← Engelsch woordenboek. Eerste deel: Engelsch-Nederlandsch (met uitgeschreven verkortingen)

Engelsch woordenboek. Eerste deel: Engelsch-Nederlandsch (met uitgeschreven verkortingen) (part 4 of 7)

Part 4 of 7 · Bruggencate, K. ten (Karel) · Public domain text

About this edition

Source: Project Gutenberg e-text #64478, public domain in the United States · text not rewritten or summarized · How RedLectern is built

 

Contents (7)

Continue:

Engelsch woordenboek. Eerste deel: Engelsch-Nederlandsch (met uitgeschreven verkortingen) (part 4 of 7)

Inverse, invâs, invâs, omgekeerd; subst. omkeering: Inverse proportion = omgekeerde verhouding of reden; The father’s influence varied inversely as the age of the son = in omgekeerde reden tot; Inversion, invɐ̂š’n, omkeering, omzetting (van woorden in een zin); adj. Inversive.

Invert, invât, onderstboven keeren, omzetten: Inverted commas = aanhalingsteekens.

Invertebrata, invɐ̂tibreitə, ongewervelde dieren; Invertebrate, invɐ̂tibrit, ongewerveld; slap (fig.); subst. ongewerveld dier, zwakkeling; Invertebrated = ongewerveld.

Invest, invest, bekleeden; beleggen, blokkeeren, omsingelen; Investment = bekleeding; omsingeling, blokkeering, belegd geld, geldbelegging: To make an investment = geld beleggen; Investor = belegger.

Investigate, investigeit, nauwkeurig onderzoeken, navorschen; subst. Investigation; Investigator.

Investiture, investitjuə, investituur, bekleeding (met een ambt), inbezitstelling.

Inveteracy, invetərəsi, het ingeworteld zijn, hardnekkigheid, oude veete; Inveterate, invetərit, diep geworteld, hardnekkig, aarts..., verouderd (van ziekte); gebeten op; subst. Inveteracyness.

Invidious, invidjəs, hatelijk, boosaardig; subst. Invidiousness.

Invigorate, invigəreit, kracht geven of bijzetten, versterken; subst. Invigoration; adj. Invigorative; Invigorator = versterkend middel.

Invincibility, invinsibiliti, subst. v. Invincible, invinsib’l, onverwinnelijk, onoverkomelijk; subst. Invincibleness.

Inviolability, invaiələbiliti, subst. v. Inviolable, invaiələb’l, onschendbaar, onverbreekbaar; Inviolate, invaiəlit, ongeschonden, ongebroken.

Invisibility, invizibiliti, subst. v. Invisible, invizib’l, onzichtbaar: The Invisible = de Onzienlijke; Invisible green = donkergroen; subst. Invisibleness.

Invitation, inviteiš’n, uitnoodiging; adj. Invitatory.

Invite, invait, uitnoodigen, verlokken, verleiden, aantrekken, oproepen; subst. uitnoodiging: To invite subscriptions = de inschrijving openstellen; Invitee, invitî, genoodigde: Inviter; Inviting = aanlokkelijk; subst. Invitingness.

Invocation, invəkeiš’n, in- of aanroeping; adj. Invocatory of Invocatory.

Invoice, invôis, subst. factuur, geleibrief; Invoice verb. in eene factuur opnemen; Invoice-book.

Invoke, invouk, aanroepen, oproepen.

Involuntariness, invol’ntərinəs, subst. v. Involuntary, invol’ntəri, onwillig, onwillekeurig; subst. To play an involuntary = iets à l’improviste spelen, improviseeren.

Involute, invəl(j)ût, ingerold, met de randen naar binnen omgevouwen; Involution, invəl(j)ûš’n, inwikkeling, ingewikkeldheid, machtsverheffing (Wisk.).

Involve, involv, inwikkelen, omringen, ingewikkeld en moeilijk begrijpelijk maken, verwarren: I don’t like roundabout phrases and involved constructions = ingewikkelden zinsbouw; Involve this quantity to the third power = verhef deze grootheid tot de derde macht; This involved delay = bracht uitstel mee; subst. Involvement: Involvement in debt.

Invulnerability, invɐlnərəbiliti, subst. v. Invulnerable, invɐlnərəb’l, onkwetsbaar, onwondbaar; subst. Invulnerableness.

Inward, inwəd, innerlijk, inwendig; Inwards, inwədz, subst. ingewanden; adv. naar binnen, landwaarts in; Inwardness = natuur, wezen.

Inweave, inwîv, inweven, invlechten.

Inworking, inwɐ̂king, innerlijke werking.

Inwrap, inrap, inwikkelen, verwarren.

Inwreathe, inrîdh, omkransen.

Inwrought, inrôt, ingelegd, doorweven.

Iodic, ai-odik, jood - -: Iodic acid; Iodine, ai-əd(a)in, jood; Iodoform, ai-oudəföm, ai-ədəföm, jodoform.

Ionia(n), ai-ounjə(n), subst. Ionië(r); adj. Ionisch; Ionic, ai-onik, Ionish.

Iota, ai-outə, eene Grieksche letter, stip, tittel, kleine hoeveelheid: He would not yield an iota; The tiniest iota = het geringste.

I. O. U., aioujû, schuldbekentenis (= I owe you = ik ben u schuldig).

Iowa, aiəwə.

Ipecacuanha, ipəkakjuanə, braakwortel.

Ipswich, ipswitš, ipsidž.

Iranian, aireinj’n, îreinj’n, subst. bewoner v. Iran; adj. Ireensch: Iranian languages = de Arische talen.

Irascibility, (a)irasibiliti, subst. v. Irascible, (a)irasib’l, opvliegend, driftig; subst. Irascibleness.

Irate, aireit, airit, toornig, woedend; Ire, aiə, toorn, gramschap; Ireful = toornig.

Ireland, aiəl’nd; Irene, airîni; Iricism, airisizm, Iersch idioom.

Iridescence, irides’ns, kleurenspel of -gloed (als van den regenboog); Iridescent, irides’nt, regenboogachtig, gloedvol; Iridian = regenboog - - -.

Iris (Meerv. Irides), airis (airidîz), regenboog, ring om den oogappel; zwaardlelie; Irised, airist, met kleuren als van den regenboog.

Irish, airiš, Iersch; onbeschaamd, dom; subst. Iersche taal (linnen): Irish apricots = aardappelen; Irish assurance = doldriestheid; Irishman = Ier; Irish moss = Zie Carrageen; Irish stew = gestampte aardappelen en uien met schapenvleesch; Irishwoman = Iersche; Irishise, airišaiz, in het Iersch dialect overzetten; Irishism = Iersch idioom; Irishry = de Ieren.

Irksome, ɐ̂ks’m, vervelend, afmattend; subst. Irksomeness.

Iron, aiən, subst. ijzer, strijkijzer; ook adj. Iron verb, met ijzer beslaan, boeien, kluisteren, strijken: Box iron = (bout)strijkijzer; Cast iron = gegoten ijzer; Head iron = oorijzer; Wrought iron = gesmeed ijzer; In irons = in de boeien geslagen; He has many (more irons than one) irons in the fire = hij onderneemt vele dingen te gelijk; Strike the iron while it is hot = smeed het ijzer terwijl het heet is; The iron entered his soul = een groot leed trof hem; The iron age = het ijzeren tijdperk; Iron crown = ijzeren kroon; Iron-banded = met ijzer beslagen; Iron-bound = van ijzeren banden voorzien, door rotsen ingesloten, onbuigzaam; Iron-clad, subst. pantserschip; adj. gepantserd, met ijzer beslagen; Iron-filings = ijzervijlsel; Iron-fisted = hardhandig; begeerig, vrekkig; Iron-founder = ijzergieter; Iron-foundry = ijzergieterij; Iron-gray = grauwzwart(e kleur); ijzerschimmel; Iron-hearted = hardvochtig, wreed; Iron-heater = strijkbout; Iron-liquor = een bijtmiddel (ververij); Iron-master = chef van ijzergieterij, groothandelaar in ijzer; Iron-monger = ijzerhandelaar; Iron-mongery = ijzerwaren; Iron-mould = ijzersmet; Iron-mould verb. roestvlekkig maken of worden; Iron-side = gehard soldaat (oorspr. een van Cromwell’s soldaten); Iron-smith = grofsmid; Iron-stone = ijzererts; Iron-ware = ijzerwaren; Iron-work = ijzerwerk; Iron-works = ijzergieterij; Ironer = strijkster; Ironing: To take in ironing = strijkster zijn; Ironing-board = strijkplank; Irony = ijzerhoudend, ijzerhard.

Ironic(al), aironik(’l), ironisch; Irony, airəni, ironie, scherts: A stroke of irony = ironische zet.

Iroquois, irəkwôi.

Irradiance, -cy, ireidj’ns(i), uitstraling, glans; Irradiant = stralend; Irradiate, ireidjeit, stralen, verlichten, ophelderen; adj. ireidjit, stralend; subst. Irradiation.

Irrational, irašən’l, onredelijk, dwaas, ongerijmd; subst. Irrationality.

Irreclaimable, irikleiməb’l, onverbeterlijk, verstokt; subst. Irreclaimableness.

Irreconcilability, irekənsaibiliti, subst. v. Irreconcilable, irek’nsailəb’l, adj. onverzoenlijk, onbestaanbaar, onvereenigbaar; onverzoenbare; subst. Irreconcilableness.

Irrecoverable, irikɐvərəb’l, niet terug te krijgen, onafwendbaar, onherstelbaar, onverbeterlijk; subst. Irrecoverableness.

Irredeemable, iridîməb’l, onafkoopbaar, onaflosbaar, onverbeterlijk; subst. Irredeemableness.

Irreducible, iridjûsib’l, onherleidbaar, onverkleinbaar, onoverwinnelijk; subst. Irreducibleness.

Irreformable, iriföməb’l, onveranderbaar, onverbeterlijk.

Irrefragability, irifrəgəbiliti, subst. v. Irrefragable, irefrəgəb’l, ontwijfelbaar, onwedersprekelijk, onwederlegbaar.

Irrefutable, irifjûtəb’l, irefjutəb’l, onwederlegbaar; subst. Irrefutableness.

Irregular, iregjulə, onregelmatig, afwijkend, ongeregeld, ongewoon: Irregulars = ongeregelde troepen; subst. Irregularity, iregjulariti.

Irrelative, irelətiv, geen betrekking hebbende op, niet behoorende bij.

Irrelevance, ireləv’ns. Irrelevancy, subst. v. Irrelevant, ireləv’nt, niet toepasselijk, ongepast.

Irreligion, irilidž’n, ongodsdienstigheid, goddeloosheid; adj. Irreligious; subst. Irreligiousness.

Irremediable, irimîdjəb’l, ongeneeslijk, onherstelbaar; subst. Irremediableness.

Irremovability, irimûvəbiliti, subst. v. Irremovable, irimûvəb’l, niet verwijderbaar, niet afzetbaar, vast, onwrikbaar.

Irreparability, irepərəbiliti, subst. v. Irreparable, irepərəb’l, onherstelbaar; subst. Irreparableness.

Irrepleviable, iriplevjəb’l, onaflosbaar.

Irrepressible, iripresib’l, niet te onderdrukken, onbedwingbaar.

Irreproachable, iriproutšəb’l, onberispelijk, onschuldig; subst. Irreproachableness.

Irresistibility, irizistibiliti, subst. v. Irresistible, irizistib’l, onweerstaanbaar; subst. Irresistibleness.

Irresolute, irezəl(j)ût, besluiteloos; subst. Irresoluteness = Irresolution.

Irresolvability, irizolvəbiliti, subst. v. Irresolvable, irizolvəb’l, onoplosbaar.

Irrespective, irispektiv, afgezien van, zonder aanzien van: God is irrespective of persons = God kent geen aanzien des persoons.

Irresponsibility, irisponsibiliti, subst. v. Irresponsible, irisponsib’l, onverantwoordelijk, onbetrouwbaar.

Irresponsive, irisponsivə, niet antwoordend of beantwoordend; subst. Irresponsiveness.

Irretentive, iritentiv, zwak (van geheugen).

Irretrievable, iritrîvəb’l, onherstelbaar; subst. Irretrievableness.

Irreverence, irevərens, oneerbiedigheid; adj. Irreverent = Irreverential.

Irreversibility, irivɐ̂sibiliti, subst. v. Irreversible, irivɐ̂sib’l, onherroepelijk, onveranderlijk; subst. Irreversibleness.

Irrevocability, irevəkəbiliti, subst. v. Irrevocable, irevəkəb’l, onherroepelijk; subst. Irrevocableness.

Irrigate, irigeit, besproeien, bevloeien, irrigeeren; subst. Irrigation; Irrigator = irrigator.

Irritability, iritəbiliti, subst. v. Irritable, iritəb’l, prikkelbaar, lichtgeraakt, knorrig; subst. Irritableness.

Irritant, irit’nt, subst. en adj. prikkelend (middel); Irritate, iriteit, prikkelen, vertoornen; subst. Irritation; adj. Irritative.

Irruption, irɐpš’n, inval, inbraak (v. water).

Isaac, aizək.

Isabel, izəbel, Isabella (-kleurig paard).

Isaiah, aizeijə; Iseult, isûlt.

Ishmael, išməel: Ishmaelite, išməlait, afstammeling van Ismaël (Gen. XVI, 12), verstooteling.

Isidore, isidö, Isidorus.

Isinglass, aiziŋglâs, vischlijm: Isinglass-stone = mica.

Isis, aisis, Isis.

Islam, izl’m, isl’m, islâm, Islam; adj. Islamic; Islamism; Islamite; adj. Islamitic.

Island, ail’nd, subst. eiland, vluchtheuvel; Island verb. als met eilanden bezaaien, tot een eiland vormen; Islander = eilandbewoner; Isle, ail, eiland; Isle verb. tot eiland maken, op een eiland wonen.

Islay, ailei.

Islet, ailət, eilandje.

Isleworth, aizlwɐ̂th; Islington, izliŋt’n.

Isobar, aisəbâ, isobaar = Isobaric line.

Isochromatic, aisəkrəmatik, van gelijke kleur.

Isochronal, aisokrən’l, Isochronous, aisokrənɐs, isochroon.

Isolate, (a)isəleit, afzonderen, isoleeren; adj. (a)isəlit; subst. Isolation.

Isomeric(al), aisəmerik(’l), isomeer; subst. Isomerism; Isometric = isometrisch.

Isomorphism, aisəmöfizm, vormgelijkheid (bij kristallen); adj. Isomorphous.

Isonomy, aisonəmi, gelijkheid voor de wet.

Isopod, aisəpod, schaaldier met gelijkvormige pooten, pissebed; Isopodous, aisopədɐs, met pooten van gelijke lengte; tot de Isopods behoorende.

Isosceles, aisosilîz, gelijkbeenig: Isosceles triangle.

Isotheres, aisəthîəz, isotheren.

Isotherm, aisəthɐ̂m, isotherm; adj. Isothermal, aisəthɐ̂m’l: Isothermal lines = isothermen.

Israel, izrə-el, Israël; Israelite, izrəlait, Israëliet; adj. Israelitish, izraəlaitiš.

Issuance, isjuəns, uitvaardiging, uitgifte.

Issue, išû, isjû, subst. uitstrooming, uitstorting, uitgang, fontanel, nageslacht, kroost, uitslag, resultaat, uitvaardiging, uitgifte, uitgave, nummer, uitspraak, geschilpunt; Issue verb. uitstroomen, uitstorten, afstammen, voortkomen, eindigen, in omloop brengen, uitgeven, uitvaardigen: Fresh issues are demanding solution now = geheel nieuwe kwesties; The government was in no danger of being defeated on that issue = op dat punt; To force an issue = met geweld een resultaat bereiken; I will join (take) issue with you on that question = ik wil den strijd met u aanbinden; The question at issue is too important for me to stay away = het geschilpunt of punt onder discussie (dat aan de orde is); She died without male issue = zonder mannelijk oir; To issue a probate = de executeurs machtigen het testament uit te voeren; Issueless = zonder nakomelingen; zonder gevolg; Issuer = uitgever; emittent.

Isthmian, is(t)miən, tot eene landengte (speciaal die van Corinthe) behoorende: Isthmian games = Isthmische spelen; Isthmus, is(t)məs, landengte.

Istria, istriə, Istrië.

It, it, het (3e pers.): There is not much in it = het heeft niet veel om het lijf; Claret is not in it = Bordeaux haalt er niet bij, is bij lange na zoo lekker niet; We had a splendid time of it = een heerlijken tijd; He does not like me as it is = mag mij toch al niet.

Italian, italj’n, subst. en adj. Italiaan(sch): Italian iron = plooi- of frizeerijzer; Italian warehouseman = verkooper van delicatessen, zooals: fijne oliën, macaroni, gedroogde vruchten, etc.; Italianism; Italianize = als een Italiaan spreken, een Italiaanschen aard geven of aannemen.

Italic, italik, subst. cursieve letter; adj. cursief: In italics = cursief (gedrukt); Italicize, italisaiz, cursief drukken.

Italy, itəli, Italië.

Itch, itš, subst. jeuking, schurft; hunkering; Itch verb. jeuken, hunkeren: He has an itching palm = hij is tuk op een fooi, is licht om te koopen; He has itching for a drubbing = hij moet noodig een pak slaag hebben; Itchiness = jeuk, schurftigheid; adj. Itchy.

Item, ait’m, subst. bepaald punt, bijzonderheid, post (v. rekening, etc.), exemplaar, nieuwsbericht, artikeltje, inlichting (Amer.); Item verb. afzonderlijk vermelden of noteeren; adv. eveneens: An item of humanity = een stuk mensch; Item-man = correspondent (Amer.); Itemize = in bijzonderheden vermelden.

Iterate, itərit, adj. herhaald; Iterate verb. (itəreit) herhalen; subst. Iteration; adj. Iterative.

Itinerancy, (a)itinər’nsi, rondreis (ambtelijk of voor zaken); Itinerant, rondreizend of rondzwervend; ook subst. = Itinerant preacher; Itinerary = rondtrekkend, reis - -; subst. reisbeschrijving, reisgids, reisplan, route; Itinerate = gebedenboek voor reizende R.K. geestelijken; rondreizen, rondgaan; Itinerating library = rondgaande.

Its, its, zijn of haar (bez. voornw.); Itself, itself, zichzelf: In its = op zichzelf; Of its = vanzelf, uit zichzelf.

Ivan, îvân, îvân; Ivanhoe, aiv’nhou.

Ivied, aivid, met klimop begroeid.

Ivory, aivəri, subst. ivoor, olifantstand; ook adj.: Gate of ivory = poort der droomen (Zie Gate en Horn); Ivory-black = ivoorzwart; Ivory-carver; Ivory-turner = kunstdraaier; Ivories = tanden, biljartballen, dobbelsteenen.

Ivy, aivi, klimop: To pipe in an ivy-leaf = zich zoo goed mogelijk troosten; Ivy-mantled = met klimop begroeid; Ivy-tod = klimopboschje.

Izzard, izəd, Ibex, steenbok.

J.

J, džei; J(udge); J(udge) A(dvocate); Jac(ob); Jan(uary); Jav(anese); J(esus) C(hrist); J(uris) C(ivilis) D(octor); Jos(eph); Josh(ua) = Jozua; J. P. = Justice of the Peace = vrederechter; J(unio)r; Jul(y); Jun(e); Juris(prudence); J-pen = soort v. stalen pen.

Jab, džab, steken; steek: He jabbed his pen-knife into the table.

Jabber, džabə, subst. gekakel, gebabbel; Jabber verb. kakelen, wauwelen: He was jabbering nonsense by the yard = kraamde heel wat onzin uit; Jabberer.

Jabers, džabəz: By jabers! = alle duivels!

Jabez, džeibəz.

Jacent, džeis’nt, liggende.

Jacinth, džeisinth, džasinth, hyacint.

Jack, džak, verkleinwoord van John; jongmaatje, bediende, lummel, snaak, matroos, boer (in het kaartspel), mannetje, man, (jonge) snoek, halve of vierde pint, bok voor een braadspit, zaagbok, laarzeknecht, lederen bierhouder, dommekracht, doel (in balspel), prikkel, wig, vlaggetje, enz.; Jack verb. opschroeven, afschaven: Black jack = een groote kruik of kan; Cheap jacks were bawling their wares = standwerkers (= kooplui op een markt); Every (man) jack of them = het heele zoodje, allen zonder uitzondering; Fresh water jack = nieuweling, baar; Jack Ketch = de beul; Jack Pudding = Jan Klaassen, hansworst; Jack Sprat = dreumes, wijsneus; Jack Tar = pekbroek; A good Jack makes a good Gill = zoo man, zoo vrouw; Before a man can say Jack Robinson = als de wind; Jack, Tom and Harry = jan en alleman; Jack-a-dandy = fatje; Jack-all-general = factotum; Jack-at-a-pinch = invaller, behulp, noodhulp; Jack-by-the-hedge = look zonder look; Jack-in-the-box = duiveltje in een doosje; Jack-in-the-green = potsierlijk uitgedoste figuur bij het Meifeest der schoorsteenvegers; Jack-in-office = belachelijk, gewichtig doend ambtenaartje; Jack-o’-lantern = dwaallicht; Jack of all trades is of no trade = twaalf ambachten, dertien ongelukken; Jack-on-both-sides = weerhaan; Jackass = mannetjesezel; Jackass-rabbit = groote prairiehaas; Jack-block = bramreepblok; Jack-boots = waterlaarzen, rijlaarzen met een bovenstuk voor kniebedekking; Jackdaw = kauw of kerkkauw; Jackflag = geus, boegsprietvlag; Jack-knife = groot knipmes; Jackplane = eerste (en ruwste) schaaf van den schrijnwerker; Jack-screw = dommekracht; Jack-staff = geuzestok; Jack-straw = stroopop (fig.); Jacks = een geduldspel, de stokjes hiervoor; Jack-towel = (grove) handdoek op rol; Jack-tree = Indische broodboom; Jacky = verkleinw. v. Jack.

Jackal, džakôl, subst. jakhals; handlanger, verklikker; adj. gemeen.

Jackanapes, džakəneips, aap, brutaaltje.

Jackaroo, džakərû, nieuweling, baar (Australië).

Jacket, džakət, subst. buis, jekkertje, omhulsel, mantel, vel, pels, huid; Jacket verb. met een jacket bekleeden, of “wat op ’t jak geven”: Potatoes boiled in their jackets = ongeschild gekookt; They are hardly out of jackets = hebben pas eene lange broek aan; To dust (thrash, trim) a person’s jacket = een pak slaag geven; He got a sound jacketing = zijn buis werd flink uitgeklopt (fig.).

Jacob, džeikəb, Jacob: Jacob’s ladder, speerkruid; touwladder met houten sporten; Jacob’s membrane = buitenste vlies van de retina; Jacob’s staff = krukstok, pelgrimsstaf, ijzeren voet van een instrument voor het meten van hoogten en afstanden; Jacobean, džakəbîən, uit den tijd van James I; Jacobin, džakəbin, subst. Dominikaner; Jacobijn; adj. Jacobijnsch; Jacobite, džakəbait, aanhanger van Jacobus II en diens zoon; Jacobus, džəkoubəs, gouden munt van 25 sh. uit den tijd van Jac. II.

Jaconet, džakənet, jaconnet.

Jacquard, džəkâd, džakəd: Jacquard loom = Jacquard weefgetouw.

Jacqueline, džak(w)əlin; Jacques, džakwəs, džeikwîz.

Jaculator, džakjuleitə, spuitvisch; Jaculatory prayer = schietgebedje.

Jade, džeid, subst. (oude) knol, soort v. stier, oud wijf, wildzang, slet; nephriet, bittersteen; Jade verb. verachten, voor den gek houden, afjakkeren; Jadish, Jady = weerspannig, slecht, liederlijk.

Jag, džag, subst. kerf, tand, prikkel, uitstekende punt; pak, vracht, hoeveelheid koren, stroo, etc., stuk in den kraag; Jag verb. kerven, tanden: Jagged (= Jaggy) = getand, met kepen, met schaarden, scherp; subst. Jaggedness; Jagger = getand wieltje of rolletje = Jagging-iron.

Jagg(h)e(r)ry, džagəri, soort v. Oost-Ind. palmboom = Jagg(h)e(r)ry-palm.

Jaguar, džagwâ, džagjuâ, džagwâ, jaguar.

Jah, džâh, Jehova.

Jail, džeil, gevangenis, kerker; Jail verb. kerkeren; Jail-bird = boef; Jail-fever = (typheuse) hospitaalkoorts; Jailer = cipier.

Jake, džeik, Jaap.

Jalap, džaləp, džoləp, jalappe.

Jalouse, džəlûz, verb. verdenken.

Jalousie, Fr. uitspr., jalouzie.

Jam, džam, subst. gelei, iets zoets (liefs), snoes; iets voortreffelijks; gedrang, opstopping; titel van sommige Br.-Ind. hoofden; soort v. mousseline, kinderjurk; Jam verb. duwen, drukken, neer- of indrukken, fijn maken, klemmen, knellen: The lid jammed a little = het deksel knelde; The cartridge is jammed = zit vastgekneld.

Jamaica, džəmeikə, Jamaica (rum).

Jamb, džam, stijl van deur of raam, etc.

Jambok, džambok, lange zweep van nijlpaardenhuid (Z.-Afr.).

Jamboree, džambərî, gloeiende fuif.

James, džeimz; Jameson, džeims’n; Jamieson, džeimis’n.

Jampan, džampan, door vier mannen gedragen draagstoel (Japan); Jampanee, džampənî, draagstoeldrager.

Jane, džein, Janna, Jaantje; Janet, dženət, Jansje.

Jangle, džaŋgl, subst. gekibbel, geharrewar, geratel, wanklank; Jangle verb. kibbelen, onaangenaam klinken, ontstemmen; Jangler.

Janitor, džanitə, portier, custos.

Janizary, džanizəri, janizəri, Janitschaar (soldaat van een in 1826 ontbonden Turksche garde).

Jansenism, džansənism, Jansenisme; Jansenist = Jansenist; adj. Jansenistisch.

January, džanjuəri, Januari: Not till a hot January = met St. Juttemis.

Janus, džeinəs, Janus; Janus-cloth = stof aan twee kanten gelijk.

Jap, džap, (verkorting van Japanese), Japanees; jongleur, goochelaar, enz.

Japan, džəpan, subst. Japan; lak, verlakt werk; Japan verb. lakken, poetsen; Japanese, džapənîz, džapənîs, subst. en adj. Japanees(ch); Japanner, džəpanə, verlakker; schoenpoetser.

Jape, džeip, subst. scherts, streek, aardigheid; Jape verb. schertsen, uitlachen, bespotten, bedriegen, eene poets bakken.

Japheth, džeifəth; adj. Japhetic.

Japish, džeipiš, grappig; subst. Japishness.

Japonica, džəponikə, Japansche kwee.

Jar, džâ, subst. flesch, kruik, pot; knarsend, ratelend geluid, wanklank, oneenigheid, kier; Jar verb. knarsen, krassen, onaangenaam treffen, in schelle tegenstelling zijn met, twisten, kijven, doen trillen, verontrusten: The door is on the jar = ajar = op een kier; It jars on my ears = het doet mijn ooren pijn; That does not jar with the surroundings = strijdt niet tegen, harmonieert met.

Jarde, džâd, hazenspat aan den poot van een paard.

Jardiniere, Fr. uitspr., jardinière.

Jargon, džâg’n, subst. brabbeltaal, gewauwel, dieventaal; Jargon verb. koeterwaalsch praten = Jargonize.

Jargonelle, dzâgənel, soort v. vroege peer.

Jarl, jâl, edele, hoofdman.

Jarv(e)y, džâvi, huurkoetsier, huurrijtuig.

Jasey, džeizi, sajetten pruik, kalotje.

Jashawk, džas-hôk, jonge havik.

Jasmin(e), džasmin, jasmijn.

Jason, džeis’n; Jasper, džaspə, Jasper; jaspis.

Jaundice, džândis, džôndis, geelzucht, nijd; Jaundice verb. geelzuchtig maken, met afgunst vervullen; Jaundiced = geelzuchtig, afgunstig.

Jaunt, džânt, džônt, subst. zwerftochtje, uitstapje, rijtoertje; Jaunt verb. rondzwerven, een uitstapje maken; Jauntiness, subst. v. Jaunty = opgewekt, lustig, zwierig, elegant; Jaunting-car, džântiŋ-kâ, Iersch karretje met twee banken overlangs.

Java, džâvə, Java(koffie); Javanese, džavənîz, džavənîs, subst. en adj. Javaan(sch).

Javelin, džavəlin, werpspies; Javelin-man = speerdrager.

Jaw, džô, subst. kaak, mond, gekakel, brutaliteit, grove scherts, scheldwoorden, twist; Jaw verb. kakelen, kletsen, een grooten mond (bek) opzetten, uitschelden: We were rescued from the jaws of death = uit de kaken des doods; It is too crack-jaw a name = een te moeielijk uit te spreken; Jaw-bone; Jaw-breaker = moeielijk uit te spreken woord; Jaw-lever, instrument om den bek van vee voor het inbrengen van medicijn te openen; Jaw-tooth = maaltand.

Jay, džei, Vlaamsche gaai; praatjesmaker, lichtzinnig meisje, domkop.

Jeaffreson, džefəs’n.

Jealous, dželəs, jaloersch, bezorgd, wantrouwend, zeer gesteld op: I am jealous of any one disturbing my books = bang, dat ...; Jealousy = jaloerschheid, argwaan, bezorgdheid.

Jeames, džîmz, lakei (verbast. van James); Jean, džîn.

Jean, džein, gekeperde katoenen stof.

Jedburgh, džedbərə.

Jeejee, džidžî, “huuthuutpaardje” (kindertaal).

Jeer, džîə, subst. hoon, spot; Jeer verb. bespotten, schimpen op.

Jefferson, džefəs’n; Jeffrey, džefri, Godfried, Govert: Jeffreys, džefriz; Jehovah, džihouvə, Jehova.

Jehu, džîhjû, koetsier (2 Koningen IX, 20).

Jejune, džədžûn, schraal, dor; nuchter; subst. Jejuneness.

Jekyll, džekil, džîkil.

Jell, džel = Jellify = tot gelei maken of worden; Jelly, dželi, subst. gelei; Jelly verb. = Jellify; I’ll beat you to a jelly = ik zal je tot mosterd slaan; Jelly-fish = kwal; A tin jelly-mould = vorm.

Jem, džem, Koos; Jemima, džəmaimə.

Jemadar, Jemidar, džemidâ, inlandsch luitenant; politiebeambte, opzichter (Indië).

Jemmy, džimi.

Jemmy, džemi, džimi, subst. kort breekijzer, gebraden schaapskop; (over)jas; adj. keurig, netjes.

Jennet, dženət, genet, Spaansch paardje.

Jenneting, dženətiŋ, soort v. vroege appel.

Jenny, dženi, džini, spinmachine; stoot waarbij men zijn eigen bal stopt; Jenny-ass = ezelin; Jenny-wren = winterkoninkje.

Jeopard, džepəd, op ’t spel zetten, wagen; Jeoparder = waaghals; Jeopardize = To jeopard; Jeopardous = gewaagd, gevaarlijk; Jeopardy = gevaar, waagstuk.

Jephthah, džeftə.

Jereed, džərîd = Jerid.

Jeremiad(e), džerəmaiəd, klaaglied, Jeremiade; Jeremiah, džerəmaiə; Jeremy, džerəmi.

Jericho, džerikou: I wished him at Jericho = ik wou dat hij op de Mookerhei zat.

Jerid, džərîd, werpspies.

Jerk, džɐ̂k, subst. ruk, stoot, slag, plotselinge, krampachtige beweging; in reepen gesneden en in de zon gedroogd vleesch; Jerk verb. plotseling rukken, schudden of stooten, krampachtig trekken; vleesch in lange reepen snijden en in de zon drogen; Jerked beef; Jerky = met rukken, krampachtig, ongeduldig.

Jerkin, džɐ̂kin, nauwsluitend buis of jekkertje.

Jeroboam, džerəbouəm, wijnflesch v. 10 à 12 quarts; Jerome, džer’m, džiroum.

Jerry, džeri: Jerry-builder, Jerry-building = revolutiebouw(er): That book is a piece of jerry-building = is slecht in elkaar gezet, is knoeiwerk; Jerry-shop = kroeg; Jerry-sneak = pantoffelheld; zakkenroller.

Jersey, džɐ̂zi, fijn gesponnen wol; nauwsluitende sporttrui (voor roeiers enz.).

Jerusalem, džərûsəlem; Jervis, džɐ̂vis, džâvis; Jesaiah, džəzeijə.

Jess, džes, leeren riem aan den poot van valken; Jess verb. vastbinden.

Jessamine, džesəmin. Zie Jasmine.

Jesse, džesə, groote koperen kerkkroon = Jesse candlestick.

Jest, džest, subst. scherts, boert, mikpunt van spotternij; Jest verb. schertsen, bespotten: It was but said in jest = maar schertsend; He can’t take a jest = kan geen scherts verdragen; Jester = schertser, nar; Jesting apart! = alle gekheid op een stokje!

Jesuit, džežuit, Jezuiet; Jesuits’ bark = bruine kinabast; Jesuitic(al), džežuitik(’l), jezuietisch; Jesuitism, džežuitizm = Jesuitry, džežuitri, Jezuietisme.

Jesus, džîžəs, Jezus: Jesus! What a sight!

Jet, džet, subst. straal; git; Jet verb. uitwerpen, uitstralen, uitspuwen; uitspuiten; Jet-black = gitzwart; Jetty = gitachtig.

Jetsam, Jetsom, džets’m, overboordgeworpen goederen, strandgoed.

Jettison, džetis’n, goederen overboord werpen: To make jettison = uit nood overboord werpen.

Jetty, džeti, klein havenhoofd, pier (Zie Jet); Jetty-head = kop van een havenhoofd.

Jew, džû, Jood; Jew-baiting = jodenvervolging; Jew’s-eye, Jewess’-eye = iets van groote waarde; Jew’s harp, (Jew’s trump) = mondharp; Jew’s poker = “sjabbesgojje”, een Christen meisje, dat op Sabbath vuur en licht onderhoudt; Jew-thrift = het zoeken van eigen grootheid; Jewess = jodin; Jewish = joodsch; Jewry = Judea, jodenbuurt, jodendom.

Jewel, džûəl, subst. juweel (ook fig.), kleinood, steen (in uurwerk); Jewel verb. met juweelen versieren, steenen aanbrengen: A watch jewel(l)ed in nine holes = op negen steentjes loopend; Jewel-case = juweelkistje; Jeweller, džûələ, juwelier; Jewel(le)ry, juweelen, juwelierswerk.

Jezebel, džezəbel, booze, brutale, schaamtelooze vrouw.

Jib, džib, subst. kluiver (zeil), kraan, balk, schichtig paard, smoel; Jib verb. schichtig worden, zijwaarts of achteruit springen (van paarden), achteruit krabbelen; Jib-boom = kluiverboom; Jibber = schichtig paard.

Jibe, džaib. Zie Gibe en Jib (verb.).

Jiffy, džifi: In (half) a jiffy = in een wip.

Jig, džig, subst. levendige dans, hupsasa, danswijsje; poets, streek; kolenwip; Jig verb. een jig dansen of spelen, vedelen, op en neer bewegen met korte rukjes, ziften, bedriegen; Jig-a-jig = Jig-a-jog = rukkende of stootende beweging; ook adv. en verb.; Jig-maker = grappenmaker.

Jigger, džigə, danser, biljartbok, ertszeef, ertszifter, pottebakkerswiel, rijwiel (plat).

Jiggle, džig’l, (doen) wiegelen, heen en weer trekken, spartelen.

Jilt, džilt, subst. coquette; valsche sleutel; Jilt verb. coquetteeren, de bons geven, laten zitten.

Jim, džim, Jaap; Jim Crow, titel van een negerliedje en dans; in samenst. neger-; Jim Crow car = wagon voor negers.

Jimcrack(ery), džimkrakəri. Zie Gimcrack(ery).

Jimmy, džimi. Zie Jemmy.

Jimp, džimp. Zie Gimp.

Jingle, džing’l, subst. gerinkink, geklingel, rijmelarij, overdekte Iersche of Australische tweewielige kar; Jingle verb. rinkinken, rinkelen, klingelen, rijmelen: He is a jingle-brains = warhoofd, lichtzinnig heer; Jingling pianos = rammelkasten; To jingle glasses = klinken.

Jingo, džingou, chauvinist, oorlogzuchtige Tory (die de partij der Turken wou kiezen in 1877–1878, zoo genoemd naar de in ’t refrein van een café-chantant liedje uit dien tijd voorkomende uitdrukking: By Jingo = bij alle goden, voor den drommel); ook adj.; Jingoism = de gevoelens der Jingo’s.

Jinks, džiŋks: High jinks = Oud Schotsch gezelschapsspel; fuif; At high (On the high) jinks = erg vroolijk zijn; It was high (grand) jinks = het was een “reuzen-pan”; To cut high jinks, To hold high jinks = luidruchtig fuiven.

Jinn(ee), džin(î), booze geesten (Mahomed. mythologie); enkelv. Jinnee, džinî.

Jinricksha, džinrikšə, jinrikscha (Brit. Ind. wagentje).

Jiujitsu, jûjitsu, Japansch worstelen.

Joachim, džouəkim; Joan, džoun, džə-an, Johanna.

Job, džoub, Job: Job’s comfort = schrale troost; Job’s news; Job’s post = Jobsbode; As poor as Job = doodarm; Jobation = strafpredikatie.

Job, džob, subst. karwei, baantje, werkje, zaakje (in ongunst. zin), knoeierij; por; ook adj. Job verb. karweitjes doen, aannemen of aanbesteden, verhuren, speculeeren, koopen in ’t groot en weer in ’t klein afzetten; scharrelen, in een betrekking schuiven, een por geven, pikken: That’s a good Job = gelukje, meevallertje; A bad job = een leelijk geval; beroerde boel; He did the job for the ruffian = hij doodde den schurk; By the job = bij aanneming; Job-goods = koopjes, rommel; Jobmaster = verhuurder van paarden en rijtuigen; Job-printer = drukkersgezel (voor een bepaald werk aangewezen); Jobber = iemand die op stuk werkt, detailverkooper, effectenhandelaar, beursspeculant, paard- en rijtuigverhuurder, knoeier; Job-bery = knoeierij, wisselruiterij; Jobbing: Jobbing-house = drukkerij (van allerhande drukwerk, maar geene couranten of boeken); Jobbing-tailor = lapper, versteller.

Jocelyn, džosəlin, Just.

Jock, džok, jockey: Gentleman jock = heerrijder; Jockey, džoki, subst. jockey, pikeur; bedrieger; Jockey verb. bedriegen; tegenaan rijden (bij wedrennen); verdringen, zich op oneerlijke wijze bevoordeelen: Lewis XIV jockeyed his grandson on to the throne of Spain = hielp door allerlei intrigues; Jockeyism = rijkunst; praktijken der jockeys = Jockeyship.

Jocose, džəkous, grappig, boertig, amusant; subst. Jocoseness = Jocosity.

Jocular, džokjulə, snaaksch, grappig; Jocularity, džokjulariti, snaakschheid, grappigheid.

Jocund, džok’nd, džouk’nd, blijde, vroolijk, opgewekt; Jocundity, džəkɐnditi = Jocundness = vroolijkheid.

Joe, džou = Joseph, John; een fourpenny stuk, en = Joe Miller = oude “mop”, een uit den Enkhuizer; Not for Joe = Not for Joseph.

Jog, džog, subst. stootje, sukkeldraf; Jog verb. zachtjes aanstooten, vooruitstooten, heen en weer loopen, horten, sukkelen: Shall I jog your memory for you? = opfrisschen, wakker schudden; I am jogging = ik ga er van door; Jog-trot, subst. sukkeldrafje; routine; adj. eentonig, vervelend.

Joggle, džog’l, waggelen, rammelen, tegen elkaar stooten, inkepen.

John, džon, Jan, Johannes; St. John the Baptist = Johannes de Dooper; John Bull = de Engelsche natie; John Company = de Oost-Ind. Compagnie; John Dory, džondôri, zonnevisch, St. Pietersvisch.

Johnny, džoni, verkleinw. van John; vent, enz.: He is a soft Johnny = een groote sul; Johnny cake = maïskoek (Amer.); Amerikaan (Amer.); Johnny Crapaud, džonikrəpou, de Fransche natie; Johnny Raw = recruut, landrot; The Head Johnnies in the Primrose League = kopstukken.

Johnson, džons’n: Johnsonese, džonsənîz, džonsənîs, klassieke, deftige stijl van Dr. Johnson (1709–84); Johnston(e), džonst’n.

Join, džôin, vereenigen, verbinden, samenvoegen, zich aansluiten bij, lid worden van, instemmen, overeenstemmen, grenzen aan, samengaan, enz.; subst. verbinding, verbindingsplaats: Will you join us? = doet (of gaat) ge mee met ons, kom je bij ons zitten? To join battle = slaags raken; To join hands with = de hand reiken, bijstaan; I have joined interests with him = mijne belangen met de zijne verbonden; He joined the majority = stierf; To join a ship = aan boord gaan, zich inschepen; Shall we join tables? = de tafels aan elkaar zetten? I did not join with him = was het niet eens; Joinder = vereeniging van twee zaken in een proces (Jur.) = Joinder of action; Joiner = schrijnwerker; Joinery = schrijnwerkersvak of -beroep.

Joint, džôint, verbinding, aanknoopingspunt, gewricht, knoop, scharnier, dwarsspleet; groot stuk vleesch; adj. vereenigd, verbonden, gezamenlijk, solidair; Joint verb. vereenigen; in joints verdeelen: Out of joint = uit het lid, uit de voegen, in wanorde (Zie Nose); Joint and several = allen zonder onderscheid; On joint account = voor gezamenlijke rekening; Joint-gout = gewrichtsrheumatiek; Joint-heir = mede-erfgenaam; Joint-stock = maatschappelijk kapitaal: Joint-stock company = maatschappij op aandeelen; Joint-stock Bank = commandite bank; Joint-stool = vouwstoel; Joint-tenancy = medebezit; Joint-tenant = medebezitter; Jointer = lange schaaf, reeschaaf; Jointing-plane = reeschaaf; Jointing-rule = winkelhaak.

Jointure, džôintjə, subst. goederen vastgezet op eene vrouw bij haar trouwen, om de opbrengst ervan na mogelijk overlijden van haar man te genieten; Jointure verb, vastzetten op.

Joist, džôist, subst. dwarsbalk; Joist verb. van dwarsbalken voorzien.

Joke, džouk, subst. scherts, grap, kwinkslag; Joke verb. schertsen, plagen: A practical joke = ruwe grap, kwajongensstreek; Small jokes = flauwe grappen; It was above a joke = om je ziek te lachen; In joke = uit de grap, schertsend; That’s past a joke = dat gaat te ver; To bear (take) a joke = scherts verstaan; To pass (put) a joke upon = een poets bakken; He can’t realise a joke = niet snappen; He would not see the joke; You have worn that old joke nearly off its legs = die mop is al heel afgezaagd; He joked me good-naturedly = plaagde; Joker = grappenmaker; vent; troef kaart; Joking apart = alle gekheid op een stokje.

Jole, džoul. Zie Jowl.

Jollification, džolifikeiš’n, jool, lolletje; Jollify = pret maken; Jollity = pret, jool; Jolly, džoli, dartel, vroolijk, lollig, lichtelijk aangeschoten, verduiveld aardig; subst. marinier; Jolly verb. beetnemen; ophemelen (Amer.): He is jolly rich = zit er aardig bij; Jolly Roger = zwarte zeerooversvlag.

Jolly-boat, džolibout, jol.

Jolt, džoult, subst. schok, stoot; Jolt verb. schokken, horten, stooten; Jolt(er)-head = domkop, ezel; Jolter-headed = ezelachtig, dom.

Jonah, džounə: I seem to Jonah everything I touch = te doen mislukken; Jonas, džounəs; Jonathan, džonətən; Jonathan, trouwe vriend: Brother Jonathan = de Amerikaansche natie, het type Amerikaan; Jones, džounz.

Jonquil, džonkwil, jonquille.

Jonson, džons’n; Jordan, džöd’n.

Jorum, džôr’m, groote beker of bowl.

Joscelin, džosəlin; Josceline, džosəlain.

Joseph, džouzef, dames rijkleed (18de eeuw); Jozef: I have been no Joseph = geen heilig boontje; Not for Joseph = om den dood niet; Josephine, džouzəfin; Josh(ua), džoš(uə); Josiah, džosiə.

Joss, dšos, Chineesche afgod; Joss-house = Chineesche tempel; Joss-house-man = (Chin.) priester, missionaris; Joss-stick (= Jostick) = wierookstok in Chin. tempels.

Josser, džosə, vent: Old josser = ouwe paai.

Jostle, džos’l, stooten, duwen, verdringen, hossen; ook subst.

Jot, džot, subst. jota, kleinigheid, beetje; Jot verb. even opschrijven, aanteekenen (down); Jotting = memorandum, notitie, bericht.

Joule, džaul.

Journal, džɐ̂n’l, dagboek, dagblad, courant, handelingen van een geleerd genootschap of parlement; journaal, scheepsjournaal; Journalese = krantentaal; Journalesia = krantenwereld; Journalism = de pers; Journalist = dagbladschrijver; adj. Journalistic; Journalize = journaliseeren (= To carry (post) into the journal).

Journey, džɐ̂ni, subst. reis; Journey verb. reizen, trekken: Journeys outward and back again = uit en thuis reizen; To go on a journey; They made a journey = deden een reis(je); Journeyman = werkman, daglooner, knecht; handlanger; Journey-weight = ongeveer 180 oz. Troy van goud en 720 van zilver; Journeywork = dagwerk, knoeiwerk.

Joust, džûst, džɐst, subst. tournooi, steekspel; Joust verb. een steekspel of tournooi houden.

Jove, džouv, Jupiter: By Jove! = sapperloot.

Jovial, džouvj’l, vroolijk, opgewekt; Joviality, džouvialiti, vroolijkheid = Jovialness.

Jowett, džauət.

Jowl, džoul, kop van een visch, bek, kossem, lel, wang, kaak: Cheek by jowl = met de koppen bij elkaar, vlak naast elkaar, wang aan wang.

Jowler, džoulə, džaulə, soort (jacht)hond.

Joy, džôi, subst. vreugde, blijdschap; Joy verb. zich verheugen: Kill joy = spelbreker; I give (wish) you joy = ik feliciteer u; Joy-bells = vreugdeklokken; Joyful, blijde, verheugd; subst. Joyfulness; Joyless = treurig, verdrietig; subst. Joylessness; Joyous = blijde, verheugd; subst. Joyousness.

Juan, džûən.

Jubilant, džûbil’nt, juichend, jubelend; Jubilate, jubelen; subst. džûbileitî, psalm 100 bij den morgendienst der Eng. kerk; derde Zondag na Paschen, wanneer Psalm 66 den introïtus vormt; Jubilation, džûbileiš’n, gejuich, gejubel, vreugdebetoon; Jubilee, džûbilî, groot jubelfeest (om de 50 jaar) bij de Israëlieten ter herdenking van de bevrijding uit de Egyptische slavernij; kerkfeest (om de 25 jaar) te Rome; feestgetij; de 50e verjaardag van eene blijde en belangrijke gebeurtenis.

Judaea, džudîə; Judah, džûdə; Judaic, džudeiik, joodsch; Judaism, džûdeiizm, jodendom, joodsche leer; Judaize, džûdeiaiz, in overeenstemming brengen met joodsche leer en gebruiken, joodsche begrippen hebben of leeren.

Judas, džûdəs, Judas, verrader, kijkgat (= Judas-hole); Judas-coloured (Judas-haired) = rood, rossig; Judas-tree = Judasboom.

Judcock, džɐdkok, watersnip.

Jude, džûd; Judea, džudîə; adj. Judean, ook: jood.

Judge, džɐdž, subst. rechter, kenner, scheidsrechter; Judge verb. oordeelen, vonnissen, beslissen, onderscheiden, achten, beschouwen, beoordeelen (of = over); Judge-advocate = auditeur militair; Judging from what you say = te oordeelen naar; Judgeship = rechtersambt.

Judgment, džɐdžm’nt, oordeel, vonnis, onderscheidingsvermogen, verstand, godsoordeel, laatste oordeel, rechtspleging, goddelijk raadsbesluit: Judgment by default was passed on him = er werd vonnis bij verstek tegen hem gewezen; In my judgment = naar mijn oordeel; To give (pass, pronounce, render) judgment = vonnis vellen; The court sat in judgment = het hof had zitting; That plague was considered as a judgment upon the people = als een godsoordeel; Judgment-day = dag des oordeels; Judgment-debt = door den rechter vastgestelde schuld; Judgment-hall = audientiezaal, gerechtszaal; Judgment-seat = rechterstoel, vierschaar, rechtbank.

Judicable, džûdikəb’l, onderworpen aan de jurisdictie; Judicative, džûdikətiv: Judicative faculty, power = vermogen tot oordeelen.

Judicature, džûdikətjuə, rechtersambt, rechtspleging, rechtspraak, rechtsgebied, gerechtshof.

Judicial, džədiš’l, rechterlijk, gerechtelijk, critisch.

Judiciary, džədišəri, subst. de rechterlijke macht; adj. gerechtelijk, rechtsprekend.

Judicious, džədišəs, oordeelkundig, scherpzinnig, verstandig, weloverlegd; subst. Judiciousness.

Judith, džûdith.

Judy, džûdi, Judithje; de “vrouw” (Trijn) van Punch in de poppenkast; vogelverschrikker (fig.).

Jug, džɐg, kruik, pot; gevangenis; nachtegaalslag; Jug verb. slaan als een nachtegaal, stoven, opsluiten: Not by a jugful = in geen geval (Amer.).

Jugal, džûg’l, tot het jukbeen behoorende.

Juggernaut, džɐgənôt, de Ind. Godheid Krischna, meer in het bijzonder het beeld van den God te Puri in Orissa; Moloch (fig.); iets waaraan men meedoogenloos wordt opgeofferd of zich blindelings opoffert.

Juggins, džɐginz, sul.

Juggle, džɐg’l, subst. goocheltoer, bedriegerij; Juggle verb. goochelen, bedotten; Juggler = goochelaar, bedrieger; Jugglery = goochelarij, bedriegerij.

Jugular, džûgjulə, subst. keelader; adj. tot nek of keel behoorende; Jugulate, džûgjuleit = keelen, den hals afsnijden, smoren (fig.).

Juice, džûs, sap: To stew in one’s own juice = in zijn eigen vet gaar smoren; Juiceless; Juiciness = sappigheid; adj. Juicy = sappig.

Ju-ju, džû-džû, fetisch, fetischdienst, daarmee verrichte vervloeking (Afrika).

Jujube, džûdžûb, jujube.

Juke, džûk, buigen; duiken (Schotl.).

Julep, džûlep, koeldrank; soort bowl bestaande uit whisky, ijs, suiker, pepermunt (Amer.).

Julia, džûliə, Julia.

Julian džûliən: Julian account = Juliaansche (door Julius Caesar ingestelde en tot 1572 in Engeland gebruikelijke) tijdrekening; Julian Alps; Juliana, džûlianə.

Juliers, džûliəz, Gulik. Juliet, džûliət. Julius, džûliəs.

July, džulai, Juli.

Jumar, džûmâ, (fabel) muilos, osezel, muilpaard.

Jumble, džɐmb’l, subst. verwarring, mengelmoes; soort koekje; Jumble verb. door elkaar gooien, door elkaar raken of geschud worden: Jumble sale = goedkoope bazaar.

Jump, džɐmp, subst. sprong, soort van buis; Jump verb. springen, snel rijzen, stooten, hotsen, overheen springen, laten dansen, zich werpen op; een claim in bezit nemen tijdens de afwezigheid van den eigenaar (Amer.); wagen: Jumps = lijfje, zoogcorset; He jumped at my proposal = pakte met beide handen aan; To jump at (to) conclusions = voorbarige gevolgtrekkingen maken; My judgment jumped (in) with his = stemde overeen met; He was jumped off at the last fence = afgeworpen; To be jumped on (with both feet) = (ernstig) berispt worden; Great wits jump together = stemmen overeen; Jump-seat = open wagentje met neerklappende zitplaats(en); Jumper = springer, sprinkhaan, kaasmijt, boorwerktujg, soort trui; The Jumpers = godsdienstige sekte (die God “huppelend” meent te moeten dienen); Jumping-jack = hansworst; A jumping-off place = springplaats; Jumping-pole = polsstok; Jumping-sheet = springzeil; Jumpy = bewegelijk, zenuwachtig.

Juncaceous, džɐŋkeišəs, biesachtig; Juncous, džɐŋkəs, vol biezen.

Junction, džɐŋkš’n, verbinding, vereeniging, vereenigingspunt; Junction-railway = verbindingsspoor.

Juncture, džɐŋktšə, verbindingspunt, naad, verbinding; bepaald of kritiek oogenblik, tijdsgewricht: At (in) this juncture.

Juncus, džɐŋkəs, bloembies.

June, džûn, Juni.

Jungle, džɐŋg’l, tropische wildernis; Jungle-fever = tropische wisselkoorts; Jungle-market = markt van actiën der West.-Afrik. handelsvereenigingen.

Junior, džûnjə, jonger, lager; jongere, lager geplaatste; subst. beginnend advocaat, die, om zich te oefenen, een ouder collega assisteert; Juniority, džûnioriti, toestand van een junior.

Juniper, džûnipə, jeneverstruik: Juniper berry.

Junius, džûniəs.

Junk, džɐŋk, jonk (Chineesch vaartuig), brok, homp, oud kabel- en touwwerk, taai pekelvleesch, rommel; Junk-bottle = dikke porter-flesch (Amer.); Junk-dealer = scheepstagrijn (Amer.); Junk-shop; Junk-wad = prop van pluiswerk tusschen lading en kogel.

Junket, džɐŋkət, subst. dikke room, wrongel; soort lekkernij; fuif, picnic (Amer.); Junket verb. fuiven; Junketer; Junketing excursion (Junketing party).

Juno, džûnou, Juno; Junonian, majestueus.

Junta, džɐntə, Junta.

Junto, džɐntou, geheime raad, complot, kliek.

Jupiter, džûpitə, Jupiter.

Jura, džûrə.

Jurat, džûrət, rechter (op de eilanden in het Eng. kanaal), schepen, onderteekende beëedigde verklaring van getuigen.

Juridical, džuridik’l, gerechtelijk, juridisch.

Jurisconsult, džûriskənsɐlt, dzûriskonsəlt, rechtsgeleerde.

Jurisdiction, džûrisdikš’n, jurisdictie; adj. Jurisdictional.

Jurisprudence, džûrisprûd’ns, jurisprudentie; adj. Jurisprudential, džûrisprudenš’l.

Jurist, džûrist, rechtsgeleerde.

Juror, džûrə, gezworene, jurylid bij eene tentoonstelling.

Jury, džûri, subst. de gezworenen, jury of commissie van beoordeeling bij tentoonstellingen (= Jury of award): Grand jury = jury, van 12 tot 24 leden (die over het al of niet verleenen van rechtsingang beslist); Petty jury = jury van 12 leden (die met algemeene stemmen in strafzaken moet beslissen): Jury-box = bank der gezworenen; Juryman = gezworene; Jury-mast = noodmast; Jury-process = bevel tot bijeenroeping van eene jury; Jury-rudder = noodroer.

Just, džɐst, rechtvaardig, onpartijdig, eerlijk, trouw, welverdiend; adv. juist, precies, nagenoeg: But just = net, eventjes, nauwelijks; Just give me a light = geef me even; I will just step in = even; I am only a poor girl, Just Winifred = W. maar; Just like = precies zoo; Just now = zooeven, op het oogenblik; He wishes a thing to be just so, and not otherwise; We really are just there = zoo dadelijk, aanstonds zijn we er; You are not going just yet, are you? = je gaat toch nog niet weg? You won’t get it just yet = vooreerst niet; It is just possible = wel mogelijk; That’s just the thing I want; Justness = rechtvaardigheid, billijkheid.

Justice, džɐstis, gerechtigheid, rechtvaardigheid, onpartijdigheid, rechter (Judge is de officieele titel van de rechters in de County Courts): Lord Chief Justice = opperrechter; Justice of the peace = vrederechter; Justices’ justice = de soms zeer wonderlijke uitspraken der Justices of the Peace (dit zijn leeken); To do justice to = recht laten wedervaren; Do me the justice to admit = wees zoo billijk; You cannot do so in justice = van rechtswege, rechtens; There has been a gross miscarriage of justice = eene grove rechterl. dwaling; Justiceship = rechterschap: Justiciable, džɐstišiəb’l, justitiabel; Justiciary, džəstišiəri, gerechtelijk, gerechts - -; subst. rechter, rechtsgebied; High Court of Justiciary = hoogste gerechtshof in Schotland voor crimin. zaken; Justicing-room = gerechtszaal.

Justifiable, džɐstifaiəb’l, verdedigbaar, rechtmatig; subst. Justifiableness; Justification = rechtvaardiging, verdediging, redding of rechtvaardigverklaring van zondaren; Justificative = Justificatory, rechtvaardigend, verdedigend; Justifier, džɐstifaiə, rechtvaardiger, verdediger; justeerder; Justify, džɐstifai, rechtvaardigen, vrijspreken, bewijzen, sluiten (bij het drukken).

Justin, džɐstin, Justinius. Justinian, džɐstinj’n, Justinianus; ook adj.

Justle, džɐs’l. Zie Jostle.

Jut, džɐt, subst. uitsteeksel; Jut verb. uitsteken, vooruitspringen; Jut-window = uitstekend venster.

Jute, džût, jutte; Jut.

Jutland, džɐtl’nd.

Juvenal, džûvən’l, Juvenalis.

Juvenescence, džûvənes’ns, jeugd, onrijpheid; adj. Juvenescent.

Juvenile, džûvən(a)il, jeugdig, jong, kinder - -; subst. jongeling; ‘jeune amoureux’; Juvenility, džûvəniliti, jeugdigheid.

Juxtaposition, džɐkstəpəziš’n, naast elkander plaatsing, het naast elkander geplaatst zijn: To put in juxtaposition = tegenover elkaar stellen.

Juzail, džuzeil, zwaar geweer (bij de Afghanen).

K.

K, kei; K(ing); K.B. = Knight of the Bath = ridder van de Bathorde; K(night) C(ommander of the) S(tar of) I(ndia); K.C.B. = Knight Commander of the Bath; K.G. = Knight of the Garter = ridder van den kouseband; K.G.C.B. = Knight Grand Cross of the Bath = ridder grootkruis van de B.-orde; K.G.F. = Knight of the order of the Golden Fleece = ridder van het Gulden Vlies; Ki(ngs); Knt. of Kt. = Knight; Kent. of Ky. = Kentucky.

Kaaba = Caaba.

Kaama, kâmə, kleine vos, ook hartebeest (Z.-Afr.).

Kabul, kâbul; Kabyle, kəbîl, kəbail.

Kaffer, Kaffir (Kafir), kâfə, kafə, ongeloovige; Kaffer(sch); Kaffers = Zuid Afrik. mijn-actiën; adj. kaffer - -.

Kail, keil, (boeren)kool, koolsoep, middagmaal; Kail-yard, subst. moestuin; adj. in den geest v. de Kail-yard school, van schrijvers als Ian Maclaren, etc.

Kainite, kainait, kainiet.

Kale, keil = Kail.

Kaleidoscope, kəlaidəskoup, kaleidoscoop; adj. Kaleidoscopic(al).

Kalender = Calender.

Kali, kali, keili, potasch; Kalium, keiliəm, potassium.

Kalmuck, kalmɐk, kalmuk; ruige, grove stof.

Kamptulicon, kamptjûlikon, soort linoleum.

Kamsin, kamsin, heete Zuid-oostewind (Egypte).

Kangaroo, kaŋgərû, kangoeroe; Kangaroo verb. op kang. jagen, ver springen.

Kansas, kansas.

Kaolin, kâəlin, keiəlin, porseleinaarde.

Kapok, kəpok, kapok.

Kaross, kəros, dierenvel door Afrik. stammen gedragen.

Ka(r)roo, kərû, groote zandvlakte in de Z.-Afrik. hoogvlakten.

Kasan, kəzan; Kashmer, kašmî; Kate, keit; Katharina, kâtharainə; Katherine, kathərin; Kathleen, kathlîn; Katrine, katrin; Kavanagh, kavənâ.

Kavass, kəvas, gewapende konstabel ter bescherming van een officieel persoon (Turkije).

Kayak, kaiək, keijək, kajak.

Kea, kîa, een soort papegaai (N. Zeel.).

Kean, kîn; Kearney, kâni; Keble, kîb’l.

Keckle, kek’l, touwwerk met smarting omwoelen of bekleeden.

Kedge(r), kedž(ə), klein werpanker (= Kedge-anchor); Kedge verb. met behulp van een k. vooruittrekken.

Kee, kî, interj. kiede-kiede!

Keek, kîk, kijken, gluren (Schotl.).

Keel, kîl, subst. kiel, kolenschuit, kolenmaat; Keel verb. van een kiel voorzien, omslaan (over), met de kiel over den grond schuren (ook: to plough with the keel), varen; To float keel up = onderste boven: Keel-boat = kielboot; Keeler (= Keelman) = schuitenvoerder; Keelhaul = kielhalen; Keelson = kolsem (scheepst.).

Keeling, kîliŋ, leng (soort v. kabeljauw).

Keen, kîn, scherp, vinnig, bijtend, bits, doordringend; belust, verzot (on): As keen as mustard; Keen-edged; Keen-eyed; Keenwitted = scherpzinnig; subst. Keenness.

Keep, kîp, subst. bewaring, bewaking, slottoren, redoute, bestaan, onderhoud, voer, kost; Keep verb. bewaren, behouden, hoeden, bewaken, weerhouden, handhaven, onderhouden, vervullen, houden, etc.: I am keeping you = houd je op; It won’t keep (well) = blijft niet goed; To keep aloof = zich op een afstand houden; To keep at bay = van zich afhouden; To keep close = geheim houden; To keep silent (silence) = zwijgen; He kept crying = hij schreide maar door; He kept us waiting = liet ons wachten; To keep company = gezelschap houden; To keep company with = verkeeren met; To keep (one’s) counsel = zwijgen, een geheim bewaren; Do you keep figs? = hebt gij ook vijgen te koop? To keep garrison at = in garnizoen liggen; To keep one’s ground = stand houden; To keep bad (late), good (early) hours = altijd laat, vroeg thuis zijn; To keep house = huishouden; To keep pace with = op de hoogte blijven van, meegaan met; Put your trust in God, and keep your powder dry; Keep thy shop and thy shop will keep thee = pas op uw zaak en uw zaak zal u onderhouden; To keep one’s temper = zich inhouden, kalm blijven; To keep terms = college loopen; To keep time = in de maat blijven; To keep touch of, in touch with = voeling houden met; To keep watch = wacht houden; To keep one’s silver wedding = vieren; Keep it back = houd het geheim, bedwing u; He kept down his anger = onderdrukte; Keep from sin = laat af van; He kept me from my lessons = hield mij af; I kept the knowledge of it from him = onthield hem; I could not keep from saying it = niet nalaten; To keep in (after school-hours) = nahouden; It’s well to keep in with her = op goeden voet te blijven; To keep off = afweren, afhouden (van); I could not keep myself on my legs = niet op de been blijven; The army was kept on foot = werd onder de wapenen gehouden; He kept on taking the first turning to the right = nam maar steeds; He kept on turning = hij keek maar steeds om; Keep it on = ga zoo door; Keep on with your algebra by yourself = ga zelf door; To keep out of harm’s way = voor gevaar, ongelukken behoeden; These advertisements must be kept over = tot een volgend nummer uitgesteld; The ship was kept to = bij den wind gehouden; To keep to a promise = houden aan; I keep to my own people = houd me bij; To keep together = bijeen houden, vereenigd blijven; The ship was kept under weigh (way) = gaande gehouden; He could not keep up with me = hij kon mij niet bijhouden; Keep it up, boys! = houd vol; He kept me up to the letter of the contract = hield mij strikt aan; Keeper = houder, bewaarder, opziener, opzichter, cipier: Keeper of the Great Seal = Grootzegelbewaarder (in Engeland de Lord Chancellor); Keeper of the Privy Seal = geheimzegelbewaarder; Keepership; Keeping = bewaring, opzicht, hoede, hechtenis, voeding; In keeping with = harmonieerend met; You are here in safe keeping = in veilige hoede; Keeping-room = huiskamer; Keepsake = gedachtenis, herinnering, aandenken: By way of (As a) keepsake = als gedachtenis.

Keeve, kîv, subst. tobbe, kuip, mand; Keeve verb. in eene kuip zetten te gisten.

Keg, keg, vaatje.

Keighley, kîthli; Keightley, kaitli; Keith, kîth.

Kek, kek, kijk, zie (Z.-Afr.).

Kelp, kelp, kelp, een ruwe soda uit wier of zeegras.

Kelpie, Kelpy, kelpi, soort v. watergeest (Schot.).

Kelson, kels’n, kolsem. Zie Keelson.

Kelt, kelt, kelt; wollen stof van zwarte en witte wol gemaakt.

Kemp, kemp, grove wol, onreinheden in bont.

Ken, ken, subst. gezichtskring, ordinaire kroeg of kosthuis; Ken verb. waarnemen, bespeuren, onderscheiden, kennen: Beyond one’s ken = te hoog (fig.), onbegrijpelijk; Out of ken = onzichtbaar, buiten het gezicht; Within ken = zichtbaar; Kenning = gezichtsgrens op zee (20 miles); Kennings = herkenningsteekens, merken op de kust (scheepsterm).

Kench, kenš, kuip, vat (Amer.).

Kendal: Kendal Black Drug, kend’lblakdrɐg, laudanum; Kendal green, kend’lgrîn, groen laken (voor jagers, enz.).

Kenelm, kenelm; Kenilworth, kenilwɐ̂th.

Kennel, ken’l, subst. hondenhok, hok, vossenhol, “meute”, goot, poel; Kennel verb. in een hol wonen, in een hok opsluiten: Kennel coal = gaskool; Kennel-raker = voddenraper.

Kensington, kenziŋt’n.

Kent, kent, Kent; adj. Kentish: Kent-fire = applaus met rhythmisch handgeklap.

Kentucky, kentɐki.

Keogh, kîou, als plaatsnaam; kjou, als persoonsnaam; Keokuk, kîəkɐk.

Kept, kept, P. Imp. en P.P. van To Keep: Badly kept up = slecht onderhouden; Kept mistress, bijzit.

Kerb(stone), kɐ̂b(stoun), trottoirband.

Kerchief, kɐ̂tšif, doek.

Kerf, kɐ̂f, kerf, insnijding (van eene zaag).

Kermes, kɐ̂mîz, kermes, een soort van schildluis: Kermes grains = scharlaken korrels.

Kermess, kɐ̂mes, kermis, gecostumeerd weldadigheidsfeest (Amer.).

Kern, kɐ̂n, Oud Iersche of Hooglandsche voetknecht, landlooper, karn; binnenhalen van den oogst en oogstfeest; Kern-baby = met korenaren versierde pop bij het oogstfeest.

Kernel, kɐ̂n’l, subst. pit, kern, korrel; Kernel verb. korrelen: He that will eat the kernel, must crack the nut; To have no kernel = niet degelijk zijn.

Kernooze, kənûz, kennen, op de hoogte zijn van; Kernoozer = kenner, connaisseur.

Kerosene, kerəsîn, gezuiverde petroleum.

Kerrie, keri, werpknots (Z.-Afr.).

Kerse, kɐ̂s, kers, kleinigheid (verouderd, maar nog over in: Not worth a kerse = geen zier waard; Verg. Not worth a damn).

Kersey, kɐ̂zi, subst. grove, wollen stof; ook adj.: Kerseys = broek van die stof.

Kerseymere, kɐ̂zimîə, casimir.

Kestrel, kestr’l, torenvalk.

Keswick, kezik.

Ket, ket, kreng, vuil.

Ketch, ketš, kits, kaag (vaartuig).

Ketch, ketš = Jack Ketch.

Ketchup, ketšəp, soort v. saus. Ook Catsup en Catchup gespeld.

Kettle, ket’l, ketel: Here is a pretty kettle of fish = dat ’s een mooie boel; Kettledrum = keteltrom, pauk; theevisite; ook verb. = pauken; Kettle-drummer = paukenslager; Kettle-maker = ketelmaker.

Kevel, kev’l, kruisklamp (scheepst.); steenhouwershamer.

Kew, kjû.

Key, kî, sleutel, toets, klep, toonaard, oplossing, vertaling; Key verb. vastpinnen; stemmen, spannen: We have the key of the position = het voornaamste punt der positie; The pope has the power of the keys = de macht over den hemel; That fellow has the key of the street = de stumperd heeft geen thuis, kan niet in huis; To be in key with = in harmonie met; Key-basket = sleutelmandje; Key bit = (sleutel)baard; Keyboard = klavier (van orgel of piano); Key-bone = sleutelbeen; Key-bugle = klephoorn; Keyhole = sleutelgat; Key-note = grondtoon; Key-pipe = pijp; Key-ring = sleutelring; Key-screw = schroefsleutel; Key-stone = sluitsteen; Key-word = slagwoord; All keyed up = klaar voor het gebruik; Keyless watch = remontoir.

Keziah, kəzaiə.

Khaki, kâki, bruingeel, khaki; subst. khaki stof, soldaat in khaki uniform: Dressed in khaki.

Khalifa, kalifə, kalifa; Khalifate, kalifeit, keilifeit, kalifaat.

Khan, kan, kân, Aziat. gouverneur, vorst, koning, prins, hoofd; karavanserij; Khanate, kanit, kânit, rechtsgebied van een khan.

Khartoum, kâtûm.

Khedival, kədîvəl, van den Khedive; Khedivate, kədîvit, ambt(sgebied) van den Khedive; Khedive, kədîv, onderkoning (van Egypte).

Khel, kel, een Afghaansche stam.

Khirkah, kɐ̂ka, een gelapt kleedingstuk door dervischen gedragen.

Khoras(s)an, kourasân.

Khubber, kɐbə, bericht.

Khud, kɐd, ravijn.

Kiack, kiak, Boed. tempel.

Kibe, kaib, open winterblaar.

Kibitka, kibitkə, Russisch rijtuig, als slede te gebruiken; Tartaarsche tent.

Kick, kik, subst. schop, terugstoot (van ’t geweer): Kick verb. schoppen, stooten, achteruitslaan, zich verzetten: He has a good deal of kick in him this morning = hij is van morgen slecht in zijn hum; Kick-off = eerste schop; At the age of 14 she kicked the beam at 180 pounds = haalde ze al 180 pond; He kicked the beam = werd te licht bevonden, verloor het; To kick the bucket = dood gaan; To kick against kismet = zich tegen het noodlot verzetten; The horse kicks at everybody = slaat naar iedereen; His stomach kicked at the medicine = walgde van: I kicked him out to sink or swim = ik liet hem aan zijn lot over; To kick over the traces = uit den band slaan; Don’t kick up a row here = maak hier geen standje of opstootje; He kicked up his legs (heels) = sprong vroolijk rond; He was kicked upstairs into a splendid post = werd vooruit geschopt, en kreeg; Kicker = schopper, voetbalspeler, paard dat achteruit slaat, dwarskop; He is alive and kicking = springlevend.

Kickshaws, kikšôz, beuzelarijen, wissewasjes, liflafjes (tegenover “soliede” kost).

Kicksies, kiksiz, broek: Kicksies-builder = kleermaker.

Kid, kid, subst. jonge geit, geitenleer, glacé-handschoen, kind, onzin, zwendel, vaatje, platte schotel, takkebos; adj. van geitenleer; Kid verb. ter wereld brengen, bedotten: There is no kidding about him = men kan op hem aan; Many candidates kid to their constituents = houden hunne kiezers voor het lapje; Kid-gloves = glacé-handschoenen; Kiddy = ventje; dief; Kiddy verb. bedotten; Kidling = klein geitje.

Kidderminster, kidəminstə, goedkoop soort vloerkleed.

Kiddle, kid’l, teenen vischweer; speeksel.

Kiddy, kidi. Zie Kid.

Kidnap, kidnap, stelen, met geweld wegvoeren, pressen; Kidnapper = steler (van kinderen), zielverkooper.

Kidney, kidni, nier; soort, aard: They are all of the right (same) kidney = zij zijn allen van ’t goede (zelfde) soort; Kidney-bean = witte boon; Kidney-form = Kidney-shaped = niervormig.

Kiefekil, kifikil, meerschuim.

Kildare, kildêə.

Kilderkin, kildəkin, vaatje van 18 gallons.

Kilkenny, kilkeni.

Kill, kil, dooden, blusschen, dooven, stillen; subst. het dooden, buit: She dances to kill = zij is een onvermoeide danseres; To kill time = den tijd dooden; It would be a case of kill or cure = er op of er onder; Kill-devil = rum of sterke drank in ’t algemeen; He is a kill-joy = een spelbederver, een “saaie Klaas”; Kill-time = tijdverdrijf; Killing = doodelijk, onweerstaanbaar, vreeselijk: You are too killing = je laat me nog doodlachen; To look killing = er onweerstaanbaar uitzien.

Killaloe, kiləlou; Killarney, kilâni.

Killick (= Killock) kilək, klein bootsanker, ankersteen.

Killigrew, kiligrû; Kilmarnock, kilmânək; Kilmore, kilmö.

Kiln, kil(n), oven, eest, kalkoven; Kiln-dry = in een oven of eest drogen; Kiln-hole = mond van een oven.

Kilo, kilou, Kilogram(me), kiləgram, kilogram; Kilolitre, kiləlîtə, kilolitə, kiloliter; Kilometer, kiləmîtə, kilomitə, kilometer; Kilowatt, kiləwot = 1000 Watt (Electr.).

Kilsyth, kilsaith.

Kilt, kilt, subst. korte rok der Bergschotten; Kilt verb. opnemen; Kilted = (loodrecht) geplooid.

Kimbo, kimbou, gebogen, gekromd: There he stood, with his arms akimbo = met zijne armen in de zijde.

Kin, kin, subst. maagschap, bloedverwantschap, bloedverwant, maag; adj. verwant, van dezelfde soort: He is next of kin = de naaste bloedverwant; No kin no care = geen koeien, geen moeien; I do not care for him and all his kith and kin = en zijne geheele familie; Kinsfolk = verwanten; Kinsman, Kinswoman = bloedverwant(e); Kinship: My feeling of kinship = mijne gehechtheid aan mijne verwanten.

Kinchin, kinšin, kindje; Kinchin cove = jonge dief.

Kind, kaind, subst. soort, kunne, geslacht, wijze; adj. vriendelijk, goedaardig, natuurlijk, weldadig, goedhartig: I will pay you in kind = in natura, met dezelfde munt; To hold religious convictions of a kind = er nog eenigszins godsdienstige overtuigingen op na houden; He has grown out of kind = is uit den aard geslagen; I kind of thought you were there = ik dacht soms, (ook wordt kind of verbasterd tot kinder; Amer.); To send one’s kind regards = vriendelijk laten groeten; Kind-hearted = goedhartig; subst. Kind-heartedness; Kindliness = welwillendheid, vriendelijkheid; adj. Kindly; To take something kindly of a person = iets goed opnemen; To take kindly to something = met iets op hebben; gesteld zijn op; The pig fattens kindly on this food = zet flink vleesch aan van; Kindness = vriendelijkheid, etc.

Kindergarten, kindəgât’n, Fröbelschool; Kindergarten mistress = Kindergartner, kindəgâtnə, onderwijzeres van eene Fröbelschool.

Kindle, kind’l, ontsteken, aansteken, doen ontvlammen of ontbranden, opwekken, opwinden, vlam vatten, ontbranden: This kindled discontent to flame = dit deed de ontevredenheid uitbarsten; The shavings can be used as kindlings = als vuuraanmakers.

Kindred, kindrəd, subst. verwantschap, verwanten; adj. verwant, van denzelfden aard.

Kine, kain, koeien.

Kinematics, k(a)inəmatiks, leer der beweging; Kinematograph, kainîmətəgraf, k(a)inəmatəgraf, kinematograaf; Kinetic, k(a)inetik, bewegend, motorisch; Kinetics = mathem. leer der beweging; Kinetoscope, kainîtəskoup, kinîtəskoup.

King, kiŋ, koning, vorst, heer, dam (in het damspel); King verb. tot koning verheffen; den koning spelen (it); King-at-arms = wapenkoning; King’s-bench = vroeger een gerechtshof; King’s (Queen’s) evidence = medeplichtige, die getuigenis aflegt tegen zijne kameraden; King’s evil = scrofula: To touch for the king’s evil = door handoplegging genezen: King’s-yellow = koningsgeel; King’s coach (cushion): To carry in a king = op saamgevouwen handen dragen (kinderspel); King-craft = regeerkunst, staatkunde; King-cup = scherpe (boldragende) boterbloem; King-fish = soort van makreel; King-fisher = ijsvogel; King-killer = koningsmoorder; King-post = middenstijl van het dak; King-wood = hard Braziliaansch hout; Kingdom, koninkrijk: The Kingdom of God; Animal, mineral and vegetable kingdom = dieren-, delfstoffen- en plantenrijk; Kingdom-come = de eeuwigheid: He went to Kingdom-come = hij is overleden; Kinglet (Kingling) = koninkje; Kingless; Kinglike = Kingly = koninklijk; Kingship.

Kink, kiŋk, subst. kink, slag in een touw, gril, eigenaardigheid; Kink verb. kinken: There had not been the slightest kink or hitch = geen enkele kink in de kabel; We got the business out of the kink = aan den gang, aan het rollen; Kinky = met bochten.

Kinross, kinros; Kinsale, kinseil.

Kiosk, kiosk, kiosk, paviljoen.

Kip, kip, huid van jonge kalveren; ook: Kipskin.

Kipper, kipə, subst. zalm gedurende den tijd van kuitschieten; bokking; Kipper verb. zouten en rooken: Kippered herring.

Kirk, kɐ̂k, kerk (Schotl.): Kirk-session = kerkeraadsvergadering.

Kirkaldy, kɐ̂kô(l)di.

Kirtle, kɐ̂t’l, subst. soort van opperkleed, hemd, rok, buis.

Kismet, kismet, noodlot (Oostersch).

Kiss, kis, subst. kus, soort suikerboontje; Kiss verb. kussen, even aanraken: To kiss and be (make) friends = afzoenen; To kiss the book = bij het eed afleggen het N. testament kussen; To kiss the dust = in het stof bijten; To kiss the earth, the ground = zich onderwerpen; The ministers kissed hands yesterday = aanvaardden gisteren hun ambt (door de koningin de hand te kussen); We kissed hands to the wilderness = zeiden vaarwel; She kissed her hand to her uncle = gaf haar oom kushandjes; They kissed the rod = zij onderwierpen zich aan de straf; Kiss-in-the-ring = een zeker gezelschapsspel; Kiss-me-quick = kleine dameshoed (van ± 1850), lok bij ’t oor; Kissable = om te zoenen; Kissing: Kissing-crust = dat deel van eene broodkorst, dat een ander brood raakt, zachte zijde van brood; As easy as kissing = doodgemakkelijk.

Kit, kit, vaatje, kastje, mand, gereedschapsbak, uitrusting, de “heele rommel” (= All the kit, The whole kit), katje; Kit verb. in een kit verpakken.

Kitcat, kitkat, portret van bepaalde afmeting (71 × 91 cM.); jongensspel: Kitcat cannio = kinderspel met lei en griffel.

Kitchen, kitš’n, subst. keuken: Kitchen-dresser = aanrechtbank; Kitchen-garden = moestuin; Kitchen-maid = keukenmeid (in Engeland tot hulp van de cook, die alléén kookt); Kitchen-middens = hoopen afval, of schelpen van heel ouden datum; Kitchen-range = keukenfornuis; Kitchen-stuff = keukengroenten; vet, schuim; Kitchen-wench = keukenmeid; Kitchin of Kitchen Zulu = gebroken Zoeloesch.

Kite, kait, koningswauw; roofgierig mensch, vlieger; schoorsteenwissel: To fly a kite = een vlieger oplaten; een schoorsteenwissel trekken; Kite-flyer (ook fig.); Kite-flying = vlieger oplaten; wisselruiterij; Kites’-foot = soort van gele tabak.

Kith, kith, verwanten. Zie Kin.

Kitten, kit’n, subst. jonge kat; Kitten verb. jongen werpen; Kittenish = speelsch, dartel.

Kittiwake, kitiweik, soort van zeemeeuw = Kittiwake-gull.

Kittle, kit’l, kiedelen, kietelen: adj. = Kittle cattle = lastig, moeielijk, netelig; Kittlish, kitliš, kietelig, gevaarlijk, gewaagd, bedriegelijk.

Kitt’s (St), s’ntkits, de H. Christoffel; Kitty, kiti, Kaatje.

Kive, kaiv. Zie Keeve.

Kiwi, kîvi, kiwi.

Kleptomania, kleptəmeinjə, kleptomanie; Kleptomaniac = kleptomaan.

Klick, klik, tikken.

Klipspringer, klipspriŋə, antilope (Z. Afr.).

Kloof, klûf, kloof, ravijn (Z. Afr.).

Knack, nak, slag, handigheid, gemakkelijkheid, gewoonte; beuzelarij: There is a knack in doing it = men moet er slag van hebben; To have the knack, To know the knack of it = den slag er van beet hebben; To lose the knack; Knacker = paardenvilder; Knacker’s yard = paardenvilderij; Knackers = notenkraker.

Knag, nag, knoest of kwast (in hout), wrat, ruwe rots- of heuveltop; tak van een gewei; Knagginess, subst. v. Knaggy = knoestig, ruw, narrig.

Knap, nap, knappen, breken; Knapper = soort hamer.

Knapsack, napsak, ransel, knapzak.

Knapweed, napwîd, zwart knoopkruid.

Knar(l), nâ(l), knoest (in hout).

Knave, neiv, schurk, bedrieger, boer (in ’t kaartspel); Knavery = schurkerij, bedriegerij; Knavish = schurkachtig: Knave trick = schurkenstreek; subst. Knaveness.

Knead, nîd, kneden: Kneaded in the same trough = van hetzelfde maaksel, met één sop overgoten; Kneader = kneder, kneedmachine; Kneading-trough = bakkerstrog.

Knee, nî, knie, kniestuk, kniebuiging: On the knees of the gods = afhankelijk van omstandigheden, die men niet beheerscht, of afhankelijk van den goeden afloop van andere zaken; To bring one to his knees = iemand doen buigen (fig.); The prize-fighters were given a knee after every round = namen na iedere ronde wat rust (nl. elk op de knie van een der secondanten); To go (down) on one’s knees = op de knieën vallen; To take across one’s knee = over de knie leggen; To whip a boy over one’s knee = voor zijn broek geven; Knee-breeches = kuitenbroek; Knee-cap = kniebeschermer, knieschijf; Knee-deep = tot aan de knieën; Knee-high = tot aan de knieën; Knee-haltered = gekniepoot; Knee-holly, Knee-holm = ruscus, kleine steekpalm; Knee-joint = kniegewricht; Knee-pan = Knee-cap; Knee-piece = kromhout.

Kneel, nîl, knielen: Kneeler = knielkussen of bankje.

Knell, nel, subst. gelui, doodsklok; Knell verb. (de doodsklok) luiden.

Kneller, nelə.

Knelt, nelt, P. Imp. en P.P. van to kneel.

Knew, njû, imperf. van to know.

Knickerbocker, nikəbokə, bewoner van New-York van Oud-Hollandsche afstamming: Knickerbockers = wijde kniebroek, onderbroek = Knickies.

Knick-knack, niknak, beuzelarij, snuisterij (meest knick-knacks).

Knife, naif, subst. mes, ontleedmes, dolk; Knife verb. snijden, doorsteken, polit. candidaten arglistig doen vallen (Amer.): War to the knife = strijd op leven en dood; Knife-blade = lemmet; Knife-board = slijpplank; zitbank bovenop een e omnibus; Knife-cleaner = poetsmachine; Knife-edge = scherpe kant van het mes; Knife-grinder = messen- en scharenslijper; Knife-rest = messenleggertje; Knife-sharpener = mesaanzetter; Knife-tray = messenbak; Knifing affrays = gevechten met messen.

Knight, nait, subst. ridder, kampioen, paard (in ’t schaakspel), niet erfelijke titel (met Sir voor den doopnaam); Knight verb. tot ridder slaan; Knight of the blade = ijzervreter; Knight of industry = zwendelaar; Knight of the needle (shears, thimble) = ridder van de el = kleermaker; Knight of the road = struikroover; Knight of the rueful countenance = van de droevige figuur; Knight of the shire = vertegenwoordiger van een graafschap in het parlement; Knight-errant = dolende ridder; Knight-errantry = dolende ridderschap; Knightage = de ridderschap, al de personen, die den titel knight hebben; boek met hun aller namen; Knighthood = ridderschap: Order of Knighthood = ridderorde; Knightlike = ridderlijk; Knightliness, subst. v. Knightly = ridderlijk.

Knit, nit, knoopen, breien, samenbinden, samenvoegen, aaneen hechten, fronsen, vlechten, zich vereenigen: He knit his brow (the brows) = fronste het voorhoofd (de wenkbrauwen); Knitter = breid(st)er, breimachine; Knitting = breiden, breiwerk: Knitting-cotton = breikatoen; Knitting-machine = breimachine; Knitting-needle, Knitting-pin = breinaald, breipen; Knitting-sheath = breipenscheede; Knitting-work = breiwerk, lichte vrouwelijke arbeid (Amer.); Knitting-yarn = breigaren.

Knittle, nit’l, koord (van eene beurs, of zak), touw voor eene hangmat.

Knob, nob, knobbel, knoest, knop, kwast, brok, alleenstaande heuvel: Electric knobs = drukknoppen; Knobbiness, subst. v. Knobby = knobbelig, knoestig, etc.

Knobkerry, nobkeri, knots met ronden knop.

Knobstick, nobstik, onderkruiper.

Knock, nok, subst. slag, klop, stoot; Knock verb. slaan, stooten, kloppen: He has been knocking about the whole day = heeft rondgeboemeld; He is knocking himself about = hij vliegt van ’t een op ’t ander; That man was knocked about = leelijk toegetakeld; He knocked his enemy down = velde neer, sloeg tegen den grond; The picture was knocked down to me for 600 guilders = werd mij toegeslagen; I will not knock off one penny = geen stuiver afdoen; The workmen have knocked off = hebben opgehouden met werken; (Knocking-off time); He was knocked over in the street = neergeveld, overreden; Hastily knocked together = saamgeflanst; Are you going to fight or to knock under? = het opgeven, toegeven? I am quite knocked up = ik ben doodop; He knocks up easily = is gauw ’op’; You’ll knock up = je zult je ziek maken; A knocker-up = porder; He has knocked that opinion on the head = den kop ingedrukt; To knock out of time = zijn bekomst geven; He was knocked silly = deed zoo’n val (kreeg zoo’n slag), dat hij bewusteloos werd; Knock-about = luidruchtig, rusteloos; variété (artist); Knock-down = verpletterend (nieuws), uiterste (prijs); Knock-kneed = met de knieën binnenwaarts; Knock-knees = binnenwaarts gebogen knieën; Knock-out = afspraak om bij eene verkooping niet tegen elkander op te bieden, ten einde alles zoo goedkoop mogelijk te krijgen; Knocker = klopper: Up to the knocker = piekfijn, fameus; Knocking-ghost = klopgeest.

Knoll, noul, subst. heuvel(tje), heuveltop; gelui; Knoll verb. luiden (vooral van de doodsklok).

Knollys, noulz.

Knop, nop, knop, knoop, loofwerk aan zuilen; Knop verb. met knoppen versieren.

Knot, not, subst. knoop, vouw, bocht, groep, bende; verzameling, knoest, moeilijkheid, schouderlap (voor dragers van lasten), schouderbedekking, epaulet, knoop (ongev. 2.025 yards); Knot verb. knoopen, verbinden, samengroeien, verwarren, knoesten vormen: A hard knot = een moeilijk te ontwarren knoop; How many knots is she going now? = hoeveel knoopen loopt het schip nu; The marriage-knot = huwelijksband; To cut the knot = doorhakken; Knot-grass = duizendknoop, varkensgras; Knotted: The many-knotted waterflags = veelknoopige; Knottiness, subst. v. Knotty = vol knoopen, moeielijk: That is rather a knotty point = lastig punt.

Knout, naut, nût, subst. knoet; Knout verb. met de knoet straffen.

Know, nou, kennen, verstaan, weten, begrijpen, vernemen: He knows it like A B C = kent het op zijn duimpje = He knows it from A. to Z.; I do not know how to do this problem = weet niet op te lossen; You know very well what you are about = je weet drommels goed wat je doet; I know him for a clever fellow = ik weet, dat hij is; That man does not know his own mind = weet zelf niet wat hij wil; He knows what is what = heeft z’n weetje, is een gladde kerel; He does not know which is which = kan personen of zaken niet van elkaar onderscheiden; I never knew him do it = ik heb het hem nooit zien doen, van hem bijgewoond; I will make you know better in future = ik zal wel zorgen, dat ge het later beter weet; Know-all = weetal; Know-nothing = weetniet; Knowable = kenbaar; subst. Knowableness; Knowing = glad, slim: He is a knowing one = gewikst; There is no knowing what he may do next = men kan niet weten, wat hij nu weer zal doen; subst. Knowingness; Knowledge, nolədž, kennis, wetenschap, geleerdheid: He has not gone there, to my knowing = voor zoover ik weet; Knowing is power = kennis is macht; Knowing-box = kop.

Knowles, noulz; Knox, noks.

Knub(ble), nɐb(’l), knopje; Knub verb. onhandig omgaan met, slordig inpakken.

Knuckle, nɐk’l, subst. knokkel, kniegewricht (van een kalf), schenkel; Knuckle verb. de vingers buigen, met de knokkels slaan: To rap a person’s knuckles = op de vingers tikken; I am not going to knuckle under (down) = wil niet toegeven, mij onderwerpen; Knuckle-bone = knokkel, bikkel(spel); Knuckle-duster = boksijzer; Knuckle-joint.

Knurl, nɐ̂(l), knoest, knobbel, knoop; dwerg; Knurled = Knurlly.

Knutsford, nɐtšfəd.

Kobold, koubould, kabouter.

Koba, kobə, soort van antilope (Midden-Afrika).

Kodak, koudak, klein photographie-toestel; ook verb.

Koff, kof, kofschip.

Koh-i-noor, kouhinûə.

Koodoo, kûdû, Z.-Afr. antiloop.

Kopeck, koupek, kopeke.

Kopje, kopjə, kopje, heuvel (Z.-Afrika).

Koran, kôr’n, kərân, koran.

Kosher, koušə, koscher.

Koul, koul, belofte, contract (Brit. Ind.).

Kourbash (Koorbash), kûəbaš, subst. zweep van hippopotamushuid; Kourbash verb. met de kourbash slaan of martelen.

Ko(w)-tow, kətau, Kotoo, kətû, subst. diepe buiging, lage vleierij; Ko(w)-tow verb. diep neerbuigen, verachtelijk vleien: They kow-towed to her on account of her reputation.

Kraal, krâl, krôl, kraal (in Z.-Afrika); Kraal verb. vee in de kraal drijven.

Kraken, krâk’n, kreik’n, fabelachtig zeemonster bij de kust van Noorwegen.

Krakow, kreikou.

Krang, kraŋ, geraamte van een walvisch na wegneming van het spek.

Kransick, kransik, gek, krankzinnig (Transvaal).

Krishna, krišnə, Krischna, achtste incarnatie v. Vischnu.

Kruller, krɐlə, in vet gekookt krulkoekje.

Kudos, kjûdos, roem, eer; Kudos verb. roemen.

Kukri, kukri, gekromd mes (Brit. Ind.).

Kurd, kûəd, Kurdish; Kurdistan.

Kuril, kûril, pijl-stormvogel.

Kurile, k(j)urîl: Kurile Islands.

Kyley, kaili, boomerang (Austr.).

Kyrie eleison, kairiî elaison, Heer, erbarm u! het kyrie (eerste woorden van dat gedeelte der Mis, dat op den introïtus volgt).

L.

L, el; L = 50; L(iber) = boek; L(ibra) = pond, ook Lb; Lat(in); L(ord) C(hamberlain of Chancellor); L(egis) C(ivilis) D(octor) = Dr. in het burgerl. recht; L(ady) D(ay) = Maria Boodschap; L(ord) C(hief) J(ustice); Lex(icon); Ld = Lord; Lieut(enant) = Luitenant; Lib(rary); Liq(uor); Lit(erarum) D(octor); L. L. D. = Legum Doctor = in de beide rechten; Long(itude) = geograph. lengte; L(ord) L(ieutenant of) I(reland); Lon(don); Loq(uitur) = hij (zij) spreekt; L(ordshi)p; L(ord) P(rovost); L(eft) S(ide); L(ibrae), S(olidi), d(enari) = pounds, shillings, pence.

La, lâ, lô, hè, kijk, zie!

La, lâ, la (noot).

Laager, lâgə, laager; Laager verb. een laager vormen (Z.-Afr.).

Labarum, labərɐm, labarum, standaard van Konstantijn den Groote, waarop het monogram van den Griekschen naam van Christus; banier, devies.

Labefaction, labifakš’n, achteruitgang, verval.

Label, leib’l, subst. etiket, lijstwerk boven deur of venster, codicil; Label verb. een etiket hechten aan, classificeeren: Enamelled labels = naambordjes (v. straten); Silver labels schildjes (op flesschen).

Labial, leibj’l, tot de lippen behoorende of er mede gevormd, lip - -; subst. lipletter; Labiate, leibjit, lipvormig, gelipt; subst. lipbloemige plant; Labio-dental, leibjədent’l, subst. eene door lip en tanden gevormde letter, als f en v; adj. gevormd door lip en tanden.

Laboratory, labərətori, laboratorium, werkplaats; Laboratory-man = vuurwerker.

Laborious, ləbôriəs, werkzaam, ijverig, moeilijk, vermoeiend; subst. Laboriousness.

Labour, leibə, subst. arbeid, werk, barensweeën, pijn, arbeidersbevolking van een land; Labour verb. arbeiden, zich inspannen, zwoegen, werken (van een schip), bewerken: To lose one’s labour = zich te vergeefs inspannen; I do not wish to labour that point = in ’t bijzonder te behandelen; He labourd under difficulties = hij had met moeilijkheden te kampen; They were labouring under an illness (a complaint) = laboreerden aan eene ziekte (kwaal); To labour under a mistake = in dwaling verkeeren; A labour of love = liefdedienst; Labour-member = werkman lid van het Parlement; Labour-pains = weeën; Labour-party = arbeiderspartij; Independent Labour-party = de socialistische groep van de Labour-party; Labour-registry = arbeidersbeurs; Labour-saving = (handen)arbeid besparend; Laboured = onnatuurlijk, niet vrij, al te veel kunst verradend; zorgvuldig uitgewerkt; Labourer = arbeider: Skilled and unskilled labourers = bekwame en geen vak verstaande arbeiders; A labouring-man = landbouwer, losse arbeider.

Labrador, labrədö.

Laburnum, ləbɐ̂n’m, gewone goudenregen.

Labyrinth, labirinth, labyrint (ook fig.), doolhof; Labyrinthal, labirinthəl = Labyrinthian, labirinthiən = Labyrinthic(al), labirinthik(’l), als een doolhof, verward; Labyrinthiform, labirinthiföm, labyrintvormig; Labyrinthine, labirinth(a)in, als een doolhof, verward.

Lac, lak, lak; honderdduizend ropijen (Eng. Indië): in de laatste bet. ook lakh gespeld; Lac-dye, Lac-lake = schilderslak om rood te verven.

Laccadive Islands, lakədaiv ailəndz = Laccadives = de Lakkadiven.

Lace, leis, subst. kant, snoer, rijgveter, galon, strik; Lace verb. vastmaken, rijgen, met galon versieren; afranselen, sterke dranken voegen bij: Without lace = (koffie) zonder cognac, sterken drank of likeur; Lace-bark = lagette of kantstruik; Lace-bobbin = kantklos; Lace-cushion; Lace-maker = kant- of passementwerker; Lace-man (Lace-woman) = kantverkooper(-ster), of -werk(st)er; Lace-trimming = kanten belegsel; Lace-winged = netvleugelig; Lacing, leisiŋ, boordsel, veter, rijgen, pak slaag.

Lacedaemon, lasidîm’n, Lacedemonië; Lacedaemonian, lasidimounj’n, Lacedemoniër, Lacedemonisch.

Lacerate, lasəreit, (ver)scheuren, wonden, folteren; subst. Laceration.

Lacerta, ləsɐ̂tə, gewone of groene hagedis; Lacertian, ləsɐ̂š’n, hagedisachtig, hagedis...; subst. hagedis.

Laches, lašiz, nalatigheid.

Lachesis, lakəsis, eene der drie schikgodinnen; Brazil. ruitslang.

Lac(h)rymal, lakrim’l, traan..: The lac(h)rymal glands = de traanklieren; Lachrymose, lakrimous, somber, droevig, tranen stortend.

Lack, lak, subst. gebrek, behoefte; verwijt; Lack verb, gebrek hebben aan, behoeven; berispen: John Lackland = Jan Zonder Land; Lack-all = wien het aan alles ontbreekt; Lack-lustre = glansloos, somber.

Lack, lak: Good Lack! = jeminiejoosje; Lack-a-day! = helaas!

Lackadaisical, lakədeizik’l, sentimenteel, geaffecteerd.

Lackey, laki, subst. lakei; slaafsch volgeling of dienaar; Lackey verb. als lakei dienen, slaafs dienen.

Laconia, ləkounjə; Laconian.

Laconic(al), ləkonik(’l), laconiek, droog, kort, bondig; Laconicism, ləkonisizm, Laconism, lakənizm, korte en bondige uitdrukking of spreekwijze.

Lacquer, lakə, subst. vernis, lak (vooral Jap. en Chin.); Lacquer verb. vernissen, verlakken: Good form, or at all events lacquered with the veneer thereof = met beschaafde vormen of in elk geval een vernisje er van.

Lacrosse, lakros, soort balspel (Canada).

Lactation, lakteiš’n, melkvorming, het zoogen, zoogtjjd; Lacteal, laktiəl, melkhoudend, melk - -: Lactation fever; Lactation vessels = lymphvaten = Lacteals, laktiəlz; Lactescent, laktes’nt, melkachtig, melksap voortbrengend; Lactic, laktik, melk..: Lactic acid = melkzuur; Lactic fermentation = het zuurworden der melk; Lactometer = melkweger; Lactose, laktous, melksuiker.

Lacuna, ləkjûnə, gaping, hiaat, kuiltje; Lacunal = met gapingen = Lacunar.

Lad, lad, jongeling, jonge man, kameraad.

Ladder, ladə, ladder, scheepstrap, touwladder: He soon got to the top of the ladder = hij bereikte spoedig de hoogste sport (fig.); He got his foot into the ladder = kreeg zijn voet in den stijgbeugel; He can’t see a hole through a ladder = hij kan geen steek meer zien.

Laddie, Laddy, ladi, jongen.

Lade, leid, laden, scheppen (van water, etc.); Lading = het laden, lading: Bill of lading = vrachtbrief.

Ladle, leid’l, subst. pollepel, gietlepel, schepbord, schoep van een molenrad, laadlepel; Ladle verb. met een grooten lepel opscheppen, toedienen (out): Paying ladle = piklepel; Ladleful.

Ladrone, lədroun, dief, schurk; Ladrones, lədrounz, Dieveneilanden.

Lady, leidi, (voorname) dame, gemalin, vrouw van een knight of baronet, dochter v. een hoogadelijke, mevrouw, vrouw, liefje, teef; ook adj.; Our Lady = Onze Lieve Vrouwe; How is your (good) lady? = hoe vaart je vrouw? The old lady = mijn oudje; Old Lady of Threadneedle Street = de Bank van Engeland; Lady author = schrijfster; Lady-bird = pijlstaart; ook lievenheersbeestje = Lady-bug; Lady-chapel = kapel aan de Maagd Maria gewijd; Lady-day = Maria Boodschap (25 Maart); Lady friend = vriendin; Lady-help = hulp der huisvrouw; Lady-killer = adonis, veroveraar; Lady-love = geliefde; Lady’s-companion = werktaschje, necessaire; chaperon; Lady’s-smock = pinksterbloem; Lady’s-tresses = draaisteel; We carried her in the fashion they call ladies’ cushion = op onze ineengevouwen handen; Ladyish = als een dame; Ladyism = manieren van eene dame; Ladykin (gew. Lakin, leikin) = Onze Lieve Vrouwe; Ladylike = als eene dame, kiesch, vrouwelijk, verwijfd; Ladyship = rang of titel van eene Lady: Your Ladyship = Mevrouw.

Laertes, ləɐ̂tîz.

Lag, lag, adj. langzaam, dralend, laat, achteraankomend; Lag verb. dralen, treuzelen, achterblijven (behind); deporteeren, gevangen zetten, pakken; subst. vertraging; gedeporteerde, boef; Laggard = subst. draler, talmer; adj. langzaam, achterlijk, treuzelig.

Lagoon, ləgûn, lagune; Lagoon-reef = koraalrif.

Lahore, lahö.

Lagrimando, lagrimandou: Lagrimoso, lagrimousou, plechtig, klagend (muz.).

Laic, leiik, leeken...; subst. leek; Laicization = secularisatie; Laicize = seculariseeren.

Laid, leid, P. Imp. en P.P. van To lay: Laid paper = papier met waterlijnen.

Lain, lein, part. perf. van to lie = liggen.

Lair, lêə, leger (van een wild dier); bodemvuil.

Laird, lêəd, grondbezitter (Schotl.), landheer.

Laity, lei(i)ti, de leeken.

Lake, leik, meer; soort lak: Lake Leman (lîm’n) = het Meer van Genève = The Lake of Geneva; Lake-dwellers = bewoners van een paalwoning = Lake-dwelling; Lake School = de dichterschool van Wordsworth, Coleridge en Southey; Lake-settlement = verzameling van paalwoningen; Lakelet = meertje; Laker = Lakist = dichter uit de Lake School.

Lakh, lak, lâk = Lac.

Lallation, laleiš’n, spraakgebrek, waarbij de r als l wordt uitgesproken.

Lam, lam, ranselen: He went on lamming into his men.

Lama, lâmə, Lama priester; Lamaism, lâməizm; Lamasery, lâməsəri, lamâsəri, Lamaklooster.

Lamb, lam, subst. lam, lamsvleesch; Lamb verb. lammeren werpen; plukken (fig.): To lamb down = de wacht houden bij schapen in den lammerentijd (Austr.); Lamb-ale = feestelijkheid bij het scheren der schapen; Lambskin = lamsvel; Lamb’s-wool = lamswol; bier met suiker, notenmuskaat en gebraden appelen; Lambkin = lammetje, lieveling; Lamblike = zacht als een lam.

Lambency, lamb’nsi, lekken van vlammen, stralen, oppervlakkigheid; Lambent, lamb’nt, spelend, lekkend; stralend, vluchtig.

Lambrequin, lambəkin, helmkleed, dat op wapens helm en schild omfladdert; draperie boven aan een venster.

Lame, leim, adj. kreupel, verminkt, hortend, onvolkomen, gebrekkig; Lame verb. kreupel maken, verminken, verlammen; Lame-duck = wanbetalend beursspeculant; To help lame dogs over stiles = zwakke broeders een handje helpen; Lameness, kreupelheid, verlamming, zwakheid.

Lamella, ləmelə, lamelle, dun blaadje metaal, schilfer; Lamellar, lamələ, ləmelə, schilferig; Lamellate(d), laməlit, laməleitid, uit dunne platen of schilfers bestaande; Lamelliform = schilferachtig.

Lament, ləment, subst. weeklacht; Lament verb. betreuren, weeklagen; Lamentable, laməntəbl, jammerlijk, betreurenswaardig, treurig; Lamentation = weeklacht, jammerklacht: The Lamentations of Jeremiah = Klaagliederen van Jeremia; Lamented = zaliger.

Lametta, ləmetə, dun, onecht goud- of zilverdraad.

Lamia, leimjə, booze geest in den vorm eener slang met vrouwenhoofd; heks, toovenares.

Lamina, laminə, dunne plaat, schubje, blaadje; Laminable = tot dunne platen pletbaar; Laminal = Laminar = uit dunne plaatjes bestaande; Laminate, lamineit, pletten, met dunne plaatjes overtrekken; Laminated = schilferig = Laminate, laminit.

Lammas, laməs, 1 Augustus: At latter Lammas = met St. Juttemis, als de kalveren op het ijs dansen; Lammas-day (Lammas-tide) = St. Pieter (1 Aug.); Lammas Eve = 31 Juli.

Lamp, lamp, lamp, licht: To smell of the lamp = naar de lamp rieken; Lamp-black = lampzwart; Lamp-burner = brander; Lamp-light = lamplicht; Lamp-lighter = lantaarnopsteker; fidibus; Lamp-maker = lampenfabrikant; Lamp-mat; Lamp-post = lantarenpaal; Lamp-shade = kap; Lampion, lampj’n = illumineerglaasje.

Lampoon, lampûn, subst. schotschrift; Lampoon verb. schotschriften schrijven; Lampooner; Lampoonery.

Lamprey, lampri, lamprei.

Lanark, lanək; Lanarkshire.

Lanate(d), leinit(id), wollig, zacht.

Lancashire, laŋkəšə; Lancaster, laŋkəstə; Lancashireian, laŋkəstîriən: Lancashire system = stelsel van Joseph Lancaster, waarbij de zwakkere leerlingen door de vluggere (monitors) worden onderwezen; Lancastrian, laŋkastriən, partijganger van Hendrik VI van Lancaster.

Lance, lâns, subst. speer, lans; lansier, wilde; Lance verb, met eene lans doorsteken, met een lancet openen: With lance in rest = met gevelde lans; Lance-corporal = korporaal titulair; Lance-flag = vaantje: Lance-head = spits; Lanceolate(d), lânsiəlit, lânsiəleitid, lancetvormig; Lancer = lansier; Lancers = “quadrille des lanciers”.

Lancelot, lânsəlot.

Lancet, lansət, lancet; Lancet-arch = spitsboog; Lancet-fish = lancetdrager (visch); Lancet-window = Gothisch venster.

Lancinating, lansineitiŋ: Lancinating pain = scherpe, snijdende, vlijmende.

Land, land, subst. land, landstreek, grond, natie, landerijen; Land verb. landen, aan land brengen, lossen, ophalen: By land = te land; Land o’ Cakes = Schotland; Land of the leal = verblijf der zaligen; Land of Promise = Land der Belofte; To lay the land = het land uit het gezicht verliezen; To make the land = in het gezicht krijgen; To set the land = het land peilen; The cape shut in the land = door de kaap was het land niet te zien; To sight the land = in ’t gezicht krijgen; The land was looming = in de verte doemde land op; I want to see how the land lies = ik wil poolshoogte nemen; I landed him for ten pounds = kreeg van hem los; He lands himself in all kinds of difficulties = brengt zichzelf; I landed a splendid fish = haalde op; Land-agent = rentmeester; Land-bank = hypotheekbank (Amer.); By Land-carriage = per as; Land-crabs = landkrabben (ook fig.); Landfall = grondafschuiving; nadering of in het gezicht krijgen van het land, eerste land, dat men na een zeereis in ’t gezicht krijgt; Land-flood = overstrooming; Land-force = landmacht; Land-grabber = iemand die op onwettige wijze land in bezit neemt; iemand in Ierland, die land huurt, waaruit een ander met geweld gezet werd; Land-grave = landgraaf; Land-graviate, landgraafschap; Land-gravine = vrouw van een landgraaf; Land-holder = grondbezitter; Land-jobber = landerijenspeculant; Landlady = kostjuffrouw, waardin; Land-league = in 1879 gevormd en in 1881 door de regeering verboden bondgenootschap van huurders tegen de landeigenaren (Ierland); Land-leaguer = lid van de land-league; A land-locked bay = rondom door land ingesloten baai; Land-loper = vagebond; landrot (fig.); Landlord = huisbaas, waard; Landlordism = de maatregelen der landeigenaren (als één lichaam) tegenover hunne huurders; Land-lubber = landrot (fig.); Landman = landrot; pachter; Landmark = grenspaal, baken, gewichtig tijdpunt; Land-measuring = het landmeten; Landowner = grondbezitter; Land-rail = wachtelkoning, spriet; Land-rat = landrot; Land-rent = landrente; Land-reeve = onder-rentmeester; Land-roll(er) = zware rol, om aardkluiten te breken; Landscape = landschap; Landscape-gardening = de kunst van tuinen en parken aanleggen; Land-scrip = bewijs van landaankoop van den staat (Amer.); Land-shark = straatroover, uitzuiger, advocaat; Land-side = de platte zijde van den ploeg; Land-slide, Landslip = grondafschuiving, de afgeschoven grond; Landsman = landkrab, landrot (fig.); Land-steward = rentmeester; Land-surveying = landmeten; Land-surveyor = landmeter; Land-tax = grondbelasting; Land-warrant = Land-scrip; Landed: Landed estate (= Landed property) = grondbezit; The landed gentry = landadel; Landing = het aanlanden, landingsplaats, pier, werf, perron (Amer.); bordes: Landing-net = klein net om gehengelde visch aan land te krijgen; Landing-place = landingsplaats; Landing-surveyor = opziener over de; Landing-waiters = kommiezen, toezicht houdend bij het lossen van schepen; Landward = landwaarts.

Landau, landô, landauer; Landaulet, landôlet, kleine landauer.

Lane, lein, nauwe weg of pad tusschen heggen, struiken, etc., of twee rijen menschen door, vaargeul tusschen ijsvelden, nauwe straat, steeg: The Lane = Drury Lane = een schouwburg in Londen; It is a long lane that has no turning = aan alles komt een einde.

Langate, langit, rol verbandlinnen.

Langham, laŋəm; Langholm, laŋəm.

Langrage, laŋgridž, Langrel, laŋgr’l, kartetskogel.

Langsyne, laŋsain, lang geleden (Schotl.); vroegere tijd.

Language, laŋgwidž, taal, spraak, stijl: He used bad language = hij vloekte, etc; Language-master = taalonderwijzer.

Languid, laŋgwid, kwijnend, zwak, traag, langzaam; subst. Languidness; Languish, laŋgwiš, verb. kwijnen, versmachten, verslappen, achteruitgaan, kwijnend of teeder kijken, smachten naar; subst. Languishment; Languor, laŋg(w)ə, matheid, dofheid, slapheid, verlangen, zwoelte; Languorous = Languid.

Laniard, lanjəd = Lanyard.

Laniary, leinjəri, subst. hondstand; adj. verscheurend.

Lanigerous, lənidžərɐs, woldragend, wollig.

Lank, laŋk, adj. dun, schraal en lang, slap, los, sluik; subst. Lankness; adj. Lanky.

Lanner, lanə, worgvalk; Lanneret = het mannetje.

Lansquenet, lanskənet, lansknecht; kaartspel.

Lantern, lantən, subst. lantaren; Lantern verb. van lantarens voorzien, aan een lantaarn ophangen: Chinese lantern = lampion; Dark lantern = dievenlantaarn; Magic lantern = tooverlantaarn; Feast of lanterns = feest in China op den eersten van iedere maand; He was lynched and lanterned; Lantern-fly = lantaarndrager (insect); Lantern-jawed = met lang en mager gezicht; Lantern lecture = lezing met lichtbeelden; Lantern-wheel = lantaarnrad of schijfloop.

Lanyard, lanjəd, taliereep.

Laocoön, laokəon; Laodicean, leiədisîən, tot Laodicea, leiədisîə, (in Phrygië) behoorende; lauw in godsdienstige dingen.

Lap, lap, subst. pand (van een kleed), schoot, overstekende kant, voorsprong, vouw; polijstschijf; ronde (bij een wedstrijd); likken, oplikken, kabbelen; slappe drank; Lap verb. vouwen, omleggen, wikkelen, “lappen” (sportt.); (op)likken, kabbelen, bespoelen, polijsten: To make a lap = een schoot maken; Lapped in luxury = badend in weelde; Lap-dog = schoothondje; Lap-stone = klopsteen (van een schoenmaker); Lap-work = werk, waarbij hot eene gedeelte over het andere gelegd is; Lapful; Lapper = vouwer, polijster, likker, zuiper.

Lapel, ləpel, lapel (v. eene jas): A lapelled coat.

Lapidary, lapidəri, tot het steensnijden behoorend, in steen gesneden, steen - -; bondig; subst. steensnijder: Lapidary style = bondige.

Lapidate, lapideit, steenigen; Lapidation = steeniging; Lapidification = versteening; Lapidify = versteenen.

Lapillus, ləpiləs, mv. Lapilli, ləpilai, vulcanische slakkensteen.

Lapis, lapis, leipis, steen: Lapis infernalis = helsche steen; Lapis pumex = puimsteen.

Lapland(er), lapland(ə), Lapland(er), ook kortweg Lap(p); adj. Lappic = Lappish.

Lappet, lapət, slip, pand, loshangend deel van kapsel of muts: Cap lappet = oorlap (v. eene muts, etc.)

Lapsable, lapsəb’l, wat vervallen kan; Lapse, laps, subst. val, loop, verloop, fout, vergissing, plichtverzuim, afdwaling, afval; zondenval, vervallen; Lapse verb. vallen, glijden, glippen, voortglijden, verloopen, dwalen, den plicht verzuimen, afvallen, vervallen: That is a lapsed legacy = vervallen legaat; Lapsed proposals; Lapsus = vergissing, fout.

Laputa, ləpjûtə, adj. Laputan.

Lapwing, lapwiŋ, kievit.

Lar, lâ (Mv. Lares, lârîz), huisgod (bij de Romeinen).

Larboard, lâböd, labəd, bakboord (linkerzijde).

Larcener, lâsənə, Larcenist, lâsənist, dief; Larcenous, lâsənɐs, diefachtig; Larceny, lâsəni, diefstal: He was accused of a simple larceny = van eenvoudigen diefstal.

Larch, lâtš, lorkenboom.

Lard, lâd, subst. varkensreuzel; Lard verb. lardeeren, met vet bedruppelen, mengen; Lardaceous, lâdeišəs, spekkig = Lardy.

Larder, lâdə, provisiekamer (—kast), mondvoorraad.

Lardy-dardy, lâdi-dâdi, blasé, fatterig.

Large, lâdž, ruim, groot, breed, omvangrijk, overvloedig, veelomvattend, edel, pocherig: Large conscience = ruim; As large as life = levensgroot; To be in a large way (of business) = groote zaken doen; Christendom at large = in ’t algemeen; A convict at large = ontvlucht gevangene; A gentleman at large = die zijn eigen baas is; The public at large = het groote publiek; The prisoners were (set) at large = waren (werden) vrijgelaten; To talk at large = er maar op los; They are not tolerated at large = mogen zich niet vrijelijk buitenshuis bewegen; The ship went (sailed) large = zeilde voor den wind; Large-boned = pootig; Large-handed = hebzuchtig; overdreven mild, verkwistend; Large-hearted = grootmoedig; Large-minded person = met ruimen blik; grootmoedig; subst. Large-mindedness; Largen = groeien, vergrooten; Largeness = grootte, uitgestrektheid, grootheid.

Largess(e), lâdžəs, rijk geschenk, gave: To cry largess(e) = om een geschenk vragen (wat door den minstreel werd gedaan).

Larghetto, lâgetou, Largo, lâgou, langzaam (muz.).

Largish, lâdžiš, vrij groot.

Lariat, lariət, subst. pikettouw, lasso; Lariat verb. met een lariat vangen.

Lark, lâk, subst. leeuwerik, pretje, “lolletje”; Lark verb. leeuweriken vangen; pret maken, streken uithalen, voor den gek houden: A lark is better than a kite = iets is beter dan niets; I am up to a lark = heb wel zin in een lolletje; If the sky falls we shall catch larks (there will be catching of larks) = als de hemel valt hebben we allen eene blauwe slaapmuts op; Don’t make a lark of me = houd me niet voor den gek; Larkspur = ridderspoor; Larker = grappenmaker; Larkish = Larksome = Larky = van pret houdend, lustig.

Larrikin, larikin, subst. vagebond, ruwe klant; Larrikinism = herrie, baldadigheid (Australië).

Larrup, larəp, afranselen.

Larva, lâvə, larve of pop; Larval = tot eene larve behoorende; Larvate(d), lâvit(id), verpopt; Larviporous, lâvipərɐs, larven voortbrengend.

Laryngeal, lərindžiəl, larindžîəl, Laryngean, lərindžiən, larinžîən, strottenhoofd..; Laryngitis, larindžaitis, ontsteking van de larynx; Laryngoscope, ləriŋgəskoup, keelspiegel; Laryngoscopy = onderzoek met een keelspiegel; Larynx, lariŋks, luchtpijp, strottenhoofd.

Lascar, laskə, laskâ, Laskaar, Brit.-Ind. matroos op Europeesche schepen.

Lascelles, ləselz.

Lascivious, ləsivjəs, wulpsch; subst. Lasciviousness.

Lash, laš, subst. slag (dun eind) van een zweep, zwiepende slag, zweepslag, geeseling, sarcasme, schimprede; wimper; Lash verb. zweepen, slaan, geeselen, doorhalen, hekelen, schimpen, vastbinden; He is under the lash of his wife = onder de plak; The horse gave a sudden lash out = begon plotseling achteruit te slaan; To lash out = achteruit slaan; uit den band slaan (fig.); Lashing = sjorring (scheepst.); Lashings = massa’s.

Lass, las, lâs, meisje, deern; Lassie = jong meisje.

Lassell, ləsel.

Lassitude, lasitjûd, moeheid, matheid.

Lasso, lasou, subst. lasso; Lasso verb. met een lasso vangen.

Last, lâst, subst. last; leest; volharhardingsvermogen; adj. laatste, uiterste, geringste, jongstleden; Last verb. duren, uithouden; To put (set) (up)on the last = leest; Shoemaker, stick to your last = hou je bij je leest; At last = ten laatste, eindelijk; At long last = ten langen leste; At the last = op het einde, laatste oogenblik; He retained his wits to the last = tot het laatste toe; Last though not least = het laatste maar niet het minste; The last century = vorige; The last event = de dood; Of the last importance = van het grootste belang; To be on one’s last legs = ten einde raad zijn; The affair is on its last legs = bijna uit, over; Last night = gisteren avond; He was in the last straits = lag op het uiterste; The Last Supper = l. Avondmaal; He breathed his last = blies den laatsten adem uit; The last I saw of him = de laatste keer, dat ik hem zag; Shall I never hear the last of it? = houdt dat dan nooit op? It will last his time = zijn tijd duren; It would have lasted us out handsomely = we zouden er ruim genoeg aan gehad hebben; Lastage = lading, laadruimte, vracht; Lasting = volhardend, duurzaam; subst. volharding, duur; soort stof; That is to your lasting honour = strekt u eeuwig tot eer; Lastingness = duurzaamheid; Lastly = ten slotte.

Latch, latš, subst. klink; Latch verb. met de klink sluiten; Latch-key = huissleutel, lichter van de klink; For you the string of the latch is on the outside = gij zijt ten allen tijde welkom; The latch-string is out = de deur staat (voor iedereen) open.

Latchet, latšət, schoenriem.

Latching, latšiŋ, lijn waarmee de bonnet aan het gaffelzeil wordt verbonden.

Late, leit, laat, vergevorderd, wijlen, overleden, ex-late, pas gebeurd: The late Cabinet = het vorige ministerie; My late employer = mijn vroegere patroon; The late king = wijlen de koning; Mr. N. late of her Majesty’s service = eertijds in; You are five minutes late = vijf minuten ná uw tijd; The train is an hour late = te laat; Late in the day = (te) laat; Of late days (years) = in den laatsten tijd, onlangs; The late rains have spoiled the crops = de in den laatsten tijd gevallen regens; I have seen much of him of late = in den laatsten tijd; I saw him lately = onlangs; It did not happen until very lately = pas (onlangs); So lately as February = nog in F.; Lateness = laatheid; Later on in the day = later op den dag; What’s the latest? = wat is er voor nieuws?

Lateen, lətîn: Lateensail, driehoekig latijn- of emmerzeil; Lateenyard = de ra hiervoor (Middell. Zee).

Latency, leitənsi, verborgenheid; Latent, leit’nt, latent, verborgen: Their steps awaked the latent echoes in the house = de slapende echo’s; Latent heat = latente warmte.

Lateral, latər’l, zijdelingsch, zijde - -.

Lateran, latər’n, Het Lateraan, het aan de Johanneskerk grenzende paleis van den Paus: Lateran councils = de in de kerk van St. Jan van Lateraan gehouden synoden.

Lath, lâth, subst. lat; Lath verb, met latten bedekken of bespijkeren: He is as thin as a lath = zoo mager als een houtje; Lath-and-plaster = van bepleisterde latten; Lath-work; Lathy = (zoo) dun (als eene lat), van latten gemaakt.

Latham, leith’m.

Lathe, leidh, draaibank.

Lathee, latî, lange, met ijzer beslagen stok (Brit. Ind.).

Lather, ladhə, subst. zeepsop, schuim; Lather verb. inzeepen, schuimen, met schuim bedekken (bedekt worden), afranselen.

Laticostate, latikostit, met breede ribben.

Latidentate, latidentit, met breede tanden.

Latifoliate, latifouliit, Latifolious, latifouliəs, met breede bladeren.

Latimer, latimə.

Latin, latin, subst. Latijn, Romein, lid der R.K. kerk; adj. Latijnsch, Romeinsch: Latin Church = Roomsche Kerk; Latin cross = kruis (symbol); Latin races = Franschen, Spanjaarden en Italianen; Latin union = muntconventie tusschen Frankrijk, België, Italië, Zwitserland en Griekenland; Latinism = Latinisme; Latinist = Latinist; Latinity = zuiver Latijnsch idioom, gelatiniseerde Engelsche uitdrukking; Latinization = verlatijnsching; Latinize = Latijnsche vormen of uitgangen geven, Latijnsche woorden en spreekwijzen gebruiken; aan den Pauselijken Stoel onderwerpen.

Latitude, latitjûd, breedte, breedtegraad, hemelstreek, ruimte, omvang, onbepaaldheid, onnauwkeurigheid, vrijheid, speelruimte, ruimte van opvatting, afwijking; Latitudinal, latitjûdin’l, breedte..; Latitudinarian, latitjûdinêriən, onbeperkt, vrij, vrijzinnig, verdraagzaam; subst. vrijzinnige; Latitudinarianism, latitjûdinêriənizm = vrijzinnigheid.

Latrine, lətrîn, privaat.

Latten, lat’n, subst. messing: ook adj.; Latten-brass = messingblik; Latten-wire.

Latter, latə, laatste (van twee), nieuw, pas gebeurd: Latter end = slot, stervensuur; achterste; In his latter years = lateren tijd; Latter-day Saints = geestdrijvers uit Cromwell’s tijd, die zich alléén onderdanen van Jezus noemden, en eene vijfde groote monarchie (na die van Assyrië, Perzië, Griekenland en Rome) onder Jezus verwachtten; de Mormonen; The latter-day lights of London = de Londensche sterren (op tooneel- en ander gebied) van den laatsten tijd; Lattermath = nagras, etgroen; Latterly = onlangs, in den laatsten tijd.

Lattice, latis, subst. open lat- of traliewerk; Lattice verb. van traliewerk voorzien; Lattice-pew = kerkbank met traliewerk; Lattice-window; Lattice-work.

Laud, lôd, subst. lof, loflied, hymne; Lauds = de Lauden, het tweede der kerkelijke getijden; Laud verb. lofzingen, prijzen; Laudable = lofwaardig, prijzenswaardig; gezond; subst. Laudableness; Laudation, lôdeiš’n, lof; Laudatory, lôdətəri, lovend, prijzend; Laudatories = lofrede.

Laudanum, lôdənɐm, lodənɐm, laudanum.

Laugh, lâf, subst. lach, gelach; Laugh verb. lachen: Till you have had your laugh out = tot je uitgelachen bent; Those laugh best, who laugh last = wie ’t laatst lacht, lacht het best; He laughed his consent = gaf lachend zijn toestemming; He laughed at me = lachte mij uit; He laughed outright in (to) my face = lachte mij royaal in het gezicht uit; He laughed in his sleeve = in zijn vuistje; He laughed on the wrong side of his mouth (face), ook: He laughed on the other side (corner) of his mouth = lachte als een boer, die kiespijn heeft; To laugh one out of = iemand ergens van afbrengen, door het bespottelijk te maken; He laughed my proposal to scorn = hij versmaadde mijn voorstel: Laugh-and-lie-down = een soort kaartspel; Laughable = lachwekkend, belachelijk; subst. Laughableness; Laugher = lacher, lachduif; Laughing: It is no laughing matter = ’t is geen gekheid; Laughing-gas = lachgas; Laughing-stock = voorwerp v. bespotting, mikpunt van spotternij; Laughter = gelach: To break out into fits of laughter = in lachen uitbarsten; I could not contain my laughter = mijn lachen niet houden; To shake with laughter; She looked at me with laughter-brimming eyes = met stralende oogen.

Launce, lâns, lans; zand-aal.

Launcelot, lansəlot; Launceston, lâns-t’n.

Launch, lônš, lânš, subst. het van stapel (laten) loopen; barkas, motorboot: Electric (Steam-)launch = motorboot (stoombarkas); Launch verb. slingeren, werpen, doorboren, van stapel (laten) loopen, vooruitschieten, in zee steken, uitweiden over, iets nieuws beginnen; I’m launching out a bit = neem het er eens van; I was launched upon (into) the world when quite young = de wereld ingezonden; We launchd a boat = streken; The ship was launched = werd te water gelaten; He launched an ultimatum = zond een ultimatum.

Launder, lôndə, lândə, waschtrog voor erts; Laundress, lôndrəs, lândrəs, waschvrouw; vrouw, die de in de Inns of Court op kamers wonende heeren bedient; Laundry, lôndri, lândri, waschhuis; Laundry-maid = waschmeisje.

Laura, lôrə, Laura; soort monnikendorp onder ’t opzicht van een Overste.

Laureate, lôri-it, gelauwerd; gelauwerde; Laureate verb. (lôrieit) lauweren: Poet Laureate = Eng. hofdichter; Laureateship = ambt van hofdichter.

Laurel, lôr’l, lor’l, laurier, lauwerkrans: You may sleep on your laurels = op je lauweren rusten; To win laurels.

Laurence, lôr’ns.

Lauwine, lôwin, lawine.

Lava, lâvə, lava.

Lavation, ləveiš’n, wassching, reiniging; Lavatory, lavətəri, wasschend, wasch - -; subst. waschvertrek, wassching, toiletkamer, retirade: Ladies’ (Men’s) lavatory = toilet; Lavatory carriages = rijtuigen met retirade.

Lavender, lav’ndə, subst. lavendel; adj. zacht lila: To lay (up) in lavender = in lavendel leggen; zorgvuldig bewaren, met lavendel parfumeeren; in de gevangenis werpen, naar den lommerd brengen.

Laver, leivə, eetbaar zeewier; waschbekken.

Laverock, lavərək, leeuwerik.

Lavic, lâvik, lava-achtig, lava - - -.

Lavish, laviš, adj. verkwistend, kwistig; Lavish verb. verkwisten, verspillen: He lavished his bounties on all around him = gaf kwistig aan; To lavish oneself on = zich verslingeren aan; Lavisher = verkwister; subst. Lavishness.

Law, lô, subst. wet, recht, proces, rechtswetenschap, voorsprong (jachtterm), tijd, speelruimte: The Rejoicing of the Law = Vreugde der Wet: The Scrolls of the law = wetsrollen; He is a student in law = studeert in de rechten; To be at law = in proces liggen; The fox was given a law = liet men een voorsprong nemen; To go to law = gaan procedeeren; I will have the law of you = zal je vervolgen; To take the law into one’s own hands = zich zelf recht verschaffen; You must not sin against the laws of honour = niet zondigen tegen; Law of exchanges = wisselrecht; Law of insurance against sickness and accident = ongevallenwet; Laws of nations = volkenrecht; Law-abiding = ordelievend; Law-binding = lichtgeel leeren band; Lawbook = wetboek; Law-breaker = wettenschender; Law-court = gerechtshof; Lawgiver = wetgever; Law-latin = advokatenlatijn; Law-lord = een Peer, die een hoog rechterlijk ambt bekleedt; Lawmaker = wetgever; Law-merchant = handelsrecht; Law-monger = beunhaas; Law-officer = dienaar der wet; Law-stationer = verkooper van schrijfbenood. voor gerechtsh. etc.; copiïst van gerechtelijke acten en documenten; Lawsuit = proces, rechtsgeding; Law-writer = copiïst van acten; juridisch auteur; Lawful = wettig, rechtmatig; subst. Lawfulness; Lawless = wetteloos, onwettig, woest, losbandig; subst. Lawlessness; Lawyer = wet- of rechtsgeleerde, advocaat; schriftgeleerde; stok: A Penang lawyer weighted with lead; Sea lawyer = een matroos, die den mond vol heeft over alles wat hij niet verplicht is te doen.

Law(s), lô(z), goeie genade (verbastering van Lord).

Lawn, lôn, grasveld; fijn kamerdoek, batist; Lawn-mower = tuinmaaimachine; Lawn-sleeves = batisten mouwen der bisschoppen; bisschoppen (iron.); Lawn-tennis = een raketspel; Lawny = van batist, doorzichtig.

Lax, laks, los, slap, laks, slordig, loslijvig; Laxative, laksətiv, laxeerend; laxeermiddel; Laxity = losheid, laksheid, slordigheid: Lax of the bowels = loslijvigheid.

Lay, lei, imp. van to lie = liggen.

Lay, lei, subst. lied, ballade; richting, ligging, bocht; winstaandeel (Amer.), werk; adj. leeken ...; Lay verb. leggen, dekken, neerwerpen, neertrappen, lesschen, doen liggen, stillen, doen bedaren, bannen, uitspreiden, beleggen, aanleggen, aangaan, richten, enz.: They were on the same lay as myself = hadden hetzelfde plan; Anything on the lay here? = iets aan de hand? Lay-by = ligplaats; Lay-days = (toegestane) ladings- en lossingsdagen; Lay-brother = leekebroeder; Lay-clerk = leek, die de “responses” leest in de kerk, of in colleges; Lay-down = dutje; Lay-down collar = liggende boord; Lay-elder = ouderling (in de Presbyteriaansche kerk); Lay-figure = ledepop; Layman = leek, oningewijde; ledepop; Lay-out = aanleg, uitrusting; They laid the guilt at my door = schoven op mij; To lay by the heels = inrekenen; That was laid to my charge = mij ten laste gelegd; To lay to heart = ter harte nemen; To lay breakfast = klaar zetten voor (dekken); To lay a cable; To lay the cloth = dekken; The rain has laid the dust = het stof neergeslagen; To lay a ghost = een spook voorgoed doen verdwijnen, bezweren; I cannot lay my hand upon it = niet vinden; He laid hands upon himself = sloeg de hand aan zich zelf; They laid their heads together = staken de koppen bij elkaar; To lay hold of = vastgrijpen, aanpakken; To lay a plot against = samenspannen; To lay siege to = het beleg slaan voor; To lay the table = dekken; To lay a wager = een weddingschap aangaan; He was laid low = hij (stierf en) werd begraven; They laid themselves open to chaffing = lokten het uit, om hen voor den gek te houden; To lay waste = verwoesten; He laid about him with his cudgel = sloeg om zich heen met; To lay aside = ter zij leggen, opsparen; He laid his work before the public = maakte zijn werk publiek; To lay by = ter zij leggen, bewaren; I would lay down my life for him = zou willen geven; To lay down the law to = de wet stellen; To lay down a plan = opmaken; To lay down reasons = aanvoeren; To lay down as a rule = vaststellen; To lay down the keel of a ship = de kiel leggen, op stapel zetten; To lay in = verzamelen, vergaren; Lay on = sla toe; To lay on gas, water to a house = gas- of waterleiding aanleggen; To lay on dogs = op ’t spoor brengen; To lay the blame on = de schuld geven; You lay it on rather thick = gij overdrijft niet weinig, gij werkt met sterke kleuren; To lay out a garden = aanleggen; The expedition was laid out = op touw gezet, voorbereid; I have laid out my pocket-money in a watch = heb voor mijn zakgeld gekocht; They laid out the corpse = legden af; He laid himself out to turn a penny = beulde zich af, spande zich in om; It was laid over with rust = geheel bedekt; The ship was laid to = bijgelegd; To lay to heart = ter harte nemen; I hope you will lay it to old age = toeschrijven aan; To lay under water = onder water zetten; To lay a person under an obligation = aan zich verplichten; He was laid up with the rheumatism = lag te bed met; To lay up = bijleggen, voor anker gaan liggen, rust nemen, opsparen, opleggen (scheepst.); Layer, lêə, laag, bed, aflegger of loot; richter, leghen, bookmaker; Layer verb. stekken; gaan liggen; Layer-out = lijkbezorger, aflegger; Layer-up = verzamelaar; Laying = het leggen, de gelegde eieren, oesterbank: A hen past laying = die niet meer legt; The laying on of hands = (kerkelijke) bevestiging door handoplegging.

Layard, leiəd.

Lazar, leizə, melaatsche; Lazaret(to) = pesthuis, hospitaalschip, quarantaine-plaats; bergplaats voor provisie op schepen; Lazarus, lazərɐs.

Laze, leiz, lummelen.

Laziness, leizinəs, subst. v. Lazy, leizi, lui, vadsig: A lazy morning = morgen om niets te doen; He is a lazy-body (-bones, -boots) = luiwammes; Lazy-tongs = een soort tang, die saamgedrukt zich verlengt.

Lazzaroni, lazərouni.

Lea, lî, vlakte, weide, landouw; adj. braak.

Leach, lîtš, subst. loog, loogvat; Leach verb. uitloogen; Leach-tub = loogvat.

Lead, led, subst. lood, metaalplaatje tot het scheiden der regels bij het drukken; plat, met lood bedekt dak (steeds meervoud); plombe (zegellood), peillood, potlood; adj. looden; Lead verb. met lood bedekken of bekleeden, plombeeren, door metaalplaatjes afscheiden: White lead = loodwit; My room is under the leads = het met lood bedekte dak; A widely leaded volume = boek met veel wit op de bladzijden; Lead-ash(es) = loodasch; Lead-colic = loodkoliek; Lead-foil = bladtin; Lead-glance = loodglans; Lead-line = loodlijn; Lead-pencil = potlood; Lead-poisoning = loodvergiftiging; Leadsman = matroos die het peillood ophaalt; Leadworks = loodhut; Leaded = in lood gevat, ook = separated by leads (= ver uiteen gezet); Leaden = van lood, loodkleurig, loom, dom, dof: Leaden pills = “blauwe boonen”, geweerkogels.

Lead, lîd, subst. voorgang, leiding, voorhand, eerste plaats, hoofdrol; Lead verb. leiden, vooropgaan, den weg wijzen, de leiding hebben, aanvoeren, aan het hoofd staan, dirigeeren, eerste stem of viool spelen, uitspelen, eerst spelen, enz.: They would not follow that statesman’s lead = hem niet als leider volgen; He is now playing lead at the Savoy = hij speelt nu de hoofdrollen in het S.-theater; To take the lead = de leiding nemen, de eerste viool spelen; He led me to expect it = spiegelde me voor; I was led to regard him as a noble fellow = men hield mij altijd voor, dat....; He led my sister to the altar = voerde; You have led us a pretty dance = heel wat last op den hals gehaald; He leads them a dog’s (a pretty sort of) life = zij hebben een hondenleven bij hem; Will you lead the way? = voorop gaan? To lead along = (voort)leiden; To lead astray = op een dwaalspoor of den verkeerden weg (fig.) leiden; To lead away = wegleiden; The manager will lead off with Hamlet = zal het seizoen openen met; He leads off with some good verses in that periodical = begint het nummer met; I led off on that subject = bracht het gesprek erop; The girl led him on = hield hem aan ’t lijntje; She led the conversation round to her son = bracht het gesprek op; This measure led up to success = leidde tot; Leader, subst. (ge)leider, gids, chef, aanvoerder, orkestmeester, eerste viool, voorste paard, hoofdartikel: I stood at the leader’s head, and my groom at the wheeler’s = bij het voorste paard; Leader-writer = schrijver van hoofdartikels; Leaderette, klein hoofdartikel; Leadership; Leading article = hoofdartikel; Leading counsel = voornaamste advocaat in een proces; Leading fashion = heerschende mode; Leading lady = de actrice voor hoofdrollen; Leading part = hoofdrol; Leading question = een vraag waarbij men ’t antwoord als ’t ware in den mond legt (Jur.); He is dangling at his wife’s Leading-strings = loopt aan den leiband van; He is in leading-strings = is de marionet van anderen; Leading word = slagwoord; Men of leading = toonaangevers, leiders.

Leaf, lîf, subst. blad, vizierklep, helft van eene porte-brisée; Leaf verb. bladeren krijgen: The fall of the leaf = de herfst; To burst into leaf = bladeren krijgen; He took a leaf out of my book = hij heeft mij nagevolgd; Don’t turn down the leaf = maak geen ezelsooren; You will have to turn over a new leaf = zult een ander leven moeten beginnen, u moeten beteren; The examples were given overleaf = op de andere pagina; Leaf-bridge = soort van ophaalbrug; Leaf-bud = bladknop; Leaf-fall = het vallen der bladeren; Leaf-gold = bladgoud; Leaf-green = bladgroen; Leaf-lard = bladreuzel van varkens niervet; Leaf-louse = bladluis; Leaf-metal = klatergoud; Leaf-mould = verrotte bladeren als mest; Leaf-silver = bladzilver; Leaf-table = klaptafel; Leafage = loof; Leafed = bebladerd; Leafiness; Leafless = bladerloos; subst. Leaflessness; Leaflet = klein blad, tractaatje, blaadje; Leafy = bebladerd.

League, lîg, subst. verbond, verdrag, verbintenis; mijl; League verb. zich verbinden, een verbond aangaan; Leaguer = bondgenoot; legerplaats, belegering; Leaguer verb. belegeren.

Leak, lîk, subst. lek; Leak verb. lek zijn; lekken, doorlaten: To spring a leak = een lek krijgen; Nothing has leaked out yet = er is nog niets uitgelekt; Leakage = lekkage, verlies, vermindering; Leakiness = lek zijn; Leaky = lek; praatziek, babbelzuchtig.

Leal, lîl, trouw, loyaal.

Leamington, lemiŋt’n.

Lean, lîn, mager, dun, schraal, onvruchtbaar, onbeteekenend; subst. mager vleesch; Lean-faced = met mager gezicht; Lean-witted = flauw, afgezaagd; Leanness = magerheid.

Lean, lîn, leunen, scheef staan, overhangen, neigen (ook fig.); subst. schuine stand: On the lean = scheef; All his faults lean to the side of virtue = hij heeft de gebreken van zijne deugden; Leaning = scheef; subst. overhelling, neiging; Lean-to, adj. leunend tegen of gesteund door: A lean-to (building) = gebouw, waarvan de balken weer op een ander gebouw steunen, aanbouw.

Leap, lîp, subst. sprong, sprongwijdte; Leap verb. springen, springen over, opspringen, dekken, laten springen: A leap in the dark = sprong in het duister; The consumption of Lemon Squash went up by leaps and bounds = nam kolossaal toe (eig. met groote sprongen); He leaps the most difficult passages = springt heen over; Can you leap this wall = over dien muur springen? He leaped in the saddle = hij sprong in het zadel; His heart is ready to leap into his mouth = hij is buiten zichzelve van vreugde; I’m ready to leap out of my skin = dat is om uit je vel te springen; Leap-frog = haasjeover; springkikker; Leap-year = schrikkeljaar; Leaper = springer, springpaard; Leaping-pole = polsstok.

Leapt, lept, P. Imp. en P.P. v. to leap.

Learn, lɐ̂n, leeren, vernemen: I will learn it by heart = van buiten leeren; He would not learn by the lessons of experience = niet van de ondervinding leeren; He is learned in that matter = knap in; He will never learn wit = hij wordt nooit wijzer; A fool may learn a wise man wit = een wijze kan van een dwaas nog leeren; Learned = geleerd, ervaren; Learner = leerling, scholier, beginneling; Learning = geleerdheid, wetenschap.

Learnt, lɐ̂nt, P. Imp. en P.P. v. to learn.

Leasable, lîsəb’l, verhuur-, of verpachtbaar; Lease, lîs, subst. verhuring, verpachting, pacht, huur, pacht-, of huurcontract, pacht-, of huurtijd, duur; Lease verb. (ver)huren, (ver)pachten: Building leases = bouwpachtrechten; His lease of life = levensduur; We hold this house on a twenty years’ lease = wij hebben 20 jaar huur aan dit huis; To let by (out on) lease = verhuren, verpachten; To take on lease = huren, pachten; You have taken a new lease of your life = je hebt weer ingehuurd (kunt weer een tijdje mee); Leasehold, subst. pachthoeve; adj. gepacht; Leaseholder = pachter.

Lease, lîz, weide, meente; Lease verb. lezen (van aren).

Leash, lîš, subst. koppel, leeren riem, drietal (bij jacht), band; Leash verb. aan een koppel leiden, koppelen.

Least, lîst, minst, geringst, kleinst: At least = ten minste; At (the) least = op zijn minst; Not in the least = hoegenaamd niet; Least of all = in ’t allerminst; Least said soonest mended = hoe minder er van gezegd hoe beter; Leastways (wise) = minstens, ten minste.

Leat, lît, molenvliet; kruising van wegen.

Leather, ledhə, subst. leer of leder, huid, (voet)bal; ook adj.; Leather verb. met leer bekleeden; er op los slaan, ranselen: Nothing like leather = niets gaat boven mijn waar (boven wat ik aanprijs); To ride hell-for-leather = spoorslags; To lose the leather = zich doorrijden of loopen; Leathers = leeren broek (slobkousen); She may leather away till Christmas = er op ranselen zoo lang als ze wil; The drum was leathering away to his heart’s content = sloeg er naar hartelust op los; Leather-apron = schootsvel; Leather-belt = drijfriem; Leather-coat = goudrenet; Leather-dresser = leerbereider; Leather-merchant = leerkoopman; Leatherette = imitatieleer; Leathern = lederen, taai; Leathery = leerachtig, taai: Leathery toast.

Leave, lîv, subst. verlof, vrijheid, afscheid, vaarwel; Leave verb. nalaten, verlaten, overlaten, heengaan, ophouden: By your leave = met uw verlof; To ask leave = verlof vragen; I beg leave to inform you = heb de eer u te berichten; To give leave = verlof geven; I have my leave for the evening = den heelen avond vrij; To take French leave = met de Noorderzon vertrekken; You may accept my offer or leave it = aannemen of afslaan; He left here to-day = vertrok van hier; They left the fortress on their left side = lieten liggen; It (He) was left to look after it (himself) = aan zich zelf overgelaten; There are three bottles left = over; They left the Boers alone = bemoeiden zich niet met; Leave well alone = het betere is de vijand van het goede; Leave him alone = laat hem met rust, laat hem maar loopen; Leave go my hand = laat los; This blow made him leave go of me = maakte, dat hij mij los liet; To leave open = onbeslist laten; To leave about = laten slingeren; Will you leave off teasing him = uitscheiden hem te plagen; They left off wearing their overcoats = droegen hunne overjas niet langer; She left off her weeds = ging uit den rouw; Left on hand = overgebleven; They tried to leave me out = mij te negeeren, er buiten te laten, enz.; To leave over = overlaten; Leave-taking = het afscheidnemen; Leaving: Leavings = overblijfsel, afval, droesem; Leaving-age = leeftijd waarop de kinderen de school verlaten; Leaving-certificate = einddiploma; Leaving-shop = stille lommerd.

Leaved, lîvd, bebladerd, met bladen of vleugels.

Leaven, lev’n, subst. zuurdeeg, zuurdeesem (ook fig.); Leaven verb. doen rijzen; be-invloeden, besmetten: To purge out the old leaven.

Lebanon, lebənən.

Lecher, letšə, lichtmis; Lecher verb. hoereeren; Lecherous = wellustig; Lechery = wellust, ontucht.

Lectern, lektən, koorlessenaar, voorzangerslessenaar, lezenaar.

Lection, lekš’n, voorgelezen kapittel; lezing; Lectionary = verzameling v. stukken uit de H. S. om in de godsdienstoef. te lezen.

Lector, lektə, lector, voorlezer; Lectorship.

Lecture, lektjə, subst. lezing, verhandeling, redevoering, berisping; Lecture verb. college geven, eene lezing houden, de les lezen, onderhanden nemen: To deliver (To give) a lecture = een lezing houden; Lecturer = lector, docent, hulpprediker: A University lecturer in history; Lectureship; Lecturess = lectrice.

Led, led, imperf. en part. perf. van to lead; Led captain = klaplooper; Led-horse = pakpaard.

Ledge, ledž, plank, richel, rug, laag, rand, uitstekende kant.

Ledger, ledžə, grootboek; dorpel, dwarsbalk; Ledger-bait = vastliggend aas; Ledger-line = hulplijn (muziek).

Lee, lî, lijzijde, luwe zijde: Under the lee = onder de lij; Lee-board = zwaard (scheepst.); The ship carries lee-helm = is lijgierig; Lee-lurch = hevig rollen naar lij bij hooge zee; Lee-shore = de kust aan lijzijde; Lee-side = lijzijde; Lee-tide = getij naar lijzijde; Lee-way: To make lee-way = vallen (scheepst.); To make up for lee-way = het verzuimde inhalen; Leeward = lijwaarts, naar lij: Leeward Islands = de kleine Antillen.

Leech, lîtš, subst. bloedzuiger, dokter; lijk (v. een zeil); Leech verb. bloedzuigers aanleggen, genezen; Leechcraft = geneeskunde.

Lee-Enfield, lî-enfîld, het Eng. inf. geweer.

Leek, lîk, knoflook, prei: He had to eat (the) leek = hij moest zijne beleedigende woorden terugnemen.

Leer, lîə, subst. jaloersche, verliefde of booze blik; Leer verb. schuin, jaloersch, verliefd of boos kijken, gluren, lokken; Leery = geslepen.

Lees, lîz, droesem, grondsop.

Leetle, lît’l = Little.

Left, left, imperf. en part. perf. van to leave: Left-off = afgedragen.

Left, left, subst. linkerkant, oppositie (in het House of Commons); ook adj.: On the left = links; To the left = naar links; Left about! = linksom! Nobody can put in her left more neatly than she = niemand kan fijner bedekt hatelijk zijn dan zij is; Each gentleman pointed with his right thumb over his left shoulder; this action is called “over the left”, and expresses light and playful sarcasm; Left-hand = linkerzijde; Left-handed = linker, linksch, boosaardig; Left-handed marriage = morganatisch huwelijk; subst. Left-handedness; Left-hander = linksch persoon; vuistslag of worp met de linkerhand; onverwachte slag.

Leg, leg, been, beenbedekking, schenkel, poot; gauwdief; Leg verb. beenen maken (it); He is on his last legs = hij loopt op zijne laatste beenen, is aan den rand des ondergangs; Such a man generally falls on his legs = komt altijd “op zijne pootjes terecht”; To get on one’s legs = opstaan; To get on one’s hind legs = op zijn achterste pooten gaan staan (ook fig.); To give a leg (up) = helpen, een zetje geven; To give (free play to one’s) legs = zich uit de voeten maken; A man’s memory goes before his legs = men verliest zijn geheugen sneller dan het gebruik zijner beenen; The ball has not legs enough = geene kracht genoeg (bilj.); He has not a leg to stand on = hij kan zich niet verontschuldigen; To kick up one’s legs = een kuitenflikker slaan, kromme sprongen maken; He put his best leg foremost = zette zijn beste beentje vóór; At that expression the minister sprang to his legs, and made a sarcastic speech; he was on his legs for more than an hour = sprong op - - en sprak; He stands on his own legs = op eigen beenen; We were literally taken off our legs by the blast = feitelijk opgetild door den storm; To give leg-bail = zich uit de voeten maken; Leg-rest = bankje; Legged: Man is a two legged animal = tweevoetig dier; Legging = beenbekleeding, slobkous, meest; Leggings; Leggy = langbeenig: Leggy days = de tijd der balletten; Legless.

Legacy, legəsi, legaat, erfmaking; Legacy-duty = successierecht; Legacy-hunter = erfenisjager.

Legal, lîg’l, wettig, wettelijk: Legal fare = tarief; Legal tender = betaling in rijksmunt; There were several legal types in the court = rechtsgeleerden; Legalism = wettelijkheid; Legalist = iemand, die zich aan de letter van de wet houdt; Legality, ligaliti, wettigheid; Legalization = legalisatie; Legalize = wettigen, legaliseeren: Legalized rates = taxe.

Legate, legit, gezant: Papal legate = pauselijk legaat; Legateship.

Legatee, legətî, legataris; Legatine, legət(a)in, tot een legaat behoorende.

Legation, ligeiš’n, gezantschap, ambassade.

Legator, ligeitə, legətö, erflater.

Legend, ledž’nd, lîdž’nd, legende, overlevering, fabel, opschrift, randschrift (van munt of medaille): The legend ran = het praatje liep; Legendary = legendarisch: Legendary lore = Legendary tales = volksoverleveringen, sprookjes.

Leger (St.), s’ntledžə, silindžə: St. Leger races = wedrennen op Doncaster-town-moor.

Legerdemain, ledžədəmein, handhabiliteit, vingervaardigheid, goochelarij.

Legh, li, Leghorn, ləgön, leghön, leghön, Livorno; Italiaansch stroo, hoed daarvan gemaakt.

Legibility, ledžibiliti, subst. v. Legible, ledžib’l, leesbaar; subst. Legibleness.

Legion, lîdž’n, legioen (2000–6000 man bij de Romeinen), krijgsmacht, legio: Their number (name) is legion = getal is legio; Order of the Legion of honour = Legioen van Eer; Legionary, subst. soldaat van een legioen; adj. van een legioen, uit legioenen bestaande, zéér talrijk.

Legislate, ledžisleit, wetten maken; door wetgeving bewerken (Amer.); Legislation = wetgeving; Legislative = wetgevend; Legislator = wetgever; Legislature = wetgevende macht.

Legitimacy, lədžitiməsi, wettigheid, echtheid, juistheid; Legitimate, lədžitimit, adj. wettig, echt, juist, natuurlijk; subst. wettig kind; wettig vorst; Legitimate verb. lədžitimeit, wettigen, voor wettig of echt erkennen; Legitimation = wettig- of echtverklaring; Legitimist = legitimist, aanhanger van de partij der Bourbons; Legitimize = wettigen, voor echt verklaren.

Legume, legjum, ləgjûm; Legumen, legjûm’n, peulvrucht; Leguminose, Leguminous = peulvruchten dragend of betreffend.

Lehigh, lîhai; Leicester, les-tə: Lehighshire, lestəšə; Leigh, lî; Leighlin, lîlin, leklin; Leighton, leit’n; Leila, lîlə; Leinster, lînstə, lenstə; Leipsic, laipsik.

Leisure, ležə, lîžə, subst. ledige tijd, geschikte gelegenheid; adj. niet bezet, vrij: To-morrow I shall be at leisure = ben ik vrij, onbezet; To attend, stay (upon) a person’s leisure = wachten tot iemand tijd heeft; Leisured classes = niets doende (rijke) stand; Leisure hour = vrij uurtje; It was his most leisure month = gemakkelijkste; Leisurely = op z’n dooie gemak, langzaam.

Leith, lîth; Leland, lîlənd, lelənd; Lely, lîli; Leman, lîm’n; Zie Lake.

Lem(m)ing, lemiŋ, lemming.

Lemnian, lemniən, van Lemnos.

Lemon, lem’n, subst. limoen, citroen(boom); adj. geel: In her thin invalid tone with a squeeze of lemon in it = iets zuurs, vinnigs; Lemon-drop = zuurtje; Lemon-juice = citroensap; Lemon-peel = citroenschil; Lemon-squash = (spuit)water met citroensap (en ijs); Lemon-squeezer = citroenpers; Lemonade, leməneid, limonade; Lemony = citroenachtig.

Lemuel, lemjuəl.

Lemur, lîmə, vosaap (maki).

Lemures, lemjərîz, geesten d. afgestorvenen.

Lena, lînə, persoonsnaam (leinə, riviernaam).

Lend, lend, leenen, borgen, verleenen; zich leenen tot, passen voor: Lend a hand there = help daar eens een handje; Lend thine ear = leen; Lender = leener, geldschieter; Lending library.

Length, leŋth, lengte, duur, grootte, ± 42 regels van eene uitgeschreven rol (theatre): He was nibbling a short length of straw = een kort eindje; A length of string = een eindje touw; This length = tot hier toe; At length = eindelijk; At great length = uitvoerig; The tiger was lying at full length = lag in zijne volle lengte; At full length = levensgroot; Ten feet in length = lang; He was unrivalled in the length and breadth of his trade = in alles wat zijn vak betrof; This sum will carry us a great length = een heel eind brengen; I have gone the utmost length = zoover ik maar kon; The pamphlet goes at length into this question = behandelt uitvoerig; He went the length of saying = hij ging zóóver, dat hij zeide; He went all lengths with the ministry = ging door dik en dun; I cannot go that length with you = dat kan ik niet allemaal toegeven; To have the length of a person’s foot = weten wat hij waard is; The train was stopped (halted) at its own length = de trein bleef staan op eigen lengte; The horse won by the length of a neck = met één halslengte; Lengthen = verlengen; langer worden; Lengthen it out a little = rek het nog wat; Lengthiness = lengte, gerektheid; Lengthways = Lengthwise = in de lengte; Lengthy = lang; gerekt, wijdloopig, vervelend.

Lenience, lînj’ns, Leniency, subst. v. Lenient, lînj’nt, toegevend, genadig, zacht; Lenitive, lenitiv, subst. en adj. verzachtend (geneesmiddel): Lenitive of pain = pijnstillend middel; Lenity, leniti, zachtheid, goedaardigheid.

Lennox, Lenox, lenəks.

Lens, lenz, lens: Burning lens = brandglas; Crystalline lens = ooglens.

Lent, lent, imperf. en part. perf. van to lend.

Lent, lent, vastentijd v. 40 dagen, beginnende op Asch-Woensdag; Lenten = tot Lent behoorende; schraal, mager: We received a lenten entertainment = schraal onthaal.

Lenticular, lentikjulə, Lentiform = lensvormig.

Lentiginous, lentidžinɐs, met sproeten; Lentigo, lentaigou, levervlek, zomersproet.

Lentil, lentil, linze.

Leo, lîou, leeuw, de “Leeuw” (in den Dierenriem).

Leominster, lemstə; Leonard, lenəd; Leonardo, liənâdou; Leonato, liənâtou; Leonides, lionidîz.

Leonine, lîən(a)in, leeuwachtig, leeuwen: Leonine verse = Leonisch vers.

Leonora, liənôrə; Leontes, liontîz.

Leopard, lepəd, luipaard; Leopardess.

Leopold, lîəpould.

Leper, lepə, melaatsche; Leper-house = leprozenhuis.

Lepidus, lepidɐs.

Lepra, leprə, lepra; Leprose = schubbig, korstig; Leprosy = melaatschheid; Leprous = melaatsch; subst. Leprousness.

Lepus, lîpəs, het geslacht der hazen.

Lerwick, lerik; Leslie, lezli.

Lese-majesty. Zie Leze.

Lesion, lîž’n, verwonding, ziekelijke verandering; benadeeling.

Less, les, minder, kleiner: Five less three = 5 - 3; Lessen = verminderen, afnemen, verkleinen; Lesser = kleiner, minder: Lesser Asia = Klein Azië; The Lesser Prophets = de Kleine Profeten.

Lessee, lesî, huurder, pachter.

Lesson, les’n, subst. les, lesuur, onderwijs, oefening, bijbeltekst, voorschrift; Animal, language, plant lessons; Object lessons = aanschouwingsonderwijs; To give a person his lesson = iemand de les lezen; To read the lessons = de voor dien dag bestemde bijbelteksten lezen; He does little lessons with me = krijgt wat les van mij; He took the lesson to heart = heeft de les ter harte genomen; Lesson-books = leerboeken.

Lest, lest, opdat niet, uit vrees dat: Take care lest you fall = pas op, dat ge niet valt.

Let, let, subst. verhindering, beletsel; het nemen van plaatsen (voor concert of komedie); Let verb. laten, toestaan; verhuren, verpachten; verhuurd of verpacht worden; verhinderen, beperken: Without let or hindrance = onbelemmerd; The let was immense = er werden kolossaal veel plaatsen genomen; I was sore(ly) let and hindered by this decree; To (be) let blood = aderlaten; A house to let = te huur; Let alone = om niet te spreken van; Let him alone = laat hem maar loopen; laat hem met rust; Let well alone (Zie Leave); To let loose = loslaten; Let be = houd op, laat af; Let be School = de “Laisser-faire” school; Let that penholder be = laat liggen; Let drive (fly) = laat maar schieten (los); He let drive (fly) at me = sloeg met alle kracht; Let go = loslaten; He let go (his hold) of the rope = liet het touw lus; Guard against letting go = voor het “laisser faire”; Let me have a twopenny cigar = geef mij; Let that pass = laten we er niet meer over spreken; Let down = neerlaten; To let down easily = verschoonend, zacht behandelen; Let-down steps = wagentrede; The Minister received an emphatic letting down = werd totaal gedésavoueerd; To let in = inlaten, binnenlaten; He was let in for it = liep er in, werd beetgenomen; He was letting in pretty tightly = sloeg er duchtig op los; To let off = vrijstellen (van straf), ontslaan, afsteken (van vuurwerk); He let on that he was ill = gaf voor, heette; Let us on with something else = aan iets anders beginnen; To let out = uitlaten, verklappen; He was let out at us = werd op ons afgestuurd, viel ons aan; He let out on that subject = hij weidde uit over (verklapte); To let out on hire = verhuren; He let the cat out of the bag = verklapte alles (= Let out about it); To let out a seam = eene japon, etc. uitleggen; Letter = verhuurder.

Lethal, lîth’l, doodelijk.

Lethargic(al), ləthâdžik(’l), slaperig, sufferig, traag; Lethargy, lethədži, slaapzucht, sufferigheid.

Lethe, lîthî, de Lethe, rivier in de onderwereld; Lethean, lithîən, vergetelheid veroorzakend; Lethe’d, Lethied = uit de Lethebron gedronken, vergetelheid brengend.

Lett, let, inwoner van Lijfland; Lettish = Lettic, subst. en adj. (taal) van de Letten.

Letter, letə, subst. letter, brief, patent (Zie Let); Letter verb. letteren, met letters of titel bedrukken; Letters = letterkunde, wetenschap; Letter of credit = credietbrief; By letter = per brief; To the letter = letterlijk; Man of letters = letterkundige, geleerde; He knows his letters = hij kan lezen en schrijven; Letters patent = octrooi-brieven; Letter-bag = brievenzak; Letter-balance = brievenweger; Letter-board = letterplank; Letter-book = copieboek; brievenboek; Letter-box = brievenbus; Letter-card = correspondentiekaart; Letter-carrier = bode; Letter-case = portefeuille; Letter-folder = vouwbeen; Letter-founder = lettergieter; Letter-foundry = gieterij; Letter-paper = postpapier; Letterpress = druk, tekst, bijschrift; copiëerpers; Letter-presser = pressepapier; Letter-rack = brievenrekje; Letter-sorter = sorteerder; Letter-stamp = brievenstempel; Letter-writer = briefschrijver; copiëermachine; Lettered = geleerd, geletterd; met letters; Lettering = opschrift, titel.

Lettice, letis.

Lettonia, letouniə, Lettenland.

Lettuce, letis, latuw: Garden lettuce = salade.

Levant, ləvant, de Levant; adj. Levantijnsch; Levanter = levanter, levantijn = sterke Oostenwind in de Middellandsche Zee; Levantine = ləvantin, levənt(a)in, Levantijnsch, Levantsch; subst. koupvaarder op de Levant; Levantijn; levantine (soort zijden stof).

Levant, ləvant, er van door gaan (zonder te betalen), uitsnijden; Levanter.

Levee, levî, of Fr. uitspr. receptie aan het hof alleen voor heeren; rivierdijk (levî; ləvî in Amer.); Levee verb. indijken.

Level, lev’l, subst. vlak, waterpas, paslood, niveau, hoogte, rechte lijn; adj. horizontaal, vlak, in rechte lijn; Level verb. horizontaal maken, effenen, met den grond gelijk maken, richten, aanleggen, mikken, doelen: On a level = op gelijke hoogte; Apparent (Real) level = schijnbare (ware) horizon; Level of the sea = zeespiegel; I did my level best = mijn uiterste best; I did my best to keep level with the latest results = op de hoogte te blijven van de jongste resultaten; To make level with the ground = raseeren; A level-headed woman = verstandige, praktische vrouw; (He has his head level, has a level head = hij is een verstandige, practische kerel, Amer.); He levelled at my head = legde aan op; The house was levelled with (to) the ground = geslecht; All these endings were levelled under er = werden (verzwakt) tot er; The subjunctive was levelled under the Indicative = gelijk gemaakt aan; The road was levelled up = werd opgehoogd; They are trying to level up the music-halls = zedelijk te verheffen, te veredelen; Level-screw = stelschroef; Sea-sickness is a terrible leveller = onder zeezieken bestaat geen rang of stand; The levelling system = stelsel waarbij alles over één kam wordt geschoren; Levellers = een communistische partij in het Long Parliament (1647).

Leven (Loch), loklev’n, loklîv’n.

Lever, lîvə; levə (Amer.); hefboom; Lever-watch = ankerhorloge; Leverage, lîvəridž, hefboomkracht of -werking.

Leveret, levərət, haasje.

Leverock, levərok, leeuwerik.

Leveson, lûs’n; Levi, lîvai.

Leviable, levjəb’l, hefbaar, vorderbaar (van belastingen).

Leviathan, livaiəth’n, leviathan, groot watermonster, iets monsterachtigs; adj. reusachtig.

Levigate, levigeit, tot stof malen of wrijven, poeder met vloeistof mengen; subst. Levigation.

Levin(-bolt), levin(boult), bliksem(schicht).

Levirate, levirit, Joodsche wet, die den broeder van een kinderloos overledene verplichtte diens weduwe te huwen.

Levitate, leviteit, doen zweven, zweven; Levitation, leviteiš’n, lichtheid; zweven.

Levite, lîvait, Leviet, priester; Levitic(al) = tot de Levieten behoorende: Levitical degrees = verwantschapsgraden die het huwelijk verbieden; Leviticus = Leviticus.

Levity, leviti, lichtheid, lichtzinnigheid, wispelturigheid, wuftheid.

Levy, levi, subst. heffing; beslaglegging; lichting (mil.); Levy verb. heffen, lichten, werven (van legers), beslag leggen: Levy in mass = het oproepen van alle strijdbare manschappen; To levy a distress = beslag leggen; To levy taxes; They levied war upon us = begonnen den oorlog, vielen ons aan.

Lewd, l(j)ûd, ontuchtig, wulpsch; subst. Lewdness.

Lewes, Lewis, l(j)ûis.

Lexical, leksik’l, tot een lexicon behoorende; Lexicographer, leksikogrəfə, woordenboekschrijver; adj. Lexicographic(al); Lexicography = lexicography; Lexicologist = lexicoloog; Lexicology = lexicologie; Lexicon = woordenboek.

Ley, lei = Lea.

Leyden, laid’n, Leiden: Leyden-jar, Leyden-phial, Leyden-vial = Leidsche flesch.

Leyland, lîl’nd; Leyton, leit’n.

Leze-majesty, lîzmadžəsti, majesteitschennis.

Liability, laiəbiliti, aansprakelijkheid, verplichting, verantwoordelijkheid: Limited Liability Company = commanditaire vennootschap met beperkte aansprakelijkheid; Liabilities = schulden, passief: To meet one’s liabilities = aan zijne geldelijke verplichtingen voldoen; Liable, laiəb’l, verplicht, verantwoordelijk, onderworpen, onderhevig: He is liable to fainting fits = heeft last van flauwten; subst. Liableness.

Liana, liânə, lianə, liane.

Liar, laiə, leugenaar: Show me a liar and I’ll show you a thief = wie liegt, steelt ook.

Liard, liâ, oud Fransche munt (¼ sou).

Lias, laiəs, lias; Liassic = lias - - -.

Libate, laibeit, een plengoffer brengen; Libation, laibeiš’n, plengoffer; adj. Libatory.

Libel, laib’l, subst. schotschrift, smaadschrift, spotprent, aanklacht (bij ’t Admiraliteitshof, een Schotsch of Geestelijk gerechtshof); Libel verb. bovengenoemde aanklacht indienen, belasteren (in woord of geschrifte): Action for libel = aanklacht wegens hoon of laster; Libel(l)er = schotschriftschrijver; Libel(l)ous = lasterlijk.

Libella, laibelə, libel, waterjuffer.

Liber, laibə, bast.

Liberal, libər’l, liberaal, royaal, overvloedig, mild, onpartijdig, vrijzinnig; subst. liberaal: Liberal arts = vrije kunsten; Liberal education = alzijdige opvoeding; Liberal-minded = vrijzinnig; Liberal party; Liberal studies = vrije studies (tegenover beroeps-); Liberalism = liberalisme; Liberalist = liberaal; Liberalistic = liberaal; Liberality = vrijgevigheid, milddadigheid, vrijzinnigheid, breedte van blik; Liberalization, subst. v. Liberalize = liberaal maken.

Liberate, libəreit, bevrijden, vrijmaken, vrijlaten; subst. Liberation: War of Liberation = vrijheidsoorlog; Liberationist = (Eng.) voorstander van de scheiding van Kerk en Staat; Liberator = bevrijder.

Liberia, laibîriə.

Libertarian, libətêriən, de leer v. d. vrijen wil betreffend; subst. voorstander dier leer; Libertarianism = de leer van den vrijen wil.

Liberticide, libɐ̂tisaid, libətisaid, vrijheidsmoorder; ook adj. = Liberticidal.

Libertine, libət(a)in, subst. lichtmis; adj. ongebonden, losbandig; vrijzinnig; Libertinage = Libertinism = bandeloos gedrag, losbandigheid; vrijgeesterij.

Liberty, libəti, vrijheid, verlof, privilege, vrijplaats: I shall be at liberty in an hour = vrij, onbezet; To set at liberty = in vrijheid stellen; Within the liberties of the City of London = het rechtsgebied; He allowed himself many liberties = allerlei vrijheden; I take the liberty to speak with freedom = ik veroorloof mij vrijmoedig te spreken; To take liberties = zich (ongepaste) vrijheden veroorloven; The cap of liberty = phrygische muts (= Liberty-cap); Civil, Political and Religious liberty = burgerlijke, staatkundige en godsdienstige vrijheid; Liberty of the press = vrijheid van drukpers; Liberty-man = passagierend matroos; Liberty-pole = vrijheidsboom.

Libidinous, libidinɐs, wellustig; subst. Libidinousness.

Libra, laibrə, de Weegschaal (Dierenriem); oud Romeinsch pond.

Librarian, laibrêriən, bibliothecaris; Librarianship; Library, laibrəri, bibliotheek: Free library = kostelooze.

Librate, laibreit, zich in evenwicht houden, schommelen; Libration, laibreiš’n, evenwicht, schommelen, libratie; Libratory = schommelend, op en neer gaande als een balans.

Librettist, libretist, schrijver van het Libretto, libretou, libretto, tekstboekje.

Libya, libjə, Lybië: Libyan = Lybisch; Lybiër.

Lice, lais, luizen (Meerv. v. Louse).

Licence, License, lais’ns, subst. verlof, vergunning, vrijheid, patent, privilege; losbandigheid: Game licence = jachtakte; Grocer’s off-licence = ‘vergunning’ aan kruideniers; Extension of licence for the night = nachtpermissie; License, lais’ns, License verb. veroorloven, verlof geven, patenteeren; Licensed victualler, lais’nstvitələ, handelaar in sterke dranken (met “vergunning”); Licensee = vergunninghouder; Licenser = vergunner, patentgever: Licenser of plays, of the press = censor; Licensing Law = drankwet.

Licentiate, laisenšiit, subst. licenciaat, iemand die een bepaald beroep mag uitoefenen: Licentiate of the Apothecaries’ Company; Licentiate of Dental Surgery; Licentiate of Theology; Licentiate verb. laisenšieit, vergunning verleenen.

Licentious, laisensšəs, losbandig, los, toomeloos; subst. Licentiousness.

Lich, litš, Lich-gate = overdekte kerkhofingang waarin de baar werd neergezet tot de komst van den geestelijke; Lichowl = kerkuil.

Lichen, laik’n, litš’n, boommos; vlecht (huiduitslag); Lichen-blotted = met mos bedekt; Lichenous, laikənɐs, vlechtachtig, vol uitslag.

Lichfield, litšfîld.

Licit, lisit, wettig, geoorloofd; subst. Licitness.

Lick, lik, subst. lik, dunne laag; inspanning, poging; Lick verb. likken, belikken, afranselen, overwinnen, overtreffen, slaan: To give a lick = belikken; To give a lick and a promise (of better) = iets half doen, om het later over te doen; Lend me a lick = laat me’s likken; That artist licks creation = overtreft ver de natuur (plat); To lick the dust = in ’t stof bijten, sterven, kruipen; The work was licked into shape by the present editor = de tegenwoordige bewerker heeft het werk vorm en methode gegeven; They licked it up = ze verslonden het; Lick-platter = smulpaap, likker = Lick-spittle; Licker = likker: That’s a licker to me = dat gaat mijn verstand te boven; Lickerish = lekkerbekkig, fel op, geil; Licking = pak slaag.

Licorice, likəris. Zie Liquorice.

Lictor, liktə, bijldrager (bij de Romeinen).

Lid, lid, deksel, klep, ooglid; Lidless = zonder leden, slapeloos, rusteloos.

Lie, lai, subst. leugen; Lie verb. liegen: A big (black) lie = grove leugen; A white lie = “mennisten” leugentje, leugen om bestwil; Lies have no legs = al is de leugen nog zoo snel, de waarheid achterhaalt haar wel; To give the lie = heeten liegen, logenstraffen; To tell a lie = liegen; To lie in one’s teeth (throat) = liegen, dat men zwart ziet; To lie like truth = liegen of het gedrukt staat.

Lie, lai, ligging; Lie verb. liggen, rusten, leunen, blijven, logeeren: Life lies heavy (hard) on my hands = is mij tot last; To lie low = ziek, dood liggen; zich verbergen, zich koest houden; To lie open to = bloot staan aan; To lie waste = braak liggen; It lies at your door = wordt u toegerekend; It lies at my heart = ligt mij aan ’t hart, is een voorwerp van mijne zorg of begeerte; I lie at your mercy = hang af van uwe genade; That place lies in your gift = hebt gij te vergeven; To lie in wait for = op de loer liggen; It lies in my way = in den weg; Many articles are lying on hand still = zijn nog onverkocht; That guilt lies on his head = hij wordt er van beschuldigd; They were lying under difficulties = hadden te kampen met; The occasion lies under our hands = biedt zich aan, is er; Lie about = in ’t rond liggen; Lie along = languit liggen; To lie by = rusten, ongebruikt liggen; That lies by (with) you = staat aan u; The sum lay by at compound interest = stond uit tegen; To lie down = gaan liggen; The woman is lying in = is in ’t kraambed; I can lie out of that sum for some days yet = kan het nog buiten die som stellen; To lie out in the open air = slapen; Many advertisements must lie over till next week = moeten tot de volgende week blijven liggen; The ship lay to = lag bijgedraaid; To lie under a mistake = in dwaling verkeeren; To lie under the necessity = in de noodzakelijkheid verkeeren; To lie under an obligation = de verplichting hebben; To lie up = (uit)rusten; Let the little boy lie with me = maar bij mij slapen; The future lies with the young = de jeugd heeft de toekomst in handen; He is a lie-a-bed = luilak.

Lief, lîf, geliefd, lief, gaarne: I had as lief not go there = ik zou er even graag niet heen gaan.

Liege, lîdž, subst. leenman, leenheer; adj. leenplichtig; Liege lord = leenheer; Liegeman = vasal.

Liège, lîdz, Luik.

Lien, lîən, lîn, laiən, pandrecht, retentierecht: These bonds are prior lien and take precedence of all others = eerste verband en gaan vóór; Lien-holder.

Lientery, laiənteri, spijsloop.

Lieu, l(i)û: In lieu of = in plaats van.

Lieutenancy, leften’nsi, levten’nsi; l(j)uten’nsi (Amer.), stadhouderschap, luitenantsrang; Lieutenant, leften’nt, levten’nt; l(j)uten’nt (Amer.), luitenant: Lieutenant-colonel; Lieutenant-general; Lieutenant-governor = plaatsvervangend gouverneur.

Life, laif, leven, levenswijze, levensbeschrijving; Life-and-death = op leven en dood, vertwijfeld, kritiek; He had been the life (and soul) of the Hague = de ziel van den Haag geweest; For life = levenslang; Studies from life = naar het leven; I cannot for the life of me understand = met den besten wil ter wereld; My life long; Long life to him! = lang zal hij leven! Whole in life and limb = gezond van lijf en leden; At his time of life = leeftijd; As large as life = levensgroot; Such officers carry their lives in their hands = zulke ambtenaren zijn hun leven geen oogenblik zeker; He departed this life on the 20th = overleed; We had not enough to keep life (body) and soul together = om ons te voeden; They ran for their lives = zij zochten veiligheid in de vlucht; liepen zoo hard ze konden; To draw (To paint) from (the) life = naar de natuur; Taken from the life = naar het leven genomen; Taken from life = uit het leven gegrepen; To bring to life = bijbrengen; To come to life = ter wereld komen; To come to life again = weer opleven; Life-annuity, lijfrente; Life-assurance = levensverzekering; Life-belt = zwemgordel; Life-blood = hartebloed, het wezenlijke; Life-boat = reddingboot; Life-buoy = reddingboei; Life-giving = bezielend, krachtgevend; Life-guard = lijfwacht; Life-insurance = levensverzekering; Life-interest = lijfrente, vruchtgebruik: A life-interest in a sum of 5000 £ = vruchtgebruik van; Life-long = levenslang; Life-office = levensverzekeringsbureau; Life-peer = peer, wiens titel niet erfelijk is; Life-preserver = reddingstoestel, zwemgordel, etc.; “ploertendooder”; Liferent = lijfrente, levenslang vruchtgebruik; Liferenter = iemand in het bezit van lijfrente of vruchtgebruik; Life-table = sterftetafel; Lifetime = levensduur; Life-tired (-weary) = levensmoede; Lifeless = levenloos, krachteloos; subst. Lifelessness; Life-like = alsof het leeft, levensgetrouw; Lifer = gevangene voor zijn leven.

Lift, lift, subst. opheffen, optillen, verheffing, last, hulp, hijschtoestel, “ascenseur”; Lift verb. opheffen, optillen, verheffen, verhoogen, stelen, optrekken (van mist, etc.); I’ll give you a lift in coming back = ik zal u op mijn terugweg laten meerijden; Give us a lift = help een handje; The woman was a dead lift (weight) = de vrouw gaf niets mee (bij het tillen of dragen); The darkness would not lift = bleef hangen; He lifted his eye-brows in remonstrance = trok op; When the fog of admiration lifts from the biography, we see that the hero had his faults = optrekt; We lift up our eyes to Thee, O Lord = heffen de oogen op; Lift up your face, and look like a man = het hoofd omhoog; Lift up your hand(s) = hef uwe hand(en) op; He lifted up his hand against me = verzette zich; Lift up your head = het hoofd omhoog! They lifted up their heels against the measure = zij hieven hunne verzenen op tegen (Joh. XIII, 18); Lift up your voices = verheft uwe stemmen; Lifter = lichter, opheffer; gauwdief (in samenst. als: Shoplift = ladelichter); Lift-bridge = ophaalbrug; Lift-lock = soort sluis; Lift-van = meubelwagen, die per trein wordt verzonden; The lifting of potatoes = rooien.

Ligament, ligəment, band, verbinding, ligament; adj. Ligamentous.

Ligan, laig’n, in zee geworpen goederen aan een boei vastgemaakt om ze zoo terug te kunnen vinden.

Ligate, laigeit, verbinden, afbinden; subst. Ligation; Ligature, ligətjuə, verband, band, draad (tot afbinden van aderen), ligament.

Light, lait, subst. licht, helderheid, lichtschepping, opheldering, belichting, lucifer; adj. licht, blond; licht van gewicht, licht te verteren, los, ledig, lichtgewapend, onbeduidend, gering, zwak, gemakkelijk, luchthartig, duizelig, vluchtig, lichtzinnig; Light verb. aansteken, verlichten, bijlichten, licht zijn of worden, schitteren, ontvlammen; opheffen, oplichten; aantreffen, toevallig vinden, neerstrijken (on): He’s no great light = geen groot licht; The lights of our days = de groote mannen; He was honest according to his lights, so far as his lights extended = voor zoover zijn inzicht ging; Lights = longen; Between the lights = in de schemering; Lights out = taptoe; The Northern Light(s) = het Noorderlicht; Light of the countenance (Bijb.) Light het lichten of de vriendelijkheid van het aanschijn; The deed was brought to light = werd aan ’t licht gebracht; To come to light = aan ’t licht komen; To lay on lights = licht en schaduw aanbrengen (in een schilderij); He let in light upon his business = gaf eenig licht omtrent; To see the light = het licht zien; He stood in his own light = hij stond zichzelf in het licht, in den weg; He stood to me in the light of a father = was voor mij een vader; His eyes lighted pleasantly = schitterden; May no harm light on you = u treffen; To light out = er uit snijden (Amer.); To light (up) = aansteken; Lighting-up time for cyclists = tijd waarop de fietslantaarn opgestoken moet worden; Light-ball = lichtkogel; Light-bearer = fakkeldrager; Light-dues = rechten geheven ten behoeve der kustverlichting; Light-house = vuurtoren; Light-(house-)keeper = vuurtorenwachter; Light-ship = vuurschip; Light in hand = gemakkelijk te regeeren; He made light of my warnings = sloeg in den wind; He sets light by this circumstance = onderschat, veracht; Lightly said, lightly answered = zoo vraag, zoo antwoord; Lightly come, lightly go = zoo gewonnen, zoo geronnen; Light-armed; Light blue = lichtblauw, kleur van de Stud. v. Cambridge in de boat-race; jenever; Light-bob = lichte infanterist; Light cavalry, (Light horse) = lichte cavalerie; Light-fingered = met vlugge en lange vingers; The light-fingered gentry (folk) = de heeren gauwdieven, zakkenrollers, etc.; Light-footed = vlug van voet; I am rather light-handed at present = ik heb gebrek aan werkvolk; Light-headed = luchthartig; Light-hearted = luchthartig; Light horsemen = lichte cavalerie; bestelers van op stroom liggende schepen; Light infantry = licht voetvolk; A light-legged person = rap van voet; Light-minded = vluchtig, onbezonnen; subst. Light-mindedness; Light-spirited fellow = opgewekte; Light-timbered = zwak gebouwd, ziekelijk; Light-weight = bokser met weinig gewicht of jockey (niet meer dan 69,85 K.G.); paard voor zoo’n jockey, onbeduidend mensch; Light-winged = met snelle wieken, vluchtig; Lighten en Lighter, Zie afzond. artik.; Lightless = donker; subst. Lightlessness; Lightness = helderheid; lichtheid, luchtigheid, vlugheid; Lightsome = helder, klaar; onbezorgd; subst. Lightsomeness.

Lighten, lait’n, verlichten, verhelderen, opklaren, weerlichten, flikkeren; in gewicht afnemen, verlichten, opbeuren, lichten: To lighten the ship; A light(e)ning sense of relief = verlicht gevoel.

Lighter, laitə, verlichter, opsteker; lichter (boot of schuit): Lighterage, laitəridž, het overladen in lichters, lichtergeld; The heavier part of the cargo was lightered over the sand = met lichters gebracht; Lighterman = schuitenvoerder.

Lightning, laitniŋ, bliksem: ook adj. bliksemsnel: A flash of lightning = bliksemschicht, -straal; Lightning cartoon = teekening met een paar krassen of streken; Lightning-conductor = bliksemafleider; Lightning-proof = beveiligd tegen: Lightning-rod = bliksemafleider; subst. Lightning-swiftness; Lightning-train = bliksemtrein.

Ligneous, ligniəs, van hout, houtachtig;

Lignite, lignait, bruinkool; Lignitiferous = bruinkoolhoudend; bruinkool...; Lignum vitae, lign’mvaitî = guajakboom; pokhout.

Ligulate(d), ligjulit, ligjuleitid, band of riemvormig.

Liguria, ligjûriə, Ligurië; Ligurian = Ligurisch.

Like, laik, subst. gelijke, wedergade; voorliefde; adj. en adv. gelijksoortig, geneigd, waarschijnlijk, bijna; verb. houden van, behagen scheppen in, gaarne willen: Every like is not the same = er is meer gelijk dan eigen; Like may, indeed, draw to like = soort zoekt soort; Like produces like = gelijke oorzaken hebben gelijke gevolgen; The elder son was his father’s favourite and like = evenbeeld; It is good enough for the likes of them = voor lui van hun slag; I never saw the like = zoo iets; Likes and dislikes = sympathieën en antipathieën; And the like = en dergelijke: Do it like a good boy = dan ben je een beste jongen; Like master, like man = zoo heer zoo knecht; Those evils are nothing like as injurious in other cases = het lijkt er niet op, dat de nadeelen zoo schadelijk zijn in andere gevallen; He did not feel like seeing any friends that day = hij was niet gestemd om, had geen lust; What is it like? = hoe ziet het er uit; Of a like character = denzelfden aard; That photo is like you = dat portret lijkt goed: That action is like you = die daad kon men van u verwachten; How like a man to make such a fuss = net wat voor een man; He had like to have lost the wager = had bijna verloren; As like(ly) as not = hoogstwaarschijnlijk; It is like enough = het is heel waarschijnlijk; He was swearing away like blazes = vloekte dat het een aard had; He seemed disappointed like = eenigszins, wel wat; Just as you like my dear = zoo je verkiest, lieve; The sort that likes him = hem past, lijkt; Likeable = aangenaam, beminnenswaardig; subst. Likeableness; Likelihood, Likeliness = waarschijnlijkheid; Likely = waarschijnlijk: He is not likely to go there = gaat er waarschijnlijk niet heen; A likely man = knap van uiterlijk; A likely customer = goed, aardig; Liken = vergelijken: To whom shall we liken him? Likeness = gelijkenis: To take a person’s likeness = afbeelden, photographeeren; I had my likeness taken; Likewise = eveneens, evenzoo; Liking, welgevallen, lust: She has no liking for him = geen zin in hem; It is not to my liking = niet naar mijn zin; To take a liking to = lust krijgen in, ingenomen zijn met.

Lilac, lailək, subst. sering; adj. lila.

Liliaceous, lilieišəs, tot de leliën behoorende.

Lilliput, lilipɐt, Lilliput; Lilliputian, lilipjûš’n, Lilliputter; adj. lilliputachtig, klein.

Lille, lîl, Rijssel.

Lilt, lilt, subst. vroolijk wijsje of dans; rhythmische beweging; Lilt verb. lustig zingen; huppelen: A lilting tune = een vlug wijsje.

Lily, lilî, lelie: Lily of the valley = lelietje van dalen; Lily-livered = laf; Lily-pad = blad van de waterroos (Amer.).

Lima, lîmə, Lima, vijl (schelp); Lima-wood = fernambuk-hout.

Limaceous, laimeišəs, slakachtig.

Limb, lim, lid, been, tak, arm, uitlooper; rand, graadboog: Limb of the devil (of Satan) = satanskind; Limb of the law = advokaat (iron.); Limbless = zonder ledematen.

Limber, limbə, buigzaam, meegaand; Limber verb. buigzaam maken; subst. Limberness.

Limber, limbə, dissel- of affuitboom; voorwagen; Limber verb. voorwagen en affuit verbinden; Limber-axle = affuitboom; Limber-chest = affuitkist.

Limbo, limbou, vagevuur, hel, gevangenis = Limbus = Limbus fatuorum = het gekkenparadijs.

Lime, laim, subst. vogellijm; kalk; lindeboom (Lime-tree); citroen(boom); Lime verb. met vogellijm bestrijken, lijmen, beetnemen; met kalk mesten of verbinden: Quick lime = ongebluschte kalk; Slaked lime = gebluschte; Lime-burner = kalkbrander; Lime-flower = lindebloesem: Lime-juice = citroensap; Lime-kiln = kalkoven; Limelight = kalklicht; Lime-pit = kalkput; Lime-slaking = blusschen; Limestone = kalksteen; Lime-twig = lijmstang, lijmtak, lijmroede; Lime-wash = witkalk; Lime-wash verb. witten; Lime-water = kalkwater.

Limerick, limərik, Limerick; rijmelarijtje; een prijsrijmpje voor reclame doeleinden, waarvan 4 regels zijn gegeven en waaraan een vijfde moet worden toegevoegd. De inzender, die hierin ’t best slaagt, ontvangt een prijs van uitgever of firma.

Limit, limit, subst. grens, uiterste punt, beperking; Limit verb. begrenzen, vaststellen: There is a limit to everything = alles heeft zijn grenzen; To (Within) the limit of = hoogstens tot; To give more limit = meer speelruimte; To set a limit to = een grens bepalen; Limitable = begrensbaar, beperkbaar; Limitarian = begrenzend, beperkend; Limitary = grens..; Limitation = beperking, begrenzing, verjaring(stermijn); Limited = begrensd, beperkt: London Omnibus Company, lim. = Londensche Omnibus Maatschappij met limited liability; Limited train = sneltrein met beperkt aantal wagons (Amer.); Limitedness = begrensdheid; beperktheid; Limiter = beperker, grens; Limitless = grenzenloos, onbegrensd.

Limmer, limə, bastaardhond; deugniet; lichtekooi, brutale meid; oud wijf.

Limn, lim, schilderen, teekenen, illustreeren, afschilderen; Limner, limnə, schilder, artiest (veroud.).

Limoges, limouž, stad: Limoges enamel = Limoges porcelain-ware = geemailleerd aardewerk van Limoges.

Limp, limp, slap, buigzaam; subst. Limpness.

Limp, limp, kreupel loopen; ook subst.: He has a limp in his walk = hij loopt kreupel; Limper = kreupele; Limping = kreupel, mank (ook fig.).

Limpet, limpət, napslak: He stuck on like a limpet = hij hing aan als een klis (klit).

Limpid, limpid, helder, klaar, doorschijnend; subst. Limpidity = Limpidness.

Limpsy, lim(p)si, slap, onbeduidend (Am.).

Limy, laimi, kleverig, kalkachtig, kalk - -.

Lin, lin, bron, plas, waterval, afgrond.

Linch-pin, linšpin, lunspen.

Lincoln, link’n, stad en graafschap; Lincoln-green = groen laken, vroeger vooral door boogschutters gedragen; Lincolnshire = Lincs.

Linden, lind’n, linde.

Line, lain, subst. lijn, snoer, richtsnoer, spoorlijn, linie, tak, geslacht, stuurreep, streep, rij, reeks, regel, vak, briefje of lettertje, waren of goederen, streep = 1⁄12 van een inch; Line verb. linieeren, door lijnen verdeelen, doorhalen, teekenen, schetsen, in een lijn opstellen, loopen langs, grenzen aan; voeren, bekleeden, beschieten, vullen, spekken: Ascending (Descending line) = opgaande (neergaande) linie; Collateral (Female, Male) line = zijdelingsche (vrouwelijke, mannelijke) linie; Line of battle = slagorde; Line of business = branche; Line of conduct = gedragslijn; Line of kings = dynastie; Line of mountains = bergketen; Line of print = regel druks; All along the line = langs de geheele linie; He was irreconcilable all along the line = onverzoenlijk op alle punten, in alle opzichten; Ships of the line = linieschepen; The picture was on the line = hing ter hoogte van het oog; On this line = op deze wijze, volgens dit beginsel; You will be the biggest line in the whole show = gij zult op de tentoonstelling het grootste succes zijn; A shop in the general line = waar van alles te krijgen is, koomenijswinkel; My friend is in the railway line = bij het spoor; White line = regel wit, enz.; To bring a person (a thing) into line = iemand (iets) weer laten meedoen, naast de anderen plaatsen; The country was brought into line with the other countries = kreeg hetzelfde stelsel; To cross the line = de linie passeeren; To draw the line = een grens trekken; The line must be drawn somewhere = alles heeft zijn grenzen; To drop a line = een lettertje schrijven; He follows the line his father initiated = treedt in de voetstappen; It is rather hard lines on them = nog al hard voor hen; To read between the lines = tusschen de regels lezen; To stand in line = queue maken; To stick to the old lines = blijven bij het oude; Marlborough turned the celebrated lines of Villars = brak door de liniën; A soft lined face = met zachte trekken; The street was lined with bayonets = afgezet (in de lengte); His purse was well lined with money = was goed gespekt; The room was lined with books = langs alle wanden stonden boeken; Line-about dialogue = tweegesprek, waarbij om de andere regel de andere persoon spreekt; Liner = linieschip, stoomboot (van eene bepaalde lijn), linieerder, broodschrijver; pakking: A Transatlantic liner = stoomschip; His picture got a place among the liners = kreeg eene plaats onder de aangenomen werken op de tentoonstelling.

Lineage, liniidž, geslacht, afstamming, stamboom.

Lineal, liniəl, lijnrecht, direct; lengte...: Lineal measure; My lineal race = direkte afstammelingen.

Lineament, liniəment, gelaatstrek; Lineaments = uiterlijk.

Linear, liniə, lengte..., draadvormig, lijnrecht: Linear perspective = lijnperspektief; Lineate = gelijnd, overlangs geribd; Lineation = linieering.

Linen, linən, subst. linnen, ondergoed; ook adj.: To change one’s linen = zich verschoonen; Soiled linen should be washed at home (fig.); Linen-draper = koopman in witte goederen; Linen-drapery; Linen-merchant = groothandelaar in linnen; Linen-press = linnenkast; Linen-weaver = linnenwever.

Ling, liŋ, leng; struikheide, Chineesche waterkastanje; Lingy = met heidekruid begroeid.

Linger, liŋgə, talmen, dralen, toeven, weifelen, voortkwijnen; Lingerer; Lingering = langzaam, wijdloopig, sleepend; ook subst.

Linget, liŋgət. Zie Ingot.

Lin(g)hay, liŋhei, linhei, afdak, open schuur.

Lingo, liŋgou, bargoensch.

Lingot, liŋgət, Zie Linget.

Lingual, liŋgwəl, subst. tongletter; adj. tong...; Lingualize = als tongletter uitspreken; Linguist, liŋgwist, taalkenner, taalkundige; Linguister = tolk (Amer.); adj. Linguistic(al); Linguistics = taalwetenschap; Lingulate = tongvormig.

Liniment, linim’nt, smeersel.

Lining, lainiŋ, voering, bekleeding: The darkest cloud has a silver lining = geen ongeluk zoo groot, of er is een geluk bij.

Link, liŋk, subst. schakel, bocht (in eene rivier); schakel van ± 20 cM.; toorts; Link verb. verbinden, schakelen; verbonden zijn; Links = vlakke zandige bodem aan de zeekust, “golf”-baan; manchetknoopen met kettinkjes (= Link-buttons); Link-boy, Link-man = toorts- of fakkeldrager (bij avond of zwaren mist); With linked arms = arm in arm.

Linlithgow, linlithgou.

Linn, lin, waterval, vijver, steile rotsspleet.

Linnaean, linîən, van Linnaeus (1707–1778): Linnaean system.

Linnet, linət, vlasvink.

Linoleum, linoulj’m, linoleum.

Linotype, lainətaip, soort v. zetmachine.

Linseed, linsîd, lijnzaad; Linseed-cake manufacturer = fabrikant van lijnkoeken; Linseed-meal = lijnmeel; Linseed-oil = lijnolie; Linseed-tea = aftreksel van lijnzaad.

Linsey-woolsey, linziwulzi, subst. halfwollen stof; goedkoope stof, gebrabbel; adj. halfwollen, slecht.

Linstock, linstok, lontstok.

Lint, lint, pluksel.

Lintel, lint’l, kalf of bovendrempel van deur of venster.

Lintwhite, lint(h)wait. Zie Linnet.

Lion, laiən, leeuw, ‘lion’, modeheld, beroemdheid: There is a lion in the street = “de wolf komt”; To show the lions (and tombs) = een vreemdeling de bezienswaardigheden rondleiden; Lion-dog = leeuwtje (hond); Lion-heart = moedig man; Lion-hearted = manmoedig: Richard the Lion-hearted; Lion-hunter = leeuwenjager, iemand, die de beroemdheden van den dag dolgraag op zijne partijen ziet: The modern sport of lion-hunting; Lion’s-den = leeuwenkuil; Lion’s-provider = jakhals; lage vleier; Lion’s-share = leeuwendeel; Lion’s-tooth = leeuwentand; Lionize = als een beroemdheid behandelen of vereeren; de merkw. van eene plaats bezien of rondleiden; den “Lion” spelen: I hate being lionized = ik houd niet van die belangstelling in mij, en dat geloop achter mij aan; Lioness = leeuwin.

Lip, lip, subst. lip, rand, mond, taal; Lip verb. kussen, uiten: He bit his lip(s) = beet zich op de lippen; To cross one’s lips = over de lippen komen; Don’t give me any of your lip = geen praatjes; He gave me a lot of lip = gaf me een grooten mond; To hang the lip (To make a lip) = de lip laten hangen; Prattle from the lips outwards = maar wat zeggen waar men niets van meent; Lip-deep = onoprecht; Lip-devotion = schijnvroomheid; Lip-labour = ijdele woorden; Lipreading = van de lippen lezen (van doofstommen); Lipsalve = lippenpommade, vleierij; Lipless; Liplet = lipje; Lipped = lipvormig.

Liquate, laikweit, smelten, verloopen; Liquation, laikweiš’n, smelting, smeltbaarheid; Liquefacient, likwifeiš’nt, middel om te smelten of tot vermeerdering van afscheiding; Liquefaction, likwifakš’n, smelten, gesmolten zijn; Liquefiable = smeltbaar; Liquefier = smeltmiddel; Liquefy, likwifai, smelten oplossen; vloeibaar worden, zich oplossen.

Liqueur, likɐ̂, likjûə, likeurtje.

Liquid, likwid, subst. vloeistof, vloeiletter; adj. vloeiend, vloeibaar, zacht, los, beschikbaar, waterig, helder, doorzichtig.

Liquidate, likwideit, liquideeren, vereffenen, verzachten, afrekenen; subst. Liquidation; Liquidator.

Liquidity, likwiditi, vloeibare toestand, vloeiendheid; Liquidize = vloeibaar maken.

Liquor, likə, subst. vocht, drank, alcoholische drank, bouillon, braadvet; Liquor verb. bevochtigen, besmeren, dronken maken, zich bedrinken (up): Addicted to liquor = aan den drank; In liquor = dronken.

Liquorice, likəris, zoethout: Sticks of liquorice = pijpen zoethout.

Lira, lîrə, (Ital.) franc.

Lisbon, lisb’n, Lissabon; een witte Portugeesche wijn.

Lisle, lîl, lail, Rijssel; Lismore, lizmö.

Lisp, lisp, lispelen, gemaakt spreken, gebrekkig spreken; ook subst. Lisper.

Lissom(e), lis’m; Zie Lithesome.

List, list, lijst, catalogus, rand of zelfkant van laken, slagzijde (van een schip), verzakking, verlangen; List verb. op eene lijst plaatsen, werven, een rand of zelfkant maken aan, krengen (scheepst.), slagzij hebben, verzakken; behagen, lust hebben: (Lists = tournooiveld: He entered the lists = hij trad in het strijdperk); He made a black list of them = zij stonden slecht bij hem aangeschreven; I am on your black list = ik kan geen goed bij u doen; To put on the retired list = pensionneeren; List of trains = spoorlijst; List of wines = wijnkaart; List shoes (slippers) = lakensche schoenen (pantoffels); The securities will be listed on the Stock Exchange = in de officieele noteering worden opgenomen; The ship listed to one side (There was a list to one side) = helde over naar; It lists me = Me lists = het lust mij; Listless zorgeloos, onverschillig, lusteloos; subst. Listlessness.

List, list, hooren, luisteren.

Listen, lis’n, luisteren; ook subst. (Up)on the listen = luisterend; Listener = luisteraar.

Lit, lit, imperf. en part. perf. van to light.

Litany, litəni, litanie.

Literacy, litərəsi, geletterdheid.

Literal, litər’l, letterlijk, door letters uitgedrukt, nauwkeurig, prozaïsch, nuchter; subst. drukfout; Literalism = letterlijke uitleg; letterknechterij; Literalist; Literality = Literalness = Literalism.

Literary, litərəri, letterkundig, geletterd.

Literate, litərit, geletterd, beschaafd; subst. geletterde, proponent zonder universitaire opleiding; Literati, litəreitai, de geleerden of geletterden; Literatum = letterlijk; Literature, litərətjə, de letteren, letterkunde: Polite literature = fraaie letteren.

Lithe, laidh, buigzaam, lenig: subst. Litheness; Lithesome = buigzaam, lenig; subst. Lithesomeness.

Lithiasis, lithaiəsis, steenziekte.

Lithograph, lithəgraf, subst. steendrukplaat; Lithograph verb. op steen graveeren, drukken of schrijven; Lithographer, lithogrəfə, steendrukker; adj. Lithographic(al); Lithography = lithographie, steendrukkunst.

Lithuania, lithjûeinjə, Littauen: Lithuanian = Littauer; Littausch.

Lithy, laidhi, lidhi = Lithe.

Litigant, litigənt, twistend, twistziek, procedeerend; subst. partij; Litigate, litigeit, procedeeren, twisten; Litigation = proces: Embarked in litigation = in proces gewikkeld; Litigator = partij; Litigious, litidžəs, procesziek, ruzieachtig: subst. Litigatiousness.

Litmus, litməs: Litmus paper = lakmoespapier.

Litotes, laitətîz, litətîz, litotes (een stijlfiguur).

Litre, lîtə, liter.

Litter, litə, subst. draagbaar, stroo(bed), stroobedekking (voor planten), wanorde, rommel, worp (van varkens, honden, katten, enz.); Litter verb. van stroo voorzien, met stroo bedekken, als stroo gebruiken; rondstrooien, overhoop liggen of halen, op stroo liggen; jongen werpen: Quite a litter of children = een nest vol; To be in litter = drachtig zijn; To be in a litter = overhoop liggen; To make a litter = overhoop gooien; I kicked aside the objects that littered the floor = die over de vloer lagen verspreid; A room untidy and littered = eene rommelige kamer, waarin alles overhoop ligt; Littery = rommelig.

Little, lit’l, subst. kleine hoeveelheid, kleinigheid; adj. en adv. klein, gering, weinig, kort: A little money = eenig (nog al wat) geld; Little money = weinig (haast geen) geld; By little and little = langzamerhand = Little by little (soms: By littles); Little one(s) = kleintje(s), jong(en): Sleep, my little one = slaap, lieve kleine; I forgot my sorrow for a little = voor een poosje, tijdje; Upon a little = met weinig, met geringe middelen; He had been within a very little of falling in love with her = was bijna verliefd geworden; When you were little = toen je klein waart; He caught the whip by the little end = dunne eind; Is that your little game? = is datje plannetje, bedoeling? Little-go; Zie Responsions; Little-minded = kleinzielig; Littleness = kleinheid: His littleness of mind = kleinzieligheid; Littlish = vrij klein.

Littoral, litər’l, oever - -, kust - -, strand - -; subst. kustland.

Liturgic(al), litɐ̂džik(’l), liturgisch; Liturgist, litədžist, voorstander van het gebruik eener liturgie; Liturgy, litədži, liturgie.

Livadia, livədîə, Livadië.

Live, liv, leven, wonen, bestaan, uithouden: They could not go on living at this rate = op dezen voet konden zij niet blijven leven; There is no living with him = het is niet met hem uit te houden; No boat could live in such a sea = kon het uithouden; To live in clover = een lekker leventje leiden; Live and learn = al doende leert men; Live and let live; To live to see = beleven, dat; As I live = zoowaar ik leef; If I live I shall do it = als ik het beleef ...; To live away = er op los leven; To live by oneself = op zich zelf, alleen; Lawyers live by our quarrels = leven van; It is almost impossible to live such a sorrow down = te vergeten, te boven te komen; He lived that calumny down = door zijn verder leven logenstrafte hij dien laster; A toy-merchant lives on children = leeft van; He lives on his wife = van haar geld; I cannot live on 50 £ a year = leven van; She lived out = diende als dagmeisje; To live to a great age = bereiken; To live up to = in overeenstemming met; He lived up to his promise = voldeed aan; The servant has lived with us for six years = diende bij ons; Liveable = bewoonbaar, dragelijk; Lived, laivd: Long-lived = langlevend; Live-long day, livloŋ-dei = lievelange, godgansche dag; Liver = levende, bewoner (Amer.): The longest liver = de langstlevende; Livelihood, laivlihud, levensonderhoud: To earn one’s (gain, make a) livelihood = den kost verdienen. Zie Living.

Live, laiv, levend, brandend, gloeiend, glimmend, in leven; levendig, druk (Amer.), frisch, nieuw, nog ongebruikt, scherp (van patronen), geladen (electr.): The livest-looking street I ever saw = de levendigste, vroolijkste; Live coals = gloeiende kolen; Live cartridge = scherpe patroon; Live cattle = levend vee; Live feathers = veeren uit een levenden vogel gerukt; Live hair = haar van een levend dier genomen; Live shell = niet ontplofte granaat; Livestock = levende have; Liveliness, subst. v. Lively = levendig, opgewekt, natuurgetrouw, treffend, frisch, schuimend.

Liver, livə, lever: Liver-coloured = leverkleurig; Liver-oil = levertraan; Liver-spot = levervlek; Liverwort = leverkruid; The Mounted Liver Brigade = degenen, die voor hun leverkwaal in Hydepark wandelritten maken.

Liverpolitan, livəpolitən, Liverpoolsch; inwoner van Liverpool; Liverpool, livəpûl.

Livery, livəri, livrei, ambtskleeding, onderhoud van paarden (meest van vreemde eigenaren), acte van inbezitstelling; al de liverymen van Londen: To receive in livery = in bezit overnemen; Liveryman = lid van een der Livery-Companies of City gilden, dat bij feestel. gelegenheden de liveries (= furs and gowns) van zijn gilde mag dragen; Livery-servant = livreibediende (= Liveried servant); Livery-stable = stal waar paarden (Livery-horses) verhuurd en voor andere eigenaars gestald worden.

Livid, livid, loodkleurig, lijkkleurig, doodsbleek; subst. Lividity = Lividness.

Living, liviŋ, levend, stroomend, gloeiend; subst. leven, levenswijze, levensonderhoud, woonplaats; prebende, ambt van den Anglik. geestelijke, inkomsten van dat ambt: Within living memory = bij menschenheugenis; Living wage = loon waarvan men fatsoenlijk kan leven; High living = weelderige levenswijze; No man living = geen mensch ter wereld; In the land of the living = in het land der levenden; To earn (get) one’s living = zijn kost verdienen; To make a living = zijn brood hebben, de kost verdienen met (at). Zie To live.

Livingstone, liviŋst’n; Livonia(n), livounjə(n), Lijfland(er), Lijfland(sch); Livy, livi, Livius.

Lixiviate, liksivieit, loogen; subst. Lixiviation; Lixivium = loog.

Lizard, lizəd, hagedis; Lizard Point = Kaap L.

Lizzy, lizi, verk. van Elisabeth.

Llama, lâmə, ljâmə, lama, lamawol.

Llandaff, landaf; Llanelly, lanethli; Llangollen, langothlən.

Llanos, l(j)ânouz, steppen in het N. van Z.-Amerika.

Llanrwst, lan-rust; Llewelyn, luelin.

Lloyd’s, lôidz = Lloyd’s offices (rooms) = de kantoren en het instituut voor zee-assurantie, classificatie van schepen, etc.; de dagelijks verschijnende scheepstijdingen (= Lloyd’s list); de jaarlijks gepubliceerde internationale lijst van schepen (= Lloyd’s Register for British and Foreign Shipping).

Lo, lou, zie, aanschouw!

Loach, loutž, bermpje; kwabaal; meun.

Load, loud, subst. last, lading, vracht, belasting (van een veiligheidsklep), draagkracht, capaciteit; Load verb. laden, beladen, belasten, bezwaren, dik opleggen; sterk koopen: It would be loads of fun = dat zou ijselijk grappig zijn: To take a load off = verlichten, opluchten; Load-draught = diepgang van een geladen schip; Load-water-line = ladinglijn (Plimsoll-merk); Loaded: Loaded cane = stok met looden knop; Loaded dice = valsche dobbelsteenen; Loaded tongue = beslagen; Loaded wine = vervalschte, aangezette wijn; Loader = lader; Loading = het laden, lading, vracht; aandeel der premie in de bedrijfsonkosten.

Loadstar, loudstɐ̂, leidster, poolster; Loadstone, loudstoun, magneet(steen).

Loaf, louf, subst. brood: To look after the loaves and fishes = op eigen belang bedacht zijn (Mark. VI. 38); Loaf-sugar, broodsuiker (Vergel. Sugar-loaf = suikerbrood).

Loaf, louf, omloopen, rondboemelen; verboemelen (away): Loafing on Mondays = Maandag houden; Loafer = leeglooper, luilak, landlooper.

Loam, loum, subst. leem; Loam verb. met leem bedekken; Loamy = leemig, leem ...

Loan, loun, subst. het leenen, leening, geleend geld; Loan verb. uitleenen (out): I begged him for a loan of five pounds = vroeg hem ter leen; To lend the loan of = uitleenen; I put it out to loan = heb het uitgeleend; Loan-office = leenbank, bank van leening; Loanword = ontleend woord.

Loath, louth, ongeneigd, afkeerig, onwillig: To be loath to do a thing = ongeneigd zijn; Nothing loath = gansch niet ongeneigd.

Loathe, loudh, walgen, verfoeien: Even hunger loathed such bad food = ofschoon hongerlijdend walgde men van zulk slecht voedsel; Loathing, subst. walging, afkeer = Loathingness; Loathsome, loudhs’m, walgelijk: subst. Loathsomeness.

Lob, lob, subst. iets diks en zwaars, lobbes, lummel, domkop; geldlade; bovenslag bij Lawn-Tennis; Lob verb. gooien, rollen, een bovenslag maken; zich log bewegen; Lob-cock = botterik, lomperd.

Lobate, loubit, Lobed, loubd, in lobben verdeeld, uit lobben bestaande; Lobation = lobbenvorming.

Lobby, lobi, subst. kleine voorzaal; wachtkamer, couloir (in ’t Parlementsgebouw); foyer; Lobby verb. de lobby herhaald bezoeken om steun te vragen van de leden; Lobby-member, Lobbyist = couloirlooper (om invloed op de leden van het Congres (Parlement) uit te oefenen).

Lobe, loub, lob, lel (van het oor).

Loblolly, lobloli, haver (grutten)pap, soep, geneesmiddelen, lekkerbek; adj. vertroeteld; Loblolly-boy = adsistent van den scheepsdokter.

Lobscouse, lobskcaus, gerecht bestaande uit pekelvleesch, scheepsbeschuit, uien en aardappelen.

Lobster, lobstə, zeekreeft: He has boiled his lobster = is van geestelijke soldaat geworden (omdat de donkere kreeft bij het koken rood wordt, dus eene roode soldatenjas aan krijgt); Raw (Unboiled) lobster = politieagent; Lobster-box = kazerne.

Lobular, lobjulə, gelobd; Lobule, lobjûl, kleine lob.

Local, louk’l, plaatselijk; subst. plaatselijk nieuwtje, lokaaltrein, inwoner: Local colour = lokale kleur, waarheid en juistheid van beschrijving; Local option = het stelsel waarbij over “vergunningen” door stemgerechtigde inwoners wordt beslist; Local organ = plaatselijk blad; Local time = plaatselijke tijd; Localism = eigenaardigheid van (voorliefde voor) een plaats; Locality = ligging, localiteit (Amer.), plaatselijkheid; Localization = localisatie; Localize = de plaats bepalen, localiseeren.

Locate, loukeit, op eene bepaalde plaats zetten of leggen, opstellen, naar een plaats verleggen, (doel) vinden, toewijzen; mijnen (gronden) in bezit nemen, thuisbrengen, een plaats aanwijzen, gelegen zijn, wonen (Amer.); zich vestigen; Location = plaats, woonplaats; veefokkerij, boerderij (Austr.); verhuring, verpachting; aangewezen terrein; Locative of Locative, (woord of naamval) plaats aanduidende; Locator = iemand, die bezit neemt van een location, rechtmatig bezitter (Amer.).

Loch, lok, meer, zeearm; Lochaber, lokabə, lokâbə, district in het graafschap Inverness: Loch-axe = strijdbijl der Hooglanders; Lochleven, loklev’n, loklîv’n; Lochmaben, lokmeibən; Lochnagar, loknəgâ.

Lock, lok, subst. slot, haak, kluister, rem, belemmering, versperring, omknelling (bij het kampvechten), slot (van een geweer), sluis (in een kanaal); lok, krul, bosje, handvol; Lock verb. sluiten (met een sleutel), omsluiten, dicht in de armen sluiten, remmen, stijf maken, bevestigen, vastzetten (up), koppelen, stijf worden, zich (laten) sluiten, grijpen in: He is under lock and key = achter slot en grendel; Lock, stock and barrel = in zijn geheel; The ships were passed through the lock = werden doorgeschut; The door was closed but not locked = de deur was dicht maar niet op slot; Locked from without = van buiten gesl.; Locked water = stilstaand water (eig. tusschen sluisdeuren); To lock away = wegsluiten; To lock in = opsluiten; To lock out = buitensluiten; gedaan geven; uitsluiten; ook subst.; To lock up = opsluiten (milit.); vastzetten, steken in; subst. huis van bewaring; Lock-box = partic. brievenbus aan een postkantoor; Lock-chain = remketting; Lock-chamber = sluiskolk; Lock-dues = sluisgeld; Lock-gate = sluisdeur; Lock-jaw = klem (in den mond); Lock-keeper = sluiswachter; Lock-paddle = schuif (in een sluisdeur); Lock-smith = slotenmaker; Lock-step = marcheeren in dicht gesloten gelederen; Lock-stitch = kettingsteek; Lockage = sluiswerken; schutgeld; Locker = lade, kist; Not a shot in the locker = geen geld in den buidel; Zie Davy Jones.

Locket, lokət, medaillon.

Lockian, lokiən, adj. van Locke, lok.

Locofoco, loukəfoukou, subst. zwavelstok, ultraradicaal; adj. zeer radicaal (Amer.).

Locomotion, loukəmouš’n, beweging, plaatsverandering; Locomotive, loukəmoutiv, plaatsveranderend, bewegings - -; subst. locomotief (Amer.): Locomotive engine = locomotief; Locomotive organs = bewegingsorganen.

Locust, loukəst, sprinkhaan; krekel, cicade (Amer.).

Locution, ləkjûš’n, spreekwijze, uitdrukking.

Lode, loud, sloot of waterafvoerkanaal; metaalader.

Lodestar, Lodestone, Zie Loadstar, etc.

Lodge, lodž, subst. portiershuis (bij een buiten), hut, optrekje, hol, schuilplaats, loge, de leden eener loge, Indianenfamilie in één wigwam; Lodge verb. plaatsen, leggen, tijdelijk huisvesten, herbergen, plaats verschaffen, indienen, ingraven, zich nestelen, deponeeren, bevatten, blijven zitten (steken), logeeren: The lodges of the beaver = holen; To lodge a complaint (at, against, with) = een aanklacht indienen (te, tegen, bij); To lodge information (against) = aangeven; Certificates must be lodged with the committee = ingeleverd bij; I have lodged it in my memory = opgenomen; Lodge-keeper = portier bij een landgoed; Lodgeable = bewoonbaar; Lodger = bewoner (vooral van gehuurde kamers); Lodging = logies: Lodgings = gehuurde kamer: Furnished lodgings; Unfurnished lodgings; To live in (To stay at), To take lodgings; Lodging-allowance = toelage voor huishuur; A lodging-bill was stuck up in the window = verhuurbiljet; Lodging-house = huis waar men kamers verhuurt, hotel garni; Lodgement = huisvesting, deponeering, ophooping: The enemies secured a lodgement = kregen vasten voet.

Loft, loft, zolder, galerij of kraak, koor, verdieping, duiventil.

Loftiness, loftinəs, hoogte, verhevenheid, hoogmoed; Lofty = hoog, verheven, voornaam, trotsch.

Log, log, subst. blok hout; log, scheepsjournaal; Log verb. in blokken zagen (Amer.); opschrijven in het Log-book = scheepsjournaal; schoolregister; Log-cabin = blokhuis; Log-canoe = boot van een uitgeholden boomstam gemaakt; Log-headed = dom; Log-hut (Log-house) = blokhuis; Log-line = loglijn; Logman = houthakker, knecht op een zagerij; Log-reel = logrol; Log-roller = machine voor het laden van hout op de schabels; iemand, die, in vereeniging met anderen, de politiek tot bevordering der gemeenschappelijke belangen aanwendt; Influential log-rollers tried to impose that nobody upon the public = invloedrijke voorspraak trachtte het publiek dien “nul” op te dringen; Log-rolling = wederzijdsche hulp (in de politiek), wederzijdsche bewondering en aanprijzing (van letterkundigen en kunstenaars); Logwood = campèche-hout; Logged = met blokken bevestigd; vol water; stilstaand (van water); Logger = houthakker.

Logarithm, logərithm, logəridhm, logarithme; adj. Logarithmic(al), logərithmik(’l).

Loggerhead, logəhed, domkop: They are at loggerheads = zij hebben standjes; To come (get, fall) to loggerheads together = elkaar bij den kop krijgen.

Loggia, lodžiə, loggia, soort vóórgalerij.

Logic, lodžik, redeneerkunde, logica; Logic-chopper = pedante disputant; Logical = logisch; Logician = logicus.

Logography, ləgogrəfi, wijze van drukken, waarbij korte woorden of lettergrepen uit één type (logotype) bestaan en dus niet als afzonderlijke letters gezet worden.

Logomachist, ləgoməkist, haarkloover; Logomachy = haarklooverij.

Logos, logos, “Het Woord”, Christus.

Loin, lôin, lende(stuk): To gird up the loins = de lendenen omgorden; Loin-cloth = lendendoek; Loin-steak = lendestuk.

Loiter, lôitə, dralen, treuzelen, talmen: To loiter about = rondslenteren; He loitered away his time = verbeuzelde; Loiterer = treuzelaar.

Loll, lol, lusteloos (lui, gemakkelijk) liggen, lummelen, (laten) hangen uit (den bek): They lolled back in the carriage.

Lollard, loləd, lid eener sekte (14e eeuw); spotnaam van de volgelingen van Wiclif; ketter.

Lollipop, lolipop, een snoeperij; lekkerbek.

Lollop, loləp, lui liggen; zich log bewegen, heen en weer geslingerd worden.

Lombard, lombəd, lɐmbəd, Lombarde; adj. Lombardisch: It’s all Lombard street to a China orange = tien tegen één; Lombardic = Lombardisch; Lombardy = Lombardije.

Lomond, loumənd: Lake Lomond.

London, lɐnd’n, Londen; ook adj.: To carry to London = op handen dragen (kinderspel); London-pride = porseleinbloempje; Londoner = Londenaar; Londonese = Cockney dialect; Londonism = typisch Londensche uitdrukking; Londonize = de eigenaardigheden van Londen navolgen, Londensch maken.

Lone, loun, eenzaam, verlaten; Loneliness, subst. v. Lonely = alléén, eenzaam, akelig, somber; Lonesome = eenzaam; subst. Lonesomeness.

Long, loŋ, adj. lang, gerekt, langdurig, vervelend: He is cleverer than you by a long chalk = heel wat knapper; He cannot work a sum in long division = kan geen lange deelsom maken; Long dozen = dertien; Long figure = lang getal; Long firm = flesschentrekkersfirma; Long hand = gewoon schrift; Long hundred = 120 stuks (haringen); I will accept long odds against him = durf veel op hem wedden; It is long odds = het is honderd tegen één; Long premium = hooge premie; Long price = brutoprijs; hooge prijs; Long primer = klein romein (drukletter); You got a long pull = meer bier dan je besteld of betaald hebt; He will have to give it up in the long run = eindelijk, op den duur, ten lange leste; To dress, to travel by long stages = op z’n dooie gemak; It is a long way = een heel eind; I shan’t be long = ik blijf niet lang weg; He is long saying what he intends = het duurt lang voor hij zegt; The opportunity was not long in coming = liet zich niet lang wachten; To take long = langen tijd noodig hebben; The long and short of it is, that he went away = om kort te gaan; Long-boat = pinas; Long-bow: He draws (pulls) the long-bow = schiet met spek; Long-breathed, loŋbretht = lang van adem; Long-headed = vooruitziend, uitgeslapen; Longlegged = langbeenig; Long-lived, loŋlaivd, langdurig: Ours is not a long-lived family = onze familie wordt niet oud; Long-necked; Long-nosed; Long-shoreman = baliekluiver; The long-shore fraternity = baliekluivers; Long-sighted = vèrziend, sluw, slim: Long-sighted bill = wissel op langen tijd; subst. Long-sightedness; Long-staple = langdradig katoen; Long-suffering, subst. lankmoedigheid, geduld; adj. lankmoedig, geduldig; Long-tail, subst. langstaart (van jachthonden); Longs, fijne of adellijke lui; Chineezen, fazanten; adj. met ongekorten staart; Long-tongued = praatziek, babbelachtig; Long-winded: A long-winded speech = lange, vervelend gerekte redevoering; Longish = wat lang: Longish bills = al lang staande rekeningen.

Long, loŋ, verlangen, hunkeren; Longing = verlangend, hunkerend; ook subst.

Longevity, londževiti, lange levensduur, hooge ouderdom.

Longfellow, loŋfelou.

Longipennate, lonžipenit, met lange vleugels (zwemvogels).

Longirostral, lonžirostr’l, met langen snavel.

Long Island, loŋail’nd.

Longitude, lonžitjûd, geographische lengte; Longitudinal, lonžitjûdin’l, lengte...

Loo, lû, subst. gezelschapskaartspel; Loo verb. elken trek winnen bij dit spel: I am looed = ik heb geen enkelen trek; Loo-table = speeltafel, elegante ronde tafel.

Looby, lûbi, lummel.

Loof, lûf, loef (van een schip).

Look, luk, subst. blik, gelaat, uitdrukking; Look verb. zien, kijken, zoeken, toezien, zorgen, er uit zien, ’t uitzicht hebben, verwachten, etc.: I don’t like the look of him = ik mag zijn oogopslag niet; He does not belie his looks = hij is zooals hij er uit ziet; No one can help his looks = kan het helpen, dat hij niet mooi is; Judging from his looks = te oordeelen naar zijn uiterlijk; It looks like you = dat is net wat voor u, ’k had niet anders van u verwacht; het lijkt sprekend; Look alive! = vlug wat; Look at home = bemoei je met je eigen zaken; To look one’s best = op zijn voordeeligst; He looked black as thunder = zeer dreigend; Things looked black against her = het zag er donker voor haar uit; You look pale = ziet er bleek uit; Look sharp = maak wat voort; He looked daggers at me = doorboorde mij met zijne blikken; He looked his wish = men kon op zijn gezicht lezen wat hij wou; To look all wonder = een en al verbazing zijn; You must look about you = gij moet goed om u heen zien, uw oogen den kost geven; Will you look after the children = letten op, zorgen voor; I look at it in that light = beschouw het als zoodanig; To look back = terugzien, omzien; To look beyond = verder zien (dan), overheen zien; To look down = naar beneden kijken, de oogen neerslaan; To look down on a person = neerzien op; He looked me down = hij deed mij door zijn blik de oogen neerslaan; To look downwards = achteruitgaan in prijs; To look for = wachten op, verwachten; zoeken naar: Not looked for = onverwacht; I look forward to a pleasant evening = ik verwacht (hoop op) een prettig avondje; To look in at = even gaan kijken; To look in upon a person = even bezoeken, aanloopen bij; I looked him in the face = flink onder de oogen; To have a look-in = kans hebben; Let me look into it = eens onderzoeken; I look on him with a kind eye = zie hem met gunstig oog aan; I merely looked on = ik heb niets gedaan dan toekijken; To look out = uitkijken; To look out at (of) the window; My rooms look out upon a beautiful landscape = zien uit op; You may look out for a thorough scolding = kunt verwachten; I have looked it out = ontdekt, gevonden, uitgezocht; Is that your look-out = zoo! dat is jou plan? That’s your look-out = dat moet jij weten, is jou zaak, belang; He was on the look-out = stond op den uitkijk; On the look-out for a job = uitziende naar; He established a sharp look-out all round the bed = met scherpen blik keek hij om het geheele bed heen; Look out there = pas op! voorzichtig! I will just look over it = doorloopen, nagaan; We will look over (= overlook) your neglect = uw verzuim over het hoofd zien; My room looks over a pretty meadow = geeft uitzicht op; He looked over my book = hij keek bij mij in; To look round = To take a look-round; He seems to look through things = geheel te doorzien, grondig te kennen; I look to you for support = reken op uw steun; I look to your prudence = vertrouw op; You should look to a rich woman = uitzien naar; I have not been able to look it up = het niet kunnen vinden; The weather is looking up = knapt op; Things are looking up = beginnen er beter uit te zien; I will look you up to-morrow = ik kom morgen eens aan, ik kom eens zien waar je woont; Eggs have looked up 3 d. per dozen = zijn in prijs gerezen; I was a mere looker-on = slechts toeschouwer; Looking: Good-looking = knap; Looking-glass = spiegel; nachtspiegel.

Loom, lûm, subst. weefgetouw; gedeelte van een roeiriem binnen de dollen, handvat; roodhalzige zeeduiker, groote zeekoet; Loomery = broedplaats van looms.

Loom, lûm, schijnen, zichtbaar worden, boven den horizon of de oppervlakte verschijnen, opdoemen (als in een mist): It loomed upon my mind = doemde op voor mijn geest; Looming = zichtbaar worden, luchtspiegeling.

Loon, lûn, lummel, domkop, vent, kerel, deugniet; ijsduiker, fuut, dodaars: He is a lazy loon = luie vlegel; As crazy as a loon, As wild as a loon = zoo gek als eene windvaan, zoo wild als een springhaas; Loony = dwaas, krankzinnig.

Loop, lûp, subst. lus, lis, strop, bocht, hengsel, kijkgat; Loop verb. eene lus maken, met lussen vastmaken, opnemen, opschorten, bochten: To form an ‘h’ without a loop; The curtains were looped back = met een embrasse opgenomen; Loophole = kijkgat, sluipgat, uitvlucht; Loop-line = zij- of verbindingslijn (bij spoorwegen); Loopy = vol bochten.

Loose, lûs, los, vrij, wijd, ruim, onsamenhangend, slordig, loszinnig, dartel, loslijvig; ook subst.; Loose verb. losmaken, loslaten, ’t anker lichten, wegzeilen, losdrukken, afgaan, enz.: Loose cash (change, money) = kleingeld; Loose definition = onvolledige; Every loose farthing = losse cent; Loose fish = pierewaaier; Loose gown = peignoir; At loose ends, At a loose end = verwaarloosd, zonder regelmatige bezigheid; To be on the loose = aan den rol; To be on the loose for a job = werk zoeken; To break loose; To come loose = losgaan; To give a loose to = den teugel vieren; To let loose = loslaten; He was set loose = in vrijheid gesteld; Afternoon church was just loosing = ging juist uit; Loose-box = stalafdeeling, waarin het paard zich vrij bewegen kan; Loosen = losmaken, loslaten, loslijvig maken; losgaan, los worden; Looseness = losheid, slapheid, liederlijkheid; loslijvigheid (= Looseness of the bowels); Loosely = losjes: A loosely-hung boy of sixteen = lange slappe lijs van een jongen; A loosish mouth = slap, flabberig.

Loot, lût, subst. buit, roof; Loot verb. rooven, buitmaken, plunderen: The waggon had been looted of its provisions.

Lop, lop, subst. afgesnoeide takken of hout; Lop verb. snoeien, afsnijden, knotten; laten vallen, neerhangen, rondboemelen (about); A lop-eared dog = met hangende ooren; Lop-sided = scheef, eenzijdig; The lop-sidedness of such societies = de éénzijdigheid van zulke genootschappen; Lopping-shears = snoeischaar.

Lope, loup, subst. sukkeldraf, lange stap; Lope verb. lange stappen maken, draven.

Loquacious, ləkweišəs, babbelziek, druk; subst. Loquaciousness = Loquacity, ləkwasiti.

Lor, lö, heerejé.

Lord, löd, heer, meester, hoogste Wezen, echtgenoot, pair van het rijk, zoon van hertog of markies, oudste zoon van een earl, eeretitel (als in Lord Mayor); Lord verb. met macht bekleeden; heerschen over, bestrijken: The Lord = de Heere, Jezus Christus; The Day of the Lord = dag des oordeels; Lord’s = Lord’s Cricket Ground in Londen; The Lord’s Day = dag des Heeren; The Lord’s Prayer = het Onze Vader; The Lord’s Supper = het Avondmaal; The Lord Harry = de duivel; The House of Lords = het Hoogerhuis (der Lords) in Engeland; Lord-Advocate = Advocaat-Generaal (Schotl.); Lord-lieutenant = Commissaris der Koningin (des Konings), Onderkoning (Ierland); Lord Mayor = titel van sommige burgemeesters, bijv. v. Londen, Dublin en York (de andere heeten eenvoudig Mayor); Lord of Misrule = leider der Kerstmispret in vroegere dagen; Lords spiritual = de geestelijke leden (aartsbisschoppen en bisschoppen) van het House of Lords (tegenover de wereldlijke leden, die Lords temporal heeten); Lords of (the) creation = heeren der schepping, de mannen; First Lord of the Treasury, Lord High Treasurer = hoofd van den Board of Treasury, bestaande uit dien First Lord (doorgaans de premier), den Chancellor of the Exchequer en 3 Lords Commissioners of Junior Lords; I won’t allow him to lord it over me = om mij te commandeeren; The hill lords it over the surrounding landscape = steekt hoog uit boven; Lordlike = Lordly; Lordliness = hooge rang, trots, aanmatiging; Lordling = jonge lord, pseudo lord; Lordly = voornaam, heerschzuchtig, hoogmoedig; Lordolatry = lordvereering; Lordship = heerschappij, macht, heerschap, grondgebied van een lord, titel: His (your) Lordship.

Lore, lö, kennis, wetenschap, leer.

Lorenzo, lərentsou.

Lorgnette, lönjet, tooneelkijker, lorgnon.

Lorica, ləraikə, pantserhemd; schild.

Lorikeet, lorikît, soort papegaai.

Loriot, loriot, wielewaal (vogel).

Lorn, lön, verlaten, ongelukkig.

Lorraine, lorein: Lorrainer = bewoner van L.

Lorrie, Lorry, lori, lorrie (dienstwagentje).

Lory, lôri, soort van papegaai.

Lose, lûz, verliezen, verbeuren, verspelen, verkwisten, doen verliezen, achterloopen; verdwalen (oneself): I lose my debts = men betaalt mij niet; You have lost flesh since = zijt mager geworden; You seem to have lost your head = het hoofd verloren te hebben, schijnt de kluts kwijt te zijn; I frequently lost heart in those days = verloor dikwijls den moed; To lose one’s heart = verliefd worden; I lost my legs = raakte van de been; To lose sight of = uit het oog verliezen; They had lost their soundings = zij konden geen grond meer peilen; To lose one’s way = verdwalen; He was lost to all sense of honour = alle eergevoel was er uit; Good words are lost upon him = hebben geen vat op hem; Loser: You always were a bad loser = je hebt nooit tegen verlies gekund; He shall be no loser by it = zal er geen schade bij hebben; To come off a loser = aan ’t kortste eindje trekken; We are fighting a losing battle, playing a losing game = vergeefs, zonder hoop.

Loss, los, verlies, het verlorene, nadeel: He bears his loss well = kan goed tegen; This world with its losses and crosses = moeiten en bezwaren; I was at a loss how to do it = verlegen hoe ik het zou aanpakken; At a loss for money = in geldverlegenheid.

Lost, lost, imperf. en part. perf. van to lose.

Lot, lot, lot, aandeel, post, partij, portie, stuk lands, bouwterrein, hoop, boel; Lot verb. in porties of stukken verdeelen: He bought about a hundred lots = honderd nummers (uit den catalogus); Let us cast lots = er om opgooien of loten; I have cast (thrown) (in) my lot with yours = heb mijn lot aan het uwe verbonden; To come quite a lot = druk komen; They have drawn lots = geloot; It fell to my lot = mij ten deel; To like quite a lot = een “boel” houden van; They made a lot of him = ze haalden hem erg aan, fêteerden hem zeer; He has lots of money = een ‘schep’ geld; Let us have lots of room here = zorg, dat we hier veel ruimte krijgen; He thinks a lot of himself = hij denkt dat hij heel wat is; Can you walk a lot? = een heel eind?

Loth, louth. Zie Loath.

Lothario, ləthêriou, verleider (naar een rol in Rowe’s The Fair Penitent): A gay Lothario = een Don Juan.

Lotion, louš’n, wassching, waschmiddeltje, schoonheidswatertje; sterke drank.

Lottery, lotəri, loterij, het loten: To hold a lottery; Lottery-ticket.

Lotos, loutəs, lotus(boom), lotusvrucht, Indische waterlelie, rolklaver; Lotos-eater = lotuseter, iemand, die zich aan droomerige gemakzucht overgeeft.

Lotto, lotou, Lotto- of kienspel.

Loud, laud, luid, luidruchtig; sterk, onwelriekend; opvallend, opzichtig: Those that laugh last, laugh loudest = die het laatst lacht, lacht het best; A loud dress = opzichtige, drukke japon; She dresses loud = opzichtig; He said it out loud = luide; Loud-voiced = met luider stem; subst. Loudness.

Lough, lok, meer; Loughborough, lɐfbərou; Louis, lûis, St. Louis; Louisa, luîzə; Louisiana, lûižânɐ; Louisville, lûisvil.

Lounge, launž, subst. slentergang, soort sofa; zaal of veranda in een hotel; Lounge verb. lummelen, rondslenteren, lui liggen, lanterfanten; Lounger.

Louse, laus, luis; Lousiness, subst. v. Lousy, lauzi, vol luizen, gemeen.

Lout, laut, subst. lummel, pummel, kinkel; Lout verb. buigen, bukken, (zich) vernederen; Loutish = lummelachtig, onhandig; subst. Loutishness.

Louth, laudh, lauth; Louvain, luvein.

Louver, Louvre, lûvə, lantaren (archit.); Louvre-window = klankgat.

Lovable, beminnenswaardig; subst. Lovableness.

Love, lɐv, subst. liefde, genegenheid, vriendschap, teederheid, lieverd; Love verb. beminnen, liefhebben, aanhalen, behagen scheppen in: Love God = Amor; Love-all! = beide partijen niets; Yes, my love = ja, lieve; First love never lasts = is niet bestendig van duur; Love laughs at blacksmiths = liefde zoekt list; Love in a cottage, Love in a hut with water and a crust = in een hutje op de heide, huwelijk zonder geld; To be in love with = verliefd zijn op; To be out of love with = iets moede (zat) zijn; I did it out of love for you = uit liefde voor; To fall in love with = verliefd worden op; Give my love to your sister = groet ... hartelijk; It cannot be got for love or money = voor geen geld of goede woorden; There is no love lost between them = zij mogen elkaar niet; To make love to = het hof maken; I made love to the gardener to let me gather the flowers myself = coquetteerde met; We play for love = spelen om ’s keizers baard; To send one’s love = zijn complimenten doen; That work is a labour of love = uit liefde tot stand gekomen; A love of a book = een allerliefst boek; Loves of girls = snoezige meisjes; I love to go there = ik ga er graag heen; Love me, love my little dog = wie mij lief heeft, moet alles van mij lief hebben; Love-affair = liefdezaak; Love-apple = tomaat; Love-charm = liefdesdrank; Love-child = onecht kind; Love-crossed = ongelukkig in de liefde; Love-feast = liefdemaal; Love-in-idleness = driekleurig viooltje; Love-in-a-mist = juffertje in ’t groen; Love-knot = liefdeknoop; Love-letter = minnebrief; Love-lies-a-bleeding = kattestaart; Love-lights: The love-lights were shining in her blue eyes = hare blauwe oogen straalden van liefde; Love-lock = haarlok of krul bij het oor (oudtijds in de mode); Love-lorn = verlaten door de(n) geliefde, doodelijk verliefd; Love-making, hofmakerij, vrijerij; Love-match = huwelijk uit liefde; Love-potion = liefdesdrank; Love-shaft = minnepijl; Love-sick = sentimenteel (smachtend) verliefd; subst. Love-sickness; Love-song = minnelied; Love-token = minnepand, liefdegeschenk; Loveable = Lovable; Loveless = liefdeloos; Loveliness = lief(elijk)heid; Lovely = lief, beminnelijk, mooi, snoeperig; Lover = minnaar: A pair of lovers = een paar geliefden; Loveworthiness = beminnenswaardigheid; adj. Loveworthy; Loving: Love-cup = vriendschapsbeker (moest om zijne grootte met twee handen worden aangevat); Love-kindness = goedertierenheid (Bijb.), liefde, toewijding; Loveness = liefde, teederheid.

Low, lou, laag, klein, diep, goedkoop, karig, somber, droefgeestig, zwak, gering, nederig, ordinair, gemeen, verachtelijk, plat; Low Church = de meer Puriteinsche of Evangelische richting in de Angl. Kerk; The Low Countries = de Nederlanden; Low dress = laag uitgesneden japon; Low fever = binnenkoorts; Low German = Nederduitsch; Low Latin = Middeleeuwsch Latijn; Low life = leven der lagere standen; Low mass = stille Mis; Low Sunday = eerste Zondag na Paschen; Low tide = laag tij; To be low = laag staan (van koersen), terneergeslagen zijn, er slecht aan toe zijn; I feel very low to-day = ben niet monter; He lies low = is dood; houdt zich schuil; My story is running low = raakt op; To speak low = zacht; Low-born = van lage afkomst; Low-bred = van lage komaf; onbeschaafd; Low-caste = van een lage kaste, stand of ras; Low-class = van mindere kwaliteit; Low-crowned = met lagen bol; Low-laid = begraven; Lowland = laag gelegen (land); Lowlands = de lagere landen van Schotland; de Nederlanden; Low-minded = van verachtelijke beginselen; Low-necked = (japon) met laag uitgesneden hals; Low-pitched roof = laag dak; Low-pressure = lage drukking, laagdruk; Low-priced = goedkoop; Low-rated = geminacht; goedkoop; Low-spirited = somber, neerslachtig; subst. Low-spiritedness; An easy, low-tread staircase = met lage treden; Low-voiced = met zachte, vriendelijke stem; Lower = lager, onder - -; Lower verb. laten zakken, verlagen, lager draaien, vernederen, strijken: To lower the colours = de vlag strijken (ook fig.); To lower the gas; Prices were lowered = de prijzen werden verminderd; I will lower his pride = ik zal zijn trotsch wel breken; Lowermost = laagst; At lowest = op z’n laagst, minst; Lowliness = subst. v. Lowly = laag, nederig, bescheiden; deemoedig; Lowness = laagheid, diepte, ontoereikendheid, gemeenheid, enz.

Low, lou, subst. geloei; Low verb. loeien, bulken; Low-bell = bel aan den hals van vee; een bel gebruikt bij het bat-fowling.

Lowe, lou; Lowell, louəl; Lowestoft, loustoft.

Lower, lauə, dreigend, somber en norsch zien: Lowering thunder-clouds = dreigende onweerswolken.

Lowndes, laundz; Lowth, lauth.

Loyal, lôiəl, trouw, oprecht, eerlijk; Loyalist; Loyalty = trouw.

Lozenge, loz’nž, ruit (Herald.); ruitvormige tablet of pastille; ruitvormige vensterruit; Lozenge-moulding = versiering met ruitvormige paneelen; Lozenge-shaped = ruitvormig = Lozenged.

Lubber, lɐbə, lomperd, lummel; onbevaren matroos.

Lubricant, l(j)ûbrik’nt, glad of smeuig makend; subst. smeersel; Lubricate, l(j)ûbrikeit, smeren, olieën; subst. Lubrication; Lubricator = smeertoestel.

Lucan, l(j)ûk’n, Lucanus.

Luce, l(j)ûs, volwassen snoek.

Lucernal, lusɐ̂n’l, lamp ...: Lucernal microscope = lampmicroscoop.

Lucern(e), l(j)usɐ̂n, l(j)ûsən, honigklaver.

Lucern, l(j)usɐ̂n, l(j)ûsən, Lucia, l(j)ûšə; Lucian, l(j)ûš’n.

Lucid, l(j)ûsid, schitterend, stralend, helder, duidelijk, begrijpelijk: Lucid interval = helder oogenblik; subst. Lucidity = Lucidness.

Lucifer, l(j)ûsifə, de Satan; Venus (ster); lucifer = Lucifer match; Luciferian, l(j)ûsifîriən, satansch.

Lucilius, l(j)usiliəs; Lucina, l(j)usainə.

Luck, lɐk, toeval, geluk, fortuin: Good luck, Ill luck = geluk, ongeluk; Worse luck = jammer genoeg! He was down on his luck = er slecht aan toe, in geldverlegenheid; You are in luck = gij boft; He has a run of good luck = het loopt hem voortdurend mee; Luck for the fools, and chance for the ugly = gekken krijgen de kaart; Luck-penny = gelukspenning, kleine som, die de verkooper aan den kooper teruggeeft als gelukspenning; Luckiness = geluk; Lucky = gelukkig: He is a lucky dog; Unlucky in love, Lucky at play = gelukkig in het spel, ongelukkig in de liefde; A lucky hit = treffer, gelukje; Luckless = ongelukkig, zonder resultaat, ongunstig: It was a luckless boast = onzalige blufferij.

Lucknow, lɐknau.

Lucrative, l(j)ûkrətiv, winstgevend, voordeelig; Lucre, l(j)ûkə, winst, voordeel, hebzucht.

Lucrece, l(j)ûkrîs = Lucretia.

Lucubrate, l(j)ûkjubreit, bij nacht werken, ernstig bepeinzen, in nachtelijke studie bewerken; subst. Lucubration; Lucubrator.

Lucy, l(j)ûsi.

Ludicrous, l(j)ûdikrəs, grappig, koddig, lachwekkend, belachelijk; subst. Ludicrousness.

Lues, l(j)ûîz, pest: Lues venerea = syphilis.

Luff, lɐf, subst. loefzijde; Luff verb. loeven: Keep and luff! = loeven! The ship was luffing up to the wind = was aan het oploeven.

Lug, lɐg, subst. oor; breefok; Lug verb. trekken, sleepen; betalen (out): In two shakes of a cat’s lug = in een ommezientje; He lugged off his hat with a bend = rukte af; Lug-mark = merk in het oor v. varken of schaap, enz.; Lug-sail = breefok; Lug-worm = soort van regenworm (als aas gebruikt).

Luggage, lɐgidž, bagage, passagiersgoed, pakkage; Luggage-office = bagagebureau; Luggage-porter = witkiel; Luggage-ticket = bagagereçu; Luggage-train = goederentrein; Luggage-van, Luggage-waggon = goederenwagen.

Lugger, lɐgə, logger.

Lugubrious, l(j)ugjûbriəs, treurig, somber; subst. Lugubriousness.

Luke, l(j)ûk, Lucas.

Lukewarm, l(j)ûkwöm, lauw, onverschillig, koel; subst. Lukewarmness.

Lull, lɐl, subst. tijdelijke stilte of kalmte; Lull verb. in slaap maken, kalmeeren, gaan liggen: A sudden lull in the conversation = plotselinge stilstand; The lull before the storm; The lull of August = de Augustusstilte (wanneer de vogels gedurende een tijd zich niet laten hooren).

Lullaby, lɐləbi, wiegeliedje; Lullaby verb. in slaap zingen.

Lumbaginous, lɐmbadžinɐs, spit - -; Lumbago, lɐmbeigou, lendepijn, spit in den rug.

Lumbar, lɐmbə, lende - -: Lumbar region = lendestreek.

Lumber, lɐmbə, subst. rommel, prullen, afval, ruw bekapt timmerhout (Amer.); Lumber verb. verward opstapelen, met rommel vullen; boomen vellen en ruw bekappen (Am.), zich lomp (zwaar) bewegen, rammelen: A lumbering carriage; The deck was lumbered up = het dek stond vol rommel; Lumberman = houthakker, houthandelaar (Amer.); Lumber-room = rommelkamer, pakkamer; Lumberer = Lumberman.

Lumbrical, lɐmbrik’l, wormachtig, wormvormig.

Luminary, l(j)ûminəri, lichtgevend (hemel)lichaam; lichtende ster op eenig gebied (fig.): Luminary of the criminal law; Luminiferous = lichtgevend; Luminosity = glans, helderheid; Luminous = stralend, schitterend, licht - -, helder; subst. Luminousness.

Lummy, lɐmi, uitstekend; sluw.

Lump, lɐmp, subst. klomp, (vormelooze) massa, hoop, buil; plomp persoon; Lump verb. in één massa vereenigen, bij elkaar gooien: I knocked my head against the wall, and had a lump above my eye = buil; I felt a lump in my throat = een prop; I bought them in the lump = zooals ze daar waren, den geheelen hoop; I sold them by the lump = in massa, bij den roes; His lump of benevolence = welwillendheidsknobbel; A lump of fuel = brok; A lump of sugar = klontje; Whether you like or lump him, he is your master = of ge hem moogt of niet; Lump-sugar = suiker in blokjes of klontjes; A lump sum = ronde; Lumper = dokwerker; Lumpiness = bulterigheid; A lumping lot = kolossaal stuk; Lumpish = lomp, dom; subst. Lumpishness; Lumpy = vol dikten of knobbels, onstuimig, dronken: Who has made my bed? It is awfully lumpy.

Lunacy, l(j)ûnəsi, krankzinnigheid.

Lunar, l(j)ûnə, van de maan, maans...: Lunar cycle = maancirkel; Lunar eclipse = maansverduistering; Lunar month = 29½ dag; Lunar year = maanjaar; Lunate(d) = sikkelvormig.

Lunatic, l(j)ûnətik, krankzinnig; subst. krankzinnige: Lunatic asylum (əsail’m) = krankzinnigengesticht.

Lunch, lɐnš, subst. tweede ontbijt, noenmaal; Lunch verb. het tweede ontbijt gebruiken; Lunch-bar = lunch-room; ook: Luncheon.

Lunette, l(j)unet, lunette; concaaf-convex glas, patentglas, oogklep.

Lung, lɐŋ, long: Those of feeble lungs; There was no disease of the lungs; Lung-chill = bekleuming; Lung-sick = longziek; subst. Lung-sickness.

Lunge, lɐnž, subst. stoot, uitval bij ’t schermen, ruk, plotselinge beweging; Lunge verb. een uitval doen, zich met een ruk bewegen: He made a lunge at my uncle, on his heart.

Lunt, lɐnt, subst. lont; rook en vlam (Schotl.); Lunt verb. vlammen, rook uitwerpen.

Lunular, l(j)ûnulə, sikkelvormig; Lunulate(d) = met sikkelvormige vlekken.

Lupercal, l(j)ûpək’l, l(j)ûpɐ̂k’l (Mv. Lupercalia, l(j)ûpəkeiljə), het feest van Lupercus; Lupercalian = daartoe behoorende.

Lupine, l(j)ûp(a)in, lupine, wolfsboon.

Lupulin, l(j)ûpjulin, lupuline, hopbitter.

Lupus, l(j)ûpəs, lupus.

Lurch, lɐ̂tš, subst. een plotselinge zijwaartsche beweging, overhalen (scheepst.); Lurch verb. gieren, overhalen, slingeren; op de loer liggen; ontfutselen: The coach gave a sudden lurch to = helde plotseling over naar; He left me in the lurch = in den steek; We lay on the lurch = lagen op de loer; Lurcher = strooper; soort van jachthond (uit wolfshond en hazewind).

Lure, l(j)ûə, subst. lokaas; Lure verb. lokken, verlokken, roepen.

Lurid, l(j)ûrid, vuilbruin, duister; spookachtig, doodsbleek, somber; schril.

Lurk, lɐ̂k, op de loer liggen, loeren, schuilen, zich schuil houden, verscholen zijn; Lurker; Lurking-hole, Lurking-place = schuilplaats; Lurking rocks = blinde klippen.

Lurry, lɐri, Zie Lorry.

Luscious, lɐšəs, zeer zoet, heerlijk, lekker; overdreven; subst. Lusciousness.

Lush, lɐš, weelderig, sappig.

Lush, lɐš, drank, bier; Lush verb. drinken, zuipen: To lush and feed = volop (laten) eten en drinken; Lushy = aangeschoten, dronken.

Lusiad, l(j)ûsiad, Lusiade.

Lusitania, l(j)ûsiteinjə.

Luskish, lɐskiš, vadsig; subst. Luskishness.

Lust, lɐst, subst. zucht, begeerte, zinnelijke lust, wellust; Lust verb. begeerte voeden, haken (met after): The lust of the chase = begeerte naar jagen; The lust of conquest; Lustful = onkuisch, zinnelijk; krachtig; subst. Lustfulness; Lustihood = Lustiness, subst. v. Lusty = krachtig, flink, kloek.

Lustral, lɐstr’l, reinigings - -, wij - -; Lustrate, door offers reinigen; Lustration = reiniging, wijoffer.

Lustre, lɐstə, glans, luister, schittering, lichtkroon met hangers van geslepen glas; lustre (stof); lustrum; Lustreless = glansloos, mat; Lustrous = vol glans, schitterend.

Lustring, lɐstriŋ. Zie Lute-string.

Lustrum, lɐstr’m, lustrum; zoenoffer.

Lutation, l(j)uteiš’n, luteering; Lute, l(j)ût, subst. luit; kleefdeeg, kit; gummiring; Lute verb. op de luit spelen; met kleefdeeg dicht maken, luteeren: A rift in the lute = een wanklank; Lute-string = snaar.

Lutestring, l(j)ûtstriŋ, lustrine, glanstaf.

Luther, l(j)ûthə = Luther; Lutheran = Luthersch; ook subst.; Lutheranism = leerstellingen van L.

Luthern, lûthən, dakvenster.

Luxuriance, -cy, lɐgžûriəns(i), lɐkšûriəns(i), weelderigheid; Luxuriant = weelderig, overvloedig; Luxuriate = weelderig voortwoekeren, zwelgen in; Luxuriation = weelderige groei; Luxurious = weelderig, overmatig; subst. Luxuriousness.

Luxury, lɐkšəri, weelde, weelderige leefwijze, luxe, prachtlievendheid, kostbaarheid, lekkernij.

Lyall, laiəl.

Lycanthrope, laikənthroup, laikanthroup, weerwolf; Lycanthropy = weerwolfsziekte.

Lyceum, laisîəm, lyceum.

Lycopodium, laikəpoudiəm, lycopodium: Lycopodium powder.

Lycurgus, laikɐ̂gəs.

Lyddite, lidait, lyddiet.

Lydia, lidjə, Lydië, Lydia: Lydian = Lydiër; Lydisch; Lydian stone = toetssteen.

Lye, lai, loog.

Lying, laiiŋ, Pres. Part. van To lie = liggen: Lying-in = kraambed; Lying-in hospital = hospitaal voor kraamvrouwen; Lying-in woman = kraamvrouw; Lying-to = bijgedraaid liggen.

Lying, laiŋ, Pres. Part. van To lie = liegen; leugenachtig; leugen.

Lyly, lili; Lyme Regis, laimrîdžis.

Lymph, limf, lymphe; Lymphatic = lymphatisch, lymph...; subst. lymphvat; Lymphy = lymphachtig.

Lynch, linš, lynchen (Amer.); Lynch-law = lynchwet, eigenmachtige handhaving van het recht door het volk zelf; Lyncher.

Lynx, liŋks, los; Lynx-eyed = met scherpen blik.

Lyon, laiən: The Lyon King-at-(of) arms = Schotsche wapenheraut = Lyon Herald, Lyon King.

Lyons, laiənz, Lyon; Lyra, lairə.

Lyre, laiə, lier: To play (touch) the lyre = de lier bespelen, dichten, zingen; Lyric = lyrisch; lyrisch gedicht: Lyric poetry, lyrische poëzie.

Lysander, laisandə; Lysimachus, laisiməkɐs; Lytham, lithəm.

Lythe, laidh, koolvisch (Schotl.).

M.

M, em, verk. voor Marquis, Masculine, Meridian, Middle, Mile(s), Mille (Thousand), Minute, Monday, Morning; M(agister) A(rtium) of M(ilitary) A(cademy); Macc(abees); Mach(ine); Mad(am), Mag(azine); Maj(or) Gen(eral); Mal(ayan); Mar(ch) of Mar(itime); Marq(uis); Masc(uline); Mass(achusetts); Math(ematics); Matt(hew); M(edicinae) B(accalaureus); M(ember of) C(ongress) of M(aster of) C(eremonies); M(edicinae) D(octor); Mdlle = Mademoiselle; M(ost) E(xcellent); M(ilitary) E(ngineer); Mech(anics); Med(icine); Med(iaeval) Lat(in); Mem(orandum); Messrs = Messieurs; Met(aphysics); Metaph(ysics); Meteor(ology); Meth(odist); M(aster of) F(ox) H(ounds); M(ost) H(onourable); M(iddle) H(igh) G(erman); Miss(issippi); M(ember of the) I(nstitute of) C(ivil) E(ngineers); Min(eralogy); Minn(esota); Min(ister) Plen(ipotentiary; M(ember of the) K(ing’s and) Q(ueen’s) C(ollege of) P(hysicians); M(ember of the) L(ondon) S(chool) B(oard); M.M. = Their Majesties, of: Gentlemen; Mn. = Michigan; Mo. = Missouri of Month; Mod(ern); Mon(day); Mons(ieur); M(ember of) P(arliament); M(ember of the) P(hilological) S(ociety); Mr. = Master, Mister; M(ember of the) R(oyal) C(ollege of) P(hysicians); M(ember of the) R(oyal) G(eographical) S(ociety); M(ember of the) R(oyal) A(cademy); Mrs. = Mistress, misiz; M(ember of the) R(oyal) S(ociety of) L(iterature); M(aster of) S(urgery); Ms. = Manuscript; Mss. = Manuscripts; Mt. = Mount; Mts. = Mountains; Mus(eum) of Mus(ical); M(ost) W(orthy) G(rand) M(aster); Myth(ology).

Ma, mâ, Mama (kindertaal).

Ma’am, mam of mâm, verk. van Madam: Ma’am-school = Dame-school (Amer.).

Mab, mab, feeënkoningin; slons; huurrijtuig.

Mabel, meib’l.

Mabys, mabis, jonge dienstbode, eig. verk. van M(etropolitan) A(ssociation for) B(efriending) Y(oung) S(ervants).

Mac, mak, zoon (vóór Schotsche en Iersche namen).

Macaco, məkeikou, vosaap of maki.

Macacus, məkeikəs, Turksche aap of magot.

Macadam, makadəm: Macadam pavement(road) = macadam (steenpuin of granietkiezel) weg; Macadamization, subst. v. Macadamize, macadamiseeren, een straatweg aanleggen naar het stelsel van Mac-Adam.

Macaroni, makərouni, macaroni, mengelmoes; iets uitstekends; fat; Macaronic = dwaas, ijdel, hansworsterig; uit bont dooreengemengde woorden van verschillende talen gevormd (vers).

Macaroon, makərûn, macrone (koekje).

Macassar, məkasə, Macassar: Macassar oil.

Macaulay, məkôli.

Macaw, makô, roode ara (soort v. papegaai).

Macbeth, məkbeth; Maccabean, makəbîən, Maccabeesch; Maccabee, makəbî, Maccabeër; Mac Carthy, məkâthi; Mac Donald, məkdonəld, Macdougal, məkdɐg’l; Macduff, məkdɐf.

Mace, meis, staf, scepter; vroegere lange billartqueue, vroegere knots; zwendel, geleend geld; Mace verb. bedriegen, leenen: On mace = op “de pof”; Mace-bearer = pedel, stafdrager.

Macedon, masidon; Macedonia, masidounjə, Macedonië; Macedonian, subst. Macedoniër; adj. Macedonisch.

Macerate, masəreit, afmatten, kastijden; laten weeken, macereeren; subst. Maceration.

Machiavel, makiəvel; Machiavelian, makiəveliən, subst. en adj. (volgeling) van Machiavelli (1469–1527); sluw, dubbelhartig, trouweloos (mensch); Machiavelism = de beginselen van M., staatkundige dubbelhartigheid.

Machinate, makineit, kuipen; Machination = kuiperij; Machinator = intrigant.

Machine, məšîn, subst. werktuig, toestel, machine, machinerie, naaimachine, badkoets, fiets, wagen, brandspuit (Amer.); de deus ex machina in drama (= machining God); Machine verb. machinaal, met behulp eener machine vervaardigen of uitvoeren, op de naaimachine werken: Machine-gun = soort v. mitrailleuse; Machine-made = machinaal: Machine-made manners; Machine-ruler = linieermachine; Machine-work = fabriekswerk; Machinery = machinerie, mecanisme; het bovennatuurlijk ingrijpen ter ontwikkeling der catastrophe.

Machinist, məšînist, machinist, constructeur van machines; machinenaaister; fietser: Coventry machinist = rijwielfabrikant.

Mackay, məkai, məkei; Mackenzie, məkenzi.

Mackerel, makerel, makreel: Mackerel-sky = lucht met kleine schapenwolkjes.

M(a)cKinley, məkinli: McKinley Bill = de in 1890 aangenomen Amer. beschermende rechten.

Mackintosh, makintoš, waterdichte stof, jas of mantel daarvan; adj. waterdicht; Mackintosh verb, waterdicht maken.

Macleod, məklaud; Maclise, məklîs; Macmillan, məkmil’n; Mac Neill, məknîl; Macomb, məkûm, məkoum; Macpherson, məkfɐ̂s’n; Macready, məkrîdi.

Macrocosm, makrəkozm, het heelal.

Macron, makron, meikron, lengteteeken (ā).

Macropod, makrəpod, langbeenig; Macropus, makrəpɐs, kangoeroe.

Macroscopic(al), makrəskopik(’l), voor het bloote oog zichtbaar.

Macula, makjulə, vlek; Maculate, adj. bevlekt (ook fig.); Maculate verb. bevlekken; Maculation = bevlekking, vlek; Maculose, makjulous = gevlekt.

Mad, mad, krankzinnig, dolzinnig, razend, woedend, overmoedig; Mad verb, dol maken (Amer.): To be mad with joy = dolblij zijn; He has driven me mad = gek gemaakt; He is sure to go (run) mad = wordt bepaald gek; Mad as a hatter, as a march-hare = stapelgek; Mad on (upon, for, of) = dol op; Mad-brained = dol, razend, dwaas; Madcap, subst. dolhoofd, dolleman; adj. dol, dwaas; Mad-headed = dol; Madhouse = gekkenhuis; Madman = krankzinnige, dolleman; Madwort = schildzaad, steenkruid; Madden = dol of woedend maken, razend worden; The madding crowd = de woeste, woelige (dwaze) menigte; Madness = krankzinnigheid, waanzin, dolheid.

Madam, mad’m, Mevrouw, Juffrouw; Madame, madâm, mevrouw, “madam”: At Madam Jeff’s = bij “Madam” J.; To-morrow madam returns to the kitchen = morgen kan men de mooie “madam” weer in de keuken vinden; He always addresses her as “Madam”, and treats her as a princess.

Madder, madə, meekrap; Madder verb, met meekrap verven.

Made, meid, imperf. en part. van to make; gemaakt, kunstig vervaardigd, (toebereid), afgeëxerceerd, afgericht, verzonnen (up): Made gravy = bouillon; Made land = ingedijkt land (Amer.); You are a made man = uw fortuin is gemaakt; Made mast = gekuipte mast; Made word = nieuw woord; Made (up) dishes = fijne schoteltjes; I have seen them made that way = van dat soort heb ik wel gekend; As slangy as sporting-papers are made = maar kunnen zijn. Zie Make.

Madeira, mədîrə, mədêrə, Madera(wijn): Madeira mahogany(-wood) = echt mahoniehout.

Madge, madž, verkorting van Margaret.

Madonna, mədonə, Madonna; soort alpaca.

Madox, madəks; Madras, mədras, Madras; halfzijden stof.

Madrepore, madripö, sterkoraal.

Madrid, mədrid.

Madrier, madriə, madrîə, sterke balk, plank.

Madrigal, madrig’l, madrigal.

Madrilenian, madrilînj’n, uit Madrid, bewoner v. M.

Madura, madjûrə; Maecenas, məsînas.

Maelstrom, meilstrom, mâlstrom, maalstroom; ook fig.

Maenad, mînad, Bacchante; dol wijf.

Maestro, ma-estrou, meester, beroemd componist.

Maffick, mafik: Mafficking = dol en ruw feestbetoon op straat (oorspronkelijk naar aanleiding van het ontzet van Mafeking 17 Mei 1900); -er.

Mag, mag, babbelen, plagen; subst. snater, babbelkous; halfpenny.

Magazine, magəzîn, magazijn, tijdschrift; kruitkamer (magazijn): Magazine rifle.

Magdalen, magdəlen, Magdalena: Magdalen asylum = huis voor gevallen vrouwen; Magdalen(e) môdlin: Magdalen College te Oxford.

Magdeburg, magdəbɐ̂g, Maagdenburg: Magdeburg hemispheres, Maagdenburger halve bollen.

Mage, meidž = Magician.

Magellan, məgel’n, mədžel’n, Magellaan: Strait of Magellan = Straat van Magellaan; Magellanic, magəlanik, madžəlanik, v. Magellaan: Magellanic clouds = Magellaansche vlekken, kaapwolken.

Maggot, magət, made; gril; Maggoty = vol mijten of maden; grillig, prikkelbaar; subst. Maggotiness.

Magi, meidžai, mv. van Magus; Magian = de Magiërs betreffende; Magiër.

Magic, madžik, tooverkunst, hekserij, tooverkracht; adj. Magic(al) = tooverachtig, betooverend; Magic circle = tooverkring; Magic flute = tooverfluit; Magic lantern = tooverlantaarn; Magic square = vierkant van zoodanige cijfers, dat deze loodrecht, of horizontaal of diagonaal opgesteld, steeds dezelfde som leveren; Magician, mədžiš’n, toovenaar.

Magister, mədžistə, magister; Magisterial = heerschend, gebiedend, trotsch; subst. Magisterness.

Magistracy, madžistrəsi, de magistraat, magistratuur; Magistral, madžistr’l, gebiedend; volgens bepaald recept (pharm.); Magistrate, madžistreit, overheidspersoon, vrederechter.

Magna C(h)arta, magnəkâtə, de Magna Charta v. Jan Zonder Land (1215).

Magnanimity, magnənimiti, grootmoedigheid; adj. Magnanimous.

Magnate, magnit, voornaam persoon.

Magnesia, magnîšə, magnîžə, magnesia: Sulphate of magnesia = Epsom salts; Magnesian = magnesium bevattend; Magnesium: Magnesium-light.

Magnet, magnət, magneet, magneetstaaf; Magnetic, magnetik, magnetisch, magneet - -, miswijzend, aantrekkend: Magnetic field; Magnetic needle; Magnetic poles; Magnetism = magnetisme; aantrekkingskracht: Terrestrial magnetism = aardmagnetisme; Magnetization, subst. v. Magnetize = magnetiseeren; Magnetizer = magnetiseur; Magneto-electric(al) of Magneto-electric(al); Magneto-ignition = magneetontsteking; Magnetometer = magnetische krachtmeter; Magneto-motor of Magneto-motor; Magneto-telegraph.

Magnific(al), magnifik(’l), prachtig, heerlijk.

Magnificat, magnifikat, lofzang ter eere van Maria (Lukas I, 46–55); Magnification = vergrooting.

Magnificence, magnifisens, grootschheid, luister; Magnificent = grootsch, prachtig, prachtlievend.

Magnifico, magnifikou, vroeger Venetiaansch edelman; rector eener Duitsche Hoogeschool; groot heer.

Magnifier, magnifaiə, vergrooter, vergrootglas; Magnify, magnifai, vergrooten, verheerlijken: Magnifiering-glass = vergrootglas.

Magniloquence, magniləkwens, grootsprekerij, bombast; adj. Magniloquent, magniləkwent.

Magnitude, magnitjûd, grootte, omvang, belangrijkheid.

Magnolia, magnouljə, magnolia.

Magnum, magn’m, dubbele flesch (± 2 L.): Magnum bonum, magn’mboun’m, soort van groote pen, pruim of aardappel.

Magog, meigog, groote reus (1 Mos. X, 2).

Magot, magot, məgou, magot (aap, Chineesch poppetje).

Magpie, magpai, ekster, babbelkous, halfpenny, schot in den buitensten ring.

Magus, meigəs, Magiër, Wijze uit het Oosten.

Magyar, madjâ, mədžâ, Magyaar(sch).

Mahabharata, mahâbârətə, een Indisch epos.

Maharajah, maharâdžâ, Maharadsja (titel).

Mahatma, mahatma, Boeddhistisch priester, theosoof.

Mahdi, mâdi, Madhi; Madhist, aanhanger van den Madhi; Mahdism = zijne leer.

Mahlstick, mâlstik = Maulstick.

Mahogany, məhogəni, mahoniehout; (eet)tafel: To be under the mahogany = onder de tafel liggen (dronken); To have one’s feet under another man’s mahogany = aan een andermans tafel zitten, over eens anders hulpbronnen beschikken.

Mahomet, məhomət, Mahomed; Mahometan = Mohammedan.

Mahon, məhoun, məhûn.

Mahori, mâhəri, Maori.

Mahout, məhaut, məhût, olifantdrijver (Brit. Indië).

Maid, meid, maagd, meid, meisje: Children’s maid; Housemaid = tweede meid; Ladies’ maid = kamenier; Parlour maid = binnenmeid; Thorough maid = flink; Maid of honour = hofdame; Maid of all work = meid alléén; Maid-servant = dienstmeid; Maiden, subst. maagd, meisje, waschmachine; adj. maagdelijk, rein: Maiden assizes = zittingen zonder crimineele zaken; Maiden aunt = ongetrouwde tante; Maiden auntish: The book is irreproachable to a maiden auntish extent = eene ongetrouwde tante kan er zelfs niets op aanmerken; Maiden effort = eerste poging; Maiden name = de eigen naam van eene getrouwde vrouw; Maiden speech = eerste redevoering van een nieuw parlementslid; Maiden stakes = wedstrijd of de prijzen voor paarden, die voor ’t eerst uitkomen; Maidenhair = venushaar; Maidenhead = Maidenhood = maagdelijkheid; Maidenliness, subst. v. Maidenly = jonkvrouwelijk, zedig.

Maieutic, mei-jûtik, geboorte bevorderend, ontwikkelend.

Mail, meil, subst. maliënkolder; brievenzak, brievenpost; Mail verb, bepantseren; met de post verzenden, op de post doen (Amer.): Coat of mail = pantserhemd; Mail-bag = brievenzak; Mail-boat = pakketboot; Mail-cart = postkar; sportkar; Mail-clad = bepantserd; Mail-coach = postwagen; Eng. koets, met zitplaatsen boven op en met 4 paarden bespannen; Mail-day; Mail-horse = postpaard; Mail-line = Mail-route; Mail-stage = postwagen (Amer.); Mail-steamer = postboot; Mail-train = posttrein; Mail-van = postwagen; Mailable = wat per post kan worden verzonden (Am.); Mailed = gepantserd, geschubd, met schilden, gevlekt.

Maim, meim, subst. verminking; Maim verb. verminken, schenden.

Main, mein, voornaamste; subst. geweld; voornaamste deel, hoofdbuis, hoofdkabel, oceaan, wedstrijd tusschen hanen, (hooge) worp, inzet, het gemiddelde der te werpen oogen: By main force = met kracht en geweld; The main body of an army = de hoofdtroep; He has an eye to the main chance = hij let op No. 1, hij is een egoist; In (on) the main = in hoofdzaak; He is honest in the main = over ’t geheel genomen; With might and main = met alle macht; Mains and service-pipes = hoofd- en zijgeleidingen; To turn off the gas at the main = de hoofdkraan dichtdraaien; To turn on the main = beginnen te schreien (iron.); Main-boom = giek, zeilboom; Main-deck = opperdek; Mainland = vaste land; Main lines and branch lines of a railway = hoofd- en zijlijnen van een spoorweg; Mainmast = groote mast; Main-pipe = hoofdbuis; Main-road = hoofdweg; Mainsail (meins’l) = grootzeil; Main-sheet = groote schoot; Main-shroud = groot want; Mainspring = groote veer, hoofdader, hoofdmotief, hoofdbron, etc.; Main-stay = groot stag; voornaamste steun; Main-street = hoofdstraat; Main-top = groote mars; Main-topgallant = grootbram - -; Main-topsail = grootmarszeil; Main-yard = groote ra; Mainly = voornamelijk, krachtig.

Mainprize, meinpraiz, borgtocht, loslating onder borgtocht; het bevel hiertoe.

Maintain, m’ntein, meintein, handhaven, verdedigen, rechtvaardigen, onderhouden, houden, beweren, volhouden; Maintainable = houdbaar; Maintainer = behouder, verzorger, behoeder, verdediger; Maintenance, meintən’ns, handhaving, onderhoud, verdediging: Cap of maintenance = staatsiemuts of -baret, vóór den koning of hooge ambtenaren uitgedragen als teeken van waardigheid.

Mainwaring, manəriŋ.

Maize, meiz, maïs; Maizena, meizînə, maïsmeel.

Majestic, mədžestik, majestueus: Majesty, madžəsti, majesteit, grootschheid, verhevenheid: His (Your) Majesty.

Majolica, mədžolikə, majolica.

Major, meidžə, subst. majoor, meerderjarige, oudere, eerste term van een syllogisme; adj. grooter, meerder, meerderjarig: Major-domo = opper-hofmeester; bestuurder; oppasser; Major-general = generaal-majoor; Major-premiss, hoofdpræmisse; Major-term = major (d.i. de term, die het prædicaat der conclusie vormt); Majorship = majoorsrang; Majority, mədžoriti, meerderheid, majoorschap, meerderjarigheid: To carry the majority, To have a majority = de meerderheid hebben; To have the majority on one’s side; The Army Estimates were voted by a sweeping majority = de Begrooting van Oorlog werd met eene verpletterende meerderheid aangenomen; To go (pass) over to the great majority = sterven = To join the majority.

Majorca, mədzökə.

Majuscule, mədžɐskjûl, hoofdletter.

Make, meik, subst. vorm, gedaante, maaksel, snit; Make verb. maken, vervaardigen, scheppen, voortbrengen, bereiden, aanleggen, benoemen, bedragen, noodzaken, dwingen, doen, verdienen, africhten, nabijkomen, naderen, etc.: That is painful to my natural make = doet mijne natuur geweld aan; A heart of his make = v. zijne soort; To make no account of = geringschatten; He will never make a good actor = worden; To make amends = excuus maken; To make a bed = opmaken; To make one’s bread = zijn brood verdienen; Milk makes both butter and cheese = levert; To make a call = een visite maken; To make a contract = sluiten; Wool makes warm clothing = vormt; That does not make the least difference = kan niets schelen; I have made a good dinner = flink gegeten; To make no doubt of = niet twijfelen aan; To make an end of = een eind maken aan; To make a long (wry) face = een lang (zuur) gezicht trekken; To make a fool of = voor den gek houden; To make a guess at = raden naar; To make haste = zich haasten; To make headway = vooruitkomen; I will make you a good husband = een goede man voor je zijn; To make an island = naderen, komen in het gezicht van; To make a fair living = behoorlijk veel geld verdienen; To make love to = het hof maken; To make a mess of = bederven, verknoeien; To make misschief = onheil stichten, intrigeeren; To make the ocean = in zee steken; To make peace = sluiten; Will you make a pen for me? = vermaken; He has made his pile = een ‘bom’ geld verdiend; To make the port = in het gezicht krijgen, binnenloopen; To make a promise = doen; To make provisions for = voorzorgen treffen; To make sail = bijzetten; To make a speech = houden; To make a stand = halt houden, standhouden; I have just made the steamer = nog net gepakt, gehaald; To make a stranger of = als een vreemde behandelen; To make one’s toilet = maken; To make war against = oorlog voeren; To make water = lekken; Make way there! = uit den weg daar! I made the best of my way home = begaf mij zoo gauw mogelijk; He made the weight 17 pounds = schatte op; I will not make any more words about it = er geen woord meer over verliezen, niet langer over kibbelen; I make bold to observe = ben zoo vrij; He makes free with my wine = doet alsof het zijn wijn is; To make good = vergoeden, houden, handhaven, rechtvaardigen, verdedigen, verantwoorden; To make good a promise = houden; To make good one’s reputation = handhaven; I make the sum larger than you do = houd voor grooter; To make light of a thing = licht opvatten; We have made rather merry to-day = vrijwat pret gehad; You make merry with me = houdt me voor ’t lapje; He made no more of the dog than if he had been a lamb = gaf niet meer om; To make much of = veel ophebben met; The riders made much of their horses after the charge = liefkoosden; He makes sure of it = hij acht het zeker; I will make sure of it = er mij van vergewissen; To make believe = doen gelooven, doen alsof; A make-believe = voorwendsel; It made me laugh = deed me lachen; That will make against your plan = benadeelen; They made after the deer = vervolgden het hert; The king made away with his enemies = ruimde uit den weg; It was made away with = verloren, gestolen, etc.; They made away with the soup = aten de soep op; To make down a dress = vermaken; The ship makes for the harbour = zet koers naar; That makes for peace = leidt tot; What has he to make in the matter? = te maken; He made the warehouse into a ball-room = veranderde; I do not know what to make of it = kan er geen touw aan vastmaken; I cannot make that man out = ik begrijp, “snap”, dien man niet; He made out on me for £ 8 = trok een wissel op mij van; You can make out the steeples here = duidelijk onderscheiden; A skilful defender might perhaps make out a case for him = kon hem misschien vrijpleiten; He made out the account = schreef; He made over his property to his cousin = schonk, droeg over; A made-over black silk = vermaakte; Make-up = grimeeren; subst. grime, verkleeding, uitdenksel; I say, you must make it up = zeg er eens, jullie moet elkaar de hand (der verzoening) geven; You are making up to her = tracht u aangenaam te maken, maakt haar het hof; All your money does not make up a guilder = bedraagt nog geen; To make up one’s books = opmaken; To make up medicine = klaarmaken; I have made it up for you = in orde gemaakt; He could not make up lost ground = het verlorene niet herwinnen; He made up to me = kwam op mij toe; The actor was made up beautifully = goed gegrimeerd; We shall have to make up for lost time = moeten inhalen; To make up a loss = een verlies vergoeden; I have made up my mind = ik ben besloten; The proofsheet was not made up as yet = nog niet opgemaakt; A made-up story = gefingeerd verhaal; He made as if he consented = veinsde; Make-peace = vredestichter; Make-shift = behulp, stoplap: A make-shift contrivance = iets om tijdelijk mee te behelpen; Make-weight = aanvulling, toegift, stoplap, noodhulp; Maker = maker, vervaardiger, dichter, Schepper; Making = vervaardiging: Of your own making = je eigen schuld (fig.); That was the making of him = dat heeft er hem bovenop geholpen; He has the makings of an excellent teacher = er schuilt (zit) in hem; The makings of a small sweetstuff shop = opbrengst, verdienste. Zie ook: Made.

Malabar, maləbâ, maləbâ; Malacca, məlakə; Malachi, maləkai, Maleachi.

Malachite, maləkait, malachiet.

Maladdress, malədres, onhandigheid, gebrek aan tact.

Maladjustment, malədžɐstm’nt, slechte regeling of inrichting.

Maladministration, malədministreiš’n, wanbeheer, wanbestuur.

Maladroit, malədroit, malədrôit, onhandig; subst. Maladroitness.

Malady, malədi, (slepende) ziekte, moreel gebrek, kwaal.

Malaga, maləgə, Malaga(wijn).

Malahack, maləhak, kneuzen (Amer.).

Malapert, maləpɐ̂t, adj. onbeschaamd, brutaal; subst. wijsneus, brutaaltje.

Malapropism, maləpropizm, verkeerde toepassing van “stadhuiswoorden”, een verkeerd toegepast “stadhuiswoord”; Malapropos, maləprəpou, te onpas, ongeschikt.

Malar, meilə, subst. kaak; adj. tot de kaak toebehoorende; kaak ...

Malaria, məlêriə, moeraskoorts, schadelijke moerasdamp; Malarial fever; Malarian = Malarious = met schadelijke dampen bezwangerd, malaria veroorzakend.

Malay, məlei, Maleier; ook Maleisch = Malayan; Malcolm, malkəm.

Malconformation, malkonfəmeiš’n, wanverhouding, misvorming.

Malcontent, malkəntent, subst. en adj. ontevreden(e); Malcontented, malk’ntentid.

Malden, mold’n; Maldesen, môlds’n; Maldives, maldaivz, maldaivz, Maladiven; Maldon, môld’n.

Male, meil, subst. mannetje; adj. mannelijk: Male issue = mannelijk oir; Male rime = mannelijk of staand rijm; Male screw = vaarschroef.

Malediction, malidikš’n, vervloeking; adj. Maledictory.

Malefactor, malifaktə, malifaktə, boosdoener; Malefic = kwaadaardig, schadelijk; Maleficence = boosaardigheid; Maleficent = boosaardig.

Malevolence, məlevəlens, kwaadwilligheid; adj. Malevolent.

Malfeasance, malfîz’ns, onwettige handeling, kwade praktijken.

Malformation, malfəmeiš’n, misvormdheid; adj. Malformed.

Malice, malis, boosaardigheid, haat, vijandigheid: He did it of malice prepense (malice aforethought) = met voorbedachten rade; He bears no malice = is niet haatdragend; To bear malice to = een wrok koesteren tegen; Malicious, məlišəs, kwaadwillig, boosaardig; subst. Maliciousness.

Malign, məlain, adj. nadeelig, kwaadaardig, onheilspellend, ongunstig; Malign verb. benadeelen, gemeen behandelen, kwaad spreken van; Malignance, məlign’ns = Malignancy, məlign’nsi, vijandigheid, kwaadaardigheid; Malignant = kwaad-, boosaardig; ook subst. kwaadwillige; Maligner, məlainə, lasteraar; Malignity = boosaardigheid, kwaadaardigheid.

Malinger, məliŋgə, ziekte voorwenden; Malingerer = simulant.

Malkin, mô(l)kin: The kitchen malkin = keukenmeid.

Mall, môl, malie, malieklik, maliekolf, vroegere strijdhamer, maliespel; Mall verb. maliën, in de maliebaan spelen.

Mall, mal, mel, openbare, beschaduwde wandelplaats.

Mallard, maləd, wilde eend.

Malleability, maljəbiliti, smeedbaarheid, rekbaarheid; adj. Malleable, maljəb’l, ook fig.; subst. Malleableness; Malleation = het pletten, hamerslag.

Mallet, malət, houten hamer; Malleus, maliəs, hamer (in het oor).

Mallow(s), malou(z), malva, kaasjeskruid.

Mallory, maləri; Malmesbury, mâmzb’ri.

Malmsey, mâmzi, malvezij.

Malodorous, maloudərɐs, stinkend; Malodo(u)r, maloudə, stank.

Malone, məloun.

Malpractice, malpraktis, kwade praktijk, overtreding; verkeerde med. behandeling.

Malt, môlt, subst. mout, bier; ook adj.; Malt verb. mouten, tot mout worden, bier drinken; Malt-drier = mouteest; Malt-floor = mouterij; Malt-horse = paard van een moutmolen; suffer, domkop; Malt-house = mouterij; Malt-kiln = (mout)eest; Malt-spirits = moutwijn; Maltster = moutmaker; Malty = moutachtig, mout...

Malta, môltə: Knight of Malta = Johannesridder; Maltese, môltîz, môltis, subst. Maltezer(s), hunne taal; adj. Maltezer: Maltese cross = maltezerkruis; Maltese dog = kleine patrijshond met lang zijdeachtig haar.

Malthus, malthəs; Malthusian, malthjûš’n, malthjûž’n, subst. en adj. Malthusiaan(sch).

Maltreat, maltrît, ruw of slecht behandelen; subst. Maltreatment.

Malvern Hills, malvənhilz, de heuvels van M.

Malversation, malvəseiš’n, malversatie, kwade praktijk, verduistering.

Mameluke, maməl(j)ûk, Mameluk.

Mam(m)a, məmâ, mâmə (Amer.), mama: Mama’s headache = ma’s geheimzinnige ziekte bij zekere gelegenheid.

Mammal, maməl, met borsten; subst. zoogdier; Mammalia, məmeiljə, zoogdieren; adj. Mammalian, zoogdier...; Mammalogy = leer der zoogdieren; Mammifer = zoogdier; Mammiferous = met tepels, zoogend.

Mammodis, mamədis, Brit.-Ind. sits; fijn lijnwaad.

Mammon, mam’n, Mammon: Mammon worship.

Mammoth, maməth, subst. mammoet; adj. reusachtig.

Mammy, mami, maatje; min (kleurlinge).

Man, man, subst. mensch, man, echtgenoot, manschap, knecht, vazal, stuk (bij dam- of schaakspel); Man verb. bemannen, bezetten; zich vermannen (oneself): A man ought to do his duty = men moet; The Old Man = de oude Adam; de pipa, den “Ouwe”; I am my own man = ben mijn eigen baas; To a man = éénparig, zonder uitzondering; The social relation of man and wife; To become man and wife = worden; To come between man and wife; A man or a mouse = alles of niets; He came to man’s estate = tot mannelijken leeftijd; It is not in a man = dat kan een man niet; A man about town = (aristocratische) losbol, “bon vivant”, iemand, die veel uitgaat; A Man-at-arms = gewapend krijger (ruiter); Man in the moon = het mannetje in de maan; Man in the street = de eerste de beste persoon; A man of peace = vreedzaam mensch; He is a man of men = voortreffelijk mensch; A man of straw = strooman; A Man-of-war = oorlogschip; An East-India-man = Oostinjevaarder; He manned himself, and did it = vermande zich; The sailors manned the ship, the shrouds, the yards = paradeerden op de ra’s, in het want, op de ra’s; Man-child = jongen; Man-eater = menscheneter; tijger, leeuw, soort haai, bijtend paard; Man-engine = machine tot het ophalen en neerlaten van mijnwerkers; Man-hater = menschenhater, mannenhaatster; Man-hole = mangat; Man-milliner = handelaar in damesconfectie; Man-monster = half menschelijk monster; Man-rope = valreep; Man-servant = bediende; Manslaughter = manslag; Manslayer = moordenaar; Man-trap = voetangel; gevaarlijke plaats (bijv. een open luik); weduwe (Amer.); Manful = manhaftig; subst. Manfulness; Manhood = de menschelijke natuur, mannelijkheid, manhaftigheid, mannelijke leeftijd; Manlike = menschelijk, manhaftig; Manliness, subst. v. Manly = mannelijk, manhaftig, kloek; Mannish = mannig, d.i. mannelijk in ongunstigen zin: Mannish airs = mannelijke airs (van New Women).

Manacle, manək’l (gewoonlijk meerv.), subst. handboei; Manacle verb. de handboeien aandoen.

Manage, manidž, besturen, behandelen, beheerschen, richten, klaarspelen, zich redden: I hope I can manage it = dat ik het klaar speel; He cannot manage the boys = geen orde houden; Manageable = handelbaar, leerzaam (van dieren), goed (weêr); subst. Manageableness; Management = bestuur, leiding, administratie, verstandig (slim) optreden of handelen: Good management = handigheid, flinkheid; Manager = bestuurder, leider, gérant, zetbaas, theaterdirecteur, chef van tractie (bij de spoorwegen), curator; vr. manageress; managership; Managing = bestuur; adj. besturend, bedrijfs - -, zuinig, overleggend, slim: Managing clerk = procuratiehouder; Managing director = bestuurder; Managing partner = besturend firmant; A managing woman = flinke, zuinige.

Manakin, manəkin. Zie Man(n)i-kin.

Manby, manbi: Manby’s apparatus = vuurpijl (reddings)toestel.

Manchester, mantšəstə: Manchester School = partij van den vrijhandel; Manchu, mɐntšû; Manchuria, mantšûriə.

Manciple, mansip’l, hofmeester, huisbestuurder.

Mandalay, mandəlei.

Mandamus, mandeiməs, bevelschrift van de Crown Side (= kamer v. strafzaken) van de King’s Bench division of the High Court of Justice inhoudend een bepaalde opdracht; ook verb.

Mandarine, mandərin, mandərîn, subst. Mandarijn, mandarijntje; adj. edel, voornaam.

Mandatary, mandətəri, gevolmachtigde; Mandate = mandaat, bevel(schrift), opdracht; Mandator = volmachtgever; Mandatory = bevelend, voorschrijvend; subst. gevolmachtigde.

Mandible, mandib’l, (onder)kaak; Mandibular = onderkaaks...

Mandolin(e), mandəlin, mandoline.

Mandragora, mandragərə, Mandrake, mandreik, alruin, mandragora.

Mandrel, mandr’l, Mandril, mandril, spil, vormijzer, doorslag; (het laatste woord) ook: mandril.

Manducatory, mandjukətəri = kauw...: Manducatory organs.

Mane, mein, manen: Mane of a helmet = pluim; Mane-comb = roskam; Mane-sheet = bedekking voor het bovenste van een paardekop.

Manege, məneiž, rijschool, rijkunst.

Manequin, manəkin. Zie Manakin.

Manes, meinîz, schimmen der afgestorvenen; de onderwereld.

Manganese, maŋgənîz, maŋgənîs, maŋgənîz, maŋgənîs, mangaan.

Mange, meinž, schurft.

Mangelwurzel, maŋg’lwɐ̂z’l, mangelwortel.

Manger, meinžə, voerbak (trog); kribbe: He is a dog in the manger = hij kan niet zien dat de zon in het water schijnt.

Manginess, meindžinəs, schurftigheid.

Mangle, maŋg’l, subst. mangel; Mangle verb. mangelen, klanderen; verminken, havenen, verscheuren: His mother keeps a mangle = is mangelvrouw; Mangler = mangelvrouw; hak-, schaafmachine.

Mango, maŋgou, mangoboom (vrucht).

Mangrove, mangrouv, mangliet of wortelboom.

Mangy, meindži, schurftig, schunnig.

Mania, meinjə, waanzin, manie; Maniac = waanzinnig, dol; ook subst.; adj. Maniacal.

Manich(a)ean, manikîən, Manicheeër; Manicheism = de leer der M.; Manichees, manikîz, Manicheeën.

Manicure, manikjûə, manicure; ook verb.

Manifest, manifest, openbaar, duidelijk; subst. manifest, vrachtlijst (= Captain’s manifest, Ship’s manifest); Manifest verb. openbaar maken, manifesteeren, betuigen, de vrachtlijst vertoonen: To manifest goods: Manifestable = bewijsbaar; Manifestation = openbaring, manifestatie; Manifestness = duidelijkheid: Manifesto, manifestou, manifesto, publieke verklaring.

Manifold, manifould, adj. menigvuldig, talrijk, veelvuldig; hectografische afdruk; Manifold verb. vermenigvuldigen, hectografeeren; Manifold-writer = hectograaf; subst. Manifoldness.

Man(n)ikin, manikin, mannetje, ledepop, phantoom (Med.); adj. dwergachtig, dwerg...

Manilla, manilə, Manilla; arm-(been-)ring: Manilla cigar, Manilla fibre, Manilla hemp.

Maniple, manip’l, ⅓ eener cohorte (in het Rom. leger 60 man + twee officieren en een vaandeldrager); manipel, band om den linkerarm van een priester bij het misoffer; Manipular = tot een Romeinsch vendel behoorend; Manipulate, mənipjuleit (met overleg, slim) behandelen; telegrafeeren; Manipulation = manipulatie, handbeweging; Manipulative = manipuleerend, behandelings - -; Manipulator; Manipulatory = Manipulative.

Manitoba, manitəbâ.

Manitou, manitû, Indiaansche god, geest.

Mankind, mankaind, het menschelijk geslacht; (mankaind) alle mannen (tegenover Womankind); de mannen (tegenover wife, bij de lagere klassen).

Manna, manə, manna.

Manner, manə, manier, wijze, methode, gewoonte, stijl, mode: After his sour manner = op zijn norsche manier; By no (Not by any) manner of means = op geenerlei wijze, in geen geval; In this manner = op deze wijze; In a (certain) manner = in zekere mate; In like manner = evenzoo; No manner of = in ’t geheel geen; No manner of doubt = niet de minste twijfel; Manners = gedrag, manieren, “mores”; It is not manners to ask = past niet; I’ll teach him manners = ik zal hem manieren leeren; Mannered = geaffecteerd; An ill-mannered young fellow = slecht gemanierd; Some of his least mannered work = minst gemaniëreerd; There is a mannerism about him = gemaaktheid; This writer’s mannerism = gemaniëreerdheid; Mannerist = gemaniëreerd schrijver of persoon; Mannerliness = welgemanierdheid: adj. Mannerly.

Mannite, manait, mannasuiker.

Manoeuver, Amer. voor Manoeuvre, mən(j)ûvə, subst. manoeuvre (ook fig.); Manoeuver verb. manoeuvreeren, klaar spelen: He’ll manoeuver it somehow; Manoeuverer = slimmerd.

Manometer, mənomətə, manometer; adj. Manometric(al).

Manor, manə, ambtsheerlijkheid, riddergoed: Manor-house, Manor-seat = heerenhuis, slot; Manorial, mənôriəl, tot een riddergoed behoorende.

Mansard roof, mansədrûf, gebroken dak, waarvan het onderste gedeelte het steilst helt.

Manse, mans, boerenwoning; pastorie (Schotl.).

Mansion, manš’n, groot heerenhuis, woning, huurkazerne: The Mansion-house = het officieele verblijf van den Lord Mayor in Londen.

Mansuetude, manswitjûd, zachtheid, onderworpenheid.

Mantel, mant’l, mantel (Archit.); ook = Mantelpiece = schoorsteenmantel = Mantelshelf; Overmantel = étagèrespiegel.

Mant(e)let, mant(ə)lət, manteltje; stormscherm, beweegbare borstwering; Mantilla, mantilə, mantille.

Mantle, mant’l, subst. mantel, dekmantel, gloeikousje; Mantle verb. bedekken, koken, gisten, schuimen, blozen, de vleugels uitspreiden (v. valken).

Mantua, mantjûə, Mantua; wijde mantel (van ± 1850); Mantua-gown = wijde japon; Mantua-maker = modiste; Mantuan = (inwoner) van Mantua; The Mantuan Swan = Vergilius.

Manual, manjuəl, subst. handboek, manuaal (van orgel of piano), handspuit; adj. hand..., coulant: Manual alphabet (voor doofstommen); Manual exercise = oefening in de handgrepen van het geweer; Manual sign = handteekening.

Manufactory, manjufaktəri, fabriek: adj. Manufactural; Manufacture, subst. fabrikaat, vervaardiging; Manufacture verb. vervaardigen, fabriceeren; Manufacturer = fabrikant; Manufacturing = fabricatie; adj. fabrieks...

Manumission, manjumiš’n, manumissie, het vrijlaten van een slaaf; Manumit = slaven vrijlaten.

Manumotor, manjumoutə, wagen door den inzittende mechanisch voortbewogen.

Manure, mənjûə, subst. mest; Manure verb. bemesten; Manure-cart; Manure-distributor = meststrooier; Manure-fork; Manurer.

Manuscript, manjuskript, subst. handschrift, adj. met de hand geschreven.

Manx, maŋks, van het eiland Man; subst. de taal, de bewoners; Manxman = bewoner van Man.

Many, meni, veel, vele(n); subst. menigte, groot aantal: So many countries, so many customs = ’s lands wijs ’s lands eer; Many men, many minds = zooveel hoofden, zooveel zinnen; Many a man = menigeen; Many a time and oft = herhaaldelijk; This many a day = For many a day = reeds lang; As many again = eens zooveel; Twice as many = tweemaal zooveel; We were packed like so many herrings = zaten opeen als haringen in een ton; I am one too many for you = ik ben je de baas af; She made one too many in the omnibus = was te veel; The many = de groote hoop; A good (great) many = zeer vele; Many-headed: The many-headed monster = de Hydra; het gepeupel; Many-sided = veelzijdig; subst. Many-sidedness.

Maori, mauri, mâəri, subst. Maori; hunne taal; adj. tot de Maoris of hunne taal behoorend.

Map, map, subst. landkaart, hemelkaart, nauwk. voorstelling; Map verb. teekenen, afbeelden, nauwkeurig beschrijven, ontwerpen (out); Map-maker = landkaartmaker.

Maple, meip’l, ahorn.

Mar, mâ, beschadigen, bederven, ontsieren, verijdelen.

Marabou(t), marəbû, marəbû, marabout (veêr, zijde); Marabou-feathers.

Marabout, marəbût, marəbût, Mahomedaansch priester en toovenaar (N. Afr.).

Maracan, marəkan, ara-papegaai (Brazilië).

Maraschino, marəskînou, marasquin.

Marasmus, mərasməs: Marasmus senilis = senile aftakeling.

Maraud, mərôd, stroopen, plunderen; Marauder.

Marble, mâb’l, subst. marmer, marmeren beeld; knikker; adj. marmeren, als marmer geaderd; Marble verb. marmeren: Marble Arch = een der toegangen van het Hydepark; The children were playing at marbles = waren aan het knikkeren; Marble-edged = gemarmerd op snede; Marble-hearted = hardvochtig; Marble-quarry = groeve; Marbled = gemarmerd: Marbling = marmeren; het doorgroeid zijn van vleesch; Marbly = marmerachtig, gemarmerd.

Marcescent, mâses’nt, verwelkend; verschrompelend.

March, mâtš, subst. Maart; grens, markegrond; marsch, marche, tocht, loop, geleidelijke ontwikkeling; March verb. grenzen; marcheeren, doen marcheeren, wegvoeren (off): Order of march = marschroute; I have gained (got, stolen) a march upon you = ben u vóór gekomen, u te slim af geweest; To ride the marches = de grenzen omrijden (Schotl.); (Forward) march! The general marched the army to the enemy = rukte met het leger op tegen; We marched down upon the enemy = rukten aan op; To march off = afmarcheeren; To march on = voortmarcheeren; oprukken tegen; To march past = voorbijmarcheeren, defileeren; The soldiers were marched up from the barracks = men liet hen uit de kazerne rukken; March-chick = brutaaltje; March-land = grensland; Marchman = grensbewoner; Marching-order = marschbevel: To be (To put) under marching-orders; Marching-past = défilé.

Marchioness, mâšənəs, markiezin.

Marconigram, mâkounigram, draadloos telegram.

Mare, mêə, merrie: Brood mare = fokmerrie; A face as long as any mare’s = een gezicht als een oorworm; On Shank’s mare = op Apostelpaarden; He has found a mare’s nest (and is laughing over the eggs) = hij dacht heel wat bijzonders gevonden te hebben, doch blijkt zich geducht te hebben vergist; Some experience will save you from mare’s nests = zal u voor teleurstellingen bewaren; Mare’s-tail = lange vederwolk: Waterdogs (= regenwolkjes) and mare’s tails, Make lofty ships have low sails.

Margaret, mâgərət, mâgrət.

Margarine, mâgərin, margarine.

Margate, mâgit.

Margay, mâgei, tijgerkat.

Marge, mâdž, rand, marge.

Margin, mâdžin, subst. rand, grens, speelruimte, verschil tusschen inkoops- en verkoopsprijs, overschot, waarborgsom; Margin verb. van een rand voorzien, van kantteekeningen voorzien; zich dekken: In such a work a margin of error should be allowed = kan men een zeker getal vergissingen verwachten; A small margin of profit = een klein voordeeltje; He is so devoted to his work, that he has not a margin for social life = dat er geen tijd overschiet voor ’t gezellige leven; I sold out so as to have a larger margin with which to operate = om wat meer geld in handen te hebben; He has but a narrow margin on which to subsist = hij kan maar even rondkomen; Eleven to four is a sufficient margin for me = van 11 tot 4 heb ik tijd genoeg; Named in the margin = terzijde vermeld; To operate on a margin = alléén verkoopen (b.v. van effecten) als men erop kan winnen; Marginal: Marginal notes, glosses (Marginalia, mâdžineiljə) kantteekeningen; Marginate(d) = met een rand, gerand.

Margravate, mâgrəvit, Margraviate, mâgreivi-it, markgraafschap; Margrave, mâgreiv, markgraaf; Margravine, mâgrəvin, markgravin.

Maria, məraiə: Black Maria = dievenwagen; Marian, mêriən, Maria - -; The Mariana Islands, mêrianə ail’ndz, de Dieveneilanden; Marianne, mêrian.

Marigold, marigould, goudsbloem; een millioen £; Marigold window = radvenster.

Marinate, marineit, marineeren.

Marine, mərîn, adj. zee - -, scheeps - -, marine - -; subst. marine, marinier, zeestuk: Tell that to the marines = maak dat je grootje wijs; Marine blue: Marine drive = rijweg langs het strand; Marine insurance = zeeassurantie; Marine law = zeerecht; Marine store dealer = soort scheepstagrijn; Blue marines = matrozen artillerie; Red marines = marine infanterie; Mercantile (Naval) marine = koopvaardijvloot (de marine); Mariner, marinə, zeeman, matroos: Master mariner = kapitein.

Mariolatry, mêriolətri, Maria-vereering.

Marionette, mariənet, marionet (ook fig.).

Marish, mariš, subst. moeras; adj. drassig.

Marital, marit’l, echtgenoots - -, echtelijk: I have no sympathy with marital wrongs = voel niets voor mannengrieven.

Maritime, marit(a)im, zee - -, marine - -, maritime - -, strand - -: Maritime Alps = de Zee-alpen; Maritime commerce (Maritime trade) = zeehandel; Maritime insurance = zeeassurantie; Maritime power = zeemacht.

Marjoram, mâdžər’m, marjolein.

Marjoribanks, mâtšbaŋks; Mark, mâk, Marcus.

Mark, mâk, subst. merk, teeken, blijk, baak, striem, nerf, stempel, spoor, doelwit, kruisje (van iemand, die niet kan schrijven), aanzien, gewicht, handelsmerk, nummer, prijs, cijfer; Mark verb. merken, noteeren, opschrijven, stempelen, punten geven, markeeren, maat slaan, onderscheiden, letten op, scherp onderzoeken, uitpikken, etc.: Above, below the mark = te hoog, te laag; You are beside the mark = gij zijt de plank mis; Near the mark = het doel nabij; A man (names) of mark = van beteekenis; That (He) is not up to the mark = beneden peil, kan er niet door; Wide of the mark = geheel mis; Mark of the beast (Zie Openbaring XIX, 19); High-(Low-)water mark = hoog (laag) waterpeil; Load mark = lastlijn, diepgang; He left his mark on the country = de invloed van zijne persoonlijkheid doet zich nog gevoelen; That man will make his mark = zal van zich doen spreken; God bless (save) the mark = God betere het (iron.); Mark my words (= Mark me) = let op mijne woorden; To mark time = den pas markeeren; They were marked out for destruction = ten doode opgeschreven; To mark with a hot iron = brandmerken; One of the marked men of his age = groote mannen van zijn tijd; It would look marked if you stayed away = het zou erg in ’t oog vallen; Marker = aanschrijver, teller, marqueur, vleugelman, fiche; Marking-ink = merkinkt: Marking-iron = brandijzer; Marking-list = cijferlijst (School); Marksman = scherpschutter.

Market, mâkit, markt, marktplaats (bezoek), navraag, aftrek, marktprijs, voordeel; Market verb. de markt bezoeken, op de markt koopen of verkoopen: In the market = voorhanden, aanwezig; Clerk of the market = marktmeester; There is no market for = wordt niet gevraagd; To find (meet with) a ready market = gereeden aftrek vinden; To make market out of = profijt trekken van; Good wares make quick markets = goede waar is half verkocht; It was put upon the market = openbaar ten verkoop aangeboden; They looked like devils who were marketing a corpse = die om een lijk dobbelden; Market-bell; Market-cross = kruis op een markt (vroeger symbool van het marktrecht); Market-day; Market-dues = marktgelden; Market-garden = moestuin; Market-gardener = hovenier, gaardenier; Market-hall = hal; Market-merry = licht aangeschoten na de markt; Market-place = marktplein; Market-porter = marktbediende; Market-price (Market-rate) = marktprijs; Market-report = marktbericht; Market-rigging = beursmanoeuvre; Market-stall = stalletje; Market-town = stad met het recht eene weekmarkt te houden; Marketable = verkoopbaar; Marketing = marktbezoek, marktvoorraad.

Marl, mâl, subst. mergel; stof, aarde; Marl verb, bemesten; marlen (scheepst.); Marl-pit = mergelgroeve; Marlaceous = mergelachtig.

Marlborough, môlbrə; mâlbərə (als plaatsn.).

Marline, mâlin, marlijn; Marline-spike of Marling-spike = marlpriem.

Marlow(e), mâlou.

Marly, mâli, mergelachtig, mergel ...

Marmalade, mâmeleid, marmelade.

Marmoratum, mâməreit’m, marmercement; Marmoreal, Marmorean, mâmôriəl, mâmôriən, marmerachtig, marmer...

Marmot, mâmət, marmot.

Maronites, marənaits, Maronieten (godsd. sekte aan den Libanon).

Maroon, mərûn, kastanjebruin.

Maroon, məûn, weggeloopen slaaf (West-Ind.); Maroon verb. iemand op een onbewoond eiland opzettelijk achterlaten; wegloopen, rondboemelen: A marooning party = een gezelschap, dat een uitstapje maakt van eenige dagen en kampeert in de open lucht.

Marplot, mâplot, spelbreker; zie Mar.

Marque, mâk: Letters of marque = kaperbrieven.

Marquee, mâkî, groote tent.

Marquet(e)ry, mâkətri, ingelegd werk.

Marquis, mâkwis, markies; Marquisate, mâkwisit, markisaat.

Marriage, maridž, huwelijk(splechtigheid): By marriage = aangetrouwd; One marriage makes a-many = van bruiloft komt bruiloft; To ask in marriage = ten huwelijk vragen; Marriage-articles = huwelijksvoorwaarden; Marriage-certificate = trouwakte; Marriage-contract = huwelijkscontract; Marriage-favours = witte strikken of linten, bouquet witte bloemen bij een bruiloft gedragen; Marriage-licence = huwelijksvolmacht; Marriage-lines = huwelijksbewijs; Marriage-portion = huwelijksgift; Marriage-ring = trouwring: Marriage-service = de liturgie bij het kerkelijk huwelijk; Marriage-vow = huwelijksgelofte; Marriageable = huwbaar; Marriageables = huwbaren; Married: Newly married couple = jonggehuwden; Married life (state).

Marrow, marou, merg, kern, pit: Vegetable marrow = mergpompoen; To go by the marrow stage = te voet gaan; Marrowbone = mergpijp; Marrowbones = knieën (Zie Cleaver): Down on your marrows = op je knieën! Marrowfat = mergvet; Marrowfat pea = groote erwt; Marrowless; Marrowy.

Marry, mari, trouwen, huwen, uithuwen: Marry in haste, repent at leisure = snel getrouwd, lang berouwd; He married below his station = beneden zijn stand; Is your brother a married man? No, he is not a marrying man = is uw broer getrouwd? Neen, dat is geen man om te trouwen.

Marry, mari, verbastering van Mary: Marry, you are right = waarachtig je hebt gelijk.

Mars, mâz, Mars (oorlogsgod, planeet).

Marsala, mâsâlə, Siciliaansche wijn.

Marseilles, mâseilz.

Marsh, mâš, drassig land, moeras: Marsh-fever = malaria; Marsh-fire = dwaallicht; Marsh-gas = moerasgas; Marsh-mallow = gewone heemst; Marsh-marigold = dotterbloem; Marsh-parsley = selderie; Marshiness, subst. v. Marshy = drassig, dras ...

Marshal, mâšəl, subst. maarschalk; ceremoniemeester; schout, i.e. hoofd van een Amerikaansch Judicial District, overeenkomend met een Sheriff in Engeland; Marshal verb. rangschikken, scharen, ordenen, rangeeren (Amer.): Earl Marshal = opperceremoniemeester aan het Eng. hof (erfelijke waardigheid in het geslacht Norfolk); Marshalship.

Marshalsea, mâšəlsî, vroegere gevangenis voor gijzelaars in Londen (Southwark).

Marsupial, mâsiûpiəl (Mv. Marsupialia, mâsiupieiljə), subst. buideldier; adj. buideldragend, beursvormig; Marsupium = buidel van de Marsupialia.

Mart, mât, subst. markt, marktplaats; Mart verb. verhandelen, schacheren.

Martello(tower), mâtelou(tauə), gewelfde, ronde kusttoren, kustfort.

Marten, mât’n, marter(-vel).

Martial, mâš’l, krijgshaftig, krijgs....: Court Martial = krijgsraad; Martial law was proclaimed in the country = de krijgswet werd afgekondigd; Martial music.

Martin, mâtin, zwaluw: Bank martin = oeverzwaluw; House martin = huiszwaluw; St. Martin’s Day = 11 Nov.; (St.) Martin’s Summer = Martinmas summer.

Martinet, mâtinet, dienstklopper: He gives himself martinet airs; He has a touch of the martinet = is een echte dienstdoener; Martinetism = dienstklopperij.

Martingal, mâtiŋgal, Martingale, mâtiŋgeil, springteugel; doove Jut (Scheepst.); voortdurende verdubbeling van den inzet: He played the martingal on fate = bond een wanhopigen strijd aan tegen.

Martinmas, mâtinmas, St. Maarten (Nov. 11): Martinmas summer = mooie dagen laat in den herfst.

Martyr, mâtə, subst. martelaar; Martyr verb. den marteldood doen sterven, martelen: I’m quite a martyr to the gout = lijd verschrikkelijk aan; Martyrdom = martelaarschap; Martyrology, mâtirolədži, geschiedenis of lijst van martelaren.

Marvel, mâv’l, subst. wonder; Marvel verb. zich verbazen, benieuwd zijn: It is a marvel of cheapness = wondergoedkoop; Marvel of Peru = bonte wonderbloem; I marvel where he can be = ik wou wel eens weten waar hij is; Marvellous = wonderbaar; subst. Marvellousness.

Mary, mêri, Marie: Mary Janes = dienstboden; A Hail Mary = Ave Maria; Maryland, mêrilənd, merilənd; Marylebone, maribən, maribən; Marymas, mêrimas, Maria Boodschap (25 Maart).

Mascle, mask’l, ruitvormig stuk op een geschubd pantser; open ruit (Herald.); Mascled.

Mascot(te), maskot, mascotte.

Masculine, maskjulin, mannelijk, krachtig, flink, onvrouwelijk, brutaal; subst. Masculineness = Masculinity.

Mash, maš, subst. mengelmoes, mengvoer, brouwsel; liefje, minnaar, vlam; Mash verb. vermengen, fijn stampen, mout verdunnen, verliefd worden op, het hoofd op hol maken; gek zijn op; den fat uithangen: Mary is mashed on you = verkikkerd op je; Masher = damesgek, fat; soort boord; Mashy = papperig.

Mashie, maši, een ijzeren kolf bij het golfspel.

Mashonaland, məšounəland.

Mask, mâsk, subst. masker, maskerade(pak), gemaskerde, dekmantel, scherm, vossekop, voorwendsel, draai; Mask verb. (zich) maskeeren, vermommen, bedekken: Mask(ed)-balls; Masker = gemaskerde.

Maslin, mazlin, subst. messing: Maslin kettle = ketel daarvan gemaakt.

Mason, meis’n, steenhouwer, vrijmetselaar; Mason verb. metselen, steenhouwen; Masonic, məsonik, maçonniek: Masonic emblems, jewels = vrijmetselaars-insignes; Masonic hall (lodge) = loge; Masonry = metselaarswerk, vrijmetselarij.

Masque, mâsk, Masquerade, maskəreid, Zie Mask.; Masquerader.

Mass, mâs, massa, troep, hoop, gesloten formatie van cavalerie, brigade kolonne van infanterie; Mass verb. (zich) tot een massa verzamelen: The masses and the classes = het volk en de aristocraten; A mass of information = groote hoeveelheid kennis; The Boers are massing in entrenched positions; Mass-meeting = algemeene bijeenkomst; Massiness, subst. v. Massy = omvangrijk, zwaar, in massa.

Mass, mas, mis: To attend (the) mass, To go to mass; To say mass = de mis lezen; High (Low, Morning) mass = hoogmis (stille mis, vroegmis); Mass-book.

Massachusetts, masətšûsəts.

Massacre, masəkə, subst. moord, bloedbad; Massacre verb. in het wilde moorden.

Massage, masidž, masâž, massage: Massagist, masâdžist, masseur.

Masseter, masîtə, kauwspier.

Masseur, Masseuse, beide Fr. uitspr.

Massinger, masinžə.

Massive, masiv, massief; subst. Massiveness.

Mast, mâst, subst. mast; vrucht van eik of beuk, eikels, beukenoten; Mast verb. van masten voorzien; mesten: He has served before the mast = als gewoon matroos gediend; The flag floated at halfmast-high = woei halfstok; Mast-beam = zeilbalk; Mast-head = subst. top van den mast; Mast-head verb. in top hijschen; voor straf naar boven in den mast zenden; Mast-hoop = band of hoepel om den mast; Masted: Four masted vessel = schip met 4 masten = Four-master; Mastless = zonder masten.

Master, mâstə, subst. meester, vader (v. armhuis, etc.), heer, baas, “vrind”, eigenaar, jongeheer, magister, kapitein of gezagvoerder; adj. voornaamste, hoofd - -, meester - -; Master verb. vermeesteren, meester worden, overwinnen, temmen: The master and matron of a workhouse = vader en moeder; Under-master = ondermeester; He is a master at it = hij is het meester; Master of the horse = stalmeester; Master of (the) (Fox)hounds = jagermeester van een vossenjachtclub; Master-at-arms = provoostgeweldiger; Master-builder = bouwmeester; Master-hand = meesterhand; Master-key = looper; Master-man = opzichter, baas; Master-mariner = gezagvoerder: Master-mason = meestersteenhouwer; Mastermind = buitengewone geest, supérieur mensch; Masterpiece = meesterstuk; Master-spring = hoofdveer; Master-stroke = meestertrek, meesterstuk; Master theme = hoofdthema; Masterwork = meesterstuk; Masterdom = heerschappij; Masterful = bazig, despotisch; Masterhood = meesterschap; Masterless = zonder meester; Masterliness, subst. v. Masterly = meesterlijk, meesterachtig; Mastership = meesterschap, meerderheid; leeraarschap: The French mastership = betrekking van leeraar in het Fransch; Mastery = heerschappij, grootere voortreffelijkheid, meerderheid, voorrang: To gain (get, obtain) the mastery = de overhand winnen, heerschappij verkrijgen, onderwerpen.

Mastic, mastik, mastik, mastikboom (= Mastic-tree); Mastic-cement.

Masticate, mastikeit, kauwen, fijn snijden; subst. Mastication; Masticator = hakmachine; Masticatory = kauw - -.

Mastiff, mastif, bulhond, kettinghond.

Mastodon, mastədon, mastodont.

Mat, mat, subst. mat, grof vlechtwerk; Mat verb. met matten beleggen, dooreen vlechten, verwarren, in de war zijn of raken: She rubbed her boots on the mat = veegde af; His matted hair = verward haar; He was mattedly unkempt = ongekamd, met verwarde haren; Mat-grass = borstelgras; Matting = matten, matwerk, stof voor matten.

Mat, mat, dof, mat; subst. wit metaal, matbijtel; Mat verb. matteeren; Mat-gold = matgoud.

Matabele, matəbîl.

Matador(e), matədö, matədö, matador.

Match, matš, subst. zwavelstok, lucifer, lont; weddenschap, wedstrijd, partij, partuur, gelijke, paar, span; huwelijk; adj. bij elkaar passend; Match verb. paarsgewijze vereenigen, verbinden, iets passends uitkiezen, evenaren, opgewassen zijn tegen, zich meten, passen bij: Is it a match? = wedden? It is a match! = top! The match will not come off = de wedstrijd gaat niet door; I am no match for him = ben niet tegen hem opgewassen; He is a match for them all = hij staat ze allemaal; He is more than a match for you = je de baas; To light (strike) a match = een lucifer aanstrijken; You two are well matched = jullie beiden hoort net bij elkaar; This matches it nicely = komt er mooi bij; To match pennies = pennies opgooien (dobbelen); Not to be matched (Vergel.: Match to none) = onvergelijkelijk; To be ill-(well-)matched = slecht (goed) bij elkaar passen; Match-box = lucifersdoosje; Match-girl = meisje dat lucifers verkoopt; Matchlock = snaphaan; Match-maker = lucifersfabrikant; koppelaar(ster): She is a match-making woman = zij mag graag zoo’n beetje koppelen; Match-wood = hout voor zwavelstokken, splinters: The carriage collapsed like match-wood = viel in elkaar als tonder; Matchable = vergelijkbaar; Matchless = onvergelijkelijk; subst. Matchlessness.

Mate, meit, subst. maat, kameraad, helper, echtgenoot(e), mannetje, wijfje; Mate verb. vereenigen, trouwen, paren: Chief mate = eerste stuurman; Cook’s mate = koksmaat; Mating-season = paartijd.

Mate, meit, mat (schaakspel); Mate verb. mat zetten.

Mater, meitə, moeder, “ouwe vrouw”.

Material, mətîriəl, subst. (bouw)stof, materiaal; adj. stoffelijk, lichamelijk, gewichtig, belangrijk, materialistisch: He bought the house for its materials = voor afbraak; That is material to your welfare = van ’t hoogste belang voor uw welzijn; His health improves materially = gaat hard vooruit; They were left materially undisturbed = in hoofdzaak met rust gelaten; Materialism = materialisme; Materialist; Materialistic = materialistisch; Materiality, matirialiti = stoffelijkheid; Materialization = verstoffelijking; Materialize = verstoffelijken, realiseeren, stoffelijk voordeel (of resultaat) opleveren; een stoffelijken vorm aannemen: All our announcements and posters have failed to materialize = al onze advertenties en aanplakbiljetten hebben niets gegeven; Materialness = Materiality.

Maternal, mətɐ̂n’l, moederlijk, moeder.., van moederszijde; Maternity = moederschap: Maternal-hospital = kraaminrichting.

Mathematic(al), mathimatik(’l), wiskundig: Mathematical master = leeraar in de wiskunde; Mathematician, mathimətiš’n, wiskundige; Mathematics = wiskunde: The higher mathematics.

Mather(s), madhə(z), Mathew, mathjû.

Matie, meiti, maatjesharing.

Matins, matinz, vroegdienst, metten; Matinee, matinei, matinée; morgenjapon.

Matricidal, meitrisaid’l, matrisaid’l, moedermoord betreffend; Matricide, meitrisaid, matrisaid, moedermoord(er).

Matriculate, mətrikjuleit, immatriculeeren, (zich laten) inschrijven in de matricula (= naamlijst); subst. Matriculation.

Matrimonial, matrimounj’l, huwelijks...: Matrimonial agents; Matrimonial duties = huwelijksplichten; He is matrimonially inclined towards her = wenscht haar tot zijne vrouw; Matrimony = huwelijk, huwelijke staat.

Matrix, meitriks, matriks, baarmoeder, matrijs, de vijf eenvoudige kleuren bij het wolverven (zwart, wit, blauw, rood en geel).

Matron, meitr’n, matrən, matrone, deftige dame, directrice van eene instelling of inrichting; Matronage, meitrənidž, matrənidž, de gezamenlijke matrons, moederlijke zorg; Matronal = matroneachtig; adj. bejaard; Matronhood = Matronage; Matronize = als oudere dame (of moeder) eene jonge vergezellen; Matronlike = Matronal = Matronly; Matronship.

Matter, matə, subst. stof, zelfstandigheid, onderwerp, voorwerp, zaak, gewicht, etter, kopij (drukkerij), enz.; Matter verb. van belang zijn: What is the matter = wat is er, scheelt er aan? There is always something or other the matter with him = hij heeft ook altijd wat; It is a matter of five pounds = zoo wat 60 gld.; That is a matter of course = dàt spreekt vanzelf; Matter of fact = daadzaak: As a matter of fact = feitelijk; He is a matter-of-fact person = door-en-door practisch, nuchter; That is a great matter = dat is van groot gewicht; It is not a matter of pence but principle = niet om de knikkers, maar om ’t recht van ’t spel; I might go there for that matter, for the matter of that = wat dat aangaat; No matter = het kan niet schelen; It is no matter of mine = ’t gaat mij niet aan; No such matter = niets daarvan; The subject matter = stof, inhoud; It does not matter = het kan niet schelen; It matters to us all = is van belang voor ons allen; It cannot greatly matter = het doet er niet veel toe; Matterful = van gewicht, kracht of beteekenis.

Matthew, mathjû; Matthias, məthaiəs.

Mattock, matək, houweel.

Mattress, matrəs, matras; fascine: Hair mattress, Wire mattress.

Maturate, matjureit, rijp worden; subst. Maturation; Maturative = rijpend, ettering bevorderend (middel).

Mature, mətjûə, adj. rijp, gerijpt, geheel ontwikkeld, voorbereid, vervallen (van wissels): A matured plan = wel overlegd, goed doordacht; Matured wine = belegen wijn; Matureness = Maturity = rijpheid, vervaltijd (van wissels): At (On) maturity = op den vervaldag.

Matutinal, matjutain’l, mətjûtin’l, vroeg, morgen...: Matutinal bath; Matutinal habits = gewoonte vroeg op te staan.

Maud, môd, Maud; wollen plaid (Schotl.).

Maudlin, môdlin, sentimenteel, schreierig als een dronken mensch; subst. Maudlinism.

Maugre, môgə, niettegenstaande.

Maul, môl, subst. groote houten hamer, moker; Maul verb. ranselen, verpletteren, beschadigen, mishandelen: They were severely mauled = leelijk toegetakeld, scherp gecritiseerd.

Maulstick, môlstik, schildersstok.

Maunder, môndə, mândə, op huilerigen toon spreken, mompelen, bazelen; subst. gebazel; Maunderer = brompot.

Maundy-Thursday, môndi-thɐ̂zdi, Witte Donderdag, waarop; Maundy money wordt uitgedeeld door den Royal Almoner in Whitehall (gewoonlijk een penny voor elk levensjaar van den vorst).

Maurice, môris, moris; Mauritania, môriteinjə; Mauritius, môrišəs.

Mausoleum, môsəlîəm, praalgraf.

Mauve, mouv, subst. purperkleur; adj. purperkleurig.

Mavis, meivis, zanglijster.

Maw, mô, pens, krop, maag; bek: Hold your maw; Maw-seed = papaverzaad; Maw-worm = spoelworm; huichelaar.

Mawkish, môkiš, walgelijk; overgevoelig, kieskeurig; subst. Mawkishness.

Maxilla, maksilə, kaakbeen, bovenkaak; Maxillary, maksiləri, maksiləri, tot de kaak behoorende, kaak....

Maxim, maksim, grondstelling, leerspreuk.

Maxim, maksim: Maxim gun = soort van repeteerkanon.

Maximal, maksim’l, maximaal.

Maximilian, maksimilj’n.

Maximum, maksimɐm, subst. maximum; adj. grootst.

May, mei, Mei, lente, meidoorn, Meifeest; May verb. het Meifeest vieren; May-bloom = meidoorn; May-bug, May-chafer = meikever; May-day = eerste Mei; May-duke = meikers; May-flower = meidoorn, dotterbloem, pinksterbloem, koekoeksbloem; May-fly = soort watervlieg (Sialis lutaria); May-lady, May-queen = meikoningin; May-lily = lelietje v. dalen; May-meeting = Mei-bijeenkomst (van godsdienstige sekten en staatkundige partijen); May-pole = meiboom, boonestaak (fig.), “kip op hooge pooten”; To go a-maying = naar het Meifeest gaan; Mayer = iemand, die aan het Meifeest deelneemt.

May, mei, mogen, kunnen, misschien kunnen: Be this as it may = laat dit zijn zoo het wil; As one may say = om zoo te zeggen; He that will not when he may, When he will he shall have nay = Wie niet wil wanneer hij mag, Krijgt een “neen” op later dag; Come what come may = laat er gebeuren wat er wil; It may be fine to-morrow = het is morgen misschien wel mooi weer; Maybe = kan zijn, misschien; Mayhap = misschien, toevallig.

Mayence, Fr. uitspr. Mainz; Mayfair, meifêə; Mayhew, meihjû; Maynooth, meinûth, meinûth; Mainwaring, manəriŋ.

Mayor, meijə, mêə, burgemeester (in Engeland); adj. Mayoral; Mayoralty = burgemeestersambt; Mayoress = burgemeestersvrouw; Mayorship.

Mazard, mazəd, schedel, kop; soort kers.

Maze, meiz, subst. doolhof; verlegenheid; Maze verb. verbijsteren, in verlegenheid brengen; subst. Mazement = Maziness.

Maz(o)urka, məzɐ̂kə, məzûəkə, mazurka.

Mazy, meizi, verward, verlegen.

Me, mî, mij: That’s me = dat ben ik.

Mead, mîd, mee (drank); weide (dichterl.).

Meadow, medou, weide, weiland: Meadow-land = weiland; Meadow-mouse = veldmuis; Meadowsweet = moeras-spiraea; theeboompje (Amer.); Meadowy = uit weiden bestaande.

Meager, Meagre, mîgə, adj. mager, schraal, onvruchtbaar: A meagre correspondent = die weinig schrijft; subst. Meagreness.

Meal, mîl, maal, maaltijd; meel; maismeel (Amer.); Meal verb. tot meel of poeder wrijven, met meel bestrooien: You shall be paid in meal or malt = in elk geval, hoe dan ook; He made a meal of it = at er zijn bekomst van; Meal-brimstone = fijne zwavel; Meal-man = meelhandelaar; Meal-meat = meelspijs; Meal-time = etenstijd; Meal-worm; Mealies, mîliz, maïs (Z.-Afr.); Mealiness = meligheid; Mealy = melig, droog, als met meel bestoven; Mealy-mouthed = schuchter, zoetsappig.

Mean, mîn, laag, gering, armelijk, gemeen, onbeteekenend, slaafsch, krenterig: No mean foe = een tegenstander, dien men niet moet onderschatten; There was nothing mean about the party = het was eene royale partij; He has a mean look about him = de krenterigheid ziet hem de oogen uit; You are too mean for anything = je bent al heel min; Mean-born = van lage geboorte; Mean-spirited = kruiperig; subst. Mean-spiritedness; To think Meanly of = geringschatten; Meanness = nederige stand, gemeenheid, krenterigheid.

Mean, mîn, middelmatig, gemiddeld; subst. middelweg, middelmaat, middenterm, middel: Mean distance = gemiddelde; The mean Englishman = gewone; A golden mean = middelweg; To adopt a happy mean = middelweg kiezen; In the meantime = ondertusschen; In the meanwhile = middelerwijl; Means = middel, middelen, inkomsten, oorzaak: He lives beyond his means = boven zijn vermogen; By means of = door middel van; You must go there by all means (= vooral); You must try to do it by any means = hoe dan ook; By no means = vooral niet; By no manner of means = in geen geval.

Mean, mîn, meenen, bedoelen, beteekenen, van plan zijn, voornemens zijn: He meant no harm = bedoelde het goed; To mean mischief = wat in het schild voeren; I do not mean to say = ik wil niet zeggen; You meant (it) well = hebt het goed bedoeld; Meaning = beteekenis, meening; Meaningless = zonder zin.

Meander, miandə, subst. kronkeling, doolhof; Meander verb. kronkelen, zich slingeren, drentelen: You tell him my very words, and no meandering of your own = zonder verdraaiing.

Meandrina, mîəndrainə, hersenkoraal.

Meandrous, miandrəs, kronkelend.

Meant, ment, imp. en p.p. van to mean.

Mease, mîz, mîs: Mease of herrings = ± 500 haringen.

Measles, mîz’lz, mazelen, puisten (bij varkens): To have measles; Measly, mîzli, aan de mazelen lijdend; puisterig, gevlekt, vuil, jammerlijk, armzalig: I will break every bone in your measly skin = ik zal je fijn wrijven, vuile kerel!

Measurable, mežurəb’l meetbaar; subst. Measurableness; Measure, mežə, subst. maat, maatstaf, verhouding, aandeel, versmaat, (tijd)maat, maatregel, gematigdheid, statige dans; Measure verb. meten, afmeten, toemeten, opmeten, afleggen: Lineal, Square measure = lengtemaat, vlaktemaat; Measure of capacity = inhoudsmaat; Beyond (Out of) all measure = buitenmate; In a (In some) measure = in zekere mate; In a great measure = grootendeels; Made to measure = naar maat; Measure for measure = leer om leer; I had soon taken his measure = begrepen wat hij waard was; To take measures = maatregelen nemen; To measure one’s length = languit vallen; Before daybreak we measured twenty miles = legden wij twintig mijlen af; To measure one’s words = wikken en wegen; To measure swords = de degens kruisen; He measured me for a coat = nam mij de maat voor eene jas; As you measure so it will be measured unto you = met de mate waarmede gij meet, met die mate zal u gemeten worden; Measured = gelijkmatig, rhythmisch, gematigd, afgemeten; Measureless = mateloos; subst. Measurelessness; Measurement = meting, maat, tonneninhoud: I have taken your measurements and laid down the chart of your genius = ik heb u gewogen en uitgemaakt wat ge waard zijt; Measurement-goods = goederen waarvoor vracht wordt betaald naar maat of grootte; Measurer = (land)meter, meetinstrument; Measuring-chain (Measuring-cord, Measuring-tape) = maatstok, etc.

Meat, mît, voedsel, kost, spijs, vleesch: Spoonmeat = lepelkost; Sweetmeat = bonbons; I am as full of business as an egg is full of meat = ik ben naar alle kanten bezet; One man’s meat is another man’s poison = den een zijn dood is den ander zijn brood; je kunt niet alle menschen over den zelfden kam scheren; The meat is done = goed gaar, op; Meat and drink: That is meat and drink to me = dat is een kolfje naar mijne hand; Meatball = balletje; Meat-biscuit = vleeschbeschuitje; Meat-extract; Meat-hook = vleeschhaak; spuuglok; Meat-jack = spit; Meat-offering = Joodsch spijsoffer; Meat-safe = vliegenkast; Meat-salesman = groothandelaar in vleesch; Meat-tea = thee met vleesch (visch, etc.); Meatiness, subst. v. Meaty = vleezig, stevig.

Mebbe, mebi, verk. van maybe = misschien.

Mechanic, mikanik, subst. mechaniker, handwerksman; adj. = Mechanical, werktuigelijk, machinaal (ook fig.), handwerks.., werktuigkundig: Mechanical drawing = lijnteekenen; Mechanical engineer = werktuigkundige; Mechanical powers = werktuigelijke krachten; Mechanical science = werktuigkunde; Mechanicality = Mechanicalness = werktuigelijkheid; Mechanician, mekəniš’n, werktuigkundige; Mechanics = werktuigkunde; Mechanism, mekənizm, mechaniek, machinerie, mechanismus, techniek; Mechanist, mekənist = technicus, machinist.

Mechlin, meklin, Mechelen, Mechelsche kant = Mechlin lace.

Meconium, mikouniəm, kinderpek; papaversap.

Medal, med’l, medaille; Medal verb. een medaille verleenen; Medallic, mədalik, medaille..; Medallion, mədalj’n, penning, medaillon; Medallist = penningkundige, met eene medaille bekroonde, stempelsnijder.

Meddle, med’l, zich bemoeien: Do not meddle with my affairs = steek je neus niet in; Do not meddle with him = bemoei je niet met hem; I will neither meddle nor make with it = ik wil er niets mee te maken hebben; Meddler = bemoeial; Meddlesome = bemoeiziek; subst. Meddlesomeness = Meddling, ook subst.

Mede, mîd, Mediër; Medea, midîə; Media, mîdjə, Medië.

Medieaeval, mediîv’l, mîdiîv’l, middeleeuwsch, ouderwetsch; Medieaevalism = de geest der middeleeuwen in kunst en godsd.; Medieaevalist = kenner, vereerder der middeleeuwen; Medieaevalize = middeleeuwsch maken.

Medial, mîdj’l, gemiddeld, middel..: An initial, medial, final consonant = begin-, tusschen- en eindmedeklinker.

Median, mîdj’n, midden-, mediaan; van Medië, Mediër.

Mediate, mîdi-it, adj. in het midden liggend, bemiddelend; Mediate verb. (mîdieit) bemiddelen, als bemiddelaar optreden: Mediated water = suikerwater; Mediation = bemiddeling, voorspraak.

Mediatization, mîdiətizeiš’n, subst. v. Mediatize, mîdiətaiz, aan de staatsoverheid onderwerpen.

Mediator, mîdieitə, bemiddelaar; adj. Mediatorial; Mediatorship; Mediatory = bemiddelend; Mediatrix of Mediatrix.

Medical, medik’l, geneeskundig, medisch: Medical man = medicus; Medical Officer and Public Vaccinator for a district = districts armendokter; Medical profession = beroep van geneesheer; Medical student; Medicament, mədikəment, medikəment, geneesmiddel; Medicamental = geneeskrachtig, heilzaam; Medicaster, medikastə, kwakzalver; Medicate, medikeit, geneeskundig bereiden of behandelen: Medicated coffee = geneeskrachtige koffie; Medication = geneeskundige behandeling of bereiding; Medicinal = genezend; Medicine, medsin of medisin, geneesmiddel, geneeskunde: Medicine-bag = amulet; Medicine-chest = medicijnkist; Medicine-man = dokter en bezweerder bij de indianen; Medico, medikou, subst. esculaap (schertsend voor geneesheer); adj. tot de geneeskunde behoorende: Medico-legal = tot de gerechtelijke geneeskunde behoorende; Medicus.

Medina, midînə, Medina; midainə, rivier op Wight, stad in Amerika.

Mediocre, mîdioukə, middelmatig: Mediocrity, mîdiokriti, middelmatigheid; middelmatig persoon.

Meditate, mediteit, peinzen, overdenken, voornemens zijn; subst. Meditation; Meditative = peinzend, zinnend; subst. Meditativeness; Meditator.

Mediterranean, meditəreinj’n, subst. Middellandsche Zee; adj. middellandsch.

Medium, mîdj’m, subst. midden, middensoort, middenterm, middenstof, middel, hulpmiddel, Engl. mediaanpapier (18 × 28 inches), medium; adj. middelmatig, gemiddeld, doorsnee - -: Through the medium of = door bemiddeling (middel) van; At a medium; Of (Less than, Over the) medium height; Medium-sized.

Medlar, medlə, mispel(boom): Medlar-tree.

Medley, medli, verwarde massa, potpourri; ook adj.

Medulla, midɐlə, merg; Medullary, midɐləri, medələri = mergachtig, merg..; Medullin = mergstof (Chem.).

Medusa, mədjûsə, Medusa; kwal; mv. Medusae, mədjûsî.

Meed, mîd, belooning, prijs, gift.

Meek, mîk, zachtzinnig, gedwee, nederig: Meek-eyed; Meek-spirited = deemoedig; subst. Meekness.

Meerschaum, mîəšôm, mîəšəm, meerschuim(en pijp): Meerschaum pipe.

Meet, mît, subst. bijeenkomst (van sportlui); rendez-vous voor sportlui, de gezamenlijke sportlui; adj. geschikt, gepast; Meet verb. ontmoeten, tegenkomen, tegemoet komen, bijeenkomen, nakomen, voldoen aan, bevredigen, enz.: A meet of the Coaching Club = het samenkomen van de leden dier club, die coaches bezitten en zelf rijden; It is not meet that he should go there = gepast; Mere inquiry will not meet the case = is in dit geval niet voldoende; More is meant than meets the ear (the eyes) = daar schuilt meer achter dan men hoort (ziet); That meets the needs of the people = voorziet in; To meet due protection = behoorlijk gehonoreerd worden; I will meet you on equal terms = durf je staan onder gelijke voorwaarden; The carriage is to meet the 10,5 train = moet zijn aan; To meet a person halfway = tegemoet komen (fig.); Have I met you? = Is dit wat u verlangt, is dit voldoende? I met with a kind reception = vond eene vriendelijke ontvangst; I met with an accident, a bad fall, a loss = mij trof, ik kreeg; He is met with = heeft zijn man gevonden; He tried to meet all my wants = te voorzien in; I cannot make both ends meet = ik kan niet rondkomen; I sent to meet them at the 10,5 train = liet ze afhalen; It was Greek meet Greek, diamond cut diamond = twee Joden weten wat een bril kost; Meeting = ontmoeting, bijeenkomst, vergadering, zitting, dag van een wedren, samenvloeiing: The meeting was called for half-past seven = bijeengeroepen tegen; Meeting-house = bedehuis; Meeting-place = plaats van samenkomst; Meetly = gepast, geschikt; Meetness = gepast-, geschiktheid.

Meg(a), in samenst.: groot, reusachtig; Megaphone, megəfoun, soort roeper; Megascope, megəskoup, megascoop.

Megass(e), məgas, uitgeperst suikerriet.

Megrim, mîgrim, schele hoofdpijn, gril, luim: Megrims = zwaarmoedigheid; koliek bij paarden.

Melancholia, mel’nkouljə, zwaarmoedigheid; Melancholiac = melancholicus; Melancholy, mel’nkoli, subst. zwaarmoedigheid, droefgeestigheid; ook adj.: He is in a melancholy mood = in eene sombere stemming.

Melanesia, melənîsiə; Melanesian, adj. en bewoner van M.

Melanite, melənait, melaniet.

Mêlée, Fr. uitspr. handgemeen.

Melib(o)ean, melibîən: Melib(o)ean song = beurtzang.

Melilot, melilot, honigklaver.

Melinite, melinait, meliniet.

Meliorate, mîljəreit, verbeteren, beter worden; subst. Melioration; Meliorism, mîljərizm, de leer dat verbetering mogelijk is; het streven hiernaar.

Meliphagous, məlifəgɐs, honigetend; Melliferous = honig voortbrengend; Mellifluence, məlifluens, zoetvloeiendheid; Mellifluent, Mellifluous = zoetvloeiend; Mellite, melait, honigsteen.

Mellay, melei = Mêlée.

Mellow, melou, adj. overrijp, beursch, zacht, aangenaam, vol, gerijpt, lichtelijk aangeschoten; Mellow verb, rijp of zacht worden (maken), rijpen, benevelen; subst. Mellowness; Mellowy = zacht, zoet.

Melodious, miloudiəs, welluidend; subst. Melodiousness; Melodist = componist of zanger v. melodiën; verzameling van melodiën; Melody, melədi, melodie, zangwijze.

Melodrama, melədrâmə, melədrâmə, melodrama; Melodramatic, melədrəmatik, melodramatisch; Melodramatist, melədramətist, schrijver van melodramas.

Melon, mel’n, meloen: Melon-juice.

Melpomene, melpominî; Melrose, melrouz.

Melt, melt, smelten, wegsmelten, week worden, verteederen, roeren; ook subst.: All the spoons were melted down = gesmolten; To melt into tears; Melter = metaalsmelter, smeltoven; Melting heat = zwoele hitte; Melting sorrow = zielsroerende smart; Melting-furnace; Melting-point; Melting-pot = smeltkroes; Meltingness = weekheid (fig.).

Member, membə, lid, deel, lidmaat, afgevaardigde: Member of Parliament (= M. P.) = lid van het House of Commons; Membered = geleed; Membership = lidmaatschap, ledental.

Membrane, membrein, vlies, perkament: Mucous membrane = slijmvlies; Membranous, membrənɐs, vliezig.

Memento, mimentou, herinnering, gedenkteeken: Memento mori (môrai) = gedenk te sterven.

Memoir, memwö, gedenkschrift, verhandeling: Memoirs = Memorabilia.

Memorability, memərəbiliti, subst. v. Memorable, memərəb’l, merkwaardig, gedenkwaardig; subst. Memorableness.

Memorandum, memərand’m, memorandum, aanteekening, memorie; Memorandum-book = memoriaal.

Memorial, məmôriəl, gedenk..., gedachtenis...; subst. nota, memorie, necrologie, gedenkteeken (-feest): Memorial Day = gedenkdag ter eere der in den burgeroorlog (1861–65) gevallen strijders (Amer.); Memorialist = schrijver van mémoires, indiener van een nota; Memorialize, məmôriəlaiz, een memorie indienen; herdenken: The municipalities memorialized to the queen = dienden een verzoekschrift in bij.

Memorize, meməraiz, in het geheugen bewaren, uit het hoofd leeren; Memory, meməri, geheugen, gedachtenis, gedenkteeken: Her memory fails her a bit now and then = laat haar wat in den steek; In memory of = ter gedachtenis aan; Within the memory of man = Within living memory = sedert menschenheugenis; To call to memory = zich herinneren; To quote from memory.

Memphis, memfis; Memphian: Memphian darkness = Egyptische duisternis.

Men, men, mv. v. Man: Men-folk = manvolk; Men-pleaser = oogendienaar.

Menace, menis, subst. bedreiging; Menace verb. (be)dreigen; Menacer.

Menad, mînad, Bacchante.

Menagerie, Menagery, mənadžəri, beestenspel.

Mend, mend, subst. verbetering, reparatie; Mend verb. beter worden, verbeteren, repareeren, verhoogen, vermeerderen: On the mend = aan de beterhand; To mend one’s efforts = verdubbelen; To mend the fire = wat bij het vuur doen; To mend one’s life (ways) = zich beteren; To mend one’s pace = aanstappen; To mend stockings = kousen stoppen; The prices have mended = zijn omhoog gegaan; Mender; Mending: A card of mending = kaart stopgaren; A lapful of mending = verstelwerk; Mending-basket; My boots want mending = moeten gerepareerd worden.

Mendacious, mendeišəs, leugenachtig, valsch; Mendacity, mendasiti, leugen, leugenachtigheid.

Mendicancy, mendik’nsi, bedelarij, armoede; Mendicant = bedelend, bedel - -; bedelaar; bedelmonnik = Mendicant friar; Mendicity = armoede, bedelarij, bedelstaf.

Menial, mînj’l, dienst - -, huis - -, slaafsch, vuil, gemeen; subst. huisbediende, asschepoester.

Meningitis, menindžaitis, hersenvlies ontsteking.

Mennonist, menənist, Mennonite, menənait, Doopsgezinde.

Menses, mensîz, menstruatie; Menstrual = maandelijksch: Menses flow, Menses flux; Menstruate = menstrueeren; subst. Menstruation.

Mensurability, mensiurəbiliti, meetbaarheid; adj. Mensurable; subst. Mensurableness; Mensuration = meting.

Mental, ment’l, ziels..., geestes...: Mental arithmetic = hoofdrekenen; Mental defectives = achterlijken; Mental deficiency = achterlijkheid; Mental faculties = geestesgaven; Mental power = geestvermogen; Mental reservation = heimelijk voorbehoud.

Menteith, mentîth.

Menthol, menthol, menthol: Menthol cone (Menthol pencil) = migrainestift.

Mention, menš’n, subst. (ver)melding; Mention verb. vermelden, noemen, gewagen: At a mention of = bij vermelding van; To make (no) mention of = (geen) melding maken van; “Don’t mention it” = It is not worth mentioning = “’t Is de moeite niet”; Not to mention = om niet te spreken van; To be mentioned in dispatches = eervol vermeld worden (mil.); Just mention some = noem er eens een paar; Mentionable: It is hardly mentionable = het is haast niet noemenswaard.

Mentor, mentə, mentor, adj. Mentorial.

Mentz, ments, Mainz.

Menu, mənû, spijslijst.

Mephistophelean, mefistəfəlîən, adj. v. Mephistopheles, mefistofilîz, Mephistopheles.

Mephitic, mifitik, stinkend, verpestend; Mephitis, mifaitis, Mephitism, mifaitizm, mefətizm, verpestende uitwasemingen of dampen.

Mercantile, mɐ̂k’nt(a)il, handels..., handeldrijvend; baatzuchtig: Mercantile code = wetboek van koophandel; The mercantile marine = handelsvloot; Mercantile and trade schools = handels-, en vakscholen; Mercantile town = handelsstad.

Mercator’s Chart, mɐ̂keitəztšât, zeekaart volgens de projectie van Mercator.

Mercenariness, mɐ̂sənərinəs, veilheid; Mercenary, mɐ̂sənəri, loon - -, baatzuchtig, inhalig, veil; subst. huurling: Mercenary marriage = huwelijk om geld; Mercenary troops = huurtroepen.

Mercer, mɐ̂sə, zijdekoopman, manufacturier; Mercery = manufactuurzaak, (handel in) manufacturen of zijde.

Merchandise, mɐ̂tš’ndaiz, koopwaar.

Merchant, mɐ̂tš’nt, subst. koopman, groothandelaar; adj. handels - -, koopmans - -: Merchant-fleet = koopvaardijvloot; Merchantman = koopvaardijschip; Merchant-service = handelsvloot, zeehandel; Merchant-tailor = marchandtailleur; Merchantable = gangbaar, willig.

Merciful, mɐ̂siful, genadig; barmhartig; subst. Mercifulness; Merciless = meedoogenloos; subst. Mercilessness.

Mercurial, məkjûriəl, Mercurius - -; vluchtig, levendig, wispelturig, kwikzilverachtig; subst. Mercuriality; Mercury, mɐ̂kjəri, Mercurius, kwikzilver.

Mercy, mɐ̂si, genade, barmhartigheid, vergeving: To be at the mercy of = overgeleverd aan de genade van; It was a mercy, he did not prosecute him = hij mocht van geluk spreken, dat..; Vergel. Lord, have mercy upon us = Heer, wees ons genadig; To beg (cry) for mercy = om genade smeeken; To throw oneself on the mercy of = zich op genade of ongenade aan iemand overgeven; We are thankful for small mercies = voor gering gunstbetoon; Mercy-seat = troon der genade; verzoendeksel.

Mere, mîə, subst. grens, grenssteen; meertje.

Mere, mîə, louter, bloot: He is your mere tool = slechts uw werktuig; Merely = enkel, alléén.

Meredith, merədith.

Meretricious, meritrišəs, ontuchtig; verlokkend, bedriegelijk: Meretricious courage = voorgewende moed; subst. Meretriciousness.

Merganser, məgansə, duikergans.

Merge, mɐ̂dž, verb. indompelen, verzinken, opgaan in (into): To be merged in = geheel opgaan in; Merger = het opgaan van eene bezitting of een recht in een ander, van eene zaak in een andere.

Meridian, məridj’n, subst. middag, hoogste punt, meridiaan; adj. middag..., hoogte..., hoogste: Meridian altitude = middaghoogte; Meridian of the globe = koperen meridiaan; Meridional = meridiaan..., middag, zuidelijk: Meridional distance = lengteverschil; Meridionality = zuidelijke of zuidwaartsche ligging of richting.

Merino, mərînou, subst. merinoswol, merinos, merinosschaap (= Merino sheep); adj. merinos...

Merit, merit, subst. uitstekendheid, waarde, voortreffelijkheid, verdienste (meest meervoud) (Merits = hoofdzaken (Jur.)); Merit verb. verdienen, aanspraak hebben op, zich verdienstelijk maken: To make a merit of necessity = van den nood een deugd maken; The matter must rest (stand) on its own merits = moet op zich zelf worden beschouwd; You have Merited well of the country = u verdienstelijk gemaakt jegens; Meritorious, meritôriəs, verdienstelijk; subst. Meritoriousness.

Merivale, meriveil.

Merkin, mɐ̂kin, pruik, toer; haarverf (Amer.); pompstok (van een kanon).

Merle, mɐ̂l, meerle.

Merlin, mɐ̂lin, steenvalk.

Mermaid(en), mɐ̂meid(’n), (zee)meermin; Merman, mɐ̂m’n, triton.

Merovingian, merəvindžən, Merovingisch; subst. Merovinger; Merrimac = merimak.

Merriment, meriment, vroolijkheid, pret; Merry, meri, vroolijk, luidruchtig, prettig, gunstig, aangeschoten: A merry Christmas to you = ik wensch u een prettig kerstfeest; He was rather merry = lichtelijk aangeschoten; They live there as merry as the day is long = leven ... als vroolijk Fransje; To make merry = pretmaken; To make merry with a person = in ’t ootje nemen; Merry-andrew = grappenmaker, Jan Klaassen, hansworst; Merry-dancers = het Noorderlicht (Schotl.); Merry-go-round = mallemolen; Merry-making = subst. pret, vermaken; adj. vroolijk; Merry-meeting = pret, fuif; Merrythought = borstbeen (van eene kip).

Mersey, mɐ̂si, mɐ̂zi.

Mesenteric, mesənterik, tot het darmscheel behoorende; Mesenteritis, mesəntəraitis, darmscheelontsteking; Mesentery, mesəntəri, mezəntəri, darmscheel.

Mesh, meš, subst. maas; Meshes = netwerk, net (fig.), strik; Mesh verb. verstrikken, verstrikt raken; Mesh-work = netwerk; adj. Meshy.

Mesjid, mezdžid, moskee.

Mesmerism, mezmərizm, mesmerisme; Mesmerist = magnetiseur; Mesmerize = magnetiseeren; Mesmerizer.

Mesne, mîn, tusschenkomend: Mesne process = nevenproces; Mesne profits = de winsten van een landgoed, in den tijd dat den rechtmatigen eigenaar onwettig het bezit daarvan is onthouden.

Mesopotamia, mesəpəteimjə.

Mess, mes, subst. gerecht, spijs, voer, viertal, gemeenschappelijke tafel, bak (van militairen en matrozen); wanorde, verwarring, vuile boel; Mess verb. gezamenlijk eten, voeren; dooreenwarren, bevuilen, bevlekken: A mess of pottage = linzenschotel: To sell for a mess of pottage = voor een linzenkooksel (Genesis XXV, 29); Captain of a mess = bakmeester; We are four of a mess = we eten met ons vieren; To be in a pretty mess = er mooi uit zien (iron.); mooi in de klem zitten; He got himself into a mess with the suds = maakte zich vuil met het zeepsop; To get into messes with feminines = intriguetjes hebben met; To make a mess of = morsen, vuil maken, in wanorde brengen; I don’t like to be messed about = dat er zooveel drukte om me (mijne ziekte) gemaakt wordt; To mess about after other women = scharrelen met; Mess-beef = pekelvleesch; Mess-kit = eetgerei (mil.); Mess-mate = tafelgenoot, bakgast; Mess-room = kajuit voor gezamenlijke maaltijden; Mess-table; Messy = vuil, verward: A messy toy = speelgoed, dat aanleiding geeft tot vuil maken van kleeren of tafel.

Message, mesidž, boodschap: To bear (carry, deliver) a message = overbrengen; To go on a message = een boodschap doen; To go messages for; Messenger, mes’ndžə, boodschapper, courier, bode, voorbode; kabelaring (scheepst.).

Messiah, məsaiə; Messias, məsaiəs; Messianic, mesianik, Messiaansch.

Messidor, mesidö, tiende maand van het republikeinsche jaar.

Messieurs, mešɐ̂z, Heeren = Messrs.

Mestee, mestî, kind van blanke en quadrone.

Mestino, mestînou, Mestizo, mestîzou, mesties, kind van Spanjaard (of Creool) en Indiaansche vrouw.

Met, met, imperf. en part. perf. van to meet.

Metal, met’l, subst. metaal, brons, compositie, spoorstaaf, grint of steengruis (voor wegen), gesmolten glas; aantal, kaliber (v. kanonnen); Metal verb. een weg met metal bedekken: The train went off the metals = derailleerde; Metallic, mətalik, metalen: Metallic pen = stalen pen; Metallic vein = metaalader; Metalliferous = metaal bevattend; Metalliform, məteliföm, metaalachtig; Metalline, metəl(a)in: Metaline water = mineraalwater; Metallist = metaalwerker: Gold metallist = voorstander van den gouden standaard; Metallography = wetenschap en beschrijving der metalen; Metalloid, metəlôid, metalloïde; Metallurgy, metəlɐ̂dži, metallurgie.

Metamorphic, metəmöfik, metamorphisch; subst. Metamorphism; Metamorphose verb. Metamorphize = Metamorphose, metəmöfous, metəmöfouz, metamorphoseeren; Metamorphosis = gedaanteverwisseling.

Metaphor, metəfö, metaphoor; Metaphoric(al), metəforik(’l), overdrachtelijk, figuurlijk.

Metaphysical, metəfizik’l, metaphysisch; Metaphysician, Metaphysicist = bespiegelend wijsgeer; Metaphysics, metəfiziks, bespiegelende wijsbegeerte.

Metathesis, mətathəsis, metathesis.

Metayer, məteiə, landbouwer die de helft der opbrengst als pacht betaalt.

Mete, mît, subst. maat; grens (= Metes); Mete verb. meten, toemeten: Full justice was meted out to him = hij kreeg geheel wat hem toekwam; The treatment, meted out to him = hem ten deel gevallen; To apply the vulgar mete-yard to = een nuchteren maatstaf aanleggen.

Metempsychosis, mətempsikousis, zielsverhuizing.

Meteor, mîtjə, verheveling, meteoor; Meteoric, mîtiorik, meteoor...: Meteoric shower = groote menigte vallende sterren; Meteoric stone = Meteorite, mîtiərait = Meteorolite, mîtiərəlait; Meteorologic(al), mîtiərəlodžik(’l), meteorologisch; Meteorologist = weerkundige; Meteorology = weerkunde.

Meter, mîtə, meter: Dry meter, Wet meter = drooge, natte meter; To examine the meter = gasmeter opnemen; Meterage, mîtəridž, meting, meetloon.

Metheglin, mətheglin, mede (drank).

Methinks, mithiŋks, mij dunkt.

Method, methəd, methode, stelsel, proces; Methodical, məthodik’l, methodisch; Methodics, məthodiks, methodiek; Methodism = de leer der Methodists = aanhangers van de door John Wesley in Oxford gestichte secte (1729): Methodistic(al), methodistisch; streng methodisch; Methodize = stelselmatig behandelen, methodisch rangschikken; Methodizer; Methodology = (verhandeling over) methodiek.

Methought, mithôt, mij docht.

Methuen, məth(j)ûən, methuən; Methuselah, məthjûzələ.

Methyl, methil, methyl.

Meticulous, mətîkjuləs, bang, vreesachtig.

Metonic-Cycle, mitoniksailk’l, maancirkel (19 jaar).

Metonymic(al), metənimik(’l), metonymisch; Metonymy, mətonimi, metonymia.

Metre, mîtə, dichtmaat, versregel; meter (= 39.37 inches); Metric, metrik, metriek; metrisch = Metrical, metrik’l.

Metrograph, metrəgraf, instrument aan een locomotief, dat de snelheid van den trein, met den duur en het aantal malen “stoppen” aanwijst.

Metronome, metrənoum, metronoom; Metronomy = het meten der maat (muz.).

Metropolis, mətropəlis, zetel van een aartsbisschop, hoofdstad; Londen; Metropolitan, metrəpolit’n, subst. aartsbisschop; adj. aartsbisschoppelijk, tot een metropolis (tot Londen) behoorend: Metropolis Board of Works = Londensche bouwraad.

Mettle, met’l, (grond)stof, wezen, natuur, geest, vuur, ijver, moed: A man of mettle = voortvarend, van stavast; A horse of much mettle = vurig paard; Mettle of youth = jeugdig vuur; To put a person on (to) his mettle = iemand aanzetten (aanleiding geven) al zijne krachten in te spannen; To try a person’s mettle = alles vergen van iemands krachten; Mettled = Mettlesome = vurig; subst. Mettlesomeness.

Meuse, mjûz, Maas.

Mew, mjû, subst. zeemeeuw; ruikooi (vooral voor valken); schuilplaats; gemiauw: Mews = stal(len); nauwe straat achter groote huizen waarop de stallen uitkomen; Mew verb. opsluiten; ruien, verharen; vernieuwen; miauwen: To mew the feathers.

Mewl, mjûl, schreeuwen, drenzen (van kinderen); Mewler = schreeuwleelijk.

Mexican, meksik’n, subst. en adj. Mexicaan(sch); Mexico, meksikou.

Mezzo, medzə; Mezzo soprano = tweede sopraan; Mezzotint(o) = mezzotint.

Mho, mou, Ohm (electr.).

Miaow, miau, miaauw!

Miasm(a), maiazm(a), (Meerv. Miasmata), miasma; Miasmatic(al) = miasmen bevattend: Miasmatic fever = malaria.

Miaul, miôl, miaul, miauwen.

Mica, maikə, mica; Micaceous, maikeišəs, van of als mica, mica...

Micah, maika; Micawber, mikôbə.

Mice, mais, meervoud van mouse.

Michael, maik’l; Michaelmas, mik’lmas, St. Michiel (29 Sept.); herfst: Michael-term = zittingstermijn (vroeger van 2–25 Nov.; thans van 24 Oct.–21 Dec. = Michael Sittings); cursus van 1 Oct.–16 Dec. (Cambr.); 10 Oct.–17 Dec. (Oxf.).

Mich(e), mitš, zich verbergen, rondsluipen, de school verzuimen; Micher.

Michigan, mišigən.

Mickle, mik’l, veel, groot; ook subst.: Many a little makes a mickle = veel kleintjes maken een groote.

Microbe, maikroub, microbe; adj. Microbic.

Microcosm, maikrəkozm, de wereld in ’t klein, de mensch; adj. Microcosmic(al), maikrəkozmik(’l).

Micrometer, maikromətə, micrometer; adj. Micrometric(al); subst. Micrometry.

Micron, maikron, micron.

Micronesia, maikrənîziə, Micronesië.

Microphone, maikrəfoun, microphoon.

Microscope, maikrəskoup, microscoop; adj. Microscopic(al); Microscopist, maikrəskoupist, maikroskəpist = iemand, die met den microscoop werkt; Microscopy, maikrəskoupi, maikroskəpi = microscopie.

Mid, mid, subst. midden...; en verk. v. midshipman: Mid-air = tusschen hemel en aarde; Midday = middag, subst. en adj.; Midland = (in het) binnenland: The Midlands = midden Engeland; The Midland railway = de centraalspoor; Mid Lent = het midden van de vasten; Midmost = middelste; Midnight, subst. middernacht(elijk): He burns the midnight oil = werkt tot diep in den nacht; Midriff = middenrif; Midshipman of Midshipmite (schertsend) = adelborst (v. het oudste jaar); Mid-ships = midscheeps; Midstream = midden van de stroom; Midsummer = hartje v. d. zomer (21 Juni): Midsummer-day = St. Jan (24 Juni); Midsummer-eve = 23 Juni; Midway, subst. middenweg; adj. midden op den weg, halverwege; Midwinter = het hartje van den winter (21 December); Middy = Midshipman; Midst = midden: In the midst of.

Midden, mid’n, mesthoop.

Middle, mid’l, subst. het midden, middel (van het lichaam), tusschentijd, tijdschriftartikel; adj. midden, middelst, tusschen beiden, middelmatig: A clever middle for an evening paper; Middle Ages = Middeleeuwen; Middle course = middenweg; Middle English = ’t Engelsch van ± 1150–1500; Middle finger; Above, Under (the) middle height; Middle life = middenstand; Middle term = middenterm; Barely in middle-age = van middelbaren leeftijd; Middle-aged people = menschen van middelbaren leeftijd; Middle-class = burgerklasse; Upper middle-classes = deftige burgerstand; Middle-class school = Burgerschool; Middleman = agent, tusschenpersoon; Middlemost = middenste; Middle-sized.

Middleburgh, mid’lbɐ̂g.

Middling, midliŋ, middelmatig, redelijk; Middlings = met zemelen vermengd meel (veevoeder).

Midge, midž, mug; dwerg = Midget.

Midwife, midwaif, subst. vroedvrouw; Midwife verb. verlosk. bijstand verleenen; Midwifery, midw(a)ifri, verloskunde: Professor of midwifery.

Mien, mîn, uitzicht, gelaat, voorkomen, houding.

Miff, mif, verdrietig, droevig; Miff verb. verdrietig zijn.

Might, mait, imperf. van may: As best he might = zoo goed en zoo kwaad hij kon; He wept and well he might = en daar had hij wel reden voor.

Might, mait, macht, kracht: With might and main = uit alle macht; Might is above right (Might overcomes right) = macht gaat boven recht; Mightiness = grootheid, vermogen; hoogheid: Their High Mightinesses = Hunne Hoogmogenden; Mighty = machtig, groot, sterk: A mighty swell = een groote banjer.

Mignonette, minjənet, reseda.

Migrant, maigr’nt, subst. zwerver, trekvogel; adj. trekkend, verhuizend, nomadisch = Migratory: Migratory birds = trekvogels; Migratory life; Migrate, maigreit, verhuizen of trekken naar een ander land; subst. Migration.

Mikado, mikâdou, keizer van Japan.

Mike, maik.

Milan, milən, milan, Milaan; Milanese, milənîz, milənîs, Milanees, Milaneesch.

Milch, milš, melkgevend: Milch cow = melkkoe (ook fig.); Milchy = melkgevend.

Mild, maild, zacht, zachtaardig, vriendelijk; licht: Mild ale = licht bier; A mild answer = vriendelijk antwoord; Mild and strong cigars; With mild pique = eenigszins gepiqueerd; A mild pun = flauwe; The dog is as mild as milk = doodgoed; Mild-spirited (Mild-tempered) = zachtaardig; Mild-spoken = vriendelijk; To put it mildly = om het zacht te zeggen; subst. Mildness.

Mildew, mildjû, subst. meeldauw, schimmel; Mildew verb. beschimmelen, met meeldauw bedekt worden; Mildewy = bedorven, beschimmeld.

Mile, mail, mijl (1609 meter); Mile-mark (Mile-post) = mijlpaal; Milestone = mijlsteen: I have passed some black milestones = heb het vaak hard te verduren gehad; Mileage, mailidž, afstand in miles; uitgaven per mijl; reiskosten per mijl; A ten miler = een marsch van 10 mijl.

Miles, mailz; Milesian, m(a)ilîž’n, inwoner van Milete; Ier; adj. van Milete, Iersch.

Milfoil, milfôil, gemeen duizendblad.

Miliary, miliəri, gierst, gierstvormig, korrelig.

Militancy, milit’nsi, oorlog(stoestand); Militant = vechtend, strijdlustig: The Church militant.

Militarism, militərizm, oorlogsgeest, oorlogspolitiek, militairisme.

Military, militəri, adj. krijgs ..., krijgshaftig; subst. mv. militairen: Military Academy; Military chest = oorlogskas; Military code; He is a military man = militair; I am not a military man = anti-militair; Military officer = officier van de landmacht; Military school; Military service; Military stores = krijgsvoorraad.

Militate, militeit, (met against, from) = vijandig staan tegenover, strijden tegen.

Militia, milišə, militie, die zonder eigen toestemming niet buitenslands diende (nu vervangen door de “Special Reserve”): The land and the marine militia; To serve in the militia; Militiaman.

Milk, milk, subst. melk, zog, sap; Milk verb. melken, melk geven: There’s no help for (It’s no use crying over) spilt milk = gedane zaken nemen geen keer; To take in with the mother’s milk; To milk the pigeon = monnikenwerk doen; To milk the wires = onrechtmatig vreemde telegrammen aflezen; zich een deel van een electr. stroom toeeigenen; Milk-and-water(y) = melk en water ..., flauw, sentimenteel; Milk-can; Milk-cure; Milk-farm; Milk-fever = zogkoorts; Milk-gauge = galactometer; Milk-glass = melkglas; Milk-jug; Milk-livered = laf; Milkmaid; Milkman = melkboer; Milk-pail; Milk-punch = rum met melk, suiker en muskaat; Milk-sop = in melk geweekt brood; verwijfd persoontje; Milk Standard Act = wet tegen melkvervalsching; Milk-strainer = zeef; Milk-sugar; Milk-tooth = melktand; Milk-walk = wijk van één melkboer; Milk-woman; Milker = melker; melkkoe = Milking-cow; Milking-time; Milky = melkachtig: The Milky Way = melkweg.

Mill, mil, molen, fabriek, spinnerij, tredmolen; vuistgevecht, rekenpenning (​1⁄10 v. een Am. cent); Mill verb. malen, kartelen, vollen, walken, pletten, afranselen, doen schuimen: That brings grist to your mill = dat zet zoden aan den dijk, geeft je voordeel; To go through the mill = door ervaring leeren; He has been through the mill = hij weet er alles van; Oil mill; Saw mill; St. Stephen’s mill = het Parlement; Wind mill; Mill-brook = molenbeek; Mill-clack, Mill-clapper = molenklapper; Mill-cog = tand (molenrad); Mill-dam = molendam; Mill-hand = molenaarsknecht; fabrieksarbeider; Mill-head = water vóór den molen; Mill-owner = fabrikant; Mill-pond = molenvijver: As quiet as a mill-pond; Mill-race = molentocht; Mill-sail = molenzeil; Mill-stone = molensteen; To get between the upper and the nether mill-stone = tusschen hamer en aambeeld geraken; He can see through (into) a mill-stone = hij is scherpzinnig; Mill-tail = waterstroom uit een molen; Millwright = molenmaker; Miller = molenaar: There are many cases of drowning the miller in our annotated editions of standard authors = herhaaldelijk vinden we gevallen van te veel commentaar in de verklarende uitgaven van onze classieken; Miller’s fee (toll) = maalgeld; Milling = het malen, kartelen (van muntranden).

Millenarian, milənêriən, duizendjarig, wat tot het duizendjarig rijk behoort; subst. geloover in de komst van het duizendjarig rijk; Millenarianism = de leer der Millenarians; Millenary, milənəri, duizendjarig; subst. millennium: The millenarian of King Alfred = de duizendste jaardag; Millennial, milenj’l, duizendjarig; Millennium, milenj’m, het duizendjarig rijk, de tijd van den Wereldvrede.

Milleped, miliped, Millipede, milipîd, duizendpoot, pissebed (oproller, varkentje).

Millerism, milərizm, leer v. William Miller (1782–1849); Millerist, Millerite, milərait, volgeling van Miller, die de onmiddellijke komst en heerschappij van Jezus verwachtte.

Millesimal, milesiməl, duizendste deel.

Millet, milət, gierst.

Milliard, miljəd, duizend millioen.

Milligram(me), miligram; Millimetre, Millimeter, milimîtə, milimitə.

Milliner, milinə, modemaakster, dameskleermaker; Millinery = (zaak in) modeartikelen; kostuumnaaien.

Million, milj’n, millioen: Two thousand millions of money; The million = de groote hoop, het groote publiek; Millionaire, milj’nêə, millionair; Millionary = uit millioenen bestaande; Millionth = millioenste.

Millocrats, miləkrats, rijke fabrikanten.

Milnes, milz; Milo, mailou.

Milreis, milrîs, Portug. munt (± ƒ 2,70).

Milsey, milsi, melkzeef.

Milt, milt, subst. milt, horn (van visschen); Milt verb. bevruchten, kuit schieten; Milter = hommer.

Miltiades, miltaiədîz; Milwaukee, milwôki.

Mime, maim, subst. mime, gebarenspel (bij Grieken en Romeinen), gebarenspeler; Mime verb. spelen; We cannot bedeck our inner selves, and make them mime as the occasion pleases = kunnen ons innerlijk niet optooien, en het, al naar de gelegenheid het verlangt, eene rol doen spelen; Mimetic(al), m(a)imetik(’l), nabootsend; Mimic, mimik, nabootsend, nagebootst; subst. nabootser, mime; Mimic verb. nabootsen: Mimic warfare = spiegelgevecht, manoeuvres; Mimicker = nabootser; Mimicry = grappige nabootsing, aanpassing aan de omgeving ter eigen beveiliging (van dieren).

Mimosa, m(a)imousə, mimosa.

Mimsey, mimzi, maatje.

Minaret, minəret, minaret.

Minatory, minətəri, dreigend.

Mince, mins, fijn hakken, bewimpelen, gemaakt spreken of loopen (met kleine pasjes): He doesn’t mince matters = neemt geen blaadje voor zijn mond; She minces her words = spreekt erg gemaakt; To mince one’s steps = trippelen; Mince-meat = fijngehakt, met rozijnen, appelmoes, citroensap, vet, rum, etc., dooreengemengd vleesch voor pasteitjes: To cut into mince (To make mince of) = in de pan hakken (milit.); Mince-pie = eene met Mince-meat gevulde pastei; Mincer = hakmachine; geaffecteerd persoon; Mincingly = geaffecteerd, vergoelijkend.

Mind, maind, subst. gemoed, geest, ziel, neiging, herinnering, zorg, meening; Mind verb. letten op, behartigen, bezwaren hebben, bedenken, van zins zijn: Absence of mind = verstrooidheid; Presence of mind = tegenwoordigheid van geest; To be in one’s right mind = bij zijn volle verstand zijn; To be of one mind = eenstemmig zijn; To be in two (several) minds = weifelen; To be out of one’s mind (of unsettled mind) = niet recht bij zijn verstand zijn; To bear in mind = bedenken; To bring (call) to mind = te binnen roepen, zich herinneren; It came into my mind = de gedachte kwam bij mij op; To cross (enter) one’s mind = te binnen schieten; To feel in half a mind = half van plan (geneigd) zijn; To have a great mind = veel lust hebben; To have no mind = geen lust hebben; To have all the mind in the world = allemachtig veel trek hebben; To keep in mind of = herinneren aan; He does not know his own mind = weet zelf niet wat hij wil; To make up one’s mind = besluiten; Make up your mind for it = bereid er je op voor; I will put you in mind of it = je er aan herinneren; He has set his mind upon it = zijn zinnen er opgezet; Speak your mind = zeg wat je op het hart ligt, spreek ronduit; Out of sight, out of mind = uit het oog, uit het hart; The house has stood there time out of mind = sedert onheugelijke tijden; To my mind = naar mijn meening; So many men so many minds = zooveel hoofden, zooveel zinnen; Mind you! = denk er om! Never mind = het kan niet schelen; Mind your own business = bemoei je met je eigen zaken; To mind a child = passen op; To mind the door = om de deur denken, op het huis passen; Mind your head-ache = denk om je hoofdpijn; I should not mind going there now = zou er nu wel heen willen; Mind your P’s and Q’s = pas op je tellen; Mind-reading = gedachtenlezen; Mind-wandering = ijlen; Minded = geneigd, gezind: He was minded to end the matter = van plan; If you are (so) minded = als ge er zin in hebt; Mindful = opmerkzaam, voorzichtig, gedachtig: Be Mindful of your health = denk om; subst. Mindfulness; Mindless of everything = op (om) niets lettende (denkende).

Mine, main, van mij: This book is mine; A friend of mine = een mijner vrienden; Mine host = de waard.

Mine, main, subst. mijn, rijke bron; Mine verb. ondermijnen (ook fig.); uitgraven, graven naar: A gold mine; Mine-captain = mijnopzichter; Miner = mijnwerker, mineur.

Mineral, minər’l, subst. delfstof; adj. delfstoffelijk, mineraal: Mineral kingdom = delfstoffenrijk; Mineral oil; Mineral salt = mineraalzout; Mineral spring; Mineral waters = minerale bronnen of wateren; Mineralization, subst. v. Mineralize = versteenen, mineraliseeren; Mineralogic, minərəlodžik; mineralogisch; Mineralogist, minəralədžist, delfstofkundige; Mineralogy, minəralədži, mineralogie.

Minerva, minɐ̂və, Minerva: Minerva press = een vroegere drukkerij in Londen; de sentimenteele romans daar gedrukt.

Minever, Miniver, minivə, Siberisch eekhorentje, het bont daarvan.

Mingle, miŋg’l, vermengen, zich vermengen (onder), versmelten.

Miniature, minitj(u)ə, subst. miniatuur(portret); adj. verkleind, op kleine schaal: Miniature painter.

Minibus, minibɐs, een soort wagen voor 4 personen.

Minify, minifai, verkleinen; geringschatten.

Minikin, minikin, zeer klein, geaffecteerd; subst. kleine speld; lieveling.

Minim, minim, zeer klein; subst. dwerg, kort gedicht; ± 65 m.Gram; halve noot; Minims = de strenge orde der Miniemen; Minimal, minimaal; Minimization, subst. v. Minimize = verkleinen, verbloemen: Let us not minimize the danger of our situation; Minimum = minimum.

Mining, mainiŋ, subst. mijnbouw; adj. mijn ...: Mining-academy; Mining-shares (Mining-stocks) = mijn waarden.

Minion, minj’n, subst. slaafsch volgeling, gunsteling, lichtekooi: Minions of the moon = roovers, dieven.

Minister, ministə, subst. (staats)dienaar, minister, gezant; werktuig (fig.); predikant (bij de dissenters); Minister verb. voorzien van, verschaffen, toedienen, besturen, ministreeren, oppassen, behulpzaam zijn, geneesmiddelen geven: Minister of the Colonies; Minister of Finance; Minister of Foreign Affairs; Minister of the Interior = M. van Binn. Zaken; Minister of War; Prime Minister = minister-president; He ministered to me in those days = verzorgde mij; Ministerial, ministîriəl, dienend, gehoorzamend; ministerieel; Ministerialist = regeeringsgezinde; Ministrant, dienend; subst. dienaar; Ministration = dienstverrichting, bestuur, geestelijke bijstand of ambt: The prisoner was offered his ministrant = den gevangene bood men geestelijken bijstand aan; Ministry = ministerie, dienst, geestelijke functiën.

Minium, minj’m, roode menie.

Mink, miŋk, vison, soort v. Amer. wezel; pels daarvan.

Minnow, minou, soort witvisch, voorntje, stekelbaarsje.

Minor, mainə, kleiner, geringer, jonger, klein, gering; subst. minderjarige, mineur, minor, (term van een syllogisme): Minor key = mineur (muz.); Minor poets; Minor premiss, deze bevat den Minor term = het subject v. de conclusie; Minor third = kleine terts; Asia Minor = Klein-Azië; Minorite, mainərait, Franciskaner; Minority, m(a)inoriti, minderheid, minderjarigheid.

Minorca, minökə; Minos, mainəs; Minotaur, minətö.

Minster, minstə, hoofdkerk, kloosterkerk.

Minstrel, minstr’l, minstreel; negerzanger (= Negro minstrel); Minstrelsy = de kunst v. d. minstreel, balladenverzameling.

Mint, mint, munt, groote hoeveelheid; munt (plant); Mint verb. munten, slaan, smeden: Master of the mint = muntmeester; A mint of money = een “bom” duiten; The mint and cummin of literature = de nietige dingen of kleinigheden in de letteren (Zie Matth. XXIII, 23); Mint-drops = pepermuntjes; Mint-julep = Amer. drank van suiker, spiritualiën en kruizemunt in gestampt ijs; Mint-sauce = kruizemuntsaus; Mintage, mintidž, het gemunte, muntrecht.

Minuend, minjuənd, aftrektal.

Minuet, minjuət, menuet: To step (walk) a minuet = een menuet dansen.

Minus, mainəs, minder dan, onder nul, met uitzondering van, waardeloos.

Minuscule, minɐskjûl, klein, gering; subst. kleine letter.

Minute, minit, subst. minuut, memorandum, concept, notulen, protocol (= Minutes); ook adj.; Minute verb. aanteekeningen maken, do minuten of notulen schrijven van: To keep the minutes; Minute-book = klad- of notulenboek; Minute-glass = zandglas (van ééne minuut duur); Minute-gun = minuutschot; Minute-hand = minuutwijzer.

Minute, minjût, zeer klein, gering, precies, omstandig; subst. Minuteness; Minutiae, minjûšiî, kleinigheden, bijzonderheden.

Minx, miŋks, brutale meid.

Miracle, mirək’l, wonder, mirakel: To a miracle = wonderbaarlijk; To work miracles = doen; Faith works miracles; Miracle-play = mysteriespel; Miraculous, mirakjəlɐs, wonderdadig, wonderbaarlijk, wonder..; subst. Miraculousness.

Mirage, mirâž, luchtspiegeling, waan.

Mire, maiə, subst. slijk, modder; Mire verb. bemodderen, in den modder zakken of zitten, in ongelegenheid brengen: To be in the mire = in den klem zitten; To drag into the mire = door het slijk halen (fig.); Mire-crow = kap- of kokmeeuw; Miriness = modderigheid.

Mirror, mirə, subst. spiegel, toonbeeld; Mirror verb. terugkaatsen: Dutch mirrors = spionnetjes; Halls of mirrors = spiegelzalen.

Mirth, mɐ̂th, vroolijkheid, opgewektheid; adj. Mirthful; subst. Mirthfulness.

Miry, mairi, modderig.

Mirza, mɐ̂zə, Perzische eeretitel; vorst.

Misadventure, misədventjə, ongeluk, tegenspoed; adj. Misadventurous.

Misalliance, miselaiəns, huwelijk beneden iemands stand; Misallied, misəlaid, verkeerd vereenigd.

Misanthrope, misənthroup, menschenhater; adj. Misanthropic(al), misənthropik(’l); Misanthropist, misanthrəpist, menschenhater; Misanthropy, misanthrəpi, menschenhaat.

Misapplication, misaplikeiš’n, subst. v. Misapply, misəplai, verkeerd toepassen.

Misappreciate, misəprîšieit, onderschatten; subst. Misappreciation.

Misapprehend, misaprihend, misverstaan, verkeerd begrijpen; subst. Misapprehension.

Misappropriate, misəprouprieit, zich onwettig toeëigenen; subst. Misappropriation.

Misarrange, misəreinž, verkeerd rangschikken; subst. Misarrangement.

Misbecome, misbikɐm, ongepast zijn voor, slecht passen bij; Misbecoming = ongepast, onvoegzaam.

Misbefitting, misbifitiŋ, onvoegzaam.

Misbegotten, misbigot’n, onecht, slecht.

Misbehave, misbiheiv, zich misdragen (oneself); Misbehaviour, misbiheivjə, wangedrag.

Misbelief, misbilîf, ongeloof, dwaalleer; Misbelieve = dwalen, ten onrechte gelooven; Misbeliever = ongeloovige.

Miscalculate, miskalkjuleit, misrekenen; verkeerd uitrekenen; subst. Miscalculation.

Miscall, miskôl, verkeerdelijk noemen.

Miscarriage, miskaridž, mislukking, verloren gaan, wangedrag, miskraam: A gross miscarriage of justice = grove rechterl. dwaling; Miscarry, miskari, verloren gaan (v. brieven), mislukken, een miskraam krijgen: He miscarries of puns every minute = hij zegt om den haverklap te onrechter tijd woordspelingen.

Miscast, miskâst, subst. misrekening; Miscast verb. misrekenen, verkeerd berekenen.

Miscegenation, misədžəneiš’n, rassenvermenging.

Miscellanea, misəleinjə, allerlei; Miscellaneous = gemengd, door elkaar, verscheiden; subst. Miscellaneousness; Miscellanist, misələnist, schrijver van mengelwerk; Miscellany, miseləni, mengeling, mengelwerk.

Mischance, mistšâns, subst. ongeluk, ramp; Mischance verb. ongelukkig gebeuren.

Mischief, mistšif, onheil, ongeluk, kwaad, ondeugendheid, onrecht, schade, nadeel: The boys are never out of mischief = voeren altijd wat uit; He is bent on mischief = hij voert wat in zijn schild; Out of pure mischief = uit moedwil; To do mischief = ondeugend zijn; To get into mischief = kattekwaad uitvoeren; To lead into mischief = verleiden tot kwaad doen; To make mischief = onheil stichten; He means mischief = voert wat in het schild; There will be the mischief to pay = dan heb je de poppen aan ’t dansen; What the mischief is your little game = wat duivel voer jij in ’t schild? Like the very mischief = als dol; He is a mischief-maker = onheilstoker, tweedrachtstichter; A mischief-making fellow = kwaadstichter, onheilstoker; Mischievous, mistšivɐs, boos(aardig), schadelijk, moedwillig, noodlottig, ondeugend; subst. Mischievousness.

Miscible, misib’l, vermengbaar.

Miscite, mis-sait, verkeerdelijk aanvoeren of aanhalen.

Miscomprehend, miskomprəhend, Misconceive, misk’nsîv, verkeerd begrijpen of beoordeelen; Misconception = verkeerde opvatting, wanbegrip, dwaling.

Misconduct, miskondəkt, wangedrag, verkeerde behandeling.

Misconduct, misk’ndɐkt, slecht besturen of behandelen: To misconduct oneself = zich slecht gedragen.

Misconjecture, misk’ndžektjə, subst. valsche gissing; Misconjecture verb. verkeerdelijk gissen of berekenen, misrekenen.

Misconstruction, misk’nstrɐkš’n, misvatting, verkeerde uitlegging; Misconstrue, miskonstrû, verkeerd opvatten of uitleggen.

Miscount, miskaunt, subst. misrekening; Miscount verb. verkeerd tellen of rekenen.

Miscreant, miskriənt, afschuwelijk, gemeen; subst. ellendeling, schurk.

Miscue, miskjû, subst. misstoot (bilj.); Miscue verb. misstooten.

Misdate, misdeit, subst. verkeerde dagteekening; Misdate verb. verkeerd dateeren.

Misdeal, misdîl, subst. het verkeerd geven (van kaarten); Misdeal verb. verkeerd geven: To make a misdeal.

Misdeed, misdîd, misdaad.

Misdeem, misdîm, verkeerd beoordeelen.

Misdemean, misdimîn: To misdemean oneself = zich slecht gedragen; Misdemeanant = misdadiger; Misdemeanour, wangedrag, misdrijf.

Misdirect, misdirekt, verkeerd adresseeren, verkeerd leiden; subst. Misdirection.

Misdo, misdû, misdû, verkeerd doen, een vergrijp begaan; Misdoer; Misdoing = vergrijp, misdaad.

Misemploy, misəmplôi, verkeerdelijk toepassen, misbruiken; subst. Misemployment.

Misenter, misentə, valschelijk boeken; Misentry = verkeerde boeking.

Miser, maizə, vrek.

Miserable, mizərəb’l, ellendig, verachtelijk, waardeloos, ongelukkig: The miserables = katterigheid; subst. Miserableness.

Miserere, mizərîri, boetpsalm (51), miserere, weeklacht; Miserere verb. drek braken: Miserere Day = Aschwoensdag.

Misery, mizəri, ellende, ramp, ongeluk.

Misfeasance, misfîz’ns, overtreding, misbruik van ambtelijke bevoegdheid.

Misfit, misfit, (iets) wat slecht past; Misfit verb. niet passen: This coat is a misfit; A misfit suit.

Misform, misföm, misvormen; subst. Misformation, misvorming.

Misfortune, misfötjən, ongeluk, ongelukje (= misstap): Misfortunes never come singly = een ongeluk komt nooit alléén.

Misgive, misgiv, met twijfel of argwaan vervullen: My heart (mind) misgave me = ik vreesde het ergste; Misgiving = angstig voorgevoel, twijfel.

Misgovern, misgɐvən, slecht besturen; subst. Misgovernment = wanbeheer, wanbestuur.

Misguidance, misgaid’ns, verkeerde leiding; Misguide, misgaid, verkeerd leiden, op een dwaalspoor brengen.

Mishap, mishap, ongeluk, ongeval, misstap; To have a mishap.

Mishmash, mišmaš, mengelmoes, hutspot.

Mishna(h), mišnə, een afdeeling van den Talmud; Mishnic = tot de M. behoorende.

Misinfer, misinfɐ̂, verkeerdelijk opmaken.

Misinform, misinföm, verkeerd inlichten; subst. Misinformation; Misinformer.

Misintelligence, misintelidžens, verkeerde inlichting, valsch bericht.

Misinterpret, misintɐ̂prət, verkeerd uitleggen; subst. Misinterpretation; Misinterpreter.

Misjoin, misdžôin, slecht of verkeerd verbinden.

Misjudge, misdžɐdž, verkeerd (be)oordeelen; subst. Misjudgement.

Mislay, mislei, verliezen, te zoek maken: She lost her temper, or, rather, mislaid it = zij raakte uit haar humeur, tenminste eventjes; Mislayer.

Mislead, mislîd, misleiden, verleiden; Misleader.

Mislike, mislaik, subst. afkeer, weerzin; Mislike verb. een afkeer hebben, mishagen.

Mismanage, mismanidž, verkeerd besturen; subst. Mismanagement; Mismanager.

Mismatch, mismatš, verkeerd samenvoegen of paren.

Mismetre, mismîtə, het metrum bederven.

Misname, misneim, verkeerd noemen.

Misnia, mizniə, Meiszen; adj. Misnian.

Misnomer, misnoumə, verkeerde benaming.

Misogamist, misogəmist, tegenstander van het huwelijk; Misogamy = weerzin tegen het huwelijk; Misogynist, misodžinist, vrouwenhater; Misogyny, misodžini, vrouwenhaat.

Misplace, mispleis, misplaatsen, verkeerd gebruiken; subst. Misplacement.

Misprint, misprint, drukfout; Misprint verb. verkeerd drukken.

Misprision, mispriž’n, ambtsverzuim: Misprision of felony = verzuim de misdaad te vervolgen; Misprision of treason = verzuim het hoogverraad te vervolgen.

Misprize, mispraiz, onderschatten, verachten.

Mispronounce, misprənauns, verkeerd uitspreken; subst. Mispronunciation.

Misproportion, misprəpöš’n, eene slechte verhouding of schikking maken.

Misquotation, miskwəteiš’n, onjuiste aanhaling; Misquote = onjuist aanhalen.

Misremember, misrimembə, zich niet juist herinneren: If I misremember not = als mijn geheugen mij niet bedriegt.

Misreport, misripöt, subst. onjuist of valsch rapport; Misreport verb. onjuist berichten.

Misrepresent, misreprizent, onjuist of verkeerd voorstellen; subst. Misrepresentation; Misrepresenter.

Misrule, misrûl, wanorde, wanbestuur, oproer; Misrule verb. verkeerd besturen.

Miss, mis, (me)juffrouw (voor ongehuwde vrouwen): The misses Brown, The miss Browns = de (jonge)dames B.; Missie = juffertje; Missish = gemaakt, juffertjesachtig, preutsch; subst. Missishness.

Miss, mis, subst. een misschot, misstoot, misworp; Miss verb. missen, niet raken, misloopen, overslaan, vermijden; ontberen, ontbreken, ketsen, mislukken: A miss is as good as a mile = haast is nog niet half; She feels the miss of her children = het gemis; He made a miss in balk (a miss for safety) = hij gaf een mispunt om goedaf te spelen (bilj.); You have missed the aim (the mark) = mis geschoten, het doel niet geraakt; The gun missed fire = ketste; To miss a train; To miss one’s step (footing) = uitglijden; To be (go) a-missing = weg zijn, weg raken; The book is missing = is er niet, is weg; Several are killed or missing = worden vermist; Missing-link = ontbrekende schakel.

Missal, mis’l, misboek.

Missel (thrush), mis’l (thrɐš), groote lijster.

Missend, misend, aan het verkeerde adres zenden.

Misshape, mis-šeip, subst. wanstaltigheid; Misshape verb. wanstaltig maken, verkeerd vormen; Misshapen = wanstaltig, misvormd; subst. Misshapenness.

Missile, misil, werp..; subst. werptuig, projectiel; Missile dart = werpspies.

Mission, miš’n, subst. zending, opdracht, missie, gezantschap, zendelingenstation; Missionary, zendelings..; subst. zendeling; Missioner = bode, zendeling.

Missive, misiv, gezonden; subst. brief, officiëel bericht.

Missouri, misûri.

Misspell, misspel, onjuist spellen; Misspelling = verkeerde spelling.

Misspend, misspend, slecht besteden, weggooien.

Misstate, missteit, verkeerd voorstellen of uitdrukken; subst. Misstatement.

Misstep, misstep, misstap (eigenl. en fig.); Misstep verb. mis-stappen, struikelen.

Mist, mist, subst. nevel, motregen, sluier (fig.); Mist verb. misten, motregenen, met nevel bedekken: I had a mist before my eyes = mijne oogen waren beneveld = A mist was over my eyes; They were in a mist = zij waren beneveld, de kluts kwijt; The leaden mist = grauwe; A Scotch mist = zware, natte nevel; Mistiness, subst. v. Misty; Mistlike = nevelachtig; Misty = mistig, duister.

Mistakable, misteikəb’l, wat gemakkelijk verkeerd wordt opgevat, of met elkaar verward; Mistake, misteik, subst. vergissing, fout; Mistake verb. verkeerd opvatten of verstaan, verkeerdelijk houden voor, misverstaan, dwalen, zich bedriegen: To make a profound mistake = zich deerlijk vergissen; He is a good fellow, and no mistake (about it) = ..., en daar kun je op aan; I mistook you for your brother = ik zag u aan voor; You are mistaken = ge vergist u; A Mistaken notion = dwaalbegrip; Mistakenly = bij vergissing; Mistaker.

Mister, mistə, mijnheer (vóór den naam, en dan steeds geschreven Mr.).

Misterm, mistɐ̂m, verkeerd noemen.

Mistimed, mistaimd, ontijdig, misplaatst.

Mistitle, mistait’l, een verkeerden titel geven.

Mistletoe, miz’ltou, marentak, vogellijm.

Mistranslate, mistr’nsleit, verkeerd vertalen; subst. Mistranslation.

Mistress, mistrəs, meesteres, gebiedster, huisvrouw, hoofd (van een school), juffrouw voor de huishouding (in aanzienlijke families), mevrouw (voor getrouwde vrouwen verkort tot Mrs., misiz), liefje, minnares: Head mistress = directrice, hoofd.

Mistrust, mistrɐst, wantrouwen; ook verb.; adj. Mistrustful; subst. Mistrustfulness: Mistrustfulness of oneself = gebrek aan zelfvertrouwen.

Misunderstand, misɐndəstand, verkeerd begrijpen, misverstaan; Misunderstanding = misverstand, onaangenaamheid, verschil.

Misusage, misjûzidž, misbruik, slechte behandeling; Misuse, misjûs, misbruik, slechte behandeling; Misuse, misjûz, misbruiken, slecht behandelen, beetnemen.

Miswrite, misrait, onjuist schrijven.

Mite, mait, mijt; penning, ziertje, dreumes: My contributory mite = penninkske; The widow’s mite = het penninkske der weduwe; Our Mary was a toddling mite of two years old = een waggelend dreumesje.

Mithridate, mithridit, tegengif; Mithridates, mithrideitîz, Mithridates.

Mitigate, mitigeit, verzachten, verlichten, matigen, lenigen; subst. Mitigation; adj. Mitigative; Mitigator = alles wat lenigt en verzacht.

Mitral, maitrəl, als een mijter: Mitral valve = hartklep; Mitre, maitə, subst. (bisschops)mijter, waardigheid van een bisschop, hoek van 45°, schoorsteenkap; Mitre verb. met een mijter tooien, onder een hoek van 45° samenvoegen of bijeenkomen; Mitriform, mitriföm, mijtervormig.

Mitt(en), mit(’n), handschoen (zonder vingers), want: Handle your tools without mitts = pak flink aan; To give (get) the mitt = een blauwtje geven (krijgen).

Mittimus, mitimɐs, bevel aan de autoriteiten tot opname in een gevangenis; bevelschrift tot het zenden van stukken van het ééne hof naar het andere.

Mity, maiti, vol mijten.

Mitylene, mitilîn.

Mix, miks, (ver)mengen, vereenigen, zich mengen, zich bewegen in: I advise you never to mix your wines = wijn door elkaar te drinken; He got mixed in his wrath = hij wist in zijn toorn niet meer wat hij zeide; Don’t mix up my silks = maak niet in de war; Mixmax = allegaartje, verwarde hoop; Mixed affair = dolle boel; Mixed marriage = gemengd huwelijk; Mixed pickles = groenten in mosterdzuur; Mixtilineal, Mixtilinear = uit rechte en kromme lijnen bestaande; Mixture, mikstjə, mengsel.

Miz(z)en, miz’n, bezaan; adj. bezaans-: Miz(z)en mast = bezaansmast; Miz(z)en-rigging = bezaanswant; Miz(z)en-sail = bezaan; Miz(z)en-shrouds = bezaanswant; Miz(z)en-top = kruismars.

Mizzle, miz’l, subst. motregen; Mizzle verb. motregenen; er van “doorgaan” (out); Mizzly = druilig, mistig.

Mizzy, mizi, poel, moeras.

Mnemonic, nimonik, geheugen..: Mnemonics = geheugenleer.

Moabite, mouəbait.

Moan, moun, subst. gekerm, gejammer; Moan verb. kermen, kreunen, betreuren, bejammeren: To make one’s moan = zijn leed klagen.

Moat, mout, subst. gracht; Moat verb. met eene gracht omgeven.

Mob, mob, subst. Janhagel, gepeupel, gespuis, bende; muts(je) met banden (= Mob-cap); Mob verb. samenrotten, samen aanvallen, achterna loopen: He found himself mobbed by the hangers-on, who invariably worship the rising sun = het werd hem lastig gemaakt door; Mob-law = wet van het ruwe geweld (Zie Lynch-law); Mobocracy, mobokrəsi, de tirannie van het gepeupel.

Mobile, məbîl.

Mobile, moubil, mobil, bewegelijk, levendig, vlug; subst. Mobility.

Mobilization, mobilizeiš’n, mobilisatie; Mobilize, mobilaiz, moubilaiz, mobiliseeren.

Mobus, moubəs = motor-omnibus; Mocab, moukab = motor-cab; Mocar, moukâ = motor-car.

Moccasin, mokəsin, Indiaansche sandaal.

Mocha, moukə, Mokka; Mocha-coffee.

Mock, mok, subst. bespotting, voorwerp van spot; adj. nagemaakt, onecht; Mock verb. bespotten, uitlachen, tarten, negeeren, nadoen, nabootsen: To make mock at = To make a mock of = bespotten; Mock combat (Mockfight) = spiegelgevecht; Mock-heroic poem = komisch-heroisch vers; Mock moon = bijmaan; Mock-nightingale = zwartkop; Mock-orange = (boeren)jasmijn; Mock sun = bijzon; Mock-turtle = nagemaakte schildpadsoep; Mock-velvet = katoenfluweel; Mocker; Mockery = spotternij, bespotting, bedriegelijke nabootsing; Mocking: Mocking-bird = spotlijster.

Modal, moud’l, modaal; Modality, mədaliti, modaliteit, wijze van zijn, wijze van voorstellen met betrekk. tot de werkelijkh.; Mode, moud, wijze, manier, vorm, gewoonte, gebruik, mode, schaal (muz.): All the Mode = naar de nieuwste mode; Mode-book = modejournaal.

Model, mod’l, subst. model (ook van kunstenaars), patroon, model arbeiderswoning, toonbeeld, evenbeeld; adj. model..; Model verb. naar een bepaald model vormen, modelleeren: Model dwelling; Model gown; To model oneself upon; Modeller = modelleur; Modelling: Modelling-board = modelleerplank, schabloon; Modelling-clay = boetseerklei.

Modena, modənə, Modena; modənə, modînə, karmozijnachtige kleur.

Moderate, modərit, gematigd, zacht, middelmatig, matig, bezadigd; subst. gematigde; Moderate verb. (modəreit), matigen, doen bedaren, stillen; voorzitten; subst. Moderateness; Moderation, modəreiš’n, matiging, matigheid, gematigdheid, zelfbeheersching: Moderates, verkort tot Mods: He took a first in Mods = hij kreeg “summa cum laude” in M. i.e. het 2de examen aan de hoogeschool te Oxford; Moderato, modərâtou, matig snel (muz.); Moderator, modəreitə, iemand die of iets dat matigt; voorzitter (vooral van eene vergadering der Presbyteriaansche kerk); examinator bij het Mods-examen (Oxf.); dwarskijker bij examens (Camb.): Moderator-lamp = moderateurlamp; Moderatorship.

Modern, modən, nieuw, modern; ook subst: Modern authors (English, history); A poet of the modern = van onzen tijd; A modern; The moderns = de modernen; Modernism = nieuwe uitdrukking; zucht tot het moderne; Modernization, subst. v. Modernize = moderniseeren; Modernizer; Modernness = nieuwheid, nieuwerwetschheid.

Modest, modəst, bescheiden, zedig, ingetogen, kuisch, fatsoenlijk; subst. Modesty.

Modicum, modikɐm, kleinigheid, beetje.

Modification, modifikeiš’n, wijziging; Modification verb. Modify, modifai.

Modish, moudiš, naar de mode, fatterig; subst. Modishness; Modist = fat.

Modiste, mədîst, modiste.

Mods, modž; Zie Moderate.

Modulate, modjuleit, moduleeren (muz.); subst. Modulation.

Modwall, modwôl, bijenvreter (vogel).

Moe, mou, oude dichterl. vorm voor more.

Moesogothic, mîsəgothik, subst. en adj. Moesogothisch(e taal).

Mogul, məgɐl, Mongool: The Great (Grand) Mogul = de groote Mogol (1526–1857).

Mohair, mouhêə, haar van de geit van Angora.

Mohammed, məhaməd, Mahomed; Mohammedan, subst. en adj. Mahomedaan(sch); Mohammedism; Mohammedize = tot de leer van Mahomed bekeeren.

Mohawks, mouhôks, stam van Indianen; 18-eeuwsche nachtelijke straatschenders.

Mohican, məhîk’n.

Mohocks = Mohawks.

Mohur, mouhə, Brit.-Ind. munt van 15 zilver ropijen.

Moidore, môidö, Portug. munt (ƒ 16,20).

Moiety, môiəti, helft, aandeel.

Moil, môil, subst. vlek, smet; Moil verb. bekladden, afbeulen, zwoegen: To Moil and toil = zwoegen en sloven.

Moist, môist, vochtig, nattig; Moisten, môis’n, vochtig worden, bevochtigen: To Moisten one’s throat = er eentje pakken; Moistness, Moisture, môistjə, vochtigheid.

Moither, môidhə, zwoegen, sloven.

Moke, mouk, ezel (ook fig.), clown, neger.

Molar, moulə, malend; maal(tand) = Molar-tooth.

Molasses, məlasiz, melasse.

Moldavia, moldeiviə.

Moldwarp, mouldwöp, mol.

Mole, moul, moedervlek; havendam; mol, maankalf; Mole-catcher; Mole-cricket = molkever; Mole-eyed = bijziende, blind; Mole-hill = molshoop: To make a mountain out of a mole-hill; Mole-rat = blindmuis; Moleskin = mollevel; soort fustein, broek hiervan gemaakt; Mole-track = molsgang; Molewarp = mol.

Molecular, məlekjulə, moleculair; subst. Molecularity; Molecule, moləkjûl.

Molest, məlest, lastig vallen, plagen, kwellen; subst. Molestation, moləsteiš’n; Molester.

Molinism, moulinizm, leer van den Jezuït Molina; Molinist.

Molla(h), molə, eeretitel van Turksche priesters of geleerden, opperrechter.

Moll, mol, meid (naam voor alle vrouwen in vulgair Londensch), Mietje.

Mollient, moliənt, verzachtend, verteederend; Mollification = verzachting, verteedering; Mollifier = verzachter, verzachtend middel; Mollify, molifai, verzachten, verteederen.

Mollusc, moləsk, weekdier; Mollusca, molɐskə, klassen der weekdieren; Molluscan, molɐsk’n, tot de weekd. behoorende; weekdier.

Molly-coddle, molikod’l, Mollycuddle, molikɐd’l, verwijfd persoon; Molly-coddle verb. verweekelijken; Molly-coddle little lads = moederskindjes.

Moloch, moulok, Moloch.

Molten, moult’n, part. perf. van to melt.

Moluccas, molɐkəz, de Molukken.

Moly, mouli, soort look.

Moment, moum’nt, oogenblik, belang; statisch moment: Enterprises of great moment = van groot gewicht; At a moment’s notice = in minder dan geen tijd; In a moment = On the moment = oogenblikkelijk; Momentariness, subst. v. Momentary = voor een oogenblik, vluchtig; Momentous, məmentəs, gewichtig; subst. Momentousness; Momentum, məment’m, aandrang, prikkel, moment (= product v. massa en snelheid).

Momma, momə, Amer. voor Mama.

Momus, mouməs.

Monachal, monəkal, monniks—; Monachism, monnikengeest (-staat, -stand).

Monaco, monəkou, Monaco.

Monad, monad, monade, ééncellig organisme; soort infusiediertje.

Monagasque, monəgask, van Monaco.

Monarch, monək, subst. monarch; Monarchal, = Monarchic(al), mənâkik(’l), monarchaal; Monarchism = éénhoofdige regeering; Monarchist; Monarchy = monarchie.

Monasterial, monəstîriəl, kloosterachtig, klooster..; Monastery (monniken)klooster; Monastic(al) = klooster..; monnik; Monasticism = kloosterleven, monnikenstand.

Moncrieff, monkrîf.

Monday, mɐnd(e)i, Maandag: Black Monday Zie Black.

Monetary, mɐnətəri, geld betreffend, geldelijk: Monetary difficulties; Monətization, subst. v. Monetize, mɐnətaiz, munten, tot betaalmiddel maken, eene standaard waarde geven.

Money, mɐni, munt, geld, betaalmiddel, rijkdom: Money down, Money out of hand = baar geld, contant; Money of account = rekenpenning (niet in werkelijkheid bestaande, zooals onze daalder van ƒ 1,50); Current money = gangbare munt; Earnest money = godspenning; Ready money = baar geld, contant; Small money = kleingeld; Spare money = geld dat over is; I am out of money at present = niet bij kas; Money makes the man; Money makes the mare (to) go = geld is de ziel v. de negotie; To convert (turn) into money = te gelde maken, verzilveren; It is like eating money = het verslindt geld; To fling good money after bad; To keep a person in money = van geld voorzien; To keep a person out of his money = laten wachten op; I laid out my money in a necklace = besteedde aan; It looks like money = het is peperduur; To make money = geld verdienen; He made my money spin = liet rollen; To roll in money = zich baden in; What’s the money? = wat kost het; That’s not my money = dat is niets voor mij; That is the man for my money = dàt is m’n man: Money-agent = geldwisselaar; Money-bag; Money-bill = wetsontwerp tot het toestaan van gelden: Money-box = spaarpot; Money-broker, Money-changer = geldwisselaar; Money-dropper = kwartjesvinder; Money-grabber = Money-grubber = geldwolf; Money-lender = geldschieter; He has a Money-making business = verdient geld als water; Money-market = fondsen-, geldmarkt; Money-matters = geldzaken; Money-order = postbewijs (ook Post-office Money-order genaamd en waarbij de naam van den geadresseerde per letter of advice afzonderlijk door het eene postkantoor naar het andere wordt verzonden); He is money-proof = laat zich niet omkoopen; Money-spider = geluksspinnetje; Money-spinner = geluksspinnetje; iemand, die geld als water verdient; Money-wort = penningkruid; Money’s-worth = volle waarde, geldswaarde: He wanted his money’s worth = eischte waar voor zijn geld; Moneyed = rijk, vermogend; gemunt; Moneyer = geldmunter; Moneyless.

Monger, mɐŋgə, koopman (in samenst.).

Mongolia, moŋgouliə, Mongolian, mongoulj’n, subst. en adj. Mongool(sch).

Mongoose, moŋgûs, mɐŋgûs, Brit.-Ind. ichneumon of spoorwezel.

Mongrel, mɐŋgrəl, subst. en adj. bastaard; Mongrelize = tot een mongrəl maken.

Monition, məniš’n, vermaning, waarschuwing, dagvaarding; Monitive = vermanend; Monitor, monitə, vermaner, monitor of klassevoogd (oudere leerling in scholen, die op de jongeren toeziet); monitor (oorlogsschip); Monitorial, monitôriəl, waarschuwend, gedaan door monitors; Monitory, monitəri, vermanend; Monitress = vrouwelijke monitor.

Monk, mɐŋk, monnik; vlek (bij het drukken); Monk’s-hood = monnikskap; Monk’s Latin = middeleeuwsch Latijn; Monkery = monnikenstaat; Monkhood = monnikschap; Monkish = monnikachtig.

Monkey, mɐŋki, aap, heiblok, rumkan, som van £500 (in Amer. 500 dollar): To have (get) one’s monkey up = den duivel in krijgen, nijdig worden; To suck the monkey = met behulp van een strootje drank opzuigen uit een vat waarin men een gaatje heeft geboord; Monkey-bread = apenbrood(boom); Monkey-jacket = dik jekkertje.

Monmouth, mɐnməth.

Monochord, monəköd, monochordium.

Monochromatic, monəkrəmatik, in één kleur; Monochrome, monəkroum, in één kleur geschilderde schilderij.

Monocle, monok’l, monocle; éénoogig dier; Monocular, Monoculous = éénoogig.

Monodrama, monədrâmə, dramatische alleenspraak; adj. Monodramatic.

Monody, monədi, éénstemmig (klaag)lied, eentonigheid.

Monogamist, mənogəmist, monogamist; Monogamous = monogamistisch; Monogamy = monogamie.

Monogram, monəgram, naamcijfer.

Monograph, monəgraf, verhandeling over één onderwerp; Monographer, mənogrəfə; adj. Monographic(al), monəgrafik(’l).

Monologue, monəlog, alléénspraak; Monologuize, monəlogaiz, eene alléénspraak houden; Monologuizer.

Monomania, monəmeinjə, idée fixe, monomanie; Monomaniac = monomaan.

Monometalism, monəmetəlizm, het gebruik van den enkelen (gouden of zilveren) standaard; Monometalist = voorstander daarvan.

Monopetalous, monəpetəlɐs, met vergroeidbladige bloemkroon.

Monophthong, monofthoŋ, monopthoŋ, monopthoŋ, monofthoŋ, éénklank; adj. Monophthongal.

Monoplane, monəplein, ééndekker.

Monopolist, mənopəlist, hij die zich van het monopolie heeft verzekerd; Monopolize, mənopəlaiz, monopoliseeren; Monopolizer; Monopoly = monopolie.

Monospermal, monəspɐ̂m’l, Monospermous, monəspɐ̂məs, éénzadig.

Monosyllabic, monəsilabic, éénlettergrepig.

Monosyllable, monəsiləb’l, éénlettergrepig woord.

Monotheism, monəthîizm, monotheïsme; Monotheist; adj. Monotheistic.

Monotone, monətoun, eentonigheid; Monotonous, mənotənɐs, eentonig, vervelend, saai; Monotony, mənotəni, eentonigheid.

Monroe doctrine, mɐnroudoktrin, de leer van Pres. James Monroe (1758–1831) dat geen Europ. mogendheid zich met Amer. aangelegenheden mag bemoeien.

Monsoon, monsûn, moesson.

Monster, monstə, subst. monster, gedrocht; adj. buitengewoon groot, monsterachtig; Monster verb. monsterachtig maken; Monstrosity, monstrositi, monster(achtigheid), wangedrocht; Monstrous = monsterachtig, tegennatuurlijk; subst. Monstrousness.

Monstrance, monstr’ns, monstrans, toonvat, dat dient om kleine reliquieën of het Hoogheilig Sacrament ter vereering zichtbaar uit te stellen.

Montacute, montəkjût; Montague, montəgjû; Montana, montânə; Montano, monteinou; Montcalm, montkâm; Montefiore, montifiö; Monteith, montîth; Montenegrine, montənegrin; Montenegro, montəneigrou; Montgomery, məntgɐməri; Montevideo, montəvidjou.

Month, mɐnth, maand: Lunar month = maanmaand; This day month = vandaag over eene maand; This last month = For this month past = sedert vier weken; At three months’ date = 3 maanden na dato; Monthly, subst. maandelijksch tijdschrift; adj. en adv. maandelijks(ch): Monthly-nurse = baker; Monthly-periods.

Montpellier, monpîljə; Montmorency, montmərensi; Montreal, montriôl; Montrose, məntrouz.

Monument, monjument, monument, gedenkteeken: The Monument = zuil (200 voet) ter herinnering aan den brand in Londen (1666); Monumental, monjument’l, tot gedenkteeken dienende, indrukwekkend, reusachtig.

Moo, mû, loeien.

Moocher, mûtšə, spijbelaar.

Mood, mûd, (gemoeds)stemming, luim, humeur; wijze, manier: To be in one’s moods = uit zijn humeur zijn, verstrooid zijn; To be in the mood = in de stemming zijn, lust hebben aan; Moodiness, subst. v. Moody = gemelijk, knorrig, humeurig, ontstemd, zwaarmoedig.

Moon, mûn, subst. maan; Moon verb, doelloos rondzwerven, droomen, droomerig rondkijken: The Moon was at the full (near her full, within two nights of the full, in its first quarter); At (Till) the blue Moon = met St. Jutmis; To cry for the Moon = het onmogelijke begeeren; I wished him over the Moon = op de Mookerhei; Moon-beam = manestraal; Moon-calf = maankalf, misgeboorte; Moon-eye = maanoog (bij paard.); Moon-eyed = maanoogig; Moon-face = vollemaansgezicht; Moon-fish = maanvisch; Moon-glade = maneschijn op het water; Moonlight, subst. maanlicht; Moonlighter = bedrijver van nachtelijke wandaden tegen landheeren, of pachters, die de hoeven van uitgezette boeren hebben ingenomen (Ierl.); Moon-lit = door de maan beschenen; Moon-raker = uilskuiken; Moon-shine = maneschijn; gesmokkelde drank (Amer.); onzin; ook adj.: It is the merest moonshine; It’s all moonshine = niets dan onzin, vertoon; Moonshiner = stille brouwer, dranksmokkelaar (Amer.); Moonshiny = door de maan beschenen; onzinnig; Moonstricken, Moonstruck = maanziek, sentimenteel, halfwijs; Moon-year = maanjaar; Moonless; Moony = maan - -, (halve)maanvormig, maanziek; aangeschoten; sukkel.

Moor, mûə, Moor; Moorish, Moorsch.

Moor, mûə, vastmeeren; Moorage = ankerplaats; Mooring; Mooring-buoy = meerboei; Mooring-ring; She is at her Moorings = ligt vastgemeerd, vertuid; She was driven from her moorings = sloeg los.

Moor, mûə, veengrond, heide, moeras; Moor-cock = mannetje, en Moor-hen = vrouwtje van Moor-fowl, Moor-game = Schotsche korhoenders; Moorland = heide, veengrond; Moorish = drassig.

Moore, mö, muə; Moorfields, mûəfîldz; Moorgate, mûəgit, mögit.

Moose-(deer), mûs(dîə), eland.

Moot, mût, subst. vergadering, debat, discussie; adj. betwistbaar; Moot verb, debatteeren, bediscussieeren; ter sprake brengen: The project was first mooted in 1880 = voor het eerst ter sprake gebracht; Moot-case, (Moot-point) = open vraag, geschilpunt; Moot-court = soort van debatingclub voor juristen; Mooter = iemand, die aan een Moot-court een geschilpunt inleidt.

Mop, mop, subst. stokdweil, bos; grimas, zuiplap; Mop verb. gezichten trekken (To mop and mow), dweilen, afvegen: A mop of waving hair = golvende haardos; He mopped up the ink with blotting-paper = nam op; Mop-headed = met een ragebol (haar); Mopstick = steel van een mop.

Mope, moup, suffen, gemelijk, droomerig of moedeloos zijn; subst. droomer: To mope away one’s time = versuffen; He is in the mopes = knorrig, gemelijk: Mope-eyed = bijziende, dom; Moping: To sit mope = zitten suffen; Mopish = sufferig, verdrietig; subst. Mopishness.

Moppet, mopət, lappenpop; kleine meid; soort langharig schoothondje; Mopsey, mopsi, kleine meid.

Moquette, məket, trijpfluweel.

Moraine, mərein, moraine, gruiswal; adj. Morainic.

Moral, mor’l, subst. moraal, toepassing, bedoeling, evenbeeld, zekerheid; adj. zedelijk, moraal..: It was what bookmakers call a moral that I should fall in love with her = vast en zeker; She is quite the moral of Auntie = het evenbeeld; The story points a moral = bevat eene zedeles; Morals = zedelijk gedrag, levensgedrag, ethiek; Moral law = zedenwet; Moral philosophy = zedenkunde; Moral sense = zedelijkheidsgevoel; Morale, mərâl, moed en volharding in vermoeienissen en gevaar: The enemy’s moral (morale) is much shaken = het moreel van den vijand heeft er zeer onder geleden; Moralist = bloot zedelijk (tegenover geloovig) mensch, zedenmeester; Morality, məraliti, zedelijkheid, zedenleer, zedelijke eigenschappen, deugd; Spel van “Sinne”; Moralization, subst. v. Moralize = moraliseeren; Moralizer.

Morass, məras, moeras: Morass ore = oer; adj. Morassy.

Moravia, məreivjə, Moravië; Moravian, subst. Moraviër; adj. Moravisch: The Moravians = The Moravian Brethren = Hernhutters; Moravianism.

Morbid, möbid, ziekelijk, ziekte..: Morbid anatomy = pathologische anatomie; Morbidity = sterfte; ziekelijkheid = Morbidness; Morbific(al) = ziekte veroorzakend: Morbific matter = ziektestof.

Mordant, möd’nt, bijtend, sarcastisch; subst. bijtmiddel.

Mordaunt, möd’nt; More, mö.

More, mö, meer, toegevoegd, verder, bovendien, opnieuw: More and more = steeds meer; And more than that = en wat meer zegt; He never did it any more = nooit weer; Much more = veel meer; No more = niet meer bestaande, dood, evenmin; Not more = evenzeer; Once more = nogmaals; So much the more = des te meer; The more the better (merrier) = hoe meer zieltjes hoe meer vreugde; More or less = min of meer; More to the purpose = doelmatiger; Moreover = bovendien.

Moreen, mərîn, moiré woldamast.

Morel, mor’l, mərel, donkerkleurig; subst. zwarte nachtschade; morielje.

Morelle, mərel, zwarte nachtschade.

Morello, mərelou, morel.

Moresque, məresk, Moorsch; subst. arabesk.

Morganatic, mögənatik, morganatisch: Morganatic marriage = huwelijk met de linkerhand.

Morglay, möglei, slagzwaard.

Moribund, moribɐnd, zieltogend(e).

Moril, moril, morielje.

Morion, môri[en], lichte helm.

Morish, möriš: It tastes morish = smaakt naar meer.

Mormon, mömən, Mormoon; Mormonism; Mormonite, mömənait, Mormoon.

Morn, mön, morgen (dichterlijk).

Morning, möniŋ, ochtend, vóórmiddag; ook adj.: In the morning = ’s morgens, den volgenden morgen; Of a morning = op een morgen; Morning-coat = jacket; Morning-gown = ochtendjapon, kamerjapon; Morning-paper, Morning-print = ochtendblad; Morning-star = morgenster.

Moroccan, mərok’n, Marokkaan; Morocco, mərokou, Marocco, marokijnleder.

Morose, mərous, gemelijk, knorrig; subst. Moroseness.

Morpheus, möfiɐs, möfjûz, Morpheus: In the arms of Morpheus = in Morpheus armen.

Morphia, möfjə, Morphine, möfin, morphine: He is a confirmed morphinomaniac = hij is aan de morphine verslaafd; Morphinism.

Morphologic(al), möfəlodžik(’l), adj. v. Morphology, möfolədži, morphologie.

Morris(-dance), moris(dâns), oude (Moorsche) dans bij de Meifeesten: My clown and his dog have morrised = zijn met de Noorderzon vertrokken.

Morrow, morou, de volgende dag: He takes no thought for the morrow = He troubles himself about no morrows = hij is niet bezorgd voor den dag van morgen; To-morrow = morgen; To-morrow morning = morgenochtend; On the morrow = morgen, den volgenden dag.

Morse, mös, walrus; zeeleeuw (Herald.): Morse alphabet (Telegr.).

Morsel, mös’l, bete, stukje, beetje: To be brought to a morsel of bread = tot den bedelstaf gebracht worden.

Mort, möt, Hallali! (jachtsignaal als het wild gedood is); menigte, hoop; zalm in het derde jaar; vrouw, meisje.

Mortal, möt’l, sterfelijk, dood(s)..., doodelijk, menschelijk, doodvervelend; subst. sterveling; adv. doodelijk, diep: Mortal enemy, foe = doodvijand; Mortal fright = doodsangst; Mortal hour = stervensuur; Four mortal hours = vier eeuwiglange uren; There is no mortal power that can release you = geene macht ter wereld; Mortal sin = doodzonde; You may wish any Mortal thing = al wat ge maar wilt; Mortality, mötaliti, sterfelijkheid, sterfte, menschelijke natuur; Mortally offended = diep beleedigd; Mortally wounded = doodelijk gewond.

Mortar, mötə, vijzel, mortier; mortel (kalk): Mortar-apparatus for life-saving = mortier waaruit reddingsvuurpijlen worden geschoten; Mortar-board = platte vierhoekige barret (Iron.).

Mortgage, mögidž, subst. hypotheek; Mortgage verb. hypothekeeren, verpanden: I gave it him in mortgage = heb het hem verpand; To foreclose a mortgage = opzeggen; To lend on mortgages; He took up money on mortgage; Mortgage-bank = hypotheekbank; Mortgage-bonds = pandbrieven; Mortgage-deed = hypothecaire acte: To prepare a mortgage-deed = opmaken; Mortgagee, mögidžî, hypotheekhouder; Mortgager, mögidžə, hypothecair schuldenaar.

Mortification, mötifikeiš’n, bittere vernedering, verdriet, zelfkwelling, zelfkastijding, koudvuur; Mortify, mötifai, tuchtigen, dooden, kwellen, kastijden, vernederen; afsterven.

Mortise, mötis, subst. tapgat, vaste verbinding; Mortise verb. met pen en gat verbinden: To hold the mortise = weerstand bieden.

Mortmain, mötmein, doode hand (Jur.).

Mortuary, mötjuəri, graf.., begrafenis.., lijk..; subst. begraafplaats, lijkenhuis.

Mosaic, məzeiik, subst. mozaïekwerk; adj. mozaïek, Mozaïsch: Mosaic law; Mosaism, mouzəizm, de Mozaïsche leer.

Moscovy, moskəvi, Moscow, moskou.

Moselle, məzel, Moezel(wijn); Moses, mouziz.

Mo-sleigh = Motor-sleigh.

Moslem, mozl’m, mosl’m, subst. en adj. Mohammedaan(sch); Moslemism.

Mosque, mosk, Moskee.

Mosquito, moskîtou, muskiet: Mosquito-net.

Moss, mos, mos, zachte veengrond, turf; geld: Moss-clad, Moss-grown = met mos bedekt of begroeid; Moss-land = veenbodem, veengrond; Moss-rose = mosroos; Moss-trooper = bereden strooper of bandiet (op de grenzen van Engeland en Schotland); Mossiness, subst. v. Mossy = met mos bedekt, mosachtig, donzig.

Most, moust, subst. meeste, grootste; adj. meest, grootst; adv. zeer: At (the) most = op zijn meest, hoogstens; The Most High = de Allerhoogste; For the most part = meerendeels; To be as good as most people = nog zoo kwaad niet zijn; To make the most of = zooveel mogelijk profiteeren van; I am most happy to see you = erg blij; Mostly = hoofdzakelijk, voornamelijk, meestal, doorgaans.

Mot, mot, hallali; snol.

Mote, mout, stofje, vlekje, spikkel, kleinigheid: Dust motes dancing in a sunbeam.

Mote, mout = may, might, must: So mote it be! = zoo zij het! (formule bij de Free-masons).

Mote, mout = To motor.

Moth, moth, mot; vlinder; kanker (fig.); ook verb.: She is a moth = ze hengelt, geeft zich veel moeite (voor een man); The cloth is moth-eaten = de mot is er in; To go mothing = op de vlindervangst gaan; Mothy = vol motten.

Mother, mɐdhə, subst. moeder, moedertje, abdis; moer, droesem; Mother verb. de moederplaats innemen, als kind aannemen: Where will you and the mother sit? = en moeder; Mother’s son = verwend kindje; Mother Carey’s Chicken(s) = stormzwaluw(en); Mother Carey is plucking her goose = het sneeuwt; Mother Shipton = eene beroemde waarzegster; Mother-church; Mother-country = moederland, geboorteland; Mother-in-law = schoonmoeder (stiefmoeder); Mother-earth = moederaarde; Mother-of-pearl = parelmoer; Mother-spot = moedervlek; Mother-tongue = moedertaal; Mother-wit = gezond verstand, natuurlijke gevatheid; Motherhood = moederschap; Motherless; Motherliness = moederlijkheid; Motherly = als eene moeder, zorgzaam.

Motion, mouš’n, subst. beweging, handbeweging, wenk, neiging, aandrift, motie, voorstel; stoelgang; Motion verb. gebaren maken, door een beweging te kennen geven: Of one’s own motion = uit eigen beweging; Equable motion = gelijkmatige beweging; Laws of motion = de drie bewegingswetten van Newton; The motion was agreed to unanimously = de motie werd met algemeene stemmen aangenomen; The motion was carried by 70 votes to 20 = aangenomen met; The motion was lost = verworpen; To make a motion to a person = iemand wenken; To put a motion = een motie stellen; To second a motion = ondersteunen; He motioned me to a chair = wenkte mij te gaan zitten; Motionless = onbewegelijk.

Motivate, moutiveit, motiveeren, gronden; Motive, moutiv, subst. beweegreden, oorzaak; adj. bewegend, beweeg...; Motivate verb. motiveeren; Motive-force = beweegkracht; Motiveless = doelloos, zonder reden; Motivity = beweegkracht.

Motley, motli, bont; subst. narrenpak, nar, bonte mengeling.

Motor, moutə, subst. motor, beweger, beweegkracht; adj. bewegend, motorisch; Motor verb. met een motorrijtuig rijden; Motor-(bi)cycle; Motor-boat; Motor-cab = autotax, taxi; Motor-car = automobiel; Motor-cycle = motorfiets; Motor-cyclist; Motor-launch = motorboot; Motor-man = bestuurder van een electr. tram; chauffeur; Motor-omnibus; Motor-sleigh = motorslede; He motored over to A.; Motorist = automobilist.

Mottle, mot’l, stippelen, vlekken, schakeeren; ook subst.; Mottle-faced = met rood gevlekt gezicht; Mottled with wrath = rood van woede.

Motto, motou, motto, zinspreuk: Motto-kisses = ulevellen met deviezen.

Mouch, mautš, rondzwerven; Moucher = vagebond.

Mould, mould, subst. aarde, teelaarde, stof, schimmel, roestvlek, gietvorm, mal; vorm, karakter; Mould verb. met teelaarde bedekken of ophoogen; beschimmelen, schimmelig worden; vormen, modelleeren, gieten, kneden: To contract mould = beschimmelen; I am not fit for society at present, I am covered with blue mould = verboerd; Moulded cheese; Mould-board = strijkbord van een ploeg; Mould-candle = gegoten kaars; Mould-loft, mallenzolder (scheepsb.); Mouldwarp = mol; Moulder, subst. (metaal)gieter; Mould verb. tot stof vergaan, vermolmen, verrotten; Mouldiness = beschimmeldheid; Moulding = vormen, enz.; lijst, fries; Mouldy = beschimmeld, oud: Mouldy cheese.

Mouline(t), mûlin(et), haspel, draaikruis.

Moult, moult, subst. het ruien, verharen, vervellen; de tijd daarvoor; Moult verb. ruien, verharen, vervellen; Moulter = ruiende vogel.

Moultrie, mûtri.

Mound, maund, subst. aardverhooging, wal, graf, heuvel; rijksappel; Mound verb. een wal opwerpen: A mound of papers = een heele hoop papieren.

Mount, maunt, berg, bolwerk, blok (bij het bestijgen van een paard), rijpaard, fiets, karton of monteering (voor teekeningen), signaal om op te stijgen; Mount verb. opstijgen, opklimmen, zich verheffen, oploopen, monteeren, versieren, een paard verschaffen, voeren: Mount Aetna; The sermon on the Mount = de Bergrede; I will go out hunting with you, if you give me a mount = als ge een paard voor mij hebt; All the mounts were strong and serviceable = alle “karren”; I should like to see a little more picture, and a little less mount = en minder lijst; Mount! = opstijgen! (een commando bij de cavalerie); He mounted the breach first = hij was het eerst in de bres; To mount a diamond = zetten; To mount a drawing = opplakken, omlijsten; The soldiers mounted guard = betrokken; The ship mounts twenty guns = voert twintig stukken; To mount a horse = bestijgen; To mount a piece = een tooneelstuk monteeren; To mount the trenches = bezetten; The fare to X. and back mounts up = loopt aan; Mounted police = bereden politie; To be miserably mounted = slechte paarden hebben; Mountable = beklimbaar; Mounting = monteering, montuur, affuit.

Mountain, mauntin, berg (ook fig.), soort Malagawijn: Mountains = gebergte; The Mountain = de Bergpartij (Fransche Revol.); The mountain has produced a mouse = A mountain in labour; If the mountain will not come to Mahomet, M. must go to the mountain; To make mountains of molehills = van eene mug een olifant maken; A mountain is raised off my spirits = er is me een steen van ’t hart gevallen; The waves were mountains high = bergen hoog; Mountain-ash = gewone lijsterbes; Mountain-chain = bergketen; Mountain-crystal = bergkristal; Mountain-dew = Schotsche whiskey; Mountain-pass = pas; Mountain-range = keten; Mountain-soap = bergzeep; Mountaineer, mauntənîə, bergbewoner, bergbeklimmer; Mountaineering = het beklimmen van bergen; Mountainous = bergachtig, berg..., buitengewoon groot.

Mountebank, mountəbaŋk, subst. kwakzalver, marktschreeuwer, bluffer; Mountebank verb. bedriegen.

Mourn, mön, rouwen, treuren, betreuren; Mourner = rouwdrager; Mournful = treurig, droevig; subst. Mournfulness; Mourning, subst. smart, klacht, rouw; They went into (were in, put on, took to; went out of, left off) Mourning = gingen (waren) in; gingen uit den rouw; First (deep), court, second Mourning = zware, hof, lichte rouw; Mourning-brooch = gitten doekspeld; Mourning-coach = rouwkoets; Mourning-establishment = magazijn voor rouwkleeren; Mourning-ring = ring ter herinnering aan een afgestorvene; Mourning-suit = rouwpak.

Mouse, maus, muis: Mouse-colour; Mouse-dung = muizenkeutels; Mouse-hole; Mouse-hunt = muizen-jacht; Mouse-trap = muizenval; souverein (ƒ 12): Parson’s Mouse-trap = huwelijk (ironisch).

Mouse, mauz, muizen vangen, aan stukken scheuren; Our cat is a good mouser.

M(o)ustache, məstâš, snor, knevel.

Mouth, mauth, mond, muil, opening, monding, woordvoerder, grimas, geblaf (aanslaan): An examination by word of mouth = mondeling examen; He was down in the mouth = neerslachtig; To lead a life from hand to mouth = van de hand in den tand leven; To run from mouth to mouth = rondgaan; Your success is in everybody’s mouth = ieder heeft den mond vol van; To give mouth = aanslaan; To keep one’s mouth shut = zwijgen: He laughed on the wrong side of his mouth: Zie Laugh; To make a mouth (mouths) at = gezichten trekken; It makes my mouth water = het doet mij watertanden; I will stop that mouth of his = hem den mond snoeren; Mouth-made = onoprecht, niet van harte; Mouth-organ = mondharmonica; Mouth-piece = sigarenpijpje, mondstuk; woordvoerder, orgaan: Tennyson has become the mouth-piece of our century; Mouth-wash = mondspoeling; Mouthful; Mouthless.

Mouth, maudh, met den mond grijpen, kauwen, eten; met vollen mond of gemaakt spreken, gezichten trekken, schreeuwen: Deep-mouthed = met zware stem, dof; Mouthy = babbelziek, gezwollen.

Movability, mûvəbiliti, subst. v. Movable, mûvəb’l, beweegbaar, veranderlijk: Movables and immovables = roerende en onroerende goederen; subst. Movableness.

Move, mûv, subst. zet (bij schaken, dammen, etc.), maatregel, handeling, daad, beweging; Move verb. bewegen, opwekken, roeren, ontroeren, zetten, aanzetten, overhalen, voorstellen, verhuizen, trekken, vervoeren, gaan naar of naderen: Whose move is it? = wie moet spelen? To know a move or two = To be up to a move or two, To know all the moves on the board = uitgeslapen zijn; The train is on the move = in beweging; The minister moved the Army Estimates = stelde voor de behandeling der; To move into = betrekken; To move off = heengaan, opbreken, aftrekken; Move on, Keep moving! = doorloopen! Moveable = Movable; Moveless = bewegingloos; Movement = beweging, aandoening; omzet; tempo; mechaniek (van uurwerken), stoelgang: Movement cure = heilgymnastiek; Movements = maatregelen; Mover = beweger, voorsteller, oorzaak, bron, drijfveer; Moving = roerend, treffend, aandoenlijk, bewegend: Moving-day = verhuisdag; Moving force (spring); Movingness = roerendheid.

Mow, mou, subst. het in de schuur opgehoopte hooi; ’t koren in schooven; Mow verb. aan hoopen zetten, opstapelen, maaien, hooien: The troops were mowed down by the enemy’s breechloaders = werden weggemaaid; Mower.

Mow, mau, mou, subst. scheef of zuur gezicht; Mow verb. gezichten (een zuur gezicht) trekken.

Mowat(t), mauət, Mowbray, moubri.

Moxa, moksə, moxa of bijvoetwol, een brandmiddel ter genezing van jicht.

Moya, môiə, vulkaanmodder of slib (Zuid-Amer.).

Much, mɐtš, subst. groote hoeveelheid; adj. en adv. veel, zeer: As much = evenveel; He said as much = zoo iets zei hij; I thought as much = dat dacht ik al; As much again = nog eens zooveel; As much as to say = alsof hij zeggen wou; In as much as = voor zooverre; By much taller = veel langer, grooter; He is not much of a soldier = niet veel bijzonders als soldaat; It is not much of a thing = niet veel zaaks; That is too much of a good thing = overdreven veel, al té; Too much of a good thing is good for nothing = overdaad schaadt; Much good may it do you = wel bekome het u (vaak iron.); That is much the same = vrijwel ’t zelfde; His words were much to this effect = kwamen vrijwel hierop neer; He was made much of = hij werd hoogelijk gewaardeerd, erg gevleid of aangehaald; He made much of himself = deed zich erg te goed, gooide zichzelf niet weg; They are much of a muchness = zij hebben vrij veel van elkaar; Our much-beloved friend = veelgeliefde.

Mucific, mjusifik, slijm afscheidend.

Mucilage, mjûsilidž, plantenslijm, slijmerige stof, (vloeibare) gom; Mucilaginous, mjûsiladžinɐs, slijmerig.

Muck, mɐk, mest, drek; iets vuils of verachtelijks; Muck verb. bemesten: It is all muck = het is louter dwaasheid; Muck-cheap = dolgoedkoop; Muck-heap, Muck-hill = mesthoop; Muck-rake = mestvork; Muck-worm = mestworm, vrek; Mucker: To go a mucker = druipen, failliet gaan, mislukken; Muckiness, subst. v. Mucky = vuil.

Mucor, mjûkə, slijm; Mucosity, mjukositi, slijmerigheid; Mucous, mjûkəs, slijmig, slijm...: Mucous membranes = slijmvliezen; Mucus, mjûkəs, slijm.

Mud, mɐd, modder, slijk; Mud verb. (zich) bemodderen, bevuilen: To stick fast in the mud = vast zitten (ook fig.); To throw mud at = met modder gooien (ook fig.); Mud-bath = modderbad; Mud-cart = vuilniskar; Mud-cottage = leemen hut; Mud-dredger = baggermachine; Mud-guards = spatborden; Mud-hole = modderpoel; slijkgat in een stoomketel; Mud-lands = wadden; Mud-lark = vuilnisman. rioolkeerder; jongen die centen, opzettelijk daarin gegooid, uit den modderigen (Theems)oever ophaalt, ook wel: Mud-scraper; Mud-scow = modderpraam; Mudsill = drempel (onderste balk); de arbeidende klasse (Amer.); Mud-wall = leemen muur; Muddiness, subst. v. Muddy, adj. modderig, bemodderd; aardsch, onduidelijk, verward, verdrietig; Muddy verb. troebel maken, bevuilen, verwarren.

Muddie, mɐdi, moesje (voor Mother).

Muddle, mɐd’l, subst. verwarring, poespas, “beroerde” boel; Muddle verb. troebel maken, omroeren, in de war brengen, dronken maken, verknoeien, weggooien, vuil worden, in de war zijn: I will straighten out this muddle = ik zal die (war)boel in orde brengen; He muddled away his property in speculations = verspilde; Let them muddle it out among themselves = laat ze dat onder elkander uit- en goedmaken; He was rather muddled = vrijwat “aangeschoten”; A muddle-headed fellow = sufferig, verward, beneveld.

Mudie, mjûdi: Mudie’s Library.

Muezzin, mjuezin, uitroeper der uren voor het gebed (bij de Mahomedanen).

Muff, mɐf, subst. mof; huls, rol, wals; geknoei, sul; Muff verb. bederven, verknoeien: You muffed it at starting = je bedierf den boel van het begin af; To muff a ball (bilj.); Muff-cap = berenmuts.

Muffetee, mɐfətî, polsmofje.

Muffin, mɐfin, een plat wit rond koekje, dat geroosterd en geboterd wordt; Muffin-cap = platte ronde muts (Mil.); Muffin-faced = met bleek gezicht; Muffineer, mɐfinîə, schotel om de geroosterde Muffins warm te houden; zout- of suikerstrooier.

Muffle, mɐf’l, subst. handschoen (bij ’t boksen), moffel, sourdine; snoet; Muffle verb. warmpjes instoppen, den klank dempen, omfloersen, omwinden (bel of riem), verbergen, blinddoeken, tot zwijgen brengen, mompelen; Muffle-furnace = moffeloven; Muffler (= Muffle), sluier, doek, bokshandschoen, sourdine.

Mufti, mɐfti, Mahom. geleerde, die godsdienstige en jurid. kwesties beslist: Officers in mufti = officieren in politiek; She is a saint in mufti = eene heilige in menschengedaante.

Mug, mɐg, kroes, kopje; smoel; Mug verb. ploeteren, blokken; grimeeren, gezichten trekken: To cut mugs = gezichten trekken; I have got to mug uncommonly hard = buitengewoon veel te ploeteren.

Muggins, mɐginz, een kinderkaartspel, soort dominospel.

Muggy, mɐgi, nat, vochtig; schimmelig; aangeschoten.

Mugwump, mɐgwɐmp, subst. hoofdman; gewichtigdoend persoon; onafhankelijk republikeinschgezinde; adj. gewichtig, onafhankelijk; Mugwump verb. zich onafhank. gedragen, gewichtig doen (Amer.).

Mulatto, mjulatou, mulat; Mulattress.

Mulberry, mɐlb’ri, moerbezie(boom); donker purper.

Mulch, mɐltš, subst. bladaarde (tuinb.); Mulch verb. bedekken met bladaarde.

Mulct, mɐlkt, subst. geldboete; Mulct verb. (met geldboete) straffen: He was mulcted of (in) 10 shillings = beboet voor; Mulctuary, mɐlktjuəri: Mulctuary punishment = geldboete.

Mule, mjûl, muilezel; bastaardvorm, dwarskop; Jennymachine (= Spinning mule); Mule-driver = Muleteer, mjûlətîə, muilezeldrijver; Mulish = koppig, bastaard; subst. Mulishness.

Mull, mɐl, subst. stof, molm; verwarring, mislukking; fijne mousseline; kaap; soort snuifdoos; Mull verb. verwarren, verknoeien, warmen, zoetmaken en kruiden (van wijn); verkruimelen: He made a mull of his affairs = bracht in de war; Mulled wine = soort van bisschop, warme wijn; Muller = ketel voor warmen wijn; wrijfsteen.

Mullagatawny, mɐləgətôni, een met kerrie gekruide soep.

Mulle(i)n, mɐlin, grootbloemige toorts.

Mullet, mɐlət, harder; poon; spoorradje, 5 hoekige ster.

Mulligatawny, mɐligətôni = Mullagatawny.

Mulleygrubs, Mulligrubs, mɐligrɐbz, buikpijn; knorrepot, slecht humeur.

Mullion, mɐlj’n, versierde middenpost in een raam; Mullion verb. verdeelen door Mullions.

Mullock, mɐlək, puin, verwarring, vuil.

Mulready, mɐlredi.

Mulse, mɐls, honigwijn.

Multangular, mɐltangjulə, veelhoekig; subst. Multangularness.

Multifarious, mɐltifêriəs, verscheiden, veelvuldig; subst. Multifariousness.

Multiflorous, mɐltiflôrəs, veelbloemig.

Multiform, mɐltiföm, met veel vormen; subst Multiformity.

Multilateral, mɐltilatər’l, veelzijdig.

Multi-millionaire, mɐltimiljənêə, mɐltimiljənêə, iemand die vele millioenen bezit.

Multinomial, mɐltinoumj’l, uit meer dan drie termen bestaande.

Multiped, mɐltiped, Multipede, mɐltipîd, duizendpoot; adj. veelvoetig.

Multiple, mɐltip’l, adj. veelvoudig; veelvoud: (Least) common multiple = (kleinste) gemeene veelvoud; Multiplex = veelvoudig.

Multiplicand, mɐltiplikand, vermenigvuldigtal; Multiplicate, mɐltiplikit, mɐltiplikit, veelvoudig; Multiplication, mɐltiplikeiš’n, vermenigvuldiging: Multiplication-table = tafel van vermenigvuldiging; Multiplicative = vermenigvuldigend; Multiplicity = menigvuldigheid; Multiplier, mɐltiplaiə, vermenigvuldiger; Multiply, mɐltiplai, (zich) vermenigvuldigen: Multiplying glass, Multiplying lens = glas met tal van facetten, die het voorwerp verveelvoudigen.

Multitude, mɐltitjûd, menigte, groot aantal: The Multitude = “de groote hoop”; Multitudinous = talrijk, veelvuldig.

Multum-in-parvo, mɐlt’minpâvou, veel in een klein bestek.

Mum, mɐm, stil; Mum verb. zwijgen; zich vermommen; subst. zoet, dik bier: As mum as a mouse; To be (keep) mum = zijn mond houden; Mum then! = St.! Mum’s the word! = mondje dicht! Mum-chance = lummel; een kaart of dobbelspel: Am I to sit mum-chance? = moet ik er voor niet (Piet Lut) bijzitten?

Mumble, mɐmb’l, mompelen, prevelen, mummelend kauwen; ook subst. = Mumbler.

Mumbo Jumbo, mɐmboudžɐmbou, boeman; hocus pocus.

Mum(m), mɐm, zich vermommen of maskeeren, komedie spelen; Mummer = gemaskeerde, rondreizende acteur; Mummer worship = overdreven vereering van acteurs; Mummery = pret, maskerade, misleiding; Mumming = maskeradepret, komediespelen.

Mummy, mɐmi, subst. mummie, entwas; maatje; Mummy verb. balsemen: I’ll beat you to a mummy = ik zal je tot mosterd slaan; Mummification, subst. v. Mummify = balsemen, tot mummie maken.

Mump, mɐmp, mompelen, grijnzen, klagend bedelen, bedriegen; Mumper = bedelaar.

Mumpish, mɐmpiš, verdrietig, gemelijk; subst. Mumpishness; Mumps, mɐmps, gemelijkheid; bof (Med.): To be in one’s mumps = uit zijn humeur.

Mumsy, mɐmzi, maatje.

Munch, mɐnš, hoorbaar, voorzichtig kauwen, smakkend eten; Muncher.

Mundane, mɐndein, wereldlijk, aardsch: Mundane pleasures.

Mungo, mɐŋgou, grove wollen stof; slangenwortel.

Mungoose, mɐŋgûs = Mongoose.

Munich, mjûnik, München.

Municipal, mjunisip’l, gemeentelijk: Municipal Corporations Act = Eng. gemeentewet van 1835; Municipal elections = verkiezingen voor den gemeenteraad; Municipal schools; Municipality, mjûnisipaliti, (burgerlijke) gemeente.

Munificence, mjunifisens, mild(dadig)heid; Munificent = milddadig, grootmoedig.

Muniment, mjûniment, versterking, bolwerk (ook fig.); acte, oorkonde; Muniment-room = archief.

Munition, mjuniš’n, krijgsvoorraad: Munition-bread = kommiesbrood.

Munshi, mûnši, tolk, taalgeleerde, secretaris.

Murad, mûrâd.

Mural, mjûr’l, wand..., muur...: Mural crown = gouden kroon voor den Romeinschen soldaat die het eerst den muur beklom.

Murcia, mɐ̂šə.

Murder, mɐ̂də, subst. moord; Murder verb. vermoorden, vernielen, verknoeien: To commit (a) murder = bedrijven; Murder will out = komt altijd aan het licht; The murder is out = het geheim is verklapt, nu weet ge de waarheid; Murderer = moordenaar; Murderess = moordenares, moordenaarster; Murderous = moorddadig, bloedig.

Murex, mjûreks, stekelhorenslak.

Muriatic, mjûriatik, adj. zout...: Muriatic acid = zoutzuur; Muriate: Muriate of ammonia = salmiak; Muriate of soda = keukenzout.

Muricate(d), mjûrikit, mjûrikeitid, stekelig.

Murk, mɐ̂k, subst. duisternis; adj. duister, dreigend, zwart; subst. Murkiness; Murky = donker, duister.

Murmur, mɐ̂mə, subst. gemurmel, gemompel, gemor, gebrom, gesuis, geruisch; Murmur verb. murmelen, mompelen, onduidelijk spreken, in den baard brommen, morren; Murmurer = knorrepot.

Murrain, mɐrən, subst. veepest; mond- en klauwzeer; adj. aan veepest lijdend: A murrain on (to) you, Murrain take you! = krijg de pest!

Murza, mɐ̂zə, erfelijke Tartaarsche adeltitel.

Muscadel, mɐskədel, Muscadine, mɐskəd(a)in, Muscat, mɐskət, Muscatel, mɐskətel, Muscaatwijn, muscaatdruiven, muscadelpeer.

Muscle, mɐs’l, spier, (spier)kracht: Muscled = gespierd.

Muscovado, mɐskəveidou, ongeraffineerde suiker = Muscovado sugar.

Muscovite, mɐskəvait, bewoner van Moskou, Rus; Moscovisch glas; ook adj.; Muscovy.

Muscular, mɐskjulə, gespierd, spier...: Muscular strength = spierkracht; Muscularity = gespierdheid; Musculature, mɐskjələtjə, spierstelsel.

Muse, mjûz, subst. muze, dichtergave, dichtkunst.

Muse, mjûz, subst. gepeins etc; Muse verb. peinzen, nadenken, overwegen, afgetrokken zijn, peinzend kijken naar: To be at (in) a muse = in gepeins verzonken; Mused = beneveld; Muser.

Musette, mjuzet, soort hobo of doedelzak; eenvoudige melodie met begeleiding daarvan.

Museum, mjuzîəm, museum.

Mush, mɐš, gekookte (maïs)meelpap (Amer.).

Mushroom, mɐšrum, subst. (eetbare) paddenstoel; parvenu; parapluie; adj. van paddenstoel..., parvenuachtig; nieuwbakken: Mushroom aristocracy = nieuwbakken adel; Mushroom-ketchup = champignonsaus.

Mushy, mɐši, brijig, week, slap.

Music, mjûzik, muziek, melodie, toonkunst, partituur, harmonie; twist, pret (Amer.): To discourse (to make, to perform) music = maken; To face the music = aan den dans gaan (fig.), gevaar of moeielijkheid trotseeren; To snore like a military music = als een muziekkorps; To set to music = op muziek zetten; Rough music = ketelmuziek; Music-book; Music-desk; Music-governess = leerares in muziek en zang; Music-hall = Specialiteiten Theater, café-chantant; Music-lover; He is music-mad = dol op muziek; Music-master; Music-mistress; Music-paper; Music-seller; Music-shop; Music-stand = muziekstander; muziektent; Music-stool = pianostoeltje; Musical = muzikaal, welluidend, muziek...; Music(al) box = speeldoos; Musical composer = componist; Musical chairs = een bepaald gezelschapsspel; Musical clock = speelklok; Musical glasses = glasharmonica; subst. Musicalness; Musician, mjuziš’n, musicus, toonkunstenaar, muzikant.

Musk, mɐsk, muskus, muskusgeur, muskusdier, muskusplant; Musk verb. met muskus parfumeeren; Musk-apple (Musk-pear) muskadelappel (Muskpeer); Musk-beaver = bisam of beverrat (= Musk-rat); Musk-deer = muskusdier; Musk-rose = muskusroos; Musk-wood = muskushout; Muskiness, subst. v. Musky = muskusachtig.

Musket, mɐskət, (oude) snaphaan: Flintlock musket; Musket-proof = kogelvrij; Musket-rest = bok voor een geweer; Musketeer, mɐskətîə, musketier; Musketry = geweervuur.

Muslin, mɐzlin, subst. mousseline, neteldoek; ook adj.: Muslin de laine = wollen mousseline; Muslinet = grof neteldoek; Musliny.

Musnud, mɐsnɐd, eereplaats (Brit. Ind.).

Musquash, mɐskwoš = Muskrat.

Musrol(e), mɐzroul, neusriem v. een paard.

Muss, mɐs, subst. verwarde toestand; kloppartij; Muss verb. in verwarring brengen (Amer.): They got into a muss over that girl = raakten aan het bakkeleien.

Mussel, mɐs’l, mossel: Mussel-bed.

Mussulman, mɐs’lman, muzelman; adj. Mussulmanish.

Must, mɐst, moet, moest, moeten, moesten.

Must, mɐst, subst. most; kaam; Must verb. (be)schimmelen, muf worden; Mustiness, subst. v. Musty = schimmelig, muf, afgezaagd, zouteloos: A Musty smelling study = muffe studeerkamer.

Mustache, mɐstâš, mustâš; Mustachio, mɐstâšou, mustâšou. Zie Moustache.

Mustang, mustaŋ, wild prairiepaard; Mustanger, mustaŋə, vanger van prairiepaarden.

Mustard, mɐstəd, mosterd: Mustard-blister (Mustard-cataplasm, Mustard-plaster) = mosterdpleister; Mustard-pot; Mustard-seed.

Musteline, mɐstəl(a)in, tot de wezels behoorende; roodbruin.

Muster, mɐstə, subst. wapenschouwing, monstering, stamboek, appèl, verzameling; Muster verb. monsteren, oproepen, revue houden, samenkomen: That can(not) pass muster = dat kan er (niet) door, is (niet) voldoende; He could not muster a shilling = kon geen 60 cent bij elkaar krijgen; To muster into (out of) service = aanmonsteren (afmonsteren); He could not muster up courage enough = hij kon er niet toe komen, bleek geen moed genoeg te bezitten; Muster-book = stamboek (milit.); Muster-roll = monsterrol.

Mutability, mjutəbiliti, subst. v. Mutable, mjûtəb’l, veranderlijk, ongedurig, wispelturig, wankelmoedig: Mutable sands = drijfzand; Mutableness = veranderlijkheid, wankelmoedigheid; Mutate = veranderen; Mutation = verandering, mutatie, stemwisseling.

Mutchkin, mɐtškin, ¼ (Schot.) pint.

Mute, mjût, stom, sprakeloos, zwijgend; subst. stomme, stomme letter, stemlooze medeklinker, bidder, figurant, demper (muz.); meute; kooi, vogeldrek; Mute verb. ruien; subst. Muteness.

Mutilate, mjûtileit, verminken; subst. Mutilation; Mutilator.

Mutineer, mjûtinîə, muiter, oproermaker; Mutinous, mjûtinɐs, muitziek, oproerig; subst. Mutinousness; Mutiny = opstand, oproer, muiterij; Mutiny verb. aan het muiten slaan: To foment mutiny = tot muiterij aanzetten; Mutiny Act = (van 1689 tot 1879) een krijgswet, die jaarlijks verlengd werd om den koning te machtigen een staand leger te houden.

Mutter, mɐtə, mompelen, brommen, rommelen; Mutterer.

Mutton, mɐt’n, schapenvleesch, schaap, vrouwspersoon, lichtekooi: We must return to our muttons = weer op ons onderwerp terugkomen; As dead as mutton = zoo dood als een pier; Mutton-chop = schaapscotelette: Whiskers of the mutton-chop formation; Mutton-head = schaapskop.

Mutual, mjûtjuəl, onderling, wederkeerig, wederzijdsch: Our mutual friend = gemeenschappelijke; On mutual terms = op gelijke voorwaarden van weerszijden; Mutuality = wederkeerigheid.

Muzzle, mɐz’l, subst. muil, bek, snuit, muilband, prop, mond of tromp (van vuurwapenen); Muzzle verb. muilbanden, knevelen: To put the muzzle on = niet eten; Muzzle-loader = voorlaadgeweer(-kanon) = Muzzle-loading gun; Muzzle-velocity = aanvangssnelheid.

Muzzy, mɐzi, verstrooid, beneveld.

My, mai, mijn (pron. poss.): (Oh) my = goeie genade = (Oh) my eye; My word! There’s pluck in you = waarachtig, je durft!

Myelitis, maiilaitis, ruggemergsontsteking.

Mynheer, minhîə, mainhêə, Hollander (schertsend).

Myography, maiogrəfi, spierbeschrijving.

Myology, maiolədži, leer der spieren.

Myope, maioup, bijziend persoon; Myopia, maioupjə, bijziendheid = Myopy, maiəpi.

Myosotis, maiəsoutis, vergeetmenietje.

Myotomy, maiotəmi, anatomie der spieren, spierdoorsnijding.

Myriad, miriad, tienduizend(tal), zeer groot aantal; ook adj. ontelbaar: Those myriad interests.

Myriapod, miriəpod, miriapod, duizendpoot.

Myrmidon, mɐ̂midon, subst. (slaafsch) volgeling, handlanger: Myrmidon of the law = gerechtsdienaar, beulsknecht.

Myrrh, mɐ̂, mirre; Myrrhic = uit m. getrokken.

Myrrha, mɐ̂rə.

Myrtle, mɐ̂t’l, mirt; Myrtle-berry = mirtbes.

Myself, maiself, zelf, ikzelf: I am not exactly myself = niet recht lekker; I was by myself the whole evening = was alléén.

Mysore, maisö.

Mystagogue, mistəgog, verklaarder van goddelijke geheimenissen; Mystagogy, mistəgoudži, verklaring van mystieke leerstellingen; sacramenten.

Mysterious, mistîriəs, geheimzinnig, verborgen; subst. Mysteriousness; Mystery, mistəri, mysteriespel (= Mystery play), geheim, raadsel, sacrament; Mystic, subst. mysticus; adj. geheim, mystisch, raadselachtig, zinnebeeldig = Mystical; subst. Mysticalness; Mysticism = mysticisme; Mystification, mystificatie, opzettelijke misleiding; Mystify, mistifai, misleiden, bedriegen.

Myth, mith, mythe, fabel; Mythic(al) = fabelachtig, mythisch; Mythographer, mithogrəfə, schrijver van mythen, fabelen en legenden; Mythologic(al) = mythologisch; Mythology, mitholədži, mythologie, godenleer.

Mytilene, mitilînə.

N.

N, en; N(orth) A(merica); Nap(oleon); Nat(ural) Hist(ory); Nat(ural) Phil(osophy); Naut(ical); N(ota) B(ene); N(ew) E(ngland); N(orth) E(ast); Neg(ative); Nem(ine) Con(tradicente) = éénparig, éénstemmig = Nem(ine) Diss(entiente); Neth(erlands); Neut(er); N(ew) J(ersey); N(orth) N(orth) E(ast); Nom(inative); Non con(tent) = tegen (bij eene stemming in het House of Lords); Non seq(uitur) = daaruit volgt niet; Norm(an); Norw(ay); Norw(egian); Nos. = nummers = Num(bers); N(orth) W(est); N(ew) Y(ork); N(ew) Z(ealand).

Nab, nab, snappen, gappen; subst. kop, bergspits, haan, fat (Amer.).

Nabob, neibob, Nabob; vr. Nabobess.

Nacarat, nakərat, helderroode kleur; stof van die kleur.

Naches River, nâtšəs rivə.

Nacre, neikə, paarlemoer; Nacreous, neikriəs, paarlemoerachtig: Nacreous shells = schelpen met eene laag paarlemoer.

Nadir, neidə, nadir, voetpunt.

Nag, nag, subst. knol, hit; Nag verb. plagen, zeuren, kwellen, vitten, aanmerkingen maken: I can’t bear to be nagged at = ik kan dat geplaag en geneger niet velen; Nagger; Naggy = vitterig, plagerig.

Naga, nâgə, de heilige slang in Ind. Myth.; een lid van de Nagastammen, lid van een klasse Hindoebedelaars; ook adj.

Nagpur, nâgpûə.

Naiad, naiəd, neiəd, waternimf; nymphkruid.

Nail, neil, subst. nagel, klauw, spijker, maat van 0,057 M.; Nail verb. vastspijkeren: Hard as nails = gezond en sterk, geslepen, ongevoelig; Your comments are more down on the nail than his = meer raak; To bite one’s nails = bijten op; To cut (pare, trim) one’s nails = knippen; To drive (knock) in a nail = inslaan; One nail drives (out) another = het eene verdringt het andere, den een zijn dood is den ander zijn brood; Drive a nail where it will go = wees practisch; It would mean the last nail driven into the coffin of domestic life = zou de genadeslag zijn voor; You have hit the nail on the head = den spijker op den kop geslagen; I have laboured tooth and nail = met alle macht; I’ll pare your nails = ik zal je kortwieken (fig.); Goods brought to the hammer must be paid on the nail = contant betaald worden; He was never nailed at being drunk = betrapt op; To nail down = vastspijkeren; To nail up = dichtspijkeren; To nail to the counter = valsch geld tegen de toonbank spijkeren; de waarheid van een bewering aantoonen; Jesus was nailed to the cross = genageld aan; To nail one’s colours to the mast = hardnekkig weigeren zich over te geven; Nail-brush = nagelborstel; Nail-file = nagelvijltje; Nail-head = kop; Nail-headed characters = spijkerschrift; Nail-trimmer = nagelschaartje; Nailer = spijkermaker; kraan, goed renpaard.

Naïve, nâîv, nâiv, ongekunsteld, oprecht; Naïveté, Naïvety.

Naked, neikid, naakt, bloot, openlijk, ontbloot, kaal, eenvoudig, oprecht, weerloos: With the naked eye = met het bloote oog; The naked truth; Stark naked = spiernaakt; He was stripped naked = geheel uitgekleed, uitgeschud, van alles beroofd; subst. Nakedness.

Namaycush, namikɐš, soort zalm (der Amer. meren).

Namby-pamby, nambipambi, subst. sentimentaliteit, zoetelijkheid; ook adj.: There is nothing namby-pamby in him.

Name, neim, subst. naam, benaming, roem, aanzien, naamwoord; Name verb. noemen, benoemen, vaststellen, tot de orde roepen: As in name so in aim = de naam is een voorteeken; A nice name to go to bed with = ’t is me ook ’n naampje! He called me all kinds of names = schold me voor alles uit; As good be hanged as have an ill name = wee den wolf, die in een kwaad gerucht staat; Give my name = dien mij aan; To go (pass) by the name of X. = doorgaan onder; They left their names = gaven hunne kaartjes af; To appear below one’s name = onder iemands naam verschijnen; To print over one’s name = drukken onder; I know him, but I cannot put a name to him = kan hem niet thuis brengen; Do not take the name of God in vain = gebruik Gods naam niet ijdellijk; Take up my name = dien mij aan; To write under a name; Christian name = doopnaam, voornaam; Family name = geslachtsnaam; Maiden name = eigen naam van getrouwde vrouwen; Proper name = eigennaam; A man, Williams by name, of the name of W. = genaamd W.; In name of = in plaats van; In the name of = namens; Name the child! = spreek op! laat hooren! To name the day = den dag van het huwelijk bepalen; He was named after me = naar mij genoemd; Name-board = naambord; Station name-boards = de borden met namen op de perrons; Name-day = naamdag; Name-part = titelrol; Name-plate = naamplaatje; Namesake = naamgenoot; Nameless = nameloos, onbekend, onnoemelijk, anoniem; Namely = namelijk.

Namur, neimə, Namen.

Nancy, nansi, Nancy: Sweet Nancy = witte narcis.

Nankeen, Nankin, nankîn, nankîn, Nanking, nanking (gele katoenen stof): Nankins = nanking broek.

Nanny, nani: Nanny goat = geit.

Nantucket, nantɐkət.

Nap, nap, subst. slaapje, dutje; nop, zijden vezel voor hoeden; soort kaartspel; Nap verb. dutten; noppen, snappen: His hat was not nap but felt; To go nap = alles wagen (er op of er onder), grof speculeeren; To take a nap = een uiltje knappen; You have been napping = je hebt gesoesd; I caught him napping = ik heb hem op heeterdaad betrapt, gesnapt; Napless = kaal, zonder haar of noppen; Nappy = met noppen, wollig, kroes; koppig (van dranken), schuimend.

Nape, neip, nek = Nape of the neck.

Naphtha, naftə, nap-thə, naphtha: Naphtha launch = petroleum-motorboot; Naphthalene of Naphthaline = naphtaline.

Napier, neipjə.

Napiform, neipiföm, knol- of raapvormig.

Napkin, napkin, servet, handdoek, vaatdoek: Don’t hide your gifts in a napkin = zet uw licht niet onder de korenmaat; Napkin-ring.

Naples, neip’lz, Napels: Naples yellow = Napelsch geel.

Napoleon, nəpoulj’n, Napoleon, gouden 20-frankstuk, soort kaartspel; The Napoleonic period; Napoleonite = soort veldspaath.

Narciss(us), nâsis(əs), narcis.

Narcosis, nâkousis, narcose; Narcotic, nâkotik, verdoovend, slaapwekkend (middel); Narcotine, nâkətin, narcotine; Narcotism, nâkətizm, narcose, slaapzucht; Narcotization, subst. v. Narcotize = narcotiseeren.

Nard, nâd, nardus (olie); Nardine = nardus...

Nardoo, nâdû, nâdû, watervaren.

Narghile, nâgilei, Nargile, nâgil, Narghileh, nâgilei, nargileh.

Narrate, nəreit, nareit, verhalen, beschrijven; subst. Narration; Narrative, narətiv, subst. verhaal, verslag; adj. verhalend; spraakzaam; Narrator, nəreitə, verhaler; adj. Narratory, narətəri = Narrative.

Narrow, narou, nauw, eng, klein, bekrompen, gierig, vrekkig, nauwkeurig, precies; subst. (meest mv.) engte, zeeëngte; Narrow verb. vernauwen, verengen, beperken, begrenzen, minderen (bij het breien), nauwer worden: Narrow circumstances = bekrompen; A narrow compass = beknopte omvang, ruimte; We made (had) a narrow escape = ontkwamen ternauwernood; A narrow majority = kleine; Narrow means = bekrompen middelen; He has a Narrow mind, is narrow-minded = bekrompen van geest; Narrow-brimmed = met smallen rand; Narrow-chested = met smalle borst; Narrow-cloth = laken minder dan 80 c.M. breed; Narrow-gauge = spoorwijdte tusschen de rails van minder dan 1,44 M. (tegenover de vroegere algemeene Broad-gauge van 2,13 M.); Narrow-minded = kleingeestig, bekrompen; Narrow-mindedness; To look Narrowly into = nauwkeurig onderzoeken; Narrowness = nauwheid, etc.

Narw(h)al, nâ(h)wəl, narwal.

Nasal, neiz’l, nasaal, neus...; subst. neusklank, neusbeen; Nasalis, nəzeilis, neusaap; Nasality, nəzaliti, neizaliti, eigenschap van door den neus te worden gesproken; Nasalization = nasaleering; Nasalize = tot een neusklank maken.

Nascency, nas’nsi, ontstaan, oorsprong; Nascent, nas’nt, ontstaande: Nascent state.

Naseby, neizbi; Nasmyth, neismith.

Nasturtium, nastɐ̂šəm, O.I. kers; waterkers.

Nastiness, nâstinəs, subst. v. Nasty, nɐ̂sti, vuil, vies, akelig, onaardig; leelijk: A nasty attack of hay-fever = een leelijke aanval van hooikoorts.

Natal, neit’l, geboorte...: Natal day (hour); Natality = geboortecijfer.

Natal, natâl, Natal.

Natant, neit’nt, drijvend, zwemmend; Natation = zwemkunst, het zwemmen; Natatores, neitətôrîs, zwemvogels = Natatorial birds; Natatory = zwem...: Natatory bladder = zwemblaas.

Natchez, natšiz; Nathan, neith’n; Nathaniel, nəthaniəl.

Natheless, neithləs, niettemin; Nathemore, neidhəmö, niet te meer.

Nation, neiš’n, subst. natie, volk, gemeenschap, hoop; adj. en adv. (verkorting v. Damnation) kolossaal, verduiveld.

National, našən’l, nationaal: National air (anthem) = volkslied; National debt = staatsschuld; National Ledger = Grootboek; National school = Church of England school, uitgaande van de National Society, opgericht in 1811 (in Ierland = volkschool); Nationalism = vaderlandsliefde; program der Iersche nationale partij; Nationalist, aanhanger van die partij; Nationality = volkskarakter, volkseenheid, vaderlandsliefde; Nationalize = nationaliseeren, naturaliseeren, onteigenen door den staat.

Native, neitiv, subst. inboorling, inlander, inheemsch(e) dier (plant); pummel; adj. geboorte - -, aangeboren, inheemsch, natuurlijk: A native of Germany, of Rotterdam = een geboren Duitscher, Rotterdammer; Eminent, Famous natives = beroemde mannen in een stad of streek geboren; He is native to the soil = daar geboren; Native is a disparaging word for rustic; Native country (land) = vaderland; Native forest = oerwoud; Native heat = natuurlijke warmte; Native language = moedertaal; Native oyster = gekweekte oester; Native wit = natuurlijke gevatheid; Nativism, neitivizm, polit. program der Nativists, die de geboren Amerikanen boven de emigranten wenschen te begunstigen; Nativity, nətiviti, nativiteit (ook in de Astrologie); (schilderij van de) geboorte van Christus: He had his nativity cast = hij liet zijn horoscoop trekken.

Natolia, nətouljə, Anatolië.

Natron, neitr’n, natr’n, natron.

Nattiness, natinəs, subst. v. Natty, nati, keurig, netjes, chique: Everything belonging to Nancy was of delicate nattiness = alles om en aan haar was even fijn en keurig.

Natural, natšər’l, natuurlijk, inheemsch, aangeboren, wildgroeiend, natuurgetrouw, onecht (v. geboorte); subst. idioot; naturel (muz.): Why was not he natural in his life-time? = waarom was hij bij zijn leven niet als andere menschen? Natural death = natuurlijke dood; Natural history; Natural philosophy, Natural science = natuurkunde, natuurwetenschappen; Natural son; Natural selection = natuurlijke teeltkeus; Naturalism = natuurstaat, naturalisme (in godsdienst en kunst); Naturalist = natuurphilosoof, naturalist; Naturalistic = naturalistisch, realistisch, natuurwetenschappelijk; Naturalization, subst. v. Naturalize = natuurlijk maken, naturaliseeren, inburgeren, acclimatiseeren, zich laten naturaliseeren, inburgeren; Naturally = natuurlijk, van nature; Naturalness = natuurlijkheid; Nature, neitšə, natuur, (natuurlijke) aard, karakter: By nature = van nature; From nature = naar de natuur; In a state of nature = in den natuurtoestand, naakt, zondig; In the nature of = krachtens; In nature’s garb = in Adamscostuum; He has gone the way of nature, paid the debt of nature = hij is den weg van alle vleesch gegaan; Good nature = goedigheid; Ill nature = boosaardigheid; Nature-worship = natuuraanbidding.

Naught, nôt, subst. niets, nul: To call to naught = geducht uitschelden; To come to naught = mislukken; To set at naught = in den wind slaan.

Naughtiness, nôtinəs, ondeugendheid; adj. Naughty, nôti.

Nausea, nôšə, walging, misselijkheid (ook fig.): To create nausea = misselijkheid teweeg brengen; Nauseate, nôšeit, misselijk zijn, worden of maken, walgen; Nauseous, nôšəs, walgelijk; subst. Nauseousness.

Nautch, nôtš, Indische dans; Nautch-girl = bajadère.

Nautic(al), nôtik(’l), zee..., scheeps...: Nautical almanac = zeemansalmanak; Nautical chart = zeekaart.

Nautilus, nôtilɐs, nautilus.

Naval, neiv’l, zee..., scheeps..., marine...: Naval affairs; Naval architect = scheepsbouwmeester; Naval architecture; Naval battle (combat) = zeeslag; Naval cadet = adelborst (voor hij na 4 jaar en 8 maanden tot Midshipman wordt bevorderd); Naval college = marine instituut; Naval officers; Naval service; Naval station = marinestation; Naval term = scheepsterm.

Nave, neiv, naaf (v. wiel); schip (v. kerk).

Navel, neiv’l, navel; Navel-string = navelstreng; Navel-wort = waternavel.

Navicular, nəvikjulə, bootvormig: Navicular bone = scheepvormig beentje uit den hand- of voetwortel.

Navigability, navigəbiliti, subst. v. Navigable, navigəb’l, bevaarbaar; subst. Navigableness; Navigate, navigeit, varen, bevaren, besturen; Navigation, navigeiš’n, het varen, scheepvaart, stuurmanskunst: Aerial navigation = luchtscheepvaart; Inland navigation = binnenvaart; Navigator, navigeitə, zeevaarder.

Navvy, navi; polderjongen, grondwerker.

Navy, neivi, scheepsmacht, marine, zeemacht: Navy League = de Eng. vereeniging “Onze Vloot”, opgericht in 1895; His son is in the navy = bij de marine; Navy-blue = marineblauw; Navy-yard = marinewerf; arsenaal (Amer.).

Nawab, nəwôb, Ind. onderkoning, nabob.

Nay, nei, subst. weigering; adv. neen, ja, jazelfs, wat meer is: Not only the navy, nay the army was discouraged = ja zelfs; To say nay = ontkennen, afslaan: If you invite me, I will not say you nay = niet bedanken; If I invite you I will have no nay = mag je niet bedanken.

Nazarenean, nazərîniən, Nazareensch; Nazarene, nazərîn, Nazarener, de Heiland; Nazareth, nazəreth; Nazarite, nazərait, Nazarener (Num. IV).

Naze, neiz, landtong, voorgebergte.

Nead-end, nîdend, toonstuk (van eene rol goed).

Neagh, nei: Loch Neagh; Neale, nîl.

Neap, nîp, laag, vallend; ook subst. = Dead neap = doodtij; Neap-tide = laag water; Neaped = bij eb aan den grond zittend (van schepen): The tides are neaped = het is doodtij.

Neapolitan, nîəpolit’n, subst. en adj. Napolitaan(sch), Napelsch.

Near, nîə, adj. en adv. nabij, nauw verwant, dierbaar, letterlijk, getrouw, kort, recht, aan de linkerhand, uiterst zuinig; nabij, dicht aan; Near verb. naderen: Near at hand = op handen; Far and near = wijd en zijd; Near is my coat, but nearer is my skin = het hemd is nader dan de rok; I had a near chance of not seeing him again = ’t was er bij af, of ik...; Near escape = hachelijke ontsnapping; The near horse = het bijdehandsche of linksche paard; You are near the mark = gij zijt er haast, hebt ’t bijna geraden; It was a near thing = het spande er om, ’t kon maar net; It will go near to ruin him = het zal bijna zijn ondergang zijn; It won’t seem near so hard = niet half zoo moeielijk; Near-sighted(ness) = bijziend(heid); Nearly = bijna, na, innig: Not nearly (so) = op verre na niet; Nearness = nabijheid, schraapzucht, etc.

Neat, nît, netjes, zuiver, rein, smakelijk, keurig, onvermengd, handig: Brandy neat = klare cognac; A little neat = een kleintje cognac pur; To put neat = opredderen; Neat-handed = handig; subst. Neatness = netheid, etc.

Neat, nît, rund: Neat’s hide; Neat’s leather.

Neb, neb, snavel, snoet, spits, tuit.

Nebula, nebjulə, nevelvlek; vlekje op het hoornvlies; Nebular = nevelvlek - -, troebel; Nebulosity, nebjulositi, nevelachtigheid (ook fig.); Nebulous = nevelachtig, schemerig: subst. Nebulousness; Nebuly = golvend; golvende lijn (Herald.).

Necessary, nesəs’ri, noodzakelijk, noodig, onvermijdelijk, gedwongen; subst. het noodzakelijke; privaat: Necessaries of life = levensbehoeften; Necessitate, nəsesiteit, noodzakelijk maken, noodzaken; Necessitous, nisesitɐs, behoeftig, nooddruftig; subst. Necessitousness; Necessity, nisesiti, noodzakelijkheid, nood, nooddruft, noodstand: From sheer necessity = enkel uit nood; Of necessity = noodwendig; There is no necessity for = het is niet noodig; Necessity is the mother of invention = de nood maakt vindingrijk; Necessity has no law = nood breekt wet; To consult with (To make a virtue of) necessity = van den nood eene deugd maken; This will put me under a necessity of doing it myself = mij noodzaken.

Neck, nek, hals, nek, halslengte, nauwste punt van pas of kanaal, landengte (= Neck of land): That has broken the neck of him = dat heeft hem vernietigd, geknakt; To break the neck of an affair = het moeilijkste van een werk afdoen; iets verijdelen; This came in the neck of your tidings = kwam onmiddellijk na; He narrowly escaped with his neck = bracht er net het leven af; I have got my neck out of it = ik ben er van af, bevrijd; He has a stiff neck = is een stijfkop; He has laid the guilt on my neck = heeft mij de schuld op den hals geschoven; One misfortune rides on the neck of another = een ongeluk komt zelden alleen; To tread on the neck of a person = iemand den voet op den nek zetten; He won by a neck = met eene halslengte; It was a neck-and-neck race = zeer harde strijd, was kamp; The horses ran neck-and-neck = bleven elkander prachtig bij; Neck-and-crop = volslagen, geheel: He chucked him, neck-and-crop, out of the room = hij gooide hem vierkant de kamer uit; He tumbled down neck-and-heels = halsoverkop; Away they went, neck or nothing (naught) = in dolle vaart; Neck-band = hemd- of halsboord; Neck-beef = halsstuk; Neck-chain = halsketting; Neckcloth = halsdoek; Neckerchief = halsdoek; Necklace = halssnoer, halsband, strop; Neck-tie = dasje, colletje; Neck-verse = aanvangswoorden van Psalm 51, door het oplezen waarvan een misdadiger het Benefit of Clergy deelachtig kon worden; Neck-wear = das, dasje, colletje; Necked = met een nek (in samenst. zooals: Stiff-necked); Necklet = halssnoer.

Necrological, nekrəlodžik’l, tot eene necrologie behoorende; Necrologist = schrijver van eene necrologie; Necrology, nekrolədži, sterftelijst; levensbeschrijving van een overledene.

Necromancer, nekrəmansə, toovenaar; Necromancy = zwarte- of tooverkunst; Necromantic of Necromantic = toover - -.

Necropolis, nikropəlis, doodenstad, begraafplaats; Necroscopic = de lijkschouwing betreffend; Necroscopy = lijkschouwing.

Necrose, nekrous, nekrous, door beeneter of koudvuur aangetast worden of zijn; Necrosis, nikrousis = beeneter, koudvuur.

Nectar, nektə, nectar; honigsap; Nectareal, Nectarean, nəktêriəl, nəktêriən, Nectareous, nəktêriəs, nectarachtig, heerlijk als nectar; Nectariferous = honigsaphoudend; Nectarine, nektərin, soort v. West-Ind. pruim; Nectarous, nektərəs = Nectareous; Nectary, nektəri, honigkelk (v. eene bloem).

Ned(dy), ned(i) = Edward.

Neddy, nedi, ezel; ploertendooder.

Need, nîd, subst. nood, behoefte, ellende, nooddruft; Need verb. behoeven, noodig hebben, noodig zijn: At the hour of need; In time of need; A friend in need is a friend in deed; He has need (stands in need) of a good scolding = moet eens hebben; There is no need for crying = ge behoeft niet; About as gay a thing as need be = als mogelijk is; If need be = zoo het noodig is; You need not do it = gij behoeft het niet te doen; He needed to go there = moest er noodzakelijk naar toe; Needful = noodig, vereischt; ook subst.; We do the needful with these bills to your credit; = wij brengen deze wissels op uw credit; Needfulness = noodzakelijkheid; Neediness = nooddruft, ellende; Needless(ness) = noodeloos(heid); It is Needless to discuss the point; Needs = noodzakelijk, noodwendig, onvermijdelijk: He must needs go whom the devil drives = wie den duivel aan boord heeft moet met hem varen; Needy = behoeftig, armoedig.

Needle, nîd’l, subst. naald, magneetnaald, wijzer, spits, obelisk; ergernis, zenuwachtigheid; Needle verb. doorboren; prikkelen, ergeren; naaldvormige kristallen schieten: As sharp as a needle = zeer slim; zoo scherp als een vlijm; Dip of the needle = helling van de magneetnaald; To get, have the needle = geprikkeld, zenuwachtig worden (zijn); Needle-book = naaldenboekje; Needle-case = naaldenkoker; Needle-furze = kattendoorn; Needle-gun = naaldgeweer; Needle-leaved trees = naaldboomen; Needle-point = punt, prik (fig.); Needle-woman = naaister; Needle-work = naaldwerk, naaiwerk, handwerken, borduurwerk (Fancy needle-work = fraaie handwerken); Needleful = een draad naaigaren.

Ne’er, nêə, verk. v. never: He is a ne’er-do-good (ne’erwell) = hij is een onverbeterlijke deugniet.

Nefarious, nifêriəs, afschuwelijk, schandelijk: Nefarious practices, means; subst. Nefariousness.

Negation, nigeiš’n, ontkenning; leegte; Negative, negətiv, ontkennend, negatief; subst. ontkenning, weigering, negatief (photogr.), negatieve pool; Negation verb. ontkennen, verwerpen, weerleggen: Negative-electricity; He answered in the negative = ontkennend; I negatived his arguments = ik bewees de onjuistheid van; To negative a motion = verwerpen; Negatory = ontkennend.

Neglect, niglekt, subst. verzuim, verwaarloozing, zorgeloosheid; Neglect verb. verzuimen, verwaarloozen, over het hoofd zien: I did it in neglect = uit achteloosheid; He studied literature, to the neglect of his other work = met veronachtzaming van; To neglect one’s duty, an opportunity; Neglectedness = verwaarloozing; Neglectful = achteloos, nalatig, onverschillig; subst. Neglectfulness.

Negligée, negližî, ochtendjapon, négligé; negližei, halssnoer v. ongeslepen koralen.

Negligence, neglidžens, nalatigheid, verzuim, achteloosheid, geringschatting; adj. Negligent.

Negotiability, nigoušəbiliti, subst. v. Negotiable, nigoušəb’l, verhandelbaar; Negotiate, nigoušieit, handelen, verhandelen, onderhandelen, in omloop brengen, sluiten (v. leeningen); subst. Negotiation: To carry on (To enter into) negotiations with = onderhandelingen voeren (treden in); Negotiator = onderhandelaar; makelaar; Negotiatory = handelend, onderhandelend.

Negress, nîgrəs, negerin; Negrillo, nigrilou, dwergneger (Midden-Afrika); Negrito, nigrîtou, Negrito (op de Philippijnen); Negro, nîgrou, neger: Negro minstrels = (meest nagebootste) negerzangers; Negro-driver = blankofficier; Negro-head = pruimtabak in reepen geperst; Negroland = Afrika ten Z. van de Sahara; Negroid, nîgrôid, negerachtig.

Negus, nîgəs, Negus; warme gekruide wijn.

Nehemiah, nîhimaiə, Nehemia.

Neigh, nei, hinniken; subst. gehinnik.

Neighbour, neibə, subst. buur(man), concurrent, naaste; adj. aangrenzend, naast; Neighbour verb. nabij wonen, vriendschappelijk verkeeren, aangrenzen; Neighbourhood = nabijheid, nabuurschap, omtrek: It was somewhere in the neighbourhood of 50 dollars = het was zoowat om en bij de 50 d. (Am.); Neighbourliness, subst. v. Neighbourly = als goede buren, gezellig, vriendelijk.

Neill, nîl; Neilson, nîls’n.

Neither, naidhə, nîdhə, geen van beiden, noch, en ... ook niet: Neither ... nor = noch ... noch; He does not like her, neither do I = en ik ook niet; He is not so bad neither (in plaats van either) = nog niet zoo kwaad.

Nell(y), nel(i); Nelson, nels’n; Nemean, nimîən, nîmiən; Nemesis, neməsis, Nemesis, ook fig.; Nenagh, neinə.

Nenuphar, nenjufâ.

Neolithic, nîəlithik, tot de latere steenperiode behoorende.

Neologian, nîəloudž’n, neologisch; neoloog; Neological = neologisch; nieuw gevormd; Neologism, niolədžizm, nieuw woord, nieuwe beteekenis, nieuwe leerstelling; Neologist = neoloog; Neologize = nieuwe woorden, beteekenissen of leerstellingen invoeren; Neology = neologie, invoering van nieuwe woorden of moderne godsdienstbegrippen.

Neophyte, nîəfait, subst. novice, nieuweling, beginner; adj. pas toegelaten.

Neoplatonic, nîəplətonik, Nieuw-Platonisch; Neoplatonism = Nieuw-Platonische wijsbegeerte; Neoplatonist.

Neoteric, nîəterik, nieuw, modern; ook subst.

Nepaul, nəpôl, stad: Nepaul paper = sterk ongelijmd schrijfpapier: Nepaulese, nepôlîz, subst. en adj. (bewoner) van N.

Nepenthe, nipenthî, tooverdrank, die alle leed doet vergeten = Nepenthes; dit ook = kannekenskruid.

Nephew, nevjû, neef (oomzegger).

Nephralgia, nifraldžə, nierpijn; Nephritic = nier - -; subst. middel tegen nierziekte; Nephritis, nifraitis, nierontsteking; Nephrotomy, nifrotəmi, nieroperatie.

Nepotic, nipotik, adj. van Nepotism, nepətizm, nîpətizm, nepotisme.

Neptune, neptjûn, Neptunus; Neptunian, nəptjûnj’n, tot N. of de zee behoorende.

Nereid, nîri-id, zeenimf; borstelworm.

Nero, nîrou; adj. Neronian.

Neroli, Neroly, nerəli, nîrəli, oranjebloesemolie.

Nerve, nɐ̂v, subst. zenuw, nerf, pees, spierkracht, geestkracht, moed, durf; Nerve verb. versterken, bemoedigen; zijn moed bijeenrapen, moed vatten (oneself, one’s mind): He has not got the nerve to do it = durft niet; She was nerves and nothing else = door en door zenuwachtig; To be (to get) on one’s nerves = zenuwachtig zijn; zenuwachtig maken; He recovered his nerve = herkreeg zijne zelfbeheersching, kracht: He nerved himself = vatte moed, vermande zich; Nerved = met nerven; Nerveless = zwak, zonder kracht; subst. Nervelessness; Nervine, nɐ̂v(a)in, zenuw ..., kalmeerend middel; Nervose, nɐ̂vous, nɐ̂vous, zenuw ...; geribd, geaderd; Nervosity = zenuwachtigheid; Nervous, nɐ̂vəs, zenuwachtig, zenuw ...; gespierd, krachtig: Nervous English = gespierd Engelsch; Nervous fever = zenuwziekte; Nervous force = innerlijke kracht, spierkracht; subst. Nervousness; Nervure, nâvjə, vertakking d. nerven (in een blad), ribben in de vleugels der insecten; Nervy, nɐ̂vi, krachtig, moedig, driest, moed vereischend.

Nescience, nešiəns, nîšiəns, onwetendheid.

Ness, nes, voorgebergte, landtong.

Nest, nest, nest, verblijf(plaats), schuilhoek, haard (pathol.), bende; Nest verb. nestelen, een nest bouwen of uithalen, in een nest leggen, of liggen: Nest of boxes; To build (make) a nest; He has feathered his nest = is binnen; Nest-chicken; Nest-egg = nestei, potpenning(-geld); Nestling = nestvogel; adj. jong.

Nestle, nes’l, zich nestelen, (zich) verschuilen, aankruipen, verborgen liggen: The little girl nestled close to her mother = kroop dicht aan; He nestled himself to her = vlijde zich tegen haar aan; His head nestled itself on my shoulder = hij lei zijn hoofd op mijn schouder.

Nestor, nestə, Nestor.

Net, net, subst. net (val)strik (fig.), soort mousseline, netwerk; Net verb, tot een net maken, haken; in een net vangen, verstrikken: Netmaker; Net-work = netwerk; Net-work of railway-lines = spoorwegnet; Netting = het netten maken, netwerk (op schepen, enz.); Netting-needle = haaknaald, haakpen; Netting-pin.

Net, net, netto; Net verb. netto opbrengen: Net amount, Net gain, Net profits, Net price, Net proceeds, Net weight.

Nether, nedhə, lager, beneden: Nether lip = onderlip; Nether millstone (Job.); Nethermost = laagste, onderste; Netherland = Nederlandsch; The Netherlands = Nederland(sch); Netherlander, Netherlandish.

Nettle, net’l, subst. brandnetel (= Common nettle, Stinging nettle); Nettle verb. boos maken, prikkelen: Nettle in, dock out (In dock, out nettle) van den hak op den tak; To be nettled at = geprikkeld, geërgerd; Nettle-cloth = neteldoek; Nettle-rash = netelroos.

Neufchatel, nɐ̂šatel.

Neural, njûr’l, de zenuwen betreffend; Neuralgia, njuraldžə, zenuwpijn; Neuralgic = neuralgisch; Neurasthenia, njurasthənaiə, neurastenie; Neurasthenic = neurastenisch; neurastenicus; Neuritis, njuraitis, zenuwontsteking; Neurology = zenuwleer; Neuropathy, Neurosis, njurousis, zenuwlijden; Neurotic, njurotik, zenuw- -, zenuwlijdend, zenuwsterkend; subst. zenuwlijder, zenuwmiddel.

Neuter, njûtə, adj. onzijdig, onovergankelijk; geslachtloos; subst. onzijdig geslacht, geslachtloos dier (plant); Neutral, njûtr’l, adj. onzijdig, onverschillig, neutraal, onpartijdig; subst. onzijdig persoon; Neutrality = onzijdigheid; Neutralization, subst. v. Neutralize = neutraliseeren, neutraal verklaren, onschadelijk maken: To neutralize each other = tegen elkaar opwegen.

Nevada, nəvâdə.

Never, nevə, nooit, geenszins, nimmer, volstrekt niet, toch niet: He’s never the one to pay = hij betaalt nooit; He is never the better for it = hij is er daarom niet beter aan toe; Never a word = geen stom woord; Well, I never! = heb ik ooit van mijn leven; Never so much as = niet eens, zelfs niet; Be he never so rich = al is hij nog zoo rijk; That problem is never so simple = vraagstuk is doodeenvoudig; Never-do-well lad = deugniet; Never-dying = onsterfelijk; Never-failing = onfeilbaar; Never fear = heb geen zorg; Never mind = dat doet er niet toe, dat behoef jij niet te weten; Never say die = je moet nooit den moed opgeven; Nevermore = nimmermeer; Nevertheless, nevədhəles, niettemin, niettegenstaande.

Nevil(le), nevil.

New, njû, adj. nieuw, onbekend, onervaren, versch, frisch: New bread = versch; New man = parvenu; New moon; The new woman = de geëmancipeerde, de moderne vrouw; The New World = de Nieuwe Wereld; That’s nothing new to me = dat is niet nieuw voor mij; He is new to the business = er nog niet mede op de hoogte; New-birth = wedergeboorte; New-born = pasgeboren; New-comer = pas(aan)gekomene; Newfangled, njûfaŋgld, njûfaŋgld, nieuwerwetsch; subst. Newfangledness; New-fashioned = nieuwmodisch; New-laid eggs = versche eieren; New(ly) married = pasgetrouwd; New-model = nieuw modelleeren; New-painted = pas geverfd; New-year = Nieuwjaar; New-year’s Eve = Oudejaarsdag; Newish = eenigszins nieuw; Newly = kortgeleden, op nieuwe wijze, opnieuw: Newness = nieuwheid, onervarenheid.

New Britain (njûbrit’n); New Brunswick; Newbury, njûbəri; New Caledonia; Newcastle, njûkâs’l; Newcomen, njûkom’n; New England (= Maine, New Hampshire, Vermont, Massachusetts, Rhode Island, Connecticut); Newfoundland, njûfaundland, njûfôndland, njûfôndland, het eiland en de N. hond; Newfoundlander, bewoner, vaartuig, hond; New France, oude naam voor Canada; New Guinea (njûgini); Newhaven, njûheiv’n; New Hebrides (njû hebridîz); New Holland; Newmarket, njûmâkit; New Orleans, njû öliənz, njû ölînz; New South Wales; New York, njûjök; New Zealand.

Newel, njûəl, stijl van eene wenteltrap.

Newgate, njûgit, gevangenis in Londen: A Newgate fringe beard = baard onder de kin.

News, njûz, nieuws, tijding, bericht: An item (A piece) of news = nieuwtje; No news is good news; I had news that = ik hoorde; What’s the news? = wat voor nieuws is er? News-agent = agent voor dagbladen, etc.; News-boy = courantenjongen = News-man; News-monger = nieuwtjesverspreider; News-paper = courant: Some of these essays are too obviously newspaperish = dragen al te zeer den stempel couranten-artikelen te zijn: News-room = tijdingzaal, leeszaal: News-vender, News-vendor = courantenverkooper; News-walk = buurt of wijk van een News-boy.

Newt, njût, watersalamander.

Newton, njût’n, Newton: Newtonian, njûtounj’n, subst. en adj. (volgeling) van N.

Next, nekst, naastbij, naast, volgende op, daarna: Wear flannel next your skin = op je bloote lijf; This next Thursday = den eerstvolgenden; Next time = de volgende keer: Next after you = dadelijk na u; I am the next in blood, next of kin = ik volg in graad van bloedverwantschap; He has next to nothing = zoo goed als niets; Next-door to poverty = de armoede nabij; He is next-door to an idiot = driekwart idioot; He lives next-door = hiernaast; Next eldest to = in leeftijd volgende op; Next M. in age = volgt op M.: What next? = wat zullen we nu nog hebben? dat is àl te gek; Nog iets?

Nexus, neksəs, band, verbinding.

Niagara, naiagərə: Falls of Niagara.

Nib, nib, snavel, mand, spits, punt, pen, koffieboon, cacaoboon; Nib verb. van een nib voorzien, spitsen: A soft nib = zachte pen; Hard nibbed = met harde punt.

Nibble, nib’l, Nibble verb. knabbelen, bijten, visschen, vitten, gappen; ook subst.: A glorious day for a nibble = prachtige dag om te hengelen; To nibble bare = kaal vreten; To nibble off; Nibbler = vitter.

Niblick, niblik, een zware ijzeren kolf met kleinen voet, gebruikt wanneer de bal in wagensporen, struiken, etc. ligt (Golfspel).

Nicaea, naisîə: Nicaean councils; Nicaragua, nîkarâguə, nikərâguə; Nice, nîs, Nizza; nais, Nicea.

Nice, nais, stipt, nauwkeurig, keurig, zedig, kieskeurig, preutsch, teer, lastig, lekker, aangenaam, lief: That’s rather a nice question = lastige vraag; You must not be nice about accepting it = u niet geneeren om het aan te nemen; Niceish, naisiš, lief, aardig: A niceish girl; Niceness = liefheid, keurigheid, aangenaamheid, enz.; Nicety = fijnheid (van waarneming), nauwkeurigheid, kieschheid, kieskeurigheid; lekkernij: The coat fits to a nicety = zit keurig; One must not stand upon niceties = men moet de dingen niet al te nauw nemen; I can’t weigh niceties = rekening houden met zulke bagatellen; Niceties of words = spitsvondigheden.

Niche, nitš, nis, plaats, schuilhoek; Niche verb. in een nis plaatsen, verbergen.

Nicholas, nikəlas: The Festival of St. Nicholas: Nichol(l)s, nikəlz.

Nick, nik, kabouter, demon; kerf, kerfstok, rekening; juist oogenblik, hooge worp (bij het dobbelen), centstuk (Amer.); Nick verb. kerven, eene inkerving maken; op het juiste oogenblik treffen, overeenstemmen, passen: gappen, zich vlug bewegen: Old Nick = de duivel; Speak of the Old Nick and you’ll get an odour of brimstone = als je van den duivel spreekt, trap je hem op zijn staart; In the very nick, just in the nick of time = te juister tijd; That is out of all nick = gaat buiten de schreef.

Nickel, nik’l, nikkel, 5 centstuk (Amer.): They spun a nickel = gooiden op; Nickel-plated = vernikkeld; Nickel-silver; Nickelic, nikəlik, nikelik = nikkelachtig, nikkel... = Nickeliferous = nikkelhoudend.

Nicker, nikə, hinniken (N. E. en Schot.).

Nick-nack, niknak = knick-knack.

Nickname, nikneim, subst. bijnaam, scheldnaam: Nickname verb. een bijnaam geven.

Nicobar, nikəbâ: Nicobar Islands; Nicodemus, nikədîməs.

Nicotin(e), nikətin, nikətîn, nicotine; Nicotinism = nicotinevergiftiging.

Niddle-noddle, nid’lnod’l, knikkend; Niddle-noddle verb. knikkebollen, op en neer gaan; The plumes niddle-noddled on the horses’ heads.

Nidification, nidifikeiš’n, het maken van nesten: Nidify, nesten bouwen.

Nidnod, nidnod, knikkebollen; Nidnody = sukkel.

Nidus, naidəs, nest, broedplaats; infectiehaard.

Niece, nîs, nicht (oom- of tantezegster).

Niemen, nîm’n.

Nifty, nifti, goed, voldoende (Amer.).

Niger, naidžə.

Niggard, nigəd, subst. vrek; adj. vrekkig, gierig; Niggardliness = vrekkigheid; adj. Niggardly.

Nigger, nigə, nikker: He works like a nigger = als een ezel.

Niggle, nig’l, beuzelen, beknibbelen, kleingeestige aan- of opmerkingen maken over (about), peuterig uit- of afwerken; ook subst.; Niggling = peuterig, krenterig.

Nigh, nai, nabij, nauw verwant, bijna (poët.): Well nigh = bijna; To be nigh at hand = nabij zijn; To draw nigh = naderen; subst. Nighness.

Night, nait, nacht, avond, duisternis, onwetendheid, dood, tijd van rouw en smart: At (By) night = ’s nachts = In the night; At dead of night = in ’t holst van; Last night = gisteravond; (Late) at night = (laat) in den avond (nacht); To-night = van avond; Taking night = avond waarop de jongens een kermisvrijster kozen; A first night(er) = eerste opvoering; To bid (wish) good night; We have made a night of it = wij hebben den geheelen nacht doorgezwierd; To pass (spend) the night, To stay all night = overnachten; Night-bell = nachtbel; Night-brawler = (nacht)rustverstoorder; Night-cap = slaapmuts, slaapmutsje(fig.); Night-cart = kar van den reinigingsdienst; Night-clothes (Night-dress) = nachtgoed; Nightfall = het vallen van den avond; Night-fly = avondvlinder, mot; Night-gear = nachtgoed; Night-gown = nachtjapon: Night-gown case = nachtzak; Night-jar = geitenmelker (= Night-hawk); Night-light; Night-man = nachtwerker, man van den reinigingsdienst; Nightmare = nachtmerrie; Night-pan = ondersteek; Night-piece = nachtstuk; Night-porter = nachtportier; Night-school = avondschool; Nightshade = nachtschade (plant); Nightshirt = nachthemd; Night-soil = fæcaliën; Night-stand = nachtkastje; Night-stool = stilletje; Night-train; Night-walker = slaapwandelaar, nachtelijk vagebond, prostituée; Night-watch = nachtwacht; wekker; Night-watchman; Nightly = nachtelijk, elken nacht; Nighty = nachtpon.

Nightingale, naitingeil, nachtegaal.

Nigritia, nigrišə; adj. Nigritian, ook subst. neger.

Nihilism, naihilizm, nihilisme; Nihilist = nihilist; adj. Nihilistic.

Nil, nil, niets, leeg: Nil desperandum! = ende désespereert niet!

Nile, nail, de Nijl; Nilgiri, nilgîrî: Nilgiri Hills.

Nilly-willy, niliwili, goed- of kwaadschiks.

Nimble, nimb’l, vlug, lenig: The nimble-fingered gentry = de heeren met lange vingers (dieven); Nimble-footed = vlug ter been, rap v. voet; subst. Nimbleness.

Nimbus, nimbəs, stralenkrans.

Nimeguen, nimeig’n, Nijmegen.

Niminy-piminy, niminipimini, geaffecteerd, gekunsteld; ook subst.

Nincompoop, niŋk’mpûp, stommerik, sul = Nincom.

Nine, nain, negen: The (sacred) nine = de muzen; Dressed up to the nines = keurig, netjes, piekfijn gekleed; That’s a nine days’ wonder = verbaast de wereld eene week lang; Nine corns = een pijp vol; Nine winks = knippertje (dutje); Ninepin = kegel: They were playing at ninepins = zij waren aan het kegelen; Ninefold = negenvoudig; Nineteen = negentien; She would chatter nineteen to the dozen = praatte honderd uit; Nineteenth = negentiende; Ninetieth, naintiəth, negentigste; Ninety = negentig; Ninth, nainth, negende; Ninely = ten negende,

Ninny, nini, sukkel.

Niobe, naiəbî, Niobe.

Nip, nip, verb. nijpen, knijpen, omsluiten, afknijpen, door vorst beschadigen of vernielen, snijden (van koude), prikken, kwellen, pijnigen, ergeren; subst. kneep(je), beschadiging (door vorst en koude), slag, wippertje (borrel): Nipped in the bud = in den knop gedood; in de kiem gesmoord; Nipped by the ice = ingesloten door; I’ll first take my nip and then my nap = eerst mijn wippertje en dan mijn knippertje; He takes two nips a-day = hij gebruikt zijne twee borrels per dag; There was an exhilarating nip in the air = de vorstige lucht had iets opwekkends; Nipper = knijper, voortand van een paard, schaar (van een kreeft), vorstige dag, peuter, jongmaatje; Nippers = (kleine) nijptang, schaar, knijper(s), soort handboeien; Nipping = knijpend, scherp, snijdend, sarcastisch, stekelig; geaffecteerd (Amer.); Nippy = krachtig; scherp, bijtend: You had to look very nippy to see him = scherp en vlug kijken.

Nipple, nip’l, tepel.

Nirvana, nirvâna, Nirwana; Nisan, naisan, nîsân.

Nisi Prius, naisai praiəs, (= unless previously), bevelschrift den Sheriff gelastend voor een Jury te zorgen aan het Court of Westminster, tenzij de Judges of Assize eerder naar zijn County komen; bevoegdheid aan deze writ ontleend; behandeling van een zaak krachtens dit bevel; civiele zaken door de Judges of Assize behandeld.

Nit, nit, neet (van ongedierte).

Nitre, naitə, salpeter; Nitric: Nitric acid; Nitrification = salpetervorming; Nitrify = tot salpeter vormen (worden); Nitrogen, stikstof; Nitro-glycerine; Nitrous: Nitrous acid = salpeterig zuur; Nitry = salpeter...

Nix(ie), niks(i), watergeest.

Nizam, nizâm, nizam, titel van den vorst van Hyderabad.

No, nou, neen, niet; geen; subst. ontkenning, weigering, tegenstemmer, stem tegen: No cards = algemeene kennisgeving; No such matter = geenszins; It is no matter = het kan niets schelen; By no means = in geen geval; Of no use = nutteloos; No! (als uitroep) = och kom! wat je zegt! There is no avoiding it = dat is niet te vermijden; The noes have it = het voorstel is verworpen; Twenty noes and five ayes = twintig stemmen tegen en vijf vóór; The everlasting no = ontkenning van het bovenzinnelijke, de sceptische geest.

Noah, nouə, Noach.

Nob, nob, knop, kop, hoofd; hooge (oome): Old Nobs = de oude heer; Nobby = prachtig, piekfijn.

Nobble, nob’l, beetnemen, bepraten, gappen: To nobble the favourite = de favourite door eenig gift ongeschikt maken om mee te loopen; Nobbler = slag op het hoofd; diefjesmaat.

Nobiliary, nəbiljəri, adellijk, adel...; subst. adelboek.

Nobility, nəbiliti, adel tot en met de Barons; grootheid: Nobility of soul; Noble, noub’l, edel, grootmoedig, doorluchtig, adellijk, prachtig, statig; subst. edelman; rozenobel (oude munt van 6s.8p.): Nobleman (Noblewoman) = adellijke (man, vrouw); Noble metals = edele metalen; Noble-minded; subst. Noble-mindedness; Nobleness = edelheid, adel (fig.), grootschheid; Nobly-born = van adellijke geboorte.

Nobody, noubədi, niemand, nul, proleet: He is a nobody = een nul; They are nobody particular = zij zijn van gewone “kom-af”.

Nocake, noukeik, geroosterd maïpoeder.

Noctilionid, noktiljənid, Z.-Amer. vleermuis; Noctule, noktjul, spekmuis of rosse vledermuis.

Noctograph, noktəgraf, schrijfraam voor blinden; contrôle-instrument voor nachtwachten.

Nocturnal, noktɐ̂n’l, nachtelijk; Nocturne, noktɐ̂n, noktɐ̂n, nocturne (muz.).

Nocuous, nokjuəs, schadelijk, giftig.

Nod, nod, knikken, knikkebollen, slapen, droomen, suffen, toeknikken; subst. knik, wenk: A nod is as good as a wink to a blind horse = een goed verstaander heeft maar een half woord noodig; To give one a nod = toeknikken; He was a man to nod to, not to speak with = hij was iemand om op een afstand te kennen en te houden; He nodded approbation, an affirmative, his assent = hij knikte goedkeurend, toestemmend; I had a nodding acquaintance with him = kende hem eenigszins; Noddy = wankel.

Noddy, nodi, domkop; ijseend; soort van zeezwaluw; zie Nod.

Noddle, nod’l, subst. kop: Cracked in the noddle = niet recht snik.

Nodal, noud’l, knoop...; Nodated, nouditid, geknoopt; Node, noud, knoop, knoest, knobbel, spierverharding; verwikkeling, intrigue; Nodose, nədous, noudous, met knoopen of knoesten; Nodosity, nədositi, knoestigheid, knoop; Nodular, nodjulə, knoestig; Nodule, nodjûl, klompje, knoestje, knobbeltje.

Nog, nog, houten nagel; Nog verb. met nagels bevestigen.

Noggin, nogin, kroes, maat (¼ pint), kop.

Nogoism, nougouizm, onmogelijkheid, wat niet gaat.

Nohow, nouhau, in geen geval: To look nohow = er verloopen, slordig uitzien; Nohowish = onlekker.

Noise, nôiz, subst. geraas, getier, leven; Noise verb. tieren; verspreiden, uitbazuinen: There is a noise abroad = er loopt een gerucht; Noise in the ear = oorsuizen; Hold your noise = schei uit met je lawaai; He made a great noise in his time = deed veel van zich spreken; It was noised about = rondgebazuind; Noiseless = stil, zonder geraas of geluid; subst. Noiselessness; Noisiness, subst. v. Noisy = druk, lawaaiig, luidruchtig.

Noisome, nôisəm, nadeelig, ongezond, walgelijk, stinkend; subst. Noisomeness.

Noli me tangere, noulaimîtanžərə, kruidje-roermeniet, gewoon springzaad, ezelskomkommer; een bepaalde huidziekte.

Noll, nol.

Nomad, nomad, noumad, subst. nomade; adj. nomadisch = Nomadic; Nomadism = zwervend leven; Nomadize = een zwervend leven leiden.

Nombril, nombril, navel (Herald.).

Nomenclature, noum’nkleitjə, nomenclatuur, naamlijst.

Nominal, nomin’l, nominaal: Nominal price; Nominal rank = titulaire rang; To pay a nominal rent = een zeer geringe huur; Nominalism = de leer, dat aan onze begrippen geene werkelijkheid beantwoordt, en zij slechts als namen bestaan; Nominalist = aanhanger van deze leer; Nominate, nomineit, benoemen, candidaat stellen, op de voordracht zetten; Nomination = benoeming, candidaatstelling: To be in nomination for = voorgedragen worden; Nominative, nominətiv, subst. eerste naamval = Nominative case; adj. daarop betrekkelijk; Nominator = noemer, benoemer; Nominee, nominî, benoemde.

Non, non (in samenst.) niet, b.v. Non-ability = onbekwaamheid; Non-acceptance = non-acceptatie; Non-appearance = niet verschijning; Non-arrival = uitblijven (van een trein b.v.); Non-attendance = niet verschijning; Noncom = non compos mentis, non-commissioned officer; A non-commissioned officer (zie Warrant-officer); A non-committal answer = antwoord, waarbij men zich tot niets verbindt, zich niet bloot geeft; Noncon, verkort voor Nonconformist = Dissenter, of voor Non-content (= tegenstemmer of stem tegen in het Huis der Lords); Non-conformist = afgescheidene; Non-conformity = afgescheidenheid van de Anglikaansche kerk; Non-delivery = niet bestelling, onbestelbaarheid; Nondescript = abnormaal, onmogelijk, vreemd, zonderling; ook subst.; Nonentity = nul; Nonintoxicants = niet alcoholische dranken; Nonjuring, nondžûriŋ, tot de Nonjurors behoorende; Nonjuror, nondžûrə, Jacobite, die bij de revolutie van 1688 niet trouw wilde zweren aan de nieuwe regeering; Non-pareil, nonpərel, nonpərel, weergaloos; subst. iets weergaloos; nonpareille drukletter; soort zijden lint, soort appel; Non-payment = niet betaling; That is a non sequitur (sekwitə) = eene onjuiste gevolgtrekking; Non-sexual = geslachtloos; Non-stop = doorgaand; Nonsuit, nonsiût, subst. het opgeven of royeeren v. eene aanklacht wegens een gepleegd verzuim; Nonsuit verb. aanleiding geven tot het opgeven of royeeren.

Nonage, noneidž, minderjarigheid; Nonaged.

Nonagenarian, nonədžənêriən, 90-jarig(e).

Nonagon, nonəgon, negenhoek.

Nonce, nons, alléén in: For the nonce = voor dezen keer; Nonce-word = gelegenheidswoord.

None, nɐn, subst. en pron. niemand, niets; adj. geen: None of your cheek here = hou je brutalen mond thuis; None the less = niettemin; He is none so young either = ook zoo jong niet meer; None too soon = geen oogenblik te vroeg; I am none the wiser = geen haar wijzer.

Nones, nounz, negende dag vóór de Ides.

Nonplus, nonplɐs, subst. verlegenheid; moeilijkheid; Nonplus verb. overbluffen, verlegen maken: To be at a nonplus; To catch on the nonplus = verrassen.

Nonsense, nons’ns, onzin, dwaasheid: I will stand no nonsense = oppassen asjeblieft! Nonsensical(ness) = ongerijmd(heid), onzinnig(heid).

Non(e)such, nɐnsɐtš, subst. weergaloos persoon of zaak; soort van appel.

Noodle, nûd’l, uilskuiken, dwaas; Noodles = deeg van tarwemeel, dun gerold en aan reepen gesneden (Amer.).

Nook, nuk, hoek, gezellig plekje.

Noon, nûn, subst. middag, toppunt; adj. middag..: Noonday = middag; Noonhouse = herberg; Noontide = middag; hoogtepunt; middag..; Nooning = namiddagslaapje, -rust, -maal.

Noose, nûs, nûz, subst. lus, strik, schuifknoop; Noose verb. knoopen, in een strik vangen, verstrikken: To run oneself into a noose = in de val loopen.

Nopal, noup’l, vijgendistel.

Nor, nö, noch, en ook niet: Nor I either = en ik ook niet; Nor is this all = en dat is nog niet alles; Much better nor I = dan ik (plat).

Nora(h), norə; The Nore, dhə nö; Norfolk, nöfək.

Norm, nöm, norm; Normal, nöm’l, naar den regel, normaal, loodrecht; subst. loodlijn: Normal school = normaalschool; Normality, nömaliti = normaliteit, etc.; Normalize, normaliseeren.

Norman, nöm’n, Normandiër: Norman architecture; Normandy = Normandië.

Norn(a), nön(ə), Norne, Noorsche schikgodin.

Norse, nös, subst. en adj. (Oud-)Noorsch(e taal); Norseman = Noorman.

North, Nöth, subst. Noorden; adj. noordelijk; North-east = noordoosten, noordoostelijk; North-eastern = noordoostelijk; North by East = noord ten oosten; North America; North Pole; North-star = noord(pool)ster; North-west = noordwesten, noordwestelijk; North-western = noordwestelijk, noordwestelijke wind; Norther, nödhə, harde, ijzige noordenwind; Northerly, nödhəli, noordelijk; Northern, nödhən, noordelijk, uit het noorden: Northern-lights = Noorderlicht; Northerner, nödhənə, bewoner van het noorden, van de Noord. Staten van Amer.; Northernmost, nödhənmoust, het meest noordelijk gelegen; Northing, nöthiŋ, noordelijke declinatie, afstand naar het noorden; Northman = Noorman; Northward = naar het noorden: To the Northward = benoorden.

Northampton, nöthamt’n; Northumberland, nöthɐmbəland; Norway, nöwei, Noorwegen; Norwegian, nöwîdž’n, Noorsch; subst. (bewoner of taal) van Noorwegen; Norwich, noridž.

Nose, nouz, neus, reuk, snavel; spion; Nose verb. ruiken, in den neus krijgen, beruiken, trotseeren, door den neus spreken: Bridge (Point) of the nose; Nose of wax = meegaand persoon; You had best follow your nose = rechtuit te gaan; As plain as the nose on one’s face = zoo klaar als een klontje; To cut the nose off one’s own face = zijn aangezicht schenden (fig.); All my life my nose was kept to the grindstone = heb ik hard moeten werken; You can lead them by the nose = blindelings leiden of doen volgen; To pay through the nose = duur betalen, duur te staan komen; That has put his nose out of joint = hem den voet gelicht; When the baby came the little boy’s nose was put out of joint = was de kleine jongen “Benjamin-af”; To snap a person’s nose off = afsnauwen; He speaks in the nose = spreekt door den neus; He thrusts (puts, shoves) his nose into everything = steekt zijn neus in alles, bemoeit zich met alles; He turned up his nose at it = hij trok er zijn neus voor op; He put his thumb to his nose = bracht ... aan (ook als teeken van minachting); He did it under my very nose = hij deed het waar ik bij was; Nose-bag = voederzak (van een paard); in kellner’s slang: bezoeker die zijn eigen mondvoorraad meebrengt: The British Museum reading-room is made a nose-bag of by many = velen gaan naar de leeszaal van het B. M. om warm onder dak te zijn; Nose-band = neusriem; Nose-bleed = gemeen duizendblad; Nose-gay = ruiker; Nosehole = neusgat; Nose-piece = neusriem; mondstuk; objectief uiteinde van een microsc.; Nose-ring = ring door den neus; Nosed: Flat nosed = met een platten neus; Noseless = zonder neus; Nosing = vooruitstekende rand van lijstwerk.

Nostalgia, nostaldžə, heimwee (naar = for); Nostalgic = heimwee hebbend.

Nostril, nostril, neusgat.

Nostrum, nostr’m, kwakzalversmiddel.

Nosy, nouzi, met grooten neus.

Not, not, niet: Not at all = geenszins, integendeel; Not by a very long way = geenszins; Not in the least = in het minst niet; Not if I know it = ik denk er niet aan, het komt niet bij mij op; Will they do it? Not they = ’t mocht wat, dat kun je begrijpen.

Notabene, nouta bînî.

Notability, noutəbiliti, merkwaardigheid, gewichtigheid; notabele; Notable, noutəb’l, merkwaardig, aanzienlijk, groot, uitstekend, bekend, berucht, flink (v. huisvr. = notable); subst. kopstuk, notabele: Assembly of Notables = afgevaardigden van Frankrijk (1787); subst. Notableness.

Notalgia, nətaldžə, pijn in den rug.

Notarial, nətêriəl, notariëel; Notary, noutəri, notaris = Notary public = Public notary.

Notation, nouteiš’n, aanteekening, opschrijving, notatie.

Notch, notš, subst. kerf, inkeping, keep, gergel; bergpas (Amer.); Notch verb. kerven, inkepen, opschrijven: The stick was notched across at regular distances = over den stok waren op gelijken afstand inkepingen gemaakt; Notch-board = wang van een trap.

Note, nout, subst. opmerking, bekendheid, beteekenis, belang, (verklarende) aanteekening, uitlegging, briefje, mededeeling, nota, rekening, orderbriefje, promesse (ook: Note of hand), toon, noot; Note verb. aanteekenen, letten op, nota of notitie nemen van, aanteekeningen maken, laten protesteeren: Note of charges = onkosten-nota; Note of exclamation (interrogation); A thing worthy of note = merkwaardig iets; He is a man of note = man van aanzien en gewicht; As per note = volgens nota; We compared notes together = wij vergeleken onze bevindingen; To make a note of = aanteekenen; To take notes = aanteekeningen maken; To take no note (of it) = geen nota nemen van, niet letten op; Note-book = aanteekenboek; Note-paper = klein formaat schrijfpapier; Note-shaver = iemand, die tegen buitensporige rente wissels disconteert, enz.; maker van valsche bankbiljetten; Noteworthiness, subst. v. Noteworthy, noutwɐ̂dhi, merkwaardig; He is a noted general = vermaard; Notedness = vermaardheid.

Nothing, nɐthiŋ, subst. niets, kleinigheid, nul, prul: For nothing = te vergeefs; Next to nothing = zoo goed als niets; Nothing at all = in ’t geheel niets; The piece was nothing like so witty as I expected = het leek er niet op, dat; There was nothing for it but to get out = er zat niets anders op dan; To have nothing on = niets aan hebben; That’s nothing to me = dat kan mij niet schelen; He is nothing to us = we hebben niets met hem te maken; There’s nothing in it = dat beteekent niets, is van geen belang; I will have nothing to say to you = niets met u te maken hebben; It is nothing to be inquired into = het is de moeite niet waard, er onderzoek naar te doen; Things have come to nothing = er is niets van gekomen; I can make nothing of it = kan er niet uit wijs worden; Nothing venture, nothing have = wie niet waagt, die niet wint; Nothingness = waardeloosheid.

Notice, noutis, subst. opmerking, aandacht, acht, hoede, kennisgeving, waarschuwing, aankondiging, recensie; Notice verb. opmerken, waarnemen, notitie nemen van, vermelden, bespreken, recenseeren, eerbied bewijzen: To escape notice = onbekend (onopgemerkt) blijven; He gave me notice (to leave, to quit) = hij heeft me de huur (den dienst) opgezegd; Have you given notice as yet? = hebt ge u al (voor ’t examen) aangegeven; The child takes notice in a wonderful way = krijgt al merkwaardig veel “weet”; At a moment’s notice = onmiddellijk; At (a) short notice = op korten termijn; We noticed the work in last week’s issue = hebben in ons nummer van de vorige week besproken; Do not notice me = doe maar alsof ik er niet ben, let niet op mij; I had no opportunity of noticing this to you = u hierop opmerkzaam te maken; Notice-board = aanplakbord; Notice-paper = agenda; Noticeable = opvallend, opmerkenswaard: Actresses generally go about with noticeable dress = zijn nogal dikwijls opzichtig gekleed.

Notification, noutifikeiš’n, kennisgeving, verwittiging, mededeeling, het beteekenen (van een vonnis); Notify, noutifai, bekend maken, verwittigen, kond doen.

Notion, nouš’n, begrip, denkbeeld, neiging (Notions = kleinigheden, snuisterijen) (Amer.): He hasn’t a notion of doing it = denkt er niet aan; I had no notion of it = ik had er geen flauw idee van; Notional = denkbeeldig, droomerig, begrips...: Notional words = begripsnamen.

Notoriety, noutəraiiti, algemeene bekendheid, beruchtheid, onloochenbare zekerheid; bekende persoonlijkheid; Notorious, nətôriəs, bekend, berucht: A notorious burglar = berucht inbreker; subst. Notoriousness.

Notturno, notɐ̂nou, nocturne (muz.).

Notus, noutəs, Zuiden (of Z. W.) wind.

Not-wheat, notwît, ongebaarde tarwe.

Notwithstanding, notwidhstandiŋ, niettegenstaande: Notwithstanding that = ofschoon.

Nougat, nûgâ, noga.

Nought, nôt. Zie Naught.

Noun, naun, zelfstandig naamwoord: Proper noun = eigennaam.

Nourish, nɐriš, voeden, grootbrengen, koesteren; Nourishable = wat gekweekt of gevoed kan worden; Nourisher; Nourishing = voedzaam; Nourishment = voeding, voedsel.

Nous, naus, nûs, verstand; helderheid: You need all your nous for that = daar mag je “de vijf” wel goed voor bij elkaar hebben; Nous-box = “kop”, kersepit.

Nova Scotia, nouvəskoušə, Nieuw Schotland; Nova Zembla, nouvəzemblə.

Novel, nov’l, subst. roman, novelle (Jur.); adj. nieuw, ongewoon: The purpose novel = tendenzroman; A novel point = een nieuw gezichtspunt; A novel-writer = romanschrijver; Novelette, novəlet, novelle; Novelist = romanschrijver; Novelistic = roman..; Novelty = nieuwigheid, nieuw artikel: That is quite a novelty = dat is wat nieuws.

November, nəvembə, November.

Novice, novis, nieuweling, beginner, novice (klooster); Noviciate, Novitiate, nəvišieit, leertijd, proeftijd (in een klooster), novitiaat.

Now, nau, nu, thans: Now ... now ... = nu eens ... dan weer ...; Now and again = telkens; Now and then = nu en dan; Every now and then = telkens; Before now = reeds vroeger; By now = op dit oogenblik; But (Even) now = net nog; Just now = zooeven; Till now = tot nu toe; Don’t spill oil on my dress, now = zeg er eens, mors nu geen olie op mijne japon; Now, the weather being nice = aangezien het weer mooi was; He said so. Did he now? = och kom! I shan’t tell you, So now! = basta! Sure now? = Heusch? (Iersch); Now for it! = nu moet het maar wezen; Now for them! = laten ze nu maar komen! Now that = daar nu, omdat; Nowadays, nauədeiz, heden ten dage.

Noway(s), nouwei(z), geenszins.

Nowhere, nouwêə, nergens: Now that he has lost his property, he is nowhere = beteekent hij niets meer; My horse was nowhere = verloor het royaal, viel geheel uit; His new play is nowhere = trekt geen publiek; It is nowhere by comparison = haalt er niet bij; Nowhither, nouwidhə, nergensheen; Nowise, nouwaiz, op geenerlei wijze.

Noxious, nokšəs, schadelijk, verderfelijk, ongezond; subst. Noxiousness.

Noyau, Fr. uitspr. persico.

Nozzle, noz’l, pijp, mondstuk, snuit; neus.

Nub, nɐb, knobbel; adj. Nubbly.

Nubia, njûbjə, Nubië; wollen netje (hoofdbedekking voor Amer. dames); Nubian = Nubiër, negerslaaf.

Nubile, njûbil, huwbaar.

Nucleus, njûkliəs, kern, grondslag.

Nude, njûd, naakt, bloot, kaal; ongeldig: The nude = het naakte (lichaam); Nudeness = Nudity.

Nudge, nɐdž, subst. duwtje; Nudge verb. eventjes aanstooten: He nudged me (with his elbow) = hij gaf me een duwtje (met den elleboog), stootte mij aan.

Nudity, njûditi, naaktheid.

Nugatory, njûgətəri, beuzelachtig, waardeloos.

Nugget, nɐgət, klomp edel metaal.

Nuisance, njûs’ns, plaag, last, burengerucht: What a nuisance = dat is vervelend; Don’t be a nuisance = hinder me zoo niet; Commit no nuisance! = verontreiniging van deze plaats is verboden.

Null, nɐl, krachteloos, nietig, ongeldig; subst. nul: Some voting-papers were null = van onwaarde; Nullification = vernietiging, nietigverklaring; -ify, nɐlifai, van nul en geener waarde maken; Nullity = ongeldigheid.

Nullah, nɐla, kanaal, droge stroom, bedding (Brit. Ind.).

Numb, nɐm, adj. verstijfd, verkleumd, verdoofd; Numb verb. verdooven, verstijven; subst. Numbness.

Number, nɐmbə, subst. getal, nummer, menigte, (vers)maat; Number verb. rekenen, nummeren, (op)tellen, bedragen: Numbers = verzen, poëzie; Numeri; To look well after number one = voor zichzelf zorgen; Out of (Without) number = talloos; To the number of 40 = ten getale; In great numbers = in gr. getale; It’s the numbers that pay = slechts bij grooten omzet is winst te behalen; Number off = nummert u! (mil.); They can be numbered on the fingers of one hand = zij zijn op de vingers te tellen; Numberer; Numberless = talloos.

Numbles, nɐmb’lz, ingewand van een hert.

Numerable, njûmərəb’l, telbaar; Numeral, subst. telwoord, getalteeken; adj. tot een telwoord behoorende, een getal aanduidend; Numerary = in een zeker getal begrepen; Numeration = het tellen; Numerate, njûməreit, tellen, rekenen; Numerator, njûməreitə, teller; Numerical, njumerik’l: Numerical difference = verschil in getal; Numerical frame = rekenmachine; Numero = nummer; Numerous = talrijk; subst. Numerousness.

Numidia, njumidjə, Numidië; Numidian = Numidiër, Numidisch.

Numismatic, njûmizmatik, penning - -, munt - -; Numismatics = penningkunde; Numismatist, njûmizmətist, penningkundige.

Numskull, nɐmskɐl, uilskuiken; Numskulled = dom.

Nun, nɐn, non; nonnetje (een zaagbek-eend): Nun’s veiling = soort voile-stof; Nunnery = nonnenklooster.

Nuncheon, nɐnš’n; Zie Luncheon.

Nunciature, nɐnšiətjuə, ambt of woning van een Nuncio, nɐnšiou, pauselijk gezant, nuntius.

Nuncle, nɐŋk’l = Uncle.

Nuncupative, nɐŋkjupətiv, Nuncupatory, nɐŋkjupətəri, mondeling: A nuncupatory will = mondeling gemaakt testament.

Nundinal, nɐndin’l, Nundinary, nɐndin’ri, jaarmarkt - -: Nundinary laws.

Nuneaton, nɐnîtən, nɐnətən.

Nuphar, njûfə, njûfâ, gele waterlelie of plomp.

Nuptial, nɐpš’l huwelijks....: Nuptial benediction = huwelijksinzegening; Nuptial tie = huwelijksband; Nuptials = huwelijk, bruiloft.

Nuremberg, njûr’mbɐ̂g, Neurenberg.

Nurse, nɐ̂s, subst. pleegzuster; baker (= Dry nurse, of Monthly nurse); min (= Wet nurse); kindermeid, “juffrouw”; kweeker, verzorger; Nurse verb. zoogen, grootbrengen, oppassen, koesteren, streelen, strijken, sparen, dicht blijven bij: The child was at nurse, was put out to nurse = het kind was, werd bij eene min uitbesteed; He put out his income to nurse and accumulate = zette op rente; He understands the art of nursing = om ze warm te houden (bilj.); He nursed his capital = was spaarzaam, leefde zuinig; You must nurse your cold = wat doen tegen; To nurse one’s face = de handen voor het gezicht houden; He nursed his leg = hij zat met over elkaar geslagen of hoog opgetrokken knieën; Nurse-girl = kindermeisje; Nurse-maid; Nurse-pond = vijver voor vischcultuur; Nursery = kinderkamer; kweekerij (van planten); wedstrijd voor 2 jarige paarden; Nursery-cannon = kanonnetje uit de speelgoeddoos; Nursery-gardener = gardenier, kweeker; Nursery-governess = kinderjuffrouw; Nursery-man = kweeker, gardenier; Nursery-plant = stekje; Nursery-rhyme = kinderversje; Nursery-tale = sprookje; Nursing-bottle = zuigflesch; Nursling = voedsterling, lieveling.

Nurture, nɐ̂tšə, subst. het voeden of grootbrengen, voeding, voedsel, opvoeding; Nurture verb. voeden, grootbrengen, opvoeden.

Nustle, nɐs’l = Nuzzle.

Nut, nɐt, subst. noot, hazelnoot, moer, neut (van een anker), fat, dandy, nootjeskool, kop; Nut verb. noten plukken: He is as close as a nut = zoo dicht als een pot; As sweet as a nut = als uit een doosje; Hard nuts to crack (tackle); I have a nut to crack with you = appeltje met je te schillen; That is nuts to me = een kolfje naar mijn hand; It is nuts to read that letter = het is een genot; She is dead nuts on him = smoorlijk verliefd op; Juggles, the policeman, is dead nuts on poachers = is fel op; You are always dead nuts on that school = je geeft altijd af op die inrichting; He is off his nut = gek; Nut-brown = licht bruin; Nut-cracker(s) = notenkraker; ingevallen mond; Nut-gall = galappel; Nut-hatch = boomklever; Nut-hook = notenhaak; dievenvanger; Nut-key = schroevensleutel; Nutmeg = notenmuskaat; Nutmeg-grater = notenmuskaat-raspje; Nutmeg-oil = muskaatolie; Nutshell = notedop (ook fig.): The world in a nutshell = de wereld in een doosje; The whole matter lies in a nutshell = is doodeenvoudig; Nut-tree; Nut-wood = notenboomhout; Nutter = notenplukker; Nutting: To go a-nutting = gaan noten plukken; Nutty = vol noten, als noten smakende; lief.

Nutrient, njûtriənt, voedend; subst. voedende stof; Nutriment, njûtriment, voedsel: Nutrimental, njûtriment’l, voedend; Nutrition = voeding, voedsel, voedingswaarde; Nutritious = voedzaam; subst. Nutritiousness; Nutritive = voedzaam; subst. Nutritiveness.

Nuzzer, nɐzə, een geschenk aan een superieur (Brit. Ind.).

Nuzzle, nɐz’l, met den neus omwroeten (zooals een varken), met den neus wrijven tegen, een ring door den neus trekken, liefkoozen, het hoofd verbergen in moeders schoot (als een kind); met het hoofd voorover loopen.

Nymph, nimf, nimf; jonge schoone; Nymph-like of Nymphly = als eene nimf; Nymphaea, nimfîə, witte plomp; Nymphean, nimfîən, nimfachtig = Nymphical = Nymphish.

O.

O, ou; O(hio); O(fficial) A(ssignee); o/a = on account of = voor rekening van; Ob(iit) = hij (of zij) is gestorven; Obad(iah); Obj(ective); Obs(olete); Oct(ober); O(dd) F(ellows); O(ld) H(igh) Ger(man); O(n) H(er) M(ajesty’s) S(ervice) = “Dienst” (op brieven); O. K. = (Orl krekt) = allright; O. P. = Old pale = oude cognac;

Oakum, ouk’m, werk (om te breeuwen): To pick oakum = touw pluizen; He has been picking oakum these three years = hij zit al drie jaar in ’t tuchthuis.

Oar, ö, subst. (lange) roeiriem; Oar verb. roeien: To boat the oars = de riemen innemen; To have an oar in every man’s boat (barge) = zich overal mee bemoeien; To lie on one’s oars = rusten op de horizontaal liggende, uit het water opgeheven riemen, rusten van den arbeid; To put (shove) in one’s oar, To put one’s oar in = zijn neus steken in, een woordje meepraten; To rest (up)on one’s oars = op zijn lauweren rusten; To ship (unship) the oars = inleggen (uitleggen); oared: Four-oared = vierriems...; Oarsman, Oarswoman = roeier, roeister; Oary = met riemen, riemvormig.

Oasis, oueisis, ouəsis, (Meerv. Oases, oueisîz), oase.

Oast, oust, mouteest.

Oat, out, haver (meest Oats): He has sown his wild oats = zijne wilde haren zijn uitgevallen, hij is uitgeraasd; Oat-cake = haverkoek; Oat-meal = havermeel; Oat-malt = havermout; Oaten: Oaten pipe = herdersfluit; Oaten straws = haverhalmen.

Oates, outs.

Oath, outh, eed, verwensching, vloek: By (Upon an) oath = onder eede; Upon my oath = ik zweer het; False oath = meineed; You are on oath = onder eede; To administer (To tender) an oath to a person, To put a person to (on) his oath = iemand een eed afnemen; He took oath on entering upon his office = werd beëedigd; I have sworn an oath = ik heb een eed gedaan; Oath of abjuration = afzweringseed (waarbij de Stuarts na 1688 van den troon werden uitgesloten); Oath of allegiance (Oath of fealty) = eed van trouw; Oath of office = ambtseed; Oath-breaking = eedbreuk.

Obadiah, oubədaiə, obədaiə, Obadja, Kwaker.

Obduracy, obdjurəsi, obdjûrəsi, verstoktheid; Obdurate, obdjurit, obdjûrit, verstokt; subst. Obdurateness.

Obea(h), oubiə, toovermiddel.

Obedience, əbîdj’ns, gehoorzaamheid: Passive obedience = onvoorwaardelijke gehoorzaamheid; To reduce to obedience = tot gehoorzaamheid dwingen; Obedient = gehoorzaam: I am, obediently yours = hoogachtend, Uw dw. dr.

Obeisance, əbeis’ns, əbîs’ns, diepe buiging: To make an obeisance (to).

Obelisk, obəlisk, obelisk, teeken (†); Obelize = van een verwijzingsteeken: +, † (= Obelus, obəlɐs) voorzien.

Oberon, oubəron, obəron, Oberon.

Obese, əbîs, dik, vet, vleezig; subst. Obeseness = Obesity, əbesiti, zwaarlijvigheid.

Obey, əbei, (onderdanig) gehoorzamen; Obeyer.

Obfuscate, obfɐskeit, obfəskeit, verduisteren, verwarren, benevelen; Obfuscated = beneveld; verbluft; subst. Obfuscation.

Obit, obit, oubit, dood, zielmis, lijkdienst: Post obit = na den dood; Obitual = dood(en)..., begrafenis...; Obituary, əbitjuəri, subst. zielmissenboek; ook adj.: Obituary notice = doodbericht.

Obiter, obitə, in het voorbijgaan, toevallig: Obiter dicta = in het voorbijgaan gemaakte opmerkingen.

Object, obdžəkt, voorwerp, doel, hoofdzaak: Salary no object = op salaris zal minder worden gelet; To look an object = er uit zien als een vogelverschrikker; To make oneself an object = zich bespottelijk optooien; Object-glass = objectief; Object-lesson = illustratie, aanschouwelijke les; Object-matter = hoofdzaak, inhoud; Object-teaching = aanschouwingsonderwijs; Objectless = doelloos.

Object, əbdžekt, tegenwerpen, bezwaar maken: I object to your going there = heb er bezwaar tegen; Objection = tegenwerping, bezwaar; Objectionable = laakbaar, onaangenaam: Objectionable pictures = aanstootelijke; Objectional = Objectionable; Objector = opponent.

Objective, əbdžektiv, objectief, voorwerps..; subst. voorwerpsnv., einddoel: Objective case = 4de nv.; Objective point = doel; Objectiveness = Objectivity.

Objurgate, əbdžɐ̂geit, obdžəgeit, berispen, verwijten; subst. Objurgation.

Objurgatory, əbdžɐ̂gətəri, verwijtend, berispend.

Oblate, obleit, oblit, afgeplat aan de polen; subst. Oblateness.

Oblation, obleiš’n, offerande, avondmaal, gave.

Obligate, obligeit, verbinden, verplichten; Obligation, obligeiš’n, verplichting, verbintenis, obligatie: To be (To lie) under an obligation = verplicht zijn; To incur an obligation = een verplichting op zich nemen; Obligatory, obligətəri, (ver)bindend: Obligatory personal military service = persoonlijke dienstplicht.

Oblige, əblaidž, verplichten, een dienst of genoegen doen, eene gunst bewijzen, vriendelijk zijn; bindende kracht hebben, wat voordragen: Will you oblige me so far? = mij dat pleizier doen; Miss Jane will oblige = zal het gezelschap het genoegen doen, iets te zingen, spelen, etc.; Anything to oblige you = als ik je daar een pleizier mee kan doen; Full particulars will oblige = nadere inlichtingen verzocht; An immediate reply will oblige = er wordt om spoedig antwoord verzocht; Obligee, oblidžî, obligatiehouder, schuldeischer; Obliger; Obliging, əblaidžiŋ, beleefd, voorkomend; Obligor, obligö, obligö, schuldenaar.

Oblique, əblîk, əblaik, scheef, schuin, indirect, slinksch, onoprecht; Oblique verb. schuin of scheef staan; schuin afmarcheeren: Oblique angle = scheeve (stompe of scherpe) hoek; Oblique case = verbogen naamval; Oblique dealings = indirecte of slinksche manier van doen; Oblique plane = hellend vlak; Oblique speech = indirecte rede; Obliqueness = Obliquity (əblikwiti) = scheeve richting, afwijking, onregelmatigheid, onoprechtheid, verkeerdheid.

Obliterate, əblitəreit, uitwisschen, doorhalen, onbruikbaar maken (postzegels), vernietigen: Obliterated pulse = uiterst zwakke pols; Obliteriation = uitwissching, etc. onduidelijkheid; adj. Obliterative.

Oblivion, əblivj’n, vergetelheid, achteloosheid: Act of oblivion = amnestie; To bury in oblivion; To pass into oblivion; Oblivious: Oblivious of a thing = iets vergetend; subst. Obliviousness.

Oblong, obloŋ, langwerpig; subst. rechthoek.

Obloquy, obləkwi, verwijt, laster, smaad: To cast obloquy upon = belasteren; To fall into obloquy = in kwaad gerucht komen; To lie under obloquy = in kwaad gerucht staan.

Obnoxious, obnokšəs, onderhevig, blootgesteld; aanstootelijk, hatelijk, afkeurenswaardig, onbemind: He is obnoxious to me = ik mag hem niet zien; subst. Obnoxiousness.

Oboe, oubôi, hobo; Oboist = hoboïst.

Obolus, obəlɐs, obolus (⅙ Drachma); penninkske.

Obreption, obrepš’n, insluiping, verschalking; Obreptitiously, obreptišəsli, tersluiks, op slinksche wijze.

O’Brien, əbraiən.

Obscene, obsîn, vuil, onkiesch, ontuchtig; subst. Obsceneness = Obscenity, əbseniti, vuile woorden of daden, ontucht, onkieschheid.

Obscurant, əbskjûr’nt, duisterling, domper; Obscurantism = domperzucht; Obscurantist, dompersch; subst. domper.

Obscuration, obskjureiš’n, verduistering, etc; Obscure, əbskjûə, adj. duister, somber, nachtelijk, onbekend; nederig, onduidelijk; Obscure verb. verduisteren, bewolken, verkleinen, verbergen, verlagen: He lives very obscurely = teruggetrokken; Obscureness = Obscurity = duisternis, donkerheid, onduidelijkheid, onleesbaarheid, onbekendheid: To retire into obscurity = zich uit het openbare leven terugtrekken; Obscurities = onbekende personen.

Obsecrate, obsikreit, smeeken, bidden; Obsecration = smeeking.

Obsequial, əbsîkwiəl, lijk...; Obsequies, obsikwiz, lijkstaatsie, plechtige begrafenis.

Obsequious, əbsîkwiəs, kruipend, onderdanig; subst. Obsequiousness.

Observable, əbzɐ̂vəb’l, waarneembaar, opmerkenswaardig; subst. Observableness; Observance, əbzɐ̂vəns, waarneming, viering, inachtneming; regel, voorschrift, gebruik; Observant, əbzɐ̂v’nt, oplettend, gehoorzaam: He was observant of his mother’s slightest wishes = lette op; To be observant of forms = gesteld op vormen; Observation, obzəveiš’n, waarneming, opmerking, ervaring: To fall under a person’s observation = onder iemands aandacht vallen; adj. Observational; Observatory, əbzɐ̂vətəri, sterrenwacht; Observe, əbzɐ̂v, waarnemen, gadeslaan, opmerken, vieren, letten op, opnemen: They observed the sun’s altitude = zij waren bezig de zon te schieten; Observer = waarnemer, etc.

Obsess, əbses, bezoeken, kwellen, drukken; Obsession, obseš’n, het bezeten (bezocht, gekweld) zijn, obsessie.

Obsolescence, obsəles’ns, veroudering, atropie; Obsolescent = verouderend, in onbruik gerakend, rudimentair; Obsolete, obsəlît, verouderd, onontwikkeld; subst. Obsoleteness.

Obstacle, obstək’l, hindernis, beletsel: To put obstacles in the way.

Obstetric(al), əbstetrik(’l), verloskundig; Obstetrician, obstitriš’n, verloskundige, vroedvrouw; Obstetrics, əbstetriks, verloskunde.

Obstinacy, obstinəsi, koppigheid, hardnekkigheid; Obstinate, obstinit, hardnekkig, stijfhoofdig; subst. Obstinateness.

Obstipation, obstipeiš’n, verstopping.

Obstreperous, obstrepərɐs, luidruchtig, woelig, rumoerig; subst. Obstreperousness.

Obstruct, əbstrɐkt, versperren, verstoppen, belemmeren, verhinderen; Obstructer; Obstruction = belemmering, beletsel, verstopping; taktiek eener Parlementaire minderheid om door lange discussies of tallooze amendementen, etc. de behandeling van een wetsontwerp te vertragen; Obstructionist = iemand, die den voortgang op die wijze belemmert; Obstructive, adj. belemmerend, hinderlijk, verstoppend; ook subst. Obstructiveness = streven om te belemmeren, enz.; Obstructor; Obstruent = hinderend, stoppend (middel).

Obtain, əbtein, verkrijgen, verwerven, behalen, nemen; bestaan, voortduren, heerschen, algemeen in gebruik (regel) zijn, behelzen: This custom obtains in some of our cities = heerscht; In complexion, as the common reports obtain, she surpassed the lily and rose = naar luid van de algemeene berichten; This obtains with most people = geldt voor; Obtainable = verkrijgbaar, enz.; Obtainer; Obtainment = verkrijging.

Obtrude, əbtrûd, (zich) opdringen, indringen, opdringerig zijn: He obtruded himself upon the company = drong zich op aan; Obtruder; Obtrusion, əbtrûž’n, opdringing; Obtrusive, əbtrûsiv, opdringend, hinderlijk, opvallend; subst. Obtrusiveness.

Obtund, əbtɐnd, stomp maken, verdooven; Obtundent = verdoovend middel.

Obtuse, əbtjûs, stomp, dom, dof: Obtuse angle = stompe hoek; subst. Obtuseness; Obtusion, əbtjûž’n, verstomping, dof- of sufheid.

Obverse, obvɐ̂s, əbvɐ̂s, toegekeerd, de andere zijde betreffend; obvɐ̂s, subst. vóórzijde, keerzijde: The obverse and the reverse of a medal; There is an obverse to the coin = de penning heeft zijn keerzijde (fig.); Obversion = omkeering; Obvert = omkeeren.

Obviate, obvieit, voorkómen, verhoeden, uit den weg ruimen: The difficulty was obviated = weggenomen; subst. Obviation.

Obvious, obviəs, duidelijk, klaarblijkelijk, in ’t oog springend: To be obvious (to the eye); To be obvious to all the world = voor iedereen duidelijk; subst. Obviousness.

O’Callaghan, əkaləh’n.

Occasion, okeiž’n, subst. gelegenheid, gunstig oogenblik, aanleiding, reden, behoefte, noodzakelijkheid; Occasion verb. veroorzaken, aanleiding geven: By, Upon occasion = bij gelegenheid; On that occasion = bij die gelegenheid; On occasion = van tijd tot tijd, desnoods; To have occasion for = noodig hebben; You have no occasion! = geen dank! He has no occasion to be told such a thing = zoo iets behoeft men hem niet te zeggen; I had occasion to look the passage up = het was noodig, dat; There is no occasion for you = geen aanleiding; To give occasion = aanleiding geven; He improved the occasion = maakte zich de gelegenheid ten nutte; sprak een stichtelijk woord; He rode the occasion to death = hij maakte misbruik van; He rose to the occasion = hij bleek berekend voor zijn taak, hield zich flink = He was equal to the occasion; He took (the) occasion by the forelock = hij greep de gelegenheid aan; Occasional = toevallig, als de gelegenheid zich voordoet, gelegenheids..; subst. los arbeider: Occasional chair (Occasional table) = fantasie stoeltje (tafeltje); I see him occasionally = zoo nu en dan ontmoet ik hem wel eens.

Occident, oksident, Westen; Occidental, oksident’l, westersch, westelijk; van mindere voortreffelijkheid (van edelgesteenten).

Occipital, oksipit’l, achterhoofds...; Occiput, oksipɐt, achterhoofd.

Occlude, oklûd, sluiten, stoppen, absorbeeren; subst. Occlusion, oklûž’n.

Occult, okɐlt, verborgen, geheim; Occult verb. verbergen, verduisteren; Occultism = occultisme; Occultness = verborgenheid.

Occupancy, okjupənsi, bezitneming, bezit; Occupant = bezitnemer, bezitter, bewoner, aanwezige; inzittende; Occupation, okjupeiš’n, bezetting, bezigheid, beroep, ambacht: By occupancy = van beroep; Army of occupancy = bezettingsleger; Occupancy-bridge = verbindingsbrug tusschen 2 door een spoorlijn gescheiden stukken land; Occupancy-road = particuliere weg; Occupier, okjupaiə = Occupant; Occupy, okjupai, bezetten, bezitten, innemen, vullen, bezighouden, aanstellen, gebruiken, bewonen, handelen.

Occur, okɐ̂, voorkomen, gebeuren, aantreffen, invallen, opkomen: It occurs to me that more might have been done = het wil mij voorkomen; It didn’t occur to me until it was too late = kwam eerst bij mij op; Occurrence, okɐr’ns, gebeurtenis, voorval.

Ocean, ouš’n, Oceaan; Oceanic, oušianik, oceaan.., buitengewoon groot; Oceania, ousianiə, ousieiniə = de eil. v. de Stille Zuidzee; Oceanides, oušianidîz, Oceaniden; Oceanus, ousîənɐs, Oceanus.

Ocellated, əselətid, osəleitid, met oogvormige punten of vlekken.

Ochlocracy, oklokrəsi, bestuur door het gepeupel; adj. Ochlocratic, okləkratik.

Ochre, oukə, oker, geeltje (gouden munt); Ochre verb. met oker verven; Ochreous, oukriəs, okerachtig, oker bevattend = Ochrey, oukri.

O’clock, əklok: Five o’clock = vijf uur; He knows what’s o’clock = hij weet hoe laat het is, hij weet bescheid, is op de hoogte; The thing went off like one o’clock = het ging van een leien dakje.

Octagon, oktəgon, achthoek; Octagonal = achthoekig.

Octahedral, oktəhîdr’l, oktəhedr’l, achtvlakkig.

Octangular, oktaŋgjulə, achthoekig.

Octant, okt’nt, octant; cirkelboog van 45o.

Octave, okteiv, oktəv, octaaf.

Octavia, okteiviə; Octavius, okteiviəs.

Octavo, okteivou, octavo: Large octavo.

October, oktoubə, October; soort sterk bier.

Octodecimo, oktoudesimou, 18o (18 bladen of 36 bladzijden in een vel).

Octogenarian, oktədžənêrj’n, subst. en adj. 80-jarig(e).

Octopod, oktəpod, achtpootig, ook subst. = Octopodan.

Octopus, oktoupəs, oktəpɐs, poliep met 8 armen.

Octosyllabic, oktəsilabik, achtlettergrepig; Octosyllable, oktəsiləb’l, oktəsiləb’l, woord van acht lettergrepen.

Octroi, oktrôi, octrooi, octrooibureau.

Octuple, oktjup’l, achtvoudig.

Ocular, okjulə, oog..., zichtbaar; subst. oculair: Ocular witness = ooggetuige; Oculist, okjulist, oogarts.

Odalisk, Odalisque, oudəlisk, odalisk.

Odd, od, oneven, overblijvend, ongeveer, waaraan de (het) tweede ontbreekt, eenzaam, afgelegen, vreemd, raar: Odd boy = jongmaatje; The Independent Order of Odd-fellows = een genootschap tot aankweeking van onderlinge vriendschap en het verschaffen v. onderlinge hulp, opgericht in de 18de eeuw; Odd gloves = linker en rechter handschoen, die geen paar vormen; Odd hand = los werkman; Odd job = (los) karweitje; An odd lot = rommeltje, zootje; Odd man = los werkman, invaller; An odd kind of man = vreemde snuiter; The odd man of the family = de eenige ongetrouwde; At odd times = zoo nu en dan eens; The odd trick (bij het whistspel) = trek boven de zes; I have an odd volume of Chambers’ Cyclopaedia = ik heb een enkel deel (v. het geheele werk); A fortnight and odd days = een dikke veertien dagen; Fifty odd guilders = zoowat vijftig gulden; Odd or even = even of oneven; Odds = ongelijkheid, verschil, ongelijke weddenschap of partij, voorgift, waarschijnlijkheid, voordeel, meerdere bekwaamheid, twist, strijd: Odds and ends = afval, lappen, stukken en brokken; What is the odds? = wat zou het? It’s no odds = het heeft niets te beduiden; They are at odds = zij zijn het niet eens, hebben standjes; It is within the odds = er is kans op; The odds are that he will come = er bestaat veel kans; The odds are on his side (for him, in his favour) = het voordeel is aan zijn kant; It was long odds in point of strength = de krachten stonden lang niet gelijk; To face fearful odds = het hoofd bieden aan een groote overmacht; To give a person odds = iemand iets voorgeven; I have the odds of you = ik ben je de baas; They had all the odds of number and time on their side = alle voordeel van getal en tijd; To lay the long odds = een ongelijke weddenschap aangaan; To set at odds = tegen elkaar opstoken; To take the odds = de ongelijke weddenschap aannemen; Odd-conceited = grillig, fantastisch; Odd-looking = zonderling uitziend; Oddity = zonderlingheid, grappigheid, vreemde sijs; Oddments = overgebleven stukken en brokken; Oddness = zonderlingheid.

Ode, oud, ode.

Odeon, Odeum, ədîon, ədîəm, Odeon, schouwburg-, of concertzaal.

Odious, oudjəs, hatelijk, afschuwelijk, leelijk; subst. Odiousness; Odium, oudj’m, haat, blaam, verdenking.

Odoacer, odəeisə.

Odometer, ədomətə, afstandsmeter (aan een rijtuig).

O’Donoghue, ədonəgjû.

Odontalgia, oudontaldžiə, tandpijn; Odontalgic = tandpijn - -; tandpijnmiddel; Odontic = tand...; tandmiddel; Odontology, oudontolədži, tandkunde.

Odoriferous, oudərifərɐs, geurig, welriekend; subst. Odoriferousness; Odorous, oudərɐs, geurig; subst. Odorousness; Odour, oudə, geur, reuk, roep, naam: In bad odour = te slechter naam bekend; Odourless.

Odysseus, ədisiəs, ədisiûz; Odyssey, odisî, Odyssee; Oedipus, îdipɐs, edipɐs.

O’er, Zie Over.

Oesophageal, îsəfadžiəl, slokdarm...; Oesophagus, isofəgɐs, slokdarm.

Of, ov, van: He is of age = meerderjarig; Ten years of age = tien jaar oud; Of an afternoon = op zekeren namiddag; Be of good cheer = wees vroolijk en hoopvol; He worked at this paper within a fortnight of his death = nog veertien dagen voor zijn dood; He went of himself = ging uit zich zelf; I have not seen much of you of late = je den laatsten tijd niet veel ontmoet; A time of all others = bovenal een tijd; He went there of a Sunday = op een Zondag; I like it of all things = ben er dol op; A man of ten thousand = uit duizenden; Blind of an eye = blind aan ’t ééne oog; Beware of the dog = wacht u voor; All of a heap = alles te zamen, op één hoop.

Off, of, adj., adv. en prep. weg, vandaan, ver, rechtsch; Off verb. er uit snijden: Hands off! = afblijven! Off with your hat! = je hoed af! Off his bedroom = naast; Off Dover = op de hoogte van; Off duty = vrij van dienst; Off the latch = niet in de klink; Off the road = van den weg af; Off the stage = achter de coulissen; How far is it off? = hoe ver is het? Off-and-on = af en aan, op en neer; Neither off nor on = besluiteloos; I am off, gentlemen = Heeren, ik ga weg; To be badly (well) off = het slecht (goed) hebben; To be off one’s head = krankzinnig zijn; To be off one’s legs = vermoeid, slecht ter been zijn, van de been zijn; He came off with a slight wound = ontkwam met; When will the concert come off? = plaatshebben; To dine off the joint = een eenvoudig maal gebruiken met een stuk vleesch waar men zelf afsnijdt; To go off = weggaan, zich in beweging zetten, verdwijnen, sterven: My ball went in off the red = verliep op (Bilj.); He would not let me off sixpence = geen schelling minder geven; I’ll let you off if it’s Van Houten’s Cocoa = je krijgt geen straf als het is; To put off = uitstellen, uittrekken, afzetten; To take off = wegnemen, afzetten (amputeeren), uittrekken (van kleeren): You have taken off his features admirably = merkwaardig goed uitgedrukt; He has a talent for taking off a person’s peculiarities = iemands eigenaardigheden na te bootsen; He took himself off = ging er vandoor; Off with you! = maak dat je weg komt; We have a day off, an off-day to-morrow = een vrijen dag; The governor allowed me four days off = vrije dagen; Off-chance = kans, uitzicht; Off-colour = verbleekt, niet in orde: The diamonds were a little yellow, off-coloured as they say at Kimberley = met gele tint; I do not like his off-hand manner = korte, hooghartige manier; An off-hand shot = een schot uit de vrije hand; To sell off-hand = uit de hand; I killed the animal off-hand = op slag; He recited the poem off-hand = voor de vuist weg; Off-handed = Off-hand; Off-horse = vandehandsche paard; Off-licence = “vergunning”, mits de drank niet in het lokaal gedronken wordt; Off-load = afladen; Off-print = overdrukje; Off-reckoning = op het traktement (van militairen) gekort geld; We journeyed for several hours without off-saddling = zonder uit den zadel te komen; Off-scouring = afschraapsel, uitvaagsel; Off-scum = schuim of uitvaagsel, droesem; London in the off-Season = als het Season over is (Zie Season); Off-set, subst. tegenrekening; uitlooper (van bergen), spruit (uit den wortel); Off-set verb. met een tegenrekening voldoen, voorzien in, opwegen tegen: The decrease was off-set by such means; Off-shoot = tak (uit den stam); Off-spring = kroost, kinderen, spruit, voortbrengsel; Off-street = zijstraat; Off-time = vrije tijd; Off-white = met gelige tint; Offing = deel der zee meer dan halfweg van kust tot horizon; We gained (took) the offing = wij kwamen in (kozen) volle zee; The steamer stood to the offing = hield zeewaarts aan; Offish = op een afstand (fig.): On and offish = nu eens wat beter, dan weer minder; Offward = van de kust afhoudend.

Offal, ofəl, afval, uitschot; adj. waardeloos.

Offence, əfens, beleediging, ergernis, aanval, overtreding: No offence = neem me niet kwalijk; You gave offence last night = gij gaaft aanstoot, waart beleedigend; To take offence at = aanstoot nemen, kwalijk nemen; He takes offence very easily = is zeer licht geraakt; Offend, əfend, beleedigen, aanstoot geven, overtreden, schenden, zondigen: He has offenceed against the laws of the country = heeft geschonden; He was offenceed at it = hij was er over geraakt; Offenceer = beleediger, overtreder, zondaar; Offensive, əfensiv, aanvallend, beleedigend, aanstootelijk, onaangenaam, walgelijk: Offensive and defensive alliance = offensief en defensief verbond; An offensive smell = walgelijke lucht; He stood on the offensive = ging aanvallend te werk; subst. Offensiveness.

Offer, ofə, subst. aanbod, aanbieding, voorstel, bod, poging; Offer verb. aanbieden, offeren, opofferen, bieden, bereid zijn, toevoegen, aandoen, opperen, beproeven, trachten: On offer = verkrijgbaar; He made no offer to break prison = deed geene poging om uit te breken; To offer a stubborn resistance to = hardnekkig weerstand bieden; To offer violence = aanvallen; I’ll offer to do it if you go me halves = ik ben bereid het te doen als gij half meebetaalt; He never offered to pay = maakte volstrekt geen aanstalten, mine; He did not offer to run away from us = trachtte niet; Many of the prisoners were offered up by the savages = als offers gedood; Offerer; Offering = aanbieding, offer(ande); Offertory, ofətəri, offertorium (deel der Mis); offerbus = Offer-box (Offer-plate).

Office, ofis, subst. ambt, dienst, bezigheid, functie, plicht, eeredienst, kantoor, bureau, dienstbodenkamer; Offices = bijgebouwen; liefdediensten, voorgeschreven gebeden; To be in office = aan het bestuur zijn; To come (get) into an office = een ambt aanvaarden; He gave (tipped) me the office = gaf me een heimelijken wenk, gaf me een tip (sport); To fulfil (perform) the last mournful office = den laatsten droevigen plicht; To leave (retire from) office = aftreden; To take office = een portefeuille, een hoog staatsambt aanvaarden; The Colonial Office = het Min. van Koloniën; Holy Office = Inquisitie; The Home Office = Min. van Binnenl. Zaken; Office-badge = insigne; Office-bearer = bedienaar van een ambt; Office-boy = loopjongen; Office-clerk = bediende; Office-hour = kantooruur; Office-hunter = baantjesjager = Office-seeker.

Officer, ofisə, subst. officier (= Military officer); dienaar, ambtenaar, beambte, politieagent; Officer verb. van officieren voorzien, aanvoeren: The officers of the court = griffier en klerken; Custom-house officers = kommiezen; A commissioned officer = officier door den koning by Commission (= officierspatent) aangesteld; Non-Commissioned officer = onderofficier; Superior officer = vlagofficier; Warrant officer = uit het korps onderofficieren by Warrant aangestelde officier, als kapelmeester, etc. ongeveer overeenkomend met onze Indische onderluitenants; The army was well officered = werd goed aangevoerd.

Official, əfiš’l, subst. ambtenaar; adj. ambtelijk, officiëel, ambts...; Official duties = ambtsbezigheden; Official Gazette = staatscourant; Official receiver = curator in een faillissement; The officials = beambten; officiëele berichten; Officialdom = bureaucratie: The Language of officialdom; Officiate, əfišeit, een ambt bekleeden; de godsdienstoefening leiden, officiëeren; Officious, əfišəs, officieus; gedienstig, Úvergedienstig, bemoeiziek; subst.; Officiousness.

Officinal, əfisin’l, ofisain’l: Officinal plants = geneeskrachtige planten.

Oft, oft, dikwijls: Many a time and oft = herhaaldelijk; Often, of’n, vaak, oftən, dikwijls; Oftness = herhaaldelijkheid; Ofttimes = dikwijls = Ofttimes.

Ogee, ədžî, ojief.

Ogilvie, oug’lvi.

Ogive, oudžaiv, ədžaiv, oudživ, spitsboog.

Ogle, oug’l, subst. wenk, lonk; Ogle verb. toelonken; Ogler.

Ogre, ougə, weerwolf, boeman; Ogr(e)ish, oug(ə)riš, boemanachtig; vr. Ogress, ougrəs.

Oh, ou, Och! Ach!

Ohio, əhaiou; Ohioan = (bewoner) van O.

Ohm, oum, Ohm (electr.).

Oil, ôil, subst. olie; Oil verb. olieën, smeren, olieachtig worden: Boiled oil = lijnolie; Salad (Table) oil; Sweet oil = olijfolie; Oil of roses; To burn the midnight oil = tot laat in den nacht studeeren; To go to oil = smelten; To pour oil on troubled waters = olie op de golven gieten (fig.); To strike oil = eene petroleumbron ontdekken; een gelukje hebben; That is like throwing oil into the fire = dat is olie in het vuur (fig.); Oil-bag = vetklier; Oil-cake = lijnkoek, raapkoek; Oil-cloth = wasdoek; zeil; Oil-colour = olieverf (dikwijls Oil-colours of Oils: A good portrait in oils = een goed portret in olieverf); Oil-cooking (Oil-heating) stove = petroleumstel (kachel); Oil-crusher = olieslager; Oil-lamp; He is in the oil and colour line = hij doet in olieën en verfwaren; Oilman = oliehandelaar = Oil-merchant; Oil-mill = oliemolen; Oil-painting = het schilderen (of eene schilderij) in olieverf; Oil-press; Oil-seed; Oil shale = laag; Oil-skin = gewaste taf; oliejas; Oilstone = oliesteen; Oil-well = olie- of petroleumbron; To oil (the hand of) a person = de handen smeren (fig.); She has a well oiled tongue = een gladde tong; Oiler = smeerder, oliekan; oliejas; Oiliness, subst. v. Oily = als olie, goed gesmeerd, zalvend, glad.

Oillet(te), ôilət, oog (plantk.); schietgat.

Ointment, ôintm’nt, zalf.

O.K., oukei, in orde, klaar, flink: He is O.K. and you had better give him no sauce = een flinke vent (verkorting van Ol Krekt, verbasterd uit all correct), en je moet maar niet brutaal tegen hem wezen.

Okapi, oukâpi, okapi.

Old, ould, oud, vroeger, gewoon, glad, slim: From old = van ouds; From old time = van oudsher; As in days of old = als in vroeger dagen; We have had a gay old time of it = ouderwets plezier gehad; Let’s talk over Boniface and old times = de dagen van weleer; Old age = oude dag, hooge leeftijd; The Old Country = Engeland; Old file = gierigaard; Old gentleman (Old gooseberry, Old Harry, Old Nick) = de duivel; He is an Old hand = slimme rot; ex-boef; Old maid = oude vrijster; Old man = ouwe heer, oude jongen, oudje; “den Ouwe” = kapitein; Old rye = whiskey; Old salt = bevaren matroos; Old Tom = sterke jenever; Old-beaten = beproefd; Old-clothes-man = oudskleer; Old-established = oud; Old-fangled, Old-fashioned = ouderwetsch; subst. Old-fashionedness; Old-maid = maagdepalm; His Old-world ideas = zijne ouderwetsche denkbeelden; Olden, adj. voormalig; Olden verb. verouderen, oud maken; In olden time = in vroeger dagen; Oldish = oudachtig; Oldness = oudheid; Oldster = bejaard heer, ouder lid, midshipman van ’t vierde jaar.

Oldham, ould’m; Oldys, ouldis, ouldz.

Oleaginous, ouliadžinɐs, olieachtig; zalvend.

Oleander, ouliandə, oleander.

Oleograph, ouliəgraf, oleographie.

Oleomargarine, ouliəmâgərîn, kunstboter.

Oleraceous, oləreišəs: Oleraceous plants = groenten.

Olfactory, olfaktəri, reuk...: Olfactory nerves = reukzenuwen; Olfactories = reukorganen, neus.

Oligarch, oligâk, lid van eene oligarchie; Oligarchic(al), oligâkik(’l), oligarchisch; Oligarchy = oligarchie.

Olio, ouliou, ouljou, mengelmoes, potpourri, soort haché.

Oliphant, olif’nt.

Olivaceous, oliveišəs, olijfkleurig; Olivary, oliv’ri, olijfvormig; Olive, oliv, subst. olijf, olijfgroen; adj. olijf...: The Mount of Olives = De Olijfberg; Olive-branch = olijftak (ook fig.), kind (Ps. CXXVIII, 3); Olive-oil = olijfolie; Olive-tree; Olive-yard = olijfberg.

Oliver, olivə: To give a Ro(w)land for an Oliver = met gelijke munt betalen; Olivia, əlivjə.

Olivet, olivət, oliviënkorrel.

Olla, olə, aarden kruik, poreuze kruik: Olla podrida, pədrîdə, Spaansche schotel (fijn gehakt vleesch in groenten gestoofd). Zie Olio.

Olmsted, omstəd, ɐmstəd.

Olympia, əlimpiə; Olympiad = Olympiade; Olympian = Olympisch, hemelsch; Olympiër; Olympic = Olympisch: Olympic games = O. spelen = Olympics.

Omasum, əmeis’m, boekpens, bladmaag.

Omber, Ombre, ombə, omberspel.

Ombrometer, ombromətə, regenmeter.

Omega, əmegə, əmîgə, ouməgə, omega, einde.

Omelet(te), oməlet, eierstruif: One cannot make omelets without breaking eggs = zonder moeite (opoffering) heeft men niets.

Omen, oum’n, subst. voorteeken; Omen verb. vóórbeteekenen, aankondigen; Ominous, ominɐs, onheilspellend; subst. Ominousness.

Omissible, əmisib’l, weglaatbaar; Omission, əmiš’n, weglating, verzuim: This is a fault of omission rather than of commission = de fout bestaat meer in de weglating dan in een bepaalde onjuistheid; Omissive = verzuimend, weglatend; Omit = nalaten, weglaten, verzuimen; Omittance: Omittance is no quittance = uitstel is geen afstel.

Omnibus, omnibɐs, omnibus; hulpkellner; Omnibus-bill = wetsvoorstel omtrent allerlei verschillende zaken (Am.); Omnibus-box = loge avant-scène; Omnibus-conductor; Omnibus-driver.

Omnipotence, omnipətens, almacht; adj. Omnipotent.

Omniprescence, omniprez’ns, alomtegenwoordigheid; adj. Omnipresent.

Omniscience, omnišəns; alwetendheid; adj. Omniscient.

Omnium-gatherum, omniəmgadhərɐm, allegaartje.

Omnivorous, omnivərɐs, allesetend, alverslindend.

Omoplate, ouməpleit, oməpleit, schouderblad.

Omphalocele, omfələsîl, navelbreuk.

On, on, op, van, naar, tot, te: To be on = in behandeling (rechtszaak) zijn, aan den gang zijn, aan beurt zijn; dronken zijn; To get on = aantrekken; To go on one’s way = voortgaan, zijns weegs gaan; To have on = aanhebben; We left cards on them = gaven onze kaartjes af; The policeman’s “Move on, please” = “doorloopen asjeblieft”; To place on one side = links laten liggen; On account of = wegens; On an average = gemiddeld; On condition = onder voorwaarde; On the contrary = integendeel; On fire = in brand; On foot = te voet; On the one hand, the other hand = eenerzijds, anderzijds; On all hands = van alle kanten; On high = omhoog; On horseback = te paard; On pain of death = op straffe des doods; On purpose = opzettelijk; On the quiet (On the sly) = in stilte, (stiekum); On this side = aan dezen kant; On a sudden = plotseling; Swallows on the wing = vliegende zwaluwen; And so on = enzoovoort; On-come = aanval; On-comer = naderend persoon; On-coming, onkɐmiŋ, naderend, aanstaand; subst. nadering; On-going, on-gouiŋ, voortgang; On-goings = Goings-on; On-looker = toeschouwer.

Onager, onəgə, onədžə, wilde ezel.

Onanism, ounənizm, zelfbevlekking; Onanist.

Once, wɐns, eenmaal, eens: When the war is once over = goed en wel over is; Do it at once = dadelijk; He was at once my friend and colleague = tegelijk; Once again = nog eenmaal; Once and again = nu en dan (zelden); Once for all = eens en voor al; Once more = nog eens; Once in a while = nu en dan, zelden; Once upon a time there was = er was er eens; For this once = voor dezen enkelen keer; For once (in a way) = bij uitzondering, wel eens enkel; Never once = niet eenmaal; That once = voor dien keer; (When) once = zoodra, toen eenmaal; Once a freemason, always a freemason = eens maçon altijd maçon; Once is no custom = eenmaal is geenmaal.

One, wɐn, subst. zeker iemand, éénheid; adj. een, enkel, ongedeeld, men, zekere: One and none is all one = eenmaal is geenmaal; One day = op zekeren dag; One Williams = een zekere W.; One more = nog een; He is the one person who hates it = juist de man; One with another = door elkaar genomen; One way and another = alles te zamen genomen, wel beschouwd; One in a hundred = uit; I for one = ik voor mij; One and all = allen te zamen; All in one = uit één stuk; It’s all one to me = ’t is mij hetzelfde; To be at one = verzoend zijn; To be at one (with) = het eens zijn; I was within one of missing the scene = het was er “an toe”, of ik had het tooneel gemist, niet gezien; To be one and one = één zijn; We shall have to place this on one side = ter zijde moeten zetten, links moeten laten liggen; My little one(s) = kleintje (kindertjes); The great ones of this world = de grooten; The duck and her young ones = de eend en hare jongen; One-armed = éénarmig; One-eyed; That is a one-horse affair (show) = dat is een onbeteekend zaakje, armoedig spulletje; One-legged; Your one-sided views = eenzijdige, partijdige, bekrompen beschouwingen; One-sidedness = eenzijdigheid; One-storied = van één verdieping; Oner = een echte, je ware, een kraan; shilling; Oneness = éénheid, identiteit.

O’Neary, ənîri; Oneida, ənaidə.

Onerous, onərɐs, zwaar drukkend.

Onion, ɐnj’n, ui; kop; Onion verb. inwrijven met een ui: To weep with an onion = krokodillentranen schreien; Onion-peel, Onion-sauce; adj. Oniony.

Only, ounli, alleen, éénig, enkel, behalve: Only bill = solawissel; Only for = zonder; Only see = kijk eens; Only think = denk eens aan; Only yesterday = gister nog, pas (eerst) gisteren.

Onomatopoeia, onomətəpîjə, onəmatəpîjə, klanknabootsend woord, klanknabootsing door woorden; Onomatopoeic(al); Onomatopoetic(al) = klanknabootsend.

Onrush, onrɐš, hevige aanval.

Onset, onset, aanval, storm: To give (make) the onset = aangrijpen, aanvallen.

Onslaught, onslôt, woedende aanval.

Onslow, onzlou; Ontario, ontêriou: Lake Ontario.

Ontology, ontolədži, ontologie, leer van de algemeene eigenschappen der dingen.

Onus, ounəs, bewijslast = Onus probandi, ounəs prəbandai.

Onward, onwəd, vooruit, naar voren; voorwaartsch = Onwards.

Onyx, oniks, ouniks, onyx.

Oof, ûf, geld, “duiten” of centen = Ooftish.

Ooze, ûz, subst. zachte modder, slijk; Ooze verb. (uit)sijpelen, zacht vloeien, (uit)lekken (out); Oozy = modderig: To be oozy with = druipen van.

Opacity, əpasiti, ondoorschijnendheid, onduidelijkheid, domheid; ondoorschijnend iets.

Opal, oup’l opaal; Opalesce, oupəles, kleuren spelen of verspreiden (als een opaal); Opalescence = schittering van kleuren; adj. Opalescent; Opaline, oupəl(a)in, opaalachtig.

Opaque, əpeik, ondoorzichtig, onduidelijk, dom.

Open, oupən, open, blootgesteld, openbaar, bekend, vrij, onbezet, duidelijk, royaal, openhartig, edelmoedig, ontvankelijk; Open subst. open ruimte, vrije veld, open lucht, open zee; Open verb. openen, openslaan, uitspreiden, bekend maken, ontdekken, uitleggen, ontvankelijk maken, bevrijden, opengaan, uitkomen op, open staan, beginnen, aanslaan (van jachthonden) op het zien of ruiken van wild: It is open to criticism = onderhevig; He is open to entreaties = toegankelijk voor; It is open to him = staat hem vrij; An open carriage; Open field = vrij; Open place = niet versterkte; Open river = ijsvrije; Open sea; To cut open = opensnijden; To lay open = openleggen, blootleggen; To lie open = blootgesteld zijn; To set (throw) open; To sleep in the open = onder den blooten hemel; To open the ball = het bal openen, beginnen, voorop zijn, den strijd beginnen; To open a battle; To open a business, a house = eene zaak oprichten; They opened their fire upon the town; To open one’s mind (oneself) to = zich uitstorten voor; To Open a railway = in exploitatie brengen; To open an umbrella over a person; The door opens into a passage = komt uit op; The street opens out of Regent Circus = gaat uit van R. C.; Open-air meetings; Open-eyed = waakzaam; Open-handed = royaal; subst. Open-handedness; Open-hearted; subst. Open-heartedness; Open-mouthed = met open mond (ook fig.); vraatzuchtig, schreeuwerig; Open-work = opengewerkt iets; Opener; Opening = opening, begin, kans, gelegenheid; ook adj.: Men become Tories or Whigs, partly by principle, partly as openings come = afhankelijk van de voordeelen of kansen, die zich aanbieden; Mr. M. has an opening for an apprentice = kan plaatsen; Opening ceremony = openingsplechtigheid; Openly = openlijk; Openness = het open zijn, openhartigheid, mildheid.

Opera, opərə, opera: Opera-bouffe = opera comique; Opera-cloak = sortie; Opera-dancer = balletdanser(es) = Opera-girl; Opera-glass = tooneelkijker; Opera-hat = klak; Opera-house = opera(gebouw); Opera-singer; Operatic = tot eene opera behoorende, opera...

Operate, opereit, bewerken, teweegbrengen, uitwerken, opereeren, drijven, uitvoeren, exploiteeren: To operate upon = bewerken, opereeren; Operating: Operating expenses = bedrijfskosten; Operating-room = operatiezaal; Operating-table = operatietafel; Operation, opəreiš’n, werking, uitwerking, handeling, operatie (in de verschillende beteekenissen), reeks v. militaire bewegingen (mv.): To perform an operation = een operatie doen; Line of operations = operatielinie; First year’s operations = resultaten; Operative, opərətiv, subst. werkman, handwerker; adj. werkdadig, werkend, in exploitatie, operatief; Operator, opəreitə, werker, operateur, tandarts, telegrafist, beursspeculant.

Operculum, əpɐ̂kjəl’m, deksel.

Operetta, opəreta, operette.

Operose, opərous, bedrijvig, vermoeiend, zwaar: subst. Operoseness.

Ophelia, əfîljə.

Ophidian, əfidiən, slangachtig; subst. slang; Ophidium, əfidj’m, slangevisch; Ophites, ofaits, slangendienaars, een godsd. secte.

Ophthalmia, of-thalmiə, oogontsteking; Ophthalmic, oog...; subst. oogmiddel: Ophthalmic hospital, Ophthalmic infirmary; Ophthalmology = oogheelkunde; Ophthalmoscope, of-thalməskoup, oogspiegel; Ophthalmoscopy, of-thəlmoskəpi, of-thalməskoupi = onderzoek met den oogspiegel.

Opiate, oupiit, subst. en adj. slaapwekkend, pijnstillend, verdoovend (middel); Opiate verb. (oupieit) in slaap maken, met opium vermengen.

Opine, əpain, denken, onderstellen.

Opinion, əpinj’n, meening, oordeel, gevoelen: Opinion of counsel = rechtskundig advies; Public opinion = publieke meening; In my humble opinion = naar mijne bescheiden meening; To be of opinion = van meening zijn; I have no opinion of it = heb er geen hoogen dunk van; To injure a person in another person’s opinion = een ander een slecht idee geven van; Opinionated, əpinjəneitid, eigenzinnig, koppig = Opinionative, əpinjənətiv; Opinionist = stijfkop.

Opium, oupj’m, opium: Opium-eater = ‘pen-name’ van Thomas De Quincey; Opium-smoker = opiumschuiver; Opium-smoking den = opiumkit.

Opossum, əposəm, opossum.

Oppidan, opidən, uitwonend leerling (van Eton College).

Opponent, əpoun’nt, subst. tegenstander, tegenstrever; adj. tegenstrijdend, tegenwerkend, opponeerend.

Opportune, opətjûn, gelegen, geschikt, juist van pas, tijdig: He has proved it Opportunely = te juister tijd; subst. Opportuneness; Opportunism, opətjûnizm, opətjunizm, opportunisme; Opportunist.

Opportunity, opətjûniti, gelegenheid, geschiktheid van tijd en omstandigheden: Opportunity makes the thief; To embrace (improve, seize, take) the opportunity = aangrijpen; The book is a monument of exceptional opportunities = buitengewoon gunstige omstandigheden; He did not rise to the height of his opportunities = heeft er niet alles van gemaakt wat hij kon, is beneden zijn onderwerp gebleven; I will take an early opportunity = de eerste gelegenheid aangrijpen.

Opposable, əpouzəb’l, weerlegbaar, bestrijdbaar; Oppose, əpouz, tegenstellen, weerstaan, opponeeren, bestrijden, dwarsboomen: They opposed a stubborn resistance = boden hardnekkig weerstand; As opposed to = tegenover; Opposer = mededinger, opponent; Opposite, opəzit, tegenover, tegengesteld, omgekeerd, vijandig, tegenstandig; subst. het tegenovergestelde, tegendeel: Opposite the post-office, on the opposite side = tegenover het postkantoor, aan de overzijde; soms verb.: He declined either to support or to opposite the measure; subst. Oppositeness; Opposition, opəziš’n, tegenstand, hindernis, oppositie: To act in opposition to = handelen in strijd met, weerstreven; To make opposition to = protesteeren; In spite of opposition = trots tegenstand; Oppositionist = lid van de oppositie.

Oppress, əpres, (onder)drukken, zwaar liggen op; Oppression, əpreš’n, onderdrukking, ellende, (afge)matheid, gevoel v. beklemming; Oppressive = onderdrukkend, zwaar drukkend; subst. Oppressiveness; Oppressor = tyran.

Opprobrious, əproubriəs, verachtelijk, schandelijk; subst. Opprobriousness; Opprobrium, əproubriəm, schande, smaad, eerloosheid.

Oppugn, əpjûn, bestrijden, weerstaan; Oppugnancy, əpɐgn’nsi, tegenstand, strijd.

Optative, optətiv, opteitiv, wenschend; subst. optatief; Optative mood = de wijze (v. een werkw.), die een wensch uitdrukt.

Optic, optik, gezichts...: Optic nerves = gezichtszenuwen; Optical delusion = gezichtsbedrog; Optician, optiš’n, gezichtkundige, optisch instrumentmaker; Optics = optica, oogen.

Optimates, optimeitîz, de aanzienlijken; Optime, optimî, een kandidaat, die bij de Triposes of Honours Examinations voor den B.A. graad te Cambridge, onmiddellijk volgt op den Wrangler.

Optimism, optimizm, optimisme; Optimist, subst. optimist; adj. optimistisch = Optimistic.

Option, opš’n, recht of vrijheid van kiezen, keus, voorkeur: At option = naar verkiezing; To leave a thing to (in) a person’s option = aan iemands keus laten; Optional = van de keus afhangend, vrij in de keuze, facultatief: It is optional with you = het staat u vrij.

Opulence, opjulens, rijkdom, weelde, overvloed; adj. Opulent.

Opus, o(u)pəs (Mv. Opera, opərə), werk (muziek); Opuscule, əpɐskjul, klein werk of geschrift.

Or, ö, eer, of: Either this or the other.

Orach(e), oratš, melde (plant).

Oracle, orək’l, subst. orakel, godsspraak: He has worked the oracle = hij heeft door list en bedrog zijne zaak gewonnen, het zaakje listig overlegd; Oracular, ərakjulə, orakeltaal sprekend, duister, dubbelzinnig, gewichtig; subst. Oracularity = Oracularness.

Oral, ôr’l, mondeling, mond...: Oral examination; Orally.

Orale, əreilî, pauselijke hoofdsluier.

Oran, ərân.

Orange, orinž, subst. en adj. sinaasappel, oranje(kleurig); Orange-blossom = oranjebloesem; Orange-man = koopman in sinaasappelen; Orangeman = spotnaam voor Iersche protestanten (17de eeuw); Orangist, d.i. lid van eene geheime polit. protest, vereeniging in Ierland (1795); Orange-musk = muskaatpeer; Orange-peel = oranjeschil: Candied orange-peel = snippers; Orange-woman; The Orange Free State = The Orange River Sovereignty; Orangeade, orəndžeid, orangeade; Orangery, orənž’ri, oranjerie.

Orang-outang, əraŋûtaŋ, orang-oetang.

Oration, əreišn, redevoering; Orator, orətə, redenaar; Oratoric(al) = welsprekend, rhetorisch; Oratorio, orətôriou, oratorium (muz.); huiskapel; Oratorize, orətəraiz, eene redevoering houden; Oratory, orətəri, welsprekendheid; huiskapel: Priests of the Oratory = leden van het Oratorium, een geestel. congregatie.

Orb, öb, bol, oog(appel), omloop, kringloop, rad, bol; Orb verb. omringen, een kring vormen, zich in een kring bewegen; Orbed = rond, cirkelvormig, volkomen = Orbicular, öbikjulə = Orbiculate, öbikjulit; Orbit, öbit, oogkas; baan (van een hemellichaam); Orbital = tot een baan of oogkas behoorende.

Orcades, ökədîz, Orcaden = Orkney Islands; adj. Orcadian, ökeidj’n.

Orchanet, ökənet, ossetong (plant).

Orchard, ötšəd, boomgaard; Orcharding = ooftbouw; Orchardist.

Orchestra, ökəstrə, orkest: String orchestra = strijkorkest; Orchestral, əkestr’l, ökəstrəl: The Orchestral score = orkestpartituur; Orchestrate, ökəstreit, arrangeeren voor orkest; Orchestration, ökəstreiš’n, het arrangeeren v. muziek voor orkest.

Orchid, ökid, orchidee; Orchidaceous, ökideišəs, tot de orde der orchideeën behoorende; Orchis, ökis, orchis.

Ordain, ödein, instellen, voorschrijven, beschikken, ordineeren, bevestigen of wijden (in kerkelijke ambten); Ordainer; Ordainment.

Ordeal, ödiəl, ödîl, ödîəl, godsgericht, vuurproef (fig.): Ordeal by fire, by water = vuur-, waterproef.

Order, ödə, subst. orde, schikking, methode, toegangsbewijs, reglement, rang, bouworde; Order verb. ordenen, regelen, inrichten, leiden, verordenen, voorschrijven, bestellen, bevelen: Standing orders = reglement van orde; By order = volgens verordening, op bevel; By order of = op bevel van; In order = volgens ’t reglement van orde; In order that = opdat; In order to = om, ten einde; Not in order = buiten de orde = Out of order = in wanorde; Per order = volgens bestelling; To order = op bevel, op bestelling, naar maat; Order of battle = slagorde; Order of the day = agenda, dagorder, orde van den dag; I move to proceed with the order of the day = stel voor tot de orde van den dag over te gaan; Drunkenness was the order of the day = aan de orde van den dag; Order in Council = Kon. Besl. na advies van de Privy Council; To be in good order; In holy orders, Zie Holy; The men were in full marching order = marschtenu; Everything was in working order = alles was klaar (zoodat men beginnen kon); The children were kept in order = stil gehouden; He cannot keep the boys in order = geen orde houden (Vergelijk: To impose good order on a class); To give an order = bevel geven; To give orders for = bestellingen; To be mentioned in general orders = eervol vermeld; He has taken orders with a view to restore order = hij heeft maatregelen genomen om de orde te herstellen; He took priest’s orders = hij werd gewijd als geestelijke; Take Mr. A’s order = vraag wat mijnheer A. zal gebruiken; I won’t be ordered about like that = laat me zoo niet commandeeren; The quack was ordered off by the police = werd gelast heen te gaan; To order out = wegsturen; To order up = boven laten komen; Order-book = boek voor de bestellingen, orderboek (milit.); Order-form = bestelbriefje; Order-word = parool; Orderer; Ordering = regeling, schikking; Orderly, subst. ordonnans (Mounted order), hospitaalsoldaat, opzichter in eene ziekenafdeeling; straatveger (= Streetorderly); adj. ordelijk, rustig, geregeld, kalm, in dienst; Orderly-book = orderboek (mil.); Orderly-man = ordonnans; Orderly-officer = ordonnansofficier; Orderly-room = bureau; Orderly-sergeant = oudste onderofficier van eene compagnie.

Ordinal, ödin’l, rangschikkend; subst. rangsch. telwoord (= Ordinal number); missaal = Ordinale, ödineili.

Ordinance, ödin’ns, verordening, ritus.

Ordinary, ödinəri, gewoon, gevestigd, geijkt, middelmatig, alledaagsch, actief dienend, hof...; lijf...; buiten dienst gesteld; subst. gaarkeuken, table d’hôte in eene ouderwetsche herberg, maaltijd; rechter (vooral in geestelijke zaken): Ordinary debts = boekschulden; Ordinary seaman = licht matroos; In ordinary = actief dienend, lijf..., hof...; buiten dienst gesteld (van schepen): Ambassador, professor in ordinary = gewoon gezant, hoogleeraar; Chaplain in ordinary to the Queen = hofkapelaan; Physician in ordinary to the Queen = hofarts.

Ordinate, ödinit, geregeld, regelmatig; subst. ordinaat; Ordinate verb. ödineit, wijden (door den Bisschop); Ordination, ödineiš’n, wijding, bevestiging; verordening, raadsbesluit (fig.).

Ordnance, ödnəns, (groot) geschut: Piece of ordnance = stuk geschut; (Army) Ordnance Department (tot 1855 Board of Ordnance) = departement voor artillerie en intendance; Director-General of (the) Ordnance = generaal-intendant; Ordnance-factory = geschutgieterij; Ordnance-map = stafkaart; Ordnance Survey = officieele triangulatie van Groot-Brit. en Ierland.

Ordure, ödjə, drek, vuil (ook fig.).

Ore, ö, erts; goud.

Oread, ôriəd, bergnimf.

Oregon, orəg’n; O’Reilly, əraili; O’Rell, ərel.

Organ, ög’n, orgaan, werktuig, orgel; Organ verb. op het orgel spelen: He thinks his owls are organs = hij denkt, dat zijne uilen valken zijn; To blow the organ-bellows = orgeltrappen; To play the organ; To preside at the organ = het kerkorgel bespelen; Organ-blower = orgeltrapper; Organ-builder = orgelmaker; Organ-grinder = orgeldraaier; Organ-loft = orgelkoor; Organ-pipe; Organ-point; Organ-treader.

Organic, öganik, organisch, organiek, bewerktuigd: Organic bodies = dieren en planten; Organic chemistry; Organic disease = organisch gebrek of ziekte; Organic remains = organische overblijfselen; Organism, ögənizm, organisme; Organization, ögənizeiš’n, organisatie, bewerktuiging; Organize, ögənaiz, organiseeren, van organen voorzien.

Organzine, ög’nzîn, ketting(organsijn)-zijde.

Orgasm, ögəzm, geprikkelde toestand.

Orgiastic, ödziastik, als een orgie = Orgie, ödži, Bacchusfeest, drinkgelag, braspartij.

Orgy, ödži. Zie Orgie.

Oriana, örianə.

Oriel, ôriəl, erker, arkel (= Oriel window); oudtijds een soort gallerij.

Orient, ôriənt, subst. Oosten; adj. opgaande, Oostersch, oostelijk, schitterend; Orient verb. ook ôrient, de ligging bepalen, zich orienteeren (= To orient oneself): Pearl of Orient = van het schoonste water = Orient pearl; Oriental, örient’l, subst. Oosterling; adj. oostelijk, weelderig, kostbaar; Orientalism = Oostersche gewoonte of taal, kennis daarvan; Orientalist = Oosterling; kenner v. Oostersche talen, gewoonten, enz.; Orientalize = Oostersch maken (worden); Orientate = (zich) naar het Oosten wenden; Orientation = bepaling van het Oosten, oostelijke ligging, orienteering.

Orifice, orifis, opening, mond, gaatje: Orifice of the stomach.

Origan, origən, marjolein.

Oriflamme, oriflam, oriflamme.

Origen, oridžen, Origenes, oridžinîz.

Origin, oridžin, begin, oorsprong, oorzaak; Original, əridžin’l, oorspronkelijk, eerst, nieuw, erf...; subst. oer-type, eerste exemplaar, oorspronkelijk stuk, excentriek persoon; Original sin (= eerste of) erfzonde; Originality = oorspronkelijkheid, etc.; Originate, əridžineit, voortbrengen, voortspruiten, voortkomen; Origination = oorsprong, begin, wijze van voortbrenging; Originator, oridžineitə, oorzaak, bewerker.

Orinoco, ourinoukou.

Oriole, ourioul, wielewaal.

Orion, əraiən, Orion.

Orison, oriz’n, oris’n, gebed.

Orizaba, ourithâbə.

Orkneys (The), dhiökniz, Orkadische eilanden; Orleans, öliənz, Orleans; soort van katoen, ook ölînz.

Orlop, ölop, overloop, verdek.

Ormolu, öməlu, öməlû, goudbrons.

Ornament, önəment, subst. sieraad, versiersel; Ornament verb. önəment, tooien, versieren; Ornamental, önəment’l, tot versiering dienend: Ornamental art = ornementiek; Ornamental painter = decoratieschilder; Ornamentation = versiering; Ornate, önit, öneit, versierd, sierlijk; subst. Ornateness.

Ornithologist, önitholədžist vogelkenner; Ornithology, önitholədži, leer der vogels; Ornithomancy, ön(a)ithəmansi, önithəmɐnsi, vogelwichelarij.

Orographic(al), orəgrafik(’l), orographisch; Orography, ərogrəfi, orographie.

Orphan, öf’n, wees; adj. verweesd, ouderloos: Orphan-boy; Orphan-girl; Infant Orphan-Asylum = Orphan-hospital; Orphanage, öfənidž, de staat van wees; weeshuis; Orphaned = ouderloos.

Orphean, öfîən, öfiən, v. Orpheus = Orpheus, öfjûs, öfiəs; Orphic, öfik, verweesd, mystiek, v. Orpheus; mysticus.

Orphrey, öfri, een rand v. goudborduursel, ook een rijk vergulde rand in metselwerk.

Orpiment, öpiment, operment, koningsgeel.

Orpin(e), öpin, smeerwortel, gele verfstof.

Orris, oris, Florentijnsche lisch; goud- of zilvergalon.

Ort, öt, brokje, afval; meest m.v.

Orthodox, öthədoks, rechtzinnig, Grieksch Katholiek, rechtgeaard, echt, ouderwetsch, soliede: Orthodox arm-chairs = soliede (ouderwetsche) leuningstoelen; An orthodox pair of lovers = geliefden van den ouden stempel; Orthodox three-volume novels = ouderwetsche romans in 3 deelen; Orthodoxy = rechtzinnigheid, rechtgeaardheid, echtheid.

Orthoepic(al), öthəepik(’l) tot de Orthoepy, (öthouəpi of öthə-ipi) of (de leer der) juiste uitspraak behoorende; Orthoepist, öthouəpist of öthə-ipist, uitspraakkundige.

Orthogon, öthəgon, rechthoek; adj. Orthogonal.

Orthographic(al), öthəgrafik(’l), orthographisch; Orthography, öthogrəfi, spellingsleer, juiste spelling.

Orthopaedic(al), öthəpîdik(’l), öthəpedik(’l), orthopaedisch; Orthopaedist, öthəpîdist, öthopidist, orthopaedisch dokter; Orthopaedy, öthəpidi, öthopədi, orthopaedie.

Ortolan, ötələn, ortolaan, tuinmeerle.

Osage, ousidž, əseidž; Osborne, ozbən.

Oscan, osk’n, Osker (oude Ital. volksstam).

Oscillate, osileit, slingeren, weifelen; subst. Oscillation; adj. Oscillatory.

Osculate, oskjuleit, osculeeren (mathem.); kussen; Osculation, osculatie; kus; Osculatory, oskjulətəri, subst. Christus of heiligenbeeltenis, die vroeger met de woorden “Vrede zij met u” te kussen werd gegeven; adj. kussend, aanrakend: Osculatory ceremony = ceremonie v. voet- of handkus; Oscule = kleine opening, zuigspriet.

O’Shaughnessy, əšônəsi; O’Shea, əšei.

Osier, oužə, kat-(bind)wilg; rijsje; witte kornoelje (Amer.): Osier-ait = klein eilandje; Osier-bed (Osier-holt) = wilgenboschje; Osier-bottle = mandflesch; Osier-twig; Osier-work = mandewerk.

Osiris, əsairis.

Osmium, ozmiəm; osmiəm, osmium.

Osmose, osmous, ozmous, osmose; adj. Osmotic.

Osmund, ozmənd, osmunda: Osmund royal = koningsvaren.

Osnaburg, oznəbɐ̂g, osnəbɐ̂g, Osnabr¸ck; grof linnen.

Osprey, ospri, vischarend; aigrette.

Ossein, osi-in, beenderenweefsel.

Osselet, osəlet, beentje, sepia; Osseous = beenachtig, been..; Ossicle = beentje; Ossiferous, osifərɐs, beenderen bevattend; Ossification = beenvorming; Ossify = tot been worden, versteenen: Ossified system = verouderd, zéér oud; Ossuary = knekelhuis; urn.

Ostend, ostend.

Ostensibility, ostensibiliti, subst. v. Ostensible, ostensib’l, schijnbaar, oogenschijnlijk, duidelijk; Ostension = uitstelling van het allerheiligste; Ostensive = (duidelijk aantoonend; aanstellerig.

Ostent, ostent, aanblik, teeken, voorteeken; bluf; Ostentation = (praal)vertooning, vertoon, pracht; Ostentatious, ost’nteišəs, praalziek, ijdel, opzichtig: subst. Ostentatiousness.

Osteogenesy, ostiədženəsi, beenvorming; Osteography = beschrijving der beenderen; Osteology = leer der beenderen.

Ostler, oslə, stalknecht.

Ostracean, ostreiš’n, oesterachtig; subst. tweeschelpig weekdier, oester; Ostreaculture, ostriəkɐltjə, kunstmatige oesterteelt.

Ostracism, ostrəsizm, schervengerecht; verbanning, doodverklaring; Ostracize, ostrəsaiz, verbannen, doodverklaren.

Ostrich, ostritš, struisvogel: Ostrich-feather.

Ostrogoth, ostrəgoth, Oostgoot; Oswald, ozwəld; Oswego, oswîgou; Otaheite, outəhîti, Tahiti.

Otalgia, ətaldžiə, Otalgy, ətaldži, out’ldži, oorpijn.

Other, ɐdhə, ander(s), nog een: Each other, One another = elkander; Have another cigar = neem nog eene sigaar; The other day = onlangs; Every other day = om den anderen dag; The other morning = onlangs op een morgen; The other side = de linkerkant; Otherwhere = ergens anders; Otherwise = anders, op andere wijze: Much was said, both wise and otherwise = zoowel verstandige als domme dingen; I am not otherwise engaged = ik heb geene andere plannen, ben niet bezet; Not otherwise than most welcome; It is other(wise) with him = met hem is ’t een ander geval: Rather than otherwise = ’t liefst: I can do no other = niet anders; On that afternoon of all others = nog wel op dien namiddag; Some person or other = de een of andere; Otherness = verschil, het anders zijn.

Othman, othm’n; Otho, othou.

Otic, outik, oor...; subst. middel tegen oorpijn; Otitis, ətaitis, oorontsteking; Otology = leer van het oor; Otoscope, outəskoup, oorspiegel.

Ottar, otə. Zie Otto.

Ottava rima, otâvarîmə, couplet van acht regels, waarvan de zes eerste beurtelings en de twee laatste met elkander rijmen.

Otter, otə, otter; zeeotter; gele verfstof; Otter-dog.

Ottewa, otəwə.

Otto, otou, aromatische olie uit bloemen = Attar (of roses).

Ottoman, otəm’n, subst. Turk, ottomane (lage sofa); adj. Turksch: The Ottoman empire.

Otway, otwei.

Oubliette, ûbliet, subst. kerkerhol, valdeur.

Ouch, autš, in goud gevatte edelsteen.

Oudh, aud.

Ought, ôt, subst. iets: For ought I know = voor zoover ik weet.

Ought, ôt, behooren: You ought to know that = dat moest ge weten; You laughed at him? Then you ought not = maar dat mocht je niet.

Ounce, auns, ons (12e van een pound Troy, en 16e van een pound avoirdupois): An ounce of help is better than a pound of preaching = de kleinste daad is beter dan veel gemoraliseer.

Ounce, auns, Amer. jaguar.

Our, auə, ons (bez. voorn. w.): A friend of ours = vriend van ons; He was of ours = hij behoorde tot ons regiment; Ourself = ons, mij, onszelf, mijzelf; Ourselves = ons, onszelven, mijzelf.

Ouse (The), dhîûz; Ousel(e)y, ûzli.

Ousel, ûz’l, meerle; beflijster.

Oust, aust, uit het bezit stooten; den voet lichten; Ouster = uitzetting, berooving.

Out, aut, uit, buiten, op de uitreis, bekend, publiek, ambteloos, buiten dienst, op, verbruikt, ledig, zonder werk, ten einde, boos, twistend, enz.; subst. afgetreden minister, partij, die niet meer aan ’t roer is; speler, die af is (meest meerv.); Out verb. uitdrijven, een uitstapje maken, uiten: He is out and away the stronger of the two = verreweg; An out and excellent portrait = buitengewoon, uitstekend; Out-and-out = door en door, voortreffelijk, onbegrensd, aarts - -; An out-and-out support of the government = steun door dik en dun; Out-and-outer = kraan, iets buitengewoons, een opzichtig kleedingstuk; From this out I am a reformed man = van nu af aan; He said such things in season and out = te pas en te onpas; I am on my way out = op weg naar Indië; We are well out to sea now = zijn nu in (volle) zee; Out there = daar ginder, in ’t buitenland; Out-at-elbows (-heels) = met gaten in; An Out-at-elbow place = vervallen; I am out of breath = buiten adem; He put me out of countenance = bracht me van mijn stuk; Out-of-date = bij zijn tijd ten achter; Out-of-door(s): Out-of-door amusements = openluchtspel; Out of favour = uit de gunst; Out-of-fashion = uit de mode; Out of the frying-pan into the fire = van den wal in de sloot; He died out of hand = onmiddellijk; Out of harm’s way = in veiligheid; buiten schot; He is out of his head = krankzinnig; Out of heart = moedeloos; I am out of all hope = ik heb volstrekt geene hoop meer; I never sleep out of hours = buiten de voor den slaap bestemde uren; Out of sight, out of mind = uit het oog, uit het hart; Since time out of mind = sedert onheugelijken tijd; I am out of money = slecht bij kas; Out of office = buiten betrekking; Out-of-pocket expenses (fees) = noodzakelijke uitgaven (voorschotten); The book is out of print = uitverkocht; The rope was out of my reach = buiten mijn bereik; Out of sorts = onwel, brommig; You are out of temper this morning = uit uw humeur, boos, landerig; I am out of my time = heb mijne leerjaren achter den rug; Out of trim = onordelijk, niet in den haak; That is rather out-of-the-way = ongewoon; An out-of-the-way place = eene afgelegen plaats; Out upon that fellow! = weg met; I am out = ik heb niet meer; ik ben in de war, boos; The jug (wine) is out = leeg (op); The murder, secret is out = ontdekt; Then the murder was out = toen had je de poppen aan het dansen; The time is out = om; You are completely out (of it) = ge hebt het glad mis; That is out of it = haalt er niet bij; He came out in the eighties = ging naar Indië tusschen 1880–1890; Hear me out = hoor mij ten einde toe; I paid him out of your money = van jou geld; I will sit out the concert = ik blijf zitten tot het concert uit is; With these words he ups and outs = na die woorden vliegt hij op en de deur uit; I hardly ever get an outing = ik maak haast nooit een uitstapje; It was her last outing = dat was de laatste maal, dat zij uitging; Summer-outings = zomer-reisjes; Outboard = buiten boord; Outbound = op de uitreis; Outbreak = uitbarsting, oproer; Outburst = uitbarsting; Outcast = verworpeling; Outcome = resultaat; Outcrop = het voor den dag komen of gekomene; Outcrop verb. autkrop; Outcry = geschreeuw; Outdoor = buitendeur; Outdoors = buiten(deur); Outfit = uitrusting; Outfitter = leverancier van outfits; Outgrowth = spruit, resultaat; Outhouse = schuur, bijgebouw; Outlander = vreemdeling; adj. Outlandish; Outlaw = vogelvrij verklaarde, bandiet; Outlaw verb. vogelvrij verklaren; Outlawry; Outlay = onkosten; Outlay verb. autlei, uitbreiden, uitgeven; Outlet = uitgang, uitweg, afvoerkanaal, -buis; Outline = omtrek; Outline verb. schetsen, ontwerpen, zich afteekenen; Outlook = uitkijk, uitzicht, vooruitzicht: To be on the outlook for = uitzien naar; Out-parish = buitenparochie; Out-patient = uitwonend patient (van hospitalen); Out-poor = bedeelde; Out-porch = portaal; Outport = buitenhaven; Outpost = voorpost; Output = bedrag, opbrengst, productie; Outputter = producent; Outrelief = bedeeling; Outrider = voorrijder; Outrigger = papegaaistok, loefhouder, buitenboord aangebrachte roeiklamp; boot daarvan voorzien; Outright = open, zonder voorbehoud, dadelijk; Outset = begin, aanvang; Out-settlement = buitenkolonie; Outskirt = zoom, buitenste grens; Outspan (ook autspan) = uitspannen, kampeeren (Z. Afr.); Outspoken (ook autspouk’n) = ronduit, oprecht; subst. Outspokenness; Outwork = buitenwerk (mil.); Outer = buiten..; subst. Outer garment; Outer world; Out(er)most = uiterste, buitenste; Outness = uiterlijkheid.

Out, aut (in samenst.) drukt dikwijls uit: overtreffen in de door het andere deel uitgedrukte handeling, b.v. Outact = krachtiger handelen; Outbalance = zwaarder wegen; Outbid = hooger bieden, overtreffen; Out brag = overtreffen (in pochen); Outbrave = overtreffen (in glans of dapperheid); Out-classed = totaal verslagen; Outcry = overschreeuwen; Outdare = trotseeren; Outdistance = achter zich laten; Outdo = overtreffen; Outface = brutaliseeren, trotseeren, de oogen doen neerslaan; Outfarm = zich bekwamer boer toonen; Outflank = overvleugelen; Outfly = sneller vliegen dan; Outfrown = de oogen doen neerslaan; Outgeneral = overtreffen in veldheerschap; Out-Gilfillan G. himself = zelfs in zijn soort G. overtreffen; Outgo = overtreffen, te buiten gaan; Outgrow = sneller groeien dan, te groot worden voor; Out-Herod = in woestheid en wreedheid H. overtreffen; Outlast = langer duren dan; Outleap = verder springen dan; Outlive = langer leven dan, overleven; Outlook = de oogen doen neerslaan; Outmanoeuvre, autmən(j)ûvə, verschalken; Out march = harder marcheeren, vóórkomen; Outnumber = in aantal overtreffen; Outpace = voorbijstreven; Outpray = in het smeeken overtreffen; Outrange = verder schieten, achter zich laten; Outrank = hooger zijn in rang; Outreach = verder reiken dan, overtreffen; Outreign = langer regeeren dan: His queen Outreigned him by five years; Outride = harder rijden, uitrijden (zeeterm); Outroar = luider brullen dan; Outroyal = den koning of het hof in pracht overtreffen; Outrun = sneller loopen, ontloopen: To outrun the constable = To outrun one’s income = te groot leven; Outsail = harder zeilen; Outscold = harder schelden of tieren dan; Outsell = meer verkoopen, of duurder verkoopen, dan; Outshine = in luister en glans overtreffen; Outsleep = langer slapen dan; Outsoar = hooger stijgen, overvleugelen; Outspeak = beter (langer) spreken dan; Outspeed = in snelheid overtreffen; Outstand = uitsteken boven, uitstaan: Outstanding debts = uitstaande; Outstanding fact = in ’t oog springend, belangrijk feit; To leave outstanding = laten staan; Outstare = brutaliseeren, de oogen doen neerslaan; Outstay = te lang blijven: He outstayed his welcome = wij waren blij, dat hij wegging; Outstep = overschrijden; Outstrip = voorbijloopen, overtreffen; Outswear = in het vloeken overtreffen; Outtalk = in het praten winnen van, om verpraten: Outtop = uitsteken boven; Outvie = overtreffen; Outvote = bij stemming winnen van, overstemmen; Outwalk = in het wandelen overtreffen; Outwear = langer duren dan, verslijten; Outweigh = zwaarder wegen dan, te zwaar zijn voor; Outwing = in het vliegen de baas zijn; Outwit = verschalken, in slimheid overtreffen; Outworth = in waarde te boven gaan.

Outrage, autreidž, gewelddaad, misdaad, vergrijp, aanranding, grove beleediging; Outrageous = gewelddadig, afschuwelijk, overdreven; subst. Outrageousness.

Outram, ûtrəm.

Outside, autsaid, autsaid, subst. buitenkant, uiterlijk, plaats buiten op (een diligence), buitenpassagier, uiterste, dekblad; adj. buitenste, van buiten, buitenop; adv. buiten(op), aan den buitenkant, buitenboord, behalve: Twenty guilders at the (very) outside = op zijn hoogst; Four outsides (Outside-passengers) = vier passagiers buitenop; The outside public = het buitenstaand (fig.) publiek; Outsider = oningewijde, iemand die er buiten staat, renpaard van onbekende herkomst, of dat oogenschijnlijk geen kans heeft; iemand, die tegen den bookmaker wedt.

Outward, autwəd, adv. en adj. uitwendig, (van) buiten: To clear outward = een schip uitklaren; Outward angle = buitenhoek; Outward-bound = op de uitreis; Outward passage = heenreis; Outward trade = uitvoerhandel; I have never been outwardly a worshipper = ben nooit een kerkganger geweest; Outwardness = uiterlijkheid, objectiviteit, oppervlakkigheid; Outwards = buitenwaarts.

Ouzel, ûz’l, Zie Ousel.

Oval, ouv’l, ovaal, eirond; subst. ovaal: The Oval = een bekend cricket-veld in Kennington (London); Oval compasses.

Ovarian, əvêriən, tot den eierstok behoorende, eierstok...; Ovariotomy; Ovary = eierstok, vruchtbeginsel.

Ovate, ouvit, eivormig; Ovate-oblong = langwerpig ovaal.

Ovation, əveiš’n, hulde, ovatie.

Oven, ɐv’n, oven, kooktoestel; Oven-fork = ovengaffel.

Spotted a typo or a problem in this chapter? Tell us