← Woordenboek der Grieksche en Romeinsche oudheid

Woordenboek der Grieksche en Romeinsche oudheid (part 5 of 7)

Part 5 of 7 · Dr. J. G. Schlimmer · Public domain text

About this edition

Source: Project Gutenberg e-text #34955, public domain in the United States · text not rewritten or summarized · How RedLectern is built

 

Contents (7)

Continue:

Woordenboek der Grieksche en Romeinsche oudheid (part 5 of 7)

Mysteria, mysteria, godsdienstplechtigheden, die alleen voor ingewijden toegankelijk zijn en waarvan de bizonderheden en de beteekenis voor niet-ingewijden streng geheim gehouden moeten worden. Zij bevatten niet alleen de gewone godsdienstige handelingen, offers, gebeden, enz., maar kenmerken zich door mimische en dramatische voorstellingen van de geschiedenis of van eene gebeurtenis uit de geschiedenis van den god, te wiens eere zij gevierd werden. Deze voorstellingen, gepaard met het vertoonen van bepaalde voorwerpen, die als het ware den god vertegenwoordigden (symbolen), waren er op ingericht om bij de geloovigen eene enthusiastische gemoedsbeweging te veroorzaken, waarin zij zich werkelijk in tegenwoordigheid van den god waanden en waardoor zij zich buitengemeen gelouterd en gesticht gevoelden. Dat de mysteriën dienstbaar gemaakt werden aan het verbreiden van een of ander dogma, dat buiten het volksgeloof stond, is niet waarschijnlijk; wel schijnen zij ten doel gehad te hebben het geloof aan de onsterfelijkheid der ziel te bevestigen en het vertrouwen op te wekken, dat de ingewijden hiernamaals boven anderen bevoorrecht zouden zijn. De beroemdste mysteriën waren die van Demeter te Eleusis (z. Eleusinia), als bizonder heilig golden ook de samothracische mysteriën der Cabiri, ook Dionysus, Sabazius, Aphrodite, Cybele, Isis, Osiris, Mithras e. a. werden op deze wijze vereerd.--De mysteriën zijn zeer oud en worden beschouwd als overblijfsels van pelasgischen eeredienst; een tijd lang door de helleensche godsvereering op den achtergrond gedrongen, herleefden zij vooral door den invloed der Orphici omstreeks het einde der 7de eeuw. Later, bij het verval van het oude geloof, gelukte het ook eene dergelijke vereering van vreemde godheden ingang te doen vinden, die soms, in weerwil van de tegenwerking van den staat, groote populariteit verwierven.

Mystes, mystes, ingewijde van den laagsten graad bij de mysteriën, z. Eleusinia.

Mystrum, mystron, grieksche maat voor natte waren, het 4de gedeelte van een cyathus.

Mytilene, Mytilene, machtige en bloeiende hoofdstad van het eiland Lesbus, aan de O.-zijde gelegen, de geboorteplaats van Pittacus, Sappho, Alcaeus, Hellanicus, thans Metelin. De stad kreeg een gevoeligen knak in 427, toen zij voor haren afval van het atheensche zeeverbond getuchtigd werd (zie Cleon). In den oorlog van Alexander den Gr. werd M. door de Perzen ingenomen, doch door Alex. heroverd. In 80 werd ze na een langdurig beleg door M. Minucius Thermus (Minucii no. 7) ingenomen, en streng gestraft voor haar afval en heulen met Mithradates. De stad had twee havens.

Myus, gen. -untis, Myous, stad in Caria aan de monding van den Maeander, de kleinste stad van het ionisch verbond, eene der drie steden, waarvan de inkomsten door Artaxerxes I aan Themistocles werden toegewezen. Door de sterke aanslibbing geraakte Myus meer en meer van de zee verwijderd en werd ten slotte verlaten, daar de inwoners naar Miletus verhuisden.

N.

N. Zie Nefasti (dies).

Naarmalcha (Nahar Malcha), zie Regium flumen.

Nabalia = Navalia.

Nabataei, Nabataioi, machtig volk van Arabia Petraea, waren eerst nomaden, doch vestigden zich allengs in het land der Edomieten, Midianieten en Amalekieten, en breidden hunne heerschappij ook over Arabia felix uit. Petra was hunne hoofdstad. Zij werden nu een handelsvolk, hun bodem leverde kostbare specerijen en kruiderijen op, terwijl zij ook een belangrijken veestapel onderhielden. Hunne vorsten (Aretas, Jonathan) komen eerst als vrienden, later als vijanden der Maccabaeën voor, hetgeen aan Pompeius aanleiding verschafte, in 64 een inval in hun gebied te doen. Hun koning Malchus II komt eerst als vriend van Caesar, later als bondgenoot der Parthen, en na eene zware bestraffing weder met Octavianus verbonden voor. Traianus vernietigde hun rijk (105 n. C.).

Nabis, Nabis, maakte zich kort na den dood van Machanidas (207) van de heerschappij over Sparta meester, en regeerde als een hebzuchtig en wreed dwingeland. Hij was eerst met de Romeinen verbonden, hoewel Philippus in den tweeden macedonischen oorlog trachtte hem voor zich te winnen; later maakte echter zijn optreden tegenover de andere peloponnesische staten de tusschenkomst der Romeinen noodzakelijk, en werd hem door Flamininus zijn geheele rijk buiten Sparta ontnomen. Kort daarna begon hij, om het verloren gebied terug te winnen, een oorlog tegen het achaeïsch verbond, waarin hij eene overwinning ter zee behaalde, doch weldra werd hij door Philopoemen verslagen en daarop door den aanvoerder zijner aetolische bondgenooten vermoord (192).

Nabonassar, koning van Babylon, onder assyrische opperheerschappij. In zijn tijd (26 Febr. 747) begon eene nieuwe jaartelling (aera van Nabonassar), die in het Oosten vrij algemeen werd.

Nabonedus = Labynetus no. 2.

Nabopolassar, assyrisch stadhouder van Babylon (625-604), viel van Assyrië af en veroverde Niniveh met de hulp van Cyaxares, waarna de bondgenooten het assyrische gebied onder elkander verdeelden.

Naeniae, neniae, treurzangen, die bij de begrafenissen van aanzienlijke personen gezongen werden, hetzij door de bloedverwanten, hetzij door gehuurde klaagsters, praeficae. Later krijgt het woord ook de beteekenis van tooverzang en van slaapdeuntje.

Naevii, plebejisch geslacht. 1) Cn. Naevius, Campaniër van geboorte, tooneeldichter, de eerste, die fabulae praetextae (zie praetexta) gedicht heeft, en schrijver van een epos in saturnische maat over den eersten punischen oorlog. Naar griekschen trant tastte hij in zijne stukken de aanzienlijkste mannen aan, o. a. de Metellussen en de Scipio's waardoor hij zich eerst gevangenisstraf, later verbanning op den hals haalde. Van hem is o. a. de bekende versregel afkomstig: fató Metélli Római fíunt cónsulés, waarop door de Metelli geantwoord werd: dabúnt malúm Metélli Naévió poétae. Zie Caecilii no. 3. Hij overleed te Utica in vrij hoogen ouderdom omstreeks 200.--2) de andere bekende Naevii, waarvan enkele bij Livius en bij Cicero voorkomen, zijn van weinig belang. Een er van, Sex. Naevius, een man van geringe afkomst, komt als aanklager voor tegen P. Quinctius, die door Cicero verdedigd werd (Quinctii no. 10). Een ander, P. Naevius Turpio, wordt door Cicero als handlanger van Verres aan de kaak gesteld.--3) Naevius Sertorius Macro, z. Macro.

Nahanarvali (Naharvali), ligysche stam in Germania, aan de Viadua (Oder).

Nahar Malcha (Naarmalcha), zie Regium flumen.

Naiades, Naïades, Naïdes, nimfen van rivieren (Potameides), bronnen (Krenaiai, Pegaiai) en beken (Limnades). Zij bezitten de gave der profetie, beschermen dichtkunst en gezang en voeden door de kracht van het water menschen, dieren en planten (Kourotrophoi, Nomiai, Karpotrophoi). Dikwijls worden zij als opvoedsters van verschillende goden genoemd.

Naï(s)sus, Naïs(s)os, stad in Moesia Superior aan den Margus (Morawa), geboorteplaats van Constantijn den Gr.; tgw. Nisch.

Namatianus (Claudius Rutilius), rom. dichter, uit den tijd van keizer Honorius. Het van hem gedeeltelijk bewaard gebleven gedicht de reditu suo uit het jaar 416 geeft een beschrijving van zijn reis van Rome naar zijn vaderland Gallië, die, vooral om den tijd waarin die reis valt, historisch belang heeft.

Namausus = Nemausus.

Namnetae of -tes, Namnetai, gallisch volk aan den mond van den Liger. Hoofdstad: Condivincum (Nantes).

Nanno, Nanno, fluitspeelster, die door Mimnermus bemind werd, maar zijne liefde niet beantwoordde.

Nantuatae of -tes, Nantouatai, ligurisch of raetisch volk aan den lacus Lemannus (meer van Genève).

Napaeae, Napaiai, nimfen der dalen, gewoonlijk tot de Oreaden gerekend.

Naparis, Naparis, linkerzijtak van den Ister (Donau) in het tegenw. Rumenië.

Napata, Napata, in Aethiopia aan den Nijl, bloeiende hoofdstad van het rijk van Napata, waar tijdens Augustus de koningin Candace regeerde. De stad werd in 22 door den stadhouder van Aegypte, C. Petronius, veroverd, doch niet behouden. Zij is het zuidelijkste punt, dat de Rom. bereikt hebben. Het noordelijkste gedeelte van het rijk, van af Hiera Sycaminos, is toen bij het Romeinsche rijk ingelijfd, onder den naam Nubia Inferior.

Nar, Nar, rivier met geelachtig zwavelig water in het Z. van Umbria, die tusschen Horta en Ocriculum in den Tiber valt.

Naragara, ta Naragara, stad in Numidia, waar Hannibal en Scipio vóór den slag bij Zama een onderhoud hadden.

Narbo, Narbon, thans Narbonne, eene bloeiende stad der Volcae Tectosages in Gallia aan de Middellandsche zee, sedert 118 als rom. kolonie Narbo Martius genoemd, later hoofdstad van Gallia Narbonensis. De stad lag aan den Atax (Aude), waarnaar de bewoners Atacini werden genoemd.

Narbonensis (Gallia), het Z.O. gedeelte van Gallia Transalpina, naar de hoofdst. Narbo.

Narcissi fons, Narkissou pege, bron in Boeotia bij Thespiae, waar narcissen in menigte groeiden.

Narcissus, Narkissos, 1) zoon van Cephissus en Liriope, een buitengewoon schoon jongeling. Hij was volstrekt ongevoelig voor liefde en deed door zijne hardvochtigheid de schoone Echo, die hem beminde, wegkwijnen; maar Nemesis liet hem tot straf hiervoor zijn eigen beeld in het water zien en op zichzelven verliefd worden, zoodat hij van ijdel verlangen verteerde; uit medelijden veranderden de goden hem in een narcis.--2) vrijgelatene en secretaris (ab epistulis) van keizer Claudius, op wien hij bijna onbeperkten invloed had, waarvan hij dikwijls in zijn eigen belang gebruik maakte. Hij was overigens een zeer bekwaam man. Hij veroorzaakte den val van Messalina, maar werd later door Agrippina uit Rome verwijderd en kort daarna vermoord.--3) gladiator, die keizer Commodus in het bad wurgde; onder Didius Iulianus werd hij met de andere moordenaars van Commodus ter dood gebracht.

Naristi (v. s. Varisti), suevische stam in het N.O. van het tegenw. Beieren.

Narnia, Narnia, stad in Umbria aan den Nar, eene sterke vesting op eene steile rots, sedert 299 lat. kolonie, vroeger Nequinum geheeten.

Narona, rom. kolonie in Dalmatia.

Narthacium, Narthakion, berg en stad in Thessalia, in het N. van Phthiotis, niet ver van Pharsalus, waar in 394 Agesilaus, uit Azië terugkeerende, de Thessaliërs versloeg, die hem den weg versperden.

Narthex, een plant, waarvan de dikke, knoestige, rietachtige stengel veel brandbaar merg bevatte; volgens het verhaal zoude Prometheus daarin het vuur uit den hemel gehaald hebben. Van den stengel werden veelal doozen voor verschillende doeleinden gemaakt. In zulk een doos, na den slag bij Issus onder den buit gevonden, placht Alexander d. G. de door Aristoteles bewerkte uitgave van Homerus te bewaren, die vandaar he ek tou narthekos ekdosis genoemd wordt.

Narycus, -cium of Naryx, Narykos, Naryx, misschien het zelfde als het latere Pharygae, Pharygai, stad der opuntische Locriërs, geboorteplaats van Ajax, den zoon van Oileus (Narycius heros). Zie ook Locri Epizephyrii.

Nasamones, Nasamones, een ruwe libysche volksstam aan de groote Syrte (golf v. Sydra).

Nasica, bijnaam in de familie Scipio. Zie Cornelii no. 19, 20, 22-25.

Nasidienus, een plomp en praalziek parvenu bij Horatius voorkomende.

Nasidii, plebejisch geslacht, waarvan een paar leden als aanhangers der pompejaansche partij voorkomen.

Naso, familienaam der Ovidii.

Nasus, 1) Nesos, eilandje met kasteel in de rivier Achelous in Acarnania.--2) Nasos = Ortygia, een der vijf gedeelten van Syracusae.

Natatio, groote zwemvijver, hetzij in de open lucht, hetzij in een badhuis.

Nauclides, Naukleidas, spartaansch ephoor, die met Pausanias no. 2 naar Attica gezonden werd en met hem medewerkte tot het herstel der democratie. Later werd hij door Lysander wegens zijn weelderig leven aangeklaagd.

Naucrates, Naukrates, leerling van Isocrates, hield bij de lijkfeesten van Mausolus een wedstrijd met Theopompus en Theodectes als lofredenaar van den overledene.

Naucratis, Naukratis, milesische volkplanting uit de 2de helft van de 7de eeuw en aanzienlijke handelsstad in de Nijldelta, onder de aegyptische koningen de eenige plaats, waar zich de Grieken mochten vestigen. Zij lag aan den linkeroever van den Canobischen Nijlarm.

Naucraticum ostium = Heracleoticum ostium.

Naucydes, Naukydes, van Argos, beroemd beeldhouwer, leerling van Polycletus (± 420).

Naukraria. In oude tijden was de burgerij van Attica in 48 naukrariai, verdeeld, 12 in iedere phyle, en had iedere naukraria de verplichting een schip en twee ruiters te leveren; als administratieve afdeelingen worden zij dikwijls met de latere demoi vergeleken. De hoofden der naucrariën, naukraroi, hadden vóór Solon grooten invloed, maar de instelling van den raad der 400 ontnam hun een groot gedeelte van hun bevoegdheid. Sedert Clisthenes waren er 50 naucrariën, 5 in iedere phyle, die alleen dienden tot het innen en beheeren van de gelden voor de vloot.

Naulochus, Naulochos, havenstadje in het N.O. van Sicilia. Hier versloeg M. Agrippa in 36 S. Pompeius in een grooten zeeslag.

Naumachia, vertooning van een scheepsstrijd, geen spiegelgevecht, maar een strijd in werkelijkheid. De bemanning bestond uit gevangenen en zwaardvechters. Caesar was de eerste, die het rom. volk hierop vergastte; hij liet hiertoe op den campus Martius een tijdelijke vijver graven, die vervolgens weder werd gedempt. Augustus liet er een graven van 59 meter breedte en negen maal zoo lang. Claudius liet het Fucinische meer met zitplaatsen omringen; Nero liet het strijdperk van het amphitheater vol water loopen. Later kwamen er te Rome vaste gebouwen voor scheepsgevechten. Zulk een gebouw werd ook naumachia genoemd.

Naumachius, Naumachios, grieksch dichter van later tijd; van zijn gedicht over de plichten der vrouw zijn eenige fragmenten bewaard.

Naupactus, Naupaktos, versterkte havenstad in Locris aan de Corinthische golf, waar de Heracliden hunne vloot bouwden, om naar de Peloponnesus over te steken. Na de perzische oorlogen kwam zij in het bezit der Atheners, die er in 455 Messeniërs in opnamen. De stad wisselde nog meermalen van bezitters en werd achtereenvolgens weder locrisch, achaeïsch, thebaansch, macedonisch en opnieuw locrisch. Thans Lepanto of Epacto.

Nauplia, Nauplia, havenstad in Argolis, aan de Argolische golf.

Naupliades, Naupliades, Proetus of Palamedes, zonen van Nauplius.

Nauplius, Nauplios, 1) zoon van Poseidon en Amymone, stichter van Nauplia.--2) afstammeling van den vorigen, bekwaam zeeman en sterrenkundige, Argonaut.--3) koning van Euboea, bij Clymene no. 5 vader van Palamedes en Oeax. Vertoornd over de behandeling, die Palamedes voor Troje had ondervonden, zond hij Oeax uit om de vorsten, die voor Troje lagen, bij hunne gemalinnen van ontrouw te beschuldigen of geruchten omtrent hun dood te verspreiden. Toen de Grieken op de terugreis van Troje voorbij Euboea kwamen, stak hij op kaap Caphareus vuren aan, waardoor zij misleid werden en vele schepen op de kust verloren gingen. Velen verdronken of werden door N. en de zijnen gedood.

Nauportus, Nauportos, rivier (Laybach), rechter zijtak van den Savus, en stad (Ober-Laybach) in Pannonia.

Nausicaa, Nausikaa, dochter van Alcinous, vond Odysseus, toen hij na het verlies van zijn schip op de kust der Phaeaciërs geworpen was. Zij ontving hem vriendelijk en geleidde hem naar het hof van haar vader.

Nausicles, Nausikles, atheensch demagoog, bevelhebber van de troepen, die den Phocensers te hulp gezonden werden (352). Aanvankelijk met Aeschines bevriend, was hij later een hevig bestrijder der macedonische partij.

Nausinous, Nausinoos, zoon van Odysseus en Calypso.

Nausiphanes, Nausiphanes, van Teos, einde van de 4de eeuw, wijsgeer uit de school van Democritus, leerling van Pyrrho, leermeester van Epicurus.

Nausithous, Nausithoos, 1) zoon van Poseidon en Periboea, koning der Phaeaciërs, verhuisde met zijn volk, dat door de Cyclopen bedreigd werd, van Hyperea naar Scheria.--2) zoon van Odysseus en Calypso.--3) stuurman van Theseus.

Nautaca, Nautaka, stad in het perzische gewest Sogdiana.

Nautii, patricisch geslacht, waarvan eenige leden in de oorlogen tegen Volscen, Aequers, Sabijnen en Samnieten voorkomen. Als hun stamvader gold Aeneas' tochtgenoot Nautes, die het trojaansche Palladium naar Italië overbracht.

Nautodikai, te Athene rechters in handelszaken (dikai emporon), tevens belast met de instructie bij de graphe xenias. Kort na 403 werden hunne bevoegdheden op de thesmotheten overgedragen.

Nava, thans Nahe, rivier, die bij Bingium (Bingen) in den Rijn valt.

Navalia, 1) een scheepswerf in Rome, aan den Tiber, aan het Campus Martius.--2) sterkte aan den mond van eene rivier in ons land, misschien aan den mond van de Fossa Drusiana.

Navius, zie Attii.

Naxus, Naxos, 1) het grootste eiland der Cycladen, om zijne vruchtbaarheid Klein-Sicilië genaamd, beroemd door zijn wit marmer en zijn wijn en aan Dionysus geheiligd (mythe v. Ariadne). Andere namen van het eiland zijn Dia en Strongyle. Als oudste bewoners komen Cariërs en Cretensers voor; later werd het eiland van Attica uit gekoloniseerd door Ioniërs. In 490 werd het door de Perzen te vuur en te zwaard verwoest. Het maakte vervolgens deel uit van het atheensche zeeverbond; doch toen het zich trachtte te verzetten, verloor het ± 467 zijne vrijheid en ook zijne beteekenis. In 376 werd de spartaansche vloot door den Athener Chabrias bij Naxus verslagen.--2) eerste grieksche kolonie op Sicilia, in 735 door euboeïsche Chalcidiërs gesticht, in 403 door Dionysius van Syracusae verwoest, waarna in 358 het overschot der verstrooide bevolking in de nabijheid eene nieuwe stad Tauromenium stichtte, thans Taormina.

Nazarius, rhetor in Gallia, ten tijde van Constantijn den Grooten. Van hem is een panegyricus op Constantijn uit het jaar 321 over. De panegyricus uit 313, die wel eens aan hem wordt toegeschreven, is van Eumenius.

Nazianzus, Nazianzos of Nazianzos, stad in Cappadocia. Z. Gregorius no. 2.

Neaera, Neaira, nimf, bij Helius moeder van Phaëthusa en Lampetia.

Neaethus, Neaithos, rivier in Bruttium, bij Croton, waar de gevangene trojaansche vrouwen de grieksche schepen zouden in brand gestoken hebben.

Neandria, Neandria, Neandreia, aeolische stad in Troas. Hier is in de laatste jaren een tempel opgegraven, die om zijn eigenaardigen vorm en het daar gevonden (aeolische) kapiteel van groot belang is voor de kunstgeschiedenis.

Neanthes, Neanthes, van Cyzicus, tijdgenoot van Attalus I, schrijver van verscheiden door de ouden met lof vermelde werken over geschiedenis.

Neapolis, Neapolis, naam van niet minder dan 13 steden, terwijl bovendien een gedeelte van Syracusae dezen naam droeg. Het beroemdst is Neapolis in Campania, thans Napoli of Napels. De stad bestond uit twee afzonderlijk ommuurde deelen, Palaepolis en Neapolis, en heette Parthenope, voordat de Cymaeërs haar met eene kolonie bevolkten. Omstreeks 325 werd de stad door Samnieten in bezit genomen, in 290 werd zij rom. kolonie, later rom. municipium. Om zijne verrukkelijke ligging en zijne fijne grieksche beschaving lokte Neapolis een groot getal aanzienlijke Romeinen, zoodat de omtrek met buitenplaatsen bezaaid was, terwijl de warme bronnen er een druk bezochte badplaats van maakten. Romulus Augustus, de laatste keizer van het westrom. rijk, overleed hier.

Nearchus, Nearchos, 1) Athener, in 340 als gezant naar Macedonië gezonden.--2) zoon van Androtimus, door Philippus uit Macedonië verbannen, maar na diens dood teruggeroepen door Alexander, met wien hij reeds als kind bevriend was geweest. Hij ging met Alexander naar Azië en werd satraap van Lycië en Pamphylia. Ook vergezelde hij den koning naar Indië en voerde hij het bevel over de vloot, die den weg van den Indus tot den Euphraat onderzocht (325); zijne beschrijving van dezen tocht is door lateren dikwijls gebruikt. Een voorgenomen tocht om de kasten van Arabië en Africa te onderzoeken bleef door den dood van Alex. onuitgevoerd. N. schijnt later bevelhebber over de vloot gebleven te zijn en tot de partij van Antigonus behoord te nebben.--3) pythagoreïsch wijsgeer, na de inneming van Tarentum vriend en leermeester van den ouden Cato.

Nebrodes montes, Neurode ore, bergketen op Sicilia, die zich langs de Noordkust van de straat van Messina tot aan de helft van het eiland voortzet.

Nebucadrezar, Nabokodrosoros, zoon en opvolger van Nabopolassar, koning van Babylonië (605-562). Hij verdreef de Aegyptenaars, die onder koning Necho reeds tot den Euphraat doorgedrongen waren, bijna uit geheel Azië, veroverde Syrië, Judaea en Tyrus, bevorderde handel en beschaving en versterkte en verfraaide Babylon.

Necho, Nekos, zoon en opvolger van Psammetichus, koning van Aegypte (610-595). Hij liet door Phoeniciërs een zeetocht om de kusten van Africa doen en begon den aanleg van een kanaal, dat de Middellandsche zee met de Arabische golf moest verbinden. Ook onderwierp hij Syrië, Judaea en Phoenicië, maar op zijne verdere tochten tegen Mesopotamië werd hij door Nebucadrezar verslagen, zoodat hij bijna al het veroverde land in Azië weder verloor.

Nectanabis, Nektanabis, -tanebos, 1) de vierde koning van Aegypte, nadat dit land zich onder de regeering van Artaxerxes II van Perzië onafhankelijk gemaakt had. Hij wist zich staande te houden tegen het groote leger, dat Artaxerxes omstreeks 380 onder Pharnabazus en Iphicrates gezonden had om Aegypte weder te onderwerpen.--2) N. II, stond op tegen zijn neef Tachos, den zoon en opvolger van den vorigen, en maakte zich met behulp van Agesilaus van de regeering meester (360). Aanvankelijk verdedigde hij zich met goed gevolg tegen Perzië, maar toen hij meende ook zonder grieksche generaals zelf den oorlog te kunnen voeren, was hij tegen de perzische troepen onder Mentor niet bestand. Toen zijne zaak hopeloos stond, vluchtte hij naar Aethiopië (344). Hiermede eindigde de zelfstandigheid van Aegypte.

Nectar, nektar, godendrank, z. Ambrosia.

Neda, Neda, grensriviertje tusschen Messenia en Triphylia.

Nedon, Nedon, kustrivier in oostelijk Messenië, stroomt in de Messeensche golf uit.

Nefasti (dies), in den rom. kalender met de letter N aangeduid, zijn dagen bestemd voor offers of godsdienstige handelingen. Het zijn dus de zelfde dagen als de dies festi (z. festi (dies)). Zie ook fasti (dies).

Neïon, Neïon, een gedeelte van het gebergte Neritum, op Ithaca.

Neïth, Neith, aegyptische godin, vooral te Saïs vereerd, door de Grieken met Athena geïdentificeerd. Zij wordt voor eene personificatie der grondstof van het heelal of voor eene godin van het vuur gehouden, v. a. is zij de zelfde als Isis. Hare beelden hebben dikwijls eene giere- of leeuwekop. Bij haar jaarlijksch feest brandde men in ieder huis in Aegypte een lamp met olie en zout gevuld.

Nekromanteion, Nekyom., plaats, waar een doodenorakel is. Door offer en gebed riep men de dooden op, waarna men ging slapen en meende dat de opgeroepene in den droom zou verschijnen om het gevraagde orakel te geven, of door middel van een priester liet men den doode ondervragen. De bekendste plaatsen waren te Ephyra aan de rivier de Acheron in Epirus, bij Heraclea Pontica, te Cumae in Italië, bij Magnesia aan den Maeander en bij Hierapolis in Phrygia.

Nekysia, Nemeseia, algemeene gedenkdag der dooden, te Athene de 5de Boëdromion, dus = Genesia.

Neleïades, Neleiades, Nestor en Antilochus, zoon en kleinzoon van Neleus.

Neleus, Neleus, 1) zoon van Poseidon en Tyro. Hij en zijn tweelingbroeder Pelias werden te vondeling gelegd en door herders opgevoed, terwijl Tyro met Cretheus, koning van Iolcus, huwde. Later vernamen de broeders hunne afkomst, en na den dood van Cretheus geraakten zij in twist over de opvolging, waarvan het gevolg was dat N. naar Messenië trok, waar zijn oom Aphareus hem de regeering over Pylus schonk. Toen Heracles na den moord van Iphitus bij N. kwam met het verzoek hem van zijne schuld te reinigen, weigerde deze hem dit; daarom trok Heracles later tegen hem op en doodde hem met al zijne zonen behalve Nestor. V. a. stierf hij te Corinthe, nadat hij een gelukkigen oorlog tegen de Epeërs gevoerd had.--2) zoon van Codrus, door zijn broeder Medon uit Attica verdreven, stichter van Miletus e. a. ionische steden.

Nelides, Neleides = Neleïades.

Nemausus, Nemausos, thans Nîmes, belangrijke stad der Volcae Arecomici, in Gallia Narbonensis. Er worden nog belangrijke overblijfselen van rom. bouwkunst aangetroffen: een tempel met corinthische zuilen (maison carrée; een afbeelding vindt men onder Templum), een waterleiding op drie rijen bogen boven elkander rustende (Pont du Gard), een gedeelte van een amphitheater, enz. Onder de keizers was N. eerst eene rom. kolonie met het ius Latii, later een rom. burgerkolonie.

Nemea, Nemea, 1) dal in Argolis tusschen Cleonae en Phlius, waar Heracles den leeuw versloeg en waar de nemeïsche spelen werden gehouden. De bevolking is van dryopischen stam.--2) rivier op de grens van Sicyon en Corinthia.

Nemea, Nemea, Nemeia, de nemeïsche spelen, ingesteld ter nagedachtenis van Archemorus (z. a.), later ter eere van Zeus Nemeaeus om de twee jaar onder voorzitterschap der Cleonaeërs of Argiven in het dal Nemea, later in Argos, gevierd. Zij bestonden uit de gewone wedstrijden in loopen, rijden, worstelen, gymnastiek, poëzie en muziek; de prijs der overwinning was een krans van eppe- of van olijftakken. Als nationaal feest kregen zij eerst in de 6de eeuw, sinds 573, eenige beteekenis.

Nemesianus (M. Aurelius Olympius), rom. dichter uit de 3de eeuw na C., geboren te Carthago. O. a. schreef hij een leerdicht over de jacht, Cynegetica, waarvan nog een gedeelte over is.

Nemesis, Nemesis, dochter van Nyx, godin der gerechtigheid, die aan ieder mensch loon naar werken geeft, vooral eene wrekende godin, die trotschheid, overmoed en over het algemeen het overschrijden van de aan de menschelijke natuur gestelde grenzen straft. Zij wordt gewoonlijk afgebeeld met vleugels, met strenge en ernstige gelaatstrekken, en met een toom, zwaard of geesel in de hand. Beroemd was haar kolossaal beeld te Rhamnus, door Agoracritus (z. a.) gemaakt.

Nemetacum, hoofdstad der Atrebates in Belgica, thans Atrecht of Arras.

Nemetae of -tes, germaansch volk op den linker Rijnoever, met de hoofdstad Noviomagus (Spiers). De Nemetae, Triboci en Vangiones woonden reeds ten tijde van Caesar op den linker Rijnoever, en worden genoemd als hulptroepen van Ariovistus.

Nemetocenna = Nemetacum.

Nemetum, Nemossos, z. Augustonemetum.

Nemorensis lacus, zie Aricia.

Nemossus, Nemossos, z. Augustonemetum.

Neniae = naeniae.

Neobule, Neoboule, z. Archilochus.

Neocaesarea, Neokaisareia, groote en prachtige hoofdstad van Pontus Polemoniacus, aan den Lycus.

Neocles, Neokles, vader van Epicurus, ging met atheensche cleruchen naar Samus, waar hij eene school hield.

Neodamodeis, van staatswege vrijgelaten heloten. Zij waren tot den krijgsdienst verplicht en werden na den peloponnesischen oorlog vooral voor krijgstochten naar Azië gebruikt.

Neokoros, opzichter van een tempel, oorspronkelijk een tempeldienaar van minderen rang, belast met het onderhouden van den tempel en de tempelgoederen. Later was het een aanzienlijke eerepost, en in den keizertijd stelden geheele steden in het Oosten er een eer in zich neokoroi, van den tempel des keizers te mogen noemen.

Neon, Neon, oude stad in Phocis aan den Parnassus, eerst door Xerxes verwoest, doch door de inwoners op eenigen afstand herbouwd en Tithorea genoemd naar den nabijgelegen bergtop van dien naam. In den heiligen oorlog werd ook deze stad verwoest, doch ook weder opgebouwd.

Neontichus, Neon teichos, 1) aeolische stad op de kust van Mysia, aan den Hermus.--2) kasteel op de thracische kust aan de Propontis, nabij de Chersonesus.

Neophron, Neophron, van Sicyon, dichter van 120 treurspelen, waarvan slechts weinige fragmenten bewaard zijn. Euripides zoude in zijne Medea een gelijknamig stuk van N. tot voorbeeld genomen hebben; in werkelijkheid is het juist andersom, zooals blijkt uit de fragmenten, die onlangs van zijne Medea teruggevonden zijn.

Neo-platonici, eene school van wijsgeeren die sedert de 3de eeuw na C. bloeide. Zij trachtten door wijsgeerige bespiegeling aan den ouden godsdienst steun te geven tegen de meer en meer uit het Oosten indringende godsdiensten. Zij sloten zich voornamelijk bij de leer van Plato aan, doch waren ook onder den invloed van andere oudere en nieuwere wijsgeeren; zelfs waren er, die beweerden dat de leer van Plato en van Aristoteles in den grond der zaak dezelfde was. Voor een deel maakten zij hunne wijsbegeerte onmiddellijk dienstbaar aan de bestrijding van het Christendom (syrische school), lateren hielden zich voornamelijk bezig met het verklaren der werken van Plato en Aristoteles (atheensche school). De stichter der oorspronkelijke (alexandrijnsch-rom.) school was Ammonius Saccas, wiens leerling Plotinus het stelsel in zijne geschriften uitvoerig verklaarde; van de syrische school is de voornaamste vertegenwoordiger Iamblichus, van de atheensche Proclus.

Neoptolemus, Neoptolemos, 1) oorspronkelijk Pyrrhus geheeten, zoon van Achilles en Deidamea, werd bij zijn grootvader Lycomedes opgevoed, en na den dood van Achilles naar Troje gehaald, omdat voorspeld was, dat zonder hem de stad niet genomen konde worden. Met zijne komst wordt de oorlog als het ware vernieuwd, vandaar de naam N. Hij is even dapper als zijn vader, maar ruw en hardvochtig; met het houten paard komt hij in de stad, doodt Polites voor de oogen van diens vader, daarna verslaat hij Priamus zelf bij het altaar van Zeus, hij werpt Astyanax van den muur en offert Polyxena op het graf van zijn vader. Bij het verdeelen van den buit krijgt hij Andromache (z. a.). In Phthia teruggekomen, huwt hij niet Hermione. V. a. had zich Acastus gedurende zijne afwezigheid van de regeering over Phthia meester gemaakt, daarom ging N. van Troje naar Epirus en vestigde zich daar; eerst later ging hij naar Phthia terug, waar hij Peleus de regeering teruggaf, terwijl hij zijn land in Epirus aan Helenus overliet. Kort na zijn huwelijk met Hermione (z. a.) werd hij te Delphi gedood; hij werd in den tempel begraven en als heros vereerd; zijn schim streed met de Delphiërs tegen de Galliërs, die gekomen waren om den tempel te plunderen.--2) een van de schuldigen aan den dood van Philippus van Macedonië, vluchtte bij de troonsbestijging van Alexander d. G. naar Azië en sneuvelde bij de verdediging van Halicarnassus tegen Alexander.--3) werd koning van Epirus, toen Pyrrhus door Cassander verdreven was (302), toen deze echter door Ptolemaeus Lagi teruggebracht werd, moest N., die om zijne wreedheid gehaat was, wijken; kort daarna trachtte hij Pyrrhus te dooden, maar deze voorkwam hem en liet hem zelven uit den weg ruimen (296).

Nepet, Nepete, stad in het Z. van Etruria, kort na de inneming van Veii latijnsche kolonie, later municipium.

Nephele, Nephele, 1) de onsterfelijke gemalin van Athamas (z. a.), later door hem verstooten, moeder van Phrixus en Helle.--2) z. Ixion.

Nepheleis, Helle, dochter van Nephele.

Nepos, bijn. van Metelli in de gens Caecilia (Caecilii no. 14 en 16).

Nepos (Cornelius), zie Cornelii no. 58.

Neptunine, Thetis, kleindochter van Neptunus.

Neptunius mons, het oostelijk gedeelte der Nebrodes montes op Sicilia, bij Messana.

Neptunus, god van het water en van alle vochtigheid van den bodem, later god der zee, aanvankelijk te Rome weinig vereerd. Eerst door griekschen invloed werd zijn dienst meer algemeen, hij werd nu met Poseidon geïdentificeerd en voornamelijk als god van paarden en ruiterlijke oefeningen (N. equester) beschouwd. Hij had een tempel in den Circus Flaminius, zijn feest, de Neptunalia, werd den 23sten Juli te Rome of te Ostia gevierd. Op dit feest, dat nog in den christelijken tijd voorkomt, bouwde men loofhutten, umbrae, skiades. Zie ook Consus.

Nequinum, oude naam van Narnia.

Neratii, een plebejisch geslacht, waarvan een paar leden onder de regeering van Traianus en Hadrianus als mannen van invloed voorkomen.

Nereides, Nereides, Nereïdes, 50 of 100 dochters van Nereus en Doris (vandaar ook Dorides), nimfen der zee, vooral der Aegaeïsche zee, op welker bodem zij eene grot bewonen, die als zilver schittert en waar alles van goud of zilver is. Zij zijn goede en hulpvaardige zeegodinnen, die de schippers in den nood bijstaan. Men beeldde ze af als schoone jonkvrouwen, weinig of niet gekleed, dikwijls met dolfijnen of andere zeemonsters tot bevallige groepen vereenigd.

Nereine, Nereine, Thetis, dochter van Nereus.

Nereius, Achilles, kleinzoon van Nereus.

Nereus, Nereus, zoon van Pontus en Gaea, een god der zee, in het bizonder der Aegaeïsche zee, waar hij met zijne dochters, de Nereïden, woont. Hij is een vriendelijk grijsaard, die allerlei gedaanten kan aannemen en de toekomst kan voorspellen, ofschoon hij niet altijd geneigd is vragen daaromtrent te beantwoorden; Heracles moest hem in den slaap overvallen, om hem te dwingen de ligging van den tuin der Hesperiden te openbaren. Hij wordt soms afgebeeld met het lichaam van een visch, waaraan alleen hoofd en armen menschelijk zijn, en gewoonlijk met zeewier in plaats van haar.

Nericus, Nerikos, oude hoofdst. v. Leucadia.

Nerigos, verkeerde lezing voor Berrice, een groot eiland waarschijnlijk aan de Westkust van Schotland.

Nerii, een plebejisch geslacht, onbelangrijk.

Nerio, -ria, -riene, gezellin van Mars, later als zijn gemalin beschouwd.

Neritum, -us, Neriton, -os, berg aan de Westzijde van Ithaca. Neritius dux = Ulysses.

Nero, familienaam in de gens Claudia (Claudii no. 22-27, 29).

Nero, rom. keizer 54-68 na C., zoon van Cn. Domitius Ahenobarbus en Agrippina, de dochter van Germanicus. Hij heette eigenlijk L. Dom. Ahenob., doch toen zijne moeder met haar oom keizer Claudius huwde (zie over deze verwantschap het art. Iulii op het einde), werd hij door zijn stiefvader als zoon aangenomen en heette nu Nero Claudius Caesar Augustus Germanicus. Na de vermoording van Claudius deed Agrippina met behulp der praetorianen haren 17-jarigen zoon den troon bestijgen ten koste van zijn stiefbroeder Britannicus. In de eerste 5 jaar regeerde Nero onder de leiding van zijn leermeester L. Annaeus Seneca en van A. Afranius Burrus, praefectus praetorio, als een goed vorst. Daarna echter gaf hij zich teugelloos over aan wellust, bloeddorst en dwaasheden. Britannicus werd op zijn last omgebracht, evenzoo zijne deugdzame gemalin Octavia en zijne heerschzuchtige moeder (59). Hij huwde toen de schoone, doch zedelooze Poppaea Sabina, die hem door haar man M. Salvius Otho (later keizer) werd afgestaan. Den brand, die een groot deel van Rome in de asch legde (64 n. C.), bezigde hij als voorwendsel om eene gruwelijke vervolging der Christenen te beginnen. De samenzwering van Calpurnius Piso (Calpurnii no. 12) kostte door hare ontdekking een aantal aanzienlijke en brave mannen het leven (65), ook Seneca en de dichter Lucanus werden er in betrokken. De prachtige herbouw van Rome, de bouw van het paleis met gouden dak (domus aurea Neronis) en de dolzinnigste feesten en slemppartijen verslonden schatten, terwijl de keizer zijne waardigheid door het slijk sleurde door in het openbaar als wagenmenner, tooneelspeler en zanger op te treden, ja zelfs eene kunstreis te doen door Griekenland (66). Eindelijk barstte er in Gallia een opstand uit onder Julius Vindex, in Hispania onder Ser. Sulpicius Galba. Door de zijnen verlaten, door den senaat vogelvrij verklaard, liet Nero, toen hij geen uitweg meer zag, zich door een slaaf doorsteken. De algemeene vervloeking vervolgde hem nog na zijn dood.

Neronia, zie Artaxata.

Nerthus, germaansche godin, die op een eiland in de Oostzee vereerd werd. Haar dienst vormde het sacrale middelpunt voor de in de nabijheid wonende volkeren, de Reudigni, Aviones, Anglii, Varini, Eudoses, Suardones en Nuithones.

Nerulum, Neruli, stad in het Z. van Lucania aan de via Popilia.

Nerva, familienaam in de gentes Cocceia, Licinia (Licinii no. 33), Silia (Silii no. 2 en 4).

Nerva (M. Cocceius), uit Narnia in Umbria, rom. keizer 96-98 na C., leefde te Rome onder de regeering van Nero en diens opvolgers. Onder Domitianus is hij een korten tijd verbannen geweest. Na den moord van D. werd N. tot keizer uitgeroepen. Door een verstandig bestuur won hij de gunst der burgers. Hij heeft de finantiën van den staat, die zeer in de war waren, geregeld, en drukkende belastingen afgeschaft of verminderd. Hij heeft het forum Nervae transitorium met den tempel van Minerva, reeds door Domitianus begonnen, afgemaakt, en daaraan zijn naam gegeven. Om zijne hooge jaren en zijn zwak gestel nam hij den voortreffelijken M. Ulpius Traianus, die toen legatus van Germania superior was, tot zoon en opvolger aan. Hij stierf na eene regeering van anderhalf jaar (Jan. 98).

Nervii, belgisch volk aan den Sabis (Sambre) in het tegenw. Henegouwen en Namen met de hoofdstad Bagacum (Bavay). Zij konden 50000 gewapenden in het veld brengen en brachten Caesar zeer in het nauw, doch werden in een wanhopigen strijd bijna geheel uitgeroeid. Zij beweerden, misschien niet ten onrechte, van de Germanen af te stammen.

Nesactium of Nesartium, stad in Istria, in 177 door de Romeinen onder den consul C. Claudius Pulcher (Claudii no. 10) veroverd en verwoest, later herbouwd.

Nesiotes, Nesiotes, atheensch beeldhouwer, ouder tijdgenoot van Phidias. Met zekeren Critias of Critius maakte hij een nieuw gedenkteeken voor Harmodius en Aristogiton, nadat het oude door Xerxes medegenomen was.

Nesis, Nesis, bekoorlijk eilandje bij Pausilypum (Posilippo), op de kust van Campania.

Nessonis, Nessonis, meer in Thessalia, ten O. der stad Larissa.

Nessus, Nessos, z. Heracles.

Nessus, Nessos = Nestus.

Nestor, Nestor, zoon van Neleus en Chloris, koning van Pylus. Hij onderscheidde zich in den oorlog van zijn vader tegen de Epeërs; toen Heracles zijne broeders doodde, bleef hij alleen gespaard, daar hij zich toen bij de Gereniërs bevond. Ook beoorloogde hij de Arcadiërs, hielp de Lapithen in hun oorlog tegen de Centauren, en nam deel aan de calydonische jacht en den Argonautentocht. Op hoogen leeftijd, toen hij reeds twee menschengeslachten had zien voorbijgaan, trok hij mede naar Troje, waar hij zich nog als dapper held gedroeg, maar vooral invloed had door zijn wijze raadgevingen, zijn rijpe ervaring en zijne innemende welsprekendheid. Na afloop van den oorlog keerde hij gelukkig naar Pylus terug, waar hij zijn verder leven genoeglijk doorbracht.

Nestus, Nestos, rivier in Thracië, die op het Rhodope gebergte ontspringt en bij Abdera in zee valt. Sedert Philippus vormt de Nestus de grens tusschen Macedonië en Thracië.

Netum, Neeton, stad in het gebied van Syracusae en ten Z.W. daarvan gelegen.

Neuri, Neuroi, volk aan de bronnen van den Tyras (Dniëstr) en den Hypanis (Bug). Zij konden tooveren en zich in wolven veranderen.

Nexum of Nexus, in het algemeen plechtig aangegane verbintenis; in engeren zin het aangaan eener schuld per aes et libram, waarbij de schuldenaar zijn lijf verpandde. Terwijl de addicti (z. ald.) ten gevolge van een rechterlijk vonnis aan den schuldeischer worden toegewezen, is dit bij de nexi niet het geval. De nexus kon door den schuldeischer gedwongen worden voor hem te werken servi loco; hij mocht echter niet verkocht of ter dood gebracht worden. Het nexum werd afgeschaft door de lex Poetelia Papiria van 326. Echter wordt de addictus dan ook wel eens nexus (of vinctus) genoemd.

Nicaea, Nikaia, dochter van Antipater no. 1, na Alexander's dood eenigen tijd met Perdiccas gehuwd, later gemalin van Lysimachus.

Nicaea, Nikaia, naam van verschillende steden. 1) stad in Bithynia aan het meer Ascania. Zij was door Antigonus gesticht op de plaats van het vroegere Ancore, en Antigonea genoemd; Lysimachus vergrootte ze en gaf er naar zijne gemalin den naam Nicaea aan. Zij was eene van de residenties der bithynische koningen en eene drukke handelsplaats. In 325 na C. werd hier de eerste christelijke kerkvergadering gehouden, waarop de leer van Arius veroordeeld werd.--2) stad op de indische grenzen aan den Hydaspes, door Alex. d. Gr. gesticht ter eere zijner overwinning op Porus.--3) aan den Caucasus Indicus (Hindoe-Koh) = Cabura.--4) locrische vesting, die den bergpas der Thermopylae beheerschte.--5) volkplanting van Massilia, op de ligurische kust, thans Nizza.

Nicander, Nikandros, van Colophon, grammaticus, dichter en geneesheer, van wien nog twee geneeskundige leerdichten bewaard zijn. Zijn voornaamste werk, de Heteroioumena, is door Ovidius in zijne Metamorphosen veel nagevolgd. Hij leefde in het midden der 2de eeuw.

Nicanor, Nikanor, 1) zoon van Parmenion, veldheer onder Alexander d. G., streed aan het hoofd der hypaspistai bij den Granicus, bij Issus en Gaugamela; hij stierf in 330.--2) stadhouder van Alexander in Indië. In de twisten na den dood van Alexander hield hij de zijde van Antigonus.--3) van Stagira, bevelhebber der vloot onder Alexander; na diens dood mengde hij zich in de oorlogen tusschen zijne veldheeren, eindelijk werd hij op bevel van Cassander verraderlijk gedood.--4) van Alexandria, grieksch grammaticus ten tijde van Hadrianus, die vooral over de leer der interpunctie (stigme) schreef, waarom men hem schertsend stigmatias (gebrandmerkte) noemde.

Nicarchus, Nikarchos, naam van twee grieksche epigrammendichters.

Nicephorium, Nikephorion, sterke vesting in Mesopotamia aan den Euphraat, ten Z. van Edessa, door Alex. den Gr. of door Seleucus I aangelegd.

Nicephorius, zijtak van den Chaboras, stroomde dicht langs Tigranocerta.

Nicephorus, Nikephoros, bijnaam van Zeus als god der overwinning.

Nicer, zijtak van den Rijn, thans Neckar.

Niceratus, Nikeratos, 1) zoon van Nicias no. 1, rijk en aanzienlijk Athener, werd door de 30 gedood.--2) zoon van Euctemon, van Athene, beroemd beeldhouwer uit de eerste helft der tweede eeuw, die vooral te Pergamum werkzaam was.

Nicias, Nikias, 1) zoon van Niceratus, reeds vroeg gunstig bekend als veldheer, kwam na den dood van Pericles aan het hoofd der oligarchische of der gematigd democratische partij, die vrede met Sparta wenschte. Hij was zeer rijk en mild, bovendien zeer eerlijk en bedachtzaam, daarom genoot hij het volle vertrouwen van het volk, maar zijne besluiteloosheid en gemis aan zelfstandigheid beletten hem eenigen invloed uit te oefenen, bovendien was hij zeer bijgeloovig en liet hij zich geheel beheerschen door priesters en waarzeggers. In het begin van den peloponnesischen oorlog streed hij meermalen met geluk, het was echter voor zijn roem schadelijk, dat hij de inneming van Sphacteria aan Cleon (z. a.) overliet. Na Cleon's dood werd vooral door zijn toedoen een vrede (vrede van N.) gesloten, welks voorwaarden echter door verschillende omstandigheden nooit ten volle vervuld werden. Hoewel hij zich met alle macht tegen de onderneming naar Sicilië verzette, werd hij met Alcibiades en Lamachus aan het hoofd ervan gesteld (415), en daar Alcibiades terstond teruggeroepen werd en Lamachus spoedig sneuvelde, had hij alleen de leiding van de zaken in handen. Het mislukken der onderneming is dan ook, hoewel hem misschien inderdaad de middelen ontbraken, om haar tot een goed einde te brengen, toch ook voor een groot deel aan zijne besluiteloosheid te wijten; zelfs van de voordeelen, die hij behaalde, verzuimde hij partij te trekken, en toen hem eindelijk op zijn dringend verzoek uit Athene versterking onder Demosthenes gezonden werd, verzette hij zich tegen de plannen van dezen, en liet hij uit bijgeloovige vrees voor een maansverduistering (27 Aug. 413) het juiste oogenblik voor den aftocht voorbijgaan, zoodat aan het leger na het verlies van de geheele vloot ten slotte niets anders overbleef dan over land af te trekken. Na een marsch van weinige dagen, waarbij zij honger, dorst en herhaalde aanvallen der vijanden te verduren hadden, moesten zij zich overgeven; het geheele leger werd gevangen genomen, en beide veldheeren werden ter dood gebracht.--2) rhetor te Thurii, leeraar van Lysias.--3) Athener, een van de beroemdste grieksche schilders, tijdgenoot van Alexander d. G.; Praxiteles liet zijne mooiste marmerwerken door hem beschilderen; dit gebeurde door encaustiek (z. encaustica); vele van zijne werken vond men later te Rome.--4) lijfarts van koning Pyrrhus, die aan Fabricius aanbood den koning voor geld te vergiftigen.--5) van Miletus, geneesheer en epigrammendichter, vriend van Theocritus.--6) Nic. Curtius, van Cos, grammaticus, vriend van Cicero, Dolabella en Pompeius.

Nicochares, Nikochares, atheensch blijspeldichter uit het overgangstijdperk, jonger tijdgenoot van Aristophanes.

Nicocles, Nikokles, 1) zoon en opvolger van Euagoras I, regeerde over Salamis op Cyprus 374-360.--2) koning van Salamis ten tijde van Alexander d. G., ook Nicocreon genoemd.--3) vorst van Paphus, die tot de partij van Antigonus behoorde, leed de nederlaag tegen een leger van Ptolemaeus en werd met zijne familie gedood (310).

Nicocreon, Nikokreon, z. Nicocles no. 2 en Anaxarchus.

Nicolaus, Nikolaos, van Damascus, grieksch geschiedschrijver, vriend van Herodes d. G., onderwijzer van de kinderen van Antonius en Cleopatra. Hij schreef, behalve verscheiden kleinere werken, een zeer uitgebreide algemeene geschiedenis, waarvan betrekkelijk weinig bewaard gebleven is.

Nicomachus, Nikomachos, 1) zoon van Machaon en Anticlea, regeerde met zijn broeder Gorgasus over Pherae. Beiden waren ook bekwame geneesheeren en kregen als zoodanig na hun dood een tempel, waar zij als heroën vereerd werden.--2) schrijver (grammateus) te Athene, wien tegen het einde van den peloponnesischen oorlog werd opgedragen een duidelijk of verbeterd afschrift van de wetten van Solon te maken. Wegens misbruiken, in die betrekking gepleegd, werd hij later aangeklaagd door iemand, voor wien Lysias de pleitrede schreef.--3) van Stagira, lijfarts van Amyntas II, vader van Aristoteles; ook een zoon van Aristoteles heette N.--4) treurspeldichter, die eens in den tragischen wedstrijd eene overwinning op Euripides behaalde.--5) van Thebe, beroemd schilder op het einde der vierde eeuw, zoon en leerling van Aristodemus. Sommige van zijne werken werden later naar Rome overgebracht.--6) van Gerasa, wiskundige omstreeks 100 na C., van wien nog een werk over rekenkunde en een over muziek bestaan. Hij hield zich ook met wijsbegeerte bezig en was een aanhanger der nieuw-pythagoreïsche school.

Nicomedea, Nikomedeia, hoofdst. van Bithynia aan de golf van Astacus, in 264 door Nicomedes I gesticht op de plaats van het oude Astacus (z. a.), later een geliefkoosd verblijf van Diocletianus en van Constantijn den Gr. Hannibal bracht zich hier in 183 door vergif om het leven; de geschiedschrijver Arrianus werd er ± 90 na C. geboren.

Nicomedes, Nikomedes, 1) zoon van Zipoetes, verdreef met de hulp der Galliërs zijn broeder, die hem de regeering over Bithynië betwistte en stichtte Nicomedea; hij regeerde 281-246.--2) Nic. II Epiphanes (149-128/115) doodde zijn vader Prusias en regeerde wreed; hij was geheel van de Rom. afhankelijk.--3) Nic. III Euergetes, opvolger van den vorigen, moest in 95 Paphlagonia en Cappadocia aan Mithradates afstaan en stierf kort daarna.--4) Nic. IV Philopator, werd door zijn stiefbroeder Socrates met hulp van Mithradates verdreven (91), maar door M.' Aquilius in 90 weder op den troon geplaatst, en liet zijn rijk bij testament aan de Rom. na (74).

Nicon, Nikon, van Tarentum, een van hen die deze stad aan Hannibal overgaven (212); bij de herovering door de Rom. sneuvelde hij dapper strijdend (209).

Niconia, Nikonia, -nion, stad in Scythia aan den Tyras (Dniëstr).

Nicophemus, Nikophemos, Athener, vriend en strijdmakker van Conon en gedurende diens afwezigheid zijn plaatsvervanger als bevelhebber over de vloot. Om onbekende redenen werd hij ter dood veroordeeld.

Nicopolis, Nikopolis, naam van onderscheidene steden. 1) prachtige stad in het Z. van Epirus aan de invaart der Ambracische golf, door Augustus gesticht ter nagedachtenis aan zijne overwinning bij Actium. Voor de spelen die daar om de 4 jaar plaats hadden, zie Actia.--2) stad in Thracia aan den Nestus.--3) stad in Moesia inferior aan den N.-kant van den Haemus, door Traianus gesticht ter herinnering aan een overwinning op de Daciërs (102), dicht bij het tegenwoordige Tirnova.--4) stad in Armenia minor aan den Lycus, gesticht door Pompeius ter eere van zijne overwinning op Mithradates (65).--5) stad in de Nijldelta nabij Alexandria, door Augustus aangelegd.

Nicosthenes, Nikosthenes, fabrikant en schilder van vazen in zwartfigurigen stijl; hij hoort tot den overgangstijd (laatst van de 6de eeuw); er zijn ook enkele roodfigurige vazen uit zijne fabriek of van zijne hand bewaard gebleven.

Nicostratus, Nikostratos, 1) zoon van Menelaus en Piëris.--2) atheensch veldheer in den peloponnesischen oorlog, streed op Corcyra en in Argolis.--3) bevelhebber van een troep argivische huurlingen onder Artaxerxes Ochus.

Niger (C. Pescennius), zie Pescennius Niger (C.).

Nigidius Figulus (P.), een zeer geleerd vriend van Cicero en een beoefenaar der pythagoreïsche wijsbegeerte, ervaren in astrologie en divinatio. Hij schreef verschillende werken: de extis, de auguriis, de diis e.a. Caesar verbande hem (46).

Nilus, Neilos, de bekende riv. de Nijl, waaraan Aegypte zijne vruchtbaarheid te danken heeft. Bij Homerus draagt hij den naam Aegyptus (ho Aigyptos). Hij had zeven mondingen of ostia (stomata): Pelusiacum, Taniticum, Mendesium, Phatniticum, Sebennyticum, Bolbitinum en Canobicum. De laatste werd ook wel ostium Heracleoticum of Naucraticum geheeten. Deze Nijlarmen waren door een net van kanalen verbonden, terwijl nog weer andere kanalen in zee uitliepen.

Niniveh, stad = Ninus.

Ninnii, plebejisch geslacht uit Campania. Er komt een volkstribuun L. Ninnius Quadratus voor als hevig tegenstander van P. Clodius Pulcher, den vijand van Cicero.

Ninus, Ninos, de mythische stichter van het assyrische rijk, wien de verovering van Babylonië, Medië, Klein-Azië en Batrië en de stichting van Niniveh toegeschreven worden. Hij stierf na een regeering van 52 jaar en werd opgevolgd door Semiramis, die hij kort te voren tot vrouw genomen had.

Ninus, Ninos, hoofdst. van het oud-assyrische rijk, ook Niniveh geheeten, aan den rechteroever van den Tigris gelegen, tegenover de tegenw. stad Mossoel. De stichting wordt toegeschreven aan Ninus en Semiramis; in 606 werd het door Cyaxares en Nabopolassar, koningen van Medië en Babylonië, in den opstand tegen het assyrische rijk ingenomen en verwoest. De Grieken hebben het dus nooit gekend (zie Mespila), en hoewel Niniveh ongetwijfeld groot en sterk is geweest, zijn toch waarschijnlijk de berichten overdreven, die er eene stad van 480 stadiën (16 uren gaans, evenals Babylon) in omtrek van maken. Er bleef in verloop van tijd van Niniveh geen spoor over (in den keizertijd wordt de stad echter wederom vermeld), totdat in 1843 na C. de fransche consul te Mossoel, de heer Botta, en van 1845 tot '47 de Engelschman Layard door opgravingen in den omtrek van Mossoel, Khorsabad en Nimroed een schat van bouw- en kunstwerken aan het licht brachten met allerbelangrijkste opschriften in spijkerschrift, waardoor de oud-assyrische geschiedenis voor een aanzienlijk gedeelte ontsluierd is. Niniveh bestond, zooals uit de opgravingen is gebleken uit drie steden, die dicht bijeen lagen, 1º. het eigenlijke Niniveh, het Mespila van Xenophon; 2º. Kalach--het Larissa door Xenophon genoemd, tgw. Nimroed; 3º. een stad ten N. van Niniveh, Dur-Sarrakin geheeten.

Ninyas, Ninyas, zoon van Ninus, z. Semiramis.

Niobe, Niobe, 1) dochter van Phoroneus en Laodice, bij Zeus moeder van Argus en Pelasgus.--2) dochter van Tantalus en Taygete of Dione, gemalin van Amphion. Trotsch op haar talrijk en bloeiend kroost--zij had 7 zonen en 7 dochters (bij Homerus 6 z. en 6 d.), allen door schoonheid uitmuntend--durfde zij beweren dat haar meer eer toekwam dan aan Leto, die slechts twee kinderen ter wereld had gebracht. Om haar voor dezen overmoed te straffen, doodden Apollo en Artemis al hare kinderen op denzelfden dag. N. zelve versteende van smart of werd na lang rondzwerven door Zeus op haar gebed in een rots veranderd. Zoo staat zij nog op de hoogten van den Sipylus, steeds tranen vergietend over het ondervonden leed.--De rots, die door de ouden voor de versteende Niobe gehouden werd, meent men dicht bij Magnesia gevonden te hebben.

Niphates, Niphates = sneeuwgebergte, bergketen in Armenia, ten N. van de meren Thospitis en Arsissa.

Nireus, Nireus, zoon van Charopus en Aglaia, na Achilles de schoonste der Grieken voor Troje.

Nisaea, Nisaia, haven van Megara, door lange muren, die door de Atheners in 460 gebouwd waren, met Megara verbonden.

Nisaei campi, Nisaion pedion, vruchtbare hoogvlakte in Media, bekend door het voortreffelijke nisaeische paardenras en de groote koninklijke stoeterijen.

Nisibis, Nisibis, oude en volkrijke stad aan den Mygdonius, in het N.O. van Mesopotamia (Mygdonia). Het was een stapelplaats voor den karavaanhandel, en werd onder de Seleuciden Antiochia Mygdonia genoemd. Als grensvesting speelde N. later een belangrijke rol in de oorlogen met de Parthen en het Nieuw-Perzische rijk.

Nisus, Nisos, 1) zoon van Pandion, broeder van Aegeus, koning van Megara, stichter van Nisaea. Toen Minos tegen Attica zou optrekken, verbond N. zich met Aegeus, en nadat deze overwonnen was, veroverde Minos ook Megara en belegerde hij Nisaea. Uit liefde voor den belegeraar trok Scylla, de dochter van N., haar vader een gouden of purperen haarlok uit, waarvan het behoud van zijn leven afhing; daarop stierf hij onmiddellijk en de stad werd veroverd, vgl. Comaetho. Hij werd in een zeearend veranderd en in deze gedaante vervolgt hij zijne dochter (z. Scylla) onophoudelijk.--2) zoon van Hirtacus, tochtgenoot van Aeneas, beroemd door zijn vriendschap voor Euryalus. Te zamen deden ze een nachtelijke aanval op het leger der Rutuliërs en sneuvelden na er een geduchte slachting aangericht te hebben.

Nisyrus, Nisyros, rotsachtig eiland met gelijknamige stad ten Z. van Cos, met warme baden. De bevolking was dorisch.

Nitiobriges, Nitiobriges, volksstam in Aquitania. Hoofdstad Aginnum (Agen) aan den Garumna.

Nitocris, Nitokris, 1) koningin van Babylonië, aan wie vele bouwwerken toegeschreven werden, die in werkelijkheid door Nebucadrezar uitgevoerd zijn, daarom wordt zij gewoonlijk voor de gemalin van dezen gehouden.--2) koningin van Aegypte, van wie verhaald wordt, dat zij, om haar broeder en voorganger, die door samenzweerders vermoord was, te wreken, de hoofdschuldigen tot een feest in een onderaardsche zaal noodigde, die zij vervolgens onder water liet zetten. Om aan de wraak van het volk te ontkomen, doodde zij zich zelve.

Nitrariae of Nitriae, Nitriai, groote sodameren in eene vallei (vallis Nitria) ten N. W. van Memphis gelegen.

Nixi (di), drie godheden, die hulp verleenden bij de geboorte, en wier knielende beelden op het Capitool te zien waren.

Nobiles of optimates heetten bij de Rom. die familiën, die het ius imaginum hadden, omdat hunne voorzaten curulische ambten hadden bekleed.

Nobilior, familienaam in de gens Fulvia (Fulvii no. 10-13).

Nola, Nola, belangrijke stad in Campania, ten N.O. van den Vesuvius. Marcellus behaalde hier in 215 eene overwinning op Hannibal. Hier is Augustus gestorven.

Nomen. De Grieken hadden geene geslachts- of familienamen. Het kind ontving één enkelen naam naar de keuze der ouders. Het eenige middel ter onderscheiding was, dat men den naam des vaders en in officieele stukken ook den naam van den demus er bij voegde, b. v. Demosthenes Demosthenous Paianieus, Theophrastos Theodorou. Bij de Rom. onderscheidde men vooreerst nomen of geslachtsnaam en praenomen, vóórnaam, b.v. P. Cornelius. De verschillende familiën van een zelfde geslacht onderscheidden zich door een derden naam of cognomen, als: Scipio, Cossus, Cinna, Sulla, Lentulus, Dolabella, enz. Soms vond men nog een vierden naam of agnomen, waardoor weder een tak der familie werd aangewezen, als: Africanus, Nasica. Bij adoptie nam de geadopteerde officieel het nomen gentilicium en het cognomen en dikwijls ook het praenomen van zijn adoptiefvader aan, doch voegde er dan een adjectief aan toe, aan zijn vroegeren geslachtsnaam ontleend, b.v. P. Licinius Crassus Mucianus, P. Cornelius Scipio Aemilianus Africanus minor. Gebeurde dit evenwel op eenigszins gevorderden leeftijd, dan werden zij ook dikwijls nog bij hun ouden naam genoemd. Vrijgelatenen namen vóór- en geslachtsnaam aan van hun vroegeren meester, terwijl zij als cognomen hun slavennaam behielden, als: P. Terentius Afer, de bekende dichter, vrijgelatene van P. Terentius Lucanus. Vrijgelatenen van steden vormden een nomen uit den naam der stad, b.v. P. Pisaurius Achilles (v. Pisaurum). Meisjes kregen geen naam, zij werden slechts aangewezen door een gentieladjectief, Cornelia, Tullia, enz.; soms voegde men er den naam van vader of echtgenoot bij. Zoo was Cicero's dochter Tullia Ciceronis, zijne vrouw Terentia Ciceronis. Had een vader slechts twee dochters, zoo noemde hij ze maior en minor; waren er meer, dan werden zij eenvoudig genummerd: prima, secunda, tertia, enz. Toch komen er in ouden tijd ook vrouwelijke voornamen voor, als: Aula, Lucia, Publia, Rutila, Caesellia e. a. Tegen het einde der rom. republiek kwam het in zwang, aan de meisjes twee adjectieven als naam te geven, hetzij beide aan de namen van den vader ontleend, als: Caecilia Metella, hetzij aan die der beide ouders, b.v. Valeria Attia, dochter van zekeren S. Attius Atticus en Valeria Sextina, hetzij aan andere familiebetrekkingen, als: Iulia Agrippina, Iulia Drusilla, Iulia Livilla, de drie dochters van Germanicus. Zeer zeldzaam zijn drie of vier namen, als: Livia Medullina Camilla, Lucia Baebia Sallustia Crescentilla. In den keizertijd begint het verschil tusschen nomen gentilicium en nomen familiae te slijten, en gebruikt men ze door elkaar. In de 3de en 4de eeuw n. Chr. komt naast de gewone namen het signum op, een soort herkenningsteeken, of clubnaam, die eerst vooral tusschen ambtenaren een soort band vormt, en later den eigenlijken naam verdringt. Het zijn meest groepnamen op ius en ia, van latijnsche en grieksche woorden afgeleid, b.v. Gaudentius van gaudens, Asterius van aster. De personen hiermede bedoeld, behooren tot een zelfde vereeniging, die een bepaald signum, teeken, heeft aangenomen.

Nomenclator, een slaaf, wiens taak het was, de aanzienlijke en invloedrijke personen te Rome van aangezicht en bij naam te kennen. Hij, die naar eenig ambt dong, begaf zich geregeld naar het forum, om zijne candidatuur aan te bevelen, en daar de beleefdheid vorderde, dat men de burgers bij hun naam aansprak, moest de nomenclator zijn meester de namen influisteren. In huis moest hij de bezoekers aandienen.

Nomentanus (L. Cassius), een groote lekkerbek bij Horatius. Een andere Nomentanus wordt door den dichter om zijne wijsheid geprezen.

Nomentum, Nomenton, latijnsche stad ten N.O. van Rome. De poort en de weg, die er heen voerden, heetten porta en via Nomentana.

Nominis delatio, de aangifte bij den praetor van den persoon, dien men wenscht aan te klagen, dus: aanklacht.

Nominis receptio, het aannemen eener klacht door den praetor.

Nomius, Nomios, bijnaam van Apollo, Pan, Hermes en Aristaeus als herdersgoden.

Nomophylakes, te Athene een college van 7 mannen, door Ephialtes ingesteld en toegerust met de meeste bevoegdheden, die hij aan den Areopagus ontnomen had. Deze betrekking werd in 403 afgeschaft en eerst door Demetrius Phalereus weder in het leven geroepen.--Ook verscheiden dorische staten hadden nom., die vooral moesten toezien dat in raads- of volksvergaderingen geen onwettig besluit genomen werd. Op Corcyra waren zij controleurs van het geldelijk beheer der magistraten, evenals de atheensche logisten.

Nomothetai, z. epicheirotonia no. 1.

Nonacris, Nonakris, vlek en bergstreek in het N. van Arcadia. Hier ontsprong de Styx. Nonacrius heros = Euander, Nonacria virgo = Callisto, Nonacria = Atalanta.

Nonae, zie annus.

Nonii, plebejisch geslacht. Nonius Asprenas, gunsteling van Caesar, die door Catullus bespot wordt. Hij was proconsul in 46, en legaat van Caesar in Africa en Hispania.

Nonius Marcellus, rom. taalgeleerde uit Numidia, waarschijnlijk tegen het midden der 3de eeuw na C.

Nonnus, Nonnos, van Panopolis, omstreeks 400 na C., bezong in een episch gedicht de daden van Dionysus; later ging hij tot het Christendom over en leverde hij in denzelfden vorm eene paraphrase van het evangelie van Johannes. Beide werken zijn bewaard gebleven.

Nora, 1) Nora, oude stad op de Z.kust van Sardinia.--2) ta Nora, bergslot in Cappadocia, waar Eumenes door Antigonus werd belegerd.

Norba, Norba, 1) sterke vesting in Latium ten Z.O. van Rome, in 492 rom. kolonie in het gebied der Volscen; hier werden na den tweeden punischen oorlog de carthaagsche gijzelaars bewaard. In den burgeroorlog werd het door Sulla's troepen verwoest.--2) Norba Caesarea, rom. kolonie in Lusitania, aan den Tagus, thans Alcantara, met eene rom. brug, op welker midden een triumfboog van Traianus staat.

Norbani, eene rom. familie, uit Norba afkomstig. 1) C. Norbanus, volkstribuun in 95, trad toen als aanklager op van Q. Servilius Caepio (consul 106), die in 105 door de Cimbren was verslagen. Hij werd wegens die aanklacht in 94 door P. Sulpicius Rufus lege Appuleia maiestatis aangeklaagd, maar vrijgesproken. Cicero noemt Norbanus seditiosum et inutilem civem. Hij was praetor op Sicilië in 88, en consul in 83. Hij werd door Sulla vogelvrij verklaard, leed in den burgeroorlog twee nederlagen (82) en vluchtte naar Rhodus, waar hij zich zelf van kant maakte.--2) C. Norbanus Flaccus was legaat van Antonius en Octavianus in den strijd tegen Brutus en Cassius; in 38 was hij consul, in 34 hield hij een zegetocht over de Hispaniërs.--3) Hiervan te onderscheiden is C. Norbanus Flaccus, consul 24, waarschijnlijk de zoon van den voorgaanden.--4) onder Domitianus en Traianus komt een L. Appius Norbanus Maximus voor.

Noreia, Noreia, hoofdstad der Taurisci in Noricum, aan den Murius (Mur), thans Neumark in Stiermarken. Hier werd in 113 de consul Cn. Papirius Carbo door de Cimbren verslagen.

Noricum, Norikon, sedert 16 een der rom. Donau-provinciën, tusschen den Donau en de Alpen, van den Aenus (Inn) af tot aan den mons Cetius (Wienerwald) bij Vindobona (Weenen). De inwoners, Taurisci, van celtischen stam, waren een nijver volk en dreven over Aquileia een niet onbelangrijken handel met Italia. De bodem was rijk aan metalen; het norische staal en de wapenfabrieken van Lauriacum (Lorch, aan den Donau) waren vermaard. Ook veeteelt en zoutwinning waren bronnen van bestaan. In de jaren 15-13 werden al de gewesten tusschen Alpen en Donau tot rom. provinciën gemaakt.

Nortia, etrurische godin van het noodlot, voornamelijk te Volsinii vereerd.

Nossis, Nossis, lyrische dichteres uit Locri, omstreeks 300. Eenige epigrammen van haar zijn bewaard gebleven.

Nostoi, epische gedichten betreffende de avonturen van verschillende grieksche vorsten op hun terugreis van Troje.

Nota censoria, ook notatio, animadversio censoria, openbare bestraffing door de censoren, als: het schrappen van onwaardige senaatsleden van de lijst (senatu movere, eicere) of van ridders uit de ridderlijsten, het overbrengen van burgers uit eene tribus rustica in eene tribus urbana of wel onder de aerarii (tribu movere, in aerarios referre). Stellig bewijs van schuld was niet noodig; de persoonlijke overtuiging der censoren was voldoende; zij behoorden het echter eens te zijn.

Notarius, snelschrijver, verslaggever, geheimschrijver of secretaris.

Nothoi, buiten huwelijk geboren kinderen, of zij, wier ouders tot twee verschillende staten zonder epigamia behoorden. De laatstgenoemden kregen, althans te Athene, vrij gemakkelijk het burgerrecht, totdat in 457 een wet van Pericles bepaalde, dat alleen kinderen van een atheenschen vader en moeder dit recht zouden mogen hebben. De buiten huwelijk geborenen waren van alle familierechten uitgesloten; zij konden van het vermogen van hun vader slechts een bij de wet bepaald deel (notheia) erven, dat niet meer dan 1000 drachmen kon bedragen.

Notium, Notion, stadje van Aeolis, later haven van Colophon op de aeolisch-mysische kust.

Notus, Notos, de Zuidenwind, zie Windstreken.

Novaesium = Novesium.

Novaria, thans Novara, stad der Insubres in Gallia Transpadana. Sedert 89 had de stad het ius Latii, sedert 49 was het municipium.

Novemdiale sacrum, een huiselijk reinigingsoffer op den negenden dag na eene begrafenis. Hiermede gepaard ging een maaltijd, coena novemdialis of feralis. Ook een godsdienstig feest van negen dagen, dat somtijds ten gevolge van prodigia door den senaat werd bevolen.

Novempopulana (provincia), zie Aquitania.

Novensiles of Novensides Dii, zie Di(i) Novensides.

Novesium, stad der Ubii aan den Rijn, tevens kwartier van een legioen, thans Neuss tegenover Dusseldorf.

Novii, oud geslacht uit Capua afkomstig. Omstreeks 90 leefde er een blijspeldichter Novius; hij was dichter van Atellanae fabulae (z. a.), evenals zijn tijdgenoot L. Pomponius.

Noviodunum, keltische naam van verschillende steden in Gallia Transalpina. 1) stad der Bituriges Cubi, tusschen Genabum (Orléans) en Avaricum (Bourges).--2) stad der Aedui, thans Nevers aan de Loire.--3) stad der Suessiones = Augusta Suessionum, thans Soissons.--4) stad der Helvetii, aan den lacus Lemanus (meer van Genève), thans Nyon.

Noviomagus, keltische stedennaam in Gallia Transalpina. 1) bij de Bituriges Vibisci in Aquitania.--2) bij de Leuci in Belgica aan de Mosa (Maas).--3) bij de Nemetes aan den Rhenus (Rijn), thans Spiers.--4) Ulpia Noviomagus, kolonie door keizer Traianus gesticht, bij de Batavieren, thans Nijmegen. Deze nederzetting is waarschijnlijk ontstaan in de nabijheid van het kamp, dat de Romeinen in 70 n. C. ten Z. van het verbrande Batavodurum (z. a.) hebben opgericht.

Novus (homo), de eerste eener rom. familie, die tot een curulisch ambt gekozen wordt en dus zijne nazaten tot den rang van nobiles verheft.

NP. Zie fasti (dies).

Nuceria, Noukeria, 1) Alfaterna bijgenaamd, stad in het Z. van Campania, door Hannibal in 216 ingenomen en verbrand, later herbouwd.--2) stad in het hart van Umbria, met den bijnaam Camellaria, aan de via Flaminia.--3) stad in Apulia = Luceria.

Nuithones, germaansch volk aan den rechteroever van den Albis (Elbe), behoort tot die volkeren, die de godin Nerthus vereeren.

Numa Pompilius, Noumas, tweede koning van Rome (± 715-679), een Sabijn uit de stad Cures, die door wijsheid en godsvrucht de ruwe zeden der eerste Rom. verzachtte en den openbaren godsdienst regelde overeenkomstig den raad en de voorschriften der nimf Egeria, met wie hij vertrouwelijken omgang had. Godsdienstige instellingen van hoogen ouderdom werden door de Rom. in den regel aan Numa toegeschreven.

Numantia, Noumantia, in Hispania Tarraconensis, aan den Durius (Douro), hoofdstad van den celtiberischen stam der Arevaci, v. a. der Pelendones. De stad was door hare ligging op eene hooge en steile, slechts van ééne zijde toegankelijke rots zoo sterk, dat zij muren ontberen kon. In 143 bewerkte Viriathus, de aanvoerder der Lusitaniërs, dat de Arevacers zijne zijde kozen. Toen ontbrandde de Numantijnsche oorlog. De proconsul Q. Caecilius Metellus Macedonicus behaalde in het begin (142) groote voordeelen op de Celtiberiërs; doch toen hij vernam, dat zijn persoonlijke vijand Q. Pompeius (consul in 141) hem in het bevel zou opvolgen, ontsloeg hij de soldaten die vertrekken wilden, liet de voorraadschuren onbewaakt aan plundering over, liet de bogen en pijlen der cretensische boogschutters aan stukken breken en de olifanten doodhongeren. Pompeius werd dan ook in 141 door de Numantijnen verslagen en sloot met hen een verdrag (140), dat door den senaat echter niet bekrachtigd werd. Nadat in 138 de proconsul M. Pompilius Laenas en in 137 de consul C. Hostilius Mancinus het onderspit hadden moeten delven en de laatste een schandelijken vrede had moeten sluiten (zie Hostilii), werd in 133 Scipio Africanus minor tegen N. afgezonden. Na een merkwaardig beleg van 15 maanden viel het in zijne handen en werd geheel verwoest. De verschillende kampen en versterkingen, die Scipio voor deze belegering om de stad had opgeslagen, zijn niet lang geleden opgegraven.

Numenius, Noumenios, 1) aegyptisch gezant te Rome, 167.--2) van Apamea in Syrië, omstreeks het einde der 2de eeuw n. C., vereenigde in zijn werken de leer van Pythagoras met die van Plato tot een nieuw stelsel, dat volgens zijn beweren echter, hoewel minder duidelijk, reeds bij Plato te vinden was. Hij was een van de voornaamste voorloopers der neo-platonici, Plotinus heeft van zijne werken dikwijls gebruik gemaakt.

Numerianus (M. Aurelius Numerius), jongste zoon van keizer Carus, vergezelde dezen op zijn veldtocht tegen de Parthen, waarbij Carus omkwam (283 na C.). Met zijn ouderen broeder Carinus volgde hij zijn vader op, doch werd in 284 omgebracht door zijn schoonvader, den praefectus praetorio Arrius Aper.

Numerii. De naam Numerius was in Italia zeer algemeen. Q. Numerius Rufus, volkstribuun in 57, was tegen de terugroeping van Cicero, doch kwam hierdoor zelf in moeielijkheden. Cicero bespot hem in zijne oratio pro Sestio.

Numicii, rom. geslacht, waarvan een paar leden in de volscische en samnietische oorlogen voorkomen.

Numicius of Numicus, Noumikios, kustriviertje van Latium, valt bij Ardea in zee.

Numidia, Nomadia, Noumidia, het afrikaansche kustland, van de rom. provincie Africa af tot aan de rivier Muluchath. De naam van de bewoners, Numidae, wordt door de ouden afgeleid van Nomades, Nomades, zwervers. Hoofdstammen waren de Massaesylii en de Massylii. De kust was bezet met phoenicische volkplantingen, die later in de macht van Carthago overgingen. Na Carthago's val kreeg koning Masinissa van de Rom. de geheele kust bij zijn gebied. Hij slaagde er in, zijne Numidiërs aan vaste woonplaatsen te gewennen en ze op een hoogeren trap van beschaving te brengen (zie Masinissa). Het O. gedeelte, tot aan den Ampsaga, werd in 46 door Caesar tot provincie gemaakt onder den naam Nova Africa; doch ook de naam Numidia bleef in gebruik. Het westelijk gedeelte kwam in 25 met Mauretania aan Juba; het werd in 37 n. C. bij het Romeinsche rijk gevoegd, en heette voortaan Mauretania Caesariensis. De Numidiërs waren stoute ruiters en hunne paarden van een uitmuntend ras.

Numisii, een rom. geslacht van weinig belang.

Numistro, stad heel in het N. van Lucania, op de grenzen van Zuid-Samnium.

Numitor, Nometor, koning van Alba Longa, vader van Rea Silvia, door zijn broeder Amulius van den troon gestooten, doch later door zijne kleinzonen Romulus en Remus hersteld.

Numitorii, rom. geslacht, afkomstig uit Etruria.

Nummus of numus, in het algemeen geldstuk, in het bijzonder de sestertius. De (nummus) aureus of solidus was gelijk aan 100 sestertiën. Nummi adulterini = valsch geld.

Numonii, rom. geslacht met den familienaam Vala.

Nymphagogos, z. Paranymphos.

Nuncupare, v. nomen capere, iets met name noemen, duidelijk en ondubbelzinnig uitspreken; vandaar vota nuncupare, zijn wensch uitspreken, geloften doen. Nuncupatio is ook het plechtig aangaan eener verbintenis ten overstaan van getuigen.

Nundinae, marktdag, eigenlijk de eerste dag van de week, die mundinum heette. Zie Trinundinum. Tusschen twee marktdagen lagen 7 andere dagen in; van den eenen marktdag tot den volgenden verliepen dus volgens romeinsche telling 9 dagen, vandaar de naam = novemdinae.

Nuntiatio, zie augures.

Nuptiae, bruiloft. Deze had in het huis van de bruid plaats. Na de sluiting van het huwelijk (z. Confarreatio en Coëmptio) verwijderde de man zich en haalde daarna de bruid met een stoet van vrienden in optocht (pompa nuptialis) uit haar huis; men droeg fakkels (hierdoor werd fax het symbool van het huwelijk), strooide noten en zong liederen voor Hymenaeus. De jonge vrouw legde in de straat, waar zij zou wonen, een geldstuk op het sacellum van den Lar Compitalis; aan het huis gekomen droeg de man haar over zijn drempel.

Nursia, sabijnsche stad aan den Nar, geboorteplaats van Q. Sertorius.

Nurtia = Nortia.

Nycteis, Nykteis, dochter van Nycteus, moeder van Labdacus, ook Antiope, als dochter van Nycteus.

Nyctelius, Nyktelios, bijnaam van Dionysus naar de nachtfeesten, Nyktelia, die te zijner eer gevierd werden.

Nycteus, Nykteus, zoon van Hyrieus, koning van Thebe, z. Lycus, Labdacus en Antiope.

Nyctimene, Nyktimene, dochter van Epopeus, koning van Lesbus; uit schaamte over de liefde, die zij voor haar vader, of v. a. haar vader voor haar, had opgevat, verborg zij zich in het diepste der wouden. Athena veranderde haar in een nachtuil.

Nyctimus, Nyktimos, zoon en opvolger van Lycaon no. 1. Onder zijne regeering kwam de groote overstrooming van Deucalion over de aarde.

Nymphae, Nymphai, dochters van Zeus, godheden van minderen rang, personificaties van het leven der natuur in al zijne verschillende uitingen. Iedere berg, iedere rivier, iedere boomsoort heeft bijzondere nimfen, in lateren tijd stelde men zich zelfs voor, dat iedere boom een eigen nimf had, die dan met den boom ontstond en stierf. Overigens zijn zij onsterfelijk, betoonen zij zich vriendelijk en herbergzaam voor de menschen, die haar gebied betreden, en sluiten zij zich gaarne aan bij de hoogere goden, die bij voorkeur in de vrije natuur leven, zooals Artemis en Dionysus. Soms hebben zij zitting in de vergadering der goden op den Olympus.--Men onderscheidt ze in: zeenimfen (Oceanides, Nereïdes), rivier- en bronnimfen (Naïades), bergnimfen (Oreades), dalnimfen (Napaeae), boschnimfen (Alseïdes), boomnimfen (Dryades, Hamadryades), soms heeten zij naar de plaats, waar zij zich ophouden: Acheloïdes, Cithaeronides, Nyseïdes, Dodonides, enz.--Zij genoten goddelijke vereering vooral in wouden en grotten, bij rivieren en bronnen, maar ook in vele steden hadden zij prachtige heiligdommen, nympheia. Men offerde haar geiten, lammeren, melk en olie. Zij werden afgebeeld als schoone jonge vrouwen, licht of niet gekleed, gewoonlijk met een of ander attribuut, dat hare beteekenis duidelijk maakt.--Ook sommige andere goddelijke wezens, die onsterfelijk zijn en meer dan menschelijke macht hebben, worden nimfen genoemd, ofschoon zij niet tot het leven der natuur in betrekking staan, bijv. Calypso, Circe, e. a. Ook in Rome worden Nymphae, oudtijds Lymphae geheeten, als godheden van het water en van de bronnen, vereerd; ze hadden een tempel op het Campus Martius; hier hadden de Censoren hun archief.

Nymphaeum, Nymphaion, 1) kaap en haven op de illyrische kust, nabij Apollonia.--2) kaap in de taurische Chersonesus (Krim).--3) kaap van het voorgebergte Acte, een uitlooper van het Athosgebergte.

Nympheum, nympheion, gebouw, aan de waternimfen gewijd en versierd met zuilen en beelden. Daarbinnen stroomden een of meer fonteinen, omgeven door zitplaatsen, waar men bij groote hitte eene aangename koelte kon genieten. Te Rome vond men verscheidene nymphea (ook nymphaea, nymphaia, geschreven). Zulk een nympheum was ook het zoogenaamde Septizonium (z. a.).

Nymphidius Sabinus (C.), verklikker onder Nero, die zich tot bevelhebber der lijfwacht wist op te werken. Na Nero's dood werd hij door zijne eigene soldaten vermoord, toen hij hen van Galba afvallig zocht te maken.

Nymphis, Nymphis, van Heraclea in Pontus, geschiedschrijver ten tijde van Ptolemaeus Euergetes, van wiens werken weinige fragmenten bewaard zijn.

Nymphodorus, Nymphodoros, van Syracuse, schrijver van twee aardrijkskundige werken ten tijde van Ptolemaeus Philadelphus; eenige fragmenten van een werk over de merkwaardigheden van Sicilië zijn bewaard gebleven.

Nysa, Nys(s)a, de plek waar Dionysus door nimfen werd opgevoed. Deze nimfen worden Nyseides, Nyseides, genoemd en de god zelf Nyseus, Nyseus. Men zocht dit Nysa in verschillende oorden, in India, Aethiopia, Caria, Pisidia, Cappadocia, Thracia, Boeotia, op Naxos, overal waar bergen of steden met den naam Nysa voorkwamen en waar de god op zijne tochten geweest was. De belangrijkste steden van dien naam zijn:--1o. Nysa ad Maeandrum, stad in Carië, ten O. van Tralles, gesticht in de 3de eeuw. Belangrijke ruïnen uit den keizertijd zijn nog over.--2o. Nyssa in Cappadocia, aan den Halys, z. Gregorius no. 3.

Nyseides, Nyseides, nimfen van Nysa, opvoedsters van Dionysus.

Nyseus, Nysius, Nysigena, Nyseus, Dionysus, naar zijne geboorteplaats Nysa.

Nysiades = Nyseides.

O.

Oanis, Oanis, riviertje op de Z.kust van Sicilia bij de stad Camarina.

Oaracta, ta Oarakta, vruchtbaar eiland in de Perzische golf op de kust van Carmania.

Oarus, Oaros, rivier ergens in Sarmatia, die volgens Herodotus in de Palus Maeotis (zee v. Azow) zou vallen, O.waarts van den Tanaïs (Don). Bedoeld is de Rha (Wolga).

Oaxus, Oaxos, stad midden op Creta, ook Axus genoemd, aan de rivier Oaxes.

Obe, z. Phyle.

Obeliscus, obeliskos, hooge, vierhoekige zuil, die naar boven toe gelijkmatig dunner wordt en aan den top op eenmaal in eene pyramidale spits uitloopt. Oorspronkelijk behooren deze zuilen, in het Nederlandsch ook naalden genoemd, in Aegypte te huis, waar zij uit graniet, marmer of kalksteen in één stuk gehouwen werden. De hoogte wisselt van 50 tot 150 voet. Vele obelisken zijn met hiëroglyphen beschreven. Na de verovering van Aegypte door de Perzen schijnt het houwen van obelisken gestaakt te zijn; verscheidene er van zijn met groote kosten naar Rome en in de vorige eeuw zelfs naar Londen, Parijs en New-York overgebracht. In Aegypte stonden zij voor de tempelgebouwen. Bij eene obelisk behoort een vierkant voetstuk, rondom ongeveer een voet breeder dan het ondereind der naald.

Obelus, obelos, een dwarsstreepje, waarmede de alexandrijnsche grammatici in hunne uitgaven van oude schrijvers onechte of verdachte plaatsen aanduidden.

Obligatio, de band tusschen twee personen of partijen, van wie de een creditor is en eene vordering heeft, en de andere debitor is en onder zekere verplichting ligt. Obligationes ex contractu ontstaan uit eene op wettigen grondslag rustende overeenkomst, obligationes ex delicto uit een wederrechtelijk vergrijp tegen de rechten van een ander, waarvoor deze dan vergoeding of voldoening kan vorderen. Verder kent het Romeinsche recht nog obligationes ex variis causarum figuris, waartoe o. a. hoort de aansprakelijkheid van den rechter, die een partijdig vonnis heeft geveld.

Obnuntiatio, mededeeling der augurs, dat de auspiciën ongunstig zijn. Zie de artikels divinatio en servare de coelo.

Obolos, grieksche munt, vroeger van zilver, later van brons, het 6de deel van een drachme. Ob. nekrou, z. Charon.

Obrima, Obrimos, zijtak van den Maeander in Phrygia.

Obrimopatre, zij, wier vader machtig is, bijnaam van Athena.

Obsequens (Iulius), schrijver van een werkje over wonderteekenen, prodigia, waarvan nog een gedeelte over is. Hij leefde waarschijnlijk in de 4de eeuw na C.

Obucola, Oboukola, stad in Baetica, ten O. van Hispalis (Sevilla).

Ocalea, Okaleia, dochter van Mantineus, gemalin van Abas, moeder van Acrisius en Proetus.

Ocalea, Okalee, riviertje en vlek in Boeotia ten W. van het meer Copais.

Oceanides, -ninae, Okeanides, -ninai, -nitides, 3000 dochters van Oceanus en Tethys, nimfen der zee.

Oceanus, Okeanos, zoon van Uranus en Gaea, de oudste der Titanen, die zich aan het heerschende godengeslacht heeft onderworpen en door hen met liefde en zorg behandeld wordt, maar geen aandeel heeft aan de regeering der wereld, afgezonderd leeft en niet bij de vergaderingen der goden komt. Bij Tethys is hij de vader van de 3000 stroomgoden en 3000 Oceaniden. Hij is de god van den grooten stroom (Oceaan), volgens ouderen eene rivier, volgens lateren een zee, die aarde en zeeën insluit, waaruit alle wateren der aarde hun oorsprong hebben, en zon, maan en sterren oprijzen. Aan deze zijde van den Oceaan wonen de vrome Aethiopiërs en ligt het Elysium, aan gene zijde heerscht eeuwige duisternis en is de ingang naar het rijk van Hades.--In latere tijden onderscheidde men verschillende deelen van den Oceaan, bij voorkeur gaf men dien naam aan den Atlantischen Oceaan (Oc. Occidentalis), maar ook de Erythraeïsche, Hyperboreïsche, Aethiopische e. a. worden genoemd. Over het algemeen verbindt men aan het woord Oceanus het begrip van eb en vloed.

Occelus of Ocellus Lucanus, Okkelos of Okellos ho Leukanos, pythagoreïsch wijsgeer uit onzekeren tijd; het hem toegeschreven werk peri tes tou pantos physeos is waarschijnlijk eerst uit de 1e eeuw voor C.

Ocelum, stad der Graioceli in de Grajische Alpen.

Ocha, berg in het Z. van Euboea, bij de stad Carystus.

Ochus, Ochos, bijnaam van Artaxerxes III.

Ochus, Ochos, 1) linker zijrivier van den Oxus, tgw. Sangalak.--2) rivier in Hyrcania, die in de Caspische zee uitstroomt, tgw. Atrek.

Ocnus, Oknos, zoon van Tiberis en Manto, stichter van Mantua. V. a. was hij een zoon of broeder van Auletes, den stichter van Perusia, en had hij Felsina, het latere Bononia, gesticht.

Ocriculum, Okrikola, welvarend municipium in Umbria aan den Tiber en de via Flaminia, thans Otricoli.

Octavia (lex) frumentaria ter verhooging van den korenprijs en gedeeltelijke opheffing der lex Sempronia. Zie Annona en Octavii no. 5.

Octavianus, zie Iulii no. 14.

Octavii, rom. gesl., uit Velitrae afkomstig, dat reeds in den koningstijd naar Rome verhuisde. 1) Cn. Octavius, rom. vlootvoogd in den tweeden punischen oorlog (205 en 202). In 192 werd hij als gezant naar Griekenland gezonden, om Antiochus tegen te werken.--2) Cn. Octavius, zoon van no. 1, was in 168 rom. vlootvoogd tegen koning Perseus, die zich op Samothrace aan hem moest overgeven. Van den buit bouwde hij de porticus Octavia te Rome. In 165 was hij consul; in 162 werd hij te Laodicea vermoord, terwijl hij met een staatkundigen last in Azië vertoefde.--3) M. Octavius, in 133 volkstribuun met Ti. Gracchus, verzette zich tegen diens akkerwet en werd op diens voorstel door het volk afgezet. Zie Sempronii no. 10.--4) Cn. Octavius, consul in 87, trachtte als hoofd der optimatenpartij Cinna te keer te gaan en verdreef hem zelfs uit Rome; toen echter Cinna Rome bestormde, werd Oct. vermoord.--5) M. Octavius, zoon van no. 4, bewerkte als volkstribuun eene inkrimping der korenwet van C. Gracchus, zie Octavia (lex) frumentaria.--6) L. Octavius, consul in 75.--7) M. Octavius was in den burgeroorlog vlootvoogd van Pompeius; hij verdreef Caesars legaat P. Cornelius Dolabella uit Illyria en nam C. Antonius gevangen (49). Later belegerde hij tevergeefs A. Gabinius te Salona. Na den slag bij Pharsalus wordt hij door een gedeelte zijner manschappen verlaten, hij lijdt een nederlaag tegen P. Vatinius, en vlucht met de rest van zijn vloot.--8) C. Octavius, geroemd om zijn goedheid en braafheid, praetor in 61, vernietigde in 60 het overschot van Catilina's benden en bestuurde daarna met grooten lof Macedonia, waar hij tegen de Thraciërs streed (60/59). Hij was de vader van keizer Augustus. Hij stierf in het begin van 58 te Nola.--9) C. Octavius, zoon van no. 8, geb. in 63, was vier jaar oud, toen zijn vader te Nola overleed. Hij was de latere keizer Augustus. Zie Iulii no. 14.--10) Octavia, dochter van no. 8, eerst gehuwd met C. Claudius Marcellus en daarna (40) met M. Antonius, den drieman, won aller harten door haar edel en zacht karakter. Zij droeg er veel toe bij om eene uitbarsting tusschen haar man en haar broeder Octavianus te voorkomen. Doch Antonius, naar het Oosten vertrokken, verwaarloosde haar, zooals hij te voren Fulvia had gedaan, en liet zich in 32 van haar scheiden. Zij stierf in 11, diep betreurd als een toonbeeld van eene rom. vrouw en moeder. Zij liet de porticus Octaviae bouwen, waarvan nog enkele brokstukken over zijn. Daar zij nog een oudere zuster had, wordt zij ook wel minor bijgenaamd. Haar zoon, de in 23 gestorven M. Marcellus (Claudii no. 37), om wien zij tot haar dood gerouwd heeft, was de eerste man van Augustus' dochter Julia.--11) Octavia, dochter van keizer Claudius uit diens derde huwelijk met Valeria Messalina, huwde in 53 na C. met keizer Nero. Hare strenge zeden konden hem echter niet behagen. Ze werd eerst door Nero verstooten, daarna verbannen naar Pandataria en vermoord (62). Zij was zeer geliefd bij het volk, en na Nero's dood leverde zij de stof voor een tragedie Octavia, die onder de geschriften van Seneca bewaard gebleven is.

Octodurus, tgw. Martigny, stad der Veragri, in het tegenw. kanton Wallis.

Octogesa, stad der Ilergetes aan den Iberus in Hispania.

Ocypete, Okypete, een van de Harpyiën.

Ocyrhoe, Okyroe, dochter van Chiron en Chariclo, eene wijze profetes; zij werd in een paard veranderd.

Odenathus, Odenathos, aanzienlijk burger van Palmyra, die zich in het zoogenaamde tijdperk der 30 tyrannen tot vorst verhief (261 na C.), den perzischen koning Sapores uit Syrië verjoeg, en door den rom. keizer Gallienus als mederegent erkend werd. In 267 werd hij door een bloedverwant omgebracht. Zijne weduwe, de schoone en begaafde Zenobia nam nu als beheerscheres van het Oosten de teugels van het bewind in handen.

Odessus, Odessos, milesische kolonie in Thracia aan den Pontus Euxinus (Zwarte zee), thans Varna.

Odeum, odeion, gebouw voor muzikale wedstrijden, gebouwd op de wijze van een theater, doch van een dak voorzien. Pericles liet het eerste odeum te Athene bouwen. Bij het beleg der stad door Sulla in 86 brandde het af, doch werd op kosten van den cappadocischen koning Ariobarzanes, Philoromaeus bijgenaamd, weder opgebouwd. Herodes Atticus gaf aan Athene een tweede odeum ten geschenke, het prachtigste der oude wereld; het kon 8000 personen bevatten. Ook te Corinthus bouwde Herodes er een. Na dat van Athene was het odeum van Patrae het prachtigste. Het eerste odeum te Rome was dat van Domitianus.

Odoacer, een Rugiër, die bij een opstand der rom. huurtroepen zich aan hun hoofd stelde, den laatsten keizer van het westrom. rijk, Romulus Augustulus, afzette, en een koninkrijk Italië stichtte, 476 na C. In 493 werd hij ten val gebracht door Theodorik, koning der Oostgothen.

Odomanti, thracische volksstam aan den mons Orbelus, tusschen den Strymon en den Nestus.

Odrysae, Odrysai, het machtigste volk van Thracia, uitstekende ruiters met voortreffelijke paarden. Hun grootste macht bereikten zij onder de achtereenvolgende koningen Teres, Sitalces, met wien de Atheners in 431 een verbond tegen Perdiccas van Macedonië sloten, en Seuthes I. Diens neef Seuthes II riep de hulp in der 10000 Grieken, die met Xenophon huiswaarts keerden. Twisten over de opvolging brachten den staat later wel in een zekere afhankelijkheid van Macedonië, maar toch bleef hij zelfstandig bestaan, ook nog onder de Rom., tot hij eindelijk in 46 n. C. onder den naam Thracia bij het rijk werd ingelijfd.

Odysseus, Odysseus, Ulixes, zoon van Laërtes of Sisyphus en Anticlea, koning van Ithaca, Same en Zacynthus. Ook hij had naar de hand van Helena gedongen, en toen aan Tyndareos een goeden raad gegeven (z. Helena), uit dankbaarheid daarvoor was deze zijn voorspraak bij Icarius, toen hij diens dochter Penelope tot vrouw begeerde. Toen de trojaansche oorlog uitbrak, was O. verplicht mede op te trekken; v.s. had hij door geveinsde krankzinnigheid getracht zich aan die verplichting te onttrekken, maar was deze list door Palamedes (z.a.) ontdekt. Hij ging dus met 12 schepen naar Troje en toonde zich daar een dapper en volhardend krijgsman, maar vooral onderscheidde hij zich door schranderheid, tegenwoordigheid van geest en welsprekendheid. Daarom werd hij vooral gaarne gebruikt, waar deze eigenschappen te pas komen, als onderhandelaar of verspieder, en luistert men met aandacht naar zijn raad. Vóór het begin van den oorlog werd hij naar Troje gezonden om Helena terug te eischen, hij weet Achilles (z.a.) op te sporen, als deze zich op Scyrus verborgen houdt, bij den strijd om de wapenen van Achilles behaalt hij de overwinning op den grooten Aiax, en het houten paard, waardoor eindelijk Troje genomen werd, was van zijne vinding. Maar bovenal is hij beroemd door vele gevaren en avonturen, die zijne terugreis bemoeilijkten en die het onderwerp uitmaken van de Odyssea van Homerus. Tien jaar lang zwierf hij over de zee en door verre landen, eer hij zijn vaderland weder bereikte. Reeds was hij tot kaap Malea gekomen, toen een storm hem naar het land der Lotophagen dreef, waar sommige van zijn makkers zoo door den smaak van de zoete lotusvrucht bekoord werden, dat zij met geweld naar de schepen teruggedreven moesten worden. Daarna landde hij bij de Cyclopen, hier beroofde hij den woesten menscheneter Polyphemus (z.a.) van het gezicht, waarom hij sedert voortdurend door den toorn van Poseidon vervolgd werd. Op het eiland van Aeolus werd hij goed ontvangen, en bij zijn vertrek kreeg hij een zak mede, waarin alle winden opgesloten waren behalve de Westenwind, zoodat de vaart zeer voorspoedig was, maar in het gezicht van Ithaca openden sommige schepelingen den zak, de winden ontsnapten en een geweldige storm dreef het schip weder naar het eiland van Aeolus terug. Vervolgens kwam hij bij de Laestrygonen (z. Antiphates) en bij Circe (z.a.), op wier raad hij over den Oceaan zeilt en in het voorportaal der onderwereld de schim van Tiresias over zijne verdere lotgevallen ondervraagt. Langs het eiland der Sirenen, tusschen Scylla en Charybdis doorzeilend, komt hij op Thrinacia, waar zijne tochtgenooten, door den uitersten honger gedreven, zich in weerwil van zijne dringende vermaningen aan de kudden van Helius vergrijpen. Deze beklaagt zich bij Zeus, die het schip van O., zoodra het weder in zee is, door een bliksemstraal verbrijzelt en alle schepelingen doet omkomen, behalve O. zelf, die op een plank naar het eiland Ogygia drijft. Daar wordt hij ontvangen door Calypso (z.a.), en zeven jaar blijft hij, hoewel door heimwee verteerd, bij haar; als zij hem eindelijk op uitdrukkelijk bevel der goden laat gaan, vaart hij 18 dagen lang gelukkig op een door hem zelf vervaardigd vlot; daarna merkt Poseidon hem op, en in een vreeselijken storm wordt het vlot verbrijzeld, maar door de hulp van Ino Leucothea komt hij, met verlies van alles, zelfs van zijne kleederen, op het eiland Scheria. Van uitputting valt hij in slaap, en zoo wordt hij gevonden door Nausicaa, die hem naar het hof van haar vader Alcinous, koning der Phaeaciërs, brengt. Nadat hij hier eenige dagen eene gastvrije ontvangst had genoten, zich bekend gemaakt en zijne lotgevallen verhaald had, wordt hij eindelijk, met geschenken overladen, naar zijn vaderland teruggebracht. Daar verneemt hij dat zijne moeder van verdriet over zijne lange afwezigheid gestorven is, dat zijn vader zich uit de stad teruggetrokken heeft, dat sedert drie jaar meer dan 100 edele jongelieden naar de hand van Penelope dingen, en in afwachting van hare beslissing in zijn huis brassen en zwelgen en zijn vermogen verteren, en eindelijk dat Telemachus, die in den laatsten tijd begonnen is zich krachtiger tegen hen te verzetten, nauwelijks voor hunne lagen veilig is. Door Athena, zijne trouwe beschermster, als oude bedelaar vermomd, maakt hij zich voorloopig alleen aan zijn zoon bekend, dan gaat hij naar zijn huis en komt er juist wanneer Penelope, die nog steeds op de terugkomst van haar gemaal hopend, tot nu toe aan hare vrijers geen beslissend antwoord gegeven heeft, zich eindelijk gedwongen ziet eene keuze te doen. Zij verklaart dat zij hem tot echtgenoot zal nemen, die den boog van O. kan spannen, en als niemand daartoe in staat is, vraagt O. zelf, nog steeds als bedelaar vermomd, of hij het beproeven mag; zij stemt toe, en zoodra hij den boog in handen heeft, doodt hij met de hulp van Telemachus en eenige getrouwe dienaars al de overmoedige vrijers. Daarna maakt hij zich bekend, terwijl Athena een oproer stilt, dat door den moord der vrijers dreigde te ontstaan.--Over zijne verdere lotgevallen zijn de berichten verschillend. V.s. doodde hem zijn eigen zoon Telegonus (z.a.), zonder hem te kennen, v.a. was hij naar Italië gegaan en had daar verscheiden steden gesticht.

Oea, Oia, 1) vlek op het eiland Thera.--2) stad op de kust van Africa, tusschen de beide Syrten.

Oeager, Oiagros, koning van Thracië, v.s. vader van Orpheus en Linus. Vandaar Oeagrius = thracisch.

Oeagrides, Oiagrides, de Muzen, als zusters, van Orpheus, den zoon van Oeager.

Oeanthe, -ea, Oianthe, Oiantheia, stad der Locri Ozolae aan de westkust van de golf van Crisa.

Oeax, Oiax, zoon van Nauplius no. 2.

Oebalia, de burcht van Tarentum. Zie Oebalus.

Oebalides, Oibalides, Hyacinthus of de Dioscuren (Oebalii fratres), afstammelingen van Oebalus. Soms alg. = Spartaan.

Oebalus, Oibalos, 1) zoon van Cynortas of Perieres, koning van Sparta, vader van Tyndareos. Naar hem wordt Helena Oebalia pellex en Tarentum Oebalia arx genoemd.--2) zoon van Telon, verliet het eil. Capreae, waar zijn vader over de Teleboërs regeerde, en vestigde een nieuw rijk in Campanië.

Oechalia, Oichalia, naam van verschillende steden, als: 1) in Thessalia aan den Peneus, tusschen Tricca en Pelinna, de zetel van den door Heracles gedooden Eurytus.--2) in het N. van Messenia.--3) in Trachis.--4) nabij Eretria op Euboea.--5) in Aetolia.

Oeclides, Oikleides, zoon van Oecleus, Amphiaraus.

Oecus, eene zaal in een rom. huis, zonder lichtopening in de zoldering. Het licht moest dus door vensters naar binnen vallen of het vertrek moest op een peristylium of veranda uitkomen. Ze diende als pronkzaal (z. domus) of als triclinium.

Oedipus, Oidipous, Oidipodes, zoon van Laius en Iocaste. Wegens een onheilspellend orakel (z. Laius) gaf zijn vader hem kort na zijne geboorte aan een herder, met bevel het kind op den Cithaeron te dooden. Door medelijden bewogen, volbracht de herder dien last echter niet, maar gaf het kind aan een anderen herder, die het medenam naar Corinthe en het aan zijn heer, den kinderloozen koning Polybus, gaf. O. groeide op in de meening dat hij een zoon van Polybus was, maar toen hij volwassen was geworden, werd hem eens bij een feest toegevoegd, dat hij zich voor een ondergeschoven kind wat al te trotsch gedroeg. Deze woorden griefden hem, en daar hij op zijne vragen om inlichtingen van iedereen ontwijkende antwoorden kreeg, besloot hij het delphische orakel over zijne afkomst te gaan ondervragen. Ook hier kreeg hij echter op deze vraag geen antwoord, maar de Pythia herhaalde tot hem, wat eens tot Laius gezegd was: dat hij zijn vader zou dooden, met zijne moeder zou trouwen en met haar een geslacht zou verwekken, dat goden en menschen tot gruwel zou zijn. In de onzekerheid, of hij niet misschien toch een zoon van Polybus en diens echtgenoote was, besloot hij in ieder geval niet naar Corinthe terug te keeren, en onverschillig waarheen hij zich begeven zoude, sloeg hij den weg naar Thebe in. Op een smallen bergweg kwam hem een reiziger te gemoet, die op een wagen gezeten was en door eenige dienaars begeleid werd; wijken was moeielijk, er ontstond een twist, waarbij O. den reiziger en zijn geheel gezelschap doodde, behalve één man die ontvluchtte. Daarna kwam hij in Thebe aan en vond het land in de grootste verwarring: de koning was kort te voren op reis aangevallen en gedood, en bovendien werd het land geteisterd door de Sphinx (z. a.), die reeds talrijke slachtoffers gemaakt had. In deze omstandigheden nam Creon, de broeder der koningin, voorloopig de regeering in handen en maakte bekend, dat hij, die het land van de Sphinx zou verlossen, met de hand van Iocaste en de koninklijke waardigheid zou beloond worden. O. lost het raadsel van de Sphinx op en wordt zoo koning van Thebe, maar tevens huwt hij, zooals het orakel voorspeld had, met zijne moeder; dat hij de moordenaar van Laius is, kan hij niet vermoeden, want de eenige man, die het bericht van diens dood in de stad gebracht heeft, beweert dat hij door een rooverbende den dood gevonden heeft; op deze wijze wil hij het n.l. doen voorkomen, dat hijzelf niet uit lafheid, maar voor de overmacht gevlucht is. Lang regeert O. gelukkig en tot heil van het land, bij Iocaste krijgt hij vier kinderen: Eteocles, Polynices, Antigone en Ismene. Na vele jaren wordt het land echter door een verschrikkelijke pest bezocht, en in den hoogsten nood zendt O. zijn zwager Creon naar Delphi, ten einde Apollo om raad te vragen. Het antwoord luidt dat de toorn der goden op het land zal blijven drukken, totdat de moordenaar van Laius verbannen of ter dood gebracht zal zijn. Vol ijver begint O. zijne nasporingen om hem te vinden, maar niemand kan hem inlichtingen geven dan de man, die bij den moord tegenwoordig is geweest, toevallig dezelfde die hem als kind op bevel van Laius had moeten dooden. Terwijl deze man ondervraagd wordt, komt een bode uit Corinthe den dood van Polybus berichten, deze bode is dezelfde, die O. als kind van den anderen herder had overgenomen en naar Corinthe gebracht, en door de elkander aanvullende verklaringen van deze twee personen ontdekt O. eindelijk, hoe de oude orakels vervuld zijn. Hij steekt zich in wanhoop de oogen uit, terwijl Iocaste zich ophangt. Ofschoon hij in het begin gewenscht had, volgens het bevel der goden, uit het land verbannen te worden, weet Creon hem tot bedaren te brengen, en zoolang deze regeert, blijft O. inderdaad te Thebe. Toen echter zijne beide zonen volwassen waren geworden, behandelden zij hun vader met minachting, en spoedig dwongen zij hem het land te verlaten. O. vloekt zijne zonen en terwijl zij zich alleen om de bevrediging hunner heerschzucht bekommeren, begint hij, oud en blind, een zwervend leven, waarbij hem zijne dochter Antigone trouw vergezelt en ook Ismene hem nu en dan diensten bewijst. Wel verklaarde een later orakel, dat het land, waar het graf van O. zich zou bevinden, groot en bloeiend zou worden en door Thebe niet te overwinnen zou zijn, en trachtten daarom Creon en Polynices hem te bewegen naar zijn vaderland terug te komen, maar O., die intusschen bij Theseus in Attica vriendelijk opgenomen is, wil hiervan niets weten. Met de goden verzoend, eindigt hij zijn leven zacht in het woud der Eumeniden op den heuvel Colonus bij Athene, zijn graf is alleen aan de koningen van Attica bekend en is een onderpand van heil voor hun land.--Volgens de oudste verhalen was de naam van zijne moeder Epicaste, en regeert hij na de ontdekking zijner gruweldaden, hoewel door de Erinyen gekweld, tot het einde van zijn leven over Thebe. Nadat Epicaste zich opgehangen had, nam hij Euryganea tot vrouw, en deze was de moeder zijner vier kinderen. Later zoude hij haar verstooten en Astymedusa tot vrouw genomen hebben.

Oeneis, Oineis, eene van de 10 phylen, waarin de bevolking van Attica door Clisthenes verdeeld werd.

Oeneon, Oineon, havenstad der Locri Ozolae.

Oeneus, Oineus, zoon van Portheus of Porthaon, koning van Calydon en Pleuron, de eerste die den wijnbouw in Aetolië invoerde, waartoe Dionysus hem zelf den eersten wijnstok gaf. In zijn tijd had de calydonische jacht plaats. De zonen van zijn broeder Agrius zetten hem gevangen en gaven de regeering aan hun vader, Diomedes doodt echter na zijne terugkomst van Troje Agrius met de meeste van diens zonen en geeft de regeering aan zijn grootvader terug, die haar echter aan zijn schoonzoon Andraemon afstaat.--Op eene reis in de Peloponnesus werd hij door de in leven gebleven zonen van Agrius gedood. Diomedes begroef hem in Argos, op de plaats die naar hem Oenoë genoemd werd.

Oeniadae, Oiniadai, oude kustst. van Acarnania aan den mond van den Achelous, die ze in den winter onder water zette. De burcht, Nasus, Nesos (z. a.), lag op een eilandje in een meertje.

Oenides, Oineides, Meleager en Diomedes, zoon en kleinzoon van Oeneus.

Oenoanda, Oinoanda, stad in Cabalia, op de grenzen van Lycia.

Oenoë, Oinoe, 1) attische demus bij Eleutherae, tot de hippothoönsche phyle behoorende, grensvesting tegen Boeotia.--2) attische demus der phyle Aeantis, bij Marathon.--3) corinthische sterkte aan de golf van Corinthus.--4) vlek in Argolis, ten W. van Argos.--5) stadje in Elis aan den Ladon, oudtijds Ephyra geheeten.

Oenomaüs, Oinomaos, zoon van Ares, koning van Pisa. Daar hem voorspeld was, dat hij zou sterven wanneer zijne schoone dochter Hippodamea trouwde, maakte hij bekend, dat hij hare hand slechts aan dengene zou geven, die hem in den wedren overwon. Daar hij van Poseidon paarden gekregen had, die alle andere in snelheid overtroffen, was hij zeker dat deze voorwaarde niet vervuld konde worden. Reeds velen, die om Hippodamea aanzoek gedaan hadden, waren op deze wijze door O. overwonnen en gedood, totdat Pelops den wagenmenner van O., Myrtilus, omkocht om zwarte was in plaats van pinnen in de assen van den wagen van zijn heer te steken, daardoor viel de wagen van O. om, hij werd door zijne paarden voortgesleept en kwam jammerlijk om.--V. a. overwon Pelops hem niet door verraad, maar door de hulp van Poseidon, die hem paarden geschonken had, nog vlugger dan die van O.

Oenone, Oinone, 1) oude naam van Aegina.--2) dochter van den riviergod Cebren, gemalin van Paris, bij wien zij een zoon had, Corythus (z. a.). Toen Paris doodelijk gewond was, liet hij zich hij haar brengen, daar zij hem konde genezen, maar vertoornd over zijne ontrouw, weigerde zij. Maar toen hij gestorven was, wierp zij zich van smart op den brandstapel, waarop zijn lijk lag, en verbrandde zij met hem.

Oenophyta, ta Oinophyta, vlek in Boeotia aan den Asopus, waar de Atheners in 456 de Boeotiërs versloegen.

Oenopia, Oinopia, oude naam van het eil. Aegina.

Oenopion, Oinopion, zoon van Dionysus of Rhadamanthys en Ariadne, die van Creta naar Chius verhuisde en daar den wijnbouw invoerde, z. Orion.

Oenotria, Oinotria = wijnland, oude naam voor Lucania en Bruttii, en dichterlijk voor geheel Italia. De Oenotri zijn de oudste bewoners dezer streken; ze werden door de Grieken, die zich aan hun kusten vestigden, onderworpen. Een gedeelte der Oenotri vindt men nog later op Sicilia, zie Morgantium. Zie ook Oenotrus.

Oenotropi, -pae, Oinotropoi, dochters van Anius, die van Dionysus het vermogen hadden gekregen om alles wat zij wilden in wijn, v. a. in wijn, koren en olie, te veranderen. Haar vader konde door deze gave het grieksche leger voor Troje negen jaar lang van het noodige voorzien. Later trachtte Agamemnon de meisjes met geweld naar Troje te brengen, doch Dionysus veranderde ze in duiven.

Oenotrus, Oinotros, jongste zoon van Lycaon, verhuisde uit Arcadië naar Italië, waarvan een deel naar hem Oenotria genoemd werd.

Oenus, Oinous, rivier in Laconica, die boven Sparta in den Eurotas valt.

Oenussae, Oinoussai, 1) vijftal eilandjes tusschen Chius en de aziatische kust (het Mimasgebergte).--2) eilandengroep ten Z. van Messenia.

Oeonus, Oionos, zoon van Licymnius, bondgenoot van Heracles in den oorlog tegen Augias, eerste overwinnaar in den wedloop bij de olympische spelen. In Sparta werd hij door de zonen van Hippocoön gedood, later werd er een gedenkteeken voor hem opgericht.

Oëroë, Oeroa of Oeroe, riviertje en eilandje bij Plataeae in Boeotia.

Oesyme, Oisyme, thasische kolonie op de thracische kust, tusschen den Nestus en den Strymon.

Oeta, Oite, zijtak van het Pindusgeb., die zich ten Z. van Thessalia tot bij de Malische golf uitbreidt en waarvan de Callidromus met den pas der Thermopylae en de Cnemis eene voortzetting zijn. Het is een woest gebergte, bijna 6000 voet hoog. Op den Oeta liet Heracles zich verbranden.

Oetaei, Oitaioi, thessalische volksstam aan het Oetagebergte, ten W. van Doris en Malis.

Oetylus, Oitylos, havenstad in Laconica aan de Messenische golf met een tempel van Serapis.

Ofella, familienaam in de gens Lucretia, (Lucretii no. 4).

Ofilii. A. Ofilius, een bekwaam rechtsgeleerde, tijdgenoot van Cicero en vriend van Caesar. Een andere Ofilius komt voor in den oorlog van Octavianus tegen S. Pompeius.

Ogulnia (lex) van de volkstribunen Q. en Cn. Ogulnius (300), dat er in plaats van 6 patricische pontifices en 6 (v. a. 5) patr. augurs 9 pontifices en 9 augurs zouden gekozen worden, en dat hiervan 5 plaatsen door plebejers moesten bezet worden. Hieruit blijkt duidelijk, dat reeds in 300 de aanzienlijke plebejers de macht in handen hadden.

Ogulnii. Van deze familie zijn slechts twee broeders bekend; zie Ogulnia lex. Als aedilen lieten zij in 296 van de boeten, aan woekeraars opgelegd, bronzen beelden tot versiering van Rome gieten, o.a. van Romulus en Remus, door de wolvin gezoogd. Zie hieromtrent Rumina. Q. Ogulnius was een dergenen, die in 293 naar Epidaurus werden gezonden, zie Aesculapius.

Ogygia, Ogygia, 1) het eiland van Calypso, de navel der zee genoemd, waarmede waarschijnlijk bedoeld wordt, dat het zoo ver mogelijk van ieder vastland verwijderd was.--2) oude naam van Thebe.

Ogyges, Ogygus, Ogyges, Ogygos, een attische of boeotische koning uit zeer ouden tijd, onder wiens regeering het land door een groote overstrooming geteisterd werd. Een van de poorten van Thebae heette de Ogygische, ook een woud en heuvel in de nabijheid van de stad droegen dien naam.--Ook worden Ogygische nimfen genoemd, die voor dezelfde gehouden worden als de Erinyen.

Oicles, -cleus, Oikles, -kleus, kleinzoon van Melampus, vader van Amphiaraus. Hij vergezelde Heracles op diens tocht tegen Laomedon en sneuvelde daarbij. V.a. zoude hij echter behouden van Troje teruggekomen zijn en sedert in Arcadië gewoond hebben.

Oiclides, Oikleides, Amphiaraus, zoon van Oicles.

Oikia, Oikos, huis. Hoewel de inrichting van de huizen bij de Grieken, evenals overal, naar de beschikbare ruimte en de behoeften der bewoners verschillend geweest moet zijn, kan men zich toch, gebruik makende van de mededeelingen van oude schrijvers, zeer in het algemeen een denkbeeld vormen van hun aanleg. Eigenaardig is aan de grieksche huizen ten eerste, dat een betrekkelijk groot deel van de door muren ingesloten ruimte onoverdekt blijft, ten tweede, dat de vertrekken verdeeld zijn in een afdeeling voor mannen, waar ook vreemden ontvangen, gastmalen gegeven worden, enz., en eene afdeeling voor vrouwen, waar geen vreemde komt en de eigenlijke zetel van het huiselijke leven is. In de huizen, of liever paleizen, die Homerus beschrijft, komt men van de straat door een met dubbele deuren gesloten gang (prothyron) op een open plaats (aule), omgeven door vertrekken voor slaven, stallen en dgl. Aan beide zijden van de voordeur was eene zuilengalerij (aithousa aules) en aan de overzijde eene dergelijke, maar doorloopende en waarschijnlijk ruimere, galerij (aithousa domatos), waarachter het eigenlijke woonhuis (doma, domos; de aule met de galerijen, enz., heeten met elkander prodomos) lag. Achter deze galerij ligt het mannenvertrek (megaron), vanwaar een kleine gang (prothyron) naar de overige vertrekken (thalamoi) van het huis geleidt; onder deze is een het gewone verblijf van de huisvrouw met hare slavinnen, terwijl de verdere ruimte en, waar deze niet voldoende is, ook een bovenverdieping (hyperoon) slaapkamers, voorraadkamers, enz., bevat. Van de voorgalerij loopt verder een gang langs de geheele diepte van het huis, waarop de verschillende aan die zijde gelegen vertrekken een uitgang hebben.--Van een atheensch huis uit den hellenistischen tijd kan het plan op deze bladzijde eene voorstelling geven. Daarop is a de voordeur (auleios thyra), b een gang (thyron, pylon, thyroreion), met een portierswoning aan de eene en een stal aan de andere zijde, c de open plaats (aule) der mannenafdeeling (andronitis), aan alle vier zijden door zuilengangen omgeven (vandaar ook peristylion), rondom welke de mannenvertrekken (andrones, oikoi, 1-9) gelegen zijn. Uit deze aule, leidt een gang d (mesaulos, metaulos z.a.) naar de aule, e, van het vrouwenverblijf (gynaikeion, gynaikonitis, deze aule heeft slechts aan drie zijden zuilengangen, terwijl aan de vierde zijde in het midden een vertrek f ligt, dat naar de aule geheel open is, waarschijnlijk de eigenlijke huiskamer (parastas, prostas); naast dit vertrek zijn twee slaapkamers (thalamos en amphithalamos, g); aan de andere zijden van de aule zijn verschillende andere vrouwenvertrekken, geheel achter in het huis zijn vertrekken h, waar de vrouwen arbeiden, en door de achterdeur i (kepaia thyra) komt men in den tuin of op straat.--Het behoeft niet gezegd te worden dat dit plan, dat geheel en al berust op soms niet volkomen duidelijke aanwijzingen bij oude schrijvers, in de werkelijkheid vele en belangrijke wijzigingen konde en moest ondergaan,--al ware het slechts omdat daarbij op eene ruimte gerekend is, die soms onvoldoende, maar zeer dikwijls ook niet noodig en niet beschikbaar moet geweest zijn. In vele gevallen wordt melding gemaakt van een bovenverdieping, die in groote huizen alleen gediend kan hebben als verblijf voor slaven, bergplaats, enz., maar waarheen in kleinere het geheele vrouwenverblijf verplaatst is, zoodat dit in het geheel geen afzonderlijke aule had. Zeer groote afwijkingen toont bovenstaand plan van de overblijfsels van een particuliere woning, op Delus gevonden, waarvan de indeeling volstrekt niet met die van bl. 437 te vergelijken is, alleen is in B de gang te herkennen, terwijl C de open plaats geweest moet zijn, die klein en smal is en geene sporen van zuilen meer vertoont, bij F was een waterput, de bestemming van de overige ruimten is niet nader te bepalen. Dat dit echter geen armoedig huis geweest is, mag men uit den smaakvol met ionische zuilen versierden voorgevel veilig besluiten.

Oikoumene (ge), eigenlijk het bewoonde gedeelte van de aarde; men veronderstelde, dat de keerkringen wegens de hitte onbewoonbaar waren. In engeren zin beteekent oik. het aan de Grieken, later aan de Romeinen bekende of door hen beheerschte gedeelte der aarde, orbis Romanus, orbis terrarum antiquis notus.

Oileus, Oileus, koning der Locriërs, een van de Argonauten, bij Eriopis vader van Aiax, bij Rhene van Medon.

Oionopoloi, Oionistai, waarzeggers, die de toekomst voorspellen uit wonderteekenen (terata), voornamelijk uit het verschijnen van vogels, de omstandigheden, waarin deze zich vertoonen, de richting, waarin zij vliegen, enz.

Olba, Olbe, stad in het binnenland van Cilicia Trachea, ten N. van Soli, in den hellenistischen tijd zetel van het priestergeslacht der Teucriden; hier vond men den tempel van Zeus Olbios, Zeus Olbios, waarvan nog vele overblijfselen bewaard gebleven zijn.

Olbia, Olbia, 1) stad op de Oostkust van Sardinia, de meest gewone landingsplaats der Rom.--2) kuststad in Gallia Narbonensis, door Massilia (Marseille) gesticht. Tgw. Eoubes.--3) vesting in Pamphylia, in den hoek der Pamphylische golf.--4) stad in Bithynia, ook Astacus genoemd, z. a.--5) stad in Scythia, ook Borysthenis geheeten, aan de monden van den Borysthenes (Dniepr) en den Hypanis (Bug).

Olcades, Olkades, kleine volksstam in Hispania, in het gebied der Oretani, aan den bovenloop van den Anas (Guadiana).

Olcinium, illyrische zeestad, ten W. van Scodra, thans Dulcigno. In den oorlog tegen Gentius (168) schaarde zij zich aan de zijde der Romeinen.

Olearas = Oliarus.

Olen, Olen, mythisch dichter, uit Lycië of uit het land der Hyperboreërs afkomstig, de eerste die op Delus orakels van Apollo verkondigde, uitvinder van de epische versmaat. Op Delus werden oude hymnen van hem bewaard, waarvan de inhoud voor zeer belangrijk gehouden werd.

Olennius, primipilaris, d.i. eerste centurio bij de pilani of triarii, onder keizer Tiberius, in 28 na C. naar de Friezen gezonden om de schatting van runderhuiden te innen, bracht hen tot opstand door zijne hebzucht. Hij eischte huiden van oerossen of wilde stieren, die bijna uitgeroeid waren, en daar de Friezen geene zoo groote huiden konden leveren, werd hierdoor eene bron van afpersingen geopend.

Olenus, Olenos, bewoner van den Ida, wiens gemalin Lethaea zich beroemde schooner te zijn dan alle godinnen; voor dezen overmoed werden beiden in steenen veranderd.

Olenus, Olenos, 1) eene der 12 achaeïsche bondssteden, aan de golf van Patrae (Patras).--2) oude stad in Aetolia, ten W. van den Aracynthus, zetel van Oeneus, door de Aetoliërs verwoest.--Dichterlijk Olenius = achaeisch of aetolisch, Olenia capella = de geit Amalthea.

Oliarus, Oliaros, eil. van de groep der Cycladen, ten W. van Parus, thans Antiparo. De beroemde grot wordt bij de ouden niet vermeld en schijnt hun dus niet bekend te zijn geweest.

Oligyrtus, Oligyrtos, bergvesting in N.O. Arcadia, ten Z. van Stymphalus.

Olisipo, Olisipon, stad in Lusitania, thans Lissabon, zie Junii no. 4.

Olizon, Olizon, stad in het Z. van het thessalische landschap Magnesia, tegenover het eil. Euboea.

Ollius (T.), de vader der schoone, maar beruchte Poppaea Sabina, Nero's tweede vrouw. Ollius was een vriend van Seianus en werd in diens val medegesleept. Zijne dochter droeg niet den naam van haar eigen vader, maar van haar moeders vader.

Ollius, thans Oglio, rechterzijtak van den Padus (Po), die in zijn loop den lacus Sebinus (lago d'Isea) vormt.

Oloösson, Oloosson, stad der Perrhaebi in het N. van Thessalia.

Olophyxus, Olophyxos, stad aan den berg Athos met eene gemengde bevolking van Thraciërs, Pelasgen en Grieken (Chalcidiërs).

Olpae, Olpai, Olpe, sterkte in Acarnania, op een heuvel aan de Oostkust der Ambracische golf gelegen.

Oltis, rechter zijtak van den Garumna.

Olurus, Olouros, 1) vesting in Achaia bij Pallene op de sicyonische grenzen.--2) ook Oluris en Dorium geheeten, stad in het N. van Messenia.

Olympia, he Olympia, was niet zoozeer eene stad, als wel eene verzameling van tempels met de noodige worstelperken, loop- en renbanen voor de spelen, alles in een liefelijk oord ten N. van de rivier Alpheus en ten O. van de beek Cladeüs gelegen te midden van plataan- en olijfboomen. In het eigenlijke tempelgebied (he Altis), gedeeltelijk door muren omgeven, lagen ook het Heraeum, de oude tempel van Hera (vroeger van Zeus en Hera) met daarvoor het groote altaar van Zeus, en de nieuwe Zeus-tempel uit de 5de eeuw, waarvoor Phidias het Zeus-beeld gemaakt heeft, vele schatkamers (thesauroi) en vele wijgeschenken en standbeelden. Buiten de Altis vond men o. a het Gymnasium, de Palaestra en het Stadium. Op kosten van het Duitsche rijk is Olympia in 1875-1881 volledig opgegraven. Oorspronkelijk behoorde dit tempelgebied tot de stad Pisa (z. a.), doch toen de Eleërs Pisa verwoest hadden, wilden zij evenmin de vestiging eener zelfstandige gemeente te Olympia als den herbouw van Pisa toestaan. Zie ook Elis.

Olympia, ta Olympia, de olympische spelen, oorspronkelijk een feest ter eere van den pelasgischen Zeus, later verbonden met lijkfeesten ter nagedachtenis van Pelops, vervolgens door Heracles vernieuwd, en eindelijk door Lycurgus van Sparta en Iphitus van Elis voor goed geregeld. Het was het grootste nationale feest der Grieken, waaraan sedert het einde der 7de eeuw ook Grieken uit Azië, Italië en Sicilië deelnamen, en waarbij alle grieksche staten officieel vertegenwoordigd waren. De wedstrijd bestond aanvankelijk alleen uit een wedloop, waarbij achtereenvolgens gevoegd werden: diaulos, dolichos, worstelen en pentathlon, rijden met vierspan, paardrijden en pankration, wedloop in wapenrusting (hoplites dromos), rijden met tweespan. Wegens het talrijke bezoek was het hier ook de meest geschikte plaats tot het voordragen van redevoeringen, gedichten, enz., en tot het doen van afkondigingen van algemeen belang; eerbetuigingen aan bizondere personen of staten werden hier bekend gemaakt, enz. De feesten werden om de vier jaar des zomers in de Altis gevierd; oudtijds--men zegt tot 472--liep alles in één dag af, later duurden de feesten vijf dagen. Uit naam van de Eleërs, die het beheer over de feestviering hadden, werd in alle grieksche staten eenigen tijd te voren het naderen van het feest door drie aanzienlijke Eleërs, spondophoroi bekend gemaakt, en op deze bekendmaking volgde een stilstand in alle oorlogen tusschen grieksche staten (ekecheiria); van heinde en ver kwamen feestgezantschappen, de beroemdste gymnasten van Griekenland als mededingers, en tallooze toeschouwers toestroomen. De kamprechters, hellanodikai, hadden streng toe te zien, dat geen onwaardige aan een wedstrijd deelnam. Eerst nadat men hen had overtuigd dat men een vrijgeboren Griek van onberispelijk levensgedrag was en dat men zich minstens 10 maanden in een gymnasium geoefend had, kreeg men verlof naar den prijs mede te dingen. Deze bestond in een palmtak en een krans van den heiligen olijfboom in de Altis, door een knaap, wiens beide ouders in leven waren, met een gouden mes afgesneden, terwijl de overwinnaar het recht kreeg zijn standbeeld in de Altis te laten plaatsen. Hoe groote waarde men aan zulk een prijs hechtte, blijkt uit de eer, die den overwinnaar (Olympionikes) ook buiten het tooneel van den wedstrijd te beurt viel; in zijn vaderstad werd hij met gejuich ontvangen en van alle lasten vrijgesteld en had hij een eereplaats (proedria) bij alle feesten, de voornaamste dichters bezongen zijn roem, enz.--Sedert 776 begon men te Olympia lijsten van de overwinnaars aan te leggen, dit jaar geldt dus voor het eerste der eerste olympiade (Olympias) en is het begin van de in Griekenland meest algemeene tijdrekening naar Olympiaden. Ook de meest gebruikelijke afstandsmaat, het stadium, heeft naam en lengte van de renbaan van Olympia.--Hoewel de olympische feesten met het einde van de onafhankelijkheid van Griekenland veel van hunne beteekenis verloren, werden zij nog lang daarna met grooten luister gevierd; in 394 na C. werden zij op bevel van Theodosius d. G. opgeheven.

Olympiades, Olympiades, de Muzen, naar haar verblijf op den Olympus.

Olympias, Olympias, 1) dochter van Neoptolemus van Epirus, huwde met Philippus van Macedonië en werd moeder van Alexander d. G. Met haar hartstochtelijk en heerschzuchtig karakter konde zij niet dulden, dat Philippus eene andere vrouw, Cleopatra, huwde, zij verliet hem, ging naar Epirus terug, en laadde door haar gedrag zware verdenking op zich, dat zij aan het vermoorden van haar vroegeren echtgenoot medeplichtig was. Gedurende de afwezigheid van Alexander was zij wegens hare aanmatiging voortdurend in twist met Antipater, en na Alexander's dood (v. a. reeds in 330) vond zij het raadzaam naar Epirus te vluchten. In 319 riep de zwakke Polyperchon haar terug om den jongen Alexander op te voeden, en nu nam zij bloedige wraak op de partij van Antipater, ook Arrhidaeus en diens gemalin werden gedood. Maar toen Cassander uit de Peloponnesus terugkwam en haar in Pydna belegerde, moest zij zich na eene moedige en standvastige verdediging overgeven, en werd zij door Cassander, in strijd met zijn gegeven woord, ter dood gebracht (315).--2) z. Olympia.

Olymp(i)eni, Olymp(i)enoi, bewoners van het gewest Olympene in Mysia.

Olympieum, Olympieion, ook -pieion, 1) tempel van Zeus Olympius, zooals er in verschillende steden vermeld worden.--2) stadje op Sicilia vlak bij Syracusae, ten Z. van de monding van den Anapus, naar zulk een tempel genoemd en ook wel Olympium geheeten.

Olympiodorus, Olympiodoros, 1) zoon van Lampon, dapper lochaag der Atheners in den perzischen oorlog.--2) atheensch archont, veldheer tegen Cassander (304) en tegen Demetrius Poliorcetes (287).--3) van Alexandrië, neo-platonisch wijsgeer uit de school van Iamblichus, leermeester van Proclus.--4) neo-platonisch wijsgeer uit de school van Proclus, schrijver van commentaren op verscheiden werken van Plato.--5) van Thebe in Aegypte, leefde te Byzantium in het begin der 5de eeuw na C. en schreef eene geschiedenis van zijn tijd, waarvan een uittreksel bewaard is gebleven.

Olympius, -pia, Olympios, -pia, bijnaam van verscheiden goden en godinnen, naar hun woonplaats op den Olympus.

Olympus, Olympos, 1) mythisch zanger en fluitspeler, leerling van Marsyas, die zich aan een wedstrijd met Pan waagde.--2) beroemd fluitspeler, musicus en liederendichter op het einde der 8ste eeuw.

Olympus, Olympos, naam van onderscheidene bergen. 1) op de grenzen van Macedonia en Thessalia, in de mythologie de woonplaats der meeste goden, 6-7000 voet hoog en van boven met eeuwige sneeuw bedekt.--2) in Mysia, ten Z. der stad Prusa (Brussa).--3) in Galatia, ten Noorden van Pessinus, op de grenzen van Bithynië. Hier versloeg Cn. Manlius Vulso (Manlii no. 4) de Galaten in 189.--4) vulkaan met gelijknamige stad aan de Oostkust van Lycia.--5) op den staart van het eiland Cyprus.--6) in het Z. van hetzelfde eiland.--7) in Laconica bij Sellasia.--8) op Euboea, ten N. van Eretria.--9) in het Z. van het eiland Lesbus.

Olynthus, Olynthos, grieksche kolonie op Chalcidice aan den sinus Toronaicus, de belangrijkste van alle volkplantingen aan de macedonische kust. In den peloponnesischen oorlog nam het de inwoners van Potidaea en andere kleinere plaatsen in zich op en kon hierdoor lang zijne zelfstandigheid handhaven, totdat het zich in 379 aan de Spartanen moest overgeven. In 349 werd de stad aangevallen door Philippus van Macedonia, wel zocht de redenaar Demosthenes in zijne drie olynthische redevoeringen de Atheners tot het zenden van tijdige hulp aan te sporen, doch de Atheners draalden tot het te laat was. Philippus verwoestte de stad (herfst van 348), die niet herbouwd werd, en verkocht de inwoners als slaven.

Olysipo = Olisipo.

Ombrius, Ombrios, bijnaam van Zeus als regengod.

Omana, Omanades, zie Homona, Homonadenses.

Omen, zie auguria.

Omphale, Omphale, dochter van Iardanus, koningin van Lydië, bij wie Heracles als slaaf diende. Zij werd bij hem moeder van Lamus en Agelaus.

Onatas, Onatas, zoon van Micon no. 1, beroemd beeldgieter en schilder, uit de eerste helft van de 5de eeuw.

Onca, Onka, bijnaam van Athena, naar haar heiligdom te Oncae bij Thebe.

Onchesmus, Onchesmos, haven in Chaonia (Epirus), tegenover het eil. Corcyra (Corfu).

Onchestus, Onchestos, 1) oude stad in Boeotia, in het gebied van Haliartus.--2) rivier in Thessalia, die bij Cynoscephalae ontspringt, en met een grooten omweg uitstroomt in het meer Boebeis.

Oneus mons, Oneion oros, Oneia ore, ezelsberg, aan het Z. uiteinde der landengte van Corinthus, bij Cenchreae, een sleutel tot de Peloponnesus en daarom een dikwijls hevig betwist strategisch punt.

Onesicritus, -crates, Onesikritos, -krates, van Aegina, leerling van Diogenes den cynicus. Hij ging met Alexander d. G. naar Azië, werd als gezant naar een indisch volk gezonden, en was later opperstuurman op de vloot van Nearchus. Hij schreef eene geschiedenis van zijne tochten en van de daden van Alexander, aan welke echter door de ouden weinig vertrouwen geschonken werd.

Onochonus, Onochonos, rivier in het gewest Thessaliotis in Thessalia, zijrivier van den Peneus, tusschen den Pamisus en den Enipeus. V. a. = Onchestus no. 2.

Onomacles, Onomakles, een van de atheensche strategen, die in 412 bij Miletus eene overwinning op de Peloponnesiërs behaalde.

Onomacritus, Onomakritos, Athener, tijdgenoot der Pisistratiden, een van de verzamelaars en bewerkers van de gedichten van Homerus. Hij verzamelde ook orakels van Musaeus en Orpheus, maar daar hij deze door interpolaties vervalschte, werd hij door Hipparchus verbannen. Hij verzoende zich echter later met de Pisistratiden, en werkte door zijne voorspellingen mede om Xerxes tot den oorlog tegen Griekenland te bewegen.

Onomarchus, Onomarchos, na den dood van Philomelus (354) aanvoerder der Phocensers in den heiligen oorlog. Hij plunderde den delphischen tempel, overwon Philippus van Macedonië tweemaal, en voerde den oorlog over het geheel met geluk, in 352 werd hij echter door Phillippus in Thessalië verslagen, bij welke gelegenheid hij sneuvelde.

Onosander, Onosandros, platonisch wijsgeer omstreeks 60 na C., schrijver van eenige werken over krijgskunde.

Onuphis, Onouphis, stad in de Nijldelta, in het distrikt of den nomus Onuphitis.

Onusa, stad aan de kust van Spanje, ten Noorden van Carthago Nova.

Opellius Macrinus (M.), zie Macrinus (M. Opellius).

Ophelion, Ophelion, 1) atheensch blijspeldichter, waarschijnlijk uit het middelste tijdperk der comedie.--2) grieksch schrijver over geneeskunde en natuurlijke historie.--3) zoon van Aristonidas, beeldhouwer omstreeks 160, van wien een beeld bewaard is gebleven. Ook een schilder van dien naam komt voor; misschien is dit dezelfde.

Ophel(l)as, Ophel(l)as, generaal van Ptolemaeus Lagi, veroverde Cyrene (322) en regeerde er eerst als stadhouder, later onafhankelijk. Hij verbond zich met Agathocles tot een oorlog tegen Carthago, maar werd spoedig daarop door zijn bondgenoot trouweloos vermoord (308).

Opheltes, Opheltes, de eigenlijke naam van Archemorus (z. a.).

Ophion, Ophion, 1) een van de oudste Titanen, die met zijne gemalin Eurynome nog vóór Cronus regeerde, doch door dezen verdreven en in den Tartarus of den Oceanus geworpen werd.--2) een van de Giganten.

Ophis, Ophis, riviertje in Arcadia bij Mantinea.

Ophiuchus, Ophiouchos, Serpentarius, Anguifer, Anguitenens, een sterrenbeeld, voorstellend een man, die een slang bij den kop houdt, welke tusschen zijn beenen ligt. Men zag daarin Asclepius, Heracles, Carnabon, Triopas, Phorbas, Polyidus of nog anderen.

Ophiusa, Ophiousa = het slangeneiland, 1) eiland in de Propontis (zee van Marmara).--2) een der Pityusae, ook Colubraria genoemd.--3) oude naam zoowel van Rhodus als van Cyprus; dichterlijk Ophiusius = cyprisch.--4) oude naam van Tenus.

Ophryneum, Ophryneion, stadje in Troas aan den Hellespont, dicht bij Rhoeteum, met een aan Hector gewijd bosch.

Opici, Opikoi, of Osci, oud-italisch volk. Zie Italia.

Opiconsivia, -siva, feest, ter eere van Ops Consiva den 25sten Augustus te Rome gevierd.

Opilius (Aurelius), vrijgelatene, leeraar in wijsbegeerte, rhetorica en grammatica, omstreeks 90, eerst te Rome, later te Smyrna. Van zijne werken is niets overgebleven.

Opimii, plebejisch geslacht. 1) L. Opimius verwoestte als praetor in 125 de opgestane stad Fregellae. In 121 was hij consul en deed toen aan het hoofd der optimatenpartij den gewapenden aanval op C. Gracchus, waarbij deze met 3000 zijner aanhangers omkwam. In 120 werd hij hiervoor zonder succes aangeklaagd door P. Decius, en was hij censor; in 115 als gezant tot Jugurtha gezonden, liet hij zich door dezen omkoopen, waarvoor hij later veroordeeld werd en te Dyrrachium in armoede stierf. Het jaar 121 was een beroemd wijnjaar; vandaar dat men nog lang sprak van vinum Opimianum.--2) Q. Opimius werd in 74 veroordeeld en door den praetor C. Verres van zijn geheele vermogen beroofd, omdat hij als volkstribuun de lex tribunicia van Sulla had overtreden.--3) M. Opimius, praef. equitum onder Pompeius (48), ontsnapte met enkelen in Macedonië aan gevangenneming door de soldaten van Cn. Domitius Calvinus (Domitii no. 15).

Opis, Opis, handelsstad aan de samenvloeiing van den Physcus en den Tigris.

Opitergium, rom. kolonie in het land der Veneti, tusschen Verona en Aquileia.

Oppia (lex) sumptuaria, van den volkstribuun C. Oppius, in 215. Zij verbood den vrouwen o.a. meer dan een halve uncia aan gouden sieraden te hebben, of bonte gewaden te dragen, of binnen den omtrek eener stad in een rijtuig te rijden tenzij bij godsdienstige plechtigheden. In 195 werd zij afgeschaft.

Oppianus, Oppianos, 1) uit Cilicië, tijdgenoot van M. Aurelius, dichter van een didactisch epos, Halieutika, over het leven der visschen, vischvangst, enz., dat hij aan den keizer opdroeg, en dat bij dezen, evenals bij zijne andere tijdgenooten, buitengewoon grooten bijval vond. Hij stierf reeds op zijn 30ste jaar.--2) uit Syrië, tijdgenoot van Caracalla, dichter van een dergelijk werk over de jacht, Kynegetika.

Oppidum Batavorum, z. Batavodurum.

Oppii, plebejisch geslacht waarvan verscheidene leden vermeld worden. 1) Sp. Oppius Cornicen, een van de tien mannen van 450, die, volgens het verhaal, met App. Claudius Crassinus zelfmoord pleegde.--2) Q. Oppius, proconsul van Asia, viel bij de verovering van Klein-Azië in handen van Mithradates Eupator, en kreeg eerst door Sulla zijne vrijheid terug.--3) onder de vertrouwelingen van Caesar komt een C. Oppius voor, die te Rome een tijd lang veel invloed had en zich later bij Octavianus aansloot.--4) Oppius Sabinus, legaat van Moesia onder keizer Domitianus, werd door Decebalus verslagen, en sneuvelde (± 86 n. C.).

Oppius (mons), een van de bergen van het Septimontium (zie Roma), gelegen in het Z. van de regio Esquilina.

Ops, rom. godin van vruchtbaarheid en overvloed, later gemalin van Saturnus. Oorspronkelijk is zij eene godin van den oogst, en hoort zij bij Consus, hetgeen uit den naam van haar feest, Opiconsivia, blijkt. Haar andere feest, de Opalia, werd op 19 December gevierd. Als godin der zaadvelden had zij den bijnaam Consiva. Zij werd later dikwijls verward met Fauna, Maia, Bona Dea of geïdentificeerd met Rhea Cybele of Demeter.

Opson, Opsonium, Obs-, toespijs, alles wat bij het brood genuttigd wordt, vleesch, kaas, vruchten, maar vooral visch, de voornaamste lekkernij der ouden, waaraan veel geld besteed werd.

Opteria, geschenken, die de jonggehuwde vrouw van haar echtgenoot, bloedverwanten en vrienden kreeg, wanneer zij zich voor het eerst na het huwelijk zonder sluier vertoonde.

Optimates, de aristocratie te Rome, tegenovergesteld aan de populares, de volkspartij. In engeren zin = nobiles.

Optio, luitenant of adjudant, die in den beginne door den centurio of decurio zelf uit zijne manschappen gekozen werd (optare). Later ging de keus op de krijgstribunen over.

Opus quadratum, incertum, reticulatum, latericium. Met deze woorden duidt men in den Romeinschen tijd verschillende wijzen van bouwen aan. Terwijl de Grieken naast prachtige bouwwerken van gehouwen steen en marmer, vooral lucht- of zonsteenen gebruikt hebben voor huizen en tempels (zelfs het Heraeum te Olympia was van zonsteen opgetrokken op een onderbouw van natuursteen), hebben de Romeinen naast natuursteen, waarvan de lapis Tiburtinus (Travertino) de beste soort is, vooral veel baksteen voor de kern hunner reusachtige gebouwen gebruikt. Het opus quadratum der Romeinen is een bouw uit vierhoekige steenblokken, op elkaar gelegd zonder eenige verbinding. Het opus incertum geeft de oudste wijze van metselen weer. In een soort kalk van bijzondere sterkte werden allerlei steenen, vooral veldkeien, ingevoegd; alles werd dan later met een dikke laag kalk overdekt, die weer door het aanbrengen van een laag fijnere kalk, de italiaansche stucco, gelegenheid tot beschildering aanbood. Deze wijze van bouwen vindt men in de geheele eerste eeuw vóór Christus. Iets later komt het opus reticulatum op. Dit zijn vierkante baksteenen, op de scherpe kant gezet, en zoodanig aan elkaar gemetseld, dat de voegen schuine lijnen in twee richtingen vormen, die den indruk van een net maken. Dan volgt in het begin van den keizertijd het opus latericium, dat is een baksteenbouw, die slechts in zoover van den onzen verschilt, dat de Romeinsche baksteenen platter, langer en breeder zijn dan de onze.

Opus, Opous, hoofdstad der Opuntische Locriërs aan de golf van Euboea, de geboorteplaats van Patroclus.

Orbelus, Orbelos, gebergte in Paeonia ten W. van den Strymon.

Orbi et orbae. Volgens de opgaven bij den census verkregen, werd door de censoren aangelegd een register van belastingschuldigen, waarop voorkwamen: 1o. de mannelijke burgers, die in een tribus waren ingeschreven, en onderhevig waren aan het tributum (z. a.). 2o. de aerarii (z. a.). 3o. de orbi et orbae. Orbi zijn de mannelijke weezen beneden 15 jaar, die door sterfgeval sui iuris zijn geworden, en onder voogdij staan. Orbae zijn de vrouwelijke weezen en de weduwen, die sui iuris waren. Samen betaalden zij het benoodigde voor het aes equestre en het aes hordearium (z. a.).

Orbilius Pupillus, uit Beneventum, eerst klerk, vervolgens soldaat, ten slotte schoolmeester te Rome. Bij hem ging Horatius school, die hem plagosus noemt, ter herinnering aan de klappen, die Orbilius uitdeelde. Orbilius stierf in den ouderdom van bijna 100 jaar. Hij was een verdienstelijk man, die echter veel met geldgebrek te kampen had.

Orbis, in het algemeen een kring of schijf, o. a. ook een rond tafelblad uit één stuk; bij het leger een vierkant of carré, doch niet hol, maar geheel met manschappen opgevuld.

Orbius (P.), praetor in Asia in 63, door Cicero als bekwaam, schoon niet welsprekend, jurist geprezen.

Orbona, oud-romeinsche godin, die aangeroepen werd door ouders, die kinderen verloren hadden en weder kinderen wenschten te krijgen. Zij had een altaar bij den tempel der Lares.

Orcades insulae, Orkades nesoi, de Orkney-eilanden ten N. van Schotland.

Orchamus, Orchamos, vader van Leucothoë.

Orchestra, orchestra, in het algemeen een dansplaats, in het bizonder de plaats waar de dithyrambische koren ter eere van Dionysus zongen en dansten. In den schouwburg is de orch. de ruimte tusschen de zitplaatsen der toeschouwers en het tooneel, waarop bij tooneelvoorstellingen een houten stelling opgeslagen werd, die even hoog of weinig lager was dan het tooneel en op welke de plaats van het koor was. In rom. schouwburgen werd ook de orchestra door zitplaatsen ingenomen; hier zaten de senatoren.

Orchia (lex) sumptuaria, van den volkstribuun C. Orchius in ± 181. Zij beperkte het getal gasten bij maaltijden.

Orchomenus, Orchomenos, 1) oude en rijke hoofdstad van westelijk Boeotia, bij Homerus Minyeios geheeten naar de Minyers en hun koning Minyas, aan den Cephi(s)sus gelegen. Het bestond reeds in den myceenschen en vóór-myceenschen tijd. Tijdens den trojaanschen oorlog was Orch. reeds niet meer zoo machtig als vroeger; later kwam het onder de hegemonie der Thebanen, die het in 367 zelfs verwoestten. Hoewel Philippus van Macedonia de stad liet herbouwen, werd zij van geene beteekenis meer.--2) oude stad in Arcadia, bij Homerus polymelos genoemd.

Orcini, slaven die bij testament rechtstreeks waren vrijverklaard en wier patroon dus in den Orcus was. Spottend noemt Cicero aldus de nieuwbakken senatoren, die door Antonius, zoogenaamd uit Caesars aanteekeningen, in den senaat werden gebracht.

Orcus, bij de Romeinen de god der onderwereld = Hades, ook de onderwereld zelf.

Ordessus, Ordessos, thans Sereth, zijtak van den Ister (Donau) in het tegenw. Walachije.

Ordovices, volk in Britannia, in het N.W. van het tegenw. Wales.

Oreades, Oreiades, Orodemniades, bergnimfen, komen vooral dikwijls als gezellinnen van Artemis voor.

Orestae, Orestai, volk in Epirus, in het gewest Orestis, later bij Macedonia ingelijfd. De sage leidt den naam af van Orestes, die tot dit volk zou gevlucht zijn. Het is een illyrischen stam.

Orestea, Oresteia, bijnaam van Artemis, wier beeld Orestes uit Tauris naar Griekenland had overgebracht.

Orestes, Orestes, 1) zoon van Agamemnon en Clytaemnestra. Bij het vermoorden van zijn vader was hij nog een kind, en daar ook zijn leven gevaar liep, zond zijne zuster Electra hem heimelijk naar Phocis, waar hij bij zijn oom Strophius opgevoed werd. De zoon van Strophius, Pylades, werd zijn trouwe vriend en stond hem in zijn verder leven in alle moeilijkheden en gevaren trouw ter zijde. Met hem kwam hij na acht jaren naar Mycenae terug, nadat hij eerst zelf het gerucht had verspreid, dat hij bij een wedren verongelukt was, en te zamen doodden zij Aegisthus en Clytaemnestra. Maar ofschoon O. door Apollo zelf tot die daad was aangemoedigd, werd hij door de Erinyen zijner moeder vervolgd, hij verviel tot razernij en dwaalde langen tijd rond zonder rust te vinden. Eindelijk begaf hij zich op raad van Apollo naar Athene en riep hij daar de hulp der godin Athena in, deze bracht hem voor de opzettelijk hiervoor bijeengebrachte rechtbank van den Areopagus, die sedert bestaan bleef, en voor deze rechtbank werd nu O. door de Erinyen aangeklaagd, door Apollo verdedigd. Toen bij de stemming bleek dat evenveel rechters voor vrijspraak als voor veroordeeling gestemd hadden, wierp Athena een wit steentje (calculus Minervae) in de bus, zoodat O. vrijgesproken was. De Erinyen waren verzoend en kregen onder den naam van Eumenides een heiligdom in Attica.--V.a. moest O., om van zijn waanzin genezen te worden, naar Tauris gaan en van daar het beeld van Artemis naar Griekenland brengen. Zoodra hij daar met Pylades aankwam, werden zij gevangen genomen om aan Artemis (z. a.) geofferd te worden, maar toen zij voor het altaar stonden, bleek het dat de priesteres, die het offer zou verrichten, Iphigenia (z. a.), de zuster van O., was. Na de herkenning verschafte zij hun door list de middelen om te ontvluchten, zij zelve ging mede en, om aan het bevel van Apollo te voldoen, namen zij ook het beeld der godin mede.--V. a. had Orestes gedurende den tijd van zijne razernij in Arcadië rondgezworven, en niet ver van Megalopolis was de plaats van zijne genezing (Ake) met een heiligdom der Eumeniden.--Naar Mycenae teruggekeerd, doodde hij Aletes (z. a.) en regeerde hij na dien tijd lang en gelukkig. Hij huwde met Hermione, zond spartaansche volkplantingen naar Aeolis, en sloeg den eersten inval der Heracliden onder Hyllus af. Op hoogen ouderdom stierf hij te Tegea aan een slangebeet, zijne beenderen werden later naar Sparta overgebracht. In beide steden werd hij als heros vereerd.--2) zoon van den thessalischen vorst Echecratides, werd omstreeks 450 verbannen; de Atheners ondernamen een veldtocht tegen Pharsalus om hem terug te brengen, maar moesten onverrichter zake terugkeeren.

Oresthasium, Orestheum of Oresteum, Oresthasion, Orestheion, -steion, stad in het Z. van Arcadia, ten O. van het latere Megalopolis.

Orestheus, Orestheus, 1) zoon van Lyeaon, stichter van Oresthasium, het latere Oresteum.--2) zoon van Deucalion, koning der Aetoliërs en der aangrenzende Locriërs. Zijn hond bracht een kluwen ter wereld, dat hij in de aarde liet begraven; in het voorjaar ontsproot daaruit een wijnstok, naar welks ranken (ozoi) de Locriërs zich Ozolai noemden.

Oretani, Oretanoi, aanzienlijke volksstam in Hispania aan den Boven-Anas (Guadiana) tot aan het brongebied van den Baetis (Guadalquivir). Hoofdstad: Castulo.

Oreüs, Oreos, vroeger Hestiaea, stad aan de N.W. kust van Euboea, door Pericles in 445 gestraft met verdrijving der inwoners, waarna het met 2000 atheensche cleruchen werd bevolkt. Als strategisch punt speelde het in de oorlogen der diadochen en later eene gewichtige rol.

Orgeones, heetten te Athene de personen, die met elkander zekere offers brachten en plechtigheden verrichtten, welke niet van staatswege uitgingen. Ze bestonden al in den tijd vóór Solon. Later verdwijnt het verschil tusschen hen en de deelnemers aan een thiasos (z.a.) (thiasotai) of eranos (z.a.) (eranistai).

Orgetorix, aanvoerder der Helvetiërs, die het plan ontwierp tot de groote verhuizing van dit volk in 61, doch van streven naar de alleenheerschappij beticht werd en, om de doodstraf te ontgaan, een einde aan zijn leven maakte.

Orgia, Orgia, werden de mysteriën genoemd met het oog op enthusiastische gemoedsbeweging, die deze geheime plechtigheden bij de deelnemers te weeg brachten; ook de luidruchtige feesten van Dionysus (z.a.).

Oribasius, Oreibasios, van Pergamus of Sardes, beroemd geneesheer, lijfarts en raadsman van keizer Iulianus. Door Valens en Valentinianus verbannen, verwierf hij door zijne kunst ook onder de barbaren groot aanzien, en eindelijk moesten de keizers toegeven aan het algemeen verlangen, hem terugroepen, en zelfs de door hem geleden verliezen vergoeden. Hij was de schrijver van een uittreksel uit alle beroemde geneeskundige werken, waarvan een gedeelte in Latijnsche vertaling bewaard gebleven is, en waarvan hij later zelf weer een uittreksel gemaakt heeft. Ook heeft hij een Hypomnema, memoires, geschreven, waarin hij de herinneringen van zijn omgang met Julianus heeft te boek gesteld. Hiervan heeft Eunapius gebruik gemaakt, waaruit later wederom Zosimus geput heeft.

Oricum, -us, Orikon, -os, grieksche zeestad in het Noorden van Epirus nabij de Ceraunische bergen.

Origenes, Origenes, 1) de kerkvader, zoon van Leonidas, geb. 185 na. C. te Alexandrië, gest. 254 te Tyrus, leerling van Clemens Alexandrinus. Nadat hij zich in zijne jeugd met taalkundige en wijsgeerige studiën had bezig gehouden en v. s. ook de school van Ammonius Saccas bezocht had, verdedigde hij in verscheidene werken (z. ook Celsus) het Christendom, ook op gronden, aan de oude grieksche wijsgeeren ontleend. Zijn buitengewone werkzaamheid verwierf hem den naam van adamantinos.--2) neo-platonisch wijsgeer, leerling van Ammonius Saccas, leermeester van Longinus.

Orion, Orion, 1) zoon van Hyrieus of Poseidon, of v. a. uit de aarde geboren. Hij was een geweldig jager, buitengewoon schoon, en zoo groot dat zijn hoofd ver boven de wolken reikte en hij veilig door het diepste der zee konde gaan. De Pleiaden vervolgde hij zeven jaar, totdat Zeus ze uit medelijden onder de sterren opnam. Op Chius werd hij door Oenopion, wiens dochter Merope hij onteerd had, dronken en vervolgens blind gemaakt; op raad van Hephaestus begaf hij zich toen naar het paleis van Helios, waar hij zijn gezicht terugkreeg; hij keerde naar Chius terug om zich op Oenopion te wreken, maar deze hield zich onder de aarde verborgen. Later werd Eos op hem verliefd, zij ontvoerde hem naar Delus, maar dit verwekte bij de goden zooveel ergernis, dat zij aan Artemis last gaven hem te dooden.--V. a. doodde Artemis hem, omdat hij haar of de nimf Upis met zijne liefde vervolgde, of omdat hij beweerd had beter den discus te kunnen werpen dan zij. V. a. werd hij gedood door de steken van een schorpioen, dien Gaea op hem had afgezonden, omdat hij gezegd had, dat hij al het wild van de aarde zou uitroeien.--Hij werd in volle wapenrusting aan den sterrenhemel geplaatst.--2) van Thebe in Aegypte, schrijver van een etymologisch werk en van een bloemlezing van spreuken uit oude grieksche dichters; hij leefde waarschijnlijk in het midden der 5de eeuw na C.

Oritae, Oreitai, volk in het perzisch landschap Gedrosia, aan de Zuidkust, aan de grens van India, uit India afkomstig.

Orithyia, Oreithuia, dochter van Erechtheus. Zij werd door Boreas geschaakt en naar Thracië gebracht, waar zij bij hem moeder werd van Calais, Zetes en Cleopatra.

Ormenis, Ormenis, Astydamea, kleindochter van Ormenus.

Ormenium, Armenium, Orminium, Ormenion, Armenion, Orminion, stadje in Thessalia, in de buurt van Pherae en Iolcus.

Ormenus, Ormenos, kleinzoon van Aeolus, stichter van Ormenium in Thessalië.

Orneae, Orneai, oude argolische stad nabij de grenzen van Phliasia.

Orneatae, Orneatai, eigenlijk inwoners van Orneae, schijnt de gemeenschappelijke naam geworden te zijn van de oude bevolking van Argolis, die na de verovering der Doriërs in denzelfden toestand kwam als de lacedaemonische perioikoi.

Oroanda, Oroanda, bergstad in Isauria.

Orobiae, Orobiai, stad in het N. van Euboea, aan de Euboeïsche golf.

Orobii, stam in Gallia Transpadana; in hun gebied ligt Bergomum.

Orodes, naam van twee parthische koningen. Orodes I of Arsaces XIV (57-37) voerde tegen de Rom. den oorlog, waarin Crassus bij Carrhae omkwam (53). Later (39 en 38) zag hij zijne legers door Ventidius Bassus vernietigd, terwijl zijn zoon Pacorus sneuvelde. Door een anderen zoon, Phraates, werd hij vermoord.--Orodes II of Araces XVII (5-6 na C.) was een wreedaard en werd spoedig omgebracht.

Orontes, Orontes, 1) perzisch edelman, vergezelde den jongen Cyrus op diens tocht tegen Artaxerxes, en werd wegens pogingen tot verraad ter dood gebracht.--2) schoonzoon van Artaxerxes II, tijdens den tocht der 10.000 Grieken satraap van Armenia, later (381) aanvoerder van een leger tegen Euagoras; in 361, toen hij satraap van Aeolis en Ionia was, viel hij met andere satrapen, o.a. Maussolus, van den koning af, maar verried hen spoedig. In 349 viel hij nogmaals af, en verbond zich toen met Athene.

Orontes, Orontes, rivier in Syria, ontspringt in het dal tusschen den Libanus en den Antilibanus, en stroomt langs Emesa, Apamea en Antiochia naar zee.

Orontobates, Orontobates, vorst van Carië, verdedigde zich lang tegen Alexander d. G., maar moest zich eindelijk aan Ptolemaeus overgeven (333), z. Ada.

Oropus, Oropos, havenstad aan den Euripus, op de grenzen van Attica en Boeotia, hoofdplaats van de Grai (z. Graecia). De stad was bij voortduring een twistappel tusschen de beide staten, ten slotte bleef zij aan de Atheners. Hier was de beroemde tempel van Amphiaraus (z. a.).

Orosius (Paulus), christelijk presbyter uit Tarraco in Hispania, schrijver eener beknopte wereldgeschiedenis, die nog bestaat: Historiarum libri VII adversus paganos. Het werk kwam uit omstreeks 420 na C.

Orospeda, gebergte in Hispania, thans Sierra Sagra, aan de bronnen van den Tader (Segura).

Orpheus, Orpheus, zoon van Oeager of Apollo en de Muze Calliope, broeder of leerling van Linus. De invloed van zijn liefelijk gezang dat hij met de heerlijke tonen zijner lier begeleidde, was zoo groot, dat hij daardoor niet alleen de menschen tot zachtheid en meer beschaafde zeden bracht, maar zelfs wilde dieren konde temmen en ook de onbezielde natuur er door bewogen werd. Daarom waagde hij het ook na den dood zijner gemalin Eurydice naar de onderwereld af te dalen om haar terug te vragen, en inderdaad wist hij door zijn spel en gezang Persephone te bewegen zijn verzoek toe te staan. Eurydice mocht hem volgen, maar op voorwaarde dat O. niet naar haar omzag, voordat zij de aarde bereikt zouden hebben. O. konde zich echter niet zoo lang bedwingen, hij zag om, en Eurydice moest naar de onderwereld terugkeeren. In zijn droefheid leidde O. nu een eenzaam en zwervend leven, hij kwam ook in Azië en Aegypte, en voerde na zijn terugkomst bij de thracische stammen wetten en godsdienst in. Op hoogen leeftijd maakte hij nog den tocht der Argonauten mede en redde hij zijne reisgenooten door de macht van zijn spel uit vele gevaren. Kort daarna werd hij door een troep Maenaden verscheurd, v.s. omdat hij sedert den dood van Eurydice als vrouwenhater bekend stond. Zijn hoofd en zijne lier werden in den Hebrus geworpen en dreven naar Lesbus, zijne overige lichaamsdeelen werden door de Muzen bijeen gezocht en te Libethra begraven; de lier werd onder de sterren geplaatst.--Aan O. werd ook de instelling van de zgn. orphische mysteriën toegeschreven, die sedert de 7de eeuw bestonden; deze mysteriën verkondigden de van het volksgeloof afwijkende leer, dat de ziel door zonde van haar oorspronkelijken toestand van reinheid vervallen is, en dat zij door deugd en een ascetisch leven (bios Orphikos) daartoe kan terugkeeren; zoolang dit niet geschied is, verschijnt zij in verschillende lichamelijke omhulsels telkens weder op aarde; de god, wiens hulp men vooral inriep om verlossing en zaligheid deelachtig te worden, was Dionysus-Zagreus, wiens bloed voorgesteld werd door den slok wijn, dien de ingewijden dronken.--De gedichten, die den naam van Orpheus dragen (Orphika), zijn op eene enkele uitzondering van vrij laten tijd en van ongelijke waarde. Maar ook die, welke aan de ouden bekend waren, werden reeds vroeg door velen als onecht beschouwd, en sommigen, o. a. Aristoteles, betwijfelden of O. wel ooit bestaan had.

Orrhoene = Osroene.

Orsilochia, z. Iphigenia.

Orta = Horta.

Orthagoras, Orthagoras, Sicyoniër van lage afkomst, die zich met de hulp van de volkspartij tot tyran opwierp (665) en wijs en gematigd regeerde.

Orthagorea = Maronea.

Orthia, Orthia, bijnaam van Artemis (z. a.) te Sparta.

Orthrus, Orthros, de hond van Geryones (z. a.).

Ortona, Orton, 1) havenstad der Frentani in Samnium.--2) stad in Latium, in de nabijheid van Corbio, aan de N.O. zijde van het Albaansch gebergte.

Ortygia, Ortygia = kwartelland, 1) deel van Syracusae (z. a.).--2) oude naam van het eiland Delus; Ortygia dea = Diana, Ortygiae boves, de runderen van Apollo.--3) heilig bosch bij Ephesus.

Orxines, Orsines, Orxines, perzisch veldheer, die bij Gaugamela streed, afstammeling van Cyrus. Terwijl Alexander in Indië was, regeerde O. als satraap over Persis, bij de terugkomst van den koning werd hij op ware of valsche beschuldigingen van gewelddadigheden en knevelarij opgehangen.

Osca, Oska, voorname stad der Ilergetes in Tarraconensis, thans Huesca in Arragon.

Oschophoria, Oschophoria, oschophoria, feest ter eere van Athena, Dionysus en Ariadne, naar men zeide door Theseus bij zijne terugkomst van Creta ingesteld, te Athene den 7den Pyanepsion gevierd. Twintig epheben, met wijnranken beladen, hielden een wedloop, en de tien overwinnaars kregen een schaal met een drank, pentaploa, uit wijn, honing, kaas, meel en olie gemengd.

Osci, oud-italisch volk (zie Ausones en Italia). Later geven de Romeinen den naam Osci aan de samnietische veroveraars van Campania en aan hun stamgenooten in het achterland. Hunne taal bleef als plattelandsdialect in een gedeelte van Midden- en Beneden-Italië lang in wezen; vandaar oscus = boersch, lomp; ludi Osci waren landelijke kluchtspelen.

Oscines, zie Auguria.

Osi, volksstam waarschijnlijk van Keltischen oorsprong in Germanië wonende, ten Oosten van Bohemen, en onderworpen aan Quaden en Sarmaten.

Osiris, Osiris, aegyptisch zonnegod of god van den Nijl, broeder en echtgenoot van Isis, vader van Horus. Zijn broeder Typhon sloot hem in een kist, die hij in den Nijl wierp, en toen hij bemerkte, dat Isis de kist gevonden had, nam hij des nachts het lichaam er uit, sneed het in 14 stukken en verstrooide ze naar alle kanten. Isis zocht de stukken weder bij elkander en begroef ze op Philae of te Abydus. O. verscheen daarna aan Horus en spoorde hem tot den strijd tegen Typhon aan, waarin deze na eene lange verdediging volkomen overwonnen werd.

Osismii, Osismioi, keltisch volk in het W. van het tegenw. Bretagne.

Osroene, Osroene, gewest in Mesopotamia ten W. van den Chaboras, met de hoofdstad Osroë of Edessa.

Ossa, Ossa, Pheme, Fama, personificatie van het los gerucht, bode van Zeus.

Ossa, Ossa, gebergte in het N. van het thessalische kustland Magnesia, 5000 voet hoog. Ten Z. hing de Ossa met den Pelion samen; ten N. was hij van den Olympus gescheiden door het dal Tempe.

Ostentum, zie auguria.

Osteodes, Osteodes = Ustica no. 2.

Ostia, havenstad van Rome aan den linker Tibermond, door Ancus Marcius gesticht. Het had een bloeienden handel en groote zoutketen, salinae. Door Marius verwoest, herrees het nog prachtiger dan te voren. Toen echter keizer Claudius aan den rechter riviermond eene betere haven, portus Augusti of portus Romanus, aangelegd had, verplaatste zich Ostia's handel, alleen de zoutwinning bleef. Tusschen de genoemde riviermonden lag de insula sacra.

Ostippo, Astapa, Astapa, stad in Baetica, niet ver van Munda.

Ostorii, rom. geslacht. 1) Ostorius Scapula, sedert 47 na C. legatus pro praetore van Britannia, streed daar met geluk tegen Caractacus die in zijn handen viel, maar later begon zijn voorspoed te tanen, hetgeen hij zich zoozeer aantrok, dat hij ziek werd en stierf.--2) M. Ostorius Scapula, zoon van no. 1, diende met roem onder zijn vader. In 62 na C. benam hij, uit vrees voor Nero's bedreigingen, zichzelf het leven.

Ostracismus, Ostrakismos, verbanning door stemming met scherven, door Clisthenes ingevoerd. Te Athene werd jaarlijks in eene daarvoor bij de wet aangewezen volksvergadering aan het volk de vraag voorgelegd, of het wenschelijk was, iemand door het ostracismus te verbannen. Werd die vraag bevestigend beantwoord, dan werd in eene volgende vergadering, waarin minstens 6000 stemmen moesten uitgebracht zijn, beslist, wien dit lot zou treffen, ieder schreef een naam op een scherf, en degene, die de meeste stemmen gekregen had, moest voor 10 jaar Attica verlaten. Deze maatregel moest strekken om de democratie tegen aanslagen van eerzuchtigen te beveiligen, de verbanning door het ostracismus is dus geen straf, en gaat niet gepaard met verlies van goederen of rechten, en daar zij alleen tegenover aanzienlijke en invloedrijke burgers doeltreffend kan zijn, is zij eerder als eer dan als schande te beschouwen. De grenzen, binnen welke zoo iemand zich gedurende den tijd van zijne verbanning mocht vestigen, waren bepaald door een wet van 480, die echter niet streng gehandhaafd schijnt te zijn.--Nadat, door kuiperijen van Alcibiades en Nicias, Hyperbolus door het ostracisme verbannen was (417), werd deze instelling niet meer toegepast.

Otacilii, rom. geslacht. 1) M. Otacilius Crassus, consul in 263, dwong met zijn ambtgenoot M. Valerius Maximus (Valerii no. 16), den syracusaanschen koning Hiero tot den vrede.--2) T. Otacilius Crassus, broeder van no. 1, consul in 261, streed ook op Sicilia.--3) T. Otacilius Crassus, praetor op Sicilia in 217 en propraetor in 216, streed, met Hiero verbonden, tegen Carthago en ondernam een strooptocht naar Africa. Later werd hij nogmaals stadhouder van Sicilia en deed opnieuw strooptochten op de carthaagsche kust. Hij trachtte tweemaal te vergeefs consul te worden.--4) Otacilius Crassus, aanhanger van Pompeius, bezoedelde zijn naam door het ombrengen van weerlooze gevangenen uit de tegenpartij (48).--5) L. Otacilius Pilitus, zie L. Voltacilius Pilutus.

Otanes, Otanes, 1) hoofd van de samenzwering der zeven perzische edelen, die den valschen Smerdis van den troon stieten.--2) opvolger van Magabazus no. 1, als veldheer van Darius, veroverde verscheidene Grieksche steden, en ook Lemnus en Imbrus.

Otho, familienaam in de gens Salvia.

Otho (M. Salvius), rom. keizer van Jan. tot April 69 na C., geb. 32, behoorde in zijne jeugd tot de vrienden van Nero, wiens uitspattingen hij ook deelde en aan wien hij zijne schoone, maar zedelooze gemalin Poppaea Sabina overliet. Als stadhouder van Lusitania was hij 10 jaar lang een rechtvaardig bestuurder. Bij Nero's dood omhelsde hij de partij van Galba, tegen wien hij echter uit gekrenkte eerzucht in opstand kwam, waarop hijzelf tot keizer werd uitgeroepen. Door de legioenen aan den Rijn werd echter Vitellius tot keizer gekozen. Otho leed bij Bedriacum eene zware nederlaag, en benam zich hierop te Brixellum het leven, niet uit vrees, maar om den strijd te doen eindigen.

Othryades, Othryades, -das, 1) Panthoüs, zoon van Othrys.--2) de eenig overgeblevene van de 300 Spartanen, die tegen evenveel Argiven een beslissenden strijd om het bezit van Cynuria zouden leveren (550). Van de Argiven waren bij het vallen van den nacht twee overgebleven, die naar huis snelden om hunne overwinning te berichten, maar O. bleef als overwinnaar op het slagveld. Daardoor was de twist niet beslecht en werd den volgenden dag een slag geleverd, waarin de Spartanen overwonnen. O. wilde echter zijne wapenbroeders niet overleven, en bracht zichzelf een doodelijke wonde toe. V. a. had hij vooraf op de buitgemaakte wapenrustingen met bloed zijn naam geschreven. Bij de Gymnopaediën werd zijn heldhaftig gedrag in liederen herdacht.

Othryoneus, Othryoneus, thracisch vorst, die Priamus te hulp kwam en daarvoor Cassandra tot vrouw zoude krijgen. Hij werd door Idomeneus gedood.

Othrys, Othrys, boschrijk gebergte in het Z. van Thessalia, in het gewest Phthiotis.

Otrera, Otrera, koningin der Amazonen, bij Ares moeder van Penthesilea en Hippolyte. V. s. stichtte zij met Antiope den tempel van Artemis te Ephesus.

Otus, Otos, een van de Aloaden.

Otys, Otys, vorst van Paphlagonië, verbond zich met Agesilaus tegen den perzischen koning.

Ovatio, een kleine triumftocht, elatton thriambos, die somtijds aan een veldheer werd toegekend, wanneer zijne verdiensten niet groot genoeg schenen voor een werkelijken zegetocht. De veldheer reed dan niet op een triumfwagen, maar was te voet of te paard, hij droeg geen lauwer-, maar een myrtenkrans, geen veldheersmantel, maar eene toga praetexta, hij offerde geen stier, maar slechts een schaap.

Ovidius Naso (P.), den 20 Maart 43 te Sulmo uit eene ridderfamilie geboren, toonde reeds vroeg een buitengewonen aanleg voor de dichtkunst. Zijn vader had hem door eene zorgvuldige opvoeding den weg willen banen tot hooge eereambten, doch rhetorische oefeningen en staatszaken vielen niet in den smaak van den zoon, die gemakkelijker dicht dan ondicht schreef. Ovidius bekleedde dan ook slechts ondergeschikte ambten, namelijk dat van triumvir capitalis en van decemvir stlitibus iudicandis. Hij wijdde zich liever geheel aan de dichtkunst. Hij schreef treurspelen, die verloren zijn gegaan, doch waarvan de Medea algemeenen lof verwierf, schreef zijne Heroïdes, Amores, Medicamina faciei, Ars amatoria, Remedium amoris, en zijn groot dichtwerk, Metamorphoseon libri XV. In 9 na C. werd hij door Augustus naar Tomi in Moesia verbannen, aan de onherbergzame kusten van den Pontus Euxinus. Over de reden dezer verbanning (relegatio) ligt een sluier, men weet alleen, dat hij (volgens hem zelven onschuldig) verwikkeld was geworden in de uitspattingen van Augustus' kleindochter Iulia. Uit het oord der ballingschap schreef hij nog zijne Tristia, Epistulae ex Ponto, Ibis, Halieutica en de half voltooide Fasti. Deze laatste waren reeds vóór zijne verbanning gedicht, maar werden eerst na Augustus' dood met eene opdracht aan Germanicus uitgegeven. Andere gedichten van hem zijn verloren. Hij stierf in 17 na C. te Tomi, waar hij ook begraven is.

Ovile of saeptum, afgesloten ruimte, die gebruikt werd voor de stemmingen der comitia centuriata op den Campus Martius, ten einde te zorgen, dat elke burger in zijne afdeeling stemde. De omheining bestond waarschijnlijk uit paal- en traliewerk ter halve manshoogte, en had zooveel uitgangen (pontes) als er centuriae tegelijk stemden. Aan het einde van elke pons stond de uit teenen gevlochten stembus, z. Maria (lex) de suffragiis ferendis. De saepta werden telkens weder afgebroken, totdat Caesar op den Campus Martius marmeren saepta liet bouwen.

Ovinia (lex), een plebiscitum waarschijnlijk van ± 320 ut censores ex omni ordine optimum quemque iurati in senatum legerent, droeg de lectio senatus, die tot dien tijd door de consuls werd verricht, aan de censoren op. Met de ordines, waaruit de censoren de keuze moesten doen, zijn de verschillende klassen der gewezen curulische ambtenaren bedoeld. Reeds spoedig (± 300) is ook aan de gewezen aediles plebis toegang tot den senaat verleend; eerst in ± 102 werden de volkstribunen (z. Atinia (lex) en in 81 (z. Corneliae leges van 81 aan het einde) de quaestoren in den senaat opgenomen. Zoodoende werd de senaat indirekt door het volk gekozen, terwijl de taak der censoren zich bepaalde tot het uitstooten der onwaardigen (senatu movere, eicere, legendo praeterire). Terwijl de consuls tot nu toe in de eerste plaats patriciërs hadden gekozen, werd nu de senaat in hoofdzaak plebejisch, daar het meerendeel der ambtenaren tot dien stand behoorde.

Oxathres, Oxathres, broeder van Darius Codomannus, streed roemrijk bij Issus; later onderwierp hij zich aan de Macedoniërs.

Oxines, Oxines, kustrivier in Bithynia, die zich in den Pontus Euxinus stort.

Oxiones, wilde, half mythische stam in het Noorden van Europa. Volgens andere lezing heeten ze Etiones.

Oxus, Oxos, beter Oxos, thans Amoe-Darja of Gihon, groote rivier in Midden-Azië, die op den Paropanisus ontspringt en zich in het meer Aral, Oxia palus, uitstort. In ouden tijd moet ook een arm naar de Caspische zee gestroomd hebben. Deze liep uit in het bekken Sary-Kamisch, dat toen veel hooger gevuld was, en stroomde dan, tusschen den Grooten en Kleinen Balkan doorloopend, uit in de Koschu-odek-baai tegenover het eiland Ogurschinsk. Vóór Alexander den Groote wordt hij bij de oude schrijvers Araxes genoemd. Over deze rivier, waarvan de verlande stroom den naam Usboi draagt, trok Cyrus om de Massageten te bestrijden. Hij heeft in de oudheid als scheepvaartroute gediend: Indische waren gaan langs den Oxus naar de Hyrcanische zee (het zuidelijk gedeelte der Caspische zee), vandaar naar het land der Albani, en langs de rivier den Cyrus naar de Zwarte zee. Zie verder Iaxartes.

Oxyartes, Oxyartes, 1) = Oxathres.--2) bactrisch edelman, die zich lang tegen Alexander verdedigde. Na zijne onderwerping maakte Alexander hem satraap van de landen aan den Paropanisus, waar hij zich ook na Alexander's dood staande hield. Hij was de vader van Roxane.

Oxydracae, Oxydrakai, dapper indisch volk aan beide oevers van den Acesines.

Oxylus, Oxylos, zoon van Haemon, den koning van Aetolië. De Heracliden, die volgens de uitspraak van het orakel voor hun inval in de Peloponnesus een gids met drie oogen moesten zoeken, vonden dien gids in den eenoogigen O. met den muilezel, waarop hij gezeten was, toen zij hem ontmoetten. Na de verovering van de Peloponnesus kreeg hij Elis tot belooning.

Ozolae, Ozolai, zie Locris.

P.

Paches, Paches, atheensch veldheer, die het afvallige Mytilene tot overgave dwong (427) en bij verrassing Notium bezette. Te Athene teruggekeerd, werd hij aangeklaagd, en doodde hij zich zelf voor het gerecht.

Pachynum of -us, Pachynos, Z.O. kaap van Sicilia, thans kaap Passaro. De aangrenzende baai werd portus Pachyni genoemd.

Paconii, rom. geslacht, waarvan onder de eerste keizers enkele leden voorkomen.

Pacorus, Pakoros, parthische koningsnaam in de dynastie der Arsaciden. 1) De voornaamste is de parthische prins, die door zijn vader Orodes I in 52 en 51 tegen Syria werd afgezonden, doch door C. Cassius, quaestor van den in 53 gesneuvelden Crassus, verslagen werd. In 40 veroverde Pac. Syria, Phoenice, Palaestina en Cilicia met behulp van den rom. uitgewekene Q. Attius Labienus, doch P. Ventidius Bassus versloeg de Parthen bij herhaling, Labienus sneuvelde in 39 en Pac. in 38, de laatste juist op de verjaardag van Crassus' dood.--2) een koning Pacorus regeerde tijdens Domitianus en Traianus.

Pactolus, Paktolos, riviertje in Lydia, ontspringt op den Tmolus, stroomt langs Sardes en valt in den Hermus. Oudtijds voerde het veel goudstof mede, weshalve het chrysorroas werd genoemd. Hier behoort de mythe van koning Midas te huis, die zijn goudmakende kracht aan de bron van den P. moest afspoelen.

Pactye, Paktye, stad aan de O. kust der thracische Chersonesus, verblijf van Alcibiades. Zie ook Lysimachea.

Pactyes, Paktyes, een Lydiër, die voor Cyrus de schatten van Croesus beheerde. Hij verwekte een opstand tegen den perzischen stadhouder, maar bij het aanrukken van een perzisch leger vluchtte hij; na een poos gezworven te hebben kwam hij op Chius, van waar hij aan de Perzen uitgeleverd werd.

Pactyica, Paktyïke, land der Pactyes, oostelijk gewest van het perzische rijk, ten Z. van den Paropanisus, een onderdeel van het latere Arachosia. De Pactyes zijn de tegenwoordige Afghanen.

Pacuvii. 1) Pacuvius Calavius bekleedde tijdens den tweeden punischen oorlog te Capua de hoogste waardigheid en werkte mede om Hannibal binnen te halen. Zijn zoon daarentegen wapende zich met een dolk om Hannibal te vermoorden, maar liet zich door zijn vader van dat plan afbrengen.--2) M. Pacuvius, zusterszoon van Ennius, te Brundisium ± 220 geboren, was schilder en vooral treurspeldichter. Hij volgde grieksche modellen, met name Sophocles en Euripides, en schreef ééne comoedia, doch 12 tragoediae, waaronder ééne praetexta, Paullus getiteld, waarvan vermoedelijk L. Aemilius Paullus, die den slag bij Pydna won, de hoofdpersoon was. Zijne laatste jaren sleet hij te Tarentum, waar hij in 132 stierf.--Later komen er nog andere Pacuvii voor, o. a. in Caesars leger in Gallia. Ook wordt er een Pacuvius vermeld, die tijdens keizer Tiberius na Piso (Calpurnii no. 7) eerst als legatus van Cn. Sentius, daarna tot 32 voor L. Aelius Lamia, dien Tiberius dwong te Rome te blijven, Syrië bestuurd heeft. Hij was berucht om zijn losbandige levenswijze.

Padaei, Padaioi, een nomadenvolk in het N.W. van India, dat rauw vleesch at en zelfs ouden van dagen en zieken opat.

Padus, rivier in Gallia Cisalpina, thans de Po. Hij stortte zich in zee door 7 mondingen, waarvan enkele door menschenhanden waren gegraven: Padusa, Spineticum ostium, ost. Sagis, Volane, ostia plena en fossae Philistinae. Zie ook Eridanus.

Padusa, thans niet meer bestaande Po-arm, die langs Ravenna liep. Zie Padus.

Paean, Paian, Paion, Paieon, 1) de geneesheer der goden. Verder bijnaam van verschillende goden, wanneer men hen om genezing van ziekte of bevrijding van smart aanroept, zoo van Apollo, Asclepius, Dionysus, Thanatus e. a.--2) een lied, waarin Apollo onder den naam Paean aangeroepen en geprezen wordt; later werden met dien naam lof- en dankliederen ter eere van verschillende goden aangeduid, in het bizonder de liederen die men in den oorlog bij den aanval en na de overwinning zong.

Paeania, Paiania, demus van Attica, ten O. van den Hymettus, geboorteplaats van den redenaar Demosthenes (Paianieus).

Paeanius, Paianios, sophist, die het Breviarium van Eutropius in het Grieksch vertaalde (380 n. C.).

Paedagogus, paidagogos, een slaaf, die met de opvoeding van de kinderen zijns meesters belast was; hij behoefde hun geen onderwijs te geven, maar zijne taak was, hen overal te vergezellen en op hun gedrag toe te zien. Bij de Romeinen, die zich meer zelf met de opvoeding hunner kinderen bezig hielden, vond dit grieksche gebruik eerst in lateren tijd en slechts bij enkelen ingang.

Paeligni = Peligni.

Paemani, germaansche stam in Belgica aan de Mosa (Maas), bij het tegenw. Luik.

Paenula, een regenmantel, alleen met eene opening om het hoofd door te steken, overigens gesloten en van achteren van een kap voorzien.

Paeon, Paion, Paieon, z. Paean.

Paeon, Paion, zoon van Endymion, broeder van Epeus (z. a.); v.s. was Paeonië naar hem genoemd.

Paeones, Paiones, thracisch volk aan den bovenloop van den Axius.

Paeonia, Paionia, het land der Paeones, gewest in het N. van Macedonia (z. a.).

Paeonia, Paionia, of Paeonidae, Paionidai, demus van Attica, ten N. van Acharnae.

Paeonius, Paionios, 1) van Ephesus, bouwmeester in de 5de eeuw, werkte mede bij de voltooiing van den tempel van Artemis te Ephesus (± 400) en bouwde den tempel van Apollo Didymeus bij Miletus.--2) van Mende, bekwaam beeldhouwer in de 5de eeuw, van wien een beroemd beeld, voorstellend de godin der overwinning (Nike), hoewel niet ongeschonden, te Olympia is opgegraven. Onjuist is het, dat ook een deel van de (eveneens bewaard gebleven) beeldhouwwerken ter versiering van den tempel van Zeus te Olympia van Pae. zouden zijn. V. s. zijn deze beeldhouwwerken van Panaenus (z. a.), die in Olympia gewerkt heeft.

Paeoplae, Paioplai, paeonische stam aan de macedonische kust, aan den Strymon en den mons Pangaeus.

Paestum, Paiston, vroeger Posidonia, stad op de lucanische kust aan den sinus Paestanus (golf van Salerno), kolonie van Sybaris, in 524 gesticht. ± 400 viel de stad in handen van de Lucaniërs, en heette voortaan Paestum. In 273 brachten de Rom. er eene kolonie van Latijnen heen. Paestum was beroemd om zijne rozenteelt. Men vindt er nu nog de overblijfselen van drie grieksche tempels, die voor de geschiedenis der grieksche bouwkunst van groot belang zijn. Onder Templum vindt men een afbeelding van den meest bekenden, den zoogenaamden Poseidonstempel.

Paesus, Paisos, stad en rivier in Troas, aan het begin van de Propontis. De stad is door Milete gesticht.

Paetus, een familienaam, die in verschillende gentes voorkomt, en als adjectief lonkend beteekent. 1) beroemd rechtsgeleerde, zie Aelii.--2) echtgenoot der heldhaftige Arria, zie Caecinae.--3) vriend van Cicero, zie Papirii no. 14.--4) senator onder Nero, zie Thrasea.

Pagae, Pegae, Pagai, Pegai, versterkte havenstad in Megaris aan de Corinthische golf.

Paganalia, door Servius Tullius ingesteld, feesten door de inwoners van iederen pagus gevierd. Ze behooren tot de feriae conceptivae, zie feriae.

Pagani, zie pagus.

Pagasae, Pagasai, stad in het Z. van Thessalia, in het landschap Pelasgiotis, dicht bij de grens van Magnesia, aan den sinus Pagasaeus (golf v. Volo). Dichterlijk Pagasaeus = thessalisch.

Pagus, landelijk distrikt, plattelandsgemeente. Soms behoorden de pagi tot het gebied eener stad en kan het woord door dorp worden overgezet, somtijds ook hadden zij eene grootere uitgebreidheid en vormden zij een zelfstandig geheel, overeenkomende met hetgeen wij een kanton of distrikt zouden noemen. De inwoners waren pagani. De dorpen, vlekken en gehuchten in zoo'n distrikt heetten vici (zie vicus no. 3). Te Rome werden de bewoners der vroegere buitenwijken ook pagani genoemd. Paganus beteekent ook: boersch, landelijk; onder de keizers wordt de naam gebezigd in tegenstelling met milites, en bij de kerkelijke schrijvers = heidenen.

Paiderastia, knapenliefde, eene betrekking tusschen een volwassen man en een knaap, die medebracht, dat zij zooveel mogelijk in elkanders gezelschap waren, dat de man door goede voorbeelden en lessen een gunstigen invloed op de zedelijke ontwikkeling van den knaap trachtte uit te oefenen, en dat de knaap zich naar het voorbeeld van den man trachtte te vormen. Deze verhouding bestond vooral in dorische staten, in het bijzonder op Creta, waar de knaap evenals eene bruid uit het huis zijner ouders geroofd werd, na twee maanden vrijgelaten werd, maar zich dikwijls levenslang bij den man aansloot, waaruit soms de innigste vriendschap en broederschap, vooral in den oorlog, ontstond.--De man heette op Creta philetor, te Sparta eispnelas (inblazer), de knaap op Creta kleinos (geroemde), te Sparta aitas (toehoorder).--Werd van zulk een verkeer op onzedelijke wijze misbruik gemaakt, wat in oude tijden slechts zelden schijnt voorgekomen te zijn, dan konde de man gestraft worden met atimie, verbanning of zelfs met den dood, de knaap werd van openbare betrekkingen en van godsdienstige feesten uitgesloten. In lateren tijd verloor de zaak echter geheel en al hare oorspronkelijke beteekenis en ontaardde zij tot eene door en door onzedelijke verhouding, in welken vorm zij ook bij de Romeinen, vooral in den keizertijd, ingang vond.

Paidonomos, te Sparta en op Creta een magistraat, die met het toezicht op de opvoeding der knapen belast was; hij werd bijgestaan door de bidyoi, en onder hem stonden de mastigophoroi, om door hem opgelegde straffen te voltrekken.

Paistike, landstreek in het N. van Thracia.

Palaegambrium, Palaigambreion, stad in Aeolis aan den Caicus.

Palaemon, Palaimon, z. Melicertes.

Palaepolis, Palaipolis, zie Neapolis.

Palaephatus, Palaiphatos, 1) van Abydus, vriend van Aristoteles, schrijver van verscheiden geschiedkundige werken, die op enkele fragmenten na verloren gegaan zijn.--2) Aegyptenaar of Athener, wordt geroemd als schrijver van verscheiden thans verloren mythologische werken. Waarschijnlijk is van hem ook een nog behouden werkje peri apiston, dat op de wijze van Euhemerus, van wien P. een tijdgenoot schijnt geweest te zijn, allegorische of historische verklaringen van verscheiden mythen bevat. Het is langen tijd als schoolboek gebruikt.

Palaerus, Palairos, zeestad in het N.W. van Acarnania.

Palaescepsis, Palaiskepsis, zie Scepsis.

Palaeste, Palaiste, kustplaats in het N.W. van Epirus, bij de Acroceraunische bergen, waar Caesar landde, toen hij tegen Pompeius optrok.

Palaestina, Palaistine = land der Philistijnen, Philistaei, Philistaioi, die langs de kust der Middellandsche zee van de aegyptische grenzen N.waarts tot aan den berg Carmel woonden. Later werd de naam uitgebreid over het binnenland, tot zelfs over het transjordaansche gedeelte van het joodsche land. Over zijne geheele uitgestrektheid werd Pal. verdeeld in de volgende landschappen: ten W. van den Jordaan: Galilaea in het N., Samaria in het midden en Judaea in het Z. Het overjordaansche land werd Peraea geheeten; het N. gedeelte werd Batanaea of Basan (het weeke, vruchtbare land) genoemd en langs de rivier meer in het bijzonder Gaulonitis; het Z. deel heette Galaäditis (het harde, ruwe land). Onder Salomo had het rijk der Israëlieten zijne grootste uitgebreidheid, het reikte toen tot aan den Euphraat. Nog bij Salomo's leven echter ging Syria weder verloren, en na zijn dood splitste zich de staat in twee deelen; het rijk der 10 stammen, dat in 722 door Salmanezer werd vernietigd, en dat van Juda, waaraan Nebukadrezar in 588 een einde maakte. Onder Cyrus werd het land perzisch, onder Alexander d. G. macedonisch. Na diens dood kwam het in den beginne onder Aegypte, was een tijd lang een twistappel tusschen dit rijk en Syrië, tot het eindelijk onder Antiochus III aan Syrië bleef. De poging van Antiochus IV Epiphanes, om den mozaischen eeredienst met geweld door den griekschen te doen verdringen, had een opstand ten gevolge, en van 130 tot 64 vormde Pal. nogmaals een vrijen staat onder het vorstenhuis der Maccabaeën. Broedertwisten tusschen Aristobulus en Hyrcanus hadden de inmenging der Rom. ten gevolge. Zie verder Herodes en Herodes Agrippa.

Palaestra, palaistra, het gedeelte van een gymnasium, dat meer bepaald tot beoefening der gymnastiek bestemd is. Soms wordt de naam echter voor afzonderlijke gebouwen gebruikt, die weinig van de gymnasia schijnen te verschillen, en waarschijnlijk meer in het bizonder door athleten van beroep bezocht werden.

Palaetyrus, Palaityros, zie Tyrus.

Palamedes, Palamedes, zoon van Nauplius en Clymene, een wijs, dapper en rechtvaardig man, wien de uitvinding van vuurtorens, maten en gewichten, eenige letters, dobbelspel e.a. toegeschreven wordt. Toen Odysseus zich poogde te onttrekken aan zijne verplichting om deel te nemen aan den tocht tegen Troje, werd P. met anderen gezonden om hem daartoe te nopen. Zij vonden Odysseus, terwijl hij in geveinsde waanzinnigheid ploegde met een ploeg, waarvoor hij een os en een ezel gespannen had, en zout in plaats van koren in de voren zaaide. P. legde den jongen Telemachus voor den ploeg, en daar Odysseus vermeed over het kind heen te rijden, toonde hij dat zijne krankzinnigheid slechts voorgewend was. Daardoor verbitterd, bewerkte Odysseus zijn ondergang. Hij liet namelijk voor Troje een brief onderscheppen, dien hijzelf geschreven had, maar die schijnbaar door Priamus aan P. gericht was, en waaruit blijken moest, dat P. had aangeboden de Grieken voor geld te verraden. Toen de inhoud van dezen brief bekend gemaakt was, en men in de tent van P. een som gelds gevonden had, waarvan in den brief sprake was, maar die door Odysseus zelf daar verborgen was, was het hem gemakkelijk zijn vijand door het volk ter dood te doen veroordeelen, vooral daar ook Agamemnon en Diomedes, naijverig op den roem van P., zijn dood wenschten.--Hij had later een heiligdom op de kust van Klein-Azië, tegenover Lesbus.

Palatinus, bijnaam van Apollo, naar zijn tempel op den mons Palatinus.

Palatinus (mons), een der heuvels van Rome. Op dezen heuvel heeft het oudste Rome, Roma quadrata, gelegen. Het N.W. gedeelte van den berg heette Cermalus, terwijl de ten N. gelegen Velia ook bij deze oudste nederzetting behoorde. Op of bij den Palatinus lagen zeer oude heiligdommen, o.a. het Lupercal; ook vond men er tot in late tijden de met stroo gedekte Casa Romuli. In den laatsten tijd der republiek woonden hier vele aanzienlijke Romeinen, o.a. M. Tullius Cicero, Crassus, Hortensius, Catilina en Clodius. Uit iets lateren tijd is nog over een particulier huis, gewoonlijk het huis van Livia, de eerste keizerin van Rome, genoemd. In den keizertijd werd de geheele berg eigendom van de keizers, die er hun verschillende paleizen (het woord is van palatium afgeleid) gebouwd hebben. Bekend zijn vooral de domus Augustana, met daarnaast den Apollo-tempel en de bibliotheek, de domus Tiberii, het paleis der Flavische keizers, het Stadium, door Domitianus of één der latere keizers in den berg uitgegraven, en het Septizonium, door Septimius Severus gebouwd.

Pale, lucta, luctatio, het worstelen, een van de voornaamste spelen bij de grieksche feesten. De worstelaars trachtten elkander op den grond te werpen, en alle middelen waren daartoe geoorloofd behalve slaan; daarbij lette men echter zeer op bevalligheid in houding en bewegingen. Zoodra een van beiden viel, liet zijn tegenstander hem opstaan, en eerst wanneer de een den ander driemaal op den grond geworpen had, was de strijd beslist; later werd het gevecht echter, wanneer een van beiden neergeworpen was, op den grond voortgezet, totdat hij geen kans zag zich weder op te richten en zich overwonnen moest verklaren. De worstelaars hadden hun lichaam met fijn zand bestrooid en de grond van het worstelperk was met zand bedekt.

Palenses, Pales, inwoners der stad Pale, Pale, in het W. van het eiland Cephallenia.

Pales, eene godin of een god der romeinsche herders die de kudden vruchtbaar maakte en voedde, zie Palilia.

Palibothra, Palibothra, groote en bijzonder sterke hoofdstad der Prasii in India, aan den Ganges, bij het tegenw. Patna.

Palice, Palike, stad der Siculi, door Ducetius gesticht (453/2), ten N.W. van Syracusae, bij het heiligdom der Palici (z. a.).

Palici, Palikoi, daemonen, die op Sicilië vereerd werden, tweelingzonen van Zeus en een sicilische nimf. Uit vrees voor de jaloerschheid van Hera had hun moeder zich voor hunne geboorte onder de aarde verborgen, maar zoodra zij geboren waren, opende de aarde zich en werden zij door het daglicht beschenen. Ten N.W. van Syracusae (zie Palice) waren twee aan hen gewijde, kleine, diepe meren met warm water, waaruit zwaveldampen opstegen. Wie van een misdaad beschuldigd was en zijne onschuld durfde bezweren, werd bij een van deze meren gebracht, zijn eed werd op een schrijftafeltje geschreven en dit werd in het water geworpen. Bleef het drijven, dan was de aangeklaagde vrijgesproken, zonk het, dan gold de eed voor valsch, en de meineedige werd onmiddellijk in den krater van den Aetna geworpen of van het gezicht beroofd. In de nabijheid was de tempel der P., waar slaven, die door hunne meesters hard behandeld werden, een toevluchtsoord vonden.

Palilia, feest ter eere van Pales den 21sten April door romeinsche herders gevierd. Men stak stroovuren aan, dreef het vee driemaal er om heen, en sprong zelf driemaal er over, om vergiffenis te verwerven voor onopzettelijke verontreiniging van heilige wouden en bronnen. Het was een uitgelaten vroolijk feest en gold tevens als gedenkdag van de stichting van Rome.

Palimbothra = Palibothra.

Palindikia, anadikia, tweede behandeling van een proces. Men konde nl. vernietiging van een vonnis vragen (palindikein, anadikazesthai), wanneer dit door een openbaar scheidsrechter (z. diaitetes) was uitgesproken, of wanneer men bij verstek (z. eremos dike) of op grond van valsche getuigenissen (z. pseudomartyrion dike) veroordeeld was.

Palinodia, een gedicht, waarin men herroept wat in een vroeger gedicht gezegd is, ook in het algemeen het herroepen van een vroeger gezegde. Beroemd is de pal. van Stesichorus (z.a.).

Palinurus, Palinouros, stuurman van Aeneas, viel bij de naar hem genoemde kaap Palinurum, ten Z. van Velia, in zee; hij zwom aan land, maar werd door de Lucaniërs gedood. Op bevel van een orakel werd hij later eervol begraven en werden lijkspelen te zijner eere ingesteld.

Palla, 1) vrouwengewaad, een overkleed, dat men omwierp en dat tot op de voeten afhing, doch bij nimfen en jageressen door de dichters meermalen wordt geschilderd als slechts tot de knie reikende. De rom. dames gebruikten het dikwijls in plaats der meer deftige stola.--2) bij goden, heroën, dichters en zangers, een dergelijk gewaad, tot op den grond hangende en dikwijls slepende, ten einde hun een rijziger gestalte te geven.

Pallacopas, Pallakopas of Pallacottas, Pallakottas, zijkanaal van den Euphraat in de richting der arabische woestijn, waar het doodliep.

Palladium, Palladion, een beeld van Pallas Athena of van Pallas, de dochter van Triton, door de godin Athene zelve gemaakt en door Zeus aan Ilus (z.a.) of aan Dardanus gegeven. Het was een staande houten beeld, drie el hoog, met aaneengesloten voeten, het hield in de rechterhand een speer, in de linker een spinrokken. Toen de Grieken door Helenus vernomen hadden, dat Troje niet genomen konde worden, zoolang het Palladium binnen zijne muren was, slopen Odysseus en Diomedes in de stad en roofden het. Zoo kwam het naar Argos of Athene (z. Diomedes en Demophon). De Rom. beweerden echter dat Aeneas het naar Italië had medegebracht, zij bewaarden het in den tempel van Vesta, waar zelfs de pontifex maximus het niet zien of aanraken mocht.

Palladius (Rutilius Taurus Aemilianus), rom. schrijver van een uitvoerig werk over den landbouw in 14 boeken, vermoedelijk uit de 4de eeuw na C.

Pallantia, dochter van Euander, geliefde van Heracles; naar haar is de Mons Palatinus genoemd.

Pallantia, Pallantia, hoofdst. der Vaccaei in Hispania Tarraconensis, thans Palencia, aan den Pisoraca (Pisuerga), een zijtak van den Durius (Douro).

Pallantias, -tis, Aurora, kleindochter van Pallas.

Pallantidae, Pallantidai, de 50 zonen van Pallas no. 5, die Aegeus van de regeering beroofden, maar later door Theseus deels gedood, deels verjaagd werden.--Ook eene atheensche familie, die van dezen Pallas beweerde af te stammen, noemde zich zoo.

Pallantium, Pallantion, oude stad in Zuid-Arcadia, ten W. van Tegea, vanwaar Euander met eene kolonie naar Latium verhuisde, waar hij ergens aan den Tiber eene gelijknamige stad zou gesticht hebben. Het arcadisch Pallantium werd in 369 ontvolkt ten behoeve van Megalopolis.

Pallas, Pallas, gen. -ados, 1) P. Athena z. Athena.--2) eene gezellin van Athena, door wie zij bij ongeluk gedood werd; haar beeld was v. s. het Palladium. Zij wordt dochter van Triton genoemd en is eigenlijk niemand anders dan de godin zelve.

Pallas, Pallas, gen. -antos 1) een van de Titanen, zoon van Crius en Eurybia.--2) een van de Giganten, door Athena gedood en gevild; met zijne huid bekleedde zij haar schild.--3) zoon van Lycaon, grootvader van Euander, stichter van Pallantium in Arcadië.--4) zoon van Euander (z. a.), sneuvelde door de hand van Turnus.--5) zoon van Pandion, broeder van Aegeus, in wiens plaats hij eenigen tijd regeerde; hij werd door Theseus gedood.--6) een vrijgelaten slaaf, broeder van Antonius Felix, procurator van Judaea, evenals deze vrijgelatene van Antonia minor (zijn vollen naam luidt: M. Antonius Pallas), die zich in de gunst van keizer Claudius wist in te dringen, en zich grooten invloed en rijkdom verwierf (hij bekleedde het ambt a rationibus). Het huwelijk van Claudius met Agrippina en de adoptie van Nero was voor een groot deel zijn werk. Onder Nero geraakte hij echter op den achtergrond, hij moest zich (55 n. C.) uit het openbare leven terugtrekken en werd in 62 ter dood gebracht.

Pallene, Pallene, 1) W. landtong van Chalcidice.--2) demus in Attica.

Palliata, sc. fabula, eene romeinsche comoedie, die in Griekenland speelt en waarbij de acteurs in grieksch gewaad optraden.

Pallium, himation, pharos, lange wollen mantel, meestal wit, bij de Grieken door mannen en vrouwen gedragen, en wel gewoonlijk op dezelfde wijzen als de toga der Romeinen. Het dragen van een pallium over den chiton was echter volstrekt niet algemeen en gold bij de Romeinen zelfs lang als een teeken van verwijfdheid, in lateren tijd was het de geliefkoosde dracht van wijsgeeren of hen die daarvoor gehouden wilden worden.

Palma, rom. of lat. kolonie (123) op het eiland Balearis maior.

Palmyra, Palmyra, of Thadmôr = palmenstad, door Salomo aangelegd in een oase der syrische woestijn. Als middelpunt van karavaanwegen bereikte het een hoogen trap van bloei. Gebruik makende van de verwarring in het rom. rijk, stichtte de stadhouder Odenathus er in 260 na C. een zelfstandig rijk, dat zich onder zijne gemalin en opvolgster Zenobia over Syrië, Aegypte en een deel van Voor-Azië uitbreidde. Doch in 272 werd Palmyra door keizer Aurelianus ingenomen en, na een opstand, verwoest; Zenobia werd als gevangene naar Rome gevoerd. De stad had een prachtigen zonnetempel. In 1691 heeft men belangrijke overblijfselen der schoone en uitgestrekte stad teruggevonden, die in het laatst der vorige eeuw wetenschappelijk onderzocht en beschreven zijn.

Paludamentum, witte of purperroode krijgsmantel der rom. veldheeren. Paludatus = met den veldheersmantel bekleed.

Palumbinum, stadje in Samnium, ligging onbekend.

Pamisus, Pamisos, 1) zuidelijke zijtak van den Peneus in Thessalia.--2) rivier in Messenia, stroomt door de vruchtbare vlakte Macaria.--3) oude grensrivier tusschen Messenia en Laconica, die even ten N. van Thalamae in de Messenische golf uitloopt.

Pammenes, Pammenes, 1) Thebaan, tijdgenoot van Epaminondas, onderscheidde zich in de oorlogen tegen Sparta en bleef met een leger in de Peloponnesus om de Arcadiërs gedurende de stichting van Megalopolis te beschermen; ook als bevelhebber over de thebaansche hulptroepen van Artabazus no. 2 verwierf hij grooten roem (353). Toen hij echter met de vijanden van Artabazus onderhandelingen aanknoopte, liet deze hem gevangen nemen. Philippus van Macedonië woonde gedurende zijn verblijf te Thebe als gijzelaar in het huis van P.--2) leeraar der welsprekendheid te Athene, tijdgenoot van Cicero, die met lof van hem spreekt.

Pammerope, Pammerope, dochter van Celeüs, eerste priesteres bij de eleusinische mysteriën.

Pamphila, Pamphile, 1) van Cos, uitvindster van het zijdeweven. Zij leefde in het begin der vierde eeuw.--2) aegyptische of epidaurische vrouw, die een aantal bijzonderheden op het gebied van geschiedenis, wijsbegeerte, rhetorica, enz., te boek stelde, zooals zij die gedurende haar dertienjarig huwelijk uit de gesprekken van haar man en zijne talrijke bezoekers had opgevangen of uit haar lectuur had opgeteekend. Zij leefde ten tijde van Nero.

Pamphilus, Pamphilos, 1) atheensch veldheer, landde in den corinthischen oorlog op Aegina en belegerde de stad (389), daar zijne vloot echter verjaagd werd, kwam hij in groote verlegenheid; na 5 maanden werd hij ontzet. Hij werd veroordeeld, en stierf voor hij de boete betaald had.--2) leerling van Plato, leeraar der wijsbegeerte op Samus, waar Epicurus zijne voordrachten hoorde.--3) van Amphipolis, beroemd schilder, leerling van Eupompus en leermeester van Apelles; ook werken van hem over schilderkunst worden genoemd.--4) uit Alexandria, grammaticus ten tijde van Nero, schreef een uitgebreid woordenboek.

Pamphos, Pamphos, episch dichter, ouder dan Homerus, aan wien hymnen ter eere van verschillende goden werden toegeschreven.

Pamphyloi, naam van een der drie dorische phylae (z. phyle), zoo genoemd naar Pamphylus.

Pamphylia, Pamphylia, gewest aan de Zuidkust van Asia minor. De bevolking was zeer gemengd en bestond uit inboorlingen, Ciliciërs en Grieken, hieraan was ook de naam Pamphyli, Pamphyloi, ontleend. Het land stond achtereenvolgens onder perzische, macedonische, syrische, pergameensche en romeinsche heerschappij. De voornaamste steden zijn Aspendus, Perge, Side en Attalea.

Pamphylus, Pamphylos, zoon van Aegimius, trok met de Heracliden naar de Peloponnesus en sneuvelde daar.

Pan, Pan, veld-, bosch- en herdersgod, zoon van Hermes of Zeus en Callisto of de nimf Penelope. Reeds bij zijne geboorte was hij bijna geheel volwassen, hij had horens, een krommen neus, spitse ooren, een staart en bokspooten (Aigipodes, Semicaper), bovendien was hij geheel met haar begroeid. Hij beschermt kudden (Nomios), bosschen en weiden, jacht (Agreus), visscherij en bijenteelt. Het liefst zwerft hij in Arcadië, over de bergen (Oressibates), waar hij jaagt, de nimfen bij den dans aanvoert (Philochoros) of zich vermaakt met het spelen op de door hem uitgevonden herdersfluit (z. Syrinx), waarin hij het zoover gebracht had, dat hij zelfs Apollo tot een wedstrijd durfde uitdagen (z. Midas). De Atheners geloofden, dat zij aan zijne hulp de overwinning bij Marathon te danken hadden, hij kon n.l. in den strijd gewichtige diensten bewijzen, door met zijne vervaarlijke stem den vijanden schrik en ontzetting aan te jagen; van dit vermogen maakt hij echter ook misbruik, om bij onschuldige reizigers of wandelaars in eenzame wouden een plotselingen (panischen) schrik te veroorzaken. Zoo had hij ook de Titanen in hun strijd tegen de goden door trompetgeschal op de vlucht gedreven. Met zijne kinderen en verdere afstammelingen (Panes, Paniskoi, Panisci) sluit hij zich gaarne bij den luidruchtigen stoet van Dionysus aan. De nimfen, die hij met zijne liefde dikwijls hardnekkig vervolgt, ontvluchten hem gewoonlijk of worden door de goden tegen hem beschermd.--In lateren tijd beschouwden sommigen hem naar aanleiding van zijn naam als een symbool van het heelal, zijn dans stelde dan de eeuwige beweging voor, zijn horens en baard waren de zonnestralen, enz.--Pan werd vooral in Arcadië, maar ook elders in Griekenland vereerd, aan sommige van zijne tempels waren orakels verbonden. Te Athene hield men jaarlijks te zijner eer een wedloop met fakkels.--Men offerde hem bokken, lammeren, koeien, melk, honig en most; de steeneik en de pijnboom waren hem gewijd.--De Romeinen vereenzelfdigden hem met Faunus.

Panacea, Panakeia, dochter van Asclepius.

Panachaicus (mons), Panachaïkon oros, berg in Achaia, ten Z. van de invaart der Corinthische golf.

Panactum, Panakton, grensvesting tusschen Attica en Boeotia, ten N. van Eleusis.

Panaei, Panaioi, thracisch volk, in den omtrek van Amphipolis woonachtig.

Panaenus, Panainos, beroemd schilder te Athene, broeder van Phidias, medewerker aan de beroemde schilderij van den slag bij Marathon in de poikile stoa te Athene. Ook het schilderwerk aan den troon van het Zeusbeeld te Olympia was van hem. Z. ook Paeonius.

Panaetius, Panaitios, van Rhodus, zoon van Nicagoras, geb. omstreeks 180, genoot te Athene het onderwijs van Diogenes den Babyloniër en Antipater van Tarsus. Te Rome vond hij vele leerlingen en leefde hij op vertrouwden voet met Laelius en den jongen Scipio, dien hij op eene reis naar Azië en Aegypte vergezelde (140). Later keerde hij naar Athene terug, waar hij Antipater als hoofd der stoicijnsche school opvolgde (129), talrijke leerlingen vormde en omstreeks 112 stierf. Hij heeft tot de verbreiding der stoicijnsche leer, vooral te Rome, zeer veel bijgedragen en wordt vooral door Cicero dikwijls met lof genoemd; evenwel schijnt hij het gestrenge van die leer in vele opzichten verzacht en zich ook tot de peripatetische school aangetrokken gevoeld te hebben. Zijne geschriften zijn grootendeels verloren, zijn voornaamste werk peri tou kathekontos werd door Cicero in zijn werk de officiis nagevolgd.

Panaetolicus (mons), Panaitolikon oros, berg in het hart van Aetolia, ten N. van den Trichonius lacus.

Panathenaea, Panathenaia, het voornaamste feest der Atheners in het derde jaar van iedere Olympiade, van den 24sten, v. s. van den 21sten, tot den 28sten Hecatombaeon ter eere van Athena Polias gevierd. De invoering er van als een landelijk feest onder den naam Athenaia wordt aan Erichthonius toegeschreven, zijn eigenaardig karakter als feest van de geheele attische burgerij en zijn naam had het van Theseus gekregen, door Pisistratus waren voordrachten van gedichten van Homerus aan de feestelijkheden toegevoegd, die later door Pericles nog verdere uitbreiding kregen. Behalve de wedstrijden in muziek, gymnastiek, rijden, enz., waarbij vele prijzen uit kruiken met olie van de heilige olijfboomen bestonden, moet vooral vermeld worden de groote optocht (pompe), waarmede aan de godin een nieuw kleed (peplos) gebracht werd. Dit kleed was saffraankleurig, door atheensche vrouwen geweven en met het prachtigste borduurwerk, waarvan patroon en uitvoering van staatswege goedgekeurd moesten zijn, versierd. Het werd als zeil aan den mast van een schip vastgehecht, en dit werd op rollen naar de acropolis voortbewogen, gevolgd door grijsaards met olijftakken in de handen (thallophoroi), dochters van edele burgers, die mandjes met offergereedschap droegen (kanephoroi), terwijl stoelen en zonneschermen haar nagedragen werden door vrouwen en dochters der metoeci (diphrophoroi, skiadephoroi), verder volgde de ruiterij en verdere krijgslieden in de schoonste wapenrusting, overwinnaars in de feestspelen bij vroegere Panathenaea gevierd, eindelijk de geheele burgerij in feestgewaad, meestal nog gezantschappen van atheensche kolonies en andere staten. Op den optocht volgde een offerfeest, groot genoeg om het geheele volk te onthalen.--De fries van het Parthenon was door Phidias versierd met eene afbeelding in relief van den optocht der Panathenaea, en een groot gedeelte van dit beeldhouwwerk is nog bewaard gebleven.--Behalve dit groote feest werden ieder jaar kleine Panathenaea gevierd, waarschijnlijk bestaande in wedstrijden en offers.

Panchaea, Panchaia, fabelachtig eiland in den Erythraeïschen oceaan tegenover Gelukkig Arabië, met een heerlijk klimaat en voortbrengselen van verschillenden aard, z. Euhemerus.

Pancration, pankration, worsteling en vuistgevecht tusschen athleten. De strijders waren geheel naakt en hadden ook geen caestus.

Panda Cela, italiaansche oogstgodin, die te Rome aan den voet van het Capitolium een tempel had.

Pandareüs, Pandareos, zoon van Merops, stal voor Tantalus een gouden hond uit den tempel van Zeus op Creta, en toen Zeus hem terugeischte, vluchtte hij naar Athene en van daar naar Sicilië, waar hij stierf. Eene van zijne dochters was Aedon; de andere twee werden na de vlucht van P. door de godinnen Aphrodite, Hera, Artemis en Athena met vele goede eigenschappen begiftigd, doch toen zij zouden trouwen, werden zij door de Harpyieën weggeroofd en aan de Erinyen tot dienaressen gegeven.

Pandarus, Pandaros, 1) zoon van Lycaon, aanvoerder van de lycische bondgenooten der Trojanen, zeer bekwaam boogschutter. Toen door de strijdende partijen vastgesteld was, dat de oorlog door een tweegevecht tusschen Menelaus en Paris beslist zoude worden, schond P. op aansporing van Athena dit verdrag door op Menelaus een pijl af te schieten. Hij werd door Diomedes gedood.--2) zoon van Alcanor, tochtgenoot van Aeneas, met zijn broeder Bitias door Turnus gedood.

Pandataria, Pandataria, eiland op de kust van Campania, waarheen Augustus zijne dochter Julia verbande. Ook Agrippina de oude werd hierheen door keizer Tiberius verbannen, en stierf er in 33 n. C. den hongerdood.

Pandektai, zie Digesta.

Pandemus, Pandemos, bijnaam van Aphrodite (z. a.).

Pandion, Pandion, 1) zoon van Phineus en Cleopatra. Ten gevolge van de valsche beschuldigingen hunner stiefmoeder Idaea, werd hij met zijn broeder Plexippus door Phineus van het gezicht beroofd en gevangen gehouden, z. Calais.--2) koning van Athene, vader van Erechtheus, Butes, Procne en Philomela.--3) zoon van Cecrops, koning van Athene, van waar hij door de Metioniden verdreven werd. Hij vluchtte naar Megara, waar hij de dochter van koning Pylas huwde, de regeering kreeg, en na zijn dood als heros vereerd werd. Zijne zonen waren Aegeus, Pallas, Nisus e. a.

Pandionis, Pandionis, een van de 10 phylae, waarin de bevolking van Attica door Clisthenes verdeeld werd.

Pandora, Pandora, de eerste vrouw, door alle goden (vandaar de naam) met schoonheid, lieftalligheid en kunstvaardigheid begiftigd, had van Zeus een doos gekregen, waarin alle ongelukken opgesloten waren. Daarop liet hij haar door Hermes naar Epimetheus brengen, die haar tegen den raad van Prometheus ontving. Uit nieuwsgierigheid opende zij het deksel van de doos, waarop alle rampen zich over de aarde verspreidden; alleen de hoop bleef op den bodem er van liggen, toen P. het deksel spoedig sloot.

Pandorus, Pandoros, zoon van Erechtheus en Praxithea, stichter eener atheensche volkplanting op Euboa.

Pandosia, Pandosia, 1) stad in het epirotische landschap Thesprotia aan den Acheron.--2) stad in Lucania, ten W. van Heraclea.--3) stad in Bruttii bij Consentia.

Pandotira, Pandoteira, geefster van alles, bijnaam van Demeter.

Pandrosus, Pandrosos, dochter van Cecrops, had te Athene naast den tempel van Athena Polias een heiligdom, waarin de heilige olijfboom stond. Athene zelve heeft ook den bijnaam Pand.

Panegyris, panegyris, groote feestvergadering, zooals bijv. bij de viering van de groote nationale feesten der Grieken gehouden werd. De feestredenen (panegyrikoi logoi) bij zulke gelegenheden uitgesproken, waren dikwijls schitterende voorbeelden van welsprekendheid en stijl. Zij strekten meestal tot verheerlijking van het feest of de feestvierenden, soms ook van enkele personen; in het laatste geval waren het lofredenen, en in deze beteekenis komen Panegyrici ook bij de Rom. voor.

Pangaeus (mons), Pangaion oros, gebergte op de macedonische kust, ten O. van Amphipolis, tot welks gebied het behoorde. Het leverde goud en zilver op.

Panhellenius, Panellenios, bijnaam van Zeus als den nationalen god van alle Grieken. Onder dien naam had hij op Aegina een tempel, het Panhellenium, en werden voor hem op verscheiden plaatsen feesten, Panhellenia, gevierd.

Panhormus = Panormus.

Panionia, Panionia, vergadering der 12 steden van Ionië bij den bondstempel, het Panionium, nabij Mycale gehouden en verbonden met feesten ter eere van Poseidon.

Panionium, Panionion, tempel van Poseidon bij kaap Mycale, bondstempel der aziatisch-ionische steden.

Paniscus, Paniskos, z. Pan.

Pannonia, Pannonia, rom. Donauprovincie, door den Donau begrensd, van omstreeks Vindobona (Weenen) af tot aan de samenvloeiing met de Tisia (Theiss). De inwoners waren hoofdzakelijk van illyrischen stam. Er waren echter sedert de 4de eeuw vele keltische stammen ingedrongen, o. a. de Scordisci. Onder Augustus werd Pann. tot rom. provincie gemaakt, maar eerst na de demping van den pannonischen opstand (6-9 n. C.) door Tiberias werd de rom. heerschappij er bevestigd. Het land werd ingedeeld in P. Superior en P. Inferior. In den lateren keizertijd werd de indeeling herhaaldelijk gewijzigd, en o. a. Valeria (zie Valeria no. 3) er van afgescheiden.

Panomphaeus, Panomphaios, bijnaam van Zeus als den god, die door hoorbare teekens de toekomst voorspelt.

Panope, Panopeus, Panope, Panopeus, oude belangrijke stad in Phocis, dicht bij de grenzen van Boeotia, later vervallen.

Panopeus, Panopeus, zoon van Phocus, vergezelde Amphitryo op zijn tocht tegen de Taphiërs en nam deel aan de calydonische jacht. Hij was de vader van Epeus no. 2.

Panoplia, de geheele uitrusting van een zwaargewapende, schild, helm, borstharnas, scheenplaten, zwaard en lans. Deze moest ieder hopliet zich zelf aanschaffen. Vandaar dat het aantal zwaargewapenden in de Grieksche staten steeds tamelijk gering gebleven is, en men gerust kan aannemen, dat ieder boerengezin, iedere familie van zeugitai, slechts één hopliet behoefde te leveren. Z. ook hoplitai en psiloi.

Panopolis, Panopolis, oudtijds Chemmis, Chemmis, Chemmo, oude stad in Aegypte, aan den Nijl, stroomafwaarts van Thebae, grootendeels door linnenwevers en metselaars bewoond.

Panoptes, Panoptes, bijnaam van Argus naar de vele oogen, waarmede zijn lichaam bezaaid was.

Panormus, doch beter Panhormus, Panormos (= geheel en al haven). 1) havenstad op Sicilia, thans Palermo, phoenicische volkplanting, later carthaagsch, sedert 254 in handen der Rom.--2) in Achaia, aan de invaart der Corinthische golf.--3) haven van Ephesus.

Pansa, familienaam in de gentes Vibia, Titinia, Appuleia.

Pantagias, Pantakyas, riviertje op de O.-kust van Sicilia, ten N. van Syracusae, bij Trotilum.

Pantaleon, Pantaleon, wierp zich in 660 tot tyran van Pisa op en regeerde overmoedig. Hij beoorloogde de Eleërs en ontnam hun het beheer over de olympische spelen.

Panteus, Panteus, Spartaan, vriend van Cleomenes III, dien hij bij al zijne ondernemingen getrouw ter zijde stond; hij vergezelde hem ook na den slag bij Sellasia naar Aegypte en doodde zich te gelijk met hem.

Pantheon, prachtige tempel, in 25 door M. Agrippa te Rome opgericht op den Campus Martius en in de 2de eeuw n. Chr. door keizer Hadrianus herbouwd. Het gebouw, dat nog een sieraad is van het hedendaagsche Rome, is cirkelvormig en heeft eene middellijn van 132 voet binnenwerks. In den 19 voet dikken muur zijn 7 ruime nissen aangebracht, waarvan het verwulfsel telkens door twee zuilen wordt gesteund, met uitzondering van de nis over den uitgang. Het gebouw is gedekt door een ontzaglijk koepeldak, met eene opening van 40 voet middellijn in het midden. Het dak rust alleen op de muren. Vóór den ingang is een ruim voorportaal aangebracht, in drie schepen verdeeld. Het trotsche gebouw was waarschijnlijk in de eerste plaats aan Mars en Venus gewijd als de godheden der gens Iulia, v. s. in de eerste plaats aan Jupiter Ultor. Welke goden en heroën verder de nissen vulden, is onbekend.

Panthoides, Panthoïdes, Euphorbus, zoon van Panthous; ook Pythagoras, die beweerde dat hij vroeger als Euphorbus op aarde geleefd had.

Panthous, -thus, Panthoos, -thous, zoon van Othrys, een van de oudsten van Troje, priester van Apollo en dapper krijgsman.

Panticapaeum, Pantikapaion, milesische volkplanting in de taurische Chersonesus (Krim), gewoonlijk Bosporus geheeten, later hoofdstad van het bosporaansche rijk. Thans Kertsch.

Pantomimus, Pantomimos, een tooneelstuk waarin de geheele handeling door lichaamsbewegingen en gebarenspel werd uitgedrukt (saltare fabulam). De pantomimen waren van rom. oorsprong en vielen zeer in den smaak. De stichter van het genre is waarschijnlijk Bathyllus (z. a. no. 2.) Keizer Nero trad er gaarne in op.

Panyasis, Panyasis, van Halicarnassus, oom van Herodotus, werd door den tyran Lygdamis gedood. Als episch dichter vond hij bij zijne tijdgenooten niet veel bijval, lateren schatten hem echter zeer hoog en sommigen stelden hem in den canon der epici onmiddellijk na Homerus. Van zijne werken, Herakleia en Ionika, zijn weinige maar schoone fragmenten bewaard gebleven.

Paphia, Paphia, bijnaam van Aphrodite, naar Paphus, waar zij zich het liefst ophield en een beroemden tempel had.

Paphlagonia, Paphlagonia, gewest van Asia minor aan den Pontus Euxinus (Zwarte zee), tusschen den Parthenius en den Halys, bergachtig en meer voor veeteelt dan voor landbouw geschikt. Het leverde voortreffelijk hout voor den scheepsbouw op. De bewoners, Paphlagones, Paphlagones, worden reeds bij Homerus vermeld. De geschiedenis van dit landje is van belang ontbloot. Het was achtereenvolgens lydisch, perzisch, macedonisch, na Alexanders dood onafhankelijk. In 220 veroverden de paphlagonische vorsten Pontus; van 180 tot 120 was Paphl. weder van Pontus gescheiden, daarna er mede hereenigd, tot het in handen der Romeinen viel.

Paphus, Paphos, zoon van Pygmalion (z.a.), stamheros der stad Paphus.

Paphus, Paphos, naam van twee aan Aphrodite geheiligde steden op de Z.W. kust van Cyprus. Te Oud-Paphus, Palaipaphos, een phoenicische kolonie, was de godin aan land gestegen. Dáár had zij een prachtigen tempel, waar op 100 altaren voortdurend wierook werd gebrand. Dáár en op Cythera was haar meest geliefdkoosd verblijf. Nieuw-Paphos, nea Paphos, lag landwaarts in.

Papia (lex) de virginibus Vestalibus, misschien van 65. Volgens deze wet moest de pontifex maximus voor de keuze eener Vestalin 20 meisjes uitkiezen, waaruit dan in een contio door het lot ééne zou worden aangewezen.

Papia (lex) de peregrinis, plebisciet van 65, waarbij den niet-burgers het verblijf te Rome werd ontzegd, en straf bedreigd werd tegen hen, die zich het burgerrecht hadden aangematigd. Zie Junia (lex).

Papia Poppaea (lex), z. Julia et Papia Poppaea (lex).

Papii, geslacht uit Samnium afkomstig. Bekend is vooral C. Papius Mutilus, een van de aanvoerders der bondgenooten in den Marsischen oorlog. Later trad hij op als een van de aanvoerders der democratische partij, en hield hij de verdediging van Nola tegen Sulla vol tot het jaar 80. Toen hij daarop naar zijn huis te Teanum vluchtte, weigerde zijn vrouw Bastia hem den toegang, omdat hij op de lijst der proscripti stond, waarop hij zich van kant maakte.

Papinianus (Aemilius), zeer beroemd rom. rechtsgeleerde uit den tijd van keizer Septimius Severus, bij wien hij in hoog aanzien stond en onder wien hij als praefectus praetorio den veldtocht naar Britannia mede maakte (208 n. C.). Hij schreef verscheidene rechtsgeleerde werken. De voornaamste hiervan zijn de Quaestiones (37 boeken) en de Responsa (17 boeken), die in de wetboeken van Justinianus vaak aangehaald worden. Na Severus' dood zocht hij als bemiddelaar tusschen Caracalla en Geta op te treden. Daarom liet Caracalla hem, na de vermoording van Geta, ombrengen (212 n. C.).

Papinius, zie Statii no. 7.

Papiria (lex), waarschijnlijk van 304, dat niemand een gebouw of altaar mocht wijden zonder goedkeuring van het volk of, volgens andere lezing, zonder verlof van den senaat of de meerderheid der volkstribunen.

Papiria (lex) van den volkstribuun L. Papirius, z. Tresviri no. 2.

Papiria (lex) semiunciaria, van den volkstribuun C. Papirius Carbo Arvina (Papirii no. 13), van 89, waarbij de as tot op een halve uncia verkleind werd, maar de waarde dezelfde bleef = 1/4 sestertius. Z. As.

Papiria (lex) de libertinorum suffragiis van den zelfden, werd door Sulla opgeheven.

Papiriae (leges) van den volkstribuun C. Papirius Carbo, 131. De eene dezer wetten, de tribunis plebis reficiendis, bepalende dat dezen zonder beperking herkiesbaar zouden zijn, werd verworpen. De andere, eene lex tabellaria, voerde de geheime stemming ook bij wetgevende comitiën in, zie Tabellariae (leges).

Papirii, rom. geslacht, waarin de plebejische Carbones en de patricische Crassi en Cursores de voornaamste familiën zijn. 1) M'. Papirius Crassus was in 441 de eerste consul uit dit geslacht.--2) L. Papirius Crassus, consul in 436, oorloogde tegen de Vejenten.--3) L. Papirius Crassus was in 340 dictator, terwijl L. Papirius Cursor (no. 6) zijn magister equitum was. Hij voerde echter niet veel uit. In 336 was hij consul en evenzoo in 330, in welk laatste jaar hij tegen de stad Privernum streed. Hij was de eerste van zijn geslacht, die zijn naam met een r schreef, vroeger heetten zij Papisii.--4) M. Papirius Crassus, broeder van no. 3, was dictator tegen de Galliërs in 332.--5) L. Papirius Cursor was censor in 393. Toen zijn ambtgenoot C. Iulius Iulus gestorven was, werd M. Cornelius Maluginensis in diens plaats gekozen. Daar echter in den loop van dit lustrum Rome door de Galliërs werd ingenomen, is er na dien tijd nooit meer een censor suffectus gekozen, maar werd de censor genoodzaakt na den dood van zijn ambtgenoot af te treden. De opgegeven reden is echter waarschijnlijk niet de ware.--6) L. Papirius Cursor, reeds genoemd bij no. 3, was in 325 dictator tegen de Samnieten. Toen zijn magister equitum (z. Fabii no. 14) in zijne afwezigheid tegen zijn bevel slag geleverd en eene luisterrijke overwinning behaald had, wilde Papirius, die woedend was, Fabius met den dood straffen. Het leger kwam in verzet en Fabius vluchtte naar Rome, waarheen Papirius hem volgde. Senaat, volksvergadering, tribunen, alles moest er aan te pas komen, eer de dictator zich liet vermurwen. Hij koos echter een anderen mag. eq., L. Pap. Crassus (no. 3). Het leger was hierover zoo verbitterd, dat het in den volgenden slag met opzet den dictator eene nederlaag bezorgde. Hierop matigde Papirius zijne strengheid, en met zijne soldaten verzoend, behaalde hij eene beslissende overwinning. Dit verhaal is niet geheel betrouwbaar. In 320 was hij consul, en wischte de schande van de nederlaag bij Caudium (321) uit, door de Samnieten te verslaan. De berichten hieromtrent zijn tamelijk waardeloos. In 315 en 313 bekleedde P. nogmaals het consulaat; in 310--de Fasti Capitolini geven ten onrechte het jaar 309--was hij dictator. Hij was een uitstekend veldheer.--7) L. Papirius Cursor, zoon van no. 6, bracht samen met zijn ambtgenoot Sp. Carvilius Maximus als consul in 293 den Samnieten, in 272 den Tarentijnen beslissende nederlagen toe en maakte een einde aan den oorlog met Tarentum; de berichten hieromtrent zijn echter niet betrouwbaar. Hij bouwde in 293 een nieuwen tempel voor Quirinus.--8) C. Papirius Maso, consul in 231, had de Corsen overwonnen, de senaat echter weigerde hem de eer van een zegetocht. Toen was Maso de eerste, die een triumftocht op den albaanschen berg hield.--9) Papiria, dochter van no. 8, was de vrouw van L. Aemilius Paullus, den overwinnaar bij Pydna, en de moeder van Scipio Africanus minor.--10) L. Papirius Mugillanus, consul in 444, censor in 443, maakte zich in 420 als interrex verdienstelijk door een twist te bezweren tusschen senaat en volkstribunen.--11) C. Papirius Carbo, volkstribuun in 131, een begaafd redenaar, geraakte over zijn wetsvoorstel de tribunis plebis reficiendis (zie Cornelii no. 18 en Papiriae (leges)), in hevigen strijd met Scipio Africanus minor en werd later van medeplichtigheid aan diens dood verdacht (129). Zie omtrent hem ook onder Agrariae leges, Lex Sempronia agraria van den volkstribuun Tib. Gracchus van 133. In 120 sloot hij zich als consul bij de senaatspartij aan, maar werd toch na den afloop van zijn consulaat door L. Licinius Crassus (zie Licinii no. 12) wegens deelneming aan de woelingen der Gracchen aangeklaagd, waarop hij zich door vergif van kant maakte.--12) Cn. Papirius Carbo, broeder van no. 11, consul in 113, werd bij Noreia door de Cimbren verslagen.--13) C. Papirius Carbo Arvina, zoon van no. 11, werd als aanhanger van Sulla op last van den jongen Marius omgebracht. Z. Papiria (lex) semiunciaria.--14) Cn. Papirius Carbo, aanhanger van Marius, was in 85 en 84 consul met L. Cornelius Cinna, na wiens dood hij alleen het consulaat bekleedde. In 82 was hij opnieuw consul, maar, bij herhaling in 83 en 82 door Sulla verslagen, vluchtte hij naar Sicilia, waar hij in handen van den jongen Pompeius viel, die hem liet ombrengen.--15) L. Papirius Paetus was een van Cicero's vrienden, hij had een afkeer van de politiek.--16) M. Papirius, romeinsch ridder, die bij een schermutseling op de via Appia door de schuld van Clodius omkwam (58). De aanleiding tot deze schermutseling was het ontsnappen uit de hechtenis van Tigranes (zie Tigranes no. 2).

Pappus, Pappos, van Alexandrië, leefde ten tijde van Diocletianus, en schreef verscheiden werken over aardrijkskunde en Oneirokritika. Een belangrijk meetkundig werk van hem, Mathematike Synagoge, is bewaard gebleven.

Papus, familienaam in de gens Aemilia.

Parabasis, parabasis, z. Comoedia.

Parabolon, -bolion, het geld, dat bij de rechtbank gedeponeerd wordt door iemand, die van een vonnis appelleert.

Parabyston, een gebouw, in een afgelegen wijk van Athene gelegen, waar de elfmannen geheime zittingen hielden.

Paracheloitis, Parachaloitis, vruchtbare landstreek aan den mond van den Achelous, in Aetolia.

Paraebates, Paraibates, van Alexandrië, cyrenaeïsch wijsgeer, leermeester van Hegesias.

Paraetacene, Paraitakene, perzisch = bergland; 1) op de grenzen van Persis en Media.--2) in het N.O. van Bactriana.

Paraetonium, Paraitonion, aegyptische havenstad op de kust van Marmarica, met Pelusium de sleutels van Aegypte, cornua Aegypti, genoemd.

Paragraphe, exceptie van niet-ontvankelijkheid eener aanklacht, door den aangeklaagde opgeworpen. De verliezende partij moest aan de tegenpartij de epobelia betalen, wanneer hij minder dan een vijfde der stemmen kreeg.

Parakatabole, eene geldsom, die bij sommige processen door den aanklager als waarborg gestort werd. Won hij het proces, dan werd hem het geld teruggegeven, anders verviel het aan de staatskas of aan de tegenpartij.

Paralia, Paralia, eene smalle strook lands op Attica's Westkust, van kaap Sunium tot nabij de havens van Athene. De Paraliërs vormden tijdens Solon de middenpartij, de gematigde partij tusschen de aristocratische Pediaeërs en de democratische Diacriërs.

Paralii, Paralioi, eigenlijk bewoners van de Paralia, die gedurende de burgertwisten ten tijde van Pisistratus de gematigde partij vormden; vandaar werd de naam ook aan die partij als zoodanig gegeven.

Paralus, Paralos, 1) = Paralia.--2) kuststreek van Malis.

Paralus, Paralos, een schip dat door den atheenschen staat gebruikt werd om gezanten bij feesten of godsdienstige plechtigheden naar de plaats hunner bestemming te brengen, boodschappen over te brengen naar de vloten, die in zee waren of in vreemde havens lagen, enz. De bemanning werd Paraloi genoemd.

Paranomon graphe, aanklacht wegens het voorstellen van een wet of volksbesluit, dat met de bestaande wetten in strijd is. Zoodra men met een eed (hypomosia) verklaarde, dat men iemand wegens zulk een wetsvoorstel wilde aanklagen, werd de behandeling van het voorstel geschorst, totdat over de aanklacht beslist was. De zaak werd voor de archonten behandeld, de straf was niet bij de wet bepaald, maar in ieder geval verloor hij, die driemaal op zulk een aanklacht veroordeeld was, het recht om wetten of besluiten voor te stellen.--Zelfs wanneer het voorstel reeds tot wet verheven was, kon men nog gedurende een jaar eene graphe paranomon tegen den voorsteller indienen, na dien tijd kon hem persoonlijk geen straf meer treffen, en kon het doel van zulk eene graphe slechts zijn, de wet om genoemde reden te doen intrekken.

Paranymphos, iemand, die een jonggehuwd paar vergezelt, wanneer de man op den avond van den bruiloftsdag zijne vrouw van haar huis naar het zijne brengt, gewoonlijk een van de naaste bloedverwanten.--Was de man reeds vroeger getrouwd geweest, dan kwam hij zijne vrouw niet zelf halen, maar werd zij hem door een bloedverwant of vriend, nymphagogos, gebracht.

Parapotamii, Parapotamioi, stad in Phocis op de boeotische grenzen, aan den linkeroever van den Cephisus.

Parapresbeias graphe, aanklacht tegen iemand, die van zijne betrekking van gezant ten nadeele van zijne lastgevers misbruik maakt. Zulke zaken werden voor de euthynen behandeld, het bepalen van de straf was aan de rechters overgelaten.

Parasange, parasanges, perzische maat, ook door grieksche schrijvers dikwijls gebruikt om afstanden te bepalen; 1 par. = 30 stadiën, ongeveer een uur gaans.

Parasitus, parasitos, helpers of ondergeschikten van overheidspersonen en priesters; in de comedie een klaplooper, iemand die voor een goed maal zich tot allerlei diensten laat gebruiken en zich de spotternijen van gastheer en gasten laat welgevallen.

Parastades, zie Antae.

Parastas, z. Oikia.

Parastasis, eene kleine som geld, misschien een drachme, die men bij het indienen eener graphe deponeerde, als het ware als onderpand dat de aanklacht ernstig gemeend was.

Parauaea, landstreek in het N. van Epirus, in het binnenland.

Parcae, romeinsche naam der schikgodinnen, geheel geïdentificeerd met de Moerae.

Paredroi, bijzitters, aan verschillende overheidspersonen toegevoegd om hen van een deel hunner werkzaamheden te ontlasten, bijv. aan de archonten, euthynen e. a.

Parengraptoi, wederrechtelijk als burgers ingeschrevenen, z. Diapsephisis.

Parentalia, zie feralia.

Parilia = Palilia.

Paris, Paris, zoon van Priamus en Hecabe. Na zijne geboorte gaf zijn vader hem aan een herder om hem op den Ida te vondeling te leggen (z. Aesacus), hij werd echter door een berin gezoogd, en toen de herder na vijf dagen het kind nog gezond en wel vond, nam hij het mede en voedde hij het met zijn eigen zoon op. P. groeide als een schoon jongeling onder de herders op; wegens de dapperheid, waarmede hij meermalen de kudden tegen roovers verdedigde, gaf men hem den naam Alexander. Hij trouwde met Oenone, leefde gelukkig met haar, en werd na verloop van tijd ook weder door zijne ouders herkend. Kort daarna kwam Hermes hem uit naam van Zeus de opdracht brengen om als rechter op te treden in een strijd tusschen Hera, Athena en Aphrodite. Daar namelijk op de bruiloft van Peleus en Thetis alle goden en godinnen genoodigd waren behalve Eris, die men uit vrees voor onaangenaamheden uitgesloten had, wreekte deze zich door onder de gasten een gouden appel te werpen met het opschrift: aan de schoonste. Op dezen appel maakten nu de genoemde drie godinnen aanspraak, en weldra ontbrandde tusschen hen een hevige twist, die nu op raad van Zeus door P. beslecht zou worden. Hera beloofde hem indien de beslissing gunstig voor haar was, rijkdom en macht, Athena wijsheid en krijgsroem, Aphrodite de schoonste vrouw. P. gaf den appel aan Aphrodite, en van dien tijd vervolgen de beide andere godinnen hem en alle Trojanen met bittere vijandschap. Hij gaat daarop naar Sparta, waar hij gastvrij ontvangen wordt, en gedurende eene afwezigheid van Menelaus schaakt hij de schoone Helena en voert hij haar mede naar zijn vaderland, in alles geholpen door Aphrodite, die op deze wijze hare belofte vervulde. De trojaansche oorlog is hiervan het gevolg. In dien oorlog toonde hij zich over het algemeen onstandvastig en verwijfd, en hoewel hij soms dapper strijdt en o.a. ook Achilles doodt, haat het volk hem als de oorzaak van den oorlog. Kort voor de inneming van Troje werd hij door Philoctetes gedood. Z. Oenone.

Parisii, volksstam aan de Sequana. Hoofdstad: Lutetia Parisiorum, in den lateren keizertijd residentiestad, thans Parijs.

Parium, Parion, havenstad in Mysia, milesische kolonie aan de Propontis bij den Hellespont, sedert den tijd van Augustus rom. kolonie. Aan de stichting hadden ook kolonisten uit Erythrae medegewerkt.

Parma, Parma, stad der Boii in Gallia Cispadana, sedert 183 rom. kolonie, aan de via Aemilia. De parmaansche schapenwol was beroemd.

Parmenides, Parmenides, van Elea, geb. omstreeks 540, uit een rijk en aanzienlijk geslacht, aanhanger van Xenophanes, met wien hij nog persoonlijk bekend was. Van zijn leven is weinig bekend, als man van edel karakter, diepzinnig denker en verstandig wetgever was hij in zijn vaderstad hoog geëerd; reeds tamelijk bejaard kwam hij te Athene, waar hij den jongen Socrates ontmoette.--Het leerdicht van P., waarvan slechts weinige fragmenten bewaard gebleven zijn, heeft voornamelijk ten doel de eenheid en onveranderlijkheid van het heelal te betoogen. Slechts het zijn bestaat, het niet-zijn, dus ook het worden en te niet gaan, bestaat niet; het zijnde bestaat in den vorm van een bol, eeuwig, onveranderlijk, overal aan zichzelf gelijk. Veelheid en afwisseling is slechts een ijdele vertooning, waarin de menschen door zinsbedrog iets waars meenen te erkennen, het ware inzicht in de eenheid van het bestaande kan men alleen door denken verkrijgen, zelfs het denken en dat, waarop de gedachte zich richt, is hetzelfde. P. was, naar het schijnt, de eerste, die de goden als personificaties van natuurkrachten enz. verklaarde.

Parmenio, Parmenion, 1) Macedoniër, een van de bekwaamste generaals van Philippus en Alexander. Hij overwon de Illyriërs, onderhandelde met de Atheners over den vrede van 346, stond later aan het hoofd der macedonische troepen op Euboea, en werd in 336 naar Azië gezonden om toebereidselen te maken voor den oorlog tegen Perzië. Onder Alexander voerde hij het bevel over het voetvolk, dikwijls vermaande hij Alexander tot voorzichtigheid en gematigdheid, maar zijne raadgevingen vonden weinig ingang. Na den slag bij Arbela, waarin hij den linkervleugel aanvoerde, gaf Alexander hem het bestuur over Medië, na den dood van Philotas meende hij echter diens vader niet langer te moeten vertrouwen en liet hij hem heimelijk uit den weg ruimen.--2) Macedoniër, dichter van eenige grieksche epigrammen, waarschijnlijk tijdgenoot van Augustus.--3) een bouwmeester, die door Alexander bij de stichting van Alexandrië gebruikt werd.

Parmeniscus, Parmeniskos, leerling van Aristarchus, schreef commentaren op Homerus en de tragici.

Parnassides, Parnasides, de Muzen, naar haar verblijf op den Parnassus.

Parnassus, Parna(s)sos, gebergte in Phocis, aan Apollo, Dionysus en de Muzen geheiligd. Naar de twee hooge, meestal met sneeuw bedekte bergspitsen Lycorea of Hyampea en Tithorea (Lykoreia, Hyampeia, Tithorea) werd de Parnassus dikwijls de tweetoppige genoemd. Van boven was hij met dennebosschen bedekt, in de laagte tierden mirten, laurieren en olijven. Het gebergte was rijk aan kloven, valleien, bronnen en beken. Men vond er Delphi met zijn tempel en orakel, de bron Castalia, de Corycische grot, de rotsen Phaedriades, van waar tempelroovers en godslasteraars in den afgrond werden geworpen. Onder den naam Cirphis scheidde zich een zijtak naar het Z. af. Door een diep ravijn tusschen beide bergen in stroomde de Plistus en liep de weg van Delphi naar Daulis met een zijweg naar Stiris. Op den daardoor gevormden driesprong (schiste hodos) versloeg Oedipus zijn vader Laïus.

Parnes, gen. -ethis, Parnes, -ethos, een woest en ruw boschrijk gebergte in N.W. Attica. Bovenop stonden altaren en een standbeeld van Zeus Parnethius.

Parnon, Parnon, bergketen tusschen Laconica en de landstreek Cynuria of Thyreatis.

Parochos, naam, die soms aan den paranymphos gegeven wordt, omdat hij met het jonggehuwde paar op denzelfden wagen zat.

Parodia, parodia, verdraaiing van een algemeen bekend gedicht, zoodat door eene kleine verandering in de woorden een geheel andere zin ontstaat, liefst iets belachelijks. In de blijspelen van Aristophanes zijn op deze wijze een aantal verzen van verschillende dichters, voornamelijk van Euripides, geparodiëerd.

Parodos, het eerste optreden van het koor in een tooneelstuk, ook de deur ter zijde van de orchestra door welke het binnenkomt, verder het lied dat bij het eerste optreden gezongen wordt.

Paropanisus, Paropanisos, soms Paropamisus, het hooggebergte aan de bronnen van den Oxus en den Indus. Het W. deel draagt nog dezen naam, het O. gedeelte wordt Hindoe-Koh geheeten. Het is hetzelfde gebergte als de Caucasus Indicus. De omwonende volksstammen werden Paropanisadae genoemd.

Paropus, Paropos, stadje op Sicilia nabij Himera.

Paroreatae, Paroreatai, met de Caucones de oudste bewoners van het triphylische bergland in Elis.

Parorea, -ia, Paroreia, streek in het N.O. van Epirus, in Molossis, aan de grens van Macedonia.

Paros = Parus.

Parrhasia, Parrasia, stad en landstreek in het Z.W. van Arcadia. Parrhasius = arcadisch.

Parrhasis, arcadische vrouw, in het bijzonder bijnaam van Callisto.

Parrhasius, Parrasios, 1) z. Parrhasia.--2) van Ephesus, een van de beroemdste grieksche schilders, leefde in het begin der 4de eeuw te Athene. Vooral de levendigheid en bevalligheid in de gelaatstrekken zijner beelden worden geroemd. Hij was zeer overmoedig en trotsch, droeg een purperen mantel, kroon en met goud versierden staf. Hij ging eens een wedstrijd aan met Zeuxis, en terwijl deze een tros druiven zoo natuurlijk schilderde, dat de vogels er op toevlogen, bedroog P. zijn mededinger zelven met een geschilderd gordijn, dat deze voor een werkelijk gordijn hield, zoodat hij op het punt stond het te willen wegschuiven.

Parthaon, Parthaon, zoon van Agenor en Epicaste, koning van Calydon en Pleuron, vader van Oeneus.

Parthaonides, Meleager, kleinzoon van Parthaon.

Partheni = Parthini.

Parthenia, parthenia, -neia, hymnen, die door een koor van jonkvrouwen met begeleiding van fluitspel gezongen worden, terwijl het zich op feestdagen in optocht naar een tempel begaf. Als dichters van Parthenia zijn bekend Alcman, Pindarus, Simonides e.a.

Partheniae, partheniai, zonen van spartaansche vrouwen en heloten, geboren gedurende de lange afwezigheid der Spartanen in den eersten messenischen oorlog. Daar hun niet de rechten van burgers gegeven werden, verlieten zij hun vaderland; zij gingen onder aanvoering van Phalanthus naar Italië en stichtten Tarentum.

Parthenium, Parthenion, stad in de mysische landstreek Teuthrania, ten Z. van den Caicus.

Parthenius, Parthenios, 1) episch dichter van Chius, naar men zeide afstammeling van Homerus.--2) van Nicaea in Bithynië, werd in den mithradatischen oorlog gevangen en naar Rome gebracht (72). Hij werd spoedig vrijgelaten en bleef, na een kort verblijf te Neapolis, te Rome wonen, waar hij met Cornelius Gallus bevriend werd. Vergilius leerde bij hem Grieksch. Hij schijnt vooral elegieën gedicht te hebben, bewaard gebleven is een werk onder den titel Erotika pathemata, bevattende 36 liefdesgeschiedenissen in proza, dat vooral waarde heeft door de vele fragmenten van alexandrijnsche geleerden, die met opgave van bronnen er in opgenomen zijn.--3) grammaticus in de 1ste eeuw na C.--4) gunsteling van Domitianus, nam deel aan de samenzwering, die den keizer het leven kostte; onder Nerva werd hij bij een soldatenoproer gedood.

Parthenius mons, Parthenion oros, bergketen op de arcadisch-argolische grenzen, ten N.O. van Tegea, met een heiligdom van Pan.

Parthenius, Parthenios, rivier in het W. van Paphlagonia.

Parthenon, Parthenon, de beroemde tempel van Pallas Athena, de maagd (parthenos). Zie Athenae.

Parthenopaeus, Parthenopaios, zoon van Ares, Milanion of Meleager en Atalanta, een van de zeven vorsten die met Adrastus tegen Thebae optrokken.

Parthenope, Parthenope, eene van de Sirenen.

Parthenope, Parthenope, oude naam voor Neapolis (Napels).

Parthenus, Parthenos, 1) bijnaam van de maagdelijke godin Athena, waarnaar haar beroemde tempel, het Parthenon te Athene, genoemd was.--2) het sterrenbeeld de Maagd, waarin men Erigone no. 1 meende te herkennen.

Parthia, Parthia, Parthyaia, Parthyene, het land der Parthen (Parthi, Parthoi), ten O. van Media gelegen, over het algemeen woest en onvruchtbaar. De Parthen waren van oorsprong een turanisch nomadenvolk en uiterst geoefende ruiters en tevens voortreffelijke boogschutters. Terwijl zij schijnbaar vluchtten, keerden zij zich op hunne paarden om en troffen met goed gemikt schot den vervolgenden vijand (fugaces Parthi). Eerst waren zij onderworpen aan het perzische rijk, vervolgens aan het macedonische, daarna aan het syrische. Doch tijdens koning Antiochus II Theos stonden de Parthen op (248) en stichtten een eigen rijk, dat, in den beginne klein, zich allengs door veroveringen van den Indus tot aan den Euphraat uitbreidde (± 150). Zij bleven een barbaarsch volk, maar hunne vorsten namen, evenals de andere oostersche koningen, de hellenistische beschaving aan. Hunne 31 koningen hadden allen, behalve hun bijzonderen naam, nog dien van Arsaces. In plaats van het, oude Hecatompylus werd Ctesiphon tot hoofdstad verheven. De Parthen betoonden zich verbitterde vijanden van het rom. rijk. In 227 na C. maakte een Pers, Artaxerxes, zoon van Sassan, zich van het bewind meester en stichtte zoo het nieuw-perzische rijk onder de dynastie der Sassaniden.

Parthini of Partheni, Parthinoi, Parthenoi, illyrisch volk bij Dyrrachium. Stad: Parthus.

Parthiscus, bij latere schrijvers de naam van den Tisia (Theiss).

Parthyaea, Parthyene = Parthia.

Parus, Paros, thans Paro, eil. van de groep der Cycladen, beroemd door het schitterend witte marmer, Parius lapis, uit den berg Marpessus. Oudtijds heette het Minoa, ook Demetrias. De eerste iambendichter, Archilochus, was er geboren. Geschiedkundig is het o.a. bekend door de vergeefsche expeditie van Miltiades. In 1627 werd hier eene marmeren plaat gevonden met 93 regels historische en letterkundige aanteekeningen. Zij werd aangekocht door lord Thomas Arundel en door diens kleinzoon Henry Howard in 1667 aan de bibliotheek van Oxford ten geschenke gegeven, waar zij nog is (marmor of chronicon Parium, Arundelium of Oxoniense).

Paryadres, Paryadres, gebergte in het O. van Pontus, langs de grens van Armenia minor, eene voortzetting van den mons Moschicus.

Parysatis, Parysatis, stiefzuster en gemalin van Darius Nothus, onder wiens regeering zij grooten invloed had, zoodat de spartaanschgezinde politiek van den koning in den peloponnesischen oorlog aan haar werd toegeschreven; ook haar zoon Artaxerxes Mnemon beheerschte zij geheel en al, ofschoon zij duidelijk genoeg liet blijken, dat zij aan haar anderen zoon, Cyrus, de voorkeur boven hem gaf, o. a. door de wreedheid waarmede zij allen vervolgde, die aan zijn dood schuld schenen te hebben. Wegens het vergiftigen van Statira, de gemalin van Artaxerxes, werd zij eenigen tijd van het hof verwijderd.

Pasargada of -dae, Pasargada, -dai, oude hoofdstad van Persis, benoemd naar de Pasargadae (z.a.). De stad lag in den Z.O. hoek van Persis, aan de grens van Carmania. Hier was het graf van Cyrus.

Pasargadae, Pasargadai, de edelste stam der Perzen, waartoe ook de Achaemeniden behoorden.

Pasicrates, Pasikrates, vorst van Soli op Cyprus, die zich aan Alexander d. G. onderwierp.

Pasinu (Spasinu) Charax, zie Charax.

Pasion, Pasion, een geldwisselaar, die als metoeke te Athene leefde en wegens zijne mildheid jegens den staat het burgerrecht kreeg; zijne strenge eerlijkheid was in geheel Griekenland bekend. Hij stierf in 370.

Pasiphaë, Pasiphae, 1) dochter van Helius en Perseis, gemalin van Minos (z. a.), moeder van den Minotaurus.--2) eene godin, die te Thalamae no. 2 een tempel had, waar droomorakels gegeven werden.

Pasiphaeia, Phaedra, dochter van Pasiphaë.

Pasiteles, Pasiteles, beroemd beeldhouwer, bronsgieter en ciseleur uit Zuid-Italië, werkte in de 1ste eeuw te Rome. Hij heeft ook over kunst geschreven. Hij was de leermeester van Stephanus.

Pasitelides, Pasitelides, spartaansch veldheer in den peloponnesischen oorlog. In 422 werd hij harmost van Torone, maar het volgende jaar namen de Atheners die stad weder, en P. werd krijgsgevangen gemaakt.

Pasithea, Pasithea, 1) eene van de Charites.--2) Nereïde.--3) Najade, gemalin van Erichthonius, moeder van Pandion.

Pasitigris, Pasitigris = kleine Tigris, thans Karoen, zijrivier van den Tigris, door Susiane stroomende. De benedenloop heet Eulaeus.

Passaron, Passaron, oude molossische hoofdstad in Epirus, in 169 door de Rom. vermeesterd.

Passieni. 1) L. Passienus Rufus, consul in 4, verwierf als proconsul van Africa de ornamenta triumphalia, en was de beste redenaar van zijn tijd.--2) C. Passienus Crispus, zoon van no. 1, schatrijk vriend van Seneca. Hij was met Nero's tante Domitia gehuwd, doch liet zich van haar scheiden om de tweede man van Agrippina te worden. Deze laatste liet hem, naar verhaald wordt, kort daarna van kant maken.

Passus, rom. lengtemaat = 2 gradus of stappen = 5 rom. voeten = 1,478 meter. Mille passus = 1478,70 meter of ongeveer 16 minuten gaans.

Pataeci, Pataikoi, dwergachtige godenbeelden, waarmede de phoenicische schepen aan voor- of achtersteven versierd waren.

Patala = Pattala.

Patara, ta Patara, aanzienlijke zeestad in Lycia met een orakel van Apollo Patareus (Patareus), die er vereerd werd.

Patavium, Pataouion, thans Padua, stad in het land der Veneti, in Gallia Cisalpina aan den Medoacus minor (Brenta). Haar gebied strekte zich tot aan zee uit, zij kon 20000 man te velde brengen. Tijdens Augustus gold het na Rome voor de rijkste stad van Italië. Het is de geboorteplaats van Livius. De sage schrijft de stichting aan den Trojaan Antenor toe.

Paterculus, zie Velleii.

Pater patratus, de woordvoerder onder de fetiales (z. a.).

Patmus, Patmos, eil. op de aziatische kust, tot de Sporades behoorend, ten Z. van Samus.

Patrae, Patrai, Patreis, eene der 12 achaeische bondssteden, thans Patras, aan de invaart der Corinthische golf.

Patres zijn de (adellijke) hoofden der gentes, die gedurende den koningstijd en ook later te Rome zitting hadden in den Senaat. Patres conscripti, de titel waarmede later vaak de senatoren worden toegesproken, beteekent dus: patricische en (later) bijgevoegde (plebejische) senatoren. De patres onder de senatoren hadden bijzondere voorrechten: 1o. het recht om uit hun midden een interrex te verkiezen (z. a.), hetgeen voor de laatste maal gebeurd is in 52; 2o. het recht om door de patrum auctoritas de wetten en keuzen der comitia te bekrachtigen, m. a. w. de patres konden alle wetten en keuzen der comitia vernietigen, zoo deze in strijd waren met de auspicia of 's lands wetten. Van de wetten, die dit recht waardeloos maakten, zijn twee bekend: de lex Publilia Philonis en de lex Maenia. Voortaan gaat de patrum auctoritas over op den geheelen senaat (senatus auctoritas), die echter alleen de wetgeving in de com. centuriata kon beletten. Men verwarre deze senatus auctoritas niet met het senaatsbesluit, dat door intercessio getroffen was.

Patricii, de rom. geboorte-adel. Samen met den koning bestuurden zij den staat; alleen zij hadden oorspronkelijk zitting in den senaat (zie patres). Ze zijn in verschillende gentes verdeeld, die ieder een zeker aantal clientes hadden. Ze worden onderscheiden in ouderen en jongeren adel, patres maiorum et minorum gentium; volgens de traditie stammen de jongere geslachten uit Alba Longa. Ook tijdens de republiek zijn nog de Claudii onder de patriciërs opgenomen. Caesar in 45 en Augustus in 29 (krachtens de lex Saenia van 30) en ook latere keizers hebben het patriciaat aangevuld door plebejische geslachten in den adelstand op te nemen. Onder Constantijn den Gr. werd het patriciaat aan hooge ambtenaren als persoonlijke adelstitel geschonken, zonder erfelijk te zijn.

Patrii dii, goden, wier dienst men van zijne voorouders in engeren zin geërfd heeft, die dus alleen door een enkel geslacht of stam vereerd werden. Hiertoe behooren dus de Penates, enkele godheden, van wie sommige edele familiën beweerden af te stammen, e. dgl.

Patrimi matrimi, kinderen die nog een rom. vader en eene rom. moeder hebben, dus wier ouders cives en nog in leven zijn, en die nog onder de patria potestas staan. Bij sommige godsdienstige plechtigheden werd de bijstand van zulke kinderen als camilli en camillae vereischt. Ook het meisje, dat tot vestaalsche maagd werd uitverkoren, moest patrima matrima zijn.

Patrocles, Patrokles, vriend van Seleucus I. Als bevelhebber over diens vloot in de Caspische zee verzamelde hij bouwstoffen voor belangrijke werken over de omliggende landen en volken.

Patroclus, Patroklos, zoon van Menoetius, den koning van Opus. Nog zeer jong doodde hij bij ongeluk zijn speelmakker Clysonymus (z. a.), en om hem aan de wraak van diens bloedverwanten te onttrekken, bracht Menoetius hem bij Peleus. Hij werd met Achilles opgevoed, werd zijn boezemvriend en wapenbroeder, ging met hem naar Troje en werd daar door Hector gedood, z. Achilles.

Patronus, beschermheer. 1) In den oudsten tijd het patricische familiehoofd, onder wiens hoede en toezicht de cliënten stonden. De cliënt was verplicht den patroon eerbied te betoonen, bij gewichtige familiezaken diens raad in te winnen, met en voor hem de wapenen te dragen; hij moest ook, wanneer de dochter van den patroon huwde, bijdragen tot den bruidschat, en evenzoo tot den losprijs, wanneer de patroon uit vreemde krijgsgevangenschap moest worden losgekocht. De patroon moest zijnerzijds den cliënten hulp en bescherming verleenen en in rechtszaken voor hen optreden. De band was heilig: patronus si clienti fraudem fecerit, sacer esto.--2) Causarum patronus, niet advocatus, is de advocaat, die in rechtsgedingen pleit.--3) ook steden, gewesten en provinciën hadden dikwijls te Rome hunne patroni onder wier bescherming zij zich stelden en die hunne belangen moesten behartigen. Zoo waren o. a. de Marcelli patronen van Sicilië. Dit patronaat komt eenigermate overeen met de hedendaagsche instelling der consulaten.

Pattala, Pattalene, Pattagla, Pattalene, het Delta-land van den Indus, met de stad Pattala.

Patulcius, bijnaam van Janus (z.a.).

Patumus, Patoumos, stad aan den Nijl, van waar Necho een kanaal liet graven naar de Arabische golf = het latere Heroöpolis.

Paul(l)inus, familienaam bij de Suetonii.

Paul(l)us, familienaam in de gens Aemilia (Aemilii no. 8-10).

Paulus, Paulos, de Apostel der Heidenen. Hij was te Tarsus in Cilicia geboren uit Joodsche ouders, en heette oorspronkelijk Saulus, Saulos, maar zijn vader was reeds Romeinsch burger, hetgeen hem zijn geheele leven door uit allerlei moeilijkheden heeft geholpen. Hij werd door zijn vader voor zijn opvoeding naar Jeruzalem gezonden, en behoorde tot de secte der Pharisaeën. Oorspronkelijk heeft hij de Christenen te Jeruzalem vervolgd, maar op weg naar Damascus, om ook daar de Christenen te vervolgen, is hij tot het Christendom bekeerd (± 30 n. C. of later). Hij heeft een tijd lang te Antiochia gewoond, waar toen reeds een Christengemeente was. Zijne zendingsreizen vallen ongeveer in de jaren 46-47, 48-51 (in Athene einde 49, te Corinthe begin 50 tot Juli 51), en 52-57. Op aanklacht der Joden is hij te Jeruzalem gevangen genomen, onder het procuratorschap van Felix, en heeft 2 jaren (tot 59) te Caesarea gevangen gezeten. Toen hij zich bij den opvolger van Felix, Festus, op zijn Romeinsch burgerrecht beriep, is hij met vele andere gevangenen in den winter van 59/60 naar Rome gevoerd (schipbreuk en verblijf te Malta Nov. 59). In Rome is hij in custodia militari geweest, maar mocht een eigen huurhuis bewonen en prediken. Wat na 62 met hem gebeurd is, is niet zeker overgeleverd. Men meent, dat hij in 64 met Petrus door Nero terecht gesteld is. Zijn brieven en de Handelingen der Apostelen, waarin zijn leven beschreven wordt, zijn niet alleen belangrijk uit een godsdienstig oogpunt, maar ook een buitengewoon belangrijke bron voor de cultuurgeschiedenis van de 1ste eeuw n. C. Paulus sprak en schreef, zooals waarschijnlijk de meeste Joden van zijn tijd, behalve Philo en Flavius Josephus, in de koine (z.a.).

Paulus (Diaconus), z. Festus no. 2.

Paulus (Iulius), rom. jurist onder de regeering der Severi. Met Papinianus was hij lid van het consilium principis, met Ulpianus praefectus praetorio. Hij heeft ontzaglijk veel geschreven, doch in wijze van voorstelling staat hij achter bij Papinianus en Ulpianus.

Paulus (Iulius of Claudius), broeder van Civilis, onder keizer Nero ter dood gebracht onder beschuldiging van rebellio.

Pausanias, Pausanias, 1) zoon van Cleombrotus, regeerde over Sparta als voogd van Plistarchus, den zoon van Leonidas. Hij verwierf grooten roem als opperbevelhebber van het grieksche leger in den slag bij Plataeae (479), tuchtigde daarna Thebe, dat met de Perzen geheuld had, onderwierp Cyprus en veroverde Byzantium. Hier geraakte hij weldra onder den invloed van perzische zeden en gewoonten, hij nam de kleeding en de manieren van een perzisch satraap aan, en maakte zich door zijn overmoed zoo gehaat, dat ook daardoor de grieksche bondgenooten zich van Sparta afscheidden en de hegemonie aan Athene aanboden. Hij knoopte met Xerxes onderhandelingen aan, vroeg zijne dochter ten huwelijk, en bood aan hem de heerschappij over Griekenland te bezorgen. Van verschillende kanten aangeklaagd, dat hij zich meer als tyran dan als strateeg gedroeg, werd P. teruggeroepen, en ofschoon hij vrijgesproken werd, werd hem het opperbevel ontnomen. Op eigen gezag keerde hij echter naar Byzantium terug, en door de Atheners van daar verdreven, zette hij van Colonae uit zijne onderhandelingen met Xerxes voort, totdat hij opnieuw teruggeroepen werd (469). Wederom waren er duidelijke bewijzen dat hij met den perzischen koning heulde, ook werd gezegd dat hij de Heloten tot opstand aangespoord had, toch durfden de ephoren hem nog niet te straffen, totdat zij door een van de vertrouwden van P. een brief van hem aan Xerxes in handen kregen en in de gelegenheid gesteld werden hem met eigen mond den inhoud er van te hooren bevestigen. Toen hij gevangen genomen zou worden, vluchtte hij in den tempel van Athena Chalcioecus, daar werd hij ingesloten, het dak werd van den tempel afgenomen, de deuren dichtgemetseld en zoo stierf hij van honger. Op het oogenblik, waarop hij den geest zoude geven, werd hij uit den tempel gedragen om het heiligdom niet te bezoedelen (468).--De geheimzinnigheid, waarmede deze zaak op echt spartaansche wijze door de ephoren behandeld werd, is de oorzaak, dat reeds in de oudheid velen aan het verraad van P. getwijfeld hebben, en ook sommige nieuweren zijn van meening, dat de ephoren zelf het gerucht er van verbreid hebben om de ware beweegredenen van hunne handelwijze, welke die dan ook mogen geweest zijn, te bedekken.--2) kleinzoon van den vorigen, had de koninklijke waardigheid gedurende de ballingschap van zijn vader Plistoanax (444-426), en volgde hem na zijn dood op (408). Gedurende de burgertwisten te Athene na afloop van den peloponnesischen oorlog, werd hij met een leger gezonden om de 30 tegen Thrasybulus te helpen; in plaats daarvan bewerkte hij echter, hetzij uit sympathie voor de atheensche democraten of om Lysander tegen te werken, dat de democratie hersteld werd en de 30 Athene moesten verlaten. Reeds dit werd hem toen zeer kwalijk genomen, en toen hij nu in het begin van den corinthischen oorlog door te laat op de afgesproken plaats te komen de oorzaak was van de nederlaag bij Haliartus (395), werd hij in staat van beschuldiging gesteld; hij vluchtte naar Tegea, waar hij in 385 stierf.--3) Macedoniër, die Perdiccas II vruchteloos de regeering betwistte (450).--4) koning van Macedonië, die door Amyntas onttroond werd (393).--5) Macedoniër, die na den dood van Perdiccas III (360) aanspraak op de regeering maakte; hij werd door de Thraciërs ondersteund, maar toen Philippus hen voor zich had gewonnen, moest P. van zijne eischen afzien.--6) een van de lijfwachten van Philippus van Macedonië, dien hij om persoonlijke grieven vermoordde; hij vluchtte, maar werd gevat en gekruisigd.--7) ho periegetes, een Lydiër, die onder Hadrianus en de Antonijnen te Rome leefde. Hij beschreef in 10 boeken eene reis door het grootste gedeelte van Griekenland, waarbij hij vooral let op oude gebouwen en gedenkteekenen en hunne godsdienstige of artistieke beteekenis; daarnevens vermeldt hij verscheiden geschied- en aardrijkskundige bijzonderheden. Of hij inderdaad alle plaatsen zelf bezocht heeft, die hij beschrijft, is twijfelachtig; in ieder geval heeft hij niet alleen zijn eigen waarnemingen te boek gesteld, maar ook oudere schrijvers als bronnen gebruikt. Het werk is ontstaan tusschen 161 en 177.--8) van Caesarea in Cappadocië, leerling van Herodes Atticus, leeraar der welsprekendheid te Athene en te Rome in de tweede eeuw na C.

Pausias, Pausias, van Sicyon, beroemd schilder kort voor Alexander d. G., die vele leerlingen vormde; hij wordt genoemd als de eerste, die de zolderingen met bloemen, kinderfiguren en arabesken beschilderde.

Pausilypum, Pausilypon, (smartverdrijvend = Sans souci) (Posilippo) heerlijke villa ten W. van Napels, door Vedius Pollio aan Augustus vermaakt. Agrippa liet daar een onderaardschen gang uithouwen, thans de grot van Posilippo genaamd.

Pauson, Pauson, arm caricatuurschilder te Athene, tijdgenoot van Aristophanes.

Paxi, Paxoi, twee eilandjes tusschen Corcyra en Leucas, thans Paxo en Antipaxo.

Peculatus, verduistering van staats- of tempeleigendom.

Peculium, wordt het vermogen genoemd, dat de paterfamilias aan een zoon in potestate of aan een slaaf toestond te verwerven of te bezitten. Hij kon het hem echter te allen tijde ontnemen. Peculium castrense is wat de zoon zich verwerft, terwijl hij in krijgsdienst is; quasi castrense, terwijl hij een openbaar ambt bekleedt. Augustus bepaalde, dat de filius familias de vrije beschikking zou hebben over het peculium castrense.

Pedaneus, zie iudex pedaneus.

Pedanii, plebejisch geslacht. Over den geneesheer Pedanius Dioscorides zie Dioscorides.

Pedarii zijn sedert de lex Ovinia (z.a.) die senatoren, die geen curulisch ambt bekleed hadden. De voorzitter was niet verplicht hun meening te vragen, zoodat in den regel hun rol zich bepaalde tot het deelnemen aan de stemming: ibant pedibus in sententiam alienam; vandaar hun naam.

Pedasa, ta Pedasa, stad in Caria, ten O. van Halicarnassus.

Pedasus, Pedasos, 1) oude stad der Leleges in het zuiden van Troas, aan den Satniois.--2) stad in Messenia, later Methone, thans Modon.

Pediaei, Pediaioi, eigenlijk bewoners van de Pedias, het vlakke land in het Noorden en Noordwesten van Attica, meest rijke grondeigenaars; in de burgertwisten ten tijde van Pisistratus vormden zij voornamelijk de oligarchische partij, vandaar wordt de naam ook aan die partij als zoodanig gegeven.

Pedias, Pedias, het vlakke gedeelte van Attica ten N. en N.W. van Athene, waar de groote grondbezittingen gelegen waren. De Pediaeërs, Pediaioi, vormden in Solons tijd de aristocratische partij.

Pedia (lex) van den consul Q. Pedius in 43, tot vogelvrijverklaring (aqua et igni interdictio) van Caesars moordenaars.

Pediea, Pedieia, vlek in Phocis ten N. van den Cephissus.

Pedii, eene familie, die in den laatsten tijd der rom. republiek opkwam. Q. Pedius, zusterszoon van Caesar, diende onder hem in Gallia en was in 45 legaat in Hispania. In 48 bekleedde hij de praetuur. Na Caesars dood stond Pedius het hem gemaakte legaat aan Octavianus af en werd toen in 43 diens medeconsul, zie Pedia lex. Hij stierf reeds in ditzelfde jaar.

Pednelissus, Pednelissos, stad in Pisidia.

Pedo Albinovanus (C.), episch dichter, vertrouwd vriend van Ovidius. Hij schijnt eene Theseis te hebben geschreven, terwijl van een gedicht over Germanicus nog een fragment bij Seneca (de beschrijving van een tocht op de Noordzee) wordt gevonden. Ook moet hij epigrammen hebben gedicht.

Peducaea (lex), plebisciet van Sex. Peducaeus, volkstribuun in 113. In het voorgaande jaar waren drie vestaalsche maagden van incestus beschuldigd; het college der pontifices had slechts ééne, Aemilia, veroordeeld en de beide andere, Marcia en Licinia, vrijgesproken. Laatstgenoemde was op schitterende wijze verdedigd door L. Crassus. De lex Ped. beval een nieuw onderzoek, met het gevolg dat ook Marcia en Licinia veroordeeld werden.

Peducaei, 1) zie Peducaea lex.--2) Sex. Peducaeus, stadhouder van Sicilia in 75, onder wien Cicero als quaestor te Lilybaeum werkzaam was, een man van groote rechtvaardigheid, die zich algemeene liefde en achting verwierf.--3) S. Peducaeus, zoon van no. 2, een geleerd man, wiens oordeel door T. Pomponius Atticus op hoogen prijs werd gesteld. In de burgeroorlogen was hij op de zijde van Caesar en van Octavianus.

Pedum, oude stad van Latium, aan de via Labicana.

Pegae = Pagae.

Pegasides, Pegasides, z. Pegasus.

Pegasus, Pegasos, een gevleugeld paard, door Poseidon bij Medusa (z. a.) verwekt. Het steeg terstond na zijne geboorte ten hemel op en draagt voor Zeus den donder en bliksem, later stond Zeus het aan Eos af en eindelijk werd het onder de sterren geplaatst. Het werd door Bellerophon (z. a.) gevangen, toen het aan de bron Pirene dronk, of hij kreeg het van Athena of Poseidon. Toen de Helicon, in verrukking gebracht door het gezang der Muzen, opsprong, bracht P. den berg op bevel van Poseidon met een hoefslag tot rust, en deed met denzelfden slag de bron Hippocrene ontspringen, waaruit de Muzen en dichters drinken om zich in geestvervoering boven het aardsche te verheffen. Denzelfden oorsprong en dezelfde eigenschap hebben ook de bronnen Hippocrene te Troezen en Pirene te Corinthe, vandaar worden zij en verder ook de Muzen zelve Pegasides (Pegasides) genoemd.

Pela, Pele, eil. op de ionische kust bij Clazomenae.

Pelagones, Pelagones, paeonische volksstam in Macedonia, die eerst aan de boorden van den Axius (Vardar) woonde, doch van daar naar het W. van Paeonia verhuisde, welke nieuwe woonplaats naar hen Pelagonia werd geheeten. Geheel in het N. van Thessalia lag nog eene pelagonische tripolis, uit de steden Azorus, Pythium en Doliche bestaande.

Pelargikon (teichos) = Pelasgikon (teichos).

Pelasgi, Pelasgoi. De grieksche schrijvers nemen aan, dat er vóór de eigenlijke Hellenen in verschillende deelen van Griekenland, vooral in de Peloponnesus, in Thessalië en Epirus, en ook aan de Westkust van Klein-Azië en in Italië een volk gewoond heeft, dat Pelasgi heette. In werkelijkheid hebben ze alleen in Thessalia, aan de Peneus gewoond, waar het gewest Pelasgiotis naar hen genoemd is.

Pelasgia, Pelasgia, oude naam voor Griekenland, voor de Peloponnesus en voor Lesbus.

Pelasgikon, Pelargikon (teichos), een oude versterking aan den westkant van de Acropolis, behoorende tot het oudste gedeelte van Athene.

Pelasgiotis, Pelasgiotis, gewest van Thessalia ten Z. van den Peneus, met de hoofdstad Larisa of Larissa, genoemd naar de Pelasgen.

Pelasgis, Pelasgis, bijnaam van Hera en Demeter als oude pelasgische godinnen.

Pelasgus, Pelasgos, 1) mythisch stamvader der Pelasgen. Zijne afstamming wordt zeer verschillend opgegeven: als zijn vader worden genoemd Zeus, Poseidon, Phoroneus, Arestor e. a., als zijne moeder Niobe of Larissa, gewoonlijk wordt hij echter als autochthoon beschouwd. Hij zoude Parrhasia, Argos in de Peloponnesus of in Thessalië gesticht hebben, den landbouw in Argos ingevoerd hebben, enz.--2) koning van Argos, bij wien Danaüs en zijne dochters een toevlucht zochten. Hij verdedigde hen tegen Aegyptus, maar werd overwonnen en verliet het land.

Peletai = Hektemoroi.

Peleus, Peleus, zoon van Aeacus en Endeis. Hij of zijn broeder Telamon doodde bij het spelen met den discus een zoon van Aeacus en Psamathe, Phocus, daarom waren beiden genoodzaakt uit Aegina te vluchten. Nadat zij aan den tocht der Argonauten hadden deelgenomen, werd hij gastvrij opgenomen door Eurytion, koning van Phthia, die hem van zijn schuld reinigde, hem zijne dochter Antigone tot vrouw gaf en een deel van zijn rijk afstond. Hij leefde hier eenigen tijd gelukkig, maar daar hij bij de calydonische jacht het ongeluk had zijn schoonvader te dooden, moest hij opnieuw vluchten; hij begaf zich naar Iolcus, z. Acastus. Op bevel der goden werd hem nu, daar Antigone (z. a.) gestorven was, de Nereïde Thetis tot gemalin gegeven, en toen zij hem onder allerlei gedaanten trachtte te ontvlieden, leerde Chiron hem de kunst om telkens dezelfde gedaante aan te nemen als zij, zoodat zij zich na langen strijd aan hem moest overgeven. Op de bruiloft waren alle goden en godinnen tegenwoordig, behalve Eris, z. Paris. P. regeerde sedert gelukkig over Phthia, doch toen hij Thetis stoorde bij hare pogingen om hun zoon Achilles onsterfelijk te maken, verliet zij hem en keerde zij naar de zee terug. Na den dood van Achilles werd P., die toen reeds zeer oud was, uit zijn rijk verjaagd, later door Neoptolemus in de regeering hersteld, doch toen na diens dood Orestes Phthia veroverde, moest hij weder in ballingschap gaan en zoo eindigde hij zijn leven. In de onderwereld werd hij bij Aeacus en Achilles geplaatst.--V. a. verzoende Thetis zich met hem na den dood van Neoptolemus, en volgde hij haar naar de diepte der zee, waar hij aan hare zijde voortleeft.

Peliades, Peliades, de dochters van Pelias (z. a.).

Pelias, Pelias, zoon van Poseidon en Tyro, maakte zich na den dood van Cretheus, die met Tyro gehuwd was, van de regeering over Iolcus meester. Om alleen te kunnen regeeren verdreef hij zijne broeders Neleus (z. a.) en Aeson (z. a.) en zond hij Iason uit om het gulden vlies te halen. Maar toen deze van Colchis terugkwam, wist Medea de dochters van P., Pisidice, Pelopea en Hippothoë, te overreden haar ouden vader een verjongingskuur te laten ondergaan. Nadat zij bewijzen van haar tooverkunst gegeven had, sneden de zusters op haar bevel P. in stukken, die zij kookten, doch toen dit geschied was, weigerde Medea hare verdere hulp. De Peliaden vluchtten daarop naar Mantinea in Arcadië.

Pelides, Peleides, Achilles en Neoptolemus, zoon en kleinzoon van Peleus.

Peligni, sabijnsch volk in Midden-Italia, met de hoofdstad Corfinium (z. a.). Met de Vestini en Marrucini hadden zij gemeenschappelijk de havenstad Aternum.

Pelinna of -naeum, Pelinna, -naion, versterkte stad ten N. van den Peneus, in het thessalische landschap Hestiaeotis.--Ook de naam van een gebergte in het Noorden van Chius.

Pelion, Pelion, woest en boschrijk gebergte in het thessalische landschap Magnesia, een der bergen, die door de Giganten opeengestapeld werden (de Ossa en de Olympus waren de andere), toen zij den hemel wilden bestormen. Op den top stond een tempel van Zeus Actaeus met de grot van den Centaur Chiron in de nabijheid.

Pelium, stad der Dassaretae in zuidelijk Illyria.

Pella, Pella, 1) oude stad van Macedonia in het distrikt Bottiaea, nabij het meer Borborus, dat door den Ludias wordt gevormd. Philippus van Macedonia maakte er zijne residentie van. Alexander de Gr. werd er geboren.--2) stad in Peraea, niet ver O.-waarts van den Jordaan, tegenover Scythopolis, door Alexander Jannaeus verwoest, later door Pompeius herbouwd.

Pellana, ta Pellana, stad aan den Eurotas in Laconica, ten N. van Sparta.

Pellene, Pellene, de meest oostelijke der 12 bondssteden van Achaia, met de haven Aristonautae.

Pelopea, Pelopeia, dochter van Thyestes, bij wien zij moeder werd van Aegisthus.

Pelopidae, Pelopidai, afstammelingen van Pelops: Atreus, Thyestes, Agamemnon e. a.

Pelopidas, Pelopidas, zoon van Hippocles, rijk en edel Thebaan, moest als aanhanger der democratische partij bij de bezetting der Cadmea door de Spartanen Thebe verlaten, en vluchtte naar Athene (382). Weldra trad hij aan het hoofd der uitgewekenen, en onder zijne leiding kwam de omwenteling tot stand, waardoor de Spartanen verdreven werden en de democratie hersteld werd (379). Daarop werd hij tot boeotarch gekozen. Als aanvoerder der heilige schaar versloeg hij twee spartaansche morae bij Tegyra (375) en nam hij deel aan den slag bij Leuctra (371); met zijn vriend Epaminondas deed hij een inval in de Peloponnesus, evenals deze werd hij aangeklaagd, omdat zij tegen de wet 4 maanden te lang de betrekking van boeotarchen hadden behouden, maar beiden werden vrijgesproken (369). Toen de thessalische steden de hulp van Thebe tegen Alexander van Pherae inriepen, ging P. met een leger naar Thessalië en dwong hij Alexander zijne voorwaarden aan te nemen; daarop trok hij naar Macedonië als scheidsrechter in de twisten over de troonopvolging en nam hij Philippus als gijzelaar mede naar Thebe. Doch nieuwe woelingen noodzaakten hem nogmaals tot een tocht naar het Noorden, door zijne huurtroepen verlaten kon hij nu in Macedonië niets uitrichten, en toen hij als gezant naar Thessalië ging, werd hij zelfs door Alexander gevangen genomen (368) en eerst losgelaten, toen Epaminondas met een leger aanrukte. Te Susa werd hij als gezant eervol ontvangen, ofschoon zijne pogingen om door den perzischen koning den vrede te laten voorschrijven geen gevolg hadden (367). Eindelijk trok hij ten derden male naar Thessalië om Alexander te beoorlogen, bij Cynoscephalae kwam het tot een slag, waarin de Thebanen de overwinning behaalden, doch toen P. een aanval op Alexander zelf deed, werd hij door diens lijfwachten gedood (364).

Peloponnesische oorlog (431-404) wordt de oorlog genoemd, dien de Spartanen met hunne bondgenooten, meest peloponnesische staten, tegen Athene voerden, om een einde te maken aan de zich sedert de perzische oorlogen steeds meer en meer uitbreidende macht van dien staat. De naaste aanleiding tot den oorlog was, dat de Corinthiërs, die met de Corcyraeërs in oorlog waren over Epidamnus, de Atheners als bondgenooten der Corcyraeërs tegenover zich vonden. Daarin zagen zij een vredebreuk, zij ondersteunden de Potidaeërs, die in hetzelfde jaar (432) van Athene afvielen en drongen bij eene bondsvergadering te Sparta op oorlog aan. Ofschoon koning Archidamus tegen overijling waarschuwde en Pericles voorstelde alle geschillen door een scheidsgerecht te laten beslissen, werd tot den oorlog besloten, indien Athene de gestelde eischen niet inwilligde. Deze eischen, gedurende de onderhandelingen nu en dan veranderd, bevatten eindelijk niet minder dan de vrijheid en autonomie van alle grieksche staten, m. a. w. het opgeven van de atheensche hegemonie. Op raad van Pericles werd dit geweigerd en tot den oorlog besloten. De eerste periode wordt de archidamische oorlog (431-421) genoemd, naar koning Archidamus, die bijna ieder jaar met een leger in Attica viel om het land te verwoesten. Van hun kant plunderden de Atheners de kusten van de Peloponnesus. Athene heeft in het tweede en derde jaar van den oorlog veel te lijden door eene verschrikkelijke pest, de bondgenooten blijven over het geheel trouw, alleen Mytilene valt af, het wordt echter door Paches tot overgave gedwongen en wreed gestraft (428). Van atheensche zijde onderscheidden zich in dit tijdperk: Pericles, die echter reeds in 429 stierf, Demosthenes, Nicias, Cleon, van spartaansche zijde Brasidas. Nadat in den slag bij Amphipolis (422) zoowel Brasidas als Cleon gesneuveld waren, kreeg in beide staten de vredespartij meer invloed en werd een vrede gesloten, waarbij alles ongeveer zoude blijven zooals het voor den oorlog geweest was. Met dezen zoogenaamden vrede van Nicias begint echter eigenlijk een tweede tijdperk van den oorlog (421-413). De bondgenooten der Spartanen, ontevreden over de vredesvoorwaarden, beletten op allerlei wijzen de uitvoering er van, en de Atheners, hierdoor verbitterd, zochten van die ontevredenheid gebruik te maken om zich in de Peloponnesus zelve bondgenooten tegen Sparta te verwerven. Dit gelukte hen met Argos, Elis en Mantinea, en in 417 verloor dit bondgenootschap bij Mantinea een grooten slag tegen de Spartanen onder Agis I; mettertijd sloten echter alle peloponnesische staten zich weder bij Sparta aan, behalve Argos. Op Sicilië leden de Atheners ontzaglijke verliezen tegen de Syracusanen, die door een spartaansch leger onder Gylippus werden bijgestaan, en nog voordat zij daar de beslissende nederlaag geleden hadden (413), was ook in Griekenland de oorlog weder uitgebroken. Zoowel het bondgenootschap met Argos als de tocht naar Sicilië was voornamelijk het werk geweest van Alcibiades, die ook in het derde tijdperk, den deceleïschen oorlog (413-404), een belangrijke rol speelde. De Spartanen bezetten Decelea, stellen zich in betrekking met Tissaphernes en verplaatsen den oorlog grootendeels naar Azië. De atheensche vloten behalen verscheiden overwinningen (Abydus, 411, Cyzicus, 410, Arginusae, 406), maar de Spartanen, door Pharnabazus en vooral door Cyrus met geld ondersteund, herstellen telkens de geleden verliezen; als daarentegen de atheensche vloot bij Aegospotami door Lysander genomen wordt (405), zijn de hulpmiddelen der Atheners uitgeput, alle bondgenooten vallen af, de stad wordt vier maanden door Lysander en Agis belegerd en wordt eindelijk door honger gedwongen zich over te geven (404). De lange muren worden geslecht, de schepen uitgeleverd, de verbannenen komen terug en 30 mannen worden gekozen om eene nieuwe staatsregeling te ontwerpen.

Peloponnesus, Peloponnesos, thans Morea, het bekende groote schiereiland, dat het Z. deel van Griekenland vormt en door de corinthische landengte met het N. deel samenhangt. Het omvatte de landschappen Achaia, Elis, Messenia, Laconica, Arcadia, Argolis, Corinthia, Sicyonia en Phliasia.

Pelops, Pelops, zoon van Tantalus. Om de alwetendheid der goden op de proef te stellen, slachtte zijn vader hem en zette hij den goden de gebraden stukken als spijs voor. Zijne misdaad werd echter ontdekt en de knaap werd in het leven teruggeroepen, alleen Demeter had in verstrooidheid een stuk van zijn schouder opgegeten, dat bij zijne wedergeboorte door een stuk ivoor vervangen werd. Als opvolger van zijn vader geraakte hij in oorlog met den trojaanschen koning Ilus, hij streed ongelukkig en werd uit zijn land verdreven. In Pisa gekomen, verwierf hij de hand van Hippodamea, de dochter van Oenomaüs (z. Myrsilus), en volgde hij zijn schoonvader in de regeering op. Hij regeerde zoo roemrijk, dat het geheele schiereiland, dat vroeger Apia of Pelasgia heette, naar hem Peloponnesus genoemd werd; aan de olympische spelen zette hij zooveel luister bij, dat hij soms als de stichter er van beschouwd werd. De vloek, dien Tantalus door zijne misdaden op zich geladen en dien P. door den moord van Myrsilus nog verzwaard had, rustte echter op zijn geslacht en veroorzaakte onder de Pelopiden vele ongelukken en gruweldaden. Nog bij het leven van P. ontstond oneenigheid in zijn gezin; zijn zoon Chrysippus werd door Atreus en Thyestes gedood en P. verjoeg daarom zijne gemalin en zijne talrijke zonen. Hij stierf te Pisa en kreeg te Olympia een tempel, waar hem jaarlijks offers gebracht werden.

Pelor, Pelor, Peloros, een van de vijf Sparten, z. Cadmus.

Peloris, -rus, -rum, -rias, Peloris, Peloros, Peloron akron, thans kaap Faro, N.O. kaap van Sicilia.

Pelso (lacus), de Plattensee in Pannonia.

Peltae, Peltai, oude, welvarende stad van Phrygia aan den Maeander.

Peltastai, lichtgewapende infanterie, zoo genoemd naar hun licht halvemaanvormig schild (pelte); verder droegen zij een linnen harnas, een werpspies en degen en een lange lans. Iphicrates verbeterde hunne wapening, onderwierp hen aan tucht en aan geregelde oefeningen, vormde hen tot behoorlijk georganiseerde afdeelingen en verhoogde daardoor hunne bruikbaarheid zeer.

Pelusiacum ostium, Pelousiakon stoma, oostelijkste monding van den Nijl.

Pelusium, Pelousion = slijkstad, stad aan den oostelijken Nijlmond te midden van moerassen gelegen, doch juist hierdoor zeer sterk en een der sleutels van Aegypte. Vandaar, dat de stad en haar omtrek in de oorlogen der Assyriërs en der Perzen tegen Aegypte en ook nog later eene belangrijke rol speelt.

Penates, familiegoden der Rom., eigenlijk goden van de voorraadskamer (penus) van het Rom. huis; ze worden gewoonlijk Di Penates = goden van de voorraadskamer genoemd, en Vesta wordt dikwijls als ééne er van beschouwd; het zijn dus Di familiares. Hun dienst hangt nauw samen met dien van Vesta en de Lares. Evenals deze werden zij aan den huiselijken haard vereerd en kregen zij hun deel van alle maaltijden, die door het huisgezin gebruikt werden; zij worden beschouwd als de personificatie van het intiem huiselijk leven.--Ook de staat had zijne penates, die maiores of publici genoemd worden in tegenstelling van de andere, die minores of privati heeten. De P. van Rome waren, zooals men sedert Caesar en Augustus algemeen aannam, door Aeneas uit Troje naar Lavinium, van daar door Ascanius naar Alba Longa medegenomen, en na de verovering van die stad naar Rome overgebracht, zij werden in een geheime kast in den tempel van Vesta bewaard. Bovendien hadden zij een tempel op de Velia.

Peneis, Daphne, dochter van den riviergod Peneus.

Peneleos, Peneleos, zoon van Hippalmus en Asterope, een van de Argonauten en aanvoerder der Boeotiërs in den trojaanschen oorlog. Hij werd door Eurypylus no. 4 gedood.

Penelope, Penelope, -peia, dochter van Icarius en Periboea, gemalin van Odysseus. Toen bij het lange uitblijven van haar gemaal zich het gerucht van zijn dood verbreidde, kwamen de edelste jongelieden uit de omliggende landen naar Ithaca om naar hare hand te dingen. Zij bleef echter steeds op de terugkomst van Odysseus hopen en wenschte dus geen bepaald antwoord op al die aanzoeken te geven, daarom bedacht zij een list, ten einde de minnaars tot uitstel te bewegen. Zij beloofde namelijk een keus te doen, wanneer het lijkkleed van Laërtes gereed zou zijn, dat zij bezig was te weven, maar wat zij bij dag aan dit kleed afwerkte haalde zij des nachts weder uit. Toen deze list door hare dienstmaagden aan de minnaars verraden was en zij sterker op eene beslissing aandrongen, kwam Odysseus juist van pas terug, hij doodde de minnaars en leefde verder met P. gelukkig tot zijn dood. Daarna huwde zij met Telegonus, den zoon van Odysseus en Circe en eindelijk werd zij naar de eilanden der gelukzaligen verplaatst.--V. a. had zij de huwelijkstrouw niet ongeschonden bewaard, was zij daarom door Odysseus verstooten en had zij zich over Sparta naar Mantinea begeven, waar men haar graf toonde.

Penestae, Penestai, 1) lijfeigenen in Thessalië, personen die van de vroegere bewoners van dat land afstamden. Zij waren rechtens in denzelfden toestand als de Heloten in Lacedaemon, doch waren niet het eigendom van den staat, maar van particulieren.--2) illyrische stam ten N. van den Lychnitis lacus, onderdeel van de Dassaretae; hoofdstad Uscana.

Peneus, Peneios, 1) hoofdstroom van Thessalia, die op den Pindus ontspringt, tal van zijtakken opneemt en door het liefelijk dal Tempe tusschen den Olympus en den Ossa naar de golf van Thermae stroomt. Het kristalheldere water van deze rivier is meermalen door dichters bezongen. Als riviergod is Peneus een zoon van Oceanus en Tethys en de vader van Daphne en Cyrene.--2) rivier in Elis.

Penius, rivier in Colchis, die in den Pontus Euxinus (Zwarte zee) valt.

Pentaëteris, pentaeteris, de helft van eene ennaëteris.

Pentakosiomedimnoi, atheensche burgers der eerste klasse volgens de indeeling van Solon; hiertoe behoorden zij, wier grondeigendom jaarlijks minstens 500 medimmen of metreten opbracht, een opbrengst, die eene waarde heeft van 500 drachmen en een kapitaal van 1 talent vertegenwoordigt.

Pentapolis, Pentapolis, 1) in het aziatische Doris de bond der 5 steden Ialysus, Camirus, Lindus, Cos en Cnidus, die door de toetreding van Halicarnassus eene hexapolis werd.--2) in Cyrenaica de steden Cyrene, Berenice, Arsinoë, Ptolemais en Apollonia.--3) in het land der Philistijnen: Gaza, Gath, Ascalon, Azotus, Jamnia.

Pentathlum, Pentathlon, Quinquertium, een wedstrijd in vijf afdeelingen: springen (halma, saltus), loopen (dromos, cursus), worstelen (pale, lucta), werpen met de schijf (diskos, discus), vuistgevecht (pygme, pugilatus); later voegde men er werpen met de speer (akontisis, iaculatio) bij. Om den prijs te krijgen moest men in iedere afdeeling overwonnen hebben.

Pentekontaëtie noemt men het ongeveer vijftig jaren lange tijdperk tusschen den perzischen en den peloponnesischen oorlog.

Penteleum, Penteleion, sterkte in het N. van Arcadia, aan den berg Penteleia, Penteleus mons.

Pentelicus, Pentelikon oros, berg in Attica, beroemd om zijn marmer (pentelesios lithos), ook Brilessus, Brilessos, geheeten.

Penthesilea, Penthesileia, dochter van Ares en Otrera, koningin der Amazonen, die na den dood van Hector den Trojanen te hulp kwam. Zij werd door Achilles gedood, die echter zelf weende bij het gezicht van haar jeugd, schoonheid en heldenmoed.

Pentheus, Pentheus, zoon van Echion en Agave, volgde Cadmus als koning van Thebe op. Hij verzette zich tegen het invoeren van den dienst van Dionysus, en toen hij zich naar den Cithaeron begaf om een feest der Bacchanten te verbieden, werd hij door zijn moeder en de overige vrouwen, die hem in razernij voor een wild dier hielden, gedood en verscheurd.

Penthilus, Penthilos, zoon van Orestes en Erigone no. 2, stichter eener volkplanting op Lesbus. Hij wordt de stamvader genoemd van de Penthiliden, eene familie, die tot het midden der zevende eeuw op Lesbus de koninklijke waardigheid bezat.

Pentri, de eenige samnietische volksstam, die na den slag bij Cannae aan Rome trouw bleef. Hoofdstad: Bovianum.

Peparethus, Peparethos, eil. in de Aegaeische zee ten Z.O. van Thessalia, door de Chalcidiërs gekoloniseerd, beroemd om zijn wijn.

Pephredo, Pe(m)phredo, eene van de Graeae.

Peplum, -plus, peplos, -plon, een kleedingstuk bij de Grieken, dat in vorm overeenkwam met de romeinsche palla en ongeveer op dezelfde wijze gedragen werd. In de oudste tijden schijnt het alleen door vrouwen, later ook door mannen gedragen te zijn. Bijzonder beroemd is de peplos van Athena, z. Panathenaea.

Peraea, Peraia, 1) het overjordaansche gedeelte van Palaestina.--2) he peraia ton Rhodion, het carische kustland tegenover Rhodus.--3) he peraia Tenedion, mysische kuststreek tegenover Tenedus.--4) kolonie van Mitylene op de kust van Mysia.

Percote, Perkote, oude stad in Mysia aan den Hellespont.

Perdiccas, Perdikkas, 1) een afstammeling van den Heraclide Temenus uit Argos, vluchtte met zijne broeders naar Illyrië, en stichtte van daar uitgaande het macedonische rijk, waarvan hij de eerste koning werd, omstreeks 700. V. a. was hij de opvolger van Caranus (z. a.).--2) P. II, zoon van Alexander no. 5, regeerde na den dood van zijn vader (454) met zijne broeders Alcetas en Philippus, sedert 436 alleen. De uitbreiding van de atheensche macht op de kusten van zijn rijk maakte hem tot een natuurlijk vijand der Atheners, toch durfde hij slechts zelden openlijk tegen hen optreden, en in den peloponnesischen oorlog stond hij bij afwisseling aan hunne zijde of aan die van hunne vijanden. Hij regeerde tot 413.--3) P. III, zoon van Amyntas II, deelde na den dood van zijn broeder Alexander no. 6 het rijk met Ptolemaeus Alorites, zijn zwager (369); nadat deze vermoord was (365) regeerde hij tot 360, hij sneuvelde in een slag tegen de Illyriërs.--4) dapper veldheer en vertrouwd vriend van Alexander d. G. Hij onderscheidde zich bij het beleg van Thebe, bij de slagen aan den Granicus, bij Issus en bij Gaugamela en op den tocht naar Indië. Alexander overhandigde hem op zijn sterfbed zijn zegelring. Na den dood van Alexander werd besloten dat P. in naam van Alexanders nog ongeboren zoon en van Philippus Arrhidaeus het rijk zou besturen. Hij liet Meleager (z. a.) en diens aanhangers dooden, huwde met Nicaea, de dochter van Antipater, en trachtte op alle wijzen zijne macht te bevestigen. Maar de andere veldheeren toonden zich weinig geneigd zijn gezag te erkennen, en weldra was alleen Eumenes aan P. en het koninklijke huis trouw gebleven, terwijl daarentegen Antigonus, wegens ongehoorzaamheid voor het gerecht gedaagd, naar Europa vluchtte en zich met Antipater, Craterus en Ptolemaeus tegen P. verbond. Deze verstiet nu Nicaea en trad in het huwelijk met Cleopatra, de dochter van Philippus, vooreerst wendde hij zich tegen Ptolemaeus, en toen hij bij eene poging om den Nijl over te trekken zich met groot verlies moest terugtrekken, brak een opstand uit onder de door zijne strengheid verbitterde soldaten, vele officieren vielen van hem af en eenige drongen in zijne tent en doodden hem (321).

Perdix, Perdix = Talos no. 1.

Perduellio. In het oude fetiaalrecht is perduellis = vijand, terwijl hostis synoniem met peregrinus was. Onder perduellio verstaat men vijandige handelingen van den burger tegenover den staat, b. v. pogingen tot omwenteling, verstandhouding met den vijand, ook overloopen, desertie enz. Daar de volkstribunen sedert de lex Hortensia van 287 het recht hebben, politieke misdrijven te vervolgen, wordt perduellio sedert dien tijd slechts weinig genoemd; zie duumviri perduellioni iudicandae.

Peregrinus, de buitenlander, de vreemdeling, in tegenstelling met den rom. burger. Zie omtrent hun rechten ius gentium.

Peregrinus Proteus, Peregrinos Proteus, van Parium, cynisch wijsgeer, vestigde zich, na een tijd lang een zwervend leven geleid te hebben, te Athene. Hij wendde alle middelen aan om de aandacht van het publiek te trekken, en toen hij met dit doel had bekend gemaakt dat hij zich bij de feesten te Olympia zou laten verbranden, drongen zijne aanhangers op de vervulling zijner belofte aan, en was hij genoodzaakt zijn woord te houden (164 n. C.). Hij was ook een tijdlang Christen geweest. Hij is vooral bekend door de satire van Lucianus: de morte Peregrini.

Peremne auspicari. Auspiciën verloren hunne kracht bij het overschrijden van een water, tenzij daarbij zekere vormen in acht werden genomen en een formulier werd uitgesproken. Dit heette peremne auspicari en moest ook plaats hebben, wanneer men, om op den Campus Martius comitiën te houden, den amnis Petronia, een beekje aan den voet van den Capitolinus, moest overgaan.

Perenna, zie Anna Perenna.

Perfectissimi, titel der ambtenaren van den vierden rang, door Constantijn d. Gr. ingevoerd.

Perga, Perge, stad in het binnenland van Pamphylia, met een beroemden tempel van Artemis.

Pergama, ta Pergama, de burcht van Troje, ook wel de stad zelve. Neptunia Pergama, omdat Neptunus met Apollo voor koning Laomedon de muren der stad had gebouwd.

Pergamum, Pergamon, beroemde stad in het mysische gewest Teuthrania, ten N. van den Caicus. Na den dood van Alexander d. Gr. behoorde het tot het gebied van Lysimachus, totdat in 284 diens schatmeester Philetaerus afvallig werd en te P. een eigen rijkje stichtte, dat hij in 263 aan zijn neef Eumenes I naliet. In 188, na den syrischen oorlog, kreeg Eumenes II van Rome het grootste gedeelte van het door Antiochus afgestane land. Attalus III vermaakte in 133 zijn rijk en zijne schatten aan het rom. volk. Zijn onechte broeder Aristonicus weigerde dezen afstand te erkennen, doch werd verslagen, gevangen naar Rome gevoerd en ter dood gebracht. Het rijk van Pergamus werd de rom. provincie Asia (129). De vorsten van P. waren groote beminnaars van kunst en wetenschap geweest. Van de bouw- en beeldhouwwerken, door de Duitschers daar opgegraven, is vooral beroemd het groote Zeusaltaar, in de 2de eeuw gesticht, waarvan het beeldhouwwerk naar Berlijn is overgebracht. In de geschiedenis der beeldhouwkunst neemt de Pergameensche kunst een afzonderlijke plaats in. De bibliotheek van P. bevatte 200000 boekrollen. Ook de nijverheid bloeide; fabricatie van manufacturen en weeldeartikelen werd op groote schaal gedreven. Het perkament, charta pergamena, ontleende zijn naam aan de stad. De bibliotheek werd later op last van M. Antonius naar Alexandria overgebracht.

Pergamus, Pergamos, 1) = Pergama.--2) = Pergamum.--3) stad op Creta bij Cydonia, sterfplaats van Lycurgus.

Periaktoi, twee driehoekige prisma's, waarvan de zijden als coulissen beschilderd waren; het geheele lichaam draaide om een spil, zoodat op deze wijze de drie verschillende zijden bij afwisseling voor de toeschouwers zichtbaar konden gemaakt worden. Z. theatrum.

Periander, Periandros, zoon van Cypselus, geb. 668, volgde zijn vader in de regeering over Corinthe op (627). Aanvankelijk regeerde hij gematigd, hij gaf wetten tegen weelde en overdaad, bevorderde handel en scheepvaart door het aanleggen van kanalen, het stichten van volkplantingen enz., beschermde kunsten en wetenschappen en liet de stad met prachtige bouwwerken versieren. Kort voor zijn dood besliste hij als scheidsrechter een geschil tusschen Athene en Mytilene over het bezit van Sigeum. Nadat hij echter door zijne mishandelingen den dood zijner gemalin Melissa veroorzaakt had, waardoor hij zich een oorlog met zijn schoonvader Procles, tyran van Epidaurus, op den hals haalde, gaf hij zich, naar men wil, aan dronkenschap over en vertoonden zich bij hem blijken van gekrenkte geestvermogens. Uit achterdocht bedreef hij de grootste wreedheden, hij omgaf zich met eene lijfwacht van 200 man, woedde vooral tegen den adel en deed zijn best om de dorische eigenaardigheden bij zijn volk uit te roeien. Zie ook Lycophron. Door allen verlaten en door wroeging gefolterd stierf hij, 585. Dat hij tot de zeven wijzen behoord zou hebben, wordt reeds door de ouden tegengesproken. Als zijn spreuk wordt aangehaald: melete to pan, voorzorg is alles.

Periboea, Periboia, 1) Najade, die hare onsterfelijkheid prijs gaf om met den arcadischen koning Lelas te trouwen.--2) gemalin van Polybus, die Oedipus als zoon aannam en opvoedde.--3) dochter van Hipponous, gemalin van Oeneus, moeder van Tydeus.--4) Najade, gemalin van Icarius, moeder van Penelope.--5) of Eriboea, dochter van Alcathous, gemalin van Telamon, moeder van Aiax.

Pericles, Perikles, 1) Athener, zoon van Xanthippus, van moederszijde met de Alcmaeoniden verwant, genoot in zijne jeugd het onderwijs van Zeno van Elea, den toonkunstenaar Damon en vooral van Anaxagoras, mannen, met wie hij ook op lateren leeftijd zeer bevriend bleef. Nadat hij zich in verscheiden veldtochten onderscheiden had, trad hij in 469 als staatsman op, en wel als tegenstander van de aristocratische en spartaansch gezinde partij, die onder de leiding van Cimon stond. Sedert deze door het ostracismus verbannen was (460), was P. de eerste man in den staat en hij bleef dit ook na de terugkomst van Cimon. Gewoonlijk behoorde hij tot de strategen, soms was hij ook met het beheer der financiën en der openbare bouwwerken belast, maar zijn grooten invloed had hij vooral te danken aan zijne persoonlijke eigenschappen; zijn politiek doorzicht en zijne overredende welsprekendheid maakten hem tot een volksleider in den goeden zin van het woord. Zijn doel was in Athene aan de democratische instellingen de grootst mogelijke uitbreiding en ontwikkeling te geven en het tot den eersten, zoo mogelijk tot den heerschenden, staat in Griekenland te maken. Om aan alle burgers niet alleen gelijke rechten te verschaffen, maar hen ook in staat te stellen die rechten inderdaad uit te oefenen, werd de macht van den Areopagus beperkt, waarbij P. persoonlijk echter slechts eene ondergeschikte rol speelde (z. Ephialtes), de werkkring van de heliaea uitgebreid, aan den eenen kant door liturgieën de grootste lasten op de schouders der rijken gelegd, aan den anderen kant door het invoeren van betaling voor rechters enz. de armeren verlicht en tot het gebruiken hunner burgerrechten aangemoedigd. Daar de democratie in zijn tijd haar glanspunt bereikte, worden hem een aantal wetten in democratischen geest toegeschreven, waarvan echter waarschijnlijk vele reeds voor of eerst na hem zijn ingevoerd. Kunst en wetenschap moedigde hij ten zeerste aan, de voornaamste kunstenaars van Griekenland zochten Athene op en vonden er werk, het Parthenon, het Odeum, de Propylaea, e.a. onsterfelijke kunstwerken zijn in dezen tijd gebouwd, grootendeels onder leiding van Phidias, den vriend van P.--Zijn streven om Athene's macht ook te land uit te breiden veroorzaakte reeds vroeg een oorlog met Sparta (457), die, hoewel de slag bij Tanagra verloren werd, aanvankelijk voor Athene gunstig verliep; toen in 451 door tusschenkomst van Cimon een vijfjarige wapenstilstand gesloten werd, was Aegina onderworpen, Megara met Athene verbonden, Boeotië, Locris en Phocis gedwongen geworden zich bij Athene aan te sluiten, zelfs waren eenige gelukkige tochten naar de Peloponnesus en naar Acarnanië gedaan. Maar weldra verhief zich de oligarchische partij in Boeotië tegen dezen toestand, en toen Tolmides tegen den raad van P. den slag bij Coronea waagde en verloor (447), vielen ook Locris, Phocis, Megara en Euboea af, en deden de Spartanen een inval in Attica. Wel wist P. hen door omkooping tot den aftocht te bewegen en veroverde hij Euboea weder, maar bij den dertigjarigen vrede (445) werd Athene gedwongen al zijne bezittingen in de Peloponnesus op te geven en Boeotië, Megara, Locris en Phocis uit den bond te laten treden. Daarentegen veranderde langzamerhand de betrekking van Athene tot de zeestaten, zoodat deze van bondgenooten tot onderhoorigen werden; P. uitte onverholen de meening, dat zij aan Athene gehoorzaamheid en schatting schuldig waren, terwijl Athene daarentegen verplicht was hen te helpen en te verdedigen. De meeste staten misten de middelen om zich tegen deze aanspraken te verzetten, daar zij de gewoonte hadden aangenomen voor de verdediging van den bond geld in plaats van soldaten te geven; die het niettemin beproefden, werden met geweld ten onder gebracht, zooals Euboea, Aegina, Samus. Sedert 454 werd de bondskas te Athene bewaard en als Atheensch eigendom beschouwd en behandeld. Een middel, waardoor P. staten van twijfelachtige trouw aan Athene verbond en tevens arme burgers verzorgde, was het uitzenden van cleruchieën; bijna 5000 atheensche burgers kregen op deze wijze in verschillende deelen van Griekenland grondbezit. Maar P. zag wel in, dat Athene vroeg of laat zijne heerschappij, hoe hecht zij ook gevestigd scheen, zou moeten verdedigen, daarom nam hij reeds sedert het begin van den dertigjarigen vrede alle mogelijke maatregelen tegen den onvermijdelijken oorlog, en toen deze oorlog eindelijk uitbrak, had Athene 300 schepen, een leger van 30000 hopliten en 8000 talenten in kas, terwijl de jaarlijksche inkomsten 1000 talenten bedroegen. Hij ried daarom aan de eischen der Spartanen (z. Pelop. oorlog) af te wijzen, den oorlog moedig te ondernemen en voorzichtig te voeren. Wel vond hij verbitterden tegenstand bij de aristocratische grondeigenaars en bij de boeren, die van een oorlog de grootste schade zouden ondervinden; wel trachtten zijne tegenstanders, die hemzelf niet durfden aanvallen, aan hunne verbittering lucht te geven door aanklachten tegen Anaxagoras, Aspasia en Phidias, maar P., steunend op het vertrouwen van het volk, hield vol en, hoe moeilijk de tijden ook waren, het bleef naar hem luisteren. Eerst toen door oorlog en pest de nood op het hoogst gestegen was en de ontevredenheid een offer zocht, waagde men het P. van slecht beheer der staatsgelden te beschuldigen, inderdaad werd hij tot een geldboete veroordeeld (430), doch spoedig keerde het vertrouwen van het volk terug en werd hij opnieuw tot strateeg verkozen. In het volgende jaar stierf hij, v.s. aan de pest.--2) onechte zoon van den vorigen bij Aspasia. Ter eere van zijn vader gaf het volk verlof hem onder de burgers op te nemen; hij was een van de atheensche vlootvoogden, die na den slag bij de Arginusae ter dood veroordeeld werden.

Periclymenus, Periklymenos, 1) zoon van Neleus en Chloris no. 3, Argonaut, was zeer sterk en konde verschillende gedaanten aannemen; bij de verwoesting van Pylus werd hij door Heracles gedood.--2) zoon van Poseidon en Chloris no. 4, Thebaan, die bij den oorlog der zeven tegen Thebe Parthenopaeus doodde en Amphiaraus op de vlucht vervolgde.

Perideipnon, een maaltijd, door de bloedverwanten van een gestorvene na zijne begrafenis in het sterfhuis gehouden.

Perieres, Perieres, zoon van Aeolus, koning van Messenië, vader van Aphareus en Leucippus.

Perigune, Perigoune, dochter van Sinis, bij Theseus moeder van Melanippus.

Perilaus, Pirilaos, 1) zoon van Icarius en Periboea, v. s. aanklager van Orestes bij den Areopagus.--2) of Perillus, kunstenaar van Agrigentum, maakte een koperen stier, waarin een mensch kon verbrand worden, en die zoo gemaakt was, dat het geschreeuw van het slachtoffer op het gebrul van een stier geleek. Hij bood dien stier voor eene aanzienlijke som aan Phalaris aan, maar deze nam de eerste proef met den kunstenaar zelf.

Perillus, Perillos, z. Perilaus no. 2.

Perinthus, Perinthos, bloeiende volkplanting (559) van Samus, op de thracische kust aan de Propontis (zee v. Marmara) gelegen. Zij verdedigde zich met goed gevolg tegen Philippus van Macedonië. Later Heraclea Perinthus.

Perioikoi, afstammelingen van de oude bevolking der peloponnesische staten, wien door de dorische veroveraars de vrijheid en gedeeltelijk ook hun grondeigendom gelaten was. Zij misten het burgerrecht en moesten schatting opbrengen. In Lacedaemon is de naam Lacedaemoniërs soms in het bizonder op hen toepasselijk, terwijl daarentegen de heerschende Doriërs zich Spartanen noemen.

Peripatetici, Peripatetikoi, wijsgeeren uit de school van Aristoteles (z.a.).

Periphas, Periphas, 1) attisch autochthoon, die nog vóór Cecrops over Attica regeerde en wegens zijne wijsheid en goedheid als een god vereerd werd. Hierover vertoornd, wilde Zeus hem met den bliksem dooden, maar op de bede van Apollo veranderde hij hem in een arend.--2) een Aetoliër, die voor Troje door Ares gedood werd.--3) een Griek, die bij de verovering van Troje den burcht innam.--4) heraut van Aeneas.

Periphetes, Periphetes, zoon van Hephaestus en Anticlea, een berucht roover, die met een ijzeren knots de reizigers doodde, die in zijne handen vielen. Theseus doodde hem in de nabijheid van Epidaurus en ontnam hem de knots.

Peripoloi waren te Athene belast met de bezetting der grensvestingen en de bewaking van het land. Zij hadden eene lichte wapenrusting en werden slechts bij uitzondering buitenslands gezonden. De dienst der per. gold als eene voorbereiding voor den werkelijken krijgsdienst en was daarom aan de epheben opgedragen.

Peripterus, peripteros, is een tempel, wanneer er eene kolonnade aan al de vier zijden om heen loopt. Staan de zuilen aan de zijkanten en den achterkant ter halverwege in den muur dan zegt men pseudoperipterus.

Peristasis noemt men de zuilengangen rondom den dorischen tempel, zie columna.

Peristylium, peristylion, een ruimte, rondom ingesloten door zuilen, die binnen de muren staan. Het komt eerst sedert den hellenistischen tijd voor, z. Domus en Oikia.--2) = Peristasis.

Permessus, Permessos, beekje in Boeotia, ontspringt op de zuidelijke helling van den Helicon en stroomt langs Thisbe en Leuctra.

Pero, Pero, de schoone dochter van Neleus en Chloris, gemalin van Bias, z. Melampus.

Pero, laars van ruw of ongelooid leder.

Perone, z. Fibula.

Perperena, Perperena, vlek in Mysia, ten Z. van Adramyttium.

Perpernae, ook Perpennae. 1) M. Perperna werd samen met L. Petillius door den illyrischen koning Gentius, tot wien zij als gezanten kwamen, gevangen gehouden, totdat de praetor Anicius hen met een leger kwam bevrijden (168).--2) M. Perperna, consul in 130, overwon den pergameenschen kroonpretendent Aristonicus. Hij overleed te Pergamum.--3) M. Perperna, consul in 92, censor in 86.--4) M. Perperna, een laatdunkend en onbekwaam man, koos in den burgeroorlog de partij van Marius en werd praetor. Toen Sulla zegevierde, week hij naar Sicilië, van waar Pompeius hem verjoeg. In 78 was hij onderbevelhebber van den oproerigen consul Mam. Aemilius Lepidus, na wiens nederlaag hij naar Hispania tot Sertorius vluchtte. Door zijne afkomst achtte hij zich ver boven Sertorius verheven en zoo nam hij deel aan eene samenzwering, waardoor S. vermoord en P. tot aanvoerder werd uitgeroepen (72). Hij werd echter spoedig door Pompeius verslagen en gevangen genomen, trachtte nog door eene laaghartigheid zijn leven te redden, doch werd ter dood gebracht.

Perrhaebi, Perraiboi, krijgshaftig volk in het Noorden en in het Oosten van Thessalia, en ook in het N. van Euboea wonend.

Perranthes, berg in Epirus, bij Ambracia, ten O. van den Arachthus.

Persaeus, Persaios, 1) z. Perses.--2) van Citium, slaaf, later leerling van Zeno, leefde als stoicijnsch wijsgeer aan het hof van Antigonus Gonatas, die hem veldheer maakte en aanvoerder van het macedonische garnizoen van Corinthe. Hij sneuvelde in den strijd tegen Aratus (± 243).

Perse, Perseis, Perse, Perseis, dochter van Oceanus, gemalin van Helius, moeder van Aeetes, Circe, Pasiphaë, e. a.

Persephone, Persephone, -phoneia, Persephassa, Pherreph-, Kore, Proserpina, dochter van Zeus en Demeter, gemalin van Hades, die in de onderwereld over de schimmen der afgestorvenen regeert. Na Homerus treedt hare verhouding tot Demeter meer op den voorgrond dan die tot Hades, zelfs is zij in de mysteriën de bruid van Iacchus en heeft Hades haar slechts door geweld tot gemalin gekregen en door list behouden. Toen zij nl. eens op de vlakte van Nysa of bij Enna bezig was bloemen te plukken, opende zich plotseling de aarde, en uit de opening verscheen Hades, op zijn gouden met vier zwarte paarden bespannen wagen gezeten, en ontvoerde haar in weerwil van haar tegenstreven. Zeus had hem hiertoe zijne toestemming gegeven, maar Demeter, die niet wist waar hare dochter gebleven was, zocht deze vruchteloos negen dagen en nachten, totdat zij van Helius vernam, dat zij toch niet in P.'s tegenwoordig verblijf zou kunnen doordringen; in toorn trok zij zich van het gezelschap der goden terug, terwijl alle groei op aarde ophield. Eindelijk was Zeus genoodzaakt P. door Hermes uit de onderwereld te laten terughalen, maar Hades geeft haar, voordat hij haar laat gaan, de pit van een granaatappel, het zinnebeeld van het huwelijk, zoodat zij niet voor goed het sombere rijk van haar gemaal kan verlaten, maar er een derde van het jaar moet doorbrengen. Intusschen had Demeter, bewogen door de gastvrije ontvangst van Celeüs, door Triptolemus de kennis van den landbouw onder de menschen laten verbreiden en de eleusinische mysteriën ingesteld. In dezen mythus is P. blijkbaar het zinnebeeld van het jaarlijks terugkeerende afsterven en herleven der plantenwereld, waaraan in de mysteriën verder de beteekenis gegeven werd van eene zinnebeeldige voorstelling van verlossing uit den dood. De nauwe betrekking, die tusschen P. en hare moeder gedacht wordt te bestaan, wordt uitgedrukt door den veelal aan beide godinnen gemeenschappelijken eeredienst, door hare gemeenschappelijke bijnamen (Despoina, Megale thea), en vooral door den naam Kore (de jonkvrouw, dochter), die P. in de mysteriën droeg. Onder den invloed van de mystiek der Orphici werd zij later dikwijls verward met Hecate, Gaea, Rhea e.a.--Zij wordt afgebeeld als koningin der onderwereld met schepter en kroon, of als de bruid van Iacchus met klimopkrans en fakkels, of eenvoudig als de jonge dochter van Demeter; tot hare attributen behooren de narcis, papaver en korenaren.

Persepolis, Persepolis, heilige hoofdstad van het landschap Persis, door Darius aangelegd, aan den Medus, dicht bij zijn uitmonding in den Araxes. De burcht met het koninklijk paleis, de schatkamer en de graven der perzische koningen, was door een driedubbelen muur omgeven. De stad werd door Alexander d. Gr. geplunderd en gedeeltelijk verwoest.

Perses, Perses, 1) of Persaeus, zoon van Crius en Eurybia, vader van Hecate.--2) zoon van Helius en Perseis.--3) zoon van Perseus en Andromeda, mythisch stamvader der Perzen.--4) broeder van Hesiodus (z.a.).--5) bij latijnsche schrijvers = Perseus van Macedonië.

Perseus, Perseus, 1) zoon van Zeus en Danaë (z. Acrisius). Hij werd door koning Polydectes van Seriphus opgevoed, maar toen hij opgegroeid was, wenschte deze zich van hem te ontslaan, hetzij omdat hij hem voor zijne regeering gevaarlijk achtte, hetzij omdat hij Danaë in zijne macht wilde brengen. Door valsche voorspiegelingen wist hij P. de belofte te ontlokken, dat hij desnoods het Medusahoofd voor hem zoude halen, en daarna drong hij op de vervulling van die belofte aan. Door de hulp van Hermes en Athena kwam P. bij de Graeae (z.a.), maakte zich, terwijl zij sliepen, van haar oog en tand meester en dwong haar dus hem den weg te wijzen naar de woning der nimfen, die hem de middelen konden verschaffen om zijne onderneming tot een goed einde te brengen. Van de nimfen kreeg hij gevleugelde schoenen, een tasch en den helm van Hades, Athena voegde er een spiegel en Hermes een sikkel bij. Met deze uitrusting kwam hij bij de Gorgonen (z. a.) aan de overzijde van den Oceaan, hij vond ze slapend en sloeg Medusa het hoofd af, terwijl hij, om niet versteend te worden, het gelaat afwendde en haar in den spiegel zag; toen de andere Gorgonen ontwaakten en hem wilden grijpen, maakte hij zich door den helm onzichtbaar. Met het afgehouwen hoofd in zijn tasch, nam hij met zijne gevleugelde schoenen over Afrika den terugtocht aan. Door de versteenende kracht van het Medusahoofd wreekte hij zich op Atlas, bevrijdde hij Andromeda en verdedigde hij zich tegen Phineus en diens aanhangers, eindelijk kwam hij op Seriphus terug, toen Polydectes op het punt stond Danaë tot een huwelijk te dwingen; tot straf veranderde hij ook dezen door het gezicht van het Medusahoofd in steen, waarop hij diens broeder Dictys koning over het eiland maakte. Met Danaë en Andromeda keerde hij nu naar Argos terug, maar nadat hij door een ongelukkig toeval zijn grootvader gedood had, ruilde hij zijn rijk tegen dat van zijn achterneef Megapenthes; zoo werd hij koning van Tiryns, van waar uit hij Midea en Mycenae stichtte. Hij was de stamvader der Persiden, tot welke o. a. ook Heracles behoorde. Tusschen Argos en Mycenae, op Seriphus en te Athene had hij een heiligdom. Met Andromeda werd hij onder de sterren geplaatst.--2) onechte zoon van Philippus III (z. a.), voerde reeds op jeugdigen leeftijd oorlog tegen de Illyriërs, en later, toen zijn vader met de Rom. in bondgenootschap was, tegen de Aetoliërs. In 178 volgde hij zijn vader als koning van Macedonië op. Aanvankelijk regeerde hij wijs en gematigd, met de Rom. sloot hij vriendschap, maar daar hij wel inzag dat een oorlog met hen onvermijdelijk was, rustte hij zich ijverig daarvoor toe, hij vergrootte zijn leger, zorgde voor een ruimen voorraad van levensmiddelen en geld, verbond zich met Illyriërs, Thraciërs e. a., en trachtte zich in Syrië, Boeotië en Aetolië aanhangers te verwerven. In 171 brak de oorlog uit, die aanvankelijk ten gevolge van de onbekwaamheid der rom. veldheeren door P. met geluk gevoerd werd, maar met hoeveel overleg hij ook zijne maatregelen genomen had, op het oogenblik van handelen miste hij de vastberadenheid om zijne met zorg beraamde plannen uit te voeren, van zijne overwinningen wist hij geen gebruik te maken, en door zijne gierigheid vervreemdde hij zijne soldaten en bondgenooten van zich. In 168 kreeg de consul L. Aemilius Paullus het opperbevel over het rom. leger, en nadat deze de krijgstucht door gepaste maatregelen hersteld had, behaalde hij in den slag bij Pydna eene beslissende overwinning. P. vluchtte met zijne schatten naar Samothrace, maar gaf zich terstond over, toen de Rom. hem vervolgden; hij moest den triumftocht des consuls opluisteren, en bracht de weinige overige jaren van zijn leven als gevangene te Alba Fucentia door.

Persicus sinus, ho Persikos kolpos, tegenwoordig nog als de Perzische golf bekend.

Persii. De beroemdste van dit geslacht is de dichter A. Persius Flaccus, te Volaterrae in Etruria in 34 na C. uit den ridderstand geboren, een leerling van den stoicijn Annaeus Cornutus en een vriend van den dichter Lucanus. Hij was ook bevriend met Seneca en Thrasea Paetus. Van zijne gedichten zijn zes satiren tot ons gekomen. Hij had zich Horatius en Lucilius tot voorbeeld gekozen. In 62 stierf hij aan eene maagkwaal.

Persis, Persis, Persike, de bakermat van het groote perzische rijk, ten Z. van Media. De Persae, Persai, waren in drie kasten verdeeld de edelen, de landbouwers, de nomadische herdersstammen. Uit Media kwam de priesterkaste der Magiërs.

Persona, het tooneelmasker. De afmetingen der oude theaters waren van dien aard, dat bij de tooneelspelers van mimiek geen sprake kon zijn; men kon deze toch niet waarnemen. Om deze reden droegen de spelers maskers, die geheel berekend waren op het effekt en waaraan de toeschouwers terstond konden zien, welke soort van rol zij voorstelden, waarmede de haartooi of pruik dan in overeenstemming moest wezen. Zoo waren b.v. de maskers voor goden, heroën, vorsten hoog van maaksel, zoodat zij den speler grooter en verhevener lieten schijnen. Voor het treurspel had men ten minste 25 verschillende typen, 6 voor senes, 7 voor jongelieden, 9 voor vrouwen, 3 voor slaven; voor het blijspel worden 43 typen vermeld. Figuranten, personae mutae, hadden maskers met gesloten mond.

Pertinax (P. Helvius), rom. keizer 193 na C. Hij begon zijne loopbaan als letterkundig leeraar, trad vervolgens in den krijgsdienst, werkte zich omhoog, verkreeg in 176 het consulaat, doch viel later (182) bij Commodus in ongenade en werd verbannen, maar weder teruggeroepen, waarna hij nog in Britannia en Africa diende. Daarop was hij voor de tweede maal consul met Commodus in 192. Toen Commodus den 31 Dec. 192 vermoord werd, werd Pertinax door de soldaten tot keizer uitgeroepen, doch reeds 28 Maart door de praetorianen omgebracht, daar hij de krijgstucht poogde te verscherpen.

Perusia, Perousia, eene der 12 etruscische bondssteden, op een heuvel ten O. van het Trasimeensche meer nabij den Tiber gelegen, o. a. bekend door den oorlog, Bellum Perusinum in 41, toen Fulvia, de vrouw van den drieman M. Antonius, haar zwager L. Antonius tot een oorlog tegen Octavianus wist te bewegen. L. Antonius werd toen te Perusia door Octavianus belegerd. Bij de inneming der stad staken de verbitterde soldaten van Oct. haar in brand; zij werd echter herbouwd; thans Perugia.

Perzische oorlogen (492-449). Verbitterd door den opstand der ionische Grieken onder Aristagoras, verstoord door de hulp, die Athene en Eretria aan de opstandelingen verleend hadden, en bovenal begeerig om na den mislukten tocht tegen de Scythen zijn rijk aan een anderen kant door verovering uit te breiden, besloot Darius I een leger naar Europa te zenden. Zijn schoonzoon Mardonius, die over dit leger het bevel voerde, onderwierp de Macedoniërs en veroverde Thasus, maar keerde daarop naar Azië terug, daar zijn vloot bij den Athos schipbreuk geleden had en zijn leger door de Thraciërs verslagen was. Darius gaf echter zijn voornemen niet op, maar zond twee jaar later een leger van 100000 man onder Datis en Artaphernes over zee naar Griekenland, die op Euboea landden en Eretria innamen, maar in den slag bij Marathon tegen 9000 Atheners, versterkt door 1000 Plataeërs en aangevoerd door Miltiades, de nederlaag leden en terugkeerden (490). Nieuwe toerustingen van Darius werden door zijn dood afgebroken, en zijn opvolger, Xerxes, konde eerst na het onderdrukken van een aegyptischen opstand aan den oorlog tegen Griekenland denken, dien hij aanvankelijk gaarne geheel had opgegeven, maar waartoe hij aangespoord werd door Mardonius, de Pisistratiden en de thessalische Aleuaden. Nadat hij een brug over den Hellespont had laten slaan en de landengte van den Athos had laten doorgraven, trok hij in 480 met een ontzaggelijk leger van 800.000 man voetvolk en 80.000 ruiters en eene vloot van 1200 schepen naar Griekenland. De peloponnesische staten (behalve Argos), Athene en eenige andere besloten zich te verdedigen, Thessalië, Thebae en de eilanden hadden zich reeds vroeger onderworpen. De Thermopylae werden bezet door ruim 6000 man onder Leonidas, de vloot van 271 schepen lag bij Artemisium. Een driedaagsche zeeslag bleef onbeslist, maar na de nederlaag bij de Thermopylae trok de vloot zich terug naar Salamis. Intusschen trok Xerxes door Midden-Griekenland naar Athene, dat door de burgers verlaten was, en toen nu de Peloponnesiërs verder wilden terugtrekken en zich tot de verdediging van de landengte van Corinthe wilden bepalen, bewoog Themistocles, ten einde dit plan te verijdelen, Xerxes door list de grieksche vloot, die nu 366 schepen sterk was, in te sluiten. In den nu noodzakelijk geworden slag behaalden de Grieken eene schitterende overwinning (September 480), Xerxes ging met de overblijfselen van zijne vloot, ongeveer 300 schepen, naar Azië terug, terwijl hij Mardonius met 300.000 man in Thessalië achterliet. Nadat deze daar overwinterd had, rukte hij in het volgende jaar weder Griekenland in, Athene werd weder door de burgers verlaten en door Mardonius ingenomen, waarop hij zich in Boeotië legerde. De Grieken, 110.000 man sterk en aangevoerd door Pausanias, ontmoetten hem bij Plataeae, en behaalden weder eene luisterrijke overwinning (479); Mardonius sneuvelde met het grootste deel van zijn leger, en slechts 40.000 man konden zich in behoorlijke orde terugtrekken. Op denzelfden dag versloeg de grieksche vloot van 120 schepen onder Leotychides en Xanthippus de Perzen bij Mycale, en daarmede was de oorlog naar Azië overgebracht. De Grieken, in het vervolg meestal aangevoerd door Cimon, gingen nu aanvallend te werk, en behaalden o. a. aan den Eurymedon eene groote overwinning te land en ter zee (466). De Perzen werden uit geheel Europa verjaagd, de aziatische Grieken werden van hen onafhankelijk, en sedert 449 vertoonde zich geen perzisch oorlogsschip in de Aegaeïsche zee. Of op deze voorwaarden een formeele vrede gesloten is, is onzeker, z. Cimon.--De in dit artikel genoemde getallen, aangevende de sterkte der perzische legermacht, berusten op opgaven van oude schrijvers en worden door vele nieuweren sterk overdreven geacht. Zie hieromtrent het artikel taxis.

Pes als maat, rom. voet = 0,295 meter.

Pescennius Niger (C.) was in 190 na C. bevelhebber in den dacischen oorlog, werd in 191 door Commodus naar Syrië gezonden en na den dood van Pertinax door zijne troepen tot keizer uitgeroepen (293). Hij was een bekwaam en dapper generaal, doch werd door zijn mededinger Septimius Severus bij Issus verslagen en op de vlucht gedood (194).

Pesseia, een spel, dat veel overeenkomst heeft met ons damspel. Men speelde het met steenen (pessoi) op een bord (pessa), dat in 36 vakken (chorai, poleis) verdeeld was.

Pesssinus, Pessinous, belangrijke stad van Galatia, waar zich een beeld van Cybele bevond, dat uit den hemel was gevallen. Ten gevolge eener uitspraak der sibyllijnsche boeken werd dit beeld in 204 naar Rome overgebracht en daarmede de dienst der Magna Mater aldaar ingevoerd.

Petalismus, petalismos, instelling te Syracuse, gelijk aan het ostracismus te Athene. De stemmen werden op bladeren (petala) van een olijfboom geschreven, vandaar de naam.

Petasmata, gordijnen, die soms gebruikt werden om kamerdeuren te vervangen.

Petasus, petasos, hoed met breeden rand, gewoonlijk bij de chlamys gedragen.

Petelia, Petelia, stad op de Oostkust van het land der Bruttii, even ten N. van Croton, volgens de sage door Philoctetes gesticht, en bekend door de hardnekkige, ofschoon vruchtelooze verdediging tegen Hannibal.

Peteon, Peteon, vlek in Boeotia, in het gebied v. Thebe.

Peteos, Peteos, zoon van Orneus, door Aegeus uit Attica verdreven, stichtte Stiris in Phocis.

Petilia = Petelia.

Petilii = Petillii.

Petillia (lex), plebisciet van 187, gericht tegen de gebroeders Scipio, Asiaticus en Africanus maior, tot instelling van een onderzoek de pecunia capta ablata coacta ab rege Antiocho. Dit is geen wet, maar een eisch, door twee tribuni plebis Q. Petillius Ateius(?) en Q. Petillius Spurinus (Petillii no. 1) in den senaat ingesteld. De eisch werd afgewezen.

Petillii, plebejisch geslacht. 1) Q. Petillius Spurinus liet als praetor urbanus in 181 een aantal voorgewende boeken van Numa Pompilius, die in den grond gevonden waren, verbranden. In 176 sneuvelde hij als consul tegen de Liguriërs. Z. ook Petillia (lex).--2) L. Petillius, zie Perpernae no. 1.--3) Q. Petillius Cerealis, een ervaren generaal, slaagde in 70 na C. er in, den opstand der Batavieren onder Civilis tot een einde te brengen. Vervolgens onderwierp hij als stadhouder van Britannië de Brigantes, die opgestaan waren.

Petra, Petra, 1) bloeiende stad van Arabia Petraea, ten Z. van Palaestina, halverwege tusschen de Doodenzee (Asphaltites lacus) en den Aelaniticus sinus, in eene door steile bergwanden omgeven vlakte gelegen en slechts toegankelijk door bergkloven. Door zijne ligging was Petra het middelpunt van den handel tusschen Aegypte, Syrië en Arabië. Het was met de hoofdstad Bostra de belangrijkste stad van Arabia Petraea.--2) bergvesting in Sogdiana.--3) stad der Maedi in Thracia.--4) plaats bij Dyrrachium in Illyria.--5) stad in het macedonische landschap Pieria.--6) stadje (demus) in Corinthia.--7) vlek in het gebied van Elis.--8) stad op Sicilia, ten N.N.W. van Henna.

Petreii, plebejisch geslacht. M. Petreius, legaat van den consul C. Antonius, versloeg in 63 de benden van Catilina bij Faesulae. Van 54-49 was hij legaat van Pompeius in Hispania, streed in 49 tegen Caesar en moest een verdrag sluiten. Na Pompeius' dood verzamelde hij troepen in Africa, en benam zich na de nederlaag bij Thapsus het leven.

Petrinum, berg en landgoed bij Sinuessa op de grens van Campania in Latium.

Petrocorii, gallisch volk ten N. van de Garumna (Garonne) in het tegenw. Périgord. Hoofdstad Vesunna (Périgueux).

Petronii. 1) C. Petronius, stadhouder van Aegyptus onder Augustus, veroverde Napata, de hoofdstad der aethiopische vorstin Candace, in 23, en noodzaakte haar zelve in 21 zich te onderwerpen. Hij legde in Aegypte verschillende kanalen aan, om de productiviteit van het land te vergrooten, en onderdrukte een opstand te Alexandria.--2) P. Petronius, was onder Tiberius en Caligula eerst stadhouder in Asia, later legaat in Syria en trok zich de belangen der Joden aan. Hij kreeg o. a. bevel, het standbeeld van Gaius (Caligula) in den tempel te Jerusalem te plaatsen, maar verzocht den keizer op zijn besluit terug te komen (39 n. C.).--3) P. Petronius Turpilianus was onder Nero generaal in Britannia (61 na C.). Hij werd door Galba zonder vorm van proces gedood (69).--4) C. Petronius Arbiter, proconsul van Bithynia onder Nero, was een van diens vertrouwelingen, doch in 66 na C. hij den keizer zwart gemaakt en van verraad beticht, opende hij zich op reis eene ader en stierf. Volgens Tacitus schitterde hij aan het hof als volleerd hoveling en ceremoniemeester, arbiter elegantiae. Hieraan heeft P. zeker den bijnaam Arbiter te danken; het beroemde, gedeeltelijk tot ons gekomen en in romantischen vorm geschreven Satyricon van Petronius Arbiter wordt thans algemeen aan hem toegewezen. Het is eene fijn geteekende en uit het leven gegrepen schets van de toenmalige zeden in verschillende standen. Een meesterstuk in dit opzicht is het gastmaal van den rijken parvenu Trimalchio.--4) T. Petronius Secundus, was in 95 na C. stadhouder van Aegyptus. In 96 was hij praefectus praetorio, en nam toen deel aan den moord op Domitianus, maar werd zelf het slachtoffer van de verbittering der praetorianen.--5) M. Petronius Sura Mamertinus, consul 182 n. C., schoonzoon van Marcus Aurelius, door Commodus omgebracht.--6) Petronius Didius Severus, vader van keizer Didius Iulianus.--7) Petronius Maximus, zie Maximus (Petronius).

Peuce, Peuke, eiland, gevormd door de beide zuidelijke Donaumonden en bewoond door de Peucini, een bastarnischen stam.

Peucestes, Peukestes, -tas, veldheer van Alexander d. Gr. Bij de bestorming van de hoofdstad der Malli redde hij den koning het leven, daarvoor werd hij tot satraap over Persis aangesteld. Door het aannemen van perzische taal, kleeding en zeden maakte hij zich bij zijne onderdanen bemind, maar wekte hij de ontevredenheid der Macedoniërs op. Na den dood van Alexander streed hij als bondgenoot van Eumenes tegen Antigonus, na den val van Eumenes gaf hij zich aan Antigonus over, die hem zijne satrapie ontnam.

Peucetia, Peuketia, Z.O. helft van Apulia, bewoond door de Peucetii, Peuketioi.

Peucetius, Peuketios, broeder van Oenotrus, dien hij naar Italië volgde; v. s. is Peucetia naar hem genoemd.

Peucini, Peukenoi, bastarnische volksstam aan de Donaumonden. Zie Peuce.

Pezetairoi, naam van de zware infanterie in de macedonische legers. Zij waren ingedeeld in zes of meer taxeis, die weder verdeeld waren in lochoi.

Phacium, Phakion, stad in Pelasgiotis in Thessalia, ten O. van Crannon.

Phacusa, Phakousa, stad in de Nijldelta aan den Pelusischen arm.

Phaea, Phaia, heette het wilde zwijn van Crommyon, dat door Theseus gedood werd.

Phaeaces, Phaiakes, een mythisch volk, dat vroeger in Hyperea gewoond had, maar daar het veel van de naburige Cyclopen te lijden had gehad, naar Scheria verhuisd was, waar Odysseus op het einde van zijne zwerftochten gastvrij ontvangen werd en van waar hij naar zijn vaderland werd teruggebracht. Zij zijn lievelingen der goden, rijk en vooral ter zee machtig. Scheria wordt door de ouden voor Corcyra gehouden, dat vandaar Phaeacia tellus genoemd wordt.

Phaeax, Phaiax, 1) atheensch veldheer, ging in 422 naar Sicilië, om de volkspartij van Leontini tegen de Syracusanen te ondersteunen, maar keerde terug zonder veel uitgericht te hebben. Als staatsman was hij een tegenstander van Alcibiades, hoewel zij samenwerkten om de verbanning van Hyperbolus te bewerken.--2) bouwmeester te Agrigentum op het einde der 4de eeuw.

Phaeca = Pheca.

Phaedo, Phaidon, van Elis, vriend en leerling van Socrates. Na diens dood leefde hij in zijne vaderstad als leeraar der wijsbegeerte en stichtte hij een eigen school, de elische genoemd, die in richting niet veel van de megarische verschilde. Plato noemde zijn samenspraak over de onsterfelijkheid der ziel naar hem; zijn werken zijn alle verloren gegaan.

Phaedra, Phaidra, dochter van Minos en Pasiphaë, gemalin van Theseus, moeder van Acamas en Demophon. Na den door haar veroorzaakten dood van Hippolytus (z. a.) beroofde zij zich van het leven.

Phaedriades, Phaidriades, twee steile, kale rotsen ten N.O. van Delphi, behoorende tot den Parnassus (z. a.), die een kloof vormen. In de nabijheid vindt men de bron Castalia.

Phaedrus, Phaidros, 1) leerling van Socrates, bevriend met Hippias en met Plato, die een van zijne werken naar hem noemde.--2) hoofd der epicureïsche school te Athene, leermeester van Cicero, eerst te Rome (90), later te Athene (79/78).--3) van Pieria, kwam als slaaf naar Rome, maar werd door Augustus vrijgelaten. Hij schreef eene latijnsche bewerking van de fabels van Aesopus in iambische verzen. Bovendien heeft hij eigen novellen en anekdoten gedicht. Wegens te recht of ten onrechte in zijn werk gevonden politieke toespelingen schijnt hij onder Tiberius vervolgd en gestraft te zijn, maar later weer vrij te zijn gekomen.

Phaënna, Phaenna, eene van de Charites bij de Spartanen.

Phaesana, Phaisana, stad in Z. Arcadia.

Phaestus, Phaistos, 1) stad op de Z. kust van Creta, bij Gortyna. De opgravingen der laatste jaren hebben hier, evenals te Cnosus, belangrijke overblijfselen uit zeer ouden tijd aan het licht gebracht, zie Cnosus en Creta.--2) stad in het N. van Thessaliotis.--3) stad der ozolische Locriërs, met een Apollo-tempel.

Phaëthon, Phaethon, 1) bijnaam van Helius.--2) zoon van Helius en Clymene, ging, om allen twijfel aan zijne goddelijke afkomst weg te nemen, naar het paleis van den zonnegod en vroeg hem om een teeken, waardoor hij door ieder als zijn zoon erkend zou worden. De god zwoer bij den Styx hem iederen wensch te zullen toestaan. Ph. vroeg nu verlof voor een enkelen dag den zonnewagen te mogen besturen, en hoewel zijn vader hem dringend vermaande van dien vermetelen wensch af te zien, moest hij zijn eed gestand doen. Inderdaad was de jongeling niet in staat de vurige paarden in bedwang te houden, de geheele aarde raakte in brand, en om grootere onheilen te voorkomen, zag Zeus zich genoodzaakt hem met den bliksem te dooden, waarop hij uit den wagen in den Eridanus viel.--3) zoon van Eos en Cephalus, door Aphrodite ontvoerd en tot bewaker van haar tempel aangesteld.

Phaëthontiades = Heliades.

Phaëthusa, Phaethousa, dochter van Helius en Neaera, weidde met hare zuster Lampetië de kudden van haar vader.

Phagres, Phagres, oude sterke stad in Macedonia, dicht bij den Strymon en den mons Pangaeus.

Phaininda, een balspel, waarbij men op het oogenblik van werpen aan den bal eene geheel onverwachte richting gaf, de andere spelers liepen dan om het hardst om den bal te halen.

Phalaecus, Phalaikos, zoon van Onomarchus, opvolger van Phayllus als aanvoerder der Phocensers in den heiligen oorlog. Toen Philippus Phocis onderwierp (346), ging Ph. met zijne huurtroepen naar de Peloponnesus en van daar naar Creta, waar hij bij het beleg van Cydonia gedood werd.

Phalanthus, Phalanthos, stichter van Tarentum (z. Partheniae), stierf te Brundisium en werd als halfgod vereerd.

Phalanx, phalanx, het leger in slagorde. De gewone slagorde bij de Grieken was zoo, dat de troepen in even lange gelederen achter elkander stonden. De diepte der phalanx was gewoonlijk 8 man, doch werd naar omstandigheden gewijzigd; de beroemde macedonische phalanx was 16 rijen diep, in den slag bij Leuctra trok Epaminondas zijne troepen op den linkervleugel samen, zoodat deze eene diepte van 50 man kreeg en met onweerstaanbare kracht den rechtervleugel der Spartanen, waar de koning stond, kon doorbreken.

Phalara, ta Phalara, haven van Lamia aan de Malische golf.

Phalarica, een groote brandpijl, met werk, pek, enz. omwonden, die uit een catapulta naar de vijanden geschoten werd. De pijl was voorzien van een drie voet lange ijzeren punt.

Phalaris, Phalaris, van Astypalaea, werd uit zijne vaderstad verbannen en ging naar Agrigentum, waar hij door zijn rijkdom tot hoog aanzien kwam. Onder voorwendsel dat hij een tempel voor Zeus wilde laten bouwen verzamelde hij eene menigte werklieden; daarop gaf hij hun wapenen, en op dit leger steunende wierp hij zich tot tyran op (570). Hij onderwierp verscheiden naburige staten en regeerde hebzuchtig en wreed (z. Perilaus). Na eene regeering van 16 jaar werd hij bij een opstand gedood. De brieven, die zijn naam dragen, zijn onecht, v. s. eerst uit den tijd der Antonijnen.

Phalasarna, ta Phalasarna, havenstad op de W.kust van Creta, met een Artemistempel.

Phalces, Phalkes, zoon van Temenus, maakte zich van de regeering over Sicyon meester. Hij en zijne broeders doodden Temenus, omdat deze de regeering over Argos aan hun zwager Deïphontes overgegeven had.

Phalera (plur.) en phalerae, ta phalara, lederen, met metalen schubben bedekte stormband en wangbedekking aan den helm. Verder bij de Rom. metalen medailles op de borst der soldaten, tot belooning uitgereikt, ook metalen sieraden aan het hoofdstel of borsttuig der paarden.

Phalerum, of -us, Phaleron, -os, de oudste en meest oostelijke der havens van Athene, eigenlijk een open baai, die echter door haar beschutte ligging een veilige ligplaats aanbood voor schepen.

Phalinus, Phalinos, van Zacynthus, kwam als bekwaam krijgskundige in de gunst van Tissaphernes, die hem na den slag bij Cunaxa naar de Grieken zond om met hen te onderhandelen.

Phaloria, Phaloria, vesting geheel in het W. van Hestiaeotis in Thessalia, aan den Peneus.

Phanae, Phanai, Zuidkaap en haven van het eiland Chius, met een Apollotempel.

Phanagoria, Phanagoreia en -ria, grieksche stad op den aziatischen oever van den Bosporus Cimmerius (straat v. Jaffa), later hoofdstad van het bosporaansche rijk.

Phanes, Phanes, bij de Orphici = Eros.

Pha(e)nias, Pha(i)nias, 1) van Eresus, leerling van Aristoteles, vriend van Theophrastus, schrijver van werken over geschiedenis, wijsbegeerte en natuurwetenschappen, waarvan slechts enkele fragmenten bewaard zijn.--2) een van de bevelhebbers der atheensche vloot in den corinthischen oorlog.

Phanocles, Phanokles, grieksch elegieëndichter, die waarschijnlijk in den alexandrijnschen tijd leefde. Van zijn werk, Erotes, zijn slechts kleine fragmenten bewaard gebleven.

Phanodemus, Phanodemos, schrijver eener Atthis, waarvan eenige onbeduidende fragmenten bewaard gebleven zijn. Hij was waarschijnlijk een Athener.

Phanote, vesting in Chaonia in Epirus, ten N. van Phoenice.

Phantasus, Phantasos, zoon van Hypnus, broeder van Morpheus (z. a.).

Phaon, Phaon, z. Sappho.

Pharae, Pharai, 1) eene der bondssteden van Achaia, in het binnenland, ten Z.O. van Olenus, met een oud orakel van Hermes; de inwoners werden Pharaes genoemd.--2) (Pharis), stad in Laconica, waarvan de inw. Pharitai heetten, ten Z. van Sparta.--3) (Pherae), stad in het Oosten van Messenia, dicht bij de Messenische golf, aan de Nedon; inw. Pharaitai.

Pharax, Pharax, Spartaan, die onder Lysander in Azië streed als vlootvoogd (397) en als spartaansch gezant te Athene (369) genoemd wordt.

Pharis, Pharis = Pharae no. 2.

Pharmacusa, Pharmakoussa, 1) eilandje bij Miletus, waar Caesar in handen der zeeroovers viel.--2) Pharmacusae, twee eilandjes bij Salamis.

Pharnabazus, Pharnabazos, satraap van Phrygië aan den Hellespont, ondersteunde sedert 413 de Spartanen krachtig tegen de Atheners, maar sloot in 410 vrede met laatstgenoemden. In den oorlog, dien de Spartanen later tegen Perzië voerden, had vooral zijne satrapie van de aanvallen van Thibron, Dercylidas en Agesilaus te lijden. Daarom zorgde hij voor het uitrusten eener vloot, die hij onder het bevel van Conon stelde, en na den slag bij Cnidus (394) verklaarde hij de grieksche zeestaten onafhankelijk, landde hij in de Peloponnesus en droeg hij bij tot den herbouw der atheensche muren. Hij verliet echter weldra Europa en kort daarna ook zijne satrapie, daar hij aan het hof geroepen werd om met de dochter des konings te trouwen. Van een krijgstocht naar Aegypte, in vereeniging met Iphicrates ondernomen, kwam hij onverrichter zake terug.

Pharnaces, Pharnakes, 1) koning van Pontus (183-157), zoon van Mithradates IV. Hij trachtte zijn gebied uit te breiden ten koste van Pergamus, Bithynia en Cappadocia en vestigde zijne residentie te Sinope. Ten laatste echter moest hij de gemaakte veroveringen weder opgeven. De stad Pharnacia werd door hem gesticht.--2) zoon van Mithradates VI of den Gr. van Pontus. Door de wantrouwendheid zijns vaders van dezen vervreemd, spande hij met de Rom. tegen zijn vader samen. Hiervoor werd hij als onafhankelijk vorst van het door Mithradates veroverde kustland ten O. en N.O. van den Pontus Euxinus erkend, het zoogenaamde Regnum Bosporanum (63). In den strijd evenwel tusschen Pompeius en Caesar zocht hij de bezittingen van zijn vader te heroveren; doch Caesar voorkwam hem door een snellen tocht, versloeg hem bij Zela (48) en joeg hem naar den Cimmerischen Bosporus terug in zoo korten tijd, dat hij aan den rom. senaat den afloop in deze beroemde drie woorden kon berichten: veni, vidi, vici. Pharnaces sneuvelde daarna in den strijd tegen zijne opgestane onderdanen (47).--3) perzisch satraap, omstreeks 430.

Pharnacia, Pharnakeia, stad op de kust van Pontus, door koning Pharnaces (z. a. no. 1) gesticht, eene zeer sterke stad. Zie verder Cerasus. Pharnacia heet tegenwoordig weder Kerasunt.

Pharos, lange mantel van fijn linnen, door mannen en later ook door vrouwen gedragen.

Pharsalus, Pharsalos, stad in het N. van Phthiotis, aan den Apidanus, ten Z. van den Enipeus met een beroemden Thetistempel en eene sterke acropolis. Hier had in 48 de groote en beslissende slag plaats tusschen Caesar en Pompeius.

Pharus, Pharos, 1) eilandje op de aegyptische kust, waar Menelaus bij zijn terugkeer uit Aegypte door tegenwinden werd opgehouden. Alexander verbond het door een dam van zeven stadiën, heptastadium, met de vaste kust en de stad Alexandrië. Op het eene uiteinde van het eiland liet Ptolemaeus II Philadelphus een marmeren vuurtoren bouwen, die onder de zeven wonderen der wereld werd gerekend.--2) eiland op de kust van Dalmatia, thans Lesina. Er lag eene stad op van denzelfden naam, door Aemilius Paullus verwoest.

Pharygae, Pharygai, z. Tarphe en Narycus.

Phaselis, Phaselis, dorische handelsplaats op de kust van Lycia, met drie voortreffelijke havens. Het werd als een van de hoofdplaatsen der zeeroovers in 78 door P. Servilius Vatia (Servilii no. 20) verwoest.

Phaselus, phaselos, een klein, licht en snelloopend vaartuig, v.s. zoo genoemd, omdat zij het eerst te Phaselis gebouwd werden, v. a. omdat zij den vorm van een snijboon (phaselus) hadden.

Phasiani, Phasianoi, volksstam in Colchis aan den Phasis.

Phasis, Phasis, rivier in Colchis, die op het Moschische gebergte ontspringt en in den Oosthoek van den Pontus Euxinus (Zwarte Zee) valt. Het dal van den Phasis is zeer vruchtbaar, doch de kust is moerassig: de huizen waren er op palen gebouwd. De colchische Phasis moet niet verward worden met den armenischen, veel langeren Phasis of Araxes, die zich in de Caspische zee stort. Aan of nabij den mond van den colchischen Phasis lag de stad Phasis, kolonie van Miletus. Naar deze plaats hebben de fazanten hunnen naam aves Phasianae.

Phasis, een soort van graphe, aangewend tegen hen, die de wetten op den handel overtraden, ontrouwe voogden, onrechtmatige bezitters van staatseigendom e. a. De aanklager kreeg bij veroordeeling een deel van dat, wat de veroordeelde betalen of afstaan moest.

Phatniticum, Phatneticum ostium, Phatnitikon stoma, een der Nijlmonden, tusschen den Sebennitischen en den Mendesischen Nijlmond gelegen.

Phayllus, Phayllos, 1) van Croton, beroemd kampvechter, die met een op eigen kosten uitgerust schip aan den slag bij Salamis deelnam.--2) opvolger van zijn broeder Onomarchus als aanvoerder der Phocensers in den heiligen oorlog (352). Daar hij geen geld ontzag, bracht hij een groot leger op de been, ook werd hij door Atheners, Lacedaemoniërs en Achaeërs ondersteund; hij werd echter herhaaldelijk verslagen en stierf reeds in 351.

Phazania, Phazania, z. Garamantes. Tgw. Fezzan.

Phea, Phea, Pheia, landtong met haven en vlek in Elis.

Pheca, Phaeca, kasteel bij Gomphi in Thessalia.

Phegea, Phegeia, z. Psophis.

Phegeis, Alphesiboea of Arsinoë, dochter van Phegeus.

Phegeus, Phegeus, 1) koning van Psophis, werd met zijne zonen door de zonen van Alcmaeon (z. a.) gedood.--2) Trojaan, priester van Hephaestus, door Diomedes gedood.--3) tochtgenoot van Aeneas.

Pheiditia, bij de Spartanen = syssitia.

Phelleus, Phelleus, bergstreek in Attica.

Phellus, Phellos, oude stad in het Zuiden van Lycia, met cyclopische muren.

Pheme, Pheme = Ossa.

Phemius, Phemios, zanger aan het hof van Odysseus. Hij zong ook bij de maaltijden der minnaars van Penelope, maar daar hij hiertoe gedwongen was geworden, spaarde Odysseus zijn leven op voorspraak van Telemachus.--V. s. was Ph. een schoolmeester te Smyrna, die Homerus als zoon aannam, waarom deze zijn naam in de Odyssee vereeuwigde.

Phemonoë, Phemonoe, dochter van Apollo, de eerste Pythia, vandaar soms algemeen = profetes. Men zeide, dat zij den hexameter had uitgevonden.

Pheneüs, Pheneos, oude stad in Arcadia met een gelijknamig meer, door herhaalde overstroomingen gevormd, aan den voet van den berg Cyllene.

Pherae, Pherai, 1) = Pharae no. 3.--2) thessalische stad in het Z.O. van Pelasgiotis, met de havenplaats Pagasae. In den mythischen tijd was zij de zetel van koning Admetus, later van de tyrannen Iason en Alexander.

Phereclus, Phereklos, bekwaam bouwmeester, gunsteling van Athena, bouwde o. a. het schip, waarop Paris Helena ontvoerde.

Pherecrates, Pherekrates, tooneelspeler, later voortreffelijk dichter der oude attische comedie, ouder tijdgenoot van Aristophanes. Van zijne 16 of 18 stukken bestaan nog slechts enkele fragmenten. Het metrum Pherecrateum is naar hem genoemd.

Pherecydes, Pherekydes, 1) van Syrus, een van de oudste grieksche wijsgeeren, de eerste grieksche schrijver van een wijsgeerig werk (Heptamychos, v. a. Pentemychos, peri physeos kai theon) en een van de eerste grieksche prozaschrijvers. Hij wordt een tijdgenoot van Alyattes en een van de leermeesters van Pythagoras genoemd, overigens is weinig van hem bekend.--2) van Lerus, gewoonlijk de Athener genoemd, logograaf in de 5de eeuw, die de mythische geschiedenis van Griekenland, in het bizonder van Attica, in een aantal werken beschreef, waarvan slechts enkele fragmenten bewaard gebleven zijn.

Pherenicus, Pherenikos, thebaansch democraat, wiens vader Cephisodotus vele Atheners, die voor de 30 gevlucht waren, bij zich opgenomen had, werd op zijne beurt te Athene gastvrij opgenomen, toen hij voor de Spartanen uit Thebae wijken moest.

Pheres, Pheres, zoon van Cretheus en Tyro, mythisch stichter van Pherae in Thessalië.

Pheres, Pheres, naam door Homerus aan de Centauren gegeven.

Pheretiades, Pheretiades, Admetus, zoon van Pheres.

Pherinium, kasteel in Thessalia.

Pherne = proix.

Pherrephassa, Pherrephassa = Persephone.

Pherusa, Pherousa, eene Nereïde.

Phidias, Pheidias, Athener, zoon van Charmides, leerling van Hegias en Ageladas, de beroemdste kunstenaar uit den tijd van Pericles, wiens vriend hij was, en die alle groote werken tot verfraaiing van Athene door hem of onder zijne leiding liet uitvoeren. Hijzelf maakte bij voorkeur kolossale godenbeelden van goud en ivoor, waarin hij op de gelukkigste wijze bevalligheid en verhevenheid wist te doen gepaard gaan. Bovenal beroemd zijn zijne Athena Promachus, staande tusschen de Propylaeën en het Parthenon, zoo hoog dat men van Sunium het bovenste gedeelte er van konde zien, zijne Athena Parthenus van ivoor en goud, 26 el hoog, zijn Zeus te Olympia, het beroemdste kunstwerk der oudheid. Dit beeld was 40 voet hoog en zat op een troon van 12 voet. Het lichaam was van ivoor, doch zijn mantel, die van de heupen in sierlijke plooien neerhing, was van goud met ingewerkte bloemen, ook zijne sandalen waren van goud. Om het hoofd had hij een olijfkrans van groene steenen. In de rechterhand hield hij een beeld van de godin der overwinning, eveneens van goud en ivoor gemaakt, in de linkerhand zijn schepter, op welks punt een arend zat. Om den rijk met beeldhouwwerk versierden troon dansten Horen en Chariten. Het geheel maakte een onuitsprekelijken indruk van majesteit en goedheid. In de overblijfsels van het Parthenon zijn enkele door of onder den onmiddellijken invloed van Ph. vervaardigde werken bewaard gebleven.--Ph. stond dikwijls bloot aan de aanvallen van Pericles' vijanden. Met glans verdedigde hij zich tegen de beschuldiging, dat hij van het goud, voor de Athena Parthenus bestemd, zoude gestolen hebben, maar eene later tegen hem ingebrachte aanklacht wegens heiligschennis liep slechter voor hem af. Hij stierf in de gevangenis of te Olympia (432).

Phidippides, Pheidippides, de atheensche renbode, die bij den eersten inval der Perzen in Attica (490) naar Sparta gezonden werd om hulp te vragen, en in 2 dagen den afstand van 1140 stadiën aflegde.

Phidon, Pheidon, koning van Argos in de zevende eeuw, een krachtig en verlicht heerscher, die de heerschappij van Argos over de geheele Peloponnesus uitbreidde. Na zijn dood verloor Argos echter spoedig weder de door hem gevestigde macht. Van meer blijvend gevolg waren zijne maatregelen tot bevordering van het verkeer tusschen de staten onderling, onder welke vooral genoemd worden het slaan van gemunt geld en de invoering van een algemeen geldend stelsel van maten en gewichten.

Phigalia, Phigalia, oude stad in het Z.W. van Arcadia. Zij had haar roem vooral te danken aan den beroemden tempel van Apollo Epicurius, door den vermaarden atheenschen bouwmeester Ictinus, den schepper van het Parthenon, in het tot Phigalia behoorende vlek Bassae gebouwd. Van dezen tempel staan nog 36 zuilen met de architraven; een gedeelte van de fries der cella, den strijd der Centauren met de Lapithen en der Amazonen met de Grieken voorstellende, is in het Britsch Museum te zien; zie blz. 159.

Philadelphia, Philadelpheia, 1) stad in oostelijk Lydia aan den voet van den Tmolus, bij herhaling het tooneel van aardbevingen.--2) stad in Palaestina, in Peraea, de oude hoofdstad van Ammon, Rabbath Ammon, naar Ptolemaeus II Philadelphus verdoopt.--3) stad in het binnenland van W. Cilicia.

Philadelphus, Philadelphos, bijnaam van Ptolemaeus II en Attalus II.

Philae, Philai, eiland in den Nijl aan de Z. grens van Aegypte, met prachtige tempels en de graven van Isis en Osiris.

Philaeni, zie arae Philaenorum.

Philaeus, Philaios, zoon van Aiax no. 2 en Tecmessa, stond de heerschappij over Salamis aan de Atheners af, waarvoor hij atheensch burger werd. Hij was de stamvader der Philaiden, waartoe ook Miltiades behoorde.

Philammon, Philammon, mythisch zanger uit Thracië, zoon van Chrysothemis of van Apollo en Chione, vader van Thamyris en Eumolpus. Hij hielp de Delphiërs in een oorlog tegen de Phlegyers en sneuvelde daarbij.

Phileas, Phileas, van Athene, tijdgenoot van Hecataeus, schrijver van een aardrijkskundig werk, waarvan slechts weinige fragmenten bewaard zijn.

Philemon, Philemon, 1) arm, vroom, oud man in Phrygië, die met zijne vrouw Baucis gastvrijheid bewees aan Zeus en Hermes, toen deze als vermoeide reizigers bij verscheiden rijken en voornamen een schuilplaats gevraagd hadden, maar overal afgewezen waren. Daarvoor werd die geheele streek door het water verzwolgen, alleen de hut van Ph. bleef staan en werd in een prachtigen tempel veranderd, terwijl Zeus beloofde hem een verzoek te zullen inwilligen. Daarop verzocht Ph. met zijne vrouw tot bewaarder van den tempel aangesteld te worden en tegelijk met haar te sterven. Na verloop van jaren werd hij in een eik, zij op hetzelfde oogenblik in een linde veranderd.--2) van Syracusae of Soli, kwam jong naar Athene en trad omstreeks 330 als dichter der nieuwe comedie op. Tegenover de stukken van Menander, die uitmuntten door karakterteekening, behaalden die van Ph., waarin vooral de levendige handeling boeide, dikwijls den prijs. Op uitnoodiging van Ptolemaeus leefde hij eenigen tijd te Alexandrië, daarna keerde hij echter naar Athene terug, waar hij op hoogen leeftijd stierf (262). Van zijne 97 stukken zijn slechts fragmenten bewaard, twee ervan zijn beter bekend door de latijnsche bewerking van Plautus.--3) zoon van den vorigen, dichter der nieuwe comedie, schrijver van 54 stukken.

Philetaerus, Philetairos, 1) dichter van 21 blijspelen, die deels tot het tweede, deels tot het derde tijdperk der attische comedie behooren.--2) van Tium, geb. 343, diende onder Perdiccas, Antigonus en Lysimachus; deze vertrouwde hem de bewaking van den burcht van Pergamus toe, waarvan Ph. zich in 284 meester maakte. Onder de oorlogen der diadochen wist hij zich in zijn nieuw gevestigde regeering te handhaven, en bij zijn dood (263) liet hij het rijk Pergamus aan zijn neef Eumenes I achter.

Philetas, Philetas, van Cos of Rhodus, tijdgenoot van Philippus en Alexander, beroemd grammaticus en dichter, leeraar van Ptolemaeus Philadelphus, Theocritus en Zenodotus. Hij muntte uit in de erotische elegie en wordt door de Rom., vooral door Propertius, dikwijls nagevolgd.

Philinus, Philinos, 1) attisch redenaar, tijdgenoot van Demosthenes.--2) van Agrigentum, beschreef met groote partijdigheid voor de Carthagers de geschiedenis van den 1sten punischen oorlog.--3) van Cos, beroemd geneesheer en schrijver van geneeskundige werken, stichter eener empirische school van geneeskunde omstreeks 240.

Philippi, Philippoi, stad in het macedonische gewest Edonis, aan den berg Pangaeus gelegen, door Philippus gesticht op de puinhoopen van de thasische volkplanting Crenides. Bij Philippi sneuvelden in 42 Brutus en Cassius. De eerste christengemeente in Europa werd te Ph. gesticht.

Philippides, Philippides, beroemd dichter der nieuwe comedie, gunsteling van Lysimachus; van zijne 44 stukken zijn slechts onbeduidende fragmenten bewaard gebleven; nu en dan slaat hij daarin nog den vrijmoedigen toon der oude comedie aan.

Philippopolis, Philippopolis, stad in Thracia aan den Hebrus (Maritza), door Philippus van Macedonia gesticht, op de plek van het vroegere Eumolpias. Onder de Rom. werd het de hoofdstad der provincie Thracia. Thans Philippopoli.

Philippus, familienaam in de gens Marcia (Marcii no. 14-16).

Philippus (M. Iulius), Arabs bijgenaamd, was de zoon van een arabisch Bedoeinenhoofd; door Gordianus III werd hij in 243 na den dood van Timesitheus tot bevelhebber der praetorianen aangesteld. Nadat hij in 244 Gordianus III had laten vermoorden, werd hij door de soldaten tot Augustus uitgeroepen. Hij sloot vrede met de Perzen en vierde in 248 met grooten luister het feest van Rome's 1000-jarig bestaan. In 249 verloor hij bij Verona het leven tegen Decius, die door de pannonische legioenen tot rom. keizer was uitgeroepen.

Philippus, Philippos, 1) zoon van Argaeus, koning van Macedonië 621-588, sneuvelde in een oorlog tegen de Illyriërs.--2) zoon van Amyntas II en Eurydice, geb. 382. Als jongeling werd hij door Pelopidas, toen deze de macedonische aangelegenheden geregeld had, als gijzelaar naar Thebe medegenomen, waar hij drie jaar ten huize van Epaminondas of van Pammenes doorbracht. Na den dood van zijn ouderen broeder Perdiccas III nam hij in naam van diens minderjarigen zoon de regeering in handen; wel werden de aanspraken van andere pretendenten door de Thraciërs en Atheners ondersteund, maar door toegeven en beloften wist Ph. deze volken te winnen, zoodat zijne tegenstanders zich genoodzaakt zagen hem in het onbetwist bezit der regeering te laten. Nadat hij door gelukkige oorlogen tegen Illyriërs en Paeoniërs het rijk had uitgebreid, werd hij door de edelen tot koning uitgeroepen. Van toen af werkte hij met standvastigheid en beleid tot het bereiken van zijn doel: de grieksche staten onder macedonische hegemonie tot de verovering van het perzische rijk te vereenigen. Voorloopig wijdde hij zich aan het ordenen der binnenlandsche aangelegenheden, hij voerde eene nieuwe slagorde, de zoogenaamde macedonische phalanx, in, gewende zijne troepen aan strenge krijgstucht, en versterkte de inkomsten van het rijk door de ontginning der goudmijnen van den Pangaeus, die door een oorlog met de Thraciërs in zijn bezit waren gekomen. Inmiddels hield hij voortdurend het oog op Griekenland gevestigd, wel inziende dat de verdeeldheid der uitgeputte staten hem spoedig genoeg de gelegenheid zoude aanbieden om handelend op te treden. Zijne handelwijze was ook ten volle voor de bestaande toestanden berekend; hoewel een bekwaam krijgskundige, deed hij meer door geld en beloften, door omkooperij en bedrog, dan door de wapenen. Athene liet hem Amphipolis, Potidaea, en Methone nemen; door de Aleuaden te hulp geroepen tegen de tyrannen van Pherae, drong hij in Thessalië; ook vond hij gelegenheid zich in den heiligen oorlog (z. Phocis) te mengen en zelfs scheen het dat hij na eene overwinning op Onomarchus (352) een inval in Phocis wilde doen, maar hierin verhinderd door de Atheners, die een leger en eene vloot naar de Thermopylae zonden, keerde hij naar zijn land terug en wendde hij zich weder tegen Thracië, waar hij aan de atheensche belangen veel afbreuk deed. Ondertusschen trachtte hij in de Peloponnesus, op Euboea en elders partijen voor zich te vormen, eindelijk viel hij Olynthus aan, dat, door de Atheners te laat en onvoldoende ondersteund, door verraad in zijne handen viel (348). Met de Atheners sloot hij nu vrede, maar, hetzij hij hen door bedriegelijke beloften en het omkoopen van sommige hunner gezanten (Aeschines, Philocrates) wist te misleiden, hetzij de Atheners voor het oogenblik niet in staat waren het te beletten, de loop der gebeurtenissen was deze, dat hij nog gedurende de onderhandelingen nieuwe veroveringen in Thracië maakte, ongehinderd door de Thermopylae kwam, geheel Phocis onderwierp en ontwapende, de oppermacht van Thebe in Boeotië bevestigde, en zich in plaats der Phocensers in het Amphictyonen-verbond liet opnemen (346). Hiermede voorloopig tevreden, richtte Ph. zich weder tegen de barbaarsche naburen van zijn rijk, maar sedert 342 hervatte hij zijne vijandige handelingen tegen Athene, hij veroorzaakte onlusten op Euboea, viel de steden op de Chersonesus aan en bedreigde Perinthus en Byzantium. Phocion en Diopithes beletten hem wel eenig belangrijk voordeel te behalen, maar voordat de oorlog, dien de Atheners eindelijk verklaarden, beslist was, werd door de Amphictyonen besloten tot bestraffing der Locriërs van Amphissa (z. a.), en de uitvoering van dit besluit aan Ph. opgedragen. Hij kwam met een groot leger naar Griekenland, maakte spoedig een einde aan de op zichzelf onbeduidende zaak, die waarschijnlijk alleen in zijn belang op touw gezet was, maar bezette tevens Elatea in Phocis, van waar hij Thebe en Athene bedreigde (herfst van 339). Door toedoen van Demosthenes sloten nu deze beide staten een verbond, maar na eenige onbeduidende voordeelen leden hunne troepen bij Chaeronea een volkomen nederlaag (Aug. 338). Ph. behandelde de overwonnenen gematigd, en riep te Corinthe eene vergadering van afgevaardigden uit alle grieksche staten bijeen, waar tot den oorlog tegen Perzië onder het opperbevel van Ph. besloten werd. Maar terwijl hij zich met de voorbereiding van dien oorlog bezig hield, werd hij op de bruiloft zijner dochter Cleopatra, misschien met medeweten van zijne gemalin Olympias en hare aanhangers, door Pausanias, een van zijne lijfwachten, vermoord (336). Hij werd door zijn zoon Alexander opgevolgd.--3) z. Arrhidaeus.--4) zoon van Cassander, regeerde na den dood van zijn vader korten tijd over Macedonië.--5) Ph. III (of V), zoon van Demetrius II, opvolger van Antigonus Doson (221). Hij besteeg den troon op zeventienjarigen leeftijd en regeerde aanvankelijk met bekwaamheid en rechtvaardigheid; hij voerde niet zonder geluk een oorlog tegen het aetolisch verbond, die in 217 tot een einde gebracht werd wegens het gevaar van de inmenging der Romeinen in de zaken van Griekenland. Toen werd op een vergadering te Naupactus besloten tot eene vereeniging van alle gr. staten onder leiding van Ph. Doch door zijn gewelddadig optreden, door daden van roekelooze dwingelandij, zooals het vermoorden van Aratus (213), had hij zich, reeds voor het tot een botsing met de Rom. kwam, zoovele vijanden gemaakt, dat hij in die vereeniging slechts weinig steun vond. In den tweeden punischen oorlog sloot hij een verbond met Hannibal, doch in plaats van dezen krachtig te ondersteunen tergde hij slechts de Romeinen door aanvallen op hunne bondgenooten, Pergamus, Rhodus, Aetolië e. a. De Romeinen brachten eene vereeniging van Ph.'s vijanden tot stand en wikkelden hem in een oorlog, die echter spoedig, nadat de Macedoniërs eenige onbeduidende voordeelen behaald hadden, eindigde (205). Maar Ph. ging voort de Rom. op de oude wijze te verbitteren, hij vereenigde zich met Antiochus, begon een oorlog tegen Aegypte, enz.; zoodra dus de vrede met Carthago hun de handen vrij liet, verklaarden zij hem den oorlog, dien Ph., in het begin door het achaeisch verbond e. a. grieksche staten gesteund, niet zonder talent en geluk voerde. Toen echter de veldheer T. Quinctius Flamininus den Grieken vrijheid en onafhankelijkheid beloofd had, verlieten zij de zijde van Ph., en kort daarna verloor hij den beslissenden slag bij Cynoscephalae (197). Hij moest zijne bezettingen uit de grieksche steden terugtrekken, leger en vloot verminderen, 1000 talenten betalen, enz. Sedert dien tijd was hij als het ware de speelbal der Rom., die hem nu eens eenige meerdere vrijheid in zijne bewegingen lieten, dan weer hem voor zijne daden ter verantwoording riepen en op alle wijzen krenkten. Hij was te zeer ontmoedigd om zich door Hannibal of Antiochus tot een nieuw bondgenootschap tegen de Rom. te laten overhalen, hij streed zelfs als hun bondgenoot tegen de Aetoliërs, maar zijn steeds toenemende haat tegen hen wendde zich tegen zijn eigen onderdanen, en eindelijk liet hij zelfs zijn zoon Demetrius als romeinsch gezind ombrengen, die als gijzelaar te Rome geleefd had en het vertrouwen van het volk en den senaat genoot. Maar weldra bemerkte hij dat zijn onechte zoon Perseus, die hem tot die daad had aangespoord, slechts ten doel had gehad zichzelven door den dood van Demetrius den weg tot den troon te banen, en van verdriet over het gebeurde stierf hij (178).--6) Pseudo-Ph. z. Andriscus.--7) van Opus, leerling van Plato, bezorgde na diens dood de uitgave van een of twee zijner werken.--8) zoon van Herodes den Groote z. a.

Philiscus, Philiskos, 1) van Abydus, werd door den satraap Ariobarzanes naar Griekenland gezonden (368) om een vrede tusschen de oorlogvoerende staten tot stand te brengen; daar zijne pogingen zonder gevolg bleven, ondersteunde hij Lacedaemoniërs en Atheners met huurtroepen tegen de Thebanen. Beide staten gaven hem het burgerrecht. Later werd hij stadhouder aan den Hellespont, waar hij wegens misbruik van macht vermoord werd.--2) van Miletus, leerling van Isocrates, schrijver van redevoeringen e. a. werken. Hij was de leermeester van Timaeus en Neanthes.--3) van Aegina, leerling van Diogenes, v.s. leermeester van Alexander d. G.--4) van Corcyra, treurspeldichter, door de Alexandrijnen in de tragische pleias opgenomen. Hij leefde onder Ptolemaeus II.

Philistaei, Philistaioi, de Philistijnen, z. Palaestina.

Philistides, Philistides, wierp zich met hulp der Macedoniërs tot tyran van Oreüs op (342). Hij trachtte met Athene vriendschapsbetrekkingen aan te knoopen, maar zijne gezanten werden afgewezen en door een atheensch leger onder Phocion werd Oreüs bevrijd en Philistides gedood.

Philistion, Philistion, 1)grieksche mimograaf uit Bithynië, onder Augustus.--2) geleerd arts en geneeskundig schrijver, dikwijls door Galenus aangehaald.

Philistus, Philistos, rijk Syracusaan, bloedverwant van den ouden Dionysius, wien hij bij het verkrijgen der regeering en later ter zijde stond, totdat hij in 386 het wantrouwen van den tyran opwekte en verbannen werd. Door den jongen Dionysius teruggeroepen (366), kreeg hij weder veel invloed, en de verbanning van Dio wordt hem toegeschreven. Toen deze terugkwam, werd Ph., die het bevel over de vloot voerde, na een ongelukkig gevecht gevangen genomen en door het volk gedood (356). Gedurende zijne verbanning schreef hij in Adria, aan den mond van de Po, eene geschiedenis van Sicilië (Sikelika), waarop hij later nog een vervolg gaf. In het beschrijven der gebeurtenissen van zijn tijd toont hij groote partijdigheid voor Dionysius; wegens zijne duidelijk merkbare nabootsing van Thucydides wordt hij een Thucydides in 't klein (pusillus Th.) genoemd. Van dit zoo belangrijke werk zijn slechts enkele fragmenten over.

Philo, familienaam in de gens Publilia en de gens Veturia (Veturii no. 7 en 8).

Philo, Philon, 1) Athener, die door de 30 verdreven werd en zich te Oropus vestigde. Later kwam hij naar Athene terug, waar hij tot lid van den raad verkozen werd.--2) van Amphipolis, door Philippus van Macedonië verbannen (358).--3) zwager van Aeschines, in 347 lid van het gezantschap, dat met Philippus ging vrede sluiten.--4) bekwaam architect, die het groote arsenaal in den Piraeus bouwde (omstreeks 300) en over onderwerpen, zijn vak betreffend, schreef.--5) van Byzantium, leerling van Ctesibius, schrijver van een werk over werktuigkunde, voornamelijk over de toepassingen daarvan op het krijgswezen, waarvan een gedeelte bewaard gebleven is.--6) van Larisa in Thessalië, leerling van Clitomachus en zijn opvolger als hoofd der academie, soms stichter der vierde academie genoemd. Gedurende den oorlog met Mithradates vluchtte hij naar Rome, waar hij zich vele vrienden verwierf; Cicero ging veel met hem om.--7) geleerde Jood van Alexandrië, geb. omstreeks 25. In zijn talrijke, deels geschiedkundige, maar meest wijsgeerige, geschriften streeft hij naar een vereeniging van joodsche godsdienstleer en grieksche wijsbegeerte; door allegorische verklaring van het O.T. vindt hij daarin de verschillende stelsels der grieksche scholen, vooral de academische en stoicijnsche, terug. Reeds bejaard kwam hij naar Rome (40 n. C.), om zich bij Caligula over onderdrukking zijner geloofsgenooten te beklagen. Verslag van die Jodenvervolgingen en van zijn gezantschapsreis heeft hij gegeven in zijne geschriften: eis Phlakkon en Presbeia pros Gaion.--8) Herennius Ph., van Byblus, beroemd grammaticus, schrijver van verscheiden werken, waaronder een over het aanleggen van bibliotheken. Hij leefde in de tweede eeuw n. C. Zie Sanchoniathon. Zie ook Ammonius no. 3.

Philochorus, Philochoros, Athener, die in zijne talrijke werken, waarvan vele fragmenten bewaard zijn, de geschiedenis en oudheden van Attica met grondige geleerdheid en scherpzinnigheid behandelde. Door latere schrijvers wordt hij dikwijls aangehaald en hoog geprezen. Als tegenstander der Macedoniërs werd hij op last van Antigonus Gonatas gedood (261).

Philocles, Philokles, 1) atheensch treurspeldichter, wordt bespot als een onhandig navolger van Aeschylus, zijn oom. Toch behaalde hij eens den prijs tegen Sophocles. Hij zou 100 stukken geschreven hebben.--2) atheensch admiraal, een van hen, door wier onbekwaamheid de atheensche vloot bij Aegospotami genomen werd. Hij zelf werd gevangen genomen en door Lysander ter dood gebracht.

Philocrates, Philokrates, 1) atheensch veldheer, veroverde in den peloponnesischen oorlog het eiland Melus (416).--2) Athener, aan Euagoras van Cyprus te hulp gezonden met eene vloot, die door de Lacedaemoniërs genomen werd (390).--3) Athener, een van de onbeschaamdste handlangers van Philippus van Macedonië; de voor Philippus voordeelige vrede van 346 was door hem voorgesteld en wordt dikwijls naar hem genoemd. Later door Hyperides aangeklaagd, nam hij de vlucht (343).

Philoctetes, Philoktetes, zoon van Poeas en Demonassa, koning van Meliboea, vriend van Heracles, die hem op den brandstapel, welken niemand dan Ph. had willen aansteken, zijn boog en pijlen te geschenke gaf. Hij trok met zeven schepen mede naar Troje, maar toen de Grieken op het eiland Chryse geland waren om aan Athena te offeren, werd hij door een slang gebeten, en sedert was hij door zijne klachten en door de ondragelijke lucht van de wond zoo hinderlijk, dat men hem op raad van Odysseus op Lemnus aan wal zette en achterliet. Daar leefde hij eenzaam en met ondragelijke pijnen tot het tiende jaar van den oorlog, toen een orakel verklaarde dat Troje alleen door de pijlen van Heracles kon genomen worden. Odysseus en Neoptolemus werden gezonden om hem te halen, en hoewel Ph. eerst niet naar hen wilde luisteren, volgde hij hen eindelijk op bevel van Heracles zelf. Zijn wond werd door Asclepius of Machaon genezen, met een zijner pijlen doodde hij Paris en spoedig moest Troje vallen. V. s. verdwaalde hij op de terugreis naar Italië, waar hij Petelia stichtte.

Philocyprus, Philokypros, koning van Soli op Cyprus, die door Solon bezocht en in zijne gedichten geprezen werd.

Philodemus, Philodemos, van Gadara, epigrammendichter en geleerd epicureïsch wijsgeer, tijdgenoot van Cicero. Behalve een dertigtal epigrammen zijn ook van zijne wijsgeerige werken aanzienlijke fragmenten bewaard, die te Herculaneum gevonden zijn.

Philoetius, Philoitios, de herder der runderen van Odysseus, die hem behulpzaam was bij het dooden der minnaars van Penelope.

Philolaus, Philolaos, 1) van Corinthe, wetgever der Thebanen.--2) van Croton of Tarentum, tijdgenoot van Socrates, pythagoreïsch wijsgeer, de eerste die de leer van Pythagoras te boek stelde; slechts weinige fragmenten zijn bewaard gebleven. V. s. was hij de eerste, die leerde dat de aarde zich om hare as beweegt.

Philomela, Philomele, z. Procne.

Philomelus, Philomelos, van Ledon, spoorde de Phocensers tot tegenweer aan, toen zij door de Amphictyonen in den ban gedaan waren, en werd hun veldheer in den daarop gevolgden heiligen oorlog. Daar hij noch bij Sparta, noch bij Athene de verwachte hulp vond, moest hij zijn kracht in huurtroepen zoeken, en om deze te kunnen betalen, plunderde hij den tempel te Delphi (356). Na eenige kleine overwinningen op de Thebanen en Locriërs leed hij eene groote nederlaag, waarop hij zich in een afgrond stortte (354).

Philometor, Philometor, bijnaam van Ptolemaeus VI.

Philonides, Philonides, atheensch blijspeldichter, onder wiens naam het eerste stuk van Aristophanes werd opgevoerd, daar deze zich te jong achtte om voor het publiek op te treden. Ook als tooneelspeler trad hij in de stukken van Aristophanes op.

Philonoë, Philonoe, 1) dochter van Tyndareos en Leda, door de gunst van Artemis onsterfelijk gemaakt.--2) dochter van Iobates, gemalin van Bellerophon.

Philopappus (Antiochus), Philopappos, afstammeling der koningen van Commagene, liet ten tijde van Traianus een marmeren gedenkteeken te Athene oprichten, waarvan nog overblijfsels bestaan.

Philopator, Philopator, bijnaam van Ptolemaeus IV.

Philopoemen, Philopoimen, van Megalopolis, geb. 253, om zijn heldenmoed en liefde voor de vrijheid "de laatste der Grieken" genoemd, onderscheidde zich reeds als soldaat, toen zijne vaderstad door Cleomenes III belegerd werd (223), en later in den slag bij Sellasia. Na een verblijf van eenige jaren op Creta, waar hij in een burgeroorlog medestreed, keerde hij naar zijn vaderland terug, en in 208 werd hij tot strateeg van het achaeïsch verbond gekozen, welke betrekking hij later nog zevenmaal bekleedde. Als zoodanig voerde hij gepaste hervormingen in het krijgswezen in en wist hij den Achaeërs een nog ongeëvenaarde geestdrift voor hunne zaak in te boezemen, hij behaalde eene groote overwinning op Machanidas bij Mantinea (207); Argos, dat het verbond had verlaten, omdat dit zich met de Romeinen had vereenigd, werd genoodzaakt weder toe te treden. Ofschoon hij in een zeeslag overwonnen werd, versloeg hij de Lacedaemoniërs later weder te land, en na den dood van Nabis dwong hij Sparta tot het verbond toe te treden (192). Maar toen deze stad na eene poging tot afval door hem ingenomen en van hare muren ontdaan was, wendden de Spartanen zich tot de Rom. om hulp. Door hun steun wist nu eene oligarchische partij onder Dinocrates ook den afval van Messenië te bewerken, en toen Ph., hoewel hij ziek was, kwam toesnellen, joeg hij wel in het eerst Dinocrates op de vlucht, maar nadat zijn paard gevallen was en hij daardoor zich ernstig bezeerd had, werd hij gevangen genomen en reeds den volgenden nacht gedwongen den giftbeker te drinken (183).

Philostratus, Philostratos, 1) atheensch sophist in de 2de eeuw na C., schreef o. a. 43 treurspelen en 14 blijspelen. Van al zijne werken is niets bewaard. Tegenwoordig wordt echter de kleine dialoog Neron, die onder de werken van Lucianus is opgenomen, aan hem toegeschreven.--2) Flavius Ph., zoon van den vorigen, leefde eerst te Athene, later te Rome in de omgeving van Julia Domna en Caracalla. Van zijne talrijke werken zijn o. a. bewaard eene romantische levensbeschrijving van Apollonius van Tyana, levensbeschrijvingen van grieksche rhetoren in den rom. keizertijd en andere van minder belang.--3) de jonge Ph., schoonzoon van den vorigen, leefde te Athene, bezocht Rome en stierf op Lemnus. Van zijne werken bezitten wij nog eene rhetorische beschrijving van eene verzameling schilderijen.--4) kleinzoon van no. 3, schrijver van eene niet zeer gelukkige navolging van laatstgenoemd werk.

Philotas, Philotas, 1) zoon van Parmenio, officier en vriend van Alexander d. Gr., bij wien hij zich echter later door zijne vrijmoedigheid gehaat maakte. Daar hij geene aangifte gedaan had van eene samenzwering tegen het leven van Alex., die hem ter oore gekomen was, werd hij als medeplichtige daaraan beschouwd, ter dood veroordeeld en gesteenigd (330).--2) bevelhebber der macedonische bezetting in Thebe onder Alexander d. Gr.; na diens dood werd hem Cilicië als satrapie gegeven, doch in de daarop volgende oorlogen geraakte hij in gevangenschap.

Philoxenus, Philoxenos, 1) van Cythera, beroemd dithyrambendichter, vroeger slaaf, later leerling van den jongen Melanippides. Hij reisde door Griekenland, Italië, Sicilië en Klein-Azië en stierf te Ephesus (380). Wegens zijne vrijmoedige afkeuring van de gedichten van Dionysius I had hij te Syracuse eenigen tijd in de gevangenis doorgebracht.--2) onder Alexander d. G. schatmeester voor de westelijke provinciën, later opvolger van Philotas no. 2 als satraap van Cilicië.--3) van Eretria, beroemd schilder omstreeks het einde der 4de eeuw. Vooral bekend was zijne schilderij van den slag bij Issus. Een copie hiervan is waarschijnlijk het beroemde mozaiek uit Pompei.--4) geleerd grammaticus van Alexandrië, leefde in de 1ste eeuw te Rome. Hij was een tijdgenoot van Varro, die veel aan hem te danken had.

Philus, familienaam in de gens Furia (Furii no. 1 en 2).

Philyra, Philyra, Oceanide, bij Cronus moeder van Chiron; uit smart over de gedaante van haar zoon veranderde zij in een lindeboom.

Philyrides, Philyrides, Chiron, zoon van Philyra.

Phineus, Phineus, 1) broeder van Cepheus, door Perseus met het Medusahoofd versteend, omdat hij van zijne verloofde Andromeda geen afstand wilde doen.--2) zoon van Agenor, koning van Salmydessus, had bij Cleopatra twee zonen, wien hij op aandrijven zijner tweede gemalin, Idaea, de oogen liet uitsteken. Daarvoor werd hij door de Harpyieën gekweld, die zijne spijzen wegroofden of bezoedelden, totdat de Argonauten bij Ph. landden en de Harpyieën door Zetes en Calaïs verjaagd werden.--Ph. had van Apollo de kunst van voorspellen geleerd, maar had daarvan roekeloos gebruik gemaakt, waarom hij door Zeus van het gezicht beroofd werd.

Phintias, Phintias, 1) zie Damon.--2) tyran van Agrigentum.

Phintias, Phintias, stad aan de Zuidkust van Sicilia, door Phintias, tyran van Agrigentum, gesticht.

Phla, Phla, eilandje in het Tritonische meer in Africa, ten W. der groote Syrte.

Phlegethon, Phlegethon = Pyriphlegeton.

Phlegon, Phlegon, van Tralles, vrijgelatene van Hadrianus, schrijver van eenige onbeduidende werken over geschiedenis. Het eenige, dat bewaard is, heeft slechts zekere belangrijkheid door de daarin bevatte aanhalingen van oudere schrijvers.

Phlegra, Phlegra, oude naam van het schiereiland Pallene op Chalcidice, waar Zeus de Giganten door zijn bliksems vernietigde.

Phlegraei campi, zie campi Phlegraei.

Phlegyae, Phlegyai, een rooversstam, die den delphischen tempel wilde plunderen, en door Zeus met donder en bliksem vernietigd werd.

Phlegyas, Phlegyas, zoon van Ares en Chryse, mythisch stamvader der Phlegyers. Toen zijne dochter Coronis bij Apollo moeder geworden was van Asclepius, stak hij in toorn den tempel van Apollo in brand. Daarvoor doodde de god hem met zijn pijlen en moet Ph. in de onderwereld onder een rotsblok zitten, dat steeds dreigt op hem te vallen.

Phliasia, Phliasia, gebied van Phlius.

Phlius, gen. -untis, Phlious, stad in de Peloponnesus, ten Z. van Sicyon. Het had slechts een klein gebied.

Phlyax, Phlyakes. Bij de dorische comoedia, vooral op Sicilia, is niet, zooals in Attica, de satire, maar het humoristische element de hoofdzaak (z. Epicharmus); de eenvoudigste vorm hiervan is de phlyax, terwijl de spelers ook phlyakes heeten. In deze stukjes worden in plaatselijk dialekt sprookjes en mythen geparodieerd (z. Sopater no. 1). Men vindt ze in later tijd vooral in Zuid-Italië. Waarschijnlijk staan de Atellanae fabulae (z. a.) onder hun invloed. Vgl. ook Mimus en Rhinton.

Phobetor, Phobetor, zoon van Hypnus, broeder van Morpheus (z. a.).

Phocaea, Phokaia, noordelijkste der aziatisch-ionische steden, eene belangrijke handelsstad met twee havens, gedekt door het eilandje Bacchium, dat rijk was aan tempels en prachtige gebouwen. De inwoners (Phocaei, Phokaes, terwijl de bewoners van Phocis Phocenses, Phokes, genoemd worden) waren onder de eersten, die koloniën stichtten, o.a. Massilia (Marseille). Toen Cyrus' veldheer Harpagus de grieksche steden op de aziatische kust veroverde, weken de Phocaeërs uit naar Alalia op Corsica (zie Aleria); een gedeelte stichtte toen Elea of Velia op de W.kust van Lucania. Later keerde echter het meerendeel uit Corsica naar Phocaea terug. In den syrischen oorlog werd Ph. door de Rom. geplunderd (190).

Phoceae, Phokeai, sterkte in het gebied der sicilische stad Leontini.

Phocion, Phokion, Athener van geringe afkomst, leerling van Plato. Wegens zijne dapperheid en bekwaamheid herhaaldelijk tot strateeg gekozen, won hij den slag bij Tamynae (349/8), verjoeg hij de tyrannen Philistides en Clitarchus, nam hij Oreüs en Eretria in (341), en verdedigde hij Byzantium tegen Philippus en Megara tegen de Thebanen. Maar terwijl hij dus in het veld voor de belangen van Athene tegen Macedonië streed, was hij bij zichzelf overtuigd, dat het volk van zijn tijd voor de vrijheid ongeschikt was, en dat op den duur tegenstand tegen Philippus vruchteloos moest zijn. Daarom was hij, in tegenstelling met Demosthenes, altijd voor vrede, ried hij na den slag bij Chaeronea tot het aannemen der voorwaarden van Philippus, en trachtte hij na diens dood de democratische bewegingen te Athene tegen te houden. Zijne eerlijkheid bleef ondertusschen boven allen twijfel verheven; wat Philippus en na hem Alexander hem ook mochten aanbieden, Ph. nam nooit geschenken of gunsten van hen aan, wel bewerkte hij, dat Alexander de redenaars vrijliet, wier uitlevering hij geëischt had, ofschoon hijzelf voor de inwilliging van dien eisch gestemd had. Het uitbreken van den lamischen oorlog zocht hij met alle kracht te beletten, en ook het aanvankelijk gunstig verloop er van stelde hem niet gerust; toen de oorlog ongelukkig voor de Grieken was afgeloopen, ging hij met Demades naar Antipater om over den vrede te onderhandelen. In weerwil van de harde voorwaarden van den vrede, stond Ph. nu eenige jaren aan het hoofd van den staat, maar toen Antipater gestorven was, Polyperchon het herstel der oude toestanden beloofde, en Ph. zich hiertegen trachtte te verzetten, werd het volk ontevreden, vooral toen hij, hoewel gewaarschuwd, niet belette dat de bevelhebber der troepen van Antipater den Piraeus innam. Bij de nadering van Alexander, den zoon van Polyperchon, werd Ph. gevangen genomen, van verraad aangeklaagd en door de geheele volksvergadering ter dood veroordeeld (318). Hij was 81 jaar oud geworden. Kort daarna werd voor hem een standbeeld opgericht.

Phocis, Phokis, bergachtig en niet vruchtbaar landschap van Midden-Griekenland. In de geschiedenis is het het meest bekend door de zoogenaamde heilige oorlogen. Over den eersten z. Crissa. Crisa werd verwoest en zijn gebied aan den delphischen god gewijd (± 590). De tweede oorlog had in 355 plaats, toen de Phocensers een stuk der crisaeïsche vlakte hadden bebouwd. Tot een boete veroordeeld die zij niet konden betalen, maakten zij zich van de delphische tempelschatten meester en wierven huurtroepen, die spoedig hun zelven te machtig werden. Philippus van Macedonia, door de Thebanen te hulp geroepen, drong in 346 Phocis binnen, het huurleger sloot een verdrag en liet de Phocensers aan hun lot over, die het nu ontgelden moesten. Zij werden uit het Amphictyonenverbond gestooten en hun plaats daarin werd aan Philippus gegeven. Zie verder ook Amphissa. De Parnassus met den delphischen tempel lag wel in Phocis, doch Delphi behoorde er niet toe, maar was een gemeenschappelijk gebied der Amphictyonen. In de stad Daulis behoort de mythe te huis van het zusterpaar Philomela en Procne. De bewoners van Phocis worden Phocenses, Phokes, genoemd (zie Phocaea).

Phocus, Phokos, 1) zoon van Poseidon, verhuisde van Corinthe naar het land, dat naar hem Phocis genoemd wordt.--2) zoon van Aeacus en Psamathe, werd door Telamon en Peleus gedood.

Phocylides, Phokylides, van Miletus, gnomisch dichter uit de 6e eeuw; de korte fragmenten (gnomen), die van zijne werken bewaard zijn, zijn ernstig en eenvoudig; een langer gedicht, dat zijn naam draagt, is van veel lateren tijd.

Phoebe, Phoibe, 1) bijnaam van Artemis.--2) dochter van Uranus en Gaea, bij Coeüs moeder van Asteria en Leto, vóór Apollo bezitster van het orakel van Delphi.--3) eene van de Leucippides.--4) dochter van Leda.

Phoebeum, Phoibeion, vlek bij Sparta, met een tempel der Dioscuren.

Phoebidas, Phoibidas, spartaansch veldheer, liet zich, toen hij met troepen op weg was naar Olynthus, door de oligarchische partij te Thebe overhalen om de Cadmea te bezetten (382). Hij werd wel teruggeroepen en beboet, omdat hij zonder voorkennis der regeering gehandeld had, doch later werd hij als harmost naar Thespiae gezonden, in welke betrekking hij bij een aanval der Thebanen sneuvelde (378).

Phoebus, Phoibos, bijn. van Apollo en Helius.

Phoenice, Phoinike, handelsstad in Chaonia in Epirus, ten N. van Buthrotum, hoofdstad van den epirotischen bond, zie Epirus.

Phoenice of -cia, Phoinike, het smalle kustland ten N. van Palaestina, tusschen de Middellandsche zee en den Libanon, een land, bloeiende door zeevaart, handel en nijverheid, waaronder de glasfabricatie, de purperververijen, weverijen en metaalfabrieken de hoofdtakken waren. In dien bloeitijd waren de bosschen van den Libanon nog niet geveld en ondervond het land, wat klimaat en bodem betrof, nog den weldadigen invloed daarvan. Het land vormde niet één staat, maar een bond van steden, waaronder Tyrus en Sidon de meest beroemde waren. De Phoeniciërs (Phoenices, Phoinikes) strekten hunne tochten uit tot ver langs de kusten van den Atlantischen oceaan, doch de kennis, op die tochten opgedaan, behoorde tot de staatsgeheimen en ging met hen verloren.

Phoenicus, gen. -untis, Phoinikous, naam van verschillende steden, o. a. 1) in Ionia, aan den voet van den Mimas, tegenover het eiland Chius.--2) een zeerooversnest in Lycia, door P. Servilius Vatia in 78 vernield. Eigenlijk is het een in zee uitstekend gebergte aan de O.-kust van Lycia = Olympus no. 4.--3) op de Zuidkust van Messenia.--4) op het eiland Cythera.

Phoenix, Phoinix, 1) vader of broeder van Europa, mythisch stamvader der Phoeniciërs.--2) zoon van Amyntor en Cleobule, een van de calydonische jagers. Op aansporen van zijn moeder knoopte hij liefdesbetrekkingen aan met een vrouw, die door Amyntor bemind werd, waarvoor zijn vader hem vervloekte en wegjoeg. Hij vluchtte naar Peleus, werd de opvoeder en vriend van Achilles en ging met hem naar Troje.--3) van Colophon, iambendichter tegen het einde der 4de eeuw. Van hem zijn enkele gedichten, moraliseerende choliamben, in een papyrus teruggevonden.--4) fabelachtige heilige vogel der Aegyptenaren. Over de wijze, waarop hij sterft, waren verschillende verhalen in omloop, het meest gewone is, dat hij, na een leven van 500 (of 1461, of 7006) jaar, op een door hemzelf gemaakten brandstapel den dood vindt en daarna verjongd uit de asch herboren wordt.

Phoenodamas, Phoinodamas, Trojaan, wiens dochter door Laomedon (z. a.) geofferd zou worden aan het door Poseidon gezonden zeemonster en die daarom een opstand verwekte, zoodat Laomedon zijn eigen dochter moest offeren. Hij was de vader van Segesta, de moeder van Acestes.

Pholoë, Pholoe, grensgebergte tusschen Arcadia en Elis, zijtak van den Erymanthus.

Pholus, Pholos, Centaur, die Heracles gastvrij ontving. Toen de andere Centauren Heracles lastig vielen, ontstond een gevecht, waarin bij ongeluk ook Ph. door Heracles gedood werd.

Phorbas, Phorbas, zoon van Lapithes en Orsinome, werd ingevolge een orakel door de Rhodiërs uit Thessalië geroepen om hun eiland van slangen te zuiveren. Daarvoor werd hij later door hen als heros vereerd. Hij stond Alector van Elis tegen Pelops bij, en kreeg daarvoor een deel van zijn land en zijne zuster Hyrmine; zijn afstammelingen werden koningen van Elis. Hij plunderde den delphischen tempel en werd door Apollo zelf gewond.

Phorcides, Phorcynides, Phorkides, de Gorgonen en Graeën, dochters van Phorcys.

Phorcys, -cus, Phorkys, -kyn, -kos, 1) zoon van Pontus en Gaea, een van de zeegoden, vader van de Gorgonen, de Graeën, de Hesperiden, den draak Ladon en de nimfen Thoosa en Scylla.--2) aanvoerder der Phrygiërs in den trojaanschen oorlog, door Aiax gedood.

Phorminx, het oudste snareninstrument der Grieken, had veel overeenkomst met de lier en harp. Bij het bespelen hing het aan een band of riem over den schouder.

Phormio, Phormion, 1) verdienstelijk atheensch veldheer in het begin van den peloponnesischen oorlog, behaalde o.a. bij Naupactus eene overwinning op een sterkere vloot der Spartanen (429).--2) van Ephesus, peripatetisch wijsgeer, wilde Hannibal theoretisch onderricht in de krijgskunst geven. Vandaar spreekwoordelijk voor iemand die anderen iets wil leeren, wat hij zelf minder goed verstaat.

Phoroneus, Phoroneus, zoon van Inachus, koning van de Peloponnesus, die den dienst van Hera invoerde, de menschen in steden vereenigde en hun het gebruik van vuur leerde. Hij werd in Argos als heros vereerd. Naar hem werden de Argiven Phoronidae, en zijne zuster Io Phoronis genoemd.

Phosphorus, Lucifer, Eous, Phosphoros, Phaesph., Heosph., 1) de morgenster, zoon van Astraeus of Cephalus en Eos.--2) bijnaam van de lichtgodinnen Artemis, Hecate, Eos.

Phraates, Phraates, naam van eenige parthische koningen uit het huis der Arsaciden. Zie Arsaces.

Phragandae, thracische stam op de macedonische grenzen.

Phraortes, Phraortes, zoon en opvolger van Deïoces, regeerde over Medië (647-625); hij onderwierp de Perzen e. a. volken, maar sneuvelde in een strijd tegen de Assyriërs.

Phrataphernes, Phrataphernes, satraap van Parthië onder Darius Codomannus; hij streed in den slag bij Gaugamela, maar onderwierp zich daarna aan Alexander. Deze liet hem zijne satrapiën Parthia en Hyrcania, die hij gedurende zijn verder leven behield.

Phratria, oudtijds eene afdeeling van den atheenschen adel. Door Clisthenes werd het aantal phratriën uitgebreid, en ook niet-adellijke burgers erin opgenomen. Tot Clisthenes waren in iedere phyle drie phratriën, in welke verhouding zij tot de latere phylae stonden is niet bekend. Ieder burger moest tot eene phr. behooren, jonggeboren kinderen werden op de Apaturia (z. a.) in de phr. van hun vader ingeschreven, terwijl de medeleden (phratores, phrateres) tegen de inschrijving van onechte kinderen of om andere redenen onbevoegden moesten waken. Vrouwen gingen bij huwelijk in de phr. van haar man over. Ook verrichtten de leden eener phr. zekere gemeenschappelijke godsdienstige plechtigheden.

Phrixa, Phrixa of -ai, stad in Elis ten Z. van den Alpheus.

Phrixus, Phrixos, zoon van Athamas (z. a.) en Nephele. Door zijne moeder wonderdadig van den dood gered, vluchtte hij naar Aea, waar hij den ram, die hem overgebracht had, aan Zeus offerde en de gouden vacht aan Ares wijdde. Hij huwde met Chalciope, de dochter van Aeetes.

Phrontis, Phrontis, zoon van Onetor, stuurman van Menelaus. Apollo doodde hem op de terugreis van Troje, ten einde Menelaus op te houden.

Phrygia, Phrygia, gewest van Asia minor, ten O. van Lydia. Men onderscheidde Phrygia minor of Phrygia ad Hellespontum (zie Mysia), waartoe ook Troas behoorde, en Phrygia maior. Onder de Rom. werd alleen het laatste met den naam van Phrygia bedoeld. De Phrygiërs waren een uitgebreid volk, dat reeds vroeg op beschaving en kunst kon bogen, doch op dit gebied bleef stilstaan, sedert zij door Croesus lydische, en later met de Lydiërs perzische onderdanen werden. Onder hun eigen koningen, de Gordiussen en Midassen, hadden zij eenmaal een machtig rijk uitgemaakt, dat zich zelfs over Lydia uitstrekte. Zij noemden zichzelven autochthonen, doch reeds bij de ouden heerschte de meening, dat de Phryges in den voorhistorischen tijd uit Thracia waren overgekomen. Eene phrygische eigenaardigheid was het uithouwen van woningen en zelfs steden in rotsen. Bij de rom. dichters is dikwijls Phrygius = trojaansch, Phryges = Trojanen, bij Vergilius zelfs = Romeinen.

Phrygia Mater = Rhea Cybele.

Phrygius of Phryx, Phrygios, rivier in Lydia, zijtak van den Hermus.

Phryne, Phryne, van Thespiae, een schoone hetaere, die ten tijde van Alexander d. Gr. te Athene leefde, zeer rijk was, en tot model diende voor de cnidische Aphrodite van Praxiteles en voor de Aphrodite Anadyomene van Apelles. Praxiteles plaatste haar beeld naast dat van Aphrodite in den tempel van Eros te Thespiae.

Phrynichus, Phrynichos, 1) Athener, zoon van Polyphradmon, een van de oudste treurspeldichters, behaalde zijne eerste overwinning in 511. Hij was de eerste die vrouwenrollen in zijne stukken bracht en v. s. ook de eerste die zijne stukken tot trilogieën en tetralogieën vereenigde. Den meesten roem behaalde hij door de schoonheid der lyrische partijen. Zijne Miletou alosis, waarin de inneming van Miletus na den ionischen opstand bezongen werd, trof de Atheners zoo, dat het stuk verboden en de dichter met 1000 drachmen beboet werd (496). In 476 werden zijne Phoinissai, ook een historisch stuk, opgevoerd.--2) blijspeldichter te Athene, zoon van Eunomides, tijdgenoot van Aristophanes, door wien hij dikwijls bespot wordt.--3) tooneelspeler en danser, tijdgenoot van Aristophanes.--4) Athener, zoon van Stratonides, speelde als bevelhebber der vloot bij Samus eene zeer dubbelzinnige rol bij de onderhandelingen over de terugkomst van Alcibiades. Onder de regeering der 400 werd hij als veldheer afgezet, maar vreezende voor de wraak van Alcibiades, sloot hij zich niettemin bij de oligarchische partij aan; door deze werd hij met Antiphon als gezant naar Sparta gezonden om over vrede te onderhandelen; bij zijne terugkomst werd hij door zekeren Thrasybulus van Calydon op straat vermoord (411).--5) grammaticus uit de tweede eeuw n. C., schrijver van een woordenboek van attische woorden en uitdrukkingen, waarvan eenige uittreksels bewaard zijn.

Phrynis, Phrynis, van Mitylene, beroemd dithyrambendichter tegen het einde der 5de eeuw.

Phtha(s), Phtha, Phthas, aegyptisch god, vooral te Memphis vereerd, door de Grieken met Hephaestus geïdentificeerd. Hij wordt afgebeeld als een dwerg met stok en zweep, soms met een valkekop.

Phthia, Phthia, 1) = Phthiotis.--2) stad in Phthiotis, de zetel van Peleus en Achilles, waarschijnlijk in den omtrek van het latere Thebae Phthiotides.

Phthiotis, Phthiotis, bij Homerus Phthia, het Z. O. gewest van Thessalia, oudtijds ook wel als Achaia bekend, het stamland der Achaeërs. Hier behoorde Achilles te huis.

Phyle, bij de Grieken eene afdeeling van het volk, waarvan de leden oorspronkelijk door werkelijke of vooronderstelde gemeenschappelijke afkomst of door gemeenschappelijke woonplaatsen in nauwere betrekking tot elkander stonden. In Attica worden uit den mythischen tijd vele indeelingen vermeld, waarvan de beteekenis niet duidelijk is; de zoog. indeeling van Theseus in Eupatridai, Geomoroi, Demiourgoi berust blijkbaar op verschil van standen. Tot aan Solon had men de gewone ionische verdeeling in 4 phylae (Geleontes, Hopletes, Argadeis, Aigikores), die aan Ion toegeschreven wordt. Solon verdeelde de burgers naar hun vermogen in 4 klassen met verschillende staatkundige rechten: Pentakosiomedimnoi, Hippes, Zeugitai, Thetes, de oude ionische phylen bleven voor godsdienstige doeleinden daarnevens bestaan, ook toen Clisthenes eene geheel nieuwe verdeeling in 10 phylae invoerde, waaraan hij de namen van inheemsche heroën gaf. Deze phylae waren geene plaatselijke eenheden, maar werden uit drie trittyes (z. a.), dus uit dikwijls ver van elkander verwijderde demen samengesteld, ten einde in dezelfde phyle personen van verschillende afkomst en stand te vereenigen. Aan het hoofd van iedere phyle stonden epimeletai. Voor het leger en den raad leverde iedere phyle een gelijk aandeel. Bij de 10 phylae werden in 301 nog twee gevoegd, die naar Antigonus en Demetrius genoemd werden, in 221 kwam eene dertiende er bij, die naar Ptolemaeus (Euergetes) heette, kort daarop werden de beide eerstgenoemde opgeheven, maar in 200 werd het aantal weder op 12 gebracht door toevoeging van eene, die den naam van Attalus kreeg (z. ook Phratria).--In de dorische staten is de dorische bevolking overal in 3 phylae verdeeld: Hylles, Pamphyloi, Dymanes, zoo genoemd naar den zoon van Heracles en de beide zonen van Aegimius; de niet dorische bevolking vormt, waar zij eenig aandeel aan het burgerrecht heeft, eene afzonderlijke phyle, zooals in Argos en Sicyon. Iedere phyle is in 10 obae (obai) verdeeld. Waarop hier de verdeeling berustte is onbekend, v. s. zijn zoowel phylae als obae plaatselijk van elkander gescheiden, ofschoon ten minste in Sparta ook eene plaatselijke indeeling in 5 komai bestond.

Phylobasileus, bestuurder eener phyle in den tijd voor Clisthenes of Solon; ook toen deze phylen alleen voor den eeredienst beteekenis behouden hadden, bleef de waardigheid van phylob. bestaan.

Phylace, Phylake, stadje in Phthiotis, ten O. van den Enipeus, geboorteplaats van Protesilaus.

Phylacus, Phylakos, 1) zoon van Deïon en Diomede, vader van Iphicles no. 3, stichter van Phylace.--2) heros, die den delphischen tempel tegen de Galliërs beschermde en daarvoor te Delphi een heiligdom had.

Phylarchus, Phylarchos, van Athene, Sicyon of Naucratis, tijdgenoot van Aratus, schreef eene geschiedenis van de jaren 272-220 in 28 boeken. Zijn werk wordt, voor zoover men uit de weinige fragmenten kan opmaken ten onrechte, door Polybius en Plutarchus streng veroordeeld; toch maakte laatstgenoemde er veel gebruik van.

Phyle, Phyle, sterk kasteel in Attica aan de Zuidwestelijke helling van den Parnes, 3 uur afstands ten N. van Athene. In den tijd der 30 te Athene (404-403) bezette Thrasybulus aan het hoofd der atheensche ballingen deze sterkte en maakte zich van daar uit van den Piraeus meester.

Phyleus, Phyleus, zoon van Augias, een van de deelnemers aan de calydonische jacht, werd door zijn vader verjaagd, omdat hij voor Heracles partij getrokken had. Deze bracht hem later in zijn vaderlijk rijk terug, maar hij liet het aan zijn broeder Agasthenes over en ging naar Dulichium.

Phyllidas, Phyllidas, Thebaan, die in weerwil van zijne democratische gezindheid gedurende de spartaansche bezetting geheimschrijver der polemarchen werd. Hij begunstigde de samenzwering van Pelopidas en noodigde de polemarchen Archias en Philippus in zijn huis tot een feest, waarbij zij door de saamgezworenen gedood werden.

Phyllis, Phyllis, z. Demophon no. 2.

Phyllis, Phyllis, landstreek aan den mons Pangaeus.

Phyllus, Phyllos, stad in Thessaliotis, bij den Enipeus, met een Apollo-tempel. Dichterlijk: Philleius = thessalisch.

Physcon, Physkon, dikbuik, bijnaam van Ptolemaeus VII.

Physcus, Physkos, 1) zijtak van den Tigris, die zich bij de stad Opis met den hoofdstroom vereenigt.--2) berg in Bruttii, bij Croton.--3) haven op de Z. kust van Caria.

Phytalus, Phytalos, een heros van Eleusis, die Demeter op hare zwerftochten gastvrij ontving. Tot belooning leerde zij hem het kweeken van den vijgeboom.

Phyxius, Phyxios, beschermer der vluchtelingen, bijnaam van Zeus bij de Thessaliërs.

Picentes, Piceni, bewoners van Picenum.

Picentia, tgw. Vicenza, hoofdstad der Picentini, nabij de golf van Paestum (golf van Salerno).

Picentini, een gedeelte der Picentes, dat uit Picenum naar het Z.O. van Campania was verhuisd.

Picenum, Pikentine, kustland van Italia aan de Adriatische zee, tusschen Umbria en Samnium gelegen. De bewoners, Piceni, Picentes, waren van sabijnschen stam. In 268 werden zij door de Rom. onderworpen. Een gedeelte der Piceners werd daarna naar Campania overgebracht en zette zich aan den sinus Paestanus (golf v. Salerno) neder, waar zij naar hunne hoofdstad Picentia den naam Picentini kregen.

Pictavi, zie Pictones.

Picti, in de 4de eeuw n. Chr. voor het eerst voorkomende naam van een volksstam in het Noorden van Schotland; ze woonden ten N. van de Firth of Forth, terwijl de Scoti, die tegelijk met hen optreden, in Zuid-Schotland en Ierland wonen.

Pictones of Pictavi, machtig gallisch volk in het tegenw. Poitou. Hoofdstad: Limonum (Poitiers).

Pictor, zie Fabii no. 24 vv.

Picumnus, italiaansche god van den landbouw, die het bemesten der landerijen zou uitgevonden hebben. Hij was de broeder van Pilumnus (z. a.).

Picus, veld- en boschgod der Romeinen, wiens dienst reeds vroeg verouderd was. Hij wordt de zoon van Saturnus, de gemaal van Pomona of van de nimf Canens, de vader van Faunus genoemd. Daar hij de liefde van Circe onbeantwoord liet, veranderde zij hem in een specht. Hij wordt voorgesteld als een specht op een zuil zittend, of als een jongeling met een specht op het hoofd.

Pieria, Pieria, 1) landschap van Macedonia op de grenzen van Thessalia, in het N. door den Haliacmon, in het O. door de golf van Thermae begrensd. Dit Pieria was de zetel van den Muzendienst (zie Pierides), aan wie de berg Pierus geheiligd was. De Pieriërs waren een thracische stam; in de 7de eeuw werden zij door de Macedoniërs verdreven en vestigden zij zich aan den Strymon, in den omtrek van den mons Pangaeus, ook deze streek kreeg toen den naam Pieria.--2) landstreek in het N. der syrische kust, tusschen de golf van Issus en den Orontes, aan den berg Pieria, een uitlooper van den Amanus.--3) (of Pierium, Pierion), berg in het W. van Thessalia.

Pierides, Pierides, de Muzen, naar hare geboorteplaats Pieria.

Pierus, Pieros, koning van Emathia, vader der Emathides.

Pierus, Pieros, berg in het W. van Thessalia = Pieria no. 3.

Pignoris capio. Wanneer een rom. burger zijne verplichtingen niet nakwam, waren er gevallen, waarin de praetor aan de benadeelde partij verlof gaf, een of ander eigendom van den nalatige in pand te nemen. Kwam de laatste dan binnen zekeren tijd zijne verplichtingen nog niet na en loste hij dus het pand niet in, dan konde de ander het verkoopen en zich uit de opbrengst schadeloos stellen.

Pigres, Pigres, zoon of broeder van Artemisia no. 1, v. s. dichter der Batrachomyomachie, zie ook Margites.

Pigrum mare, de gestolde zee, zie Cronium mare.

Pilani, zie hastati.

Pilentum, een vierwielige, door twee paarden getrokken, overdekte wagen (currus arcuatus), waarin flamines, Vestales en matronae naar offers en spelen reden.

Pileus, pilos, vilten hoed of liever muts voor mannen, bij verschillende volken in verschillende fatsoenen in gebruik. De Rom. droegen den pileus zelden, althans in de stad; bij goed weder gingen zij meest blootshoofds, bij regen trokken zij zich een kap of cucullus over het hoofd. Slaven mochten geen hoofddeksel dragen; vandaar dikwijls ius pilei = libertas.

Pilorus, Piloros, stadje op het chalcidische schiereiland Sithonia, aan den sinus Singiticus.

Pilum, de beroemde rom. werpspies, niet lang, slechts ongeveer 2 meter, maar zwaar en met een scherp gestaalde van weerhaken voorziene punt. De schacht was zoo in het ijzer (of omgekeerd) bevestigd, dat zij bij pogingen om de speer ergens uit te rukken, licht afbrak, evenals de fijne punt, zoodat de vijand het wapen niet kon terugwerpen. De rom. soldaten waren in het gebruik van dit wapen zeer geoefend. De aanval begon in den regel met het werpen van het pilum; door schilden van hout- of teenwerk drong het met gemak heen, reeg ze zelfs aan elkaâr, en noodzaakte dan door zijne zwaarte den vijand zich te ontblooten, terwijl onmiddellijk de aanval met het zwaard volgde.

Pilumnus, 1) landelijke godheid der Rom., die den Italianen het dorschen, eig. het stampen (pinsere), van het koren geleerd had. Hij was een broeder van Picumnus; in een huis, waar een kind geboren was, werd gedurende de eerste dagen voor beiden in het atrium een bed gespreid, zie ook Deverra.--2) z. Danae.

Pimpleae, Pimpleides, Pimpleides, bijnaam der Muzen, naar de stad Pimplea in Piërië of naar een bron van dien naam aan den Helicon.

Pinara, ta Pinara, stad in Lycia aan den berg Cragus.

Pinaria (lex) annalis van den volkstribuun M. Pinarius Rusca. Deze wet is een voorlooper van de lex Villia annalis (z. a.) van 180.

Pinaria Furia Postumia (lex) van de drie consulairtribunen L. Pinarius Mamercinus Rufus, L. Furius Medullinus Fusus en Sp. Postumius Albus Regillensis, 332. Deze wet verbood bij het dingen naar eenig ambt de toga kunstmatig wit te maken. De wet is spoedig in onbruik geraakt.

Pinarii, oud rom. geslacht, dat met een ander oud geslacht, de Potitii, in het erfelijk bezit was van een priesterambt van Hercules, dat in overouden tijd door Euander zou zijn ingesteld. Volgens de sage kwamen bij het eerste offermaal de Pinarii te laat aan tafel en werd hun ten eeuwigen dage als boete opgelegd, bij de offermaaltijden eerst te verschijnen, wanneer een gedeelte reeds genuttigd was. In 312 en 311 stierven de Potitii uit, omdat zij den dienst door servi publici hadden laten waarnemen, terwijl de censor Appius Claudius, op wiens raad dit was geschied, volgens het latere verhaal door den vertoornden halfgod met blindheid werd geslagen. In werkelijkheid heeft App. Claudius den eeredienst van Hercules aan de Ara Maxima, die een sacrum gentilicium van de Potitii en Pinarii was, tot staatsgodsdienst gemaakt, waarbij het offer verricht werd door den praetor urbanus. Enkele leden van de gens Pinaria komen als overheden en legeraanvoerders voor. Onder Cicero's vrienden worden twee broeders vermeld, T. en L., doch ook een tegenstander, L. Pinarius Natta, die als pontifex, ten gevalle van zijn zwager P. Clodius, het huis van Cicero aan den dienst der goden wijdde, waardoor Clodius zocht te verhinderen, dat de plek ooit weder in Cicero's bezit zou terugkeeren. Nog een L. Pinarius, met Caesar verwant, kreeg van Antonius het bevel in Africa, doch ging later tot de partij van Octavianus over.

Pinarus, Pinaros, rivier in Cilicia, die op den Amanus ontspringt en in de golf van Issus valt.

Pincius (mons), ook collis hortorum geheeten, thans monte Pincio, heuvel, onmiddellijk ten N. van Rome gelegen en door keizer Aurelianus grootendeels binnen den nieuwen vestingmuur getrokken.

Pindarus, Pindaros, Thebaan, de grootste lyrische dichter der Grieken, geb. 522. Hij was uit het geslacht der Aegiden, waartoe vele bekwame toonkunstenaars behoord hadden, verder genoot hij het onderwijs van Lasus van Hermione en van Myrtis en Corinna. Algemeen geëerd en bemind, had hij in alle deelen van Griekenland vrienden, die hij nu en dan bezocht, o. a. Hiero, Theron, de Aleuaden; ook bij de groote nationale feesten was hij dikwijls tegenwoordig, overigens leefde hij rustig in zijne geboorteplaats, waar hij na 442 stierf. Van zijne talrijke lierdichten van alle soort zijn bewaard gebleven 45 zegezangen ter eere van overwinnaars bij groote feesten, waarvan hij het oudste reeds op twintigjarigen leeftijd dichtte. Zij munten uit door krachtige en afwisselende taal, rijkdom en verhevenheid van gedachten en verscheidenheid van versbouw. Van zijne andere werken (hymnen, partheniën, enz.) hebben wij slechts fragmenten.

Pindenissus, Pindenissos, stad der Eleutherocilices in het Amanusgeb., door Cicero veroverd (51).

Pindus, Pindos, 1) grensgebergte tusschen Epirus en Thessalia, waarvan de Lacmon of Lacmus het hoogste gedeelte is.--2) eene der steden van de dorische tetrapolis, in het landschap Doris, ook Acypha geheeten.

Pinna, hoofdstad der Vestini, die ten Z. van Picenum tusschen de Apennijnen en de Adriatische zee woonden. De stad lag in eene heerlijke omgeving.

Pirae(e)us, Peiraieus, de havenstad van Athene, door Themistocles aangelegd, en later door Pericles verder afgewerkt. Toen Themistocles een moderne vloot van triëren wilde bouwen, was de open bocht van Phaleron als oorlogshaven niet meer geschikt. Daarom richtte hij het schiereiland Piraeus als havenstad in, en omgaf het met stevige muren; Munichia, de heuvel ten Oosten, werd hiervan de burcht. De stad had 3 havens, de westelijke, de eigenlijke Piraeus, diende voornamelijk voor het handelsverkeer. De invaart werd bewaakt door twee torens en kon door zware kettingen worden afgesloten. Aan de andere, de oostelijke, zijde van de stad vond men de oorlogshavens Zea en Munichia. De stad was volgens het plan van Hippodamus van Milete aangelegd met rechte straten, die elkaar rechthoekig sneden. Men vond er verder scheepswerven, een groot korenmagazijn, een groote beurs (to deigma), een arsenaal (skeuotheke), een theater, enz. Een tijd lang, in de 4de eeuw, was de bevolking van den Piraeus even talrijk als die van Athene zelf. De wegen, die van den Piraeus naar Athene voerden, lagen tusschen de lange muren, ta makra teiche, ta skele, besloten. Oorspronkelijk waren er twee muren, één naar de N.-zijde van den Piraeus, één naar Phaleron; maar Pericles liet nog een tusschenmuur bouwen, en nu liet men den Phalerischen muur vervallen.

Piraeus, Peiraios, open haven op de Oostkust van Corinthia, nabij de grens van het gebied van Epidaurus. De Atheners hielden hier in 412 eene spartaansche vloot ingesloten.

Piraicus of Pyreicus, bekwaam genreschilder (rhyparograaf), waarschijnlijk uit den hellenistischen tijd, wiens schilderijen om hunne zorgvuldige bewerking bij de Rom. zeer gezocht waren.

Piraticum bellum. In het bijzonder wordt hieronder verstaan de bekende tocht van Pompeius in 67 tegen de zeeroovers ondernomen (zie Gabinia lex). Wel waren nu en dan verschillende kuststreken, waarvan de inwoners zeeroof dreven, getuchtigd, doch eerst in 67 werd tot een algemeenen maatregel besloten. Pompeius, wien de beschikking was gegeven over zooveel strijdkrachten als hij meende noodig te hebben, slaagde er in, door eene drijfjacht op groote schaal van de straat van Gibraltar tot aan de kusten van Cilicia den zeeroof voor het oogenblik uit te roeien, meer dan 1000 roofschepen te vernielen, werven en roofnesten te verwoesten en de Middellandsche zee weder voor rom. schepen veilig bevaarbaar te maken.

Pirene, Peirene, nimf, dochter van Obalus, treurde om den dood van haar zoon, totdat zij in een bron veranderde, die haar naam draagt en bij welke Bellerophon het gevleugelde paard Pegasus opving, terwijl het zijn dorst leschte. De bron lag binnen de muren der acropolis van Corinthus. Dichterlijk Peirenes asty en Pirenis Ephyre = Corinthus, Peirenaios polos = Pegasus.

Pirisabora, sterke vesting in Babylonia, aan den Euphraat, ten N. van Babylon.

Pirithous, Peirithoos, zoon van Zeus of Ixion en Dia. Op zijne bruiloft met Hippodamea ontstond de geweldige strijd tusschen de Centauren en Lapithen, daar eerstgenoemden de bruid en andere vrouwen wilden ontvoeren. Later hielp hij Theseus bij het schaken van Helena, hijzelf wilde Persephone ontvoeren en daalde daarvoor met Theseus in de onderwereld af, doch Hades klonk hen aan een rots vast, waarvan alleen Theseus na eenigen tijd door Heracles weder losgemaakt werd.

Pirus, Peiros, Pieros, hoofdriviertje van Achaia, dat zich ten W. van Olenus in de golf van Patrae stortte.

Pirustae, Piroustai, roofziek volk in Illyris, dat zich in 168 in den oorlog tegen Gentius bij de Rom. aansloot.

Pisa, Pisa, stad in Elis, even ten N. van den Alpheus nabij Olympia gelegen. Pisa voerde met het landschap Elis een langen strijd over het bestuur van het olympische tempelgebied, tot het de nederlaag leed en verwoest werd (572).

Pisae, Pisai, nabij de samenvloeiing van den Anser en den Arnus (Arno). De stad behoorde oorspronkelijk niet tot Etruria, waartoe ze later gerekend wordt. Ze had reeds vroeg handel met Griekenland, en een flinke marine, om zich tegen de ten N. wonende Liguriërs te kunnen verdedigen. In 180 werden op haar gebied de kolonien Luna en Luca aangelegd. Sedert Augustus is het rom. kolonie. In de nabijheid zijn heete bronnen, aquae Pisanae. Thans Pisa.

Pisander, Peisandros, 1) van Camirus, episch dichter omstreeks het midden der 7de v. a. der 6de eeuw. In zijne Herakleia werd Heracles voor het eerst voorgesteld als de held, die met buitengewone lichaamskracht begaafd, alleen met knots en leeuwenhuid gewapend, zijne twaalf werken volbrengt. In den alexandrijnschen canon werd hij na Homerus en Hesiodus genoemd.--2) Athener, de grootste ijveraar voor de oligarchische omwenteling van 411. Na den val van de regeering der 400, waartoe hij behoord had, vluchtte hij naar de Spartanen te Decelea.--3) van Laranda, episch dichter onder Alexander Severus. Er zijn nog fragmenten over.

Pisatis of Pisaea, Pisatis, Pisaia, het land van Pisa (z. a.), het middengedeelte van Elis.

Pisaurum, Pisauron, oude stad in Umbria, in den ager Gallicus, aan den mond van den Pisaurus, rom. kolonie sinds 184. Thans Pesaro.

Pisces, Ichthyes, het sterrenbeeld de Visschen. Men verhaalde, dat het de visschen waren, die Isis of Derceto gered hadden, toen zij in zee gevallen was.

Pisidia, Pisidia, bergachtig gewest op de Z.kust van Voor-Azië, ten N. van Pamphylia, lang als een stuk hiervan beschouwd. De inwoners, Pisidae, Pisidai, waren een dapper volk, dat, in zijn bergen verschanst, lang alle vreemde overheersching afsloeg, en slechts noode het hoofd boog voor Rome.

Pisidice, Peisidike, eene van de dochters van Pelias.

Pisistratus, Peisistratos, 1) zoon van Nestor en Anaxibia, vergezelde Telemachus op zijne reis van Pylus naar Sparta.--2) Athener, zoon van Hippocrates, uit het geslacht der Philaiden, bloedverwant van Solon. Nadat deze uit Athene vertrokken was, trad P. in het openbaar op (571), hij voegde zich bij de partij der Diacriërs, en door zijne groote bekwaamheden werd hij weldra als de leider er van erkend. Nadat hij eenmaal, vooral door de verovering van Nisaea, de gunst van het volk verworven had, wist hij, onder voorwendsel dat hij ternauwernood aan een aanslag zijner vijanden ontsnapt was, in weerwil van Solon's tegenspraak, te bewerken dat hem een lijfwacht gegeven werd, waarmede hij zich van de acropolis en van de alleenheerschappij meester maakte (560). Doch weldra vereenigden zich de beide andere partijen, de Pediaeërs onder Lycurgus en de Paraliërs onder den Alcmaeonide Megacles, tegen hem; hij moest Athene verlaten en bleef vijf jaar in ballingschap. Toen echter weder tusschen Lycurgus en Megacles oneenigheid ontstond, bood laatstgenoemde aan P. de hand ter verzoening en gaf hem zijne dochter ten huwelijk, en zoo kwam P. weder in feestelijken optocht in de stad terug, begeleid, naar het heette, door de godin Athena zelve, die door eene schoone en groote vrouw werd voorgesteld. Na korten tijd geraakte hij weder met zijn schoonvader in onmin, en weder moest hij uit de stad wijken; hij ging naar Eretria, en nu duurde het elf jaar eer hij zich door bondgenootschappen met Argos, Thebae e. a. genoeg versterkt had om een gewapenden inval in Attica te wagen, die het gewenschte gevolg had; tot aan zijn dood (528) bleef hij nu in het ongestoord bezit der regeering, die daarna onbetwist op zijn zoon Hippias overging. Ofschoon hij in de laatste periode eenigszins strenger regeerde, was zijne heerschappij ver van drukkend, hij handhaafde recht en wet, hield de instellingen van Solon in stand, bevorderde vooral de stoffelijke welvaart van het volk en beschermde kunsten en wetenschappen. O. a. werden onder zijne regeering voor het eerst de gedichten van Homerus tot een geheel vereenigd.

Piso, familienaam in de gens Calpurnia (Calpurnii no. 1-13).

Pissuthnes, Pissouthnes, satraap van Lydië, betoonde zich voor en gedurende den peloponnesischen oorlog een vijand der Atheners. In 414 kwam hij in opstand tegen den koning en werd hij door Tissaphernes gevangen genomen en ter dood gebracht.

Pistor, bakker, bijnaam aan Jupiter gegeven, omdat, volgens het aardige verhaal van Ovidius, op zijne ingeving de belegerden op het Capitolium aan de Galliërs brood toewierpen en hen daardoor in den waan brachten, dat zij overvloed van spijs hadden.

Pistoria, Pistoria, stadje in het N. van Etruria; in de nabijheid sneuvelde Catilina (62).

Pitane, Pitane, 1) vlek of buitenwijk van Sparta, met een tempel van Artemis.--2) havenstad van Aeolis, tegenover Lesbus.

Pithecusa, Pithekousa, oude naam voor Aenaria, z. a.

Pithoigia, de eerste dag der Anthesteria (z. a.).

Pitholeon, een Rhodiër, die te Rome woonde, hij maakte onbeduidende verzen, waarin hij Grieksch en Latijn dooreenmengde. Hij is identisch met Pitholaus, z. Voltacilius Pitholaus, wiens naam door Horatius eenigszins gewijzigd is, omdat die niet in de maat paste. Hij beschimpte in zijn liederen Caesar.

Pithon of Python, Pithon, Peith., Pyth. 1) zoon van Agenor, bevelhebber van een legerkorps bij Alexanders tocht naar Indië, waar hij als stadhouder achtergelaten werd. Later nam hij deel aan de krijgstochten van Antigonus; hij sneuvelde in den slag bij Gaza (312).--2) zoon van Crateas, behoorde tot de lijfwacht van Alexander. Bij de verdeeling van het rijk kreeg hij een deel van Medië, hij trok met Perdiccas naar Aegypte en veroorzaakte mede den opstand, die diens dood ten gevolge had. Daarop werd hij op voorstel van Ptolemaeus tot rijksbestuurder benoemd (321), doch deze betrekking moest hij spoedig aan Antipater afstaan. Zijne pogingen om in de oostelijke provinciën een eigen rijk te stichten mislukten, hij moest Antigonus en Seleucus helpen bij het beoorlogen van Eumenes, en daar hij in het leger van Antigonus aanhangers zocht te winnen voor zijne persoonlijke bedoelingen, liet deze hem dooden (316).

Pittacus, Pittakos, van Mytilene, een van de 7 wijzen van Griekenland, wiens spreuk was: kairon gnothi, let op het juiste oogenblik, voerde zijne medeburgers aan in den oorlog, dien zij met de Atheners, om het bezit van Sigeum voerden, en behaalde door list eene overwinning op den atheenschen veldheer Phrynon (607). In de later ontstane burgertwisten stond hij, als hoofd der volkspartij, tegenover zijn vroegeren vriend Alcaeus, eindelijk werd hij tot aesymnetes gekozen (omstreeks 595), eene waardigheid, die hij 10 jaar lang met wijsheid en rechtvaardigheid bekleedde en op 70-jarigen leeftijd vrijwillig nederlegde. Sedert dien tijd schijnt hij zich van het openbare leven teruggetrokken te hebben; tien jaar daarna stierf hij.

Pittheis, Aethra, dochter van Pittheus.

Pittheus, Pittheus, zoon van Pelops, koning van Troezen, grootvader van Theseus, die bij hem werd opgevoed.

Pityocamptes, Pityokamptes, pijnboombuiger, bijnaam van Sinis (z. a.).

Pitys, Pitys, eene nimf, die door Pan bemind werd, en toen zij hem niet konde ontvluchten, op haar gebed door de goden in een pijnboom werd veranderd.

Pityus, g. -untis, Pityous, pijnboomstad, belangrijke grensstad in Pontus, aan den N.O.-hoek van den Pontus Euxinus, aan den voet van den Caucasus; in den lateren keizertijd ballingsoord.

Pityusa, Pityoussa = het pijnboomrijke, oude naam van Lampsacus, van Salamis en van Chius.

Pityusae insulae, Pityoussai, pijnboomeilanden, op de kust van Hispania, twee eilandjes, thans nog Pityusen geheeten: Ebusus (Iviza) en Ophiusa = slangeneiland (Formentera).

Pius, zie Metelli no. 17 en 18 in de gens Caecilia en Antoninus Pius.

Placentia, thans Piacenza, aanzienlijke handelsplaats in Gallia Cispadana aan de samenvloeiing van de Trebia met den Padus (Po). In 219, vóór het uitbreken van den tweeden punischen oorlog, stichtten de Rom. te Placentia en te Cremona lat. koloniën. In 200 werd Plac. door de Galliërs verwoest, doch spoedig daarop door de Rom. herbouwd, en in 190 evenals Cremona met vele nieuwe kolonisten versterkt. In 90 kreeg de stad het Rom. burgerrecht.

Placia, Plakia, oude pelasgische volkplanting aan de Propontis, ten O. van Cyzicus.

Placus, Plakos, oostelijke uitlooper van het Idagebergte. Aan den voet daarvan lag Thebe.

Plaetoria (lex) van den volkstribuun M. Plaetorius, waarschijnlijk in 242, v. a. na 227, dat een praetor binnen Rome niet meer dan twee lictoren mocht hebben.

Plaetoria (lex), uit het jaar 191 of vroeger, waarbij jongelieden beneden 25 jaar, die reeds sui iuris waren, toch onder curateele gesteld werden. Zie curatio.

Plaetorii, plebejisch geslacht. 1) M. Plaetorius Cestianus, was in 66 te gelijk met Cicero praetor. In 69 trad hij op als aanklager van Fonteius, die door Cicero verdedigd werd.--2) Plaetorius Rustianus kwam na den slag bij Thapsus (46) te gelijk met Q. Metellus Scipio op de vlucht om.--3) Plaetorius (Platorius) Nepos, vertrouwde van keizer Hadrianus, doch in diens laatste regeeringsjaren uit achterdocht door hem vervolgd.

Planasia, Planasia, eiland tusschen Corsica en Etruria, waarheen Augustus' kleinzoon Agrippa Postumus verbannen werd.

Plancii. 1) Cn. Plancius, rom. ridder uit Atina, verdedigde als een der aanzienlijkste publicani met nadruk hun verzoek om vermindering van pacht (59).--2) Cn. Plancius, zoon van no. 1, diende eerst onder Metellus op Creta, bewees later als quaestor van Macedonia groote diensten aan Cicero in diens ballingschap en werd in 54 door hem in een proces de ambitu met goed gevolg verdedigd. Zie Iuventii no. 3. In 46 leefde hij als aanhanger van Pompeius in ballingschap te Corcyra.

Planctae, Planktai, vuurspuwende en in rook gehulde rotsen, tegen welke de schepen, door een onweerstaanbare strooming getrokken, te pletter slaan. Zij bevinden zich volgens Homerus in de nabijheid van Scylla en Charybdis, v. s. staan zij aan den westelijken ingang der sicilische zeeëngte, v. a. zijn het de Aeolische of Liparische eilanden. Zij worden dikwijls met de Symplegades verward.

Plancus, familienaam in de gens Munatia.

Plataeae, ook -taea, Plataiai, -taia, beroemde stad in Boeotia, aan de Noordzijde van den Cithaeron. Plataeae stond vijandig tegenover Thebae en sloot zich sedert ± 519 nauw bij Athene aan. Terwijl Thebe zich aan de Perzen onderwierp, leverde Pl. in den slag bij Marathon (490) 1000 man hulptroepen aan de Atheners. Xerxes verwoestte de stad in 480 op aansporing der Thebanen. Bij de puinhoopen had in 479 de slag plaats, waarin de perzische veldheer Mardonius sneuvelde en waartoe de Plataeërs weder 600 man leverden. Pl. werd herbouwd en door de Grieken ontslagen van Thebe's hegemonie. Na een vruchtelooze poging der Thebanen om Plataeae te overrompelen, werd de stad in het begin van den peloponnesischen oorlog, omdat zij zich niet tegen Athene wilde verklaren, door de Spartanen ingesloten en na vergeefsche pogingen om ze in te nemen door honger tot de overgaaf genoodzaakt (427). Een deel der bevolking ontkwam en vestigde zich te Scione op het schiereiland Pallene. In 383 werd Pl. nogmaals herbouwd, doch in 372 door de Thebanen op nieuw verwoest. Onder macedonisch bestuur herrees het weder.

Platanistas, eene ruimte bij Sparta, aan den Eurotas, met plataanboomen beplant en met standbeelden van heroën versierd, en door de spartaansche jongelingschap tot lichaamsoefeningen gebezigd.

Platea, Platea, eiland op de kust van Cyrenaïca.

Plato, Platon, 1) Athener, zoon van Ariston en Perictione, geb. 427, aanvankelijk Aristocles genoemd, kreeg later door zijn gymnastiekmeester Ariston of door Socrates den naam Plato, de breede. Uit een edel geslacht gesproten, door de beste leermeesters onderwezen, dichterlijk van natuur, beproefde hij reeds jong zijne krachten in de poëzie, terwijl hij tevens kennis maakte met de stelsels van Heraclitus, Parmenides, Anaxagoras e. a. Op zijn 20ste jaar leerde hij Socrates kennen, van hun omgang is weinig bekend, alleen weten wij, dat P. spoedig de voortreffelijkste leerling van Socrates was en dat hij aan zijn leermeester met de grootste genegenheid en eerbied verknocht was. Na den dood van Socrates ging hij vooreerst met vele andere van diens aanhangers naar Megara, maar weldra ging hij, door de zucht naar kennis gedreven, reizen doen naar Cyrene, Aegypte en Italië. In Italië kwam hij in aanraking met de volgelingen van Pythagoras, op Sicilië leerde hij door zijn vriend Dio den ouden Dionysius kennen, wiens ongenade hij zich echter spoedig door zijne vrijmoedigheid op den hals haalde en die hem als slaaf liet verkoopen (z. Pollis). Door Anniceris losgekocht en naar Athene teruggekeerd (388), begon hij zijne voordrachten in de Academie (z. a.), die hij de volgende 20 jaar onafgebroken met den grootsten bijval voortzette. Toen hij echter van Dio eene uitnoodiging ontving om naar Syracusae te komen en daar als leider en raadsman van den jongen Dionysius op te treden, nam hij die gaarne aan, daar zich nu, naar hij meende, eene gunstige gelegenheid aanbood om door een wijsgeerig gevormd vorst sommige van zijne theorieën in praktijk te doen brengen. De zaak kwam echter geheel anders uit. Dio viel spoedig in ongenade en werd verbannen en ook voor P. werden de toestanden te Syracusae onhoudbaar. Met moeite kreeg hij verlof te vertrekken (365) en op een latere reis naar Syracusae, ondernomen met het doel om eene verzoening tusschen Dionysius en Dio te bewerken (361), kwam hij zelfs door het wantrouwen van den tyran in levensgevaar en had hij zijn behoud alleen aan den invloed van Archytas te danken. Het overige van zijn leven wijdde hij nu uitsluitend aan het onderwijs der wijsbegeerte, totdat hij, nog krachtig werkzaam als leeraar en schrijver, in den ouderdom van 80 jaar overleed.--Te midden van de veelheid en afwisseling der zinnelijk waarneembare voorwerpen zoekt P. het eene en onveranderlijke in de idee (idea, eidos); de ideeën zijn nl. de geheel op zichzelf staande eigenschappen der stoffelijke dingen, zelve niet aan stof, tijd of plaats gebonden, zij zijn, hoewel geen afgetrokken begrippen, toch niet zinnelijk waarneembaar, maar de kennis er van is alleen te bereiken door de dialektiek (dialektike), de kunst, die leert van het bizondere tot het algemeene op te klimmen en omgekeerd weder tot het bizondere af te dalen. De individuën staan in betrekking met de ideeën of zijn afbeeldingen er van, toch kent P. aan de ideeën zelf nu en dan zekere mate van persoonlijkheid toe, en over de idee van het goede spreekt hij als over de hoogste godheid zelf. De wereld is niet eeuwig, maar door den schepper (demiourgos) uit ongeordende stof (apeiron) tot een goed geordend geheel (kosmos) gemaakt. De menschelijke ziel is onsterfelijk en bestaat uit drie deelen: verstand (logistikon, nous), moed (thymoeides), begeerte (epithymetikon). Het hoogste goed bereikt men door het streven naar gelijkheid met het absoluut goede, en daartoe moet ieder deel der ziel zijn eigenaardige deugden hebben, resp. wijsheid, dapperheid en zelfbeheersching, die met elkander vereenigd de hoogste deugd, rechtvaardigheid, vormen. Deze leer en hare toepassingen op staatsinrichting, opvoeding, kunst, enz. heeft P. gedurende eene bijna veertigjarige werkzaamheid onderwezen, deels in gesprekken op de wijze van Socrates, deels in samenhangende voordrachten, deels ook door zijne werken; deze laatste zijn, naar men gelooft, alle bewaard gebleven, daarentegen zijn onder die, welke zijn naam dragen, sommige zeker onecht; bijna alle zijn geschreven in den vorm van gesprekken van Socrates. De belangrijkste dialogoi zijn: Apologia, Kriton, Ion, Protagoras, Menon, Gorgias, Euthydemos, Symposion (385), Phaidon, Politeia (ongeveer 380-370), Phaidros, Timaios. Zijn laatste werk zijn de Nomoi. Hij werd in de oudheid als de eerste der wijsgeeren beschouwd, en zijne leer, hoewel uitgebreid en dikwijls gewijzigd, vond nog tot in de laatste tijden van het heidendom talrijke aanhangers, totdat Iustinianus in 529 n. C. alle onderwijs in de wijsbegeerte verbood. Zijn opvolger als hoofd der academie was Speusippus, de zoon zijner zuster.--2) Athener, hooggeschat blijspeldichter, tijdgenoot van Aristophanes; van zijne 28 stukken zijn talrijke fragmenten bewaard.

Platorius Nepos, zie Plaetorii no. 3.

Plautia of Plotia (lex) de vi, waarschijnlijk op verzoek van den consul Q. Lutatius Catulus (Lutatii no. 5) door een volkstribuun Plautius in 78 gemaakt, ook wel lex Lutatia geheeten, waarbij een afzonderlijke rechtbank (quaestio perpetua) werd ingesteld ter bestraffing van opstand, samenrotting, het vormen van benden gewapenden, het vernielen van huizen, enz., hetgeen alles onder het begrip vis werd samengevat.

Plautia (lex), aangenomen na het jaar 77, waarbij aan de volgelingen van Lepidus (Aemilii no. 3) vergund werd, in het vaderland terug te keeren. De voorsteller van de wet is onbekend.

Plautia Papiria (lex), van de volkstribunen M. Plautius Silvanus en C. Papirius Carbo, in 89, gaf aan de burgers van italische civitates foederatae bezuiden den Po gelegenheid, zich, mits binnen 60 dagen, bij den praetor urbanus als rom. burgers te doen inschrijven.

Plautiae leges, 1) iudiciaria, van den volkstribuun M. Plautius Silvanus, 89, dat uit elke der 35 tribus door het volk 15 mannen als rechters zouden gekozen worden.--2) lex Plautia agraria, zie Agrariae (leges).

Plautii of Plotii. 1) C. Plautius Proculus, consul in 358, streed met succes tegen de Hernici.--2) C. Plautius Venno Hypsaeus, consul in 347 en 341, streed in 341 tegen de Privernaten en Antiaten. In dat jaar moesten hij en zijn ambtgenoot, nog voordat hun ambtsjaar verstreken was, hunne waardigheid nederleggen, daar de senaat den op handen zijnden latijnschen oorlog aan versche mannen wilde opdragen.--3) C. Plautius Decianus, consul in 329 en 328, hield een zegetocht over de Privernaten. Hij verschafte hun daarop het Romeinsche burgerrecht.--4) C. Plautius, Venox bijgenaamd wegens het opsporen van aderen (venae) voor een waterleiding in 312, was met App. Claudius (Caecus) censor in 312. Toen er 18 maanden van hunne censuur verstreken waren, legde Plautius zijn ambt neer; Claudius daarentegen bleef in functie, om de groote bouwwerken, die hij onder handen had, de via Appia en de aqua Appia, af te maken. Het verhaal van hun oneenigheden, en dat Claudius Plautius zou om den tuin geleid hebben, is onhistorisch.--5) M. Plautius Silvanus, volkstribuun in 89; zie Plautiae leges.--6) P. Plautius Hypsaeus, quaestor van Pompeius in 66, werd in 52 wegens ambitus veroordeeld.--7) A. Plautius was ook in 66 legaat van Pompeius en in 56 volkstribuun.--8) M. Plautius Silvanus, met Augustus consul in het jaar 2, voerde onder Tiberius voorspoedig oorlog in Pannonia en Dalmatia (6-9 n. C.). Als belooning verwierf hij de ornamenta triumphalia. Hij is misschien dezelfde als Silvanus, die, wegens geweld, tegen zijne vrouw gepleegd, onder Tiberius gedagvaard, zich de aderen opende (24 n. C.).--9) Plautius Lateranus, onder Nero, werd in de samenzwering van Piso betrokken en onderging met standvastigheid den dood.--10) Plautius, rechtsgeleerde onder Vespasianus, van wien verschillende geschriften in de Pandecten worden vermeld.--11) A. Plautius veroverde als legatus Augusti pro praetore in 43 n. C. en volgende jaren het zuidelijk gedeelte van Britannia, en vierde in 47 eene ovatio; hij was de laatste, wien die eer te beurt viel, zonder keizer te zijn of tot de keizerlijke familie te behooren.--12) L. Plautius Plancus, z. Munatii no. 4.

Plautus (T. Maccius), te Sarsina in Umbria geboren ongeveer twee en een halve eeuw vóór C. Hij kwam reeds vroeg naar Rome, waar hij zich in eene ondergeschikte betrekking bij een troep tooneelspelers verhuurde. Later, toen hij zijn fortuintje of zijne spaarpenningen door speculaties verloren had, moest hij als bakkersknecht den kost verdienen. Middelerwijl schreef hij blijspelen, waarvan nog een 20tal overig is. Er waren er in de oudheid veel meer, maar de meeste daarvan werden reeds vroeg voor onecht gehouden. De stukken, die over zijn, zijn alle echt, de meeste zijn uit het begin van de 2de eeuw. De meest bekende zijn: Amphitruo, Aulularia, Captivi, Miles Gloriosus, Mostellaria, Pseudolus, Trinummus. Zij ontmoetten grooten bijval en getuigen van groot talent. Evenals die zijner voorgangers Livius Andronicus en Naevius zijn zij naar grieksche modellen bewerkt. Plautus is echter geen slaafsch navolger of vertaler, maar bewerkt zijne stof op vrijere manier, zoodat hij er eene Romeinsche kleur aan geeft. Zijn taal is levendig, pikant door geestige antwoorden en woordspelingen, terwijl tal van koddige toestanden en grappige tooneelen telkens de lachspieren in beweging brengen. Plautus stierf in 184.

Plebiscitum, besluit in een concilium plebis genomen. De gelijkstelling van plebiscita met leges geschiedde volgens de overlevering door de lex Horatia Valeria (449), de lex Publilia (339), de lex Hortensia (287). Zie echter Horatiae Valeriae (leges).

Plebs, het niet-patricische gedeelte van den rom. populus. Ze zijn vrij, maar hebben oorspronkelijk geen deel aan het bestuur van den staat. Gedeeltelijk zijn het landbouwers, en dan misschien ± 457 uit de cliënten ontstaan (zie clientes), gedeeltelijk is het dat deel van de stedelijke bevolking, dat zich met handel en industrie bezig hield. Door hare numerieke meerderheid en de macht, die zich uit de onschendbaarheid der volkstribunen ontwikkelde, gelukte het aan de plebs na langen en hardnekkigen strijd zich in de hoofdzaken gelijkstelling met de patriciërs te verwerven, zelfs in sommige opzichten (b.v. plebiscita, consulaat, censuur) voorrechten boven den adel. Deze strijd liep af in 287, toen door de lex Hortensia de plebiscita kracht van wet kregen voor het geheele volk. De afscheiding der beide standen werd opgeheven door de lex Canuleia de conubio (445).

Plectrum, plektron, een staafje van hout, ivoor of metaal, waarmede men bij het bespelen van de citer de snaren tokkelde.

Pleiades, Pliades, Pleiades, Pleiades, dochters van Atlas en Pleïone of Aethra, die door den reus Orion vervolgd werden, totdat zij op haar bidden door Zeus eerst in duiven (peleiades) veranderd en later aan den sterrenhemel geplaatst werden. Daar schitteren zij als het Zevengesternte (Vergiliae), met welks opkomst (einde April) de gunstige tijd voor de scheepvaart begint, en dat door zijn ondergang (26 October) de winterstormen aankondigt.--V. a. waren zij onder de sterren opgenomen, nadat zij zich van het leven beroofd hadden uit smart over den dood harer zusters, de Hyaden, of over het lot van haar vader.

Pleias, Pleias, een groep van 7 treurspeldichters, die in den alexandrijnschen tijd onder Ptolemaeus II bloeiden.

Pleïone, Pleione, dochter van Oceanus en Tethys, bij Atlas moeder van de Pleiades.

Pleminius (Q.), legatus van P. Cornelius Scipio, gedroeg zich in 205 als bevelhebber van Locri zeer wreed jegens de bevolking (zie Sergii no. 2). Door de Locrensers bij den senaat aangeklaagd, werd hij naar Rome gevoerd en daar gevangen gehouden. In 194 had hij een plan beraamd, om de stad op vele plaatsen tegelijk in brand te laten steken, om in de verwarring te kunnen ontsnappen. Het plan werd verraden en Pleminius gedood.

Plemmyrium, Plemmyrion, kaap op Sicilia, juist aan den mond der haven van Syracusae, tegenover Ortygia.

Plemochon, een plengoffer, waarmede de viering der eleusinische mysteriën besloten werd. Men gebruikte daarvoor schalen van eigenaardigen vorm en plengde uit de eene naar het Oosten, uit de andere naar het Westen.

Plethrum, plethron, het zesde deel van een stadium.

Pleumoxii, klein belgisch volk, waarschijnlijk in de tegenw. provincie Westvlaanderen.

Pleuron, Pleuron, zeer oude aetolische stad, ten W. van Calydon, door Demetrius Poliorcetes verwoest, waarop de inwoners iets noordelijker een Nieuw-Pleuron bouwden, waarvan de ruïnen nog over zijn.

Plexippus, Plexippos, 1) zoon van den arcadischen koning Choricus, uitvinder van het worstelen.--2) oom van Meleager, die hem bij de calydonische jacht doodde.

Plinii. 1) C. Plinius Secundus, ter onderscheiding van no. 2 maior bijgenaamd, in 23 na C. te Novum Comum (Como) geboren, bekleedde verschillende ambten in Germania, Hispania en Italia en was bij keizer Vespasianus zeer gezien. Bij de uitbarsting van den Vesuvius in 79 was hij admiraal van de te Misenum gestationneerde vloot der Tyrrheensche zee. Bij zijne pogingen om menschenlevens te redden en de uitbarstingsverschijnselen te bestudeeren, kwam hij zelf om, in de nabijheid van Stabiae. Hij had den naam, suae aetatis doctissimus te zijn, en heeft dan ook veel geschreven, waarvan echter nog slechts één groot werk over is: Naturalis historiae of Naturae historiarum l. XXXVII, eene encyclopedie, die van zijn rustelooze werkzaamheid en veelzijdigheid getuigt, doch tevens bewijst, dat hij meer verzamelaar was dan streng wetenschappelijk onderzoeker.--2) C. Plinius Caecilius Secundus, bijgenaamd minor, geb. te Novum Comum in 62 na C., neef en aangenomen zoon van no. 1 en onder diens oogen opgevoed, leerling van Quintilianus, was een der beminnelijkste en rechtschapenste mannen van zijn tijd, een talentvol redenaar, een voorstander der letteren en een trouw vriend van Traianus. Er bestaat van hem eene belangrijke en lezenswaarde verzameling brieven, waaronder ook eene ambtelijke correspondentie, die hij als stadhouder der provincie Bithynia-Pontus met den keizer voerde (111-113), alsmede eene lofrede (Panegyricus) op den keizer. Van de briefwisseling van Plinius met keizer Traianus is vooral beroemd Plinius' brief omtrent de Christenen, en Traianus' antwoord daarop. Ten onrechte heeft men aan de echtheid dezer brieven getwijfeld. Waarschijnlijk stierf Plinius omstreeks 114.

Plinthine, Plinthine, westelijke grensstad in Beneden-Aegypte aan de naar de stad genoemde golf.

Plistarchus, Pleistarchos, zoon van Leonidas, neef en pupil van Pausanias no. 1.

Plisthenes, Pleisthenes, vader, zoon of broeder van Atreus, v. s. vader van Agamemnon en Menelaus, z. Atreus.

Plisthenidas, Pleisthenides, Agamemnon of Menelaus, als zonen van Plisthenes.

Plistia, vlek in Samnium, aan de Campaansche grens, in een dal tusschen de bergen Tifata en Taburnus.

Plistoanax, Pleistoanax, -tonax, zoon van Pausanias no. 1, volgde nog als kind Plistarchus als koning van Sparta op. Hij was nog zeer jong, toen hij met Cleandridas een inval in Attica deed (446), en daar Pericles hen bewoog terug te trekken, werd Cleandridas ter dood veroordeeld, P. echter beboet en verbannen. Eerst 19 jaar later werd hij op bevel van het delphisch orakel teruggeroepen; hij deed zijn best een einde aan den peloponnesischen oorlog te maken en sloot in 421 met Nicias den vrede. Hij stierf in 408.

Plistus, Pleistos, riviertje in Phocis, waarin het water der bron Castalia vloeide en dat zich in de golf van Crisa stortte.

Plotae, Plotai = Strophades.

Plotiae (leges), zie Plautiae (leges).

Plotii, ook wel Plautii geschreven, rom. geslacht, waarvan het meest bekend is 1) Plotius Tucca, dichter en vriend van Vergilius, die met L. Varius de uitgaaf der Aeneis bezorgde.--2) Marius Plotius Sacerdos, een latijnsch grammaticus uit den tijd van Diocletianus, van wien een weinig belangrijke ars grammatica in 3 boeken over is; het derde boek handelt over de metriek.

Plotina (Pompeia), de geprezene echtgenoote van keizer Traianus, wien zij met raad en daad ter zijde stond om hem den last der regeering te helpen torschen. Aan haar vooral had Hadrianus zijne adoptie door Tr. te danken; hij eerde haar dan ook na haar dood (122) door een tempel.

Plotinus, Plotinos, van Lycopolis, geb. 205 na C., werd in 232 leerling van Ammonius Saccas, volgde 10 jaar later het leger van Gordianus naar Perzië om met de oostersche wijsbegeerte bekend te worden, welk doel hij echter door den ongelukkigen afloop van dien krijgstocht niet bereikte. In 244 trad hij als leeraar der neo-platonische wijsbegeerte te Rome op, waar hij door zijn geestdrift en zijne strenge zeden vele leerlingen vond. Zelfs wist hij bijna van Gallienus de vergunning te verkrijgen, om in Campania eene nieuwe stad, Platonopolis, te stichten, waar men geheel naar de wetten van Plato zoude leven, doch dit plan mislukte door velerlei tegenwerking. Hij stierf in 270. Zijne 54 verhandelingen, het beste dat over de neo-platonische leer geschreven is, door zijn leerling en biograaf Porphyrius in 6 Enneaden uitgegeven, bevatten vele gedachten die door latere, ook christelijke, schrijvers zijn opgenomen en uitgewerkt.

Plynteria, eene plechtigheid, die te Athene den 25en Thargelion plaats had; een zeer oud beeld van Athena Polias werd dan gesluierd naar het strand gebracht en in zee afgewasschen. De dag werd als een treurdag beschouwd, waarop men geen zaak van belang begon.

Plutarchus, Ploutarchos, 1) tyran van Eretria, die de hulp der Atheners inriep tegen Clitarchus, die door Philippus van Macedonië gesteund werd. Een atheensch leger onder Phocion herstelde hem in de regeering (350), maar om zijn verraderlijk gedrag liet men hem verder aan zijn lot over en weldra werd hij weder verdreven.--2) van Chaeronea, studeerde te Athene en kwam, na Griekenland en Italië bereisd te hebben, te Rome, waar hij de gunst van Traianus en Hadrianus genoot; hij werd consul en kreeg een soort oppertoezicht over alle magistraten van Griekenland, tegen het einde van zijn leven werd hij procurator van Griekenland. Hij stierf in zijne geboortestad als priester van Apollo, ongeveer 70 jaar oud, omstreeks 120 na C. Van zijne werken zijn vooral bekend de biografieën, Bioi paralleloi, waarin telkens op de levensbeschrijving van een Griek die van een Romein, en daarna meestal eene vergelijking (synkrisis) tusschen beiden volgt; wij bezitten daarvan nog 23 paren en 4 alleenstaande. De onpartijdigheid van den schrijver en de liefde, waarmede hij zijn onderwerp behandelt, maken de levensbeschrijvingen tot eene aantrekkelijke lectuur, ofschoon hij zonder eenige kritiek alle mogelijke bizonderheden betreffende de beschreven personen mededeelt, en allerlei anekdoten opneemt, die dikwijls meer zedekundige strekking dan geschiedkundige waarde hebben. Bovendien zijn nog van hem bewaard gebleven een zeventigtal verhandelingen op het gebied van zedekunde, wijsbegeerte, letterkunde, antiquiteiten, enz., die in weerwil van hun verschillenden inhoud den gemeenschappelijken titel van Ethika, Moralia, dragen. In al zijne werken toont hij zich een beschaafd en buitengewoon belezen man, die met recht een van de beste schrijvers van zijn tijd genoemd is.

Pluteus, houten scherm op raderen, bij belegeringen gebruikt om soldaten of werklieden tegen pijlen enz. te dekken.

Pluto, Plouton, z. Hades.

Pluvius, regengever, bijnaam, waaronder Jupiter bij langdurige droogte te Rome werd aangeroepen.

Pnyx, Pnyx, heuvel binnen Athene, ten W. van de Acropolis, plaats der volksvergaderingen.

Podalirius, Podaleirios, z. Machaon. Op de terugreis van Troje door een storm naar de kust van Carië gedreven, vestigde hij zich daar metterwoon.

Podarces, Podarkes, 1) z. Priamus.--2) zoon van Iphicles, na den dood van zijn broeder Protesilaus voor Troje aanvoerder der troepen uit Phylace.

Podarge, Podarge, eene van de Harpyieën.

Podium, balcon in den circus enz. Zie Amphitheatrum.

Poeantiades, Poiantiades, Philoctetes, zoon van Poeas.

Poeas, Poias, een van de Argonauten, vriend van Heracles en vader van Philoctetes. V. s. had hij met zijn zoon den brandstapel voor Heracles aangestoken en daarvoor diens boog en pijlen ten geschenke gekregen.

Poecile, Poikile, zuilengalerij te Athene (z. a.).

Poeni, naam waarmede de Carthagers bij de Rom. genoemd werden.

Poeninus mons, zie Alpes.

Poetelia (lex), de ambitu, van den volkstribuun C. Poetelius in 358, de eerste wet, die ambitus strafbaar stelde.

Poetelia Papiria (lex) van 326, van de consuls C. Poetelius Libo Visolus en L. Papirius Mugillanus, ut pecuniae creditae bona debitoris, non corpus obnoxium esset. Tengevolge hiervan kon wel het vermogen, maar niet langer de persoon des schuldenaars voor schulden aansprakelijk gesteld worden. Het nexum (z. a.) verviel nu, en de schuldeischer moest nu den schuldenaar voor den praetor brengen. Liet nu de praetor de addictio (z. a.) volgen, dan kwam de schuldenaar als addictus in de macht van den eischer. Ook dan wordt hij wel eens nexus of vinctus genoemd.

Poetelii, rom. geslacht, bijna alleen bekend door een paar wetten.

Poetovio, sterke vesting aan den Dravus, in Pannonia, dicht bij de grens van Noricum; in den vroegen keizertijd een der hoofdkwartieren van de pannonische legers.

Pogon, Pogon, haven van Troezen in Argolis.

Poikilmata, Poikiliai, beeld- of snijwerk ter versiering van muren en plafonds, v. a. stukadoorwerk.

Pola, Pola, thans nog zoo geheeten, oude, drukke handelsstad aan de Adriatische zee in Istria. Men vindt er nog aanzienlijke overblijfselen van rom. bouwwerken.

Polemarchos, 1) te Athene de derde archont (z. archontes).--2) te Sparta de hoogste officier na den koning, later de bevelhebber eener mora.--3) in de steden van Boeotië en van het aetolisch verbond de hoogste burgerlijke overheden.

Polemo, Polemon, 1) zoon van Andromenes, werd met zijne drie broeders van medeplichtigheid aan de samenzwering van Philotas tegen Alexander verdacht; hij vluchtte, doch nadat zijn broeder Amyntas (no. 2) vrijgesproken was, keerde hij terug. Na den dood van Alexander behoorde hij tot de partij van Perdiccas.--2) zoon van Megacles, onder Alexander bevelhebber der bezetting van Pelusium.--3) zoon van Theramenes, onder Alexander bevelhebber der vloot in Aegypte.--4) van Laodicea, werd door Antonius tot belooning voor bewezen diensten met een deel van Pontus begiftigd (39), later veroverde hij op bevel van Agrippa geheel Pontus en werd hij met de regeering daarover beloond, ook had hij reeds Klein-Armenië gekregen en eindelijk werd hij door Augustus ook koning van Bosporus gemaakt (14).--5) zoon van den vorigen, werd na den dood van zijne moeder Pythodoris, die sedert den dood van Pol. I de regeering in handen gehad had, door Caligula als koning erkend (38 na C.), doch een deel van zijn rijk (Bosporus) werd hem door Claudius (41), het overige door Nero ontnomen (63).--6) Athener, wijdde zich, nadat hij een zeer losbandig leven geleid had, met grooten ijver aan de studie der wijsbegeerte en stond na den dood van zijn leermeester Xenocrates aan het hoofd der academie (314-270). Hij beval vooral een leven in overeenstemming met de natuur aan; de dialektiek stond bij hem op den achtergrond.--7) ho periegetes, geb. in Troas, maar atheensch burger, beschreef in zijne op grondig onderzoek berustende en door latere schrijvers dikwijls aangehaalde werken de plaatsen, gebouwen, kunstwerken en vooral inscripties (vandaar zijn bijnaam stelokopas), die hij op zijne vele reizen te zien kreeg. Hij leefde ten tijde van Ptolemaeus V.--8) Antonius P., van Laodicea, geb. omstreeks 86 n. C., sophist, gaf onder Traianus en later met grooten bijval te Smyrna onderwijs, ook kwam hij verscheiden malen als gezant naar Rome. Om aan de kwellingen van de jicht te ontkomen, liet hij zich in een grafkelder opsluiten, waar hij den hongerdood stierf. Twee lijkredenen van hem zijn bewaard. Hij is waarschijnlijk ook de schrijver van een grieksch werkje over gelaatkunde, dat bewaard gebleven is.

Polemonium, Polemonion, stad op de kust van Pontus, op de plaats van het oude Side gesticht door koning Polemo I (zie Polemo no. 4). Naar de stad werd het middelste gedeelte van Pontus Pontus Polemoniacus genoemd.

Poletai, te Athene 10 beambten, die de verpachtingen en verkoopingen der eigendommen van den staat bezorgden.

Polias, Polias, bijnaam van Athena als stedenbeschermster, in welke hoedanigheid zij vooral te Athene vereerd werd.

Polichne, Polichne, 1) stad in het N. O. van Laconica.--2) stad in het N. van Messenia, ten W. van Andania.--3) stad op het eiland Chius.--4) stad op Creta bij Cydonia.--5) stad in aziatisch Ionia nabij Clazomenae.

Poliorcetes, Poliorketes, bijnaam van Demetrius no. 1.

Polis, Polis, sterkte der ozolische Locriërs op de aetolische grenzen, in het gebied van Hyaea.

Polites, Polites, 1) zoon van Priamus en Hecabe, uitmuntend door zijne snelheid in het loopen. Bij de verovering der stad werd hij voor de oogen van zijn vader door Neoptolemus gedood.--2) een van de tochtgenooten van Odysseus. Zie Lybas.

Politorium, oude latijnsche stad, door Ancus Marcius veroverd en verwoest.

Poliuchus, Poliouchos = Polias.

Pollentia, 1) stad in het N. van Picenum = Urbs Salvia.--2) stad der Bagienni (Bagenni) in Liguria.--3) rom. kolonie op het eil. Balearis maior.

Pollex als rom. maat = 1/12 voet.

Pollicem premere, vertere. Wanneer een gladiator in een tweestrijd wel gevallen, maar niet doodelijk gewond was, en door het opsteken van den wijsvinger de toeschouwers om lijfsbehoud smeekte, en deze zich lieten vermurwen, dan staken zij de vuist omhoog met ingesloten duim, pollice presso; strekte daarentegen het publiek de vlakke hand uit met den duim naar omlaag gekeerd, pollice verso, dan moest de overwinnaar den overwonnene den doodsteek toebrengen.

Pollio, zie Asinii en Vedius.

Pollis, Pollis, Spartaan, werd als gezant naar Dionysius van Syracuse gezonden, en liet zich door dezen overreden om Plato op zijne terugreis mede te nemen en op Aegina als slaaf te verkoopen (388). Als bevelhebber eener spartaansche vloot werd hij door Chabrias bij Naxus verslagen (376). Hij kwam om bij de verwoesting van Helice door een aardbeving (373).

Pollux, Polydeukes, 1) z. Dioscuri.--2) Iulius P., van Naucratis, door Commodus tot leeraar der rhetorica te Athene aangesteld, schreef o. a. een woordenboek, Onomastikon, dat voor de kennis van grieksche taal en oudheden van belang is.

Polus, Polos, 1) van Agrigentum, sophist uit de school van Gorgias, door Plato gegispt om zijn al te gekunstelden stijl.--2) leerling van Empedocles, schrijver van een werk over de rechtvaardigheid.--3) tooneelspeler te Athene ten tijde van Demosthenes.

Polyaenus, Polyainos, 1) van Lampsacus, een wiskundige, die deze studie echter geheel opgaf, toen hij een leerling van Epicurus geworden was.--2) Macedoniër, schrijver van een werk, getiteld Strategemata, dat echter niet alleen krijgslisten, maar ook een aantal daden van list en bedrog op ieder ander gebied beschrijft. Het werk is opgedragen aan M. Aurelius en L. Verus.

Polyanthes, Polyanthes, Corinthiër, in den peloponnesischen oorlog (413) bevelhebber eener vloot, later een van de leiders der anti-spartaansche partij te Corinthe.

Polybiades, Polybiades, opvolger van Agesipolis als bevelhebber van het spartaansche leger in den oorlog tegen Olynthus; door honger noodzaakte hij de Olynthiërs om vrede te vragen (380).

Polybius, Polybios, 1) van Megalopolis, zoon van Lycortas, geb. omstreeks 201, reeds vroeg onder de leiding van zijn vader en diens vriend Philopoemen tot staatsman en veldheer gevormd. Met hart en ziel toegewijd aan de belangen van het achaeïsch verbond, voorzag hij wel de gevaren, die van den kant van Rome dreigden, in den oorlog tusschen Rome en Macedonië ried hij als hipparch strenge onzijdigheid aan, maar na den val van Perseus zag hij in dat men zich niet op dit standpunt konde houden, en daar de romeinschgezinde partij weldra de overhand kreeg, moest hij zich terugtrekken. Bij de Rom. om zijne vroegere houding verdacht, behoorde hij tot de 1000 Achaeërs, die in 166 als gijzelaars naar Rome medegenomen werden. In het huis van Aemilius Paullus opgenomen, in vriendschappelijk verkeer met de voornaamste Romeinen, voelde hij langzamerhand zijne vroegere vijandschap plaats maken voor bewondering, en kwam hij tot de overtuiging, dat, bij de goed geordende staatsregeling en legerorganisatie der Romeinen, hunne macht, vooral voor zijn door partijstrijd verdeeld vaderland, onweerstaanbaar moest zijn. In 150 kreeg hij, evenals de andere gijzelaars, door bemiddeling van zijn vriend Scipio Aemilianus vergunning om naar zijn vaderland terug te keeren, maar reeds een jaar later volgde hij hem naar Africa, waar hij hem bij de belegering van Carthago vele diensten bewees. Kort na de verovering van Corinthe keerde hij naar de Peloponnesus terug, en door zijn invloed wist hij in vele gevallen het lot der overwonnenen te verzachten. Van de Romeinen kreeg hij de opdracht de verschillende steden te bezoeken, den nieuwen regeeringsvorm te helpen invoeren, en het volk voor de nieuwe toestanden te winnen, een opdracht, die hij tot groote tevredenheid van alle partijen vervulde. Misschien was het door deze bemoeiingen dat hij op de gedachte kwam een werk te schrijven, dat zijne landgenooten tot berusting zou aansporen door hen te wijzen op de natuurlijke en onvermijdelijke toeneming van de rom. macht, en hun de oorzaken daarvan aan te toonen. Dit plan bracht hij, terwijl hij te Rome woonde en meermalen ten dienste er van reizen deed, ten uitvoer door het beschrijven der rom. geschiedenis sedert het begin van den tweeden punischen oorlog tot de inneming van Corinthe. Nadat dit werk voltooid was, keerde hij naar Griekenland terug, waar hij in 120 aan de gevolgen van een val van zijn paard overleed.--Zijn werk, dat van veel politieke kennis en zorgvuldige bronnenstudie getuigt, is het eerste voorbeeld van eene pragmatische behandeling der geschiedenis--de uitdrukking pragmatike historia is van hemzelf,--daar hij niet slechts de gebeurtenissen vermeldt, maar ook oorzaken en gevolgen er van nauwkeurig mededeelt. Zijn dikwijls ruwe stijl, niet gevormd door rhetorische studiën, is niet zonder grond door sommigen soldatenstijl genoemd. Van de 40 boeken, waaruit zijne geschiedenis oorspronkelijk bestond, zijn alleen de eerste 5 volledig bewaard gebleven.--2) geleerd en invloedrijk vrijgelatene van Claudius, wien hij bij zijne studiën behulpzaam was.

Polybus, Polybos, 1) koning van Corinthe, bij wien Oedipus opgevoed werd.--2) koning van Thebe in Aegypte, die Menelaus gastvrij ontving.--3) koning van Sicyon, grootvader van Adrastus.

Polycaste, Polykaste, dochter van Nestor, v. s. gemalin van Telemachus.

Polycletus, Polykleitos, van Sicyon, beroemd beeldhouwer, jongere tijdgenoot van Phidias, dien hij nog overtrof wat betreft nauwkeurigheid en getrouwheid aan de natuur, terwijl hij daarentegen in phantasie zijn mindere was en hem dus in het maken van godenbeelden niet konde evenaren. De Herakop, op blz. 305 afgebeeld, is misschien eene copie naar P.'s beroemd Herabeeld. Andere bekende beelden zijn de Diadumenus, de Doryphorus en zijn Amazone, waarvan copiën over zijn. Een geschrift van hem, Kanon, handelde over proporties, ter verklaring van zijn Doryphorus.

Polyclitus, Polykleitos, een van de invloedrijkste vrijgelatenen van keizer Nero, die een zeer verderfelijken invloed op hem uitoefende. Hij werd in 61 n. C. met een buitengewone volmacht naar Britannia gezonden, om een onderzoek in te stellen naar het bestuur van den stadhouder Suetonius Paulinus en naar den toestand van de provincie. Als gevolg hiervan werd Suetonius teruggeroepen.

Polycrates, Polykrates, 1) van Samus, wierp zich, na omverwerping van de bestaande aristocratie, tot alleenheerscher op, waarbij hij eerst door zijne broeders Syloson en Pantagnotus geholpen werd, die hij echter spoedig op den achtergrond drong. Hij was bekend door zijn rijkdom, macht en voortdurend geluk, hij omgaf zich met aziatische weelde, dichters, o. a. Anacreon, werden gastvrij door hem ontvangen, verder verschafte hij zich een groote vloot en maakte hij Samus tot de aanzienlijkste zeemogendheid in de Aegaeïsche zee. Doch toen zijne vloot, aan Cambyses te hulp gezonden, van hem afviel, was het met de heerschappij ter zee gedaan, hoewel hij de opstandelingen onderwierp. In 522 werd hij door den satraap Oroetes, wien hij bij zijne eerzuchtige plannen in den weg stond, verraderlijk naar Magnesia gelokt en daar gekruisigd.--2) atheensch sophist, die eenige jaren na den dood van Socrates diens veroordeeling in een geschrift trachtte te rechtvaardigen.

Polycritus, Polykritos, van Mende, geneesheer aan het hof van Artaxerxes Mnemon. Of deze, of een naamgenoot van hem was de schrijver van een uitvoerige geschiedenis van Sicilië, die verloren gegaan is.

Polydamas, Polydamas, 1) trojaansch held en waarzegger, uitmuntend door wijsheid en welsprekendheid, vriend en raadsman van Hector.--2) officier van Alexander d. G., die, hoewel een vertrouwd vriend van Parmenio, het bevel om hem te dooden naar Medië overbracht. Parmenio werd verraderlijk overvallen en afgemaakt.

Polydectes, Polydektes, 1) of Polydegmon, die velen opneemt, bijnaam van Hades.--2) koning van Seriphus, z. Perseus.--3) koning van Sparta, broeder van den wetgever Lycurgus.

Polydeuces, Polydeukes = Pollux.

Polydora, Polydora, dochter van Meleager, door sommigen de gemalin van Protesilaus genoemd in plaats van Laodamia no. 2.

Polydorus, Polydoros, 1) zoon van Cadmus en Harmonia, vader van Labdacus.--2) jongste zoon van Priamus bij Laothoë, door Achilles gedood. In andere verhalen is zijne moeder Hecabe, en wordt hij tegen het einde van den trojaanschen oorlog door zijn vader aan den thracischen koning Polymestor toevertrouwd. Begeerig naar de groote schatten, die Priamus zijn zoon had medegegeven, doodt Polymestor hem na den val van Troje en werpt zijn lijk in zee, het wordt echter op het strand geworpen en toevallig door Hecabe gevonden en herkend, die nu uit wraak Polymestor de oogen uitsteekt en zijne kinderen doodt.--V. a. was zijne zuster Ilione de gemalin van Polymestor en had zij P. buiten weten van haar echtgenoot verwisseld met haar eigen kind, Deïpylus of Deïphilus. Toen nu de Grieken van Polymestor eischten, dat hij P. zou dooden, en hem daarvoor een huwelijk met Agamemnon's dochter Electra en groote geschenken beloofden, doodde hij zijn eigen zoon, later werd hij door P. met de hulp van Ilione gedood.--De pijlen waarmede P. gedood was, groeiden boven zijn graf tot een dicht myrtenbosch op.--3) zoon van Hippomedon, een van de epigonen.--4) koning van Sparta in den eersten messenischen oorlog.--5) broeder en opvolger van Iason van Pherae, stierf kort na het aanvaarden der regeering plotseling, naar men meende door de hand van zijn broeder Polyphron.--6) een van de drie beeldhouwers van de Laocoongroep, z. Laocoon.

Polyeuctus, Polyeuktos, atheensch staatsman en redenaar, vriend en partijgenoot van Demosthenes, was betrokken in het proces betreffende het geld van Harpalus.

Polygnotus, Polygnotos, van Thasus, zoon van Aglaophon, een der beroemdste schilders van Griekenland, vriend van Cimon, door de Atheners wegens zijn talent met het burgerrecht begiftigd. Zijne werken overtroffen die van zijne voorgangers in natuurlijkheid en ongedwongenheid. Onder zijne groote schilderijen zijn vooral beroemd de slag bij Marathon in de Poikile Stoa te Athene en de verovering van Troje te Delphi.

Polyhymnia, Polymnia, Muze der hymnen-dichtkunst, wordt afgebeeld met ernstige gelaatstrekken en een nauwsluitend kleed, maar gewoonlijk zonder bepaalde attributen.

Polyidus, Polyidos, -eidos, 1) achterkleinzoon van Melampus, beroemd waarzegger, z. Glaucus no. 4.--2) beroemd dithyrambendichter in de eerste helft der 4de eeuw; ook als treurspeldichter wordt hij genoemd.

Polym(n)estor, Polym(n)estor, z. Polydorus no. 2.

Polymnestus, Polymnestos, 1) vader van Battus, den stichter van Cyrene.--2) van Colophon, een van de oudste dichters van liederen, die bij de fluit gezongen werden en van de daarbij behoorende fluitmuziek (aulodia, z. tibia). Hij leefde in het midden der 7de eeuw. Dat hij berucht zou zijn geweest om zijne onzedelijke gedichten, en derhalve zulke gedichten Polymnesteia genoemd werden, berust op een verkeerde interpretatie van een antieken tekst.

Polymnia = Polyhymnia.

Polymnis, Polymnis, Thebaan, vader van Epaminondas.

Polynices, Polyneikes, zoon van Oedipus en Iocaste, broeder van Eteocles (z. a.), schoonzoon van Adrastus (z. a.).

Polyperchon = Polysperchon.

Polypemon, Polypemon, de eigenlijke naam van Procrustes.

Polyphemus, Polyphemos, 1) vriend van Heracles, met wiens zuster hij gehuwd was, nam aan den Argonautentocht deel, maar werd met Heracles in Mysië achtergelaten. Hij stichtte er de stad Cius en sneuvelde later tegen de Chalybiërs.--2) zoon van Poseidon en de nimf Thoosa, Cycloop, met één oog in het midden van zijn voorhoofd. Toen Odysseus en diens makkers in zijn land aangekomen waren en bij ongeluk in zijne woning een schuilplaats gezocht hadden, hield hij hen opgesloten en verslond hij 's morgens en 's avonds twee van hen. Nadat dit reeds driemaal geschied was, gelukte het Odysseus hem dronken te maken en stak hij hem in den slaap zijn eenig oog uit met een gloeiend gemaakten puntigen paal. Daarop ontsnapten zij met het vee van den Cycloop, die echter bijna nog hun schip door het werpen van groote rotsblokken verbrijzelde.--Zie ook Acis.

Polyphontes, Polyphontes, een Heraclide, die koning Cresphontes van Messenië doodde, daarna diens weduwe Merope tot een huwelijk dwong en zich van de regeering meester maakte, maar later door Aepytus gedood werd.

Polypoetes, Polypoites, z. Leonteus.

Poly(s)perchon, Poly(s)perchon, veldheer onder Alexander d. G., dien hij op al zijne tochten vergezelde. Na den dood van Alexander nam hij eenigen tijd voor Antipater gedurende diens afwezigheid de regeering over Macedonië waar, en toen Antipater stierf, benoemde hij P. tot zijn opvolger (319). Hierover ontevreden, verbond zich Cassander met Antigonus en Ptolemaeus, en P. zocht nu voornamelijk steun bij de democratische partij in Griekenland en wist ook Olympias (z. a.) voor zijne belangen te winnen. Een tocht naar Griekenland liep ongelukkig voor hem af, terwijl Cassander (z. a.) zich in zijne afwezigheid in Macedonië vestigde. P. verbond zich nu na afwisselende gevechten met Antigonus, hield zich in de Peloponnesus tegen Cassander staande, en kwam eindelijk naar Macedonië terug (317), maar het duurde niet lang, of hij moest weder voor Cassander vluchten. Na eenige pogingen om in de Peloponnesus eene onafhankelijke regeering te vestigen, stelde P. zich aan het hoofd der partij van Heracles, den zoon van Alexander en Barsine; door de Aetoliërs geholpen, rukte hij op Macedonië aan, maar toen hij zich door de beloften van Cassander liet overhalen om Heracles te vermoorden (309), vielen al zijne aanhangers van hem af. Toch wist hij een groot gedeelte van de Peloponnesus terug te veroveren; in 303 verloor hij echter alles behalve Messenië, waar hij waarschijnlijk spoedig gestorven is.

Polyxena, Polyxene, jongste dochter van Priamus en Hecabe, werd na de inneming van Troje op het graf van Achilles geofferd. Uit liefde voor haar zou Achilles beloofd hebben tot de Trojanen over te gaan of den vrede te bewerken, maar toen hij voor het huwelijk of voor de vredesonderhandelingen in de stad kwam, werd hij verraderlijk door Paris gedood. Bij de verdeeling van den buit verscheen nu zijn schim en eischte het offer van P.--V. a. was omgekeerd P. op Achilles verliefd geweest en doodde zij zichzelve na de inneming der stad op zijn graf.

Polyxenus, Polyxenos, aanzienlijk Syracusaan, gehuwd met de zuster van den ouden Dionysius, met wien hij later in vijandschap geraakte, waarom hij Syracuse verliet. In 387 was hij bevelhebber geweest eener vloot, die Dionysius aan de Spartanen te hulp zond.

Polyxo, Polyxo, 1) beroemde waarzegster, vertrouwde van Hypsipyle.--2) gemalin van Tlepolemus no. 1. Daar haar echtgenoot voor Troje gesneuveld was, doodde zij Helena, toen deze na den dood van Menelaus naar Rhodus kwam.

Pomerium, de heilige grens van Rome, eigenlijk de onbebouwde, door steen en palen of cippi afgebakende singel binnen en buiten den stadsmuur. Hierbij valt evenwel op te merken, dat de mons Aventinus en de mons Capitolinus wel binnen den muur van Servius Tullius lagen, maar toch buiten het pomerium. Men spreekt daarom van urbs (de eigenlijke stad) et Capitolium. Ook toen in later tijd de muur verviel, bleef het pomerium als grens der eigenlijke urbs toch bestaan. Door Sulla werd het pomerium uitgelegd zonder dat er een nieuwe muur werd opgetrokken, en na hem geschiedde dit nog meermalen. Het pomerium was ook de grens der auspicia urbana.

Pometia, zie Suessa.

Pomoerium, minder goede schrijfwijze voor pomerium.

Pomona, romeinsche godin der boomvruchten. Hare bevalligheid wekte de liefde van alle Satyrs en Faunen, van Silvanus, Picus, Priapus en Vertumnus op, doch zij weigerde hen aan te hooren, totdat Vertumnus onder de gedaante van een oude vrouw zijn aanzoek zoo dringend bij haar aanbeval, dat zij besloot zijne gemalin te worden. Haar dienst werd te Rome waargenomen door een afzonderlijken priester, den flamen Pomonalis.

Pompa, pompe, feestelijke optocht, gewoonlijk ter eere van de goden gehouden. De voornaamste optocht werd te Athene gehouden bij de Panathenaea, te Rome bij de ludi circenses.

Pomp(a)edius Silo (Q.), een van de dapperste veldheeren der bondgenooten in den marsischen oorlog. Toen hij in 88 sneuvelde (zie Caecilii no. 17), was ook de kracht van den strijd gebroken.

Pompeia (lex) van 89, van den consul Cn. Pompeius Strabo (zie Pompeii no. 9), dat aan de transpadaansche Galliërs, die in den bondgenootenoorlog aan Rome trouw gebleven waren, het ius Latii (z. a.) zou verleend worden.

Pompeiae (leges) van Cn. Pompeius Magnus. 1) lex tribunicia (70) tot herstel van de macht der volkstribunen.--2) lex iudiciaria, dat de rechters ex amplissimo censu zouden gekozen worden, d. w. z. allen riddercensus zouden hebben (een afzonderlijke census voor de senatoren bestond nog niet), met behoud echter van de drie ordines der lex Aurelia. Deze wet valt in Pompeius' tweede consulaat (55).--3) de vi en de ambitu, uit zijn derde consulaat (sine collega) in 52, gedeeltelijk tot invoering van een korteren vorm van procedure, gedeeltelijk tot verzwaring der straffen.--4) de iure magistratuum (52), dat niemand afwezig naar een ambt mocht dingen (uitgezonderd Caesar).--5) de provinciis, dat niemand eene provincie zou mogen aanvaarden binnen vijf jaar na het nederleggen van zijn ambt.

Pampeiani, een familienaam, die eerst onder de keizers voorkomt. 1) Sex. Vetulenus Civica Pompeianus, oom van L. Verus.--2) Tib. Claudius Pompeianus, met de dochter van Marcus Aurelius gehuwd, had het bevel in den oorlog tegen Germanen en Marcomannen, doch trok zich onder de regeering van Commodus uit het staatkundig leven terug. Pertinax (193 na C.) bood hem tweemaal aan het bewind aan hem over te dragen, doch Pomp. weigerde.--3) Claudius Pompeianus Quintianus, zoon van no. 2, onder Commodus wegens samenzwering ter dood veroordeeld (183).--4) Claudius Pompeianus, zoon van no. 2 en kleinzoon van keizer Marcus Aurelius, werd door Commodus vermoord.

Pompeii, aanzienlijk plebejisch geslacht. 1) L. Pompeius, hield zich als krijgstribuun met een kleine legermacht staande tegen koning Perseus van Macedonia (171), tot de consul P. Crassus met zijn leger hem ontzette.--2) Q. Pompeius, consul in 141, voerde een weinig eervollen oorlog tegen de Numantijnen en ontkwam ternauwernood het gevaar, wegens het sluiten van een verdrag (140) aan hen te worden uitgeleverd. Zie Numantia. Hij was een gevierd redenaar. In 131 was hij censor (zie Censor). Pompeius was van een zeer geringen stand en auctor nobilitatis van zijn geslacht. Hij was een tegenstander van Tib. Gracchus.--3) Q. Pompeius Rufus ijverde als volkstribuun in 100 voor de terugroeping van Q. Caecilius Metellus Numidicus (Caecilii no. 13) uit de ballingschap. In 88 was hij te gelijk met Sulla consul, doch werd in diens afwezigheid op aansporing van Cn. Pompeius Strabo (consul in 89), wiens leger hij moest overnemen, door de soldaten vermoord (88).--4) Q. Pompeius Rufus, zoon van no. 3 en schoonzoon van Sulla, kwam in 88 om bij de troebelen van Sulpicius.--5) Q. Pompeius Rufus, zoon van no. 4 en van Sulla's dochter, was een aanhanger van Cn. Pompeius Magnus, doch in 52 werd hij verwikkeld in de woelingen na den dood van P. Clodius en werd hij verbannen. Zie Caelii no. 4. In de ballingschap leed hij gebrek.--6) Pompeia, dochter van no. 4 en derde gemalin van Caesar (67), werd in 61 door hem verstooten wegens ongeoorloofde betrekkingen met Clodius.--7) Q. Pompeius Bithynicus richtte in 74 Bithynia (z. a.) tot provincie in, en ontleende hieraan zijn bijnaam. Hij was een vriend van Cicero. Hij kwam in 48 om, tegelijk met zijn bloedverwant Cn. Pompeius Magnus.--8) A. of Q. Pompeius Bithynicus, zoon van no. 7, leverde als stadhouder van Sicilia dit gewest in 43 aan Sex. Pompeius Magnus over, maar werd door hem omgebracht.--9) Cn. Pompeius Strabo, in 104 quaestor op Sardinia, in 90 rom. veldheer in den bondgenootenoorlog, was in 89 consul. Van hem is de lex Pompeia van 89. Toen in 88 de consul Q. Pompeius Rufus zijn leger wilde overnemen, liet hij hem door zijne soldaten ombrengen en bleef zelf aan het hoofd. In 87 leverde hij voor de poorten van Rome aan Marius en Cinna een slag, die onbeslist bleef. Kort daarop stierf hij, door den bliksem getroffen. Hij had groote veldheerstalenten, doch een laag en wreed karakter.--10) Sex. Pompeius, broeder van no. 9, leefde slechts voor de studie.--11) Cn. Pompeius, bijgenaamd Magnus, de bekende tijdgenoot en mededinger van Caesar, zoon van no. 9, werd, evenals Cicero, in 106 geboren. Beiden dienden in den marsischen oorlog onder Pompeius' vader, wien de zoon in 87 het leven redde door de ontdekking van een complot onder de soldaten. In den burgeroorlog wierf Pompeius in Picenum, waar zijne familie groote bezittingen had, op eigen kosten en die zijner vrienden drie legioenen, waarmede hij zich bij Sulla voegde (83). Hij versloeg in 82 bij Sena Gallica de legaten van Cn. Papirius Carbo, nam Praeneste in en bracht de partij van Marius en Cinna in Sicilia en Africa ten onder, waarbij hij den titel van imperator verwierf. Middelerwijl had Sulla hem de hand zijner stiefdochter Aemilia aangeboden (eene dochter van M. Aemilius Scaurus en Caecilia Metella) en hem den bijnaam Magnus gegeven. Wel was Pompeius gehuwd met Antistia, doch van deze scheidde hij. Aemilia stierf echter weldra, en P. huwde ten derde male met Mucia, derde dochter van Q. Mucius Scaevola, die hij echter later verstiet wegens overspel met C. Julius Caesar. Na den burgeroorlog wist P. aan Sulla de eer van een zegetocht af te dwingen, ofschoon hij nog ambteloos burger en alleen rom. ridder was. Na Sulla's dood bedwong hij den oproerigen consul M. Aemilius Lepidus (77), doch weigerde vervolgens zijn leger af te danken en verlangde met proconsulaire macht naar Hispania te worden gezonden, waar Q. Caecilius Metellus Pius (Caecilii no. 17) vruchteloos de overblijfselen der mariaansche partij onder Q. Sertorius trachtte te vernietigen. Het geluk diende Pompeius; Sertorius viel door samenzwering (zie Perperna) en met zijn dood was de strijd beslist (72). Op zijn terugtocht (71) vernietigde P. eene bende van 5000 zwaardvechters, die aan Crassus ontkomen, een goed heenkomen uit Italia zochten. Met Crassus werd hij voor het jaar 70 tot consul verkozen. Daags voor het aanvaarden van zijn ambt hield hij den hem toegekenden triumftocht, om dit nog te kunnen doen als rom. ridder. Daar hij echter den senaat van zich vervreemd had, begreep hij elders een steun te moeten zoeken, om zijne eerzucht te bevredigen. Onder hevige twisten met zijn ambtgenoot herstelde hij door zijne lex Pompeia de vroegere macht der volkstribunen. De belooning bleef niet uit. Door de lex Gabinia (67) en de lex Manilia (66) werd hem achtereenvolgens het bevel in den zeerooveroorlog en in den oorlog tegen Mithradates opgedragen. De zeeschuimerij werd voor het oogenblik uitgeroeid; Mithradates en zijn schoonzoon Tigranes van Armenia, reeds door Lucullus uitgeput, waren spoedig onschadelijk gemaakt, Syria en Palaestina werden onder rom. gezag gebracht. In 62 kwam P. in Italia terug en vierde een schitterenden zegetocht. De senaat evenwel weigerde de beschikkingen van P. in het Oosten te bekrachtigen (60). Hierdoor gekrenkt, sloot hij zich bij Caesar en Crassus aan, en het verbond, het zoogenaamde eerste driemanschap, werd bezegeld door een nieuw huwelijk van P. met Caesars dochter Julia (59). Pompeius zag nu zijne beschikkingen door den senaat goedgekeurd. Terwijl Caesar in Gallia was, werd P. in 55 andermaal met Crassus consul en kreeg Hispania tot provincie met verlof, het door legaten te laten besturen en zelf te Rome te blijven, in naam om het oog te houden op mogelijke woelingen van mededingers. Dit was zijn ongeluk: hij was krijgsman, geen staatsman. Julia wist, zoolang zij leefde, botsingen tusschen haar echtgenoot en haar vader te voorkomen, doch toen zij in 54 overleden was en Crassus in 53 was omgekomen, waren alle banden tusschen Pompeius en Caesar verbroken. Pompeius wist geene andere taktiek te volgen dan achter de schermen woelingen aan te stoken. Rome verkeerde in een staat van volkomen regeeringloosheid, en zoo werd na den dood van P. Clodius, op voorstel van den senaat, Pompeius tot consul zonder ambtgenoot gekozen (52), met opdracht de orde te herstellen en met de macht zich, als hij het geraden achtte, een ambtgenoot toe te voegen. Metellus Scipio, die ook naar het consulaat had gedongen, zag zich door deze wending teleurgesteld, doch sloot zich weldra bij Pompeius aan en werd diens schoonvader en medeconsul. Pompeius zocht nu zijn verderen steun bij de optimatenpartij. In het ijdel zelfvertrouwen, dat hij de macht in handen had, trad hij nu met allerlei willekeurige handelingen en eischen tegen Caesar op. Deze echter was op alles voorbereid en overrompelde Pompeius, die met het meerendeel der partij naar Griekenland week, waar hij 6 Juni 48 door Caesar bij Pharsalus eene beslissende nederlaag leed. Met zijne vrouw Cornelia en zijn zoon Sextus vluchtte hij naar Aegypte, doch werd in de koninklijke boot, waarmede Ptolemaeus XII hem eershalve van boord liet halen, door diens voogd Achillas verraderlijk van achteren vermoord, ten aanschouwen zijner betrekkingen en vrienden, die aan boord waren gebleven.--12) Cn. Pompeius Magnus, oudste zoon van no. 11 uit diens derde huwelijk, zette den oorlog tegen Caesar voort, doch werd in 46 bij Thapsus in Africa en in 45 bij Munda in Hispania verslagen en op de vlucht achterhaald en omgebracht.--13) Sex. Pompeius Magnus, jongere broeder van no. 12, van dezelfde moeder (Mucia), deelde zijns broeders lotgevallen tot aan diens dood. Uit Africa en Hispania verdreven, verzamelde hij de overblijfselen zijner partij ter zee. Na Caesars dood (44) verkeerde hij met den rom. staat half op voet van vrede, half op voet van oorlog. Bij de verdeeling van het rijk tusschen Octavianus, Antonius en Lepidus eischte Sextus Pompeius ook zijn aandeel en bedreigde met zijne machtige vloot den rom. korenaanvoer. Daar met zulk een tegenstander rekening moest worden gehouden, werden hem Sicilia, Sardinia, Corsica en de Peloponnesus afgestaan (39). Doch de goede verstandhouding kon niet duurzaam zijn; van de eilanden uit kon P. met zijne machtige vloot Italië met hongersnood bedreigen, terwijl het den driemannen er om te doen moest zijn, elken mededinger onschadelijk te maken. Eindelijk barstte de bom voor goed; aan Agrippa, den admiraal van Augustus, gelukte het, de vloot van Pompeius bij Naulochus te vernietigen (36). Deze laatste vluchtte naar Azië. Toen hij daar echter plannen tegen Antonius op touw zette, werd hij te Miletus omgebracht.--14) Sex. Pompeius, consul in 14 na C. en later stadhouder van Asia, was een vriend van Ovidius, die verscheiden brieven aan hem gericht heeft.--15) Pompeius Varus was een oud krijgsmakker van Horatius in den slag bij Philippi.--16) Pompeius Grosphus, rijk grondbezitter op Sicilia, behoorde tot de vrienden van Horatius.--17) Pompeius Festus, zie Festus.--18) Pompeius Trogus, zie Trogus.

Pompeii, Pompeioi, Pompeia, oude stad van Campania, bloeiend rom. municipium, aan den mond van den Sarnus. Evenals de overige plaatsen aan den sinus Cumanus, was ook Pompeii een geliefkoosd zomerverblijf voor rijke Rom. In 63 na C. had het veel te lijden door eene aardbeving, doch het verrees uit zijne puinhoopen schooner dan te voren. In 79 echter, bij de uitbarsting van den Vesuvius werd het bedolven onder een regen van asch, zand en puimsteen. In 1689 werd de stad toevallig ontdekt. In het begin der 18de eeuw is men met de uitgravingen begonnen, doch met weinig kracht en zonder geregeld plan. Eerst in de 19de eeuw is de opdelving van regeeringswege met nadruk ter hand genomen en de kleinste helft der stad bloot gelegd. Behalve houtwerk en daken zijn openbare en bijzondere gebouwen vrij goed bewaard gebleven. Ten gevolge van deze opgravingen kunnen we nu duidelijk de volgende perioden in de geschiedenis der stad onderscheiden. De stad is gesticht door Osci (zie Campania), die onder den invloed staan der Grieken van Cumae, Dicaearchia (Puteoli) en Parthenope (Napels); uit deze periode zijn de overblijfselen van den griekschen tempel (6de eeuw). Vervolgens is de stad verwoest en weer opnieuw opgebouwd door de Etrusci, die weer later wijken moeten voor de Samnieten, onder wie de stad een tijdperk van grooten bloei beleeft (200-80). In 80 wordt de stad romeinsch municipium, gaat eerst achteruit, en begint eerst weder tot bloei te komen sedert den tijd van Augustus. Bij de uitbarsting had ze ongeveer 25.000 inwoners.

Pompeiopolis, latere naam van Soli.

Pompelo, Pompelon, hoofdstad der Vascones in Hispania Tarraconensis, thans Pampeluna.

Pompilii, een weinig bekend geslacht. Over koning Numa Pompilius zie Numa. Onder de Catilinarii komt ook een Pompilius voor.--M. Pompilius Andronicus, een Syriër van geboorte, grammaticus uit den tijd van Sulla en Cicero, trok zich uit Rome terug naar Cumae, omdat hij bij anderen achtergesteld werd, en schreef daar een werk over de Annalen van Ennius (Annalium Enni Elenchi), dat door Orbilius werd uitgegeven.

Pomponii, een plebejisch gesl. 1) Q. Pomponius, volkstribuun in 395, verzette zich tegen de verhuizing der plebs naar Veji en beliep daarvoor eene geldboete.--2) M. Pomponius, een vriend van C. Gracchus, kwam met dezen om.--3) L. Pomponius Bononiensis, ± 90, beroemd atellanendichter.--4) Cn. Pomponius, beroemd als redenaar, kwam in den burgeroorlog van 82 om het leven.--5) T. Pomponius Atticus, Cicero's vriend, een merkwaardige figuur in zijn tijd, omdat hij geheel vrij wist te blijven van partijschap en om zijn beminnelijk karakter, zijne ongemeene beschaving en zijne milddadigheid bij alle partijen gezien was, bij Sulla en bij den jongen Marius, bij Cicero en bij Antonius. Hij heeft nooit naar eenig ambt gedongen. Te Athene, waar hij een tijd lang verblijf hield, richtte men standbeelden voor hem op. Hij stierf in 33, 77 jaar oud. Van zijne werken is niets overgebleven. Hij schreef o. a. annalen in het Latijn en eene geschiedenis van Cicero's consulaat in het Grieksch. Zijne levensbeschrijving vindt men bij Cornelius Nepos, terwijl er ook eene rijke verzameling brieven van Cicero aan hem bestaat.--6) Pomponius Graecinus was een vriend van Ovidius.--7) L. Pomponius Flaccus, broeder van no. 6, bekleedde onder Tiberius verschillende hooge posten. Hij was consul in 17 n. C., daarna stadhouder van Moesia, en later van Syria, waar hij in 33 of 35 gestorven is.--8) P. Pomp. Secundus, handlanger van Seianus, ontkwam in 31 n. C. den dood, doordat zijn broeder hem gevangen liet zetten. Gaius liet hem vrij (37); onder Claudius streed hij (in 50) als legatus p. p. Germaniae Superioris tegen de Chatten, en verkreeg de insignia triumphalia. Zijn vriend, Plinius de oude, heeft zijn leven beschreven. Onder de keizers worden nog genoemd: Q. Pomp. Secundus, onder Caligula, Pomponius Labeo, Pomp. Bassus, e. a.--9) Sex. Pomponius, beroemd jurist onder Hadrianus en Antoninus Pius.--10) Pomponius Mela, geograaf, zie Mela.--11) Pomponius Porphyrio, zie Porphyrio.--12) Pomponia Graecina, vrouw van A. Plautius (Plautii no. 11), werd in 57 n. C. aangeklaagd van het deelnemen aan vreemde eerediensten, waaronder v. s. het Christendom te verstaan is. De behandeling van de zaak werd aan haar man overgelaten, die haar vrijsprak.

Pomptinae Paludes, moerasstreek van Latium, die langs de Volscerbergen zich uitstrekt tot aan Anxur en Circeii. Het is oorspronkelijk zeebodem geweest. Duinen beletten de afwatering der riviertjes Amasenus en Ufens, die de streek langzaam gevuld hebben. In de vroege oudheid waren de moerassen nog tamelijk beperkt van omvang; later zijn ze langzamerhand, niettegenstaande alle pogingen om het water te doen wegstroomen, grooter geworden, zoodat in de middeleeuwen de via Appia, die er in 312 in rechte lijn doorheen gevoerd is, onbegaanbaar was geworden.

Pomptinus (C.) hielp als praetor in 63 Cicero bij het ontdekken der Catilinarische samenzwering, voerde later (62/61) als propraetor den oorlog tegen de Allobroges, verkreeg slechts met groote moeite de eer van een triumf (54), en ging in 51 met Cicero als legaat naar Cilicia.

Pontes, smalle bruggetjes met leuningen, waarover slechts één persoon tegelijk kon gaan, ten einde gedrang bij de stembus of bij het uitreiken der stemtafeltjes te voorkomen. Z. ovile, en Maria (lex) de suffragiis ferendis.

Pontia, Pontia, bijnaam van Aphrodite, Thetis, de Nereïden e. a. zeegodinnen.

Pontia, het grootste der insulae Pontiae op de kust van Latium tegenover Formiae; oorspronkelijk volscisch gebied, sedert 313 lat. kol., onder de rom. keizers een verbanningsoord.

Ponticus, rom. episch dichter en vriend van Ovidius.

Pontifices, rom. priestercollege, belast met het toezicht over den godsdienst. Aan hun hoofd stond de pontifex maximus, aan wien de geheele priesterschap ondergeschikt was, al stonden ook in rang de rex sacrorum en de drie flamines maiores boven hem. Hij was lid van den senaat en woonde in de Regia, het oude koningshuis. Als deskundigen werden de pontifices geraadpleegd in alle zaken, het ius divinum betreffende. Onder hunne gewone godsdienstige verplichtingen behoorden het opmaken en afkondigen van den kalender, het verrichten van zekere offers (zie Argei), het onderhoud van de paalbrug (pons sublicius) over den Tiber, de wijding der hooge priesters en der vestaalsche maagden. Als teekenen hunner waardigheid droegen zij den apex en de infula. Vóór de lex Ogulnia (300) waren er eerst drie, later 6 pontifices, allen patriciërs, doch deze wet bepaalde het aantal op 9, waarvan er 5 plebejers moesten zijn. De p. maximus werd reeds in de 3de eeuw uit den boezem van het college gekozen door eene gedeeltelijke volksvergadering, n.l. door 17 van de 35 tribus, hiertoe door het lot aangewezen. De verkiezing van nieuwe leden had plaats door cooptatio, totdat de lex Domitia (104) voorschreef, dat ook deze verkiezing door 17 tribus zou plaats hebben en dan voor den vorm de aldus voorgedragen persoon door het college zou worden gecoöpteerd. Sulla herstelde de cooptatio, en bracht het aantal pontifices op 15. De lex Attia (of Labiena) van 63 voerde de lex Domitia weder in, zie Attia lex. Sedert Augustus behoorde de waardigheid van pontifex maximus tot de attributen des keizers; in den regel werd zij hem bij senaatsbesluit opgedragen.

Pontii. 1) Gavius C. Pontius, zoon van C. Pontius Herennius, veldheer der Samnieten, sloot in 321 het rom. leger in de bergengte van Caudium in, waar het de wapenen moest afleggen en onder het juk doorgaan. In 292 werd hij verslagen en gevangen genomen door den rom. consul Q. Fabius Maximus Gurges en, na diens triumftocht te hebben opgeluisterd, te Rome onthoofd.--2) Pontius Telesinus, samnietisch veldheer in den bondgenootenoorlog, later met de partij van Marius verbonden, sneuvelde in 82 vóór de poorten van Rome. Een broeder, evenzoo geheeten, kwam in hetzelfde jaar bij de inneming van Praeneste om.--3) Pontius Cominius, een jong Romein, beklom om van den senaat het verlof te verwerven tot het terugroepen van Camillus, dien de soldaten te Veii tot dictator wenschten, in 390 met levensgevaar de rots van het Capitool, dat door de Galliërs belegerd werd. De Galliërs vonden zijn spoor en zouden den burg overrompeld hebben, zoo niet de ganzen onraad hadden bespeurd.--4) L. Pontius Aquila, hevig vijand van Caesar en deelgenoot der samenzwering tegen hem, sneuvelde als legaat van D. Brutus in den mutinensischen oorlog, in 43. Hij was een goed bekende van Cicero.--5) Pontius Pilatus, landvoogd van Judaea, onder wien Jezus Christus gekruisigd werd (6 April 30), werd na een tienjarig bestuur in 36 na C. afgezet. Omtrent zijn dood waren later vele verhalen in omloop. O. a. wordt verteld, dat hij zichzelf van kant gemaakt heeft.

Pontinius = Pomptinus (C.)

Pontus, Pontos, personificatie der zee, zoon van Aether en Gaea, en bij Gaea weder vader van Nereus, Thaumas, Phorcys, Ceto en Eurybia.

Pontus, Pontos. Het noordelijkste gedeelte van Cappadocië werd onder de perzische heerschappij als een afzonderlijke satrapie beheerd, en heette sedert dien tijd Cappadocia ad Pontum, of ook wel kortweg Pontus. Het was rijk aan zwaar timmerhout, dat voor den scheepsbouw zeer gezocht was, het leverde ook ijzer en staal (chalyps, in het land der Chalybes); in het W. bracht het veel graan voort. In 363, onder de regeering van den perzischen koning Artaxerxes II, gelukte het den satraap Ariobarzanes in Pontus een zelfstandig rijk te stichten, dat later het oppergezag van Alexander den Gr. en vervolgens van Seleucus erkende, maar tegen het einde der derde eeuw onder paphlagonische vorsten zich verhief en zijn hoogsten bloei bereikte onder Mithradates VI Eupator, den grooten vijand der Rom. Toen deze in 63 door Pompeius verslagen was, werd Pontus, waartoe destijds ook Paphlagonia behoorde, versnipperd. Een deel van het paphlagonische binnenland, met de hoofdstad Gangra, werd aan de afstammelingen van vroegere vorsten afgestaan, doch in 7 met Bithynia vereenigd. Een ander gedeelte, ten Z. der stad Amasea, werd aan Deiotarus, koning van Galatia, geschonken en Pontus Galaticus geheeten. Een ander gedeelte, in het midden, met de kuststreek tusschen Side (het latere Polemonium) en Trapezus werd door Antonius aan Polemo (z. a. no. 4), een kleinzoon van Mithradates VI, gegeven en Pontus Polemoniacus genoemd. Het oostelijke deel kwam aan Cappadocia als Pontus Cappadocicus. Het westelijke kustland van Side tot aan den Parthenius werd in 63 bij Bithynia ingelijfd.

Pontas Euxinus, de tegenwoordige Zwarte zee. Om de onherbergzaamheid harer kusten, voordat deze met grieksche volkplantingen bezet waren, werd deze zee oudtijds axenos, axeinos, maar vervolgens ominis causa euphemistisch Pontos Euxeinos genoemd.

Popilia (via), 1) van Capua naar Regium, in 159 door den censor M. Popilius Laenas aangelegd.--2) van Ariminum over Ravenna naar Aquileia, in 132 door den consul P. Popilius aangelegd.

Popi(l)lii, plebejisch geslacht. 1) M. Popillius Laenas, consul in 359, onderdrukte door zijn krachtige taal een opstand der plebs tegen den senaat. Later bekleedde hij het consulaat nog driemaal, in 356, in 350, in welk jaar hij een inval der Galliërs afsloeg, (v. s. heeft deze inval plaats gehad in 348 of 349) en in 348.--2) M. Popillius Laenas, consul in 173, overwon de Liguriërs. Wegens zijne onbillijke hardheid tegen de overwonnenen ontging hij slechts ternauwernood eene veroordeeling. Zie Marcia (lex) de Liguribus deditis.--3) C. Popillius Laenas, broeder van no. 2, consul in 172, werd in 168 als gezant tot den syrischen koning Antiochus IV Epiphanes gezonden, die bezig was Aegypte te veroveren. Hij gelastte den koning namens den romeinschen senaat, Aegypte onverwijld te verlaten. Toen Antiochus een tijd van beraad vroeg, trok Popillius met zijn staf, dien hij in de hand had, om den koning een kring en verbood hem op ruwen toon dezen te verlaten, alvorens antwoord te hebben gegeven. Hierdoor ontsteld, gaf de koning toe.--4) M. Popillius Laenas, consul in 139, streed in het volgende jaar ongelukkig tegen de Numantijnen.--5) P. Popillius Laenas, consul in 132, vervolgde de aanhangers van Tib. Gracchus met groote gestrengheid. C. Gracchus bewerkte uit weerwraak in 123 zijne verbanning, waaruit hij door de lex Calpurnia van 121 teruggeroepen werd. Hij heeft als consul de via Popilia aangelegd, die Aquileia met Ariminum verbond.--6) C. Popillius Laenas, zoon van no. 5, was in 107 legaat van den consul L. Cassius Longinus (Cassii no. 3), die in den slag tegen de Tiguriners (een deel der Helvetiërs) sneuvelde. Popillius kocht voor het overschot van het leger vrijen aftocht en gaf gijzelaars. Hiervoor werd hij bij zijne terugkomst te Rome door den volkstribuun C. Caelius aangeklaagd. Hij begaf zich vrijwillig in ballingschap.--7) Popillia, moeder van Q. Lutatius Catulus, was de eerste rom. vrouw, op wie bij hare begrafenis eene lijkrede werd uitgesproken.--8) P. Popillius. zoon van een vrijgelatene, werd in 70 wegens ambitus veroordeeld.--9) C. Popillius Laenas, ook de zoon van een vrijgelatene, voerde als krijgstribuun de soldaten aan, die Cicero op zijne vlucht najoegen en vermoordden.

Popina, zie caupona.

Poplicola, familienaam in de gens Valeria (Valerii no. 1, 5, 6, 10-12) en de gens Gellia (Gellii no. 3 en 4).

Poppaei. 1), C. Poppaeus Sabinus, consul in 9 na C., werd in 12 stadhouder van Moesia en kreeg later onder Tiberius nog Achaia en Macedonia als provinciën er bij, die hij tot aan zijn dood (35) bleef besturen. Wegens zijne overwinning op de Thraciërs werden hem in 26 de insignia triumphalia. toegekend.--2) Q. Poppaeus Secundus, broeder van no. 1, ook consul in 9 na C., hoewel niet te gelijk met zijn broeder, was een van de makers der lex Iulia et Papia Poppaea.--3) Poppaea Sabina, dochter van no. 1, om hare schoonheid beroemd, door den haat der keizerin Messalina tot zelfmoord gedreven (47).--4) Poppaea Sabina, dochter van no. 3 en van T. Ollius (z. a.), eene vrouw van buitengewone schoonheid, in tweede huwelijk de vrouw van M. Salvius Otho, die haar in ruil voor het stadhouderschap van Lusitania aan Nero afstond. Haar ter wille verstiet Nero zijne gemalin Octavia, doch drie jaar later gaf hij Poppaea in hare zwangerschap een trap, waaraan zij bezweek (65). Zij beschermde de Joden.

Populonia, -ium, Popylonion, oude stad van Etruria, die reeds in de 6de eeuw munten sloeg, doch niet eene van de 12 bondssteden, aan zee gelegen. De stad was belangrijk door haar ijzerhandel (zie Aethalia). Zij werd door Sulla verwoest en niet herbouwd, haar haven echter werd door de Rom. opnieuw ingericht en verbeterd. Ten N. van de stad lag de badplaats Aquae Populoniae.

Porciae (leges) de provocatione, drie in getal, van drie verschillende Porcii, zonder dat men aangegeven vindt van welke Porcii zij afkomstig zijn. Zij vallen tusschen den tweeden punischen oorlog en den tijd der Gracchen. Eéne is waarschijnlijk van P. Porcius Laeca, tribunus plebis in 199, of van M. Porcius Laeca, praetor in 195. Al deze drie wetten bedreigden de overheid, die een rom. burger in strijd met de provocatio had laten kerkeren, geeselen of ter dood brengen, met zware straffen. Bovendien strekten zij de provocatio uit over de burgers in het geheele rijk.

Porcii, plebejisch geslacht. De familiën der Licini en der Laecae hebben geene geschiedkundig belangrijke personen opgeleverd, wel daarentegen die der Catones. 1) M. Porcius Cato, bijgenaamd maior of censorius, was in 234 te Tusculum geboren. Op zeventienjarigen leeftijd nam hij deel aan den oorlog tegen Hannibal, in 209 deed hij als miles dienst in het leger van Fabius Maximus (Fabii no. 16), die Tarentum heroverde. Zijne quaestuur valt in 205 en wel op Sicilia en in Africa, waarheen hij P. Scipio begeleidde. Over Sardinia terugkeerend bracht hij van daar Q. Ennius mede naar Rome. Als praetor in 198 bestuurde hij Sardinia. In 195 was hij consul. Als proconsul bedwong hij een opstand in Hispania, nam daarna deel aan den syrischen oorlog (o. a. droeg hij als krijgstribuun zeer bij tot de overwinning bij de Thermopylae 191), en werd in 184 censor. Hij stierf in 149, gezond van geest en lichaam. Cato was een ouderwetsch Romein, sterk gekant tegen alles wat niet nationaal was en dus ook tegen grieksche letteren en kunst, in welk opzicht hij lijnrecht tegenover de Scipio's stond. Ook als democraat en verdediger van de rechten van den kleinen boeren- en burgerstand bestreed hij met groote heftigheid de Scipio's en hun aanhang. Met groote gestrengheid ging hij als censor tegen alles te keer, wat in zijne oogen naar weelde zweemde of de eenvoudigheid van zeden kon ondermijnen. Hij was een man van strenge tucht en van stipte rechtvaardigheid, behalve waar het Carthago gold, getuige zijn onophoudelijk: censeo Carthaginem esse delendam. Geen tegenstand ontmoedigde hem; tot zijn dood toe bleef hij de kampioen voor het oude, hoewel hij op zijn ouden dag toch nog grieksch ging leeren. Hij is de eerste romeinsche prozaschrijver geweest. Van zijne talrijke werken en redevoeringen is, behalve fragmenten, slechts één werk overgebleven: de agri cultura of de re rustica. Hij heeft ook een geschiedkundig werk geschreven onder den titel van Origines, dat van Rome's stichting tot op Cato's tijd moet geloopen hebben. De disticha Catonis zijn niet van hem, maar uit de 3de eeuw n. C. Als censor bouwde hij de basilica Porcia.--2) M. Porcius Cato, zoon van no. 1, een bekwaam rechtsgeleerde en een veelbelovend jong man, stierf vóór zijn vader in 152.--3) M. Porcius Cato Licinianus, zoon van no. 2, was consul in 118.--4) C. Porcius Cato, zoon van no. 3, werd als consul in 114 door de Scordisci verslagen, werd later beschuldigd zich door Jugurtha te hebben laten omkoopen, en ging in ballingschap.--5) L. Porcius Cato, sneuvelde als consul in 89 in den bondgenootenoorlog.--6) M. Porcius Cato, vader van Cato Uticensis (no. 8), stierf terwijl hij candidaat was voor de praetuur.--7) C. Porcius Cato, een vrij woelziek persoon, behoorde onder de vrienden van P. Clodius en was eerst een tegenstander van Pompeius, doch verzoende zich met dezen.--8) M. Porcius Cato, bijgenaamd Uticensis, zoon van no. 6, was een der edelste karakters uit de laatste halve eeuw der republiek. Hij werd geboren in 95, was in 65 quaestor urbanus, en beheerde toen de finantiën van den staat op voortreffelijke wijze; hij werd voor het jaar 62 tot volkstribuun gekozen, en werkte in het laatst van 63 mede, om de vier aanhangers van Catilina ter dood te doen veroordeelen. Als voorvechter der aristocratie kantte hij zich met kracht tegen het streven van Caesar, Pompeius en Crassus, doch bracht door zijn tegenstand juist een nauwere aansluiting tusschen de drie te weeg. In 58 werd hij tijdelijk uit Rome verwijderd, zie Clodiae leges no. 7. Hij kweet zich voortreffelijk van de hem opgedragen taak. In den burgeroorlog koos Cato de partij van Pompeius, die hem echter om zijne republikeinsche gezindheid met koelheid bejegende en zijne raadgevingen in den wind sloeg, zoodat Cato zich naar Rhodus begaf. Na Pompeius' nederlaag en dood en na den slag bij Thapsus sloot Cato zich binnen Utica op, met het plan zich tegen Caesar te verdedigen. De aanwezige Rom. deelden echter zijn moed niet. Cato liet nu allen die weg wilden, aan boord zijner vloot gaan en toen deze uitgezeild was, stiet hij zich, na eerst in Plato's Phaedo gelezen te hebben, het zwaard in de borst. De wond was niet terstond doodelijk; hij rukte echter het aangelegde verband af en liet zich doodbloeden, daar hij den ondergang der republiek niet overleven wilde (April 46).--9) M. Porcius Cato, zoon van no. 8, was bij zijns vaders dood aanwezig. Hij verzoende zich met Caesar, ging na diens dood tot Brutus over en sneuvelde bij Philippi.--10) Porcia, zuster van no. 9, de waardige dochter van een heldhaftigen en edelen vader, was eerst met M. Calpurnius Bibulus (Calpurnii no. 17) en na diens dood met M. Brutus (Junii no. 9) gehuwd.--11) M. Porcius Latro, beroemd rhetor onder Augustus, uit Hispania afkomstig, leermeester van Ovidius en vriend van Seneca (den vader).--12) M. Porcius Laeca, deelgenoot aan de samenzwering van Catilina. In zijn huis had de samenkomst plaats, waar besloten werd, den daarop volgenden morgen Cicero te vermoorden.--13) Porcius Festus, z. Festus no. 1.

Poristai, beambten bij het financiewezen te Athene, van wier werkkring en bevoegdheid niets naders vermeld wordt, dan dat zij voor de inkomsten van den staat te zorgen hadden. Misschien dienden zij alleen in buitengewone gevallen tot bijstand van den tamias.

Porphyreon, Porphyreon, stad in Phoenice, ten N. van Sidon.

Porphyrio (Pomponius), uitlegger van Horatius uit de 3de eeuw na C. Zijn commentaar op Horatius is nog grootendeels bewaard gebleven.

Porphyrio, Porphyrion, een gigant, een van de aanvoerders bij de Gigantomachia, werd door Heracles verslagen.

Porphyrius, Porphyrios, van Batanea in Syrië, geb. 233 na C., ontving zijne eerste opleiding te Tyrus, en kwam later naar Athene, waar hij de leerling werd van Longinus, die zijn oorspronkelijken naam Malchus in P. vertaalde. 30 jaar oud ging hij naar Rome, waar hij 6 jaar lang met den grootsten ijver de lessen van Plotinus volgde. Tot herstel zijner gezondheid bracht hij vervolgens 5 jaar op Sicilië door, daarna keerde hij naar Rome terug en na den dood van Plotinus trad hij als leeraar der wijsbegeerte op. Hij stelt zich voornamelijk ten doel de leer van Plotinus te verdedigen en te verklaren, en te bewijzen dat deze in den grond der zaak hetzelfde geleerd heeft als Plato en Aristoteles. Zijn voornaamste leerling was Iamblichus. Op vrij hoogen leeftijd trouwde hij met Marcella, een arme weduwe met zeven kinderen; hij stierf in 304. Zijne veelomvattende geleerdheid, de duidelijkheid en nauwkeurigheid van zijne werken, en vooral zijne eerlijkheid werd algemeen, ook door zijne tegenstanders, erkend; ook hebben zijne werken tot laat in de middeleeuwen grooten invloed op de studie der wijsbegeerte gehad. De meeste er van, o.a. een in 15 boeken kata Christianon, zijn verloren gegaan; van die, welke bewaard gebleven zijn, zijn de voornaamste het leven van Plotinus en dat van Pythagoras en zijne verklaringen van Homerus.

Porrima, z. Carmenta.

Porsenna of Porsena, Porsenas, koning of lars der etrurische stad Clusium, belegerde op verzoek van den verdreven Tarquinius Superbus de stad Rome. Hoewel hij Tarq. niet op den troon terugbracht, moesten de Rom. toch door afstand van grond den vrede verkrijgen. Het volksverhaal echter vermeldt, dat P., door den moed van Horatius Cocles en van Mucius met bewondering en ontzag vervuld, onverrichter zake aftrok. Dit is de gewone voorstelling. Volgens oudere berichten heeft P. de stad ingenomen, en is ze een tijdlang aan hem onderworpen geweest; de Romeinen mochten geen ander ijzer gebruiken dan wat ze voor den landbouw noodig hadden.

Portentum, zie auguria.

Porthaon, -theus, Porthaon, -theus = Parthaon.

Porthmus, Porthmos, haven in het gebied van Eretria op Euboea, aan de Z.-kust, ten O. van die stad.

Portuensis (via), van Rome naar Portus Augusti.

Portunus, Portumnus, oorspronkelijk een god van de deuren en poorten, evenals Janus, later havengod bij de Rom., had te Rome een tempel bij de haven van den Tiber, waar jaarlijks den 17den Augustus de Portumnalia gevierd werden. Hij werd afgebeeld met een sleutel in de hand. Later werd hij geheel geïdentificeerd met Palaemon.

Portus Augusti, de nieuwe haven aan den mond van den Tiber, door keizer Claudius ten N. van Ostia aangelegd.

Portus Herculis, zie Cosa.

Porus, Poros, vorst van een indisch rijk tusschen den Hydaspes en den Acesines, trachtte Alexander den overtocht van den Hydaspes te beletten, maar werd met zijn groot leger verslagen (326). Getroffen door zijn edel karakter, liet Alexander hem de regeering behouden en vergrootte hij zijn gebied nog door toevoeging van een naburig rijk, waarover een anderen P. regeerde. Hij werd later (318) door Eudemus, den bevelhebber der grieksche troepen in Indië, verraderlijk gedood.

Porus, Poros of Porinos lithos, tufsteen, waarvan de tempel van Delphi, behalve de voorgevel, en ook die van Zeus te Olympia gebouwd was. De voorgevel van den Delphischen tempel was van marmer, Parios lithos, z. Delphi en Alcmaeonidae.

Poseidon, Poseidon, -daon, Neptunus, zoon van Cronus en Rhea, kreeg bij de verdeeling der heerschappij over het heelal de regeering over de zee, op welker bodem hij met Amphitrite en hunne kinderen zijn gouden paleis bewoont. Hij omvat en steunt de geheele aarde (Gaieochos), heerscht over alle godheden en veroorzaakt alle verschijnselen der zee, met zijn drietand doet hij naar verkiezing stormen opsteken en bedaren, rotsen splijten, de aarde schudden (Ennosigaios, Enosichthon), eilanden uit zee oprijzen; als hij op zijn wagen, bespannen met paarden met koperen hoeven, over de zee rijdt, dan leggen de golven zich neder en vormen voor hem een effen vlakte, terwijl zeemonsters opduiken en om hem heen dartelen. Voor allen, die met de zee in betrekking staan, is hij een beschermend god, daarentegen vervolgt hij met alle macht hen, die zijn toorn opgewekt hebben. Zoo moet bijv. Odysseus jaren lang op zee rondzwerven, omdat hij P.'s zoon Polyphemus blind gemaakt heeft, zoo was hij een onverzoenlijk vijand van de Trojanen, wegens de trouweloosheid van Laomedon (z. a.); zelfs tegen Zeus durft hij zich soms verzetten en eens spande hij zelfs met Hera en Athena samen om hem te boeien (z. Aegaeon).--De dienst van P. was over geheel Griekenland verbreid en van vele steden beweerde men dat zij door een van zijne talrijke zonen gesticht waren, het meest werd hij echter natuurlijk vereerd in kuststreken en op eilanden, in de Peloponnesus vooral op de landengte van Corinthe, waar te zijner eer de isthmische spelen gevierd werden, en op de Noordkust, verder in de ionische steden van Klein-Azië (z. Panionia), enz. Toch was zijne vereering vroeger nog meer algemeen geweest, toen hij als god van het water in het algemeen, dus ook van bronnen, rivieren, enz., ook in het binnenland als bevruchtend en voedselgevend god beschouwd werd. Vandaar verscheiden verhalen van zijne twisten met andere goden over het bezit van een of ander land, bijv. met Athena (z. a.) over Attica en Troezen, niet Hera over Argolis (z. Inachus). Onder de dieren zijn hem de dolfijn en de stier, maar vooral het paard, gewijd. In vele verhalen wordt hij met paarden in betrekking gebracht (z. Balius en Oenomaüs), hij zou het paard geschapen en den menschen geleerd hebben zich er van te bedienen (Hippios), hij wordt de vader genoemd van de paarden Arion en Pegasus. Daarom schept hij ook behagen in wedrennen met paarden en wagens, zooals op verscheiden plaatsen, vooral te Onchestus en op de landengte van Corinthe, te zijner eere gehouden werden. Men offerde hem stieren, liefst zwarte, evers, rammen, soms ook paarden. De denneboom, die hout voor den scheepsbouw levert, was hem heilig. Zijne beelden gelijken veel op die van Zeus, hoewel zijne trekken scherper en zijne haren gewoonlijk verward zijn; hij is kenbaar aan zijn drietand of aan den dolfijn, die hem vergezelt, ook is hij dikwijls in het gezelschap van Amphitrite e. a. zeegodheden. Dichters noemen hem donker van haar (Kyanochaites).

Posideon, Poseideon, 6de maand van het Attische jaar (Dec.-Jan.), z. Annus.

Posideum, Poseideion, -deion, 1) stad op de grens van Cilicia en Syria, tegenover Cyprus.--2) stad in Cassiotis (Syria).

Posidippus, Poseidippos, 1) van Cassandrea, een van de beste dichters der nieuwe attische comedie. Hij schreef ongeveer 40 stukken, waarvan een, Didymoi genaamd, waarschijnlijk door Plautus in zijn Menaechmi is nagevolgd. Hij trad voor het eerst op omstreeks 287.--2) grieksch epigrammendichter, ongeveer gelijktijdig met den vorigen, waarschijnlijk van Sicilië.

Posidium = Posidonium.

Posidonia, Poseidonia, oude naam van Paestum.

Posidonium, Poseidonion, Z.W. kaap van het chalcidische schiereiland Pallene.

Posidonius, Poseidonios, 1) van Olbiopolis, geschiedschrijver uit de eerste helft van de 2de eeuw.--2) van Apamea, gewoonlijk naar zijn verblijf op Rhodus de Rhodiër genoemd, geb. omstreeks 135, was een leerling van Panaetius. Na diens dood reisde hij naar Italië, Hispanië, enz., en trad daarna als hoofd der stoicijnsche school op Rhodus op. Hij wordt de geleerdste onder de stoicijnen genoemd en trachtte de leer van Plato en Aristoteles met de stoicijnsche te vereenigen. Cicero en Pompeius woonden zijne voordrachten bij. Ook aan de staatszaken nam hij deel en in 86 kwam hij als gezant naar Rome. Van zijne talrijke werken over geschiedenis en natuurwetenschappen, waaronder een vervolg op Polybius in 52 boeken was, zijn slechts fragmenten bewaard. Hij heeft een ontzaglijken invloed gehad op de denkrichting van zijn tijd en van latere geslachten.

Possessio, het feitelijk bezit eener zaak, in tegenstelling van dominium of eigendom volgens streng rom. recht. Zie bonorum possessio.

Postliminium, zie ius postliminii.

Postumia (via), in Gallia Cisalpina, van Genua over Cremona en Mantua naar Aquileia. Deze weg is in het jaar 148 door den consul Sp. Postumius aangelegd.

Postumii, patricisch geslacht, misschien van etruscischen oorsprong. 1) P. Postumius Tubertus, consul in 505 en 503, bracht den Sabijnen zware nederlagen toe, hoewel hij eenmaal zelf verslagen werd.--2) A. Postumius Albus Regillensis, consul in 496, legde zijn consulaat neder om tot dictator benoemd te kunnen worden (v. a. was hij dictator in 498) en behaalde toen op de Latijnen de schitterende overwinning bij het meer Regillus. Zijn zoon Sp. was een der drie mannen, die in 454 naar Griekenland gezonden werden om aldaar de wetten te bestudeeren.--3) A. Post. Albus Reg., zoon van no. 2, consul in 464, overwon de Aequers.--4) A. Postumius Tubertus, dictator in 431, bracht aan de Aequers en Volscers eene schrikkelijke nederlaag toe bij den berg Algidus. Het verhaal, dat T. Manlius Capitolinus Imperiosus (zie Manlii no. 10) zijn zoon zou hebben ter dood gebracht wegens ongehoorzaamheid, wordt door oudere schrijvers op naam van dezen Postumius gesteld.--5) M. Post. Albus Regill. werd als consulairtribuun in 426 door de Vejenten verslagen en hiervoor met een geldboete gestraft.--6) P. Post. Albinus Regill., consulairtribuun in 414, werd door zijn troepen gesteenigd.--7) Sp. Postumius Albinus, consul in 334 en 321 met T. Veturius Calvinus, zie Veturii no. 6.--8) L. Postumius Megellus, consul in 305, 294 en 291, versloeg bij herhaling Samnieten en Etruscers en hield tweemaal een triumftocht tegen den wil van den senaat onder de bescherming van eenige volkstribunen.--9) L. Post. Megellus, zoon van no. 8, consul in 262, veroverde de stad Agrigentum op Sicilia.--10) L. Post. Albinus, consul in 234 en 229, overwon de Liguriërs en de Illyriërs, doch sneuvelde in 216 toen hij consul designatus was, in de Litana Silva tegen de Bojers.--11) Sp. Post. Albinus, zoon van no. 10, consul in 186, werd door den senaat belast met een onderzoek naar de Bacchanalia (z. a.). Zie ook Marcii no. 14.--12) A. Post. Albinus, consul in 180, voerde in 174 met strengheid de censuur, terwijl Sp. Post. Albinus Paullulus (misschien zijn broeder) consul was. Een L. Post. Albinus (wellicht een derde broeder) was in 173 consul en gaf den eersten stoot aan de oprichting van tabernae voor rom. ambtenaren op reis.--13) A. Post. Albinus, een der 10 gezanten, die in 146 de provincie Achaia moesten organiseeren, schreef eene geschiedenis van Rome in het Grieksch.--14) Sp. Post. Albinus, consul in 110, voerde in den oorlog tegen Jugurtha niets uit. Zijn broeder A. Post. Albinus, die als legaat onder hem diende, nam het legerbevel op zich, toen Sp. naar Rome vertrok om de comitia te houden, doch werd door Jugurtha verslagen, waarna het rom. leger onder het juk moest doorgaan.--15) Behalve deze Romeinsche Postumii, wordt er ook nog melding gemaakt van een Etruscisch zeeroover, Postumius genaamd, die in het jaar 342 (339) met twaalf kaperschepen als vriend de haven van Syracusae binnenliep, maar door Timoleon terechtgesteld werd.

Postumus (M. Cassianius Latinius), één van de zoogenaamde dertig tyrannen (zie triginta tyranni II). Toen keizer Gallienus uit Gallië tegen Ingenuus (z. a.) optrok, vielen de Franken in Gallië en Spanje, en plunderden o.a. Tarraco, maar werden daarop door Postumus verslagen, die vervolgens (winter van 258/59 n. C.) zich tot keizer liet uitroepen, en den jongen Valerianus, den zoon van Gallienus, te Keulen liet vermoorden. Vijf jaar lang (259-264) heeft hij Gallië tegen de Franken verdedigd, maar het rechtsrijnsche gebied is waarschijnlijk in dien tijd aan de Alamannen verloren gegaan. Toen Postumus door de generaals van Gallienus in het nauw werd gebracht, nam hij tot mede-keizer Victorinus aan (waarschijnlijk begin van 268). Hij heerschte als keizer, evenals zijne opvolgers Victorinus (268-269) en Tetricus (270-273), over Gallië, Britannië en Spanje, en wilde een afzonderlijk westersch rijk stichten. Zijne regeering was voor Gallië een tijdperk van vrede en bloei. Postumus werd, nadat hij een anderen pretendent, Lollianus, had overwonnen, door zijn soldaten te Mainz vermoord (268/9).

Postvorta, z. Carmenta.

Potamides, Potamides, rivier- en stroomnimfen.

Potentia, 1) stad in Picenum, sedert 184 rom. kolonie.--2) stad in het Noorden van Lucania, aan de grens van Apulia.

Potidaea, Potidaia, Poteidaia, corinthische volkplanting op de landengte, die Pallene met Chalcidice verbindt, sterke vesting. In den perzischen oorlog sloeg P. de aanvallen der Perzen af en trad tot het atheensch verbond toe. In den peloponnesischen oorlog viel het af, doch moest zich weder aan de Atheners overgeven, die tot straf de inwoners dwongen de stad te verlaten (430/29) en van Potidaea eene cleruchie maakten. In 356 werd Pot. door Philippus van Macedonia veroverd en verwoest, doch om de gunstige ligging liet Cassander het onder den naam Cassandrea herbouwen.

Potidania, Potidania, vesting in Aetolia op de locrische grenzen.

Potitii, zie Pinarii.

Potniades, Potniades, bijnaam van de Eumeniden en de Bacchanten; ook de paarden van Glaucus no. 2 worden zoo genoemd.

Potniae, Potniai, eerwaardigen, bijnaam van Demeter, Persephone en de Erinyes.

Potniae, Potniai, stadje in Boeotia aan den weg van Thebae naar Plataeae, aan den Asopus. Men vertelde, dat het gras van de weiden in den omtrek de paarden razend maakte. Z. Glaucus no. 2.

Practius, Praktios, riviertje in Troas, dat langs Percote in den Hellespont uitstroomt.

Praecones bij de Rom. moeten niet op ééne lijn gesteld worden met de kerykes bij de Grieken. Een praeco was niets meer dan een openbaar omroeper, die ook gebruikt werd om iets af te kondigen of in de volksvergadering met luider stem voor te lezen. Zij riepen de comitia en soms ook den senaat te zamen. Zie apparitores.

Praefecti zijn in het algemeen allen, die ergens over gesteld zijn; zoo heet b.v. de scheepskapitein praefectus navis, de admiraal praefectus classis, het hoofd der roeiers, pr. remigum enz. Eenige praefecti echter zijn er, die hieronder eene afzonderlijke vermelding behoeven.

Praefecti aerario, twee ambtenaren, die door sommige keizers, als Augustus, Tiberius, Caligula, Nero, met het administratief beheer van het aerarium belast waren, in plaats der quaestores urbani, totdat het aerarium met de keizerlijke schatkist (fiscus) samensmolt.

Praefecti Capuam Cumas, ook IV viri in Campaniam of IV viri iuri dicundo geheeten, werden sedert 318 naar de campaansche steden Capua, Cumae, Casilinum, Volturnum, Liternum, Puteoli, Acerrae, Suessula, Atella en Calatia gezonden om recht te spreken. Ook voor andere deelen van het romeinsch gebied werden door den praetor, niet door het volk, praefecti iuri dicundo benoemd, die in zijn naam recht spraken. Zie Praefectura.

Praefecti iuri dicundo, zie Praefectura.

Praefecti sociorum. Evenals over een rom. legioen zes tribuni militum stonden, stonden over elk legioen italische socii, ala geheeten, zes praefecten, die door de rom. legeraanvoerders werden aangesteld.

Praefectura. Het geheele Romeinsche burgergebied, met uitzondering van de coloniae Romanae, wier overheden zelf mochten rechtspreken, en van Latium, was in districten (praefecturae) verdeeld, en de rechtspraak was daar opgedragen aan een voor elke praefectura jaarlijks door den praetor urbanus te benoemen praefectus iuri dicundo. Alleen de praefecti voor N.W. Campania, de Praefecti Capuam Cumas (z. a.) werden in de comitia tributa gekozen.--Onder Constantijn den Gr. kregen de 4 groote deelen, waarin het rom. keizerrijk gesplitst werd, ook den naam praefecturae.

Praefectus Augustalis of praef. Aegypti, de keizerlijke stadhouder van Aegypte.

Praefectus praetorio, bevelhebber der door Augustus ingestelde cohortes praetorianae of keizerlijke garde. Onder Augustus waren er twee, later afwisselend één, twee of eene enkele maal drie.

Praefectus Urbi(s). Toen de consuls nog de eenige hooge overheden te Rome waren, stelden zij, wanneer beiden de stad moesten verlaten, onder den titel praef. Urbis of Urbi een stadhouder aan. Met de instelling der praetuur in 366 werd deze maatregel overbodig, daar de praetor urbanus nu in zoodanig geval als plaatsvervanger der consuls optrad. Eénmaal 's jaars echter, tijdens de feriae Latinae, die op den albaanschen berg gevierd en door alle overheden bijgewoond werden, werd in de alsdan bijna verlaten stad een jongeling van aanzienlijken huize met het politietoezicht belast onder den titel praef. Urbi feriarum Latinarum causa.--Augustus stelde onder den naam van praef. Urbi een vasten gouverneur van Rome aan, wiens politietoezicht en rechtsmacht zich later tot op 100 mijlen buiten Rome uitstrekte.

Praefectus vigilum, kommandant der nacht- en brandwacht te Rome.

Praeficae, gehuurde vrouwen, die bij de begrafenissen van aanzienlijke lieden jammerden en klaagzangen aanhieven.

Praeneste, Prainestos, thans Palestrina, oude stad van Latium, op eene rots gelegen en door zijne hooge ligging koel en een aangenaam zomerverblijf (frigidum Praeneste). Er was een beroemde Fortuna-tempel met een orakel. De weg, die van Pr. over Gabii naar Rome liep, heette via Praenestina. Praeneste was na 338 een civitas foederata, en bekleedde onder het nomen Latinum een bevoorrechte plaats. In 216 weigerde de stad het romeinsche burgerrecht, dat de senaat haar aanbod wegens de dappere verdediging van Casilinum. In 82 werd de stad door Sulla belegerd, en door den jongen Marius verdedigd. Kort na den slag bij de Porta Collina (1 Nov. 82) gaf het zich over, en werd toen uitgeplunderd en zwaar gestraft. Later bracht Sulla er eene kolonie heen.

Praerogativa, een woord, dat bij de comitia centuriata te huis behoort. In het eerst stemden de 18 riddercenturiën het eerst en werden hierom praerogativae genoemd; na de hervorming dezer comitia werd door het lot eene centurie der eerste klasse aangewezen om voor te stemmen, die dan centuria praerogativa was. Z. ook principium.

Praes, zie vas.

Praesenteius (P.), onderbevelhebber van Q. Pompaedius Silo in den marsischen oorlog.

Praesus, Praisos, Prasos, stad in oostelijk Creta, in het gebied der Eteocretes, in 140 door de Grieken van het eiland vernietigd.

Praetexta, toga met purperen rand omweven, zooals te Rome de curulische overheden en kinderen droegen.

Praetexta, n.l. fabula, eene tragoedia, die op rom. bodem speelt en waarin de spelers, die de hoofdrollen vervullen en beroemde of hooggeplaatste Rom. voorstellen, de toga praetexta dragen. In het algemeen zag men te Rome niet gaarne Rom. ten tooneele gevoerd.

Praetor, hegemon, strategos. In 367, toen de lex Licinia Sextia den toegang tot het consulaat voor de plebejers had opengesteld, werd voor de civiele rechtspraak het praetorsambt in het leven geroepen. In 337 werd ook de praetuur voor plebejers opengesteld; de eerste plebejische praetor was Q. Publilius Philo. In 241 werd het getal praetoren op twee gebracht; de een, die nu praetor urbanus genoemd werd, was belast met de rechtspraak tusschen rom. burgers, de andere, praetor inter peregrinos, met die tusschen burgers en peregrini. Over den aard dezer rechtspraak zie iudex. Praetor iudicem dat, ius dicit, rem iudicatam addicit. De pr. urb. trad tevens bij afwezigheid van beide consuls als hun plaatsvervanger op. Hij is de collega minor der consuls, en wordt evenals deze in de comitia centuriata gekozen onder voorzitting van een consul of dictator; hij heeft het ius cum patribus agendi en het ius agendi cum populo. Na den eersten punischen oorlog kwamen er (in 227) 2 praetoren bij als stadhouders van Sicilia en Sardinia en na de verovering van Hispania (in 197) nog 2. Welk praetorschap aan ieder ten deel zou vallen, werd door het lot beslist. Door Sulla en Caesar werd het aantal praetoren achtereenvolgens tot 8, 10, 14 en 16 vermeerderd. Sedert de invoering der quaestiones perpetuae (zie iudicium publicum en iudex) in 149 werd het gewoonte, dat de praetoren gedurende hun ambtsjaar te Rome bleven en eerst daarna een stadhouderschap kregen (zie provincia). Krachtens hun imperium konden de praetoren ook een leger aanvoeren. Hunne insignia waren de sella curulis, de toga praetexta en 2 lictoren binnen Rome (zie lex Plaetoria), daarbuiten 6. Wanneer een praetor op het forum zijn ambt uitoefende stond zijn zetel op eene verhevenheid, tribunal. Praetor is ook de oudste en algemeene naam voor stadhouder, zie propraetor.

Praetoriani, zie cohortes praetoriae.

Praetorium, de ruimte in de legerplaats, 200 voet lang en 200 voet breed, waar de tent van den veldheer was opgeslagen, ook de veldheerstent zelf.

Praetorium Agrippinae, rom. vesting in het land der Bataven, gesticht ten tijde van keizer Claudius, tgw. Arentsburg bij Voorburg. Hier was tevens een station van de romeinsche Rijnvloot. De Fossa Corbulonis, gegraven in 47 n. C. (de tegenwoordige Vliet) loopt hierlangs.

Praetutii of Praetutiani, een stam in het Z. van Picenum.

Praevaricatio (van varus, krom) is het heulen van een aanklager met den beschuldigde. Daar bij de Rom. in rechten het non bis in idem gold, zocht een schuldige, die eene ernstige aanklacht vreesde, wel eens een zijner vrienden te bewegen hem aan te klagen, natuurlijk met het doel om door scheeve of verdraaide behandeling der zaak de aanklacht te verliezen en den schuldige te hooren vrijspreken. Het bewijs van praevaricatio was moeielijk te leveren; werd zij echter bewezen, dan was eerloosheid er het gevolg van en kon de aanklacht door een ander worden opgevat.

Praktores, beambten bij het financiewezen te Athene, die boeten e. dgl., voor zoover zij ten bate van den staat kwamen, moesten innen.

Prandium, ontbijt, doch niet zooals wij in den ochtend gebruiken, dat ientaculum heet en niet algemeen in zwang was, maar een soort van lunch omstreeks den middag (12 uur).

Prasiae, Prasiai, 1) stad op de Oostkust van Laconica.--2) demus aan de Z.O. kust van Attica.

Prasias lacus, Prasias limne, meer in Thracië, door den Strymon. gevormd, even ten N. van Amphipolis.

Prasii, Prasioi, machtig indisch volk aan den Ganges, met de hoofdstad Palibothra. Omstreeks 300 bracht hun koning Sandracottus een leger van ± 500000 man met 3000 olifanten op de been.

Pratinas, Pratinas, van Phlius, een van de oudste treurspeldichters te Athene, tijdgenoot van Aeschylus. Hij wordt de eerste dichter genoemd, die te Athene een satyrdrama liet opvoeren.

Praxagoras, Praxagoras, Athener, schrijver eener geschiedenis van Constantijn den Groote, van Alexander en van de koningen van Attica, die bijna geheel verloren zijn. Hij leefde in de 4de eeuw n. C.

Praxilla, Praxilla, van Sicyon, lyrische dichteres omstreeks het midden der 5de eeuw.

Praxiphanes, Praxiphanes, van Mytilene of van Rhodus, leerling van Theophrastus, later zelf leeraar der peripatetische wijsbegeerte, hield zich voornamelijk met grammatische studiën bezig.--Een ander van denzelfden naam wordt onder de leermeesters van Epicurus genoemd.

Praxiteles, Praxiteles, Athener, een van de grootste beeldhouwers, wiens beelden uitmuntten door schoonheid van vormen en bevalligheid van stand (± 350). Een van zijne meesterstukken was de Aphrodite, die hij voor de Cnidiërs maakte. Een Hermeskop van Pr. is op blz. 311 afgebeeld.

Prelius lacus, moeras op de etruscische kust, ten Z.W. van Rusellae.

Prexaspes, Prexaspes, een gunsteling van Cambyses, op wiens bevel hij Smerdis doodde. Na den dood van Cambyses (522) maakte hij, om den valschen Smerdis te ontmaskeren, zijne daad aan het volk bekend, terwijl hij op een toren stond, daarop wierp hij zich naar beneden.

Priamides, Priamides, Hector, Paris e. a. zonen van Priamus.

Priamus, Priamos, 1), zoon van Laomedon en Strymo. Toen Heracles Troje had ingenomen, werd hij gevangen genomen, maar door zijne zuster Hesione vrijgekocht, vandaar werd zijn oorspronkelijke naam Podarces in Pr. (van priasthai) veranderd. Na het vertrek van Heracles volgde hij zijn vader op, hij ondernam als bondgenoot der Phrygiërs een krijgstocht tegen de Amazonen, huwde met Arisbe, later met Hecabe, en leefde met het talrijk kroost (50 zoons en 50 dochters), dat hij bij deze en andere vrouwen had, gelukkig en tevreden, totdat de trojaansche oorlog uitbrak, die hem eerst van bijna al zijne zonen beroofde en hem eindelijk regeering en leven kostte. Aan den oorlog neemt hij wegens zijn hoogen leeftijd persoonlijk geen deel, slechts tweemaal komt hij buiten de stad, eerst om een verdrag te sluiten, waarbij de oorlog door een tweegevecht tusschen Paris en Menelaus beslist zou worden, later onder geleide van Hermes, om van Achilles de uitlevering van het lijk van Hector af te smeeken. Toen de Grieken de stad binnendrongen, zocht de grijze koning met zijn vrouw en dochters een schuilplaats bij het altaar van Zeus, maar toen hij zijn zoon Polites door Neoptolemus zag dooden, slingerde hij zijne lans naar den vijand, die daarop in woede op hem toeliep en hem met zijn zwaard doorstak.--2) zoon van Polites no. 1, tochtgenoot van Aeneas.

Priapus, Priapos, zoon van Dionysus, Hermes, Pan of Adonis en Aphrodite of Chione, een god van wijn- en tuinbouw, van vee- en bijenteelt, ook van visscherij, vooral te Lampsacus vereerd, van waar zijn dienst zich over het overige Griekenland schijnt te hebben uitgebreid. De Rom. identificeerden hem met Mutinus. Zijne beelden werden veelal in tuinen en wijnbergen geplaatst om als vogelverschrikker te dienen. Men offerde hem de eerstelingen der vruchten, melk, honig, bokken en ezels. Hij wordt soms afgebeeld als een knaap, soms als een grijsaard, gewoonlijk met vruchten, een snoeimes of een horen van overvloed in de hand.

Priene, Priene, aziatisch-ionische stad op de zuidelijke helling van den berg Mycale en aan de Latmische golf. In de 4de eeuw is de stad zeer regelmatig herbouwd, en, nu ze door de Duitschers opgegraven is, geeft ze een goed denkbeeld van een hellenistische stad. De wijsgeer Bias was hier geboren.

Primigenia, bijnaam van Fortuna, waaronder zij vooral te Praeneste vereerd werd. Zij werd daar als de oudste dochter van Jupiter, maar later als de moeder van Jupiter en Juno beschouwd en had een beroemd orakel, dat geraadpleegd werd door het werpen met eikenhouten staafjes, waarin ouderwetsche letters gesneden waren.

Primipilus, Primus Pilus, zie centurio.

Primus, zie Antonii no. 15.

Princeps, de oorspronkelijke keizerstitel, door Augustus aangenomen als natuurlijke princeps senatus.

Princeps inventutis. Degenen, die bij het opmaken der ridderlijsten door de censoren bovenaan geplaatst waren, werden principes inventutis genoemd. Onder Augustus werden zijne beide kleinzoons C. en L. Caesar door de ridderschap tot principes inventutis uitgeroepen, en vervolgens werd het gebruikelijk dat de vermoedelijke troonopvolger dezen titel voerde.

Princeps senatus. Hij, die bij het opmaken van de lijst der senatoren door de censoren als de meest waardige bovenaan werd geplaatst, werd princeps senatus genoemd. Het was een groot eerbewijs, en zoolang het gebruikelijk bleef, in senaatszittingen den princeps het eerst naar zijn gevoelen te vragen, was deze waardigheid niet van belang ontbloot.

Principes, zie centuria.

Principium. Bij de comitia curiata en tributa stemden alle afdeelingen tegelijk. Als nu de stemmen geteld waren, kwamen de rogatores (stemopnemers) op het templum (de spreekplaats), waar de voorzitter der vergadering zich bevond, bijeen. Nu werd bij loting vastgesteld, in welke volgorde elke afdeeling den uitslag zou mededeelen. De naam van de eerstgevraagde afdeeling, zoowel bij de curiae als bij de tribus, heette principium, en werd, als het een wet gold, met den naam van den burger, die daarin het eerst gestemd had (qui primus scivit) aan het hoofd van de wet vermeld. Z. ook praerogativa.

Priscianus, van Caesarea, rom. taalgeleerde te Constantinopel (± 500 na C.), wiens institutiones grammaticae in de middeleeuwen nog lang als latijnsche spraakleer werden gebezigd.

Priscus, 1) zie Helvidius Priscus.--2) een Thraciër, die door Theodosius II als keizerlijk gezant tot Attila werd gezonden en eene geschiedenis van het rom. rijk en van de oorlogen met Attila schreef. Er zijn nog fragmenten van over.--3) Attius Priscus, schilder onder de regeering van Vespasianus.

Privernum, oude volscische stad in Latium, reeds vroeg door de Rom. tot kolonie gemaakt. Het lag aan den Amasenus en had belangrijken wijnbouw.

Privilegium (van privus en lex), 1) eene wet, die tegen één enkelen persoon gericht is, zooals de lex Clodia tegen Cicero.--2) een wet of besluit ten gunste van één persoon of van enkele personen, vandaar voorrecht.

Probole, te Athene een aanklacht bij de volksvergadering, waarop echter alleen eene voorloopige veroordeeling konde volgen; daarna werd de zaak voor een van de gewone rechtbanken gebracht. De pr. werd alleen in bizonder ernstige gevallen toegepast, de uitwerking er van bestond, naar het schijnt, alleen in den invloed, dien zulk een uitspraak van het volk op de rechters uitoefende.

Probouleuma, praeadvies van den raad, eene voorloopige voordracht, waarop de goedkeuring der volksvergadering gevraagd werd.

Probouloi, 1) in oligarchisch geregeerde staten eene commissie uit den raad om de aangelegenheden die voor den raad kwamen, vooraf te onderzoeken en praeadvies erover uit te brengen.--2) een college van 10 mannen, te Athene na de nederlaag op Sicilië (413) ingesteld, om in den daardoor veroorzaakten nood te voorzien. Zij werkten in het belang der oligarchie en waren twee jaar later met alle macht behulpzaam bij het invoeren van de regeering der 400.--3) de afgevaardigden bij de bondsvergadering der 12 ionische staten.

Probus. 1) M. Aurelius Probus, rom. keizer (276-282 na C.), geb. te Sirmium (232), een man van geringe afkomst. Van zijn militaire loopbaan vóór zijn verheffing tot keizer is niets zekers bekend. Hij was een uitstekend keizer, die de Alemannen en de met hen verbonden Longiones, Franken en Burgundiërs terugdrong en aan het van alle zijden bedreigde rom. rijk aldus verademing schonk. Hij herstelde de Rijngrens, en beschermde de steden aan den Rijn, door aan de overzijde castella, observatieposten, op te richten. Hij overwon de tegenkeizers Proculus en Bonosus, verplaatste 100000 Bastarners naar het bijna ontvolkte Thracia en had eindelijk rondom vrede. Daar hij echter ook in vredestijd de soldaten arbeid liet verrichten en hen gebruikte om langs den Donau moerassen droog te leggen en wijngaarden aan te leggen, en omdat hij zich had uitgelaten, dat hij eenmaal geen soldaten meer hoopte noodig te hebben, brak er een oproer uit, waarin hij werd doodgeslagen.--2) M. Valerius Probus, uit Berytus, beroemd rom. taalgeleerde tijdens Nero.

Procas (Silvius), koning van Alba Longa, vader van Numitor en Amulius.

Prochyta, eiland op de kust van Campania, bij kaap Misenum, thans Procida.

Procilii. Cicero vermeldt twee mannen van dezen naam, een volkstribuun, die in slechten roep stond en veroordeeld werd, en een geschiedschrijver. Overigens zijn beiden onbekend.

Proclea, Prokleia, dochter van Laomedon, gehuwd met Cycnus no. 2, moeder van Tenes en Hemithea.

Procles, Prokles, zoon van Aristodemus no. 1, regeerde na den dood van zijn vader met zijn broeder Eurysthenes over Lacedaemon; hij is de stamvader van het koninklijk geslacht der Procliden.

Proclus, Proklos, van Constantinopel, geb. 410 na C., beroemd neo-platonisch wijsgeer uit de atheensche school, aan welker hoofd hij geruimen tijd stond. Hij wordt beschreven als een edel en waardig man, die zeer streng en matig leefde, zijn aanzienlijk vermogen aan liefdadige werken besteedde, en zijn best deed aan het heidendom door de wijsbegeerte nieuwen steun te verschaffen. Hij stierf in 485.--Pr. was een zeer vruchtbaar schrijver, behalve commentaren op Plato bezitten wij van hem taal-, wis- en sterrenkundige werken en gedichten.

Procne, Prokne, dochter van Pandion, gehuwd met Tereus, bij wien zij moeder was van Itys. Eens ging Tereus naar Athene om zijn schoonvader te bezoeken, en Pr. verzocht hem, als hij terugkwam, hare zuster Philomela mede te brengen. Tereus deed dit, maar onderweg onteerde hij zijne schoonzuster, en opdat zij deze daad niet aan Procne konde verraden, hield hij de zusters van elkander gescheiden en sneed hij ten overvloede aan Philomela de tong uit. Toch vond deze middel, door een kunstig weefsel hare zuster op de hoogte van het gebeurde te brengen; om zich te wreken doodden zij gezamenlijk den kleinen Itys, en zetten zij zijn vleesch aan Tereus als spijs voor. Toen deze bemerkte wat zij gedaan hadden, vervolgde hij beide zusters met een bijl om ze te dooden, maar op het oogenblik dat hij haar zoude inhalen, werd hij in een hoppe of een havik veranderd, Procne werd een nachtegaal en Philomela een zwaluw of omgekeerd.

Proconnesus, Prokonnesos (reeëneiland), eiland en stad in de Propontis, door de Milesiërs gesticht, met beroemde marmergroeven, thans Marmara. Zie Cyzicus.

Proconsul of pro consule. Wanneer de consuls hun ambtsjaar volbracht hadden en naar hunne provinciën gingen als stadhouders, waren zij eigenlijk privati, maar de senaat verlengde hun imperium en bekleedde hen voor het bestuur hunner provincie met consulaire macht. Zie prorogatio. Er waren enkele belangrijke provincies, die bij voorkeur aan consuls werden opgedragen en waarvan de stadhouder, ook al was hij geen consul geweest, toch pro consule werd uitgezonden. Toen Pompeius den senaat dwong, hem naar Hispania te zenden, om in den oorlog tegen Sertorius den proconsul Metellus ter zijde te staan, moest de senaat hem wel met een consulair imperium bekleeden en pro consule laten uittrekken. Zie ook propraetor.

Procopius, vriend en bloedverwant van keizer Iulianus, bevelhebber van het leger in Mesopotamia, liet zich onder keizer Valens tot keizer uitroepen (365 na C.), maar werd reeds spoedig (366) door zijn leger in den steek gelaten, en door de zijnen aan Valens uitgeleverd.

Procris, Prokris, dochter van Erechtheus, gehuwd met Cephalus.

Procrustes, Prokroustes, uitrekker, bijnaam van Damastes of Polypemon, een wreed roover, die bij Eleusis woonde. Hij had twee bedden, een zeer lang en een zeer kort, wanneer nu een vreemdeling in zijne handen viel, dan legde hij hem op een van die bedden, lange personen bracht hij op de maat van het korte bed door een stuk van hen af te snijden, korte rekte hij in het lange zoo lang uit, totdat zij stierven. Theseus doodde hem.

Proculeius Varro Murena (C.), rom. ridder, wien door Augustus was opgedragen, Cleopatra als gevangene naar Rome over te brengen. Horatius prijst hem, omdat hij zijn vermogen gedeeld had met zijne broeders, die in den burgeroorlog alles verloren hadden. Hij bracht zichzelf, toen hij ziek werd, door vergif om het leven.

Proculi. 1) Julius Proculus verhaalde aan het rom. volk, dat Romulus in een onweder ten hemel was gevaren.--2) Sempronius Proculus, beroemd rom. jurist uit de school van Q. Antistius Labeo, naar wien diens volgelingen Proculiani worden geheeten. In de Pandecten vindt men nog uittreksels uit zijne werken. Hij leefde ten tijde van Nero.--3) Proculus beproefde in 280 na C. een opstand tegen keizer Probus, hij moest echter de wijk nemen naar de Franken, die hem uitleverden, waarna Probus hem ter dood liet brengen.

Proculiani, zie Proculi no. 2.

Procuratio, 1) de werkzaamheid van een procurator.--2) het nemen van maatregelen om ongelukken en rampen af te weren, die door prodigia en portenta werden aangekondigd.

Procurator, degene die voor een ander eene zaak bezorgt, de zaakwaarnemer, in het huiselijk leven de huishouder, de slaaf die de geheele huishouding bestuurde. Onder de keizers werd in de keizerlijke provinciën het geldelijk beheer opgedragen aan procuratores Caesaris, die dus de vroegere quaestoren vervingen en ook wel belast werden met het stadhouderschap over kleine provinciën, die als onderdeelen eener grootere werden beschouwd. Zoo was b.v. Pontius Pilatus procurator van Judaea, dat als een aanhangsel van Syria werd gerekend. Ook de bestuurders van verschillende takken van het financiewezen droegen wel dezen naam, b.v. procurator rei privatae, bestuurder van 's keizers vermogen, procurator metallorum, enz. Voor deze betrekkingen werden gewoonlijk equites genomen.

Procyon, Prokyon, z. Canis minor.

Prodictator of pro dictatore. Het eenige bekende geval van iemand, die, zonder eigenlijk den titel van dictator te hebben, toch met deze waardigheid werd bekleed, is dat van Q. Fabius Maximus in 217. Zie dictator.

Prodicus, Prodikos, 1) uit Phocaea, episch dichter uit zeer ouden tijd, aan wien eene Minyas werd toegeschreven.--2) van Iulis op het eiland Ceos, beroemd sophist, kwam als gezant naar Athene, en vond er zooveel bijval, dat hij er zich vestigde. Hij stond in vriendschappelijke betrekking met Socrates, Xenophon, Plato, Euripides, Isocrates en vele andere mannen van naam, waaronder sommige zijne leerlingen genoemd worden. Hij besteedde vooral veel studie aan de verschillende beteekenissen van synonieme woorden, met een spitsvondigheid, waarmede Plato dikwijls den spot drijft; overigens spreekt deze van hem altijd met groote achting, sophoteros Prodikou was een soort van spreekwoordelijke uitdrukking. Bekend is zijne allegorie van Heracles op den tweesprong (z. Xenophon's Memorabilia II 1. 21 sq.); overigens is niets van hem bewaard gebleven.

Prodigium, zie auguria.

Prodikos, de voogd van een minderjarig koning te Sparta, die in naam van zijn pupil de regeering uitoefende.

Prodomus, prodomos, zie templum.

Proedria, 1) het recht vooraan te zitten, in het bizonder in den schouwburg, een recht dat te Athene als eerbewijs verleend werd aan aanzienlijke of verdienstelijke personen, ook vreemdelingen.--2) voorzitterschap, in het bizonder het voorzitterschap van den raad en de volksvergadering te Athene. Dit werd vroeger bekleed door den epistates (z. Prytaneis), maar sedert omstreeks 378 door een van de proedroi, waarvan bij het begin van iedere prytanie 9 door het lot werden aangewezen, nl. een uit iedere phyle behalve die, welke de prytanie had.

Proeisphora, het voorschieten van de eisphora. In iedere symmorie waren 15 van de rijkste leden verplicht om, wanneer eene eisphora uitgeschreven werd, in spoedeischende gevallen het geheele aandeel der symmorie voor te schieten, waarbij zij natuurlijk het recht hadden het voorgeschotene van hunne medeleden terug te vorderen.

Proërna, Proherna, Proerna, stad in het W. van het thessalische landschap Phthiotis.

Proërosia, Proerosia, feest bij het begin van den bloeitijd, den 13en Boëdromion te Eleusis uit naam van alle grieksche staten ter eere van Demeter gevierd.

Proetides, Proitides, de drie dochters van Proetus: Lysippe, Iphianassa en Iphinoë; zij werden met waanzin gestraft, omdat zij zich schooner genoemd hadden dan Hera of omdat zij den dienst van Dionysus veracht hadden. Terwijl zij, in den waan dat zij koeien waren, door bosschen en weiden ronddwaalden, sloeg de kwaal ook op andere vrouwen van Argos over. Zij werden door Melampus (z. a.) genezen.

Proetus, Proitos, z. Acrisius en Bellerophon. V. s. verjoeg hij Acrisius uit Argos en werd hij door Perseus met het Medusahoofd versteend.

Profesti (dies), werkdagen, zie Festi (dies).

Progam(e)ia, ook proteleia gamon, een plechtig offer, dat men, alvorens zich in den echt te begeven, aan de beschermgoden van het huwelijk bracht.

Proix, bruidschat, werd aan den man in vruchtgebruik, niet in eigendom gegeven. Daar een huwelijk zonder bruidschat tot de zeldzaamheden behoorde, vereenigden rijke lieden zich soms om arme meisjes aan een bruidschat te helpen.

Proklesis, de eisch om zekere documenten over te leggen, die als bewijsstukken in een proces moesten dienen. Werd die eisch door een van de partijen aan zijn tegenpartij gedaan, dan behoefde deze daaraan niet te voldoen, ofschoon hij natuurlijk door eene weigering zijne zaak in een ongunstig licht stelde; waren echter de bedoelde stukken in handen van een ander, dan konde deze, naar het schijnt, gedwongen worden er een afschrift van te laten nemen.

Proletarii, van proles afgeleid. Het zijn de arme burgers, die geen belasting betalen en dus den staat niet dienden met hun geld, maar alleen door het verwekken van kinderen. Hun vermogen bedroeg minder dan 4000 as. Zij, die een hoogeren census hadden, heetten adsidui of locupletes. De prol. werden slechts bij uitzondering opgeroepen om te dienen. Eerst Marius nam hen en de capite censi in het leger op, dat zoodoende een huurleger werd.

Prologus, prologos, in een tooneelstuk het gedeelte, dat bij wijze van inleiding de toestanden uiteenzet en aan de eigenlijke handeling voorafgaat; in stukken, waarin koren optreden, het gedeelte, dat aan de parodos voorafgaat.

Promachus, Promachos, 1) zoon van Parthenopaeus, een van de Epigonen.--2) zoon van Aeson, werd met zijn vader door Pelias gedood, terwijl Iason afwezig was.--3) bijnaam van Athena, van Heracles te Thebae, van Hermes te Tanagra.

Prometheus, Prometheus, zoon van Iapetus en Clymene, waagde het de wijsheid van Zeus op de proef te stellen. Na de overwinning der Titanen, tegen wie Pr., ofschoon hij tot hen behoorde, Zeus had geholpen, zoude vastgesteld worden, welke offers den goden toekwamen. Pr. doodde nu, als vertegenwoordiger der menschen, een stier, en wikkelde het vleesch en de ingewanden in de huid, terwijl hij de beenderen met vet bedekte, daarop verzocht hij Zeus zelf te kiezen, en hoewel deze zijn list doorzag, koos hij het slechtste deel. Tot straf voor de bedriegelijke bedoeling van Pr. ontnam hij echter den menschen het vuur, maar Pr. stal het weder van den Olympus en bracht het op aarde terug. Nog meer vertoornd, strafte Zeus de menschen nu door hun Pandora (z. a.) te zenden. Pr. echter werd aan een rots geklonken, waar een arend hem iederen dag aan de lever knaagt, die echter 's nachts weder aangroeit.--In andere verhalen heeft Pr. ook nog door andere weldaden, aan de menschen bewezen, den toorn van Zeus opgewekt, die juist het plan had opgevat het menschengeslacht te verdelgen. Niet alleen had hij hun het vuur gebracht, maar ook door hun vele kunsten te leeren (bouwkunst, sterrenkunde, letters, cijfers, geneeskunde, waarzeggen) trachtte hij hen tot hoogere beschaving te leiden. Daarvoor aan een rots vastgeklonken, verklaarde hij, dat hij alleen door de mededeeling van een geheim Zeus konde redden van een gevaar, dat eens zijne regeering zoude bedreigen, en daar hij hardnekkig weigerde dit geheim te openbaren voordat Zeus hem van zijne boeien bevrijd zou hebben, werd hij met de rots in den Tartarus geworpen. Daar hij ook nu niet toegaf, werd hij na lange jaren weder op aarde teruggebracht en nu werd de arend gezonden, die aan zijn lever knaagde, wat niet zou ophouden voordat een onsterfelijke in zijn plaats wilde sterven. Na 30 jaar was Chiron (z. a.) hiertoe bereid, en nu doodde Heracles met toestemming van Zeus den arend en bevrijdde Pr. Deze openbaarde nu van zijn kant het bedoelde geheim, nl. dat Zeus, wanneer hij met Thetis huwde, bij haar een zoon zou krijgen, die hem van de heerschappij zoude berooven.--V. s. had Pr. bij het ontstaan van de wereld of na den watervloed van Deucalion den mensch uit aarde en water geschapen. Aan zijn zoon Deucalion had hij den raad gegeven een schip te bouwen, waarmede hij zich bij de komende overstrooming zou kunnen redden.--Op vele plaatsen genoot Pr. goddelijke eer, dikwijls in vereeniging met Athena en Hephaestus; te Athene had hij een heiligdom in de Academie, waar jaarlijks een feest (Prometheia) te zijner eer gevierd werd; het voornaamste van dit feest was een wedloop met fakkels.

Promulgatio (rogationis), het openlijk bekendmaken van een wetsvoorstel, zie Trinundinum.

Promulsis, zie coena.

Pronaia, bijnaam van Athena te Delphi, waar haar tempel vóór het groote heiligdom van Apollo stond.

Pronaos, pronaos, zie templum.

Pro(n)ni, Pronnoi, stad aan de O.-zijde van het eiland Cephallenia.

Pronuba, 1) bijnaam van Juno, als huwelijkstichteres.--2) bruidsdame, wier taak het was, van de zijde der bruid het noodige in orde te brengen en haar in het huwelijksleven in te leiden. Voor pronubae koos men liefst jonggehuwde vrouwen van onbesproken gedrag.

Propertius (Sex.), vermoedelijk in of omstreeks 50 te Asisium (Assisi) in Umbria geboren, was reeds vroeg vaderloos en werd door eene der landverdeelingen van Octavianus van zijn vaderlijk erfgoed beroofd. Naar Rome gekomen, ontbrandde hij in liefde voor de schoone Hostia, die hij in zijne minnedichten onder den naam van Cynthia bezong. Hoewel zij hem door hare wispelturigheid en ontrouw meermalen grievend leed aandeed, bleef de liefde voor haar in het hart van Pr. geworteld. Zijne elegieën, fijn gepenseeld, dragen de sporen van gloeiende bezieling en vereenigen natuur en kunst in zich. Door veelvuldige zinspelingen op oude mythen is hij echter dikwerf moeilijk te begrijpen. Hij stierf jong, waarschijnlijk in of omstreeks het jaar 15.

Propoetides, meisjes van Amathus, die de godheid van Aphrodite loochenden en tot straf daarvoor in steenen veranderd werden.

Propontis, Propontis, de Voorzee (vóór den Pontus Euxinus), thans zee van Marmara.

Propraetor of pro praetore. Wat van de consuls is gezegd, die als stadhouders door den senaat met consulair imperium werden bekleed (zie proconsul), geldt ook voor de praetoren, die na het verstrijken van hun ambtsjaar pro praetore naar hunne provinciën gingen. Daar echter de algemeene naam voor stadhouder praetor is, geldt de titel pro praetore ook van hem, die een stadhouderschap tijdelijk waarneemt. Kwam b. v. een stadhouder te overlijden en viel dan zijn quaestor in zijne plaats in, dan was deze quaestor pro praetore, d. w. z. quaestor met stadhouderlijke macht. Zoo vindt men ook wel eens een legatus pro praetore. In den keizertijd is dit de titel van de stadhouders der groote keizerlijke provincies, die voor den keizer het bewind voerden, zie legatus.

Propylaea, Propylaia, zie Athenae.

Proquaestor of pro quaestore, hij, die tijdelijk het ambt waarneemt van een overleden of tusschentijds afgetreden quaestor. Daar hiervoor door den stadhouder meestal een legatus wordt aangewezen, draagt deze den titel: legatus pro quaestore. Enkele malen vindt men ook, dat het ambt van een quaestor door prorogatio verlengd wordt (zie hierover proconsul), denkelijk wanneer er quaestoren te kort kwamen. In zoodanig geval was de titularis proquaestor.

Prorogatio, is het verlengen van iemands ambt. Voor de eerste maal is dit voorgekomen in 326, toen het volk op verzoek van den senaat besloot, dat de consul Q. Publilius Philo ook na afloop van zijn ambtstijd het imperium zou behouden met den titel pro consule. Sedert dien tijd werd door de prorogatio imperii dikwijls in een tekort aan beschikbare ambtenaren voorzien. In den beginne werd het imperium verlengd door een volksbesluit, sedert den tweeden Punischen oorlog, v. a. sedert 250, meest door den senaat. Door Sulla werd de prorogatio van het consulaat en de praetuur tot regel gemaakt. Zie Proconsul en Propraetor.

Prorsa, z. Carmenta.

Proscenium, proskenion, het tooneel in engeren zin, d. i. de door achter- en zijwanden begrensde ruimte.

Proschium, Proschion, vroeger Pylene, Pylene, stad in Aetolia aan den Zuidkant van den berg Aracynthus.

Proseleni, Proselenoi, z. Arcadia.

Proselytoi, proselyten, Jodengenooten. Van af de 3de eeuw maken de Joden, evenals de aanhangers van andere Oostersche godsdiensten, veel propaganda voor hun geloof, en telkens vindt men er melding van gemaakt, dat velen, ook in Rome, zooals blijkt uit de Romeinsche dichters, zooal niet geheel tot het Jodendom over gingen, toch zich nauw daarbij aansloten, en enkele gebruiken, zooals de Sabbathviering, overnamen. Zij worden in het N. T. proselytoi, die zich aangesloten hebben, of ook wel sebomenoi, -ai (ton Theon), Godsdienstigen, genoemd. Zij blijken zeer toegankelijk voor het Christendom, en hebben de verspreiding daarvan in de Heidenwereld bevorderd.

Proserpina = Persephone. De dienst van Proserpina en Dis werd in Rome ingevoerd tengevolge van een uitspraak der Sibyllijnsche boeken, zie Ceres, Terentini ludi en Terentum.

Proskephalaion kussen, ook om te zitten en om op de rustbanken, waarop men bij den maaltijd aanlag, den linkerarm tot steun te dienen.

Prosklesis, z. kleter.

Proskynesis, z. Adoratio en Adulatio, door de Grieken als een teeken van uiterste slaafschheid beschouwd. De wensch van Alexander d. Gr., om de pr. ook bij Grieken en Macedoniërs in te voeren, vond veel tegenstand.

Prosodia, prosodia, hymnen, onder begeleiding van fluitspel door een koor gezongen, wanneer het zich op feestdagen in optocht naar een tempel begaf.

Prosopitis, Prosopitis, eiland en provincie (nomos) in de Zuidspits der Nijldelta.

Prostates, z. metoikos.

Prostaxis, z. atimia.

Prostimema, z. dike.

Prostoa, de vier overdekte zuilengangen, die de aule van een woonh)is omgeven, v. a. alleen de galerij, die aan de zijde van den ingang gelegen is, of deze met de tegenoverliggende.

Prostylus, prostylos, z. templum en vergelijk de teekening bij Amphiprostylus.

Protagoras, Protagoras, van Abdera, een der beroemdste grieksche sophisten (485-416). Nadat hij zich met taalstudie en rhetorica beziggehouden had en de stelsels der oudere wijsgeeren grondig bestudeerd had, trad hij als leeraar op. Hijzelf was de eerste, die zich sophist noemde en liet zich voor zijn onderwijs 100 minae betalen. Hij loochende het bestaan van absolute, objectieve waarheid en leerde, dat voor den mensch alles was zooals het hem toescheen. Te Athene, waar hij zich sedert 450 meestal ophield, vond hij grooten bijval, v. s. werd hij door Pericles naar Thurii gezonden om er de wetten te herzien. Daar hij in een van zijne werken gezegd had, dat hij niet wist of er goden waren en dat een menschenleven te kort was om zulk een duistere zaak te onderzoeken, werd hij als atheïst aangeklaagd en veroordeeld. Zijn werk werd op de markt verbrand, en v. s. werd hij verbannen. Hij begaf zich naar Sicilië, maar verdronk op reis.

Prote, Prote, eiland en reede op de W. kust van Messenia.

Protesilaus, Protesilaos, zoon van Iphiclus, koning van Phylace, nam deel aan den tocht tegen Troje. Hij was de eerste, die bij de aankomst van de vloot aan land sprong, maar hij werd terstond door Hector gedood. Te Elaeus was zijn graf met een rijken tempel, ook te Phylace had hij een heiligdom, z. ook Laodamia.

Proteus, Proteus, een oude zeegod, die op het eiland Pharus de robben van Amphitrite weidt. Hij bezit de gave der voorspelling, maar hij geeft zijne voorspellingen niet dan gedwongen, en tracht door allerlei gedaanteverwisselingen te ontsnappen aan hen, die hem ondervragen. Zie ook Helena.--V. a. was hij koning van Pharus, zoon van Poseidon, echtgenoot van Psamathe, of hij was naar Thracië gegaan om daar met Torone in het huwelijk te treden, maar wegens het slecht gedrag zijner zonen, Tmolus en Telegonus, had hij Poseidon verzocht naar Aegypte te mogen terugkeeren.

Prothesis nekrou, tentoonstelling van een lijk. Op den dag vóór de begrafenis werd het lijk, nadat het gewasschen, gekleed en bekranst was, in het voorste gedeelte van het huis op een bed gelegd, met de voeten naar de huisdeur gericht. Bloedverwanten en vrienden kwamen den afgestorvene dan het laatste bezoek brengen, en zongen te zijner eere plechtige klaagliederen.

Protis, Protis, van Phocaea, stichter van Massilia en stamvader van het geslacht der Protiaden aldaar.

Protogenea, Protogeneia, dochter van Deucalion en Pyrrha, gehuwd met Locrus, bij Zeus moeder van Opus.

Protogenes, Protogenes, van Caunus, uit de 2de helft van de 4de eeuw, een van de beroemdste grieksche schilders. Tot zijn 50ste jaar moest hij door handwerk in zijn onderhoud voorzien, eerst toen gelukte het Apelles de aandacht op hem te doen vestigen. Hij kocht namelijk eenige schilderijen van Pr., en deed alles om het vermoeden op te wekken, dat hij ze voor zijn eigen werk wilde laten doorgaan. Zijn voornaamste werk was de Ialysus als jager voorgesteld, dat later in den Vredetempel te Rome was en bij den brand van dien tempel verloren ging. Toen Demetrius Poliorcetes Rhodus belegerde, waar Pr. woonde en werkte, liet hij de werkplaats van den kunstenaar, die buiten de stad gelegen was, door eene wacht beschermen, en dikwijls bracht hij er zelf een bezoek. Zelfs liet hij zich de overwinning ontsnappen, doordat hij niet er toe konde besluiten de stad van die zijde aan te vallen, waar de Ialysus van Pr. zich bevond.

Protomachus, Protomachos, 1) atheensch veldheer in den slag bij de Arginusen, ging vrijwillig in ballingschap, om aan het proces tegen hem en zijne ambtgenooten te ontkomen.--2) aanvoerder der ruiterij onder Alexander den Grooten.

Provincia, de door wet, senaatsbesluit of sortitio aan een ambtenaar cum imperio toebedeelde werkkring of het terrein van werkzaamheid. De senaat bepaalde gewoonlijk den ambtskring (provincia) der consuls; de praetoren lootten na hun benoeming, wie van hen als praetor urbanus de provincia urbana, wie de provincia peregrina (de rechtspraak onder vreemdelingen) zou hebben, wie als voorzitter van één of meer quaestiones zou optreden. Later beteekent provincia voornamelijk ambtskring buiten Italië, en gaat dan in de beteekenis van wingewest over.

Provocatio, beroep op de volksvergadering als rechter en wel op de centuriaatcomitiën in lijfstraffelijke zaken en op de tribuutcomitiën of het concilium plebis bij boeten boven een zeker bedrag. Zie leges Valeriae, leges Porciae, lex Aternia Tarpeia, lex Iulia Papiria. Het recht van provocatio was ingesteld als waarborg tegen willekeur en mishandeling van de zijde der magistraten. De provocatie geldt niet voor vrouwen en vreemdelingen, en is beperkt tot de banmijl, de grens van het imperium domi. Na de instelling der quaestiones perpetuae werden de iudicia populi uitzondering, doch zij bleven toch bestaan, evenwel niet zóó, dat men van een eenmaal gewezen vonnis op het volk kon appelleeren. Zie echter Antoniae (leges) no. 6. De rom. republiek kende geen appèl van gevelde vonnissen; het komen in hooger beroep dagteekent uit den tijd der keizers.

Proxenos, de gastvriend van een staat, niet zonder grond met onze tegenwoordige consuls vergeleken, daar hij in zijn staat de belangen waarnam van den staat, welks pr. hij was. In den staat, dien hij vertegenwoordigde, genoot hij daarvoor ook zekere voorrechten boven andere vreemdelingen.--De proxenia van een bepaalden staat wordt soms door vele geslachten heen in dezelfde familie gevonden.

Proxenus, Proxenos, 1) Boeotiër, leerling van Gorgias, vriend van Xenophon, een van de aanvoerders der grieksche troepen onder den jongen Cyrus. Na den slag bij Cunaxa werd hij door Tissaphernes verraderlijk gevangen genomen en ter dood gebracht.--2) van Tegea, vijand van Sparta en ijveraar voor den bouw van Megalopolis. Bij de partijtwisten in zijne vaderstad verloor hij het leven.--3) van Aphidna, atheensch veldheer tegen het einde van den heiligen oorlog (347).

Prudentius Clemens (Aurelius), uit Hispania geboortig, de beste rom. christendichter, leefde in de tweede helft der vierde eeuw na C.

Prusa, Prousa, ook Prusias, Prousias, geheeten, 1) ad Olympum, aanzienlijke stad van Bithynia, door Prusias I aan den voet van den mysischen Olympus naar een plan van Hannibal gesticht, thans Brussa.--2) ad Hyppium, kuststadje in het W. van Bithynia aan de rivier Hyppius, zie Cius.

Prusias, Prousias, 1) koning van Bithynië, regeerde, nadat hij zich door gelukkige oorlogen van de Galliërs en andere vijanden bevrijd had (213), met kracht en beleid en vergrootte zijn rijk door de verovering van Heraclea en andere steden. In den oorlog tusschen de Rom. en Antiochus koos hij de partij van eerstgenoemden, doch later verleende hij een schuilplaats aan Hannibal. Hij werd echter gedwongen hem aan de Romeinen uit te leveren, zie Hannibal no. 4. Hij stierf kort daarna.--2) zoon en opvolger van den vorigen, was geheel en al afhankelijk van de Rom. en sloot op hun bevel vrede met Attalus II, dien hij met geluk beoorloogd had. In 143 werd hij door zijn zoon Nicomedes gedood.

Prusias, Prousias = Cius.

Prytaneia, z. Prytanis.

Prytaneia, zekere som, die beide partijen in eene dike voor den aanvang van het proces moesten storten tot vergoeding van de proceskosten, vandaar pr. tithenai tini, iemand aanklagen. Voor zaken, beneden 100 drachmen geschat, werden geene pr. betaald, bij hoogere schatting stonden de pr. in zekere verhouding tot de som in kwestie. De verliezende partij moest den winner ook zijne pr. vergoeden.

Prytanis, de eerste, voorste, in verscheiden staten naam van de opperste magistraten. Te Athene noemde men prytaneis de 50 raadsleden, die tijdelijk met het dagelijksch bestuur belast waren (z. boule). Iedere phyle had de prytanie op haar beurt, zooals dit bij het begin van het jaar door loting was aangewezen. Deze betrekking zelve en de tijd, gedurende welken dezelfde prytanen aan het bestuur zijn (35 of 36, in schrikkeljaren 38 of 39 dagen), heet prytaneia, de phyle, waartoe zij behoorden, phyle prytaneuousa. De prytanen zijn den geheelen dag met elkander in den Tholos, in oudere tijden in het Prytaneum, waar zij ook gemeenschappelijk hunne maaltijden gebruiken. Voor iederen dag wordt uit hun midden door het lot een epistates aangewezen, die voorzitter is van de raads- en volksvergadering (z. echter proedria) en de sleutels van den burcht en van het archief en het staatszegel in bewaring heeft.--Zie ook naukraria.

Prytaneum, Prytaneion, een gebouw te Athene, waar aanzienlijke vreemdelingen en verdienstelijke burgers hunne, van staatswege verstrekte, maaltijden hielden.--Oorspronkelijk hielden ook de prytanen hier hunne zittingen en maaltijden.

Psamathe, Psamathe, 1) Nereïde, bij Aeacus moeder van Phocus.--2) z. Linus.--3) z. Proteus.

Psammenitus, Psammenitos, zoon van Amasis, laatste koning van Aegypte, werd na eene regeering van 7 maanden door de Perzen bij Pelusium verslagen en moest zich aan Cambyses overgeven (525). Cambyses maakte hem stadhouder van Aegypte, maar toen kort daarna een opstand uitbrak, waaraan Ps. schuldig geacht werd, werd hij ter dood veroordeeld.

Psammetichus, Psammetichos, 1) een van de vorsten, die onder assyrische opperheerschappij over Aegypte regeerden, wist zich door middel van ionische en carische troepen, hem uit Lydië te hulp gezonden, van Assyrië onafhankelijk te maken (663) en bemachtigde daarna het geheele rijk. Een inval der Scythen kocht hij door groote geschenken af, overigens breidde hij zijne macht ook buiten Aegypte uit en ondernam hij zelfs veldtochten naar Azië, waar hij Azotus na een oorlog van 29 jaar (640-611) innam. Gelijk hij zijne verheffing aan vreemde hulp verschuldigd was, zoo bleef hij gedurende zijne geheele regeering een beslist voorstander van het vrije verkeer van vreemdelingen in zijn rijk, vooral begunstigde hij den handel en bevorderde hij de vestiging van Grieken en Phoeniciërs in Aegypte, ook bleef hij steeds grieksche en carische troepen in dienst houden. Deze nieuwigheden, waarmede samenhangt de verplaatsing der residentie van Memphis naar Sais, veroorzaakten groote verbittering, en velen uit de soldatenkaste, men spreekt van 240,000, verhuisden naar Aethiopië, maar Ps. liet zich niet van den eenmaal ingeslagen weg afbrengen en had de voldoening, gedurende zijne lange regeering den bloei en de welvaart van zijn rijk steeds te zien toenemen. Hij stierf in 609.--2) Ps. II of Psammis, kleinzoon van den vorigen, koning van Aegypte 594-588.--3) Ps. III = Psammenitus.

Psammis, Psammis = Psammetichus II.

Psarus, Psaros, rivier in Cilicië, ten O. van Tarsus.

Psephizesthai, stemmen door middel van steentjes (psephoi), die in een urn (hydria) geworpen werden, doch dikwijls in het algemeen voor besluiten, ook wanneer dit door het opsteken der handen (cheirotonia) geschiedt. Ieder volksbesluit heet psephisma.

Pseudomartyrion dike, aanklacht tegen iemand, door wiens valsch getuigenis men een proces verloren heeft. De veroordeeling van den aangeklaagde had niet noodzakelijk de vernietiging van het oorspronkelijk vonnis ten gevolge, maar konde aanleiding geven tot een palindikia.

Psiloi, algemeene naam voor lichtgewapende troepen: boogschutters, slingeraars, enz., te onderscheiden van de peltastai of lichtgewapende infanterie. Verder verstaat men onder psiloi de oppassers of bedienden der hoplitai. Ieder hopliet had een oppasser, om wanneer hij door zijn zware wapenrusting vermoeid was, op marsch zijn schild en speer te dragen, verder voor het dragen, requireeren en koken van de levensmiddelen. In Sparta gebruikte men daarvoor heloten, in Attica moest ieder hopliet zelf voor zijn oppasser zorgen, dien hij dus meestal uit zijn familie of buren koos. Daar ze ook nu en dan krijgsdiensten moeten verrichten en tot hun taak ook behoort het wegvoeren van gewonden en van gevangenen, plundering en verwoesting van het vijandelijk land, zijn ze licht gewapend, met een dolk of bijl of korte speer.

Psophis, Psophis, sterke stad in het N.W. van Arcadia. Het had eene acropolis met cyclopische muren. Vroeger heette het Phegea, Phegeia.

Psychagogos, Psychopompos, bijnaam van Hermes, die de zielen der afgestorvenen naar de onderwereld geleidt.

Psychomanteion, Psychopompeion, plaats, waar men de geesten van afgestorvenen door een psychomantis kon laten oproepen om hen over de toekomst te ondervragen, de antwoorden ontving men gewoonlijk in den droom.

Psyche, Psyche, personificatie van de ziel des menschen; zij was de jongste van drie koningsdochters, en zoo schoon, dat de menschen haar de hulde brachten, die zij aan Aphrodite verschuldigd waren. Hierover vertoornd, liet de godin door een orakel aan hare ouders het bevel geven, haar op eene eenzame rots te brengen, daarna zond zij Eros om haar met een van zijne pijlen liefde voor den leelijksten en gemeensten man te doen opvatten. Maar op het oogenblik dat Eros zijn pijl zou afschieten, wondde hij zichzelven er mede, en bekoord door hare schoonheid, verplaatste hij haar naar een lusthof, waar hij haar iederen nacht bezocht. Echter verbood hij haar ooit pogingen te doen om hem te zien of te leeren kennen, en aanvankelijk bedwong Ps. haar nieuwsgierigheid, maar na eenigen tijd wisten hare afgunstige zusters twijfel bij haar op te wekken, en zij besloot zich zekerheid omtrent den persoon van haar minnaar te verschaffen. Zoodra hij in slaap gevallen was, ontstak zij een lamp, maar door zijne schoonheid getroffen, liet zij, terwijl zij zich te ver over hem heen boog om hem goed te beschouwen, een druppel heete olie daaruit op zijn schouder vallen, de god ontwaakte, verweet haar haar gebrek aan vertrouwen en verliet haar. Ontroostbaar over dit verlies, dwaalde Ps. over de geheele aarde rond om haar minnaar te zoeken, ten slotte wendde zij zich tot Aphrodite zelve, die haar wel vergiffenis beloofde, maar haar eerst een aantal zware beproevingen oplegde, waaronder zij bezweken zoude zijn, indien niet Eros zelf, bij wien de oude liefde herleefd was, haar geholpen en gesterkt had. Ten slotte werd Aphrodite verzoend, de beide minnenden hereenigd, Ps. werd op den Olympus opgenomen en door Zeus met de onsterfelijkheid beloond.--Ps. wordt dikwijls in vereeniging met Eros afgebeeld als een vlinder of als een jonkvrouw met vlindervleugels.

Psylli, Psylloi, oud-libysch volk in het binnenland van Cyrenaica; ze stonden bekend als slangenbezweerders.

Psyra, Psyria, Psyra (ta), Psyria (he), eilandje ten W. van Chios. Daar het eilandje geen wijn voortbracht, zei men van geheelonthouders: Psyra ton Dionyson agontes.

Psyttalia, Psyttaleia, rotseilandje in de zeeëngte tusschen Salamis en de kust van Attica, v.s. Hagios Georgios, v.a. Lipsokutali.

Pteleum, Pteleon, naam van onderscheiden steden; in het thessalische gewest Phthiotis tegenover de invaart van de Pagasaeische golf, in Elis Triphyliaca, in aziatisch Ionia bij Erythrae, en ook elders.

Pterelaus, Pterelaos, koning der Taphiërs, z. Comaetho.

Pteria, Pteria, district en stad in Cappadocia, vroeger hoofdstad van het rijk der Hethiten.

Pteron, pteroma, noemt men de zuilen van de voor- en achterzijde van grieksche tempels.

Ptolemaeus, Ptolom., Ptolemaios, 1) Alorites, zie Alexander no. 6 en Perdiccas no. 3.--2) neef van Antigonus, wiens plannen hij eenigen tijd krachtig ondersteunde (315-312), later knoopte hij echter betrekkingen aan met Pt. van Aegypte, die hem vergiftigde (309).--3) van Epirus, zoon van Pyrrhus, nam gedurende den tocht van zijn vader naar Italië de regeering waar. Na eene schitterende overwinning ter zee nam hij Corcyra, hij versloeg Antigonus Gonatas en sneuvelde bij den tocht van zijn vader naar de Peloponnesus (272).--4) Pt. Lagi (Lagides), onder Philippus van het macedonische hof verbannen, werd door Alexander bij zijne lijfwacht geplaatst. Hij had een eervol deel aan alle ondernemingen van Alexander, streed bij Issus, nam Bessus gevangen, onderwierp Sogdiana, en behaalde roem in de indische oorlogen. Hij had ook bij den koning en bij het geheele leger grooten invloed en na Alexanders dood was hij het vooral, die de verdeeling van het rijk doorzette. Voor zijn aandeel kreeg hij Aegypte, door de verovering van Cyrene breidde hij zijn gebied uit, terwijl hij den aanval van Perdiccas op zijn rijk met beleid afweerde (321). In de nu volgende oorlogen tusschen de vroegere veldheeren van Alexander stond Pt. aanvankelijk met Antigonus, Seleucus e.a. tegenover Eumenes, nadat deze echter gevallen was, behoorde hij steeds tot de vijanden van Antigonus. Gedurende deze oorlogen kwam Pt. nu eens in het bezit van Phoenicië, Palaestina, Coele-Syrië en sommige eilanden, dan weder verloor hij deze veroveringen geheel of gedeeltelijk; in 312 behaalde hij een groote overwinning op Demetrius Poliorcetes bij Gaza, in 306 werd hij door Demetrius bij Salamis op Cyprus verslagen. Eindelijk sneuvelde Antigonus in den slag bij Ipsus (301), en toen Demetrius, na korten tijd met zijne tegenstanders verzoend te zijn geweest, den oorlog hernieuwde, werd hij door Seleucus gevangen gemaakt (287). Op het voorbeeld van Antigonus en Demetrius had ook Pt. den koningstitel aangenomen (306), en toen hij in het volgende jaar Demetrius gedwongen had het beleg van Rhodus op te breken, gaven de dankbare Rhodiërs hem den bijnaam van Soter (Soter), dien hij sedert bleef voeren. Zijne onderdanen behandelde Pt. met wijze gematigdheid en tegenover hun godsdienst en eigenaardige gebruiken toonde hij groote toegevendheid, toch bevorderde hij grieksche taal en beschaving op alle wijzen, alle voorname betrekkingen waren in handen van Grieken, in het leger en op de vloot waren slechts weinige Aegyptenaren, en de hoofdstad Alexandrië was meer een grieksche dan eene aegyptische stad, en wel eene van de voornaamste steden der grieksche wereld, waarheen de koning niet alleen door begunstiging van handel en scheepvaart talrijke kooplieden lokte, maar waar ook reeds toen de voornaamste grieksche kunstenaars en geleerden werkten. Pt. zelf schreef eene geschiedenis van Alexander, een werk, dat door Arrianus als voornaamste bron gebruikt werd. Hij gaf in 285 de regeering aan zijn zoon over en stierf twee jaar later, 84 jaar oud.--5) Pt. Ceraunus (Keraunos), oudste zoon van den vorigen, geraakte met zijn vader in oneenigheid en vluchtte naar Thracië bij Lysimachus. Na den dood van Agathocles (no. 2) moest hij vluchten; hij ging naar Syrië, spoorde Seleucus tot een veldtocht tegen Lysimachus aan, en wist van hem de belofte te verkrijgen, dat hij hem op den aegyptischen troon zoude herstellen. Maar toen Seleucus, nadat hij Lysimachus verslagen had, op weg was naar Macedonië, werd ook hij door Pt. vermoord. Door zijn krachtig optreden wist Pt. het leger van Seleucus voor zich te winnen en maakte hij zich van de regeering over Macedonië meester (280), maar reeds het volgende jaar sneuvelde hij in een oorlog tegen de Galliërs.--6) Pt. II Philadelphus (Philadelphos, zusterlievend), zoon en opvolger van Pt. Lagi, was evenals zijn vader een groot begunstiger van kunst en wetenschap; aan het Museum en de groote boekerij, beide reeds door zijn vader begonnen, legde hij groote sommen ten koste. Hij verstiet zijne gemalin Arsinoë, de dochter van Lysimachus, en trouwde met zijne zuster Arsinoë. Cyrene moest hij aan zijn afvalligen halfbroeder Magas laten, daarentegen voerde hij tegen Syrië een langdurigen, maar over het geheel gelukkigen oorlog, die eindigde met het huwelijk van zijne dochter Berenice met Antiochus II. Het gelukte hem echter niet in Griekenland en Macedonië vasten voet te krijgen, zijne pogingen daartoe leidden tot een oorlog, waarin hij ter zee door Antigonus Gonatas verslagen werd. Ook met Rome knoopte hij betrekkingen aan. In het belang van handel en wetenschap bevorderde hij tochten naar Indië en het Zuiden en trachtte hij vooral met Aethiopië betrekkingen aan te knoopen. Zijne laatste levensjaren werden verbitterd door den dood van Arsinoë en Berenice (z. Antiochus no. 3) en door ziekte, hij stierf in 247 op den leeftijd van 63 jaar.--7) Pt. III Euergetes (Euergetes), zoo genoemd omdat hij de godenbeelden, vroeger door de Perzen geroofd, naar Aegypte terugbracht, zoon en opvolger van den vorigen, en evenals hij steeds werkzaam in het belang van kunst en wetenschap en niet minder van den handel, dien hij trachtte te bevorderen door het stichten van koloniën in Aethiopië en Arabië. Kort na het aanvaarden der regeering begon hij een oorlog tegen Syrië, waarbij hij het geheele land tot den Euphraat veroverde en zelfs tot den Indus voortrukte; wel werd hij door een opstand in Aegypte gedwongen terug te keeren, maar toch bedong hij bij den vrede (242) de overgave van de kusten van Klein-Azië en Syrië. Hij heroverde Cyrene en ondersteunde het streven van het achaeïsch verbond en later van Cleomenes III tegen Macedonië, waardoor hij in vijandschap met Antigonus Doson kwam, die echter spoedig door eene verzoening gevolgd werd. Cleomenes vond bij hem een zeer gunstig onthaal en zelfs maakte hij toebereidselen om hem met een leger naar Europa terug te zenden, maar zijn dood (221) maakte daaraan een einde.--8) Pt. IV Philopator (Philopator) of Tryphon (Tryphon), zoon en opvolger van den vorigen, een gewetenloos dwingeland, die zijne regeering inwijdde met het vermoorden van verscheiden zijner naaste bloedverwanten en van Cleomenes III, en haar overigens aan zijne gunstelingen Agathocles en Sosibius overliet, terwijl hij zich soms bezig hield met de studie van Homerus en zelf een treurspel dichtte, maar zich gewoonlijk aan dronkenschap en allerlei uitspattingen overgaf. Het zwaar onderdrukte volk kwam in opstand en werd met de grootste gestrengheid gestraft, en ook de Joden, die in groot aantal te Alexandrië woonden en van den vorigen Pt. vele gunsten genoten hadden, werden met groote onverdraagzaamheid behandeld. De herhaalde aanvallen van Antiochus den Gr. werden wel door de groote overwinning bij Raphia (217) afgeslagen, maar op den duur bleek het noodig tegen dezen vijand bij Rome steun te zoeken, terwijl men aan den anderen kant de uitbreiding van Rome door een bondgenootschap met Macedonië zocht tegen te werken. Pt. stierf in 205.--9) Pt. V Epiphanes (Epiphanes), zoon en opvolger van den vorigen, was bij den dood van zijn vader eerst 4 jaar oud. Reeds dadelijk bij het begin zijner regeering brak in Alexandrië een hevig oproer uit, waarbij de gunstelingen van Pt. IV, o.a. Sosibius, vermoord werden, ook de eigenlijke Aegyptenaren, vooral de soldatenkaste, kwamen in opstand en hier en daar verhieven zich inheemsche vorsten. Gedurende de minderjarigheid des konings maakten Syrië en Macedonië zich van een aantal buitenlandsche bezittingen van Aegypte meester, en eerst de tusschenkomst der Rom. behoedde Pt. voor nog grootere verliezen. Nadat met Antiochus een vrede gesloten was (198), later bevestigd door het huwelijk van diens dochter Cleopatra met Pt., werd de aegyptische opstand deels met geweld, deels door toegevendheid onderdrukt, ofschoon Thebe zich eerst in 186 overgaf. Ook nadat Pt. in 196 plechtig de regeering aanvaard had, bleef hij een werktuig in de handen zijner elkander na Aristomenes (z.a.) snel afwisselende ministers, en langzamerhand gingen alle bezittingen behalve Cyrene en Cyprus verloren. Terwijl Pt. zich tot een nieuwen oorlog met Syrië voorbereidde en daarvoor het bondgenootschap der Aetoliërs zocht, stierf hij, vermoedelijk door vergift (181).--10) Pt. VI Philometor (Philometor), zoon en opvolger van den vorigen, was bij den dood van zijn vader eerst 6 jaar oud, en regeerde onder voogdij zijner moeder Cleopatra. Na haar dood (173) begonnen de ministers van Pt. een onberaden oorlog tegen Syrië, dien Antiochus IV gaarne aannam. Deze won een grooten slag bij den berg Casius, veroverde Pelusium en drong ver in Aegypte door. Pt. vluchtte en de Alexandriërs riepen zijn broeder onder den titel Pt. VII Euergetes II tot koning uit. Wel nam Antiochus nu den schijn aan alsof hij de rechten van Philometor tegen Euergetes wilde verdedigen, en bracht hij Philometor naar Memphis terug, maar toen hij door onlusten in zijn rijk gedwongen was naar Syrië terug te keeren en de broeders zich gedurende zijne afwezigheid door toedoen van hun zuster Cleopatra (no. 6) inderdaad verzoenden, hervatte hij den oorlog krachtiger dan te voren en reeds stond hij voor Alexandrië, toen hij door de tusschenkomst van Rome gedwongen werd den oorlog te eindigen en de reeds gemaakte veroveringen terug te geven (168). Doch spoedig ontstonden twisten tusschen de beide broeders, die eenmaal zelfs zoo hoog liepen, dat Philometor naar Rome moest vluchten (164); de senaat liet hem wel terugbrengen en het rijk tusschen de beide broeders verdeelen, maar daarmede was de vrede niet hersteld, daar Euergetes voortdurend aanvallen op het aandeel zijns broeders deed. Philometor toonde in al deze moeilijkheden een waardig en vast karakter, ook tegenover Rome, dat met opzet de broedertwisten gaande hield. In 146 stierf hij in Syrië aan de gevolgen van een val van zijn paard, nadat hij Alexander Balas verdreven en Demetrius Nicator op den troon hersteld had.--11) Pt. VII Euergetes II Physcon (Physkon, dikbuik), broeder van den vorigen (zie boven), kreeg na diens dood de regeering over het geheele rijk. Hij dwong de weduwe van Philometor, Cleopatra, hem te huwen en vermoordde haar zoon Pt. Eupator, daarna liet hij een aantal burgers van Alexandrië dooden of verbannen, eindelijk nam hij de dochter van Cleopatra tot tweede vrouw. In 130 werd hij door een oproer gedwongen met zijn tweede vrouw naar Cyprus te vluchten, terwijl Cleopatra tot koningin uitgeroepen werd, uit wraak doodde hij zijn eigen zoon en zond hij diens aan stukken gesneden lijk aan zijne moeder. Toch gelukte het hem deels door geweld, deels door overleg, drie jaar later terug te komen, zich met Cleopatra te verzoenen, zich op zijne tegenstanders te wreken en belangrijken invloed te krijgen in de syrische aangelegenheden. Overigens stelde ook hij veel belang in kunst en wetenschap, hij bestudeerde ijverig Homerus en schreef werken over geschiedenis en aardrijkskunde. Hij stierf in 116.--12) Pt. VIII Soter II Lathyrus (Lathyros), zoon van den vorigen en de jongere Cleopatra, werd op verlangen van het volk door zijne moeder tot mederegent aangenomen. In 107 werd hij door haar gedwongen te vluchten, hij ging naar Cyprus en van daar naar Syrië, maar na de vlucht van zijn jongeren broeder (z. no. 13) werd hij teruggeroepen (89). Thebe, waar de oud-aegyptische bevolking in opstand gekomen was, werd na drie jaar ingenomen en verwoest (85). Overigens regeerde hij rustig tot zijn dood (80).--13) Pt. IX Alexander regeerde na de verdrijving van zijn broeder Pt. Lathyrus met zijne moeder en liet zich geheel door haar beheerschen. Toen hij zich evenwel persoonlijk door haar bedreigd zag, doodde hij haar; hij moest echter voor de woede van het volk vluchten en sneuvelde kort daarna in vreemden krijgsdienst.--14) Pt. Apion (Apion), onechte zoon van Pt. Physcon, kreeg na den dood van zijn vader Cyrene; toen hij stierf, liet hij zijn land bij testament aan de Rom. na (96).--15) Pt. X Alexander II, zoon van Pt. Alexander, huwde op bevel van Sulla na den dood van Pt. Lathyrus met diens eenige dochter Berenice, die vroeger met Pt. Alexander gehuwd was geweest, en werd zoo koning. Na drie weken doodde hij Berenice, waarna hij door het volk gedood werd.--16) Pt. XI of XIII Auletes (Auletes, fluitspeler), onechte zoon van Pt. Lathyrus, vandaar ook wel Nothus genoemd, maakte zich na den dood van den vorigen van Aegypte meester. Alleen door den steun der rom. legers in Azië konde hij zich tegen de herhaalde opstanden van zijn volk staande houden, terwijl hij weder, om dien steun te koopen, steeds drukkender belastingen moest opleggen. In 58 werd zijn broeder door de Rom. uit Cyprus verjaagd, en toen het volk zich daartegen wilde verzetten, maar Pt. weigerde zich aan hun hoofd te stellen, werd hij verjaagd, en zijne dochter Berenice tot koningin uitgeroepen (z. Archelaus no. 5). Drie jaar later werd hij door den proconsul A. Gabinius teruggebracht, waarna hij bloedige wraak nam en ook Berenice liet dooden. Hij stierf in 52.--17) Pt. XII Dionysus, oudste zoon en opvolger van den vorigen. In de twisten met zijne zuster Cleopatra, met wie hij volgens den wil zijns vaders de regeering moest deelen, werd hij een tijd lang door Caesar gevangen gehouden. Weder in vrijheid gesteld, hervatte hij den strijd, maar hij werd verslagen en verdronk, naar men zeide, in den Nijl (47), ofschoon anderen later beweerden dat hij zich gered had en te Aradus woonde.--18) Pt. XIII Puer, jongere broeder van den vorigen, na wiens dood hij door Caesar tot mederegent van Cleopatra werd aangesteld, die hem in 43 liet dooden.--19) Pt. Philadelphus, zoon van M. Antonius en Cleopatra, regeerde tot den dood van zijn vader over Syrië en Voor-Azië.--20) zoon van Juba II en Cleopatra no. 11, koning van Mauretania, hielp de Rom. in den oorlog tegen Tacfarinas en ontving tot belooning daarvoor groote eerbewijzen. Door Caligula werd hij naar Rome genoodigd en kort daarna, omdat het volk hem te veel oplettendheid bewees, ter dood gebracht (40 na C.). Zijn rijk werd ingelijfd.--21) Pt. Chennos, waarschijnlijk een tijdgenoot van Nero, schreef in verschillende werken, in proza en verzen, allerlei bizonderheden uit geschiedenis en mythologie, die, voor zoover men kan nagaan, louter verzinsels van hem zijn.--22) Claudius Pt., beroemd wis-, aardrijks- en sterrenkundige, tijdgenoot van Antoninus Pius. Door zijne wetenschappelijke waarnemingen, waarvan hij de vruchten in een aantal werken nederlegde, vestigde hij de aardrijks- en sterrenkunde op zuiver wiskundigen grondslag en bracht hij die wetenschappen tot eene hoogte, die in vele eeuwen niet overtroffen is. Zijne werken, door Theon (no. 3), Pappus e. a. van commentaren voorzien en voor een groot deel in het Latijn en Arabisch vertaald, zijn voor een deel bewaard gebleven, de voornaamste daarvan zijn: Geographike Hyphegesis, de hoofdbron voor de kennis der oude geografie, Megale Syntaxis tes Astronomias (arab. Almagest), zijn astronomisch hoofdwerk, bevattende de leer van de beweging der sterren, e. a.--23) Verschillende grammatici, rhetoren en geschiedschrijvers van den alexandrijnschen tijd en later droegen den naam Pt., hunne werken zijn alle verloren.

Ptolemais, naam van verschillende steden, door Ptolemaeën gesticht of herdoopt, waaronder 1) het vroegere Ace of Acco, thans St. Jean d'Acre, op de kust van Palaestina.--2) Pt. Hermii, aan den linker Nijloever in Thebaïs.--3) stad aan de arabische golf, Theron (Theron) bijgenaamd, uitgangspunt voor de jacht op olifanten.--4) havenstad van Barca in Cyrenaica.

Ptoliporthus, Ptoliporthos, 1) zoon van Telemachus en Nausicaä, ook Perseptolis genoemd.--2) stedenverwoestend, bijnaam van Ares, Enyo, Achilles, Odysseus e. a.

Ptoum, Ptoon, gebergte in Boeotia, aan de Oostzijde van het meer van Copais, met een beroemden tempel van Apollo, waaraan een orakel verbonden was. Bij de opgravingen is veel archaisch beeldwerk voor den dag gekomen.

Ptychia, Ptychia, eilandje in de Ionische zee tusschen Corcyra en de kust.

Publicani, telonai, pachters der indirecte belastingen in de provinciën. Daar voor de pacht, die terstond voldaan moest worden, groote kapitalen vereischt werden, ontstonden er vennootschappen, societates publicanorum (zie equites). De vertegenwoordiger van zulk eene vennootschap werd manceps geheeten, ook wel auctor. Daar de ridders de kapitalisten waren en tevens sedert 123 de rechters uit hun midden werden gekozen, was het voor de stadhouders dikwijls zeer moeielijk de knevelarijen der publicani te keer te gaan, zonder zich bij hunne terugkomst eene of andere aanklacht op den hals te halen. Ook toen sedert Sulla de iudicia niet meer uitsluitend bij de equites waren, bleven deze toch door hunne geldmacht een lichaam in den staat, waarmede de stadhouders rekening moesten houden.

Publicia (lex), een plebisciet, onzeker van welk jaar, tot beperking van het spelen en dobbelen bij de Saturnalia.

Publicii, plebejisch geslacht, uit Latium afkomstig. L. en M. Publicius Malleolus stichtten in 238 als aedielen den tempel van Flora uit boeten, die zij opgelegd hadden, en legden van het overschot een weg naar den mons Aventinus aan (ten N.), clivus Publicius genoemd.

Publicius clivus, zie Publicii.

Publicola = Poplicola.

Publilia (lex) van den volkstribuun Publilius Volero in 471, ut plebeii magistratus tributis comitiis fierent, d. w. z. dat de plebs tributim mocht bijeenkomen voor het verkiezen van plebejische ambtenaren, z. verder Tribuni plebis.

Publiliae (leges) van den dictator Q. Publilius Philo in 339: 1) dat de plebiscita voor alle burgers verbindend zouden zijn; v. s. is dit een anticipatie van de lex Hortensia van 287.--2) dat de patres vóór de stemming over wetsvoorstellen in de centuriaatcomitiën den uitslag zouden goedkeuren (ut ante initum suffragium patres auctores fierent); hierdoor werd de patrum auctoritas (zie patres) tot een bloote formaliteit gemaakt.--3) dat één der censoren voortaan uit de plebs moest gekozen worden.

Publilii, rom. geslacht, ten deele patricisch, ten deele plebejisch. 1) Publilius Volero had in 473 twisten met de consuls gehad en zich vruchteloos om hulp tot de volkstribunen gewend, die de consuls niet durfden of wilden weerstreven. Immers was kort geleden een der volkstribunen, Cn. Genucius, door sluipmoord omgebracht. In 472 werd Volero tot volkstribuun gekozen, en stelde toen aan het volk zijne lex Publilia voor (z. a.). De tegenpartij wist de zaak op de lange baan te schuiven, doch Volero werd voor 471 herkozen en de wet ging door, na heftige tooneelen, waarbij het tusschen Volero en een der consuls bijna tot handtastelijkheden kwam.--Ten gevolge van deze wet werden er in dit jaar 4 tribuni plebis gekozen. Zie Tribuni plebis. Wat omtrent Publilius Volero zelf verteld wordt, lijkt niet zeer geloofwaardig te zijn.--2) Q. Publilius Philo (zie leges Publiliae), was in 339 consul en werd door zijn ambtgenoot tot dictator in den latijnschen oorlog benoemd; in 337 was hij de eerste plebejische praetor, in 332 censor, in 327, 320 en 315 weder consul. Publilius Philo was ook de eerste consul, aan wien het volk op verzoek van den senaat, na afloop van den ambtstijd, het imperium liet behouden met den titel pro consule (326). Hij streed roemrijk tegen de Samnieten.--3) Publilia was de naam van Cicero's tweede vrouw. Zij was met haar veel ouderen echtgenoot niet gelukkig en het kwam tot eene scheiding (45). Haar broeder Publilius en Cicero's vriend T. Pomponius Atticus regelden daarbij de geldzaken.

Publilius Syrus, een vrij gelaten slaaf, uit Syrië geboortig, tijdgenoot van Cicero, schreef mimen, die zeer gewild waren, en waaruit nog eene verzameling spreuken overig is. Hij trad zelf ook op als mimus, zie Laberii.

Pudicitia, personificatie der kuischheid. Zij werd door patricische vrouwen in een tempel aan het Forum Boarium vereerd, maar toen de patricische Virginia van den dienst van P. werd uitgesloten, omdat zij met een plebejer gehuwd was, richtte zij een afzonderlijk heiligdom voor P. ten dienste der plebejische vrouwen op (296). Van toen af onderscheidde men eene P. patricia en eene P. plebeia.

Pugilatus, het vuistgevecht, dat tot de gymnastische wedstrijden behoorde en overeenkomst had met het engelsche boksen, met dit verschil evenwel, dat de ouden zich daarbij van den caestus bedienden (z. a.).

Pylagorai, z. Amphictyones.

Pylartes, die de poorten (der onderwereld) gesloten houdt, bijnaam van Hades.

Pulcher, familienaam in de gens Claudia (Claudii no. 7-10, 12-17).

Pulchrum promunturium, zie Apollinis promunturium.

Pulvinar, het kussen, ook de sofa, waarop de beelden der goden rustten bij een lectisternium (z.a.). Later werd het woord ook gebezigd voor rustbanken en zitplaatsen van hooggeplaatste personen. Zoo werd b.v. de keizerlijke loge in den circus en het amphitheater ook wel Pulvinar genoemd.

Punische oorlogen worden de drie oorlogen genoemd, die Rome met Carthago voerde, en waarvan de eerste (264-241) met den afstand van het carthaagsche deel van Sicilia, de tweede (218-202) met Hannibal's nederlaag en Carthago's vernedering, de derde (149-146) met Carthago's ondergang eindigde.

Pupienius Maximus (M. Clodius), een handwerkerszoon, die van soldaat tot de hoogste ambten opklom en zich een uitstekend generaal betoonde. In 238 na C. werden hij en Balbinus (z.a.) door den senaat tot keizers uitgeroepen, doch door de praetorianen, wien deze keus niet beviel, vermoord.

Pupia (lex), onzeker van welken tijd. Zij verbood senaatszittingen te houden op dagen, voor de comitiën bestemd, alsmede in de maand Februari, behalve tot het verleenen van audiëntie aan gezantschappen.

Pupii, een plebejisch geslacht. Bij Horatius wordt een dichter Pupius bespot als maker van lacrimosa poëmata.--M. Pupius Piso Frugi Calpurnianus, z. Calpurnii no. 5.

Pupinius ager, Pupinia, dorre streek van Latium, ten O. van Rome, in de nabijheid van het gebied van Tusculum. Het is het gebied der oude tribus Pupinia.

Pura, Poura (= stad), hoofdstad van het perzische gewest Gedrosia.

Pyromanteia, het voorspellen van de toekomst uit het branden van een offervuur, eene kunst, die, naar men beweerde, door Amphiaraus was uitgevonden.

Pyrriche, een bij fluitspel uitgevoerde dans, een soort ballet, waarbij de dansers gewapend zijn en de bewegingen van strijders nabootsen. De Cureten, de Dioscuren, Dionysus of Athena worden als de uitvinders er van genoemd. De pyrr. werd te Sparta bij de Gymnopaedia, te Athene bij de Panathenaea uitgevoerd, te Rome werden in den keizertijd door knapen dergelijke vertooningen gegeven.

Puteal, zie Bidental.

Spotted a typo or a problem in this chapter? Tell us