon men ook om een storend teeken vragen. Al wat naar onweder zweemde, een verwijderd gerommel, dat voor donder kon doorgaan, een schijn van weerlicht, kon te baat genomen worden om de comitiën te storen, en reeds de aankondiging van een overheidspersoon, se servaturum de caelo esse werd als storing beschouwd. De voorzitter had echter het recht, een ambtenaar van minderen rang te verbieden, obnuntiatio aan te wenden. Hij deed dit geregeld door aan de oproeping ter vergadering toe te voegen: ne quis magistratus minor de caelo servare velit. De leges Aelia et Fufia (± 156) regelden de obnuntiatio. Waarschijnlijk bepaalde de lex Aelia, dat zoodanige storing niet slechts door hoogere overheden tegenover lagere, maar ook door overheden van gelijken rang tegenover elkander zou mogen geschieden (zelfs hadden de praetoren als collegae minores de obnuntiatio tegenover de consuls) en door de volkstribunen tegenover alle. Het belangrijke dezer wet lag vooral hierin, dat nu ook volkstribunen elkander in het doordrijven van wetten konden belemmeren; want de wet verklaarde uitdrukkelijk de bovengenoemde verklaring voor eene afdoende obnuntiatio, waaraan onmiddellijk gehoor moest worden gegeven. Ook waren nu de concilia plebis aan de obnuntiatio onderworpen. De lex Fufia bevestigde de lex Aelia en stelde strafbepalingen vast voor het aanwenden der obnuntiatio op dagen voor kiescomitiën bepaald. De lex Clodia (58) hief de bovengenoemde wetten voor de wetgevende comitiën op, doch werd, daar Clodius de obnuntiatio in den wind had geslagen, door velen niet als geldig erkend, hetgeen schromelijke verwarringen veroorzaakte.
Servi, z. servitus.
Servilia (lex) agraria, van den volkstribuun P. Servilius Rullus (63). Zie onder Agrariae leges.
Servilia (lex) de repetundis, van den volkstribuun C. Servilius Glaucia (zie Servilii no. 23). De wet is gemaakt kort voor 111. Ze beoogde een verscherping van de procedure bij crimen repetundarum en een nadere uitwerking van de lex iudiciaria van C. Sempronius Gracchus. O. a. verwierf volgens deze wet een Latinus, die een rom. burger met goeden uitslag van afpersingen aanklaagde, zelf het rom. burgerrecht. Ook werd door deze wet de ampliatio (z. a.) afgeschaft en vervangen door de comperendinatio.
Servilia (lex) iudiciaria van den consul Q. Servilius Caepio van 106 (Servilii no. 15), waarbij de iudicia tusschen senatoren en ridders in gelijke verhouding werden verdeeld.
Servilii, oud geslacht, uit Alba Longa afkomstig. 1) P. Servilius Priscus Structus, consul in 495.--2) Sp. Serv. Priscus Structus, consul in 476.--3) C. Serv. Structus Ahala, magister equitum van den dictator L. Quinctius Cincinnatus (439), doodde Sp. Maelius, die weigerde voor den dictator te verschijnen. Later moest hij hiervoor in ballingschap gaan. Zie Maelii no. 1 en 2.--4) Q. Serv. Priscus Structus veroverde in 435 als dictator Fidenae, waarnaar hij den bijnaam Fidenas kreeg. In 418 was hij opnieuw dictator en overwon toen de Aequers.--5) C. Serv. Structus Axilla was drie jaren achtereen consulairtribuun, 419-417. In 418 was hij magister equitum van no. 4.--6) C. Serv. Structus Ahala, in 408 mag. eq. van den dictator P. Cornelius Rutilus Cossus, was een hevig tegenstander der volkstribunen.--7) Q. Serv. Ahala, dictator in 360, versloeg de Galliërs, die voor Rome waren verschenen.--8) P. Serv. Geminus, consul in 252 en 248, streed, volgens een niet geheel betrouwbaar bericht, voorspoedig op Sicilia tegen de Carthagers. Hij en zijn tweelingbroeder Q. geleken zoo sprekend op elkander, dat zij bijna niet te onderscheiden waren. Hieruit ontstond de familienaam Geminus.--9) Cn. Serv. Geminus, consul in 217, sneuvelde in 216 bij Cannae.--10) C. Serv. (Geminus), volkstribuun in 209, consul in 203, bevrijdde zijn vader, die in 218 bij het stichten eener kolonie door de Bojers krijgsgevangen was gemaakt (zie Lutatii no. 3). In 202 was hij dictator comitiorum habendorum causa.--11) M. Serv. Pulex Geminus, consul in 202, een dapper krijgsman, voerde in 202 en 201 het bevel in Etruria en streed in 181 tegen de Liguriërs.--12) Cn. Serv. Caepio was consul in 203, tegelijk met no. 10.--13) Cn. Serv. Caepio, consul in 169, had drie zoons, die het consulaat hebben bekleed. De oudste ging door adoptie in de gens Fabia over, zie Fabii no. 19.--14) Cn. Serv. Caepio, ook een zoon van no. 13, consul in 141, was in 125 een gestreng censor.--15) Q. Serv. Caepio, zoon van no. 14, consul in 106 (zie lex Servilia iudiciaria), werd in 105 als proconsul door de Cimbren bij Arausio verslagen. In 95 werd hij wegens wangedrag in dien oorlog en onwettige plundering (men beschuldigde hem namelijk, de tempelschatten van Tolosa (z. a.) verduisterd te hebben), aangeklaagd en tot verbanning veroordeeld, terwijl zijne bezittingen verbeurd verklaard en gerechtelijk verkocht werden. Z. Norbani no. 1.--16) Q. Serv. Caepio, derde zoon van no. 13, consul in 140, verbrak het verdrag, dat zijn broeder Q. Fabius Maximus Servilianus (Fabii no. 19) met de Lusitaniërs gesloten had, en bewerkte dat Viriathus door sluipmoord werd omgebracht.--17) Q. Serv. Caepio, kleinzoon van no. 16, was een heftig tegenstander van L. Appuleius Saturninus (100), en ook van M. Livius Drusus (91), toen deze den ridderstand de iudicia poogde te ontrukken. In den marsischen oorlog lokte Pompaedius Silo hem in eene hinderlaag, waar hij sneuvelde.--18) Q. Serv. Caepio, zoon van no. 17, stierf nog jong in Asia. Hij nam zijn zusterszoon M. Iunius Brutus (Iunii no. 9) als zoon aan, die hiernaar soms Q. Caepio Brutus wordt genoemd.--19) Servilia, dochter van no. 17, was gehuwd met M. Iunius Brutus, den vader van Caesars moordenaar. Zij was eene stiefzuster van Cato van Utica, en stond bekend als eene zeer schrandere, ontwikkelde vrouw, wier invloed in staatszaken niet gering was. Eene zuster van haar was gehuwd met L. Licinius Lucullus.--20) P. Serv. Vatia, consul in 79, tuchtigde in 78 en 77 de cilicische en lycische zeeroovers op eene nadrukkelijke wijze, drong vervolgens in den Taurus door, beoorloogde de Isauriërs (76) en verwierf zoo den bijnaam Isauricus.--21) P. Serv. Vatia Isauricus, zoon van no. 20, in 48 Caesars medeconsul, een zachtzinnig man, sloot zich na Caesars dood bij Cicero aan tegen Antonius.--22) P. Serv. Casca, volkstribuun in 43, bracht aan Caesar den eersten dolkstoot toe en werd daarbij zelf door Caesar met een schrijfstift aan de hand gewond. Zijn broeder C. Serv. Casca, behoorde wel tot de saamgezworenen, doch niet rechtstreeks tot de moordenaars.--23) C. Serv. Glaucia, tribunus plebis kort voor 111 (z. Servilia (lex) de repetundis), praetor in 100, een slecht, beginselloos mensch, zeer geslepen, bevorderde de plannen van Marius en Saturninus en werd met Saturninus om het leven gebracht.--24) P. Serv. Globulus, vriend van Cicero, volkstribuun (66) en later praetor in Asia.--25) P. Serv. Rullus, volkstribuun in 63; zie onder Agrariae (leges): lex Servilia agraria.
Servitus, 1) servituut, in den regel zakelijke rechten, die men op eens anders grond of erf heeft en waarvoor zoodanig erf dienstbaar is. Men onderscheidde ze in servitutes praediorum rusticorum, die op landerijen rustten, en servitutes praediorum urbanorum, op gebouwde eigendommen. Tot de eerste, die res mancipi (z. a.) zijn, behoorden: actus, het recht om vee over eens anders land te drijven, iter, het recht te voet of op een rijdier over eens anders grond te gaan, via, er met een voertuig over te rijden, aquaeductus, het recht om over vreemden grond water te leiden. Het servituut van via sloot dat van actus en iter in, bij via was een bepaalde rijweg aangewezen. Onder de tweede soort worden o. a. vermeld: ius tigni immittendi, het recht om balken in 's buurmans muren te leggen, ius proiiciendi, het recht om een bovenbouw over eens anders grond te laten uitspringen, ius stillicidii en fluminis, het recht van afvoer van regen- en ander water, ius luminum, het recht om licht te ontvangen zonder dat de buurman dit mag betimmeren. Servitutes personarum zijn diensten waartoe een bepaald persoon krachtens overeenkomst is verplicht.--2) toestand van slavernij. Volgens het rom. recht is diegene slaaf, qui iustam servitutem servit. Hij was wel een mensch, doch geen persoon, slechts eene res, die zijn meester toebehoort. Men werd slaaf door geboorte of door verlies zijner vrijheid, in het laatste geval door krijgsgevangenschap of door de capitis deminutio maxima (vgl. verna, ius postliminii en capitis deminutio). De eigenaar was onbeperkt heer en meester over zijne slaven; slechts kon eene al te wreede behandeling door de censoren bestraft worden; onder de keizers kwam hierin verandering. Vrijverklaring heette manumissio (z. a). Servi publici waren slaven in dienst van den staat. Zie ook Douleia.--3) servitus poenae, eerst onder de keizers in zwang gekomen voor personae humiles, die veroordeeld werden ad opus publicum, tot dwangarbeid bij openbare werken, ad metalla, tot dwangarbeid, in de mijnen, steengroeven en dgl., ad bestias, om in het amphitheater tegen de wilde dieren te vechten.
Servius, 1) rom. vóórnaam, vooral in de gens Sulpicia voorkomende, zoodat men wel eens Servii = Sulpicii gebruikt vindt.--2) Servius Clodius (Claudius), romeinsch ridder, een man van groote geleerdheid; hij was een ijverig taalkundige en maakte vooral studie van Plautus. Hij bezat een uitgebreide bibliotheek, die na zijn dood door zijn bloedverwant L. Papirius Paetus (Papirii no. 14) aan Cicero ten geschenke werd gegeven. Hij was een schoonzoon van L. Aelius Stilo Praeconinus (Aelii no. 7).--3) Servius Maurus Honoratus, taalgeleerde op het einde der 4de eeuw na C., gaf te Rome onderwijs in grammatica en rhetorica en heeft ons o. a. een uitvoerigen commentaar op Vergilius nagelaten, met een schat van oudheidkundige en mythologische ophelderingen en tal van fragmenten uit thans verloren geschriften van verschillende schrijvers.
Servius Tullius, zesde koning van Rome. Volgens de overlevering was hij de zoon eener slavin Ocrisia, eene krijgsgevangene uit de latijnsche stad Corniculum, en was hij in het paleis van Tarquinius Priscus te Rome geboren. Eens zagen Tarq. en diens gemalin Tanaquil het hoofd van den slapenden knaap door een stralenden lichtkrans omgeven en daarop namen zij hem als kind aan. Hij wies op als een edel jongeling, de lieveling van goden en menschen, hij huwde 's konings dochter en werd na diens dood door het overleg van Tanaquil zijn opvolger. In een nog bewaard fragment eener redevoering van keizer Claudius wordt een ander verhaal medegedeeld, uit etrurische bron geput. Onder de regeering van Tarquinius Priscus zou een Etruscer, met name Mastarna, een aanhanger van Caeles Vibenna, met eene schaar uitgewekenen naar Rome zijn gekomen en zich op den Caelischen berg hebben neergezet en vervolgens zijn naam tegen dien van Servius Tullius verwisseld hebben.--Na zijne troonsbeklimming trad S. T. spoedig als hervormer op. Vooreerst trok hij drie heuvels binnen den kring der stad, n.l. den Quirinalis, den Esquilinus en den Viminalis, en omringde nu het geheel door een kolossalen muur. Wat in verschillende deelen van Rome nog over is van den zoogenaamden agger Servii Tullii behoort tot twee bouwperioden; de oudste muurbrokken zijn waarschijnlijk uit de 6de eeuw, de jongere gedeelten uit den tijd der samnietische oorlogen. Hij verdeelde vervolgens het terrein binnen de stad in 4 wijken of tribus (z. a.) en het omliggende gebied in een zeker aantal regiones, ook meestal tribus (rusticae) genoemd. Ten tweede bracht hij een verbond tot stand tusschen Rome en Latium, met een bondsheiligdom, den Diana-tempel op den Aventinus. Ten derde maakte hij eene nieuwe indeeling van het volk, op timocratisch beginsel berustende, in klassen en centuriën (zie centuria), zonder dat daarbij op afkomst werd gelet. Zoo ontstonden de comitia centuriata. De patriciërs waren den hervormingsgezinden koning moede, die al te zeer naar de zijde der plebejers overhelde. Er vormde zich eene samenzwering, aan welker hoofd 's konings schoonzoon L. Tarquinius stond, en S. T. werd na eene 43-jarige regeering (578-535) vermoord. Zoo luidt de overlevering; in hoeverre in deze verhalen waarheid schuilt, is niet meer na te gaan.
Sesamus, stad in Paphlagonia, zie Amastris no. 2.
Sesos(tr)is, Sesos(tr)is, naam, door de Grieken aan Ramses II (z. a.) gegeven.
Sessa Aurunca = Suessa Aurunca.
Sestertius, voor Semistertius, derdehalf = 2 1/2 as, de meest algemeene zilvermunt en de algemeene rekenmunt bij de Rom. In het schrijven werd hij aangeduid door LLS (libra libra semis), later IIS of HS. Het dwarsstreepje is slechts een verbindingsstreepje. Bij de munthervorming in 217 (zie as) werd de waarde van den sestertius op 4 as bepaald. Eigenlijk is sestertius een adjectief en is de volledige naam nummus sestertius; vandaar wordt ook meermalen alleen het woord nummus gebezigd. Eene som van 1000 sestertiën, mille sestertium (= sestertiorum) werd kortweg sestertium geheeten, waaruit zich een nieuw onzijdig substantief vormde, d.v. decem sestertia = 10000 sestertiën. Bij de veelvouden van 100000 echter bleef sestertium als onverbuigbaar woord staan met een multiplicatief telwoord. Zoo is dan b.v. eene som van quingenti sestertii = 500 sestertiën, quingenta sestertia = 500 × 1000 sestertiën, quinquies sestertium = 5 × 100000 sestertiën. Wanneer echter geldsommen geschreven worden met cijfers en het teeken HS (dat voor al de drie beteekenissen geldt), moet men uit den zin de bedoeling afleiden. Een liggend streepje boven de cijfers b.v. CC duidt aan, dat men het getal met 1000 moet vermenigvuldigen; staan de cijfers tusschen drie streepjes (twee staande rechts en links, en één liggend van boven, b.v. |CC|), dan worden honderdduizenden bedoeld. Die streepjes worden echter niet altijd geschreven.
Sestii = Sextii.
Sestinum, stad in het umbrische bergland, aan den N.O. kant der Apennijnen.
Sestus, Sestos, stad op de thracische Chersonesus aan den Hellespont, tegenover Abydus. Nabij deze plaatsen sloeg Xerxes eene schipbrug over de zeeëngte. Te Sestus woonde Hero (zie Leander).
Sesubii = Esubii.
Setabis = Saetabis.
Setia, Setia, stad in Latium, ten Z.O. van Rome met belangrijken wijnbouw. Het hoorde oorspronkelijk tot den latijnschen bond, kwam later onder de Volscen, maar werd in 382 of 379 latijnsche kolonie.
Seuthes, Seuthes, 1) koning der odrysische Thraciërs, opvolger van Sitalces.--2) zoon van Maesades, trachtte het gebied waaruit zijn vader verdreven was, door de hulp der 10.000 Grieken onder Xenophon te heroveren.
Severi. Vier rom. keizers hebben dezen naam gedragen. 1) L. Septimius Severus, rom. keizer 193-211 na C., geb. te Leptis in Africa, was onder Marcus Aurelius en Commodus achtereenvolgens stadhouder in Gallia en Pannonia. Na den dood van Pertinax werd hij door zijne legioenen te Carnuntum (aan den Donau) tot keizer uitgeroepen. Terstond trok hij naar Rome op, waar zijn mededinger Didius Iulianus, die de regeering van de praetorianen gekocht had, bij zijne nadering werd vermoord. Hierop trok hij naar het O. op tegen zijn tweeden mededinger Pescennius Niger, die bij Cyzicus, Nicaea en Issus verslagen werd (194), en veroverde na een langdurig beleg Byzantium (196). De derde mededinger was Clodius Albinus, veldheer in Britannia, die reeds op marsch naar Italië was, maar bij Lugdunum (Lyon) verslagen en op de vlucht gedood werd (197). Aldus meester van het rijk geworden, zuiverde hij den rom. senaat, richtte eene nieuwe lijfwacht op (de oude had hij reeds na den dood van Iulianus ontbonden), en voerde een streng militair despotisme, eene soldatenregeering, in. Daarna trok hij tegen de Parthen te velde, veroverde en vernietigde hunne hoofdstad Ctesiphon (198) en keerde in 202 naar Rome terug, dat hij met prachtige bouwwerken verfraaide, terwijl hij zich beijverde, door een wijs en gematigd bestuur de herinnering aan zijne vroegere gestrengheid uit te wissen. In 208 trok hij met zijn beide zoons Caracalla en Geta naar Britannia, waar hij den bestaanden wal tegen de Caledoniërs door een sterken muur verving (zie Britannia). Hij stierf in 211 te Eboracum.--2) M. Aurelius Severus Alexander, geboren te Arca Caesarea in Phoenicia, werd door zijn neef, keizer Heliogabalus (z. a.), als zoon aangenomen, bij welke gelegenheid zijn eigenlijke naam Alexianus in Alexander veranderd werd (221 n. C.). Spoedig echter haalde de genegenheid van het leger hem den haat van den tyran op den hals, die hem herhaaldelijk zocht te vermoorden, tot hij zelf door de woedende soldaten werd omgebracht (222), waarop Alex. Sev., 13 jaar oud, doch zorgvuldig onderwezen en opgevoed onder de leiding zijner voortreffelijke moeder Julia Mammaea en zijner brave grootmoeder Julia Maesa, door senaat, volk en leger als keizer werd erkend. Hij verhoogde het aanzien en de macht van den senaat. Hij trachtte het binnenlandsch beheer te verbeteren en de uitspattingen van den door Heliogabalus ingevoerden syrischen eeredienst tegen te gaan, doch hij wilde ook de verslapte krijgstucht herstellen, hetgeen oorzaak was, dat zijn staatsdienaar Ulpianus in 228 voor zijne oogen werd vermoord. In 232 voerde hij oorlog tegen den nieuw-perzischen koning Artaxerxes I; in 234 trok hij op tegen de Germanen, die over den Rijn stroopten, doch hij werd in een soldatenoproer met zijne moeder vermoord, waarop Maximinus tot keizer werd uitgeroepen.--3) Flavius Valerius Severus, een Illyriër, werd in 305 na C. door Galerius tot Caesar benoemd en in 306 tot Augustus, doch in den strijd tegen Maxentius werd hij in 307 door zijne troepen verlaten en te Ravenna vermoord.--4) Libius Severus, rom. keizer 461-465 na C., door Ricimer (z. a.) op den troon gezet.
Severi. 1) Cornelius Severus, episch dichter, vriend van Ovidius.--2) Iulius Severus, generaal van keizer Hadrianus in den oorlog tegen de Joden, die onder leiding van Bar-Kochba waren opgestaan (132-134 n. C.), zie Hadrianus; later was hij stadhouder van Syria Palaestina.--3) Sulpicius Severus, omstreeks 400 na C., een Christen, schreef eene historia sacra van de schepping tot op zijn tijd.
Severiana (via), van Ostia over Antium naar Tarracina.
Severus mons, rots in het Sabijnsche land op de grenzen van Picenum.
Sevir of Sexvir, meest VIvir of IiiiiIvir geschreven, lid van een college van 6 leden. 1) aanvoerder van de equites Romani equo publico, in den keizertijd; ze worden voor een jaar benoemd; het eerst komen ze voor tijdens keizer Augustus (2 v. C.).--2) lid van het bestuur der Augustales in de municipiën; zie municipium.
Sevo mons = Saevo mons.
Sextans = 2 unciae = 1/6 as.
Sextarius, rom. maat, iets meer dan een halve liter, het 1/48 deel eener amphora, het 1/16 van een congius.
Sextia (rogatio) van P. Sextius in 57, tot terugroeping van Cicero uit de ballingschap, kwam niet in behandeling.
Sextii of Sestii, dezelfde naam, hoewel men soms de eene schrijfwijze hoven de andere ziet voorgetrokken. 1) P. Sestius Capitolinus (v. a. Capito) Vaticanus, consul in 452 (z. Menenia Sestia (lex)) en in 451 een der decemviri legibus scribundis.--2) L. Sextius Sextinus Lateranus, in 366 de eerste consul uit de plebs ten gevolge der Lex Licinia Sextia, waartoe hij zelf had medegewerkt. Zie Licinii no. 4.--3) C. Sextius Calvinus, consul in 124, voerde voorspoedig oorlog in Gallia Transalpina en stichtte de badplaats Aquae Sextiae (Aix).--4) T. Sextius diende van af 54 als legaat onder Caesar in Gallia. Later ontnam hij in dienst van Octavianus, de provincie Africa aan Q. Cornificius, die in den strijd sneuvelde (42). Na den slag bij Philippi moest hij Numidia afstaan aan den legaat van Octavianus, C. Fuficius Fango, maar veroverde het weer na den Perusijnschen oorlog. In 40 gaf hij de provincie en zijn troepen over aan Lepidus.--5) P. Sextius of Sestius, quaestor in 63, zuiverde Campania van de Catilinarii, dwong den consul C. Antonius aan Catilina slag te leveren, hetgeen Ant. evenwel door zijn legaat Petreius liet doen, en schaarde zich als volkstribuun in 57 geheel aan de zijde van Cicero. Door zijn vijand P. Clodius werd hij in 56 van geweldenarij en omkooping aangeklaagd doch door Cicero verdedigd en vrijgepleit. Bij het begin van den burgeroorlog volgde hij Pompeius en ging eerst later tot Caesar over.--6) L. Sestius, zoon van no. 5, volgde na Caesar's dood eerst de vanen van Brutus, doch werd niettemin in 23 door Augustus tot consul suffectus benoemd. Aan hem is gericht Horatius' ode I. 4.--7) Q. Sextius, een aanzienlijk Romein, een senatorszoon, onder Augustus, om zijne eenvoudige levenswijze zeer geacht, stichtte te Rome eene wijsgeerige school vermoedelijk op stoicijnsche en pythagoreïsche beginselen. Hij schreef in het Grieksch. Ten onrechte neemt men wel eens aan, dat een verzameling spreuken van een zekeren Sextus, die later in het Latijn vertaald is, maar waarvan het origineel in 1880 teruggevonden is, van hem afkomstig is. Dit is het werk van een Christen uit de 2de of 3de eeuw. Na Sextius trad zijn zoon als hoofd der school op, daarna geraakte zij spoedig in verval.
Sextilii, een rom. geslacht, dat geen mannen van beteekenis heeft opgeleverd. 1) P. Sextilius (v. a. Sextius), propraetor van Africa, verjoeg den als balling ronddolenden Marius uit zijne provincie.--2) C. Sextilius Rufus, admiraal van Cassius in 43.--3) Sextilia, moeder van keizer A. Vitellius, eene vrouw van strenge, oud-romeinsche zeden.
Sextilis, vroegere naam der maand Augustus.
Sextula = 1/6 uncia = 1/72 as.
Sextus Empiricus, arts en sceptisch wijsgeer omstreeks 200 n. C. Van zijne werken zijn bewaard gebleven Pyrroneiai hypotyposeis, eene uiteenzetting van de leer van Pyrrho en Pros tous mathematikous, waarin hij bezwaren ontwikkelt tegen de grondstellingen van iedere wetenschap en ieder wijsgeerig stelsel.
Sibuzates, volksstam in Aquitania, bij het tegenw. Sobousse aan den Adour.
Sibylla, Sibylla, een geheimzinnig vrouwelijk wezen, dat in verschillende landen en in verschillende tijden voorkomt, in eenzame holen woont en van Apollo de gave der voorspelling heeft. Gewoonlijk nam men aan dat er meer dan ééne S. was, in latere tijden sprak men van tien. De meest bekende is de S. van Cumae, die onder verschillende namen voorkomt (Herophile, Demophile, Demo, Deïphobe, Amalthea), uit Azië naar Italië kwam, zeer oud was en reeds aan Aeneas de toekomst voorspelde. Eene verzameling van hare profetieën, in het Grieksch opgesteld, werd door Tarquinius Priscus voor eene groote som gelds gekocht. De verzameling, libri Sibyllini genoemd, werd bewaard door IIviri (sedert 367 Xviri, sedert Sulla XVviri) sacrorum of sacris faciundis, die in buitengewone omstandigheden, vooral bij prodigia, van den senaat bevel kregen de boeken te raadplegen (adire libros). Vooral door den invloed van deze boeken werd de rom. godsdienst met vele grieksche elementen vermengd. Toen zij bij den brand van het Capitolium (83) verloren gingen, werden overal sibyllijnsche orakels opgezocht, en eene nieuwe verzameling aangelegd, waaruit echter onder Augustus en Tiberius een aantal als onecht verwijderd werden. De sibyllijnsche boeken behielden lang hun invloed en zelfs de oudste Christenen ontzeiden hun niet alle gezag, eerst onder Stilicho werden zij verbrand.--De nu nog bestaande Chresmoi Sibylliakoi zijn van verschillende tijden en uiteenloopenden inhoud, grootendeels bevatten zij als profetieën ingekleede historische verhalen.
Sibyrtius, Sibyrtios, onder en na Alexander d. Gr. satraap van Arachosië en Gedrosië, later verbond hij zich met Eumenes, dien hij echter verliet om tot Antigonus over te gaan.
Sycambri = Sygambri.
Sicania, Sicani, Sicanus, zie Sicilia.
Sicanus, Sikanos, een van de strategen van Syracuse in den atheenschen oorlog.
Sicca, de vriend van Cicero, op wiens landgoed hij in zijn ballingschap een schuilplaats vond.
Sicca Veneria, Sikka, aanzienlijke stad in Numidia ten O. van den Muthul; het behoort later tot Africa Vetus (Zeugitana).
Siccii, zie Sicinii.
Sichaeus, z. Dido.
Sicilia, Sikelia, het bekende eiland Sicilië bij Italië. In den mythischen tijd was het de woonplaats der Cyclopen en der menschenetende Laestrygonen. In den historischen tijd vindt men als oudste bewoners de Sicani, Sikanoi, vermeld, volgens Thucydides afkomstig uit Iberia, waar zij aan de boorden eener rivier Sicanus, Sikanos, later Sucro geheeten, zouden gewoond hebben, hetgeen tegenwoordig op taalkundige gronden wordt tegengesproken. Later vindt men hen slechts in de westelijke helft, terwijl het oostelijk gedeelte bevolkt is door Siculi, Sikeloi, een door de Oscers uit Italia verdreven volk. Niet onwaarschijnlijk is het, dat Sicani en Siculi tot één stam behooren, die met de Latijnen verwant is. De grens tusschen beide stammen is de rivier de Himera. In den Westhoek vindt men nog een klein gebied bezet door Elemi, Elymoi, die over zee waren gekomen. De mythe laat deze Elymers afstammen van Trojanen (zie Elymus), doch de namen hunner steden Segesta, Entella, worden op de oostligurische kust ook aangetroffen, terwijl met Eryx en den Venusdienst de haven portus Veneris in Liguria overeenkomt. Op de kusten van het zoo vruchtbare en uitstekend gelegen eiland vestigden zich een aantal volkplantingen: phoenicische, carthaagsche, ionische en dorische. De afstammelingen der grieksche kolonisten noemden zich Sikeliotai. Naar de drie meest vooruitspringende kapen, Lilybaeum ten W., Pelorum ten N.O., Pachynum ten Z., wordt het eiland bij dichters ook Trinacria, Trinakria, geheeten, ook Sicania is een dichterlijke naam. Terwijl het W. gedeelte in de macht der Carthagers kwam, breidde de machtige stad Syracuse haar gezag over het O. deel uit. Beide mogendheden streefden naar het bezit van het geheele eiland en bloedige worstelingen waren hiervan het gevolg. In den eersten punischen oorlog verloor Carthago zijn deel aan de Rom.; West-Sicilia werd toen de eerste rom. provincie (241), het overige bleef syracusaansch tot aan den val van Syracuse in 212. Beide deelen bleven, ofschoon één stadhouder hebbende, onder rom. bestuur toch in zooverre administratief gescheiden, dat zij elk een afzonderlijken quaestor hadden (één te Lilybaeum en één te Syracuse), en dat in het syracusaansche gedeelte de tiendregeling in stand bleef, zooals deze door koning Hiero II (260-215) was vastgesteld (lex Hieronica frumentaria). De gemeenten in dit gedeelte werden civitates decumanae genoemd en hare korentienden werden op het eiland zelf verpacht; de gemeenten in het vroegere carthaagsche gedeelte, waarvan de tienden te Rome met andere vectigalia door de censoren verpacht werden, heetten civitates censoriae. In Cicero's tijd waren Messana, Tauromenium en Netum civitates foederatae, Centuripae, Halesa, Segesta, Panormus en Halicyae civitates liberae et immunes. Van de verschillende civitates, 63 in getal, hadden alleen de burgers van Centuripae recht van grondbezit over het geheele eiland. Sicilia was door zijn graanbouw van groote waarde voor de Rom., die er jaarlijks ontzaggelijke hoeveelheden koren uit trokken; terecht was het aan Demeter geheiligd; thans is door de onverschilligheid der latere bevolking de toestand geheel anders geworden. Berucht zijn de afpersingen, door C. Verres gepleegd (73-71) en reeds van dit tijdstip af openbaart zich bij de bevolking een zekere onwil, om verder hunne akkers te bebouwen en zich te laten uitmergelen. Sicilia heeft een aantal beroemde mannen voortgebracht, o.a., Theocritus, tijdgenoot van Hiero II en den vader der bucolische poëzie. Bij Vergilius is Siculus pastor = Theocritus, Sicelides Musae = de Muzen van het herdersdicht.--De zee ten O. van het eiland heette mare Siculum; door sommigen werd zij als een gedeelte der ionische zee beschouwd, v. a. strekte zij zich tot Creta uit.
Sicinii. 1) T. Sic. Sabinus, consul in 487, zegepraalde over de Volscen.--2) C. Sic. Bellutus voerde het volk in 494 naar den Mons Sacer en werd een der eerste volkstribunen (493).--3) C. Sicinius of Siccius was onder de eerste volkstribunen, die krachtens de lex Publilia Voleronis (471) door de plebs tributim werden gekozen. In het volgende jaar klaagde hij met M. Duilius den trotschen App. Claudius Sabinus, consul in 471, aan; deze stierf echter vóór den afloop van het proces. Het verhaal van dit proces en van Claudius' dood is geheel verzonnen. Zie Claudii no. 2.--4) L. Sic. of Siccius Dentatus, bijgenaamd de rom. Achilles, een man die door zijne schitterende wapenfeiten meer dan 300 militaire onderscheidingen had verworven, 120 gevechten had bijgewoond en 45 wonden in de borst had gekregen, volkstribuun in 454, was een warm strijder voor de rechten der plebejers. In 450 lieten de tienmannen hem in den oorlog tegen de Aequers in eene hinderlaag vallen, waar hij sneuvelde. Dit verhaal is verzonnen, met het doel de tienmannen van het jaar 450 als tyrannen voor te stellen.--5) Cn. Sicinius, praetor in 183, werd in 172 met een leger naar Macedonia gezonden.--6) C. Sicinius, door Cicero onder de goede redenaars gerangschikt, overigens niet nader bekend.--7) Cn. Sicinius, volkstribuun in 76, wendde vergeefsche pogingen aan om de macht van het tribunaat te herstellen. Zijne vijanden wisten hem uit den weg te ruimen.
Sicinnis, sikin(n)is, de dans van het satyrdrama.
Sicinus, Sikinos, eiland der Sporaden, ten Z. van de Cycladengroep gelegen en om zijn wijnbouw vroeger Oenoë genoemd.
Sicoris, Sikoris, thans Segre, zijtak van den Iberus (Ebro), stroomt langs Ilerda (Lerida).
Siculi, Sikeloi, zie Sicilia.
Siculum fretum, thans straat van Messina. Zie ook Scylla.
Siculus. 1) Calpurnius Siculus, bucolisch dichter uit Nero's tijd, schrijver van 7 Eclogae.--2) Siculus Flaccus, rom. landmeter uit de 2de eeuw na C., schrijver van een werkje de condicionibus agrorum, z. Groma.--3) Diodorus Siculus, zie Diodorus no. 3.
Sicyon, Sikyon = augurkenstad, hoofdstad van het kleine peloponnesische gewest Sicyonia, Sikyonia, aan den Z.O. hoek der Corinthische golf gelegen. Volgens de overlevering was na Argos Sicyon de oudste staat van Griekenland. Bij de dorische volksverhuizing kwam het onder de Doriërs, in wier bezit het bleef. Het staatje, dat te onbeduidend was om eenig gewicht in de schaal te leggen, stond van ± 670 tot 576 onder de zeer dragelijke heerschappij der Orthagoriden, wier laatste telg Clisthenes was, de schoonvader van den Athener Megacles. Hierna werd de regeeringsvorm een tijd lang democratisch, totdat er onder den invloed van Sparta weder tyrannen kwamen. Eerst sedert 249 vervulde Sicyon weder eene rol (zie Aratus) als lid van het achaeisch verbond. Onder rom. heerschappij verviel het meer en meer.--De sicyonische schilderschool (Eupompus, Pamphilus, Pausias) kenmerkte zich door wetenschappelijke behandeling. De beeldhouwschool legde zich minder toe op het scheppen van godenbeelden, dan van schoone menschenfiguren. Onder de sicyonische beeldhouwers zijn vooral beroemd Polycletus (z. a.) en Lysippus (z. a.), die ook een kundig metaalgieter was.
Sida, Side, Side, 1) aeolische kolonie op de kust van Pamphylia, hoofdzetel van den dienst van Athena, die er werd afgebeeld met een granaatappel (side) in de hand. De bevolking is grootendeels van phoenicischen oorsprong.--2) havenstad in Pontus, later Polemonium (z. a.).--3) vroeg vervallen stadje aan de Z.O. spits van Laconica.
Sidero, Sidero, tweede gemalin van Salmoneus, wreede stiefmoeder van Tyro, door wier zonen Neleus en Pelias zij gedood werd.
Sidicini, een oscische volksstam in Campania (z.a.); hun stad heet Teanum Sidicinum.
Sidon, Sidon, de oudste en lang de machtigste der phoenicische steden, eene sterke vesting met een dubbele haven. Door handel, zeevaart, kunst en nijverheid en door het uitzenden van talrijke volkplantingen verhief Sidon zich tot een hoogen trap van bloei, totdat het door het jongere Tyrus overschaduwd werd. De sidonische schepen waren uitstekende zeilers, de sidonische zeelieden in hun tijd de beste der wereld. De nijverheid bloeide vooral door glasfabrieken en door de weverijen, waar de kostbare sidonische gewaden werden vervaardigd. Van oudsher stond Sidon onder erfelijke koningen, die ook onder de perzische en de macedonische opperheerschappij aan het bewind bleven. In 675 was Sidon door Assarhaddon van Niniveh vernietigd, maar als assyrische kolonie weer opgebouwd. Sedert de 5de eeuw begint de grieksche invloed er door te dringen. De 17 sarkophagen van de koningen van Sidon, die in 1887 terug gevonden zijn, en zich nu in het Museum te Constantinopel bevinden, zijn door grieksche kunstenaars van den eersten rang vervaardigd. De verwoesting door den perzischen koning Artaxerxes III Ochus (± 350), tot straf voor haren afval, bracht aan de stad een onherstelbaren slag toe.
Sidonius Apollinaris, voluit C. Sollius Apollinaris Modestus Sidonius, in 428 na C. te Lugdunum (Lyon) geboren, bisschop van Clermont, schrijver eener verzameling brieven en van enkele gedichten in vrij gezwollen stijl, doch belangrijk voor de kennis van zijn tijd.
Sidus, Sidous = granaatappelstad, sterke vesting in Corinthia, ten O. van Corinthus.
Sidussa, Sidoussa, vlek in Lydia in het gebied der ionische stad Erythrae.
Siga, Siga, handelsstad en rom. municipium op de kust van Mauretania Caesariensis.
Sigambri = Sygambri.
Sigeum, Sigeion, kaap en stad in Troas, iets ten zuiden der invaart van den Hellespont. In de nabijheid was het graf van Achilles.
Sigillaria (van sigillum, deminutief van signum), het beeldjesfeest, te Rome op 21 en 22 Dec. gevierd. Men gaf godenbeeldjes ten geschenke, uit klei gebakken of uit metaal vervaardigd. Ook werden bontgekleurde kaarsen en gebak in verschillende vormen weggegeven. Het schijnt vooral een kinderfeest te zijn geweest. Er was te Rome eene beeldjesstraat, via sigillaria, waar men winkels van zulke beeldjes had. Het feest hing met de Saturnalia (z. a.) samen.
Sigma, eene sofa in den vorm van een hoefijzer, aldus genoemd naar den ouden vorm der grieksche letter, C. Dit sigma of stibadium kwam in gebruik, toen de vierkante tafels door de ronde werden verdrongen. Vgl. triclinium.
Signia, thans Segni, stad in Latium aan den Oostkant der volscische bergen, door Tarquinius Superbus gesticht en bekend door een tempel van Jupiter Urius, door hard cement (opus Signinum), lekkere peren en wrangen wijn. Van de cyclopische muren bestaan nog overblijfselen.
Signum. Onder de verschillende beteekenissen van dit woord zijn er vier, die hier behooren vermeld te worden, 1) beeld eener godheid, nooit van een mensch, daar van menschenbeelden het woord statua wordt gebezigd.--2) onderscheidingsteekenen van de verschillende afdeelingen van het leger te velde, standaarden, waarvan de hierbij gevoegde gravure er eenige te aanschouwen geeft. Vóór Marius hadden de drie afdeelingen van het rom. voetvolk verschillende standaarden, een wolf, een minotaurus, een everzwijn en een paard, terwijl een adelaar met uitgespreide vlerken de standaard van het legioen was. Marius schafte de genoemde bijzondere standaarden af en behield alleen den legioensadelaar. Doch naast den standaard had nog elke manipel zijn bijzonder onderscheidingsteeken, bestaande in een geopende hand boven op een lans bevestigd, terwijl de cohorte waarschijnlijk de afbeelding van een of ander dier voerde. De stok is versierd met kransen en kronen (zie corona), waarschijnlijk in den strijd verworven. Bij den legioensadelaar evenwel ontbreken v. s. deze sieraden; hoogstens vindt men dezen dan getooid met een vexillum, een lap doek. Het vexillum, vaandel, behoort vooral bij de ruiterij te huis. Verder ziet men onder de signa ook een paar angues of dracones. In de legerplaats werd vóór het praetorium eene verhooging van zoden of aarde aangebracht, en daarin werden de legioenstandaarden in den grond geplant. Het uittrekken er van was het sein tot den marsch. Zat de stok zeer vast in den grond, zoodat de vaandeldrager, signifer, hem slechts met groote moeite er uit kon trekken, dan gold dit voor een slecht voorteeken. Aan de onderscheidingsteekenen te velde zijn verschillende zegswijzen ontleend, als: signa in hostem inferre = op den vijand aanrukken, signa conferre = handgemeen worden, slaags raken, signa proferre = voorwaarts rukken, signa referre = zich terugtrekken, signa transferre = zich overgeven, signa movere = opbreken, signa figere = zijn leger opslaan, e. a.--3) Zie auguria.--4) In de 3de en 4de eeuw na Christus een soort clubnaam. Zie onder nomen.
Sigrium, Sigrion, kaap aan de Westkust van het eiland Lesbus.
Sigynnes, Sigynnes, een half mythisch volk, volgens Herodotus ten N. van den Ister (Donau) woonachtig. Sommigen willen hierin de voorvaderen der Zigeuners zien.
Sila, Sila, boschrijk gebergte in Bruttium, een deel der Apennijnen, dat het beroemde bruttische pek opleverde.
Silanion, Silanion, beroemd beeldgieter te Athene, tijdgenoot van Alexander d. Gr.
Silanus, familienaam bij de Iunii (Iunii no. 14-20) en de Turpilii.
Silarus, Silaros, 1) grensrivier tusschen Campania en Lucania, valt bij den mons Alburnus ten N. van Paestum in zee. Aan den Silarus werd de zwaardvechtersveldheer Spartacus in 72 door Crassus verslagen.--2) rivier in Gallia Cispadana, die ten O. van Bononia (Bologna) naar den zuider Po-arm stroomt.--Beide rivieren heeten thans nog Silaro.
Silenus, Seilenos, zoon van Hermes of Pan en eene nimf, de leermeester, opvoeder en trouwe metgezel van Dionysus, de oudste der Satyrs. Hij wordt afgebeeld als een vroolijk, oudachtig mannetje met stompen neus, kaal hoofd en buitengewoon dikken buik. Hij houdt van zang en muziek, maar vooral van wijn, steeds is hij in een roes, zoodat hij gewoonlijk op een ezel moet rijden of zich door andere Satyrs moet laten ondersteunen, daar zijne beenen slechts zelden in staat zijn hem te dragen. Zijne attributen zijn een wijnzak, beker, thyrsusstaf en krans van klimop.--Onder den invloed der mysteriën kreeg ook S. eene hoogere beteekenis. Als leermeester van Dionysus werd hij beschouwd als een wijze en profeet, ver verheven boven het ijdele streven der gewone menschen, en werd hij ook op geheel andere wijze afgebeeld.--Soms worden alle oudere Satyrs Silenus genoemd, ter onderscheiding draagt dan de opvoeder van Dionysus den naam van Papposilenus.
Silicernium, lijkmaal ter eere van een afgestorvene, hetzij op den dag der begrafenis, hetzij eenige dagen later gegeven. Ook als scheldwoord gebezigd = een afgeleefde oude vent, een oude sul.
Silicius Coronas (P.), rom. senator, die in de rechtbank, door Octavianus ingesteld om de moordenaars van Caesar te vonnissen, openlijk ten gunste van die moordenaars, met name van Brutus, het woord voerde en hiervoor later door Octavianus op de proscriptielijsten werd geplaatst.
Silii, plebejisch geslacht. 1) T. Silius diende onder Caesar in Gallia en werd in 56 door de Veneti (op de kust van Bretagne) gevangen gehouden.--2) P. Silius Nerva, in 51 propraetor van Bithynia, een vriend van Cicero.--3) A. Silius, bevriend met Cicero en met Atticus.--4) P. Silius Nerva, consul in 20, was eerst legatus pro praetore van Hispania citerior, en streed daarna voorspoedig tegen de Alpenbewoners, de Norici (16), de Pannoniërs en de Dalmaten.--5) C. Silius, consul in 13 na C., voerde eenige jaren het bevel in Germania en nam deel aan de tochten van Germanicus. Ook onderdrukte hij in 21 den opstand van Sacrovir. Hij laadde echter den argwaan van Tiberius op zich; door dezen van knevelarij beschuldigd, bracht hij zichzelf om het leven (24).--6) C. Silius, zoon van no. 5, werd onder Claudius met den dood gestraft wegens ongeoorloofden omgang met Messalina, 48 na C.--7) Tib. Catius Silius Italicus, rom. dichter en redenaar, 25-100 na C., was in 68 consul en later stadhouder van Asia, en wijdde zich daarna op zijn landgoed aan de letterkunde. Hij schreef een epos, Punica, in 17 boeken, dat in 1415 te St. Gallen ontdekt is en over den tweeden punischen oorlog handelt; het verraadt wel studie, doch weinig genie. Waarschijnlijk is ook aan hem toe te schrijven een uittreksel uit de Ilias in hexameters gedicht, in de M. E. bekend als Homerus latinus of Pindarus Thebanus. Daar Silius aan eene ongeneeslijke kwaal leed, liet hij zich doodhongeren, ten einde van zijn lijden bevrijd te worden.
Silis, beekje in het land der Veneti, dat zich bij Altinum in de Adriatische zee stort.
Silloi, z. Timon no. 2.
Silures, Silyres, machtig en dapper volk in het W. van Britannia, in het Z.O. van het tegenw. Wales, met de steden Isca en Venta. Zij verdedigden zich hardnekkig tegen de Romeinen. Ze zijn donker van gelaatskleur, en hebben krulhaar; ze behooren niet tot de Kelten, maar waarschijnlijk tot de Iberiërs.
Silvanectes, volksstam in Belgica ten Z. der Suessiones. Hoofdstad: Augustomagus, tgw. Senlis.
Silvanus, familienaam in de gens Plautia (Plautii no. 5 en 8).
Silvanus, rom. bosch- en veldgod, beschermer van planten, kudden en van de grenzen der akkers. Hij heeft veel overeenkomst met Pan en Faunus, houdt van muziek, is voor landlieden over het algemeen een weldoend god, jaagt daarentegen gaarne den menschen schrik aan en is daarom vooral voor kraamvrouwen te vreezen (z. Deverra). Te zijner eere vierde men in den herfst een oogstfeest, waarbij men hem de eerstelingen der vruchten, korenaren en melk offerde.
Silvium, stad in Apulia op de lucanische grenzen, aan den weg van Venusia naar Tarentum.
Silvius, zoon of stiefbroeder van Ascanius, volgde hem in de regeering over Alba Longa op; hij was de stamvader der albaansche koningen.
Simbruini colles, heuvelstreek in het Z. van het land der Aequi, later tot Latium behoorende, nabij het land der Marsen, tusschen Sublaqueum en Treba. In de nabijheid lagen de Simbruina stagna, waterbekkens, waarin zich verschillende bronnen en beken ontlastten, die door keizer Claudius gebruikt werden tot voeding der aqua Marcia en door Nero voor zijne schoone villa Sublaquensis. Thans zijn die kommen uitgedroogd, doordat de beken zich een anderen weg gebaand hebben.
Simeni, Simenoi = Iceni.
Simmias, Simmias, 1) van Thebe, leerling van Philolaus, later vriend van Socrates en Plato.--2) zoon van Andromenes, broeder van Polemo no. 1.--3) epigrammendichter in den alexandrijnschen tijd.
Simois, Simoeis, 1) een der beide riviertjes bij Troje; zie Scamander.--2) op Sicilia; zie Egesta.--3) rivier in Epirus, onzeker waar.
Simonides, Simonides, 1) van Amorgus, beroemd jambendichter, jonger tijdgenoot van Archilochus. Van zijne werken bestaan nog eenige fragmenten, waaronder twee vrij lange.--2) van Iulis op Ceos, geb. 556, een van de grootste grieksche lierdichters. Hij leefde eenigen tijd aan het hof van Hipparchus te Athene, daarna in Thessalië bij de Aleuaden en Scopaden (514), vervolgens kwam hij naar Athene terug, waar hij met zijne elegie op de gesneuvelden bij Marathon den prijs behaalde. Zijne laatste levensjaren bracht hij in gezelschap van vele andere voortreffelijke dichters, o. a. Pindarus, bij Hiero te Syracuse door, waar hij in 468 stierf. Hij was een zeer vruchtbaar dichter, vooral een meester in treurzangen en epigrammen; 56 maal behaalde hij in wedstrijden den eersten prijs. Van zijne werken zijn slechts enkele fragmenten bewaard, die door fijn gevoel en schoone taal uitmunten. Hij geldt ook als de uitvinder der herinneringskunst (mnemonike), volgens zijn eigen getuigenis was zijn geheugen op zijn 80ste jaar nog onverzwakt.
Simpulum, een lepel met langen, rechtopstaanden steel, om den wijn over het offer te gieten. Spreekwoord: fluctus excitare in simpulo = veel geschreeuw om weinig wol.
Simpuvium, een offergereedschap, misschien = simpulum.
Sinae, Sinai, zie Serica.
Sinai, Sina, een van de hoogste toppen der Zwarte bergen in het Z. van Arabia Petraea.
Sinda, Sinda, 1) hoofdstad der Sindi, een volk in Sarmatia aan de invaart der Palus Maeotis (zee van Azow).--2) hoofdstad der Sindi of Sindae, een volk op de kust van India extra Gangem, in het tegenw. Achter-Indië.--3) stad in Pisidia.
Sindi, Sindoi, zie Sinda no. 1 en 2.
Sindus, Sindos, stad in Macedonia aan de golf van Terma, ten W. van Therma (Thessalonica).
Singara, ta Singara, vesting in Mesopotamia tusschen den Chaboras en den Euphraat, rom. kolonie. In de oorlogen tusschen keizer Constantius II en Sapores II, koning van Perzië, werd de stad tweemaal (in 348 en 360 n. C.) door Sapores ingenomen, en na den dood van Keizer Iulianus, door Iovianus met vele andere steden voor goed aan Perzië afgestaan (363).
Singidunum, Singidounon, sterke vesting aan de samenvloeiing van den Ister (Donau) en den Savus, thans Belgrado.
Singiticus sinus, golf van Singus (z. a.) tusschen de chalcidische landtongen Acte en Sithonia.
Singulis, linker zijrivier van den Baetis in Baetica.
Singus, Singos, stad op de chalcidische landtong Sithonia.
Sinis, Sinis, zoon van Polypemon of Poseidon, een roover, die op de landengte van Corinthe woonde; hij was gewoon de reizigers die hij beroofd had, aan twee naar elkander toe gebogen pijnboomen vast te binden (Pityokamptes); als hij dan de boomen losliet en zij hun oorspronkelijken stand hernamen, werden de slachtoffers uit elkander gescheurd. Theseus doodde hem op dezelfde wijze.
Sinnius Capito, rom. grammaticus uit den tijd van Augustus.
Sinon, Sinon, zoon van Aesimus of Sisyphus, bloedverwant van Odysseus. Hij liet zich bij den geveinsden aftocht der Grieken door de Trojanen gevangen nemen en overreedde hen, het houten paard in de stad te halen, voorwendende dat het behoud van de stad daarvan afhing. Hij was het ook die 's nachts het paard voor de Grieken opende.
Sinope, Sinope, oudste en voornaamste der grieksche volkplantingen aan den Pontus Euxinus (Zwarte zee), door Miletus op de kust van Paphlagonia gesticht (± 750), in het midden der 7de eeuw verwoest door de Cimmerii (z. a.), en in 632 herbouwd. De stad werd door handel en zeevaart spoedig zeer machtig, en zond op hare beurt tal van koloniën uit langs de kust van den Pontus Euxinus, terwijl zij haar eigen gebied (Sinopis) tot aan den Halys uitbreidde. Mithradates VI van Pontus maakte Sinope tot residentiestad. Door Lucullus werd het veroverd en geplunderd, doch het kwam den slag weder te boven, nadat het in 45 eene rom. kolonie was geworden onder den naam Iulia Caesarea Felix Sinope. Het had twee havens en was de geboorteplaats van den cynischen wijsgeer Diogenes en den blijspeldichter Diphilus.
Sintice, Sintike, gewest van Macedonia op den rechteroever van den Beneden-Strymon, bewoond door een thracischen stam, de Sinti, Sintoi, met de stad Heraclea Sintica.
Sinties, Sinties, oudste bewoners van Lemnus, ook op Samothrace. Strabo brengt hen in verband met de Sinti, zie Sintice.
Sinuessa, bloeiende handelsstad in Latium aan de kust nabij de grenzen van Campania en den mons Massicus, rom. kolonie sedert 296. In den omtrek lagen warme bronnen, aquae Sinuessanae. De stad dreef een levendigen wijnhandel.
Sion, Sion, berg, die een deel uitmaakte van Jerusalem.
Siparium, in tegenstelling van aulaeum, een klein scherm: bij mimi werden achter het aulaeum een of twee siparia gebruikt, die niet neergelaten, maar opgerold werden. Ze zijn waarschijnlijk een herinnering aan den tijd, dat de mimus nog een poppekastvertooning was. De mimi traden op vóór het siparium (de siparia).
Siphae, Siphai, dorisch Tipha, haven aan de Zuidkust van Boeotia, tot het gebied van Thespiae behoorende.
Siphnus, Siphnos, eiland der Cycladen met eene stad van denzelfden naam. Het was rijk aan edele metalen; van het tiende deel der opbrengst legden de Siphniërs een schatkamer te Delphi aan. Toen echter in het zenden der tienden een verzuim had plaats gegrepen, drong de zee in die mijnen door, die aan de kust lagen, en vernielde ze. Toch bleef er nog genoeg over, om de welvaart te doen voortduren. Evenals de bewoners van Seriphus en Melos, weigerden ook die van Siphnus den Perzen schatting op te brengen. Voor de bondskas van het attische zeeverbond bracht Siphnus 3600 drachmen 's jaars op. Op zedelijk gebied stond het in slechten naam; vandaar siphniazein, leven als een Siphniër.
Sipontum, Sipuntum, Sipous, stad en sedert 194 rom. kolonie in Apulia aan den mons Garganus, eene aanzienlijke havenplaats, later vervallen.
Sipylus, Sipylos, vulkanisch gebergte in Lydia, dat zich van den Tmolus afscheidt en langs den linkeroever van den Hermus naar de kust loopt. Het was rijk aan metalen. In het gebergte zou de oude hoofdstad van Lydia gelegen hebben, Tantalis of Sipylus, reeds vroeg bij gelegenheid eener aardbeving verzonken en in het meer Saloë of Sale herschapen.
Siraces of -ci, Sirakes, -koi, 1) machtig sarmatisch volk ten N. van den Caucasus. Zij werden door koningen geregeerd. In 50 na C. geraakten de Rom. met hen in oorlog.--2) volksstam in N.W. Armenia.
Sirbonis lacus, Sirbonis he limne, lagune aan de aegyptische kust, tusschen den oostelijken of pelusischen Nijlmond en de judaeïsche grensstad Rhinocolura. Het meer was diep en rijk aan asphalt. Thans is het grootendeels uitgedroogd.
Siredones, Seiredones = Sirenes.
Sirenes, Seirenes, twee of drie nimfen, die op een bloemrijk eiland wonen en door haar betooverend gezang de voorbijvarenden onweerstaanbaar naar het strand lokken, waar zij op de klippen schipbreuk lijden. Op de Argonauten echter bleef haar gezang zonder uitwerking, daar Orpheus een lied zong, waarvoor zij moesten verstommen. Eveneens ontsnapte Odysseus aan het gevaar, door de ooren zijner tochtgenooten met was dicht te stoppen en zich zelf aan den mast te laten binden. Daarop wierpen de S. zich in zee en veranderden zij in rotsen.--Zij worden dochters van Phorcys of van Achelous genoemd, hare namen zijn Aglaopheme, Thelxiepea en Molpe, of Parthenope, Ligea en Leucosia; als hare woonplaats beschouwde men kaap Pelorum, de Sirenusae of Capreae. Zij werden oudtijds afgebeeld als groote, logge vogels met vrouwenhoofden, later als vrouwen met vleugels en pooten van een vogel; hare beelden worden dikwijls als grafornamenten gebruikt. Men verhaalde dat zij gezellinnen van Persephone geweest waren en hare gedaante gekregen hadden om deze beter te kunnen zoeken, of als straf, omdat zij den roof van Persephone niet verhinderd hadden.
Sirenusae, Seirenoussai, ook Sirenum scopuli, drie onbewoonde eilandjes op de campaansche kust, ten Z. van het schiereiland van Surrentum, volgens de mythe eenmaal het verblijf der Sirenen.
Siris, Siris, rivier van Lucania, die zich in de golf van Tarentum stortte. Aan den mond lag een gelijknamige, bloeiende stad, die ± 550 door de inwoners van Croton, Sybaris en Metapontum (Metapontion) verwoest werd. Ruim een eeuw later werd de stad door de Tarentijnen herbouwd, niet echter op de oude plaats, die ongezond was, maar op de nabijgelegen hoogten, en Heraclea genoemd. Siris bleef slechts haven. Aan den Siris (bij Heraclea) behaalde Pyrrhus in 280 zijne eerste overwinning op de Rom.
Sirius, Seirios, z. Canis maior. In verscheiden deelen van Griekenland werden bij het opkomen van Sirius offers gebracht en godsdienstige plechtigheden verricht, om de verderfelijke gevolgen van de verzengende hitte der hondsdagen af te weren.
Sirmio, stadje aan den lacus Benacus (Gardameer) in Gallia Transpadana. Catullus had in den omtrek eene villa.
Sirmium, Sirmion, stad in Pannonia aan den Savus (Save), sterke vesting met groote wapenfabrieken, hoofddepôt der Rom. in den dacischen oorlog. De stad was gesticht door de Tauriscers en werd onder de Rom. de hoofdstad der provincie en onder Diocletianus die van de praefectura Illyrici.
Sisapon, Sisapon, belangrijke stad in Baetica, met zilver- en tinmijnen, ten N. van Corduba (Cordova), thans Almaden.
Siscia, Siskia, ook Segesta, thans Sissek, sterke vesting en aanzienlijke handelsplaats op een eiland, door den Savus en de Colapis gevormd. Het was de ligplaats der Savusvloot.
Sisenna, zie Cornelii no. 56.
Sistrum, seistron, een rammelaar, bij den dienst van Isis in gebruik. Het instrument bestond uit een metalen beugel met gaten, waardoor aan de uiteinden gekromde metalen staafjes gestoken waren; bij het schudden sloegen de omgebogen einden van die staafjes tegen den beugel en zoo werd het geluid voortgebracht.
Sisyra, een grove, maar warme mantel, vooral bij landlieden in gebruik.
Sisygambis, Sisygambis, moeder van Darius Codomannus, werd na den slag bij Issus door Alexander gevangen genomen en met buitengewone oplettendheid door hem behandeld. Na den dood van Alexander stierf zij vrijwillig den hongerdood.
Sisyphides, Sisyphides, Odysseus, zoo genoemd als zoon van Sisyphus.
Sisyphus, Sisyphos, zoon van Aeolus en Enarete, gehuwd met Merope (no. 3), stichter en koning van Corinthe. Ter gedachtenis aan Melicertes, wiens lijk hij aan het strand vond, stelde hij de isthmische spelen in. Hij was de hebzuchtigste aller menschen en ontzag niets in zijn streven om winst te behalen. Over het algemeen wordt hij als een zeer slecht mensch voorgesteld: hij verried de geheimen der goden, deed strooptochten in Attica, beroofde en vermoordde reizigers, maakte aan Asopus bekend, dat Zeus diens dochter Aegina geschaakt had, enz. Zelfs toen de Dood hem kwam halen, wist S. dezen op listige wijze in boeien te slaan, zoodat niemand meer stierf, totdat Hades zelf kwam en den gevangene bevrijdde. Nu moest S. sterven, maar vooraf gaf hij aan zijne vrouw bevel hem niet te begraven; na eenigen tijd beklaagde hij zich hierover bij Hades en kreeg hij verlof naar de aarde terug te keeren om zijne vrouw te straffen, hij maakte echter van dat verlof misbruik en keerde niet naar de onderwereld terug, totdat Hermes kwam en hem met geweld medenam. Wegens al deze misdaden moet hij in de onderwereld een zwaar rotsblok tegen een hoogen berg opwentelen, dat telkens, wanneer het doel bijna bereikt is, weder naar beneden stort.--V. s. had hij, om zich te wreken op Autolycus, die runderen van hem gestolen had, diens dochter Anticlea verleid, en was zij bij hem moeder geworden van Odysseus.
Sitace, Sitake, volkrijke stad van Babylonia, aan den Tigris, stroomopwaarts van Seleucia en Ctesiphon, maar nog binnen den medischen muur, hoofdstad van het distrikt Sitacene, Sitakene.
Sitalces, Sitalkes, zoon en opvolger van Teres, vergrootte het door zijn vader gestichte rijk der odrysische Thraciërs en was eenigen tijd een bondgenoot der Atheners. Hij sneuvelde in een slag tegen de Triballi, 424.
Sitella, vaas met betrekkelijk wijden buik en langen, nauwen hals, zooals in de comitiën te Rome gebruikt werd om de voorstemmende tribus aan te wijzen. Hiertoe werden plankjes (tesserae) met de namen der tribus in de vaas geworpen en dooreengeschud. Vervolgens werd de sitella met water gevuld en de tessera, die het eerst aan den mond te voorschijn kwam, wees de tribus aan, waarvan de stem het eerst werd publiek gemaakt of waaruit de voorstemmende centurie zou genomen worden. Ook de urn, waarin de indices bij de quaestiones perpetuae hunne stemtafeltjes (tabellae) werpen, heet sitella.
Siteresion, kosten van onderhoud en verpleging, die aan de atheensche soldaten boven hun soldij betaald werden. Als minimum wordt door Demosthenes gerekend 2 obolen per dag voor een voetknecht, 1 drachme voor een ruiter.
Sitesis, voeding op staatskosten, genoten te Athene allen of bijna allen, die in dienst van den staat waren. Bovendien onthaalde de staat in het Prytaneum vreemde gezanten, herauten, enz.; ook aan enkele burgers, die zich jegens den staat verdienstelijk gemaakt hadden, werd een plaats aan de tafel in het Prytaneum gegeven, wat in den bloeitijd van Athene als een groote eer beschouwd werd.
Sithonia, Sithonia, de middelste der drie landtongen van Chalcidice, tusschen de Toronaeïsche en Singitische golven.
Sitonai, ambtenaars te Athene, wier taak het was te zorgen, dat steeds in de staatsmagazijnen genoeg koren in voorraad was om te beletten, dat de prijzen door de korenkoopers te zeer opgejaagd werden.
Sitones, bij Tacitus een germaansch volk in Scandinavia, met eene vrouwenregeering. Het is echter een Finsche stam, die ten N. van de Suiones (de Zweden) het Midden en Noorden van Scandinavië bewoonde.
Sitophylakes, ambtenaars te Athene, belast met het toezicht op de uitvoering der korenwetten. Er waren 5, later 25, voor de stad, en 5, later 15, voor den Piraeus.
Sittace = Sitace.
Sittii. P. Sittius Nucerinus, vriend van P. Cornelius Sulla, werd vóór het uitbarsten der catilinarische samenzwering naar Hispania gezonden, doch na zijne terugkomst van medeplichtigheid beticht. Hij ontvluchtte naar Afrika (62) en diende daar in de legers der afrikaansche vorsten, tot hij in den burgeroorlog de partij van Caesar koos, Juba's troepen hielp verslaan en na den slag bij Thapsus de overblijfselen van het pompejaansche leger verstrooide. Caesar stelde hem aan als stadhouder over een gedeelte van Numidia; na Caesars dood werd ook Sittius vermoord.
Skythai, z. toxotai.
Skytale, z. Scutala.
Skytalismos, doodstraf door middel van een knods of knuppel. Deze wijze van terechtstelling is in een tijd van hevige beroering (± 370) door het volk te Argos op 1000 (v. a. 1200) aanzienlijke burgers toegepast, terwijl ten laatste ook de demagogen, die het volk daartoe aangezet hadden, aldus werden terechtgesteld.
Smerdis, Smerdis, broeder van Cambyses, die hem uit jaloerschheid door Prexaspes liet dooden. Terwijl Cambyses nog in Aegypte was, gaf een magiër Gaumata, Gometes, zich voor Smerdis uit, op wien hij inderdaad sprekend geleek, en maakte zich van de regeering meester. Hij werd door het volk erkend, en Cambyses stierf voordat hij hem had kunnen straffen, maar na 7 maanden werd de gewaande Smerdis (Pseudo-Sm.) ontmaskerd (z. Prexaspes) en door zeven edele Perzen, waaronder ook Darius Hystaspis was, gedood.
Smilis, Smilis, van Aegina, een van de oudste grieksche beeldhouwers, waarschijnlijk uit de eerste helft van de 6de eeuw; hij wordt een leerling van Daedalus genoemd.
Smintheus, Smintheus, bijnaam van Apollo, waarschijnlijk naar de stad Sminthe in Troas. Men leidde echter den naam gewoonlijk af van sminthos (muis), omdat de muis het zinnebeeld der voorspellingskunst is, of omdat Apollo een van zijne priesters van muizen bevrijd zou hebben. Of hij had aan Teucriërs, die onder leiding van Scamander uit Creta verhuisden, een orakel gegeven, dat zij zich moesten vestigen, waar zij last zouden hebben van uit de aarde geborenen. Toen zij nu in Troas geland waren en vonden, dat muizen aan hunne bogen en schilden geknaagd hadden, bleven zij daar en stelden zij den dienst van Apollo Sm. in.
Smyrna, Smyrna = Myrrha.
Smyrna, Smyrna, aeolische kolonie van Cyme, eene der meest beroemde en welvarende steden van Klein-Azië, ± 700 door de Ioniërs vermeesterd en sedert lid van het ionisch-aziatisch verbond gebleven. Omstreeks 600 werd het door den lydischen koning Sadyattes verwoest, en het duurde tot na den dood van Alexander den Gr., eer door toedoen van Antigonus een nieuw Smyrna verrees, iets zuidelijker gelegen dan het oude. Lysimachus maakte er vervolgens eene van de prachtigste steden der oudheid van, met rechte en goed geplaveide straten. Ook onder rom. heerschappij bleef Smyrna eene bloeiende plaats en was het een conventus. In 178 na C. werd het door eene aardbeving hevig geteisterd, doch op last van keizer M. Aurelius hersteld. Smyrna beweerde de geboorteplaats te zijn van Homerus, voor wien in het Homereum een standbeeld was opgericht. Ook was er een fraaie tempel van Cybele. De tapijtweverijen van Smyrna waren reeds in de oudheid beroemd. De aanliggende golf heette Smyrnaeus sinus. Thans heet de stad zoowel Smirna als Ismir.
Soccus, een pantoffel van lichte stof, het eigenaardig schoeisel van tooneelspelers en dansers in het blijspel. Ook buiten het tooneel werd de soccus door de Grieken zeer algemeen gebruikt, bij de Rom. echter in den regel alleen door vrouwen.
Sociale bellum, opstand der italiaansche bondgenooten tegen Rome in de jaren 90 en 89. Zie Marsicum bellum.
Socii, bondgenooten. Volgens de overlevering reeds in den koningstijd, en in elk geval sedert 493 is Rome door een foedus aequum met de Latijnen, en later met de Hernici verbonden geweest, zie Latium. Later, toen Rome langzamerhand geheel Italia veroverde, werd de afhankelijkheid, waarin de verschillende steden en staten gebracht werden, uitgedrukt door het woord socii, waarbij dan het nomen Latinum een bevoorrechte plaats innam. De staten, waarmede Rome een foedus sloot, heetten civitates foederatae, en behielden hun souvereiniteit; ze hadden eigen bestuur, eigen rechtspleging en het recht om munt te slaan. Zij mochten geen betrekkingen met het buitenland onderhouden; in elk verdrag kwam de bepaling voor: ut eosdem quos populus Romanus amicos atque hostes habeant. Zij betaalden geen belasting, maar waren verplicht troepen, en de staten aan zee ook schepen, te leveren. De afhankelijkheid waarin zij stonden ten opzichte van Rome werd uitgedrukt door de formule: maiestatem populi Romani comiter conservanto. Door hun verstandig en gematigd optreden wisten de Romeinen de socii aan zich te binden; en deze politiek heeft het hun mogelijk gemaakt, op den duur de nederlagen van den 2den punischen oorlog te boven te komen. In de 2de eeuw beginnen ze echter de socii, wier hulp men niet meer noodig heeft, te onderdrukken, hetgeen dan ten slotte uitloopt op den bondgenooten-oorlog, die Italië ontvolkt heeft, zie Marsicum bellum. De provinciën, wier toestand door eene wet geregeld was, werden niet tot de socii gerekend. Overigens waren er ook buiten Italië socii als civitates foederatae (z. a.), en koningen wien de titel socius et amicus populi Romani was verleend, doch ook dan was meestal het bondgenootschap slechts een zachtere vorm van afhankelijkheid. Buitenlandsche volken zijn exterae nationes, doch waar in engeren zin van socii et exterae nationes gesproken wordt, moet men onder de laatsten de bewoners der rom. provinciën verstaan en onder socii de latijnsche en italische bondgenooten. Zelfs werd deze benaming nog wel voor de italiaansche civitates gebezigd, ook nadat deze in de jaren 90-88 het burgerrecht hadden verkregen en de naam socii dus strikt genomen op haar niet meer van toepassing was.--In de rom. legers waren vóór 90 de troepen der italiaansche civitates onder den naam van socii aanwezig; andere hulptroepen heetten auxilia (z. a.).
Socii navales. De dienst ter zee stond bij de Rom. in minachting, daarom werd de bemanning der vloot uit de armste burgers genomen. Allengs kwam het bemannen en proviandeeren der vloot meer en meer ten laste der socii (z. a.), die natuurlijk hiervoor het uitschot hunner bevolking en ook vrijgelaten slaven leverden, hetgeen niet strekte om den zeedienst te verheffen. De rom. marine was in den eersten punischen oorlog zeer belangrijk, later liet men ze vervallen (zie classis) en bediende men zich veelvuldig van de vloten van verbonden volken, zooals de Rhodiërs e. a.
Socrates, Sokrates, Athener, zoon van den beeldhouwer Sophroniscus en Phaenarete, geb. 470. In zijne jeugd genoot hij de gewone atheensche opvoeding, hij trachtte zich te ontwikkelen door het lezen van dichters en wijsgeeren en zocht met hetzelfde doel gaarne den omgang van beschaafde en verstandige lieden, in een bepaalde school gevormd werd hij echter niet. Hij leerde de kunst van zijn vader, en nog meer dan vijf eeuwen later wees men op de acropolis te Athene een groep, die voor het werk van S. gehouden werd. Hij streed mede in de slagen bij Potidaea, Delium (z. Alcibiades) en Amphipolis, in 406 was hij lid van den raad en verzette hij zich tegen de onwettige behandeling van het proces der veldheeren uit den Arginusenslag. Als wijsgeer heeft hij meer dan iemand anders invloed uitgeoefend op zijne vrienden en leerlingen niet alleen, maar ook op zijne tijdgenooten in het algemeen, zelfs op de geheele geschiedenis der philosophie. Zonder met een uitgewerkt wijsgeerig stelsel op te treden, wekte hij bij allen met wie hij omging de zucht tot wetenschappelijk onderzoek op het gebied der zedeleer op, waarbij hij uitging van de eenvoudige stelling dat deugd kennis is en dus geleerd kan worden, dat alzoo niemand vrijwillig, maar slechts uit onwetendheid, verkeerd handelt. Het hoogste dat men bereiken kan, tevens de noodzakelijke voorwaarde voor praktische voortreffelijkheid, is dus zelfkennis, en de eerste stap om daartoe te komen is het zich bevrijden van verkeerde meeningen. Daartoe trachtte hij nu hen, die met hem omgingen, langs een eigenaardigen weg te leiden. Hijzelf erkende dat hij niets wist, terwijl hij nu voorgaf te willen leeren van hen, die beweerden wel iets te weten (socratische ironie, eironeia), bracht hij door de inrichting van zijne gesprekken en vragen ieder tot het bewustzijn, dat diens vermeende kennis slechts schijn was en iederen vasten grondslag miste. In overeenstemming hiermede noemde hij zich ook geen leeraar en liet hij zich, ook om zijne vrijheid niet aan banden te leggen, voor zijn onderwijs niet betalen, ook had hij in den eigenlijken zin van het woord geen leerlingen, maar iedereen, dien hij er geschikt toe achtte, overviel hij met zijne vragen en dwong hij tot de erkentenis van zijne onwetendheid. In zijne handelingen beweerde hij geleid te worden door eene inwendige goddelijke stem (daimonion), die hem van het verkeerde terughield. Maar terwijl velen zich door zijne streng logische redeneering aangetrokken gevoelden en erkenden, dat hij den juisten weg voor wijsgeerige studiën aanwees, terwijl verder velen, vol bewondering voor zijn levenswandel, zijn zelfbeheersching, standvastigheid, matigheid, trouw, vaderlandsliefde en godsvrucht, zich met liefde en eerbied bij hem aansloten, was het aantal nog veel grooter van hen, die in hem alleen een lastig en eigenwijs mensch zagen, die al wat van ouds voor waar erkend was op losse schroeven zette en de gemoederen voortdurend in beroering bracht; men beschouwde hem als een van de sophisten, en juist de groote bijval, dien hij vond, maakte hem in het oog van het oppervlakkige volk tot den gevaarlijksten onder hen. Als zoodanig werd hij door Aristophanes in een van zijne comedies, de Nephelai, aan aller bespotting prijs gegeven. Eindelijk werd hij, reeds 70 jaar oud, door Meletus, Anytus en Lycon aangeklaagd wegens het verachten der van staatswege erkende goden, het invoeren van nieuwe godheden en het verleiden der jeugd. Met een kleine meerderheid van stemmen werd hij schuldig bevonden; daar echter de aanklagers de doodstraf geëischt hadden, en S. daartegen de geringe som van 30 minen aanbood (zie timema), daarbij bewerende, dat hij eigenlijk verdiend had op staatskosten in het Prytaneum onderhouden te worden, verbitterde hij door zijne onverschilligheid de rechters en werd hij met eene grootere meerderheid ter dood veroordeeld. Met de grootste kalmte en opgeruimdheid dronk hij den giftbeker (399).
Sodales, sodalitas, sodalicium. Sodales zijn kameraden, deelgenooten van een disch, leden van een krans, van een gezelschap en dgl. Eene sodalitas is dus eene broederschap, een genootschap, en evenzoo sodalicium. Beide woorden, doch vooral het laatste, komen echter ook in slechten zin voor, en beteekenen dan een geheime of verboden vereeniging, een politieke club. Vooral bij verkiezingen speelden zulke clubs door omkooping en andere ongeoorloofde middelen dikwijls eene groote rol. Ook priestercollegiën voor den dienst eener bepaalde godheid of tot het vieren van bepaalde feesten vormen eene sodalitas, o. a. de Salii, de fratres arvales.--De sodales Titii waren, naar het heet, door Romulus ingesteld om de gedachtenis aan koning Titus Tatius in eere te houden. Voor de vereering van Augustus werd na diens dood te Rome een college, van sodales Augustales ingesteld (niet te verwarren met de Augustales in de municipiën). Later kreeg men ook sodales van andere vergode keizers.
Sodoma, ta Sodoma, Sodom, welvarende stad in het vruchtbare dal Siddim, die met Gomorra en nog andere steden door eene vulkanische uitbarsting werd verdelgd, terwijl de geheele landstreek verzonk en in een meer veranderd werd (lacus Asphaltites, Doode zee).
Sogdiane, Sogdiane, N.O. provincie van het perzische rijk, bergachtig doch niet onvruchtbaar. De Sogdii of Sogdiani, Sogdioi, Sogdianoi, waren een vrij ruw volk, in verschillende stammen verdeeld. Hoofdstad: Maracanda (Samarkand).
Sogdi(an)us, Sogdios, Sogdianos, zoon van Artaxerxes I, besteeg den troon na het vermoorden van zijn halfbroeder Xerxes II, doch werd na eene korte regeering door zijn broeder Darius vermoord (425).
Sol, latijnsche naam voor Helius.
Solanus of Subsolanus, de Oostenwind, zie Windstreken.
Solarium, 1) zonnewijzer, een werktuig, omstreeks 500 door Anaximander of Anaximenes in Griekenland ingevoerd en in 291 door L. Papirius Cursor of in 264 door M. Valerius Messala naar Rome overgebracht, waar er een op het forum werd geplaatst. In 159 verving P. Scipio Nasica den zonnewijzer door een wateruurwerk, dat nu den vreemden naam kreeg van solarium ex aqua. In tegenstelling daarvan heet een werkelijke zonnewijzer solarium descriptum.--2) terras met borstwering of leuning boven op het platte dak van een huis, veeltijds met planten versierd, in later tijd ook wel overdekt, doch aan alle zijden open.
Soleae, sandalen, bestaande in eene zool, met een riem dwars over den voet, de gewone dracht der Rom. in huis. Ook de hoeven van last- en trekdieren werden beschermd door soleae sparteae, kleine mandjes uit sparte of biezen gevlochten, die om de pooten sloten en met riempjes werden vastgebonden. Was, om het spoedige slijten tegen te gaan, zulk eene solea van een metalen zooltje voorzien, dan was zij eene solea ferrea, aan hoefijzers schijnt men niet te moeten denken. In tijdperken van weelde onder de keizers worden ook wel soleae argenteae, zelfs aureae, voor dieren vermeld.--De solea lignea was een voetkluister voor misdadigers.
Soli, Soloi, 1) voorname stad, atheensche kolonie op de cilicische kust ten Z.W. van Tarsus. Tigranes II van Armenia (96-56) verwoestte ze en bracht de inwoners over naar Tigranocerta; Pompeius herbouwde ze en bevolkte ze met gevangen zeeroovers, terwijl zij tevens den naam kreeg van Pompeiopolis. Dit Soli was de geboorteplaats van den stoicijn Chrysippus, en de dichters Aratus en Philemon.--2) havenstad op het W. gedeelte der Noordkust van Cyprus.--Van het eerstgenoemde Soli wordt het woord soloecismus afgeleid voor spreken met taalfouten.
Solidus, zie Aureus.
Solinus (C. Iulius), uit de 3de eeuw na C., schreef eene geografisch-historische schets der oude wereld onder den titel Collectanea rerum memorabilium, wat de geographie betreft, bewerkt naar Plinius' Nat. Historia. Later heeft dit werkje den naam van Polyhistor gekregen.
Solis fons, Heliou krene, bron in de libysche woestijn nabij de oase Ammonium. Des middags was het water koud, te middernacht kokend heet.
Solitaurilia = Suovetaurilia.
Solium, stoel met hooge massieve rechtopstaande rugleuning en met armleuningen. Hij werd als troonzetel gebruikt door goden en koningen. Ook de rom. rechtsgeleerden hadden de gewoonte, wanneer zij te huis adviezen gaven, op een solium plaats te nemen. Vandaar de uitdrukking a subselliis in otium soliumque se conferre = de rol van pleiter laten varen en zich bepalen tot het geven van adviezen.
Solois, Soloeis, 1) ver vooruitspringende met bosch begroeide kaap in Mauretania aan den Atlantischen oceaan.--2) = Solus.
Solon, Solon, zoon van Execestides, afstammeling van Codrus, ondernam reeds vroeg als koopman verre reizen, waarbij hij meer dan gewone kennis en beschaving opdeed. In het openbare leven onderscheidde hij zich het eerst door de herovering van Salamis, waartoe hij zijne medeburgers aanspoorde, nadat het eiland kort te voren ten gevolge van een ongelukkigen oorlog aan Megara was afgestaan, ook in den heiligen oorlog tegen Cirrha trad hij op den voorgrond. Zijn grootsten roem heeft hij echter verworven door zijne wetgeving, die een einde maakte aan de verwarde toestanden te Athene, aan de verdeeldheid en partijtwisten, die door Draco's wetgeving en door Cylon's poging om de alleenheerschappij te verkrijgen ten top gestegen waren. S., in 594 tot eersten archont verkozen, trad als bemiddelaar tusschen de verschillende partijen op en deed door zijne wijze wetten rust en tevredenheid terugkeeren. Tot oogenblikkelijke verlichting van het verarmde volk diende de seisachtheia en eene amnestie voor hen, die volgens de schuldwetten hun burgerrecht verloren hadden; verder werd op dit gebied bepaald, dat men niet meer zijne persoonlijke vrijheid voor schulden zou kunnen verliezen. Vervolgens verdeelde hij de burgerij, waarin nu ook de vrije bewoners van het platteland werden opgenomen, in 4 klassen (z. phyle), door welke verdeeling de staatkundige rechten der burgers, maar ook hunne verplichtingen tegenover den staat, van het vermogen afhankelijk gemaakt werden, en de voorrechten van den adel werden opgeheven. Alleen uit de eerste klasse werden de archonten en leden van den Areopagus gekozen, de vierde was van alle openbare ambten uitgesloten. Door een aantal bepalingen werden de bevoegdheden van de volksvergadering, de overheden, regeeringslichamen, rechtbanken, enz., nauwkeurig vastgesteld (z. o. a. Areopagus, Boule), het geheele staatsleven en alle maatschappelijke betrekkingen geregeld. Van groot belang is vooral ook zijne regeling van het attische privaatrecht. Omtrent de opstelling der wetten z. axones.--Om het volk te dwingen zich aan de nieuwe wetten te gewennen, liet hij zweren dat in 10 jaar geen verandering er in gebracht zoude worden. Hijzelf begaf zich gedurende dien tijd weder op reis. Wel ontbrandde in zijne afwezigheid de partijstrijd opnieuw en werden in 589 en 584 zelfs geen archonten verkozen (z. ook Damasias), wel zag hij spoedig na zijne terugkomst, in weerwil van zijn verzet, de hoogste macht in handen van Pisistratus vallen, maar zijne wetten bleven toch voor het grootste gedeelte van kracht en de latere democratische staatsinrichting van Athene heeft zich geleidelijk uit de door S. in het leven geroepen toestanden ontwikkeld.--Ook als dichter toonde S. meer dan gewone talenten, vooral beroemd is zijne elegie, waarmede hij de Atheners tot de herovering van Salamis aanspoorde; wij bezitten van zijne gedichten, die door de Atheners ook lang na zijn dood in hooge eer gehouden werden, nog vrij talrijke fragmenten, meest van staatkundigen of wijsgeerigen inhoud. Als een van de 7 wijzen had hij tot spreuk meden agan.--Hij stierf in 559 op den leeftijd van omstreeks 80 jaar.
Solonius ager, streek in Latium, ten Z.O. van Ostia, die zich tot het grondgebied van Lanuvium uitstrekte.
Solus, Soluntum, Solous, Soloeis, oude havenstad op de N.-kust van Sicilia, carthaagsche volkplanting, ten O. van Panormus (Palermo).
Solygia, Solygeia, vlek in Corinthia op den berg Solygius, ten Z. van Cenchreae.
Solyma, ta Solyma, 1) = Climax.--2) = Hierosolyma.
Solymi, Solymoi, oud volk in Lycia. Zie Climax.
Sontiates, Sotiatai, volk in Aquitania ten Z. van den Garumna (Garonne), voortreffelijke ruiters en mijnwerkers.
Sontius, thans Isonzo, rivier in Venetia, die bij Aquileia in den sinus Tergesticus (golf van Triëst) valt.
Sonus, Sonos, aanzienlijke rivier van India, die op den mons Vindius (Vindhya) ontspringt en bij Palibothra in den Ganges valt.
Sopater, Sopatros, 1) van Paphus, kluchtspeldichter ten tijde van Alexander d. G.; de weinige fragmenten, die van zijne werken over zijn, zijn het eenige, dat wij van deze dichtsoort bezitten, z. Phlyax.--2) van Apamea, neoplatonisch wijsgeer, leerling van Iamblichus, werd op bevel van Constantijn d. G. ter dood gebracht, omdat hij propaganda maakte voor den heidenschen godsdienst.
Sophaenetus, Sophainetos, van Stymphalus, een van de aanvoerders der grieksche troepen van den jongen Cyrus, waarschijnlijk dezelfde, van wien eene Kyrou Anabasis genoemd wordt.
Sophene, Sophene, landschap in het Z.W. van Armenia, door den Euphraat van Cappadocia gescheiden. Hoofdstad: Arsamosata.
Sophistae, sophistai, in het algemeen geleerden; de naam werd toegepast op hen die in een of ander vak van wetenschap uitmuntten, of er eene bepaalde studie van maakten. Ook wijsgeeren werden oudtijds zoo genoemd, Pythagoras zou zichzelf het eerst den naam van philosophos gegeven hebben. Ten tijde van en na Pericles traden in vele grieksche steden, vooral te Athene, onder den naam van sophisten mannen op als leermeesters in alles wat voor het praktische leven, vooral voor den staatsman en redenaar noodig is. Zij vonden grooten bijval, ook bij de uitstekendste mannen van hun tijd, vormden vele leerlingen en lieten zich goed betalen. Daarentegen vonden vele voorstanders van het oude, dat men de wetenschap verlaagde, door haar aan praktische doeleinden dienstbaar te maken, en welsprekendheid, als eene kunst aangeleerd, werd altijd met wantrouwen beschouwd; men meende dat zij zoo tot niets konde dienen, dan om met een schijn van wijsheid te pronken en recht en waarheid te verdraaien. En inderdaad, hoewel vele oudere sophisten zich op wetenschappelijk gebied verdienstelijk gemaakt hebben (Protagoras, Gorgias, Hippias, Prodicus), waren hunne navolgers over het algemeen niets anders dan rhetoren, wier onderwijs zich grootendeels tot de mededeeling bepaalde van allerlei kunstjes, waardoor men, misbruik makend van de leer van Protagoras over het betrekkelijk juiste van iedere meening, zoowel voor als tegen iedere zaak kon spreken. De tegenstand, dien de sophisten van Socrates en diens leerlingen, vooral van Plato, ondervonden, is de oorzaak geweest, dat men hen lang ten onrechte als aanhangers eener wijsgeerige richting met zekere gemeenschappelijke leerstellingen beschouwd heeft, en dat men hun, naar aanleiding van de weinige uitdrukkingen van sophisten, die bekend zijn, een voor zedelijkheid en godsdienst verderfelijk stelsel heeft toegedicht, dat zij in werkelijkheid nooit verkondigd hebben.
Sophocles, Sophokles, 1) Athener, zoon van den rijken Sophillus, geb. 496 of 497. Van zijn leven is weinig bekend, onder zijne vrienden worden Herodotus en Pericles genoemd. In den samischen oorlog was hij te gelijk met dezen strateeg en even te voren had hij het ambt van Hellenotamias bekleed. Algemeen bemind en geprezen stierf hij in 406 of 405, na zijn dood werden hem door de Atheners dezelfde eerbewijzen toegekend als aan Aeschylus, en op zijn graf werd jaarlijks van staatswege geofferd (z. ook Iophon).--Als treurspeldichter wordt hem in ouden en nieuwen tijd eenstemmig de eerste rang toegekend; evenals Homerus ho poietes heette, zoo wordt S. dikwijls door de ouden eenvoudig ho tragikos genoemd. Reeds bij zijn eerste optreden (468) vertoonde zijne wijze van behandeling der stof zoo groote afwijking van die van Aeschylus, dat het toekennen van den prijs door de groote opgewondenheid der voorstanders van beide richtingen bemoeielijkt werd; ten slotte behaalde S. de overwinning. Door een derden tooneelspeler toe te voegen aan de twee, waarvoor de stukken van Aeschylus berekend waren, is hij in staat de handeling belangwekkender, de dialogen meer afwisselend te maken. Zonder in het alledaagsche te vervallen, staan de personen in zijne stukken ons nader dan bij Aeschylus; de geheele handeling ontwikkelt zich als van zelf en de afloop wordt op natuurlijke wijze voorbereid door de voortreffelijk geschilderde karakters, die hij soms door welberekende tegenstellingen nog scherper doet uitkomen; ook in hun taal, hoewel altijd edel en verheven, is alle duisterheid en onduidelijkheid vermeden. Met zijne 115 (v. a. 123 of 130) stukken behaalde hij 20 of 24 maal den eersten en zeer dikwijls den tweeden prijs. Wij bezitten er van nog 7 stukken in hun geheel, benevens een groot aantal fragmenten. Het zijn de volgende: Antigone (441), Oedipus Tyrannus, Aias, Trachiniae, Electra (± 413), Philoctetes (409), Oedipus Coloneus.--2) kleinzoon van den vorigen, treurspeldichter.--3) atheensch veldheer, werd in 425 met eene vloot naar Sicilië gezonden en ondersteunde de democratische partij in de burgertwisten op Corcyra; later werd hij, onder vermoeden dat hij zich door de Siciliërs had laten omkoopen, verbannen.
Sophonisbe, Sophonisbe, dochter van den carthaagschen veldheer Hasdrubal (z. a. no. 4). Zij koesterde een onverzoenlijken haat tegen Rome. Daarom ook eischte Scipio hare uitlevering (zie Masinissa), uit vrees dat Masinissa's trouw tegen Sophonisbe's inblazingen op den duur niet bestand zou zijn.
Sophron, Sophron, van Syracuse, z. Mimus.
Sophronistai, opzichters over de atheensche epheben, die op het gedrag der jongelieden toezicht hielden. Jaarlijks werden door iedere phyle drie candidaten, boven de 40 jaar oud, voor dit ambt aangewezen, en uit ieder drietal werd een door het volk verkozen. Zij werden van staatswege met een drachme per dag bezoldigd.
Sopianae, stad in Pannonia Inferior, ten N. van den Dravus.
Sora, Sora, volscische stad in Latium aan den Liris, met sterke muren en een sterken burcht. De Rom. hadden er eene latijnsche kolonie heengezonden, doch in 315 hadden de Soraners de kolonisten omgebracht en zich bij de Samnieten aangesloten, eene daad, waarvoor zij in 314 zwaar moesten boeten. In 303 werd Sora andermaal lat. kolonie.
Soracte, genit. -is, berg in het Z.O. van Etruria nabij den Tiber. Op den top, die ook wel eens nog in den zomer met sneeuw bedekt was, stond een tempel van den god Soranus, tot wiens eer daar op sommige tijden feesten werden gevierd, en aan den voet een tempel van Feronia.
Soranus, 1) een sabijnsch god, die op den Soracte vereerd werd en gewoonlijk voor denzelfden gehouden werd als Apollo, maar die in werkelijkheid tot de goden der onderwereld moet gerekend worden. Bij zijn jaarlijksch feest gingen zijne priesters, die tot het geslacht der Hirpi Sorani behoorden, met de ingewanden der offerdieren in de hand, blootsvoets over brandende hoopen hout. Zij waren van den krijgsdienst en andere staatslasten vrijgesteld.--2) Zie Barea Soranus.--3) geneesheer en schrijver over geneeskunde onder Traianus en Hadrianus.
Sordice, een meer in Gallia Narbonensis, dicht bij de rivier Ruscino, aan den voet der Pyrenaeën, dat met een dikke korst modder of veen bedekt was.
Sordidatus, in eene toga sordida gehuld, als beschuldigde, om het medelijden der rechters op te wekken.
Sordones, kleine stam in Gallia Narbonensis. Hoofdstad: Ruscino.
Sortes, eene soort orakel door het lot. Eiken plankjes, waarop spreuken en teekens waren ingesneden, waren tot een bundel saamgebonden. Door een knaap werden zij getrokken en dan het antwoord er uit opgemaakt (Sortilegium, kleromanteia). Door droogte krompen zij wel eens, ook sleten zij door het gebruik af, en dan gebeurde het wel, dat er een plankje van zelf uit den bundel viel (sortes sua sponte attenuatae). De meest beroemde dezer orakels waren die van den Fortuna-tempel te Praeneste en van Caere.
Sosibius, Sosibios, 1) uit Sparta, geschiedschrijver en chronograaf ten tijde van Ptolemaeus Philadelphus.--2) leermeester van Britannicus, een werktuig van Messalina, later door toedoen van Agrippina ter dood gebracht.
Sosigenes, van Alexandrië, peripatetisch wijsgeer en sterrenkundige, schreef o. a. commentaren op eenige werken van Aristoteles en hielp Julius Caesar bij het verbeteren van den rom. kalender.
Sosii. 1) C. Sosius, praetor in 49, werd in 37 door Antonius belast met den oorlog tegen Antigonus, zoon van den Maccabaeër Aristobulus (z. a.), die met de hulp van den parthischen kroonprins Pacorus het bestuur over Judaea vermeesterd had. Sosius versloeg Antigonus en bracht hem ter dood, zoodat Herodes I (z. a.) bezit van den troon kon nemen. In den burgeroorlog was hij op de zijde van Antonius, doch verzoende zich na den slag bij Actium met Octavianus.--2) Q. Sosius Senecio, consul onder Traianus, was een begunstiger van Plutarchus, die verscheidene levensbeschrijvingen aan hem opdroeg.--3) Q. Sosius Falco, na den dood van Commodus mededinger van Pertinax naar de keizerskroon; zoo P. hem niet het leven had gered, zou hij zijn pogen met den dood bekocht hebben.--4) de gebroeders Sosii, bij wie Horatius zijne geschriften uitgaf.
Sosilus, Sosilos, Lacedaemoniër, leermeester en vriend van Hannibal, wiens daden hij beschreef. Polybius spreekt over zijn werk een ongunstig oordeel uit.
Sosipater, Sosipatros, dichter der nieuwe attische comedie. Van een van zijne stukken is een vrij groot fragment bewaard gebleven.
Sosiphanes, Sosiphanes, van Syracuse, treurspeldichter ten tijde van Philippus en Alexander. Hij schreef 73 stukken, behaalde 7 maal den eersten prijs, en werd in de alexandrijnsche pleias opgenomen.
Sosistratus, Sosistratos, 1) Syracusaan, hoofd der oligarchische partij na den dood van Timoleon, werd door Agathocles verbannen en ging naar Agrigentum.--2) tyran van Agrigentum die, door Syracuse aan te vallen, den Carthagers aanleiding gaf zich in de grieksche aangelegenheden te mengen. Toen tegen hem de hulp van Pyrrhus ingeroepen werd, moest S. vluchten (278).
Sositheus, Sositheos, van Alexandrië in Troas, trad te Athene en Alexandrië in Aegypte als treurspeldichter op en werd in de alexandrijnsche pleias opgenomen. Zijn bloeitijd was omstreeks 280.
Sospita, redster, bijnaam van Juno, waaronder zij vooral te Lanuvium vereerd werd en te Rome een tempel had.
Sosthenes, Sosthenes, een Macedoniër van geringe afkomst, die koning Antigonus Gonatas dwong de regeering neder te leggen, zich aan het hoofd van het leger stelde en de Galliërs uit het land joeg (280). In het volgende jaar sneuvelde hij echter bij een nieuwen inval der Galliërs.
Sostratus, Sostratos, 1) een zeeroover die zich ten koste van de Atheners van het eiland Halonesus meester maakte, van waar hij door Philippus van Macedonië verdreven werd.--2) Macedoniër, ter dood gebracht als medeplichtige aan de samenzwering van Hermolaus.--3) van Cnidus, beroemd bouwmeester, die o. a. den vuurtoren op Pharus bouwde.--4) beroemd geneesheer te Alexandria uit de 2de helft der eerste eeuw, vooral beroemd als chirurg. Er zijn nog fragmenten van zijn werken over.
Sosus, Sosos, van Pergamus, uitvinder van de ingelegde mozaiek-vloeren. Een nabootsing van zijn duiven op den rand van een schaal vindt men in het capitolijnsch Museum te Rome. Ze stamt uit de villa Hadriani.
Sotades, Sotades, van Maronea, schrijver van onzedelijke gedichten van mythologischen inhoud (versus Sotadei). Hij leefde onder Ptolemaeus Philadelphus, en naar men verhaalde werd hij in zee geworpen, omdat hij het huwelijk van den koning met diens zuster Arsinoë bespot had.
Soter, Soteira, 1) bijnaam van verscheiden goden en godinnen, waarbij men hen aanriep, als men om redding uit nood of gevaar bad. Vooral wordt die naam aan Zeus gegeven, maar ook aan Poseidon, Apollo, Dionysus, Hera, Artemis e. a.--2) bijnaam van Ptolemaeus I en Demetrius III.
Soteria, Soteria, feest ter eere van Apollo, jaarlijks te Delphi gevierd, ter herinnering aan den inval der Galliërs in 279, die door de hulp van Apollo afgeweerd was.
Sotion, Sotion, 1) van Alexandrië, wijsgeer uit de school der Sextii, leermeester van Seneca, en schrijver van een werk van gemengden inhoud, Keras Amaltheias.--2) van Alexandrië, peripatetisch wijsgeer en letterkundige in de 2de eeuw.
Sottiates = Sontiates.
Spalatum, thans Spalatro, vlek nabij Salona in Dalmatia, met eene prachtige villa van Diocletianus, waar deze keizer zijne laatste levensjaren sleet.
Sparta, Sparte, of Lacedaemon, Lakedaimon, de hoofdstad van Laconica, bij Homerus he koile Lakedaimon geheeten, omdat het in een kom van bergen gelegen was. Het was op onderscheidene heuvels gebouwd aan den rechteroever van den Eurotas. Tot 206 was de stad niet ommuurd, doch niettemin sterk door hare ligging. Aan een der hoogste heuvels, waarop de tempel van Athena Chalcioecus stond, werd de naam Acropolis gegeven. In dezen tempel stierf Pausanias den hongerdood. Aan den voet der Acropolis lag de agora met de perzische gaanderij (stoa persike), die uit den perzischen buit was gebouwd en waarvan het dak door beelden van Perzen op de wijze van caryatiden werd gedragen. Aan den Eurotas lag de Platanistas, eene door platanen belommerde oefenplaats der spartaansche jongelingschap. Tijdens den trojaanschen oorlog regeerde te Sparta Menelaus; het bekleedde toen geene voorname plaats onder de steden van de Peloponnesus en stond verre achter bij Argos. Na de dorische volksverhuizing kwam Sparta aan de beide zoons van den Heraclide Aristodemus, de tweelingbroeders Eurysthenes en Procles. De zoon van Eurysthenes was Agis, naar wien het ééne koninklijke stamhuis genoemd wordt. De dorische stam was krijgshaftig en door de wetten van Lycurgus werd Sparta de militaire staat bij uitnemendheid van Griekenland. Dit ondervond Messenia (z. a.), en ook Athene dolf, grootendeels door eigen schuld, in den peloponnesischen oorlog het onderspit (404). Sedert dien tijd liet Sparta, niet altijd door eerlijke middelen, zich in Griekenland overwegend gelden, tot het door Epaminondas gefnuikt werd (371). Van nu af begon het tijdperk van verval, terwijl de toenemende oligarchie de macht in handen van enkele familiën bracht. Vruchteloos trachtte het zich tegen Macedonia aan te kanten. De pogingen van Agis III (z. a.), om eene hervorming tot stand te brengen, mislukten; beter slaagde Cleomenes III (z. a.), doch Aratus van Sicyon vreesde de macht van een herboren Sparta en de slag bij Sellasia (221) maakte een einde aan de regeering van Cleomenes. Met hem nam het huis der Heracliden een einde. Van nu af was Sparta overgeleverd aan de tyrannie; berucht zijn Machanidas (210-207) en Nabis (207-192). In 192 dwong Philopoemen, de strateeg van het achaeïsch verbond, Sparta tot dit verbond toe te treden, en in 189 werd het wegens poging tot afval streng gestraft en werd het overblijfsel der lycurgische wetgeving afgeschaft. De onderdrukte wrok der Spartanen verschafte den Rom. eene welkome gelegenheid om in Griekenland op bedekte wijze het twistvuur aan te blazen, totdat het land in 146 rom. provincie werd. Sparta bleef eene civitas libera.--Zie ook Laconica.
Spartacus, Spartakos, een Thraciër, achtereenvolgens herder, soldaat, roover, gevangene, zwaardvechter. Met omstreeks 70 metgezellen ontsnapte hij in 73 uit eene zwaardvechterskazerne te Capua. Reeds terstond behaalden zij eenig voordeel op de militie van Capua en bereikten den Vesuvius, doch zagen zich daar weldra ingesloten door 3000 man onder den propraetor C. Claudius Glaber, die den eenigen destijds bestaanden uitweg bezette. De zwaardvechters echter vlochten ladders van op den berg groeiende wilde wijngaardranken, kwamen daarlangs aan den steilen kant van den berg naar beneden, en vielen Claudius zoo onverhoeds op het lijf, dat zijn legioen de vlucht nam. Van alle zijden stroomden nu weggeloopen slaven toe; ook de praetor P. Varinius en zijne legaten Furius en Cossinius werden totaal verslagen. De slaven hadden zich nevens Spartacus nog twee aanvoerders gekozen, Crixus en Oenomaüs. De laatste schijnt reeds vroeg gesneuveld te zijn, tusschen de beide overige ontstond een ernstig verschil van gevoelen. Spartacus wilde zoo spoedig mogelijk met de zijnen, meest Thraciërs en Galliërs, Italië verlaten om naar hun vaderland terug te keeren; Crixus daarentegen had zich met 30000 man van hem afgescheiden om te moorden en te plunderen, daar zij niet wilden heengaan zonder den buit van Italië mede te nemen. Crixus sneuvelde in 72 met twee derden van zijn leger tegen den Consul L. Gellius Poplicola en den propraetor Q. Arrius, doch Spartacus versloeg eerst den anderen consul Cn. Cornelius Lentulus, daarna Gellius en toen den proconsul van Cisalpina, C. Cassius. Na deze overwinning liet Spartacus bij een lijkfeest voor Crixus 300 rom. krijgsgevangenen als gladiatoren vechten. Hij had toen nog 120000 man bij zich, waarmede hij reeds tot aan den Padus (Po) was gekomen; thans echter weigerden zij zijne plannen verder te volgen, hij moest weder zuidwaarts trekken, doch kreeg nu te doen met den praetor M. Licinius Crassus, die er in zes maanden tijds in slaagde, de slaven in Lucania te verslaan, waarbij Spartacus met 60000 der zijnen volgens Livius of 12500 volgens Plutarchus sneuvelde (71). Zijn lijk werd niet gevonden. Zesduizend gevangenen werden langs den weg van Rome naar Capua gekruisigd, vijfduizend anderen, die met versnelde marschen de Alpen zochten te bereiken, liepen juist Pompeius in den mond op diens terugkeer uit Hispania.
Spartarius Campus = Campus Spartarius.
Sparti, Spartoi, z. Cadmus.
Spartianus (Aelius), een der scriptores historiae Augustae, schrijver der levens van eenige keizers nam. van Hadrianus, Marcus Aurelius, Verus, Septimius Severus, Pescennius Niger en Macrinus. Ze zijn later overgewerkt.
Spartocus, Spartokos, naam van een vijftal koningen der tweede dynastie van het bosporaansche rijk, van 438-284.
Spartolus, Spartolos, stad op Chalcidice, ten W. van Olynthus.
Spasinu (Pasinu) Charax, zie Charax.
Spectabilis, titel der tweede klasse van ambtenaren onder Constantijn den Gr.
Spectio, z. auguria.
Speculatores, 1) spionnen in den oorlog.--2) lichte troepen, die op verkenning worden uitgezonden = exploratores.--3) ordonnansen.--4) bereden lijfwachten.
Spercheus, Spercheios, aanzienlijke rivier ten Z. van Thessalia, in het gebied der Dolopers en Aenianen, die zich in de Malische golf stort. Als riviergod is hij een der zoons van Oceanus en Gaea, en bij Polydora, dochter van Peleus, de vader van Menesthius.
Sperthias, Sperthias, z. Bulis.
Spes, personificatie van de hoop. Zij had te Rome verscheiden tempels, de oudste hiervan was tijdens den eersten punischen oorlog aan het forum olitorium gebouwd, waar men haar den 1sten Augustus offers bracht. Zij wordt afgebeeld als een schoone, jonge vrouw, die met de linkerhand haar lang gewaad een weinig opheft, en in de rechterhand een ontluikende bloem draagt.
Speusinioi, z. toxotai.
Speusippus, Speusippos, zoon eener zuster van Plato, werd door zijn oom met veel liefde en zorg opgevoed; naar het schijnt vergezelde hij hem op een zijner reizen naar Sicilië, waar hij kennis maakte met de leer van Pythagoras, waaruit hij het een en ander overnam. Na Plato's dood stond Sp. aan het hoofd der academie, maar wegens lichaamszwakte kon hij slechts tot 339 als leeraar werkzaam zijn, en in 334 maakte hij door een vrijwilligen dood een einde aan zijn lijden. Hij was ongeveer 60 jaar oud geworden. Van zijn talrijke werken, die Aristoteles voor 3 talenten kocht, is niets bewaard gebleven.
Sphacteria, Sphakteria, eilandje op de messenische kust, thans Sfagia, bekend in den peloponnesischen oorlog (zie Pylus no. 3 en Cleon).
Sphaeria, Sphairia, eilandje op de kust van Argolis, nabij Troezen en Calauria.
Sphaeristerium, sphairisterion, zaal voor het bij de ouden zoo geliefkoosde bal- of kaatsspel, zooals men in de grieksche gymnasiën, de rom. badhuizen en ook in de huizen en op de buitenplaatsen der rijke Rom. vond.
Sphagia, Sphagia = Sphacteria.
Sphendale, Sphendale, vlek in het N.O. van Attica, tusschen den berg Parnes en de kust.
Sphendonetai, funditores, slingeraars, lichtgewapenden, die met een slinger van leder, soms van biezen, in de oudste tijden van wol, looden kogels of groote steenen naar de vijanden wierpen. Onder de Grieken muntten de Rhodiërs uit door behendigheid en zekerheid in het behandelen van dit wapen, in de rom. legers dienden daarvoor vooral Balearen.
Sphettus, Sphettos, vlek in het Zuiden van Attica, aan den weg van Athene naar Sunium.
Sphinx, Sphinx, dochter van Typhon en Echidna of van Orthrus en Chimaera, een monster met het hoofd en de borst eener vrouw en verder de gedaante van een leeuw met vleugels. Zij zat op een rots nabij Thebe en gaf den voorbijgangers een raadsel op, wie het niet kon oplossen, werd gedood. Het raadsel luidde: Welk wezen heeft nu eens vier, dan weer twee, dan weer drie voeten, en gaat langzamer naarmate het meer voeten heeft? Oedipus vond de oplossing (mensch), waarop de Sph. zich van de rots in de diepte stortte.--De aegyptische sphinxen hebben eveneens de gedaante van een leeuw, maar zijn ongevleugeld en hebben het hoofd van een man.
Sphodrias, Sphodrias, spartaansch veldheer, die in 378 harmost van Thespiae was en een aanval op den Piraeus deed. Toen deze aanval mislukt was, werd wel beweerd, dat Sph. zich door de Thebanen daartoe had laten omkoopen, om de Atheners in een oorlog met Sparta te wikkelen, doch toen hij daarvoor te Sparta werd aangeklaagd, wist Agesilaus zijn vrijspraak te bewerken. Hij sneuvelde in den slag bij Leuctra.
Spina, Spina, 1) stad aan den zuidelijken mond van den Padus (Po), welke monding naar de stad ostium Spineticum heet. De stad is waarschijnlijk oorspronkelijk umbrisch, maar reeds vroeg door Etruriërs bezet; ze is evenals Adria uitvoerhaven voor barnsteen.--2) stad in Gallia Transpadana aan den Addua (Adda).
Spina, zie circus.
Spino, beek bij Rome, niet nader bekend.
Spinther, bijnaam van eenige Lentuli in de gens Cornelia, z. Cornelii no. 50.
Spitamenes, Spitamenes, generaal van Darius Codomannus, medeplichtige van Bessus. Ook nadat hij dezen uitgeleverd had, zette Sp. den oorlog tegen Alexander voort, zelfs wist hij scythische volksstammen tot een bondgenootschap te bewegen; toen echter zijne zaak hopeloos stond, werd hij door de Scythen gedood en zijn hoofd aan Alexander gezonden.
Spithradates, Spithrid., Spithridates, satraap van Ionië en Lydië onder Darius Codomannus, werd in den slag bij den Granicus, terwijl hij op Alexander zelf een aanval deed, door Clitus gedood.
Spolatum = Spalatum.
Spoletum, -tium, Spoletion, thans Spoleto, umbrische stad aan de via Flaminia, in 241 lat. kolonie. In den burgeroorlog had het veel van Sulla te lijden en in later tijd van de Gothen.
Spolia opima. Onder spolia verstaat men de wapenrusting, die de overwinnaar den verslagen vijand ontneemt. Deze spolia worden opima genoemd, wanneer de eene veldheer den anderen in den strijd eigenhandig doodt. Zoo behaalde Romulus de spolia opima in den strijd tegen de latijnsche Caeninensers, evenzoo de consul A. Cornelius (Cornelii no. 3) in 428 op den vejentischen koning Tolumnius, en in 222 de consul M. Claudius Marcellus (Claudii no. 30) op den gallischen aanvoerder Virdumarus in den slag bij Clastidium.
Spondophoroi, zie Olympia (ta Ol.).
Sporades, Sporades, de eilanden, die in de Aegaeische zee tusschen Creta, Rhodus, de kust van Asia en de Cycladen verspreid liggen.
Sportula, een mandje met eetwaren, zooals de clientes (z. a.) ontvingen bij de salutatio matutina. Later werd het een geschenk in geld, en kreeg sportulae de beteekenis van emolumenten, zooals presentiegelden en dgl.
Spurinae, etruscisch geslacht. 1) Spurina (Spurinna), een haruspex, zou Caesar in den ochtend van den moord gewaarschuwd hebben, dat hem een onheil dreigde.--2) Vestricius Spurina, streed in 69 n. C. voor Otho tegen Vitellius, overwon later als legatus Germaniae Inferioris de Bructeri; hij maakte ook latijnsche en grieksche gedichten. De gedichten, die op zijn naam staan, zijn onecht.
Staberii. 1) L. Staberius, aanhanger van Pompeius had het bevel te Apollonia op de epirotische kust, doch ontruimde het bij Caesar's nadering in 48.--2) Staberius Eros, latijnsch taalkundige, schrijver van een werk de proportione, leermeester van Brutus en Cassius.--3) Staberius, een rijkaard bij Horatius, overigens geheel onbekend.
Stabiae, oude stad aan de campaansche kust, ten Z. van Pompeii, door Sulla in den marsischen oorlog in 90 verwoest. Het herleefde later als villa-dorp, maar hoorde toen tot het grondgebied van Nuceria. In 79 n. C. werd het bij de uitbarsting van den Vesuvius onder de asch bedolven. Later komt het weer voor als badplaats, tgw. Castellamare di Stabia.
Stadium, stadion, de renbaan in een gymnasium, ook de enkele wedloop, waarbij men eenmaal de baan afliep. Als afstandsmaat is het st. 600 gr. voet, ongeveer 182 m.; naam en lengte heeft deze maat van de renbaan te Olympia.
Stagirus, Stageiros, ook Stagira, ta Stageira, kolonie van Andrus, in het N.O. van Chalcidice, geboorteplaats van Aristoteles, op wiens verzoek Philippus van Macedonia de door hem verwoeste stad liet herbouwen.
Staienus, naam in de gens Aelia, zonder historisch belang. In Cicero's oratio pro Cluentio komt zekere C. Aelius Paetus Staienus voor, die een schurkachtig voogd en een omkoopbaar rechter was, en de som, waarmede hij ook andere rechters zou omkoopen, in zijn eigen zak stak.
Staius Murcus (L.), veldheer van Caesar, belegerde met Q. Marcius Crispus (Marcii no. 11), Q. Caecilius Bassus (Caecilii no. 28) te Apamea ad Orontem, maar sloot zich in Maart 43 bij Cassius aan, en werd als vlootvoogd naar de Adriatische zee gezonden, waar hij den overtocht van Antonius en Octavianus niet wist tegen te gaan. Na den dood van Brutus en Cassius sloot hij zich met zijn vloot bij Sex. Pompeius aan, die hem echter spoedig liet ombrengen. V.a. was zijn naam Statius Murcus.
Staphylus, Staphylos, zoon van Dionysus of Theseus en Ariadne of van Dionysus en Erigone, een van de Argonauten.
Stasanor, Stasanor, van Cyprus, onder Alexander satraap van Ariane en Drangiane, na Alexanders dood van Bactria en Sogdiane, waar hij zich in weerwil van de aanvallen van Antigonus staande hield.
Staseas, van Neapolis, peripatetisch wijsgeer, met Cicero bevriend.
Stasicrates, Stasikrates, z. Dinochares.
Stasinus, Stasinos, van Cyprus, waarschijnlijk uit de 8ste eeuw, een van de cyclici, wien door sommigen een episch gedicht (Kypria epe) werd toegeschreven, dat de gebeurtenissen van de bruiloft van Peleus tot aan het begin der Ilias behandelde.
Stata Mater, eene godin, die te Rome aangeroepen werd tot afwering van branden. Zij was in beteekenis verwant met Vulcanus en Vesta; haar beeld stond op het forum, waar 's nachts te harer eer een vuur brandde.
Stater, stater, oorspronkelijk lydische gouden munt ter waarde van ongeveer 22 attische drachmen. Zij was niet slechts in Griekenland algemeen gangbaar, maar werd ook door vele grieksche staten geslagen en uitgegeven.
Statielli, -ellates, -ellenses, kleine ligurische volksstam, tusschen den Padus (Po) en de Apennijnen, met de badplaats aquae Statiellae.
Statii. 1) Statius Albius Oppianicus, rom. ridder, die zijn zwager en twee van zijn eigen zoons om het leven bracht, en zijn stiefzoon A. Cluentius Habitus trachtte te vermoorden, om zich diens fortuin toe te eigenen. Door Cluentius aangeklaagd, poogde hij zijn rechters om te koopen (zie Staienus), doch moest zich door vrijwillige ballingschap aan het vonnis onttrekken (74).--2) Statius Albius Oppianicus, zoon van no. 1, beschuldigde Cluentius (z. a.), dat deze den ouden Oppianicus had pogen te vergeven.--3) Statius Sebosus, rom. zeevaarder, ontdekker der Canarische eilanden, en schrijver over aardrijkskunde, leefde in de eerste helft van de eerste eeuw n. C.--4) L. Statius Murcus, z. Staius Murcus.--5) M. Statius Priscus, rom. veldheer, veroverde ± 163 na C. de armenische hoofdstad Artaxata.--6) Statius, vrijgelatene van Q. Cicero, die veel invloed op hem had.--7) P. Papinius Statius (± 45-96 na C.), te Neapolis geboren, doch te Rome opgevoed, beroemd improvisator, dichter van twee epische gedichten, Thebais, in 12 boeken, en Achilleis (onvoltooid), alsmede van 5 boeken mengelpoëzie onder den naam Silvae.--8) Statius Caecilius, zie Caecilii no. 31.--9) Statius Gellius, zie Gellii no. 1.
Statilii. 1) Statilius, een dapper marsisch krijgsman, die aan Rome trouw bleef, toen zijne landslieden tot Hannibal overgingen.--2) L. Statilius, een van de saamgezworenen van Catilina, die Rome in brand zou steken.--3) Statilius, aanhanger van Cato van Utica, die zich bij Cato's dood ook van het leven wilde berooven, doch door zijne vrienden hierin verhinderd werd en later bij Philippi in de handen zijner vijanden viel en gedood werd.--4) T. Statilius Taurus, legaat van Octavianus, streed in 36 tegen Sex. Pompeius op Sicilia, veroverde na de afzetting van Lepidus Sicilia en Africa, streed in 34/33 in Dalmatia tegen de Dalmaten, stond aan het hoofd der landingstroepen bij Actium (31), onderwierp later (29) de Cantabriërs, Asturiërs en Vaccaeërs in Hispania, was in 26 consul, en werd in 25 door Augustus tot praefectus urbi benoemd. Uit eigen fondsen bouwde hij in 30 te Rome het eerste steenen amphitheater. Hij was een groot vriend van Augustus.--4a) T. Statilius Sisenna Taurus, consul in 16 n. C.--5) T. Statilius Taurus, consul 44 n. C., een rijk man, wiens moeder eene Valeria Messalina (Corvina) was, werd om zijne schatten aangeklaagd van knevelarij en tooverij (Z. Tarquitii), op aanstoken van Agrippina, de gemalin van keizer Claudius. Hij benam zichzelf het leven (53).--6) Statilia Messalina, dochter van no. 5, huwde in 65 n. C. met Vestinus. Over dit huwelijk was keizer Nero woedend en hij liet hem in zijn huis vermoorden (zie Vestini no. 2), waarna hij Statilia tot vrouw nam. Later verloofde zij zich met Otho, wiens dood hem belette haar tot keizerin te verheffen.
Statira, Stateira, 1) gemalin van Artaxerxes Mnemon, door hare schoonmoeder Parysatis vergiftigd.--2) gemalin van Darius Codomannus, werd na den slag bij Issus door Alexander gevangen genomen en stierf kort daarna.--3) z. Barsine no. 1.
Statonia, oude stad in Etruria ten N. van Volci, aan het riviertje Albinia en den lacus Statoniensis, ten W. van den lacus Volsiniensis.
Stator, bijnaam van Jupiter, oorspronkelijk beteekenend: hij, die de vluchtende legers tot staan brengt; later gaven de Rom. er de beteekenis aan van instandhouder, bevestiger.
Statorii. Q. Statorius, in 213 centurio onder de Scipio's in Hispania, ging naar koning Syphax, om diens leger in den wapenhandel te oefenen.
Stellas (Stellatis) campus, vruchtbare streek in het N. van Campania nabij den ager Falernus. Oorspronkelijk maakte deze streek een onderdeel uit van den ager Campanus (het land van Capua), maar in 211 werd ze ervan afgescheiden. In 59 bij de lex Iulia agraria werd ook de ager Stellas evenals de overige ager Campanus met kolonisten bevolkt.
Stemmata, soort van loofwerk, waarmede de imagines maiorum tot een stamboom vereenigd werden.
Stentor, Stentor, een van de Grieken voor Troje, beroemd door zijn sterke stem. Hij kon zoo hard schreeuwen als 50 andere mannen.
Stenyclerus, Stenykleros, oude stad in Messenia, eenmaal de residentie der messenische koningen uit de Doriërs.
Stephanus, Stephanos, beeldhouwer te Rome, uit de 2de helft der eerste eeuw.
Steropes, Steropes, een van de Cyclopen.
Stertinii. 1) L. Stertinius, als proconsul in 199 naar Hispania gezonden, bracht in 196 een buit van 50000 pond zilver naar Rome.--2) Stertinius, een stoicijnsch wijsgeer, bij Horatius in gesprek met Damasippus.--3) Q. Stertinius, een bekwaam arts onder de eerste keizers, evenals zijn broeder.--4) L. Stertinius, legatus van Germanicus, versloeg in 15 en 16 na C. de Bructeren en Angrivariërs en onderwierp Segimerus no. 2.--5) L. Stertinius Avitus, dichter tijdens Domitianus, een vriend van Martialis.
Stesagoras, Stesagoras, volgde zijn oom Miltiades no. 1 op en werd na eene korte regeering gedood. Hij was een oudere broeder van Miltiades no. 2.
Stesichorus, Stesichoros, van Himera, een van de beroemdste grieksche lierdichters, 640-555. In een van zijne gedichten noemde hij Helena de oorzaak van al de rampen, die uit den trojaanschen oorlog voortgekomen waren; tot straf daarvoor werd hij blind en hij kreeg het gezicht niet terug, voordat hij in eene palinodie (z. a.) verklaard had, dat slechts eene schijngestalte Paris naar Troje vergezeld had. Om politieke redenen moest hij uit Himera vluchten; zijn graf was te Catana nabij de naar hem genoemde poort.--Van zijne door de ouden hooggeprezen werken, waarvan slechts fragmenten bewaard zijn, hebben de meeste, wat hun inhoud betreft, veel overeenkomst met het epos; hij tracht echter in de oude mythen en sagen een zedelijke beteekenis te vinden en de rechtvaardigheid van het goddelijk wereldbestuur aan te toonen.
Stesicles, Stesikles, aanvoerder van een troep lichtgewapenden, door de Atheners aan Corcyra te hulp gezonden, toen dit door Mnasippus belegerd werd (373).
Stesimbrotus, Stesimbrotos, van Thasus, leefde ten tijde van Cimon en Pericles te Athene als sophist en hield zich vooral met de verklaring van de gedichten van Homerus bezig. Zijne levensbeschrijvingen van Themistocles, Pericles e. a. schijnen weinig geloofwaardig geweest te zijn.
Stheneboea, Stheneboia, zie Antea. Naar haar wordt Bellerophon Stheneboius heros genoemd.
Sthenelus, Sthenelos, 1) zoon van Perseus en Andromeda, koning van Mycenae, vader van Eurystheus.--2) zoon van Capaneus en Euadne, een der epigonen (z. Adrastus), vriend en krijgsmakker van Diomedes voor Troje.--3) zoon van Androgeos, volgde Heracles op diens tocht tegen de Amazonen; later regeerde hij met zijn broeder Alcaeus over Thasus.--4) vader van Cycnus, naar hem wordt de zwaan Stheneleis volucris genoemd.--5) treurspeldichter te Athene, door Aristophanes e. a. om zijne weinig verheven gedichten bespot.
Sthen(n)is, Sthen(n)is, van Olynthus, beroemd beeldgieter ten tijde van Alexander d. G.
Stheno, Sthe(i)no, eene van de Gorgonen.
Stibadium = Sigma.
Stigma, het brandmerk, dat op het voorhoofd werd ingebrand, b.v. K voor calumniatores volgens eene zekere lex Remmia, F voor weggeloopen slaven, fugitivi, of voor dieven, fures. Het schijnt, dat men zich niet altijd met ééne letter vergenoegde. Ook werd het merk niet altijd ingebrand, maar ook wel met een scherp gepunt werktuig ingegrift, zóó dat het litteeken bleef. Op deze wijze werden onder de latere keizers ook recruten en dwangarbeiders op den arm gemerkt.
Stigmatias, stigmatias, een gemerkte slaaf; zie stigma.
Stilicho, Stelichon, een Vandaal in rom. krijgsdienst, die het onder Theodosius den Gr. zoover bracht, dat hij met 's keizers nicht en aangenomen dochter Serena huwde. In 395 n. C. vertrouwde Theodosius hem de voogdij over den jeugdigen Honorius toe (z. a.), die achtereenvolgens Stilicho's beide dochters tot vrouw kreeg. Stilicho verdedigde het westersche rijk met krachtige hand tegen de Germanen en tegen den Gothenvorst Alarik, totdat hij ten gevolge van hofkabalen in 408 op last van zijn keizerlijken schoonzoon in diens paleis werd omgebracht.
Stilo Praeconinus (L. Aelius), z. Aelii no. 7.
Stilpo, Stilpon, van Megara, scherpzinnig wijsgeer uit de megarische school in de tweede helft der 4de eeuw, leermeester van Zeno. Hij bestreed de ideënleer van Plato.
Stilus, de metalen schrijfstift, waarmede men op de wastafeltjes, tabulae ceratae, schreef. Het boveneinde was plat, om het geschrevene, zoo het niet beviel, te kunnen uitwrijven. Vandaar de dichterlijke uitdrukking stilum vertere.
Stimula, oud-italische godin, die vooral bij vrouwen hevige hartstochten opwekt, later geïdentificeerd met Semele. Zij had een gewijd bosch buiten Rome aan den Tiber, waar de later door den senaat verboden Bacchanalia gevierd werden.
Stipendium, 1) de soldij, misthos, die te Rome tijdens het beleg van Veii werd ingevoerd, en niet in termijnen werd uitbetaald, maar eens in het jaar, op het einde van den veldtocht of van het dienstjaar, na aftrek van hetgeen de staat voor wapening en onderhoud had uitgegeven. Later werd de soldij naar dagen berekend, en bedroeg in den tijd van Polybius 5 lichte asses, sedert Caesar 10 asses = ruim f0.26. De praetoriani kregen van Augustus eerst 20 asses, later 2 denarii = f0.84. De socii (z. a.) ontvingen geen stipendium, doch werden kosteloos van het noodige voorzien.--2) de directe belastingen (wel te onderscheiden van vectigalia) in de provinciën, waar de belastingplichtigen stipendiarii werden genoemd. Twee provincies, Sicilia en Asia (van de lex Sempronia tot Caesar) betaalden tributum soli (z. a.) in plaats van stipendium.
Stiris, Steiris, stad in het Z. van Phocis.
Stoa, zuilengang, 1) st. basilike of basileios of he tou basileos, het ambtslokaal van den archon basileus (z. archontes) te Athene. Aan dit gebouw ontleenen de basilicae (z. a.) hun naam en hun vorm.--2) st. poikile, z. het artikel Athenae p. 103, en Zeno no. 3.
Stobaeus (Johannes), Ioannes Stobaios, van Stobi, leefde waarschijnlijk omstreeks 450 n. C. Eene door hem ten behoeve van zijn zoon aangelegde verzameling van uittreksels uit meer dan 500 grieksche dichters en prozaschrijvers is voor het grootste gedeelte bewaard gebleven, en is van groot belang voor de kennis van oudere schrijvers, wier werken overigens verloren gegaan zijn.
Stobi, Stoboi, hoofdstad van het macedonische gewest Paeonia, ongeveer aan de samenvloeiing van den Erigon met den Axius, in de vierde eeuw na C. door de Gothen verwoest.
Stoechades insulae, Stoichades nesoi, groep van vijf eilandjes op de kust van Gallia Narbonensis, tot het gebied van Massilia behoorende, thans Iles d' Hyères.
Stoeni, ligurisch volk, tot de Euganei behoorend, in 118 door Q. Marcius Rex onderworpen. Waarschijnlijk woonden ze ten N. van Verona.
Stoici, Stoikoi, hoi ek tes stoas, stoicijnen, wijsgeeren uit de school van Zeno (z. a. no. 3).
Stola, het bovenkleed eener rom. dame, dat rondom tot op de voeten hing en waaraan nog een rand, instita, kon gehaakt worden, die van achteren een sleep vormde. De stola had korte mouwen. Aan meretrices en adulterii damnatae was het dragen der stola ontzegd; deze waren verplicht zich in het openbaar in de toga te vertoonen. Daar bij huiselijke bezigheden de stola hinderlijk kon zijn, droegen de dames een gordel (cingulum), ten einde haar kleed te kunnen opschorten.
Stolo, familienaam in de gens Licinia (Licinii no. 3 en 4).
Strabo (= scheele), familienaam in onderscheidene gentes, als g. Fannia, g. Iulia (Julii no. 5), g. Pompeia (Pompeii no. 9).
Strabo, Strabon, van Amasea, geb. 66, wijdde zich, na grondige studie van wijsbegeerte en geschiedenis, geheel aan de beoefening der aardrijkskunde. Te dien einde ondernam hij groote reizen door Griekenland en Klein-Azië, ging hij westwaarts tot Sardinië, zuidwaarts tot Aethiopië, ook bezocht hij Rome, waar hij zich lang schijnt opgehouden te hebben, en bereisde hij Aegypte in gezelschap van Aelius Gallus. De vruchten van zijn onderzoek heeft hij nedergelegd in een groot werk, Geographika, in 17 boeken, dat bijna volledig bewaard gebleven is, en voor de oude aardrijkskunde van het hoogste belang is. Het bevat, behalve de eigenlijke aardrijkskunde, vele bizonderheden over geschiedenis, staatsinrichting, zeden en gewoonten der beschreven landen. Van zijne Hypomnemata historika, een uitvoerig werk in ten minste 43 boeken, is slechts weinig bewaard gebleven. Str. stierf in 19 na C.
Strategos. Te Athene werd omstreeks 500 het opperbevel over het leger aan den polemarchos ontnomen en opgedragen aan een collegie van 10 jaarlijks door het volk te verkiezen strategoi. Zij waren de hoogste militaire overheid, hadden het geheele beheer van leger en vloot in handen en kregen, door het belangrijke van hun betrekking, weldra ook op politiek gebied grooten invloed. Aanvankelijk hadden zij waarschijnlijk allen gelijke bevoegdheden, tenzij door volksbesluit of onderlinge overeenkomst aan een van hen het opperbevel was opgedragen; in lateren tijd (ongeveer sedert 350) werden hun bij hun verkiezing speciale werkzaamheden toegewezen, en vindt men bijv. een str. epi ten phylaken tes choras, een str. epi tas symmorias, enz.--Zie ook achaeïsch verbond.
Strato, Straton, van Lampsacus, leerling van Theophrastus en na diens dood (287) gedurende 18 jaar hoofd der peripatetische school, beroemd door zijne omvangrijke geleerdheid en scherpzinnigheid. Hij beoefende vooral de natuurwetenschappen en verklaarde het ontstaan van het heelal uitsluitend uit de werking van natuurkrachten (vandaar zijn bijnaam Physikos, maar behandelde in zijne talrijke geschriften ook alle andere onderdeelen der wijsbegeerte. Hij stierf in 270.
Stratocles, Stratokles, 1) atheensch redenaar, tegenstander van Demosthenes.--2) atheensch veldheer in den oorlog tegen Philippus van Macedonië.--3) van Amphipolis, riep voor zijne vaderstad vruchteloos de hulp der Atheners tegen Philippus in en werd daarom later door dezen verbannen.
Stratonice, Stratonike, dochter van Demetrius Poliorcetes, gehuwd met Seleucus Nicator en later met diens zoon Antiochus (z. a. no. 2).
Stratonicea, Stratonikeia, 1) voorname stad in het binnenland van Caria, door den syrischen koning Antiochus I Soter (z. a.) gebouwd en ter eere zijner vrouw aldus genoemd. De stad en ook de omgeving heette vroeger Idrias. Bij deze stad stond de carische bondstempel van Zeus.--2) stad aan den Caicus in Mysia, later Adrianupolis (Hadrianupolis) geheeten. Hier nam M. Perperna den kroonpretendent Aristonicus gevangen (130).
Stratonicus, Stratonikos, 1) Athener, bekwaam toonkunstenaar, die vele leerlingen had. Hij was beroemd door zijne geestigheid, waarmede hij echter aan koning Nicocles van Salamis aanstoot gaf, die hem ter dood liet brengen.--2) van Cyzicus, een van de beeldhouwers, die de gevechten van Attalus en Eumenes tegen de Galliërs in beeld brachten (± 200).
Stratonis turris, Stratonos pyrgos, zie Caesarea no. 2.
Strattis, Strattis, 1) tyran van Chius ten tijde van de perzische oorlogen.--2) dichter der oude comedie, jonger tijdgenoot van Aristophanes.
Stratus, Stratos, 1) sterke hoofdstad van Acarnania, in het binnenland ten W. van den Achelous gelegen, ± 260 door de Aetoliërs veroverd, en sedert in hun bezit.--2) stad in het W. van Arcadia, op de grenzen van Elis, in het gebied van Thelpusa, dat daarover gedurig met Elis strijd voerde.--3) = het latere Dyme, in Achaia.
Strenae, 1) nieuwjaarsgeschenken bij de Rom. vanwaar het fransche étrennes.--2) = omen.
Striglis, Strigilis, stlengis, xystris, een krabber, waarvan men zich in Grieksche en Romeinsche badhuizen bediende, om na het worstelen, of na het heete luchtbad, het vuil en zweet van de huid te verwijderen: zie balneum.
Strombichides, Strombichides, atheensch veldheer in het laatste gedeelte van den peloponnesischen oorlog, heroverde Lampsacus, dat van Athene afgevallen was (411). Hij verzette zich tegen den vrede van Theramenes (z. a.); daarom werd hij nog vóór het sluiten van den vrede op een valsche aanklacht van oligarchische zijde gevangen genomen en onder de 30 ter doodgebracht.
Strongyle, Strongyle, 1) het noordelijkste der Liparische eilanden ten N. van Sicilia, thans Stromboli.--2) oude naam van Naxus.
Strongylion, Strongylion, atheensch beeldgieter op het einde der 5de eeuw, vooral beroemd door zijne paarden en stieren.
Strophades, Strophades, ook Plotai geheeten, twee eilandjes in de ionische zee, ten Z.O. van Zacynthus (Zante). Zij behoorden tot het gebied van Cyparissia op de messenische kust en waren rijk aan wijn. Toen Calais en Zetes, zonen van Boreas, de Harpyieën vervolgden, staakten zij bij deze eilanden de vervolging en keerden toen om; vandaar de naam (van strephein).
Strophium, strophion, lange strook lijnwaad, soort van sjerp, die koordvormig werd ineengedraaid en door vrouwen en meisjes over het hemd om het lichaam werd gebonden tot steun voor de borsten. Tot dergelijk doel werd ook het mamillare gebezigd, een platte band, soms van zacht leder, doch op het bloote lijf gedragen.
Strophius, Strophios, 1) koning van Phocis, gehuwd met eene zuster van Agamemnon, z. Orestes.--2) kleinzoon van den vorigen, zoon van Pylades en Electra.
Stryme, Stryme, stad der Thasiërs op de thracische kust aan den mons Ismarus.
Strymon, Strymon, belangrijke rivier van Macedonia, vóór Philippus grensrivier tegen Thracia. Hij ontsprong op den Scomius en liep aan de Oostzijde van Chalcidice in de Strymonische golf uit. Niet ver van den mond lag Amphipolis.
Stubera, Styberra, stad in Pelagonia, het Z. W. gedeelte van het macedonische gewest Paeonia, tusschen den Axius (Vardar) en diens zijrivier Erigon.
Stymphalus, Stymphalos, stad in het N.O. van Arcadia aan den mons Stymphalus en aan het stymphalische meer. Hier verdreef of doodde Heracles (z.a.) de stymphalische vogels. Het water liep door onderaardsche kanalen af.
Styra, ta Styra, stad in Z. W. Euboea; de bevolking is van dryopischen stam.
Styx, Styx, 1) arm van den Oceaan, die onder de aarde stroomt en negenmaal rondom de onderwereld loopt. De nimf van deze rivier is eene dochter van Oceanus en Tethys, gehuwd met den Titan Pallas; zij woont aan den ingang van den Tartarus in een grot met zilveren kolommen. Toen de Titanen tegen Zeus opstonden, was zij de eerste die hem hare kinderen, Zelus, Nice, Cratus en Bia, te hulp zond; daarom beloonde Zeus haar door te bepalen, dat de eed bij de Styx voor de goden heilig en onschendbaar zou zijn, terwijl hare kinderen op den Olympus bleven wonen.--2) rivier in noordelijk Arcadië, tegenwoordig Mavronera, waarvan het water volgens de ouden doodelijk is en alles verteert behalve ezels- of paardenhoeven.
Suardones, germaansche volksstam in het N. van Germania, op den rechteroever van den Albis (Elbe); ze behooren tot die volkeren, die de godin Nerthus vereeren.
Sub novis, sub veteribus. Langs een gedeelte der lange zijden van het forum stonden twee rijen vaste kramen of winkeltjes. Die aan den Zuidkant waren de oudste en de weg daarlangs werd sub veteribus geheeten, terwijl de weg langs de winkels aan de Noordzijde sub novis werd genoemd.
Subertum, stad in het hart van Etruria, waarschijnlijk ten O. van den lacus Volsiniensis; juiste ligging onbekend.
Sublaqueum, stad der Aequi, aan den Boven-Anio. In den keizertijd behoorde dit gebied tot Latium. In de nabijheid lag de prachtige villa van Claudius en Nero.
Sublicius (pons), houten paalbrug, in het bijzonder de oude Tiberbrug te Rome, in den oorlog tegen Porsena afgebroken. Toen zij weder herbouwd werd, geschiedde dit zonder er bouten of spijkers in te slaan; zij was zoo ineengevoegd, dat men ze in geval van nood geheel uiteen kon nemen.
Subscriptio, de onderteekening eener aanklacht, in engeren zin de onderteekening door de medeaanklagers, terwijl dan de onderteekening door den hoofdbeschuldiger inscriptio werd genoemd (z. a.).
Subsolanus of Solanus, de Oostenwind, zie Windstreken.
Subucula, ondertunica, meest van wol en van mouwen voorzien.
Subura, buurt van Rome met een zeer drukke winkelstraat, die van het forum in N.O. richting liep. De derde regio van Servius Tullius heette Suburana.
Sucro, rivier in het O. van Hispania, die ten Z. van Valentia in zee valt, thans Xucar, met eene gelijknamige stad in het gebied der Edetani. De rivier heette vroeger Sicanus, zie Sicilia.
Sudatio, Sudatorium, zie balneum.
Sudeti montes, Soudeta ore, het W. gedeelte der tegenw. Sudeten, met het Ertsgebergte.
Suebi, uitgebreide en machtige volkenbond in Germania, een groot gedeelte van de latere Hoogduitschers. Hun land was in 100 gouwen verdeeld, waarvan elk 1000 krijgers kon leveren. Hun roem was, alles rondom hen zoover te verwoesten, dat zij geene naburen hadden. Onder Ariovistus neemt een gedeelte van het volk bezit van de door de Helvetiërs verlaten streken ten Zuiden van den Main, en dringt dan ook in den Elzas door, waar Caesar ze in 58 verslaat. Ook de Semnones in Midden-Germania (tusschen Elbe en Spree) behoorden er toe. Bij Tacitus wordt O. Germania tusschen de Donau en de Oostzee Suebia genoemd. Hun naam leeft nog voort in Zwaben. In de 3de eeuw n. Chr. vormt een gedeelte van de Suebische stammen (vooral de Semnones) den nieuwen volkerenbond der Alamannen (z. a.).
Suebicum mare, de Oostzee.
Suessa. 1) Suessa (Sessa) Aurunca, stad der Aurunci in Latium, aan den mons Massicus, col. lat. sedert 313, geboorteplaats van den dichter Lucilius.--2) Suessa Pometia, stad der Volsci in Latium, door Tarquinius Priscus veroverd, later door de Rom. verwoest. De ligging is onzeker.
Suessetani, volksstam in Tarraconensis, nabij den Iberus (Ebro), in wier gebied de stad Corbio ligt.
Suess(i)ones, machtig volk in het Z. van Belgica dat 50000 man op de been kon brengen en wier koning Divitiacus niet slechts over een aanzienlijk deel van Gallia heerschte, maar zelfs over een deel van Britannia. Hoofdstad: Nuviodunum, later Augusta Suessionum geheeten, thans Soissons.
Suessula, stad in Campania tusschen Calatia en Nola.
Suetonii. 1) C. Suetonius Paulinus, beroemd veldheer, werd in 41 na C. stadhouder van Mauretania en drong dieper dan een zijner voorgangers in de binnenlanden van Africa door. In 59 werd hij naar Britannia gezonden, waar hij na een bloedigen strijd den opstand van Boudicca dempte, doch reeds in 61 werd hij, ten gevolge van lasterlijke beschuldigingen, door Nero teruggeroepen (zie Polyclitus). Later streed hij voor Otho in den slag bij Cremona (69), doch onderwierp zich na diens dood aan Vitellius, waarbij hij op niet zeer eervolle wijze den schijn aannam, als zou door zijn opzettelijk toedoen Otho den slag hebben verloren.--2) C. Suetonius Tranquillus leefde ten tijde van Domitianus, Traianus en Hadrianus. Door den invloed van zijn vriend Plinius (minor) verkreeg hij van Traianus verschillende ambten, maar hij viel bij Hadrianus in ongenade, nadat hij onder dezen een post bij de kanselarij had bekleed als magister epistularum (zie scrinium). Zijn verder leven sleet hij met letterkundigen arbeid. Hij schreef de levens der eerste 12 keizers (van Caesar tot Domitianus), waarin hij zonder chronologische volgorde in eenvoudigen, helderen stijl tal van kleine bijzonderheden mededeelt (de vita Caesarum libri VIII), voorts over taalgeleerden, rhetoren, enz., alsmede de levens van Terentius, Horatius, Persius, Lucanus, Juvenalis, Plinius, samen behoorende tot een werk de viris illustribus.
Suevi = Suebi.
Suffectus is de overheidspersoon, die voor de rest van het ambtsjaar gekozen wordt, wanneer het ambt binnentijds openviel, b.v. door overlijden.
Suffetes, titel der twee hoogste overheden te Carthago, die de uitvoerende macht bezaten, in den senaat het voorzitterschap bekleedden en somtijds ook het leger aanvoerden. Hun ambt werd hun, althans in den beginne, slechts voor één jaar opgedragen.
Suffibulum, lange witte sluier, die van het hoofd naar achteren over den rug afhing en onder de kin met een gesp (fibula) werd vastgehecht, en die tot de dracht der vestaalsche maagden behoorde. Ook droegen de priesters dit kleedingstuk bij het offeren.
Suffragia (sex), naam van 6 der 18 rom. riddercenturiën, vermoedelijk de drie dubbelcenturiën van Tarquinius, Ramn(ens)es, Titi(ens)es en Lucer(ens)es priores en posteriores. Welk verschil er tusschen deze zes en de overige XII centuriae equitum was, blijkt niet. Waarschijnlijk waren de sex suffragia een tijd lang uitsluitend patricisch, de overige gemengd.
Sugambri = Sygambri.
Synkletos ekklesia, z. ekklesia.
Suillii. P. Suillius Rufus, schoonzoon van Ovidius, was eerst quaestor van Germanicus geweest, en werd in 24 na C. verbannen wegens omkoopbaarheid, doch kreeg onder de regeering van Claudius verlof naar Rome terug te keeren en wist toen wederom grooten invloed te verwerven. Zijne geldzucht dreef hem er toe, als verklikker en valsche aanklager tegen aanzienlijke mannen op te treden, totdat Nero zelf hem bij den senaat beschuldigde (58) en hij met ballingschap en verbeurdverklaring van een gedeelte zijner bezittingen werd gestraft.--2) M. Suillius Nerulinus, zoon van no. 1, consul in 50 na C., werd na de veroordeeling zijns vaders van afpersingen beschuldigd, doch door Nero vrijgesproken. Onder Vespasianus was hij proconsul van Asia.
Suiones, de tegenwoordige Zweden, bij Tacitus de naam der bewoners van Scandinavia, als goede zeevaarders bekend, wier schepen voor en achter gelijk gebouwd waren, zoodat zij in beide richtingen konden varen. Zie Scandia.
Sykophantes werd te Athene iemand genoemd, die uit winstbejag anderen met processen lastig viel. Bij de overmatige, tegenover sommige standen soms onrechtvaardige gestrengheid der atheensche rechters, konde een onbeteekenende of zelfs een geheel valsche aanklacht voor den aangeklaagde dikwijls lastig of gevaarlijk worden en daarom vond men het gewoonlijk veiliger een sycophant af te koopen, wanneer hij met een aanklacht dreigde, dan zich aan een proces te wagen. Meende men het boos opzet van een syc. te kunnen bewijzen, dan kon men hem bij den raad of het volk of, door de graphe sykophantias, bij de thesmotheten aanklagen.
Sulla, familienaam in de gens Cornelia (Cornelii no. 52-54).
Sylloges, beambten of buitengewone commissarissen bij het financiewezen te Athene, wier werkkring niet nader bekend is, alleen wordt van hen vermeld, dat zij verbeurdverklaarde goederen der oligarchen in beslag namen.
Sulmo, Soulmon, 1) thans nog Sulmo, paelignische stad, de geboorteplaats van Ovidius, die het gelidis uberrimus undis noemt naar de koele bergstroompjes en bronnen in den omtrek. In den burgeroorlog werd het door Sulla verwoest, doch later herbouwd als kolonie.--2) volscische stad in Latium, die in de eerste eeuw na C. reeds geheel verdwenen was.
Sulpiciae (leges) van den volkstribuun P. Sulpicius Rufus (Sulpicii no. 18) van 88, 1) tot terugroeping der ballingen, n.l. van hen, die na de woelingen van M. Livius Drusus in 91 en na de lex Varia de wijk hadden genomen.--2) dat de nieuwe italiaansche burgers (na den marsischen oorlog) en de vrijgelatenen over al de 35 tribus zouden worden verdeeld.--3) dat geen senator meer dan 2000 drachmen schuld zou mogen hebben (de inhoud dezer wet wordt alleen in het Grieksch vermeld).--4) dat niet Sulla, doch Marius het bevel in den mithradatischen oorlog zou voeren. Deze wetten werden, toen Sulla met zijn leger in de stad binnendrong, door den senaat ongeldig verklaard.
Sulpicii, patricisch geslacht. 1) Ser. Sulpicius Camerinus Cornutus, consul in 500, bewerkte in 496 de hernieuwing van het verbond met Latium.--2) Ser. Sulp. Camer. Corn., consul in 461, tegenstander der lex Terentilla de legibus scribundis. In 454 was hij een der drie mannen, die naar Griekenland gezonden werden tot het bestudeeren der wetten aldaar.--3) Ser. Sulp. Camerinus, consul in 393, kantte zich sterk tegen het ontworpen plan der plebejers om naar Veii te verhuizen.--4) Q. Sulp. Longus, consulairtribuun in 390, liet de wacht, die de beklimming van het Capitool door de Galliërs niet had bespeurd, van de rots afwerpen.--5) Ser. Sulp. Praetextatus, consulairtribuun in 377 en 376, ontzette den burg van Tusculum, die door de Latijnen werd belegerd.--6) C. Sulp. Peticus, consul in 364, 361, 355, 353 en 351, dictator in 358, versloeg in 361 de Hernicers, in 358 de Galliërs, in 351 de Tarquiniërs, die gedwongen werden vrede te sluiten.--7) C. Sulp. Longus, consul in 337, 323 en 314, versloeg in 314 de Samnieten.--8) C. Sulp. Paterculus, consul in 258, voerde op Sardinia oorlog tegen de Carthagers.--9) P. Sulp. Galba Maximus werd voor het jaar 211 tot consul gekozen zonder eenig ander curulisch ambt te hebben bekleed; hij beschermde met zijn ambtgenoot Cn. Fulvius Centumalus en den proconsul Q. Fulvius Flaccus Rome tegen eene overrompeling door Hannibal. In 203 was hij dictator comit. habend. causa en in 200 andermaal consul. De oorlog tegen Philippus van Macedonia werd hem toen opgedragen, waarin hij het volgende jaar door den toenmaligen consul P. Villius Tappulus werd vervangen.--10) C. Sulp. Gallus was in 168 krijgstribuun in het leger van Aemilius Paullus en voorspelde de maansverduistering in den nacht vóór den slag bij Pydna (21/22 Juni 168, volgens den Juliaanschen kalender); tegenwoordig neemt men aan, dat hij die maansverduistering niet voorspeld, maar uitgelegd en verklaard heeft. In 166 was hij consul en overwon de Liguriërs. In 164 werd hij belast met een onderzoek naar de klachten, tegen Eumenes van Pergamus ingebracht. Dat hij de sterrenkunde beoefende, is uit het bovenstaande reeds gebleken; ook was hij ervaren in de grieksche letterkunde.--11) Ser. Sulp. Galba, krijgstribuun, zocht uit haat tegen L. Aemilius Paullus, de volkstribunen over te halen om diens zegepraal te beletten. In 151 en 150 voerde hij als propraetor oorlog in Lusitania; hij werd eerst verslagen en pleegde later schandelijke woordbreuk, toen hij ongewapende krijgsgevangenen verraderlijk liet neerhouwen. Onder de weinigen die ontkwamen, behoorde Viriathus. Om deze reden werd Galba in 149 door den volkstribuun L. Scribonius Libo (Scribonii no. 3), ondersteund door den 85-jarigen M. Cato, aangeklaagd. Hij ontging de veroordeeling slechts door bidden en smeeken. Hij was consul in 144 met L. Aurelius Cotta, z. Aurelii no. 3. Hij was de beste redenaar van zijn tijd, hoewel ook Libo in dit opzicht niet gering te schatten was.--12) Ser. Sulp. Galba, zoon van no. 11, consul in 108, was in 100 onder de tegenstanders van Saturninus.--13) C. Sulp. Galba, zwager van C. Gracchus, was een goed redenaar. Hij werd in 110 veroordeeld, omdat hij zich door Jugurtha had laten omkoopen.--14) Ser. Sulp. Galba diende in 90 als legaat voorspoedig tegen de opgestane bondgenooten.--15) P. Sulp. Galba was aediel tegelijk met Cicero, doch tevergeefs diens mededinger naar het consulaat.--16) Ser. Sulp. Galba, legaat van Caesar in Gallia, dong in 49 vergeefs naar het consulaat en was later onder Caesars moordenaars. In den mutinensischen oorlog streed hij onder Hirtius tegen Antonius. Toen het driemanschap gesloten was, werd hij veroordeeld.--17) Ser. Sulp. Galba, rom. keizer, zie Galba.--18) P. Sulp. Rufus, een der meest beroemde redenaars van zijn tijd, riep in 94, toen hij nog de rechten van den senaat verdedigde, C. Norbanus (z. Norbani no. 1) voor het gerecht en vocht later als legaat met roem in den bondgenootenoorlog (89). Hij ging daarop tot de plebs over, en liet zich voor 88 tot volkstribuun kiezen, om aan de bondgenooten het volle genot van het burgerrecht te kunnen verschaffen (zie leges Sulpiciae); toen Sulla met zijn leger in Rome binnendrong, nam hij de vlucht, doch werd achterhaald en omgebracht.--19) Ser. Sulp. Rufus, voortreffelijk jurist en redenaar en kundig staatsman, was in 65 praetor en in 51 consul. Toen de burgeroorlog tusschen Caesar en Pompeius tot uitbarsting kwam, bleef hij een tijd lang besluiteloos, totdat hij eindelijk Caesars partij koos, door wien hij later als proconsul naar Achaia gezonden werd. Na Caesars dood weifelde hij opnieuw, bij welke partij hij zich zou aansluiten. Hij stierf kort daarop (43), 81 jaar oud, in de legerplaats van Antonius voor Mutina, waarheen hij door den senaat gezonden was om eene schikking te bewerken. Als grondig wetenschappelijk rechtsgeleerde had hij in zijn tijd vele leerlingen; hij was ook een vruchtbaar schrijver. Beroemd is zijn troostbrief aan Cicero bij het overlijden van diens dochter Tullia (45).--20) Ser. Sulp. Rufus, zoon van no. 19, door Cicero als een braaf en talentvol jongeling geprezen, diende onder Caesar in Gallia.--21) P. Sulp. Quirinius, consul in 12, onderwierp, als stadhouder van Syria ± 5, een volksstam in de bergen van Cilicia, vergezelde Augustus' kleinzoon C. Caesar naar Armenia (1/2 n. C.), en was later wederom stadhouder van Syria. Als zoodanig heeft hij in 6 n. C. een census gehouden in Judaea, waarvan ook het N. T. gewag maakt. Hij heet daar Cyrenius, Kyrenios. Hij was een vriend van Tiberius, stierf kinderloos in 21 en werd op staatskosten begraven. Hij behoorde niet tot het patricisch geslacht der Sulpicii, maar stamde uit Lanuvium.--22) C. Sulp. Apollinaris, in het tijdperk der Antonijnen, taalkundige, te Carthago geboren, leermeester van keizer Pertinax en van Aulus Gellius (Gellii no. 6), wijdde zich vooral aan de studie van Vergilius.--23) Sulpicia, dochter van no. 20, en nicht van M. Valerius Messala Corvinus (Valerii no. 28), dichteres, z. Albii.--24) Sulpicia, erotische dichteres onder Domitianus. Het kleine gedicht Satira, dat haar naam draagt, is niet door haar geschreven.--25) Sulpicius Severus, zie Severi no. 3.
Summanus, oorspronkelijk waarschijnlijk een bijnaam van Jupiter, later als een afzonderlijk god van nachtelijke onweders en luchtverschijnsels beschouwd. Hij had een tempel bij den Circus Maximus, waar hem den 20sten Juni een offer gebracht werd.
Symmoriai, afdeelingen, waarin sedert 377 de atheensche burgerij voor de heffing der eisphora verdeeld was. In iedere phyle waren twee symm., die ieder 60 van de rijkste burgers bevatten, de minder vermogenden werden zoo bij de verschillende symm. ingedeeld, dat iedere afdeeling een ongeveer gelijk belastbaar vermogen had. Werd nu eene eisphora uitgeschreven, dan werd de symm. in haar geheel belast, de rijkste leden waren tot de proeisphora verplicht en konden van hunne medeleden de bijdragen innen, die door de hegemones of epimeletai ton symmorion vastgesteld werden. In 358 werd eene dergelijke inrichting bij de triërarchie ingevoerd (z. synteleia, maar ondoelmatig bevonden, weshalve zij door eene wet van Demosthenes omstreeks 340 werd opgeheven.
Symposion, z. deipnon.
Sumptuariae (leges), wetten tegen de weelde. De voornaamste zijn: de lex Oppia van 215, Orchia van ± 181, Fannia van 161, Didia van 143, Aemilia van 115, Cornelia van 81, Iulia van 46, Iulia van 18. Keizer Tiberius verzette zich tegen het vaststellen van nieuwe en strengere wetten, daar hij inzag, dat deze toch niet hielpen.
Syndikoi, 1) te Athene zij, die ten voordeele van eene der beide partijen in een proces voor de rechtbank het woord voeren. Volgens de wet moest wel ieder zijn eigen zaak verdedigen, maar met toestemming van de rechters mocht men, na zelf gesproken te hebben, ook anderen tot zijne verdediging laten optreden. Het was den syndikos (ook synegoros genoemd) verboden, zich voor zijne redevoering (synegoria) te laten betalen.--2) z. epicheirotonia no. 1.--3) eene buitengewone commissie, na de verdrijving der 30 aangesteld om het verwarde financiewezen te regelen. In het bizonder schijnt het hun taak geweest te zijn te onderzoeken, wie onder de 30 zich ten onrechte van staatsgoederen had meester gemaakt of van het zijne beroofd was.
Synegoros, -goria, z. syndikoi; ook de bijzitters der logisten heetten synegoroi.
Sunici, Sunuci, germaansche volksstam in Belgica tusschen de Treviren, Ubiërs en Nerviërs.
Sunium, Sounion, Zuidkaap van Attica, sedert 415 zeer versterkt en van twee havens voorzien. Binnen de, thans nog grootendeels bestaande, muren stond een beroemde Athena-tempel, 300 voet boven de zee. Naar eenige nog overeind staande zuilen daarvan heet het voorgebergte thans kaap Colonne.
Synoikia, ook metoikia, feest, te Athene den 16den Hecatombaeon gevierd, ter herinnering aan de vereeniging van alle bewoners van Attica tot één staat (synoikismos).
Synomosia = hetairia.
Synteleia, onderafdeeling eener symmoria. Wanneer aan eene symmoria een triërarchie was opgelegd, dan werd zij in evenveel synteleiai, verdeeld als er schepen noodig waren, zoodat iedere synt. voor één schip te zorgen had. Ieder lid der symm. werd door de epimeletai bij eene of andere synt. ingedeeld, en wel zóó, dat iedere groep ongeveer hetzelfde vermogen vertegenwoordigde.
Suovetaurilia, een offer, bestaande uit een ever, ram en stier, bij bijzonder plechtige gelegenheden, bijv. na afloop van den census, aan Mars gebracht.
Superum mare, de Adriatische zee.
Supparus, -parum, -parum, een schoudermanteltje, een soort linnen tunica, meest door vrouwen over de subucula gedragen, zonder mouwen.
Supplicatio, openbare verootmoediging voor het aangezicht der goden, boete-, bede- of dankdag, al naar gelang groote rampen of gevaren of wel luisterrijke overwinningen er de aanleiding toe waren. Zulk eene supplicatio duurde oorspronkelijk slechts één dag, vervolgens meer dagen, totdat er ten laatste feesten voorkomen van 30 en 40 dagen. Zulk een bededag ging gepaard met offers, met omgangen door de stad, ook processies van vrouwen, onder het zingen van lofliederen ter eere der goden, met godenmaaltijden (zie lectisternium). Enkele malen gelastte de senaat ook het houden van een openbaren maaltijd. Het bevelen (decernere) van zulke dagen behoorde als eene zaak van godsdienst geheel tot de bevoegdheid van den senaat, die echter zich liet adviseeren door de deskundige priestercollegiën, in de eerste plaats dat der pontifices.
Sura, bijnaam van eenige Lentuli in de gens Cornelia (Cornelii no. 48).
Surena, bij de Parthen de eerste grootwaardigheidsbekleeder na den koning, die dezen hij de kroning de kroon op het hoofd zette. De rang is het best te vergelijken bij dien van een turksch grootvizier.
Surrentum, Sourrenton, oude campaansche stad op het promunturium Minervae, tusschen de golven van Puteoli (g. v. Napels) en van Paestum (g. v. Salerno). De omliggende Surrentini colles leverden voortreffelijken wijn op. Thans Sorrento.
Susa, ta Sousa = leliënstad, hoofdstad van het gewest Susiane, ontleende zijn naam aan de tallooze leliën, die in den omtrek groeiden. Sedert Cyrus werd Susa om zijn warm klimaat de gewone winterresidentie der perzische koningen; in den zomer was het er ondragelijk heet, daar het land juist open lag voor de winden, die, uit Afrika komende, over de arabische zandwoestijnen heen streken. De huizen waren smal en diep, zonder bovenverdieping, van boven met eene laag aarde bedekt, op de wijze van kazematten. De plaats had geene muren, maar een sterken burg, ta Memnonia, waarin zich het paleis en de schatkamers bevonden. Sedert 1850 na C. zijn hier vele beeldwerken en andere overblijfselen opgegraven. De stad was wijd uiteen gebouwd, zoodat zij, volgens verschillende opgaven, 120-200 stadiën (4-6 2/3 uur gaans) in omtrek had. Hier traden Alexander de Gr. en zijne officieren met perzische vrouwen in den echt.
Susarion, Sousarion, van Megaris, vestigde zich in Attica en trad hier voor het eerst met het megarische blijspel op, omstreeks 570.
Susiane, Sousiane, Sousis, perzisch gewest tusschen den Beneden-Tigris en het Zagrusgeb. ten O. In overouden tijd bestond hier een zelfstandige staat, die zelfs over Babylon en Assyria moet geheerscht hebben, doch in het midden der 7de eeuw zijne onafhankelijkheid verloor. De oudste naam, waaronder de Grieken het kenden, was Cissia, Cyssia of Cossia, naar de roofzieke Cissaei of Cossaei, die de bergpassen naar Media beheerschten en zelfs de perzische koningen voor hun doortocht tol lieten betalen. In de vlakte woonden de Elymaei, vreedzame landbouwers. In de bergen was het klimaat ruw, over dat van de vlakte zie men Susa.
Syssitia of phiditia, oudtijds andreia, de verplichte gemeenschappelijke maaltijden van mannen in dorische staten, vooral op Creta en te Sparta bekend. Zij waren verdeeld in gezelschappen van ongeveer 15 personen, waarin men alleen met algemeene stemmen aangenomen werd. Op Creta werden deze maaltijden grootendeels door den staat bekostigd, te Sparta gaf daarentegen ieder deelnemer zijn bijdrage, deels in spijzen, deels in geld; wie deze bijdragen niet leverde of de maaltijden niet geregeld bijwoonde, verloor zijn burgerrecht. Het hoofdgerecht was de zwarte soep (haimatia, melas zomos), verder gebruikte men brij, vleesch, kaas, vruchten en wijn. Buitengewone lekkernijen, zooals wild, brood e. dgl. (epaikla), kreeg men door vrijwillige bijdragen, zij mochten niet voor geld gekocht zijn. Op Creta was in iedere stad een gebouw (andreion) voor deze maaltijden bestemd.
Suthul, kasteel in Numidia, waar Jugurtha's schatten geborgen lagen.
Sutrium, Soutrion, stad in Etruria, latijnsche kolonie sedert 383, aan den weg van Rome naar Volsinii, ten O. van den mons Ciminius.
Svardones = Suardones.
Sybaris, Sybaris, een monster, dat de omstreken van den Parnassus verwoestte en door Eurybates gedood werd. Z. Alcyoneus.
Sybaris, Sybaris, beroemde grieksche stad aan een gelijknamig riviertje (zie Crathis), op de kust van Lucania aan de golf van Tarentum, omstreeks 720 door Achaeërs en Troezeners gesticht. Het dreef een levendigen handel en kon met zijne 25 onderhebbende steden 300000 (?) man tegen Croton in het veld brengen. De verwijfdheid evenwel der inwoners, zóó groot dat zij spreekwoordelijk is geworden, werd de oorzaak van den val der stad. In 510 werd Sybaris door de Crotoniaten verwoest. Zie verder Thurii. Tengevolge van de twisten bij de stichting van Thurii verhuisden de afstammelingen der oude Sybarieten, die tot nu toe in Laüs en Scidrus gewoond hadden, naar een streek aan de Traïs, waar ze Sybaris nova stichtten.
Sybota, ta Sybota, eilandjes op de kust van Epirus, tegenover de Zuidpunt van Corcyra, waarbij in 432 de zeeslag tusschen de Corcyraeërs en de Corinthiërs voorviel, het voorspel van den peloponnesischen oorlog.
Sychaeus = Sichaeus.
Sycurium, Sykourion, Sykyrion, plaats aan den voet van den Ossa, in Pelasgiotis (Thessalia). Hier werd C. Licinius Crassus (Licinii no. 8) in 171 door Perseus van Macedonia verslagen.
Syene, Syene, tegenwoordig Assoean, stad aan den Nijl, tot Aegypte behoorende, juist aan de aethiopische grenzen gelegen even beneden den eersten waterval. Wegens de ligging juist onder den kreeftskeerkring trok de aardrijkskundige Eratosthenes een zijner parallelcirkels over deze plaats. Onder de rom. keizers was Syene grensvesting.
Syennesis, Syennesis, titel der vorsten van Cilicië, door de Grieken als eigennaam beschouwd.
Sygambri, Sygambroi, ook Sicambri, Sugambri, machtige germaansche volksstam in Germania op den rechter Rijnoever tusschen Colonia Agrippina (Keulen) en de Luppia (Lippe). Onder de regeering van Augustus werden zij door Drusus en Tiberius overwonnen en door den laatsten gedeeltelijk naar den linker Rijnoever overgebracht (9), v. s. in de streek tusschen Rijn en Maas, waar ze dan later onder den naam Gugerni (z. a.) voorkomen, v. a. werden ze naar Nederland naar den IJssel of naar de landen ten Zuiden van Waal en Maas verplaatst. Ze verdwijnen dan een poos uit de geschiedenis, doch komen v. s. later weder te voorschijn, als hoofdbestanddeel van de Salische Franken.
Syllium, Syllion, bergvesting in Pamphylia, ten N.W. van Aspendus.
Syloson, Syloson, jongere broeder van Polycrates, met wien hij aanvankelijk over Samus regeerde. Later ging hij naar Aegypte en leerde hij Darius Hystaspis kennen, die hem na den dood van Polycrates de regeering over Samus teruggaf (omstreeks 516).
Symaethus, Symaithos, rivier op Sicilia, die ten W. van den Aetna naar het Z.O. stroomt en ten Z. van Catana in zee vloeit. Symaethius heros bij Ovidius = Acis.
Syme, Syme, eilandje in de dorische golf op de kust van Caria met eene gelijknamige stad en acht havens. Vroeger heette het Aegle en Metapontis, en kreeg den naam Syme naar eene dochter van Ialysus.
Symmachus (Q. Aurelius), gevierd rom. redenaar uit den tijd van Theodosius den Gr., proconsul in Africa in 373 na C., praefect van Rome in 384 en 385, consul in 391, was een ijverig kampioen voor het herstel der oude goden, waartegen Ambrosius, bisschop van Milaan, in het strijdperk trad. Wij bezitten van hem nog eene verzameling brieven in 10 boeken en fragmenten van eenige redevoeringen.
Symphoniaci, n.l. servi, een muziekkorps, dat aanzienlijke Romeinen er als huiskapel op nahielden.
Symplegades, Symplegades, z. Cyaneae insulae.
Symposium, symposion, z. Convivium en deipnon.
Synesius, Synesios, wijsgeer uit Cyrene, geb. omstreeks 370 na C. In 410 ging hij, niet zonder gemoedsbezwaren, tot het Christendom over en werd bisschop van Cyrene. Zijne wijsgeerige en godsdienstige werken, die voor een gedeelte bewaard gebleven zijn, behooren tot de beste voortbrengselen der letterkunde van dien tijd.
Synnada, ta Synnada, stad in het O. van Phrygia, met rijke marmergroeven. Het werd eerst onder de Rom. belangrijk als zetel van een conventus en vervolgens als hoofdstad der provincie Phrygia salutaris.
Synthesis, een gemakkelijk gewaad van griekschen snit, waarvan men alleen weet, dat het in huis en vooral aan tafel werd gedragen.
Syphax, koning der Massaesylii in Numidia, werd in 213 de bondgenoot der Rom. tegen Carthago en werd door Masinissa, die op Carthago's hand was, tijdelijk uit zijn rijk verdreven. Hierdoor en door den dood der gebroeders P. en C. Scipio in Hispania ging het verbond te niet, doch het werd hersteld door den jongeren Scipio (Africanus maior), die tijdens zijn verblijf in Hispania in persoon Syphax opzocht, op welke reis hij bijna in handen der Carthagers was gevallen. Doch de Carthager Hasdrubal (no. 4) wist door de hand der schoone Sophonisbe, die reeds met Masinissa verloofd was, Syphax te winnen, zoodat deze tot de zijde der Carthagers overging, terwijl daarentegen Masinissa hun verbitterde vijand werd en op zijn beurt door Syphax werd verjaagd. Toen Scipio in Africa landde, beschikte Syphax over een leger van 60000 man, waarbij zich zijn schoonvader met 30000 man carthaagsche troepen aansloot. Het gelukte Scipio echter, Syphax driemaal te verslaan en ten slotte nam Masinissa hem gevangen (203); hij moest de zegepraal des overwinnaars opluisteren en stierf als gevangene te Tibur. Masinissa wilde Sophonisbe redden door zelf haar te huwen, doch tevergeefs.
Syracusae, Syrakousai, thans Siragossa, de aanzienlijkste stad van Sicilia, met Agrigentum de oogen des lands genoemd, omstreeks 735 door Doriërs onder aanvoering van zekeren Archias van Corinthe gesticht. Tijdens zijn grootsten bloei had Syr. eene bevolking van een half millioen en een omtrek van 6 uren gaans. Het bestond eigenlijk uit vijf afzonderlijk ommuurde steden. Het oudste gedeelte was het eiland Ortygia ook wel alleen Nasus (dorisch = nesos) geheeten, met de bron Arethusa, de tempels van Athena en Artemis, en het paleis van Hiero, waar later de rom. praetoren verblijf hielden. Door een dam, later door een brug, was dit gedeelte met het vaste land verbonden. Men kwam dan in Achradina, het fraaiste gedeelte, op de steile hoogte langs de kust gebouwd, met prachtige gebouwen, als: het theater, het prytaneum, den tempel van Zeus Olympicus. Tijdens den peloponnesischen oorlog bestond de stad nog slechts uit deze beide kwartieren. Aan Achradina sloten zich later Tyche en Neapolis aan. Tyche droeg zijn naam naar den tempel der Tyche en was het meest bevolkte deel der stad. Neapolis, ook Temenites (z. a.) geheeten, had vele tempels en het grootste theater van Sicilia. Dan kwam nog Epipolae, op een bergrug gelegen en van buiten ongenaakbaar, met de kasteelen Euryalus en Labdalum. Nabij Achradina vond men de groote steengroeven of catacomben, lautumiae, die tevens tot gevangenis dienden. Daar Ortygia aan den ingang eener baai lag, vormde zich daarachter een natuurlijke haven, de groote haven genoemd, die 2 2/3 uur gaans in omtrek was en waarvan de ingangen met kettingen konden worden afgesloten. Aan den anderen kant, ten N.O. lag de kleine haven, Portus Laccius of Marmoreus, met werven, arsenalen, enz.--De geschiedenis van Syracusae is eene aaneenschakeling van oorlogen, burgertwisten, omwentelingen, tyrannieën. De regeering was eerst aristocratisch; omstreeks 500 joegen het volk en de slaven de rijken uit de stad, doch Gelo, tyran van Gela, bracht de verdrevenen terug en maakte zich van Syr. meester (485). Onder Gelo en diens broeder Hiero I werd de stad machtig en bloeiend door het overbrengen van inwoners uit andere veroverde plaatsen. Een derde broeder, Thrasybulus, speelde den dwingeland, doch werd verdreven. Over den oorlog met Athene z. Nicias. In den strijd tegen Carthago, toen in 410 een leger van meer dan 100000 man op Sicilia landde, vertrouwde Syr. het legerbevel aan een burger, Dionysius, toe, die zijne macht misbruikte om zich tot tyran op te werpen (405). Hij bouwde ook op Ortygia eene acropolis. In 367 werd hij opgevolgd door zijn zoon Dionysius II, die in 344 door Timoleon werd verdreven; Syr. ademde weer vrij en de Carthagers werden bij den Crimisus geheel verslagen (339). Weldra echter dook opnieuw de tyrannenheerschappij op; o. a. kwamen aan het bewind Agathocles (317-289), Hicetas (289-280), Hiero II (270-215), de trouwe bondgenoot der Romeinen, die den titel van koning aannam. Na zijn dood geraakte Syr. in onmin met Rome en werd na een tweejarig beleg in 212 door M. Claudius Marcellus veroverd. Sedert dien tijd ging de stad achteruit, zoodat, toen Augustus er eene kolonie heenzond, Ortygia voldoende ruimte aanbood. Behalve de wis- en werktuigkundige Archimedes (gest. 212) waren ook de dichters Theocritus en Moschus te Syr. geboren.
Syria, Syria. Onder dezen naam verstond men oudtijds het oostelijke kustland der Middellandsche zee, van de golf van Issus tot Aegypte, met inbegrip van Phoenicië en Palaestina, en landwaarts in tot aan de woestijn. Neemt men Phoenicië en Palaestina er af, dan blijft voor Syria in engeren zin het volgende over: Commagene in het N.O., Syria superior en Coelesyria. Het land was arm aan water; de grootste rivieren zijn de Orontes en de Jordaan, Syrië bestond oudtijds uit verschillende rijkjes, die herhaaldelijk met de Israëlieten in oorlog waren en evenals de rijken van Israël en Juda de prooi werden van Assyrië en Babylonië en daarmede onder Perzië kwamen. Na den dood van Alex. d. Gr. ontstond het machtige Seleucidenrijk, dat bijna het geheele aziatische gedeelte van Alexanders rijk omvatte. Bithynia, Paphlagonia, Pontus en Cappadocia erkenden Seleucus' opperhoogheid, Pergamus stelde zich in 284 onder zijne bescherming. Onder Seleucus' zoon Antiochus I Soter (280-261) ging het gezag over de genoemde vasalstaten verloren; onder Antiochus II Theos (261-247) het geheele oosten van het rijk, waaruit twee nieuwe staten, Bactrië en Parthië ontstonden; Antiochus III de Groote (224-187) verloor aan de Rom. wat hij nog in Voor-Azië bezat; daarentegen won hij Phoenicië en Judaea van Aegypte (200), welke gewesten hij echter niet behield. Onder Antiochus IV Epiphanes (175-164) werden Phoenicia en Palaestina wel opnieuw veroverd, doch in den opstand der Maccabaeën vochten de getergde Joden zich vrij. Van nu af aan is Syrië een rijk van ondergeschikt belang. In 70 werd het door Tigranes van Armenië veroverd; twee jaar later, toen Tigranes verslagen was, werd door L. Licinius Lucullus wel nog een Seleucide op den troon van Syrië geplaatst, Antiochus XIII, doch Pompeius zette dezen eenvoudig af en gaf hem Commagene, met de bewering, dat na de nederlaag van Tigranes de door dezen verdreven Seleuciden niet billijkerwijze over Syrië konden blijven heerschen. Syria werd nu rom. provincie (63). Het werd niet dadelijk geheel bij Rome ingelijfd; enkele distrikten, als Chalcidene, Emesa, Abilene, Damascus, werden nog voor korter of langer tijd aan schijnkoninkjes afgestaan (zie ook Palaestina), doch ten tijde van Hadrianus was alles voor goed ingelijfd. Syria werd toen gesplitst in Syria Coele of Magna Syria, ook kortweg Syria genoemd, Syria Phoenice en Syria Palaestina, het laatste met Caesarea tot hoofdstad. In 430 na C. was Syria aldus verdeeld: Syria I met Antiochia, S. II met Apamea, Phoenicia I met Tyrus, Ph. II met Damascus, Palaestina I met Caesarea, Pal. II met Scythopolis, Pal. III met Petra tot hoofdstad.
Syria dea, Syria theos = Dercetis en Astarte.
Syriae portae, zie Amanus.
Syrinx, Syrinx, dochter van den riviergod Ladon. Toen zij voor Pan vluchtte, die haar met zijne liefde vervolgde, werd zij op hare bede door haar vader in riet veranderd, waaruit Pan zich de eerste herdersfluit sneed, die haar naam kreeg. Deze fluit (fistula) bestaat uit 7 of meer rietpijpen van ongelijke lengte of dikte, met was aan elkander verbonden. De herders maakten zich zulk een instrument gewoonlijk zelf en bespeelden het dikwijls met groote bekwaamheid.
Syrma, syrma, slepend tooneelgewaad, door de tooneelspelers gedragen, die goden of heroën voorstelden. Zij schenen door deze dracht grooter.
Syrtes, Syrteis, twee inhammen op de kust van het tegenw. Tripoli; de Syrtis magna heet thans golf van Sidra, de Syrtis minor golf van Cabes; de naam komt van syrein.
Syrtica regio, Syrtike, het kustland tusschen de Syrten, ook Tripolitana genaamd naar de steden Leptis, Oea en Sabrata.
Syrus (Publilius), zie Publilius Syrus.
Syrus, Syros, thans Syra, een der Cycladische eilanden, bij Homerus Syrie genoemd en door hem afgeschilderd als rijk aan koren, wijn en vee.
T.
Tabae, Tabai, 1) stad in het perzisch-medische distrikt Paraetacene, aan den heerweg van Persepolis naar Ecbatana.--2) bergstad aan de O. grens van Caria.
Tabella, zie tabula.
Tabellariae (leges), de 4 wetten, waarbij geheime stemming met stembordjes, tesserae of tabellae, in de comitiën werd ingevoerd. 1) lex Gabinia, van een overigens onbekenden volkstribuun A. Gabinius, voor de kiescomitiën, in 139.--2) lex Cassia, van den volkstribuun L. Cassius Longinus, 137, voor rechterlijke comitiën, behalve in zaken van perduellio.--3) lex Papiria, van den volkstribuun C. Papirius Carbo, 131, voor wetgevende comitiën.--4) lex Caelia van den volkstribuun L. Caelius, 107, ook voor perduellio. Zie ook tabula.
Tabellarius, postbode. De ouden kenden geene geregelde postverzending, doch menschen, die geregeld in betrekking stonden met het buitenland of die een werkkring in de provinciën hadden, hielden er eigen tabellarii op na, die de correspondentie over en weer brachten en dan ook voor de vrienden hunner patroons brieven medenamen, zoodat er op deze wijze een vrij levendig brievenverkeer tusschen Rome en de verschillende deelen des rijks plaats had. De stadhouders hadden hunne koeriers, statores. Augustus organiseerde eene keizerlijke koerierpost, waartoe op verschillende punten wisselplaatsen, mutationes, waren gevestigd, om versche paarden te verkrijgen, en op sommige halten gelegenheid was te overnachten, mansiones. Behalve de keizerlijke koeriers, speculatores, en ambtenaren in dienst, mocht niemand van de postrijtuigen gebruik maken zonder speciale schriftelijke vergunning, diploma.--De perzische koningen hadden eene uitstekend ingerichte koerierpost te paard. De dépêches werden in vollen ren van het eene station naar het andere overgebracht, waar steeds een koerier, angareus, met een gezadeld paard gereed stond om de dépêches van den aankomenden koerier over te nemen en onverwijld verder te brengen.
Tabernae, naam van onderscheidene pleisterplaatsen aan de rom. heerwegen, o.a. tusschen Argentoratum (Straatsburg) en Noviomagus Nemetum (Spiers), thans Rheinzabern en ééne ten O. daarvan, thans Bergzabern in den Elzas, en een versterking ten W. van Straatsburg, op weg naar Decempagi (Dieuze), gewoonlijk Tres Tabernae geheeten, tegenw. Zabern in den Elzas. Tres Tabernae was verder eene halteplaats in Latium aan de via Appia, tusschen Aricia en Forum Appii, een andere halte van dezen naam lag in Gallia Transpadana tusschen Placentia (Piacenza) en Mediolanium (Milaan).
Tablinum, een vertrek in rom. huizen, in den regel achter het atrium gelegen en oudtijds ingericht tot bureau van den heer des huizes, tot familie-archief en dgl., later ook tot andere doeleinden gebezigd, o. a. ook wel voor eetvertrek.
Tabula, tabella, tessera. Tabula is een plank of houten bord, tabella is er een verkleinwoord van, tessera een vierkant plaatje of blokje, onverschillig van welke stof, evengoed een plankje als een kubus. De drie benamingen werden niet streng gescheiden. Tabula picta, schilderij, ook landkaart. Tabula votiva, eene schilderij, welke iemand, die uit een groot gevaar gered was, van deze redding liet vervaardigen en als dankbewijs in den tempel van eene of andere godheid ophing, of wel eene plechtige, op eene tabula geschreven dankbetuiging aan de reddende godheid. Tabulae ceratae zijn met was bestreken plankjes, op de manier van dichtslaande leitjes, zooals ze vroeger in Indië veelvuldig werden gebezigd. Men gebruikte ze voor briefwisseling, zij werden met een draad, linum, kruiswijze omwonden en de knoop werd verzegeld. Tabulae heetten ook de rekenborden, die de kinderen op school gebruikten, zooals bij ons leien in gebruik zijn. Tabulae publicae zijn alle openbare oorkonden en bekendmakingen, b.v. tabulae proscriptionum, aankondiging van publieke verkoopingen, in de burgeroorlogen de openbaar gemaakte lijsten van vogelvrijverklaarden. Tabulae accepti et expensi, boek van ontvangst en uitgaaf, kasboek. Tabulae Caeritum, de lijsten der aerarii (z.a.). Ook de groote marmeren of koperen platen, waarop dikwerf wetten en besluiten werden gebeiteld of gegrift, worden tabulae genoemd, vandaar de naam leges duodecim tabularum. De stembordjes of stemplankjes bij de comitia en iudicia worden soms tabellae, doch meest tesserae geheeten; bij het stemmen over wetsvoorstellen beteekende A antiquo = ik ben voor het oude, dus = tegen, V. R. uti rogas = zooals gij voorstelt, dus = vóór. Bij rechterlijke comitia was L libero, D damno. Bij de quaestiones perpetuae had men nog bovendien N. L., non liquet, waardoor men te kennen gaf, nog niet voldoende te zijn ingelicht, zie Acilia lex de repetundis. Bij de eigenlijke stemming gebruikte men voor vrijspraak en veroordeeling: A absolvo, C condemno. Over de tessera frumentaria zie men het artikel annona. Ook het toegangsbewijs voor het theatrum, den circus en dgl. heette tessera. Tesserae zijn ook dobbelsteenen, zie alea. Tessera hospitalis is het bewijs van een verbond van gastvriendschap tusschen twee familiën in verschillende plaatsen; op een plankje werden de namen der beide familiën geschreven, een aan elken kant, vervolgens werd het middendoor gebroken en kreeg elke familie de helft; op vertoon van dit stuk was men zeker van eene gastvrije ontvangst. Tessera militaris was eene, waarop het wachtwoord geschreven stond; degenen, die dit woord moesten weten, teekenden ze voor gezien, en zoo kwam zij bij den bevelhebber terug; ook bevelen in het legerkamp werden dikwerf op deze manier gegeven. Bij een zoo veelvuldig gebruik werd niet altijd de vierzijdige vorm bewaard; eene tessera theatralis, te Pompeii gevonden, heeft den vorm van een penning met het opschrift:
CAV. II CVN. III GRAD. VIII. CASINA PLAVTI
d. w. z. cavea II = 2de rang, cuneus III = 3de sector, gradus VIII = 8ste rij, voor de Casina (eene comoedia) van Plautus.
Tabularium, het rijksarchief. Voor de foedera was er een archief op het Capitool, voor alles wat het geldelijk beheer betrof, was het archief, met het aerarium vereenigd, in een achtergebouw van den Saturnustempel. Het archief der volkstribunen was evenzoo in den tempel van Ceres, hier werden de plebiscita en senatusconsulta bewaard. Na den brand van het Capitool in 83 werd er in 78 door Q. Lutatius Catulus (zie Lutatii no. 5) een algemeen rijksarchief gebouwd (tabularium) in de inzinking tusschen de twee toppen van het Capitool, met den voorkant naar het forum, op welks grondslagen in de Middeleeuwen het tegenwoordig stadhuis van Rome (Palazzo del Senatore) is opgetrokken. Het keizerlijk archief heet tabularium Caesaris.
Tabularum (leges XII), de eerste verzameling geschreven wetten, op twaalf tabulae gegrift, waarvan volgens de overlevering 10 in 451 en 450 onder de decemviri werden vervaardigd en de laatste twee in 449 onder het consulaat van M. Horatius Barbatus en L. Valerius Poplicola. Zij waren fons omnis publici privatique iuris en bleven voor het burgerlijk recht tot het einde toe de grondslag der rom. wetgeving, waaraan de edicten der praetoren (zie ius honorarium) zich aansloten. Tot meer dan twee eeuwen na C. stonden zij te Rome op het forum ten toon gesteld. Wat wij er echter van weten, berust op aanhalingen en uitleggingen van rom. rechtsgeleerden en is gedeeltelijk van jongeren datum.
Taburnus, een bergrug op de grenzen van Samnium en Campania, waardoor de bergpas van Caudium aan de Zuidzijde werd begrensd. De noordelijke helling was ruw, de zuidelijke daarentegen rijk aan vruchtboomen.
Tacfarinas (gen. -atis), een Numidiër, die eerst onder Tiberius in de rom. gelederen diende, doch deserteerde en een opstand verwekte (17 na C.), welke eerst onderdrukt werd, doch weder opvlamde (19) en eerst met groote inspanning in 24 door P. Cornelius Dolabella werd onderdrukt.
Tachompso, Tachompso, half aegyptische stad in het aethiopische distrikt Dodecaschoenus, op een eiland in den Nijl gelegen, doch overschaduwd en in verval geraakt door den aanwas van de tegenoverliggende stad Pselchis.
Tachos, Tachos, zoon en opvolger van Nectanabis I. Geholpen door grieksche troepen onder Agesilaus (361) en Chabrias wist hij eenigen tijd weerstand te bieden aan de aanvallen van Perzië, maar toen zijn neef Nectanabis II tegen hem opstond en Agesilaus zich bij dezen aansloot, onderwierp T. zich aan Artaxerxes, aan wiens hof hij zijn verder leven doorbracht.
Tacitus (M. Claudius), rom. keizer, geb. te Interamna, in 275 na C. op meer gevorderden leeftijd door den senaat als opvolger van Aurelianus verkozen, een ernstig, fijn beschaafd en waardig man. Hij werd na een voorspoedigen veldtocht tegen de Gothen, die van uit Zuid-Rusland langs de Oostkust van de Zwarte Zee in Klein-Azië gevallen waren, door zijn soldaten, na eene regeering van 6 maanden, waarschijnlijk te Tyana, vermoord (276). Hij regeerde geheel naar den zin van den senaat, waartoe hij behoord had.
Tacitus (P. Cornelius), beroemd rom. geschiedschrijver, schoonzoon van Cn. Iulius Agricola, met wiens dochter hij in 78 na C. huwde. In 80 of 81 werd hij quaestor, vervolgens aediel of volkstribuun, in 88 praetor en in 97 (onder Nerva) consul. Dat hij ook, evenals keizer Tacitus, die hem onder zijne voorzaten rekende, te Interamna in Umbria geboren is, is niet waarschijnlijk, hoewel er in die stad (thans Terni) in 1514 een gedenkteeken voor hem is opgericht. In 89 verliet hij met zijne vrouw Rome, naar men vermoedt als legatus pro praetore provinciae Belgicae, en keerde daarheen in 93 wegens het overlijden van zijn schoonvader terug. In 111 of 112 was hij proconsul van Asia. Hij was bevriend met den jongen Plinius. Tacitus heeft zijn naam vereeuwigd door zijne geschriften: 1º. Dialogus de oratoribus, waarschijnlijk in 81 nog in ciceroniaanschen stijl geschreven, in den vorm van een gesprek een zeer belangrijke verhandeling bevattend over de geschiedenis der romeinsche litteratuur. 2º. de vita et moribus Cn. Iulii Agricolae, in 98 uitgegeven, een levensbeschrijving van zijn schoonvader, en een historisch-geographische bespreking van Britannia bevattend. 3º. Germania of de origine situ moribus ac populis Germanorum, uitgegeven in 98; het eerste deel bespreekt in het algemeen den oorsprong en de zeden der Germanen, het tweede de verschillende volksstammen. 4º. Historiae, waarschijnlijk 14 boeken, uitgegeven na elkaar in de jaren 104-111; ze beschreven de geschiedenis van Galba tot aan den dood van Domitianus. Over zijn nog: boek I-IV en het begin van V, waarin de jaren 69 en 70 (gedeeltelijk) behandeld worden. 5o. ab excessu Divi Augusti libri XVI, ook annales geheeten, van den dood van Augustus tot op dien van Nero, waarvan echter slechts boek I-IV in hun geheel, V en VI met eene groote gaping, van XI een gedeelte, XII-XV weder geheel en XVI gedeeltelijk over zijn. Ze zijn geschreven en uitgegeven in de jaren 115-117. De stijl van Tacitus is levendig en kernachtig, doch door zucht tot beknoptheid menigmaal duister. In weerwil zijner waarheidsliefde wordt hij door sommigen niet altijd billijk in zijne waardeering van enkele keizers geacht, met name jegens Tiberius. Het is er Tacitus niet in de eerste plaats om te doen, de waarheid mede te deelen, maar om de gebeurtenissen, door anderen beschreven te stiliseeren. Aan hem moet men vooral zijn woordkunst bewonderen. Zijne geschriften hebben niet slechts eene wetenschappelijke, maar ook eene zedelijke strekking, die hij (ann. III. 65) uitdrukt in de woorden: quod praecipuum munus annalium reor, ne virtutes sileantur, utque pravis dictis factisque ex posteritate et infamia metus sit.
Tader, rivier in het Z. van Hispania Tarraconensis, niet ver ten N. van Carthago Nova, tgw. Segura.
Tadii, rom. geslacht, waarvan een paar leden in het proces tegen Verres als diens vrienden voorkomen.
Taenarum, Tainaron, thans kaap Matapan, de middelste Zuidpunt van de Peloponnesus. Daar stond een tempel van Poseidon Asphaleios, ook als vrijplaats beroemd. In de nabijheid was eene grot, die een van de toegangen tot de onderwereld was en waardoor Heracles het monster Cerberus naar boven bracht. Ook zou hier Arion (z. a.) door zijn dolfijn aan land zijn gebracht. Er lag ook eene stad Taenarus of Taenarium; in den omtrek vond men aanzienlijke marmergroeven.
Tagae, Tagai, stad in Parthia op de grenzen van Hyrcania, ten W. van Hecatompylus.
Taephali of -lae, westgothische stam, die in de 4de eeuw n. C. in Dacia woonde.
Tages, zoon van een genius, kleinzoon van Jupiter, kwam eens bij Tarquinii, terwijl een boer bezig was zijn land om te ploegen, als knaap uit een diepe vore te voorschijn. Op het geroep van den verschrikten landman kwamen velen toesnellen; T. onderwees hen in de etruscische voorspellingskunst (haruspicina) en stierf terstond daarop. Sommige van zijne lessen waren opgeteekend in de Acheruntici libri.
Tagos, in Thessalië titel van den opperbevelhebber van het leger, later ook van den hoogsten overheidspersoon.
Tagus, Tagos, rivier in Hispania, thans de Taag (Tajo, Tejo), rijk aan stofgoud, visschen en aan den mond met oesterbanken.
Taifali = Taephali.
Talaonides, Tala(i)onides, Adrastus, zoon van Talaüs.
Talassio, -sius, romeinsch huwelijksgod, die bij het geleiden van de bruid naar het huis van haar echtgenoot luide werd aangeroepen. Men verhaalde dat iemand, die bij den sabijnschen maagdenroof het schoonste meisje gegrepen had, om haar tegen aanranding te vrijwaren voorgewend had, dat zij voor Talassius, een aanzienlijk en algemeen bemind Romein, bestemd was. Maar het volk, dat zijn list doorzag, hield hem bij zijn woord en allen hielpen hem nu het meisje naar T. brengen, terwijl men schertsend luide riep: Talassio.
Talaüs, Talaos, zoon van Bias en Pero, koning van Argos, een van de Argonauten, vader van Adrastus, Eriphyle e. a.
Talentum, talanton, oorspronkelijk de weegschaal, vervolgens een bepaald gewicht = 26.2 kilo, eindelijk een geldsom, overeenkomend met de waarde van dit gewicht in zilver. Men rekent het attische talent = f2820, het aeginetische en babylonische = 1 2/3, het euboeïsche = 1-7/18 att. tal. Het talent was verdeeld in 60 minen, de mina in 100 drachmen.
Talos, Talos, 1) zoon eener zuster van Daedalus, vond verscheiden werktuigen uit, waarom zijn oom afgunstig werd op zijn roem en hem verraderlijk van de acropolis wierp. V. a. was zijn naam Perdix.--2) een koperen reus, die slechts één ader had, welke van het hoofd tot de voeten liep en daar met een pen gesloten was. Hij was door Hephaestus of Zeus aan Minos of Europa geschonken om Creta te bewaken; dagelijks liep hij driemaal om het eiland heen, en als hij vreemdelingen zag, maakte hij zich in een groot vuur gloeiend en drukte hij hen in zijne armen dood. Toen de Argonauten op Creta landden, doodde Medea hem door de pen uit zijn ader te trekken, zoodat hij doodbloedde; v. a. doodde Poeas hem met zijne pijlen.
Talthybius, Talthybios, heraut van Agamemnon, te Sparta en Argos als heros vereerd. Van hem was het geslacht der Talthybiaden (Talthybiadai) te Sparta afkomstig, waaruit de herauten genomen werden; z. ook Bulis.
Talus, dobbelsteen, zie alea.
Tamassus, Tamasus, Tama(s)sos, stad op Cyprus, beroemd om hare kopermijnen, door sommigen voor het homerische Temesa gehouden.
Tamesa of -sis, Tamesa, rivier in Britannia, thans de Theems.
Tamias, in 't algemeen rentmeester, penningmeester. Te Athene was sedert het einde der vierde eeuw de t. of epimeletes tes koines prosodou, ook kortweg ho epi te dioikesei genoemd, een soort minister van financiën, die het beheer over de geheele schatkist voerde; hij werd door volkskeuze aangewezen en bekleedde zijn ambt vier jaar. Zijn departement was in talrijke onderafdeelingen verdeeld, waarvan ieder een eigen kas en een eigen beheerder had, die eveneens t. heette.
Tamna, Tamna, groote, welvarende hoofdstad der Catabani in het Z. W. van Arabia felix, volgens het verhaal met 65 tempels en met een levendigen handel in specerijen en myrrhe.
Tamos, Tamos, een Aegyptenaar, onder Tissaphernes stadhouder van Ionië, later bevelhebber der vloot van den jongen Cyrus.
Tamphilus, familienaam in de gens Baebia.
Tamynae, Tamynai, Tamynai, euboeïsche stad tot het gebied van Eretria behoorende, aan de Z. kust, ten O. van Eretria gelegen, in welker nabijheid Phocion den eretrischen tyran Callias versloeg.
Tanager, rivier in Lucania met een gedeeltelijk onderaardschen loop, bij Forum Popilii. Hij stroomt naar het N. en valt in den Silarus.
Tanagra, Tanagra, beroemde en belangrijke stad van Boeotia, aan den Asopus gelegen, niet ver van de grens van Attica. In den omtrek groeide de beste wijn van Boeotia. In 457 werden de Atheners hier door de Spartanen verslagen.
Tanais, 1) rivier in Sarmatia, thans de Don, door de ouden als grensrivier tusschen Europa en Azië aangenomen. Dikwijls wordt deze stroom verward met den Jaxartes (Syr-Daria). Hij valt in den N.O. hoek der Palus Maeotis (zee van Azow).--2) stad, milesische volkplanting, aan den Zuidermond van bovengenoemde rivier.
Tanaquil, Tanakyllis, gemalin van den rom. koning Tarquinius Priscus. Later schijnt zij met een rom. godin van het spinnen vereenzelvigd en te Rome onder den naam Gaia Caecilia vereerd te zijn.
Tanarus, rechter zijrivier van den Padus (Po), stroomt langs Pollentia en Hasta (Asta), en valt boven Clastidium in den Padus.
Tanaüs = Tanus.
Tanetum, Taneton, stad der Boii in Gallia Cispadana, tusschen Parma en Mutina.
Tanfana, Tamf., germaansche god of godin, had een tempel in het gebied der Marsi, die in 14 na C. door Germanicus verwoest werd.
Tanis, Tanis, stad in de Nijldelta, op den rechteroever van den Tanitischen Nijlarm, hoofdplaats van het distrikt Tanites, residentie van eene der oude aegyptische dynastieën.
Taniticum ostium, Tanitikon stoma, een van de Nijlmonden, ten W. van den Pelusischen Nijlmond gelegen.
Tannetum = Tanetum.
Tantalides, Tantalides, Pelops, Atreus, Thyestes, Agamemnon en Orestes, zoon en verdere nakomelingen van Tantalus.
Tantalis, Tantalis, Niobe en Hermione, dochter en achterkleindochter van Tantalus.
Tantalus, Tantalos, 1) zoon van Zeus of Tmolus en Pluto, zeer rijk koning van Phrygië, Lydië, Paphlagonië, Argos of Corinthe, genoot in hooge mate de gunst der goden, zoodat hij zelfs bij hunne maaltijden en vergaderingen werd toegelaten. Maar door zijn geluk overmoedig geworden, verried hij hunne geheimen, of hij stal nectar en ambrosia van hun tafel om die aan de menschen te geven, ook liet hij door Pandareüs een gouden hond uit den tempel van Zeus stelen en zwoer hij later, dat hij hem niet gekregen had; z. ook Pelops. Tot straf voor zijne misdaden moet hij in de onderwereld in een water staan, dat tot zijne lippen reikt, terwijl de heerlijkste vruchten boven zijn hoofd hangen, maar wanneer hij van het water of de vruchten tracht te genieten, dan wijken zij onmiddellijk totdat zij buiten zijn bereik zijn, zoodat hij altijd door honger en dorst gekweld wordt. V. a. hangt steeds boven zijn hoofd een zwaar rotsblok, dat dreigt hem te verpletteren.--Zijn rijkdom en zijn straf zijn spreekwoordelijk geworden: Tantalou talanta, chremata, dipsa. De vloek van zijne misdaden rustte op zijne kinderen, Pelops en Niobe, en op zijn geheel geslacht (Pelopiden).--2) een van de twee zonen van Thyestes, door Atreus (z. a.) gedood.--3) zoon van Amphion en Niobe.
Tanus of Tanaüs, Tanos, Tanaos, rivier in Thyreatis of Cynuria, op de grenzen van Argolis.
Tanusii, rom. geslacht, waarvan één lid tijdens Sulla's proscripties door Catilina werd omgebracht en een ander, Tanusius Geminus, de samenzwering van Catilina in een historisch werk behandelde, waarin ook van Caesar als deelgenoot werd gesproken. Z. Volusii.
Taochi, Taochoi, volksstam in het N.O. van Pontus, aan de grens van Armenia, ten Z. van de Moschi.
Taphiae insulae, Taphion nesoi, vroeger Teleboae insulae, Teleboon nesoi, geheeten, eene eilandengroep in de ionische zee tusschen het eiland Leucas en de acarnanische kust, oudtijds bewoond door de zeevarende Taphiërs of Teleboërs. Homerus noemt het grootste dezer eilanden Taphus, Taphos, later heette het Taphius, Taphious.
Taphius, Taphios, zoon van Poseidon en Hippothoë, stichter van de stad Taphus op het eiland van dien naam.
Taphrae, Taphrai, Taphros (= gracht), vestingwerk tot afsluiting van den hals der Chersonesus Taurica, op het smalste gedeelte der landengte (thans landengte van Perekop).
Taphrus, Taphros (= gracht, kanaal), 1) = Taphrae.--2) de doorvaart tusschen Sardinia en Corsica, fretum Gallicum (straat v. Bonifacio).
Taphus, zie Taphiae insulae.
Taprobane, Taprobane, oude naam voor het eiland Ceylon.
Tapuri, Tapouroi, wilde volksstam in Hyrcania.
Taras, Taras, zoon van Poseidon, kwam van kaap Taenarum naar Italië en stichtte Tarentum.
Taras = Tarentum no. 2.
Taraxippos, een rond altaar in de renbaan te Olympia, staande op een plaats, waar de paarden dikwijls schichtig werden, naar men meende door den invloed van den geest van Myrtilus of Oenomaüs, die daar begraven was; z. ook Glaucus no. 2.
Tarbelli, Tarbelloi, volk in Aquitania, tusschen den Aturus (Adour) en de Pyrenaeën. Hoofdstad: Aquae Tarbellicae.
Tarchon, Tarchon, Tarkon, zoon of broeder van Tyrrhenus, stichter van 12 steden in Etrurië, waarvan eene naar hem Tarchonium (later Tarquinii) heette. Hij hielp Aeneas in zijn strijd tegen Turnus.
Tarentini ludi = Terentini ludi.
Tarentum, 1) = Terentum.--2) Taras, thans Taranto, Tarente, voorname stad in het Z. van Italia, aan een inham in den N.O. hoek van den sinus Tarentinus gesticht door Iapygiërs, doch later gekoloniseerd door de uit Sparta verdreven Partheniae onder aanvoering van Phalanthus (707), vandaar bij Horatius de benaming Lacedaemonium Tarentium. Tarentum, in eene allerbekoorlijkste streek gelegen, machtig door zeevaart, handel en nijverheid, verhief zich spoedig boven de andere grieksche volkplantingen van Magna Graecia, doch verviel ook tot een weelderigheid, die zijn ondergang ten gevolge had. De houding der Tarentijnen gedurende de samnietische oorlogen bracht hen in botsing met Rome. Zij riepen Pyrrhus, koning van Epirus, te hulp, die echter na twee overwinningen en ééne nederlaag Italia moest verlaten (275). De strijd, thans al te ongelijk, eindigde in 272 met de verovering der stad, die daarbij half werd verwoest. In 212 trachtten de tarentijnsche gijzelaars te Rome te ontvluchten, doch werden bij Tarracina achterhaald, teruggebracht en, na gegeeseld te zijn, van de Tarpejische rots geworpen. Op het bericht hiervan zwoeren eenige aanzienlijke jongelingen te T. samen, en hun verraad, geholpen door de zorgeloosheid van den rom. bevelhebber, speelde de stad aan Hannibal in handen. De burcht bleef echter in het bezit der Rom. In 209 werd T. door de Rom. heroverd en geplunderd, terwijl alles, wat de soldaten ontmoetten, over de kling werd gejaagd en 30000 inwoners als slaven werden verkocht. In 122 werd er door C. Gracchus eene rom. kolonie heen gebracht, en dank zij hare ligging, verhief de stad zich weder tot een ongemeenen bloei, doch met de welvaart keerden ook weelderigheid en verwijfdheid terug (molle Tarentum).
Tarichea, -cheae, Taricheia, -cheai, stad in Galilaea aan den westelijken oever van het meer van Tiberias of Gennesareth. De hoofdbron van bestaan was het zouten van visch, taricheuein, vandaar de naam.
Tarne, Tarne, stad in Maeonia, bij Homerus vermeld.
Tarpa, zie Maecius Tarpa.
Tarpeii. 1) Sp. Tarpeius, bevelhebber van den burcht op den capitolijnschen berg in den oorlog na den sabijnschen maagdenroof, zou, volgens de sage, Rome aan de Sabijnen hebben willen overleveren, doch werd door Romulus met zijne dochter Tarpeia ter dood gebracht. Volgens een ander verhaal zou Tarpeia de Sabijnen hebben binnengelaten, onder belofte dat deze haar zouden geven wat zij aan den linkerarm droegen, waarmede T. een gouden armband bedoelde. Toen zij echter het Capitool bezet hadden, wierpen zij hunne schilden, die zij ook aan den linkerarm droegen, op het meisje, dat daaronder verpletterd werd. De steile rots, op welks top dit gebeurd was, aan den zuidhoek van het Capitool, kreeg en behield den naam saxum Tarpeium. Van deze rots werden soms ter dood veroordeelde staatsmisdadigers afgeworpen. Zie Capitolinus (mons).--2) Sp. Tarpeius Montanus Capitolinus, consul in 454; zie lex Aternia Tarpeia.
Tarpeium (saxum), zie Tarpeii no. 1 en Gemoniae scalae, en Capitolinus (mons).
Tarpeius, bijnaam van Jupiter Capitolinus, naar de Tarpejische rots nabij zijn tempel.
Tarphe, Tarphe, locrische stad in een boschrijke streek aan den berg Cnemis, bij Homerus vermeld, met een tempel van Hera. Later Pharygae, Pharygai.
Tarquinii, een etruscisch geslacht. 1) L. Tarquinius Priscus, vijfde koning van Rome. Volgens de sage zou hij de oudste zoon geweest zijn van den te Tarquinii gevestigden Corinthiër Demaratus (z. a. no. 2), op raad zijner echtgenoote Tanaquil zou hij naar Rome verhuisd zijn en daar zijn etrurischen naam Lucumo tegen dien van Tarquinius verwisseld hebben. Op zijn tocht, toen hij Rome reeds in het gezicht had, was een arend op hem toegevlogen, had hem den hoed afgenomen en dien weder op zijn hoofd laten vallen, waaruit Tanaquil hem een luisterrijke toekomst voorspelde. Te Rome maakte hij zich door vriendelijkheid en mildheid bemind en won het vertrouwen van Ancus Marcius, die hem tot voogd over zijne zonen benoemde. Na Ancus' dood nam Tarq. echter zelf bezit van den troon, met goedkeuring van senaat en volk. Hij verfraaide Rome, liet o. a. den circus maximus en de beroemde cloacae bouwen (volgens sommige nieuweren zijn de cloacae eerst in het begin der 2de eeuw aangelegd), legde op den Capitolinus de fundamenten van den grooten tempel van Jupiter, Juno en Minerva, nam nieuwe geslachten onder de patriciërs en 100 nieuwe leden in den senaat op (patres minorum gentium), verdubbelde het getal equites, oorloogde voorspoedig tegen Sabijnen en Latijnen, stelde de ludi Romani in, enz. Na eene 38-jarige regeering (616-579) werd hij door de zoons van Ancus Marcius vermoord en door Servius Tullius (z. a.) opgevolgd. Hetzij Tarquinius Priscus langs vreedzamen weg op den troon is gekomen, hetzij de Etruscers als veroveraars zijn opgetreden, met zijne troonsbeklimming treedt eene etrurische dynastie op, en etrurische invloed op de rom. instellingen, vooral wat koninklijke praal en godenvereering betreft, is niet te loochenen.--2) L. Tarquinius Superbus, laatste koning van Rome (534-510), schoonzoon van Servius Tullius, beklom den troon door eene omwenteling, die aan Servius het leven kostte. Hij bracht ook het zijne bij tot verfraaiing der stad, en voltooide o. a. den tempel op het Capitool; hij breidde door list zoowel als door kracht van wapenen het rom. gebied uit, versloeg de Volscen, maakte Rome tot hoofd van het latijnsche verbond en stichtte tot teeken daarvan op den Aventinus den bondstempel van Diana. Doch hij regeerde als een dwingeland, ontzag de patriciërs evenmin als de plebejers en stoorde zich aan senaat noch wetten. De overmoed zijner zoons, waarvan een, Sextus, de kuische Lucretia met geweld onteerde, deed de maat overloopen; Tarquinius, die juist de stad Ardea belegerde, vond bij zijne terugkomst de poorten van Rome gesloten en de koninklijke waardigheid afgeschaft. Hij zocht eerst hulp bij de etrurische steden Tarquinii en Veii, daarna bij koning Porsena van Clusium, vervolgens bij zijn schoonzoon Mamilius Octavius, dictator van Tusculum, die de Latijnen tot het verleenen van bijstand overhaalde. De slag bij het meer Regillus verijdelde ook deze laatste hoop en de verdreven koning begaf zich naar Cumae, waar hij overleed. De andere Tarquinii verhuisden naar Caere, waar hun familiegraf in 1847 ontdekt is. Toch vindt men ook later nog Tarquinii in Rome.--3) L. Tarquinius Collatinus, aldus genoemd omdat hij te Collatia, een uur gaans van Rome, woonde, bekleedde na de onteering en den zelfmoord zijner gemalin Lucretia (zie Lucretii no. 2) in 509 met L. Iunius Brutus het eerste consulaat. Toen echter het volk besloot, dat al wie tot de gens Tarquinia behoorde, met verbanning zou worden getroffen, legde T. zijn ambt neder en trok naar Lavinium.
Tarquinii, Tarkynia, oude, beroemde stad in Etruria, aan de kust en de via Aurelia gelegen, wellicht eenmaal het hoofd der 12 etruscische bondssteden. Door de oorlogen met Rome geraakte de stad in een staat van verval, waaruit zij zich niet weder verhief. De necropolis der plaats (bij Corneto) heeft bij de opgravingen nog merkwaardige vondsten opgeleverd.
Tarquitii, een rom. geslacht van weinig beteekenis. Vermeld zij slechts Tarquitius Priscus, de aanklager van T. Statilius Taurus (Statilii no. 5), wiens legatus hij geweest was. In 61 n. C. werd hij zelf wegens knevelarij veroordeeld.
Tarracina, Tarrakine, latere naam van Anxur (z. a.), thans Terracina.
Tarraco, Tarrakon, massilische volkplanting aan de hispanische kust, N.O.waarts van de monding van den Iberus (Ebro). In den tweeden punischen oorlog werd het door de Scipio's zeer versterkt en tot een hoofdarsenaal gemaakt. Onder Augustus werd het de hoofdplaats der provincie Hispania Tarraconensis. Thans Tarragona.
Tarsus, Tarsos en -soi, oude hoofdstad van Cilicia, aan den Cydnus in eene heerlijke streek gelegen, de geboorteplaats van den apostel Paulus. Het was eene groote, welvarende stad, waar de studie van letteren en wijsbegeerte bloeide, en die ook onder rom. heerschappij belangrijk bleef, ofschoon zij meermalen te lijden had door de invallen van roofzieke bergstammen, de Isauriërs. Ter eere van C. Julius Caesar nam zij den naam Iuliopolis aan. Keizer Iulianus (Apostata) werd er begraven.
Tartarus, Tartaros, rivier in Gallia Transpadana, thans Tartaro. Hij stroomt tusschen Athesis en Padus, en stort zich vervolgens te midden van moerassen in zee. Aan deze rivier lag Atria (Adria).
Tartarus, -ra, Tartaros, -ra, de onderaardsche diepte, waar de Titanen, Cyclopen, Danaïden, Tantalus, Ixion e. a. hunne straffen wegens ernstige vergrijpen tegen de goden ondergaan, even ver beneden als de hemel boven de aarde, de woonplaats der Erinyen, Nyx e. a., door eeuwige duisternis bedekt. Soms algemeen = de onderwereld. Gepersonifiëerd is T. de zoon van Aether en Gaea, de vader van Typhoëus, Echidna en de Giganten.
Tartessus, Tartessos. Dit is de oude naam voor Baetica, het stroomgebied van de Baetis (Guadalquivir), die zelf ook Tartessus genoemd wordt. De bewoners, Iberiërs, in het oude Testament Tarschisch, bij de Grieken Tartessii, (Tartes(s)ioi), bij de Romeinen Turti geheeten, splitsen zich later in de twee stammen der Turduli (in het binnenland) en der Turdetani (aan de kust). De hoofdstad van het land, ook Tartessus geheeten, lag op een eiland aan den mond der Guadalquivir. Het land voerde al in de hooge oudheid edele metalen, vooral zilver, uit. Bovendien zochten de inwoners met hun zeilschepen, die beter dan de phoenicische tegen eb en vloed bestand waren, de tin- en zilvermijnen van het N.W. van Spanje, en later de Cassiterides insulae (z. a.) op. Hun handel maakte hen rijk en welvarend.
Taruenna, thans Thérouanne, stad der Morini, een volksstam op de tegenw. vlaamsche kust.
Tarusates, volksstam in Aquitania, in de tegenw. Landes.
Tarutius, een geleerd wijsgeer, wiskunstenaar en astroloog, een vriend van Varro en Cicero.
Tatianus, Tatianos, bijg. ho Syros, een Assyriër, die in de laatste helft der 2de eeuw n. C. leefde, en na het bestudeeren der grieksche wijsbegeerte tot het Christendom overging, dat hij in verscheiden geschriften verdedigde. Hij hield eenigen tijd te Rome verblijf; na den dood van Justinus Martyr (in 167 onthoofd) keerde hij naar het Oosten terug, waar men hem later vindt als hoofd eener naar hem genoemde secte (Tatianoi), die zich door een streng ascetisch leven onderscheidde.
Tatius (Titus), koning der Sabijnen, die na den sabijnschen maagdenroof op Rome lostrok, maar na de verzoening tusschen Sabijnen en Rom. vijf jaren gezamenlijk met Romulus over de vereenigde Tities en Ramnes regeerde, tot hij bij een offer te Lavinium of te Laurentum vermoord werd.
Tatta, groot zoutmeer op de grenzen van Lycaonia, Cappadocia en voor een klein gedeelte ook van Galatia.
Tauchira, Taucheira, stad op de kust van Cyrenaica, met een beroemden tempel van Cybele, later Arsinoë geheeten.
Taulantii, Taulantioi, illyrische volksstam bij Epidamnus (Dyrrachium).
Taüm, baai aan de Oostkust van Caledonia (Schotland), thans Firth of Tay.
Taunus mons, gebergte in Germania, in het latere Nassau, thans nog Taunus geheeten, bij Aquae Mattiacae (Wiesbaden).
Tauranitium, distrikt van Armenia, ten N. van Tigranocerta, ten O. grenzende aan het meer Thospitis.
Taurasia, hoofdstad der Taurini, sedert Augustus rom. kol. onder den naam Augusta Taurinorum, thans Turijn.
Taurentum, -roëntium, -rois, Tauroeis, sterk kasteel in het gebied van Massilia (Marseille), op de kust van Narbonensis. Tgw. Tarente.
Tauri, Tauroi, wilde, ruwe volksstam in het Z.W. van de Chersonesus Taurica, de tegenw. Krim, terwijl in het vlakke Noorden Scythen woonden. Zij stonden onder een koning en leefden van roof en oorlog. Aan hunne godin (Taurica dea, Taurione, Tauropolos), die door de Grieken met Artemis vereenzelvigd werd, brachten zij menschenoffers. Schipbreukelingen en krijgsgevangenen werden tot offers bestemd, vooral als het Grieken waren. Wanneer de koning overleed, werden zij, die hem het liefst waren, met hem begraven.
Taurii ludi, taurische spelen, door Tarquinius Superbus ingesteld ter gelegenheid eener pest, tot verzoening der onderaardsche goden Dis en Proserpina, ook werden Apollo als afweerder der pest en Diana Lucina, benevens Jupiter en Juno aangeroepen. Het offer had 's nachts plaats vóór de Porta Carmentalis. De spelen zelf werden gehouden in het Circus Flaminius. De eenige keer, dat ze in historischen tijd gevierd zijn, was in het jaar 186.
Taurica dea, Taurione, Tauro, Tauropolos, Artemis, zoo genoemd naar haar tempel in Tauris, waar haar menschenoffers gebracht werden, z. Iphigenia.
Taurini, Taurinoi of Taurinoi, ligurische volksstam ten Z. van den Padus (Po). Hoofdstad Taurasia (Turijn). In hun gebied lag de saltus Taurinus, waardoor de Galliërs en later Hannibal trokken bij hun inval in Italië.
Taurisci, keltische stam in Noricum, waarvan de naam nog voortleeft in het duitsche woord Tauern. Later worden ze gewoonlijk Norici genoemd.
Tauriscus, Tauriskos, beeldhouwer van Tralles; van hem en zijn broeder Apollonius, is een beroemd werk, de farnesische stier, bewaard gebleven.
Taurobolia, z. Rhea (Cybele).
Tauroëntium, Taurois = Taurentum.
Tauromenium, Tauromenion, thans Taormina, aanzienlijke stad aan de Oostkust van Sicilia op den berg Taurus gelegen. Na de verwoesting van het nabijgelegen Naxus in 358 door Dionysius I van Syracuse vestigden zich de overgebleven Naxiërs in T., dat hierdoor aanmerkelijk werd vergroot. In den sicilischen slavenopstand (141-132) had T. veel te lijden. In Cicero's tijd was het eene civitas foederata, doch in de burgeroorlogen moest het boeten voor zijn heulen met S. Pompeius en werd er eene kolonie van rom. veteranen heengezonden. Nog vindt men er belangrijke overblijfselen van het gedeeltelijk in de rotsen uitgehouwen theater, dat meer dan 30000 toeschouwers kon bevatten.
Taurus, familienaam bij de Statilii (Statilii no. 4 en 5).
Taurus, Tauros, het sterrenbeeld de Stier, werd gehouden voor den stier, die Europa ontvoerd had, of dien Poseidon aan Minos had geschonken.
Taurus, Tauros, thans nog Taurus of Ala-Dagh geheeten, groote bergketen in Asia minor, die op de kust van Lycia bij kaap Chelidonium begint en door Pisidia en langs de N. grens van Cilicia loopt. Van daar gaat een tak als Antitaurus N. O. waarts, doorsnijdt Cappadocia en Armenia minor, om zich aan den mons Moschicus aan te sluiten, die weder de verbinding met den Caucasus vormt. De andere tak behoudt den naam Taurus en blijft in oostelijke richting doorloopen tot aan de samenhangende meren Thospitis en Arsissa. De Euphraat breekt in zijn loop door het gebergte heen. Een zijtak van den Taurus vormt de Amanus (z. a.). De Taurus is tot aan zijn top met bosch begroeid.
Tavium, -via, Taouion, -ia, hoofdstad der keltische Trocmi in het O. van Galatia, aan het kruispunt van verschillende groote wegen gelegen en hierdoor belangrijk als stapel- en handelsplaats. Men vond er een tempel en een kolossus van Zeus.
Taxiarchoi, te Athene 10 officieren, een uit iedere phyle. Zij voerden het bevel over de door hun phyle geleverde troepen; in rang volgden zij terstond op den opperbevelhebber.
Taxila, ta Taxila, hoofdstad van den indischen vorst Taxiles ten tijde van Alexander den Gr., tusschen den Indus en den Hydaspes gelegen.
Taxiles, Taxiles, koning van Taxila, onderwierp zich aan Alexander d. G. en voerde later voor hem tijdelijk het bewind over een deel van Indië.
Taxis, de opstelling van een Grieksch leger vóór den slag. In den Trojaanschen oorlog, zooals die door Homerus beschreven wordt, valt het gevecht gewoonlijk uiteen in vele tweegevechten der basilees, die met hun strijdwagens vóór de infanterie uitrijden, en het voetvolk in vele phalanges opgesteld, heeft in het geheel geen invloed op den uitslag van den strijd. In den historischen tijd zijn de strijdwagens verdwenen, en het Grieksche leger bestaat uit één aanééngeschakelde slaglinie (z. phalanx) van dichtopeengeplaatste zich met hun schilden dekkende hopliten (z. hoplitai), die gewoonlijk 8 man diep opgesteld worden.
Naast dit hoofdwapen had men dan nog de hulpwapens der hippes, toxotai, peltastai, en andere psiloi (zie onder deze artikelen). Talrijk waren deze burgerlegers niet; bij Marathon stonden hoogsten 5000 hopliten tegenover 4000 Perzen; bij Plataeae, de grootste slag, dien de vrije Grieken ooit geleverd hebben, stonden 20000 man tegen 18000 Perzen en op de hand der Perzen strijdende Grieken.--Ieder hopliet had tot zijn bediening een oppasser (z. psiloi). De hopliten waren, behalve in Sparta de 2000 eigenlijke Spartiaten, geen beroepsoldaten. Maar de algemeene voorliefde voor sport, ten minste bij de welvarenden, maakte dat ze met geringe voorbereiding bekwaam waren voor het leveren van een gevecht. Men naderde elkaar tot op 100 à 150 voet, en dan viel men in draf aan. Daar nu alleen de linkerzijde door het schild gedekt was, had elk grieksch leger de neiging, zich naar rechts te keeren, om zoodoende een aanval in zijn rechterflank te vermijden. Ook stonden op den rechtervleugel steeds de beste troepen. Zoodoende kwam het vaak voor, dat de rechtervleugel van beide partijen het won, en na het verslaan der linkervleugels met omgekeerd front met elkaar afrekende. Eerst Epaminondas heeft met deze dwaze wijze van vechten gebroken, en, door zijn kerntroepen 50 man diep op den linkervleugel op te stellen (zie Phalanx) bij Leuctra de macht van Sparta gebroken. Zie ook hamippoi. Omtrent de legers van Philippus en Alexander van Macedonië zie men de artikelen: pezetairoi, hetairoi, sarissa (het verschil tusschen hetairoi en sarissophoroi bestaat daarin, dat de eersten van adel zijn).
Voor de uitrusting van den soldaat zie men onder: panoplia.
Taygete, Taygete, eene van de Pleiaden, bij Zeus moeder van Lacedaemon en Eurotas. V. a. werd zij door Artemis in eene hinde veranderd om haar aan de vervolgingen van Zeus te onttrekken.
Taygetus, -um, Taygetos, -on, ruw en woest grensgebergte tusschen Laconica en Messenia, in kaap Taenarum (Matapan) uitloopende, met loodmijnen en marmergroeven.
Teanum, Teanon, 1) Teanum Apulum, in het N. van Apulia nabij de kust, aan den Frento.--2) Teanum Sidicinum, stad der Sidicini, geheel in het N. van Campania, met warme baden.
Tearus, Tearos, rivier in Thracia, waarvan het water eene genezende kracht uitoefende op huidziekten. De Tearus was een zijtak van den Agrianes, die zich op zijne beurt in den Beneden-Hebrus stortte.
Teate, hoofdstad der Marrucini, op een steilen heuvel gelegen, niet ver van de Adriatische zee.
Tecmessa, Tekmessa, dochter van den phrygischen koning Teuthras. Zij werd door Aiax, den zoon van Telamon, op een strooptocht gevangen genomen en werd bij hem moeder van Eurysaces.
Tectosages, Tektosages, een hoofdstam der keltische Volcae in het Z. van Gallia Narbonensis, met de hoofdstad Tolosa (Toulouse). Ook Narbo Martius (Narbonne) lag in hun gebied. Een gedeelte van dit volk vindt men na verschillende zwerftochten in het W.-deel van Galatia (z. a.) in Asia minor; hoofdstad: Ancyra.
Tegea, Tegea, belangrijke stad in het Z.O. van Arcadia in het landschap Tegeatis, Tegeatis, met een krijgshaftige bevolking, die herhaaldelijk hare vrijheid verdedigde tegen de aanslagen van Sparta. Bij de Thermopylae en bij Plataeae gaven zij bewijzen van groote dapperheid. Uit haat en naijver tegenover Mantinea koos Tegea in den peloponnesischen oorlog partij voor Sparta, waaraan het ook in den corinthischen oorlog trouw bleef; de slag bij Leuctra evenwel (371) maakte de Tegeaten voor hunne eigene toekomst bezorgd en zij sloten zich bij Epaminondas en de Thebanen aan. Later verloor Tegea veel van zijn gewicht. Tegeaea, Atalante, dochter van Iasus uit Tegea.
Tegyra, Tegyra, stad in Boeotia, ten N. van het meer Copais, met een tempel van Apollo.
Teichopoioi, eene commissie te Athene, die het toezicht had over de werken tot onderhoud en vernieuwing van de stadsmuren, en de daarvoor bestemde gelden beheerde.
Telamon, Telamon, zoon van Aeacus en Endeis. Na den moord van zijn stiefbroeder Phocus vluchtte hij naar Salamis, hij huwde met de dochter van koning Cychreus en volgde hem in de regeering op. Hij nam deel aan den tocht der Argonauten en aan de calydonische jacht, ook volgde hij Heracles op zijne tochten tegen de Amazonen en tegen Laomedon en was hij de eerste die den muur van Troje beklom. Tot loon voor zijne dapperheid werd hem de schoone Hesione, de dochter van Laomedon, gegeven. Hij werd bij haar vader van Teucer en Trambelus, bij eene andere gemalin, Eriboea, van Aiax. De stad Telamon in Etrurië was door hem op zijn terugreis van den Argonautentocht gesticht.
Telamon, stad aan de kust van Etruria, ten N.W. van Cosa.
Telamoniades, -nius, Telamoniades, -nios, Aiax en Teucer, zonen van Telamon.
Telchin, Telchin, zoon of v. a. vader van koning Apis (z. a.)
Telchines, Telchines, een priestergeslacht, dat in overoude tijden van Creta naar Cyprus en van daar naar Rhodus trok. Zij worden zonen van Thalassa en opvoeders van Poseidon genoemd. Zij waren groote kunstenaars en uitvinders van de meeste handwerken, vooral waren zij bekwaam in het bearbeiden van metaal, vandaar dat zij dikwijls met de Cyclopen en idaeïsche Dactylen en verder met de Cureten en Corybanten verwisseld werden. Ook waren zij machtige toovenaars, doch daar zij hun macht ten nadeele van goden en menschen gebruikten, werden zij door Apollo of door Zeus gedood.--V. a. verlieten zij Rhodus, omdat zij eene overstrooming voorzagen, en begaven zij zich deels naar Sicyon, deels naar Teumessus.--Naar hen wordt Rhodus Telchinis, Creta en Sicyon Telchinia genoemd.
Telchinia, Telchinia, oude naam van Creta en Sicyon.
Telchinius, -nia, Telchinios, -nia, bijnaam van Apollo, Hera en Athena, wier eeredienst door de Telchinen op Rhodus was ingevoerd.
Teleboae, Teleboai, z. Taphilae insulae.
Teleboas, Teleboas, zijtak van den Euphraat, in Armenia.
Teleclides, Telekleides, dichter der oude attische comedie, tegenstander van Pericles.
Telegonus, Telegonos, 1) z. Proteus.--2) zoon van Odysseus en Circe. Door zijne moeder uitgezonden om Odysseus te zoeken, landde hij bij toeval op Ithaca, waar hij, door honger gedreven, begon te plunderen en veel schade aanrichtte. Odysseus en Telemachus trokken hem te gemoet, en in den strijd, die hierop ontstond, doodde T. zijn vader zonder hem te kennen. Later huwde hij met Penelope en trok hij naar Italië, waar hij Tusculum en Praeneste stichtte.
Telemachus, Telemachos, zoon van Odysseus en Penelope, was nog een zeer jong kind, toen zijn vader naar Troje vertrok. Toen deze 20 jaar afwezig was geweest, ging T., op raad en gedeeltelijk onder geleide van Athena, Nestor en Menelaus bezoeken om inlichtingen omtrent zijn vader in te winnen. Bij zijne terugkomst ontkwam hij gelukkig aan een hinderlaag, hem door de vrijers van Penelope gelegd; kort daarop vond hij zijn vader weder on hielp hij dezen bij de wraak, die hij op de vrijers nam. Na den dood van zijn vader ging hij met Telegonus naar Aeaea, hij huwde met Circe en kreeg bij haar een zoon, Latinus, die echter v. a. een zoon van Odysseus en Circe was. Of hij huwde met de dochter van Circe, Cassiphone, die hem doodde, nadat hij hare moeder had omgebracht. V. a. huwde hij met Nausicaa, de dochter van Alcinous, of met Polycaste, de dochter van Menelaus, en had hij bij eene van deze beide een zoon, Ptoliporthes. Ook wordt nog verhaald, dat hij naar Italië gegaan zou zijn, en dat daar zijne dochter Roma met Aeneas huwde.
Telemus, Telemos, zoon van Eurymus, waarzegger bij de Cyclopen.
Teleontes, v. s. betere lezing voor Geleontes.
Telephanes, Telephanes, 1) van Sicyon, een van de oudste grieksche teekenaars.--2) bekwaam metaalgieter van Phocis of Phocaea, weinig populair, omdat hij voor Darius en Xerxes werkte of omdat hij in Thessalië woonde.
Telephassa, Telephassa, echtgenoote van Agenor, vergezelde haar zoon Cadmus op zijne tochten, totdat zij in Thracië stierf.
Telephus, Telephos, zoon van Heracles en Auge, werd na zijne geboorte te vondeling gelegd en door herders opgevoed. Toen hij volwassen was, ging hij op raad van het delphische orakel naar Mysië, waar hij zijne moeder vond, met de dochter van koning Teuthras trouwde en zijn schoonvader in de regeering opvolgde. Toen de Grieken op hun tocht naar Troje bij vergissing een inval in Mysië deden, werden zij door T. teruggeslagen, maar hijzelf struikelde over een wijnstok en werd door Achilles gewond. Bij deze gelegenheid vernamen de Grieken wie hij was, maar aan hun verzoek om mede tegen Troje op te trekken weigerde hij te voldoen, daar hij met een dochter van Priamus, Astyoche of Laodice, gehuwd was. De Grieken vertrokken daarop, maar werden door een storm naar hun vaderland teruggedreven. Daar de wond van T. niet genezen wilde, raadpleegde hij een orakel en ontving hij tot antwoord, dat alleen degene, die de wond had toegebracht, haar ook konde genezen. Hij begaf zich nu als bedelaar verkleed naar Griekenland en bad Agamemnon, terwijl hij met den kleinen Orestes in de armen als smeekeling aan den haard zat, hem te helpen. Daar Agamemnon intusschen een orakel had gekregen, dat alleen met de hulp van T. Troje konde genomen worden, bewerkte hij bij Achilles dat deze aan zijne bede zoude voldoen; door een weinig roest van de lans, waarmede de wond was toegebracht, genas zij terstond, waarop T. den Grieken de noodige inlichtingen gaf, zonder echter zelf aan den tocht deel te nemen.--Hij werd te Pergamus en op den berg Parthenius, waar hij te vondeling gelegd was, als heros vereerd.
Teles, Teles, Cynicus uit het midden van de 3de eeuw.
Telesia, Telesia, stad in Samnium, ten N. W. van Beneventum. Hier was Pontius Telesinus, de beroemde veldheer in den marsischen oorlog, geboren.
Telesilla, Telesilla, van Argos, beroemde lierdichteres. Toen de spartaansche koning Cleomenes een inval in Argos deed, omstreeks 510, trok zij hem aan het hoofd der argivische vrouwen te gemoet en vuurde zij door hare liederen de mannen tot dapperheid aan. Van hare gedichten is zeer weinig bewaard gebleven.
Telesphorus, Telesphoros, zoon van Asclepius, een genezing aanbrengend god, soms ook bijnaam van Asclepius.
Telestes, Telestes, 1) laatste koning van Corinthe, 758-747.--2) van Selinus, beroemd dithyrambendichter omstreeks het midden der 4de eeuw.
Telete, ieder zoenoffer of godsdienstige handeling, die van zonde bevrijdt, in het bizonder wordt de inwijding in mysteriën zoo genoemd met het oog op hun van schuld reinigende kracht.
Teleutas, Teleutas, z. Teuthras.
Teleutias, Teleutias, broeder van Agesilaus, voerde met roem het bevel over de spartaansche vloot in den corinthischen oorlog. In 382 werd hem het opperbevel in den oorlog tegen Olynthus opgedragen, waar hij het volgende jaar door onbezonnenheid een slag verloor en sneuvelde.
Tellenae, Tellenai, oude stad in Latium, vermoedelijk een paar uren gaans van Rome naar den kant van Antium of van Ardea gelegen, door Ancus Marcius verwoest.
Telliadae, Telliadai, oud beroemd geslacht van waarzeggers in Elis.
Tellias, Tellias, z. Gellias.
Tellumo, z. Tellus.
Tellus mater, bij de Rom. de godin van het bouwland, later gelijkgesteld met de grieksche Gaea. Aan haar zijn de Fordicidia (z. a.) gewijd. Als voortbrengster van alle voedsel is zij nauw verwant met Ceres. Ter eere van beide godinnen te samen worden de feriae sementivae (z. a.) gevierd. Tellus behoort oorspronkelijk ook tot de goden van de onderwereld; onder den invloed van de grieksche Demeter komt hiervoor later Ceres in de plaats. Nevens Tellus stond een mannelijk wezen van geheel gelijken aard, Tellumo.
Telmessus, Telmessos = Telmissus.
Telmissis, Telmissis, kaap in Lycia, zie Telmissus no. 1.
Telmissus, Telmissos, 1) stad aan de Westkust van Lycia aan de Telmissische golf en nabij kaap Telmissis, een uitlooper van den Anticragus. Er zijn o. a. nog overblijfselen van een theater en van grafkelders, in de rotsen uitgehouwen.--2) stad in Pisidia, ook Termessus geheeten, sterke vesting, aan een bergpas in den Taurus gelegen.
Telo Martius, havenstad in Gallia Narbonensis aan de Middellandsche zee, thans Toulon.
Telonai, te Athene pachters der staatsinkomsten. Voor de behoorlijke betaling der pachtsom werden borgen gesteld, bleef de betaling niettemin achterwege, dan verloor de schuldenaar zijne burgerrechten, ofschoon hem uitstel gegeven werd tot de 9de prytanie; had hij dan echter nog niet betaald, dan werd de schuld verdubbeld, en indien zij niet terstond betaald werd, werden zijne goederen verbeurd verklaard, bovendien kon de nalatige pachter gevangen genomen worden. Deze straffen troffen, naar het schijnt, zoowel den pachter als zijne borgen.--Voor zaken, die veel kapitaal vereischten, vereenigden zich dikwijls verscheiden pachters tot een vennootschap onder het bestuur van een telonarches of archones.
Telonus, onzekere lezing voor Tolenus.
Telphusa, Telphou(s)sa, Telphou(s)sa, stad in het N.W. van Arcadia aan den Ladon, die haren naam heeft gekregen naar een stroomnimf, dochter van den stroomgod Ladon.
Telus, Telos, klein eiland, tot de Sporaden gerekend, halverwege tusschen de eilanden Rhodus en Cos, met dorische bevolking.
Telys, Telys, tyran van Sybaris, toen de stad door de inwoners van Croton verwoest werd.
Temenitis of -tes, Temenitis, -ites, bergkruin met een aan Apollo gewijde plek of temenos, waarnaar de geheele kruin ook Temenos werd genoemd en Apollo ook wel Temenites wordt bijgenaamd. Deze plaats werd vervolgens onder den naam Neapolis bij Syracusae getrokken.
Temenus, Temenos, oudste zoon van Aristomachus, een van de Heracliden, die de Peloponnesus veroverden. Bij de verdeeling van het schiereiland kreeg hij de regeering over Argos, die zijne nakomelingen, de Temeniden (Temenidai), bleven behouden. Hij werd door zijn eigen zoon gedood, omdat hij zijn dochter en haar echtgenoot Deiphontes boven hem begunstigde. Ook de koningen van Macedonië noemden zich afstammelingen van T., zie Perdiccas no. 1.
Temesa, Temese, 1) zie Tamassus.--2) ook Tempsa, Tempsa, genoemd, oude ausonische stad op de Westkust van Brutii, iets ten N. van Terina en den sinus Terinaeus, sedert 194 rom. kolonie.
Temnus, Temnos, 1) stad in het aeolisch-aziatische kustland, aan den Hermus, een eind boven de monding gelegen, onder keizer Tiberius door eene aardbeving verwoest.--2) Temnon oros, gebergte in Mysia, dicht bij de grenzen van Lydia.
Tempe, ta Tempe, eene meestal smalle vallei of bergkloof in het N.O. van Thessalia, tusschen den Olympus ten N. en den Ossa ten Z., thans de bergpas van Lycostomo. Door dit dal stroomt de Peneus naar zee. Voordat Poseidon door eene aardbeving dezen uitweg voor de wateren van Thessalië opende, zou dit gewest een groot meer zijn geweest. Xerxes beweerde dat, zoo de Thessaliërs zich niet hadden willen onderwerpen, hij het dal Tempe slechts door een dam had behoeven af te sluiten, om hen allen te doen verdrinken. Wegens hare stoute en verhevene, doch tevens liefelijke en bekoorlijke natuur is deze vallei door de ouden veelvuldig geprezen. Dichters hebben den naam ook op andere liefelijke dalen toegepast, b.v. Heloria Tempe = het dal van den Helorus op Sicilia, Heliconia Tempe in Boeotia, enz.
Templum, temenos, elke afgebakende en van de omringende ruimte afgescheiden plaats. Bij de Rom. heet aldus het waarnemingsveld, dat de augur onder het uitspreken van een zeker formulier aan den hemel met zijn staf afbakent, zie auguria. Op aarde verstaan de Rom. er eene plek gronds onder, die onder zekere vormen tot gewijden grond is gemaakt en van de omliggende ongewijde ruimte zichtbaar is afgescheiden, onverschillig hoe, hetzij door een muur, een wal, een staketsel, ja zelfs door een andere ligging van het plaveisel. Zoo was o.a. eene rom. legerplaats een templum, evenzoo het comitium; een tempel werd eerst tot templum wanneer hij volgens bepaalde regelen gewijd was (zie aedes).--Wat de tempelgebouwen betreft, zij stonden altijd op een vierzijdig voetstuk, waartoe men langs een of meer zijden met trappen opklom. Was het voorportaal, pronaos, of prodomos geheeten, aan drie zijden open, dan heette de tempel prostylus, prostylos. Was het alleen aan de voorzijde open, dan was de tempel een antentempel, zie antae. Loopt er een zuilengang rondom den tempel (zie blz. 101 en 102), dan heet deze peripterus, peripteros; waren er ter zijde in plaats van zuilen alleen pilasters tegen den muur aangebracht, die dus alleen tot versiering dienden en niet om het dak te dragen, dan noemde men dit pseudoperipterus, pseudoperipteros. Deze laatste vorm werd door de Rom. boven den anderen verkozen. Soms had men achter den tempel, die dan naos amphiprostylos heet, nog een achterbouw, opisthodomos, onder hetzelfde dak, doch met een afzonderlijken ingang, welk gedeelte wel gebezigd werd tot bewaarplaats van zaken, niet met den godsdienst in verband staande, als staatsarchieven, schatkist en dgl. Vroege grieksche tempels hebben in plaats van een opisthodomos een adyton, zie adytum. Ook had men dubbeltempels, zooals dien van Roma en Venus te Rome, twee tempels, geheel aan elkander gelijk, onder één dak, met de achterzijde tegen elkander gebouwd, zoodat de beelden elkander den rug toekeeren. De gesloten binnenruimte van den eigenlijken tempel heette de cella, naos, sekos. Bij de Grieken was deze meestal langwerpig, bij de Rom. in navolging der Etruscers een kwadraat, dikwijls groot genoeg voor senaatsvergaderingen. Een voorbeeld van een griekschen dubbeltempel, uit twee niet gelijke gebouwen bestaande levert het Erechtheum op, waarvan de plattegrond op blz. 102 te zien is. De Rom. bouwden ook nog ronde tempels met gewelfd koepeldak, zooals het Pantheon (z. a.), soms peripteri, soms ook als geheel open koepels, alleen bestaande uit het voetstuk en het door zuilen gedragen dak, die monopteri heetten. Eene groote, dubbele deur verleende toegang tot den tempel, gaf deze geen licht genoeg, dan werd er in het dak eene schuine opening gelaten, die het licht liet vallen op het godenbeeld; was de hoogte van het dak boven den beganen grond te hoog voor de lengte van eene zuil, dan plaatste men twee rijen zuilen boven elkander, zoodat de tweede door den architraaf der benedenrij gedragen werd, zooals in de bijgevoegde teekening van een tempel te Paestum is te zien. Een driedubbele tempel was die van Jupiter, Juno en Minerva op het Capitool, waarvan hiervóór de plattegrond is weergegeven volgens het vermoeden van den italiaanschen bouwkundige L. Canina. Het voetstuk vormt een zuiver kwadraat, langs drie zijden zijn trappen. De aan drie zijden open voorhal gaf toegang tot de drie cellae, waarvan de middelste voor Jupiter was bestemd. Ten slotte is hier nog bijgevoegd eene afbeelding van den buitengewoon goed bewaard gebleven tempel te Nemausus (Nîmes), door Agrippa gebouwd.
Tempsa = Temesa no. 2.
Tempyra, ta Tempyra, vlek in Thracia, dicht bij de kust, ten W. van Doriscus. Bij T. lag een enge bergpas.
Tenc(h)teri, Tenkteroi, Tenkteroi, germaansch volk, meestal met de stamverwante Usipetes verbonden. Door de Suebi opgejaagd, trokken zij over den Rijn naar Gallia, doch werden door Caesar teruggedreven en vestigden zich toen aan den rechteroever (tusschen Ruhr en Sieg). Zij waren uitstekende ruiters.
Tenea, Tenea, stad tusschen Corinthus en Mycenae met een Apollo-tempel.
Tenedus, Tenedos (= Tennou hedos, zie Tenes of Tennes), eiland met een gelijknamige stad en twee havens, tegenover de kust van Troas gelegen. Er was een beroemde tempel van Apollo Smintheus. In de perzische oorlogen werd T. eerst perzisch, later een trouwe bondgenoot van Athene, doch door den vrede van Antalcidas opnieuw aan Perzië prijsgegeven, door Alex. d. Gr. vrij verklaard, later rom.
Te(n)nes, Te(n)nes, zoon van Cycnus (z. a. no. 2). Hij werd op Tenedus als heros vereerd en had er een tempel, waar de naam van Achilles niet mocht worden genoemd en geen fluitspeler mocht binnentreden, omdat een fluitspeler bij Cycnus valsche getuigenis tegen T. had afgelegd.
Tensa, thensa, een praalwagen, met goud en ivoor versierd en van een hemel voorzien, waarin bij plechtige optochten, o. a. bij de opening der ludi Romani en der Megalesia, de beelden van verschillende godheden, op matrassen en kostbare spreien uitgestrekt, door de straten en over het forum te Rome werden gevoerd.
Tentyra, ta Tentyra, hoofdstad van den nomus Tentyritis in Boven-Aegypte, stroomafwaarts van Thebae. De inwoners waren bekend als voortreffelijke krokodillenjagers. Thans Denderah met belangrijke overblijfselen, o. a. van de tempels van Isis en Hathor. In dien van Hathor (1ste eeuw n. C.) heeft men den beroemden dierenriem gevonden, die thans te Parijs is.
Tenus, Tenos, een der cycladische eilanden, tusschen Delus en Andrus, met een beroemden tempel van Poseidon, die het eiland bevrijd had van de talrijke slangen, waarnaar het oudtijds Ophiussa heette. De hoofdstad heette ook Tenus. Hier zou de dichteres Erinna geboren zijn.
Teos, Teos, ionische stad op de aziatische kust, ten Z. van Clazomenae en ten N.W. van Ephesus, geboorteplaats van den lierdichter Anacreon, daarom spreekt Horatius van Teia fides = anacreontische lier. Omstreeks het midden der 6de eeuw verhuisde een groot gedeelte der inwoners, de perzische heerschappij moede, deels naar het verwoeste Abdera, dat zij herbouwden, deels naar Phanagoria. Teos had twee havens.
Tepidarium, zie balneum.
Teredon, Teredon, stad in Babylonia aan den Euphraat nabij de Perzische golf, belangrijke stapelplaats voor den arabischen handel, vooral voor wierook.
Terentia Cassia (lex) frumentaria van 73, z. Cassia Terentia (lex). Het koren, dat voor deze uitdeelingen noodig was, moest door Sicilië geleverd worden tegen een vastgestelden prijs.
Terentianus Maurus, uit Africa, leefde in de 2de helft van de 3de eeuw na C., en schreef een werk in dichtmaat in 4 boeken: de litteris, syllabis, pedibus et metris.
Terentii, rom. geslacht, misschien van sabijnsche afkomst, dat geen andere vermeldenswaardige familie heeft opgeleverd, dan de Varrones.--1) C. Terentius Varro, de zoon van een slachter, die eerst in zijns vaders vleeschhal werkzaam was, maar als voorvechter van de rechten des volks door dit laatste tot verschillende ambten werd verheven en in 216 consul werd. Door zijne onberadenheid verloor hij den noodlottigen slag bij Cannae, waaruit hij zelf ter nauwernood met een gevolg van 70 ruiters ontkwam. Toch betuigde de senaat hem dank, dat hij niet aan het behoud van den staat wanhoopte, en droeg hem in 215 het bevel in Picenum op.--2) A. Terentius Varro, streed in 184-182 als propraetor zegevierend tegen de Celtiberiërs in Hispania.--3) A. Terentius Varro werd in 75 aangeklaagd wegens afpersingen, in Asia gepleegd en had zijne vrijspraak slechts te danken aan de schaamtelooze wijze, waarop zijn verdediger en bloedverwant, de redenaar Q. Hortensius Hortalus, de rechters omkocht. Daar Hortensius echter de rechters niet te best vertrouwde, liet hij de stembordjes met was van verschillende kleur bestrijken, zoodat hij kon zien, welke stem ieder in de bus wierp.--4) M. Terentius Varro Reatinus, uit Reate in het sabijnsche land (116-27), een der geleerdste mannen van zijn tijd en een vruchtbaar schrijver, was volkstribuun en in 67 legaat van Pompeius in den zeerooversoorlog; in 49 streed hij in Hispania tegen Caesar, met wien hij zich na den slag bij Pharsalus verzoende. Vervolgens leefde hij stil en afgezonderd geheel voor de wetenschap, doch had de grievende smart, bij de vogelvrijverklaringen van Octavianus zijne kostbare boekerij te zien plunderen en vernielen, terwijl hij ter nauwernood zijn leven redde. Om zijne buitengewone werkzaamheid als schrijver wordt hij door Cicero polygraphotatos genoemd. Het aantal zijner werken beliep meer dan 74. De voornaamste zijn: de lingua Latina in 24 boeken, waarvan er 6 vrij volledig zijn bewaard gebleven, antiquitates rerum humanarum (25b.) et divinarum (16 b.), over Italia en Rome en den ouden godsdienst loopende, waarvan belangrijke gedeelten bij Augustinus voorkomen, hebdomades of imagines, 700 beeltenissen van beroemde mannen, met schetsen uit hun leven, waarvan er telkens 7 bijeengevoegd waren, vandaar de titel hebdomades (het werk was verdeeld in 15 boeken), de ora maritima, waaruit Plinius voor het geographische gedeelte van zijn encyclopaedie geput heeft, de re rustica, door hem op zijn 80ste jaar geschreven en dat nog bestaat, satirae Menippeae, in 150 boeken over allerlei onderwerpen, waarvan slechts fragmenten bewaard zijn, zie Satira.--5) P. Terentius Varro Atacinus (zie Atax), in 82 geboren te Narbo, een uitstekend kenner der grieksche letteren, maakte gedichten, o. a. de bello Sequanico, eene Argonautica (naar Apollonius Rhodius), en schreef ook een sterrenkundig werk. Verder moet hij nog satiren en elegieën gedicht hebben.--6) M. Terentius Varro Lucullus of M. Terentius Licinianus Varro, consul in 73, zie Licinii no. 25 en lex Cassia Terentia.--7) A. Terentius Varro Murena, zie Licinii no. 32.--8) Terentia, echtgenoote van Cicero, zette haar man tot strengheid tegen de Catilinarii aan. Na Cicero's terugkeer uit zijne ballingschap waren zijne geldelijke omstandigheden in de war. Huiselijke oneenigheden waren hiervan het gevolg, die zóó hoog liepen, dat zij eindigden met eene scheiding (46).--9) Terentia, echtgenoote van Maecenas, leefde eenigen tijd van haren man gescheiden, doch verzoende zich weder met hem.--10) P. Terentius Afer, beroemd blijspeldichter, was in 185 te Carthago geboren en reeds vroeg als slaaf te Rome in het bezit van den senator P. Terentius Lucanus gekomen, in wiens huis hij den naam Afer droeg. Om zijne schoone gestalte en zijn voortreffelijken aanleg liet zijn meester hem een goede opvoeding geven en liet hem vervolgens vrij. Het eerste stuk, dat de dichter den aedielen ter opvoering aanbood, de Andria, opgevoerd in 166, moest hij eerst aan het oordeel van den gevierden dichter C. Caecilius Statius onderwerpen. Diens onverdeelde goedkeuring verzekerde het welslagen van Terentius, wiens karakter en beschaving hem bovendien de achting en vriendschap verwierven van Scipio (later Africanus minor) en diens vriend Laelius. In 159 stierf Terentius op een reis door Griekenland. De zes stukken, die wij van hem bezitten, Andria, Hecyra, Heautontimorumenos, Ennuchus, Phormio, Adelphoe, behooren tot de fabulae palliatae en zijn naar grieksche modellen bewerkt, vooral naar Menander, in zooverre echter, dat Ter. niet grieksche stukken gewoon vertaalde, maar uit verschillende blijspelen verschillende karakters overnam en daaruit wat hem aanstond tot één geheel verwerkte. Zijne stukken, op het tooneel vertolkt door den beroemden acteur Ambivius Turpio, oogstten grooten bijval, doch het ontbrak hem niet aan benijders, waaronder een overigens onbekende dichter voorkomt, Luscius Lanuvinus, door Terentius een malevolus vetus poëta genoemd. O. a. strooide men uit, dat zijne aanzienlijke vrienden Scipio en Laelius hem bij het maken zijner stukken hielpen, welk verwijt Ter. zich echter niet tot schande, maar tot eer rekent. Van zijne stukken bestaan nog de officiëele didascalia (z. a.), alsmede een commentaar van Aelius Donatus.
Terentilla (lex) of v.s. lex Terentilia tot het bekomen van geschreven wetten, de legibus scribendis, van den volkstribuun C. Terentillus (of -lius) Arsa (Harsa). Het wetsvoorstel werd in 462 voor het eerst in het concilium plebis te berde gebracht, doch eerst in 454 door de patriciërs aangenomen. Zie tabularum (leges XII).
Terentini ludi, spelen ter eere van Dis en Proserpina, gedurende de rom. republiek viermaal gevierd op het Terentum of Tarentum, eene vulkanische plek op den campus Martius te Rome, met wedrennen en lectisternia. Zij zouden bij gelegenheid eener pest in 509 ingesteld zijn door den consul P. Valerius Poplicola. Volgens een ander verhaal, zou een Sabijn, Marius Valesius Tarentinus op de bovengenoemde plek diep onder den grond een altaar van Dis en Proserpina ontdekt hebben, ook tijdens het heerschen eener pest. In werkelijkheid zijn deze spelen voor het eerst gehouden in 249, volgens een uitspraak der Sibyllijnsche boeken, en moesten zij elke 100 jaar herhaald worden, hetgeen in 146 en tijdens Augustus gebeurd is. Zie Saeculares ludi.
Terentum, zie Terentini.
Tereus, Tereus, zoon van Ares en Bistonis, koning der Thraciërs in Daulis (Phocis); z. Procne.
Tergeste, Tergeste, stad in Histria, thans Triëst aan den sinus Tergestinus, reeds onder de Rom. eene belangrijke handelsplaats, sedert Vespasianus rom. kolonie.
Tergiversatio, intrekking eener aanklacht door den aanklager (van tergum vertere).
Terias, Terias, riviertje op de Oostkust van Sicilia, dat dicht bij Leontini langs stroomde.
Terillus, Terillos, tyran van Himera, werd door Theron van Agrigentum verdreven. Op zijn verzoek zonden de Carthagers een groot leger om hem in de regeering te herstellen, dat echter door Theron en Gelo volkomen verslagen werd (480).
Terina, Terina, Tereina, kol. van Croton aan de Westkust van het land der Bruttii, door Hannibal verwoest en niet weder opgebouwd. De aanliggende golf heette sinus Terinaeus, Terinaios kolpos, ook sinus Hipponiates naar de stad Hipponium.
Teriolis, ook Teriola castra, sterkte in Raetia. Hiervan wordt de naam Tyrol afgeleid.
Termera, ta Termera, dorische stad in Caria, aan den mond van den sinus Ceramicus, tegenover het eil. Cos.
Termerus, Termeros, een roover in Thessalië, die met zijn sterk voorhoofd zijn tegenstanders den schedel placht te verbrijzelen. Heracles doodde hem.
Termes, Termentia, Termesos, stad der Arevaci in Hispania Tarraconensis, in het brongebied van den Durius (Douro), ten Z.W. van Numantia. De Rom. stieten bij herhaling het hoofd voor de sterke, op eene hoogte gelegen stad. In 98 noodzaakten zij de inwoners, hunne woonplaats te verlaten en in de vlakte eene nieuwe stad te bouwen.
Termessus = Telmissus no. 2.
Termilae, Termilai, Termiles, oude, inheemsche naam voor de Lyciërs, zie Lycia.
Terminalia, zie Terminus.
Terminus, romeinsch god der grenssteenen. Men offerde hem bij het plaatsen van een nieuwen grenssteen, en op zijn feestdag, de Terminalia (23 Februari), kwamen buren bij den gemeenschappelijken grenssteen bij elkander en brachten er een offer, dat door een gemeenschappelijken maaltijd besloten werd. Ook van staatswege werden op dien dag aan de grenzen Terminalia gevierd. Toen bij het bouwen van het Capitolium het beeld van Terminus in den weg stond, verboden de auspicia het te verplaatsen, het bleef daarom in den tempel van Jupiter staan, die vandaar eveneens als een beschermer der grenzen (J. Terminalis of Terminus) beschouwd werd. In werkelijkheid was Terminus een nevenvorm van Jupiter, die dus zelf als beschermer der grenssteenen (termini) optreedt.
Terpander, Terpandros, van Antissa op Lesbus, de eigenlijke schepper der grieksche muziek en uitvinder der citer met 7 snaren. Op bevel van het orakel van Delphi werd hij naar Sparta geroepen om er burgertwisten te beslechten en sedert dien tijd schijnt hij er gebleven te zijn. Hij behaalde o. a. den prijs bij den eersten muzikalen wedstrijd ter gelegenheid der Carnea (z. Carneus), 676. Sparta was in de 7de eeuw, na de verovering van Messene, de plaats waar muziek het meest beoefend werd.
Terpsichore, Terpsichora, Muze van reidansen en koorzangen; zij wordt gewoonlijk afgebeeld in dansende houding, met een lier en een plectrum in de handen.
Terracina = Tarracina.
Tertullianus, 1) beroemd rom. jurist en schrijver van onderscheidene juridische geschriften, tijdgenoot van Papinianus, ± 200 na C.; v. s. is deze identisch met no. 2.--2) Q. Septimus Florens Tertullianus, uit Carthago, (± 150 tot 230 n. Chr.), één der eersten, die het Christendom in vele latijnsche geschriften verdedigd heeft. Zijn stijl is vurig en heftig, maar duister.
Teruncius, rom. gewicht en zilveren muntstukje = 3 unciae of 1/4 as.
Tervingi, naam der Visi-Gothi of West-Gothen, tijdens hun verblijf in Dacia (± 257-± 376).
Tessera, zie tabula.
Testa, zie Trebatius.
Testamentum. Er zijn oudtijds in Rome drie soorten van testamenten:--1) het testamentum in comitiis calatis (zie comitia), waartoe tweemaal in het jaar (waarschijnlijk op 24 Maart en 24 Mei) gelegenheid werd gegeven. Oorspronkelijk gold dit slechts voor de patriciërs.--2) het testamentum in procinctu, dat de soldaten vóór den slag konden maken, en waarbij het leger getuige was.--3) het testamentum per aes et libram, waarbij de erflater door mancipatio (z. a.) zijn goed tegen een schijnprijs verkocht aan den erfgenaam, later aan een tusschenpersoon (familiae emptor), die na den dood van den erflater de nalatenschap volgens diens wil verdeelde. Het werd langzamerhand gebruik dezen wil op schrift te brengen (tabulae testamenti), en de praetor gaf aan zulk een geschreven testament rechtskracht, ook al waren de formaliteiten der mancipatio daarbij verzuimd, indien het stuk maar voorzien was van de zegels van zeven getuigen (testamentum praetorium), zie cera en de afbeeldingen op bl. 161 en 162. Zie verder hereditas.
Testudo, schildpad, 1) een muziekinstrument, eene soort van lier of citer, vermoedelijk in den oudsten vorm eene met snaren bespannen schildpadschaal, hetgeen later weder de kunstenaars op het denkbeeld gebracht kan hebben, onder de snaren een klankbodem aan te brengen.--2) een schutdak, gevormd doordat eene afdeeling soldaten de schilden boven hun hoofd aaneengesloten hielden en aldus voortmarcheerden om tegen projectielen van belegerden beveiligd te zijn. De rom. soldaten waren hierin zóó geoefend, dat soms boven op dit schildendak eene andere afdeeling strijders post vatte.--3) een schutdak van balken, waaronder de stormram werkte, testudo arietaria, zie aries.
Tethys, Tethys, dochter van Uranus en Gaea, bij Oceanus moeder der Oceaniden en riviergoden.
Tetradrachmum, tetradrachmon, attische zilveren munt ter waarde van 4 drachmen.
Tetrakosioi, een raad van 400 personen, die gedurende eenige maanden van het jaar 411 te Athene de regeering in handen had. Ontevredenheid en mismoedigheid wegens den loop, dien de peloponnesische oorlog begon te nemen, vooral wegens het ongelukkig einde van de onderneming tegen Sicilië, had reeds vroeger bij velen het verlangen naar een of andere verandering in het staatsbestuur doen ontstaan, en bij de verkiezing der probouloi (z. a.) in 413 had, naar het schijnt, de oligarchische partij een belangrijke overwinning behaald. Van den daardoor verkregen invloed wist men, voor zoover de omstandigheden het toelieten, behendig gebruik te maken om de gemoederen op de voorgenomen omwenteling voor te bereiden, en toen er geruchten verspreid werden, dat door Alcibiades, die toen bij Tissaphernes in hoog aanzien stond, een bondgenootschap met den koning van Perzië tot stand gebracht zou kunnen worden, mits de regeering in oligarchischen zin veranderd was, achtte men het tijd handelend op te treden. Aan Pisander (z. a.) en de zijnen gaf het volk, hoewel met grooten tegenzin, volmacht om met Alcibiades en Tissaphernes te onderhandelen, en ofschoon deze onderhandelingen tot niets leidden, meende de oligarchische partij nu niet te moeten terugtreden. Te Athene hadden zich ondertusschen de oligarchische clubs (hetairiai, z. a.) vereenigd en voerden er in het duister een soort schrikbewind, de hevigste voorstanders der democratie werden heimelijk uit den weg geruimd en den anderen daardoor zoo groote schrik aangejaagd, dat de volksvergadering bij de terugkomst van Pisander alles aannam wat hij wilde. Wel werd vooreerst slechts besloten, dat de probouloi, voor deze gelegenheid ten getale van 30, zouden belast worden met het doen van de noodige wetsvoorstellen, en bepaalde zich ook de door hen voorgestelde verandering tot de opheffing der graphe paranomon, maar de oligarchen, zonder twijfel hierop voorbereid, kwamen terstond na aanneming daarvan met verschillende voorstellen voor den dag, waarvan de strekking was, dat zoolang de oorlog duurde geen ambt meer bezoldigd zou worden, dat de regeering voorloopig zou berusten in handen van een raad van 400, dat de volksvergadering tot de meergegoeden, minstens 5000 personen, beperkt zou worden en bijeengeroepen, wanneer de raad het noodig vond. Deze raad werd aldus saamgesteld: het volk wees 5 mannen aan, die op hun beurt 100 kozen, van welke ieder zich 3 moest coöpteeren. Doch hoewel dit alles gereedelijk werd aangenomen, was de nieuwe toestand niet van langen duur. De vloot, die bij Samus lag, verklaarde zich reeds dadelijk tegen de regeering der 400, riep Alcibiades uit de ballingschap terug, en liet zich slechts met moeite door dezen weerhouden van pogingen tot gewelddadig herstel van den ouden regeeringsvorm. Ook in de stad zelve openbaarde zich spoedig groote ontevredenheid; de 5000 werden nooit ter vergadering opgeroepen, van het beloofde bondgenootschap met Perzië zag men niets komen, en in plaats van den oorlog krachtig te voeren, trachtten de 400 met Sparta te onderhandelen. Het duurde niet lang of ook onder henzelf ontstond verdeeldheid; de meesten (Phrynichus, Pisander, Antiphon) bleven pogingen doen tot het verkrijgen van een vrede, op welke voorwaarden dan ook, en werden zelfs wel niet geheel zonder grond van verraderlijke plannen beschuldigd, anderen, waaronder Theramenes, die niet zoo ver wilden gaan of, bij den te verwachten omkeer van zaken, de gunst van het volk niet wilden verbeuren, onthielden zich van al wat verdacht kon schijnen en traden zelfs in het openbaar tegen hunne ambtgenooten op. Toen nu onder deze omstandigheden Euboea inderdaad door verraad verloren ging, kwam het tot een uitbarsting, de 400 werden na eene regeering van vier maanden afgezet, de verdachten onder hen vluchtten, en de oude toestanden werden hersteld, ofschoon nog eenigen tijd de volksvergadering tot 5000 (v. a. 9000) personen beperkt en eenige ultra-democratische instellingen afgeschaft bleven.
Tetralogia, tetralogia. Te Athene was het sedert Phrynichus of Aeschylus gebruikelijk, dat ieder dichter, die bij den tragischen wedstrijd naar den prijs mededong, vier stukken ten tooneele bracht; deze vier stukken werden te zamen tetralogie genoemd. Drie er van waren eigenlijke treurspelen en vormden eene trilogie, het vierde was een satyrdrama (z. satyrica fabula). De oudere dichters behandelden gewoonlijk in de drie treurspelen, en soms ook in het satyrdrama, mythen, die in nauw verband met elkander stonden; bij Sophocles en lateren is er tusschen de verschillende deelen der tetralogie geen samenhang. De Agamemnon, Choëphori en Eumenides van Aeschylus zijn de eenige thans nog bewaard gebleven treurspelen, die eene trilogie vormen, zij hebben achtereenvolgens tot onderwerp: den moord van Agamemnon, de wraak van Orestes, de verzoening der wraakgodinnen van Clytaemnestra. Het bijbehoorend satyrdrama Proteus is verloren gegaan. Van geen andere tetralogie bezitten wij nu nog meer dan één stuk.
Tetrapolis, vierstedenverbond; 1) in Attica de vlekken Oenoë, Marathon, Probalinthus en Tricorythus.--2) in Doris de stadjes Erineüs, Boeüm, Pindus en Cytinium.--3) in Syria de steden Antiochia, Apamea, Laodicea en Seleucia.--4) in Lycia: Cibyra, Oenoanda, Bubon en Balbura.
Tetrica rupes, steile, woeste berg in het sabijnsche land nabij de grenzen van Picenum.
Tetricus (P. Esuvius), een der zoogenaamde 30 tyrannen onder de rom. keizers, regeerde van 270-274 na C. over Gallia en Hispania, doch riep, toen hij met boerenopstanden en muiterij onder zijn troepen te kampen had, Aurelianus heimelijk te hulp. In den slag bij Durocatalauni (Châlons-sur-Marne) werden toen de opstandelingen door Aurelianus verslagen (274) en Tetricus afgezet.
Tettarakonta, z. dikastai.
Teucer, Teukros, 1) zoon van den riviergod Scamander en de nimf Idaea, eerste koning van Troje, naar wien de Trojanen Teucriërs genoemd worden. Hij nam Dardanus gastvrij bij zich op en gaf hem zijne dochter Batea of Arisbe tot vrouw. V. a. kwam hij met Scamander van Creta en werden zij door Dardanus in Troas ontvangen, waar zij den dienst van Apollo Smintheus instelden.--2) zoon van Telamon en Hesione, de bekwaamste boogschutter onder de Grieken voor Troje. Toen hij na de inneming van Troje naar zijn vaderland terugkeerde, werd hij door Telamon verstooten, omdat hij den dood van Aiax niet had gewroken, hij ging naar Cyprus en stichtte daar de stad Salamis, waar zijne nakomelingen de regeering behielden. V. s. keerde hij na den dood van zijn vader nogmaals naar zijn vaderland terug, maar werd nu door Eurysaces, den zoon van Aiax, verdreven, waarop hij zich naar Gallaecia in Hispania begaf.
Teucri, Teukroi, dichterlijke naam der Trojanen, naar Teucer.
Teumessus, Teumessos, berg en stad in Boeotia ten N.O. van Thebae.
Teuta, Teuta, koningin van Illyrië, die na den dood van haar gemaal Agron (231) de voogdij voerde over haar minderjarigen zoon Pinnes. De Rom. zonden de gebroeders C. en L. Coruncanius als gezanten tot haar om op beteugeling van den zeeroof aan te dringen, doch Teuta werd zoo toornig over hunne vrijmoedige taal, dat zij een van beiden liet vermoorden. Daarop volgde een wreedaardige oorlog, 229-228. Door het verraad van Demetrius van Pharus, Teuta's stadhouder op Corcyra, moest zij om vrede vragen, oorlogsschatting betalen, het zuidelijk gedeelte van haar gebied (meest veroverd land) afstaan ten behoeve van Demetrius (z. a. no. 7) en ook de voogdij aan hem overgeven.
Teutates, Theut., gallisch god, wien soms menschenoffers gebracht werden, door de Rom. met Mercurius vergeleken.
Teuthrania, Teuthrania, het Z.W. gedeelte van Mysia, aldus genoemd naar eene oude stad Teuthrania, de residentie der oude mysische koningen, aan den Caicus door Teuthras gesticht.
Teuthras, Teuthras, 1) koning van Mysië, die Auge en later Telephus gastvrij opnam.--2) of Teleutas, vader van Tecmessa.--3) een van de tochtgenooten van Aeneas.
Teutobochus (Teutobodus), vorst der Teutones in den slag bij Aquae Sextiae tegen Marius (102).
Teutoburgiensis silva, het tegenw. Teutoburgerwoud, waar in 9 na C. Varus met drie legioenen door den Cheruscer Arminius overvallen en verslagen werd.
Teutones, -ni, Teutones, een germaansche volksstam, in 102 door C. Marius vernietigd. Ze woonden in de nabijheid der Cimbren, en worden reeds in de 4de eeuw genoemd als opkoopers van het barnsteen, dat op de Noordzee-eilanden en vooral op Borkum (zie Glaesariae Insulae) gewonnen werd. Evenals van de Cimbren was ook van de Teutonen bij den uittocht van 113 een gedeelte in het land achter gebleven. Zie verder Cimbri. V. s. zijn de Teutones identisch met de keltische Toygeni, een gouw der Helvetii.
Texuandri of Toxandri, waarschijnlijk een afdeeling der Menapii, woonden in Braband, in de latere gouw Toxandria.
Thaenae, stad in het Z. van Africa vetus, aan de kust.
Thais, Thaïs, eene om haar schoonheid beroemde hetaere van Athene, ging met Alexander d. G. naar Azië, en werd na zijn dood de bijzit van Ptolemaeus Lagi. V. s. zou zij Alex. aangespoord hebben Persepolis in brand te steken.
Thala, Thala, groote stad in Numidia, in het Z.O. aan den rand der woestijn; later behoorde het tot Africa vetus; het ligt in den N.W. hoek van Byzacium.
Thalamae, Thalamai, 1) stad in Messenia, aan de Messenische golf nabij Pherae.--2) stad aan de Westkust van Laconië, aan diezelfde golf, eenigszins zuidelijker.--3) sterkte in Acrorea, in Elis.
Thalassio, -sius = Talassio.
Thales, Thales, van Miletus (640 of 624-546), de eerste der grieksche wijsgeeren, nam als grondstof van het bestaande het water aan, waarop volgens hem de aarde, die den vorm van een schijf heeft, drijft. Hij wordt ook de grondlegger van de grieksche wis- en sterrenkunde genoemd en zoude de zonsverduistering van 28 Mei 585 voorspeld hebben. Hij hielp Croesus op zijn tocht tegen Cyrus bij het afdammen van de rivier Halys en stelde de vorming van een ionischen bondsstaat voor ter verdediging tegen de aanvallen der Perzen. Als een van de zeven wijzen, onder welke hij de wijste genoemd wordt, had hij tot spreuk, ti dyskolon; to gnonai heauton. ti d' eukolon; to allo hypotithesthai. Geschriften heeft hij waarschijnlijk niet nagelaten.
Thaletas, Thaletas, beroemd lierzanger en toonkunstenaar van Creta, die op bevel van het delphische orakel naar Sparta geroepen werd om na een pest de stad door godsdienstige plechtigheden te reinigen. Hij bleef er verder verblijf houden en voerde er verscheiden godsdienstige gezangen in, door dans begeleid. Hij leefde waarschijnlijk op het einde der 7de eeuw, hoewel hij soms een vriend van den wetgever Lycurgus genoemd wordt.
Thalia, Thaleia, 1) de Muze van het blijspel, wordt afgebeeld met een comisch masker en een thyrsusstaf in de hand en een klimopkrans op het hoofd.--2) moeder der Palici.
Thalia, Thalia, eene van de Charites.
Thallo, Thallo, te Athene eene van de Horae.
Thallophoroi, z. Panathenaea.
Thalna, familienaam in de gens Iuventia.
Thamugadi, stad door Traianus aangelegd in de provincie Numidia of Africa Nova, ten N. van het Audusgebergte. De stad, die onder het woestijnzand bedolven was, is in de laatste jaren der vorige eeuw door de Franschen weer opgegraven, en wordt om zijn goed bewaard gebleven gebouwen uit den keizertijd het afrikaansche Pompeii genoemd. Tgw. Timgad.
Thamyris, Thamyris, Thamyras, zoon van Philammon en de nimf Argiope, oud-thracisch zanger, een van de oudste grieksche epische dichters. Nadat hij bij de pythische spelen verscheiden overwinningen had behaald, werd hij zoo trotsch, dat hij de Muzen tot een wedstrijd durfde uitdagen, hij werd overwonnen en tot straf van het gezicht en van de gave van het gezang beroofd.
Thapsacus, Thapsakos (= vadum), aan den Euphraat, belangrijke oude stad en de zuidelijkste plaats waar de rivier nog te doorwaden was voor kameelen. Seleucus Nicator herdoopte het in Amphipolis. Th. was eenmaal de noordelijkste stad in het rijk van Salomo.
Thapsus, Thapsos, 1) stad op de kust van Byzacium in Africa propria, bekend door de overwinning, die Caesar in 46 op het pompejaansche leger en op Juba behaalde.--2) megarensische volkplanting op de Oostkust van Sicilia ten N. van Syracuse.
Thargelia, Thargelia, het voornaamste feest der Atheners ter eere van Apollo, den 6en en 7den Thargelion, de geboortedagen van Artemis en Apollo, gevierd. Oorspronkelijk een feest ter eere van het rijpen der veldvruchten of v. a. tot afwering van booze geesten, werd het later hoofdzakelijk een reinigings- en verzoeningsfeest, waarop men nog tot in de zesde eeuw twee ter dood veroordeelde misdadigers onder fluitspel buiten de stad voerde en als zoenoffers voor den geheelen staat ter dood bracht. Overigens was het een vroolijk feest, waarbij men den tocht van Theseus naar Creta en zijne overwinning op den Minotaurus herdacht. Ter herinnering hieraan vertrok jaarlijks omstreeks denzelfden tijd een schip uit Athene, om een feestgezantschap naar Delus te voeren, dat daar aan Apollo offers brengen moest.--Ook in de ionische koloniën werden de Th. gevierd.
Thargelion, Thargelion, 11de maand van het Attische jaar (Mei-Juni), z. Annus.
Thasus, Thasos, eiland nabij de thracische kust tegenover den mond van den Nestus, een eiland, rijk aan wit marmer en hout, oudtijds ook aan koren, wijn en goud. De goudmijnen, door de Phoeniciërs ontdekt, zijn geheel uitgeput. Het werd in de 7de eeuw van uit Parus gekoloniseerd. De Thasiërs onderwierpen zich in 492 aan de Perzen, doch traden later tot het attische zeeverbond toe, waarvan zij wel in 465 en 411 poogden af te vallen, doch zonder ander gevolg dan dat hun eiland in 463 door Cimon, in 407 door Thrasybulus heroverd werd. Na den peloponnesischen oorlog legde Sparta de hand op het eiland, later kwam het onder Macedonia.
Thaumantias, Thaumantias, -tis, Iris, dochter van Thaumas.
Thaumas, Thaumas, zoon van Pontus en Gaea, een zeegod, bij de Oceanide Electra vader van Iris en de Harpyieën.
Thaumacia, Thaumakia, zeestad aan de kust van Magnesia, in Thessalia.
Thea, Theia, dochter van Uranus en Gaea, bij haar broeder Hyperion moeder van Helius, Eos en Selene.
Theaetetus, Theaitetos, van Sunium, leerling van Socrates, naar wien Plato een van zijne dialogen genoemd heeft.
Theagenes, Theagenes, 1) van Thasus, zoon van Heracles of van Timosthenes, een priester van Heracles. Hij muntte uit door buitengewone lichaamskracht en behaalde bij alle wedstrijden de overwinning, zoodat hem op vele plaatsen standbeelden werden opgericht. Ook op Thasus stond zulk een beeld, en toen Th. gestorven was, ging een zijner vijanden des nachts naar dit beeld en geeselde het, totdat het van zijn voetstuk viel en den man verpletterde. Toen echter de Thasiërs het beeld daarom in zee geworpen hadden, kwam er hongersnood in het land, en deze eindigde eerst, toen het beeld door visschers weder opgehaald en op bevel van een orakel op zijn oude plaats hersteld was.--2) van Rhegium, wordt genoemd als de eerste, die over Homerus geschreven heeft. Hij was een tijdgenoot van Cambyses.--3) van Nisaea, wist zich den steun der armere burgers tegen de rijken en edelen te verzekeren en maakte zich zoo van de tyrannie over Megara meester, later werd hij echter verdreven. Hij was de schoonvader van Cylon, dien hij bij zijn aanslag met troepen steunde.--4) veldheer der Atheners in den slag bij Chaeronea.
Theano, Theano, 1) eene van de Danaiden.--2) dochter van Cisseus, gemalin van Antenor, priesteres van Athena te Troje.--3) echtgenoote, dochter of leerlinge van Pythagoras, aan wie eenige werken over zijn leven en leer toegeschreven werden.--4) priesteres te Athene, die weigerde te gehoorzamen aan het bevel, dat alle priesters en priesteressen Alcibiades zouden vervloeken.
Theatrum, theatron. Na hetgeen onder het artikel amphitheatrum over de zitplaatsen is gezegd, zal de inrichting van het theater der ouden gemakkelijk te begrijpen zijn uit achterstaande teekeningen, waarvan de eene den plattegrond van het theater te Herculaneum voorstelt, de andere een gedeelte der overblijfselen van het theater te Aspendus in Pamphylia. Op de eerste ziet men de concentrische rijen zitbanken (B B), door de trapsgewijze oploopende tusschenpaden (a a) in wiggen (cunei, kerkides) afgedeeld. Deze cunei hebben uitgangen (b b) op de rondloopende corridors, diazomata (A A, zie de afbeelding bij balteus). C is de orchestra, orchestra, bij de Grieken bestemd voor de reidansen der koren, te Rome sedert 194 tot zitplaatsen voor de senatoren dienende; c is de lage voormuur van het tooneel D D, waarvan de gemetselde achterwand drie openingen (e e e) heeft; dat deze achterwand niet recht doorloopend, maar gebogen is, zal aan den smaak van den bouwmeester hebben gelegen. Het tooneel vóór dezen wand heette scena, skene, en wordt ook proscenium, proskenion, genoemd in tegenstelling van de ruimte (E E) daarachter, het postscenium, (wij zouden zeggen: achter de schermen), waar zich kleedkamers, bergplaatsen en machineriën bevonden. De ruimte onder het tooneel was het hyposkenion; moesten er schimmen of riviergoden opstijgen, dan kwamen zij uit deze benedenruimte langs een trap of ladder, den zoogenaamden charonischen trap charoneioi klimakes, door een luik op het tooneel. Paraskenia zijn de zijwanden van het tooneel, rechts en links. Ook had men toestellen, waarmede men goden uit de zoldering liet nederdalen; vandaar de uitdrukking deus ex machina, om een knoop door te hakken en het stuk tot een slot te brengen, wanneer geene natuurlijke ontknooping mogelijk was. De ruimten f zijn misschien eereplaatsen of loges voor personen van rang geweest. De achterwand van het tooneel en ook het postscenium waren met verdiepingen, zooals de tweede teekening te zien geeft. De gemetselde uitstekken, die men er op aantreft, dienden tot bevestiging van het houten raamwerk, waarop de schermen of coulissen gespannen waren. Het tooneel had dus eene groote breedte, doch eene geringe diepte. De ruimte vóór het achterscherm (dat natuurlijk uit verschillende naast elkander geplaatste stukken bestond), heette vermoedelijk pulpitum, logeion. De zijschermen waren op eene eigenaardige manier ingericht. Zij heetten periaktoi, versurae, en bestonden uit vertikale driehoekige prisma's, die op een spil draaiden en dus drie verschillende decoraties vertoonden, terwijl het achterscherm door verschuiving werd veranderd. Het theologeion was een zweeftoestel, van waar in sommige stukken een god uit den hoogen zijn wil verkondigde. Over enkele verschillen tusschen het rom. en grieksche theater, b.v. dat de ruimte voor het publiek bij het eerste juist een halven cirkel vormde, bij het tweede nog over de middellijn vooruitsprong, kunnen wij hier heenstappen. Te Athene begon men met den bouw van het eerste steenen theater in het begin der 5de eeuw, nadat de houten zitplaatsen en stellingen, waarop men tot dien tijd de voorstellingen aanschouwd en gegeven had, waren ingestort. Te Rome heeft het lang geduurd, eer er een steenen theater gebouwd werd. Bij ludi scenici werd er een tooneel van hout opgeslagen en na afloop der feesten weder afgebroken. Zitplaatsen waren niet aangebracht, men moest staan of een stoel medebrengen. In 174 lieten de censoren Q. Fulvius Flaccus (Fulvii no. 6) en A. Postumius Albinus (Postumii no. 12) eene vaste steenen scena bouwen. Twintig jaar later beproefden de censoren M. Messalla en C. Cassius Longinus (Cassii no. 6) aan de helling van den Palatinus een steenen theater te bouwen, doch P. Cornelius Scipio Nasica, die op dat tijdstip nog consul was (ten tweeden male) liet het afbreken en de materialen publiek verkoopen, terwijl bij senaatsbesluit het zitten bij tooneelvoorstellingen werd verboden. In 146 verrees een volledig theater met zitplaatsen, doch wederom van hout en slechts tijdelijk. Eerst in 55 liet Pompeius een geheel steenen theater bouwen met 40000 zitplaatsen, in 13 verrees het tweede, door L. Cornelius Balbus (Cornelii no. 29) bekostigd en voor 30000 personen ingericht, en later het theatrum Marcelli, door Augustus aan de nagedachtenis van zijn schoonzoon gewijd, ook met 30000 plaatsen. De toeschouwers zaten in de open lucht; later spande men zeilen boven hun hoofd uit (zie amphitheatrum). Te Athene werd een entree van 2 obolen geheven (zie theorikon); te Rome betaalde men geen entree, want de spelen waren geschenken, aan het volk aangeboden; evenwel moest men een bewijs van toegang (tessera, zie onder tabula) hebben. Het voorscherm werd bij het begin der voorstelling niet opgehaald, maar zakte weg en werd bij het einde weder omhoog getrokken (zie aulaeum), vandaar aulaeum manere = tot het einde toe blijven, het einde afwachten.
Thebaansche oorlog, 1) de oorlog, door Adrastus (z. a.) en zijne bondgenooten tegen Thebe gevoerd om Polynices in diens rechten te herstellen.--2) de oorlog tusschen Thebe en Sparta, die volgde op de verdrijving der Spartanen uit de Cadmea en de omverwerping der oligarchische regeering te Thebe (378). In dezen oorlog, waarvan het doel was de oppermacht van Sparta te fnuiken, werden de Thebanen in het begin bijgestaan door de Atheners, later door de meeste peloponnesische staten; toen het echter bleek, dat de Thebanen naar de hegemonie streefden, koos Athene de zijde der Spartanen, en de verdeeldheden onder de Peloponnesiërs maakten, dat het bondgenootschap met hen weinig waarde had. Wel behaalden de Thebanen in de groote slagen bij Leuctra (371) en Mantinea (362) schitterende overwinningen, deed Epaminondas tweemaal (369 en 362) een tocht naar Sparta, werden de Messeniërs in hun land teruggebracht en eene nieuwe hoofdstad Messene gebouwd, vereenigden de Arcadiërs zich tot één staat en stichtten zij de bondsstad Megalopolis, maar hoezeer de Spartanen door dit alles vernederd werden, het gelukte Thebe niet zich tot den eersten staat van Griekenland te verheffen. Na den dood van Epaminondas en Pelopidas was er niemand om hen op te volgen, en bij den vrede (362) werden alle grieksche staten autonoom verklaard.
Thebae, Thebai, 1) oudtijds Thebe, hoofdstad van Boeotia, aan de rivier Ismenus en de bron Dirce, met den burcht Cadmea, volgens de sage door Cadmus gesticht. De stad lag in eene heuvelachtige, bronrijke en vruchtbare streek, zeer geschikt voor paardenfokkerij; zij was ommuurd door een hoogen, zwaren muur, waarvan de steenen op de tonen van Amphions gouden lier zichzelven hadden opeengestapeld. Zij had zeven poorten en wordt hiernaar heptapylos genoemd. Buiten de Electrische poort lagen de zeer heilige tempel van den ismenischen Apollo en de tempel van Amphiaraus (z. a.). Aan den laatsten was een droomorakel verbonden, waartoe echter den Thebanen de toegang was ontzegd, omdat zij op de vraag, of zij den heros als waarzegger of als strijdmakker hebben wilden, het laatste hadden verkozen. Thebae was de geboorteplaats van Heracles, van Amphion, van Tiresias, van Oedipus, ook Semele, de moeder van Dionysus, behoorde er te huis. Tot den mythischen tijd behooren de oorlog der zeven vorsten tegen Thebe (zie Adrastus) en die der Epigonen. In den perzischen oorlog gaf Thebe zich gewillig aan Xerxes over. In den peloponnesischen krijg koos het als bittere vijandin van Athene de partij van Sparta. De overrompeling der Cadmea door den Spartaan Phoebidas in 383 en de daarop gevolgde instelling eener oligarchische regeering bracht een ommekeer te weeg, en na de bevrijding der stad in 379 was het Thebe, dat onder de leiding van Epaminondas en Pelopidas Sparta's overmacht gevoelig fnuikte (slagen bij Leuctra, 371, en bij Mantinea, 362). Later liet het zich eerst door Philippus van Macedonia om den tuin leiden, doch sloot zich op het laatste oogenblik nog bij Athene aan, hoewel vergeefs (nederlaag bij Chaeronea, 338). Bij de troonsbeklimming van Alexander den Gr. viel Thebe af (334); tot straf werd het door Alex. verwoest, op de tempels en het gewezen huis van den dichter Pindarus na. Van de 40000 inwoners werden 6000 gedood en 20000 als slaven verkocht. Cassander liet wel in 316 de stad herbouwen, doch zij had in 290 weder veel te lijden van Demetrius Poliorcetes en in 86 van L. Cornelius Sulla. Thans Thiva.--2) groote stad van Aegypte, volgens Diodorus Siculus de oudste stad ter wereld, aan den Nijl, hoofdstad van Opper-Aegypte, later Diospolis magna, Diospolis he megale, geheeten. Het was de residentie van de aegyptische koningen van verschillende dynastieën. Het was rijk aan grootsche en prachtige tempels, paleizen en andere gebouwen. Boven alles muntte de tempel van Ammon uit, van waar een weg tusschen twee rijen sphinxen, elk van 100 stuks, naar het paleis van Amenhotep of Amenophis III (zie Memnon no. 1) voerde. Thebae had, volgens het verhaal, 100 poorten, en werd hekatompylos genoemd, en was 140 stadiën = 4 2/3 uur gaans in den omtrek. Het had een drukken handel. Aan den tegenoverliggenden rechter Nijloever lag de necropolis, waar men ook nog tempels en paleizen aantrof. Na de plundering door Cambyses was het met Thebe's grootsten bloei gedaan. Tusschen de puinhoopen liggen thans 4 dorpen, Luxor en Karnak op den rechter-, Goernah en Medinet-Aboe op den linkeroever van den Nijl.--3) stad in het thessalische landschap Phthiotis, Thebai Phthiotides, havenstad, aan de golf van Pagasae.
Thebais, Thebaïs, 1) Boven-Aegypte, van de aethiopische grenzen (24° N.B.) tot omstreeks 27 2/3° N.B. Het omvatte dus in lengte ongeveer de helft van het aegyptische Nijldal.--2) het gebied der stad Thebae in Boeotia.
Thebe, Thebe, stad in Mysia, aan den boschrijken berg Placus en daarom hypoplakie geheeten. Andromache was hier geboren, evenals Chryseis, die buit gemaakt werd, toen Achilles de stad verwoestte. Thebe lag landinwaarts achter de golf van Adramyttium, waar men later nog den Thebanus campus, to Thebes pedion, had. Zie ook Thebae no. 1.
Theches, Theches, een der toppen van den Paryadres op de pontisch-armenische grenzen, vanwaar de 10000 Grieken onder Xenophon het eerst de zee in het gezicht kregen.
Thelepte, stad in het binnenland van Africa vetus, in Byzacium, ten Z. van Thala.
Thelpusa, Thelpousa = Telphusa.
Thelxion, Thelxion, zoon van koning Apis (z. a.).
Themis, Themis, dochter van Uranus en Gaea, bij Zeus moeder der Moerae en Horae, godin van wet en orde, die zoowel op den Olympus als in de vergaderingen der menschen recht en orde handhaaft. Zij is de verstandige raadgeefster van Zeus, zit bij hem, wanneer hij zijne besluiten neemt, en verkondigt zijn wil als orakelgevende godin, vóór Apollo was zij in het bezit van het delphische orakel. Hare beelden gelijken op die van Pallas Athena, gewoonlijk heeft zij een horen van overvloed en een weegschaal in de handen.
Themiscyra, Themiskyra, water- en grasrijke vlakte, tot het gebied der stad Amisus in Pontus behoorende, tusschen de rivieren Iris en Thermodon gelegen, en als het gebied der Amazonen beschouwd. De stad Themiscyra, aan den mond van den Thermodon, was in Augustus' tijd reeds verdwenen.
Themiso, Themison, tyran van Eretria, tijdgenoot van Demosthenes, ontnam den Atheners bij verrassing in vredestijd Oropus; later werd hij door de Thebanen aangevallen, maar door de Atheners tegen hen geholpen.
Themista, Themista, uit Lampsacus, vriendin en volgelinge van Epicurus. Leonteus no. 2.
Themistius, Themistios, van Paphlagonië, leeraar van en schrijver over rhetorica en wijsbegeerte (ongeveer 317-390 n. C.), leefde meestal te Constantinopel. Hij stond in hoog aanzien bij de keizers Constantius en Iulianus en bekleedde verscheiden hooge betrekkingen; onder Theodosius werd hij praef. urbi (384); tot zijne leerlingen behoorde ook de latere keizer Arcadius. Van zijne werken zijn 34 redevoeringen en 4 paraphrasen op Aristoteles bewaard gebleven.
Themisto, Themisto, dochter van Hypseus. Athamas nam haar tot vrouw, toen hij Ino verstooten had, toen hij echter later vernam, dat Ino nog leefde, liet hij deze terughalen. Hierover vertoornd, wilde Th. Ino's kinderen des nachts dooden en liet hen daarom in het zwart kleeden, terwijl zij haar eigen kinderen witte kleederen aantrok, doch Ino, die het plan bemerkt had, verwisselde heimelijk de kleederen, zoodat Th. in het donker haar eigen kinderen om het leven bracht; toen zij dit ontdekte, doodde zij ook zichzelve.
Themistocles, Themistokles, Athener, zoon van Neocles. In zijn jeugd weinig geacht om zijn losbandig leven en misschien ook omdat zijn moeder een vreemdelinge was, trad hij, toen hij begon zich aan staatszaken te wijden, door zijne buitengemeene begaafdheden spoedig op den voorgrond. Hij was de eerste die inzag, dat de toekomstige macht van Athene op de zee berustte, daarom werd reeds in 493 onder zijn archontaat met den aanleg van den Piraeus begonnen, en overreedde hij het volk om de opbrengst van de zilvermijnen in Laurium, die vroeger verdeeld werd, voor het bouwen eener vloot te besteden. Het verzet, dat deze maatregelen bij de meer behoudende partij vonden, moest opgegeven worden, toen Aristides in 483 door het ostracisme verbannen was. Bij de nadering van Xerxes tot strateeg gekozen, deed Th. in de eerste plaats zijn best om te zorgen, dat de verdediging door alle grieksche staten eendrachtig volgens een vast plan en vooral op zee zou gevoerd worden; de houten muur, die volgens het delphische orakel Athene tot redding zou strekken, was naar zijne verklaring de vloot. Toch werd hij gezonden om in vereeniging met een spartaansch leger de Tempepassen te bezetten, toen de Grieken zich echter wegens de ongeschiktheid van het terrein van hier teruggetrokken hadden, voegde hij zich met de atheensche schepen bij de vloot, die bij Artemisium lag. In weerwil van de verliezen, die deze vloot door een hevigen storm leed, werd hier op aanmoediging van Th. drie dagen lang tegen de Perzen slag geleverd, maar hoewel deze slag onbeslist bleef, moest men zich na de nederlaag der Spartanen bij de Thermopylae terugtrekken. Bij den terugtocht trachtte Th. nog door list de Ioniërs in het perzische leger onschadelijk te maken. Te Athene teruggekeerd, bewerkte hij nu dat de Atheners hun stad verlieten, hun vrouwen, kinderen en bezittingen naar Salamis en Troezen overbrachten, en zich op de vloot bij Salamis begaven. Toen nu Athene door de Perzen ingenomen en verbrand was, en men op aandringen der Corinthiërs en andere Peloponnesiërs op het punt stond de voordeelige positie bij Salamis op te geven om zich tot de verdediging van de Peloponnesus te beperken, maakte Th., nadat hij zich vruchteloos met alle macht tegen dit plan verzet had, de uitvoering er van door list onmogelijk. Hij liet namelijk Xerxes in het geheim verwittigen, dat de Grieken op het punt waren zich te verspreiden en dat hem daardoor de gelegenheid zou ontsnappen, hen in één slag ten onder te brengen. Hierdoor aangemoedigd, waagde Xerxes den aanval, de grieksche vloot werd omsingeld en tot tegenweer genoodzaakt en won den beroemden zeeslag bij Salamis (Sept. 480). Door nieuwe boodschappen, waarin den Grieken het plan toegedicht werd, de brug over den Hellespont af te breken, wist Th. daarop Xerxes tot een overhaasten terugtocht uit Europa te bewegen. Nadat hij nog de eilanden, die met de Perzen geheuld hadden, had getuchtigd, hield hij zich meer met binnenlandsche aangelegenheden bezig. Op zijn raad werd Athene met muren omgeven, terwijl hij door list en met levensgevaar den tegenstand der Spartanen tegen dezen maatregel verijdelde; ook werd de Piraeus vergroot en versterkt. Th. was toen op het toppunt van zijn roem, maar met het terugkeeren van rustiger tijden stak zijn tegenpartij het hoofd weder op; vooral wegens de vijandige houding, die hij tegen Sparta aannam, trachtte men hem onschadelijk te maken, hij werd beschuldigd van oneerlijkheid, knevelarij en persoonlijke eerzucht, en eindelijk bracht men het zoo ver, dat hij door het ostracismus verbannen werd. Hij ging naar Argos, maar na eenige jaren werd hij van medeplichtigheid aan de plannen van Pausanias beschuldigd, waarop hij zich te Argos niet meer veilig achtte; hij vluchtte naar Corcyra, van daar afgewezen naar Admetus, koning der Molossers, die zorgde dat hij veilig naar Pydna kwam (± 466), van waar hij naar Ephesus overstak. Hij wendde zich nu tot Artaxerxes, beriep zich op zijne diensten, aan Xerxes bewezen, en beloofde hem zijne medewerking bij de onderwerping van Griekenland; de koning overlaadde hem met gunstbewijzen en gaf hem de steden Magnesia, Lampsacus en Myus voor zijn levensonderhoud. Maar voordat van perzische zijde weder iets tegen Griekenland was ondernomen, stierf Th. (omstreeks 459), v. s. door eigen hand, omdat hij zijne beloften aan Artaxerxes niet konde of wilde vervullen. Zijn gebeente werd door zijne vrienden heimelijk naar Attica overgebracht en daar begraven.
Themistogenes, Themistogenes, van Syracuse, wordt door Xenophon genoemd als de schrijver van een werk over den krijgstocht van den jongen Cyrus en den terugtocht der 10000 Grieken. Men gelooft, dat met dit werk de Anabasis van Xenophon zelf bedoeld is, en dat de schrijver het uit bescheidenheid onder een vreemden naam aanhaalt.
Theoclymenus, Theoklymenos, van Hyperesia in Argolis, een waarzegger, die wegens een moord naar Lacedaemon vluchtte, waar hij Telemachus ontmoette. Met dezen ging hij naar Ithaca, waar hij de terugkomst van Odysseus, enz. voorspelde.
Theocritus, Theokritos, van Syracuse (v. a. van Cos), studeerde te Alexandrië en genoot wegens zijne geleerdheid en dichterlijk talent hooge gunst bij Ptolemaeus Philadelphus en bij Hiero II. Uitgaande van eenvoudige sicilische herdersliedjes, werd hij de schepper van een nieuwe dichtsoort, de bucolische poëzie of het herdersdicht, hij dichtte een aantal tafereelen (Eidyllia boukolika), meest uit het leven van sicilische herders en landlieden, waarvan ongeveer 30 bewaard gebleven zijn, die door dramatische inkleeding, natuurlijkheid en eenvoud, door het ongekunstelde van taal en metrum vol aantrekkelijkheid zijn. Th. stierf omstreeks 245, op den leeftijd van 60 jaar.
Theodectes, Theodektes, van Phaselis, leerling van Isocrates, Plato en Aristoteles, beroemd als redenaar, maar vooral als treurspeldichter. In den tragischen wedstrijd bij de lijkfeesten van Mausolus (352) behaalde hij den eersten prijs. Van zijne talrijke werken is bijna niets bewaard gebleven.
Theodericus of Theodoricus, Theoderik, 1) koning der Westgothen (418-451 na C.), die in den slag op de catalaunische velden tegen Attila sneuvelde.--2) koning der Westgothen (452-466), zoon van no. 1, een beschaafd vorst, begunstiger van kunst en wetenschap, door zijn broeder Eurik omgebracht.
Theodorus, Theodoros, 1) van Samus, zoon, leerling en medewerker van Rhoecus (z. a.), tevens beroemd goud- en zilversmid, hij maakte o. a. den ring van Polycrates.--2) van Byzantium, rhetor en sophist, tijdgenoot van Socrates.--3) van Cyrene, beroemd wiskundige, leermeester van Plato.--4) ho atheos, cyrenaisch wijsgeer, die wegens ongeloof uit Athene verbannen, naar Alexandrië bij Ptolemaeus I ging.--5) van Gadara, een rhetor, wiens lessen Tiberius gedurende zijn verblijf op Rhodus hoorde. Zijne leerlingen noemden zich naar hem Theodoreioi.
Theodosia, Theodosia, bloeiende volkplanting van Miletus in de taurische Chersonesus (Krim), thans Kaffa of Feodosia.
Theodosiopolis, Theodosioupolis, zie Resaïna.
Theodosius (Flavius), 1) Hispaniër van geboorte, werd door keizer Valentinianus I in 367 na C. naar Britannia gezonden, dat gedeeltelijk in opstand was. Hij versloeg de Britten, dreef de Schotten in hun bergland terug en herstelde den wal van Agricola of van Hadrianus. Later dempte hij nog een opstand in Africa (373), die echter opnieuw uitbarstte, waarop Theod. hem andermaal, thans met groote gestrengheid, onderdrukte. In 376 werd hij vermoord, op last van keizer Gratianus, die hem haatte.--2) Theodosius I of de Groote, rom. keizer 379-395 na C., in 346 te Cauca in Hispania geboren, zoon van no. 1. Nog jong vergezelde hij reeds zijn vader op diens tochten naar Britannia en Africa en leerde onder hem de krijgskunst. In 378 zond Gratianus hem naar Thracië tegen de Gothen en in 379 nam hij hem tot medekeizer aan. Bij herhaling versloeg Theod. de Gothen. In 380, na eene ziekte, nam Theod. in zijne residentie Thessalonica het Christendom aan. Hij kon niet verhinderen dat Gratianus in Britannia vermoord en Maximus (z. a.) tot keizer werd uitgeroepen; hij erkende dezen zelfs als medekeizer, doch toen Maximus aan Gratianus' zoontje Valentinianus II Italië wilde ontnemen (387), zond Theod. den Frank Arbogastes tegen hem af; Maximus werd verslagen en ter dood gebracht (388). Theod. stelde nu den 17-jarigen Valentinianus II tot keizer over het geheele Westen aan, begaf zich in 389 als diens voogd naar Rome, waar hij het heidendom met geweld onderdrukte, en strafte in 390 met gruwzame wreedheid den moord, te Thessalonica in een oproer op een zijner bevelhebbers gepleegd, eene daad, waarvoor bisschop Ambrosius van Milaan den keizer den toegang tot de kerk belette en waarover Theod. zelf groot berouw had. In 392 werd Valentinianus door Arbogastes vermoord en Eugenius in het W. op den troon geplaatst. Met zijne voortreffelijke veldheeren Stilicho, een Vandaal, en Gaenas, een Goth, versloeg Th. Arbogastes en Eugenius bij Aquileia (394), Eug. werd ter dood gebracht, Arb. sloeg de hand aan zichzelf. In 395 stierf Theod. te Milaan. Het rijk kwam nu aan zijne beide zonen, Arcadius en Honorius, en door den twist van beider ministers, Rufinus en Stilicho, kwam nu feitelijk een deeling van het rijk tot stand, die op den duur den ondergang van het West-Romeinsche rijk ten gevolge heeft gehad.--3) Theodosius II, zoon van Arcadius en dus een kleinzoon van no. 2, volgde in 408, slechts acht jaar oud, zijn vader op, onder regentschap van den veldheer Anthemius, die de invallen der Hunnen afweerde. De zuster van den jongen keizer, Pulcheria, eene vrome en geleerde vrouw, nam diens opvoeding ter hand, zijn zwak karakter was oorzaak, dat hij feitelijk zijn leven lang onder hare voogdij bleef. Zijne regeering werd gekenmerkt door voortdurende godsdiensttwisten, ongelukkige oorlogen met de Vandalen in Afrika, opstanden in Palaestina en Syrië en een zware brand te Constantinopel. In 438 had de plechtige afkondiging plaats van den codex Theodosianus, eene verzameling van wetten en verordeningen sedert Constantijn den Gr. De keizer huwde in 421 met Athenais, als Christin gedoopt met den naam Aelia Eudocia, z. Athenais no. 2; 's keizers dochter Eudocia werd in 437 de bruid van Valentinianus III, keizer van het W., den zoon van Constantius en Placidia. Theodosius II stierf in 450, na zich eenige jaren van te voren van zijne vrouw te hebben laten scheiden en na in zijne laatste regeeringsjaren veel last te hebben gehad van de invallen van Attila, den Hunnenvorst. Na zijn dood werd Pulcheria tot keizerin uitgeroepen, die tot 454 leefde, kloosters en kerken stichtte en haar geheele vermogen aan de armen vermaakte. In 453 huwde zij in het belang van het rijk--doch zonder de vroeger door haar afgelegde gelofte van kuischheid te schenden--met Marcianus, een Thraciër, die tot 457 regeerde, en een wakker en beleidvol man was.
Theodotus, Theodotos, 1) voerde voor Lysimachus het bevel over Sardes en gaf die stad aan Seleucus over.--2) bevelhebber eener vloot van Antigonus, verloor een zeeslag tegen Ptolemaeus I (315).--3) Aetoliër, veldheer van Ptolemaeus in den oorlog tegen Antiochus III.--4) leermeester van Ptolemaeus XI, gaf den raad Pompeius te vermoorden, moest daarom voor Caesar vluchten en viel eindelijk in handen van Brutus, die hem ter dood liet brengen (43).
Theognis, Theognis, 1) van Megara, leefde omstreeks het einde der 6de eeuw. Hij behoorde tot den rijken adel en was met hart en ziel aristocraat; bij eene democratische omwenteling verloor hij zijne goederen en werd hij uit zijn vaderland verdreven, waar hij eerst na lange jaren als balling te hebben rondgezworven terugkeerde. Hij gaf aan zijne ontevredenheid over de bestaande toestanden lucht in een aantal elegieën, waarin hij zich dikwijls met groote bitterheid over zijne tegenpartij beklaagt; wij bezitten daarvan nog een vrij groot aantal uittreksels, voor het meerendeel korte staat- en zedekundige spreuken (gnomen); vele daarvan zijn echter niet van Th., maar zijn of omgewerkt of bij latere uitgaven toegevoegd.--2) een van de triakonta te Athene, ook als treurspeldichter genoemd.
Theologeion, z. theatrum.
Theomestor, Theomestor, van Samus, streed in den slag bij Salamis aan de zijde der Perzen en werd wegens zijne dapperheid door Xerxes tot tyran over Samus aangesteld.
Theomnestus, Theomnestos, 1) van Naucratis, academisch wijsgeer, wiens lessen M. Brutus bijwoonde (43).--2) van Sardes, maakte verscheiden beroemde metalen beelden van athleten, jagers, enz. Hij leefde waarschijnlijk in den hellenistischen tijd.
Theon, Theon, 1) van Samus, verdienstelijk schilder omstreeks 300.--2) van Smyrna, wiskundige onder Hadrianus; hij schreef ook commentaren op Plato.--3) van Alexandrië, wis- en sterrenkundige onder Theodosius I, schrijver van verscheiden werken over wiskunde en eenige gedichten. Hij was de vader van Hypatia.--4) Aelius Th., van Alexandrië, platonisch wijsgeer, schrijver van verscheiden commentaren op oude schrijvers en van een nog bestaand leerboek der rhetorica, Progymnasmata. Hij leefde waarschijnlijk in de eerste eeuw n. C.
Theonoë, Theonoe, 1) = Idothea.--2) dochter van Thestor (z. a.).
Theophanes, Theophanes, van Mytilene, volgeling en raadsman van Pompeius, die hem met het rom. burgerrecht begiftigde en wiens krijgsdaden hij beschreef.
Theophrastus, Theophrastos, van Eresus, geb. 372, leerling van Plato en later van Aristoteles. Deze laatste, die hem de voorkeur gaf boven al zijne andere leerlingen, benoemde hem tot zijn opvolger, tot voogd over zijn zoon en tot erfgenaam zijner bibliotheek, ook zou hij den oorspronkelijken naam Tyrtamus in Th. veranderd hebben wegens zijn uitmuntende voordracht. Na den dood van den meester (322) stond Th. 35 jaar, door talrijke leerlingen bemind en bewonderd, aan het hoofd der peripatetische school, totdat hij in den ouderdom van 85 jaar stierf. Zonder zijne zelfstandigheid op te offeren, liet hij zijn onderwijs voornamelijk strekken tot verklaring en ontwikkeling van het stelsel zijns leermeesters. Van zijne talrijke geschriften bezitten wij nog 30 karakterschetsen (ethikoi charakteres) en eenige werken over plantkunde, mineralogie, enz. (peri phyton historias, peri aition phyton, e. a.).
Theopompus, Theopompos, 1) koning van Sparta, onder wiens regeering de eerste messenische oorlog gevoerd werd; v. s. stelde hij het ephoraat in.--2) van Chius, geb. omstreeks 380, verliet als knaap met zijn vader Damasistratus, die verbannen was, zijn vaderland, kwam te Athene, waar hij het onderwijs van Isocrates genoot, en trad in vele steden als pleitbezorger en feestredenaar op. Bij de lijkfeesten ter eere van Mausolus behaalde hij als redenaar den eersten prijs. Later wijdde hij al zijn tijd en een groot deel van zijn vermogen aan de beoefening der geschiedenis, en legde hij de vruchten van zijn onderzoek neer in twee werken (Hellenika, Philippika), die bijna geheel verloren zijn gegaan, zoodat wij niet in staat zijn te beoordeelen, of men hem met recht de hardheid van zijn oordeel over personen verwijt; wel meent men bij hem sporen te vinden van groote partijdigheid voor Alexander d. G. Door den invloed van Alex. in zijn vaderstad teruggeroepen, moest hij deze echter later weder verlaten, daar hij door zijn trotsche houding zijn staatkundige tegenstanders zoozeer verbitterde, dat hij voor de openbare rust gevaarlijk scheen (306). Hij ging naar Aegypte, waar hij echter bij Ptolemaeus geen gunstig onthaal vond. Van zijne verdere lotgevallen is niets bekend. Een onlangs in Egypte gevonden fragment van een geschiedkundig werk wordt door velen aan Th., door anderen aan Cratippus toegeschreven.--3) atheensch blijspeldichter, jonger tijdgenoot van Aristophanes.
Theoria, een gezantschap, dat uitgezonden wordt om den staat bij godsdienstige feesten te vertegenwoordigen, in zijn naam te offeren, een orakel te ondervragen, enz.
Theorikon, het entréegeld in den schouwburg te Athene, ten bedrage van 2 obolen (diobelia) per persoon. Voor de arme burgers betaalde de staat sedert Pericles dit geld, ten minste bij de Dionysusfeesten, later maakten ook rijkere aanspraak er op en werd het ook op andere feesten gegeven, zoodat het theorikon een zeer drukkende last voor den staat werd; ten slotte werden alle overschotten van den gewonen dienst in de kas van het theor. gestort. Eerst kort voor den slag bij Chaeronea, toen door geldgebrek de verdedigingsmiddelen geheel verwaarloosd waren, gelukte het Demosthenes het volk te bewegen dit geld liever voor oorlogstoerustingen te bestemmen.
Thera, Thera, vroeger Calliste geheeten, thans Santorin, een der Sporaden, ten Z. van Naxus gelegen. Met Therasia vormt het als het ware den wand van een ontzaggelijk kratermeer, dat met de zee in verbinding staat. In voorhistorischen tijd is de krater tot uitbarsting gekomen, en daarna ingezakt. In historische tijden zijn er in dit bekken uitbarstingen geweest in 197/6 v. C. en in 46/47 n. C., misschien ook in 66 v. C. In 197 of in 66 is het kleine eilandje Hiera, in 46 n. C. is Thia uit zee opgerezen. Cyrene in Afrika was eene kolonie van Thera (631).
Theramenes, Theramenes, van Athene, Chius of Ceos, zoon of aangenomen zoon van den Athener Hagnon, een beschaafd en welsprekend, maar hebzuchtig en karakterloos man, was een van hen, die in 411 bij de invoering van de regeering der 400, waartoe hij ook zelf behoorde, den meesten ijver betoonden. Door deze regeering in zijne verwachtingen teleurgesteld en waarschijnlijk ook wel inziende, dat zij niet lang zou kunnen blijven bestaan, stelde hij zich aan het hoofd der democraten om haar omver te werpen; door deze verandering van partij haalde hij zich den spotnaam cothurnus (z. a.) op den hals. Gedurende eenigen tijd behoorde hij nu tot de gematigde volkspartij en verwierf hij grooten invloed; na den slag bij de Arginusen was hij het voornamelijk, die bewerkte dat de strategen ter dood veroordeeld werden, omdat zij verzuimd hadden de in dien slag verongelukten uit zee op te visschen, ofschoon hij wellicht aan dit verzuim meer schuld had dan zij. Toen Athene na den slag bij Aegospotami door Lysander belegerd werd, wist Ther. door schoone beloften te verkrijgen, dat hij afgevaardigd werd om over den vrede te onderhandelen, hij bleef echter opzettelijk zoo lang weg, dat de belegerden zich eindelijk door honger genoodzaakt zagen alles toe te geven. Daarna werd hij een van de 30, doch toen hij zich tegen de gewelddadige handelingen zijner ambtgenooten verzette, en men vreesde, dat hij dezelfde rol als vroeger zoude spelen, beschuldigde Critias hem van hoogverraad, en toen deze bemerkte, dat de verdediging van Th. op den raad indruk maakte, liet hij hem met geweld naar de gevangenis sleepen en ter dood brengen. Als slachtoffer van de 30 en door de vastberadenheid, waarmede hij den giftbeker dronk, heeft hij na zijn dood een populariteit verworven, die hij door zijn leven niet verdiend had.
Therapnae en -ne, Therapnai, -ne, 1) stadje in Boeotia aan den weg van Thebae naar de rivier Asopus en naar Attica.--2) stadje niet ver ten O. van Sparta, met de graven van Menelaus en Helena en een tempel der Dioscuren, die v. s. daar geboren zouden zijn.
Theras, Theras, afstammeling van Polynices, wiens vader koning van Thebe geweest was, maar op bevel van een orakel naar Lacedaemon was verhuisd. Hij bracht eene volkplanting van Lacedaemoniërs en Minyers naar het eiland Calliste, dat sedert dien tijd Thera genoemd werd.
Therasia, Therasia, zie Thera.
Theres, Theres = Pheres.
Therma, ta Therma, 1) grieksche stad in Macedonia, aan de golf van Therma, den sinus Thermaicus, ten W. van Chalcidice. Op de plaats van dit Therma stichtte Cassander omstreeks 315 eene nieuwe stad, die hij naar zijne gemalin Thessalonica noemde, eene sterke vesting met goede haven, thans Saloniki. Dit werd eene bloeiende handelsplaats, vooral onder de Rom., door hare ligging aan de via Egnatia. Zij werd in 168 de hoofdstad van een der vier distrikten, waarin toen Macedonia gesplitst werd, later werd zij hoofdst. der prov. en is zelfs wel keizerlijke residentie geweest.--2) warme bron bij Lechaeum in Corinthia.--3) = Thermum.
Thermae, Thermai, stad aan de Noordkust van Sicilia, bevolkt met de overgebleven inwoners van het door de Carthagers verwoeste Himera (z. a.). De naam Thermae komt van de warme bronnen, die de stad tot eene zeer gezochte badplaats maakten.
Thermae. Onder dezen naam verstond men warme bronnen met de daardoor gevoede badhuizen, vervolgens ook elk badhuis, waar men nevens koude baden ook warme kon nemen. In zoover is thermae dus synoniem met balneae (zie balneum). Sedert het tijdperk van Augustus evenwel wordt thermae meer in het bijzonder gebezigd van de prachtige badinrichtingen der Rom., die volgens het model van een grieksch gymnasium (z. a.) waren aangelegd, doch op veel grooter schaal, en waar men nevens allerlei soort van baden ook conversatiezalen, zalen voor voorlezingen, bibliotheken, gelegenheid tot balspel en gymnastische oefeningen, wandelparken, gaanderijen, enz., aantrof. Van drie zoodanige gebouwen zijn te Rome nog belangrijke overblijfselen aanwezig, n.l. van dat van Titus op den Esquilijnschen berg, van dat van Diocletianus op den Quirinalis, waarvan ééne enkele zaal door Michel Angelo in eene ruime kerk werd herschapen, en van de thermae Antoninianae van Caracalla. In deze laatste vond men o. a. eene rotonde van 50 meter doorsnede, gedekt met eene flauw gewelfde zoldering, een meesterstuk van bouwkunst. Daarachter volgden twee zalen, elk van 56 M. lang en 22 M. breed, aan welker uiteinden weder kleinere zaaltjes waren, door kolonnades van de groote gescheiden. De bijgevoegde teekening geeft een gezicht op de groote middenzaal, zooals deze er vermoedelijk heeft uitgezien. De hier genoemde ruimten vormden slechts het middengedeelte, ter weerszijden strekten zich nog kolossale vleugels uit.
Thermaicus sinus, zie Therma no. 1.
Thermessa = Hiera no. 1.
Thermodon, Thermodon, 1) beek in Boeotia, die bij Tanagra in den Asopus uitliep.--2) rivier in het W. van Pontus, kort van loop, doch breed, aan welker oevers de Amazonen zouden gewoond hebben; zie Themiscyra.
Thermopylae, Thermopylai, een enge bergpas, de toegangsweg van Thessalia naar Locris en het oostelijk Hellas. Op sommige plaatsen was hij zoo smal, dat twee wagens elkander niet konden passeeren. Voor een gedeelte liep hij tusschen de uitloopers van het Oetagebergte en een moeras aan den binnensten hoek der Malische golf, terwijl hij door den Spercheus en nog een paar kleinere stroompjes werd doorsneden. Waar de pas naar de zijde van Anthela breeder werd, stonden de tempels van Demeter en van Amphictyon. In dezen pas sneuvelde in 480 Leonidas met zijne getrouwen. Door de aanslibbing der kust en den geheel veranderden loop van den Spercheus is de pas aanmerkelijk van gedaante veranderd.
Thermum, Thermon, ook ta Therma, sterke en fraaie hoofdstad van Aetolia ten tijde van het aetolisch verbond, door Philippus III (V) van Macedonië verwoest (218 en 206).
Thermus, familienaam in de gens Minucia (Minucii no. 6-8).
Theron, Theron, tyran van Agrigentum, 487-472, wordt geprezen als een zacht en wijs vorst, en versloeg met Gelo de Carthagers bij Himera, 480.
Thersander, Thersandros, zoon van Polynices en Argea, een der Epigonen, kreeg de regeering over Thebe. Later trok hij met de Grieken naar Troje, hij sneuvelde echter bij den inval in Mysië door de hand van Telephus. V. a. was hij een van hen, die met het houten paard in de stad gekomen waren. Te Elaea in Mysië werd hij als heros vereerd en het geslacht der Emmeniden te Agrigentum beweerde van hem af te stammen.
Thersites, Thersites, de leelijkste van alle Grieken voor Troje, die er een boosaardig genoegen in vond de aanvoerders te beschimpen, waarom hij algemeen gehaat was. Achilles doodde hem, toen hij aan het lijk van Penthesilea de oogen wilde uitsteken.
Theseidae, Theseidai, afstammelingen van Theseus, bij dichters = Atheners.
Theseus, Theseus, de nationale held der Atheners, wiens lotgevallen in menig opzicht op die van Heracles gelijken, hoewel hij niet zoo grooten roem verwierf als deze. Hij was de zoon van Aegeus en Aethra en was te Troezen geboren en opgevoed. Toen Aegeus hem als kind daar achterliet, verborg hij zijn zwaard en sandalen onder een grooten steen en droeg hij aan Aethra op hun zoon met deze herkenningsteekenen naar Athene te zenden, wanneer hij sterk genoeg was om den steen te verplaatsen. Op zestienjarigen leeftijd was hij hiertoe in staat en terstond ondernam hij de reis naar zijn vader. Op weg doodde hij Periphetes, Sinis, Sciron, Cercyon en Procrustes (z. deze art.), verder nog het wilde zwijn van Crommyon, een reusachtig dier, dat de grenzen van Megaris en Attica onveilig maakte. Eindelijk kwam hij bij Aegeus en bijna had hij hier door de lagen van Medea, die zijn invloed vreesde, den dood gevonden; toen hij echter zijn zwaard trok, herkende zijn vader hem en Medea moest vluchten. Th. bezorgde zijn vader de regeering terug, die hem door zijne neven, de Pallantiden, ontnomen was, daarna doodde hij den stier van Marathon (z. Heracles bl. 307), dien hij aan Apollo offerde. Hij liet zich vrijwillig opnemen onder de 14 jongelieden, die als offer voor den Minotaurus naar Creta gezonden moesten worden, en door de hulp van Ariadne (z. a.), die liefde voor hem opvatte en hem een kluwen touw verschafte, waardoor hij een uitweg uit het labyrinth kon vinden, doodde hij het monster, waarmede Athene van de schatplichtigheid aan Creta bevrijd werd. Door een misverstand benam Aegeus (z. a.) zich het leven, toen het schip van Creta terugkwam, en Th. volgde hem op. Hij bewerkte de vereeniging van de verschillende gemeenten van Attica tot één staat met Athene als hoofdstad (synoikismos) en stelde ter herinnering aan dit feit de Panathenaea in; ook wordt hem de verdeeling van het volk in 3 phylae (z. phyle) toegeschreven. Vervolgens vergezelde hij Heracles op diens tocht tegen de Amazonen (z. a.) en ontvoerde hij Antiope (z. a.) of Hippolyte, die bij hem moeder werd van Hippolytus, na haar dood huwde hij met Phaedra (z.a.), bij wie hij twee zonen kreeg, Acamas en Demophon. Hij nam ook deel aan de calydonische jacht en den Argonautentocht, verleende een schuilplaats aan Oedipus, toen deze uit Thebe verjaagd was, en dwong de Thebanen de gesneuvelde medestrijders van Adrastus op eervolle wijze te laten begraven. Zijn vriend Pirithous stond hij bij in den strijd tegen de Centauren en door zijne dapperheid verschafte hij hem de overwinning. Met behulp van Pirithous schaakte hij Helena (z.a.), toen hij echter wederkeerig zijn vriend zoude helpen bij de ontvoering van Persephone en daartoe met hem in de onderwereld afgedaald was, liet Hades beiden vastgroeien aan een rots, waarop zij zich vermoeid nedergezet hadden. Wel werd Th. kort daarna door Heracles bevrijd, maar in zijne afwezigheid was Helena met Aethra door de Dioscuren ontvoerd, en had Menestheus zich van de regeering meester gemaakt, terwijl het volk, ontevreden over het lot van Hippolytus (z. a.) en over zijne lange afwezigheid, hem niet weder wilde erkennen. Verbitterd verliet hij Athene en ging hij naar Scyrus, waar hij door koning Lycomedes verraderlijk vermoord werd. Hij werd te Athene als heros vereerd, zijn gebeente werd op bevel van het delphische orakel door Cimon naar Athene teruggehaald (465) en een prachtige tempel werd te zijner eer opgericht. De achtste dag van iedere maand was hem gewijd, zijn voornaamste feest, de Theseia, viel op den 8sten Pyanepsion.
Thesmia, Thesmophoros, bijnamen van Demeter, die door invoering van den akkerbouw de menschen tot zachtere zeden en een geregeld leven onder vaste wetten gebracht had.
Thesmophoria, Thesmophoria, feest ter eere van Demeter Thesmophoros en hare dochter in vele deelen van Griekenland met groote plechtigheid gevierd, vooral te Athene, in Arcadië en Argolis, op Sicilië e. e. Te Athene begon het den 9den of 10den Pyanepsion en duurde het vijf dagen; het werd uitsluitend door gehuwde vrouwen gevierd, terwijl het aan mannen ten strengste verboden was er bij tegenwoordig te zijn.
Thesmothetai, z. Archontes.
Thespiades, Thespiades, 1) de Muzen, zoo genoemd naar Thespiae, waar zij hooge vereering genoten.--2) de dochters van Thespius.
Thespiae, Thespiai, bij Homerus Thespeia, oude aanzienlijke stad in Boeotia aan den voet van den Helicon, door Xerxes verbrand (480), doch na den slag bij Plataeae herbouwd. Eros, die hier zou geboren zijn, had hier een tempel met een standbeeld, door Praxiteles gebeiteld. In 374 sloopten de Spartanen de muren van Thespiae, waarna het een plaats van minderen rang werd.
Thespis, Thespis, Athener, tijdgenoot van Solon en Pisistratus, de eerste die bij de Dionysusfeesten de dithyrambische koorliederen door gesprekken tusschen het koor en een tooneelspeler liet afwisselen en daardoor de grondlegger werd van het treurspel. In 534 voerde hij het eerst te Athene een treurspel op. Hijzelf was zoowel dichter als tooneelspeler, v. s. trad hij reeds geblanket, later gemaskerd, op.
Thespites = Thospites.
Thespius, Thespios, zoon van Erechtheus, mythisch stichter van Thespiae, vader van 50 dochters, bij welke Heracles 50 zonen verwekte, waarvan later 40 naar Sardinië gezonden werden om er een volkplanting te stichten.
Thesproti, Thesprotoi, een van de hoofdstammen van Epirus, die eerst het geheele zuidelijke deel bewoonden en in wier gebied het orakel van Dodona lag. Zij woonden meest in open vlekken en dorpen en waren ten tijde van Homerus nog het eenige hoofdvolk van Epirus. De Molossers, die later in Epirus kwamen, verdrongen de Thesprotiërs uit het binnenland, zoodat dezen slechts de kuststreek behielden, welke naar hen Thesprotia heet.
Thessalia, Thessalia, vroeger ook Hellas, Aeolis, Haemonia, Pelasgia, Pyrrhaea (naar de vrouw van Deucalion) geheeten, lag tusschen Macedonia, Epirus, Midden-Griekenland en de zee. Het was een land vol schilderachtige natuurtafereelen, zeer geschikt voor veeteelt en paardenfokkerij, vruchtbaar aan olie en wijn, aan geneeskrachtige, maar ook aan vergiftige planten en aan tooverkruiden. Als oudste bewoners komen o. a. Pelasgen (z. a.) voor, in de vlakte van Larisa of Larissa, ook Pelasgikon Argos geheeten, verder worden als oudste stammen genoemd Myrmidones, Hellenes, Achaei in Phthiotis, Magnetes in Magnesia. Tijdens de volksverhuizing zijn uit Illyria de Thessali, Thessaloi, in de vlakte van den Peneus en zijn bijrivieren ingedrongen, en hebben langzamerhand de oorspronkelijke bevolking onderworpen en tot een soort van heloten onder den naam Penestae, Penestai, gemaakt. Later zijn ook de bergstammen, de Perrhaebi, Magnetes en Achaei onderworpen, en soms zijn ook de Dolopes, Aenianes en Malii van hen afhankelijk. Thessalia bestond uit de volgende landschappen: 1) Hestiaeotis met Perrhaebia, 2) Pelasgiotis, 3) Magnesia, 4) Thessaliotis, 5) Phthiotis. Het was in verschillende staatjes verdeeld, die samen een bond vormden. Aan het hoofd van dezen bond stond in tijden van oorlog soms een legeraanvoerder, die koninklijke macht had, tagos of basileus geheeten. De adel, geharnast en op geharnaste paarden gezeten, vormde eene zware ruiterij; het voetvolk, licht gewapend, bestond uit Penesten. Nu en dan stonden enkele streken, o. a. het gebied van Pherae, onder tyrannen, doch de thessalische adel, wiens liefhebberij in ridderspelen en strooptochten gelegen was, was te bandeloos en wispelturig, om een monarchalen regeeringsvorm op den duur mogelijk te maken. In Thessalia behooren de mythen te huis van Deucalion en Pyrrha en van de Centauren.
Thessaliotis, Thessaliotis, landschap van Thessalia, ten N. van de Dolopes en van Phthiotis, vroeger Aeolis geheeten.
Thessalonica, Thessalonike, zie Therma no. 1.
Thestiades, Thestiades, Iphicles en Meleager, zoon en kleinzoon van Thestius.
Thestias, Thestias, Leda en Althaea, dochters van Thestius.
Thestius, Thestios, zoon van Ares of Agenor en Demonice of Andronice, koning van Aetolië, vader van Iphicles, Leda, Althaea e. a.
Thestor, Thestor, zoon van Idmon en Laothoë, vader van Calchas, Leucippe en Theonoë. Deze laatste wordt nog zeer jong zijnde door zeeroovers weggevoerd en verkocht aan den carischen koning Icarus, wiens liefde zij wint. Th. gaat op reis om haar te zoeken, maar valt ook in de handen van zeeroovers en wordt eveneens aan Icarus verkocht; deze geeft hem als slaaf aan Theonoë, die hem niet herkent. Eindelijk gaat ook Leucippe op bevel van een orakel in manskleederen naar Carië, Theonoë wordt op haar verliefd en daar hare liefde onbeantwoord blijft, geeft zij aan Th. bevel den vreemdeling te dooden. Als deze nu in zijn droefheid hierover zijn lot bejammert, herkennen vader en dochter elkander door sommige uitdrukkingen, waarop Icarus alle drie naar hun vaderland terugzendt, na hen met rijke geschenken begiftigd te hebben.
Thestorides, Thestorides, Calchas, zoon van Thestor.
Thetes, atheensche burgers van de laagste klasse volgens de verdeeling van Solon, zij die jaarlijks minder dan 150 medimnen of metreten van hun grond oogstten. Vóór Aristides konden zij geen overheidsambten bekleeden en dienden zij alleen als lichtgewapenden of op de vloot, en ook nog veel later kon niet licht iemand uit deze klasse archont worden.
Thetis, Thetis, eene Nereïde, die door Zeus en Poseidon bemind werd; daar echter Prometheus voorspeld had, dat zij een zoon zoude ter wereld brengen, die grooter zou worden dan zijn vader, gaven zij haar tegen haar wil ten huwelijk aan Peleus (z. a.), bij wien zij moeder werd van Achilles. Zij verleende in de onderzeesche woning van haar vader een schuilplaats aan Dionysus, toen hij door Lycurgus vervolgd werd, en aan Hephaestus, toen hij door Zeus uit den hemel geworpen was. Ook verijdelde zij eens een samenzwering, door Hera, Poseidon en Athena tegen Zeus gesmeed (z. Aegaeon). Op hare smeekingen liet Zeus, toen Achilles door Agamemnon beleedigd was, de Grieken voor Troje tot den hoogsten nood komen, totdat aan Achilles eene schitterende voldoening gegeven was.
Thettai, z. epikleros.
Theudoria, stad der Athamanes in het Z.O. van Epirus.
Theveste, stad in het binnenland van de provincie Numidia of Africa nova, aan de grens van Byzacium, in den keizertijd tot bloei gekomen.
Thia, 1) = Thea.--2) eilandje in de zee tusschen Thera en Therasia, ontstaan door een uitbarsting in het jaar 46 n. C.
Thiasus, thiasos, z. Dionysus. Verder noemde men zoo alle vereenigingen, die gemeenschappelijke offers of andere godsdienstige plechtigheden verrichtten, ook deze plechtigheden zelve.
Thi(m)bron, Thi(m)bron, 1) spartaansch veldheer, werd in 399 met een leger naar Klein-Azië gezonden om de grieksche steden tegen Tissaphernes te verdedigen. Wel behaalde hij eenige voordeelen, maar daar hij de tucht in zijn leger niet wist te handhaven, werd hij spoedig door Dercylidas vervangen. In 391 voerde hij weder het bevel over een leger in Azië en sneuvelde hij in een gevecht tegen den perzischen generaal Struthas.--2) Spartaan, die Harpalus vermoordde, zich aan het hoofd stelde van de door dezen geworven huurtroepen en daarmede Cyrene veroverde, maar door aegyptische troepen onder Ophellas verslagen en ten slotte gekruisigd werd (322).
Thinae, Thinai, aanzienlijke handelsplaats in het tegenw. China, waarschijnlijk in het N., in het land der Seres.
Thisbe, Thisbe, z. Pyramus.
Thisbe, Thisbe, oude stad van Boeotia, ten Z. van den Helicon, dicht bij de kust der Corinthische golf. Bij Homerus heet het polytreron naar de massa wilde duiven, die tusschen de rotsen nestelden.
Thmuis, Thmouis, gen. -eos, stad in de Nijldelta tusschen den Mendesischen en den Phatnitischen arm.
Thoana = Dana.
Thoantea, bijnaam van de taurische Artemis, naar Thoas, koning van Tauris.
Thoantias, Thoantias, Hypsipyle, dochter van Thoas.
Thoas, Thoas, 1) zoon van Borysthenes, koning van Tauris, onder wiens regeering Iphigenia priesteres van Artemis was.--2) koning van Lemnus, vader van Hypsipyle. Toen alle mannen van Lemnus door de vrouwen van dat eiland gedood werden (z. Hypsipyle), werd hij alleen door zijn dochter gered en verborgen gehouden; later werd hij echter gevonden en ter dood gebracht. V. a. ontkwam hij naar Tauris of Oenoë.--3) zoon van Iason en Hipsipyle.
Tholos, koepelvormig gebouw, te Athene een gebouw met koepeldak, waar de prytanen hunne zittingen en maaltijden hadden.
Thonis, Thon, Thonis, Thon, koning van Aegypte, bij wien Menelaus op zijn terugreis van Troje gastvrij ontvangen werd.
Thoon, Thoon, een Gigant, die bij de Gigantomachie door de Moerae gedood werd.
Thoosa, Thoosa, dochter van Phorcys en Ceto, bij Poseidon moeder van Polyphemus.
Thorax, Thorax, 1) bergrug in Messenië.--2) berg in Lydia.
Thoria (lex), zie agrariae leges.
Thoricus, Thorikos, attische demus aan de Oostkust van Attica's Zuidspits, een weinig ten N. van kaap Sunium.
Thospites, Thespites (lacus), ook Arsissa genoemd, groot meer in Armenia Maior, tgw. meer van Wan.
Thracia, Thrake, Threikie, het land ten N. der Aegaeïsche zee en der Propontis tot aan den Pontus Euxinus, met grieksche volkplantingen bezet, overigens door krijgshaftige en roofzieke, eeuwig twistende, aan dronkenschap verslaafde, doch niet onbeschaafde stammen bewoond. Ten gevolge van hunne verdeeldheden werden zij gemakkelijk door de Perzen onderworpen. Na de nederlagen der Perzen in Griekenland gelukte het aan een thracisch vorst, Sitalces, zijn volk, de Odrysen (z. a.), tot het heerschende te maken en een thracisch rijk te stichten (zie Sitalces en Seuthes). Onder Philippus en Alex. den Gr. lijfde Macedonia het eene stuk van Thracia na het andere in, doch na den dood van Lysimachus ging de macedonische overheersching allengs te gronde en werd Thracië weder een tooneel van verwarring, totdat het land voor en na onder de Rom. kwam. De Rom. gaven aan de streek tusschen den Donau en den Haemus den naam van Moesia (z. a.). De voornaamste volken van Thracia waren de Cicones aan de Zuidkust, de Odrysae aan den Hebrus, de Bessi in het Haemusgebergte. In Thracia behoort de mythe van Orpheus te huis.
Thracium, Thrakion, een plein in Byzantium.
Thrasea Paetus (P. Clodius), senator onder de regeering van Nero, gevoelde een diepen afkeer van den keizer en onttrok zich sedert 63 n. C. op in het oog loopende wijze aan alle staatszaken, feestmalen en openbare samenkomsten. Zelfs het theater meed hij. Zijne vijanden maakten hem bij den keizer verdacht en hij werd door den senaat veroordeeld. Men liet hem de keus van zijn dood, waarop hij zich de aderen liet openen en met stoicijnsche kalmte stierf (66), naar het voorbeeld van Cato van Utica, op wien hij vroeger eene lofrede had geschreven. Zijne vrouw Arria was eene dochter der heldhaftige Arria, die met Caecina Paetus gehuwd was.
Thraso, Thrason, 1) Athener, die de thebaansche vluchtelingen bijstond bij het verdrijven van de Spartanen uit de Cadmea.--2) beroemd beeldgieter ten tijde van Alexander d. G.--3) in de nieuwe comedie komt geregeld de rol voor van een snoevend soldaat, die den naam Th. (Durfal) draagt.
Thrasybulus, Thrasyboulos, 1) tyran van Miletus, vriend van Periander van Corinthe. Hij werd 11 jaar lang door Sadyattes en Alyattes beoorloogd, maar wist laatstgenoemde door list tot vrede te bewegen.--2) tyran van Syracuse, opvolger van Hiero, werd binnen het jaar van de regeering ontzet (466) en stierf als balling bij de Locriërs.--3) z. Phrynichus no. 4.--4) Athener uit den demus Stiria (ho Steirieus), zoon van Lycon, was in 411 een van de bevelhebbers der atheensche vloot op Samus en verzette zich met zijn ambtgenoot Thrasyllus hevig tegen het instellen van de oligarchie der 400. In de volgende jaren streed hij met roem, vooral in den slag bij Cynossema, ook was hij als triërarch bij den slag bij de Arginusen. Hoewel hij met Theramenes de opdracht kreeg om de verongelukten in dien slag op te visschen, schijnt hij in het daarover gevoerde proces niet betrokken geweest te zijn. Als hoofd der democratische partij werd hij onder de 30 verbannen, hij ging naar Thebe, doch keerde weldra met een zeventigtal aanhangers terug en bezette bij verrassing de vesting Phyle. Na eenige gelukkige gevechten tegen de partij van de 30 nam het aantal zijner strijders dagelijks toe, en weldra zag hij zich in staat den Piraeus te nemen. Toen de 30 ook hier een slag tegen hem verloren hadden, zonden zij naar Sparta om hulp, maar door toedoen van koning Pausanias (z. a. no. 2) werd vrede gesloten en de democratie hersteld. Th. trok met de zijnen Athene binnen en bewerkte eene verzoening tusschen de partijen, terwijl hij eene amnestie liet bezweren. In den corinthischen oorlog met een vloot naar de Aegaeische zee gezonden, herstelde hij den atheenschen invloed te Byzantium, op Thasus, Lesbus, enz.; toen zijne soldaten zich te Aspendus aan gewelddadige handelingen hadden schuldig gemaakt, overvielen de inwoners dier stad des nachts zijn kamp en ontstond er een gevecht, waarbij Th. gedood werd (389). Dat hij zich gedurende zijn laatsten veldtocht aan verduistering van gelden en onderdrukking der bondgenooten zou schuldig gemaakt hebben, zooals na zijn dood gezegd werd, is niet bewezen.--5) Athener uit den demus Collytus (ho Kollyteus), nam met den vorigen deel aan de bevrijding van Athene. In 388 viel hij met acht schepen in handen van Antalcidas. Na den vrede van Antalcidas is hij een van de leidende personen in den staat, en aan zijne gematigde politiek is voor een deel het tot stand komen van den tweeden attischen zeebond te danken.
Thrasydaeus, Thrasydaios, 1) zoon van Theron en diens opvolger als tyran van Agrigentum, na een korte regeering om zijne wreedheid verdreven (473). Z. Hiero no. 1.--2) Eleër, aanvoerder der democratische partij tijdens den oorlog tusschen Sparta en Elis (400).
Thrasyllus, Thrasyllos, 1) bevelhebber der atheensche vloot in 411, verzette zich evenals Thrasybulus tegen de regeering der 400 en behaalde met dezen de overwinning bij Cynossema. Ook in de volgende jaren onderscheidde hij zich en na het vertrek van Alcibiades kwam hij weder aan het hoofd van de vloot; na den slag bij de Arginusen werd hij met zijne ambtgenooten ter dood veroordeeld.--2) van Rhodus, astroloog, die te Rome woonde en Tiberius zijne kunst leerde, doch later in ongenade viel.
Thrasymachus, Thrasymachos, 1) van Chalcedon, kwam in 430 naar Athene, waar hij zich op wijsbegeerte en rhetorica toelegde. Als redenaar wordt hij geroemd. Plato laat hem de stelling verdedigen, dat wat voor de machthebbenden voordeelig is, recht genoemd wordt.--2) van Corinthe, leermeester van Stilpo.
Thrasymedes, Thrasymedes, zoon van Nestor en Anaxibia, die met zijn vader naar Troje trok en behouden terugkeerde.
Threnodoi, personen, die zich verhuurden om bij begrafenissen of lijkfeesten klaagliederen (Threnoi) te zingen of ze met de fluit te begeleiden.
Thria, Thria, vlek in Attica, nabij Eleusis. De omtrek werd de thriasische vlakte genoemd, Thriasion pedion.
Thriae, Thriai, gevleugelde jonkvrouwen, die op den Parnassus woonden en de gave der voorspelling hadden, waarin zij ook Hermes onderrichtten.
Thrinacia, Thrinakia, mythisch eiland, door de latere Grieken voor Sicilië gehouden en gelijk gesteld met Trinacria, Trinakria; z. Helius en Odysseus.
Thronium, Thronion, hoofdstad der epicnemidische Locriërs aan het riviertje Boagrius. In den heiligen oorlog werd het door de huurtroepen der Phocensers onder Onomarchus geplunderd en verwoest, doch later herbouwd.
Thryoessa, Thryoessa = Thryum.
Thryum, Thryon, stad in Elis aan den Alpheus, het latere Epitalium.
Thucydides, Thoukydides, 1) Athener uit den demus Alopece, zoon van Milesias, na den dood van Cimon hoofd der aristocratische partij, moest het onderspit delven voor Pericles en werd in 442 door het ostracisme verbannen.--2) Athener uit den demus Halimus, zoon van Olorus, van thracische afkomst, was in 423 bevelhebber eener vloot aan de kusten van Thracië en Macedonië; daar hij Amphipolis niet tijdig tegen Brasidas beschermd had, werd hij van verraad beschuldigd, en om zich aan het vonnis te onttrekken, ging hij in ballingschap. Hij leefde nu ongeveer 20 jaren als balling te Scapte Hyle, waar hij rijke goudmijnen bezat, en deed reizen naar Sicilië, Italië en Macedonië; eerst bij het einde van den peloponnesischen oorlog werd hij naar Athene teruggeroepen, doch weinige jaren later stierf hij. Gedurende en na zijne ballingschap hield hij zich bezig met het verzamelen van bouwstoffen voor en het schrijven van zijne beroemde geschiedenis van den peloponnesischen oorlog, welk werk hij echter bij zijn dood slechts tot den slag bij Cynossema (411) afgewerkt had. Th. is de eerste geschiedschrijver, die door hem zelf beleefde gebeurtenissen beschreef, en kan als de eerste attische prozaschrijver van beteekenis beschouwd worden. Zijn diep inzicht in den samenhang en de oorzaken der gebeurtenissen, zijne soms als redevoeringen of brieven ingekleede fijne en juiste schetsen van toestanden, zijn waarheidsliefde en streven naar onpartijdigheid, zijn kernachtige en gedrongen, soms harde en duistere, taal en stijl, als het ware een spiegel van den ernst, waarmede hij zijn taak opvatte, maken zijne geschiedenis (xyngraphe) tot een meesterwerk van den eersten rang, zooals het dan ook te allen tijde door ouderen en nieuweren beoordeeld is.
Thule, Thoule, een eil. ergens in het hooge Noorden, door den massilischen zeevaarder Pytheas ontdekt en door de ouden voor het noordelijkste bekende land der aarde gehouden (ultima Thule). Waarschijnlijk is het één der Shetlands-eilanden (Unst of Mainland).
Thumelicus, Thoumelikos, zoon van Arminius en Thusnelda, zie Arminius.
Thyoskoos, waarschijnlijk een priester, die niet aan een bepaald heiligdom verbonden is, maar aan particulieren bij familieoffers, lijkoffers en dgl. zijn bijstand verleent.
Thurii, Thourisi. Na de verwoesting van Sybaris (z. a.) in 510 door de Crotoniaten schijnt de overgebleven bevolking verstrooid te zijn geraakt, tot zij in 443 in vereeniging met eene door Pericles uitgezonden atheensche volkplanting, waarbij zich ook de geschiedschrijver Herodotus bevond, een paar uren landwaarts in eene nieuwe stad Thurii stichtten, die bestemd scheen om een steunpunt voor atheenschen invloed en atheensche handelsbetrekkingen in Italië en op Sicilië te worden, en die onder de wetgeving van den beroemden Charondas alras tot bloei kwam (zie echter Sybaris aan het slot). De stad bleef Athene niet trouw; alleen in 413 kwam ze Athene tegen Syracuse te hulp; kort daarna streed ze weer tegen Athene. In de 4de eeuw was Thurii een bolwerk tegen de voortdringende Lucani en Bruttii, tot het in 282 onder romeinsche bescherming kwam. Hannibal plunderde de stad in 204 en bracht een deel der bevolking naar Croton over. In 193 zonden de Rom. er eene kolonie heen en gaven aan de plaats den naam Copia, die echter spoedig weder in onbruik geraakte. Later werd Thurii een municipium. Omtrent den ondergang van Thurii zijn geene bijzonderheden bekend.
Thusnelda, Thousnelda, dochter van Segestes, en vrouw van Arminius, (z. a.).
Thyades, Thy(i)ades = Bacchae.
Thyamia, Thyamia, sterke vesting op de grenzen van Sicyonia en Phliasia, een twistappel tusschen Sicyon en Phlius.
Thyamis, Thyamis, rivier in Epirus, ontspringt in het N. des lands, vormt later de grensscheiding tusschen de distrikten Cestrina (v. a. Chaonia) en Thesprotia en valt tegenover het eiland Corcyra (Corfu) in zee.
Thyamus, Thyamos, berg in Acarnania, loopt van den Z.O. hoek der Ambracische golf naar den Achelous.
Thyatira, ta Thyateira, aanzienlijke stad aan den Phrygius in Lydia, ten N.W. van Sardes, met beroemde purperververijen. Hier ontstond eene der eerste christengemeenten.
Thybris, dichterlijk = Tiberis.
Thyella, Thyella, eene van de Harpyieën.
Thyestes, Thyestes, z. Atreus en Agamemnon.
Thyia, Thuia, dochter van Castalius of Cephissus, bij Apollo moeder van Delphus. Zij was de eerste, die de orgia ter eere van Dionysus invoerde; de Thyades zijn naar haar genoemd.
Thymbra, Thymbra, oude stad van Troas, aan het riviertje Thymbrius, een zijtakje van den Scamander. Hier stond een tempel van Apollo Thymbraeus.
Thymbrara, ta Thymbrara, stad en landstreek aan den Pactolus in Lydia, de verzamelplaats der aan Perzië schatplichtige volken van Voor-Azië. De ligging is niet juist bekend.
Thymbris, Thymbris, 1) = Tiberis.--2) bron en riviertje op Sicilia.--3) zijrivier van den Sangarius.
Thymbrium, Thymbrion, stadje in Phrygia naar den kant van Lycaonia, met de bron van Midas, die de koning met wijn had laten vermengen, om een Satyr te vangen.
Thymbrius, Thymbrios, zie Thymbra.
Thymele, thymele, oorspronkelijk het altaar van Dionysus, dat in het attische theater in het midden van de orchestra stond, later de orchestra zelve, waarnaar de personen, wier plaats in de orchestra was, thymelici genoemd werden.--In de rom. schouwburgen, die geen orchestra hadden, noemde men thymele de plaats, waar de muzikanten stonden. Later werd ook het tooneel zelf zoo genoemd, en kregen allen, die bij de voorstelling medewerkten, den naam van thymelici.
Thymoetes, Thymoites, 1) een Trojaan, die op denzelfden dag, waarop Paris geboren werd, een zoon kreeg. Daar door waarzeggers voorspeld was, dat op dien dag een kind zoude geboren worden, dat den ondergang van Troje zoude bewerken, liet Priamus het kind van Th. dooden. Uit wraak gaf deze later den raad, het houten paard binnen de muren te halen.--2) zoon van Oxyntes, laatste koning van Attica uit het geslacht van Theseus (zie Melanthus).
Thyni, Thynoi, thracisch volk bij Salmydessus aan den Pontas Euxinus (Zwarte zee), waarvan een gedeelte met de verwante Bithyni den thracischen Bosporus overstak en zich in het latere Bithynia vestigde.
Thynias, Thynias, 1) kaap en stad op de Oostkust van Thracia ten N. van Salmydessus.--2) eiland op de Noordkust van Bithynia.
Thyone, Thyone, z. Semele.
Thyoneus, Thyoneus, Dionysus, zoon van Thyone.
Thyraeum, Thyraion, stad in Z.-Arcadia, ten N. van Megalopolis.
Thyrea, Thyrea, -eas, hoofdstad van het distrikt Thyreatis of Cynuria (z. a.). Toen in 431 de bewoners van Aegina door de Atheners werden verdreven, ruimden de Spartanen hun Thyrea in, doch in 424 werd dit door de Atheners veroverd en verwoest en werden de inwoners weggevoerd.
Thyreatis, Thyreatis, zie Thyrea.
Thyreum, -ium, Thyreon, Thyrreion, stad met kasteel in het N. van Acarnania, plaats der bondsvergaderingen.
Thyrsus, thyrsos, een lange stok, met klimopbladen, wijngaardloof of ook met een dennenappel versierd. Bij de feesten van Dionysus droeg men zulk een staf, en ook de god zelf werd gewoonlijk er mede afgebeeld.
Thysdrus, Thysdra, Thysdros, versterkte stad, waarvan nog schoone bouwvallen overig zijn, in Byzacium, een uur of drie van de kust verwijderd, Z.waarts van Hadrumetum.
Thyssagetae, Thyssagetai, uitgebreid jagersvolk in Sarmatia Asiatica, ten O. eener uitgestrekte woeste streek. Zij woonden waarschijnlijk achter den Rha (Wolga).
Thyssus, Thyssos, stad van Chalcidice, aan den Westkant van het schiereiland Acte, met een halfbarbaarsche bevolking.
Tiara, tiara, een zachte en buigzame muts of tulband, het gewone hoofddeksel bij de Perzen e. a. aziatische volken. Alleen de koning droeg de tiara recta = cidaris. Zie apex.
Tibarani, volksstam in Cilicia in het Amanusgeb., nabij de stad Pindenissus, tot de Eleutherocilices behoorende.
Tibareni, Tibarenoi, een vreedzame, landbouwende volksstam aan de Noordkust van Pontus bij de stad Cotyora, ten O. van het promunturium Iasonium.
Tiberias, Tiberias, stad in Galilaea, aan de Westzijde van het meer Gennesareth, gebouwd door Herodes Antipas (zie Herodes), en naar keizer Tiberius genoemd. In de nabijheid waren warme bronnen. Vespasianus verwoestte de stad, die echter herbouwd werd, lang de zetel eener joodsche akademie was en waarvan nog aanzienlijke bouwvallen bestaan, ten Z. van het tegenw. Tiberias.
Tiberinides, de nimfen van den Tiber.
Tiberinus, de riviergod van den Tiber, oorspronkelijk een koning van Alba Longa, die in de Albula verdronken was en zijn naam aan de rivier gegeven had. Hij werd te Rome hoog vereerd, had een heiligdom op het Tibereiland en een standbeeld op het Capitolium. Den 7den Juni werd door visschers te zijner eere een feest aan de overzijde der rivier gevierd, en den 8sten December werden hem offers gebracht. Hij wordt voorgesteld als een grijsaard in een zeegroen gewaad, met een krans van biezen op het hoofd en een horen van overvloed in de hand.
Tiberis, Tiberis, de bekende Tiber, de rivier van Rome, ontspringt op den Apenninus bij Tifernum in het gebied der etruscische stad Arretium en neemt een aantal zijrivieren op, waarvan de voornaamste zijn: de Clanis, die dicht langs Clusium loopt, de Nar in Umbria, de Allia (nederlaag in 390), de Cremera (dood der Fabii in 477), de Anio. Door zijne bijrivieren wordt het water van den Tiber troebel, daarom wordt hij door de dichters flavus genoemd, terwijl hij naar zijn oorsprong ook Tyrrhenus, Tuscus wordt geheeten en ook wel Lydius naar den vermeenden lydischen oorsprong der Etruscers. De oudste naam was Albula, na het verdrinken van koning Tiberinus (z. a.) geeft de sage aan den stroom zijn nieuwen naam. Vóór Rome vormt hij door splitsing in twee armen de insula Tiberina, door bruggen met de beide oevers verbonden (pons Fabricius, pons Cestius) en versierd met de tempels van Aesculapius en den god Tiberinus. Aan zijn mond vormde de rivier weder een eiland, aan Venus geheiligd en insula sacra geheeten. Aan den linkermond lag Ostia, aan den rechter Portus Augustus of Portus Romanus, eene stichting van keizer Claudius.
Tiberius, geb. in 42, rom. keizer, 14-37 na C. Hij was een zoon van Tib. Claudius Nero en Livia Drusilla. Voluit was zijn naam ook Tib. Claudius Nero. Toen zijne ouders van elkander gescheiden waren en Livia de derde gemalin van Augustus was geworden, werden den jongen Tib. en diens broeder Drusus verschillende betrekkingen opgedragen. In 15 voerden zij samen het bevel in den oorlog tegen de Alpenvolken (zie Claudii no. 26), en in 13 werd Tib. consul. Hij was gehuwd met Vipsania Agrippa, doch moest haar in 11 verstooten, op uitdrukkelijk verlangen van Augustus, die hem zijne eigene dochter Iulia opdrong (zie Iulii no. 14). Deze echt was niet gelukkig. Van 12 tot 9 voerde Tib. het bevel tegen de Pannoniërs, in 8 volgde hij zijn broeder Drusus in Germania op, streed daar ook in het volgende jaar, en kreeg in 6 de tribunicia potestas, maar zijn huwelijk met Iulia bracht hem in onaangenaamheden met Augustus, zoodat Tib. zich nog in datzelfde jaar naar Rhodus begaf en zich aan lichaamsoefeningen en studie overgaf. Eerst in 2 n. C. keerde hij vandaar terug. Na den dood van Augustus' kleinzoons, L. en C. Caesar werd hij in 4 n. C. samen met M. Agrippa Postumus door Augustus geadopteerd, en tot opvolger aangewezen, maar moest tevens zijn neef Germanicus, Drusus' zoon, adopteeren. Nu begonnen de veldtochten opnieuw; eerst streed hij in 4 en 5 in Noord-Germania, en drong tot aan de Elbe door, daarna trok hij tegen Maroboduus, koning der Marcomannen, op (5), vervolgens (6-8) moest hij den pannonischen opstand onder Bato dempen, daarna in Germania de nederlaag van Varus wreken. Met veel beleid drong hij in het hart van Germania door, waarna hij het bevel aan Germanicus overdroeg, en verder te Rome de rechterhand van Augustus werd. Toen deze in 14 stierf, wist Livia zijn dood geheim te houden totdat Tib. bezit van de regeering had genomen. Tib. wist natuurlijk dat het meerendeel der aristocratie te Rome deze erfopvolging, die de kroon op de monarchie drukte, met leede oogen aanzag; dit moest wel zijn van nature achterdochtig gemoed met wantrouwen en argwaan vervullen. Toch trachtte hij in zijne eerste regeeringsjaren gematigd te zijn, doch versterkte intusschen zijne macht door het kies- en stemrecht van het volk geheel op den senaat over te brengen, zich persoonlijk met eene lijfwacht te omgeven, eene wet uit te vaardigen tegen majesteitsschennis, terwijl hij op aansporen van zijn praefectus praetorio L. Aelius Seianus de praetoriaansche cohorten, tot dusver bij de burgers ingekwartierd, in eene vaste legerplaats, castra praetoria, vereenigde. Inmiddels werd hij somberder en ergdenkender, vooral na den dood van zijn zoon Drusus (23) en vervolgde met bloedige gestrengheid zijne ware of vermeende tegenstanders onder de oude rom. geslachten. Seianus voedde die somberheid, die ten slotte menschenhaat werd, zoodat Tib. in 26 zich terugtrok op het eilandje Capreae en alles aan Seianus overliet, die nu in naam des keizers uit den weg ruimde wat hem in den weg stond en het plan koesterde, Tiberius op te volgen. Eindelijk gingen Tib. de oogen open, en Seianus werd gevangen genomen, bij den senaat aangeklaagd en ter dood veroordeeld (18 Oct. 31). Nu nam Tib. zelf weder de regeeringszaken ter hand, zonder evenwel naar Rome terug te keeren. In 37 werd hij ernstig ziek en bij deze gelegenheid smoorde de nieuwe praefectus, Sertorius Macro, in overleg met C. Caesar (Caligula), den bejaarden keizer onder de kussens van zijn bed (16 Maart). Tiberius was een uitstekend regent, onder wiens bestuur vooral de keizerlijke provincies gebloeid hebben.
Tiberius Julius Alexander, geboren Jood uit Aegypte, geraakte te Rome in groot aanzien, werd rom. ridder en werd in 46 na C. door keizer Claudius als procurator naar Judaea gezonden. Later diende hij onder Corbulo in Azië (63). Daarna was hij stadhouder van Aegypte en dempte hij een opstand in Alexandria (66), onder Vespasianus werd hij weder naar Judaea gezonden en voerde hij onder 's keizers zoon Titus het bevel in het leger aldaar. Hij was een man van groot gezag, door ieder, die hem kende, geëerd en geacht.
Tibia, aulos, de fluit, welk muziekinstrument in de oudheid zeer in gebruik was en bij godsdienstige plechtigheden gebezigd werd. De oudste fluit was de rietfluit, later werd zij uit verschillende houtsoorten vervaardigd, de Etruscers maakten ze ook van metaal. De syrinx, syrinx, was de Pansfluit, uit 7 of 9 rietpijpjes van afnemende lengte vervaardigd, die van onderen in eene dwarspijp uitloopen. De god zou deze het eerst hebben gesneden uit het riet, waarin de door hem vervolgde stroomnimf Syrinx veranderd was. Hieruit ontstond de dubbelfluit, twee fluiten aan één mondstuk verbonden, welk stelsel men echter weder liet varen voor twee afzonderlijke fluiten, beide tegelijk door denzelfden persoon geblazen. De fluiten waren soms recht, soms gebogen, soms evenals onze klarinetten in een beker uitloopende, met gaten voorzien en vervolgens verbeterd door het aanbrengen van kleppen. De dwarsfluit, tibia obliqua, plagiaulos, werd, evenals bij ons, van ter zijde geblazen, doch ook met een opgezet mondstuk. Men had korte en lange, hooge en lage fluiten. Evenals men bij de Grieken de fluiten van hoogen toon vrouwelijke, die van lagen toon mannelijke noemde, onderscheidden de Rom. tibiae sinistrae, hooge fluiten (diskant) en dextrae, lage (bas), omdat, wanneer de speler een stel ongelijke fluiten bespeelde, de basfluit met de rechterhand werd geregeerd. Dit waren dan tibiae impares, doch men had ook tibiae pares, een stel van twee gelijke fluiten, beide diskant of beide bas. Blijkens de didascalia der blijspelen van Terentius werd b.v. de Andria begeleid tibiis paribus dextris et sinistris, dus door twee stel fluiten, de Eunuchus tibiis duabus dextris, de Heautontimorumenos eerst tibiis imparibus, later duabus dextris, de Hecyra tibiis paribus, de Phormio tibiis imparibus. De Adelphi werden begeleid door tibiae Serranae, die tot de pares gerekend worden, doch waarvan het karakteristieke onbekend is. De fluitspelers hadden dikwerf een lederen band om mond en wangen; door twee gaten stak men de beide mondstukken. Deze band diende om eene te sterke ademhaling bij het blazen tegen te gaan en een zachter toon te verkrijgen. Men had niet alleen fluitspelers, tibicines, maar ook fluitspeelsters, tibicinae.--Te Athene, waar ieder welopgevoed mensch de cither of lier kon bespelen, was het fluitspel slechts korten tijd in aanzien; men liet het gewoonlijk aan fluitspeelsters van beroep (auletrides) over.
Tibiscus, Tibiskos, linker zijrivier van den Ister (Donau) in Dacia, thans de Temes.
Tibisis, Tibisis, bij Herod. een rechter zijtak van den Ister (Donau) in Moesia, onbekend welke.
Tibullus, rom. dichter, zie Albii.
Tibur, thans Tivoli, tegen de helling van een berg liggende en daarom door Horatius supinum genoemd, schilderachtig gelegen aan beide oevers der watervallen van den Anio, een geliefkoosd uitspanningsoord der Rom. met vele villa's in den omtrek. Ook Horatius had niet ver vandaar zijn landgoed. Tibur, bijna ten O. van Rome gelegen, gold voor eene overoude stad, waarvan de stichting aan de kleinzoons van Amphiaraus (z. Tiburtus) werd toegeschreven. Keizer Hadrianus (z.a.) liet in de vlakte aan den voet van de stad zijne beroemde villa aanleggen. De inwoners werden Tiburtes genoemd. De steengroeven in de buurt leveren den bekenden lapis Tiburtinus, tgw. Travertino geheeten.
Tiburtus, de stroomgod van de rivier Anio; hij wordt door lateren een zoon of kleinzoon van Amphiaraus genoemd en zou met zijne broeders Coras en Catillus Tibur gesticht hebben.
Tichium, Teichion, stadje in Aetolia.
Tichius, Teichious, kasteel bij Trachis op een top van den Oeta, niet ver van de Thermopylae.
Tichiusa, Teichioussa, sterkte op het grondgebied van Miletus.
Ticinum, oude keltische stad in Gallia Cisalpina, thans Pavia, aan de rivier Ticinus gelegen, niet ver van de plaats waar deze zich met den Padus (Po) vereenigt. Door de Hunnen werd T. verwoest (452 n. C.), doch onder de heerschappij der Oostgothen kwam het weder tot bloei.
Ticinus, tak van den Padus (Po), op den mons Adula (z. a.) ontspringende, thans Ticino. Hij loopt door den lacus Verbanus (Lago Maggiore). Aan den rechteroever van deze rivier bij Victumalae, behaalde Hannibal in 218 zijn eerste overwinning in Italië op de Romeinen.
Tifata (mons), ta Tiphatena ore, berg in Campania ten O. van Capua, op de grenzen van Samnium, met een beroemden Diana-tempel.
Tifernum, 1) stad in Umbria, vlak aan de etrurische grenzen, bij de plaats waar de beide beken, die den Tiber vormen, zich vereenigen; hiernaar heet deze plaats Tifernum Tiberinum. Even ten N. hiervan lag op etruscisch gebied de villa, Tusci genaamd, van Plinius Secundus (minor).--2) stad in Umbria aan den bovenloop van den Metaurus, Tifernum Metaurense.--3) stad in Samnium aan den Tifernus.
Tifernus, 1) gebergte in Noord-Samnium, tgw. Montagna del Matese.--2) rivier in Samnium, die van den Tifernus mons door het gebied der Frentani in zee stroomt.
Tigellinus (C. Sofonius of Ofonius), van Agrigentum, in 39 n. C. door Caligula verbannen, onder Claudius begenadigd, wist door zijne liefhebberij voor wedrennen de gunst van Nero te verwerven en werd door dezen tot praefectus praetorio benoemd in plaats van Burrus, die overleden was (62). Tigellinus was een der booze geesten, die Nero tot doodvonnissen en gruwelen aanspoorden. Toen Galba tot keizer was uitgeroepen, liep T. tot dezen over, doch kocht slechts voor eene groote som gelds zijn leven van den consul T. Vinius vrij. Na Galba's val werd hij ter dood veroordeeld en sneed zich met een scheermes de keel af of liet dit doen.
Tigellius, 1) een Sardiniër en hierom Sardus bijgenaamd, om zijne geestige scherts en zijn talent als zanger zeer gezien bij Caesar en later bij Augustus, door Horatius als een uiterst grillig mensch afgeschilderd.--2) Tigellius Hermogenes, v. s. een aangenomen zoon van no. 1, z. Hermogenes Tigellius.
Tigranes, Tigranes, koningsnaam in Armenia (z. a.). 1) T. II, 97-56, zoon van Ardasches of Artaxias, breidde het rijk naar verschillende kanten uit, en veroverde o. a. in 83 het syrische rijk, na den dood van Antiochus XII. Hij stichtte eene reusachtige nieuwe hoofdstad Tigranocerta (z. a.). De eisch, hem door de rom. gedaan, dat hij hun zijn schoonvader Mithradates VI van Pontus zou uitleveren, prikkelde hem om diens partij te kiezen. Zoo wikkelde hij zich in een oorlog met Rome en zag zich door Lucullus bijna uit zijn rijk verdreven (68). Wel schonk de muiterij in diens leger hem eenige verademing, doch Pompeius noodzaakte hem in 66 den vrede te koopen tegen afstand van de meeste veroverde gewesten, zoodat T. slechts Armenië en het op de Parthen vermeesterde Gordyene behield. Hiermede was de macht van het armenische rijk gebroken, het werd beurtelings een speelbal van Rome en van Parthië.--2) derde zoon van no. 1, kwam tegen zijn vader in verzet en zocht hulp bij Pompeius, die hem echter met vrouw en dochter gevangen naar Rome voerde en daar zijn zegetocht liet opluisteren. Met hulp van den tribuun P. Clodius (Claudii no. 17) ontsnapte hij in 58 uit de hechtenis.--3) T. III, zoon van Artavasdes I, werd in 20 door Augustus op den troon van Armenia geplaatst, na den dood van zijn anderen broeder Ardasches of Artaxias, die door de Parthen tot koning van Armenië verheven was. Na den dood van dezen Tigranes plaatsten de Armeniërs op eigen gezag zijn zoon T. IV en zijne dochter Erato op den troon, doch Augustus nam hiermede geen genoegen en wilde hem door Tiberius laten afzetten (6), maar doordat Tiberius zich in dien tijd naar Rhodus terug trok, bleef de zaak slepen, en eerst in 1 liet Augustus door middel van C. Caesar zijn invloed gelden. Armenië wierp zich in de armen van Parthië, doch Arsaces XVI Phraataces waagde geen ernstigen strijd met Rome. Inmiddels kwam Tigranes IV in een veete om.--4) er regeerden vervolgens nog vier koningen van dezen naam over Armenia, afgewisseld door andere. T. V, door Nero op den troon gezet (60 na C.), werd verdrongen door den Parth Tiridates (z. a.) in 63. Hiermede kwam Armenië aan de Arsaciden, en deze overleefden hier de parthische.
Tigranocerta, ta Tigranokerta = Tigranes-stad, door Tigranes (96-56) van Armenia als nieuwe, reusachtige residentie gesticht en met de inwoners van veroverde cappadocische en cilicische steden bevolkt. Zij lag in het distrikt Arzanene of in Zabdicene nabij de rivier Nicephorius ten Z. van den mons Masius. Nog was zij niet voltooid, toen Lucullus er een gedeelte van verwoestte (69). Later diende zij den Rom. als grensvesting tegen de Parthen, doch sedert de 3de eeuw na C. komt de naam niet meer voor.
Tigris, Tigres of Tigris = pijl, aldus genoemd om zijne stroomsnelheid, thans nog onder denzelfden naam bekend, ontspringt in Armenia uit verschillende bronnen. De beide hoofdarmen, waarvan de oostelijke een gedeeltelijk onderaardschen loop heeft, vereenigen zich eenige uren boven de grens van Mesopotamia. Vervolgens loopt hij als oostelijke grensrivier van Mesopotamia en Babylonia naar de perzische golf. Zijne monden vereenigen zich met die van den Euphraat. Hunne delta schijnt echter aan wisselingen onderhevig te zijn geweest, want over hunne samenvloeiing en over de vraag, wat eigenlijk de hoofdstroom is, waren de ouden het niet eens. De Tigris neemt door zijrivieren tot aan zijn mond in breedte toe; de Euphraat mist zulk een toevoer en verliest door verdamping en aftapping zooveel water, dat hij van den Chaboras tot aan Babylon 1/4 van zijn breedte verliest.
Tigurini, zie Helvetii. Hun hoofdstad heette Aventicum.
Tillii. 1) L. Tillius Cimber was een der moordenaars van Caesar en gaf het sein tot den aanval door Caesar de toga open te rukken, toen hij een weigerend antwoord op een verzoek om genade voor zijn broeder ontving. Later bestuurde hij Bithynia en streed vervolgens als admiraal onder Brutus en Cassius.--2) Tillius, tribuun en senator, door Horatius gehekeld wegens gemis aan beschaving.
Tilphossium, Tilphusium, Tilphossion, Tilphousion, berg en stad in Boeotia, met de aan Apollo geheiligde bron Tilphossa (Tilphusa) en een grafteeken van Tiresias. Zij lag ten Z. van het Copaïsche meer tusschen Coronea en Haliartus.
Timaeus, Timaios, 1) van Locri, pythagoreïsch wijsgeer. Plato genoot eenigen tijd van hem onderwijs en noemde een zijner dialogen naar hem. Een nog bestaand werkje peri psychas kosmo werd vroeger ten onrechte aan hem toegeschreven.--2) van Tauromenium, geb. 352, werd door Agathocles uit Sicilië verdreven (317), leefde 50 jaar te Athene en kwam toen naar Sicilië terug, waar hij in 256 stierf. Gedurende zijne ballingschap hield hij zich met de studie der geschiedenis bezig en schreef hij o. a. een groot werk over de geschiedenis van Sicilië van de vroegste tijden tot 264. Dit werk, dat thans nog slechts uit enkele fragmenten bekend is, was met veel zorg naar de beste bronnen bewerkt, maar de overmatig scherpe kritiek, waaraan de schrijver zoowel oudere schrijvers als historische personen onderwerpt, was de oorzaak dat het door de ouden, vooral door Polybius, zeer ongunstig beoordeeld werd, en den schrijver de bijnaam van epitimaios (vitter) werd gegeven.--3) platonisch wijsgeer uit de 3de eeuw na C., schrijver van een woordenboek op de werken van Plato, waarvan een gedeelte bewaard gebleven is.
Timagenes, Timagenes, van Alexandrië, slaaf van Faustus Sulla, gaf later te Rome met grooten bijval onderwijs in rhetorica. Door zijne kwaadsprekendheid zag hij zich ten slotte genoodzaakt de stad te verlaten en trok zich terug naar Tusculum. Zijne talrijke geschriften waren grootendeels van geschiedkundigen inhoud.
Timagoras, Timagoras, Athener, werd als gezant naar Artaxerxes gezonden, bij wien hij ook Pelopidas ontmoette. Daar hij meer in het belang van dezen dan van Athene werkte, werd hij bij zijne terugkomst aangeklaagd en ter dood veroordeeld.
Timandra, Timandra, dochter van Tyndareüs, gemalin van Echemus. Bij Phyleus werd zij moeder van Euander. V. s. waren door hare bemoeiingen de Heracliden uit de Peloponnesus verdreven en had zij Hyllus gedood.
Timanthes, Timanthes, van Sicyon, beroemd schilder, tijdgenoot van Zeuxis en Parrhasius. Vooral zijn offerdood van Iphigenia werd geprezen.
Timarchus, Timarchos, Athener, die met Demosthenes eene graphe parapresbeias tegen Aeschines (z. a.) indiende. Voordat de zaak echter in behandeling kwam, klaagde Aeschines hem aan wegens zijn onzedelijk leven, ten gevolge waarvan Tim. van zijn burgerrecht beroofd werd en niet meer als aanklager konde optreden. V. a. hing hij zich op, voordat het proces tegen hem afgeloopen was.
Timavus, korte doch onstuimige bergstroom van Istria, die na een onderaardschen loop dicht bij de kust weder te voorschijn komt en zich met kracht in de golf van Tergeste (Triëste) werpt. Oudtijds hield men deze rivier voor de bron der Adriatische zee.
Timema, 1) het vermogen van een atheensch burger, zooals het ten behoeve der klassenindeeling van Solon geschat werd; ook de klasse, waartoe hij ingevolge die schatting behoort.--2) het voor de eisphora belastbare gedeelte van het vermogen, dat voor de verschillende klassen verschillend was. Van burgers der eerste klasse was het geheele vermogen belastbaar, van die der tweede 5/6, van die der derde 5/9, theten waren vrij van het betalen der eisphora.--3) de door den aanklager geëischte straf, ook de opgelegde straf zelve, wanneer deze in geldboete bestaat. Tegen den eisch van den aanklager kon de aangeklaagde, wanneer hij schuldig bevonden was, voorstellen dat hem een andere straf zou opgelegd worden (antitimasthai). De rechters konden geen andere straf opleggen, dan die door eischer of aangeklaagde voorgesteld was.
Timocles, Timokles, verdienstelijk attisch blijspeldichter uit het overgangstijdperk, tijdgenoot van Demosthenes.
Timocrates, Timokrates, z. Tithraustes.
Timocreon, Timokreon, van Ialysus, lyrisch dichter en athleet, vroeger gastvriend van Themistocles, dien hij echter later in zijne gedichten met bitteren spot vervolgde. Ook met Simonides van Ceos was hij in vijandschap en beiden uitten hunne gezindheid tegen elkander in bijtende satiren. Verdacht van heulen met de Perzen, werd hij uit zijne vaderstad verbannen; v. s. ging hij naar Perzië, waar hij aan het hof gastvrij ontvangen werd.
Timolaus, Timolaos, hoofd der volkspartij te Corinthe, een der voornaamste bewerkers van den corinthischen oorlog.
Timoleon, Timoleon, een edel Corinthiër, was uit liefde voor de vrijheid behulpzaam bij het dooden van zijn broeder Timophanes, die zich door huurtroepen van de alleenheerschappij had meester gemaakt (365/364). Daar deze daad door vele zijner medeburgers afgekeurd werd, en zijn moeder een volkomen afkeer van hem gekregen had, leefde hij vele jaren in afzondering, totdat de Syracusanen, wier staat door voortdurende burgeroorlogen met volkomen ondergang bedreigd werd, te Corinthe om hulp kwamen vragen (345). Met een klein leger niet zonder gevaar naar Sicilië overgestoken, landde hij bij Tauromenium en won hij bij Adranum een slag tegen Hicetas; daarna bezette hij een deel van Syracuse en verjoeg hij achtereenvolgens de Carthagers uit de haven, Dionysius uit Ortygia en Hicetas uit Achradina. Wel keerden de Carthagers met een leger van 80000 man terug, maar in den slag bij de rivier Crimisus leden zij een volkomen nederlaag (339), zoodat zij gedwongen waren een vrede te sluiten, waarbij de rivier Halycus als grensscheiding werd aangenomen. Tim. regelde daarna de inwendige toestanden te Syracuse en vernietigde alle sporen der tyrannie, duizenden Corinthiërs kwamen op zijne uitnoodiging zich op Sicilië vestigen en kregen er grondbezit, de wetten werden in democratischen geest herzien, ook uit vele andere steden werden de tyrannen verdreven en de vreemde huurtroepen afgedankt, en allerwege heerschte op het eiland een lang niet gekende rust en vrede. Rechtvaardig en bescheiden, in weerwil van den overwegenden invloed, dien hij als bevrijder en weldoener van den staat genoot, leefde hij, nadat hij zijn ambt had neergelegd (337), nog eenigen tijd als ambteloos burger, algemeen bemind en geëerd te Syracuse. Daar werd op zijn graf een gedenkteeken, het Timoleonteum, opgericht en werden hem jaarlijks lijkoffers gebracht.
Timolus = Tmolus.
Timomachus, Timomachos, 1) atheensch veldheer, die in 367 Epaminondas moest beletten over den Isthmus te trekken en in 361 de opdracht kreeg, met een vloot de thracische kusten te verdedigen; beide keeren kweet hij zich zoo slecht van zijn taak, dat hij ten laatste ter dood veroordeeld werd.--2) van Byzantium, beroemd schilder in de eerste eeuw. Twee van zijn beroemdste schilderijen, de Medea en de razende Ajax, werden door Caesar naar Rome gebracht.
Timon, Timon, 1) Athener, een welgesteld en beschaafd man, die ten tijde van den peloponnesischen oorlog leefde en zich ten gevolge van bittere ervaringen uit de maatschappij terugtrok, vanwaar hij den naam van menschenhater (misanthropos) kreeg.--2) van Phlius, geb. 320, sceptisch wijsgeer, leerling van Stilpo en Pyrrho, gaf in verschillende steden onderwijs in de welsprekendheid en stierf te Athene, 90 jaar oud. Van zijne zeer talrijke werken waren het meest beroemd zijn spotdichten (silloi) in hexameters, waarin verschillende wijsgeeren en wijsgeerige stelsels geparodiëerd werden.
Timophanes, Timophanes, z. Timoleon.
Timotheüs, Timotheos, 1) Athener, zoon van Conon. Hij kwam met zijn vader in 393 naar Athene terug, en onderscheidde zich sedert het begin van den thebaanschen oorlog als veldheer en staatsman door dapperheid en bekwaamheid. In 375 veroverde hij Corcyra, waarbij hij zich door zachtheid en gematigdheid roem verwierf, en behaalde hij nog verscheiden overwinningen in de Ionische zee, waarna een vrede tot stand kwam, die echter spoedig weder verbroken werd. Toen in 373 Corcyra door Mnasippus belegerd werd, werd aan T. weder opgedragen de belegerden te gaan ontzetten; daar hij echter den geschikten tijd verzuimde, werd het opperbevel hem ontnomen en aan Iphicrates gegeven, zelfs werd hij deswege gerechtelijk vervolgd, maar vrijgesproken. Nadat hij eenigen tijd in perzischen dienst tegen Aegypte gestreden had, keerde hij naar Athene terug, en door een aantal gelukkige ondernemingen in de Aegaeïsche zee en aan den Hellespont bevestigde hij de atheensche macht ter zee. Ten slotte in den bondgenootenoorlog door Chares (z. a.) van verraad beschuldigd, werd hij teruggeroepen en tot een boete van 100 talenten veroordeeld (354), waarop hij zich naar Chalcis begaf, waar hij kort daarna stierf. Na zijn dood werd de boete tot 10 talenten verminderd, en aan zijn zoon Conon toegestaan, deze som tot verbetering der muren te besteden.--2) van Miletus, beroemd toonkunstenaar en dithyrambendichter, gestorven in 357, die het aantal snaren van de citer van 7 tot 11 (v. a. van 8 tot 9) vermeerderde. Een van zijne dithyramben is eenige jaren geleden in Egypte gevonden.--3) een van de beeldhouwers, die aan de versiering van het Mausoleum werkten.--4) Athener uit het geslacht der Eumolpiden, door Ptolemaeus I naar Alexandrië geroepen om de eleusinische mysteriën daarheen over te brengen.
Timouchoi, titel der 600 leden van den raad van Massilia.
Tingis, Tingis, thans Tanger, oud-phoenicische stad in Afrika aan het fretum Gaditanum (straat v. Gibraltar), door Augustus tot een vrije stad gemaakt, door Claudius tot rom. kolonie en tot hoofdstad der provincie Mauretania Tingitana verheven.
Tingitana, zie Mauretania.
Tipasa, Tipasa, stad op de grenzen van Africa vetus en Numidia, in het binnenland ten Z. van Hippo Regius gelegen.
Tipha, Tipha, zie Siphae.
Tiphys, Tiphys, de stuurman der Argonauten.
Tiresias, Teiresias, zoon van Eueres en Chariclo, uit het geslacht der Sparti, beroemd waarzegger te Thebe. Hij komt vooral voor in de sage van Oedipus en zijne zonen, maar was toen reeds zeer oud, zelfs zeide men dat hij reeds ten tijde van Cadmus geleefd had. Hij had namelijk eens, als scheidsrechter bij een twist tusschen Zeus en Hera ingeroepen, Hera in het ongelijk gesteld, waarvoor zij hem met blindheid strafte, maar Zeus gaf hem ter vergoeding een buitengewoon lang leven en de gave der voorspelling.--V. a. was zijne blindheid door Athena veroorzaakt, die hij in het bad bespied zou hebben, op de beden zijner moeder stelde zij hem echter later schadeloos door hem de gave te verleenen de stem der vogels te verstaan, en hem een stok te geven, waarmede hij even zeker kon gaan als een ziende. Ook werd verteld dat hij op zijn zevende jaar de geheimen der goden aan de menschen geopenbaard had, en daarvoor met het verlies van zijn gezicht gestraft was.--T. bracht in de geschiedenis van Oedipus de waarheid aan den dag, gaf door zijne voorspellingen aanleiding tot de zelfopoffering van Menoeceus (z. a.), en gaf bij den oorlog der Epigonen aan de Thebanen den raad de stad te verlaten. Hijzelf werd met zijne dochter Manto door de overwinnaars gevangen genomen en naar Delphi gezonden, maar op weg stierf hij bij de bron Tilphusa, waar men nog laat zijn graf toonde; te Thebe had hij een cenotaphium. T. is de eenige, die ook na den dood zijn verstand behield en de toekomst voorspellen konde. Te Orchomenus had hij in oude tijden een beroemd orakel, dat echter eens na een pest plotseling verstomde.
Tiribazus, Tiribazos, satraap van Artaxerxes II in Armenië, later opperbevelhebber van het perzische leger in Klein-Azië, in welke hoedanigheid hij de Spartanen begunstigde en veel bijdroeg tot het tot stand komen van den vrede van Antalcidas. Daarna voerde hij het bevel over eene vloot, die tegen Euagoras oorlog voerde (386); door zijn ambtgenoot verdacht gemaakt, werd hij gevangen genomen, maar met glans vrijgesproken en weder naar Cyprus gezonden, waar hij evenwel niets konde uitrichten. Toen Artaxerxes, die beloofd had hem zijne dochter tot vrouw te geven, die belofte niet hield, nam T. deel aan de samenzwering van Darius (z. Artaxerxes II), en toen deze ontdekt was, werd hij ter dood gebracht.
Tiridates, Tiridates, parthische en armenische koningsnaam. 1) Arsaces II Tiridates (248-211) breidde het door zijn broeder Arsaces I gestichte staatje uit en werd de grondlegger der parthische macht. Zie Arsaces.--2) Tiridates, een Parth, trad als mededinger op van den ontaarden koning Arsaces XV Phraates IV, den moordenaar van zijn eigen vader Arsaces XIV Orodes I. Tiridates werd tot koning uitgeroepen (± 34), doch met scythische hulp door Phraates weder verdreven, waarop Tir. hulp zocht bij Augustus (26). Er kwam echter een vergelijk tot stand, waarbij Phr. de kroon behield.--3) Tiridates, broeder van Arsaces XXIII (of XXIV) Vologeses I, werd door dezen met het veroverde Armenië begiftigd, doch de Rom. kwamen tusschenbeide, Vologeses werd verslagen, en Tir. kreeg Armenië wel, maar als rom. vasal uit de hand van Nero (66 na C.).--Er zijn nog meer armenische vorsten van dezen naam geweest, waaronder Tir. III of de Groote, die omstreeks 300 het christendom in zijn rijk invoerde.
Tiro (M. Tullius), vrijgelaten slaaf van Cicero (de vrijlating had plaats in 53), een uitstekend en bekwaam man, die dan ook een vertrouwd vriend van zijn vroegeren meester werd, dien hij altijd als een vader bleef eeren en liefhebben. Hij bezorgde na Cicero's dood o. a. de uitgaaf van diens brieven. Zelf schreef hij ook over verschillende onderwerpen. Hij verbeterde de stenografische teekenen en afkortingen, die de rom. snelschrijvers gewoon waren te bezigen, en die naar hem notae Tironianae worden geheeten.
Tirocinium fori, de intrede in de wereld van jongelingen omstreeks hun 17de jaar op het feest der Liberalia (z. a.).
Tiryns (gen. -this), Tiryns, oude stad met cyclopische muren in Argos, eens de zetel van Proetus en van Perseus. Kort voor den perzischen oorlog hadden de Argiven bij Tiryns door de Spartanen eene bloedige en zware nederlaag geleden, waarvan het gevolg was, dat de Gymnesii of argivische heloten zich van het bestuur te Argos meester maakten. Toen echter de zonen der gesneuvelden mannen waren geworden, joegen zij de Gymnesii uit de stad Argos. Deze vermeesterden nu Tiryns, doch werden ook hier door de Argiven vervolgd en bestormd, bij welke gelegenheid T. verwoest werd (± 465). Het lag van Argos Z.O.waarts.
Tisaeus mons, Tisaion oros, hooge berg in het thessalische landschap Magnesia, die den zuidrand der golf van Pagasae vormt.
Tisamenus, Tisamenos, 1) zoon van Orestes en Hermione, koning der Achaeërs, viel in den strijd tegen de Heracliden.--V. a. had hij na de overwinning der Doriërs zijn volk naar Aegialea gevoerd en was hij daar in een strijd tegen de Ioniërs gesneuveld. Zijn gebeente werd later op bevel van een orakel naar Sparta gebracht.--2) een waarzegger uit Elis, de eenige vreemdeling die te Sparta het burgerrecht kreeg. Hem was namelijk voorspeld, dat hij vijf overwinningen zoude behalen, en daar hij nu bij de wedspelen telkens verslagen werd, begreep men, dat hier andere overwinningen bedoeld werden. Daarom namen de Spartanen hem bij den inval van Xerxes als burger op, en inderdaad was hij in hun leger bij de overwinning van Plataeae en nog bij vier andere gevechten, waarin zij overwinnaars bleven.
Tisia of Tisianus, de Theiss, zijrivier van de Donau. Bij latere schrijvers is de naam Parthiscus.
Tisias, Tisias, van Syracuse, leerling van Corax, leeraar der welsprekendheid en schrijver van een werk daarover, gaf onderwijs te Syracuse, Thurii en Athene. Gorgias, Lysias en Isocrates worden zijne leerlingen genoemd.
Tisiphone, Tisiphone, 1) eene van de Erinyes.--2) dochter van Alcmaeon (z. a.) en Manto.
Tissaphernes, Tissaphernes, satraap van Lydië onder Darius II en Artaxerxes II. In den peloponnesischen oorlog sloot hij door bemiddeling van Alcibiades een verbond met de Spartanen, zonder dat hij echter veel meer voor hen deed dan hulp beloven; zelfs knoopte hij in 411 onderhandelingen met de Atheners aan, die echter zonder gevolg bleven. Tegen Cyrus, zijn vijand, bracht hij verscheiden malen beschuldigingen bij het hof in, waaraan echter door den invloed van Parysatis weinig of geen gehoor gegeven werd. In den slag bij Cunaxa was hij een van de veldheeren bij het koninklijke leger, na den dood van Cyrus bood hij den Grieken zijn geleide aan op den terugtocht, maar nam vijf van hunne aanvoerders, die hij in zijn tent gelokt had, verraderlijk gevangen. Voor deze diensten werd de satrapie van Cyrus bij zijn gebied gevoegd, maar toen hij ook de ionische steden trachtte te onderwerpen, zonden de Spartanen een leger naar Azië om dit te beletten (396), z. Agesilaus no. 1. Door list en onderhandelingen hield T. zich nog eenigen tijd staande, toen echter Agesilaus de overwinning aan den Pactolus behaald had, werd hij afgezet en onthoofd (395).
Titanes, Titanes, de 6 zonen en 6 dochters van Uranus en Gaea: Oceanus, Coeus, Crius, Hyperion, Iapetus, Cronus, Thea, Rhea, Themis, Mnemosyne, Phoebe, Tethys. Onder aanvoering van hun jongsten broeder, Cronus (z. a.), beroofden zij Uranus van de wereldheerschappij en toen later Zeus op zijn beurt Cronus van den troon trachtte te stooten, wilden de Titanen dit beletten, en er ontstond een vreeselijke oorlog, dien zij van den Othrys, Zeus met de zijnen van den Olympus voerden. De strijd eindigde met de overwinning van Zeus, doch eerst nadat hij de Centimani uit den Tartarus verlost en tot zijn hulp opgeroepen had. De Titanen, die zich niet tegen Zeus verzet hadden, behielden hunne waardigheden, de andere werden in den Tartarus geworpen, maar na verloop van tijd, toen de nieuwe wereldorde op vaste grondslagen gebouwd was, weder verlost, waarop zij zich met Zeus verzoenden.--Men meent in de Titanen eene personificatie van ruwe natuurkrachten te zien, terwijl de regeering van Zeus, in tegenstelling met hen, de heerschappij van recht en wet in de wereld voorstelt.--Ook de afstammelingen der Titanen dragen soms denzelfden naam, in het bijzonder worden zoo genoemd Helius, de zoon van Hyperion, en Prometheus, de zoon van Iapetus.
Titania, Titania, dochter of vrouwelijke afstammeling van een Titan, bijv. Hecate, Leto, Circe e. a.
Titanides, Titanides, de vrouwelijke Titanen, dochters van Uranus en Gaea (z. Titanes).
Titaresius, Titaresios, later ook Europus genoemd, zijtak van den thessalischen Peneus, stroomt door Perrhaebia.
Tithonus, Tithonos, zoon van Laomedon. Hij was de echtgenoot van Eos, die hem zoo innig beminde, dat zij Zeus om onsterfelijkheid voor hem vroeg. Zeus voldeed aan haar verlangen, doch daar zij vergeten had ook eeuwige jeugd voor hem te vragen, kromp hij van ouderdom ineen, totdat Zeus hem uit medelijden in een krekel veranderde.
Tithorea, Tithorea, 1) de N.W. kruin van den tweetoppigen Parnassus in Phocis. De andere top heette Lycoreus of Hyampea.--2) stad aan den berg, zie Neon.
Tithraustes, Tithraustes, opvolger van Tissaphernes als satraap in Klein-Azië (395). Hij sloot met Agesilaus een wapenstilstand en zond, terwijl deze tegen Pharnabazus oorlog voerde, den Rhodiër Timocrates met 50 talenten naar Griekenland, die met dit geld de Thebanen, Corinthiërs en Argiven in staat stelde een oorlog tegen Sparta te beginnen, waardoor het noodzakelijk werd Agesilaus terug te roepen. Volgens sommige berichten was Timocrates door Pharnabazus uitgezonden.
Titia (lex), zie tresviri no. 8 (IIIviri reipublicae constituendae).
Tities of Titienses is de naam van één der drie riddercenturiën, (de andere heeten Ramnes en Luceres), die volgens de overlevering door Romulus ingesteld zijn. Later heeft men ten onrechte gemeend, dat het geheele volk in Ramnes, Tities en Luceres was ingedeeld (dit zijn dan de 3 stamtribus), en de Tities in verband gebracht met koning Titus Tatius (zie Tatius).
Titii (sodales), zie Sodales.
Titii. 1) Sex. Titius, volkstribuun in 99, stelde eene akkerwet voor, die echter niet in behandeling kwam wegens den tegenstand van den consul M. Antonius. Later werd hij wegens onwettige handelingen veroordeeld, o. a. omdat hij in zijn huis het beeld van L. Saturninus had (zie Appuleii no. 1). Hij noemde zichzelf Cassandra, omdat niemand aan zijne voorspellingen geloof sloeg. Als redenaar was hij niet onverdienstelijk.--2) C. Titius, ongeveer een tijdgenoot van no. 1, redenaar en treurspeldichter.--3) P. Titius, volkstribuun in 43, maker van de lex Titia.--4) M. Titius, viel in 40 in handen van Sex. Pompeius, die hem weder vrijliet. Later diende hij onder Antonius in Azië tegen de Parthen. Toen Sex. Pompeius nu naar Azië gevlucht was, werd Titius tegen hem afgezonden, die hem gevangen nam en te Miletus liet ombrengen (35). Dit laatste maakte Titius algemeen veracht. Later streed hij onder Octavianus tegen Antonius en in 31 was hij consul, in 8 legatus van Syria.--5) Titius, een jong, veelbelovend dichter, een vriend van Horatius, vergezelde in 20 Tiberius naar Azië.--6) Titius Sabinus, een vriend van Germanicus, een der slachtoffers van Seianus (28 na C.).--7) Titius Proculus, met zijn vriend C. Silius (Silii no. 6) onder keizer Claudius ter dood gebracht (48 n. C.).--8) Titius Iulianus, legaat in Moesia in 69 na C., dapper krijgsman.
Titinii. 1) L. Titinius Pansa Saccus, consulairtribuun in 400 en 396, patriciër.--2) C. en M. Titinius, broeders, volkstribunen in 193, later waarschijnlijk samen praetor (178), C. als praetor urbanus, M. als stadhouder van Hispania.--3) Titinius, rom. dichter van fabulae togatae, van wien enkele fragmenten overig zijn, die wat karakterschildering betreft aan Terentius doen denken.--4) Q. Titinius, een rijk vriend van Cicero. Zijn zoon Pontius Titinianus, was in 49 aan Caesars zijde.--5) Titinius, centurio onder Cassius in 42 en door hem gedurende den slag bij Philippi naar Brutus gezonden om berichten in te winnen. Toen hij terugkeerde, had Cassius, die verslagen was, zich reeds laten dooden, waarop ook Titinius de hand aan zichzelf sloeg.
Titius, Titos, rivier in Dalmatia (Illyria), die Liburnia scheidt van het eigenlijke Dalmatia, en bij Scardona in zee valt.
Titurii. Q. Titurius Sabinus, onder Caesar legaat in Gallia, sneuvelde bij den opstand der Eburones (z. a.).
Titus, rom. keizer 79-81 na C., voluit Titus Flavius Vespasianus, was de zoon van Vespasianus en Flavia Domitia of Domitilla (zie Domitii no. 22). Met uitstekende gaven naar geest en lichaam toegerust, deed hij reeds vroeg het beste van zich hopen. Hij diende eerst in Germania en vervolgens onder zijn vader in Britannia en later in het Oosten. Toen Vespasianus in 69 tot keizer werd uitgeroepen, nam Titus, die in Judaea aan het hoofd van een legioen stond, het opperbevel over en maakte door de inneming van Jeruzalem aan den joodschen oorlog een einde, (70). Te Rome gekomen, werd hij door het volk met gejuich ontvangen en door zijn vader tot mederegent aangenomen (71). Het scheen echter, dat hij deze verheffing niet kon verdragen; zijne lichtzinnigheid en uitspattingen aan den eenen, en wreede strengheid aan den anderen kant, verwekten bij het rom. volk angstige bezorgdheid voor de toekomst. Nauwelijks echter was hij zijn vader in 79 als keizer opgevolgd, of hij was alleen streng tegenover zichzelven en de deelgenooten zijner vroegere uitspattingen. Hij liet geen doodvonnis vellen en aan samenzweerders tegen zijn persoon schonk hij edelmoedig vergiffenis. Bekend zijn zijne woorden: diem perdidi, toen hij een dag had laten voorbijgaan zonder eene weldaad te bewijzen. Door het dankbare volk werd hem de naam gegeven: deliciae generis humani. En wel was er onder zijne kortstondige regeering gelegenheid om zijne goedertierenheid te betoonen, want zware rampen troffen Italië: de geweldige uitbarsting van den Vesuvius (79), eene zware pestziekte en een hevige driedaagsche brand te Rome (80). Overal, waar te helpen of te troosten viel, verscheen hij, hulp en troost brengende. Hij droeg ook het zijne bij tot verfraaiing van Rome, voltooide het door zijn vader begonnen Colosseum (zie amphitheatrum), en liet o. a. de thermae Titi en den nog bestaanden, hoewel van zijn vierspan beroofden boog van Titus (zie arcus) bouwen. Zijn overlijden wekte groote droefenis.
Tityus, Tityos, zoon van Gaea of van Zeus en Elara, een geweldige reus, die op Euboea woonde. Daar hij Leto belaagde, werd hij door Apollo en Artemis met pijlen of door Zeus met den bliksem gedood. In de onderwereld ligt hij in zijn geheele ontzaggelijke lengte op den grond uitgestrekt, terwijl twee gieren onophoudelijk aan zijn lever knagen.
Tium, Tius, Tion, -os, milesische kolonie op de kust van Bithynia, ten O. van Heraclea Pontica.
Tlepolemus, Tlepolemos, 1) zoon van Heracles en Astyoche, doodde zijn oom Licymnius, hetzij bij ongeluk of met opzet, en vluchtte naar Rhodus, waar hij Lindus, Ialysus en Camirus stichtte. Later nam hij deel aan den tocht tegen Troje, waar hij door dapperheid uitmuntte, maar door Sarpedon gedood werd.--2) adellijk Macedoniër, werd in 325 door Alexander tot stadhouder van Carmanië benoemd en maakte zich in zijne provincie zoo bemind, dat Antigonus zelfs het niet waagde hem aan te vallen, hoewel hij een bondgenoot van Eumenes was geweest.
Tlos, Tlos, stad in het binnenland van Lycia.
Tmarus = Tomarus.
Tmolus, Tmolos, ook Timolus, Timolos, 1) gebergte in Lydië, met de bronnen van den Cayster en den Pactolus. Er groeide veel wijn, in oude tijden vond men er ook goud. De god van den berg, bij Pluto of Omphale vader van Tantalus, wordt als scheidsrechter in een muzikalen wedstrijd tusschen Apollo en Pan genoemd.--2) zie Proteus.
Toga, het overkleed van den rom. burger in vredestijd, dat men buitenshuis droeg en waarvan het gebruik aan ballingen ontzegd was. De toga was van geelachtig witte wol geweven, toga pura. De toga praetexta had een roodpurperen rand en werd door hooge overheden en knapen gedragen. Toga picta is eene toga, die met borduursel is versierd, en werd soms bij zegetochten en spelen gedragen, misschien evenwel eerst onder het keizerrijk. Toga candida, zie candidatus. Toga pulla, van donkere stof, als rouwgewaad. Toga sordida, ongewasschen toga (zie fullo), die men als beschuldigde aantrok, om op het medelijden der rechters te werken. De wijze, waarop de toga gedragen werd, was aan mode onderhevig. Oorspronkelijk had zij den vorm van een halven cirkel, doch zij werd met den tijd ruimer, zoodat zij ten slotte een geheelen cirkel, en wellicht nog meer, besloeg. Deze ruime toga werd ongeveer aldus omgeworpen. Men wierp ze eerst over den linkerschouder, trok ze onder den rechterarm door en sloeg ze dan weder over den linkerschouder, die dus dubbel bedekt was. Nu kwam het er echter op aan, de plooien sierlijk te verdeelen. Het gedeelte, dat onder den rechterarm doorging, moest natuurlijk dubbel gevouwen worden, anders zou het op den grond hebben gesleept. Hierdoor ontstond op de borst een plooi, sinus genoemd, die als zak dienst kon doen. Om den linkerarm te gebruiken, die geheel bedekt was, moest men aan die zijde de toga omhoog trekken en over den arm laten hangen, zoodat de hand vrij bleef. De plooien werden met haken en knoopen vastgehouden en versierd met kwastjes, soms met gewichtjes bezwaard om de plooien omlaag te houden.
Togata, 1) mulier, eene meretrix, daar lichte vrouwen te Rome niet de stola, het damesgewaad, mochten dragen, maar in de toga moesten gaan. Of zij deze op dezelfde wijze als de mannen droegen, is niet bekend.--2) fabula, een blijspel, dat op rom. bodem speelt, in tegenstelling der palliata, waarvan de handeling in Griekenland voorvalt.
Tolbiacum, stad in Belgica aan den weg van Colonia Agrippina (Keulen) naar Augusta Trevirorum (Trier), thans Zulpich.
Tolenus, riviertje in het sabijnsche, dat zich in den Avens, een zijtak van den Nar, stort.
Tolerus, zie Trerus.
Toletum, versterkte hoofdstad der Carpetani in Hispania aan den Tagus (Taag), met beroemde staal- en wapenfabrieken, thans Toledo.
Tolistoboii of -bogi, Tolistoboioi, -bogioi, een der drie gallische stammen in Galatia (z. a.), waar Pessinus hunne hoofdstad was.
Tolmides, Tolmides, atheensch veldheer, deed in 455 met de vloot een tocht langs de kusten van de Peloponnesus, overwon de Sicyoniërs en bracht de door de Spartanen overwonnen Messeniërs naar Naupactus over. In 447 trok hij naar Boeotië, waar door de verdreven aristocraten woelingen veroorzaakt werden, hij veroverde Chaeronea, maar werd kort daarop bij Coronea door de ballingen overrompeld en met een groot deel van zijn leger gedood.
Tolosa, Tolossa, thans Toulouse, stad in Gallia Narbonensis in het gebied der Tectosages aan den Garumna (Garonne), door den rom. veldheer Cn. Servilius Caepio in 106 geplunderd. Als rom. kolonie heette de plaats Palladia.
Tolumnius, 1) een augur, die met Turnus tegen Aeneas streed en sneuvelde, toen hij door een onverwachten aanval den wapenstilstand had geschonden.--2) Lars Tolumnius, koning van Veii, die vier rom. gezanten om het leven liet brengen (wier standbeelden nog in Cicero's tijd op het forum stonden) en door den consul A. Cornelius Cossus in 428 met eigen hand in den strijd gedood werd.
Tomarus, Tomaros, gebergte in Epirus nabij Dodona.
Tomi, Tomis (gen. -idis), Tomoi, Tomis, stad in Moesia aan de kust van den Pontus Euxinus (Zwarte zee), volkplanting van Miletus. Hierheen werd de dichter Ovidius in 9 n. Chr. door Augustus in ballingschap gezonden.
Tomyris, Tomyris, koningin der Massageten, die door Cyrus beoorloogd, werd. Nadat deze door list eene overwinning had behaald, velen van haar volk gedood en haar zoon gevangen genomen had, wist zij hem in een hinderlaag te lokken en liet zij hem dooden (529).
Tonans, de dondergod, bijnaam van Jupiter.
Toranii. C. Toranius, quaestor in 73, streed onder Varinius in 71 tegen Spartacus, was ± 65 aedilis plebis met C. Octavius, werd na diens dood voogd over den lateren Octavianus; later was hij bij de partij van Pompeius, na wiens dood hij te Corcyra verblijf hield. Hij kwam in 43 om bij de vogelvrijverklaringen, uit hebzucht verraden door zijn zoon, ook C. Toranius geheeten, die vervolgens de erfenis zijns vaders verkwistte en als balling arm stierf.
Torboleti, zie Turdetani.
Toronaeus sinus, Toronaios of Toronaïkos kolpos, de golf tusschen de schiereilanden Pallene en Sithonia.
Torone, Torone, aanzienlijke stad op het chalcidische schiereiland Sithonia, aan de golf van Torone, Toronaeus sinus, Toronaïkos kolpos.
Torquatus, bijnaam in de gens Manlia (Manlii no. 11-14).
Toxaris, Toxaris, een Scyth, die met Anacharsis te Athene kwam, daar algemeene achting genoot, en ook als geneeskundige naam verwierf.
Toxandri, zie Texuandri.
Toxotai, 1) boogschutters, komen in de grieksche legers niet veel voor; zij behooren tot de lichte troepen, gymnetes. Te Athene was hun aantal in de vijfde eeuw 1600, die tot de klasse der theten behoorden. Ook bereden boogschutters (hippotoxotai) worden vermeld.--2) een corps van 300, later 600, nog later 1200 staatsslaven, demosioi, die te Athene als politieagenten dienst deden. Zij hadden een kazerne aan de markt, later bij den Areopagus. Zij worden ook Skythai, of naar zekeren Speusinus, die het corps georganiseerd zou hebben, Speusinioi, genoemd. Hunne aanvoerders heetten toxarchoi.
Toygeni, Toygenoi, een keltische stam, gouw der Helvetii, v. s. identisch met de Teutones.
Trabea (Q.), oud rom. blijspeldichter in de eerste helft der tweede eeuw.
Trabea, mantel met horizontale purperen strepen, door de rom. koningen, door de augurs en bij plechtige gelegenheden door de equites gedragen.
Trachinia, Trachinia, zie Trachis.
Trachis, Trachis, Trachin, oude stad in het Z. van Thessalia in het land der Maliërs, in welker nabijheid de mythe den dood van Heracles op den brandstapel plaatst. In den peloponnesischen oorlog stichtten de Spartanen, 12 minuten gaans van de oude stad, een nieuw Trachis, Heraclea Trachinia genoemd, Herakleia he en Trachinia. In 394 maakten de Boeotiërs zich er meester van. In 191 werd het door den rom. consul M'. Acilius Glabrio in den syrischen oorlog verwoest.
Trachonitis, Trachonitis, zandige bergstreek in Syria, ten Z. van Damascus, later tot Peraea gerekend.
Tragia, Tragia, eilandje ten Z. van Samus, waar de Samiërs in 440 door Pericles ter zee verslagen werden.