← Engelsch woordenboek. Eerste deel: Engelsch-Nederlandsch (met uitgeschreven verkortingen)

Engelsch woordenboek. Eerste deel: Engelsch-Nederlandsch (met uitgeschreven verkortingen) (part 7 of 7)

Part 7 of 7 · Bruggencate, K. ten (Karel) · Public domain text

About this edition

Source: Project Gutenberg e-text #64478, public domain in the United States · text not rewritten or summarized · How RedLectern is built

 

Contents (7)

Continue:

Engelsch woordenboek. Eerste deel: Engelsch-Nederlandsch (met uitgeschreven verkortingen) (part 7 of 7)

Tether, tedhə, subst. touw waaraan een grazend dier is gebonden, speelruimte, bevoegdheid; Tether verb. vastbinden, beperken: He came to the end of his tether = zijne middelen waren uitgeput; To go to the end of one’s tether = zoo ver gaan als men kan; To tether a person by a short rope = iemand kort houden.

Tetra, tetrə, (in samenst.), vier: Tetrachord = halve octaaf (van c tot f of van g tot c); viersnarige lier; Tetradactyl(e), tetrədaktil, viervingerig; Tetradiapason, tetrədaiəpeiz’n, viervoudige octaaf; Tetragon, tetrəgon, vierhoek; adj. Tetragonal, tətragən’l; Tetrahedron, tetrəhîdr’n, tetrəhedr’n, regelmatig viervlak; Tetrameter, tətramətə, viervoetige versregel; Tetrapetalous, tetrəpetəlɐs, vierbladig; Tetrapod = vierpootig; Tetrapteran, tətraptər’n, viervleugelig (insect); Tetrapterous, tətraptərɐs, viervleugelig; Tetrarch, tetrâk, tîtrâk, gouverneur van het vierde van een wingewest (Rom.): Tetrarchate, tetrâkit, tîtrâkit, Tetrarchy, tetrâki, grondgebied van een T.; Tetrastich, tetrəstik, tətrastik, vierregelig gedicht.

Tetter, tetə, subst. naam voor verschillende huidziekten (Eating tetter = lupus); Tetter verb. eene huidziekte bezorgen.

Teuton, tjût’n, iemand v. Teutonischen stam; Teutonic, tjutonik, Teutonisch, Germaansch: Teuton languages = Germaansche talen; Teutonicism, tjutonisizm, Germaansch idioom; Teutonize = germaniseeren.

Teviot, tiviət; Tewk(e)sbury, tjûksb’ri; Texan, teks’n; Texas, teksəs; (The) Texel, dhəteks’l.

Text, tekst, tekst, onderwerp, inhoud; Textbook = handboek, schoolboek; Text-hand = groot loopend schrift; Textual = volgens den tekst; Textualist = schriftgeleerde, iemand die zich streng aan den tekst houdt.

Textile, tekst(a)il, subst. geweven stof; adj. geweven: Textile industry; Texture, tekstjə, het weefsel, structuur.

Thackeray, thakər(e)i; Thaddeus, thədîəs, thadiəs; Thaisa, theiizə, thəîzə.

Thaler, tâlə, thaler.

Thales, theilîz; Thalia, thəlaiə, Thalia: Thalian = komisch; Thaliard, thaliəd.

Thames, temz, Theems: He will not set the Thames on fire. Zie Fire.

T(h)ammuz, t(h)aməz, vierde maand van het Joodsche burgerlijk jaar.

Than, dhan, dan (alléén na comparatieven): He is older than I by seven years.

Thane, thein, Angelsaksische titel der grootere grondbezitters tot de 12de eeuw; Thanedom; Thane-lands; Thaneship.

Thanet, thanət.

Thank, thaŋk, subst. dank (thans steeds meervoud); Thank verb. danken, bedanken (dikwijls ironisch): Thanks to thee, I am safe = ik ben veilig, dank zij u; Thanks = ik dank u; No, thanks! = dank u; geen dank; Thanks to your eagerness = dank zij; Thanks be to God = God zij dank; To give thanks = danken (na den maaltijd); To return thanks = dank betuigen; No thank you = ik dank u; Thank you, yes = alstublieft; Thank you for nothing = ik zou je danken; Thank God we are rid of him = Goddank; He has only to thank himself for = ’t is zijn eigen schuld, dat...; I’ll thank you to shut the door = doe alstublieft de deur dicht; I’ll thank you not to do it = gij doet me plezier als gij het laat; I’ll thank you for the potatoes (for a cup of tea) = mag ik alstublieft; Thank-offering = dankoffer; Thanksgiver = bedanker, dankzegger; Thanksgiving = dankzegging (aan God); Thanksgiving-day = dankdag; Thankee = dank u; Thankful = dankbaar; subst. Thankfulness; Thankless = ondankbaar: Thankless task; subst. Thanklessness; Thankworthiness, subst. v. Thankworthy = dankenswaard, verdienstelijk.

That, dhat, gene, die, dat; opdat: That is me (I) = dat ben ik; He is a good fellow for all that = toch een goede vent; And that for this reason = en wel om deze reden; Nothing follows, nothing that is, which is of any real weight = namelijk niets; While his family, his mother that is, were living in D. = zijn moeder namelijk; No human being ever spoke like that = op zoo’n manier; This is horrible, that is = dit is bepaald af grijselijk; Mrs Quilp that is = de tegenwoordige; Mrs Corney that was = de vroegere; He has been here, but what of that? = wat zou dat, bewijst dat; I was the eldest son and not much of a help at that = en trouwens als zoodanig nog geen groote steun; ‘Christmas comes but once a year’, and adds the cynic, ‘once too often at that’ = en dat is trouwens nog één keer te vaak; I send you word that you may be prepared = opdat gij voorbereid zijt; It is not that I believe = niet omdat ik geloof; Do tell me, that’s a good girl = dan ben je eene beste meid; That much is certain = zooveel; I am that sorry = het spijt me zóó! I suppose you are worth all that = wel zóó rijk; I am tougher than that = daar ben ik te taai voor.

Thatch, thatš, subst. dakstroo, dakriet, stroodak, hut; Thatch verb. met stroo of riet dekken; Thatcher = rietdekker.

Thaumatrope, thômətroup, thaumatroop; Thaumaturge, thômətɐ̂dž, wonderdoener = Thaumaturgist; Thaumaturgic(al), thômətɐ̂džik(’l), wonderdadig; Thaumaturgy, thômətɐ̂dži, wonderdoenerij.

Thaw, thô, subst. dooi; Thaw verb. dooien, ontdooien (ook fig.): Silver thaw = ijzel; The thaw set in = het begon te dooien; It thaws.

The, dhə, dhi (vóór een klinker), dhî (met nadruk), de, het: The more the merrier = hoe meer zieltjes hoe meer vreugde; The sooner the better = hoe eerder hoe beter; The more I see you the better I like you = hoe meer ik u zie, hoe meer ik van u houd; The more so, as I do not know him = des te meer omdat; The rather = temeer; So this the grand-daughter, is it? = je kleindochter; The Lady Grace Eveleigh = Freule G. E. (meer officieel dan zonder ’t lidwoord); The Douglasses’ house = der familie D.

Theatre, thîətə, theater, schouwburg, toeneel, medische gehoorzaal: Theatre of war = oorlogstooneel; Theatre-goers = bezoekers; Theatrical, thiatrik’l, theatraal: Theatricals = tooneelvertooningen: Private theatricals = liefhebberijtooneel; Theatricality, thîatrikaliti, theatrale manier van doen, vertoon.

Theban, thîb’n, subst. en adj. Thebaan(sch): Theban year = 365 d. en 6 u; Thebes, thîbz, Thebe; Thecla, theklə.

Thee, dhî, u (object van Thou): They thee and thou each other = spreken elkaar aan met je en jou.

Theft, theft, diefstal.

Theina, thiainə, Theine, thî-in, theeïne.

Their, dhêə, hun, haar; Theirs = van hen, van haar: These books are theirs = zijn de hunne.

Theism, thîizm, theïsme; Theist; adj. Theistic(al).

Them, dhem, hen, haar (object van They); Themselves, dh’mselvz, zich zelven, zij zelven.

Thematic, thimatik, thematisch; Theme, thîm, onderwerp, thema, stam, (gram.).

Themis, thîmis, Themis.

Then, dhen, adj. toenmalig; adv. en conj. toen, dan, later, alsdan, daarom, diensvolgens, derhalve: The then measures were insufficient = toen genomen; You might have had a bad fall then = daar had je leelijk kunnen vallen; What did he say then? = wat zei hij daar toch; Did he laugh at you? Then he ought not = maar dat moest hij niet; I hear his footstep, then he is back = dus is hij terug; I think, then I exist = ik denk, dus besta ik; By then = tegen dien tijd; On then! = vooruit! If he sees us, what then? = wat zou dat, wat hindert dat; Now and then = nu en dan; Every now and then = telkens; Now then, what can you say to the contrary? = welnu; Then and there = onmiddellijk, op staanden voet; Till then = tot dien tijd, tot zoolang; Not until then = eerst toen; Thence, vandaar, derhalve: From then = van uit die plaats; Thenforth, dhensföth, Thenforward, dhensföwəd, van dien tijd af aan.

Theobald, thîəbôld.

Theocracy, thiokrəsi, theocratie; Theocrat; Theocratic(al) = theocratisch; Theodicy, thiodisi, theodicee.

Theodora, thîədôrə; Theodore, thîədö.

Theogony, thiogəni, theogonie; Theologian, thiəloudž’n, godgeleerde; Theologic(al), thîəlodžik(’l), theologisch: The theological virtues are: Faith, Hope and Charity = de goddelijke deugden zijn: Geloof, Hoop en Liefde; Theologize, thiolədžaiz, theologiseeren; Theology, thiolədži, theologie: Natural theology = de kennis Gods uit Zijne werken.

Theophilus. thiofilɐs.

Theorbo, thiöbou, theorbe, groote basluit.

Theorem, thîər’m, theorema; adj. Theorematic(al).

Theoretic(al), thîəretik(’l), theoretisch; Theoretics = het theoretisch gedeelte eener wetenschap; Theorist, thîərist, theoreticus; Theorize = theoretiseeren: Theorizer; Theory, thîəri, theorie: His practice falls short of his theory = zijne praktijk haalt niet bij zijne theorie.

Theosophy, thiosəfi, theosophie.

Therapeutic(al), therəpjûtik(’l), therapeutisch; Therapeutics = therapie.

There, dhêa, daar, er: When did he leave there = wanneer is hij vandaar vertrokken; You are right (wrong) there = daar hebt ge gelijk (ongelijk) aan; Here and there = hier en daar; Then and there = op dat zelfde oogenblik (= There and then); I am all there = ik weet drommels goed wat ik doe; There you are! = klaar is ’t; alstublieft; There is a horse for you = dat is nog eens een paard! I am no match for you there = in dat opzicht kan ik niet tegen u op; You have got a tile off and are not all there = je bent niet recht bij het hoofd, en weet niet wat je doet; That to me is everything! So there! = nu weet je het; en daarmede basta! Stop, there’s a good fellow = dan ben je een beste; Thereabout(s) = daaromtrent: A guilder or thereabouts = een gulden of daaromtrent; Thereafter = daarna, volgens dat, daarnaar; Thereanent = met betrekking tot dat punt; Thereat = daar, om die reden, bovendien: He is poor and a fool thereat = en een dwaas op den koop toe; Thereby = daarnevens, daardoor, diensvolgens, daaromtrent; Therefor = hiervoor; Therefore = daarom, daarvoor, met dat doel; Therefrom = daarvan, daaruit; Therein = daarin, hierin; Thereinto = daarin; Thereof, dhêrov, hier- of daarvan; Thereon = hier- of daarop, er op; Thereout = daaruit; Thereto = daar- of hiertoe, buiten en behalve; Thereunder = daaronder; Thereunto = daartoe; Thereupon = hier- of daarop, ten gevolge daarvan, dadelijk; Therewith = daarmede, onmiddellijk; Therewithal, dhêəwidhôl, daarbij, terzelfdertijd, daarenboven.

Theresa, tərîsə, Therese.

Thermae, thɐ̂mî, heete bronnen of baden; adj. Thermal: Thermal waters, Thermal springs; Thermal unit = warmte-eenheid.

Thermit, thɐ̂mit, thermiet.

Thermometer, thɐ̂mometə, thermometer: A clinical thermometer.

Thermopylae, thɐ̂mopilî, de Thermopylen.

Thermoscope, thɐ̂məskoup, thermoscoop; Thermostat, thɐ̂məstat, thermostaat.

Thersites, thɐ̂saitîz.

Thesaurus, thisôrəs, woordenschat (boek).

These, dhîz (meerv. van This), deze.

Thesis, thîsis, thesis, stelling (Mv. Theses, thîsîz, thesîz): Thesis for the degree of M. D. = medische dissertatie.

Thespian, thespiən, Thespisch; subst. tooneelspeler.

Thessalian, thəseilj’n, Thessaalsch; Thessaliër; Thessaly, thesəli, Thessalië.

Thetis, thîtis.

Thews, thjûz, spierkracht, spieren; Thewy = gespierd.

They, dhei, zij, degenen: They say = men zegt.

Thibet, tibət, tibet.

Thick, thik, subst. dikke gedeelte, heetst (van den strijd), dikte; adj. dik, dicht, troebel, mistig, onduidelijk, opeengedrongen, snel, overvloedig, intiem; Thick verb. verdikken: He is such a thick = zoo’n domkop; He was in the thick of the fight; To back through thick and thin = meegaan door dik en dun (fig.); This is a bit too thick = te kras; They are as thick as peas in a shell = zeer overvloedig; zijn vrienden als olifanten; They are as thick as thieves together = het zijn twee handen op één buik, zij spelen onder één hoedje; His blows came down as thick as hail = zoo snel en hard als hagelsteenen; To be (To become, To get) thick with = intiem zijn (worden) met; To lay it on thick = overdrijven, er dik op leggen; I am thick of hearing = hardhoorig; Thick of sight = met slecht gezicht; Thick of speech = slecht bespraakt; A thick one = goudstuk; A thick pronunciation = onduidelijke; A thick-and-thin supporter of the government = iemand die door dik en dun meegaat; Thick-grown = dicht; Thickhead = dik- of domkop; Thick-headed = dom, stomp; Thick-leaved; Thick-legged; Thick-lipped; Thick-nosed; Thick-planted; Thick-ribbed = met krachtige ribben; Thick-set = dicht beplant, rijk aan; kort en sterk (dik); subst. dichte heg, een gestreepte stof; Thick-side = dikhuid(ig): His thick-side patience = olifantachtig geduld; Thick-skin = ongelikte beer, vlegel, domkop; Thick-skull = domkop; Thicken = verdikken, vermeerderen, verduisteren: The crowd thicks = het gedrang neemt toe; The plot thicks = de verwikkeling neemt toe.

Thicket, thikət, boschje.

Thickish, thikiš, ietwat dik.

Thief, thîf, dief: A thief was in the candle = er was een dief aan de kaars; Stop thief! = houdt den dief; Set a thief to catch a thief; Thief-catcher = dievenvanger; Thieves’ Latin = dieventaal.

Thieve, thîv, stelen; Thievery = het stelen, dieverij; Thievish = diefachtig, steelswijze, sluiksch; subst. Thievishness.

Thigh, thai, dij; Thigh-bone = dijbeen.

Thill, thil, lamoen; Thill-horse = lamoenpaard = Thiller.

Thimble, thimb’l, vingerhoed, kous (ring); Thimble-berry = soort braambes; Thimble-case = foudraal; Thimble-rig, Thimble-rigger = bedrieger, die laat wedden onder welk van drie bekertjes een balletje door hem is gestopt; ook verb.; Thimbleful = vingerhoedvol.

Thin, thin, dun, licht, slap, zwak, mager, dunnetjes, flauw, gering; ledig, doorzichtig; Thin verb. verdunnen, ijler maken, dunnen, afnemen, uitverkoopen: His disguise was very thin = erg doorzichtig; This month’s number is a little thin = is vrij dunnetjes; To get (grow) thin = mager worden; Thin diet = magere kost; Thin streets = ledige straten; The strata were thinning out and away = werden langzamerhand dunner en verdwenen eindelijk geheel; Thin-faced = met een smal en schraal gezicht; Thin-leaved; Thin-lipped; Thin-skinned = met fijne huid; overgevoelig, prikkelbaar; Thin-sown; Thin-spun; subst. Thinness.

Thine, dhain, van u, het of de uwe.

Thing, thiŋ, ding, zaak, iets, persoontje, verhaal, lied (Things = dingen, zaken, goed, spullen): He is a thing of nothing = een kerel van niets; That’s a thing of naught (nothing) = niets waard; She isn’t quite the thing = niet recht wel; That’s the (very) thing = moet ik net hebben, zoo is het precies; Neither one thing nor another = geen visch en geen vleesch; When things are the worst they will sometimes mend = als de nood op het hoogst is, is de hulp nabij; Things past may be repented but not recalled = gedane zaken nemen geen keer; As things stand = zooals de zaken staan; It comes all to the same thing = komt alles op hetzelfde neer; You have got the wrong thing = het verkeerde; He knows (is up to) a thing or two = hij is slim, goed op de hoogte; He made a tidy (good) thing of it = hij sloeg er een slaatje uit; I like him above all things = bovenal; It was quite in the nature of things = het sprak (volgde) vanzelf, lag in den aard der zaak, in de rede.

Thingummy, thingəmi, Dinges, dingsigheidje, goedje: His name was held up to thingummy = aan de verachting prijs gegeven; Their pink silk thingummies = hunne rose zijden japonnetjes.

Think, thiŋk, denken, vinden, meenen, oordeelen, bedoelen, onderstellen, achten: Only think = denk eens aan; To think = als men bedenkt; I should think not indeed = dat moest er nog bijkomen; I should think so = dat zou ik denken; To think about a thing = ergens over denken; More than you think for = dan ge verwacht; What do you think of him? = wat denkt ge van hem; Now that I come to think of it = nu ik mij eens goed bezin; I have thought better of it = mij bedacht; He thinks much of you = schat u hoog, heeft een hoog idee van u; To think on (over) = nadenken over; No, thought I to myself = dacht ik bij mezelf; I think with you there = dat ben ik met u eens; Methinks = mij dunkt (verouderend); Thinkable = denkbaar; Thinker = denker; Thinking: To my thinking you might have profited more by it = mijns inziens; He is of my way of thinking = ’t met mij eens.

Thionville, tîənvil, Diedenhoven.

Third, thɐ̂d, subst. en adj. derde (deel), terts, tertia wissel; (Thirds = het derde van de bezittingen van den overleden man, waarvan de weduwe het vruchtgebruik heeft): The Third Estate = de burgerij; Third-class; Third-rate = 3de rangs; Thirdly = ten derde; Thirdsman = scheidsman.

Thirl, thɐ̂l, doorboren, perforeeren.

Thirst, thɐ̂st, subst. dorst (ook fig.); Thirst verb. dorsten, vurig verlangen: His (the) thirst after wealth and honour = zijn dorst naar; A thirst(ing) for power = een haken naar; My throat is parched with thirst = is droog, ik versmacht van dorst; Thirstiness, subst. v. Thirsty = dorstig, droog, versmachtend: I am thirsty = ik heb dorst.

Thirteen, thɐ̂tîn, subst. en adj. dertien(tal); Thirteenth, subst. en adj. dertiende (deel); Thirtieth, thɐ̂tiəth, subst. en adj. dertigste (deel); Thirty, thɐ̂ti, subst. en adj. dertig(tal): The Thirty Years’ War = Dertigjarige Oorlog.

This, dhis, deze, dit: This day week = vandaag vóór een week; This is Thursday = ’t Is vandaag; This one and the other = deze en gene; It was Miss Mary this and Miss M. that = vóór en na; Generals this and that = die en die; Just allow it for this once = dezen éénen keer; You must be ready by this (time) = thans; From this to X. = van hier naar X.; This much he told me = zooveel heeft hij mij verteld; Come this way = hiernaartoe; I have not seen him these three months = in geene drie maanden.

Thistle, this’l, distel: Order of the Thistle = Distel- of Andreasorde; Thistledown = distelpluisjes: As light as thistledown = als een veertje; Thistly = vol distels.

Thither, dhidhə, daarheen; Thitherto = tot daartoe; Thitherward(s) = derwaarts.

Tho’, dhou = Though.

Thole, thoul, subst. dol = Thole-pin.

Thomas, toməs: A very Thomas in disbelief = een ongeloovige Thomas; Thomism, tomizm, wijsgeerig-godsdienstig stelsel van Th. Aquinas; Thomist = Thomist; Thompson, tom(p)s’n; Thomson, toms’n.

Thong, thoŋ, riem, snoer.

Thor, thö, Thor: Thor’s hammers = steenen werktuigen en gereedschap.

Thoracic, thərasik, borst...: Thoracic fins = buikvinnen; Thorax, thôrəks, borst(kas), borststuk.

Thorn, thön, doorn(struik), stekel, prikkel: To be a thorn in a person’s side (flesh) = een doorn in ’t oog zijn; To be (sit) upon thorns = op heete kolen zitten; He that handles thorns shall prick his fingers = wie met pek omgaat wordt er mede besmet; Thorn-apple = doornappel; Thorn-back = stekelrog; Thorn-bush = doornstruik; Thorn-but = tarbot; Thorn-hedge = doornhaag; Thorn-letter = de oudste A.S. lettervorm voor de tegenwoordige th; Thorn-set = met doornen bezet of beplant; Thorny = doornachtig, scherp, lastig, kwellend, netelig.

Thorough, thɐrə, volkomen, volmaakt, grondig, volledig, doortastend, doordringend: He is a man of thorough = hij tast door; Thorough-bred = volbloed (Thorough horse), beschaafd, ontwikkeld, grondig, doortastend; Thoroughfare = doorgang, (hoofd)straat: No thoroughfare = voor het verkeer gesloten; Thoroughgoing = doortastend, afdoend, radicaal: A military reconstruction of the most thoroughgoing kind = zoo radicaal mogelijk; The thoroughgoingness of a newspaper = de durf van eene courant; Thorough-lighted = met ramen aan tegenovergestelde zijden; Thorough-paced = afgericht, voltooid, volmaakt, aarts...: A thorough-paced villain = een volleerde schurk; Thoroughness = volkomenheid, grondigheid.

Thorp(e), thöp, dorp, gehucht.

Those, dhouz, (mv. v. That), die: There are those who pretend = er zijn er.

Thou, dhau, gij; verkorting voor thousand; Thou verb. met thou aanspreken.

Though, dhou, ofschoon, indien al, niettegenstaande: Though I say it = al zeg ik het zelf; Though it were true = al was het ook waar; He is a good fellow though = hij is tòch een goede kerel; What though the body dies = wat hindert het of het lichaam sterft; You would though, if you had been present = en toch zou je dat wel, als, etc.; He should play more though = overigens moest hij meer spelen.

Thought, thôt, imperf. en p.p. van to think.

Thought, thôt, gedachte, overweging, bepeinzing, oordeel, meening, voornemen, voorstelling, schijntje: He was a thought taller than the ordinary run of people = een ietsje langer; I will be back upon a thought = in een wip; That thought occurred to (struck) me = die gedachte kwam bij mij op; I didn’t give it thought = heb er geen oogenblik aan gedacht; I had some thoughts of going = liep rond met ’t idee; I cannot read your thoughts = uwe gedachten niet lezen of raden; You had better take thought and not be rash = u goed te bedenken; He took no thought for to-morrow = bekommerde zich niet om; Thought-reader = gedachtenlezer; Thought-reading = het gedachtenlezen; Thoughtful = bepeinzend, vol gedachten, attent, bedachtzaam, bedacht: He is thoughtful of his interests = bedacht op; A thoughtful book = een boek dat tot nadenken stemt; Very thoughtful of you not to forget my birthday = erg attent van u; She talked thoughtfully and sensibly = bedachtzaam; subst. Thoughtfulness; Thoughtless = gedachteloos, zorgeloos; subst. Thoughtlessness.

Thousand, thauz’nd, subst. en adj. duizend(tal): It is a thousand pities = het is doodjammer; It is a thousand nuts to an orange pip = tien tegen één; He is one in a thousand = één uit de duizend; I have a thousand things to do = allerlei dingen; They appeared in their thousands = in grooten getale; Thousand-legs = duizendpoot; Thousandfold = duizendvoudig; Thousandth, subst. en adj. duizendste (deel).

Thrace, threis, Thracië; Thracian = Thrasisch; Thraciër.

Thraldom, thrôld’m, slavernij, lijfeigenschap; Thrall, thrôl, slaaf, slavernij.

Thrash, thraš, dorschen, afranselen, van alle kanten bekijken of bespreken: To thrash over old straw = stroo dorschen (fig.), zich afsloven; Thrashel = dorschvlegel; Thrasher = dorscher; zeevos (soort haai); Thrashing: He got a sound thrashing = een duchtig pak slaag; Thrashing-floor = dorschvloer; Thrashing-machine, Thrashing-mill = dorschmachine.

Thread, thred, subst. draad, garen, meeldraad, vezel, ader; Thread verb. een draad in eene naald steken, zich een doorgang banen, doorheen dringen (= To thread one’s way through): The thread of a screw = draad van een schroef; To lose the thread of one’s discourse; To pick up threads = het gesprek aan den gang krijgen; To take up the thread of a tale; Its existence was hanging on (by) a (slender) thin thread = hing aan een zijden draadje; I hadn’t a dry thread on me = geen drogen draad aan mijn lijf; Air threads = herfstdraden; To thread the needle = figuur in een dans, waarbij de paren onder opgeheven en verbonden handen doorgaan; Threadbare = kaal, versleten, afgezaagd; subst. Threadbareness; Thread-bobbin = garenklos; Thread-paper(s) = dunne reepjes papier, papillotten: I am not going to fret myself into thread-paper for her = denk me niet dood te kniezen; Thread-worm = draadworm; Threadiness, subst. v. Thready = draderig, dun.

Threat, thret, subst. bedreiging: Empty threat = ijdele; Threaten = dreigen, bedriegen, schrik aanjagen (door bedreigingen), een dreigend aanzien hebben; Threatener; Threatening: Threatening-letter = dreigbrief.

Three, thrî, subst. en adj. drie(tal): In three copies = in triplo; To fold in threes = in drieën; I had round number three with him = ik heb duchtig met hem afgerekend; The rule of three = regel v. drieën; The three F’s = eischen der Iersche Landliga: Free Sale, Fixity of Tenure, Fair rent; I won’t sell it under three figures = onder £ 100; Three-figure accidents are almost unknown now = ongelukken, waarbij 100 of meer menschen hun leven verliezen; Three-act(ed) = in 3 bedrijven; Three-cornered = met 3 hoeken of punten: Three-cornered constituency = kiesdistrict dat drie leden afvaardigt, terwijl ieder kiezer slechts op twee van deze mag stemmen; Three-decker = driedekker; ouderwetsche kansel met drie verdiepingen of lezenaars; Threefold = drievoudig; Three-foot stool = driepoot; Three-headed = met drie koppen of hoofden; The Three Hours’ Agony (Service) = dienst op Goeden Vrijdag van 12–3; Three-pence, thrip’ns, driestuiverstukje; Threepenny, thrip’ni, van drie stuivers; gering, gewoon; Threepenny bit = Three penny piece; It’s a threepenny concern = sjofel boeltje; Threepenny piece = driestuiverstuk; A Three-piled Persian carpet = rijk, zwaar Perzisch kleed; Threescore = zestig; Three-square = driehoekig, met drie punten; A bottle of three-star brandy = fijne cognac (etiket met drie sterren erop); Three-tailed pasha = met 3 paardestaarten.

Threnody, threnədi, klaagzang.

Thresh, threš; Thresher. Zie Thrash.

Threshold, threšould, drempel, ingang, begin.

Threw, thrû, imperf. van to throw.

Thrice, thrais, driemaal; Thrice-blest = overgelukkig; Thrice-favoured = buitengewoon begunstigd.

Thrid, thrid, doorsteken. Zie Thread.

Thrift, thrift, zuinigheid, spaarzaamheid, voorspoed; anjelier; Thriftiness = spaarzaamheid, voorspoed; Thriftless = verkwistend; subst. Thriftlessness; Thrifty = spaarzaam, voorspoedig.

Thrill, thril, subst. siddering; drilboor; Thrill verb. doordringen, doorboren, trillen, rillen; kweelen: This sent a thrill of horror through the world = deed van afgrijzen rillen; It thrilled him with a vague dread = eene onbepaalde vrees doortrilde hem; He thrilled at hearing this = sidderde; Thrillers and curdlers = sensatie-romans.

Thrive, thraiv, bloeien, vooruitkomen, gelukkig zijn, gedijen, toenemen: He that will thrive Must rise at five, He that has thriven May lie till seven = Zal het u goedgaan, Wil dan vroeg opstaan, Hebt ge ’t geld verdiend, Lig dan langer, vriend; Ill weeds are sure to thrive = onkruid vergaat niet; Thriven, thriv’n, p.p. van Thrive; Thriver = voorspoedig man; Thriving = voorspoedig, bloeiend; subst. Thrivingness.

Thro’, thrû = Through.

Throat, throut, keel, strot, stem, ingang, nauwe doorgang: To clear one’s throat = schrapen; These two merchants are cutting each other’s throats = werken elkaar er onder; You cut your own throat by doing this = benadeelt uzelf; I was down her throat in a moment = hield haar onmiddellijk aan haar woord; Don’t jump down my throat = stuif niet zoo op tegen me; I felt a ball rising in my throat = ik kreeg een prop in de keel; He lied in his throat = loog schandalig; It still sticks in my throat = zit me nog hoog (fig.); He held a knife to my throat = hij zette mij het mes op de keel; I have the exhibition up to my throat = de tentoonstelling hangt me de keel uit; Throat-band = Throat-latch = keelriem (v. een paard); Throat-wort = halskruid (soort v. klokje); A full-throated song = lied uit volle borst; Throaty = gutturaal, uit de keel; vraatzuchtig.

Throb, throb, subst. klopping; Throb verb. kloppen: My heart throbs.

Throe, throu, subst. hevige pijn; Throe verb. in barensnood verkeeren, groote pijn lijden; Throes = barensweeën: Last throes = doodstrijd.

Throne, throun, subst. troon; Throne verb. zie Enthrone; Speech from the throne = troonrede; To ascend (mount) the throne = bestijgen; To come to the throne; Throne-room = troonzaal.

Throng, throŋ, subst. gedrang, groote menigte; Throng verb. verdringen, opdringen, toestroomen: The people came thronging in = stroomden naar binnen; Thronged-out streets = schoongeveegde straten; Thronged with = vol.

Throstle, thros’l, zanglijster.

Throttle, throt’l, subst. luchtpijp, keel; Throttle verb. smoren, (ver)stikken: Throttled to death; Throttler.

Through, thrû, door, doorheen, geheel, wegens: To be wet through = doornat zijn; Through and through = door en door; It’s all through you = ’t komt al door u; Through the year = het geheele jaar door; To be through = klaar zijn; My intention will be carried through = doorgezet worden; The plan has fallen through = viel in duigen; To get (go) through = te boven komen, ten einde brengen, komen door (een examen); I read it through from cover to cover = las het heelemaal door; He saw through my intentions = doorzag; Through-carriage = doorgaand rijtuig; Through-line = doorloopend spoor; Through-passenger = doorgaand passagier; Through-ticket; Through-traffic = transitohandel; Through-train = doorgaande; Through-waybill = dóorbevrachting v. het continent naar eenig deel van Engeland; Throughout: Throughout the day = den geheelen dag lang; All of a through piece = geheel uit één stuk.

Throve, throuv, imperf. van to thrive.

Throw, throu, subst. gooi, worp; Throw verb. werpen, smijten, slingeren, in haast aan- of omdoen, afwerpen, slaan, opwerpen, dobbelen, verliezen, etc.: To throw light on = licht werpen op; I wrestled with my pride and threw it = en overwon hem; They have thrown stones at us = ons met steenen gegooid; She threw herself away on a drunken baronet = verslingerde zich aan; That’s throwing money away = geld in ’t water gooien; Good advice is thrown away upon him = is niet aan hem besteed; The reflectors threw back the light = kaatsten terug; To throw by = ter zijde werpen, verwerpen; To throw down = neergooien, omgooien, tegen den grond gooien; He threw himself down = ging liggen; Allow me to throw in a word = mag ik ook een woordje meespreken? I was thrown into enthusiasm = gebracht tot; I have thrown him off = wil niets meer met hem te maken hebben; I threw on my trousers = schoot mijne broek aan; I throw myself on your mercy = geef me over; He threw it out quite suddenly = kwam er in eens mee voor den dag; The bill was thrown out = werd verworpen; We find ourselves thrown out = teleurgesteld; She has thrown him over = de bons gegeven; To throw to the winds = de brui geven van; Her jet ornaments threw up the whiteness of her skin = deden uitkomen; He has thrown up the sponge = heeft zich gewonnen gegeven; He was thrown with that girl = verkikkerd op; I had never thought I should be thrown much with such people = aangehaald worden, veel omgang hebben met; A throw-down cracker = voetzoeker; Thrower = werper, gooier, draaier, twijnder; Throwing back = atavisme; Thrown = getwijnd, gedraaid; Throwster = twijnster (v. zijde).

Thrum, thrɐm, subst. zelfkant, kwast, meeldraad (Thrums = grof garen, garenafval); Thrum verb. (eene mat) spekken; krassen, tjingelen, trommelen (op piano): The thrumming of an old guitar = het tjingelen op.

Thrush, thrɐš, zanglijster; spruw.

Thrust, thrɐst, subst. stoot, steek, aanval, horizontale drukking; Thrust verb. stooten, drijven, duwen, steken, indringen: He thrust (made a thrust) at me = stiet naar mij; He thrust himself in(to) our society = drong zich; Thruster = doorsteker.

Thud, thɐd, slag, plof, bons; Thud verb. dreunen, kloppen: He fell with a dull thud on the path = met een doffen slag; A dull, thudding pain = drukkende, zware pijn.

Thug, thɐg, sluipmoordenaar, lid v. een vroegere moordenaarsbende (Brit. Indië); Thuggee = mysteriën of bedrijf der thugs = Thuggery = Thuggism.

Thule, thjûli: Ultima Thule = het einde der wereld.

Thumb, thɐm, subst. duim; Thumb verb. beduimelen, betasten, met de vingers trommelen, onhandig doen: Tom Thumb = Klein Duimpje; His fingers are all thumbs = zijne handen staan hem verkeerd; To have (hold) under one’s thumb = onder den duim houden; I was left to twirl my thumbs = ik kon op mijn duim zuigen; Thumb-lock = drukslot; Thumb-mark; Thumb-nail, subst. nagel van den duim, penkras; adj. klein: I dashed off a thumb-nail on the envelope = gooide een schetsje op de enveloppe; Thumb-nail sketches = penkrassen; Thumb-screw = duimschroef; Thumb-stall = duimeling; Thumbkins = duimschroeven.

Thump, thɐmp, subst. zware slag, bons, plof; Thump verb. stompen, ploffen, zwaar neerkomen: It is a downright thumping lie = een groote leugen; That thumping rascal = die vervloekte schurk; Thumper = iets kolossaals, een groote leugen.

Thunder, thɐndə, donder, donderslag, onweer, banbliksem; Thunder verb. donderen, bulderen, slingeren: By thunder = voor den donder; What in thunder do you want = wat donder wil je eigenlijk? Rolling peals of thunder = ratelende donderslagen; It is the thunder that strikes, but the lightning that smites = de donder ratelt, de bliksem slaat in (= groote woorden zijn maar wind); We shall have thunder to-day = krijgen onweer; Thunder of applause; Thunder of cannon; Thunder and lightning trousers = broek van donkergrauwe stof met witte spikkels; To thunder out an excommunication; Thunderbolt = bliksemstraal, donderslag, banbliksem: Like a (thunder)bolt from the blue = gelijk een donderslag uit onbewolkten hemel; Thunder-clap = donderslag = Clap of thunder; Thunder-cloud = onweerswolk; Thunder-dart = bliksemschicht; Thunder-peal = slag; Thunder-pick = pijlsteen, dondersteen; Thunder-storm = onweer; Thunder-struck = (als) door den bliksem getroffen; Thunderer = donderaar (naam van “The Times”); Thunderous: Thunderous roar = donderend geraas.

Thurible, thjûrib’l, wierookvat; Thurifer, thjûrifɐ̂, wierookvatzwaaier; Thuriferous, thjurifərɐs, wierook bevattend of voortbrengend; Thurification = bewierooking.

Thuringia, thjurinžiə, Thuringen; Thuringian, (bewoner) van Th.; Thuringsch.

Thursday, thɐ̂zdi, Donderdag: Holy Thursday = Hemelvaartsdag; Maundy Thursday = Witte Donderdag.

Thus, dhɐs, subst. wierook.

Thus, dhɐs, aldus, dientengevolge, dus, tot aan: Thus far = tot hiertoe; As thus = als volgt; I told you thus much = dit (alles) heb ik u gezegd.

Thwack, thwak, subst. harde slag, stomp; Thwack verb. slaan, stompen; Thwacking = pak slaag.

Thwart, thwöt, subst. doft; adj. dwars, schuin; adv. dwars; prep. dwarsover; subst. tegenstand, belemmering; Thwart verb. kruisen, dwarsboomen; Thwartness = dwarsheid, weerbarstigheid; Thwartships = dwarsscheeps.

Thy, dhai, bez. vnw.: uw; Thyself = uzelf.

Thylacine, thailəsain, buidelwolf.

Thyme, taim, tijm; Thymy, vol tijm, geurig.

Thyroid, thairôid, schildvormig; Thyroid-cartilage = schildvormig kraakbeen.

Thyrse, thɐ̂s (Thyrsus, thɐ̂səs), Bacchusstaf; Thyrsoid, thɐ̂sôid, in den vorm van een B.

Tiara, taiêrə, taiârə, tiara, driedubbele pausenkroon, pausel. waardigheid, soort v. diadeem: Tiaraed, taiêrad met een tiara getooid.

Tib, tib: St Tib’s Eve = Juttemis; Tib-cat = kat.

Tib, tib: Tib out = uitknijpen (Schoolslang).

Tibald, tibəld; Tiber, taibə, Tiber; Tiberius, taibîriəs; Tibet, tibət, tibet.

Tibia, tibiə, scheenbeen, adj. Tibial.

Tic, tik, neuralgie, aangezichtspijn.

Tichborne, titšbən.

Tick, tik, subst. teek, tijk, tikje, teeken, stip, getik; crediet, rekening; Tick verb. tikken, borgen, crediet geven of krijgen, ter contrôle aanschrappen op een lijst: He that has no money, needs no purse, but tick = heeft crediet en geene beurs noodig; A state of tick = toest. v. geldgebrek; He buys everything on tick = op den pof, op crediet; To give one no end of tick; You cannot tick a man off into columns in a parliamentary return = men kan een mensch niet in rubrieken verdeelen in eene regeeringsstatistiek; Tick-bean = paardeboon; Tick-tack of the clock; Ticker = horloge.

Ticken, tik’n, stof voor beddetijk.

Ticket, tikət, kaartje, biljet, lot, toegangsbewijs, plaatskaartje, lommerdbriefje, etiket, mandaat, gedrukte candidatenlijst bij verkiezingen, stembiljet (Am.): That’s the ticket = dat is je ware; To buy one’s ticket (Am. voor Eng.: To take one’s ticket) een kaartje nemen; He was elected on the radical ticket = op het radicale program; Ticket-collector (-examiner) = controleur; Ticket-day = eerste dag der rescontre; Ticket-of-leave = bewijs van voorwaardelijke invrijheidstelling; Ticket-of-leave-man = voorwaardelijk vrijgelatene; Ticket-night = soort benefice voorstelling; Ticket-office = plaatskaartenbureau; Ticket-porter = gepatenteerd of door eene maatschappij aangestelde kruier; Ticket-window = loket.

Ticking = Ticken.

Tickle, tik’l, kietelen, streelen: That tickled them = dat deed hun aangenaam aan; He tried to tickle my palm = mij duimzalf te geven; Tickler = netelige vraag, raadsel; stok, pak slaag; Ticklish, wankel(moedig), onvertrouwbaar, netelig, lastig; subst. Ticklishness.

Tidal, taid’l, wat tot ebbe of vloed behoort: Tidal service = stoombootdienst in verband met het getij; Tidal wave = vloedgolf; I leave by the tidal (train) for France = met den trein, die op het getij rijdt.

Tidbit, tidbit = Titbit.

Tiddler, tidlə: Tom Tiddler’s ground = luilekkerland.

Tide, taid, subst. tijd, tij, getij, hooge stand, vloed, stroom, loop der omstandigheden; Tide verb. met het getij een haven binnenvallen of verlaten, met tij zeilen of drijven: Outgoing tide = ebbe; The tide of fortune (success) was flowing = was met ons (hem, etc.); The tide was going at a strong (great) rate = er liep een zwaar tij; We leave at the shifting of the tide = bij het kenteren van het getij; We are sailing with the tide = met den stroom; We could hardly stem the tide = haast niet doodzeilen; He took fortune at the tide = Took the tide at the flood = smeedde het ijzer toen het heet was; We tided over those days = zijn gelukkig te boven gekomen; It remains to be seen whether you can tide over the difficulties = of gij er u doorheen kunt slaan; Tide-gate = sluis v. een kanaal dat den invloed v. het tij ondervindt; Tide-gauge = peilschaal; Tidesman, Tide-surveyor = kommies te water; Tide-table = tafel der hoogwatergetijden; Tide-waiter = Tidesman; Tide-water = water dat den invloed van ebbe en vloed ondervindt; Tide-wave = vloedgolf; In the tide-way = op stroom; Tideless = zonder tij.

Tidiness, taidinəs, subst. v. Tidy.

Tidings, taidiŋz, tijding, bericht: To bring (receive, send) tidings.

Tidy, taidi, netjes, proper, zindelijk; subst. gehaakt kleedje, anti-macassar, morsschortje; Tidy verb. opruimen, in orde brengen, opknappen: It cost me a tidy penny = een mooien duit; I must tidy away all the memories of yore = moet verdrijven; To tidy up = zich opknappen.

Tie, tai, subst. band, knoop, haarband, gelijk aantal punten, onbesliste wedstrijd, gelijk aantal stemmen, verbindingsbalk, verbindingsteeken, strikje; Tie verb. binden, verbinden, onderbinden, knoopen, beperken, precies gelijk zijn (bij een wedstrijd): White evening tie = strikje; Final tie = eindwedstrijd; The ties of friendship, love, kindred = banden van vriendschap, liefde, bloedverwantschap; He is a tie on me = is mij tot last, bindt mij de handen; To do up one’s tie = (hals)strikje knoopen; This poet scores a tie with Tennyson in the collection = van beiden zijn evenveel stukken opgenomen; To tie a knot = een knoop leggen; I am tied down to my work = gebonden aan; Tie it in a bow = maak er een strik van; I have tied it up = heb het dicht gebonden; She tied up her money that her husband could not get at it = zij zette haar geld vast.

Tier, tîə, reeks, rij, rang; Tier verb. in rijen rangschikken: The cells were built in tiers, one over the other.

Tierce, tîəs, maat, gewicht (Zie Terce); volgkaarten, terts, drielingsbalk (Herald).

Tiercel, tîəs’l, mannetjesvalk.

Tiercet, tîəsət, tɐ̂sət, terzet, drieregelig gedicht.

Tiff, tif, subst. booze bui, kleine ruzie; slokje: She was in a tiff = had eene kwade bui; The two lovers have had a tiff = hebben standjes gehad; To take tiff = zich beleedigd gevoelen; She is a little tiffed, and thinks we have treated her ill = boos; Tiffish = prikkelbaar.

Tiffany, tifəni, dun zijden gaas.

Tiffin, tifin, lunch of kleine maaltijd.

Tig, tig, vangspelletje (met tikjes).

Tiger, taigə, tijger, opsnijer, livreiknecht(je); extra luid applaus (Amer.): Three cheers and a tiger; They were fighting the tiger = zij waren aan het dobbelen (Am.); Tiger-cat = tijgerkat; Tiger-lily = tijgerlelie; Tiger-spotted = getijgerd; Tiger-wood = tijgerhout; Tig(e)rish = tijgerachtig; opsnijerig.

Tight, tait, (lucht)dicht, strak, dicht, nauwsluitend, sterk, goedgebouwd, keurig, net, hevig, benauwd, schaarsch, gierig, dronken; (Tights = nauwsluitend tricot, zooals van acrobaten, etc.; spanbroek): Tight as a drum = smoordronken; Money is tight = ’t geld is krap; That’s an uncommonly tight fit = dat sluit zeer nauw, dat moet er buitengewoon precies ingepakt worden, dat kan er nauwelijks in; I found myself in a very tight place = benarde positie; The tight and the slack rope = het gespannen en het slappe koord; He keeps his children tight = kort; proper; Everything on the deck was set tight = vastgezet, vastgesjord; Sit tight = houd je vast; Air-tight = luchtdicht; Tight-fisted = gierig; Tight-fitting = nauwsluitend; Tight-laced = bekrompen; Tighten = aanhalen, spannen, zich samentrekken; Tightness = dichtheid, etc.

Tigress, taigrəs, tijgerin.

Tigris, taigris, Tiger.

Tigrish, taigriš = Tigerish.

Tilbury, tilbəri, tilbury.

Tile, tail, subst. (dak)pan, aarden deksel, hoed, deur v. eene vrijmetselaarsloge; Tile verb. met pannen dekken, zorgen dat geene oningewijden binnenkomen: Ridge tiles = vorstpannen; He has a tile loose (off) = het mankeert hem in zijn bovenste verdieping; We are tiled = de loge is gedekt, we zijn onder ons = This is a tiled meeting; Tile-burner = pannenbakker; Tile-drain = afvoerbuis; Tile-kiln = pannenbakkersoven; Tile-work(s) = pannenbakkerij; Tiler = pannendekker, dekker van de loge (vrijmetselaars); Tilery = pannenbakkerij.

Tilia, tiliə, linde(boom); Tiliaceous, tilieišəs, gelijkende op of verwant met de tilia.

Till, til, lade, winkellade.

Till, til, beploegen, bebouwen; Tillable = bebouwbaar; Tillage, tilidž, akkerbouw; Tiller = akkerman, boer.

Till, til, tot, tot aan (alléén van tijd): It is not more than two hours till dinner time = vóór; He did not come home till five = eerst om vijf uur; Till now = tot nu toe; Till then = tot dien tijd toe.

Tiller, tilə, subst. handvat, roerpen, helm(stok), schoot, uitlooper, jonge tak; Tiller verb. uitloopen, nieuwe takken krijgen; Tiller-chain = stuurketting; Tiller-rope = stuurtouw, stuurreep. Zie Till.

Tilt, tilt, subst. tent, huif, zonnetent, dekzeil; steekspel (= Tilts), smeehamer, vooroverhelling (van vaten); Tilt verb. met een tent of een zeil bedekken, met een lans stooten, naar een ring steken, eene lans breken, vechten (voor), overhellen (van vaten), scheef staan, kenteren, hameren, wiegelen of dansen (op de golven): He ran full tilt at his enemy = liep met alle kracht (pardoes) aan op; He sat tilting his chair = zat te wiegelen met; He tilted himself on tiptoe = ging op de teenen staan; To tilt at windmills = vechten tegen; The hat was tilted over her ear = stond op haar ééne oor; Tilt-boat = tentboot; Tilt-cart = kipkar; Tilt-hammer = smeehamer; Tilt-roof = koepeldak; Tilt-waggon = met een kap bedekte wagon; Tilt-yard = tournooiveld; Tilting-competition = ringsteken.

Tilth, tilth: The land is in good tilth = goed bebouwd.

Tim, tim, verk. van Timothy.

Timbal, timb’l; Zie Tymbal.

Timber, timbə, subst. timmerhout, boomstam, boomen, bouwmateriaal, hout, spant, barrière, woud (Amer.); adj. houten; Timber verb. met hout beschieten, van hout bouwen: Shiver my timbers = de drommel hale mij; He had a well-timbered frame = goed gebouwd en krachtig lichaam; Timber-forest = hoogstammig woud; Timber-lesson = het afranselen en uit de stad jagen van vagebonden (Amer.); Timber-merchant = houtkooper; Timber-ship = houtschip; Timber-trade = houthandel; Timber-tree = boom die timmerhout oplevert; Timber-work = houtwerk, timmerwerk; Timber-yard = houtstek, houtloods; Timbered = van hout gemaakt, met hout beschoten, bedekt met boomen voor timmerhout, massief, krachtig.

Timbre, timbə, timbre.

Timbrel, timbr’l, soort van tamboerijn.

Time, taim, subst. tijd, duur, keer, maat, tempo, gelegenheid; Time verb. in verband met den tijd inrichten of regelen, op het juiste oogenblik doen, de maat aangeven, den tijd bepalen voor, overeenstemmen, maat houden, etc.: He who gains time, gains everything = tijd gewonnen, alles gewonnen; Take time while time serves = gebruik uw tijd goed; Time and straw make medlars ripe = de tijd baart rozen; Time is money; Time enough always proves little enough = menschen, die den tijd hebben komen altijd tijd te kort; Time and the hour runs through the roughest day = aan den zwaarsten dag komt eenmaal een einde; Time and tide wait for no man = de tijd schikt zich niet naar ons, wij moeten ons naar den tijd schikken; Time was, when ... = er was een tijd, dat; What time is it? = What is the time? = hoe laat is het? Then is the time to show your talents = dan is het tijd; Time is up! = het is tijd, de tijd is om; In course of time = mettertijd; That is quite a length of time = dat is een heele tijd; He did it in the right nick of time = te juister tijd; Time and again = telkens weer; In times to come = in de toekomst; From times immemorial = sedert onheugelijke tijden; I have known him time out of mind = ik ken hem ik weet niet hoe lang al; Apparent, Solar time = zonnetijd; Sidereal time = sterrentijd; Greenwich time = tijd volgens den meridiaan van Gr.; It is close time = gesloten jachttijd; In the day time = over dag; I received your favour in due time = uwe letteren te bestemder tijd; It’s a dull time = een saaie, slappe tijd; We had a good (fine) time = hebben ons uitstekend geamuseerd; He came here in good time = op het juiste oogenblik; Do everything in good time = op zijn tijd; We hope to marry in good time = als de omstandigheden gunstig zijn; Lost time is never found again = verloren tijd keert nimmer weer; Many a time and oft = herhaalde malen; The mean time = middelbare tijd; In the mean time = middelerwijl; There is no time like the present = stel niet uit wat ge heden kunt doen; begin dadelijk; He did it in less than no time = in een ommezien; The good old times = de goeie oude tijd; I shall do it in proper time = te bekwamer tijd; To march at quick (double quick) time = in versnelden pas (met den looppas); I saw him a short time since = kort geleden; Have you got the true time? = weet je precies hoe laat of het is; Time after time = keer op keer; To walk (work, write) against time = op tijd loopen (sport); zoo hard mogelijk loopen, werken, schrijven; To talk against time = zoo snel mogelijk praten om tijd te winnen, of verlegenheid te verbergen; At times = nu en dan; Two at a time = twee tegelijk; At my time of day = op mijn leeftijd; At the time of his death = ten tijde dat hij stierf; At one time you told me so = eens; I’ll see you at one time or other = kom je te eeniger tijd bezoeken; It is foolish to complain at this time of day = thans nog; A bit behind (before) your time = te laat, (te vroeg); We shall have the sum by that time = tegen dien tijd; You ought to be ready by this time = thans; I stop(ped) for the time being = voor het oogenblik (destijds); I have not seen you for a long time = in lang niet; He lived here for a time = een tijdje; You had better repent in time = bijtijds, voordat het te laat is; Your remark is out of time = te onpas; You are out of time = uit de maat; He was knocked out of time = zoo geslagen, dat hij zijn bekomst had; The train ran to time, arrived to time = was precies op tijd; Up to this time he paid regularly = tot hiertoe; Once upon a time there was = er was er eens; An orchestral conductor has to beat time = moet de maat slaan; He has husbanded (out) his time = zijn tijd zuinig besteed; You must improve the time = zoo goed mogelijk besteden; You don’t keep time = bent uit de maat; I wish to kill (the) time, for time hangs heavy on my hands = den tijd te korten, die mij lang valt; He knows the time of day = weet hoe laat het is (fig.); I shall not lose time to visit you = zal u spoedig komen bezoeken; That will take up a good deal of time = heel wat tijd kosten; He took present time by the top = greep de gelegenheid aan; Will you allow me to time myself? = mag ik eens op mijn horloge kijken (om te zien hoe lang ik noodig heb gehad of hier geweest ben); The train is timed to reach L. at 8 = moet om 8 uur te L. zijn; The visit was timed at an inopportune moment = het bezoek kwam zeer ongelegen; It was an ill-timed thought = eene op dat oogenblik ongelukkige gedachte; Time-bargain = tijdhandel, contract op levering; Time-bill = dienstregeling; Time-cribbing = onwettig overwerk; Time-expired = zijn tijd uitgediend; Time-freight = ijlgoed; Time-glass, Glass of time = tijglas, zandlooper; Time-honoured = achtenswaardig: A time-honoured usage = eene eerbiedwaardige gewoonte; Time-keeper = chronometer, metronoom; scheidsrechter, iem. die de tijden aangeeft (Sport); controleur; Time-lock = slot dat slechts op bepaalde tijden kan worden geopend; Time-piece = uurwerk, chronometer; Time-pleaser = iemand, die de huik naar den wind hangt = Time-server; Time-serving, subst. het huilen met de wolven; adj. zich schikkend naar de heerschende opinie; Time-table = dienstregeling, spoorboekje, lesrooster, leerplan; Time-worn = versleten; Timeful = gepast, tijdig, vroeg; Timeless = ontijdig; eindeloos, eeuwig; Timeliness, subst. v. Timely = tijdig, vroeg: A timely remark = eene te juister tijd gemaakte opmerking.

Timid, timid, beschroomd, bedeesd: As timid as a hare = zoo bang als een wezel; subst. Timidity, timiditi = Timidness.

Timocracy, taimokresi, timocratie; adj. Timocratic, t(a)iməkratik.

Timon, taim’n, Timon; Timor, timö.

Timorous, timərɐs, schroomvallig, vreesachtig; adj. Timorousness.

Timothy grass, timəthigrâs, timotheegras.

Tin, tin, subst. tin, blik, geld, splint; adj. tinnen; Tin verb. vertinnen, met stanniool beleggen, inmaken: A tin case for botanical specimens; Nice girls but not much tin = maar geen geld; Tin roof = zinken dak, plat; Tinned meat, fruit = vleesch, vruchten in blik; Tin-foil = stanniool; Tin-man = tinnegieter, blikslager; Tin-mine = tinmijn; Tin-plate = blik; Tin-smith = Tin-man; Tin-solder = soldeer; Tin-type = photographie op metaal (Am.); Tin-worm = duizendpoot; Tinny = tin houdend, vol tin.

Tincal, tiŋk’l, ruwe borax.

Tincture, tiŋktjə, subst. tint, kleur, smaak, zweem, tinktuur; Tincture verb. kleuren, verven, tinten.

Tinder, tində, tonder, zwam; Tinder-box = tonderdoos; Tinderlike = als tonder = Tindery.

Tine, tain, tand van eene vork, tak; Tined: Twelve tined antlers = met 12 takken.

Tinea, tiniə, mot; schin (Med.).

Ting, tiŋ: Ting-ting = klanknaboots. van een (fiets)bel; Ting verb. (doen) klinken: To ting a bell.

Tinge, tinž, subst. tint, kleur, smaakje, zweem; Tinge verb. tinten, kleuren: She had experienced sharp tinges of regret = er nu en dan diep berouw over gehad; Principles, slightly tinged with radicalism = iets radicaal getinte beginselen; Tinger.

Tingle, tiŋg’l, tintelen, prikken, steken, jeuken, tuiten: My ears tingled with it = tuitten ervan; Tingling = kriebelen, tuiten: Tingling of the ears.

Tinker, tiŋkə, subst. (ketel)lapper; Tinker verb. (ketel)lappen, lappen, knoeien aan: Political tinkers = politieke tinnegieters; I must have a tinker at it = het eens onderhanden nemen; He was always tinkering those contracts = zat altijd te knoeien aan die contracten; Tinkering measures = lapmiddelen.

Tinkle, tiŋk’l, subst. gerinkel, geklingel; Tinkle verb. rinkelen, (doen) klinken, tuiten: The tinkling of bells = getjingel; Tinkling his dessert-knife against his wine-glass; Her fingers tinkled over the spinet = tokkelden.

Tinsel, tins’l, subst. klatergoud (ook fig.), brocaat, valsche schijn; adj. oppervlakkig, schijn..., opgeschikt; Tinsel verb. met klatergoud bedekken, mooi maken.

Tint, tint, subst. tint; Tint verb. tinten: Tinted glasses = gekleurde bril; Tintless.

Tintinnabulation, tintənabjuleiš’n, getjingel; Tintinnabulous, tjingelend; Tintinnabulum of rhyme = rijmgetjingel.

Tiny, taini, klein, teer, zwak.

Tip, tip, subst. punt, tip, topje, helmknopje, tikje, fooi, inlichtingen, inrichting om karren te kippen, kipkar, losplaats; Tip verb. punten, de punt beslaan met, wippen of kippen (van eene kar), toppen (van ra’s), omvallen, schenken, eene fooi geven, intieme wenken of inlichtingen geven: Tip of a cigar, the nose, the tail; The pendants shook in the tips of her pretty ears = lellen; She is a lady to the finger tips = op en top; That is a straight tip = duidelijke wenk; I don’t know where he gets his tips = waar hij zijne inlichtingen vandaan haalt; He gave me the tip = hij waarschuwde mij, gaf mij een wenk; Tip-car(t) = kipkar; Tip-cat = timp, tip (ook het spel); Tip-staff = staf, gerechtsdienaar; Tip-tilted = opgewipt; He tipped me a guinea = gaf me; To tip all nine = alle negen omwerpen; Have you tipped the servant? = heb je een fooi gegeven; He tipped me the wink = gaf me een teeken, een wenk; The minister had been tipped the wink as to the writer of the pamphlet = den minister was heimelijk een wenk gegeven; He tipped the liquor off = gooide “’m” om; The new seats in the theatre tip up of their own accord the instant they are vacated = wippen op zoodra men opstaat; Tip-up seats = klapstoelen; Tipping system = fooienstelsel.

Tipperary, tipərêri: Tipperary lawyer = korte eiken knuppel.

Tippet, tipət, pelskraag, sjerp, kraag.

Tipple, tip’l subst. drank, geliefkoosde drank; Tipple verb. pimpelen: A place of tipple = kroeg; This wine is first-rate tipple = is uitstekend; Tippler = drinkebroer; Tippling-house = kroeg.

Tipsiness, tipsinəs, subst. v. Tipsy, tipsi, dronken, aangeschoten; Tipsy-cake = amandelpudding of gebak met madera of iets dergelijks.

Tiptoe, tiptou, subst. punt van de teen; adj. en adv. op de teenen, tersluiks; Tiptoe verb. op de teenen loopen: He was (stood) on tiptoe = stond op de teenen, was zeer nieuwsgierig, in gespannen verwachting; We are on the tiptoe of expectation = in gespannen verwachting.

Tiptop, tiptop, subst. bovenste beste; adj. zeer goed, uitstekend, bovenste beste: A tiptop education = voortreffelijke opvoeding; A tiptopper = banjer, iets heel bijzonders.

Tirade, tireid, tirade; loopje (muz.).

Tirailleur, tiral(j)ɐ̂, scherpschutter.

Tire, taiə, subst. wielband, drijfriem; kleeding, tooi; afmatting; Tire verb. uitputten, vermoeien, vervelen, afmatten: tooien, (op)kleeden; een band doen om: Cushion (Pneumatic) tire = luchtband; This “tired” me = dit verveelde me (Amer.); He soon tired of it = werd het spoedig “beu”; I am tired out = doodop; I am tired to death = doodmoe: He tired me to death = heeft mij doodelijk verveeld; I am tired with (of) listening to your complaints = ben moe (ik heb genoeg) van; Air-tired bicycles = rijwielen met luchtbanden; Dog tired = bekaf; Tiredness = vermoeidheid, uitputting; Tireless = onvermoeid; subst. Tirelessness; Tiresome, taiəs’m, afmattend, vermoeiend, vervelend; subst. Tiresomeness; Tiring: Tiring-room = kleedkamer (voor acteurs); Tiring-woman = kamenier (van een actrice).

Tiro, tairou, beginner; Zie Tyro.

Tirra-lirra, tirəlirə, tiereliere, trara, etc.

Tirw(h)it, tɐ̂(h)wit, kievit.

’Tis, tiz, samentr. van It is.

Tisic(k), tisik; Zie Phthisic.

Tisri, tizri, eerste maand van het burgerlijk jaar (Israël.).

Tissue, tišu, subst. fijn weefsel, goud- of zilverlaken, aaneenschakeling, zijdepapier (Tissue-paper); Tissue verb. weven, doorweven, schakeeren: It is a tissue of lies = weefsel, reeks v. leugens.

Tit, tit, subst. graspieper, meesje; paardje; stukje, brokje, tikje; Tit verb. tikken, gooien: I gave him tit for tat = gaf hem leer om leer; Why should I tit up for it? = er om opgooien; Tit-bit = lekkernij, iets fijns.

Titan, tait’n, zon, Titan; vr. Titaness; Titania, t(a)iteinjə, Titania, de feeënkoningin en vrouw van Oberon; Titanic, taitanik, titanisch, reusachtig.

Tith(e)able, taidhəb’l, tiendbaar; Tithe, taidh, tiende; Tithe verb. tienden heffen; Tithing, taidhiŋ, het heffen van tienden; getal van tien huismannen; Tithing-man = hoofd van een Tithing; in Amer. kerkelijk opziener, ambtenaar belast met het toezicht op de Zondagsviering.

Titillate, titileit, kietelen, prikkelen; subst. Titillation.

Titivate, titiveit, opdirken, opzichtig kleeden.

Titlark, titlâk, graspieper = Titling.

Title, tait’l, subst. titel, opschrift, naam, benaming, aanspraak, eigendomsrecht; Title verb. betitelen, noemen: To bear a title = titel dragen; To have a title to = gerechtigd zijn tot; He took possession by the clearest title = met de duidelijkste (volste) aanspraken; Title-deed = eigendomsacte of -bewijs; Title-page = titelblad; Title-rôle = titelrol; A titled gentleman = adellijk; Titleless = zonder titel.

Titmouse, titmaus, mees.

Titrate, t(a)itreit, titreeren; subst. Titration.

Titter, titə, gichelen, wippen; subst. gegichel: Every one around them was in a titter = aan het gichelen.

Tittle, tit’l, subst. stip, iota; Tittle verb. wauwelen, babbelen: That is it to a tittle = precies; Tittle-tattle, subst. gewauwel, gebabbel, wauwelaar; adj. wauwelend; Tittle-tattle verb. wauwelen; Tittle-tattler = snapper.

Tittlebat, tit’lbat, stekelbaarsje.

Titty-wagger, titiwagə, leugentje.

Titular, titjulə, titulair, in naam; subst. titularis (die ’t ambt niet zelf uitoefent): Titular office = eereambt.

Titus (Brown), brauntaitəs, gewone volksetymol. verbastering van Bronchitis.

Tiver, t(a)ivə, subst. roode oker om schapen te merken; Tiver verb. merken.

Tiverton, tivət’n.

Tizzy, tizi, sixpence.

To, tu, adv. en prep. naar, tot, totaan, tegen, toe, in, voor, vergeleken met: As to this question, I am sorry, I can’t act according to your wish = wat betreft..., overeenkomstig; To it again = maar weer opnieuw; The horses are to = zijn voorgespannen; He pulled the door to = trok dicht; They were singing to the strumming of a guitar = zongen bij; They were sitting to breakfast at a little table = ontbeten; He took my sister to wife = nam tot vrouw; To swing to and fro = heen en weer; Don’t come to and fro but wait = kom niet telkens aanloopen; That is death to the patient = de dood van den patient; He took a liking to her = vatte liefde voor haar op; That is nothing to what I saw = haalt niet bij; That’s pleasant to the palate, taste = doet weldadig aan; To the best of my ability (abilities) = zoo goed ik kan; it was war to the death (knife) between them = strijd op leven en dood; I told it him to his face (teeth) = in zijn gezicht; He is kind to a fault = eigenlijk te goed; We were singing to our hearts’ content = naar hartelust; To his eternal honour be it said = tot zijn onvergankelijke eer; Described to the life = getrouw naar het leven; They were to a man in white gloves = droegen allen zonder onderscheid; It is ten to one that he’ll come = het is tien tegen één; A quarter to three = kwart vóór drie; Done to a turn = precies gaar; He exerted his powers to the utmost = spande zijne krachten tot het uiterste in.

Toad, toud, pad(de); Toad-eater = lage vleier, pluimstrijker; Toad-eating, subst. lage vleierij; adj. verachtelijk vleiend; Toad-fish = padvisch; zeeduivel; Toad-flax = gewone vlasbek; Toad-spit = kikkerspog; Toad-stone = paddensteen (= versteende zeewolfstand); basaltporfier; Toad-stool = paddestoel; Toady, subst. lage vleier; Toady verb. laag vleien: He toadies to the great = loopt achterna; Toadyism = kruiperij, lage vleierij.

Toast, toust, subst. geroosterd brood, toast, dame (of nog algemeener: iemand) op wie gedronken wordt; Toast verb. roosteren, warmen, een dronk instellen, bruin of warm worden: She was the toast of Bath = zij was de gevierde schoone van B.; On toast = prachtig, uitstekend (Amer.): To have a person on toast = in ’t nauw brengen; To give (propose) a toast = instellen; I toast your health = stel een dronk in op; Toast-master = ceremoniemeester, die bij officieele maaltijden de toasten aankondigt en de glazen laat vullen; Toast-rack, Toast-stand = standertje voor geroosterd brood; Toaster = ijzer of vork om te roosteren; Toasting-fork = roostervork; slakkensteker (iron. voor degen).

Tobacco, təbakou, tabak; Tobacco-box = kistje; Tobacco-pipe = tabakspijp; Tobacco-pipe-clay = pijpaarde; Tobacco-pouch = tabakszak; Tobacco-stopper = instrument om (brandende) tabak in de pijp neer te drukken; Tobacco-wrapper = dekblad; Tobacconist = tabaksverkooper (tabaksfabrikant).

Tobias, təbaiəs.

Tobine, toubin, soort taf.

Tobit, toubit.

Tobog(g)an, təbog’n, toboggan, soort slede (Canada); Tobog(g)an verb. bergaf glijden in sleden; Tobog(g)an-slide = glijbaan; Tobog(g)aner, Tobog(g)anist.

Toby, toubi.

Tocher, tokə, subst. bruidsschat (Schot.); Tocher verb. een bruidsschat geven; Tocherless = zonder bruidschat.

Tocqueville, toukvil.

Tocsin, toksin, alarmklok, alarmgelui.

Tod, tod, struik(gewas); oud wolgewicht van 12,7 K.G.; Tod-stove = houtkacheltje (Amer.).

To-day, tudei, vandaag: To-day a man, to-morrow a mouse = vandaag rijk, morgen arm; To-day is the daughter of yesterday = in ’t verleden ligt het heden; To-day me, to-morrow thee = heden ik, morgen gij; One to-day is worth two to-morrows = één vogel in de hand is beter dan tien in de lucht.

Toddle, tod’l, subst. waggelende gang; slentergangetje; Toddle verb. waggelen, familiaar omgaan: I’ll pay the bill, and we’ll toddle = en dan gaan we opstappen; We have not begun to toddle yet = we gaan nog niet familiaar met elkaar om; He toddles on at my side, and dribbles out small talk = hij loopt naast mij voort; Toddler = klein kind.

Toddy, todi, palmdrank; grog met suiker.

Toe, tou, subst. teen; Toe verb. met de teenen aanraken, teenen aanbreien: From top to toe = van top tot teen; To tread on a person’s toes (ook fig.); He has turned up his toes (to the daisies) = is het hoekje om, is dood; Toe the line, boys = allen met de teenen aan de streep; Now you are “toeing the line” of the mystery = nadert ge; To toe a person = een schop geven; Toeless.

Toff, tof, fijne mijnheer, banjer; Toffish = piekfijn, banjerig; subst. Toffishness.

Toffee, Toffy, tofi, kokinje.

Toft, toft, boschje; hofstede; Toftman.

Tog, tog, (meest Togs) plunje; Tog verb. kleeden: In full tog = groot tenue; I have togged myself out in full rig = mij in m’n beste plunje gestoken.

Toga, tougə, toga, tabberd: To fold one’s toga round one = zich in zijn toga hullen (ook fig.).

Together, təgedhə, te zamen, allemaal tegelijk, vereenigd: It has rained for four days together = vier dagen achtereen; By the hour together = een uur lang.

Toggle, tog’l, knoop, knevel (= houten nagel); Toggle-joint = knieverband (bouwk.).

Toil, tôil, subst. zware arbeid, inspanning, net, web of strik (gew. meervoud); Toil verb. werken, zwoegen, afbeulen: We had the enemy in the toils = in onze macht; He was toiling it up the mountain = bracht het zwoegend den berg op; Toil-worn = doodaf; Toiler = zwoeger; Toilsome = zwaar, afmattend; subst. Toilsomeness.

Toilet, tôilət, toilet(tafel), servet, linnen kleedje over kaptafels, enz.; nachtzak; retirade (Amer.): She was at her toilet, making her toilet = bezig haar toilet te maken; She hurried through her toilet = maakte haastig toilet; Toilet-paper = closet-papier; Toilet-sponge.

Toison, tôiz’n, schapevacht: Toison d’or = Gulden Vlies.

Tokay, təkei, Tokayer (wijn).

Token, touk’n, teeken, zinnebeeld, herinnering, gedachtenis, vlek: In token of = ten bewijze; Token-money = noodmunt of -penning; Tokened = met teekens of vlekken.

Tola, toulə, (Br. Ind.) gewicht van ± 11,6 gram.

Told, tould, imperf. en p.p. van to tell.

Toledan, təlîd’n, (bewoner) van Toledo, təlîdou, (zwaard v.) Toledo.

Tolerable, tolərəb’l, dragelijk, tamelijk, redelijk; subst. Tolerableness; I am tolerably well = vrij goed; Tolerance, tolər’ns, verdraagzaamheid, dragelijkheid, toelating; Tolerant = verdraagzaam, lijdend: To be tolerant of = kunnen verdragen (med.); Tolerate, toləreit, dulden, verdragen, toelaten; Toleration = dulding, verdraagzaamheid: To show toleration = verdraagzaam zijn.

Toll, toul, subst. tol(geld), marktgeld, staangeld, schatting, maalloon; langzaam en statig klokgelui; Toll verb. belasten, luiden, slaan, annuleeren, lokken: To exact (take) toll = eischen; Thoughts pay no toll = zijn tolvrij; To toll the funeral bell = de doodsklok luiden; The bell tolled one = sloeg één; Toll-bar = tol- of slagboom; Tollbooth = tolhuis, gevangenis; Toll-bridge = tolbrug; Toll-collector = gaarder; Toll-corn = maalloon (in den vorm van koren); Toll-gate = tolhek; Toll-gatherer = tolgaarder; Toll-house = tolhuis; Toll-man = gaarder; Toll-money; Toll-union = tolverbond; Tollable = belastbaar; Tollage = tol, belasting; Toller = tolgaarder, klokluider.

Tom, tom, verk. van Thomas of Tommy, mannetje, kater (= Tom-cat): I can’t answer every Tom, Dick and Harry = Jan, Piet en Klaas, Jan en alleman; Tomboy = wildzang; Tomfool = kwast, hansworst; Tomfool verb. zich gek aanstellen; Tomfoolery: A piece of tomfoolery = een gekkenstreek; Tom Tiddler’s ground = luilekkerland; Tomnoddy = ezel, domkop. Zie Tommy.

Tomahawk, toməhôk, subst. Indiaansche strijdbijl; Tomahawk verb. met een tomahawk dooden: To bury (dig up) the tomahawk = vrede sluiten (den strijd beginnen).

Tomato, təmâtou, təmeitou, tomaat, liefdesappel; Tomato-sauce = tomatensaus.

Tomb, tûm, subst. graf, grafgewelf, graftombe; Tomb verb. begraven, in eene graftombe bijzetten; Tomb-stone = grafsteen; Tombless.

Tombac, tombək, tombak.

Tombola, tombələ, tombola.

Tome, toum, (zwaar) boekdeel.

Tomentose, təmentous, touməntous, Tomentous, təmentəs, wollig, viltig, met dichte haren bedekt; Tomentum, təment’m, korstzwam.

Tomin, toumin, 12 grains (juweliersgewicht).

Tommy, tomi, (= Tommy Atkins) soldaat; brood(je), proviand, gedwongen winkelnering; Tommy verb. uitbuiten door middel daarvan: Let’s go Tommy Dodd for it = er om opgooien; It’s all Tommy-rot = klets; Tommy-shop; Tommy-system = het stelsel van gedwongen winkelnering.

To-morrow, tumorou, morgen: The old prison was blown into to-morrow = vloog in de lucht; To-morrow morning = morgenvroeg.

Tompion, tompj’n, stop(per), prop.

Tomtit, tomtit, mees, winterkoninkje.

Tomtom, tomtom, trom (O. Ind. en Afrika); Tomtom verb. trommelen.

Ton, ton, toŋ, mode.

Ton, tɐn, ton, maat loopende van 40 tot 2000 cb. feet; gewicht loopende van 600 tot 2000 lbs., met nog speciale beteekenissen voor sommige artikelen. Zie Tonnage.

Tonal, toun’l, toon...; Tonality, tənaliti, juiste toonhoogte, toon: Our Wilhelmus in the old tonality = in de oude toonzetting; Tone, toun, subst. toon, klank, klem, dreun, kleur, aard, stemming, veerkracht; Tone verb. een toon geven of hebben: To tone down = temperen, verzachten; The colour tones gently from deepest blue to liveliest red = gaat zachtkens over; Tone-syllable = beklemde lettergreep; Toneless = toonloos, onwelluidend; subst. Tonelessness.

Tonga, toŋga, tweewielig karretje. (Brit. Ind.).

Tongres, touŋgə, Tongeren.

Tongs, toŋz, tang; Tongs verb. met de tong den klank wijzigen (bij blaasinstrumenten), in een tong uitloopen; ploegen: A pair of tongs = eene tang; To marry over the tongs = over den puthaak trouwen; I wouldn’t touch her with the longest pair of tongs in all the devil’s kitchen = ik zou haar met geen tang willen aanraken; The tongs and the bones = ketelmuziek, mopjes: A few people like classical music, but a very much larger majority prefer the tongs and the bones.

Tongue, tɐŋ, subst. tong, taal, spraak, klepel, tong (van eene gesp), leertje (van een schoen), landtong: That’s a slip of the tongue = eene vergissing; To bite one’s tongue = zich bijten op; It fell from my tongue before I knew it = het ontglipte me; To find one’s tongue = woorden vinden; To give tongue = aanslaan; I have it on the tip of my tongue, at my tongue’s end = het ligt mij op de tong (maar ik kan het niet zeggen); He has an oily tongue, a well-oiled tongue = eene gladde, radde tong; Hold your tongue = houd je mond; To shoot out one’s tongue = uitsteken; He thrust his tongue in his cheek = keek ongeloovig, meesmuilde, lachte ironisch; To wag one’s tongue = rammelen; Tongue-bone; Tongue-lashing = scheldpartij; Tongue-tied = sprakeloos: He stood tongue-tied; Tongue-twister = moeilijk uit te spreken woord; Tongued = met eene tong (in samenst.): Tongued boards = geploegde planken; Tongueless = zonder tong, sprakeloos; Tonguey = rad van tong, met mooie praatjes.

Tonic, tonik, subst. grondtoon, tonisch middel; adj. tonisch; Tonic solfa = het voorstellen van klanken en tonen door letters, enz.; Tonic spasm = rechtstijvigheid.

To-night, tunait, van avond, van nacht.

Tonnage, tɐnidž, tonnemaat, last, tonnegeld: Bill (Certificate) of tonnage = meetbrief; Tonnage and poundage = oude belasting op in- en uitgevoerde koopwaren, wijn, etc.; Tonnage-car = goederenwagen (Am.); A 40 Tonner = schip van 40 t.

Tonsil, tonsil, amandel (keelklier); adj. Tonsillary; Tonsillitis, tonsilaitis, ontsteking der amandelen.

Tonsure, tonšə, tonsuur; Tonsured = met eene tonsuur.

Tontine, tontîn, tontine, een naar Tonti genoemd stelsel van verzekering.

Tony, touni, (verk. v. Anthony), onnoozele hals.

Too, tû, al te, tevens, ook: That’s rather too too = dat is wel wat al tè; Jealous too = nu nog mooier, ook nog jaloersch! Quite too = bovenmate.

Toofer, tûfə, slechte cigarette (= Two for a penny).

Took, tuk, imperf. van to take.

Tool, tûl, subst. werktuig (ook fig.), gereedschap, stempel; Tool verb. vorm geven, een wagen of diligence rijden, van geperste versieringen voorzien: Gold tooling = proces om banden van boeken te versieren met vergulde stempels; Tool-box (-chest) = gereedschapskist; Tool-house.

Toom, tûm, adj. ledig; Toom verb. ledigen.

Toot, tût, toeteren, blazen: The horn was tooting; Tooter = blazer, toeter.

Tooth, tûth, tand, punt: He cast it in my teeth = gooide het mij voor de voeten; The baby has cut its first tooth = gekregen; To clench one’s teeth = op elkaar klemmen; He dared me to the teeth = tartte me tot het uiterste (in mijn gezicht); I did it (told it him) in (spite of) his teeth = ik deed het trots zijn verzet, zeide het vlak in zijn gezicht; To have a tooth drawn (extracted, pulled out, taken out) = laten trekken; He has a sweet tooth = is een zoetekauw; To get rather long in the tooth = aftandsch worden; It makes my teeth (mouth) water = het doet mij watertanden; I say it to your teeth = in uw gezicht; It set my teeth on edge = het deed me griezelen, ik werd er akelig van; He set his teeth in grim earnest = zette op elkaar; To show one’s teeth = de tanden laten zien (ook fig.); To defend tooth and nail = met hand en tand; A set of artificial teeth; Canine, Corner tooth = hoektand; Cutting tooth = snijtand; Double, Grinding tooth = kies; False tooth; Milk tooth; Wisdom tooth; Tooth-ache = tand- of kiespijn; Tooth-brush = tandenborstel; Tooth-drawing = het tandentrekken; Toothedge = het tintelend gevoel door harde en krassende geluiden veroorzaakt; Tooth-key = sleutel om tanden te trekken; Tooth-paste = pasta; Toothpick = tandenstoker; Tooth-powder = tandpoeder; Tooth-socket = tandkas; Tooth-wheel = tandrad; Toothed = met tanden; Toothful = mondje-vol; Toothing = het tanden krijgen of wisselen; Toothless; Toothlet = tandje; Toothletted = fijn getand; Toothsome = lekker, smakelijk; subst. Toothsomeness.

Tootle, tût’l, toeteren, blazen.

Top, top, top(punt), spits, kroon, hoogte, hoofdeinde, hoofd, kap, opslag, mars, hemel, bovenste kant, tol; adj. hoogste, grootste, voornaamste, uiterste; Top verb. uitsteken, overtreffen, bedekken, zich verheffen, de toppen of koppen afsnijden of afslaan, toppen (van ra’s), bestijgen, van kappen voorzien, mesten, hoog zijn, vallen, eindigen, voltooien, etc.: He is at the top of his class = nummer één; To be at the top of the tree = op de bovenste sport (fig.); He cried at the top of his voice = zoo hard hij kon; From top to bottom = van onder tot boven; I have slept like a top = als eene roos, als een otter; On the top of = op den top van, daarop, boven en behalve: It is no joke to go tramping to the poll on the top of a day’s work = na eene harde dagtaak; Inside or on the top, sir? = binnenin of bovenop (de omnibus), mijnheer? They are stories without top or tail = verhalen zonder kop of staart; The top of a loaf = bovenste, kapje; The top of the morning to you! = ik wensch je een goeden morgen (Iersch); The top (bottom, lower end) of a hall = vóórin (achterin) de zaal; Top value = hoogste prijs of noteering; This trip tops and caps all others = overtreft (bekroont); Top-boots = laarzen met gekleurde kappen; Top-branch = hoogste tak; Top-cloth = vinkennet (zeeterm); Top-coat = overjas; Top-draining = droogleggen van de oppervlakte van land; Top-dress, subst. bovenmest; Top-dress verb. de oppervlakte bemesten; Top-dressing = bovenmest: To put a fair top-dressing of gentility on a person = een aardig vernisje van beschaving; Topgallant, subst. bramsteng, toppunt; adj. van de bramsteng, voornaamste, uitstekend; Top-heavy = topzwaar, dronken; Top-hole = prima; Top-knot = kuif, strik op het hoofd; Top-knotted = verwaand, pedant; Top-lantern; Top-light = toplicht; Top-mast = steng; Top-sail = marszeil; Top-sawyer (-man) = bovenste van twee zagers, bovenste-beste, man van voorname familie (of veel geld); Top-soil = bovengrond; Top-stone = deksteen; The haystack was Topped off = voltooid; Topped off with gold and silver = versierd met; They topped up with that work = zij eindigden met; Some cream to top up with = nu nog wat room na; Zie Topper.

Topaz, toupəz, topaas; Topazolite, təpazəlait, gele granaat.

Tope, toup, subst. boschje of groep boomen; Tope verb. zuipen, veel drinken; Toper = zuiplap.

Topee, təpî, helm(hoed) (Br. Ind.).

Topeka, təpîkə; Tophet, toufət (2 Kon. 23, 10).

Topi, təpî = Topee.

Topiary, toupjəri: Topiary work = kunstmatig en tot bepaalde vormen snoeien v. boomen, heggen, enz.

Topic, topic, onderwerp (van gesprek); plaatselijk geneesmiddel; Topical song = gelegenheidsgedicht of -lied; There is no topical interest whatever in the paper = niets actueels.

Topmost, topmoust, hoogste.

Topographer, təpogrəfə, topograaf; Topographic(al), topəgrafik(’l), topographisch; Topography, təpogrəfi, topographie.

Topper, topə, voortreffelijk persoon, uitstekend iets, cylinderhoed: A topper for you = dat is een beste, die kun je in je zak steken; Topping, verheven, uitstekend, fijn, voornaam: A topping passion = alles beheerschende hartstocht.

Topple, top’l, (voorover) tuimelen, neervallen: My airy castle toppled to the earth = viel in.

Topsyturvy, topsitɐ̂vi, onderstboven; subst. chaos; Topsyturvy verb. onderstboven keeren: To turn everything topsyturvy; Topsyturvyfication = omvergooiing: The book is a regular topsyturvyfication of morality = gooit alle moraliteit omver.

Toque, touk, Toquet, təkei, toque.

Tor, tö, steile rots, spitse heuvel.

Torch, tötš, toorts; Torch-bearer = fakkeldrager; Torch-dance, fakkeldans; Torch-light, subst. fakkel- of toortslicht: Torch-light procession = fakkeloptocht; Torch-race = fakkelwedloop; Torch-thistle, fakkeldistel.

Tore, tö, imperf. van to tear.

Toreador, toriədö, toreador.

Torment, töm’nt, kwelling, marteling, plaag.

Torment, töment, martelen, pijnigen; Tormenter, Tormentor = kwelgeest, soort eg, lange vork; Tormentress = kwelster.

Torminal, tömin’l, Torminous, töminɐs, erge krampen hebbend.

Tormintil, töm’ntil, tormentil, bloedroode ooievaarsbek.

Torn, tön, part. perf. van to tear.

Tornado, töneidou, tornado.

Torose, tôrous, tôrous, Torous, tôrəs, gezwollen, knobbelig.

Torpedist, töpîdist, torpedist; Torpedo, töpidou, torpedo; knalpatroon; sidderrog; Torpedo verb. torpedeeren; Torpedo-boat = torpedoboot; Torpedo-catcher, Torpedo(-boat) Torpedo-destroyer = torpedojager; Torpedo-net = torpedonet.

Torpid, töpid, verstijfd, bewegingloos, langzaam, traag; subst. tweedeklasse giek (Oxford), de bemanning daarvan: Torpids = roeiwedstrijden in het voorjaar (Oxf.); Torpidity = Torpidness = verstijfdheid, bewegingloosheid, winterslaap = Torpor, töpə.

Torquay, tökei, töki.

Torrefaction, torifakš’n, uitdroging; Torrefy, torifai, drogen, uitdrogen.

Torrent, tor’nt, subst. hevige stroom, vloed: Torrent of lava; The rain came down in torrents = in stroomen; Torrential, tərenš’l, krachtig, stormachtig: Torrentential applause, enthusiasm.

Torricellian, toritšelj’n, van Torricelli.

Torrid, torid, verzengd, brandend: Torrid zone; subst. Torridness.

Torse, tös, romp; gevlochten krans (herald.); Torsion, töš’n, draaiing, terugdraaiing; adj. Torsional.

Torsk, tösk, dorsen (visch).

Torso, tösou, romp.

Tort, töt, onrecht, nadeel: The Law of Torts, or: a Treatise on the Principles of Obligations arising from Civil Wrongs in the Common Law.

Tortile, töt(a)il, spiraalvormig gewonden; subst. Tortility.

Tortoise, tötəs, (land)schildpad; Tortoise-shell, subst. en adj. (van) schildpad; Tortoise-shell cat = geelbruine.

Tortuose, tötjuous, gekronkeld, gedraaid; Tortuosity, tötjuositi, kronkeling, kromming, slinkschheid.

Tortuous, tötjuəs, gekronkeld, gedraaid, krom, slinksch; subst. Tortuousness.

Torture, tötjə, subst. marteling, zielsangst, pijniging: Torture verb. kwellen, martelen, verdraaien: To put to the torture; Torture of animals = dierenmishandeling; Torturer.

Torulose, tor(j)ulous, Torulous, tor(j)ulɐs, met knoopen.

Tory, tôri, subst. en adj. Tory, conservatief; Toryism = de beginselen der conservatieve partij.

Tosh, toš, onzin.

Toss, tos, subst. opgooien, worp, onrust, angst; Toss verb. werpen, opgooien, slingeren, verontrusten, woelen, dobbelen (door het opgooien v. geldstukjes): In a toss = erg gejaagd; To win the toss = winnen bij het opgooien; To toss the oars = loodrecht opheffen als teeken van begroeting; To toss pancakes = bakken en omgooien in de pan; He could not toss away the image of his love = van zich afzetten; I tossed it in my mind = overlegde het; We tossed him in a blanket = we hebben hem “gejonast”; Toss off your glass = sla’m eens om; We will toss up for it, head or tail = er om opgooien: kruis of munt: To toss up the head = het hoofd in den nek gooien; Toss-up = risico, onzekerheid: It is a regular toss-up = ’t hangt geheel van het toeval af; Toss-pot = zuiplap; The ship was tempest-tossed, tempest-tost = werd door den storm heen en weer geslingerd; Tosser; Tossy = trotsch, met het hoofd in den nek.

Tot, tot, subst. kleine peuter; borreltje: I have drunk your health in a tot of rum = met een glaasje rum.

Tot, tot, som, post; Tot verb. optellen: The Highlander knows how to tot you up a high bill = weet te rekenen; To tot up profits and losses.

Total, tout’l, subst. en adj. (het) geheel, totaal; Total verb. gezamenlijk bedragen: Their number totals 20.000; Total-abstinence = geheelonthouding; Totalisator, toutəlizeitə, totalisator; Totality, tətaliti, de geheele som, het totaal; Totalize = aanvullen; Totalizer = totalisator.

Tote, tout, het geheel (The whole tote); dragen (Amer.): You must tote fair = ge moet eerlijk en billijk handelen; Tote-load = vracht.

Totem, tout’m, totem; Totem-clan = familiestam, met een gemeenschappelijken totem als familiewapen; Totemic, tətemik, tot een totem behoorende; Totemism = gebruik om familiën en stammen een zeker symbool te geven.

Tother, t’other, tɐdhə, samentr. van that (the) other.

Totter, totə, waggelen, wankel loopen: The baby is at the tottering and tumbling age = de kleine begint alléén te loopen; Tottery = bevend, waggelend.

Tottie, toti, kleine of jonge Hottentot.

Totty, toti, subst. kleine “hummel”; adj. waggelend; Totty-headed = lichtzinnig.

Touch, tɐtš, subst. aanraking, voeling, gevoel, lichte aanval, aanslag (van piano of orgel), streek, toetssteen, proef, trek, smaakje, wenk, toespeling, een ietsje, etc.; Touch verb. aanraken, raken, reiken tot, bereiken, voelen, betasten, aanroeren, betreffen, roeren, bedroeven, aannemen, innen, schetsen, schilderen, aanslaan, pakken, beleedigen; bedriegen (Austr.), etc.: To be in touch with = voeling houden met; He came into touch with his century = kreeg voeling met; To establish (Get into) touch with = voeling krijgen met; I have found touch of my fellows = heb voeling gekregen met; I gave my work the finishing touch = heb de laatste hand gelegd; You must keep in touch with us = moet voeling met ons houden; To put to the touch = op de proef stellen; To stand the touch = de proef doorstaan; He has a touch of the gout = aanval van jicht; “No,” he said, with a touch of temper = eenigszins geraakt; It was touch-and-go = het was op het kantje af, er aan toe, het kon weinig lijden; Cold to the touch = op het gevoel; He would touch no food = niet aanraken; Shall we touch glasses = eens klinken; That does not touch the question = raakt; To touch the (touch on the tenderest) spot = den vinger op de wonde plek leggen; We touched the wind = hielden het schip zoo dicht mogelijk aan den wind; Nobody can touch him = bij hem halen; It touched me to the quick = trof mij diep; It touches you more than any of us = raakt u meer; The ship touched = stootte; We sighted an island, but did not touch at it = deden het niet aan; Two of the characters were excellently touched in = uitmuntend geschetst; We will touch of that next time = behandelen; To touch off = vluchtig schetsen, verbeteren, afvuren, geducht raken; Let me just touch on it = het even aanroeren; We shall touch it up = het wat repareeren, opknappen, opfrisschen, retoucheeren; Touch-hole = zundgat; Touch-me-not = kruidje-roer-me-niet; Touch-needle = toetsnaald, proefnaald; Touch-pan = kruitpan; Touch-paper = met salpeter gedrenkt en als lont gebruikt papier; Touchstone = toetssteen: Irish touchstone = basalt van den Giant’s Causeway; Touchwood = zwam; Touchable = raak- of voelbaar; subst. Touchableness; I can do it in four minutes, as near as a toucher = op den kop af; A near toucher = op ’t kantje af; Touching, adj. roerend, treffend; prep. betreffende, aangaande; Touchiness, subst. v. Touchy = knorrig, lichtgeraakt.

Tough, tɐf, taai, hard, streng, vasthoudend; subst. verloopen vent, vechtersbaas (Amer.): Oh, say now! This is tough = kras; He is a tough customer = laat niet los; I had a tough time with Pa = had heel wat met Pa te stellen; That is a tough piece of work = moeilijk werk; Toughen = taai worden of maken; Toughish = ietwat taai; Toughness = taaiheid.

Toupee, tûpî, Toupet, tupei, pruikje.

Tour, tûə, subst. rondreis, uitstapje, toer, volgorde; Tour verb. een rondreis doen, rondgaan, een uitstapje doen; Tourist = tourist: Tour ticket = rondreisbiljet.

Tournament, tûənəment. Zie Tourney.

Tournay, tûənei, Doornik.

Tourney, tûəni, tournooi, steekspel.

Tourniquet, tûəniket, draaikruis, haspel.

Tournure, tûənjûə, tournure, houding, omtrek, vorm.

Tousle, tauz’l, in wanorde brengen; adj. Tousy.

Tout, taut, subst. klantenlokker, spion die inlichtingen geeft omtrent voor wedrennen geoefend wordende paarden; Tout verb. spionneeren, beloeren, klanten lokken: A money-lender’s tout = de handlanger van een geldschieter; What can be got by touting among the critics is not worth the ignominy = wat men bij de critici wint door ze achterna te loopen; To tout for applause, custom, orders = bedelen om, zoeken te lokken; Touter = Tout.

Tow, tou, sleeptouw; Tow verb. boegseeren, sleepen: To take in tow = op sleeptouw nemen (ook fig.); Towboat = sleepboot; Tow-car = volgwagen (tram); Tow-line = sleeplijn = Tow-rope; Towage, touidž, het sleepen, sleeploon; Towing-path = jaagpad; Towing-vessel = sleepboot.

Tow, tou, werk, touw; Tow-cloth = paklinnen; Tow-head = vlaskop; adj. Tow-headed.

Toward, touəd, aanstaande, nabij, gewillig, gehoorzaam, leergierig: A battle is toward = op til; What is toward? = wat is er aan de hand; Toward(li)ness = bereidwilligheid, leergierigheid; adj. Towardly; Towards, touədz, tödz, naar toe, in de richting van, tegenover, ten opzichte, bijna, omtrent.

Towcester, taustə.

Towel, tauəl, handdoek, doek; Towel verb. afwrijven, ranselen: Oaken towel = knuppel; Towel-horse = rekje; Towelling = linnen voor handdoeken, pak ransel.

Tower, tauə, subst. toren zonder spits, burcht, kasteel, hoog kapsel; Tower verb. zich verheffen, uitsteken boven, hoogvliegen: Tower of silence = ronde toren, waarin de Perzen (in Indië) hunne dooden (tot aas voor de gieren) leggen; Tower-bastion = kleine toren in den vorm van een bastion; Towering = zeer hoog of groot, buitengewoon hevig: Towering rage.

Town, taun, subst. stad: Town and gown = de stedelingen tegenover professoren en studenten; He is a man about town = roué, viveur, iemand, die veel uitgaat; A man on town = een “city”-man; A girl of the town = prostituée; Town clerk = gemeente-secretaris en archivaris; Town council = gemeenteraad; Town councillor = gemeenteraadslid; Towncrier = stadsomroeper; Townhall = gemeentehuis, raadhuis; Townhouse = raadhuis, huis “in stad”; Townland = land nabij eene stad; Town-major = plaatscommandant; Town-talk = praatje van de stad; Town traveller = stadsreiziger; Town-wall = stadsmuur; Townsfolk = stedelingen; Townsman = stadgenoot, stedeling; Townspeople = stedelingen; Township = gemeente, stadsgebied.

Townshend, taunz’nd.

Towser, tauzə, groote hond (gew. hondennaam).

Toxic(al), toksik(’l), vergiftig; Toxicological, toksikəlodžik’l, toxicologisch; Toxicology = toxicologie.

Toxophilite, toksofilait, subst. boogschutter; adj. tot de boogschutterskunst behoorende.

Toy, tôi, subst. (stuk) speelgoed, kleinigheid, beuzelarij; Toy verb. dartelen, stoeien; spelen, beuzelen; Toy-book = prentenboek; Toy-box = speelgoeddoos; Toy-dog = schoothondje; Toy-drum = kindertrom; Toyman = speelgoedkoopman; Toy-pistol = kinderpistooltje; Toy-shop = speelgoedwinkel; Toy tea-things = kinderserviesje; Toy-trade = speelgoedhandel; Toy-watch.

Trace, treis, subst. spoor, teeken, voetspoor, streng, kleine hoeveelheid; Trace verb. opsporen, precies nagaan, uitvorschen, trekken, traceeren, doorkruisen, aanspannen (up): All boys are inclined to kick over the traces = uit den band slaan; Traceability, subst. v. Traceable = naspeurbaar, vervolgbaar: Traceable to temporary conditions = terug te brengen tot; subst. Traceableness; Traceless = spoorloos; Tracery = de ornamenten van den Gothischen bouwstijl.

Trachea, treikjə, luchtpijp; adj. Tracheal; Trachitis, trəkaitis, luchtpijpontsteking.

Tracing, treisiŋ: Tracing-paper = calqueerpapier.

Track, trak, subst. spoor, voetindruk, weg, begaan pad, baan, spoorlijn, zeegat; Track verb. het spoor volgen, opsporen, nagaan: Bicycle track = wielerbaan; Double track = dubbel spoor; He followed in your track = drukte uwe voetstappen; The carriage left the track = dérailleerde; The old gentleman has made tracks = is er haastig vandoor gegaan; The track and rolling-stock = tractie en rollend materieel; We tracked the deer = wij volgden het spoor van het hert; The tiger was tracked down = werd opgespoord; Track-road = jaagpad; Track-rope = jaaglijn; Trackage = het boegseeren of trekken; Tracker = speurhond; Trackless = onbetreden, onbegaan, spoorloos; subst. Tracklessness.

Tract, trakt, verloop, uitgestrektheid, streek, korte verhandeling, tractaatje.

Tractability, traktəbiliti, subst. v. Tractable, traktəb’l, handelbaar, volgzaam, leerzaam; subst. Tractabilityness.

Tractarian, traktêriən, subst. lid der High Church beweging (1833–41); adj. tot de High Church-beweging behoorende; Tractarianism = de herleving van den ritueelen eeredienst in de E. kerk.

Traction, trakšn, rekking, (aan)trekking, voorttrekking: Electric traction = electr. trek- of beweegkracht; Traction-engine = niet op rails loopende straatlocomotief; Tractive power = trekkracht; Tractor = wat trekt of tot trekken wordt gebruikt.

Tracy, treisi, Treesje.

Trade, treid, subst. handel, zaken, beroep, bedrijf, ambacht; Trade verb. handel drijven, verhandelen, verruilen: The trade = handel in sterke dranken; Domestic (Inland, Home) trade; Foreign trade; To do a roaring trade = drukke zaken doen; He follows the trade of a smith = is smid van zijn ambacht; She practised all the tricks of her trade = bracht al de slimme zetten van haar beroep in practijk; Two to a trade never agree = concurrenten zijn het nooit eens; I will trade this for something better = verruilen, verhandelen; You have traded on me = mij geëxploiteerd; This country trades to Turkey = drijft handel met Turkije; I will trade watches with you = met u ruilen; Trade-card = adreskaart; Trade-guild = handelsgilde; Trade-list = prijscourant; Trade-mark = handelsmerk; Trade-price = engrosprijs; slijtersprijs; Trade-winds = passaatwinden; Trade’s-folk (= Trades-people) = neringdoenden; Tradesman = handelaar, handelsman, neringdoende, winkelier, handwerksman; Trade(s)-union = vakvereeniging; Trade(s)-unionism = de beginselen of het stelsel der vakvereenigingen; Trader = koopman, handelaar, koopvaardijschip; Trading: Trading-vessel; The Trading-and-Profit-and-Loss account = Inkomsten- en Winst- en Verliesrekening.

Tradition, trədiš’n, overlevering; adj. Traditional; Traditionalism = gehechtheid aan de overlevering, het stelsel dat alle menschelijke kennis door God geopenbaard en zoo overgeleverd is; Traditionary = Traditional.

Traduce, trədjûs, lasteren, smaden; subst. Traducement; Traducer.

Trafalgar, trəfalgə.

Traffic, trafik, subst. (koop)handel, (handels)verkeer; Traffic verb. (ruil)handel drijven, omzetten: Carrying traffic = goederendienst; Vehicular traffic = rijtuigverkeer = Wheeled traffic; Traffic in white slaves = blanke-slavinnenhandel; Traffic-manager = chef van den goederendienst; Trafficker = handelaar.

Tragacanth, tragəkanth, Tragant gom.

Tragedian, trədžîdj’n, treurspelspeler of -dichter; Tragedienne, tradžîdjen, treurspelspeelster; Tragedy, tradžədi, treurspel; adj. Tragic(al); The old French tragics = treurspeldichters; Tragi-comic(al) = tragi-comisch; Tragi-comedy, tradžikomədi, tragi-comisch stuk.

Tragopan, tragəpan, gehoornde fazant.

Trail, treil, subst. sleep, staart, spoor, pad (gemaakt door reizende N.-Amer. Indianen); Trail verb. langs den grond sleepen, het spoor volgen, opsporen, het geweer met de rechterhand horizontaal dragen, kruipen, rekken: I commanded them to carry their arms at a trail = commandeerde: “Omlaag ’t geweer”; She trailed off into a howl = hief een langgerekt gejammer aan; Trail-net = sleepnet; Trailer = kruipplant, mandenwagentje achter een fiets; slingerplant = Trailing-plant.

Train, trein, subst. trein, reeks, stoet, voortgang, loop, sleep, staart, soort v. slede (Canada), spoortrein, loopvuur (lijn v. buskruit), stel van beweging overbrengende raderen, reeks, lokaas, val, krijgslist; Train verb. sle(e)pen, lokken, africhten, oefenen, drillen, richten, leiden, blokken, met den trein reizen: Down-train, Up-train = afgaande, opkomende trein; Freight train; Goods train; Train of Artillery = artillerie-trein; The train of his thoughts, of thought = gang; Everything is in train = in gang; He left the town on a regular train = met een gewonen trein (Amer.); The gun was trained = het kanon werd gericht; He was trained up for it = er voor opgeleid; Train-band (Trained band) = een vroegere schutterij of weerbaarheidskorps; Train-bearer = sleepdrager; Train-oil = traan(olie); Train-road = hulpspoorweg; Train-service = spoorweg-postdienst; Trainable = wie of wat geoefend of opgeleid kan worden; Trained dresses = sleepjaponnen; Trained nurse = ervaren; Trainer = africhter, oefenaar, drilmeester; Training = opvoeding, oefening, exercitie; het leiden van leiboomen; Training-course = cursus; Training-school = kweekschool; Training-ship = oefeningsschip, opleidingsschip.

Traipse, treips; zie Trapes.

Trait, trei(t), eigenaardige en kenmerkende trek, streek, haal, toets.

Traitor, treitə, verrader; Traitorous = verraderlijk; subst. Traitorousness; Traitress, treitrəs, verraderes.

Trajan, treidž’n, Trajanus.

Tram, tram, rail van een paardespoor, paardespoor, tramwagen, karretje; ook verb.: To tram it = trammen; Tram-car; Tram-line = tramweg; Tramroad = tramweg = Tramway; Tramway-car = tramwagen.

Tramble, tramb’l, wasschen (v. tinerts).

Trammel, tram’l, subst. (sleep)net, kluister, vuurhaak (in een schoorsteen), hinderpaal, boei, ovaalpasser; Trammel verb. belemmeren, beperken, boeien; Trammel-net = sleepnet.

Tramontane, trəmontein, traməntein, trâmontein: Tramontane-wind, noordenwind in de Middellandsche Zee.

Tramp, tramp, subst. gestamp, getrappel, voetreis, landlooper, schip dat “op avontuur” vaart (Tramp-steamer); Tramp verb. (ver)trappen, stappen, treden, zwerven, vagebondeeren: To go on the tramp = den boer op gaan; Tramp-colony = bedelaarskolonie; Tramper = landlooper, rondzwerver.

Trample, tramp’l, subst. getrappel, gestap; Trample verb. vertreden, vertrappen, trappelen: To trample under one’s feet (under foot) = met voeten treden (fig.); Trampler.

Trampoos, trəmpûz, rondzwerven (Amer.).

Trance, trâns, subst. verrukking, geestvervoering, bezwijming, schijndood; Trance verb. = Entrance; To lie in a trance.

Traneen, trənîn, kamgras: It is not worth a traneen = geen lor waard.

Tranquil, traŋkwil, rustig, kalm, ongestoord; Tranquillity, traŋkwiliti, kalmte, gerustheid, rust = Tranquilness; Tranquillization, subst. v. Tranquillize = tot bedaren brengen, kalmeeren; Tranquillizer.

Transact, transakt, volbrengen, doen, verrichten: To transact business with = zaken doen met; He transacted with his political convictions = transigeerde met; Transaction = verrichting, uitvoering, transactie, zaak, handel: Transactions of the Philological Society = Handelingen van het Philologisch Genootschap; During these transactions = middelerwijl; Transactor = volbrenger, handelaar.

Transalpine, transalpain, transalpijnsch.

Transatlantic, transətlantik, transatlantisch.

Transcend, transend, te boven gaan, overtreffen; Transcendence, Transcendency = voortreffelijkheid; Transcendent = zeer voortreffelijk, transcendentaal = Transcendental, trans’ndent’l; Transcendentalism, trans’ndentəlizm.

Transcribe, transkraib, overschrijven, afschrijven; Transcriber = copiïst; Transcript, transkript, copie; Transcription.

Transept, transept, kruisvleugel.

Transfer, transfɐ̂, overdracht, overbrenging, verplaatsing, overschrijving, overdruk, overstapkaartje; pont; Transfer-paper = overdrukpapier.

Transfer, transfɐ̂, overbrengen, overdragen, verplaatsen, afdrukken; Transferability, transfɐ̂rəbiliti, transferəbiliti, subst. v. Transferable, transfɐ̂rəb’l, transferəb’l = verhandelbaar, overdraagbaar; Transferee, transfərî, wien iets overgedragen wordt; Transference, transfərens, overdracht; Transferrer, transfɐ̂rə, transferə, overdrager.

Transfiguration, transfigjureiš’n, verheerlijking (Matth. XVII, 1–9), feest ter gedachtenis daaraan (6 Aug.); Transfigure, transfigjə, het uiterlijk voorkomen veranderen, verheerlijken.

Transfix, transfiks, doorboren, doorsteken: I stood transfixed = als aan den grond genageld.

Transform, transföm, vervormen, hervormen, van vorm veranderen, herleiden; Transformable = veranderbaar, herleidbaar; Transformation, transfömeiš’n, gedaanteverandering of -verwisseling, herleiding, hervorming: Transformation-scene = het tooneel in de pantomime, waarbij de voornaamste personen in de personen der harlekinade overgaan; Transformative = vervormend; Transformator = Transformer = transformator.

Transfuse, transfjûz, overgieten, overstorten, overbrengen van bloed, zoutoplossingen inspuiten, overdragen; adj. Transfusible; Transfusion, transfjûž’n, overgieting, etc.

Transgress, transgres, te buiten gaan, overtreden, schenden, zondigen; Transgression = overtreding, schennis; Transgressive = zondig; Transgressor = overtreder, zondaar.

Tranship, tranšip, overladen; Transhipment = overlading.

Transient, tranš’nt, vergankelijk, kortstondig; subst. Transientness.

Transit, transit, doorgang, transito, vervoer, overgang, verkeersweg: They went there to observe the transit of Venus; Transit goods; Permit of transit = geleibiljet; To pass in transit = transiteeren; Transit-duty = transitorecht; Transit-instrument = instrument, om den overgang van eene planeet over den meridiaan of de zon waar te nemen; Transition, transiš’n, transiž’n, verandering, overgang(speriode); adj. Transitional = overgangs...; Transitive = overgaande, overgankelijk; subst. Transitiveness; Transitoriness, subst. v. Transitory = vergankelijk, vluchtig, kortstondig.

Translate, transleit, verplaatsen, overplaatsen, overbrengen, vertalen, ten hemel voeren, uitleggen, oplappen, doorseinen: A translated saint = weggenomen (Hebr. 11, 5); Translated with devotion = in aanbidding verzonken; What will the duke say? = The duke be translated = die moge “weggenomen worden”, laat hem stikken; Translation, transleiš’n, overbrenging, overzetting, vertaling, etc.; Translator = vertaler, translator, schoenlapper; adj. Translatory, Translatory.

Transliterate, translitəreit, in andere letters overbrengen (b.v. Grieksch met Latijnsche letters schrijven), herspellen op andere wijze; subst. Transliteration.

Translucence, Translucency, transl(j)ûsəns(i), subst. v. Translucent, transl(j)ûs’nt doorschijnend, duidelijk.

Transmarine, transmərîn, overzeesch.

Transmigrate, transmigreit, verhuizen; Transmigration, transmigreiš’n, (ziels)verhuizing = Transmigration of souls.

Transmissibility, transmisibiliti, subst. v. Transmissible, transmisib’l, verzendbaar, overdraagbaar, overerfelijk; Transmission, transmiš’n, overbrenging, overzending, doorlating (van licht door glas), geleiding, overerving: Transmission-business = expeditiezaak; Transmit, transmit, overbrengen, overzenden, doorlaten, voortplanten, etc.; Transmittal = Transmittance; Transmitter = overzender, voortplanter, overbrenger; Transmittible = overzendbaar, etc.

Transmutability, transmjutəbiliti, subst. v. Transmutable, transmjûtəb’l, veranderbaar, verwisselbaar; subst. Transmutableness; Transmutation, transmjûteiš’n, verandering, verwisseling; Transmute, transmjût, veranderen: The sentence of death was transmuted into lifelong imprisonment = werd veranderd in; Transmuter = wie of wat verandert.

Transoceanic, transoušanik, aan de andere zijde van den oceaan.

Transom, trans’m, dwarsbalk: Transom-window = raam met dwarsbalk.

Transparence, Transparency, transpêr’ns(i), doorzichtigheid, transparant; Transparent = doorzichtig, doorschijnend, klaarblijkelijk; subst. Transparentness.

Transpirable, transpairəb’l, wat kan uitlekken enz.; Transpiration, transpireiš’n, uitwaseming, zweet; Transpire, transpaiə, uitwasemen, uitdampen, aan het licht komen, uitlekken, gebeuren.

Transplant, transplânt, overplanten, overbrengen; Transplantation = verplanting, overbrenging; Transplanter = verplanter.

Transport, transpöt, vervoer, transport, transportschip; verrukking, vervoering; Transport-ship = transportschip; schip waarmee gedeporteerden werden overgebracht.

Transport, transpöt, vervoeren, transporteeren, deporteeren, verzetten, meesleepen, verrukken: Faith transports mountains = het geloof verzet bergen; He was transported for life = werd gedeporteerd; Transported with joy = vervoerd van vreugde; Transportability = vervoerbaarheid, etc.; adj. Transportable; Transportation = vervoer, overbrenging, etc.; Transporter = wie vervoert; Transporting = verrukkend, bekorend.

Transposal, transpouz’l, verschikking, omzetting; Transpose, transpouz, verplaatsen, verschikken, omzetten, transponeeren; Transposition, transpəziš’n, verplaatsing, omzetting; adj. Transpositional.

Transubstantiation, transɐbstanšieiš’n, verandering van brood en wijn in het lichaam van Jezus.

Transudation, transiûdeiš’n, subst. v. Transude, transiûd, doorsijpelen, doorzweeten.

Transvaal, transvâl.

Transversal, transvɐ̂s’l, subst. dwarslijn, snijlijn; adj. dwars(loopend); Transverse, transvɐ̂s, subst. dwarsspier, transversaal; adj. dwars, diagonaal, transversaal.

Transylvania, transilveinjə, Zevenbergen; Transylvanian, subst. en adj. (bewoner) van Z.

Trap, trap, subst. val, strik, hinderlaag, klep, valdeur, karretje, soort trap of ladder, soort wagen, schabrak, dek, mond, klabak; Trap verb. in eene val of strik vangen, verstrikken, versieren: Man-trap = klem, voetangel; Traps = bagage, goederen, “spullen”; Trap-door = valdeur; Trap-door-spider = aardspin (met een door eene deur gesloten nest); Trap-tufa, Trap-tuff = vulcanische tufsteen; Trap-valve = valklep; Trapper = pelsdierjager, wagenpaard; Trappiness, subst. v. Trappy; Trappings, trapiŋz, paardentuig, harnachement, sieraad, opschik, versieringen; Trappy = slim, verraderlijk.

Trapan, trəpan, subst. strik; Trapan verb. verstrikken: Trapanner of souls = zielverkooper.

Trapes, treips, subst. slons; Trapes verb. rondloopen, vagebondeeren: I won’t be trapesing in the mud.

Trapeze, trəpîz, zweefrek of trapezium; Trapeziform, trəpîziföm, als een Trapezium, trəpîž’m, trapezium.

Trappist, trapist, Trappist.

Trash, traš, subst. snoeisel, uitschot, afval, rommel, prullen, geklets, zware halsband (om een jachthond vast te houden); Trash verb. snoeien; vernederen, onderdrukken, kwellen: Poor white trash = naam door negers der Zuidelijke Staten aan de armste blanken gegeven; Trashiness, subst. v. Trashy = nietswaardig, prullerig.

Trass, tras, tras.

Traumatic, trômatik, subst. en adj. wondheelend (middel); wond ...

Travail, travəl, subst. arbeid: Travails = barensweeën; Travail verb. zwoegen, in barensnood zijn.

Trave, treiv, hoefslag; dwarsbalk.

Travel, trav’l, subst. het reizen (Travels = (ontdekkings)reizen, reisverhalen); Travel verb. reizen, bereizen, doorreizen, trekken, zwerven, verdwijnen, heen en weer gaan: To travel out of the record = afdwalen (fig.); Travelled = bereisd, ervaren, erratisch: The far travelled princess = die een verre reis had gedaan; A much travelled man, road; Traveller = reiziger: To tip the traveller = opsnijden; Traveller’s-joy = clematis, heggeboschdruif; Travelling: Traveling instructors = wandelleeraren.

Traversable, travəsəb’l, betwistbaar; doortrekbaar, doorwaadbaar; Traverse, travəs, subst. dwarshout of -strik, middelschot, dwarsgang, wederwaardigheid, tegenspoed, koppelkoers (scheepst.), het doorreizen, streek, wending, uitvlucht; adj. dwars; Traverse verb. ronddraaien, draaien, dwars loopen (van paarden b.v.), kruisen, doorkruisen, stroomen (loopen) door, doorgaan; adv. dwarsover; Traverse-sailing = koppelkoers; Traverser = beugel, schuifring.

Travesty, travəsti, subst. vermomming, travestie; Travesty verb. parodieeren: The trial degenerated into a travesty of justice = eene parodie op.

Travis, travis. Zie Trave.

Trawl, trôl, subst. sleepnet (= Trawlnet); Trawl verb. met een sleepnet visschen; Trawler = visschersvaartuig dat met een trawl vischt.

Tray, trei, schenkblad, bakje, tobbe, lade; Tray-cloth = kleedje onder theeblad.

Treacherous, tretšərɐs, verraderlijk; subst. Treacherousness = Treachery, tretšəri, verraad, trouweloosheid.

Treacle, trîk’l, (suiker)stroop, theriakel; Treacle-stick = strooppil; adj. Treacly.

Tread, tred, subst. stap, trede, schrede, hanetrede; Tread verb. treden (ook van vogels), trappen, drukken, wandelen, volgen, paren: To tread grapes = druiven treden; To tread (the) water = water treden; To tread in a person’s (foot)steps (fig.); He treads on it, treads it under foot = vertrapt het, zet er den voet op; One trod on the heels of the other = de een kwam vlak achter den ander aan; We have trod(den) out the fire = uitgetrapt; Tread-mill = tredmolen; Treader; Treadle, tred’l, trapper (v. naaimachine, etc.), trede, pedaal, hanetrede; Treadle verb. trappen.

Treason, trîz’n, verraad: High treason = hoogverraad; Treasonable = verraderlijk; subst. Treasonableness.

Treasure, trežə, subst. schat; Treasure verb. vergaren, verzamelen, bewaren als een schat: He treasured up all these memories = bewaarde zorgvuldig; Treasure-house = schatkamer; Treasure-seeker = schatgraver; Treasure-trove = gevonden schat; Treasurer = schatmeester: Treasurership.

Treasury, trežəri, schatkamer, schatkist, departement v. financiën (Treasury-department) en de ambtenaren (Het nominale hoofd is the First Lord of the Treasury of Lord High Treasurer, gewoonlijk de Premier. Hem ter zijde staan: The Chancellor of the Exchequer en 3 Lords Commissioners of Junior Lords); Treasury-bill (Treasury-bond, Treasury-note) = schatkistobligatie; Treasury-bench = voorste bank (regeeringsbank), rechts van den Speaker in het House of Commons; Treasury-warrant = schatkistontvangbewijs.

Treat, trît, subst. onthaal, traktatie, genot; Treat verb. behandelen, handelen over, ontwikkelen, bespreken, onderhandelen, onthalen: It is a treat to me = genot, traktatie; It is my treat now = nu moet ik een rondje geven; He insisted on standing treat = wou trakteeren; You have treated me well, ill = mij goed, slecht behandeld; He treated of many subjects = handelde over; He treated us to a bottle and some excellent cigars = schonk eene flesch en liet ons lekkere sigaren rooken; He treated me to the theatre; I’ll treat myself to a new coat = me de weelde veroorloven; Ambassadors were sent to treat with Russia = te onderhandelen; Treater = onderhandelaar, verhandelaar, onthaler; Treatise, trîtis, verhandeling; Treatment = behandeling, handelwijze: I am under treatment = geneesk. behandeling; Treaty = verdrag, tractaat: To break, make, violate a treaty = verbreken, aangaan, schenden; Treaty of commerce; Treaty of partition = verdeelingsverdrag; They are in treaty with the Greeks = in onderhandeling met.

Treble, treb’l, subst. het drievoudige; hooge bovenstem, discant, sopraan; adj. drievoudig, hoog (van stem of instrument); Treble verb. verdrievoudigen, driedubbel worden: The boy trebles = jongenssopranen; You are doubly, nay trebly blessed = dubbel, neen driewerf gezegend.

Tree, trî, subst. boom, as, leest, galg (in samenst.); Tree verb. in een boom jagen of vluchten, in verlegenheid brengen of in de macht krijgen, op de leest zetten: As the tree so the fruit = zoo boom zoo vrucht; de appel valt niet ver van den boom; He is at the top of the tree = hij heeft het hoogste punt bereikt; I have got you up a tree = in mijn macht, je zit er leelijk in; Tree of knowledge = boom der kennisse des goeds en des kwaads; Tree of life = boom des levens; Books, bound in Tree-calf = kalfsleer met boomfiguren; Tree-deity = afgodsboom; Tree-frog = boomkikvorsch; Tree-louse = bladluis; Tree-nymph = dryade; Tree-toad = boomkikvorsch; Tree-worship = boomvereering; Treeless = zonder boomen; Treelike = als een boom.

Treenail, trîneil, houten nagel.

Trefoil, trîfôil, klaver(blad).

Trek, trek, trekken (in een ossenwagen); subst. trek, reis (Z. Afr.); Trek-chain.

Trellis, trelis, latwerk, traliewerk, leilatten; Trellis-fence; Trellis-gate; Trellis-work = kruiselings loopende latten voor veranda’s, priëeltjes, etc.; Trellised = met latwerk.

Trelawny, trəlôni.

Tremble, tremb’l, subst. beving, vrees; Tremble verb. beven, rillen, sidderen, schudden, trillen: I am all of (in) a tremble = beef over mijn geheele lijf; He trembled with fear = van angst; To tremble in every limb, in one’s shoes; Tremblement = triller (muz.); Trembler = bever, riller; Trembling: Trembling in the balance = onzeker; Trembling-poplar = ratelpopulier.

Tremendous, trimendəs, geducht, verschrikkelijk; subst. Tremendousness.

Tremolo, treməlou, triller, trilling.

Tremor, tremə, rilling, huivering: In a tremor; Tremor cordis = hartklopping; Tremulous, tremjulɐs, bevend, trillend, sidderend; subst. Tremulousness.

Trenail = Treenail.

Trench, trenš, subst. gracht, greppel, sloot, afvoersloot, loopgraaf; Trench verb. eene sloot of greppel graven, loopgraven maken, inbreuk maken op (on, upon), diep graven of ploegen: The enemy opened the trenches = begon met de loopgraven; Trench-plough = diepsnijdende ploeg; Trenchancy = scherpheid; Trenchant, trenš’nt, snijdend, scherp, bits; Trencher = graver, houten schotel, broodplank, tafel: Trencher(-cap) = hoofddeksel (met vierkant bovenstuk) van de E. studenten; Trencher-man = goed en smakelijk eter = Trencher-mate.

Trend, trend, subst. neiging, richting, geer, bocht; Trend verb. geeren, zich richten, loopen, zich uitstrekken: The trend of the sea-shore = de bocht der zeekust; The coast trended to north = de kust liep noord.

Trennel, tren’l, trɐn’l = Treenail.

Trental, trent’l, Gregoriaansche mis: Dertig missen, één per dag, vooral voor overledenen.

Trepan, trəpan, schedelzaag of -boor, boormachine; Trepan verb. doorboren of trepanneeren; Trepanner.

Trepidation, trepideiš’n, siddering, trilling, beverigheid, ontsteltenis.

Trespass, trespəs, subst. overtreding, zonde, nadeel; Trespass verb. overtreden, zondigen, schenden, te ver gaan, misbruik maken, zich indringen: Forgive us our trespasses as we forgive them that trespass against us = vergeef ons onze schulden gelijk ook wij vergeven onzen schuldenaren; To trespass on (upon) a law, upon a person’s good nature = overtreden.... misbruik maken van; No trespassing on the railway is allowed = de toegang tot den spoorweg is verboden; I hope I have not trespassed upon your time = niet te veel van uw tijd geroofd heb; Trespasser.

Tress, tres, (haar)lok, krul, vlecht; Tressed.

Trestle, tres’l, stellage, bok, schraag; Trestle-board = teekenbord; A trestle-bridge = schraagbrug; Trestle-work = steigerwerk of viaduct op palen en schragen (Amer.).

Tret, tret, goed gewicht, vier Eng. ponden toe op elke 100.

Trevelyan, trəvelj’n; Treves, trîvz, Trier.

Trevet, trevet. Zie Trivet.

Trey, trei, drie (op dobbelsteen of kaart).

Triable, traiəb’l, wat beproefd kan worden; subst. Triableness; Trial, traiəl, proef, experiment, verhoor, (gerechtelijk) onderzoek, beproeving: By way of trial; On trial = op proef; On one’s trial = in verhoor, in onderzoek; Hour of trial; He’s a great trial to us = baart ons veel zorgen; A trial man = iemand, die “op proef” genomen wordt; The pest and trial of the libraries = plaag en beproeving; A trial at bar = processen waarbij de 4 rechters v. het oude Superior Court waren betrokken, zoodat aan 3 Courts geen zaken behandeld konden worden; A trial by jury = gerechtelijk onderzoek door de jury; He was brought to (put to) his trial = werd in verhoor genomen, vervolgd; To commit for trial = naar een rechtbank verwijzen; Let him have a trial = laat het hem eens probeeren; To make a trial of = de proef nemen; To move for a new trial = appelleeren; To be put on (committed for) trial = in verhoor genomen, vervolgd worden; The steamer gave much satisfaction in her trials = op den proeftocht (= Trial-trip); Trial-balloon = proefballon (ook fig.).

Triangle, traiaŋg’l, driehoek, triangel; Triangular, traiaŋgjulə, driehoekig: Triangular compasses = passer met drie beenen; Triangulate, traiaŋgjuleit, trianguleeren; Triangulation = triangulatie.

Trias, traiəs, triasformatie; adj. Triassic.

Tribal, traib’l, v. een stam: The tribal rules which regulate savage life; Tribe, traib, stam, klasse, geslacht, familie, troep; Tribes-man, lid van een stam.

Tribrach, traibrak, voet v. drie korte syllaben.

Tribulation, tribjuleiš’n, groot verdriet, zware beproeving.

Tribunal, traibjûn’l, rechtbank, gerechtshof, rechterstoel, biechtstoel; Tribune, tribjûn, tribuun, tribune; Tribuneship.

Tributary, tribjutəri, subst. en adj. schatplichtig(e staat); zijrivier (= Tributary stream); Tribute, tribjut, schatting, cijns, schatplichtigheid: To pay the tribute of nature = den tol der natuur betalen; Tribute-money = cijns, schatting.

Tricapsular, traikapsiulə, met drie kapsels of cellen.

Trice, trais, ophijschen.

Trice, trais, oogenblikje: In a trice = in een wip.

Tricentenary, traisentənəri. Zie Tercentenary; adj. Tricentennial.

Triceps, traiseps, driehoofdig.

Trichina, trikainə, trichine; Trichinosis, trikinousis, trichinenziekte; adj. Trichinous, trikinɐs, trikainəs.

Trichord, traiköd, subst. en adj. driesnarig (instrument).

Trick, trik, subst. streek, kunstgreep, handigheid, poets, grap, trek, slag, “volte”, eigenaardigheid, roergang (scheepst.); Trick verb. bedriegen, bedotten; versieren, opschikken: Boy’s trick = kwajongensstreek; Tricks of fortune = grillen; Don’t come your tricks here = haal hier geen streken uit; He has done the trick = is dood, kapot; He always had the bad trick of mumbling = de slechte gewoonte; We have the odd trick = één slag (trek) meer; I knew every trick of his face = iedere uitdrukking; I know a trick worth two of that = daar loop ik niet in; He knows a trick or two = is uitgeslapen; He played you a bad trick = heeft u eene leelijke poets gebakken; To show tricks = kunstjes vertoonen; He tricked me out of a considerable sum = bedroog mij voor; I am tired of those dramatic trick-changes = die dramatische verrassingen; Tricker = bedrieger; Trickery = bedriegerij, bedotterij; Trickiness, subst. v. Tricky; Trickish = vol streken, bedriegelijk; subst. Trickishness; Tricksiness, subst. v. Tricksy; Trickster = bedrieger, schurk; Tricksy = schalksch, snaaksch, fijn; Tricky = vol streken, ondeugend, snaaksch.

Trickle, trik’l, zachtkens vloeien, in droppels neerdalen: The blood trickled down my fingers = liep tappelings langs mijne vingers.

Trick-track, triktrak, triktrakspel.

Triclinium, traikliniəm, stel lage divans om drie zijden eener eettafel, elk stel voor drie personen; Rom. feestzaal.

Tricolour, traikɐlə, driekleurig(e vlag); Tricoloured.

Tricot, trîkou, tricot.

Tricycle, traisik’l, subst. driewieler; Tricycle verb. op een driewieler rijden; Tricyclist = rijder op een driewieler.

Tridactyl(ous), traidaktil(ɐs), met drie teenen of vingers.

Trident, traid’nt, drietand, oppermacht ter zee; Tridentate(d), traidentit (traidenteitid), met drie tanden.

Tridentine, traidentin, subst. en adj. het concilie v. Trente of de stad betreffend.

Tridimensional, traidimenšən’l, met drie afmetingen.

Tried, traid, beproefd: A tried friend = trouw; Trier, traiə, vroeger een bepaald rechter.

Triennial, traienj’l, driejarig, driejaarlijksch.

Trifid, traifid, in drieën gespleten.

Trifle, traif’l, subst. kleinigheid, beetje, beuzeling, schoteltje v. een gebak in sherry gedrenkt en met room en geslagen eieren bedekt; Trifle verb. spelen, spotten, beuzelen, verbeuzelen: I don’t stand upon trifles = zie niet op die kleinigheden; You are trifling away your time and money = ge vermorst; Don’t trifle with me = houd me niet voor den gek; Trifler = beuzelaar; Trifling expenses = niet noemenswaardige uitgaven.

Trifoliate(d), traifouljit (traifouljeitid), driebladig; Trifolium, traifoulj’m, klaver.

Trifurcate(d), traifɐ̂kit (traifɐ̂kieitid), met drie takken of vorken.

Trig, trig, keurig, netjes.

Trig, trig, subst. remblok, remschoen; Trig verb. remmen, vastzetten.

Trigger, trigə, trekker (v. een vuurwapen): To pull the trigger = afvuren; Trigger-guard = beugel (onder den trekker).

Trigon, traigon, trigoon, driehoek; het samenkomen v. drie teekens van den Dierenriem; Trigonal, trigən’l, driepuntig, driehoekig; Trigonometric(al), trigənəmetrik(’l), tot de driehoeksmeting behoorende; Trigonometry, trigənomətri, driehoeksmeting.

Trigraph, traigrâf, drie klinkers met één klank, b.v. eau in beau.

Trihedral, traihîdr’l, traihedr’l, met drie gelijke zijden.

Trike, traik, verb. van Tricycle: These girls are adepts at triking = rijden goed op driewielers.

Trilateral, trailatər’l, driezijdig.

Trilinear, trailinjə, met drie lijnen.

Trilingual, trailiŋgw’l, in drie talen.

Triliteral, trailitər’l, (woord) v. drie letters.

Trill, tril, subst. trilling, getrilde letter (zooals de Nederl. r), tremblant (muz.); Trill verb. trillen, vibreeren.

Trillion, trilj’n, trillioen, 1 met 18 nullen (Amer. 1 met 12 nullen).

Trilobite, triləbait, zeker fossiel schelpdier.

Trilogy, trilədži, trilogie.

Trim, trim, subst. toestand, staat, orde, kleeding, gala, opschik, garneersel; adj. netjes, keurig, proper, goed passend; Trim verb. in orde brengen, netjes maken, versieren, uitrusten, snoeien, bijknippen, garneeren, opmaken, oprakelen, schoonmaken, terechtwijzen, geschikt maken, in goeden staat brengen (van een schip met betrekking tot lading, ballast, masten, enz.): We are in good trim = in goeden staat, op alles voorbereid; She was dressed in regulation trim = gekleed overeenkomstig de voorschriften (op bals, etc.); Out of trim = slecht gestouwd; I trimmed him = veegde hem den mantel uit; To trim a candle = snuiten; Will you trim the fire? = vuur oppoken (en den haard aanvegen, etc.); He trimmed the lamp = maakte de lamp in orde; I have trimmed this piece in here = dit stuk hier ingepast; The sails were trimmed = zoo gunstig mogelijk (naar den wind) gezet; To trim one’s sails accordingly = de huik naar den wind hangen; Independent members do not trim to political demagogues = schikken zich niet naar; Trimmer = tremmer, politieke weerhaan, terechtwijzer, terechtwijzing; Trimming = terechtwijzing, pak slaag; onstandvastigheid, weifelmoedigheid; Trimmings = oplegsel, garneersel, toespijzen: Tea with trimmings; Trimness = netheid, etc.

Trimeter, trimətə, drievoetige versregel.

Trinal, train’l, drievoudig: Trinal unity.

Tringle, triŋg’l, gordijnroede, kleine kroonlijst.

Trinidad, trinidad.

Trinitarian, trinitêrj’n, subst. en adj. (belijder) v. de drieéénheidsleer; Trinitarianism = het leerstuk der drieéénheid; Trinity, triniti, drieéénheid: Trinity-house = oude corporatie te Londen bij welke o.a. het toezicht op vuurtorens en boeien aan kusten en in rivieren berust; Trinity-Sunday = Zondag na Pinkster; Trinity-term = een der vier termijnen (22 Mei–12 Juni) gedurende welke Londensche rechtscolleges zitting hielden; thans Trinity Sittings van Dinsdag na Pinkster tot 12 Augustus.

Trinket, triŋkət, kleinood, lijfsieraad in ’t algemeen; Trinket verb. intrigueeren.

Trinomial, trainoumj’l, subst. en adj. drienamig(e term) = Trinominal, trainomin’l.

Trio, traiou, trîou, trio, klaverblad (fig.).

Triolet, traiəlet, trîəlet, triolet.

Trior, traiə, ambtenaar, die onderzoekt of eene wraking van juryleden juist is.

Trip, trip, subst. trippelpas, getrippel, uitstapje, gang, slag, beentjelichten, struikeling, misstap, val, kleine fout; Trip verb. trippelen, vlug loopen, huppelen, een uitstapje doen, struikelen, een mispas doen, dwalen, op eene fout betrappen, beentje lichten: They went on their wedding-trip = op hun huwelijksreisje; Her foot tripped = zij struikelde; I tripped him up = heb hem den voet gelicht; They tripped up one another’s heels = volgden elkander onmiddellijk, zaten elkaar achterna; I was tripped up by that branch = struikelde over dien tak. Zie Tripper.

Triparted, traipâtid, in drie stukken verdeeld; Tripartite, tripətait, traipâtait, in drie deelen verdeeld, in triplo; Tripartition, tr(a)ipâtiš’n, verdeeling in drieën.

Tripe, traip, pens, ingewanden, buik.

Tripetalous, traipetəlɐs, driebladig.

Triphthong, tripthoŋ, trifthoŋ, drieklank; adj. Triphthongal, tripthoŋg’l, trifthoŋg’l.

Triple, trip’l, adj. drievoudig, driemaal; Triple verb. verdrievoudigen; Triple-crown = pauselijke kroon; Triple-headed = driehoofdig; Triplet, triplət, subst. trio, drieling, drieregelig versje, fiets voor 3 personen; adj. drievoudig; Triplex, traipleks, trippelmaat; Triplicate, triplikit, verdrievoudigd, drievoudig; subst. triplicaat; Triplication = verdrievoudiging, tripliek; Triplicity, triplisiti, drievoudigheid.

Tripod, traipod, drievoet(ige stoel, tafel of ketel).

Tripoli, tripəli, Tripoli; Tripoline, tripəl(a)in; Tripolitan, tripolit’n, (bewoner) van T.

Tripos, traipos, het Honours-Exam. te Cambridge voor den B.A. graad.

Tripper, tripə, trippelaar, danser, pleizierreiziger: Cheap trippers = pleizierreizigers; Tripple = korte galop: He put the tired nag into a sort of tripple or ambling canter much affected by South-African horses.

Triptych, triptik, een uit drie deelen bestaande altaarschilderij; antiek waschtafeltje met 2 bladen, die konden worden dichtgeslagen.

Triradiate(d), traireidjit (-eitid), met drie stralen.

Trireme, trairîm, galei met 3 rijen roeibanken boven elkaar.

Trise, trais, opeischen.

Trisect, traisekt, in drie gelijke deelen verdeelen; subst. Trisection, traisekš’n.

Trispermous, traispɐ̂məs, driezadig.

Trisyllabic(al), trisilabik(’l), drielettergrepig; Trisyllable, tr(a)isiləb’l, trisiləb’l, drielettergrepig woord.

Trite, trait, afgezaagd, alledaagsch; subst. Triteness.

Triton, trait’n, zeegod, watersalamander: He is a Triton among the minnows = steekt verre boven zijns gelijken uit.

Triturate, tritjureit, tot fijn poeder malen of stampen; subst. Trituration.

Triumph, traiəmf, subst. triomf, zegepraal; Triumph verb. zegepralen, zegevieren: He has triumphed over all difficulties = glansrijk overwonnen; Triumphal, traiɐmf’l, zegevierend: Triumphal arch = eereboog; Triumphal car = zegekar; Triumphant, traiɐmf’nt, zegevierend, zegepralend: Triumph car (chariot) = zegekar; Triumpher = triumphator.

Triumvir, traiɐmvɐ̂, drieman; Triumvirate, traiɐmvirit, driemanschap.

Triune, traijûn, drieëenig.

Trivalvular, traivalvjulə, driekleppig.

Trivet, trivət, treeft, drievoet: I am (as) right as a trivet = ik ben zoo gezond als een visch.

Trivial, trivj’l, triviaal, onbeduidend, plat: Trivial name = populaire naam voor dier of plant; Triviality, trivialiti, alledaagschheid, onbeduidend iets: Trivial verb. Trivialize; subst. Trivialness.

Trivium, trivj’m, naam voor de drie hoofdvakken in de Middeleeuwen: grammatica, rhetorica en logica.

Triweekly, traiwîkli, traiwîkli, driemaal per week (verschijnend blad).

Troat, trout, subst. het schreeuwen van een hert in den bronsttijd; Troat verb. schreeuwen (van een hert).

Trochaic, trəkeiik, trochaeisch.

Troche, troutš, trouk, troukî, (artsenij)tablet.

Trochee, troukî, trochee.

Trochil(us), trokil(ɐs), soort kolibri; tuinkoning.

Trod, trod, imperf. v. to tread; Trod(den), trod(’n), p. perf. van to tread.

Troglodyte, tro(u)glədait, holbewoner; adj. Troglodytic(al), trogləditik(’l).

Trojan, troudž’n, subst. en adj. Trojaan(sch).

Troll, troul, subst. lied (kànon), rondzang, rolletje aan een hengel, soort kunstaas; aardgeest; Troll verb. rollen, ronddraaien, rondgeven, neuriën, lokken, aantrekken, hengelen, slenteren, een rondzang aanheffen.

Trollop, troləp, slons, slet; Trollopy = slonzig, vuil, zedeloos.

Trollope, troləp.

Troll(e)y, troli, kar, lorrie, rol- of sledecontact bij electr. trams.

Trombone, tromboun, schuiftrompet.

Troop, trûp, subst. troep, hoop, menigte, escadron; Troop verb. in een troep loopen, tot troepen of in eene menigte vereenigen, aftrekken (away): To get one’s troop = ritmeester worden; He sold out, and the sale of his troop gave us a competence = hij kocht zich uit, en de opbrengst van zijne ritmeestersplaats verschafte ons genoeg om van te leven; Troops of the line = linietroepen; To levy (raise) troops; Trooping the colours = paradeeren; A troop-horse = cavaleriepaard; Troop-ship = transportschip; Trooper = cavalerist, transportschip: He swears like a trooper = vloekt als een dragonder.

Trope, troup, redefiguur, fig. uitdrukking.

Trophy, trofi, zegeteeken, tropee.

Tropic, tropik, subst. keerkring: Tropic of Cancer = kreeftskeerkring; Tropic of Capricorn = steenbokskeerkring; The Tropics = de Tropen; Tropical = tropisch, beeldsprakig: Tropical fruit.

Trossachs, trosaks.

Trot, trot, subst. draf; dribbeltje of hummeltje; Trot verb. draven, in draf zetten: Little trots of four or five years old = kleine hummels; A jog-trot = sukkeldrafje; At (On a) full trot = in vollen draf; He brought his horse to a trot = bracht zijn paard in draf; He was driving on at full trot = in vollen draf; To go for a trot = een eindje omstappen; To keep a person on the trot all day = in touw houden (fig.); To trot out = voorrijden; We’ll have to trot you out = wij zullen u moeten examineeren, u zal op de koord moeten. Zie Trotter.

Troth, troth, trouw, geloof, waarheid, trouwbelofte: By my troth = op mijn woord; In troth = voorwaar, waarachtig; They plighted their troth = beloofden elkaar trouw.

Trotter, trotə, draver, (schape-, of varkens)poot; Trotting: Trotting-horse = harddraver; Trotting-match = harddraverij.

Trottoir, trotwâ, plaveisel.

Troubadour, trûbədûə, troubadour.

Trouble, trɐb’l, subst. onrust, zorg, droefheid, verlegenheid, ongeluk, moeite, inspanning; Trouble verb. verontrusten, storen, lastig vallen, hinderen, verdriet doen, moeite veroorzaken, angst aanjagen: To be at the trouble to = zich de moeite geven om; To be in trouble = in zorgen zitten; To bring trouble upon oneself = zich in ’t ongeluk storten; Troubles like crows seldom come singly = een ongeluk komt zelden alleen; My boy, you’ll get into trouble = je loopt erin, je krijgt nog straf; There’s no good in meeting trouble = geen zorg vóór den tijd; I fear I have put you to some trouble = dat ik u last heb veroorzaakt; Will you take the trouble? = de moeite doen, u den last getroosten; You might hare saved me that trouble = dien last kunnen besparen; I will spare no trouble = geen moeite ontzien; Don’t trouble (your head) about this = heb daar geene zwarigheid over; I will trouble myself no more about him = me niet meer druk om hem maken; May I trouble you for the gravy? = om de jus verzoeken; There the wicked cease from troubling = daar houden de boozen op van beroering (Job. III, 17); To fish in troubled water = in troebel water visschen; Troubler = verontruster, verstoorder; Troublesome = lastig, moeilijk, vervelend: My back is troublesome = ik heb last van (pijn in) mijn rug; subst. Troublesomeness; A troublous life = leven vol zorgen; In troublous times = in tijden van beroering.

Trough, trof, trog, bak, etensbak, golfdal = Trough of the sea.

Trounce, trauns, afrossen, uitschelden; Trouncing = afstraffing.

Troupe, trûp, troep tooneelspelers.

Trousering, trauzəriŋ, broekstof; Trousers = lange broek: A pair of trousers = eene broek; To go into trousers = een lange broek aankrijgen; To turn up the end of one’s trousers = zijn broekspijpen omslaan; Trouser-strip = galon.

Trousseau, trûsou, uitzet van de bruid.

Trout, traut, forel(len); Trout-coloured = forelkleurig (wit met zwarte spikkels); Trout-farm = kweekerij; Troutlet = kleine forel.

Trouvère, trûvêə, minnezanger.

Trove, trouv. Zie Treasure; Trover = bezitverkrijging door vinden, onrechtmatige toeëigening: Action of trover = aanklacht wegens deze toeëigening.

Trow, trau, trou, trû, gelooven, vertrouwen.

Trowbridge, troubridž.

Trowel, trauəl, subst. troffel; Trowel verb. met een troffel opleggen; You are laying it on with a trowel = legt het er dik op (fig.).

Troy, trôi, Troje, Troyes (stad Z.O. v. Parijs): Troy(-weight) = gewicht van 12 ounces in het pound (= ± 373,242 gr.), alléén voor goud, zilver en juweelen; medicijnen.

Truancy, trûənsi, wegblijven, schoolverzuim; Truant, trûənt, plichtverzakend, lui, de school verzuimend; subst. leeglooper, spijbelaar; Truant verb. omboemelen, spijbelen: He often plays (the) truant = spijbelt dikwijls; To run truant = wegloopen; Truant-school = school voor geregelde verzuimers.

Truce, trûs, wapenstilstand, tijdelijke opschorting: Flag of truce = witte (parlementaire) vlag; A truce to your doggerel = schei uit met je gerijmel; You have broken (the) truce = den wapenstilstand verbroken; To make truce with = een wapenstilstand sluiten; Truce-breaker = verbreker van afspraak of wapenstilstand.

Truck, trɐk, subst. ruilhandel, huishoudelijke artikelen, handel, gedwongen winkelnering, verkeer; groente, afval (Amer.); katrol, handwagen, lage stellage op wielen, lorrie, open goederenwagen, kleine ronde schijf of kloot boven aan vlaggestok of mast; Truck verb. ruilhandel drijven, schacheren, venten, in trucks overladen of verzenden; Truck-man = ruilhandelaar, wagenrijder; Truck-system = gedwongen winkelnering; Truckage, trɐkidž, ruilhandel, vervoerloon; Truckful = wagenvol.

Truckle, trɐk’l, subst. wieltje, rolletje; Truckle verb. voortrollen; zich aan den wil van anderen onderwerpen, slaafsch zijn, kruipen voor (to), voortrollen; Truckle-bed = ledikant op rolletjes; He truckles to circumstances = onderwerpt zich aan de omstandigheden; People crawl and truckle for social success = kruipen en buigen zich; Truckler = kruiper.

Truculence, trɐkjulens, woestheid, wreedheid, woest uiterlijk; Truculent = ruw, wreed, vreeselijk.

Trudge, trɐdž, voortsukkelen, zich voortslepen: He trudged after his father = sukkelde achter zijn vader aan.

True, trû, waar, trouw, standvastig, eerlijk, echt, zeker, regelmatig, recht, rechtmatig, juist: What you say there is true enough = is volkomen waar; He was true to his country and loyal to his king = trouw aan koning en vaderland; True to one’s word; He gave us a true account of it = een nauwkeurig verhaal; True bill = uitspraak v. de Grand Jury, dat na onderzoek van het bewijsmateriaal rechtsingang zal worden verleend met verwijzing naar de Petty Jury (Panel); A perfectly true circle = volkomen; True copy = eensluidend afschrift; To come true = uitkomen (v. droomen); To go true = goed loopen (v. horloges); To hold true = waar blijven; To prove true = waar blijken; True-blue, subst. trouw, oprecht en eerlijk persoon, echte Tory; adj. onwrikbaar, trouw en eerlijk; True-born = echt, van wettige geboorte; True-bred = van echt ras, van goede opvoeding; True-hearted = trouwhartig, eerlijk; subst. True-heartedness; True-love, subst. minnaar, geliefde; True-love(r’s)-knot = soort van dubbele knoop (zinnebeeld v. wederzijdsche trouw en liefde); Truepenny = eerlijke vent; Trueness = trouw, oprechtheid, juistheid, etc.

Truffle, trɐf’l, truffel; Truffle-dog = truffelzoeker (hond); Truffle-hunter.

Trug, trɐg, kalkbak; ⅔ bushel; groentemand.

Truism, trûizm, gemeenplaats, waarheid als eene koe.

Trullization, trɐlizeiš’n, het pleisteren.

Truly, trûli: Yours truly = hoogachtend uw, etc.

Trump, trɐmp, subst. troefkaart, goede kerel, kranige vent; Trump verb. troeven, troef (uit)spelen, verzinnen, opdrijven: To call for trumps = vragen; To lead off a trump = opkomen met; To play trumps; He was put to his trump(s) = tot het uiterste gebracht; You always turn up trumps = gij boft altijd, u loopt alles mee = All your cards are trumps; Trumped-up = verzonnen, waardeloos: An accusation was trumped up against us = werd tegen ons verzonnen; Trumpery, subst. vodden, prulleboel, bedriegerij; adj. waardeloos, prullerig.

Trumpet, trɐmpət, subst. trompet, scheepsroeper, uitbazuiner; Trumpet verb. met veel ophef bekend maken, uitbazuinen, uitbundig prijzen, trompetten: The last trumpet = de bazuin van den oordeelsdag; A flourish of trumpets = fanfare; He blows (sounds) his own trumpet = verkondigt zijn eigen lof; He trumpeted forth his friend’s praise = stak de loftrompet over zijn vriend; Trumpet-call = trompetsignaal; Trumpet-fish = trompetvisch; Trumpet-fly = schapenhorzel; Trumpeter = trompetter, loftuiter, schetteraar, trompetvogel; soort duif.

Truncal, trɐŋk’l, tot den stam of romp behoorende; Truncate, trɐŋkit, adj. afgeknot; Truncate verb. (trɐŋkeit), afknotten, snoeien: Truncated cone (pyramid) = afgeknotte kegel (piramide); Truncation, trɐŋkeiš’n, afknotting, het afgeknot zijn.

Truncheon, trɐnš’n, subst. stam, stomp, schacht, staf, knuppel, maarschalksstaf; Truncheon verb. afrossen.

Trundle, trɐnd’l, subst. rol, wieltje, rolwagen; Trundle verb. rollen, doen rollen, hoepelen: Let them trundle = laat ze loopen; Trundle-bed = rolbed; Trundle-head = kop v. een kaapstander; Trundle-tail = krulstaart.

Trunk, trɐŋk, romp, stam, snuit (v. olifant), neus, koffer, hoofdlijn (voor spoor of telefoon); bak, koker: Trunks = Trunk-hose = korte wijde broek boven de knieën ingenomen; Trunk-line = hoofdlijn van spoor, kanaal, etc.; Trunk-maker = koffermaker; Trunk-root = hoofdwortel; Trunk-sleeve = pofmouw.

Trunnel, trɐn’l = Treenail.

Trunnion, trɐnj’n, tap (van een kanon).

Truss, trɐs, subst. bundel, pakje, bosje, stellage of geraamte, pianokast, breukband, console; Truss verb. stijf binden, opstroopen, terecht trekken van kleeren, versterken, opmaken: He trussed on his rags = hing zijne lompen om; He trussed up his hair = bond op; A trussed fowl = opgemaakte vogel (gereed om te worden gebraden); Truss-maker = breukbandenmaker.

Trust, trɐst, subst. vertrouwen, geloof, toevertrouwd iets, deposito, crediet, zorg, vereeniging v. personen ten einde het monopolie te verkrijgen of te behouden; Trust verb. vertrouwen, gelooven, toevertrouwen, crediet geven, lichtgeloovig zijn, zich verlaten op: A distillers’ trust = vereeniging van distillateurs; Breach of trust = trouwbreuk; Position of trust = post van vertrouwen; To give trust = crediet geven; You are in my trust = mij toevertrouwd, onder mijne hoede; Bonds in trust = effecten, etc. in bewaring; The watch was committed to my trust = mij ter bewaring toevertrouwd; Don’t put your trust in such people = stel geen vertrouwen in; I took it on trust = op goed geloof; I will trust him no further than I can see; it was trusted to my care = toevertrouwd aan; I will trust you with this = u dit toevertrouwen; Trust me for that = daar kunt ge op aan; Trust him to do it = hij “lapt net hem” wel; Trustee, trɐstî, beheerder, gevolmachtigde, commissaris, curator; Trustship; Trustful = vertrouwend; subst. Trustfulness; Trustless = niet te vertrouwen; subst. Trustlessness; Trustworthiness, subst. van Trustworthy = trouw, vertrouwd, beproefd.

Truth, trûth, waarheid, oprechtheid, getrouwheid, standvastigheid: He did truth = hij volgde Gods bevelen; Why don’t you speak the truth? = waarom zegt gij de waarheid niet; In truth = in waarheid, waarachtig, inderdaad; Of a truth = waarlijk; Truth-ful = waarheidlievend, vertrouwbaar; subst. Truthfulness.

Truttaceous, trəteišəs, forellen...

Try, trai, subst. proef, poging; Try verb. beproeven, onderzoeken, op de proef stellen, verhooren (rechtbank), aanwenden, verleiden, ondervinden, ijken, aangrijpen, veel vergen, uitbraden, raffineeren, inschieten: To have a try at = eens probeeren; I have tried hard to do it = ik heb terdeeg mijn best gedaan; I will try conclusions with him = het tegen hem opnemen; That tries the eyes = vermoeit de oogen; Such work tries a man = pakt je aan; We will try this quarrel hilt to hilt = dezen strijd met de degens uitmaken; To try on = passen; probeeren: I tried on my new coat = paste; To try it on = bedriegen, van bedrog leven; probeeren hoeveel het (met iemand) lijden kan; To try out = doorzetten, uitsmelten: We will try the matter out = wij zetten door tot de zaak beslist is; He was tried and condemned = verhoord en veroordeeld; Try-sail = gaffelzeil, bezaan; Try-your-weighter = automat. weegmachine. Zie Trying.

Trygon, traigən, pijlstaartrog.

Trying, trai-iŋ, lastig, smartelijk, moeielijk: Such things are trying to a man = hard voor; A trying climate = ongezond klimaat; He is very trying = geeft veel last.

Tryst, trist, (plaats van) afgesproken bijeenkomst; Trysting-place = plaats van bijeenkomst.

Tsar, tsâ, Czaar; Tsarevitch, tšârəvitš, tšâreivitš; Tsarina, tšârinə, Tsaritsa, tšaritsə.

Tsetse, tsetsə, tsetsevlieg.

T-square, tîskwêə, teekenhaak = T.

Tub, tɐb, subst. tobbe, klein vat, badtobbe, lompe boot, kansel; Tub verb. in een tobbe doen, baden, een kuipbad nemen: Tale of a tub = bakersprookje; Tubs = boterkooper; Tub-fish = knorhaan; Tub-frock = japon, die gewasschen kan worden; Tub-man = een der twee bekwaamste advocaten van het vroegere Court of Exchequer (de andere werd Postman genoemd); Tub-pair = soort v. roeiboot; Tub-thumping = lawaaierige oratie; Tubber = soort v. houweel; Tubby = tobvormig, tonvormig; dof klinkend.

Tuba, tjûbə, tuba (muziekinstr.).

Tube, tjûb, subst. buis, pijp, tube, kanaal, lampeglas; Tube verb. van pijpen of buizen voorzien: The Tube = de ondergrondsche spoorweg in Londen; India-rubber tube = gummislang; Test-tube = reageerbuisje.

Tuber, tjûbə, vleezig gezwel, knol, aardappel; Tubercle, tjûbək’l, knolletje, kleine tuberkel; Tubercular, tjubɐ̂kjulə, vol knobbels of tuberkels: Tubercular consumption; Tuberculous, tjubɐ̂kjulɐs, lijdende aan tuberculose, vol tuberkels; Tuberculosis = tuberculose; Tuberose, tjûbərous, tjûbərous, subst. tuberoos (plant); adj. met knobbels of uitwassen; subst. Tuberosity, tjûbərositi, knobbeligheid, gezwel, zwelling; Tuberous = Tuberose.

Tubular, tjûbjulə, buis-, koker- of cylinder-vormig; Tubular boiler = stoomketel met vlampijpen; Tubular bridge = kokerburg; Tubular post = luchtdrukpost; Tubule, tjûbjûl, pijpje, buisje; Tubuliform = in den vorm van een buisje.

Tuck, tɐk, subst. opnaaisel, omslag, netje, lekkernijen, eetlust; trommelslag, rapier; Tuck verb. opschorten, omslaan, inslaan, optrekken, vouwen, opstroopen, instoppen, zich zat eten (out), vollen (van laken), tokken (van eene kip): Tuck of drum = slag op trom; It was nip and tuck with us = het kwam er op aan, was een strijd op leven en dood; Tuck-shop = suikerbakkerij; Tuck-in (= Tuck-out) = traktatie; I have tucked them in warmly = heb ze ingestopt; The handkerchief about his neck was tucked in at the bosom = was (nl. de punten er van) in zijn borst gestopt; He tucked up his sleeves = stroopte op; They tucked him up as best they could = pakten hem in; Tucker = kanten halskraag of chemisette; Tuck(ing)-mill = volmolen.

Tucum, tjûk’m, Z.-Amer. palmsoort.

Tudor, tjûdə, subst. en adj. (van) Tudor: Tudor style = Gothisch-Engelsche bouwstijl.

Tuesday, tjûzdi, Dinsdag.

Tufa, tjûfə, tufsteen; Tufaceous, tjufeišəs, gelijkend op, bestaande uit tufa.

Tuff, tɐf, tuf(steen).

Tuft, tɐft, subst. bosje (haar), kuif, trosje, hoop, groep, kwast (aan muts, etc.), spitse baard; Tuft verb. in bosjes of hoopjes verdeelen (groeien), met kwastjes of trosjes versieren: Ricquet-with-a-tuft; Tuft-hunter = klaplooper, flikflooier; Tufted = met kwastje of trosjes versierd, met spitsen kinbaard, in trosjes groeiend.

Tug, tɐg, subst. krachtige haal, ruk, sleepboot, rommelwagen of rammelkast; Tug verb. krachtig trekken of halen, rukken, sleepen: Tug of war = touwtrekken; The real tug of war will come on the electoral question = de ware strijd; I had a hard tug of it = het heeft me veel moeite gekost; He was tugged like a dog by fate = door het lot als een hond heen en weer gesleept; We were tugging against wind and tide = roeiden tegen; Tugboat = sleepboot.

Tuition, tjuiš’n, onderwijs, opzicht; adj. Tuitional = Tuitionary.

Tula, tûlə, stad in Rusland; kookplaats (Indië); Tula-metal = allooi van zilver, koper, lood en zwavel.

Tulip, tjûlip, tulp; Tulipomania, tjûlipəmeinjə, tulpenmanie (17e eeuw); adj. en subst. Tûlipomaniac.

Tulle, tûl, tule.

Tumble, tɐmb’l, subst. val, buiteling, verwikkeling; Tumble verb. rollen, vallen, buitelen, neervallen, neergooien, opgooien, onderstboven gooien, tuimelen, bewegingen en verdraaiingen met het lichaam maken; Tumble-down = bouwvallig: It would be good to improve those tumble-down fever-dens off the face of the earth = die bouwvallige koortsholen van den aardbodem te doen verdwijnen; To tumble in = naar kooi gaan; To tumble to = bemerken, begrijpen, vatten, snappen, op krijgen met, aanpakken; Tumble up, will you? = allo uit je bed; Tumbler = buitelaar, kunstenmaker, tuimelaar (glas of duif), glas zonder voet; Tumbling tricks = kunsten van acrobaten.

Tumbrel, tɐmbr’l, Tumbril, tɐmbril, mestkar, stortkar, ammunitiekar.

Tumefaction, tjûmifakš’n, zwelling, gezwel, puist;—verb. Tumefy; Tumid, tjûmid, gezwollen, uitgezet, bombastisch; Tumidity, tjumiditi, gezwollenheid, hoogdravendheid = Tumidness; Tumour, tjûmə, gezwel, zweer, puist.

Tump, tɐmp, subst. heuveltje; Tump verb. aanaarden, eene hoogte vormen om eene plant; een gedood dier naar huis sleepen (Amer.).

Tumtum, tɐmtɐm, een W.-Ind. pisangschotel; maag (scherts.); dog-cart (Anglo-Ind.).

Tumult, tjûmɐlt, opschudding, beroering, opwinding, verwarring, oploop; Tumultuariness, tjumɐltjuərinəs, subst. v. Tumultuary, tjumɐltjuəri, verward, opgewonden, oproerig, ontstuimig = Tumultuous, tjumɐltjuəs; subst. Tumultuousness.

Tumulus, tjûmjulɐs, grafheuvel.

Tun, tɐn, vat, ton (van seer verschillende afmetingen voor wijn, bier, etc.); gistvat eener brouwerij, zuiplap; Tun verb. in ’t vat doen; Tun-bellied = met ronden, dikken buik.

Tunbridge, tɐnbridž, stad in Kent; Tunbridge-ware = kastenmakerswerk met ingelegde stukken van verschillend gekleurd hout.

Tundra, tûndrə, tundrə, toendra.

Tune, tjûn, subst. klank, toon, wijsje, melodie, juiste toonhoogte, stemming, harmonie; eendracht, gemoedsgesteldheid, stemming; Tune verb. stemmen, aanheffen, zingen, doen aanpassen: The tune the old cow died of = een echte treurzang; I’ll make you sing another (change your) tune = zal je wel anders leeren; To be in tune = gestemd, gemutst; My piano is out of tune = ontstemd: He was rather out of tune to-day = niet erg gestemd; That costs to the tune of fifty pounds = dat zal zoowat vijftig p. kosten; Tuneful = welluidend, zangerig; subst. Tunefulness; Tuneless = klankloos, stil, onwelluidend; Tuner = stemmer.

Tungsten, tɐŋst’n, wolfram; Tungstic acid.

Tunic, tjûnik, tunica, militaire rok, vlies; Tunicle = kleine tunica, vliesje.

Tuning, tjûniŋ: Tuning-fork = stemvork; Tuning-hammer, Tuning-key = stemhamer, stemsleutel.

Tunis, tjûnis; Tunisian = (bewoner) v. T.

Tunkers, tɐŋkəz, sekte van Duitsch-Amerikaansche wederdoopers = Dunkers.

Tunnage, tɐnidž, tonnemaat. Zie Tonnage.

Tunnel, tɐn’l, subst. pijp, schoorsteenpijp, tunnel, fuik (= Tunnel-net); Tunnel verb. (als) een tunnel maken door (onder), doorboren, in een fuik vangen: Tunnels of light = lichtbundels; Tunnel-pit, Tunnel-shaft = toegang tot het midden van een tunnel van uit den bovengrond.

Tunny, tɐni, tonijn.

Tup, tɐp, subst. ram; Tup verb. dekken, bokken.

Turan, tjûrân; Turanian, tjûreinj’n.

Turban, tɐ̂b’n, tulband, tulbandvormige hoofdtooi.

Turbid, tɐ̂bid, troebel, modderig, drabbig; verward, onrustig, stormachtig; subst. Turbidity = Turbidness.

Turbinate, tɐ̂binit, ronddraaiend, spiraalkegelvormig.

Turbine, tɐ̂bin, turbine; Turbine-steamer.

Turbit, tɐ̂bit, meeuwtje (soort duif).

Turbot, tɐ̂bət, tarbot.

Turbulence, Turbulency, tɐ̂bjulens(i), onstuimigheid, beroering, oproerigheid, rumoerigheid; adj. Turbulent.

Turco, tûəkou, tɐ̂kou, Fransch soldaat in ’t Algerijnsche kol. leger.

Turd, tɐ̂d, drek.

Tureen, tjurîn, soepterrine; Tureen-ladle = soeplepel.

Turf, tɐ̂f, subst. zode, grasveld, plag, turf; renbaan; Turf verb. met zoden of plaggen beleggen: Black heaps of turf = stapels turf; A sod of turf = zode; He is on the turf = leeft van (doet aan) wedrennen en wedden op renpaarden; I have broken with the turf and sold my stud off = doe niet meer aan de rensport; Turf-clad = met zoden bedekt; Turf-cutter; Turf-fire; Turf-hedge = scheiding door eene bank van zoden; Turf-house = stulp van plaggen; Turf-moss = veenland; Turfman = liefhebber van rensport; Turf-seat = zodenbank; Turf-spade = spade om zoden te steken; Turfing: Turfing-iron, Turfing-spade = spade voor het steken van zoden; Turfless = zonder zoden; Turfite, tɐ̂fait = Turfman; Turfy = vol zoden; tot wedrennen of de renbaan behoorende.

Turgent, tɐ̂dž’nt, gezwollen, opgeblazen: Turgescence, Turgescency, tɐ̂džes’ns(i), opgezwollenheid, opgeblazenheid; Turgescent = zwellend; Turgid, tɐ̂džid, gezwollen, opgeblazen, hoogdravend; subst. Turgidity, tɐ̂džiditi = Turgidness.

Turin, tjûrin, Turijn; Turinese, tjûrinîz, tjûrinîs, (bewoner) van T.

Turk, tɐ̂k, Turk: Turk’s head = “kop van Jut” op kermissen; ragebol; Turkish, subst. en adj. Turksch(e taal): Turkish bath = bad (van 116° tot 165°); Turkish delight = soort v. lekkers; Turkophile, tɐ̂kəfail, Turkenvriend.

Turkey, tɐ̂ki, Turkije, kalkoen: To talk turkey; Zie Talk; Turkey-bird (Zie Wry-neck); Turkey carpet = Turksch vloerkleed, Smyrnasch tapijt; Turkey-cock = kalkoensche haan: She turned as red as a turkey-cock; Turkey-hen = kalkoensche hen.

Turmoil, tɐ̂môil, verwarring, ontsteltenis, herrie, sloven; Turmoil verb. in onrust zijn, zich afsloven.

Turn, tɐ̂n, subst. draai, omwenteling, bocht, kromte, hoek, wandelingetje, verandering, wisselvalligheid, gelegenheid, aanleiding, doel, daad, voorval, dienst, mode, strekking, gedaante, aard, neiging, luim, stemming, poets, grap, beurt, karweitje, zenuwschok, woordstelling (in een zin), ophanging, etc.; Turn verb. wenden, keeren, draaien, vormen, omkeeren, aanwenden, richten, strekken, overhalen, bekeeren, verdraaien, veranderen, vertalen, overbrengen, overpeinzen, doen gisten, schiften, verzuren, walgen, terugkeeren, weerstaan (een vijand), weifelen, etc.: A turn of fate = lotswisseling; In the turn of a hand = in een oogenblik; At the turn of the river, road = bij de bocht; The turn of a wager = de kans; His answers are mere turns of wit = geestige zetten, wendingen; A turn of work = klein karwei; One good turn deserves another = de eene dienst is den anderen waard; I am good for a turn at any game = doe gaarne mee aan een spelletje; There is a quaintness of turn in his style = zijn stijl heeft een zonderling cachet; The news gave me such a turn = deed me erg schrikken; That soldier seems to have a turn for desertion = neiging tot desertie te hebben; That will hardly serve your turn = dat zal je wel niet kunnen dienen; We must take turns = elkaar afwisselen; Things have taken a favourable turn = een gunstigen keer genomen; He does so at every turn = bij elke gelegenheid; We must go there by turns, in turn(s) = om beurten; You must do it in turn = op uwe beurt; Each in his turn = ieder op zijne beurt; The tide was on the turn = het getij begon te kenteren; Done to a turn = goed gaar; Turn for turn = leer om leer; These advantages turned to real account = leverden inderdaad wat op; My brain (head) turns = ik word duizelig; The leaves turn in autumn = worden geel; The mutton has turned with the hot weather = is bedorven; We were turned adrift = wij werden aan wind en golven ten prooi gegeven; He turned aside = keerde zich om; To turn loose = loslaten (van honden bijv.); To turn pale = bleek worden; To turn sour = zuur worden; He turned his back = hij draaide zich om, hij vluchtte; He turned his back (up)on us = wendde ons den rug toe (ook fig.); It turned the balance (scale) = deed de schaal omslaan; He has turned his coat = is afvallig geworden; She turned colour = verschoot van kleur; To turn the corner = het hoekje (crisis van een ziekte) te boven zijn, beter worden; The railway-shares have turned the corner and are increasing = hebben zich hersteld en gaan omhoog; To turn a couplet = een versje maken; She can turn an epigram and point a satire = iets geestig zeggen en satiriek zijn; He shaved twenty men and never turned a hair = en sneed hen geen enkele maal; To turn one’s hand to = zich toeleggen op; He could turn his hand to many things = kon van alles maken; The news has turned his head (brain) completely = heeft zijn hoofd op hol gebracht; He turned informer on me = hij verklikte mij; Will you turn the key? = omdraaien; A merchant must turn his money = steeds omzetten; I will try to turn a penny = een duit te verdienen; Turn the points = verzet den wissel; To turn the enemy’s position = omtrekken; To turn soldier = soldaat worden; The medicine turns my stomach = ik walg van; The tables were turned = de bordjes werden verhangen; I turned the tables upon him = sloeg hem met zijn eigen wapens; deed de kans keeren; To turn tail = op de vlucht gaan; To turn turtle = omslaan: Everything has turned turtle = alles ligt overhoop; To turn about = zich omkeeren; Turn again = keer terug, om; To turn away = zich afwenden: He turned away from the path of duty = verliet; I have turned him away = weggezonden, ontslagen; To turn money away = opsparen, wegleggen; To turn back = omkeeren, terugkeeren; The leaf was turned down (back) at the top = het blad was bovenaan omgeslagen; Everything was turned upside down = onderstboven gekeerd; Turn-down = omgeslagen, dubbelgevouwen; ook subst. liggende boord; Turn of a letter = omgevouwen rand; I have turned it in = naar binnen gevouwen; He turned it in his mind = overlegde het bij zichzelf; To turn in = naar kooi gaan; He turned in with me = ging met mij naar bed; The road turns in and out = kronkelt gedurig; To turn into = veranderen in; Turn this into Dutch = vertaal dat in ’t N.; He turned German ballads into English verse = bracht ... over; He turned of a deadly colour = werd doodsbleek; He is turned (of) fifty = boven de vijftig; The hour was turned of six = het was over zes; To turn off the gas, the steam = uitdraaien, afsluiten; To turn off an article = op ’t papier gooien; To turn on the gas = de gaskraan open zetten; She turned on her tears = begon te schreien; Everything turns on your answer = hangt af van; The fate of the country turns on the king’s decision = hangt af; Turn him out = zet hem de deur uit; We have turned out the cows = de koeien in de weide gedaan; It turned out wrong, right = kwam verkeerd, goed uit, liep verkeerd, goed af; He did not turn out much = het resultaat van zijn arbeid was gering; I have turned it inside out = heb het binnenste buiten gekeerd; He will turn out trumps after all = toch nog een flinke vent worden; It turned out to be = bleek te zijn; The book is well turned out = ziet er keurig uit; A well turned-out stranger = net gekleed; His clothes had been turned out by the best tailor = waren geleverd; Turn-out = pronk, pak, vertooning, mooie equipage, groote menigte, ontvangst, afmarsch, werkstaking, uitsluiting, wisselspoor, opbrengst; He turned over more than fifty thousand pounds a year = zette om; We have turned over a new leaf = zijn met een nieuw blad, een heel ander leven begonnen; He turned over and continued reading = sloeg het blad om; I have turned it over and over = van alle kanten bekeken; The money was turned over to the owner = werd overgemaakt aan den eigenaar; The boat was turned over = werd omgeworpen, sloeg om; I turned it over in my mind = ik overlegde het bij mijzelf; Let us turn over = van plaats veranderen; Turnover = onderstboven werping, soort gebak, omzet; adj. omgeslagen, ingericht om om te slaan: Turnover table = klap(speel)tafeltje; He turned round = veranderde van houding, keerde zich om; She loved him for some time, and then turned round (to another) = zette toen haar zinnen op een ander; I must have time to turn round = tijd om te overleggen of overwegen; His eyes were turned to the stage = op het tooneel gericht; What shall I turn to? = wat zal ik nu doen, nu aanpakken; You must try to turn this to profit, advantage, account = trachten te profiteeren van; To turn up = omhoogslaan, omslaan, opduiken, te voorschijn komen, gebeuren etc.: I hope something will turn up in time = dat er zich nog wat zal voordoen (opdoen); Turn up page the seventh = sla op; Turn it up = schei uit daarmee! To turn up one’s nose at = den neus optrekken voor; I turned his arguments upon himself = sloeg hem met zijn eigen woorden; I turned upon him suddenly = draaide me plotseling naar hem om, viel hem aan; The conversation turned upon all kinds of topics = liep over allerlei onderwerpen; She will be married turned Michaelmas = na; Turn-bench = kleine draaibank; Turn-cap = schoorsteengek; Turn-coat = afvallige; Turn-cock = opzichter v. de waterleiding; Turn-down collar; Turndun = snorder (jongensspeelgoed); Turnkey = cipier; Turnpike = tolhek, slagboom, wenteltrap; Turnpike-man = tolgaarder; Turnpike-road = straatweg met tollen; Turn-screw = schroevendraaier; Turn-sick = draaiziek; Turnsole = kroontjeskruid; heliotroop; Turnspit = spitomdraaier; Turnstile = molentje, haspel op voetpaden; Turn-stone = soort steenlooper; Turn-table = draaischijf (op spoorwegen); Turner = kunstdraaier, varieteit van duif; Turnery = kunstdraaierij, draaiwerk; Turning, subst. draai, bocht, afwijking, kronkeling: Turning-lathe = draaibank; Turning-platform = draaischijf (voor spoorwagens); Turning-point = keerpunt.

Turnip, tɐ̂nip, raap, knol, dik horloge; Turnip-radish = knolradijs.

Turpentine, tɐ̂p’ntain, terpentijn; Terpentiny = met terpentijn bedekt, vol terpentijn.

Turpitude, tɐ̂pitjûd, laagheid, verdorvenheid.

Turquoise, tɐ̂kôiz, tɐ̂kîz, tɐ̂koiz, turkoos (edelsteen).

Turret, tɐrət, torentje, draaibare toren op een oorlogschip; Turret-ship = torenschip; Turreted = met torentjes; Turriculate(d), tərikjulit(-eitid), gelijk een torentje, voorzien van torentjes.

Turtle, tɐ̂t’l, subst. tortelduif; zeeschildpad(soep); Turtle verb. schildpadden vangen; Turtle-back = helmslak; Turtle-dove = tortelduif; Turtle-shell = schildpad; Turtle-soup = schildpadsoep.

Tuscan, tɐsk’n, subst. Toskaner; adj. van Toskane: Tuscan order = Toskaansche bouwstijl; Tuscany = Toskane.

Tush, tɐ̂š, pst! stil! poe! hoektand.

Tusk, tɐsk, slagtand (v. olifant of wild zwijn): Tusked = met slagtanden; Tusker = olifant of wild zwijn met goed ontwikkelde slagtanden; Tusky = Tusked.

Tussaud, tusou.

Tussle, tɐs’l, subst. worsteling, kloppartij; Tussle verb. worstelen, vechten: We had a sharp tussle with the enemy = een vinnigen strijd.

Tussock, tɐsək, bosje, lok, bosje gras, heuveltje; adj. Tussocky.

Tut, tɐt, st! pst! stil! poeh! och kom!

Tutelage, tjûtəlidž, voogdij(schap), onmondigheid; Tutelar(y), tjûtələ(ri), beschermend: Tutelar angel; Tutelar spirits = beschermgeesten; Tutor, tjûtə, subst. voogd, (privaat)onderwijzer, een der professoren aan een college belast met het algemeen toezicht (= College tutor), of die de studie leidt (Private tutor); Tutor verb. onderwijzen, berispen; Tutorial, tjutôriəl, behoorende tot, uitgeoefend door een Tutor; Tutorship = voogdijschap; onderwijzersbetrekking, tutorschap.

Tutta, tutâ, geheel; Tutti, tuti, allen (muz.).

Twaddle, twod’l subst. beuzelpraat, gewauwel; Twaddle verb. wauwelen, kletsen; Twaddler = leuteraar.

Twain, twein: In twain = in tweeën.

Twaite, tweit, elft. Z. Thwaite.

Twang, twaŋ, subst. scherp geluid, neusgeluid, neusklank, smaakje, onaangename smaak; Twang verb. gonzen, klinken, aanslaan, doen klinken, eruit gooien (out): There is a twang about it = er is een leelijk smaakje aan; To speak with a twang = door den neus spreken; The twanging of a full-toned guitar = het scherpe geluid van eene krachtige guitaar; A twanging sound = scherp, doordringend geluid.

Twankay, twaŋkei, ordinaire groene thee.

’Twas, twoz, samentr. van It was.

Tweak, twîk, subst. kneep, klem (fig.); Tweak verb. knijpen: To tweak a person by the nose, To tweak a person’s nose = iemand bij zijn neus trekken.

Tweed, twîd, stof voor manskleeren; adj. van tweed: Heather tweed = bruine tweed.

Tweedle, twîd’l, zacht strijken over, vedelen, doedelen, vleien, bepraten: He insisted upon the difference between tweedledum and tweedledee = het verschil tusschen een half dozijn en zes.

Tweel, twîl; Zie Twill.

’Tween, twîn, samentr. van Between.

Tweeze, twîz, étui met instrumenten = Tweezer-case; A pair of tweezers = haartangetje.

Twelfth, twelfth, subst. en adj. (het) twaalfde; Twelfth-cake = driekoningengebak; Twelfth-day (Twelfth-tide) = Driekoningen; Twelfth-night = de avond van (vóór) Driekoningen; Twelve, twelv, twaalf: The Twelve = de twaalf apostelen, de twaalve; Some writers strike twelve all at once = verschieten hun kruid al dadelijk; Twelvemonth = een jaar: In a twelvemonth, A twelvemonth hence, By this time twelvemonth, This day twelvemonth = over een jaar, in een jaar; Twelvepence = een shilling; Twelvepenny = van twaalf stuiver waarde; Twelvescore = 240, afstand van 240 yards, boogschotsafstand.

Twentieth, twentiəth, subst. en adj. (het) twintigste; Twenty, twenti, twintig.

Twibill, twaibil, tweesnijdende bijl, hellebaard.

Twice, twais, tweemaal; Twice-told = tweemaal verteld, welbekend.

Twiddle, twid’l, langzaam ronddraaien; zich snel omdraaien, glinsteren, spelen met: To twiddle one’s thumbs = duimpje draaien, de handen in den schoot leggen.

Twig, twig, subst. takje, wichelroede; Twig verb. opletten, gadeslaan, “snappen”: Just as the twig is bent, the tree is inclined = jong gewend, oud gedaan; In prime twig = naar de nieuwste mode; I twigged you there = daar had ik je, snapte ik je; Twiggy = vol takjes.

Twilight, twailait, subst. schemering, flauw idee; adj. schemerend, onduidelijk.

Twill, twil, subst. keper; Twill verb. keperen.

Twin, twin, subst. tweeling: adj. tweeling—, dubbel, gepaard; Twin verb. paren, gepaard zijn, tweelingen werpen: The Twins = Tweelingen (sterrenbeeld); Twin-born = tegelijk geboren; Twin-brother = tweelingbroeder; Twin-sister = tweelingzuster.

Twine, twain, subst. draai, kronkeling, omarming, twijn, getwijnd garen, touw; Twine verb. draaien, twijnen, omarmen, samenweven, kronkelen, zich slingeren: The ivy twined about the old tree = slingerde zich.

Twinge, twinž, subst. plotselinge pijn, steek, kneep, wroeging; Twinge verb. knijpen, nijpen, steken, pijn doen: She felt twinges of conscience for treachery = had gewetensknaging over haar verraad; A twinge of the gout, jealousy = aanval; My side twinges = ik heb steken in de zijde.

Twinkle, twiŋk’l, subst. schittering, flikkering, fonkeling, oogenblikje; Twinkle verb. fonkelen, schitteren, flikkeren: In a twinkle = the twinkling of an eye = in een oogwenk.

Twinter, twintə, koe of schaap van 2 jaar, twenter.

Twirl, twɐ̂l, subst. snelle draai, pirouette; Twirl verb. snel (doen) ronddraaien: To give a thing a twirl = laten draaien; I twirled the teetotum = zette het A-al-tolletje; To twirl one’s thumbs = duimpje draaien; She twirled in a polka = danste de polka.

Twist, twist, subst. draai, bocht, kronkel(ing), vlecht, spuuglok, koord, tabak in rollen gedraaid, verrekking, verwikkeling; mengsel van brandewijn en jenever; Twist verb. draaien, vlechten, twijnen, (zich) wringen, strengelen, kronkelen, winden, verdraaien: I can twist him round my (little) finger = hem om mijn vinger winden; To twist up one’s mustachios = opdraaien; A twisted note = knijpbriefje; Twister = verdraaiing, moeielijk vraagstuk, leugen; wervelwind (Amer.), met een draai weggeslingerde bal (cricket): He can spin a twist = liegen of het gedrukt staat; Twisty = vol kronkels en bochten; A twist-twirly imp = een verdraaide, in allerlei bochten verwrongen kabouter.

Twit, twit, plagen, verwijten, honen: I twitted him with his superhuman patience = ik verweet hem.

Twitch, twitš, subst. plotselinge ruk, zenuwtrekking (= Convulsive twitch); Twitch verb. rukken, grijpen, eene zenuwtrekking hebben.

Twite, twait, ringmusch, boommusch.

Twitter, twitə, subst. gekweel, gesjilp, gepiep, trilling, zenuwachtigheid, schrik; Twitter verb. kweelen, sjilpen, trillen van begeerte: To be (all) in (of) a twitter = beven van angst.

Twittle-twattle, twit’ltwot’l, gewauwel.

’Twixt, twikst, samentr. van Betwixt: A mere ’twixt and between = tusschending.

Two, tû, twee(tal): I will make him do so in two twos = “één, twee, drie”; I could smash him like two twos = kon hem te pletter slaan; To bite, cut, tear in two = in tweeën; He will always put two and two together = zijne gewoonte is te vergelijken, alles in aanmerking te nemen; A two-edged sword = tweesnijdend; Two-faced = met twee gezichten, bedriegelijk, onoprecht; Twofold = tweevoudig, dubbel; A two-foot ruler = liniaal van twee voet; Two-handed = met twee handen (te hanteeren); We made a two-hour stop at the hotel = rustten twee uur; Two-masted; Two-pair = twee trappen hoog: A two-pair front (back) = voorkamer (achterkamer) twee hoog; Twopence, tɐp’ns, dubbeltje: He is not good for twopence = geen lor waard; Not to care twopence for = geen lor geven om; Twopenny, tɐpəni, van twee stuiver waarde, gering: Twopenny tube = electr. ondergrond. Londensche spoorweg; Twopenny-half penny, tɐp’ni-heip’ni, van geringe waarde, onbeteekenend; Twotails = olifant.

Tybalt, tibəlt; Tyburn, taibən, vroegere gerechtsplaats (Londen); Tybalt-tree = galg.

Tyke, taik, hond; bewoner van Yorkshire.

Tyler, tailə, Zie Tiler.

Tymbal, timb’l, bekken, keteltrom.

Tympan, timp’n, tympaan (boekdrukk.); trom; Tympanic, timpanik, trommel - -; Tympanites, timpənaitîz, trommelzucht; Tympanum, timpənɐm, trommelvlies, gevelnis; Tympany = trommelzucht; opgeblazenheid.

Tyndale, Tyndall, tind’l; Tynemouth, tinməth, tainməth.

Type, taip, subst. type, zinnebeeld, voorbeeld, stempel, kenteeken, letter, schrift; Type verb. schrijven met een Type-writer: The first sheet is in type now = is nu gezet; Bold, Crowded type = groote, compresse druk; Type-founder = lettergieter; Type-foundry = lettergieterij; Type-metal = letterspecie; Type-setter = letterzetter, zetmachine; To type-write = schrijven met een type-writer = schrijfmachine (ook wie daarmede schrijft); Type-written = met een type-writer geschreven; Type-work = het gedrukte.

Typhoid, taifôid, typheus; subst. typhus (gewoonlijk Enteric fever).

Typhoon, taifûn, typhoon.

Typhous, taifəs, typheus; Typhus, taifəs, typhus.

Typical, tipik’l, typisch, zinnebeeldig, tot voorbeeld of type dienend: Typical fever = geregeld verloopende koorts; subst. Typicalness; Typify, tipifai, door een type of model voorstellen; Typist, taipist, wie met een Type-writer werkt of schrijft; Typo, taipou, verk. van Typographer, taipogrəfə, drukker, zetter; adj. Typographical, t(a)ipəgrafik’l; Typography, taipogrəfi, drukkunst.

Tyrannical, tairanik’l, tyranniek, wreed; subst. Tyrannicalness; Tyrannicide, tairanisaid, tirannenmoord of -moordenaar; Tyrannize, tirənaiz, tyranniseeren; Tyrannous = tiranniek, willekeurig, onderdrukkend; Tyranny, tirəni, tirannie, dwingelandij, wreedheid; Tyrant, tair’nt, tiran.

Tyre, taiə, Tyrus; wielband (Zie Tire); Tyrian, tiriən, (bewoner) v. Tyrus.

Tyro, tairou, beginner, nieuweling.

Tyrol (The), dhətir’l (tiroul); Tirol; Tyrolese, tirəlîz, tirəlîz, tirəlîs, (bewoner) v. Tyrol; Tyrolienne, tirouljen, tiroolsch lied (dans); Tyrone, tiroun; Tyrrhenian, tirîniən: Tyrrhenian Sea; Tyris, tairəs; Tyrwhitt, tirət.

Tythe, taidh; Zie Tithe.

Tzar, zâ, tsâ, tzaar. Zie Tsar.

U.

U, jû; U(rbis) C(onditae) = van af de stichting der stad Rome; U(pper) C(anada); U(ta)h; U(triusque) J(uris) D(octor) = doctor in de beide rechten; U(nited) K(ingdom); Ult(imo) = laatste, van de laatste maand; Unit(arian); Univ(ersity); Unm(arried); Up(per); U(nited) S(tates) = U(ncle) S(am); U(t) S(upra) = als boven; U(nited) S(tates of) A(merica); U(nited) S(tates) A(rmy) of N(avy); Usu(al); U(tah) T(erritory).

Ubiquitary, jubikwitəri = Ubiquitous, jubikwitɐs, alomtegenwoordig, overal tegelijk zijnde; Ubiquity = alomtegenwoordigheid.

’Ud, ud = would.

Udal, jûd’l, allodiaal; subst. allodium (op de Orkney en Shetland eilanden); Udaller, Udalman = bezitter van een allodium.

Udder, ɐdə, uier; Uddered = met uier(s).

Udometer, judomətə, regenmeter.

Ugh, u, bah!

Ugliness, ɐglinəs, subst. v. Ugly, ɐgli, leelijk, wanstaltig, terugstootend; gevaarlijk; verdrietig (Amer.): As ugly as sin = zoo leelijk als de nacht.

Uhlan, (j)ûl’n, Ulaan.

Uist, wist.

Ukase, jûkeis, ukase.

Ukraine, jûkrein, ûkrein.

Ulcer, ɐlsə, zweer, gezwel; Ulcerate = zweren: His heart was ulcerated with hatred = hij droeg een ingekankerden haat in zijn hart; Ulceration, zweer, verzwering; Ulcerative, Ulceratory = zwerend; Ulcerous = als eene zweer; subst. Ulcerousness.

Ule, jûlə, caoutchoucboom = Ule-tree.

Ullage, ɐlidž, lekkage: Ullages = restanten wijn bij een diner.

Ulla-lulla, ɐlə-lɐlə, lijkklacht.

Ulmaceous, ɐlmeišəs, olmachtig; Ulmus, ɐlməs, olm.

Ulna, ɐlnə, ellepijp; adj. Ulnar.

Ulric, ɐlrik; Ulrica, ɐlraikə.

Ulster, ɐlstə, lange getailleerde overjas.

Ulterior, ɐltîriə, verder(af gelegen), aan de andere zijde.

Ultimate, ɐltimit, verste, laagste, uiterste, achterste, slot - -, grond - -; Ultimatum, ɐltimeit’m, ultimatum; Ultimo, ɐltimou, van de laatste maand; Ultimogeniture, ɐltimədženitjə, erfopvolgingsrecht van den jongsten zoon of broeder.

Ultra, ɐltrə, uiterst, buitensporig; subst. ultra, radicaal; Ultramarine, ɐltrəmərîn, ɐltrəmərîn, subst. ultramarijn; adj. ultramarin, overzeesch; Ultramontane, ɐltrəmontein, subst. ultramontaan; adj. aan de andere zijde der bergen gelegen: Ultramontane party; Ultramontanism, ɐltrəmontənizm, ultramontanisme; Ultramontanist.

Ululate, ɐljuleit, ûluleit, huilen, krassen; Ululation, gehuil, gekras, weeklacht.

Ulysses, jûlisîz; adj. Ulyssean.

Umbel, ɐmb’l, scherm; Umbellate(d), ɐmbəlit(Umbeleitid) schermbloemig, schermdragend = Umbelliferous, ɐmbəlifərɐs; Umbellule, ɐmbeljûl, klein scherm.

Umber, ɐmbə, subst. vlagzalm; omber (verfstof); adj. bruin, donker; Umber verb. met umber verven, donker verven: Burnt umber = gebrande; Raw umber = ongebrande.

Umbilic(al), ɐmbilik(’l), navel - -: Umbilical cord = navelstreng; Umbilical region = navelstreek; Umbilicate(d) = navelvormig; Umbilicus, ɐmbilaikəs, navel, navelkruid.

Umbles, ɐmb’lz, ingewand van een hert.

Umbo, ɐmbou (Meerv. Umbones, ɐmbounîz), knop van een schild, bult; adj. Umbonal.

Umbra, ɐmbrə, kernschaduw, ombervisch.

Umbrage, ɐmbridž, schaduw, lommer; verdenking, aanstoot: He gave umbrage to the more advanced = ergerde; I am sorry you have taken umbrage at my words = dat gij u geërgerd hebt; Umbrageous, ɐmbreidžəs, schaduwrijk, lommerrijk; subst. Umbrageousness.

Umbre, ɐmbə = Umber.

Umbrella, ɐmbrelə, paraplu: To open (To put up), To shut an umbrella; Umbrella-case = foudraal; Umbrella-maker; Umbrella-runner = schuifring; Umbrella-stand = paraplustander; Umbrella-stick.

Umbria, ɐmbriə, Umbrië.

Umph, ɐmp, interj. H’m!

Umpire, ɐmpaiə, subst. scheidsrechter; Umpire verb. als scheidsrechter optreden; Umpireship.

’Un, ɐn = one.

Un = on, niet, etc. in samenstellingen. Zie In.

Unabashed, ɐnəbašt, schaamteloos, onbeschaamd.

Unabated, ɐnəbeitid, onverminderd, onverzwakt, onverflauwd.

Unabbreviated, ɐnəbrîvjeitid, onverkort.

Unable, ɐneib’l, onbekwaam, niet in staat; subst. Unableness.

Unabolished, ɐnəbolišt, niet afgeschaft, nog van kracht.

Unabridged, ɐnəbridžd, onverkort.

Unabrogated, ɐnabrəgeitid, niet afgeschaft.

Unabsorbable, ɐnəbsöbəb’l, niet absorbeerbaar.

Unacceptable, ɐnəkseptəb’l, onaangenaam, onaannemelijk, niet welkom; subst. Unacceptableness.

Unaccommodating, ɐnəkomədeitiŋ, niet inschikkelijk, onbuigzaam.

Unaccompanied, ɐnəkɐmpənid, niet vergezeld, zonder begeleiding.

Unaccomplished, ɐnəkomplišt, onvoltooid, onvolvoerd.

Unaccountability, ɐnəkauntəbiliti, subst. v. Unaccountable, ɐnəkauntəb’l, onverklaarbaar, onverantwoordelijk; subst. Unaccountableness; Six of the lost are unaccounted for yet = zijn nog niet terecht gebracht.

Unaccustomed, ɐnəkɐst’md, ongewoon, ongebruikelijk, ongewend (to).

Unachievable, ɐnətšîvəb’l, onuitvoerbaar, onbereikbaar; Unachieved = onuitgevoerd, onvoltooid.

Unacknowledged, ɐnəknolidžd, niet erkend.

Unacquainted, ɐnəkweintid, onbekend (with); subst. Unacquaintedness.

Unacquired, ɐnəkwaiəd, onverkregen.

Unacquitted, ɐnəkwitid, niet vrijgesproken; niet betaald.

Unactable, ɐnaktəb’l, niet opvoerbaar; Unacted, ɐnaktid, onopgevoerd, ongevoelig voor (by).

Unactuated, ɐnaktjueitid, niet bewerkt of geïnfluenceerd, levenloos: Unactuated by such opinions.

Unadapted, ɐnədaptid, ongeschikt; subst. Unadaptedness.

Unaddicted, ɐnədiktid, niet overgegeven of verslaafd (to).

Unadjusted, ɐnədžɐstid, niet uitgemaakt of beslist.

Unadorned, ɐnədönd, onversierd.

Unadulterate(d), ɐnədɐltərit (ɐnədɐltəreitid), onvervalscht, zuiver, echt.

Unadvised, ɐnədvaizd, onverstandig, onvoorzichtig; subst. Unadvisedness.

Unaffected, ɐnəfektid, natuurlijk, ongedwongen, ongekunsteld; subst. Unaffectedness.

Unaided, ɐneidid, zonder hulp, bloot (oog).

Unallowable, ɐnəlauəb’l, ongeoorloofd, niet toelaatbaar.

Unalloyed, ɐnəlôid, onvermengd, zuiver.

Unalterable, ɐnôltərəb’l, onveranderlijk, onbuigzaam, onverwrikbaar; subst. Unalterableness; Unaltered = onveranderd.

Unambiguous, ɐnəmbigjuəs, niet dubbelzinnig, klaar, helder; subst. Unambiguousness.

Unambitious, ɐnəmbišəs, niet eerzuchtig, bescheiden; subst. Unambitiousness.

Unamenable, ɐnəmînəb’l, niet verantwoordelijk, onhandelbaar.

Unamended, ɐnəmendid, niet verbeterd.

Unamiable, ɐneimjəb’l, onvriendelijk, onbeminnelijk; subst. Unamiableness.

Unamused, ɐnəmjûzd, niet vermaakt; Unamusing = niet vermakelijk.

Unanimated, ɐnanimeitid, onbezield, vervelend.

Unanimity, jûnənimiti, eenstemmigheid; Unanimous, jûnanimɐs, eenstemmig: With unanimous consent; subst. Unanimousness.

Unanointed, ɐnənôintid, niet gezalfd.

Unanswerability, ɐnânsərəbiliti, subst. v. Unanswerable, ɐnânsərəb’l, onweerlegbaar; subst. Unanswerableness; Unanswered, ɐnânsəd, onbeantwoord, niet wederlegd.

Unappalled, ɐnəpôld, onvervaard.

Unappeasable, ɐnəpîzəb’l, onverzoenlijk; Unappeased = onbevredigd, onverzoend.

Unapplied, ɐnəplaid, niet aangewend: Unapplied funds = dood kapitaal.

Unappreciated, ɐnəprîšeitid, niet gewaardeerd.

Unapprehended, ɐnaprihendid, niet gearresteerd, niet gevreesd; Unapprehensive = niet begrijpend, zorgeloos: I am not unapprehensive that = ik weet heel wel, dat; subst. Unapprehensiveness.

Unapprised, ɐnəpraizd, niet onderricht.

Unapproachable, ɐnəproutšəb’l, ongenaakbaar; subst. Unapproachableness.

Unappropriated, ɐnəprouprieitid, niet toegeëigend, niet voor een bepaald doel aangewezen of gebruikt: Unappropriated funds = dood kapitaal.

Unapproved, ɐnəprûvd, niet goedgekeurd.

Unapt, ɐnapt, ongeschikt, ongenegen; subst. Unaptness.

Unarm, ɐnâm, ontwapenen, de wapenen neerleggen; Unarmed = ongewapend, bloot.

Unarrested, ɐnərestid, onbelemmerd.

Unartistic, ɐnâtistik, onartistiek.

Unascertainable, ɐnasəteinəb’l, wat niet uitgemaakt of uitgevorscht kan worden; Unascertained = niet zeker bekend.

Unashamed, ɐnəšeimd, zonder schaamte.

Unasked, ɐnâs(k)t, ongevraagd, ongenood.

Unassailable, ɐnəseiləb’l, onaantastbaar, onbetwistbaar; Unassailed = onbetwist.

Unassignable, ɐnəsainəb’l, niet over te dragen of toe te wijzen; Unassigned.

Unassimilable, ɐnəsimiləb’l, niet te assimileeren; Unassimilated.

Unassisted, ɐnəsistid, zonder hulp.

Unassociated, ɐnəsoušeitid, niet vereenigd.

Unassuaged, ɐnəsweidžd, niet bevredigd of gestild.

Unassuming, ɐnəsiûmiŋ, bescheiden, niet aanmatigend.

Unattached, ɐnətatšt, niet verbonden, niet toegedaan, extern, à la suite, niet in beslag genomen of benaderd; los: Colonel unattached = à la suite; Unattached students = extern, niet in een college wonend.

Unattainable, ɐnəteinəb’l, onbereikbaar; subst. Unattainableness.

Unattempted, ɐnətemtid, onbeproefd.

Unattended, ɐnətendid, onvergezeld, zonder gevolg, verwaarloosd.

Unau, jûnô, junô, tweeteenige luiaard.

Unaudited, ɐnôditid, niet nagezien of verevend.

Unauthenticated, ɐnôthentikeitid, niet bekrachtigd, waarvan de echtheid niet bewezen is.

Unauthorised, ɐnôthəraizd, onbevoegd, onwettig, niet echt.

Unavailable, ɐnəveiləb’l, onbruikbaar, ongeldig; subst. Unavailableness; Unavailing = nutteloos.

Unavenged, ɐnəvenžd, ongewroken, ongestraft.

Unavoidable, ɐnəvôidəb’l, onvermijdelijk; subst. Unavoidableness.

Unavowed, ɐnəvaud, niet erkend.

Unaware, ɐnəwêə, adj. onwetend, onwillekeurig, zorgeloos, onattent; Unaware(s), adv. plotseling, onverhoeds, onverwachts.

Unawed, ɐnôd, onbeschroomd.

Unbacked, ɐnbakt, niet gesteund, nog niet gedresseerd om een ruiter te dragen; paard waarop niet gewed is.

Unbag, ɐnbag, (den vos) uit den zak laten; uitbrengen.

Unbaked, ɐnbeikt, niet gebakken, ongaar, onrijp.

Unbalanced, ɐnbal’nst, niet in evenwicht, niet vereffend.

Unballasted, ɐnbaləstid, zonder ballast, onvast.

Unbandaged, ɐnbandidžd, zonder verbanden.

Unbaptized, ɐnbaptaizd, ongedoopt.

Unbar, ɐnbâ, ontgrendelen, ontsluiten.

Unbated, ɐnbeitid, onverzwakt, niet stomp gemaakt.

Unbathed, ɐnbeidhd, niet bevochtigd.

Unbattered, ɐnbatəd, niet gekneusd of gedeukt.

Unbearable, ɐnbêrəb’l, ondragelijk.

Unbearded, ɐnbîədid, baardeloos.

Unbeaten, ɐnbît’n, niet geslagen, ongebaand, niet betreden.

Unbecoming, ɐnbikɐmiŋ, ongepast, onbehoorlijk, onwelvoeglijk, niet kleedend; subst. Unbecomingness.

Unbefriended, ɐnbifrendid, zonder vrienden, niet begunstigd.

Unbegot(ten), ɐnbigot(’n), niet geboren, eeuwig.

Unbeheld, ɐnbiheld, niet aanschouwd, onzichtbaar = Unbeholden.

Unbeknowing, ɐnbinouiŋ, niet wetend; Unbeknown(st) = onbekend: Unbeknowing to me = zonder mijn voorkennis; The land of the unbeknowing = het onbekende land.

Unbelief, ɐnbilîf, ongeloof; Unbelievable = ongelooflijk; Unbeliever = ongeloovige; Unbelieving = ongeloovig.

Unbeloved, ɐnbilɐvd, onbemind.

Unbend, ɐnbend, ontspannen, losmaken, verslappen, gemoedelijk worden, afslaan (van zeilen): To unbend one’s mind = zich ontspannen; unbending = onbuigzaam, stijf, hardnekkig, aan ontspanning gewijd (Unbend-hour); ook subst.

Unbenefited, ɐnbenəfitid, geen voordeel trekkend uit, niet begunstigd door.

Unbeseeming, ɐnbisîmiŋ, ongepast; subst. Unbeseemingness.

Unbesought, ɐnbisôt, ongevraagd, vrijwillig.

Unbespeak, ɐnbispîk, afzeggen, herroepen.

Unbewailed, ɐnbiweild, onbetreurd.

Unbias(s)ed, ɐnbaiəst, onpartijdig; subst. Unbiasedness.

Unbidden, ɐnbid’n, vanzelf, ongenood: Her tears started unbidden = vloeiden onwillekeurig.

Unbigoted, ɐnbigətid, vrij van dweeperij.

Unbind, ɐnbaind, losbinden, bevrijden.

Unblam(e)able, ɐnbleiməb’l, onschuldig, onberispelijk, onlaakbaar; subst. Unblam(e)ableness.

Unbleached, ɐnblîtšt, ongebleekt.

Unblemished, ɐnblemišt, onbevlekt, smetteloos.

Unblended, ɐnblendid, onvermengd.

Unblessed, Unblest, ɐnblest, ongezegend, ellendig, vervloekt.

Unblinkered, ɐnbliŋkəd, zonder oogkleppen, met open oogen: His eyes were unblinkered by fees = hij deed geen oogje dicht om een fooi.

Unbloody, ɐnblɐdi, niet bedoeld of bloeddorstig: Unbloody sacrifice = bloedlooze offerande.

Unblotted, ɐnblotid, on(uit)gevlekt.

Unblunted, ɐnblɐntid, niet verstompt of versuft.

Unblushing, ɐnblɐšiŋ, schaamteloos.

Unbodied, ɐnbodid, onlichamelijk, van het lichaam bevrijd of ontdaan.

Unboiled, ɐnbôild, ongekookt.

Unbonnet, ɐnbonət, de muts of den hoed afnemen of afzetten, ontblooten.

Unborn, ɐnbön, ongeboren, toekomstig.

Unborrowed, ɐnboroud, niet ontleend, oorspronkelijk, echt.

Unbosom, ɐnbuz’m: He unbosomed himself = stortte zijn hart uit.

Unbought, ɐnbôt, ongekocht.

Unbound, ɐnbaund, niet gebonden.

Unbounded, ɐnbaundid, onbegrensd, eindeloos; subst. Unboundedness.

Unbrace, ɐnbreis, losmaken (-gespen, -knoopen): Unbraced drums = ontspannen trommen.

Unbred, ɐnbred, ongemanierd, onkundig.

Unbreeched, ɐnbrîtšt, zonder broek.

Unbridle, ɐnbraid’l, aftoomen, loslaten; Unbridled = ongetoomd, losbandig, uitgelaten.

Unbroke(n), ɐnbrouk(’n), on(af)gebroken, regelmatig, ongeschonden, niet afgereden, onverminderd, ongestoord.

Unbrotherly, ɐnbrɐdhəli, onbroederlijk, onvriendelijk, onnatuurlijk.

Unbuckle, ɐnbɐk’l, losgespen.

Unbuilt, ɐnbilt, ongebouwd.

Unburden, ɐnbɐ̂d’n, ontlasten, afwerpen, ontdekken, openbaren: He had something to unburden = op ’t hart; When I have any unburdening to do, there’s always mother = iets op ’t hart heb; To unburden oneself = zijn hart uitstorten.

Unburied, ɐnberid, onbegraven.

Unburned, ɐnbɐ̂nd, Unburnt, ɐnbɐ̂nt, ongebrand, onverbrand.

Unburthen, ɐnbɐ̂dhən = Unburden.

Unbusinesslike, ɐnbiznəslaik, niet overeenkomstig de handelsusanties, onpractisch.

Unbutton, ɐnbɐt’n, losknoopen.

Uncalled, ɐnkôld, ongeroepen: Your pity is uncalled for = is te onpas, niet noodig; Your jealousy is uncalled for = uwe jaloerschheid is zonder grond, onredelijk.

Uncancel(l)ed, ɐnkânsəld, niet doorgehaald, niet opgeheven.

Uncanny, ɐnkani, onvoorzichtig, roekeloos, onzeker, hevig, sterk, geheimzinnig: Uncanny legal documents = geheimzinnige, duistere documenten; The contrast between the shining eyes and the impassive face was so extraordinary as to be almost uncanny = dat het haast iets spookachtigs had; The faces of our departed youth have an uncanny trick of rising up suddenly = duiken op onverklaarbare wijze op.

Uncanonical, ɐnkənonik’l, niet kanoniek: Uncanonical hours = uren waarop geene huwelijksinzegening mag plaats hebben (in Engeland tusschen 8 a.m. en 3 p.m.); subst. Uncanonicalness.

Uncap, ɐnkap, openen, de bedekking afnemen: Uncapped = met ongedekt hoofd.

Uncape, ɐnkeip, het kapje (van den valk) afnemen; de honden loslaten; den vos uit den zak laten.

Uncared, ɐnkêəd, zonder dat er op gelet wordt: There he lay uncared for = verwaarloosd.

Uncarpeted, ɐnkâpətid, zonder vloerkleed.

Uncase, ɐnkeis, uit de bedekking of étui nemen, openbaren, ontplooien (v. h. vaandel), ontkleeden.

Unceasing, ɐnsîsiŋ, onophoudelijk.

Unceremonious, ɐnserəmounjəs, zonder complimenten, familiaar.

Uncertain, ɐnsɐ̂tin, onzeker, grillig, onvast, dubbelzinnig, weifelend, wispelturig: Uncertain on one’s legs = onvast; Uncertainty = onzekerheid, twijfelachtigheid, gebeurlijkheid.

Uncertificated, ɐnsətifikeitid, niet gediplomeerd.

Unchain, ɐntšein, ontketenen, loslaten.

Unchallengeable, ɐntšal’nžəb’l, ontwijfelbaar, onwraakbaar, zonder eenige kwestie; Unchallenged = niet betwijfeld.

Unchangeable, ɐntšeinžəb’l, onveranderlijk: Unchangeable of purpose = vastbesloten; subst. Unchangeableness; Unchanged; Unchanging.

Uncharged, ɐntšâdžd, ongeladen, niet aangevallen; van normale sterkte.

Uncharitable, ɐntšaritəb’l, liefdeloos, onbarmhartig; subst. Uncharitableness.

Unchary, ɐntšêri, onvoorzichtig, verspillend.

Unchaste, ɐntšeist, onkuisch; Unchastity, ɐntšastiti, onkuischheid.

Unchecked, ɐntšekt, ongehinderd.

Unchivalric, ɐnšiv’lrik, Unchivalrous, ɐnšiv’lrɐs, onridderlijk.

Unchristened, ɐnkris’nd, ongedoopt.

Unchristian, ɐnkristj’n, onchristelijk.

Unchronicled, ɐnkronik’ld, onvermeld.

Uncial, ɐnš’l, subst en adj. (met) unciaal (letters).

Unciform, ɐnsiföm, haakvormig = Uncinate, ɐnsinit.

Uncircumcised, ɐnsɐ̂k’msaizd, onbesneden; subst. Uncircumcision, ook: alle niet-Joden.

Uncircumscribed, ɐnsɐ̂k’mskraibd, onbeperkt.

Uncircumspect, ɐnsɐ̂k’mspekt, onbedachtzaam.

Uncivil, ɐnsivil, onbeleefd, lomp; Uncivilized = barbaarsch, onbeschaafd.

Unclaimed, ɐnkleimd, niet opgevraagd of opgeëischt, onbestelbaar.

Unclasp, ɐnklâsp, loshaken, openen.

Uncle, ɐŋk’l, oom; pandjeshuishouder; Uncle-in-law = aangehuwde oom; My watch is at my Uncle’s = bij “Oome Jan”; Uncle Sam = de Vereenigde Staten (v. N. Amer.).

Unclean, ɐnklîn, adj. onrein, vuil, onkuisch; subst. Uncleanliness, ɐnklenlinəs; Uncleanly, ɐnklenli, onrein, vuil, onkuisch; adv. ɐnklînli; Uncleanness, ɐnklînnəs = Uncleanliness; Uncleansed, ɐnklenzd, ongereinigd.

Uncleared, ɐnklîəd, onontgonnen, niet opgeruimd, niet afgesloten.

Unclerical, ɐnklerik’l, niet strookende met den geestelijken stand.

Unclipped, ɐnklipt, ongesnoeid.

Uncloak, ɐnklouk, den mantel afleggen, afnemen.

Unclog, ɐnklog, de belemmering wegnemen, vrijmaken.

Unclose, ɐnklouz, openen, opslaan, openbaren: Unclosed = open, onvoltooid.

Unclothe, ɐnkloudh, ontkleeden, ontblooten.

Unclouded, ɐnklaudid, onbewolkt, helder; subst. Uncloudedness; Uncloudy = helder.

Unco, ɐŋkou, Schotsch voor Uncouth, ongemeen, buitengewoon; subst. rare snuiter, vreemd iets.

Uncock, ɐnkok, in rust zetten (den haan v. een geweer), neerslaan (van den rand van een hoed), uitspreiden (van hooi).

Uncockneyfied, ɐnkoknifaid, natuurlijk, ongemaakt.

Uncoffined, ɐnkofind, niet in eene kist gelegd.

Uncoil, ɐnkôil, afrollen.

Uncoined, ɐnkôind, ongemunt, echt.

Uncoloured, ɐnkɐləd, ongekleurd, onopgesmukt.

Uncombed, ɐnkoumd, ongekamd.

Uncombinable, ɐnk’mbainəb’l, onvereenigbaar; Uncombined = niet verbonden.

Uncomeatable, ɐnkəmatəb’l, ongenaakbaar, onbereikbaar.

Uncomeliness, ɐnkɐmlinəs, subst. v. Uncomely, ɐnkɐmli, onbevallig, onwelvoegelijk.

Uncomfortable, ɐnkɐmfətəb’l, ongemakkelijk, onbehagelijk, troosteloos, droevig; subst. Uncomfortableness; Uncomforted = troosteloos, ongetroost.

Uncommanded, ɐnkəmândid, niet bevolen, niet bestreken.

Uncommemorated, ɐnkəmeməreitid, niet herdacht.

Uncommended, ɐnkəmendid, roemloos.

Uncommercial, ɐnkəmɐ̂š’l, tegen de handelsusanties.

Uncommiserated, ɐnkəmizəreitid, onbetreurd.

Uncommitted, ɐnkəmitid, niet bedreven, niet toevertrouwd, niet commissoriaal gemaakt, niet gearresteerd.

Uncommon, ɐnkom’n, ongewoon, ongemeen; subst. Uncommonness.

Uncommunicated, ɐnkəmjûnikeitid, niet medegedeeld; An uncommunicative man = zwijgend, gereserveerd persoon.

Uncompelled, ɐnk’mpeld, ongedwongen.

Uncomplaining, ɐnk’mpleiniŋ, gelaten.

Uncompleted, ɐnk’mplîtid, niet voltooid.

Uncomplimentary, ɐnkomplimentəri, zonder complimenten, ruw, lomp.

Uncomplying, ɐnk’mplaiiŋ, oninschikkelijk, onhandelbaar.

Uncompounded, ɐnk’mpaundid, niet samengesteld, eenvoudig; subst. Uncompoundedness.

Uncompromising, ɐnkomprəmaiziŋ, onbuigzaam, star, onhandelbaar.

Unconcealed, ɐnk’nsîld, onverholen.

Unconceived, ɐnk’nsîvd, onbegrepen, onvoorzien.

Unconcern, ɐnk’nsɐ̂n, zorgeloosheid, onverschilligheid, kalmte: With great unconcern = volkomen kalm; Unconcerned = onverschillig, etc.

Unconciliatory, ɐnk’nsiljətəri, onverzoenlijk.

Uncondensable, ɐnk’ndensəb’l, wat niet verdicht kan worden; Uncondensed.

Unconditional, ɐnk’ndišən’l, onvoorwaardelijk, absoluut; Unconditioned = absoluut.

Unconfessed, ɐnk’nfest, niet beleden, ontkend, zonder gebiecht te hebben.

Unconfined, ɐnk’nfaind, onbeperkt.

Unconfirmed, ɐnk’nfɐ̂md, niet bevestigd, zwak, wankelmoedig, onervaren, niet geconfirmeerd.

Unconformable, ɐnk’nföməb’l, niet bestaanbaar of overeenkomstig, niet parallel (van lagen).

Uncongenial, ɐnk’ndžînj’l, ongelijksoortig, onsympathiek.

Unconnected, ɐnkənektid, onsamenhangend, niet verwant.

Unconquerable, ɐnkoŋkərəb’l, onverwinbaar; Unconquered, ɐnkoŋkəd, onoverwonnen.

Unconscionable, ɐnkonšənəb’l, gewetenloos, onredelijk, overdreven, enorm, kolossaal: Such an unconscionable time = onmogelijk lange tijd; subst. Unconscionableness; At an unconscionably early hour = onmogelijk vroeg.

Unconscious, ɐnkonšəs, onbewust, niet lettend op, bewusteloos: I am unconscious of it = mij daarvan niet bewust; subst. Unconsciousness.

Unconsecrated, ɐnkonsikreitid, ongewijd.

Unconsidered, ɐnk’nsidəd, ondoordacht.

Unconsolidated, ɐnk’nsolideitid, niet geconsolideerd.

Unconstitutional, ɐnkonstitjûšən’l, ongrondwettig; Unconstitutionality, ɐnkonstitjûšənaliti, ongrondwettigheid.

Unconstrained, ɐnk’nstreind, ongedwongen.

Unconsumed, ɐnk’nsiûmd, onverteerd.

Uncontemplated, ɐnkont’mpleitid, ɐnk’ntempleitid, niet overdacht.

Uncontestable, ɐnk’ntestib’l, onbetwistbaar; Uncontested, ɐnk’ntestid, onbetwist.

Uncontradictable, ɐnkontrədiktəb’l, onbetwistbaar; Uncontradicted, ɐnkontrədiktid, niet tegengesproken.

Uncontrollable, ɐnk’ntrouləb’l, onhandelbaar, teugelloos, wat niet nagegaan kan worden; Uncontrolled, ɐnk’ntrould, niet nagegaan, bandeloos, onbuigzaam.

Uncontroverted, ɐnkontrəvɐ̂tid, onbetwist.

Unconverted, ɐnk’nvɐ̂tid, onbekeerd; Unconvertible, ɐnk’nvɐ̂tib’l, onveranderbaar.

Unconvinced, ɐnk’nvinst, onovertuigd.

Uncork, ɐnkök, ontkurken, lucht geven aan.

Uncoroneted, ɐnkorənetid, niet gekroond.

Uncorrected, ɐnkərektid, onverbeterd.

Uncorroborated, ɐnkərobəreitid, niet bevestigd of gestaafd.

Uncorrupt(ed), ɐnkərɐpt(id), onbedorven, onvervalscht; subst. Uncorrupt(ed)ness.

Uncountable, ɐnkauntəb’l, ontelbaar; Uncounted, ɐnkauntid, ongeteld.

Uncouple, ɐnkɐp’l, loskoppelen.

Uncourteous, ɐnkötjəs, ɐnkɐ̂tjəs, onhoffelijk; Uncourteousness = Uncourtliness, ɐnkötlinəs = onbeleefdheid, lompheid; Uncourtly = lomp, onbeschaafd.

Uncouth, ɐnkûth, vreemd, zonderling, onhandig, ruw; subst. Uncouthness.

Uncovenanted, ɐnkɐvənantid, niet volgens contract beloofd, onverdiend, onafgesproken: Uncovenanted civil service = tak van den burgerlijken dienst (Indië), waarvan de leden geen examen doen en geen pensioen krijgen.

Uncover, ɐnkɐvə, openen, (zich) ontblooten, zonder bedekking laten, groeten; Uncovered = ontbloot, blootgelegd, ongedekt: To leave uncovered.

Uncritical, ɐnkritik’l, niet kritisch.

Unction, ɐŋkš’n, oliesel, zalf, zalving, verzachting: Extreme unction = laatste oliesel; subst. Unctuosity, ɐŋktjuositi, subst. v. Unctuous, ɐŋjktuəs, vettig, olieachtig, verzachtend, zalvend; subst. Unctuousness.

Uncultivable, ɐnkɐltivəb’l, onbebouwbaar, niet te beschaven; Uncultivated = onbebouwd, onbeschaafd, ruw: A waste of uncultivated heath.

Uncurbed, ɐnkɐ̂bd, ongetemd, teugelloos.

Uncurl, ɐnkɐ̂l, glad maken, de krul verliezen.

Uncurtailed, ɐnkəteild, onverkort.

Uncustomary, ɐnkɐstəməri, ongewoon, ongebruikelijk; Uncustomed = zonder klanten.

Uncut, ɐnkɐt, niet bekapt, onopengesneden, niet geschoren, onbeschadigd.

Undamaged, ɐndamidžd, onbeschadigd.

Undamped, ɐndampt, niet ingevocht of bevochtigd, niet ontmoedigd.

Undated, ɐndeitid, ongedateerd.

Undated, ɐndeitid, golvend.

Undaunted, ɐndôntid, ɐndântid, onversaagd, onverschrokken; subst. Undauntedness.

Undazzled, ɐndaz’ld, niet verblind.

Undebased, ɐndibeist, onverbasterd.

Undebauched, ɐndibôtšt, onbedorven.

Undecayed, ɐndikeid, niet vervallen, onverzwakt; Undecaying = onveranderlijk, onsterfelijk.

Undeceive, ɐndisîv, ontgoochelen, uit den droom helpen, de oogen openen: At last I was undeceived = vielen mij de schellen van de oogen; I have undeceived his error = hem van zijne dwaling genezen.

Undecided, ɐndisaidid, onbeslist, weifelend.

Undecipherable, ɐndisaifərəb’l, niet te ontcijferen; Undeciphered, ɐndisaifəd, niet ontcijferd.

Undecked, ɐndekt, niet versierd; zonder dek, open.

Undeclared, ɐndiklêəd, niet verklaard.

Undeclinable, ɐndiklainəb’l, onverbuigbaar; Undeclined = onverbogen.

Undecorated, ɐndekəreitid, onversierd.

Undedicated, ɐndedikeitid, niet opgedragen.

Undefaceable, ɐndifeisəb’l, onuitwischbaar; Undefaced = onuitgewischt, niet misvormd.

Undefended, ɐndifendid, onverdedigd, onbeschermd.

Undefiled, ɐndifaild, onbesmet, rein.

Undefinable, ɐndifainəb’l, niet bepaalbaar, onbegrensd; subst. Undefinableness; Undefined = onbepaald, vaag.

Undefrayed, ɐndifreid, niet betaald of gedekt.

Undeliverable, ɐndilivərəb’l, onbestelbaar; Undelivered, ɐndilivəd, niet verlost, niet afgeleverd, niet besteld.

Undemolished, ɐndimolišt, niet gesloopt.

Undeniable, ɐndinaiəb’l, onloochenbaar.

Undenominational, ɐndinomineišən’l, niet van een sekte: Undenominational school = neutrale school.

Undeplored, ɐndiplöd, onbetreurd.

Undeposable, ɐndipouzəb’l, onafzetbaar.

Undepraved, ɐndipreivd, onbedorven.

Undeprived, ɐndipraivd, niet beroofd.

Under, ɐndə, onder, lager dan, beneden, minder: Under this act = krachtens deze wet; To be under age = minderjarig; To be under arms = onder de wapenen; To speak under one’s breath = zeer zacht; Under these circumstances; He was under a cloud = terneergedrukt, melancholiek, had geldgebrek, in ’t ongeluk; He did it under colour of taking an interest in me = onder den schijn van; Under command of; Under consideration = in overweging; The bill was under discussion = in behandeling; Under your favour = met uw verlof; The troops were under the enemy’s fire = blootgesteld aan het vuur; Under the firm of = onder de firma; She wears the undergarments of men = heeft de broek aan; Under God = naast God; Under his own hand = eigenhandig; To be under oath = onder eede; Under pain of death = op straffe van; Under pretence = onder voorwendsel; Under the rose = “onder de roos”, in ’t geheim; He was disqualified under another rule = hij mocht niet meedoen (geen lid worden) volgens een andere bepaling; Under sail = onder zeil; Under the royal seal = met het koninklijk zegel; He was under sentence of death = ter dood veroordeeld; I won’t sell it under three figures = voor minder dan 100 pond sterling; Under treatment = in (onder) behandeling; Under water; To get under weigh = anker op gaan; Her beauty was a glittering mantle with no soul under = daaronder; Keep him under = houd hem onder de plak; To labour under a severe cold = lijden aan; To trample under foot = vertrappen; Underbid = minder bieden dan, te weinig bieden; Underbred = slecht opgevoed; Underbrush = hak of kreupelhout; An over-estimate of expenditure or an under-calculation of income; Underclay = laag klei onder een kolenlaag; Underclothes, onderkleeren = Underclothing; Undercurrent, subst. benedenstroom, neveninvloed; Underditch, ɐndəditš, draineeren; Underdo, ɐndədû, minder doen (dan men kan); The meat was underdone = niet gaar; Underdose, ɐndədous, te kleine hoeveelheden geven of nemen; ɐndədous, onvoldoende hoeveelheid of dosis; Underdrain, ɐndədrein, subst. onderaardsch afvoerkanaal; Under verb. (ɐndədrein) rioleeren; Under-estimate, ɐndərestimeit, onderschatten; ɐndərestimit, onderschatting; Underfaction = nevenpartij; Underfeed, ɐndəfîd, onvoldoende voeden; Underfoot, ɐndəfut, onder den voet, beneden; Underfurrow, ɐndəfɐrou, onderploegen; Undergird, ɐndəgɐ̂d, beneden steunen; Undergo = ondergaan, doorstaan, ondervinden, lijden; Undergrad(uate), ɐndəgrad(ju-it), student (Oxford en Cambridge, anders Student); Underground = onder den grond, onderaardsch, heimelijk: Underground (railway) = ondergrondsche spoor; Undergrown, ɐndəgroun, niet uitgegroeid, te klein; Undergrowth, ɐndəgrouth, onderhout, hakhout; Underhand = heimelijk, onderhands geslagen: His sneaking, Underhanded ways = heimelijke manier van doen; He is treacherous and Underhanded = achterbaksch; Underhung = met vooruitstekende benedenkaak; Underinsured = te laag verzekerd; Under-jaw = onderkaak; Underlay, verb. iets onderleggen, steunen: Sand underlaid with clay = op klei rustend zand; subst. (ɐndəlei) onderlegger; Under-lease = onderpacht, onderhuur; Underlet = onderverhuren; onder de waarde verhuren; Underletter = onderhuurder, die onder de waarde verhuurt; Underlie = liggen onder, ten grondslag liggen, gebonden zijn aan: He underlay the accusation contained in those words = had de hand in; Underline = onderstrèpen; Underlinen; Underling = ondergeschikte; Underlip; Underlock = wol onder den buik van een schaap; Undermanned, ɐndəmand, niet voldoende van manschappen voorzien; Undermasted, ɐndəmâstid, niet voldoende van masten voorzien; Undermentioned = nagenoemde; Undermine = ondermijnen, benadeelen; Underminer = ondermijner, geheime of stille vijand; Undermost = onderste; Underneath, [andənîth], ɐndənîdh, beneden, onder; Underpart = ondergeschikte rol, minder belangrijk deel; Underpay = onvoldoend bezoldigen of betalen: The poor seamstresses are shamefully Underpaid = worden schandelijk slecht betaald; Underpayment; Underpeopled, ɐndəpîp’ld, ɐndəpîp’ld, te schaars bevolkt; Underpin = ondersteunen, stutten; Underplot = episode, nevenintrige; Under-policed, ɐndepəlîst, niet voldoende van politie voorzien: London is very much under-policed = heeft veel te weinig politie; Underprice = spotprijs; Underproof = beneden normale sterkte; Underprop = ondersteunen, stutten; Underrate = onderschàtten, te laag waardeeren; Underrun = onderdoorloopen of varen; Underscore, ɐndəskö, onderschrappen; Undersell = verkoopen onder de waarde en goedkooper dan; Underset = benedenstroom (tegen den bovenstroom in); Undershot = bewogen door onderdoorstroomend water: Undershot wheel; Undershrub = kreupelhout; Undersign, ɐndəsain, onderteekenen: The undersigned = de ondergeteekende(n); Undersized = onder de middelbare grootte; Undersoil = ondergrond; The schools are understaffed = hebben te weinig personeel; Understand = begrijpen, verstaan, vernemen, overtuigd zijn, meenen, aannemen, opmaken: He could not make himself understood = kon zich niet verstaanbaar maken, werd niet begrepen; Such things are understood = spreken vanzelf; We understand that many are expected = wij vernemen; I was given to understand = mij werd te kennen gegeven; He will have me understand = wil dat ik begrijpe; I understand from what you say = maak op uit hetgeen ge zegt; You’ll have to understand yourself with him = zult u met hem moeten verstaan; Understandable = begrijpelijk; Not understanded of the people = niet door het volk begrepen; Understanding, subst. verstand, begrip, kennis, verstandhouding, oordeel; adj. bekwaam, verstandig, ervaren: We could not come to an understanding with him = tot een schikking komen; I will do it on the (with this) understanding that you help me = mits, met dien verstande dat; Understate = niet de volle waarheid mededeelen; Understatement = onderschatting, te lage opgaaf; Understrapper = ondergeschikte; Understrapping = ondergeschikt, dienend; Understudy, subst. plaatsvervanger van een acteur (die de rol heeft geleerd om ze desnoods te kunnen vervullen); Under verb. ɐndəstɐdi, in geval van nood vervangen; Undertake = ondernemen, wagen, op zich nemen, behandelen, zich belasten met, borgstaan voor: You have undertaken to be here at seven = op u genomen, beloofd; Undertaker = aannemer, speculant, ondernemer (vooral van begrafenissen); Undertaking = onderneming, plechtige belofte; Undertaxed = te laag getaxeerd of belast; Under-tenant, onderpachter; Under-tenancy = ònderhuur, onderpacht; Underthings = onderkleeren; Under-timed = te kort belicht; Undertone = lage of zwakke toon: He spoke to me in an undertone = met gedempte stem; Undertook, imperf. van to undertake; Under-tow = Under-current; Undervaluation, valjueiš’n, onderschàtting, te lage waardeering; Undervalue, verb. onder de waarde schatten, minachten; subst. ɐndəvaljû, ɐndəvaljû, te geringe prijs; Under-wear = onderkleeren; Underwent, imperf. van to undergo; Under-wood = laag hout, kreupelhout; Underwork, ɐndəwɐ̂k, te weinig (slecht) werken, goedkooper werken; Underworked = niet genoeg werk hebbend; Under-world = de tegenvoeters, onderwereld, hel; Underwrite = onderschrijven, onderteekenen, zich onderwerpen aan; assureeren (van schepen); Underwriter ɐndəraitə, assuradeur.

Underived, ɐndiraivd, niet ontleend.

Undescribed, ɐndiskraibd, niet beschreven.

Undescried, ɐndiskraid, onontdekt.

Undeserved, ɐndizɐ̂vd, onverdiend; Undeserving = niet verdienend, onwaardig.

Undesigned, ɐndizaind, ɐndisaind, onopzettelijk; subst. Undesignedness; Undesigning = oprecht, zonder bedrog, argeloos.

Undesirable, ɐndizairəb’l, ongewenscht; subst. een ongewenscht persoon; Undesired = niet gewenscht of begeerd; Undesiring = niet verlangend, onverschillig; Undesirous = niet begeerlijk of verlangend.

Undetected, ɐnditektid, onontdekt.

Undetermined, ɐnditɐ̂mind, onbeslist, onzeker, niet beperkt.

Undeveloped, ɐndiveləpt, onontwikkeld.

Undeviating, ɐndîvjeitiŋ, niet afwijkend, geregeld, vast.

Undid, ɐndid, imperf. van to undo.

Undignified, ɐndignifaid, onwaardig.

Undiluted, ɐndil(j)ûtid, niet verdund.

Undiminished, ɐndiminišt, onverminderd.

Undimmed, ɐndimd, niet verduisterd.

Undine, undin, ɐndîn, Undine, waternimf.

Undiscerned, ɐndizɐ̂nd, onopgemerkt; Undiscernible = niet te onderscheiden, onzichtbaar, onmerkbaar; Undiscerning = kortzichtig, niet onderscheidend.

Undisciplined, ɐndisiplind, niet geoefend, ongeregeld, zonder tucht.

Undiscouraged, ɐndiskɐridžd, niet ontmoedigd.

Undiscoverable, ɐndiskɐvərəb’l, niet te ontdekken; Undiscovered = niet gezien, niet opgehelderd, verborgen.

Undiscriminating, ɐndiskrimineitiŋ, niet onderscheidend, niet scherpzinnig.

Undisguised, ɐndisgaizd, onvermomd, openlijk.

Undismayed, ɐndizmeid, onverschrokken, onvervaard.

Undisposed, ɐndispouzd, niet geordend, niet verkocht (of).

Undisputed, ɐndispjûtid, onbetwist.

Undissolved, ɐndizolvd, niet opgelost of gesmolten, niet verbroken.

Undistorted, ɐndistötid, onverwrongen.

Undistracted, ɐndistraktid, niet verstrooid of afgeleid.

Undisturbed, ɐndistɐ̂bd, ongestoord, kalm.

Undividable, ɐndivaidəb’l, on(ver)deelbaar; Undivided = onverdeeld, geheel.

Undivorced, ɐndivöst, niet gescheiden.

Undivulged, ɐndivɐldžd, niet bekend, niet openbaar of ruchtbaar gemaakt.

Undo, ɐndû, te niet doen, vernietigen, opheffen, oplossen, losmaken, te gronde richten, ongelukkig maken: Don’t undo what I taught him = bederf niet; To undo a fault = weer goed maken; Undoer, ɐndûə, tenietdoener, bederver, verwoester; Undoing = ondergang, vernietiging. Zie Undone.

Undomestic, ɐndəmestik, niet huiselijk; Undomesticated = niet getemd of aan den mensch onderworpen.

Undone, ɐndɐn, p.p. van to undo: I am undone = geruïneerd; To come undone = losgaan; He left the thing undone = onafgedaan; What is done can’t be undone = gedane zaken nemen geen keer.

Undoubted, ɐndautid, ongetwijfeld, ontwijfelbaar, onbevreesd, niet verdacht.

Undowered, ɐndauəd, zonder bruidschat.

Undrainable, ɐndreinəb’l, onuitputtelijk; Undrained = niet droog gelegd.

Undramatic(al), ɐndrəmatik(’l), ondramatisch.

Undraped, ɐndreipt, niet gedrapeerd, naakt.

Undrawn, ɐndrôn, niet geteekend, niet weggetrokken, niet getrokken.

Undreaded, ɐndredid, ongevreesd.

Undreamed, ɐndrîmd, Undreamt, ɐndremt, niet gedroomd: Dangers undreamed of before = gevaren die men zich vroeger niet had voorgesteld.

Undress, ɐndres, ɐndres, négligé, klein tenue; alledaagsch, eenvoudig.

Undress, ɐndres, ontkleeden, ontzwachtelen, ontdoen van: Undressed = ongekleed, niet toebereid of gekookt, niet opgemaakt, ruw.

Undried, ɐndraid, opgedroogd, groen.

Undrilled, ɐndrild, ongeoefend.

Undrinkable, ɐndriŋkəb’l, ondrinkbaar.

Undue, ɐndjû, ongepast, onwettig, overmatig.

Undulate, ɐndjulit, adj. golvend; Undulate verb. (ɐndjuleit) golven, doen golven; Undulation, ɐndjuleiš’n, golving, golf; vibreeren (muz.); Undulatory, ɐndjulətəri, golvend: Undulation theory = golvingstheorie (licht).

Undutiful, ɐndjûtiful, ongehoorzaam; subst. Undutifulness.

Undying, ɐndaiiŋ, onsterfelijk, onvergankelijk, eeuwig: It reflects undying honour on you = het strekt u eeuwig tot eer.

Unearned, ɐnɐ̂nd, onverdiend: Unearned increment = vermeerdering van de waarde van den bodem, etc. door toevalligen aanleg van spoorwegen of anderszins.

Unearth, ɐnɐ̂th, opdelven, opgraven, rooien, aan het licht brengen: Shall we ever succeed in unearthing him? = hem ooit opsporen; I unearthed this from an old newspaper = heb dit opgediept; Unearthly = bovennatuurlijk, ijselijk.

Uneasiness, ɐnîzinəs, ongerustheid, angst: You have given me much uneasiness; Uneasy = niet op zijn gemak, ongerust, angstig, stijf, moeielijk, knorrig: Don’t be uneasy about him = maak u niet ongerust.

Uneatable, ɐnîtəb’l, oneetbaar; Uneaten = niet gegeten, niet vermetigd.

Unedified, ɐnedifaid, niet gesticht; Unedifying = onstichtelijk.

Uneducated, ɐnedjukeitid, onopgevoed, onwetend, ongeletterd.

Uneffaced, ɐnəfeist, onuitgewischt.

Unembarrassed, ɐnəmbarəst, niet verlegen, onbelemmerd, onbezwaard.

Unemotional, ɐnimoušən’l, zonder aandoening of gevoel.

Unemphatic(al), ɐnəmfatik(’l), zonder klem.

Unemployed, ɐnəmplôid, niet gebruikt, zonder werk: The unemployed = de werkloozen; Unemployment = werkloosheid.

Unemptied, ɐnem(p)tid, niet geledigd.

Unenclosed, ɐnənklouzd, niet ingesloten.

Unencumbered, ɐnənkɐmbəd, onbezwaard.

Unending, ɐnendiŋ, eindeloos.

Unendorsed, ɐnəndöst, niet geëndosseerd.

Unendowed, ɐnəndaud, niet begiftigd of begaafd; zonder subsidie: Unendowed schools.

Unendurable, ɐnəndjûrəb’l, onduldbaar.

Unengaged, ɐnəngeidžd, vrij, niet gebonden.

Un-english, ɐniŋgliš, onengelsch.

Unenjoyed, ɐnəndžôid, niet genoten.

Unentered, ɐnentəd, niet opgeschreven, niet aangegeven.

Unenterprising, ɐnentəpraiziŋ, niet ondernemend.

Unentertaining, ɐnentəteiniŋ, niet onderhoudend, vervelend; subst. Unentertainingness.

Unenthralled, ɐnənthrôld, niet onderworpen.

Unentombed, ɐnəntûmd, onbegraven.

Unenviable, ɐnenvjəb’l, niet benijdbaar; Unenvied, ɐnenvid, onbenijd.

Unequable, ɐnîkwəb’l, ɐnekwəb’l, ongelijk; Unequal, ɐnîkw’l, ongelijk, onvoldoende, niet opgewassen, onbillijk, partijdig, onregelmatig; ook subst.: He is unequal to that task = niet berekend voor; Unequalled = ongeëvenaard; subst. Unequalness.

Unequipped, ɐnikwipt, niet toegerust.

Unequivocal, ɐnikwivək’l, ondubbelzinnig, duidelijk; subst. Unequivocalness.

Unerring, ɐnɐ̂riŋ, onfeilbaar.

Unessayed, ɐnəseid, onbeproefd.

Unessential, ɐnəsenš’l, niet wezenlijk of absoluut noodig; ook subst.

Uneven, ɐnîv’n, ongelijk, oneffen, ongestadig; subst. Unevenness: Unevenness of style, Unevenness of temper = ongelijkmatigheid.

Uneventful, ɐniventful, onbelangrijk.

Unexamined, ɐnəgzamind, onbeproefd, niet onderzocht.

Unexampled, ɐnəgzâmp’ld, voorbeeldeloos.

Unexcelled, ɐnəkseld, onovertroffen.

Unexceptionable, ɐnəksepšənəb’l, zonder fout of aanmerking, onberispelijk; subst. Unexceptionableness.

Unexcited, ɐnəksaitid, niet opgewonden.

Unexecuted, ɐneksikjûtid, niet uitgevoerd.

Unexhausted, ɐnəgzhôstid, onuitgeput.

Unexpected, ɐnəkspektid, onverwacht; subst. Unexpectedness.

Unexperienced, ɐnəkspîriənst, onervaren.

Unexpired, ɐnəkspaiəd, niet afgeloopen.

Unexplained, ɐnəkspleind, onverklaard.

Unexplored, ɐnəksplöd, niet doorzocht.

Unexposed, ɐnəkspouzd, niet blootgesteld, beschut.

Unexpounded, ɐnəkspaundid, onverklaard.

Unexpressed, ɐnəksprest, niet uitgesproken.

Unexpurgated, ɐnəkspɐ̂geitid, ɐnekspəgeitid, ongezuiverd, niet gecastreerd of gecastigeerd (van letterk. werken).

Unextinguishable, ɐnəkstiŋgwišəb’l, onuitbluschbaar; Unextinguished = onuitgebluscht.

Unextracted, ɐnəkstraktid, niet (uit)getrokken.

Unfaded, ɐnfeidid, onverwelkt; Unfading = onverwelkelijk, vast; subst. Unfadingness.

Unfailing, ɐnfeliŋ, onfeilbaar, zeker, onuitputtelijk.

Unfair, ɐnfêə, partijdig, onbillijk; subst. Unfairness.

Unfaithful, ɐnfeithful, ontrouw, trouweloos; subst. Unfaithfulness.

Unfaltering, ɐnfôltəriŋ, niet aarzelend, vast.

Unfamiliar, ɐnfəmiljə, onbekend, vreemd; Unfamiliarity, ɐnfəmiljariti, ongemeenzaamheid.

Unfashionable, ɐnfašənəb’l, niet naar de mode of in den vorm; subst. Unfashionableness; Unfashioned, ɐnfaš’nd, vormloos, ruw, lomp.

Unfasten, ɐnfâs’n, losmaken, openmaken: This new collar is always unfastening itself = gaat altijd van zelf los.

Unfatherly, ɐnfâdhəli, onnatuurlijk.

Unfathomable, ɐnfadhəməb’l, onpeilbaar, ondoorgrondelijk; subst. Unfathomableness; Unfathomed = ongepeild, onmetelijk.

Unfavourable, ɐnfeivərəb’l, ongunstig; subst. Unfavourableness.

Unfeared, ɐnfîəd, ongevreesd; Unfearing = onbevreesd.

Unfeeling, ɐnfîliŋ, ongevoelig, wreed; subst. Unfeelingness.

Unfeigned, ɐnfeind, ongeveinsd, oprecht; subst. Unfeignedness; Unfeigning = oprecht, echt.

Unfelt, ɐnfelt, niet gevoeld.

Unfeminine, ɐnfeminin, onvrouwelijk.

Unfermented, ɐnfəmentid, ongegist, ongezuurd.

Unfertile, ɐnfɐ̂til, onvruchtbaar.

Unfetter, ɐnfetə, ontketenen, bevrijden.

Unfilial, ɐnfilj’l, onkinderlijk.

Unfinished, ɐnfiništ, onvoltooid.

Unfit, ɐnfit, ongeschikt, onbekwaam, onbetamelijk, ongepast; Unfit verb. ongeschikt maken: It is unfit for a man = past een man niet; subst. Unfitness; Unfitting: It is unfitting a man = past een man niet.

Unfix, ɐnfiks, losmaken, doen weifelen: Unfix bayonets! = bajonet af: Unfixed = los, zwervend, onzeker.

Unflagging, ɐnflagiŋ, onverflauwd.

Unflattering, ɐnflatəriŋ, oprecht: Unflattering weather = weinig uitlokkend.

Unfledged, ɐnfledžd, zonder veeren, nog niet in staat te vliegen, onrijp, jong.

Unflinching, ɐnflinšiŋ, onvermoeid, onverschrokken.

Unfold, ɐnfould, ontvouwen, uitspreiden, openbaren, déployeeren, bijzetten, uit de (schaaps)kooi laten; Unfolding = mededeeling, openbaring.

Unforbearing, ɐnfəbêriŋ, niet toegevend.

Unforced, ɐnföst, ongedwongen, natuurlijk, gemakkelijk.

Unfordable, ɐnfödəb’l, niet doorwaadbaar.

Unforeknown, ɐnfönoun, onvoorzien = Unforeseen.

Unforewarned, ɐnföwönd, niet gewaarschuwd.

Unforfeited, ɐnföfitid, niet verbeurd.

Unforgetful, ɐnfəgetful, niet vergeetachtig.

Unforgiven, ɐnfəgiv’n, niet vergeven; Unforgiving = niet vergevend, onverzoenlijk.

Unformed, ɐnfömd, ongevormd, ruw: Unformed stars = niet gegroepeerde sterren.

Unforsaken, ɐnfəseik’n, niet verlaten.

Unfortified, ɐnfötifaid, onversterkt, zwak.

Unfortunate, ɐnfötjunit, ongelukkig(e).

Unfostered, ɐnfostəd, niet beschermd of gekoesterd.

Unfounded, ɐnfaundid, ongegrond.

Unfranchised, ɐnfrantš(a)izd, niet vrijgemaakt.

Unfree(d), ɐnfrî(d), onvrij, (onbevrijd).

Unfrequented, ɐnfrikwentid, onbezocht, eenzaam, verlaten.

Unfriendly, ɐnfrendli, onvriend(schapp)elijk, ongunstig.

Unfrock, ɐnfrok, ontzetten uit priesterlijke betrekking en rechten.

Unfruitful, ɐnfrûtful, onvruchtbaar, ijdel, nutteloos; subst. Unfruitfulness.

Unfulfilled, ɐnfulfild, niet vervuld.

Unfunded, ɐnfɐndid, zonder (waarborg)fonds.

Unfurl, ɐnfɐ̂l, ontplooien, losgooien: To unfurl a flag, the sails.

Unfurnished, ɐnfɐ̂ništ, ongemeubileerd, ledig.

Ungainly, ɐngeinli, lomp, linksch.

Ungallant, ɐngəlant, onhoffelijk; niet dapper (ɐngalənt).

Ungear, ɐngîə, uitspannen, uitschakelen, los maken.

Ungenerous, ɐndženərɐs, onedelmoedig, onedel, gierig.

Ungenial, ɐndžînj’l, ongunstig, onvriendelijk.

Ungenteel, ɐndž’ntîl, onbeleefd, lomp.

Ungentlemanlike, ɐndžent’lm’nlaik, onwellevend, plat = Ungentlemanly.

Ungird, ɐngɐ̂d, losgorden, losmaken.

Unglazed, ɐngleizd, zonder glas of ruiten; zonder glazuur.

Unglove, ɐnglɐv, de handschoenen uitdoen: Ungloved = zonder handschoenen, bloot.

Unglue, ɐnglû, losmaken (v. iets gelijmds).

Ungodliness, ɐngodlinəs, subst. v. Ungodly, ɐngodli, goddeloos, zondig, onheilig.

Ungovernable, ɐngɐvənəb’l, niet te besturen, teugelloos, uitgelaten, ontembaar; subst. Ungovernableness.

Ungraced, ɐngreist, niet getooid (begunstigd, geëerd).

Ungraceful, ɐngreisful, onbevallig, lomp; subst. Ungracefulness; Ungracious, ɐngreišəs, onvriendelijk, onaangenaam, ruw; subst. Ungraciousness.

Ungrammatical, ɐngrəmatik’l, niet grammatisch.

Ungrateful, ɐngreitful, ondankbaar: Ungrateful soil = onvruchtbaar; subst. Ungratefulness.

Ungratified, ɐngratifaid, onvoldaan.

Ungrounded, ɐngraundid, ongegrond.

Ungrudged, ɐngrɐdžd, gegund; Ungrudging = zonder morren, gaarne.

Ungual, ɐŋgw’l, nagel..., klauw...

Unguarded, ɐngâdid, onbewaakt, onbezonnen, zorgeloos: In an unguarded moment.

Unguent, ɐŋgw’nt, zalf, smeersel.

Unguessed, ɐngest, niet geraden of vermoed.

Unguicular, ɐŋgwikjulə, nagel..., klauw...; ± 1,3 cM.; Unguiculate(d), ɐŋgwikjulit(-eitid), met klauwen, klauwvormig.

Unguided, ɐngaidid, niet geleid of geregeld.

Unguis, ɐŋgwis, klauw, hoef, nagel; Ungula, ɐŋgjulə, (paarde)hoef, kegelsnede; Ungulate, ɐŋgjulit, hoefvormig, met hoeven.

Unhackneyed, ɐnhaknid, niet afgezaagd, frisch.

Unhailed, ɐnheild, niet gepraaid.

Unhair, ɐnhêə, ontharen.

Unhallowed, ɐnhaloud, onheilig, goddeloos.

Unhand, ɐnhand, loslaten.

Unhang, ɐnhaŋ, afhangen (van deuren of vensters, roer), van behang of draperie ontdoen.

Unhappiness, ɐnhapinəs, subst. v. Unhappy, ɐnhapi, ongelukkig, rampzalig: He is unhappy in his children = ongelukkig met.

Unharassed, ɐnharəst, ongekweld.

Unharbour, ɐnhâbə, opjagen.

Unhardened, ɐnhâd’nd, niet gehard of verhard.

Unharmed, ɐnhâmd, onbeschadigd, ongedeerd.

Unharmonic, ɐnhâmonik = Unharmonious, ɐnhâmouniəs, onwelluidend, onharmonisch.

Unharness, ɐnhânəs, uitspannen.

Unhatched, ɐnhatšt, onuitgebroed.

Unhealable, ɐnhîləb’l, ongeneeslijk; Unhealed, ɐnhîld, niet genezen.

Unhealthiness, ɐnhelthinəs, subst. v. Unhealthy, ɐnhelthi, ongezond, schadelijk, ziekelijk.

Unheard, ɐnhɐ̂d, niet gehoord: Unheard (-)of cruelties = ongehoorde wreedheden.

Unheeded, ɐnhîdid, verwaarloosd; Unheeding, ɐnhîdiŋ, zorgeloos, achteloos.

Unhelped, ɐnhelpt, niet geholpen.

Unhesitating, ɐnheziteitiŋ, ɐnhesiteitiŋ, vaardig, niet aarzelend.

Unhewn, ɐnjûn, ongehouwen, ruw.

Unhindered, ɐnhindəd, onbelemmerd.

Unhinge, ɐnhinž, uit de hengsels lichten, overhoop gooien, in wanorde brengen: She was nervous and unhinged = zenuwachtig en van streek; His mind is unhinged = zijne geestvermogens zijn gekrenkt.

Unhistoric(al), ɐnhistorik(’l), niet geschiedkundig, fabelachtig.

Unhitch, ɐnhitš, loshaken, vrijmaken.

Unholiness, ɐnhoulinəs, subst. v. Unholy, ɐnhouli, onheilig, goddeloos, onrein.

Unhonoured, ɐnonəd, ongeëerd.

Unhood, ɐnhud, (valken) de kap afnemen.

Unhook, ɐnhuk, loshaken, losmaken.

Unhoped, ɐnhoupt, ongehoopt: Unhoped for accidents = onverhoopte gebeurtenissen.

Unhorned, ɐnhönd, ongehoornd.

Unhorse, ɐnhös, van het paard werpen.

Unhung, ɐnhɐŋ, imp. en pp. van to unhang.

Unhurt, ɐnhɐ̂t, ongedeerd, ongekwetst.

Uniax(i)al, jûniakš(i)əl, éénassig.

Unicellular, jûniseljulə, ééncellig.

Unicorn, jûnikön, éénhoorn, narwal, driespan (één paard vóór de twee anderen): Sea unicorn = narwal; Unicornous, jûnikönəs, éénhoornig.

Unifacial, jûnifeiš’l, met ééne voorzijde.

Unification, junifikeiš’n, unificatie.

Uniflorous, juniflörəs, éénbloemig.

Unifoliar, junifouljə, éénbladig.

Uniform, jûniföm, subst. uniform; adj. éénvormig, onveranderlijk, homogeen; Uniform verb. van een uniform voorzien: In full uniform; Out of uniform = in civiel; Uniformity, junifömiti, éénvormigheid, éénparigheid, overeenstemming, gelijkheid.

Unify, jûnifai, veréénen, tot één maken.

Unilabiate, jûnileibjit, éénlippig.

Unimaginable, ɐnimadžinəb’l, ondenkbaar; Unimaginative, nuchter, zonder fantasie; Unimagined = ongedacht, ondenkbaar.

Unimpaired, ɐnimpêəd, ongeschonden, onverzwakt.

Unimpeachable, ɐnimpîtšəb’l, zonder blaam, onberispelijk; subst. Unimpeachableness = vlekkeloosheid; Unimpeached = onbeschuldigd, niet bestreden, onberispelijk.

Unimpeded, ɐnimpîdid, ongehinderd, open.

Unimplied, ɐnimplaid, niet besloten, niet volgende uit.

Unimportant, ɐnimpöt’nt, onbelangrijk.

Unimpressionable, ɐnimprešənəb’l, niet voor indrukken vatbaar; Unimpressive = weinig indruk makend, voor indrukken onvatbaar.

Unimprovable, ɐnimprûvəb’l, onverbeterlijk; Unimproved = onverbeterd, niet bebouwd, ruw, onwetend.

Uninfected, ɐninfektid, onbesmet, onverdorven; Uninfectious, ɐninfekšəs, onbesmettelijk.

Uninfluenced, ɐninfluənst, onbevooroordeeld, onbevangen: Uninfluenced by passion = zonder hartstocht.

Uninformed, ɐninfömd, niet onderricht.

Uninhabitable, ɐninhabitəb’l, onbewoonbaar; subst. Uninhabitableness; Uninhabited = onbewoond.

Uninitiated, ɐninišeitid, oningewijd.

Uninjured, ɐninžəd, onbeschadigd; Uninjurious, ɐindžûriəs, onschadelijk.

Uninsured, ɐninšûəd, niet verzekerd.

Unintellectual, ɐnintəlektjuəl, niet verstandelijk; Unintelligent, ɐnintelidžent, dom, onkundig.

Unintelligibility, ɐnintelidžibiliti, subst. v. Unintelligible, ɐnintelidžib’l, onverstaanbaar, onbegrijpelijk; subst. Unintelligibilityness.

Unintended, ɐnintendid, niet bedoeld, zonder opzet; Unintentional, ɐnintenšən’l, onopzettelijk.

Uninterested, ɐnintərestid, geen belang hebbend bij, onbaatzuchtig; Uninteresting = niet belangwekkend, saai.

Unintermitted, ɐnintəmitid, onafgebroken.

Uninterred, ɐnintɐ̂d, onbegraven.

Uninterrupted, ɐnintərɐptid, onafgebroken, voortdurend.

Unintroduced, ɐnintrədjûst, niet voorgesteld.

Uninvested, ɐninvestid, niet geïnstalleerd, niet bekleed, niet belegd (v. geld).

Uninvited, ɐninvaitid, ongenood; Uninviting = niet aanlokkelijk.

Unio, jûniou, stroommossel.

Union, jûnj’n, vereeniging, verbond, eenheid, eendracht, twee of meer kerspelen tot één vereenigd ter uitvoering van de armenwet, arbeiders- of werkmansvereeniging, werkhuis van eene Union; vierhoekig veld aan den binnen-bovenhoek van de Engelsche vlag met de kruisen v. St. George, St. Andrew en St. Patrick, vlag met deze kruisen = Union-jack; Union-workhouse; Unionism = vereenigingsstelsel (van werklieden, etc.), stelsel tot instandhouding der unie v. Groot-Britanje en Ierland; Unionist = lid van eene Union, voorstander van de Unie van Groot-Brit. en Ierland.

Uniparous, junipərɐs, één jong barend.

Unique, junîk, éénig, ongeëvenaard; subst. unicum; subst. Uniqueness.

Unisexual, jûnisekšuəl, éénslachtig.

Unison, jûnis’n, jûniz’n, overeenstemming, harmonie, accoord: In unison; To exclaim in unison = eenstemmig.

Unit, jûnit, éénheid.

Unitarian, junitêriən, subst. belijder van de leer dat de Godheid slechts uit één persoon bestaat; adj. met dit geloof verbonden; Unitarianism = leer der Unitarians.

Unite, junait, vereenigen, samensmelten, één worden: United = verbonden, vereenigd (to = met): The United Brethren = Hernhutters; The United Provinces = de Vereenigde Provinciën; The United States of America; Uniter; Unity, jûniti, éénheid, overeenstemming; The three unities = de drie (dramatische) eenheden = Unity of time, place and action.

Univalve, jûnivalv, éénkleppig, éénschelpig; ook subst.; adj. Univalvular.

Universal, junivɐ̂s’l, algemeen, universeel, gezamenlijk: The general, though not universal opinion = de meening v. velen, schoon niet van allen; Universal suffrage = algemeen kiesrecht; Universality, junivəsaliti = algemeenheid; Universalize = algemeen maken; Universe, jûnivɐ̂s, heelal; University, junivɐ̂siti, hoogeschool: He is at the university; He is a university man.

Unjaundiced, ɐndžôndist, niet afgunstig.

Unjoint, ɐndžôint, ontwrichten: Unjointed = uit de voegen, ongeleed.

Unjudged, ɐndžɐdžd, niet beslist.

Unjust, ɐndžɐst, onrechtvaardig, onbillijk; subst. Unjustness.

Unjustifiable, ɐndžɐstifaiəb’l, onverdedigbaar, niet te rechtvaardigen; subst. Unjustifiableness; Unjustified, ɐndžɐstifaid, ongerechtvaardigd.

Unkempt, ɐnkemt, ongekamd, ongelikt.

Unkennel, ɐnken’l, opjagen, loslaten, onthullen.

Unkept, ɐnkept, niet onderhouden, niet gehoorzaamd, niet gevierd, niet uitgevoerd.

Unkind, ɐnkaind, onvriendelijk, liefdeloos; subst. Unkindliness = Unkindness.

Unkink, ɐnkiŋk, losmaken, rekken (Unkink one’s muscles).

Unknightly, ɐnnaitli, onridderlijk.

Unknit, ɐnnit, uithalen (v. breiwerk), gladstrijken (v. voorhoofd b.v.), scheiden.

Unknowable, ɐnnouəb’l, onnaspeurlijk: The Unknowable = de Ondoorgrondelijke; Unknowing = onwetend, onkundig; Unknown = onbekend, onberekenbaar, onmetelijk: A man unknowable to fame = waarvan de wereld weinig weet; It was done unknowable to me = buiten mijn weten.

Unlaboured, ɐnleibəd, onbewerkt, natuurlijk, ongedwongen.

Unlace, ɐnleis, losrijgen.

Unlade, ɐnleid, ontladen, lossen.

Unlamented, ɐnləmentid, onbetreurd.

Unlatch, ɐnlatš, openen (door de klink op te lichten); losgespen.

Unlawful, ɐnlôful, onwettig; subst. Unlawfulness.

Unlearn, ɐnlɐ̂n, verleeren, afleeren.

Unleash, ɐnlîš, loslaten (tegen = upon).

Unleavened, ɐnlev’nd, ongezuurd: Feast of unleavened bread = feest der ongezuurde brooden.

Unless, ɐnles, tenzij, indien niet.

Unlessened, ɐnles’nd, onverminderd.

Unlettered, ɐnletəd, ongeletterd.

Unlevel(l)ed, ɐnlev’ld, niet glad of gelijk.

Unlicensed, ɐnlais’nst, zonder patent of vergunning.

Unlicked (cub), ɐnlikt, ongelikt(e beer).

Unlighted, ɐnlaitid, niet aangestoken of verlicht.

Unlike, ɐnlaik, ongelijk, anders dan: That’s so unlike him = dat is in ’t geheel niet iets voor hem; Unlikelihood = onwaarschijnlijkheid = Unlikeliness; Unlikely = onwaarschijnlijk.

Unlimited, ɐnlimitid, onbegrensd, onbeperkt, vrij, niet gelimiteerd: An unlimited concern = onderneming, welker aandeelhouders niet alléén voor hunne aandeelen, maar voor alle verplichtingen aansprakelijk zijn; subst. Unlimitedness.

Unlink, ɐnliŋk, ontschakelen, losmaken: The snake unlinks itself = ontrolt zich.

Unliquidated, ɐnlikwideitid, onvereffend.

Unload, ɐnloud, ontladen, ontlasten, lossen, uitstorten, in groote hoeveelheid op de markt brengen.

Unlock, ɐnlok, ontsluiten, de rem wegnemen, onthullen.

Unlooked for, ɐnluktfö, onverwacht, ongezocht, ongewenscht.

Unloose(n), ɐnlûs(’n), losmaken, vrijlaten.

Unloveliness, ɐnlɐvlinəs, subst. v. Unlovely, ɐnlɐvli, onbeminnelijk, niet aantrekkelijk.

Unluckiness, ɐnlɐkinəs, subst. v. Unlucky, ɐnlɐki, ongelukkig, onvoorspoedig, onzalig: It was an unlucky party = “parti manqué”.

Unmade, ɐnmeid, ongemaakt, niet klaar, vernietigd: Unmade robes.

Unmaidenly, ɐnmeid’nli, onmaagdelijk.

Unmaimed, ɐnmeimd, onverminkt.

Unmakable, ɐnmeikəb’l, onmaakbaar, onuitvoerbaar; Unmake, ɐnmeik, bederven, vernietigen, afzetten.

Unmalleable, ɐnmaljəb’l, onsmeedbaar.

Unman, ɐnman, ontmannen, ontmoedigen, week maken, van manschappen of troepen ontblooten.

Unmanageable, ɐnmanidžib’l, onhandelbaar, moeielijk, lastig.

Unmanliness, ɐnmanlinəs, subst. v. Unmanly, ɐnmanli, onmannelijk, lafhartig.

Unmannerly, ɐnmanəli, ongemanierd, lomp.

Unmantle, ɐnmant’l, ontmantelen, onttakelen (a fortress, a room).

Unmanured, ɐnmənjûəd, onbemest, onbebouwd.

Unmarketable, ɐnmâkətəb’l, onverkoopbaar, incourant.

Unmarred, ɐnmâd, onbedorven.

Unmarriable, ɐnmarjəb’l, niet huwbaar; Unmarried, ɐnmarid, ongetrouwd.

Unmask, ɐnmâsk, het masker afleggen, ontmaskeren.

Unmastered, ɐnmâstəd, onbedwongen, teugelloos.

Unmatched, ɐnmatšt, ongeëvenaard.

Unmeaning, ɐnmîniŋ, niets beteekenend, zonder uitdrukking; subst. Unmeaningness; Unmeant, ɐnment, onbedoeld.

Unmeasurable, ɐnmežərəb’l, onbegrensd, onmetelijk; Unmeasured = onbegrensd, ongemeten.

Unmeditated, ɐnmediteitid, onoverdacht.

Unmeet, ɐnmît, niet geschikt.

Unmellowed, ɐnmeloud, niet geheel rijp.

Unmelodious, ɐnmiloudjəs, wanklinkend.

Unmentionable, ɐnmenšənəb’l, niet noembaar: Unmentionables = broek; Unmentioned = onvermeld.

Unmercantile, ɐnmɐ̂k’nt(a)il, niet overeenkomstig de handelsusantiën.

Unmerciful, ɐnmɐ̂siful, onbarmhartig, wreed, buitensporig; subst. Unmercifulness.

Unmerited, ɐnmeritid, onverdiend.

Unmilitary, ɐnmilitəri, niet militair.

Unmilled, ɐnmild, niet gevold; zonder kartelrand (van munten).

Unmindful, ɐnmaindful: Unmindful of his promise = niet denkende om; Unmindful of my health = zonder te letten op.

Unmistak(e)able, ɐnmisteikəb’l, onmiskenbaar; Unmistaken = zeker, bepaald.

Unmitigated, ɐnmitigeitid, niet verzacht of verminderd, doortrapt: An unmitigated scoundrel.

Unmixed, ɐnmikst, onvermengd.

Unmodifiable, ɐnmodifaiəb’l, niet voor wijziging vatbaar; Unmodified = ongewijzigd, niet “umgelautet.”

Unmolested, ɐnməlestid, ongestoord.

Unmoor, ɐnmûə, voor één anker laten liggen; de ankers lichten.

Unmortgaged, ɐnmögidžd, onbezwaard.

Unmotherly, ɐnmɐdhəli, niet moederlijk.

Unmounted, ɐnmauntid, onbereden, niet gemonteerd.

Unmourned, ɐnmönd, onbetreurd.

Unmov(e)able, ɐnmûvəb’l, onbeweeglijk; Unmoved = onbewogen, ongeschokt, ongeroerd, koel, standvastig; Unmoving = bewegingloos, niet roerend.

Unmuffle, ɐnmɐf’l, ontblooten, zichtbaar worden: Unmuffled = niet omfloerst.

Unmurmuring, ɐnmɐ̂məriŋ, zonder morren.

Unmusical, ɐnmjûzik’l, onwelluidend, niet muzikaal.

Unmutilated, ɐnmjûtileitid, onverminkt.

Unmuzzle, ɐnmɐz’l, van muilkorf ontdoen, van dwang bevrijden, den vrijen loop laten.

Unnamed, ɐnneimd, ongenoemd, zonder naam.

Unnatural, ɐnnatjər’l, onnatuurlijk, gemaakt, onmenschelijk; subst. Unnaturalness.

Unnecessary, ɐnnesəs’ri, noodeloos = Unneeded; Unnecessitated, ɐnnisesiteitid, niet geboden door de omstandigheden.

Unnegotiable, ɐnnigoušəb’l, onverhandelbaar.

Unneighbourly, ɐnneibəli, onbuurschappelijk.

Unnerve, ɐnnɐ̂v, ontzenuwen, verzwakken.

Unnoted, ɐnnoutid, onopgemerkt; Unnoticed, ɐnnoutist, onopgemerkt, verwaarloosd.

Unnumbered, ɐnnɐmbəd, talloos, ongeteld.

Unobjectionable, ɐnəbdžekšənəb’l, onberispelijk.

Unobscured, ɐnəbskjûəd, onverduisterd.

Unobservable, ɐnəbzɐ̂vəb’l, niet waarneembaar; Unobservant = niet betrachtend, niet lettend op: To be unobservable of; Unobserved = niet waargenomen of betracht; Unobserving = achteloos, onoplettend.

Unobstructed, ɐnəbstrɐktid, onbelemmerd.

Unobtainable, ɐnəbteinəb’l, onverkrijgbaar.

Unobtrusive, ɐnəbtrûsiv, bescheiden.

Unoccupied, ɐnokjupaid, onbezet, onbebouwd, niet bezig.

Unoffending, ɐnəfendiŋ, niet beleedigend, niet aanstootelijk; onschadelijk = Unoffensive, ɐnəfensiv.

Unofficial, ɐnəfiš’l, niet ambtelijk.

Unopened, ɐnoup’nd, ongeopend, dicht; Unopening = gesloten blijvend.

Unopposed, ɐnəpouzd, niet betwist.

Unorganized, ɐnögənaizd, onbewerktuigd, niet georganiseerd.

Unoriginal, ɐnəridžin’l, niet oorspronkelijk, afgeleid.

Unornamental, ɐnönəment’l, eenvoudig; Unornamented, ɐnönəmentid, onversierd.

Unorthodox, ɐnöthədoks, kettersch.

Unostentatious, ɐnost’nteišəs, zonder praal of vertoon, eenvoudig, bescheiden, niet schril of schel.

Unowed, ɐnoud, zonder eigenaar, niet schuldig; Unowned, ɐnound, zonder eigenaar; niet erkend.

Unpacified, ɐnpasifaid, onbevredigd.

Unpack, ɐnpak, ontlasten, uitpakken.

Unpaid, ɐnpeid, onbetaald, ongefrankeerd, onvergolden, onvervuld: The great unpaid = de niet bezoldigde magistraatspersonen, enz.

Unpaired, ɐnpêəd, ongepaard.

Unpalatable, ɐnpaləteb’l, onsmakelijk, onaangenaam: An unpalatable truth.

Unparalleled, ɐnparəleld, weergaloos.

Unpardonable, ɐnpâdənəb’l, onvergeeflijk.

Unparliamentary, ɐnpâlimentəri, niet parlementair.

Unpatented, ɐnpeit’ntid, ɐnpat’ntid, ongepatenteerd.

Unpatriotic, ɐnpeitriotik, ɐnpatriotik, niet vaderlandslievend.

Unpaved, ɐnpeivd, ongeplaveid.

Unpen, ɐnpen, (schapen) uit de pen, (water) uit een kanaal laten.

Unpenetrable, ɐnpenətrəb’l, ondoordringbaar.

Unpensioned, ɐnpenš’nd, zonder jaargeld.

Unpeopled, ɐnpîp’ld, onbevolkt, ontvolkt.

Unperceivable, ɐnpəsîvəb’l, onbemerkbaar; Unperceived = ongemerkt, onbemerkt.

Unperformed, ɐnpəfömd, niet gedaan, niet opgevoerd, onverricht.

Unpermitted, ɐnpəmitid, ongeoorloofd.

Unperused, ɐnpərûzd, niet doorgezien.

Unphilosophic(al), ɐnfiləsofik(’l), niet wijsgeerig.

Unpicked, ɐnpikt, niet geplukt, niet uitgelezen: Unpicked samples.

Unpin, ɐnpin, losspelden.

Unpitied, ɐnpitid, onbeweend, onbetreurd.

Unplaced, ɐnpleist, ongeplaatst, verward, dooreengegooid, niet onder de 3 eersten (wedren).

Unplanted, ɐnplântid, ongeplant, vanzelf groeiend, niet bebouwd of aangelegd.

Unpleasant, ɐnplez’nt, onaangenaam, onplezierig, misnoegd; subst. Unpleasantness.

Unploughed, ɐnplaud, ongeploegd.

Unpoetic(al), ɐnpouetik(’l), niet dichterlijk.

Unpolished, ɐnpolišt, ongepolijst, mat, onbeschaafd, lomp; Unpolite, ɐnpəlait, onbeleefd.

Unpolled, ɐnpould, niet bekapt, ongeschoren, niet als kiezer ingeschreven, nog niet gekozen hebbend.

Unpolluted, ɐnpəl(j)ûtid, onbevlekt.

Unpopular, ɐnpopjulə, niet bij het volk geliefd; subst. Unpopularity, ɐnpopjulariti.

Unpractical, ɐnpraktik’l, onpraktisch; Unpracticality, ɐnpraktikaliti, het onpraktisch zijn; Unpracticed, Unpractised, ɐnpraktist, onervaren.

Unprecedented, ɐnpresidentid, zonder voorbeeld.

Unprejudiced, ɐnpredžədist, onbevooroordeeld, onpartijdig, niet benadeeld.

Unpremeditated, ɐnprimediteitid, niet expresselijk, niet overdacht, onvoorbereid.

Unprepared, ɐnpripêəd, onvoorbereid; subst. Unpreparedness.

Unprepossessed, ɐnprîpəzest, onbevooroordeeld; Unprepossessing = niet innemend.

Unpresuming, ɐnprižûmiŋ, niet verwaand, bescheiden.

Unpretending, ɐnpritendiŋ, niet aanmatigend; subst. Unpretendingness; Unpretentious = onaanzienlijk.

Unprevailing, ɐnpriveiliŋ, krachteloos, onnut.

Unprincipled, ɐnprinsip’ld, beginselloos, onzedelijk.

Unprinted, ɐnprintid, niet be- of gedrukt, wit.

Unprivileged, ɐnprivilidžd, zonder voorrechten.

Unproductive, ɐnprədɐktiv, onvruchtbaar, geene winst afwerpend; subst. Unproductiveness = Unproductivity.

Unprofessional, ɐnprəfešən’l, niet tot een beroep behoorende, leeken..., niet overeenkomstig de eischen van een beroep.

Unprofitable, ɐnprofitəb’l, niet voordeelig, zonder vrucht; subst. Unprofitableness.

Unprogressive, ɐnprəgresiv, niet vooruitkomend.

Unprohibited, ɐnprəhibitid, niet verboden, wettig.

Unprolific, ɐnprəlifik, onvruchtbaar.

Unpromising, ɐnpromisiŋ, niet veel belovend, onvruchtbaar: That’s an unpromising subject = ondankbaar; Unpromising of success = niet veel belovend.

Unpronounceable, ɐnprənaunsib’l, niet uit te spreken; Unpronounced = stom, onbeslist.

Unprophetic(al), ɐnprəfetik(’l), niet prophetisch: Unprophetic of a thing = iets niet vermoedend.

Unpropitious, ɐnprəpišəs, ongunstig.

Unprotected, ɐnprətektid, onbeschermd.

Unproved, Unproven, ɐnprûvd, ɐnprûv’n, niet bewezen.

Unprovided, ɐnprəvaidid, niet verzorgd, onvoorzien.

Unprovoked, ɐnprəvoukt, niet geprikkeld (tot) of uitgelokt, zonder aanleiding.

Unpublished, ɐnpɐblišt, onuitgegeven.

Unpunctual, ɐnpɐŋktjuəl, onnauwkeurig, niet op tijd.

Unpunished, ɐnpɐništ, ongestraft.

Unpurged, ɐnpɐ̂džd, ongezuiverd, niet gelouterd = Unpurified, ɐnpjûrifaid.

Unpursued, ɐnpəsiûd, onvervolgd, niet voortgezet.

Unqualified, ɐnkwolifaid, ongeschikt, onbevoegd, onvermengd.

Unquenchable, ɐnkwenšəb’l, onbluschbaar, onverzadelijk; subst. Unquenchableness; Unquenched, ɐnkwenšt, ongebluscht.

Unquestionable, ɐnkwestjənəb’l, ontwijfelbaar; Unquestioned, ɐnkwestj’nd, ongetwijfeld: To go unquestioned = van zelf spreken.

Unquickened, ɐnkwik’nd, onbezield.

Unquiet, ɐnkwaiit, onrustig, rusteloos, onbevredigd; subst. Unquietness.

Unracked, ɐnrakt, ongeklaard.

Unraked, ɐnreikt, ongeharkt, niet opgerakeld.

Unravel, ɐnrav’l, ontwarren, ontwikkelen, afwikkelen; subst. Unravelment = ontknooping.

Unreached, ɐnrîtšt, onbereikt.

Unread, ɐnred, ongelezen, ongeletterd; Unreadable, ɐnrîdəb’l, onleesbaar.

Unreadiness, ɐnredinəs, subst. v. Unready, ɐnredi, niet gereed, niet bereid, ongeneigd.

Unreal, ɐnrîəl, onwerkelijk, denkbeeldig; Unreality, ɐnrialiti, onwerkelijkheid.

Unreaped, ɐnrîpt, ongeoogst.

Unreason, ɐnrîz’n, onzinnigheid; Unreasonable, ɐnrîzənəb’l, onredelijk, dwaas, buitensporig; subst. Unreasonableness.

Unrebuked, ɐnribjûkt, onberispt.

Unrecanted, ɐnrikantid, niet herroepen.

Unreckoned, ɐnrek’nd, ongerekend, niet geteld.

Unreclaimed, ɐnrikleimd, niet opgeëischt, niet getemd, niet op den goeden weg teruggebracht, onontgonnen.

Unrecognized, ɐnrekəgnaizd, niet (h)erkend.

Unreconciled, ɐnrek’nsaild, onverzoend, onvereenigbaar, niet in overeenstemming (gebracht).

Unrecorded, ɐnriködid, onvermeld, vergeten.

Unrecovered, ɐnrikɐvəd, niet herkregen of hersteld.

Unrectified, ɐnrektifaid, niet verbeterd.

Unredeemable, ɐnridîməb’l, wat niet vrijgekocht of gelost kan worden; Unredeemed, ɐnridîmd, niet vrijgekocht, niet verlost, niet gedelgd, niet verzacht.

Unredressed, ɐnridrest, niet hersteld.

Unrefined, ɐnrifaind, onbeschaafd, ongezuiverd: Unrefined sugar.

Unreflecting, ɐnriflektiŋ, niet terugkaatsend; gedachteloos.

Unreformed, ɐnrifömd, onverbeterd.

Unrefreshed, ɐnrifrešt, onverkwikt; Unrefreshing = niet verkwikkend.

Unrefuted, ɐnrifjûtid, onweerlegd.

Unregarded, ɐnrigâdid, verwaarloosd, veronachtzaamd; Unregardful = achteloos.

Unregenerate(d), ɐnridženərit (ɐnridženəreitid), niet wedergeboren tot nieuw leven.

Unregistered, ɐnredžistəd, niet aangeteekend of ingeschreven.

Unregretted, ɐnrigretid, onbetreurd.

Unrehearsed, ɐnrihɐ̂st, onvoorbereid; zonder voorafgaande repetities.

Unrelaxing, ɐnrilaksiŋ, niet toegevend.

Unrelenting, ɐnrilentiŋ, streng, hardvochtig, onverbiddelijk, onophoudelijk.

Unreliable, ɐnrilaiəb’l, onbetrouwbaar.

Unrelieved, ɐnrilîvd, niet verlicht, ongesteund, ongeholpen, niet afgelost, niet ontzet: The monotony is unrelieved by brilliant touches = wordt niet afgewisseld door.

Unremedied, ɐnremədid, onverholpen.

Unremembered, ɐnrimembəd, vergeten.

Unremitted, ɐnrimitid, niet vergeven, onverzwakt, aanhoudend; Unremitting = niet vergevend, onophoudelijk.

Unremovable, ɐnrimûvəb’l, vast, onafzetbaar; Unremoved = niet weggenomen, vast, niet afgezet.

Unremunerative, ɐnrimjûnərətiv, niet voordeelig.

Unrenewed, ɐnrinjûd, niet ver- of hernieuwd, niet wedergeboren.

Unrepaid, ɐnripeid, niet vergoed.

Unrepaired, ɐnripêəd, onhersteld.

Unrepealed, ɐnripîld, onherroepen.

Unrepentant, ɐnripent’nt; Unrepented = onberouwd; Unrepenting, ɐnripentiŋ, verstokt.

Unrepining, ɐnripainiŋ, niet klagend, geduldig, gelaten.

Unreplenished, ɐnripleništ, onaangevuld.

Unrepresented, ɐnreprizentid, niet vertegenwoordigd, onopgevoerd.

Unreprovable, ɐnriprûvəb’l, onberispelijk: Unreproved = onberispt.

Unrequested, ɐnrikwestid, ongevraagd.

Unrequitable, ɐnrikwaitəb’l, niet te vergelden; Unrequited = onvergolden, onbeantwoord.

Unresented, ɐnrizentid, niet kwalijk genomen, ongewroken.

Unreserve, ɐnrizɐ̂v, vrijmoedigheid, ongedwongenheid: Unreserved = openhartig, vrijmoedig, onbeperkt, volledig; subst. Unreservedness.

Unresigned, ɐnrizaind, niet gelaten.

Unresisted, ɐnrizistid, niet weerstaan; Unresisting = zonder weerstand te bieden.

Unresolved, ɐnrizolvd, onopgelost; Unresolving, besluiteloos.

Unresponsive, ɐnrisponsiv, onhartelijk.

Unrest, ɐnrest, onrust, ongerustheid; Unresting = rusteloos, onophoudelijk.

Unrestored, ɐnristöd, niet hersteld.

Unrestrained, ɐnristreind, onbeteugeld, bandeloos; Unrestricted = onbeperkt.

Unretracted, ɐnritraktid, onherroepen.

Unrevealed, ɐnrivîld, ongeopenbaard.

Unreversed, ɐnrivɐ̂st, onherroepen = Unrevoked, ɐnrivoukt.

Unriddle, ɐnrid’l, oplossen, verklaren.

Unrideable, ɐnraidəb’l, onberijdbaar.

Unrig, ɐnrig, aftakelen, uitkleeden.

Unrighteous, ɐnraitjəs, onrechtvaardig, zondig; subst. Unrighteousness.

Unrip, ɐnrip, opensnijden.

Unripe, ɐnraip, onrijp; Unripened = niet gerijpt; subst. Unripeness.

Unrival(l)ed, ɐnraiv’ld, ongeëvenaard.

Unrobe, ɐnroub, (zich) uitkleeden.

Unroll, ɐnroul, afrollen, ontplooien, loskronkelen.

Unromantic, ɐnrəmantik, niet romantisch.

Unroof, ɐnrûf, het dak wegnemen.

Unroot, ɐnrût, ontwortelen.

Unround, ɐnraund, verb. ontronden (van vokalen): Unrounded = niet gerond.

Unruffled, ɐnrɐf’ld, kalm, bedaard.

Unruliness, ɐnrûlinəs, subst. v. Unruly, ɐnrûli, toomeloos, bandeloos, uitgelaten, lastig.

Unsaddle, ɐnsad’l, ontzadelen.

Unsafe, ɐnseif, onveilig, gewaagd; subst. Unsafeness.

Unsaid, ɐnsed, ongesproken, niet gezegd.

Unsal(e)able, ɐnseiləb’l, onverkoopbaar.

Unsalted, ɐnsôltid, ongezouten, versch.

Unsanctified, ɐnsaŋktifaid, onheilig, ongewijd.

Unsanctioned, ɐnsaŋkš’nd, niet bekrachtigd.

Unsatiable, ɐnseišəb’l, onverzadelijk; Unsatiating, ɐnseišeitiŋ, niet te verzadigen.

Unsatisfactoriness, ɐnsatisfaktərinəs, subst. v. Unsatisfactory, ɐnsatisfaktəri, onvoldoende, onbevredigend; Unsatisfied = onvoldaan, ontevreden, niet overtuigd, onbevredigd; Unsatisfying = onvoldoende.

Unsaturated, ɐnsatjureitid, niet verzadigd.

Unsavouriness, ɐnseivərinəs, subst. v. Unsavoury, ɐnseivəri, onsmakelijk, walgelijk, smakeloos.

Unsay, ɐnsei, herroepen, intrekken: To say and unsay = nu eens ja, dan weer neen zeggen.

Unscalable, ɐnskeiləb’l, onbeklimbaar.

Unscared, ɐnskêəd, niet verschrikt.

Unscarred, ɐnskâd, zonder litteeken(s).

Unscathed, ɐnskeidhd, ɐnskeitht, ongedeerd.

Unschooled, ɐnskûld, ongeletterd, ongeoefend.

Unscientific, ɐnsaiəntifik, onwetenschappelijk.

Unscorched, ɐnskötšt, niet geschroeid.

Unscreened, ɐnskrînd, onbeschut, niet gezeefd.

Unscrew, ɐnskrû, losschroeven.

Unscriptural, ɐnskriptjur’l, niet naar de Schrift.

Unscrupulous, ɐnskrûpjulɐs, gewetenloos; subst. Unscrupulousness.

Unseal, ɐnsîl, ontzegelen, openen: Unsealed = ongezegeld, ontzegeld.

Unsearchable, ɐnsɐ̂tšəb’l, onnaspeurlijk; subst. Unsearchableness; Unsearched = niet onderzocht.

Unseasonable, ɐnsîzənəb’l, ontijdig, niet van pas, ongelegen, ongeschikt: At an unseasonable time of night = laat in den nacht; subst. Unseasonableness; Unseasoned = niet toebereid, niet gekruid, niet geacclimatiseerd, onervaren, ongewend: Unseasoned deal = niet uitgedroogd vuren(grenen)hout.

Unseat, ɐnsît, van het paard werpen, van eene plaats (in het Lagerhuis) berooven.

Unseaworthiness, ɐnsîwɐ̂dhinəs, subst. v. Unseaworthy, ɐnsîwɐ̂dhi, niet zeewaardig.

Unseconded, ɐnsek’ndid, niet ondersteund.

Unsectarian, ɐnsektêriən, neutraal.

Unseemliness, ɐnsîmlinəs, subst. v. Unseemly, ɐnsîmli, onbetamelijk, ongepast.

Unseen, ɐnsîn, ongezien, onzichtbaar: The Unseen = geestenwereld, hiernamaals; Latin Unseens = à vue vertalingen.

Unselfish, ɐnselfiš, onbaatzuchtig; subst. Unselfishness.

Unsent, ɐnsent, ongezonden: Unsent for = ongenood, ongevraagd.

Unsepulch(e)red, ɐnsep’lkəd, onbegraven.

Unserved, ɐnsɐ̂vd, niet (op)gediend; Unserviceable, ɐnsɐ̂visəb’l, ondienstig, onbruikbaar.

Unset, ɐnset, niet geplaatst (gezet, geplant, ondergegaan).

Unsettle, ɐnset’l, doen weifelen, uit de voegen of uit het verband rukken, schokken: Your tidings have unsettled me = mij van streek gebracht; Unsettled = niet geregeld, onzeker, troebel, veranderlijk, weifelend, onbetaald.

Unsex, ɐnseks: Ambition has unsexd her = haar het (zacht-)vrouwelijke ontnomen; To Unsex oneself = zich emancipeeren.

Unshackle, ɐnšak’l, ontkluisteren.

Unshaded, ɐnšeidid, onbeschaduwd, zonder schaduw = Unshadowed, ɐnšadoud.

Unshak(e)able, ɐnšeikəb’l, onwrikbaar; Unshaken, ɐnšeik’n, onverwrikt.

Unshapely, ɐnšeipli, wanstaltig.

Unsheath(e), ɐnšîdh, uit de scheede halen: To unsheath the sword = het zwaard trekken.

Unsheltered, ɐnšeltəd, onbeschut.

Unshielded, ɐnšîldid, niet verdedigd.

Unship, ɐnšip, ontschepen, lossen, over boord werpen, losmaken: We unshipped the oars = wij namen de riemen uit de dollen.

Unshocked, ɐnšokt, ongeschokt.

Unshot, ɐnšot, adj. niet afgeschoten, niet getroffen; Unshot verb. een kanon of geweer ontladen.

Unshrinkable, ɐnšrinkəb’l, krimpvrij.

Unshrinking, ɐnšriŋkiŋ, onvervaard.

Unsifted, ɐnsiftid, ongezift, onervaren.

Unsight, ɐnsait, ongezien: To buy a thing unsight.

Unsightliness, ɐnsaitlinəs, subst. v. Unsightly, ɐnsaitli, afzichtelijk, leelijk, wanstaltig.

Unsilvered, ɐnsilvəd, niet met (kwik)zilver bedekt.

Unsisterly, ɐnsistəli, niet zusterlijk.

Unsized, ɐnsaizd, ongesteven, niet geplaneerd of gegrondeerd.

Unskilful, ɐnskilful, onbekwaam, onbedreven; subst. Unskilfulness; Unskilled, ɐnskild, onbedreven: Unskilled labour = eenvoudige handenarbeid; Unskilled labourers = werklui die geen vak verstaan.

Unslacked, ɐnslakt, Unslackened, ɐnslak’nd, onverminderd.

Unslaked, ɐnsleikt, niet gelescht of gebluscht.

Unsmoked, ɐnsmoukt, niet (uit)gerookt.

Unsoaped, ɐnsoupt, niet gezeept, ongewasschen: The unsoaped = het janhagel.

Unsociability, ɐnsoušəbiliti, subst. v. Unsociable, ɐnsoušəb’l, ongezellig; subst. Unsociableness; Unsocial, ɐnsouš’l, eenzelvig.

Unsocket, ɐnsokət, uit eene holte of kas nemen: The storm has unsocketed the oak = den eik ontworteld.

Unsoiled, ɐnsôild, onbezoedeld.

Unsold, ɐnsould, niet verkocht.

Unsolder, ɐnso(l)də, lossoldeeren, scheiden.

Unsoldierlike, ɐnsouldžəlaik, een soldaat onwaardig = Unsoldierly.

Unsolicited, ɐnsəlisitid, ongevraagd.

Unsolicitous, ɐnsəlisitɐs, onbezorgd.

Unsolved, ɐnsolvd, niet opgelost.

Unsophisticated, ɐnsəfistikeitid, onbedorven, echt, kunsteloos.

Unsought, ɐnsôt, ongezocht: To come unsought = onverwacht.

Unsound, ɐnsaund, ongezond, zwak, ziekelijk, niet gaaf, wormstekig, wrak, onwaar, ijdel, valsch, onbetrouwbaar, onrustig: Unsound doctrine, ice; A man of unsound mind = met gekrenkte geestvermogens; Unsound pleasures, sleep; subst. Unsoundness.

Unsoured, ɐnsauəd, ongezuurd, niet verbitterd.

Unsown, ɐnsoun, ongezaaid: Unsown flowers = wilde.

Unsparing, ɐnspêriŋ, ongenadig; mild, royaal; subst. Unsparingness.

Unspeakable, ɐnspîkəb’l, onuitsprekelijk, jammerlijk, afschuwelijk: An unspeakable kind of person = onmogelijke vent.

Unspecified, ɐnspesifaid, niet afzonderlijk vermeld.

Unspent, ɐnspent, onverbruikt, nog niet uitgeput: Unspent ball = nog niet matte.

Unspilt, ɐnspilt, ongestort.

Unsplit, ɐnsplit, ongespleten.

Unspoiled, ɐnspôild, onbedolven.

Unspoken, ɐnspouk’n, niet geuit: Unspoken of = onvermeld.

Unspotted, ɐnspotid, ongevlekt, zonder blaam, volmaakt, zonder gebreken; subst. Unspottedness.

Unsquared, ɐnskwêəd, niet vierkant bekapt, onregelmatig, ongeschikt.

Unstable, ɐnsteib’l, onvast, wankelend, labiel.

Unstaid, ɐnsteid, onstandvastig, vluchtig.

Unstained, ɐnsteind, onbesmet, onbezoedeld, ongeverfd.

Unstamped, ɐnstampt, ongestempeld, zonder zegel.

Unstanched, ɐnstânšt, ongestelpt, niet dicht.

Unstatesmanlike, ɐnsteitsm’nlaik, een staatsman niet passend of waardig.

Unsteadiness, ɐnstedinəs, subst. v. Unsteady, ɐnstedi, ongestadig, flikkerend, onvast, wispelturig, lichtzinnig.

Unstep, ɐnstep, (een mast) uitnemen.

Unstilled, ɐnstild, ongestild.

Unstinted, ɐnstintid, onbegrensd, onbekrompen.

Unstirred, ɐnstɐ̂d, niet be- of geroerd.

Unstitch, ɐnstitš, lostornen.

Unstop, ɐnstop, openen, de belemmering wegnemen, ontkurken.

Unstrained, ɐnstreind, ongefiltreerd, niet gespannen, ongedwongen, natuurlijk.

Unstraitened, ɐnstreit’nd, onbekrompen.

Unstrengthened, ɐnstreŋth’nd, niet versterkt of gesteund.

Unstring, ɐnstriŋ, losmaken, ontspannen, de snaar of snaren afnemen: She was quite unstrung = van streek.

Unstudied, ɐnstɐdid, onbestudeerd, natuurlijk, onkundig, onervaren.

Unstuffed, ɐnstɐft, niet volgestopt, niet gefarceerd.

Unsubdued, ɐnsəbdjûd, onverwonnen.

Unsubstantial, ɐnsəbstanš’l, onwerkelijk, ingebeeld, slap, niet voedzaam of degelijk.

Unsuccessful, ɐnsəksesful, niet gelukkig, zonder resultaat: He has been unsuccessful = hij is niet geslaagd; subst. Unsuccessfulness.

Unsufferable, ɐnsɐfərəb’l, on(ver)dragelijk.

Unsuitable, ɐnsiûtəb’l, ongepast, ongeschikt, onvoegzaam, onbekwaam; subst. Unsuitableness; Unsuited = ongeschikt, etc.; Unsuitedness.

Unsullied, ɐnsɐlid, onbevlekt.

Unsupported, ɐnsəpötid, niet gesteund.

Unsurmountable, ɐnsɐ̂mauntəb’l, onoverkomelijk.

Unsurpassable, ɐnsɐpâsəb’l, onovertreffelijk; Unsurpassed = onovertroffen.

Unsusceptible, ɐnsəseptib’l, niet vatbaar (voor = of).

Unsuspected, ɐnsəspektid, onverdacht; Unsuspecting = niet achterdochtig; Unsuspicious, ɐnsəspišəs, niet wantrouwend, argeloos; subst. Unsuspiciousness.

Unsustainable, ɐnsəsteinəb’l, onhoudbaar; Unsustained = niet gesteund.

Unswayable, ɐnsweiəb’l, niet te beheerschen; Unswayed, ɐnsweid, niet bewerkt of door invloeden beheerscht.

Unswept, ɐnswept, ongeveegd.

Unswerving, ɐnswɐ̂viŋ, niet afwijkend.

Unsworn, ɐnswön, niet beëedigd.

Unsymmetric(al), ɐnsimetrik(’l), niet met goede verhoudingen.

Unsystematic(al), ɐnsistəmatik(’l), stelselloos.

Untack, ɐntak, losmaken.

Untainted, ɐnteintid, onbesmet, niet bedorven.

Untalked, ɐntôkt, onvermeld, niet besproken (met of).

Untam(e)able, ɐnteiməb’l, ontembaar; Untamed, ɐnteimd, ongetemd, woest, wild: Untamed beauty = woeste schoonheid.

Untarnished, ɐntâništ, zonder smet of blaam.

Untasked, ɐntâskt, zonder taak.

Untasted, ɐnteistid, onaangeroerd.

Untaught, ɐntôt, onwetend, onervaren, ongeletterd.

Untaxed, ɐntakst, onbelast, niet beschuldigd.

Unteachable, ɐntîtšəb’l, onleerzaam; niet te leeren.

Untempered, ɐntempəd, niet toebereid, niet gehard, niet gematigd.

Untempted, ɐntem(p)tid, niet verleid of verlokt.

Untenable, ɐntenəb’l, onhoudbaar.

Untenantable, ɐnten’ntəb’l, niet (ver)huurbaar, onbewoonbaar; Untenanted = onverhuurd, onbewoond.

Untended, ɐntendid, onverzorgd.

Unterrified, ɐnterifaid, onverschrokken.

Untested, ɐntestid, onbeproefd.

Unthanked, ɐnthaŋkt, zonder dank; Unthankful = ondankbaar; subst. Unthankfulness.

Unthinkable, ɐnthiŋkəb’l, ondenkbaar; Unthinking = onnadenkend, onbezonnen; Unthought, ɐnthôt, niet gedacht, onverwacht (met of).

Untidiness, ɐntaidinəs, subst. v. Untidy, ɐntaidi, slordig, onordelijk.

Untie, ɐntai, losbinden, losknoopen, losmaken.

Until, ɐntil, tot: He did not write until yesterday = gister pas.

Untilled, ɐntild, onbebouwd.

Untimbered, ɐntimbəd, zonder boomen of timmerhout.

Untimely, ɐntaimli, ontijdig, ongelegen: Untimely merriment = ongepaste vroolijkheid; He died untimely = vroeg, jong; Untim(e)ous, ɐntaiməs, al te vroeg: It reached an untimeous end = het kwam vóór zijn tijd aan een eind.

Untinged, ɐntinžd, ongeverfd, ongetint, rein.

Untirable, ɐntairəb’l, onvermoeibaar, onvermoeid = Untired, Untiring.

Unto, ɐntû, tot (aan).

Untold, ɐntould, ongeteld, niet verhaald, onbeschrijfelijk.

Untouched, ɐntɐtšt, on(aan)geroerd, niet geretoucheerd.

Untoward, ɐntouəd, stijfhoofdig, weerbarstig, eigenzinnig, onaangenaam, ongunstig; Untoward(li)ness.

Untraced, ɐntreist, ongebaand, ook = Untracked, ɐntrakt, niet opgespoord.

Untractable, ɐntraktəb’l, onhandelbaar.

Untrained, ɐntreind, niet geoefend of gedrild.

Untrammelled, ɐntram’ld, onbelemmerd.

Untransferable, ɐntransfərəb’l, niet over te dragen.

Untranslatable, ɐntr’nsleitəb’l, onvertaalbaar.

Untravelled, ɐntrav’ld, onbereisd.

Untraversed, ɐntravəst, niet doorsneden of betreden, niet doorreisd.

Untried, ɐntraid, onbeproefd, onervaren.

Untrimmed, ɐntrimd, niet gesnoeid, niet in orde gebracht of opgemaakt.

Untrod(den), ɐntrod(’n), onbetreden.

Untroubled, ɐntrɐb’ld, ongestoord, onbewogen (van de zee).

Untrue, ɐntrû, onwaar, trouweloos, wispelturig; adv. Untruly; Untruth, ɐntrûth, ɐntrûth, onwaarheid, trouweloosheid, leugen: To tell an untruth; Untruthful = onoprecht.

Untuck, ɐntɐk, losvouwen, een vouw nemen uit.

Unturned, ɐntɐ̂nd, ongekeerd: He left no stone unturned to get it = heeft hemel en aarde bewogen.

Untutored, ɐntjûtəd, niet onderwezen, onbeschaafd, ruw.

Untwine, ɐntwain, losdraaien, losgaan, uit de war maken, uitrafelen = Untwist.

Unused, ɐnjûzd, (ɐnjûst), ongebruikt, ongewoon (to); Unusual, ɐnjûžuəl, ongewoon, niet veelvuldig.

Unutterable, ɐnɐtərəb’l, onuitsprekelijk: Unutterables = broek; Unuttered = niet geuit.

Unvaccinated, ɐnvaksineitid, oningeënt.

Unvanquished, ɐnvaŋkwišt, onoverwonnen.

Unvaried, ɐnvêrid, onveranderd, zonder afwisseling; Unvarying = onveranderlijk.

Unvarnished, ɐnvâništ, ongevernist, onverbloemd, onopgesmukt, eenvoudig.

Unveil, ɐnveil, ontsluieren, onthullen.

Unvendible, ɐnvendib’l, onverkoopbaar.

Unventilated, ɐnventileitid, niet van frissche lucht voorzien.

Unversed, ɐnvɐ̂st, onbedreven (in).

Unvindicated, ɐnvindikeitid, niet verdedigd.

Unviolated, ɐnvaiəleitid, ongeschonden.

Unvisited, ɐnvizitid, onbezocht.

Unvoiced, ɐnvôist, zonder stemtoon.

Unvowelled, ɐnvauəld, zonder klinkers.

Unwalled, ɐnwöld, zonder muren.

Unwarlike, ɐnwölaik, onkrijgshaftig.

Unwarned, ɐnwönd, ongewaarschuwd.

Unwarped, ɐnwöpt, niet getrokken; onbevooroordeeld; Unwarping = onbuigzaam.

Unwarrantable, ɐnwor’ntəb’l, onwettig, onverantwoordelijk, onverdedigbaar; subst. Unwarrantableness; Unwarranted, ɐnwor’ntid, ongewettigd, onverantwoordelijk, ongewaarborgd.

Unwariness, ɐnwêrinəs, subst. v. Unwary, ɐnwêri, onbezonnen, overijld.

Unwashed, ɐnwošt, ongewasschen, vuil: The (great) unwashed = het janhagel.

Unwatched, ɐnwotšt, niet bewaakt.

Unwatered, ɐnwötəd, onbesproeid, droog.

Unwavering, ɐnweiv’riŋ, standvastig.

Unweaned, ɐnwînd, niet gespeend, niet ontwend.

Unwearied, ɐnwîrid, onvermoeid.

Unwebbed, ɐnwebd, zonder zwemvlies.

Unwed(ded), ɐnwed(id), ongetrouwd.

Unweeded, ɐnwîdid, ongewied.

Unwelcome, ɐnwelk’m, niet welkom, onaangenaam: He has made me unwelcome = heeft mij onhartelijk ontvangen.

Unwell, ɐnwel, niet wel, ongesteld.

Unwept, ɐnwept, onbeweend.

Unwhipped, ɐnwipt, ongestraft.

Unwholesome, ɐnhouls’m, ongezond, verderfelijk; subst. Unwholesomeness.

Unwieldiness, ɐnwîldinəs, subst. v. Unwieldy, ɐnwîldi, onhandelbaar, niet te hanteeren, zwaar, lomp.

Unwilling, ɐnwiliŋ, onwillig, ongenegen: I am (feel) unwilling to go there = heb geen zin; Willing or unwilling = willens of onwillens; Unwillingness = ongeneigdheid.

Unwind, ɐnwaind, loswinden.

Unwise, ɐnwaiz, onwijs, dwaas.

Unwished, ɐnwišt, niet gewenscht: Unwished for circumstances = ongewenschte.

Unwithered, ɐnwidhəd, onverwelkt; Unwithering = onverwelkbaar.

Unwitnessed, ɐnwitnəst, ongezien, niet door getuigen gestaafd, nooit beleefd.

Unwitting(ly), ɐnwitiŋ(li), zonder te weten: With unwitting irony = onbewuste.

Unwomanly, ɐnwum’nli, onvrouwelijk.

Unwonted, ɐnwɐntid, ɐnwountid, ongewoon, ongewend; subst. Unwontedness.

Unworkable, ɐnwɐ̂kəb’l, onpraktisch, onuitvoerbaar.

Unworkmanlike, ɐnwɐ̂km’nlaik, niet goed afgewerkt, prullerig.

Unworldliness, ɐnwɐ̂ldlinəs, subst. v. Unworldly, ɐnwɐ̂ldli, niet wereldsch, onbaatzuchtig.

Unworn, ɐnwön, niet gedragen: Unworn out = niet versleten.

Unworried, ɐnwɐrid, niet gekweld.

Unworthiness, ɐnwɐ̂dhinəs, subst. v. Unworthy, ɐnwɐ̂dhi, onwaardig, ongepast, verachtelijk.

Unwound, ɐnwaund, imp. en p.p. van to unwind.

Unwounded, ɐnwûndid, ongewond.

Unwrap, ɐnrap, loswikkelen, openmaken.

Unwritten, ɐnrit’n, ongeschreven: Unwritten law = gewoonterecht, ongeschreven wet.

Unwrought, ɐnrôt, onbewerkt, ruw: Unwrought goods, iron.

Unyielded, ɐnjîldid, onovergegeven; Unyielding = niet toegevend, halsstarrig.

Unyoke, ɐnjouk, uitspannen, het juk afnemen.

Up, ɐp, verb. opspringen, aanleggen; adv. op, omhoog, op de been, in het zadel, etc.: He upped gun, and let drive at a young hare = legde aan en schoot op; His blood is up = hij kookt van woede; Shall we play fifty up? = vijftig uit (bilj.); The game is up = het spel is uit, verloren; The House is up = het Parlement is gesloten; The quarter is up = het kwartaal is verschenen; The street is up = is opgebroken; The sun is up = is op; Time is up = de tijd is om; All the town is up = in rep en roer, opstand; To be up at seven = op(gestaan); It is all up with him = hij is totaal geruïneerd; We shall be up with another covey in five minutes = binnen 5 minuten treffen we weer aan; What’s up? = wat is er aan de hand; He came up to me = kwam naar mij toe; He came up with me = hij haalde mij in; The river is frozen up = dichtgevroren; The emigrants went up (the) country = trokken verder het land in (Amer.); We went up to the hub = tot het uiterste punt; He will not go up for his examination = zal zich niet onderwerpen; The students go up to-morrow = keeren naar de academie terug; To sail up a river, stream = de rivier op, tegen den stroom op; Up and down = op en neer; The ups and downs of life = de wisselvalligheden des levens; I have been attached to him from my youth up = van mijne jeugd af; He is well up in English = kent goed Engelsch; Hold your tongue up there = daar ginder, daar boven; To go up to town = naar stad; He agreed with me up to a certain point = tot op zekere hoogte; That fellow is up to snuff (to a thing or two, a trick or two) = dat is een gladde kerel, slimme kwant; Up to this time = tot dezen tijd toe; We waded up to our knees through the snow = tot aan de knieën; What are you up to? = wat voert gij uit (in ’t schild); He is up to mischief = voert kattekwaad uit; I am up to what you mean = begrijp; Do you think he is up to the task? = berekend voor die taak; The candidate is not up to the mark = is onvoldoende.

Upas(-tree), jûpəs(trî), upas(boom).

Upbear, ɐpbêə, ondersteunen, schragen, opheffen: His firm faith upbore him = zijn onwankelbaar geloof schraagde hem.

Upbraid, ɐpbreid, verwijten, berispen: He upbraided me for having been there = nam mij onder handen; Upbraiding; Upbraider.

Upbringing, ɐpbriŋiŋ, grootbrengen, opvoeding.

Upham, ɐpəm.

Upheaval, əphîv’l, verheffing, opheffing, omwenteling; Upheave, əphîv, opheffen, zich verheffen.

Upheld, ɐpheld, imp. en p.p. van to uphold.

Uphill, ɐphil, bergopwaarts(ch), moeilijk: That’s uphill work = dat werk valt niet mee.

Uphold, ɐphould, omhoog houden, steunen, schragen, handhaven, verdedigen: Their Lordships upheld the judge’s finding = bevestigden de uitspraak; Upholder = verdediger, steuner.

Upholster, əphoulstə, bekleeden, stoffeeren; Upholsterer = stoffeerder; Upholstery, bedden, gordijnen, karpetten, kleeden, kussens, enz. enz. om de huizen te meubileeren; stoffeerderij: Mere upholstery = louter schijn.

Upkeep, ɐpkîp, onderhoud.

Upland, ɐpl’nd, subst. hoogland, binnenland; adj. hooglandsch, binnenlandsch.

Uplift, ɐplift, subst. verheffing; adj. opgeheven; Uplift verb. opheffen, optillen: Her victory had uplifted her = vroolijk (trotsch) gestemd.

Up-line, ɐplain, lijn naar het hoofdstation.

Upmost, ɐpmoust, bovenste.

Upon, əpon, op, bovenop, omtrent, bij, etc.: Upon his arm = aan zijn arm; Upon my arrival (arriving) = bij mijne aankomst; Upon bread and water; You do it upon your own danger = op eigen risico; Upon duty = in dienst, op post; I learned this upon inquiry = bij onderzoek; It was just upon midnight = tegen; Upon the whole = over het geheel; I call upon this assembly to do away with such an abuse = doe een beroep op deze vergadering; I called upon (on) him = ik ben bij hem aangeloopen; I do not want to be imposed upon = bedrogen te worden; This town lies upon a river = ligt aan; He lives upon his mother = op kosten van; To live upon vegetables = van groenten; Look upon me = zie mij aan; To make war upon a people = den oorlog aandoen; I don’t wish to be played upon = voor den gek te worden gehouden; Don’t rely upon such people = vertrouw niet op; To stand upon ceremonies = staan op complimenten; To stand upon one’s dignity = op zijn waardigheid gesteld zijn; I will think upon it = zal me er eens op bedenken; He took upon himself to arrange the matter = nam op zich.

Upper, ɐpə, adj. hooger, bovenste, boven; subst.: Uppers = bovenleer: To be on one’s uppers = in armzalige toestand zijn; Upper crust = de hoogere kringen, aristocratie = The upper ten (thousand); Upper deck; Upper guard = hoofdconducteur; Upper hand = overhand, bovenhand; Upper House = het Huis der Lords, Senaat, Eerste Kamer; Upper leather = bovenleer; Upper lip = bovenlip; Upper Rhine; Upper story = bovenverdieping: He is not right in his upper story = het scheelt hem in zijn bovenste verdieping; Upper teeth = boventanden; Upper works = het gedeelte van het schip, dat boven water is; bol (kop); Upper world = bovenwereld; Uppermost = bovenste, hoogste, heerschend, beste: That fellow says whatever comes uppermost = zegt maar wat hem voor den mond komt; To float belly uppermost (van visch).

Uppish, ɐpiš, trotsch, aanmatigend; subst. Uppishness.

Upraise, ɐpreiz, opheffen.

Uprear, ɐprîə, oprichten.

Upright, ɐprait, subst. opstand van een gebouw, gevel, paal, pilaar; adj. rechtop, oprecht: His hair stands upright = zijne haren rijzen te berge; subst. Uprightness (ɐpraitnəs), opgerichte stand, rechtschapenheid, oprechtheid.

Uprising, ɐpraiziŋ, verheffing, opgang, glooiing, opstand.

Uproar, ɐprö, oproer, verwarring, drukte, lawaai: To make an uproar = herrie maken; To set in(to) uproar = in opstand brengen; Unproarious, əprôriəs, oproerig, lawaaierig; subst. Uproariousness.

Uproot, ɐprût, ontwortelen, verdelgen.

Uprouse, ɐprauz, opwekken.

Upsaddle, ɐpsad’l, opzadelen.

Upsala, ɐpsâlə.

Upset, ɐpsət, ɐpset, subst. het omvallen of omgevallen zijn, het mislukken, schrik, ontroering; adj. vast: Upset-price = inzet (van goederen op verkoopingen).

Upset, ɐpset, omverwerpen, onderstboven gooien, van zijn stuk brengen, overstuur maken, teleurstellen, omvallen, omslaan: To be upset = omslaan; kapot zijn (fig.).

Upshot, ɐpšot, resultaat, uitkomst, einde: That’s the upshot of the rumour = daar komt het gerucht op neer; When it comes to the upshot = van naderbij beschouwd.

Upside, ɐpsaid, bovenzijde; Upside-down = onderstboven, in volkomen verwarring.

Upstairs, ɐpstêəz, ɐpstêəz, boven: He was kicked upstairs = hij werd vooruitgeschopt, voortgeholpen.

Upstart, ɐpstât, opspringen, opschieten.

Upstart, ɐpstât, subst. parvenu; adj. plotseling tot groote macht gebracht; parvenuachtig: Upstart pride.

Up-stroke, ɐpstrouk, ophaal, opwaartsche beweging.

Uptake, ɐpteik, opneming, begrip, begrijpen.

Uptear, ɐptêə, opscheuren.

Up-to-date, ɐptudeit, volgens de nieuwste mode, (hyper)modern.

Up-town, ɐptaun, in de bovenstad (het beste gedeelte) gelegen (Amer.).

Up-train, ɐptrein, opkomende trein.

Upturn, ɐptɐ̂n, omwerpen, omslaan, opslaan.

Upward, ɐpwəd, adj. bovenwaartsch, stijgend, naar boven; Upwards = naar boven, opwaarts: Upwards of = meer dan; It costs upwards of a hundred guilders = over de honderd gulden; Ten guilders and upwards = meer dan; From five guilders upwards = van af vijf gulden en hooger.

Upwhirl, ɐpwɐ̂l, opwarrelen.

Upwind, ɐpwaind, oprollen.

Ural, (j)ûr’l, Ural(isch), adj. Uralian, Uralic.

Urania, jureinjə, Urania; Uranography, jûrənogrəfi, uranographie; Uranology, jûrənolədži, uranologie; Uranus, jûrənɐs, Uranus.

Urban, ɐ̂b’n, subst. Urbanus.

Urban, ɐ̂b’n, stedelijk, stads - -; Urbane, ɐ̂bein, hoffelijk, beschaafd, wellevend.

Urbanist, ɐ̂bənist, soort Franciscaner non.

Urbaniste, ɐ̂bənist, soort peer.

Urbanity, ɐ̂baniti, hoffelijkheid, wellevendheid.

Urchin, ɐ̂tšin, schalk, rakkertje, deugniet.

Urdu, ûədû, taal van Hindostan.

Ureter, jurîtə, jûritə, urineleider.

Urge, ɐ̂dž, voortdrijven, aandringen, ernstig verzoeken, aansporen, nadruk leggen op, bewijzen bijbrengen: Allow me to urge the necessity of the inquiry = op de noodzakelijkheid v. het onderzoek aan te dringen; He urged it on me = drukte het mij op het hart; He was urged into doing it = aangezet om het te doen; He urged me to this act = spoorde me aan; Urgency, ɐ̂dž’nsi, drang, aandrang, ernstig verzoek, noodzakelijkheid: Urgency was declared = de urgentverklaring werd aangenomen; Urgent = dringend noodzakelijk: To be in urgent need of = dringend behoefte hebben aan; To be urgent for a thing = sterk aandringen op.

Uriah, juraiə, Uria; Uriel, jûriəl.

Urim, jûrim: Urim and Thummim, thɐmim, zie Exodus 28, 30.

Urinal, jûrin’l, waterplaats, urinaal; Urinary, jûrinəri, subst. ierbak; adj. urine - -: Urinal bladder; Urinate, jûrineit, urineeren; subst. Urination; Urine, jûrin, subst. urine.

Urn, ɐ̂n, subst. urn, theeketel.

Uroscopy, jûrəskoupi, juroskəpi, onderzoek van urine.

Urquhart, ɐ̂kət.

Ursa, ɐ̂sə, de Beer: Ursa Major = Groote Beer; Ursa Minor = Kleine Beer; Ursiform, ɐ̂siföm, beerachtig, als een beer; Ursine, ɐ̂s(a)in, beer - -; Urson, ɐ̂s’n, Canad. stekelvarken.

Ursula, ɐ̂siulə, Ursala; Ursuline, ɐ̂siul(a)in, ursuline.

Urubu, ûrûbû, zwarte gier (Midden-Amer.).

Uruguay, ûrugwai, (j)ûrugwei.

Us, ɐs, ons: All of us = wij allen; Both of us = wij beiden.

Usage, jûzidž, gebruik, gewoonte, behandeling, spraakgebruik.

Usance, jûz’ns, gebruik, uso, usance: According to usance = volgens usance.

Use, jûz, gebruiken, behandelen, uitputten, gewennen, gewoon zijn: To use force = geweld gebruiken; To use one’s endeavour = moeite doen; Use legs, and have legs = willen is kunnen; To use a person ill = slecht behandelen; I used (jûst) to go there = placht daarheen te gaan; They are used (jûst) to hardships = aan ontberingen gewoon; To get used (jûst) to = gewoon raken aan; I am used (jûzd) up = op, uitgeput; User = gebruiker, etc.

Use, jûs, gebruik, toepassing, nut, gewoonte, behoefte, vruchtgebruik: Uses of great men = gewoonten, eigenschappen; It is much in use = het wordt veel gebruikt of toegepast; Use and wont = Use and custom = gewone en veelvuldige praktijk; I have no use for it = ik kan het niet gebruiken, weet niet wat ik er mede zal doen; It is of great use = van veel nut; It is of no use = het is van geen nut; It is no use, little use = het helpt niets, haalt niets uit; Of what use is it? = waartoe zou het dienen; What is the use of going there? = waarom zou ik er heen gaan; There is no use in doing it = het geeft niets of; That is out of use now = het is thans in onbruik: To get out of use = in onbruik raken; I’ll make a good use of it = ik zal er een goed gebruik van maken = Put it to good use; Use makes perfect = oefening baart kunst; Useful = nuttig, dienstig; subst. Usefulness; Useless = nutteloos, doelloos; subst. Uselessness.

Usher, ɐšə, subst. portier, ceremoniemeester, deurwaarder, ondermeester; Usher verb. inleiden, aanmelden, aankondigen: He ushered me into the room = liet of bracht mij in de kamer; We were ushered into the rudiments of Latin by you = gij hebt ons geleerd; Usherism = schoolvosserij; Ushership.

Usquebaugh, ɐskwəbô, (Iersche) wiskey.

Usual, jûžuəl, gewoonlijk, veelvuldig: Just as usual = net als gewoonlijk; Usually; subst. Usualness.

Usucaption, jûz(j)ukapš’n, rechtverkrijging op eigendom door lang gebruik.

Usufruct, jûz(j)ufrɐkt, vruchtgebruik; Usufructuary, jûz(j)ufrɐktjuəri, subst. vruchtgebruiker; adj. in of als vruchtgebruik.

Usurer, jûžurə, woekeraar; Usurious, južûriəs, woekerend, woeker ...; subst. Usuriousness.

Usurp, juzɐ̂p, overweldigen, ten onrechte aannemen; Usurpation, jûzɐ̂peiš’n, overweldiging, usurpatie; Usurper = overweldiger, usurpator.

Usury, jûžuri, woeker: To lend upon usury = tegen woekerrente.

Ut, ɐt, ût, ut of do (muz.).

Utah, jûtâ, jûtô.

Utensil, jutensil, werktuig, (keuken) gereedschap: Kitchen utensils; Sacred utensils = heilige vaten.

Uterine, jûtər(a)in, uterus ...: Uterine brother, sister = broeder (zuster) v. dezelfde moeder; Uterus, jûtərɐs, uterus.

Utilitarian, jutilitêriən, nuttigheids ..., utiliteits; subst. voorstander van Utilitarianism—nuttigheidsleer; Utility, jutiliti, nut, nuttigheid: It is of no utility = van geen nut; A man of instance and utility = een voorbeeldig en nuttig man; Utilization, jûtil(a)izeiš’n, gebruikmaking, benuttiging; Utilize, jûtilaiz, benuttigen, nuttig aanwenden.

Utmost, ɐtmoust, uiterste, grootste: I will use my utmost endeavours = mijne uiterste pogingen; The utmost = het uiterste, hoogste: Twenty guilders at the utmost = op zijn hoogst; To the utmost of my power = zoo goed ik kan; He did his utmost to succeed = zijn uiterste best.

Utopia, jutoupjə, Utopia, ideaalstaat, luilekkerland; Utopian = utopisch; subst. utopist; Utopianism = utopisme.

Utrecht, jûtrekt.

Utricle, jûtrik’l, blaasvormig uitgegroeide bladslip met een door een klepje gesloten opening, blaaskruid; Utricular, jutrikjulə, blaasvormig, blaas....

Utter, ɐtə, adj. volkomen, volstrekt, volslagen: Utter poverty = volslagen armoede; Utter refusal = besliste weigering; To be an utter stranger to = geheel onbekend met; To (At) the utterance = tot het uiterste; You have utterly neglected my advice = volkomen in den wind geslagen; Uttermost uiterste, verste: He oppressed them to the uttermost = op ondragelijke wijze.

Utter, ɐtə, uiten, uitdrukken, uitspreken, (valsch geld) in omloop brengen: The false coiners uttered several false banknotes = brachten in omloop; He did not utter another word = zei geen woord meer; Utterable = uit te spreken, wat geuit kan worden; Utterance = uiting, uitspraak, voordracht, rede; uiterste: He gave utterance to the wish = uitte den wensch; His utterance was very indistinct = manier van spreken was zeer onduidelijk. Zie Utter 1.; Utterer = wie spreekt, of in omloop brengt.

Uttoxeter, ɐksətə, ətoksətə.

Uvea, jûviə, druifvlies (van het oog); Uveous, jûviəs: Uveous coat = druifvlies.

Uvula, jûvjulə, huig; Uvular = van de huig: All his r’s are uvular = hij brouwt al zijn r’s.

Uxoricide, ɐgzôrisaid, ɐksôrisaid, vrouwenmoorder; Uxorious, ɐgzôriəs, ɐksôriəs, dwaas verzot zijn op zijne (op eene) vrouw; subst. Uxoriousness.

V.

V, vî; V. = Verb, Verse, Victoria, Violin; V(ersus) = tegen; V(ide) = zie; V(icar) A(postolic); V(irgini)a; Var(iety); Vat(ican); V(erb) Aux(iliary); V(ice) C(hancellor), of: V(ictoria) C(ross); V(erbi) D(ei) M(inister) = bedienaar van Gods Woord; Ven(erable); Ver(mont = een van de Staten der Unie); V(icar) G(eneral); V(erbi) g(ratia) = bij wijze van voorbeeld; V(erb) i(ntransitive); Vice-pres(ident); V(erb) irr(egular); Visc(ount); Viz = videlicet (videliset) = namelijk; Voc(ative); Vol(ume); Vol(ume)s; V(ictoria) R(egina); V(ery) Rev(erend); V(eterinary) S(urgeon); Vulg(ar); Vulg(ate); Vv. ll. = variae lectiones = verschillende lezingen.

Va, vâ, ga voort (muz.).

Vacancy, veik’nsi, ledigheid, ledige ruimte, gaping, vrije tijd, vacature: The vacancy has been filled up = is vervuld; He stared into (at) vacancy = keek in het wild rond; Vacant, veik’nt, ledig, leegstaand, onbeduidend, vrij, onbezet, vacant: To be, fall, remain vacant = vacant zijn, etc.; Made vacant by the death of X = open gekomen; A vacant stare = een onwijze, nietszeggende blik; Such nations are vacant of our glorious civilization = hebben niet.

Vacate, vəkeit, ledig maken, ontruimen, neerleggen, afstand doen van, vernietigen: He vacated the throne = hij deed afstand van den troon; Vacation, vəkeiš’n, afstand, vernietiging, openzijn of openvalling (v. plaats of betrekking), vacantie, rusttijd: Vacation-days.

Vaccinal, vaksin’l, vaccine...; Vaccinate, vaksineit, vaccineeren, inenten; Vaccination = koepokinenting: Compulsory vaccination; Anti Vaccination Society; Vaccinationist = voorstander der vaccinatie; Vaccinator = inenter; Vaccine, vaksin, v. koeien verkregen, tot koeien behoorende: Vaccine lymph = Vaccine matter = koepokstof; Vaccine pox = koepokken; Vaccinia, vəksinjə, koepokken; Vaccinist = Vaccinationist.

Vachery, vašəri, omheinde weide; melkhuis.

Vacillate, vasileit, weifelen, wankelen, flikkeren; adj. Vacillating; Vacillation = weifeling, flikkering.

Vacuity, vəkjûiti, ledige ruimte, ledigheid, afwezigheid van begrip; Vacuous, vakjuəs, ledig, zonder uitdrukking; subst. Vacuousness; Vacuum, vakjuəm, (lucht)ledige ruimte: Vacuum-brake = luchtrem; Vacuum-cleaner = stofzuiger; Vacuum-tubes = luchtledige buizen.

Vade, veid, verwelken, verdwijnen.

Vade-mecum, veidîmîk’m, vademecum, leiddraad, gids.

Vagabond, vagəbond, subst. landlooper, zwerver, luie vent; adj. rondzwervend, vagebondeerend, doelloos; Vagabondage, vagəbondidž, landlooperij: To live in vagabondage = vagebondeeren; Vagabondism = Vagabondage; Vagabondize = rondloopen, rondzwerven.

Vagary, vəgêri, subst. kuur, gril.

Vagina, vədžainə, vagina, bladscheede; Vaginal, vadžin’l, vədžain’l, scheedeachtig, scheede ...; Vaginate(d), vədžainit (vədžaineitid), met een scheede, scheedevormig.

Vagrancy, veigr’nsi, landlooperij; Vagrant, subst. landlooper; adj. zwervend, zonder vaste woonplaats.

Vague, veig, vaag, onbepaald, onduidelijk; subst. Vagueness.

Vails, veilz, fooi(en).

Vain, vein, ijdel, nutteloos, waardeloos, vergeefsch, bedriegelijk, lichtzinnig, dwaas: Vain hope = ijdele hoop; It was all in vain = vergeefsch; Don’t take God’s name in vain = gebruik Gods naam niet ijdellijk; Vainglorious, veinglôriəs, opgeblazen, verwaand, blufferig; subst. Vaingloriousness = Vainglory.

Vakeel, Vakil, vəkîl, speciaal gezant, (inlandsch) advocaat (Brit. Ind.).

Val, val, Valentijn.

Valance, val’ns, subst. soort damast, valletje of franje om bedgordijnen, enz.; Valance verb. met franje of draperie versieren.

Vale, veil, vallei.

Valediction, validikš’n, afscheid, vaarwel; Valedictory, validiktəri, afscheids ...: Valedictory address = een gewoonlijk Latijnsche afscheidsrede in Amer. colleges; de houder dier rede wordt Valedictorian, valədiktôriən, genoemd.

Valence, valəns, persoonsn.; valentie (= veil’ns).

Valencia, vəlenšiə = Valance.

Valentia, vəlenšiə; Valentine, val’ntain, Valentijn, liefje op St. Valentine’s day (14 Febr.) gekozen, briefje of cadeautje door jongelieden van beide seksen op dien dag elkander gezonden; Valentinus, valəntainəs; Valentio, vəlenšiou; Valeria, vəlîriə.

Valerian, vəlîriən, valeriaan (plant).

Valet, valət, valei, subst. bediende; Valet verb. als kamerdienaar dienen of begeleiden.

Valetudinarian, valitjûdinêriən, ziekelijk of zwak; ook subst.; Valetudinarianism = zwakke gezondheid, ziekelijkheid.

Valhalla, valhalə, Walhalla.

Valiant, valj’nt, moedig, dapper, heldhaftig, onverschrokken; subst. Valiantness.

Valid, valid, krachtig, sterk, geldig, deugdelijk, bindend; Validate, valideit, geldig maken, legaliseeren; Validity, vəliditi, kracht, geldigheid = Validness.

Valinch(e), vəlinš, (zuig)hevel.

Valise, vəlîs, reistasch, mantelzak.

Valkyr, valkə, walkure; adj. Valkyrian, valkîriən; Valkyrie, valkîriə, walkure.

Vallancy, val’nsi, vəlansi, soort pruik uit de 17 eeuw = Vallancy wig.

Valley, vali, dal: Valley of a roof = dakhoek; Valley of tears = tranendal.

Valorous, valərɐs, dapper, moedig, onverschrokken; Valour, valə, dapperheid, moed, onverschrokkenheid.

Valparaiso, valpəraizou.

Valuable, valjuəb’l, adj. kostbaar, dierbaar; ook subst.: All the valuables were saved = de kostbaarheden; A valuable friend; Valuableness = kostbaarheid; Valuation, valjueiš’n, schatting, waardeering; Valuator, valjueitə, schatter, taxateur; Value, valju, subst. waarde, prijs, valuta, gewicht, beteekenis; Value verb. waard zijn, achten, schatten, waardeeren: For value received = waarde ontvangen, genoten; To the value of = ter waarde van; The value was depreciated = de waarde werd gedrukt of verminderd; To get (have) value (a good value) = waar voor zijn geld krijgen; To rate at its true value = schatten op (ook fig.); To set much value upon = veel waarde hechten aan; To value dearly (highly) = op hoogen prijs stellen; The goods were valued at half the original cost = geschat op; You may value on us two months after date of invoice = disponeeren op twee maanden dato der factuur; Valueless shares = waardelooze aandeelen, effecten; Valuer = schatter, taxateur: Eminent valuers = bekende taxateurs.

Valvate, valvit, met eene klep, klepvormig; Valve, valv, vleugel, ventiel, klep: Safety-valve = veiligheidsklep; Valved, valvd, v. kleppen voorzien; Valvelet = klepje; Valvular, valvjulə, met kleppen, kleppen betreffend: He died of valvular disease of the heart = aan eene hartziekte; Valvule, valvjul, klepje.

Vambrace, vambreis, armscheen (v. een wapenrusting).

Vamose, vəmous, vâmous, er van doorgaan, afzien van: He vamosed the claim = deed afstand van zijn recht (eisch) (Amer.).

Vamp, vamp, subst. bovenleer, nieuwe lap op iets ouds om dit schoon te doen schijnen; geimproviseerd accompagnement; Vamp verb. oplappen, een lied accompagneeren op ’t gehoor af: To vamp up an excuse = verzinnen; He has a knack of vamping up forgotten operettas = weer op te lappen; Vamper = (schoen)lapper; Vampers = kousen.

Vampire, vampaiə, vampier (ook een soort vleermuis = Vampire-bat), uitzuiger; adj. Vampiric; Vampirism = geloof in vampires; het bloedzuigen of afpersen.

Vamplate, vampleit, vroeger metalen plaatje aan eene lans ter bescherming van de hand.

Van, van, voorhoede, wan, reiswagen, goederen- of conducteurswagen, baard (van een veer); Van verb. vooropgaan, in een van vervoeren, wasschen, zuiveren: Furniture-(Removing-)van = verhuiswagen; Luggage-van = goederenwagon; To lead the van = vooropgaan.

Vanbrugh, vanbrû, vanbrû; Vancouver, vankûvə.

Vandal, vand’l, vandaal (ook fig.); Vandalic, v’ndalik, ruw, barbaarsch; Vandalism = vandalisme.

Vandyke, vandaik, subst. kanten puntkraag (= Vandyke collar); adj. als in de portretten v. Van Dijck (1599–1641) gekleed; Vandyke verb. den rand schulpen of punten.

Vane, vein, weerhaan, windvaan, wiek (v. een windmolen), baard (van een veer), diopter.

Vanellus, vəneləs, kievit.

Vanguard, vangâd, voorhoede.

Vanilla, vənilə, vanille.

Vanish, vaniš, verdwijnen, wegsterven: He vanished from the sight = verdween uit het gezicht.

Vanity, vaniti, ijdelheid, ijdel genot; vruchtelooze poging, schijn.

Vanquish, vɐŋkwiš, overwinnen, weerleggen: Though vanquished he could argue still = al had hij het afgelegd, hij redeneerde toch maar door; Vanquisher = overwinnaar.

Vansire, vansaiə, manguste.

Vantage, vântidž, voordeel, gunstige, schoone gelegenheid: He got vantage of me = behaalde een voordeel op mij; I spied him from a coin of vantage = van eene geschikte plaats; So much to the vantage = zooveel te goed, daarenboven; Vantage-ground = gunstige plaats of ligging.

Vapid, vapid, flauw, verschaald, geesteloos; subst. Vapidity, vəpiditi = Vapidness.

Vaporability, veipərəbiliti, verdampbaarheid; Vaporable of Vaporable, verdampbaar; Vaporific, veipərifik, vapərifik, verdampend; Vaporizable, veipəraizəb’l, vapəraizəb’l, in damp veranderbaar; Vaporization, veipər(a)izeiš’n, vapər(a)izeiš’n, verdamping; Vaporize of Vaporize, verdampen, in damp verdwijnen; Vaporous, veipərɐs, dampvormig, opgeblazen, winderig, vol dampen of uitwasemingen; subst. Vaporousness; Vapour, veipə, subst. damp, wasem, ijdele waan; Vapour verb. verdampen, “geuren” of bluffen, droevig stemmen: Vapours = vapeurs, luimen, grillen; Vapour-bath = damp- of stoombad; Vapouring = blufferig, snoevend: Vapourish = dampig, nevelig, winderig, mistroostig, melancholiek = Vapoury.

Vaquero, vəkêrou, veehoeder (Mexico).

Variability, vêriəbiliti, subst. v. Variable, vêriəb’l, veranderlijk, ongedurig; subst. veranderlijke grootheid of wind; subst. Variableness.

Variance, vêriəns, subst. verandering, verschil, geschil, twist: To be at variance = het oneens zijn; They were set at variance = tegen elkaar opgezet; Variant, subst. variant; adj. verschillend, veranderlijk, ongedurig; Variate, vêrieit, varieeren; Variation, vêrieiš’n, verandering, wijziging, afwijking, variatie; Varicoloured (tinted) = van verschillende kleuren of tinten; Variformed = van verschillende vormen.

Varicella, variselə, waterpokken.

Varicose, varikous, Varicous, varikɐs: Varicous stocking = kous voor lijders aan Varicous veins = aderspatten.

Varied, vêrid, afgewisseld, gevarieerd; Variegate, vêri(ə)geit, schakeeren, bespikkelen, afwisselen; Variegation, vêriəgeiš’n, schakeering, bontheid; Variety, vəraiiti, verscheidenheid, veelzijdigheid, verschil, varieteit: Variety-entertainment = varieteitenvoorstelling; Variety-hall = zaal voor dergelijke voorstellingen.

Variola, vəraiələ, kinderpokken; Variolar = Variolous, vəraiəlɐs, tot de kinderpokken behoorende.

Variorum, vêriôrəm, van de aanteekeningen van verschillende uitgevers voorzien, b.v. Variorum edition of Shakespeare’s works.

Various, vêriəs, verschillend, verscheiden; subst. Variousness.

Varix, vêriks, aderspat, krampader.

Varlet, vâlit, page, bediende; schurk; Varletry = het grauw of gespuis.

Varmin(t), vâmin(t) = Vermin.

Varnish, vâniš, subst. vernis (ook fig.), verlak, glazuur; koolteer (= Black varnish); Varnish verb. vernissen, verlakken, verglazen, verschoonen: A varnish of civilisation = vernisje; Varnisher.

Varsal, vâs’l (= universal), erg groot, sterk, etc.

Varsity, vâsiti = University (Oxf. en Cambr.).

Vary, vêri, veranderen, wijzigen, verschillen, afwijken, veranderlijk zijn, varieeren.

Vascular, vaskjulə, vaat - -, vaatrijk; Vascularity, vaskjulariti, toestand der vaten, rijkheid aan vaten.

Vase, vâz, veiz, veis, vaas, kelk.

Vaseline, vasəlin, vasəlîn, vaseline.

Vassal, vas’l, subst. vazal, onderdaan, slaaf; adj. slaafsch; Vassalage, vasəlidž, leenmanschap, de leenmannen, dienstbaarheid; Vassaled = geknecht.

Vast, vâst, groot, uitgestrekt, veelomvattend, veelzijdig, grenzenloos, onmetelijk; subst. grenzenlooze vlakte of ruimte: Watery vast = de oceaan; That is a Vast project = veelomvattend, grootsch plan; He squandered away vast sums of money = onmetelijke geldsommen; subst. Vastness.

Vat, vat, vat, kuip; Vat verb. in een kuip doen.

Vatican, vatik’n, vaticaan, pauselijke regeering of macht: The thunders of the Vatican = de pauselijke banbliksems.

Vaticinate, vətisineit, voorspellen; Vaticination = voorspelling; Vaticinator = profeet.

Vaud (Pays de), (peiîdə)vou, Waadland; Vaudois = Waldenser(s).

Vaudeville, voudvîl, vaudeville.

Vaughan, vôn, vôən.

Vault, vôlt, subst. (graf)gewelf, hol, kerker, kelder, hemelgewelf, gewelfd vertrek; sprong, volte; Vault verb. verwulven, overwelven; voltigeeren: He vaulted into the saddle = sprong in den zadel; Vaulter = springer, voltigeur; Vaulting-horse = paard (gymn.).

Vaunt, vânt, vônt, subst. gebluf, pocherij; Vaunt verb. bluffen, snoeven op, zich beroemen: To make a vaunt of; Vaunter.

Vauntlay, vôntlei, vooroploopende troep honden.

Vaux, vôks; Vauxhall, vôkshôl: Vauxhall Gardens.

’Ve = have.

Veal, vîl, kalfsvleesch (Veals = kalfsvellen); Veal-cutlet; Veal-tea = kalfsbouillon; adj. Vealy = jong, kalverachtig.

Veda, veidə, vîdə, Veda, heilig boek (Hindoes).

Vedette, vədet, ruiterwacht.

Vedic, veidik, vîdik, adj. Zie Veda.

Veer, vîə, draaien, wenden, vieren, van koers veranderen, laten vallen (scheepst.): The wind veered to the north = liep om naar het N.; Veer and haul = beurtelings vieren en aanhalen; Veer away = Veer out = vieren; Veering, subst. het veranderen of draaien; adj. veranderend, veranderlijk.

Vegetable, vedžitəb’l, subst. plant (Vegetables = groente); adj. plantaardig, planten....: Vegetable earth (Vegetable mould, Vegetable soil) = plantenaarde, humus; Vegetable kingdom = plantenrijk; Vegetable marrow (cucurbita pepo) = mergpompoen; Vegetal, vedžit’l, subst. plant; adj. plantaardig; Vegetarian, vedžitêriən, vegetarisch; subst. vegetariër: Vegetarian diet = plantaardige voeding of voedsel; Vegetarianism, vegetarisme; Vegetate, vedžiteit, vegeteeren; Vegetation = plantengroei, de plantenwereld; Vegetative = als planten groeiend, den plantengroei bevorderend.

Vehemence, Vehemency, vîhimens(i), hevigheid, vuur, drift, onstuimigheid; Vehement = hevig, geweldig, vurig, onstuimig.

Vehicle, vîhik’l, voertuig (ook fig.), geleimiddel (om geneesmiddelen in te nemen): The printing-press has become the vehicle of ideas = het voertuig der denkbeelden; Vehicular(y), vîhikjulə(ri), voertuig....

Vehmic, feimik, vîmik, veimik: Vehmic court = Veemgericht.

Veil, veil, subst. sluier, dekmantel, masker; Veil verb. sluieren, verbergen, vermommen, bewimpelen: We don’t wish to raise the veil, which was cast over this scene = den sluier op te lichten; To take the veil = den sluier aannemen: You have veiled your looks from your friends = u aan het oog uwer vrienden onttrokken; Veiled voice = gedempte stem.

Vein, vein, subst. ader, eigenaardige neiging of aanleg, stemming, luim; Vein verb. aderen, marmeren: In the giving vein = in goedgeefsche stemming; There is a grating vein in him = hij heeft iets onaangenaams over zich; He was in a rattling vein = zat op zijn praatstoel; I am not in the vein for it = voel er thans geen trek of neiging toe; I hope it will put you in the vein to do it = u aanleiding zal geven; Vein of thinking = gedachtengang; Veinlet = kleine ader; Veiny = vol aderen, aderrijk.

Velar, vîlə, met behulp van de huig voortgebracht (phonet.); Velarium, vilêriəm, groot zeil boven Romeinsche (amphi)theaters.

Veld, felt, boomlooze streek (Z.-Afr.).

Vellicate, velikeit, krampachtig samentrekken, prikkelen; subst. Vellication; adj. Vellicative.

Vellum, vel’m, perkament (uit kalfsvel); Vellum-paper, Vellum-post = velijnpapier; adj. Vellumy.

Velocimeter, veləsimətə, snelheidsmeter; Velocipede, vəlosipîd, rijwiel; Velocipedist, vəlosipîdist, wielrijder; Velocity, vəlositi, snelheid, vlugheid: Accelerated, decreasing, final, initial, mean, retarded, uniform, virtual velocity = toenemende, afnemende, eind-, begin-, gemiddelde, vertraagde, gelijkmatige, virtueele snelheid.

Velutinous, vəl(j)ûtinɐs, fluweelig.

Velvet, velvət, fluweel; ook adj.: You have been on velvet all your life = hebt altijd een leven op een bordje gehad; To be (stand) upon (the) velvet = een voordeelige weddenschap aangegaan hebben; Velveteen, velvətîn, katoenfluweel = Cotton velvet; Velvets = jachtopziener (naar zijne kleeding); Velveting = de fijne nopjes van fluweel: Velvetings = fluweelen stoffen; Velvety = fluweelachtig.

Venal, vîn’l, aderlijk; omkoopbaar, veil; Venality, vinaliti = omkoopbaarheid, veilheid.

Vend, vend, verkoopen, te koop bieden; Vendee, vendî, kooper; Vender = verkooper; Vendible = verkoopbaar; Vendibles = verkoopbare goederen; Vendibleness = verkoopbaarheid; Street vendors = venters.

Vendace, vendeis, soort v. houting (zalmvisch).

Vendetta, vəndetə, bloedwraak.

Veneer, vənîə, subst. fineer(bladen), vernis (fig.); Veneer verb. opleggen, een vernisje geven (fig.): If they are not good form, they are at least lacquered with the veneer of it = hebben ze toch allemaal het uiterlijk voorkomen ervan; Veneer-moth = snuitmot.

Venerable, venərəb’l, eerwaardig (titel van archdeacons); subst. Venerableness; Venerate, venəreit, vereeren; Veneration, ontzag, vereering: Venerator = vereerder.

Venereal, vinîriəl: Venereal desire = geslachtsdrift; Venereal disease = venerische ziekte.

Venery, venəri, jacht(vermaak).

Venetian, vinîš’n, Venetiaansch; subst. Venetiaan, jaloezie (= Venetian blind); Venetian boat = gondel; Venetian chalk = talkpoeder; Venetian door = deur met langwerpige ruiten op zijde (om b.v. een ingang te verlichten); There were Venetian masts along the route, from which streamers of bunting were festooned = kokanjemasten welke door guirlandes van vlaggedoek verbonden waren; Venetian weight = “presse-papier” van glas.

Venezuela, venəzuelə, venəzuîlə.

Vengeance, venž’ns, wraak: With a vengeance = met buitengewone kracht of hevigheid; To cry for vengeance; They wreaked their vengeance on me = koelden hun wraak; Vengeful = wraakgierig.

Venial, vîniəl, vergeeflijk: Venial sin = vergeeflijke zonde; Veniality = Venialness.

Venice, venis, Venetië.

Venison, ven(i)z’n, wildbraad.

Venom, ven’m, subst. vergif, venijn (ook fig.); Venom-mouthed = giftig, kwaadaardig; Venom-tooth; Venomous, venəmɐs, vergiftig, venijnig; subst. Venomousness.

Venose, vînous, vinous = Venous, vînəs, geaderd, aderlijk.

Vent, vent, subst. opening, luchtgat, zundgat, uitweg, uiting, bekendmaking, vrije loop; Vent verb. een opening maken, uitlaten, lucht geven, uiting geven, slaken: To find vent = een uitweg vinden; He gave vent to his anger = gaf lucht aan; It has taken vent = is ruchtbaar geworden, uitgelekt; To vent oneself = zijn hart lucht geven; To vent one’s wrath upon = lucht geven aan zijn toorn; Vent-hole = luchtgat; Vent-peg, Vent-pin = zwikje; Vent-plug = prop of plug voor het laadgat; Ventage, ventidž, luchtgaatje; Ventilate, ventileit, ventileeren, luchten, opperen, vrijelijk bespreken: Several questions were ventilated = werden geopperd en behandeld; subst. Ventilation = luchtverversching, etc.; Ventilator = luchtververscher, ventilator.

Ventral, ventr’l, buik..: Ventral fins = buikvinnen; Ventricle, ventrik’l, holte, hartkamer, hersenkamers = Ventricles of the heart (brain); Ventriloquism, ventriləkwizm, buikspreekkunst; Ventriloquist = buikspreker; Ventriloquize, ventriləkwaiz, buikspreken.

Venture, ventjə, subst. waagstuk, waaghalzerij, risico, speculatie, inzet, kans; Venture verb. wagen, ondernemen, op het spel zetten: I did it at (for) a venture = op goed geluk af; To put a thing to a (the) venture = iets op goed geluk wagen; I advise you not to run the venture = de kans niet te loopen, het niet te wagen; I do not like to venture at (upon) it = er mij in te begeven; To venture out = zich buiten wagen; Nothing venture nothing have = die niet waagt die niet wint; Venturesome, Venturous = stoutmoedig, onverschrokken, gevaarvol, gewaagd.

Venue, venjû, plaats der handeling, plaats waar iets plaats vindt of berecht moet worden (Jur.): To change (transfer) the venue = naar een ander (rechts)college overbrengen.

Venus, vînəs, Venus; Venus-hair = venushaar; Venus-shell = venusschelp.

Veracious, vəreišəs, waarheidlievend, geloofwaardig; Veracity, vərasiti, waarheid, waarheidsliefde: Unquestioned veracities = onbetwijfelde waarheden.

Veranda(h), vərandə, veranda.

Veratrine, vəreitrin, verətrain = Veratrum, vəreitr’m, nieswortel.

Verb, vɐ̂b, werkwoord; Verbal = woordelijk, mondeling, letterlijk, van een werkwoord afgeleid: Verbal agreement, message; Verbal quibbling = ijdel woordenspel; A Verbal translation = mondelinge; Verbalism = iets mondeling uitgedrukt, letterzifterij; Verbalization, vɐ̂bəl(a)izeiš’n, verandering tot een werkwoord; Verbalize = in een werkwoord veranderen; Verbatim, vɐ̂beitim, woordelijk: Verbatim report.

Verbena, vɐ̂bînə, ijzerkruid.

Verbiage, vɐ̂biidž, woordenvloed, bombast; Verbose, vɐ̂bous, woordenrijk, wijdloopig, bombastisch; subst. Verbosity.

Verdancy, vɐ̂d’nsi, groenheid; onervarenheid; Verdant = groen, bloeiend, onervaren; Verd-antique, vɐ̂dəntîk, patina, groene roest op oud koper; slangenmarmer.

Verderer, vɐ̂dərə, houtvester, jachtopziener.

Verdict, vɐ̂dikt, uitspraak, vonnis, beslissing, oordeel: To bring in (deliver, give, return) a verdict = uitspraak doen; To pass one’s verdict upon = zijn oordeel uitspreken over.

Verdigris, vɐ̂digrîs, kopergroen.

Verdure, vɐ̂djə, groen(heid), frissche plantengroei.

Verge, vɐ̂dž, subst. roede, staf, spil, rand, zoom, omvang, gezichtskring; Verge verb. naderen, nabij komen, grenzen, neigen, overgaan in: He is on the verge of ruin, of madness = aan den rand des ondergangs, op de grens van den waanzin; Such a deed verges on madness = grenst aan waanzin; We stood upon a hill which verged to the south = die naar het zuiden afhelde.

Verger, vɐ̂džə, stafdrager, kerkdienaar.

Veriest, veriəst, Zie Very.

Verifiable, verifaiəb’l, wat bewezen, gestaafd of bevestigd kan worden; Verification = bevestiging, staving, verificatie: In verification of = ten bewijze waarvan; Verifier; Verify, verifai, bewijzen, verifieeren, vervullen, waar maken.

Verily, verili, waarlijk, waarachtig; Verisimilitude, verisimilitjûd, waarschijnlijkheid; Veritably, veritəbli, waarlijk; Verity, veriti, waarheid, werkelijkheid, feit: Their despatches do not come up to the standard of verity = beantwoorden niet aan den eisch van waarheid.

Verjuice, vɐ̂džûs, sap van onrijpe appels, druiven enz.: Every word and look of his smacks of verjuice = heeft iets zuurs (onaangenaams).

Vermeil, vɐ̂mil, vermiljoen.

Vermicelli, vɐ̂miseli, vermitšeli, vermicelli.

Vermicide, vɐ̂misaid, wormkoekje, wormmiddel; Vermicular, vɐ̂mikjulə, wormachtig, wormvormig: Vermicular-work = kronkelende versiering in mozaïekwerk; Vermiculate, vɐ̂mîkjuleit, kronkelend of wormvormig inleggen, kronkelen, zich in alle bochten wringen (fig.); vɐ̂mikjulit, kronkelend, wormstekig; subst. Vermiculation; Vermiculose, vɐ̂mikjulous, Vermiculous, vɐ̂mikjulɐs, vol wormen of maden, gelijk wormen; Vermiform, vɐ̂miföm, wormvormig; Vermifugal = wormafdrijvend; Vermifuge, vɐ̂mifjûdž, wormmiddel.

Vermilion, vɐ̂milj’n, subst. en adj. vermiljoen: The Vermilion Sea = Golf van Californië; Vermilioned = vermiljoen-rood geverfd.

Vermin, vɐ̂min, schadelijke dieren, ongedierte; gebroed, tuig: Vermin-destroyer = Vermin-killer = vergift voor het dooden van ongedierte; Verminous = wat ongedierte voortbrengt, door wormen veroorzaakt.

Vermont, vɐ̂mont.

Verm(o)uth, vɐ̂mûth, vermouth.

Vernacular, vɐ̂nakjulə, inheemsch, eigen, vaderlandsch; subst. taaleigen, moedertaal: Vernacular disease, idiom, language, tongue; Vernacularism = idioom, dialect; Vernacularize = inburgeren.

Vernal, vɐ̂n’l, lente - -, jeugd - -: Vernal equinox = dag- en nachtevening; Vernal signs = lenteteekens (Dierenriem); Vernation = bloeiwijze.

Vernon, vɐ̂n’n; Veroles, vəroul; Verona, vərounə, Verona; Veronese, verənîz, verənîs, subst. en adj. (bewoner) van Verona; Veronica, vəronikə, Veronica.

Verruca, vərûkə, wrat; Verrucose, verukous, Verrucous, verukɐs, vol wratten.

Versailles, vɐ̂seilz.

Versatile, vɐ̂sət(a)il, veranderlijk, onvast, handig, veelzijdig: A versatile talent; subst. Versatileness = Versatility, vɐ̂sətiliti.

Verse, vɐ̂s, subst. vers, poëzie, versregel, strofe: A poem in six stanzas, each of eight verses = in zes verzen, elk van acht regels; Blank verse = rijmlooze vijfvoetige jamben; Verse-maker, Verse-monger = rijmelaar.

Versed, vɐ̂st, bedreven, ervaren (met in); omgekeerd.

Verset, vɐ̂sət, bijbelvers; Versicle, vɐ̂sik’l, klein vers door den priester opgezegd met een antwoord van de gemeente; klein dichterlijk produkt; Versification, vɐ̂sifikeiš’n, verskunst, versbouw; Versifier, vɐ̂sifaiə, verzenmaker; Versify, vɐ̂sifai, berijmen, bezingen, verzen maken.

Version, vɐ̂š’n, vertaling, overzetting, voorstellingswijze, lezing, redactie.

Verst, vɐ̂st, werst (1,066 KM.).

Versus, vɐ̂səs, tegen, tegenover.

Vert, vɐ̂t, (verkorting van convert), subst. iemand die van de Anglik. naar de R. Kath. kerk is overgegaan; Vert verb. overgaan.

Vert, vɐ̂t, alles wat groeit en groene bladeren draagt in een woud; recht om groen hout te snijden; groen (herald.).

Vertebra, vɐ̂tibrə, rugwervel; adj. Vertebral: Vertebral animals = gewervelde dieren; Vertebral column = wervelkolom; Vertebrata, vɐ̂tibreitə, gewervelde dieren; Vertebrate, vɐ̂tibrit, gewerveld dier; adj. gewerveld = Vertebrated, vɐ̂tibreitid.

Vertex, vɐ̂teks, (Meerv. Vertexes, of Vertices, vɐ̂tisîz), hoogste punt, toppunt, zenith.

Vertical, vɐ̂tik’l, loodrecht, verticaal, staande; Verticality = loodrechte stand = Verticalness.

Vertiginous, vɐ̂tidžinɐs, ronddraaiend, omwentelend, duizelig(makend); Vertigo, vɐ̂tigou, vɐ̂taigou, vɐ̂tîgou, duizeligheid, duizeling.

Vertu, vɐ̂tu, kunstsmaak, kunstliefhebberij: A boudoir filled with articles of vertu = kunstvoorwerpen, antiquiteiten, curiosa.

Verulam, verul’m.

Vervain, vɐ̂vein, ijzerhard, verbena.

Verve, vɐ̂v, geestdrift, vuur.

Very, veri, adj. werkelijk, waar, enkel, zelfs, echt; adv. zeer, in hooge mate: He is a very baby = echt “kuiken”; The very man came on the very day of the funeral = dezelfde man kwam op den dag zelf; The very thought of it makes me shudder = de bloote gedachte er aan; That’s the very best you could do = het allerbeste; It is very possible = zéér wel mogelijk; The veriest baby would do it = het kleinste kind kan het doen; It was the veriest old building I ever saw = het alleroudste gebouw.

Vesica, vəsaikə, (de) blaas; Vesical, vesik’l, tot de blaas behoorende; Vesicant, vesik’nt, blaren trekkend; subst. trekpleister; Vesicate, vesikeit, blaren trekken; subst. Vesication; Vesicle, vesik’l, blaar, blaasje; Vesicular, Vesiculate, Vesiculose, Vesiculous = als een blaasje of eene blaar, blaas- of celachtig.

Vespa, vespə, wesp.

Vespasian, vespeiž’n, Vespasianus.

Vesper, vespə, subst. avondster, avond; ook adj.; Vespers = vesper, laatste getijde van het brevier; Vesper-bell; Vespertine, vespət(a)in, tot den avond behoorende of daarin gebeurende.

Vespiary, vespjəri, wespennest.

Vessel, ves’l, vat, bloedvat, kan; schip, vaartuig, vaatwerk, gereedschap, mensch: Consecrated vessels = gewijde vaten; The weaker vessel = de vrouw.

Vest, vest, subst. vest, jacket zonder mouwen, onderlijfje; Vest verb. bekleeden, omringen, begiftigen, beleggen, overdragen, overgaan op, komen op, gevestigd zijn in: His money is vested in lands = belegd in; The right to the estate vests in you = is op u vastgezet; He was vested with that power = bekleed met; Vested interests = verworven, verkregen rechten; Vested legacy = legaat dat iemand bijv. uitgekeerd wordt als hij 23 jaar oud is geworden.

Vesta, vestə, Vesta; waslucifer = Wax vesta; Vestal, subst. Vestaalsche maagd, kuische vrouw, non; adj. vestaalsch, rein, maagdelijk, kuisch: Vestal Virgins = Vestaalsche Maagden.

Vestiary, vestjəri, subst. kleedkamer, garderobe.

Vestibule, vestibjûl, vestibule, voorhof; Vestibule-train = D-trein.

Vestige, vestidž, spoor, overblijfsel; Vestigial, vestidž’l, rudimentair.

Vesting, vestiŋ, stof voor vests; Vestment = kleeding, (mis)gewaad.

Vestry, vestri, consistoriekamer, kerkekamer, parochiebestuur, dat een wereldlijk, administratief karakter heeft: Common (General, Open) vestry = de gezamenlijke belastingbetalende leden, die de Churchwardens, Vestry Clerk en Beadle kiezen; Select vestry = de gezamenlijke Pew-Owners, i.e. de rijkere Church of England leden. Zij bepalen de Church rates; Vestry-clerk = secretaris van de parochie; Vestry-hall = gemeentehuis (in deze tweeslachtige beteekenis); Vestryman = kerkeraadslid, lid van den parochie-raad; Vestry-meeting.

Vesture, vestjə, (be)kleeding; Vesture verb. bekleeden.

Vesuvian, vəs(j)ûvj’n, subst. soort v. windlucifer; adj. tot den Vesuvius behoorende; Vesuvius, vəs(j)ûvjəs, Vesuvius.

Vet, vet, verkort v. Veterinary (Surgeon), of Veteran.

Vetch, vetš, wikke (plant); Vetchling = (ongebladerde) lathyrus.

Veteran, vetər’n, vergrijsd in den dienst, beproefd, ervaren; subst. veteraan; Veteranize = opnieuw dienst nemen (Amer.).

Veterinarian, vetərinêriən, veearts; Veterinary, vetərinəri, subst. veearts (= Veterinary surgeon); adj. veeartsenijkundig: Veterinary college, school.

Veto, vîtou, subst. (recht van) veto, verwerping, weigering, verbod; Veto verb. verbieden, afstemmen, weigeren: To put one’s veto on.

Vetturino, veturînou, Italiaansch huurkoets(ier).

Vex, veks, verontrusten, kwellen, plagen, bedroeven, ergeren: To be (feel) vexed at = zich ergeren over; Slightly vexed at my words = eenigszins geërgerd; Vexed questions = lastige, niet uitgemaakte vraagpunten; Vexation = ergernis, kwelling, plaag; Vexatious, vekseišəs, kwellend, verdrietig, hinderlijk, ergerend; Vexer = plager, sarder, kweller; Vexing = kwellend, etc.; subst. Vexingness.

Vexil, veksil, baard; Vexillar(y) = tot een baard behoorend.

Via, vaiə, weg; adv. over: Via lactea = melkweg; He went to Italy via Paris and Lyons = over P. en Lyon.

Viability, vaiəbiliti, subst. v. Viable, vaiəb’l, levensvatbaar.

Viaduct, vaiədɐkt, viaduct.

Vial, vaiəl, subst. fleschje, fiool; Vial verb. in een fleschje doen: He poured out vials of wrath upon his enemies = hij goot de fiolen des toorns over zijne vijanden uit (Openb. XVI, I).

Viands, vaiəndz, levensmiddelen, voedsel.

Viaticum, vaiatikɐm, teerpenning; teerspijs = de H. communie een stervende toegediend; Viator, vaieitə, reiziger.

Vibrant, vaibr’nt, trillend, bevend; Vibrate, vaibreit, slingeren, schommelen, golven, trillen, klinken, weifelen; Vibration, vaibreiš’n, trilling; schommeling, slingering; adj. Vibratory; Vibroscope = trillingmeter.

Vicar, vikə, plaatsvervanger, vicaris, eigenlijk de plaatsvervanger van den Rector (die zelf geen dienst behoeft te doen. De Vicar geniet slechts de Small Tithes i.e. de tienden van koren, soms hooi): Vicar of (Jesus) Christ = de Paus; Vicarage, vikəridž, ambt, pastorie van een Vicar; Vicarship.

Vicarial, vikêriəl = Vicarious; Vicariate, vikêriit, subst. vicarisschap, plaatsvervanging; adj. plaatsvervangend; Vicarious, vikêriəs, plaatsvervangend; voor anderen geleden: Vicarious punishment (atonement) = straf ondergaan (verzoening verkregen) ten behoeve van een ander; Your experience is Vicarious = uit de tweede hand; subst. Vicariousness.

Vice, vais, ondeugd, gebrek, verdorvenheid, kuur (van een paard), spil, loodtrekker, bankschroef: He grasped me as in a vice = had mij als in eene schroef gekneld.

Vice, vais, (in samenst.), onder, plaatsvervangend: Vice versa, vaisi vɐ̂sə, vice versa; Vice-admiral = vice-admiraal; Vice-admiralty = vice-admiraalschap; Vice-chairman = vice-president; Vice-chancellor = vice-kanselier; Vice-consul = vice-consul; Vicegerency = plaatsvervangerschap; Vicegerent, vaisdžîr’nt, subst. plaatsvervanger, stadhouder; adj. plaatsvervangend; Vice-president; Viceregal, vaisrîg’l, tot een onderkoning of onderkoningschap behoorende; Vicereine, vaisrein, gemalin van een Viceroy = onderkoning; Viceroyalty = onderkoningschap.

Vicinity, visiniti, nabuurschap, omstreken.

Vicious, višəs, onvolmaakt, gebrekkig, bedorven, slecht, verkeerd, boosaardig, venijnig; subst. Viciousness.

Vicissitude, visisitjûd, verandering of afwisseling, wisselvalligheid: The vicissitudes of life, of fortune; Life has blessed him with vicissitude = hij heeft tot zijn geluk velerlei ondervonden.

Victim, viktim, slachtoffer, dupe: He was (fell) a victim to his ambition = was (viel als) slachtoffer van zijne eerzucht; Victimize = tot slachtoffer maken, beetnemen, bedriegen.

Victor, viktə, overwinnaar; Victoria, viktôriə, Victoria, soort rijtuig: Victoria Cross = mil. decoratie (overeenkomende met onze Militaire Willemsorde); adj. Victorian; Victorine, viktərîn, bonten kraag; soort v. perzik; Victorious, viktôriəs, overwinnings..., overwinnend: “Send her cictorious” = maak, dat zij overwinnend zij; Victoriousness = zegeviering; Victory, viktəri, overwinning, behaald voordeel: To gain (carry, get, obtain) a victory over; Victress = overwinnares.

Victual, vit’l, proviandeeren, van leeftocht voorzien; Victuals, vit’lz, levensmiddelen: Broken victuals = kliekjes; Victualler, vitələ, proviandmeester; slijter, victualieschip: Licensed victualler = grossier met “vergunning”; Victualling = wat levensmiddelen verschaft: Victualling-office = victualiebureau.

Vide, vaidî, zie; Videlicet, videliset, te weten, dat is.

Vie, vai, wedijveren, mededingen.

Vienna, vjenə, Weenen; Viennese, vjenîz, vjenîs, subst. en adj. (bewoner of bewoners) van W.

View, vjû, subst. gezicht, uitzicht, inzicht, overzicht, bezichtiging, onderzoek, schets, kijk, oordeel, meening, voornemen; View verb. zien, aanschouwen, onderzoeken, nagaan, beschouwen: To be on view = te bezichtigen zijn; To command a view of = het uitzicht hebben over; To have in view = op het oog hebben; You must keep this in view = in het oog houden; Let us take a good view of it = laten we het goed bezien; In view of what you have to offer = met betrekking tot (met het oog op); In my view = mijns erachtens; I did it with a view to ascertain whether he was safe = met de bedoeling; Our points of view are different = wij staan op een verschillend standpunt; I never looked at it from this point of view = uit dit oogpunt; Views on the war = meeningen over; A bird’s-eye view of Cologne = Keulen in vogelvlucht; Viewer = opzichter, onderzoeker, deskundige; Viewless = onzichtbaar, niet te zien; He is viewy = hij heeft altijd onmogelijke plannen; is opzichtig; ziet er aardig uit.

Vigil, vidžil, het waken, vigilie, vigiliedag; Vigils = nachtwake; Vigilance = waakzaamheid: Vigilance Committee (Society) = een vereeniging overeenkomend met onze Middernachtzending; veiligheidscomité; Vigilant = waakzaam, omzichtig.

Vignette, vinjet, vinjət, vinet, subst. vignet (portret); Vignette verb. zoo verlichten dat de randen of lijnen onmerkbaar verdwijnen (photogr.).

Vigorous, vigərɐs, krachtig, sterk, flink; subst. Vigorousness; Vigour, vigə, kracht, sterkte.

Viking, vîkiŋ, v(a)ikiŋ, Viking (Oud-Noorsche zeeroover).

Vile, vail, laag, verachtelijk, waardeloos, gering, snood, afschuwelijk: A vile smell; subst. Vileness.

Vilification, vilifikeiš’n, smaad, etc.; Vilifier; Vilify, vilifai, lasteren, honen, smaden.

Vilipend, vilipend, minachten, geringschatten, zich ongunstig uitlaten over.

Vill, vil, gehucht, kerspel.

Villa, vilə, buitenplaats, buiten; Villadom = de gezamenlijke villa’s, villabewoners.

Village, vilidž, dorp; Villager = dorpsbewoner.

Villain, vilin, schurk, lijfeigene, boer, lummel; Villainage, vilinidz, lijfeigenschap; Villainous = schurkachtig, laag, gemeen; subst. Villainousness; Villainy = schurkerij, slechtheid, eerloosheid.

Villein, vilin = Villain.

Villi, vilai, dicht opeenstaande haartjes (als bij fluweel); Villose, vilous, Villous, viləs, harig, ruig; Villosity, vilositi, behaardheid, ruigheid.

Villiers, vil(j)əz.

Vim, vim, kracht, energie, wilskracht.

Vinaceous, v(a)ineišəs, tot den wijnstok behoorend, wijn...; wijnkleurig.

Vinaigrette, vinəgret, lodderein-doosje.

Vinaigrous, vinəgrɐs, vineigrəs, zuur; zuurmuilig, brommerig.

Vincent, vins’nt, Vincentius; Vincentian, vinsenš’n, van den H. Vincentius.

Vincibility, vinsibiliti, subst. v. Vincible, vinsib’l, verwinlijk, verwinbaar; subst. Vincibleness.

Vinculum, viŋkjulɐm, band, verbinding.

Vindicability, vindikəbiliti, subst. van Vindicable, vindikəb’l, rechtvaardigbaar, verdedigbaar; Vindicate, vindikeit, handhaven, verdedigen, rechtvaardigen: I will vindicate my right = mijne rechten verdedigen; Vindication = rechtvaardiging, verdediging: I did it in vindication of my liberty = ter verdediging; Vindicator = verdediger, beschermer; Vindicatory = verdedigend, rechtvaardigend, wrekend, straffend.

Vindictive, vindiktiv, wraakgierig; subst. Vindictiveness.

Vine, vain, wijnstok, wingerd, wijnrank; Vine-clad = met wijngaardranken begroeid; Vine-culture = wijnbouw; Vine-disease = druifluisziekte; Vine-dresser = wijngaardenier; Vine-fretter = druifluis; Vine-grower = eigenaar van een wijnberg; Vine-grub = Vine-fretter; Vine-shoot = wijngaardrank; Vine-yard, vinjəd, wijngaard; Vinery = broeikas voor druiven.

Vinegar, vinəgə, subst. azijn; adj. zuur, Vinegar verb. zuur maken, met azijn wrijven: His temples were vinegared = zijne slapen werden met azijn gewreven; Vinegar-bottle, Vinegar-cruet = azijnfleschje; Vinegar-sauce = zure saus; Vinegar-works = azijnmakerij; Vinegary = zuur, gemelijk.

Vinose, vainous, vainous, wijnachtig: subst. Vinosity; Vinous, vainəs: Vinous flavour = wijnsmaak; Vinous loquacity = spraakzaamheid door den drank; Vintage, vintidž, wijnoogst, wijn van een bepaalden oogst; Vintner, vintnə, wijnhandelaar, wijnhuishouder; Vintry = wijnkelder, wijnhuis.

Viol, vaiəl: Viol-de-gamboys = een vroegere groote viool; Viola, vaiələ, altviool; viooltje.

Viola, vaiələ.

Violable, vaiələb’l, schendbaar; Violate, vaiəleit, schenden, onteeren, verkrachten, ontheiligen, verbreken, ontwijden; Violation, vaiəleiš’n, schending, verkrachting, inbreuk, ontwijding; Violative = schendend, onteerend; Violator, vaiəleitə, schender, verkrachter, verbreker: Violator of repose = rustverstoorder.

Violence, vaiəlens, geweld, hevigheid, geweldadigheid, verkrachting, ontheiliging, inbreuk: It was done by violence = met geweld, gewelddadig; He was done violence to = hem werd geweld aangedaan; To offer violence = verkrachten; He put a violence on himself = deed zichzelf geweld aan, sloeg de hand aan zichzelf; To use personal violence to = (iemand) persoonlijk geweld aandoen; Violent, vaiəlent, adj. geweldig, hevig, driftig, schril, buitengewoon, gewelddadig: To die a violent death.

Violescent, vaiəles’nt, paarsachtig: Violet, vaiəlit, subst. viooltje; adj. paars, violetkleurig.

Violin, vaiəlin, vaiəlin, viool: He played (on) the violin = speelde viool; Violin-bow = strijkstok; Violin-case = vioolkist; Violinist, vaiəlinist = vioolspeler; Violoncellist, vaiəlontšelist, viəlonšelist, violoncellist; Violoncello = violoncel.

Viparious, vaipêriəs, levenwekkend; taai: A cat is viparious = heeft een taai leven.

Viper, vaipə, adder (ook fig.): I have nurtured a viper in my bosom = een adder aan mijn borst gekoesterd; Viper’s bugloss = slangenkruid; Viper’s grass = schorseneer; Viperine, vaipər(a)in, adderachtig, vergiftig, kwaadaardig = Viperous, vaipərɐs.

Virago, v(a)ireigou, manwijf, helleveeg.

Virescent, vaires’nt, groen (wordend).

Virgate, vɐ̂git, roedevormig.

Virgil, vɐ̂džil, Vergilius; Virgilian, vədžilj’n, van V.

Virgin, vɐ̂džin, maagd, kuische man; adj. maagdelijk, rein, onbevlekt, ongerept, ongeploegd: The (Blessed) Virgin = de Maagd Maria, de H. Maagd; Virgin-born = uit eene maagd geboren; Virgin metal = gedegen, zuiver; Virgin’s-bower = boschdruif; Virginal = maagdelijk, rein: (Pair of) virginals = spinet; Virginhood = Virginity.

Virginia, vɐ̂džinjə, Virginia (tabak): Virginia creeper = wilde wingerd; Virginian = (bewoner) van V.

Virginity, vɐ̂džiniti, maagdelijke staat, kuischheid, etc.; Virgo, vɐ̂gou, Maagd (Dierenriem).

Viridness, viridnəs, Viridity, viriditi, groenheid, groen, frisch groene kleur.

Virile, vir(a)il, vairil, mannelijk, manbaar: Virile age; Virility, viriliti, mannelijkheid, manbaarheid.

Virtu, vət(j)û, vɐ̂t(j)u = Vertu.

Virtual, vɐ̂tjuəl, krachtig, werkzaam, wezenlijk: Virtual focus = virtueel brandpunt; Virtual velocity = onderstelde snelheid; Virtuality, vɐ̂tjualiti, vermogen, kracht; That is virtually the same thing = feitelijk of practisch hetzelfde.

Virtue, vɐ̂tju, deugd, kracht, werkzaamheid, wezen, kern, vermogen, reinheid, kuischheid, voortreffelijkheid: He did it in (by) virtue of his office = krachtens zijn ambt; Cardinal virtues, zie Cardinal; Virtueless = zonder deugd of uitwerking, waardeloos.

Virtuosity, vɐ̂t(j)uositi, meesterschap in de kunst; de gezamenlijke virtuozen; Virtuoso, vɐ̂t(j)uousou (Meerv. Virtuosi, vɐ̂t(j)uousai), virtuoos, kenner van oudheden, etc.

Virtuous, vɐ̂tjuəs, deugdzaam, krachtig, deugdelijk; subst. Virtuousness.

Virulence, vir(j)ulens, venijnigheid, kwaadaardigheid, bitterheid; adj. Virulent.

Virus, vairəs, vergif, giftigheid (fig.).

Vis, vis, kracht, macht, energie.

Visage, vizidž, gelaat, gezicht: An honest, strongly marked, scoundrelly, wan, visage; adj. Visaged.

Viscera, visərə, ingewanden: Visceral = tot de ingew. behoorende, de ingew. bevattende, ingewands...; innerlijk, inwendig.

Viscid, visid, kleverig, lijmerig; subst. Viscidity, visiditi = Viscosity, viskositi.

Viscount, vaikaunt, adellijke titel tusschen earl en baron in; Viscountess = echtgenoote van een viscount; Viscountship.

Viscous, viskəs, kleverig, taai; subst. Viscousness.

Viscum, visk’m, marentak, vogellijm.

Visibility, vizibiliti, subst. v. Visible, vizib’l, zichtbaar, duidelijk; subst. Visibleness.

Visigoth, visigoth, West Goth; adj. Visigothic.

Vision, viž’n, het zien, gezicht, visioen, verschijning; Visional = ingebeeld, hersenschimmig; Visionariness, subst. v. Visionary = hersenschimmig, droomerig, fantastisch; subst. dweper, droomer, fantastisch mensch.

Visit, vizit, subst. bezoek, visitatie; Visit verb. bezoeken, inspecteeren, straffen, betaald zetten: A domiciliary visit = huiszoeking; I was on a visit there = op bezoek; He made a visit to his birthplace = bracht; He paid me a visit and I returned it = bracht mij een bezoek en ik bracht hem een tegenbezoek; A visit from his Majesty = door; I never visit at his house = maak nooit visites bij hem; We should not visit those measures with a return in kind = die maatregelen niet met gelijke munt betalen; His offences against decorum were visited with rigour = werden gestreng gestraft; We do not visit = zien elkaar niet; He visits there = komt er vaak; Visitant = bezoeker; Visitation, viziteiš’n = bezoek, visitatie, (periodieke) inspectie, bezoeking Gods: Visitation of the sick = ziekentroost; Visitation of the Virgin Mary = Maria Boodschap; Visitatorial, vizitətôriəl: Visitatorial power = recht van visitatie; Visite, vizît, visite (manteltje); Visiting: Visiting-card = visitekaartje; Visiting-commissioner = maandcommissaris, commissielid dat dienst heeft; Visiting-governess = onderwijzeres (extern); Visitor = bezoeker, inspecteur, visiteur: Visitor’s room = logeerkamer.

Visor, vizə, masker, vizier; Visored = met een vizier, gemaskerd, vermomd.

Vista, vistə, uitzicht of verschiet door eene laan of rij boomen, laan, rij boomen: This book opens splendid vistas to the intelligent reader = opent een heerlijk verschiet.

Vistula, vistjulə, Weichsel.

Visual, vižuəl, gezichts - -: Visual angle = ooghoek; Visual nerves = gezichtszenuwen; Visual point = oogpunt; Visual signalling = optische telegraphie; Visualization, subst. v. Visualize = verzinnelijken voor het oog, zichtbaar maken.

Vital, vait’l, levens..., onmisbaar, onheilspellend: Vitals = Vital organs; His Vital forces ebbed = zijne levenskracht begaf hem; Vital organs, Vital parts = edele deelen; Vital power = levenskracht; We tried to revive this Vital question = levensvraag; Vital spirits = levensgeesten; Vital thread = levensdraad; Vital statistics = statistiek over levensduur; That is vital to our cause = eene levenskwestie voor; Vitality, v(a)italiti, leven, levenskracht, duur, levensvatbaarheid; Vitalization = bezieling, etc; Vitalize = bezielen, leven geven.

Vitellus, v(a)iteləs, dooier.

Vitiate, višieit, bederven, ontwijden, schenden, vernietigen; subst. Vitiation.

Viticulture, vitikɐltjə, wijnbouw; Viticulturist = wijnbouwer; Vitis, vaitis, wijnstok.

Vitreo, vitriou: Vitreo-electric = positief-electrisch; Vitreous, vitriəs, van glas, glasachtig, glazen: Vitreous electricity = glas-electriciteit; subst. Vitreousness; Vitrifaction, vitrifakš’n, verglazing; Vitrifiable, vitrifaiəb’l, verglaasbaar; Vitrification, subst. v. Vitrify, vitrifai, verglazen.

Vitriol, vitriəl, vitriool: Oil of vitriol = zwavelzuur; Vitriol of copper = kopervitriool; Vitriol-throwing = het gooien van vitriool in iemands gezicht; Vitriolate, vitriəleit, in vitriool veranderen; Vitriolic, vitriolik, vitrioolachtig, scherp, kwaadaardig.

Vituperate, v(a)itjûpəreit, berispen, laken, uitschelden; subst. Vituperation; adj. Vituperative.

Vitus, vaitəs: St. Vitus dance.

Vivacious, v(a)iveišəs, levendig, opgewekt, overblijvend, vast; subst. Vivaciousness; Vivacity, v(a)ivasiti, levendigheid, vlugheid, opgewektheid.

Vivarium, vaivêriəm, plaats waar dieren in zoo mogelijk natuurlijken toestand in leven worden gehouden.

Vivat, vaivət, dat hij (zij) leve!

Viva Voce, vaivə vousi, mondeling; subst. mondeling examen.

Vive, vîv, leve!

Vivian, vivj’n.

Vivid, vivid, levendig, helder, treffend, realistisch; subst. Vividness; Vivification, vivifikeiš’n, verlevendiging, weder-opleving; Vivify, vivifai, leven wekken, bezielen: The air was vivifying = de frissche lucht schonk nieuw leven.

Viviparous, vaivipərɐs, levende jongen ter wereld brengend.

Vivisect, vivisekt, levend ontleden; Vivisection, vivisekš’n, vivisectie; Vivisectionist, vivisekšənist, = Vivisector = ontleder van levende dieren of voorstander dier methode.

Vixen, viks’n, wijfjesvos, helleveeg; Vixenish = twistziek, kijfachtig.

Viz. (= Videlicet), uitgespr. neimli.

Vizard, vizəd: A vizard mask = masker voor ’t gelaat.

Vizi(e)r, vizîə, vizier; Vizi(e)rate = vizierschap.

Vocable, voukəb’l, woord; Vocabulary, vəkabjuləri, woordenlijst, woordenboek, woordenschat, spraakgebruik; Vocal, vouk’l, stem - -, vocaal, mondeling, hardop, stemhebbend: Vocal c(h)ords, Vocal ligaments = stembanden; Vocal music = gezang; Vocalic, vəkalik, uit klinkers bestaande; Vocalism = gebruik der stemorganen; Vocalist = zanger(es); Vocalization, voukəl(a)izeiš’n, het uitspreken, het vormen van klanken; Vocalize = uitspreken, stemhebbend maken; Vocalness = stemvermogen, het uitgesproken kunnen worden.

Vocation, vəkeiš’n, roeping, neiging, aanleg, beroep: Reading is not much in my vocation = tot lezen voel ik mij niet zeer aangetrokken.

Vocative, vokətiv, subst. vocatief; adj. vocatief.

Vociferate, vəsifəreit, luide schreeuwen, uitroepen: Vociferation = geschreeuw, luid geroep; Vociferous, vəsifərɐs, schreeuwend, uitbundig juichend.

Vocule, vokjûl, zwakke aspiratie achter p, t, k.

Voe, vou, baai, kreek.

Vogue, voug, zwang, mode, algemeene roep: Writers of lesser vogue = minder populaire; That is much in vogue now = erg in zwang; To bring into vogue = in zwang brengen.

Voice, vôis, subst. stem, geluid, taal, vorm (v. een werkw.); Voice verb. uitdrukking geven aan, uiten, stemhebbend maken: (Not) in voice = (niet) bij stem; He was elected without a single dissentient voice = zonder ééne stem tegen; He was chosen with one voice = eenstemmig gekozen; She has not much of a voice = niet veel stem; He lifted up his voice = hief zijne stem op; To raise one’s voice = verheffen; Active, Passive voice = bedrijvende, lijdende vorm; To voice a grievance = uiten; This article voices the public sentiment = geeft de openbare meening weer; The organ-pipes were voiced = het orgel werd gestemd; Voiced = met stem gesproken: This is a voiced s = deze s wordt met stemtoon gesproken; Voiceful = luid klinkend, bruisend; Voiceless = zonder stemtoon: A voiceless consonant = stemlooze medeklinker.

Void, vôid, subst. ledig(e ruimte); adj. ledig, vacant, ontbloot, nutteloos, nietig; Void verb. ledigen, ontruimen, ruimen, leeggooien, ontlasten, opheffen, vernietigen: That loss made a void in my life, which can never be filled up = bracht eene leemte; It is null and void = van nul en geener waarde; Void of learning = zonder geleerdheid; Void of pity; That sentence is void of reason, of sense = heeft geen zin; The law was made void = werd terzijde gesteld; Void space = ledige ruimte; Voidable = wat ontruimd, geledigd of vernietigd kan worden; Voidance = lediging, ontzetting, verwijdering; Voidness = ledigheid, nietigheid.

Volant, voul’nt, vol’nt, vliegend (herald.), vlug, snel.

Volapuk, vouləpuk, voləpuk, Volapuk; Volapukist = beoefenaar of voorstander van Volapuk.

Volatile, volət(a)il, vluchtig, vervliegend, grillig, ongedurig, dartel: Volatile oils = vluchtige oliën; Volatile salt = vlugzout; Volatileness = Volatility, volətiliti, vluchtigheid, wispelturigheid, wuftheid; Volatilizable = geschikt om vluchtig te worden gemaakt; Volatilization = vervluchtiging; Volatilize, volətilaiz, vluchtig maken.

Volcanic, volkanik, vulkanisch: Volcanic rock = vulkanisch gesteente; Volcanic soil = vulkanische bodem; subst. Volcanism; Volcanist; Volcanization, subst. v. Volcanize = vulkaniseeren; Volcano, volkeinou, vulkaan.

Vole, voul, veldmuis.

Vole, voul, vole: To go the vole = vole spelen.

Volition, vəliš’n, wil, het willen, wilsdaad, wilskracht; adj. Volitional; Volitive, volitiv: Volitive faculty = wilskracht.

Volksraad, foulksrât, volksraad (Z.-Afr.).

Volley, voli, subst. salvo, losbarsting; Volley verb. losbarsten, een salvo losbranden, terugslaan: Give them a volley = geef hun een salvo; A volley of words = een woordenstroom.

Vol plane, vol plân, vol plane.

Volt, voult, volte, snelle zwenking, plotselinge zijsprong bij het schermen.

Volt, voult, volt (electr.); Volt-ampère; Volt-meter = voltameter; Volta, voltə, Volta; Voltaic, volteiik, galvanisch: Voltaic battery = galvanische batterij; Voltaic electricity = galvanisme; Voltaic pile = batterij van V.; Voltaism = galvanisme.

Volubilate, vəl(j)ûbilit, Volubile, vol(j)ubil, kronkelend, klimmend, slingerend.

Volubility, vol(j)ubiliti, bewegelijkheid, draaibaarheid, praatzucht, groote woordenrijkheid; Voluble, vol(j)ub’l, bewegelijk, draaiend, woordenrijk, praatziek, rad van taal.

Volume, vol(j)ûm, schriftrol, winding, boek(deel), grootte, omvang, massa, volumen; Volume verb. zich verzamelen, ophoopen: The volume of foreign trade is increasing = de omvang van buitenlandschen handel; Her anger was gathering volume = nam steeds in hevigheid toe; Such figures speak volumes = zeggen meer dan geheele boekdeelen vol; Voluminous, vəl(j)ûminɐs, omvangrijk, uitgebreid, uit vele deelen bestaande, groot: He is a voluminous writer = hij heeft veel geschreven, hij is een vruchtbaar schrijver; subst. Voluminousness.

Voluntariness, vol’ntərinəs, subst. v. Voluntary, vol’ntəri, vrijwillig, vrij, opzettelijk, spontaan, bereidwillig, willekeurig; subst. vrijwilliger, preludium, fantasie (op orgel of piano): Voluntary schools = vrije scholen (meestal van kerkelijke richting) waarvan de kosten gedeeltelijk door vrijwillige bijdragen (= Voluntary contributions) gevonden worden.

Volunteer, vol’ntîə, subst. vrijwilliger, volontair; adj. vrijwillig dienst nemend, uit vrijwilligers bestaande, in ’t wild groeiend; Volunteer verb. vrijwillig geven of aanbieden, als vrijwilliger dienen: The Volunteers = een vrijwilligerscorps opgericht in 1859 (Zie Territorials); He did not volunteer an explanation = gaf niet ten beste, opperde geen; Shall we volunteer? = zullen wij vrijwillig gaan, ons aanbieden?

Voluptuary, vəlɐptjuəri, subst. wellusteling; adj. wellustig, zinnelijk = Voluptuous, vəlɐptjuəs; subst. Voluptuousness.

Voluta, vəl(j)ûtə, rolslak; Volute, vəl(j)ût, subst. spiraalvormige krul in Grieksche kapiteelen; rolslak; Volutad = met een spiraalvormige krul, spiraalvormig.

Volvulus, volvjulɐs, darmjicht, darmkronkel.

Vomic, vomik: Vomic-nut = braaknoot.

Vomit, vomit, subst. braaksel, braakmiddel; Vomit verb. braken, uitbraken: A mass of scoriae was vomited forth from the bowels of the earth = werd uitgebraakt; Vomitive = braak - - -; Vomitory = braak(middel).

Voracious, vəreišəs, gulzig, roofgierig; subst. Voraciousness, Voracity, vərasiti, gulzigheid; vraatzucht, roofgierigheid; Vorant, vôr’nt, verslindend (Herald.).

Vortex, vöteks, (Meerv. Vortexes, Vortices, vötisîz), dwarrelwind, draaikolk; Vortex-wheel = turbine; Vortical = dwarrelend, draaiend = Vortiginous, vötidžinɐs.

Vosges, vouž, Vogezen.

Votaress, voutərəs, ordezuster, vereerster, aanhangster; Votary, voutəri, subst. ordebroeder, aanbidder, vereerder, aanhanger; adj. gewijd, eene gelofte afgelegd hebbende.

Vote, vout, subst. stem, stemrecht, stemming, votum, stembriefje (kogeltje); Vote verb. stemmen, voteeren, kiezen, verklaren: One man one vote = ieder man een stem; The chairman has a casting vote = beslissende stem; The remaining votes of the army estimates were considered and agreed to = de nog overblijvende artikelen van de oorlogsbegrooting; The ministry had a close escape, and carried the motion by fourteen votes = kreeg de motie met een meerderheid van veertien stemmen aangenomen; He was within a vote of losing his situation = met één stem meerderheid behield hij zijne betrekking; The motion came to the vote = werd in stemming gebracht; The votes cast, given = de uitgebrachte stemmen = The votes polled; To put to the vote = in stemming brengen; To take a vote on a question = laten stemmen over; Vote of confidence = votum van vertrouwen; Want-of-confidence vote = votum van wantrouwen; A motion of thanks was voted to the chairman = den president werd de dank der vergadering gebracht; He spoke for the government and voted against it = en stemde er tegen; He voted himself into the chair = benoemde zichzelf tot voorzitter; Voter = kiezer, stemgerechtigde; Voting: Voting by ballot = ballotage; Voting-paper = stembiljet: To fill up a voting-paper, To mark a voting-paper = invullen, merken.

Votive, voutiv: Votive medal = herinneringsmedaille; Votive offering = dankoffer; Votive tablet = gedenksteen.

Vouch, vautš, subst. verzekering, getuigenis; Vouch verb. waarborgen, instaan voor, betuigen, verzekeren, getuigenis afleggen: Will you vouch for the truth of it? = staat gij voor de waarheid in? Vouchee, vautšî, iemand, die als borg of zegsman wordt opgeroepen; Voucher = getuige, bon(netje), toegangskaart, borg, getuigenis, declaratie (voor uitgegeven en onvergolden gelden): My voucher has left the audit-office = mijne declaratie is al bij de Rekenkamer geweest; A voucher for a drink = bon; Vouchor, vautšə, vautšö, die een ander daagt (als Vouchoree); Vouchsafe, vautšseif, toestaan, waarborgen, de goedheid hebben, zich verwaardigen: He did not vouchor any reply = verwaardigde zich niet te antwoorden.

Vow, vau, subst. gelofte, eed; Vow verb. beloven, eene gelofte doen, bezweren, plechtig betuigen, wijden: To make a vow = een gelofte doen; She has received (taken) the vows = heeft de kloostergeloften afgelegd.

Vowel, vauəl, subst. klinker; adj. vocaal.

Voyage, vôi-idž, subst. verre (zee)reis; Voyage verb. reizen, bereizen, bevaren: Our voyage in, Our homeward voyage = onze terugreis; I met him on my voyage = op reis; On our voyage out = On our outward voyage = heen-, uitreis; He went on a voyage = op reis; Voyager = (zee)reiziger; Voyageur, Fr. uitspr., Canadeesch schuitevoerder.

Vulcan, vɐlk’n, Vulcanus; Vulcanian, vɐlkeinj’n, Vulcanic, vɐlkanik, vulkanisch; Vulcanite = eboniet; Vulcanization = vulkanisatie; Vulcanize = vulkaniseeren.

Vulgar, vɐlgə, adj. gewoon, gemeen, ordinair, grof, lomp, laag, volks...: The vulgar = het gewone volk, groote hoop, het gemeen; Vulgar fraction = gewone breuk; Vulgar speech (talk, tongue) = volkstaal; Vulgarian, vɐlgêriən, proleet; Vulgarism = platheid, platte uitdrukking; Vulgarity, vɐlgariti, laagheid, platheid, grofheid; Vulgarization, subst. v. Vulgarize = plat of laag maken, vulgariseeren.

Vulgate, vɐlgit, vulgata of Latijnsche bijbelvertaling van den H. Jeronymus (329–420).

Vulnerability, vɐlnərəbiliti, subst. v. Vulnerable, vɐlnərəb’l, kwetsbaar, wondbaar; subst. Vulnerableness; Vulnerary, vɐlnərəri, subst. heel- of wondmiddel; adj. heelend: Vulnerary balsam (herb, plant).

Vulpecide, Vulpicide, vɐlpisaid, iemand, die een vos doodt; wederrechtelijk dooden van een vos; Vulpine, vɐlp(a)in, vosachtig, listig, slim; Vulpinism, vɐlpinizm, sluw- of slimheid.

Vulture, vɐltjə, gier: Bearded vulture = lammergier; Vulturine, vɐltjur(a)in, gierachtig, roofgierig = Vulturish = Vulturous.

Vying, vai-iŋ, mededingend.

Vyrnwy, vîənwi: Vyrnwy Lake.

W.

W, dɐb’ljû; W. = Wednesday, Weak, Welsh, Western (postal district, London), Winterline (Plimsoll-merk op schepen); Wallach(ian), Walt(er); W(ater) C(loset); W(estern) C(entral postal district); Wed(nesday); Wel(sh); Whf. = Wharf; W(est) I(ndies); W(est) I(ndian); Wisc(onsin); Wk. = Week; W. N. A. = Winter line North Atlantic (Plimsoll-merk); W(est) Long(itude); Wm. = William; W(orshipful) M(aster) = achtbare meester; W(est) N(orth) W(est); Wp. = Worship; Wpful = Worshipful; W(riter to the) S(ignet); W(est) S(outh) W(est); W(ashington) T(erritory); Wt. = Weight.

Wabash, wôbaš.

Wabble, wob’l, subst. schommeling; Wabble verb. schommelen, waggelen, weifelen; Wabbler; Wabbly = schommelend, waggelend.

Wad, wod, subst. bundel, bos, vulsel, prop watten, enz., geweerprop, pak banknoten, geld; Wad verb. tot eene prop maken, een prop zetten op, opvullen, watteeren: A wadded box = een gewatteerd doosje, bekleede kist; Wad-hook = krasser (om proppen uit een geweer te halen); Wadding = opvulsel, watten, prop: The paper had served as wad for the gun.

Waddington, wodiŋt’n.

Waddle, wod’l, subst. waggelende, schommelende gang; Waddle verb. waggelen; Waddler.

Waddy, wadi, wodi, knots, stok; Waddy verb. met een knots doodslaan.

Wade, weid, waden, doorwaden, met moeite gaan door: We were wading up to our knees through the mud = waadden tot onze knieën door den modder; Wader = die waadt, hooge waterlaars, steltlooper = Wading-bird.

Wadi, wodi, rivierbedding, die in den zomer droog is.

Wadsetter, wodsetə, de crediteur, die bezittingen in Wadset (= in pand) heeft, en de inkomsten in afbetaling der schuld geniet (Schotl.).

Wae, wei, wee (Schotl.). Zie Woe.

Wafer, weifə, subst. ouwel, wafel, oblaat; Wafer verb. ouwelen, dichtplakken: Beetle wafer = papier of ouwel om torren te dooden; Holy (Sacramental) wafer = hostie; Wafer-cake = knijpkoekje, ijzerkoekje.

Waffle, wof’l, wafel; Waffle-iron = wafelijzer.

Waft, wâft, subst. wenk, sein, ademtocht sjouw (scheepst.); Waft verb. voeren of dragen, overbrengen, drijven, seinen: To hoist the flag with a waft = de vlag in sjouw hijschen; Waftage, wâftidž, vervoer, overbrenging; Wafture = wenken, ademtocht.

Wag, wag, subst. het heen en weer schudden; Wag verb. schudden, schommelen, wiebelen, er van door gaan, spijbelen, kwispelstaarten: He played the wag from school = spijbelde; To wag the finger = den vinger (dreigend) opsteken; There was much wagging of heads at his insolence = men schudde algemeen het hoofd over; The dog wagged its tail = kwispelstaartte; That will set the tongues wagging = daar zal wat over gepraat worden; Thus the world wags = zoo is ’s werelds beloop; The boy wagged from school = spijbelde; Thus I wag through the world = scharrel ik door den tijd; ’t Is merry in hall, when beards wag all = onder mannen alleen, gaat het lustig toe; Wagtail = kwikstaartje; lichtekooi.

Wag, wag, grappenmaker, spotvogel, snaak; Waggery = snakerij, ondeugende aardigheid: He is full of waggery = hij zit vol looze streken; Waggish = grappig, ondeugend, schalksch; subst. Waggishness.

Wage, weidž, subst. (meestal Wages) = loon, huur, soldij; vacatiegelden (Amer.); Wage verb. wagen, wedden, ondernemen, kneden, gelijk staan met: The advance of wage = verhooging; Living wage = het loon dat een menschwaardig bestaan verzekert; The wages of sin is death = de bezoldiging der zonde is de dood (Rom. 6, 23); Wage-earners; Wage-fund = loonfonds; Wage-rate = loon(standaard); Wage-work = loonarbeid; He waged war on mankind = voerde strijd tegen.

Wager, weidžə, subst. weddingschap; aanbod van een beklaagde om op een bepaalden dag onder eede te zullen verklaren dat hij een bedrag niet schuldig was en elf getuigen mee zal brengen ter bevestiging; Wager verb. wedden, verwedden: I will lay you a wager = wed met u; What is your wager? = hoe hoog hebt gij gewed; Name your wager = waar wed je om? Wager of battle = beslissing door een tweegevecht; I wager you are wrong.

Waggle, wag’l, subst. waggelende gang; Waggle verb. waggelen, heen en weer bewegen, wippen: To waggle one’s tail = wippen met den staart (v. vogels).

Wag(g)on, wag’n, vracht- of goederenwagen: Dinner waggle = dienbak op rollen; He is on the waterwaggle now = afschaffer; Waggle-master = wagenmeester; Waggle-shed = remise; Waggle-vault = tongewelf; Waggleage, waidž, vracht(loon), wagenpark; Waggleer = vrachtrijder; Waggleette, wagənet, wagentje, soort brik; Waggleing = vervoer per wagon.

Wahabee, Wahabi, wəhâbî, aanhanger eener Mahomedaansche secte; Wahabeeism = beginselen der Wahabees.

Waif, weif, onbeheerd goed, strandgoed, weggeloopen vee, door de dieven bij de vervolging weggeworpen goederen, zwerver, vagebond, sjouw (noodvlag): Waifs and strays of society = verlaten kinderen, zwervers.

Wail, weil, subst. weeklacht; Wail verb. weeklagen, beweenen.

Wain, wein, wagen, vrachtwagen: Arthur’s of Charles’s Wain = Groote Beer; Lesser Wain = Kleine Beer.

Wainscot, weinskot, subst. wagenschot; lambriseering; Wainscot verb. met hout beschieten of bekleeden.

Waist, weist, middel (v. het lichaam), keursje, kuil (Scheepst.): He tightened his coat to give himself a waist; Waistband = broeksband, roksband; Waist-belt = gordel, koppel; Waistcloth = (Ind.) lendendoek; schans- of dekkleed; Waistcoat, weskət, weistkout, vest, wambuis: Strait Waistcoat = dwangbuis; Waister = kuilgast.

Wait, weit, subst. wachttijd, hinderlaag, oponthoud, pauze (Waits = muzikanten, die met Kerstmis en Nieuwjaar serenades plachtten te brengen bij notabelen); Wait verb. wachten, afwachten, wachten op; bedienen, vergezellen: To lay wait = een hinderlaag leggen; To lie in wait = op de loer liggen; He may wait a little longer = dan kan hij lang wachten; Dinner waits = het eten is klaar; The paper may wait till to-morrow = kan wachten tot, blijven liggen; Something that will not wait = iets dat niet kan wachten; To wait dinner for a person = met het eten wachten op; I will wait your return = wachten op; Am I to wait you there? = moet ik daar wachten, tot gij komt? You have kept me waiting = mij laten wachten; To wait at table = bedienen; I have been waiting for you (for) ever so long = heb ik weet niet hoe lang op u gewacht; Who waits on you? = past u op, bedient u; We herewith wait on you with the abstract of your account = hierbij hebben we de eer, u te zenden; He waited (up)on the mayor = maakte zijne opwachting bij; We wait on you, o Lord! = wij wachten op u, o Heer; Who is going to wait up for me = wie zal opblijven tot ik thuis kom; Waiter = kellner, bediende, stommeknecht, presenteerblad; Waiting: To play a waiting game = de kat uit den boom kijken; The boats are in waiting on the little pier = liggen klaar aan; The cabs in waiting = de klaar staande; Ladies in waiting = (gehuwde) hofdames; Lords in waiting = kamerheeren; Waiting-gentleman = kamerheer, kamerdienaar; Waiting-maid, Waiting-woman = kamenier; Waiting-room = wachtkamer; Waitress = kellnerin.

Waive, weiv, verlaten, afzien van: I waive my claims = zie af van mijne rechten; Waiver.

Wake, weik, subst. waken of wakker zijn, wijdingsfeest van eene kerk, feest, waken bij een lijk; zog, kielwater, spoor; Wake verb. wakker zijn, wakker worden, wekken, opzitten, opblijven, opwekken, opvlammen: We followed in the wake of the steamer = in het kielwater; They followed in your wake = zij kwamen onmiddellijk achter u aan; He left a wake of victory behind him = behaalde overwinningen waar hij ook kwam; A laugh woke about the corners of his mouth = een lachende trek kwam om zijn mond; Wake-robin = gevlekte aronskelk; Wakeful = wakend, waakzaam; subst. Wakefulness; Waken = wekken, oproepen, aansporen: Wakener = wekker, prikkel; Waker = wekker, waker; Waking: Waking-hours = de uren dat men niet slaapt.

Wakley, wakli; Walcott, wolkət; Waldenses, woldensîz, Waldensers; adj. Waldensian.

Wale, weil, zelfkant; berghout (scheepst.). Zie Weal = striem.

Wales, weilz; Walhalla, walhalə, wolhalə.

Walk, wôk, subst. wandeling, gang, pas, wandelplaats, laan, weg, baan, kring, tak, branche; Walk verb. gaan, loopen, wandelen, betreden, slaapwandelen, spoken, doen wandelen of loopen: A milkman’s walk = ronde, klanten; Humble walk of life = nederige stand, beroep; In all walks of life = levenssferen; In this walk he is without a competitor = in deze afdeeling (vak); To go for (To take) a walk = uit wandelen gaan; Carriages have to walk here = moeten stapvoets rijden; Does your friend walk? = is uw vriend een slaapwandelaar (= Does he walk in his sleep?); To walk the chalk = langs een krijtlijntje loopen om te toonen, dat men niet dronken is; To walk the hospitals (wards) = kliniek loopen; Will you walk the little three-year-old? = den kleine van drie jaar bij het handje nemen; To walk a minuet = een menuet dansen; The pirates made their victims walk the plank = spoelden .... de voeten (fig.); He had to walk the plank = ontslag nemen; The watchman had just walked his round = de ronde gedaan; They walked the streets = liepen ’s avonds langs de straten, leidden een zedeloos leven; They walked into the eatables = spraken geducht aan; To walk off = (hoofdpijn) door wandelen verdrijven; To walk one’s legs off = zich te schande loopen; He walked over us = deed ons zijne macht gevoelen; To walk over (the course) = geen partij hebben, een gemakkelijke overwinning (= A walk-over) hebben; The Tories were allowed to walk over = de conservatieven wonnen den zetel (terwijl de liberalen geen candidaat stelden); Somebody is walking over my grave = er loopt een hondje over mijn graf; He walked up to me = kwam naar mij toe; Walker, subst. wandelaar, lanterfanter: Hookey walker = Loop! “Mot je mijn hebben?” Walking: Walking-gentleman = figurant; Walking-lady = figurante; At a walking-pace; Walking-stick = wandelstok; Walking-ticket = ontslag(briefje) (= Walking-papers, Amer.); Walkist = wandelaar van beroep.

Wall, wôl, muur, wand, wal, verdediging; Wall verb. ommuren, versterken, als een muur oprijzen (up): To drive (push, thrust) to the wall = in ’t nauw drijven, verpletteren; Give him the wall = laat hem aan den hoogen kant loopen (tusschen den muur en u zelf); To go to the wall = het onderspit delven, geruïneerd zijn; What with her painting, what with her music the household affairs went a little to the wall = leed de huishouding er eenigszins onder; His health went to the wall = nam af; He was weak and went to the wall = en bezweek, stierf; Every one went to the wall to make room for him = ging op zij; To have one’s back to the wall = vastberaden weerstand bieden; I have taken the wall of him = ik heb het van hem gewonnen; The enemies were within the walls = binnen de muren der vesting; He is a fool and ever shall (be), that writes his name upon a wall = gekken en dwazen schrijven hun namen op deuren en glazen; Walls (may) have ears = de muren hebben ook ooren; The opening was walled up = werd dichtgemetseld; Wall-creeper = muurkruiper (soort v. specht); Wall-eye = glasoog (ziekte bij paarden); adj. wall-eyed: Because you are wall-eyed you think we have the same blank outlook = omdat gij blind zijt denkt gij dat dit met ons ook het geval moet zijn; Wall-flower = muurbloem (ook fig.); Wall-fruit = vrucht(en) van leiboomen = Wall-fruit trees; Wall-moss = soort v. korstmos; Wallpaper = behangsel; Wall-pepper = muurpeper; Wall-piece = soort v. haakbus; Wall-plate = onderlaag voor balken op een muur; Wall-sided = met rechtopstaande zijden boven de waterlijn; Wall-spring = rotsbron; Wall-Street = straat waar de effectenbeurs staat (N.-York): He lost his money on Wall-Street = met speculeeren; Wall-tree = leiboom; Wallwort = lage vlier.

Wallaby, woləbi, soort kangeroe.

Wallace, wolis; Wallachia, woleikjə, Wallachije; Wallachian, subst. en adj. (bewoner) van Wallachije: Wallachian sheep.

Wallah, wola, koopman, bediende: Competition wallah = iemand, die na een vergelijkend examen bij de Indian Civil Service is gekomen.

Wallet, wolət, knapzak, geldbuidel, portefeuille, leeren taschje.

Wallis, wolis.

Walloon, wolûn, subst. Waal, Waalsche taal; adj. Waalsch.

Wallop, woləp, koken, borrelen, opborrelen, duchtig ranselen: This is only a tickling to the walloping you’ll get to-morrow = nog maar kietelen bij het pak slaag dat je morgen krijgt; Walloping = reusachtig.

Wallow, wolou, subst. plas; Wallow verb. wentelen, plassen, rollen, woelen: The wallow of the sea = het rollen; To wallow in pleasure = zwelgen in genot.

Walmer, wômə; Walmsley, wômzli.

Walnut, wôlnɐt, wolnɐt, walnoot.

Walpole, wolpoul.

Walrus, wolrɐs, walrus.

Walsh, wolš; Walsingham, wolsiŋ’m; Walter, wôltə; Waltham, wolth’m; Walton, wôlt’n.

Walt(y), wolt(i), rank (v. schepen).

Waltz, wôlts, subst. wals(muziek); Waltz verb. walsen; Waltzer.

Walworth, wolwəth.

Wamble, womb’l, misselijk zijn: My stomach wambles = het breekt me op.

Wampee, wompî, wampiboom (China).

Wampum, womp’m, schelpkoralen, schelpgordel door de Roodhuiden als geld of versiering gebruikt.

Wan, won, adj. bleek, ziekelijk, flets; subst. Wanness.

Wand, wond, roede, tooverstaf, staf: Charming (Magic) wand; Wanded basket = teenen mand; Wandlike.

Wander, wondə, zwerven, ronddolen, malen of ijlen, afdwalen (van het onderwerp), op een dwaalspoor brengen: Your wits are wandering = ge hebt er een paar op den loop; You are wandering from the subject = dwaalt van uw onderwerp af; He wandered in his mind = ijlde; Wanderer = zwerver; Wandering, subst. afdwaling, rondzwerving, ijlen of malen; adj. zwervend, onvast: They lead a wandering life = een zwervend leven; The Wandering Jew = de Wandelende Jood; Wandering kidney = wandelnier; Wandering tribe = nomadenstam.

Wanderoo, wondərû, een gebaarde zwarte aap.

Wandsworth, wonzwəth.

Wane, wein, subst. afneming, vermindering, verval; Wane verb. afnemen, verminderen: On the wane = aan het afnemen, aan het afsterven; Waning strength = verminderende krachten.

Wanghee, waŋhî, bamboes (wandelstok).

Wanley, wonli.

Want, wont, subst. gebrek, behoefte, gemis, armoede, nood; Want verb. ontberen, missen, ontbreken, noodig hebben, wenschen, verlangen: Want-of-confidence-vote = motie van wantrouwen; I do it for (through) want of better employment = uit gebrek aan; They are in want of everything = lijden aan alles gebrek; He is greatly in want (is in great want) of = heeft hoog noodig; He died of want = kwam van gebrek om; She felt the want of it = gemis er van; To supply a much needed want = in eene lang gevoelde behoefte voorzien; First supply the wants of the poor, and then give way to luxury = voorzie eerst in de behoeften der armen; Want one = op één na; What do you want? = wat moet je? I want mamma = ik zoek naar ma’tje; I want you to go there = ik wensch dat gij daarheen gaat; You are wanted = men zoekt je; The piano wants tuning = moet gestemd worden; I want for nothing that money can procure = ik heb alles wat voor geld is te krijgen; It wants ten minutes to (of) five = het is 5 min. vóór vijf; Want to know! = Och, kom! (Amer.); Volunteers were not wanting = er was geen gebrek aan; Three more are wanting = er mankeeren nog drie; Nothing is wanting to my happiness = er ontbreekt niets aan mijn geluk; I shall not be wanting to send you word = zal u zeer zeker zenden; He was never found wanting = mankeerde nooit, liet iemand nooit in den steek.

Wanton, wont’n, subst. lichtmis, boeleerder, boeleerster, malloot; adj. losbandig, wulpsch, dartel, speelsch, brooddronken, lichtzinnig, moedwillig, fladderend; Wanton verb. dartelen, stoeien, mallen: In wanton sport = in overmoed; subst. Wantonness.

Wapentake, wop’nteik, wap’nteik, weip’nteik, district (in Yorkshire).

Wapiti, wapiti, wopiti, N.-Am. hert of eland.

Wapping, wopiŋ.

War, wö, subst. oorlog, strijd, vijandschap, vijandelijkheid; War verb. beoorlogen, strijdvoeren: A war was carried on between these powers = er werd oorlog gevoerd tusschen; To declare war against = den oorlog verklaren aan; We are engaged in a war = in een oorlog gewikkeld; To make war on = oorlog voeren tegen; To be at war = in oorlog zijn; He was at war with his own hands and feet = wist geen weg met; The spirit is at war with the flesh = voert strijd tegen; To go to war with = oorlog aangaan met; It was war to the knife (to the death) between them = het was een strijd op leven en dood; Holy war = heilige oorlog, kruistocht; War of independence; A council of war (war-council) was held = krijgsraad werd gehouden; Several men-of-war = onderscheidene oorlogschepen; Many prisoners of war were made = krijgsgevangenen; Warring against his better self = strijd voerende tegen zijn beter ik; War-chest = krijgskas; War-council = krijgsraad; War-cry = oorlogskreet, oorlogsleuze; War-dance = oorlogsdans; War Department = Ministerie van Oorlog (Amer.); War-drum = krijgstrom; Warfare, subst. strijd, (wijze van) oorlog (voeren), vijandelijkheden; Warfare verb. oorlog voeren, kampen, strijden; Warfarer = krijgsman; War-horse = strijdros; War-insurance = assurantie tegen krijgsgevaar; War Office = Ministerie van Oorlog; War-paint = oorlogsverf (Indianen); gala, groot tenue; War-path = oorlogspad: We are on the war-path = op expeditie; War-ship = oorlogsschip; War-song = krijgslied; War-steed = krijgsros, strijdhengst; War-torch = oorlogstoorts; War-wasted = verwoest; War-whoop = oorlogskreet, krijgsgeschreeuw; War-worn = in den dienst versleten; Warlike = krijgshaftig, strijdbaar, oorlogs...: Warlike paraphernalia (parəfəneiljə) = oorlogstoebereidselen.

Warble, wöb’l, subst. gekweel, lied; gezwel op den rug van een paard; Warble verb. kweelen, zingen, trillers slaan; Warbler = kweeler, zangvogel.

Ward, wöd, subst. bewaking, wacht, verdediging, bescherming, afweer, het pareeren, hechtenis, kerker, voogdijschap, minderjarigheid, pupil, wijk, stedelijk (kies)district, afdeeling of zaal in een hospitaal, werk (van een slot), buitenplein; Ward verb. bewaken, verdedigen, beschermen, terugdrijven, afweren: To be held in ward = in verzekerde bewaring gehouden; To keep watch and ward = streng de wacht houden; To put in ward = gevangen zetten; The thrust was warded off by me = gepareerd; Ward-mote = vergadering van het bestuur v. een ward; Ward-penny = bewakingsgeld, waakgeld; Wardrobe = kleerkast, garderobe: Wardrobe keeper = Wardrober = bediende bij de wardrobe; Ward-room = officierskajuit aan boord van een oorlogsschip; Wardship = voogdijschap, minderjarigheid; Warden = bewaker, bewaarder, custos, rector van sommige colleges; vrederechter (Amer.); soort peer: Lord Warden of the Cinqueports = ambtenaar oorspronkelijk belast met de (kust)verdediging der Cinque-ports; thans bezoldigd eereambt, onvereenigbaar met het lidmaatschap van het Parlement; Warden-pie = perenpastei; Wardenship = bewaarderschap; Warder = bewaker, wacht; commandostaf: Wardens of the Tower = ambtenaren ter bewaking v. staatsgevangenen in den Tower.

Ware, wêə, waren, goederen; soort zeewier; Ware = Aware, Beware: Ware oars! = pas op de riemen! (bij het passeeren van een andere boot); Ware wire, Sir! = pas op het prikkeldraad (jachtterm); China ware = porselein; Earthenware = aardewerk; Hardware = ijzerwaren; Warehouse = pakhuis, magazijn, entrepôt = Bonded warehouse; Warehouse-keeper = Warehouse-man = pakhuishouder, pakhuismeester; Warehouse-warrant = cedel; Warehousing = het opslaan van goederen in pakhuis of entrepôt; Ware-housing-system = het entrepôt-stelsel; Ware-room = pakkamer, uitstalkamer.

Warham, wor’m.

Wariness, wêrinəs, subst. v. Wary.

Warlock, wölok, toovenaar, geestenbezweerder; Warlockry = toovenarij.

Warm, wöm, adj. warm, heet, vurig, ijverig, enthusiast, hartstochtelijk, intiem, versch, hartelijk, gegoed, rijk; ook subst.; Warm verb. verwarmen, afranselen, warm worden, zich opwinden: Warm contest = heete strijd; Warm colour; To give one’s hands a warm = z’n handen warmen; Have a warm = warm je eens goed; He is warm = zit er warmpjes in; You are getting warm = je brandt je (bij het blindemanspel); This place is too warm for me = ik ben hier niet op mijn gemak; They made the town warm for him = hij kreeg het te benauwd; To sit pretty warm = er warm inzitten; He warmed to his subject = zijn onderwerp sleepte hem mede; Warmed up remains of the evening meal; Warm-blooded = warmbloedig; Warm-hearted = hartelijk, oprecht; Warmer = wie of wat verwarmt; Warming, subst. pak slaag; adj. verwarmend: Warming-pan = beddepan, iemand die eene betrekking vervult om deze open te houden tot de bedoelde persoon ze vervullen kan; groot ouderwetsch horloge; Warmth = warmte, vuur, gloed, hartelijkheid.

Warn, wön, waarschuwen, aanzeggen, oproepen: I warn you against such a behaviour = waarschuw u voor; He warned us of the coming of the general = kondigde aan; They were warned off the hunt, being unfit to ride = nun werd aangezegd, niet mee te gaan op jacht; The infirm and aged are warned off = worden hier niet toegelaten (worden gewaarschuwd weg te blijven); Warner; Warning = waarschuwing, aankondiging, dienstopzegging: My mistress has given me warning = heeft mij den dienst opgezegd; I gave you proper warning of it = heb u behoorlijk er voor gewaarschuwd; Take warning of his example = spiegel u aan; Warning notice-boards = waarschuwingsborden.

Warp, wöp, subst. schering (Warp and woof), kromming, boegseerlijn, werptros; slib; Warp verb. kromtrekken, krimpen, verdraaien, een verkeerde richting geven, scheren, kunstmatig besproeien of inundeeren, boegseeren, verhalen, bevloeien; Warped = krom, verdraaid, vertrokken: A warped, unframed photo stood on his desk = een kromgetrokken; His conclusions are occasionally warped by sympathy = zijne voorliefde maakt dat zijne conclusies wel eens wat verdraaid zijn; Warper = werkman, die de schering aanzet; Warping: Warping-bank = dam om het water op een stuk land te houden; Warping-machine, Warping-mill = handmolen tot het maken der schering.

Warrant, worn’t, subst. volmacht, machtiging, proces-verbaal, bevel tot inhechtenisneming, borgstelling, garantie, cedel, aanstelling door den korpskommandant; Warrant verb. waarborgen, garandeeren, machtigen, toestaan, bekrachtigen, verzekeren, instaan voor, betuigen, verdedigen: Warrant to appear = dagvaarding; The death-warrant was signed by the king = doodvonnis; A search-warrant = bevel tot huiszoeking, opsporing, enz.; Warrant of apprehension, arrest = bevel tot aanhouding of arrestatie; Warrant of attorney = procuratie of notarieele volmacht; Warrant of caption = steekbrief; Warrant of distress = bevel tot beslaglegging; Warrants were issued = bevelschriften werden uitgevaardigd; Without a warrant = ongemotiveerd; Warrant officer = officier met rang tusschen luitenant en sergeant, dek-officier (te vergelijken met onze onder-luitenants en adjudant-onderofficieren) bij warrant aangesteld; I warrant you that he is a clever fellow = verzeker u, sta er voor in; I warrant it good = sta er voor in, dat het goed is; Warrantable = verdedigbaar, wettig (= Warrant by law), oud genoeg voor de jacht er op (v. herten); Warrantee, wor’ntî, die gewaarborgd wordt; Warranter = volmachtgever, waarborger = Warrantor, wor’ntə, wor’ntö; Warranty, subst. belofte, waarborg.

Warren, wor’n, konijnenpark, fazantenpark, vischweer, krot; Warrener = opzichter.

Warrior, worjə, krijgsman.

Warsaw, wösô.

Wart, wöt, wrat: Wart-hog = soort van Amer. wild zwijn; Wart-wort = kroontjeskruid; Wartless = zonder wratten; Warty = vol wratten, wratachtig.

Warwick, worik; Warwickshire, worikšə.

Wary, wêri, omzichtig, behoedzaam.

Was, woz, imperf. (enkelv.) van to be.

Wase, weiz, weis, kussen door sjouwers op het hoofd gedragen.

Wash, woš, subst. wassching, de wasch, slappe thee, spoeling, kabbeling, golfslag, kielwater, aanslibbing, moeras, watertje voor de toilettafel, dunne metaallaag, vernisje, dun verflaagje, schijnkoop; Wash verb. wasschen, afwasschen, afspoelen, bespoelen, uitwisschen, met eene dunne verflaag bedekken, met een metaallaagje bedekken, reinigen (van erts): The wash and turmoil of the water = het klotsen en de beroering; I’ll do the wash = ga de wasch aan kant maken; To give one’s face a wash = zich het gezicht wasschen; We must have a wash = ons eens wasschen; I have sent them to the wash = heb ze in de wasch gedaan; This soap won’t wash clothes = met deze zeep kunnen geen kleeren gewasschen worden; It don’t wash = kan niet gewasschen; That won’t wash = dat gaat niet (op); To wash dishes = borden wasschen; To wash one’s hands of = zijne handen in onschuld wasschen; zijne handen aftrekken van; All their sins were washed away = zij werden van al hunne zonden gereinigd; Those spots cannot be washed out = gaan er in de wasch niet uit; A washed out creature = bleek; To wash out an affront; She washed up the tea-things = waschte af; Copper washed with silver = verzilverd koper; Wash-ball = zeepbal; Wash-board = waschplank, zetboord (op boot of sloep); Wash-gilding = nat vergulden; Wash-hand-basin = waschkom; Wash-hand-stand (Wash-stand) = waschtafel; Wash-house = waschhuis; Wash-leather = zeemleer; Wash-pot = waschkom, waschbak; Wash-tub = waschtobbe; Washable = goed blijvend in de wasch; Washer = waschvrouw, waschmachine, ringplaat (onder de moerschroef); Wash-man = waschbaas, waschman, bleeker; Wash-woman = waschvrouw; Washiness, subst. v. Washy; Washing: Washing-day; Washing-dress, Washing-fabrics = japon, stoffen, die tegen de wasch kunnen; Washing-glove; Washing-machine = waschmachine; Washing-powder = waschpoeder.

Washington, wošiŋt’n, Washington; Washingtonian, wošiŋtounj’n, subst. inwoner v. W.; afschaffer; adj. afschaffers ...; v. Washington: The Washingtonian movement = Washingtonianism = afschaffersbeweging, hunne beginselen.

Washy, woši, waterig, zwak, dun, krachteloos: Washy-looking wine = dunne, krachtelooze wijn.

Wasp, wosp, wesp: He has his head full of wasps = hij heeft allerlei kuren; Wasp-waisted = met wespentaille; Waspish = met eene wespentaille, prikkelbaar, giftig; Waspish-headed = prikkelbaar, opvliegend; subst. Waspishness.

Wassail, wosil, wasil, subst. drinkgelag; gekruid bier met wijn met Kerstmis of Nieuwjaar en opgediend in den Wassail-bowl; Wassail verb. drinken (op het welzijn van); Wassail-cup = beker waaruit wassail werd gedronken; Wassailer = drinkebroer; Wassailers = lieden, die met Kerstmis zingend rondgaan.

Waste, weist, verwoesting, vernieling, afneming, achteruitgang, verspilling, verlies, woestenij, wildernis, onbebouwde grond, gruis, afval, onheil, vlak; adj. woest, onbruikbaar, overvloedig, waardeloos, onnut; Waste verb. verwoesten, vernielen, verminderen, afnemen, verspillen, weggooien, uitteren, verteren, kwijnen, laten vervallen: In mere waste = onnut; To lay waste = verwoesten; Your candle is running to waste = loopt af; To let a garden run to waste = laten verwilderen; To waste (away) one’s money, time = verkwisten; His illness had wasted him to skin and bones = had hem geheel uitgeteerd; Waste not want not = die wat spaart, die wat heeft; The ticket would be wasteed = zou ongebruikt blijven liggen; Waste-basket = papiermand = Waste-paper-basket = prullenmand; Waste-book = memoriaal; Waste-gate = afvoersluis; Waste-paper = scheurpapier; Waste-pipe = afvoerbuis; Waste-sheet = vel misdruk; Waste-water = condensatiewater; Waste-weir = afvoerweer; Waster = doorbrenger, dief aan de kaars, elger; Wastrel = afval, woestenij; verwaarloosd kind, kind zonder thuis of onderkomen, doorbrenger.

Wat, wot, fam. voor Walter.

Watch, wotš, subst. wacht, waakzaamheid, het waken, oplettendheid, schildwacht, wachtpost, horloge, uurwerk; Watch verb. waken, bewaken, gadeslaan, de wacht houden, acht geven: Alarum watch = wekker; Keyless watch = remontoir; Repeating watch = repetitie-horloge; Stem-winding watch = remontoir; I am on the watch = sta op den uitkijk, lig op de loer; To keep good watch = goed oppassen, waken; The watch was relieved = de wacht werd afgelost; My watch has run down = mijn horloge is afgeloopen; I set a watch over them = ik liet hen bewaken; He set his watch to the city-clock = regelde zijn horloge naar; Many eminent lawyers were watching the case = woonden het proces bij; I watched the thunderstorm from this elevated position = ik sloeg het onweer gade; He watched over my childhood = hij waakte over mijne kindsheid; He watched through the long night = waakte den ganschen nacht; To watch home = nakijken tot iemand thuis is; Watch-box = schilderhuis, wachthuisje, horlogekast = Watch-case = horlogekast; Watch-chain = horlogeketting; Watch-dog = waakhond; Watch-fire = wachtvuur; Watch-glass = horlogeglas; Watch-guard = horlogeketting of -lintje; Watch-hand = horlogewijzer; Watch-house = wachthuis; Watch-key = horlogesleutel; Watch-light = nachtlicht; Watch-maker = horlogemaker; Watchman = nachtwaker, nachtwacht, baanwachter; Watchman’s rattle = ratel van een nachtwacht: To spring a watchman’s rattle = een ratel slaan; Watch-night = laatste nacht van het jaar: I attended a watch-night service in the Wesleyan chapel = woonde den kerkdienst van het oude jaar in het nieuwe bij; Watch-stand = horlogestander; Watch-tower = wachttoren; Watchword = wachtwoord, leus, motto; Watcher = waker, wacht, waarnemer, bespieder; Watchful = waakzaam: I have always been watchful of your interests = altijd nauwlettend behartigd; subst. Watchfulness.

Water, wôtə, subst. water, watervlak (= Piece of water), bronwater, regen, urine, zee, rivier, glans van diamant of parel, effecten uitgegeven zonder gewaarborgden interest; Water verb. besproeien, bespoelen, nat maken, van water voorzien, drenken, water innemen, verwateren, roten, moireeren, watertanden: A great deal of water had flowed under the bridge (Much water had flowed from the rivers to the sea) since that time = er was heel wat water door den Rijn gestroomd; Diamonds of the first water = van het zuiverste water; Gentlemen of the first water = hoogsten rang; He is a prig of the first water = een verschrikkelijke kwibus; Bilge water = water onder in een schip, dat niet uitgepompt kan worden; Low water = laag water: To be at at low water = in geldverlegenheid zijn; Slack water = dood tij; He has water on the brain = hersenvliesontsteking; That will not hold water = dat is lek; Your reasoning won’t hold water = uwe redeneering houdt geen steek; To make water = lekken, wateren, urineeren; Our ship made foul water = raakte met de kiel den bodem; To take the waters = de baden gebruiken; He threw cold water over my enthusiasm = gooide een emmer koud water over; To tread water = watertreden; This kept my head above water = deed mij in ’t leven blijven, redde mij; You must put on plenty of pace when riding at water = als je over een sloot moet springen To go by water = over zee gaan; To convey by water = per scheepsgelegenheid vervoeren; For all waters = van alle markten thuis; We were in deep water(s) = in een moeilijke positie; You have got into hot water = gij zit er leelijk in; Champagne flowed like water; To spend money like water; My mouth waters = het water loopt me om de tanden; The flowers were waterd = werden begoten; To water horses = water geven; It made my mouth water = het deed me watertanden; To set a person’s mouth watering = doen watertanden; After watering we sailed away = nadat wij versch water ingenomen hadden; Water-back = warmwaterbak of reservoir in een fornuis; Water-bailiff = soort kommies, vroeger opzichter der visscherij: Water-bath = waterbad; Water-bearer = Waterman (Dierenriem); Water-bed = waterbed; Water-bottle = karaf; Water-buck = waterbok (Z.-Afr.); Water-bug = watertor; Water-butt = water- of regenton; Water-carriage = vervoer te water; Water-cart = sproeiwagen; Water-closet = closet, W.C.; Water-cock = waterkraan; waterhoen; Water-colour = waterverf, schilderij in waterverf = Painting in water-colours; Water-colourist = waterverfschilder; Watercourse = stroompje, stroom, waterloop; Water-craft = schepen, booten, enz.; Water-crane = waterpomp (voor een locomotief); Water-cress = waterkers; Water-crowfoot = water-boterbloem; Water-cure = waterkuur: Water-cure establishment; Water-deck = waterdicht dek voor een huzarenpaard; Water-dog = waterhond; Water-drain = draineerbuis; Water-drainage = draineering; Water-dray = soort zolderschuit; Water-dressing = koudwatercompres; Water-drop = droppel water, traan; Water-engine = schepmolen; Waterfall = waterval; Water-flag = gele lisch; Water-flea = watervloo; Water-flood = overstrooming; Water-fly = oevervlieg; Water-fowl = watervogel; Water-furrow, subst. voor of greppel om water af te voeren; Water-furrow verb. draineeren door greppels; Water-gall = gat in den grond door hevigen regen; bijregenboog; Water-gas = watergas; Water-gate = sluis, vloeddeur, waterpoort; Water-gauge = peilglas; Water-gilder = iemand die de kunst verstaat van Water-gilding = watervergulding; Water-gruel = watergruwel; Water-gruelish, flauw, smakeloos; Water-hen = waterhoen (-hennetje); Water-kelpie = watergeest; Water-level = waterstand, waterpas-instrument; Water-level-line = waterpeil; Water-lily = waterlelie, plomp; Water-line = waterlijn (diepgang van een schip); Water-logged = vol water geloopen door een lek en daardoor ten prooi aan golven en stroom; Water-lot = onder water staand bouwterrein (Amer.); Water-man = schuiten voerder, jolleman, waterman (die de huurpaarden op hun standplaats van water voorziet); blauw zijden halsdoek; Water-mark = watermerk, waterhoogte, waterpeil; Water-meadow = weide die door irrigatie besproeid kan worden; Water-melon = watermeloen; Water-meter = watermeter; Water-mill = watermolen; Water-nymph = najade; Water-omnibus = trekschuit; Water-ordeal = waterproef; Water-parsnip = breedbladige watereppe; Water-pitcher = waterkan; Water-plant = waterplant; Water-poise = hydrometer, waterpas; Water-pot = waterpot, waterkan; Water-power = waterkracht; Water-pox = waterpokken; Waterproof, subst. voor water ondoordringbare stof of jas; adj. tegen water bestand; Waterproof verb. ondoordringbaar maken voor water; Water-ram = hydraulische ram; Water-rat = waterrat; Water-rate = waterbelasting; Water-ret = Water-rot; Water-rocket = waterrot (vuurwerk); Water-rot = roten; Water-scape = rivier- of zeegezicht (schilderij); Watershed = waterscheiding; Waterside = waterkant; Water-snake = waterslang; Watersouchy. Zie Zoutch; Water-spaniel = waterhond; Water-spout = waterpijp, spuwertje, waterstraal, waterhoos; Water-supply = wateraanvoer; Water-tank = reservoir; Water-tap = waterkraan; Water-tight = waterdicht; Water-vole = waterrat; Water-wagtail = gele kwikstaart; Waterway = waterloop, waterweg, vaarwater; Water-weed = waterpest; Water-wheel = scheprad; Water-works = de waterleiding (ook met fonteinen, etc.); Water-worn = door het water gerond of afgesleten; Waterage, wôtəridž, loon voor vervoer te water; Watered = gewaterd, moiré: A watered-down belief = verwaterd; Watering: Watering-can = gieter; Watering-call = hoornsignaal om de paarden te drenken; Watering-cart = sproeiwagen; Watering-place = wed, plaats om water in te nemen, badplaats; Watering-pot = gieter; Watering-trough = drinkbak (voor paarden); Waterish = waterig, vochtig, verwaterd; subst. Waterishness; Waterless = droog, zonder water. Zie Watery.

Waterloo, wôtelû.

Watery, wotəri, waterachtig, waterig, smakeloos, flauw: Watery eye = vochtig oog; Watery kingdom = de zee.

Watson, wots’n; Watt(s), wot(s).

Wattle, wot’l, subst. horde van twijg of teen, deklat, takje, teenen twijgje, lel van haan of kalkoen, baarddraad van visschen, soort v. acacia (Australië); Wattle verb. met teenen twijgjes binden of vlechten, met eene horde omringen; Wattle-bark = bast der Austral. acacia; Wattle-bird = soort bijenwolf; Wattle-work = werk van gevlochten teen; Wattled; Wattling and daubing = het bouwen van hutten van gevlochten twijgen en leem.

Waugh, wô.

Waul, wôl, krollen, janken, gillen.

Wave, weiv, subst. golf, baar, golvende lijn op stoffen, moiré-zijde, enz., golving, sein (door wuiven); Wave verb. golven, wapperen, wenken, wuiven, wateren, moireeren: The ship was tossed on (by) the waves = op (door) de golven geslingerd; He waved his hand and motioned me to a chair = hij wuifde met zijne hand; Wave-length = afstand tusschen twee golven; Wave-motion = golvende beweging; Wave-offering = beweegoffer (Levit. VIII, 27); Wave-shell = golving (bij aardbevingen); Wave-worn = door de golven afgesleten of gerond; Waved = gegolfd, gewaterd; Waveless = kalm, rustig, onbewogen, zonder golfslag; Wavelet = golfje, rimpel; Wavelike = golvend.

Waver, weivə, weifelen, aarzelen, waggelen, flikkeren: I waver in my conviction = mijne overtuiging raakt aan het wankelen; Waverer = weifelaar, besluitelooze; Waverous, Wavery = weifelend.

Waverley, weivəli.

Waveson, weivs’n, wrakhout, strandgoed.

Waviness, weivinəs, subst. v. Wavy = golvend, op en neer gaand, gegolfd.

Wax, waks, was, lak; woede; wasachtige afscheiding, oorsmeer, pik; Wax verb. met was bestrijken, wrijven, lakken; wassen, toenemen, grooter worden: As close (tight) as wax = zoo dicht als een pot; He sticks to me like wax = hij hangt aan me als een klit; There is a man of wax = jij bent een beste kerel; A stick of sealing-wax = pijp lak; His eyes are waxing dim = worden dof; Wax-candle = waskaars; Wax-chandler = waskaarsenmaker; Wax-cloth = wasdoek; Wax-doll = wassen pop; Wax(ed)-end = met was bestreken naai- en schoenmakersgaren, pikdraad; Wax-flower = kunstbloem (van was); Wax-light = waskaars; Wax-light coil = ineengedraaide waslont (om lichten aan te steken); Wax-match = waslucifer; Wax-model(l)ing = het maken van figuren of beelden (in was); Wax-taper = waskaars; Wax-tree = pruikenboom; Wax-vesta = waslucifer; Wax-wick = waspit; Waxwork = wassenbeelden, anatomische preparaten v. was: Madame Tussaud’s Waxworks (familiaar: Waxers) = Mevr. T.’s wassenbeeldengalerij; The waxwork room = wassenbeeldenzaal; Waxworker = die in was werkt, bij; Waxed = gewast; Waxen = van was, wasachtig, week als was; Waxiness, subst. v. Waxy = als was, met was, wasachtig, toornig, meegaand; stijf.

Way, wei, subst. weg, voortgang, reis, levensloop, afstand, plan, manier, wijze, opzicht, kijk, spoed of beweegkracht, gebruik, gewoonte, aanloop, middel, vak: He has a way with him = hij heeft zoo iets over zich; Where there is a will there is a way = willen is kunnen; That’s the way = zóó moet het, zoo gaat ie goed; It’s that way, is it? = ah! zit de vork zóó in den steel; That’s the way of wives = zoo doen onze vrouwtjes; It is the other way about (round) = het is juist andersom, omgekeerd; Way in, way out = ingang, uitgang (opschrift op een bordje of plank); He told me so by the way = in ’t voorbijgaan, tusschen haakjes; I send you my photo by way of apology = bij wijze van excuus; That is by way of learning a trade = het is met het doel om; We went there by way of Cologne = via Keulen; It is not the first time by a long way = op lange na de eerste maal niet; For once in a way = bij uitzondering, voor een enkelen keer; You are very much in my way = ge hindert me erg, staat me leelijk in den weg; Take the old home in your way for a wedding-trip = maak uwe huwelijksreis zóó, dat ge ’t oude huis kunt bezoeken; In a general way = over ’t algemeen; The picture is, in a way, finished = in zekeren zin; Have you nothing for me in the way of a parcel? = geen enkel pakje; That is rather out of the way here = dat komt hier niet te pas, hoort hier niet; Will you get out of the way? = wil je maken, dat je weg komt; An out-of-the-way place = afgelegen plaats; I shall be glad to put myself out of the way on your account = mij om uwentwil wat last te getroosten; Such work is out of my way = ligt niet op mijn weg; He was put (got) out of the way = uit den weg geruimd; Keep out of harm’s way = zorg dat u niets kwaads overkomt; He went out of his way to inform me of it = gaf zich heel veel moeite; I won’t go out of my way to benefit you = wil geen moeite doen te uwen behoeve; He lives over the way = hier tegenover; The ship got under way (weigh) = ging anker op; We have enjoyed this right of way for ever so long = het recht om over dit pad te gaan; Ways and means = bronnen van inkomsten: The committee of ways and means has granted the supply = de financieele commissie heeft het crediet toegestaan; Any way he didn’t know what to answer = in elk geval; He is in a bad way = er slecht aan toe; He has got into bad ways (fallen in evil ways) = op ’t verkeerde pad geraakt; You are wrong every way = in alle opzichten; She is in the family way = ze moet bevallen; The village lies half way between the towns = halverwege tusschen; He went London way = den weg naar Londen op; He begged his way back to his native village = ging al bedelende; Clear the way, there! = maak ruim baan; Come this way, sir = kom eens hier, baas(je); Come your way(s) = allo! ga mee; He elbowed his way through the crowd = baande zich een weg door; He got his own way = kreeg zijn zin; He went his way(s) = ging heen, vertrok; He has gone the way of all flesh (of all the earth) = hij is gestorven; His influence goes a long way with the minister = hij heeft veel invloed bij; He will always have his (own) way = zijn zin hebben; Will you lead the way? = vooropgaan; I had lost my way = ik was verdwaald; He is sure to make his way in the world = zal zijn weg wel vinden; At your age you must make (a) way for another = moet ge plaats maken, wijken; We made the best of our way home = maakten dat we zoo gauw mogelijk thuis kwamen; You must take your own way = gij moet zelf weten wat ge doet; He took his way to Antwerp = vertrok naar; interj. (= Away) weg: Way back! = terug; Go (your) way = ga weg! Oh, do way John = Och toe, Jan, houd stil! (Launching) ways = stapelblokken (Scheepst.); Way-bill = geleibrief, factuur, soort van vrachtbrief; lijst van de passagiers (in een diligence) of der goederen (in een vrachtwagen): Express, ordinary, parcel way-bill = lijst van de ijl-, vracht-, bestelgoederen; Way-board = leemader; Way-bread = groote weegbree; Wayfarer = reiziger; Wayfaring = het reizen; Wayfaring-tree = wollige sneeuwbal; Waygoing = vertrekkend, reis—: Waygoing crop = oogst van het land die aan den opvolgenden pachter behoort; Way(z)goose = jaarlijksche maaltijd aan de knechts eener drukkerij in Engel.; Waylay, weilei, weilei, belagen, opwachten (om te bestelen, etc.); Waylayer = belager; Way-leave = recht van overweg of vergoeding voor ’t gebruik; Way-maker = baanbreker, voorlooper; Way-mark = wegwijzer; Way-passenger = onderweg opgenomen passagier (Amer.); Wayside, subst. weg, kant van den weg: Tales of a wayside inn = verhalen in eene herberg aan den weg; Way-station = tusschenstation (Amer.); Way-warden = wegopzichter; Waysore = Way-worn = moe van het reizen.

Wayward = dwars, grillig, eigenzinnig; subst. Waywardness.

Waywode, weiwoud, gouverneur v. stad of provincie (Rusland); Waywode-ship.

We, wî, wij: It is we = wij zijn het.

Weak, wîk, zwak, uitgeput, ziekelijk, niet sterk, broos, onvoldoende, gebrekkig: This coffee is as weak as ditch-water = zoo slap als spoelwater; He is as weak as water in his wife’s hands = als was in de handen van zijne vrouw; That is his weak side and it is there you must take him = dat is zijne zwakke zijde; The weak spot in the scheme = het zwakke punt; In the struggle for life the weakest go to the wall = bezwijken de zwaksten; Weak verbs = zwakke werkwoorden; Weak-eyed = met zwakke oogen; Weak-headed = met gering verstand; Weak-hearted = flauwhartig; Weak-kneed = gemakkelijk bezwijkend, niet vastberaden; Weak-made = zwak gebouwd, onsterk; Weak-minded = zwak, besluiteloos; Weak-sighted = met een zwak gezicht; Weak-spirited = lafhartig, beschroomd; Weaken = verzwakken, verslappen, verdunnen; Weakener; Weakling = zwakkeling, bloed, stumperd, ook adj.; Weakly, adj. en adv. zwak, slapjes; Weakness = zwakheid, slapheid: To have a weakness for = zwak hebben voor.

Weal, wîl, subst. welzijn, geluk, gemeenebest; striem of streep, teeken van striemen; Weal verb. striemen: Weal and woe = wel en wee; The common, general, public weal = het algemeene welzijn of nut.

Wealth, welth, rijkdom, overvloed = Wealthiness; adj. Wealthy = rijk.

Weald, wîld, open boschland: The Weald = zich door Kent en Surrey uitstrekkende vlakte.

Wean, wîn, spenen, afwennen, vervreemden, onttroggelen: She had no desire to wean him from Bessie = aan B. te onttroggelen; Weanling, subst. gespeend kind of jong; adj. pas gespeend.

Weapon, wep’n, wapen, doorn, prikkel: I had no weapon handy but a poker = een pook was het eenige wapen dat ik bij de hand had; “Hands up, weapons down” = handen omhoog, wapens neerleggen! Weaponed = gewapend, toegerust; Weaponless = ongewapend.

Wear, wîə.

Wear, wêə, subst. het dragen of gedragen zijn, dracht, slijtage, mode; Wear verb. dragen, slijten, afslijten, doorbrengen, vernielen, uitputten, wenden of ophalzen (van een schip): The building and its ornaments had suffered much from the wear and tear of time = door den tand des tijds; There is yet a good year’s wear in that coat = die jas kan nog best een jaar gedragen worden; To be very little the worse for wear = nog niet veel versleten; To be all the wear = algemeen gedragen worden; She wears the breeches = heeft de broek aan, is de baas; He wore a look of amazement = keek verbaasd; She carried a mantle to wear it in the night-time = zij had een mantel over den arm, om dien ’s avonds te dragen; You wear your sweet smile to day = hebt uw vriendelijken glimlach; To wear the willow = om de(n) geliefde treuren; Time has worn away most of the inscription = afgesleten; The night wore itself away = ging langzaam voorbij; One way and another the day wears away = op de een of andere manier komen we den dag door; These marks will never wear away = zullen nooit weer uitslijten; The water has worn off the stone = rond gesleten; All his wild pranks will wear off with time = al zijne wilde streken zullen er met den tijd wel uitgaan; Time wore on = ging voorbij; To wear out = afdragen, uitputten, uitmergelen, afmatten, doorbrengen: I was worn (out) with fatigue = kapot van, uitgeput; To wear ill = zich slecht houden; His patience is wearing thin = raakt op; This cloth wears well = houdt zich goed in het dragen; You wear (your age) well = gij houdt u goed voor uw leeftijd; Wearable = geschikt om te dragen; Wearer = drager, wat uitslijt; Wearing: Wearing-apparel = lijfdracht, kleederen.

Weariness, wîrinəs, vermoeidheid; Wearisome = vermoeiend, vervelend; subst. Wearisomeness; Weary, wîri, adj. vermoeid, moede, vermoeiend, bezwaarlijk; Weary verb. vermoeien, moe worden, afmatten, vervelen, hinderen, hunkeren naar (for): I am weary of working = het werken moe; I am weary with working = moe van het werken; I soon wearied of (zelden with) the same succession of fields and houses = spoedig verveelde mij; The soldiers were wearied out = geheel uitgeput; To be wearied out of patience = zijn geduld verliezen.

Weasand, wîz’nd, luchtpijp.

Weasel, wîz’l, wezel: Catch a weasel asleep! = jij zult mij te pakken nemen! Weasel-faced = met een scherp en mager gezicht.

Weather, wedhə, subst. weder of weer; Weather verb. zich goed houden, weerstaan, doorstaan, (laten) verweeren, overwinnen, te loever omzeilen: Fair, fine, settled weather = mooi, bestendig; Foul, Wild weather = slecht, onstuimig; How is the weather? = What is the weather like? = wat voor weer is het; The ship was under a stress of weather = had met hevige stormen te kampen; The weather has been very settled these three weeks = wij hebben de laatste drie weken vast weer; The cold weather at last breaks = ten slotte slaat het weer om; The ship makes good (bad) weather = houdt zich goed (slecht) in een storm; To sing and dance all weathers = de huik naar den wind hangen; Weather and wind permitting = wind en weder dienende; To weather a cape = bovenlangs zeilen; To weather a point = bovenlangs zeilen; winnen trots tegenstand of moeilijkheden; To weather a ship = de loef afsteken; This ship is sure to weather (out) the storm = dit schip zal bepaald den storm doorkomen, zich goed houden in; Weather-anchor = anker aan de windzijde; Weather-beaten = door stormen geteisterd, verweerd: A weather-beaten coast, face = eene door stormen geteisterde kust, verweerd gelaat; Weather-bitten = verweerd; Weather-board, subst. windzijde, plank gespijkerd over de stukpoorten v. een opgelegd schip; rand aan een raam voor het afvloeien v. water (= Weather-boarding); Weather-boarding verb. planken over elkander spijkeren tegen het doordringen van regen, sneeuw, etc.; Weather-bound = door het weer teruggehouden of opgehouden; Weather-box = weerhuisje; Weather-breeder = een mooie dag waarop zich een onweder schijnt samen te pakken; Weather-cloth = verschansingskleed, presenning; Weathercock = weerhaan, wispelturig persoon: She is rather weathercocky = wispelturig; Weather-eye: He keeps his weather-eye open = hij is op zijn hoede, hij weet drommels goed wat hij doet; Weather-fish = modderkruiper; Weather-ga(u)ge, loef, voordeel: To get the weather-gauge of a person = iemand de loef afsteken; Weather-glass = weerglas; Weather-house = weerhuisje; Weather-mo(u)ldings = overhangende lijst (boven deur of venster); Weather-proof = tegen het weer bestand; Weather-prophet = weervoorspeller; Weather-quarter = loefzijde, windkant; Weather-report = weerbericht; Weather-roll = het overhalen van het schip naar loefzijde; Weather-side = loefzijde; Weather-strip = tochtlat; Weather-tide = stroom of tij van uit de lijzijde; Weather-vane = windwijzer; Weather-wise = weerkundig; Weather-worn = verweerd; Weathered = door het weer geteisterd, verweerd; Weathering = verweering; glooiing, afwatering; Weatherly = loefgierig.

Weave, wîv, weven, samenweven, verzinnen, smeden: To weave all pieces on the same loom = alles over één kam scheren; Weaver = wever; Weaver-bird = wever(vogel); draaikever; Weaver-fish = pieterman; Weaver’s shuttle = weversspoeltje; Weaving: Weaving-loom = weefgetouw.

Weazen, wîz’n, verwelkt, verdroogd, mager: A weazen, piping, shrill Hurrah! = een scherp, pieperig, schel Hoera! Weazen-faced = met mager, uitgedroogd gelaat; zie Wizen.

Web, web, subst. weefsel, (spinne)web, baard, groote rol papier, vlies voor het oog, zwemvlies; Web verb. als met een weefsel bedekken; Web-eye = nagelvlies op het oog; Web-foot = zwempoot; Web-footed = met zwempooten; Webbed = met zwemvliezen: Webbed feet; Webbing = geweven banden voor gordels, etc.

Wed, wed, huwen, trouwen, vereenigen, nauw verbinden, samensnoeren: He has been wedded to truth from his infancy = de waarheid is zijne leidsvrouw geweest; Wedding = huwelijksfeest, trouwfeest, bruiloft: It was only a marriage and no wedding, there was no breakfast and no feasting = het was slechts eene huwelijksplechtigheid zonder feestelijkheden, etc.; Silver, golden, diamond wedding = 25-, 50-, 60-jarige bruiloft; Paper, wooden, tin, crystal, china wedding = 1-, 5-, 10-, 15-, 20-jarige bruiloft; Wedding-breakfast = lunch na de huwelijksvoltrekking; Wedding-cake = bruiloftstaart; Wedding-card = huwelijkscommunicatie; Wedding-day = trouwdag; Wedding-dower = huwelijksgift; Wedding-favours = rozetten door de bedienden gedragen; Wedding-feast = huwelijksfeest; Wedding-garment; Wedding-gown; Wedding-ring = trouwring; Wedding-tour, Wedding-trip = huwelijksreis(je).

Wedge, wedž, subst. wig, keg, klomp, staaf; de laatste op de lijst bij het Classical Tripos (het B.A. examen for honours in classieke talen te Cambridge); Wedge verb. met geweld indrijven of inbrengen, met eene wig of wiggen bevestigen, splijten, spouwen: Take care (beware) of the thin (small) end of the wedge = hoed u voor den eersten stap; To wedge one’s way = dringen door; Wedge-bone = wiggebeen; Wedge-inscription = opschrift in spijkerschrift; Wedge-shaped = wigvormig = Wedgewise.

Wedgwood ware, wedžwudwêə, soort aardewerk, genoemd naar den uitvinder Josiah Wedgwood (1730–95).

Wedlock wedlok, huwelijk: Born out of wedlock = buiten huwelijk geboren; To enter upon wedlock = in ’t huwelijk treden.

Wednesbury, wenzb’ri.

Wednesday, wenzdi, Woensdag.

Wee, wî, klein: A wee bit = een klein beetje.

Weed, wîd, subst. onkruid (ook fig.); tabak, sigaar; voor de fokkerij ongeschikt dier, paard dat “volbloed” lijkt, doch niet is; kleed(ing); kleed (meest weeds); Weed verb. wieden, uitroeien, uitrukken: Are you a lover of the weed? = rookt gij graag; Ill weeds grow apace (never wither) = onkruid vergaat niet; She was dressed in her (mourning) weeds = in haar weduwenrouw; Many defects will have to be weeded out first = uitgeroeid; Weed-grown = met onkruid begroeid; Weed(ing)-hook = wiedijzer; Weed-prairie = prairieland met veel wilde bloemen en struiken; Weeder = wieder, werktuig of ijzer om mee te wieden; Weeding: Weeding-shears = wiedschaar; Weeding-tongs (Weeding-forceps) = wiedtang; Weediness, subst. v. Weedy = vol onkruid; lang opgeschoten, slap, waardeloos als fok- en renpaard; sjofel.

Week, wîk, week: Will you come a week from Sunday = Zondag over eene week; Next week, Last week = aanstaande, verleden week; The last week = de laatste week; The next week = de volgende week; Next week or week after = de volgende week of de week daarna; To-day (This day) week = vandaag over acht dagen; Week and week about = om de andere week; Week in, week out = week in, week uit; I’ll call again a week or ten days after this = ik kom over een dag of acht, negen nog wel eens weer aan; A prophetic week = zeven jaren; Weekday = werkdag; Week-end = van Zaterdag tot Maandagmorgen; Weekly, subst. en adj. wekelijksch (tijdschrift); adv. elke week, wekelijks.

Ween, wîn, denken, wanen, meenen.

Weep, wîp, subst. het schreien; Weep verb. schreien, weenen, beweenen, beklagen, druppelen, vochtig zijn: She had a private weep = schreide in haar ééntje; He wept for joy = hij schreide van vreugde; They wept over their losses = schreiden bij (om) hun verlies; Weeper = weener, klager, witte rouwband om den arm, lang rouwfloers aan den hoed, rouwsluier, lange baard (= Weepers); Amer. bruine aap: Drooping whiskers of the kind that used to be called Piccadilly weepers; Weeping: Weeping-ash = treuresch; Weeping-birch = treurberk; Weeping-elm; Weeping-rock = dropsteen; Weeping-spring = sijpelende bron; Weeping-tree = treurboom; Weeping-willow = treurwilg.

Weet, wît, watersnip, riethoen.

Weever, wîvə, pieterman (visch).

Weevil, wîvil, soort snuitkever, kalander, koornworm; Weevilled Weevil(l)y = vol wormen.

Weft, weft, inslag, weefsel.

Weigh, wei, subst. zeker gewicht (van wol ± 82,554 K.G.; van koren ± 1453,946 L.; Zie Wey); Weigh verb. wegen, opheffen, opwegen, toewegen, overwegen, neerbuigen, van gewicht zijn, gelden, schatten, hoogachten: We are getting under weigh at last = eindelijk gaan we anker op, op weg; He was weighed and found wanting = gewogen en te licht bevonden; I have been weighing it carefully = zorgvuldig overwogen; They weighed anchor = zij lichtten het anker; His great responsibility weighed him down = drukte hem; The flour was weighed out to the poor women = toegewogen; That does not weigh (with him) = dat beteekent niets (bij hem); Weigh-bridge = brugbalans; Weighable = weegbaar; Weighage, weiidž = weegloon; waaggeld; Weigher = weger; Weighing: Weighing-house = waag; Weighing-machine = bascule; Weight, subst. gewicht, zwaarte, druk, last, belangrijkheid, invloed; Weight verb. gewicht of zwaarte toevoegen aan, bezwaren: Brute, Gross weight = bruto gewicht; Dead weight = zware last, onnutte last, eigen gewicht (van vat, etc.); Net weight = netto gewicht; Set of weights = stel; He is a person of some weight = beteekent vrij wat, heeft invloed of aanzien; The jovial light weight became a serious man = het vroolijke zieltje-zonder-zorg; You have given me short weight = gij hebt mij te weinig gewicht gegeven; That has no weight with me = weegt niet bij mij; It has a special weight just now = is thans van bijzonder gewicht; This book is worth its weight in gold = is zijn gewicht in goud waard; To carry great weight = van veel gewicht zijn; This I give you only to make weight = om het gewicht vol te maken; To pull up the weights of the clock; His mind must not be weighted with all that stuff = niet bezwaard worden; His words were weighted with the sorrow of parting = waren droevig door; Weightiness, subst. v. Weighty = gewichtig, zwaar, belangrijk, overtuigend, drukkend.

Weir, wîə, waterkeering of dam, omheining van palen of netten in eene rivier om visch te vangen.

Weird, wîəd, onheilspellend, akelig, somber, bovenaardsch; subst. noodlot, voorspelling, betoovering: Weird Sisters = schikgodinnen; (= Weirds); To dree one’s weird = zich in zijn lot schikken (Schotl.).

Welch, welš, bedriegen, er van door gaan met de ingezette weddingschappen; Welcher.

Welcome, welk’m, subst. welkom, vriendelijke ontvangst; adj. welkom; Welcome verb. verwelkomen: Most welcome home = hartelijk welkom thuis; And welcome = en van harte; You are quite welcome to it = het is tot je dienst, je moogt het gerust aannemen; You are welcome to go = gij kunt om mij wel gaan; He might have died and welcome = om mijn part was hij doodgegaan; To bid welcome = welkom heeten; He made us welcome = hij bereidde ons eene vriendelijke ontvangst; To outstay one’s welcome = langer blijven dan den gastheer aangenaam is; Welcomer = die verwelkomt of vriendelijk ontvangt.

Weld, weld, subst. wouw of verf-reseda; het wellen (v. metalen); Weld verb. wellen, nauw verbinden: His statements are not thrown together, but properly welded = maar zitten behoorlijk in elkaar; Weldable = wat geweld kan worden; Welder = wie welt; A welding heat came from the furnace = eene verschrikkelijke hitte; Welding-furnace.

Welfare, welfêə, welvaart, voorspoed.

Welkin, welkin, hemelgewelf, zwerk.

Well, wel, subst. wel, put, bron, ijskelder (fig.), trappenhuis, advocatenbank in de rechtszaal, wagenbak, bun of vischkaar; Well verb. opwellen, ontspringen, vloeien: The well of a carriage = flesschenkeldertje van een wagen; The well of an orchestra = zitplaats (in een theater) voor het orkest; She is at the wells = gebruikt de wateren; Tears would well (up) into her eyes = welden dan op in hare oogen; The welling tears suffused her eyes = de opwellende tranen; Well-boat = visschersschuit met bun; Well-deck = deel van het dek tusschen bak en groote hut; Well-drain = draineerbuis; Well-drain verb. draineeren; Well-head = bron, oorsprong, bronwel; Well-hole = ruimte voor ascenseur of wenteltrap; Well-room = drinkvertrek (van geneeskrachtige wateren), hoosgat; Well-sinker = putgraver, -boorder; Well-spring = bron; Well-staircase = wenteltrap; Well-sweep = lange stok om water te putten; Well-water = wel- of bronwater.

Well, wel, adj. wel, juist, goed, gezond; adv. goed, wel, gezond, gelukkig, geheel en al, ten volle: I am very well = ik ben heel goed; I am well with that family = op goeden voet; It is well with = staat goed met; Where it is well with me, there is my country = waar het mij goed gaat; That’s well = in orde; It is all very well for B. to talk of burning the books = B. kan wel zeggen, dat..; It is always well to look ahead = het is altijd goed om; When the old die, it is well, they have had their time = is het maar goed; Ah, life is delicious; Well to live long! hoe heerlijk is het; The well and the ailing = gezonden; Well, I never = heb ik ooit van m’n leven! Well! = welnu! Hoe staat het? etc.; Well done = Bravo! All’s well that ends well = eind goed al goed; Leave well alone = het betere is de vijand van het goede, begeer niet het onderste uit de kan; You had as well stay at home = ge deedt net zoo goed; He is virtuous as well as rich = zoowel... als; You may well say so = dat zegt gij wél; All well and good = alles goed en wel; If you have some better engagement well and good = enfin, dan is het niet anders; He was sitting well back in his arm-chair = flink, ver achterover; The servant is well enough, but = vrij goed; The clergy are well to the fore in this novel = spelen eene eerste rol; He is well nigh sixty = welhaast; To be well-off = goed “af” zijn, het goed hebben; To be well-off for = goed voorzien van; At six we were well on our way = een heel eind op weg; We are well on in July = een groot deel van Juli is al om; To be well out of = gelukkig af zijn van; Before he was well out of the room = goed en wel de kamer uit was; Well-a-day = helaas! Well-advised = goed geraden, welonderricht; Well-affected = genegen, welgezind; Well-appointed = volledig uitgerust, keurig ingericht; Well-authenticated = door goede autoriteit gestaafd; Well-balanced = evenredig, gelijkmatig; Well-behaved = van goed gedrag, fatsoenlijk; Well-being = welzijn; Well-beloved = veelgeliefd, dierbaar; Well-born = van goede geboorte; Well-bred = beschaafd, welopgevoed, van goede afstamming; Well-chosen = juist gekozen; Well-conditioned = in goeden staat; Well-content(ed) = gelukkig, tevreden; Well-derived = van goede afkomst; Well-deserving = verdienstelijk; Well-disposed = welgezind; Well-doing = plichtsbetrachting, rechtschapenheid; Well-dressed; Well-educated; Well-favoured = knap uitziend; Well-fed; Well-founded = op goede gronden steunend; Well-informed = goed op de hoogte; Well-knit = krachtig gebouwd, wat goed in elkaar zit; Well-known = (wel)bekend; Well-lined = goed gevoed, flink gespekt (fig.); Well-mannered = van goede manieren, welgemanierd; Well-meaning = welmeenend, goedig; ook subst.; Well-meant = oprecht, hartelijk; Well-met = heil, welkom; Wellnigh = bijna; Well-paid = goed betaald; Well-proportioned = goed geëvenredigd; Well-read = belezen; Well-refined = hoogst beschaafd; Well-remembered = welbekend; Well-reputed = te goeder naam bekend, beroemd; Well-seasoned = goed gekruid, goed gedroogd (hout): An army of well-seasoned soldiers = beproefde soldaten; Well-set = goed geplaatst, gespierd, krachtig gebouwd; Well-spoken = vriendelijk; Well-thumbed = beduimeld, veel gelezen; Well-timed = tijdig; Well-to-do = welgesteld: The well-to-do = de gegoede burgerstand; Well-wisher = wie een ander het goede toewenscht of het goed met hem meent; Well-won = eerlijk verdiend; Well-worn = afgedragen, versleten, druk betreden.

Wellesley, welzli; Wellington, weliŋt’n: Wellington (boot) = laars met lange schacht.

Welsh, welš, subst. en adj. (taal of bewoners) van Wales: Welsh-flannel = fijne soort v. flanel; Welshman = inwoner van Wallis; Welsh-rabbit, Welsh-rarebit, Zie Rabbit; Welsh-wig = kalotje (van wol of sajet); Welshwoman.

Welsh, welš, zie Welch(er).

Welt, welt, subst. boordsel, reepje leer tusschen bovenleer en zool; striem, buil, houw, slag; Welt verb. boorden, afzetten, ranselen, verwelken, slap (kleverig) worden: Shoes worn to the welt = totaal afgedragen.

Welter, weltə, subst. rollen (der golven), verwarring, poel; Welter verb. zich wentelen, rollen, baden; Welter-race = rennen met de zwaarste belasting; Welter-weight = zware belasting, zwaar gewicht (worstelen).

Wemyss, wîmz.

Wen, wen, wen, uitwas.

Wench, wenš, jong meisje of jonge vrouw, negerin (Amer.); meid, boel; Wench verb. boeleeren; Wencher = boeleerder.

Wend, wend, gaan, zich begeven naar: We wended our way to the town = begaven ons.

Wend, wend; Wendic; Wendish, subst. en adj. (taal) van de Wenden.

Went, went, imperf. van to go.

Wentletrap, went’ltrap, wenteltrap (slak).

Wept, wept, imperf. en p.p. van to weep.

Were, wɐ̂, wêə, imperf. van to be.

We’re, wîə = we are.

Wer(e)gild, wɐ̂gild, weergeld.

Wer(e)wolf, wɐ̂wulf, weerwolf.

Wert, wɐ̂t, 2e pers. sing. imp. van to be.

Wesley, wezli, Wesley: Wesleyan, subst. en adj. (lid van de secte) door W. gesticht; Wesleyanism.

West, west, subst. Westen; adj westelijk; adv. ten westen, naar het westen: The West End = Westeinde, aristocratische wijk in Londen; A West-ender = bewoner van ’t Westeinde; West India; West Indian; The West Indies; To the West of the city = ten westen van de stad; Westering = afstand naar het westen, westelijke koers; Westerly = westelijk; Western = westersch, westelijk: The Western Empire = het Westersch-Romeinsche rijk; Westernmost = het meest naar het Westen gelegen. Zie Westward.

Westmeath, westmîdh; Westminster, wes(t)minstə; Westmor(e)land, wes(t)möland; Westphalia, westfeiljə, Westfalen; Westphalian, subst. en adj. (bewoner) van W.

Westward, westwəd, naar het Westen, westwaartsch; Westwards = ten westen, westwaarts.

Wet, wet, subst. vocht, nat, vochtig weer, regen, slokje, “hapje”; adj. nat, vochtig, regenachtig, miezerig, beneveld; Wet verb. bevochtigen, nat maken, weeken, doorweeken, dronken maken: Have a wet = neem een “hapje”; Something to keep the wet out = een hapje tegen de vochtigheid van ’t weer; I am wet through = doornat; Her face was wet with tears = nat van tranen; A very wet jew = een echte “spekjood”; To have a wet night of it = flink drinken; At eleven o’clock sharp, wet or fine = bij regen of mooi weer; Wet the other eye! = op één been kan men niet loopen; He is a wet-blanket = hij is een spelbederver; He is a wet-bob = jongen (te Eton) die aan watersport doet; Wet-dock = drijvend dok; Wet-nurse = min; Wet-pack = natte omslag; Wet-shod = met lekke schoenen; Wetness = natheid; To get a wetting = nat regenen; Wettish = nattig, eenigszins vochtig.

Wether, wedhə, hamel: Bell-wether = belhamel (ook fig.).

Wetteravia, wetəreivjə, Wetterau.

Wey, wei, zekere maat (zie Weigh).

Weymouth, weiməth.

Whack, wak, subst. slag, opstopper, handslag, aandeel in den buit, poging; Whack verb. ranselen, verdeelen, betalen; interj. pats! To go whacks = gelijk op deelen; He has had his whack = zijn deel gehad, genoten; Say the word and it is a whack = en de koop is gesloten; To take a whack at = eens probeeren; Out of whack = in wanorde; Justice was not fairly whacked out = toebedeeld; Whacker = infame leugen; Whacking = kolossaal.

Whale, weil, walvisch: Your story is very like a whale = uw verhaal is heel onwaarschijnlijk, niet te gelooven; Whale-bird = soort stormvogel; Whale-boat = walvischsloep; Whale-bone = balein; Whale-fin = balein; Whale-fishery = walvischvangst; Whale-hunting = walvischvaart; Whale-louse = parasiet van den walvisch; Whale-man = walvischvaarder; Whale-oil = walvischtraan; Whale-ship = Groenlandsvaarder; Whaler = walvischvaarder; iets groots of plomps; Whaling: Whaling-master, kapitein van een Whale-ship.

Whall, wôl, glasoog (Z. Wall).

Whalley, woli.

Whame, weim, horsel = Whame-fly.

Whang, waŋ, subst. leeren riem, geesel, slag, bons, stuk of snede; Whang verb. ranselen, geeselen.

Whap, wop; Zie Whop.

Wharf, wöf, subst. werf, kaai; Wharf verb. lossen, vertuien; Wharfage, wöfidž, kaaigeld, (= Wharf-charges), werven, ankerplaats; Wharf-porter = sjouwerman; Wharfing = werven in ’t algemeen, los- of ligplaats; Wharfinger, wöfinžə, kaaimeester.

Wharton, wöt’n.

What, wot, wat, wat voor, welk, hetgeen, hoe, zulks, deels: What day of the month is to-day? = de hoeveelste is het vandaag; What is the game? = hoe staat de partij; What is your name? = hoe heet ge; What is the (best) news = wat voor nieuws is er; What is the time (of day), what time is it? = hoe laat is het; What is up there? = wat is daar aan de hand; What do you call that? = hoe noemt ge dat? Mr. What-do-you-call-him = Meneer van der Hummes; What money have you got? = hoeveel geld heb je; He gave away what money he had = al het geld; I will tell you what = ik zal je eens wat zeggen; What ho! = hei daar! What next? = en dan; What of that = wat doet dat er toe; What then? = wat zou dat; What matter if they are = en wat doet het er toe of ...; What nonsense = wat een onzin; It won’t do to get into a groove, What? = niet waar? What about him? = hoe gaat het hem; He got what for = kreeg er van; What if he comes = wat zullen we doen zoo hij komt, als hij nu eens komt; What (care) though I am but poor? = wat hindert het; What though he comes = aangenomen (wat hindert het); What between ... and = deels door ... deels door = What with ... what with; He called me fool and what not = en wat al niet; He knows what is what = hij heeft zijn weetje wel; Whate’er, Whatever, Whatsoever = al wat, wat ook, hoedanig ook: Whatever is that on your head? = wat drommel heb je toch op je hoofd; Nobody whatever = niemand wie ook; Whatlike = van welken aard.

Whatnot, wotnot, étagère.

Whaup, wôp, wulp.

Wheal, wîl, puistje, striem; mijn.

Wheat, wît, tarwe: Bearded wheat = spelt; Wheatear = tapuit (vogel); Wheat-ear = tarweaar; Wheat-moth, (Wheat-worm) = korenworm; Wheaten = van tarwe: Wheaten bread = tarwebrood.

Wheedle, wîd’l, flikflooien, vleien, bepraten: He wheedled me out of 5 pounds, wheedled me into lending him that sum = hij kreeg er mij door mooie praatjes toe, hem vijf pond te geven, leenen; He could wheedle the tire off a cart-wheel (He could wheedle a horse’s hind leg off) = hij kon je het hemd van ’t lijf bedelen; Wheedler = vleier, flikflooier.

Wheel, wîl, subst. wiel, rad, stuurrad, rijwiel, vuurrad, rad van fortuin, cirkelgang, zwenking, schijf; Wheel verb. wentelen, ronddraaien, op raderen vervoeren, in een cirkel bewegen, van raderen voorzien, om eene as draaien, wenden, kruien, zwenken, (wiel)rijden: He was broken upon the wheel = werd geradbraakt; To grease the wheels (fig.) = de hand stoppen; To help the wheel over = over het doode punt heen helpen; To put one’s shoulder to the wheel = flink aanpakken; He put a spoke in your wheel = hij heeft u een spaak in ’t wiel gestoken, in de wielen gereden; I feel myself to be a fifth wheel to the coach = dat ik het vijfde rad aan den wagen ben; Wheels within wheels = gecompliceerd plan, onduidelijke motieven; We were wheeling along at a fast rate = snorden voort; Wheel it back = rol het achteruit; Wheel-animals, Wheel-animalcules = raderdiertjes; Wheelbarrow = kruiwagen; Wheel-boat = raderboot; Wheel-carriage = voertuig op wielen; Wheel-chair = rolstoel; Wheel-cutter = radsnijder; Wheel-drag = remschoen; Wheel-horse = Wheeler; Wheelman = roerganger, wielrijder; Wheel-shaped = radvormig; Wheel-steamer = raderboot; Wheel-window = rozet; Wheelwoman = wielrijdster; Wheelwork = raderwerk; Wheelwright = wagenmaker; Wheeled = op of met wielen, per as; Wheeler = wieldraaier, radermaker, wielrijder, disselpaard: The leaders and the wheelers = de voorste en de achterste paarden van een vierspan.

Wheeze, wîz, snuiven, zwaar ademhalen, hijgen; subst. snuiven; aardigheid; snufje: To crack a wheeze = een mop tappen; A new wheeze = een nieuw snufje; Wheezy = snuivend, hijgend, aamborstig.

Whelk, welk, puistje, striem; wulk (schelpd.).

Whelm, welm, overstelpen, indompelen, bedekken, verpletteren, vernietigen.

Whelp, welp, subst. jonge hond, welp, zoon, jonge man, guit; Whelp verb. jongen werpen: Bitch in whelp = drachtige; Whelpless.

When, wen, wanneer, toen, als: At the very time when he told me this = juist toen hij; Even when you told me so = juist toen; Since when? = sedert wanneer; Since when = sedert welken tijd; When due = op vervaltijd; When received = na ontvangst; When young = in mijn jeugd; Whenas = wanneer, terwijl; Whence = vanwaar, waaruit; Whencesoever = waar ook vandaan; Whenever (Whene’er) = wanneer ook, telkens wanneer = Whensoever.

Where, wêə, waar, waarheen, alwaar: Where are you going? = waar gaat ge naar toe; I don’t know whereall he is going = waar hij al ... heengaat; Where-about(s), adv. nabij welke plaats, waar ongeveer; subst. verblijfplaats, woonplaats, adres: We discovered the where-abouts of the missing lady = waar de vermiste dame was; I sent him to the where-about(s) = heb hem de laan uitgestuurd; Whereas = terwijl, daarentegen, aangezien, nademaal; Whereat = waarop; Whereby = waardoor, waarbij; Wherefore = waarom, met welk doel, zoodat; Wherein = waarin; Whereinto = waarin; Whereness = plaats waar zich iets bevindt; Whereof = waarvan; Whereon = waarop (= Whereupon); Wheresoever = waar dan ook; Whereto, Whereunto = waarheen, waartoe, met welk doel; Wherever, wêrevə, waar ook; Wherewith = waarmede; Wherewithal = waarmee; subst. middel (v. bestaan): He has not got the wherewithal to live = heeft geen middel van bestaan.

Wherry, weri, soort roeiboot, veerboot; soort cider; Wherry-man = veerman.

Whet, wet, scherp maken, wetten, prikkelen, opwekken (v. eetlust, etc.); Whet-slate = oliesteen = Whet-stone-slate; Whet-stone = wetsteen, slijpsteen; Whetter = slijper, slijpsteen.

Whether, wedhə, pron. welke van twee; coni. hetzij, of: Whether he come or go = hetzij hij kome of ga; Whether or no(t) = al of niet.

Whew, wjû, Poeh! Bah! Foei!

Whewell, wjû’l.

Whey, wei: Whey-cure; Whey-tub = weivat; Wheyey = Wheyish = weiachtig.

Which, witš, welk, hetwelk, die of dat, welke: Which is yours? = welke (van deze) is van u; He knows which is which = kent ze uit elkaar, hij weet er alles van; Added to which = waar nog bij komt; Whichever, Whichsoever = welke ook.

Whiff, wif, subst. haal, trekje, ademtocht, haastige blik, soort van lichte roeiboot, soort scharretong; Whiff verb. dampen, uitblazen v. rook: He got a whiff of the nice dish = kreeg in den neus; I will take a whiff or two = een paar trekjes doen.

Whiffle, wif’l, subst. fluitje; Whiffle verb. met rukken waaien, fluiten, telkens veranderen, uitvluchten maken, wegblazen, doen weifelen; Whiffle-tree = zwengelhout.

Whig, wig, subst. Whig, liberaal (van de oude school); adj. van de partij der Whigs; Whiggery = beginselen der Whigs = Whiggism; adj. Whiggish: subst. Whiggishness.

Whigging, wigiŋ: To give a person a whigging = afranselen, een schrobbeering geven.

While, wail, subst. tijd, tijdruimte, wijl, poos; While verb. verdrijven, korten; coni. terwijl, zoolang; Whiles = soms; The while = ondertusschen; In the meanwhile = middelerwijl; Quite a while = een tijd lang; A good (little) while ago = een heele poos (een poosje) geleden; It is hardly worth (your) while to look at = haast de moeite niet waard (dat gij ...); He visits us between whiles = zoo nu en dan; Listen for a while = een oogenblikje; I see your name in the papers once in a while = zoo nu en dan; She has got money to invest every once in a while (Am.) = telkens; Not yet a while = vooreerst niet; I have whiled away my time in reading this book = mijn tijd gezellig doorgebracht met; Whilere, wailêə = Whilom, wail’m, wailoum, voorheen, vroeger; Whilst = terwijl: The whilst = ondertusschen.

Whim, wim, gril, kuur; windas, soort kaapstander, mijn: She is full of whims = vol kuren.

Whimbrel, wimbr’l, regenwulp of kleine wulp.

Whimper, wimpə, subst. gegrien, geteem; Whimper verb. grienen, teemen: Without a whimper = zonder een kik te geven.

Whimsical, wimzik’l, grillig; Whimsicality = grilligheid = Whimsicalness; Whimsy = gril; adj. grillig.

Whin, win, gaspeldoorn; basalt (= Whin-stone); Whin-berry = blauwe boschbes; Red Whin-berry = roode boschbes; Whinchat = kleine walduiker; Whinny = vol gaspeldoorns; vol basalt, basaltachtig. Zie Whinny.

Whine, wain, subst. gejammer, gekerm, geteem; Whine verb. jammeren, kermen, teemen; Whiner; In a whiney-piney voice = jankerig.

Whinny, wini, subst. gehinnik, gebriesch; Whinny verb. brieschen, hinniken. Zie Whin.

Whip, wip, subst. zweep, geesel, koetsier, wipper (talie), lijn, wiek van een molen; overhandsche naad, soort stroomsluiter (electr.), schuim, pikeur, agenda door den Whip (= Whipper-in) gezonden; Whip verb. snel bewegen, snellen, wippen, springen, het snoer uitwerpen, hengelen in, afvisschen, overhands naaien, wikkelen, gappen, knuppelen, takelen, geeselen (ook fig.), zweepen, tot schuim slaan of kloppen: He is a passable whip = vrij goed voerman; He rode to it whip and spur = spoorslags; Crack (Smack) went the whips = de zweepen klapten; To crack (smack) a whip = doen knallen; To whip a custard = vlade klaarmaken, kloppen; Do you want me to help you to whip the devil round the stump? = dat ik u zou helpen knoeien en bedriegen; We have whipped this part of the stream = afgevischt; It was whipped about (around) with brown paper = gewikkeld in; He whipped it from us = gapte het van ons; He whipped his head into the window = stak plotseling zijn hoofd naar binnen; The tooth was whipped out in less than no time = werd er uitgewipt; They whipped up the cherries = gapten weg; Whipped cream = slagroom; Whipped eggs = tot schuim geklopt eiwit; Whip-cord = zweepkoord, snaar; Whip-hand = rechterhand, voordeel, meerderheid: He did not frequently venture to take the whip-hand of her = haar den boel uit de hand te nemen; As you have the whip-hand of me, you may be as humorous as you please = daar je me in je macht hebt; Whip-handle: To have (keep) the whip-handle = het heft in handen hebben (houden); Whip-lash = het slag v. eene zweep; Whip-saw = trekzaag; Whip-staff = helmhout; Whip-stitch = overhands naaien, innaaien, ondiep ploegen; subst. overhandsche steek; Whip-stock = zweepstok; Whipper (Whipster) = geeselaar, zweeper, werkman, die de wipper bedient; Whip-in = pikeur, leider der honden bij een vossenjacht; invloedrijk parlementslid, dat o.a. zorgt dat zijne partij bij eene belangrijke stemming tegenwoordig is en aan wien in ’t algemeen de partijdiscipline is toevertrouwd; Whip-snapper = kereltje, nietig ventje; Whipping: Whip-post = geeselpaal; Whip-top = drijftol.

Whipple-tree, wip’ltrî = Whiffle-tree.

Whip-poor-will, wipûwil, soort geitenmelker.

Whir, wɐ̂, subst. gesnor, gegons (v. opvliegende vogels); Whir verb. snorren, gonzend of ruischend opvliegen; interj. rrrr!

Whirl, wɐ̂l, subst. warreling, draaikolk, snorren, kronkeling, krans; Whirl verb. snel ronddraaien, in snellen draai medevoeren, dwarrelen, snorren: They were whirled away = snorden weg; We were quickly whirled back to D. = snorden terug; Whirlpool = maalstroom, draaikolk; Whirlwind = wervelwind: She was in a whirlwind of passion = werd voortgesleurd door haren hartstocht; Whirlwindish activity = onstuimige; Whirler = wie of wat ronddraait; Whirligig, wɐ̂ligig, draaitol, warreling, draaimolen, draaikever: The whirl of time = het snelle vlieden van den tijd; Whirl-ventilator = ventilatierad.

Whish, wiš, sissen, suizen, suizend voortsnellen; interj. Sst.

Whisk, wisk, subst. boschje gras (stroo of haar), kleine borstel of bezem, eierklopper, veeg, slag (van een zweepkoord), windstoot; Whisk verb. snel vegen of borstelen, kloppen, rondsnorren, zich snel bewegen: To whisk along = voortsnellen; To whisk away = wegvegen, snel afdoen, snel wegnemen, wegwippen; To whisk down = snel afrukken; To whisk off = snel wegvegen, afrukken; He whisked with his pocket-handkerchief at a fly = sloeg met.

Whisker(s), wiskə(z), bakkebaard(en), snor (van katten, enz.); Whiskered = met bakkebaarden.

Whisket, wiskət, mand, korf; kleine draaibank.

Whisk(e)y, wiski, korenbrandewijn of whisky; sjees voor één paard.

Whisp, wisp. Zie Wisp.

Whisper, wispə, subst. gefluister, geruisch, wenk; Whisper verb. fluisteren, ruischen, suizen, influisteren: To give the whisper = een wenk (tip) geven (sport.); In a whisper = fluisterend; In a pig’s whisper, Zie Pig; The elder boy whispered the girl = fluisterde het meisje iets in; He whispered it in my ear = fluisterde het mij in ’t oor; Whisperer = fluisteraar, oorblazer; Whispering: Whispering-gallery (Whispering-dome) = fluistergaanderij of -gewelf.

Whist, wist, subst. zeker kaartspel; interj. St! Stil: Hold your whist, Sir! = je mond; Whist-drive = whistpartij (vaak om prijzen).

Whistle, wis’l, subst. gefluit, fluitje, keel; Whistle verb. fluiten, gieren, schel geluid voortbrengen: It is not worth the whistle = niet noemenswaard; Not to care a penny whistle for = geen lor geven om; You pay (too) dear for your whistle = betaalt uwe liefhebberijen duur; I’ll wet my whistle first = ik moet eerst mijn keel eens smeren; He can whistle back the parrot’s call = precies nadoen; She whistled her lover down the wind = wou niet meer van hem weten; With this experience everything he had ever cared for was whistled down the wind = voor goed voorbij, verdwenen; You may whistle for it = ge kunt ernaar fluiten; He has been whistling for a wind = hij heeft door fluiten eene bries trachten te krijgen (matrozenbijgeloof); The train was whistled off = op het fluitje werd het sein tot vertrek gegeven; Whistler = fluiter, aamborstig paard; houder van een geheimen drankwinkel = Whistling-shop.

Whit, wit, zier, jota, weinigje: Not a whit = in geenen deele; Every whit = in elk opzicht.

Whitaker, witəkə.

White, wait, subst. het wit, witte kleur, blanke, mikpunt, eiwit, oogwit; adj. wit, rein, lief, zuiver, blank, vlekkeloos; White verb. pleisteren: She was dressed in white = in het wit; To hit the white = in de roos schieten; He showed the whites of his eyes = het wit; If eggs are boiled too lightly the white does not set = stolt het eiwit niet; Whites = fijn tarwemeel, witte goederen; witte vloed; White ant = termiet; White bear = ijsbeer; White clover = witte klaver; White corn (crop) = tarwe, rogge, gerst of haver; It was a white day for you (a day to be marked with a white stone) = geluksdag voor u; He showed the white feather = hij gaf blijk van lafhartigheid; White Friars = Karmelieten; White frost = rijm; White gold = platina; White goods = witte goederen; At a white heat = witgloeiend (ook fig.); White herring = groene haring, pekelharing; White iron = ruw ijzer, blik; Whiteland = leembodem; It was the whitest of white lies = het onschuldigste van alle noodleugentjes; White money = zilvergeld; White nights = slapelooze; White rent = belasting van acht stuiver (aan den Hertog van Cornwall) in Devon en Cornwall; belasting in zilver; White rope = ongeteerd touw; White sale = verkoop v. White goods; White Sea; You are as white as a sheet = als een doek; To get (turn) white = bleek worden; Whited sepulchres = gepleisterde graven; Whitebait = witvisch; White beam = witte lijsterbes; White-beard = oude man; White-blaze = bles; Whiteboy = lid van een geheim genootschap tegen de landheeren (Ierland 1761); White-ear = tapuit, witstaart; White-face = bles (paard); Whitefish = houting, adelvisch; White-foot = (paard met) witte plek (op den poot); White-handed = met blanke, reine (onbezoedelde) handen; White-headed = met grijze haren; White-lead = loodwit; White-limed = gewit; White-livered = lafhartig; White-meat = melkspijzen; wit vleesch; White-paint = loodwitverf; White-pot = pudding van melk, brood, eieren, suiker, enz.; White-smith = tinsmid; White-stocking = groote witte vlek op den poot v. een paard; Whitetail = White-ear; White-thorn = hagedoorn, meidoorn; White-throat = grasmusch; Whitewash, subst. witkalk, witsel; Whitewash verb. witten, reinigen, den goeden naam teruggeven, homologeeren: To give a room a whitewash; To whitewash a man’s misconducts = misdragingen vergoelijken; Whitewasher = witter; Whitewood = boomen met wit hout; Whiten = wit maken, bleeken, bleek of wit worden; Whitener = bleeker, bleekwater; Whiteness = witheid, bleekheid, reinheid, onschuld.

Whitechapel, wait-tšap’l; Whitefield, waitfîld; Whitehall, waithôl.

Whitey, waiti, witachtig.

Whither, widher, werwaarts, waarheen: Whithersoever he goes = waarheen hij ook gaat.

Whiting, waitiŋ, fijngemalen kalk, witkalk; wijting (soort v. visch).

Whitleather, witledhə, wit leder.

Whitlow, witlou, fijt; klauwzeer (schapen).

Whitmonday, witm’ndei, witmɐndi, Pinkstermaandag; Whitsunday, wits’ndei, witsɐndi, Pinksterzondag; Whittuesday = Pinkster drie; Whitsun, wits’n = pinkster - -, Pinksteren; Whitsuntide, wits’ntaid, (de drie) Pinkster(dagen); Whitsunweek = Pinksterweek.

Whittle, wit’l, subst. mes; wollen mantel; Whittle verb. snijden, scherp maken, bestrijden, besnoeien, verkorten: The radicals want to whittle down Parliament till nothing remains but the House of Commons = het Parlement te besnoeien.

Whiz, wiz, subst. snorrend of gonzend geluid; Whiz verb. snorren (van kogel of pijl): Whizzing temples = bonzende (kloppende) slapen.

Who, hû, wie, die: “She is Miss le Marchant.” Miss le Who? = juffrouw le “wàt”? Who goes there? = werda! Whoever = alwie = Whosoever.

Whoa, wou(ə) ho! (tegen paarden).

Whole, houl, subst. het geheel; adj. geheel, gezond, ongeschonden: (Up)on the whole = alles wel beschouwd, over het geheel; Take the whole of it = neem alles maar; Whole and sound = frisch en gezond; My whole duty = volle, volledige; Whole milk = volle melk; The whole town = de geheele stad; The whole truth = de volle waarheid; To make whole = repareeren; Whole-blood = afstammend in rechte lijn; Whole-hogger = iemand, die niet van halve maatregelen houdt; Whole-hoofed = éénhoevig; Whole-length = van het eene einde naar het andere in de volle lengte: Whole-length picture = ten voeten uit; Whole-note = heele noot; Wholeness = ongeschondenheid; Wholesale = groothandel, engros zaak: By wholesale = engros; zonder onderscheid, in ’t algemeen; adj. in ’t groot handelend, goedkoop, zonder onderscheid te maken; Wholesale business = engros zaak; Wholesale cost (price), Wholesale merchant; Wines wholesale and retail = in ’t groot en klein; They were killed wholesale = bij massa’s; To sell wholesale; Wholesaler; Wholesome = gezond, heilzaam: Wholesome morals = gezonde zedelijkheid of zeden; Wholesome teeth = gave tanden; subst. Wholesomeness = gezondheid, heilzaamheid; Wholly, houli, geheel en al, volkomen.

Whom, hûm, wien, dien, dat: Whomsoever = wien ook.

Whoop, hûp, luid schreeuwen, naschreeuwen, uitjouwen; subst. geschreeuw, gekras; interj. hu! Whoop of battle = krijgsgeschreeuw; Whooping-cough, hûpiŋkof, kinkhoest.

Whoot, hût; Zie Hoot.

Whop, wop, slaan, ranselen; subst. slag; Whopper = iets kolossaals, groote leugen: That’s a whopper = dat is een leugen alsof het gedrukt was; Whopping, subst. pak ransel; adj. kolossaal: A whopping lie.

Whore, hö, hoer; Whore verb. hoereeren, afgoderij bedrijven; Whore-master = Whore-monger = hoereerder; Whoredom = hoerdom, afgoderij; adj. Whorish: subst. Whoreness.

Whorl, wɐ̂l, haspel, winding van eene schelp: Whorled = gedraaid of gekronkeld.

Whortle, wɐ̂t’l, blauwe boschbes = Whortleberry.

Whose, hûz, wiens, welker, welks, wier; Whosesoever = van wien ook; Whoso = al wie = Whosoever.

Whur, wɐ̂, subst. gonzend of snorrend geluid, draai, haast; Whur verb. gonzen, snorren, knorren, de letter r ratelend uitspreken.

Why, wai, subst. het waarom; adv. waartoe, waarom? interj. wel! That is why = deswege; I wish to know the why and the wherefore = het waarom en waartoe; It’s not yours to reason why = de reden te vragen; Whyso = waarom? Why, I never saw such a fool = wel, wel! ik heb nooit zoo’n dwaas gezien; Why, there is enough left = daar is toch genoeg over, niet waar?

Whydah, widə.

Wick, wik, pit (v. lamp of kaars); bocht, baai: To turn up the wick; Wick-yarn = lampenkatoen; Wicking = los katoen voor het maken van Wicks.

Wicked, wikid, slecht, zondig, goddeloos, onzedelijk, ondeugend, snaaksch; subst. Wickedness.

Wicken(-tree), wik’n(trî), gewone lijsterbes.

Wicker, wikə, subst. rijs, teen, wilgentakje, mandewerk; adj. van teenen of twijgjes (= Wickered); Wicker-basket = teenenmand; Wicker-bottle = mandflesch; Wicker-chair = rieten stoel; Wicker-cradle = mandewieg; Wickerwork.

Wicket, wikət, deurtje, poortje, kijkgat, schuif, de drie in den grond geslagen paaltjes met een dwarspaaltje er op (v. cricket); Wicket-keeper.

Wiclif(fe), wiklif.

Wide, waid, breed, wijd, ruim, uitgestrekt, veelomvattend, ver van (met of): A wide answer = verkeerd; His glory resounded far and wide = heinde en ver; Your answer is (not) wide of the mark = geheel en al mis (niet zoo ver mis); Wide of the truth = geheel bezijden; The door is wide open; Wide-awake, subst. slappe, lage vilten hoed met breeden rand; rand; adj. goed of klaar wakker, bij-de-hand, klaar, gevat; Wide-quoted = waarvan de noteeringen sterk uiteenloopen; Wide-skirted = met breede randen, uitgestrekt; Wide-spread = heinde en ver verspreid; The agreement was very widely drawn = omvatte, zoo te zeggen, alles; To differ widely = hemelsbreed verschillen; Widen = verwijden, verbreeden, wijder worden; Wideness = grootte, uitgestrektheid.

Widgeon, widž’n, smient, fluiteend.

Widow, widou, subst. weduwe; Widow verb. tot weduwe maken, berooven: Being a widow, she had no bridesmaids; her train was held up by a boy; Widow’s bounty = (officiers)weduwpensioen; Widow’s cap = mutsje door weduwen gedragen; Widow’s weeds = weduwenrouw; Widow-hunter = wie op een rijke weduwe uit is; A widow-lady (widow-woman); Widow-wail = cnoorum tricoccum; Widowed = beroofd, verlaten, eenzaam: He was widowed of his power = beroofd of verstoken; Widower = weduwnaar; Widow(er)hood = weduw(naar)staat.

Width, width, wijdte, uitgestrektheid; Widthwise = in de breedte.

Wield, wîld, hanteeren, zwaaien: To wield authority = uitoefenen; He wielded the sceptre = zwaaide den scepter; It is impossible to wield such a sword = te hanteeren; Wieldable = hanteerbaar; Wieldless = niet te hanteeren.

Wife, waif, (getrouwde) vrouw, huisvrouw, gade: The wife = vrouwlief; To give (To take) to wife; Wife-beater = vrouwenbeul; Wifehood = staat eener getr. vrouw; Wifeless = zonder vrouw, ongetrouwd; Wifelike = eene vrouw betamend, vrouwelijk; Wifie = vrouwtje.

Wig, wig, pruik; Wig verb. een uitbrander geven: Big wig = groote hans; Wig-bag = haarzak; Wig-block = pruikebol; Wig-maker; Wigged = met eene pruik.

Wigan, wig’n: Here is to the mayor of Wigan, i.e. to ourselves = wij ledigen dit glas op onszelf.

Wigeon = Widgeon.

Wigging, wigiŋ, uitbrander, standje: I gave him a good wigging.

Wiggle, wig’l. Zie Wriggle.

Wight, wait, subst. persoon, wezen; adj. vlug, dapper.

Wigwam, wigwam, wigwôm, wigwom, Indiaansche hut.

Wild, waild, subst. wildernis; adj. wild, woest, verwilderd, onbebouwd, onstuimig, onredelijk, loszinnig, roekeloos, buitensporig, onordelijk, fel op, ver mis: To drive wild = woest maken; She got wild = werd “woest”, boos; To go wild over = dwepen met; To feel wild = woest zijn (fig.); Our flowers have run wild = zijn verwilderd, wild opgeschoten; To talk wild = overdrijven; Wild beast; Wild boar = everzwijn; Wild look; Wild project = dol, avontuurlijk; Wild mare = nachtmerrie; wip: They were riding the wild mare = aan het wippen; Wild oats (Zie Oats); The wildest rubbish = de grootste onzin; Wild-born = in wilden staat geboren; Wildcat = wilde kat; Wildcat bank = zwendelfirma; Wildcat speculation = onsoliede, dolle speculatie; Wildcat train = trein buiten de dienstregeling; Wildcatter = iemand die grondboringen doet in de hoop petroleum te vinden (Amer.); Wild-fire = Grieksch vuur, weerlicht, roos (ziekte): The report spread like wild-fire = als een vuurtje; Wild-fowl = wild gevogelte (vooral watervogels); Wild-fowling = het jagen op Wild-fowls; Wild-goose, subst. wilde gans; adj. dolzinnig, dwaas: A wild-goose chase = dwaze onderneming, dol plan; Wilderness, wildənəs, wildernis, woestenij; Wilding, subst. in ’t wild groeiende plant, of vrucht daarvan; adj. in ’t wild groeiend; Wildness = wildheid.

Wilde, waild.

Wile, wail, slimme streek of zet, list.

Wilful, wilful, opzettelijk, moedwillig, eigenzinnig, halsstarrig; subst. Wilfulness.

Wilhelmina, wilhelmînə.

Wiliness, wailinəs, subst. v. Wily.

Wilk, wilk = Whelk.

Wilkes, wilks.

Will, wil, subst. wil, wilskracht, willekeur, verlangen, testament; Will verb. zullen, willen, plegen, wenschen, begeeren, bevelen, vermaken: You may change it at will = naar welgevallen; To have all things at will = alles naar wensch hebben; He holds his power at the people’s will = ontleent zijne macht aan den wil des volks; Of your own free will = geheel vrijwillig; He fell (set) to work with a will = met lust en ijver; With good will = met goeden wil; She would have her will = haar zin; He had a will of his own = was eigenzinnig; To make one’s will = zijn laatsten wil (testament) maken; To work one’s will = zijn wil doorzetten; Goodwill = welwillendheid, klandizie: Goodwill to man = in menschen een welbehagen; He bears me a good (an ill) will = is mij welgezind (draagt mij een kwaad hart toe; Zie ook Way); He will get angry = is wel eens boos, wordt gauw boos; Boys will be boys = jongens zijn jongens; He will have me dine with him to-morrow = hij wil mij morgen te eten hebben; Will he nill he = of hij wil of niet, willens of onwillens; The Lord wills me to go = de Heer wil, dat ik ga; His cousin wills the estate to his sister = vermaakt; You are free to will your property away to anybody = vrij uwe bezittingen aan wien ge wilt te vermaken; Will-power = wilskracht; You are a self-willed character = eigenzinnig, koppig. Zie Willing.

Will, wil, verk. van William, wilj’m; Willie Winkle = Klaas Vaak.

Willing, wiliŋ: I am willing = ik ben bereid, wil wel; God willing = indien God het wil; Willing or not willing = Willing or unwilling = hij mag willen of niet; Willingness = gewilligheid, genegenheid.

Will-o’-the-wisp, wilədhəwisp, dwaallichtje.

Willoughby, wiləbi.

Willow, wilou, wilg, wilgentak(-hout), bat: He (she) is wearing the willow = treurt of rouwt over een verloren lief; To wield the willow = cricketen; Willow-garland = wilgenkrans; Willow-tree = wilgenboom; Willow-warbler = Willow-wren = fitis, hofzanger; Willowed = vol wilgen, met wilgen beplant; Willowy = vol wilgen, als wilgen, als eene wilg.

Willy-nilly = of hij wil of niet, weifelend, onbetrouwbaar.

Willy, wili, Wim.

Wilt, wilt, verwelken, slap worden, ontzenuwen.

Wilton, wilt’n: Wilton carpet, soort. v. pluche of velours tapijt; Wiltshire, wiltšə.

Wily, waili, sluw, slim.

Wimble, wimb’l, subst. drilboor; Wimble verb. boren, drillen.

Wimbrel, wimbr’l. Zie Whimbrel.

Wimple, wimp’l, subst. kap waarmede de priesters worden bekleed bij de aflegging der geloften; zwarte kap der nonnen; Wimple verb. met een kap bedekken, omsluieren, rimpelen, kronkelen: The wimpling waves = gerimpelde golven.

Win, win, subst. overwinning, gewonnen partij, succes; Win verb. winnen, verkrijgen, behalen, overwinnen, zegevieren, bewegen, overreden: Win her and wear her = win haar en koester haar; Who wins loses = qui perd gagne; He could not win the ear of the audience = zijn gehoor niet boeien; To win one’s way = (langzaam) vorderingen maken; He has won me over = mij overgehaald; We have won through this dreary time by the help of illusions = zijn dezen naren tijd te boven gekomen; That has won upon the hearts of the people = het hart der menschen ingepakt; We have won upon the enemy = een voordeel behaald op; He so won upon me that .... = kreeg me zoover; Winner = winner; Winning = bekoorlijk, innemend (Wins = winst): To have a winning way with a person = zich bemind maken bij; Winning-post = eindpaal (bij wedrennen).

Wince, wins, terugdeinzen (at), ineenkrimpen, uitvluchten zoeken: He winced from the very thought of death = ijsde bij; He winced under the blow = kromp ineen; Without wincing = zonder een spier te vertrekken.

Winch, winš, subst. haspel, lier; Winch verb. ophijschen met een lier.

Winchelsea, wintšəlsî; Winchester, wintšəstə: Winchester rifle = soort geweer.

Wind, wind, wind, tocht, lucht(druk), adem, opgeblazenheid, blaasinstrument; Wind verb. luchten, laten doorwaaien, achter adem brengen, afjakkeren, op adem laten komen: Wood-winds = houten blaasinstrumenten; The delicacy of the wind in the prelude = het fijn opgevatte gedeelte voor de blaasinstrumenten; Winds and strings = blaasen strijkinstrumenten; The four winds = streken van het kompas; Short wind = korte adem; Sound of wind and limb = gezond van lijf en leden; Before the wind = vóór; Close to the wind = scherp bij den wind; Down the wind = vóór, met den wind mee; Everything here is going down the wind = alles gaat te niet, naar de maan; We were steaming in the teeth of the wind (= in the wind’s eye) = vlak in den wind; There is something in the wind = aan de hand, er broeit wat; To have a thing in the wind = lucht van iets hebben; He was three sheets in the wind = aangeschoten; Near the wind = scherp bij: To sail near the wind = iets zeggen, dat “bij ’t kantje af” is; You must go as near the wind as you possibly can = het zoo zuinig mogelijk aanleggen; To preach to the winds = te vergeefs; To throw to the winds = zich niet bekommeren om; He sails with the wind = hij waait met alle winden; With the wind aft, ahead = met den wind van achteren, van voren in; I wish to ascertain how the wind blows = uit welken hoek de wind waait; Sits the wind in that corner? = waait de wind uit dien hoek; To break wind = een boer laten; The horse carries (the) wind = draagt zijn kop (neus) hoog; To change the wind = van koers veranderen; He got his second wind = kwam op adem; I got wind of it = kreeg er lucht van; The affair got wind = de zaak werd ruchtbaar; I have (take) the wind of you = ik ben je de baas; To raise the wind = geld los krijgen; I will take the wind out of his sails = de loef afsteken; (The part of a ship) between wind and water = het deel dat door het rollen van het vaartuig of den golfslag dikwijls boven het water uit komt; gevaarlijke plaats; wind and weather permitting = wind en weder dienende; Trade winds (= Trades) = passaatwinden; Windbag = windzak, bluffer, praatjesmaker; Windbag sleeves = pofmouwen; Windbound = door tegenwind opgehouden; Wind-break = heining of hek om den wind te breken; Wind-broken = dampig (= Broken-winded); Wind-dropsy = trommelzucht (Med.); Wind-egg = windei; Windfall = wat door den wind af- of neergewaaid is, meevallertje, buitenkansje; Windfallen = door den wind afgewaaid; Wind-flower = gentiaan, paarsche anemoon; Wind-furnace = windoven; Wind-gall = gezwel onder aan de pooten van een paard; Wind-gauge = windmeter; Wind-gun = windroer; Wind-guard = vóórruit (van auto); Wind-hatch = mijnschacht waaruit het erts naar boven wordt gebracht; Wind-instrument = blaas- of windinstrument; Windmill = windmolen: You are tilting at windmills = vecht tegen windmolens; Windpipe = luchtpijp; Wind-rode = door den wind tegen den stroom in gedraaid (van een geankerd schip); Wind-row = zwad gras of een hoop turf (om te drogen); Wind-row verb. in regels leggen; Wind-sail = koelzeil (als ventilator beneden in het schip); Wind-side = windzijde; Wind-tight = ondoordringbaar voor den wind; Windage = luchtdruk, zuiging, speelruimte (kanon), invloed van den wind op de afwijking van een kogel; Winded: achter adem; vooral gebruikt in samenst.: Long-winded = van langen adem; Short-winded = kortademig; Windless = zonder wind of adem, glad, vlak; Windward, subst. loefzijde; adj. naar den wind: To windward = te loever; I have laid my anchor to the windward = heb tijdig mijne maatregelen genomen; I have got (to) the windward of him = hem de loef afgestoken; Windiness, subst. v. Windy = winderig, wind... (Wind side), opgeblazen.

Wind, waind, winden, draaien, rollen, kronkelen, krom trekken, wikkelen, telkens veranderen; blazen: To wind a call = een commando geven met het bootsmansfluitje; The horn was wound = er werd op den hoorn geblazen; To wind a ball of worsted = opwinden; He cleverly wound it into his speech = vlocht dat in; The skein was wound off = werd afgewonden; He wound himself out of it = redde er zich uit, draaide er zich uit; He wound his way through all the intricacies of the debate = hij kwam goed en wel door het ingewikkelde debat heen; To wind up a letter = besluiten; The thread was wound up = werd opgewonden; Wind (up) your watch = wind uw horloge op; The band wound up with the national anthem = het orkest speelde het volkslied tot besluit; The business was wound up = werd gelikwideerd; If this sort of thing goes on any longer, I shall be wound up in the bankruptcy court = zal het einde van het liedje een failliet zijn; Wind-up = likwidatie: Wind-up sale = finale uitverkoop; Winding-up = slot (van een rede), uitverkoop, faillissement; Winder, subst. wie of wat windt, enz., haspel, slingerplant. Zie Winding.

Windhover, windhɐvə, windhovə, torenvalk.

Winding, waindiŋ, subst. bocht, kronkeling, draai; adj. draaiend, kronkelend, krom, draai...: Winding-engine = kraan; Winding-horn = waldhoorn; Winding-sheet = lijkwa; dief (aan een kaars); Winding-staircase = Winding-stairs = wenteltrap; Winding-tackle = hijschtakel.

Windlass, windləs, lier, gangspil; Windlass verb. opwinden met een lier of gangspil.

Windle-straw, wind’lstrô, boender-(struik-, kam-)gras.

Window, windou, venster, loket; Have you got French windows or sash-windows in your room? = openslaande (ramen) deuren of schuiframen; The book was in the window at Green’s = lag voor het raam bij; He broke all the windows = sloeg alle ruiten in; He came in at the door and got out at the window = en ging weg door het raam; He looked out at the window = hij keek door het raam naar buiten; He looked out of the window = hij keek uit het raam naar buiten; Window-blind = zonneblind, jalouzie, (rol) venstergordijn = Window-curtain = gordijn; Window-cleaning company = glazenwasscherij; Window-dresser = étaleur; Window-dressing; Window-duty = belasting op vensters; Window-frame = vensterkozijn; Window-glass = vensterglas; Window-pane = ruit; Window-sash = het op- en neergaande deel van een raam; Window-seat = vensterbank; Window-slot = venstergleuf; Window-tapper = porder; Window-tax = belasting op de vensters; Windowed = met (veel) vensters.

Windsor, winzə, stad: Windsor-chair = met hoogen rug; Windsor-soap = soort toiletzeep.

Wine, wain, wijn, dronkenschap, wijnfuif: Still wine = niet parelende wijn; Sparkling wines = parelende wijnen; Wine and water = grog van wijn; Spirit of wine = wijngeest, alcohol; It is a pity to dilute this wine = te verdunnen; He never mixes his wines = drinkt nooit door elkaar; Good wine needs no bush = behoeft geen krans; When wine is in, wit is out = als de wijn is in den man, is de wijsheid in de kan; When the wine is drawn it must be drunk = men moet het ijzer smeden als het heet is; Wine-bag = wijnzak; Wine-bibber = pimpelaar; Wine-bin = wijnkist; Wine-biscuit = wijnbeschuitje; Wine-bottle; Wine-cask = wijnvat; Wine-cellar = wijnkelder; Wine-cooler = koelvat (voor wijnen); Wine-decanter = karaf; Wine-glass = wijnglas; Wine-grower = wijnbouwer; Wine-growing; Wine-lees = wijnmoer; Wine-merchant = wijnkooper; Wine-press = wijnpers; Wine-shop = wijnhuis; Wine-skin = wijnzak; Wine-stone = wijnsteen; Wine-vault = groote wijnkelder; Wine-vaults = proeflokaal; Wine-vinegar = wijnazijn.

Winfred, winfred, Winfried.

Wing, wiŋ, subst. vleugel, wiek, vlerk, vlucht, coulisse, épaulet, molenwiek; Wing verb. van vleugels voorzien, bevleugelen, vliegen, doorvliegen, onschadelijk maken (in den vleugel, arm of been treffen): Swallows on the wing = vliegende zwaluwen; We are on the wing = aan den arbeid; The general was on the left wing = aan den linker vleugel; She went there under the wing(s) of her mother = onder moeders vleugels; We went there upon the wings of the wind = op de vleugelen des winds; The bird beat its wings against its prison = sloeg met; To clip a person’s wings = iemand kortwieken; His soul has taken wing = is (het lichaam) ontvloden; They took wing = gingen aan den haal; The angel winged his flight (way) to the earth = richtte zijne vlucht naar de aarde; I doubt if I can wing the ruffian = onschadelijk kan maken; Wing-case = vleugelschild; Wing-shell = vleugelhoren; Wing-shot = schot op een vliegenden vogel; Wing-stroke = vleugelslag; Winged = ge- of bevleugeld, vlug: Winged words = gevleugelde woorden; Wingless = zonder vleugels, met rudimentaire vleugels; Winglet = vleugeltje.

Wink, wiŋk, subst. knipoogje, wenk, oogenblikje, blink; Wink verb. knipoogen, wenken: I did not get a wink of sleep last night, I never slept a wink = heb geen oog dichtgedaan; To give (tip) a wink to a person = To tip a person the wink = een wenk geven; I will just take forty winks = ga even dutten; He winked at my shortcomings = zag door de vingers; Wink-a-peep = guichelheil; Winker = wimper, oog, oogklep; It was done like winkey, like winking = zeer snel en flink.

Winkle, wiŋk’l, alikruik.

Winkle-hawk, wiŋk’lhôk, winkelhaak, scheur (Amer.).

Winnipeg, winəpeg; Winipiseogee, winipisôkî.

Winnow, winou, wannen, ziften, schiften; Winnower; Winnowing: Winnow-basket (-machine, -sieve).

Winslow, winzlou.

Winter, wintə, subst. winter; ook adj.; Winter verb. overwinteren, de winterkwartieren betrekken, gedurende den winter bewaren (vertoeven), overhouden (van planten, etc.): It happened at (the) death of winter, in the depth of winter = in het hartje van den winter; Winter apple = winterappel; Winter barley = wintergerst; Winter citron = soort v. winterpeer; Winter cough = chronische bronchitis; Winter crop = winteroogst, wintervrucht; Winter moth = wintervlinder; Winter pear = winterpeer; Winter quarters = winterkwartieren; They went into winter quarters = betrokken de winterkwartieren; Winter solstice = winterzonnestilstand; Winter suit = winterpak; Winter-garden = wintertuin; Wintergreen = wintergroen; Winter-ground = eene plant tegen de koude met stroo bedekken; Winter-kill = door strenge koude dooden (Amer.); Winter-service = winterdienst; Winter-time = wintertijd; Winter-weather = winterweer; Winterly = wintersch, winterachtig, koud, somber = Wint(e)ry.

Winy, waini, naar wijn smakend; dronken.

Wipe, waip, subst. veeg, het vegen, slag; lik (fig.); Wipe verb. vegen, afvegen, afwisschen, uitwisschen, ranselen: To give a thing a wipe = afvegen; He gave me a wipe = gaf me een lik; I wiped his eye = stak hem de loef af; To wipe one’s feet (shoes) = voeten vegen; The past cannot be wiped away as we wipe writing from a slate; Everything was wiped off = afgeveegd, weggevaagd; To wipe off a score = een rekening vereffenen; To wipe out = het levenslicht uitblazen; He was wiped (out) of his watch = zijn horloge werd hem ontfutseld; Wipe it out = veeg of wisch het uit; I have wiped up the floor with him = ik heb hem tegen den grond gesmakt; Wiper = veger, stoffer, wisscher; Wiping-cloth (Wiping-clout) = doek.

Wire, waiə, subst. draad, ijzerdraad, telegraafdraad, telegram; Wire verb. met een metalen draad vastmaken, aan een draad rijgen, in een strik (van metaal) vangen, telegrapheeren, met ijzerdraad omringen: He replied by wire = per draad, telegrafisch; To manipulate (pull, work) the wires = de draden in handen hebben, in ’t geheim besturen; To send a wire = telegram; That boy seems to be all on wires = kan niet stil zitten, heeft kwik in zijn lijf; He has wired away (in) = is met kracht aan den arbeid gegaan; Wire back, please = antwoord per draad verzocht; Wire-blind = horretje; Wire-bridge = hangbrug; Wire-brush; Wiredraw = trekken of rekken van metaaldraden, uitspinnen, muggenziften; Wiredrawer = draadtrekker; Wiredrawing (fig.) = zaniken; Wire-edge = draad (van een pas geslepen mes, schaats, etc.); Wire-entanglement = draadversperring; Wire-grate = chassinet; Wire-gauze = fijn metaalgaas; Wire-puller = die de draden in handen heeft, (politieke) intrigant; Wire-pulling = geheime invloed, intrige(s); Wire-stitching = het hechten van de bladen met ijzerdraad; Wireless telegraphy (Wireless station); Wiriness, subst. v. Wiry = van of sterk als ijzerdraad, borstelig, mager en gespierd, taai, scherp: His wiry chin = zijn scherpe, puntige kin; I am rather wiry, and can stand a good deal of fatigue = ik ben nogal taai.

Wisconsin, wiskonsin.

Wisdom, wizd’m, wijsheid, wetenschap; Wisdom-tooth = verstandskies: Has he cut his wisdom-tooth yet? = heeft hij zijn verstandskies al.

Wise, waiz, wijs, verstandig, vroom (Bijb.), ernstig, ervaren, bekwaam: The three Wise men of the East = de Wijzen uit het Oosten; Wise woman = waarzegster; vroedvrouw; It is easy to be wise after the event = wie wist, die won; Why, man, take it, who is the wiser? = wie weet er wat van, wordt er wat van gewaar; A word to the wise is enough = een goed verstaander heeft maar een half woord noodig, Wiseacre, waizeikə, waanwijze, wijsneus; Wise-hearted = wijs, bekwaam; Wiseness = Wisdom.

Wise, waiz, wijze: In any wise = op de een of andere manier; In no wise = op geenerlei manier, geenszins; On this wise = op deze manier.

Wish, wiš, subst. wensch, verlangen, begeerte; Wish verb. wenschen, verlangen, hopen: To give a person his wish = iemands wensch vervullen; To have one’s wish = zijn wensch vervuld krijgen; I wish he may do it = ik wou dat ....; I wish you joy (of it) = ik feliciteer u (er mee); I wish you well = ik mag u graag, ben u goed gezind; To wish a person at the devil (Jericho); I wished for your return = verlangde naar; I wished him over the moon = wou dat hij op de Mookerhei zat; Wish(ing)-bone = borstbeen van een vogel: To divide a wish(ing)-bone, (gezegd van een jongen en een meisje, die ieder aan een eind trekken; die het langste stuk in de hand houdt, zal het eerst trouwen of een wensch vervuld zien); Wishing-cap (-rod) = tooverhoedje (roede); Wisher; Wishful = wenschend, verlangend, smachtend: To be wishful of; subst. Wishfulness.

Wishart, wišət.

Wish-wash, wišwoš, slap, waterig; ook subst.; Wishy-washy = slap, onbeduidend, sentimenteel.

Wisp, wisp, wisch, bosje of bundeltje, vegertje, dwaallicht; Wisp verb. afvegen: A wisp of a girl = een nietig, schraal meisje, klein ding; Wisp of hair; adj. Wispy.

Wist, wist, oud imperf. van to wit.

Wistful, wistful, peinzend, ernstig, droefgeestig, vol droef verlangen; subst. Wistfulness.

Wistiti, wistiti, soort v. Z. Am. aap.

Wistonwish, wist’nwiš, prairiehond.

Wit, subst. kennis, verstand, vernuft, rede, scherpzinnigheid, grappigheid of geest(igheid), geestig man, humorist; ook verb. in: To wit = namelijk, te weten: Mother wit = natuurlijk gezond verstand; Ready wit = gevatheid; He is at his wit’s end, at his wits’ end = ten einde raad; Are you in your wits? = hebt gij “de vijf” bij elkander; He is out of his wits = is de kluts kwijt, gek; He has all his wits about him = al zijne zinnen goed bij elkaar; To come to one’s wits again = weer tot bezinning komen; To drive a person out of his wits = dol maken; You have frightened them out of their wits = ze vreeselijk doen schrikken; To live by one’s wits only = op de een of andere manier zonder werken door de wereld komen; That will set your wits to work = u alle overleg doen gebruiken; Use your wits = gebruik uw verstand; Witless = dom, onverstandig, dwaas; subst. Witlessness; Witted: Dull-wited, Quick-witted = suf, scherpzinnig; Wittingly = voorbedachtelijk.

Witch, witš, subst. heks; Witch verb. beheksen, betooveren: He is no witch = geen heksenmeester; Witchcraft = Witchery; Witch-elm = bergiep; Witch-hazel = hamamelis; Witch-meal = groote wolfsklauw; Witchery = betoovering, bekorting.

Witenagemot(e), witənagəmout, nationale vergadering (bij de Angel-Saksers).

With, widh, met, mede, door, bij, van, etc.: Blind with fear; Frantic with despair = gek van wanhoop; Stiff with cold; Thirsty with walking; I have no power with him = invloed op hem; One year with another = het eene jaar door het andere; I am with you there = met u eens; Withal, widhôl, daarbij, bovendien, verder.

Withdraw, widhdrô, terugtrekken, weggaan, onttrekken, terugnemen, inhouden (bij verkoop): He withdrew his support = onthield ons zijn steun; He withdrew from business = trad uit; Withdrawal = terugroeping, terugtrekking, terugneming, opvraging van inleg; Withdrawer; Withdrawing: Withdrawing-room = Drawing-room; Withdrawment = Withdrawal; Withdrawn, p.p. van Withdraw.

Withe, w(a)idh, with, subst. wilgentwijgje, rijsje. Zie Withy.

Wither, widhə, verwelken, verdorren, vernietigen: One of those mornings when it is hot and cold, wet and dry, bright and lowering, sad and cheerful, withering and genial, in the compass of an hour = akelig (guur) en lekker; Withered = verdord, uitgedroogd; Withering = vernietigend (fig.).

Wither, widhə: Wither-lock = boschje haar, waaraan de ruiter bij het opstijgen zich vast grijpt; Wither-wrung = aan de schoft bezeerd of geschaafd; Withers = schoft van een paard: The wither are wrung = de schoft is stuk geschuurd; mijn geduld is ten einde; To press on the wrung wither = de gevoelige snaar aanroeren; My wither are unwrung = ik ben van alle werk ontslagen, vrij.

Withheld, widhheld, imp. en p.p. van Withhold, widhhould, weerhouden, onthouden, onttrekken: The permission was withheld from him = werd hem geweigerd; Withholder; Withholdment = onthouding, etc.

Within, widhin, adv. en prep, binnen, in, van binnen, inwendig, niet te buiten gaande: His room is within mine = men komt in zijne kamer door de mijne; Within call = te beroepen; Within doors = binnenshuis; Within my memory = voor zoolang ik mij kan herinneren; Within a mile of = nog geen mijl; It is not within my power = in mijne macht; Within my price = in mijn prijs; Within a month’s time = binnen eene maand; The deer was within range = onder schot; Within sight; He was within a little of being killed = het scheelde maar weinig of; Who’s within = wie is daar? To live within one’s income = niet meer uitgeven dan men te verteren heeft; To think within oneself = by zich zelf.

Without, widhaut, adv. en prep. zonder, buiten, van buiten, uitwendig, vrij, beroofd van, onafhankelijk van: Without day = zonder een dag te bepalen voor samenkomst of behandeling; geheel van de baan; Without doors = buitenshuis; Without funds in hand = zonder dekking; Without one’s reach = buiten bereik; The station is without the town = buiten de stad; I can get ready without you = zonder u; I can do without it = ik kan het missen, heb het niet noodig.

Withsay, widhsei, tegenspreken, ontkennen.

Withstand, widhstand, weerstaan, zich verzetten; Withstander = tegenstander, die zich verzet; Withstood, widstud, imp. en p.p. van to withstand.

Withwind, widhwaind, akkerwinde, haagwinde.

Withy, withi, w(a)idhi, uit wilgentwijgen, taai, buigzaam.

Witness, witnəs, subst. getuigenis, getuige, ooggetuige (= Ocular witness); Witness verb. getuige zijn van, als getuige teekenen, ondervinden, beleven: In witness whereof = ten bewijze waarvan; Witness for the crown, for the prosecution = getuige à charge; Witness for the defence, defendant (prisoner) = getuige à décharge; To bear witness to = getuigenis afleggen, betuigen; To call to witness = tot getuige roepen; When we turn to the art of education, the English educationist does not leave himself without witness = laat zich niet onbetuigd; I took him to witness = nam hem tot getuige; You have been romping, witness your hot face = getuige je vuurroode gezicht; The most violent storm I ever witnessed = dien ik ooit beleefd heb; Did you ever witness such a thing? = ooit zóó wat gezien; The signatures were witnessed = door getuigen gestaafd; Witness-box = getuigenbank.

Witticism, witisizm, geestige zet; Wittiness, subst. v. Witty = geestig, scherp, snedig.

Witwal, witwôl, groene specht.

Wive, waiv, trouwen, tot vrouw nemen: Hanging and wiving goes by destiny = hangen en trouwen is eene loterij; This Hottentot chief is the most wived man (scherts.) = heeft de meeste vrouwen.

Wiveliscombe, wilsk’m.

Wivern, waivən; Zie Wyvern.

Wizard, wizəd, subst. waarzegger, toovenaar.

Wizen, wiz’n, adj. dor, droog, verschrompeld; Wizen verb. verwelken, verschrompelen; Wizen-faced = met verschrompeld gelaat.

Woad, woud, weede (plant); Woaded = met weede, blauw gekleurd.

Wobble, wob’l, waggelen(d loopen); op en neer gaan (van effecten): “Quawk”, said the pig, and wobbled off; These pictures are wobbly = onzeker in prijs. Zie Wabble.

Woburn, wubən, woubən.

Woe, wou, subst. smart, verdriet, wee: Woe is me = wee mij; Woe worth the chase = wee zij de jacht; Woe worth the day = wee den dag; Woebegone = naargeestig, in smart gedompeld; Woeful = treurig, ellendig, naargeestig, droevig; subst. Woefulness; Woe-worn = door smart verteerd; Woful = Woeful.

Wolcot(t), wulkət.

Wold, would, woud, bosch, heuvelland.

Wolf, wulf, subst. wolf, harde wanklank, lupus; Wolf verb. op de wolvenjacht gaan, gulzig verslinden: A wolf in sheep’s clothing = een wolf in een schapevacht; He always cries wolf = maakt altijd valsch alarm; I have a wolf by the ears = ik heb mijn man gevonden; To have a wolf in the stomach = een razenden honger hebben; We could hardly keep the wolf from our door = nauwelijks den mond open houden; Wolf-dog = wolfshond; Wolf-fish = zeewolf; Wolf-net = wonderkuil (soort v. net); Wolf’s bane = gele monnikskap; Wolf’s-claw, Wolf’s foot = wolfsklauw; Wolf’s-peach = tomaat; Wolfish = wolfachtig, wreed, vraatzuchtig; Wolfkin, Wolfling = jonge wolf.

Wolfe, wulf; Wolfram, wulfram, Wolfram; wolframium; Wollaston, woləst’n; Wolstonecraft, wulst’nkrâft; Wolseley, wulzli; Wolsey, wulzi; Wolton, wult’n; Wolverhampton, wulvəramt’n.

Wolverine, wulvərin, veelvraat.

Wolves, wulvz, mv. v. Wolf.

Woman, wum’n, vrouw, vrouwelijke bediende: Woman of the town = prostituée; Woman of the world = vrouw van de wereld; My good woman = vrouwtje; Kept women = maîtressen; Lady’s woman = kamenier; The New Woman = de (ultra) moderne vrouw; The Scarlet Woman = de moeder van alle ontucht en onheiligheid (Openb. XXII, 4); That frivolous Winsley woman = dat wijf (die meid) van die W.’s; He played (acted) the woman = speelde de rol der zwakke vrouw; There is a woman in the wind = daar zit eene vrouw achter; Woman-born = uit eene vrouw geboren; Woman-built = door vrouwen gebouwd; Woman-doctor = doctores; Woman-hater = vrouwenhater; Woman-saint; Woman-servant; Womanhood = vrouwelijke staat, vrouwelijkheid; Womanish = vrouwelijk, vrouwen...; (Woman tears), verwijfd; subst. Womanishness; Womankind = het vrouwelijk geslacht, de vrouwen, het vrouwvolk; Womanlike = vrouwelijk, zacht; Womanliness, subst. v. Womanly = Womanlike; Women, wim’n, vrouwen; Women-folk = vrouwvolk; Women’s rights = rechten der vrouw; Women’s (Woman’s, Woman-) suffrage = vrouwen-stemrecht; Womenkind = Womankind.

Womb, wûm, subst. baarmoeder, schoot: Falling and displacement of the womb = uitzakken; Womb-fury (med.); Womb-passage = (hals der) scheede.

Won, wɐn, imp. en p.p. van to win.

Wonder, wɐndə, subst. wonder, verbazing, bewondering; Wonder verb. verbaasd staan, zich verwonderen, nieuwsgierig zijn, benieuwd zijn: Wonders will never cease = de wonderen zijn de wereld nog niet uit; To do (perform, work) wonders = wonderen doen; To look all wonder = groote oogen opzetten; It caused considerable scandal, and remained a nine days’ wonder = en bleef een korten tijd de aandacht trekken; No article in a review is a nine days’ wonder = baart ooit lang opzien; In the name of wonder = om ’s hemels wil; It is no wonder he refused = het is heel natuurlijk; He is here, for a wonder = zoowaar (vreemd genoeg); The seven wonders of the world = de zeven wonderen der wereld; I wonder where he can have been = ik ben benieuwd; I wonder how much he left me = ik ben toch nieuwsgierig, ben benieuwd; Wonderland = land der wonderen; Wonder-stricken = Wonder-struck = verbaasd, door verwondering getroffen; Wonder-working = wonderdadig; Wonderer = wie zich verbaast, etc.; Wonderful = verwonderlijk, vreemd, verbazend; subst. Wonderfulness; Wonderment = verwondering, verbazing; Wondrous = verwonderlijk, vreemd.

Won’t, wount, samentr. v. Will not: It won’t do = dat gaat niet.

Wont, wount, wɐnt, gewend; subst. gewoonte, gebruik; Wont verb. gewend zijn, plegen; zich gewennen (Wont oneself): Wonted = gewoon, gewend; Wontless = ongewoon, niet gewend.

Woo, wû, vrijen naar, dingen naar, het hof maken, trachten te winnen: They woo the battle = zoeken den strijd; Wooer; Wooing: To go a-wooing = uit vrijen gaan.

Wood, wud, subst. woud, bosch, hout, vat, houtinstrument; Wood verb. met bosch bedekken, in bosch veranderen, hout innemen: It was drawn from the wood = van het vat getapt; In a wood = verward, verlegen; The ale is in the wood = in het vat: The Palace in The Wood = Het Huis ten Bosch; I shall soon be out of the wood = buiten gevaar of de moeilijkheid te boven zijn; She is out of the wood again = is weer bij (kennis); Have you taken in your stock of wood yet? = al hout opgedaan; He doesn’t see the wood for trees = hij ziet wegens de boomen het bosch niet; Wood-ant = boschmier; Wood-ashes = houtasch; Wood-band = houtorkest, de blaasinstrumenten, “het hout”; Woodbine = wilde kamperfoelie; Wood-bird = boschvogel; Wood-bound = ingesloten door hooge en zware heggen; Wood-carver = houtsnijder; Wood-carving = houtsnijwerk; Woodchuck = soort v. marmot; Wood coal = bruinkool; Woodcock = houtsnip; sukkel; Woodcraft = bedrevenheid in boschcultuur of jacht; jachtvermaak; Woodcut = houtsnee(plaat); Wood-cutter = houthakker, maker van houtsneden; Wood-drink = afkooksel van medicinale planten; Wood-engraver = houtgraveur; Wood-engraving = houtgraveerkunst, houtgravure; Wood-fretter = houtworm; Wood-gear = raderwerk van hout; Wood-grouse = auerhaan; Wood-hole = Wood-house = houtloods; Wood-knife = hertsvanger; Woodland, subst. boschland, adj. bosch.., woud.., boschachtig; Woodlark = boomleeuwerik; Wood-lot = stuk land waarop brandhout wordt verbouwd (Amer.); Wood-louse = houtluis; Woodman = boschwachter, boschbewoner, houthakker; Wood-mite = houtworm; Wood-mouse = boschmuis; Wood-nymph = boschnimf; Wood-paper = papier uit hout vervaardigd; Wood-pavement = houten bestrating; Woodpecker = specht; Wood-pigeon = houtduif; Wood-pile = houtmijt; Woodreeve = houtvester; Wood-rick = Wood-pile; Wood-rock = bergvlas, soort v. asbest; Wood-ruff = Lieve Vrouwe Bedstroo; Wood-sare = koekoekspog; Wood-screw = houtschroef; Woodshed = houtloods; Wood-skin = boot of kano van boombast (Guyana); Wood-soot = houtroet (bemesting); Wood-sorrel = boschklaverzuring; Wood-spite = groene specht; Wood-tar = houtteer; Wood-vetch = soort lathyrus; Wood-wale = Woodpecker; Wood-wax(en) = verfbrem; Woodwork = houtwerk; Wood-worm = Wood-mite; Wooded = bedekt met bosch; Wooden = van hout, houterig, dom, suf: What are you so wooden about? = hoe ben je zoo suf; Wooden horse = paard (gymn.); ook strafmiddel (To ride the wooden horse); Wooden shoes = klompen, armoede, oude spotnaam voor de Fransche natie; Woodenness = houterigheid, stijfheid: That particular woodenness which has in all ages been characteristic of mere philologists; Woodiness, subst. v. Woody = houtachtig, boschrijk: Woody fibre (tissue) = houtvezels (weefsel).

Woof, wûf, inslag, weefsel.

Wool, wul, wol, bont: Great (Much) cry and little wool = veel geschreeuw en weinig wol = More squeak than wool; To draw (pull) the wool over a person’s eyes = iemand zand in de oogen strooien; Wool-ball = wolbal (in magen van dieren); Wool-bearing = woldragend; Wool-comber, wolkammer; Wool-combing = het wolkammen; Wool-cotton = boomwol; Wool-dyed = in de wol geverfd; Wool-gathering, subst. het vergaren van pluisjes wol; verstrooidheid; adj. verstrooid: His wits are a-wool-gathering = zijn verstand is op den loop, hij suft; Wool-grower = schapenfokker; Wool-man = wolkooper; Wool-market; Wool-merchant; Wool-mill = wolspinnerij; Woolpack = baal wol (± 108,826 K.G.); Woolsack = zitplaats van den Lord Chancellor in het House of Lords; Woolsorter = wolsorteerder = Wool-stapler, dit laatste ook wolhandelaar; Wool-staple = wolmarkt; lengte der wolharen; Wool-trade = wolhandel; Woollen = van wol, grof, lomp, boersch: Woollens = wollen stoffen, wollen goederen = Woollen articles of Woollen goods; Wool trade = wolhandel; Wool-draper = lakenkooper, handelaar in wollen goederen; Wool-printer = woldrukker; Wool-scribbler = machine om wol te kaarden; Woolliness = wolligheid; Woolly = wollig, wolachtig, gedempt, dof, onduidelijk, prikkelbaar, knorrig; Woolly-haired; Woolly-head = neger; Woolly-minded men = suffers.

Woolwich, wulidž.

Woom, wûm, beverbont.

Wootz, wûts, fijn Indisch gietstaal.

Worcester, wustə.

Word, wɐ̂d, subst. woord, uitdrukking, mededeeling, bericht, bevel, wachtwoord, parool, motto; Word verb. onder woorden brengen: The Word = de H. Schrift; Money is the word = geld is de boodschap; He is as good as his word = houdt zijn woord = He has not been worse than his word; There were angry words between us = we hadden hooge woorden; At a word = met één woord; By good word = met goedheid; He communicated it to me by word of mouth = mondeling; I repeated it to him word for word = woord voor woord; In a (one) word = in één woord, kort en goed; There you have it in a word = met dat ééne woord is alles gezegd; He is a hero in word(s) = een held met den mond; To a word = woordelijk; Upon my word = op mijn woord; To come to words = woorden krijgen; He tried to get away from his word = van zijne belofte af te komen; I could not get in a word edgeways = er geen woord tusschen krijgen; To stick to one’s word = zijn woord houden; I take you at your word = houd je aan; To take up the word again = weer opvatten; To understand at half a word = met een half woord verstaan; To bring word = bericht brengen; You shall eat your words = terugnemen; He gave me many kind words = sprak zeer vriendelijk; I must have a word with you = u even spreken; To have a few words = woorden (ruzie) hebben; To have the final word = het laatste woord hebben; I have your word = uw woord, verzekering; I won’t have any words about it = ik wil er niet van hooren; She hasn’t a good word to say of (for) anybody = zij heeft op iedereen wat te zeggen; To keep one’s word = houden; To leave word with the servant = boodschap achterlaten; I should like a word with you = je gaarne even spreken; To put in a good word for = een goed woordje doen voor = To say a good word for; He has not said his last word = zijn laatste woord nog niet gezegd (fig.); I’ll send you word = ik zal u eene boodschap zenden; To speak a good word for, Zie Put in; You may take my word for it = gij kunt erop aan; To take the word = het woord nemen; To write word = bericht zenden; Word-book = woordenlijst; Word-building = woordvorming; Word-catcher = woordenzifter, woordenvitter; Word-catching; Word-painter = woordkunstenaar; Word-painting = woordkunst; Word-picture = beeld of beschrijving; Word-spin = met woorden schermen: Journalists can Word-spin on occasion = verstaan de kunst om met veel woorden niets te zeggen; Word-spinner = redekunstenaar; Word-square = reeks v. woorden (in een vierkant) die hetzelfde woord opleveren hetzij naar beneden of van rechts naar links gelezen; Cautiously worded = voorzichtig gesteld; A well-worded letter = een goed gestelde brief; Wording = redactie, bewoordingen; Wordiness, subst. v. Wordy; Wordless = sprakeloos, niet uitgesproken; Wordy = woordenrijk, langdradig: Wordy warfare = woordentwist.

Wordsworth, wɐ̂dzwəth.

Wore, wö, imperf. van to wear.

Work, wɐ̂k, subst. werk, arbeid, bezigheid, bewerking, behandeling, etc.; Works = industrieele inrichting, fabriek, (uur)werk; goede werken, zedelijke plichten (tegenover “genade”), muren, loopgraven, versterkingen, vestingwerken; Work verb. werken, arbeiden, zich inspannen, gisten, stampen (v. een schip), werken op, zich laten bewerken, laten werken, afbeulen, sturen, leiden, oplossen, bedienen, afvisschen, dresseeren, etc.: That is a good day’s work = eene flinke dagtaak; It’s hard and slow work = moeilijk en langzaam vorderend werk; Bicycling is warm work = warm werk; At work! = aan het werk! They were at work on the map = aan het werk; A maid of all work = meid alléén; To be out of work = zonder werk, stilstaand; You’ll have all your work cut out for you = er de handen vol aan hebben; To find a person work = werk verschaffen; I must try to get through all this work to-day = al dit werk zien af te krijgen; You are going the right (wrong) way to work = legt het goed (verkeerd) aan; To go (fall) to work with a will = met ijver aan het werk gaan; To go out to work = uit werken gaan; To make sad work of = verknoeien; To make short work of = korte metten maken met; To set to work = aan het werk gaan, aan het werk zetten; Take up the work you dropped last week = vat het werk weer op; To be thrown out of work = buiten werk (geraakt) zijn; Gas-works = gasfabriek; An iron-works = ijzergieterij; The Board of Works = een lichaam, dat de secular functions van de Vestries in de meeste parishes heeft overgenomen (Zie Vestry); To work guns = bedienen; He worked his men fewer hours = liet werken; To work a mill = aan den gang brengen, drijven; To work arithmetical problems = oplossen; To work a railway = exploiteeren; If I could work my will = mijn zin kon doorzetten (Vergel. To work with a will = flink aanpakken); Worked in iron, gold, etc. = van ijzer, goud bewerkt; He is a hard worked man = hij moet hard werken; Stocks are working down = de effecten gaan naar beneden; The ship is working to windward = kruist naar loevert op; I have been working at my grammar = heb gewerkt; He worked himself into the king’s favour = drong zich in; I had a headache but I have worked it off = maar ze is met werken overgegaan; That did not work on him = had geen invloed; It has worked out something good = heeft uitgewerkt; I left these things to work out their own problems = om vanzelf tot oplossing te komen; To work out one’s dinner, passage = zijn middagmaal, overtocht verdienen met daarvoor te werken; We have steadily worked through all the exhibits = hebben alle uitstallingen geregeld nagegaan; He worked up his rage = hij werd al woedender; It was worked up into something quite different = er kwam geheel iets anders van; He worked himself up into a passion = maakte zich driftig; Workaday = Work-a-day = daagsch, alledaagsch; Work-bag = werktaschje; Work-basket = mandje; Work-box = werkdoos, naaikistje; Work-day = werkdag; Work-folk(s) = werklui; Work-girl = fabriekarbeidster; Workhouse = werkhuis (waarin de armen worden opgenomen, en de voor werk geschikten tot arbeid gedwongen worden); soort tuchtschool of werkinrichting; Workman = arbeider, werkman; Workmanlike = knap, handig, vaardig; Workmanship = wijze van uitvoering, bewerking, arbeid, bekwaamheid, handigheid: This is a box of excellent workmanship = een fraai bewerkte; Work-people; Work-room = werkkamer (voor vrouwen) in huis of fabriek; Work-season = campagne; Workshop = werkplaats; Work-shy = afkeerig van werken; subst. leeglooper; Work-table = werktafel(tje); Workwoman = werkvrouw, werkster; Workable = wat bewerkt, in beweging of gang gebracht, geëxploiteerd kan worden, uitvoerbaar, praktisch: That is not a workable theory, proposal = practisch; Worker = werker, werkman, arbeider; werkbij (-mier): He was my fellow worker for a time = wij hebben een tijdlang samengewerkt; Working, subst. werk, gisting, beweging, gang, bedrijf, exploitatie; adj. werkend, arbeidzaam, werkzaam, bruikbaar: Working-account = exploitatierekening; Working-beam = drijfstang; Working-class(es) = arbeidende klasse; Working-day, subst. werkdag; adj. als v. een werkdag, zwoegend, gewoon; Working-drawing = plan of teekening, constructieteekening; Working-expenses = exploitatiekosten; Working-man = werkman, arbeider; Working-party = troep soldaten voor eene korvee bestemd; Working-point = deel der machine waarop het vereischte effect wordt teweeggebracht; Workless = zonder werk, werk(e)loos: The Workless, the Thriftless and the Worthless, a book by Francis Peek.

World, wɐ̂ld, wereld (ook fig.), aardsch bestaan, levensloop, de menschen, het publiek, maatschappij, menigte: A world of pains = ontzettend veel moeite; World without end = eeuwig; The next (other, future) world = The world to be (world to come) = het hiernamaals; The fashionable (great) world = de groote wereld; It’s him, for all the world = hij is het waarachtig; I wouldn’t part with you for (all) the world = voor niets ter wereld; What in the world do you mean by it? = wat ter wereld; History (Knowledge) of the world; He is a man of the world = een man van de wereld; He is of the world worldly = een echte wereldling, wereldschgezinde; We have travelled all over the world, all the world over = de geheele wereld door- of rondgereisd; All the world say so = alle menschen; All the world and his wife go(es) there = Jan en alleman; She was beginning the world = trad de wereld in; I wish I could begin the world over again = dat ik nog eens weer van voren af aan kon beginnen: I would have given worlds = alles; He has renounced the world = heeft van de wereld afstand gedaan; He thinks (all) the world of his nephew = heeft een hoog idée van; As the world goes = zooals het gaat in de wereld; That is how the world wags (Such is the world, This is the way of the world) = is ’s werelds beloop; World-English = phonetisch internationaal spelstelsel v. Melville Bell; World-famous; World-pain = wereldsmart (“Weltschmerz”); World-wearied = de wereld moede, levensmoede; World-wide = oneindig, zeer groot; World-wise = ervaren; Worldliness = wereldsch-gezindheid; Worldling = wereldling; Worldly = wereldsch, menschelijk, aardsch, verachtelijk; World-minded = wereldsgezind; subst. World-mindedness; World-wise = wijs naar de wereld (gew. in afkeurenden zin).

Worm, wɐ̂m, subst. worm, made, larve, stumper, klabak, gewetenswroeging, schroefdraad, krasser op den laadstok, koelslang; Worm verb. kruipende vooruitkomen, in het geheim en langzaam werken, op slinksche wijze bewerkstelligen, de lading uit geweer of kanon halen, touw spiraalsgewijs omwikkelen, van wormen zuiveren: Even the trodden worm will turn = zelfs het wormpje laat zich niet zoo maar trappen; He wormed himself into the king’s confidence = drong zich kruiperig in; He tried to worm that secret out of me = van mij los te krijgen; Worm-cake = wormkoekje; Worm-eaten = wormstekig; subst. Worm-eatenness; Worm-fever = wormkoorts; Worm-grass = muurpeper; Worm-hole = wormgaatje; Worm-powder = wormpoeder, wormkruid; Worm-seed = alsem, welriekende ganzevoet, boerenkers; Worm-shaped = wormvormig; Worm’s meat = voedsel voor wormen, lijk; Worm-wheel = schroefrad, snek; Wormy = vol wormen, wormstekig, aardsch, kruipend.

Wormwood, wɐ̂mwud, bittere alsem: It is (gall and) wormwood to him = hij wormt er over, het grieft hem.

Worn, wön, p.p. van to wear, versleten, uitgeput, verweerd, uitgeteerd.

Worrier, wɐriə: He is a worrier = een kwelgeest, onaangenaam mensch; It has caused me much worriment = me veel last en verdriet veroorzaakt; Worrit, wɐrit (= Worry): Don’t worry yourself = plaag jezelf toch niet, zit toch niet (zoo) te kniezen.

Worry, wɐri, subst. kwelling, angst, zorg, drukte, “soesa”; Worry verb. kwellen, tobben, plagen, afworgen (zooals de honden doen), rukken, uitputten: You have no worries = niets dat u hindert; Don’t be uneasy, my dear old worry = lieve tobber (bezorgde moeder); The dog worried the old gentleman’s gaiters = rukte en scheurde aan de slobkousen van den ouden heer; To be worried at = zich ergeren over, verdrietig zijn over; The chief had been worrying for her for two hours = naar haar gevraagd, overal gezocht.

Worse, wɐ̂s, erger, slechter; ook subst.: From bad to worse = van kwaad tot erger; Worse luck = ongelukkigerwijze; To be worse = erger, zieker zijn; To be ¼ worse = ¼ procent lager staan; I am no worse = I am none the worse for it = dat heeft me niets gehinderd; To be the worse for = minder waard zijn, schade lijden, er slecht aan toe zijn; To be the worse for drink = aangeschoten zijn; The worse for wear = versleten; To change for the worse = minder worden; To get worse and worse = al erger worden; He is worse off than his brother = slechter af; And, to make things worse, one of the horses fell down dead = en tot overmaat van ramp; Worsen = verergeren, ontaarden; een voordeel behalen op; His betters or his worsers = zijne meerderen of zijne minderen (schertsend).

Worship, wɐ̂šip, subst. waardigheid, aanzien, eerbied, eerbewijzen, aanbidding, godsdienst, eeredienst, titel (vooral van magistraatspersonen); Worship verb. aanbidden, vol eerbied behandelen, vereeren, hoogachten, zich toewijden: Yes, your Worship = ja, edelachtbare; Worshipful = grootachtbaar (titel): Worshipful Master; subst. Worshipfulness; Worshipper = aanbidder: Worshipper of idols = afgodendienaar.

Worst, wɐ̂st, subst. en adj. slechtst(e), ergst(e), minst(e), snoodst(e); Worst verb. verslaan, overwinnen: At the worst = op zijn minst, in ’t ergste geval; In the event of the worst = If the worst comes to the worst = als het op het ergst loopt; The worst of the thing was = het ergste van de zaak was; Let him do his worst = het ergste doen wat hij kan; He had (got) the worst of it = hij verloor het, trok aan het kortste eind; Why should you suppose the worst? = het ergste onderstellen; They were worsted in the battle = zij werden in den strijd totaal verslagen.

Worsted, wustid, subst. en adj. (van) sajet: A ball of worsted = een kluwen sajet.

Wort, wɐ̂t, kruid (in samenstellingen).

Worth, wɐ̂th, worden of zijn (alléén) in: “Woe worth” met volgenden datief: Woe worth the chase, woe worth the day, That costs thy life, my gallant grey = wee de jacht en wee den dag.

Worth, wɐ̂th, subst. waarde, waardij, verdienste, uitstekendheid; adj. waard: To be worth = gelden, waard zijn; What’s that man worth? = hoeveel bezit die man; Take all I’m worth = neem alles wat ik bezit; It is hardly worth looking at = haast geen aankijken waard; It is as much as my place is worth to let him see it = het zou me mijn betrekking kunnen kosten, als hij het zag; He gave the last shilling he was worth = dien hij bezat; He liked to think that he was worth his salt = dat hij den kost waard was; You are not worth a two-penny rope = je bent het ophangen niet waard; He danced for all he was worth = zooveel en zoo goed hij kon; Worthiness, wɐ̂dhinəs, waardigheid, deugd, uitstekendheid; Worthless = waardeloos, verachtelijk; subst. Worthlessness; Worthy, wɐ̂dhi, subst. held, beroemdheid, persoon; adj. waardig, edel, verdienstelijk: The Nine Worthies = de negen helden der Oudheid (Hector, Alexander, Julius Caesar, Jozua, David, Judas Maccabaeus, Arthur, Karel de Groote, Godfried v. Bouillon); I am worthy to be scorned = verdien veracht te worden; This work is not worthy of your talents = is uwe talenten en gaven onwaardig; The labourer is worthy of his hire = zijn loon waard.

Would, wud, imperf. van will: Would to God = God gave; He would often go there = placht te gaan; Would you have me go there? = woudt ge, dat ik daarheen ging? What would you have me do? = wat woudt ge (dan) dat ik deed; I would have you know = ik moet je zeggen; Would-be, subst. bluffer; adj. zoogenaamd: A would-be friend = valsche, zoogenaamde vriend; A would-be sportsman = Zondagsjager.

Wound, wûnd, subst. wonde, smart; Wound verb. wonden, kwetsen: To give (inflict) a wound = eene wonde toebrengen; To wound to death; To wound to the quick = pijnlijk verwonden of grieven; Wound-fever; Wound-wort = andoorn.

Wound, waund, imp. en p.p. van to wind.

Wove, wouv, Woven, wouv’n, imperf. en p.p. van to weave: Wove(n) paper = velijnpapier.

Wow-wow, wauwau, woef (= hond in de kindertaal); langarmige apensoort (Sumatra).

Wrack, rak, zeewier; wrak; lichte, dunne wolk (Zie Rack): Let the world go to wrack = ten onder gaan.

Wrain-bolt, reinboult; Zie Wring-bolt.

Wraith, reith, geest(verschijning) van iemand vóór zijn dood of even na zijn dood, schim, spook: His friendship for me was henceforth a hollow wraith = niets dan eene schim, eene holle klank.

Wrangle, raŋg’l, subst. gekijf, ruzie; Wrangle verb. kijven, rumoerig twisten: The birds were wrangling for the seed = vochten om; Wrangler = twister, ruziemaker; aan de universiteit te Cambridge een van hen, die in het Honours examen voor B.A. in de wiskunde hooge punten hebben behaald; de beste heette Senior Wrangler (afgeschaft in 1909); Wranglership; Wrangling = twist, ruzie.

Wrap, rap, subst. omhulsel, overtrek, omslagdoek, sjaal, mantel, morgenjapon; Wrap verb. samenwikkelen, bedekken, inwikkelen, oprollen, hullen, opgaan in: The world was wrapped in silence, darkness = in stilte duisternis gehuld; I don’t understand why you are so wrapped up in your country = hoe gij zoo geheel in uw land opgaat, er zoo mee zijt ingenomen; Wrappage = omhulsel; Wrapper = emballage, sjaal, morgenjapon, doek, dekblad, kruisband: Sumatra wrappers = sigaren met S. dekblad; Wrapping-paper = pakpapier; Wrapt = P. Imp. en P.P. v. To wrap.

Wrasse, ras, lipvisch.

Wrath, rôth, râth, woede, gramschap; Wrathful = vol toorn en gramschap; subst. Wrathfulness; Wrathy = toornig, gramstorig.

Wreak, rîk, subst. wraak, woede; Wreak verb. wreken, koelen: To wreak one’s anger (rage) upon = zijn toorn (woede) koelen aan; I’ll wreak my vengeance on you = zal mijne wraak aan u koelen.

Wreath, rîth, krans, ring, winding, kring: Wreaths of smoke; Wreath(e), ridh, omkransen, bekransen, kronkelen, strengelen; Wreathy, rîthi, gewonden, etc.

Wreck, rek, subst. wrak, wrakhout, vergaan, verval, ondergang, vernietiging; Wreck verb. vernietigen, te gronde richten, stranden, schipbreuk (doen) lijden, te gronde gaan: Wrecks = overblijfselen, wrakhout: Receiver of wrecks = strandvonder; Everything went to wreck and ruin = ging te gronde; The ship was wrecked off Kijkduin = verging; To wreck a train = een spoorwegongeluk veroorzaken; The rebels wrecked the bakers’ shops = vernielden en plunderden; Wreck-commissioner = strandvonder (Amer.); Wreck-free = niet onderworpen aan het strandrecht, zooals b.v. de Cinque Ports; Wreck-master = strandvonder (Engl.); Wreckage, rekidž, schipbreuk, wrakhout, overblijfselen; Wrecker = stranddief, strandjutter, strandwacht, bergingsschip; Wrecking-car = spoorwagen met materiaal om na een spoorwegongeluk den weg vrij te maken (Amer.).

Wren, ren, tuinkoning: A wren in the hand is better than a crane to be caught = één vogel in de hand is beter dan tien in de lucht; Wrenning = jacht op wrens; de 26e Dec. heet in ’t Z. van Ierland wrenning-day, omdat oudtijds de wrens op dien dag gevangen, en in triomf van huis tot huis gedragen werden om geld voor een pretje op te halen; de deelnemers aan de jacht heetten wren-boys.

Wrench, renš, subst. ruk, verdraaiing, draaiing, verstuiking, schroefsleutel; Wrench verb. draaien, wringen, verdraaien, verrekken, verstuiken: It was a hard (shocking) wrench to part with her = het was een zeer hard gelag; Students have a fancy for wrenching off knockers = mogen graag kloppers (bellen) “moeren”; To wrench open = openbreken.

Wrest, rest, subst. draaiing, winding, list, verrekking; stemhamer; Wrest verb. verdraaien, verwringen, ontrukken.

Wrestle, res’l, subst. worsteling, worstelwedstrijd; Wrestle verb. worstelen, strijden; Wrestler = worstelaar, athleet; Wrestling-place = worstelplaats.

Wretch, retš, ellendeling, schelm: ongelukkige: Poor wretch = arme stakker: That young Wretch of a girl = dat nest; Wretched, retšid, ellendig, ongelukkig, betreurenswaardig, armzalig; subst. Wretchedness.

Wrexham, reks’m.

Wriggle, rig’l, subst. wriemelende beweging, draaiing; Wriggle verb. wriemelen, zich kronkelend bewegen, draaien, wrikken (v. een boot): To wriggle oneself into a person’s favour = zich vleierig indringen; Wriggler = draaier, knoeier.

Wright, rait, bijna alléén in samenstellingen, als Cartwright = wagenmaker; Shipwright = scheepstimmerman.

Wring, riŋ, wringen, draaien, persen, afpersen, uitknijpen, omdraaien, buigen, martelen, pijnigen: He wrung the confession from me = perste mij de bekentenis af; To wring out clothes; These shrieks wring my heart = knijpen mij het hart toe; We listened with wrung hearts; Wring-bolt = ringbout; Wringer = wringmachine; Wringing: Wringings of conscience = gewetenswroeging; Wringing of the guts = krampen (plat); Wringing-machine = wringmachine; Wringing-wet = zóó nat dat men het kan wringen.

Wrinkle, riŋk’l, subst. rimpel, plooi, vouw, oneffenheid, gelukkige gedachte of inval, wenk; Wrinkle verb. rimpelen, plooien, vouwen; liegen, opsnijden: I’ll put you up to a wrinkle (or two) = ik zal je eens op de hoogte brengen; Shopping wrinkles = kneepjes bij ’t koopen in acht te nemen; He wrinkled up his face, nose; Wrinkled = Wrinkly.

Wriothesley, rot(ə)sli.

Wrist, rist, handgewricht; Wristband = vaste manchet, boord van de (over)hemdsmouw; Wrist-drop = verlamming der hand; Wristlet = soort polsmof, armband, handboei.

Writ, rit, geschrift, bevelschrift, oproeping, dagvaarding, aanklacht: Holy Writ = de H. Schrift; Writs were issued = bevelschriften werden uitgevaardigd; A writ was served upon him = er werd hem eene dagvaarding beteekend.

Write, rait, schrijven, beschrijven, zich schrijven (teekenen): I have written him word = hem geschreven, schriftelijk kennis gegeven; Will you write this fair? = dit in ’t net schrijven; They wrote down what I dictated = zij schreven op; She writes down too much in her books for children = zij schrijft al te kinderachtig; The critic’s objections were written down = werden afdoende weerlegd; The debt was written off = werd doorgehaald, afgeschreven; The ship was written off as wrecked = als vergaan van de lijst gevoerd; Will you write it out? = het copieeren; He has written himself out = zijn schrijversvermogen uitgeput; To write up = bijschrijven, bijhouden: The novel was written up = werd gunstig gerecenseerd, in de hoogte gestoken (afgemaakt) door de critiek; He has written to say that = heeft geschreven, dat; Writer = schrijver, klerk: Writer’s cramp = schrijfkramp; Writer to the Signet = een Schotsch solicitor; Writership = schrijversambt.

Writhe, raidh, verwringen, verdraaien, ineenkrimpen: He writhed his features as in pain = verwrong zijne gelaatstrekken.

Writing, raitiŋ, geschrift, handschrift, tekst, oorkonde: To commit one’s thoughts to writing = op schrift brengen = To draw up (put down, take down in) writing = op schrift zetten; In his own writing = eigenhandig geschreven; Writing-book = schrijfboek; Writing-case = map; Writing-desk = schrijflessenaar, schrijf map; Writing-master = schrijfmeester; Writing-pad = sous-main; Writing-paper = schrijfpapier; Writing-part = schriftelijk gedeelte van een examen; Writing-school = schrijfschool; Writing-table = schrijftafel; Written = geschreven: It is written = er staat geschreven (in de H. Schrift); Written examination; Written Law = geschreven wet = Statute Law.

Wrong, roŋ, subst. onrecht, onrechtmatige daad, overtreding, beleediging, nadeel, misvatting; adj. verkeerd, onbillijk, onrechtmatig; Wrong verb. verongelijken, onrecht aandoen, krenken, beleedigen: Private (public) wrong = onrecht een persoon (de maatschappij) aangedaan, inbreuk op de rechten van een persoon (v. de maatschappij); To be wrong = verkeerd zijn, ongelijk hebben; That is altogether (decidedly) wrong = heelemaal (bepaald) verkeerd; There is something wrong somewhere = er is ergens iets niet in den haak; To do a person wrong = To do wrong to a person = verongelijken, onrecht doen; He has done wrong = verkeerd gedaan, slecht gehandeld; He has had wrong = is verongelijkt; To get to wrongs = in de war raken; To get on (to) the wrong tack = op het verkeerde spoor; To go wrong = verkeerd gaan, den verkeerden weg opgaan; My watch goes wrong = loopt niet goed; To go the wrong way = in ’t verkeerde keelgat komen; To rub the wrong way = boos maken, prikkelen; To swallow a crumb the wrong way = in ’t verkeerde keelgat krijgen; To get hold of the wrong end of the stick = iets bij het verkeerde eind hebben; He got out of bed the wrong foot (leg) foremost = hij is met het verkeerde been uit het bed gestapt; I am on the wrong side of sixty = over de zestig; The wrong side uppermost (outward) = den verkeerden kant boven (buiten), ondersteboven (binnenstebuiten); He wronged her by two years = dacht ten onrechte dat ze twee jaar ouder was; He never wronged me of a penny = heeft mij nooit een cent te kort gedaan; Wrong-doer = overtreder; Wrong-doing = onrecht, overtreding; Wrong-headed = verkeerd, eigenzinnig; subst. Wrong-headedness; Wronger = verongelijker; Wrongful = onbillijk, benadeelend, verkeerd; subst. Wrongfulness; Wrongly = verkeerdelijk, onrechtmatig; Wrongous = onwettig (Schotl.).

Wrote, rout, imperf. van to write.

Wroth, rôth, roth, verbitterd, toornig.

Wrought, rôt, gewrocht, bewerkt, gevormd, gesmeed, geslagen: He was wrought on by his relations = werd bewerkt door zijne familie; Wrought up to great fury = tot groote woede gebracht; Wrought upon = bewerkt (fig.); High-wrought expectations = hooggespannen verwachtingen; Wrought-iron = gesmeed ijzer, staafijzer.

Wroxeter, roksitə.

Wrung, rɐŋ, imp. en p.p. van to wring; Wrung heads = kim (scheepst.).

Wry, rai, scheef, verdraaid, verkeerd: To make a wry face = een leelijk gezicht trekken; To make wry faces = gezichten trekken; Wry-neck = scheeve nek (hals); draaihals (vogel); Wryness = scheefheid, verdraaidheid.

Wunner, wɐnə, kranige vent = Oner.

Wuther, wɐdhə, huilen, bulderen: Wuthering heights = onherbergzame hoogten.

Wyandotte, waiəndot, waiəndot.

Wyat(t), waiət.

Wych-elm, witšelm = bergiep; Wych-hazel (Z. Witch).

Wycherley, witšəli; Wyclif(fe), wiklif; Wyclif(f)ite, wiklifait, volgeling van W. (1324–1384); Wycombe, wikəm; Wye, wai; Wykeham, wikəm; Wykehamist, wikəmist, naam van de leerlingen van Winchester College, door Wykeham, Bisschop van Winchester, te Oxford gesticht; Wyndham, wind’m; Wyoming, waioumiŋ.

Wyvern, waiv’n, gevleugelde draak (Herald.).

X.

X, eks; X. = Christ; Xm., Xmas = Christmas; Xn. = Christian; Xnty. = Christianity; Xpher, Xr. = Christopher; Xt = Christ; Xtian = Christian; X-legged = met x-beenen; X-rays = x-stralen.

Xanthian, zanthiən, van Xanthus: Xanthian-marbles = marmeren beeldhouwwerken nabij Xanthus, zanthəs, in 1838 ontdekt (thans in het British Museum).

Xanthic, zanthik: Xanthic acid; Xanthin, zanth(a)in, zanthin, xanthine.

Xanthippe, zanthipî.

Xanthium, zanthiəm, stekelnoot.

Xanthophyl(l), zanthəfil, bladgeel.

Xanthous, zanthəs, geel; Xanthoxylum, geelhout.

Xebec, zîbek, kleine driemaster (Middell. Zee).

Xenophon, zenəfon.

Xeres, zerəs, zerîz, soort v. wijn.

Xerophagy, zirofədži, dieet van droge spijzen.

Xerxes, zɐ̂ksîz.

Xiphias, zifias, zwaardvisch, zuidelijk sterrenbeeld, zwaardvormige komeet; Xiphoid, z(a)ifôid, zwaardvormig.

Xylograph, zailəgraf, houtsnede; Xylographer, zailogrəfə, houtgraveur; adj. Xylographic(al), zailəgrafik(’l); Xylography, zailogrəfi, houtsnijkunst.

Xylonite, zailənait, een soort kunstivoor.

Xylophagan, zailofəg’n, houtkever.

Xylophone, zailəfoun, houten blaasinstrument.

Xyst(os), zist(os), lange overdekte zuilengang voor athletische spelen.

Xystarch, zistâk, leider der athletische oefeningen.

Y.

Y, oeai; Y(ear); Y(ar)d; Y(ar)ds; Ye = The of Thee; Y(oung) M(en’s) C(hristian) A(ssociation) = Christelijke Jongelingsvereeniging; Yr. = Year, Younger, Your; Ys. = Years, Yours; Y(oung) W(omen’s) C(hristian) A(ssociation) = Christelijke Jonge-dochtersvereeniging; Y-level = waterpas; Y-moth = gamma-uil (insect).

Yacca, jakə, podocarpus, kostbare houtsoort (W.-Indië).

Yacht, jot, subst. jacht; Yacht verb. met een jacht zeilen; Yachter; Yachting = het varen met een jacht, hardzeilen; Yacht(s)man = bezitter van (zeiler met) een jacht; Yacht(s)manship = de kunst een jacht te besturen; Yachtswoman.

Yah, jâ, interj. Och kom! Bah!

Yahoo, jahû, naam door Swift (in Gulliver’s Travels) aan een aapachtig menschenras gegeven; ruwe kerel, gemeen sujet; groen of sukkel (Amer.).

Yahveh, jawei, Jehova.

Yak, jak, buffel met paardestaart (Thibet).

Yaksha, jakšə, Hindoesche halfgod.

Yakut, jakût; Yale, jeil: Yale University (te New Haven).

Yam, jam, yamwortel, broodwortel, broodplant.

Yangtze-Kiang, jaŋtsə-kiaŋ.

Yank, jaŋk, subst. ruk, draai, stoot; Yank verb. rukken, gappen, snateren, ratelen.

Yank(ee), jaŋk(î), subst. Amerikaan; glas whiskey met stroop (Amer.); ook adj. Yank-clock = koekoeksklok; Yankee-doodle = Amerikaansch volkslied; Yankeefied, jaŋkifaid, veramerikaanscht; Yankeeism = idioom of gewoonte der Yankees.

Yap, jap, subst. geblaf, gekef; Yap verb. keffen.

Yard, jɐ̂d, subst. Engelsche en Amer. lengtestandaard (3 feet of 36 inches = ± 91,44 cM.); ra, plaats, rangeerterrein, erf; werf (= Ship-building yard); Yard verb. vee op het erf opsluiten: Government yard; Private yard; Naval yard; He writes by the yard = is een veelschrijver; Yard-arm = nok der ra; Yard-arm and yard-arm = nok aan nok; Yard-man = spoorwegarbeider; Yard-measure, Yard-stick, Yard-wand = (Engelsche-)ellestok of ellemaat; Yard-tackle = noktakel.

Yarkand, jâkand; Yarmouth, jârməth.

Yarn, jân, subst. garen, draad; matrozenverhaal, lang (ongelooflijk) verhaal; Yarn verb. een (langdradig) verhaal vertellen: Shall I (pitch) spin you a yarn? = zal ik jullie een verhaal vertellen?

Yarrow, jarou, gemeen duizendblad.

Yataghan, jatəgan, kromme Turksche dolk.

Yates, jeits; Yaughan, jôn.

Yaup, jôp = Yelp.

Yaw, jô, subst. het gieren van een schip; Yaw verb. gieren; schuimen: To make yaws = gieren.

Yawl, jôl, subst. jol; Yawl verb. Zie Yowl.

Yawn, jôn, subst. wijde opening, gaping; Yawn verb. gapen, geeuwen, wijd openen: Yawning is catching = geeuwen is aanstekelijk.

Yaw-yaw, jôjô, geaffecteerd, lijmerig spreken.

Ycleped, Yclept, iklept, genaamd.

Ye, jî, gijlieden.

Yea, jei, jî, subst. vóórstemmer; adv. jazelfs, zeker, voorwaar: Yea and more = ja zelfs; The yeas have it = de meerderheid is er voor.

Yeames, jeimz.

Yean, jîn, lammeren werpen; Yean kid = geitje, bokje; Yeanling, subst. lam.

Year, jîə, jaar: Civil, Solar, Tropical year = het burgerlijk jaar of het zonnejaar; The year of Grace = het jaar onzes Heeren = The year of our Lord; New Year’s day = Nieuwjaarsdag: New Year’s Eve = Oudejaarsavond(dag); Next year = aanstaande jaar; Last year = verleden jaar; Year by year = jaar op jaar; In years = op jaren; Year in year out; One year with another = het eene jaar door het andere; It may be years first before that happens = daar kunnen nog jaren over verloopen; You bear your years well = houdt u goed voor uw leeftijd; To come to (the) years of discretion = tot (de) jaren des onderscheids komen; To get into (grow in) years = op jaren komen; He has a good thirty years before him = kan nog wel een dikke 30 jaar leven; Year-book = jaarboek; Yearling, subst. dier van één jaar; adj. éénjarig; Yearly = jaarlijks(ch), een jaar durend.

Yearn, jɐ̂n, vurig verlangen, reikhalzen; bedroeven, diep medelijden voelen met (upon, towards, Bijb.).

Yeast, jîst, gist, schuim; Yeast-bitten = naar de gist smakend (v. bier); Yeast-powder = zelfrijzend bakmeel; Yeastiness, subst. v. Yeasty = gistend, schuimend, luchtig.

Yeat(e)s, jeits.

Yelk, jelk; Zie Yolk.

Yell, jel, subst. gil, krijgskreet; Yell verb. gillen, huilen.

Yellow, jelou, subst. het geel, geel van een ei; adj. geel, gouden, ijverzuchtig, jaloersch; Yellow verb. geel maken of worden (Yellows = geelzucht; ijverzucht): He has a yellow streak in him = hij is in zijn hart een lafaard; Yellow bachelor’s buttons = scherpe boterbloem; Yellow boy = goudstuk; Yellow earth = aardgeel, oker; He opened the Yellow envelope = telegram; Yellow fever = gele koorts; Yellow Jack = gele quarantainevlag; gele koorts; Yellow peril = het gele gevaar; Yellow press = de Jingo bladen; Yellow River; Yellow Sea; Yellow-ammer = geelgors, haverkneu (= Yellowhammer); Yellow-bird = wielewaal; distelvink (Amer.); Yellow-golds = goudsbloem; Yellow-rocket = barbarakruid; Yellow-seed = veld-kruidkers; Yellowstone National Park = een in 1872 tot Nationaal Park bestemd gebied van 5500 □ Mijl in Wyoming, Montana en Idaho; Yellowish = geelachtig; subst. Yellowishness; Yellowness = geelheid; Yellowy = geelachtig.

Yelp, jelp, subst. gekef, geblaf; Yelp verb. keffen, blaffen; Yelper = keffer.

Yen, jen, Japansche munt (± ƒ 1,25).

Yenisei, jenisei-î.

Yeoman, joum’n, vroegere eigengeërfde (een kleine grondbezitter, volgend op de Gentry), thans ook huurboer, bootsmans-, kanonniers-, timmermansmaat aan boord van een schip, bereden vrijwilliger: Yeoman’s service = krachtige steun, goede dienst; He has done his party yeoman-service; Yeoman of the wine-cellar = keldermeester; Yeomen of the guard = lijfwacht der E. koningen in 16de eeuwsche uniformen, die aan het hof en bij plechtige gelegenheden dienst doen; hun hoofdkwartier is in den Tower of London; Yeomanry = alle Yeomen; ook een bereden landmilitie (met eigen paarden en uniformen, terwijl het gouvernement de wapens en de munitie verschaft; ze kunnen niet zonder eigen toestemming buitenslands worden gezonden, doch wel opgeroepen worden voor het dempen van oproer).

Yeovil, jouvil.

Yerk, jɐ̂k, subst. ruk, stoot, slag; Yerk verb. rukken, stooten, aanhalen, slaan met beide achterpooten.

Yes, jes, ja.

Yest, jest, gist = Yeast.

Yester, jestə, gister of vorige (alléén nog in samenstellingen, als: Yesterday; Yestereve, Yestereven, Yesterevening; Yestermorn; Yesternight; Yesternoon; Yesterweek; Yesteryear): The day before yesterday = eergister; I was not born yesterday = ik ben niet van gisteren; Yestern = van gisteren.

Yet, jet, nog, bovendien, verder, thans, reeds, vooralsnog, nochtans, al, echter: Yet again = nog eens; Yet a moment = nog een oogenblik; I have not seen him as yet = ik heb hem tot nu toe nog niet gezien; Never yet = nog nooit; Shall I go now? Not yet = nog niet; Do you know your lesson yet? = kent ge uwe les al? I do not mean to die yet awhile = vooreerst; The Parliament that will yet sit on College Green = toch nog ééns; He is yet only 20 = nu nog maar; Yet time serves = nog is het tijd.

Yew, jû, taxis, taxishout, boog (van dit hout gemaakt); Yew-tree; adj. Yewen.

Yew, jû, komen (v. schuim op kokend zout).

Yid, jid, jood, jodin (mv. Yidden); Yiddish = Joodsch(e taal); Yiddism.

Yield, jîld, subst. opbrengst, productie, winst, oogst; Yield verb. voortbrengen, opbrengen, afwerpen, opleveren, vieren, loslaten, overgeven, toegeven, zwichten, zich onderwerpen (overgeven), wijken: His courage never yields = hij verliest den moed nooit; Such days would yield much pleasure = plachten veel genot te schenken; To yield to conditions = genoegen nemen met; To yield to despair = zich overgeven aan; To yield to superior force = wijken voor; I will not yield to such sentimental reasonings = ik luister niet naar, bezwijk niet voor; You must yield to the times = je schikken in; To yield up the ghost (the breath of life) = den geest geven; Yieldance = toestemming, concessie; Yielding = tot toegeven geneigd, buigzaam, meegaande; subst. Yieldingness.

Yodel, Yodle, joud’l, subst. gejoedel; Yodle verb. joedelen; Jodeller = iemand die joedelt.

Yoga, jouga, een vorm van Hindoesch ascetisme; Yogi, Hindoesch asceet.

Yo-ho, jouhou, hola!

Yoick(s), jôik(s), subst. oude jachtkreet bij de vossenjacht.

Yoke, jouk, subst. juk, jok, span, band, stuk lands dat twee ossen in één dag kunnen omploegen, juk van het roer, stuurtalie; Yoke verb. onder het juk brengen, het juk aandoen, aanspannen, zich verbinden: To bring under the yoke = To put to the yoke = het juk opleggen; To shake (To throw) off the yoke; These two are ill yoked together = passen niet bij elkaar; Yoke-fellow = mede-lijder, levensgezel(lin); Yoke-line, Yoke-rope = stuurtouw; Yoke-toed birds = klimvogels.

Yokel, jouk’l, boerenkinkel, pummel.

Yolk, jouk, dooier; zweet of afscheiding der schapenhuid; Yolk-bag, Yolk-sack = dooiervlies; Yolky = vettig.

Yon(der), jondə, ginds(ch), ginder.

Yonge, jɐŋg.

Yoop, jûp, interj. huup! subst. schreeuw.

Yore, jö, alléén in: In days (times) of yore = in vroeger dagen, lang geleden.

Yorick, jorik; York, jök: Yorickist = aanhanger van het Huis York.

Yorker, jökə: Een yorker gooien, i.e. den bal bij ’t Cricketspel zoodanig gooien, dat hij zonder den grond te raken den Batsman bereikt.

Yorkshire, jökšə, Yorkshire; ook adj. uit Y.; sluw: I am Yorkshire too = ben ook niet van gisteren; He came Yorkshire over me = nam me beet; Yorkshire man = iemand uit Yorkshire geboortig, slimmerd; Yorkshire pudding = soort van vleeschpudding; Yorkshire relish = eene bekende pikante saus; Yorkshire woman.

You, jû, gij, u, gijlieden, ulieden.

Young, jɐŋ, subst. jong (van een dier); adj. jong, jeugdig, krachtig, frisch, groen, onervaren: Young man = jongmensch, bediende, vrijer; Young Mr. Smith = Smith, junior; He is a young one = nog niet droog achter de ooren; The young ones cackle as the old cock crows = zooals de ouden zongen, piepen de jongen; Your young hopeful = veelbelovend zoontje (Iron.); With young = drachtig; Young-eyed = met frisch, jeugdig uitzicht; Younger, jɐŋgə, jonger; Youngest, jɐŋgist, jongst; Youngish, jɐŋgiš, vrij jong, jeugdig; Youngling, subst. jonge man, jong meisje; jong dier, nieuweling; adj. jong; Youngness = jonkheid, het jongzijn; Youngster = jongeling, jongen, knaap; Younker, jɐŋkə, jonge man; lichtmatroos.

Your, jûə, uw(e): Your man of business = je (ware) koopman; Yours, jûəz, de of het uwe: Yours truly = hoogachtend; You and yours = gij en de uwen; This servant of yours = van u; Yourself = gijzelf, uzelf, gijzelven, uzelven: “Poor boy!” “Poor yourself” = loop heen met je Poor; Be yourself = kalmeer je; Tell me yourself, whether that was right = zeg mij zelf; mv. Yourselves.

Youth, jûth, jeugd, jongeling, jonge man, de jongelui; Youthful = jeugdig: A youthful-looking girl = een jeugdig uitziend meisje; subst. Youthfulness.

Yowl, jaul, subst. gehuil; Yowl verb. huilen.

Yucatan, jukətân; adj. Yucatecan.

Yucca, jɐkə, jucca, Adam’s naald.

Yuck, jɐk, subst. jeuk; Yuck verb. jeuken, krabben.

Yuft(s), jɐft(s), juchtleder.

Yukon, jûkon.

Yule, jûl, kersttijd; Yule-block, Yule-log = groot blok hout voor het kerstvuur; Yuletide = kersttijd.

Z.

Z, zed; Zach(ary), Zach(ariah); Zeph(aniah); Z(oological) G(ardens); Zoochem(istry); Zoogeog(raphy); Zool(ogy).

Zach, zak; Zachariah, zakəraiə; Zachary, zakəri.

Zaim, zaim, zâ-im, Turksch leenman; Zaimet = district van een Z.

Zain, zein, geheel zwart of bruin paard.

Zambezi, zambeizi.

Zambo, zambou, kind van een mulattin en een neger.

Zamouse, zəmûz, W. Afrikaansche buffel.

Zante, zanti: Zante-wood = Hongaarsch geelhout, fiset- of fustiekhout.

Zany, zeini, grappenmaker, hansworst; Zanyism.

Zare(e)ba, zərîbə, omheining, versterkt kamp.

Zayat, zeijat, zâjat, karavansera in Burmah.

Zea, zîə, maïs.

Zeal, zîl, vurige ijver, geestdrift, vuur, gloed; Zealless = lauw.

Zealand, zîland.

Zealot, zelət, ijveraar, drijver, dweper; Zealotism, Zealotry = zelotisme, fanatisme; Zealous, zeləs, vurig, ijverig; Zealousness.

Zebec(k), zîbek; Zie Xebec.

Zebedee, zebədî, Zebedeus.

Zebra, zîbrə, zebra; Zebra-wolf = buidelwolf; Zebrine, zîbr(a)in, zebra-achtig.

Zebu, zîbjû, zeboe, Indische bultos.

Zechariah, zekəraiə; Zedekiah, zedəkaiə, Zedekia.

Zemindar, zemindâ, zemindâ, zəmindâ, Brit. Ind. erfelijk grondbezitter, die belastingen kan heffen; Zemindary, zemindəri, zemindəri, ambt of district van een Z.

Zenana, zənânə, vrouwenverblijf, harem.

Zend, zend, oude taal v. Zoroaster; Zend-Avesta = de heilige boeken aan Zoroaster toegeschreven.

Zenith, zenith, zînith, zenith, toppunt: He was in the zenith of his glory = had het toppunt van zijn roem bereikt.

Zephaniah, zefənaiə, Zephanja.

Zephyr, zefə, zachte zuidwestenwind, zefier; Zephyrus, zefirɐs, de w. wind als god.

Zero, zîrou, nul, nulpunt: To be (down) at zero; Below zero.

Zest, zest, stuk sinaasappel- of citroenschil (of het sap dezer schillen) om geur aan dranken te geven, noteschil, lekkere smaak of geur, genot, welgevallen: Kindness gives a zest to intercourse = hartelijkheid is de ziel van den omgang; Not worth a zest = geen cent waard.

Zetetic, zətetik, adj. heuristisch; subst. onderzoeker.

Zeus, zjûs.

Zibeline, zibəl(a)in, sabelbont.

Zigzag, zigzag, subst. zigzag; Zigzag verb. zigzagvormig maken, zigzagsgewijs loopen of afleggen: The path wound in zigzags up a steep, rocky slope; adj. met scherpe hoeken en bochten; Zigzaggy = met scherpe hoeken en bochten.

Zillah, zila, district (Brit. Ind.).

Zinc, ziŋk, subst. zink; Zinc verb. met zink bedekken: Flowers of zinc = zinkbloem; Zinc-white = zinkwit; Zinc-worker = zinkwerker; Zincky = zinkachtig, zink...; Zincode, ziŋkoud, positieve pool eener galvanische batterij; Zincograph, ziŋkəgraf, zinkgravure; Zincographer, ziŋkogrəfə, zinkgraveur; Zincography, ziŋkogrəfi, zincographie; Zincoid = zinkachtig; Zincous = zink....

Zingaro, ziŋgərou, Zigeuner; mv. Zingari.

Zinky, ziŋki, zinkachtig, zink....

Zion, zaiən, Zion.

Zither(n), zithə(n), cither.

Zodiac, zoudiak, Dierenriem; Zodiacal, zədaiək’l: Zodiacal light; Zodiacal signs = de twaalf teekenen van den Dierenriem.

Zoedone, zouədoun, een mousseerende alkoholvrije drank.

Zola, zoulə, Zola; Zolaism = naturalisme, realisme; Zolaistic.

Zonal, zoun’l, als eene zone; Zonar, zounâ, gordel, die voorheen door Christenen en Joden in Turkije moest worden gedragen, ter onderscheiding van de Mahomedanen; Zone, zoun, subst. gordel, luchtstreek, gebied: Frigid, Temperate, Torrid zone = koude, gematigde, heete luchtstreek; Zonule, zounjûl, kleine gordel = Zonulet, zounjulet.

Zoo, zû, verk. van Zoological Garden(s).

Zoochemistry, zouəkemistri, scheikunde der dierlijke stoffen.

Zoographer, zəogrəfə, dierenbeschrijver; adj. Zoographic(al); Zoography = dierenbeschrijving.

Zooks, zuks, sapperloot!

Zoolatry, zəolətri, dieraanbidding.

Zoologer, zəolədžə, dierkundige: Zoological, zouəlodžik’l, dierkundig: Zoological Garden(s) = dierentuin; Zoologist, zəoledžist, dierkundige; Zoology, zəolədži, dierkunde.

Zoomorphic, zouəmöfik, met of in dierenvorm; Zoomorphism = voorstellen van een god in diervorm.

Zoons, zûnz = Zounds.

Zoophyte, zouəfait, plantdier.

Zoril, Zorille, zoril, Zorilla, zourilə, een soort bunzing.

Zoroaster, zourəastə; Zoroastrian, zourəastriən.

Zoster, zostə, gordelroos.

Zouave, zwâv, zuâv, zouaaf.

Zounds, zaundz, interj. donders, duivels!

Zoutch, zautš, zûtš, smoren van aal in weinig water.

Zuider Zee, zaidəzî.

Zuleika, siûlîkə.

Zulu, zûlû, Zoeloe; Zurich, zûrik.

Zuyder Zee, Zie Zuider Zee.

Zygodactyle, z(a)igədaktail, Zygodactylic, z(a)igədaktilik, met klimpooten; Zygodactylous, z(a)igədaktilɐs.

Zymology, zaimolədži, leer der gisting; Zymometer, zaimomətə = gistingsmeter.

Zymosis, z(a)imousis, gisting; infectieziekte; Zymotic, zaimotik, gistings - -, infectie - -: Zymotic diseases = besmettelijke ziekten.

Spotted a typo or a problem in this chapter? Tell us