Woordenboek der Grieksche en Romeinsche oudheid (part 3 of 7)
Curii, een plebejisch geslacht. 1) M'. Curius Dentatus trad als volkstribuun in 296 tegen den consul App. Claudius (later Caecus) op, toen deze de verkiezing van een plebejer zocht tegen te gaan. Dit verhaal is onhistorisch. In 290 was hij zelf consul, versloeg met zijn ambtgenoot P. Cornelius Rufinus de Samnieten, en onderwierp de Sabijnen. In 275 ten tweede male consul zijnde, bracht hij aan koning Pyrrhus een nederlaag toe, hetzij bij Beneventum, dat toen nog Maluentum heette, hetzij ergens in Lucania in Arusinis campis. Het dankbare volk verkoos hem terstond ten derden male, waarop Curius de verbonden volken van Zuid-Italië overwon. In 272 stierf hij, terwijl hij censor was. Uit den buit, op Pyrrhus behaald, liet hij de tweede waterleiding van Rome, de Anio vetus (zie Anio) bouwen, welk werk eerst eenige jaren na zijn dood voltooid werd. In 290 had hij, na de onderwerping der Sabijnen, aan het water van den lacus Velinus een uitloop gegeven, zie Avens. Bekend is zijne eenvoudige levenswijze en zijne weigering, van de gezanten der Samnieten geschenken aan te nemen, onder bijvoeging, dat hij liever over rijken wilde heerschen, dan zelf rijk zijn.--2) Q. Curius, deelgenoot van Catilina's samenzwering, verklapte de geheimen er van aan zijne minnares Fulvia, die ze op hare beurt aan Cicero overbracht.
Curio, familienaam in de gens Scribonia, z. Scribonii no. 2 en 4-6.
Curio, priester eener curia. Aan het hoofd der 30 curiones stond een curio maximus. Deze werd reeds in de 3de eeuw in de comitia sacerdotum gekozen.
Curiosolites, gallisch volk in Aremorica.
Curium, Kourion, stad aan de Zuidkust van Cyprus, bij Kaap Curias, he Kourias akra, naar men zeide, een volkplanting der Argivers.
Cursor, familienaam in de gens Papiria, z. Papirii no. 5-7.
Cursus, wedrennen met twee- of vierspannen. Bij een vierspan liepen de vier paarden naast elkander; de twee middelste waren op de gewone wijze aangespannen; de twee buitenste trokken aan touwen, die ter zijde van den wagen waren vastgehaakt, en werden daarom equi funales geheeten. Zie verder de artikels auriga en circus.
Cursus publicus, de staatspost, door keizer Augustus ingesteld. Daar de kosten hiervan door de provinciales werden gedragen, werd dit in latere eeuwen een drukkende finantiëele last voor de bevolking.
Curtii. 1) Mettus of Mettius Curtius, een Sabijn, die na den maagdenroof tegen Rome streed en op de vlucht bijna in een moeras omkwam. Later vestigde hij zich te Rome.--2) M. Curtius, een moedig jongeling, sprong in 362 gewapend en te paard in een kloof, die zich te Rome op het forum had gevormd en niet te dempen was. De godspraak had verklaard, dat het kostbaarste, wat Rome bezat, er in moest worden geworpen. Na Curtius' zelfopoffering sloot de kloof zich weder. De plek werd ommuurd en behield den naam van lacus Curtius.--3) C. Curtius Philo of Chilo, consul 445, bestreed de wetsvoorstellen van den volkstribuun C. Canuleius. Het verhaal, en de geheele persoon is waarschijnlijk onhistorisch.--4) Q. Curtius Rufus, rom. geschiedschrijver ten tijde van keizer Claudius. Hij schreef een werk de rebus gestis Alexandri Magni in 10 boeken, waarvan de eerste twee en stukken van de andere boeken verloren zijn.
Curtius (lacus), zie Curtii no. 2 en Mundus.
Curubis, stad aan de Oostkust van Africa (Zeugitana), ten Z. van Clupea (Aspis).
Curulis (magistratus en sella). Curulische overheden te Rome waren zij, die het recht hadden in het openbaar een sella curulis als zetel te bezigen, n.l. een tabouret met ivoren onderstel en over elkaar gekruiste pooten, zooals onder het koningschap de koning bezigde. Zulk een curulischen zetel hadden de consuls, de praetoren, de censoren, omdat deze, ieder voor zijn deel, de erfgenamen waren der koninklijke macht; verder de interrex, de dictator en zijn magister equitum, terwijl ook aan de curulische aedilen deze onderscheiding was verleend. Ook de tijdelijk ingestelde decemviri legibus scribundis en tribuni militum consulari potestate waren curulische overheden, derhalve alle magistratus maiores en de aediles curules. Bij de sella curulis behoorde ook de purpergerande toga, toga praetexta.
Custodia libera, vrijwillige hechtenis in het huis van een of anderen aanzienlijken burger, als waarborg, dat de beschuldigde niet zou trachten te ontvluchten. Onder de keizers vindt men de custodia militaris, waarbij de beschuldigde onder de bewaking van één of twee soldaten staat, doch zich overigens met dezen vrij mocht bewegen. In custodia militari bevond zich o.a. de apostel Paulus, toen hij te Rome gevangen zat.
Cutiliae, oude sabijnsche stad, aan een meertje gelegen. De eigenlijke stad was reeds vroeg verdwenen, doch dicht bij het meer, aan welks water geneeskracht werd toegeschreven, vormde zich eene badplaats Cutiliae of aquae Cutiliae. In het meer lag een drijvend eilandje, dat men voor den umbilicus Italiae hield. In de nabijheid lag de villa, waar Vespasianus stierf.
Cyaneae insulae, Kyaneia nesoi, twee drijvende rotsen in zee aan den thracischen Bosporus (straat v. Constantinopel). Door de felle branding sloegen deze rotsen voortdurend tegen elkander en verbrijzelden alles wat er tusschen kwam. De Argonauten lieten eene duif er tusschen door vliegen, en toen deze het er levend had afgebracht, stonden de rotsen plotseling voorgoed stil. Zij werden ook Symplegades, Symplegades, genoemd.
Cyathus, kyathos, 1) een lepel, waarmede wijn uit het mengvat in de bekers geschept werd.--2) als maat bij Grieken en Rom. het 72ste deel van een chous of congius, het 192ste van een hekteus of modius.
Cyaxares, Kyaxares, zoon en opvolger van Phraortes, koning van Medië (625-585). Den oorlog tegen Assyrië, dien hij als bondgenoot van Nabopolassar voerde, moest hij ten gevolge van een inval der Scythen staken; toen hij hen na een verblijf van 15 (v. a. 28) jaar uit Azië verdreven had, werd Niniveh omstreeks 606 veroverd en het assyrische rijk vernietigd, z. Alyattes.
Cybebe, Cybele, Kybebe, Kybele, z. Rhea.
Cybistra, ta Kybistra, oude stad in Cataonia aan den noordelijken voet van den Taurus, aan de zijde van Lycaonia; in den keizertijd behoort de stad tot Cappadocia.
Cychreus, Kychreus, zoon van Poseidon en Salamis, dochter van Asopus. Hij bevrijdde het eiland Salamis van een draak, die het onbewoonbaar maakte, stichtte er een volkplanting, en regeerde er tot zijn dood; daar hij geene kinderen had, liet hij de regeering aan Telamon na.
Cyclades, Kyklades, de eilandengroep, die het heilige eilandje Delus omringde voor zoover de eilanden door Ioniërs bewoond waren. Het waren: Andrus, Tenus, Myconus, Syrus, Ceos, Cythnus, Siphnus, Naxus, Parus. De ouden namen er 12 aan, doch omtrent de hier ontbrekende is men het niet eens.
Cyclici, Kyklikoi, een groep epische dichters, navolgers van Homerus, die echter meer dan deze een mythus of kring van mythen in zijn geheel ter behandeling namen; bij voorkeur sloten zij zich, ook wat den inhoud hunner werken betreft, bij Homerus aan. De eerste cyclici leefden omstreeks het begin der 8ste eeuw.
Cyclopes, Kyklopes, drie zonen van Uranus en Gaea, die door hun vader en later weder door Cronus in den Tartarus werden geworpen, maar door Zeus bevrijd werden, hem hielpen in den strijd tegen de Titanen en den bliksem voor hem smeedden; Apollo doodde hen in zijn toorn, toen Asclepius door Zeus met den bliksem gedood was. Als smeden noemde men hen later dienaren van Hephaestus, waarvan echter meer dan drie waren; hun werkplaats was in den Aetna of op het eiland Lipara, waar zij niet alleen den bliksem, maar ook wapenen voor goden en helden vervaardigden. Ook sommige zeer oude bouwwerken, samengesteld uit reusachtige steenklompen, waarvan de bewerking meer dan menschelijke kracht scheen vereischt te hebben (cyclopische muren), worden aan Cyclopen toegeschreven, die met Proetus uit Lycië naar Argolis gekomen zouden zijn.--Bij Homerus zijn de Cyclopen een volk van wilden en menscheneters, zij kennen recht, wet, noch godsdienst en houden zich alleen met veeteelt bezig, terwijl zij zelfs met elkander geen verkeer hebben; hun vruchtbaar land brengt zonder handenarbeid alles voort wat zij noodig hebben.--De Cyclopen worden voorgesteld als geweldige reuzen met één oog in het midden van het voorhoofd.
Cycnus, Kyknos, 1) zoon van Apollo en Thyria of Hyria, leefde als jager tusschen Pleuron en Calydon. In weerwil van zijne buitengewone schoonheid, verlieten hem al zijne vrienden om zijne terugstootende manieren; alleen Phylius bleef hem getrouw en bewees hem allerlei diensten. Eindelijk verloor echter ook deze het geduld en weigerde een stier over te geven, dien hij op last van Cycnus gevangen had, waarop deze zich in drift van een rots stortte; Apollo veranderde hem echter gedurende den val in een zwaan. Zijne moeder weende zoo om zijn verlies, dat zij wegkwijnde en in het meer Hyria veranderde.--2) zoon van Poseidon en Calyce, door zijne moeder te vondeling gelegd, maar door visschers gevonden en opgevoed; toen hij volwassen was, maakte Poseidon hem koning van Colonae in Troas. Zijne beide kinderen, Tenes en Hemithea, liet hij, op valsche aanklachten van hun stiefmoeder, in een kist in zee werpen; zij landden op Tenedus, waar Tenes koning werd. Later zag Cycnus zijn ongelijk in en kwam hij zijn zoon terughalen; beiden kwamen den Trojanen te hulp toen de Grieken landden, en reeds dadelijk geraakten zij in strijd met Achilles, die aan Cycnus, daar hij onkwetsbaar was, een hevigen slag op het hoofd gaf, die hem in onmacht deed vallen, waarop hij hem met den riem van zijn eigen helm wurgde. Poseidon veranderde hem in een zwaan.--3) zoon van Ares en Pelopea, een wreede reus, die bij Iton in Thessalië woonde en alle reizigers aanviel om van hunne schedels een tempel voor zijn vader te bouwen. Hij werd door Heracles gedood.--4) zoon van Ares en Pyrene, eveneens een geweldige reus, die door Heracles gedood werd, ofschoon Ares zelf hem bijstond; ook van hem zeide men dat hij in een zwaan veranderd was. De strijd tusschen Ares en Heracles was zoo hevig, dat Zeus hen door den bliksem scheiden moest.--5) zoon van Sthenelus, koning der Liguriërs, die den dood van zijn vriend Phaëthon zoo hevig betreurde, dat Apollo hem uit medelijden in een zwaan veranderde en onder de sterren plaatste.
Cydippe, Kydippe, z. Acontius.
Cydnus, Kydnos, ijskoude rivier in Cilicia, die door de stad Tarsus stroomt en waar Alexander de Groote zich eene ernstige ziekte op den hals haalde.
Cydonia, Kydonia, thans Canea, oude, machtige stad op de N.W. kust van Creta, het middelpunt van den voor-griekschen stam der Cydones, Kydones. De inwoners waren uitstekende boogschutters. Cydonia mala = kweeperen.
Cylipenus, bij vroege schrijvers de naam van de Oostzee.
Cyllene, Kyllene, ook mons Cyllenius, op de grenzen van Achaia en Arcadia, de hoogste berg der Peloponnesus, geboorteplek van Hermes of Mercurius, die er een tempel had en dikwijls door de dichters Cyllenius wordt genoemd.--Ook eene havenstad in het N. van Elis.
Cyllenius, Kyllenios, bijnaam van Hermes, z. Cyllene.
Cylon, Kylon, 1) atheensch eupatride, overwinnaar in de olympische spelen (640), schoonzoon van Theagenes, den tyran van Megara. Hij trachtte zich van de alleenheerschappij meester te maken en bezette, door een dubbelzinnig orakel misleid, de acropolis (612), doch kon zich niet staande houden en werd door gebrek aan levensmiddelen gedwongen te vluchten. Zijne aanhangers werden, hoewel hun lijfsbehoud toegezegd was, verraderlijk vermoord, z. Alcmaeonidae.--2) van Croton, een aanzienlijk man, die aan het hoofd der volkspartij de aristocratische regeering en de aanhangers van Pythagoras (z. a.) verdreef.
Cymbalum, kymbalon, muziekinstrument ongeveer gelijk aan onze bekkens, in gebruik bij de feesten van Bacchus en Cybele.
Cyme, Kyme, 1) bijgenaamd he Aiolike (in onderscheiding van het Italiaansche Cumae) of he Phrikonis, beroemde aeolische havenstad op de aziatische kust, geboorteplaats van Ephorus. Hier overwinterde de vloot van Xerxes na diens terugkeer uit Griekenland. In 17 na C. leed het zwaar door eene aardbeving. Van de Cymaeërs deden in Griekenland allerlei dwaasheden de ronde.--2) stad aan de Oostkust van Euboea, z. Cumae.
Cynegirus, Kynegeiros, v. s. een broeder van Aeschylus. Toen hij na den slag bij Marathon een van de vertrekkende perzische schepen met de handen wilde terughouden, werd hem de arm afgehouwen, ten gevolge waarvan hij stierf.
Cynaetha, Kynaitha, stad in het N. van Arcadia, met een ruw slag van inwoners.
Cynaethus, Kynaithos, beroemd rhapsode van Chius, zoude omstreeks 500 de gedichten van Homerus op Sicilië bekend gemaakt hebben; v. s. was hij de dichter van een der zoogenaamde homerische hymnen.
Cynesii, Kynesioi, Kynetes, een volk in het W., bij Herodotus vermeld, waarschijnlijk Iberiërs.
Cynici, Kynes, Kynikoi, heetten de wijsgeeren uit de school van Antisthenes; waarschijnlijk is de naam afgeleid van het gymnasium Cynosarges, waar Antisthenes, als niet volbloed Athener, onderwijs geven moest; tevens vond men echter er in eene toespeling op het leven der Cynici, dat door hun overdreven onthouding van genot en beperking van behoeften naar veler oordeel iets dierlijks had. In later tijd treden ze vooral op als boetpredikers. Ze hebben samen met de Stoici, die meer voor de hoogere standen werkten, een enormen invloed geoefend op het moderne denken.
Cynosarges, Kynosarges, een worstelperk voor onechte kinderen, buiten Athene gelegen, aan de Zuidkant, en aan Heracles gewijd. Hier onderwees Antisthenes (± 400) zijne wijsbegeerte, welke naar deze plaats de cynische is genoemd.
Cynoscephalae, Kynos kephalai, naam van twee heuvels in het Z.O. van Thessalia, bij Scotussa, die van verre gezien op hondskoppen gelijken. Hier behaalde T. Quinctius Flamininus in 197 de overwinning op Philippus van Macedonia.
Cynossema, Kynos sema, kaap van de thracische Chersonesus, daar waar de Hellespont het nauwst is, ten Z. van Madytus, met het graf der in een hond veranderde Hecuba.
Cynosura, Kynosoura, 1) voorgebergte in Attica, dat de baai van Marathon in het O. afsluit.--2) smalle landtong aan de Oostkust van Salamis, waar het zegeteeken van den grooten zeeslag van 480 opgericht werd.--3) het zuidwestelijke deel van de stad Sparta.--4) eene nimf van het gebergte Ida, voedster van Zeus, die onder de sterren verplaatst werd, v. s. de Kleine Beer.
Cynthia, de pseudonym voor de geliefde van Propertius (z. a.); in werkelijkheid heette ze Hostia.
Cynthius, -a, Kynthios, -thia, Apollo en Artemis, naar den berg Cynthus, hun geboorteplaats.
Cynthus, Kynthos, kale berg op het eil. Delus, z. a.
Cynuria, Kynouria, distrikt ten O. van den Parnon, tusschen Argolis en Laconica, een twistappel tusschen beide staten, tot het eindelijk omstreeks 540 door de Spartanen voor goed aan de Argoliërs ontrukt werd. Onder Philippus van Macedonia werd het weder met Argos vereenigd (338). Naar de stad Thyrea wordt het landschap ook Thyreatis geheeten.
Cynus, Kynos, stad der opuntische Locriërs aan de Euboeïsche zeeëngte.
Cyparissia, Kyparissia, de cipressenstad, op de W.-kust van Messenia aan de Cyparissische golf.
Cyparissus, Kyparissos, 1) zoon van Telephus, die van verdriet verkwijnde omdat hij bij ongeluk een geliefkoosd hert had gedood, dat hem door Apollo geschonken was; hij werd in een cipres veranderd.--2) stadje in Phocis bij Delphi.
Cypria, Cypris, Kypria, Kypris, Aphrodite, zoo genoemd naar het eiland Cyprus, den hoofdzetel van haar eeredienst.
Cyprianus (Thascius Caecilius), vroeger heidensch rhetor, later christen en bisschop van Carthago, onderging in 258 na C. onder de regeering van keizer Valerianus met grooten moed den marteldood. Hij heeft verscheidene godsdienstige geschriften nagelaten. Vele werken echter, die op zijn naam staan, zijn van oudere of jongere tijdgenooten.
Cyprus, Kypros, voornaam grieksch eiland in den oosthoek der Middellandsche zee. Reeds vroeg zijn de oudste bewoners door Phoeniciërs teruggedrongen; na den trojaanschen oorlog kwamen er grieksche volkplanters, en sedert dien tijd vindt men de oude bevolking slechts in Amathus aan de Z. kust, de Phoeniciërs in het nabij gelegen Cition; de andere steden zijn grieksch. Omstreeks 560 werd Cyprus door Aegypte onderworpen en werd vervolgens met Aegypte perzisch. Het heeft toen verscheidene malen gepoogd, zich zelfstandig te maken. In 499 sloot het zich bij den ionischen opstand aan, maar werd spoedig weer onderworpen. Onder atheensche hegemonie was het eiland vrij van 478-449. Ook koning Euagoras van Salamis (z. a.) wist het eiland een tijdlang vrij te houden van de Perzen. In de 4e eeuw is het geheel vergriekscht. Na den val van het perzische rijk werd het macedonisch, kwam toen onder een zijtak der Ptolemaeën en werd in 58 rom. provincie. Het eiland was rijk aan koper (aes Cyprium) en aan timmerhout. De scheepsbouw werd er zoo veelvuldig uitgeoefend, dat dichterlijk trabs Cypria voor schip gebezigd wordt. Het eiland was zeer vruchtbaar. De ouden vergeleken den vorm van het eiland met dien eener ossenhuid en noemden de N.O.-punt boos oura, ossestaart. Cyprus was de hoofdzetel der Aphrodite- of Venusvereering; vandaar dat Venus dikwerf Cypria wordt geheeten. De voornaamste steden zijn: Salamis, Paphus, Soli, en de hierboven genoemde: Amathus en Cition.
Cypsela, ta Kypsela, 1) versterkte stad in Thracia aan den Hebrus (Maritza) en aan de via Egnatia.--2) vesting in Parrhasia, in het Z. van Arcadia.
Cypselus, Kypselos, 1) koning van Arcadië ten tijde van de terugkomst der Heracliden; hij behield zijn rijk door zijne dochter Merope aan Cresphontes tot vrouw te geven.--2) zoon van Eëtion en Labda, van moederszijde verwant met de Bacchiaden. Daar dezen hem reeds als kind trachtten te dooden, omdat hij hun volgens een orakel de heerschappij over Corinthe zoude ontnemen, verborg zijne moeder hem in een kist (kypsele), die later te Delphi gewijd werd en nog in de 2e eeuw na C. daar te zien was. Toen hij volwassen was, werd het orakel vervuld; hij stelde zich aan het hoofd der volkspartij, verjoeg de Bacchiaden, en regeerde sedert gelukkig en zacht (657-627), bevorderde handel en verkeer, en liet de stad met vele kunstwerken verfraaien. Zijn zoon Periander volgde hem op.
Cyrenaica, Kyrenaïke, klein, maar bloeiend landschap op de N.-kust van Afrika (thans plateau van Barca). Naar de vijf grieksche steden: Cyrene en de bijbehoorende havenstad Apollonia, Barca, later haar havenstad Ptolemaïs, Tauchira of Arsinoë, en Hesperis of Berenice werd het staatje ook Pentapolis Cyrenaïca genoemd. Het land was rijk aan water en hierdoor zeer vruchtbaar. In 322 kwam het onder de Ptolemaeën. De laatste heerscher uit dit vorstenhuis, Ptolemaeus Apion, vermaakte in 95 zijn land aan de Rom., die het later met Creta tot ééne provincie vereenigden. Onder Traianus kwamen de in Cyr. gevestigde Joden in opstand, waardoor het land grootendeels ontvolkt werd, daar er op de Rom. en Cyrenaïkers een algemeene moord werd gepleegd.
Cyrene, Kyrene, dochter van Hypseus of Peneus, beminde van Apollo, die haar uit Thessalië naar Libye wegvoerde, waar hij haar naam aan de stad Cyrene gaf; zij was de moeder van Aristaeus.
Cyrene, Kyrene, hoofdstad van Cyrenaïca, in een heerlijk oord gelegen, gesticht door Battus van het eiland Thera (631), wiens afstammelingen, de Battiaden, tot 450 over de stad heerschten, zie Battus. Cyrene was beroemd door zijne artsen. Het was de uitvoerhaven van het kostbare silphium (silphion), dat als kruiderij en als geneesmiddel gebruikt werd. Cyrene was de geboorteplaats o.a. van den wijsgeer Aristippus, den aardrijkskundige Eratosthenes, den dichter Callimachus.
Cyrenius, Kyrenios = P. Sulpicius Quirinius (z. Sulpicii no. 21).
Cyreschata, ta Kyreschata, in Sogdiana, de uiterste grensvesting van Cyrus' gebied aan den Jaxartes, door Alexander d. G. verwoest.
Cyrnus, Kyrnos = Corsica.
Cyropolis, Kyroupolis = Cyreschata.
Cyrrhestice, Kyrrestike, landschap in het N. van Syria, tusschen het Amanusgebergte en den Euphraat, ten Z. van Commagene. Het droeg zijn naam naar de stad Cyrrhus.
Cyrrhus, Kyrros, 1) stad in Cyrrhestice.--2) stad in het macedonische gewest Emathia tusschen den Axius (Vardar) en den Haliacmon (Vistritza), ten N. van Pella.
Cyrus, Kyros, 1) de stichter van het perzische rijk, zoon van Cambyses, die als aan Medië onderhoorig vorst over Perzië regeerde, en Mandane, de dochter van Astyages. Naar aanleiding van onheilspellende droomen gaf zijn grootvader bij zijne geboorte aan Harpagus bevel het kind te dooden; door toeval werd hij echter gespaard, op lateren leeftijd herkend en aan zijne ouders teruggegeven. Maar Harpagus, die door Astyages op wreede wijze voor zijne ongehoorzaamheid gestraft was, spoorde Cyrus, nadat deze zijn vader was opgevolgd, tot opstand aan, en door een enkelen slag, waarin Harpagus met een groot deel van het leger tot hem overliep, bracht hij de heerschappij van de Mediërs op de Perzen over (550). Hij breidde zijn rijk uit door de verovering van Lydië (z. Croesus) en liet de grieksche steden van Klein-Azië door zijn veldheeren Mazares en Harpagus onderwerpen, hij voerde ook oorlog tegen Babylonië en nam de hoofdstad in door den Euphraat uit zijne bedding af te leiden (538); den Joden gaf hij verlof naar hun land terug te keeren. Hij sneuvelde in een slag tegen de Massageten (z. Oxus), die hij aanvankelijk door list overwonnen had (529). Niet minder groot dan als veroveraar was C. als koning; ook de veroverde landen behandelde hij met zachtheid en met zorg voor hunne afzonderlijke belangen; door verstandige maatregelen wist hij de eenheid van zijn uitgestrekt rijk te bewerken.--V. a. was Cyrus niet met Astyages verwant, maar nam hij als overwinnaar diens dochter Amytis tot vrouw; ook zou hij in den oorlog tegen de Derbices (evenals de Massageten een scythisch volk) gestorven zijn aan de gevolgen van een val van zijn olifant.--Verdicht is het verhaal dat Cyrus zonder omwenteling, als opvolger van zijn oom Cyaxares, den zoon en opvolger van Astyages, de regeering verkregen zou hebben.--2) de jongere, tweede zoon van Darius Nothus, satraap van Lydië, Phrygië en Cappadocië, ondersteunde Lysander krachtig met geld in den oorlog tegen de Atheners, waarvoor hij later door de Spartanen in zijne onderneming geholpen werd. Zijne moeder had getracht hem, met voorbijgaan van zijn ouderen broeder Artaxerxes, tot troonopvolger te doen benoemen, op grond dat hij geboren was nadat zijn vader de regeering aanvaard had; dit mislukte echter, en Artaxerxes, die hem niet vertrouwde en bovendien gehoor gaf aan de inblazingen van Tissaphernes, nam hem spoedig na den dood van Darius gevangen en veroordeelde hem ter dood, doch liet hem op voorspraak zijner moeder weder vrij. Verbitterd door deze behandeling, vormde Cyrus het plan zijn broeder te onttronen. Hij trachtte zich overal vrienden en bondgenooten te verwerven, versterkte zijne krijgsmacht, terwijl hij voor den schijn Tissaphernes beoorloogde, en nam troepen grieksche huurlingen, te zamen ongeveer 13000, in dienst, die hij hier en daar liet bezig houden totdat hij hen zoude noodig hebben. In 401 verzamelde hij zijn leger te Sardes en trok hij, de Grieken over het doel van zijn tocht misleidende, eerst naar Cilicië, vervolgens over den Euphraat tot Cunaxa, waar hij het veel sterkere leger van zijn broeder ontmoette. Door de overwinning der Grieken, die op den rechtervleugel stonden, scheen de slag reeds ten voordeele van Cyrus beslist te zijn, toen hij, in drift op Artaxerxes toesnellende, door een van de begeleiders des konings gedood werd.--De Grieken volbrachten hun terugtocht, eerst onder Clearchus, later onder Xenophon, te midden van moeilijkheden van allerlei aard.
Cyrus, Kyros, rivier, die op den mons Moschicus op de N. grenzen van Armenia ontspringt, door de caucasische landschappen Iberia en Albania stroomt en, door een zijarm met den Araxes vereenigd, zich in de Caspische zee ontlast.
Cyssus, Kyssous, haven van Erythrae op de ionisch-aziatische kust.
Cytaeïs, Kytaïke, Medea, naar de stad Cytaea in Colchis.
Cytaea, Kytaia, stad in Colchis aan den Phasis.
Cythera, Cytherea, Cythereis, Cytheria, Kythere, Kythereia, Kythereis, Kytheria, Aphrodite, zoo genoemd naar het eiland Cythera, waar zij hoog vereerd werd.
Cythera, ta Kythera, thans Cerigo, eiland ten Z. van Laconica met de gelijknamige stad en de haven Scandea, en met een beroemden tempel van Aphrodite of Venus, die dan ook dikwijls Cytherea genoemd wordt. Het eiland was eerst in het bezit van Phoeniciërs, vervolgens kwam het achtereenvolgens in handen der Argiven, Spartanen en Atheners. Door zijne ligging was het tegenover Sparta een strategisch punt van groot gewicht.
Cynthus, Kythnos, eiland van de Cycladengroep, met warme bronnen, ten Z. van Ceos gelegen. Het was bewoond door Dryopes.
Cytinium, Kytinion, een van de vier steden der dorische tetrapolis (Cytinium, Boeum, Erineus, Acypha of Pindus).
Cytissorus, Kytissoros, zoon van Phrixus en Chalciope. Toen Athamas na de vlucht van Phrixus geofferd zou worden, waarschijnlijk ter verzoening van de bloedschuld, die hij door den dood van dezen op zich meende geladen te hebben, kwam Cyt. met het bericht dat Phrixus nog leefde en belette daardoor dat het offer plaats had. Daardoor rustte op hem de toorn van Zeus Laphystius, en werd bepaald dat de oudste van zijn geslacht altijd aan dien god geofferd zoude worden, welke straf later alleen toegepast werd op hen, die betrapt werden op de poging om het prytaneum te betreden. Deden zij geene poging hiertoe of gelukte het hun onbemerkt binnen te komen, dan waren zij behouden.
Cytorus, Kytoros, oude stad aan de kust van Paphlagonia, stapelplaats van Sinope. Het lag op of aan een berg van denzelfden naam, die rijk aan buks- of palmboomen was.
Cyzicus, Kyzikos, bloeiende milesische kolonie op de zuidkust der Propontis (zee van Marmara), op den hals van het schiereiland Arctonnesus (= bereneiland), gesticht 756. Aan weerszijden der landengte had de stad uitstekende havens, door eene doorgraving met elkander verbonden. Tot het gebied der stad behoorde ook het versterkte eiland Proconnesus (= reeëneiland), dat een gezocht, zwart en wit gevlamd, marmer opleverde, waarnaar het in de middeleeuwen Marmara werd genoemd. Hier versloeg Alcibiades in 410 de Spartanen te land en ter zee, waarbij Mindarus sneuvelde. De groote bloei van Cyzicus dagteekent van het verval van Miletus en Athene. Toen de vrede van Antalcidas (387) de aziatische Grieken aan Perzië had prijsgegeven, gelukte het den Cyziceners in 365, de perzische bezetting te verdrijven. Later kwam de stad onder Macedonia, vervolgens bij Pergamus en ten slotte onder Rome. Uit trouw aan de Rom. doorstond zij in 75 een zwaar beleg van den pontischen koning Mithradates, en werd zij tot belooning door L. Lucullus tot eene civitas libera verheven. Onder keizer Nero ging deze vrijheid te loor, wegens mishandeling van rom. burgers. De gouden munten der stad, kyzikenoi, waren alom in de handelswereld bekend en gangbaar. Ook de cyziceensche balsem, uit het sap der irisplant bereid, unguentum Cyzicenum of irinum, myron kyzikenon, was beroemd.
D.
Daae of Dahae, Daai, scythisch volk ten O. der Caspische zee. Zij deden als ruiters dienst in de legers der Perzen, van Alexander d. G. en van Antiochus III van Syria.
Dacia, Dakia, thans Zevenbergen en Rumenië, rijk aan granen, hout en metalen, werd bewoond door een krijgshaftig thracisch volk (de Daci), dat voortdurend de rom. grenzen bestookte. Zie ook Getae. Domitianus kocht van hun koning Decebalus den vrede voor eene jaarlijksche schatting; Traianus echter onderwierp het land in twee oorlogen 101-102 en 105-107 n. C. De verschillende gebeurtenissen uit deze oorlogen zijn op de Columna Traiani in beeld gebracht. Traianus bracht vele kolonisten naar Dacia over, vooral om de goudmijnen te bewerken. Aurelianus liet het weder varen (270), terwijl de Gothen er bezit van namen. De rom. bewoners werden toen naar den zuidelijken oever van den Donau overgebracht, waar uit een stuk van Moesia eene nieuwe provincie Dacia Aureliani werd gevormd; later komt deze voor onder den naam Dacia ripensis, terwijl in het binnenland een nieuwe provincie Dacia mediterranea werd ingericht, hoofdstad Serdica (tgw. Sophia).
Dactyli Idaei, Daktyloi Idaioi, zeer oude daemonen, die op den berg Ida in Phrygië of op Creta woonden en de eerste bewerkers van metalen waren; in Griekenland gelden zij als priesters van Rhea Cybele en worden zij steeds met de Curetes en Corybantes te zamen genoemd, dikwijls niet van hen onderscheiden. Een van hen zou de stichter der olympische spelen zijn.
Dadicae, Dadikai, volksstam op de grenzen van Sogdiane.
Daduchus, Dadouchos, fakkeldrager, vooral eene voorname betrekking bij de eleusinische mysteriën, erfelijk in het geslacht van Callias en Hipponicus, het geslacht der Kerykes.
Daedala, ta Daidala, stad en berg op de grenzen van Lycia en Caria. Ook eene stad ergens in India.
Daedala, Daidala, feest ter eere van Zeus en Hera, in Boeotië gevierd. Bij de kleine Daedala, die waarschijnlijk eens om de vier jaar te Plataeae plaats hadden, werd een eik omgehouwen en daaruit een beeld van Hera vervaardigd; bij de groote, die slechts eens om de zestig jaar gevierd werden, waren dus veertien van die beelden gereed, die door vertegenwoordigers van de veertien bondssteden naar den Cithaeron gebracht werden; daar werd een stier en een koe geofferd, en de beelden verbrand op een houten altaar, dat mede verbrandde.
Daedalion, Daidalion, zoon van Hesperus en Philonis, stortte zich van verdriet over den dood zijner dochter Chione van den Parnassus en werd in een havik veranderd.
Daedalus, Daidalos, 1) zoon van Metion of Palamaon, achterkleinzoon van Erechtheus, beroemd beeldhouwer en bouwmeester en uitvinder van een groot aantal werktuigen; hij was de eerste die beelden maakte, waarvan de oogen open waren en de beenen van elkander stonden, zoodat men zeide dat hij zelfs wandelende beelden maken konde. Uit naijver doodde hij zijn neef en bekwamen leerling Talos, waarvoor hij door den Areopagus ter dood veroordeeld werd ; hij redde zich echter door de vlucht en ging naar Creta, waar hij door Minos goed ontvangen werd. Onder de kunstwerken, die hij hier maakte, behoort het beroemde labyrinth, dat tot gevangenis van den Minotaurus diende. Daar Minos echter vermoedde, dat hij aan Ariadne den draad gegeven had, waarmede Theseus zich uit het labyrinth gered had, liet hij Daedalus zelf met zijn zoon Icarus in dien doolhof opsluiten; beiden ontsnapten echter door middel van vleugels, welke Daedalus gemaakt had uit veeren met was aan elkander verbonden. Icarus vloog te hoog op en kwam zoo dicht bij de zon, dat het was smolt en hij in de naar hem genoemde Icarische zee stortte; Daedalus kwam echter behouden bij Cumae in Italië aan, waar hij een tempel voor Apollo stichtte. Daarop begaf hij zich naar Sicilië, waar Cocalus (z.a.) hem gastvrij ontving en waar hij o.a. eene onneembare vesting bij Agrigentum en een tempel voor Aphrodite op den Eryx bouwde.--Ook in andere landen zag men later in merkwaardige oude kunstwerken sporen van een bezoek van D.--2) sicyonisch beeldhouwer omstreeks 400.
Daemon, Daimon, oorspronkelijk de naam dien men aan de goden gaf, wanneer men dacht aan den goeden of slechten invloed dien zij op het menschelijk leven uitoefenden. Later beschouwde men hen als wezens, die tusschen heroën en goden in stonden, afgestorvenen uit de gouden eeuw, die over het welzijn der menschen waakten, hun de gaven der goden brachten en omgekeerd hunne gebeden ten hemel droegen. Maar tegenover deze beschermgeesten (agathodaimones) stonden ook kwelgeesten (alastores), die de menschen tot kwaad verleiden en in het ongeluk storten. Door Socrates vond het geloof ingang, dat ieder mensch zijn eigen daemon heeft, die hem gedurende zijn geheele leven beschermt, en eindelijk kende men aan ieder mensch een goeden en een kwaden daemon toe.--De Joden en Christenen gaven den naam daemon weder als in de oudste tijden aan alle heidensche goden, maar verklaarden hen allen voor booze daemonen of duivels.
Dahae = Daae.
Daia, romeinsch keizer 305-313 n. C., zie Maximinus (Galerius Valerius).
Dalmatae, zie Dalmatia.
Dalmatia, Dalmatia, in ruimen zin, omvatte het kustland ten O. der Adriatische zee, van Histria af tot aan den Drilon, de grens van Illyris Graeca. De naam is door de Romeinen aan dit gewest gegeven naar de hieronder genoemde Dalmaten, met wie ze lang oorlog gevoerd hebben. Het werd ook Illyria Barbara genoemd, en nog in twee kustlanden onderscheiden: Liburnia, het noordelijk deel, van Histria tot aan den Titius, en Dalmatia in engeren zin, tusschen de rivieren Titius en Drilon. De bevolking van dit kustland leefde van jacht, visscherij, veeteelt en ook van zeeroof. Dientengevolge kwamen zij bij herhaling met de Rom. in botsing. De eerste illyrische oorlog had plaats 229-228 tegen koningin Teuta, de tweede in 219 tegen Demetrius van Pharus. In 168 werd koning Gentius, omdat hij met Perseus van Macedonia een bondgenootschap had gesloten, door den praetor L. Anicius in een dertigdaagschen veldtocht verslagen en gevangen genomen, en zijn rijk in drie cijnsplichtige distrikten verdeeld. Doch reeds vóór Gentius hadden zich een aantal stammen losgerukt van het illyrische rijk en onder den naam Dalmaten, Dalmatae, eene republiek gesticht met Delminium tot hoofdstad. In 156 versloegen deze Dalmaten den rom. consul C. Marcius Figulus (Marcii no. 12), doch zij werden in 155 onderworpen door P. Cornelius Scipio Nasica (Cornelii no. 20), doordat hij hun hoofdstad innam. In 117 werden zij andermaal onderworpen door L. Caecilius Metellus, die den naam Dalmaticus verwierf (Caecilii no. 12). Bij herhaling stonden de Dalmatiërs weder op, in 78, 50-47, 16 en 11, en 6-9 na C. (opstand van Bato).
Dalmatius, stiefbroeder van Constantijn den Gr. Ook zijn zoon droeg denzelfden naam. Na Constantijns dood verloor deze laatste, aan wien Constantijn de Groote een deel van het rijk toegedacht had, in een soldatenoproer het leven, zie Constantius II.
Dalminium of Delminium, hoofdstad van de dalmatische republiek.
Damalis, Damalis of he Bous, kaap en vlek in Bithynia aan den thracischen Bosporus, op de plaats waar Io, in een koe veranderd, de zeeëngte overzwom. Vandaar voer men, van Chalcedon komend, over naar Byzantium.
Damarete, Damarete, gemalin van Gelon; naar haar heet een sicilische munt = 10 att. drachmen, damareteion.
Damaratus = Demaratus no. 1.
Damascus, Damaskos, overoude stad in Coelesyria, aan de rivier Bardines of Chrysorrhoas, in eene zeer vruchtbare streek onder een heerlijk klimaat gelegen. Door verschillende besproeiingskanalen, uit de rivier afgeleid, was dáár in de woestijn eene groote oase ontstaan, waar verschillende karavaanwegen als in één middelpunt samenliepen. Damascus was tot aan de verovering door de Assyriërs (± 750) de hoofdstad van het machtigste der syrische (aramaeische) staten, en geregeld met Israël in oorlog. De Assyriërs verwoestten stad en omgeving, maar in den tijd der Perzen is het weer een belangrijke handelsstad. In den tijd der Diadochen hoorde het nu eens tot het rijk der Seleuciden, dan weder tot dat der Ptolemaeën. In 85 ontstond er een onafhankelijk staatje onder een arabisch vorstenhuis, dat echter reeds sedert Pompeius (66) onder Rome kwam te staan. De rom. keizers, vooral Diocletianus, begunstigden de stad zeer, die beroemd werd door hare wapenfabrieken (damascener klingen) en lijnwaadweverijen (damast).
Damasias werd in 582 archont te Athene, en gebruik makend van de burgertwisten die sedert Solons vertrek woedden, bleef hij deze waardigheid gedurende 26 maanden bekleeden; toen verbonden zich echter alle partijen tegen hem en werd hij verjaagd.
Damasippus, naam in de gens Licinia (Licinii no. 19 en 20).
Damasithymus, Damasithymos, vorst van Calynda, ging met Xerxes naar Griekenland en sneuvelde bij Salamis, door de goedgeslaagde list van Artemisia.
Damastes, Damastes, 1) = Procrustes.--2) van Sigeum, geschiedschrijver, omstreeks 400.
Damia, Damia, 1) godin van den wasdom, op verschillende plaatsen te zamen met Auxesia vereerd, misschien bijnaam van Persephone. Op Aegina vond men beelden van hen in knieënde houding, van olijvenhout.--2) bijnaam der Bona Dea, v. s. dezelfde als no. 1.
Damocles, Damokles, gunsteling van Dionysius I, die steeds het geluk van den tyran roemde. Daarom liet Dionysius hem op zekeren dag alles genieten, wat hem zoozeer bekoorde, maar liet ondertusschen boven zijn hoofd een scherp zwaard aan een paardenhaar ophangen als beeld van de gevaren die een alleenheerscher bedreigen. Het zwaard van Dam. is tot een spreekwoord geworden.
Damon, Damon, 1) atheensch toonkunstenaar en sophist, leermeester en vriend van Pericles, wegens ongeloof verbannen.--2) van Syracusae, die voor zijn vriend Phintias gijzelaar bleef, toen deze wegens een waarschijnlijk verdichten moordaanslag op Dionysius II ter dood veroordeeld was en eenigen tijd uitstel van straf gevraagd had. Tegen de verwachting der hovelingen keerde Phintias nog juist bijtijds terug, waardoor de tyran zoo getroffen was, dat hij beiden het leven schonk en verzocht in hun vriendschapsbond opgenomen te worden, wat hem echter geweigerd werd.
Damosia, de tent der spartaansche koningen, wanneer zij in het veld waren; hoi peri damosian, hoi apo damosias, zij die met hen die tent bewoonden.
Dana, Dana, of Thoana, Thoana, groote stad in Cappadocia, waarschijnlijk dezelfde als Tyana (z. a.).
Danaë, Danae, z. Acrisius. Volgens eene italiaansche legende zou zij met haar zoon in Italië gekomen zijn en de stad Ardea gesticht hebben; daarna zou zij bij Pilumnus moeder geworden zijn van Daunus, van wien Turnus afstamde.
Danai, Danaoi, heeten de Grieken in de gedichten van Homerus, oorspronkelijk een volk in Argos.
Danaides, Danaïdes, Perseus, zoon van Danaë; Danaïdai, Argiven, ook algemeen Grieken.
Danaides, Danaïdes, de vijftig dochters van Danaüs (z. a.).
Danapris, thans Dniëpr = Borysthenes.
Danastris, thans Dniëstr, oudtijds Tyras geheeten, rivier in Sarmatia.
Danaus, Danaos, zoon van Belus en Anchinoë, kreeg na den dood van zijn vader de regeering over Libye, maar door zijn tweelingbroeder Aegyptus en diens zonen bedreigd, vluchtte hij met zijne vijftig dochters naar Argos, waar hij koning werd; hij bouwde den burcht van Argos en leerde hoe men in tijden van droogte het land van water kon voorzien. De vijftig zonen van Aegyptus volgden hem echter en vroegen zijne dochters ten huwelijk; Danaüs gaf toe, maar overreedde zijne dochters, hunne echtgenooten in den huwelijksnacht te vermoorden, waaraan alle gevolg gaven, behalve Hypermnestra. De echtgenoot van deze, Lynceus, doodde nu Danaüs zelf en al zijne schoonzusters, die tot straf voor hare misdaad in de onderwereld eeuwig water moeten scheppen in een bodemloos vat.
Dandaridae of Dandarii, Dandarioi, scythisch volk aan de Oostkust van de Palus Maeotis (zee van Azow) ten N. van den Caucasus.
Danuvius, Danoubios, vroeger Ister (Hister), welke naam voor den benedenloop ook in later tijd nog dikwerf voorkomt. Deze stroom, thans Donau, was onder de keizers langen tijd de grensrivier van het rom. rijk.
Daorsi, Daorizoi, kleine volksstam in Zuid-Dalmatia.
Daphnae Pelusiae, Daphnai hai Pelousiai, aegyptische grensvesting tegen Arabia, nabij Pelusium.
Daphne, Daphne, 1) dochter van Peneus, werd door Apollo bemind; toen zij, door hem vervolgd, de goden om hulp smeekte, werd zij in een laurier veranderd.--2) nimf van den Parnassus, in de oudste tijden priesteres bij het delphische orakel, toen dit nog aan Gaea behoorde.
Daphne, Daphne, voorstad der syrische stad Antiochia, een waar lustoord, rijk aan laurierboomen en cypressen, met een beroemden Apollo-tempel. Daphne was een lievelingsverblijf der Seleuciden, later ook van Pompeius en andere Romeinen. In zedelijk opzicht stond het slecht aangeschreven, men spreekt van Daphnici mores.
Daphnephoria, Daphnephoria, feest om de acht jaar ter eere van Apollo te Delphi en in Boeotië gevierd, ter herinnering aan zijne reiniging na het dooden van den Python.
Daphnis, Daphnis, zoon van Hermes en eene nimf, herder en jager op Sicilië, bekwaam fluitspeler en de uitvinder der bucolische poëzie. Hij zwoer trouw aan eene nimf, die hem beminde, en toen hij zijn eed brak, strafte zij hem met blindheid of veranderde hem in een steen; Hermes verplaatste hem echter onder de sterren.--V.a. stierf hij van liefdesmart, daar hij zich tegen den wil van Aphrodite verzet had.
Daradax, Daradax, zijrivier van den Euphraat in Syria (Cyrrhestica).
Darapsa = Drepsa.
Dardanarii, opkoopers en speculanten in koren, die de prijzen zochten op te drijven. Dit was onder de keizers strafbaar gesteld en behoorde tot de delicta extraordinaria.
Dardania, Dardania, 1) gewest en stad van het trojaansche land, aan den Hellespont, de zetel van Aeneas. Hiernaar worden de Trojanen ook wel Dardani genoemd. De stad Dardania moet niet verward worden met Dardanus.--2) het land der Dardani, Dardanoi, in Moesia Superior, het tegenw. Servië. De Dardaniërs waren een morsig, doch muzikaal volk, van illyrischen stam.
Dardanides, Dardanides, Dardanion, Priamus, Anchises e.a. afstammelingen van Dardanus; Dardanidae, Dardanidai, Dardanioi, Dardaniones, Dardanoi, Trojanen.
Dardanis, Dardanis, trojaansche vrouw, in het bijzonder Creusa (no. 3).
Dardanus, Dardanos, zoon van Zeus en Electra, de mythische stamvader der Trojanen en dus ook der Romeinen. Hij stichtte in Phrygië de stad Dardania en erfde later van zijn schoonvader Teucer de regeering; sedert dien tijd werd het land naar hem Dardania genoemd, totdat zijn kleinzoon Tros het den naam Troia gaf. Zijne vrouw Chryse had van Athena als huwelijksgift het Palladium en de beelden der groote goden gekregen, wier dienst hij eerst op Samothrace instelde en later naar zijn rijk overbracht. Dardanus was v. s. in het trojaansche land geboren, v. a. was zijn vaderland Samothrace, Arcadië, Creta of Italië.
Dardanus, Dardanos, stad aan den Hellespont op den aziatischen oever, ten Z. van Abydus. De naam Dardanellen is hiervan afgeleid.
Dares, Dares, trojaansch priester van Hephaestus, zou nog voor Homerus eene Ilias op palmbladen geschreven hebben. Het latijnsche prozawerk, dat nog bestaat en eene vertaling van de Ilias van Dares Phrygius heet te zijn, is een werk van weinig beteekenis, dat echter door middeleeuwsche dichters veel gebruikt en nagevolgd is. Het is waarschijnlijk uit de 5de eeuw na C., het Grieksche origineel, dat verloren gegaan is, is misschien uit de 1ste of 2de eeuw n. C. Zie Dictys.
Daricus, dareikos, perzische gouden munt, ook in Griekenland gangbaar, ongeveer ter waarde van 22 att. drachmen. Het gewicht van den dariek bedraagt gemiddeld 8.41 gram.
Darius, Dareios, 1) D. I. Hystaspis, zoon van Hystaspes, behoorde tot het geslacht der Achaemeniden, diende onder Cambyses, was een van de zeven perzische edellieden die tegen den valschen Smerdis samenzwoeren, en werd, nadat deze vermoord was, ten gevolge van een orakel tot koning verheven (521). In het begin van zijne regeering had hij met een algemeenen opstand van de onderworpen landen te kampen, toen echter Babylon na een lang beleg weder ingenomen was, gaven de andere provinciën zich na elkander over. Daarop wijdde D. het eerst zijn zorg aan het binnenlandsch bestuur: hij hervormde het belastingstelsel, legde goede wegen aan, met vaste halten voor de posterijen, en verdeelde het rijk in satrapieën. In 513 ondernam hij met een leger van 700,000 (?) man een veldtocht tegen de Scythen; door middel van een schipbrug trok hij over den Ister en deed een inval in hun land, maar de Scythen trokken zich in hunne steppen terug en vermeden een open gevecht, zoodat D. na vele verliezen door gebrek genoodzaakt was onverrichter zake terug te keeren en verloren geweest ware, indien de aziatische Grieken aan het verlangen der Scythen voldaan hadden en de brug hadden afgebroken. Terwijl nu zijn veldheer Megabazus de landen aan den Bosporus onderwierp, breidde hij zijn rijk tot aan den Indus uit en veroverde hij ook Barca (510). Nadat de door Aristagoras (z. a.) verwekte opstand der ionische Grieken bedwongen was, wenschte D. de Atheners en Eretriërs, die de opstandelingen geholpen hadden, te straffen. Hij zond daarom zijn schoonzoon Mardonius met een groote vloot naar Griekenland (493), doch de meeste schepen verongelukten bij het voorgebergte Athos; drie jaar later gingen Datis en Artaphernes met een nog talrijker leger, die wel Eretria verwoestten en de inwoners naar Azië overbrachten, maar bij Marathon tegen de Atheners een volkomen nederlaag leden. Verdere plannen van Darius tegen Athene en tegen het inmiddels afgevallen Aegypte werden door zijn dood verijdeld (486).--2) D. II Ochus (Ochos), bastaardzoon van Artaxerxes I, en daarom door de Grieken Nothus (Nothos) genoemd, maakte zich door het vermoorden van zijn broeder van de regeering meester (424). Hij liet zich geheel door zijne vrouw, Parysatis, en door gunstelingen beheerschen en lokte door zijne zwakheid allerlei onlusten en opstanden uit, die hij meest door list wist te dempen; Aegypte konde hij echter niet onderwerpen. Hij stierf in 405.--3) D. III Codomannus, kleinzoon van Artaxerxes II, werd na de vermoording van Arses door Bagoas op den troon gebracht (336). Hij trachtte het inwendig zeer verzwakte rijk te herstellen, en maakte een einde aan het schrikbewind van Bagoas; in den oorlog tegen Alexander d. G. toonde hij zich echter zwak; hij verloor de gevechten bij Issus en Gaugamela, trachtte naar de oostelijke provinciën van zijn rijk te vluchten, maar werd op weg door zijn satraap Bessus vermoord (331).
Dascon, Daskon, vesting en inham op Sicilia, ten Z. van Syracusae.
Dascylium, Daskylion, stad in Bithynia, aan de Propontis. Onder de perzische heerschappij was het de residentie van de satrapen van Phrygia minor, dat daarnaar ook he Daskylitis satrapeia of ho en Daskyleio nomos heette.
Dassaretae, Dassaretai, stam in het Z.O. van Illyris Graeca. Hoofdstad Lychnidus aan den lacus Lychnitis.
Datames, Datames, een Cariër, die onder Artaxerxes II tegen de Cadusiërs streed en tot belooning voor zijn beleid en dapperheid satraap van Cappadocië werd. Hij bewees den koning vele diensten en werd zeer door hem onderscheiden, maar uit vrees dat Artaxerxes aan zijne invloedrijke vijanden het oor zou leenen, kwam hij in opstand (± 370). Langen tijd hield hij zich staande, maar eindelijk werd hij verraderlijk vermoord (360).
Dataphernes, Dataphernes, was een van hen die Bessus aan Alexander verrieden; niettemin bleef hij met Spitamenes den oorlog voortzetten, totdat hij door de Dahae aan Alexander overgeleverd werd.
Datis, Datis, veldheer van Darius Hystaspis, die met Artaphernes de nederlaag bij Marathon leed.
Datum, Daton, stad en streek in oostelijk Macedonia ten O. van den Pangaeus mons, tegenover Thasus, met rijke goudmijnen.
Daulis, Daulis, sterke stad in Phocis ten O. van den Parnassus, aan den weg van Chaeronea naar Delphi. Hier behoort de mythe van Philomela en Procne te huis.
Daunia, het noordelijk gedeelte van Apulia, het land van Daunus, den vader van den rutulischen koning Turnus (zie Aeneas) en schoonvader van Diomedes. Daunius heros = Turnus; Daunia gens = Rutuliërs; dea Daunia = Iuturna, Turnus' zuster; Daunias (bij Horatius) = Apulia.
Daunus, Daunos, zoon van Pilumnus en Danaë, of een Arcadiër, zoon van Lycaon, koning van Daunia. Diomedes stond hem bij in den oorlog tegen de Messapiërs en nam zijne dochter tot vrouw.
Dea Dia, waarschijnlijk de godin der voortbrengende kracht in de natuur, een andere naam voor Ceres of Tellus, wier dienst te Rome door de fratres arvales (z. Arvales fratres) waargenomen werd; te harer eere werd jaarlijks gedurende drie dagen in Mei in de stad en in een nabijgelegen heilig woud een feest gevierd.
Decanus, in den keizertijd een hoofdman van tien soldaten, die in dezelfde tent gelegerd waren.
Decebalus, Dekebalos, koning van Dacia, van wien Domitianus den vrede kocht (89 n. C.), maar die door Traianus geheel verslagen werd en zichzelf het leven benam (106 n. C.). Zie Dacia.
Decelea, Dekeleia, attische gemeente ten N.W. van Athenae, bekend door den deceleïschen oorlog (413-404), toen de Spartanen op raad van Alcibiades de plaats bezetten.
Decemprimi, 1) eene commissie van 10 leden, die in de municipia aan het hoofd van den senaat stond. In navolging van dezen vindt men in den keizertijd, in het Oosten van het rijk decaproti, hoi deka protoi, die echter een anderen werkkring hebben. De decaproti behoeven niet tot de senaatsleden te behooren. Zij innen de belastingen en zijn aansprakelijk voor het binnenkomen daarvan.--2) decemprimi heeten ook de bestuursleden van den in decuriae ingedeelden ordo der scribae (z. apparitores).
Decemviri, een collegie van 10 mannen. 1) Decemviri agris dividundis, commissie van landverdeeling uit den ager publicus onder het volk. Zie Agrariae (leges), en wel Rogatio Servilia agraria van 63.--2) Decemviri legibus scribundis, het uit de rom. geschiedenis bekende collegie der tienmannen in 451-449, tengevolge der lex Terentilia in het leven geroepen en waartoe App. Claudius behoorde. Zie Claudii no. 2 en Tabularum (leges XII).--3) Decemviri (st)litibus iudicandis, een oud rechterlijk collegie, dat in processen over vrijheid en burgerrecht recht sprak, en dat reeds in de 5de eeuw bestond (z. Horatiae Valeriae (leges)), als we ten minste aan mogen nemen, dat de woorden iudices decemviri op hen betrekking hebben; v. s. is het college eerst in de 3de eeuw, tusschen 242 en 227, ingesteld. De leden werden in de tribuutcomitiën gekozen. Onder Augustus veranderde hun werkkring en werden zij voorzitters der centumviri. Zij vormen een onderdeel van de vigintiviri.--4) Decemviri sacrorum of sacris faciundis, belast met het toezicht op de sibyllijnsche boeken, die op het Capitool bewaard werden en die zij op last van den senaat raadpleegden (zie Sibylla). Zij hebben het toezicht op de offers, die Graeco ritu gebracht worden, oorspronkelijk ook op de supplicationes en lectisternia, waartoe ex libris besloten was. In den beginne waren er 2, later 10 (5 patricische en 5 plebejische), sedert Sulla 15.
Decentius, Caesar (onderkeizer) 350-353 n. C. Hij was een neef van Magnentius, die hem aangesteld had om de aanvallen der Germanen af te weren; tijdens zijn bestuur werd echter Gallia door de Germanen verwoest. Hij doodde zichzelf, toen hij den dood van Magnentius vernam.
Decetia, stad der Aeduërs in Gallia Transalpina aan den Liger (Loire).
Decianus, naam in de gens Appuleia (Appuleii no. 4 en 5).
Decidius Saxa, naam van twee broeders, die in den burgeroorlog voor Caesar en later voor Antonius streden. De een sneuvelde als propraetor van Syria in 40 tegen de Parthen, die onder aanvoering van Q. Labienus in de provincie gevallen waren.
Decimatio. Wanneer eene geheele troepenafdeeling van een rom. leger zich had schuldig gemaakt aan iets, wat in een enkele met den dood zou worden gestraft, b.v. muiterij, lafhartigheid in den strijd, dan werd die afdeeling in het gelid geschaard, het lot wees aan, waar men zou beginnen te tellen, en elke tiende man werd onmiddellijk ter dood gebracht. Onder de keizers werd deze straf dikwijls verzacht tot vicesimatio of centesimatio.
Decii, een plebejisch geslacht. 1) P. Decius Mus, krijgstribuun in 343, redde toen door zijn kloekmoedigheid het rom. leger, dat door de Samnieten bij den berg Gaurus was ingesloten, en deed een bijna wissen ondergang in eene luisterrijke zegepraal verkeeren. In 340 offerde hij als consul zich in den strijd tegen de Latijnen op, en bezorgde hierdoor den zijnen eene schitterende overwinning. Evenals de geheele eerste samnietische oorlog, is ook het verhaal omtrent de opoffering van Decius in den oorlog tegen de Latijnen verzonnen. Slechts staat vast, dat Decius als consul gesneuveld is.--2) P. Decius Mus, zoon van no. 1, consul in 312, 308, 297 en 295, censor in 304, streed voorspoedig tegen de Etruscers, Samnieten en Umbriërs, en bezorgde in 295 bij Sentinum, het voorbeeld zijns vaders volgende, door een vrijwilligen dood zijn leger de overwinning op de Samnieten en de Kelten.--3) P. Decius Mus, zoon van no. 2, consul in 279, viel in den slag bij Asculum (Ausculum) tegen Pyrrhus. V. s. is het verhaal omtrent het heldhaftig gedrag der Decii, n. m. dat ze zich aan de onderaardsche goden wijdden en daarna den dood zochten, op dezen Decius Mus toepasselijk.--4) P. Decius klaagde in 120 als volkstribuun den gewezen consul L. Opimius aan, dat hij burgers onveroordeeld in den kerker had geworpen. Cicero noemt hem als redenaar.--5) P. Decius (Mus) sloot zich, om zijne schulden te kunnen betalen, aan Antonius aan en nam deel aan den mutinensischen oorlog. Cicero zegt daarom spottend, dat hij op het voorbeeld zijner voorvaderen zich voor zijne schulden had opgeofferd.
Decimii, aanzienlijk geslacht uit Samnium.
Decius (C. Messius Quintus Traianus), uit Pannonia afkomstig, rom. keizer 249-251 na C., opvolger van Philippus Arabs, regeerde goed, doch vervolgde de Christenen. Op een tocht tegen de Gothen kwam hij met zijn zoon in een moeras om.
Decumana porta, de poort aan de achterzijde der legerplaats. Zie castra.
Decumanus, tiendpachter. Ager decumanus, tiendplichtig land. Miles decumanus, soldaat van het tiende legioen. Zie ook auguria.
Decumates agri, zie agri decumates.
Decuria, afdeeling van 10 personen, later eene kleine afdeeling in het algemeen, zonder dat men zich streng aan het getal 10 hield. Bij de ruiterij was elke turma (30 man) in drie decuriae afgedeeld.
Decurio, de eerste van eene decuria ruiterij en als zoodanig de hoofdman er van.--Decuriones worden in de municipia de leden van den senatus municipalis genoemd, die ook ordo decurionum heet.
Decursio of decursus, 1) militaire oefening met pak en zak door het geheele leger, waarbij verschillende krijgsbewegingen werden uitgevoerd en waarbij de soldaten vooral geoefend werden, hunne liniën en gelederen te bewaren.--2) een militaire optocht of parade rondom een grafheuvel of een altaar, ter eere van een in den strijd gevallene opgericht.
Dedicatio, plechtige inwijding van eenig openbaar gebouw, b.v. van een tempel. Hij die den tempel wijdde, sloeg daarbij de hand aan de deurpost en moest een wijdingsformulier nazeggen, dat de pontifex maximus hem voorzeide. Daarbij te haperen gold als een slecht voorteeken.
Dediticii waren zij, die zich onvoorwaardelijk aan de genade der Rom. hadden moeten overgeven.--Zie ook Aelia Sentia (lex). Dediticii konden noch cives noch Latini worden.
Deïanira, Deianeira, dochter van Oeneus, gemalin van Heracles (z. Achelous) en de onschuldige bewerkster van zijn dood (z. Heracles), waarom zij zich van het leven beroofde.
Deïdamea, Deidameia, 1) dochter van Lycomedes, werd bij Achilles, die in meisjeskleederen aan het hof van haar vader leefde, moeder van Neoptolemus.--2) vrouw van Pirithoüs.--3) zuster van Pyrrhus van Epirus, gehuwd met Demetrius Poliorcetes.--4) dochter van Pyrrhus van Epirus.
Deigma, gebouw in den Piraeus, waar monsters van koopwaren ter bezichtiging uitgestald werden.
Deimos, zoon of dienaar van Ares.
Deïoces, Deiokes, een Mediër, die, nadat het volk zich van de Assyriërs onafhankelijk gemaakt had, door zijne wijsheid en rechtvaardigheid grooten roem verwierf en daarom tot koning verheven werd (709 of 700), stichter van Ecbatana.
Deïoneus, Deioneus, 1) of Deïon, Deion, een van de zeven zonen van Aeolus, werd koning van Phocis.--2) schoonvader van Ixion, werd door dezen, toen hij de bruidsgeschenken van hem vorderde, verraderlijk in een vuurpoel geworpen.--3) zoon van Eurytus.
Deïonides, Miletus, zoon van Apollo en Deïone.
Deiotarus, Deiotaros, tetrarch van Galatia in Azië, ondersteunde de Rom. in den mithradatischen oorlog en ontving daarvoor van den rom. senaat den titel van rex met een vergrooting van grondgebied. In den burgeroorlog streed hij voor Pompeius; Caesar vergaf het hem echter en liet hem het grootste gedeelte van zijn rijk. In 45 werd Deiotarus door zijn kleinzoon Castor en zijn arts Phidippus aangeklaagd van een aanslag tegen Caesars leven, toen deze indertijd bij hem had vertoefd. Cicero verdedigde den koning, en hoewel er geene vrijspraak schijnt gevolgd te zijn, werd de zaak toch niet verder vervolgd. Antonius bevestigde voor eene groote som gelds Deiotarus weder in zijn vroeger gebied, maar later streed hij onder Brutus bij Phillippi tegen de triumviri, met wie hij zich echter verzoende.
Deïphobe heette de sibylle van Cumae, dochter van den zeegod Glaucus.
Deïphobus, Deiphobos, zoon van Priamus en Hecabe, een van de voornaamste trojaansche helden. Hij was steeds tegen de uitlevering van Helena en trouwde haar na den dood van Paris. Bij de verovering van Troje werd zijn huis verwoest en hij door Menelaus op wreedaardige wijze gedood. Met Paris zou hij Achilles gedood hebben.
Deïphontes, Deiphontes, zoon van Antimachus, schoonzoon en opvolger van Temenus (z.a.); v.a. vluchtte hij na den dood van zijn schoonvader uit vrees voor zijne zwagers naar Epidaurus.
Deipnon, de hoofdmaaltijd der Grieken, in de oudste tijden omstreeks den middag, later tegen den avond gebruikt, waarbij men dikwijls gasten ontving, of die ook wel met bijdragen (apo symbolon) der gezamenlijke deelnemers betaald werd. Bij aankomst der gasten werden hun door slaven de zolen afgenomen en de voeten gewasschen, daarop wiesch men de handen en nam men plaats op de rustbank, waarop men liggende het maal gebruikte. Als spijzen worden genoemd gerstebrei (bij armere lieden het voornaamste gerecht), groenten, vleeschspijzen en visch; vorken of messen gebruikte men niet, wel lepels; onder het eten hield men de handen schoon met fijngewreven broodkruimels. Na het eten werden de schotels weggenomen, waschwater met een soort zeep, soms ook bloemen en reukwerken rondgediend en begon het nagerecht (deuterai trapezai) of drinkgelag (symposion) met een drankoffer (spondai) waarbij men de woorden agathou daimonos uitsprak. Nadat door het lot een tafelpresident (symposiarchos, basileus, archon) was aangewezen, bleef men onder het genot van wijn, vruchten, kaas, koek, enz., dan dikwijls nog lang bij elkander, terwijl men zich den tijd verdreef met gesprekken, gezelschapsspelen, dikwijls ook met voordrachten van fluitspeelsters of vertooningen van danseressen.
Deïpyle, Deipyle, dochter van Adrastus, gehuwd met Tydeus.
Dekaprotoi, z. Decemprimi no. 1.
Dekarchiai, dekadarchiai, colleges van tien personen, na den peloponnesischen oorlog door Lysander met de regeering belast in de meeste steden, die zich bij Sparta hadden aangesloten. De willekeur, waarmede deze colleges, gesteund door spartaansche bezettingen en harmosten, regeerden, maakte in korten tijd de spartaansche hegemonie algemeen gehaat.
Delatio nominis, heet in den tijd der quaestiones perpetuae het indienen eener aanklacht bij den praetor quaestionis.
Delatores, aanbrengers van misdrijven, waartegen straf bedreigd was. Onder sommige keizers, toen majesteitsprocessen aan de orde van den dag waren, maakten sommigen van dit aanbrengen eene broodwinning, daar hun een vierde van de opgelegde boete of van het verbeurdverklaarde vermogen des veroordeelden ten deel viel. Ook persten zij dikwerf aanzienlijke sommen af door de bedreiging, in geval van weigering eene aanklacht in te dienen. Ze worden ook quadruplatores genoemd.
Delia, geliefde van Tibullus (z.a.); pseudonym voor Plania.
Delium, Delion, boeotisch stadje in het gebied van Tanagra, waar de Boeotiërs in 424 de Atheners versloegen.
Delius, -ia, Delios, -ia, bijnamen van Apollo en Artemis, naar het eiland Delus, waar zij geboren waren en waar Apollo hoog vereerd werd.
Dellius (Q.), dezelfde, aan wien Horatius een ode heeft gericht, werd door Antonius in 41 naar Aegypte gezonden, om Cleopatra ter verantwoording naar Tarsus te ontbieden. Later ging hij tot Octavianus over. Hij heeft den oorlog tegen de Parthen beschreven, dien hij in het gevolg van Antonius medemaakte.
Delmatia oude schrijfwijze voor Dalmatia.
Delmatius = Dalmatius.
Delminium = Dalminium.
Delphi, Delphoi, kleine maar beroemde stad van Phocis, langs den Z.rand van den tweetoppigen Parnassus tegen den berg aan gebouwd, met verscheidene tempels, waaronder die van den Pythischen Apollo de voornaamste was. Delphi werd oudtijds als het middelpunt der aarde beschouwd. De oudste tempel, die volgens de sage door Trophonius en Agamedes gebouwd was, verbrandde in 548. Hij werd (530-514) door de uit Athene verdreven Alcmaeoniden prachtig in dorischen stijl herbouwd, waarbij de oostgevel, in plaats van in porus of tufsteen, in parisch marmer werd opgetrokken. In 373 werd hij door een aardbeving en een brand vernietigd, maar door de Amphictyonen met het geld van den tempel in nieuweren stijl herbouwd. Ook later is hij nog herhaaldelijk hersteld, tot hij ten laatste door een aardbeving vernietigd werd. Hij bevatte een ontzaggelijken tempelschat, een gouden beeld van den god en een heiligen steen, die als de navel der aarde, omphalos tes ges, beschouwd werd, terwijl nog vele andere standbeelden op den voorhof stonden. In den pronaos las men de spreuken gnothi seauton en meden agan. Achter de cella was een afzonderlijke ruimte, het adyton, waaronder of waarbij de aardkloof zich bevond, waaruit zwaveldampen opstegen, die de Pythia (zie hieronder) in geestvervoering brachten. (Het bericht omtrent die zwaveldampen wordt tegenwoordig voor een fabeltje gehouden). In den phocensischen oorlog (357-346) werd de tempel uitgeplunderd door de huurtroepen der Phocensen, in 278 door de Galliërs, die ten getale van 200000 Griekenland trachtten binnen te dringen, later door Sulla, vervolgens door Nero, die honderden standbeelden uit Delphi naar Rome liet voeren, terwijl het overschot later door Constantijn den Gr. naar Constantinopel werd overgebracht. De stad verviel, en verschillende aardbevingen vernielden ze en verdreven de bevolking. Op de plaats lag later het dorp Kastri; nu heeft de fransche regeering dit doen verplaatsen, en daarop is tusschen 1892 en 1901 opgegraven, wat er nog over is. De tempel zelf lag in het midden van den temenos, een met hooge muren omgeven sterk hellend terrein; in het zuidelijke gedeelte, dat het laagst lag, vindt men voornamelijk thesauroi en geschenken, ten N. van den tempel links het theater, rechts de lesche van de Cnidiërs, een gebouw, waar de vreemdelingen plachten samen te komen. Het orakel van Delphi was het meest beroemde der oudheid; eerst behoorde het aan Gaea, Ge; deze schonk het aan Themis, Themis aan Phoebe, Phoebe aan Phoebus Apollo, z. Pytho. Wanneer het orakel zou geraadpleegd worden, plaatste zich eene der priesteressen of Pythiai, na zich gebaad en uit de bron Cassotis gedronken en laurierbladeren in den mond genomen te hebben, op een zetel, die op een drievoet rustte, en uit de geluiden, die zij uitstiet, maakten de priesters het antwoord gereed. Door zijn groot aanzien heeft het orakel meermalen op den gang der historische gebeurtenissen invloed uitgeoefend. De pythische spelen hadden in de vlakte van Crissa plaats, telkens in het derde jaar eener olympiade. De eereprijs bestond in een lauwerkrans.
Delphinia, feest ter eere van Apollo als beschermer der zeevaart, te Athene den 6en of 7den Munychion gevierd.
Delphinium, Delphinion, 1) stad aan de Oostkust van het eil. Chius.--2) haven van Oropus in Attica, overvaartplaats naar Euboea.--3) gerechtshof te Athene in den tempel van Apollo Delphinius, dat over phonos dikaios recht sprak (zie Ephetae).
Delphinus, Delphin, Delphis, Delphin, 1) sterrenbeeld, waarin men den dolfijn van Arion of van Amphitrite meende te zien.--2) een werktuig waarvan men zich in den zeeoorlog bediende; het was een groote klomp lood of ijzer, die aan den mast hing en met kracht tegen het vijandelijke schip geslingerd werd.
Delta, het noordelijke deel van Aegypte, tusschen de verschillende armen, waarin de Nijl zich splitst, door aanslibbing gevormd en uiterst vruchtbaar, en met een groot getal steden. De naam is ontleend aan den driehoekigen vorm.
Delubrum, de plaats van reiniging en verzoening, de tempel, vooral dat gedeelte er van, waar het beeld der godheid stond.
Delus, Delos, Delos, het heilige Cycladeneiland, waar Apollo en Artemis door Latona ter wereld waren gebracht. Apollo had er een wit marmeren tempel met een altaar uit hoornen in elkaar gewerkt. Tot de viering van Apollo's geboortefeest (Apollonia) zonden de grieksche staten jaarlijks in de maand Thargelion plechtige gezandschappen. Om de vier jaar werd dit feest vervangen door de Delia, een van de luisterrijkste feesten van geheel Griekenland. Geen begrafenis mocht op Delus plaats hebben; lijken werden naar het nabijgelegen Rhenea overgebracht. De oudste bewoners waren Cariërs, daarna vestigden er zich Ioniërs. Na den perzischen oorlog werd te Delus de bondskas van het atheensche zeeverbond bewaard, totdat Pericles deze naar Athene overbracht (454). Delus was in de 2de eeuw, toen het door de Romeinen aan Athene werd toegewezen, en een vrijhaven werd, beroemd om zijne slavenmarkten, die van heinde en verre werden bezocht. In den eersten mithradatischen oorlog werd het (88) door den pontischen veldheer Menophanes of door Archelaus geplunderd en verwoest, de mannelijke bevolking omgebracht, vrouwen en kinderen in slavernij weggevoerd. In 69 werd het eiland wederom geplunderd, nu door de zeeroovers, en sedert dien tijd is het vervallen. Thans is Delus woest en verlaten. Naar het eiland en den berg Cynthus wordt Apollo dikwerf Delius en Cynthius genoemd. Zie Asteria.
Demades, Demades, atheensch redenaar van geringen stand, die in het belang van Macedonië werkte en een geducht tegenstander van Demosthenes was; bij Alexander d. G. stond hij in hooge gunst, zoodat hij met Phocion tot hem gezonden werd, toen de Atheners na het bedwingen van den thebaanschen opstand de wraak des konings vreesden (z. Demosthenes). Antipater liet hem ter dood brengen, daar hij in onderschepte brieven de bewijzen van een aanslag van Demades tegen hem gevonden had (319). Zijn karakter wordt uiterst bedorven genoemd, daarentegen roemen de ouden zijne onweerstaanbare welsprekendheid, zijne geestigheid en gevatheid; niettemin waren zijne werken reeds vroeg verloren.
Demagogos, leider der volkspartij in eene republiek (ook prostates tou demou); gewoonlijk menschen die, niet door de ambten die zij bekleedden, maar door persoonlijke eigenschappen, vooral door welsprekendheid, grooten invloed hadden verworven. Terwijl een bekwaam en braaf man, zooals Pericles, als demagoog veel kon doen om het volk ten goede te leiden, gebruikten latere atheensche demagogen hun invloed veelal om het volk tegen de rijken en aanzienlijken op te hitsen, waardoor partijschappen ontstonden, die voor den staat een werkelijk gevaar opleverden; vandaar dat het woord meestal eene ongunstige bijbeteekenis heeft.
Demaratus, Demaratos, 1) koning van Sparta, zoon van Aristo, tegenstander van zijn ambtgenoot Cleomenes I (z.a.). Toen hij van de regeering ontzet was, ging hij naar Perzië, waar hij door Darius met achting behandeld werd en een eigen grondgebied kreeg. Later begeleidde hij Xerxes op zijn tocht naar Griekenland, doch zijne raadgevingen en waarschuwingen vonden weinig gehoor.--2) corinthisch koopman, die voor den tyran Cypselus vluchtte en naar Tarquinii ging; hij was de vader van Tarquinius Priscus.
Demarchus, demarchos, bestuurder van een attischen demus; hij werd voor een jaar door de leden van den demus gekozen, riep hun vergaderingen bijeen en leidde ze, hield een register van de leden, enz. Grieksche schrijvers over rom. geschiedenis geven denzelfden naam aan de volkstribunen.
Demeter, Demeter, Ceres, dochter van Cronus en Rhea, godin van den akkerbouw, van de geheele plantenwereld en vooral van het koren, die de goede gaven der aarde doet opkomen (Anesidora). Zijzelve had op vele plaatsen de menschen leeren zaaien en ploegen en had later door Triptolemus (z.a.) de kennis daarvan over de geheele aarde doen verbreiden. Daardoor was zij de oorzaak geworden, dat de menschen hun vroeger zwervend leven vaarwel zeiden en zich tot staten en eene geordende maatschappij vereenigden; zij is daarom ook de godin van wet en orde (Thesmia, Thesmophoros) en van het huwelijk. Dikwijls wordt zij als de vruchtbare aarde zelve beschouwd en daarom somtijds voor dezelfde gehouden als Gaea of Rhea; ook haar naam werd door sommigen als Ge meter verklaard. Zij is een van de oudste grieksche godheden en werd reeds door de Pelasgen vereerd (Pelasgis), in lateren tijd raakte haar dienst bij de dorische volken meer op den achtergrond. Zij was bij Zeus moeder van Persephone, bij Poseidon van het paard Arion, en bij Iasion van Plutus. De voornaamste mythus van Demeter heeft betrekking op het zoeken en vinden van hare door Hades geroofde dochter Persephone (z.a.), bij verscheiden groote feesten te harer eere gevierd, vooral bij de eleusinische mysteriën, werd deze mythus in herinnering gebracht, waarbij men, naar het schijnt, symbolisch zeker verband zocht aan te toonen tusschen het jaarlijks afsterven en herleven der natuur en het herleven van 's menschen ziel na den dood.--Men offerde aan Dem. runderen, zwijnen, vruchten en honig; de korenaar, de papaver, alle vruchtboomen, de pijnboom en de olm zijn aan haar gewijd. Hare afbeeldingen gelijken veel op die van Hera, echter heeft haar gelaat eene zachtere, minder strenge uitdrukking; gewoonlijk heeft zij een krans van korenaren om het hoofd en een korf met vruchten of de mystische fakkel in de handen.
Demetrias, Demetrias, sterke vesting in het thessalische landschap Magnesia, aan de Pagasaeïsche golf, door Demetrius Poliorcetes gesticht en langen tijd een sleutel van Griekenland.
Demetrius, Demetrios, 1) Poliorcetes, Poliorketes, zoon van Antigonus I, geb. 337, onderscheidde zich reeds vroeg in de oorlogen, die zijn vader tegen de andere veldheeren van Alexander te voeren had. Hij streed met afwisselend geluk tegen Ptolemaeus en Seleucus (z. Antigonus no. 1), en verwierf zijn bijnaam door de uitvinding van merkwaardige belegeringswerktuigen, waardoor hij de stad Salamis op Cyprus tot de overgave dwong, nadat hij de vloot van Ptolemaeus, die aan de belegerden hulp kwam brengen, geheel verslagen had. Na deze dubbele overwinning nam hij, evenals zijn vader, den titel van koning aan (306). Na een mislukt beleg van Rhodus (304) trok hij naar Athene, vanwaar hij vroeger (307) de macedonische bezetting verjaagd had, maar dat thans weder door Cassander bedreigd werd; bij zijne komst trok Cassander zich terug, en D. bleef te Athene, waar hij, door het volk met overdreven eerbewijzen overladen, zich aan allerlei uitspattingen overgaf, totdat Antigonus, door het bondgenootschap van Cassander, Ptolemaeus, Lysimachus en Seleucus bedreigd, hem naar Azië terugriep. Met den slag bij Ipsus (301), waarbij Antigonus sneuvelde en D. slechts met een klein gedeelte van het leger kon vluchten, scheen alles voor hem verloren te zijn, vooral daar de Atheners weigerden hem in hunne stad te ontvangen, maar snel besloten deed hij een aanval op de kustlanden van Thracië, en verbond hij zich, zoodra er onder zijne vijanden oneenigheid begon te ontstaan, met Seleucus, wien hij zijne dochter tot vrouw gaf. In Syrië kwam spoedig daarop eene verzoening tusschen D. en Seleucus en hunne tegenpartij tot stand. D. verzamelde opnieuw een leger en eene vloot en trok naar Griekenland (296), waar hij Salamis, Aegina en Athene innam en de Spartanen overwon. Vervolgens door Alexander, den jongeren broeder van koning Antipater van Macedonië, te hulp geroepen, verjoeg hij Antipater, maar ook Alexander liet hij dooden, waarna hij tot koning van Macedonië uitgeroepen werd (293). Met geluk streed hij tegen de oproerige Boeotiërs en tegen Pyrrhus van Epirus, maar de groote toebereidselen, die hij maakte om de aziatische landen van zijn vader te heroveren, riepen een nieuw bondgenootschap van Seleucus, Lysimachus en Ptolemaeus tegen hem in het leven, en voor het tot een gevecht kwam, werd D., die om zijn hoogmoed en heerschzucht bij de Macedoniërs gehaat was, door zijn leger verlaten, zoodat hij moest vluchten (288). Van Griekenland uit zette hij aanvankelijk met geluk den oorlog voort, maar in het volgende jaar werd hij in het land van Seleucus door eene zware ziekte overvallen en was hij genoodzaakt zich over te geven. Seleucus hield hem tot zijn dood (283) te Apamea gevangen. D. was een man van buitengewone bekwaamheid in den oorlog, vol geestkracht in tegenspoed en gevaar, daarbij was hij fijn beschaafd en kon hij in den omgang zeer aangenaam zijn, maar door overmoed, onbezonnenheid en zekere neiging tot het avontuurlijke en buitengewone kon hij van zijne voortreffelijke eigenschappen geen partij trekken en stierf hij als gevangene, betrekkelijk jong, deels van hartzeer, deels ten gevolge zijner uitspattingen.--2) D. II, koning van Macedonië, zoon en opvolger van Antigonus Gonatas, regeerde 239-229 onder voortdurende oorlogen met de naburige volken.--3) D. Soter, Soter, zoon van Seleucus Philopator, leefde tot zijn 23ste jaar als gijzelaar te Rome. Na den dood van Antiochus IV (165) ging hij, zonder toestemming, maar misschien niet tegen den wensch van den senaat, naar Syrië, waar hij zijn neef Antiochus V dwong hem de regeering af te staan. Wegens zijne wreedheid en dronkenschap gehaat, sneuvelde hij in een gevecht tegen Alexander Balas (150).--4) D. Nicator, Nikator, zoon van no. 3, die een tijd lang als gijzelaar te Rome geleefd had, stiet Alexander Balas door de hulp van Ptolemaeus Philometor van den troon (145), maar kon zich nauwelijks tegen de voortdurende opstanden zijner onderdanen en tegen Antiochus VI staande houden. In een oorlog tegen de Parthen, dien hij aanvankelijk met geluk voerde, werd hij krijgsgevangen gemaakt en eerst een krijgstocht, dien zijn broeder Antiochus tegen de Parthen ondernam, gaf hem de vrijheid en de regeering weder (130); toen hij echter in zijn rijk terugkwam moest hij spoedig weder voor Alexander Zabina vluchten en werd hij door handlangers van dezen of door zijne vrouw Cleopatra (no. 7) vermoord (126).--5) D. Eukairos, vierde zoon van Antiochus Grypus, streed met Antiochus X om de regeering van Syrië; in een strijd tegen zijn broeder Philippus werd hij door diens bondgenooten, de Parthen, gevangen genomen; hij stierf als gevangene (94).--6) D. Phalereus, Phalereus, leerling van Theophrastus. Door Cassander werd hem het bestuur van Athene opgedragen, dat hij van 317-307 zoo verdienstelijk waarnam, dat het dankbare volk hem 360 standbeelden oprichtte. Toen echter Demetrius Poliorcetes de Macedoniërs verjoeg, moest hij als een misdadiger vluchten. Hij begaf zich naar Thebe en van daar naar Aegypte, waar hij bij Ptolemaeus Lagi groote achting genoot; Ptolemaeus Philadelphus verbande hem echter naar Boven-Aegypte, waar hij in 283 aan de gevolgen van een slangebeet stierf. Hij was niet alleen als staatsman, maar ook als wijsgeer, redenaar en dichter beroemd; van zijne talrijke geschriften is echter niets overgebleven.--7) van Pharus, stadhouder van koningin Teuta (z. a.) op Corcyra. Door verraad won hij de gunst der Rom. en kreeg hij, na afloop van den illyrischen oorlog, het geheele gebied dat vroeger door de Illyriërs veroverd was (228). Later tegen de Rom. in opstand gekomen, werd hij verjaagd en moest hij naar Philippus van Macedonië vluchten (219).--8) D. Bellienus, vrijgelatene van een anderen D., verwekte onlusten bij de Intimilii, die door Caelius op last van Caesar met geweld onderdrukt moesten worden.--9) van Scepsis (± 150), schrijver van een werk over de antiquiteiten uit den tijd van den trojaanschen oorlog (Troikos diakosmos) in 30 boeken. Zijn mededeelingen omtrent de ligging van het homerische Troje zijn eerst door de opgravingen op het einde der vorige eeuw wederlegd.--10) D. Syrus, leeraar der welsprekendheid, wiens lessen Cicero te Athene bijwoonde.--11) van Magnesia, tijdgenoot van Cicero, schreef o.a. een boek over dichters en schrijvers, die door gelijkheid van naam dikwijls met elkaar verward werden.--12) van Gadara, vrijgelatene en gunsteling van Pompeius.--13) gunsteling van Caesar, na wiens dood hij door Antonius tot stadhouder van Cyprus benoemd werd.--14) van Sunium, leefde 40-90 na C. te Rome, waar hij als cynisch wijsgeer in hoog aanzien stond.
Deminutio capitis = Capitis deminutio.
Demioi, demosioi, demokoinoi heetten te Athene de ondergeschikten der elfmannen; het waren staatsslaven, die als gevangenbewaarders, beulen e. dgl. dienst deden.
Demiourgoi, 1) de laatste van de drie phylen, waarin de bevolking van Attica door Theseus verdeeld werd.--2) in sommige staten van de Peloponnesus de hoogste overheidspersonen (z. bijv. Achaeisch verbond).--3) eig. zij die voor het publiek werken; zoo noemde men allen, die door hun eigen werk in hun levensonderhoud moesten voorzien. Daar zulke personen uit den aard der zaak niet zooveel tijd als anderen op de markt, in de gymnasia en dergelijke openbare plaatsen konden doorbrengen, werden zij in vele staten als minder bij de algemeene belangen betrokken beschouwd, en genoten zij over het geheel weinig aanzien.
Democedes, Demokedes, van Croton, beroemd geneesheer, die op Aegina (528), te Athene en op Samus met roem werkzaam was. Toen Samus door Darius veroverd was (522), kwam hij als gevangene naar Susa, waar hij Darius van een wond aan den voet en Atossa van een gezwel aan de borst genas, maar toen de koning hem als zijn lijfarts wilde behouden, wist hij te bewerken dat hij tot eene verkenningsreis naar de grieksche kusten gezonden werd (520); bij Tarentum ontsnapte hij, waarna hij naar zijne vaderstad terugkeerde en met de dochter van den worstelaar Milo trouwde. Als aanhanger van Pythagoras verbond hij zich met de aristocratische partij tegen de heerschende democratie; toen echter (in 500) de Pythagoraeërs ten offer vielen aan de woede van het volk, vluchtte hij naar Plataeae.
Demochares, Demochares, zoon van Laches en de zuster van Demosthenes, die zijne opvoeding leidde en hem van zijne beginselen doordrong. Als bestrijder van de macedonische partij had hij den grootsten invloed onder Demetrius Poliorcetes, maar werd hij verdreven toen de macht van Macedonië weder toenam. Als gezant naar Macedonië en Aegypte, als financier en in meer andere betrekkingen heeft hij zich zeer verdienstelijk gemaakt. Zijn werk over de geschiedenis van zijn tijd is verloren gegaan. Zie ook Demosthenes.
Democritus, Demokritos, van Abdera, geb. 460 en op zeer hoogen ouderdom gestorven. Hij erfde van zijn vader een zeer groot vermogen en deed reizen naar Aegypte en het verre Oosten; in zijne vaderstad teruggekeerd, wijdde hij zich geheel aan de studie der wijsbegeerte en der natuurwetenschap. De atomistische leer, waarvan zijn leermeester Leucippus de grondslagen gelegd had, werd door D. nader uitgewerkt en tot een stelsel gemaakt. Volgens hem bestaat alles uit ondeelbare stofdeeltjes (atoma), die soortelijk aan elkander gelijk zijn, maar in grootte en gewicht verschillen; deze zijn eeuwig en in voortdurende beweging, en uit hunne vereeniging, die onder den invloed van een onberekenbaar toeval tot stand komt, ontstaan niet slechts werelden en andere lichamen, maar ook de zielen en goden. Tusschen de atomen is ledige ruimte, een niets (meden), dat evengoed bestaat als het iets (den). De kennis, die alleen op zinnelijke waarneming berust, is onvolledig en duister (skotie), de echte (gnesie) wordt door onderzoek en studie verworven. Het hoogste goed is gemoedsrust (euesto, euthymia, ataraxia), die men verkrijgt door in alle dingen de juiste maat te houden; van daar misschien zijn bijnaam van lacher (gelasinos). Van zijne talrijke werken, ook op taal- en letterkundig gebied, waarvan de belangrijke inhoud en de stijl geroemd wordt, is zeer weinig bewaard gebleven.
Demodocus, Demodokos, de blinde zanger aan het hof van Alcinous, koning der Phaeaken.
Demoi, onderafdeelingen der attische phylen. Van ouds was Attica voor administratieve doeleinden in demen of districten verdeeld; door de nieuwe indeeling van Clisthenes werd hun aantal 100, zoodat 10 eene phyle vormden. Later vindt men 174 vermeld, er worden zelfs 199 namen van demen genoemd, waarvan echter vele waarschijnlijk op verkeerde lezing berusten. Zij, die tot denzelfden demus behooren (demotai), brengen gemeenschappelijk zekere offers (hiera demotika) en deelen in de inkomsten en uitgaven van den demus. Het bestuur berustte bij een demarchos, het beheer der financiën bij een tamias. Ieder burger moest tot een demus behooren en zich op zijn 18de jaar in het register (lexiarchikon grammateion), dat door den demarch gehouden werd, laten inschrijven.
Demokoinoi, z. demioi.
Demonax, Demonax, van Cyprus, die ten tijde van Hadrianus te Athene leefde. Ofschoon hij tot de richting der cynici behoorde, wijdde hij zich ook aan de staatszaken en genoot hij algemeene achting. Hij stierf op zeer hoogen leeftijd vrijwillig van honger, om de lasten van den ouderdom te ontgaan.
Demophanes, Demophanes, z. Ecdemus.
Demophilus, Demophilos, 1) dichter der nieuwe attische comedie.--2) geschiedschrijver, zoon van Ephorus (z. a.).
Demophoon, -phon, Demophoon, -phon, 1) zoon van Celeüs. Toen Demeter bij Celeüs gastvrij ontvangen was, werd haar de zorg voor den kleinen Demophon opgedragen; uit dankbaarheid wilde de godin het kind onsterfelijk maken, waartoe zij hem bij dag met ambrosia zalfde en des nachts in het vuur reinigde. Toen echter Metanira haar eens des nachts verraste en van schrik luid gilde, zag Demeter in toorn van haar plan af.--2) zoon van Theseus en Phaedra, ging met de Grieken naar Troja, waar hij zijne grootmoeder Aethra (z. a.) bevrijdde. Op de terugreis verloofde hij zich met Phyllis, dochter van den thracischen koning Sithon; hij ging echter voor het huwelijk naar zijn vaderland, en daar hij over den bepaalden tijd uitbleef hing Phyllis zich op; zij werd in een amandelboom veranderd. Aan Diomedes, die bij zijne terugkomst van Troja een inval in Attica deed zonder te weten in welk land hij was, ontnam D. het palladium. Hij verdedigde de Heracliden tegen Eurystheus, en regeerde ook nog, toen Orestes in Attica kwam.
Demopoietoi, vreemdelingen wien het burgerrecht geschonken was. Dit geschiedde, ten minste in vroegere tijden, te Athene hoogst zelden en alleen wegens bizondere verdiensten jegens het volk. Een voorstel om iemand het burgerrecht te verleenen moest in twee opeenvolgende volksvergaderingen aangenomen worden, en in de tweede moesten zich minstens 6000 stemmen bij geheime stemming voor den voorgestelde verklaren. Ook dan nog misten de nieuwe burgers sommige rechten; eerst hunne kinderen, soms hunne kleinkinderen, genoten het burgerrecht in zijn vollen omvang.
Demosioi, z. demioi.
Demosthenes, Demosthenes, 1) zoon van Alcisthenes, atheensch strateeg in den peloponnesischen oorlog, ondernemend, omzichtig en bekwaam. In 426, toen hij met 30 schepen de kusten van de Peloponnesus plunderde, vormde hij het plan door Aetolië, Doris en Phocis te dringen en een inval in Boeotië te doen; door onbekendheid met land en volk mislukte deze onderneming en leed D. zulke verliezen, dat hij uit vrees voor den toorn der Atheners te Naupactus bleef. Toen hij echter den Spartanen bij die stad en bij het amphilochische Argos gevoelige verliezen had toegebracht, keerde hij naar Athene terug. In het volgende jaar bezette hij Pylus in Messenië en sloot hij de spartaansche hoplieten, die gekomen waren om hem te verjagen, op het eiland Sphacteria in; na een lang beleg dwong hij, door Cleon (z. a.) geholpen, hen tot de overgave. Toen in 413 de berichten, die Nicias van Syracusae zond, steeds ongunstiger werden, werd D. met eene aanzienlijke vloot hem te hulp gezonden; de geleden verliezen waren echter reeds te groot, en D. vond bij zijn ambtgenoot te veel tegenstand, dan dat hij eenig voordeel kon behalen of het leger en de vloot kon redden; na de beslissende nederlaag werd hij, evenals Nicias, gevangen genomen en door de verbitterde Syracusanen ter dood gebracht.--2) Athener, zoon van Demosthenes, geb. 383, verloor op zijn zevende jaar zijn vader, die hem een vrij aanzienlijk vermogen naliet, waarvan echter, toen hij meerderjarig werd, bijna alles door zijne voogden verduisterd of verkwist was. In het proces, dat hij hun deswege aandeed (364), trad hij dus reeds zeer vroeg als redenaar op, zoodat sommigen ook vermoedden dat de bij die gelegenheid door hem gehouden redevoeringen niet door hem alleen, maar door of ten minste met de hulp van Isaeus gemaakt waren. Deze was reeds vroeger zijn leermeester in de welsprekendheid geweest, ofschoon hij natuurlijk ook andere redenaars hoorde, en de natuurlijke nadeelen, waarmede D. te kampen had, lichamelijke zwakte en een spraakgebrek, waren bij het onderwijs zoovele moeielijkheden, die hij alleen door bewonderenswaardige volharding kon te boven komen. Ofschoon D. het eerste proces tegen een van zijne voogden won, gelukte het hem niet zich in het bezit te stellen van het hem toekomende, en moest hij zich ten slotte met de betaling eener betrekkelijk kleine som tevreden stellen; dientengevolge vond hij het ook raadzaam met de twee andere voogden eene schikking te maken. Daarna hield hij zich als logographos bezig met het schrijven van pleidooien, waarmede hij naar het schijnt veel succes had, doch deze werkzaamheid liet hij varen toen hij zich op de staatszaken ging toeleggen. Op ongeveer dertigjarigen leeftijd begon hij ook in de volksvergadering op te treden, v. s. nadat hij bij eene vroegere poging uitgefloten, maar door een beroemd tooneelspeler tot volharding aangemoedigd was. Voorshands hield hij zich met onderwerpen van ondergeschikt belang bezig, maar weldra zag hij dat van buiten een gevaar dreigde, dat den ondergang van Athene en geheel Griekenland ten gevolge moest hebben: de toenemende macht van Macedonië. Sedert 351, het jaar waarin hij zijn eerste Philippica hield, houdt D. niet op, de Atheners tegen Philippus te waarschuwen, en hen te wijzen op hunne verkeerdheden, waardoor het dezen mogelijk werd zich steeds grooter gebied te verwerven en meer en meer invloed op de aangelegenheden der Grieken te krijgen. Grievend moet het voor D. geweest zijn te zien, hoe weinig zijne vermaningen vermochten, hoe zelden de door hem voorgestelde maatregelen ten uitvoer gebracht werden, deels door de onverschilligheid van het volk, deels door gebrek aan bekwame veldheeren, maar vooral door het drijven van eene invloedrijke partij, die in het belang van Macedonië werkte en waarvan Aeschines (z. a.) de woordvoerder was. Het kon D. niet ontgaan, waartoe dit alles leiden moest; toen dan ook Philippus na den tweeden heiligen oorlog eensklaps het masker afnam en zelfs Athene bedreigde, was hij de eenige die niet verrast werd, die kalm genoeg bleef om ook nu nog verstandige maatregelen te nemen en oogenblikkelijk een bondgenootschap tusschen Thebe en Athene tot stand te brengen, dat aanvankelijk Philippus met goed gevolg scheen weerstand te bieden; de slag bij Chaeronea besliste echter in het nadeel der Grieken. Vruchteloos waren ook de pogingen van D. om na den dood van Philippus een algemeen grieksch bondgenootschap tegen Macedonië in het leven te roepen; de snelheid en gestrengheid, waarmede Alexander op Thebe wraak nam, boezemde ieder schrik in, en alleen op voorspraak van Demades zag Al. af van zijn eisch, dat met andere redenaars ook D. aan hem zoude uitgeleverd worden. Maar hoe weinig gevolg de bemoeiingen van D. ook hadden, het volk erkende steeds zijne edele bedoelingen en zijn vaderlandslievend streven; zoolang men zich nog konde bedriegen omtrent Philippus' plannen, mocht het al lachen, wanneer D. door zijne vijanden een overdreven pessimist en "waterdrinker" genoemd werd, telkens wanneer zij een beslissenden slag tegen hem meenden te slaan, toonde het volk hoezeer het hem achtte. Toen D. Aeschines wegens hoogverraad aanklaagde, ontsnapte deze, in weerwil van zijne invloedrijke vrienden, ternauwernood aan eene veroordeeling; toen daarentegen Aeschines zich verzette tegen een volksbesluit, waarbij aan D. wegens zijne verdiensten een gouden krans werd toegekend, leed hij zulk een verpletterende nederlaag, dat hij een langer verblijf te Athene onmogelijk achtte (z. Aeschines). Ook werden aan D. verscheiden eerambten opgedragen, die hij alle met bekwaamheid en dikwijls met groote kosten waarnam, en de hardnekkige tegenstand der macedonischgezinden kon niet beletten, dat hem werd opgedragen de lijkrede over de gesneuvelden bij Chaeronea uit te spreken. Ongelukkige gevolgen had voor hem echter de komst van Harpalus (z. a.); ofschoon hij eerst afgeraden had dezen in de stad te ontvangen, beweerde men later dat hij zich had laten omkoopen om in het belang van Harpalus te werken; hij werd tot eene boete van 50 talenten veroordeeld, en daar hij die som niet kon betalen, werd hij gevangen gezet (324); hij ontvluchtte echter na weinige dagen en bracht eenigen tijd op Aegina en te Troezen door, totdat hij bij de algemeene beweging, die door den dood van Alexander in geheel Griekenland ontstond, teruggeroepen werd. Hij werd in triumf te Athene ingehaald en leidde weder voor eenigen tijd met hart en ziel de toebereidselen voor den oorlog tegen Macedonië; na de nederlaag bij Crannon vluchtte hij naar den tempel van Poseidon te Calauria, waar hij, toen de troepen van Antipater naderden om hem gevangen te nemen, zich door vergif van het leven beroofde (October 322). Ruim 40 jaar later richtte het volk, op voorstel van Demochares, een standbeeld voor hem op, als voor een man die zijn vermogen voor het algemeen belang had opgeofferd, den staat vele diensten bewezen en vele bondgenooten verworven had, het volk steeds ten goede geraden had, en eindelijk in het gevaar den dood boven het verzaken zijner beginselen had gekozen. Zijne redevoeringen zijn voor een deel verloren gegaan, van de 61, die zijn naam dragen, worden 16 voor onecht gehouden; de echte gelden als modellen van welsprekendheid en dienen tot schitterende bewijzen van zijne bekwaamheid en zijn ijver, zoowel als van zijne vaderlandsliefde en zijn edel karakter. De belangrijkste en meest gelezen redevoeringen zijn: kata Philippou a´ (begin 351), de 3 Olynthische (351-349), peri tes eirenes (346), kata Philippou b´ (344), peri tes parapresbeias (343, zie Aeschines), peri ton en Cherroneso (341), kata Philippou g´ (341), hyper Ktesiphontos peri tou stephanou (330, zie Aeschines).
Denarius, zilveren rom. munt = 10 as, (zie as), later, toen de as in gewicht beperkt was = 16 as. De denarius is altijd in waarde gelijkgesteld met de Attische drachme. De stempels waren verschillend. Denarius aureus, bij verkorting alleen aureus geheeten = 25 zilveren denarii of 100 sestertiën. Zie aureus.
Denseletae of Dentheleti, Dentheletai, Dantheletai, thracisch volk aan den Haemus, tusschen de rivieren Strymon en Nestus.
Dentatus, bijnaam in het geslacht der Curii.
Denuntiatio, de inleiding tot een proces, de mededeeling daarvan door den eischer aan den gedaagde en de afspraak der partijen om voor den praetor te verschijnen. Sedert M. Aurelius wordt denuntiatio vaak gebezigd voor de gerechtelijke dagvaarding.
Deo, Deo, verkorte naam, die aan Demeter vooral bij de dichters gegeven werd.
Depontani werden wel eens de burgers boven 60 jaar genoemd. Den Romeinen zelf was de oorsprong van dezen naam duister. Misschien is de uitdrukking hieruit te verklaren, dat toen de pontes ingevoerd werden bij het stemmen, iuniores, hetzij in ernst of in scherts, geroepen hebben: sexagenarios de ponte, met deze beteekenis, dat de oude heeren, die door hun leeftijd geen diensten meer aan den staat verschuldigd waren, ook maar van de stembus moesten wegblijven. Dat de zestigjarigen echter het stemrecht gemist zouden hebben, is beslist onjuist.
Deportatio, verbanning naar eenige afgelegen strafkolonie, zooals de cycladische eilanden, Donusa, Amorgos, Seriphus, Gyarus, onder militaire bewaking en met verlies van burgerrecht en bezittingen. Relegatio was slechts eenvoudige verbanning naar eene bepaald aangewezen plaats, waar de balling overigens als vrij man leefde, en zonder verdere rechtsgevolgen. Onder de republiek waren deze straffen voor rom. burgers onbekend; zij dagteekenen uit den tijd van Augustus. Bij Tacitus e. a. worden deportatio en relegatio somtijds dooreen gebezigd.
Derbe, belangrijke stad in Lycaonia, aan de grenzen van Isauria, het eerst genoemd als de woonplaats van den tyran Antipater, den vriend van Cicero.
Derbices, Derbikkai, scythisch volk aan de noordelijke grenzen van Perzië, in de steppen ten O. van de Caspische zee. Het zijn de afstammelingen van de Massageten, waartegen Cyrus te velde trekt.
Dercetis, -to, Derketis, -keto, een syrisch meisje, moeder van Semiramis; zij liet den vader van haar kind dooden en het kind in een woestijn brengen, waar het door duiven gevoed werd; daarna stortte zij zich in een meer bij Ascalon en werd zij in een visch veranderd. De Syriërs vereerden haar onder den naam Atargatis als godin te Hierapolis; zij wordt afgebeeld met het bovenlijf van eene vrouw, dat in een vischstaart uitloopt.
Dercyl(l)idas, Derkyl(l)idas, Spartaan, die in den peloponnesischen oorlog met roem diende. In 399 werd hem het bevel over het spartaansche leger in Klein-Azië opgedragen; hij herstelde de onder zijn voorganger Thibron verslapte krijgstucht, voerde met kracht den oorlog tegen de Perzen, en wist vooral door zijn groote slimheid, om welke hij Sisyphus bijgenaamd werd, groote voordeelen te behalen. Reeds hadden de satrapen Tissaphernes en Pharnabazus een wapenstilstand met hem gesloten om de vredesvoorwaarden op te stellen; toen echter de koning van Perzië intusschen groote krijgstoerustingen maakte, kwam Agesilaus in Azië en nam het opperbevel van D. over. Deze bleef nog eenigen tijd bij het leger, en toen na den zeeslag bij Cnidus de Spartanen overal verjaagd werden, handhaafde hij zich in Abydus en Sestus.
Dertona, Derthon, stad in Liguria, ten Z. van den Padus (Po), rom. kolonie met den bijnaam Julia, thans Tortona.
Dertosa, Dertosa, thans Tortosa, stad der Ilercavones in Tarraconensis nabij de monding van den Iberus (Ebro).
Designator, 1) bediende in het theatrum, die aan de toeschouwers hunne plaatsen moest aanwijzen. De entréekaartjes, tesserae theatrales, wezen den rang, de afdeeling (cuneus) en het nummer der plaats aan, benevens den titel van het stuk.--2) aannemer van begrafenissen en lijkstaatsies.--3) in de 3de eeuw n. C. een scheidsrechter bij de wedrennen.
Destrictarium, vertrek waar men zich van stof, zweet en olie liet reinigen, zie Strigilis en Balneum.
Dèsultores, 1) paardrijders, voltigeurs, die in vollen ren van het paard sprongen, het bijhielden en er weder opsprongen, of ook wel met twee paarden of meer hunne kunsten vertoonden en van het eene op het andere oversprongen.--2) numidische en ook wel andere ruiters, die twee paarden bestuurden, en wanneer het eene vermoeid was, in vollen ren en volle wapenrusting op het andere oversprongen.
Detestatio sacrorum, plechtige afstand van de sacra zijner gens bij arrogatio in eene andere, of verzaking van de sacra der familie bij een testamentum comitiis calatis factum.
Deucalion, Deukalion, 1) zoon van Prometheus en Clymene, koning van Phthia, was met zijne vrouw Pyrrha de eenige die behouden bleven, toen Zeus het overige menschdom door eene overstrooming en een plasregen van negen dagen verdelgde. Het schip, dat hij op raad van Prometheus gebouwd had, landde bij het vallen van het water op den Parnassus (v. a. Athos of Aetna). Verschrikt door de eenzaamheid die hen omringde, raadpleegden zij het orakel van Themis, dat hun beval de beenderen hunner moeder achter zich te werpen. D. begreep dat hiermede steenen, als het ware de beenderen der moederaarde, bedoeld werden; zij gehoorzaamden aan het orakel en de steenen van D. werden mannen, die van Pyrrha vrouwen. Het graf van D. vond men te Athene bij den tempel van den olympischen Zeus, dat van Pyrrha te Cynus in Locris. Hunne kinderen waren Hellen, Amphictyon, Protogenea e. a.--2) zoon van Minos en Pasiphaë, vader van Idomeneus, nam deel aan den tocht der Argonauten en aan de calydonische jacht.
Deunx = 11 unciae. Als muntstuk bestond de deunx niet. De as had 12 unciae.
Deva, Deoua, thans Chester (afgeleid van Castrum), in de buurt van Liverpool, stad in Britannia Romana. Ook de aanliggende baai of breede riviermond, thans Dee, heette zoo.
Deverra, eene godin, die met Pilumnus en Intercidona aangeroepen werd om eene kraamvrouw met haar kind tegen den invloed van Silvanus te beschermen. Om zich de hulp van die godheden te verzekeren, liet men des nachts drie mannen met bijl, stamper en bezem, de zinnebeelden der beschaving, om het huis loopen.
Deversorium, zie Caupona.
Dexippus, Dexippos, 1) grieksch geschiedschrijver in de 3de eeuw n. C., wiens voornaamste werk de gebeurtenissen na den dood van Alexander behandelde.--2) nieuw-platonisch wijsgeer in de 4de eeuw n. C., schrijver van commentaren op Aristoteles.
Dextans = 10 unciae of 5/6 as. Een muntstuk van dit bedrag bestaat niet.
Di indigetes, enz., zie Dii indigetes, enz.
Dia, z. Dea Dia.
Dia, Dia, 1) oude naam van het eiland Naxus.--2) eilandje ten N. van Midden-Creta.--3) eilandje in de arabische golf (Roode Zee), voor de monding van de Aelanitische golf (Aelaniticus sinus).
Diablintes, een van de vier takken der Aulerci. Hoofdstad: Noviodunum, tgw. Jublains.
Diacria, Diakria, het N.O. bergland van Attica. De Diacriërs waren het armste en meest democratisch gezinde gedeelte der attische bevolking.
Diadikasia, in het algemeen de beslissing in een proces, in het bizonder in eene rechtszaak, waarin verschillende personen dezelfde aanspraken (bijv. op een voogdij, ambt e. dgl.) willen doen gelden; ook in een proces tegen de staatskas, wanneer iemand beweerde recht te hebben op verbeurdverklaarde goederen.
Diadochos, opvolger; in het bizonder wordt die naam gegeven aan hen, die na den dood van Alexander d. G. over de deelen van zijn rijk regeerden.
Diaeta, een complex van verschillende kamers in een Romeinsch huis, die samen een woning op zich zelf vormen. In Pompeii heeft men verscheidene zulke diaetae meenen te herkennen.
Diaeus, Diaios, van Megalopolis, sedert 149 strateeg van het achaeisch verbond en aanvoerder in den oorlog tegen de Romeinen, die vooral door zijn toedoen ontstaan was; nadat hij door Mummius bij Leucopetra op den Isthmus verslagen was, maakte hij door vergif een einde aan zijn leven (146).
Diagoras, Diagoras, 1) van Rhodus, een der beroemdste athleten van Griekenland, vader en grootvader van athleten. Een van de gedichten van Pindarus is aan hem gewijd.--2) van Melus, zoon van Teleclides, hield zich in zijne jeugd met poëzie bezig, later werd hij een aanhanger van Democritus. Hij leefde meestal te Athene, waar hij door het loochenen der goden (vandaar zijn bijnaam atheos) en het bespotten der mysteriën zooveel aanstoot gaf, dat de Atheners een prijs op zijn hoofd stelden (411); hij vluchtte echter tijdig naar Corinthe. Deze verhalen zijn echter niet geheel betrouwbaar.
Diagraphes, beambten te Athene, die ieders aanslag in buitengewone belastingen (bijv. de eisphora) bepaalden en nalatige betalers vervolgden.
Diaitetes, scheidsrechter. Te Athene werden civiele zaken, ter besparing van onkosten, meestal in de eerste instantie door een scheidsman behandeld. Op verzoek van den eischer wees de magistraat, die met de leiding van het proces belast was, door het lot een van de openbare scheidslieden aan, waarvan er meer dan honderd waren; van de beslissing van den scheidsman kon men bij de Heliaea appelleeren. De scheidsrechter kreeg bij elke zitting van beide partijen een drachme; wegens misbruiken in het waarnemen zijner betrekking kon hij bij de logisten aangeklaagd worden.--Bovendien kon men elk geschil bij overeenkomst door een of meer scheidsrechters laten beslissen, die men zelf koos; van hun uitspraak was echter geen appèl geoorloofd.
Diaktoros, bijnaam van Hermes, als uitvoerder van de bevelen van Zeus.
Diamartyria, het bewijs door getuigen, dat eene aanklacht al of niet behoort in behandeling genomen te worden. De aangeklaagde kon eischen, dat de aanklager door getuigen bewees, dat er geen beletsel (verjaring e. dgl.) bestond om de zaak te behandelen, of anders zelf door getuigen bewijzen dat zulk een beletsel wel bestond. Wie bij de diamartyria geen vijfde deel van de stemmen voor zich had, verviel in de epobelia.
Diana, oorspronkelijk eene italiaansche maangodin, wier wezen in nauw verband staat met dat van Janus, en wier dienst door latijnsche plebejers in Rome was ingevoerd; later werd zij geïdentificeerd met Artemis en werden alle attributen en mythen van deze op haar overgebracht. Zij was voornamelijk de godin van het mindere volk, ook slaven en slavinnen stonden onder hare bescherming. Haar feestdag viel op den 13den Augustus, en de ludi saeculares waren aan haar en Apollo gewijd.--Beroemd was de tempel, dien zij als beschermgodin van het latijnsche stedenverbond op den Aventinus had. Ook te Aricia (z. a.) had zij een beroemd heiligdom. Haar eeredienst in den tempel op den Aventinus is ingericht naar dien van de Aricische Diana.
Dianium, kaap en stad van Tarraconensis, tegenover de Pityusen-eil. De stad, oudtijds eene kolonie van Massilia en toen Hemeroscopium geheeten, had een beroemden Diana-tempel. Sertorius gebruikte de haven als marinestation.
Diapsephisis. Wanneer er vermoeden bestond, dat iemand zich wederrechtelijk als atheensch burger had laten inschrijven, werd bij volksbesluit bevolen, dat de demos, waartoe zulk een persoon behoorde, zijn ledenregister zoude herzien. In eene vergadering der demotai werd dan dit register voorgelezen, en over iedereen, wiens recht men betwijfelde, werd gestemd; deze stemming heette diapsephisis. De persoon, te wiens nadeele de stemming was uitgevallen, verloor zijn burgerrecht zonder verdere straf te beloopen; indien hij echter appelleerde en ook dan in het ongelijk gesteld werd, konden zijne goederen verbeurd verklaard en hijzelf als slaaf verkocht worden.--Ten tijde van Demosthenes gebeurde het eens, dat aan alle demen tegelijk het herzien hunner ledenlijsten werd opgedragen.
Diasia, Diasia, een groot feest ter eere van Zeus Meilichios den 23sten Anthesterion door de Atheners bij den Ilissus gevierd; het was een verzoeningsfeest, waarbij ieder burger een offer bracht; wie geen stuk vee kon betalen, gaf een gebak in den vorm van een schaap of varken.
Diaulos dromos, of alleen diaulos, een wedloop, waarin de dubbele lengte van de renbaan afgeloopen werd.
Dicaea, thracische stad bij het meer Bistonis.
Dicaearchia, Dikaiarchia, havenstad van Cumae, later Puteoli.
Dicaearchus, Dikaiarchos, van Messana, leerling van Aristoteles, beroemd als schrijver van wijsgeerige, geschied- en aardrijkskundige werken, die echter alle bijna geheel verloren gegaan zijn. Zijn Bios Hellados in 3 boeken was het oudste werk over beschavingsgeschiedenis.
Dichalkon, grieksch koperen muntstukje, een vierde van een obolus.
Dictator. De dictatuur, omstreeks 500 te Rome ingesteld, was in den grond een herstel der koninklijke macht, doch slechts voor zes maanden op zijn langst. Was de taak, waarvoor hij benoemd was, vroeger afgeloopen, dan behoorde de dictator zijn ambt neer te leggen. De dictator, oudtijds ook magister populi geheeten, als aanvoerder van het voetvolk, werd benoemd door een der consuls, natuurlijk krachtens een senaatsbesluit; op zijne beurt benoemde hij zijn magister equitum, die zijn collega minor en, zoo noodig, zijn plaatsvervanger was en met hem aftrad. Daar de onbeperkte volmacht van den dictator ouder was dan de instelling van het volkstribunaat, vermochten de volkstribunen niets tegen den dictator, die van zijnen kant ook niets tegen hen vermocht uithoofde hunner onschendbaarheid, zij konden elkander dus niet hinderen. De dictator was niet aan de provocatio onderworpen, zie echter Valeriae (leges) de provocatione, no. 3. In 217, na den slag bij het trasumeensche meer, was er geen consul te Rome om een dictator te benoemen; hierom werd Fabius Maximus (Cunctator) door het volk gekozen en niet tot dictator benoemd, maar met dictatoriale macht bekleed, pro dictatore. Na afloop van den 2den Punischen oorlog zijn geen dictatoren meer benoemd. In plaats van een dictator te benoemen, behielp men zich met het senatus consultum ultimum (z. a.). De benoeming van L. Cornelius Sulla door eene lex Valeria (z. a.) tot levenslang (perpetuus) dictator was eene dier onwettigheden, waaraan de laatste tijd der rom. republiek zoo rijk is. De rom. geschiedenis kent dictators, vooral rei gerundae causa, d. i. tot het voeren van een oorlog, maar ook seditionis causa, comitiorum habendorum c., senatus legendi c., delectus habendi c., feriarum Latinarum c., clavi figendi c., d. i. voor het inslaan van den gouden jaarspijker op het Capitool, quaestionis exercendae c., d. i. tot het leiden van een buitengewoon rechtsgeding. De officieele term voor de benoeming is: dictatorem dicere. De grieksche vertaling is autokrator, ook diktator. Tot de insigniën van den dictator behoorden de sella curulis, de toga praetexta en 24 lictoren met roedenbundels en bijlen. De eerste dictator was T. Lartius Flavus, de eerste uit de plebs C. Marcius Rutilus, in 356. Ook bij het latijnsch verbond komen dictators voor.
Dictator municipalis. In de municipia stonden meestal twee personen aan het hoofd van het gemeentebestuur met den titel van duumviri iuri dicundo. Evenwel komen enkele afwijkingen voor. Zoo stond b.v. te Lanuvium, Aricia, Caere, Nomentum, Fidenae, Tusculum één persoon aan het hoofd met den titel van dictator.
Dicte, Dikte, berg op Creta, waar Zeus geboren was. Bij rom. dichters Dictaeus = cretensisch.
Dictynna, Diktynna, z. Britomartis.
Dictys, Diktys, 1) broeder van koning Polydectes van Seriphus, die de kist aan land trok, waarin zich Danaë met haar kind bevond.--2) D. Cretensis, van Cnossus, had naar men meende, Idomeneus in den trojaanschen oorlog begeleid en op palmbladen een dagboek (Ephemeris) geschreven, dat ten tijde van Nero bij gelegenheid van eene aardbeving in zijn graf gevonden werd. Van dit werk bestaat eene latijnsche vertaling van zekeren L. Septimius, die in de 4de eeuw n. C. leefde; van het oorspronkelijk grieksche werk is onlangs een klein gedeelte gevonden. Z. Dares.
Didaskalia, een gedenkschrift betreffende de opvoering van een tooneelstuk, bevattende den titel van het stuk, den naam van den schrijver, den tijd en de plaats der opvoering, enz. Van deze documenten maakten latere schrijvers over geschiedenis der letterkunde of van het tooneel, v. s. Aristoteles het eerst, veel gebruik, en bij de meeste grieksche en latijnsche tooneelstukken, die bewaard gebleven zijn, bestaat ook nog de didaskalia geheel of gedeeltelijk.--D. beteekent in de eerste plaats het instudeeren door den dichter van een koor, vooral voor tragedie en comedie, dan ook het opvoeren zelf der tooneelstukken; ook de stukken, die bij dezelfde gelegenheid ten tooneele kwamen, noemde men soms met een gemeenschappelijken naam didaskalia.
Didia (lex) sumptuaria, tot beperking der uitgaven voor maaltijden, niet slechts te Rome, maar in geheel Italia, 143, een uitbreiding van de lex Fannia van 161.
Didii, aanzienlijk plebejisch geslacht. 1) T. Didius, consul in 98, overwon als praetor de Scordiscers. Als proconsul versloeg hij de Celtiberiërs in Hispania. Hij sneuvelde in den marsischen oorlog.--2) C. Didius, legaat van Caesar, sneuvelde in Hispania in den strijd tegen S. Pompeius.--3) M. Didius (Severus) Julianus, zie Juliani no. 3.
Dido, Dido, ook Elissa, Elissa, geheeten, was de zuster van den tyrischen koning Pygmalion, en de echtgenoote van haren oom Acerbas of Sichaeus. Toen Pygmalion haar man had doen vermoorden, vluchtte Dido ± 870 met een aantal Tyriërs, en landde op de kust van Africa, waar zij van zekeren koning Iarbas een stuk grond kocht en aldaar de stad Carthago stichtte. Toen later Iarbas haar met geweld en onder bedreiging met een oorlog tot vrouw begeerde, richtte Dido een brandstapel voor zich op en doorstak zich daarop met een zwaard. Zij werd door de Carthagers als godin vereerd. Vergilius brengt in zijne Aeneis Aeneas en Dido samen, en laat Dido sterven tengevolge van hopelooze liefde voor Aeneas. Dezen vorm van de sage heeft hij aan Naevius en misschien ook aan Ennius ontleend.
Didrachma, -mum, didrachmon, grieksch zilveren muntstuk ter waarde van twee drachmen.
Didyma, ta Didyma, stad in het gebied van Miletus, ook Branchidae geheeten, met een beroemden tempel en een orakel van Apollo, waarvan het geslacht der Branchiden de priesterlijke waardigheid vervulde. Door Darius of door Xerxes werd de stad verwoest, doch later werd zij door de Milesiërs herbouwd. De bouw werd echter nooit geheel voltooid. Zie ook Branchidae.
Didymus, Didymos, 1) bijgenaamd Chalkenteros, beroemd alexandrijnsch grammaticus, geb. in 63, wien door de ouden een fabelachtig aantal werken, v. s. 3500, worden toegeschreven. Voornamelijk hield hij zich bezig met commentaren en woordenboeken op Homerus, Sophocles, Aristophanes e. a. dichters en de attische redenaars.--2) Claudius Didymus, z. Claudii no. 40.
Dies Comitiales, z. Comitiales dies.
Dies Endotercisi, z. Festi dies.
Dies Fasti, z. Fasti.
Dies Festi, z. Festi dies.
Dies Nefasti, z. Nefasti dies.
Dies Profesti, z. Festi dies.
Diespiter, oude naam van Jupiter (Diovis pater).
Diffarreatio, eene in bizonderheden onbekende vorm van echtscheiding, wanneer het huwelijk per confarreationem gesloten was. Deze echtscheiding komt eerst sedert den keizertijd voor.
Digentia, een koel en helder beekje in het sabijnsche land, dat langs het landgoed van Horatius stroomde en zich in den Anio stortte.
Digesta, een verzameling van juridische geschriften; vooral wordt met dien titel, (gr. Pandektai) een gedeelte aangeduid van het wetboek van Justinianus.
Digiti, door Cicero gebruikte latijnsche naam van de Dactyli Idaei.
Digitius (S.) werd door Scipio Africanus maior bij de inneming van Carthago nova (210) met een muurkrans begiftigd. Zijn zoon was in 194 praetor en stadhouder van Hispania citerior.
Dii indigetes, de inheemsche, oorspronkelijk rom. goden, in tegenstelling van de peregrini of novensides.
Dii manes, zie Manes.
Dii novensides (novensiles) of peregrini, goden wier dienst niet oorspronkelijk rom., maar van elders ingevoerd was, in tegenstelling met de di(i) indigetes.
Dii penates, zie Penates.
Dii selecti: hieronder verstaat Varro de voornaamste Romeinsche goden.
Di(i)polia of Bouphonia, feest te Athene den 14den Skirophorion ter eere van Zeus Polieus gevierd. Men liet een stier van het heilige koren, dat op het altaar lag, eten en offerde hem daarop als het ware tot straf. De priester, die hem doodde, moest echter terstond na den doodelijken slag vluchten, en de bijl, waarmede het offer voltrokken was, werd in zijn plaats voor het gerecht gebracht, vervloekt en in zee geworpen. De huid van het offerdier werd opgevuld en daarna voor een ploeg gespannen. Sommigen zien in dit gebruik een overblijfsel van een oude dierenvereering.
Dikastai kata demous, rechters, die over minder belangrijke zaken en waarschijnlijk alleen in de demen buiten de stad oordeelden. Zij waren door Pisistratus ingesteld, om de landlieden buiten de stad te houden. Na zijn val werden ze afgeschaft, maar in 453 weder ingesteld ten getale van 30. Na Euclides (403) werd het getal op 40 gebracht, vanwaar zij gewoonlijk hoi tettarakonta genoemd worden.
Dikasterion, lokaal waar eene rechtbank zitting houdt, ook de rechtbank zelve.
Dikastikon, de belooning der rechters te Athene, misthos dikastikos. Door Pericles werd aan de rechters eene betaling van een obolus voor iedere zitting toegekend, door Cleon werd deze verdrievoudigd (triobolon heliastikon). De rechters ontvingen bij hunne komst in het gerechtshof een bewijsje (symbolon), waarop zij na afloop der zitting bij de kolakretai betaling kregen. Overdreven is ongetwijfeld het bericht, dat jaarlijks 150 talenten als dikastikon door den staat uitgegeven werden.
Dike, godin der gerechtigheid, dochter van Zeus en Themis, dikwijls als straffende godin met de Erinyen vereenigd. Zij is dezelfde als Astraea.
Dike, proces, meer in het bizonder, in tegenstelling van graphe, ook agon idios, dike idia genoemd, proces wegens persoonlijke beleediging, mishandeling, toegebrachte schade, enz. De behandeling der dikai is vooral daardoor van die der graphai verschillend, dat de aanklager moet zijn de betrokken persoon of zijn kyrios, en dat beide partijen tot dekking van de kosten zekere geldsom (prytaneia) moesten storten, die de verliezende partij aan de winnende moest terugbetalen. De straf bestond meestal in boete of schadeloosstelling, aan den aanklager te betalen, echter konden de rechters in sommige ernstige gevallen nog eene verhooging van straf (prostimema) bijv. gevangenisstraf, erbij voegen, en volgde op herhaalde veroordeelingen somtijds atimie. Vgl. graphe.
Dimachaeri, dimachairoi, een soort van zwaardvechters. Uit den naam maakt men op, dat zij ieder met twee zwaarden gewapend waren.
Dimallum, Dimalos, ook -le, stad der Parthini in Illyris graeca, aan de kust gelegen.
Dimensuratio provinciarum is de titel van een klein geschrift over geographie uit de 4e eeuw n. C., zie Divisio orbis terrarum.
Dinarchus, Deinarchos, van Corinthe, geb. omstreeks 361, kwam jong naar Athene en werd een leerling en vriend van Theophrastus en Demetrius Phalereus. Als aanhanger van Cassander werd hij in 307 verbannen en ging hij naar Chalcis op Euboea, van waar hij eerst in 292 terugkwam; na den dood van Cassander liet Polyperchon hem ter dood brengen. Hij leefde van het schrijven van pleitredenen, waarin hij Demosthenes trachtte na te volgen; een van de drie redevoeringen, die zijn naam dragen, wordt door velen voor onecht gehouden.
Dindymene, Dindymene, bijnaam van Rhea Cybele, naar haar tempel op den berg Dindymum, volgens de overlevering door de Argonauten gesticht.
Dindymum, -mus, -ma (plur.), Dindymon, -mos, -ma, naam van twee bergen, beide aan Cybele geheiligd, die hiernaar Dindymene heet. De eene lag op de grenzen van Phrygia en Galatia, nabij de stad Pessinus, waar een tempel was met het uit den hemel gevallen beeld der godin, dat in 204 naar Rome werd overgebracht. De andere berg lag op het schiereiland van Cyzicus en had een tempel, die reeds door de Argonauten zou gesticht zijn.
Dino, Deino, dochter van Phorcys, eene van de Graeae.
Dinochares, Deinochares, beroemd macedonisch bouwmeester, was belast met den aanleg van Alexandrië en richtte den brandstapel voor Hephaestion op. Van hem was het zonderlinge plan, uit den berg Athos een beeld van Alexander te houwen, dat in de rechterhand eene stad zoude dragen, en in de linker een schaal, waaruit eene rivier zou stroomen. V. a. is zijn naam Dinocrates, Timochares, Chirocrates of Stasicrates.
Dinocrates, Deinokrates, 1) z. Dinochares.--2) z. Philopoemen.
Dio, Dion, van Syracuse, zoon van Hipparinus, zwager van den jongen Dionysius, geb. 409. Van nature met vele voortreffelijke eigenschappen begaafd en sedert zijne jeugd beoefenaar der wijsbegeerte, genoot hij algemeen hoog aanzien en oefende hij zelfs zoowel op den ouderen als op den jongeren Dionysius een gunstigen invloed uit. Maar zijne vijanden, vooral Philistus, wisten hem bij laatstgenoemden verdacht te maken, zoodat hij in 366 verbannen werd; hij ging naar Athene en leefde daar eenigen tijd, terwijl hij vooral met zijn vriend Plato omging, die vroeger op zijn verzoek tweemaal Syracuse bezocht had, en nu herhaaldelijk vergeefsche pogingen aanwendde om eene verzoening tusschen hem en den tyran te bewerken. Toen eindelijk de heerschappij van Dionysius steeds drukkender werd en zich vooral tegen de betrekkingen van Dio richtte, besloot hij een poging te wagen, om zijn vaderland te bevrijden. Met eene uiterst geringe macht landde hij in het W. van Sicilië (357), terwijl Dionysius hem met een vloot aan de kust van Italië afwachtte, en werd hij met vreugde door de Syracusanen ontvangen; daar echter de burcht in handen van Dionysius gebleven was, volgden nog langdurige gevechten en onderhandelingen, gedurende welke, vooral door de tegenwerking van zijn vroegeren aanhanger Heraclides, die nu bevelhebber van de vloot was, reeds oneenigheden tusschen Dio en zijne partijgenooten uitbraken, die eenmaal zoo hoog liepen, dat hij zich met de zijnen naar Leontini begaf; spoedig echter werd hij teruggeroepen en eindelijk moest Dionysius zijne aanspraken laten varen. Toen Dio nu echter zelf aan de regeering gekomen was, verminderde spoedig de ingenomenheid met hem, en kreeg hij door zijne overdreven gestrengheid en willekeurige handelingen vele vijanden. Vooral Heraclides bleef zich tegen hem verzetten, en toen hij dezen had laten ter dood brengen, steeg de ontevredenheid zoo hoog, dat weldra bij sommigen het plan opkwam zich van den geweldenaar te ontdoen. Zoo werd Dio, na eene regeering van ruim drie jaar, op een feestdag in zijn eigen kamer vermoord (354). Zijn aandenken werd echter hoog in eere gehouden en de Syracusanen richtten te zijner gedachtenis een gedenkteeken op.
Dio Cassius (beter Cassius Dio) Cocceianus, Dion ho Kassios, kleinzoon van Dio Chrysostomus, geb. te Nicaea 155 n. C., trad in 186 als redenaar te Rome op, werd senator, praetor, tweemaal consul en stadhouder van Pergamus, Africa, Dalmatië en Pannonië. Na eenigen tijd in Campania gewoond te hebben, ging hij naar Nicaea terug, waar hij zijn leven eindigde. Van zijn groot grieksch werk, bevattende in 80 boeken de romeinsche geschiedenis van de vroegste tijden tot Alexander Severus, een werk dat hij op aansporing van een droomgezicht onder handen nam en waaraan hij 22 jaren werkte, zijn 25 boeken (36-60) volledig bewaard gebleven, van de andere bestaan grootere of kleinere fragmenten en uittreksels. Het bevat belangrijke bijdragen voor de geschiedenis van het keizerrijk, ofschoon ook veel, dat ons weinig belang inboezemt, bijv. verhalen van wonderen, hofgeschiedenissen, enz.; in taal en stijl tracht hij de oude grieksche schrijvers na te volgen.
Dio Chrysostomus Cocceianus, Dion ho Chrysostomos, geb. te Prusa omstreeks 50 n. C., hield zich aanvankelijk met rhetorische, later met philosophische studiën bezig. Onder Nerva en Traianus leefde hij, door beide keizers hoog geëerd, te Rome, van waar hij vroeger onder Domitianus verbannen was. Van hem bestaan 80 in den vorm van redevoeringen geschreven verhandelingen over wijsbegeerte en zedekunde, uitmuntend door sierlijkheid en zuiverheid van taal, en zeer belangrijk voor de kennis der toestanden in zijn tijd.
Diobelia, z. theorikon.
Diocaesarea, Diokaisareia, vroeger Sepphoris, aanzienlijke stad in Galilaea; den nieuwen naam krijgt de stad na de verwoesting van Jerusalem.
Diocles, Diokles, 1) zoon van Orsilochus, koning van Pherae.--2) van Megara, om zijne dapperheid na zijn dood als heros vereerd; te zijner eere vierde men te Megara jaarlijks het feest Diokleia.--3) een van de vorsten te Eleusis, die door Demeter in de mysteriën onderwezen werden.--4) van Phlius, dichter der oude attische comedie.--5) demagoog te Syracuse tijdens den peloponnesischen oorlog, aan wien vooral de barbaarsche behandeling der atheensche krijgsgevangenen geweten wordt. Na afloop van den oorlog tegen de Atheners bewerkte hij de wetten in democratischen geest, en men verhaalde, dat hij zichzelf van het leven beroofd zou hebben, omdat hij in strijd met zijn eigen wet gewapend in de volksvergadering gekomen was (vgl. Charondas). Na een ongelukkig gevecht tegen de Carthagers (409) werd hij verbannen, doch spoedig teruggeroepen.--6) van Carystus, beroemd geneesheer vóór den tijd van Aristoteles.--7) van Peparethus, grieksch geschiedschrijver uit de 3e eeuw, die over de oudste geschiedenis van Rome schreef. Zijn werk heeft Fabius Pictor (Fabii no. 25) als bron gebruikt.--8) rhetor uit den tijd van Augustus.
Diocletianus (C. Aurelius Valerius), van geringe afkomst, in Dalmatia geboren, klom van gemeen soldaat onder keizer Probus tot stadhouder van Moesia op, en werd in Nov. 284 na C. door zijn leger tot keizer uitgeroepen. Daar hij inzag, dat bij de toenemende invallen der barbaren het rom. rijk te uitgebreid was voor één regent, nam hij in 285 Maximianus tot Caesar, en in 286 tot Augustus en mederegent aan, wien hij het W. des rijks toevertrouwde, terwijl hij zelf de zorg voor het O. behield. In 293 namen zij nog twee hulpkeizers aan, met den titel Caesar, als het ware kroonprinsen, om hen later als Augusti op te volgen, n.l. Galerius voor het O., Constantius Chlorus voor het W. Tevens werd elke helft van het rijk nog weer in tweeën gesplitst (zie praefecturae). Als onderverdeeling van de praefecturae had men nu 12 dioeceses (z. a.), die weer onderverdeeld waren in 101 provincies. Italië werd met de overige provincies gelijk gesteld, en ook aan de grondbelasting onderworpen. Verder worden burgerlijk en militair gezag gescheiden. Het burgerlijk gezag is in handen van de 4 praefecti praetorio, de legers worden gecommandeerd door duces. In 305 legde Diocletianus, die naar rust verlangde, zijne waardigheid neder, om bij Salona stil te leven. Van zijn paleis aldaar zijn nog overblijfselen. Hij stierf in 313. Diocletianus behoort tot de keizers, die de Christenen streng vervolgden. Met hem begint de (absolute) monarchie. De senaat wordt ter zijde geschoven. Alle gezag gaat uit van den keizer, die zich Dominus laat noemen, en een streng hofceremonieel, aan het Oosten ontleend, invoert. De keizers wonen nu niet meer in Rome, maar meer aan de grenzen van het rijk, Maximianus te Milaan, Diocletianus te Nicomedea. Toch heeft Diocl. nog veel in Rome gebouwd, zie Thermae.
Diodorus, Diodoros, 1) van Iasus, bijgenaamd Cronus, megarisch wijsgeer aan het hof van Ptolemaeus Lagi.--2) van Tyrus, te Athene leerling van Critolaus en zijn opvolger als hoofd der peripatetische school.--3) D. Siculus van Agyrium, leefde onder Augustus te Rome. Na dertig jaar in Europa en Azië gereisd en met ernst zijne bronnen bestudeerd te hebben, zette hij zich tot het schrijven van eene algemeene geschiedenis (Bibliotheke historike) van de vroegste tijden tot Caesar in 40 boeken, waarvan 15 (1-5, 11-20) geheel bewaard gebleven zijn, terwijl van de overige fragmenten en uittreksels bestaan. Hoewel hij zijne bronnen gewoonlijk zonder kritiek eenvoudig naschrijft en ten gevolge van zijne streng synchronistische indeeling aan zijn werk geene eenheid wist te geven, is het toch belangrijk door vele van elders onbekende berichten, vooral betreffende de geschiedenis van Sicilië.
Diodotus, Diodotos, 1) Athener, op wiens voorstel de Atheners het besluit introkken om de afvallige Mytilenaeërs te dooden (z. Cleon).--2) van Erythrae, schrijver van Ephemerides Alexandrou, een werk, dat verloren gegaan is, maar waarvan Plutarchus en Diodorus gebruik gemaakt hebben.--3) geleerd stoicijnsch wijsgeer, leermeester en vriend van Cicero, in wiens huis hij woonde en stierf (49/48), en wien hij zijn vermogen naliet.
Dioecesis, dioikesis, onderafdeeling van het keizerrijk sedert Diocletianus (z. a.).
Diogenes, Diogenes, 1) van Apollonia op Creta, ionisch wijsgeer uit het einde van de 5e eeuw, die, evenals Anaximenes, de lucht als de grondstof van alles aannam. Van zijn werk peri physeos zijn enkele fragmenten bewaard.--2) de cynicus, ho Kyon, geb. 404 te Sinope. Met zijn vader Hicesias, die als valsche munter veroordeeld was, vluchtte hij als knaap naar Athene, waar hij leerling werd van Antisthenes. In de praktijk dreef hij de leer van dezen, dat het geluk bestaat in het gemis van behoeften, tot zulk een uiterste, dat hij bij de Atheners tot een voorwerp van spot werd. Hij gebruikte het slechtste voedsel, kleedde zich als een bedelaar, en nam inderdaad ook wel aalmoezen aan; hij woonde in een klein, armoedig huisje, dat men spottend een ton noemde, ofschoon hij meestal onder den blooten hemel of in eene stoa sliep. Van geleerdheid of wijsgeerige bespiegelingen had hij een afkeer; onbekommerd om den spot zijner tijdgenooten, hekelde hij op zijn beurt de dwaasheden, maar evenzeer de beschaving van zijn tijd. Plato noemde hem Sokrates mainomenos. Op eene reis naar Aegina werd hij door zeeroovers gevangen genomen en op Creta als slaaf verkocht; Xeniades van Corinthe kocht hem en vertrouwde hem de opvoeding zijner kinderen toe, van welke taak hij zich tot genoegen van zijne leerlingen en hun vader kweet. (V. s. is dit verhaal, zooals zoovele omtrent hem, verzonnen). Daarna vrijgelaten, leefde hij des winters te Athene, des zomers te Corinthe, waar hij in 323, naar men verhaalde op straat, stierf.--3) van Seleucia in Babylon, leerling van Chrysippus en eenigen tijd hoofd der stoicijnsche school, werd met Carneades en Critolaus in 155 als gezant naar Rome gezonden. Van zijne talrijke werken is niets overgebleven.--4) D. Laërtius, leefde te Athene waarschijnlijk in het begin van de 3de eeuw n. C., schreef een werk in 10 boeken over het leven en de leerstellingen van beroemde wijsgeeren, dat een hoofdbron is voor de geschiedenis der wijsbegeerte, ofschoon de tekst waarschijnlijk in hooge mate vervalscht is.
Dioikismos, de gewelddadige ontbinding eener aanzienlijke stad en verdeeling van de inwoners in kleine landelijke gemeenten; een van de middelen tot invoering eener aristocratische staatsregeling.
Diolkos, zie Isthmus.
Diomedeae insulae, nesoi Diomedeiai, vijftal eilandjes aan de Oostkust van Italia, ten N. van den mons Garganus. Zij waren genoemd naar Diomedes, die na den val van Troje, op de apulische kust zou geland zijn. Op het grootste van deze eilanden, Trimerus (Trimetus), heeft Julia, de kleindochter van Augustus, twintig jaar in ballingschap geleefd.
Diomedes, Diomedes, 1) koning der Bistonen in Thracië, die de vreemdelingen, welke in zijn rijk kwamen, aan zijne paarden tot voedsel gaf. Heracles liet hem zelf dit lot ondergaan en bracht de paarden aan Eurystheus.--2) zoon van Tydeus en Deipyle, nam deel aan den oorlog der epigonen. Na afloop daarvan volgde hij zijn grootvader Adrastus als koning van Argos op, en trok hij met 80 schepen met de Grieken naar Troja, waar hij zich een van de dapperste helden betoont, onder bescherming van Athena altijd in de voorste rijen strijdt, en zelfs Aphrodite en Ares wondt. Met Odysseus dringt hij door een onderaardschen gang in de stad en rooft het palladium, dat hij later naar Argos medeneemt (z. echter Demophon). In Argos teruggekeerd, vindt hij dat Aphrodite, uit wraak voor de haar bij Troje toegebrachte wond, zijne vrouw Aegialea tot overspel verleid heeft; daarom vertrekt hij, hetzij vrijwillig, hetzij uit vrees voor hare lagen, naar Aetolië, en geeft zijn grootvader Oeneus de regeering weder, die hem door zijn broeder Agrius ontnomen was. Op de terugreis wordt hij door storm naar de kust van Italië gedreven en landt hij in Daunia, hij ondersteunt koning Daunus tegen de Messapiërs, neemt diens dochter Euippe tot vrouw, sticht vele steden (Beneventum, Brundisium e. a.) en sterft op hoogen leeftijd. V. a. zoude hij op het laatst van zijn leven naar Argos teruggekeerd en daar gestorven zijn, of zoude hij op reis daarheen op een van de Insulae Diomedeae verdwenen zijn, terwijl zijne tochtgenooten van verdriet over zijn verlies in reigers (aves Diomedeae) veranderden. In verscheiden steden van Italië en Griekenland werd hij als heros vereerd, te Argos stond zijn dienst in nauw verband met dien van Athena. Behalve bovengenoemde eilandjes zijn ook de Diomedei Campi in Apulia naar hem genoemd.--3) latijnsch grammaticus uit de 4de eeuw na C., schreef 3 boeken de arte grammatica, in hoofdzaak een uittreksel uit oudere dergelijke werken en vol citaten uit oude schrijvers.
Diomedis Campi = Campi Diomedis.
Diomedon, Diomedon, atheensch admiraal uit den laatsten tijd van den peloponnesischen oorlog, behaalde eenige voordeelen op de afvallige bondgenooten, was een van de admiraals die den slag bij de Arginusae wonnen en later door de Atheners ter dood veroordeeld werden, z. Leo no. 4.
Diomeia, vroolijk feest ter eere van Heracles door de Atheners gevierd, zoo genoemd naar den Athener Diomus, den eersten die hem als god, en niet als heros, een offer bracht.
Diomosia, de eed, waarmede beide partijen in een rechtsgeding hunne verklaringen bekrachtigen, z. antomosia.
Dion = Dio.
Dione, Dione, dochter van Oceanus en Tethys of van Uranus en Gaea, bij Zeus moeder van Aphrodite. Oorspronkelijk was zij het vrouwelijk evenbeeld van Zeus, en werd zij vooral te Dodona als zijne gemalin vereerd; later werd zij als zoodanig door Hera verdrongen. Ook Aphrodite heet soms Dione of meer Dionaia.
Dionysia, Dionysia, feesten ter eere van Dionysus, in het bijzonder twee die in Attica gevierd werden: 1) de kleine of landelijke (D. ta kat' agrous, en agrois, ta mikra), in de maand Poseideon (Dec. Jan., zie Annus) buiten de stad gevierd, dagen van uitgelaten vroolijkheid, zang, dans, scherts en plagerij. In de verhalen van de lotgevallen van Dionysus, die bij dit feest door op een wagen staande personen voorgedragen werden, ligt de oorsprong van het attische drama. Eene eigenaardige vermakelijkheid waren de askolia, waarbij men op een gevulden en van buiten glad gemaakten zak moest springen en zich staande houden.--2) de groote of stedelijke (D. ta megala, ta kat' asty, astika, ook alleen D.), eerst ten tijde van Pisistratus ingesteld, van 8 tot 13 Elaphebolion (Maart-April, z. Annus) met groote pracht in de stad gevierd. Het oudste beeld van den god werd door een schitterenden optocht rondgeleid, terwijl door talrijke koren dithyramben gezongen werden, dikwijls door de beroemdste dichters voor die gelegenheid vervaardigd; de hoofdzaak was echter het opvoeren van nieuwe tragedies en comedies. In den tijd van den att. zeebond kwamen bij dit feest ook de bondgenooten hunne bijdragen storten; bovendien trokken de feestelijkheden zulk eene menigte landvolk en vreemdelingen, dat men die dagen ook voor de geschiktste hield om bekend te maken, welke onderscheidingen de staat aan verdienstelijke burgers had toegekend.--Tusschen beide feesten en als het ware daarmede tot een geheel vereenigd, vielen de Lenaea en de Anthesteria.
Dionysi(a)des, Dionysiades, -sides, treurspeldichter uit Tarsus, tijdgenoot van Alexander d. G.
Dionysius, Dionysios, 1) van Phocaea, aanvoerder der Ioniërs in den opstand tegen Perzië; na den slag bij Lade ging hij naar Sicilië, van waar hij als vrijbuiter tegen Tyrrheners en Carthagers streed.--2) de oude, geb. 431, van geringe afkomst, onderscheidde zich in den oorlog tegen Carthago; nadat de strategen, die Agrigentum verloren hadden, op zijne aanklacht van hun ambt ontzet waren, werd hij met anderen in hun plaats benoemd; in deze betrekking wist hij het leger voor zich te winnen, waarop hij zijne ambtgenooten afzette, met eene wacht naar Syracuse trok en zich van de alleenheerschappij meester maakte (405). Daar hij in den oorlog met Carthago niet gelukkig was, maakte hij gebruik van de omstandigheid, dat hun leger door pest geteisterd werd, om vrede te sluiten, waarbij echter een groot deel van Sicilië in hun macht bleef. Nu versterkte hij Ortygia, nam een groot aantal huursoldaten in dienst en maakte zich meester van alle grieksche steden op Sicilië. Hij vergrootte de stad Syracuse, en bracht een groot deel der bevolking van Naxus, Catana, Leontini enz., daarheen over. Den oorlog tegen de Carthagers hervatte hij driemaal en voerde hij over het geheel met geluk, hoewel hij geen blijvend voordeel kon behalen; zelfs werd hij in 396 door Himilco in Syracuse belegerd, totdat de pest in het carthaagsche leger weder zulke verwoestingen aanrichtte, dat D. het na eene gemakkelijke, doch beslissende overwinning tot het koopen van vrijen aftocht dwong. Ondertusschen had D. ook Croton en Rhegium veroverd en andere grieksche steden in Beneden-Italië aangevallen. Bij zijne onderdanen was hij algemeen gehaat wegens zijne wreedheid, roekeloosheid en verregaanden achterdocht. Hij liet zich veel voorstaan op zijne liefde voor kunst en wetenschap, noodigde dichters en wijsgeeren aan zijn hof, maar wilde daarvoor ook bewonderd worden om zijne eigene treurspelen; te Olympia werden zijne werken bespot, maar te Athene won hij in 367 een prijs. Hij stierf kort daarna, v.s. van vreugde over die overwinning, v.a. aan de gevolgen zijner onmatigheid of door vergif, dat zijn zoon hem had laten geven.--3) de jonge, zoon van den vorigen, in zijne opvoeding uit wantrouwen door zijn vader verwaarloosd, kwam in 367 aan de regeering en maakte spoedig vrede met de Carthagers. Daar hij van nature niet wreed of onbekwaam scheen, meende Dio (z.a.) hem door de leeringen van Plato, die naar Syracuse genoodigd werd, tot een ideaal vorst te kunnen vormen, en inderdaad scheen dit korten tijd te gelukken, maar weldra leende D. het oor aan vleiers en verkeerde raadgevers. Dio werd verbannen, en hoewel Plato later nogmaals naar Syracuse geroepen werd, bleek het dat hij allen invloed verloren had. Na het vertrek van Dio ontaardde de regeering van D. in eene tyrannie, nog drukkender dan die van zijn vader, en toen Dio in 357 terugkeerde, werd hij met open armen ontvangen. D. ging naar Locri in Beneden-Italië, waar hij zich van de heerschappij meester maakte en de burgerij wreed onderdrukte, totdat hij zich in 346 den strijd der partijen te Syracuse ten nutte wist te maken om daarheen terug te keeren en de regeering weder in handen te nemen. Weldra riepen echter de Syracusanen, zijne onderdrukking moede en bovendien door de Carthagers in het nauw gebracht, hulp van Corinthe in; Timoleon kwam en dwong D. zich over te geven en de regeering neder te leggen. Hij vertrok naar Corinthe (344), waar hij, naar men verhaalde, als schoolmeester het overige van zijn leven in armoede sleet.--4) van Miletus, logograaf, jonger tijdgenoot van Hellanicus.--5) van Samus, leefde in den alexandrijnschen tijd en schreef mythologische en historische werken, die door Diodorus als bronnen gebruikt werden.--6) D. Thrax, (ho Thrax), grammaticus te Alexandrië, leerling van Aristarchus, schrijver van de eerste wetenschappelijke grieksche spraakkunst en van andere werken op het gebied der philologie.--7) van Halicarnassus, leefde sedert 30, waarschijnlijk als rhetor, te Rome, en schreef, behalve kleinere werken, eene rom. geschiedenis (Rhomaïke archaiologia) van de oudste tijden tot den eersten punischen oorlog; het is uitgekomen in 7; hij had er 22 jaar aan gewerkt; van de 20 boeken, waaruit dit werk bestond, zijn de eerste elf volledig, de overige in uittreksels en fragmenten bewaard. Zijn streven is, de beschikking der goden in de geschiedenis duidelijk te maken, en de Grieken met hunne onderwerping aan Rome te verzoenen; zijn stijl is veelal opgesmukt, vooral in de lange redevoeringen, die hij zijn hoofdpersonen in den mond legt. Van zijne rhetorische en critische verhandelingen zijn de meeste bewaard gebleven, zij zijn van groot belang voor de geschiedenis der grieksche letterkunde.--8) van Halicarnassus, bijgenaamd ho Mousikos, naar zijne Mousike historia, een groot werk over de geschiedenis van kunsten en wetenschappen, waarvan slechts enkele fragmenten bewaard zijn. Hij leefde ten tijde van Hadrianus.--9) de reisbeschrijver (ho periegetes), uit den tijd van Keizer Hadrianus, schreef in grieksche hexameters een overzicht van de aardrijkskunde, waarin hij vooral Posidonius volgde, en dat door lateren veel gebruikt en eenige malen in het Latijn vertaald werd, o. a. door Avienus.
Dionysus, Dionysos, Bacchus, zoon van Zeus en Semele, werd bij den dood zijner moeder, daar de tijd zijner geboorte toen nog niet gekomen was, door Zeus gedurende eenige maanden in zijn dij bewaard. Toen het kind voor de tweede maal ter wereld kwam, gaf Zeus het aan de nimfen van Nysa om op te voeden en te verzorgen. Nadat D. volwassen was, plantte hij den wijnstok en gaf hij van den daaruit bereiden drank aan de nimfen en andere bewoners van het woud te drinken; terstond gaven allen zich aan hem over en vereenigden zij zich in opgewonden geestvervoering om hem te begeleiden op den tocht, dien hij ging ondernemen om zijne nieuwe gave over de geheele wereld te verspreiden. Bijna overal, vooral bij Oeneus in Aetolië en in Attica (z. Icarius), werd zijn geschenk dankbaar aangenomen en hijzelf als god gehuldigd, tegenstanders bracht hij door indrukwekkende bewijzen zijner macht tot zwijgen (z. Acoetes, Lycurgus, Pentheus). Toen eindelijk zijne overwinning volkomen was, erkenden dan ook de olympische goden zijne macht en zijn weldadigen invloed op de menschen en gaven hem een plaats in hun midden. De god, in wiens hoede over het algemeen boomen en boomvruchten staan (Antheus, Anthios, Dendrites, Hyes, Phloios), is in het bizonder een god van den wijn, en daar het kweeken van vruchten, evenals iedere tak van landbouw, den overgang van een lageren tot een hoogeren trap van beschaving vooronderstelt of ten gevolge heeft, geldt hij evenals Demeter voor den brenger van zachtere zeden, wet en orde (Thesmophoros), veelal wordt hij ook met deze godin in verband gebracht, zelfs wordt hij mede vereerd in de eleusinische mysteriën, waar hij den naam Iacchus (Iakchos) draagt, of als broeder of bruidegom van Core Koros heet. En terwijl de wijn de menschen verkwikt en versterkt, hen van zorg en leed bevrijdt (Lyaios), brengt hij ook het gemoed in hoogere stemming, verhoogt zijne ontvankelijkheid voor indrukken en is de bewerker van de geestdrift (enthousiasmos). Daarom is D. ook een bevorderaar der schoone kunsten (Melpomenos) en een vriend der Muzen, en wordt hij dikwijls in vereeniging met Apollo vereerd, met wien hij ook als orakelgevend god overeenkomst heeft; de dithyrambus en het drama hebben hun ontstaan aan zijn eeredienst te danken. Maar aan den anderen kant wordt die hoogere stemming dikwijls tot luidruchtige uitgelatenheid, waardoor zich verscheiden Dionysusfeesten kenmerkten, of tot mystieke opgewondenheid (Bakchos, Bromios, Euios). Dit laatste vond men vooral bij de nachtelijke feesten (Nyktelia), die in den herfst op den Parnassus gevierd werden, waarbij vrouwen in dierenhuiden gekleed en met den thyrsus in de hand als razend (Maenaden, Bacchanten, Thyaden, enz.) over de toppen der bergen rondzwierven, terwijl zij onder een oorverdoovend uitgillen van den kreet euoi, begeleid door de muziek van fluiten en pauken, zelfs de dieren verscheurden die onder hare handen kwamen, en het bloedige vleesch opaten. Deze luidruchtige, zoogen. orgiastische, wijze van vereering, die van Thracië naar Beotië en verder naar het overige Griekenland overgebracht was, was de oorzaak dat men verband zocht tusschen D. en Rhea Cybele, Atys, Sabazius e. a. aziatische godheden, wier dienst een dergelijk karakter droeg.--De afbeeldingen van D. stellen hem nu eens voor als een man met weelderige lokken en vollen baard, koninklijk van gestalte en in een lang, golvend gewaad, dan eens als een jongeling met smachtende trekken, bijna vrouwelijk van gelaat en lichaamsbouw; gewoonlijk worden zijne haarlokken samengebonden door een haarband (mitra) of door een krans van wijnloof en klimop en heeft hij een thyrsusstaf in de hand. Vooral stelde men hem gaarne voor te midden van den stoet (thiasos), bestaande uit nimfen, maenaden, Silenen, satyrs en dgl., die hem op zijne verre tochten, welke zich v. s. tot Indië uitstrekten, begeleid zouden hebben; te midden van dit woeste gezelschap ligt de god, soms nevens zijn bruid Ariadne (z. a.), in zalige rust. Ook vindt men hem in het gezelschap van de Chariten, Eros en Aphrodite. De wijnstok en het klimop, en onder de dieren de panter, los, tijger, ezel, dolfijn en bok zijn hem gewijd.--De Rom. identificeerden hem met Liber en bij de orphische mysteriën droeg hij den naam Zagreus.
Diophanes, Diophanes, grieksch redenaar van Mytilene, leermeester van Ti. Gracchus en als diens aanhanger met hem ter dood gebracht.
Diophantus, Diophantos, 1) atheensch redenaar, vriend en partijgenoot van Demosthenes.--2) alexandrijnsch wiskundige uit het einde van de 3de of het begin van de 4de eeuw n. C., de eerste schrijver over algebra. Van zijn werk Arithmetika is ongeveer de helft bewaard gebleven.
Diopithes, Diopeithes, van Sunium, atheensch strateeg in den oorlog tegen Philippus. Toen deze zich in vredestijd van de grieksche steden in de Chersonesus wilde meester maken en D. dit trachtte te verhinderen, beschuldigde Philippus hem te Athene als verbreker van den vrede (343); hij werd echter door Demosthenes in de redevoering peri ton en Cherroneso en zelfs door Phocion verdedigd (341). Hij sneuvelde kort daarna.
Diores, Diores, 1) zoon van Amarynceus, sneuvelde als aanvoerder der Epeërs bij het beleg van Troje.--2) vader van Automedon.--3) zoon van Priamus, ging met Aeneas naar Italië en werd door Turnus gedood.
Dioscorides, Dioskorides, 1) epigrammendichter, van wien verscheiden gedichtjes in de grieksche anthologie zijn opgenomen, leefde omstreeks 200.--2) grieksch steensnijder ten tijde van Augustus.--3) Pedanius D., beroemd grieksch geneesheer uit Anazarbus, tijdgenoot van Nero, schrijver van een werk over geneeskrachtige planten, dat nog tot in de 15de eeuw als het voornaamste op dit gebied gold.
Dioscuri, Dioskouroi, Castor (Kastor) en Pollux (Polydeukes), tweelingbroeders, door Zeus in de gedaante van een zwaan bij Leda verwekt, of zonen van Tyndareos en Leda (Tyndaridae, Tyndaridai), terwijl v. s. Castor de zoon van Tyndareos en Pollux die van Zeus is. Zij waren heldhaftige jongelingen, Castor uitmuntend als ruiter, Pollux als vuistvechter. Nog op jeugdigen leeftijd namen zij Aphidna (z. a.) in, later verwierven zij grooten roem bij de calydonische jacht en den tocht der Argonauten (z. Amycus). In den strijd tegen de Apharetidae (z. a.) vond Castor, die als zoon van Tyndareos sterfelijk was, den dood, en Pollux kreeg op zijne smeekingen van Zeus vergunning de onsterfelijkheid met zijn broeder te deelen, zoodat beiden telkens een dag in de onderwereld, den volgenden op den Olympus doorbrengen. Te Sparta, waar hun dienst inheemsch is, worden zij beschouwd als beschermers van den staat, later werden zij meer algemeen vereerd als verdedigers van het gastrecht en gidsen der zeevarenden, wien zij zich als St. Elmsvuur vertoonen. Dikwijls verschijnen zij aan de menschen en verschaffen zij hun de overwinning in een ongelijken strijd. Zoo hadden zij eens de Locriërs in Italië tegen de achtmaal sterkere Crotoniaten bijgestaan en denzelfden dag hunne overwinning bij de olympische spelen bekend gemaakt. Eveneens streden zij in de gelederen der Romeinen bij het meer Regillus, tengevolge waarvan hun een tempel op het forum gewijd werd, die elk jaar den 15den Juli in plechtigen optocht door de romeinsche ridders bezocht werd. Zij worden gewoonlijk als ruiters afgebeeld, met een eivormigen helm op het hoofd en een speer in de hand, dikwijls ook met een ster boven het hoofd. Te Athene werden zij Anakes, te Rome ook wel Castores genoemd.
Dioscurias, Dioskourias, milesische volkplanting, bloeiende marktplaats en koopstad in Colchis, sedert Traianus Sebastopolis bijgenaamd.
Diospolis, Diospolis, grieksche naam voor het aegyptische Thebae, ook magna, he megale, bijgenaamd. Een eind stroomafwaarts lag Diospolis minor, he mikra. Een derde lag in het Delta-gebied, in de nabijheid van Mendes. Ook in Palestina (zie Lydda) en Phrygia vond men dezen naam. Zie ook Cabira.
Diota, wijnkruik met twee ooren.
Diotimus, Diotimos, 1) Athener, aanvoerder van de vloot die aan de Corcyraeërs tegen Corinthe te hulp gezonden werd (433).--2) atheensch vlootvoogd in den corinthischen oorlog.--3) zoon van Diopithes, atheensch vlootvoogd en aanhanger van Demosthenes.
Diotrephes, Diotrephes, Athener, die in 413 thracische hulptroepen naar hun vaderland terugbracht en op weg Mycalessus verwoestte. In 411 werd hij door de 400 naar Thasus gezonden om er eene aristocratische staatsregeling in te voeren, wat den afval van dat eiland ten gevolge had.
Dioxippus, Dioxippos, 1) blijspeldichter der nieuwe attische comedie.--2) atheensch vuistvechter, overwinnaar bij de olympische spelen. Hij behoorde tot het geleide van Alexander den G., en overwon eens ongewapend een gewapenden Macedoniër.
Dipaea, Dipaia, stadje in Arcadië, ten Z.O. van Mantinea, waar de Lacedaemoniërs in 471 de Arcadiërs overwonnen, die zich van den peloponnesischen bond hadden willen afscheiden.
Diphilus, Diphilos, 1) grieksch episch dichter uit de 5de eeuw.--2) van Sinope, dichter der nieuwe attische comedie, tijdgenoot van Alexander d. Gr. en Philemon, leefde gewoonlijk te Athene en stierf te Smyrna. Sommige van zijne talrijke werken, waarvan slechts enkele fragmenten bewaard gebleven zijn, werden door romeinsche blijspeldichters, vooral Plautus, nagevolgd.--3) stoicijn, wegens zijne omslachtige redeneeringen Labyrinth bijgenaamd; hij wordt door Lucianus vermeld.--4) tooneelspeler, tijdgenoot van Pompeius.--5) schrijver en voorlezer van L. Licinius Crassus (Licinii no. 12).--6) beroemd geneesheer van Siphnus, leefde kort na Alexander d. G., schreef een groot werk over voedingsmiddelen.--7) schrijver van een werk over de constructie en het gebruik van verschillende machines.
Diphridas, Diphridas, spartaansch ephoor (394), waarschijnlijk dezelfde die in 391 door de Spartanen als bevelhebber over het leger naar Azië gezonden werd, om Thibron op te volgen.
Diphthera, een lederen chiton, voornamelijk door landlieden en herders gedragen.
Diploma, diploma, een dubbel gevouwen papier, eene soort van paspoort voor hen, die in dienst of op kosten van den staat reisden, opdat zij het onderweg noodige spoedig zouden kunnen krijgen. Onder de keizers verstond men onder diploma een giftbrief van de hooge overheid, waarbij gunsten of voorrechten werden uitgereikt.
Dipylon, to Dipylon, vroeger hai Thriasiai pylai geheeten, de hoofdpoort van Athene, aan den N.W.-kant van de stad; van hier gaan twee wegen, ééne naar Eleusis, ééne naar de Academia. Vóór de poort lag ho exo Kerameikos, waar veel graven ontdekt zijn, aan de binnenkant ho entos K. (z. Athenae aan het begin). De poort heeft den naam gegeven aan de oud-Attische vazen van geometrischen stijl, in de graven vóór de poort gevonden, de Dipylon-vazen.
Dirae = Furiae.
Dirce, Dirke, dochter van Helius, gemalin van Lycus, z. Antiope. Ook naam van een bron bij Thebae.
Diribitores (diribere = dishibere) bij de comitiën waren zij, die de uitgebrachte stemmen sorteerden en telden. Aug. liet hiertoe op den Campus Martius een afzonderlijk gebouw, diribitorium, oprichten.
Dis = Pluto.
Discessio, meest gewone wijze van stemmen in den senaat, waarbij de voorstemmers en tegenstemmers zich naar twee verschillende kanten der zaal begaven.
Discordia, z. Eris.
Diskobolia, een bij de Grieken zeer geliefd spel, onderdeel van het pentathlon, waarbij men met een steenen of ijzeren schijf (diskos), die in het midden iets dikker was dan aan den rand, naar een bepaald doel of om het verst wierp. De eigenaardige houding, die de speler (diskobolos) op het oogenblik van den worp aannam, is dikwijls door beeldhouwers voorgesteld.
Dispensator, in aanzienlijke huizen de slaaf, die de kas hield en de boeken bijhield, op landgoederen de intendant of rentmeester.
Dithyrambus, dithyrambos, lied bij de feesten van Dionysus gezongen, waarvan het onderwerp oorspronkelijk de avonturen van dien god, weldra echter ook die van andere goden en helden waren. Aanvankelijk een ruw, kunsteloos lied, dat door de feestvierenden naar willekeur gezongen werd, kreeg het zijn eigenaardigen vorm door Arion, die het in strophen en antistrophen verdeelde en door koren liet voordragen. Sedert dien tijd bereikte de dithyrambische poëzie een hoogen trap van bloei, en te Athene dongen bij de Dionysusfeesten de beroemdste lyrische dichters in den dithyramben-wedstrijd mede naar den prijs. Het tijdperk van haar verval begint op het einde der 5de eeuw; eerst kreeg de muziek de overhand over de poëzie, daarna verwaarloosde men meer en meer alle regelen der kunst, totdat men zich geheel liet leiden door een teugellooze fantasie, die, zoowel dichterlijk als muzikaal, niets anders voortbracht dan gezwollen bombast. In overeenstemming hiermede werd de antistrophische vorm van de liederen opgegeven, en werd de voordracht het werk van enkele virtuozen.
Dium, Dion, 1) stad op de landtong Acte in Chalcidice, met een gemengde bevolking.--2) stad in het N. van Euboea.--3) stad aan den voet van den Olympus en aan de Thermaeische golf, in het macedonische landschap Piëria, met een beroemden tempel van Zeus. Hier waren de ruiterstandbeelden opgericht, die de beeldhouwer Lysippus had gegoten ter eere van de gesneuvelden aan den Granicus. Later werden deze beelden naar Rome overgebracht.--4) kaap op de N. kust van Creta.
Dius Fidius, god der trouw, ook Semo Sancus geheeten, als eedformule me Dius Fidius sc. iuvet. Dius Fidius = Jupiter Fidius, grieksch Zeus Pistios. Hij had al in de 5de eeuw (sedert 466) een tempel op den Quirinalis, en later ook een op het Tiber-eiland. Zie ook Fides.
Divico, aanvoerder der Helvetiërs in den oorlog van 107, toen het rom. leger onder L. Cassius Longinus verslagen werd en onder het juk moest doorgaan. Hij werd in 58 als gezant tot Caesar gezonden, en sloeg toen een hoogen toon aan.
Divinatio, de kunst of gaaf, om uit gezochte of ongezochte teekenen den wil der goden uit te vorschen of door goddelijke ingeving de toekomst te voorspellen. Zie voor de Rom. de artikels auguria, haruspices en extispicium, voor de Grieken manteia. Divinatio is ook bij een strafproces dat gedeelte van het proces, waarbij door gissing, d.w.z. zonder getuigenverhoor door de rechters bepaald moet worden, wie aanklager zal zijn. Ook de redevoeringen van de advocaten heeten divinatio. Zie Caecilii no. 30.
Divisio orbis terrarum, is de titel van een klein boekje over geographie aan het einde van de 4de eeuw n. C., evenals de Dimensuratio imperii uitgegeven naar oudere bronnen, waarschijnlijk de wereldkaart van Agrippa.
Divisor, iemand, die zich belastte met het uitdeelen van geld en het koopen van stemmen voor dezen of genen candidaat bij de verkiezingen; men zou kunnen zeggen: een makelaar in stemmen.
Divitiacus, een van de hoofdpersonen bij de Aeduërs, bevriend met Caesar. Zijn jongere broeder Dumnorix, die den Rom. vijandig was, had hem in macht en aanzien een tijdlang overvleugeld; Caesar herstelde hem weder in zijne macht. Uit naam van verschillende gallische staten verzocht hij Caesar, hen te verlossen van de drukkende overheersching van den Germaan Ariovistus.--Ook wordt nog een Divitiacus, koning der Suessionen, bij Caesar als een machtig vorst vermeld, evenwel zonder nadere bijzonderheden.
Divodurum, stad der Mediomatrici, aan de Mosella (Moezel), thans Metz.
Divona, stad der Cadurci in Aquitania, thans Cahors.
Divortium, echtscheiding. Bij de Rom. moest de ontbinding van het huwelijk plaats grijpen overeenkomstig den vorm, waaronder het gesloten was. Een huwelijk per confarreationem, oorspronkelijk misschien onontbindbaar, werd ontbonden door diffarreatio (eerst sedert den keizertijd); een huwelijk per aes et libram (coëmptio) werd door remancipatio per aes et libram te niet gedaan; een huwelijk zonder eenigen omslag gesloten, kon door eene eenvoudige mondelinge of schriftelijke opzegging verbroken worden. De man zeide: tu tuas res tibi habeto, foras exi; de vrouw: tu tuas res tibi habeto, redde meas. Naarmate de laatstgenoemde soort van huwelijken meer in zwang kwam, hadden ook de echtscheidingen menigvuldiger en lichtvaardiger plaats. Zie repudium.
Divus, de titel van gestorven keizers na de consecratio. Zie Apotheosis.
Diyllus, Diyllos, Athener, schreef een vervolg op de geschiedenis van Ephorus tot 298. Hij leefde in de 3de eeuw.
Doberus, Doberos, aanzienlijke stad in het macedonische gewest Paeonia.
Dobreta (Dobretae), stad in Dacia, aan den linker-oever van de Donau, ten O. van de IJzeren Poort, tgw. Turn Severin. De stad bestond reeds tijdens de Flavische Keizers.
Dodecaschoenus, Dodekaschoinos, landstreek langs den Nijl, ter lengte van 12 schoeni = 133 kilometer. Waarschijnlijk is dit het gebied in den omtrek van de laatste katarrakt van den Nijl, tusschen Syene en Philae. De veronderstelling, dat hiermede Nubia Inferior bedoeld wordt (z. Napata), schijnt onjuist te zijn.
Dodona, Dodone, oude stad in Epirus in het landschap Thesprotia, met een orakel van Zeus, het oudste van Griekenland. De tempel stond aan den voet van den berg Tomarus; de uitspraken van het orakel werden opgemaakt uit het ruischen der bladeren van heilige eiken in een aangrenzend bosch en uit het gekletter van bekkens, die in de boomen hingen. Dit geschiedde door priesters, Selloi of Helloi, die met ongewasschen voeten den tempel betraden, en door priesteressen, Peleiades, genoemd.
Dodrans = 9 unciae = 3/4 as.
Dokimasia, in het algemeen onderzoek, in het bizonder het onderzoek naar iemands bevoegdheid om eene bepaalde plaats in den staat in te nemen, waarop hij aanspraak maakt, bijv. om als burger ingeschreven te worden, als redenaar in de volksvergadering op te treden, enz. Vooral belangrijk was te Athene het onderzoek naar hen, die als overheden of leden van den raad verkozen waren, waarbij gevraagd werd of de verkozene aan alle door de wet gestelde voorwaarden voldeed, en of hij door zijn vroeger leven de hem toegekende eer waardig was.
Dolabella, familienaam in de gens Cornelia, z. Cornelii no. 35-38.
Doliche, Doliche, 1) stad in Commagene ten W. van Zeugma, met warme baden en een tempel van Zeus Dolichenos, Jupiter Dolichenus, een aziatische godheid, waarvan de dienst vooral sedert de inlijving van Commagene (71 n. C.), over het geheele Westen, en voornamelijk, evenals die van Mithras, onder de soldaten sterk verbreid was. De dienst werd zeer door de keizers begunstigd.--2) stad in het thessalische gewest Perrhaebia ten N. van Oloösson.--3) = Dulichium, een der Echinadische eilanden aan den mond van den Achelous.--4) oude naam voor het eiland Icarus.
Dolichos, de wedloop in de lange renbaan, eene uitgestrektheid van 7, 12, 20 of 24 stadiën. Hij die aan zulk een wedloop deelneemt, heet dolichodromos.
Dolon, Dolon, Trojaan, zoon van Eumedes, die als verspieder naar het leger der Grieken ging, maar op weg door Diomedes en Odysseus aangehouden werd; nadat hij medegedeeld had, welke toerustingen de Trojanen gemaakt hadden, werd hij door de beide Grieken gedood.
Dolonci, Dolonkoi, een thracisch volk, naam van de niet-Grieksche bevolking van de thracische Chersonesus.
Dolopes, Dolopes, machtige volksstam, waarvan het gebied tusschen Thessalia, Epirus en Aetolia lag ingesloten en die deel nam aan den oorlog tegen Troje. Een tak van hen bewoonde het eiland Scyrus.
Dolus, als rechtsterm, onrecht, wederrechtelijke handeling, dolus malus geheeten, wanneer er opzettelijk bedrog wordt gepleegd. Daar dit in den regel het geval is, staat dolus alleen meestal in de beteekenis dolus malus. Beroemd is de omschrijving, die de praetor C. Aquillius Gallus, tijdgenoot van Cicero er van gaf: si aliud simulatum esset, aliud actum. Dolum praestare beteekent: schadevergoeding geven wegens gepleegd bedrog. In crimineele zaken is dolus malus minder de handeling zelve, dan wel het voorbedacht opzet daartoe.
Dominium, eigendom en eigendomsrecht. Volgens streng rom. recht kon alleen hij zijn eigendomsrecht doen gelden, die het commercium had en op eene door de wetten erkende wijze den eigendom had verkregen. Het ius gentium, of, beter gezegd, het peregrinenrecht, dat te Rome aldus werd genoemd, erkende echter voor niet-burgers ook andere, niet streng civielrechtelijke wijzen om iets te verwerven. Nu ging het echter niet aan, den civis achter te stellen bij den peregrinus en zoo ontwikkelde zich uit het praetorische recht de leer van quiritarischen en bonitarischen eigendom. Tot de res mancipi b.v., dat is tot zulke zaken, die formeel ten overstaan van getuigen per aes et libram moesten worden overgedragen, behoorden niet slechts grondbezittingen op italischen bodem, maar o.a. ook slaven en last- en trekdieren. Wanneer nu zulke een res eenvoudig door overgave, traditio, in andere handen was overgegaan, dan gaf dit voor den verkrijger geen dominium ex iure Quiritium; doch de praetor kon toch het bezit als geldig erkennen; dan noemde men zulk een bezit: in bonis habere.
Domitia (lex) de sacerdotiis, 104, van den volkstribuun Cn. Domitius Ahenobarbus (zie Domitii no. 5). Deze wet bepaalde dat voor de verkiezing van leden der priestercollegiën 17 van de 35 tribus (minor pars) door het lot zouden worden aangewezen, en dat hij, die door deze 17 tribus was gekozen, door het college zou gecoöpteerd worden.
Domitia (via), van Massilia langs de kust naar Spanje, in 120 door Cn. Domitius Ahenobarbus (zie Domitii no. 4) aangelegd.
Domitianus (T. Flavius), jongste zoon van Vespasianus, volgde in 81 na C. zijn broeder Titus als keizer op. Stelselmatig was hij buiten de regeeringszaken gehouden; toch regeerde hij de eerste twee jaren beter, dan men kon verwachten, toen echter werd zijne regeering, naar de gewone opvatting, een schrikbewind, een toonbeeld van wreedheid en onzinnigheid. Hij vond genot in vervolging en bloedvergieten en in den doodsangst zijner slachtoffers. Hij streed voorspoedig tegen de Chatten (82-83), en met afwisselend geluk tegen de Daci (85-86 en 87-89), die hij uit Moesia verdreef. Den ongelukkigen afloop van zijne oorlogen tegen de Marcomannen en Quaden, van wie hij zelfs den vrede moest koopen, bemantelde hij door schitterende triomftochten, terwijl hij zichzelf den titel van "Heer en God" toelegde. Toen hij in 96 ook zijne gemalin Domitia ter dood wilde laten brengen, werd hij met haar medeweten door eene samenzwering vermoord.
Domitii, een aanzienlijk plebejisch geslacht, waarin twee hoofdtakken voorkomen, de Ahenobarbi en de Calvani. 1) L. Domitius zou den naam Ahenobarbus (koperbaard, roodbaard) gekregen hebben, omdat in 496 de Dioscuren (Castor en Pollux) hem de overwinning bij het meer Regillus hadden bericht, en tot staving hunner geloofwaardigheid zijn zwarten baard aangeraakt en in een rooden zouden veranderd hebben. Andere schrijvers vermelden dit voorval, zonder aanwijzing welke overwinning behaald was. De eerste Ahenobarbi komen eerst veel later voor.--2) Cn. Dom. Ahenobarbus, consul in 192, overwon de Bojers. In 190 streed hij in Asia, en had hij een groot aandeel aan den slag bij Magnesia, waarin L. Scipio Antiochus versloeg. Als praetor urbanus wijdde hij in 194 den tempel van Faunus, in 196 begonnen, zie hieromtrent ook Scribonii no. 2.--3) Cn. Dom. Ahenobarbus, zoon van no. 2 was in 167 een der tien gezanten tot regeling der macedonische zaken.--4) Cn. Dom. Ahenobarbus, zoon van no. 3, consul in 122, versloeg de Allobrogers en Averners, wien hij door zijne olifanten grooten schrik aanjoeg. Als censor in 115 verwijderde hij met zijn ambtgenoot L. Caecilius Metellus Dalmaticus 32 leden uit den senaat. Hij liet de via Domitia in Gallia Narbonensis, van Massilia langs de kust naar Spanje, aanleggen.--5) Cn. Dom. Ahenobarbus, zoon van no. 4, was als volkstribuun in 104 de maker der lex Domitia de sacerdotiis; uit dankbaarheid koos het volk hem tot pontifex maximus. In 96 was hij consul, in 92 censor met den vermaarden redenaar L. Licinius Crassus (Licinii no. 12). Zij vaardigden een edict uit tegen de pas opgerichte latijnsche rhetorenscholen.--6) L. Dom. Ahenobarbus, ook een zoon van no. 4, in 100 tegenstander van den volkstribuun L. Appuleius Saturninus, trad als praetor (98 of 97) in Sicilia zeer streng op tegen de slaven, consul in 94, werd later op last van den jongen Marius vermoord (82).--7) Cn. Dom. Ahenobarbus, zoon van no. 6, schoonzoon van L. Cornelius Cinna, vluchtte voor Sulla naar Africa (82) en sneuvelde daar in den strijd tegen Pompeius.--8) L. Dom. Ahenobarbus, zoon van no. 5, gehuwd met Porcia, dochter van Cato van Utica, onverzoenlijk tegenstander van Caesar, aediel in 61, praetor in 58, consul in 54, trachtte Corfinium tegen Caesar te verdedigen, viel in diens handen, doch werd vrijgelaten en sneuvelde bij Pharsalus.--9) Cn. Dom. Ahenobarbus, zoon van no. 8, was bij zijn vader te Corfinium en Pharsalus. Het staat niet vast, of hij tot de moordenaars van Caesar behoort heeft. Wel hoorde hij tot hun partij. Als vlootvoogd van Brutus vernielde hij in 42 de vloot der driemannen (z. Domitii no. 15), doch hij verzoende zich na den slag bij Philippi door tusschenkomst van C. Asinius Pollio met Antonius. Daar hij echter diens betrekking tot Cleopatra afkeurde, ging hij kort vóór den slag bij Actium tot Octavianus over, maar stierf reeds eenige dagen daarna.--10) L. Dom. Ahenobarbus, zoon van no. 9, schoonzoon van den drieman M. Antonius, consul in 16, drong met een leger van Illyricum uit (7) tot over den Albis (Elbe). Later commandeerde hij aan den Rijn en in het N. van Germania, waar hij pontes longi aanlegde. Hij was een goed veldheer, doch ruw en gevoelloos en haatdragend.--11) Cn. Dom. Ahenobarbus, zoon van no. 10, consul in 32 na C., gehuwd met Germanicus' dochter Agrippina, was de vader van keizer Nero, die oorspronkelijk L. Domitius Ahenobarbus heette, zie Nero.--12) Domitia, dochter van no. 10, gehuwd met Passienus Crispus, werd door Nero, toen zij reeds hoogbejaard was, vergiftigd, opdat hij zich haar vermogen zou kunnen toeëigenen.--13) Domitia Lepida, ook eene dochter van no. 10, moeder van de beruchte keizerin Valeria Messalina, werd op aanstoken van Agrippina omgebracht (54).--14) Cn. Dom. Calvinus Maximus, consul in 283, streed met zijn ambtgenoot P. Cornelius Dolabella tegen de Senonen. In 280 was hij de eerste censor uit de plebs.--15) Cn. Dom. Calvinus, als tribunus plebis in 59 tegenstander van Caesar; na vele knoeierijen werd hij, na een interregnum van een half jaar, in 53 consul, daarna was hij aanhanger van Caesar en voerde in den slag bij Pharsalus het centrum van diens leger aan. Later (42) zag hij als admiraal der driemannen zijne vloot in de ionische zee door die van Cn. Dom. Ahenob. (no. 9) vernielen. Later (van 39-36) streed hij als stadhouder in Hispania. Na zijn terugkeer triumfeerde hij, en herstelde de door brand vernielde regia, aan wier muren hij in marmer lijsten liet aanbrengen van alle consuls en van alle triumfen, de zoogenaamde Fasti Capitolini. Zie Fasti no. 2.--16) Cn. Dom. Corbulo, uitstekend veldheer onder Claudius en Nero, beroemd door zijne overwinningen op de Friezen en Chauken (47 n. C.), de Armeniërs en de Parthen (55-66), door zijne zeldzame rechtschapenheid en zijne ongehoorde reuzenkracht. Uit ijverzucht zond Nero hem zijn doodvonnis toe in Griekenland, waar hij zich vrijwillig het leven benam. De fossa Corbulonis op het eiland der Batavieren, waarschijnlijk de Vliet, verbond Maas en Rijn. Corbulo heeft ook gedenkschriften nagelaten, die echter verloren zijn.--17) Domitia Longina, dochter van no. 16, gemalin van keizer Domitianus, was eene schoone vrouw, doch niet van onberispelijke levenswijze. Zij had verboden omgang met den tooneelspeler Paris. Toen dit uitkwam, werd Paris gedood (± 82 n. C.), en zij verbannen, maar in 89 op verzoek van het volk teruggeroepen. Later nam zij aan de samenzwering tegen den keizer deel. Zij heeft haar man zeer lang overleefd. Zij wordt ook Domitilla geheeten.--Niet tot de gens Domitia behooren: 18) Domitius Afer, redenaar; zie Afer.--19) Domitius Marsus, gevierd dichter, vriend en tijdgenoot van Vergilius en Tibullus.--20) Domitius Ulpianus, beroemd jurist; zie Ulpianus.--21) L. Domitius Aurelianus, rom. keizer; zie Aurelianus.--22) Flavia Domitia, vrijgelatene, vrouw van Vespasianus, doch gestorven voordat hij keizer werd, moeder van Titus en Domitianus.
Domus. Hoewel er bij de romeinsche huizen evengoed verschil van inrichting bestond als in andere landen en tijden het geval is, komen er toch enkele vertrekken in zekere volgorde in voor, die in geen rom. huis van eenig aanzien ontbreken. Als type van een huis van matigen omvang geven wij hier den plattegrond van het zoogenaamde huis van Pansa te Pompeji. Met het tuintje er achter, dat op de teekening slechts gedeeltelijk is aangegeven, vormt het erf een langwerpigen vierhoek, aan alle zijden door straten omgeven en is dus eene insula. Aan drie zijden zijn tegen het huis kleinere woningen en winkeltjes gebouwd (8 en 9), waaronder een betrekkelijk groot huisje (9) waarin eene bakkerij werd uitgeoefend. Aan den ingang van het eigenlijke heerenhuis vindt men eene inspringende ruimte (V) vestibulum genoemd. Door de deur ianua, ostium (O) komt men in den gang en vervolgens in het atrium (A), in welks midden men het compluvium vindt (6). Ter weêrszijden van het atrium zijn eenige cubicula (2) en aan het einde twee zoogenaamde alae (3), alcoves, niet met deuren, maar met gordijnen afgesloten. In den tijd, dat het italiaansche huis nog een vrijstaand boerenhuis was, hadden deze alae vensteropeningen, waardoor het licht binnen kwam. Toen het huis als stadshuis werd ingebouwd, vervielen deze vensters, en was men verplicht de kleine dakopening van het atrium, het latere compluvium, die oorspronkelijk vooral voor het uitlaten van den rook gediend had, grooter te maken, waardoor het vertrek ten minste in den winter voor bewoning minder doelmatig werd. Zie ook atrium. Achter het atrium is het tablinum (T), en daarnaast een vertrek (1), dat hier vermoedelijk tot bibliotheek diende. Een gang (5) leidt van het atrium naar de binnenplaats (cavaedium) of peristylium (C of P), waarvan de 4 zijden overdekt waren, terwijl het dak, om het regenwaterbekken, door zestien zuilen wordt geschraagd. Rechts is eene eetzaal, triclinium (Tr.), achteraan eene pronkzaal, oecus, door een gang (5) van de keuken, culina, gescheiden, en geheel achteraan eene galerij of verandah (7), die toegang gaf tot het viridarium of tuintje. Het rom. huis was als het ware in zich zelf gekeerd, zonder vensters aan de straatzijde, althans voor zoover de benedenverdieping betreft. Bij een groot getal vertrekken had men dus meer dan één binnenhof noodig, hetzij dan eene eenvoudige binnenplaats (cavaedium) of eene zuilengaanderij (peristylium, porticus). De tweede afbeelding hierbij toont een oud pompejaansch huis van buiten; waarbij vooral de inrichting van het compluvium duidelijk zichtbaar is. De huizen hadden ook bovenverdiepingen, waarvan de vertrekken evenwel slechts klein konden zijn, daar boven het atrium geen vertrek kon zijn. Over het grieksche huis zie men het artikel oikia, over de tegenstelling tusschen insula en domus het artikel insula.
Donatistae, een sekte van Christenen, die zich in de vierde eeuw in Afrika heeft afgescheiden, en genoemd is naar een zekeren bisschop Donatus, zie ook Circumcelliones.
Donatus (Aelius), rom. taalgeleerde (± 350 na C.), wiens latijnsche spraakleer in de middeleeuwen nagenoeg de eenige grondslag der latijnsche taalstudie was. Wij bezitten van hem ook nog een belangrijken commentaar op de blijspelen van Terentius, behalve op den Heautontimorumenos, en talrijke aanhalingen (bij Servius) op de Georgica en de Aeneis van Virgilius.
Donatus (Tib. Claudius), rom. taalgeleerde (± 400 na C.), moet niet met den vorigen verward worden. Hij leverde eene levensbeschrijving van Vergilius. Bovendien zijn er eenige fragmenten over van een commentaar op Vergilius.
Donusa, -sia, Donousia, eilandje in de Aegaeische zee, nabij en ten O. van Naxos, viridis genoemd om de groene marmersoort, die er gevonden werd. Onder de keizers diende Donusa tot strafkolonie voor gedeporteerden.
Dora, ta Dora, Doros, havenstad en vesting op de kust van Palaestina, nabij den berg Carmel.
Dores, Dories, een van de vier hoofdstammen der Grieken. In zeer oude tijden in Thessalië woonachtig, trokken zij omstreeks 1000 uit hun zoogenaamd stamland Doris naar de Peloponnesus, die zij grootendeels veroverden en van waar zij de bevolking verdreven. Van daar zonden zij koloniën uit naar Creta, Azië (z. Doris no. 2), Italië en Sicilië. De Doriërs onderscheiden zich door vele eigenaardige gebruiken van de overige Grieken.
Dorieus, Dorieus, 1) zoon van Anaxandridas. Toen zijn broeder Cleomenes, dien hij voor de regeering ongeschikt achtte, zijn vader opvolgde (520), ging D. naar Libye om daar eene volkplanting te stichten; hij werd echter van daar verdreven, ging naar het westen van Sicilië (de streek bij den Eryx) en sneuvelde in een gevecht tegen de Carthagers (500). Uit den tijd, waarin deze gebeurtenissen voorvallen, blijkt reeds, dat Dorieus niet onmiddellijk na de troonsbestijging van zijn broeder de expedities ondernomen heeft. V. s. had Dorieus de inwoners van Croton bij de verwoesting van Sybaris (510) geholpen; deze meening is onjuist.--2) zoon van Diagoras van Rhodus, overwinnaar bij alle groote grieksche spelen. In den peloponnesischen oorlog streed hij in spartaanschen dienst; hij werd door de Atheners gevangen genomen, maar wegens zijn groote beroemdheid vrijgelaten (407).
Doris, Doris, dochter van Oceanus en Tethys, gemalin van Nereus, moeder der Nereïden of Doriden; ook eene van de Nereïden.
Doris, Doris, 1) klein, onbeduidend landje in Midden-Griekenland, alleen belangrijk, omdat de peloponnesische Doriërs het als hun stamland beschouwden. Oorspronkelijk hadden hier Dryopes gewoond, maar dezen waren door de Doriërs op hun tocht naar het Zuiden verdreven. Het land had 4 stadjes, Pindus, Erineüs, Cytinium en Boeum, de dorische tetrapolis genoemd.--2) kustland van Caria, in het Z.W. van Voor-Azië, waartoe ook de eilanden Cos en Rhodus en enkele kleinere behoorden. De steden Halicarnassus en Cnidus op het vasteland, Cos op het eiland Cos en de drie rhodische steden Lindus, Ialysus en Camirus maakten de dorische hexapolis uit. De bondsvergaderingen werden gehouden bij het triopische heiligdom van Apollo en Demeter, op kaap Triopium bij Cnidus.
Doriscus, Doriskos, stad op de thracische kust aan den mond van den Hebrus (Maritza), in eene vlakte van gelijken naam gelegen.
Dorpia, de eerste dag der Apaturia.
Dorpon, avondmaal, oudtijds laat in den namiddag gebruikt. Toen in lateren tijd het middagmaal (deipnon) later en later gebruikt werd, werd ook de tijd van het avondmaal meer en meer verschoven, en eindelijk verviel het geheel en al.
Dorus, Doros, zoon van Hellen en Orseis, of van Apollo en Phthia, of van Poseidon, mythisch stamvader der Doriërs.
Dorylaeum, Dorylaion, stad met warme bronnen in Phrygia, belangrijk kruispunt van verschillende groote wegen, aan de rivier Thymbris.
Dos, bruidschat. Bij Grieken en Romeinen was het gebruikelijk, dat de vader of de familie der bruid haar naar stand en vermogen eene passende huwelijksgift medegaven. Hoewel de man het beheer had over en het vruchtgebruik van het vermogen zijner vrouw, mocht hij dit toch niet vervreemden. Er konden toch bij overlijden of echtscheiding gevallen voorkomen, dat de dos geheel of gedeeltelijk moest worden teruggegeven aan de vrouw of hare familie. In grieksche staten was dit regel. Retentio propter liberos werd gezegd, wanneer de man bij scheiding een gedeelte van den bruidschat voor de kinderen behield, propter mores, wanneer de vrouw door een minder passend gedrag aanleiding tot scheiding had gegeven. Processen over de teruggave van een bruidschat waren actiones rei uxoriae of de dote. Daar ieder geval op zich zelf moest beoordeeld worden, behoorden zij tot de actiones bonae fidei. Wat de vrouw uit het familiegoed medebracht, was dos profecticia, wat er verder bijkwam, adventicia.
Dositheus Magister, schrijver eener latijnsche grammatica met latijnsch-grieksche woordenlijst en vertaaloefeningen, leefde in de vierde eeuw na C.
Dossennus, een soort harlekijn in de fabulae Atellanae.
Dotium, Dotion, stad en vlakte in Thessalia aan het meer Boebeis.
Douleia, slavernij, de toestand waarin iemand verkeert, die, hetzij door geboorte uit ouders, die slaven zijn, hetzij door krijgsgevangenschap, hetzij door verkoop, zijne persoonlijke vrijheid en dus ook alle burgerlijke rechten miste. De slaven der Grieken waren oorspronkelijk allen barbaren, terwijl men zich omgekeerd verplicht rekende, Grieken vrij te koopen, die in slavernij geraakt waren. Hoewel de slaaf volstrekt als het eigendom van zijn heer beschouwd werd, stelden toch wet en gebruik, ten minste te Athene, aan de willekeur van den heer eenige grenzen; wie een slaaf doodde, moest zich voor het gerecht verantwoorden. Het groote aantal slaven (in sommige staten veel grooter dan dat der vrijen) maakte het misschien raadzaam hen niet door harde behandeling tot tegenweer te noodzaken. Particulieren gebruikten hunne slaven niet alleen voor persoonlijke diensten, maar lieten hen dikwijls ook min of meer zelfstandig als landbouwers, handwerkslieden of fabrieksarbeiders werken, en lieten hen soms tegen eene vooraf vastgestelde vaste betaling (apophora) hun loon of winsten behouden. Ook de staat had slaven (demosioi), die deels politiediensten verrichtten, deels bij sommige magistraten als dienaars geplaatst werden. Als aanklager kon een slaaf niet optreden, ook mochten zij geen getuigen zijn, hoewel aan hunne verklaringen, op de pijnbank afgelegd, groote waarde gehecht werd. Aangeklaagd konden zij waarschijnlijk niet worden wegens handelingen, die zij op bevel van hunne heeren verricht hadden. De vrijheid konden zij terug krijgen door zich los te koopen, of door beschikking van hunne heeren, dikwijls bij testament, soms ook van staatswege, wanneer zij vrijwillig in den oorlog medegestreden en zich onderscheiden, of wanneer zij zware misdaden aangebracht hadden. De vrijgelatene (apeleutheros) was echter niet van alle verplichtingen tegenover zijn vroegeren heer (prostates) ontslagen, z. apostasiou graphe.
Drabescus, Drabeskos, stad in het macedonische gewest Edonis, aan een oostelijken zijtak van den Strymon.
Drachma, drachme, de meest gebruikelijke zilveren munt der Grieken, het 6000ste deel van een talent, ongeveer f 0,45.
Draco, Drakon, 1) archont en eerste wetgever der Atheners (621). Hoewel zijne staatsregeling de bevoorrechte positie van den adel veel verminderde, door het recht op het bekleeden van vele ambten aan grondeigendom te verbinden, was dit, bij de algemeene verarming en het drukkende schuldrecht, niet voldoende om een einde te maken aan de heerschende ontevredenheid en de daardoor ontstane burgertwisten. Van zijne wetten werden in de wetgeving van Solon alleen de strafbepalingen tegen moord overgenomen.--2) van Stratonicea, schrijver van vele grieksche werken over grammatica en metriek, waarvan slechts een uittreksel bewaard is; hij leefde in de 2e eeuw n. C.
Draco, Drakon, Anguis, Serpens, het sterrenbeeld de draak, v. s. de draak, die de appelen der Hesperiden bewaakt had, v. a. de Python, of de door Cadmus gedoode draak. Zie ook Anguis als veldteeken.
Draconarius, soldaat, die den draco draagt.
Drangiane, Drangiane, gewest van het perzische rijk, in het midden van Ariana. De bewoners heeten Zarangai (bij Herodotus Sarangeis), waarvan de Grieken Drangai hebben gemaakt. Bij Herod. komen de Sarangers in het perzische leger voor met eene soort van waterlaarzen. Hun land was laag en moerassig. In het zuidelijk deel woonden de Ariaspae (z. a.).
Draudacum, sterkte van de Penesten in Illyris graeca.
Dravus, Drabos, zijtak van den Donau in Noricum en Pannonia, thans Drave of Drau.
Drepanum, -a, Drepanon, ta Drepana, naam van meer dan ééne stad en kaap, wegens de sikkelvormige ligging. O. a.: kaap op de N. kust van Creta, kaap van de Peloponnesus nabij de invaart der corinthische golf; stad en kaap op de N.W. kust van Sicilia, door den Carthager Hamilcar gesticht als ligplaats der vloot, thans Trapani. Vergilius laat Anchises hier sterven.
Drepsa, Drepsa, ta Drapsaka, sterke stad in Bactriana, aan de N.-zijde van den Paropanisus.
Drilae, Drilai, colchisch bergvolk in N.O. Pontus, nabij de stad Trapezus.
Drilon, Drilon, of Drinius, thans Drin, in zijn benedenloop grensrivier tusschen Illyris graeca en Illyris barbara (Dalmatia).
Dromos, ook stadion, de renbaan in een grieksch gymnasium, een stadium lang.--Op Creta werden de jongelingen, wanneer zij den leeftijd bereikt hadden, waarop het hun geoorloofd was aan de oefeningen in de gymnasia deel te nemen, dromoi of dromes genoemd.
Dropici, Dropikoi, perzische nomadenstam.
Druentia, rivier in Gallia Narbonensis, valt bij Avenio (Avignon) in den Rhodanus (Rhône); thans Durance.
Druidae, Druides, Druidai, priesterschap bij de keltische bevolking van Britannia en Gallia. Zij maakten den voornaamsten stand uit en waren vrij van staatslasten; vandaar dat vele jongelingen, ook uit den adel, onder de Druïden zochten te worden opgenomen. Hunne leer, die godsdienst, rechtsgeleerdheid, genees-, natuur- en sterrenkunde omvatte, alles in een mystiek gewaad gehuld, mocht niet in schrift gebracht worden, zoodat het onderricht alleen mondeling was en nieuwelingen soms een twintigtal jaren noodig hadden om in alles te worden ingewijd. Éénmaal 's jaars hielden de gallische Druïden eene plechtige samenkomst in het gebied der Carnuten, dat voor het midden van Gallia werd gehouden. Dáár spraken zij recht tusschen twistende partijen en zelfs tusschen staten en volken. Zij, die door hen in den ban waren gedaan, waren overal van alle gemeenschap uitgesloten. Toen de rom. beschaving den ouden keltischen eeredienst verdrong, ging ook het aanzien der Druïden verloren. Door Keizer Claudius werd hun eeredienst geheel verboden. Later werd die ook in Britannia uitgeroeid door de verovering van het eiland Mona (Anglesey), waar die eeredienst gevestigd was.
Drusiana fossa, zie Fossa.
Drusilla, 1) Livia Drusilla, derde vrouw van Augustus en moeder van Tiberius. Zie Livii no. 8.--2) Drusilla, dochter van Germanicus en Agrippina (zie Julii onder e) en dus eene zuster van Caligula, gehuwd met zekeren Aemilius Lepidus, leidde een ontuchtig leven met haren broeder en werd door dezen na haar dood (38 n. C.) onder den naam Panthea onder de godinnen opgenomen.--3) Drusilla, dochter van den joodschen koning Herodes Agrippa, gehuwd met Antonius Felix, procurator van Judaea.
Drusus, familienaam in de gens Claudia (Claudii no. 26) en de gens Livia (Livii no. 2-5, 8, 9).
Dryades, Hamadryades, Dryades, Hamadryades, boomnimfen; men meende dat iedere boom zijn eigen nimf had, goddelijke wezens, die echter stierven met den boom, dien zij onder hunne bescherming hadden.
Dryantides, Lycurgus, koning van Thracië, zoon van Dryas.
Dryas, Dryas, 1) een van hen, die naar de hand dongen van Pallene, en dus, volgens besluit van haar vader, met zijne mededingers om haar bezit moest worstelen. Toen hij alleen met Clitus overbleef, liet zijn wagenmenner zich door Pallene, die Clitus beminde, omkoopen om zijn wagen gedurende den strijd te laten omvallen, zoodat D. door zijn tegenstander gedood werd.--2) zoon van den thracischen koning Lycurgus, werd door zijn vader, die door Dionysus met waanzin geslagen was, gedood.
Drymaea, Drymaia, stad in Phocis ten N. van den Cephisus, met een tempel van Demeter Thesmophoros.
Drymus, Drymos of Drymos, sterkte in Attica op de grenzen van Boeotia.
Drymussa, Drymoussa, eiland in de Hermaeische golf, op de kust van Ionia.
Dryope, Dryope, dochter van Dryops of van Eurytus, werd bij Apollo moeder van Amphissus, en huwde later met Andraemon. Eens plukte zij een lotusbloem, die oorspronkelijk de nimf Lotis geweest was, waarop zij zelve in zulk een plant veranderd werd.
Dryopes, Dryopes, een oude grieksche volksstam, die oorspronkelijk aan den Oeta bij Malis woonde. Later verspreiden zij zich, en vindt men hen in Zuid-Euboea (steden: Carystus en Styra), op het eiland Cythnus ten Z. van Attica, verder in Argolis (Hermione, Eion, Asine, Nemea), later te Asine in Messenia, en elders.
Dryops, Dryops, zoon van Spercheus en Polydora of van Apollo en Dia, stamvader der Dryopes. Ook de inwoners van Asine in Messenië beschouwden hem als hun stamvader en vierden hem ter eere om het andere jaar een feest.
Dubis, thans Doubs, zijtak van den Arar (Saône), stroomt langs Vesontio (Besançon).
Dubius Avitus, legatus van Germania Inferior, overwon in 50 n. C. de Friezen.
Dubris portus, thans Dover, havenstad der Cantii op de Zuidoostkust van Britannia.
Ducenarius. Dit woord komt in verschillende beteekenissen voor, die alle met het getal 200 samenhangen, als: een hoofdman over 200 man; een rechter uit hen gekozen, wier vermogen slechts 200000 sestertiën bedroeg; zij vormden sedert Augustus de 4de decuria van rechters (zie iudex aan het slot); een keizerlijke procurator in de provinciën met eene jaarwedde van 200000 sestertiën.
Ducetius, Douketios, een Siciliër, die in 461 zich aan het hoofd der inboorlingen van het eiland stelde om hen van de heerschappij der grieksche steden te bevrijden. Hij werd door de Syracusanen in 450 verslagen en naar Corinthe verbannen. Later keerde hij met kolonisten naar Sicilia terug, en woonde te Cale Acte, tot hij in 440 stierf.
Duilia (lex) van den volkstribuun M. Duillius, 449, dat al wie voortaan de plebs zonder tribunen zou laten, of een overheidsambt zonder beroep op het volk zou in het leven roepen, gegeeseld en ter dood gebracht zou worden. Aan het bestaan van deze wet wordt getwijfeld, zie Duilii no. 1.
Duilia Maenia (Menenia) (lex), 357. Zie fenus.
Duilii, ook Duellii en Duillii geschreven, plebejisch geslacht. 1) M. Duillius, een van de 4 volkstribunen, die in 471 volgens de lex Publilia Voleronis door de plebs tributim gekozen werden. Het verhaal, dat hij ook in 449 volkstribuun geweest is, en toen, als een wakker en verstandig voorvechter voor de rechten der plebejers, toen de tienmannen hunne macht misbruikten, de plebs tot eene secessio zou bewogen hebben, is geheel verzonnen. Ook het bericht, dat op zijn voorstel, na den zelfmoord van App. Claudius Crassus Inregillensis Sabinus en Sp. Oppius Cornicen, aan de overige tienmannen, onder wie ook een K. Duillius Longus voorkomt, amnestie verleend zou zijn, verdient geen vertrouwen. Zie ook Duilia (lex). Volgens een ander bericht zijn de overgebleven tienmannen verbannen, en hun goederen verbeurd verklaard.--2) C. Duillius, consul 260, de bekende Romein, die door middel van enterbruggen (corvi) bij Mylae de eerste overwinning ter zee op de Carthagers behaalde, welk feit door de oprichting der columna rostrata vereeuwigd werd. In 258 was hij censor, terwijl hij levenslang het eerbewijs verkreeg, om, wanneer hij van een feestmaal huiswaarts keerde, zich door een fakkeldrager en een fluitspeler te doen vergezellen.
Dulgubini, een germaansche stam, ten W. van den Visurgis (Weser).
Dulichium, Doulichion, het grootste der Echinadische eilanden aan den mond van den Achelous. Het behoorde tot het gebied van Odysseus, die daarom dichterlijk ook wel Dulichius wordt genoemd.
Dymanes, een van de drie dorische phylae, zoo genoemd naar Dymas.
Dumnorix, hoofdman der Aeduërs, broeder van Divitiacus (zie aldaar). Toen Caesar op het punt stond voor de tweede maal naar Britannia over te steken, en Dumnorix, dien hij wantrouwde, wilde medenemen, trachtte deze te ontvluchten, doch werd door Caesars ruiterij, die hem achterhaalde, gedood.
Duoviri = Duumviri.
Dupondius, eene munt ter waarde van 2 as.
Dura, ta Doura, stad in Mesopotamia, aan den Euphraat, ten Z. van Circesium.
Duris, Douris, 1) beroemd Attisch schilder van vazen in streng roodfigurigen stijl, uit het begin van de 5 eeuw.--2) van Samus, grieksch geschiedschrijver omstreeks 250, die door latere schrijvers dikwijls aangehaald wordt, ofschoon men hem niet algemeen voor geloofwaardig hield.
Durius, Dourios, rivier in Hispania, grensscheiding tusschen Lusitania en Gallaecia (Tarraconensis), thans Douro.
Durocortorum, hoofdstad der Remers in Gallia, thans Reims.
Duronia, stad in Samnium, nabij de bergengte van Caudium.
Durostorum, vesting aan den Donau in Moesia Inferior, t.g.w. Silistria.
Duumviri. 1) Duumviri perduellioni iudicandae waren in den rom. koningstijd rechters, die in 's koningsnaam recht spraken in zaken van perduellio of hoogverraad. In het republikeinsche tijdperk vinden wij deze duumviri nog eene enkele maal, o. a. in het proces van Rabirius, door den praetor bij het lot aangewezen.--2) Duumviri sacris faciundis, belast met het toezicht en het raadplegen der sibyllijnsche boeken. Hun getal werd later op 10 en vervolgens op 15 gebracht. Zie decemviri s. f.--3) Duumviri iuri (iure) dicundo. In de muncipiën en koloniën stonden veeltijds twee mannen aan het hoofd, die, evenals te Rome de consuls, voor een jaar gekozen werden. Zij hadden ook lictoren, doch met staven gewapend. Naast hen vindt men in verschillende municipia duoviri aedilicia potestate.--4) Duumviri viis purgandis. Het toezicht op het schoonhouden van en het onbelemmerd verkeer in de straten van Rome buiten de muur van Servius Tullius tot aan den eersten mijlpaal was opgedragen aan duumviri. Zij worden het eerst genoemd in de lex Julia municipalis van 45. Augustus schafte dit ambt af, waarschijnlijk vóór 12, en stelde toen curatores viarum aan. Zij behoorden tot de zoogenaamde vigintisexviri (z.a.).--5) Duumviri navales classi ornandae et reficiendae, buitengewone commissarissen, in 311 voor het eerst vermeld, tot het uitrusten eener vloot.--6) Duumviri aedi faciundae, reficiundae, dedicandae, buitengewone commissarissen voor den bouw, de herstelling of de wijding van een tempel.
Dymae of Dyme, Dymai, Dyme, eene der 12 bondssteden van Achaia, aan de golf van Patras, bij de grens van Elis, later rom. kolonie. Ook eene stad in Thracia aan de via Egnatia, aan den benedenloop van den Hebrus.
Dymantis, Hecabe, dochter van Dymas.
Dymas, Dymas, 1) Phrygiër, vader van Hecabe.--2) zoon van Aegimius, stamvader der dorische Dymanes.
Dynamene, Dynamene, eene van de Nereïden.
Dyras, Dyras, riviertje in Malis, ten Z. van den Spercheus, dat oudtijds in de Malische golf uitliep. Nu is het een zijriviertje van den Spercheus.
Dyrr(h)achium, Dyrrachion, thans Durazzo, bloeiende koopstad aan de Oostkust der Adriatische zee, door Catullus taberna Adriae genoemd. De overtocht dezer zee had meestal plaats tusschen Brundisium en Dyrrachium, vanwaar dan de via Egnatia over Thermae of Thessalonice naar Byzantium voerde. In de grieksche geschiedenis heet D. Epidamnus, doch de Rom., voor wie de laatste naam een ongunstigen klank had, gaven aan de stad haar oudsten naam terug. De stad was eene kolonie van Corcyra en Corinthe (gesticht 627); de burgeroorlog, waarin de aristocratie hulp van Corcyra, de volkspartij hulp van Corinthus kreeg, was het voorspel van den peloponnesischen oorlog.
Dysaules, Dysaules, broeder van Celeüs, werd door Ion uit Eleusis verjaagd, en voerde te Phlius de eleusinische mysteriën in.
Dysorum, Dysoron oros, gebergte, met goudmijnen, ten W. van den Beneden-Strymon, in Macedonia.
Dyspontium, Dyspontion, stad in Pisatis, na de onderwerping van het landschap door de Eleërs verlaten.
E.
Ebora, rom. muncipium in Lusitania, ook Liberalitas Iulia genaamd, thans Evora.
Eboracum, Eborakon, thans York, hoofdstad der Brigantes in Britannia. De keizers Septimius Severus en Constantius Chlorus stierven te York, Constantijn de Gr. werd er tot keizer uitgeroepen.
Ebudae insulae, Eboudai nesoi, ten N.W. van Caledonia (Schotland), thans de Hebriden.
Eburodunum, hoofdstad der Caturiges (z.a.).
Eburones, Ebourones, germaansch volk in Belgica, dat langs de Maas woonde, van Namen tot Roermond, door Caesar zoo goed als uitgeroeid, omdat ze het romeinsche leger, dat in hun land overwinterde, bij den opstand van 54/53 hadden afgemaakt.
Eburovices, keltisch volk in Normandië met de hoofdstad Mediolanum (Evreux aan de Eure), een van de vier stammen der Aulerci.
Ebusus, Ebysos, thans Iviza, het grootste der Pityusen-eilanden bij Hispania. Ook de stad heette Ebusus. Zij werd in den tweeden punischen oorlog (217) door de Rom. tevergeefs bestormd.
Ecbatana, ta Ekbatana, ook Agbatana, hoofdstad van Media, zomerverblijf der perzische en later der parthische koningen. Het was terrasgewijze gebouwd tegen de helling van den boschrijken Orontesberg, en door zeven verschillend gekleurde muren omgeven. Als stichter wordt Deioces genoemd.
Ecdemus, Ekdemos, en Demophanes (v. a. Megalophanes), twee burgers van Megalopolis, leerlingen van Arcesilaus, verdreven den tyran Aristodemus uit hunne vaderstad, en hielpen Aratus in het verdrijven van Nicocles uit Sicyon. Daarna gingen zij naar Cyrene, waar zij zich door het geven van wijze wetten verdienstelijk maakten. Later keerden zij terug en wijdden zij zich aan de opvoeding van Philopoemen.
Ecdicus, ekdikos, iemand, die, wanneer eene civitas in eene provincie in rechten optrad, die civitas voor de rechtbank vertegenwoordigde. De latijnsche benaming is cognitor civitatis.
Ecetra, Echetra, sterke volscische stad in Latium, vermoedelijk door de Rom. verwoest.
Echecrates, Echekrates, van Phlius, leerling van Archytas, vriend en misschien leermeester van Plato.
Echedorus, Echeidoros, macedonische riv., die ten O. van den Axius in de golf van Thermae uitloopt.
Echemus, Echemos, koning van Arcadië, trok als bondgenoot van Atreus den Doriërs bij hun inval in de Peloponnesus tegemoet, en doodde Hyllus.
Echepolus, Echepolos, 1) Sicyoniër, die aan Agamemnon eene schoone merrie gaf, om zich los te koopen van de verplichting om mede naar Troja te gaan.--2) Trojaan, door Antilochus gedood.
Echetlus, Echetlos, een heros, op bevel van een orakel door de Atheners vereerd sedert den slag bij Marathon, waar hij als landman verschenen was, met een ploegschaar vele vijanden gedood had, en na de overwinning verdwenen was.
Echetus, Echetos, wordt in de Odyssea genoemd als een wreed koning van Epirus, die alle vreemdelingen mishandelde en zijn eigen dochter de oogen uitstak.
Echidna, Echidna, dochter van Tartarus en Gaea, of van Chrysaor en Callirhoë, een monster, half vrouw, half slang, woonde in Cilicië, was bij Typhon moeder van de Chimaera, den Cerberus (Echidneus canis), de lernaeische hydra e. a. monsters. Zij werd door den alzienden Argus in den slaap gedood.--V. s. woonde zij in het land der Scythen, en verwekte Heracles bij haar drie zonen, van welke een de stamvader der scythische koningen werd.
Echinades, Echinades, zeeëgel-eilanden, aan den mond van den Achelous vóór de kust van Acarnania gelegen, en gevormd door de sterke aanslibbing van den stroom. Volgens de mythe waren het nimfen geweest, die bij het offeren den riviergod hadden vergeten en toen met den grond, waarop zij stonden, waren losgescheurd en door den stroom een eind ver meegesleurd.
Echinos, doos waarin te Athene bij een proces de bewijsstukken enz., bewaard werden.
Echinus, Echinos, 1) stad in Acarnania aan de Ambracische golf.--2) stad in het thessalische landschap Phthiotis aan de Malische golf.
Echinus, echinos, de eierlijst aan het kapiteel eener zuil. Zie columna.
Echion, Echion, 1) een der mannen, gesproten uit de door Cadmus gezaaide draketanden, huwde diens dochter Agave, en hielp zijn schoonvader bij het bouwen van Thebae.--2) zoon van Hermes en Antianira, beroemd om zijne snelheid in het loopen, nam deel aan de calydonische jacht en den tocht der Argonauten.--3) een van de Giganten, die den hemel bestormden; Athena veranderde hem door het Medusahoofd in een steen.--4) verkeerde lezing voor Aetion, z. a.
Echionides, Pentheus, zoon van Echion no. 1.
Echo, Echo, boeotische Oreade, die Hera met haar gesnap bezig hield, wanneer Zeus de nimfen bezocht. Toen deze list ontdekt werd, ontnam Hera haar het gebruik harer tong, zoodat zij alleen de laatste woorden herhalen kan van vragen, die men tot haar richt. Zij werd verliefd op Narcissus, en daar deze haar niet beminde, kwijnde zij weg, en bleef alleen hare stem over. Bij Pan was zij moeder van Iynx.
Ecnomus mons, Eknomos lophos, kaap aan de Z. kust van Sicilia tusschen Agrigentum en Gela, waar L. Manlius Vulso in 256 de Carthagers verslagen heeft.
Ecphantides, Ekphantides, een van de oudste dichters der oude attische comedie, door zijn jongeren tijdgenoot Cratinus bespot.
Eculeus = equuleus.
Edessa, Edessa, 1) stad in het macedonische landschap Emathia, vroeger Aegae, waarvan het eerst de vóórstad was.--2) stad in Osroene, tusschen den Euphraat en den Chaboras, ook wel Osroë of Orrhoë geheeten, onder de Seleuciden Antiochia Callirrhoë genoemd naar de talrijke nabijgelegen bronnen van den Scirtus, in den keizertijd en in de kruistochten weder bekend als Edessa.
Edetani, Edetanoi, volk in Tarraconensis aan de tegenw. golf van Valencia. In hun gebied lagen de steden Valentia en Saguntum.
Edictum. Elke overheid te Rome kon binnen den kring harer ambtsbevoegdheid verordeningen maken en afkondigen, zoowel voor enkele op zichzelf staande gevallen als in het algemeen geldig voor het geheele ambtsjaar. Zoo bevatten b.v. de edicta der aedilen voorschriften omtrent markt- en handelsverkeer, openbare veiligheid en dgl. Bepalingen, die nuttig bleken te werken, werden uit den aard der zaak door de opvolgers van hunne ambtsvoorgangers overgenomen. Het belangrijkste dezer edicten is het jaarlijksch edict van den praetor urbanus en in de tweede plaats van den praetor qui inter peregrinos ius dicebat. Zulk een edictum praetoris stond voor 's praetors woning op een wit houten bord of album met zwarte letters te lezen. De strenge bepalingen van het oud-rom. ius privatum moesten mettertijd in milderen geest gewijzigd en uitgebreid worden. Wat nu de eene praetor van den anderen overnam, werd edictum perpetuum of tralaticium genoemd. Bijzondere bepalingen, in den loop van het ambtsjaar door den praetor uitgevaardigd, heetten edicta repentina. Zoo ontstond naast het oude ius civile (niet in strijd daarmede, doch daarop gegrond) het ius praetorium of honorarium, z. a. Hiernaast wordt ook vermeld het edictum aedilium curulium, aan wie de beslissing in handelsgeschillen, en dus ook het vaststellen van de bepalingen, daarop betrekking hebbende, was opgedragen.
Edoni, Edones, Edonoi, thracisch volk, door Philippus van Macedonia onderworpen. Zij woonden ten O. van den Beneden-Strymon en waren berucht door hun woesten Bacchusdienst; zie Myrcinus. Dichterlijk is Edonus = thracisch, Edonis = Bacchante.
Eetion, Eetion, 1) koning van Thebe in Mysië, vader van Andromache, met zijne zeven zonen door Achilles gedood.--2) koning van Imbrus, kocht een zoon van Priamus uit de krijgsgevangenschap vrij.--3) vader van Cypselus.
Effatum in het algemeen uitspraak, verkondiging, formulier in godsdienstzaken, o.a. het formulier, dat de augur uitsprak bij de wijding eener ruimte op aarde of aan den hemel tot templum. Vandaar de uitdrukking effari templum.
Egeria, Aeg., Egeria, Aig., orakelgevende bronnimf, die gehuwd was met Numa Pompilius, en volgens wier voorschriften Numa de godsdienstige aangelegenheden regelde; na zijn dood vluchtte zij naar Aricia, waar zij van droefheid in een bron veranderde. Zij was eene beschermgodin van Rome en werd vooral door zwangere vrouwen aangeroepen. Zij had een heiligdom voor de Porta Capena en een te Aricia.
Egesta, Egesta, bij de Rom. gewoonlijk Segesta, bij Vergilius Acesta geheeten, een oude, niet-grieksche stad op de N.W.-kust van Sicilia, volgens de latere sage door Trojanen gesticht. In de nabijheid vond men twee riviertjes, die de namen Simoïs en Scamander droegen. De strijd tusschen deze stad en Selinus gaf aanleiding tot den tocht der Atheners naar Syracusae. Egesta had de hulp der Atheners ingeroepen. Sedert 263 was het met Rome verbonden.
Egestes = Acestes.
Enkaustike, zie Encaustica.
Enkoimesis, incubatio, het slapen in den tempel van een droomorakel, waar men in den slaap door een droomgezicht antwoord meende te ontvangen op vragen aan het orakel gedaan.
Enktesis, het bij verdrag aan de burgers van twee staten toegestane recht, om in elkanders grondgebied vaste goederen te hebben; ook het goed dat men volgens dit recht in eigendom heeft.
Enkyklios paideia, agoge, het onderwijs, dat men voor beschaafden noodig achtte. Het omvatte in latere tijden grammatica, rhetorica, philosophie, rekenkunde, muziek, geometrie en astronomie.
Egnatia of Gnathia, drukke havenstad in Apulia aan de via Appia nova, ten N. van Brundisium, met slecht water.
Egnatia (via), de groote heerweg, die van Dyrrachium door Illyria, Macedonia en Thracia naar Byzantium liep. Van Rome reisde men langs den Appischen weg tot Capua, verder langs den nieuwen App. weg naar Brundisium, stak dan de Adriatische zee over naar Dyrrachium en zette den tocht langs den Egnatischen weg voort over Apollonia en Thessalonica. De weg is aangelegd na de onderwerping van Macedonia (146).
Egnatii, uit Samnium. 1) Gellius Egnatius was een der aanvoerders van de Samnieten in de samnietische oorlogen. Hij sneuvelde in 295 in den slag bij Sentinum.--2) Marius Egnatius, aanvoerder der Samnieten in den bondgenooten-oorlog. In 90 lokte hij den rom. consul L. Julius Caesar in eene hinderlaag en vernietigde bijna diens geheele leger, bij den mons Massicus. In 89 sneuvelde hij. Na den oorlog vindt men Egnatii in den rom. senaat.--3) C. Egnatius Rufus, rom. ridder, door Cicero om zijne hulpvaardigheid geprezen.--4) M. Egnatius Rufus, zeer bemind bij het volk, werd op last van Octavianus als samenzweerder ter dood gebracht (19).--5) P. Egnatius Celer, stoisch wijsgeer uit Berytus. In 69 n. C. werd hij door Musonius Rufus wegens zijne handelswijze jegens Barea Soranus (z. a.) aangeklaagd, en door den senaat veroordeeld.
Egnatuleius (C.), op wiens aansporing in 44 het vierde legioen van Antonius tot Octavianus was overgegaan, kreeg op Cicero's voorstel verlof om beneden den wettigen leeftijd naar de hooge staatsambten te mogen dingen, maar wordt later niet meer genoemd.
Eion, Eïon, havenstad van Amphipolis.--2) = Eiones.
Eiones, Eïones, stadje der Dryopes in Argolis aan den Sinus Argolicus, vroeg verwoest.
Eira = Ira.
Eirenes, te Sparta jongelieden van 20 tot 30 jaar; bij spelen en gymnastische oefeningen hadden zij het opzicht over de agelai.
Eiresione, een met wol omwonden krans van olijftakken, die, met bloemen en vruchten beladen, bij de Pyanepsia rondgedragen en aan den tempel van Apollo en ook aan particuliere huizen opgehangen werd. Ook het lied, dat daarbij gezongen werd en waarbij men giften verzocht, en in het algemeen een lied van dien inhoud.
Eisangelia, een bizondere vorm van proces te Athene, die aangewend werd bij zware misdaden en bij zulke, die voor den staat zelf gevaar schenen op te leveren. De aanklager diende een klachtbrief (eisangelia) bij den raad of de volksvergadering in, en wanneer deze aangenomen werd, werd de aangeklaagde in hechtenis genomen, hoewel hij zich in de meeste gevallen door het stellen van drie borgen daaraan onttrekken kon. Wanneer de raad den aangeklaagde schuldig bevonden had, en meende dat de hoogste boete, die hij kon opleggen (500 drachmen), als straf niet toereikend was voor de misdaad, verwees hij de zaak naar de thesmotheten of naar het volk. Aanklachten die bij de volksvergadering ingekomen waren, konde zij zelve behandelen of naar de thesmotheten verwijzen; bij misdaden, waarvoor geen straf bij de wet bepaald was, werd vóór het onderzoek vastgesteld, welke straf ingeval van veroordeeling zoude opgelegd worden. Sedert het begin der vierde eeuw bepaalde de wet, op welke misdaden de eisang. kon worden toegepast; kort daarna werd op die misdaden de doodstraf gesteld met verbod van begrafenis in Attica.--De eisangelia had in sommige gevallen, ook indien de aangeklaagde vrijgesproken werd, geen geldelijk nadeel voor den aanklager ten gevolge, zooals andere processen.
Eisagoges, een collegie van vijf rechters, die uitspraak deden in de meeste emmenoi dikai; ook worden zoo alle overheden genoemd, wanneer zij eene bij hen ingediende aanklacht na voorloopige instructie voor de rechtbank brengen.
Eisiteria, offer door de leden van den raad bij het aanvaarden hunner betrekking gebracht. Z. exiteria.
Eisphora, buitengewone belasting op het vermogen, te Athene voor het eerst door Pisistratus geheven, later vervangen door de phoroi, der bondgenooten; in den Peloponnesischen oorlog voor het eerst in 428, later in oorlogstijd dikwijls geheven. Wie die belasting niet betaalde, werd gestraft met verbeurdverklaring zijner goederen, niet met atimie, zooals andere schuldenaars van den staat. Zie ook symmoria.
Ekecheiria, zie Olympia, ta Olympia.
Ekklesia, volksvergadering. Te Athene besliste de volksvergadering over alle aangelegenheden van den staat, wanneer de wet daarover niet anders beschikt had, bijv. bij wetgeving, verkiezingen, het verklaren van oorlog en sluiten van vrede, enz. In elke prytanie werden vier gewone (tetagmenai) vergaderingen gehouden, in dringende gevallen werden ook buitengewone (synkletoi, proskletoi, katakletoi) vergaderingen beroepen. De onderwerpen, in de vergadering te behandelen, moesten door den voorzitter vooraf bekend gemaakt worden (prographein ekklesian); voor een van de gewone vergaderingen (de kyria ekkl.) waren zij bij de wet vastgesteld. De vergaderplaats was in de oudste tijden de markt, later gewoonlijk de Pnyx, nog later de schouwburg. Toegang tot de vergaderingen, recht om aan de discussies deel te nemen en stemrecht hadden alle burgers boven de 20 jaar oud, voor zoover zij niet door atimie dat recht verloren hadden. De voorzitter, oudtijds de epistates der prytanen, later die van de proedroi (z.a.), opende de vergadering met een offer en gebed en legde daarna de punten ter behandeling aan het volk voor (protithenai), die gewoonlijk begeleid werden door een praeadvies van den raad (probouleuma), waarover dan eerst gestemd werd (procheirotonia); vereenigde de vergadering zich niet daarmede, dan kon iedereen een voorstel doen, dat de voorzitter echter niet in stemming mocht brengen, wanneer het in strijd met de wet was, en waarvan iedereen de behandeling kon verhinderen door de verklaring, dat hij den voorsteller wegens de onwettigheid van het voorstel (paranomon) zoude aanklagen. De stemming geschiedde door het opsteken der handen (cheirotonein), of wanneer zij personen betrof met steentjes (psephizesthai, dikwijls ook algemeen voor stemmen gebruikt).--Tot de spartaansche volksvergadering (halia), hadden toegang alle Spartanen boven de 30 jaar oud en in het volle bezit van hunne burgerlijke rechten; in latere tijden wordt nog eene afzonderlijke vergadering van homoioi vermeld, ofschoon het niet blijkt in welke verhouding zulk eene vergadering tot de algemeene volksvergadering stond. De meeste staatszaken worden door de gerousia behandeld; wanneer het volk ter vergadering geroepen werd, had het alleen de bevoegdheid de voorstellen van de gerousia of van den koning aan te nemen of te verwerpen; veranderingen daarin te brengen of nieuwe voorstellen te doen was niet geoorloofd, zelfs had men om het woord te voeren de bizondere vergunning van den voorzitter noodig. De stemming had plaats door geschreeuw, en, ingeval de uitslag twijfelachtig was, door afzondering van voor- en tegenstemmers.
Ekklesiastikon, betaling voor het bijwonen der volksvergadering te Athene, eerst één, later drie obolen, waarschijnlijk eerst na den peloponnesischen oorlog ingevoerd. Ten tijde van Aristoteles was het ekkl. tot een drachme verhoogd, en voor de kyria ekklesia tot 9 obolen.
Ekkletos polis, een staat, waaraan twee strijdende staten met onderling goedvinden de beslechting van hun geschil opdragen.--Bij de verdragen tusschen verschillende staten was soms bepaald, dat wanneer een burger van den eenen staat in den anderen staat een proces verloor, hij bij zijn eigen staat van dit vonnis in appèl kon komen; de staat, waarbij men appelleert, wordt dan ook ekkletos polis, het proces ekkletos dike genoemd.
Ekkyklema, een machine, waardoor de achtergrond van een tooneel geopend wordt, om een huis of paleis van binnen te laten zien; v. s. een kleine houten stelling, die door de groote achterdeuren op het tooneel gerold werd, en waarop zich de personen bevonden, die voorondersteld werden in het huis te zijn.
Ekloges, te Athene buitengewone beambten, belast met het invorderen van aan den staat verschuldigde gelden, vooral die van de schatplichtige bondgenooten.
Elaea, Elaia, oude stad in aziatisch Aeolis, aan de Elaïtische golf, later haven van Pergamus.
Elaeus, g. -untis, Elaious, olijvenstad, kolonie van Teos op de punt van de thracische Chersonesus, met het grafteeken van Protesilaus, den eersten Griek, die op het trojaansch gebied aan wal sprong en tevens sneuvelde.
Elagabalus = Heliogabalus.
Elana = Aelana.
Elaphebolia, Elaphebolia, feest ter eere van Artemis in de maand Elaphebolion gevierd, waarbij haar een koek in den vorm van een hert geofferd werd.
Elaphebolion, Elaphebolion, 9de maand van het Attische jaar (Maart-April), zie annus.
Elatea, Elateia, stad en sterke burcht in Phocis, de sleutel van een bergpas naar Thessalia. Philippus van Macedonia bezette dit punt in 338, waarvan de slag bij Chaeronea het gevolg was.
Elaver, ook Elaris, Elauris, thans Allier, zijtak van den Liger (Loire), ontspringt op den mons Cebenna.
Elbo, Elbo, eiland tusschen den phatnitischen en den tanitischen Nijlmond, waar de aegyptische koning Anysis zich schuil hield voor den aethiopischen overweldiger Sabaco en later Amyrtaeus tegen den perzischen koning Artaxerxes I.
Elea, later Velia, stad in Lucania aan de Tyrrheensche zee, door vluchtelingen uit Phocaea gesticht ± 550, toen Cyrus de perzische heerschappij over de Westkust van Klein-Azië uitbreidde. Hier woonden de wijsgeeren Xenophanes, Parmenides en Zeno, de stichters der eleatische school; zie Xenophanes.
Eleatische wijsbegeerte, z. Xenophanes.
Electra, Elektra, 1) dochter van Ocanus en Tethys, moeder van Iris en de Harpyieën.--2) Pleiade, bij Zeus moeder van Dardanus en Iason.--3) zuster van Cadmus, gaf haar naam aan een van de poorten van Thebe.--4) dochter van Agamemnon en Clytaemnestra, zorgde bij den moord van haar vader, dat Orestes in veiligheid gebracht werd; toen hij terugkeerde, hielp zij hem op Clytaemnestra en Aegisthus wraak te nemen. Zij was door haar moeder aan een armen daglooner uitgehuwd, die haar echter met allen eerbied behandelde; later huwde zij met Pylades.--5) dochter van Latinus; v. s. was Remus de zoon van Italus en Electra.
Electrides insulae, Elektrides nesoi, barnsteeneilanden, zie Glaesariae insulae.
Electryon, Elektryon, zoon van Perseus en Andromeda, koning van Mycenae, gehuwd met Anaxo, vader van Alcmene. Zie Amphitryo.
Elegia, elegeia (ta), ook elegeia, een soort lyrisch gedicht, de eerste overgang van epische tot lyrische poëzie. In inhoud, wijze van behandeling, dialect en versmaat (hexameters met pentameters afwisselend, disticha) verwijdert zich de elegie oorspronkelijk niet ver van het epos. De oudste (ionische) elegieën waren krijgsliederen of behandelden de politiek, later bij de Atheners werden het meer liederen uit het dagelijksch leven, tafel-, liefde- en klaagliederen, de Alexandrijnen eindelijk kozen dezen dichtvorm bij voorkeur voor geleerde onderwerpen. Bij de Romeinen werd sedert het einde der republiek tot zeer laat van de elegie veel werk gemaakt.
Eleleides = Bacchae.
Eleon, Eleon, oude stad in Boeotia, ten O. van Tanagra.
Elephantine, Elephantine, eilandje met stad in den Nijl, op de aethiopische grenzen dicht bij Syene, onder de Perzen en Rom. een sterk bezette grenspost.
Elephenor, Elephenor, zoon van Chalcodon, vorst der Abanten, werd voor Troje door Agenor gedood.
Eleus = Elaeus.
Eleusinia, Eleusinia, eleusinische mysteriën, groote feesten en plechtigheden ter eere van Demeter en Persephone, die hier Cora heette, waarbij reeds vroeg Dionysus onder den naam Iacchus werd opgenomen. De mysteriën dienden ter herinnering aan den zwerftocht van Demeter na den roof harer dochter en zouden door die godin zelve ingesteld zijn, toen zij op dien tocht te Eleusis gastvrij ontvangen werd. Evenals men in het verdwijnen en herrijzen van Persephone eene mythische voorstelling zag van het schijnbaar sterven en herleven der natuur, zoo werden ook de eleusinische plechtigheden op twee tijden van het jaar gevierd, de groote ter herinnering aan Persephone's afdalen naar de onderwereld in den herfst, de kleine ter viering van hare terugkomst op aarde in de lente. De groote mysteriën begonnen den 15den Boëdromion en duurden verscheiden dagen. De eerste vijf waren gewijd aan offers, reiniging, enz.; de voornaamste dag was echter de zesde, Hiakchos genaamd, wanneer een optocht van Athene naar Eleusis gehouden werd, waaraan soms meer dan 30.000 menschen, allen bekranst, deel namen; daar men dikwijls halt maakte en de reis meermalen gestoord werd door allerlei scherts en plagerij, was het nacht, voordat men aan de plaats zijner bestemming gekomen was. Daar werden dan fakkeldansen uitgevoerd en heilige liederen gezongen, alles ter herinnering aan Demeter, haar smart bij het missen en haar vreugde bij het vinden harer dochter. De eigenlijke geheime feestviering had in een tempel (mystikos sekos) plaats. Wat daar gebeurde, is niet in bizonderheden bekend; slechts zooveel kan men uit de uitdrukkingen van oude schrijvers daaromtrent opmaken, dat het lot van Persephone op zeer indrukwekkende wijze dramatisch werd voorgesteld (deze voorstellingen heeten dromena); zonder dat er eenig bepaald dogma verkondigd werd, moest bij de ingewijden, door wat zij zagen en mede ondervonden, de hoop opgewekt worden, dat ook zij eens, evenals de godin, uit het rijk van dood, duisternis en verschrikking verlost zouden worden. Na afloop van het sombere gedeelte der plechtigheid werd het daarmede verbonden vasten gebroken door het gebruik van een drank kykeon, bereid uit water, meel en prij, terwijl het geheele feest besloten werd door de plemochon, waarbij men uit bijzondere schalen naar oost en west water plengde. Om de vijf jaar werden de mysteriën met meer dan gewonen luister gevierd, en naar het schijnt waren er soms ook feestspelen mede verbonden.--De kleine mysteriën werden in de maand Anthesterion in de voorstad Agrae gevierd en stelden het mystisch huwelijk tusschen Persephone en Iacchus voor.--De mysteriën waren oorspronkelijk alleen voor Eleusiniërs, later ook voor Atheners, vervolgens voor alle Grieken toegankelijk, eindelijk werden ook barbaren ingewijd, mits een atheensch burger (mystagogos) hen inleidde. Gewoonlijk ontving men de eerste wijding bij de kleine mysteriën; alsdan mocht men de groote nog in hetzelfde jaar als mystes bijwonen, eerst het volgende jaar werd men echter epoptes, en mocht men als zoodanig ook bij de geheime plechtigheden tegenwoordig zijn.--De feesten stonden onder het toezicht van den archon basileus, en werden geleid door verschillende priesters, waarvan de voornaamste de hierophantes was; op hem volgden de dadouchos, hierokeryx en epibomios.--Lang stonden de eleusinische mysteriën bij de Grieken in hoog aanzien. Zij werden opgeheven bij besluit van Theodosius den Gr., nadat reeds kort te voren de tempels en andere heilige gebouwen door dweepzieke monniken in het gevolg van Alarik verwoest waren.
Eleusis, g. -inis, Eleusis, 1) stad in Attica nabij de grenzen van Megaris. De stad was beroemd door hare mysteriën ter eere van Demeter en Persephone, zie Eleusinia. De weg van Athenae naar Eleusis heette hiera hodos. Eleusis had met Brauron den naam van polis.--2) oude stad in Boeotia, aan den zuidelijken oever van het meer Copaïs, vroeg te gronde gegaan door de overstroomingen van het meer.
Eleutherae, Eleutherai, demus van Attica op de boeotische grenzen.
Eleutheria, 1) feest ter eere van Zeus Eleutherius om de vijf jaar te Plataeae gevierd, ter herinnering aan den gelukkigen afloop van de perzische oorlogen.--2) feest op Samus.--3) huiselijk feest door vrijgelaten slaven gevierd.
Eleutherocilices, Eleutherokilikes, rooversstam op den Amanus en den Taurus, die zich den naam van vrije Ciliciërs gaven. Hoofdstad: Pindenissus, bergvesting.
Eleutho, Eleutho = Ilithyia.
Elfmannen, zie Hendeka.
Elicius, bijnaam aan Jupiter gegeven als regengod; men trachtte in tijden van droogte door een processie (het aquaelicium) van blootvoets gaande matronae met loshangende haren, en van de ambtenaren zonder teekenen hunner waardigheid, van Jupiter Elicius regen af te smeeken; hierbij werd ook de regensteen, lapis manalis door de priesters onder gebeden medegevoerd. Later heeft men J. El. vereenzelvigd met den bliksemgod, en meende men, hem door zekere formules te kunnen dwingen den bliksem uit den hemel naar beneden te zenden; hij had een tempel op den Aventinus, door Numa gebouwd.
Elimea, Elimia, -iotis, Elimeia, Elimia, -iotis, landschap van Macedonia, in het zuiden, op de thessalisch-epirotische grenzen. Hoofdstad: Elima.
Elimberris (Climberris), hoofdstad der Ausci, in Aquitania, zie Ausci.
Elis, Elis, Eleia, het meest westelijke gewest der Peloponnesus, in vier deelen verdeeld: Elis propria in het N.W., Acrorea in het N.O., Pisatis met de hoofdplaats Pisa, in het midden, en Triphylia, het land der drie stammen: Caucones, Paroreatae, en Minyae, in het Z.--De stad Pylus Triphyliacus was v. s. de woonplaats van den grijzen Nestor. In Pisatis lag Olympia, aan den Alpheus, de beroemde schouwplaats der olympische spelen. Uithoofde dezer spelen was Elis aan Zeus Olympius geheiligd en onschendbaar en mocht door geene vijandelijke legers betreden worden; tot op den peloponnesischen oorlog werd deze onschendbaarheid geëerbiedigd. Om dezelfde reden had ook de stad Elis, aan den Peneus gelegen, geene muren. Oudtijds was Elis door Epeërs bevolkt; bij de dorische verhuizing viel het ten deel aan den Aetoliër Oxylus en uit de samensmelting van Epeërs, Aetoliërs en Doriërs ontstonden de Eleërs. De dorische naam van het land is Alis. In Elis behooren de mythen te huis van Pelops en de schoone koningsdochter Hippodamia en van den Augiasstal en den stroom Alpheus.
Elisa, Elissa = Dido.
Elison, Elisson, Elisa, beek, grens tusschen Elis propria en Pisatis.
Elische school, z. Phaedo.
Ellopia, Ellopia, 1) stad en kustland in het N. van Euboea, daarom ook = Euboea.--2) oude naam der omstreken van Dodona in Epirus.
Elmantica = Salmantica.
Elone, Elone, stad in het thessalische landschap Perrhaebia, later Limone, Leimone.
Elorus, Eloros, Heloros, zie Helorus.
Elpenor, Elpenor, een van de tochtgenooten van Odysseus, viel in dronkenschap van het dak van Circe's paleis en brak den nek. Odysseus ontmoette hem later in de onderwereld.
Elymais, Elymaïs (Elâm), landstreek in Susiane, bewoond door de krijgshaftige Elymaeërs, die als boogschutters in het O. grooten naam hadden.
Elymi, Elymoi, sicilische volksstam, die rondom den berg Eryx woonde, verbonden met de Carthagers.
Elymia, Elymia, stad in Arcadia, ten Z. van Orchomenus.
Elymiotis = Elimea.
Elimus, Elymos, zoon van Priamus of Anchises, vluchtte uit Troje naar Sicilië en werd de stamvader van de Elymi (z. a.).
Elysii of Elisii, germaansche volksstam tot de Lugii behoorend, in het N.O. van Germania, vermoedelijk aan den bovenloop van de Oder.
Elysium, Elysion pedion, een veld aan het uiterste einde der aarde, waarheen lievelingen der goden zonder te sterven verplaatst worden om er een zalig leven te leiden. Volgens lateren is het een deel van de onderwereld, waar de braven na hun dood verblijf houden.
Emancipatio. Hoewel volgens het rom. recht een vader krachtens zijne patria potestas zijne kinderen kon verkoopen, zoo had dit recht toch zijne grenzen. Hij kon zijn zoon niet vaker verkoopen dan driemaal, overeenkomstig de wet der 12 tafelen. Hiervan maakten de Rom. gebruik om een zoon van de patria potestas te ontslaan. De vader verkocht zijn zoon per aes et libram ten overstaan van een libripens en vijf getuigen door een schijnkoop aan een pater fiduciarius (zie fiducia). Deze liet echter den zoon weder vrij, zoodat deze weder onder de vaderlijke macht terugkeerde. Wanneer deze handeling nu driemaal herhaald was, was de vaderlijke macht verbroken. De pater fiduciarius gaf den zoon ten derde male aan den pater naturalis terug, doch deze had hem nu niet meer in potestate, doch slechts in mancipio en kon hem hiervan vrij verklaren, manumittere, waardoor hij sui iuris werd.
Emathia, Emathia, landschap van Macedonia ten W. van den Axius (Vardar), de bakermat van het macedonisch koningshuis. Dichterlijk is Emathia zoowel = Macedonia als = Thessalia.
Emathides, Emathides, negen dochters van Pierus, koning van Emathia, die met de Muzen een wedstrijd durfden aangaan en in eksters veranderd werden.
Emathion, Emathion, zoon van Tithonus en Eos, koning van Arabië, werd door Heracles gedood.
Embades, schoenen, meestal door mannen uit de lagere standen gedragen.
Embaterion, 1) bij de Spartanen de muziek, die bij het marcheeren geblazen werd, ook een anapaestisch lied, dat men op marsch zong.--2) offer, voordat men zich inscheepte.
Emblemata, 1) inlegwerk, (in tegenstelling met crustae z. a.) goud in zilver, of zilver in brons, waarvan de figuren "en relief" zijn.--2) mozaiek.
Emerita Augusta = Augusta Emerita.
Emesa, Emesa, stad in Syria, aan den Orontes, met een prachtigen zonnetempel, waar Heliogabalus opperpriester was, voordat hij romeinsch keizer werd. Alexander Severus was te Emesa geboren. In de nabijheid werd Zenobia van Palmyra in 272 na C. door Aurelianus verslagen.
Emmeleia, dans in het grieksche treurspel, waarschijnlijk meer een gebarenspel, waardoor de inhoud der koorzangen aanschouwelijk voorgesteld werd.
Emmenidae, Emmenidai, een adellijk geslacht te Gela en Agrigentum; na den dood van den tyran Phalaris hadden zij te Agrigentum de regeering in handen. De beroemdste van hen was Theron, wiens zoon Thrasydaeus om zijne wreedheid verdreven werd (470). Hun stamvader was, naar zij beweerden, Polynices.
Emmenoi dikai, te Athene processen, waarin binnen dertig dagen na de aanklacht uitspraak gedaan moest worden.
Emodi montes, Emodon oros. De Emodi montes en de Imaus, Imaos, der ouden grensden aan elkander, zonder dat men echter een juist begrip van de ligging had. Vermoedelijk vormen de Emodi montes het westelijk, de Imaus het oostelijk gedeelte van het Himalaya-gebergte.
Emona, stad in Pannonië aan den Nauportus (zijtak van den Savus), tgw. Laibach. Bij latere schrijvers wordt de stad gerekend tot Italië te behooren.
Empedocles, Empedokles, van Agrigentum (492-432), uit een aanzienlijk en rijk geslacht, wierp als een van de leiders der volkspartij de aristocratische regeering in zijne vaderstad omver (444), weigerde de hem aangeboden koninklijke waardigheid en voerde eene zuivere democratie in. Als staatsman, natuur- en geneeskundige, wijsgeer en redenaar uitmuntend, werd hij als een gunsteling der goden beschouwd en na zijn dood als heros vereerd. Op het einde van zijn leven ging hij naar de Peloponnesus, en het schijnt dat hij buiten zijn vaderland gestorven is; ook verhaalde men dat hij, om door zijne plotselinge verdwijning indruk te maken, in den Aetna sprong, en dat dit later verraden werd, doordat de berg een van zijne sandalen uitbraakte.--In zijne leerdichten, peri physeos en katharmoi, waarvan nog verscheiden fragmenten bestaan, verkondigt hij de eeuwigheid en onvergankelijkheid der stof; hij neemt vier stoffelijke elementen (rhizomata) aan: vuur, lucht, aarde en water, waarop twee ideale elementen, liefde en haat, inwerken; onder de heerschappij der liefde is alle stof vereenigd tot ééne massa of chaos (sphairos), heeft de haat alle macht, dan bestaan alle stofdeeltjes afzonderlijk, tusschen deze beide uitersten ligt het leven van individuën. Ontstaan en vergaan zijn dus ijdele woorden, er is slechts vereeniging (mixis) en scheiding (diallaxis). De ziel is een mengsel van alle elementen en is daardoor in staat alle te kennen. Ook de leer van de zielsverhuizing schijnt Empedocles van Pythagoras of de Orphici te hebben overgenomen.
Emporia, ta Emporia, landstreek in Africa aan de kleine Syrte, zeer vruchtbaar en reeds vroeg met phoenicische koloniën bezet.
Emporium, Emporiae, Emporion, Emporiai, kolonie van Massilia in het gebied der Indigetes, aan den O. uithoek der Pyrenaeën, tegenwoordig Ampurias.
Emptio venditio (zonder et), koop en verkoop. Emptio bonorum, zie bonorum emptio. Emptor familiae, de schijnkooper, zie fiducia.
Empulum, stadje in Latium, bij Tibur.
Empyromanteia, de kunst van waarzeggen uit het branden van het offervuur, het eerst, naar het heette, onderwezen door Amphiaraus.
Empusa, Empousa, een spook of menschenetend monster met ezelspooten, waarmede men kinderen bang maakte.
EN = Dies endotercisus, z. Festi (dies).
Enagonios, bijnaam van verscheiden goden als beschermers van wedstrijden, vooral van Hermes.
Enarete, Enarete, dochter van Deïmachus, gemalin van Aeolus no. 1.
Encaustica, n.l. ars, enkaustike (techne), de kunst om met kleuren te schilderen, welke met was waren aangemengd en vervolgens op het beschilderde voorwerp voorzichtig werden ingebrand. Op die wijze werden marmeren beeldwerken en ook architectuurstukken beschilderd. Men kreeg op deze wijze levendige, schitterende kleuren, doch men schijnt nog niet achter de bizonderheden der bewerking te zijn. Ook het inbranden van figuren in ivoor met eene heet gemaakte graveerstift wordt encaustiek genoemd. Voorbeelden van encaustiek op hout zijn de portretten, die men in late aegyptische graven gevonden heeft.
Enceladus, Enkelados, een der Giganten, die met de goden streden; hij werd overwonnen en ligt sedert onder den Aetna.
Encheleis, Encheleis, een volksstam in zuidelijk Illyrië.
Endeis, Endeis, dochter van Chiron, gemalin van Aeacus, moeder van Peleus en Telamon.
Endeixis, in het attisch recht een vorm van aanklacht, ten gevolge waarvan de aangeklaagde terstond in hechtenis genomen werd, tenzij hij borgen stelde. Dit geschiedde bijv. wanneer een onbevoegde zich burgerlijke rechten aangematigd had en in sommige gevallen bij moord.
Endotercisi (intercisi) dies, zie Festi (dies).
Endromis, endromis. Bij de Rom. beteekent dit woord een grof wollen deken, die men na lichaamsoefeningen omsloeg, ten einde geen koude te vatten. De endromis Tyria was van fijnere stof. Bij de Grieken echter is endromis eene sterke, van voren dichtgeregen jachtlaars, waarmede Artemis dikwijls werd afgebeeld, en die kuit en voet omsloot, maar de teenen bloot liet.
Endymion, Endymion, zoon van Zeus of Aëthlius en Calyce, koning van Elis, had bij Selene vijftig dochters; zijn graf was te Olympia.--V. a. was hij een Cariër of van Elis naar Carië gegaan en leefde hij daar op den berg Latmus. Selene beminde hem en steeg elken nacht van haar wagen af om hem in zijn slaap te beschouwen en te kussen, waarom hij tot Zeus bad dat hij eeuwig slapen en eeuwig jong blijven mocht, wat hem werd toegestaan.--Andere verhalen noemen Artemis in plaats van Selene en maken van End. een jager of herder.
Enechyrasia of enechyrasmos, het beslag leggen op goederen van iemand, die na veroordeeling verzuimde op den bepaalden termijn te betalen.
Engyum of Engyïum, Engyon, Engyion, stad in het binnenland van Sicilia, ten Z. van Apollonia, met een tempel der Magna Mater of, volgens andere schrijvers, van de theai meteres.
Enipeus, Enipeus, rivier in Thessalia, zijtak van den Apidanus. De riviergod werd bemind door Tyro, dochter van Salmoneus; Poseidon nu nam de gedaante aan van Enipeus en verwekte bij Tyro twee zoons, Pelias en Neleus. De mythe wordt ook verplaatst naar den Enipeus in Elis, een zijtak van den Alpheus. Een derde rivier van denzelfden naam in Macedonië ontspringt op den Olympus en stroomt bij Dium (no. 3) in zee.
Enispe, Enispe, oude stad in Arcadia, vroeg verdwenen.
Enna of Henna, Enna, oude stad der Siculi in het binnenland van Sicilia, ho omphalos Sikelias geheeten, afhankelijk van Syracusae, op een steile hoogte in eene zeer vruchtbare landouw gelegen, waar veel tarwe verbouwd werd. Daarom was de stad met haren omtrek aan Demeter geheiligd. In den sicilischen slavenopstand onder Eunus, die in 132 onderdrukt werd, was Enna het brandpunt. Hier laat de mythe Proserpina door Pluto schaken. Tegenwoordig is de streek dor en woest.
Ennaëteris, Ennaeteris, astronomische cyclus van acht jaar, met 96 maanden en 3 schrikkelmaanden = 2922 dagen, ingevoerd door Cleostratus van Tenedus.--Ook feesten, die om de acht jaar gevierd worden, heeten enneaterides.
Enneakrounos, zie Callirrhoë no. 5.
Ennea hodoi, naam der streek, waar later Amphipolis werd gesticht.
Ennius (Q.), rom. dichter, in 239 te Rudiae in Calabria geboren, Griek door opvoeding en reeds vroeg met de grieksche letterkunde bekend. M. Porcius Cato Maior vond hem in 204 als rom. soldaat op Sardinia, merkte zijn talent op en nam hem naar Rome mede. Dáár verwierf Ennius zich de vriendschap van verschillende aanzienlijke Rom., o.a. van de Scipiones en de Fulvii Nobiliores, door wier toedoen hij in 184 onder de rom. burgers werd opgenomen. Hij stierf in 169. De Rom. zagen in Ennius den schepper hunner nationale poëzie. Zijn voornaamste werk zijn zijne Annales, in 18 boeken, eene doorloopende rom. geschiedenis in verzen, en wel niet in de oude, harde saturnische, maar in epische versmaat. Hij was de eerste, die den dactylischen hexameter op het Latijn toepaste. Vooral Vergilius heeft voor zijne Aeneis aan Ennius zeer veel ontleend. Ook schreef E. naar grieksche voorbeelden een aantal treurspelen, benevens andere gedichten van gemengden inhoud, vooral Saturae (4 boeken), en in proza een vertaling van de hiera anagraphe (sacra historia) van Euhemerus (z. a.). Ten onrechte hebben sommige schrijvers verteld, dat hij in het familiegraf der Scipio's begraven is.
Ennomus, Ennomos, 1) Mysiër, bondgenoot der Trojanen, beroemd als vogelwichelaar.--2) Trojaan, door Odysseus gedood.
Ennosigaios, aardschudder, bijnaam van Poseidon.
Enodios, Enodia, op de wegen vertoevend, bijnaam van Hermes, Artemis, Hecate en Persephone.
Enomotia, afdeeling van het spartaansche leger, het zestiende deel van eene mora, bestaande uit 25, 32 of 36 man.
Enope, Enope, oude stad in Messenia, later Gerenia genoemd.
Enosichthon = Ennosigaios.
Entasis is de zwelling of verdikking, die men in het midden van de dorische zuil opmerkt, en die het denkbeeld moet wekken, dat de zuil iets zwaars te dragen heeft, zie columna.
Entella, Entella, stad aan den Crimisus in het W. van Sicilia, in het gebied der Elymi.
Entimus, Entimos, Cretenser, die eene kolonie naar Gela op Sicilië bracht.
Entoria, dochter van een rom. landman, werd bij Saturnus, die bij haar vader zijn intrek genomen had, moeder van vier zonen. Saturnus leerde haar vader wijn bereiden, en toen deze zijn buren van den nieuwen drank gegeven had, en zij daardoor bedwelmd werden, meende men dat hij hen vergiftigd had en steenigde men hem. Daarom hingen zijne kleinzonen zich op. Een latere hongersnood werd als een straf van den god beschouwd, en om hem en zijne zonen te verzoenen, bouwde Lutatius Catulus aan de tarpeïsche rots een tempel voor Saturnus met een altaar met vier aangezichten. Dit verhaal is een late nabootsing van de sage van Erigone, zie Icarius.
Enyalius, Enyalios, bijnaam van Ares, v. a. een krijgsgod, zoon van Ares en Enyo.
Enyo, Enyo, 1) eene oorlogsgodin, die Ares in den oorlog vergezelde; te Athene stond haar beeld in den tempel van dien god. De Rom. hielden haar voor dezelfde als Bellona.--2) een van de Graeae.--3) cappadocische godin, = Rhea Cybele of Artemis.
Eora, z. Erigone.
Eordaea, Eordaia, stad en landschap in het hart van Macedonia, ten W. van den mons Bermius, bewoond door de Eordi, Eordoi.
Eos, Eos, dochter van Hyperion en Thea, de rozenvingerige (rhododaktylos), in saffraankleurige kleederen gehulde (krokopeplos) godin van het morgenrood, stijgt des morgens vroeg uit den Oceaan op en brengt aan goden en menschen het daglicht, terwijl zij voor haar broeder Helius uit rijdt; later wordt zij godin van den dag genoemd. Zij was gehuwd met Astraeus, bij wien zij moeder werd van de winden en sterren; nadat hij in den Tartarus geworpen was, schaakte zij achtereenvolgens Orion, Tithonus, Clitus en Cephalus. Een eeredienst had zij niet. Bij de Rom. is zij dezelfde als Aurora, die echter eene dochter van den zonnegod genoemd wordt.
Epacria, Epakria = Diacria.
Epangelia dokimasias, de verklaring, in de atheensche volksvergadering, soms onder eede, afgelegd, dat men van plan was dengene, die zich gereed maakte tot het volk te gaan spreken, wegens eene crimineele handeling aan te klagen; zulk eene verklaring schokte natuurlijk het vertrouwen van het volk in den spreker, maar moest ook door de aangekondigde aanklacht gevolgd worden.
Epaminondas, Epameinondas, Thebaan, zoon van Polymnis, uit een arm maar edel geslacht, geb. omstreeks 418. Met den grootsten ijver legde hij zich toe op alles, wat tot de ontwikkeling van lichaam en geest konde dienen; vooral schepte hij behagen in het onderwijs van den pythagoreïschen wijsgeer Lysis, die, uit Tarente gevlucht, in het huis van Ep. eene schuilplaats vond. Bescheiden en zelfverloochenend, in het staatkundige vervuld van een ideaal, dat hoog boven het streven der twistende partijen in zijne vaderstad stond, vervulde hij lang eene betrekkelijk onbeduidende rol; afkeerig van burgertwisten, nam hij ook geen deel aan de samenzwering van zijn vriend Pelopidas, die in 379 een einde maakte aan de spartaansche overheersching en de oligarchische regeering; toen echter de vrijheid heroverd was, trad Ep. op den voorgrond. Hij bewerkte, dat de omwenteling bij de burgerij krachtigen steun vond, dat de gevallen partij niet te veel van de wraak der overwinnaars te lijden had, en dat de meeste boeotische steden zich bij Thebe aansloten. Als gezant bij de vredesonderhandelingen te Sparta (371) weigerde hij toe te stemmen in de oplossing van den boeotischen bond; toen de oorlog hervat werd, behaalde hij als boeotarch de schitterende overwinning bij Leuctra (371), die men grootendeels te danken had aan de door Ep. uitgevonden scheeve slagorde (loxe phalanx), waarin de linker vleugel veel diepere opstelling had dan de rechter en het centrum en, tegen de in gr. legers heerschende gewoonte, met den eigenlijken aanval belast was (z. Taxis). Een gevolg van deze overwinning was, dat de meeste peloponnesische staten van Sparta afvielen, en in het volgende jaar trok Ep. zelf met een groot leger naar de Peloponnesus, ten einde eenheid tusschen die staten tot stand te brengen; hij dringt tot Sparta zelf voorwaarts en bewerkt het herstel van Messenië en de stichting van Megalopolis door de Arcadiërs. In 368 werd Pelopidas verraderlijk door Alexander van Pherae gevangen genomen en de Thebanen zonden een leger om hem te bevrijden; toen dit leger door onbekwaamheid van den aanvoerder in gevaar geraakt was, verlangde het dat Ep., die als gewoon soldaat aan den tocht deelnam, het opperbevel zou in handen nemen; hij leidde den terugtocht en bij een tweede expeditie dwong hij Alexander zich aan de eischen van Thebe te onderwerpen. Ook wendde Ep. pogingen aan om zijne vaderstad tot eene zeemogendheid te verheffen, die echter zonder gevolg bleven. Besluiteloosheid bij de peloponnesische bondgenooten en de moeielijkheid hen op den duur tot eendrachtige samenwerking te bewegen, noodzaakten Ep. nog herhaaldelijk tot tochten naar de Peloponnesus, het laatst in 362, toen hij weder zeer nabij Sparta kwam; daar hij echter zag, dat men daar op zijne komst voorbereid was, trok hij terug tot Mantinea, waar het tot een slag kwam. Ep. behaalde weder de overwinning en joeg het geheele vijandelijke leger op de vlucht, maar werd doodelijk gewond. Met hem eindigde de kortstondige grootheid van Thebe.
Epaphroditus, Epaphroditos, 1) geleerd grammaticus, zeer bevriend met Flavius Josephus, kwam onder Nero naar Rome en leefde er tot de regeering van Nerva; hij schreef commentaren op oude grieksche dichters.--2) geheimschrijver van Nero, wien hij bij zijn zelfmoord behulpzaam was, daarom werd hij (in 95) door Domitianus ter dood veroordeeld.
Epaphus, Epaphos, zoon van Zeus en Io, werd koning van Aegypte en stichter van Memphis.
Eparitoi, heette het gemeenschappelijk leger der Arcadiërs, toen de arcadische steden na den slag bij Leuctra tot een bond vereenigd waren.
Epei, Epeioi, oude volksstam uit Thessalia, die lang vóór den trojaanschen oorlog naar Aetolia was getrokken en zich later in het N. van Elis had gevestigd. Zie Elis.
Eperatus, Eperatos, van Pharae, opvolger van Aratus als strateeg van het achaeisch verbond.
Epetium, stad in Dalmatia, ten Z. van Salona.
Epeus, Epeios, 1) zoon van Endymion, was overwinnaar in den wedloop, dien hij op bevel van zijn vader te Olympia met zijne broeders hield, en kreeg daardoor de regeering over Elis.--2) zoon van Panopeus, van een van de Cycladen, een van de strijders tegen Troje, beteekende weinig als krijgsman, maar was beroemd als vuistvechter en als maker van het houten paard van Troje. In latere verhalen wordt hij als verachtelijk laf voorgesteld; v. s. zou hij naar Italië gekomen zijn en Pisa en Metapontum gesticht hebben.
Ephebos, jong mensch die den huwbaren leeftijd bereikt heeft, tusschen knaap en man. Te Athene werden de knapen op hun 18de jaar epheboi, na twee jaar (epi dietes hebesantes) dienstplicht als grenswacht (peripoloi), werden zij op hun 20ste jaar meerderjarig, kregen zij toegang tot de volksvergadering en traden zij in den geregelden krijgsdienst. Het kenteeken der epheboi is kort geschoren haar, terwijl kinderen en mannen het haar lang dragen.
Ephedros, degene die, bij een wedstrijd waarvoor zich een oneven aantal mededingers hebben aangegeven, bij de loting geen tegenpartij gekregen heeft, en dus afwacht totdat hij, door het afvallen der overwonnenen, gelegenheid krijgt aan den strijd deel te nemen.
Ephesia, Ephesia, feest ter eere van Artemis te Ephesus in de maand Artemision gevierd. Hieraan namen alle Ioniërs van Klein-Azië deel. Er werden agones hippikoi, gymnikoi en moosikoi gehouden. In later tijd was hieraan een nachtelijk feest verbonden, dat berucht was wegens zijne onzedelijkheid en niet toegankelijk was voor getrouwde vrouwen.
Ephesiae literae, Ephesia grammata, onverstaanbare woorden, ingegrift op het beeld der ephesische Artemis; deze woorden werden op metalen plaatjes of steenen gegraveerd, die dan als amuletten groote waarde hadden.
Ephesis, hooger beroep, van een vonnis der heliastenrechtbank was alleen in geval van veroordeeling bij verstek geoorloofd; van een scheidsrechterlijk vonnis (zie diaitetes) kon men bij de Helaea apelleeren tegen storting van zekere som als parabolon.
Ephestris, omslagdoek of mantel, bij koud weder door mannen en vrouwen gedragen.
Ephesus, Ephesos, na de tuchtiging van Miletus de voornaamste der 12 ionische bondssteden op de aziatische kust, aan den mond van den Cayster. Volgens de mythe was de stad oorspronkelijk gesticht door Amazonen. Het was in elk geval een vóór-Grieksche stad (met de opgravingen zijn vele myceensche vondsten voor den dag gekomen), door de Cariërs gesticht. In ongeveer 1100 hebben de Ioniërs onder Androclus er bezit van genomen. De stad was beroemd door haren Artemis-tempel, die voor een van de zeven wonderen doorging. Omtrent den dienst van deze Artemis zie men Artemis aan het einde. In 356, juist in den nacht van Alexanders geboorte, stak Herostratus, om zijn naam te vereeuwigen, den tempel in brand; doch deze herrees nog prachtiger dan te voren. Lysimachus vergrootte de stad in 268 en legde een nieuwe haven aan, daar de oude dicht geslibd was door de aanslibbingen van den Cayster; maar haar toppunt van bloei bereikte zij onder de rom. keizers als hoofdstad der provincie. Ephesus dreef voortdurend een levendigen handel en was de voornaamste stapelplaats van Klein-Azië. De wijsgeer Heraclitus (± 510) was hier geboren.
Ephetai, een rechterlijk collegie te Athene, v. s. door Draco ingesteld, v. a. veel ouder. De 51 epheten moeten meer dan 50 jaar oud zijn; zij waren in 3 gerechtshoven verdeeld, en spraken recht over moord in alle gevallen, die niet volgens de wet voor den Areopagus moesten gebracht worden.
Ephialtes, Ephialtes, 1) een van de Aloaden, z. Aloadae. V. a. een van de Giganten, door Heracles en Apollo van zijne oogen beroofd.--2) een daemon, die als nachtmerrie de menschen kwelt.--3) een Thessaliër, die bij de Thermopylae aan Xerxes een bergpas verried, waardoor hij Leonidas in den rug konde vallen. Door de Amphictyonen vogelvrij verklaard, werd hij later gedood.--4) Athener, vooral bekend door zijne maatregelen tot inkrimping van de macht van den Areopagus. Bij de voorbereiding van die maatregelen werd hij door Pericles ondersteund; korten tijd nadat zijne voorstellen waren aangenomen (462), werd hij vermoord. Zijne braafheid en belangeloosheid worden dikwijls hoog geroemd.--5) atheensch demagoog, bestrijder der macedonische partij. Toen Alex. na de verwoesting van Thebe zijne uitlevering eischte (335), vluchtte hij naar Azië, en bij het beleg van Halicarnassus sneuvelde hij.
Ephori, ephoroi, 1) vijf spartaansche overheden, wier bevoegdheden, oorspronkelijk waarschijnlijk tot een of ander onderdeel van het staatsbestuur beperkt, zich in den loop der tijden zoo uitbreidden, dat zij de overige magistraten, ook de koningen, ter verantwoording konden roepen en hun zelfs geldboeten konden opleggen; zijzelf waren eerst bij het neerleggen van hun ambt aan hunne opvolgers rekening en verantwoording schuldig. Zoo kregen zij van zelf ook eene groote politieke macht, die eindelijk zoo ver ging, dat zij het toezicht hadden op het naleven der wetten, op zeden en tucht, dat zij volksvergaderingen bijeenriepen en er voorstellen deden, dat zij beslisten over het al of niet toelaten van vreemde gezanten, enz.--De ephoren bekleedden hun ambt een jaar; zij werden oudtijds door de koningen benoemd, later door het volk verkozen. Het ephoraat is v. s. reeds door Lycurgus, v. a. eerst door Theopompus ingesteld; misschien heeft laatstgenoemde den ephoren bij de wet de groote macht toegekend, die zij later bezaten, en waardoor zij als de aangewezen vertegenwoordigers der volksvergadering een tegenwicht vormden tegen koningen en gerusia, zooals bij de wetgeving van Lycurgus bezwaarlijk bedoeld kan zijn. Daarom verzetten zij zich tegen den door Agis III bedoelden terugkeer tot de instellingen van Lycurgus; daarom begon ook Cleomenes III zijne hervormingen met de afschaffing van het ephoraat, dat na zijne nederlaag bij Sellasia echter hersteld werd.--2) een geheim comité van vijf personen, door de oligarchische clubs te Athene na den slag bij Aegospotami aangewezen om voor hunne belangen te waken en de verdediging der stad tegen Lysander te belemmeren.
Ephorus, Ephoros van Cumae in Aeolis, leerling van Isocrates, de eerste schrijver eener algemeene geschiedenis. Deze liep van de terugkomst der Heracliden tot het jaar 356; zij werd door zijn zoon Demophilus voortgezet tot 340, en uitgegeven in 30 boeken, waarvan slechts weinige fragmenten bewaard gebleven zijn. Wegens de wijze, waarop hij zijn stof behandelt, wordt hij soms de voorlooper van Polybius genoemd. Zijn werk werd door de ouden zeer verschillend beoordeeld en door Diodorus Siculus veel gebruikt; Diyllus e. a. schreven vervolgen erop.
Ephyra, Ephyra, oude naam van het latere Corinthus (z. a.), van eene stad in Thessalia (later Crannon), in Epirus (later Cichyrus geheeten, dicht bij de kust, hoofdstad van de thesprotische vorsten), in Aetolia, in Elis (later Oenoë).
Epibomius, Epibomios, titel van een der priesters bij de eleusinische mysteriën.
Epialtes, z. Ephialtes no. 2.
Epicaste, Epikaste, 1) = Iocaste.--2) dochter van Calydon, echtgenoote van Augias.--3) dochter van Augias, moeder van Thessalus.
Epicharis, Epicharis, vrijgelaten slavin, die in de samenzwering van Piso tegen keizer Nero betrokken was, doch zelfs door de pijnbank niet tot bekentenis kon gedwongen worden, en toen zij ten tweede male zou gepijnigd worden, zich met haar gordel wurgde.
Epicharmus, Epicharmos, van Cos, geb. 540, kwam reeds jong naar Sicilië, leefde te Megara en, toen deze stad verwoest was, te Syracuse aan het hof van Hiero, waar hij in 460 stierf. In zijn jeugd hield hij zich veel bezig met wijsbegeerte, later wijdde hij zich echter uitsluitend aan de poëzie en werd hij de eigenlijke schepper der dorisch-sicilische comedie. Hij schreef 35 stukken, waarvan slechts enkele fragmenten nog bestaan. Zijn fort is de mythologische travestie, zooals blijkt uit de namen zijner stukken, zooals Bouseiris, Hebas gamos, Komastai e Haphaistos. Andere stukken zijn meer verwant met de Mimoi (z. Mimus). Hij heeft veel invloed gehad op de oud-attische comedie, en vooral op de middel- en nieuwe comedie. Waarschijnlijk ook op de Atellanae.
Epicheirotonia, 1) ep. ton nomon, de jaarlijksche herziening der wetten, die te Athene in de eerste volksvergadering van het jaar plaats had. Iedereen kon voorstellen, eene oude wet door eene nieuwe te vervangen; alsdan werden uit de heliasten een zeker aantal nomothetai gekozen, voor wie een formeel proces tusschen de oude en de nieuwe wet gevoerd werd, waarbij door het volk aangewezen personen als verdedigers (synegoroi, syndikoi) der oude wet optraden.--2) ep. ton archon, bevestiging der overheden in de eerste vergadering van iedere prytanie. Wanneer iemand bij die gelegenheid bezwaren tegen een magistraat inbracht, werd deze geschorst, totdat de zaak door de rechtbank der heliasten onderzocht was.
Epicnemidii (Locri), dat gedeelte der Locriërs, dat op en aan den berg Cnemis woonde.
Epicrates, Epikrates, hielp Thrasybulus bij het verdrijven van de 30; later werd hij ter dood veroordeeld wegens verraderlijke handelingen, door hem als gezant gepleegd.
Epictetus, Epiktetos, 1) beroemd Attisch vazenschilder uit het laatste deel van de zesde eeuw; hij werkte in de fabrieken van Nicosthenes en anderen. Sommige van zijn vazen zijn nog in zwart-figurigen stijl, anderen in rood-figurigen stijl.--2) geb. te Hierapolis in Phrygië, leefde lang te Rome als slaaf van Epaphroditus no. 2; toen deze hem vrijgelaten had, woonde hij de lessen van Musonius Rufus bij en trachtte hij, hoewel met weinig gevolg, zijne opvatting van de stoicijnsche leer te Rome ingang te doen vinden. Nadat Domitianus alle philosophen uit Rome verbannen had (89 n. C.), ging hij naar Nicopolis in Epirus, waar hij tot den tijd van Hadrianus leefde. Ver verwijderd van de aanmatiging der toenmalige stoïcijnen, onthoudt hij zich meestal van bespiegelingen en legt hij zich alleen toe op de zedenleer. Evenals Socrates gaf hij zijn onderricht in voor ieder toegankelijke gesprekken op openbare plaatsen en vereenigde hij een aantal leerlingen rondom zich, waartoe ook Arrianus behoorde, die na den dood van den meester zijne leer in een uitvoeriger (diatribai) en in een meer beknopt (encheiridion) werk te boek stelde. Ep. zelf heeft niets geschreven.
Epicurus, Epikouros, Athener, geb. 342 of 341, werd zeer jong door zijn vader medegenomen naar Samus, waar deze als klerouchos eigendommen had. Reeds zeer vroeg beoefende hij de wijsbegeerte en maakte hij met verschillende stelsels kennis; 32 jaar oud trad hij eerst te Mytilene, kort daarna te Lampsacus, met een eigen stelsel op, in 306 kwam hij naar Athene, waar hij reeds in 323 voor korten tijd geweest was en waar hij tot zijn dood (270) talrijke leerlingen rondom zich verzamelde.--Ep. vereenigt in zijne philosophie de natuurkundige theorieën van Democritus met de leer van Aristippus tot één geheel. Alles bestaat uit atomen, die door hunne neiging tot vereeniging lichamen vormen; de ziel bestaat uit zeer fijne atomen, die door het geheele lichaam verspreid zijn, en sterft met het lichaam; de eenige bron van kennis is waarneming; het hoogste goed is genot, dat echter niet alleen in beweging (chara, euphrosyne), maar ook in rust (ataraxia, aponia) bestaat; geestelijk genot staat hooger dan lichamelijk; de wijze onthoudt zich echter van die genietingen, waardoor hij later grootere zou moeten derven of die later smart ten gevolge hebben; de goden zijn gelukzalige wezens, die in de ruimte tusschen de verschillende werelden wonen, zonder zich om de menschelijke zaken te bekommeren.--Ep. wordt door de ouden geroemd als een braaf, eenvoudig en matig levend man; zijne leerlingen, met wie hij vertrouwelijk en gezellig omging, bleven hem met liefde en eerbied gedenken, en slechts een enkele trachtte zijn stelsel verder te ontwikkelen. Van zijne zeer talrijke geschriften--men spreekt van bijna 300--is slechts zeer weinig bewaard gebleven.
Epicydes, Epikydes, 1) atheensch demagoog, tijdgenoot van Themistocles.--2) Syracusaan, te Carthago geboren, nam langen tijd te Syracuse aan het hof van Hieronymus en ook na diens dood de carthaagsche belangen waar. Hij leidde voor een deel de verdediging van Syracuse tegen de Romeinen, ging na de verovering van die stad (212) naar Agrigentum, en toen ook dit gevallen was, keerde hij naar Africa terug.
Epidamnus = Dyrr(h)achium.
Epidaurus, Epidauros, oud-ionische stad in Argolis, aan de Saronische golf, met een beroemden tempel van den god Asclepius, die hier geboren was. Het heiligdom is door het Grieksche archaeologische genootschap opgegraven. Ook eene aanzienlijke stad in Dalmatia, aan de kust, ook Epidaurum geheeten.
Epidaurus Limera, Epidauros he Limera, stad op de Oostkust van Laconica, met een goede haven.
Epidemia, Epidemia, familiefeest, gevierd wanneer iemand behouden van eene reis teruggekeerd was.
Epidius Marullus (L.), z. Caesetius Flavus.
Epidosis, te Athene vrijwillige gift aan de staatskas, vooral dat, wat men bij de eisphora meer betaalt dan men verplicht is; ook het onverplicht op zich nemen van liturgieën e. dgl.
Epigamia = Conubium.
Epigenes, Epigenes, 1) van Sicyon, een van de oudste grieksche treurspeldichters, v. s. de eerste die onderwerpen behandelde, welke niet in betrekking stonden met de mythen van Dionysus. Hij behoort geheel tot de sage.--2) blijspeldichter in het begin der vierde eeuw.--3) twee leerlingen van Socrates, de een zoon van Criton, de andere van Antiphon.--4) van Rhodus, schrijver van een werk over den landbouw.--5) ten onrechte bijg. Gnomonikos, van Byzantium, wiens astronomische werken door Plinius en Seneca aangehaald worden.--6) vazenfabrikant uit den tijd van Pericles.
Epigoni, Epigonoi, 1) z. Adrastus.--2) titel van een cyclisch gedicht, door sommigen aan Homerus toegeschreven.
Epigraphes, Epignomones = Diagraphes.
Epikleros, heette te Athene eene vrouw, die het vermogen van haar vader erft, wat alleen kon geschieden wanneer deze geene mannelijke afstammelingen naliet. Zij was verplicht den naasten mannelijken bloedverwant te huwen, ook wanneer zij reeds met een ander gehuwd was. Daarentegen konden arme erfdochters (thettai) eischen, dat de naaste mannelijke bloedverwant haar huwen of haar een behoorlijken bruidschat geven zoude.
Epilachon, door het lot aangewezen plaatsvervanger van een bij het lot aangewezen overheidspersoon of raadslid, om bij diens dood of afzetting terstond zijne plaats in te nemen.
Epilenaia, z. Lenaea.
Epimenides, Epimenides, van Creta, waarzegger, priester en dichter, over wiens leven allerlei verhalen vol wonderen in omloop waren. Zoo verhaalde men dat hij in zijne jeugd in een grot in slaap gevallen was, en daar 56 jaar geslapen had, dat hij een leeftijd van 150 of 300 jaar bereikt had, e. dgl. In 596 werd hij naar Athene geroepen om de stad te reinigen van de heiligschennis der Alcmaeonidae (z.a.). Hij wordt soms tot de zeven wijzen gerekend, en verscheiden werken van hem worden genoemd, zooals orakels, reinigingsliederen, enz.
Epimetheus, Epimetheus, zoon van Iapetus en Clymene, broeder van Prometheus (z.a.), bij Pandora vader van Pyrrha.
Epimethis, Pyrrha, dochter van Epimetheus.
Epiphanea, Epiphaneia, 1) stad in O. Cilicia, nabij de bergpassen van den Amanus, vroeger Oeniandus geheeten. Pompeius verplaatste een gedeelte der zeeroovers hierheen.--2) stad in Syria aan den Orontes, vroeger Hamath geheeten, door Antiochus Epiphanes vergroot en naar hem genoemd.
Epipolae, Epipolai, het N.W. en hoogst gelegen gedeelte der stad Syracusae.
Epirus, Epeiros, land tusschen den Pindus en de Adriatische zee, en tusschen Hellas en Illyria. Het land werd door illyrische stammen bewoond, waarvan de Chaones, de Thesproti en de Molossi de voornaamste waren. Deze Illyriërs hadden de oudere grieksche stammen, waartoe de Graïci en de Helli of Selli (in Hellopia) behoorden, verjaagd. De vorsten der Molossers breidden allengs sedert de 4de eeuw hunne heerschappij over het geheele land uit. Onder hunne koningen, die van Achilles beweerden af te stammen, is Pyrrhus (295-272), die tegen de Romeinen oorlog voerde, de merkwaardigste. Later (234/3) werd Epirus republikeinsch; het vormde toen een bondsstaat, waarvan Phoenice de hoofdstad was, kwam vervolgens onder Macedonia en ten slotte met dit rijk onder Rome (167). Van de vreeselijke verwoesting door Aemilius Paulus heeft het land zich nooit kunnen herstellen. De bewoners heetten Epirotae, Epeirotai.
Epirus nova = Illyris graeca.
Episemainesthai, z. Euthynai en Logistai.
Epistatai, 1) z. Prytaneis.--2) ep. ton demosion ergon, te Athene commissies belast met het toezicht op openbare werken en vooral op het gebruik der daartoe beschikbaar gestelde gelden.
Epistrophia, bijnaam van Aphrodite (z.a.).
Epitadeus, Epitadeus, spartaansch ephoor in het begin der vierde eeuw, maakte, zooals men later aannam, veranderingen in het eigendomsrecht, waarbij schenkingen bij het leven of bij testament wettig verklaard werden; ten gevolge daarvan verminderde sedert dien tijd het aantal grondeigenaars aanmerkelijk.
Epitrope, te Athene het vergelijk tusschen strijdende partijen, waarbij zij hun geschil aan de beslissing van door hen gekozen scheidsrechters onderwerpen. Van zulk een beslissing was geen hooger beroep.
Epitropes dike, aanklacht tegen iemand, die als voogd over minderjarige kinderen, hunne belangen niet behoorlijk had waargenomen of zich aan bedriegelijke handelingen had schuldig gemaakt; zulk eene aanklacht moest door den pupil binnen vijf jaar na afloop der voogdij bij den archont ingediend worden. Gedurende de voogdij kon een voogd wegens zulke handelingen door ieder burger door middel van de epitropes graphe bij den archont aangeklaagd worden.
Epobelia, een boete, die in sommige processen de aanklager beliep, wanneer minder dan een vijfde van de rechters voor veroordeeling gestemd hadden. De boete bedroeg een zesde van de som in kwestie.
Epodus, Epodos, 1) slotzang, het gedeelte van een lyrisch gedicht, dat na de strophe en antistrophe gezongen werd.--2) versus intercalaris of epiphthegmaticus, refrein.--3) in het algemeen lyrische gedichten, waarin op een langer vers een korter volgt, met uitzondering van het elegische distichon. Daarom hebben de grammatici den naam Epodon liber aan het bundeltje gedichten van Horatius gegeven, die door hem zelf om hun bijtenden inhoud iambi genoemd zijn.
Epoikoi, zij die van staatswege naar eene reeds bewoonde stad of volkplanting gezonden worden, om zich daar te vestigen.
Epona, gallische godin van paarden, lastdieren, stallen, voerlieden, enz., die sedert de 1ste eeuw n. C. ook in Rome vereerd werd.
Eponymus, eponymos, in het algemeen degene, naar wien iets genoemd wordt, bijv. de oude heroën, van wie de attische phylen en demen hun naam hebben, de eerste archont, die zijn naam aan het jaar geeft, enz.
Epoptes, ingewijde van den hoogsten graad bij de mysteriën, zie Eleusinia.
Eporedia, thans Ivrea, stad van Gallia Cisalpina, nabij Augusta Praetoria in het gebied der Salassers. Volgens eene uitspraak der sibyllijnsche boeken zonden de Rom. er in 100 eene rom. kolonie heen. Zie onder Agrariae leges: Lex Appuleia agraria van 100. Later municipium.
Eporedorix, naam van twee aanzienlijke Aeduërs. De een viel in Caesars handen in een veldslag tegen Vercingetorix (52); de ander was als aanvoerder der aeduïsche ruiterij in Caesars leger, doch liep ten slotte ook tot Vercingetorix over.
Epos, epe, epische of objectief-verhalende poëzie, behandelde waarschijnlijk oorspronkelijk enkele gebeurtenissen uit de legenden betreffende goden, heroën of edele geslachten, doch werd later ontwikkeld tot het samenhangend verhaal van geschiedenissen uit het heldentijdperk, zooals wij het bij Homerus vinden. Taal en metrum van Homerus werden door alle latere epische dichters behouden, zijne wijze van behandeling der stof werd door allen als model beschouwd. Wat de behandelde onderwerpen betreft sloten zich de cyclici (z. a.) het meest bij Homerus aan, lateren kozen ook soms geschiedenis, terwijl alexandrijnsche dichters onderwerpen van verschillenden aard, meest van geringen omvang, met meer geleerdheid dan kunst op epische wijze behandelden. In de 5de eeuw na C. herleefde het epos nog voor korten tijd, zonder echter iets van belang voort te brengen.--Tot de epische poëzie rekent men ook de didactische, het leerdicht, waarvan de werken van Hesiodus het oudste voortbrengsel zijn en waarvan de oudste wijsgeeren zich bedienden om hunne theoriën bekend te maken, terwijl in den alexandrijnschen tijd en later alle wetenschappen in dezen vorm behandeld werden.--Ook in de rom. letterkunde komt het epos reeds zeer vroeg voor; bij voorkeur behandelde men aanvankelijk deelen der rom. geschiedenis; eerst door de studie der alexandrijnsche poëzie kwam men ook tot beoefening van het grieksche heldenepos; Vergilius verbindt beide richtingen door in zijne Aeneis inheemsche sagen tot onderwerp te kiezen. Het leerdicht werd door de Rom. steeds met voorliefde beoefend.
Eppius (M.), aanhanger van Pompeius, door Caesar na den slag bij Thapsus begenadigd.
Eprius Marcellus (T. Clodius), een man van lage inborst, was onder Claudius en Nero praetor, en daarna legatus pro praetore van Lycia en Pamphylia, waar hij zich door zijne inhaligheid zeer gehaat maakte. Hij was consul in 61 n. C. Vervolgens speelde hij bij Nero de rol van verklikker. Hij wist Thrasea Paetus te doen veroordeelen (66). Ook in de gunst van Vespasianus wist hij zich in te dringen; hij was (Juli 70-Juli 73) proconsul van Asia; toen hij echter eene samenzwering tegen den keizer trachtte te bewerken, werd dit ontdekt en toen hij in den senaat veroordeeld was, maakte hij zichzelven van kant (79).
Epulones. Vóór 196 was de zorg voor de maaltijden, waarmede sommige godsdienstige feesten behoorden gepaard te gaan, aan de pontifices opgedragen. De lex Licinia van den volkstribuun C. Licinius Lucullus van 196 droeg deze taak op aan een bijzonder collegie van drie mannen, triumviri epulones, welk getal later op zeven werd gebracht en door Caesar, doch met behoud van den naam septemviri, op tien.
Epyaxa, Epyaxa, echtgenoote van den vorst (Syennesis) van Cilicië.
Equirria, een Marsfeest op 27 Februari en 14 Maart, waarbij een wedren te paard op den campus Martius plaats had.
Equites (over de atheensche hippes z. a.). Eene lijfwacht van ruiterij, celeres genaamd naar het gr. woord keletes, wordt reeds onder de regeering van Romulus vermeld. Ze stonden onder een tribunus celerum, v. s. onder 3 tribuni celerum. Onder de koningen klom het getal equites tot 1800, in 18 centuriae verdeeld. Zes dezer centuriën droegen den naam van sex suffragia. Vermoedelijk zijn dit de drie dubbelcenturiën van Tarquinius Priscus: Ramnes, Tities, Luceres priores en posteriores. De overige heeten XII centuriae equitum. Na de verdrijving der koningen bleef het getal op 1800, zij werden genomen uit rijke burgers der eerste klasse. Wanneer een bepaalde census voor de equites is vastgesteld, weten we niet, maar later bedraagt die 400.000 sestertiën van 2 1/2 as = f 40.000. Bij de lex Roscia theatralis van 67 werd deze census hernieuwd, en ook in den keizertijd is dit zoo gebleven. De ruiters ontvingen van den staat geld (aes equestre z. a.) voor het aankoopen van een paard, equus publicus, en tot onderhoud een zeker havergeld, aes hordearium (z. a.). Wanneer de census gehouden werd, werden ook de equites gemonsterd, recognitio. Hun paard aan den teugel leidende, traden zij ieder op hunne beurt voor de censoren, en hoorden daar de woorden traduc equum of vende equum. Het laatste was een teeken, dat men van de lijsten der equites was geschrapt, hetzij wegens niet voldoende onderhoud van zijn paard, hetzij de censors om eene andere reden eene openbare bestraffing wilden toepassen. In 403 tijdens den laatsten oorlog met Veii meldden zich een aantal jongelieden aan om als vrijwillige equites op eigen kosten te dienen. Zóó had men toen equites equo publico en equo privato. De laatsten stemden echter niet in de riddercenturiën mede. Het geheele aantal equites bedroeg in 225: 22100. Oorspronkelijk waren de equites bestemd voor den ruiterdienst te velde en hiervoor werden bij elk legioen 300 ruiters gevoegd, doch deze dienst geraakte allengs in minachting, omdat het zwaartepunt der rom. krijgsmacht in het voetvolk gelegen was. De Rom. bezigden liever als ruiterij troepen van de bondgenooten in de provinciën, die veel beter waren, en de equites Romani, niet langer als ruiterkorps dienst doende, werden meer een bevoorrechte klasse van burgers, waaruit men bij voorkeur hoofdofficieren, ordonnansen en den staf des veldheers koos. De hoogere officiersrangen, die van tribuni militum en praefecti, worden uitsluitend door equites bekleed, terwijl de hoogste rang, die een pedes bereiken kan, die van primipilus is. Van ruiterbende werden zij ridderkorps. In 123 stelde C. Gracchus als volkstribuun door zijne lex Sempronia iudiciaria vast, dat de indices niet langer uit den senaat zouden genomen worden, maar uit hen, die den riddercensus hadden (zie iudex), en daar deze nu allen op ééne lijst moesten gebracht worden, ook al behoorden zij niet tot de 1800, ontstond toen een ridderstand, ordo equester. Kreeg een ridder toegang tot den senaat, dan kon hij van den ridderstand niet langer deel uitmaken. Onder de ridders vond men de eigenaars der groote handelshuizen (een senator of senatorszoon mocht geen handel drijven, zie lex Claudia), de bankiers, de belastingpachters of publicani. Zij vormden de geldaristocratie, die dikwerf vijandig tegenover den senatorenstand stond. Met de senatoren hadden de ridders den gouden ring gemeen (ius anuli); zij droegen de tunica angusticlavia, met smallen purperstreep (zie clavus), en in dienst of bij plechtige optochten de trabea, een mantel met purperen strepen. Ook hadden zij bevoorrechte plaatsen in het theatrum, zie Roscia (lex) theatralis. Omtrent het stemrecht der equites in de com. centuriata zie men praerogativa. In den keizertijd worden vele keizerlijke ambten, o. a. de praefectura Aegypti, en het bestuur van vele kleine provincies en van de finantiën uitsluitend aan equites opgedragen, met de titels praefecti en procuratores.
Equites illustres. Augustus schiep in den ridderstand een bepaalde klasse van ridders, de eq. equo publico of eq. illustres, ook wel eq. dignitate senatoria geheeten, die den senatorencensus van 1.000.000 sestertiën hadden, en waaruit de keizer de meeste zijner officieren en hooge ambtenaren koos.
Equites singulares, in de 2de en 3de eeuw n. C. een regiment garde kavallerie van de romeinsche keizers, meest bestaande uit vreemdelingen (Germanen, vooral Batavi).
Equuleus, het folterpaard, een martelwerktuig, waarvan wij den vorm niet kennen. De persoon, die gefolterd moest worden, werd er op vastgebonden en dan uiteengerekt. Het werd niet voor burgers, maar voor slaven gebezigd. Ook in de acta martyrum wordt het vaak vermeld. Ook bij gerechtelijke verhooren werden slaven, die getuigenis moesten afleggen, op een dergelijk folterwerktuig geplaatst.
Equus Tuticus of Aequum Tuticum, een stadje der Hirpini in Samnium ten O. van Beneventum.
Er, Er, Pamphyliër, die in een slag gedood werd, tien dagen liggen bleef en daarna op den brandstapel herleefde en verhaalde, wat hij in de onderwereld gezien had.
Erae, Erai, kleine sterke havenstad op de aziatisch-ionische kust, ten Z.O. van Erythrae, in het gebied van Teos.
Erana, Erana, hoofdvesting der Eleutherocilices op den berg Amanus. Ook eene stad in Messenia, aan de W.-kust even ten N. van het eilandje Prote.
Eranos, een in het grieksche recht veel voorkomend gebruik tot het gezamenlijk uitleenen van gelden, zonder daarvoor rente te vorderen. Om iemand geldelijk te steunen voor het doen van zaken of voor het loskoopen van een krijgsgevangene, of ook alleen om gelden te beleggen, geven een zeker aantal personen, ieder voor zich een zelfde geldsom aan den voorzitter, archeranos of eranarches, handen, die deze geheele som den vrager van den eranos ter hand stelt, onder de conditie, dat deze de som in termijnen afbetaalt. De er. wordt genoemd òf naar de grootte van ieders bijdrage, b.v. er. pentakosiodrachmos, òf naar de grootte van de heele som b.v. er. eikosimnaios, tettarakontamnaios. De rechten van de deelnemers, en de verplichting tot terugbetaling van den ontvanger zijn voor overdraging vatbaar, en kunnen ook in rechte gehandhaafd worden. Andere er., vooral in lateren tijd, dienden om voor ééns, of geregeld op gemeenschappelijke kosten feestvergaderingen te houden, of vereenigingen in stand te houden, zooals er in de hellenistische wereld onder allerlei vormen voorkomen.
Erasinides, Erasinides, 1) atheensch veldheer, een van de overwinnaars bij de Arginusen, die later ter dood veroordeeld werden.--2) corinthisch veldheer, die den Syracusanen te hulp kwam, toen zij in den peloponnesischen oorlog door de Atheners aangevallen waren (414).
Erasinus, Erasinos, 1) de eenige rivier van Argolis, die in den zomer niet droog is; hij mondt na een zeer korten loop dicht bij de plaats, waar de Inachus in het zand verloopt.--2) beek in Attica, bij Brauron mondend.
Erasistratus, Erasistratos, 1) van Iulis, kleinzoon van Aristoteles, beroemd heel- en ontleedkundige in de 3de eeuw, stichter eener geneeskundige school. Hij woonde te Alexandria.--2) Athener, een van de zoog. 30 tyrannen.
Erato, Erato, muze van het minnedicht en de mimiek, wordt afgebeeld met eene lier in de hand, soms in gezelschap van Eros.
Eratosthenes, Eratosthenes, 1) een van de zoog. 30 tyrannen te Athene, voorstander van de meer gematigde politiek van Theramenes, later door Lysias aangeklaagd wegens den moord van diens broeder Polemarchus.--2) van Cyrene, geb. 275, in Alexandrië onderwezen, leefde eenigen tijd te Athene, en werd in 235 hoofd der alexandrijnsche bibliotheek, welke betrekking hij bekleedde totdat hij, ruim 80 jaar oud, zich van het leven beroofde, daar hij vreesde blind te worden (194). Behalve zijne gedichten liet hij een groot aantal werken na over wiskunde, wijsbegeerte, geschiedenis en chronologie, taal- en letterkunde, alsmede zijn voornaamste werk: Geographika of Geographoumena in drie boeken, welk werk de grondslag werd van eene wetenschappelijke behandeling der aardrijkskunde, en door lateren zeer dikwijls gebruikt werd. Van al deze werken is bijna niets bewaard gebleven.
Erchomenus, Erchomenos, oude naam voor: Orchomenus, z. a.
Ercte, Eirkte of Heirkte, bergvesting in N.W. Sicilia. Hai Heirktai, vlek in Argolis dicht bij Nauplia.
Erechtheis, Erechtheis, een van de 10 phylae, waarin de bevolking van Attica door Clisthenes verdeeld werd.
Erechtheum, Erechtheion, de plaats op de atheensche acropolis, waar de tempels van Poseidon Erechtheus en van Athena Polias stonden, met de zoutbron en den heiligen olijfboom, die uit den strijd tusschen Poseidon en Athena over de naamgeving der stad was ontstaan. Zie Athenae.
Erechtheus, Erechtheus, 1) zoon van Hephaestus en Gaea of Atthis, opgevoed door Athena (z. Agraulus). Hij verdreef Amphictyon en werd koning van Attica, stelde den eeredienst van Athena en de Panathenaea in, en was rechter in den twist tusschen Athena en Poseidon over het bezit van Attica; hij was de eerste die een vierspan gebruikte en werd daarom als Voerman onder de sterren geplaatst. Er. was een zeer oud attisch heros, die in het Erechtheum gemeenschappelijk met Athena en Poseidon vereerd werd.--2) kleinzoon van den vorigen, zoon van Pandion, koning van Athene. In den oorlog tegen de Eleusiniërs werd hem de overwinning voorspeld, mits hij eene van zijne vier dochters doodde; toen hij nu de jongste opofferde, beroofden zich ook hare drie zusters van het leven, daar zij gezworen hadden met elkander te zullen sterven. Er. versloeg in den strijd Eumolpus, die de Eleusiniërs hielp, maar werd op verzoek van diens vader Poseidon door Zeus met den bliksem gedood.--V. s. is deze Er. oorspronkelijk dezelfde als de vorige.
Erembi, Eremboi, onbekende volksstam, ergens in het oostelijk gedeelte van het gebied der middellandsche zee wonende, v. s. verwant met de Arabieren, v. a. = Aramaei.
Eremos dike, proces, waarin wegens het wegblijven van een der partijen bij verstek vonnis wordt uitgesproken. De veroordeelde kon vernietiging van zulk een vonnis vragen (antilachein ten eremon), wanneer hij meende te kunnen bewijzen, dat er redenen geweest waren om de behandeling der zaak uit te stellen.
Eresus, Eresos, stad op de Z.-W. kust van het eiland Lesbus, geboorteplaats van de dichteres Sappho en van den wijsgeer Theophrastus (± 300).
Eretria, Eretria, voorname havenstad op Euboea aan den Euripus, waarschijnlijk gesticht door de Abantes, later een atheensche kolonie, die zelve verscheidene volkplantingen naar de macedonische kust uitzond en in de 7de eeuw een groot gebied (Andrus, Tenus, Ceüs, Oropus) beheerschte. Omtrent haar strijd met Chalcis, zie Chalcis. Met Athenae had het den opstand der Ioniërs in Azië tegen Darius I ondersteund. Daarom werd het in 490 door Datis en Artaphernes verwoest, terwijl de bewoners geboeid naar Perzië (Ardericca nabij Susa) werden gezonden. De stad werd terstond weder bevolkt en neemt deel aan den Perzischen oorlog.--Ook een stadje in het N. van het thessalische landschap Phthiotis.
Eretri(a)ci, Eretriakoi, wijsgeeren uit de school van Menedemus, wiens leerstellingen waarschijnlijk grootendeels met die der megarische school overeenkwamen.
Eretum, Ereton, oude sabijnsche stad aan den Tiber.
Ereuthalion, Ereuthalion, erfde van zijn vriend Lycurgus de knots van Areïthoüs (z. a.). Daarop vertrouwende, daagde hij alle helden ten strijde uit, tot hij door Nestor gedood werd.
Ergades = Argades.
Ergane, Ergane, bijnaam van Athena (z. a.).
Ergastulum, slavengevangenis op de uitgestrekte landgoederen der rom. grondeigenaars.
Erginus, Erginos, 1) zoon van Clymenus no. 2, koning van Orchomenus in Boeotië. Om den dood van zijn vader te wreken, deed hij den Thebanen den oorlog aan, overwon hen en legde hun een jaarlijksche schatting op. Twintig jaar later vond Heracles te Thebe de gezanten van Erg., die gekomen waren om de verschuldigde schatting te halen; hij sneed hun neus en ooren af en zond hen zoo terug. In den oorlog, die hierop volgde, werd Erg. door Heracles gedood.--V. a. werd hij gedwongen de reeds betaalde schatting dubbel terug te geven, waardoor zijn land tot groote armoede verviel, en hij er eerst op hoogen leeftijd de vroegere welvaart hersteld zag. Hij was de vader van Agamedes en Trophonius.--2) zoon van Poseidon, helper en opvolger van Tiphys als stuurman der Argonauten, beroemd door zijn snelheid in het loopen.
Erianthus, -thes, Erianthos, -anthes, vertegenwoordiger van Thebe bij de vergadering, waarin na afloop van den peloponnesischen oorlog over de vredesvoorwaarden beraadslaagd werd; op zijn voorstel stemden Thebanen, Corinthiërs e. a. voor de geheele vernietiging van Athene.
E(e)riboea, 1) Eeriboia, stiefmoeder der Aloaden (z. a.).--2) Eriboia, z. Periboea no. 5.
Erichthonius, Erichthonios, 1) = Erechtheus.--2) zoon en opvolger van Dardanus, vader van Tros, beroemd om zijn rijkdom, vooral om zijne drieduizend buitengewoon schoone merries.
Ericinium, stad in Thessalia bij Gomphi.
Eridanus, Eridanos, 1) mythische stroom, zoon van Oceanus en Tethys. Herodotus vermeldt hem als eene rivier, die zich in de noordelijke zee ontlast, en aan wier oevers barnsteen wordt gevonden. Daar nu over Hadria (Adria), dat bij de monden van den Po ligt, het uit het Noorden komende barnsteen werd uitgevoerd, hebben latere schrijvers den Eridanus vereenzelvigd met den Padus.--2) beek die ten O. van Athenae aan den voet van den Lycabettus ontspringt, en door het N. van Athenae stroomend, in den Ilisus valt.
Erigon, Erigon, rivier in Macedonia, zijtak van den Axius.
Erigone, Erigone, 1) dochter van Icarius (z. a.), bij Dionysus, die door haar vader gastvrij ontvangen werd, moeder van Staphylus. Ter herinnering aan haar dood vierde men jaarlijks het feest Aiora of Eora, waarbij men poppen aan boomen hing en ze zoo liet heen en weer schommelen.--2) dochter van Aegisthus en Clytaemnestra, door Orestes te gelijk met haar moeder gedood. V. a. hing zij zich op, toen zij de vrijspraak van Orestes vernam, of werd zij zijne slavin, of nam Artemis haar tot priesteres.
Erineüs, Erineos, eene der vier steden van Doris.
Erinna, Erinna, beroemde grieksche lyrische dichteres uit de 4de eeuw, van wier leven niets zekers bekend is. Er zijn nog een paar epigrammen van haar over.
Erin(n)yes, Erin(n)yes, wraakgodinnen, die bij ieder vergrijp tegen de heilige plichten tegenover bloedverwanten, gastvrienden, smeekelingen, enz., uit hunne woning in den Erebus naar de aarde oprijzen en den misdadiger met haar verschrikkelijk gezang vervolgen en tot waanzin drijven, zoodat hij nergens rust kan vinden. Zelfs de dood kan hare vervolgingen niet doen eindigen; heeft de misdadiger zich echter van zijne schuld gereinigd, dan worden zij welwillende godheden, Eumenides, onder welken naam zij sedert de vrijspraak van Orestes op sommige plaatsen vereerd werden.--Homerus spreekt soms slechts van ééne Erinnys, gewoonlijk werden zij echter als drie zusters voorgesteld: Alecto, Tisiphone en Megaera, dochters van Gaea, ontstaan uit het bloed, vergoten bij de verminking van Uranus; in een treurspel van Aeschylus vormen zij het koor en zijn zij dus in grooter aantal aanwezig, zij worden daar voorgesteld als afgrijselijke oude vrouwen in het zwart gekleed en met bloedrooden gordel, de beeldende kunst maakte echter van haar gevleugelde jonkvrouwen met slangen en fakkels in de handen. Men offerde aan de Er. zwarte schapen en plengoffers zonder wijn.--De Rom. noemden deze godinnen Furiae of Dirae deae.
Eriphyle, Eriphyle, z. Amphiaraus en Alcmaeon.
Eris, Eris, godin der tweedracht, zuster van Ares en zijne gezellin in den strijd, maar ook godin van den heilzamen wedijver.--Bij de Romeinen heet zij Discordia en behoort zij in het gevolg van Bellona.
Eristici, Eristikoi, wijsgeeren uit de school van Euclides no. 3 (z. a.).
Eros, Eros, de god der liefde, volgens sommige dichters de oudste der goden, die de stof bezielt met eene neiging tot vereeniging en daardoor eigenlijk voor den schepper der wereld gehouden moet worden. Gewoonlijk wordt hij echter meer beschouwd als de god der liefde tusschen menschen, in die hoedanigheid geeft men hem tot vader Zeus, Ares, Hermes, Hephaestus e. a., tot moeder Artemis, Iris, maar meestal Aphrodite. Hij komt dan ook het meest voor in gezelschap van deze en is het werktuig, waardoor zij den menschen hare macht laat gevoelen; dikwijls volgt hij echter ook zijn eigen luimen en verschoont dan zelfs zijn eigen moeder niet. Dartel en niets ontziende treft hij goden en menschen met zijne pijlen, van welke de scherpe liefde verwekken, de stompe juist voor liefde ongevoelig maken. Ook de liefde en vriendschap tusschen mannen en jongelingen wordt door hem beschermd, daarom is hem bijv. de heilige schaar der Thebanen gewijd, en vereerden de Atheners hem als den god, die door Harmodius en Aristogiton de bevrijding hunner stad bewerkt had. De roos en de duif zijn hem gewijd.--Hij wordt afgebeeld als een schoone knaap, later als een bevallig, meest gevleugeld kind, met boog, pijlen en fakkel. Dikwijls wordt hij vergezeld door de Chariten, Muzen e. dgl., soms ook door met hem gelijksoortige wezens, die men Erotes noemt en waarvan sommige een afzonderlijken naam dragen, als Pothos, Himeros, enz.--De Romeinen geven hem den naam Amor of Cupido.--Zie ook Psyche.
Erotia, Erotia, Erotidia, feest om de vier jaar door de Thespiërs ter eere van Eros als scheppend god gevierd; er bevond zich daar een ruwe steen, die voor het oudste beeld van den god gehouden werd.
Erotianus, Erotianos, grieksch geneeskundige en taalgeleerde ten tijde van Nero, schrijver van een woordenboek op Hippocrates.
Errhephoria = Arrhephoria.
Erucii, een plebejische familie.
Eruli = Heruli.
Erulus = Herilus.
Erycina, Erykine, bijnaam van Aphrodite naar den berg Eryx.
Erymanthus, Erymanthos, berg en rivier in Arcadia. De berg lag in het N., de rivier, die er op ontsprong, stortte zich in den Alpheus. Op den berg behooren de mythen te huis van Heracles en het erymanthische zwijn en van Callisto, welke laatste dichterlijk ook Erymanthis ursa wordt genoemd.
Erysichthon, Erysichthon, 1) zoon van Cecrops, die, van eene reis naar Delus terugkeerend, nog bij het leven van zijn vader stierf.--2) zoon van Triopas, koning in Thessalië, die boomen in een aan Demeter gewijd bosch velde, en door de godin met een onverzadelijken honger gestraft werd, zoodat hij ten slotte zijn eigen handen en voeten opat en van honger stierf.
Erythea, -ia, Erytheia, het land van het avondrood; later dacht men zich dit als een eilandje in de golf van Gades (Cadix), van waar Heracles de runderen van den reus Geryones wegvoerde; in werkelijkheid ligt hier geen eiland van dien naam.
Erythrae, Erythrai, 1) stad in Boeotia, ten O. van Plataeae.--2) belangrijke stad in aziatisch Ionia, waarschijnlijk oorspronkelijk door Cretensers gesticht; later komen hier Ioniërs bij; de stad bleef belangrijk tot in den keizertijd.--3) havenplaats van de ozolische Locriërs, ten Z. van Eupalium.
Erythraeum mare, Erythra thalatta, mare rubrum, thans de Indische Oceaan. In ruimeren zin werd er soms de Arabische en sedert den tocht van Nearchus (z. a.) de Perzische golf bij gerekend.
Erytus, Erytos = Eurytus no. 1.
Eryx, Eryx, zoon van Poseidon of Butes no. 2 en Aphrodite Erycina. Hij werd koning der Elymi en was een geducht vuistvechter. Toen Heracles met de kudde van Geryones op Sicilië kwam, daagde Er. hem tot een tweegevecht uit, waarin hij gedood werd.
Eryx, Eryx, berg en stad op de Westkust van Sicilia hij kaap Drepanum. Op den berg lag een beroemde tempel van Aphrodite Erykine, Venus Erycina. Hier heeft Hamilcar Barcas zich in den eersten punischen oorlog drie jaar lang verschanst (244-241).
Eryximachus, Eryximachos, zoon van Acumenus, atheensch geneesheer van naam, een van de woordvoerders bij het Symposium van Plato.
Esquiliae, de 5de regio van Rome onder de verdeeling van Augustus. Zij omvatte de noordelijke helft van den mons Esquilinus, met het park van Maecenas enz.
Esquilina, eene der vier plaatselijke tribus, waarin Servius Tullius Rome verdeelde. De porta Esquilina voerde naar Tibur en Praeneste.
Esquilinus (mons), een der heuvels, waarop Rome was gebouwd, in het O. der stad.
Essedarii, zwaardvechters, die op de wijze der Britten en Galliërs op strijdwagens streden. Zulk een wagen, esseda of essedum, was tweewielig en van voren open.
Esubii of Sesubii, gallisch volk in het tegenw. Normandië.
Eteobutadae, Eteoboutadai, familie te Athene, waaruit de priesters van Athena gekozen werden, zij stamden af van Butus no. 1.
Eteocles, Eteokles, 1) zoon van Oedipus en Iocaste. Nadat hun vader Thebe verlaten had, kwam hij met zijn broeder Polynices overeen dat zij beurtelings zouden regeeren, maar toen de tijd gekomen was om de regeering aan Polynices over te geven, weigerde hij dit te doen. Polynices ging daarop naar Adrastus, die den zoog. tocht der zeven vorsten ondernam om hem op den troon te herstellen; beide broeders vielen in een tweegevecht.--2) koning van Orchomenus in Boeotië, die den dienst der Charites invoerde.
Eteoclus, Eteoklos, zoon van den argivischen koning Iphis, een van de zeven vorsten, die met Adrastus tegen Thebe optrokken.
Eteocretes, Eteokretes, oudste bewoners van Creta, door de grieksche veroveraars teruggedrongen naar het oostelijk gedeelte van het eiland; hun stad is Praesus.
Etesiai, sc. anemoi, de Grieksche passaatwinden, die in de maanden Juni tot September uit het Noorden of Noordwesten waaien.
Etovissa, Etybesa, stad der Edetanen in het O. van Tarraconensis, nabij de kust.
Etruria, ook wel Hetruria, later Tuscia, bij de Grieken Tyrrhenia, Tyrrenia, Tyrsenia genoemd, thans Toscane, het N.W. landschap van Midden-Italië, een zeer vruchtbare landstreek. Waarschijnlijk was het oudtijds door Umbriërs bewoond, terwijl de Tyrsenoi (Tyrrenoi), Tusci, Etrusci, die hun naam aan het landschap en aan de Tyrrheensche Zee gegeven hebben, van over zee uit het grieksche oosten gekomen, waarschijnlijk in de 9de of 8ste eeuw v. Chr. zich aan de Westkust hebben neergezet, en het land langzamerhand veroverend, de oorspronkelijke bevolking onderdrukt hebben. V.a. zijn ze uit het Noorden gekomen. Zij zijn van niet-indogermaanschen stam, en hun taal is nog niet ontcijferd. Zij noemen zich zelf Rasenna, Zij hebben zich reeds vroeg zeer ontvankelijk getoond voor de grieksche beschaving, en Etruria was in de 7-5de eeuw het beste afzetgebied voor de produkten van grieksche kunst en kunstnijverheid. In de etrurische graven van Caere, Volci en andere steden heeft men duizenden grieksche vazen, soms van hooge kunstwaarde, gevonden. Hun eigen kunst, nabootsing deels van grieksche, deels van phoenicische waren, steekt bij de grieksche zeer af. Slechts hun metalen spiegels en het zwarte aardewerk (bucchero nero), na de onderwerping onder Rome verdrongen door het roode arretijnsche werk (vasa Arretina), en hun tempel- en huizenbouw verdient genoemd te worden. De Etruscers waren in de 7de en 6de eeuw het machtigste en het meest ontwikkelde volk van Italië. Als zeevaarders en zeeschuimers beheerschten zij de naar hen genoemde zee, en hielden de Grieken er uit (zie Alalia en Caere). Ze veroverden een gedeelte van de Po-vlakte, waar Felsina, het latere Bononia (thans Bologna) hunne hoofdstad was, onderwierpen Latium (de drie laatste koningen van Rome zijn waarschijnlijk etruscische vorsten) en vestigden zich zelfs een tijdlang in Campania, waar ze Capua gesticht en een stedenbond gevormd hebben. Het land zelf is verdeeld in vele staten, die slechts los met elkaar verbonden zijn, en elkaar nu en dan onderling beoorlogen. De voornaamste steden zijn: Arretium, Caere (= Agylla), Clusium, Cortona, Faesulae, Perusia, Populonia, Rusellae, Tarquinii, Veii, Vetulonia, Volaterrae, Vulci en Volsinii. Falerii, dat in Zuid-Etrurië ligt, behoort er niet toe, want de inwoners, de Falisci, zijn van latijnschen stam. De met sterke muren omgeven steden der Etruscers beheerschen en onderdrukken het uitgestrekte grondgebied, dat er om heen ligt. Het bestuur is aristocratisch ingericht, terwijl aan het hoofd van elken stadstaat een priesterlijke koning staat met den titel Lucumo of Lar, welke waardigheid erfelijk schijnt te zijn. De Etruscen waren krijgshaftig, maar toen ze door handel, scheepvaart en industrie rijk waren geworden, verslapten zij. De Grieksche schrijvers hebben vele verhalen omtrent hun weelde en weelderigheid ons overgeleverd. In de 5de eeuw gaat hun macht langzamerhand achteruit. In 474/3 leden zij bij een aanval van de zeezijde op het campaansche Cumae een gevoelige nederlaag door de Syracusanen onder Hiero, die Cumae te hulp gekomen waren. In het laatst van de 5de eeuw moeten ze hun heerschappij over de Po-vlakte afstaan aan de Kelten, en ongeveer in denzelfden tijd (396) wordt Veii door de Romeinen vernietigd. In de 4de eeuw neemt nu de macht van Etrurië sterk af, totdat het, in ongeveer 280, geheel van Rome afhankelijk wordt. De bevolking, die zoo lang door de regeerende aristocratie onder het juk schijnt gehouden te zijn, leverde onder rom. bestuur sterke democratische elementen; vandaar dat Sulla en later Octavianus er verscheidene soldatenkoloniën heenzonden.
Euadne, Euadne, 1) dochter van Poseidon en Pitane, bij Apollo moeder van Iamus.--2) dochter van Iphis, gemalin van Capaneus, die zich te gelijk met het lijk van haar echtgenoot liet verbranden.
Euagoras, Euagoras, een van de Teucriden, eene familie die vroeger te Salamis op Cyprus geregeerd had, maar later door phoenicische tyrannen vervangen was. Daar de toen regeerende tyran hem wegens zijne afkomst en nog meer wegens zijne buitengewone begaafdheid wantrouwde en uit den weg trachtte te ruimen, ging hij naar Cilicië, van waar hij in 410 met eene zeer kleine legermacht terugkeerde, zijn vaderland bevrijdde en koning werd. Hij bracht zijn rijk en het geheele eiland tot een hoogen trap van welvaart en streefde er vooral naar, betrekkingen met grieksche staten aan te knoopen en grieksche beschaving in te voeren. In Conon, die na den slag bij Aegospotami bij hem een toevlucht gevonden had, vond hij een voortreffelijk helper; hij ondersteunde hem van zijn kant krachtig bij zijne pogingen om de overmacht der Lacedaemoniërs te breken. Uit dankbaarheid hielpen de Atheners hem met schepen, toen hij door de Perzen werd aangevallen, zoodat hij, ook gesteund door een verbond met Aegypte, aanvankelijk aanzienlijke voordeelen behaalde, en ofschoon Artaxerxes na den vrede van Antalcidas met meer geluk den oorlog tegen hem voerde, verkreeg hij toch na langen strijd in 380 een eervollen vrede. In 374/3 werd hij door een sluipmoordenaar gedood.--2) zoon van Nicocles, kleinzoon van den vorigen (368-351), werd na eene korte regeering door Pnytagoras van den troon gestooten, kwam met perzische hulp terug, doch kon zich op den duur niet staande houden. Hij werd toen satraap eener provincie in Klein-Azië, doch moest wegens knevelarij vluchten en werd eindelijk op Cyprus vermoord (351).
Euander, Euandros, 1) zoon van Hermes en Themis, Carmenta of Nicostrate, of van Echemus en Timandra, kwam 60 jaar voor den trojaanschen oorlog met eene volkplanting uit Pallantium in Arcadië naar Latium, en stichtte op de plaats, waar later Rome stond, eene stad, die hij Pallantium of Palatium noemde en waarnaar de Palatinus genoemd is. Hij leerde den bewoners van die streken schrijven, muziek en andere kunsten, en voerde den dienst van verscheiden grieksche goden in; ook hielp hij Heracles in zijn strijd tegen de omwonende volken en gaf hij Aeneas hulptroepen onder bevel van zijn zoon Pallas. Hij werd te Rome als inheemsch heros vereerd.--2) leerling van Lacydes en diens opvolger als hoofd der academische school (sinds 215).
Euangelus, Euangelos, 1) schrijver van een werk over krijgskunde.--2) dichter der nieuwe attische comedie.
Euarchus, Euarchos, 1) van Chalcis, voerde eene kolonie naar Catana (± 725).--2) tyran van Astacus in Acarnanië bij het begin van den peloponnesischen oorlog.
Euboea, Euboia, thans Negroponte, eiland, door den Euripus van Hellas gescheiden. Hoewel het in de volle lengte door een woest kalksteengebergte wordt doorsneden, had het, vooral aan de Westkust en in het Noorden zeer vruchtbare vlakten. In het N. woonden Ellopes en Perrhaebi, in het midden Curetes en Abantes, die vroeg door de Ioniërs onderworpen zijn, in het Z. Dryopes. Het midden, waar Chalcis en Eretria lagen, is het belangrijkste. Sedert de perzische oorlogen kwam Euboea onder atheenschen invloed. Na den afval van 446 werd het geheel door Athene onderworpen. In 411 viel het af, maar is later toch meest op de hand van Athene. Na den slag bij Chaeronea hoort het onder Macedonia. In 194 wordt het onafhankelijk, in 146 wordt het bij het rom. rijk ingelijfd, en hoort soms tot de provincie Achaia, meestal echter bij Macedonia.
Eubulides, Euboulides, 1) van Miletus, wijsgeer uit de school van Euclides no. 3. Hij wordt ook genoemd als de leermeester van Demosthenes, dien hij geholpen zou hebben zijn spraakgebrek te overwinnen.--2) beroemd atheensch beeldhouwer uit het midden van de 2de eeuw.
Eubulus, Euboulos, 1) een van de beroemdste dichters der attische comedie uit het overgangstijdperk; hij leefde omstreeks het midden der 4de eeuw en schreef 104 stukken. Hij parodiëerde gaarne oudere treurspeldichters, vooral Euripides.--2) atheensch redenaar en demagoog (sedert 354), in hoog aanzien bij het volk; hij trachtte vooral de financiën van den staat te versterken, die hij waarschijnlijk tot het jaar 339 beheerd heeft, en was dus een voorstander van den vrede tot elken prijs en een hevig tegenstander van Demosthenes; door zijn invloed werd Aeschines (z. a.) vrijgesproken, toen Demosthenes hem van verraderlijke handelingen had aangeklaagd. Van hem is de wet, dat alle beschikbare staatsgelden voor het theorikon besteed moesten worden, en dat ieder met den dood gestraft zou worden, die hierin eene verandering voorstelde; eerst kort voor den slag bij Chaeronea werd deze wet ingetrokken. Hij stierf in 330.--3) van Alexandria, een philosoof uit de school der Sceptici, z. Pyrrho.
Euclides, Eukleides, 1) van Zancle, stichter van Himera.--2) eerste archont te Athene in 403, het jaar van de amnestie, de wederinvoering der wetten van Solon en de invoering van het ionische alphabet.--3) van Megara, kwam dikwijls des avonds in vrouwenkleederen naar Athene om Socrates te bezoeken, omdat de Atheners in dien tijd den Megarensers op doodstraf het verblijf in hun stad verboden hadden. Na den dood van Socrates vonden verscheidene van zijne leerlingen, die zich te Athene niet veilig achtten, o.a. Plato, bij Eucl. eene schuilplaats. Hij verbond de eenheidsleer der Eleaten met stellingen van Socrates en werd de stichter der megarische school, die leerde, dat alleen het goede, hoewel onder zeer verschillende namen, bestond. De verdediging van deze leer vereischte vele dialectische spitsvondigheden, waarin vooral zijne navolgers Eubulides no. 1 en Diodorus no. 1 uitmuntten en waarom de wijsgeeren van zijne richting dikwijls eristikoi of dialektikoi genoemd worden. Z. ook Stilpo.--4) beroemd wiskundige te Alexandrië omstreeks 300, schrijver van verscheiden werken over meetkunde, sterrenkunde en muziek. Zijn hoofdwerk, Stoicheia, wordt nog tegenwoordig soms als leerboek der meetkunde gebruikt.
Eucrates, Eukrates, atheensch demagoog, uit den eersten tijd na den val van Pericles.
Euctemon, Euktemon, 1) atheensch veldheer in den peloponnesischen oorlog, eerste archont 408/7.--2) astronoom en geograaf uit de 2de helft der 5de eeuw.
Eudamidas, Eudamidas, aanvoerder van een spartaansch leger, dat in 382 gezonden werd om Olynthus te belegeren, bij welke onderneming hij sneuvelde.
Eudemus, Eudemos, 1) van Parus, logograaf in de zesde of vijfde eeuw.--2) van Rhodus, een der beste leerlingen van Aristoteles, zette als geneesheer vooral de wis- en natuurkundige navorschingen van zijn meester voort. V. s. is hij de schrijver der Ethika Eudemeia, naar voordrachten van Aristoteles opgesteld.
Eudocia, Eudokia, z. Athenais no. 2.
Eudorus, Eudoros, van Alexandrië, schrijver van verschillende werken over de leer van Plato, Aristoteles en Pythagoras; hij was een tijdgenoot van Augustus.
Eudoxia, eene Frankin, door den minister Eutropius aan den nietsbeteekenenden keizer Arcadius tot gemalin gegeven. Van 399 tot 405 na C. voerde zij voor den keizer de teugels van het bewind, en maakte zich door strengheid gehaat.
Eudoxus, Eudoxos, 1) van Cnidus, bestudeerde eenigen tijd in Aegypte astronomie, was een verdienstelijk geneesheer, maar vooral beroemd als wis-, sterren- en aardrijkskundige. Hij had te Cnidus een observatorium en was de eerste, die de bolvormige gedaante der aarde bewees. Omstreeks 370 voerde hij in zijne vaderstad verscheiden veranderingen in de staatsregeling in. Ofschoon hij een leerling van Plato was, verwierp hij vele van diens physische en ethische leerstellingen.--2) van Cyzicus, omstreeks 120, schrijver van een werk bevattende zijne waarnemingen op reizen naar Indië, Hispanië en Africa. Van zijne aanteekeningen heeft Posidonius gebruik gemaakt.
Euenus, Euenos, 1) z. Idas.--2) koning van Lyrnessus, vader van Briseis.--3) naam van twee elegische dichters, van welke één leermeester van Socrates genoemd wordt. De sophist, die op eenige plaatsen bij Plato vermeld wordt, is waarschijnlijk dezelfde persoon als een van deze beide dichters.
Euenus, Euenos, vroeger Lycormas geheeten, een woeste bergstroom in Aetolia. Ook eene rivier in Mysia.
Eueteria, Eueteria, bijnaam van Demeter te Corinthe.
Eugammon, Eugammon, van Cyrene, een van de cyclici, dichtte omstreeks 570 eene Telegonie, een vervolg op de Odyssee tot den dood van Odysseus.
Euganei, bergvolk op de Raetische Alpen, voornamelijk naar de zijde van Italië.
Euhemerus, Euemeros, van Messana, leefde aan het hof van Cassander (311-297), en was de schrijver van de hiera anagraphe, naar den vorm eene samenhangende geschiedenis van den mythischen tijd (hij vertelt o.a. van een fabelachtig eiland Panchaea, z. a.), maar eigenlijk meer eene verdediging van de stelling, dat alle goden en heroën oorspronkelijk menschen geweest waren, wien men wegens hunne uitmuntende eigenschappen na hun dood goddelijke eer was gaan bewijzen, en wel het eerst op de plaatsen waar zij begraven waren. Deze leer, naar hem Euhemerismus genoemd, vond vele aanhangers, maar ook ernstige bestrijders; Ennius vertaalde het werk van Euh. in het Latijn, en de kerkvaders beroepen zich dikwijls erop.
Euius, Euios, bijnaam van Dionysus, naar den kreet der Bacchanten: euoi.
Eukleia, feest te Corinthe ter eere van Artemis gevierd, die daar en te Thebe den bijnaam Eukleia had.
Eulaeus, Eulaios, rivier in Susiane, vereenigt zich met den Choaspes en valt met dezen in den Tigris.
Eumaeus, Eumaios, zoon van koning Ctesius van het eiland Syria, die als kind door zijn voedster ontvoerd en aan Laërtes verkocht werd. Hij werd zwijnenhoeder bij dezen en later bij Odysseus. Toen zijn heer onbekend in zijn vaderland terugkeerde, ontving Eum. hem vriendelijk; Odysseus maakte zich dan ook het eerst aan hem bekend en bediende zich van zijne hulp in den strijd tegen de vrijers van Penelope.
Eumelus, Eumelos, 1) z. Agron.--2) zoon van Admetus en Alcestis, aanvoerder der Thessaliërs in den trojaanschen oorlog.--3) van Corinthe, een Bacchiade, in het midden der 8ste of v. a. der 7de eeuw.
Eumenes, Eumenes, 1) van Cardia, geb. 362, geheimschrijver van Philippus en later van Alexander d. G., die hem hoog schatte en hem dikwijls tegen den haat en de afgunst der macedonische edelen moest beschermen. Toen hij na den dood van Alex. zag, dat zijne pogingen om de verschillende veldheeren tot overeenstemming te brengen vruchteloos waren, sloot hij zich bij Perdiccas aan en bleef hij met trouw, moed en bekwaamheid voor de rechten van het koninklijke huis strijden. Bij de verdeeling van het rijk kreeg hij Cappadocië en omliggende landen, en terwijl Perdiccas in Aegypte oorlog voerde, verdedigde hij Azië met goed gevolg tegen Antipater en Craterus. Na den dood van Perdiccas werd hij door Antigonus beoorloogd, tegen wien hij zich met een betrekkelijk geringe macht vier jaar staande hield, totdat hij in 316 door het verraad der Macedoniërs, die onder hem dienden, in de handen van zijn vijand viel, die hem liet dooden. Zijn dagboek over de tochten van Alex. (Ephemerides Alexandrou) wordt door oude schrijvers hoog geprezen.--2) Eum. I, regeerde als opvolger van zijn oom Philetaerus over Pergamus (263-241), vergrootte zijn rijk ten koste van Syrië, overwon Antiochus Soter in een slag bij Sardes en was een beschermer van kunsten en wetenschappen.--3) Eum. II, koning van Pergamus (197-159), langen tijd een getrouw vriend der Rom., ondersteunde hen tegen Nabis en Antiochus d. G., en werd wederkeerig door hen beschermd in zijne oorlogen tegen Prusias van Bithynië en Pharnaces van Pontus; bovendien werd zijn gebied met het grootste deel van het door Antiochus afgestane land vergroot en werd hij eenige malen te Rome met groote eer ontvangen. Door dit alles geraakte hij echter in een toestand van afhankelijkheid, waaruit hij zich gaarne bevrijd zoude hebben, daarom knoopte hij met Perseus van Macedonië onderhandelingen aan, terwijl deze met Rome in oorlog was, wat door de Rom. zoo kwalijk genomen werd, dat zij hem op alle wijzen in verlegenheid brachten, en zelfs zijn broeder Attalus tegen hem trachtten op te zetten. Hij was een beschermer van kunsten en wetenschappen, verbond geleerden en dichters aan zijn hof, en breidde de door zijn vader gestichte bibliotheek uit. Hij is ook de stichter van het groote altaar te Pergamum, waarvan het beeldwerk nu te Berlijn is (z. Pergamum).
Eumenides, Eumenides, z. Erinnyes.
Eumenius, Eumenios, latijnsch rhetor en panegyricus in Gallia in de 3de eeuw en het begin der 4de eeuw n. C. Van hem, hoewel niet onder zijn naam, zijn 7 lofredenen en ééne suasoria bewaard gebleven. Hij is een tijdlang magister memoriae van Maximianus geweest, maar later weder rhetor geworden in zijn vaderstad Augustodunum (Autun).
Eumolpidae, Eumolpidai, atheensche familie, waarin de waardigheid van hierophant (z. Eleusinia) erfelijk was. Zij spraken ook recht in processen wegens schending der mysteriën. Hun stamvader was Eumolpus.
Eumolpus, Eumolpos, zoon van Poseidon en Chione, ook zoon van Musaeus genoemd, een Thraciër, priester van Demeter en dichter. Hij vestigde zich te Eleusis, voerde er de mysteriën van Demeter en Dionysus in en vierde ze het eerst met de dochters van Celeüs. Als bondgenoot der Eleusiniërs sneuvelde hij in den oorlog, dien zij tegen Erechtheus (z. a.) voerden. Verscheiden liederen, die op de mysteriën betrekking hebben (teletai), ook de uitvinding van wijnbouw en boomkweekerij worden hem toegeschreven.--Gewoonlijk neemt men aan, dat er drie of vier personen van dien naam geweest zijn, en dat de mysteriën niet door denzelfden Eumolpus zijn ingevoerd, die tegen Erechtheus sneuvelde.
Eunapius, Eunapios, van Sardes, grieksch rhetor op het einde der 4de eeuw na C., vijand van het Christendom, schreef 23 levensbeschrijvingen van wijsgeeren uit zijn tijd. Van zijn kroniek die van 270 tot 404 na C. liep, zijn eenige vrij aanzienlijke fragmenten over.
Euneus, Euneos, ook Euneus of Euneos, zoon van Iason en Hypsipyle, koning van Lemnus, stond in handelsbetrekking met de Grieken voor Troje.
Eunomia, Eunomia, eene van de Horae.
Eunomus, Eunomos, koning van Sparta, vader van Lycurgus, werd bij een opstand gedood.
Eunus, Eunous, van geboorte een Syriër, slaaf te Enna op Sicilia, aanvoerder van den grooten slavenopstand, die het eiland van 141 tot 132 teisterde en eerst door den consul P. Rupilius werd onderdrukt. Eunus werd op de vlucht in eene spelonk ontdekt en gevat, doch stierf vóór zijne terechtstelling.
Eupalium, Eupalion, stad bij de ozolische Locriërs, met de haven Erythrae.
Eupatridai, 1) zij die behooren tot de eerste van de drie phylen, waarin Theseus het volk van Attica verdeelde.--2) alg. menschen van adellijke geboorte, ook vertaling van het lat. patriciï.
Euphemus, Euphemos, 1) zoon van Poseidon en Europa, onderstuurman der Argonauten. Hij kreeg van Triton een kluit aarde, die, volgens de voorspelling van Medea, aan zijne nakomelingen in het vierde geslacht de heerschappij over Libye zoude bezorgen. De kluit werd echter bij Thera verloren, en nu werd de voorspelling eerst in het zeventiende geslacht vervuld, toen zijn afstammeling Battus van Thera naar Libye kwam en Cyrene stichtte.--2) zoon van Troezenus, aanvoerder der Ciconen en bondgenoot der Trojanen.
Euphorbus, Euphorbos, een van de dapperste Trojanen, de eerste die aan Patroclus een wond toebracht, later door Menelaus gedood. Pythagoras beweerde, dat hij vroeger als Euphorbus op aarde geleefd had.
Euphorion, Euphorion, 1) zoon van Achilles, bij Helena verwekt, toen zij op de eilanden der zaligen leefden. Daar hij de liefde van Zeus niet beantwoordde, werd hij door den bliksem gedood.--2) vader van Aeschylus.--3) zoon van Aeschylus, bracht na den dood van zijn vader eenige van diens stukken ten tooneele, en behaalde viermaal den prijs; eenmaal ook met eene tetralogie van hemzelf tegen Sophocles en Euripides.--4) van Chalcis op Euboea, geb. 276, schrijver van vele geleerde werken en van gedichten in den alexandrijnschen trant; hij stierf als bibliothecaris van Antiochus d. Gr. Vooral bij de Rom. werd zijne poëzie hoog geschat. Cicero drijft den spot met hem en zijn Romeinsche navolgers.
Euphranor, Euphranor, van Corinthe, beroemd beeldhouwer en schilder omstreeks 380. Vooral zijne schilderijen in den zuilengang van Zeus eleutherios aan de agora te Athene worden hoog geprezen.
Euphrates, Euphrates, belangrijke rivier, die met twee hoofdtakken in Armenia ontspringt, door den Taurus heenbreekt en, met den Tigris vereenigd, zich in de Perzische golf ontlast. De Perzische golf is eerst door den tocht van Nearchus (no. 2) bekend geworden; de vroegere schrijvers laten dus den Euphraat en den Tigris in de Roode Zee, d. w. z. den Indischen Oceaan uitmonden. In Babylonia werd uit den Euphraat veel water afgeleid door zijkanalen.
Euphratensis = Augustophratensis.
Euphron, Euphron, 1) van Sicyon, maakte van de onrustige tijden van den spartaansch-thebaanschen oorlog gebruik om zich met behulp van de arme burgers van het oppergezag meester te maken. Hij onderdrukte zijne tegenpartij, doch werd weder verdreven, vluchtte naar Thebe en werd daar vermoord (± 365).--2) dichter der nieuwe attische comedie omstreeks 280, van wiens werken slechts weinige fragmenten bewaard zijn.
Euphronius, Euphronios, een van de beroemdste attische vazenschilders uit ± 500. Hij schildert in den streng roodfigurigen stijl.
Euphrosyne, Euphrosyne, eene van de Charites.
Eupithes, Eupeithes, 1) vader van Antinoüs, die, om den dood van zijn zoon te wreken, het volk van Ithaca tegen Odysseus opruide. Het kwam tot een gevecht, waarbij hij door Laërtes gedood werd.
Euploia, bijnaam van Aphrodite.
Eupolis, Eupolis, van Athene, een van de beste blijspeldichters der oude attische comedie. Hij trad reeds op zijn zeventiende jaar als dichter op en schreef 20 stukken, van welke 7 den eersten prijs behaalden, en waarin de ouden dezelfde eigenschappen roemen als in die van zijn tijdgenoot Aristophanes. Hij stierf nog voor het einde van den peloponnesischen oorlog. Van zijne werken zijn alleen fragmenten bewaard gebleven.
Eupompus, Eupompos, van Sicyon, leefde kort na den peloponnesischen oorlog; hij was de stichter eener schilderschool, die zich vooral op juistheid van teekening en groote nauwkeurigheid in de details toelegde.
Euripides, Euripides, zoon van den Athener Mnesarchides, op den dag van den slag bij Salamis op dat eiland geb., de derde der groote attische treurspeldichters. Zijne ouders waren, naar men beweerde, van zeer geringen stand; dit wordt echter tegenwoordig tegengesproken; zijne moeder, Clito, Kleito, was zelfs van adel; hij genoot dan ook eene zeer goede opvoeding. In zijne jeugd legde hij zich op de gymnastiek en schilderkunst toe, later werd hij een leerling van Anaxagoras, een toehoorder van Prodicus en Protagoras en een vriend van Socrates. Zijne werken toonen den invloed van zijne philosophische studiën: zij munten uit door groote kennis en juiste schildering van karakters en hartstochten en bevatten vele treffende tooneelen; daarentegen missen zij den verheven eenvoud van de stukken van Aeschylus en Sophocles; zij zijn niet meer ontleend aan de algemeen bekende mythen, maar geven dikwijls een oorspronkelijke, soms zeer romantische, bewerking van een of andere bizonderheid daaruit, zoodat meestal een proloog de toeschouwers moet inlichten over den inhoud van het stuk en de betrekkingen tusschen de handelende personen. Zijn helden toonen in hun denken en handelen meer de eigenschappen van gewone menschen; ook wordt de handeling telkens afgebroken door wijsgeerige bespiegelingen, terwijl ook de koorgezangen niet meer met het stuk zelf samenhangen, maar geheel als bijzaak behandeld zijn; de ontknooping is dikwijls niet op eene natuurlijke wijze te vinden, zoodat de tusschenkomst van een god--deus ex machina--noodig wordt. Op godsdienstig gebied verkondigt hij soms stellingen, die met het volksgeloof in strijd zijn; op lateren leeftijd schijnt hij echter tot de algemeen gangbare meeningen daaromtrent teruggekeerd te zijn, of ingezien te hebben, dat het nutteloos was den strijd er tegen voort te zetten. Om al deze redenen, ook naar aanleiding van allerlei nieuwigheden in metriek en muziek, die hij op het tooneel bracht, werd hij door Aristophanes en andere blijspeldichters meedoogenloos gehekeld als de vertegenwoordiger van alles, wat zij in den geest van hun tijd afkeuren; over het geheel kon hij zich niet beroemen grooten bijval gevonden te hebben: slechts vijfmaal verkreeg bij den eersten prijs (het eerst in 441), terwijl hij 92 (v. a. 98) stukken geschreven heeft, waarvan het eerste reeds in 465 is opgevoerd. Na zijn dood vonden zij echter de grootste bewondering en vielen juist zijne eigenaardigheden, die hem van de andere groote treurspeldichters onderscheiden, in den smaak van het publiek.--Ook zijn huiselijk leven gaf hem weinig stof tot tevredenheid: zoowel in zijn eerste als zijn tweede huwelijk was hij ongelukkig; zijne eerste vrouw verstiet hij wegens ontrouw, zijne tweede vrouw verliet hem. Met staatszaken bemoeide hij zich niet; toch schijnt hij weinig ingenomen te zijn geweest met de richting, die men te Athene na den dood van Pericles had ingeslagen, en dikwijls liet hij zijne ontevredenheid door een van de personen zijner stukken uitspreken. Op het einde van zijn leven gaf hij gehoor aan eene uitnoodiging van koning Archelaus van Macedonië, aan wiens hof hij groote eer genoot; in 406 of 405 stierf hij er.--Van zijne werken bestaan nog 18 treurspelen en 1 satyrdrama. De meest bekende hiervan zijn: Alcestis (opgevoerd 438), Medeia (431), Hippolytus (428), Iphigeneia en Taurois, Ion, Phoinissai, Iphigeneia he en Aulidi en het satyrdrama Kyklops.--Ook een neef van den grooten dichter, die denzelfden naam droeg, trad als treurspeldichter op, naar het schijnt met weinig geluk. Zijn zoon, die ook Euripides heette, heeft enkele stukken van zijn vader na diens dood doen opvoeren.
Euripus, Euripos, zeeëngte met eb en vloed, in het bijzonder de zeeëngte bij Chalcis tusschen Euboea en het vasteland. Dat gedeelte van de zeestraat, dat ten N. van Chalcis is, heet Euboeische zee.
Eurome of -mus, Eurome, Euromos, stadje in Caria, tusschen Mylasa en Heraclea Latmi.
Europa, Europe, 1) dochter van Tityus, moeder van Euphemus.--2) dochter van Phoenix en Perimede of van Agenor en Telephassa. Toen zij eens aan het strand der zee wandelde, kwam Zeus tot haar in de gedaante van een schoonen stier; het meisje streelde hem en waagde het eindelijk zich op zijn rug te zetten, waarop hij in zee sprong en met haar naar Creta zwom. Hier legde hij zijne aangenomen gedaante af en bracht haar naar den berg Dicte. Zij werd bij hem moeder van Minos, Rhadamanthys en Sarpedon en huwde later met Asterion (z. a.). Op Creta genoot zij onder den naam Hellotis goddelijke eer.--3) Oceanide.
Europa, Europe, het werelddeel. Oorspronkelijk is de naam beperkt tot Griekenland, behalve de Peloponnesus, en tot Macedonië; bij Herodotus omvat het behalve het tegenwoordig Europa, ook het N. van Azië; later is de Tanaïs (Don) en de Palus Maeotis de oostelijke grens; bij sommigen echter de Phasis, bij anderen de Caucasische landengte tusschen de Zwarte zee en de Caspische zee.
Europus, Europos, 1) stad aan den Axius (Vardar) in het maced. landschap Emathia.--2) stad in Caria = Idrias (Stratonicea).--3) stad in Syria.--4) zie Rhagae.
Eurotas, Eurotas, hoofdriv. van Laconica, waaraan Sparta lag. In zijn bovenloop stroomt de Eurotas onder den grond door. De oevers waren dicht bezet met riet en biezen, waaruit de spartaansche jongens zich hun legerstede bereidden.
Eurus, Euros, oorspronkelijk de Oostenwind, later de Zuidoostenwind, zie Windstreken.
Euryale, Euryale, 1) eene van de Gorgonen.--2) dochter van Minos, moeder van Orion.--3) koningin der Amazonen, die Aeetes tegen de Argonauten te hulp kwam.
Euryalus, Euryalos, 1) zoon van Mecisteus, een der Epigonen, Argonaut en makker van Diomedes voor Troje.--2) een van de tochtgenooten van Aeneas, beroemd door zijne vriendschap voor zijn makker Nisus, z.a.
Euryanax, Euryanax, zoon van Dorieus, een van de aanvoerders der Spartanen bij Plataeae.
Eurybates, Eurybates, 1) heraut van Agamemnon.--2) heraut van Odysseus.
Eurybatus, Eurybatos, 1) van Ephesus, werd door Croesus naar de Peloponnesus gezonden om troepen te werven, maar liep tot Cyrus over en verried hem het plan van Croesus. Zijn naam werd spreekwoordelijk voor een verrader gebruikt.--2) Lacedaemoniër, de eerste overwinnaar in den worstelstrijd te Olympia (708).--3) bevelhebber der corcyraeische vloot in den slag tegen de Corinthiërs bij Sybota (432).
Eurybiades, Eurybiades, Spartaan, opperbevelhebber der grieksche vloot in den oorlog tegen Xerxes. Hoewel hij weinig uitrichtte, kenden de Spartanen hem na den slag bij Salamis den prijs der dapperheid toe.
Euryclea, Eurykleia, dochter van Ops, slavin van Laërtes, voedster van Odysseus, de eerste die hem bij zijne terugkomst herkende.
Eurydice, Eurydike, 1) Dryade, gehuwd met Orpheus (z. a.). Voor Aristaeus, die haar met zijne liefde vervolgde, vluchtend, trapte zij bij ongeluk op een vergiftige slang, die haar een doodelijke wond toebracht.--2) of Aganippe, dochter van Lacedaemon, bij Acrisius moeder van Danaë.--3) dochter van Adrastus, bij Ilus moeder van Laomedon.--4) of Henioche, gemalin van Creon no. 2, hing zich op bij het vernemen van den zelfmoord van haar zoon Haemon.--5) gemalin van Lycurgus, moeder van Archemorus.--6) dochter van Clymenus, gemalin van Nestor.--7) z. Arrhidaeus.
Euryganea, Euryganeia, z. Oedipus.
Eurylochus, Eurylochos, tochtgenoot van Odysseus, die door zijne voorzichtigheid aan de tooverkunsten van Circe ontsnapte. Op het eiland Thrinacia gaf hij den raad de runderen van den zonnegod te dooden, daarvoor werd hij door Zeus met den bliksem getroffen.
Eurymachus, Eurymachos, 1) een van de minnaars van Hippodamea, door Oenomaüs gedood.--2) een van de minnaars van Penelope, door Odysseus gedood.--3) aanzienlijk Thebaan, werd bij de overrompeling van Plataeae in het begin van den peloponnesischen oorlog gedood.
Eurymedon, Eurymedon, 1) koning der Giganten.--2) wagenmenner van Agamemnon, te gelijk met zijn heer door Aegisthus gedood.--3) atheensch veldheer, ging in 427 en 425 naar Corcyra om de democratische partij te ondersteunen, en werd in 425 en wederom in 415 met eene vloot naar Sicilië gezonden; in 413 sneuvelde hij voor Syracuse.
Eurymedon, Eurymedon, riv. in Pamphylia, waarbij de Athener Cimon in 466 de Perzen te land en ter zee versloeg.
Eurynome, Eurynome, 1) Oceanide, bij Zeus moeder der Chariten.--2) huishoudster bij Odysseus.--3) moeder van Adrastus.--4) moeder van Agenor.--5) bijnaam van Artemis in Arcadië.
Euryphron, Euryphron, van Cnidus, beroemd geneesheer, oudere tijdgenoot van Hippocrates.
Eurypon, Eurypon, kleinzoon van Procles, derde koning van Sparta uit het geslacht der Procliden, die naar hem dikwijls Eurypontiden (Eurypontidai) genoemd worden.
Eurypylus, Eurypylos, 1) zoon van Euaemon, koning in Thessalië, een der voornaamste helden voor Troje. Bij het verdeelen van den buit na de inneming der stad viel hem eene kist ten deel, waarin een beeld van Dionysus was, door Hephaestus gemaakt en aan Dardanus geschonken, maar toen hij de kist opende, werd hij plotseling waanzinnig. Het delphische orakel beval, dat hij, om genezing te vinden, de kist ergens moest wijden waar ongewone offers gebracht werden; deze plaats vond hij te Aroë in Achaia, waar men aan Artemis jaarlijks twee menschen offerde. Na de komst van Eur. werden de menschenoffers afgeschaft, en de dienst van Dionysus-Aesymnetes ingesteld.--2) zoon van Poseidon en Celaeno, ging van Thessalië naar Libye, en regeerde in de omstreken van Cyrene.--3) zoon van Poseidon en Astypalaea, koning van Cos.--4) zoon van Telephus en Astyoche, bondgenoot der Trojanen, werd na vele dappere daden door Neoptolemus gedood.--5) zoon van Thestius, werd met zijne broeders door hun neef Meleager op de calydonische jacht gedood, wegens eene beleediging, aan Atalante aangedaan.
Eurysaces, Eurysakes, zoon van Aiax no. 2 en Tecmessa, werd met zijn vader te Athene als heros vereerd.
Eurysthenes, Eurysthenes, zoon van Aristodemus no. 1, regeerde met zijn broeder Procles over Lacedaemon, hij was de stamvader van het koninklijke geslacht der Eurystheniden Eurysthenidai.
Eurystheus, Eurystheus, zoon van Sthenelus en Nicippe, koning van Mycenae, z. Heracles en Heracliden.
Eurytion, Eurytion, 1) Centaur, die naar de hand van de dochter van Dexamenus, koning van Olenus, dong, en door Heracles, die haar eveneens beminde, gedood werd. Hij wordt ook genoemd als degene, die Hippodamea wilde schaken, en aanleiding gaf tot den strijd tusschen Centauren en Lapithen.--2) zoon of kleinzoon van Actor, een van de Argonauten, z. Peleus.--3) zoon van Ares en Erythia, bewaker der kudden van Geryones.--5) zoon van Lycaon, bekwaam boogschutter, tochtgenoot van Aeneas.
Eurytis, Iole, dochter van Eurytus.
Eurytus, Eurytos, 1) of Erytus, zoon van Hennes en Antianira, Argonaut.--2) zoon van Melaneus, koning van Oechalia. Hij had zijne dochter Iole beloofd aan hem, die zijne zonen in het schieten met den boog zou overtreffen. Toen Heracles den prijs echter gewonnen had, hield hij zijn woord niet, daarom doodde Heracles hem en zijne zonen.--3) een van de Molioniden.--4) = Eurytion no. 2.--5) een van de Giganten, bij de gigantomachie door Dionysus verslagen.
Eusebia of -bea, Eusebeia = Caesarea ad Argaeum.
Eusebius, Eusebios, van 313 tot 340 n. C. bisschop van Caesarea in Palestina, niet te verwarren met zijn naam- en tijdgenoot, den bisschop van Emesa in Phoenice. Eusebius van Caesarea, waar hij tusschen 260 en 264 geboren was, kan de vader der kerkgeschiedenis worden genoemd. Onder zijne werken zijn beroemd de ekklesiastike historia en het zoogenaamde Chronicon Eusebii, eene latijnsche omgewerkte vertaling zijner pantodape historia, eene synchronistische geschiedenis tot 324 n. C., door Hieronymus (331-420), een der kerkvaders, bewerkt en voortgezet tot 378.
Eustathius, Eustathios, Cappadociër, wijsgeer der nieuw-platonische school, leerling van Iamblichus, in 358 n. C. gezant van keizer Constantius bij den perzischen koning Sapores.
Euterpe, Euterpe, Muze der lyrische poëzie, afgebeeld met de dubbele fluit in de handen.
Euthycrates, Euthykrates, Olynthiër, die zich liet omkoopen om zijne vaderstad aan Philippus van Macedonië te verraden (348).
Euthydemus, Euthydemos, 1) atheensch veldheer in den peloponnesischen oorlog met Nicias eenigen tijd aanvoerder der Atheners voor Syracuse.--2) van Chius, leerde als sophist te Thurii en Athene; naar hem is een van de werken van Plato genoemd.--3) broeder van Lysias.--4) zoon van Diocles, leerling van Socrates.
Euthymus, Euthymos, beroemd vuistvechter van Locri in Italië ten tijde van de perzische oorlogen; men verhaalde, dat hij zonder te sterven van de aarde verdwenen was.
Euthynai, rekening en verantwoording, die ieder atheensch overheidspersoon binnen een bepaalden tijd na zijn aftreden bij de logisten moest afleggen; bij deze gelegenheid konde ieder burger klachten tegen den afgetredene inbrengen over de wijze, waarop hij zijn ambt had waargenomen. Bevonden de logisten, dat hij zich aan misbruik van macht, verraad, verduistering of dgl. had schuldig gemaakt, dan brachten zij hem na voorloopig onderzoek voor den rechtbank der heliasten, ook in het tegenovergestelde geval werden zij voor de rechtbank gebracht om van alle verdere verantwoordelijkheid ontslagen te woorden (episemainesthai).
Euthynoi, te Athene 10 personen, een uit elke phyle, die den logisten ter zijde stonden bij het nazien van de euthynai.
Eutropius, 1) geheimschrijver van keizer Valens en schrijver van een Breviarium of beknopt overzicht der geschiedenis van het rom. rijk van de stichting van Rome tot op den dood van keizer Jovianus 369 n. C. Het laatste gedeelte is het belangrijkste, omdat de schrijver daar zijn eigen tijd beschrijft. In 380 is het door Paeanius in het Grieksch vertaald. Het is zeer spoedig een schoolboek geworden en in de M. E. geregeld als zoodanig gebruikt.--2) gesnedene, gunsteling van keizer Arcadius, die zich in de plaats van den minister Rufinus wist te dringen (395 n. C.) en de belangen van het rijk aan zijne hartstochten opofferde. In 399 viel hij zelf in ongenade bij de keizerin Eudoxia. Hij werd verbannen, doch weder door Arcadius teruggeroepen, maar te Chalcedon door zijne vijanden vermoord.
Eventus, Bonus Eventus, god van het gedijen der veldvruchten, over het algemeen een god die eene begonnen onderneming tot een goed einde leidt. Zijn beeld stond op het Capitolium, zijn tempel op den Campus Martius.
Evictio, eisch tot ontruiming van een eigendom, dat buiten weten van den eigenaar in vreemde handen is.
Evocati zijn soldaten, die uit den dienst ontslagen en dikwijls met landerijen begiftigd werden onder voorwaarde, dat zij, opgeroepen wordende (nominatim evocare), zich op nieuw onder de vanen van hun vorigen veldheer zouden scharen. Zij kwamen dan weder in dienst met den rang van centurio. Ook een corps uitgelezen jongelui uit den ridderstand, die door keizer Galba voor eigen bewaking waren aangeworven.
Exangelos, op het grieksche tooneel een bode, die eene gebeurtenis mededeelt, welke binnenshuis heeft plaats gehad.
Exaireseos dike = aphaireseos dike.
Exampaeus, Exampaios, zijtakje van den Hypanis (Bug), dat het water van den Hypanis bitter of zout maakte. In werkelijkheid is het zoutgehalte van het water van den Hypanis een gevolg van het indringen van het zeewater in den mond der rivier.--Ook een plaats ten O. van den Hypanis, ook Hirai hodoi geheeten.
Excubiae, wachtposten bij dag; (vigiliae, bij nacht). Onder de keizers de wacht bij het paleis.
Execias, Exekias, beroemd Attisch schilder van zwart-figurige vazen uit het midden van de 6de eeuw.
Exedra, exedra, receptie- en conversatiezaal in aanzienlijke huizen, dikwijls met een halfrond uitgebouwd. Ook in de gymnasia der Grieken en de badhuizen der Romeinen vond men dikwijls dergelijke zalen. De grieksche wijsgeeren gaven er somtijds hunne lessen; de hoorders plaatsten zich langs den kant van het halfrond, de spreker in het midden.
Exiteria, offer, door de leden van den raad bij het nederleggen hunner betrekking gebracht. Z. eisiteria.
Exodium, exodion, kluchtig tooneelstukje, bij de Rom. na ernstige stukken opgevoerd; gewoonlijk werd daarvoor eene fabula Atellana gebruikt. Zie ook Mimus.
Exomis, exomis, grieksche tunica, hetzij geheel zonder mouwen, hetzij alleen met een linkermouw. Misschien bleef hierdoor ook een gedeelte van de borst onbedekt.
Exomossia, 1) beëedigde opgave van redenen, waarom men een ambt of eene liturgie niet kan op zich nemen.--2) beëedigde verklaring dat men niets weet van eene zaak, waarin men als getuige is opgeroepen.
Exostra, exostra, 1) eene machine, op het tooneel gebruikt tot hetzelfde doel als het ekkyklema, v.s. een soort balcon aan het huis of paleis, dat zich op den achtergrond bevond.--2) een brug, die uit een belegeringstoren naar buiten geschoven werd om op den muur der belegerde stad te komen.
Exoules dike, aanklacht tegen iemand, die een ander met geweld uit zijne bezittingen verdrijft, of hem verhindert iets in bezit te nemen, dat hem bij rechterlijk vonnis is toegewezen. Werd de aangeklaagde veroordeeld, dan moest hij den staat eene boete betalen, gelijk aan dat wat hij den aanklager schuldig was.
Extispicium. Bij het offeren van eenig dier was het voor de divinatio van groot belang, hoe de ingewanden lagen en er uitzagen. Vooral de lever speelde hierbij een belangrijke rol. De lever had eene pars familiaris, waaruit de offeraar de toekomst opmaakte voor zich en zijn volk, en eene pars hostilis. Na het eerste onderzoek werden de ingewanden in een pot gekookt en ook onder het koken nauwlettend gadegeslagen. Deze kunst verstonden de rom. priesters in het algemeen ook wel, doch in zeer ernstige gevallen worden extispices of haruspices ontboden uit Etruria, waar de leer der ingewandzienerij tot den hoogsten trap was opgevoerd, evenals de bliksemleer. Keizer Claudius stelde een collegie van romeinsche haruspices in, dat echter nooit tot aanzien kwam.
F.
F, zie fasti (dies).
Fabaria, zie Burchana.
Fabariae (Kalendae), z. Carna.
Fabaris = Farfar (Farfarus).
Fabianus Fornix, een boog over de Sacra via te Rome, op de plaats waar die op het Forum uitkwam, opgericht door Q. Fabius Maximus Allobrogicus (Fabii no. 20), en hersteld door zijn kleinzoon (Fabii no. 22).
Fabianus Papyrius, rom. wijsgeer ten tijde van Augustus en Tiberius, een man van groote welsprekendheid en reinen levenswandel. Zijne geschriften over wijsbegeerte en natuurlijke historie zijn verloren.
Fabii, eene der oudste patricische gentes te Rome, misschien van sabijnschen oorsprong. 1) Q. Fabius Vibulanus, consul in 485 en 482, een warm voorvechter der aristocratie. Onder zijn eerste consulaat had de veroordeeling van Sp. Cassius Viscellinus plaats. Hij streed in 485 tegen de Aequers en Volscers en maakte zich gehaat door aan de soldaten niets van den buit te gunnen, doch alles te laten verkoopen. In 480 sneuvelde hij in den strijd tegen Veii.--2) K. Fabius Vibulanus, broeder van no. 1, consul in 484, 481 en 479, de eerste maal met grooten tegenstand der plebs door toedoen der patriciërs verkozen, was eerst voortdurend in strijd met de volkstribunen, die eene lex agraria wilden doordrijven. In zijn derde consulaat echter deed hij zelf, maar vergeefs, den voorslag, dat de senaat verdere pogingen in dien geest zou voorkomen door uit eigen beweging veroverden grond onder de plebejers te verdeelen. Zie echter Agrariae (leges) en Tribuni plebis. Op zijn voorstel trok in 479--volgens het niet al te betrouwbare geschiedverhaal--de geheele gens Fabia, uitgezonderd een nog te jonge knaap, 306 man sterk, met hare cliënten naar het riviertje de Cremera, om de grenzen tegen de Vejers te beschermen. In 477 vonden zij, in eene hinderlaag gelokt, allen den dood.--3) M. Fabius Vibulanus, broeder van no. 1 en 2, was consul in 483 en 480, zoodat het consulaat zeven jaren achtereen in de gens Fabia was. Hij voerde evenals zijne broeders oorlog tegen de naburige volken en sneuvelde bij de Cremera.--4) Q. Fabius Vibulanus, zoon van no. 3, de eenige overgeblevene van het geslacht, consul in 467, 465 en 459, streed tegen Aequers en Volscen, en bewerkte de uitzending eener rom. kolonie naar Antium (467). In 462 verzette hij zich als praefectus urbi ten sterkste tegen het voorstel van den tribuun Terentilius de legibus scribendis. In 450 was hij een der tienmannen.--5) M. Fabius Vibulanus, zoon van no. 4, consul in 442, consulairtribuun in 433, bewerkte de uitzending eener kolonie naar Ardea (442), streed bij herhaling tegen Aequers en Vejenten en werd pontifex maximus. Hij kwam vermoedelijk om bij den inval der Galliërs in 390, daar hij Rome niet wilde verlaten.--6) Num. Fabius Vibulanus, ook een zoon van no. 4, consul in 421, consulairtribuun in 415 en 407, streed als consul tegen de Aequers.--7) Q. Fabius Vibulanus, evenals de beide vorigen een zoon van no. 4, was consul in 523 en consulairtribuun in 416 en 414.--8) Num. Fabius Ambustus, zoon van no. 5, veroverde als consulairtribuun in 406 Anxur. Hij was één der drie gebroeders Fabii, die in 391 naar Clusium tot de Galliërs werden gezonden. In 390 was hij weder consulairtribuun. Zie no. 10.--9) K. Fabius Ambustus, broeder van no. 8, was consulairtribuun in 404, 401, 395 en 390. Ook hij behoorde tot het gezantschap naar Clusium (zie no. 8 en 10).--10) Q. Fabius Ambustus, broeder van no. 8 en 9, behoorde ook tot het gezantschap naar Clusium, en werd in 390 met zijne broeders tot consulairtribuun gekozen. Na den aftocht der Galliërs werd hij ter verantwoording geroepen wegens zijne schennis van het volkenrecht. De dood, misschien zelfmoord, deed hem een vonnis ontgaan. Het verhaal omtrent deze drie broeders is op allerlei wijzen opgesmukt. In het oorspronkelijke verhaal treden slechts twee Fabii op (no. 8 en 9), waarvan men niet zeker weet, of het broers zijn. No. 10 is tamelijk legendarisch.--11) M. Fabius Ambustus, zoon van no. 8, consul in 360, 356 en 354, overwon achtereenvolgens de Hernicers (360), de Faliscers en Tarquiniërs (356) en de Tiburtijnen (354). In 351 was hij dictator.--12) M. Fabius Ambustus, zoon van no. 9, consulairtribuun in 381 en 369, ondersteunde de plannen van zijn schoonzoon, den volkstribuun C. Licinius Stolo. Vermoedelijk echter was hij het, die in 355 als interrex de verkiezing van twee patricische consuls, hoewel tegen de lex Licinia Sextia geschied, voor geldig verklaarde. Hier is alles onzeker. Z. ook Liciniae Sextiae (leges) no. 1.--13) C. Fabius Ambustus streed als consul in 358 ongelukkig tegen de Tarquiniërs, die 307 rom. krijgsgevangenen ombrachten.--14) Q. Fabius Maximus Rullianus, zoon van no. 11, leverde als magister equitum in 325 tegen het bevel van zijn dictator L. Papirius Cursor een schitterenden slag tegen de Samnieten, doch ontging de straf voor zijne ongehoorzaamheid slechts door de eenparige voorbede van senaat en volk. Zijn ambt moest hij echter nederleggen. Dit verhaal is niet geheel betrouwbaar. In 322 was hij consul, in 315 dictator, in 310 en 308 weder consul, in 304 censor, in 301 andermaal dictator, in 297 en 295 nogmaals consul. Hij was een van Rome's grootste veldheeren, schoon niet altijd overwinnaar. O.a. werd hij in 315 als dictator door de Samnieten bij Lautulae verslagen. In 310 ontzette hij het door de Etruscers belegerde Sutrium, door in Noord-Etrurië in te vallen. In 308 streed hij tegen de Samnieten. In 297 versloeg hij, volgens een ongeloofwaardig bericht, met P. Decius Mus hen bij den berg Tifernus, in 295 versloegen Fabius en Decius (z. Decii no. 2) de verbonden Samnieten, Galliërs en Etruriërs bij Sentinum. Onder zijne tijdgenooten komen ook nog Ambusti voor: Q. Fabius Ambustus als dictator comit. habend. causa in 321, C. Fabius Ambustus als mag. eq. in 315.--15) Q. Fabius Maximus, bijgenaamd Gurges (= vraat, slokop) om zijne losbandigheid in zijne jeugd, zoon van no. 14 (waarschijnlijk is het verhaal omtrent zijn losbandigheid verzonnen om den naam Gurges te kunnen verklaren). Op rijperen leeftijd begon hij evenwel een ander gedrag te leiden. Als consul werd hij in 292 door de Samnieten verslagen, maar overwon daarna met hulp van zijn vader den samnietischen veldheer Pontius (z. a.), in 276 versloeg hij wederom als consul de Samnieten, Lucaners en Bruttiërs; in zijn derde consulaat, 265, dempte hij een slavenopstand te Volsinii, doch sneuvelde daarbij.--16) Q. Fabius Maximus Verrucosus (wegens eene wrat, verruca, aan de lip aldus genoemd), consul in 233, 228, 215, 214 en 209, censor in 230, de bekende dictator in 217 na de nederlaag en den dood van C. Flaminius bij het Trasumeensche meer. (Eigenlijk was hij pro dictatore zie het artikel dictator.) In 233 zegepraalde hij over de Liguriërs; in 219 was hij aan het hoofd van het gezantschap, dat na de inname van Saguntum naar Carthago werd gezonden, waarbij hij, volgens het bekende verhaal, den Carthagers de keuze liet tusschen oorlog en vrede, waarop zij tot den oorlog besloten. Als dictator volgde hij de taktiek, een slag in het open veld te vermijden, en liever Hannibal af te matten, daar hij de overtuiging koesterde, dat diens strijdkrachten en hulpmiddelen op vijandelijken bodem op den duur uitgeput moesten raken. Spoedig echter begon dit stelsel bij het rom. volk afkeuring te vinden, daar Hannibal zooveel mogelijk het platte land verwoestte en de dorpen en hoeven in brand stak. Door eene lex Metilia werd toen de magister equitum M. Minucius Rufus ook met dictatoriale macht bekleed. Deze waagde een veldslag, en zou geheel verslagen zijn, zoo niet Fabius ware toegeschoten en hem gered had, waarop Minucius zich vrijwillig weder onder Fabius' bevelen stelde. Naar deze wijze van oorlogvoeren heeft Fabius den bijnaam van Cunctator gekregen; om zijn zacht karakter werd hij ook Ovicula genoemd. Ook later voerde hij herhaaldelijk legers aan, hetzij als consul, hetzij als proconsul, onder het commando van zijn zoon. Bij vele geschiedschrijvers ook bij Livius, die hem legaat noemt, vinden wij het verhaal hoe de vader den zoon, als hoogere in rang, eer moet bewijzen. Het verhaal is vereeuwigd in het oud Amsterdamsche stadhuis (het Paleis op den Dam). In 209 veroverde hij Tarentum. Hij was een heftig tegenstander van Scipio's plan, om den oorlog naar Afrika over te brengen. Fabius stierf in 203. Cicero roemt hem als redenaar.--17) Q. Fabius Maximus, zoon van no. 16 (z. a.), consul in 213, stierf nog vóór zijn vader.--18) Q. Fabius Maximus Aemilianus, zoon van L. Aemilius Paullus en broeder van P. Cornelius Scipio Aemilianus, in 180 door een der Fabii Maximi geadopteerd, was een vriend van den geschiedschrijver Polybius. In 145 en 144 voerde hij als consul en proconsul oorlog in Lusitania tegen Viriathus.--19) Q. Fabius Maximus Servilianus, ook wel onder zijn oorspronkelijken naam Cn. Servilius Caepio voorkomende, door adoptie een broeder van no. 18, streed ook als proconsul in 141 en 140 tegen Viriathus en sloot met dezen een verdrag, dat echter door zijn broeder Q. Servilius Caepio verbroken werd. Hij heeft annales geschreven.--20) Q. Fabius Maximus Allobrogicus, zoon van no. 18, leidde als jongeling een losbandig leven. Onder zijn oom P. Cornelius Scipio Aemilianus diende hij als quaestor in den numantijnschen oorlog. In 121 behaalde hij een groote overwinning op de Allobrogen in Gallia. Uit den buit richtte hij te Rome een triumfboog, den fornix Fabianus, op. Cicero prijst hem als redenaar.--21) Q. Fabius Maximus Eburnus, consul in 116, werd later verbannen, omdat hij zijn zoon met den dood gestraft had.--22) Q. Fabius Maximus kleinzoon van no. 20, diende in Hispania als legaat onder Caesar (46), en werd in 45 consul. Hij stierf nog in ditzelfde jaar. Tot suffectus werd toen gekozen voor den laatsten dag van het jaar C. Caninius Rebilus (Caninii no. 2), met wiens waakzaamheid Cicero den spot drijft.--23) Paulus Fabius Maximus, een bloedverwant van Ovidius en bevriend met Augustus, vergezelde dezen op zijne reis naar Posthumus Agrippa, doch werd toen verdacht aan Livia geheimen verklapt te hebben. Kort daarna stierf hij.--24) C. Fabius Pictor, de eerste beoefenaar der schilderkunst onder de aanzienlijke Rom., beschilderde in 302 (v. a. in 304) de wanden van den tempel van Salus, door C. Junius Bubulcus Brutus (Junii no. 3) gewijd. Zijn talent vond echter zoo weinig bijval, dat hij geene navolgers heeft gevonden.--25) Q. Fabius Pictor, kleinzoon van no. 24, omstreeks 220, schreef in het Grieksch zeer belangrijke annalen, van de komst van Aeneas in Italia tot op zijn eigen tijd. Er bestond ook een Latijnsche vertaling van.--26) Ser. Fabius Pictor, redenaar en geschiedkenner, was een tijdgenoot van Cato maior en schreef een werk de iure pontificio.--27) Verder komen onder de consuls, censoren, dictators nog de namen voor: Fabius Buteo, Fabius Dorso, Fabius Licinus, Fabius Labeo, ook Fabius Pictor. Iets bijzonders is van hen hier niet te vermelden. Ook wordt nog een Q. Fabius Sanga, een vriend van Cicero, vermeld alsmede zekere Q. Fabius Virgilianus, in 51 legaat in Cilicia, later aanhanger van Pompeius.--28) Fabius Rusticus, een vriend van Seneca, door Tacitus als redenaar geprezen, schreef eene geschiedenis van Nero, die verloren is gegaan.--29) C. Fabius Valens, bewerkte als legatus legionis samen met A. Caecina Alienus, dat Vitellius (Jan. 69 n. C.) tot keizer werd uitgeroepen. Aan het hoofd van een legercorps versloeg hij met Caecina de Othoniani bij Bedriacum. Later beheerde hij met Caecina de staatszaken voor Vitellius. In den oorlog tegen Vespasianus werd hij gevangen genomen en gedood.
Fabrateria vetus, volscische stad in Latium. Ten Zuiden hiervan is na de verwoesting van Fregellae in 124 Fabrateria nova als rom. colonie gesticht.
Fabricii, hernicisch geslacht uit Aletrium. 1) C. Fabricius Luscinus verhuisde omstreeks 300 naar Rome. Als consul streed hij in 282 zegevierend tegen de Samnieten, Lucaniërs en Bruttiërs. Daarna werd hij als gezant naar Tarentum afgevaardigd, doch daar wederrechtelijk gevangen gehouden. In 280 streed hij onder den consul P. Valerius Laevinus in den slag bij Heraclea tegen Pyrrhus. In 279 was Fabricius als legaat in den slag bij Asculum (Ausculum). Daarna werd hij als gezant tot Pyrrhus gezonden, met wien hij tot overeenstemming schijnt gekomen te zijn; de vrede kwam echter niet tot stand, (zie Claudii no. 5). In 278 was hij opnieuw consul. Hij ontving toen van 's konings lijfarts een aanbod om den koning te vergiftigen, doch in plaats van dit aan te nemen, gaf hij er den koning bericht van. In 275 was hij censor en ging met gestrengheid alle noodelooze weelde tegen. Hij stierf arm; de staat gaf aan zijne dochters een bruidschat.--2) L. Fabricius bouwde in 62 den pons Fabricius van Rome naar de insula Tiberina.--3) Q. Fabricius, volkstribuun in 57, deed een wetsvoorstel tot terugroeping van Cicero, doch Clodius verhinderde de aanneming er van.--4) A. Fabricius Veiento, z. Veiento (A. Fabricius).
Fabula (palliata), z. Palliata.
Fabula (praetexta), zie Praetexta (fabula).
Fabula (togata), zie Togata no. 2.
Fadii, plebejisch geslacht. 1) M. Fadius Gallus, een zeer geleerd man en vriend van Cicero. Hij heeft een lofrede geschreven op Cato Uticensis (45).--2) T. Fadius Gallus, volkstribuun in 57, deed vruchtelooze pogingen om Cicero te doen terugroepen. Onder Cicero's consulaat, 63, was hij quaestor te Rome geweest.
Faenius Rufus (L.), praefectus annonae sedert 55 n. C., werd na den dood van Burrus met Tigellinus praefectus praetorio (62). Hij was een onbaatzuchtig man. In 65 nam hij deel aan de samenzwering van Piso, en hoewel hij zijn medeplichtigen verried, werd hij toch omgebracht.
Faesulae, ta Phaisyla, thans Fiesole, stad in het N. van Etruria, nabij den Arnus (Arno). Hier hadden Catillina's benden hun kamp opgeslagen. Onder Sulla werd er eene kolonie van gemaakt.
Fagutal, een van de bergen van het Septimontium, zie Roma.
Falacrinum, stad in het sabijnsche land, geboorteplaats van Vespasianus.
Falarica = Phalarica.
Falces. Onder dezen naam verstaat men alle soorten van zeisen, sikkels en snoeimessen. Falx supina is een groot gekromd mes, aan de buitenzijde scherp (en dus als het ware achteroverliggend), waarmede eene soort van zwaardvechters vochten, Thraces genoemd. Ensis falcatus of ook hamatus is een kort zwaard, aan de punt sikkel- of eenigszins haakvormig gekromd. Falces murales of asseres falcati waren lange stelen of balken met sikkelvormige haken om de door den stormram gebeukte muren te doen afbrokkelen. In den zeestrijd gebruikte men gelijksoortige falces navales om het tuig der vijandelijke schepen door te snijden. Currus falcati, zeisenwagens, zijn door Grieken en Rom. nooit gebezigd.
Falcidia (lex) testamentaria van den volkstribuun C. Falcidius, 40. Deze wet bepaalde dat de legaten bij testament nooit meer dan 3/4 van het vermogen mochten bedragen.
Falerii, Phalerion, stad in het Z.O. van Etruria, wier inwoners, de Falisci, waarschijnlijk verwant zijn met de Latijnen. Na den val van Veii beginnen de oorlogen met Rome. Later sloten zij zich bij Rome aan, tot ze in 293, toen het te laat was, tegen Rome partij kozen. In 241, na den vrede met Carthago, stond de stad op, en werd in 6 dagen ingenomen en verwoest. De bewoners werden gedwongen, de hoogte te verlaten en in de vlakte eene nieuwe nederzetting te stichten, Aequum Faliscum, terwijl in de oude stad slechts de tempels bleven staan. Iets verder af ligt Falerii Novi, dat later een colonie wordt, en in den keizertijd gebloeid heeft. Als stichter van Falerii werd Halesus (Falesus) aangenomen (z. a.).
Falernus (ager), in het N. van Campania tusschen den mons Massicus en de rivier Volturnus, zie ook Campania. De falernische wijn was beroemd; hij was hooggeel van kleur, en moest noch te oud, noch te jong zijn; op 15 jaar was hij het best.
Falisci, zie Falerii.
Falsum. Valschheid en vervalsching waren volgens het oudste rom. recht slechts in enkele gevallen strafrechterlijk vervolgbaar, b.v. valsch getuigenis; zij konden evenwel tot een civiele rechtsvordering aanleiding geven. Sulla's lex Cornelia de falso stelde de aquae et ignis interdictio op testament- en muntvervalsching. Later, vooral onder de keizers, werden er veel meer valsche handelingen onder strafwetten gebracht.
Fama, eene godin, die losse en onzekere geruchten onder de menschen verspreidt, personificatie van het loopend gerucht, waarvan geen zegsman aan te wijzen is. Zij heeft vleugels, duizend oogen en duizend monden, en heeft op hare afbeeldingen een spreektrompet voor den mond.
Fannia (lex) sumptuaria van den consul C. Fannius Strabo, 161. Deze wet bepaalde de sommen, die op gewone dagen en op feestdagen voor een gastmaal mochten worden besteed.
Fannii, plebejisch geslacht. 1) C. Fannius, volkstribuun 187, werkte mede tot de veroordeeling van L. Corn. Scipio Asiaticus.--2) C. Fannius Strabo, zoon van no. 1, consul in 161, was de ontwerper der lex Fannia sumptuaria. Ook werden tijdens zijn consulaat de grieksche philosophen en rhetoren uit Rome verbannen.--3) C. Fannius, zoon van no. 2, was in 146 een der eersten, die de muren van Carthago beklom; hij was volkstribuun in 142, consul in 122 door de hulp van C. Gracchus, behoorde nochtans tot diens tegenstanders. Hij was een schoonzoon van C. Laelius Sapiens. Hij was voorstander der stoicijnsche wijsbegeerte en schreef annales, waarin hij vooral zijn eigen tijd behandelde; verder stond hij bekend als redenaar.--4) M. Fannius was in 80 praetor in het proces van Sex. Roscius Amerinus.--5) L. Fannius, aanhanger van Sertorius, had de hand in het verbond tusschen dezen en Mithradates.--6) C. Fannius, aanklager van P. Clodius Pulcher in 61, tijdens het tweede driemanschap op de hand van Sex. Pompeius, later aan de zijde van Antonius.--7) C. Fannius, in 59 als volkstribuun ernstig tegenstander van Caesar's lex agraria.--8) Fannius Caepio, wegens samenzwering tegen Augustus ter dood gebracht (22).--9) Fannius, tafelschuimer en pruldichter, bediller van Horatius.--10) C. Fannius, ten tijde van Traianus, schreef een werk over de terechtstellingen onder Nero.--11) Fannia, eene vrouw te Minturnae, die Marius op zijne vlucht herbergde.--12) Fannia, de dochter van P. Clodius Thrasea Paetus en Arria minor, en de tweede vrouw van Helvidius Priseus (z. Helvidii no. 3). Zij deelde tweemaal de ballingschap van haar man. Onder Domitianus werd zij verbannen, en haar goederen verbeurd verklaard. Na diens dood keerde zij naar Rome terug.
Fanum (van fari), een door een formulier gewijde en met muren omgeven plaats, heiligdom, tempel.
Fanum Fortunae, aanzienlijke stad aan den Metaurus in Umbria in den ager Gallicus, met een beroemden Fortuna-tempel.
Farfar (Farfarus), zijtakje van den Tiber, in den ager Sabinus.
Fasces, bundel roeden van olmen- of berkentakken, met een lederen riem omsnoerd. In den bundel was ook de steel van een bijl gebonden, doch zoo, dat het staal naar buiten stak. Dit zijn de fasces et secures, die de lictoren der magistratus cum imperio droegen. Binnen Rome echter lieten de consuls en praetoren de bijlen uit de bundels weg. Bij strafoefeningen dienden de roeden tot geeseling, de bijl tot onthoofding der veroordeelden. De lictoren droegen de bundels over den linkerschouder. Ontmoette de overheidspersoon iemand van hoogeren rang (bv. een praetor een consul of wel eene vestaalsche maagd), dan namen de lictoren van den eersten hunne roeden van den schouder en lieten ze zakken als teeken van eerbied (fasces submittere).
Fascinus, -num, z. Baskania.
Fasti, 1) f. dies, rechtsdagen, waarop de praetor de woorden do, dico, addico, mocht uitspreken (zie praetor). In den rom. kalender waren zij aangeduid met de letter F. Op een dies nefastus (N) mocht dit niet. Een dies nefastus principio (NP) was vóór den middag N., na den middag F. Zie ook Nefasti dies.--2) de romeinsche kalender, d. w. z. de opteekening der dies fasti, nefasti, intercisi, comitiales, met vermelding der op iederen dag vallende feesten, spelen en offers, waarbij nog aanteekeningen gevoegd waren omtrent geschiedkundige gebeurtenissen, en omtrent den op- en ondergang van verschillende sterrenbeelden. Deze kalender werd opgemaakt door de pontifices; een gedeelte daarvan, de dies fasti, is voor het eerst door Cn. Flavius (zie Flavii no. 2) in 304 uitgegeven. Een dichterlijke bewerking heeft Ovidius gegeven in zijn Fasti, die de eerste 6 maanden van het jaar behandelen. Verder verdienen vermeld te worden de fasti Praenestini van M. Verrius Flaccus (zie Verrius).--Een aanwijzing van de voornaamste romeinsche vaste feest- en gedenkdagen ten tijde van Augustus vindt men achter in dit werk.--3) de lijsten van jaarlijks wisselende ambtenaren (fasti consulares, praetorii), van de priesters (fasti sacerdotales, fasti fratrum arvalium), en van de in ieder jaar gevierde triumfen (fasti triumphales). Van hetgeen nog uit de oudheid over is, zijn wel het meest bekend de zoogenaamde Fasti Capitolini, een chronologische lijst van de consuls, censoren, dictatoren en magistri equitum, die in 34 aan den buitenmuur van de regia werd aangebracht. Later (in 12) werd een relaas van zegetochten (fasti triumphales of beter acta triumphorum (zie acta)) op afzonderlijke pijlers hieraan toegevoegd.
Fatui, Fatuae, misvormde en soms onnoozele menschen, die in de huishouding der rom. grooten als huisnarren gebruikt werden. Dwergen, nani, nanae, waren tot dit doel ook zeer in trek.
Fatum, de uitdrukkelijk uitgesproken en onherroepelijke wil der goden ten opzichte van den mensch, dus zijn geheel levenslot, gelukkig of ongelukkig, in het bijzonder de dood. Het meervoud beteekent de afzonderlijke beschikkingen van het noodlot betreffende een persoon of zaak; ook = Parcae. Vgl. moira.
Fatuus, naam van Faunus als orakelgevend god. De heiligdommen, waar zijne orakels (droomorakels) gegeven werden, waren gewoonlijk in boschrijke streken.--Volgens een verhaal zou hij zich eens door Numa hebben laten dronken maken, en toen gedwongen zijn hem de geheimen der godenwereld te openbaren.
Fauna, zie Faunus en Bona Dea.
Faunus, zoon van Picus, een oud-italisch veld- en boschgod, beschermer van landbouw en veeteelt, en dus den menschen welgezind, hoewel hij er vermaak in vindt hen in stille bosschen of in hun slaap (Incubus) te plagen en te verschrikken. Als orakelgevend god wordt hij Fatuus genoemd.--V. s. was hij een koning van Latium geweest, en door Heracles gedood, toen hij dezen aan Mercurius wilde offeren, zooals hij met vreemdelingen placht te doen.--Zijn voornaamste feest zijn de Lupercalia (z. a.); een ander landelijk feest zijn de Faunalia, die den 5den December werden gevierd; het was een dag van vroolijkheid, waarop zelfs slaven en vee vrijheid genoten; men offerde bokken, wijn, melk en wierook. F. had een tempel op de Insula Tiberina, z. Domitii no. 2. Zijn dienst werd in den keizertijd verdrongen door dien van Silvanus.--Nevens hem staat Fauna (Fatua), eene godin, die dezelfde eigenschappen heeft als hij, en zijne vrouw of dochter genoemd wordt. Faunus werd reeds vroeg voor denzelfden gehouden en eveneens afgebeeld als Pan, en onder den invloed van deze meening sprak men ook van Fauni, soms kinderen van hem en Fauna genoemd, en ongeveer gelijk aan de grieksche satyrs.
Fausta, 1) dochter van L. Cornelius Sulla. Zij is driemaal gehuwd geweest, de tweede maal met T. Annius Milo.--2) de gemalin van Constantijn den Gr., die door hem in 326 n. C. gedood werd.
Faustina, naam der gemalin van Antoninus Pius en van hare dochter, de gemalin van Marcus Aurelius. Beiden waren vrouwen van een losbandig karakter. Ter eere van de eerste Faustina wijdde Antoninus Pius in 141 een tempel aan de Via Sacra te Rome, die na zijn dood ook aan hem werd gewijd. Een deel van den tempel bestaat nog.
Faustulus, de herder, die de kinderen Romulus (z. a.) en Remus vond, en aan zijn vrouw Acca Larentia (z. a.) bracht.
Faventia, thans Faënza, stad in Gallia Cisalpina, aan de via Aemilia gelegen.
Favonius (M.), bewonderaar en naäper van Cato van Utica, tegenstander van het eerste driemanschap, vooral van Pompeius toen deze machtig was, hoewel hij na diens vlucht toch zijne zijde koos. Na Pompeius' dood schonk Caesar aan Favonius vergiffenis; doch deze sloot zich later bij Caesars moordenaars aan, werd in den slag bij Philippi (42) gevangen genomen en op last van Octavianus omgebracht.
Favonius, de Westenwind, later de Noordwestenwind. Met het waaien van dezen zachten wind begint in Italië de lente (1ste helft van Februari). In Zwitserland Föhn geheeten. Zie Windstreken.
Favorinus, Phaborinos, rhetor onder keizer Hadrianus, uit Arelate in Gallië, leerling van Dio Chrysostomus en bevriend met Plutarchus en Fronto, schrijver van verschillende grieksche werken over allerlei onderwerpen.
Febris, koortsafwerende godin, die te Rome drie tempels had, waar genees- en toovermiddelen tegen de ziekte te verkrijgen waren.
Februus, oud-italisch god der lijkoffers, die aangeroepen werd om de Larvae of spoken van de menschen af te houden. Naar hem was de maand Februarius genoemd, waarin men na de Lupercalia geen vroolijk feest vierde en niets van belang begon. V. a. was die maand genoemd naar de februa, zie Lupercalia.
Feciales = Fetiales.
Felix, agnomen van L. Cornelius Sulla (Cornelii no. 52).--Felix (Antonius), zie Antonius Felix.
Felsina, oude naam van Bononia (Bologna), toen de Etruscers nog in het Po-dal woonden.
Fenestella (C.), ten tijde van Augustus en Tiberius, geschiedkenner en annalist.
Fenni, de Finnen. Ze worden door Tacitus geschilderd als een wild volk, dat uitsluitend van de jacht leeft, en slechts hutten kent van rijshout.
Fennius Rufus, zie Faenius Rufus.
Fenus (van den stam fe- = phyo, evenals tokoi van tikto). De rentevoet was oudtijds zeer hoog, wat in verband stond met het gevaar, uitgeleende geldsommen te verliezen. Bij de Grieken is ons niets bekend van wettelijke regeling dezer zaak; bij de Rom. vindt men de eerste bepaling aangaande rente in de wetten der twaalf tafelen. Deze wetten stelden een fenus unciarium als wettig maximum vast. Waarschijnlijk beteekent dit, dat de rente 1 uncia van de as = 1/12 (= 8 1/3 %) bedroeg voor het jaar van 10 maanden, zoodat de rente per 12 maanden 10 % is. Doch hetzij de wet niet streng genoeg was, hetzij men ze wist te ontduiken, men hield zich er niet aan, althans in 357 achtten de volkstribunen M. Duillius en L. Maenius (Menenius) het noodig, nogmaals het fenus unciarium door eene wet vast te stellen, en de plebs nam de lex Duillia Maenia (Menenia) gretig aan. Tien jaar later werd de wettelijke rente met de helft verminderd, fenus semiunciarium. Het doel schijnt te zijn geweest, door lagen rentevoet de menschen af te schrikken, geld tegen rente uit te leenen; althans de lex Genucia ne fenerare liceret, van den volkstribuun L. Genucius, in 342, verbood dit geheel en al. Maar men kon het schulden maken niet voorkomen, het handelsverkeer werd door de wet bemoeilijkt, zij was niet te handhaven, en de woeker herleefde, in weerwil van nog verschillende wetten. Sulla hernieuwde de wet van 357, zie Corneliae (leges) van L. Cornelius Sulla, 88, no. 6. Het handelsverkeer met Griekenland en het Oosten bracht eene nieuwe renteberekening in zwang, n.l. met maandelijksche centesimae. De usura centesima was 1 % 's maands, usurae semisses 1/2 %, trientes 1/3 %, quadrantes 1/4 %, sextantes 1/6 %, unciae 1/12 %. Interest op interest heette anatocismus, anatokismos. Bankinstellingen waren den Rom. niet onbekend; in 352 werd tijdelijk eene staatsbank opgericht onder beheer van quinqueviri mensarii.
Feralia of parentalia, een feest te Rome ter eere der afgestorvenen, wier geesten, naar men geloofde, in die dagen hunne oude woonplaatsen mochten bezoeken. Het feest begon 13 Februari en duurde negen dagen. Men bracht offers aan de schimmen van bloedverwanten en versierde de graven. Zie ook Caristia.
Ferentarii, lichte, ongeregelde troepen, die met werpschichten en steenen gewapend waren en op de vleugels dienst deden en den strijd openden.
Ferentina, godin van het latijnsche verbond, dat zijne vergaderingen placht te houden bij een aan haar gewijd bosch aan den voet van den Albaanschen berg.
Ferentinum, stad der Hernici, in Latium, een tijdlang in de macht der Volscen.
Ferentum, Ferentium, Ferentinum, stad in Zuid-Etrurië, geboorteplaats van keizer Otho.
Feretrius, bijnaam van Jupiter, wien de spolia opima gewijd werden. Zijn tempel was door Romulus gebouwd en door Augustus vernieuwd.
Feriae werden vooral die godsdienstige feesten genoemd, die meer dan één dag duurden. Feriae statae (stativae) waren feesten, die jaarlijks op vaste dagen terugkeerden, conceptivae die, waarvan de dagen ieder jaar door de pontifices worden vastgesteld en afgekondigd (indicere). Dit zijn de landbouwfeesten, waarvan de viering van den stand van het gewas afhankelijk is, o.a. de Sementivae, en de Ambarvalia. Feriae imperativae zijn feesten, die ten gevolge van buitengewone gebeurtenissen (overwinningen of prodigia) door den senaat worden uitgeschreven, b.v. de supplicationes.
Feriae Latinae, groote feesten op den Albaanschen berg ter eere van Jupiter Latiaris. De viering behoorde plaats te vinden onder voorzitterschap der consuls, zoodra mogelijk na de aanvaarding van hun ambt. Waren zij verhinderd, dan werd er meestal een dictator voor aangewezen. Rome was in die dagen bijna verlaten (zie ook praefectus urbi).
Feronia, italische godin, vooral vereerd aan den voet van den berg Soracte, waar haar de eerstelingen der veldvruchten geofferd werden en druk bezochte markten gehouden werden. Zij was eene godin der vrijheid, en slaven, die zich in haar tempel te Anxur (Tarracina) het hoofdhaar lieten afscheren, werden vrij. Ook een bron bij Anxur was haar gewijd.--V. s. is zij dezelfde als Persephone.
Feroniae lucus, heilig woud met drukke marktplaats bij de etruscische stad Capena aan den voet van den berg Soracte. Ook bij Anxur in Latium lag een bosch aan Feronia gewijd.
Fescennium, oude stad der Falisci, in Zuid-Etrurië, juiste ligging onbekend; hiernaar hebben de versus Fescennini, boertige, niet altijd kiesche bruiloftsliederen, hun naam.
Festi (dies) waren dagen, die aan eene godheid gewijd en dus feestdagen waren. Gewone dagen waren dies profesti. Van een dies intercisus of naar een oudere schrijfwijze endotercisus, in den rom. kalender door EN aangeduid, was het middelste gedeelte feestdag.
Festuca, roedje, stokje, zie manumissio.
Festus. 1) Porcius Festus, procurator van Judaea, opvolger van Antonius Felix, 59-61 na C.--2) Sex. Pompeius Festus, taalkundige waarschijnlijk uit de 3de eeuw n. C., schreef een werk in 20 boeken de significatione verborum, ontleend aan een ouder en nog uitgebreider woordenboek van Verrius Flaccus. Van het werk van Festus zijn slechts groote brokstukken over; van het geheel bezitten wij een uittreksel, door zekeren monnik Paulus Diaconus onder de regeering van Karel den Gr. vervaardigd.--3) Rufus Festus, z. Rufus no. 3.--4) Rufus Festus Avienus, z. Avienus.
Fetiales, priestercollegie te Rome, welks taak het was, bij oorlogsverklaringen, vredesverdragen en verbonden de voorgeschreven godsdienstige plechtigheden te vervullen. Zoolang het rom. gebied nog klein was, werden zij ook als herauten uitgezonden, om van de naburen herstel van grieven te vorderen (clarigatio) of den oorlog te verklaren, waartoe zij naar de grenzen gingen en een werpspies in het vijandelijke land slingerden. Toen het Rom. gebied hiertoe te groot werd, werd de vijandelijke grond voorgesteld door eene mand met aarde, bij den tempel van Bellona geplaatst (zie columna bellica). De woordvoerder der fetiales werd pater patratus genoemd. Zij waren als gezanten onschendbaar, en droegen, wanneer zij eene zending vervulden, takken van heilig loof (verbena) of heilige kruiden (sagmina), op het Capitool geplukt.
Fibrenus, riviertje in Latium, bij Arpinum. Juist daar, waar het in den Liris uitstroomt, lag het ouderlijk huis van Cicero.
Fibula, perone, porpe, gesp, nestel. Terwijl in het Myceensche tijdperk de kleederdracht meer overeenstemt met de tegenwoordige, vindt men reeds in het Homerische tijdperk en verder gedurende de geheele oudheid een wijze van kleeding, die van de onze geheel afwijkt; de meeste kleeren worden eenvoudig omgeslagen om het lichaam, en dan op één of beide schouders of op de borst met een gesp of nestel, het best te vergelijken met onze veiligheidsspeld, vastgestoken. Alleen bij de toga is de fibula niet in gebruik. Ook als ceintuurgesp en als haarnaald komt de fibula voor.
Ficana, stadje in Latium aan de via Ostiensis, door Ancus Marcius verwoest.
Ficul(n)ea, latijnsch stadje, verwoest door Tarquinius Priscus.
Ficus Ruminalis, zie Rumina.
Fidenae, Phidenai, stad in Latium, 8 kilometer ten Noorden van Rome, op een rots aan den Tiber, tegenover de Cremera-beek gelegen. De stad hoorde oorspronkelijk tot het bondgenootschap van Alba (de populi Albenses), maar sloot zich meestal bij Veii aan, tot ze in 426 (door den dictator Mam. Aemilius Mamercinus) veroverd en vernietigd werd.
Fidentia, rom. kol. in Gallia Cispadana aan de via Aemilia, tusschen Parma en Placentia.
Fides, godin der goede trouw, afgebeeld als eene ernstige vrouw, in het wit gekleed, gekroond met olijf- en laurierbladeren, met een korf met vruchten of korenaren in de hand. Zij had verscheiden tempels te Rome; in den oudsten, die bij het Capitolium lag en volgens de sage door Numa gewijd was, werd zij als F. publica populi Romani vereerd. In werkelijkheid is de tempel eerst gebouwd in 254 of 250, maar de dienst was ouder. Haar wezen was verwant met Dius Fidius (z. a.). Het zinnebeeld der trouw waren twee in elkaar gelegde handen.
Fidius, z. Dius Fidius.
Fiducia is eene zaak van vertrouwen, een nevencontract bij de vrijwillige overgaaf van iets, waarbij de ontvanger beloofde, het ontvangene terug te zullen geven. Zoo verkoopt een vader, die zijn zoon wil emancipeeren, dezen driemaal aan een pater fiduciarius, onder belofte, dat deze hem telkens weder zal vrijlaten. Ook gebeurde het wel, dat een erflater zijne nalatenschap geheel of ten deele door een schijnkoop aan een ander verkocht, onder belofte, dat de emptor fiduciarius over de erfenis volgens den wensch des erflaters zou beschikken. Dit middel werd te baat genomen om zekere gedeelten eener erfenis te doen uitkeeren aan personen, die naar de wet geen of slechts een beperkt erfrecht hadden, b.v. vreemdelingen en vrouwen. Het nakomen van zulk eene belofte was wel een heilige plicht, doch het strenge oude recht gaf geene dwangmiddelen aan. Ook bij het geven van onderpand kwam fiducia te pas, n.l. dat de pandnemer bij aflossing der schuld het pand zou teruggeven. Hier echter was, bij weigering, eene actio fiduciae mogelijk. Als rechtsterm komt fiducia ook wel in de beteekenis van pand voor.
Figulus, familienaam in de gens Marcia, z. Marcii no. 12 en 13.
Figulus (P. Nigidius), zie Nigidius.
Fimbria, familienaam in de gens Flavia, z. Flavii no. 3-5.
Firmicus Maternus (Julius), schreef eerst als Neo-Platonicus een werk over astrologie (matheseos libri) in 337 n. C. verschenen. Later ging hij tot het Christendom over en schreef een werk de errore profanarum religionum, dat aan de keizers Constantius en Constans was opgedragen, en waarin hij hen aanspoorde de heidenen te vervolgen.
Firmum, zeestad en lat. kolonie (sedert 264) in Picenum.
Firmus (Claudius), papyrusfabrikant in Alexandrië, maakte oproer onder de regeering van keizer Aurelianus (273 n. C.); het oproer werd echter spoedig gedempt en Firmus gedood.
Fiscus, eigenlijk een uit biezen of teenen gevlochten mand tot verschillend gebruik. Het schijnt, dat de Rom. geldmanden gebruikten in plaats van geldkisten; althans wij vinden fisci ook gebezigd tot verzending van geld, evengoed als tot bewaring er van. Vandaar beteekent fiscus ook wel de schatkist van den staat = aerarium. Onder de keizers krijgt fiscus, in tegenstelling van aerarium, de beteekenis van private kas des keizers, waarin ten laatste de meeste belastingen gestort werden. Eindelijk neemt het woord ook de beteekenis aan van opbrengsten aan den fiscus, dus van belasting.
Flaccus, familienaam in de gentes Fulvia (z. Fulvii no. 4-9) en Valeria (z. Valerii no. 19, 20, 22-25, 41). Ook de dichter Horatius droeg dezen naam.
Flagellum, flagrum. Een flagellum was een geeselwerktuig, bestaande uit touwen met knoopen er in, die aan een steel bevestigd waren; een flagrum had kettingen met ijzeren knoppen er aan. Flagellum caedit, secat, scindit; flagrum pinsit, rumpit.
Flamen. De flamines te Rome waren 15 in getal, priesters van even zooveel godheden. Er waren drie flamines maiores, priesters van Jupiter, Mars en Quirinus, flamen Dialis, Martialis, Quirinalis. De overige waren minores, zooals de fl. Volcanalis, Carmentalis, Floralis, Pomonalis, enz. De voornaamste was de fl. Dialis, die de toga praetexta, de sella curulis en een lictor had en ook zitting had in den senaat. In zijn openbaar en huiselijk leven was hij aan een groot aantal dikwerf lastige voorschriften gebonden. Hij mocht geen leger onder de wapenen zien, geen knoop of ongebroken ring hebben, daar dit zinnebeelden van slavernij waren. Elke dag was voor hem een feestdag; hij mocht dus geen menschen aan den arbeid zien, en wanneer hij over de straat ging, liepen praeclamitatores voor hem uit en riepen den menschen toe, hun werk te staken tot de priester voorbij was. Zijne vrouw, flaminica Dialis, was priesteres van Juno. Zijn huwelijk moest per confarreationem gesloten zijn; echtscheiding was hem verboden; stierf zijne vrouw, dan moest hij zijne waardigheid nederleggen. Sedert den dood van L. Cornelius Merula in 87 (Cornelii no. 44) is dit ambt 75 jaar lang onbezet gebleven. Na Caesars dood werd een flamen Caesaris gekozen; de vergode keizers kregen ook ieder hun flamen. De naam werd door de ouden afgeleid van filum, draad, omdat de flamines nooit zich geheel blootshoofds aan het volk mochten vertoonen, en derhalve, wanneer zij niet de priestermuts (apex, albogalerus) droegen, zich een wollen draad om het hoofd wonden. Tegenwoordig leidt men het woord af van flare = aanblazen van het offervuur. De keus was in de hand van den pontifex maximus; de voorgedragene werd comitiis calatis aangenomen en gewijd. Weigering baatte niet veel. De benoeming was voor het leven, doch zoo men tegen de voorschriften zondigde, moest men het ambt nederleggen.
Flaminia (lex) van den volkstribuun C. Flaminius in 232, ter verdeeling van gronden in Picenum en Gallia onder arme rom. burgers. Zie Agrariae leges.
Flaminia (via), van Rome naar Ariminum (Rimini) (z. Flaminii no. 1 en 2).
Flaminica, echtgenoote van een flamen.
Flaminii, plebejisch geslacht. 1) C. Flaminius, volkstribuun in 232, dreef onder hevigen tegenstand van den senaat zijn akkerwet door (zie lex Flaminia). Als praetor van Sicilia (227) maakte hij zich daar zeer bemind. In 223 was hij consul en versloeg de insubrische Galliërs aan den Addua (Adda), en bracht den oorlog ten einde, zonder zich aan het senaatsbesluit, dat hem terugriep, te storen. In 220 was hij censor, legde de via Flaminia aan (zie echter no. 2) en bouwde in den campus Martius te Rome den circus Flaminius. In 217 was hij andermaal consul, doch verliet Rome om het bevel tegen Hannibal op zich te nemen, alvorens aan al de voorgeschreven vormen en plechtigheden te hebben voldaan. Bij het meer Trasimenus door Hannibal in eene bergengte gelokt en ingesloten, sneuvelde hij met het grootste deel van zijn leger.--2) C. Flaminius, zoon van no. 1, streed in Hispania (210) onder P. Cornelius Scipio (den lateren Africanus maior), en later als praetor in 193. In 187 was hij consul. V. s. was hij de aanlegger van de via Flaminia.--3) C. Flaminius was in 67 aedilis curulis, in 66 index quaestionis inter sicarios.--4) C. Flaminius, een van de deelnemers aan de samenzwering van Catilina. Bij hem hield Catilina zich na zijn vlucht uit Rome eenigen tijd op in agro Arretino.
Flamininus, familienaam in de gens Quinctia, z. Quinctii no. 8 en 9.
Flammeum,--eigenlijk een adjectief, waarbij het subst. velum moet gedacht worden--bruidssluier, rood of hooggeel van kleur en van groote afmetingen, zoodat hij tot op de voeten hing. Aldus gesluierd, werd de bruid naar de woning van den bruidegom geleid, waar deze haar van het flammeum ontdeed. Schertsend bij dichters: flammea conterere, bruidssluiers verslijten = hertrouwen. Ook de flaminica droeg, als ze in functie was, een flammeum.
Flavia (lex), z. Flavii no. 6 en Agrariae leges.
Flavii, een plebejisch geslacht, afkomstig uit Etruria. Echter komen onder dezen naam ook familiën voor uit andere streken van Italia. 1) M. Flavius, volkstribuun in 327 en 323, stelde in 323 voor, de bevolking van Tusculum voor haar ontrouw voorbeeldig te straffen. Tusculum had zich namelijk bij de Samnieten aangesloten. Door smeekbeden bij het volk slaagden de Tusculaners er in, het onweder af te wenden.--2) Cn. Flavius, zoon van een vrijgelatene, scriba of klerk bij den aedilis App. Claudius Caecus, werd door hem in den senaat opgenomen en wist zich voor het jaar 304 tot aedilis curulis te doen verkiezen. In deze hoedanigheid maakte hij een rechtskalender openbaar, waarin zoowel de rechtsdagen (dies fasti) waren aangewezen, als ook een aantal vormen en formules (legis actiones), die men in acht moest nemen bij het aanbrengen en behandelen van verschillende zaken. Deze verzameling, die door hem op houten borden (alba) op het forum werd openbaar gemaakt, draagt den naam van ius Flavianum.--3) C. Flavius Fimbria, een homo novus, consul in 104. Hij werd later wegens afpersingen aangeklaagd, maar vrijgesproken.--4) C. Flavius Fimbria, aanhanger van Marius en Cinna, zoon van no. 3, liet in 86 in Asia, als legaat van den consul L. Valerius Flaccus, dezen vermoorden om zelf het bevel te kunnen voeren. Vervolgens voerde hij niet zonder geluk en beleid den oorlog tegen Mithradates, totdat in 85 Sulla in Asia kwam. Na vergeefsche pogingen om Sulla uit den weg te ruimen door zijn eigen troepen verlaten, liet hij zich door een slaaf dooden (84).--5) Flavius Fimbria, broeder van no. 4, streed onder den consul C. Norbanus in 83 tegen Sulla. Hij stierf door sluipmoord.--6) In Cicero's tijd komen nog een aantal Flavii voor, als L. Fl., rom. ridder, getuige tegen Verres,--L. Fl., praetor in 59, een vriend van Cicero, in 60 als volkstribuun voorsteller eener lex agraria ten gunste van Pompeius' veteranen, welke wet echter niet tot stand kwam,--C. Fl., een vriend van Cicero's schoonzoon Piso,--C. Fl., een vriend van Brutus, bij Philippi gesneuveld.--7) Flavius Scaevinus, senator tijdens keizer Nero, nam aan de samenzwering van Piso deel (65).--8) Uit de gens Flavia waren ook de drie achtereenvolgende keizers Vespasianus, Titus en Domitianus; de laatste wordt dichterlijk Flavius ultimus geheeten.--9) Flavius Clemens, z. Vespasianus aan het slot.--10) Flavius Sabinus, z. Sabinus no. 3.
Flavius Josephus, Iosephos, in 37 na C. uit een joodsch priestergeslacht te Jerusalem geboren. Hij genoot eene geleerde opvoeding, ging vervolgens naar Rome, waar hij de gunst verwierf van Nero's gemalin Poppaea Sabina; na zijn terugkeer brak weldra de opstand zijner landgenooten uit, waarbij hij zich aansloot. Hij organiseerde den opstand in Galilaea, maar werd na de inname van de vesting Iotapata gevangen genomen. Later door Vespasianus in vrijheid gesteld, woonde hij het beleg van Jerusalem door Titus bij, en wijdde zijne verdere dagen te Rome aan de wetenschap. Hij heeft o. a. eene geschiedenis van den joodschen oorlog geschreven, en eene joodsche geschiedenis van de schepping tot 66 na C. Van belang is ook zijn geschrift contra Apionem (z. Apion) of: Peri tes ton Ioudaion archaiotetos, waarin hij de aanvallen van verschillende schrijvers tegen het Jodendom tracht te weerleggen, en de oude en hooge beschaving van het oude volk tracht te bewijzen.
Flavus, broeder van den vorst der Cheruscen Arminius, diende in het rom. leger.
Flevo lacus, het meer Flevo, waaruit later de Zuiderzee is ontstaan. Door dit meer liep de noordelijke Rijnarm, die zich door het Flevum ostium (het Vlie) in zee stortte.
Flora, godin der bloemen en der lente, wier dienst door Titus Tatius ingevoerd was, had een tempel bij den Circus Maximus. Men hield haar voor dezelfde als Chloris.
Floralia, Flora-feesten van 28 April tot 1 Mei. Zij komen het eerst voor in 238, bij de inwijding van den tempel van Flora. Sedert 173 worden zij jaarlijks gevierd, z. Ludi. Alles werd op dit feest met bloemen versierd, terwijl men zich aan dartele, uitgelaten vroolijkheid overgaf. De vrouwen droegen op die dagen bonte kleeren.
Florentia, thans Florence, ital. Firenza, stad en rom. kolonie in Etruria, aan den Arnus (Arno).
Florus, schrijver van een Epitome rerum Romanarum, een beknopt overzicht der rom. geschiedenis van den koningstijd tot Augustus. Hij leefde ten tijde van Hadrianus en is dus waarschijnlijk identisch met P. Annius Florus, een dichter, die met keizer Hadrianus bevriend was. In dat geval is de naam Julius Florus van het beste handschrift verschreven voor Publius, en Anneus (Annaeus) van de andere voor Annius.--Onder de vrienden van den dichter Horatius komt een Julius Florus voor, die Tiberius tweemaal op zijne krijgstochten vergezelde. Quinctilianus spreekt van een beroemd redenaar Julius Florus uit Gallia, terwijl in den gallischen opstand tijdens de regeering van Tiberius een derde Julius Florus als een der heftigste opstandelingen wordt genoemd bij de Treviren (21 n. C.). Toen de opstandelingen verslagen waren, maakte hij zich van kant.
Focus, hestia, de haardstede, eenvoudig bestaande uit eene ijzeren plaat of een steenen vloertje, waarop het vuur brandde, was eene heilige plaats. De vluchteling, die zich daar nederzette, was onschendbaar. Als de algemeene focus der stad Rome gold de tempel van Vesta, Hestia.
Foedus, z. Civitates foederatae.
Foedus ferire, icere. Deze uitdrukkingen komen hier vandaan, dat bij het bezweren van een verdrag, de woordvoerder der fetiales (z. a.), de pater patratus, met een steenen hamer een big doodsloeg, met de bede, dat het rom. volk, zoo het willens en wetens valschelijk tegen het verdrag handelde, door Jupiter evenzoo mocht getroffen worden.
Foenus = Fenus.
Fonteii, plebejisch geslacht uit Tusculum. 1) Ti. Fonteius (Crassus) was in 212, toen P. en Cn. Cornelius Scipio in Hispania sneuvelden, legaat van den eerstgenoemden en voerde met L. Marcius Septimus (Marcii no. 17) het bevel over het leger tot aan de komst van P. Scipio (Africanus maior).--2) Fonteius werd in 91 als legaat met den proconsul Servilius door eene bende uit Asculum vermoord. Dit was het signaal voor het uitbreken van den bondgenootenoorlog.--3) M. Fonteius, zoon van no. 2, was legaat in Hispania, en later propraetor in Gallia Narbonensis geweest, toen hij door M. Plaetorius van afpersingen werd beschuldigd (69). Cicero verdedigde hem, waarschijnlijk tevergeefs.--4) P. Fonteius adopteerde P. Clodius Pulcher, opdat deze volkstribuun zou kunnen worden.--5) C. Fonteius Capito herstelde te Brundisium met Maecenas de verstandhouding tusschen Octavianus en Antonius (37). De dichter Horatius maakte de reis daartoe mede.--6) C. Fonteius Capito, consul 12 na C., vervolgens (23/24) proconsul in Asia.--7) Fonteius Agrippa, onder Vespasianus proconsul in Asia (68 n. C.), vervolgens in Moesia (69), sneuvelde tegen de Sarmaten.
Forceps, tang of Forfex, schaar. In de krijgskunst verstond men hieronder eene slagorde in den vorm eener V, die men aan den cuneus of wigvormige slagorde van den vijand tegenoverstelde. In den slag bij Cannae voerde Hannibal deze manoeuvre uit tegen den cuneus der Romeinen, maar hij misleidde den vijand door in den beginne zijn centrum te laten vooruitrukken, en eerst in de hitte van den strijd zijn flanken zoodanig te laten zwenken, dat de forfex tot stand kwam.
Fordicidia, feest op 15 April gevierd. Op het Capitolium en in iedere curia werd eene drachtige koe, vacca forda, aan Tellus geofferd. Het ongeboren kalf werd tot asch verbrand, die door de Vestaalsche maagden bewaard werd om bij de Palilia tot reinigingsmiddel te dienen.
Forentum, liefelijk gelegen stadje aan den berg Vultur, op de grens van Apulia en Lucania, ten Z. van Venusia.
Forfex, z. forceps.
Formiae, Phormiai, stad in het land der Aurunci in zuidelijk Latium aan de via Appia en aan zee gelegen, in 188 door het plebiscitum Valerium met het volledig burgerrecht begiftigd. De omstreken leverden uitstekenden wijn en waren zeer gezocht voor buitenplaatsen. Ook Cicero had er eene, zijn Formianum.
Formio, kustriviertje t. Z. van Tergeste (Triest), ten tijde van Varro de oostelijke grens van Italië. Augustus heeft Istria bij Italië gevoegd, en de grens verschoven tot aan de Arsia.
Formula, ingevoerd door de lex Aebutia van ± 200 en de leges Juliae van Augustus, ter vervanging der oude legis actiones. De praetor gaf aan den iudex een formulier, eene soort van instructie, waarin hij aanwees, wat recht was en hoe de rechter uitspraak moest doen, zoowel voor het geval, dat deze den klager in het gelijk, als dat hij hem in het ongelijk stelde. Het definitief vaststellen van de formula noemde men litis contestatio (z. a.), een naam ontleend aan het oude legis actio-proces. De gevallen, waarvoor de praetor eene formula gaf, stonden in diens edict vermeld. Voor de in iure cessio en de processen der XViri en Centumviri bleven de vormen van het legis actio-proces bestaan.
Fornacalia, een feest, dat oudtijds te Rome gevierd werd door hen, die gezamenlijk een oven (fornax) hadden voor het roosteren van de spelt, farris torrendi feriae, hetgeen aan het stampen (pinsere) voorafging; ook later, toen ieder een molen had, bleef het feest bestaan en sprak men van een dea Fornax. Het feest werd in de afzonderlijke curiae op verschillende dagen in Februari gevierd. Zij, die op dit feest verzuimd hadden te offeren, of niet wisten tot welke curia zij behoorden, konden dit verzuim herstellen op de Quirinalia, 17 Februari, welke dag hierom feriae stultorum heette.
Fornix, z. Arcus no. 2.
Fornix Fabianus = Fabianus Fornix.
Fortuna, ook Fors Fortuna, godin van het toeval, dat zoowel gelukkig als ongelukkig zijn kan. Haar dienst was, naar men zeide, door Servius Tullius ingesteld, die haar twee tempels gewijd had. Zij was oudtijds vooral een landelijke godheid, en werd overigens het meest door vrouwen vereerd, tegelijk met Mater Matuta en Pudicitia. Daar het lot van den mensch voor een groot deel van het toeval afhangt, werd zij later zeer algemeen vereerd, en had zij een groot aantal bijnamen, naar de personen die, de plaatsen waar en de omstandigheden waaronder zij om hare gunst baden, of naar de eigenschappen, die men haar toekende: Publica, Privata, Patricia, Equestris, Virilis, Muliebris, Primigenia (z. a.), Redux, Blanda, Dubia, Brevis, enz.--Later hield men haar voor dezelfde als Tyche en werden haar ook dezelfde attributen gegeven.
Fortunatae insulae, hai makaron nesoi, de plaatsen, waar volgens grieksche opvatting de zielen der afgestorvenen, vooral der helden en groote mannen, verblijf hielden, later geïdentificeerd met de Canarische eilanden ten W. van Afrika.
Forum, agora. Het forum bij uitnemendheid te Rome was het forum Romanum, aan den voet van den Capitolijnschen berg gelegen en zich uitstrekkende in Z. O. richting. Dit forum was het middelpunt van het verkeer; dáár werden de rechtszaken behandeld, dáár waren de wisselkantoren, dáár kon men op gezette tijden van den dag elkander spreken. Tijdens den bloei der stad was dit forum omgeven met groote gebouwen, als: het Vulcanal, den tempel der Concordia, de curia Hostilia, de regia, waar de pontifex maximus woonde, den tempel van Vesta, enz. Men vond er de rostra, de columna rostrata, den gulden mijlpaal, milliarium aureum, standbeelden. Ten N. hiervan lag het comitium, de plaats, waar oudtijds de curiaatcomitiën werden gehouden (z. a.). Daar het plein op den duur voor het handelsverkeer te klein werd, kwamen er van lieverlede andere marktpleinen (fora venalia) bij: forum boaaium, suarium, piscarium, (h)olitorium (groenmarkt). Bovendien legde Caesar ten N. van het forum Romanum een nieuw plein aan, het f. Iulium of Caesaris, met een tempel van Venus Genetrix en een beeld van Caesars paard. In aansluiting hieraan werden door sommige keizers nog andere fora aangelegd, als: het forum Augusti, het f. Vespasiani met den Vredestempel, het f. Nervae, en vooral het prachtige f. Traiani, met het paard van Traianus, de grootsche basilica Ulpia er aan grenzende en daarachter de Traianuszuil en de tempel van Traianus.--In de rom. legerplaatsen had men ook een forum naast (later vóór) de veldheerstent, bij de tenten der legaten.--In de provinciën, en ook in Italia, hadden enkele plaatsen, die in het bijzonder als marktplaatsen waren aangelegd (zie hieromtrent vicus no. 3) den naam forum, o. a. Forum Appii, aan de via Appia in de pontijnsche moerassen (Pomptinae paludes), Forum Clodii, in Liguria, aan de kust, ten N. W. van Luca, Forum Iulii (Fréjus) op de kust van Narbonensis, Forum Hadriani op het eiland der Batavieren.
Fosi, germaansch volkje, verwant met de Cheruscers.
Fossa, elke gracht of kanaal. Fossa Corbulonis, door Corbulo op het eiland der Batavieren aangelegd ter verbinding van Rijn en Maas waarschijnlijk de Vliet van Leiden naar Delft; Fossa Drusiana, waarschijnlijk de Vecht, die bij Fectio (Vechten onder Bunnik) van den (Krommen) Rijn afboog, en in den Flevo lacus, de latere Zuiderzee uitmondde. Fossa Mariana, eigenlijk een nieuwe Rhônemond, door Marius gegraven, ten O. der oude monden, die verzand waren.
Framea, de lange, dunne lans, met smalle, scherpe ijzeren punt, der Germanen. Ze gebruikten die zoowel om te werpen als om te stooten.
Franci, het bekende germaansche volkenverbond der Franken, voor het eerst vermeld omstreeks 240 na C. Het ontstond aan den Beneden-Rijn en op onze grenzen uit de Sygambren, Bructeren, Chamaven, Chasuariërs of Chattuariërs, Amsivariërs; hierin zijn later de Batavieren opgegaan. In de 5de eeuw worden ze onderscheiden in de Salische Franken (zie Salii), en de Ripuarische Franken (zie Ripuarii).
Fregellae, volscische stad in Latium aan den Liris, door de Samnieten ± 330 verwoest, waarop de Romeinen in 328 op eenigen afstand bij den overgang van den Liris een latijnsche colonie Fregellae stichtten, hetgeen een van de oorzaken was van het uitbreken van den tweeden samnietischen oorlog. Na den Caudijnschen vrede verwoest, wordt het later weer opgebouwd, en een machtige stad, die Rome trouw terzijde staat, tot de stad in 125 opstond en door den Praetor L. Opimius verwoest werd.
Fregenae, etruscische zeestad, op de grens van Latium, sedert 245 rom. kolonie.
Frentani, Phrentanoi, samnietisch volk aan de Adriatische zee. Hun gebied grensde aan Apulia.
Frento, grensriv. tusschen het land der Frentani en Apulia.
Fretum Gaditanum, straat van Gibraltar.
Fretum Siculum, straat van Messina.
Frigidarium, de zaal voor koude baden in een rom. badhuis. Zie balneum.
Friniates, zie Briniates.
Frisiavones of kleine Friezen, de tegenwoordige Westfriezen; ze behoorden tot het romeinsche rijk, en dienden in de rom. legers.
Frisii, het bekende volk der Friezen, sedert Drusus schatplichtige bondgenooten der Rom. In 28 n. C. stonden zij op, wegens de afpersingen van den primipilus Olennius, die de schatting van ossenhuiden moest invorderen. Zij versloegen den stadhouder van Germania inferior, L. Apronius, doch werden in 47 door Cn. Domitius Corbulo onderworpen. Later namen zij deel aan den bataafschen opstand onder Civilis.
Frontinus (Sex. Iulius), consul in 75, 98 en 100 na C., 76-77 proconsul in Britannia, waar hij de Silures onderwierp. In 97 onder Nerva was hij curator aquarum, eene aanzienlijke betrekking. Wij bezitten twee geschriften van hem: Strategematon libri III (een vierde boek, dat er bij gevoegd is, is niet van hem) en de aquis urbis Romae.
Fronto (M. Cornelius), uit Cirta in Africa, beroemd redenaar en advocaat onder Hadrianus en Antoninus Pius, leermeester van Marcus Aurelius en L. Verus. De brieven en vertoogen, die nog van hem overig zijn en die in 1815 door den kardinaal Angelo Mai te Milaan ontdekt zijn, hebben door hunne droogheid en gebrek aan smaak 's mans roem niet verhoogd.
Frumentariae (leges), zie annona.
Frusino, hernicische stad in Latium, een tijd lang in het bezit der Volscen; na den opstand van 306 is het een praefectura (z.a.); het lag aan de via Latina.
Fucentia (Alba), zie Alba Fucentia.
Fucinus lacus, een vrij groot meer zonder zichtbare uitwatering, in het gebied der Marsen, een vergaderbak van bergriviertjes. Daar het door zijne overstroomingen dikwijls groote schade aanrichtte, liet keizer Claudius een afwateringskanaal (emissarius) door de bergen boren. Dit werk gelukte niet, en spoedig raakte het kanaal weder verstopt. In 1855-1875 heeft de italiaansche bankier prins Torlonia een dieperen afvoertunnel doen boren, zoodat thans de bodem van het meer grootendeels is drooggelegd en in bouwland herschapen.
Fucus, blanketsel, was in de oudheid zeer in gebruik. De wenkbrauwen werden zwart geverfd, met eene zwavelverbinding van antimonium, de wangen rood met menie of met het sap eener zekere korstmosplant, de huid werd wit gemaakt met cerussa of loodwit, psimythos, terwijl de aderen aan de slapen blauw werden gekleurd.
Fufia (lex) de auspiciis, zie servare de caelo.
Fufia (lex) de religione. Toen P. Clodius Pulcher in 61 van heiligschennis beschuldigd was, omdat hij in vrouwenkleederen de aan mannen ontzegde sacra der Bona Dea had bijgewoond, en toen de consuls hadden voorgesteld, de rechters door den praetor te doen kiezen, stelde Clodius' vriend, de volkstribuun Q. Fufius Calenus, voor, de rechters op een andere wijze te doen aanwijzen, in de hoop dat er dan meer gelegenheid tot omkooping zou zijn, hetgeen gelukt is.
Fufia (lex) iudiciaria, van denzelfden, doch als praetor, 59. Deze wet bepaalde o.a., dat de drie decuriën van rechters (zie lex Aurelia iudiciaria) in afzonderlijke bussen zouden stemmen. Ook stelde zij vast, hoeveel helpers iemand mocht medenemen, die in eenige provincie een onderzoek naar gepleegde afpersingen ging instellen.
Fufidii, plebejisch geslacht, waarvan bij Cicero e. a. enkele leden vermeld worden.
Fufii, plebejisch geslacht, waarschijnlijk uit Cales. 1) Q. Fufius Calenus, tegenstander van Tib. Sempronius Gracchus.--2) Q. Fufius Calenus (zie de beide leges Fufiae) bewerkte de vrijspraak van Clodius. Later bewees hij diensten aan Caesar, en was in Gallia en Hispania diens legaat. In 47 was hij consul. Na Caesars dood sloot hij zich bij Antonius aan. Hij stierf in 40.--3) Fufius Geminus, in 34 stadhouder van Pannonia onder Augustus.--4) Q. Fufius Geminus, gunsteling van Livia, op bevel van Tiberius omgebracht (30 of 31 n. C.).
Fulcinii, plebejisch geslacht. C. Fulcinius, rom. gezant, werd in 438 door de Fidenaten omgebracht. Onder keizer Tiberius komt een zekere Fulcinius Trio als delator voor; o.a. klaagde hij in 16 n. C. Libo (Scribonii no. 9), in 20 Piso (Calpurnii no. 7) aan; als vriend van Seianus was zijn positie na diens val geschokt, en toen hem een proces dreigde, benam hij zich het leven (35 n. C.).
Fulgur condere, zie bidental.
Fullo, voller, die kleederen wiesch en opmaakte. De stoffen werden in groote kuipen met water, loog en urine gewasschen, waarbij het stampen vervangen werd door treden met de bloote voeten. Dan werden zij ingewreven met vollersaarde, creta fullonica, vervolgens gedroogd, gezwaveld, gekaard, geborsteld en geperst.
Fulvia (rogatio), de civitate sociis Italicis danda, wetsvoorstel van M. Fulvius Flaccus (125), om het burgerrecht aan de italiaansche bondgenooten te geven. Het werd niet aangenomen.
Fulvii, plebejisch geslacht, waarschijnlijk uit Tusculum. 1) M. Fulvius Paetinus, consul 299, versloeg de Umbriërs en veroverde Nequinum (z. Narnia)--2) Cn. Fulvius Maximus Centumalus, versloeg in 298 als consul de Samnieten bij Bovianum, en streed later als propraetor tegen de Etruscers.--3) Cn. Fulvius Centumalus, overwon als consul in 229 met een groote vloot de Illyriërs onder koningin Teuta. Zijn zoon, die den zelfden naam draagt, sneuvelde in den tweeden punischen oorlog te Herdonia tegen Hannibal (210).--4) Q. Fulvius Flaccus, consul in 237, 224, 212, en 209, streed in zijne eerste twee consulaten tegen de Galliërs en Liguriërs, in zijn derde tegen den Carthager Hanno. In 211 veroverde hij met Appius Claudius Pulcher (zie Claudii no. 8). Capua. Hij was pontifex maximus en in 210 dictator.--5) Cn. Fulvius Flaccus, broeder van no. 4, werd als praetor door Hannibal te Herdonia in Apulië verslagen (212) en in het volgend jaar veroordeeld tot ballingschap; hij ging naar Tarquinii.--6) Q. Fulvius Flaccus, zoon van no. 4, in 182 praetor, in 181 propraetor van Hispania Tarraconensis, beoorloogde de Celtiberiërs. In 179 was hij consul en behaalde hij een overwinning op de Liguriërs. Later sloeg hij in een vlaag van krankzinnigheid de hand aan zichzelf. Hij was pontifex maximus en in 174 censor. Een neef van hem, ook Q. Fulvius Flaccus geheeten, was consul suffectus in 180, en bracht 7000 Apuani (z. a.) naar Samnium over.--7) M. Fulvius Flaccus, door Cicero een middelmatig redenaar genoemd, consul in 125, aanhanger van C. Gracchus, kwam met zijne beide zoons in 121 met Gracchus om. Van hem is de rogatio Fulvia de civitate sociis Italicis danda, die echter niet in stemming kwam (125).--8) Ser. Fulvius Flaccus, consul in 135, versloeg de Illyriërs. Hij behoorde onder de redenaars.--9) C. Fulvius Flaccus, consul in 134, streed tegen de opgestane slaven in Sicilia, doch bracht den oorlog niet ten einde.--10) Ser. Fulvius Paetinus Nobilior, consul in 225, versloeg met zijn ambtgenoot M. Aemilius Paullus de Carthagers ter zee op hunne eigen kust bij het Hermaeische voorgebergte, promunturium Mercurii 254, zij verloren echter daarna hun vloot in een storm.--11) M. Fulvius Nobilior, streed als praetor in 193 en volgende jaren in Hispania en overwon als consul in 189 de Aetoliërs. In 179 was hij censor. Hij heeft fasti geschreven. Hij was een vriend en beschermer van Q. Ennius, die hem in zijne annales verheerlijkt heeft.--12) M. Fulvius Nobilior, zoon van no. 11, consul in 159.--13) Q. Fulvius Nobilior, ook een zoon van no. 11, consul in 153, verschafte aan Ennius het rom. burgerrecht in 184, toen hij triumvir coloniae deducendae was. Hij was de eerste, die het consulaat op den 1sten Januari aanvaardde.--14) Fulvia, dochter van M. Fulvius Bambalio, was eerst gehuwd met P. Clodius Pulcher, later met C. Curio en ten derden male met M. Antonius. Zij was eene hevige vijandin van Cicero. Zij haalde in 41 haar zwager L. Antonius over, oorlog met Octavianus te beginnen, bellum Perusinum, (zie Antonii no. 4 en 6).--15) Fulvia, minnares van Q. Curius, zie Curii no. 2.
Fundanii, plebejisch geslacht. 1) C. Fundanius Fundulus klaagde als volkstribuun in 249 den consul P. Claudius Pulcher (Claudii no. 7) aan, die tegen de auspicia met de Carthagers bij Drepana ter zee had gestreden en verslagen was, en in 246 als aedilis plebis diens zuster, omdat ze het volk hevig beleedigd had. In 243 streed hij als consul tegen Hamilcar Barcas, en weigerde hem na den slag een wapenstilstand voor het begraven der lijken.--2) C. Fundanius, eerst aanhanger van Pompeius, ging tot de partij van Caesar over.--3) M. Fundanius, in 66 door Cicero verdedigd.
Fundi, municipium in Latium aan de via Appia, met cyclopische muren. In 188 kreeg het, met Formiae en Arpinum volledig burgerrecht. De omtrek, ager Caecubus (z. a.), was beroemd om zijn voortreffelijken wijn. Nabij Fundi lag een diep meer, lacus Fundanus genoemd.
Furca, gaffel of gavel, groote tweetandige vork, als hooivorken, enz.--Als strafwerktuig voor slaven is de furca een houten blok in den vorm eener <, dat om den hals werd gelegd, terwijl de armen aan de beide einden van den vork werden vastgebonden. Slaven, die gekruisigd of gehangen moesten worden, werden zóó ter strafplaats geleid; vandaar is furcifer als scheldwoord = galgebrok.
Furia (lex) testamentaria, uit de eerste helft der 2de eeuw, dat niemand een grooter legaat dan van 1000 as mocht aanvaarden, op straffe van het meerdere vierdubbel te moeten teruggeven. Uitgezonderd zijn de naaste bloedverwanten.
Furia Atilia (lex) van de consuls L. Furius Philus en Sex. Atilius Serranus in 136, dat de consul C. Hostilius Mancinus, die den vernederenden vrede met de Numantijnen had gesloten, aan de vijanden zou worden uitgeleverd.
Furia Caninia (lex) de manumissionibus, onder Augustus, beperkte de overdreven vrijlatingen van slaven bij testament.
Furiae, z. Erinnyes.
Furii, patricisch geslacht, uit Tusculum. 1) P. Furius Philus, overwon als consul in 223 de Galliërs. Hij was in 214 censor, doch stierf gedurende zijn ambt, waarop zijn ambtgenoot de censuur nederlegde.--2) L. Furius Philus, consul 136. Zie lex Furia Atilia.--3) Sp. Furius Medullinus Fusus, consul 481, streed gelukkig tegen de Aequers.--4) Sp. Fur. Medullinus Fusus, consul 464, streed tegen de Aequers met afwisselend geluk.--5) Agrippa Fur. Medullinus Fusus, consul 446, versloeg de Volscers.--6) L. Fur. Medullinus, consul 413 en 409 en zevenmaal consulairtribuun, overwon de Volscers.--7) L. Fur. Medullinus, leverde als legaat van M. Furius Camillus tegen diens wil slag aan de Volscen en werd door Camillus nog van den ondergang gered. In 381 waren beiden ambtgenooten als consulairtribuun.--8) Sp. Fur. Medullinus, consulairtribuun in 378, verwoestte het volscische land.--9) M. Furius Camillus, in 403 censor, daarna bij herhaling consulairtribuun, in 396 dictator, behaalde grooten roem in den strijd tegen de Faliscers en vooral in 396 door de verovering van Veii. Van verduistering van buit beschuldigd, ging hij in 391 in ballingschap. Toen echter Rome door de Galliërs was ingenomen, riepen de belegerden op het Capitool zijne hulp in, en benoemden hem, schoon afwezig, tot dictator. Den aftrekkenden Galliërs bracht hij, volgens het latere verhaal, eene gevoelige nederlaag toe, waarvoor hij den naam van pater patriae ontving. Hij hield de verhuizing van het volk naar Veii tegen, liet Rome met spoed herbouwen en legde zijn ambt toen neder. Later was hij nog bij herhaling consulairtribuun en nog driemaal dictator. Hij versloeg de Volscers, Aequers, Etruscers en in 367 nogmaals de Galliërs. In 365 stierf hij aan de pest, 82 jaar oud. Veel van deze verhalen omtrent Camillus worden door sommige geleerden voor verdicht gehouden. Aan Camillus wordt een verandering in het krijgswezen toegeschreven, zie Acies.--10) Sp. Furius Camillus, zoon van no. 9, was in 365 de tweede praetor.--11) L. Furius Camillus, ook een zoon van no. 9, was in 350 dictator, en weigerde toen hardnekkig, een plebejer tot consul te laten kiezen, waarop hij zelf tot consul voor 349 gekozen werd, met App. Claudius Crassinus (Claudii no. 4).--12) L. Furius Camillus en C. Maenius, consuls in 338, genoten de zeldzame eer, dat hun triumftocht over de onderworpen Latijnen door ruiterstandbeelden op het forum vereeuwigd werd.--13) Een nazaat van deze Furii Camilli is: M. Furius Camillus, consul 8 n. C., versloeg als proconsul van Africa (17 n. C.) de Numidiërs, die onder leiding van Tacfarinas opgestaan waren, en verwierf de insignia triumphalia.--14) Furius Camillus Scribonianus, of L. Arruntius Camillus Scribonianus, consul 32 n. C., liet zich als legatus Illyrici bij het begin van de regeering van keizer Claudius door zijn troepen tot keizer uitroepen, maar werd reeds binnen vijf dagen vermoord. In zijn val werd o.a. Caecina Paetus meegesleept.--15) Verder vindt men onder de Furii nog de Aculeones,--de Bibaculi, waaronder een zekere M. Fur. Bib., een dichter ten tijde van Caesar, dien Horatius in zijn verzen bespotte; hij was te Cremona geboren, hij was, evenals Catullus, een tegenstander van Caesar, en ook van Augustus; beiden heeft hij in zijn epigrammen bespot,--de Purpureones, waaronder L. Fur. Purpureo, die in 200 als praetor de Galliërs overwon en in 196 consul was,--de Pacili, die ook nog een paar consuls hebben opgeleverd, en de Crassipedes. Een dezer laatsten is na den dood van C. Piso Frugi een tijd lang met diens weduwe Tullia, Cicero's dochter, verloofd geweest.--16) A. Furius Antias, uit Antium, vriend van Q. Lutatius Catulus (consul in 102), dichtte Annales.
Furnii, plebejisch geslacht. 1) C. Furnius, volkstribuun in 50, een vriend van Cicero, aanhanger van Caesar en later van Antonius, vergezelde dezen in den parthischen oorlog en was in 35 stadhouder van Asia. Hij verzoende zich later met Octavianus en was in 29 consul. Hij had naam als redenaar.--2) C. Furnius, zoon van no. 1, onderwierp in dienst van Augustus de Cantabriërs (25-23).
Furrina, romeinsche godin, wier beteekenis reeds aan de ouden onbekend was. Haar feest, de Furrinalia, werd den 25en Juli gevierd.
Fustuarium, zware lijfstraf in het rom. leger. Wanneer door den krijgsraad deze straf over een soldaat was uitgesproken, raakte zijn centurio hem met een stok aan, waarop de andere soldaten met knuppels en steenen zoo op den schuldige aanvielen, dat deze er meestal onder bezweek.
G.
Gabali, Gabaleis, volksstam in Gallia Aquitanica, in de bergstreek, waar de Oltis (Lot) en de Elaver (Allier) ontspringen. Zij waren aan de Arverners onderhoorig.
Gabii, Gabioi, oude en eenmaal machtige stad van Latium, volkplanting van Alba Longa. Zij werd volgens de overlevering door Tarquinius Superbus op verraderlijke wijze veroverd. Later heeft Rome met Gabii een verbond gesloten, waarbij de burgers onder de cives Romani werden opgenomen, maar Gabii zijn eigen gemeentebestuur behield. In Cicero's tijd was het stadje geheel vervallen. De steengroeven van Gabii leverden de bouwstof (tufsteen, bij de Rom. soms tophus, tgw. peperino geheeten) tot den herbouw van Rome na den grooten brand onder keizer Nero.
Gabinia (lex) tabellaria van den volkstribuun A. Gabinius (139), waarbij voor verkiezingen in de comitiën de geheime stemming door middel van tabellae of tesserae werd ingevoerd. Zie Tabellariae (leges).
Gabiniae (leges) van A. Gabinius, volkstribuun in 67: 1) de uno imperatore etc., om aan Pompeius het opperbevel op te dragen tegen de zeeroovers;--2) de versura, misschien uit den tijd van zijn consulaat (58), een verbod om te Rome aan civitates in de provinciën geld te leenen. Deze wet is een doode letter gebleven. Men denke slechts aan de woekerrente, die M. Brutus (Junii no. 9) te Salamis op Cyprus wist te bedingen.
Gabinii, plebejisch geslacht. De belangrijkste leden hiervan zijn: 1) A. Gabinius, volkstribuun in 139, de voorsteller der eerste lex tabellaria.--2) A. Gabinius, aanhanger van Pompeius, en als volkstribuun in 67 voorsteller der wet, om aan P. het opperbevel op te dragen tegen de zeeroovers. In 66 was hij diens legaat in den mithradatischen oorlog. In 58 was hij consul, in 57 ging hij als proconsul naar Syria, dat hij schandelijk bestuurde, terwijl hij in strijd met een senaatsbesluit Ptolemaeus Auletes op den troon van Aegypte herstelde. Te Rome teruggekeerd, werd hij van verschillende zijden aangeklaagd, maar met behulp van Pompeius ontkwam hij aan eene veroordeeling wegens hoogverraad, doch niet wegens afpersingen. Na Pompeius' dood kreeg hij van Caesar verlof uit zijne ballingschap terug te keeren; hij diende Caesar vervolgens in Illyricum en stierf, terwijl hij te Salonae door de Pompeiani belegerd werd (47), Cicero, tot wiens verbanning hij had medegewerkt, was een verbitterd vijand van hem, hoewel hij hem éénmaal verdedigd heeft.
Gabinus cinctus, een bijzondere wijze om de toga op te schorten, zonder van een gordel gebruik te maken. Hierbij werd de slip van de toga, die anders over den linker schouder naar achteren werd geslagen, strak om het middel getrokken, zoodat daardoor een gordel werd gevormd, waardoor de plooien der toga omhoog konden worden gehaald en dus opgeschort. Bij deze dracht bleven ook de armen vrij. Men gebruikte ze bij bijzondere godsdienstige handelingen; waarschijnlijk is ze uit Gabii overgenomen in den tijd, toen die stad nauw met Rome verbonden was. Een oorlogskleed, waarvoor het vaak gehouden wordt, is het nooit geweest.
Gabreta silva, Gabreta hyle, in Germania, thans het Bohemerwoud.
Gadara, ta Gadara, groote sterke stad in Palaestina ten Z. O. van het meer Gennesareth.
Gadera of Gades, ta Gadeira, oude volkplanting der Carthagers in Baetica, thans Cadix. De Puniërs noemden het Gadir. In 206 sloot het zich bij Rome aan, en werd het civitas foederata. Door Caesar werd Gades met het burgerrecht begiftigd; het werd nu een municipium onder den naam Augusta Iulia urbs Gaditana.
Gadrosia, Gadrosia = Gedrosia.
Gaea, Ge, Gaia, Ge de Aarde als godin. Zij is de oudste der goden, daar zij onmiddellijk uit den Chaos ontstaan is, en heeft een zeer talrijk kroost. Terstond na hare geboorte bracht zij Uranus, Pontus en de bergen voort, daarna werd zij bij Uranus moeder van de Titanen, Cyclopen en Hecatonchiren, bij Pontus van Nereus, Thaumas, Phorcys, Ceto en Eurybia, uit het bloed van Uranus' (z. a.) wonden bracht zij de Erinyen en Giganten ter wereld, terwijl ook de autochthonen als hare kinderen beschouwd worden. Zij is de godin die alle leven doet ontstaan, de menschen voedt en hen in hunne jeugd doet opgroeien (Kourotrophos), maar die ook alles wat geleefd heeft weder in haar schoot opneemt. Ook is zij eene orakelgevende godin en had zij het eerst het orakel van Delphi bezeten. Later werden hare eigenschappen grootendeels overgebracht op Rhea Cybele, Demeter, Hestia, e.a.--Bij de rom. werd eveneens Tellus als godin vereerd.
Gaesati, Gaisatai, keltische huursoldaten, die in 222 door den consul M. Claudius Marcellus bij Clastidium (ten Z. van den Padus of Po) verslagen werden. Zij droegen hun naam vermoedelijk naar eene soort werpspies, gaesum, waarvan de Rom. zich ook wel bediend hebben. Het waren Kelten van over de Alpen, die door de Galliërs uit de Po-vlakte, vooral door de Bojers en Insubriërs, in dienst werden genomen.
Gaesum, gaison, zie Gaesati.
Gaesus of Gaeson, Gaison, rivier in Ionia, die bij kaap Mycale in zee valt.
Gaetuli, Gaitouloi, halfwilde inwoners van Gaetulia, een uitgestrekt binnenland van Afrika, ten Z. van Numidia en Mauretania.
Gaius, beroemd rom. jurist, uit den tijd van Hadrianus en de Antonijnen, schrijver der bekende Institutionum libri IV, uitgegeven in 161 n. C. en in 1816 door Niebuhr in de bibliotheek te Verona ontdekt. Andere werken van hem zijn verloren gegaan.
Gaius Caesar, zie Caligula.
Galaesus, Galaisos, riviertje bij Tarentum. De schapen, die in de weiden aan zijne oevers graasden, waren bekend om de fijnheid en witheid hunner wol.
Galanthis = Galinthias.
Galatae, Galatai, zie Celtae.
Galatea, Galateia, dochter van Nereus en Doris, z. Acis.
Galatia, Galatia, ook Gallograecia geheeten, Galatia he Hellenis (onder Galatia alleen kan ook Gallia worden verstaan), landschap in het binnenland van Asia minor. Omstreeks 278 had Nicomedes I van Bithynia, om zich tegen Pergamus en Syria staande te houden, drie kleine rondzwervende gallische stammen in dienst genomen: de Tolistoboii, de Tectosages en de Trocmi. Toen Nicomedes hen niet meer noodig had, trokken zij een tijd lang al plunderend in Azië rond, tot het ± 235 aan de naburen gelukte, hen in het naar hen genoemde Galatia bijeen te drijven en daartoe te beperken. Tot Galatia behoorde destijds nog een gedeelte van N.W.-Phrygia, van den mons Dindymus af, dat den Galaten echter in 180 door de Rom. werd afgenomen. De hoofdsteden waren: Pessinus, Ancyra (thans Angora) en Tavia. Zie Deiotarus. In 25 werden Isauria en Lycaonia met Galatia tot ééne rom. provincie Galatia vereenigd. Wanneer de apostel Paulus zijn brief richt tais ekklesiais tes Galatias, dan zijn daarmede de gemeenten in dat deel van Lycaonia bedoeld, dat in zijn tijd bij Galatia hoorde, n.m. Antiochia Pisidiae of ad Pisidas (z. Antiochia no. 3), Iconium, Lystra en Derbe, waar hij het Evangelie verkondigd had (46/47 n. C.). In het eigenlijke Galatia vond men geen of weinig Joden, bij wie Paulus steeds het eerst aanklopte, en eerst heel laat Christelijke gemeenten. Deze meening wordt echter niet algemeen gedeeld.
Galba, familienaam in de gens Sulpicia (Sulpicii no. 9, 11-17).
Galba (Ser. Sulpicius), rom. keizer van Juni 68 tot Januari 69 na C. Hij was van aanzienlijke geboorte en achtereenvolgens veldheer en stadhouder aan den Rijn, in Africa, in Hispania. Toen de voornaamste generaals besloten hadden aan Nero's gruwelen een eind te maken, werd Galba tot keizer uitgeroepen. Door strengheid en door aan de soldaten het gewone geschenk bij zijne troonsbeklimming te onthouden, wekte hij verbittering. Salvius Otho maakte hij tot zijn vijand, door C. Calpurnius Piso Licinianus (Calpurnii no. 13) als troonopvolger aan te nemen. Galba's troepen werden door die van Otho verslagen en hijzelf in een soldatenoproer vermoord (15 Jan.).
Galea, helm. De rom. galea was van leder vervaardigd en voorzien van stormbanden (bucculae) met metalen schubben. De centuriones droegen er een vederbos (crista) op van roode of zwarte pluimen.
Galenus (Claudius), Galenos, geb. 129 n. C. te Pergamus, studeerde in zijne vaderstad, te Smyrna, Corinthe en Alexandrië in de geneeskunde, en werd een van de beroemdste geneesheeren der oudheid. Sedert 162 leefde hij bijna voortdurend te Rome als lijfarts van Marcus Aurelius, Lucius Verus en Commodus. Hij stierf omstreeks 200, en liet een buitengewoon groot aantal (ongeveer 250) grootere en kleinere geschriften na, waarvan vele nog bewaard gebleven zijn. Deze werken, die voornamelijk de geneeskunde met hare hulpwetenschappen in alle onderdeelen behandelen, hadden nog in de 16de eeuw groot gezag; van vele bestaan latijnsche, arabische en hebreeuwsche vertalingen. Zijne werken op wijsgeerig en grammatisch gebied, waarvan het meeste verloren gegaan is, bevatten vele wetenswaardige bizonderheden over de geschiedenis van die wetenschappen.
Galepsus, Galepsos, stad op de chalcidische landtong Sithonia.
Galerius, voluit C. Galerius Valerius Maximianus, uit Illyria, schoonzoon van Diocletianus en door dezen 1 Maart 293 tot Caesar of kroonprins aangenomen. Na den afstand van Diocletianus volgde hij dezen in de waardigheid van Augustus op over de oostelijke helft van het rijk (305 na C.). Hij stierf in 311 na C., na eerst een tolerantie-edikt voor de Christenen te hebben uitgevaardigd.
Galerius Trachalus, consul in 68 na C., een uitstekend redenaar. Men zeide, dat hij de steller was der redevoeringen, die keizer Otho uitsprak.
Galerus, muts van bont of vilt, ook wel valsche haartooi van vrouwen. Zie ook albogalerus.
Galesus = Galaesus.
Galilaea, Galilaia, het noordelijke gedeelte van Palaestina, ten W. van den Jordaan en het meer Gennesareth. Dit gewest, dat door de Israëlieten meer in naam dan in werkelijkheid veroverd werd, en waar de kanaänietische stammen niet werden uitgeroeid, kreeg den naam Gelil-hag-gojim, distrikt der heidenen, welke naam tot Galilaea verbasterd is. Steden: Capharnaum, Magdala, Tiberias en Taricheae aan het meer van Gennesareth, verder Sepphoris (Diocaesarea), Bethlehem, Nazareth, Megiddo. Galilaioi noemt keizer Julianus de Christenen.
Galinthias, Galinthias, dochter van Proetus, vriendin van Alcmene. Toen Ilithyia op bevel van Hera de geboorte van Heracles belette, kwam Gal. met uitgelaten vreugde verhalen, dat Alcmene reeds een zoon ter wereld gebracht had, zoodat Ilithyia misleid werd en haar tegenstand opgaf. Tot straf werd Gal. in een wezel veranderd, doch door de Thebanen werden haar te gelijk met Heracles offers gebracht.
Gallaecia, vroeger Callaecia, thans de spaansche provincie Galicia, in het N.W. van Hispania, met eene ruwe bevolking. De Gallaeci, Kallaikoi, stonden bij de Romeinen in slechten reuk. De stad Brigantium, thans Coruña, had een grooten vuurtoren.
Galli, z. Rhea (Cybele).
Gallia, Galatia of Keltike, het land der Galliërs. 1) Gallia Cisalpina, dat gedeelte van N. Italia, dat gedeeltelijk door keltische of gallische stammen bewoond werd, die omstreeks 400 door de vruchtbaarheid en het klimaat van Italië waren aangelokt om over de Alpen te trekken en zich in de vlakte van den Po neer te zetten. Het werd onderscheiden in G. Transpadana en G. Cispadana. Na eene worsteling van een halve eeuw (240-191) moesten de cisalpijnsche Galliërs, waaronder de Bojers, Insubriërs en Cenomanen de voornaamste stammen waren, zich aan Rome onderwerpen. In 89 kreeg Cispadana, omdat het in den bondgenootenoorlog trouw gebleven was, het rom. burgerrecht door de lex Pompeia van den consul Cn. Pompeius Strabo en werden de steden dus municipia. In 49 viel door eene lex Iulia van C. Julius Caesar hetzelfde aan Transpadana te beurt. Niettemin bleef Cisalpina tot in 43 provincie en had men dus het vreemde verschijnsel van eene provincie, bevolkt met rom. burgers. Augustus voegde Cisalpina met Liguria, het land der Veneters, Histria en de italiaansche Alpenhellingen bij Italia en vormde er de 8ste, 9de, 10de en 11de regio uit.--2) Gallia Transalpina, tusschen de Alpen, den Rijn, den Oceaan en de Pyrenaeën. Het Z.O. gedeelte, ten N. van den sinus Gallicus, werd reeds in 122 tot provincie gemaakt onder den naam Gallia Narbonensis, naar de hoofdstad Narbo Martius, thans Narbonne, de eerste rom. kolonie buiten Italië. Dit gedeelte wordt ook wel kortweg Gallia provincia geheeten, waaruit de naam Provence is ontstaan. Het overige gedeelte van Transalpina, door Caesar onderworpen, werd onderscheiden in: Aquitania in het Z.W., Gallia propria, ook wel Gallia Celtica geheeten en Belgica. Onder Augustus werd eene nieuwe indeeling in 4 provinciën tot stand gebracht: 1 Narbonensis, 2 Aquitania (z.a.), dat aanmerkelijk werd uitgebreid, 3 Lugdunensis, naar de hoofdstad Lugdunum, thans Lyon, 4 Belgica, dat ook naar het Z.O. werd vergroot, met Durocortorum, thans Rheims, tot hoofdplaats. Verder werd, na de terugroeping van Germanicus in 17 n. Chr., eene strook lands op den linker Rijnoever van een eind boven Argentoratum (Straatsburg) tot aan zee als militaire grens van Gallia gescheiden en tot twee provinciën gevormd: Germania superior, met Mogontiacum (Mainz), en Germ. inferior, met Colonia Agrippina (Keulen) tot hoofdstad. De naam Germania werd gegeven, omdat deze strook bijna geheel met germaansche stammen bevolkt was, die in verschillende tijdperken over den Rijn waren gestoken en zich in Gallia hadden genesteld. Na Constantijn vindt men eene geheel andere verdeeling in 17 provinciën.--Het aantal volkjes en stammen in Gallia was zeer groot; tot de hoofdvolken behoorden de Volcae, de Arverni, de Aedui, de Sequani, de Helvetii, de Bituriges, de Aulerci.--3) Gallia braccata is een bijnaam voor G. Narbonensis, omdat de inwoners daar lange broeken droegen, welke dracht den Rom. vreemd was.--4) Gallia comata = Transalpina, omdat de bewoners de haren lang droegen.--5) Gallia togata = Cisalpina, sedert de inwoners als rom. burgers de toga mochten dragen.
Gallienus (P. Licinius Egnatius), rom. keizer 260-268 na C. In 253 was hij door zijn vader Valerianus tot Caesar benoemd, en toen V. door de Perzen was gevangen genomen, volgde Gallienus hem op, zonder zich verder veel om zijns vaders lot te bekommeren. Hoewel het hem aan bekwaamheden niet ontbrak, regeerde hij slecht en gaf hij zich aan allerlei onmatigheid over. Van verschillende zijden drongen de barbaren over de grenzen, alom stonden tegenkeizers op (het zoogenaamde tijdperk der 30 tyrannen), en eindelijk viel Gallienus zelf door sluipmoord.
Gallinaria, eil. bij de ligurische kust, rijk aan hoenders. Gallinaria silva, een bosch op de kust van Campania, aan de grens van Latium, tijdens de burgeroorlogen en in den keizertijd berucht om zijne onveiligheid.
Gallio, naam van twee rhetoren, ten tijde van Nero. De oudste, L. Iunius Gallio, was een vriend van Ovidius en van Seneca rhetor, en adopteerde den broeder van den wijsgeer Seneca. Deze broeder, die nu Iunius Annaeus Gallio heette, werd onder Nero ter dood gebracht.
Gallograecia = Galatia.
Gallonii, plebejisch geslacht. 1) P. Gallonius, een befaamde lekkerbek te Rome, tijdgenoot van Laelius, ± 140.--2) C. Gallonius, aanhanger van Pompeius en door dezen in 49 tot praefectus van Gades (Cadix) benoemd.
Gallus, Gallos, rivier in Galatia, zijtak van den Sangarius.
Gallus, familienaam in een aantal gentes, o.a. bij de Aquillii, Asinii, Caninii, Sulpicii (Sulpicii no. 10). Er komen onder dezen naam twee stadhouders van Aegypte voor: Aelius Gallus (zie Aelii) en C. Cornelius Gallus (zie Cornelii no. 59). Het was deze laatste, die zich om het leven bracht, toen hij door Augustus tot ballingschap was veroordeeld.
Gallus (C. Vibius Trebonianus), rom. keizer 251-253 na C., vroeger generaal van keizer Decius en medeplichtig aan diens vermoording, kocht van de Gothen op smadelijke wijze den vrede. Onder zijn bewind werd het rijk geteisterd door invallen van Perzen en Gothen, door oproeren en pest. Hij nam zijn zoon C. Vibius Afinius Gallus Veldumnianus Volusianus als Caesar tot mederegent aan, doch beiden sneuvelden op een tocht tegen Aemilianus, opgestaan veldheer in Pannonia.
Gallus (Constantius), oudere broeder van keizer Julianus, Caesar van 351-354 n. C., toen keizer Constantius II hem liet ombrengen.
Gamala, vesting in Palaestina aan het meer Gennesareth.
Gambrium, Gambreion, stad in Aeolis, aan den Caïcus.
Gamelion, Gamelion, 7de maand van het Attische jaar (Jan.-Febr.), z. Annus.
Gandarae, Gandaridae, Gandarai, Gandaridai, twee indische volksstammen in het Indusgebied. De Gandarae wonen in de landstreek Gandaritis in de vallei van den Cophen, de Gandaridae in Pendschab, tusschen de rivieren Acesines en Hydraotes.
Gangra, hoofdstad van Paphlagonia; later Germanopolis genoemd.
Ganus, Ganos, sterkte in Thracia aan de Propontis, door koning Seuthes aan de 10000 Grieken overgegeven.
Ganymedes, Ganymedes, ook Catamitus, zoon van Tros en Callirrhoë, de schoonste aller stervelingen, die door de goden in den hemel werd opgenomen om schenker van Zeus te zijn; tot vergoeding kreeg zijn vader van Zeus een span goddelijke paarden. Volgens latere verhalen werd hij door Zeus bemind en door diens arend of door hemzelf onder de gedaante van een arend ontvoerd. Hij werd als Waterman onder de sterren opgenomen.
Garamantes, Garamantes, zachtaardige volksstam in de oase Phazania, thans Fezzan, in Libya (Afrika). Hunne bloeiende hoofdstad heette Garama. Zij leefden van landbouw, veeteelt en handel. Garamantis dichterlijk = afrikaansch.
Gargaphia, Gargaphia, dal en bron ten N.O. van Plataeae.
Garganus mons, Garganon oros, thans monte Gargano, boschrijk, in zee vooruitspringend gebergte op de kust van Apulia.
Gargara of -rus of -rum, ta Gargara, to Gargaron, de zuidelijke top van den berg Ida in Troas, met de stad Gargara, aan de Adramyttische golf gelegen, aan den voet.
Gargarenses, Gargareis, mythisch volk aan den Caucasus, alleen uit mannen bestaande. Ten einde kinderen ter wereld te brengen, leefden de Amazonen een paar maanden 's jaars met hen, zonden dan de jongens naar de vaders en behielden de meisjes.
Gargettus, Gargettos, demus in Attica ten N. van den Hymettus, geboorteplaats van Epicurus, die hierom wel Gargettius wordt genoemd.
Garites, Gates, volk in het O. van Aquitania, in het tegenwoordige dép. Gers.
Garsauritis, landstreek van Cappodocia (z.a.).
Garum, eene marinadesaus, uit het bloed en de ingewanden van zekeren zeevisch bereid. O. a. gebruikte men ze bij oesters.
Garumna, Garounas, rivier in zuidelijk Gallia, thans de Garonne.
Garumni, volksstam aan de Garumna.
Gauda, numidische prins, die in het rom. leger tegen Jugurtha diende, en later waarschijnlijk het rijk Numidia kreeg.
Gaudus = Gaulus.
Gaugamela, Gaugamela, vlek in Assyria. Tusschen deze plaats en Arbela had de derde en beslissende slag plaats tusschen Alexander d. Gr. en Darius Codomannus (331).
Gaulus, Gaulos, thans Gozzo, eilandje bij Melite (Malta), aldus geheeten naar zijn ronden vorm.
Gaurus (mons), ook Gaurani montes, vulkanisch gebergte in Campania, ten N. van Cumae, met uitgebrande, in meren herschapen kraters, waaronder het Avernus-meer. Bij dezen berg behaalden de Rom. in 343, in den zoogenaamden eersten samnietischen oorlog eene groote overwinning op de Samnieten. Deze geheele oorlog is echter verzonnen. Zie Cornelii no. 5. Langs de hellingen werd een heerlijke wijn geteeld.
Gauzanitis, Gauzanitis, landstreek in N.O. Mesopotamia, aan den Chaboras.
Gaza, Gaza, zuidelijke grensvesting in het land der Philistijnen, eene der vijf steden van dit volk, en een der sleutels van Palaestina. Zie ook Cadytis. Alexander de Gr. belegerde de stad vijf maanden lang. In 96, in het tijdperk der Maccabaeën, werd zij door Alexander Jannaeus een jaar lang belegerd en na de inneming verwoest. Zij werd herbouwd, in 66 n. C. door de Joden verwoest, doch later opnieuw opgebouwd.--Ook in Sogdiane lag eene stad, met name Gaza.
Gazaca of Gaza, Gazaka, hoofdstad van Media Atropatene.
Ge, Ge = Gaea.
Gebenna = Cebenna.
Gedrosia, Gedrosia, het zuidoostelijkst gewest van het perzische rijk, aan de zeezijde. Op zijn tocht door Gedrosia verloor Alexander, vooral door gebrek aan water, een groot gedeelte van zijn leger.
Geganii, patricisch geslacht te Rome, waarschijnlijk afkomstig uit Alba Longa. In de eerste helft der republiek komen eenige hooge overheidspersonen uit deze gens voor, met den familienaam Macerinus.
Geisericus, Gezerichos, Gizerichos, Geiserik, koning der Vandalen, en stichter van het Vandaalsche rijk in N.-Afrika in 429 n. C. Zie Vandali.
Geison is de vooruitspringende daklijst aan den dorischen tempel. Aan den voorkant en de achterzijde vindt men een horizontaal en twee opstaande geisa, die samen het bekende gevelveld vormen, dat bij rijk versierde tempels met beeldwerk gevuld was. Door het sterk vooruitspringen van de daklijsten was dit beeldwerk voor den regen beschut. Aan de lange zijden heeft men een overhangend geison, als voortzetting van het schuins afloopende dak.
Gela, Gela, bloeiende, machtige stad op de Zuidkust van Sicilia, rhodisch-cretensische kolonie, in 689 gesticht aan een riviertje van gelijken naam. De omstreken, campi Geloi, brachten veel koren voort, vooral tarwe, vandaar wordt Gela pyrophoros genoemd. Het werd spoedig overschaduwd door zijne eigene volkplanting Agrigentum, in 581 gesticht. Nadat de tyran Gelo omstreeks 485 de helft der bevolking naar Syracusae had overgebracht, kwijnde Gela; van 466 af was het zelfstandig. In 405 werd het door de Carthagers verwoest. Timoleon bracht er nieuwe bewoners uit Ceos; in 280 werd de stad voor de tweede maal en nu voor goed vernietigd door Phintias, tyran van Agrigentum.
Gelanor, Gelanor, zoon van Sthenelus, was koning van Argos toen Danaüs in het land kwam, die evenals G. van Inachus afstamde en op dien grond aanspraak op de regeering maakte. Terwijl het volk vergaderd was om in deze zaak een besluit te nemen, kwam een wolf de kudde van G. aanvallen en verscheurde den stier, waarop het volk, hierin een voorteeken ziende, ten gunste van Danaüs besliste.
Gelduba, sterkte in het land der Ubiërs of Agrippinensers, tusschen Vetera en Novaesium, thans Gelb.
Geleontes, zij die tot de eerste der vier oude attische phylen behoorden.
Gellias, Gellias, v.a. Tellias, Tellias, rijk inwoner van Agrigentum, bekend om zijne geestigheid en mildheid. Toen zijne vaderstad in 405 door de Carthagers werd ingenomen, stak hij den tempel van Pallas in brand om hem voor ontwijding te behoeden, en kwam zelf daarbij om.
Gellii, een geslacht, uit Samnium afkomstig. 1) Gellius Statius, veldheer der Samnieten, in 305 door de Romeinen gevangen genomen.--2) Gellius Egnatius, zie Egnatii no. 1.--3) L. Gellius Poplicola, consul in 72, niet zonder talent als redenaar, overwon eerst in den slavenoorlog den aanvoerder Crixus, doch werd vervolgens met zijn ambtgenoot Cn. Cornelius Lentulus Clodianus (Cornelii no. 49) door Spartacus verslagen. In 70 trad hij met denzelfden Lentulus als censor zeer streng op. Er werden toen 64 senatoren van de lijst geschrapt. In 67 was hij legaat van Pompeius in den zeerooversoorlog. Cicero stond bij hem in hooge achting. Een broeder van hem, ook Gellius Poplicola geheeten, was een hevig tegenstander van Cicero en een vriend van P. Clodius.--4) L. Gellius Poplicola, zoon van no. 3, werd beschuldigd zijn vader naar het leven te hebben gestaan, doch vrijgesproken. Later komt hij onder de vijanden van Brutus en Cassius en onder de aanhangers van Antonius voor. Hij was in 36 consul.--5) Cn. Gellius, annalist omstreeks 130.--6) Aulus Gellius, rom. taalgeleerde, geb. omstreeks 130 n. C., een man van veelzijdige studie en ontwikkeling. Zijne Noctes Atticae, een werk, gedurende zijn verblijf te Athene in de winternachten begonnen, bevatten veel wetenswaardigs op allerlei gebied.
Gelo, Gelon, van Gela, zoon van Dinomenes, bevelhebber der ruiterij onder Hippocrates, regeerde sedert diens dood (491) over zijne vaderstad. Toen de aristocraten van Syracuse, door het volk verdreven, zijne hulp inriepen, bracht hij hen terug en maakte hij zich van de regeering over die stad meester (485), terwijl hij Gela aan zijn broeder overliet. Hij verplaatste inwoners van Camarina, Gela en Megara naar Syracuse, breidde zijne heerschappij binnen korten tijd over bijna geheel Sicilië uit, en kreeg zulk een groote macht, dat hij in den perzischen oorlog op het opperbevel over de Grieken aanspraak maakte. Hijzelf werd echter in dienzelfden tijd door de Carthagers aangevallen, doch behaalde met zijn bondgenoot Theron van Agrigentum in 480 bij de Himera een schitterende overwinning op het carthaagsche leger onder Hamilcar. Hij stierf in 478 na eene gematigde, gelukkige en vreedzame regeering, en werd na zijn dood als heros vereerd.
Geloni, Gelonoi, scythische of sarmatische volksstam tusschen Don en Wolga, getatoueerd en daarom door Vergilius picti genoemd.
Gemelli colles, bergketen in het binnenland van W. Sicilia.
Geminii, geslacht uit Tusculum afkomstig.
Gemoniae (scalae) of Gradus gemitorii, een natuurlijke of in de rots uitgehouwen trap, die naar den Tiber leidde. Hierheen werden de lijken gebracht van hen die in de gevangenis terecht gesteld waren, waarna ze later met haken in den Tiber werden gesleept.
Genabum, later Aureliani civitas, z. a.
Genauni, raetische volksstam in het dal van den Beneden-Inn, die gewoon waren alle mannelijke krijgsgevangenen, jong en oud, om te brengen. Drusus overwon hen (15 en 14).
Genava of Geneva, thans Genève, stad der Allobrogen, gelegen aan het punt, waar de Rhodanus (Rhône) uit den lacus Lemannus stroomt.
Genesia, gedenkdag van een gestorvene, samenvallend met diens verjaardag; verjaardag van een sterfgeval, de afgestorvene werd dan door zijne bloedverwanten herdacht. Ook een algemeene gedenkdag der dooden, te Athene de 5de Boëdromion. Z. Nekysia.
Genetrix, bijnaam van Venus te Rome, als stammoeder van de gens Iulia.
Genii, goddelijke wezens, die den mensch gedurende zijn geheel leven begeleiden, beschermen en van het kwade terughouden. Ieder mensch had zijn Genius, die grooteren invloed op zijn leven uitoefende dan de andere goden, wier werkkring zooveel uitgebreider is. Men offerde hem op verjaardagen en over het algemeen bij gewichtige gebeurtenissen wijn, wierook en bloemen, en meende hem te dienen door het leven vroolijk te genieten (Genio indulgere) en te beleedigen door het tegenovergestelde (Genium defraudare). Aan booze Genii of aan Genii, die den mensch zoowel ten kwade als ten goede leiden, schijnt men niet algemeen geloofd te hebben. Zij werden gewoonlijk voorgesteld als schoone jongelingen met vleugels. De Genii der vrouwen heeten Iunones.--Ook aan volken, geslachten, steden en plaatsen kende men soms een Genius toe; laatstgenoemde werden dikwijls afgebeeld als slangen, die van een altaar vruchten eten. Vgl. Daemon.
Gennesara, limne Gennesaritis, het meer Gennesareth of Kinnereth of meer van Tiberias, in Galilaea. Het wordt door den Jordaan gevormd.
Gens, to genos, in den rom. staat geslacht, op gemeenschappelijke afstamming berustende. De leden van eene gens waren gentiles, en het recht, dat men aan dit lidmaatschap ontleende, heette ius gentilicium of gentilitatis. Oorspronkelijk werden alleen de patriciërs geacht tot een geslacht te behooren; deze geslachten waren reeds sinds Tarquinius Priscus onderscheiden in gentes maiores en g. minores (de later in het patriciaat opgenomene). Later had men ook plebejische gentes, en zelfs meermalen in dezelfde gens plebejische en patricische takken of familiae.
Gentius, Gentios, Genthios, koning der Illyriërs, een woest vorst, aan dronkenschap verslaafd. Door zijne zeerooverijen en zijn verbond met Perseus van Macedonia wikkelde hij zich in een oorlog met Rome, die met zijne eigene gevangenneming en die zijner familie en den ondergang van zijn rijk eindigde, in 168.
Genua, Genoua, thans nog Genua, voorname stad aan de ligurische golf (sinus Ligusticus), vóór den tweeden punischen oorlog door de Romeinen bezet, in 205 door de Carthagers verwoest, later rom. municipium.
Genuciae (leges), van den volkstribuun L. Genucius, 342, 1) dat beide consuls plebejers zouden mogen zijn; 2) ne foeneraere liceret, een verbod, om geld tegen rente uit te leenen (z. Fenus); 3) een lex de magistratibus: ne quis eundem magistratum intra decem annos caperet, neu duos magistratus uno anno gereret.
Genucii, patricisch geslacht met plebejische takken, waarvan verschillende leden als volkstribunen en krijgstribunen en consuls voorkomen. De volkstribunen T. of P. Genucius in 476 en Cn. Genucius in 473 waren warme voorvechters eener akkerwet; de laatste werd trots zijne onschendbaarheid door sluipmoord omgebracht. In 445 komen de Genucii voor als tegenstanders der wetsvoorstellen van Canuleius. De verhalen omtrent deze personen zijn geheel verzonnen. De familiën dezer gens zijn voornamelijk: de Augurini, de Aventinenses en de Clepsinae.
Genusus, rivier in Illyria, ten Z. van Dyrrachium.
Geomoroi, zij die tot de tweede van de drie phylen behoorden, waarin Attica door Theseus verdeeld werd. In lateren tijd worden in vele staten met dien naam adellijke grondbezitters aangeduid.
Gepidae, volk van gothischen stam, dat, toen de andere Gothen naar de Zwarte Zee trokken, aan de Weichsel achter bleef. Het maakte in 450 na Chr. deel uit van Attila's scharen, vestigde zich in 454 in Dacië en werd in 565 door de Longobarden onder Alboïn vernietigd.
Geraestus, Geraistos, kaap en stad op de Zuidpunt van Euboea, met een Poseidontempel. Geraesticus portus echter was niet op Euboea, maar de haven der aziatisch-ionische stad Teos.
Geranea, Geraneia, kraanvogelberg, bergketen op de corinthische landengte. Over dit gebergte liep de scironische weg, een vrij gevaarlijk pad van Megaris naar Corinthus, naar den roover Sciro genoemd, die de reizigers uitplunderde en in zee wierp, totdat Theseus hem met gelijke munt betaalde.
Gerastus, Gerastos = Geraestus.
Gerenia, Gerenia, oude stad van Messenia, waar Nestor werd opgevoed, die hiernaar Gerenios genoemd werd. Zie ook Enope.
Gereonium (Gerunium), stad in het land der Frentani, ten zuiden van Larinum. Ligging onzeker. Voor de muren van G. heeft Hannibal den winter van 217/216 doorgebracht.
Gergis, Gergithus, Gergis, Gergithos, stad der Teucri in Troas, na den ondergang van Troje gebouwd. Het lag waarschijnlijk ten O. van Ilium, v. a. echter ten Z. daarvan. Een tweede Gergis of Gergithium vond men in het gebied van Lampsacus.
Gergovia, sterke vesting der Arverni, in het tegenw. Auvergne, waarvoor Caesar het hoofd stiet. Het lag in de nabijheid van hunne hoofdstad Augustonemetum (Clermont).
Germalus = Cermalus.
Germani, Germanoi, bewoners van Germania, niet te verwarren met Germanii.
Germania, Germania, het land tusschen den Rijn en de Weichsel of Vistula, en tusschen den Donau en de Noord- en Oostzee, ook wel magna, barbara, transrhenana bijgenaamd in tegenstelling der rom. provinciën Germ. superior en inferior op den linkeroever van den Rijn. Deze laatste provincies behoorden oorspronkelijk tot de tres Galliae, en waren dus ingedeeld bij Belgica, maar werden na de terugroeping van Germanicus (17 n. C.) daarvan afgescheiden. Zie Gallia. Ofschoon de rom. legioenen onder Caesar, Drusus, Tiberius, Varus, Germanicus in Germania trachtten door te dringen, gelukte het niet er vasten voet te houden. De naam Germani, Germanoi, was door de Galliërs aan de overrijnsche volken gegeven.
Germanicus Caesar was de zoon van Drusus en Antonia minor en een broeder van den lateren keizer Claudius. Keizer Tiberius was zijn oom van vaderszijde en nam hem tot zoon aan. Hij werd in 15 geboren. Nog bij het leven van Augustus maakte hij onder Tiberius de veldtochten mede tegen de opgestane Pannoniërs en Dalmatiërs en tegen de Germanen. Bij den dood van Augustus had hij het opperbevel over de rom. legioenen aan den Rijn, dempte een soldatenoproer en streed nu eens meer, dan eens minder gelukkig tegen de Chatten en Marsen. In 15 en 16 na C. drong Germanicus bij herhaling in Germania door, versloeg Arminius en begroef in het Teutoburgerwoud het gebeente van Varus' legioenen. In 17 riep Tiberius hem terug en zond hem naar het O., waar hij in 19 stierf, volgens gerucht aan vergif, hem vanwege den syrischen stadhouder Cn. Piso toegediend. Germanicus werd om zijne edele hoedanigheden diep betreurd en Tiberius zag zich genoodzaakt, Piso aan de algemeene verbittering op te offeren, zie hieromtrent Calpurnii no. 7. Bij zijne gemalin Agrippina had Germanicus negen kinderen, waaronder den lateren keizer Caligula en Agrippina, de moeder van Nero. Germanicus was ook redenaar en dichter. De naam Germanicus was hem bij senaatsbesluit gegeven. Zie ook Iulii onder e.
Germanii, Germanioi, perzische volksstam. Zie Carmania.
Germanopolis, zie Gangra.
Gerousia, raad der ouden in aristocratische staten. Te Sparta bestond die raad uit 28 leden en de beide koningen; de leden moesten ouder dan 60 jaar zijn en bekleedden hun ambt levenslang. De raad sprak recht over sommige zware misdaden, en besliste omtrent wetten en besluiten, of zij aan de goedkeuring van het volk zouden onderworpen worden. Oorspronkelijk de hoogste macht in den staat, werd de raad echter in latere tijden door de ephoren overvleugeld.
Gerrha, Gerra, stad der Gerrhaei, Gerraioi, op de N.O. kust van Arabia aan de Perzische golf. De Gerrhaeërs waren een handelsvolk, uit Chaldaea afkomstig.
Geryon, -ones, Geryon, -yones, -yoneus, zoon van Chrysaor en Calirrhoë, een monster met drie hoofden of drie lichamen, die over het eil. Erythea in het verre Westen regeerde. Hij hield daar groote kudden, die om hare schoonheid beroemd waren, en die Heracles op last van Eurystheus roofde, nadat hij den reus Eurytion en den tweekoppigen hond Orthrus, die ze bewaakten, gedood had. G. snelde hem na, maar werd eveneens verslagen.
Gesoriacus portus, later Bononia, thans Boulogne aan het Kanaal, stad der Morinen in Gallia Belgica, het gewone punt van overvaart naar Britannia.
Geta (P. Septimius Antoninus) volgde in 211 na C. met zijn broeder Caracalla hun vader Septimius Severus als keizer op, doch werd reeds in 212 in de armen zijner moeder door Caracalla vermoord.
Getae, Getai, een thracisch volk, dat met de Daci verwant is, en ten O. van hen woonde. Door de grieksche schrijvers worden de Daci ook gewoonlijk Getae genoemd. Volgens Strabo onthielden zij zich van dierlijk voedsel. Latere schrijvers verwarren hen met de Gothen, die nadat de Romeinen het land verlaten hadden, een tijdlang in Dacië gewoond hebben (zie Gothi en Dacia).
Gigantes, Gigantes, zonen van Gaea, geweldige reuzen met lange haren en baard en draken in plaats van voeten. Nauwelijks geboren, begonnen zij een strijd tegen de olympische goden; zij vereenigden zich op de phlegraeische vlakte, stapelden bergen op elkander en trachtten, door brandende boomstammen naar den Olympus te werpen, de goden van daar te verjagen. Zeus, die door een orakel wist dat deze vijanden niet door goden alleen konden overwonnen worden, riep Heracles te hulp en nu werden alle Giganten gedood of werden eilanden en vuurspuwende bergen op hen geworpen.--V. s. had ook Dionysus tot de nederlaag der Giganten medegewerkt, door met zijne Satyrs op de kampplaats te verschijnen, allen op ezels rijdende, die zoo vreeselijk begonnen te balken, dat de vijanden de vlucht namen.--Bij Homerus zijn de Giganten een aan de goden verwant volk, dat wegens zijne boosheid door Zeus verdelgd werd.
Gigonus, Gigonos, kaap en stad op Chalcidice aan de Thermaeïsche golf.
Giligammae, Giligammai, volksstam op de kust van Libye, in Marmarica en Cyrenaïca.
Gisco, Giskon, naam van eenige carthaagsche veldheeren. Een was de zoon van Hamilcar, die in 480 bij de Himera op Sicilia sneuvelde tegen Gelo van Syracusae. Een andere Gisco, zoon van Hanno, streed in 340 tegen Timoleon. Een derde, bevelhebber van Lilybaeum in 241, werd na den eersten punischen oorlog door de muitende huurtroepen gevangen genomen en ter dood gemarteld.
Glabrio, familienaam in de gens Acilia.
Gladiatores, zwaardvechters, in den regel krijgsgevangenen, die in zwaardvechtersscholen door vecht- of schermmeesters geoefend werden en dan door hunne eigenaars verhuurd werden om bij lijkstaties, feesten, openbare spelen ten genoegen der toeschouwers op leven en dood met elkander te vechten. Het gebruik om gladiatoren te laten vechten is van Etruscischen oorsprong, en het eerst in Rome ingevoerd in 264, als lijkspelen; als openbare spelen voor het eerst in 105, zie Ludi aan het einde. De Rom. waren tuk op bloedige spelen en deze waren een krachtig middel voor eerzuchtigen om zich de gunst van den grooten hoop te verwerven. Uit een opvoedkundig oogpunt werden deze spelen aanbevolen, om een krijgshaftigen zin op te wekken en in den strijd de gevoelszenuwen te stalen. In de oefenscholen gaf men voorzichtigheidshalve den zwaardvechters slechts houten wapenen ten gebruike, terwijl deze verblijven als gevangenissen waren ingericht, met de noodige voorzorgen tegen ontvluchting. Er waren verschillende soorten van zwaardvechters, op verschillende wijze gewapend, ten einde aan de spelen de noodige verscheidenheid bij te zetten. Hierbij eene afbeelding van de gladiatorenkazerne te Pompeii. Oorspronkelijk was het een zuilengang geweest, die bij het aangrenzende theater hoorde; later, waarschijnlijk in den tijd van Nero, werd het gebouw voor het aangegeven doel geschikt gemaakt, door de zuilengangen met kleine slaapkamers, twee rijen boven elkaar, te omgeven. Het middenterrein diende voor oefeningen. Een van de cellen diende als gevangenis.
Glaesariae insulae, ook wel Electrides insulae geheeten = Barnsteen-eilanden, de voor onze en de duitsche kust liggende Noordzee-eilanden, waarvan het meest bekende was Burchana (Borkum).
Glaesum (glas), het germaansche woord voor barnsteen (sucinum, elektron), dat deels op de Noordzee-eilanden aanspoelde (zie vorig artikel), deels aan de kusten der Oostzee gewonnen werd, in het land der Aestii.
Glanis = Clanis.
Glauce, Glauke, 1) eene van de Nereïden.--2) = Creusa no. 4.--3) haven bij het voorgebergte Mycale.
Glaucia, familienaam in de gens Servilia.
Glaucias, Glaukias, 1) beroemd geneesheer, schreef commentaren op Hippocrates.--2) van Aegina, beroemd beeldhouwer omstreeks 500.
Glaucus, Glaukos, 1) Pontios, een visscher van Anthedon, die eens na het proeven van tooverkruiden zich gedrongen gevoelde in zee te springen en onder de zeegoden werd opgenomen.--V. a. had hij tot de Argonauten behoord, en was hij bij een gevecht tegen de Tyrrheniërs in zee gevallen en in een zeegod veranderd; hij wordt ook bouwmeester of stuurman van de Argo genoemd. Hij is vooral de god van schippers en visschers, wien hij in gevaren gaarne hulp verleent, en werd aan de kusten vereerd als een orakelgevend god; zelfs Apollo zou hij in de kunst van voorspellen onderwezen hebben. Hij wordt gewoonlijk voorgesteld als een grijsaard, wiens lichaam in een vischstaart eindigt.--2) zoon van Sisyphus en Merope, koning van Corinthe of van Potniae. Hij versmaadde de macht van Aphrodite, die zich wreekte door zijne paarden razend te maken, toen hij aan de lijkfeesten van Pelias deel nam, zoodat zij hem van den wagen afwierpen en verscheurden. Hij gold na zijn dood voor een daemon (Taraxippos), die bij de isthmische spelen de paarden schuw maakte.--3) achterkleinzoon van den vorigen, zoon van Hippolochus, als aanvoerder der Lyciërs een van de dapperste bondgenooten der Trojanen, gastvriend van Diomedes.--4) zoon van Minos en Pasiphaë, viel als kind bij het spelen in een vat met honig, zoodat niemand wist waar hij gebleven was. Polyidus, een waarzegger uit Corinthe of Argos, werd door Minos gedwongen te openbaren waar het kind te vinden was, en toen hij niet voldoen kon aan den tweeden eisch van den koning, dat hij den doode het leven zou teruggeven, werd hij met het lijk in een gewelf opgesloten. Plotseling naderde eene slang, Polyidus doodde haar, waarop een tweede slang aankwam met een kruid in den bek, waardoor zij de eerste slang deed herleven. Polyidus legde nu het kruid ook op den dooden knaap met hetzelfde gevolg. Eindelijk werd hij nog door Minos gedwongen, Glaucus de kunst van waarzeggen te leeren, maar vóór zijn vertrek bewerkte hij dat Gl. die kunst weder vergat. Zooals hij voorspeld had, sneuvelde Gl. later voor Troje.--5) van Chius, beroemd beeldhouwer uit de 7de eeuw, uitvinder van het soldeeren en van verscheiden verbeteringen in het bewerken van metaal.
Gnathia = Egnatia.
Gnidus = Cnidus.
Gnomische poëzie, gedichtjes, die in korten en bondigen vorm een zedelijk beginsel, eene uit de ondervinding geputte les en dgl. verkondigen. Zulke uitspraken (gnomai) komen bij alle dichters voor, maar werden door sommige grieksche dichters als een afzonderlijke dichtsoort behandeld; de voornaamste dichters zijn Solon, Phocylides en Theognis; de Rom. hielden zich weinig er mede bezig.
Gnossus, Gnosus = Cnosus.
Gnostici, gnostikoi worden de schrijvers genoemd, die in de 1ste en 2de eeuw de waarheid der christelijke leerstellingen, behalve door het gezag der openbaring, ook door wijsgeerige bewijsgronden trachtten te betoogen. De kerk heeft een harden strijd moeten voeren met deze afwijking van de christelijke leer. De geschriften der Gn. zijn grootendeels te loor gegaan; alleen vindt men vele citaten bij de kerkvaders.
Gobryas, Gobryas, 1) een van de zeven Perzen, die den valschen Smerdis onttroonden, later schoonzoon van Darius Hystaspis, maakte den veldtocht tegen de Scythen mede. Hij was de vader van Mardonius.--2) veldheer van Artaxerxes Mnemon.
Golgi, Golgoi, stad in het binnenland van Cyprus, ten O. van Idalium, sicyonische kolonie.
Gomphi, Gomphoi, vesting in Thessalia op de grens van Epirus, ten Z.W. van Tricca, door Caesar verwoest, later herbouwd.
Gon(n)us of -i, Gon(n)os, -oi, stad der Perrhaebiërs aan den ingang van het dal Tempe, nabij den Peneus, in Thessalia. Het was eene belangrijke vesting.
Gordianus, naam van drie rom. keizers, vader, zoon en kleinzoon. 1) en 2) M. Antonius Gordianus Africanus, vader en zoon. In 235 na C. was keizer Alexander Severus gedood in een opstand onder den ruwen krijgsman Maximinus, die zich van het gezag meester maakte. Tegen hem riep het leger in 238 in Africa den ouden, tachtigjarigen Gordianus als keizer uit, een rijk, beschaafd man, verwant met de Antonijnen, en niet alleen als proconsul in Africa, maar ook in Italia en te Rome algemeen geacht. Hij nam zijn zoon tot mederegent aan; doch deze sneuvelde reeds na twee maanden in een slag tegen den stadhouder van Numidia, waarop ook de vader zich het leven benam.--3) M. Antonius Gordianus Pius Felix was van moederszijde een kleinzoon van no. 1. Na den dood van zijn oom en zijn grootvader, waren door den senaat M. Clodius Pupienus Maximus en D. Caelius Calvinus Balbinus tot keizers uitgeroepen, terwijl de jonge Gordianus, 13 jaren oud, op verlangen des volks den titel van Caesar kreeg. In dezen tijd beginnen de invallen der Gothen met de verwoesting van de stad Istrus in Maesia Inferior. Nog in het zelfde jaar 238 werden Pupienus en Balbinus door de praetorianen omgebracht en Gordianus tot Augustus uitgeroepen. Door de wijze raadgevingen van zijn minister Timesitheus, die ook zijn schoonvader werd, regeerde hij 6 jaren niet zonder geluk, tot hij in het begin van 244 op een veldtocht tegen Sapores van Perzië aan den Euphraat dicht bij Circesium door zijn praefectus praetorio, M. Julius Philippus, vermoord werd, die daarop tot Augustus werd uitgeroepen.
Gordium, Gordieum, Gordion, Gordieion, oude hoofdstad der phrygische koningen, ten tijde van Augustus in Iuliopolis verdoopt, aan den Sangarius. Zie Gordius.
Gordius, -ias, Gordios, Gordias, een phrygisch landbouwer, op wiens ploeg zich eens een arend zette, wat verklaard werd als een teeken dat hij eenmaal de koninklijke waardigheid zou verkrijgen. Toen kort daarna de Phrygiërs bij binnenlandsche onlusten het orakel om raad vroegen, werd hun bevolen hem tot koning te kiezen, dien zij zouden ontmoeten, terwijl hij op een wagen naar den tempel van Zeus reed. G. was de eerste, die aan deze voorwaarde voldeed, hij werd tot koning uitgeroepen en werd de stamvader van een nieuw vorstenhuis. Hij bouwde de stad Gordium, die residentiestad bleef, en wijdde daar den wagen, waarop hij gezeten was toen hij tot koning werd uitgeroepen, en waaraan de kunstig gelegde gordiaansche knoop was, die volgens een orakel door een toekomstig beheerscher der wereld zou losgemaakt worden, en dien Alexander de G. doorhakte.
Gordyaei, Gordyaioi, krijgshaftige bevolking van Gordyene. De oude naam leeft nog voort in Koerden. Gordyaei montes, geb. van Gordyene, in het Z. van Armenia.
Gordyene = Corduene.
Gordys, Gordys, zoon van Triptolemus, die zijn vaderland verliet en zich in het naar hem genoemde landschap Gordyene nederzette.
Gorgias, Gorgias, 1) van Leontini, kwam reeds tamelijk bejaard (hij was ± 483 geboren) in 427 als gezant naar Athene, en trok daar zeer de aandacht door zijne kunstige en sierlijke redevoeringen. Kort daarna deed hij een reis door Griekenland, en verwierf overal door zijne openbare redevoeringen (epideixeis) en door zijn onderwijs in de redekunst, roem en geld. Hij stierf te Larissa in Thessalië, geruimen tijd na Socrates, misschien eerst 375. Hij was een der eerste sophisten en hield zich ook met wijsbegeerte bezig; in zijn werk peri tou me ontos e peri physeos komt hij tot het besluit dat niets in werkelijkheid bestaat, dat men, al bestond er iets, het toch niet zou kunnen leeren kennen, en dat men, al ware ook dit zoo, zijne kennis toch niet aan anderen zou kunnen mededeelen. De welsprekendheid kan dus volgens hem niet dienen tot het verkondigen van een waarheid, die niet bestaat of althans niet te vinden is, maar is het werktuig om persoonlijke meeningen, juist of onjuist, ingang te doen vinden. Hij is de schepper van de Grieksche woordkunst, en van de verschillende redefiguren (Gorgieia schemata); er zijn nog twee redevoeringen van hem over, Helenes enkomion en Palamedes, die lang voor onecht zijn gehouden.--2) atheensch rhetor, gedurende eenigen tijd leermeester van Cicero's zoon, schrijver van een werk over rhetorische figuren, waarvan een latijnsch uittreksel van Rutilius Lupus bestaat.
Gorgidas, Gorgidas, Thebaan, boeotarch in 378. Rondom hem en zijn vriend Epaminondas vereenigden zich onder de oligarchische regeering een aantal jongelieden, die na het herstel der democratie in den oorlog tegen Sparta uitmuntten, en uit welke Pelopidas later de zoog. heilige schare vormde.
Gorgobina, stad der Bojers, ergens tusschen den Liger (Loire) en den Elaver (Allier), naar welke streek dit volk met Caesars goedvinden verhuisd was.
Gorgones, Gorgous, Gorgones, drie dochters van Phorcys en Ceto, wier namen zijn Stheno, Euryale en Medusa (z. a.). Zij wonen nabij de Hesperiden en worden voorgesteld als vreeselijke wezens met slangen in plaats van haar op het hoofd, een gordel van slangen, groote slagtanden, vleugels en koperen klauwen; wie haar aanzag werd versteend. Later werden zij echter als schoone jonkvrouwen afgebeeld, vooral Medusa. Bij Homerus komt slechts ééne Gorgo voor, wier schrikverwekkend hoofd op de Aegis staat.
Gorgopis, Gorgopis, meertje bij Corinthus.
Gortyn of -tyna, Gortyn, -tyna, eene der hoofdsteden van Creta, in het Z. van het eiland. In 1884 is hier een belangrijk opschrift ontdekt, dat een gedeelte bevat van het stadrecht van Gortyn uit ± 400, voor de geschiedenis van het grieksche recht van het hoogste belang.
Gortynia, Gortynia, stad in het macedonische gewest Emathia.
Gothi, Gothones, Gotthoi, Skythai, een van de Oost-Germaansche volkeren; zij woonden in de eerste eeuw na Chr. aan den rechter oever van de Beneden-Weichsel (Vistula), maar waren daarheen gekomen uit Scandinavië (Gothland); ze werden--in tegenstelling met de meeste Germanen--door koningen geregeerd. Tusschen 150 en 230 na Chr. zijn ze in vele afdeelingen langzamerhand naar de Noordkust van de Zwarte Zee verhuisd, en hebben door die verhuizing waarschijnlijk de aanleiding gegeven tot den Markomannenoorlog (166-180), daar de stammen die daaraan hebben deelgenomen, door de Gothen voor zich uitgedreven zijn. In de 2de helft der 3de eeuw splitsen ze zich in Oost-Gothen (Austrogoti, Ostrogothi) of Grutungi, en in West-Gothen (Visigothi) of Tervingi. Een 3de gedeelte van den stam, de latere Gepiden, was aan de Weichsel achter gebleven. Sedert ongeveer 257 zijn Oost- en West-Gothen meester van Dacië, en blijven daar wonen tot ongeveer 376.
De eigenlijke Gothentochten, eerst te land, later ter zee, beginnen in 238, en duren tot 269, toen keizer Claudius Gothicus hen bij Naissus (Nisch) versloeg. Omstreeks 376 na C. dwongen de Hunnen de Oostgothen, zich met hen te vereenigen; doch de Westgothen vroegen aan keizer Valens eene woonplaats in het rom. rijk, en trokken, 200000 strijdbare mannen sterk, met hunne gezinnen den Donau over, om zich in Moesia en Thracia te vestigen, waarheen nog eene schaar Oostgothen hen volgde. De hebzucht en het bedrog der rom. ambtenaren was oorzaak van een oorlog, waarin Valens (z. a.) omkwam. De Gothen plunderden en verwoestten nu het Balkan-schiereiland, totdat in 382 keizer Theodosius de Groote hen tot onderwerping dwong. Onder de regeering van Arcadius begonnen de geschillen en plunderingen opnieuw; zie Alaricus. Alariks opvolger Ataulf voerde de Westgothen naar Gallia, waar in 415 Wallia een westgothisch rijk stichtte met Tolosa (Toulouse) tot hoofdstad.--Toen in 453 met Attila's dood het Hunnenrijk uiteenspatte, trokken ook de Oostgothen over den Donau en bleven zich in de Donaugewesten ophouden, tot zij in 495 onder hunnen koning Theodorik Italië veroverden. Als oudste overblijfsel van germaansche taal bezitten wij nog eene gothische bijbelvertaling van bisschop Ulfilas uit de vierde eeuw. De Gothen behoorden als Christenen tot de Arianen.
Gothini = Cotini.
Gracchus, familienaam in de gens Sempronia (Sempronii no. 7-13).
Gradivus, bijnaam van Mars, als god die in den strijd vooraan gaat. Hij had een tempel voor de Porta Capena te Rome.
Graeae, Graiai, drie dochters van Phorcys en Ceto, die alleen den weg naar de Gorgonen, hare zusters, kenden; hare namen zijn Dino, Pephredo en Enyo. Zij hebben een schoon, blozend gelaat, maar grijze haren, en met elkander slechts één oog en één tand. Soms worden zij als zwanen voorgesteld. Zij wonen aan den westelijken rand der aarde, waar noch zon, noch maan schijnt. Z. Perseus.
Graecia. De oude Grieken noemden hun land Hellas (z. a.), de Rom. gaven er als provincie den naam Achaia aan. Den algemeenen naam Graeci (Graïci) ontleenden de Rom. aan de Graï, een volksstam uit Boeotia, (uit het gebied van Tanagra en Oropus), die samen met kolonisten uit Chalcis, Eretria en Cyme (aan de O.-kust van Euboea), Cumae in Campania gesticht hebben. Graïci is ook de naam van een griekschen stam in Epirus. V. a. hebben de Rom. de naam Graeci aan dezen stam ontleend.
Graecia magna, he megale Hellas, naam voor Beneden-Italië, wegens het groote aantal grieksche volkplantingen aldaar, die nagenoeg de geheele kust in bezit genomen hadden. Onderlinge veeten ondermijnden de macht dezer staatjes, die bovendien aan den eenen kant door Syracusae, aan den anderen door de lucanische Samnieten werden bedreigd. Op het laatste oogenblik verbonden de grieksche steden zich nog onder hegemonie der stad Thurii, doch de slag bij Laüs in 390 leverde het land in handen der Samnieten, en, voor zoover de grootere steden nog vrij bleven, werd hun gebied toch beperkt tot den bodem der stad. In 272 was geheel Zuid-Italië aan de Rom. onderworpen.
Graecostasis, een eenigszins verhoogd, open terras, locus substructus, aan de Z. zijde van het Comitium, grenzende aan het Forum, tegenover de Curia Hortilia. De gezanten van Grieken en andere volken wachtten er het oogenblik af, dat de rom. senaat hun audiëntie zou verleenen.
Graecus, Graikos, zoon van Thessalus, koning van Phthia, aan wien de Grieken hun naam (Graeci) ontleenen.
Graii, dichterlijk = Graeci. Zie echter ook Graecia.
Graioceli, volksstam in Gallia Transalpina, aan de Grajische Alpen, nabij den M. Cénis.
Grammateus, schrijver, klerk. De schrijvers der magistraten, deels door hen zelf gekozen, deels hun door het volk toegevoegd, waren meestal lieden van geringen stand, soms zelfs staatsslaven. Dit was echter niet het geval met den gr. tes boules, die door den raad verkozen werd, den gr. kata prytaneian, die voor iedere prytanie door het lot werd aangewezen, en den gr. tes poleos, die door het volk werd verkozen.--Bij het achaeïsch en aetolisch verbond behoorden de grammates tot de hooggeplaatste ambtenaars.
Gramme, linea alba, een met krijt besmeerd touw, dat over de renbaan gespannen was, totdat alle paarden in eene rij ervoor stonden; als de wedren begon, werd het touw snel weggetrokken. De inrichting diende om te beletten dat een paard vroeger afging dan de andere.
Grampius mons, beter Graupius mons, gebergte in Britannia Barbara, waar Agricola zijne laatste, zoo schitterende overwinning behaalde, alvorens keizer Domitianus hem terugriep. Dit is het eenige gebergte in Britannia waarvan de naam bij een rom. schrijver vermeld wordt. Aardrijkskundigen uit de 18de eeuw hebben ten onrechte op een gedeelte der Highlands dezen naam overgebracht (Grampian mountains), die in het land zelf niet gehoord wordt.
Granicus, Granikos, rivier in Mysia, uitstroomende in de Propontis (zee v. Marmara). Aan deze rivier behaalde Alexander d. Gr. zijne eerste overwinning op de Perzen, in 334, en L. Licinius Lucullus in 73 de zege op Mithradates.
Granii, een plebejisch geslacht. 1) Granius Flaccus, oudheidkundige ten tijde van Caesar of Augustus, schreef de indigitamentis en de iure Papiriano.--2) M. Granius Marcellus, proconsul van Bithynia, werd in 15 n. C. door zijn quaestor Caepio Crispinus aangeklaagd wegens majesteitsschennis, maar vrijgesproken. Of hij ook vrijgesproken is van afpersing, waarvan hij ook aangeklaagd was, staat niet vast.--3) Granius Licinianus, romeinsch geschiedschrijver, waarschijnlijk uit den tijd der Antonijnen, van wiens annales eenige fragmenten over zijn.
Graphe, schriftelijke aanklacht, in het bizonder, in tegenstelling met dike, aanklacht wegens een vergrijp tegen de maatschappelijke orde of tegen den staat. Ieder burger, die in het volle bezit zijner rechten was, niet alleen de betrokken persoon, konde als aanklager optreden, hij werd echter, indien niet een vijfde van de rechters voor veroordeeling stemde, met 1000 drachmen beboet, en verloor het recht iemand wegens eene soortgelijke zaak aan te klagen (z. ook Anakrisis). Op eene veroordeeling volgde geldboete, atimie of doodstraf.--Vgl. dike.
Gratiae, z. Charis.
Gratianopolis, vroeger Cularo, thans Grenoble, stad der Allobrogen in Gallia Transalpina.
Gratianus (Fl.), geb. te Sirmium in 359 n. C., oudste zoon van keizer Valentianus I, sedert 367 mederegent en in 375 opvolger zijns vaders in het W. des rijks, terwijl zijns vaders broeder Valens het O. bestuurde (364-378 n. C.). Gratianus was een veelbelovend jongeling, om zijne zachtheid en reinheid van zeden algemeen bemind. Ausonius, de dichter der Mosella, was zijn leermeester geweest. Afwisselend hield Gratianus zich in Italia en Gallia op, waar hij dan meestal in de civitas Trevirorum (Trier) verblijf hield. Hij was een ijverig Christen, en hij onttrok aan den ouden godsdienst en de priesters daarvan den steun van den staat. Hij stond sterk onder den invloed der geestelijkheid, vooral van bisschop Ambrosius van Milaan. Hij had te kampen met de Lentienses, een afdeeling der Alemannen, die hij in 378 bij Argentovaria (Argentaria, ten Z. van Straatsburg) versloeg. In 383 brak in Britannia een opstand in het leger onder Maximus uit en toen deze laatste in Gallië geland was, werd Gratianus door zijn troepen bij Parijs verlaten en op de vlucht te Lyon vermoord.
Gratidii, plebejisch geslacht uit Arpinum. 1) M. Gratidius, een bekwaam redenaar en een man van fijne beschaving, sneuvelde in den oorlog van M. Antonius (den redenaar) tegen de cilicische zeeroovers, in 102. Zijne zuster Gratidia was Cicero's grootmoeder.--2) M. Gratidius was onder Q. Cicero legaat in Asia, 61-59.--3) M. Marius Gratidianus, zoon van no. 1 en door zekeren Marius (niet den bekenden) als zoon aangenomen, werd door Sulla vogelvrij verklaard en door Catilina vermoord.
Gration, Gration, een van de Giganten, door Artemis gedood.
Gratius (Grattius), afkomstig uit Falerii en daarom Faliscus bijgenaamd, rom. dichter, tijdgenoot en vriend van Ovidius. Van hem is nog een leergedicht over de jacht, getiteld Cynegetica, grootendeels bewaard gebleven.
Graupius mons, zie Grampius mons.
Graviscae, oude stad in Etruria, tot het gebied van Tarquinii behoorende, sedert 181 rom. kolonie, bekend door goeden wijn, doch ook door haar vochtig en koortsig klimaat (gravis aër), tengevolge van de verpestende uitwasemingen der Maremmen.
Gregorius, Gregorios, 1) uit Neocaesarea, bijgenaamd Thaumatourgos, geb. omstreeks 213 n. C., was een leerling van Origenes, en werd door zijn invloed tot het Christendom bekeerd; hij heeft als bisschop zeer veel gedaan voor de uitbreiding van het Christendom in Pontus. Van hem zijn nog verscheidene geschriften over.--2) van Nazianzus, bijgenaamd ho Theologos, studeerde te gelijk met Basilius, die daar zijn vriend werd, en met Julianus te Athene, ongeveer 354 n. C. Hij heeft vele geschriften van theologischen inhoud, maar ook gedichten en brieven nagelaten. Bij hem komt sterk tot uiting de innige vermenging van Christendom en het beste deel der antieke beschaving. Voor de geschiedenis van belang zijn zijne Invectivae in Julianum. Hij is gestorven omstreeks 390.--3) van Nyssa, broeder van Basilius, bisschop van Nyssa. Ook van hem zijn vele geschriften over.
Groma, een woord uit de taal der augurs, misschien verbasterd uit het grieksche gnomon. 1) een werktuig om den grond op te meten, Gromatici zijn landmeters. De voornaamste schrijvers over landmeetkunde, agrimensores of gromatici, zijn: Frontinus, Balbus, Hyginus (misschien twee verschillende schrijvers), en Siculus Flaccus.--2) het punt, vanwaar men bij het afbakenen eener ruimte voor eene legerplaats, eene stad, enz. de opmetingen begon.
Grudii, een volk in Belgium, ergens aan den Scaldis (Schelde), misschien bij het tegenwoordige dorp Groede in Staats-Vlaanderen.
Grumentum, aanzienlijke stad in het hart van Lucania aan de via Popilia.
Gruthungi (Greuthungi), naam der Oost-Gothen tijdens hun verblijf in Dacië (± 257-± 376 n. C.).
Gryllus, Gryllos, 1) vader van Xenophon.--2) zoon van Xenophon, sneuvelde in den slag bij Mantinea; de Atheners beweerden, dat hij het was, die Epaminondas doodelijk gewond had.
Gryneus, bijnaam van Apollo, naar de aeolische stad Grynia, waar hij een tempel had.
Grynia, Grynium, Gryneia, Gryneion, oude havenstad in aziatisch Aeolis, met een tempel en een orakel van Apollo Gryneus.
Gryps, Gryphus, Gryps, griffioen, een fabelachtig dier met het lichaam van een leeuw, den kop en de vleugels van een arend. Zij bewaken het goud van het verre Oosten of Noorden en voeren om dat goud een eeuwigen strijd tegen de Arimaspen (z. a.).
Gugerni of Guberni, germaansch volk aan den linkeroever van den Rijn tusschen Keulen en het eiland der Batavieren. Ze dienden veel in de romeinsche legers, vooral onder den naam Traianenses (naar Colonia Traiana, Xanten). Men neemt veelal aan, dat ze afstammen van de door Tiberius naar den linkeroever van den Rijn verplaatste Sygambren (z. a.).
Gulussa, Golosses, tweede zoon van den numidischen vorst Masinissa, broeder van Micipsa en vader van Massiva.
Gymnetes, eigenlijk lichtgewapenden, in Argos een gedeelte van de onderworpen oude inwoners, die ongeveer in denzelfden toestand waren als de heloten in Sparta en als lichtgewapenden dienden.
Gynaikeion, z. Gynaeceum.
Gynaikonomoi, Gynaikokosmoi, ambtenaars, door Demetrius Phalereus aangesteld, om te zorgen voor de handhaving van de wetten op de weelde. Deze wetten bevatten bepalingen over feestmaaltijden, de inrichting van woningen, den opschik van vrouwen, e. dgl.
Gustatio, het gebruiken van eenige spijs tusschen de eigenlijke maaltijden in; zie verder Coena.
Guttones = Gothi.
Gyara (plur.) of Gyarus, Gyaros, een arm eiland uit de groep der Cycladen, ten Z. van Andrus gelegen, onder de rom. keizers als verbanningsoord gebruikt.
Gyas, Gyes, een van de Centimani.
Gygaeus lacus, Gygaia limne, meertje in Lydia ten N. van Sardes, aan de overzijde van den Hermus, later Coloë, Koloe, geheeten. Aan de oevers van dit meer waren de graven der oude lydische koningen.
Gyges, Gyges, gunsteling van den lydischen koning Candaules. Door de hulp van diens gemalin, en volgens een verhaal onder bescherming van een tooverring, die hem onzichtbaar maakte, doodde hij Candaules, en maakte hij zich omstreeks 685 van de regeering meester. Hij was de stamvader van het geslacht der Mermnaden. Hij breidde zijn rijk uit en trachtte vriendschappelijke betrekkingen met Griekenland aan te knoopen, hoewel hij later de aziatische Grieken aan zich zocht te onderwerpen. Hoewel hij zich in het begin van zijne regeering genoodzaakt had gezien den koning van Assyrië te huldigen, hielp hij Psammetichus zich van het assyrische rijk onafhankelijk te maken. Waarschijnlijk sneuvelde hij in een oorlog tegen de Cimmeriërs.
Gylippus, Gylippos, spartaansch veldheer, werd in 414 met een leger en eene vloot naar Sicilië gezonden, om de Syracusanen tegen de Atheners te ondersteunen. Vooral zijn beleid veroorzaakte de vernietiging der atheensche legermacht, hij verzette zich echter tegen het ter dood brengen van Nicias en Demosthenes. Later maakte hij zich schuldig aan diefstal van buitgemaakte goederen en moest hij uit Sparta vluchten.
Gymnasiarchia, Gymnasiarchia, eene liturgie, die de verplichting medebracht om hen, die zich voor den fakkelwedloop oefenden, te onderhouden en waarschijnlijk ook gedurende den tijd van oefening te bezoldigen. Er waren te Athene tien gymnasiarchen, één uit iedere phyle.--In den keizerstijd was de gymnasiarch iemand die toezicht hield op de gymnasia en de daar gehouden oefeningen.
Gymnasium, Gymnasion, plaats voor oefeningen in de gymnastiek. Een gymnasium vond men in elke grieksche stad, en groote steden hadden er gewoonlijk meer dan één. Oorspronkelijk waarschijnlijk zeer eenvoudige inrichtingen in de open lucht, trokken de gymnasia, bij de groote belangstelling die de Grieken voor de gymnastiek gevoelden, een groot aantal bezoekers, die er kwamen hetzij om zich te oefenen, hetzij om naar de oefeningen van anderen te zien. Zoo werd het gymnasium een middelpunt van het publiek leven, en werd het ook door velen bezocht, die alleen tijdverdrijf of gezellig verkeer wenschten, en zoo was dit ook de plaats, waar wijsgeeren, rhetoren, enz., zich bij voorkeur ophielden, daar zij wisten hier altijd talrijke toehoorders te vinden. Bij den aanleg van een gymnasium moest dus met dit drukke bezoek rekening gehouden worden, en dientengevolge werd een groot deel van de ruimte bestemd voor doeleinden, die niet onmiddellijk met gymnastische oefeningen in verband staan. Op vorenstaande schets, waarvan het donkergetinte de overblijfsels van het gymnasium te Ephesus voorstelt, waaruit men door beschrijvingen der ouden zich gemakkelijk eene voorstelling van het geheel kan maken, is C het Ephebeum, een groote zaal, bestemd voor de oefeningen der jongelieden, R R R waarschijnlijk speelzalen, en wel de langwerpige ruimte het sphaeristerium, ingericht voor het balspel, T T oefenplaatsen in de open lucht, rondom met verhoogde voetpaden voor de toeschouwers, W de renbaan met een groot aantal verhoogde zitplaatsen voor de toeschouwers, X X X, A en S open zuilengangen met plaatsen voor openbare voordrachten (exedrae), B een overdekte zuilengang, V V V beplante wandelplaatsen; de overige vertrekken zijn kleed-, bad- en stookkamers, bewaarplaatsen, enz. De door zuilen ingesloten ruimte A A A A (peristylium) heeft een omtrek van twee stadiën.
Gymnesiae insulae = Baleares.
Gymnopaediae, Gymnopaidiai, een groot feest, gedurende verscheiden dagen in de maand Juli te Sparta met muziek, dans en gymnastiek gevierd. De oorspronkelijk godsdienstige beteekenis van dit feest raakte reeds vroeg op den achtergrond; sedert den slag bij Thyrea (omstreeks 540) herdacht men op die dagen de 300 in dien slag gesneuvelde Spartanen. Het waren de eenige dagen, waarop de burgers vreemdelingen ontvingen, die gewoonlijk in groote menigte kwamen toestroomen.
Gymnosophistae, Gymnosophistai, eene secte van indische wijsgeeren, die naakt in de bosschen leefden; wanneer zij oud of ziekelijk werden, lieten zij zich levend verbranden.
Gynaeceum, Gynaikeion, Gynaikonitis, het gedeelte van het huis, dat meer bizonder door de vrouwen bewoond werd, en waar vreemde mannen niet werden toegelaten; het lag gewoonlijk in het achterste gedeelte van het huis of op een bovenverdieping. In het eerste geval lagen de verschillende vertrekken, evenals in het mannenverblijf, rondom eene aule. Zie Oikia.
Gyndes, Gyndes, een zijtak van den Tigris, die boven Ctesiphon in den Tigris valt. Cyrus leidde, volgens het naieve verhaal, op zijn tocht naar Babylon het water van den Gyndes in 360 kanalen af.
Gyrtone, Gyrton, -one, oude stad in het thessalische landschap Pelasgiotis, aan den Peneus. De bewoners heetten oudtijds Phlegyae, Phlegyai.
Gytheum of -ium, Gytheion, -ion, aan de Laconische golf, belangrijke zeestad en oorlogshaven der Spartanen. In 455 werd hier de spartaansche vloot door den Athener Tolmidas vernield, en in 371 werden de vruchtbare en wijnrijke omstreken door Epaminondas verwoest.
H.
Hades, Haides, Aides, Aidoneus, Plouton, Pluto, Dis, zoon van Cronus en Rhea, kreeg na de overwinning op de Titanen bij de verdeeling der heerschappij de onderwereld voor zijn deel, waar hij als een onderaardsche Zeus (Zeus katachthonios) met Persephone heerscht. In de oudste tijden stelde men zich voor dat hijzelf met zijne beroemde zwarte paarden (klytopolos) de schimmen der afgestorvenen van de aarde kwam halen, later werd Hermes de geleider der zielen (psychopompos), terwijl Hades ze in zijn rijk opneemt en goed opgesloten houdt, opdat zij niet uit hun somber verblijf ontsnappen. Als onderaardsch god is hij de schenker van den rijkdom, die hetzij als metaal, hetzij in den vorm van gewassen uit de aarde voortkomt, vandaar de naam Pluto, dien hij in het dagelijksch leven en in de mysteriën draagt. Zijn helm maakte den drager onzichtbaar. Er zijn van H. weinige mythen, ook neemt hij in den eeredienst geen belangrijke plaats in, vandaar dat hij ook door de kunst zelden afgebeeld werd; men stelde zich hem voor gelijkend op Zeus en Poseidon, maar met donkere trekken en over het voorhoofd hangende haren, hij draagt den sleutel der onderwereld en wordt door Cerberus vergezeld. De cipres en narcis waren hem gewijd, men offerde hem zwarte schapen, terwijl men het hoofd afwendde; als men tot hem bad, sloeg men met de handen op den grond.
Hadranum = Adranum.
Hadria = Adria.
Hadrianopolis, Adrianou polis, thans Adrianopel, bloeiende stad in Thracia aan den Hebrus (Maritza), door keizer Hadrianus gesticht, en beroemd om hare wapenfabrieken. Ook in Phrygia en in Cyrenaïca vond men steden van dezen naam.
Hadrianus (P. Aelius), in 76 na C. te Italica in Spanje geboren, was na zijns vaders dood onder opzicht van Traianus opgevoed. Tijdens de troonsbeklimming van Traianus diende Hadrianus in Moesia. Zelf was hij een bloedverwant van den keizer en huwde eene bloedverwante van dezen. Hij vergezelde hem op zijne krijgstochten in Dacia en Pannonia en maakte zich bij Traianus zóó onmisbaar, dat deze besloot hem tot zijn opvolger te bestemmen. Volgens het gewone verhaal overleed Traianus echter, voordat de noodige schikkingen gemaakt waren, zonder een testament na te laten, doch wist de keizerin Plotina te bewerken, dat Hadrianus als opvolger werd erkend (117). V. a. heeft Traianus hem nog op zijn doodsbed geadopteerd. Hadrianus begon met drie provinciën in het O., Armenia, Assyria en Mesopotamia, die over den Euphraat lagen, prijs te geven, en dezen stroom als grensrivier aan te nemen. Hij zocht geen oorlog, maar streefde er naar, in vrede te regeeren, de schatkist te stijven, de belastingen te verminderen, en een goed regent te zijn. Hij doorreisde, grootendeels te voet, zijn gebied van het eene einde tot het andere. In 122 n. C. legde hij in Britannia ter bescherming tegen de invallen der Caledoniërs het Vallum Hadriani aan (z. a.). Onbekrompen bevorderde hij wetenschap en kunst, stelde bezoldigde onderwijzers aan, en legde veel ten koste aan openbare werken en prachtige gebouwen. Zoo stichtte hij te Rome den grooten tempel van Roma en Venus, het Athenaeum (z. a.), het Mausoleum Hadriani (thans, uitgebreid, de Engelsburg) over den Tiber; hij stichtte bij Tibur (Tivoli) eene villa, die eene afspiegeling van zijn geheele rijk moest worden en waar niet slechts kunstvoorwerpen werden aangebracht, maar ook natuurtooneelen uit de provinciën werden nagebootst; in het onmetelijke park vond men bouwwerken uit allerlei landen. Athene, zijne lievelingsstad, had veel verfraaiingen aan hem te danken, evenals ook nog andere steden in meerdere of mindere mate. Hij stichtte ook nieuwe steden, en liet Jerusalem herbouwen, waarheen hij eene rom. kolonie zond en waaraan hij den naam gaf van Aelia Capitolina. Toen hij echter op de plaats, waar Salomo's tempel had gestaan, een tempel voor Jupiter Capitolinus liet bouwen (130 n. C.), brak een vreeselijke opstand los, die eerst na een driejarigen oorlog (132-134) door 's keizers veldheer Julius Severus werd bedwongen en die aan bijna 600000 Joden het leven kostte. Ondanks zijne goede eigenschappen kan men Hadrianus toch menige zwakheid tegenover gunstelingen, en, waar zijne ijdelheid gekrenkt werd, meer dan ééne daad van willekeur en wreedheid ten laste leggen. Geene kinderen hebbende, nam hij L. Ceionius Commodus (die na zijn adoptie L. Aelius Caesar heette) tot zoon en opvolger aan en na diens dood T. Aurelius Fulvus Boionius Arrius Antoninus, die na zijn adoptie Imp. T. Aelius Caesar Antoninus heette en hem als Antoninus (Pius) opvolgde. Hadrianus stierf te Baiae in 138.
Hadrumetum = Adrumetum.
Haedi, twee sterren uit het sterrebeeld van den Voerman (Auriga), wier op- en ondergang storm en regen aankondigden.
Haedilia, heuvel bij het landgoed van Horatius.
Haedui = Aedui.
Haemodes = Emodi montes.
Haemon, Haimon, 1) zoon van Pelasgus, naar wien Haemonia, het latere Thessalië, heette.--2) zoon van Lycaon, stichter van Haemonia in Arcadië.--3) zoon van Creon, z. Antigone. V. s. werd hij door de sphinx gedood.
Haemonia, Haimonia, mythische en dichterlijke naam voor Thessalia (zie Haemon). Haemonius = thessalisch; Haemonia puppis = de Argo, het schip der Argonauten; Haemonius iuvenis = Iason; Haemonius heros = Achilles; Haemoniae artes = tooverkunsten.
Haemonides, priester van Apollo en Diana, die onder Turnus streed en door Aeneas gedood werd. Van zijne prachtige wapenrusting werd een zegeteeken ter eere van Mars opgericht.
Haemus, Haimos, zoon van Boreas, koning van Thracië, die zich en zijne gemalin Rhodope in zijn overmoed Zeus en Hera noemde. Daarom werden zij in bergen veranderd, die hunne namen behouden hebben.
Haemus, Haimos, thans Balkan, gebergte tusschen Moesia en Thracia. Een der passen, de westelijke, droeg den naam van porta Traiani.
Hageladas = Ageladas.
Halae, naam van twee demen in Attica. De eene, Halai Araphenides, met een tempel van Artemis, lag aan de Oostkust; de andere, Halai Aixonides, lag in het Z.
Halcyone = Alcyone.
Halcyonium mare = Alcyonium mare.
Hales, Haleis, gen. -entos, riv. in Lucania, die bij Velia in zee stroomt; ook een riviertje op het eiland Cos. Eene derde, Hales, bekend om haar ijskoud water, liep langs Colophon, in Ionia, in de Icarische zee uit.
Halesa, Alaisa, rivier en handelsstad, later rom. municipium op de N. kust van Sicilia.
Halesus, Halaesus, bloedverwant van Agamemnon, die naar Italië kwam en een dapper bondgenoot van Turnus werd in den strijd tegen Aeneas; hij werd door Pallas gedood. V. s. was hij de stichter van Falerii.
Halex, gen. -ecis, Halex, riv. in het land der Bruttii, grens tusschen het gebied van Rhegium en dat van Locri Epizephyrii.
Halia, z. Ekklesia.
Haliacmon, Haliakmon, rivier in Macedonia, die eerst naar het Z. en dan naar het N.O. stroomt en zich in de Thermaeische golf ontlast.
Haliartus, Haliartos, oude stad in Boeotia aan den zuidelijken rand van een meertje, dat bij hoogen waterstand met het Copaïsche meer ineenvloeide. Xerxes verwoestte de stad, die herbouwd werd, en voor welker muren Lysander in 394 sneuvelde. In den oorlog tegen Perseus verwoestten de Rom. haar andermaal (171). Sedert dien tijd is het met haar bloei voor goed gedaan.
Halias, gen. -ados, Halias, zuidelijke punt van Argolis, met eene visschersbevolking. Halies en een stadje Halice, Halike, ten Z. van Hermione.
Halicarnassus, Halikarnassos, beroemde stad in Caria, oorspronkelijk lid der aziatisch-dorische hexapolis; het dialekt is echter deels dorisch, deels ionisch; de moederstad Troezen was ionisch, vóór de oude bevolking door de Doriërs verdrongen werd; geboorteplaats der geschiedschrijvers Herodotus en Dionysius. Onder de latere perzische koningen werd het in plaats van Mylasa de residentie der satrapen van Caria. Hier was één van de zeven wonderen der wereld, n.l. het praalgraf van Mausolus (zie Mausoleum). De stad kreeg een gevoeligen knak door de verwoesting door Alexander den Gr.
Halicyae, Halikyai, Al., rom. municipium op Sicilia, ten O. van Lilybaeum, tusschen Selinus en Segesta.
Halirrhothius, Halirrothios, zoon van Poseidon en Euryte, vervolgde Alcippe, de dochter van Ares en Agraulus, met zijne liefde en werd daarom door Ares gedood. Poseidon klaagde Ares bij de rechtbank der twaalf goden aan, die op den Areopagus eene zitting hielden en den aangeklaagde vrij spraken.
Halitherses, Halitherses, zoon van Mastor, waarzegger op Ithaca, die Telemachus tegen de vrijers van Penelope steunde.
Halizones, Halizones, volk in Bithynië, bondgenooten der Trojanen. In hun land waren de bijen tam en leefden in gemeenschap met de menschen.
Halmydessus = Salmydessus.
Halmyris, Halmyris limne, zoutmeer ten Z. der Donaumonden.
Haloa, Haloa, feest ter eere van Dionysus, Demeter en Persephone, op denzelfden tijd als de kleine Dionysia te Athene en Eleusis gevierd.
Halonesus, Halonesos, ook met -nn geschreven, eilandje in de Aegaeische zee tusschen Peparethus en Scirus, om welks bezit een heete strijd ontstond tusschen de Atheners en Philippus van Macedonia.
Halteres, halteres, springstokken en springgewichten, halters, die men hij het springen en andere gymnastische oefeningen in de handen hield.
Haluntium = Aluntium.
Halus, Halos, stad in Phthiotis, tot het gebied van Achilles behoorende.
Halycus, Halykos, rivier op Sicilia, die op de zuidkust bij Heraclea Minoa in zee valt.
Halys, Halys, thans Kisil-Irmak = roode rivier, de grootste stroom van Asia minor, die op den Antitaurus ontspringt, achtereenvolgens naar het Z.W., N.W., N. en N.O. stroomt en ten laatste in den Pontus Euxinus valt. Deze rivier is geschiedkundig bekend als de grens tusschen de rijken van Croesus en van Cyrus; later vormde hij met den mons Taurus een tijd lang de grens van Asia minor.
Hamadryades, Hamadryades = Dryades.
Hamaxitus, Hamaxitos, stadje aan de Z.W.-kust van Troas, waarvan de inwoners door Lysimachus gedwongen werden, naar Alexandria Troas te verhuizen. In den omtrek werden zoutgroeven gevonden.
Hamaxobii, Hamaxobioi, nomadisch volk nabij de Palus Maeotis (zee van Azow).
Hamilcar, Amilkas, naam van verschillende carthaagsche veldheeren. 1) zoon van Mago en vader van Gisgo. Hij sneuvelde in 480 aan de Himera bij de zware nederlaag, die Gelo van Syracusae den Carthagers toebracht.--2) Ham., die in 309 bij het beleg van Syracusae sneuvelde, terwijl Agathocles de Carthagers in hun eigen gebied bestookte.--3) veldheer op Sicilia in den eersten punischen oorlog, door de Rom. in Afrika (258) krijgsgevangen gemaakt. Later strijdt hij weer tegen de Numidiërs en Mauretaniërs, die opgestaan waren.--4) Hamilcar, bijgenaamd Barcas = bliksem, de vader van Hannibal. In 247 naar Sicilia gezonden, hield hij zich zes jaar tegen de Rom. staande, terwijl zijne vloot bij herhaling op de italiaansche kusten stroopte. Na den vrede dempte hij met Hanno den opstand der carthaagsche huurtroepen in Africa (241-238) en stak kort daarna naar Hispania over, waarheen hij zijn negenjarigen zoon Hannibal medenam. In acht jaar tijds (237-229) onderwierp hij het grootste gedeelte des lands aan Carthago, totdat hij in den winter van 229/8 in een gevecht tegen de Vettonen sneuvelde. Hij liet drie zoons na: Hannibal, Hasdrubal en Mago.--5) carthaagsche generaal, die in 218 op Melite (Malta) door de Rom. gevangen werd genomen.--6) carth. veldheer, die in 200 in Gallia Cisalpina het bevel voerde en den oorlog, ook na den vrede, op eigen hand voortzette, totdat hij in 197 sneuvelde.
Hamippoi, bij de Boeotiërs een troep voetknechten, waarvan iedere man aan een ruiter toegevoegd was, met dezen in en uit het gevecht ging, en naast hem te voet streed. In de eerste helft der vierde eeuw werd ook bij het atheensche leger zulk een corps ingevoerd.
Hammon = Ammon.
Hannibal, Annibas, naam van verschillende carthaagsche veldheeren. 1) zoon van Gisco, stierf in 406 op Sicilia aan de pest.--2) veldheer in den eersten punischen oorlog, die Agrigentum zeven maanden tegen de Rom. verdedigde (261), en later als vlootvoogd bij Mylae in 260 door den consul Duillius verslagen werd.--3) een zoon van Hamilcar no. 3, die in 250 het ingesloten Lilybaeum te hulp kwam, en later in den oorlog met de carthaagsche huurtroepen omkwam.--4) oudste zoon van Hamilcar Barcas, in 237, negen jaar oud, met zijn vader naar Hispania gegaan, nadat deze hem den Rom. eeuwigen haat had laten zweren. Eerst diende Hannibal onder zijn vader, na diens dood (229/8) onder zijn zwager Hasdrubal; toen deze in 221 was vermoord, werd Hannibal door het leger tot aanvoerder uitgeroepen. De carthaagsche senaat bekrachtigde deze keus, ofschoon niet zonder heftige tegenkanting der partij van Hanno. Hannibal, die het veldheerstalent van zijn vader met het staatsmansbeleid van zijn zwager vereenigde, onderwierp spoedig geheel Hispania, en volvoerde toen, door het met Rome verbonden Saguntum te belegeren, zijn plan om Rome tot eene oorlogsverklaring te drijven. Ten einde den vijand op diens eigen bodem aan te tasten, trok H. met een groot leger, en een aantal olifanten, langs onbekende en dikwerf ongebaande wegen over de Alpen en kwam na ontzaggelijke verliezen met nog geen 30000 man in Italië (herfst van 218). Bijna onmiddellijk hierop versloeg hij aan den Ticinus den consul P. Cornelius Scipio (Cornelii no. 11), bij de Trebia den anderen consul Tib. Sempronius Longus (Sempronii no. 14), en in 217 bij het Trasimeensche meer den consul C. Flaminius. Tegenover den dictator Q. Fabius Maximus, die den slag ontweek, richtte H. niet veel uit, doch des te verschrikkelijker was de nederlaag der Rom. bij Cannae, in 216, onder de consuls L. Aemilius Paullus en C. Terentius Varro. Nu ging Zuid-Italië en ook Capua voor de Romeinen verloren. Toch kwam H. niet verder, daar hij niet voldoende door Carthago gesteund werd, en de Romeinen juist nu alle krachten inspanden. Eindelijk ontbood hij in 208 zijn broeder Hasdrubal uit Spanje, die echter in 207 door de beide consuls C. Claudius Nero en M. Livius Salinator bij den Metaurus verslagen werd en sneuvelde. Meer en meer moest Hannibal zuidwaarts trekken, totdat hij in 203 geroepen werd om Carthago zelf te verdedigen tegen P. Cornelius Scipio. De slag bij Zama (202) viel ten voordeele der Rom. uit. Nog eenige jaren bestuurde H. na den vrede Carthago, zoodat het weer tot bloei kwam, maar werd in 195 (v. a. 196), genoodzaakt te vluchten, en begaf zich toen tot koning Antiochus van Syria, dien hij tot een oorlog met Rome overhaalde, zie Antiochus no. 5. H. ried den koning te vergeefs aan, de Romeinen in hun eigen land aan te vallen. Toen ook Antiochus het onderspit had gedolven, week H. naar Bithynia tot koning Prusias (190). Ook hier vervolgden hem de Rom. met onverzoenlijken haat, en uit vrees, dat Prusias voor hun herhaalden aandrang zou zwichten en hem in hunne handen zou leveren, maakte H. in 183 door vergif een einde aan zijn leven.
Hanno, Annon, carthaagsche naam. 1) Hanno de zeevaarder, die tusschen 466 en 450 een ontdekkingstocht langs de Westkust van Afrika deed, waarvan de beschrijving, in het Grieksch vertaald, onder den titel periplous nog bestaat.--2) veldheer in den strijd tegen Agathocles van Syracusae, sneuvelde in 310.--2a) veldheer op Sicilia in het begin van den eersten punischen oorlog, die te Messana voor de Rom. moest wijken en daarom te Carthago ter dood werd gebracht. Een andere Hanno werd in 262 bij Agrigentum verslagen, toen hij met een groot leger tot ontzet van die stad was opgedaagd.--3) Hanno de Groote, stadhouder van Libya, kon in 241 den opstand der huurtroepen niet onderdrukken, en zag toen Hamilcar Barcas boven zich gesteld. Hierom vatte hij een doodelijke haat op tegen het geslacht der Barcini. Tegen Hamilcar en Hannibal was Hanno het hoofd der vredespartij. Na den slag bij Zama was Hanno onder de gezanten, die te Rome om vrede kwamen verzoeken.--4) Bovendien komen onder de generaals van Hannibal nog Hanno's voor, en ook een op Sicilia in 211.
Harii, germaansche stam, tot de Lugii, de latere Vandalen, behoorend, aan den bovenloop van de Viadua (Oder).
Harma, Harma, vlek in Boeotia ten N.W. van Tanagra.
Harmatus, Harmatous, kaap en stad in aziatisch Aeolis, aan de Zuidkust van Troas, tegenover Methymna.
Harmodius, Harmodios en Aristogiton, twee jonge Atheners, verbitterd door eene beleediging, welke Hipparchus de zuster van Harmodius had aangedaan, vormden het plan de Pisistratiden te vermoorden. Het gelukte hun op de Panathenaea in 514 Hipparchus te dooden, maar Harmodius werd op de plaats zelve door de lijfwacht afgemaakt, en Aristogiton werd gevat en door Hippias ter dood gebracht, nadat hij op de pijnbank de vrienden van den tyran als deelgenooten van de samenzwering had aangegeven. Zij werden, hoewel ten onrechte, als martelaars voor de vrijheid beschouwd; henzelf werd bijna goddelijke eer bewezen, terwijl hunne afstammelingen verscheiden voorrechten genoten.
Harmonia, Harmonia, dochter van Ares en Aphrodite. Toen zij met Cadmus trouwde, kwamen alle goden op hare bruiloft, en kreeg zij o.a. geschenken van Aphrodite een kleed en een halssnoer, die later vele ongelukken te weeg brachten. Z. Amphiaraus en Alcmaeon.
Harmostai, 1) twintig magistraten te Sparta, belast met het toezicht over de perioeci.--2) bevelhebbers der bezettingen, die de Spartanen na den peloponnesischen oorlog naar de afhankelijke staten zonden, om tot steun voor de oligarchische partijen te dienen, z. dekarchiai.
Harmozea, Harmozeia, stad en omstreken in Carmania aan de invaart der perzische golf.
Harpagium, -gea, Harpagion, ta Harpageia, stadje in Mysia aan den Propontis, vanwaar Ganymedes door den adelaar van Zeus werd weggevoerd.
Harpago als belegeringswerktuig is een lange houten staak of steel, aan welks uiteinde verscheidene ijzeren haken zaten en waarmede men de tinnen of de borstwering van den stadsmuur trachtte los te rukken. In een scheepsgevecht is het een enterhaak, manus ferrea.
Harpagus, Harpagos, 1) z. Cyrus. Wegens zijne ongehoorzaamheid liet Astyages zijn zoon dooden en hem bij een feestmaal het vleesch van het kind voorzetten.--2) veldheer van Darius Hystaspis.
Harpalus, Harpalos, 1) Macedoniër, leefde langen tijd aan het hof van Philippus, werd om onbekende redenen verbannen, doch door Alexander d. G. teruggeroepen en tot schatmeester aangesteld. In die hoedanigheid volgde hij Alex. naar Azië, doch moest in 332 wegens een of ander vergrijp vluchten; hij keerde echter terug, toen de koning hem volledige vergiffenis geschonken had. Te Babylon, waar hij het beheer over onmetelijke schatten had, gaf hij zich gedurende Alex.'s tocht naar Indië aan buitensporige weelde over, zoodat hij bij diens terugkomst het raadzaam achtte te vluchten; met 5000 talenten en 6000 huurlingen ging hij naar Athene, om zijn geld en zijne troepen voor een oorlog tegen Alex. aan te bieden. De Atheners wezen hem eerst af, later ontvingen zij hem echter (z. Demosthenes), maar toen Antipater hem opeischte, nam hij de vlucht naar Taenarum en van daar naar Creta, waar hij vermoord werd.--2) grieksch sterrenkundige, die reeds vóór Meton pogingen deed den griekschen kalender te regelen.
Harpalyce, Harpalyke, dochter van den thracischen koning Harpalycus, die door haar vader van jongs af als man werd opgevoed; zij muntte uit in alle kunsten van den oorlog en was zoo vlug, dat zij de snelste paarden kon inhalen en zelfs over water loopen kon. Na den dood van haar vader leefde zij met eenige makkers in de wouden van roof, totdat zij door herders omsingeld, gevangen genomen en gedood werd. Bij het verdeelen van den buit, dien men bij haar vond, ontstond zulk een twist tusschen de herders, dat verscheidene van hen gedood werden; daarom meende men dat de goden vertoornd waren over den dood van Harp., men beschouwde haar als een goddelijk wezen en trachtte door offers en feesten haar schim te verzoenen.
Harpasus, Harpasos, riv. in Caria, die langs de stad Harpasa stroomde en zich in den Maeander stortte. Eene andere rivier van denzelfden naam, ook Acampsis geheeten, liep op de oostelijke grens van Armenia in den Pontus Euxinus uit.
Harpocrates, Harpokrates, een aegyptisch god, die met den vinger op den mond wordt afgebeeld en daarom voor den god der stilzwijgendheid gehouden wordt. Hij schijnt dezelfde te zijn als Horos.
Harpocration (Valerius), Harpokration, grieksch taalkundige van Mendes, wiens leeftijd onbekend is, schrijver van een Lexikon ton deka rhetoron, een taal-, oudheid- en geschiedkundig woordenboek op de werken der attische redenaars.
Harpyiae, Harpuiai, godinnen van den stormwind, Aëllo en Ocypete, dochters van Thaumas en Electra; men stelde zich voor dat menschen, die spoorloos verdwenen waren, door haar waren weggeroofd. Later komen zij in grooter aantal voor (Celaeno, Thyella, e. a.) als kwelgeesten, die bijv. den blinden Phineus zijne spijzen ontrooven of ze door hare aanraking verontreinigen, totdat Zetes en Calaïs haar verjagen en vervolgen tot de Strophadische eilanden, waar zij beloven Phineus niet meer lastig te zullen vallen. V. a. werden zij bij die gelegenheid gedood. Zij worden afgebeeld half als vrouw, half als roofvogel, soms met uitgehongerd gelaat en met klauwen aan handen en voeten.
Harudes of Charudes, Charoudes, germ. volk in het leger van Ariovistus (58). Hun eigenlijke woonplaats is op de Chersonesus Cimbrica (Jutland), waar ze naast de Cimbren wonen.
Haruspices. In kritieke gevallen werden door den rom. senaat haruspices uit Etruria ontboden, waar de leer der divinatio het meest tot een volledig stelsel ontwikkeld was. Hunne taak was het dan, uit de ingewanden der offerdieren uit te vorschen, of de goden al dan niet gunstig gezind waren. Zie extispicium. In gewone gevallen deden de rom. priesters zelf hunne waarnemingen. Deze haruspices behoorden tot den Etruscischen adel. Van hen te onderscheiden zijn de particuliere haruspices, die zich sinds de 2de eeuw te Rome vestigden en voor geld waren te raadplegen of als mercennarii in dienst traden van ambtenaren. Hun gezag werd door den senaat niet erkend.
Hasdrubal, Asdroubas, carthaagsche naam. 1) zoon van Hanno, in den eersten punischen oorlog met ruim 30000 man en 130 olifanten naar Sicilia overgestoken (251), doch in 250 bij Panormus (Palermo) door L. Caecilius Metellus (Caecilii no. 2) verslagen.--2) schoonzoon van Hamilcar Barcas, dien hij in 228 als carthaagsch opperbevelhebber in Hispania opvolgde. Hij stichtte Carthago nova (thans Carthagena), en sloot met de Rom. een verdrag, waarbij de Iberus als grensrivier tusschen beide staten werd aangewezen en tevens de onzijdigheid van Saguntum werd erkend. In 221 werd hij uit persoonlijke wraakzucht door een Hispaniër vermoord.--3) zoon van Hamilcar Barcas en broeder van Hannibal. Toen Hannibal naar Italië trok, nam Hasdrubal het bevel in Hispania op zich (218) en handhaafde zich met roem tegen de gebroeders P. en Cn. Cornelius Scipio, die in 211 sneuvelden. In 211 echter verscheen een jongere Scipio, de latere Africanus maior, in Hispania; Carthago nova ging voor Hasdrubal verloren; zie verder Cornelii no. 13. Op de roepstem zijns broeders trok hij in 208 naar Italia, waar hij echter door de beide consuls M. Livius Salinator (Livii no. 7) en Claudius Nero (Claudii no. 22), die zich ongemerkt vereenigd hadden, werd aangevallen bij Sena Gallica aan den Metaurus. Hasdrubal sneuvelde (207). Het afgehouwen hoofd werd over den wal van Hannibals legerplaats geworpen, om hem aldus bericht te geven van zijns broeders dood.--4) zoon van Gisco, onderbevelhebber van no. 3, die tot 206 in Hispania streed, vervolgens in Africa oorlog voerde, eerst tegen Masinissa, daarna tegen de Rom. Hij was niet gelukkig in den oorlog; men weet aan hem de nederlaag van Hannibal bij Zama en hij moest door vergif een einde aan zijn leven maken. Door zijne dochter Sophonisbe aan koning Syphax ten huwelijk te geven, haalde hij dezen tot een bondgenootschap met Carthago over.--5) behalve de reeds genoemde komen er in den tweeden punischen oorlog nog meer Hasdrubals voor, o. a. in 215 op Sardinia.--6) veldheer in 151 tegen Masinissa en in den derden punischen oorlog tegen de Rom. Hij zegevierde over den rom. consul M'. Manilius, doch moest later voor Scipio de wijk nemen naar den burg. Hijzelf gaf zich ten laatste over en werd als gevangene naar Italia gevoerd, waar hij stierf. Zijne vrouw en kinderen stortten zich in de vlammen.--7) Zie Clitomachus no. 2.
Hasta, lans. Hasta pura, lansschacht zonder punt (cuspis), een eereteeken voor soldaten wegens betoonden moed. Bij verkooping van buit werd eene hasta in den grond gestoken; evenzoo had de praetor eene hasta naast zich staan bij gerechtelijke verkoopingen; vanhier de uitdrukkingen sub hasta venire, bona hastae subicere en dgl. Ook het gerechtshof der centumviri had eene hasta in den grond geplant.
Hasta = Asta.
Hastati, oorspronkelijk soldaten, die met eene lans gewapend waren. Toen echter het rom. voetvolk voor het grootste gedeelte gewapend werd met de kortere, doch zwaardere werpspeer, die den naam van pilum droeg, (sedert den tijd van Camillus, zie acies) ging de naam hastati over op de jongere manschap; uit de soldaten van rijperen leeftijd werden de principes gevormd en uit de oudgedienden de pilani of triarii. De hastati en principes droegen, behalve zwaard en schild, ook het pilum, terwijl de pilani in plaats daarvan de hasta kregen. Zie centuria.
Hatra, zie Atrae.
Hatria, zie Adria.
Hattuarii (Attuarii), zie Chasuarii.
Hebe, Hebe, dochter van Zeus en Hera, godin der jeugd. Toen Heracles onder de goden was opgenomen, kreeg hij haar tot gemalin en werd zij in hare betrekking als schenkster der goden door Ganymedes vervangen. Zij werd op vele plaatsen vereerd, meestal in vereeniging met Hera of Heracles; soms wordt zij Ganymeda of Dia genoemd.
Hebraei = Iudaei.
Hebron, Hebron, oude stad in Palaestina, ongeveer ten Z. van Jerusalem.
Hebrus, Hebros, thans Maritza, voorname rivier van Thracia, met breede zijstroomen en een uitgebreid stroomgebied. Hij ontspringt op den mons Rhodope (Despoto-dagh) en den Scomius en valt met twee armen bij Aenus in zee. Aan den Hebrus werd Orpheus door de thracische Bacchanten vermoord.
Hebudae = Ebudae.
Hecabe, Hekabe, dochter van Dymas of Cisseus of Sangarius, tweede vrouw van Priamus, moeder van Hector, Paris (z. Aesacus), Cassandra en vele andere kinderen, die zij allen tengevolge van den trojaanschen oorlog zag omkomen of in slavernij wegvoeren. Zij zelve werd als slavin aan Odysseus gegeven. Den dood van haar zoon Polydorus wreekte zij door de zonen van Polymnestor te dooden en hemzelf de oogen uit te krabben. Het voorgebergte Cynossema werd als haar graf beschouwd, en ter verklaring van dien naam verhaalde men, dat zij na hare wraakneming op Polymnestor in een hond veranderd en in zee gesprongen was, of dat de Grieken, daar zij hen met scheldwoorden placht te overladen, haar den naam van teef gegeven hadden, of dat zij haar om diezelfde reden gesteenigd, maar onder den steenhoop inplaats van haar lijk dat van een hond gevonden hadden.
Hecaërgus, -ge, Hekaergos, -erge, vèrtreffende, bijnaam van Apollo en Artemis.
Hecamede, Hekamede, van Tenedus, dochter van Arsinoüs; toen Achilles het eiland veroverde, werd zij aan Nestor tot slavin gegeven.
Hecataeus, Hekataios, 1) van Miletus, zoon van Hegesander, de eerste geschiedschrijver genoemd, daar hij de eerste was, die verder ging dan eene omschrijving in proza van mythen en legenden, en in zijne werken, Periodos ges en Geneelogiai, de resultaten van zijne onderzoekingsreizen in verre landen neerlegde. Herodotus heeft geregeld van zijn werk gebruik gemaakt, maar hem ook dikwijls bestreden. Bij den opstand van de Ioniërs tegen de Perzen trad hij als een der leiders op, maar zijn wijze raadgevingen werden niet opgevolgd.--2) van Abdera, geschiedschrijver, die geruimen tijd bij Ptolemaeus in Alexandrië gewoond heeft. Hij was een leerling van Pyrrho; hij heeft geschreven over de poëzie van Homerus en Hesiodus, en verder een romantische geschiedenis van Aegypte, en een werk over de Hyperboraei. Hij schrijft in denzelfden geest als zijn jongere tijdgenoot Euhemerus. Excepten uit zijne werken vinden we bij Diodorus Siculus. Op zijn naam is ook nog een joodsch werk over de Joden overgeleverd dat van veel later tijd is.--3) tyran van Cardia ten tijde van Alexander d. G.
Hecate, Hekate, dochter van Zeus en Hera of Demeter of Pheraea, de dochter van Aeolus, of van Perses en Asteria. Zij was de eenige van het geslacht der Titanen, die aan Zeus trouw bleef, daarom schonk hij haar na zijne overwinning macht in den hemel, op aarde en op zee. In haar drievoudig gebied werkt zij heilrijk, en geeft zij haren vereerders wijsheid en geluk. Maar tevens is zij ook godin der onderwereld en als zoodanig wordt zij het meest vereerd en heeft zij ook aandeel aan de mysteriën; zij was het die de schaking van Persephone had gezien, aan Demeter bericht er van gegeven had en haar bij het zoeken naar hare dochter had geholpen. Zij is vooral de godin der spoken, die zij des nachts uit de onderwereld doet opstijgen om de menschen te kwellen en angstig te maken; zij zelve zwerft 's nachts, door de schimmen der afgestorvenen en door zwarte honden begeleid, over de graven en beschermt de tooverheksen bij hare bezweringen en bij het bereiden van hare toovermiddelen.--Hec. was waarschijnlijk oorspronkelijk de godin der nieuwe maan, daarom wordt zij soms geïdentificeerd met Artemis, die zelve ook Hecate genoemd wordt.--Zij had slechts weinige tempels, maar talrijke beelden (hekataia, hekatesia) en altaren op marktpleinen, voor de poorten en de deuren der huizen; vooral op driesprongen plaatste men beelden van haar met drie hoofden of drie lichamen (Enodia, Trioditis, Trivia, Trikephalos, Trimorphos, Triceps, Triformis). Men offerde haar honden, zwarte lammeren en honig en op den laatsten dag der maand plaatste men bij hare beelden allerlei spijzen, die door arme lieden werden weggehaald. Zij wordt beschreven als eene vreeselijke gestalte met slangen inplaats van haren en voeten, een paarde-, een honde- en een leeuwekop, enz.; afgebeeld wordt zij echter soms onder eene eenvoudige menschelijke gedaante, meestal met drie hoofden of drie lichamen; hare attributen zijn honden, slangen, touwen, sleutels, fakkels, dolken, appels, enz.--Bij de Romeinen werd zij vooral in den keizertijd vereerd. Diocletianus stichtte te Antiochië een heiligdom voor haar, waarin men met 365 trappen afdaalde.
Hecato, Hekaton, van Rhodus, stoicijnsch wijsgeer in de 2de eeuw, leerling van Panaetius, stond bij zijne tijdgenooten en bij lateren in hoog aanzien. Van zijne talrijke werken is weinig bewaard gebleven.
Hecatombaeon, Hekatombaion, 1ste maand van het Attische jaar (midden Juli-midden Augustus), z. Annus.
Hecatompylus, Hekatompylos, hoofdstad van Parthyaea of Parthyene, later residentiestad der parthische koningen, totdat zij hun residentie naar Ctesiphon overbrachten.
Hecatonnesi, Hekatonnesoi, de 100 eil., eene eilandengroep aan de Adramyttische golf, tusschen Lesbus en de aziatische kust.
Hector, Hektor, oudste zoon van Priamus en Hecabe, echtgenoot van Andromache, vader van Astyanax, een man die aan teedere liefde voor vrouw en kind, voor ouders en medeburgers, buitengewonen heldenmoed paarde, waarvan hij, als leider der verdediging van Troje tegen de Grieken, onder bescherming van Apollo schitterende bewijzen gaf. Gedurende den tijd dat Achilles uit wrok tegen Agamemnon zich van den strijd onthoudt, brengt H. de Grieken geducht in het nauw, zelfs dringt hij tot hunne schepen door en begint hij die in brand te steken. Wel gelukte het Patroclus in de wapenrusting van Achilles de Trojanen op de vlucht te jagen, maar hijzelf werd door H. gedood. Toen H. kort daarna door Achilles (z. a.) verslagen was, beschermden Apollo en Aphrodite zijn lijk tegen de smadelijke behandeling van zijn vijand, totdat het op bevel van Zeus zelf aan Priamus teruggegeven en plechtig begraven werd.
Hecuba = Hecabe.
Hegelochus, Hegelochos, 1) een tooneelspeler, die eens bij de opvoering van een treurspel de woorden galen' horo uitsprak als galen horo, wat groot gelach verwekte en niet spoedig vergeten werd.--2) bevelhebber der vloot van Alexander d. G. gedurende de eerste jaren van zijne veldtochten, onderwierp Tenedus, Chius e. a. eilanden.
Hegemon, Hegemon, 1) van Thasus, dichter van de oude attische comedie, ook bekend door zijne parodieën op de gedichten van Homerus.--2) atheensch staatsman ten tijde van Demosthenes, behoorde tot de macedonische partij.
Hegemone, Hegemone, 1) bijnaam te Sparta en in Arcadië aan Artemis gegeven.--2) eene van de Charites.
Hegemonia, in het algemeen leiding, voorzitterschap, in het bizonder de eerste rang onder staten, die gemeenschappelijke belangen te verdedigen hebben. De staat, die de hegemonie had, leidde de beraadslagingen over die belangen, voerde in den oorlog de verbonden troepen aan, bepaalde hoeveel iedere staat aan geld en manschappen moest bijdragen, enz.
Hegesias, Hegesias, 1) cyrenaeisch wijsgeer, leefde in de 3de eeuw te Alexandrië. In zijn werk, Apokarteron, leert hij dat genot het doel van het leven is, dat de mensch echter niet hopen kan dit doel ooit te bereiken, en dat het dus beter is te sterven dan het leven te verdragen. Vele van zijne leerlingen (Hegesiakoi) pleegden inderdaad zelfmoord, vandaar dat hij den bijnaam Peisithanatos kreeg.--2) redenaar en sophist van Magnesia, omstreeks 300, wordt, hoewel hij tal van navolgers had, wegens zijn gezwollen en gemaakten stijl door de ouden streng gelaakt. Hij is de schepper van den Aziatischen stijl (Asianismus). Als geschiedschrijver wordt hem gebrek aan waarheidsliefde verweten.
Hegesilochus, Hegesilochos, 1) leider eener oligarchische partij op Rhodus, die in 356 met de hulp van Mausolus van Carië de democratie omverwierp en de regeering in handen nam; hij maakte zich berucht door zijne losbandigheid. Na den dood van Mausolus werd de democratie hersteld.--2) rhodisch staatsman, in 171 voorstander van een bondgenootschap met de Rom. tegen Macedonië.
Hegesinus, Hegesinous, van Pergamus, leerling van Euander en zijn opvolger als hoofd der academische school, leeraar van Carneades.
Hegesippus, Hegesippos, 1) atheensch redenaar, vriend en partijgenoot van Demosthenes; van hem is waarschijnlijk de redevoering peri Halonnesou, die onder de werken van Demosthenes tot ons gekomen is.--2) oudste schrijver over kerkgeschiedenis, tijdens Marcus Aurelius. Zijn werk, 5 boeken Hypomnemata, is verloren, maar wordt vaak geciteerd door Eusebius.--3) of Egesippus, naam, waaronder in de ME. de latijnsche vertaling van Flavius Josephus (z.a.) geciteerd wordt, die uit de 4de eeuw n. C. dateert, en aan Ambrosius wordt toegeschreven.
Hegesistratus, Hegesistratos, 1) zoon van Pisistratus, regeerde na het verdrijven der Mytilenaeërs over Sigeum.--2) Samiër, zoon van Aristagoras, kwam uit naam der Samiërs de hulp der grieksche vloot inroepen en bewoog Leotychides naar Samus te zeilen, wat aanleiding gaf tot den beroemden slag bij Mycale (479).
Hekatoncheires = Centimani.
Hektemoroi, waren oudtijds in Attica boeren, die gepachten grond bebouwden, en vijf zesden van de opbrengst aan den grondeigenaar moesten afstaan. Bij niet-vervulling van deze verplichting werden zij met hun zoons diens lijfeigenen.
Helena, Helene, 1) dochter van Zeus of Tyndareos en Leda, beroemd door hare weergalooze schoonheid. Reeds op zeer jongen leeftijd werd zij door Theseus geschaakt en naar Aphidnae gebracht, maar spoedig door hare broeders, de Dioscuren, bevrijd. Later dongen zooveel jongelingen naar hare hand, dat Tyndareos haar aan niemand durfde geven, uit vrees dat onder de mededingers een geweldige strijd zoude ontstaan; op raad van Odysseus nam hij eindelijk allen den eed af, dat zij den uitverkorene niet zouden bestrijden, maar integendeel tegen aanvallen en beleedigingen zouden verdedigen. Helena koos nu Menelaus tot echtgenoot en kreeg bij hem eene dochter, Hermione. In zijne afwezigheid liet zij zich schaken door Paris, den zoon van Priamus, en nam zij vele schatten naar Troje mede. Dit was de aanleiding tot den trojaanschen oorlog, waaraan de meeste grieksche vorsten, gedeeltelijk door hun eed gebonden, deel namen. Wegens hare schoonheid wordt zij ook te Troje, in weerwil van de rampen van den oorlog, algemeen geëerd en bewonderd; niettemin had zij berouw over haar misstap en verlangde zij naar haar vaderland terug. Na den dood van Paris huwde zij met Deïphobus, een anderen zoon van Priamus, dien zij v. s. bij de inneming van de stad aan de Grieken in handen leverde. Toen Menelaus haar terugvond, wilde hij haar eerst dooden, maar hare schoonheid redde haar, hij nam haar mede naar Sparta, waar zij nog lang met hem in vrede en geluk leefde, en na haar dood in hetzelfde graf met hem bijgezet werd.--V. a. was zij met Paris in Aegypte gekomen, waar Proteus haar en de geroofde schatten terughield en na den oorlog aan Menelaus teruggaf. Een schijngestalte vergezelde Paris naar Troje, daar de oorlog volgens beschikking van het noodlot gevoerd moest worden.--V. a. was zij na den dood van Menelaus door hare stiefzonen verjaagd en naar Rhodus gevlucht, waar zij, als oorzaak van den grooten oorlog, aan een boom werd opgehangen; na haar dood werd zij daar vereerd als Helena Dendritis.--Nog werd verhaald dat zij in het leven teruggeroepen werd en naar het eiland Leuce verplaatst, waar zij met Achilles huwde en hem een zoon Euphorion baarde.--2) dochter van Paris en Helena.--3) dochter van Aegisthus en Clytaemnestra.--4) (Flavia Iulia), moeder van Constantijn d. G., Christin.--5) dochter van Constantijn d. G., gemalin van keizer Julianus.
Helena, Helene, vroeger Cranaë, rotseilandje bij de Zuidspits van Attica. Zie ook Illiberis.
Helenus, Helenos, zoon van Priamus en Hecabe, beroemd waarzegger. Hij werd door de Grieken gevangen genomen of liep tot hen over, en openbaarde hun op welke wijze Troje genomen kon worden. Na het eindigen van den oorlog ging hij met Neoptolemus naar Epirus; toen deze gestorven was, huwde hij Andromache en kreeg hij een deel van het rijk, waarin hij een vesting bouwde, geheel naar het model van Troje. Hij liet de regeering aan Molossus, den zoon van Neoptolemus en Andromache, na.--V. a. vluchtte hij, toen Neoptolemus Hermione tot vrouw nam, met Andromache en Molossus naar Molossië.
Helepolis, helepolis, een door Demetrius Poliorcetes uitgevonden belegeringswerktuig; het was een verplaatsbare toren met negen of minder verdiepingen, beneden van een stormram voorzien en op de hoogere verdiepingen ingericht tot het werpen van lichtere projectielen. Iedere verdieping had van buiten een galerij met borstweringen voorzien en het geheel was met ijzer beslagen.
Helia = Velia.
Heliadae, Heliadai, zeven zonen van Helius en Rhode. Zij hadden van hun vader vernomen dat de godin Athena de plaats, waar men haar het eerst zou offeren, tot haar woonplaats zou kiezen, daarom haastten zij zich haar een offer te brengen, doch vergaten het te verbranden, zoodat zij hun doel niet bereikten. Zij waren zeer bekwaam in sterrenkunde en scheepvaart en boven allen muntte Tenages uit, waarom zijne broeders hem uit afgunst doodden en, toen hun misdaad ontdekt werd, naar verschillende landen vluchtten. Zij werden als heroën vereerd door de Rhodiërs, die ook Heliaden genoemd worden, en tot aandenken aan hen de gewoonte behielden het offer niet te verbranden.
Heliades, Heliades, zusters van Phaëton, die zijn dood onophoudelijk beweenden. Hare tranen veranderden in barnsteen, en zijzelve werden in boomen veranderd, waaruit een vocht vloeit, dat, wanneer het gestold is, tot barnsteen wordt.
Heliaia, de rechtbank der gezworenen (heliastai) te Athene. Jaarlijks werden door het lot 6000 burgers boven de 30 jaar, die in het bezit hunner burgerrechten waren, 600 uit elke phyle, als heliasten aangewezen, die in 10 sectiën van 500 verdeeld werden, terwijl 1000 als plaatsvervangers overbleven. Voor ieder proces wordt een zeker aantal rechters bepaald, men vindt rechtbanken vermeld van 200, 300, 400, soms van 1000 of 1500 leden, zeer zelden kwamen alle 6000 bij elkander. Voor het bijwonen der zittingen werden de rechters sedert Pericles betaald, z. Dikastikon.
Helice, Helike, oude hoofdstad van Achaia, met een beroemden Poseidon-tempel. Bij eene vreeselijke aardbeving in 373 werd de stad door de zee verzwolgen. In hare plaats werd Aegium hoofdstad van den achaeischen bond.
Helicon, Helikon, berg in het Z. van Boeotia, aan de Muzen geheiligd, rijk aan bosch, dat door grasrijke weiden wordt afgewisseld, met vruchtbaren bodem en vele bronnen. Onder de bronnen zijn beroemd: Aganippe en Hippocrene, de paardebron, door den hoefslag van Pegasus te voorschijn geroepen. Heliconiades = de Muzen.
Heliodorus, Heliodoros, 1) ho periegetes, omstreeks 150, Athener, die de acropolis in 15 boeken beschreef, een werk, dat bijna geheel verloren gegaan is.--2) rhetor te Rome, vriend van Horatius.--3) Syriër, rhetor te Rome en secretaris van Hadrianus, later praefect van Aegypte.--4) schrijver van een werk over metriek.--5) van Emesa, v. s. bisschop van Tricca, schreef omstreeks 400 na C. een griekschen roman Aithiopika, bevattende de liefdesavonturen van een Thessaliër Theagenes en eene aethiopische prinses Chariclea.
Heliogabalus of Elagabalus, Heliogabalos. De eigenlijke naam was Varius Avitus Bassianus. Hij was verwant met de Severi op de volgende wijze:
L. Septimius Iulia, Iulia Maesa Severus, geh. met | | rom. keizer Sept. zusters | 193-211 Severus | \ / \ | / \----------\ /----------/ \----------\ /----------/ V V Caracalla, Geta, Soaemis, Mammaea, 211-217. 211-212. geh. m. geh. m. Varius Gessius Marcellus. Marcianus | | Heliogabalus | Alex. Severus.
Verwantschap van Heliogabalus met de Severi.
Heliogabalus was priester van den zonnetempel te Emesa in Syria. Door zijne groote gelijkenis op (M. Aurelius Antoninus) Caracalla, kwam Iulia Maesa op het denkbeeld, den schoonen, doch onbeteekenenden knaap, die slechts 14 jaar oud was, voor een zoon van Caracalla te doen doorgaan. Zóó werd hij onder den naam M. Aurelius Antoninus tot keizer uitgeroepen (218-222). Hij beging als keizer allerlei laffe dwaasheden, stelde o. a. een senaat voor vrouwen in, onder wiens bestuur de modes zouden geregeld worden, en gaf zich onbeteugeld aan uitspattingen en wellust over, terwijl hij zich overigens geheel door zijne moeder Soaemis liet beheerschen. Hij had zijn neef, den edelen Alex. Severus, tot mederegent aangenomen (221); toen hij echter dezen naar het leven stond, werd hijzelf met zijne moeder door de soldaten omgebracht.
Heliopolis, Heliou polis, stad in Coelesyria tusschen den Libanon en den Antilibanon, ook Baälbek = Baälsstad genoemd, eene prachtige stad, de hoofdzetel van den Baälsdienst. Antoninus Pius liet hier een schoonen tempel voor Jupiter bouwen.--2) stad in Aegypte, aan het begin der Nijldelta, hoofdzetel van den aegyptischen zonnedienst. De stad leed veel door den veldtocht van Cambyses. In den griekschen tijd is de stad vervallen.
Helius, Helios, Sol, zoon van Hyperion en Thea of Euryphaëssa, broeder van Selene en Eos, de zonnegod. Iederen morgen komt hij in het uiterste Oosten uit den Oceaan op en voert zijn schitterenden wagen, bespannen met vier paarden, die zoo vurig zijn, dat zelfs Zeus ze niet kan besturen, langs den hemel, om 's avonds in het Westen weder in den Oceaan neder te dalen, van waar hij v. s. des nachts in een gouden boot slapend naar het O. terugkeert. Hij is, daar hij met zijne stralen overal doordringt, alziend (panderkes) en dus alwetend, daarom werd hij bij plechtige verzekeringen en eeden als getuige aangeroepen. Op het eiland Thrinacia weidden zijne dochters, Phaethusa en Lampetie, voor hem 7 kudden runderen en 7 kudden schapen, elke van 50 stuks, een getal dat nooit grooter of kleiner werd, en op vele plaatsen, waar hij vereerd werd, vond men aan hem gewijde kudden. Zijne kinderen waren o.a. Aeetes, Circe en Phaëthon.--Hel. werd vrij algemeen in Griekenland vereerd, vooral op Rhodus, waar zijn 100 voet hoog beeld stond, de zoogenaamde colossus van Rhodus, het werk van Chares. Men offerde hem witte paarden, verder rammen, stieren en geiten; de haan en de arend waren hem gewijd. Op zijne afbeeldingen draagt hij een stralenkrans en een wijden mantel en heeft hij een wereldbol in de hand, soms staat hij op zijn wagen. Vgl. Apollo.
Helium ostium, de zuidelijke mond van den Rijn, de oude Maasmond, die toen veel breeder was dan tegenwoordig.
Hellanicus, Hellanikos, van Mytilene, jongere tijdgenoot van Herodotus, logograaf, wiens vrij talrijke werken verloren gegaan zijn. Hoewel hij veel gereisd en veel gestudeerd had, wordt hem door sommige oude schrijvers gemis aan oordeel en onnauwkeurigheid verweten.
Hellanodikai, een commissie van burgers uit Elis, belast met de regeling van en het toezicht op de olympische spelen, zij fungeerden tevens als kamprechters. Aanvankelijk was dit aan één persoon opgedragen, later vindt men 2, nog later 9, 10 of 12 rechters vermeld.
Hellas, Hellas. In Homerus' tijd was Hellas alleen de naam eener stad in het zuid-thessalische landschap Phthiotis of Phthia, het gebied van Achilles. In het historische tijdperk is Hellas = Graecia, n. l. 1) Midden-Griekenland, thans Livadia,--2) de Peloponnesus,--3) de door ligging en beschaving tot Griekenland behoorende eilanden. Epirus en Thessalia, samen ook wel Noord-Griekenland genoemd, werden door de oude Grieken niet tot Hellas gerekend. Daar de Grieken hun land niet als één geheel beschouwden, maar als een complex van verschillende staatjes en volken, hadden zij voor Hellas geene bepaald aangegeven aardrijkskundige grens, en daar ook buiten Hellas Grieken woonden, is de uitdrukking he pasa Hellas niet altijd juist te bepalen, en meermalen = al wat Grieksch is. In engeren zin is Hellas alleen Midden-Griekenland, met de landschappen Attica, Megaris, Boeotia, Locris, Doris, Phocis, Aetolia en Acarnania. Als rom. provincie heette Griekenland Achaia.
Helle, Helle, dochter van Athamas (z. a.) en Nephele. Door hare moeder van den dood gered, vluchtte zij met haar broeder Phrixus uit hun vaderland en verdronk in de zee, die naar haar Hellespont genoemd wordt.
Hellen, Hellen, zoon van Deucalion en Pyrrha, of van Zeus en Dorippe, vader van Dorus, Aeolus en Xuthus, stamvader der Hellenen.
Hellenes, Hellenes. Vóór Homerus bestaat er geen gemeenschappelijke volksnaam voor de bevolking van Griekenland. In verschillende streken komen verschillende stammen voor: Abantes, Curetes, Caucones, Leleges, Epei, Dryopes, Danaï, Dolopes, Myrmidones, welke laatsten bij Homerus ook Hellenen worden genoemd naar hunne stad Hellas. Mettertijd verdwijnen deze stammen door samensmelting, verhuizing, enz., en komen twee andere namen, Pelasgi en Hellenes, er voor in de plaats. Beide stammen kwamen uit Thessalia, de Pelasgen het eerst. De Hellenen drongen de Pelasgen weder op den achtergrond en de naam Hellenen werd de algemeene volksnaam.--Als gemeenschappelijke naam der Grieken bezigt Homerus wel den naam Achaei, waarschijnlijk waren deze in zijn tijd de voornaamste stam. De grieksche schrijvers evenwel splitsen de Hellenen weder in vier stammen: Aeoles, Achaei, Iones, Dores. Het is hier de plaats niet, over de afkomst en onderlinge verhouding dezer stammen gissingen te maken. De Ioniërs en Doriërs werden allengs de hoofdstammen.
Hellenismus, de algemeen gebruikelijke naam voor de Grieksche beschaving na Alexander den Groote. De oostersche volkeren hebben de Grieksche beschaving overgenomen en vervormd, en wederom invloed uitgeoefend op de eigenlijk Grieksche beschaving. Hellenistisch wordt de kunst, de poëzie, de geschiedbeschrijving, de philosophie en de godsdienst zoowel van de Grieken als van de oostersche volkeren.
Hellenotamiai een college van 10 door de volksvergadering gekozen atheensche ambtenaars, die de bijdragen der bondgenooten moesten innen en de bondskas beheerden. Deze bijdragen beliepen in den peloponnesischen oorlog ongeveer 1300 talenten; de kas werd aanvankelijk op Delus, sedert 454 op voorstel van Pericles te Athene bewaard. Zie Pericles.
Hellespontus, Hellespontos, zee van Helle, die volgens de mythe daar zou verdronken zijn, thans de straat der Dardanellen. Ook het aziatische kustland langs de zeeëngte en zelfs nog verder oostwaarts wordt somtijds Hellespontus genoemd. In den lateren keizerstijd was dit ook de naam der rom. provincie, die uit Troas en een deel van Mysia gevormd was en Cyzicus tot hoofdstad had.--Hellespontias, een van den Hellespont komende wind.
Helli, Helloi = Selli.
Hellomenum, Hellomenon, havenstad aan de O.-zijde van het eiland Leucas.
Hellopia, Hellopia = Ellopia.
Hellotia, Hellotia, 1) feest te Corinthe ter eere van Athena, die hier den bijnaam Hellotis had.--2) feest op Creta ter eere van Europa, die hier onder den naam Hellotis goddelijke eer genoot.
Helmantica = Salmantica.
Helorus of -um, Heloros, -on, stad aan de Oostkust van Sicilia ten Z.Z.W. van Syracusae, aan den mond van de rivier Helorus.
Helos, Helos, stadje aan de Laconische golf, te midden van moerassen gelegen; vandaar de naam. De ouden leidden, op den klank af, den naam Heloten van deze stad af. Ook eene lage streek in Elis aan den Alpheus droeg dezen naam.
Helotes, Heilotes, Heilotai, de afstammelingen der vroegere bewoners van Lacedaemon, die door de dorische veroveraars van vrijheid en goederen beroofd waren en als staatsslaven aan particulieren ten gebruike gegeven werden, voor wie zij als lijfeigenen het land bebouwden. Van de opbrengst van het land hadden zij een bij de wet bepaalde hoeveelheid aan hunne heeren af te staan, het overige was voor hen, zoodat zij onder gunstige omstandigheden eenig vermogen konden verwerven. Het was den heeren niet geoorloofd hen te dooden of buitenslands te verkoopen, ook mochten zij niet zonder toestemming van den staat vrijgelaten worden. Daarentegen kregen zij somtijds van staatswege de vrijheid voor dapperheid, in den oorlog betoond, waarin zij als lichtgewapenden, zeer zelden als hoplieten, later ook als matrozen dienden. Z. Neodamodeis. Het burgerrecht kregen zij hoogst zelden. Z. echter Mothakes. In 464 stonden zij na eene groote aardbeving op en trokken zij zich in de vesting Ithome terug, vanwaar zij 10 jaar lang een oorlog voerden, die eindigde met hun vrijen aftocht uit de Peloponnesus. Hun groot aantal boezemde den Spartanen voortdurend vrees voor dergelijke voorvallen in, die zich in strenge, soms gewelddadige maatregelen uitte. Z. krypteia.
Helvaeones of Helvecones, germaansche stam tot de Lugii, de latere Vandalen, behoorend, tusschen Viadua (Oder) en Vistula (Weichsel).
Helvetii, Helouetioi, een machtig keltisch volk tusschen den mons Iura (Jurageb.), den Rhodanus (Rhône) en den Rhenus (Rijn), verdeeld in vier pagi of kantons, waarvan twee, de pagus Tigurinus en de p. Verbigenus nader bekend zijn. Z. ook Toygeni. De Helvetiërs sloten zich aan bij de Cimbren; de Tiguriners brachten in 107 onder Divico den rom. consul L. Cassius Longinus (Cassii no. 3) eene beslissende nederlaag toe; Cassius sneuvelde en zijn leger moest onder het juk doorgaan. Een ander gedeelte der Helvetiërs keerde na de nederlaag der Cimbren in 101 weder naar hun land terug. In 58, bij Caesars komst in Gallia, ondernamen de Helvetiërs weder een groote volksverhuizing, doch werden door Caesar met ontzaggelijk verlies teruggeslagen; van de 263000 menschen bleven slechts 110000 over. Sedert dien tijd begon men den ager Helvetiorum met rom. sterkten te bezetten. Na den dood van keizer Otho, toen de Helvetiërs Vitellius niet wilden erkennen, werden zij als wilde dieren opgejaagd en vervolgd. De ager Helvetiorum behoorde tot Belgica, en strekte zich oorspronkelijk tot aan de Bodensee uit. Sedert de indeeling van het rijk door Diocletianus behoorde het oostelijke gedeelte en de geheele Bodensee tot Raetia.
Helvidii, rom. geslacht, uit Samnium afkomstig. 1) P. Helvidius Rufus, bij Cicero vermeld, een vriend van Cluentius.--2) Helvidius Priscus dempte met veel beleid in 51 na C. de onlusten in Cappadocia; v. s. is dit dezelfde als no. 3.--3) C. Helvidius Priscus, schoonzoon van Thrasea Paetus, was een man van republikeinsche gezindheid en een beoefenaar van wetenschap en wijsbegeerte, vooral van die der Stoicijnen. Onder Nero bekleedde hij de quaestuur, de praetuur en het volkstribunaat, doch werd om zijn staatkundige gevoelens verbannen. Hij werd door Galba teruggeroepen; Vespasianus verbande hem nog eens, en liet hem later, omdat hij niet ophield zich tegen den keizer vijandig te betoonen, ter dood brengen.--4) Helvidius Priscus, zoon van no. 3, stierf onder Domitianus in den kerker, wegens een spotdicht op den keizer.
Helvii, plebejisch geslacht. Een uit dit geslacht, C. Helvius Cinna, werd bij Caesars begrafenis bij vergissing vermoord door het volk, dat het op L. Cornelius Cinna (zie Cornelii no. 40) had gemunt. Ook een dichter van dezen naam wordt genoemd als maker van een gedicht Smyrna, vriend van Catullus. Waarschijnlijk is het dezelfde. De moeder van Cicero was eene Helvia, evenals de moeder van Seneca (den zoon).
Helvii, gallisch volk tusschen den mons Cebenna en den Rhodanus. Hoofdstad: Alba Augusta.
Hemeroscopium, Hemeroskopeion, zie Dianium.
Hemesa = Emesa.
Hendeka, een college van 10 magistraten met een schrijver, die te zorgen hadden voor het toezicht op en de bewaking van gevangenen, voor het voltrekken van doodvonnissen, enz. Zij die op heeterdaad betrapt waren bij eene misdaad, waarop dood- of gevangenisstraf stond, werden voor de elfmannen gebracht, die in geval van bekentenis konden vonnissen, en anders de zaak voor eene rechtbank brachten, waarbij zij de instructie leidden.
Heneti, Enetoi, volksstam aan den Parthenius in Paphlagonia, bondgenooten van Priamus, koning van Troje. Dit volk verdween; de ouden meenden het teruggevonden te hebben in de Veneti, in Gallia Cisalpina. Zie Veneti.
Heniochi, Heniochoi, zeerooversvolk op de N.O. kust van den Pontus Euxinus, aan den Caucasus, ten N. van Dioscurias.
Heniochos, z. Auriga.
Henna = Enna.
Hephaestia, Hephaistia, stad op Lemnus, aan den N.O. kant.
Hephaestion, Hephaistion, 1) zoon van Amyntor, boezemvriend van Alexander d. Gr. en officier in zijn leger; hij stierf te Ecbatana en werd door Alex. met buitensporig rouwbetoon betreurd en als een heros vereerd.--2) grammaticus te Alexandrië, schrijver van een zeer uitgebreid werk over metriek waarvan een door hemzelf bewerkt uittreksel bewaard gebleven is; hij leefde omstreeks 150 na C.
Hephaestus, Hephaistos, Vulcanus, zoon van Zeus en Hera, god van het vuur. Daar hij kreupel en leelijk was, wierp Hera hem kort na zijne geboorte van den Olympus, hij viel in zee, waar hij 9 jaar door Thetis en Eurynome verzorgd werd. Daarna keerde hij naar den Olympus terug, maar toen hij eens bij een twist tusschen zijne ouders te ijverig voor zijne moeder partij trok, greep Zeus hem bij een been en wierp hem weder uit den hemel. Het duurde een geheelen dag eer hij bijna levenloos op Lemnus neerkwam, waar hij vriendelijk opgenomen en verpleegd werd. Later werd hij onder de olympische goden opgenomen en werd hem Charis, Aglaia of Aphrodite tot echtgenoote gegeven, maar daarmede verliest hij zijne beteekenis als god eener natuurkracht en wordt hij de kunstvaardige werkman (Klytotechnes, Klytoergos), die door de kracht van het vuur metalen bearbeidt en de merkwaardigste kunstwerken ten dienste van goden en helden vervaardigt. Zijne werkplaats wordt oorspronkelijk op den Olympus, later onder verschillende vuurspuwende bergen gedacht, vooral op Lemnus en Sicilië. Als kunstenaar staat hij in nauwe betrekking tot Athena, te Athene werd voor hen beiden een feest gevierd, de Chalkeia. De voornaamste plaats van zijn eeredienst, die overigens niet algemeen was, was Lemnus, waar de Cabiri als zijne helpers beschouwd werden. Afbeeldingen zijn zeldzaam, gewoonlijk wordt hij voorgesteld als een krachtig man, in werkmanskleederen en met een hamer in de hand.
Heptanomis, Heptanomis, het land der zeven nomoi of distrikten, grieksche naam voor Midden-Aegypte, hoofdstad Memphis.
Hera, Hera, Juno, oudste dochter van Cronus en Rhea, opgevoed door Oceanus en Tethys, zuster en gemalin van Zeus, met wien zij 300 jaar heimelijk gehuwd was, voordat hij de heerschappij over de goden verwierf en haar openlijk als zijne gemalin deed erkennen. Als zoodanig wordt zij door goden en menschen zeer hoog geëerd, ook Zeus zelf bewijst haar eerbied en laat haar soms over donder, bliksem en storm beschikken. Maar haar trotsch en onbuigzaam karakter maakt het dikwijls noodig, dat hij ook haar zijn oppermacht laat gevoelen, en aan den anderen kant geven zijn talrijke liefdesavonturen en de onverzoenlijke haat, waarmede zij de door hem beminde vrouwen en hare kinderen vervolgt, dikwijls aanleiding tot de hevigste twisten, zelfs smeedde zij eens met Poseidon en Athena eene samenzwering tegen haar gemaal, die slechts door de tusschenkomst van Aegaeon hunne plannen kon verijdelen. Met geweld vermag zij echter niets tegen hem, en wanneer het haar al eens gelukte door list haar wil tegen den zijnen door te drijven, moet zij daarvoor meestal boeten; zoo werd zij eens, toen zij Heracles op zee bijna had doen omkomen, door Zeus met gouden boeien aan den aether opgehangen met een zwaar aambeeld aan iederen voet. Haar huwelijk met Zeus is ook de grondslag van de vereering, die zij bij de menschen geniet, en treedt bij hare feesten en plechtigheden steeds op den voorgrond; daarom is zij ook de godin van het huwelijk (Gamelia, Zygia, Teleia) en der geboorten (Eileithuia). Haar dienst is door geheel Griekenland verbreid, Samus is geheel aan haar gewijd, hare lievelingssteden zijn Argos (Argeia), Mycenae en Sparta; daarom evenzeer als uit toorn wegens het oordeel van Paris, ondersteunt zij de Grieken krachtig in hun oorlog tegen de Trojanen. De koekoek, de pauw, de kraai en de granaatappel waren haar gewijd. Op hare afbeeldingen wordt zij voorgesteld met eene volle krachtige gestalte, waardige en ernstige gelaatstrekken, groote oogen (boopis) en zware lokken, zij zit soms op een troon, draagt een ruim en lang gewaad, kroon of sluier, en heeft in de hand een schepter, granaatappel, offerschaal e. dgl.
Heraclea, Herakleia, naam van een aantal steden, waaronder de voornaamste zijn: 1) Heraclea in Acarnania, aan de Ambracische golf.--2) H. in het elische gewest Pisatis.--3) H. in Lucania, aan de Tarentijnsche golf, geboorteplaats van den schilder Zeuxis, thans Policoro. Hier behaalde Pyrrhus in 280 zijn eerste overwinning op de Rom.--4) H. in Syria, aan de kust, ten N. van Laodicea no. 1.--5) H. in Thracia, aan de Propontis, nabij de invaart van den Hellespont, ten O. van Pactye.--6) Heraclea Perinthus, meer oostwaarts dan het vorige, aan de Noordkust der Propontis gelegen, vroeger Perinthus geheeten, eene zeer aanzienlijke stad.--7) Heraclea Pontica, op de bithynische kust aan den Pontus Euxinus gelegen, belangrijke handelsstad, doch welker bloei in den grooten mithradatischen oorlog geknakt werd. De wijsgeer Heraclides (no. 5) was hier geboren.--8) Heraclea Chersonesi, thans Sebastopol, in de Chersonesus Taurica (Krim).--9) Heraclea Latmi, aan den voet van den berg Latmus aan de latmische golf, bij Miletus.--10) Her. Sintice, in het macedonische gewest Sintice, aan den Strymon.--11) Her. Lyncestis, in het maced. landschap Lyncestis, aan de via Egnatia.--12) Her. Trachinia, in Trachis, even ten W. van de Thermopylae, zie Trachis.--13) Her. Caccabaria, ten O. van Massilia (Marseille). Tgw. Cavalaire.--14) Her. Minoa, op de Zuidkust van Sicilia, ten W. van Agrigentum, misschien door cretensische kolonisten Minoa genoemd naar Minos, overigens kolonie van Selinus, ± 500 door Spartanen veroverd en Heraclea geheeten. Omstreeks 460 werd het carthaagsch; in 133 zonden de Rom. er een kolonie heen.
Heracleopolis, Herakleous polis, naam van twee aegyptische steden. Her. maior lag in Midden-Aegypte tusschen het meer Arsinoë en den Nijl; Her. minor lag in de Nijldelta aan den pelusischen mond en is later door de lagune Menzaleh verzwolgen.
Heracleoticum ostium of Canobicum ostium, Herakleotikon, Kanobikon stoma, meest westelijke Nijlmonding.
Heracles, Herakles, Hercules, zoon van Zeus en Alcmene, de gemalin van Amphitryo. Op den dag, die voor zijne geboorte bestemd was liet Zeus zich in de vergadering der goden het woord ontvallen, dat heden een man zou geboren worden, die over alle mannen van zijn geslacht (de Persiden) zoude heerschen. Hera, die den zoon van Alcmene reeds vóór zijne geboorte haatte, liet dit woord met een eed bevestigen, en bewerkte toen als godin der geboorte dat op dien dag niet Heracles, maar Eurystheus, de zoon van Sthenelus, geboren werd (z. Galinthias). Tegelijk met Her. werd ook Iphicles, de zoon van Amphitryo, geboren, en reeds toen zij nog in de de wieg lagen, zond Hera twee monsterachtige slangen om de kinderen te dooden, Her. greep ze echter en drukte ze dood. Hij werd verder door de beste leermeesters opgevoed, o.a. door Linus, den toonkunstenaar, die hem eens voor zijn weinige vorderingen in de muziek berispte en daarvoor een slag met de luit kreeg, zoodat hij op de plaats dood bleef. Verschrikt door zijne woeste kracht, zond Amphitryo hem als herder naar den Cithaeron, waar hij tot zijn achttiende jaar bleef, en waar hij zich verdienstelijk maakte door het dooden van een leeuw, die het gebied van Thespiae onveilig maakte. De huid van dezen (of van den nemeïschen) leeuw diende hem in het vervolg tot kleeding. Naar Thebae teruggekeerd, bevrijdde hij de Thebanen van de schatting, die zij aan Erginus (z. a.) hadden te betalen; uit dankbaarheid gaf koning Creon hem zijne dochter Megara tot vrouw. Kort daarna eischte Eurystheus dat hij zich, volgens het bij hunne geboorte door Zeus bezworen woord, onder zijne bevelen zoude stellen, een eisch, die Her. zoo woedend maakte, dat hij tot waanzin verviel, zijn eigen drie kinderen en twee van Iphicles doodde, en voor zijn geheele omgeving gevaarlijk werd; tot bezinning gekomen, vroeg hij vol berouw het orakel van Delphi, door welk middel hij zijn schuld zou kunnen verzoenen; het antwoord luidde, dat hij Eurystheus moest gehoorzamen, dat deze hem twaalf werken zoude opdragen, en dat hij door de vervulling van die taak de onsterfelijkheid deelachtig zou worden. Bij deze gelegenheid werd hij door het orakel voor het eerst Heracles genoemd, terwijl hij tot dien tijd den naam Alcides of Alcaeus gedragen had. Het eerste werk, dat Eurystheus hem opdroeg, was het dooden van den nemeïschen leeuw. Daar dit monster, een voortbrengsel van Typhon en Echidna, niet met wapenen gedood of gewond konde worden, dreef hij het met knotsslagen in zijn hol, greep het daar met beide handen aan en verstikte het. Toen hij het gedoode dier naar Mycenae bracht, boezemde dit bewijs van zijne wonderbare kracht Eurystheus zulk een schrik in, dat hij hem gebood voortaan niet meer in zijne nabijheid te komen, maar buiten de poort te blijven, waar Copreus hem nieuwe bevelen zoude brengen.--Vervolgens moest hij de hydra dooden, die in de moerassen van Lerna bij Argos huisde en den geheelen omtrek onveilig maakte. Dit was een reusachtige slang, door Typhon en Echidna voortgebracht, met 7, 9, 50 of 100 koppen, waarvan één onsterfelijk was. Door vurige pijlen joeg hij het monster op, en terwijl het trachtte zich om zijn lichaam te slingeren, hieuw hij de koppen af; maar voor elken afgeslagen kop verschenen twee nieuwe; bovendien werd hij voortdurend in de voeten gebeten door een grooten kreeft, die door Hera naar de kampplaats gezonden was. Met groote moeite gelukte het hem den kreeft te vertrappen, vervolgens schroeide hij met gloeiende boomstammen de wonden dicht, die hij aan de hydra toebracht, zoodat geen nieuwe koppen konden aangroeien, eindelijk begroef hij den onsterfelijken kop onder een zwaar rotsblok. In het vergiftige bloed der hydra doopte hij zijne pijlen.--Zijne derde onderneming was tegen het wilde zwijn, dat de landen rondom den berg Erymanthus verwoestte. Op zijn tocht daarheen nam hij zijn intrek bij den Centaur Pholus, die hem gastvrij ontving en ter eere van hem een vat wijn opende, waaruit zulk een zoete geur opsteeg, dat alle andere Centauren er door aangelokt werden. Toen zij hem het vat wilden ontnemen, ontstond een woedend gevecht, de Centauren werden gedood of verjaagd, en zelfs Pholus en Chiron kregen in de verwarring tegen den wil van Her. doodelijke wonden. Het zwijn wist hij uit het woud naar een dik besneeuwd veld te jagen, waar hij het zoolang vervolgde, tot het uitgeput nederzonk. Daarop nam hij het op zijne schouders en droeg het levend naar Mycenae.--Daarna eischte Eurystheus dat hij de hinde van Cerynea, een berg tusschen Arcadië en Achaia, levend vangen zoude. Hij vervolgde dit dier, dat aan Artemis gewijd was, gouden horens en koperen pooten had, een jaar lang, eer het hem gelukte het met een pijlschot in een poot te treffen en zich er van meester te maken.--Vervolgens werd hij uitgezonden tegen de stymphalische vogels, die zich in menigte bij de stad Stymphalus hadden nedergezet, ijzeren klauwen, snavels en vleugels hadden, en hunne vederen evenals pijlen afschoten. Met een koperen ratel joeg hij ze op, daarna doodde hij sommige en verjoeg hij de overige, die naar het eiland Aretias vluchtten, waar de Argonauten ze later vonden.--Ten zesde haalde hij voor Admete, de dochter van Eurystheus, den gordel van Hippolyte (z. a.), de koningin der Amazonen. V. s. zou hij op den tocht daarheen het rijk van Amycus veroverd en aan Lycus, koning van Mysië, die hem gastvrij ontving, gegeven hebben. Op de terugreis landde hij op de kust van Troje en doodde er een zeemonster, waardoor hij Hesione het leven redde (z. Laomedon).--Zijn zevende werk was het reinigen van de stallen van Augias (z. a.).--Daarna haalde hij den stier van Creta (z. Minos) en bracht hij hem levend naar Mycenae. Daar werd het dier weder losgelaten en nu liep het in Attica rond, tot Theseus het in de vlakte van Marathon ving en doodde.--Vervolgens ging hij naar Thracië, vanwaar hij de paarden van Diomedes (z. a. no. 1) medebracht; bij deze gelegenheid zoude hij Abdera gesticht hebben.--Het rooven van de runderen van Geryones (z. a.), zijn tiende werk, was een van de moeielijkste en gevaarlijkste. In voortdurenden strijd met allerlei onbekende en woeste volken, trok hij door Europa en Libye naar het meest westelijke punt der aarde, waar hij, ter herinnering aan dien verren tocht, de zuilen van Heracles oprichtte. Toen hem hier de zonnestralen te hevig kwelden, durfde hij zelfs tegen Helius zijn boog spannen, eene vermetelheid, die de god zoo weinig kwalijk nam, dat hij hem zijn gouden vaartuig leende, om naar Erythea over te varen, waar hij zijne taak te vervullen had. Met zijn buit trok hij nu door Hispanië, Gallië, Italië en Sicilië naar Griekenland terug. Ook op deze reis moest hij zich en zijne runderen meer dan eens tegen vijandelijke aanvallen verdedigen (z. Cacus, Eryx, Alcyoneus), allerlei moeielijkheden werden hem door Hera in den weg gelegd, toch kwam hij eindelijk behouden te Mycenae aan. V. s. waren hem oorspronkelijk door het orakel slechts tien werken opgelegd, zoodat nu zijne dienstbaarheid ten einde zoude zijn, maar Eurystheus verklaarde zich niet voldaan met de uitvoering van het tweede en zevende werk. Want de slang van Lerna had hij niet kunnen dooden zonder de hulp van zijn wagenmenner Iolaus (z. a.), en Augias had hij niet kunnen dwingen hem het beloofde loon te betalen. Daarom droeg hij hem nog twee nieuwe werken op, en wel vooreerst drie gouden appelen uit den tuin der Hesperiden (z.a.) te halen. Waar die tuin was, wist niemand hem te zeggen, zoodat hij lang op goed geluk ronddwaalde, totdat hij Nereus met geweld dwong hem het geheim te openbaren, dat hij in het verste Westen zoude vinden wat hij zocht. De tocht daarheen was weder rijk aan gevaarlijke ontmoetingen (z. Antaeus, Busiris, Emathion), eindelijk kwam hij aan den Caucasus, waar hij den gier van Prometheus (z. a.) doodde en van dezen den raad ontving de appelen niet zelf te halen, maar Atlas te verzoeken het voor hem te doen. Atlas voldeed aan dit verzoek, terwijl Her. inmiddels het hemelgewelf voor hem droeg, maar nu wilde hij ook zelf de appelen aan Eurystheus brengen en zijn last intusschen op de schouders van zijn plaatsvervanger laten rusten. Her. verklaarde zich bereid dien wensch in te willigen, wanneer hij slechts even een kussen op zijn schouder mocht leggen. Atlas liet zich misleiden en nam den hemel voor een oogenblik weder op, waarna Her. zich van de appelen meester maakte en hem liet staan.--Als laatste en moeielijkste werk werd hem opgedragen den hond Cerberus (z.a.) uit de onderwereld te halen. Nadat hij zich in de eleusinische mysteriën had laten inwijden, daalde hij bij Taenarum in de onderwereld af, waar hij een algemeenen schrik verspreidde en van Hades verlof kreeg zijne taak te vervullen.--Nu was hij van zijne dienstbaarheid bevrijd, hij gaat naar Thebae, geeft zijne vrouw aan zijn vriend Iolaus, en gaat daarop naar Eurytus (no. 2) om de hand van diens dochter Iole te verwerven. Toevallig werden omstreeks dienzelfden tijd paarden of runderen van Eurytus gestolen, en deze zendt zijn zoon Iphitus uit om bij Her., dien hij van den diefstal verdenkt, een onderzoek in te stellen; hierover vertoornd, neemt Her. Iphitus mede naar den burcht van Tiryns, waar hij hem van boven naar beneden werpt. Tot straf voor deze misdaad laat hij zich op bevel van het delphische orakel voor drie jaar als slaaf verkoopen, en komt hij in handen van Omphale, koningin van Lydië. In haar dienst bevrijdde hij haar land van roovers, ook nam hij in dien tijd deel aan de calydonische jacht en aan den tocht der Argonauten, die hem echter in Mysië achterlieten, omdat hij niet tijdig aan boord kwam. Op zijn terugtocht naar Lydië ontmoette hij de Cercopen (z. a.). Bij Omphale teruggekeerd, verviel hij door zijne liefde voor haar tot zulk een verwijfdheid, dat hij haar zijn leeuwenhuid en knots afstond en zelf haar spinnewiel ter hand nam.--Na het verstrijken van den tijd zijner slavernij trok hij met 18 schepen naar Troje en vervolgens naar Elis, om zich op Laomedon (z. a.) en Augias (z. a.) te wreken; daarop ging hij naar Pylus en doodde Neleus met al zijne zonen, behalve Nestor, die toevallig afwezig was; Neleus had namelijk geweigerd hem na den moord van Iphitus te reinigen. Zelfs Hades, die aan de zijde der Pyliërs streed, werd door den held zwaar gewond. Van hier trok hij naar Sparta en doodde hij Hippocoön (z. a.) en zijne twaalf zonen; de regeering gaf hij aan Tyndareos terug, op voorwaarde dat zij eens op zijne eigene nakomelingen zou overgaan. Te Calydon aangekomen, vatte hij liefde op voor Deïanira, de schoone dochter van koning Oeneus, die echter ook bemind werd door Achelous (z. a.); toen deze gedwongen was van zijne aanspraken afstand te doen, huwde Her. met Deïanira en bleef hij geruimen tijd bij zijn schoonvader wonen, totdat hij eens bij ongeluk aan een jongen bloedverwant van dezen een doodelijken slag gaf, waarna hij besloot zich te verwijderen. Op zijne reis naar Trachis trok hij over de rivier Euenus, die hij doorwaadde, maar om Deïanira er over te brengen, had hij de hulp van den Centaur Nessus noodig; deze nam haar op zijn rug, maar toen hij haar midden op den overtocht geweld wilde aandoen, doorschoot Her. hem met een van zijne vergiftigde pijlen. Te Trachis werd hij gastvrij ontvangen door koning Ceyx, voor wien hij de Dryopen onderwierp. Gedurende zijn verblijf aldaar ondernam hij op bevel van Apollo den strijd tegen Cycnus (no. 3), en ondersteunde hij Aegimius (z. a.) in zijn oorlog tegen de Lapithen, bij welke gelegenheid hij Amyntor (z. a.) doodde. Eindelijk begaf hij zich weder naar Oechalia om zich op Eurytus te wreken, hij nam den burcht in, doodde hem en zijne zonen, en voerde rijken buit mede, waaronder ook de schoone Iole. Toen Deianira dit vernam, herinnerde zij zich dat Nessus haar bij zijn dood een zalf gegeven had, die haar, naar hij beweerde, de liefde van haar gemaal zou doen herwinnen, indien hij haar soms mocht willen ontrouw worden. Vreezende dat Iole haar mededingster zoude worden, bestreek zij een prachtgewaad met die zalf, en zond het aan Her. om het te dragen bij het offer, dat hij aan Zeus wilde brengen. Her. had echter nauwelijks dit kleed aangetrokken, of hij werd door de hevigste pijnen overvallen, zoodat hij in waanzin den brenger er van in zee werpt; de zalf was namelijk niets anders dan het gestolde bloed van Nessus, gevloeid uit de wond, die Her. zelf hem had toegebracht met een zijner pijlen, en dus vergiftigd met het bloed van de slang van Lerna. Toen hij vernam wat er gebeurd was en inzag dat zijn einde nabij was, liet hij zich op den top van het Oetagebergte brengen, en besteeg daar den brandstapel. Terwijl de vlam opstijgt, daalt Athena onder donder en bliksem met een vierspan van den hemel en voert den held naar den Olympus, waar zij met Apollo hem in den kring der goden leidt, Hera zich met hem verzoent en Hebe hem tot gemalin gegeven wordt.--Her., oorspronkelijk de heros der Doriërs in Thessalië, werd in den loop der tijden de voornaamste held van geheel Griekenland; men neemt aan dat, tengevolge daarvan, een aantal verhalen van groote daden, aanvankelijk aan anderen toegeschreven, zich aan zijn naam hebben vastgeknoopt, en dat ook buitenlandsche, vooral oostersche, legenden met zijne geschiedenis verbonden zijn. Latere navorschers hebben getracht dit te bewijzen en hebben zijne daden zelfs over 24 verschillende personen verdeeld. Men vereerde hem algemeen in Griekenland, hetzij als heros, in navolging van hen, die zijn hemelvaart hadden bijgewoond, hetzij als god, naar het voorbeeld van den Athener Diomus, in zijne hoedanigheden als roemrijk overwinnaar in al zijne ondernemingen (Kallinikos, Victor), als verdelger van monsters en weldoener der menschheid (Alexikakos, Soter, Pacifer), als waarzeggend god (Mantis), als beschermer van gymnasia en wedstrijden, de oefenscholen van mannelijke kracht (Enagonios), enz. Te Athene, Thebe e. e. werden te zijner eere bizondere feesten (Herakleia) gevierd. De beeldende kunst stelde hem soms als kind of jongeling voor, maar meestal als een krachtig gebouwd man, met korten hals en breede borst, betrekkelijk klein hoofd, zwaar kort haar, gewapend met boog, knots en leeuwenhuid.
Heracleum, Herakleion, 1) zuidelijkste kaap van Italia, ook Herculis promunturium geheeten, thans Spartivento.--2) kaap in Pontus, ten O. van Amisus.--3) stad in Macedonia, nabij de thessalische grenzen en het dal Tempe.--4) stadje in het noord-syrische gewest Cyrrhestica, waar P. Ventidius in 38 de Parthen versloeg.--5) stad in de Nijldelta, waarnaar de canobische Nijlmond ook de heracleotische wordt genoemd.--6) = Herculaneum.--7) haven van Cnosus.
Heraclidae, Herakleidai, zonen en afstammelingen van Heracles. De kinderen, die bij den dood van den held in de Peloponnesus achterbleven, werden reeds spoedig door Eurystheus vervolgd en genoodzaakt in Attica een toevluchtsoord te zoeken. Theseus of Demophon nam hen welwillend op, en toen Eurystheus met geweld hunne uitlevering wilde afdwingen, werd zijn leger verslagen en hij door Hyllus, den oudsten zoon van Heracles, gedood. Steunende op een orakel, dat hun geluk op hunne onderneming beloofde, indien zij de derde vrucht afwachtten, beproefden Hyllus en zijne afstammelingen nog meermalen de regeering over de Peloponnesus te verwerven, totdat Temenus, Cresphontes en Aristodemus, achterkleinzonen van Hyllus, er in slaagden, het schiereiland te veroveren, dat zij onder elkander verdeelden: Temenus kreeg Argos, Cresphontes Messenië, en de zonen van Aristodemus (z. a.) Lacedaemon. Dit verhaal van de terugkomst der Heracliden strekt om de rechten der Doriërs, die de Peloponnesus veroverd en de oude bevolking onderworpen hadden, te steunen op de vroeger door Heracles verworven aanspraken.--Ook de koningen van Macedonië noemden zich Heracliden en beweerden van Temenus af te stammen.--In Lydië regeerde gedurende meer dan vijf eeuwen een dynastie van Heracliden, waarvan Candaules de laatste was; de stamvader van deze dynastie zou door Heracles bij eene slavin van Jardanus verwekt zijn.
Heraclides, Herakleides, 1) bevelhebber der ruiterij onder den jongen Dionysius; later verbannen, nam hij deel aan de onderneming van Dio, doch spoedig verwekte hij onrust en werd hij op last van Dio gedood.--2) beroemd geneesheer, vader van Hippocrates.--3) van Tarentum, zeer geleerd geneesheer in de eerste eeuw, men zegt dat hij in zijne talrijke werken niets schreef, wat hij niet zelf onderzocht had.--4) van Erythrae, een geneesheer die over de werken van Hippocrates schreef. Hij leefde ten tijde van Strabo.--5) Her. Ponticus, een rijk en aanzienlijk man van Heraclea Pontica, woonde te Athene de lessen van Plato en Speusippus bij, en hielp zijne vaderstad zich van den tyran Clearchus te bevrijden. Hij stierf aan eene beroerte. Bij voorkeur beoefende hij de sterrenkunde, en hij zoude reeds de beweging van de aarde om haar as gevonden hebben. Overigens getuigden zijne talrijke wijsgeerige, taal- en geschiedkundige werken van groote geleerdheid, maar weinig oordeel.--6) van Cyme, ouder tijdgenoot van Alexander d. G., schrijver van een perzische geschiedenis.--7) z. Heraclitus no. 3.
Heraclitus, Herakleitos, 1) van Ephesus, omstreeks 500. Hij leefde geheel en al voor de studie en sloeg zoowel het verzoek van zijne medeburgers af om aan het staatsbestuur deel te nemen, als eene uitnoodiging om aan het hof van Darius Hystaspis te komen. De resultaten zijner studie heeft hij neergelegd in een werk (peri physeos), dat hem bij de ouden den naam skoteinos bezorgde; de taal er van is moeielijk te verstaan, en de daarin ontwikkelde stellingen moeielijk te begrijpen. De grondstof van het heelal, tevens de alwetende en albesturende goddelijke geest, is volgens Her. het vuur, waaruit langs den weg naar beneden (hodos kato) alles ontstaat, en waarin zich langs den weg naar boven (hodos ano) alles oplost. Maar de stof beweegt zich in ieder voorwerp langs beide wegen te gelijk, of eigenlijk zijn de twee wegen slechts een (hodos ano kato mie), daarom kan men evenmin zeggen dat iets is als dat het niet is; zoowel het eene als het andere is waar, ontstaan en vergaan zijn in alles ten nauwste verbonden, alles is in onophoudelijke beweging en verandering (panta rhei). De stoffelijke voorwerpen ontstaan door tweespalt in den boezem der godheid, de geheele wereld is to hen diapheromenon auton hauto, maar onder den invloed van liefde en vrede gaat zij van tijd tot tijd weder in de godheid op, om daarna zich evenals te voren er van af te scheiden. Verscheiden fragmenten van dit werk zijn bewaard gebleven. De leer van Her. is later de grondslag geworden van het stelsel der Stoicijnen.--2) van Tyrus, leerling van Philo van Larisa, academisch wijsgeer.--3) ook Heraclides genoemd, schrijver van Allegoriai Homerikai, waarin de mythen van Homerus in den geest der stoicijnsche wijsbegeerte verklaard worden. Hij leefde waarschijnlijk onder de eerste rom. keizers.
Heraea, Heraia, feesten ter eere van Hera, op verschillende plaatsen in Griekenland gevierd, vooral op Samus, Mycenae, Corinthe, en zijne koloniën, en met bizonderen luister te Argos.
Heraea, Heraia, 1) stad in Arcadia aan den Alpheus.--2) zie Hybla.
Heraei montes, Heraia ore, bergketen op Sicilia, loopt van het midden naar de Z.O. punt.
Heraeum, Heraion, 1) de westelijkste punt der Corinthische landengte.--2) stad aan de Propontis (zee van Marmara), ten W. van Perinthus.--3) Her. promunturium, z. Iunonis promunturium.
Herbessus, Herbessos, ook Erb. 1) stad der Siculi ergens bij Syracusae.--2) stadje in het gebied van Agrigentum, op Sicilia.
Herbita, Herbita, stad in het hart van Sicilia, ongeveer N.waarts van Enna.
Herculaneum of -num, Herakleion, oude oscische, later tyrrheensche, vervolgens grieksche stad in Campania, aan den voet van den Vesuvius aan zee gelegen, sedert 88 rom. kolonie. In 63 na C. werd het door eene aardbeving zwaar geteisterd en zestien jaar later bij de uitbarsting van den Vesuvius onder een lavastroom bedolven. Bij het graven van een put in 1721 werd het ontdekt; doch eene opgraving op groote schaal als te Pompeii is niet mogelijk, omdat op den heuvel, die zich boven H. gevormd heeft, nu Resina ligt. Toch heeft men een schat van kostbare voorwerpen aan het licht gebracht; in belangrijkheid en omvang kon de stad zich echter met Pompeii niet meten, daar ze hoogstens 2500 à 3000 inwoners kan geteld hebben.
Hercules = Heracles. De sagen betreffende Heracles verbreidden zich reeds vroeg over Sicilië en Zuid-Italië, en kwamen zoo ook naar Rome, waar zijn dienst van uit Tibur is ingevoerd. Oorspronkelijk was die dienst bij de Ara Maxima een sacrum gentilicium van de Pinarii en Potitii (zie Pinarii); App. Claudius heeft ze tot staatsgodsdienst gemaakt, en sedert dien tijd offert de praetor urbanus jaarlijks Graeco ritu. Hercules werd bij de Ara Maxima vooral door de kooplieden vereerd, die hem de decuma, het tiende van de winst beloofden; de opbrengst werd gebruikt voor een volksmaaltijd, hetgeen ook een grieksch gebruik is. Bij Hercules zwoeren de mannen: me hercule. Men zocht daarom overeenkomst tusschen hem en inheemsche godheden, Semo Sancus, Dius Fidius, enz., later werd hij meer de beschermende genius der stad Rome (Custos, Defensor, Salutaris), ook had hij een tempel met de Muzen gemeen. Ook offerde men bij voorkeur aan hem na gelukkig te boven gekomen gevaren; zie verder Cacus.
Herculis (fretum), ook fretum Herculeum, fretum Gaditanum, thans straat van Gibraltar. Zie Columnae Herculis.
Herculis Monoeci portus, massilische kolonie op de ligurische kust, thans Monaco, met een tempel van Hercules Monoecus, Monoikos.
Herculis portus, zie Cosa.
Herculis promunturium = Heracleum no. 1, thans kaap Spartivento.
Herculis silva, in Germania, ten O. van den Visurgis (Weser), misschien het Süntelgebergte.
Hercynia silva, Herkynia hyle, Herkynios drymos, algemeene naam voor het boschrijke gebergte, dat zich, volgens Caesar 60 dagreizen lang en 9 breed, van den Rijn tot aan de Carpathen uitstrekte (Taunus, Spessart, Rhön, Thüringer- en Frankenwald met de noordelijke vertakkingen naar den Harz, Fichtel, Ertsgeb., Sudeten, Reuzengeb.). In lateren tijd, toen de verschillende gedeelten afzonderlijk genoemd werden, bleef de naam Herc. silva nog in gebruik voor het oostelijke gedeelte van het Reuzengebergte, een enkele maal ook voor de streken aan den Rijn.
Herdonia, Herdonia, stadje in Apulia ten Z. van Arpi, dat zich in 216 bij Hannibal aansloot. Het werd in 212 en 210 te vergeefs door de Romeinen belegerd; ten slotte sloopte Hannibal de stad en voerde de inwoners over naar Metapontum.
Herdonii. Turnus Herdonius uit Aricia werd op last van Tarquinius Superbus ter dood gebracht wegens opruiing der Latijnen tegen den koning.--Appius Herdonius, een Sabijn, overrompelde in 460 met behulp van eene schaar cliënten en vluchtelingen het Capitool, doch moest weder zwichten en boette zijn aanslag met den dood.
Hereditas, heredes. Om volgens het strenge rom. recht eene erfenis te kunnen aanvaarden, moest men het commercium hebben. Bij dit erfrecht komen een aantal uitdrukkingen voor, die hier eene korte verklaring mogen vinden. Heredes sui zijn de erfgenamen, die bij het overlijden in de manus of in de potestas van den afgestorvene stonden, dus zijne echtgenoote en zijne kinderen (en somtijds kleinkinderen), voor zoover deze niet door emancipatie of huwelijk of adoptie uit zijne potestas waren geraakt. De vestaalsche maagden, als sui iuris zijnde, konden nooit heredes sui zijn. De heredes sui waren de wettige erfgenamen in den eersten graad. Ontbraken deze, dan kwamen in de tweede plaats de agnaten van den overledene, d.w.z. zij, die vroeger met hem onder dezelfde patria potestas hadden gestaan, zijne moeder, broeders, zusters. Ontbraken ook deze, dan kwamen in de derde plaats de gentiles in aanmerking. Cognaten waren dus uitgesloten, evenals geëmancipeerde kinderen; doch het praetorische recht (z. a.) kwam hier aan de billijkheid te gemoet door hunne rechten toch te erkennen, en, voor zoover het dan ook geen eigendomsrecht kon geven, hun toch het bezitrecht, bonorum possessio, toe te kennen. Overigens traden de wettige erfgenamen slechts op voor zoover niet door wettige testamentaire bepalingen anders was beschikt.--Hereditatis cretio heet de uitdrukkelijke verklaring, dat men de erfenis aanvaardt.--Pro herede gestio wordt gebezigd, wanneer men eenvoudig als erfgenaam handelend optreedt.--Heres ex asse is de universeele erfgenaam; ex semisse, de erfgenaam voor de helft; ex triente, die voor een derde, enz.--De erfgenaam, die eene erfenis aanvaardde (hereditatem adire), moest zoowel het passief, als het actief van den boedel overnemen, ook de sacra, iets wat lastig kon wezen. Vandaar wordt de uitdrukking heriditas sine sacris spreekwoordelijk gebezigd voor een buitenkansje.--Vrouwen hadden slechts een beperkt erfrecht, zie lex Voconia.--Onder de keizers verdween het agnatenrecht meer en meer, om plaats te maken voor dat der cognaten.
Heredium, rom. vlaktemaat = 2 iugera = ongeveer 1/2 hectare.
Herennia (lex) van den volkstribuun C. Herennius in 60, om door de tribuutcomitiën den bekenden P. Clodius tot de plebs te doen overgaan. Het plebisciet ging niet door; Clodius werd eerst in 59 plebejer door adoptie.
Herennii, samnietisch geslacht, dat ook in Campania vertakkingen had en ook te Rome leden telde. Sommigen worden vermeld als groote kooplieden. Onder de juristen, van wie uittreksels in de Pandecten zijn opgenomen, behoort Herennius Modestinus, uit de eerste helft der derde eeuw na C., een leerling van Ulpianus.--Zekere Herennius Senecio, ten tijde van keizer Domitianus, werd door dezen ter dood veroordeeld, omdat hij het leven van Helvidius Priscus op vrijmoedige wijze beschreven had.--Herennius Philo, zie Philo no. 8.
Herillus, Herillos, van Carthago, leerling van Zeno, maakte een onderscheid tusschen het levensdoel (telos) van den wijze, nl. kennis, en dat van de groote menigte, hetwelk hij hypotelis noemde, en dat in rijkdom en dgl. bestaat.
Herilus, zoon van Feronia, koning van Praeneste, die van zijne moeder drie lichamen gekregen had en door Euander gedood werd.
Hermae, Hermai, vierhoekige zuilen met een kop, v. s. zoo genoemd omdat de Pelasgen Hermes zonder handen en voeten afbeeldden. Te Athene stonden op verschillende plaatsen in het midden van de stad en voor de huizen zulke hermen; binnenshuis vond men ze veelal als versiering aangebracht; in Italië werden zij vooral als grenspalen gebruikt. De kop stelde gewoonlijk Hermes voor, een dergelijke zuil met een kop van Athena, Heracles e. a. noemde men Hermathena, Hermeracles, enz.
Hermaeum promunturium, Hermaia akra, naam van eenige kapen. 1) N.O. punt van het carthaagsche gebied, door de Rom. Mercurii prom. geheeten, thans kaap Bon.--2) N.O. punt van het eiland Lemnus.--3) kaap aan de europeesche zijde van den thracischen Bosporus (straat v. Constantinopel), waar Darius een brug sloeg.--4) Hermaios lophos, heuvel op Ithaca, het eiland van Ulysses.
Hermagoras, Hermagoras, 1) grieksch rhetor uit de 2de eeuw, die door zijne stelselmatige behandeling der redekunst groot aanzien verwierf. Zijne leerlingen noemden zich Hermagorei.--2) grieksch rhetor onder Augustus en Tiberius, leerling van Theodorus van Gadara.
Hermaphroditus, Hermaphroditos, zoon van Hermes en Aphrodite. Als knaap baadde hij zich eens in een bron, en bekoorde door zijn schoonheid de bronnimf Salmacis zoozeer, dat zij hem om zijne liefde smeekte. Toen zij geen gehoor vond, bad zij dat hunne lichamen altijd tot één verbonden mochten worden, hare bede werd verhoord, en uit hunne vereeniging ontstond een tweeslachtig wezen half man, half vrouw.
Hermarchus, Hermarchos, van Mytilene, leerling van Epicurus en diens opvolger als hoofd der school.
Hermeas, Hermeias, vriend van Aristoteles, had eenigen tijd de regeering over Atarneus, die hem in 345 door de Perzen ontnomen werd.
Hermes, Hermes, Hermeias, Mercurius, zoon van Zeus en Maia, geboren op den berg Cyllene (Kyllenios), een god van alles, waarbij behendigheid, gevatheid en list te pas komen, en beschermer van allen, die in deze eigenschappen uitmunten. Reeds op den dag zijner geboorte stal hij 50 runderen van Apollo, en wist hij ze zoo behendig weg te leiden en te verbergen, dat Apollo ze nauwelijks vinden kon en de tusschenkomst van Zeus moest inroepen om ze terug te krijgen. Hij liet ze hem echter behouden in ruil voor de lier, die Hermes gemaakt had van de schaal eener schildpad, die hij op zijn eersten tocht had gevonden. Wegens zijne schranderheid maakte Zeus hem heraut der goden en zendt hij hem in menig geval uit om zijn wil ten uitvoer te brengen (Diaktoros); in deze hoedanigheid geleidt hij ook de schimmen der afgestorvenen naar de onderwereld (Psychopompos, Psychagogos). Voor de menschen is hij een welwillend en zegenend god (Eriounios, Akaketa), gids bij moeielijke en gevaarlijke ondernemingen (Hegemonios), vooral voor herauten en gezanten, god van den koophandel, waarbij men door verstand en overleg winst behaalt, om dezelfde reden trouwens ook van diefstal en bedrog; ieder onverwacht voordeel, bijv. als men op weg iets vindt, is een geschenk van hem (hermaion). Vele dingen, die het leven veraangenamen, hebben de menschen hem te danken (Charidotes), hij geeft rijkdom (Ploutodotes), vooral van vee (Nomios), en welbespraaktheid (Logios, Facundus), hij is de uitvinder van de lier, veldfluit, letters, getallen, maten, gewichten, gymnastiek (Enagonios), enz. Eindelijk zorgt hij, evenals Apollo, voor de veiligheid op straten en wegen (Enodios); van geen god vond men zooveel beelden op den openbaren weg als van hem (z. Hermae).--Zijn eeredienst heeft zich van Arcadië uit reeds vroeg over geheel Griekenland verbreid. Men offerde hem den 4den van elke maand zwijnen, lammeren, rammen, honig, wierook, enz. Hij wordt afgebeeld als een schoon en welgemaakt jong man met verstandige en vriendelijke gelaatstrekken; als bode van Zeus heeft hij soms vleugels aan de voeten (Alipes) en aan zijn breedgeranden reishoed (petasos), in de hand heeft hij den caduceus, een tooverstaf, die hem door Apollo geschonken was en waarvan men later een herautsstaf maakte (Caducifer), of een geldbeurs, schildpad, harp, zwaard, enz.
Hermesianax, Hermesianax, van Colophon, elegisch dichter ten tijde van Alexander d. G. Van een zijner werken is een moeilijk verstaanbaar fragment bewaard gebleven.
Herminii, een geslacht, waarschijnlijk van etruscische afkomst. 1) T. Herminius Aquilinus, was met Horatius Cocles een der verdedigers van de Tiberbrug tegen de benden van Porsena (508). In 506 was hij consul. Hij sneuvelde in 496 bij het meer Regillus.--2) Lar Herminius, consul in 448.
Herminius mons, Herminion oros, gebergte in Lusitania (Portugal), thans Sierra de la Estrella, tusschen den Durius (Duero) en den Tagus (Taag).
Hermi(n)ones, algemeene naam voor de volksstammen van Midden-Germania, als: Cheruscers, Chatten, Hermunduren, Marcomannen, Quaden.
Hermione, Hermione, dochter van Menelaus en Helena, was vóór den trojaanschen oorlog door haar vader, of gedurende dien oorlog door haar grootvader, aan Orestes verloofd; toen Menelaus echter terugkwam, huwde hij haar aan Neoptolemus uit, volgens eene belofte, die hij dezen voor Troje gedaan had. Daardoor ontstond een twist tusschen Orestes en Neoptolemus, waarbij deze door Orestes, of op diens aandrijven door de Delphiërs, gedood werd. Bij Orestes werd zij daarna moeder van Tisamenus.
Hermione, Hermione, stad der Dryopes aan de Z. O. kust van Argolis.
Hermippus, Hermippos, 1) dichter der oude comedie, die in zijne stukken vooral Pericles, Aspasia en Hyperbolus aanviel. Ook parodieën en iamben van hem worden vermeld.--2) van Smyrna, leerling van Callimachus no. 3, beschreef de levens van de zeven wijzen en latere wijsgeeren.--3) van Berytus, grammaticus ten tijde van Traianus en Hadrianus.
Hermocopidae, Hermokopidai, personen, beschuldigd van het verminken der Hermen te Athene. Z. Alcibiades.
Hermocrates, Hermokrates, staatsman en veldheer te Syracuse, leidde onder groote tegenwerking van de democratische partij de verdediging van de stad tegen de Atheners (414). Later onderscheidde hij zich als aanvoerder van de sicilische vloot, die de Spartanen in den peloponnesischen oorlog ondersteunde. In 410 werd hij als aristocraat verbannen; daarop wist hij door ondernemingen tegen de Carthagers de gunst van het volk te winnen en eene omwenteling te bewerken. Hij werd echter niet teruggeroepen, en toen hij nu beproefde met geweld terug te keeren, werd hij in een gevecht gedood (407). Hij was de schoonvader van den ouden Dionysius, wiens vader eveneens Herm. heette.
Hermodorus, Hermodoros, 1) van Ephesus, door zijne medeburgers verbannen, hielp te Rome, naar men verhaalde, de tienmannen bij het samenstellen der twaalf tafelen.--2) van Salamis, bouwmeester te Rome omstreeks 140.
Hermogenes, Hermogenes, 1) Tigellius Herm., toonkunstenaar ten tijde van Augustus, naar het schijnt een vijand van Horatius.--2) van Tarsus, trad reeds op zijn 15de jaar (omstreeks 170 na C.) als rhetor te Rome op en werd algemeen bewonderd, na 10 jaar verloor hij zijne geestvermogens; hij stierf op hoogen leeftijd. Van zijne geschriften over de redekunst, die bij lateren veel gezag hadden, zijn eenige bewaard gebleven.
Hermolaus, Hermolaos, page van Alexander d. G., aanhanger van Callisthenes no. 1. Door Alex. beleedigd, smeedde hij een aanslag tegen diens leven, die echter ontdekt werd, waarna hij met zijne medeplichtigen gesteenigd werd.
Hermon, Hermon, gebergte aan de N.-grens van Palaestina, een zuidwestelijke uitlooper van den Antilibanon.
Hermopolis, Hermou polis, naam van twee aegyptische steden: 1) H. maior, in Midden-Aegypte, aan den Nijl, waar de tol geheven werd van de uit Thebaïs afkomende schepen.--2) H. minor, in de Delta aan den Canobischen Nijlarm.
Hermotimus, Hermotimos, van Clazomenae, had het vermogen met zijn geest in verre landen rond te zwerven, terwijl zijn lichaam in diepen slaap achterbleef. Bij zulk eene gelegenheid werd zijn lichaam door zijne vijanden verbrand, zoodat de ziel niet er in terug kon keeren. Zijne stadgenooten richtten hem een tempel op.
Hermunduri, Hermoundouroi, suevische volksstam in Midden-Germania, waarvan de naam nog voortleeft in den naam Thuringen. In den tijd van Tacitus waren ze met de Romeinen bevriend. Tot aan den raetischen limes wonende (ten Westen van de Marcomannen), mochten ze vrij de grens passeeren, en in Augusta Vindelicorum (Augsburg) handeldrijven. Sedert den Marcomannenoorlog worden ze niet meer genoemd, en verdwijnen zij onder den algemeenen naam Suevi.
Hermus, Hermos, rivier, die op den mons Dindymus in Phrygia ontspringt, in allerlei bochten door de phrygische vlakte en vervolgens door Lydia loopt en zich ten laatste ten N. van Smyrna in de Hermaeische golf stort. Een zijriviertje hiervan is de Pactolus.
Hernici, Hernikoi, klein sabijnsch volk met de hoofdstad Anagnia, dat zich in 486 bij de Latijnen aansloot en sedert dezen tijd tot Latium werd gerekend. V. a. dateert dit verbond eerst uit de 4de eeuw. Zij traden toen tevens tot het rom.-latijnsche verbond toe. Toen dit verbond uiteenspatte, werden de Hernici na herhaalde oorlogen eindelijk in 306 geheel tot onderwerping gebracht. Zie Anagnia.
Hero, Hero, z. Leander.
Hero, Heron, van Alexandrië, uit de 2de helft der 2de eeuw, beroemd wiskundige, de grootste natuurkundige der oudheid, leerling van Ctesibius; van zijne werken zijn sommige bewaard gebleven, andere alleen in een arabische vertaling.
Herodes, Herodes, bijgenaamd de Groote, een Idumaeër van geboorte, werd in 37 door M. Antonius tot koning van Judaea aangesteld. Om zijne macht te bevestigen, huwde hij eene afstammeling der Makkabaeën, Mariamne, die om hare schoonheid bekend was. Met rom. hulp weerde hij de Syriërs af, nam Jerusalem in, dat hij verfraaide, en waar hij den tempel liet afbreken en veel schooner en grooter herbouwen, maar bleef toch bij de Joden als Edomiet en overweldiger gehaat. Hij beging ongehoorde wreedheden, zooals den bethlehemschen kindermoord, de uitroeiing der Makkabaeën; ook zijne vrouw en twee zijner zonen liet hij ombrengen. Hij stierf in het jaar na Christus' geboorte (v. a. echter 4 v. C.) en liet drie zoons na, die ieder van Augustus een stuk van huns vaders gebied kregen. De oudste, Archelaus, werd ethnarch van Judaea, Samaria en Idumaea; doch reeds 6 na C. werd hij door den keizer afgezet en verbannen, en zijn land onder een procurator bij de provincie Syria ingedeeld. De tweede zoon, Herodes Antipas, kreeg Galilaea en Peraea als tetrarch, en werd in 39 na C. door Caligula verbannen. Hij was het, die Johannes den Dooper aan de wraak zijner gemalin opofferde. Om zijn slimheid wordt hij door Jezus de vos genoemd (Lucas 13, 32). De derde, Philippus, werd tetrarch van de overjordaansche gewesten Trachonitis, Auranitis, Batanaea, Graulonitis en Ituraea, en bleef dit tot aan zijn dood, 34 na C.
Herodes Agrippa I, kleinzoon van Herodes den Gr., was te Rome opgevoed en behoorde tot de vrienden van Caligula. In 38 n. C. werd hij door dezen over een gedeelte van Palaestina aangesteld. Keizer Claudius voegde er in 41 het overige bij. Agrippa stierf in 44 te Caesarea, door zijne onderdanen zeer betreurd.--Zijn zoon, Herodes Agrippa II, werd later tetrarch van een gedeelte van Palaestina. De Joden verdreven hem; hij nam deel aan het beleg van Jerusalem door Titus, en hield zich vervolgens te Rome op, waar hij in 100 stierf.
Herodes Atticus (Tib. Claudius). Zie Atticus Herodes.
Herodianus, Herodianos, 1) Aelius Her., van Alexandrië, zoon van Apollonius Dyscolus, kwam onder M. Aurelius naar Rome en werd rom. burger. Van zijne talrijke werken over grieksche taalstudie, die langen tijd zeer groot gezag hadden, is slechts een enkel weinig belangrijk fragment over; bizonder uitvoerig behandelde hij de prosodie, de accentenleer, enz.--2) grieksch geschiedschrijver in de 3de eeuw na C., die een niet onbelangrijke geschiedenis van zijn tijd, van den dood van M. Aurelius tot het begin der regeering van Gordianus III, heeft nagelaten. Hij leefde meestal te Rome in ondergeschikte betrekkingen.
Herodicus, Herodikos, 1) van Selymbria, leerling van Hippocrates, omstreeks 420, schreef als geneeskundige over gezondheidsleer en heilgymnastiek.--2) van Leontini, broeder van Gorgias.--3) Babyloniër, grammaticus van de pergameensche school, leerling van Crates.
Herodorus, Herodoros, van Heraclea, logograaf omstreeks 400, verzamelde de mythen betreffende Heracles, de Argonauten, e.a.
Herodotus, Herodotos, 1) geb. omstreeks 484 te Halicarnassus, zoon van Lyxes, werd reeds vroeg door den tyran Lygdamis genoodzaakt zijn vaderstad te verlaten; hij begaf zich naar Samus, van waar hij eerst terugkeerde om bij het verdrijven van den tyran behulpzaam te zijn; hij was echter bij zijne medeburgers niet bemind, en ging na eenigen tijd te Athene verblijf gehouden te hebben, waar hij veel met Pericles en Sophocles omging, zich in 444 te Thurii vestigen, dat toen juist door de Atheners op de plaats van het oude Sybaris gesticht was; hier stierf hij omstreeks 424. De door Her. nagelaten geschiedenis in 9 boeken, waaraan de alexandrijnsche geleerden de namen der Muzen gegeven hebben, munt zoozeer uit boven de werken zijner voorgangers op dit gebied, dat men hem niet zonder reden den vader der geschiedenis genoemd heeft. Hij is de eerste, die zich niet tevreden stelt met het bijeenzoeken en te boek stellen der overlevering, maar ook de geloofwaardigheid er van onderzoekt en kritiek uitoefent, wanneer hem dit althans niet onmogelijk wordt gemaakt door zijne onbekendheid met de talen van de volken, die hij bezocht, of door zijn blind geloof aan de mededeelingen van priesters, door wie hij zich bij voorkeur laat inlichten. Hij onderscheidt zich vooral daardoor van de logografen, dat hij zich van het begin af schijnt voorgesteld te hebben een omvangrijk werk te schrijven, waarin wel bij gelegenheid het wetenswaardige uit de geschiedenis van vele landen en volken wordt ingevlochten, maar dat ten slotte toch één hoofdonderwerp heeft: den eeuwenouden strijd tusschen Grieken en barbaren, die in de perzische oorlogen tot eene beslissing komt. Naar dit plan loopt zijn verhaal geregeld voort van de troonsbestijging van Gyges tot de inneming van Sestus na den slag bij Mycale, en, hoe talrijke en soms omvangrijke episoden en uitweidingen ook den draad er van schijnen af te breken, altijd keert hij weder tot zijn onderwerp terug en overal blijft hij belangrijk en onderhoudend. Als bronnen voor zijn werk heeft hij ongetwijfeld oudere epische dichters en logografen geraadpleegd, voornamelijk echter bevat zijn werk dat, wat hij op zijne verre reizen zelf gezien en vernomen heeft, want Her. heeft bijna alle in zijn tijd voor Grieken toegankelijke landen bezocht: Klein-Azië, het O. tot Babylon, de kusten der Zwarte zee, Aegypte, Griekenland, Beneden-Italië en vele eilanden, overal nasporingen gedaan, gedenkteekenen van oude tijden onderzocht, enz. Aan zijn werk arbeidde hij met lange tusschenpoozen gedurende zijn geheele leven, waarschijnlijk heeft hij er niet de laatste hand aan gelegd en is het niet bij zijn leven uitgegeven; wel hield hij nu en dan, bij feestelijke vergaderingen, te Olympia, Athene, Thebe en Corinthe, onder grooten bijval voorlezingen van enkele gedeelten. Hoewel in eene dorische stad geboren, schreef Her., in navolging van epici en logografen, in het ionisch dialect, dat trouwens te Halicarnassus ook gesproken werd; zijn eenvoudige, verhalende stijl weerspiegelt als het ware zijn waarheidsliefde en onpartijdigheid, die soms in twijfel getrokken zijn, maar bij ieder nieuw onderzoek meer boven bedenking verheven blijken.--2) van Thebe, overwinnaar in de isthmische spelen.--3) beeldhouwer, tijdgenoot van Praxiteles.--4) van Tarsus, leermeester van Sextus Empiricus.--5) beroemd geneesheer, die ten tijde van Hadrianus te Rome leefde.
Heroöpolis, Heroon polis, stad in Aegypte aan het kanaal van Traianus (zie Augustamnica), eene voorname stapelplaats voor den karavaanhandel en de zetel van den Typhondienst. Naar deze stad droeg de N.W. inham der Arabische golf den naam van sinus Heroöpoliticus.
Herophilus, Herophilos, van Chalcedon, beroemd geneesheer te Alexandrië ten tijde van en na Alexander d. G., groot ontleedkundige, de grondlegger der empirische school, die door eenige van zijne zeer talrijke leerlingen gesticht werd.
Heros, Heros, was de naam, dien de Grieken gaven aan personen uit oude tijden, die door hun moed, deugd en verstand als grondleggers en verbreiders der beschaving beschouwd kunnen worden en wier groote daden tot zegen der menschheid hadden gestrekt. Zij worden kinderen der goden (diogeneis) genoemd, maar zijn evenals de menschen sterfelijk, hoewel zij door hunne buitengewone eigenschappen ver boven gewone menschen verheven zijn. Van lateren oorsprong is het geloof, dat zij na hun dood niet naar de onderwereld afdalen, maar als halfgoden op de eilanden der gelukzaligen een beter leven blijven leiden. Daarbij kwam dan de voorstelling, dat zij belang bleven stellen in dat, waaraan zij hun leven gewijd hadden, en dat zij door hun voorspraak bij de goden trachtten te bewerken, dat hun werk ook na hun dood vruchten bleef dragen. Daarom was het raadzaam, zich van hunne welwillendheid te verzekeren, en daarom genoten zeer vele heroën op bepaalde plaatsen of van wege bepaalde personen goddelijke eer; zoo vereerde bijna iedere stad haar stichter als heros; zelden gebeurde het echter dat de vereering van een heros algemeen werd. Men bouwde hun ter eere tempels en altaren; de offers, die men hun bracht, verschilden echter veel van de offers voor de goden en waren in hoofdzaak niets anders dan doodenoffers. Het woord wordt ook als eerenaam gebruikt voor personen, die in een of ander opzicht uitmunten.
Herostratus, Herostratos, van Ephesus, stak den tempel van Artemis te Ephesus in brand, ten einde zijn naam onsterfelijk te maken. Hij werd met den dood gestraft, maar het besluit der ionische steden, dat zijn naam niet genoemd zou mogen worden, bleef natuurlijk zonder gevolg. Denzelfden nacht, waarin Her. zijne misdaad pleegde, werd Alexander d. G. geboren.
Herse, Herse, dochter van Cecrops, bij Hermes moeder van Cephalus, z. Agraulus.
Hersilia, gemalin van Romulus, na haar dood onder den naam Hora Quirini als godin vereerd.
Heruli of Eruli, Herouloi, of Er., een germaansche nomadenstam. Zij waren uitmuntende krijgslieden en leverden huurtroepen, nu eens aan andere Germanen, dan weder aan de Rom. Zoo vindt men ze bij de Gothen in de derde eeuw na C.; ze woonden toen, en ook in de vierde eeuw aan de Zuidkust van de Maeotis, in het N. van de Krim, waar vroeger Scythen gewoond hadden, en later in Italië, waar hun aanvoerder Odoacer in 476 het westrom. rijk vernietigde.
Hesiodus, Hesiodos, geb. te Ascra, waarheen zijn vader uit het aeolische Cyme verhuisd was, werd door zijn broeder Perses met behulp van omgekochte rechters van zijn erfdeel beroofd, waarom hij zijn vaderland verliet en zich waarschijnlijk te Naupactus vestigde; v.s. werd hij vermoord en werd zijn lichaam naar Orchomenus in Boeotië overgebracht. Door zijne Erga kai Hemerai, een werk, waarvan het begin tegen zijn broeder gericht is, en dat verder lessen bevat over landbouw, scheepvaart, enz., werd hij de schepper van het didactische epos. Onder de andere werken, die te recht of ten onrechte aan Hes. worden toegeschreven, is het voornaamste de Theogonia, eene eerste poging om eenigen samenhang te brengen in de verwarde verhalen omtrent de familiebetrekkingen der goden. Hes. leefde in de 8ste eeuw.
Hesione, Hesione, z. Laomedon en Telamon.
Hesperia, Hesperia, het avondland, het Westland, bij de Grieken een naam voor Italia, bij de Rom. voor Hispania. Ter onderscheiding wordt dit laatste ook wel Hesperia ultima geheeten.
Hesperides, Hesperides, 3, 4 of 7 dochters van Nyx en Erebus of van Atlas en Hesperis, bewaakten met behulp van den draak Ladon in een tuin in het verre Westen de gouden appelen, die Gaea aan Hera als bruiloftsgeschenk gegeven had. De drie appelen, die Heracles op bevel van Eurystheus gehaald had, werden door Athena bij de Hesp. teruggebracht.
Hesperides of Hesperis, stad in Cyrenaïca, zie Berenice no. 2.