← Engelsch woordenboek. Eerste deel: Engelsch-Nederlandsch (met uitgeschreven verkortingen)

Engelsch woordenboek. Eerste deel: Engelsch-Nederlandsch (met uitgeschreven verkortingen) (part 3 of 7)

Part 3 of 7 · Bruggencate, K. ten (Karel) · Public domain text

About this edition

Source: Project Gutenberg e-text #64478, public domain in the United States · text not rewritten or summarized · How RedLectern is built

 

Contents (7)

Continue:

Engelsch woordenboek. Eerste deel: Engelsch-Nederlandsch (met uitgeschreven verkortingen) (part 3 of 7)

Fall, fôl, subst. val, het vallen, daling, neerdaling, ineenstorting, dood, ondergang, helling, waterval, uitwatering, herfst (Amer.), cadans, val (zeeterm); Fall verb. vallen, zich uitstorten, instorten, afvallen, sneuvelen, betrekken, zondigen, dalen, verminderen, vervallen, neerkomen, aanvallen, te beurt vallen, gebeuren, geworpen worden, enz.: The Fall = zondenval; They tried a fall (with each other) = worstelden samen; There was a general fall of jaws = zij trokken allen lange gezichten; He came here in the fall = in den herfst; A fall overcoat = demisaison; Fall aboard = aanvaren, aanklampen, aanpakken; To fall astern = achterblijven, zakken (van schepen); To fall dead from the press = doodgezwegen worden; The wind fell a dead calm = het werd bladstil; To fall flat = mislukken; de uitwerking missen; To fall foul of = aanzeilen; aangrijpen, slaags raken met; stooten op; He fell from grace = verviel tot zonde; He fell in love = werd verliefd; To fall ill = ziek worden; To fall short = te kort schieten, niet voldoende zijn, niet beantwoorden aan (of); To fall together = elkaar ontmoeten; To fall to pieces = in stukken vallen; To fall to the rear = wijken; To fall among friends = toevallig raken onder, ontmoeten; To fall away = mager worden, tot slechtheid vervallen; To fall away from = afvallig worden; He fell along = viel neer zoo lang als hij was; To fall back = wijken, terug krabbelen; To fall back upon = terugkomen op (eene bewering of argument), steun vinden of zoeken bij, in geval van nood; To fall behind = achterblijven, zakken; His face had fallen in = ingevallen, mager geworden; To fall in = invallen, vervallen, aantreden, aansluiten; The lease will fall in on the first = het huurcontract vervalt; To fall headlong into the water = voorover, hals over kop; I fell in with his plans = keurde.. goed en deed overeenkomstig; That fell in with my temper = kwam overeen met; We fell in with each other = troffen elkander; To fall off = afvallen; verminderen, afnemen; He fell on (to) his knees; To fall out = uitvallen, oneenigheid, ruzie krijgen, de gelederen verlaten; It fell out that ... = het gebeurde, dat; To fall through = in duigen vallen; I advise you to fall to = ik raad u, om toe te tasten, aan te vallen; It fell to me, my lot, my share = viel mij te beurt; The dogs fell to biting = begonnen; The legacy fell to us = viel ons ten deel; To fall upon (on) the ear = treffen; To fall upon = aanvallen; The war fell within this year = had plaats; Falling-away = wegvallen, uitvallen, vermagering, afvalligheid, ontrouw; Falling-off = vermindering, achteruitgang; Falling-sickness = vallende ziekte; Falling-star = vallende ster; Falling-stone = meteoorsteen; Fall-trap = valdeur, valluik.

Fallacious, fəleišəs, bedriegelijk, sophistisch; subst. Fallaciousness; Fallacy, faləsi, bedrog, vergissing, dwaalbegrip, drogrede.

Fallals, falalz, falalz, prullen, nietigheden.

Fallibility, falibiliti, feilbaarheid; adj. Fallible.

Fallow, falou, vaalrood, vaalgeel, onbebouwd, braak, verwaarloosd; subst. braakland, braak; Fallow verb. braak laten liggen: He had to rest and lie fallow = en mocht geen werk doen; Fallow-crop = oogst van braakland; Fallow-deer = damhert; Fallow-finch = tapuit.

Falmouth, falməth.

False, fôls, adj. valsch, onwaar, ongegrond, bedriegelijk, onjuist, onecht, vervalscht, blind, ondergeschoven: To play false = valsch spelen, bedriegen; If my memory does not play me false = mij niet bedriegt; He sails under false colours = hij zeilt onder valsche vlag; False-face = masker; False-faced = huichelachtig; False fire = valsch signaalvuur (om den vijand te misleiden); False-hearted = trouweloos; subst. False-heartedness; Falsehood = valschheid, leugen, bedrog; Falseness = valschheid; Falsification = vervalsching, weerlegging; Falsifier = vervalscher, valsche munter; Falsify, fôlsifai, vervalschen, schenden, weerleggen, de onjuistheid bewijzen; Falsity, fôlsiti, valschheid, onjuistheid.

Falsette, fôlset; falsetto, fôlsetou, faucet-stem. Falstaff, fôlstâf.

Falter, fôltə, stamelen, stotteren, weifelen, wankelen: Falter out = uitstamelen; I faltered from my vow = werd ontrouw aan.

Fame, feim, gerucht, faam, roem, vermaardheid: Houses of ill-fame = bordeelen; Famed = beroemd.

Familiar, fəmiljə, gemeenzaam, huiselijk, intiem, minzaam, ongedwongen; subst. vertrouwde vriend, goede kennis, huisgeest: “But” is the sceptic’s familiar = het woordje “But” heeft de twijfelaar steeds in den mond; Familiarity, familjariti, gemeenzaamheid, nauwkeurige bekendheid, minzaamheid: (Too great) familiarity breeds contempt = van (al te groote) gemeenzaamheid komt verachting; Familiarities = vrijheden; Familiarize = gemeenzaam maken, gewennen; Family, famili, huisgezin, (vrouw en) kinderen, familie, geslacht, groep: Mr. W’s family = de fam. W.; Family-man = huisvader; Family-medicine = huismiddeltje; Family-tree = stamboom; Family-way: His wife is in the family-way = in gezegende omstandigheden.

Famine, famin, hongersnood, schaarschte, gebrek; Famish, famiš, uithongeren, verhongeren, versmachten.

Famous, feiməs, beroemd, vermaard, berucht; subst. Famousness.

Famulist, famjulist, student van ondergeschikten rang aan de universiteit te Oxford.

Fan, fan, subst. waaier, wan, blaasbalg, prikkel; Fan verb. koelte toewaaien, wannen, aanzetten, aanwakkeren: He fanned the racial hatred = wakkerde aan; Fan-light = halfronde lichtschepping boven eene huisdeur; Fan-tail = duif, met waaiervormigen staart, vleermuis (gasbrander); kap met verlengstuk van kolendragers; Fanning-machine, faniŋməšîn, Fanning-mill = builmolen, wanmachine.

Fanal, fənal, fənâl, fein’l, lichttoren, lichttoestel.

Fanatic, fənatik, adj. dweepziek; subst. dweper; Fanatical = fanatiek; Fanaticism = fanatisme.

Fancier, fansiə, kweeker, liefhebber (van vogels, enz.). Fanciful, fansiful, hersenschimmig, ingebeeld, grillig, phantastisch; subst. Fancifulness; Fancy, fansi, subst. verbeelding, fantasie, verbeeldingskracht, gril, lust, smaak, voorliefde, liefhebberij; adj. ingebeeld, overdreven, elegant, mode - -, phantasie..; Fancy verb. zich verbeelden, zich voorstellen, eene voorliefde opvatten voor, aangenaam vinden; lusten: The fancy = in ’t algemeen sportmenschen, vooral worstelaars, hondenliefhebbers, etc.; He took a fancy to it = hij kreeg er zin in; Only fancy = stel je voor; If you fancy the idea, I will act accordingly = als het denkbeeld bijval bij u vindt; Is there nothing, that you can fancy? = is er niets, dat u bevalt, dat ge lust? Fancy-articles, Fancy-goods = weelde-artikelen; Fancy-ball = gecostumeerd bal = Fancy-dress ball; Fancy-fair = liefdadigheidsbazaar; Fancy-goods = galanterieën; Fancy-man = souteneur; Fancy price = bespottelijk hooge prijs; Fancy-shop = galanteriewinkel; Fancy-sick = eenigszins getroubleerd van geest; Fancy-skater = kunstschaatsenrijder; Fancy-stationer = verkooper van luxepostp., galanterieën, enz.; Fancy-work = handwerkje.

Fandango, f’ndaŋgou, Spaansche dans.

Fane, fein, tempel, heilige plaats; weêrhaan.

Fanfare, fanfêə, fanfêə, fanfare, pocherij.

Fanfaron, fanfəron, snoever; Fanfaronade, fanfərəneid, snorkerij, gebluf.

Fang, faŋ, slagtand, gifttand, klauw; Fangless = zonder klauwen, etc.

Fanion, fanj’n, klein vlaggetje.

Fannel, fan’l. Zie Fanon.

Fanny, fani.

Fanon, fanən, zijden vierkleurige schouderdoek, welke na het cingulum (sjerp) over de alb wordt gelegd, een speciaal pauselijk gewaad bij kerkdiensten; manipel; witgedekte tafel waarop de offeranden voor de mis worden geplaatst.

Fantasia, fəntâzia, fantəzîa; muzikale fantasie; Fantastic (= Fantastical), fəntastik(’l), fantastisch, grillig; subst. phantast; Fantasticalness; Fantasy, fantəsi. Z. Fancy.

Fan-tods, fantodz, landerigheid: I got the fan-tods = het begon me te vervelen, ik kreeg het land.

Fantoccini, fantoutšîni, marionetten-theater.

Far, fâ, ver, afgelegen, zeer, groot: That does not go very far = daar komen we niet ver mee; This cocoa is best and goes farthest = en is het voordeeligst in het gebruik; We had to go far-about = een heelen omweg maken; Far-away = ver weg, verstrooid; To reach far back into antiquity = ver teruggaan; Far and away = verreweg; Far and near, Far and wide = heinde en ver, overal; Few and far between = zelden voorkomend; Far-fetched = vergehaald, vergezocht; Far forth = heel ver; In the far-gone = in ouden tijd; He is far-gone in that science = heeft het een heel eind gebracht in; Far gone in love = tot over de ooren verliefd; Far gone in drink, consumption = erg dronken, in een ver stadium van tering; Far in with = zeer intiem met; Farmost = verst; Far-off = op een grooten afstand; wezenloos, starend; Far other = heel anders; You are far out = hebt het heelemaal mis; Far-reaching = ver-reikend; Far-sighted = verziende, omzichtig; subst. Far-sightedness; Far West = het gedeelte der Unie ten W. van den Mississippi; By far = verreweg; So far as I am concerned = wat mij aangaat; So far so good = tot hiertoe is het in orde.

Faradization, farəd(a)izeiš’n, behandeling van ziekten door electrische stroomingen, ook: Faradism, naar Faraday genoemd; Faradize = electriseeren.

Farce, fâs, klucht, kort blijspel; Farcical, fâsik’l, kluchtig, grappig; subst. Farceness.

Farcin, fâsin, Farcy, fâsi, ziekel. aandoening der lymphklieren bij paarden.

Fare, fêə, subst. voedsel, kost, gerecht, vracht, passagier; Fare verb. zich bevinden, varen, gaan, zich voeden: Half fares = halve of kinderkaarten; Regulation fare = tarief; Bill of fares = tarief (in omnibus of huurrijtuig); Bill of fare = menu, spijskaart; Fare you well = vaarwel; Fare-meter (for cabs) = taxometer; Farewell, fêəwel, subst. afscheid, vaarwel: He bade farewell to his country = zeide vaarwel; adj. afscheids... (fêəwel): A farewell address = afscheidsrede; interj. (fêəwel) vaarwel! adieu!

Farina, fərainə, fərînə, bloem van meel; zetmeel; Farinaceous, farineišəs, melig, meel bevattend: Farinaceous food = meelkost; Farinose, farinous, meelhoudend, met meelachtig stof bedekt.

Farm, fâm, subst. boerderij, pachthoeve; Farm verb. pachten, verpachten, bebouwen, den landbouw uitoefenen, kinderen uitbesteden: This house was let to farm = verhuurd; Farm-bailiff = rentmeester; Farm-crossing = (spoor)overweg bij een boerderij; Farm-dog = waakhond; Farm-hand = arbeider, knecht; Farm-house = boerenwoning; Farm-labourer = boerenarbeider; Farm-produce = landbouwproducten; Farm-stead(ing) = boerenplaats; Farm-yard = erf; Farmer = pachter, landman; Farmery = boerenerf met huizen, schuren enz.; Farming, subst. landbouw; adj. landbouw...

Farnborough, fânbərou; Farne Islands, fân ailəndz; Farnham, fânəm.

Faro, fêrou, een hazardspel.

Faroe, fêrou: Faroe Isles; Farquhar, fâkwâ, fâk(w)ə.

Farrago, fəreigou, mengelmoes.

Farrier, fariə, subst. hoefsmid, paardendokter; Farriery = hoefsmidsbedrijf, smederij.

Farrow, farou, subst. big, worp biggen; adj. gust (niet drachtig) van eene koe (Dial. en Amer.); Farrow verb. biggen werpen.

Farther, fâdhə, Farthest, fâdhist, comp. en superl. van far; Farther-more = bovendien.

Farthing, fâdhiŋ, ¼ penny; Farthing’s-worth = waarde van een farthing.

Farthingale, fâdhiŋgeil, soort hoepelrok (16de en 17de eeuw).

Fasces, fasîz, bundel, fasces (Oud-Rome): Fasces of flowers.

Fascia, fašiə, band, gordel, vooruitstekende lijst, zwachtel; Fasciation, fašieiš’n, zwachtelen, verband; Fascicle, fasik’l, bundeltje, aflevering; Fascicular, fəsikjulə, Fasciculate(d) = tot een bundeltje vereenigd.

Fascinate, fasineit, betooveren, verrukken, bekoren, boeien; subst. Fascination.

Fascine, fəsîn, fascine, bundel rijshout voor milit. doeleinden.

Fash, faš, hinderen, plagen, lastig zijn (Dial.).

Fashion, faš’n, subst. fatsoen, aard, wijze, vorm, patroon, mode, trant, kleederdracht, chic, voornaamheid; Fashion verb. vormen, fatsoeneeren, gepast maken voor: The fashion = de groote wereld; Fashions = de heerschende modedracht; After a fashion, In a fashion = tot op zekere hoogte; In the fashion = in de mode; Fashionable = naar de mode, chic, beschaafd, welopgevoed; subst. Fashionableness; Fashionist = modegek; iemand, die aan den vorm hangt; Fashion-monger = fat, modepop; Fashion-sheet = modeplaat.

Fast, fâst, vast, onbewegelijk, bevestigd, gehecht, getrouw; snel, vóórloopend, vlug, los, geëmancipeerd; losbandig: My watch is fast = vóór; You are a little fast = je horloge gaat wat voor; You go too fast = je oordeelt wat haastig; He plays fast and loose with his principles = hij is niet beginselvast; He is as fast asleep as a church = hij slaapt als een otter; Fast beside = vlak naast; Fast by = dichtbij; Fast colours = “waschecht”; Fast freight = ijlgoed; Fast friends = dikke vrienden; Fast man, woman = roué, wufte, geëmancipeerde vrouw; Fast-sailing = snelzeilend; Fast train = sneltrein; Fasten, fâs’n, vastmaken, bevestigen, sluiten, vestigen, opleggen, zich hechten of vastklemmen: He can fasten an article on any journal = kan ... in ieder tijdschrift geplaatst krijgen; I have fastened a fib on him = ik heb hem wat wijs gemaakt; He fastened a quarrel on his opponent = zocht ruzie met; Fastener = knijpertje; Fastening = slot, grendel, sluiting; Fastness = snelheid; losbandigheid, versterking, fort.

Fast, fâst, vasten; subst. vasten, vastentijd: I hope I shall fast my illness off = ik hoop, dat ik door onthouding (vasten) er weer bovenop kom; I am obliged to fast from reading = mij van lezen te onthouden, spenen; Fast-day = vastendag; Faster = vaster.

Fasti, fastai, Romeinsche kalender of registers.

Fastidious, fəstidjəs, kieskeurig, moeilijk te voldoen; subst. Fastidiousness.

Fastigiate(d), fəstidžit(-eitid), naar boven spits toeloopend.

Fat, fat, vet, dik, vleezig, rijk, voedzaam; subst. vet, room, beste deel; Fat verb. mesten, vet worden: The fat is in the fire = de poppen zijn aan ’t dansen, de heele boel is overhoop, vernield; There is plenty of fat in that part = er zit een heele kluif aan die rol; To live on the fat of the land = het vette der aarde genieten; Fat-brained, (Fat-headed, Fat-witted) = dom, suf; Fat-head = domkop; Fat-guts = dikzak; Fatling = jong gemest dier; Fatness = vetheid, vruchtbaarheid; Fatten, fat’n, vet mesten, mesten, zich mesten, vet worden; Fattiness = vetheid; Fatty = vettig: Fatty degeneration = vetziekte.

Fata Morgana, fâtəmögânə, Fata Morgana.

Fatal, feit’l, noodlottig, rampspoedig, onheilspellend, doodelijk; Fatalism = fatalisme; Fatalist = fatalist; adj. Fatalistic; Fatality, fətaliti, noodlottige gebeurtenis; Fatalities = ongelukken.

Fate, feit, noodlot, lot, dood: The Fates = schikgodinnen; As sure as fate = zoo zeker als wat; Fated = voorbestemd; Fateful = noodlottig.

Father, fâdhə, subst. vader, voorvader; Father verb. aannemen (als kind), zich uitgeven voor den maker van, iemand iets op den hals schuiven: Adoptive father = aangenomen vader; Putative father = vermoedelijke vader; Fathers of the Church = Kerkvaders; Conscript fathers = Romeinsche Senatoren; Father-in-law = schoonvader, stiefvader; Father-long-legs = langbeen (mug); He fathers the works of others, and wishes to father his anonymous books on me = hij geeft zich voor den maker van de werken van anderen uit, en tracht mij voor den schrijver van zijne anonieme boeken te doen doorgaan; Fatherhood = vaderschap; Fatherland = vaderland: The Fatherland = Duitschland; Fatherliness = vaderliefde; Fatherly = vaderlijk; Fathership.

Fathom, fadh’m, subst. vadem (1.828 M., of 6.1163 M3); Fathom verb. vademen, omvatten, begrijpen, doorgronden; Fathom-line = loodlijn; Fathomless = ondoorgrondelijk, bodemloos.

Fatigue, fətîg, uitputting, vermoeienis, militaire corvée; Fatigue verb. afmatten, vermoeien, kwellen; Fatigue-cap = politiemuts; Fatigue-dress = corvée-tenue; Fatigue-duty = corvée (milit.); Fatigue-party = troep voor eene corvée.

Fatuity, fətjûiti, sulligheid, domheid; Fatuitous, fətjûitəs, Fatuous, fatjuəs, zwakhoofdig, ingebeeld: A fatuous smile = idiote.

Faucal, fôk’l, strot - -, keel - -; Fauces, fôsîz, strot, achtergedeelte van den mond, besloten door de pharynx en de larynx.

Faucet, fôsət, tapkraan, tapbuis.

Faugh, fô, bah!

Faulkland, fôkl’nd.

Fault, fôlt, subst. fout, gebrek, feil, schuld, verlies van het spoor (jacht), afbreking (van eene mijnader); Fault verb. fouten maken: Whose fault is it? wiens schuld is het? It is my fault; He always finds fault with me = hij heeft altijd wat op mij te zeggen; You like to find fault = van klagen en pruttelen; The hounds were at fault = het spoor bijster; If he is severe, his love of learning is in fault = draagt zijne liefde voor de wetenschap de schuld; He is good to a fault = hij is overdreven goed, doodgoed; He has faulted in several passages = fouten gemaakt; He is a regular fault-finder = echte brompot; pruttelaar; Fault-finding = bedilziek; Faultiness = onnauwkeurigheid, gebrekkigheid; Faultless = onberispelijk; subst. Faultlessness; Faulty = gebrekkig, schuldig.

Faun, fôn, faun, boschgod.

Fauna, fônə, fauna.

Faustina, fôstainə; Faustus, fôstəs; Faversham, favəš’m.

Favour, feivə, subst. gunst, begunstiging, steun, beschermeling, vergiffenis, souvenir, roset, strikje, brief, gelaat; Favour verb. begunstigen, vriendelijk gezind zijn, gemakkelijk maken, vereeren, gelijken op: Orange favours = oranjestrikken; I received your favour of the 1st inst. yesterday = uwe geëerde letteren van den eersten dezer; I have lost favour in your eyes = ben bij u uit de gratie; By (with) your favour = met uw verlof, welnemen; I have done it in your favour = te uwen behoeve; To be in favour with (out of favour) = in (uit) de gunst zijn bij; A challenge to the favour = het wraken van een jurylid, wegens veronderstelde partijdigheid; Under favour of the night = begunstiging; Favourable = gunstig, genegen, bevorderlijk; subst. Favourableness; Favoured = begunstigd, lievelings...: Ill-favoured = met ongunstig uiterlijk; Well-favoured = met knap uiterlijk; Favourite, feiv’rit, subst. gunsteling, favoriet (rensport); adj. lievelings...: That is my favourite dish, author = lievelingskost, lievelingsschrijver; Favouritism = stelsel v. begunstiging.

Favus, feivəs, besmettelijk hoofdzeer.

Fawkes, fôks.

Fawn, fôn, subst. jong hert (van ’t eerste jaar); Fawn verb. jongen werpen; Fawn-coloured = reekleurig.

Fawn, fôn, opspringen bij, likken, kruipen (v. honden), vleien, kruipen voor: He fawned (up)on the mighty.

Fay, fei, subst. fee.

Fay, fei, ten doode opgeschreven (Schot.).

Fay, fei, aan elkaar passen, nauwkeurig passen.

Faze, feiz, plagen, verschrikken (Amer.).

Feal, fîəl, trouw: Feal and leal = houw en trouw (Schot.); Fealty = trouw aan leenheer, vorst of regeering.

Fear, fîə, subst. vrees, angst, ontzag, eerbied; Fear verb. vreezen, duchten, vermoeden: For rear of = uit vrees voor; No rear of that = geen vrees daarvoor; Fearful (of) = angstig (voor), vreesachtig, vreeswekkend; subst. Fearfulness; Fearless = onbevreesd; subst. Fearlessness; Fearnaught = Fearnought = dikke en ruige wollen stof, soort fries; Fearsome = angstwekkend.

Feasibility, fîzibiliti, uitvoerbaarheid, mogelijkheid; adj. Feasible.

Feast, fîst, subst. feest, lekkernij, feest- of gastmaal; Feast verb. feestvieren, smullen, onthalen, zich verlustigen aan (on): Enough is as good as a feast = genoeg is overvloed; Feast-day = feestdag; Feast-rite = feestelijk gebruik.

Feat, fît, subst. daad, heldendaad, kunststukje, toer; adj. handig, vlug, bekwaam, netjes: Feat of juggling, goocheltoer; Featness = vlugheid.

Feather, fedhə, subst. veer, veder, pluim, vogels (sportt.), het door de riemen opgeworpen water; Feather verb. bevederen, met veeren bedekken of versieren, er als gevederte uitzien: Birds of a feather flock together = soort zoekt soort: That’s a feather in his cap = dat is een pluim, veer op zijne muts; She was in full feather = in gala; had een gespekte beurs; You are in high feather to-day = je bent erg in je “hum” vandaag; The ship cut a feather = deed het schuim opspatten voor den boeg; To show the (a) white feather = zich lafhartig toonen; It is but the turning of a feather between you and him = haast geen onderscheid, verschil; His air of superiority inspired me with a desire to tar and feather him = om hem eens flink zijn vet te geven (eig.: te teeren, en dan op de teer veeren te strooien); That man is feathering his nest = is bezig zijne schaapjes op het droge te brengen, voor zichzelf te zorgen; To feather the oars = de riemen horizontaal over het water laten glijden; Feather-bed = veeren bed: Feather-bed conspirators = zoetsappige; Feather-boarding = planken beschieting (overnaads); Feather-brain = wuft persoontje; Feather-broom (Feather-brush) = plumeau; Feather-edge = scherpe kant van eene plank; Feather-flowers = kunstbloemen (vooral voor hoeden); Feather-grass = espartogras; Feather-headed = lichtzinnig, wuft; Feather-weight = kleinst mogelijk (precies) gewicht, lichtste belasting (bij een handicap); boxer van licht gewicht; Feathery = vederachtig, veeren - - -, met veeren bedekt.

Feature, fîtšə, fîtjə, gelaatstrek, trek, voorkomen, eigenaardig kenmerk, eigenaardigheid; bepaling (van een contract, etc.), rubriek; Feature verb. gelijken op: This house is the feature of the street = het meest opvallende; Ill-(Well-)featured = leelijk (knap).

Feaze, fîz, ontrafelen (van touw).

Febrifugal, fibrifjug’l, febrifjûg’l, koortsverdrijvend; Febrifuge, febrifjûdž, koortsverdrijvend (middel); Febrile, fîbr(a)il, febril, koortsig, koorts - -.

February, februəri, Februari; February Fill-dyke = Febr. de regenmaand.

Feces, fîsîz. Zie Faeces.

Fecit, fîsit, “hij (zij) heeft (het) gemaakt”.

Feck, fek, subst. voornaamste deel, kracht, waarde; adj. flink, krachtig; Feckless = laf, zwak, waardeloos (Schot.).

Fecula, fekjulə, zetmeel; bladgroen.

Feculant, fekjulent, troebel, modderig, drabbig; subst. Feculence.

Fecund, fek’nd, fîk’nd, fikɐnd, vruchtbaar; Fecundate, fek’ndeit, fîk’ndeit, fikɐndeit, vruchtbaar maken, bevruchten; subst. Fecundation; Fecundity, fikɐnditi, vruchtbaarheid.

Federacy, fed’risi; Zie Federation; Federal, fed’rəl, federaal, bonds - -: Federal City = Washington; Federal Diet = de Duitsche Bondsdag; Federal Union = statenbond; Federalism = federalisme; Federalist = federalist; Federalize = tot een bond vormen; Federate = zich tot een federatie verbinden; Federation = federatie, statenbond; Federative = verbonden, bonds - -.

Fee, fî, loon, salaris, honorarium, bijverdiensten (in deze gevallen meest Meervoud); fooi; leengoed, eigendom; Fee verb. beloonen, betalen, een fooi geven: What with doctors’ and lawyers’ fees we had a hard year of it = door al die kosten van dokter en advocaat; Tuition (University) fees = collegegelden; To hold in fee simple = land bezitten waarover men bij zijn dood vrij kan beschikken; Estate in fee tail = goed, dat op bepaald aangewezen erfgenamen moet overgaan.

Feeble, fîb’l, zwak, krachteloos; Feeble-minded = zwak van geest, besluiteloos; subst. Feebleness.

Feed, fîd, voeden, voorzien van, verzorgen, onderhouden, laten weiden, eten, vreten, grazen; subst. een maal, voer, maaltijd, voorraad: His horse must have its four feeds a day = moet viermaal per dag gevoerd worden; I am off my feed = heb mijn eetlust verloren; He feeds like a wolf = eet als een wolf; To feed one’s cold = uitvieren; To feed the fire = wat in de kachel doen; The operator feeds the letters into the stamping-machine = schuift geregeld; He was feeding morsels from his plate into his mouth, as if he was firing up an engine = hij stopte in zijn mond; Feed-pipe = aanvoerpijp; Feed-pump = perspomp; aanvoerpomp; Feeder = iemand, die voert of mest, iemand of iets, die of dat bevordert, zijrivier, voedingskanaal, zijtak: Dainty feeder = lekkerbek; Greedy feeder = veelvraat; Feeding-bottle = zuigflesch.

Feel, fîl, voelen, bevoelen, betasten, ondervinden, gevoelen; subst. voelen, gevoel, gewaarwording: The baby feels his legs = probeert te gaan staan; I feel for you, poor fellow = ik heb medelijden met je, arme kerel; He felt his way after the sound = hij zocht tastende zijn weg op het geluid afgaande; She felt her way on the subject with him = zij polste hem over dat onderwerp; I shall try to feel him out = te polsen; I feel up to much work = voel me geschikt voor; I feel offended by your remark = ik acht mij beleedigd; Feeler = voeler, voelhoorn; To put (throw) out a feeler = de publieke meening polsen door een voorloopig bericht; Feeling = gevoelend, gevoelvol, medelijdend; subst. gevoel, aandoening, gewaarwording, geest, stemming: He has no feeling against you = niets (= geen wrok) tegen u; To excite bad feeling against = haat opwekken tegen; The feelings = de aandoeningen der ziel, hartstochten, etc.: The feelings are dangerous guides = het gevoel is een gevaarlijk raadsman.

Feet, fît, voeten (Zie Foot): He is certain to fall on his feet anywhere = hij komt altijd op zijn pooten terecht; With the world at your feet = met de wereld gereed om u te dienen.

Feign, fein, veinzen, voorwenden: A feigned issue = een proces, om eenvoudig de rechtskwestie te beslissen; Feint, feint, subst. voorwendsel, schijnbeweging, schijnaanval, list; Feint verb. een schijnbeweging maken: A feint of flight = voorgewende vlucht; He made a feint of writing = deed alsof hij schreef.

Fel(d)spar, fel(d)spâ, feldspaath.

Felicitate, fəlisiteit, feliciteeren (on); subst. Felicitation; Felicitous = gelukkig, voorspoedig, gelukkig gevonden; Felicity, filisiti, geluk, gelukzaligheid, voorspoed, toepasselijkheid, gelukkige manier van: Felicity in the choice of words = eene gelukkige keus.

Feline, fîl(a)in, katachtig, katten ...: Feline amenities = kattige lievigheden.

Felix, fîliks.

Fell, fel, vel, huid; platte zoom; val of golving (van haar); rotsachtige heuvel; adj. wreed, woest; Fell verb. vellen, omhakken; zoomen; imperf. van to fall; Fell-monger = koopman in huiden.

Fellah, fela, (meerv. Fellaheen, feləhîn), Egyptische boer of arbeider: The fellaheen forces = de strijdmacht der fellahs.

Felloe, felou, velg.

Fellow, felou, subst. kameraad, maat, wedergade, gelijke, kerel, vent, jongen; lid van een college of genootschap; soort lector of tutor in ’t genot van een Fellowship: A glove and its fellow = en de daarbij passende handschoen; He is hail-fellow-well-met with everybody = goede maatjes; They are fellows in office = ambtgenooten, collega’s; adj. (in samenstellingen) mede...; Fellow-citizen = medeburger; Fellow-commoner = student (aan Eng. Universiteiten), die met de fellows van zijn college dineert; Fellow-countryman = landsman; Fellow-craft = vrijmetselaar (tweede graad); Fellow-creature = medemensch; Fellow-feeling = medegevoel; Fellow-lodger = contubernaal; Fellow-ranker = iemand van denzelfden rang; Fellowship = vereeniging, gemeenschap, omgang, gelijk aandeel in; het ambt van, en de toelage voor de fellows van een universiteit: Good fellowship = collegialiteit, kameraadschap; Rule of fellowship = gezelschapsrekening; Fellow-soldier = krijgskameraad; Fellow-traveller = medereiziger.

Felly, feli, velg.

Felon, fel’n, subst. misdadiger; fijt; adj. kwaadaardig, verraderlijk, wreed; Felon’s dock = beschuldigdenbank; Felonious, fəlounjəs, snood, boosaardig, misdadig, met voorbedachten rade; Felony = zware misdaad.

Felt, felt, subst. vilt(en hoed); Felt verb. met vilt bedekken, tot vilt maken; imperf. van to feel.

Feltre, feltə, ouderwetsch borstharnas van vilt.

Felucca, fəlɐkə, feloek (schip).

Felwort, felwɐ̂t, swertia, gentiaan, bitterwortel.

Female, fîmeil, subst. vrouwtje, wijfje; vrouwelijke plant, vrouwspersoon; adj. vrouwelijk: Female die = holle stempel, waarin de male die geslagen wordt; Female rhymes, Female rimes = rijmen met ongeaccentueerde lettergreep op het einde, bijv. geven — leven; Female screw = moerschroef; Female woman = teere, zwakke.

Feme, fem: Feme covert = gehuwde vrouw; Feme sole = ongehuwde vrouw.

Feminine, feminin, vrouwelijk, zacht, teeder, verwijfd: Feminine gender = vrouwelijk geslacht; Femininity = vrouwelijkheid, de vrouwen; Feminize = verwijfd maken, verweekelijken.

Femoral, femərəl, dij - -; Femur = dijbeen.

Fen, fen, moeras, moerasland; Fen-berry = veenbes; Fen colonies = veenkoloniën; Fen-duck = soort v. wilde eend; Fen-fire = dwaallichtje.

Fence, fens, subst. heg, omheining, beschutting, het schermen, handigheid (in ’t debat), heler; Fence verb. omheinen, beschutten, verdedigen, versterken, schermen, pareeren; uitvluchten maken: To be (ride, sit) on the fence = eene afwachtende houding aannemen; She rushed at her fences = zij vloog naar de beschermde plaats, stelde zich te weer; To fence a question = pareeren, ontwijken; He studiously fenced round the points = hij ontweek opzettelijk de kwestie; Fence-month = gesloten jachttijd (van 9 Juni–9 Juli); Fencer = schermer, goed springpaard; Fencible, fensib’l, verdedigbaar: The Fences = soort landweer; Fencing, fensiŋ, materiaal voor eene schutting (Amer.); schermkunst, handig debat: Fencing-foil = degen; Fencing-gloves = schermhandschoenen; Fencing-pad = borstleder (van den Fencing-master = schermmeester).

Fend, fend, verdedigen, afweren: Let us leave him to fend for himself = laat hij zichzelf verdedigen, zien te redden.

Fender, fendə, hek voorlangs den haard of de daardoor ingesloten ruimte; stootmat, kurkenzak, wrijfworst (scheepst.).

Fenian, fînj’n, lid van een in 1857 te New-York opgericht geheim Iersch verbond voor het bevrijden van Ierland; ook adj.; Fenianism = Fenianisme.

Fennel, fen’l, venkel.

Fenny, feni, moerassig.

Fent, fent, opening of split.

Feod, fjûd. Zie Feud.

Feof, fef, subst. leengoed; Feof verb. met een leen begiftigen; Feofee, fefî, leenman; Feofer, Feofor, fefə, leenheer.

Feral, fîrəl, Ferine, fîr(a)in, wild, ongetemd; kwaadaardig (v. ziekten); subst. Feralness.

Fering(h)ee, fəriŋgî, Frank, algemeene naam door de Mahom. aan Europeanen gegeven.

Ferment, fɐ̂m’nt, ferment, gisting (ook fig.).

Ferment, fəment, in gisting brengen (of zijn), beroeren; Fermentability = gistbaarheid; Fermentable = gistbaar; Fermentation = gisting, beroering; Fermentative, gistend, gisting veroorzakend, gistings - -, subst. Fermentativeness.

Fern, fɐ̂n, varenkruid: Fern-owl = nachtzwaluw; Fern-seed = (onzichtbaar makend) varenzaad; Ferny = vol varens.

Ferocious, fəroušəs, woest, wreed, roofgierig; subst. Ferociousness = Ferocity, fərositi.

Ferret, ferət, subst. fret; woekeraar; smal groen lint; Ferret verb. uitdrijven, fretten, uitvisschen: I have ferreted it out = ben het op listige wijze te weten gekomen; Ferret-eyes = kleine, slimme oogen; Ferreter = jager met een fret, speurhond (fig.).

Ferriage, feriidž, overvaart, veergeld.

Ferric, ferik, ijzer ...; Ferriferous = ijzerhoudend; Ferrugineous, ferudžiniəs, ijzerhoudend, ijzerroestkleurig = Ferruginous.

Ferrotype, feroutaip, photographie op een gevoelige ijzeren plaat.

Ferrule, ferûl, metalen ring, koperen busje om een stok, muntring.

Ferry, feri, subst. veer, veerrecht, veerboot; Ferry verb. overzetten; Ferry-boat = veerboot; Ferryman = veerman.

Fertile, fɐ̂t(a)il, vruchtbaar, rijk aan, vindingrijk; subst. Fertility; Fertilization = vruchtbaarmaking, bevruchten; Fertilize, fɐ̂tilaiz, vruchtbaar maken, bevruchten; Fertilizer = mest.

Ferule, ferûl, subst. schoolplak; Ferule verb. met de plak geven.

Fervency, fɐ̂vənsi, vuur, gloed, innigheid, ijver; adj. Fervent, fɐ̂v’nt, subst. Ferventness; Fervid, fɐ̂vid, heet, brandend, vurig, heftig; subst. Fervidness; Fervour, fɐ̂və, gloed, vuur, drift.

Fesse, fes, horizontale dwarsbalk of streep op een schild; Fesse-point = het middelpunt van een wapenschild.

Festal, fest’l, feestelijk, vroolijk.

Fester, festə, subst. zweer, fistel; Fester verb. zweren, etteren, rotten, woeden.

Festival, festiv’l, subst. feestviering; soms ook adj.; Festive = feestelijk, feest...: Festive mirth = feestvreugde; In a festive disposition = in feestelijke stemming; Festivity, fəstiviti, feestelijkheid, feestvreugde.

Festoon, festûn, subst. guirlande, krans, festoen; Festoon verb. met guirlandes, enz. tooien.

Fetch, fetš, halen, trekken, behalen, opbrengen, maken, doen, geven, bereiken; subst. kunstgreep, list, dubbelganger, strikvraag: I fetched him from behind = greep hem van achteren aan; He was fetched in (out) = gegrepen (weggevoerd); The picture will have to be fetched out = zal wat uitgehaald moeten worden; She was fetched to = bijgebracht; To fetch up = plotseling blijven staan, ophalen, grootbrengen, inhalen: The flatness of the last act must be fetched up = het trekkerige van het laatste bedrijf moet verholpen worden; To fetch a compass = een omweg maken; To fetch a pump = eene pomp aan den gang maken; She fetched a deep sigh = slaakte een diepen zucht; That is rather far-fetched = nogal ver gezocht; Fetch-candle (Fetch-light) = dwaallicht, dat naar het volksgeloof, in Wales, den dood aankondigt; Fetching, pakkend, bekoorlijk.

Fetich, fetiš, fîtiš = Fetish.

Fetid, fetid, fîtid, stinkend; subst. Fetidness.

Fetish, fetiš, fîtiš, fetisch: Fetish-man = fetisch priester of aanbidder; Fetishism = feticisme; Fetishist = fetisch aanbidder.

Fetlock, fetlok, vetlok, kootgewricht.

Fetter, fetə, subst. voetboei, keten, belemmering; kluister; Fetter verb. boeien, belemmeren, binden; Fetterless = vrij, ongedwongen.

Fettle, fet’l, in orde brengen, repareeren, schoonmaken, druk werken, voeren, bedekken, vastmaken; subst. conditie (sportt.), drukte.

Fetus, Foetus, fîtəs, ongeboren vrucht.

Feud, fjûd, vete, twist, vijandschap.

Feud, fjûd, leen; Feudal system = leenstelsel = Feudalism = feudalisme; Feudality, fjudaliti, leenmanschap, feudaal-systeem; Feudalize = leenroerig maken; Feudary = Feudatory = leenman.

Fever, fîvə, subst. koorts, opgewondenheid; Fever verb. koortsig maken: In a fever of disgust = koortsachtig opgewonden van ergernis; Low fever = binnenkoorts; Feverfew = koorts- of moederkruid; Fever-weakened = door de koorts verzwakt; Feverish, fîvəriš, koortsachtig, gloeiend; subst. Feverishness.

Few, fjû, weinige(n): The fewer the better = hoe minder (menschen) hoe liever; A few = eenige; A good few = aanzienlijk getal; In few = in ’t kort; Few and far between = hoogst zeldzaam; Fewness = gering aantal.

Fey, fei, (ge)dood, ten doode bestemd; veeg (Schotsch), ongelukkig, vreemd, zonderling, mistroostig: You are fey, and I prophesy a headache for you to-morrow = je bent niet gewoon.

Fez, fez, fez, Turksche muts.

Fiasco, fiaskou, fiasco, ongunstige uitslag, slecht figuur.

Fiat, faiət, fiat, “het geschiede”.

Fib, fib, subst. leugen(tje); Fib verb. jokken, afranselen: Don’t tell fibs = jok nu niet; Fibber = jokker = Fibster.

Fibre, faibə, vezel, kracht; Fibril, faibril, fijne vezel of draad; Fibrilose, faibrilous, faibrilous, met of van vezeltjes; Fibrous, faibrəs, vezelachtig.

Fibula, fibjulə, kram; kuitbeen; hechtnaald.

Fickle, fik’l, wispelturig, grillig; subst. Fickleness.

Fico, fîkou, vijg; verachtelijk gebaar waarbij men den duim in den mond of tusschen wijs- en middelvinger bracht.

Fictile, fiktil, kneedbaar; aarden: Fictile art = keramiek.

Fiction, fikš’n, verdichting, verdichtsel, prozawerk, roman; Fictitious = verdicht, nagemaakt, onecht; subst. Fictitiousness; Fictive = Fictitious.

Fictor, fiktə, modelleur.

Ficus, faikəs, vijgeboom; vijgewrat.

Fidalgo, fidalgou, Portugeesch edelman.

Fiddle, fid’l, subst. viool, slingerlatten (scheepst.); Fiddle verb. vioolspelen, beuzelen, spelen, beetnemen: He played first fiddle = hij speelde de eerste viool (ook fig.); To take first fiddle = de leiding nemen; Fiddle-bow = strijkstok; Fiddle-bridge = kam; Fiddle-case = kist; Fiddle-de-dee = malligheid; Fiddle-faddle, fid’lfad’l, subst. gewauwel, kouwe drukte; adj. wauwelachtig, beuzelend; Fiddle-faddle verb. drukte maken om niets, beuzelen; Fiddle-stick = strijkstok: I don’t care a fiddle-stick = ik geef er geen zier om; Fiddlesticks’ ends = geleuter; Fiddle-string = vioolsnaar; Fiddler = vioolspeler, zesstuiverstuk.

Fide-jussion, faididžɐš’n, borgstelling; Fide-jussor = borg.

Fidele, faidîlə.

Fidelity, fideliti, getrouwheid, aanhankelijkheid, trouw.

Fidget, fidžət, subst. zenuwachtige gejaagdheid, bewegelijkheid, zenuwachtig persoontje; Fidget verb. zich zenuwachtig bewegen, zenuwachtig maken: Her arm seemed to have got the fidgets = niet stil te kunnen blijven liggen, bewoog zenuwachtig heen en weer; You fidget me by your presence = ge maakt me zenuwachtig en gejaagd door uwe tegenwoordigheid; Fidgety = gejaagd, zenuwachtig.

Fiducial, fidjûš’l, vertrouwend, vertrouwelijk: Fiducial mark = bewijs van vertrouwen; Fiduciary, fidjûšəri, subst. iemand, wien een pand ter bewaring is toevertrouwd; adj. vol vertrouwen, toevertrouwd: In his fiduciary capacity = betrekking van vertrouwen.

Fie, fai, foei!

Fief, fîf, leengoed.

Field, fîld, veld, akker, slagveld, slag, gezichtsveld, uitgestrektheid, al de cricketspelers, de jachtstoet, aantal deelnemende paarden; Field verb. voor fielder spelen bij cricket, wedden op het field (i.e. tegen den favourite): He betted (laid) against the field = hij wedde op den favourite; The field was fought, lost, won = slag; The army took the field and kept it during the summer = het leger trok te velde en bleef daar den ganschen zomer; A field of ice = groote (drijvende) ijsmassa; Field of view = gezichtsveld; Field-allowance = extratoelage aan te velde zijnde soldaten; Field-artillery = veldartillerie; Field-bed = veldbed; Field-book = veldboek (voor het landmeten); Field-day = dag voor velddienst, dag van groote drukte, vertoon, etc.; Field-duck = kleine trap; Field-equipage = velduitrusting; Fieldfare = veldjakker, kramsvogel; Field-glass = veldkijker; Field marshal = veldmaarschalk; Field-mouse = veldmuis; Field-officer = stafofficier; Field-piece (Field-gun) = stuk veldgeschut; Field-practice = velddienstoefening; Field-sports = jachtvermaak, enz.; Field-works = schansen; Fielder = een bepaald speler bij cricket.

Fiend, fînd, booze geest, duivel; adj. Fiendish; subst. Fiendishness; Fiendlike = duivelsch, demonisch.

Fierce, fîəs, woest, wreed, meedoogenloos, hevig, onstuimig; subst. Fierceness.

Fieri facias, fai(ə)raifeišas, dwangbevel tegen een schuldenaar: He has been served with a writ of fieri facias.

Fieriness, fai(ə)rinəs, vurigheid, vuur, hevigheid; Fiery, fai(ə)ri, vurig, hartstochtelijk, opvliegend: Fiery substances = licht ontbrandbare stoffen; Fiery-cross = vlammend kruis (in de Hooglanden van Schotland), om de stammen te wapen te roepen.

Fife, faif, subst. fluit, pijp; Fife verb. pijpen, op eene fluit spelen; Fifer = pijper.

Fifteen, fiftîn, (maar Fifteen boys, fiftîn bôiz), vijftien; Fifteenth = vijftiende; Fifth, fifth, subst. en adj. vijfde (deel): Fifth monarchy men = dweepzieke godsdienstsekte, die ongeveer 1659 ontstond en eene vijfde monarchie profeteerde, waarin Christus duizend jaren op aarde zou heerschen; Fifthly = ten vijfde; Fifty = vijftig: In the fifties = tusschen ’50 en ’60; Fiftieth = vijftigste.

Fig, fig, subst. vijg, vijgeboom, gala, lor, pruimtabak (Amer.): Figs! = loop heen, ’klets’; In full fig = in groot tenu, poesmooi, goed op dreef; I don’t care a fig for what you say = geef geen zier; Fig-eater (Fig-pecker) = vijgeneter; Fig-leaf = vijgeblad: This poet’s works have been subjected to the fig-leaf and knife = zijn gecastreerd en besnoeid; Fig-shell = schelp in den vorm eener vijg of peer.

Fight, fait, subst. gevecht, strijd; Fight verb. vechten, strijden, bevechten, laten vechten: A hand-to-hand fight = man tegen man; A running fight = het nazetten van en vuren op een vluchtenden vijand; Single fight = tweegevecht; To make a brave fight = zich kranig houden; To show fight = de tanden laten zien, zich te weer stellen; I will fight you = ik daag je uit; To fight shy of = uit den weg gaan, vermijden; To fight a battle = slag leveren; To fight a duel = duelleeren: To fight the tiger = dobbelen (Amer.); He fought his way through the crowd = baande zich met geweld een weg; We will fight it out together = het samen uitvechten; Fighter = vechter, vechtersbaas, boxer; Fighting-alliance = of- en defensief verbond; Fighting-cock = kemphaan; The fighting efficiency of our fleet = vechtvermogen; Fighting-top = mars (op een oorlogschip).

Figment, figm’nt, vinding, verdichtsel.

Figuline, figjul(a)in, pottebakkersaarde, vaas van kunstaardewerk.

Figurant(e), figjurânt, figurant (ook fig.).

Figurate, figjureit, gefigureerd; Figuration, figjureiš’n, voorstelling, afbeelding, type; Figurative, figjurətiv, figuurlijk, zinnebeeldig, bloemrijk.

Figure, fig(j)ə figuur, vorm, voorkomen, gedaante, gestalte, beeld, afbeelding, persoonlijkheid, voorbeeld, pracht, prijs, cijfer, de passen (bij het dansen); Figure verb. vormen, afbeelden, voorstellen, figuurlijk gebruiken, figureeren, figuren vormen, met figuren versieren, becijferen, cijferen: What a figure you are = wat zie jij er uit! What is the figure? = op hoeveel komt dat? Trustworthy figures = vertrouwbare cijfers; To be bad at figures = een slecht rekenaar zijn; He cuts (makes) a good (poor) figure = een goed (treurig) figuur; To go the whole figure = al het mogelijke doen; He lives in figure = hij voert een grooten staat; To sell at a great figure = voor hoogen prijs; I will not sell it under three figures = onder £100 (= 3 cijfers); He figured down several couples with his amiable partner = hij danste (in den country-dance) tusschen de rij der dansers door; We have figured it out = het uitgerekend; It is easy to figure these sums up = op te tellen; Figure-head = vóórsteven- of galjoenbeeld; Figure-maker = modelleur; Figure-weaver = damastwever; Figured = gebloemd, met figuren; Figurette, figjuret = Figurine, figjurîn, beeldje.

Fiji, fîdži: Fiji Islands; Fijian, fîdžiən, (bewoner, taal) van F.

Filament, filəment, vezel, draad, meeldraad; Filamentous = vezelig, draderig.

Filander, filəndə, filandə, soort van kangoeroe; soort ingewandsworm; Filanders = ziekte bij valken.

Filbert, filbət, hazelaar, hazelnoot; Filbert-nails = bolle, spits toeloopende, sierlijke nagels.

Filch, filš, stelen, kapen; Filcher = dief.

File, fail, subst. snoer, draad, rist papieren (met datum, korte inhoud, etc. op de rugzijde), lijst, catalogus, rot (mil.); vijl, geslepen vent; File verb. aanrijgen aan een file, deponeeren in ’t archief, indienen van stukken, in rotten marcheeren, vijlen, afvijlen, glad maken; The rank and file = het kader en de manschappen; On file = stelselmatig gerangschikt; Indian (Single) file = eendenmarsch; The soldiers filed off = marcheerden af in eene rij achter elkaar; File, please = wil de zaak als afgedaan beschouwen; File-cutter = vijlmaker; File-leader = voorste soldaat van een File; Filings = vijlsel.

Filial, filj’l, kinderlijk: Filiation = affiliatie.

Filibeg, filibeg = Kilt.

Filibuster, filibɐstə, subst. vrijbuiter, roover; obstructionist (Amer. = Filibusterer); Filibuster verb. op roof of buit uitgaan: A filibustering expedition = rooftocht.

Filices, filisîz, orde der varens; Filical = tot de varens behoorende; Filiciform = varenvormig; Filicoid = fern-like.

Filiform, filiföm, draadvormig, dun.

Filigree, filigrî, subst. filigraan; ook adj. Filigreed = met filigraan versierd.

Fill, fil, subst. bekomst, hoeveelheid tot vulling; Fill verb. vullen, volstoppen, verzadigen, bevredigen, bezetten, bekleeden, volbrassen; vol worden: I have eaten and drunk my fill = volop gegeten en gedronken; She has fretted her fill = is uitgemokt; To gaze one’s fill at = zich zat zien aan; Two fills of tobacco = pijpjes tabak; To fill the bill = aan alle eischen voldoen; To fill an order = een bestelling uitvoeren; To fill parts = rollen bezetten; To fill sails = zeilen doen zwellen; To fill teeth (Amer. voor to stop); To fill in = dichtstoppen, dempen, aanvullen: The article was filled in = het artikel werd geplaatst; His face filled out = werd dikker; Shall I fill you out a glass = vullen? To fill up = geheel innemen, vol maken of worden; dempen: To fill up a vacancy (a canal); The loan was filled up = werd volteekend; The ship filled up with water there = nam daar voldoenden watervoorraad in; Filler = vuller, trechter, vulsel, stopwoord; Filling-in pieces = vulstukken.

Fillet, filət, subst. band (om het hoofd of om het haar), filet; lendestuk, vleesch zonder been (als schijf of rollade opgediend), lijst; Fillet verb. met een hoofdband omringen of binden, versieren, tot een schijf of rollade maken, met lijsten versieren.

Fillibeg, zie Filibeg; Fillibuster, zie Filibuster.

Fillip, filip, subst. knip (voor den neus); aansporing; Fillip verb. knippen (met de vingers): To give a fillip = aanzetten.

Filipeen, filipîn, filipîn, filippine.

Filly, fili, merrieveulen, wildebras.

Film, film, subst. vlies, film (phot.); Film verb. met een vlies bedekken: The pools were filmed with frost = er lag een vliesje ijs op; subst. Filminess; adj. Filmy = vliezig, zeer dun, fijn; Filmy-fern = schildvaren.

Filter, filtə, subst. filter, filtreer, zeef; Filter verb. filtreeren, ziften; Filtering-bag = doorzijgzak; Filtering-machine = filtreermachine; Filtering-paper = filtreerpapier; Filtering-stone = poreuze steen.

Filth, filth, vuiligheid, vuilnis, ook fig. = Filthiness; adj. Filthy.

Filtrate, filtreit, subst. filtraat; Filtrate verb. filtreeren; subst. Filtration.

Fin, fin, vin: Pectoral and ventral fin = borst- en buikvin; Fin-footed, Fin-toed = met zwemvliezen aan de pooten.

Finable, fainəb’l, beboet- of bekeurbaar.

Final, fain’l, laatste, eind..., slot..., beslissend, finaal; subst. beslissingswedstrijd: Final-cause = einddoel: He does not believe in final-causes = hij ontkent de teleologie; Final decision = eindbeslissing; Final proof = afdoend bewijs; Final success = succes ten slotte; Finality, fainaliti, eindtoestand, volkomenheid; Finally = ten slotte.

Finance, f(a)inans, fainəns, subst. financiewezen: Finances = geldmiddelen, fondsen; Finance verb. de financiën besturen, geldelijk ondernemen of steunen: He finances the paper = hij neemt de geldelijke uitgaven op zich; Many people financed the movement = steunden de beweging geldelijk; He financed his nephew = voorzag van geld; Financial, finanš’l, geldelijk; Financialist = Financier, fa(i)nansîə, finansîə.

Finch, finš, vink: A finch-backed cow = (op den rug) gestreepte of wit gevlekte koe.

Find, faind, subst. ontdekking, vondst; Find verb. vinden, ontdekken, bevinden, verklaren, uitspraak doen, enz.: Will you find me a pen = voor mij zoeken? She was to find linen = zou zorgen voor; We took furnished apartments, only finding plate and linen = moesten alléén voor eigen zilver en tafellinnen zorgen; I could not find it in my heart to do it = ik kon het niet over mijn hart verkrijgen; The jury found for the defendant = de gezworenen spraken den aangeklaagde vrij; A bill was found for the case = er werd in de zaak (door de Grand Jury) rechtsingang verleend; She could not find herself in dresses out of that money = zij had niet genoeg kleedgeld; I will find you in pocket-money = ik zal je zakgeld geven; This small sum has to find me in everything = van dit sommetje moet ik alles bekostigen; He is well found in everything = hij zit goed in z’n spulletjes; B. is well found in hotels = goed voorzien van; Our privateers were not so well found as the enemy’s = waren niet zoo goed van alles voorzien; I will try to find it out = ontdekken; Then the young scholar found himself = toen vond de jonge geleerde een hem passenden werkkring; Find-fault = bedilal; Find-spot = vindplaats; Finder = vinder, zoeker (kijker), visiteur, speurhond; Finding = resultaat, uitspraak; Findings = (vooral schoenmakers) benoodigdheden, enz., waarvoor de werkman zelf moet zorgen (Am.); Finding-store = winkel voor schoenmakersbenoodigdheden (Amer.).

Fine, fain, subst. einde; geldboete; Fine verb. beboeten: In fine = kortom, ten slotte.

Fine, fain, fijn, teer, dun; schoon, elegant, uitstekend, sluw, scherp, spits, zuiver; helder, klaar; Fine verb. klaren (down), zuiveren, frisschen, affineeren: A fine whist-player = goed; The fine flower of the aristocracy; I have run it very fine = ik heb het er precies afgebracht, het was “er aan toe”; Fine arts = fraaie kunsten; Fine-draw = een scheur haast onzichtbaar stoppen; dun uitrekken; Fine-drawn = erg gezocht (fig.); Fine-spoken = fraaie woorden gebruikend; met gladde tong; Fine-spun = fijn (uit)gesponnen; Fine-still = distilleeren uit bijprodukten der suikerraffinaderij; Fine-stuff = pleisterkalk; Fineness = fijnheid, zuiverheid, etc.; Finer = frisscher; Finery = mooie kleeren, opschik, opzichtigheid; affinerie; Fining-pot = affineerkroes.

Finesse, fines, subst. sluwheid, handigheid, list; Finesse verb. list gebruiken.

Finger, fiŋgə, subst. vinger, vingerbreedte, (-lengte), vingervaardigheid; Finger verb. betasten, bevoelen, ontfutselen, met de vingers bespelen: He has his finger in it = hij is erbij betrokken; He has his finger in every man’s pie = heeft overal de hand in; I have it at my finger-ends (fingers’ ends) = ik ken het op mijn duimpje; He shook his finger at me = dreigde mij met opgeheven vinger; I won’t stir a finger = ik steek geen hand uit; He was Fingering his watch-chain = beuzelde met; Finger-alphabet, Finger-and-sign-language = vingerspraak; Finger-board = nek van een snaarinstrument, manuaal (van piano of orgel); Finger-bowl (Finger-glass) = vingerglas (om na het diner de vingers in af te spoelen); Finger-plate = deurplaat; Finger-post = handwijzer; Finger-prints = vingerindrukken; Finger-reading = lezen door blinden; Finger-stall = vingerling; Fingered = gevingerd: The fingered gentry = de Heeren dieven; Fingering = aanraken met de vingers, fijn werk voor de vingers, vingerzetting.

Fingerling, fiŋgəliŋ, jonge forel.

Finial, finiəl, kruisbloem, Gothische puntversiering, krullen (bij ’t schrijven).

Finical, finik’l, Finicking (Finikin), finikiŋ(n), gemaakt, overdreven, kieskeurig.

Finis, fainis, einde, slot.

Finish, finiš, eindigen, voltooien, besluiten, de laatste hand leggen aan, afwerken, apprêteeren, opgebruiken, opeten, uitdrinken, zijn bekomst geven, dooden, ophouden; subst. afwerking, voltooiing, einde (van den wedstrijd), laatste hand aan iets; pleisterkalk; It was a fight to the finish = tot de beslissing viel = They fought to a finish; That finished him = toen had hij genoeg, was hij dood; Finishing-coat = derde of laatste laag (verf of pleister); Finishing-school = meisjeskostschool waar de laatste hand aan de opleiding wordt gelegd.

Finite, fainait, subst. persoonsvorm (tegenover den Infinitive) van een werkwoord; adj. eindig; subst. Finiteness.

Finland, finland; Finlander = Finn = Fin; Finnic = Finnish = Finsch, Finlandsch.

Finnikin, finikin, soort van gekuifde duif.

Finny, fini, gevind.

Fionia, fiounjə, Funen.

Fions, faiənz, half-mythische krijgslieden in Ossian’s gedichten.

Fiord, fjöd, fjord.

Fir, fɐ̂, den, denneboom, zilverspar; Fir-apple, Fir-cone = pijnappel; Fir-poles = juffers; Fir-tree.

Fire, faiə, subst. vuur, brand, hitte, licht, gloed, hartstocht, het schieten, hel; Fire verb. in brand steken, afvuren, afschieten, aanvuren, stoken, bakken (van porselein), ontbranden, ontvlammen, een carillon luiden: The house is on fire = in brand; We were under fire = aan ’t vuur (des vijands) blootgesteld; To catch fire = vuur vatten; The piece hangs fire = heeft geen succes; He went off to sleep, but I hung fire = maar ik kon den slaap niet vatten; The affair hung fire = hokte; My gun missed fire = ketste; They opened a raking fire = begonnen moorddadig te vuren; To set on fire (= To set fire to) = in brand steken; He will never set the Thames on fire = hij heeft het buskruit niet uitgevonden; To silence the enemy’s fire = de batterijen van den vijand tot zwijgen brengen; To take fire = vuur vatten, in brand raken; I took fire = vatte vuur, stoof op; Fire! = vuurt; To fire a gun, a mine, a shot; This fired my blood = maakte mijn bloed aan ’t koken; Fire away! vooruit maar, begin maar!; A gun-boat was fired upon = er werd gevuurd op eene kanoneerboot; He is fired up = woedend; St.-Anthony’s fire roos; Greek fire = Grieksch vuur; Kentish fire = een rhythmisch applaus; Running fire = snelvuur; Fire-alarm = brandschel; Fire-annihilator, ənaihileitə, extincteur; Fire-arm = vuurwapen; Fire-ball = brandbom; vuurbol (meteoor); Fire-balloon = luchtballon (met heete lucht), ballon met vuurwerk, dat boven in de lucht ontvlamt; Fire-basket = soort komfoor; Fire-bavin = rijsbundel op branders (schepen); Fire-blast = brand, ziekte in hop; Fire-board = schoorsteenscherm; Fire-box = vuurkast (van een locomotief); Fire-brand = brandend stuk hout; stokebrand; Fire-brick = vuurvaste steen; Fire-brigade = brandweer; Fire-brush = haardveger; Fire-bucket = brandemmer; Firebug = brandstichter (Amer.); Fire-clay = vuurvaste klei; Fire-cock = brandkraan; Fire-company = assurantiemaatschappij; Fire-cracker = voetzoeker; Fire-dog = haardijzer; Fire-drill = vuurring gebruikt door de Austral. inboorlingen bij ’t maken van vuur door wrijving van twee stukken hout; oefeningen van een brandweercorps; Fire-eater = vuurvreter; ijzervreter; Fire-engine = brandspuit; Fire-escape = reddingstoestel (bij brand); Fire-extinguisher = extincteur; Fire-fly = glimworm; Fire-hook = brandhaak; Fire-hose = brandspuitslang; Fire-insurance = brandassurantie; Fire-irons = schop, tang en pook; Fire-kiln = vuurvaste oven; Fire-lighter = vuurmaker; Fire-lock = geweerslot; snaphaan; Fireman = brandweerman; stoker (Am.); Firemaster = brandmeester (Amer.); Fire-new = fonkelnieuw; Fire-office = brandassurantiekantoor; Fire-place = haard; Fire-plug = brandkraan; Fire-policy = brandpolis; Fire-proof = tegen het vuur bestand; Fire-raising = brandstichting (Schot.); Fire-screen = vuurscherm; Fire-ship = brander; Fire-shovel = kolenschop; groote mond; Fireside = haard; Fire-station = brandweerkazerne; Fire-stick = wrijfstokje om vuur te maken; Fire-tube = kleine vlampijp (stoomketel); Fire-ward(en) = brandmeester; Fire-water = naam bij de Roodhuiden voor spiritualiën; Fire-wood = brandhout, brandstof; Firework = vuurwerk: To hold a grand display of fireworks = een groot vuurwerk afsteken; Fireworks will be let off = er zal vuurwerk afgestoken worden; Fire-worship = vuuraanbidding: Firing, fairiŋ, het vuren, brandstof, uitbranden (van eene wond): Fire-iron = brandijzer.

Firkin, fɐ̂kin, (boter)vaatje v. 25,4 K.G.

Firm, fɐ̂m, vast, hard, hecht, standvastig, vastberaden, trouw; subst. firma; subst. Firmness.

Firmament, fɐ̂məment, firmament; Firmamental, fɐməment’l, hemelsch, tot het uitspansel behoorende.

Firman, fɐ̂m’n, fɐ̂mân, ferman, verlofbrief, pas, schriftelijk bevel (van Oostersche vorsten).

First, fɐ̂st, eerste, voornaamste: This was the first I had heard of it = de eerste maal dat; To be first with a person = iemand vóór zijn; First come first served = die ’t eerst komt, die ’t eerst maalt; First and foremost = in de allereerste plaats; First and last = gemiddeld, alles bijeengenomen; First or last = vroeg of laat, te eeniger tijd; At (the) first = in den beginne, oorspronkelijk; He had resolved it from the first = van den aanvang af; First-begot(ten), First-born = eerstgeboren(e); First-call = ochtendbeurs; First-chop = eerste kwaliteit; First-class = eerste klasse, uitstekend: He got a first-class = den hoogsten graad (bij examens); Firstcomer = de eerste (de beste); First-cost = inkoopsprijs; First-day = naam voor den Zondag bij de Quakers; First-floor = tweede verdieping (Engeland), eerste verdieping (Am.); First-foot = eerste bezoeker in ’t Nieuwe jaar (Schot.); First-fruits = eerstelingen, eerste vruchten, annaten of jaarrechtgelden (= opbrengsten van een geestelijk ambt gedurende het eerste jaar; vroeger aan den Paus, thans aan de fondsen van het Queen Anne’s Bounty overgedragen); First-hand = stuurman op een visschersvaartuig; eerste hand: To buy (at) first; First-mate = eerste stuurman; First-mover = oorspronkelijke beweegkracht; First-nighter = première, iemand die zulke opvoeringen geregeld bijwoont; First-proof = eerste proef (drukw. en alcohol); First-rate = A. 1. = (schip) van de eerste klasse, eerste rang: He is a first-rate second-rate actor = hij is een uitstekend acteur van den tweeden rang; First-water = (van het) eerste water; Firstling, fɐ̂stliŋ, eerstgeborene.

Firth, fɐ̂th, Zie Frith.

Fiscal, fisk’l, adj. fiskaal; subst. fiskaal; ambtenaar van het O.M. (Schot.).

Fish, fiš, subst. visch, fiche, lasch; Fish verb. visschen, afvisschen, opvisschen, uitvisschen: He’s like a fish out of water = niet in zijn element; I have other fish to fry = ik heb wel wat anders (en beters) te doen; All is fish that comes to net = wij kunnen van alles gebruiken; That is a pretty kettle of fish = dat’s een mooie boel! (ironisch); A loose fish = pierewaaier; A strange fish = rare snaak; Fish-bladder = vischblaas; Fish-bone = graat; Fish-carver = vischmes; Fish-culture = vischteelt; Fish-curer = vischzouter, etc.; Fish-fag = vischwijf; Fish-flake = zwemblaas; Fish-fly = kunstvlieg (voor het visschen); Fish-garth = hekken aan den kant van een rivier om het vangen van visch te vergemakkelijken; Fish-gig = elger; Fish-glue = vischlijm; Fish-hawk = vischarend; Fish-hook = vischhaak; Fish-market = vischmarkt; Fish-maw = zwemblaas; Fishmonger = vischkooper; Fish-oil = traan; Fishpond = vischvijver; Fish-slice = Fish-sound = zwemblaas van een visch; Fish-spear = harpoen; Fish-strainer = vischschotel; Fish-tackle = vischgerei; Fish-tail-burner = vleermuis (gasbrander); Fish-torpedo; Fish-trowel = Fish-weir = Fishgarth; Fishwife (Fishwoman) = vischvrouw; He fished for a compliment = hij vischte naar; He has fished it out = het uitgevischt; Fisher = visscher, ijsvogel, Canadeesche marter; Fisher-boat = visschersboot; Fisherman = visscher, visschersschuit; Fishery = visscherij: The fisheries = de visscherijtentoonstelling; Fishiness = vischachtigheid, verdachtheid; Fishing-boat = visschersschuit; Fishing-line = vischsnoer; Fishing-net = vischnet; Fishing-rod = hengel-roede; Fishing-smack = visscherspink; Fishing-tackle = vischtuig; Fishlike = vischachtig; Fishy = vischachtig, vischrijk, dof, ongeloofelijk, verdacht: This looks fishy = ziet er verdacht uit.

Fisk, fisk, druk zijn.

Fissile, fis(a)il, splijtbaar; Fission, fiš’n, splijting; Fissiped, fisiped, zoogdier met gespleten teenen (b.v. kat of beer); Fissure, fišə, subst. kloof, spleet, splijting, fistel; Fissure verb. splijten: Fissure needle = hechtnaald.

Fist, fist, vuist; Fist verb. met de vuist slaan, aanpakken: Close fisted = vrekkig; A fistic fight = vuistgevecht; Fisticuffs: To be at fisticuffs = Engaged in fisticuffs = aan het bakkeleien.

Fistula, fistjulə, fistel: Fistula lachrymalis = ontsteking van de traanklier; Fistular = hol (als riet); Fistulous = buisvormig; fistelachtig.

Fit, fit, aanval, stuip, gril: By fits and starts = bij buien, met tusschenpoozen; Beaten all to fits = lam geslagen; To frighten into fits = vreeselijk doen schrikken; She went into fits = kreeg het op de zenuwen, viel in onmacht; Fitful = grillig; subst. Fitfulness.

Fit, fit, geschikt, passend, bereid, bevoegd, in goede ‘conditie’; ook subst.; Fit verb. passend (geschikt, bekwaam) maken, uitrusten, monteeren, passen, zitten, gepast of passend zijn: More than is fit = ongepast veel; I am as fit as a fiddle = volkomen goed, gezond; To be fit for = geschikt; Fit for service = geschikt voor den dienst; To think fit = het geschikt achten; To be a bad fit = slecht zitten of passen; To be an exact fit = als gegoten zitten; To be a tight fit = er net in kunnen; It doesn’t fit in with my plans = strookt niet met; A fleet was fitted out = werd uitgerust; The house was fitted up = gemeubileerd, bewoonbaar gemaakt; That fits him like a glove, to a T. = het is hem als aan het lichaam gegoten, dat past precies op hem; It fits it like a plug = het past precies; Fitness = geschiktheid, enz.; Fit-out = uitrusting; Fitter = monteur, kolenkoopman, leverancier; Fitting = gepast; passen, monteering: Fitings = noodzakelijke artikelen voor huis, winkel of schip, monteerbenoodigdheden; Fitting-out = uitrusting; Fitting-up = inrichting.

Fitch, fitš = Fitchet = bunzingvel; Fitchew, fitšû, bunsing.

Fitz, fits, zoon (slechts in samenstell.); onwettige zoon van een koning of een prins van den bloede.

Five, faiv, vijf; Fivefold = vijfvoudig; Fiver = een bankbiljet van vijf pond (of dollar); alles wat voor vijf telt; Fives, faivz, een soort v. balspel, de vuist (alle vijf): Bunch of fives = de vuist; Fives-ball = bal gebruikt bij het balspel, ‘Fives’ genoemd; Fives-court = plaats, baan voor dit spel.

Fix, fiks, subst. moeielijkheid, klem; Fix verb. bevestigen, vastzetten, vastmaken, vaststellen, fixeeren, monteeren, richten, vestigen; bezorgen, in orde maken (Am.); zich vestigen, vast worden, besluiten tot, kiezen: To fix bayonets = opzetten; To fix a mast, a pole = overeind zetten; They fixed themselves there = vestigden zich daar; To fix in = in passen; We have fixed on Sunday for the meeting = wij hebben bepaald; I must try to fix it up with you = in orde te maken, bij te leggen; Fixable = bevestigbaar, enz.; Fixation = bevestiging, fixeering, enz.; Fixative = fixeermiddel; Fixed = vast, strak, niet vluchtig: Fixed bodies = vaste lichamen; Fixed oils = niet vluchtige oliën; Fixed point = vaste post (van een soldaat of politie-agent); Fixed stars = vaste sterren; subst. Fixedness; Fixings = uitrusting, versieringen, inrichtingen, tooi, kleeren; Fixity = vastheid, stabiliteit: Fixity of purpose = vastheid van doel; Fixture = vaste datum (sport), al wat spijkervast is: He is a fixture = is stoelvast, een familiestuk (fig.); The autumn fixtures = de voor den herfst vastgestelde wedrennen.

Fiz-gig, fizgig, vuurregen; elger; coquet meisje.

Fizz, fiz, subst. gesis, gezoem, gebruis; champagne; soda-water (Amer.); Fizz verb. sissen, bruisen; Fizzle, subst. gesis, gebruis, gezoem; mislukking (wat met een sisser afloopt), zakken, steken blijven; Fizz verb. sissen, zoemen, bruisen: To fizzle out = uitgaan, volkomen mislukken.

Flabbergast, flabəgast, verbazen, verbluffen.

Flabbiness, flabinəs, slapheid, weekheid, zwakheid; adj. Flabby: A flabby face.

Flabbellate, fləbelit, Flabbelliform, fləbeliföm, waaiervormig.

Flaccid, flaksid, slap, zacht; subst. Flaccidity = Flaccidness.

Flag, flag, subst. vlag, vloertegel, gele lisch; Flag verb. seinen met vlaggen; verslappen, slap neerhangen, met vloertegels bevloeren: Flag of distress = noodvlag; Flag of truce = parlementaire vlag; Black flag = vlag, dat geen kwartier zal worden gegeven; Red flag = oproervlag; To dip the flag = met de vlag salueeren; The flags were hung half mast high = de vlaggen waren halfstok geheschen; All the flags were struck, lowered, gathered = gestreken, naar beneden gehaald, opgedoekt; The flags were innocent of carpet = er lag geen kleed op den steenen vloer; Flag-lieutenant = adjudant van den Flag-officer = vlagofficier; Flagman = baanwachter; Flagship = admiraalsschip; Flag-staff = vlaggestok; Flagstone = vloersteen, soort van zandsteen; Flaggy = vol gele lischbloemen.

Flag, flag, slap neerhangen, slap worden, verslappen; Flagginess = slapheid; Flagging = verslappend; verslapping.

Flagellant, fladžəl’nt, flagellant; Flagellate, fladžəleit, geeselen; subst. Flagellation.

Flageolet, fladžəlet, flageolet.

Flagitious, flədžišəs, schandelijk, snood; subst. Flagitiousness.

Flagon, flag’n, flesch, flacon, schenkkan.

Flagrancy, fleigr’nsi, gloed, openlijk plegen, gruwel, schandelijkheid; Flagrant, fleigr’nt, aan den gang, openlijk, afschuwelijk: A war was flagrant = woedde.

Flail, fleil, dorschvlegel; Flail verb. dorschen.

Flake, fleik, subst. schilfertje, vlok, schol of schots, gestreepte tuinanjelier, droogrek voor visschen (Amer.); Flake verb. tot vlokken vormen, met vlokken bedekken, afschilferen: Flake of ice = ijsschots; Flake-white = soort v. wit blanketsel; Flakiness = vlokkige of schilferachtige toestand; adj. Flaky.

Flam, flam, subst. valsche voorspiegeling, opsnijderij, leugen; Flam verb. wijsmaken.

Flambeau, flambou, flambouw.

Flamborough, flambərə.

Flamboyant, flambôiənt, vlammend, gevlamd (bouwkunde); opzichtig.

Flame, fleim, subst. vlam, hitte, vuur, opgewondenheid, drift; liefje; Flame verb. vlammen, ontvlammen, in woede opvliegen, doen ontvlammen: He is all in a flame for the measure = vuur en vlam voor; To set on flame = in vlammen zetten; Flame-colour = helgele kleur; Flame eyed = met vurige oogen; Flame-shaped = gegolfd.

Flamen, fleim’n, oud Romeinsch priester.

Flaming, fleimiŋ, vlammend, heftig, overdreven.

Flamingo, fləmiŋgou, flamingo.

Flamy, fleimi, vlamachtig, vlamkleurig.

Flancon(n)ade, flaŋkəneid, zijstoot, zijhouw (bij het schermen).

Flanders, flândəz, Vlaanderen: Flanders brick = poetssteen.

Flane, flein, flaneeren: They lazed and flaned about the boulevards = slenterden en flaneerden.

Flange, flanž, flens, opstaande rand; Flange verb. van flens of rand voorzien: Flange-rail = spoorstaaf met opstaanden rand.

Flank, flaŋk, subst. zijde, flank, ribstuk; Flank verb. flankeeren, zich aan de zijde bevinden, grenzen aan, in de flank aanvallen, de flank dekken of bestrijken of omtrekken; Flank-company = de uiterste rechter- of linker-compagnie van een bataljon; Flank-files = de eerste twee mannen aan de rechteren de laatste twee aan de linkerzijde van de compagnie; Flanker = subst. flankeur.

Flannel, flan’l, flanel; Flannelette = katoenflanel.

Flap, flap, subst. klep, flap, slappe rand, lapèl, lel, pand, beweging met (geluid van) iets plats en breeds, klap, tafelblad; Flap verb. flappen, kleppen, slaan, neerslaan: The sails flapped in thunder = flapten met donderend geraas; Flapdoodle = geklets, klare onzin; Flap-dragon = spelletje, om iets uit brandende cognac b.v. te halen; Flap-eared = met slappe ooren; Flap-hat = slappe hoed; Flap-mouthed = met hanglippen; Flap-table = klaptafel; Flap-window = opslaand dakraam; Flapper = breede dikke vin (v. een rob bijv.), lange schoen der Christy Minstrels, jonge wilde eend, bakvischje (fig.).

Flare, flêə, subst. flikkering, helle vlam, bluf; Flare verb. flikkeren, vlammen, schitteren, opzichtig zijn, overhangen: A flare-up = opflikkering, gloeiende fuif, plotselinge woordentwist; He flared up = hij werd woedend, stoof op; Flaring = schitterend, opzichtig.

Flash, flaš, subst. vlam, flikkering, straal, schicht, uitbarsting, mislukte poging, soort sluis, zwarte strik (aan de uniform der Royal Welsh Fusiliers), woest stroomende watermassa, dieventaal; adj. dieven - -, opzichtig, onecht; Flash verb. flikkeren, schitteren, plotseling ontvlammen, schieten, vliegen: For a flash = voor een oogenblikje; A flash in the pan = ketsschot, mislukte poging; Flash of lightning = bliksemflits; Flash of wit = geestige inval; Flash language = dieventaal; The thought flashed across my mind = schoot mij te binnen; The news was flashed to America = geseind naar; Flash-house = helershuis; Flashman = schurk; To raise the flash-point of petroleum = de ontvlammingstemperatuur verhoogen; Flashiness = opzichtigheid, smakeloosheid; Flashing: Flash-light = flikkervuur (vuurtoren); Flashy = opzichtig.

Flask, flâsk, flesch, flacon, metalen of lederen kruitflesch.

Flasket, flaskət, spijsmand, kruitflesch.

Flat, flat, plat, vlak, moedeloos, verslagen, smakeloos, flauw, lusteloos, uitdrukkelijk, vierkant, ronduit, een halve toon verlaagd; subst. vlakte, vlak land, ondiepte, zandbank, platte kant, platboomd vaartuig; breedgerande strooien hoed (Amer.), palm van de hand, plat (dak), vertrekken op dezelfde verdieping, bovenhuis, mol (muziek), half achterscherm (tooneel), sul of hals; adv. plat, rechtuit, vlak, volkomen; Flat verb. vlak maken; mislukken (out) (Amer.): A flat affair = een vervelend iets; Flat candlestick = blaker; Flat calm = volkomen windstilte; D-flat = D-mol; I could not give him a flat denial = kon hem niet zoo botweg weigeren; The flat infinitive = de inf. zonder to; That is a flat lie = een infame leugen; His defence fell flat on the assembly = maakte niet den minsten indruk; To lie flat on the ground = plat, languit; I won’t go there, and that’s flat = ik ga er niet heen, en daarmee uit, dat spreekt vanzelf; Flat and plain = ronduit; Flat-bottomed = platboomd; Flat-cap = formaat v. papier, 35 × 43 c.M. platte muts; burgerman; Flat-fish = platvisch; domoor; Flat-footed = met platvoeten; vastberaden (Amer.); Flathead = groentje (Amer.); Flat-iron = vlak-, strijkijzer; Flat-race = wedloop zonder hindernissen; Flat-roofed = met een plat dak; Flatten = plat, smakeloos, neerslachtig maken (of worden), den toon verlagen: To flatten the sail = scherp aanbrassen (halen); Flatter = pletter (hamer); Flatting-mill = pletmolen; Flattish = ietwat plat; Flatwise = met de platte zijde naar beneden.

Flatter, flatə, vleien, overhalen, afvleien (out of), te gunstig voorstellen; Flatterer = vleier; Flattery = vleierij.

Flatulence, Flattercy, flatjulens(i), winderigheid, opgeblazenheid; Flatulent; Flatus, fleitəs = Flatulence.

Flaunt, flônt, flânt, opzichtig gekleed zijn, zich aanstellen, pronken met; wapperen, uitwaaien; ook subst.; Flaunty = pronkerig, opgedrild.

Flautist, flôtist, fluitist.

Flavour, fleivə, subst. geur, smaak; Flavour verb. smakelijk of geurig maken; Flavouring = geurtje, kruiderij; Flavourless = zonder geur of smaak.

Flaw, flô, scheur, spleet, gebrek, breuk, windvlaag; Flaw verb. barsten, scheuren; Flawless = zonder gebreken, onberispelijk.

Flax, flaks, subst. vlas; Flax-comb = vlashekel; Flax-dressing = vlasbereiding; Flax-raiser = vlasverbouwer; Flax-seed = lijnzaad; Flaxen = van vlas, vlaskleurig, goudgeel: Flaxen-headed, Flaxen-haired; Flaxy = vlasachtig, vlaskleurig.

Flay, flei, villen, martelen; Flay-flint = vrek.

Flea, flî, vloo: He came away from the races with a flea in his ear = hij kwam bekaaid van de wedrennen thuis; He put a flea in my ear = maakte me ongerust; I sent him off with a flea in his ear = ik wees hem kort en scherp af, scheepte hem af; He skins a flea for its hide = ziet op een cent; He sticks to it like a flea to a fleece = als eene vloo aan een wollen deken; Flea-bane = vlooienkruid; Flea-bite = vlooienpik, onbeduidende verwonding; bagatel; Flea-bitten = door vlooien gebeten, gespikkeld, met roode vlekken op lichten grond.

Fleam, flîm, vlijm, laatmes, lancet: Case of fleams = etui met laatmessen.

Fleance, flîəns. Fleck, flek, subst. vlek, streep; Fleck verb. bespikkelen, met streepen bedekken.

Flection, flekš’n. Zie Flexion.

Fled, fled, imperf. van to flee.

Fledge, fledž, vederen krijgen; Fledged = bevederd, kunnende vliegen; Fledg(e)ling, fledžliŋ, jonge vogel, die pas kan vliegen, melkmuil.

Flee, flî, vlieden, vluchten, vermijden.

Fleece, flîs, subst. vlies, vacht; Fleece verb. scheren (van schapen), met een vlies of vacht bedekken, plukken, het vel over den neus halen, villen; Fleece-wool = wol van het levende schaap; Fleecy = wollig: Fleece clouds = schapewolkjes.

Fleer, flîə, subst. spot, bespotting; Fleer verb. spotten, grinniken.

Fleet, flît, subst. vloot, inham, baai: The Fleet = oude gevangenis voor gijzelaars (Londen); adj. snel, vlug; Fleet verb. heenvliegen, voorbijsnellen, afroomen; Fleet-dike = kade, dijk; Fleet-footed = snelvoetig; Fleeting = snel voorbijgaand, vergankelijk; Fleetness = snelheid, vergankelijkheid.

Fleming, flemiŋ, Vlaming; Flemish, flemiš, subst. en adj. Vlaamsch(e taal), de Vlamingen: Flemish bricks = klinkersteenen.

Flesh, fleš, subst. vleesch, lichaam, de zondige mensch, dierlijke lusten, aardsch bestaan, geslacht, bloedverwanten; Flesh verb. met vleesch voeden, vleesch laten proeven, bevredigen, verzadigen, inwijden, gewennen, harden: I saw him in the animated flesh = in levenden lijve; An arm of flesh = menschelijke kracht of hulp; Flesh and blood = de menschelijke natuur; They are one flesh = zij zijn één; You are gathering flesh = gij wordt dik; That story made my flesh creep (crawl) = ik kreeg kippenvel van dat verhaal; Flesh-clogged = log van dikte; Flesh-colour(ed) = vleeschkleur(ig); Flesh-diet = vleeschkost; Flesh-fly = vleeschvlieg; Flesh-meat = vleeschspijzen; Flesh-tint = vleeschkleur; Flesh-worm = made, trichine; Flesher = slager (Schot.); Fleshiness = vleezigheid; Fleshings = vleeschkleurig tricot; Fleshly = vleeschelijk, lichamelijk, zinnelijk, wereldsch: Fleshly minded = materialistisch; Fleshy = vleezig, dik, zwaar, grof.

Flew, flû, imperf. van to fly.

Flex, fleks, (doen) buigen; Flexibility = buigzaamheid; Flexible = buigzaam, handelbaar, gedwee; Flexile = buigzaam; Flexion = (ver)buiging, bocht; Flexor = buigspier; Flexuose, fleksjuous, Flexuous, fleksjuəs, kronkelend, zigzag, flikkerend; Flexure, flekšə, buiging, bocht.

Flibbertigibbet, flibətidžibit, babbelaar(ster), booze geest.

Flick, flik, subst. tik; Flick verb. tikken, wegknippen, afkloppen.

Flicker, flikə, fladderen, kleppen (v. vleugels), flikkeren (v. eene vlam); Flicker-mouse, Zie Flittermouse.

Flier, flaiə, vlieger, vluchteling, snel paard; onrust, vliegwiel, rechte trap.

Flight, flait, vlucht, zwam: Flight of stairs = reeks van treden = gedeelte van eene hooge trap, die door landings afgebroken wordt; The enemies were put to flight = op de vlucht geslagen; Flightiness = vluchtigheid, enz.; Flighty = vluchtig, snel, grillig, wispelturig, onbetrouwbaar.

Flim-flam, flimflam, kuur, gril, poets.

Flimsiness, flimzinəs, dunheid, enz. enz.; Flimsy, flimzi, adj. dun, zwak, gering, nietig, onbeduidend, onvast; subst. dun papier, mailpapier, bankbiljet: A flimsy box = een los in elkaar getimmerde kist.

Flinch, flinš, terugdeinzen, aarzelen.

Flinder, flində, flentertje, stukje, splinter: To go to flinders = in splinters gaan; Flinder-mouse. Zie Flittermouse.

Fling, fliŋ, slingeren, met kracht werpen, in ’t rond gooien, verspreiden, slaan, ijlen, snellen; subst. worp, gooi, spot, uitval, onbeteugelde pret, Schotsche dans: I want to have a fling at him = ik moet er hem eens goed van geven; To have one’s fling = fuiven, veel uitgaan, pierewaaien; Young blood will have its fling = de jeugd moet uitrazen; He had his fling out = is uitgeraasd; We shall fling in our swords if necessary = bij in de schaal werpen; The hounds were flung off the scent = van het spoor gebracht, het spoor bijster; He flung out at me = beleedigde mij; We have flung up the business = hebben aan den kant gegooid, laten varen.

Flint, flint, subst. keisteen, vuursteen, iets buitengewoon hards, hardvochtigheid; adj. van steen gemaakt: He (flays) skins a flint = hij is buitengewoon gierig; Flint-age = steenen tijdperk; Flint-glass = flintglas; Flint-flake = steenen werktuig; Flint-lock = vuursteenslot (bij geweren); Flint-gun = ouderwetsche snaphaan; Flint-knapper (Flint-worker) = vuursteenmaker; Flint-stone = vuursteen; Flinty = steenachtig, hard, hardvochtig.

Flip, flip, tik; eierpunch; Flip verb. klappen, wegknippen met de vingers; Flip-flap, subst. geklepper, geklikklak: The clown turned somersaults and flip-flaps = buitelde en deed allerlei sprongen.

Flippant, flip’nt, onbezonnen, lichtzinnig, onbescheiden, achteloos: His wit is flippantly dull = hij is een vervelende zwetser; He is flippant on serious subjects = praat er maar op los als het ernstige onderwerpen betreft; subst. Flippancy.

Flipper, flipə, groote vin, poot (hand).

Flipperty-flopperty, flipətiflopəti, zich samenvouwend (als een slangenmensch of kunstenmaker). Zie Twisty-twirly.

Flirt, flɐ̂t, subst. ruk, zwaai; coquette; hofmaker; Flirt verb. snel heen en weer bewegen, werpen, fladderen, huppelen, ongedurig zijn, coquetteeren, spelen met: She flirted her fan elegantly; He flirted the pellets of bread about = hij gooide de kogeltjes brood in ’t rond; Flirtation = coquetteeren = Flirting.

Flit, flit, fladderen, vliegen, heen en weer trekken, verhuizen; Flitter-mouse = vleermuis; Flitting = verhuizing; Flitty = vluchtig, onvast.

Flitch, flitš, zijde spek, gerookte en gezouten zijde van een varken.

Float, flout, subst. vlot, dobber, troffel; Float verb. drijven, vlot zijn, vlotten, dobberen; laten drijven, vlot maken, overstroomen, aan den gang brengen (van eene zaak), bepleisteren: Let us float a company = oprichten; The ship was floated out of dock = werd uit het droogdok gelaten; The ensign floats half-mast high = waait halfstok; Float-board = plank van een stoombootrad, schoep; Floatage = alles, wat drijvende gevonden wordt; Floated work = vlak pleisterwerk; Floating = drijvend, vlottend, loopend, onzeker: Floating-battery = drijvende batterij; Floating-bridge = schipbrug: Floating-capital = vlottend kapitaal; Floating-debt = vlottende schuld; Floating-dock = drijvend dok; Floating-light = lichtschip, lichtboei; Floating-pier = drijvend havenhoofd; Floating-rib = valsche (losse) rib; Floating-terms = koopvoorwaarden voor zeilende (stoomende) lading; Floating-wick = drijvend nachtpitje.

Floccilation, floksileiš’n, het plukken aan beddedekens door stervenden.

Floccose, flokous, flokous, vlokkig; Flocculent, flokjulent, wollig, aan elkaar hangend; Floccus, flokəs, lange bos haar (aan den staart van koeien, b.v.).

Flock, flok, subst. kudde (schapen), vlucht, troep, vlok (haar of wol); Flock verb. zich in troepen vereenigen, samenstroomen; Flocks of chickens; Birds of a feather flock together = soort zoekt soort; Flock-bed = bed gevuld met vlokken grove wol of lappen; Flock-master = opzichter over kudden schapen; Flockmel = in kudden; Flocky = vlokkig.

Floe, flou, ijsveld.

Flog, flog, slaan, afranselen, geeselen: They were flogging a dead horse = trokken aan een dood paard; Flogger = zweep.

Flood, flɐd, subst. vloed, zondvloed, overstrooming; Flood verb. overstroomen, onder water zetten: When thwarted his personality rises in flood = komt hij in volle kracht uit; He swam the flooded stream = den hooggaanden stroom; They flooded the market with diamonds; Flood-gate = sluisdeur; Flood-mark = hoogwatertij; Flood-tide will soon make = de vloed komt weldra op.

Flook, flûk. Zie Fluke.

Floor, flö, subst. vloer, verdieping, bodem, vlak, zittingszaal; Floor verb. bevloeren; neerslaan, tot zwijgen brengen, verslaan: He took the floor last = hij nam het laatst het woord; All the rooms are on a floor = gelijkvloers; That floored me = bracht mij tot zwijgen; The child was floored by the nurse = neergezet (in zedel. zin); To be floored = zakken; He can floor a paper for high-class honours = hij kan een schitterend examen ‘for honours’ doen; He has floored his problem = goed opgelost; The problem has floored him = was hem te machtig; Floor-cloth, subst. wasdoek voor vloerbedekking, linoleum; Floor-cloth verb. een vloer met linoleum bedekken; Floor-plan = platte grond (van een gebouw; Amer.); Floor-timbers = onderbalken, waarop eene vloer rust; Flooring = het bevloeren, bevloersel, vloer, plaveisel; Floorless.

Flop, flop, subst. flap, klap; Flop verb. flappen, kleppen, neerslaan, neerploffen: It came flop down = het flapte neer; Their footsteps were very audible: pit-pat, floppety-flop = klep-klep.

Flora, flôrə, naam van de godin der bloemen, plantengroei van een land; Floral = bloemen betreffende; Floreated, flôrieitid, van bloemrijke versierselen voorzien; Florescence, flores’ns, bloeitijd of het bloeien (van eene plant); Floret, flôrət, bloempje, bloemdeeltje; Floriculture, flôrikɐltšə, bloemkweeking; Floriculturist; Florid, florid, bloeiend, bloemrijk, blozend, schitterend: Florid-faced = met frisch gelaat; subst. Floridness; Floriform, flôriföm, bloemvormig; Florist, florist, bloemkweeker, bloemenkoopman, bloemenkenner; Floroon, florûn, rand van bloemen.

Florence, flor’ns; Florentine, flor’nt(a)in, subst. een bewoner van Florence, Florentijn; adj. Florentijnsch.

Florida, floridə.

Florin, florin, oud stuk van 2 Sh.

Flory boat, floribout, bootje om passagiers van een stoomschip naar wal te brengen.

Floscule, floskjul, bloempje; Floscular, Flosculose, Flosculous = met pijpvormige bloempjes.

Floss, flos, floretzijde, wollige stof: Floss-thread = vlokzijde voor borduurwerk.

Flotant, flout’nt, wapperende; Flotation = het drijven, op touw zetten; Flotative = drijfbaar; Flotilla, flətilə, flotille, kleine vloot.

Flotsam, flots’m, Flotson, flots’n, goederen bij eene schipbreuk verloren, en op zee drijvende achtergelaten: The jetsam and flotsam of literature = de niet-klassieke (tijdelijke) producten.

Flounce, flauns, subst. rukkende beweging der ledematen; strook; Flounce verb. spartelen, eene snelle beweging maken; van eene strook voorzien: She flounced out of the room = zij ging snel (en boos) de kamer uit; Flounced = met strooken.

Flounder, flaundə, bot; werktuig om leder te rekken; Flounder verb. worstelen, spartelen, rollen, sukkelen: He floundered in his speech = hakkelde, viel over zijne woorden.

Flour, flauə, subst. bloem (van meel, etc.); Flour verb. met fijn meel bestrooien, met bloem bedekt worden; Flour-dredge(r) = geperforeerd tinnen busje om bloem te strooien; Flour-mill = korenmolen; Floury = melig, met bloem v. meel bedekt.

Flourish, flɐriš, subst. praal, vertooning, krul, zwaaien (met een zwaard); overdreven versiering, fanfare; Flourish verb. gedijen, bloeien, toenemen, bloemrijke taal gebruiken, krullen maken, schallen, schetteren, borduren, zwaaien, versieren: Flourish of trumpets = trompetgeschal, praalzieke aankondiging; A flourished letter = krulletter.

Flout, flaut, subst. beleediging, spot; Flout verb. (be)spotten, beleedigen, verachtelijk behandelen.

Flow, flou, subst. vloed, stroom, overvloed, vaardigheid (van spreken), drijfzand; Flow verb. vloeien, loopen, stroomen, opkomen, uitstroomen, smelten, overstroomen, fladderen, wijd afhangen: His flow of spirits is something wonderful = zijne voortdurende opgewektheid; We stopped the flow of his words = zijn woordenvloed; It flows in upon us = het wordt voor ons hoorbaar; Flowing = vloeiend, overvloedig, fladderend, wijd.

Flower, flauə, subst. bloem, bloesem, keur, redefiguur, bloei (der jaren); Flower verb. bloeien, in den bloei der jaren zijn, met bloemen versieren; Flower-de-lis (luce) = zwaardlelie; Flower-gentle = amarant; Flower-head = bloemkroon; Flower-show = bloemententoonstelling; Flower-soft = teeder, buitengewoon zacht; Flower-stalk = bloemstengel; Flowered = met bloemen versierd, bloemen dragend; Floweret = bloempje; Flowerless; Flowery = bloemrijk, figuurlijk: The flowery land = China; Flowery-kirtled = met guirlandes van bloemen versierd.

Flown, floun, part. perf. van to fly.

Fluctuate, flɐktjueit, golven, weifelen, aarzelen, op en neer gaan; subst. Fluctuation.

Flue, flû, schoorsteenpijp, vlampijp (stoomketel); zacht dons of bont, pluisjes; Flue-work = orgelpijpen met lippen; verkorting van Influenza (ook Flu).

Fluellen, fluel’n.

Fluency, flûənsi, vloeibaarheid, vaardigheid, welbespraaktheid; Fluent = vloeibaar, welbespraakt, praatziek.

Fluff, flɐf, licht dons, zacht wollig goed; Fluff verb. uitspreiden als veeren: To fluff out a fringe = uit-, en opkammen; Fluffiness, subst. v. Fluffy = donsachtig, met dons of vederen, in de vederen gedoken, zacht.

Fluid, flûid, subst. vloeistof; adj. vloeibaar, gasvormig; Fluidness = Fluidity.

Fluke, flûk, zuigworm; bot; soort v. aardappel, ankerklauw, meevallertje, beest (op ’t biljart): I scored one by a fluke = ik kreeg een punt door een toeval of beest (in het spel); Fluky = gelukkig: A fluky stroke = een beest.

Flume, flûm, bergbeek, waterloop.

Flummery, flɐməri, meelpap; onzin.

Flummox, Flummux, flɐməks, in de war brengen; mislukken (Amer.).

Flung, flɐŋ, imperf. en part. perf. van to fling.

Flunk, flɐŋk, subst. luilak, slechte uitslag, fout; Flunk verb. missen (in eene les, b.v.), zich terugtrekken, zich er uit draaien.

Flunk(e)y, flɐŋki, lakei, mosterdjongen (scherts.), lage vleier; onervaren beursspeculant (Amer.); He has a Flunkeyfied pronunciation = als een lakei; Flunkeydom; Flunkeyism.

Fluor, flûə, Fluorite, fluərait, vloeispaath.

Flurry, flɐri, subst. drukte, verwarring, gejaagdheid, bui (Flurry of wind), lichte bries, doodstrijd (van een walvisch); Flurry verb. in de war brengen, doen ontstellen, verbijsteren.

Flush, flɐš, subst. blos, gloed, aandrift, schok, opgeschrikte vlucht vogels, overvloed, moeras; adj. frisch, krachtig, overvloedig, effen, vlak; Flush verb. blozen, opwinden, opjagen, doen blozen, kleuren, reinigen (door een waterstroom): He isn’t flush of money just now = niet goed by kas; You will hardly get flushed over that work = in extase geraken; Flushdeck = doorloopend dek; Flushness = frischheid, overvloed.

Flushing, flɐšiŋ, Vlissingen.

Fluster, flɐstə, subst. opwinding, verwarring; Fluster verb. door drank verhitten en opgezet maken, verwarren; subst. Flustration.

Flute, flût, subst. lang en dun broodje; fluitschip; groef, plooi; fluit; Flute verb. fluiten, op de fluit spelen, groeven maken, plooien; German flute = dwarsfluit; Armed in flute = slechts voor een deel bewapend (schip); Fluted = met groeven; Flutina, flûtînə, soort van harmonica; Flutist = fluitist.

Flutter, flɐtə, subst. trilling, ongeregelde polsslag, opgewondenheid, ongerustheid, ontsteltenis, wanorde; Flutter verb. fladderen, zweven, trillen, druk zijn, weifelen, beuzelen; in verlegenheid of verwarring brengen, snel heen en weer bewegen: It put me in a flutter = maakte me gejaagd; A fluttered bird = gejaagde.

Fluvial, fl(j)ûvj’l, Fluviatic, fl(j)ûviatik, Fluviatile, fl(j)ûvjətil, tot eene rivier behoorend, in de rivier levende.

Flux, flɐks, subst. vloed, stroom, omloop, samenloop, wisseling, samensmelting; Flux verb. smelten, zuiveren, purgeeren: Flux and reflux = vloed en ebbe; Fluxibility = veranderlijkheid, smeltbaarheid; Fluxible = smeltbaar; Fluxion = vloeiing, samensmelting; fluxie: Method of fluxions = integr. en different. rekening; adj. Fluxional = Fluxionary.

Fly, flai, subst. vlieg, mug, kunstvlieg, vliegwiel, onrust, schietspoel (bij het weven), breed deel van een windwijzer, vlag, rijtuig voor één paard, huurrijtuig; Fly verb. vliegen, snellen, opvliegen, heensnellen, zich snel verspreiden, springen, wapperen, verschieten, oplaten, voeren, vliegen over, ontvluchten; adj. glad, bij de hand: As drunk as a fly = zoo dronken als een tol; There is a fly in the honey = roet in de brij; I don’t care a fly = ik geef er geen zier om; When I became fly to it, I was disgusted = toen ik het snapte, er lucht van kreeg, walgde ik ervan: To let fly = aanvallen, afschieten, slingeren, er op slaan, vieren, losgooien, loslaten; He flew at me suddenly = hij vloog plotseling op mij aan; He flew in the face of everything and everybody = hij beleedigde en trotseerde ieder en alles; To fly into a passion = driftig worden; He flew out at me = hij voer tegen mij uit; To fly the garter = een soort bokspringen; Shall we fly our kite = onzen vlieger oplaten; geld trachten los te krijgen? Fly-bitten = door muggen gebeten; door vliegendrek bedorven; Fly-boat = vlieboot, snelle passagiersboot in vaarten, platboomd vaartuig; Fly-blow, subst. vliegenei; Fly-blow verb. eieren leggen in (vleesch, b.v.); Fly-blown = bedorven, stinkend, vuil, schunnig, met vliegendrek; Fly-catcher = zonnedauw, vliegenvanger; gaper; Fly-cage = soort vliegenvanger; Fly-clapper = Fly-flap; Fly-clip = blad (reep) uit een Fly-book; Fly-fishing = hengelen (met kunstvlieg en als aas); Fly-flap = vliegendooder; Fly-leaf = schutblad, strooibiljet; Flyman = koetsier van een fly; Fly-powder = insectenpoeder; Fly-speck = vliegenspatje; Fly-trap = vliegenvanger (ook de plant): Fly-wheel = vliegwiel; Flyer, flaiə (Zie Flier); Flying, subst. het vliegen; adj. vliegend: Flying-army (squadron, party) = vliegend leger (escader, afdeeling); Flying-artillery = rijdende artillerie; Flying-bridge = ponton, gierbrug; Flying colours: They entered the town with flying colours = triomfantelijk (met vliegende vaandels); Flying-dragon = vliegende draak = Flying-lizard; Flying-pinion = onrust van eene klok; Flying-post-office = postwagen (in een trein).

Foal, foul, subst. veulen; Foal verb. een veulen werpen: To be in foal = drachtig; Foal-teeth = melktanden (v. een foal).

Foam, foum, subst. schuim; Foam verb. (doen) schuimen: He foamed at the mouth = schuimbekte van woede; Foam-crested = met schuim bedekt; Foamy = schuimend.

Fob, fob, horlogezakje (in de broek); Fob verb. beetnemen: They were fobbed off with a front attic = afgescheept; To fob off on = aansmeren.

Focal, fouk’l, van een brandpunt: Focal-distance = brandpuntsafstand.

Focus, foukəs, subst. middelpunt, brandpunt; Focus verb. naar een brandpunt richten, tot brandpunt maken, samenkomen, stellen (v. een camera): He fixed and focussed the girls = fixeerde erg; He focussed the palace = richtte zijn kijker op; How shall he focus all the light of his learning in one work = in één werk samenvatten, vereenigen?

Fodder, fodə, subst. veevoeder (als hooi; onderscheiden van pasture = groen veevoeder); Fodder verb. voederen.

Foe, fou, subst. (persoonlijke) vijand, tegenstander = Foeman.

Foetid, Zie Fetid.

Fog, fog, subst. zware mist, verwarring, verlegenheid, grof gras, etgroen; adj. dik, mollig; Fog verb. in verlegenheid (in de war) brengen of zijn; het nagras afweiden: I am all in a fog = ik ben er verlegen mee, het is me niet duidelijk; I am fogged = In a fog; Fog-bank = zware mistbank; Fog-dog = heldere plek in eene Fog-bank; Fog-horn = misthoorn; Fog-ring = zwarte mistkring; Fogginess = mistigheid; Foggy = mistig; vol gras, mosachtig.

Fog(e)y, fougi, ouderwetsch, excentriek persoon.

Foh, fou, bah!

Foible, fôib’l, zwakke zijde, zwak punt.

Foil, fôil, subst. foeliesel (achter een spiegel), dun metaalblad onder juweelen, om deze beter te doen uitkomen; wat iets voordeelig doet uitkomen; loofwerk, onverwachte teleurstelling, schermdegen, spoor van gejaagd wild; Foil verb. overwinnen, teleurstellen, verijdelen: The one was a foil to the other = ze deden elkanders voortreffelijkheid uitkomen = They were set off by a foil; Foil-stone = valsche steen; Foiler = verijdelaar; Foiling = spoor van een hert op gras.

Foison, fôiz’n, overvloed, kracht, hitte, sap, vochtigheid.

Foist, fôist, onderschuiven, voor echt laten doorgaan: A foisted up affair = zwendel.

Fo’ks’le, fouks’l. Zie Forecastle.

Fold, fould, subst. schaapskooi, kudde, de Geloovigen, het vouwen, vouw; -voudig (in samenstellingen); Fold verb. opsluiten (in eene kooi), vouwen, sluiten (van handen): All the leaves in your book are folded down = hebben ezelsooren; He was received within the fold of the church = in den schoot der kerk opgenomen; Folder = vouwbeen, vouwer; A pair of folders = lorgnet; Folding = het opsluiten, de schaapskooi, het vouwen: Folding-chair = vouwstoel; Folding-doors = vleugeldeuren; Folding-net = slagnet; Folding-screen = vouwscherm; Folding-stool = klapstoel; Folding-table = klaptafel.

Foliaceous, fouljeišəs, bladervormig, bladerig; Foliage, fouljidž, subst. gebladerte, bladerwerk, loofwerk; Foliage verb. met loofwerk versieren; Foliaged = met loofwerk versierd; Foliated, fouljeitid, verfoelied, gebladerd, met loofwerk versierd; Foliation, foulieiš’n, metaalpletting, het verfoeliën, het van loofwerk voorzien; Folio, fouljou, subst. doorloopende pagineering, folio, pagina, copie, 72 woorden in wettelijke stukken, 90 in parlementsstukken; adj. van foliogrootte (4 bladzijden in een vel); Folio verb. folieeren; Folious, fouliəs, dicht met bladeren bezet, bladeren hebbende, met bloemen vermengd.

Folk, fouk, subst. luitjes, volk: adj. tot het volk behoorend, overgeleverd: How are the old folk(s) = hoe gaat het met de oudjes; Folklore = het bijgeloof en de overleveringen van een volk, de studie daarvan; Folk-medicine = huismiddeltjes; Folk-mote = volksvergadering; Folk-rede = mondelinge overleveringen (v. bijgeloof etc.); Folkright = gewoonterecht; Folk-song = volkslied, populair lied; Folk-tale = volksmythe; Folklorist, fouklörist, fouklörist, kenner of beoefenaar van folklore.

Follicle, folik’l, zaadhuisje, klier; adj. Follicular, Folliculous.

Follow, folou, volgen, nazetten, tot het gevolg behooren, nagaan, de party kiezen van, voortkomen, opletten, gehoorzamen, een beroep uitoefenen: Something better was to follow = het zou nog beter worden; It does not follow that he is idle = daaruit volgt niet; We followed (acted upon) certain lines = gingen volgens een bepaald plan te werk; Do you follow me? = begrijpt gij mij? He follows his pleasure = jaagt zijn genoegen na; To follow suit = kleur bekennen, navolgen; To follow the trade of a blacksmith = uitoefenen; He followed out his principles = handelde geheel volgens zijne beginselen; If you want to follow her up, you must know where she lives = werk maken van; This work follows closely upon history = dit werk volgt de geschiedenis op den voet; Follower = volgeling, volger, leerling, dienaar, vrijer: No followers allowed (in advertenties) = geen vrijers in de keuken; A following breeze, sea, wind = van achteren inkomend; He has a following of rich friends = hij heeft een aanhang van rijke vrienden.

Folly, foli, dwaasheid, domheid, verdorvenheid.

Foment, fəment, voeden, kweeken, warm betten, aanmoedigen, aanhitsen; subst. Fomentation; Fomenter = opruier, aanstichter.

Fond, fond, dwaas, onwijs, al te teeder of lief, toegevend, verzot op, gek met: She is fond of her children = gek met haar kinderen; Fondle = liefkoozen, streelen, vertroetelen; lief doen; That is her fondling = hartje, lieveling; Fondness = teederheid.

Font, font, doopvont; letterpolis, gietcedel; adj. Fontal.

Fontanel(le), fontənel, fontənel, open plek in een zuigelingsschedel; seton, etterdracht.

Food, fûd, voedsel, spijs, voeder: One man’s food is another man’s poison = den een z’n dood is den ander z’n brood; A daily food = almanak met teksten voor iederen dag van het jaar; Foods = voedingsstoffen = Food-stuffs.

Fool, fûl, subst. dwaas, malle vent, zot, zondaar (bijbelsch), kruisbessenvlade, slachtoffer; Fool verb. voor den gek houden, bedriegen, teleurstellen, bespotten: Abbot of fools = hoofdleider der dwaasheden in de vroegere kerstfeestviering; Feast of fools = oud feest op Nieuwjaarsdag; That’s a fool to it = haalt er niet bij; He has made a fool of me = hij heeft me voor den gek gehouden, belachelijk gemaakt; Let him play the fool = laat hem voor dwaas of grappenmaker spelen; Don’t fool away your time = verbeuzel uw tijd niet; Fool’s-errand = vruchteloos onderzoek: He is out on a fool’s-errand = hij jaagt het onverkrijgbare na; Fool’s-paradise = blijdschap met eene doode musch: He lives in a fool’s-paradise = hij leeft gedachteloos voort, belooft zich zelf gouden bergen; Foolhardiness, subst. v. Foolhardy = roekeloos, domdriest; Fools-cap = narrenkap; soort v. papier, omdat dit formaat oorspronkelijk het watermerk van eene narrenkap had; Foolery = dwaasheid, dolheid; Fooling, subst. malligheid, grappigheid; adj. voor gek spelend; Foolish = dwaas, simpel, mal, belachelijk, beschaamd; zondig (veroud.); subst. Foolishness.

Foot, fut, subst. voet (12 inches), maat, versvoet, het wandelen, korte afstand, voetvolk; Foot verb. loopen, dansen, betreden, (be)wandelen, een voet aanbreien, voorschoen aanzetten, opsporen, met den poot of de klauw pakken, optellen en daaronder de som opschrijven: Foots = bezinksel; Foot by foot; Sure of foot; On foot = te voet, gaande, op touw; At a foot’s pace = stapvoets; To put one’s best foot forward = zijn beste beentje voorzetten; To put one’s foot in = zich compromitteeren; zijn mond voorbij praten; To put down one’s foot = zich met kracht verzetten tegen; He shook the dust of his country from his feet = verliet zijn land; I never set foot in America = heb nooit een voet gezet; Who will set the business on foot = aan den gang brengen, op touw zetten? To take the measure of a person’s foot = iemand doorgronden; To foot it = loopen; These stockings must be footed = er moeten nieuwe voeten aan deze kousen gebreid worden; The bill was footed = de rekening werd betaald (Am.); Foot-and-mouth disease = mond- en klauwzeer; Foot-band = troep infanterie; Foot-ball = voetbal, met leer omgeven gummibal, gebruikt bij het spel van dezen naam; Foot-barracks = infanteriekazerne; Foot-board = treeplank, voeteneind; Foot-boy = loopjongen, livreiknechtje; Foot-bridge = brug voor voetgangers; Footfall = (hoorbare) voetstap; Foot-guard = voetbekleeding (bij paard); Foot-guards = lijfwacht te voet (Grenadier, Coldstream en Scots guards); Foot-hold = steun voor den voet, vaste positie, vestiging; Foot-iron = voetboei, rijtuigtrede; Foot-licker = lage vleier; Foot-lights: He was before the foot-lights = voor het voetlicht; Footman = voetknecht, livreiknecht; Foot-mark = voetspoor, indruk van den voet; Foot-muff = voetenzak; Foot-note = aanteekening onder aan de bladzijde; Footpace = wandelpas; verhoogde vloer; Footpad = struikroover; Foot-passenger = reiziger te voet, wandelaar; Foot-path = voetpad; Foot-plate = staanplaats op een locomotief; Foot-post = voetbode; Foot-pound = voetpond; Foot-print = indruk van den voet; Foot-race = wedloop; Foot-rest = voetbankje; bok; Foot-rot = rotziekte bij schapen; Foot-rule = duimstok (30 c.M. lang); Foot-scraper = voetenkrabber; Foot-shackles = voetboeien; Foot-soldier = infanterist; Foot-sore = met pijnlijke (zeere) voeten; Foot-stall = vrouwenstijgbeugel; onderstuk van eene zuil; Footstep = voetstap: Follow his footsteps = druk zijne voetstappen, volg zijn voorbeeld; Foot-stool = voetbankje; Foot-stove, Foot-warmer = (warm water)-stoof; Footway = voetpad, ladder om in de mijnen af te dalen; Foot-worn = met pijnlijke (zeere) voeten; Footed = voetig; Footer = voetbal: A six-footer = iemand van 6 voet; Footing = steunsel voor den voet, vaste positie, opstelling: He missed his footing = stapte mis; It is difficult to get a firm footing there = om daar vasten voet te krijgen; He has to pay his footing = hij moet zijne entrée betalen (van een werkman, die voor het eerst zijn beroep aanvaardt); First footing is a New-Year’s custom in Scotland; the person who first enters the house is called its first foot; Footy = waardeloos, onbeduidend: This sugar is very footy = deze suiker is onzuiver; They are little footy falderals = kleine niets beduidende prullen.

Footle, fût’l, subst. prullewerk; adj. prullerig; Footle verb. knoeien, onzin doen.

Foozle, fûz’l, vervelende, malle gek; Foozle verb. knoeien; Foozlified = dronken.

Fop, fop, modegek; Foppery = kwasterij, ijdelheid (in kleederen of vormen); adj. Foppish.

For, fö, prep, voor, gedurende, om, wegens, ten behoeve van, met het oog op, met bestemming naar, vergeleken met, niettegenstaande: I have done it for the best = uit bestwil; You have taken each other for better for worse = elkaar gehuwd, wat er ook mocht gebeuren; For convenience’ sake = gemakshalve; For example (= For instance) = bij voorbeeld; Eye for eye and tooth for tooth = oog om oog en tand om tand; For fear of = uit vrees van; For good and all (Once for all) = eens vooral; A man can live for much less = van veel minder; He won’t sleep for long = lang; Do it for my sake = om mijnentwil; A house for sale = te koop; For shame = schaam je; I shall take this for want of better = bij gebrek aan beter; He is a noble character for all that = hij is toch (niettegenstaande al wat er gezegd is, b.v.) een edele kerel; You must do it for all the world = wat de wereld er ook van zegge; That’s it for all the world = juist, zoo is het; She didn’t listen for all she held her tongue = al hield ze ook haar mond; For all you know = zoo goed (gauw) als je kunt; For as much as I can say = voor zoover ik weet; For the matter of that = wat dat betreft: For one thing, I don’t know your name = in de eerste plaats; For ought I see = voor zoover ik zien kan, als ik het wel heb; He was at home for a wonder = verwonderlijk genoeg was hij thuis; I am to blame for it = ik alléén draag daarvan de schuld; To be sorry for = spijt hebben over; I do not care for him = geef niet om hem; I felt uneasy for him = was ongerust over hem; To go in for an examination, a place = zich aanmelden voor, opgaan voor, dingen naar; We sailed for the Indies = zeilden naar Indië; I have taken you for my model = ik heb u ter navolging gekozen; I waited for him to resume his story = ik wachte er op, dat hij ... zou hervatten; Now for it = nu er op los, nu begint het; Oh for a horse = ach, had ik maar een paard; I for one = wat mij betreft; But for me he would be unhappy = zonder mij; It is not for you to say so = het past u niet zulks te zeggen; I could not for the life of me help saying it = ik moest het wel zeggen.

For, fö, conj. want, daar, in aanmerking nemende dat.

Forage, foridž, subst. voeder, fourage, veevoeder; Forage verb. fourageeren, uitplunderen door requireeren van fourage; Forage-cap (Foraging-cap) = politiemuts (van soldaten); Forage-contractor = aannemer van het voedsel der cavaleriepaarden; Forager = fourageur.

Foraminated, fəramin(e)itid, met kleine gaatjes doorboord; Foraminous, fəraminəs, vol kleine gaatjes.

Foray, forei, fərei, subst. rooftocht, buit; Foray verb. plunderen, verwoesten.

Forbear, föbêə, nalaten, zich onthouden van, dulden, verdragen; Forbearance = onthouding, geduld, zelfbeheersching, verdraagzaamheid, duldzaamheid: Forbearance is no acquittance = uitstel is geen afstel; Forbearingly = lijdzaam.

Forbear(s), föbêə(z), föbîəz, voorouder(s), voorzaten, nazaten.

Forbes, föbz.

Forbid, föbid, verbieden, ontzeggen, weigeren (toegang, b.v.), een verbod uitvaardigen: God, Heaven forbid = dat verhoede God, de Hemel! Forbidden fruit = verboden vrucht (Bijbel); Forbidding = onaangenaam, terugstootend: Those are forbidding subjects = onaangename onderwerpen.

Forbore, föbö, Forborn, föbön, imperf. en part. perf. van to forbear.

Force, fös, subst. kracht, geweld, dwang, noodzaak, beteekenis, wettigheid, strijdmacht (ook dikwijls Forces); Force verb. dwingen, noodzaken, overweldigen, verkrachten, forceeren, trekken: By mere force of habit = uit louter kracht der gewoonte; Conservation of force = krachtsbesparing; Correlation of force = krachtsverhouding; External forces = van buiten werkende krachten; Land forces; Marine forces; Moral force = zedelijke kracht; Natural forces = natuurkrachten; Physical force = natuurlijk vermogen; By main force = met geweld; The scouts reported that they had discovered the enemy in force = in grooten getale; To be of force = van kracht; The law will come into force (be enforced) very soon = de wet zal spoedig tot uitvoering komen; That must follow of force = dat moet er noodzakelijk uit voortvloeien; I discovered where his force lay = wat zijn “fort” was; To force along = voortdrijven, meeslepen; To force back = terugdrijven; To force down the throat = doen slikken; His sword was forced from his hand = aan zijne hand ontwrongen; He forced that word into a new meaning = gaf eene gedwongen nieuwe beteekenis aan; He forces a passage of Macaulay into his service = hij sleept er eene passage van M. (als eene bewijsplaats) bij de haren bij; They were forced out = met geweld verjaagd; The ministers forced the queen’s hand = dwongen ... zoo te handelen; Force-meat = gehakt (en sterk gekruid) vleesch; Force-pump = perspomp; Forced = gedwongen, gekunsteld; getrokken; subst. Forcedness; Forceful = krachtig; Forceless = krachteloos.

Forceps, föseps, tang voor chirurgen (dentisten).

Forcible, fösib’l, krachtig, gewelddadig, hevig, onstuimig, indrukwekkend: Forcible entry and detainer = gewelddadige inbezitneming (Jur.); Forcible-feeble, subst. iemand, die een schijn van kracht ontwikkelt; adj. gemaakt of slechts schijnbaar krachtig; subst. Forcibleness.

Forcing, fösiŋ; Forcing-house = broeikas; Forcing-pump = perspomp.

Forcipitate(d), fösipiteit(id), tang- of schaarvormig.

Ford, föd, subst. doorwaadbare plaats (v. eene rivier), stroom; Ford verb. doorwaden; Fordable = doorwaadbaar.

For(e)do, födû, verwoesten, vernietigen, overwinnen, uitputten.

Fordyce, fədais.

Fore, fö, adj. vooraan, voor, vooraf; adv. vooraan: To the fore = naar voren toe, gereed, aanwezig, nog levend; He came to the fore = kreeg naam; He is well to the fore = hij heeft veel naam; Fore and aft = de geheele lengte v. het schip; Forearm, subst. voorarm; Forearm, fô-âm, vooraf wapenen; Forewarned, forearmed = eenmaal gewaarschuwd maakt dubbel voorzichtig; Forebode, föboud, voorspellen, een voorgevoel hebben van; Foreboding = voorgevoel; Fore-brace, Fore-bits = betingen der fokkebrassen; Fore-bow = zadelknop; Fore-cabin = voorkajuit; Forecast = voorspelling, voorziening: The weather forecast = weervoorspelling; Forecast, fökâst, voorspellen, vooraf berekenen, ontwerpen; Forecastle, fouks’l, bak (op een schip tusschen den voormast en den boeg); Foreclose, föklouz, tegenhouden: To foreclose a mortgager = een hypothecair schuldenaar het recht op terugverkrijging van zijne bezittingen ontnemen; Foreclosure = ontneming van dit recht; Foredoom, födûm, veroordeelen, doemen: The attack was foredoomed to failure; Foreelder = voorouder; Fore-end = eerste gedeelte; Forefather = voorvader: Forefathers’-Day = 21 December, toen de Pilgrim Fathers in Amerika landden (1620); Forefend, föfend, verbieden, afwenden, afweren; Forefinger = voorvinger; Forefoot = voorpoot; Forefront = voorste deel; Forego, fögou, afstand doen, afzien van, zich ontzeggen: That is a foregone conclusion = dat is eene uitgemaakte zaak, spreekt vanzelf; Foregoing = voorafgaande; Foreground = voorgrond; Foregather, fögadhə, samenkomen; Forehand, subst. vóórhand, voorkeur; adj. naar voren, anticipeerend; Forehead, föhed of forəd, voorhoofd; Forehold = voorste gedeelte van het scheepsruim; Fore-horse = voorste paard van een span; Forejudge, födžɐdž, eene klacht afwijzen wegens niet verschijnen van den klager; Foreknow, fönou, vooraf weten; Foreknowledge, fönolidž, het vooruitweten; Foreland = landtong, kaap; ruimte tusschen vestingmuur en gracht; Foreleg = voorpoot; Forelock = voorlok, voorhaar; stift, pin: I will take time by the forelock = ik zal de eerste de beste gelegenheid aangrijpen; Foreman = eerste, eerstaanwezende, woordvoerder (van eene jury), meesterknecht, hoofdconducteur; Foremast = fokkemast; Foremast-man = gewoon matroos; Fore-mentioned, fömenš’nd, voormeld; Foremost = voorste, eerste, voorop; Forename = vóórnaam; Forenamed = voornoemd; Forenoon, fönûn, fönûn, vóórmiddag; Foreordain, fôrödein, voorbeschikken (Bijbel); Foreordination, fôrödineiš’n, voorbeschikking; Forepart = voorste deel; Forepast, Forepassed, föpâst, voorbij, verleden; Fore-peak = hel (scheepst.); Fore-rank = voorste rij of gelid, voorkant, Forereach, förîtš, winnen op (bij het zeilen, etc.); Forereading = voorafgaande doorlezing; Forerun, förɐn, voorafgaan, aankondigen, een voorbode zijn; Forerunner, förɐnə, förɐnə, voorbode, voorlooper; Foresail = fokkezeil; Foresee, fösî, voorzien, vooraf weten; Foreseeable consequences = te voorziene gevolgen; Foreshadow, föšadou, voorbeduiden; subst. voorbeduidsel; Fore-sheet = fokkeschoot; Fore-sheets = voorplecht; Foreshore = het gedeelte kust tusschen eb en vloed; Fore-shorten, föšöt’n, in de verkorting teekenen (perspectief); Foreshow, föšou, voorspellen, voorzeggen, verkondigen; Foreside = voorzijde; Foresight = het vooruitzien, overleg; Foreskin = vóórhuid; Foresleeve = vóórmouw; Forestall, föstôl, vooruitloopen op, berooven, verstoppen: You forestall life with your talk = gij neemt door uw gepraat al het aangename en belangwekkende van het leven weg; He forestalled the market = hij joeg den prijs der goederen op door opkooping en het verspreiden van valsche geruchten, etc. en beheerschte de markt daardoor; They forestall my wishes = raden vooruit; Foretaste = subst. voorsmaak; Foretaste verb. föteist, een voorsmaak hebben van; Foretell, fötel, voorspellen, voorzeggen; Forethought = subst. voorbedachtheid, voorzorg; adj. voorbedacht, vooraf beraamd; Fore-tooth = vóór- of snijtand; Foretop = vóórmars; Forewarn, föwön, vooraf waarschuwen of kennis geven (Zie Forearm); Forewind = gunstige wind; Forewoman = vrouwelijke opzichter; hoofd van eene modezaak; Foreword(s) = voorrede, inleiding.

Foreign, forin, buitenlandsch, vreemd, vreemd aan (to, from): Foreign affairs = buitenlandsche zaken; Foreign attachment = beslaglegging op het eigendom van een buitenlander in Engeland: Foreign news = buitenlandsch nieuws; Foreign Office = ministerie van Buitenl. zaken; Foreign Secretary = minister van B.Z.; Foreign trade; This is foreign to our business = is vreemd aan, staat buiten, heeft niet te maken; Foreign-built = in ’t buitenland gebouwd; Foreigner = vreemdeling.

Forensic(al), fərensik(’l), gerechtelijk; Forensic-medicine = gerechtelijke geneeskunde.

Forest, forəst, subst. woud, bosch, koninklijk jachtveld; Forest verb. in een bosch veranderen, met boomen beplanten; adj. boschachtig, landelijk; Forest-fly = luisvlieg (bij paarden); Forest-laws = boschwetten; Forest-officer = ambtenaar bij het boschwezen; Forest-walk = schaduwrijke wandelweg; Forester = houtvester, boschbewoner, boschwachter; Forestry = boschcultuur, boomkweeking.

Forfeit, föfit, subst. het verbeurde, boete, pand; adj. verbeurd; Forfeit verb. verbeuren, verliezen: To cry forfeits = de panden oproepen; They were playing (at) forfeits = waren aan het pandje-verbeuren; Forfeiture, föfitjə = verbeuring, verlies, boete.

Forfex, föfeks, schaar.

Forge, födž, subst. smidse, smidsvuur, smederij, werkplaats; Forge verb. smeden, maken, uitvinden, verdichten, namaken, vervalschen, valschheid in geschrifte plegen, met kracht voortdrijven, langzaam en moeilijk voortbewegen, vooruitwerken: He forged his way home = kwam (ging) met moeite ...; Forge-man = smids-meesterknecht; Forger = smid, vervalscher; Forgery = valschheid (in geschrifte), verdichting, verzinsel; Forgetive = vindingrijk.

Forget, föget, vergeten, verwaarloozen: I forget = ik ben vergeten; I shall forget my own name next = zal mijn eigen naam nog vergeten; To forget oneself = zich vergeten; Forget-me-not = vergeetmenietje; Forgetful = vergeetachtig, slordig; subst. Forgetfulness.

Forgivable, fögivəb’l, vergeeflijk; Forgive, fögiv, vergeven, vergiffenis schenken, kwijtschelden, door de vingers zien; subst. Forgiveness; Forgiving = vergevingsgezind; subst. Forgivingness.

Forgo, fögou, opgeven, laten varen, verliezen, inboeten.

Forgot(ten), fögot(’n), imp. en p.p. van forget.

Fork, fök, subst. vork, gaffel, scheiding van een weg, etc., moeilijkheid, lastig geval, stemvork; Fork verb. met eene vork opheffen en aangeven, omspitten, scherpmaken, zich vertakken, stelen, kapen: You shall fork it over (out) first = je zult het eerst overgeven, eerst opdokken; Fork-head = gevorkte pijlspits; Fork-tail = naam voor visch met gevorkten staart; Forked = gevorkt, zigzag: Forked lightning = zigzag bliksemstralen; Forky = gevorkt.

Forlorn, fölön, verlaten, hulpeloos, ongelukkig, eenzaam; vervallen, vermagerd: Forlorn-hope = troep soldaten, die voor een uiterst gevaarlijken post zijn aangewezen; gevaarlijke post, wanhopig geval, laatste redmiddel; subst. Forlornness.

Form, föm, (uiterlijke) vorm van iets, vorm (drukken), gedaante, stelsel, leest, model, formulier, gelijkheid, plichtpleging, schoolbank (zonder rugleun.), klasse (in school), leger (v. een haas), geschiktheid, goede figuur; Form verb. vormen, scheppen, oefenen, zich richten of vormen: To be bad form = onnet, ongepast; To be in good form = netjes, zooals het behoort; The horse was not in form to-day = niet “in conditie”; The prime minister was in splendid oratorical form = des eersten ministers redenaarstalenten kwamen prachtig uit; They went through the form of dining = voor den vorm deden ze, alsof; They formed for a dance = zij traden aan om te dansen; They formed in front = zij plaatsten zich in de voorhoede in ’t gelid; Formal = vormelijk, precies, stellig, stijf, vol plichtplegingen, naar den vorm: His evidence was of a formal order = zijne getuigenis betrof slechts feiten; Formalism = vormendienst; Formalist = vormelijk mensch, formalist; Formality, fömaliti, vormelijkheid; uiterlijke schijn; formaliteit; Formation = vorming, samenstelling of afleiding, formatie; Formative = vormend, niet tot den stam behoorend; Former = Schepper, vormer, vorm, model.

Former, fömə, voorafgaand, vroeger, eerste; Formerly = vroeger, te voren.

Formic, fömik, van mieren; Formic-acid = mierenzuur; Formication = jeuking.

Formicant, fömik’nt, zwak en onregelmatig (van den pols).

Formidable, fömidəb’l, geducht, vreeswekkend; subst. Formidableness.

Formula, fömjulə, formule, recept: Formularize = formuleeren; Formulary, subst. = formulier, formule; adj. voorgeschreven, vastgesteld naar den ritus; Formulate = Formularize = Formulize.

Fornicate, fönikeit, hoereeren; Fornication, fönikeiš’n, ontucht, bloedschande, overspel, afgodendienst; Fornicator = hoereerder, afgodendienaar.

Fors Clavigera, föz klavigərə (of klavidžərə). Forsake, föseik, verzaken, verlaten, begeven; Forsaken = part. perf.; Forsook, fösuk, imperf. van to forsake.

Forsooth, fösûth, voorwaar, zeker (dikwijls ironisch).

Forspeak, föspîk, beheksen (Schotl.).

Forspend, föspend, verkwisten, afmatten.

Forswear, föswêə, afzweren, bij eede ontkennen: You are forsworn = gij hebt uw eed gebroken; You have forsworn yourself = gij hebt een meineed gedaan.

Forsyth, fösaith.

Fort, föt, subst. sterkte, vesting, kasteel, iemands sterke zijde; adj. sterk, machtig.

Fortalice, fötəlis, klein buitenwerk.

Forte, föt, iemands sterke zijde; forto; bovenkling (schermen).

Forth, föth, vooruit, buiten, uit, voorwaarts, de grenzen te buiten gaande, voort: To be forth-coming, föthkɐmiŋ = gereed of op ’t punt te verschijnen, verschijnend; subst. te voorschijn komen: No confirmation of the report was forth-coming = het gerucht werd niet bevestigd; Forth-going, föthgouiŋ, uitgaand, voortzettend; subst. uitgaan; Forth-issuing = uitkomend; Forthright = recht vooruit, oprecht; Forthrightness of phrase = juistheid van uitdrukking; Forthwith, föthwidh, föthwith, föthwith, onmiddellijk, op staanden voet.

Fortieth, fötiəth, subst. en adj. veertigste (deel).

Fortification, fötifikeiš’n, versterking, fort; Fortify, fötifai, versterken, bevestigen; Fortitude, fötitjûd, lichamelijke of zielskracht, vastberadenheid, moed, geduld.

Fortnight, fötnait, veertien dagen; Fortnightly = alle veertien dagen; veertiendaagsch.

Fortress, fötrəs, vesting, kasteel, sterkte.

Fortuitous, fötjûitɐs, toevallig; Fortuitousness, toevalligheid; Fortuity, fötjûiti, toeval.

Fortunate, fötšənit, gelukkig, gunstig; subst. Fortunateness; Fortune, fötš’n, subst. geluk, fortuin, lot, groote rijkdom, bezit; Fortune verb. begunstigen, gebeuren: By fortune = toevallig; Fortune favours the bold = wie waagt, wint; As fortune would have it = toevallig (’t was of het spel sprak); He came into his fortune = hij kreeg zijn erfdeel; Fortune-book = voorspellingsboekje; Fortune-hunter = iemand, die bij het trouwen op geld uit is; Fortune-hunting = het zoeken van eene rijke vrouw; Fortune-tell = waarzeggen; Fortune-teller = waarzegger; Fortune-telling = waarzeggerij.

Forty, föti, veertig: In forty seconds = in minder dan geen tijd; I’ll take my forty winks = een dutje doen; The roaring forties = streek op 40° tot 50° Z.B., met steeds krachtigen W.N.W. wind.

Forum, fôr’m, forum, rechtbank.

Forward, föwəd, subst. een vooraan geplaatst speler bij football; adj. voorste, vroeg, ver gevorderd in, vroegtijdig, niet achterlijk, wijsneuzig, brutaal, vooruit; adv. (Forwards) vooruit, voorwaarts; Forward verb. bevorderen, aansporen, verhaasten, overzenden; interj. voorwaarts! The book is in a forward state = het boek is een heel eind op weg; I beg to forward this letter = ik ben zoo vrij u dezen brief te doen toekomen; From this day forward = in het vervolg; Forwarder = verzender, expediteur = Forwarding agent; Forwarding firm = expeditiezaak; Forwarding note = vrachtbrief (Amer.); Forwardness = vroolijkheid, vroegrijpheid, wijsneuzigheid, brutaliteit.

Fosbroke, fosbruk. Fosse, fos, vestinggracht, halte.

Fossick, fosik, verlaten goudmijnen of waschplaatsen nasnuffelen; lastig en druk zijn, aanhoudend zoeken; Fossicker (Austr.).

Fossil, fosil, subst. delfstof, versteend lichaam; iemand ten achteren bij zijn tijd; adj. opgedolven, verouderd: Fossiliferous = versteeningen bevattend; Fossilization = versteening; Fossilize, fosilaiz, versteenen, verouderen.

Fossroad, fosroud, een der 4 groote heirbanen door de Romeinen aangelegd, met slooten aan beide kanten, ook Foss(e)way geheeten.

Foster, fostə, voeden, zoogen, kweeken, aanmoedigen, koesteren; Foster-brother = zoogbroeder; Foster-child = voedsterkind; Foster-daughter = pleegdochter; Foster-father = pleegvader; Foster-mother = zoogmoeder; Foster-sister = zoogzuster; Foster-son = pleegzoon; Fosterer = voedster, zoogster, bevorderaar.

Fother, fodhə, wagenvracht; ook verb.: To fother a leak = stoppen.

Fotheringay, fodhəriŋgei. Fotmal, fotmâl, 70 Eng. ponden (31,751 K.G.) lood.

Fought, fôt, imperf. en part. perf. van to fight.

Foul, faul, vuil, onrein, stinkend, heiligschennend, gemeen, zondig, misdadig, onwettig, onbillijk, storm- of regenachtig, bewolkt, belemmerend; subst. aanrijden, aanvaren, ongeoorloofde slag; Foul verb. bevuilen, besmetten, in botsing komen, vuil worden, verward raken: Foul means = oneerlijke; A foul pipe = vuile; Foul play = valsch spel, bedrog; I had a foul taste in the mouth; Foul wind = tegenwind; We fell (ran) foul of a rock = stieten op eene rots; These two persons fell foul of each other = kregen samen twist; He fouled my course and received all my weight = hij kwam mij in den weg, en kreeg mijne geheele zwaarte op zich; Foul-anchor = onklaar anker; Foul-proof = vuile proef; Foul-mouthed, Foul-spoken, Foul-tongued = vuile taal sprekend; Foulness = vuilheid, etc.

Foulard, fulâd, zijden (hals)doek.

Found, faund, imp. en p.p. van to find.

Found, faund, metaal gieten; stichten, grondvesten, oprichten, begiftigen; Foundation, faundeiš’n, grondslag, fundeering, stichting, begiftiging, fundatie (Foundationer = alumnus); Foundation-muslin = stijf gaas; Foundation-school = door corporaties of privaat-personen gestichte school; Foundation-stone = eerste steen; Founder, subst. metaalgieter; stichter, maker, begiftiger: He is the founder of the feast = aanlegger; vr. Foundress; Foundry = metaalgieterij; Foundry-goods = gietijzeren artikelen.

Founder, faundə, verb. zinken, zakken, vergaan, mislukken; doen zinken, vallen, kreupel worden of maken (van paarden): A foundered copy = slecht uitziend (onderhouden) exemplaar; I am foundered with cold = stijf van koude.

Foundling, faundliŋ, vondeling: Foundling-hospital = vondelingshuis.

Fount, faunt, bron, fontein, put; Fountain, fauntin, bron, fontein, waterreservoir; Fountain-head = oorsprong of bron v. eene rivier (ook fig.); Fountain-pen = vulpen.

Four, fö, vier: To form fours = in vieren opmarcheeren; To be folded in fours = in vieren; We are (run) on all fours = wij zijn (loopen) op handen en voeten; They go on all fours = zij stemmen volkomen overeen; That is on all fours with it = dat komt er geheel mede overeen; To place on all fours with = gelijkstellen; Four-ale = goedkoop bier (4d. het quart): Fourfold, adj. viervoudig; subst. viervoud; Fourfold verb. verviervoudigen; Four-footed = viervoetig; Four-handed = vierhandig; Four-horse = door vier paarden getrokken; Four-in-hand, subst. rijtuig met vier paarden; adj. door vier paarden getrokken; Four-legged = met vier pooten, viervoetig; Fourpenny, Fourpence = vierstuiverstukje; Four-poster = groot ledikant met stijlen aan de vier hoeken; Fourscore = tachtig; Foursquare = vierkant, vast gegrond, vast staand: The Eiffel tower stands foursquare on feet of solid masonry = staat onwrikbaar vast op; Four-wheeler = vigelante; Fourteen = veertien; Fourteenth = veertiende; Fourth = vierde; Fourth-rate = vierklassig (bij de marine); Fourthly = ten vierde.

Fourbisseur, fûəbisɐ̂, zwaardveger.

Fourgon, fûəgon, fourgon, ammunitie- of bagagewagen.

Fourierism, fûriərizm, het socialistisch stelsel, aanbev. door Charles Fourier.

Fowl, faul, subst. gevogelte, het vleesch daarvan, gezamenlijke vogels, haan, kip; Fowl verb. vogels vangen of schieten; Fowler = vogelaar; Fowling-piece = ganzenroer; Fowling-shot = ganzenhagel.

Fox, foks, subst. vos, sluwe kwant; Fox verb. zuren (bij ’t gisten), rood of zuur worden, begluren, voorwenden, veinzen, kapen, stelen, voorschoenen aanzetten (Amer.); Fox-brush = vossestaart; Fox-chase (Fox-hunt) = vossenjacht; Fox-earth = vossenhol; Fox-evil = kaalheid; Fox-glove of Folks’-glove = vingerhoedskruid; Fox-grape = Amerikaansche wijnstok; Fox-hound = hond voor vossenjacht; Fox-tail = vossestaart; Fox-trap = vossenval; Fox-trot = sukkeldraf (van een paard); Foxed, fokst, verkleurd, gevlekt; met gestikt bovenleer versierd (Amer.); Foxing, subst. bovenleder; adj. verkleurend; Foxlike; Foxy = sluw, rossig.

Fracas, freikəs, lawaai, ruzie.

Frack, frak, gretig, vaardig, krachtig.

Fracted, fraktid, gebroken; Fraction, frakš’n, breking (vooral met geweld), gebroken getal, breuk, brok; het breken van het brood bij het H. Avondmaal; Fractional, frakšən’l, tot eene breuk behoorend, gebroken, klein, nietig: Fractional certificate = scrip certificaat; Fracture, fraktšə, breuk (met geweld), gebroken deel; Fracture verb. breken: Simple fracture = eenvoudige been- of armbreuk; Compound fracture = gecomplic. breuk (beschadiging v. het weefsel).

Fractious, frakšəs, twistziek, kribbig; subst. Fractiousness.

Fragile, fradžil, broos, zwak, teer; Fragileness = Fragility, frədžiliti, broosheid, zwakheid.

Fragment, fragm’nt, brokstuk; Fragmental, frəgment’l, Fragmentary, fragm’ntəri, uit brokken bestaande, zonder verband.

Fragrance, Fragrancy, freigr’ns(i), geur, welriekendheid; Fragrant, freigr’nt, geurig, welriekend.

Frail, freil, subst. bies (voor manden), biezenmandje of mat (voor vijgen of rozijnen).

Frail, freil, bros, broos, teer, besluiteloos, onvast, zwak, zondig: The frail sex; Frailness = Frailty = zwakheid, broosheid.

Fraise, freiz, subst. frees, halskraag, stormpaal (onder een hoek van 45°); spekpannekoek; drukte; Fraise verb. fraiseeren, met stormpalen beschermen: The battalion was fraised = het bataljon stond met gevelde bajonet.

Frame, freim, subst. samenstel, lichaamsgestel, steiger, geraamte, lijst, raam, borduurraam, broeiraam (broeibak), etc., gemoedsgesteldheid, gietvorm; Frame verb. bouwen, samenvoegen, regelen, ordenen, vormen, overlèggen, omlijsten, in elkander zetten: Out of frame = in wanorde; His frame of mind = gemoedsstemming; Who framed that story = bedacht; Frame-bridge = brug op jukken; Frame-building = Frame-house = houten huis; Frame-timbers = inhouten van een schip; Framework = geraamte, lijstwerk, kader, omlijsting, inrichting.

France, frâns, Frankrijk: Isle of France = Mauritius; The Franco-German war.

Frances, fransəs, Francisca; Francis, fransis, Franciscus, Frans.

Franchise, franš(a)iz, subst. voorrecht, recht, vrijplaats, vrijmoedigheid, edelmoedigheid, stemrecht (= Elective franchise); Franchise verb. vrijdom verleenen.

Franciscan, fr’nsisk’n, subst. Franciskaner (grijze) monnik; adj. Franciskaansch.

Franconia, fraŋkouniə, Frankenland; Franconian = Frankisch; Frank.

Frangible, franžib’l, licht breekbaar; bros; Frangibility = broosheid.

Frangipane, franžipein, amandelgebak: Frangipane gloves = geparfumeerde.

Frank, fraŋk, openhartig, oprecht, vrij; subst. Frank, franc, brief vrij van port; Frank verb. zonder vracht of port verzenden (door “Dienst” of “O. H. M. S.” en de handteekening van den verzender); Franking (of letters); Frankish = Frankisch; Frankly = ronduit; Frankness = openhartigheid.

Frankincense, fraŋkinsens, soort v. geurige hars, wierook.

Frantic(al), frantik(’l), dol, krankzinnig, woest, razend; subst. Franticness.

Frap, frap, spannen (van eene trom); sjorren.

Fraternal, frətɐ̂n’l, broederlijk; Fraternity, frətɐ̂niti, broederschap; Fraternization, fratənizeiš’n, freitən(a)izeiš’n = verbroedering; Fraternize, fratənaiz, freitənaiz, vertrouwelijk en vriendschappelijk omgaan; Fratricide, fratrisaid, broedermoord(er).

Fraud, frôd, bedrog, bedrieger, list; Fraudulence, Fraudulency = bedriegelijkheid, bedriegerij, bedrog; Fraudulent, frôdjulent, bedriegend, bedriegelijk.

Fraught, frôt, beladen, geladen, overvloedig: Fraught with sorrow = vol smart, van smart overstelpt.

Fray, frei, subst. strijd, gekrakeel, twist, rafel, kale plek (in laken, b.v.); Fray verb. verslijten, rafelen, afslijten door wrijven (van horens van een jong hert): Frayed ropes = uitgerafelde touwen.

Freak, frîk, subst. gril, kuur; Freak verb. bont maken, streepen of stippels trekken: Freak of nature = wangedrocht.

Freckle, frek’l, subst. (zomer)sproet, vlekje; Freckle verb. met sproeten bedekken of teekenen; Freckle-faced = met sproeten in ’t gezicht = Freckled; subst. Freckledness; Freckly = Freckled.

Fred, fred, verk. v. Frederick, fredərik, Frederik.

Free, frî, adj. vrij, toegankelijk, onbelemmerd, gratis, vrijwillig, oprecht, mededeelzaam, mild, toegelaten (tot een gilde b.v.), los; Free verb. bevrijden, verlossen, uithoozen, lens pompen: Free-and-easy, ongedwongen; subst. gezellige familiare bijeenkomst; You are free to jump my claim = moogt gerust ... negeeren; Wine was free to all takers = ieder, die wou, kon vrijelijk wijn drinken; He is free of the goldsmiths’ company = hij is lid van het goudsmidsgilde; You are as free of the house as anybody = gij kunt even vrij het huis binnen gaan als ieder; I am free to admit that = ik erken dit gaarne; To get free = vrij komen; To go free = met gevierde schooten zeilen; He was made free of the City = hem werd het eereburgerschap der City aangeboden; They made free with his wine = dronken ongegeneerd; He did not offer to free me = mij van mijn woord te ontslaan; This ticket will free you over every line of the country = met dit kaartje kunt ge voor niets langs elke spoorlijn in het land reizen; Free-bench = weduwengoed; Freebooter = vrijbuiter; Free chase = vrije jacht; Free church = kerk zonder Staatscontrole of met vrije zitplaatsen; de in 1843 afgescheiden Schotsche kerk; Free-city = vrije Rijksstad; Free-fighter = guerilla soldaat, franc-tireur; Free grace = Vrije Genade; Free-hand = uit de vrije hand; Free-handed = edelmoedig, mild, royaal; Free-hearted = openhartig, weldadig; Freehold, subst. grondbezittingen, waarover men vrijelijk testamentair mag beschikken = Freehold estate in land; Free-holder = bezitter van een freehold; Free-lance = krijgsknecht; “wilde” (Parl.); Free-list = lijst van hen, die vrijkaarten krijgen (hebben); Free-liver = smulpaap, iemand die groot leeft; Free love = vrije liefde; Freeman = vrije, stemgerechtigd burger, lid van een City Company; Free-mason = vrijmetselaar; Free-masonry, masonry = vrijmetselarij; Free-minded = met onbekommerd gemoed; Free-pass = vrijbiljet; Free-port = vrijhaven; Free-school = kostelooze school; He wanted Free and open sittings in church = wenschte, dat ieder vrijelijk de onbezette plaatsen zou mogen innemen; His talents had Free space to work = konden zich vrij ontplooien; Free-spoken = vrijmoedig; Free-stone = zandsteen, arduin; Free-states = die Staten van de Unie, waar reeds voor den burgeroorlog geene slavernij meer bestond; Free-talk and knowing innuendos = familiare gesprekken en slimme wenkjes; Free-thinker = vrijdenker; Free-trade = vrijhandel; Free-trader = voorstander van vrijhandel; Free-wheel; Free-will = vrije wil; adj. (meest frîwil) vrijwillig; Free wind = gunstige wind; Freedman = vrijgemaakte lijfeigene; Freedom = vrijheid, vrijdom, al te groote vrijheid, gemakkelijkheid: I shall take the liberty to speak with freedom = ik zal zoo vrij zijn ronduit te spreken; He was offered the freedom of that town = hem werd het eereburgerschap van die stad aangeboden; Freer = bevrijder.

Freeze, frîz, subst. vorst, het vriezen; Freeze verb. vriezen, bevriezen, stollen: To freeze out = wegkijken; To freeze to = hangen aan, dol zijn op; To freeze up = koel en strak worden (Amer.); Freezing-point = vriespunt.

Freight, freit, subst. vrachtprijs, goederentrein, vracht of lading (Amer.); Freight verb. laden, bevrachten: We have sent the trunk by slow freight = als vrachtgoed; Freight-train (Amer.) = goederentrein; Freight-waggon = goederenwagen; Freightage = vrachtprijs, vracht; Freighter = bevrachter; Freightless = zonder vracht.

French, frenš, subst. en adj. Fransch(e taal), Fransch(e volk): What is the French for William = wat is Willem in het Fransch? Guillaume is French for William; French-bean = snijboon; French-chalk = kleermakerskrijt; French-curve = teekenmal; French-horn = waldhoorn; To take French leave = met de noorderzon vertrekken; Frenchman = Franschman; French-polish, subst. wrijfwas; French-polish verb. frenšpoliš, politoeren; een vernisje geven (fig.); French-roll = broodje; French-window = openslaande glazen deur; Frenchwoman = française; Frenchify, frenšifai, verfranschen; Frenchlike = op zijn Fransch; Frenchy = Fransoos.

Frenzy, frenzi, subst. waanzin; Frenzy verb. waanzinnig maken.

Frequency, frîkw’nsi, herhaald voorkomen, herhaling; Frequent, frîkw’nt, gedurig, herhaald; subst. Frequentness.

Frequent, frikwent, dikwijls bezoeken, omgaan met; subst. Frequentation; Frequentative, frikwentətiv, subst. en adj. frequentatief (werkwoord).

Fresco, freskou, subst. waterverfschildering op versche kalk; Fresco verb. schilderen op die wijze.

Fresh, freš, frisch, versch, verfrischt, zoet, ongezouten, nieuw, onervaren; subst. riviertje of stroompje bij de zee, overstrooming, zoetwaterstroom, die een eind in zee doorloopt, dooi weder: As fresh as a daisy, As fresh as paint = zoo frisch als eene roos, als een hoen; We shall have to gather fresh way = wij zullen wat moeten opstoomen, wat meer spoed moeten bijzetten; Fresh-blown = pas ontloken; Fresh-fish = nieuweling; Freshman = groen, nieuweling; Fresh-run = in den tijd van het kuitschieten de rivieren opkomen; Fresh-water = zoet water; Freshen = opfrisschen, verfrisschen, verlevendigen, ontzouten of ontpekelen, aanwakkeren, kracht krijgen; Freshes, frešiz: het brakke water aan de monding van rivieren; Freshet = overstrooming (door zwaren regen of het smelten van sneeuw); Freshness = frischheid, etc.

Fret, fret, subst. het in- of wegvreten, zweer, gisting, kwelling, schaving (van de huid), lijstwerk, ornamentwerk; Fret verb. wegvreten, invreten, afwrijven, schoonwrijven, aantasten, beschadigen, kwetsen; kwellen, beroeren, gemelijk zijn, kniezen; versieren (m. snijwerk), beitelen of beeldhouwen, van toetsen voorzien, tokkelen; Fret-saw = figuurzaag; Fret-work = snijwerk, netwerk; Fretful = gemelijk, knorrig, gerimpeld; subst. Fretfulness; Pock Fretten, fret’n, van de pokken geschonden; Fretty, met snijwerk versierd.

Freya, fraiə, eene Godin.

Friability, fraiəbiliti, brokkeligheid, brosheid; Friable, fraiəb’l, bros, brokkelig; subst. Friableness.

Friar, fraiə, frater, broeder, monnik; plaatsen in een proef waar de inkt niet geraakt heeft; Friar’s-balsam = monniksbalsem; Friar’s-lantern = dwaallicht; Friary = klooster.

Fribble, frib’l, subst. beuzelaar, beuzelarij; adj. beuzelachtig; Fribble verb. beuzelen; Fribbler = beuzelaar.

Fricassee, frikəsî, subst. fricassee, schotel v. gehakt vleesch met pikante saus; Fricassee verb. eene fricassee maken.

Fricative, frikətiv, subst. schuringsgeluid; adj. schurend.

Friction, frikš’n, subst. wrijving, kleine oneenigheid; adj. wrijvend; Friction-match = lucifer; Friction-wheel = wiel, dat door wrijving in beweging brengt of gebracht wordt; Frictional-electricity = wrijvingselectriciteit; Frictionize = wrijven.

Friday, fraidi, Vrijdag: Good Friday = Goede Vrijdag.

Friend, frend, vriend, kennis, bloedverwant, vriendin, beschermer, bevorderaar, Kwaker: A friend in need is a friend indeed = in den nood leert men zijne vrienden kennen; Friends = bloedverwanten; Society of Friends = de sekte der Kwakers (17e eeuw gesticht); To have friends in (at) court = vrienden aan het hof, invloedrijke vrienden hebben; I’ll never again make a friend = ik sluit nooit weer vriendschap; Let us make friends with him = laten wij ons met hem verzoenen; Friendless = zonder vrienden; subst. Friendlessness; Friendlike = als van een vriend, welwillend; Friendliness, subst. van Friendly = vriendschappelijk, goedaardig, gunstig gezind: Friendly Societies = (arbeiders) vereenigingen tot wederzijdschen bijstand in ziekte en nood; Friendship = vriendschap, goede gezindheid: That’s in friendship = dat blijft onder ons.

Friese, frîz, Fries, Friezin; adj. Friesian, frîž’n; Friesland, frîzlənd.

Frieze, frîz, fries (bouwk.); fries, een grove wollen stof.

Frigate, frigit, fregat; Frigate-bird = fregatvogel; Frigatoon, frigətûn, Venetiaansch fregat.

Fright, frait, vrees, schrik; ook verb. = Frighten: In a fright = verschrikt; You look a fright, if you do not do yourself up = ge ziet er uit om van te schrikken, als ge u niet blanket; To put in a fright = doen schrikken; He took fright = hij schrikte; It is the thunder that frights, and the lightning that smites; Frighten = schrik aanjagen; ontstellen: I was frightened to death, out of my wits = doodelijk verschrikt; Frightful = verschrikkelijk; subst. Frightfulness.

Frigid, fridžid, koel, koud, kil, vormelijk; vervelend: Frigid zones = de Poolstreken tusschen de Polen en de Poolcirkels; Frigidness = Frigidity, frîdžiditi, koelheid, enz.

Frill, fril, subst. geplooide strook, kanten kraag; affectatie, opgedirktheid (Amer.); Frill verb. plooien, van een frill voorzien; de veeren van koude opzetten.

Fringe, frinž, subst. franje, rand; Fringe verb. met franje versieren: To wear one’s hair in a fringe = ponnies hebben; Newgate fringe (Fringe frill) = baard onder de kin.

Fringilla, frindžilə, vink; Fringillaceous, frindžileišəs, tot de vinken behoorend.

Fringing, frinžiŋ, franje, rand: Fringing reef = koraalrif dat een eiland omgeeft.

Frippery, fripəri, subst. oude kleeren, tweedehandsmeubels, oude-kleerwinkel, prulleboel; adj. min, beuzelachtig.

Frisco, friskou = San Francisco.

Frisia, frižə, Friesland; Frisian, Fries(ch).

Frisk, frisk, subst. dartele sprong, dol, vroolijke bui; adj. levendig, dartel, druk; Frisk verb. rondspringen, dansen, dartelen; Friskiness, subst. van Frisky = dartel, vroolijk, uitgelaten.

Frit, frit, subst. frit, gesmolten glasmassa.

Frith, frith, mond eener rivier, vischweer; kreupelhout.

Fritillary, fritiləri, keizerskroon (bloem).

Fritter, fritə, brokje, stuk, reepje, afgesneden stukje vleesch om te bakken; Fritter verb. in kleine stukken snijden of breken, verknoeien: He has frittered away his money, his time = zijn geld verknoeid, zijn tijd verbeuzeld.

Frivolity, frivoliti, beuzelachtigheid, wuftheid; Frivolous, frivəlɐs, beuzelachtig, nietig, wuft; subst. Frivolousness.

Friz(z), friz, krullen, kroezen; subst. krul; Frizzle = krullen, op heete kolen bakken; Frizzler = friseur, kapper; Frizzling-iron = friseertang.

Fro, frou, alléén in: To and fro = heen en weer.

Frock, frok, pij, kleed, kiel, jurk; Frock-coat = gekleede jas; Frock-dress = in gekleede jas.

Frog, frog, kikker, langwerpige bekleede knoop met lus tot sluiting en versiering; verbindingstuk om op andere rails te komen; straal (aan paardehoeven); Frog-bit = kikkerkruid; Frog-eater = Franschman (iron.); Frog-hopper = schuimcicade; Frogs’-march = kruipen op handen en voeten, het wegdragen door de politie van een lastigen dronken man (met het gezicht naar beneden); Frogged = met ‘frogs’ bevestigd of versierd; Froggy = vol kikkers.

Froise, frôiz, spekpannekoek.

Frolic, frolik, subst. dartele sprong, grap; vroolijke partij, pretje; adj. vroolijk, dartel, dol, lustig; Frolic verb. dartelen, rondspringen, pret maken: Frolicsome = dartel, vroolijk; subst. Frolicsomeness.

From, from, van, vandaag, vanuit, sedert, wegens: From forth = vanuit; He had his mission from on high = hij ontving zijne zending van boven, uit den hemel; From my childhood = van kindsbeen af; From the sixth of May = sedert; It’s all from his unwillingness to oblige me = het komt allemaal door zijne ongeneigdheid om mij te helpen; From time to time = van tijd tot tijd; Judging from this = hiernaar te oordeelen; Protected from the rain = beschermd voor; To sift grain from chaff = kaf van koren, waarheid van leugen scheiden; Tell it him from me = namens mij.

Frome, froum. Frond, frond, blad van planten als varens en palmen; Frondescence, frondes’ns, het ontplooien der bladeren; adj. Frondescent, frondes’nt; Frondiferous, frondifərɐs, waaiervormige bladeren dragend; Frondose, frondous, frondous, waaiervormig (waaierdragend).

Frondeur, frondɐ̂, lid der Fronde i.e. tegenstanders van de Regeering bij de minderjarigheid v. Lodewijk XIV.

Front, frɐnt, subst. voorhoofd, gelaat, voorste gedeelte, front, gevel, voorvertrek: brutaalheid, schaamteloosheid, toertje (valsch haar), overhemdje, begin, voorhoede; Front verb. het hoofd bieden, staan tegenover, met het voorhoofd gekeerd staan naar, van een front voorzien: He changed front all at once = hij veranderde in eens v. batterij; This man has come to the front of late = neemt in den laatsten tijd eene eerste plaats in; They presented a united front in this emergency = in dezen nood boden ze gezamenlijk weerstand; To stand in front of = staan vóór; My shoes must be new fronted = ik moet laten voorschoenen; Front-benchers = (ministers) die op de eerste bank zitten (Lagerhuis); Front-box = loge tegenover het tooneel; Front-door = voordeur; Front opposition bench = eerste bank, links van den Speaker, in het House of Commons waarop de leiders der oppositie zitten; Front-rank = eerste rang (klas); Frontage, frɐntidž, voorzijde of front van een gebouw langs de geheele uitgestrektheid; Frontal, subst. fronton, hoofdband, deur- of vensterboog; adj. eerste, voorste, vooraan gelegen, tot het voorhoofd of front behoorende; Frontlet, kleine hoofdband; Fronton, frontən, frɐntən, of Fr. uitspr., fronton.

Frontier, frontjə, frɐntjə, frontîə, subst. grens(lijn); adj. aan de grenzen gelegen.

Frontispiece, frontispîs, frɐntispîs, frontispies, voorgevel, plaat tegenover het titelblad, gelaat; voorzien van een frontispies.

Frost, frost, vorst, ijzel, kilheid, koele ontvangst; Frost verb. berijpen, glaceeren, scherpen (v. paardehoeven), mat of dof maken: The singer was a fearful frost = had niet het minste succes; This piece will run no chance of a frost = dit zal ongetwijfeld succes hebben, “gaan”; Frost-bitten = bevroren: A frost-bitten nose = bevroren neus; Frost-bound = ingevroren; Frost-flower (Zie Frost-work); Frost-nail = ijsnagel (voor paarden); Frost-work = ijsbloemen op glas, enz.; Frosted = geglaceerd, mat: Frosted glass = ijsglas; Frosted silver = mat zilver; Frostiness = vorstigheid; Frosting = suikerglazuur, matte oppervlakte; Frosty = vorstig, koel, koud.

Froth, froth, subst. schuim, ijdel gesnap, gewauwel; Froth verb. met schuim bedekken, (doen) schuimen, ijdele praat houden: Froth and flummery = gewauwel en nonsens; Froth-spit, Zie Frog-hopper; Frothiness, subst. van Frothy = schuimend, ijdel, onbeteekenend.

Froude, frûd. Frounce, frauns, krul, rimpel: Frounces of phrase and style = gemaakte zinswendingen en onnatuurlijke stijl.

Frousy, Frouzy, frauzi, vuil, slordig, muf, rans.

Froward, frouwəd, adj. weerspannig, gemelijk, onaangenaam; subst. Frowardness.

Frown, fraun, subst. gefronst gelaat, ontevreden blik; Frown verb. fronsen, dreigend staren: He was under the frown of power = de machtigen staarden hem dreigend aan; He frowned us into obedience = zijn dreigende blik deed ons gehoorzamen.

Frowzy, frauzi = Frousy.

Froze, frouz, imperf. van to freeze.

Frozen, frouz’n, bevroren, buitengewoon koud, kil; part. perf. v. to freeze: The Frozen Ocean = de IJszee; The Frozen Zones = de Poolstreken.

Fructescence, frɐktes’ns, rijpwording der vruchten, vruchtentijd; Fructiferous = vruchtdragend; Fructification, frɐktifikeiš’n, bevruchting, vruchtvorming; Fructify, frɐktifai, vruchtbaar maken, vrucht dragen; Fructose, frɐktous, frɐktous, vruchtensuiker.

Frugal, frûg’l, matig, zuinig; Frugality, frugaliti, matigheid, zuinigheid.

Frugivorous, frudživərɐs, vruchtenetend.

Fruit, frût, vrucht(en), fruit, kroost, gevolgen, voordeel; Fruit verb. vruchten dragen; Fruit-bearing = vruchtdragend; Fruit-bud = vruchtknop; Fruit-dish = vruchtenschaal; Fruit-knife = fruitmesje; Fruit-loft = fruitzolder; Fruit-time = oogsttijd, vruchtentijd; Fruit-tree = vruchtboom; Fruitage = ooft; opbrengst; Fruiterer = fruithandelaar; Fruitful = vruchtbaar; subst. Fruitfulness; Fruitiness = vruchtensmaak; Fruition, frûiš’n, vruchtgebruik, bezit, genot daaruit voortvloeiend; Fruitive, frûitiv, genietend, gebruikend; Fruitless = vruchteloos; subst. Fruitlessness; Fruity = met vruchtensmaak.

Frumenty, frûm’nti, tarwepap.

Frump, frɐmp, brommige, ouderwetsch of slordig gekleede vrouw; Frump verb. bespotten, afsnauwen: Old frump = oude soes; Frumpish = lastig, brommig, ouderwetsch, slonzig; ordinair; Frumpish ways = ouderwetsche manier van doen; Frumpy = Frumpish.

Frustrate, frɐstreit, teleurstellen, verijdelen, tenietdoen; adj. frɐstrit, ijdel, nutteloos; subst. Frustration.

Frustum, frɐst’m, brok, stuk: Frustum of a cone (pyramid) = geknotte kegel (zuil).

Frutescent, frûtes’nt, heesterachtig.

Fry, frai, bakken, braden; schoteltje, baksel; lever, longen, hart, enz. van varkens, schapen, kalveren en ossen; school (jonge visschen), jong goedje of volkje, kleinigheden, mindere lui; Frying-pan = bakpan: Out of the frying-pan into the fire = van den regen in den drop, van den wal in de sloot.

Fub, fɐb, bedriegen, stelen: To fub off = onder valsche voorwendsels uitstellen.

Fuchsia, fjûšə, foksia.

Fucus, fjûkəs, blaaswier.

Fuddle, fɐd’l, dronken maken, overmatig drinken, zuipen: He fuddled himself; Fuddler = dronkaard.

Fudge, fɐdž, subst. malligheid, onzin; interj. och loop! onzin!; Fudge verb. vervalschen, verzinnen; opsnijden: He fudged his reports from another paper = flanste samen.

Fuel, fjûəl, subst. brandstof; Fuel verb. van brandstof voorzien, voeden: That added (was as) fuel to the fire = dat was olie in ’t vuur; Fuel-gas = kookgas.

Fuff, fɐf, subst. trekje (aan sigaar of pijp); Fuff verb. trekken, puffen; Fuffy = opgeblazen, buiïg.

Fugacious, fjugeišəs, vluchtig; vroeg afvallend; subst. Fugacity.

Fugh, fjû, Bah! Zie Faugh.

Fugitive, fjûdžitiv, subst. vluchteling, deserteur; adj. vluchtig, voorbijgaand, voortvluchtig, zwervend: Fugitive compositions = werken van één dag; Fugitiveness = vluchtigheid.

Fugleman, fjûg’lmən, vleugelman, guide; leider, woordvoerder.

Fugue, fjûg, fuga; Fuguist, fjûgist, componist van fuga’s.

Fulcrate, fɐlkrit, van steunorganen voorzien; Fulcrate-stem = boom, waarvan de takken tot de aarde reiken; Fulcrum, fɐlkr’m, steunpunt (van een hefboom), stut, steun.

Fulfil, fulfil, vervullen, volbrengen, uitvoeren: This short note fulfils the adage, for it is a merry one = dit korte briefje maakt het bekende gezegde waar, want het is een vroolijk kattebelletje (i.e. Short but merry); He was fulfilled of this pleasure = had er genoeg van; subst. Fulfilment.

Fulgency, fɐldž’nsi, glans, schittering; adj. Fulgent.

Fulgo(u)r, fɐlgə, schittering; Fulguration, fɐlgjureiš’n, weerlicht, fonkeling; Fulgurite, fɐlgjurait, fulguriet, bliksembuizen.

Fulham, fuləm.

Fuliginous, fjulidžinɐs, roetachtig, rookerig, vuil, duister, somber.

Fulk, fɐlk, Folkert.

Full, ful, adj. vol, verzadigd, bezet, dik, gevuld, rijp, volkomen, krachtig; subst. volle maat, grootste uitgebreidheid, hoogste punt: The full of the moon = de tijd, dat de maan vol is; The moon was at the (its) full = was vol; We are full = wij hebben geen plaats meer (in hotel of school, etc.); The dogs were in full cry = blaften alle luide; He knows it full well = hij weet het heel goed; To the full, In full = ten volle, geheel; Full and by = met volle zeilen, en scherp bij den wind; Full age(d) = meerderjarig(heid); Full-armed = in volle wapenrusting; Full-bloomed = in vollen bloei, rijp; Full-blown = geheel ontwikkeld, volkomen rijp; Full-bottom(ed wig) = allonge pruik, lange krulpruik (gedragen door rechters); Full-cry = samen blaffend; Full-dress = gala; Full-drive = in vollen ren, met volle kracht; Full-eyed = met groote oogen; Full-faced = met groot en dik gelaat; A full-fledged socialist = ten volle ontwikkeld, overtuigd; Full-out = geheel, voluit; Full-stop = punt, plotseling einde; Full-swing = in vollen ren, volkomen vrij, druk bezig: We are in the full swing of stopping managers to play our pieces = wij zijn druk bezig er een stokje voor te steken, dat ...; Fullness = volheid: In the fullness of time; Fully = ten volle; Fully-committed = naar de Assizes verwezen.

Full, ful, vollen; Fullage = geld voor ’t vollen; Fuller = voller; Fuller’s earth = vollersaarde; Fullery = Fulling-mill = vollersmolen.

Fulminate, fɐlmineit, donderen, losbarsten, ontploffen; Fulminating-powder = donderpoeder; Fulminatory, donderend; Fulminic: Fulmic acid = knalzuur.

Fulness = Fullness.

Fulsome, fɐls’m, aanstootelijk, overdreven, grof; subst. Fulsomeness.

Fulton, fult’n.

Fulvous, fulvəs, taan- of voskleurig.

Fumble, fɐmb’l, rondtasten, tastend zoeken, onhandig doen, knoeien met, verward zijn, morrelen aan (with), verfrommelen (up).

Fume, fjûm, subst. uitwaseming, damp, reuk, toorn, woede; Fume verb. damp uitwerpen, in damp opgaan, rooken (van vleesch, etc.), doorgeuren, ontsmetten (door rook en damp), woedend zijn: He was in a fume = hij was woedend; To sleep off the fumes of a debauch = zijn roes uitslapen; He walked up and down, fretting and fuming = knarsetandend en woedend.

Fumigate, fjûmigeit, doorgeuren, ontsmetten (door rook); Fumigation = berooking; rook, wierook: Fumigator = rook- of damptoestelletje; Fumitory = duivenkervel; Fumous = damp of rook veroorzakend.

Fun, fɐn, subst. pretje, grap, vroolijkheid; Fun verb. grappen maken: That was the fun of it = dat was juist de aardigheid er van; It wouldn’t be much fun = niet erg leuk zijn; I did it for (in) fun, for the fun of the thing = voor de grap, voor de aardigheid; To have good (great) fun = veel pleizier hebben; He made fun of it = hij maakte er een grapje van; To poke fun at = voor de mal houden.

Funambulation, fjûnambjuleiš’n, het koorddansen; Funambulist.

Function, fɐŋkš’n, subst. verrichting, uitvoering, beroep, dienst (van een bepaald orgaan), bijeenkomst, partij, feest, kerkelijk ambt; Function verb. een plicht, dienst of beroep vervullen: That railway functions no longer = die baan is buiten dienst; Functional-disease = organisch gebrek; Functionary, fɐŋkš’nəri, ambtenaar, beambte.

Fund, fɐnd, subst. fonds, kapitaal, voorraad (Funds = nationale schuld, geld, financiën) Fund verb. beleggen (van geld), een fonds bestemmen voor; Fund-holder = actiënhouder; Funded debt = staatsschuld, die de regeering niet op een bepaalden tijd behoeft af te lossen; Funding-system = amortisatie-stelsel.

Fundament, fɐndəment, grondslag, benedenste, achterste; Fundamental, fɐndəment’l, adj. den grondslag vormend, voornaamste, oorspronkelijk; subst. basis, grondslag, grondtoon: Fundamental bass = becijferde bas, aanduiding der accoorden door hun grondtoon.

Fundi, fɐndi, Fundungi, f’ndɐnži, West-Afrikaansch koren.

Funen, fjûnən.

Funeral, fjûnər’l, subst. begrafenis, lijkstatie; ook adj.: Funeral pile = brandstapel; Funeral-sacrifice = doodenoffer; Funeral-sermon = lijkrede; Funeral-train = begrafenisstoet; Funeralize = als geestelijke dienst doen bij eene begrafenis (Amer.); Funereal, fjunîriəl, begrafenis ..., treurig: A funereal gait = begrafenispas.

Fungacious, fɐŋgeišəs; Fungal, fɐŋg’l, spons- of zwamachtig; Fungi, fɐnžai, zwammen; Fungivorous, fɐndživərɐs, zich met zwammen of paddestoelen voedend; Fungoid, fɐŋgôid; Fungous, fɐŋgəs, zwamachtig; Fungus, fɐŋgəs, zwam, sponsachtige uitwas: Fungous flesh = wild vleesch.

Fungible, fɐnžib’l, vervangbaar.

Funicle, fjûnik’l, dun snoer, vezel, navelstreng; Funicular, fjunikjulə, kabel- of touwvormig: Funicular railway = kabelspoorweg; Funiculus, fjunikjulɐs = Funicle; Funiliform = vezelvormig.

Funk, fɐŋk, subst. stank, vrees, lafhartigheid, lafaard; schop, knorrigheid; Funk verb. bang maken of zijn, schoppen of trappen (van woede), woedend zijn: He was in a blue funk = zat vreeselijk in de rats; You seem to funk it = gij schijnt het niet aan te durven; Funker = bange, benauwde vent; Funky = angstig.

Funnel, fɐn’l, trechter, schoorsteen (van stoomboot of locomotief); Funnel-form (Funnel-shaped) = trechtervormig; Funnel-net = fuik.

Funniments, fɐnimənts = grapjes; Funny, fɐni, grappig, kluchtig; subst. soort van roeiboot; Funny-bone = elleboogsknokkel: A rap on the funny-bone = weduwnaarspijn.

Fur, fɐ̂, subst. bont, kleed met bont gevoerd, beslag op de tong, ketelsteen; adj. van bont, met bont gevoerd of afgezet; Fur verb. met bont voeren of afzetten, beslaan (van de tong); Furbelow, subst. geplooide rand aan japonnen of rokken; opschik, tooi; Fur verb. met bont voeren of omzoomen; Fur-moth = mot; Fur-trimmed = met bont omzoomd; Furred = met bont gevoerd; Furring = pelswerk, beslag op de tong, ketelsteen, spijkerhuid; Furry = met bont gevoerd, uit bont bestaand, bont ...

Furbish, fɐ̂biš, oppoetsen, polijsten, bruineeren; Furbisher = polijster, zwaardveger.

Furcate(d), fɐ̂kit (-eitid), gevorkt, in twee takken gedeeld; Furcation = vertakking.

Furfur, fɐ̂fə, roos (op ’t hoofd); Furfuraceous, fɐ̂fəreišəs, gekorst.

Furiosity, fjûriositi, krankzinnigheid; Furious, fjûriəs, woedend, dol, geweldig, levenmakend; subst. Furiousness.

Furl, fɐ̂l, samenrollen, vastmaken (van zeilen).

Furlong, fɐ̂loŋ, ⅛ van eene E. mijl of ± 201 M.

Furlough, fɐ̂lou, subst. verlof; Furlough verb. verlof toestaan: He is on furlough = met verlof.

Furmenty, fɐ̂m’nti. Zie Frumenty.

Furnace, fɐ̂nis, subst. oven, vuurhaard; vuurproef, martelplaats.

Furnish, fɐ̂niš, voorzien, uitrusten, meubileeren, versieren; in betere ‘conditie’ komen (rensport): They furnished him forth with the best they could get = zij rustten hem uit met, voorzagen hem van; Furnisher = leverancier, behanger.

Furniture, fɐ̂nitšə, uitrusting, huisraad; meubilair, tuig, sloten aan deuren en vensters, monteering (van een kanon), masten en tuig: Articles of furniture = meubelen; Furniture-van = verhuiswagen; The coffin was destitute of furniture = de kist had geen zilveren hengsels, etc.

Furrier, fɐ̂riə, bontwerker, bonthandelaar; Furriery = bontwerkerszaak, bontwerken.

Furrow, fɐrou, subst. voor, groef, rimpel; Furrow verb. doorploegen, groeven of rimpels trekken in; Furrow-drain = voor (om water af te voeren); Furrow-faced = met gerimpeld gelaat.

Further, fɐ̂dhə, adj. verder, meer, buitendien, behalve, bijgevoegd; Further verb. bevorderen; adv. bovendien, behalve: On the further side = aan den anderen (tegenovergest.) kant; Further than this = buiten dit alles; Furtherance, fɐ̂dhər’ns, bevordering, hulp, bijstand: In furtherance of = ter bevordering van; Furtherer = bevorderaar; Furthermore = bovendien; Furthermost = het verst verwijderd; Furthest, fɐ̂dhist, adj. het verst; adv. verst: I shall come to-morrow at the furthest = op zijn laatst.

Furtive, fɐ̂tiv, steelsgewijs, heimelijk, sluw.

Furuncle, fjûrɐŋk’l, bloedvin, zweer.

Fury, fjûri, woede, dolheid, onstuimigheid, razernij: The Furies = de drie wraakgodinnen.

Furze, fɐ̂z, gaspeldoorn, stekelbrem; brem; Furzy = met brem begroeid.

Fuse, fjûz, smelten, vloeibaar maken, samensmelten; Fusion = (samen)smelting, vereeniging.

Fuse, fjûz, (ook Fusee) sisser of lont.

Fusee, fjuzî, lont, windlucifer, spil (in een uurwerk); spoor van wild.

Fusibility, fjûzibiliti, smeltbaarheid; Fusible, fjûzib’l, smeltbaar.

Fusiform, fjûziföm, spilvormig.

Fusil, fjûzil, fuziel(geweer); ruit (in de heraldiek); Fusileer, Fusilier, fjûzilîə, fuselier; Fusil(l)ade, fjûzileid, fjûzileid, subst. geweervuur; Fusil(l)ade verb. neerschieten, fusileeren.

Fuss, fɐs, subst. lawaai; noodelooze, opzienbarende drukte; Fuss verb. woelig en druk zijn, klateren, snel stroomen: Fuss and feathers = veel geschreeuw en weinig wol (Amer.); The river fretted and fussed over its bed = schuurde en klaterde; The tug fussed and fretted, tossing over the green waves = pufte en woelde; The animal was fussing and fuming after it = liep er puffend en woedend achteraan; Fussiness = drukte, enz.; Fussy = drukte makend, druk: A fussy looking fellow = een opgewonden, druk standje.

Fussock, fɐsək, dikke “moeke”.

Fust, fɐst, subst. vatlucht, muffe reuk; Fust verb. duf en muf worden; Fusty = muf, duf, bedorven.

Fusteric, fɐstərik, fustiek, gele verfstof; Fustet = Hongaarsch geel verfhout; Fustin = Fusteric.

Fustian, fɐstj’n, subst. fustein; bombast, gezwollen stijl; adj. van fustein; opgeblazen, gezwollen.

Futhork, fûthök, runenalphabet.

Futile, fjût(a)il, beuzelachtig, nutteloos, waardeloos; Futility = beuzelachtigheid.

Futtock, fɐtək, oplanger: Futtock-shrouds = puttings.

Future, fjûtšə, subst. toekomst, “aanstaande”: To read the future = waarzeggen; In the future = in de toekomst; In future = voortaan; adj. toekomstig: Future tense = toekomende tijd; Futurist, fjûtšərist, iemand die gelooft dat de prophetieën der H. S. nog zullen vervuld worden; Futurity, fjutjûriti, toekomst, toekomstige gebeurtenissen.

Fuzz, fɐz, subst. dons, kleine vezeltjes; stuifzwam; Fuzz verb. in kleine deeltjes wegvliegen; Fuzz-ball = stuifzwam; Fuzz-wigged = met krullige pruik; Fuzziness, donzig(vlokkig)heid; Fuzzy = vlokkig, donzig, ruig, kroes, aangeschoten, beneveld; ongezond, verrot.

Fy, fai, foei!

Fyke, faik, fuik; Fyke-fisherman; Fyke-net (Amer.).

Fytte, fit, zang, vers.

G.

G, džî, 7e letter van het alphabet, de G-snaar (op eene viool): He possessed no final g’s to his name = was niet vulgair, van lage kom-af; Gael(ic); G(reat) B(ritain); G(rand) C(ross of the) B(ath); G(rand) C(ross of St.) M(ichael and St.) G(eorge) = koloniale orde; G(rand) C(ommander of the) S(tar of) I(ndia); G(rand) D(uke); Gent(leman); Geo(rge); Geol(ogy); Geom(etry); G(rand) L(odge); Gosp(el); Goth(ic); Gov(ernment); Gov(ernor) Gen(eral); G(eneral) P(ost) O(ffice); Gr(ain); Greg(ory); Gtt = druppels.

Gab, gab, subst. gewauwel, gesnap; Gab verb. praten, snappen, kakelen: He has the gift of the gab = hij kan praten als Brugman; Gabble, subst. luid gekakel, druk gerammel; Gabble verb. wauwelen, praten, kakelen, rammelen, druk en onduidelijk snappen; Gabble-mill = het Congres (Amer.); Gabby = praatziek.

Gabarage, gabəridž, grof paklinnen.

Gabardine, gabədîn, grof overkleed; kaftan.

Gaberlunzie, gabəlɐnzi, broodzak, rondreizend ketellapper, bedelaar (Schotl.).

Gabion, geibj’n, schanskorf; Gabionade, geibjəneid, geibjəneid, versterking van schanskorven, krib; Gabionage = schanskorven; Gabioned = met Gabions.

Gable, geib’l, driehoekig bovendeel van den voorgevel: Stepped gable = trapjesgevel; Gable-roof = zadeldak; Gable-window = gevelvenster; Gabled = van gevels voorzien.

Gabriel, geibriəl.

Gaby, geibi, sukkel, dwaas; gek, fat.

Gad, gad, subst. wig (van staal of ijzer), metalen staaf, stift, boor; horzel; Gad verb. rondzwerven, uitloopen, zich verspreiden: He did not know what to say on the gad = zoo gauw; His imagination was gadding = zijne fantasie was aan het dwalen; Gad-about = belust op rondzwerven of uitloopen; uitlooper, uitloopster; He has a gad-about spirit = hij houdt van doelloos rondzwerven; Gad-fly = horzel, paardevlieg; Gadder = Gad-about; Gadling, subst. vagebond; adj. zwervend; Gaddle = aan het zwerven of in de war brengen: That thought set all their little heads gaddling = bracht al hunne hoofdjes op hol.

Gadelle, gədel, roode bes.

Gadhelic, gədelik, gadəlik, Keltische taal of bewoner van Schotland, Ierland en het eiland Man.

Gaekwar, geikwa, titel van den Maharaja van Baroda.

Gael, geil, Kelt; Gaelic, geilik, galik, Keltisch.

Gaff, gaf, subst. ijzeren haak, speer, gaffel, café chantant of theater van de laagste soort; Gaff verb. gevangen visch aan land brengen met een ijzeren haak: To blow the gaff = verraden; Gaff-topsail = gaftopzeil.

Gaffer, gafə, oude man, opziener, meesterknecht, baas.

Gaffle, gaf’l, ijzeren spoor (voor hanen bij hanengevechten).

Gag, gag, subst. prop (in den mond), de woorden die een speler in zijne rol lascht; Gag verb. knevelen, eene prop in den mond stoppen, het zwijgen opleggen, woorden inlasschen (in eene rol); Gagger = knevelaar.

Gage, geidž, subst. pand, borgtocht, handschoen (als uitdaging), groene pruim; peil (Z. Gauge); Gage verb. verpanden, op het spel zetten, peilen.

Gaggle, gag’l, snateren, kakelen.

Gaiety, geiəti, vroolijkheid, genot, mooie kleederen, vertoon; Gaily, geili, vroolijk.

Gaikwar, geikwâ, titel van den Maharaja van Baroda.

Gain, gein, subst. winst, aanwinst, voordeel; Gain verb. winnen, voor zich innemen, verkrijgen, bereiken, verwerven, overhalen: To gain the day = de overwinning behalen; They have gained ground of late = zij hebben in den laatsten tijd veld gewonnen; They gained the other side = bereikten; That will gain us time = daardoor zullen wij tijd winnen; We have gained the wind of that ship = wij hebben dat schip de loef afgestoken; I have gained him into that act = er toe overgehaald; My good behaviour gained on him = nam hem voor mij in; I shall try to gain him over to our side = voor onze partij zien te winnen; The enemy gained upon us = inhalen, voordeel behalen op; Gainer = winner; Gaining = het winnen of verkrijgen; Gainings = behaalde winst.

Gainsay, geinsei, geinsei, tegenspreken, weerspreken, loochenen; Gainsayer = loochenaar; Gainsaying = tegenspraak, ontkentenis.

Gainst, genst, geinst, verk. van against.

Gairdner, gâdnə: Gairdner Lake.

Gait, geit, pad, straat; gang, pas, loop, houding; graanschoof: The pictures went off at a rattling gait = gingen grif van de hand; Gaited, in samenstell.: Heavy gaited = langzaam.

Gaiter, geitə, subst. slobkous; valsche speler; Gaiter verb. van slobkousen voorzien.

Gal, gal = girl.

Gala, geilə, gala, feestelijkheid; Gala-day = feestelijke dag; Gala-dress = galakleeding.

Galactometer, galəktomətə, melkmeter; Galactophorous, galəktofərɐs, melkhoudend.

Galage, galidž, klomp, overschoen.

Galantine, galənt(a)in, galantine.

Galatia, gəleišə, Galatië; Galatian, bewoner v. Galatië.

Galaxy, galəksi, melkweg, schitterende groep.

Gale, geil, subst. stijve bries; gagel; lied; twist, opgewondenheid, periodieke rentebetaling; Gale verb. snel zeilen: Great events are in the gale = in de lucht, op til; Gale-day = rentedag.

Galenic(al), gəlenik(’l), volgens de geneeswijze van Galen (Grieksch geneesheer, 131–200).

Galicia, gəlišə, Galicië; Galician, gəliš’n, subst. Galiciër; adj. Galicisch.

Galilean, galilîən, subst. Galileër; adj. tot Galilea behoorend; tot Galileo (1564–1642) behoorend; Galilee, galilî, Galilea, voorportaal of kapel aan den ingang eener kerk.

Galimatias, galimatiəs, galimeišəs, dwaasheid, onzinnig gezwets.

Gal(l)iot, galiət, galjoot.

Gall, gôl, subst. gal, kwaadaardigheid, toorn, bitterheid; galnoot; schram, schaafwond, vochtige plaats of bron (in een stuk land), kale plek (in den oogst), laag, moerassig land; Gall verb. met (gal) doen doortrekken; afschaven, schrammen, beschadigen, verslijten, kwellen, vertoornen, kwetsen; Gall-bladder = galblaas; Gall of glass (Zie Sandiver); Gall-fly = galwesp; Gall-nut = galnoot; Gall-sickness = galkoorts; Gall-stone = steen (in de blaas).

Gallant, gəlant, subst. galant heer, hofmaker, verleider; adj. galant, hoofsch, hoffelijk; Gallant verb. het hof maken, hoofsch behandelen; Gallantly = galant.

Gallant, gal’nt, schoon, schitterend, prachtig, dapper, fier, moedig; Gallantly = dapper; Gallantry = dapperheid, uiterlijk vertoon; hoffelijkheid, galanterie.

Galleon, galj’n, galjoen.

Gallery, galəri, galerij, gang, schilderijenverzameling, schilderijenmuseum; tribune, “het schellinkje”, de menschen op tribune of galerij, mijngang, overdekte gang, buitenbetimmering aan den spiegel van een schip; tent: Shooting-gallery = schiettent; He is playing to the gallery = hij tracht de toejuichingen van het plebs te winnen.

Galley, gali, galei, strafkolonie, kapiteinsgalei, boot, kombuis; zetraam: The article went straight from the galley to the stone = werd ongecorrigeerd gedrukt; Galley-foist = vroegere staatsiesloep van den Lord Mayor; Galley-pepper = kolenasch; Galley-slave = galeislaaf; Galley-worm = soort. v. duizendpoot; Galley-west: That knocked the mystery galley-west in a second = toen was het in eens met alle geheimzinnigheid gedaan (Amer.).

Gallia, galiə, Gallië; Gallian, galiən, Gallisch.

Galliard, galjəd, subst. vroolijke kwant; soort dans; adj. vroolijk, vlug, dartel; Galliardise, galjədîz, vroolijkheid, opgewektheid.

Gallic, galik, Gallisch, Fransch (ook: Gallican); uit galnoten getrokken; Gallicism, galisizm, Fransch idioom; Gallicize = verfranschen.

Galligaskins, galigaskinz, wijde broek.

Gallimaufry, galimôfri, ragout; mengelmoes.

Gallinaceous, galineišəs, hoenderachtig.

Gallipot, galipot, likkepot.

Gallium, galiəm, gallium.

Gallivant, galivant, galivant, het hof maken, coquetteeren, veel uitgaan.

Galliwasp, galiwosp, hagedis (W.-Indië).

Gallomania, galəmeinjə, manie voor alles wat Fransch is.

Gallon, gal’n, Engelsche maat van verschillenden inhoud: Imperial gallon = ± 4.54 L.

Galloon, gəlûn, lint, band, galon; Gallooned.

Gallop, galəp, subst. galop; Gallop verb. (doen) galoppeeren, snel rijden, haasten, vluchtig doorloopen; Galloping-consumption = vliegende tering; Gallopade, galəpeid, galəpâd, subst. (dansende, zijdelingsche) galop, de dans “galop”; Gallop verb. galoppeeren, een galop dansen.

Gallow, galou, doen schrikken.

Galloway, galəwei, kleine, sterke hit; een donker Schotsch runderras.

Gallowglass, galouglas, zwaar gewapende Iersche voetknecht (uit ouden tijd).

Gallows, galouz, galg, galgebrok (= Gallows-bird); Gallowses = bretels (Amer.); Gallows-bits = galg (op een schip); Gallows-free = van de galg gered; Gallows-ripe; Gallows-tree = galg; Gallowsness = ondeugendheid, boosheid.

Gally, gôli, verb. doen schrikken; adj. vochtig (van land). Zie Gall.

Galoche = Galosh.

Galoot, gəlût, lummel, kerel.

Galop, galəp, galop (dans).

Galore, gəlö, subst. overvloed; adv. in overvloed: She has jewellery galore = zij heeft een rijkdom aan juweelen.

Galosh, gəloš, elastieken overschoen; soort klomp met riemen vastgemaakt.

Galvanic, galvanik, Galvanisch: Galvanic-battery = Galvanische batterij; Galvanic current; Galvanic pile (Zie Voltaic); Galvanism, galvənizm, galvanische electriciteit; Galvanize, galvənaiz, galvaniseeren, electriseeren.

Galveston, gavst’n, galvəst’n; Galway, gôlwei.

Gamba, gambə, gambe, soort violoncel.

Gambade, gambeid, luchtsprong, gril.

Gambado, gambeidou, slobkous; Gambadoes = aan het zadel bevestigde rijlaarzen.

Gambeson, gambəz’n, wollen wambuis (onder het harnas).

Gamble, gamb’l, om geld dobbelen: They gambled away their lives = verdubbelden, vergooiden hun leven; Gambler.

Gamboge, gamboudž, gambûdž, guttegom.

Gambol, gamb’l, subst. (kromme) sprong; Gambol verb. springen, huppelen.

Gambrel, gambr’l, knieboog v. h. achterbeen van een paard; kromhout voor ’t ophangen van vleesch; Gambrel-roof = tentdak.

Game, geim, subst. spel, vroolijkheid, scherts, pretje, winst bij het spel; wildbraad, wild, toeleg, tijdverdrijf; adj. wild - -; flink, moedig, bereid; lam, onbruikbaar; Game verb. spelen: A game at cards, at dice, at (of) chess; A game of chance = hazardspel; Popular games = volksspelen; Is that your little game? = voer je dat in je schild? That is not my game at present = daarom is ’t mij nu niet te doen; The game is not worth the candle = de sop is de kool niet waard; He made game of us = hield ons voor den gek; I am game to do it = ik ben bereid; He is game to play that part = geschikt; All hoped he would die game = dat hij als een man zou sterven; He went to America much gamer than we could have expected = met meer moed (flinker) dan ...; Game-bag = weitasch; Game-birds (Game-fowls) = kempvogels; Game-cock = kemphaan; Gamekeeper = jachtopziener, koddebeier; Game-laws = jachtwetten; Gameful, Gamesome = dartel, vroolijk, speelsch; subst. Gamesomeness; Gamester = speler, dobbelaar; Gaming: Gaming-debt = speelschuld; Gaming-house = speelhuis; Gaming-table = speeltafel.

Gamin, gamin, straatjongen.

Gamma, gamə, toonladder.

Gammer, gamə, moedertje.

Gammon, gam’n, subst. gerookte ham; spel (= Backgammon); bedriegerij; Gammon verb. ham zouten en rooken; verslaan (bij het backgammon), bedriegen, bedotten, huichelen; interj. malligheid, loop! No gammon with me! = ’k laat me niet bedotten!

Gamp, gamp, subst. besteedster (paraplu); adj. bol staande; Gamp verb. bollen of uitzetten.

Gamut, gamət, toonladder, toonschaal, omvang: The gamut of human feeling.

Gamy, geimi = Game (adj.).

Gander, gandə, gent: Sauce for the goose is sauce for the gander = gelijke monniken gelijke kappen.

Gang, gaŋ, troep, bende, kliek, deel van werklui of scheepsvolk voor een bepaald doel aangewezen, ertsader, assortiment: Gang-board = loopplank, valreepsbord; Gang-cask = watervat (op een schip); Gangway = pad, doorgang, gangboord, trap, brug voor passagiers (schip), gangpad in ’t Lagerhuis, dat de banken der regeeringspartij en die der oppositie in twee helften verdeelt; The poor fellow was brought to the gangway = de arme kerel werd afgestraft; He sits below the gangway = hij behoort tot de onafhankelijke leden (die de achterbanken bezetten o.a. langs de gangway te bereiken); Gang-week = rondgangweek (Z. Rogation); Ganger = opzichter van een arbeidersploeg.

Ganges, gandžis, Ganges; Gangetic, gandžetik, tot den Ganges behoorend.

Ganglion, gaŋgliən, (Meerv. Ganglia), peesknobbel, zenuwknoop.

Gangrene, gaŋgrîn, subst. koudvuur; Gangrene verb. het koudvuur krijgen; Gangrenous, gaŋgrinɐs, door koudvuur aangetast.

Ganister, ganistə, soort vuurvaste steen.

Gannet, ganət, witte rotspelikaan, Jan-van-Gent.

Gantlet, gôntlət, gântlət (Gantlope, gantloup), spitsroede: He had to run the gantlet = hij moest spitsroeden loopen; A new-comer has to run the gantlet of the whole company = die binnenkomt staat aan de kritiek v. het geheele gezelschap bloot; He took up the gantlet = hij nam den handschoen op.

Ganymede(s), ganimîd, ganimîdîz, Ganymedes.

Gaol; džeil; Zie Jail; Gaoler.

Gap, gap, subst. gat, opening, bres, hiaat; Gap verb. een gat maken in; He stood in the gap for all his friends = hij sprong in de bres voor; We had to stop the gap = moesten het gat stoppen (ook fig.); gap-toothed = met holten tusschen de tanden.

Gape, geip, subst. geeuw, het geeuwen; Gape verb. gapen, geeuwen, verbaasd aanstaren, aangapen, openstaan: The chickens have got the gapes = hebben de gaapziekte; We were gaped at by all = werden aangegaapt; They are gaping for (after) it = zij snakken er naar.

Gar, gâ, geep; Gar verb. dwingen, veroorzaken.

Garage, garâž, garage.

Garb, gâb, kleeding, gewaad, mode, uiterlijk; schoof (koren): Nature’s garb; Garbed = gekleed.

Garbage, gâbidž, ingewanden en afval van een dier, waardeloos iets; Garbaged = van ingewanden gereinigd.

Garble, gâb’l, verminken, verknoeien; schiften, ook op zeer partijdige manier; Garbler = schifter, vervalscher.

Garboard, gâböd, gaarboord (scheepst.).

Garboil, gâbôil, subst. oproer, wanorde; Garboil verb. onderstboven gooien, storen.

Garden, gâd’n, subst. tuin; adj. tot een tuin behoorend; Garden verb. tuinieren, een tuin aanleggen; Garden City = Chicago; The Garden = de markt (= Covent Garden in Londen); Garden-glass = tuinspiegel; Garden-house = tuinhuisje; Garden-mould = tuin- of teelaarde; Garden-plot = deel van den tuin met bloemen, enz.; Garden-stuff = groenten, enz.; Garden-tools = tuingereedschap; Gardener = tuinier.

Gardenia, gâdînjə, gardenia.

Gare, gêə, grove wol op schapepooten.

Garfish, gâfiš, geep.

Gargantuan, gâgantjuən, reusachtig, kolossaal.

Gargery, gâdžəri.

Garget, gâgət, keel, gezwel in de keel, uierziekte; varkensziekte.

Gargle, gâg’l, subst. gorgeldrank, dronk; Gargle verb. gorgelen, kweelen.

Gargoyle, gâgôil, gargouille, spuier (Archit.).

Garibaldi, garibaldi, Garibaldi; buis of muts, zooals door Garibaldi en zijne troepen werd gedragen.

Garish, gêriš, glanzend, blinkend, opzichtig, buitensporig.

Garland, gâl’nd, subst. guirlande, bloemenkrans, bloemlezing; provisienet; Garland verb. met kransen tooien.

Garlic, gâlik, knoflook; Garlic-eater = scheldnaam voor Joden; Garlicky = knoflook bevattend.

Garment, gâm’nt, kleedingstuk, kleeding: The garmentage of life = het uiterlijke des levens.

Garner, gânə, subst. graanzolder; Garner verb. opstapelen (van koren), verzamelen.

Garnet, gânət, granaatsteen.

Garnish, gâniš, subst. versiersel, randversiering (om een schotel); fooi; Garnish verb. versieren, voorzien van, waarschuwen; subst. Garnishment.

Garniture, gânitšə, versiering, opschik, garnituur, bijbehoorende onderdeelen.

Garret, garət, vliering, zolderkamertje; Garret-master = meubelmaker, die thuis werkt voor magazijnen of bazen; Garreteer, garətîə, vlieringbewoner, arme broodschrijver.

Garrison, garis’n, subst. garnizoen, vesting; Garrison verb. in garnizoen leggen, bezetten.

Garron, gar’n, klein Schotsch paard.

Garro(t)te, gərot, gərout, subst. halsijzer tot terdoodbrenging (door worging); Garro(t)te verb. terdoodbrengen; bestelen door de keel van het slachtoffer dicht te drukken, en hem weerloos te maken; Garro(t)ter = straatroover.

Garrulity, gərûliti, praatachtigheid; Garrulous, garəlɐs, praatziek, snapachtig.

Garter, gâtə, subst. kouseband; kouseband-orde; Garter verb. met een kouseband bevestigen; die orde verleenen; Knight of the Garter = Ridder van den Kouseband.

Garth, gâth, hof, vischweer.

Garum, gêr’m, Romeinsche vischsaus.

Gas, gas, subst. lichtgas, gas; gewauwel, bluf; Gas verb. wauwelen, bluffen: How he was gassing = wat was hij aan ’t opsnijden; Gas-buoy = gasboei; Gas-bracket = gasarm; Gas-coal; Gas-condenser = gascondensator; Gas-cooker = gasfornuis; Gas-engine = gasmotor; Gas-fitter; Gas-fitting = gasaanleg; Gasholder = gashouder; Gas-jet = gasvlam, gaspit; Gas-lamp = lamp, lantaarn; Gas-light; Gas-main = hoofdleiding; Gas-mantle = gloeikousje; Gas-meter = meter; Gas-motor; Gas-pipe; Gas-range = gaskookkachel; Gas-regulator = gasregulateur; Gas-retort; Gas-tar = koolteer; Gas-works = gasfabriek; Gasalier, Gaselier, gasəlîə, gaskroon; Gaseity, gesîiti, gasachtigheid; Gaseous, geisiəs, geiziəs, gasiəs, gaziəs, gasachtig, vluchtig; Gasiform = gasvormig; Gasify = in gas veranderen; Gasoline, gasəlîn, gasoline; Gasometer, gəsomətə, gəzomətə, gashouder; gasometer; Gasometry = meten van gas; Gassy = gasachtig; opgeblazen.

Gascon, gaskən, Gascogner, bluffer; Gasconade, gaskəneid, subst. blufferij, snoeverij; Gascon verb. snoeven, grootspreken; Gasconader = bluffer, “opsnijer”; Gascony, gaskəni, Gascogne.

Gash, gaš, subst. gapende (vleesch)wond, houw, snede; Gash verb. eene gapende wonde maken: I gash myself asunder from the king = ik breek geheel met den koning.

Gasket, gaskət, seizing (scheepst.).

Gaskins, gaskinz = Galligaskins.

Gasp, gâsp, subst. snik; Gasp verb. snakken (naar adem), vurig verlangen, hijgend uitbrengen: At the last gasp = bij den laatsten snik, op sterven; With a gasp = verbaasd (als naar adem snakkend); It made me gasp = ik stond paf.

Gastric, gastrik, tot de maag behoorend; Gastric-abscess; Gastric-catarrh = maagcatarrh; Gastric-fever = gastrische koorts; Gastric-juice = maagsap; Gastriloquy, gastriləkwi, buikspraak; Gastritis, gastraitis, maagontsteking; Gastronomer, gastronəmə, Gastronomist, gastronəmist, lekkerbek; Gastronomy, gastronəmi, kunst en lust om lekker te eten; Gastrotomy, gastrotəmi, maagsnede voor het inbrengen van voedsel.

Gat, gat, nauwe doorvaart.

Gate, geit, subst. poort, deur, ingang, wegsluis, gelegenheid, kans (The Gate = Billingsgate = Londensche vischmarkt); Gate verb. binnen de poorten houden: That opened the gate for all abuses = zette de deur open voor; Gate of horn = de poort van hoorn (in het droomhuis), waardoor ware visioenen komen; Gate of ivory = de poort van ivoor, waardoor de onware visioenen komen (de Aeneïde v. Vergil.); Gatehouse = portierswoning; Gateman = portier, tolgaarder, baanwachter; Gateway = poort; Gated = met poorten.

Gather, gadhə, vereenigen, vergaderen, samenbrengen, plukken, ophoopen, plooien, oogsten, rijp worden, zich verzamelen, samentrekken, grooter worden; afleiden; subst. vouw, plooi: I gathered it from what he said = maakte het uit zijne woorden op; The harvest was gathered in = werd binnengehaald; He was gathered to his fathers = tot zijn vaderen verzameld; He gathered himself up = kwam tot zichzelf; Then we had time to gather breath = om op adem te komen; To gather flowers; She gathered her powers = verzamelde; Gatherer = verzamelaar, oogster; Gathering = verzameling, vereeniging, inzameling, collecte; zweer.

Gatling gun, gatliŋgɐn, revolverkanon, mitrailleuse.

Gaucho, gôkou, Z. Amer. Cowboy.

Gaud, gôd, versiering, snuisterij; Gaudiness, subst. van Gaudy = opzichtig, bont: Gaud-day = Gaudies = feest(dag).

Gaudeamus, gôdieiməs, drinkgelag, feest.

Gauffer, goufə, fijn plooien.

Gauge, geidž, subst. maat, peil, diepgang, peilstok, peilglas, maatstaf, wijdte tusschen de spoorstaven; Gauge verb. meten, schatten, peilen, ijken: I have your gauge = ik snap je, doorzie je; I have gauged your feelings; Gaugeglass = peilglas; Gauger = roeier of wijnpeiler; kommies; Gauging: Gauging-rod = peilstok = Gauging-rule.

Gaul, gôl, Gallië, Galliër.

Gault, gôlt, subst. een soort van mergel; Gault verb. klei brengen (op land); Gault-mill = kleimolen (voor steenbakkerijen).

Gaunt, gônt, gânt, schraal, mager: That’s the gaunt, bare truth = dat is de naakte waarheid.

Gauntlet, gôntlət, gântlət, lange dameshandschoen, strijdhandschoen: He threw down the gauntlet, and my friend took it up = hij wierp den handschoen toe, en mijn vriend nam hem op.

Gauntree, gôntrî, stellage voor vaten.

Gauze, gôz, gaas; Gauze-wire = ijzerdraadgaas; Gauzy = gaasachtig.

Gave, geiv, imperf. van to give.

Gavel, gav’l, garf, (presidents)hamer; tol, schatting, garfpacht; Gavelkind = erfrecht, waarbij bij den dood van den pachter het land gelijkelijk onder zijne zoons werd verdeeld; Gavelman = huurder van land onder de bepalingen van gavelkind.

Gavelock, gav’lok, breekijzer, werpspies.

Gaveston, gavəst’n.

Gavial, geiviəl, gavial, snavelkrokodil (Ganges).

Gavot(te) gəvot, gavot, gavotte.

Gawk, gôk, koekoek, zot; Gawkiness, subst. van het adj. Gawky = lummelig; subst. lummel, slungel, suffer.

Gay, gei, vroolijk, opgewekt, opzichtig, bont, sterk gekleurd, opgewonden (van drank), losbandig; subst. Gayness; adj. Gaysome.

Gayal, gaiəl, geiəl, soort rund (Brit. Ind.).

Gaze, geiz, subst. blik, aanblik; Gaze verb. staren: At gaze = starend, en face; Gaze-hound = windhond; Gazing-stock = voorwerp van afschuw of nieuwsgierigheid.

Gazebo, gazîbou, belvedère.

Gazelle, gəzel, gazelle.

Gazette, gəzet, subst. courant, soort staatsblad, staatscourant; Gazette verb. in de staatscourant (dus: officieel) bekend maken: To be in the gazette = bankroet zijn; He was gazetted = aangesteld, bevorderd; Gazetteer, gazətîə, redacteur van een staatsblad, dagbladschrijver; geographisch woordenboek.

Gazogene, gazədžîn, toestel om koolzure dranken te maken.

Gazon, gəzûn, grasperk.

Gean, gîn, Spaansche kers.

Gear, gîə, subst. gareel, tuig, takel, kleed, uitrusting, bezittingen, zaak; de touwen, blokken, enz. van een bepaald zeil of mastdeel, mechaniek, tandrad; Gear verb. tuigen, aan den gang brengen: It was thrown out of gear = de koppeling werd verbroken, de zaak werd bedorven; My ships are out of gear = onttakeld; Gearing = tuig, harnas, stel tandraderen tot het overbrengen van beweging.

Geck, gek, nar, spot; Geck verb. bespotten.

Gecko, gekou, gecko.

Gee, dži, een uitroep om het paard naar rechts te doen gaan: Gee up, Gee Woo = vooruit! The horse gee-up’d = het paard ging vooruit; Gee-gee = paard (in de kindertaal).

Geelong, gîloŋ.

Geese, gîs, ganzen.

Gehenna, gəhenə, Gehenna, Hel.

Geikie, gîki.

Geisha, geiša.

Gelatine, dželətîn, gelatine; Gelatinous, džəlatinɐs, gelatine- of geleiachtig.

Geld, geld, castreeren, verminken, berooven; adj. gust; Gelder = snijder; Gelding = het snijden; ruin, gesneden dier.

Gelid, dželid, ijskoud; subst. Gelidity.

Gem, džem, subst. juweel, kleur, kleinood; knop, oog; Gem verb. met edelgesteenten tooien, ontbotten; Gemmy = vol edelgesteenten, schitterend, rijk, fijn, net.

Gemara, gəmârə, tweede deel van den Talmud.

Geminate, džeminit, adj. in paren: Geminate-leaves = tweelingbladen; Gemination = verdubbeling.

Gemini, džeminai, Tweelingen (sterrenbeeld).

Gemma, džemə, bladknop; Gemmate, džemit, knoppen hebbende; Gemmation, džəmeiš’n, het knoppen, voortplanting door knopvorming; Gemmiferous, džəmifərɐs, knoppen dragend, door knoppen vermenigvuldigend = Gemmiparous, džəmipərɐs.

Gemman, džem’n, samentrekking van gentleman; mv. Gemmen.

Gemmule, džemjûl, eitje, knopje, kiemspoor.

Gemote, gəmout, vergadering (van honderd, bij de Angelsaksers).

Gemsbok, gemzbok, Kaapsche gems.

Gendarme, džendâm, gendarme; Gendarmery.

Gender, džendə, subst. soort, klasse, (grammaticaal) geslacht.

Genealogic(al), dženiəlodžik(’l), džîniəlodžik(’l), geslachtrekenkundig; Genealogical-tree = stamboom; Genealogist = geslachtkundige; Genealogy = geslachtrekenkunde, stamboom.

Genearch, dženiâk, džîniâk, stamvader.

Genera, dženərə, meervoud van Genus.

General, dženər’l, adj. algemeen, openbaar, uitgebreid, onbepaald, gewoon; subst. het algemeen; generaal, algemeen appèl (voor de infanterie); meid alleen: In general = in of over het algemeen; In a general way = in algemeenen zin, over het algemeen; The general public = het groote publiek; General assembly = wetgevende vergadering (Amer.); General dealer = iemand die in allerlei dagelijksche artikelen handelt; General invitation = uitnoodiging eens voor al; General practitioner = geneeskundige; General servant = meid alleen; General warrant = bevel tot inhechtenisneming van alle verdachte personen; Generalism = algemeene conclusie; Generalissimo, dženər’lisimou, opperbevelhebber; Generality = algemeenheid, meerderheid, groote hoop: The general of people = de menschen in ’t algemeen; Generalization = generalisatie; Generalize = algemeen maken; generaliseeren; Generalship = generaalschap, beleid, handigheid.

Generate, dženəreit, voortbrengen, telen; Generating station = centrale; Generation = voortbrenging, geslacht, nakomelingen: Noah was perfect in his generations (Bijbelsch: Zie Gen. VI, 9); Generative = voortbrengend; vruchtbaar: Generation power = voortbrengend vermogen; Generator = voortbrenger, voortbrengingsvermogen, stoomketel; Generic(al) = een genus omvattend of betreffend, geslachts ...

Generosity, dženərositi, edelmoedigheid, milddadigheid; Generous, dženərɐs, edel, grootmoedig, milddadig, overvloedig.

Genesis, dženəsis, voortbrenging, Genesis.

Genet, džənet, genetkat, ook: dženət, soort paard.

Genetic(al), džənetik’(l), genetisch; ontstaans...: Genetic affinity = geslachtsverwantschap.

Geneva, džənîvə, jenever; Genève: The Lake of Geneva = Meer v. G.; Geneva bible = bijbel van 1560; Geneva cross = het roode kruis voor ambulances, enz.; Geneva gown = toga (v. Presb. geestelijken); Genevan, subst. bewoner van Genève; adj. Geneefsch; calvinistisch; Genevese, dženəvîz, dženəvîs; Zie Genevan.

Genial, džînj’l, levendig, sympatiek, hartelijk, vroolijk, zacht; geslachts ...; Geniality, džînialiti, opgewektheid.

Geniculate(d), džənikjulit(-eitid), knievormig gebogen; subst. Geniculation.

Genie, džîni, genius; mv. Genii, džîniai.

Genista, džənistə, genista, Duitsche brem.

Genital, dženitəl, geslachts - -; Genitals = geslachtsdeelen.

Genitival, dženitaiv’l: Genitival relation = eene genitiefverhouding of -betrekking; Genitive, dženitiv, subst. genitief; adj. van den genitief.

Genius, džîniəs, (Meerv. Geniuses, džîniəsiz) genie, talent (for); Genius (Meerv. džîniai); geest, genius.

Genoa, dženouə, Genua; Genoese, dženouîz, dženouîs, subst. Genuees; adj. van Genua.

Gent, džent, heer, snuiter; verkorting van gentleman.

Genteel, džentîl, bevallig, beschaafd, fatsoenlijk, net, behoorlijk; subst. Genteelness.

Gentian, dženšən, Gentiaan.

Gentile, džentail, subst. heiden, ongeloovige (in den Bijbel); adj. heidensch, ongeloovig; Gentilism, džentilizm, heidendom.

Gentility, džentiliti, hooge of edele geboorte, beschaving, sierlijkheid, bevalligheid.

Gentisin, džentisin, gentianine.

Gentle, džent’l, adj. van hooge geboorte, zacht, teeder, vriendelijk; subst. edelman, gedresseerde valk; Gentle verb. adelen, in rang verheffen, veredelen; verzachten, dresseeren: Gentle birth = voorname (aanzienlijke) ....; Gentle families; Gentlefolk(s) = menschen van aanzienlijke geboorte (gewoonlijk meervoud); Gentleman, subst. heer, man van geboorte (beschaving, eer), fatsoenlijk man, man: The Old (Black) Gentleman = de duivel; Gentleman of property = grondbezitter; Gentlemen of the shoulderknot = lakeien; Gentleman-at-arms = lid van de door Hendrik VIII opgerichte adellijke lijfwacht; Gentleman-commoner = betalend student, die eerst later tot de eigenlijke colleges werd toegelaten; Gentleman-farmer = heereboer: Gentleman-usher of the Black Rod. Zie Black Rod; Gentlemanlike, Gentlemanly = beschaafd, fatsoenlijk, beleefd; Gentlewoman = edelvrouw, beschaafde dame.

Gentry, džentri, de stand der gentlemen, der beschaafde en bezittende klassen (landadel, geleerden, geestelijken, etc.).

Genuflection, Genuflexion, dženjuflekš’n, džînjuflekš’n, kniebuiging, knieval.

Genuine, dženjuin, echt, onvervalscht, oprecht; subst. Genuineness.

Genus, džînəs (Meerv. Genera, dženəra), geslacht, klasse.

Geocentric(al), džîəsentrik(’l), met de aarde gelijkmiddelpuntig.

Geodesy, džiodəsi, landmeetkunde; adj. Geodetic(al).

Geoffrey, džefri.

Geogony, džiogəni, leer van het ontstaan der aarde.

Geographer, džiogrəfə, aardrijkskundige; Geographic(al), džîəgrafik(’l), aardrijkskundig; Geography, džiogrəfi, aardrijkskunde.

Geologist, džiolədžist, aardkundige; Geology, džiolədži, aardkunde.

Geometer, džiomətə, Geometrician, džîomətriš’n, meetkundige; Geometric(al), džîəmetrik(’l), meetkundig; Geometrical elevation = geometrische teekening (Archit.); Geometrical progression = meetk. reeks; Geometry = meetkunde.

George, džödž, het beeld van St. George te paard, met den draak strijdend (insigne van de ridders van den kouseband); gouden munt met dat beeld: Brown George = grof aarden waterkan; George-noble = gouden munt (tijd van Hendrik VIII), ter waarde van ongeveer ƒ 4,00; Georgia, džödžə, Georgia; Georgian, džödžən, subst. bewoner van Georgia; adj. behoorend tot de regeering der Georges in Engeland (1714–1830).

Georgic, džödžik, tot den landbouw behoorende: Georgics of Virgil = landelijk gedicht van Vergilius.

Geranium, džəreinj’m, geranium.

Gerard, džerəd, Gerard, Gerrit.

Gerfalcon, džɐ̂fô(l)k’n, giervalk.

Germ, džɐ̂m, subst. kiem, oorsprong, begin; Germ verb. ontkiemen: Germ-theory = leer volgens welke besmettelijke ziekten door bacteriën worden overgebracht; Germ of disease = ziektekiem.

German, džɐ̂rm’n, subst. en adj. Duitsch, nauw verwant; subst. Duitsche taal, Duitscher: Cousin german = volle neef (nicht); German clock = Schwarzwalder klok; German flute = dwarsfluit; German Ocean = Noordzee; German sausage = Wiener worst; German silver = pleetzilver; German tinder = tonder, zwam; German toys = Nürnberger speelgoed; Germania, džɐ̂meinia, Duitschland; Germanic, džɐ̂manik, Germaansch; Germanism = germanisme; Germanize = germaniseeren; Germany = Duitschland.

Germane, džɐ̂mein, džɐ̂mein, subst. en adj. verwant, overeenkomstig, passend: This subject is more germane to our circumstances = staat in nauwer verband met.

Germinal, džɐ̂min’l, subst. zevende maand van het republikeinsche jaar (Maart 21–April 20); adj. tot de kiem behoorende; Germinant = ontkiemend; Germinate, džɐ̂mineit, (doen) ontkiemen of ontspruiten; subst. Germination; Germinative, kiem ...

Gerrymander, džerimandə, knoeien, slecht bouwen, verknippen van kiesdistricten uit partijbedoelingen (eig. Amer.).

Gertrude, gɐ̂trûd.

Gerund, džer’nd, gerundium: Gerund-grinder = schoolvos; Gerundial, džərɐndj’l, tot een gerund behoorende; Gerundive, džərɐndiv, de vorm op ing met eene prepositie daarvoor: On coming, In crossing, etc.

Gervas, džɐ̂vəs.

Gestation, džesteiš’n, dracht, drachtigheid, passieve beweging (rijden, etc.).

Gesticulate, džestikjuleit, gebaren maken; subst. Gesticulation; Gesticulator, džestikjuleitə, gebarenmaker; Gesticulatory language = gebarentaal; Gesture, džestjə, subst. gebaar, beweging, houding; Gesture verb. gesticuleeren; Gesture-language = gebarentaal = Gestural language.

Get, get, krijgen, verkrijgen, verdienen, bezitten, hebben, voortbrengen, overhalen, brengen (in een toestand), worden, leeren: To get the better of = de overhand krijgen, overwinnen; To get a cold = kou vatten, een verkoudheid oploopen; To get the day = de overwinning behalen; You’ll get no good by it = het berouwen; To get hold of = vastgrijpen; To get it hot = er flink van langs krijgen; To get a mile = een mijl afleggen; To get the sack = de bons krijgen; I must get wind first = ik moet eerst op adem komen; The affair got wind = werd bekend, lekte uit; I have got the wind of you = ik heb je in de gaten; He is so weak that he cannot get about = dat hij niet loopen kan; It has got about, that you are here = het is bekend geworden; They are getting ahead = zij gaan vooruit, het gaat hun goed; How are you getting along = hoe staat het met de zaken? Get along with you = och, loop! He has got among thieves = is terecht gekomen; I cannot get at him = kan hem niet bereiken, te pakken krijgen; It is easy to get at him = hem te plagen; The jockey was got at = omgekocht; I could not get away from him = niet van hem afkomen, hem niet kwijtraken; The horse got away with him = ging er met hem van door; One of the boats had been got away = neergelaten en afgestooten; They will get before, behind us = zij zullen ons vóór-, achterkomen; I hope to get behind your tricks = dat ik achter uwe streken zal komen; I got behind the scenes = geraakte volkomen ingewijd (in de plannen); To get in the crops = binnenhalen; I’ll try to get in that picture = te koopen, te krijgen; He got into it = raakte er aan gewend; We have got off safely = zijn er goed afgekomen; I hope to see you as soon as I get off = zoodra ik vrij ben; How are you getting on = hoe maak je het? To get out = raken uit, komen uit, voor den dag halen: I wish I could get out of this business = van dit zaakje af kon komen; I hope I shall get over it = dat ik het zal te boven komen; They got over me = bedrogen mij, werden mij de baas, haalden mij over; At length we have got round him = hebben we hem te pakken; I fear he will not get through = dat hij niet zal slagen; To get up = in orde maken, arrangeeren, opstaan, opstijgen, opsteken, vooruitgaan, bestudeeren: She gets up linen = mangelt en strijkt; He has got up his German = heeft ‘er in’; It was got up for the occasion = afgesproken, klaargemaakt; To get asleep = in slaap geraken; To get clear of = vrijkomen van, afkomen van; I’ll get it done = ik zal het laten doen, maken; get you gone = scheer je weg; You must try to get it by heart = het van buiten te leeren; To get home = thuis komen; To get quit (rid) of = kwijtraken, afkomen van; get-up, subst. = kleeding, enz.; bedriegerij, uitvoering, wijze van voorstelling, tooneelschikking, enz.: The get-up of the book is perfect = The book is nicely got up = de uitvoering van het werk (druk, papier, formaat, enz.) is uitstekend; Getter-up = klaarmaker; The getters-up of a charade = de personen, die de charade voorstellen; Getting = winst, voordeel, verdienste.

Gewgaw, gjûgô, prul; adj. prullerig.

Geyser, gaizə, geiser, heete bron, verwarmingstoestel.

Gharry, gâri, osse-(pony-)wagen (Brit. Indië).

Ghastliness, gâstlinəs, subst. van Ghastly = doodsbleek, afgrijselijk, ijzingwekkend.

Gha(u)t, gôt, bergpas, gebergte, trap (leidende v. een tempel naar eene rivier; Br. Indië).

Gheber, Ghebre, gîbə, geibə. Zie Gueber.

Ghee, gî, soort boterolie (Br. Ind.).

Ghent, Gent.

Gherkin, gɐ̂kin, ingemaakt augurkje.

Ghetto, getou, Ghetto, Jodenkwartier.

Ghibelline, gibəl(a)in, Ghibellijn.

Ghost, goust, subst. geest, spook, lijk, geestverschijning, schijntje; iemand die b.v. letterkundig werk doet, waarvan een ander de eer krijgt: He has not the ghost of a chance = niet de geringste kans; He gave up the ghost = hij gaf den geest; We needed no ghost to tell us that = dat begrepen we zelf ook wel; The Holy Ghost = de H. Geest; Ghost story = spookvertelling; Ghostliness, subst. v. Ghostly = spookachtig, akelig, somber: Ghostly hour = spookuur, middernachtelijk uur.

Ghoorkas, guəkaz, het voornaamste ras in Nepaul.

Ghoul, gûl, (Oostersch) menschenlijken etend monster; reporter (Amer.); Ghoulish = demonisch.

Ghurry, gɐri, wateruurwerk, 1⁄60 dag, gong.

Ghyll, gil, bergkloof, ravijn.

Giant, džaiənt, subst. reus; The Giant Mountains = het Reuzengebergte; adj. reusachtig, kolossaal; Giantess = reuzin; Giantship = reusachtigheid.

Giaour, džauə, ongeloovige (naam voor Christenen bij de Turken).

Gib, džib, arm van eene kraan, spie; (oude) kater = Gib-cat.

Gibber, gibə, brabbelen, brabbeltaal spreken, snateren; Gibberish = brabbeltaal; adj. zonder beteekenis.

Gibbet, džibət, subst. galg, kraanbalk; Gibbet verb. ophangen; aan de kaak stellen.

Gibble-gabble, gib’lgab’l, gesnater, gezwets.

Gibbon, gib’n, Gibbon; langarmige, staartlooze aap.

Gibbose, gibous, Gibbous, gibəs, gebocheld, uitpuilend, bol; Gibbosity, gibositi, bultigheid, bolheid, uitpuiling.

Gibbs, gibz.

Gibe, džaib, subst. spot, smaad; Gibe verb. spotten, hoonen, beschimpen, uitschelden; Giber = spotter, schimper.

Gibeon, gibjən: Children of Gibeon = proletariërs, armen; Gibeonite, gibjənait, bewoner v. Gibeon (Jozua IX, 23), duivelstoejager, laagste loondienaar.

Giblets, džibləts, inwendige deelen van gevogelte, zooals lever, maag, hart, etc.

Gibraltar, džibrôltə, Gibraltar; Gibraltar ape (Gibraltar monkey) = magot (aap).

Gibson, gibs’n.

Gibstaff, džibstâf, peilstok, vaarboom.

Gibus hat, džaibəshat, klak.

Giddiness, gidinəs, subst. van Giddy, gidi, duizelig, zwijmelend, veranderlijk, grillig, opgewonden, onnadenkend, onbezonnen: Giddy-brained = gedachteloos, roekeloos; Giddy-go-round = caroussel.

Gifford, gifəd.

Gift, gift, subst. recht van geven of begeven, gave, begaafdheid; Gift verb. begiftigen: I would not have it for a gift = ik zou het niet voor niemandal willen hebben; That appointment is in the gift of the crown = wordt door de kroon vergeven; Gifted with many accomplishments = met vele talenten begaafd; Giftedness = begaafdheid.

Gig, gig, subst. harpoen; tol; sjees, cabriolet; kaardcylinder, kaardmachine; lichte sloep; neus, farthing; Gig verb. met elger of harpoen steken; Gig-lamp = rijtuiglamp; Gigman = harpoenier; geldpatser; Gigs = bril.

Gigantean, džaigəntîən = Gigantesque, Gigantic, reusachtig, kolossaal.

Giggle, gig’l, gichelen; subst. gegichel; Giggler.

Gilbert, gilbət; Gilchrist, gilkrist.

Gild, gild, vergulden, verfraaien: Gilded youth(s) = jeunesse dorée; Gilding = het vergulden, versiering, verguldsel; Gilding-metal = verguldstof.

Gilead, giliəd.

Giles, džailz, Gilles: St. Giles (vroeger beruchte) buurt in het centrum van Londen.

Gilfillan, gilfilən.

Gill, gil, kieuw, kaak, lel, het vleesch om en bij de kin, vadermoorder (boord); Gill-flap = kieuwklep.

Gill, džil, meisje, liefje, snol; Gill-flirt = dartele meid.

Gill, džil, ¼ Pint (= 0.14 L.).

Gillet, džilət, Gillian, džilj’n, dartele meid.

Gillie, gili, Hooglandsche dienaar, vooral bij rijden en jagen.

Gilliflower, džiliflauə, tuinanjelier.

Gilmore, gilmö; Gilpin, gilpin; Gilson, gilsən.

Gilpy, gilpi, vroolijke gast(-meid).

Gilravage, gilravidž, subst. opgewonden pret, rumoerig partijtje; plundering; Gilravage verb. plunderen, verwoesten; Gilravager = rumoerige, wanordelijke klant, roover, plunderaar.

Gilray, gilrei.

Gilt, gilt, adj. verguld; subst. verguldsel; jong wijfjesvarken: The ominous Three Gilt Balls = lommerd; Gilt-edged = verguld op snede, fijn, chique.

Gim, džim, chique, fijn, net.

Gimbal, džimb’l, beugel, om het kompas aan te hangen.

Gimcrack, džimkrak, prul, speeldingetje; adj. prullerig.

Gimlet, gimlət, subst. (dril)boor; Gimlet verb. boren, draaien.

Gimp, gimp, gimp, soort van passement.

Gimp, džimp, net, fijn, keurig, slank, schraal.

Gin, džin, jenever; strik, machinerie, kraan, foltertuig, braak; inboorling, oude vrouw (Austral.); Gin verb. braken (van vlas), ontkorrelen, vangen; Gin-horse = molenpaard; inlandsche vrouw (Austral.); Gin-mill, Gin-palace, Gin-shop = kroeg, drankhuis.

Ginger, džinžə, gember, iets pikants; Ginger-beer = gemberbier; Ginger-brandy (Ginger-cordial) = drank, gemaakt van spiritualiën, gember, etc.; Gingerbread = peperkoek; geld: To take the gilt off the gingerbread = van de aantrekkelijkheid berooven; Gingerbread-nuts = pepernoten; Gingerbread-stall (-booth) = koekkraampje; Gingerbread work = prulsieraden; Gingerly = voorzichtig, behoedzaam; netjes, keurig, geaffecteerd.

Gingham, giŋ’m, gingang, katoenen stof; groen katoenen paraplu.

Ginglymus, džiŋglimɐs, giŋglimɐs, scharniergewricht.

Gipsy, džipsi, subst. Zigeuner, de taal der Z., donker uitziend persoon; heks, sluwe bedriegster; adj. Zigeuners ..., Zigeunerachtig; Gipsy verb. in de open lucht leven, buiten eten; Gipsy-cart = reis- en woonwagen; Gipsy herb = gemeene wolfsklauw; Gipsyfy, džipsifai, zwart of donker maken; Gipsyism = gewoonten en zeden der Zigeuners, bedrog.

Giraffe, džiraf, giraffe.

Girandole, džir’ndoul, kandelaar met armen, vuurrad (stuk vuurwerk).

Girasol, džirəsol, Europeesche heliotroop; girasol (edelgesteente).

Gird, gɐ̂d, subst. kneep, steek, sarcasme, hoonlach; Gird verb. doorsteken, spotten met of lachen om (at); omgorden, vastbinden, aangorden; Girder = spotter; dwarsbalk; Girdle, subst. gordel, band, omtrek, boog; Gird verb. omgorden, insnijding om een boomstam maken, omvatten: He had (held) the people under his girdle = hij hield het volk er onder.

Girl, gɐ̂l, meisje, dienstmeisje; tweejarige reebok; Girl-friend = vriendin(netje); Girlhood = de meisjesjaren; Girlish = meisjesachtig, meisjes - -; subst. Girlishness.

Girondist, džirondist, Girondijn.

Girt, gɐ̂t, P.P. en P. Imp. van to gird.

Girth, gɐ̂th, buikriem, band, omvang; Girth verb. omgorden, omgespen.

Gisborne, gisbən, Gislebert, giz’lbət, Gijsbert(us).

Gist, džist, hoofdpunt (v. redeneering of vraag): I told him the gist of my errand = doel van mijne boodschap; That is the gist of it = dat is de kern der zaak; Here lies the whole gist of the matter.

Giusto, džustou, in de maat (muziek).

Give, giv, verb. geven, schenken, verleenen, overhandigen, mededeelen, veroorloven, blootstellen, meegeven, zakken, wijken; subst. het meegeven: The kindly give of the trigger = het zacht meegeven van den trekker; Give and take is the only possible rule in marriage = geven en nemen; That is a give and take (exchange) = dat is een billijke ruil; A fight of a give-and-take character = waarin beide partijen veeren laten; The weather (frost) gives = verandert, het begint te dooien; I felt the bar give a little = voelde, dat de stang boog; I’ll give it you = ik zal je wel! To give battle = slag leveren; To give a call = een bezoek brengen; To give chase = nazetten; To give the cold shoulder = met den nek aanzien; To give ear to = het oor leenen aan; To give good day = goeden dag wenschen; To give ground = wijken; To give a guess at = raden naar; To give in charge = in (verzekerde) bewaring geven; I give you joy = ik feliciteer u; To give judgment = uitspraak doen; To give the lie = logenstraffen, heeten liegen; To give a lift = een handje helpen, laten meerijden; To give place to = wijken voor; To give sentence = vonnis vellen; To give the slip = laten zitten, uitknijpen; You ought to give me something = iets vóór geven (bilj.); To give a start = opschrikken; To give suck = zoogen; To give tongue = aanslaan (van honden); To give warning = den dienst opzeggen; To give way to = wijken voor; Here the crew began to give way = begonnen met alle kracht te roeien; To give a yawn = gapen, geeuwen; The bride was given away by her brother = de bruid werd door haar broeder aan den bruidegom overgegeven; His ears give him away = aan zijn ooren kun je wel zien, wat een ezel hij is; Don’t give yourself away = gooi jezelf niet weg, verklap jezelf niet; I hope you didn’t give me away = mij niet hebt verklapt; That is a dead give-away = dat is enkel geld weggooien; The enemy gave back pell-mell = week in verwarring; It was given forth by everybody = het werd door iedereen verteld; You must give in to me that you were wrong = mij toegeven; To give on = uitkomen op (tuin of straat); To give out = uitdeelen, aankondigen; uitgeput zijn of raken; To give out a text = voor- of oplezen; He gives himself out for something bigger than he is = zich voordoen als, uitgeven voor; It was given out publicly = publiek aangekondigd, bekend gemaakt; The lamp gave out a flickering light; To give out lessons = opgeven; The ammunition gave out = raakte op; I had given it over = het opgegeven; He gave himself over to drinking = hij verslaafde zich aan den drank; He was given up by the doctors = de geneesheeren hadden hem opgegeven; He gave himself up to the police = hij leverde zichzelf in handen der politie; To give up an establishment = eene zaak opheffen, likwideeren; He gave himself up to that delight = gaf zich over aan ...; Quebec gave itself up = gaf zich over; He preferred to give up work before work gave him up; He is given to study = hij wijdt zich aan, houdt veel van studie; He is not much given to talk = houdt niet van veel praten; A given-name = doopnaam (Amerika).

Gizzard, gizəd, krop: He frets his gizzard = hij ergert zich.

Glabrate, gleibrit, glad, kaal, onbehaard = Glabrous, gleibrəs.

Glacial, gleišəl, bevroren, ijs..., gletscher...; Glaciate, gleišieit, bevriezen, tot ijs worden; subst. Glaciation; Glacier, glasiə, gleišə, gletscher.

Glacis, gleisis, schuinte, glooiing.

Glad, glad, adj. blij, verheugd, vroolijk; schitterend; Glad verb. blij maken of worden: I am glad of it = ik ben er blij om; I shall be glad to do it = het zal mij aangenaam zijn; He was glad at finding us = dat hij ons vond; Gladden = verblijden; subst. Gladness adj. Glad-some.

Glade, gleid, open ruimte in een bosch; wak in ’t ijs (Amer.).

Gladiate, gladiit, zwaardvormig; Gladiator, gladieitə, zwaardvechter, strijder; adj. Gladiatorial; Gladiole, gladioul, zwaardlelie = Gladiolus, gladaiəlɐs, gladiouləs.

Gladstone, gladst’n, Gladstone; soort rijtuig; valies = Gladstone bag; Gladstonian = aanhanger van G.; ook adj.

Glair, glêə, subst. eiwit, eiwitachtige stof; Glair verb. vernissen, bestrijken met; adj. Glairy.

Glaive, gleiv, zwaard.

Glamis, glâms, glamis.

Glamour, glamə, subst. betoovering, oogenbegoocheling, tooverspreuk; Glamour verb. begoochelen, betooverend schilderen: He glamoured the mountains with a fascination that none could resist = hij schilderde de bergen onweerstaanbaar betooverend.

Glance, glâns, subst. lichtstraal, flikkering, blik, oogopslag, lichte aanraking, lonk, wenk; Glance verb. stralen schieten, schieten langs; vluchtig aanzien, kortelijk vermelden, aanblikken: To glance an eye on = een blik werpen op; To Glance off = afschampen; To Glance over = vluchtig doorzien; He hardly glanced upon it = roerde het haast niet aan; Glance-coal = glanskool, anthraciet.

Gland, gland, klier, cel; Glanders, glandəz, droes (paardenziekte); Glandered = behept met kwaden droes; Glandiferous, glandifərɐs, eikels voortbrengend; Glandiform, glandiföm, eikelvormig; Glandula, glandjul(ə), kliertje; Glandular, glandjulə, klierachtig, klier ...; Glandule = Glandula.

Glans, glanz, eikel, nootvormige vrucht.

Glare, glêə, subst. schitterende glans, valsche gloed, schittering, doordringende blik; Glare verb. met schitterend en verblindend licht schijnen, woest staren, vlammende blikken werpen (at); Glaring = fonkelend, verblindend, openbaar, onbeschaamd, schandelijk, schreeuwend; Glary = fonkelend, schitterend.

Glasgow, glasgou.

Glass, glâs, subst. glas, drinkglas, lens, spiegel, kijker, zandlooper, barometer, thermometer, (sterke) drank; adj. van glas; Glass verb. (af)spiegelen, met glas omhullen, verglazen: Glasses = bril; A pair of glasses = lorgnet; Glass-blower = glasblazer: Glass-blower’s lamp; Glasscoach = staatsiekoets, glazen koets; Glass-house = glasblazerij; Glass jar = klok, inmaakflesch; Glass-metal = gesmolten glas; Glass-painting = het schilderen of schilderwerk op glas; Glass-paper = glas-(schuur-)papier; Glass shade = stolp, glazen lampekap; Glass-staining = het kleuren van en schilderen op glas; Glass-ware, Glass-work = glaswerk; Glass-works = glasblazerij; Glassful; Glasslike; Glassy = van glas, als glas, glad, spiegelglad: Glassy eyes = doffe, glazige oogen.

Glastonbury, glâst’nbəri: Glastonbury chair = een soort leuningstoel; Glastonbury thorn = tweestijlige meidoorn.

Glaucescence, glôses’ns, zeegroene kleur; Glaucescent, glôses’nt, Glaucous, glôkəs, zeegroen.

Glaucoma, glôkoumə, grauwe staar; adj. Glaucomatous.

Glaucus, glôkəs.

Glaze, gleiz, van glazen, vensters of spiegels voorzien, met glas bedekken, in glas zetten, verglazen, satineeren, glaceeren; subst. glazuur: Glaze-kiln = verglaasoven; Glaze-board = soort van pap, waartusschen het papier glanzend gemaakt wordt; gladhout; Glazed book-cases = van glas voorziene; (Cf. Glazed windows); With glazed eyes = glazige; Glazed frost = ijzel; Glazed hat = met geolied linnen overtrokken; Glazed tiles = verglaasde pannen; Glazer = verglazer, polijster; poleerschijf; My coat is glazy at the seams = glimmend aan de naden.

Glazier, gleižə, glazenmaker; Glazier’s-diamond.

Gleam, glîm, subst. straal, schittering; Gleam verb. stralen, stralen schieten, schitteren; Gleamy = stralend, fonkelend.

Glean, glîn, subst. nasprokkeling; Glean verb. nalezen, opzamelen, verzamelen, aren lezen. gappen; Gleaner = sprokkelaar; To go a-gleaning = nalezen.

Glebe, glîb, pastorie-landen, bouwland, aarde; Glebe-house = pastorie; Glebe-land = pastorie-landen.

Glede, glîd, wouw of zwaluwstaart.

Glee, glî, vroolijkheid, muziek, zang, lied (soort v. canon): In high glee = zeer vroolijk; Glee-club = (mannen)zangvereeniging; Glee-maiden = rondreizende liedjeszangster; Gleeman = minstreel; Gleewood = een ouderwetsch muziekinstrument.

Gleet, glît, etter; Gleet verb. etteren; Gleety = dun, etterig.

Gleig, gleg.

Glen, glen, nauw dal, bergengte.

Glencoe, glenkou; Glendower, glendauə, glendûə.

Glene, glîn, oogappel, oog; ondiepe gewrichtsvlakte of pan.

Glenlevit, glenlîvit.

Glib, glib, glibberig, vloeiend (van spraak), welbespraakt: A glib tongue; subst. Glibness.

Glide, glaid, subst. het glijden, overgang (van de eene letter op de andere); Glide verb. zacht glijden of voortbewegen, zweven; Glider.

Gliff, glif, korte tijd, schrik; Gliff verb. schrikken.

Glim, glim, licht, kaars: Douse the glim = doe het licht uit; Glimmer = glimmen, schemeren, zwak, schemerachtig licht verspreiden; subst. zwak, onzeker licht; mica; Glimmering = schijnsel, zwakke glans, zwakke opflikkering (van bewustheid, kennis enz.), schijntje, flauw begrip.

Glimpse, glimps, subst. zwak licht, glimp, spoor, voorbijgaand genot, kort bestaan, tint; Glimpse verb. blikken, voor een oogenblik verschijnen, vluchtig zien of toonen: I caught a glimpse of him = ik zag hem met een glimp.

Glint, glint, subst. lichtstraal, vluchtige blik; Glint verb. schitteren, flikkeren: I knew him at the first glint = dadelijk; The train rushed on over the glinting rails = de glinsterende rails.

Glissade, gliseid, subst. glijpad voor het afdalen van gletschers, de afdaling zelve; een danspas; Glissade verb. naar beneden glijden; glissen.

Glisten, glis’n, flikkeren, schijnen, glanzen; subst. flikkering = Glister, glistə, verb. en subst. glanzen.

Glitter, glitə, flonkeren, flikkeren, schitteren, glansen, blinken; ook subst.: All is not gold that glitters = ’t is al geen goud wat er blinkt.

Gloam, gloum, schemeren; terneergeslagen of somber zijn; Gloaming, subst. avondschemering: Gloaming of life = levensavond.

Gloat, glout (on), aanstaren vol begeerte of duivelsche vreugde, met een waar tijgergenoegen neerzien op; zich verkneuteren in de pijn van.

Globate, gloubit, bolvormig.

Globe, gloub, subst. bol, bal, aarde, wereld, globe (terrestrial globe = aard ... en celestial globe = hemel ...), ballon (van de lamp); Globe verb. (zich) tot een bal vormen; Globe-daisy = kogelbloem = Globe-flower; Globe-trotter = iemand, die de geheele wereld afreist; Globe-trotting = het afreizen van de wereld; Globe-valve = balklep; Globose, gləbous, gloubous, Globular, globjulə, bolvormig: Globular sailing (Zie Circular); Globule, globjûl, bolletje, kleine homoeopatische pil; celletje.

Globulin(e), globjulin, globuline, eiwitachtige stof in de bloed bolletjes.

Glomerate, glomereit, tot een bal of kluwen vormen = Glomerous, glomərɐs.

Gloom, glûm, subst. donkerheid, zware schaduw, somberheid, dofheid, droefgeestigheid, moedeloosheid; Gloom verb. somber of donker worden of schijnen, schemeren, betrekken (met wolken), fronsen, bedroeven; Gloomy = duister, somber, zwaarmoedig, neerslachtig.

Gloria, glôriə, lof, heerlijkheid: Gloria Patri = lof zij den Vader; Gloria in excelcis Deo = lof zij den Heer in den hoogen; Gloried, glôrid, doorluchtig, roemrijk; Glorification = verheerlijking; Glorify = verheffen, verheerlijken; Gloriole, glôrioul, stralenkrans, nimbus.

Glorious, glôriəs, doorluchtig, roemrijk, heerlijk, prachtig; lachwekkend; Glory, glôri, subst. roem, lof, bewondering, heerlijkheid, (hemelsche) zaligheid, roemzucht, trots, snorkerij, nimbus; Glory verb. roem dragen op: He was the glory of his age = de roem van zijn tijd; He glories in his ignorance = draagt roem op.

Glose, glous; Zie Gloze.

Gloss, glos, subst. glans, luister; Gloss verb. glanzend en schitterend maken, verfraaien, verbloemen: To remove the gloss = ontglanzen; I will gloss over your shortcomings = vergoelijken, door de vingers zien; Glossiness = glans, glanzigheid; Glossy = glanzig.

Gloss, glos, glos, glosse, verklarende kantteekening; Gloss verb. glosseeren, glossen maken; Glossarial, glosêriəl, glossen betreffend; Glossarist = verklaarder; Glossary = glossarium.

Glossic, glosik, stelsel v. phonetische spelling (v. Ellis).

Glossitis, glosaitis, tongontsteking.

Glossography, glosogrəfi, het maken van een glossarium; verhandeling over de tong.

Glossolalia, glosəleiliə, Glossolaly, glosoləli, het spreken in vreemde talen (Bijb.).

Glossology, glosolədži, uitlegging van woorden; vergelijkende taalwetenschap.

Gloster, glostə, Gloucester (kaas).

Glottal, glot’l, stemspleet...; Glottis, glotis, stemspleet.

Glottology, glotolədži. Zie Glossology.

Gloucester, glostə, Gl. (kaas); Gloucestershire, glostəšə.

Glove, glɐv, subst. handschoen, bokshandschoen; Glove verb. (als) met een handschoen bedekken: Berlin glove = wollen handschoen; They are hand and (in) glove = koek en ei; He threw down the glove and I took it up = hij wierp mij den handschoen toe en ik nam hem op; Glove-fight = vuistgevecht, bokspartij; Glove-shop = handschoenenwinkel; Glove-stretcher = handschoenrekker; Glover = handschoenmaker: He got it with the aid of a glover = door kruiwagens (fig.).

Glow, glou, subst. gloed, gloeihitte, helderheid, vuur, hitte, roodheid; Glow verb. gloeien, fonkelen, schitteren, rood zijn, vol vuur en opgewektheid zijn: He is glowing with patriotic feeling = gloeit van; Glow-lamp = electr. gloeilamp; Glow-worm = glimworm.

Glower, glauə, nijdig en dreigend staren (at).

Gloze, glouz, vleitaal, schijn; Gloze verb. een vernisje geven, vergoelijken (over).

Glucic, glûsik: Glucic acid = glucinzuur; Glucose, glûkous, druivensuiker.

Glue, glû, subst. lijm; Glue verb. lijmen, vasthechten: To move at the rate of a fly in a Glue-pot; Gluey = kleverig.

Glum, glɐm, adj. norsch, somber: There is no Sabbath glumness at these meetings = geen uitgestreken gezichten.

Glume, glûm, dop, kaf, bolster.

Glut, glɐt, subst. overkroptheid, groote overvloed, al te groote voorraad; Glut verb. schrokken, kroppen, overladen, overvoeren, voldoen, verzadigen: He glutted his eyes = hij weidde zijne oogen; To glut one’s revenge = zijn wraak koelen; Glutman = nood- of extra hulp bij veel werk.

Gluten, glût’n, gluten.

Glutin, glûtin, eiwitachtig bestanddeel van gluten.

Glutinous, glûtinɐs, lijmachtig, kleverig; subst. Glutinousness.

Glutton, glɐt’n, subst. gulzigaard; veelvraat (dier); Gluttonous = gulzig; Gluttony = vraatzucht, gulzigheid.

Glycerin(e), glisərin, glycerine.

Glyph, glif, loodrechte holte of gleuf (in zuilen, b.v.); Glyphic, glifik. Zie Hieroglyphic.

Glyptics, gliptiks, glyptiek, graveerkunst in steen; Glyptograph, gliptəgraf, graveering op edelsteen; Glyptographer.

Gnar, nâ, knorren, brommen.

Gnarl, nâl, subst. knoest; snauw, grauw; Gnarl verb. snauwen, grauwen; Gnarled, nâld, vol knoesten; korzelig, grommig = Gnarly.

Gnash, naš, knarsen: To gnash one’s teeth.

Gnat, nat, mug: To strain at (beter: out) a gnat and swallow a camel = eene mug uitzijgen en een kameel doorzwelgen; Gnat-strainer = muggenzifter; Gnat-worm = larve van eene mug.

Gnaw, nô, wegknagen, knabbelen, knagen, voortdurende pijn lijden; Gnawer.

Gneiss, nais, gneis, zeker gesteente; Gneissic.

Gnome, noum, aardmannetje, kabouter; maxime, zinspreuk; Gnomic(al), noumik(’l), nomik(’l), leerend, vol maximen.

Gnomon, noumon, gnomon, een soort van zonnewijzer; adj. Gnomonic, nəmonik.

Gnosis, nousis, kennis, wetenschap; Gnostic, nostik, gnostisch; sluw, wereldwijs; ook subst.; Gnosticism, nostisizm, gnosticisme.

Gnu, nû, njû, kleine antilope.

Go, gou, gaan, loopen, zich begeven, trekken, reizen, varen, vloeien, in gang zijn, in omloop zijn, beschouwd worden als, leiden tot, zich uitstrekken tot, zich bevinden, gelukken, van plan zijn, op het punt zijn, zijn toevlucht nemen tot, handelen, zich schikken, verkocht worden, waard zijn, voorhanden zijn, verloopen, ten einde loopen, enz.; subst. gang, omstandigheid, zaak, mode, vuur, moed, poging, rondje, dronk, glas, enz.: Goes of whisky = rondjes; I had a second go = werd voor de tweede maal bediend; We had a go at the sherry = dronken eens; I had a go at it = probeerde het eens; He has plenty of go in him = veel energie, “fut”; Here’s a jolly go = dit is een mooie boel; That is no go = dat is mis, gaat niet, geeft niets; That is the extreme of no-goism = dat kan heelemaal niet; Such hats are all the go now = draagt nu iedereen, zijn erg algemeen; I have given him the go-by = hem gedaan gegeven, hem afgedankt; We gave the fortress the go-by = lieten liggen, trokken haar voorbij; He was our go-between = hij was onze bemiddelaar; Great go = het examen voor den B.A. graad (na 3 jar. studie); Little go (= Responsions, Smalls) = een vóórexamen (na 2 jar. studie); The book will go = zal bijval vinden, “gaan”; She went that fatal voyage = ondernam; Pay as you go = betaal wat ge noodig hebt; She let herself go after marriage = toonde haar waren aard; I made my money go as far as I could = besteedde zoo nuttig mogelijk; It is rather fair, as things go = het is naar omstandigheden nogal gunstig; She is a good child as children go = vergelijkenderwijs is ze een goed kind; I am gone = verloren, “er bij”; Far gone in liquor = erg dronken; Be gone = maak, dat je weg komt, ruk uit; He is gone = weg; Get you gone = ruk uit; go about your business = maak dat je weg komt; We have gone about a long way = een heel eind omgeloopen; Everything goes against me = alles loopt mij tegen; It goes against the stomach (grain) with me (against my st., gr.) = stuit mij tegen de borst; Go along with you = och loop; You will understand it as you go along = als gij maar volgt, voortgaat; I have gone between them = ben als bemiddelaar tusschen hen opgetreden; You have gone beyond me = mij bedrogen, mij overtroffen; You went by me = zijt mij voorbijgegaan, hebt mij genegeerd; I go by my own feelings = volg; The ship has gone down = is vergaan; The manoeuvre which in the language of the prize-ring is known as going down to avoid punishment = de manœuvre, die in sporttaal bekend staat als op de knieën vallen om de slagen te ontduiken; That won’t go down with us = dat wil er bij ons niet in, gaat bij ons niet op, dat slikken wij niet; He went down with the public = viel in den smaak bij; The bread has gone down (gone up) = het brood is afgeslagen (opgeslagen); Such things go for nothing with me = tellen bij mij niet; I’ll go for him for slander = zal hem wegens laster aanklagen; We went forth at 12 = wij vertrokken om 12 uur; To go in = binnengaan, er op los gaan, binnenkomen, aanheffen, smaak vinden in, weer aan ’t werk gaan, aanpakken, beginnen met, opgaan voor (een examen), veel werk maken van; I must go in for a new coat = ik moet aan eene nieuwe jas gelooven; I will go in for it = ik zal er aan meedoen; He went in for a quiet country-place = hij vestigde zich in (nam); This door goes into the garden = komt op den tuin uit; The merchant went into the Gazette = ging failliet; To go into particulars = in bijzonderheden afdalen; We did not go into those matters = roerden niet aan; To go off one’s head = verliezen; To go off the rails = derailleeren; He has gone off = hij is heengegaan, gestorven; Things went off at high prices = de artikelen werden voor hoogen prijs opgekocht; It has gone off very well = het is heel goed gegaan; She is going off (in her looks) = zij wordt er niet mooier op; The gun went off = geweer ging af; He succeeded at his first go-off = eerste poging, eersten slag; He went on = ging door, voort, “ging aan”, trad op (tooneel); Gone on a girl = verliefd op; Comparisons never go on all fours = vergelijkingen gaan altijd mank; She is going on for middle-age = komt al op middelb. leeftijd; Ministers have gone out of office = hebben hunne portefeuilles neergelegd; With her something seems to have gone out from my life = door haar (vertrek, etc.) schijnt er iets aan mijn leven te ontbreken; Her thoughts went out to tea (to him) = hare zinnen zetten zich op thee (op hem); To go over = gaan over, dóórloopen, bezichtigen, overgaan (kathol. worden); We have gone over this book together = dit boek doorgewerkt, nagegaan; To be gone over a thing = zich ergens heel druk over maken; We went through the accounts = rekenden af; We have gone through much suffering = veel leeds geleden; Now that you have begun you must go through with it = moet gij het ook doorzetten; Go to = och loop! begin! ga door; He went to law = ging procedeeren; Two things go to this = twee zaken zijn hiervoor noodig; He goes under that title = is bekend onder; We will not go upon such principles = niet volgens die beginselen handelen; What went with her is not known = wat met haar gebeurde; This colour does not go with her bonnet = past niet bij haar hoed; You will have to go without your dinner to-day = het zonder middageten moeten stellen; To go abroad = naar het buitenland gaan; To go ahead = vooruit gaan; To go aloft = naar boven (in het tuig) gaan; To go astray = verdwalen, zondigen, den verkeerden weg opgaan; To go bad = bederven; That does not go far enough = is niet toereikend; To go the whole figure (the whole hog) = consequent doorzetten, volhouden; To go halves = voor de helft staan; It will go hard with you = je zult het hard te verduren hebben: het zal je veel moeite kosten; Go it, old boy = raak hem, toe maar; They have been going it = zij zijn er van door geweest; I will not go that length = zoover ga ik niet; He went greater lengths than any of you = hij ging verder, durfde meer; To go mad (crazy, white) = gek; Going strong? = gaat het goed; Go-between = tusschenpersoon, bemiddelaar; Go-by: To give the go-by = uitsnijden; ignoreeren; negeeren; The child is taught to walk by means of a go-cart = loopwagentje (raamwerk zonder bodem op rolletjes); Go-down = pakhuis, stapelplaats; Goer: This watch is a good goer = loopt goed; All comers and goers = de gaande en komende man; Going = gaande, aan den gang, goed loopend, voorhanden, in de mode; gang, weggaan: All the mothers going = alle bestaande moeders; Going, going, gone! = eenmaal, andermaal, ten derden male! Going-away dress = reistoilet van de bruid; Goings = handelingen, levenswandel; Goings-on: You never saw such goings-on = zoo iets heb je nooit gezien; To be going = op ’t punt staan; I’m not going to tell him = ik zal wel oppassen; It is going on for twelve = het loopt tegen; To keep going = aan den gang houden; To set going = aan den gang brengen; Gone, gon, gôn, part, perf. van to go: It is six gone = over zes; He is a gone man, A gone beaver, coon, gander, goose, It’s a gone case (goose) with him = ’t staat er hopeloos met hem voor, hij is er bij; Goneness = gevoel van zwakheid of gedruktheid (Amer.).

Goad, goud, subst. prikkel (van ossendrijvers); Goad verb. prikkelen, aanzetten, tot prikkel dienen: He was goaded into savageness = hij werd geprikkeld tot hij een woesteling geleek; Goadsman, Goadster = ossendrijver.

Goal, goul, begin- of eindpaal, doel, einde: To get a goal = een goal maken.

Goat, gout, geit; Goat-foot = bokspoot, satyr; Goat-herd = geitenhoeder; Goat’s beard = moerasspiraea; Goat’s marjoram = marjolein; Goat-carriage = bokkewagen; Goatskin, subst. en adj. geitenvel, geitenleder; Goat-sucker = nachtzwaluw, geitenmelker; Goatee, goutî, sik; Goatish = bok- of geitachtig, vuil riekend, ontuchtig.

Gob, gob, mond(vol), beet, portie; Gobbet, gobət, subst. mondvol, brok, stuk; Gobbet verb. met groote slokken of brokken verzwelgen.

Gobbing, gobiŋ, kolen- en steengruis.

Gobble, gob’l, subst. geklok; Gobble verb. gulzig slikken, klokken, kakelen: Such excellent housekeepers are eagerly gobbled up by bachelors = worden dadelijk ingepikt door; Gobbler = gulzigaard, smulpaap, kalkoen.

Gobelin, gobəlin, gobelin; ook adj.

Goblet, goblət, drinkbeker.

Goblin, goblin, kabouter, spook, booze fee.

God, god, God: Come from God knew where; So help me God! (eedsformulier); Would to God = God gave! The gods = (de lui van) het “schellinkje” (in een schouwburg); Godchild = petekind; Goddaughter = peetdochter; Godfather, subst. peetvader, peetoom; God verb. als peetvader optreden; God-fearing = godvreezend, godsdienstig; In this God-forgotten place; Godhead, Godhood = Godheid, goddelijkheid; God-man = Godmensch; Godmother = petemoei; Godsend = meevallertje, geluk; Godson = peetzoon; God’s-acre = godsakker, begraafplaats; God-speed: To bid god-speed = goede reis wenschen; Godwit = griet; Goddess = godin; Godless = goddeloos; subst. Godlessness; Godlike = goddelijk, vroom; subst. Godlikeness; Godly = godvruchtig, vroom: The Godly = het volk Gods (naam van de parlementsgezinden in den Eng. burgeroorlog van 1629–1640).

Godfrey, godfri, Godfried, Govert; Godiva, gədaivə, Godiva.

Goee-goee, gouî-gouî, luiaard, stumper.

Goffer, gofə. Zie Gauffer; Goffering, gofəriŋ, geplooid kantwerk.

Goggle, gog’l, met de oogen rollen, staren; adj. starend, uitpuilend; subst. bril (tegen stof, scherp licht of scheel zien), oogkleppen (v. paarden); Goggle-eye(d) = (met) uitpuilende oogen; gebrild; Goggle-eyed spectacles = met groote, bolle glazen.

Goglet, goglət, (aarden) koelkan.

Goitre, (Amer.) Goiter, gôitə, kropgezwel; adj. Goitrous.

Golconda, golkondə, goudmijn, geldwinning.

Gold, gould, goud, rijkdom; hart van de schijf bij boogschieten; adj. gouden: These words hit the gold with precision = slaan den spijker juist op den kop; Gold-beater = goudpletter, goudbladmaker; Gold-beater’s-skin = goudvlies; Gold-bound = in goud gezet of gevat; Gold-cloth = goudlaken; Gold-digging = het graven naar goud; Gold-dust = stofgoud; Gold-fever = manie voor goudzoeken; Gold-field = gouddistrict, goudveld; Gold-finch = goudvink (ook fig.); Gold-fish = goudkarper; Gold-foil = bladgoud; Gold-flower = vleugelnoot; Gold-hammer = geelgors; Gold-lace = goudgalon; Gold-leaf = bladgoud; Gold-smith(ry) = goudsmid(swerk); Gold-stick = hofceremoniemeester (met gouden staf) in Engeland; Gold-thread = gouddraad (om zijde gewikkeld); Gold-washer = goudwasscher; Gold-wire = gouddraad; Golden = goudachtig, op goud gelijkend, goudkleurig, van goud, schitterend, van groote waarde, gelukkig; Golden age = gouden eeuw; Golden cup = boterbloem; Golden eagle = steenarend; Golden fleece = gulden vlies; Golden-mouthed = welsprekend; Golden-number = guldengetal; Golden-rule = gulden regel, regel van drieën; Golden-tressed = met goudgele lokken; Golding = goudrenet; Goldney = goudvischje; Goldy = goudvink; Goldylocks, gouldiloks, gulden boterbloem; huidvaren, haarmos, etc.

Golf, go(l)f, een soort van kolfspel; Golf verb. ’golf’ spelen; Golf-club = kolf, golfclub; Golf-link = golfbaan.

Golgotha, golgətha, Golgotha, martelplaats.

Goliath, gəlaiəth, Goliath: Goliath beetle = groote kever (in de Tropen).

Golly, goli, gossie: Golly, how they shrieked = gossie, wat schreeuwden ze!

Gollywog, goliwog, een potsierlijk opgekleede pop, met opengespalkte oogen, een haarbos en vaak een zwart gezicht.

Goloe-shoe, gəloušû, (elastieken) overschoen = Golosh(e).

Gombeen, gombîn, Iersch woekeraar.

Gomuti, Gomuto, gəmûti, gəmûtou, arengpalm; de zwarte vezels daarvan.

Gondola, gondələ, gondel, platboomde vrachtboot; perronwagen (Amer.); Gondolier, gondəlîə, gondelier.

Goneril, gonəril.

Gonfalon, gonfəlon, Gonfanon = lansvaantje; kerkbanier.

Gong, goŋ, gong (een tambourijnvormig metalen instrument waarop met een omwoelden stok wordt geslagen, en dat in vele Engelsche huizen in plaats van de etensbel wordt gebruikt); heimelijk gemak; Gong-punch. Zie Bell-punch (Amerik.).

Goniometer, gouniomətə, goniometer; Goniometry, gouniomətri, goniometrie.

Good, gud, goed, zoet, geschikt, vroom, aanzienlijk, juist, getrouw; subst. het goed(e), voordeel, welzijn, genot, nut, goede hoedanigheden: It’s no good = geeft niet(s); What’s the good of it = waartoe dient het? For the good of the house = ten voordeele van den landheer; For good (and all) = voor goed, volkomen; Goods = goederen, waren, materiaal: Goods and chattels = have en goed; Goods shed = goederenloods; Goods train = goederentrein; Ill-gotten goods seldom prosper = kwalijk verkregen goed gedijt niet; Five shillings to the good = tegoed, credit, vooruit; He has behaved as good as gold = is erg zoet geweest; She gave her as good as she got = betaalde haar met gelijke munt; He is as good as his word = hij vervult trouw wat hij belooft; His fortune is as good as made = vrij wel; Good! = dat is goed, mooi zoo! That is good! = dat is ook mooi! That is a good one! = een goeie grap, wat moois! A good deal, A good many = zeer vele; A good ten miles, A good two months = ruim, een goeie; In good sooth = in waarheid; In good time = tijdig, in gunstige omstandigheden; On (from) good authority = uit goede bron; Well and good = alles goed en wel; Not good for much = niet veel waard; That is good-for-nothing = dat is nietswaardig; A good-for-nothing (fellow) = nietswaardige (kerel); He has made good his name = zijn naam eer aangedaan; To make good damages, a loss = vergoeden; He has seen (thought) good to do it = het heeft hem goed gedacht (behaagd); He (It) stands good = is soliede; Good behaviour: He was released on his good behaviour = hij werd ontslagen (uit de gevangenis) onder de verplichting, dat hij zich goed zou houden; Good breeding = hoffelijkheid, wellevendheid; Good-conditioned = in goeden staat zijnde; Good-day = goeden dag (bij komen of heengaan); Good-bye = goeden dag (bij heengaan voor geruimen tijd): I will not say good-bye yet = ik zie je nog wel; Good-evening = goeden avond; Good-faced = met gunstig uiterlijk; Good-fellow = gezellige, goedaardige kerel; Good-fellowship = kameraadschap; Good-folk(s) = feeën; Good Friday = Goede Vrijdag; Good-graces = gunst; Good-humour = opgeruimde aard; Good lack = Hemeltjelief! (verbazing); Good-looking = knap; Good-manners = beschaving; Goodman = vriendje, huisbaas, echtgenoot, de Duivel; Good-morning, Good-morrow = goeden morgen; Good-nature = goedaardigheid; Good-natured = goedaardig; Goodness = goedheid: Goodness knows = de Hemel weet; I hope to goodness you will not do it = ik hoop waarachtig; Good-night = goeden nacht; serenade; Good now = Beware me! (verbazing); Good sense = gezond verstand; A good-sized box = vrij groote; Good speed = succes! Good-tempered = goedgehumeurd; Good Templar = geheelonthouder; Goodwife = huisvrouw; moedertje; Goodwill = welwillendheid; gunst; zaak + klandizie, het daarvoor betaalde geld: To buy the goodwill of a house; Goodwill to man = “in menschen een welbehagen”; Goodwoman. Zie Goodwife; He is good, almost to goodiness = hij is zoo goed, dat hij haast over zich laat loopen; Goodies = lekkernijen, bonbons; Goodly = knap, edel, aanmerkelijk, aangenaam, piekfijn (ironisch); Goody = subst. sul, goeie vent, beste moeke; adj. goedaardig, sullig, sentimenteel: It would look so goody-goody and stupid = zoo sullig en dom lijken; I have talked goody-goody to her = ik heb met haar zitten kwezelen.

Goorkha = Ghoorka.

Goosander, gûsandə, gusandə, duikergans.

Goose, gûs, subst. gans, sul, sukkel, uilskuiken; (kleermakers)persijzer; Goose verb. uitfluiten: Every man thinks his own geese swans = elk denkt zijn uil een valk te zijn; To cook a person’s goose for him = te pakken nemen, ruïneeren, van kant maken; To get the goose = uitgefloten worden; He is sound on the goose = hij is ouderwetsch in de slavenkwestie (Amer.); trouw aan zijne partij; Goose-berry = kruisbes, kruisbessenstruik: Goose-berry time = komkommertijd (ook The silly season); Old Goose-berry = de duivel; I am not going to play goose-berry(picker) to you two = ik wil niet jullie beider “fâcheux troisième” zijn, voor ’t “fatsoen” met jullie meegaan; He plays old goose-berry with the British public = houdt voor den gek; Goose-berry-fool = uitgeperste kruisbessen met room; zotskap; Goose-flesh (Goose-skin) = kippenvel; To go all over goose-flesh = kippenvel krijgen; Goose-herd = ganzenhoeder; Goose-neck = zwaanshals (van giek of boom); Goose-quill = ganzeveer, pen; Goose-winged = met de leizeilen bijgezet (voor den wind zeilend).

Gopher, goufə, naam voor verschillende in een gat in den grond levende dieren, als ratten, eekhoorntjes, schildpadden (Amer.); Gopher verb. op goed geluk naar goud graven.

Gorboduc, göbədɐk.

Gorcock, gökok, korhaan; Gorcrow, gökrou, kraai; Gorhen, göhen, korhen.

Gordian, gödj’n: Gordian knot = Gordiaansche knoop: He cut the Gordian knot = hij heeft den knoop doorgebakt.

Gore, gö, subst. geronnen bloed; geer, driehoekig stuk (land); Gore verb. doorboren, spietsen, met eene wig doorbreken; Goring = prik, steek.

Gorge, gödz, subst. keel, strot, het verzwolgene, zware maaltijd; nauwe bergpas; Gorge verb. gretig verzwelgen, schrokken: The stench turned my gorge = het hart draaide me in mijn lijf om van; My gorge rises at it = ik walg er van; He gorged himself with it = at veel van.

Gorgeous, gödžəs, schitterend, prachtig; subst. Gorgeousness.

Gorget, gödžət, halsstuk (van eene wapenrusting), borstplaat, halskraag of plooisel.

Gorgon, gög’n, subst. Gorgone; iets zeer leelijks; Gorgonean, Gorgonian, gögounj’n, versteenend, afschuwelijk leelijk; Gorgonize = doen versteenen.

Gorilla, gərila, gorilla.

Gormand, göm’nd, gulzigaard; Gormandize, göm’ndaiz, gulzig eten, schrokken.

Gorse, gös, brem; Gorsy = vol brem.

Gory, gôri, met geronnen bloed bedekt.

Goschen, gouš’n.

Goshawk, goshôk, havik, patrijsvalk.

Gosling, gozliŋ, gansje; katje (van wilgen, etc.).

Gospel, gosp’l, subst. evangelie, iets onomstootelijk waars: You must not take his words for gospel = als de waarheid; That is gospel truth = de waarachtige waarheid; Gospeller = evangelist; voorlezer van het evangelie.

Gossamer, gosəmə, herfstdraden, dun gaas, fijne sluier: Old lace, fine as gossamer; adj. Gossamery.

Gosse, gos.

Gossip, gosip, subst. peet, vriend, buur, gebabbel, babbelaar; Gossip verb. babbelen, leuteren; Gossip-monger = wauwelaar; Gossiper; adj. Gossipy = praatziek, prettig keuvelend.

Gossoon, gosûn, jongen, knecht.

Got, got, imp. en part. perf. van to get.

Goth, goth, Goth, barbaar; Gothic = Gothisch, onbeschaafd; subst. Gothisch, Gothiek; Gothicism; Gothicize = Gothisch maken; Gothland.

Gothamist, go(u)thəmist, bewoner v. Gotham in Nottinghamshire (ongeveer als Kampen of Bœotië, bekend om de beweerde domheid der bewoners).

Gothard (St.), s’ntgothəd, St-Gothard.

Gouge, gaudž, gûdž, subst. guts (ronde beitel); bedrog, bedrieger (Amer.); Gouge verb. met een beitel of guts uitsteken of uithollen, bedriegen; Gouge-slip = staal om beitels of gutsen te slijpen; Gouger.

Gough, gof; Gould, gûld.

Gourd, gûəd, waterflesch of karaf, pompoen; Gourdiness = gezwel, stijfheid; Gourdy = gezwollen (van paardepooten).

Gourmand, gûəmand, gulzigaard, lekkerbek.

Gout, gaut, jicht, droppel; Gouty = jichtig, gezwollen.

Gout, gû, smaak.

Govern, gɐv’n, besturen, regelen, bedwingen, regeeren; Governable = bestuurbaar, volgzaam; subst. Governableness; Governess, gɐvənəs, subst. gouvernante; Govern verb. gouvernante zijn: That pleases me better than governessing = dan voor gouvernante te spelen; Government = bestuur, regeling, regeering, zelfbeheersching, uitvoerende macht; adj. Governmental; Governor = bestuurder, landvoogd, loods, “ouwe heer”, regulateur (in stoommachines); Governorship.

Gowan, gauən, madeliefje (Schotl.).

Gower, gauə, gôə.

Gown, gaun, japon, kleed, jurk, tabberd, toga, leden van eene universiteit: Town and gown = studenten en professoren tegenover de stedelingen; Band and gown = toga en bef; Morninggown- = morgenjapon; Nightgown = nachtjapon; Gown-boys = leerlingen, die met kost, inwoning en vrije kleeding tot sommige scholen worden toegelaten; Gown(s)man = getabberde, student; burger.

Gozzard, gosəd, ganzenhoeder, verbastering van Goose-herd.

Grab, grab, subst. greep; soort kustvaarder in Br.-Indië; Grab verb. grijpen (naar = at), pakken, vatten; Grabble = grabbelen, tasten, spartelen.

Grace, greis, subst. gunst, genade, eer, toegestane tijd, bevalligheid, titel van een aartsbisschop of hertog, besluit (v. h. bestuur v. eene Eng. hoogeschool), gebed aan tafel; Grace verb. begunstigen, versieren, vereeren: They said grace = zij baden, dankten; He did it with a bad grace, with (a) good grace = onvriendelijk, vriendelijk, gepast; You might have the grace to offer me something = kon wel eens zoo vriendelijk zijn; Days of grace = loopdagen, respijtdagen; We had but ten minutes’ grace = ons werd slechts tien minuten tijd toegestaan; He was in her good graces = bij haar in de gunst; The Graces = de (drie) Gratiën; In the year of grace 1894 = in het jaar onzes Heeren 1894; Graceful = bevallig; subst. Gracefulness; Graceless = onbevallig, verdorven, brutaal, lomp; subst. Gracelessness; Gracious, greišəs, genadig, gunstig; Good(ness) gracious = genadige goedheid, goeie hemel! subst. Graciousness.

Gracile, gras(a)il, dun, slank.

Gradation, grədeiš’n, geregelde opklimming, trapswijze overgang; adj. Gradational; Gradatories, gradətəriz, subst. trap van uit een klooster naar eene kerk; Gradatory = geregeld opklimmend.

Grade, greid, subst. graad, kwaliteit, ring, stap, helling (van een weg); waterpas maken, ordenen naar grootte of kwaliteit, gelijkmaken: These roads are at grade = waterpas, op dezelfde hoogte; Gradely, greidli, gepast, voegzaam.

Gradient, greidj’nt, subst. (mate van) helling (van een weg); adj. trapsgewijze, geleidelijk.

Gradual, gradjuəl, trapsgewijze, langzamerhand; subst. een response gezongen na het epistle, gradueel of graduale.

Graduate, gradjueit, verb. in graden verdeelen, gradueeren, titreeren; promoveeren, trapsgewijze overgaan; subst. gradjuit, iemand met acad. graad; adj. = Graduated: Graduated income-tax = progressieve inkomstenbelasting; These lessons are carefully graduated to the children’s powers = deze lessen klimmen geregeld op, en zijn berekend voor de krachten der jeugdige leerlingen; Graduation, gradjueiš’n, geregelde opklimming, verdeeling, promotie, terugbrenging van eene vloestof tot eene bepaalde hoeveelheid (door verdamping); Graduator, gradjueitə, graadboog, stroomregelaar.

Gradus, greidəs, woordenboek voor klassieke prosodie (eig. Gradus ad Parnassum).

Graft, grâft, subst. entrijs; harde arbeid; knevelarij (Amer.); Graft verb. enten; zwoegen; Grafting-knife; Grafting-wax.

Graham bread, greiəmbred, brood van grof gemalen tarwe; Grahamite = vegetariër.

Grail, greil, (Heilige) Graal.

Grain, grein, graan, koren, korrel, grein, draad (van hout of vleesch), weefsel, roode verfstof (cochenille), hart, gemoed, aard, vork, harpoen; Grain verb. korrelen; marmeren, aderen (schilderwerk): He has no grain of sense = geen greintje verstand; He has a grain of allowance = hij krijgt maar een bitter beetje; Against the grain = tegen den draad in; It goes against the grain with me = het stuit mij tegen de borst; First they rubbed the old man against his grain, and then smoothed him down again = eerst maakten zij den ouden man kwaad; That is dyed in grain = in de wol geverfd; He is a rogue in grain = doortrapte schurk; Grains = afgewerkte mout: Grains of Paradise Paradijskorrels; Grain shipments = korenladingen; Grained = ruw, korrelig, in de wol geverfd, gemarmerd (van verven); Grainer = schilder (die het hout imiteert), ook: zijn borstel of kam; leerlooiersloog, looiersmes; Graining = looien met vogelmest; imitatiehout-schilderwerk; Grain-staff, stâf, stok met vorkvormige uiteinden; Grainy = vol graan, korrels of pitten.

Gram, gram, keker; gram.

Gramercy, grəmɐ̂si, Dank u wel! Goddank! Sapperloot!

Graminaceous, gramineišəs, grasachtig; Graminivorous, graminivərɐs, grasetend.

Grammar, gramə, spraakkunst, richtig spraakgebruik; Grammar-school = gymnasium, Latijnsche school; Grammarian, grəmêriən, taalkundige; Grammatical, grəmatik’l, taalkundig, spraakkunstig.

Gramme, gram, gram (= 15,432 troy grains).

Gramophone, graməfoun, gramophoon.

Grampian, grampiən: The Grampians = Grampian Hills, Mountains.

Grampus, grampəs, bruinvisch, zwaardvisch, etc.

Granada, granâdə.

Granary, granəri, korenschuur, korenzolder.

Grand, grand, grootsch, voornaam, beroemd, edel, waardig, prachtig: They do the grand at our expense = zij hangen den heer uit; Grand total = algemeen totaal; Grand-aunt = oud-tante; Grandchild = kleinkind; Granddaughter = kleindochter; Grand-duke = groothertog; Grandfather = grootvader; Grandfather’s clock = ouderwetsche staanklok; Grand-juror = lid van de Grand-jury = de jury, die onderzoekt of er reden is dat de beschuldigde door de petty jury verhoord word; Grand-master = grootmeester; Grandmother = grootmoeder; Grand-nephew = achterneef; Grand-niece = achternicht; Grand-seignior = (oude) titel van den Sultan van Turkije; Grand-stand = groote tribune (bij een wedstrijd); Grandsire = grootvader, voorvader; Grandson = kleinzoon; Grand-uncle = oudoom; Grand-vizier = grootvizier of eerste minister in Turkije; Grandam, grandəm, grootmoeder, oude vrouw; Grandee, grandî, grande (Spaansch edelman); Grande-garde, grandgâd, het deel der wapenrusting, dat den linkerschouder en de borst beschermt; Grandeur, grandjə, grootschheid, pracht, verhevenheid; Grandiloquent, grandiləkwent, Grandiloquous, grandiləkwɐs, bombastisch, grootsprekend, opgeblazen, snoevend; Grandiose, grandious, (werkelijk of gemaakt) grootsch en indrukwekkend; subst. Grandiosity = Grandness.

Grange, greinž, schuur, boerderij (met bijgebouwen, enz.), buiten, heerenhuis, een Amer. landbouwvereeniging (Amer.); Grangers = Polit. Agrariërs (Amer.).

Grangerize, greinžəraiz, illustreeren (van boeken, enz.) met platen uit andere boeken vandaan gehaald.

Graniferous, grənifərɐs, graandragend; Graniform, graniföm, korrelig (als graan); Granivorous, grənivərɐs, graanetend.

Granite, granit, graniet; adj. Granitic.

Granny, grani, grootje; ook: Grannam, gran’m.

Grant, grânt, subst. schenking, toelage, subsidie, gave, toestemming, overdracht; Grant verb. geven, schenken, toegeven, toestaan, toestemmen, overdragen: There will be a grant as prayed = de eisch zal toegewezen worden; I claim a grant of letters of administration = ik eisch, dat er een administrateur worde benoemd; God grant him success = God geve, dat hij slage; Let us grant it for argument’s sake = laten wij het voor een oogenblik aannemen; To grant a flavour to = een aangenamen geur (smaak) verleenen aan; I beg your pardon; Granted = ik vraag u excuus; gij hebt het; I take it for granted = ik houd het voor bewezen, uitgemaakt; Granted you are right = toegegeven, dat; Grants-in-aid = hulpkas (eig. schenkingen in nood), vooral bij werkstakingen; Grantable = inwilligbaar, overdraagbaar; Grantee, grântî, iemand, wien iets wordt toegestaan of overgedragen; concessionaris; Granter = die toestaat of overdraagt; Grantor, grântə, grantö, die iets overdraagt of afstaat.

Grantham, grant’m.

Granular, granjulə, korrelachtig, korrelig; Granulate, granjuleit, granuleeren; greineeren; korrelig worden; Granule, granjûl, korreltje; Granulous, granjulɐs, vol korrels.

Granville, granvil.

Grape, greip, druif; Grapes = gezwel (op paardenhiel); Grape-shot = schroot; Grape-sugar = druivensuiker; Grape-stone = druivenpit; Grape-vine = wijndruif; Grapery = druivenkweekerij (-kas).

Graphic(al), grafik(’l), graphisch, aanschouwelijk; Graphology, grəfolədži, graphologie; Graphometer, grəfomətə, graphometer; Graphophone = klankschrijver.

Graphite, grafait, graphiet.

Grapnel, grapn’l, dreg; klein anker.

Grapple, grap’l, subst. worsteling, omvatting (met de armen in een strijd), gevecht van man tegen man; (enter)haak; Grapple verb. aanklampen, vastgrijpen, vechten; Grapplement = worsteling van man tegen man; Grappling-iron = enterhaak.

Grapy, greipi, druifachtig, naar druiven smakend, vol druiven, druiven...

Grasp, grâsp, subst. greep, houvast, bereik; Grasp verb. vasthouden, grijpen, vatten, bezit nemen: He did not grasp the situation = begreep niet; All grasp all lose = wie het onderste uit de kan wil hebben, krijgt het lid op den neus; Grasper = grijpijzer; hebzuchtige, inhalig persoon; Grasping = inhalig.

Grass, grâs, subst. gras; Grass verb. met gras of zoden bedekken, bleeken, op het gras werpen, ophalen (bij het hengelen) en op het land werpen: We are at grass = vrij, kunnen in de wei loopen, zijn weggestuurd; To go to grass = doodgaan; in de wei loopen (fig.); Go to grass = ruk uit! The horses were put to (taken (in) to) grass = werden in de wei gedaan; To send to grass = neerslaan; What made him have his horse up from grass = waarom heeft hij het paard uit de weide gedaan? He never lets the grass grow under his feet = laat er nooit gras over groeien, pakt flink en dadelijk aan; While the grass grows, the steed starves = met hopen en verlangen alleen komt men er niet; Grass-blade = grassprietje; Grass-cloth = graslinnen; Grass-green, subst. graskleur; adj. grasgroen; Grass-grown = met gras begroeid; Grass-hand = (nood)letterzetter; Grass-hopper = sprinkhaan; Grass-plot = grasveld; Grass-widow = onbestorven weduwe; ongehuwde moeder; Grassy = met gras bedekt, groen.

Grate, greit, subst. rooster, haard, traliewerk; Grate verb. van rooster of traliewerk voorzien, wrijven, schuren, raspen, stuk wrijven, plagen, kwellen, krassen, knarsen: It grates upon my ears = het doet mijne ooren pijn; Grater, greitə, rasp; Grating, greitiŋ, subst. traliewerk; het knarsen; adj. knarsend, krassend, hard, irriteerend.

Grateful, greitful, dankbaar, aangenaam, liefelijk; subst. Gratefulness.

Gratian, greiš’n, Gratianus; Gratiano, greišiânou.

Gratification, gratifikeiš’n, belooning, genot, bevrediging; Gratify, gratifai, behagen, beloonen, inwilligen, bevredigen, aangenaam zijn: That must be very gratifying to you = daarmede moet gij wel ingenomen zijn.

Gratis, greitis, gratis.

Gratitude, gratitjûd, dankbaarheid.

Gratuitous, grətjûitɐs, gratis, vrijwillig, zonder reden, ongegrond; subst. Gratuitousness; Gratuity, grətjûiti, fooitje, vrije gift, douceurtje.

Gratulate, gratjuleit; Gratulation; Gratulatory. Zie Congratulate.

Gravamen, grəveim’n, hoofdoorzaak, voornaamste punt van aanklacht.

Grave, greiv, subst. graf; Grave verb. graveeren, beitelen; Grave-clothes, greiv-kloudhz, lijkwade; Grave-digger, Grave-maker = doodgraver; Grave-mound = grafheuvel; Grave-stone = grafsteen; Grave-yard = kerkhof; Graveless = onbegraven; Graven = gesneden, gegraveerd; Graver, greivə, graveur, graveerstift.

Grave, greiv, ernstig, plechtig, gewichtig, somber, diep; subst. Graveness.

Grave, greiv, schoonmaken van den bodem van een schip; Graving-dock = droogdok.

Gravel, grav’l, subst. kiezel; graveel; Gravel verb. met kiezel(zand) bestrooien, op het zand laten loopen (van een bootje), verlegen maken: The editor was Gravelled for matter = de redacteur was verlegen om copie; Gravel-pit = kiezelkuil; Gravel-walk = kiezelpad, grintpad.

Gravelin(e), gravəlîn, Grevelingen; Gravesend, greivzend.

Gravid, gravid, zwanger.

Gravitate, graviteit, (aan)getrokken worden, neigen: He is gravitating towards conservatism = helt over, voelt zich aangetrokken tot; Gravitation = zwaartekracht; Gravity, graviti, zwaarte, gewicht, belang, ernst, deftigheid, diepte (van toon), zwaarte- of aantrekkingskracht: Specific gravity = soortelijk gewicht; Centre of gravity = zwaartepunt.

Gravy, greivi, jus, vleeschnat; sap (Amer.).

Gray, grei, subst. grijze kleur, grijsaard, schimmel; soort v. bont, das; adj. grijs, aschkleurig, grauw, duister; Graybeard = grijsaard; steenen kruik (Schotl.); Gray-fly = paardenvlieg; Gray-friar = Franciskaner monnik; Gray-mare = schimmel; bazin, driedekker (eene vrouw, die de broek aan heeft).

Grayling, greiliŋ, vlagzalm.

Graze, greiz, subst. schaafje of schram(metje); Graze verb. schaven, strijken langs, even aanraken; grazen, (af)weiden, hoeden, zich voeden met; Grazer = grazend dier; Grazier, greižə, vetweider.

Grease, grîs, subst. vet, smeer, kanen; Grease verb. grîz, grîs, (be)smeren, olieën, omkoopen: In the grease = ongezuiverd; We shall let him stew in his own grease = in zijn eigen vet laten gaarkoken: Grease-box; Grease-man (= Greaser, grîzə) = smeerder; smeerlap; scheldn. v. een Mexicaan (Amer.); Grease-pot = vetpot; smeerpoes; Greasiness, subst. v. Greasy = vettig, besmeerd, vuil, mistig, modderig, zalvend.

Great, greit, groot, bekend, befaamd, berucht, gewichtig, voornaamste, dik, gezwollen, enz.: We bought them by the great = wij kochten ze in de massa; A great deal = zeer veel; A great many = vele; A great while = sedert lang; Great-coat = overjas; Great-go of Greats = examen voor de B.A. graad; Great-grand-aunt = overoudtante; Great-grandfather = overgrootvader; Great-grandson = achterkleinzoon; Great-hearted = dapper, grootmoedig; He rides the great horse = hij zit op zijn paardje (fig.); Great seal = grootzegel; Great Spirit = naam van het Opperwezen bij de Indianen; Greatness = grootheid, enz.

Greaves, grîvz, scheen- of beenplaten (wapenrusting); (reuzel)kanen.

Grecian, grîš’n, subst. Griek, Hellenist; jongen der hoogste klasse in Christ’s Hospital (Londen); adj. Grieksch; Grecianize, grîšənaiz, vergriekschen; Grecism, grîsizm, Grieksch idioom; Grecize, grîsaiz, in het Grieksch vertalen, vergriekschen.

Gre(e)be, grîb, fuut.

Greece, grîs, Griekenland.

Greed, grîd, hebzucht, begeerigheid = Greediness; adj. Greedy = begeerig, schrokkig: Greedy of honour = eerzuchtig; Greedy-gut = schrokker, slokop.

Greek, grîk, subst. Griek, Grieksche taal, bedrieger; adj. Grieksch; Greek met Greek = twee Joden weten wat een bril kost; Greek Church = de Grieksche kerk; Greek cross = kruis met vier gelijke armen; Greek fire = Grieksch vuur; Greek orders = de Dorische, Ionische en Korintische bouwstijl.

Green, grîn, groen, bloeiend, frisch, nieuw, versch, onrijp, jong, onervaren, sullig, onnoozel; Greens = groenten; Green verb. groen maken of worden: Do you see any green in my eye = zie ik er zoo onnoozel uit? On the green side of fifty = onder de 50 jaar; Greenback = Amer. bankbiljet; Green cloth = speeltafel: Board of green cloth = een soort van Hof-Rechtbank onder den Hofmaarschalk; biljart; Green-coloured = bleek, ziekelijk; Green-crop = groenteoogst; Green-eyed = groenoogig; ijverzuchtig, jaloersch, achterdochtig: The green-eyed monster = de jaloerschheid; Greenhand = nieuweling; Green-finch = groenling, vlasvink; Green-fly = groene vlieg; bladluis; Greenfoil; zie Foil: Green foil smalls = groenkleurige korte broek; Greengage = reine claude, groene pruim; Greengrocer = handelaar in groenten; Greenhorn = nieuweling, sul; Greenhouse = oranjerie, broeikas; Greenland(er) = Groenland(er); Green-room = kamer voor de niet optredende acteurs; Greensickness = bleekzucht; Green-stall = groentenstalletje; Green-sward = grasveld; Greenwood = woud in den zomer; Greenery, grînəri, massa groene planten, plaats waar ze gekweekt worden; Greenhood = onrijpheid, onervarenheid; Greenish = groenachtig; groen (fig.); Greenness = groenheid, jeugd, onervarenheid; Greeny = Greenish.

Greenwich, grînidž.

Greet, grît, begroeten, toespreken, gelukwenschen; schreien, weeklagen (Schotl.); Greeting = groet.

Gregarious, grigêriəs, in kudden of troepen levend, gezellig; subst. Gregariousness.

Gregorian, grigôrian, subst. en adj. Gregoriaansch (lied of muziek); Gregory, gregəri, Gregorius.

Grein, grîn.

Gremial, grîmiəl, subst. gremiale, langwerpige zijden (of linnen) doek (die de Liturgische kleur van den dag moet hebben), die den bisschop, als hij bij den pontificalen dienst op zijn troon heeft plaats genomen, op den schoot wordt gelegd om het misgewaad te sparen; ook adj.

Gremio, grîmiou, gremiou.

Grenada, grəneidə.

Grenade, grəneid, granaat; Grenadier, grenədîə, grenadier.

Grenadine, grenədîn, grenədin, grenadine.

Gresham, grešəm; Greville, grevil.

Grew, grû, imperf. van To grow.

Grewel, grûəl, straffen, verslaan.

Grewsome, grûs’m, ijselijk, leelijk.

Grey, grei, grijs (Zie Gray), rijp; subst. grauw, schemering, schimmel; Grey verb. grijs maken of worden; The grey mare = vrouw, die de broek aan heeft; The Greys = Schotsch cavalerieregiment (omdat de paarden alle schimmels zijn = Scots Greys); Grey-bird = lijster; Grey-hound = hazewind; snelvarende stoomboot (= Ocean grey-hound); Greyish = grijsachtig; Greyness = grijsheid.

Grice, grais, speenvarken, jonge das.

Griddle, grid’l, pannekoekspan, rooster, zeef; Griddle-cake = soort pannekoek (Amer.).

Gride, graid, doorboren, knarsend snijden, knarsen, krassen.

Gridiron, gridaiən, rooster; vlag der U. S.; Gridiron-pendulum = compensatieslinger.

Grief, grîf, smart, droefheid, hartzeer, fout, beleediging: The bridge has come to grief = is zeer bouwvallig; He came to grief = het liep verkeerd voor hem af, hij brandde de vingers, kreeg een ongeluk, het liep slecht met hem af; He came to grief over this obstacle = deze hinderpaal brak hem den nek; Grievance, grîv’ns, grief, bezwaar; leed, kommer: Grief-monger = eeuwige mopperaar, brompot; Grieve, grîv, bedroeven, smarten, krenken, (be)treuren: To be grieved at = betreuren, treuren over; Grievous, grîvəs, smartelijk, moeilijk te dragen, betreurenswaardig, hatelijk, wreedaardig; subst. Grievousness.

Griffe, grif, kind van een neger en eene mulattin.

Griffin, grifin, griffoen; witkoppige gier; baar (iemand, die pas in Indië is gekomen).

Griffith, grifith.

Griffon, grifən, affenpinscher.

Grig, grig, krekeitje; smelt: As merry as a grig = zoo vroolijk als een vogeltje, erg gezellig.

Grill, gril, subst. rooster, op een rooster gebraden vleesch; Grill verb. roosteren, braden (ook fig.); Grill-room = soort “lunchroom”, restaurant.

Grillage, grilidž, roosterwerk (als fundeering).

Grille, gril, traliewerk.

Grilse, grils, jonge zalm (tweede jaar).

Grim, grim, grimmig, streng, leelijk, wreed, onverbiddelijk; subst. Grimness.

Grimace, grimeis, grijns; Grimace verb. grijnzen.

Grimalkin, grimalkin, grimôlkin, oude kat.

Grime, graim, subst. vuil, roet; Grime verb. bevuilen; Grimy = vuil.

Grimm’s law, grimzlô, Grimm’s wet der klankverschuiving.

Grin, grin, subst. grijns, gedwongen lach, grimlach, val; Grin verb. grijnzen, de tanden laten zien, grinniken, lachen: To grin and bear it = zich goed houden.

Grind, graind, subst. het malen, blokken, ploeteren; Grind verb. malen, slijpen, afslijten, knarsen, kneuzen, onderdrukken, uitmergelen, drillen (voor een examen), blokken: It is a frightful grind = een verschrikkelijke toer; A man cannot be always on the grind = kan niet altijd ingespannen wezen; He ground the faces of the poor = onderdrukte de armen (Jesaja III, 15); Do not grind your teeth = knars niet met de tanden; The employer ground us down = buitte ons uit; Two numbers have been ground off the wheel = twee nummers (van het tijdschrift) zijn afgewerkt; Grindstone, graindstoun of grin(d)stən, slijpsteen: He has kept his nose to the grindstone = heeft zich afgebeuld; I have been tied to the grindstone during the last weeks = door veel werk erg gebonden geweest; Grinder = onderdrukker, maler, maaltand, kies, repetitor, blokker: He took a grinder = bracht zijn linkerduim aan zijn neus, en deed met zijne rechterhand, alsof hij een koffiemolen draaide (als om te zeggen: ik maal er wat om); Grindery = slijperij; schoenmakersmateriaal, magazijn daarvan; Grinding = nijpend: Grinding poverty.

Grip, grip, subst. greep, houvast, greb, greppel, voor, griep, naam voor influenza in Amerika; Grip verb. grijpen, goed vasthouden, droogleggen, greppels graven: He had a feeble grip of my idea = begreep mij maar half; Take a good grip on that = onthoud dat goed; Grip-sack = reis of knapzak (Amer.) Gripper = gierigaard; Gripple, grip’l, subst. greep, houvast; adj. grijpend, inhalig.

Gripe, graip, subst. greep, houvast, deel waar iets gegrepen wordt, knauw, klauw, druk, smart, verachtelijke vrek; Gripe verb. grijpen, goed vasthouden met gesloten vingers, knijpen, onderdrukken, koliek veroorzaken, erge buikpijnen hebben, afpersen, te kort bij den wind liggen; Gripes = koliek, snijdingen in den onderbuik; bootstouwen; He felt griping pains in the belly = ondragelijke buikpijn; Griper, graipə, afperser, onderdrukker.

Griqualand, grîkwəland, in Zuid-Afrika.

Griselda, griseldə, Grissel, gris’l, Griselda.

Griseous, grisiəs, grauw, grijsachtig.

Grisette, grizet, grisette.

Grisliness, grizlinəs, gruwelijkheid; Grisly, grizli, akelig, vreeselijk, afschuwelijk; Zie Grizzly.

Grison grais’n, kleine veelvraat (soort marter).

Grisons (The), dhəgriz’nz, (bewoners van) Grauwbunderland.

Grist, grist, maalkoren, gemaald koren, voorraad: Such things bring grist to his mill = zulke zaken brengen hem voordeel aan; That’s grist to his mill = koren op zijn molen; Grist-mill = korenmolen.

Gristle, gris’l, kraakbeen: In the gristle = jong en weerloos; Gristly = kraakbeenachtig.

Grit, grit, subst. grof gemalen gort (gewoonlijk meervoud), grof deel van meel, gruis, ruwe deeltjes; vastberadenheid, moed; Grit verb. knarsen, krassen, wrijven: They had not grit enough to do it = geen flink heid; Her father is full of grit and go = is een kranige, vooruitstrevende kerel = There is grit in him; All Americans of the true grit = van de echte (energieke) soort; I gritted my teeth; Grit-stone = grof soort v. zandsteen; Grittiness, subst. van Gritty = gruis bevattend, korrelig, hard; flink, kranig (Amer.): A gritty novel = pittige roman.

Grizzle, griz’l, grauwe kleur; Grizzle verb. grijs worden (maken); Grizzled = grijs, grauw, geschimmeld.

Grizzly, grizli, grijsachtig; subst. (grijze) beer: I will send you a skin, if I have any luck with the grizzlies = als ik succes heb op mijne berenjacht; Grizzly-bear = N. Amer. beer.

Groan, groun, subst. gekreun, gebrom (afkeuring of spot te kennen gevend); Groan verb. kreunen, diep zuchten, smart lijden, onderdrukt worden, brommen (om afkeuring uit te drukken).

Groat, grout, groot (munt van vier stuivers), kleinigheid: Not worth a groat.

Groats, grouts, grutten.

Grocer, grousə, winkelier in koloniale waren, kruidenier; Groceries = kruidenierswaren; Grocery = kruidenierswinkel; drankwinkel (Amer.).

Grog, grog, grog; Grog-blossom = roode neus of gezicht; Grog-fight = zuipen; Grog-shop = kroeg = Groggery (Amer.); Grogginess, subst. v. Groggy = dronken; wankelend, stijf, afgejakkerd (van paarden).

Grogram, grogr’m, subst. half zijden stof, adj. van deze gemaakt.

Groin, grôin, lies, (graatrib aan een) kruisgewelf; Groined.

Gromet, gromət, grɐmət, strop: Gromet of an oar = krans (van touwwerk).

Groom, grûm, subst. stalknecht, bruidegom, een titel van sommige hofofficianten; Groom verb. (de paarden) verzorgen (voeren, roskammen, enz.): Groom of the stole = opperkamerheer; He was well groomed and trimly clad = zag er zeer verzorgd uit; Groomsman = bruidsjonker.

Groove, grûv, groef, voor, levensloop, sleur; Groove verb. groeven of voren maken: He had got into the groove of that kind of life = was gewoon geraakt aan; Teaching tends to fall into grooves = wordt gemakkelijk sleurwerk; A groove in teaching is fatal = sleur bij het onderwijs is noodlottig.

Grope, group, tasten, in het duister zoeken, zijn weg tastende vinden (ook met back), in den blinde rondtasten: She had been walking in grope-light towards a precipice = tastende (in het donker).

Gros, grou, zware zijden, stof (Gros de Naples); oud Fransch muntstukje.

Gross, grous, grof, dik, zwaar, lomp, ruw, dom, suf, laag, plat, gemeen, zinnelijk, onbeschoft, geheel, bruto; subst. gros, massa, geheel, hoofdbestanddeel: In the gross = in ’t algemeen, bij de roes, en gros, bruto; Gross-headed = met een dikkop; dom, stomp; Gross-weight = brutogewicht; Grossness = dikte, grofheid, dichtheid, gemeenheid, ruwheid, domheid, afschuwelijkheid.

Grossulaceous, grosiuleišəs, Grossular, grosiulə, tot de kruisbessen behoorend; subst. groene granaat.

Grosvenor, grouvənə.

Grotesque, grətesk, grillig, vreemd, onregelmatig, belachelijk; subst. grillig gevormde figuur; groot-tekst (typ.); grappenmaker; subst. Grotesqueness.

Grotius, groušəs, Hugo de Groot.

Grotto, grotou, subst. grot, hol; Grotto-work = kunstmatig grotwerk.

Ground, graund, subst. grond, bodem, aarde, grondgebied, land, vaste bodem, basis, reden, achtergrond, speelterrein, eenvoudig lied, grondtoon; P. Imperf. en P.P. van to grind; Ground verb. op of in den grond plaatsen, vellen, grondvesten, grondverf aanbrengen, stichten, onderwijs geven in de beginselen, op den grond leggen (Ground arms), aan den grond of vast raken (schepen): Ground glass = matglas; Grounds = tuin bij een huis; gronden of eerste beginselen; droesem, grondsop, koffiedik, grondkleur: The grounds will be cleared at ten = de tuin of het park wordt om 10 uur ontruimd; We have broken ground already = wij hebben al een begin gemaakt; He has cut the ground from under my feet = hij heeft mij het gras voor de voeten weggemaaid; He changed his ground = veranderde van positie, methode, etc.; The plan has fallen to the ground = is in duigen gevallen; We have gained ground = wij hebben succes gehad, zijn vooruit gekomen; That idea seems to gain ground = schijnt veld te winnen, algemeen te worden; They have lost ground = zij zijn achteruit gegaan, hebben hun aanzien verloren; Our troops bravely stood their ground = hielden moedig stand; Ground-angling = visschen met grondangel; Ground-ash = esschescheut(-stek); Ground-bailiff = mijnopzichter; Ground-bait = vischaas; Ground-bridge = brug van houten dwarsliggers door een moeras (Amer.; Zie Corduroy-road); Ground-floor = benedenverdieping; Ground-ice = grondijs; Ground-ivy = hondsdraf; Ground-oak = eikenloot; Ground-plan = platte grond; Ground-plate = raam, grond-(fundatie), plaat, zool; Ground-plot = bouwterrein, platte grond; Ground-rent = grondrente; Ground-sea, Ground-swell = grondzee; Ground-tackle = ankertouwen, -kettingen; Ground-tier = benedenloges (in een theater); Groundwork = grond, grondslag, grondbeginsel, geraamte (van iets); Grounded: Well grounded = goed onderlegd; Groundless = ongegrond: subst. Groundness; Groundling = kleine modderkruiper, bermpje: The Groundlings = parterrebezoekers, het plebs.

Groundage, graundidž, liggeld (v. schepen).

Groundsel, graunds’l, gemeen kanariekruid; fundatie = Groundsill, graundsil.

Group, grûp, subst. groep, vereeniging, familie (bij classificatie); Group verb. groepeeren.

Grouse, graus, korhoen (Black grouse); sneeuwhoen (Red grouse); Grouse verb. schieten op grouse; huiveren, morren.

Grout, graut, gruttenmeel, soort. v. wilde appel, kalk; Grout ale = soort bier; Grouts = grutten (brij); droesem; Grouty, grauti, norsch, verdrietig.

Grove, grouv, boschje; (heilig) woud, (poet.): Image of the grove, zie 2 Kon. XXI, 7.

Grovel, grov’l, (op de aarde) kruipen (ook fig.); liederlijk zijn; Groveller = kruiper, ploert.

Grow, grou, groeien, wassen, worden, voortkomen, vermeerderen, aankleven, kweeken, voortbrengen: The leaf grows out of the stem = komt voort uit; He grew up to manhood = bereikte den mannelijken leeftijd; The book grows upon the reader = des lezers belangstelling in het boek neemt bij het lezen toe; Drinking will grow upon a man = de gewoonte van drinken wordt gewoonlijk sterker; He grows a moustache = laat zijn snor staan; They have grown together = zijn volkomen één geworden; Grower = verbouwer: Slow growers = langzaam groeiende boomen; Growing weather = groeizaam weer; Growing-ups = aankomende jongelui; Grown = gegroeid, tot volle rijpheid ontwikkeld: A full-grown man = volwassen man; Over half-grown = meer dan half volwassen; Two thirds grown; When you are grown = groot; The ground was grown over with weeds = bedekt met onkruid; Growth = groei, toeneming, gewas, aanwas, voortbrengsel, oorsprong: Wines of good growth; Of one’s own growth = zelf gekweekt.

Growl, graul, subst. geknor, gebrom, geklaag; Growl verb. brommen, snauwen, knorren; Growler = brompot; rammelkast; Growlery = studeerkamertje.

Grub, grɐb, subst. pop of larve, kort en dik manneke, dwerg, vuil en slordig persoon, voedsel; Grub verb. (op)graven, uitgraven, ploeteren; blokken, schransen, voeren: He knelt down a grub, and rose a butterfly = toen hij knielde was hij een plebejer, toen hij opstond was hij een ridder; An intermediate grub between sycophant and oppressor = een nieteling tusschen vleier en tiran; In grub = druk aan ’t werk; He is fond of his grub = hij houdt veel van eten; Grub and bub = eten en drinken; Grubber = schranser, blokker, schoffel; Grubbery = volksgaarkeuken; Money grubbing = geldschrapend; Grubbing-axe (Grub-hoe) = schoffel; Grubby = onzindelijk, vuil, versleten, dwergachtig.

Grub Street, grɐbstrît, subst. de tegenwoordige Milton Street (in Londen), waar arme loonschrijvers gewoonlijk woonden; vandaar ook: nietswaardig letterkundig product, of prulschrijver; adj. armzalig, nietswaardig.

Grudge, grɐdž, subst. wrok, haat, afgunst; Grudge verb. wrok koesteren, onwillig zijn, tegenzin hebben, misgunnen, met leede oogen aanzien, aanmerkingen maken op: He bears me a grudge = heeft een wrok tegen mij; I owe you a grudge for doing this = ik ben boos op je, datje...; He grudges himself nothing = ontzegt zich niets; He grudges me the light of my eyes = hij gunt mij ... niet; Grudger = afgunstige, brompot; Grudgingly = ongaarne.

Gruel, grûəl, gruwel of pap: I have given him his gruel = ik heb hem zijn vet gegeven; Take your gruel like a man = houd je taai.

Gruesome, grûs’m. Zie Grewsome.

Gruff, grɐf, norsch, barsch, ruw; Gruffish; subst. Gruffness.

Grugru, grûgrû, de larve v. d. palmboomklander.

Grum, grɐm; adj. norsch, barsch, knorrig, grof.

Grumble, grɐmb’l, morren, grommen, rommelen; subst. klacht (Grumbles = ontevreden aard): He had a grumble to himself = mopperde in zichzelf; Grumbler = knorrepot, brompot = Grumbletonian; Grumbly = knorrig.

Grummet, grɐmət = Gromet.

Grumous, grûməs, geklonterd, geronnen; subst. Grumousness.

Grumpiness, grɐmpinəs, norschheid, brommerigheid, neerslachtigheid; adj. Grumpish, Grumpy.

Grundel, grɐnd’l, kleine modderkruiper; bermpje.

Grundy, grɐndi: Mrs. Grundy = de kritiseerende kwaadsprekende wereld: What will Mrs. Grundy say? = wat zal de wereld er wel van zeggen?

Grunt, grɐnt, subst. geknor; Grunt verb. knorren, brieschen, klagen, brommen; Grunter = varken; Gruntling = jong varken.

Grysbok, graisbok, Zuid-Afr. antilope.

Guaniferous, gwânifərɐs, guano opleverend; Guano, gwânou, gjuanou, subst. guano; Guano verb. met guano bemesten.

Guarantee, gar’ntî, subst. waarborg, borg, zekerheid; Guarantee verb. waarborgen, borgstellen, goed zeggen voor: This guarantees you in the possession of your property = waarborgt u; Guarantor, gar’ntə, gar’ntö, borg; Guaranty, gar’ntî; Zie Guarantee.

Guard, gâd, subst. bewaking, hoede, wacht, conducteur (van spoor of diligence), stootplaat (van een degen, zwaard, etc.), beschermer (ankle-guard), veiligheids (horloge) ketting, rand, zoom, vuurscherm (Guards = garde in het leger); Guard verb. bewaken, behoeden, beschermen, zich hoeden: I am off my guard = ben niet op mijn hoede; Be (stand) on your guard = wees op uw hoede; He kept guard over me = bewaakte mij; The soldiers mounted guard = betrokken de wacht; He put me on my guard = waarschuwde mij; He threw me off my guard = hij wiegde me in slaap, verschalkte me; To relieve the guard = de wacht aflossen; The advanced guard had to defend the bridge = de voorhoede moest de brug verdedigen; You must guard against mistakes = gij moet oppassen voor fouten; Guard-boat = wachtboot; Guard-house = wachthuis; Guard-room = wachtkamer (voor soldaten), arrestantenlokaal; Guard-ship = wachtschip; Guardsman, gâdzm’n, bewaker; officier of soldaat van de garde; Guarded(ly) = omzichtig; Guardian, gâdj’n, voogd, opziener, bewaarder, geleider: Guardians of the poor = armvoogden; Guardian-angel = beschermengel; Guardianship = voogdij.

Guatemala, gwâtəmâla, gôtəmâla; Guayana, gwaiâna.

Gude-wife, gûdwaif, huisvrouw, vrouwtje (Schotl.).

Gudgeon, gɐdž’n, subst. grondel; vingerling van een roer; sukkel, lokaas; adj. dom.

Guebre, Gueber, gîbə, geibə, subst. Perzisch vuuraanbidder; ook adj.

Guelders, geldəz, Guelderland, geldəland, Gelderland.

Guelf, Guelph, gwelf, naam van de hertogen van Beieren, de nationale partij in Italië, die den Paus ondersteunde (Z. Ghibelline); Guelfic = tot de Guelfen behoorende; Guelfic-order = ridderorde voor het oude Hannover (in 1815 ingevoerd).

Guerdon, gɐ̂d’n, belooning.

Guer(r)illa, gərilə, guerilla (oorlog); franctireur; beunhaas, knoeier.

Guernsey, gɐ̂nzi, Guernsey; trui; roode patrijs.

Guess, ges, subst. gis, gissing; Guess verb. gissen, onderstellen, raden: He gave a guess at it = hij raadde er naar; I’ll give you a hundred guesses, and you won’t be on it = ik zet het je het te raden; I guess = ik geloof, ik denk (Amer.); He guessed at it = hij raadde er naar; Guess-work = gissing, onderstelling.

Guest, gest, gast, logeergast; Guest-chamber.

Guffaw, gəfô, subst. luide lach; Guffaw verb. brullen (van lachen).

Guggle, gɐg’l. Zie Gurgle.

Guiana, giâna.

Guidable, gaidəb’l, leidzaam, bestuurbaar; Guidance, gaid’ns, geleide, richting, bestuur; Guide, gaid, subst. gids, geleider, bestuurder, regulateur, reisgids; Guide verb. geleiden, besturen, leiden: Guide-board = wegwijzer; Guide-book = reisgids; Guide-post = wijspaal, wegwijzer; Guider = leider (Zie ook: Guidon).

Guidon, gaid’n, ruiterstandaard, richtvaantje, vaandrig.

Guild, gild, gilde, vereeniging: Guild-brother = gildebroeder; Guild-hall = gildenhuis; gebouw waar het bestuur van de City vergadert; Guilder = gulden (Nederl.); Guildry = gilde (Schotl.).

Guildenstern, gildənstɐ̂n; Guildford, gilfəd.

Guile, gail, bedrog, list, valschheid; Guileful = arglistig; subst. Guilefulness; Guileless = argeloos; subst. Guilelessness.

Guillotine, gilətîn, subst. guillotine; Guillotine verb. gilətîn, guillotineeren.

Guills, gilz, gele ganzebloem.

Guilt, gilt, schuld, misdaad; Guiltiness = schuld, strafbaarheid; Guiltless = onschuldig, onschadelijk; subst. Guiltlessness; Guilty = schuldig: He was guilty of that theft = schuldig aan; He looked guilty-like = hij zag er uit, alsof hij schuldig was.

Guinea, gini, subst. guinje (= 21 sh.; deze munt bestaat alleen nog als rekenpenning), Guinea; adj. v. Guinea; Guinea-corn = doerrah; panikkoorn; Guinea-fowl = paarlhoen; Guinea-grains = paradijskorrels; Guinea-pepper = Spaansche peper; Guinea-pig = Guineesch biggetje; waterzwijn; iemand, die zijn naam leent voor industrieele ondernemingen en oorspronkelijk een guinea als presentiegeld ontving.

Guinevere, gwinəv(î)ə, Ginevra.

Guise, gaiz, mode, uiterlijk, voorkomen, manier: In the guise (light) of = bij wijze van.

Guitar, gitâ, guitaar.

Gulch, gɐlš, diep ravijn (Amer.).

Gulden, guld’n, Oostenrijksche florijn.

Gules, gjûlz, rood, keel (Herald.).

Gulf, gɐlf, subst. afgrond, draaikolk, boezem, groot verschil; laagste nummer op de lijst der geslaagden bij het Mathem. Tripos (Camb.): There is a great gulf fixed between the two; Gulf-stream = golfstroom.

Gull, gɐl, subst. meeuw; sterentje, Jan van Gent; onnoozele hals; Gull verb. bedriegen, beetnemen; Gull-catcher = bedrieger, kwartjesvinder; Gullible = gemakkelijk beet te nemen; subst. Gullibility.

Gullet, gɐlət, keel, slokdarm, waterafvoer, geer (in een hemd).

Gully, gɐli, subst. geul, riool, ijzeren rail; Gully verb. met geraas stroomen; Gully-hole = rioolgat.

Gulp, gɐlp, subst. het verzwelgen, inslokken, mondvol, braking; Gulp verb. met groote teugen inzwelgen, slokken: He gulped up what he had taken = braakte uit; They are a brace of gulpings = stelletje drinkebroers.

Gum, gɐm, subst. tandvleesch; gom; Gum verb. met gom bestrijken of vastkleven; lijmen, beetnemen (Amer.): Gum arabic = Arab. gom; Gumboil = zweertje op het tandvleesch; Gum elastic = caoutchouc; Gum-rash = hittepuistjes; Gumsuck = bedriegen (Amer.); Gumsucker = jonge Australiër van Europ. afkomst; Gum-trees = soorten v. Eucalyptus en Acacia; Gumminess, subst. v. Gummy = gomachtig, kleverig, gom bevattend; Gummy! = jeminé! That is gummy = bijna ongeloofelijk, en toch waar.

Gump, gɐmp, sul, dwaze kerel.

Gumption, gɐmpš’n, gladheid, scherpzinnigheid; The boys had to write a gumption paper = opstel, waaruit blijkt of zij goed hebben waargenomen; Gumptionless = dom; Gumptious, gumpšəs, glad, vaardig, bij de hand.

Gun, gɐn, subst. geweer, kanon; Gun verb. schieten, jagen: He is a big gun = invloedrijk persoon, groote hans; Son of a gun = pierewaaier (humor.), lammeling; It is as sure as a gun = zoo zeker als 2 × 2; The guns were brought to bear on the enemy’s ships = werden gericht; To blow great guns = stormen; We spiked their guns = vernagelden; They stood to their guns = bleven standvastig (het geschut bedienen); Gun-barrel = loop van een kanon of geweer; Gun-battery = batterij (van kanonnen); Gunboat = kanonneerboot; Gun-carriage = affuit; Gun-cotton = schietkatoen; Gun-fire = uur van het morgen- en avondschot; Gun-foundry = gieterij; Gun-metal = geschutmetaal; Gunpowder = buskruit; fijne groene thee: The Gunpowder Plot = samenzwering, om op 5 Nov. 1605 de Parlementshuizen in de lucht te doen springen; Gun-rack = geweerrek(-rak); Gun-reach = kanon- of geweerschotsafstand: He is within gun-reach = op kanon- of geweerschotsafstand (ook: Gun-shot) = hij is onder schot; Gun-rod = laadstok; Gun-room = verblijf der cadetten aan boord van een oorlogschip; Gun-shot = geweer- of kanonschot, de afstand van een kanon of geweer; Gunsmith = geweermaker; Gunsmithery = geweermakerskunst, -vak; Gun-stock = geweerlade; Gun-tackle = geschuttalie; Gunned: Heavily gunned = met zwaar geschut; Guner = artillerist, kanonier; Guner’s ladle = laadlepel; Gunnery = artillerie wetenschap; Gunnery-lieutenant = luitenant die, na een Gunnery-course op een Gunnery-ship te hebben bijgewoond, in het bezit is van een warrant daarvan.

Gunnel, gɐn’l, dolboord; schansnet aan boord van een oorlogschip.

Gunn(e)y, gɐni, grof zaklinnen.

Gunter’s chain, gɐntəztšein, landmetersketen v. ± 20,11 M.

Gunwale, gɐn’l (Zie Gunnel).

Gurgle, gɐ̂g’l, subst. geklok, gorgeldrank, gemurmel; Gurgle verb. klokken, gorgelen, murmelen: The delicious gurg-gurgling from our bronze fountain = geklater; A gurglet of water = waterbron.

Gurgoyle; Zie Gargoyle.

Gurnard, gɐ̂nəd, kleine poon; spinvisch.

Gush, gɐš, subst. krachtige stroom, uitstrooming, uitbarsting, overdreven taal of gevoel; Gush verb. krachtig (uit)stroomen, snel en mild vloeien, overdreven en sentimenteel zijn: His conversation came in gushes = van tijd tot tijd barstte hij eens los; All this is not gush, it is the honest truth = dit is volstrekt niet overdreven of onwaar; She gushed about Liszt = sprak (schreef) overdreven bewonderend over L.; I am not a gusher, but I must tell you how much I like you = ben geen overdreven gevoelsmensch; She was conceited and gushing = en dwaas sentimenteel (overdreven).

Gusset, gɐsət, geer, inzetsel, inlegsel.

Gust, gɐst, windruk, vlaag, uitbarsting; smaak, lust, neiging; Gustation, gəsteiš’n, het proeven of genieten; Gustative, Gustatory, gɐstətori, smaak ..., proef ...: Gustatory nerve = smaakzenuw; Gusto, gɐstou, smaak, genot; Gusty = stormachtig, winderig, woest.

Gustavus, gɐsteivəs.

Gut, gɐt, subst. darm, snaar, nauwte; Gut verb. ontweien, uithalen, leegplunderen, uitbranden; Guts = ingewanden, buik, maag: Greedy guts = vreetzak; Gut-scraper = vedelaar; Gut-string = snaar.

Gutta, gɐtə, druppel (vooral in samenstellingen); Guttapercha = guttapercha.

Guttate(d), gɐtit (gɐtiteitid), gespikkeld.

Gutter, gɐtə, subst. goot, geul, riool; Gutter verb. geulen maken, goten vormen, afloopen (van eene kaars), in druppels neervallen; Gutter-press = de vuile, onzedelijke pers; Gutter-snipe, Gutter-snippet = verwaarloosd kind, voddenraper; Gutter-spawned = verachtelijk en onzedelijk.

Guttiferous, gɐtifərɐs, gom opleverend.

Guttiform, gɐtiföm, druppelvormig.

Guttle, gɐt’l, verzwelgen, inslokken (down).

Guttural, gɐtər’l, subst. keelletter, keelklank; adj. tot de keel behoorende; Gutturalize = met keelklank uitspreken; Gutturalness = keelklankachtige aard; Gutturize, gɐtəraiz, in de keel vormen.

Guy, gai, Guy; topreep (scheepst.), vogelverschrikker, leelijke fantastische pop (ter herinnering aan Guy Fawkes en het Gunpowder Plot); voorwendsel; Guy verb. met een touw (onder het ophijschen) vasthouden; uitsnijden, belachelijk maken: He did a guy and bolted = hij wendde iets voor (b.v. dat hij noodzakelijk weg moest); He was guyed unmercifully = hij werd ongenadig uitgelachen; Guy-rope = topreep, tenttouw.

Guyon, gaiən.

Guzzle, gɐz’l, snel drinken, zuipen; subst. sterke drank; Guzzler = zuiplap.

Gwynn, gwin.

Gymkhana, džimkânə, een soort wedrennen, waarbij aan de deelnemers bovendien allerlei grappige verplichtingen worden opgelegd (een draad door een naald steken, een meegebrachte som eerst uitrekenen, etc.); ook adj.

Gymnasium, džimneiž’m, worstelplaats, gymnastiekschool, gymnasium: Gymnasium belts = gordels.

Gymnast, džimnast, gymnastiekonderwijzer, gymnast; Gymnastics, džimnastiks, athletische oefening, gymnastiek; Gymnastic apparatus (costume, exercise, hall, society).

Gymnotus, džimnoutəs, sidderaal = Gymnotus electricus.

Gynaecological, džainikəlodžik’l (džinikəlodžik’l), gynaecologisch; Gynaecologist = gynaecoloog; Gynaecology = gynaecologie.

Gyp, džip, oppasser (bij studenten).

Gypseous, džipsiəs, gipsachtig; Gypsum, džips’m, gips.

Gyrate, džaireit, omwentelen, ronddraaien; adj. džairit, kringvormig; subst. Gyration: Centre of gyration = draaipunt; Gyratory = draaiend; Gyre = kring, omwenteling.

Gyrfalcon, džɐ̂fôk’n, giervalk.

Gyroscope, džairəskoup, gyroscoop.

Gyve, džaiv, ketenen, boeien; subst. Gyves = (voet)boeien.

H.

H, eitš; Hamps(hire) = Hants; H(is of Her) B(ritannic) M(ajesty); Heb(rews); Hert(ford)s(hire); Hhd = Hogshead(s); Hist(ory); H(er) M(ajesty’s) S(ervice); Hon(ourable); H. P. = halfpay, horse-power; H(is of Her) R(oyal) H(ighness); Hung(ary); Hund(red); Hunt(ingdon)s(hire); Hypoth(esis).

Ha, hâ, subst. ha! uitroep van verbazing of vreugde; Ha verb. verbazing uitdrukken; blijven steken: He hummed and ha’ed, before he replied = stotterde, haperde; He was an enemy to beating about the bush, humming and ha’ing = hield niet van er om heen te praten en ‘ha’ te zeggen; His manner is very ‘ha-ha’ = hij doet altijd zeer verbaasd.

Habeas corpus, heibiəsköpəs: Writ of habeas corpus = bevelschrift om een gevangene ter onderzoeking voor te brengen, met opgave van dag en reden zijner arrestatie en gevangenhouding.

Haberdasher, habədašə, winkelier in garen en band, passement en nouveautés; Haberdashery = garen en band, enz.

Haberdine, habədin, habədîn, labberdaan.

Habergeon, həbɐ̂dž’n. Zie Hauberk.

Habiliment, həbiliment, kleeding, kleed (gewoonlijk Habiliments).

Habit, habit, subst. gewoonte, neiging, hebbelijkheid, persoonlijk aanwensel; kleeding, kleedij, rijkleed; habitus, houding, uiterlijk; Habit verb. kleeden: To be in (To get into) the habit of swearing = gewoon zijn (zich aanwennen); By habit = uit gewoonte; Habit-shirt = chemisette (v. amazones); Habited = gekleed.

Habitability, habitəbiliti, bewoonbaarheid; adj. Habitable; Habitant, habit’nt, bewoner; Habitat, habitat, natuurlijke woonplaats (of groeiplaats) voor dier (of plant); Habitation, habiteiš’n, bewoning, woning; loge van de Primrose League (eene staatkundige, conservatieve partij in Engeland).

Habitual, həbitjuəl, gewoonlijk, voortdurend, gewoonte: Habitual drunkard = dronkaard; Habituate, həbitjueit, gewennen; Habitude, habitjûd, gewoonte, hebbelijkheid.

Hacienda, asiendə, hacienda, fabriek, mijn, landgoed.

Hack, hak, subst. houw, snede, kerf; huurpaard, jacht(rij)paard; broodschrijver, rek (om visch te drogen), stapel steenen (om te drogen), mestvork, ruif; Hack verb. hakken, houwen, radbraken, kuchen, als hack gebruiken, zich weggooien; adj. huur - -, versleten; Hack-in-chief = hoofdredacteur (spottend); A hacking cough = droge kuchhoest.

Hackee, hakî, gestreept Amerikaansch eekhorentje.

Hackery, hakəri, tweewielige ossenwagen in Brit. Indië.

Hackle, hak’l, subst. hekel, ruwe zijde, nek- of rugveer van een haan, kunstvlieg (als aas); Hackle verb. hekelen, een candidaat aan den tand voelen; vaneenscheuren; Hackler = hekel.

Hackney, hakni, subst. rijpaard, huurpaard, werkpaard, huurrijtuig, duivelstoejager, huurling; adj. verhuurd, alledaagsch, afgezaagd: To make a hackney of = verslijten, bederven; Hackney-carriage, Hackney-coach = huurrijtuig, huurkoets; Hackney-coachman = koetsier van een huurrijtuig.

Haddock, hadək, schelvisch.

Hade, heid, subst. steile ingang van eene mijn; Hade verb. hellen (van mijnaderen).

Hades, heidîz, schimmenrijk.

Hadji, hadžî, hadji.

Haematin, he(hî)mətin, haematine; Haemorrhage, heməridž, bloeding, bloed(uit)storting; Haemorrhoids, hemərôidz, aambeien.

Haffle, haf’l, stamelen, hakkelend en onduidelijk spreken, uitvluchten maken.

Hafiz, hâfiz.

Haft, haft, subst. handvat, hecht, heft, woning (Schotl.); Haft verb. in een heft zetten, van een heft voorzien; zich vestigen.

Hag, hag, subst. heks, tooverkol, furie; Hag verb. schrik aanjagen; Hag-ridden = aan nachtmerrie lijdende; Hag-seed = heksengebroed; Haggish = afschuwelijk, heksen...

Hagar, heigâ.

Haggard, hagəd, wild, ongetemd, verwilderd, bleek en vervallen.

Haggis, hagis, fijn gehakte schapekop met hart, lever en longen; een Schotsche schotel van schapenlongen, hart en lever met uien, en gekookt in eene schapenmaag.

Haggle, hag’l, knibbelen, afdingen; Haggler.

Hagiographa, hagiogrəfə, heidžiogrəfə, de boeken van het O. Testament met uitzondering van de Mozaische en de Profeten; levensgeschiedenissen der Heiligen; Hagiology, hagiolədži, heidžiolədži, geschiedenis der Hagiographa; werk over de levens van (R.-K.) heiligen.

Hague (The), dhəheig, ’s-Gravenhage.

Hah, hâ, ha!

Ha-ha, hâhâ, hâhâ, opening in een tuinomheining met een droge sloot er voor; ook die sloot zelf.

Haidarabad, haidərəbad; Haidee, haidî; Haigh, hei.

Hail, heil, subst. aanroep, welkomstgroet, bezoek; interj. heil! Hail verb. begroeten, aanroepen, praaien, geboortig zijn van: He is within (out of) hail = hij kan (niet) beroepen worden, is (niet) vlak bij de hand, is binnen (buiten) het bereik van de stem; That man is hail-fellow-well-met with all people = hij is een allemansvriend; The ship was hailed by us = gepraaid; Where do you hail from = komt gij vandaan (waaien)? This dictionary hails from America = is een Amerikaansch voortbrengsel; They sang a Hail Mary! = een Ave Maria.

Hail, heil, hagel; Hail verb. (doen) hagelen; Hailshot = kartetsvuur; Hailstone = hagelsteen; Hailstorm.

Hair, hêə, haar; ook adj.: It is my friend to a hair = op-en-top, tot op een haar; Within a hair of = op een haar na; Let us not split hairs = laten wij niet haarkloven, vitten, etc.; Not to turn a hair = onbewogen blijven; Hairbreadth = haarbreedte, zéér kleine afstand: It was a hairbreadth escape = wij brachten er nog net het leven af; Hairbrush = haarborstel; Haircloth = (paarde)haren stof; Hairdresser = kapper; Hair-dye; Hair-lace = haarlint; Hair-line = snoer van paardenhaar, ophaallijn (in ’t schrijven); Hair-net = haarnetje; Hair-oil = haarolie; Hair-pencil = fijn penseel; Hair-pin = haarspeld; Hair-pointed = met fijne, teere punt; Hair-powder = haarpoeder (wit); Hair-restorer = haargroeimiddel; Hair-shirt = haren kleed; Hair-splitting subst. = haarklooverij; ook adj.; Hair-stroke = ophaallijn (bij ’t schrijven); Hair-trigger = sneller (aan een pistool); pistool daarvan voorzien; Hair-wash = haarwaschmiddel; Hairiness = harigheid, behaardheid; Hairless; Hairy = behaard.

Haiti, heiti.

Hake, heik, dorsch (visch); vagebond, babbelkous.

Hakluyt, haklût; Hal, hal.

Halberd, halbəd, hôlbəd, holbəd, hellebaard; Halberdier, hal(hôl-, hol-)bədîə, hellebaardier.

Halcyon, halsiən, subst. koningsvisscher, ijsvogel; kalmte, rust; adj. kalm, rustig: That was in my Halcyon-days = dat was in mijn kalmen, gelukkigen tijd.

Haldane, haldein.

Hale, heil, adj. gezond, flink, kloek: I am hale and hearty = frisch en gezond; subst. Haleness.

Half, hâf, half; subst. helft: That’s not half bad = dat is lang niet kwaad; He tore the letter in half = in tweeën; Half-and-half = subst. mengsel van twee bieren (vooral porter en ale), onoprecht mensch; adj. zonder pit, kwijnend; Halves: I will go you halves in a supper = ik sta je de helft van; He cried halves, when I found the guilder = hij riep “buit half”; Do nothing by halves = ten halve; Half-baked = halfgaar, sullig; Half-baptism = nooddoop (bij Katholieken): The child was half-baptized = ontving den nooddoop; Half-binding = half leeren band; Half-blood = verwantschap van personen, die alleen een zelfden vader of eene zelfde moeder hebben (halfbroeder, halfzuster); Half-blown = half geopend; Half-bound = in halfleder gebonden; Half-bred = van gemengd ras, onbeschaafd; Half-breed, subst. halfbloed; adj. van gekruist ras; Half-brother = halfbroeder; Half-caste = halfbloed; Half-cock = de stand van den haan, als hij half overgehaald is: To go off at Half-cock = iets overijld doen, iets uitflappen; Half-crown = Eng. zilveren munt van ƒ 1,50; Half-dead = half dood; Half-faced = “en profil”; Half-hearted = lauw, onverschillig, weifelend; Half-holiday = vrije middag; Half-length = kniestuk (portret); The ensign floated half-mast high = woei halfstok; Half-part = half deel; Half-pay, subst. nonactiviteitstractement; adj. op nonactiviteit; Halfpenny, heip’ni, halve stuiver; Halfpennyworth = waarde van 2½ c.; Half-price = halve prijs of verminderde prijs; Half-seas-over = half dronken, aangeschoten; Half-sister = halfzuster; Half-starved = slecht gevoed, half verhongerd; Half-sword = op de halve lengte van een zwaard: At half-sword = handgemeen: Half-timer = een kind, dat de lagere school slechts de verplichte vijf schooltijden per week bezoekt; fabrieksarbeider, die slechts de helft van de uren werkt; Half-way = halverwege: Half-way house = herberg; Half-witted = zwak van denkvermogen, zielig, sukkelig; Half-yearly = zesmaandelijks(ch).

Halford, halfəd.

Halibut, halibɐt, holibɐt, heilbot; Halibutter = heilbotvisscher (vaartuig).

Halifax, halifaks.

Halitus, halitɐs, adem of damp.

Hall, hôl, groote zaal, vergaderzaal, rechtszaal, eetzaal (universiteiten), maaltijd, gebouw, huis, vestibule: A hall = ruimte! uitroep bij de oude gemask. optochten; Hall-mark = stempel, keur, bewijs van echtheid; ook verb.

Hallam, haləm.

Halleluja, haləl(j)ûjə, subst. lofzang; Halleluja lass = vrouwelijke heilsoldaat.

Halley, hali.

Halliard, haljəd. Zie Halyard.

Halliwell, haliwel.

Hallo(a), həlou, Halloo, həlû, Hallow, həlou, Hola! Allo! subst. allogeroep; Hallo verb. luid roepen: Do not hallo before you are out of the wood = men moet geen ho! roepen vóór men over de brug is.

Hallow, halou, heiligen, wijden; Hallowe’en, halou-în, halou-în, avond voor Allerheiligen; Hallowmas(s) = Allerheiligen.

Hallucination, həl(j)ûsineiš’n, zinsbedrog, zinsbegoocheling; adj. Hallucinatory.

Halm, hôm. Zie Haulm.

Halo, heilou, lichte kring om zon of maan, stralenkrans, heiligenkrans; kring (Med.); Halo verb. met een krans omgeven.

Halt, hôlt, subst. stilstand (-staan), halt; het kreupel zijn, kreupelheid, ziekte bij schapen; Halt verb. halt houden, halt roepen, ophouden; kreupelen, mank gaan, aarzelen, dralen, gebrekkig zijn, te kort schieten; adj. kreupel; interj. Halt! To call a halt = halt doen houden; To make a short halt = even stoppen; They were halted in the dusk = tot staan gebracht; Halting-place = stopplaats; Haltingly = hinkend, langzaam, aarzelend.

Halter, hôltə, subst. halster, touw, strop; Halter verb. een halster aandoen of er mede vastbinden.

Halve, hâv, (in tweeën) deelen. Zie Half.

Halyard, haljəd, val (scheepst.).

Ham, ham, knieboog of knieholte, dijbeen, schink; ham: Hams = billen.

Ham, ham, Cham; Hamite, hamait; Hamitic, həmitik, van de nakomelingen van Cham of hunne taal.

Hamadryad, hamədraiəd, hamədraiəd, boomnimf.

Hame, heim, haam.

Hamiform, hamiföm, heimiföm, haakvormig.

Hamilton, hamilt’n.

Hamlet, hamlət, gehucht, dorpje.

Hammer, hamə, subst. hamer, haan; Hammer verb. hameren, slaan, smeden, met moeite uitwerken, instampen (fig.): Hammer and tongs = met alle kracht, met groot geweld; At hammer and tongs = op gespannen voet; To bring to the hammer = onder den hamer brengen, publiek verkoopen; I’ll be hammered if I do it = je mag op mij schieten als ik het doe; He is always hammering at it = hij houdt vol, geeft het niet op; I have hammered it out at last = ten laatste ben ik er achter, eindelijk begrijp ik het; Hammer-axe = werktuig, aan de eene zijde hamer, aan de andere bijl; Hammer-cloth = kleed over den bok van een rijtuig; Hammerfish = hamervisch(-haai) = Hammer-head; Hammer-hard(en) = koud metaal door hameren harden; Hammer-stone = splijthamer.

Hammock, hamək, hangmat; Hammock-chair = stoel met linnen zitting en rug; Hammock-nettings = plaats, waar de hangmatten overdag worden geborgen; vinkennet of enternet.

Hamper, hampə, subst. grove sluitmand, kluister, boei, tuigage; Hamper verb. in eene sluitmand doen, belemmeren, boeien, in de war brengen.

Hampshire, hampšə; Hampstead, hamsted; Hampton, hamt’n.

Hamshackle, hamša’kl, den kop (van os of paard) aan een der voorpooten vastmaken, temmen, beteugelen.

Hamster, hamstə, hamster.

Hamstring, hamstriŋ, subst. kniepees; Hamstring verb. verlammen door het doorsnijden der kniepees (of staartspier bij een walvisch).

Hand, hand, subst. hand, handvol, handvat, wijzer, handeling, bekwaamheid, acte; deel, zijde, kant, werkman, fabrieksarbeider, matroos, ingewijde; schrift, spel kaarten, een der spelers, vijf (van een artikel dat verkocht wordt), pak tabak; Hand verb. overhandigen, aangeven, vastmaken, geleiden, helpen, overleveren: To be a clever hand at = knap zijn in; An old hand = een ervaren, gewikst persoon; His hand was against everybody = hij was in opstand tegen ieder; My hands are clean = ik ben onschuldig; I have come out of this business with clean hands = ik ben eerlijk gebleven; Hands across! = handen over elkaar; He won the race hands down = op zijn doode gemak; Hands off! = handen thuis! niet aankomen; Hands up! = geeft u over! It was a hand-to-hand-fight = gevecht van man tegen man; They are hand-and-glove (= hand in glove) with = koek en ei, op intiemen voet; My brother is on the mending hand = aan de betere hand; My sword was at hand = bij de hand, dicht bij; I have received many kindnesses at your hand(s) = van u; The time was at hand = op handen; The horse is hot at hand (heavy on hand) = moeielijk te regeeren; I bought it at first (second) hand = uit de eerste (tweede) hand; She came out at the right hand = kwam er goed af; The child was brought up by hand = met kunstmatig voedsel; He sent his reply by hand = met een bode; Take him by the hand = aan uwe hand, onder uwe hoede; To go from hand to hand = van den een tot den ander; Hand to mouth = armelijk, pover; From hand to mouth = voor onmiddellijke behoefte; To live from hand to mouth = van de hand in den tand; Hand over fist = Hand over hand = hand over hand, langzamerhand; snel; They go hand in hand = zij houden het samen, helpen elkander; Our men are in good heart and thoroughly in hand = en onder volkomen discipline; We have the matter in hand = hebben ... onder handen; Payment in hand = contante betaling; This horse is light in hand = gemakkelijk te regeeren; The matter was taken in hand by him = aangepakt, ondernomen; He was taken in hand by the judge = onder handen genomen; They carried their lives in their hands = stelden hun leven bloot; Each found the life of his hand deed het werk, dat zijne hand vond om te doen; We have no stock on hand = geen voorraad voorhanden; Case on hand; waiting instructions = collie aanwezig; verzoeke verzendingsinstructies; He did it out of hand = dadelijk, onmiddellijk; Out of hand = klaar, af; He has got out of hand = is buiten den band geraakt; He went up the ladder hand over hand = door telkens de eene hand boven de andere te brengen; You will find everything to your hand here = alles klaar, in gereedheid; Your favour (note) came duly to hand = uwe geëerde letteren heb ik in orde ontvangen; I saw an instrument under the minister’s hand = een door den minister geteekend stuk; He asked (gave) the hand of his cousin = vroeg om (schonk) de hand van zijne nicht; Bear a hand there = help eens een handje; This house has changed hands five times in three years; They forced the hands of the government = zij zetten ... naar hun hand; He wanted to get his hand in = aan slag (aan den gang) komen, zich inwerken; To give a hand with = een handje helpen met; I have a free hand now = de handen vrij; He had a hand in the game = hij had er de hand in; You must have your hands full = volop werk hebben; de handen vol hebben met; He holds hands with the best authors = kan wedijveren met; Let us join hands, Join hands in hand = eendrachtig samenwerken; To join hands with = de hand reiken aan; The two armies joined hands = vereenigden zich; One must keep one’s hand in = men moet het onderhouden, zich blijven oefenen; The police have laid hands on him = heeft hem te pakken; Lend a (helping) hand, old boy = zeg vriend, help eens een handje; I will not put my hand to that deed = mijn hand niet zetten onder; He could set his hand to every kind of work = hij kon met allerlei werk terecht; Let us shake hands = elkander de hand drukken (= shake each other by the hand); You don’t show me your hand for nothing = je laat me niet voor niemendal in je spel kijken; To hand a sail = vastmaken; To hand about = rondgeven; To hand down = aangeven, overleveren: This story was handed down from my ancestors = is van mijne voorouders afkomstig; To hand in = helpen (in een rijtuig), inleveren; He handed it over to me = overhandigde het mij; She was handed over to her old enemies = overgeleverd aan; Hand-bag = valies; Hand-barrow = (draag)berrie; kruiwagen; Hand-ball = gummibal aan spuit; Hand-bell = tafelbel; Hand-bill = snoeimes; affiche, schuldbewijs; Handbook = handboek; Hand-brace = drilboor; Handbreadth = handbreedte; Hand-cart = handkar; Hand-clasp = handdruk; Hand-cuff, subst. handboei; Hand-cuff verb. de handboeien aanleggen; Hand-dog = Andiron; Hand-drop = handverlamming; Hand-gallop = korte galop; Hand-glass = handspiegel, glas over planten; Handgrasp = handdruk; Handgrenade = handgranaat; Handgrip = greep: To come to handgrips = handgemeen worden; Handkerchief = zakdoek, doek: To drop the handkerchief = het teeken geven (oorspronkelijk door den persoon, die gehangen werd); To throw the hand to = uitnoodigen; Hand-language = vingertaal; Hand-lead = klein peillood; Hand-loom = weefgetouw; Hand-maid(en) = vrouwelijke bediende, dienares; Hand-mill = handmolen; Hand-organ = draaiorgel; Hand-paper = papier (met eene hand als watermerk); Hand-painted = uit de hand geschilderd; Hand-press = handpers; Hand-promise = plechtige verloving, die slechts met toestemming van beide partijen ophoudt; Hand-rail(ing) = leuning; Hand-sail = klein zeil; Hand-saw = handzaag: He knows a hawk from a hand-saw = hij heeft zijn weetje; Hand-screw = dommekracht; Hand-shake = handdruk; Handspike = handspaak, koevoet; Handspring = sprong, soort salto mortale: To chuck (throw, turn) handsprings; Handstrap = riem (in een tramwagen); In a hand-turn = in een ommezientje; Hand’s turn = hulp; Hand-writing = schrift; handschrift; Hander, handə, aanreiker, overbrenger, klap: No handers was the motto of the schoolboys on strike = “geen lichamelijke straf” was het motto v. de werkstakende schooljongens; Handful = handvol; Handless = zonder handen; onhandig.

Handfast, handfâst, subst. greep, handvat, houvast, handslag, contract, verbintenis; hechtenis; Handfast verb. verbinden, verloven, vereenigen, vasthouden.

Handicap, handikap, subst. vóórgift (in tijd, afstand of gewicht) bij een wedstrijd; (fig.) nadeel; Handicap verb. vóórgeven, (fig.) belemmeren, benadeelen, bezwaren: It is a handicap to a popular author to have made a great book = het is een nadeel (nl. met het oog op zijne volgende boeken); A handicap race = wedstrijd met vóórgift; Heavy taxation handicaps a country = drukken een land (belemmeren het in zijne vrije ontwikkeling); In this way we handicap our own producers as compared with the foreigner = bezwaren we onze eigen producenten.

Handicraft, handikrâft, handenarbeid, werk van de handen; Handicraft(s-man) = handwerksman.

Handiness, handinəs, handigheid, gemakkelijkheid, doelmatigheid.

Handiwork, handiwɐ̂k, handarbeid, kunstwerk, schepping.

Handle, hand’l, subst. handvatsel, “vat”, oor, gevest, enz.; Handle verb. betasten, bevoelen, hanteeren, behandelen, gebruiken, leiden: He has a handle to his name = hij heeft een titel, is van adel; I will give you a handle = ik zal u de gelegenheid verschaffen; He flew off (at) the handle = hij werd driftig; He knows how to handle the matter = weet de zaak aan te pakken; The guns were well handled = goed bediend; Handling = hanteering, behandeling.

Handsel, hands’l, subst. handpenning, handgift, eerste verkoop, geschenk, etc.; Handsel verb. een handpenning geven, handgeld geven.

Handsome, han(d)s’m, mooi, knap, goedgevormd, edel, mild, royaal, ruim: Handsome is, what handsome does = aan de vruchten kent men den boom; To come down handsomely = over de brug komen, zich royaal betoonen.

Handy, handi, handig, vlug, bij de hand, nabij: The book has found a place on the handiest shelf of every student = staat voor het grijpen bij; The children were playing at handy-dandy = de kinderen speelden: “Ra, ra, in welke hand?”; Handyman = helper, handlanger.

Hang, haŋ, subst. helling, verbindingswijze, neiging, richting; Hang verb. hangen, ophangen, behangen: He has got the hang of it (Amer.) = hij is er volkomen mede vertrouwd, heeft er den slag van beet; The general hang of the work is disappointing = gang, richting; He hangs about her = maakt veel werk van haar, is altijd om en bij haar; Many boys were hanging about the stables = hielden zich op bij de stallen; Do not hang back = krabbel niet terug, doe het niet met tegenzin; He hung down his head = liet hangen; All the hearers hang on his lips = hangen aan; The thing was hung on by the eyelids = was er slechts even of onvoldoende mee verbonden; He hangs on his party as faithfully as may be expected = hij kleeft zijne partij aan; Where do you hang out = waar woont gij, hangt gij uit?; All the flags were hung out = uitgestoken; I hang over to that opinion = hel naar die meening over; They hang together like burs = hangen als klissen aan elkander; The matter was hung up = bleef onbeslist; Be hanged to ’em = laten ze naar den duivel loopen; The suit hung = het proces werd gerekt, uitgesteld; To hang fire = niet dadelijk afgaan, besluiteloos zijn, op zich laten wachten, niet willen gelukken; Time hangs heavy on my hands, hangs heavy to-day = valt mij lang; We have been hanging in doubt = in onzekerheid verkeerd; Men have hanged for less than this = kregen den strop; Hang-dog = galgebrok, schurk: A hang-dog look = een armezondaarsgezicht, -blik; Hangman = beul; Hang-nail = nijdnagel; Hang-nest = hangend nest; Hang-net = hangnet; Hanger = hangstuk, haak, ophanger, hartsvanger, korte sabel; woud of boschje (langs eene heuvelhelling); Hanger-on = aanhanger, afhangeling, klaplooper; Hanging, subst. het hangen of ophangen, vertoon; behang, wandtapijt, adj. steil, den dood verdienend, strafbaar met den dood: That is a hanging-affair = eene halszaak; Hanging-clause = bepaling, met wier niet-nakoming het leven gemoeid is; Hanging-garden = hangende tuin; Hanging-guard = verdedigende houding met een sabel; Hanging judge = rechter, die het doodvonnis uitspreekt; Hanging-shelf = boekenhanger.

Hangar, haŋgâ, hangar.

Hank, haŋk, subst. streng (garen, zijde, etc.); neiging, lust; greep, macht; Hank verb. tot strengen vormen, krachtig aanhalen: His tales are excellent; the first in the hank is the best = het eerste in de verzameling is het beste.

Hanker, haŋkə, hunkeren, verlangen: I felt a hankering after her = een onweerstaanbaar verlangen naar haar bekroop mij.

Hank(e)y-Pank(e)y, haŋkipaŋki, subst. hocus-pocus: Hank(e)y-Pank(e)y bloke = goochelaar.

Hanley, hanli.

Hanover, hanəvə; Hanoverian, hanəvîriən, subst. en adj. Hannoveraan(sch).

Hansard, hansəd, koopman uit eene hanzestad; officiëel verslag van de handelingen van het Parlement.

Hanse, hans, verbond, vereeniging: Hanse towns = hanzesteden en hun verbond; Hanseatic, hansiatik, van de Hanzesteden: Hanseatic league = hanzeverbond.

Hansom (cab), hans’m (kab), tweewielig huurrijtuig (de koetsier zit achterop en de leidsels gaan over de kap heen).

Ha’n’t, Han’t, hânt, (Amer.) heint = Have not, Has not.

Hants, hants = Hampshire.

Hap, hap, subst. toeval, toevallige gebeurtenis; mantel, hulsel; Hap verb. toevallig gebeuren; inwikkelen; Haphazard = kans, gelukje, toeval: I did it at haphazard = op den bof, op goed geluk af; Hapless = ongelukkig, rampzalig; Haply = bij toeval, misschien.

Happen, hap’n, gebeuren: I happened to meet him = ik ontmoette hem toevallig; As it happened I found him = toevallig vond ik hem; Just happen in at my office to-morrow (Amer.) = wip morgen even aan; I happened on it yesterday = trof (vond) toevallig; I have not seen the happenings with my own eyes (Amer.) = ik heb zelf niet gezien wat er voorgevallen is.

Happiness, hapinəs, subst. v. Happy, hapi, gelukkig, voorspoedig, verheugd, blij, handig, bekwaam: Happy man be his dole = moge het hem goed gaan! Happy family = vreedzaam samenlevende menschen of kleine dieren v. verschillenden aard (zooals honden en katten, etc.); Happy-mean, subst. het ware midden: The happy-mean man = de man van ’t ware midden; Happy-go-lucky = onbezorgd, zorgeloos.

Harakiri, hârəkîri. Zie Harikiri.

Harangue. həraŋ, subst. redevoering, toespraak; Harangue verb. toespreken, eene rede houden; Haranguer.

Harass, harəs, kwellen, vermoeien, uitputten, onophoudelijk verontrusten; subst. Harassment.

Harbinger, hâbinžə, subst. voorlooper, voorbode, kwartiermaker, fourier; Harbinger verb. voorafgaan als bode, aankondigen.

Harbour, hâbə, subst. schuilplaats, haven, herberg, woning; Harbour verb. herbergen, een schuilplaats verleenen, voeden, koesteren; Harbour-dues = havengeld; Harbour-light; Harbour-master = havenmeester; Harbour-watch = ankerwacht; Harbourage = toevlucht, onderkomen; Harbourless.

Harcourt, hâköt.

Hard, hâd, adj. hard, vast, moeilijk, vermoeiend, streng, wreed, verhard, onbuigzaam, grof, onsmakelijk, wrang, hevig; subst. steiger; meer conserv. democraat (Amer.): No hard and fast line can be drawn in this matter = geene scherpe, bepaalde grens kan in deze zaak worden getrokken; As hard as the nether millstone = buitengewoon hard; They live hard by = zij wonen kort bij, in de buurt; These people were hard up = hadden groot geldgebrek; It is hard upon seven = dicht bij; Move the rudder hard a-starboard = leg het roer zoover mogelijk naar stuurboord; Hard of hearing = hardhoorig; He died hard = hij verdedigde zich tot het laatst toe, stierf onbekeerd; zijn doodstrijd was moeilijk; It will go hard with him = het zal hem slecht vergaan; This reward was hard won = deze belooning werd met moeite verkregen; Hard-bake = soort van kokinje; Hard-believing = ongeloovig; Hard-beset = eng ingesloten, in ’t nauw gebracht; Hard-bitted = hard in den bek; Hard-bound = verstopt, hardlijvig, traag; Hard-cash = baar geld; Hard-coal = anthraciet; Hard-drinker = zuiplap; Hard-earned = zuur verdiend; Hard-fish = gedroogde kabeljauw, schelvisch of leng; Hard-fisted = met harde handen; gierig; Hard-fought = hardnekkig gestreden; Hard-grained = grofkorrelig; grof (ook fig.); Hard-got(ten) = zuur verdiend; Hard-handed = hardhandig, ruw, streng; Hard-head = zwart knoopkruid; knorhaan; soort keisteen; Hard-headed = sluw, helder van hoofd; Hard-hearted = hardvochtig; subst. Hard-heartedness; Hard-labour = dwangarbeid; Hard-luck = tegenspoed; Hard-mouthed = hard in den bek (van paarden), ruw, grof (van taal); Hard-pressed = in moeielijke omstandigheden; Hard rubber = caoutchouc; Hard-set = krachtig vervolgd, in het nauw; streng, onbuigzaam; Hardshell = met harde schaal; streng orthodox of conservatief (Amer.); Hard-tack = scheepsbeschuit; Hard-water = hard (wasch)water; Hardworking = zeer arbeidzaam; Hard-ware = ijzerwaren, vooral potten en pannen, enz.; Harden = harden, verharden, hard of gevoelloos maken (worden); Hardihood, hâdihud, koenheid, onversaagdheid, onbeschaamdheid; Hardiness = gehardheid; Hardly = nauwelijks, bijna niet, waarschijnlijk niet; hard, moeilijk, streng: Hardly .... when = nauwelijks .... of; Hardness = hardheid (ook fig.), moeielijkheid; Hardship = ontbering; Hardy = gehard, sterk, stoutmoedig.

Hardicanute, hâdikənjût.

Hare, hêə, haas: As mad as a March hare = zoo gek als wat; To hold with the hare and run with the hounds = een dubbel spel spelen; He wanted to make a hare of me = trachtte mij belachelijk te maken, te foppen, beet te nemen; Jugged hare = hazepeper; Hare-bell = grasklokje, knikkende vogelmelk; Hare-brained = nietig, onbesuisd, dwaas; Hare-hound = hazewind; Hare-lip = hazenlip; Hare’s-foot = hazepoot (door acteurs gebruikt).

Harem, hêr’m, hâr’m, harem.

Haricot, harikou, harikot, ragout van vleesch met groenten, snijboon.

Harikiri, hârikîri, zelfmoord, door den buik dwars open te snijden (Jap.).

Hark, hâk, luisteren: Hark ye = luister eens; Hark away, Hark forward = vooruit! Hark back = hier! een uitroep, waarmede de jager de het spoor voorbij hollende honden terugroept; terugloopen als het spoor verloren is: She always harks back to her old grievances = komt altijd terug op.

Harl, hâl, vezels van vlas, haar of wol; koppel van 3 honden, vrij groote hoeveelheid.

Harleian, hâliən, hâlîən, van Harley, naar wien de door hem gevormde, thans in het British Museum aanwezige bibliotheek genoemd is.

Harlem, hâləm.

Harlequin, hâlək(w)in, subst. harlekijn, potsenmaker, grappige vent; Harlequin verb. voor harlekijn spelen; Harlequinade, hâlək(w)ineid, harlekinade (dat deel in eene Christmas-pantomime, dat op de transformation-scene volgt).

Harlot, hâlət, hoer; adj. ontuchtig; subst. Harlotry.

Harm, hâm, subst. nadeel, schade, kwaad; Harm verb. kwaad doen, schade aanbrengen: Harm watch harm catch = wie een ander een kuil graaft, valt er zelf in; Harm-doing = het kwaaddoen; Harmful = nadeelig, schadelijk; subst. Harmfulness; Harmless = onbeschadigd, onschadelijk, argeloos; subst. Harmlessness.

Harmattan, hâmat’n, harmattan, droge en heete wind, die van December tot Maart v. Midden-Afrika naar het Noorden waait.

Harmonic, hâmonik, harmonisch; Harmonica, hâmonikə, mondharmonica, glasharmonica, collectie verschillend gestemde en met de vingers bespeelde glazen; Harmonical: Harmonical proportion = harmonische verhouding (tusschen vier grootheden): Harmonicon, hâmonik’n, orchestrion; Harmonics, hâmoniks, harmonieleer: Grave harmonics = bijtonen van twee overeenstemmende klanken; Harmonious, hâmouniəs, harmonisch, eensgezind: subst. Harmonicness; Harmoniphon, hâmonifoun, klavierhobo; Harmonist, hâmənist, componist, iemand, die de overeenkomstige plaatsen van verschillende schrijvers, vooral der Evangelisten, opspoort; Harmonists = communistische secte van Gebr. Rapp, in 1803 uit Wurtemburg naar de Vereen. Staten getrokken; Harmonium, hâmounj’m, harmonica, harmonium; Harmonize, hâmənaiz, overeenstemmen, in overeenstemming brengen, in vrede leven, congrueeren; Harmony, hâməni, harmonie, eensgezindheid, overeenstemming: Artificial harmony = oplossing van dissonanten tot harmonie; Harmony of the spheres = de leer van Pythagoras omtrent de harmonie der tonen, door de planeten in hunne beweging en al naar hare grootte, snelheid en afstand voortgebracht.

Harness, hânəs, subst. harnas, wapenen, paardetuig, gareel; Harness verb. het tuig aandoen, de wapenrusting aantrekken: He died in harness = midden in zijn werk; The thing is well in harness = goed bewerkt; Harness-cask, (Harness-tub) = vat met pekel vleesch op dek vastgesjord; Harness-maker = zadelmaker; Harness-room = tuigkamer.

Harold, harəld, Harold.

Harp, hâp, subst. harp; Harp verb. op de harp spelen, steeds hetzelfde onderwerp aanroeren: He is still harping on his first love = hij heeft het nog steeds over; To harp on the same string; Harper = Harpist = harpspeler.

Harpoon, hâpûn, subst. harpoen; Harpoon verb. harpoeneeren; Harpoon-gun = kanon voor het afschieten van een harpoen; Harpoon-rocket = harpoen, die als een raket wordt afgeschoten; Harpooner = harpoenier.

Harpsichord, hâpsiköd, spinet.

Harpy, hâpi, harpij (ook fig.).

Harquebus(s), hâkwəbɐs, haakbus; Harquebusier (Harquebusîə) = haakbusschutter.

Harr, hâ, grommen.

Harridan, harid’n, oude feeks, oud wijf.

Harrier, hariə, brak; kuikendief; plunderaar.

Harrow, harou, subst. Harrow; egge; Harrow verb. eggen, kwellen, verontrusten.

Harry, hari, plunderen, verwoesten, kwellen, strooptochten doen.

Harry, hari, subst. andere vorm v. Henry; verpersoonl. v. den echten Londenaar uit de volksklasse = ’Arry: To box Harry = geen eten krijgen (schooljongens slang); To play Old Harry with a person = iemand leelijk te pakken nemen.

Harsh, hâš, zuur, wrang, scherp, wreed, streng, ruw; subst. Harshness.

Hart, hât, mannetjes hert (na het vijfde jaar): Hart of ten = hert met een gewei van tien takken; Hart’s-tongue = hertstong, tongvaren; Hart(e)beest, hât(ə)bîst, soort van antilope (Z.-Afrika); Hart-shorn, hâtshön, (geest van) hertshoorn.

Harum-scarum, hêr’mskêr’m, lichtzinnig, roekeloos, wild, slordig; subst. Hartness.

Harvard, hâvəd.

Harvest, hâvəst, subst. najaar, oogsttijd, oogst, opbrengst; Harvest verb. inzamelen, oogsten; Harvest-bug = soort van boktor; Harvest-feast = oogstfeest; Harvest-festival = dankdag voor het gewas; Harvest-home = oogsttijd, oogstfeest, oogstlied; Harvest-lady = de tweede maaier van eene rij; Harvest-lord = voormaaier, eerste maaier; Harvest-man = oogster, maaier; Harvest-month = September; Harvest-moon = (bijna) volle maan ten tijde der dag- en nachtevening in den herst; Harvest-mouse = dwergmuis; Harvest-queen = oogstkoningin (pop, Ceres voorstellende, rondgedragen op den laatsten oogstdag); Harvest-spider = hooiwagen (spin); Harvester = oogster.

Harvey, hâvi; Harwich, haridž.

Hash, haš, subst. gehakt vleesch met groenten; mengsel, poespas; Hash verb. hakken, fijnmaken, bederven: Trust him for making a hash of it = je kunt er op aan, dat hij de boel in de war stuurt, verknoeit; I have settled his hash = ik heb een appeltje met hem geschild, hem zijn vet gegeven, afgeranseld, geruïneerd; I have hashed my goose altogether = ik heb mijne zaak totaal bedorven.

Hashish, hašiš, Hasheesh, hašîš, gedroogde bladeren van de hennepplant, die gekauwd worden en waaruit een bedwelmende drank wordt bereid.

Haslemere, heiz’lmîə.

Haslet, hazlət, omloop (v. een varken), lever, hart, ingewanden (v. schapen of kalveren).

Hasp, hâsp, subst. grendel, beugel; Hasp verb. met een klamp of grendel vastmaken.

Hassock, hasək, pluim, een soort van rietgras; dikke mat, dik voetkussen om op te knielen.

Hastate, hastit, speervormig.

Haste, heist, haast, spoed, drift, overhaasting, ijver: Why do you not make haste = waarom maakt gij niet voort? In haste = haastig, vlug; Hasten, heis’n, haast maken, zich haasten; Hastiness = haast.

Hastings, heistiŋz.

Hasty, heisti, haastig, snel, vlug, driftig, hartstochtelijk; Hasty-pudding = pap (meel in kokende melk geroerd en gekookt).

Hat, hat, hoed, kardinaalshoed, waardigheid v. kardinaal: To do up a hat = opmaken; He has hung up his hat in my house = hij heeft zijn anker bij mij neergelegd, zijne tenten bij mij opgeslagen; To raise one’s hat to a person = afnemen; They have sent (passed) the hat round = hebben eene collecte gehouden; To take one’s hat off (to) = afnemen (voor); Hat-band = rouwband (om den hoed); Hat-maker = hoedenfabrikant; Hat-rack = hoedenrek, kleerenstander; Hat-work = werk waar niets in zit; Hat-writer, die Hat-work maakt; Hatter, hatə, hoedenkoopman of -maker: He is as mad as a hatter = hij is stapelgek; tureluursch.

Hatch, hatš, subst. halve deur, poortje, schuif, traliewerk op een luik, luik; broedsel, gebroed, samenzwering, fijne streep; Hatch verb. met bouten vastmaken, met een deksel sluiten; broeden, uitbroeden, beramen, voortbrengen, arceeren: Under hatches = onder de luiken geconsigneerd, beneden opgesloten, zeer verdrukt, er slecht aan toe; welbewaard, gestorven; Hatch-boat = soort van visscherspink met een half dek; Hatchway = luik; muil; Hatcher = uitbroeder; incubator; Hatchery = inrichting voor kunstmatige vischteelt.

Hatchel, hatš’l; Hatcheller. Zie Hackle.

Hatchet, hatšət, bijl, bijltje; fooi om de kommiezen om te koopen (Amer.): Let us bury the hatchet = laten we vrede sluiten; To sling the hatchet = er uit snijden; They took up the hatchet = zij vatten de wapens op; Do not throw the hatchet = vertel geen leugens; Hatchet-face = scherp geteekend gezicht.

Hatchment, hatšm’nt, ruitvormig rouwschild, symbool.

Hate, heit, subst. haat; Hate verb. haten, verafschuwen; Hateful = hatelijk, boosaardig; subst. Hatefulness; Hater; Hatred, heitrəd, haat, kwaadaardigheid, kwaadwilligheid.

Hathaway, hathəwei.

Hatti-sheriff, hatišerîf, door den sultan van Turkije uitgevaardigd onherroepelijk bevel.

Hauberk, hôbɐ̂k, maliënkolder.

Haugh, hô, laag gelegen, vruchtbaar oeverland.

Haughtiness, hôtinəs, subst. v. Haughty, hôti, trotsch, fier, hoogmoedig, aanmatigend.

Haul, hôl, subst. haal, trek; Haul verb. halen, trekken, sleepen, den koers van een schip veranderen, veranderen van richting, zich terugtrekken, komen, gaan: The sheets were hauled home = de schooten werden aangehaald; Haul the wind = bras het zeil bij den wind; The ship was enabled to haul off from the shore = af te houden van de kust; He was hauled over the coals = kreeg een uitbrander; He hauled out a knuckle-bone of ham = haalde voor den dag; Haulage = trekkracht; transportkosten; Hauler = soort hengel.

Haulm, hôm, halm, stroo.

Haunch, hônš, hânš, dij, lendestuk, bout.

Haunt, hônt, hânt, subst. dikwijls bezochte plaats, verblijfplaats; Haunt verb. omgaan, verkeeren, bezoeken of kwellen (v. een geest): This house is haunted = het spookt in dit huis; Haunter = stamgast; druk bezoeker.

Haut, hôt, weekmarkt; el (Indië).

Hautboy, houbôi, hobo.

Havan(n)a(h), həvana, Havana(sigaar); Havanese, havənîz, havənîs, subst. bewoner(s) van H.; adj. van Havana.

Have, hav, hebben, bezitten, houden, bij zich hebben, genieten, ontvangen, ondervinden, dulden, laten, te pakken hebben, bedriegen, beetnemen: Have at him, boys! = pakt hem, raakt hem, jongens! Have a care = pas op! To have the ear of the House = tot die sprekers in ’t Huis behooren, naar wie gaarne geluisterd wordt; Let us have lots of room here = maak hier eens flink ruimte; Have done = schei uit; I had as lief die as be a slave = zou evenlief sterven; I had rather do that = dat zou ik liever doen; Do well and have well = die wel doet wel ontmoet; You can’t eat your cake and have it = je kunt niet het midden en de beide einden hebben; As Shakespeare has it = zooals S. zegt; As the mood has the reader = al naar de lezer gestemd is; I have no money about me = ik heb geen geld bij mij; Have the tea-things away = ruim weg; You have nothing for it but to go = je kunt niet anders doen dan, er zit niets anders op; He had on his best coat = droeg; He had his watch out = haalde voor den dag; I’ll have it out of you = zal je wel krijgen, het je wel inpeperen; I will have it out with you before I go = met je afrekenen.

Havelock, havlok, sluier (tegen zonnesteek in de Tropen); soort mantel.

Haven, heiv’n, subst. haven, veilige ligplaats, schuilplaats; Haven verb. eene schuilpl. bieden.

Haver, havə, haver; Haver verb. wauwelen, raaskallen (Schotl.); Haversack = knapzak, ransel, reiszak; Havers, heivəz = onzin.

Haverhill, heivəhil (Amer.), havəhil.

Havildar, havildâ, Inlandsch sergeant (Brit. Ind.).

Having, haviŋ, bezitting, eigendom; Havings = (goed) gedrag (Zie Havers).

Havoc, havək, subst. verwoesting, vernieling; de kreet der krijgslieden wanneer geen kwartier werd gegeven; Havoc verb. verwoesten, vernielen, dooden: To cry havoc; The boys have played havoc with my furniture = mijne meubels vernield.

Haw, hô, interj. hu! ö! subst. haag; hof, grasland in een dal; bes van de haagdoorn; aarzeling, hapering; Haw verb. haperen, ö - - ö zeggen, aarzelen; door hu! te roepen een paard links wenden (Amer.): He spoke in his Haw-haw-style = hij sprak op zijne “ö ö” manier; He was a haw-haw swell = geaffecteerd, lijmerig sprekend fatje; I felt haw, like a fish out of water = ik voelde mij zoo lam en lusteloos; It is haw and gee here, instead of woo and gee in the old country = aansporing naar links of rechts te gaan (Zie Gee).

Hawaiian, hawaij’n, bewoner, taal van Hawaii; Hawaii, hawaii.

Hawbuck, hôbɐk, kinkel.

Hawarden, hô-âd’n, hâd’n; Haweis, hôis; Hawes, hôz.

Hawfinch, hôfinš, appelvink.

Haw-haw, hôhô; Zie Ha-ha en Haw.

Hawk, hôk, subst. havik, valk; zwendelaar, bedrieger; schrapende hoest; Hawk verb. met valken jagen, als een valk vliegen, jacht maken op; schrapen; rondventen; Hawk’s-bill = haviksbek; Hawk-eyed = met scherpen blik; Hawk-moth = sfinx, avondvlinder; Hawk-nosed = met arendsneus; Hawker = marskramer; valkenier.

Hawik, hôik; Hawkesworth, hôkswəth.

Hawse, hôz, kluisgat: Athwart (the) hawse = dwars voor den boeg; He has crossed my hawse = hij is mij dwars voor den boeg gekomen; To ride hawse fallen (hawse full) = waterscheppen door de kluisgaten bij het op zijn anker rijden van een schip in stormweer; Hawse-hole, (Hawse-pipe) = kluisgat: He came in at the hawse-holes = hij is van gewoon matroos opgeklommen, van onderop begonnen; Hawser = kabel, tros.

Hawthorn, hôthön, hagedoorn.

Hawthorne, hôthön.

Hay, hei, hooi, haag, boerendans: To make hay = hooien: Make hay while the sun shines = smeed het ijzer, terwijl het heet is; He was making hay in his papers = gooide zijne papieren door elkaar; This boy is always making hay with (of) his hair = maakt altijd zijne haren in de war; Hay-asthma, (Hay-fever) = hooiasthma (hooikoorts); Hay-box = hooikist; Hay-cock = hooiopper; Hay-field = hooiland; Hay-fork = hooivork; Hay-loft = hooizolder; Hay-knife = hooisteker; Hay-maker = hooier; boerendans; Hay-market; Hay-mow = hooiberg, hooirook (in eene schuur); Hay-rick = Haystack; Hay-seed = graszaad; boerenlummel: You didn’t see any hay in my hair? = zag ik er zoo lummelachtig uit? Haystack = hooiberg; Amer. fighting-top, waarbij de mast door traliewerk is vervangen; That is like looking for a needle in a haystack = onbegonnen (monniken) werk.

Hayes, heiz.

Hazard, hazəd, subst. kans, toeval, gevaar, dobbelspel, stoot om te stoppen (bij ’t biljartspelen), stopbal, waarbij a winning hazard is, als de bal der tegenpartij, en a losing hazard, als des spelers bal gestopt wordt; Hazard verb. gevaar loopen, wagen, in gevaar brengen: He did it at the hazard of his life = met gevaar voor zijn leven; To put to the hazard = op het spel zetten; I intend to run the hazard = de kans te wagen; Hazarder = waaghals; Hazardous = gevaarlijk, gewaagd; subst. Hazardousness.

Haze, heiz, subst. damp, mist, waas, nevel, duisterheid, onduidelijkheid; Haze verb. misten; pesten, plagen en straffen met overwerk (matrozentaal), kastijden, berispen; pret maken, rondzwieren; in ’t ootje nemen, groenen.

Hazel, heiz’l, subst. hazelaar; adj. lichtbruin, hazelkleurig; Hazel-earth = mengsel van zand en klei; Hazel-eyed = met lichtbruine oogen; Hazel-nut = hazelnoot; Hazel-tree; Hazel-wood.

Haziness, heizinəs, subst. v. Hazy, mistig, nevelig, duister, aangeslagen, aangeschoten, beneveld.

He, hî, he!

He, hî, subst. man; vn.w. hij; adj. mannelijk, mannetjes....

Head, hed, subst. hoofd, kop, kruin, top, opperhoofd, haar, gewei, persoon; eereplaats, hoofdeind, bron, de zijde v. munt of medaille met den kop erop, verstand, doorzicht; getal, onderwerp, gelaat, pak vlas, rijpe deel van eene zweer of puist, schuim op dranken, watermassa (voor een molen), beschikbare stoom; adj. eerste, voornaamste, hoofdzakelijk, hoofd...; Head verb. van den kop berooven, bekappen, van een kop voorzien, den kop vormen, aanvoeren, zich aan het hoofd stellen, aan het hoofd zitten, zich stellen tegenover, tegenwerken, afsnijden, openen, het eerst staan op, met het hoofd wegstooten, een kop vormen, ontspringen (Amer.), een koers hebben, enz.: Five head of cattle = stuks vee; A fine head of hair = kop met haar; The heads of a speech = onderafdeelingen; The heads of an accusation = punten van aanklacht; The army is a serious head of expenditure in Germany = een zware post van uitgaven; He fell head-first, head-foremost into the water = hals over kop; Head-on = Head-first = recht tegenover; I fell into it head and ears = heelemaal; He is in debt over head and ears = tot over de ooren; He rose head and shoulders above them = stak een heel eind boven uit; He came down head over heels from the tree = viel holderdebolder; To carry a grey head on green shoulders = jong blijven; Give him his head = laat hem zijn gang gaan; Give the horses their heads = vier de teugels; To have a long head = ver vooruit zien; They laid their heads together = overlegden, staken de hoofden bij elkaar; It is easy to make head against that accusation = te weerleggen; He made head against the enemy = hield stand tegen; I cannot make head or tail of it = kan er geen touw aan vast maken; To take the head = de leiding nemen; steigeren, koppig zijn; That seems to have turned your head completely = je hoofd geheel op hol te hebben gebracht; Then things came to a head = bereikten een crisis; The ulcer has come to a head = is rijp geworden; He did it of his own head = uit eigen beweging; He hit the right nail on the head = sloeg den spijker op den kop; It is on your heads to tell it me = ik bezweer jullie; It keeps running in my head = maalt me door het hoofd, is me steeds in de gedachten; The ship was running under a full head of steam = stoomde met volle kracht; I see through the back of your head = ik doorzie u geheel; The wine went into his head = steeg hem naar het hoofd; The hedges and bushes must be headed down = moeten gesnoeid worden; She tried to head off the spider = te vangen, te pakken (door haar den pas af te snijden); When I approached the subject, he would head me off = placht hij mij er af te brengen; The boat was heading towards the ship = stuurde in de richting van; Headache = hoofdpijn; Head-band = hoofdverband, kapitaalband (boekb.); Head-band verb. kapitalen; Head-boy = primus; Head-butler = eerste huisbediende; Head-cheese = hoofdkaas; Head-clerk = chef, boekhouder; Head-dress = kapsel; Head-fast = boegtouw; Head-gear = hoofdtooisel, hoofdstel (v. paarden); Head-hunter = koppensneller; Head-land = voorgebergte, kaap; braakland; Head-light = licht (vooraan de locomotief); Head-line = aanvangsregel, titel; horentouw; ratouw (scheepst.); Headlong = hals over kop, met het hoofd vooruit, plotseling, roekeloos, gedachteloos, steil: I always write headlong = zoo maar weg; Headman = hoofdman, onderbaas, werkbaas, mandoer; Headmaster = hoofd, directeur, rector; Headmastership = de betrekking van hoofd, directoraat, rectoraat; Headmistress = directrice; Head-money = hoofdgeld; Headmost = voorste; Head-mould = schedel, vorm van het hoofd; Head-moulding = lijstwerk (boven deur of venster); Head-piece = hoofd, kop, helm, stormhoed; oorijzer; kopstuk, knappe kop; verstand; Head-post = paal bij de ruif; Head-quarters = hoofdkwartier; Head-rest = steun voor het hoofd (bij photographeeren); kussen; Head-sail = vóórzeil; Head-sea = stortzee; Headshake = beteekenisvol schudden met het hoofd; Head-ship = hoogste waardigheid; Headsman = beul, scherprechter; mijnwerker, die de kolen naar de plaats brengt vanwaar ze vervoerd worden; Head-stall = hoofdstel; wollen mutsje (Amer.); Head-stone = hoeksteen, sluitsteen, grafsteen (rechtopstaande aan het hoofdeinde van het graf); Headstrong = koppig, onhandelbaar; Head-voice = kopstem; Head-waiter = oberkellner; Head-water = bovenloop; Head-way = vaart, gang, vooruitgang: We have been making head-way of late = wij zijn in den laatsten tijd goed opgeschoten; Head-wind = tegenwind; Head-word = hoofdwoord; Head-work = werk met het hoofd, intellectueele arbeid; ornamenten op steenen; Head-workman = vóórman, werkbaas; Header = sprong of onderduiking met het hoofd voorover; steen uit een koplaag, speldeknopmaker, kaker, kaakmachine; Headiness = koppigheid; Heading = titel, opschrift, eerste regel als voorbeeld, schuim; Heady = koppig (ook v. dranken), overijld.

Heal, hîl, gezond maken, heelen, genezen, van schuld vrijspreken, bijleggen; Heal-all = geneesmiddel tegen alle kwalen; Healable = geneesbaar; The Healing art = geneeskunde.

Heald, hîld, weefhaak.

Health, helth, gezondheid, heil, welzijn: Bill (Certificate) of health = gezondheidspas; Clean bill of health = schoone lei (fig.); Board of Health = gezondheidscommissie; Officer of Health = inspecteur van de volksgezondheid; The public health; He is out of health = ongesteld; Your health = santé! Health-committee = gezondheidscommissie; Health-insurance = ziekte-, en invaliditeitsverzekering; Health-officer = ambtenaar van den gezondheidsdienst; Health-resort = badplaats, kurort; Healthful = gezond, heilzaam; subst. Healthfulness; Healthiness, subst. v. Healthy = gezond, krachtig, heilzaam.

Heam, hîm, nageboorte bij vee.

Heap, hîp, subst. hoop, menigte: Heap verb. ophoopen, opstapelen: All of a (on a) heap = allemaal door elkaar; He was struck all of a heap = stom van verbazing; Heaps of = volop, een hoop.

Hear, hîə, hooren, luisteren, letten op; overhooren, verhooren; Hear, Hear, cried some members = bravo (of hei, hei!) riepen sommige leden; Shall we never hear the last of it = houdt dat praatje dan nooit op? He heard us our lessons = overhoorde; Hearsay = praatjes, geruchten; I have it by (from) hearsay, on hearsay evidence = van hooren zeggen; Hearer = hoorder; Hearing = gehoor, gehoorsafstand, verhoor, onderzoek: Dullness of hearing = hardhoorigheid; Hard (Thick) of hearing; Quick of hearing = fijn van gehoor; Hardness of hearing = hardhoorigheid; He is within (out of) hearing = hij kan ons wel (niet) hooren, wij kunnen hem wel (niet) beroepen; I promise you a fair hearing = dat men u zal laten uitspreken, en billijk zal beoordeelen, wat ge zegt.

Hearken, hâk’n, luisteren, letten op.

Hearne, hɐ̂n.

Hearse, hɐ̂s, subst. lijkwagen; Hearse verb. kisten (van een lijk), naar het graf brengen (in eene lijkkoets); Hearse-cloth = baarkleed.

Heart, hât, hart, wil, moed, vuur, gloed, angst, verlangen, binnenste, harten (in ’t kaartspel): What the heart thinks the mouth speaks = waar het hart vol van is, loopt de mond van over; After their own hearts = naar hartelust; He is brave at heart = in den grond is hij dapper; Heart alive, how we laughed = goeie hemel! I would not for my heart do it = ik deed het om den dood niet; In his heart of hearts = in het binnenste van zijn hart; The grass was plentiful and in good heart = uitstekend; To be heart and mind interested in = met hart en ziel; My heart failed me = de moed ontzonk mij; Her heart leaped to her mouth = ze ontroerde hevig; His heart sank low (into his boots) = zonk hem in de schoenen; It broke his mother’s heart = zijne moeder het hart; He could not find it in his heart to go there = hij kon het niet van zich verkrijgen; Try to get (learn) this lesson by heart = van buiten te leeren; To have the heart = het hart, den moed hebben; To have a heart of gold; To have at heart = beoogen; I had it in my heart to tell you so = was van plan; On seeing this I had (felt) my heart in my mouth = toen ik dat zag, was ik bijna buiten mijzelf van schrik; Keep a good heart, man! = houd moed; If it were not so serious I could laugh my heart out = me doodlachen; To lay to heart = ter harte nemen; He put some heart into me = sprak mij moed in; Set your heart at rest about that = wees daaromtrent maar gerust; He had set his heart on seeing her = hij had er zijne zinnen op gezet; It spoke to my heart = het sprak tot mijn hart; To take to heart = zich aantrekken, ter harte nemen; Take this lesson to heart = neem ter harte; He took (summoned) heart of grace, and did it (to do it) = hij vatte moed; That man wears his heart on his sleeve = draagt zijn hart op de tong; Heart-ache = zielesmart; Heart-blood of Heart’s-blood = hartebloed (ook fig.); Heart-break = hartzeer; Heart-breaker = wat het hart breekt, soort v. krul of lok; Heart-broken = verpletterd; Heart-burn, subst. zuur (in de maag); Heart-burning = ontevredenheid, ergernis, vijandschap; adj. ontevredenheid of jaloerschheid veroorzakend; Heart-complaint, Heart-disease = hartziekte; Heart-failure = hartverlamming; Heart-felt(ly) = diep, oprecht, innig; Heart-rending = hartverscheurend; Heart’s ease = driekleurig viooltje; Heart-sick = diep bedroefd, zwaarmoedig, hartzeer gevoelend; Heart-sickening = bedroevend; Heart-sickness = zwaarmoedigheid; Heart-sore = hartzeer, groote smart; Heart-string = hartzenuw; meest. mv. en fig.; Heart-struck = getroffen; Heart-thrilling; Heart-touching = hartroerend; Heart-whole = met vrij, niet door de liefde getroffen hart; Hearten = aanmoedigen, bezielen; Heartiness = hartelijkheid, ijver, vuur, gezondheid; Heartless = harteloos, laf, flauw; subst. Heartlessness; Hearty = hartelijk, oprecht, ijverend (for, in), opgewekt, voedzaam, flink, stevig: Do it, that’s my hearty = doe het, dan ben je een bovenstbeste!

Hearth, hâth, haard, haardstede, huiselijke kring, familie; Hearth-broom, Hearth-brush = haardstoffer; Hearth-money = belasting op de stookplaatsen; Hearth-rug = haardkleedje; Hearth-stone = haardplaat; schuursteen.

Heat, hît, subst. hitte, warmte, vuur, gloed, heftigheid, hooge kleur, loop (in een wedstrijd), loopschheid, heete (bijtende) smaak; Heat verb. verhitten, warm maken, opwekken, warm worden, broeien: You cannot realise the white heat of his wrath = zijne groote woede; His nature was at white heat = was in gloed; He wrote this novel almost at a heat = “aus einem Guss”, uit één stuk; Heat-wave; Heater = verwarmer, verwarmingstoestel, voorwarmer, ijzeren bout (in een strijkijzer).

Heath, hîth, heide, vlakte, Erica of heidebloempje; Heath-cock = korhaan; Heath-game = korhoenders; Heath-hen = korhen; Heath-pout = korhaan; Heathen, hîdh’n, subst. heiden, barbaar, afgodendienaar; adj. heidensch, onbeschaafd, barbaarsch; Heathendom = heidendom; Heathenish = heidensch, ruw, wreed; Heathenism, hîdhənizm, heidensche toestand, barbaarschheid, ruwheid.

Heather, hedhɐ, heide(kruid); Heather-bell = gewone dopheide; Heather-tuft = heidetrosje; Heathery.

Heave, hîv, subst. rijzing, zwelling, deining, poging tot braking, zucht, worsteling; Heave verb, opheffen, verheffen, deinen, slaken, neerwerpen, ophijschen, hijgen, zwoegen, poging doen tot braken: Heaves = dampigheid; To heave the lead = looden (peilen); She heaved a sigh = slaakte een zucht; The ship hove in sight = kwam in ’t gezicht; To heave about = over stag gaan; To heave down = kielhalen; Heave down the sails = strijk, haal neer de zeilen; Heave out the sails = gooi de zeilen los; To heave to = bijdraaien; Heave up = vomeeren: Let us heave up that design = laten we dat plan laten varen; Heaver = hefboom; losser: Coal-heaver.

Heaven, hev’n, hemel, lucht: To be in the (a) seventh heaven = in den zevenden hemel; He moved heaven and earth to get it = wendde alles aan; It smells to heaven = schreit; The heaven may fall, and we may have larkpie for supper; Zie Lark; Heaven of heavens = de hemel der hemelen; Heaven-born = van den hemel gedaald, hemelsch; Heaven-bred = van goddelijken oorsprong; Heaven-directed = door den hemel bestuurd, ten hemel wijzend; Heaven-gate = hemelpoort; Heaven-gifted = door den hemel geschonken; Heavenhigh = hemelhoog; Heavenliness, subst. v. Heavenly = hemelsch, goddelijk, uitstekend, voortreffelijk; van den hemel; Heavenly-minded = hemelschgezind, vroom; subst. Heavenly-mindedness; Heaven-sent = door den hemel gezonden; Heavenward(s) = hemelwaarts.

Heaviness, hevinəs, subst. v. Heavy, hevi, zwaar, gedrukt, droevig, zwaarmoedig, slaperig, suf, vervelend, dreigend, niet behoorlijk gerezen (van brood), vol (van wijnen), hevig, groot, hoogstaand, slecht, dampig: The officers of the heavies = de officieren der zware cavalerie; Heavy-armed = zwaar gewapend; He did the heavy business, i.e. van den heavyman = speelde de père noble rollen; Heavy cavalry = zware ruiterij; A heavy father kind of man = iemand met het gewichtige van een père noble; Heavy-gaited = met moeielijken, langzamen gang; Heavy-handed = lomp, despotisch; Heavy-laden = zwaargeladen; Heavy-lidded = met zware, hangende oogleden; A Heavy loss; Heavy-spar = zwaarspaath; Heavy type = vette letter; Heavy-weight = zwaargebouwd bokser, of renpaard; jockey voor dat paard; gewichtig persoon (fig.); His life hangs heavy (up)on his hands = valt hem zwaar.

Hebdomadal, hebdoməd’l, wekelijksch; Hebdomadary, hebdoməd’ri, subst. lid van een kapittel of klooster, die den weekdienst in het koor heeft; adj. wekelijksch.

Hebe, hîbî, Hebe.

Hebetude, hebitjûd, stompheid, sufheid.

Hebraic(al), hîbreiik(’l), Hebreeuwsch; Hebraism, hîbrəizm, Hebreeuwsche spreekwijze of gewoonte; Hebrew, hîbrû, subst. en adj. Hebreeër, Hebreeuwsche taal; Hebrew-wise = in tegengestelden zin.

Hebridean, Hebridian, hibridj’n, tot de Hebriden behoorende; Hebrides (The), dhəhebridîz.

Hecate, hekətî, Grieksche godin.

Hecatomb, hekətom, hekətûm, offerande van honderd ossen of andere beesten, groote offerande.

Heck, hek, ruif, boven en onderdeur, klink, bocht of kromming in een stroom.

Heckle, hek’l (Zie Hackle), een verkiezingscandidaat scherp ondervragen; Heckling meeting = meeting met debat, waarin een candidaat onder het mes genomen wordt (Schotl.).

Hecla, heklə.

Hectare, hektêə, hectare, ongeveer 2,471 acres.

Hectic, hektik, teringachtig; subst. = Hectic-fever = teringkoorts, teringblos.

Hectogram(me), hektəgram, hectogram.

Hectolitre, Hectoliter, hecktəlîtə, hektolitə, hectoliter.

Hectometre, Hectometer, hektəmîtə, hektomitə, hectometer (328 feet).

Hector, hektə, subst. snoever, vechtersbaas; Hector verb. snoeven, bluffen, onbeschaamd behandelen: He hectored it out of me = hij kreeg het uit mij door brutaliteit (Vergel. He hectored me out of it = kreeg het van mij door br.); He hectored over me = negerde, donderde mij.

Hectostere, hektəstîə, 100 kubieke meters (ruim 3531,4 cubic feet).

Hecuba, hekjuba.

Hederal, hederel, klimopachtig; Hederiferous, hedərifərɐs, klimopdragend, voortbrengend.

Hedge, hedž, subst. heg; adj. slecht, gemeen, heimelijk; Hedge verb. met een heg omgeven, insluiten, omheinen, op verschillende kansen tegelijk wedden, zich koest houden: Over hedge and ditch = over heg en steg; You are on the wrong side of the hedge = gij hebt het mis, zijt verkeerd; Hedge-berry = vogelkers; Hedge-bill = snoeimes; Hedge-born = van lage geboorte; onecht; Hedge-creeper = landlooper; Hedgehog = egel; Hedgehog thistle = nopal; vijgdistel; Hedge-hyssop = genadekruid; Hedge-marriage = geheim huwelijk; Hedge-parson, Hedge-priest = hageprediker; Hedge-row = haag; Hedge-school = hageschool (boerenschool, vroeger in Ierland in de open lucht gehouden); Hedge-schoolmaster = meester van die school; Hedge-sparrow = bastaard-nachtegaal; Hedge-stake = heiningpaal, stut; Hedge-writer = prulschrijver; Hedger = haagmaker, haagsnoeier.

Hedonism, hîdənizm, hedənizm, de leer, dat genot het levensdoel is: You are right from a hedonistic point of view = als het leven slechts genot is hebt gij gelijk; Hedonist = aanhanger van die leer.

Heed, hîd, verb. zorgvuldig letten op, gadeslaan; subst. zorg, oplettendheid, omzichtigheid: Take heed = pas op; He heeded my words = lette op en deed naar; Heedful = opmerkzaam, behoedzaam; subst. Heedfulness; Heedless = achteloos, onbezonnen, onverschillig; subst. Heedlessness.

Hee-haw, hî-hô, balken.

Heel, hîl, subst. hiel, hak, knobbel, korst, knop, laatste stuk, overhelling naar eene zijde; Heel verb. een hak of hiel zetten aan, van een hiel of spoor voorzien, overhellen, op de hielen zitten; van geld voorzien (Amer.); krengen (scheepst.): He went at it heels over head = hals over kop, onbezonnen, roekeloos; Neck and heels = in de volle (lichaams)lengte; The police are at (upon) his heels = zit hem op de hielen; His shoes are down at heels, out at heels = afgetrapt, versleten; To cool one’s heels = lang (moeten) wachten; To fling up one’s heels = achteruit slaan, uit den band springen, dansen; To keep to heel = achter zijn meester aanloopen (v. honden); To kick up one’s heels (Zie Fling up); To kick one’s heels = wachten; They were laid by the heels = zij werden geboeid, gevangen genomen; The enemies showed their heels, took to their heels = lieten de hielen zien, zetten het op een loopen; To stick to heel = achter blijven loopen; He always treads upon a man’s heels = volgt een mensch gelijk zijne schaduw; To turn up the heels = doodgaan; Heel-ball = mengsel van harde was en lampzwart, om de hielen glad, of afdrukken van koperen gedenkplaten te maken; Heel-piece, subst. achterlap, hakstuk; Heel-tap, subst. staartje (in een glas); een der laagjes leer waaruit de hak bestaat: No heel-taps! = uitdrinken!

Heft, heft, gewicht, handvat, poging, grootste deel (Amer.); woning, verblijf (Schotl.); Heft verb. optillen om het gewicht te bepalen; gewoon worden aan (Schotl.): A Part-hefter = acteur, die de beteekenis van zijn rol afmeet naar de lengte; Hefty = zwaar.

Hegemony, hədžeməni, hedžmoni, hîdzəmoni, hegəmoni, hîgəmoni, hegemonie.

Hegira, hedžərə, Hegira of Hedjra, vlucht van Mahomed uit Mekka (622).

Heifer, hefə, vaars.

Heigh, hei, hai, hei! holà! Heigh-ho = ha, och, o wee!

Height, hait, hoogte, verhevenheid, toppunt, gestalte, lengte: In the height of fashion = naar de laatste mode; We were in London at the height of the season = toen de “season” in vollen gang was; The height of summer = het hartje; Heighten = verhoogen, verheffen, vermeerderen, versterken.

Heinous, heinəs, afschuwelijk, snood, misdadig; subst. Heinousness.

Heir, êə, subst. erfgenaam, nakomeling; Heir verb. erven; Heir-at-law, Heir-apparent = rechtm. erfgen. of troonopv.; Heir-general = universeele erfgen.; Heir-presumptive = vermoedelijke erfgenaam (wiens rechten ophouden, zoo er nog een ander erfgenaam, den bezitter nauwer verwant, geboren wordt); Joint heir = mede-erfgenaam; Heiress = erfgename; Heirless = zonder erfgenamen; Heirloom = erfstuk; Heirship = erfrecht.

Held, held, imp. en part. perf. van to hold.

Helen, hel’n, Helena (St.), helənə, həlînə.

Heliac, hîliək, Heliacal, hilaiək’l, met de zon opkomende en ondergaande,

Helianthus, hîlianthəs, zonnebloem.

Helical, helik’l, spiraalvormig; Helical-spring = spiraalveer.

Helicon, helikon; Heliconian, helikounj’n, tot den Helicon behoorende.

Heligoland, heligəland, Helgoland.

Heliocentric, hîliousentrik, met de zon als middelpunt.

Heliochromy, hîliəkroumi, hîliokrəmi, kleurenphotographie.

Heliograph, hîliəgraf, heliograaf; Heliograph verb. heliographeeren; adj. Heliographic(al); Heliography = heliographeeren, heliographie; Heliogravure, hîliəgreivjə, heliəgravûə, heliogravure; Heliometer, hîliomətə, toestel aan kijker om den schijnb. diameter van de zon te bepalen; Helioscope, hîliəskoup, helioscoop.

Heliotrope, hîliətroup, heliotroop (plant, gesteente, astron. instrument).

Helium, hîliəm, helium.

Helix, heliks, hîliks (Meerv. Helixes, hîliksiz, Helices, helisîz), spiraal, schroeflijn; slakkenhuis of buitenste zoom van het oor; huisjesslak; schelpslak.

Hell, hel, hel, speelhuis: What the hell do you want? Where the hell are you driving at? To play hell and Tommy = de beest spelen; Hell-cat = feeks = Hell-hag; Hell-hated = verfoeid en veracht als de hel; Hell-hound = helhond, cerberus; Hellish.

Hellebore, heləbö, Helleborus, nieskruid.

Hellene, helîn, helîn, Helleen; Hellenian, helînj’n = Hellenic, helînik, Helleensch; Hellenism, helinizm, Hellenisme; Hellenists, helinists, Grieksche joden in Egypte gevestigd, die het Hellenisme tot bloei brachten, Hellenisten; adj. Hellenistic(al); Hellenize, helinaiz, Grieksche gewoonten aannemen, Grieksche idiomen nabootsen.

Hellespont, heləspont.

Helm, helm, subst. roer, helmstok, roer van staat; helm; Helm verb. besturen: At the helm (of) = aan ’t roer (ook fig.); Helmless = zonder roer of helm; Helmsman = roerganger.

Helmet, helmət, helm; Helmeted.

Helminthagogue, həlminthəgog, wormkoekje; Helminthic, həlminthik, wormen verdrijvend (middel).

Helot, helət, hîlət, heloot, slaaf (in het oude Sparta), lijfeigene; Helotism = toestand van een heloot; Helotry = staat van een heloot; de gezamenlijke heloten.

Help, help, subst. hulp, bijstand, steun, ondersteuning, helper; Help verb. helpen, bijstaan, ondersteunen, voorkomen, nalaten, bedienen: There is no help for it = er is niets aan te doen; That is but my second help = ik word pas voor de tweede maal bediend; You give large help(ing)s = groote porties; He couldn’t help himself = kon er niets aan doen; He shan’t go if I can help it = als ik er wat aan doen kan; I couldn’t help attaching myself to him = ik moest me wel aan hem hechten; Thank you for helping me forward = dat je me zoo vooruit geholpen hebt; He helped me off with my cloak = hielp mij afdoen; Let me help you off time = laat ik u den tijd helpen verdrijven; He helped me on with my coat = hielp mij aantrekken; Can’t you help me on = kunt gij mij niet voorthelpen? To help out with = aanvullen met; He helped me over the stile = hij heeft mij over het hek geholpen; May I help you to a potato = mag ik u geven? He helped me to my coat = verschafte mij; Helpmate = helper, helpster, kameraad, echtgenoote = Helpmeet; Helper; Helpful = hulpvaardig, heilzaam; subst. Helpfulness; Helping = portie voedsel: I have not yet finished my first helping of veal = mijne eerste portie kalfsvleesch; Helpless = hulpeloos, machteloos, radeloos, ongeneeslijk: He was helplessly drunk = stomdronken; subst. Helplessness.

Helter-skelter, heltəskeltə, holderdebolder, verward: A helter-skelter young fellow = onbesuisd.

Helve, helv, steel van een hakmes, bijl, enz.; Helve verb. van een steel voorzien: That is throwing the helve after the hatchet = dat is den steel naar de bijl werpen; Helver = handvat.

Helvellyn, helvelin.

Helvetia, helvîšə, Helvetië; Helvetian, helvîš’n, subst. en adj. Zwitser(sch); Helvetic, helvetik, subst. Zwitser; adj. tot Helvetië behoorende.

Hem, hem, subst. “H’m”, korte hoest; zoom, rand, boord; Hem verb. “h’m” roepen, aarzelen; zoomen, insluiten, omsingelen: Hemmed in with enemies, I knew not what to do = door vijanden van alle kanten ingesloten; My feelings hemmed in my speech = beletten mij te spreken; Hem-stitch = zoomsteek.

Hemans, hemənz, hîmənz.

Hematite, hîmətait, hemətait, bloedsteen, rood en bruin ijzererts.

Hemi, hemi, (in samenstellingen) half...: Hemicarp, hemikâp, vrucht (zooals eene perzik) die zich vanzelf in tweeën deelt; Hemiplegia, hemipledža, verlamming aan de eene zijde van het lichaam; Hemisphere, hemisfîə, halfrond; Hemitone, hemitoun, halve toon.

Hemlock, hemlok, dolle kervel; Hemlock-spruce = Canadeesche (Hemlock) spar.

Hemp, hemp, hennep, werk; Hemp-nettle = hennepnetel; Hemp-seed = hennepzaad: To die of a hempen fever = aan de galg sterven.

Hen, hen, kip, hen: Every hen must sit on her own nest = ieder moet zijn eigen zaakje opknappen; Hen-bane = bilzenkruid; Hen-coop = hoenderhok; Hen-harm, Hen-harrier = blauwe kuikendief; Hen-hawk = kuikendief; Hen-house = kippenhok; Hen-peck: He is a hen-pecked husband = hij zit onder de plak van zijne vrouw; Hen-roost = hoenderrek, kippenhok; Hennery = kippenloop.

Hence, hens, adv. vanhier, hier vandaan, daardoor komt het dat; interj. weg, ruk uit; A week hence = over eene week; Hence I am sad = dat is de reden mijner droefheid; (From) henceforth, hensföth, Hence forward, hensföwəd, hensföwəd, voortaan.

Henchman, henšm’n, vroeger een bediende of page; betaalde politieke aanhanger, handlanger.

Hendecagon, hendekəgon, elf hoek.

Hendecasyllable, hendəkəsiləb’l (vers)regel van elf lettergrepen; adj. Hendecasyllabic.

Henriette, henrietə. Henry, henri.

Hent, hent, grijpen, pakken.

Hepatic(al), hipatik(’l), lever..; Hepatite, hepətait, hîpətait, leversteen; Hepatitis, leverontsteking; Hepatocele = leverbreuk.

Heptachord, heptəköd, reeks van zeven noten, zevensnarig instrument; Heptagon, heptəgon, zevenhoek; Heptahedral, heptəhîdr’l, zevenzijdig; Heptahedron, heptəhîdr’n, zevenzijdige figuur; Heptangular, heptaŋgjulə, zevenhoekig; Heptarchy, heptâki, heptarchie; Heptastich, heptəstik, zevenregelig vers; Heptateuch, heptətjûk, de eerste zeven boeken van het O. Testament.

Her, hɐ̂, bez. en pers. voorn.w., haar.

Heracl(e)id, herəkl(a)id, Heraclide; Heracl(e)idan, herəklaid’n, subst. afstammeling van Hercules; adj. tot de Heracliden behoorende.

Herald, her’ld, subst. heraut, wapenheraut, bode, voorlooper; Herald verb. aankondigen, verkondigen: Heralds’ college = Hooge Raad van Adel, bestaande uit den Earl Marshal, 3 kings-at-arms en 6 heralds; Heraldic, həraldik, wapenkundig; Heraldry, her’ldri, wapenkunde, praal; ambt van heraut = Heraldship.

Herb, hɐ̂b, gras, kruid (éénjarig); Herb-woman = groentevrouw; Herbaceous, hɐ̂beišəs, tot de kruiden behoorende, plantenetend; Herbage, hɐ̂bidž, de gezamenlijke kruiden of grassen, gras, weide, weiderecht; Herbal = kruiden - -, planten - -; subst. kruidenboek, herbarium; Herbalist = kruidenkenner, plantenverzamelaar, handelaar in geneeskrachtige kruiden; Herbarium, hɐ̂bêriəm, plantenverzameling, herbarium; Herbiferous, hɐ̂bifərɐs, planten voortbrengend; Herbivora, hɐ̂bivərə, plantenetende dieren; enkelv. Herbivore; Herbivorous, hɐ̂bivərɐs, plantenetend; Herborize = botaniseeren.

Herculean, hɐ̂kjûlj’n, herculisch, buitengewoon sterk, groot, moeilijk of gevaarlijk; Hercules, hɐ̂kjulîz, Hercules: Hercules beetle = Herculeskever.

Hercynian, hɐ̂siniən: Hercynian forest = groot bergwoud.

Herd, hɐ̂d, subst. kudde, troep, zootje herder, hoeder; Herd verb. in kudden leven zich vereenigen, hoeden, oppassen: To herd cattle; Herd-book = rundveestamboek; Herd’s-grass = weidegras; Herd’s-man = veehoeder = Herder (Amer.) ook (fig.).

Here, hîə, hier, bij deze gelegenheid: Here’s to J.! = daar gaat (= ik drink op) J.; It was Sir P. here, Sir P. there, Sir P. everywhere = vóór en na; It’s Mr. D. here, and Mr. D. there; That is neither here nor there = dat hoort er niet bij, doet niets tot de zaak af; Here you are = alstublieft; Hereabout(s) = hieromtrent, hier in de buurt; Hereafter = subst. het hiernamaals; adj. aanstaande, toekomstig; adv. hierna, voortaan; Hereat = hierbij; Hereby = dichtbij; Herein = hierin; Hereof, hiervan, hier vandaan; Hereon = hierop; Hereto = hiertoe, hierbij; in overeenstemming hiermede; Heretofore = eertijds, vóór dezen; Hereupon = hierop; Herewith, Herewidh, hiermede, bij deze(n).

Hereditable, həreditəb’l, erfelijk; Hereditament, herəditəment, həreditəment, erfgoed; Hereditary, həreditəri, erfelijk, overerfbaar (van ziekte), erf..; Heredity, hərediti, erfelijkheid, overerving.

Hereford, herfəd.

Heresiarch, herəsiâk, hərîsiâk, aartsketter, ketterhoofd; Heresy, herəsi, ketterij; Heretic, herətik, ketter; Heretical, həretik’l, kettersch.

Heriot, heriət, schatting, aan den landheer te betalen bij den dood van den pachter.

Herisson, heris’n, Spaansche of Friesche ruiter (Mil.); egel (Herald.).

Heritability, heritəbiliti, erfgerechtigdheid, erfelijkheid; adj. Heritable; Heritage, heritidž, erfenis, erfdeel.

Hermaphrodite, hɐ̂mafrədait, subst. tweeslachtig dier of plant; adj. tweeslachtig; adj. Hermaphroditic(al), hɐ̂mafrəditik(’l), Hermaphroditism, hɐ̂mafrədaitizm.

Hermeneutic(al), hɐ̂mənjûtik(’l), uitleggend, verklarend; Hermeneutics, hɐ̂mənjûtiks, uitlegkunde (vooral van de H. Schrift).

Hermes, hɐ̂mîz, Hermes.

Hermetic(al), hɐ̂metik(’l), hermetisch, luchtdicht.

Hermione, hɐ̂maiənî.

Hermit, hɐ̂mit, kluizenaar; adj. Hermitical; Hermitage, hɐ̂mitidž, kluis, soort Fransche wijn (wit of rood).

Hernehill, hɐ̂nhil.

Hernia, hɐ̂niə, breuk; adj. Hernial; Herniology, hɐ̂niolədži, leer van hernia, verhandeling over breuken.

Hern(shaw), hɐ̂n(šô), jonge reiger.

Hero, hîrou, held, halfgod; Hero-worship = heldenvergoding; Heroic, hirouik, heldhaftig, helden...: He goes into heroics = vervalt in bombastische taal; Heroic age = de heldentijd; Heroic treatment = drastische behandeling (van een ziektegeval); Heroic verse = versregel van vijf jamben (bij de modernen), hexameter (bij de ouden); Heroine, herouin, heldin; Heroism, herouizm, heldenmoed; Hero-ship = heldendom.

Herodians, həroudj’nz, partij van Herodes (= Herod, herəd: Matth. XXII, 15 en 16).

Heron, her’n, Hern, hɐ̂n, reiger; Heronry = reigerhut.

Herpes, hɐ̂pîz, vlecht (huidziekte).

Herpetology, hɐ̂pətolədži, leer van de kruipende dieren.

Herring, heriŋ haring: Fresh herring = panharing; Pickled herring = pekelharing; Red herring = bokking, Zie Aniseed-bag; Such an inquiry should not end in a savour of red herring = zulk een onderzoek moet niet eindigen onder de verdenking, dat de jury listig op een dwaalspoor is gebracht; I suppose that line will be your red herring with the jury = met die argumentatie zul je de jury het spoor bijster willen maken (hoofdzaak en bijzaak willen doen verwarren); Vinegared herring = zure; Herring-bone = haringgraat, diagonale dwarssteek, diagonaal metselwerk; Herring-buss = haringbuis; Herring-fishery = haringvisscherij; Herring-pond = de (Atlantische) Oceaan (Amer.): To cross the herring-pond = oversteken naar Amerika; gedeporteerd worden.

Herrnhuter, hɐ̂nhûtə, Hernhutter.

Hers, hɐ̂z, de of het hare, van haar; She was by herself = alléén.

Herse, hɐ̂s, hekel of hamei.

Hertford, hâfəd; Hertfordshire, hâfədšə = Herts, hâts.

Hertha, hɐ̂thə, Oud-Noorsche godin der aarde.

Hervey, hɐ̂vi.

Hesiod, hîsiod, Hesiodus; adj. Hesiodic, hîsiodik.

Hesitate, heziteit, hesiteit, aarzelen, weifelen, stamelen; Hesitation, heziteiš’n, hesiteiš’n, aarzeling, weifeling, hapering; adj. Hesitative.

Hesper(us), hespər(əs), avondster; Hesperia(n), hespîriə(n), subst. (bewoner van) Hesperië of het Avondland; adj. westelijk; Hesperides, hesperidîz, de Hesperiden.

Hesse, hes, Hessen; Hessian, heš’n, subst. bewoner van Hessen; politieke huurling (Amer.); adj. tot Hessen behoorende: Hessian boot = hooge rijlaars met kwastjes van voren; Hessian fly = eene kleine mug, wier larve in plantenuitwassen leeft (Cecidomyia).

Hest, hest, bevel, gebod.

Heter(o), hetə(rou) (in samenstellingen), anders, vreemd, verschillend: Heteroclite, hetərəklait, subst. en adj. onregelmatig gebogen (woord); Heterodox, hetərədoks, onrechtzinnig, kettersch; Heterodoxy, hetərədoksi, ketterij, onrechtzinnigheid; Heterogeneous, hetərədžîniəs, ongelijksoortig; Heterogenesis, hetərədženəsis, voortbrenging van nakomelingen verschillend van de ouders.

Hetman, hetm’n, hetman.

Hew, hjû, houwen, hakken, vellen.

Hewes, hjûz; Hewitt, hjûwit.

Hex(a), heks(ə), (in samenstellingen), zes; Hexadactylous, heksədaktiləs, met zes vingers of teenen; Hexagon, heksəgon, zeszijdige figuur, zeshoek; Hexahedral, heksəhîdr’l, zeszijdig; Hexahedron, heksəhîdr’n, zeszijdig lichaam, kubus; Hexameter, heksamətə, subst. zesvoetige versregel; Hexametric(al), met zes voeten; Hexangular, heksaŋgjulə, zeshoekig; Hexapod, heksəpod, zespootig insekt; Hexastich, heksəstik, zesregelig gedicht; Hexastyle, heksəstail, tempel of gebouw met zes zuilen in het front.

Hey, hei, ha, hei, hoera! It is hey for R. now = Het is nu: vooruit naar R.: Hey-day, heidei, he! subst. toppunt, storm: Hey Presto! Change! = Rrrt! iets anders!

Hezekiah, hezəkaiə, Hiskia.

Hi, hai, he!

Hiatus, haieitəs, gaping, leemte, hiaat.

Hiawatha, haiəwâthə, haiəwôthə.

Hibernate, haibɐ̂neit, den winter in slapenden of verstijfden toestand doorbrengen (van dieren); overwinteren; subst. Hibernation.

Hibernia, haibɐ̂njə, Ierland; Hibernian, haibɐ̂nj’n, subst. Ier; adj. Iersch; Hibernicism, haibɐ̂nisizm, Iersch idioom; Hiberno-celt, haibɐ̂nouselt, Iersche Kelt; Hiberno-Celtic = Oud-Iersch.

Hiccough, Hiccup, hikɐp, subst. hik; Hiccough verb. den hik hebben.

Hickery pickery, hikəripikəri, mengsel van gestampte kaneelbast en aloe = Hicra picra.

Hickory, hikəri, hickoriehout, witte N. Amer. walnotenboom; adj. taai en sterk (Amer.): Hickory shirt (shorts) = hemd (onderbroek) van gestreept katoen.

Hid(den), hid(’n), imp. en p.p. van to hide: The spaces of the Hid = het onbekende land.

Hidalgo, hidalgou, Hidalgo.

Hidder and shidder, hidəran(d)šidə, hij en zij, mannetje en wijfje.

Hide, haid, subst. huid, zweep, oude landmaat: I have curried his hide = I gave him a good hiding = ik heb hem goed afgerost; Hide-bound = met strakke huid of bast; bekrompen: You cannot fatten a hide colt = een veulen met strakke huid; That is hide conservatism = star, bekrompen conservatisme.

Hide, haid, verbergen, geheim houden, ranselen, verborgen zijn, zich schuil houden, bedekken: To hide one’s face = zijn aanschijn verbergen, zijn gunst onttrekken, niet achtslaan op; zich schamen; I will hide my face from it = zal het over het hoofd zien; The children were playing at hide-and-seek = de kinderen waren aan het verstoppertje spelen; Hiding, haidiŋ, het verbergen, schuilplaats; pak ransel: He was in hiding there = hield zich daar schuil; Hiding-place = schuilplaats.

Hideous, hidjəs, leelijk, afzichtelijk; subst. Hideousness.

Hie, hai, zich haasten.

Hiemal, haiəm’l, winter....

Hierarch, hairâk, opperpriester, kerkvoogd; Hierarchal, hairâk’l, hairɐ̂k’l = Hierarchic(al), haiərâkik(’l) = hierarchisch; Hierarchy = priesterregeering, kerkheerschappij; Hieratic(al), hairatik(’l), hiëratisch, priesterlijk.

Hieroglyph, hairəglif, subst. hiëroglief; adj. Hieroglyphic(al).

Hierophant, hairəfant, haierəfant, hoogepriester.

Hifalautin, haifəlôtin. Zie High-faluting.

Higgle, hig’l, rondventen, afdingen, zaniken of vallen over kleinigheden, vitten; Higgler = afdinger, venter.

Higgledy-piggledy, hig’ldipig’ldi, onderstboven, in volkomen verwarring, overhoop; subst. verwarde hoop.

High, hai, hoog, verheven, machtig, edel, aanmatigend, hevig, sterk riekend, pikant, scherp: The Most High = de Allerhoogste; This word must be written with a high M = groote M.; High and dry = hoog en droog; geborgen, in zekerheid; vastgezet, in ’t nauw gebracht: These people are high and dry conservatives = ouderwetsche, onvervalschte; With a high hand = uit de hoogte, brutaal, onbeschaamd; High Bailiff = vroeger voor Sheriff en Mayor gebruikt, baljuw; It is high day = klaar dag; That is all high Dutch to me = volkomen onbegrijpelijk; High German = Hoogduitsch; High jinks = groote jool; Highlife = de groote wereld; High noon = ’s middags 12 uur; On the high seas = in volle zee; High Sheriff = de voor één jaar door den koning benoemde hoogste ambtenaar van een county; It is high time = hoog tijd; High old time = de goede oude tijd; High treason = hoogverraad; High water = hoog water; High wind = krachtige wind; High wine = sterke cognac (Amer.); On high = omhoog, in de lucht; To carry it high = airs aannemen; High-aimed = met een verheven of groot doel; High-blown pride = opgeblazen trots; High-bred = van zuiver bloed of ras, voornaam; High-born = van edele geboorte; High-caste = van hoogen rang; High-church, subst. Anglikaansche kerk van meer orthodoxe richting, in zooverre in verband met de Oxford of Tractarian Movement (sedert 1833) meer nadruk wordt gelegd op de beteekenis en handhaving van het Ritualism of Anglican Sacerdotalism; adj. tot die kerk behoorende; High-churchism = beginselen der High-church; High-churchman = aanhanger dezer kerk; High-class work = uitstekend; High-cockalorum = bok sta vast (kinderspel); High-coloured = met hooge, sterke kleur; in bloemrijken stijl, sterk gekleurd; High court of Justice = hoog gerechtshof; High-cross = kruis, vroeger op de markten geplaatst; High-day = hoogtij, feestdag; bloeitijd; High-faluting = hoogdravend, bombastisch, gemaakt (Am.); High-fed = volgepropt, gemest, weelderig; High-flier = fantast, wijsneus, zwendelaar: He was a high-flier at fashion = erg op de mode gesteld; High-flown = trotsch; opgeblazen, eerzuchtig; High-handed = aanmatigend, willekeurig; High-heeled: She has her high-heeled shoes on (Amer.) = wat draait zij op haar hakjes, wat steekt ze den neus in den wind; Highland = hoogland: The Highlands = bergachtig deel van Schotland; Highland fling = Schotsche dans, horlepijp; Highlander = bewoner van de Highlands; High-lived, hailaivd, voornaam; High-living, hailiviŋ, het leven op grooten voet; wonen op een zolderkamer; High-low = bottine, rijglaars; High-mass = hoogmis; High-mettled = vol vuur en opgewektheid; High-minded = grootmoedig, edel; hoogmoedig; subst. High-mindedness; High-pitched = trotsch, eerzuchtig; hooggestemd: High-pitched roof = hoog en spits dak; High-pressure = subst hooge druk; adj. met hoogen druk: High-pressure engine; High-priest = hoogepriester; High-principled = met edele beginselen; High-proof = krachtig, sterk-alcoholisch; welbeproefd; High-reaching = hoogreikend, eerzuchtig; Highroad = groote weg, straatweg; High-seasoned = sterk gekruid, pikant; High-seated = hoog gezeten; High-souled = edel van ziel; High-sounding = hoogdravend, praalziek, vol vertoon; High-spirited = vol vuur en fierheid, stoutmoedig; High-stepper = paard, dat de pooten hoog optilt, iemand die pedant stapt; High-stepping = hoogdravend, fier; High-strung = hooggespannen, overmoedig, opgeblazen; High-swollen = opgezwollen, opgeblazen; High-tasted = pikant; High-tide = hoog water, vloed; High-toned = hoog van toon, krachtig van klank; met hooge beginselen; High-water = vloed; High-watermark = hoogpeil; Highway = straatweg, groote weg: To take the highway = struikroover worden; Highwayman = struikroover; Highwrought = fijn bewerkt; opgewonden; Highly: To think highly of = een hoogen dunk hebben van; Highness = hoogheid, verhevenheid: Your Highness = Uwe Hoogheid.

Highty, haiti; Highty-flightiness = wuftheid; adj. Highty-flighty; Highty-tighty = Hoity-toity: Do not turn me off in that Highty manner = zend mij niet weg op die hooghartige manier.

Hilarious, h(a)ilêriəs, vroolijk, opgewekt; Hilarity, h(a)ilariti, vroolijkheid, opgewektheid.

Hilary term, hiləritɐ̂m, vroegere zittingstijd (11 Jan.–31 Jan.) in de Eng. gerechtshoven; thans Hilary Sittings van 11 Jan. tot den Woensdag vóór Paschen; cursus van 14 Jan. tot Zaterdag vóór Palmzondag aan de Univ. van Oxford.

Hill, hil, heuvel; Hill verb. aanaarden; Up hill down dale = berg op berg af; As old as the hills = zoo oud als de weg naar Kralingen; To go down the hill = achteruitgaan, minder worden; Hill-folk = bergbewoners; Hill-side = helling van een heuvel; Hill-top = heuveltop; Hill-wort, hilwɐ̂t, polei; Hilliness = heuvelachtigheid; Hillock = heuveltje, bergje; Hilly = heuvelachtig.

Hilt, hilt, hecht, gevest: You can count upon me up to the hilt = volkomen; Up to the hilt in debt = tot over de ooren; Mortgaged up to the hilt = geheel; You have proved it (up) to the hilt = gij hebt het zonneklaar bewezen.

Him, him, pers. voornw., hem; Himself = hemzelf, zichzelf: He was not himself yesterday = zichzelf niet, niet lekker; He was by himself = alleen; He kept himself to himself for some time = hij zonderde zich af.

Himalaya, himâljə, himəleijə, himəlaijə: Himalaya Mountains = The Himalayas = het Himalayagebergte.

Hind, haind, subst. hinde; boer, boerenarbeider, knecht.

Hind, haind, achterste: Hind before = achterstevoren; With their heads turned hind foremost = achterstevoren; Hind-leg = achterpoot; Hindmost = achterste; Hinder, haində, achterste, laatste = Hindermost = laatste.

Hinder, hində, hinderen, verhinderen, beletten, moeielijkheden in den weg leggen: He hindered me from coming = belette mij; Hind(e)rance, hindr’ns, hindernis, nadeel = Hinderer, ook hij die verhindert.

Hindi, hindî, Noord Ind. dialect; Indiër.

Hindoo, Hindu, hindû, hindû, subst. en adj. Hindoe(sch); Hinduism, hindûizm, leer der Hindoes; Hindu Kush, hindukûš; Hindustan, hindustân; Hindustani, hindustânî, Hindostansch(dialect).

Hinge, hinž, subst. hengsel, scharnier, spil; Hinge verb. van hengsels voorzien, draaien, steunen, afhangen: Things are off the hinges = de boel is in de war; Everything hinges on that fact = om dat feit draait alles.

Hink, hiŋk, sikkel.

Hinny, hini, subst. muildier; Hinny verb. hinniken.

Hint, hint, subst. zinspeling, wenk; Hint verb. zinspelen, een wenk geven, aan de hand doen, toespelingen maken: Do not hint at a present = maak vooral geene toespeling op; The beauties of nature are not only hinted, but brought home = niet slechts aangeduid, maar voelbaar gemaakt; He took the hint = begreep den wenk.

Hip, hip, subst. heup; graatspar of hoekkeper van een tentdak; bottel van de hondsroos; Hips = zwaarmoedigheid; To catch on the hip = in de macht krijgen; To have on the hip = in de macht hebben, overwinnen; The government was beaten hip and thigh = bleef verschrikkelijk in de minderheid; To smite hip and thigh = den schenkel en de heup (Richt. XV, 8); Hip-bath = zitbad; Hip-gout = heupjicht; Hip-joint = heupgewricht; Hip-roof = tentdak; Hip-shot = ontheupt, lam; Hip-tree = hondsroos; Hipped = met ontwrichte heup; somber, gedrukt: You are hipped, you want more society = je bent zwaarmoedig (“hiep”); Hippish = somber, gedrukt.

Hippocampus, hipəkampəs, zeepaardje; Hippocras, hipəkras, hipokras; Hippocrates, hipokrətîz; Hippocratic, hipəkratik, Hippocratisch: Hippocratic face = gelaat van een stervende even vóór de dood intreedt. Hippocrene, hipəkrîn, hipəkrînî, Hengstebron; Hippodrome, hipədroum, circus, wedstrijd met vooraf afgesproken resultaat (Amer.); Hippogriff, hipəgrif, gevleugeld paard; Hippolyta, hipolitə, Hippolyta; Hippopathology, hipəpətholədži, leer der paardenziekten; Hippophagist, hipofədžist, eter van paardenvleesch; The man’s hippopotamic manner = ’s mans lompe, onbehouwen manier; Hippopotamus, hipəpotəmɐs, nijlpaard, rivierpaard.

Hircania, hɐ̂keiniə.

Hircine, hɐ̂s(a)in, sterk riekend, als v. een geit, bok, bokachtig: hircine.

Hire, haiə, subst. huur, loon, belooning, steekpenning; Hire verb. huren van iemand, in dienst nemen voor loon, omkoopen, verhuren: To hire oneself to, out = zich verhuren aan, verhuren; Hireless = gratis; Hireling, subst. huurling; ook adj.; Hirer = huurder; verhuurder (= Hirer out).

Hirsute, hɐ̂siût, hɐ̂siût, behaard, borstelig, haar - -.

His, hiz, pron. poss. zijn, de of het zijne: He has come by his own = heeft gekregen wat het zijne was; He has come into his own = heeft zijn erfdeel gekregen.

Hish, hiš, aanhitsen; ook interj.

Hisk, hisk, moeielijk ademhalen.

Hispanicism, hispanisizm, Spaansch idioom; The Hispano-Portuguese frontier = Spaansch-Portugeesche.

Hispid, hispid, borstelig.

Hiss, his, subst. sisklank, gesis, gejouw; Hiss verb. sissen, fluiten (van een pijl), uitfluiten.

Hist, hist, aanhitsen; interj. St.!

Histology, histolədži, leer der weefsels.

Historian, histôriən, geschiedschrijver; Historic(al), historik(’l), geschiedkundig: Historical cavalcade = (pageant) = historische optocht; Historic-painting, Historic-picture = geschiedkundig schilderstuk; Historic(al)-sense = historisch inzicht; Historicalness, historik’lnəs, geschiedkundige waarde of waarheid; Historiette, histôriet, verhaal, kleine geschiedenis; Historiographer, histôriogrəfə, geschiedschrijver; Historiography, histôriogrəfi, geschiedschrijving; History, histəri, geschiedenis, verhaal: Ancient (Modern, Natural, Sacred) history; History-piece = historische schilderij.

Histrionic(al), histrionik(’l), tooneelspel..., tooneelspeler...: Our histrionic taste is gone = onze zin voor de tooneelspeelkunst; Histrionics, histrioniks, tooneelkunst; Histrionism = de tooneelspelers, het spelen.

Hit, hit, subst. slag, stoot, steek onder water, aanraking, kans, gelukkige zet, treffer, succes; Hit verb. raken, treffen, slaan, gissen, raden, passen, gelukken, aantreffen, bedenken, ontdekken: The book is a decided hit = heeft veel succes; The singer was a great hit in London = maakte grooten opgang; He made an immense hit with his song = had kolossaal succes; You must do it, hit or miss (hitty missy) = op goed geluk af (eig. luk of raak); To hit it off with = opschieten met: I always hit it off with dogs and children; You have hit it off = ge hebt het juist getroffen, geraden; He hit off my likeness very happily = hij heeft mij goed getroffen; He hit it out = hij heeft het er goed afgebracht; He hit out at me = deed een slag naar mij; Her visit to America was a triumph; she hit up all her hearers = zij pakte al hare hoorders in; I could not hit upon the right expression = kon niet vinden; These words hit the audience in their weakest place = tastten in hun zwak; I hit it in his teeth = wreef het hem onder den neus; You have hit the mark = het bij ’t rechte eind; You hit it very punctually = hebt het precies getroffen; Hitting-shot = raakschot.

Hitch, hitš, subst. ruk, kink, steek, beletsel, hapering, tijdelijke hulp in nood; Hitch verb. vastmaken, aanhaken, met een ruk of sprong zich voortbewegen, optrekken, prettig samenwerken, aanslaan (van paarden), wegnemen: The hitch was due to your carelessness = door uwe zorgeloosheid ontstond het beletsel; Some hitch had occurred = er was een kink in den kabel gekomen; There the hitch lies = daar zit de knoop; Upon the least hitch I will have you write your lesson = als ge even hapert; The extinguisher was hitched to the candlestick = het dompertje was aan den kandelaar gehaakt; Take care, lest he hitches you into a story = dat hij je niet in een verhaal ten tooneele voert; He hitched on the battery = haakte aan.

Hither, hidhə, hierheen, aan deze zijde: Hither and thither = heen en weer; Hithermost = nabij, het meest naar deze zijde; Hitherto = tot hiertoe; Hitherward = herwaarts.

Hive, haiv, bijenkorf, zwerm bijen, dicht bevolkte buurt; bijenkorfvormige hoed; Hive verb. in een korf doen of verzamelen, opzamelen, bevatten, samenwonen: I will no longer hive with them = met hen onder één dak zijn; Hive-bee = korfbij; Hiver = ijmker.

Hives, haivz, keelontsteking; netelroos.

Hizzing, hiziŋ, gesis.

Ho(a), hou, he! ho!

Hoaky: By the Hoaky = alleduivels!

Hoar, hö, adj. wit, grijs, beschimmeld; Hoar verb. wit of grijs maken, beschimmelen: Hoar-frost = rijp; Hoar-stone = grenssteen; Hoariness, subst. v. Hoary = grijs, grauw, met grijze haartjes bedekt; Hoar-headed = met grijzen kop.

Hoard, höd, subst. voorraad, hoeveelheid; hoop, geheime schat of voorraad; Hoard verb. vergaren, opzamelen, opleggen: He hoarded all savings = zamelde op; Hoarder.

Hoarding, hödiŋ, schutting om een in aanbouw zijnd gebouw.

Hoarse, hös, schor, heesch, krassend: I am as hoarse as a crow; subst. Hoarseness.

Hoax, houks, subst. grap, fopperij, aardigheid, “canard”; Hoax verb. eene grap hebben, foppen: To play a hoax upon a person = een poets bakken; Hoaxer.

Hob, hob, subst. vooruitspringend plaatje aan een haard om iets warm te houden; naaf; houten pin, kinderspel waarbij naar een op een hob geplaatst geldstukje wordt gegooid: To play hob with = een speldje steken voor (fig.).

Hob-and-nob, hobən(d)nob, drinken, een lijntje trekken met, vertrouwelijk praten, omgaan met.

Hobbes, hobz, Hobbes; Hobbism, hobizm, wijsgeerig stelsel van Th. Hobbes (1588–1679); Hobbist.

Hobble, hob’l, subst. hinken, strompelen; verlegenheid, moeielijkheid; Hobble verb. strompelen, kluisteren van paarden, knoeien, prutsen: I’ve got into a nice hobble = ik zit leelijk in de klem; Hobble-skirt = strompelrok; Hobbler = hinkepoot; knoeier, onbevoegd loods, losse arbeider, een man, die een schuit trekt.

Hobbledehoy, hob’ldəhôi, jong mensch, te groot voor een servet en te klein voor een tafellaken; Hobbledehoyish = slungelig.

Hobbly, hobli, hobbelig, oneffen, vol gaten (van een weg).

Hobby, hobi, boomvalk; stokpaardje; domkop, lummel; telganger: Every man rides his hobby; Hobby-horse = stokpaardje (eig. en fig.), uilskuiken.

Hobgoblin, hobgoblin, hobgoblin, kabouter.

Hobnail, hobneil, hoefnagel, groote schoenspijker, pummel; Hobnail verb. met spijkers beslaan.

Hobnob, hobnob, op goed geluk, luk of raak; Hobnob verb. Zie Hob-and-nob.

Hobson’s choice, hobs’nztšôis, geene keus, gedwongen keus.

Hock, hok, knieboogspier (bij menschen); hakpees (bij paarden, etc.); Hochheimer, rijnwijn; Hock verb. een dier de knieboogspier doorsnijden; Hock-day = een feestdag bij ’t betalen der pacht; Hock Monday, Hock Tuesday = 2de Maandag en Dinsdag na Paschen; Hock-tide = de voorgaande feestdagen.

Hockey, hoki, soort v. kolfspel.

Hockle, hok’l, verb. Zie Hock.

Hocus, houkəs, drank met slaapkruid erin; Hocus verb. bedriegen, iets bedwelmends door den drank mengen; Hocus-pocus = hocus-pocus; ook adj.; Hocus-pocus verb. bedriegen.

Hod, hod, kalk- of steenenbak; Hod-carrier = opperman = Hod-man, ook fig. = handlanger.

Hodden, hod’n, boersch; ook = Hodden-gray (grey) = stof van ongeverfde wol.

Hodge, hodž, boer, boerenarbeider; Hodge-podge = hutspot, allegaartje; Hodge-pudding = allegaarspudding.

Hodiernal, houdiɐ̂n’l, huidig, van dezen dag.

Hodometer, hədomətə, afstandsmeter (aan de as van een rijtuig, etc.).

Hoe, hou, subst. schoffel; Hoe verb. schoffelen: To hoe one’s own row = voor eigen stoep vegen (fig.); Hoe-cake = grove maïskoek.

Hog, hog, subst. varken, gesneden beer, schaap tusschen 6 maanden en het eerste scheren, stier van een jaar; zwijn, vuilik; hog of schrobber, shilling; Hog verb. kort afknippen, schrobben (technisch “hoggen” genoemd), doorbuigen van een schip, met gebogen hoofd gaan (v. paarden); To go the whole hog = voor niets terugdeinzen, iets consequent doorzetten, B zeggen als men A heeft gezegd; Hog-colt = éénjarig veulen; Hog-cote = varkenskot; Hog-herd = zwijnenhoeder; Hog-mane = kortgesneden opstaande manen; Hogpen = varkenskot; Hog’s-back = lage heuvelrug; Hog’s-lard = varkensreuzel; Hog-shearing = koude drukte; Hog-steer = wild zwijn in ’t derde (schaap in ’t tweede) jaar; Hog-sty = varkenskot; Hog-wash = varkensdraf; Hoggery = varkenskot; Hoggish, hogiš, zwijnachtig, vuil, dom, gulzig, zelfzuchtig; subst. Hoggishness.

Hogarth, hougâth.

Hoggerel, hogər’l, schaap in het tweede jaar.

Hogger-pump, hogəpɐmp, pomp in eene kolenmijn.

Hoggers, hogəz, kousen zonder voeten (door mijnwerkers gedragen).

Hogget, hogət, zwijn, veulen of schaap in ’t tweede jaar.

Hogmanay, hogmənei, hogmənei, Oudejaarsdag; onthaal of geschenk op dien dag in Schotland.

Hogshead, hogzhed, okshoofd, groot vat (= 52 gallons Tinto wijn; 30 gallons Hock; 48 gallons ale en beer).

Hoiden, hôid’n, subst. wilde meid, driedekker; adj. ruw, brutaal; Hoiden verb. stoeien, uitgelaten zijn; adj. Hoidenish.

Hoist, hôist, subst. elevator, kraan; hoogte van vlag of zeil; Hoist verb. (op)hijschen: He was hoist(ed) with his own petard = de mijn is verkeerd voor hem gesprongen.

Hoity-toity, hôititôiti, drommels! tut, tut! adj. opgewonden, druk, uitgelaten, stormachtig; subst. warboel; opgeblazenheid.

Hokey-pokey, houkipouki = Hocus-pocus; ook goedkoop ijs (op straat verkocht).

Holborn, houbən, Holbrook, houlbruk; Holcroft, holkroft.

Hold, hould, subst. houvast, greep, steun, invloed, macht, gevangenschap, gevangenis, schuilplaats, ruim van een schip; Hold verb. houden, vasthouden, er voor houden, ophouden, behouden, inhouden, aanhouden, bevatten, bewaren, behoeden, beslissen, bezitten, bekleeden, verkrijgen, verdedigen, deelnemen, vieren, voeren (van taal), wedden, standhouden, enz.: I cannot get hold of him = hem te pakken krijgen; Nothing has any hold on him = heeft vat op hem; To keep firm hold of = stevig vasthouden; Do not let go your hold = laat niet los; That great shock looses his hold on life = brengt hem den dood nader (eig. doet hem zijn houvast aan ’t leven verliezen); To quit one’s hold = loslaten; He took (laid) hold of my arm = hij greep (pakte, hield) mijn arm vast; The frost will not hold = zal niet aanhouden; That rule always holds (good) = gaat altijd door; Hold fast by my girdle = houd je vast; Hold hard = houd je goed vast, wacht even, kalm aan, schei uit, stop; Held in reserve = gereserveerd; She held herself properly = kwam netjes voor den dag; I will hold a brief for you = de zaak voor u bepleiten; We held the fortress against the enemy = verdedigden (met succes) de vesting; He can hardly hold his own = zich nauwelijks bedruipen; To hold one’s own against any odds = zich goed (staande, stand) houden tegen; Hold your peace = houd je mond; The ministry holds its power at the hands of the people = heeft, ontvangt zijn macht uit de handen van het volk; He held our proxy = was onze procuratiehouder; We hold our title of (from) the royal favour = ontleenen onzen titel, ons recht; Hold your tongue = zwijg; I will hold that wager = durf die weddenschap aan; Such an excuse would never hold water = opgaan, geaccepteerd worden; He held wool for her = hield een streng wol voor haar op; onderwierp zich aan hare nukken; You can’t hold back time = tegenhouden; To hold back letters = achterhouden; Hold hard = stop! He held forth his hand = stak zijne hand uit, bood zijne hand aan; We have been holding forth on all kinds of subjects = hebben het gehad over, er over uitgeweid; He held off his enemies = hield op een afstand; He held on his (headlong) course = zette zijn (onstuimigen) loop voort, ging door op; Hold on a bit = wacht eventjes; He held (on) by the railings = hield zich vast aan; They held on downwards = gingen verder naar beneden; Hold on round my waist = houd je vast om mijn middel; He held on pluckily = hield zich kranig; To hold out = toesteken, vóórspiegelen, etc.: He was holding out to a knot of men = stond te oreeren; He held out those favours to me = bood mij aan; I can hold out no longer = kan het niet langer uithouden; Many advertisements must be held over till our next issue = wij moeten laten liggen; You must not hold him to that opinion = niet als zijne eind-opinie beschouwen; I held him to his promise = hield hem aan; Behave well and hold (stick) to the right = en houd u aan ’t goede; He held faithfully to his party = bleef standvastig trouw aan; Hold up your head, and look like a man = wees flink; To hold up one’s head with = niet onderdoen voor; The same speed was held up to the last = werd volgehouden; He was held up for (to) execration, ridicule = werd prijsgegeven aan; To hold up as an example = tot voorbeeld stellen; He held me up, until we were both picked out = hield mij boven water; To hold up a train = aanhouden (door roovers); We were in the held-up train; Hold up man! = houd je goed, courage! Why don’t you hold up your end of the line (rope) = waarom neemt gij niet deel aan het gesprek (Amer.)? He holds with the royalists = houdt het met; Hold-all = soort reiszak, nécessaire; Holdback = verhindering, beletsel; Holder = houder, bezitter, huurder, aandeelhouder, bak; Holder-forth = schreeuwerig redenaar; Holdfast = houldfâst, steun, houvast; Holding = houvast, bezit, gehuurde boerderij.

Hole, houl, subst. gat, hol, opening, kuil, hok (van eene woning), moeilijkheid; Hole verb. een gat maken, stoppen, in een gat kruipen: My shoes are in holes = stuk; To be in a hole = in de klem zitten; To make a hole in the water = zich verdrinken; We are not going to pick holes in each other’s coats = elkaar geen kwaad doen, niet op elkaar vitten; I tried to pick holes in his story = trachtte fouten te vinden in, aanmerkingen te maken op; I put my foot into a big hole = ben er leelijk ingeloopen, heb me leelijk verpraat; The diplomatic holes and corners of our day = de diplomatieke geheimen (wat er achter de schermen gebeurt); The proceedings of the club are hole-and-corner = zijn geheim (stiekum); A hole-and-corner engagement = stiekum.

Holibut, holibɐt (Zie Halibut).

Holiday, holidei, subst. heiligedag, vacantiedag, vrije dag, feestdag; ook adj. feest —, Zondags —, onecht —: Their holiday best = Zondagsche pak; Holiday Hall = plaats waar men zich niet behoeft te geneeren (om te rooken, bijv.); To have a holiday = vrij hebben; She was on holiday = met vacantie, had vrijaf; Holidays = vacantie; Holiday-maker = plezierreiziger; Holiday task = vacantiewerk.

Holiness, houlinəs, heiligheid: His Holiness = Zijne Heiligheid, titel voor den Paus.

Holinshed, holinzhed, holinšed.

Holla, holə, subst. luide roep; Holla verb. luide roepen, toeroepen; interj. helà, hei!

Holland, hol’nd, Holland, ongebleekt linnen: Brown Holland = weinig gebleekt linnen; Holland gin = Hollands = Schiedammer; British Hollands = in Engeland gestookte jenever; Hollander.

Hollow, holou, subst. holte, ledige ruimte, hol, groef, voor, dal; adj. hol, niet massief, uitgehold, concaaf, laag, diep, geveinsd, onoprecht, volkomen; Hollow verb. uithollen; ook roepen: She beat all her sisters hollow = won het royaal van, overtrof verre; Hollow-eyed = met holle oogen; Hollow-hearted = onoprecht, valsch; Hollow-square = carré (mil.); Hollow-ware = (metalen) keukengereedschap; Hollowness = holheid, leegheid, valschheid.

Holly, holi, hulst; steeneik; Holly-fern = stekelige schildvaren; Holly-hock = stokroos; Holly-rose = cistroos.

Holm, houm, riviereilandje, vlak en vruchtbaar land langs den rivieroever, hulst; Holm-oak = steeneik.

Holmes, houmz.

Holocaust, holəkôst, brandoffer bij de Joden, algemeene slachting.

Holograph, holəgraf, eigenhandig geschreven document, adj. eigenhandig geschreven; adj. Holographic(al).

Holothurian, holəthiûriən, zeekomkommer.

Holster, houlstə, holster; Holstered.

Holt, hoult, hout, boschje, aanleg, gat, schuilplaats (voor dieren).

Holus-Bolus, houləs-bouləs, halsoverkop.

Holy, houli, heilig, rein, goddelijk, gewijd: Holy of Holies = het Heilige der Heiligen; The Holy One = Jehova; Holy day = Heiligedag; Holy Ghost (Holy Spirit) = Heilige Geest; Holy Office = de Inquisitie; In Holy orders = in Deacon’s of in Priest’s (= full) orders = Ordained als Deacon of Ordained, admitted en instituted als Priest door den Bishop; Holy Rood = kruis, kruishout, crucifix (in kerken vooral); Holy Saturday = Zaterdag vóór Paschen; Holy-stone = schuursteen; ook verb.; Holy Thursday = Hemelvaartsdag; Holy Tide (Week) = week voor Paschen; Holy water = wijwater; Holy wells = miraculeuze bronnen; Holy Writ = de H. Schrift.

Holyhead, holihed; Holyrood, holirûd.

Holywell, holiwel: Holywell Street Literature = pornographische literatuur.

Homage, homidž, subst. hulde, eerbied; Homage verb. huldigen = To do (render) homage; Homager = vasal, leenman.

Home, houm, subst. tehuis, huis, geboorteplaats, vaderland, woning, verblijf, liefdadige instelling; Home verb. naar huis gaan, wonen, zich vestigen; adj. huis - -, binnenlandsch; adv. naar huis, ten volle, toepasselijk, raak, krachtig: Home is home, be it never so homely = Be in East and West, home is best = oost, west, thuis best; He banged the door home = sloeg hard dicht; To bring home (carry home, come home, leave home, return home); To bring home to = bewijzen, duidelijk maken; All our deeds come home at last = worden op den duur op onszelf verhaald; That truth came home to me = drong tot me door, werd me bewust; To go home = naar huis gaan, het doel treffen; To pay home = betaald zetten; He is perfectly at home with what passed = volkomen op de hoogte van; Make yourself at home = doe alsof je thuis was; Mrs. N is at home on Monday = Mevrouw N. ontvangt Maandags; Is he at home? No he will be home to dinner; Charity begins at home = het hemd is nader dan de rok; Home-baked = eigengebakken; Home-bound = Homeward-bound = op de thuisreis; Home-bred = inlandsch (van fokvee); natuurlijk, onbeschaafd; Home-circle = familiekring; Home-circuit = rechtsgebied van de Judges of Assize, dat Londen tot centrum heeft; Home-counties = de counties bevattend en Londen omringend; Home-department (Home-office) = Ministerie van Binnenl. Zaken; Home-farm = boerderij verbonden met het verblijf van den eigenaar, Home-fed bacon = inlandsch spek; Home-felt = innig, innerlijk, geheim; Home-freight = retourvracht; Home-keeping = thuisblijvend, huiselijk; Home-made = eigengemaakt, van inlandsch fabrikaat; Home-return = repatrieering; Home-rule = plaatselijk zelfbestuur (vooral met het oog op Ierland); To be Home-sick = heimwee hebben; Home-sickness = heimwee; Home-speaking = eenvoudige, oprechte taal; Home-spun = subst. en adj. eigengesponnen (stof), van eigen fabrikaat, eenvoudig; een bepaalde stof; Home-stall, Home-stead = erf, huismansplaats; Home-thrust = gevoelige waarheid, raak antwoord, stoot die raak is; Home-trade = binnenlandsche handel; Homeless = dakloos; subst. Homelessness; Homelike = gemoedelijk, gezellig; Homeliness = eenvoudigheid; Homely = eenvoudig, dood gewoon, ook ordinair (van het gelaat), voor huiselijk gebruik bestemd; Homeward = Homeward-bound = op weg naar huis, op de thuisreis.

Homer, houmə, Homerus; Homeric, həmerik, Homerisch.

Homicidal, homisaid’l, homisaid’l, moorddadig, bloedig; Homicide = moord, moordenaar.

Homiletic(al), homiletik(’l), homiletisch; Homiletics = homiletiek; Homilist = homileet; Homily = kerkelijke tekstverklaring, kanselrede.

Homing, houmiŋ: Homing instinct = om het huis weer te vinden.

Hominy, homini, grof gemalen maïs.

Hommock, homək. Zie Hummock.

Homoeopath, ho(u)miəpath, homoeopaat; Homoeopathic(ally) = homoeopathisch; Homoeopathist = homoeopaat; Homoeopathy = homoeopathie.

Homogeneous, houmədžîniəs, homogeen; subst. Homogeneousness.

Homologate, homoləgeit, bekrachtigen, goedkeuren; subst. Homologation.

Homologous, homoləgɐs, homoloog; Homology = homologie.

Homonym, ho(u)mənim, homoniem; adj. Homonymous, həmonimɐs; Homonymy, homonimi, gelijkluidendheid, dubbelzinnigheid; Homophone, ho(u)məfoun, letter of woord van denzelfden klank.

Homunculus, həmɐŋkjuləs, dwerg; langs chem. weg geschapen mensch (v. Paracelsus).

Honduras, hondjuras, hondjûras (mahoniehout uit) Honduras.

Hone, houn, subst. slijpsteen, oliesteen; Hone verb. slijpen, aanzetten.

Honest, onəst, eerlijk, braaf, oprecht, kuisch, deugdzaam: Honest Indian? (Injun) = op je woord? Honesty = braafheid, eerlijkheid: Honesty is the best policy = eerlijk duurt het langst; In honesty of heart = in alle oprechtheid.

Honey, hɐni, subst. honig, zoetheid, liefje, snoesje; adj. honigachtig, zoet; Honey verb. met honig bedekken, zoet maken of worden; Honey-badger = honigdas; Honey-bag = honigzakje (der bijen); Honey-bear = honigbeer; Honey-bee = honigbij; Honeycomb = honigraat, honigcel: The nation is honeycombed with secret societies = doortrokken van geheime genootschappen; Nature is honeycombed with pain and strife = is vol van pijn en strijd; Honey-dew = honigdauw; soort van tabak met stroop bevochtigd en in koekjes geperst; Honey-flower = honigbloem; Honey-guide = honigkoekoek (Zuid-Afr.); Honey-harvest = honigoogst; Honeymoon, subst. wittebroodsweken; Honeymoon verb. in de wittebroodsweken zijn, deze doorbrengen; Honey-mouthed = vleierig; Honey-stalk = honigklaver; Honey-tongued = vleierig; Honey-suckle = kamperfoelie; Honey-wort = wasbloem, kruisbladig walstroo; Honeyed (fig.) = zacht, zoet, vriendelijk, vleiend.

Honied, hɐnid = Honeyed.

Honorarium, onourêriəm, salaris, belooning.

Honorary, onərəri, eervol, eere...: Honorary President = Eere-Voorzitter; Honorary monument = gedenkteeken voor iemand, die ergens anders begraven is; That is a purely honorific distinction = louter een eeretitel.

Honour, onə, subst. eer, eergevoel, aanzien, rechtschapenheid, kuischheid, hoogachting, waardigheid, titel (= edelachtbare), eerewoord, een der vier hoogste troeven; Honour verb. eeren, eer bewijzen, vereeren, honoreeren (van een wissel); Meerv. Honours = eerbewijzen, hoogste graad: Examinations in honours = “cum laude” examens; Honours of war = krijgseer; Honour bright = op mijn (je) woord van eer; Affair (Debt, Guard, Point, Word) of honour; You are in honour bound to do it = aan uwe eer verplicht; To do the honours = de “honneurs” waarnemen; That does you honour = dat strekt u tot eer; To meet with due honour = behoorlijk honoreeren; I pledge it on my honour, I pledge my honour for it = beloof het op mijn woord van eer; Honourer.

Honourable, onərəb’l, eervol, aanzienlijk, voornaam, edel, achtbaar, titel (aan de jongere zoons van ‘earls’, aan al de zoons en dochters van ‘viscounts’ en ‘barons’, aan opperrechters in Engeland en Ierland en aan de hofdames toegekend; Zie ook Right-Honourable); subst. Honourableness.

Hood, hud, subst. kap, capuchon, kapvormige plooi van eene universiteitstoga, kap (van een rijtuig); peperhuisje, kap (van een schoorsteen) enz.; Hood verb. van een kap voorzien, bedekken, omhullen: The hood and leathern apron of the carriage = kap; All hoods make not monks = ’t zijn allen geen koks, die lange messen dragen; Hood-cap = soort kaproen; soort zeehond; Hoodman = blindeman (in het spel); Hoodman-blind = blindemannetje; Hood-moulding = lijst boven deur of venster; Hoodwink = blinddoeken, verschalken; ook subst.

Hoof, hûf, hoef, klauw, poot, stuk vee; Hoof verb. loopen: To beat (pad) the hoof = te voet (op Apostelpaarden) gaan; Hoof-bound = volhoevig, kreupel.

Hook, huk, subst. haak, vischhaak, sikkel, kram, duim (van eene deur), vooruitspringende landtong; voordeel, meevallertje; Hook verb. met een hoek vangen, aanhaken, tot een haak buigen, van haken voorzien, vasthaken, stelen: By hook or by crook (Zie Crook); Off the hooks = in wanorde, ontstemd, ziek, dood: To drop (go) off the hooks = het hoekje om (= dood) gaan; I wished him off the hooks = wou, dat hij dood was; You must do it on your own hook = op eigen gelegenheid, verantwoording; She kept him on the hooks = zij hield hem aan het lijntje, To pop off the hooks = doodgaan; To take one’s hook = uitsnijden; They hooked it = zij zijn er van door; She hooks-and-eyes her gown = maakt vast met haken en oogen; Hook-nose(d) = (met een) haviksneus; Hook-pin = haakbout; Hooked = krom, haakvormig; subst. Hookedness; adj. Hooky.

Hookah, hûkə, Oostersche pijp, waarbij de rook door water gaat.

Hooker, hukə, hoeker (visschersvaartuig), zakkenroller.

Hookey Walker, huki wôkə, onzin, maak dat de kat wijs!

Hooligans, hûlig’nz, straatschenders, gespuis; Hooliganism = straatschenderij, woeste, liederlijke jool.

Hoop, hûp, subst. hoepel, crinoline, beugel, riem, Hoop verb. met hoepels, enz. beslaan, omringen (Zie ook Whoop); Hoop-iron = bandijzer; Hoop-petticoat, Hoop-skirt = hoepelrok; Hooper = kuiper.

Hooping, hûpiŋ: Hooping-cough = kinkhoest.

Hoosier, hûžə, bewoner van Hoosier state = Indiana; Hoosier cake = soort peperkoek (Amer.).

Hoot, hût, subst. gejouw; Hoot verb. uitjouwen, schreeuwen (van een uil); Hooter = autohoorn.

Hoove, hûv, koliek bij vee.

Hop, hop, subst. hop; sprong; thé dansant: Hop-o’-my-thumb = klein duimpje; Hop verb. hinken, huppelen, springen, dansen, hop oogsten, met hop brouwen: He escorted her at party or hop = naar partijen en bals; He has had many girls on the hop = het hoofd op hol gemaakt; To catch (take) on the (ground) hop = een bal vangen als hij opspringt; iemand onverhoeds overvallen, snappen; He is a hop out of kin = hij slaat geheel uit den aard; I can hop that lot on one foot = dat eind wel hinkende afleggen; To hop the twig = uitsnijden; het hoekje omgaan; op houten beenen loopen; Hopped over the twig = over den puthaak getrouwd; Hop-back = hopzeef; Hop-bind, Hop-bine = hopstengel; Hop-joint = opiumkit; Hop-picker = hopoogster; Hop-pole = hopstaak; Hopscotch = hinkspel; soort balletjes; Hop-vine = hopstengel; Hop-yard = hopveld; Hopper = danser, springer, etc. kaasmijt, sprinkhaan, trechter, zaaikorf, hopoogster; modderschuit = Hopper barge.

Hope, houp, subst. hoop, vertrouwen, verwachting, wensch; Hope verb. hopen, verwachten; vertrouwen: Young hopeful = veelbelovend jongmensch (ironisch); Hopefulness; Hopeless = hopeloos; subst. Hopelessness.

Hopple, hop’l = Hobble = kluisteren; Hopples = kluisters voor vee in de weide.

Horace, horis.

Horal, hôr’l, Horary, hôrəri, wat een uur duurt of betreft.

Horatian, həreiš’n, Horatiaansch; Horatio, həreišiou.

Horde, höd, subst. horde, bende, troep; Horde verb. in horden of benden leven of zich vereenigen.

Horehound, höhaund, witte malrove.

Horizon, həraiz’n, horizon, gezichtskring: Apparent, Sensible horizon = schijnbare horizon; Rational, Real, True horizon = werkelijke horizon; The plain of literature that is horizoned by 1801 = het veld der literatuur tot 1801; Horizontal = horizontaal, waterpas; subst. Horizontalness; Horizontality.

Horn, hön, hoorn, horen, drinkhoorn, voelhoren, de niet-volle maan (bij ’t wassen of afnemen), vleugel (van een leger), zijtak (van eene rivier), punt (van een aambeeld); borrel (Amer.); Horn verb. van horens voorzien; (fig.) horens doen dragen: A pair of horn spectacles; Horn of Plenty = horen des overvloeds; To come out at the little end of the horn = ergens slecht (kaal) af komen; He has drawn, hauled, pulled in his horns = hij is in zijne schulp gekropen; To put to the horn = vogelvrij verklaren (Schotl.); I’ll either make a spoon or spoil a horn = ik waag het, erop of eronder; To show one’s horns = de tanden laten zien, flink optreden; Take a horn = neem een borrel (Amer.); To wear the horns = hoorndrager zijn; Horn-beak = gewone geep; Hornbeam = hagebeuk; Horn-bill = neushoornvogel; Horn-blower = hoornblazer; Horn-book = oud abéboek bestaande uit een blad papier, waarop het alphabet, de getallen van 0–9, het Onze Vader, beschermd door een doorzichtige plaat van hoorn en bevestigd op een houten raam met handvat; Horn-distemper = hoornziekte (van vee); Horn-eel = smelt; Horn-finch = stormvogeltje; Horn-fish = zeenaald; Horn-pipe = oud blaasinstrument; horlepijp; Horn-work = hoornwerk (vestingbouw); Horned = van horens voorzien; Horned horse (Zie Gnu); Horning = het wassen of afnemen van de maan; door het blazen op een trompet ingeleide openbare afkondiging (Schotl.); ketelmuziek (Amer.); Horny = hard, hoornig: Horny coat of the eye = hoornvlies; Horny hands = vereelte.

Hornet, hönət, horzel; kwelgeest: To bring a nest of hornets about one’s ears = zijn hoofd in een wespennest steken.

Horologe, horəlo(u)dž, uurwerk; Horologer = uurwerkmaker; Horology = uurwerkmakerskunst, tijdmetingskunst.

Horoscope, horəskoup, horoscoop; I have cast her horoscope = haar horoscoop getrokken; adj. Horoscopic; Horoscopy, həroskəpi, kunst om de toekomst te voorspellen.

Horrent, hor’nt, borstelig, rechtopstaand, afschuwelijk.

Horrible, horib’l, verschrikkelijk, ijselijk, akelig; subst. Horribleness.

Horrid, horid, akelig, afschuwelijk; ruw, stekelig, overeindstaand; treurig; subst. Horridness.

Horrific, horific, afschuwwekkend; Horrify, horifai, met afschuw vervullen, doen sidderen.

Horripilation, horipileiš’n, een gevoel alsof het hoofdhaar te berge rijst.

Horror, horə, afgrijzen, afschuw, huivering: The horrors = delirium tremens; zwaarmoedigheid: To give the horrors = afschuw inboezemen; To have the horrors = zwaarmoedig, katterig zijn, aan delirium tremens lijden; Horror-stricken, Horror-struck = door afgrijzen verpletterd.

Horse, hös, paard (ook zeeterm), hengst, cavalerie, steunbok, droogrek, werk dat vóór het uitgevoerd is betaald wordt (= Dead horse), ezelsbrug; Horse verb. een paard bestijgen, van een paard voorzien, schrijlings plaatsen, dekken, opstijgen; adj. groot, grof: The near horse = bij-de-handsche paard; Off horse = van-de-handsche; Dark horse = nog onbekend renpaard; nieuweling, onbekend candidaat; Master of the Horse = opperstalmeester; Those who cannot flay the horse, flay the saddle = wie het meerdere niet kan doen, doe het mindere; To flog the dead horse = aan een dood paard trekken (fig.); To get on (To mount, to ride) the high horse = een hoogen toon aanslaan; To look a gift horse at (in) the mouth = een gegeven paard in den bek zien; You rode a dark horse then = (eig.) gij reedt toen op een onbekend paard, (fig.) gij hieldt u maar dom, voerdet wat in uw schild; To ride a free horse to death = een paard den rug stuk rijden, iemand exploiteeren; He sits a horse very well = hij rijdt goed; To take horse = te paard stijgen; I will win the horse or lose the saddle = ik waag het, erop of eronder; I have often been horsed in this school myself = ben zelf dikwijls op het “houten paard” geweest, afgeranseld geworden; Horse-artillery = rijdende artillerie; To be (ride) on horseback = te paard; Horse-bean = paardeboon, tuinboon; Horse-block = stellage om bij het op- en afstijgen behulpzaam te zijn; Horse-boat = pont door paarden getrokken, of om paarden over te zetten; Horse-box = wagon voor paarden; stalafdeeling; Horse-breaker = pikeur, iemand die paarden dresseert; Horse-car = tramwagen (Amer.); Horse-car-track = tramweg (Amer.); Horse-chanter = opkooper van oude paarden, om ze door knoeierij weer goed aan den man te brengen; Horse-chestnut = paardekastanje; Horse-cloth = paardedek; Horse-coper = paardenkooper; Horse-courser = koopman in renpaarden; eigenaar van renpaarden; Horse-cucumber = groote groene komkommer; Horse-dealer = paardenkooper; Horse-doctor = paardenarts; Horse-drench = paardendrank; Horse-emmet = roode mier; Horse-faced = met een lang, grof gezicht; Horse-faker = paardenkooper (Zie Fake); Horse-flesh = paardevleesch; paarden: The age of horse-flesh = de diligencetijd; He knows little of horse-flesh = hij heeft geen verstand van paarden; Horse-fly = paardenvlieg; Horse-Guards = bereden lijfwacht; bureau van den bevelhebber in Whitehall, de militaire autoriteiten aan het ministerie van oorlog; Horse-hair = paardenhaar; Horse-hoe = groote egge; Horse-jockey = pikeur, paardenkoopman; Horse-keeper = stalknecht; verhuurder v. paard.; Horse-knacker = paardenvilder; Horse-laugh = luide en ruwe lach; Horse-latitudes = streek der windstilten; Horse-leech = paardenarts, bloedzuiger; vrek; Horse-litter = baar door paarden gedragen; Horse-load = paardenvracht; Horse-lock = paardenkluister; Horseman = ruiter; Horsemanship = rijkunst; Horsemarines: Tell that to the horsemarines = maak dat je grootje wijs; Horse-marten = groote hommel, torenzwaluw; Horse-meat = paardevoer; Horse-mill = rosmolen; Horse-milliner = paardetuig- en zadelmaker; Horse-play = ruwe grap, ruwe wijze van doen; Horse-pond = paardewed; Horse-power = paardekracht: Horse-race = wedren; Horse-radish = mierik, meerradijs, peperwortel; Horse-railroad = tramweg (Amer.); Horse-rake = paardehark, groote egge; Horse-rider = kunstrijder; Horseshoe = subst. en adj. hoefijzer(vormig); Horse-shoeing = beslaan van paarden; Horse-stinger = paardenbijter; Horse-tail = paardestaart; Turksche standaard; Horse-way (Amer.) = rijweg; Horse-whip, subst. paardezweep; Horsewhip verb. met de paardezweep slaan, afranselen; Horsewoman = paardrijdster, amazone; Horse-worm = paardenworm of de larve ervan; Hors(e)y, hösi, paardachtig, gek op paarden, jockeyachtig; Horsing = tuchtiging (met een roede) van een schooljongen, die daartoe op den rug van een anderen jongen hangt.

Hortation, höteiš’n, vermaning; Hortative, hötətiv, Hortatory, hötətori, vermanend.

Horticulture, hötikɐltšə, tuinbouw; A horticultural show = tuinbouwtentoonstelling; Horticulturist = tuinbouwkundige.

Hosanna, həzanə.

Hose, houz, kousen, sportkousen, nauwsluitende kniebroek, brandspuitslang, tuinslang (= Hose-pipe); Hose verb. bespuiten: You have got your legs into twisted hose there = dat hebt gij glad mis; Hose-man = spuitgast.

Hosier, houžə, koopman in sajetten en wollen goederen; Hosiery = sajetten en wollen (gebreide) goederen, zaak in die goederen.

Hosea, houzîə, Hosea.

Hospice, hospis, hospitium, kloosterherberg.

Hospitable, hospitəb’l, herbergzaam, gastvrij; subst. Hospitableness; Hospitage, hospitidž, gastvrijheid; Hospital, hospit’l, hospitaal, godshuis: Hospital-ship; Hospitality = gastvrijheid; Hospital(l)er = hospitaal-inspecteur; hospitaal-broeder, -zuster, -ridder.

Host, houst, subst. gastheer, waard; leger, troep, menigte; hostie; Host verb. zijn verblijf nemen, onthalen, herbergen: The Lord of Hosts = de Heer der Heerscharen; Hostess = gastvrouw.

Hostage, houstidž, gijzelaar, borgtocht.

Hostel, host’l, herberg, hospitium (voor studenten te Cambridge); Hostelry, host’lri, = herberg, hospitium.

Hostile, host(a)il, vijandig, vijandelijk; Hostility, hostiliti, vijandigheid (Meerv. Hostilities = vijandelijkheden).

Hostler, oslə, stalknecht.

Hot, hot, heet, scherp, brandend, vurig, dol op (on): That horse is hot at hand = is vurig en hard in den bek; In hot haste = overijld, snel; We found ourselves in hot water = we zaten er leelijk in; Hot water tin = waterstoof; X. is becoming too hot for him = hij kan het te X. niet meer uithouden; I’ll make it hot for him = ik zal hem mores leeren; Brandy hot = warme cognacgrog; Hot-bed = broeibak; broeinest; Hot-blast = stroom van heete lucht; Hot-blooded = vurig, driftig; hartstochtelijk; Hot-brained = oploopend, heethoofdig; Hot-cockles = spel, waarbij de geblinddoekte moet raden wie hem geslagen heeft; Hot-flue = droogkamer (katoenfabr.); Hot-foot = zoo snel mogelijk; Hot-head = driftkop, heethoofd; Hot-headed = heethoofdig, driftig; subst. Hot-headedness; Hot-house = broeikast, droogkamer; Hot-mouthed = hard in den bek, onhandelbaar; Hot-press = pers (voor het satineeren van papier of het decateeren van laken); Hot-spirited = vurig van geest, driftig; Hot-spur, subst. driftkop; vroege doperwt; adj. doldriftig; Hot-spurred = driftig, onstuimig; Hot-tempered = opvliegend.

Hotchpot(ch), hotšpot(š), mengelmoes, zootje, hutspot.

Hotel, hətel, logement: Hotel-car = restauratiewagen (Amer.); Hotel-keeper = hotelier.

Hotri, houtri, Brahmaansch priester.

Hottentot, hot’ntot, Hottentot; de taal; ook fig.

Houdah, hauda. Zie Howdah.

Hough, hɐf.

Hough, hok. Zie Hock.

Hougham, hɐfəm; Houghton, hout’n.

Hound, haund, (jacht)hond; Hound verb. met honden jagen, aanzetten, ophitsen, wegjagen: Master of Fox-hounds = jagermeester, hoofd van de Hunt (de jachtvereeniging in een bepaald district): To follow the hounds = jagen (op vossen); He rides well to hounds = hij is een goed vossenjager; Hound’s-tongue, = hondstong.

Hounslow, haunzlou.

Hour, auə, uur; Hours = uurgebeden, het boek dat ze bevat, de Horae; After hours = na den arbeid of werktijd; He keeps good (bad) hours = hij komt steeds op tijd (te laat) thuis; To keep early hours = vroeg opstaan en vroeg te bed gaan; The house sat far into the small hours = het Lagerhuis zat tot diep in den nacht; I promised him so in an evil hour = te kwader ure; What is the hour of day = hoe laat is het op den dag? Hour-angle = uurhoek; Hour-circle = uurcirkel; Hour-glass = zandlooper; Hour-hand = uurwijzer; Hour-line = uurlijn; Hour-plate = wijzerplaat; Hourly = (van) ieder uur.

Houri, hûri, hauri, houri.

Housage, hauzidž, pakhuishuur.

House, haus, huis, woning, armhuis, geslacht, vorstenhuis, kamer v. afgevaardigden, schouwburg, gehoor of toeschouwers, firma; vierkant (op een schaakbord), plaats van een planeet, één twaalfde v. het firmament; House verb. onder dak brengen, huizen: There is a house = er is zitting van het Parlement; No house = geen zitting; As safe as a house = bepaald zeker, gewis; Like a house on fire = snel als de wind; The House = de Beurs (in ’t City slang); A house of call = arbeidsbeurs, herberg; House of correction = gevangenis, verbeterhuis; House of God = Godshuis, tempel; House of keys = de 24 leden van het Court of Tynwald, een wetgevend lichaam op het eiland Man; Free house = een herberg waarvan de waard vrij is om zijn dranken te koopen bij wie hij wil; tegenover Tied house, een herberg behoorende aan een firma bij wie alle drank gekocht moet worden; His speech brought down the house = werd stormachtig toegejuicht; The piece drew a full house = trok veel publiek; They played at keeping house = zij speelden huishoudentje; He keeps open house = hij ontvangt iedereen, houdt open tafel; Every house has its trial = ieder huisje heeft z’n kruisje; The house was out of windows = het ging er wild langs, het hek was van den dam; House-agent = agent voor het verhuren v. huizen, het ophalen der huur, enz.; House-boat = woonschip (gemeubileerd als zomerverblijf); House-bote = recht om hout te kappen (Jur.); House-breaker = slooper; inbreker; House-breaking = inbraak; House-dog = waakhond; House-duty = House-tax; House-father; House-flag = de bijzondere vlag van een firma; House-flannel = wrijflappen; House-fly = huisvlieg; Household, subst. huisgezin, huishouding; adj. huiselijk, huishoudelijk, alledaagsch: Household bread = gewoon brood; Household brigade = lijfwacht (inf. en cav.); Household franchise (House suffrage) = huismanskiesrecht; Household management = bestuur eener huishouding; Household stuff = huishoudingsartikelen en meubelen; Household troops = de 3 inf. en 3 cav. reg. van de lijfwacht; Household words (songs) = bekende of gemeenzame woorden (liederen); Householder = hoofd van een gezin (huurder of eigenaar); Househunting = het zien van huizen als men wenscht te huren; Housekeep = het huishouden doen (Amer.); Housekeeper = huishoudster; Housekeeping = huishouding, adj. huis..., huishoud...: Housekeeping book = huishoudboek; Housekeeping money = huishoudgeld; Houseleek = huislook; House-line = huizing (scheepst.); Housemaid = dienstmeid, werkmeid; Housemaid’s closet = meidenkamertje; Housemaid’s knee = leewater; House-mate = huisgenoot; House-party = de familie met logé(e)s; House-room = ruimte in een huis, logies in een hotel: I can give you house-room till to-morrow = kan u logeeren; House-sparrow = huismusch; House-steward = intendant; House-surgeon = inwonend chirurg (van een hospitaal); House-tax = belasting op huizen van minstens £ 20 huurwaarde; House-warming = inwijdingsfeestje bij het betrekken van een huis; House-wife, hauswaif, huisvrouw, necessaire of naaikistje (in de laatste beteekenis steeds hɐzif uitgesproken); House-wifely gelijk eene huisvrouw, huishoudelijk, spaarzaam; Housewifery, hauswaifri, hɐzifri, hɐzwifri, huishouding, huishoudelijkheid; Houseless = dakloos; subst. Houselessness.

Housing, hauziŋ, herberging, onderdak, transportkosten, pakhuishuur: Housing Bill = Ontwerp Woningwet.

Housing, hauziŋ, dek, schabrak.

Houston, h(j)ûstən.

Houyhnhnm, hwinm, hûinm.

Hove, houv, imperf. van to heave.

Hovel, hov’l, hɐv’l, subst. hut, afdak voor vee; Hovel verb. in eene schuur plaatsen, onderdak brengen, aanbrengen v. een schoorsteenkap; bergen; Hovel(l)er = berger (persoon en vaartuig).

Hover, hovə, hɐvə, zweven, dralen, weifelen, zwerven.

How, hau, hoe, op welke wijze, hoever; You must do it anyhow and everyhow = hoe dan ook; I did it somehow = ik heb het op de eene of andere wijze gedaan gekregen; I must say how-(de)-do (gemeenz. voor how-do-you-do) to him = hem goedendag zeggen, groeten, bezoeken; How about your friend = hoe staat het met uw vriend? Howbeit = hoewel, niettegenstaande, echter; However = hoe dan ook, in elk geval, nochtans, echter: However he manages it, I do not know = hoe drommel hij hem dat levert; Howsoever = hoedanig ook, hoe ook.

Howard, hauəd.

Howdah, haudə, overdekte tentvormige zitplaats op den rug v. een olifant.

Howe, hau; Howells, hauəlz.

Howel, hauəl, kuipersschaaf, dissel.

Howes, hauz; Howitt, hauit.

Howitzer, hauitsə, houwitser.

Howker, haukə. Zie Hooker.

Howl, haul, subst. gehuil, geschreeuw, kreet, gejank; Howl verb. huilen, janken, brullen, schreeuwen, gieren (van den wind): All the children were on the full howl = al de kinderen waren zoo hard mogelijk aan het gillen, schreeuwen; Howler = huiler; brulaap, stommiteit: To go a howler = zwaar verliezen; Howling = akelig, vreeselijk.

Howlet, haulət, uil. Zie Owlet.

Hoy, hôi, subst. soort v. lichter; interj. hei! helà! Hoyman = schuitevaarder.

Hoyden, hôid’n. Zie Hoiden.

Hub, hɐb, uitsteeksel, doelwit, gevest, naaf: The universe is large, and has many hubs = dient velerlei bedoelingen, doeleinden.

Hubble-bubble, hɐb’lbɐb’l, gemompel, warboel; pijp; Zie Hookah.

Hubbub, hɐbɐb, verwarring, verward geraas, rumoer; Hubbubboo, hɐbəbû, gejank, gegier, gekerm.

Hubby, hɐbi = Husband.

Hubert, hjûbət.

Huck, hɐk, Donauzalm.

Huckaback, hɐkəbak, groflinnen, oogjesgoed.

Huckle, hɐk’l, heup, bult; Huckle-backed = met ronden rug; Huckleberry, hɐk’lberi, blauwe boschbes; Huckle-bone = bikkel.

Huckster, hɐkstə, subst. venter, kramer, bedrieger; Huckster verb. schacheren, venten: To be in huckster’s hand = bij den duivel te biecht, voor de haaien; Hucksterage = kleinhandel, kramerij; Hucksteress.

Huddle, hɐd’l, subst. menigte, gedrang; Huddle verb. haastig doen, door elkaar gooien, slordig bij elkaar pakken, opeendringen, aangooien (on), haastig en verward voortdringen: It is all in a huddle = ligt alles door elkaar; Peace was huddled up with the enemy = er werd een overhaaste vrede met den vijand gesloten; Huddler = knoeier.

Hudibras, hjûdibras.

Hue, hjû, kleur, tint, schakeering; luid geschreeuw: They raised the hue and cry after the thieves = zij zetten de dieven na, schreeuwende: “Houd den dief”; Hued = getint; Huer, hjûə, persoon op eene verhevenheid, die de bewegingen van eene school haringen nagaat en door roepen bekend maakt.

Huff, hɐf, subst. nijdige bui, geraaktheid; Huff verb. opzwellen, rijzen, razen, tieren tegen, blazen (in het damspel): She was in a huff = had eene booze bui, was geraakt; To take huff about a thing = zich geraakt gevoelen; Huffish = boos, aanmatigend, opgeblazen; subst. Huffishness; Huffy = Huffish.

Hug, hɐg, subst. omhelzing, bepaalde manier van vastpakken (bij het worstelen): Hug verb. omhelzen, in de armen drukken, pakken, liefkoozen, vleien, dicht houden aan: She hugged herself with the idea of getting rid of him = zij verkneuterde zich in de gedachte; He hugged his constituents (constituency) = praatte zijne kiezers naar den mond; The ship hugged the shore = hield dicht langs de kust.

Huge, hjûdž, zeer groot, kolossaal; subst. Hugeness.

Hugger-mugger, hɐgəmɐgə, subst. heimelijkheid, geheimhouding; wanorde; adj. geheim, heimelijk; slordig, armzalig.

Huggins, hɐginz; Hugh, hjû; Hughenden, hjûənd’n, hitšənd’n; Hughes, hjûz.

Huguenot, hjûgənot, Hugenoot; Huguenotism.

Hulk, hɐlk, romp v. een afgedankt schip, klomp, plomp mensch: The hulks = oude schepen als gevangenis gebruikt voor galeiboeven, enz.; Hulking = plomp, log, onbeholpen = Hulky.

Hull, hɐl, schil, dop, romp (van een schip): The ship is hull down = het schip is zoo ver verwijderd, dat alleen de masten nog zichtbaar zijn.

Hullabaloo, hɐləbəlû, lawaai, drukte, geschreeuw.

Hulme, hûm.

Hum, hɐm, subst. gegons, gemompel, gebrom, gesnor (van een wiel), sterk aangezet bier, beetnemerij, mop; Hum verb. gonzen, snorren, brommen, neuriën, beetnemen: Hum and ha(w) = stotteren, niet uit zijn woorden komen; interj. h’m, hum! I do not like humming and ha’ing = ik houd niet van die bedekte, ontwijkende antwoorden; To make things hum = leven in de brouwerij brengen; doen floreeren. Zie Humming.

Human, hjûm’n, adj. menschelijk, aardsch; mensch; Humane, hjumein, humaan, menschlievend, vriendelijk, zacht: The Royal Human Society = Maatschappij tot Redding van Drenkelingen (gesticht in 1774); Humanism, hjûmənizm, humanisme; menschelijke natuur; Humanist = humanist; adj. Humanistic(al); Humanitarian, hjûmənitêriən, subst. iemand, die gelooft dat Jezus een mensch was; iemand die in de voortgaande volmaking der menschheid gelooft, philanthroop; adj. menschlievend; Humanity, hjumaniti, menschelijkheid, menschheid, menschlievendheid: The Humanities = de klassieke letteren, enz., Humaniora; Humanization, subst. v. Humanize, hjûmən’a’iz, beschaven, veredelen, menschelijk maken; Humankind, hjûmənkaind, hjûmənkaind, de menschheid; Humanly: Humanly speaking = menschelijkerwijs gesproken.

Humble, hɐmb’l, adj. nederig, bescheiden, onderdanig; Humble verb. vernederen, onderwerpen; Humble-bee = hommel; Humble-mouthed = bescheiden, deemoedig; Humble-pie = pastei van herteningewand (= Humbles) die vroeger het dienstpersoneel kreeg bij jachtmaaltijden: He has eaten humble-pie = hij heeft zoete broodjes gebakken; Humble-plant = kruidjeroermeniet.

Humbug, hɐmbɐg, subst. bedrog, onzin, larie; windmaker, bedrieger; Humbug verb. bedriegen, beetnemen; Humbugger; Humbuggery = bedotterij, bedriegerij, malligheid.

Humdrum, hɐmdrɐm, subst. eentonigheid, gonzend geluid; vervelend mensch; adj. vervelend, eentonig, alledaagsch.

Hume, hjûm.

Humectation, hjûməkteiš’n, bevochtiging.

Humeral, hjûmər’l, schouder ...; subst. amictus, priesterl. schouderbedekking tusschen alb en soutane.

Humerus, hjûmərɐs, opperarmbeen.

Humhum, hɐmhɐm, grove gladde wollen stof (Indië).

Humic, hjûmik, humus ...: Humic acid = humuszuur.

Humid, hjûmid, vochtig, nattig; Humidity, hjumiditi, vochtigheid = Humidness.

Humiliate, hjumiljeit, vernederen, ootmoedig maken; subst. Humiliation; Humility, hjumiliti, nederigheid, ootmoed.

Humming, hɐmiŋ, gonzend, reusachtig, sterk schuimend, koppig (van bier); Humming-bird = kolibri; Humming-top = bromtol.

Hummock, hɐmək, heuveltje, hoogte; adj. Hummocky.

Hummum, hɐmɐm, Turksch bad.

Humoral, (h)jûmər’l, tot de vochten (des lichaams) behoorend; Humoralism = leer, dat de vochten des lichaams de oorzaken der ziekten zijn, ook Humoral pathology genoemd.

Humo(u)rist, (h)jûmərist, luimig mensch, spotvogel, humorist; Humorous = geestig, grillig, luimig; subst. Humorousness.

Humour, (h)jûmə, subst. vocht, vochtigheid; temperament, stemming, luim, gril, humor; Humour verb. believen, toegeven: In good humour = goed geluimd; I am out of humour with myself = ik ben boos op mijzelf; Vitreous humour = glaslichaam; Black humours = kwade sappen; Let him have his humours = geef hem zijn zin; Children must be humoured a little = men moet kinderen wat toegeven; Humoured = geluimd; Humourless = zonder sappen; nuchter; Humoursome = grillig, humoristisch.

Hump, hɐmp, bult, uitsteeksel; Hump verb. krommen, zich inspannen; het land opjagen: To have the hump = het land hebben; Hump-back = bult, bochel; Hump-backed; Shoulder “humps” = Over ... “huup”; Humpy = vol bulten; vervelend.

Humphrey, hɐmfri.

Humpty-Dumpty, hɐm(p)ti-dɐm(p)ti, kort en dik; kleine dikkerd.

Humus, hjûməs, teelaarde, humus.

Hun, hɐn, Hun; adj. Hunnic = Hunnish.

Hunch, hɐnš, subst. bochel, brok, homp, duw; Hunch verb. krommen, duwen, stooten; Hunch-back = gebochelde; Hunchbacked.

Hundred, hɐndrəd, honderd; afdeeling van een county of shire met eigen court; soms dit court zelf = Hundred-court; A hundred guilders = honderd gulden; Three hundred and five = driehonderd vijf; Some hundred = zoowat honderd; Some hundreds (of) = eenige honderden; Hundred-weight = centenaar (112 lbs.; in Amer. 100 lbs.); Hundredfold = honderdvoudig; Hundredth = honderdste.

Hung, hɐŋ, opgehangen; Hung-beef = rookvleesch.

Hungarian, hɐŋgêrj’n, subst. en adj. Hongaar(sch); Hungary, hɐŋgəri, Hongarije: Hungary-water = rosmarijn (reuk)water.

Hunger, hɐŋgə, subst. honger, sterk verlangen, dorst (fig.); Hunger verb. hongeren, hunkeren, uithongeren: Hunger is the best sauce = is de beste kok (saus); A pale, hungered woman; Hunger-bit(ten) = door honger gekweld, uitgehongerd; Hunger-rot = soort v. hongerschurft bij schapen; Hungry, hɐŋgri, hongerig, uitgehongerd, hunkerend, schraal, onvruchtbaar: A hungry belly has no ears = een hongerige buik heeft geen ooren; Hungry evil = geeuwhonger (bij paarden).

Hunk, hɐŋk, homp, groot brok.

Hunker, hɐŋkə, conservatief (Am.).

Hunks, hɐŋks, vrek.

Hunt, hɐnt, subst. (vossen)jacht, troep jagers, jachtgebied; Hunt verb. jagen, afjagen, nazetten, najagen, vervolgen, opzoeken: He is out of the hunt altogether = kan heelemaal niet mee; To hunt down (To hunt to death) = doodjagen; To hunt high and low = overal zoeken; They were hunting for riches, etc. = jaagden na; I have hunted it out at length = het eindelijk opgesnord; I have not been able to hunt up that expression = heb niet kunnen vinden; They were playing at hunt the slipper = speelden “slofje onder”; Hunt-counter = jachthond, die het spoor achteruitloopend volgt; slecht jager; beuzelaar; Hunter = jager, jachtpaard, jagershorloge: I am as hungry as a hunter = ik heb een honger als een paard; Hunting = het jagen (op vossen), drijfjacht; Hunting-box = jachthuis; Hunting-crop = jachtzweep; Hunting-horn = jachthoorn; Hunting-horse, Hunting-nag = jachtpaard; Hunting-shirt = jachtvest; Hunting-watch = jachthorloge (met openspringend deksel); Huntress; Huntsman = jager; jachtknecht met de zorg en leiding der honden belast.

Hurdle, hɐ̂d’l, subst. horde (waarop vroeger o.a. misdadigers naar de galg werden gesleept), fascine, heining; Hurdle-race = wedren met hindernissen, over heggen.

Hurds, hɐ̂dz. Zie Hards.

Hurdy-gurdy, hɐ̂digɐ̂di, lier (draaiorgel).

Hurkaroo, Hurkaru, hɐ̂kərû, loopjongen, koerier (Brit. Indië).

Hurl, hɐ̂l, subst. krachtige worp; Hurl verb. slingeren, werpen, (zich) storten op, uitstooten, het hurley spel spelen; Hurler = hurley-speler; Hurley = hurley, of hockey-spel.

Hurly-burly, hɐ̂libɐ̂li, verwarring, tumult.

Huron, hjûrən: Lake Huron.

Hurrah, hurâ, subst. en interj. hoera! Hurrah verb. hoera roepen, met hoera’s begroeten = Hurray, hurei.

Hurricane, hɐrikein, orkaan; Hurricane-deck = brug-, of bovendek; Hurricane-house = Crow’s nest.

Hurry, hɐri, subst. overgroote haast, overijling, verwarring, gewoel; buis voor het lossen van steenkolen uit spoorwagens in schepen; Hurry verb. haasten, drijven, verhaasten, haast maken, overhaasten: There’s no hurry = er is geen haast bij; What is done in a hurry is seldom done well = haastige spoed is zelden goed; Don’t be hurried = haast je maar niet; To hurry away = wegijlen; We were hurried on by fear = voortgejaagd door; To hurry on one’s things = zich haastig aankleeden; Hurry up there! = maak daar wat voort; Hurry-scurry (Hurry-skurry), subst. verwarde drukte; adv. verward, haastig.

Hurst, hɐ̂st, boschje.

Hurt, hɐ̂t, subst. wonde, beleediging, letsel, nadeel; Hurt verb. wonden, kwetsen, benadeelen; zeer doen; Hurtful (to) = nadeelig, schadelijk (voor); subst. Hurtfulness; Hurtless = onschadelijk; onbeschadigd.

Hurtle, hɐ̂t’l, krachtig stooten, slingeren; botsen, stooten tegen, kletteren, aanvallen.

Hurtleberry, hɐ̂t’lberi. Zie Whortleberry.

Husband, hɐzb’nd, subst. echtgenoot, man; Husband verb. zuinig omgaan met; Husband’s tea = slappe thee; Let us husband (out) life (time) as much as possible = laten we zoo zuinig mogelijk omgaan; Husbandman = landman, huisman; Husbandry = landbouw, spaarzaamheid, landbouwopbrengst.

Hush, hɐš, interj. stil! zwijg!; subst. stilte, rust; Hush verb. stil maken, tot zwijgen brengen, doen bedaren, doodslaan, stil houden, den kop indrukken, stil zijn of worden: We must try to hush it up = moeten trachten het stil te houden, het den kop in te drukken; Hush-money = steekpenning; Hushaby, hɐšəbi, sussen (van kinderen); Hushmush = behoedz. stilzwijgen, “stiekemig”heid.

Husk, hɐsk, subst. schil, dop; Husk verb. doppen, wannen, schillen; Husker = pelmachine; Husking = het pellen of doppen; Husking-bee, Husking-frolic = partij van vrienden, om een boer maïs te helpen pellen; het feest daarbij gehouden (Amer.); Huskiness, subst. v. Husky = ruw, vol schillen; krassend, schor.

Hussar, huzâ, huzaar.

Hussif, hɐzif, necessaire, naaikistje.

Hussite, hɐsait, husait, volgeling van Huss.

Hussy, hɐzi, meisje, schalk of ondeugd v. eene meid; slechte vrouw.

Husting, hɐstiŋ: Hustings = tribune der candidaten voor het parlement; vroeger geschiedde daarop de nomination door middel van show of hands; Court of Hustings = het Kanselarij-Hof van Oud-Londen.

Hustle, hɐs’l, dringen, duwen, door elkaar schudden, zich flink aanpakken: Hustle him = gooi hem er uit.

Hut, hɐt, subst. hut, barak, hok; Hut verb. in de barak brengen, in hutten liggen of wonen.

Hutch, hɐtš, subst. kist, trog, bak, hok (voor konijnen, etc.), kneedtrog, waschtrog; Hutch verb. in eene kist leggen of bewaren, erts in een trog wasschen.

Hux, hɐks, visschen met aan blazen bevestigde haken.

Huyg(h)ens, haig’nz.

Huzza, huzâ. Zie Hurra(h).

Hyacinth, haiəsinth, hyacint; adj. Hyacinthian = Hyacinthine.

Hyades, haiədîz, Hyads, haiədz, Hyaden, regengesternte.

Hyaena, haiînə; Zie Hyena.

Hyaline, haiəl(a)in, adj. doorschijnend, kristalachtig; subst. glasachtige, doorzichtige stof of oppervlakte; zeespiegel; Hyalite, haiəlait, glasopaal.

Hybrid, h(a)ibrid, subst. bastaard(vorm); bastaardwoord; adj. basterd; Hybridism, haibridizm, hibridizm = verbastering; Hybridize, h(a)ibridaiz, verbasteren; adj. Hybridous, h(a)ibridɐs = Hybrid.

Hydepark, hai(d)pâk; Hyderabad, haidərəbâd.

Hydra, haidrə, hydra, waterslang (myth.), zoetwaterpoliep; Hydra-headed = veelkoppig, zich uitbreidend; Hydra-tainted = vergiftig, doodelijk.

Hydrangea, haidranžiə, hortensia.

Hydrant, haidr’nt, hydrant.

Hydraulic, haidrôlik; Hydraulic-press = hydraulische pers; Hydraulics = hydraulica.

Hydriad, haidriəd, waternimf.

Hydro, haidrou ... (in samenstellingen), water..; inrichting voor watergeneeskunde.

Hydrobarometer, haidrəbəromətə, werktuig om door de drukking van het water de diepte te bepalen.

Hydrocephalus, haidrəsefəlɐs, waterzucht in het hoofd.

Hydrodynamics, haidrədainamiks, hydrodynamica.

Hydrogen, haidrədžen, waterstof; Hydrogenize, haidrodžənaiz, met waterstof verbinden; Hydrogenous, haidrodžənɐs, waterstof..., waterstof bevattend.

Hydrographer, haidrogrəfə, iemand bekwaam in Hydrography, haidrogrəfi, zeebeschrijving, het maken van zeekaarten, enz.

Hydrometer, haidromətə, areometer; hydrometer; Hydrometry.

Hydropathic, haidrəpathik, hydropathisch; ook subst. = Hydropathic establishment = inrichting voor waterkuur; Hydropathist = hydropaat; Hydropathy = hydropathie, watergeneeskunde, waterkuur.

Hydrophobia, haidrəfoubjə, watervrees, hondsdolheid.

Hydroplane, haidrəplein, hydroplaan.

Hydrops(y), haidrops(i), waterzucht.

Hydroscope, haidrəskoup, wateruurwerk.

Hydrostatic(al), haidrəstatik(’l), hydrostatisch; Hydrostatics = hydrostatica.

Hydrus, haidrəs, eene soort van waterslang; slang (sterrenbeeld in ’t Z. halfrond).

Hyena, haiînə, hyena.

Hygeia, haidžîə, Hygea.

Hygeist, h(a)idžiist, hygiënist; Hygiene, h(a)idžiîn, gezondheidsleer; adj. Hygienic; Hygienics = gezondheidsleer; Hygienist, h(a)idžiənist, hygiënist.

Hygrometer, haigromətə, hygrometer; Hygrometry, haigromətri, hygrometrie.

Hygroscope, haigrəskoup, hygroscoop.

Hymen, haim’n, god des huwelijks, huwelijk; hymen (anatom.); Hymeneal, haimənîəl, subst. en adj. bruiloft(slied).

Hymn, him, subst. lied, ode, gezang; Hymn verb. loven, bezingen: National hymn = volkslied; Hymn-book = gezangboek = Hymnal = Hymnology, himnolədži, verzameling of kennis van kerkliederen; verhandeling over dit onderwerp.

Hyper, haipə (in samenstellingen), over..., bovenmate ..., overdreven ...; Hyperbole, haipɐ̂bəlî, hyperbool; Hyperbolic(al), haipəbolik(’l), hyperbolisch; Hyperbolism, haipɐ̂bəlizm, gebruik van hyperbolische uitdrukkingen; Hyperborean, haipəbôriən, subst. en adj. (iemand) tot het uiterste Noorden behoorende; ijskoud (fig.); Hypercritic, haipəkritik, subst. en adj. letterzifter(ig), overkritisch (mensch); Hypercriticism, haipəkritisizm, haarklooverij, letterzifterij; Hypercriticize = haarklooven, muggenziften.

Hyperion, haipîrj’n, hipəraiən.

Hyphen, haif’n, subst. verbindingsstreepje; Hyphen verb. met een streepje verbinden.

Hypnobate, hipnəbeit, slaapwandelaar (Am.); Hypnosis, hipnousis, hypnose; Hypnotic = slaapwekkend (middel), hypnotisch; gehypnotiseerde; Hypnotism = hypnotisme; Hypnotize = hypnotiseeren.

Hypochondria, h(a)ipəkondriə, zwaarmoedigheid; Hypochondriac, h(a)ipəkondriək, subst. en adj. zwaarmoedig(persoon); Hypochondriacal, h(a)ipəkondraiək’l, zwaarmoedig.

Hypocrisy, hipokrisi, veinzerij, huichelarij; Hypocrite, hipəkrit, huichelaar; Hypocritical = schijnheilig.

Hypodermic, h(a)ipədɐ̂mik, onderhuidsch; onderhuidsche inspuiting (met morphine) = Hypodermic injection.

Hypogastric, h(a)ipəgastrik, onderlijfs..: Hypogastric region = onderlijf.

Hypostasis, h(a)ipostəsis, Hypostasy, haipostəsi, grondslag; Wezen; bezinksel; Hypostatic union, h(a)ipəstatikjûnj’n = vereeniging van God en mensch in Christus.

Hypotenuse, h(a)ipotənjûs, hypotenusa.

Hypothecate, h(a)ipothikeit, verhypothekeeren; Letter of hypothecation = pandbrief.

Hypothesis, h(a)ipothəsis, hypothese; Hypothesize = vooropstellen, aannemen; Hypothetical = onderstellend, voorwaardelijk.

Hyrcania, hɐ̂keinia, Hyrcanië; adj. Hyrcanian.

Hyson, hais’n, een soort groene Chineesche thee.

Hy-spy, haispai, verstoppertje-spel.

Hyssop, hisəp, hysop.

Hysteria, histîriə, hysterie; Hysteric, histerik, hysterisch: Hysterics = zenuwaanval: To go off (fall) into hysterics = het op de zenuwen krijgen; Hysterical = hysterisch.

Hysterotomy, histərotəmi, keizersnede.

Hythe, haidh.

I.

I, ai; I(sland); I(d) e(st) = dat is; Ibid(em) = op dezelfde plaats; Icel(andic); Id(em) = hetzelfde; I’d = I would, I had; I(esus) H(ominum) S(alvator) = Jezus de Redder der Menschen; I’ll = I will, I shall; Ill(inois); Illus(trious); I’m = I am; Imp(erator); Imp(ersonal); Imp(erative); Imp(er)f(ect); I(ndian) N(avy); Incog(nito); Indic(ative); Inf(initive); in Ital(ics) = cursief; I(esus) N(azarenus) R(ex) I(udaeorum) = Jezus de Nazarener de Koning der Joden; Inst(ante) = van deze maand; Inst(ant) = oogenblik; Instit(ution) = instelling; Int(erest); Inter(jection); Introd(uction); Io = Iowa; I O(we) U (= you) = ik ben u schuldig, schuldbekentenis; Ir(eland); I(rish) S(ociety); Isl(and).

I, ai, ik: Not I = ik dènk er niet aan; ikke niet.

Iachimo, jakimou; Iago, jâgou.

Iambic, aiambik, subst. en adj. Jambisch(e voet, vers); Iambus, aiambəs, Jambische voet.

Iberia, aibiriə, Iberië: Iberian = Iberisch; bewoner van Iberië.

Ibex, aibeks, steenbok.

Ibis, aibis, Ibis (Egypte).

Icarian, aikêriən, Icarisch, vermetel; bewoner van Icarië; Icarus, ikərɐs.

Ice, ais, subst. ijs; Ice verb. met ijs bedekken, in ijs veranderen, laten bevriezen, met ijs afkoelen, met suikerglazuur bedekken: He has broken the ice = het ijs gebroken, den weg gebaand; kennis aangeknoopt, ’t gesprek begonnen; He iced his office in the dog-days = maakte kil of koud; Ice-age = glaciale of ijsperiode; Ice-bag = ijszak; Ice-berg = ijsberg; Ice-bird = ijsvogel; Ice-blink = ijsblink; Ice-boat = ijsboot, ijsbreker: Ice-boat race; Ice-bound = ingevroren, door het ijs ingesloten; Ice-box = ijskast; Ice-breaker = ijsbreker; Ice-cap = Ice-bag; Ice-cellar = ijskelder; Ice-cream = roomijs; Ice-drift = ijsgang; Ice-field = ijsveld; Ice-floe = ijsschots; Ice-foot = ijsgordel (om den oever); Ice-hole = wak; Ice-house = ijspakhuis; Ice-needle = ijsnaald (bij het bevriezen); Ice-pack = pakijs; Ice-safe = ijskast; Ice-shove = kruien; Ice-spar = veldspaath; Ice-spur = ijsspoor; Ice-water, Ice(d) water = ijswater.

Iceland, aisland, IJsland; Iceland-moss = IJslandsch mos; Icelander; adj. Icelandic.

Ichabod, ikəbod (I Sam. IV, 21).

Ich dien, îk dîn, het motto van den Prince of Wales.

Ichneumon, iknjûm’n, pharao-rat; sluipwesp.

Ichnolite, iknəlait, fossiele voetindruk.

Ichor, (a)ikə, godenbloed, bloed, bloedwater, waterige etter.

Ichthyocolla, ikthiəkolə, vischlijm; Ichthyolite, ikthiəlait, vischsteen; Ichthyology, ikthiolədži, kennis der visschen.

Ichthyosaurus, ikthiəsôrəs, ichthyosaurus, voorwereldlijke vischhagedis.

Icicle, aisik’l, ijskegel.

Iciness, aisinəs, koude, kilheid, koelheid.

Icing, aisiŋ, suikerglazuur; Icing-machine ijsmachine.

Icon, aikon, aik’n, icon.

Iconoclasm, aikonəklazm, beeldstormerij; Iconoclast, aikonəklast, beeldstormer; Iconoclastic(al), beeldstormerig, radicaal.

Iconolator, aikənolətə, beeldendienaar; Iconolatry = beeldendienst.

Icosahedron, aikəsəhîdr’n, aikəsəhedr’n, twintigzijdige figuur.

Icteric, ikterik, geelzuchtig; middel tegen geelzucht: Icteric disease = geelzucht.

Ictus, iktəs, rhythmus: Ictus solis = zonnesteek.

Icy, aisi, ijsachtig, ijskoud; Icy-pearled = met pareltjes van ijs bedekt. Zie Ice.

Ida, aidə; Idaho, aidəhou; Iddesleigh, idəsli.

Idea, aidîə, denkbeeld, begrip, meening, thema, plan: The idea of such a thing! = ’t idee! Stel je voor! His fixed idea = idée fixe; Ideal = ideaal, denkbeeldig; subst. ideaal; Idealism = idealisme; Idealist = idealist; adj. Idealistic; Ideality, aidialiti, ideale toestand; Idealization, subst. v. Idealize, aidîəlaiz, idealiseeren, idealen vormen.

Idem, aid’m, idem.

Identic(al), aidentik(’l), hetzelfde, identiek; Identify, aidentifai, vereenzelvigen, de gelijkheid bewijzen of bepalen; subst. Identification; Identity, aidentiti, identiteit.

Ideograph, (a)idiəgraf, zinnebeeldig schriftteeken; Ideographic(al) = ideographisch; Ideography, (a)idiogrəfi, ideographie.

Ideological, (a)idiəlodžik’l, ideologisch, dweepziek; Ideologist = ideoloog, dweper; Ideology = ideologie, dweperij.

Ides, aidz; de 15e van Maart, Mei, Juli en October, en de 13e der andere maanden.

Id est, id est, dat is.

Idiocy, idjəsi, domheid, onnoozelheid.

Idiograph, idjəgraf, handelsmerk.

Idiom, idj’m, taaleigen, dialect; Idiomatic(al), idjəmatik(’l), idiomatisch, in overeenstemming met het taaleigen.

Idiosyncrasy, idiəsinkrəsi, persoonlijke reactie op bepaalde invloeden (van hooikoortslijders bijv.); adj. Idiosyncratic(al).

Idiot, idjət, idioot; ook adj.: Idiot(’s) fringe = idiotenfranje, ponnies; Idiotic(al), idiotik(’l), idioot; Idiotism = idiotisme.

Idle, aid’l, nietsdoende, leegloopend, niet aan ’t werk; traag, lui, ongebruikt, nutteloos, onbeduidend; ijdel; Idle verb. den tijd in ledigheid doorbrengen, leegloopen, luieren, verlummelen (away): To be kept idle = leeg (moeten) loopen; Idle story = praatje; Idle talk = beuzelpraat; Idle-wheel = wiel, dat de beweging van het ééne rad op het andere overbrengt; Idleness: Hours of idleness = ledige uren; Idler = leeglooper, nietsdoener: He is a busy idler = hij heeft het altijd druk en voert niets uit.

Idol, aid’l, afgod (ook fig.); Idolater, aidolətə, afgodendienaar, vergoder, aanbidder; Idolatress; Idolatrous, aidolətrɐs, afgodisch; Idolatry, aidolətri, afgodendienst, vergoding; Idolize, aidəlaiz, verafgoden; Idolizer = vergoder.

Idyl(l), aidil, idylle; adj. Idyllic.

If, if, ingeval, indien, of, al: If not = zoo niet: If he be ever so rich = hoe rijk hij ook zij; He is fifty if he is a day = tenminste vijftig; Not if I know it = niet als ik er wat aan doen kan; He was doing good work, if he had known it = zonder het te weten.

Igneous, igniəs, vurig, gloeiend; door vuur voortgebracht.

Ignis fatuus, ignisfatjuəs (Meerv. Ignes fatui, ignîzfatjuai), subst. dwaallicht, bedriegelijk iets; adj. dwaas, ijdel.

Ignitable, ignaitəb’l, ontbrandbaar; Ignite, ignait, in brand steken, vuurrood worden, doen ontvlammen: The tank became ignited and burst = raakte in brand; Ignitible = Ignitable; Ignition, igniš’n, ontbranding; Ignitor, ignaitə, ontbrander, ontsteker.

Ignoble, ignoub’l, laag, verachtelijk, onwaardig; subst. Ignobleness.

Ignominious, ignəminjəs, schandelijk, onteerend; Ignominy, ignəmini, schande, oneer, schandelijkheid.

Ignoramus, ignəreiməs, domkop, weetniet; formule door de grand jury oudtijds op eene aanklacht geschreven als er geen voldoende grond tot vervolging bestond.

Ignorance, ignərəns, onwetendheid, domheid: Ignorances = onbewuste zonden; Ignorant, ignərənt, onwetend, ongeletterd: Ignorant of = onbekend met; Not ignorant of = geheel op de hoogte van; Ignore, ignö, niet weten, niet kennen, niet erkennen, voorbijzien, niet tellen: To ignore a bill = een aanklacht als onbewezen afwijzen.

Iguana, igwânə, igweinə, kamhagedis, leguaan; Iguanodon, igwânədon, fossiele leguaan.

Ihlang-ihlang, ilâŋ-ilâŋ, odeur uit eene Oost-Indische bloem.

Ileum, (a)iliəm, kromdarm; Ileus, iliəs, koliek.

Ilex, aileks, steekpalm.

Ilfracombe, ilfrəkûm.

Iliad, iliəd, de Iliade of Ilias; lang verhaal.

Ilk, ilk, elk, het- of dezelfde: Of that ilk = uitdrukking om aan te duiden dat de familienaam van een persoon ook die is van zijne bezitting; van dat slag, die soort.

Ill, il, kwaad, slecht, ongelukkig, ziek; subst. kwaad, ramp, kwaal: Ill at ease = ongerust; Ill blood = kwaad bloed; Ill luck = ongeluk, tegenspoed; Ill weeds grow (thrive) apace = onkruid vergaat niet; It’s an ill wind that blows nobody any good = den een zijn dood is den ander zijn brood; geen kwaad zonder baat; To do ill = verkeerd doen; To fall ill = ziek worden; To fall out ill = mislukken; To fare ill = slecht vergaan; Ill got ill spent = zoo gewonnen, zoo geronnen; To lie ill with diphtheria; Smoking made them ill = misselijk; To take ill = kwalijk nemen; To be taken ill = ziek worden; To think ill of; Ill-advised = onbezonnen; Ill-assorted = slecht bij elkaar passend; Ill-boding = kwaad voorspellend; Ill-breeding = ongemanierdheid; Ill-bred = ruw, lomp; Ill-conditioned = slecht geaard; Ill-concerted (Ill-contrived) = slecht overlegd; Ill-considered = onoordeelkundig; Ill-disposed = slecht gezind; Ill-fated = ongelukkig, rampspoedig; Ill-favoured = leelijk, misvormd; ruw; Ill-feeling = hekel, wrok; Ill-got(ten) = kwalijk of onrechtvaardig verkregen: Ill-gotten goods never prosper = kwalijk verkregen goed gedijt niet; Ill-health = ziekelijkheid; Ill-humour = slechte luim; Ill-mannered = lomp, slechtgemanierd; Ill-matched, Ill-mated = niet bij elkander passend; Ill-nature = boosaardigheid, slechte luim; Ill-natured = boosaardig, knorrig, onhandelbaar; Ill-omened, Ill-starred = onheilspellend; Ill-temper(ed) = (met) slecht en knorrig humeur; Ill-treat = mishandelen; Ill-usage = mishandeling; Ill-used = mishandeld, verguisd; Ill-will = kwaadwilligheid, norschheid; Illness = ongesteldheid, ziekte, verdorvenheid.

Illegal, ilîg’l, onwettig, onrechtmatig; subst. Illegality; Illegalize = ongeldig maken.

Illegibility, iledžibiliti, onleesbaarheid; adj. Illegible.

Illegitimacy, ilədžitiməsi, onrechtmatigheid, onwettigheid; Illegitimate, ilədžitimit, onwettig, buitenechtelijk; onlogisch; Illegitim(at)ize, ilədžitim(ət)aiz, onwettig (voor onecht) verklaren of maken.

Illiberal, ilibər’l, laag, onedel, kleingeestig, gierig; subst. Illiberality.

Illicit, ilisit, ongeoorloofd, onwettig; subst. Illicitness.

Illimitable, ilimitəb’l, onbegrensd.

Illinois, ilinôiz.

Illiteracy, ilitərəsi, ongeletterdheid, onwetendheid: They declared their illiteracy = verklaarden dat zij niet konden lezen of schrijven; Illiterate, ilitərit, ongeletterd, onwetend; ook subst.: Illiterate voters = kiezers, die niet kunnen lezen of schrijven; subst. Illiterateness.

Illogical, ilodžik’l, onlogisch; subst. Illogicalness = Illogicality.

Illume, il(j)ûm, verlichten, verluchten; Illuminant = verlichtingsmiddel; Illuminate = verlichten, verluchten, illumineeren, verklaren; Illuminati, il(j)ûmineitai, Illuminaten (naam van onderscheidene genootschappen); Illumination = het verlichten of versieren, illuminatie, glans, schittering; adj. Illuminative; Illuminator = verluchter; Illumine = Illuminate.

Illusion, il(j)ûž’n, bedrog, begoocheling; Illusionist = visionair, toovenaar, illusionist; Illusive = bedriegelijk; subst. Illusiveness; Illusory = Illusive.

Illustrate, ilɐstreit, iləstreit, ophelderen, toelichten, verduidelijken; subst. Illustration; Illustrative, ilɐstrətiv, ophelderend, verduidelijkend; Illustrator, iləstreitə, ilɐstreitə, illustrator.

Illustrious, ilɐstriəs, doorluchtig, beroemd, schitterend: His Most Illustrious the Prince = Zijne Doorluchtigheid; subst. Illustriousness.

Illutation, iljuteiš’n, modderbad.

Illyria, iliriə, Illyrië; Illyrian = Illyriër, Illyrisch.

Image, imidž, subst. beeld, afbeeldsel, type, beeltenis, voorstelling; Image verb. afbeelden, afspiegelen, een (innerlijk) beeld vormen van: In the image of God = naar het beeld Gods; Image-boy = Ital. beeldjeskoopman; Image-maker = vervaardiger van gipsbeelden; Image-worship = beeldendienst, afgoderij; Imagery, imədžəri, beelden, afbeelding; Imaginable, imadžinəb’l, denkbaar; Imaginariness = onwerkelijkheid; Imaginary, imadžinəri, denkbeeldig, onwerkelijk; Imagination, imadžineiš’n, verbeelding(skracht), voorstelling(svermogen); Imaginative, imadžinətiv, verbeeldings..., rijk aan verbeelding(skracht); subst. Imaginativeness; Imagine, imadžin, zich verbeelden, voorstellen: I did not imagine about these things = daar heb ik niet om gedacht; Imagining = voorstelling, hersenschim.

Imago, imeigou, volkomen ontwikkeld insect.

Imam, imâm, Iman, vorst; Mahomedaansch priester (Turkije).

Imaret, imərət, imâret, Mahom. herberg voor pelgrims.

Imbecile, imbəsîl, imbesil, subst. en adj. zwak(ke naar lichaam of geest), idioot; subst. Imbecility, imbəsiliti.

Imbibe, imbaib, (in)drinken, inzuigen, opslorpen, zuipen, opnemen; subst. Imbibition.

Imbow, imbou, welven.

Imbricate, imbrikeit, elkander bedekken gelijk dakpannen; met dakpanvormige versieringen bedekt (imbrikit) = Imbricated; subst. Imbrication.

Imbroglio, imbrouljou, verwarring, verwikkeling.

Imbrue, imbrû, bezoedelen, baden (in bloed), (bloed) vergieten.

Imbrute, imbrût, verdierlijken.

Imbue, imbjû, doortrekken, drenken, verven, vervullen, doordringen.

Imitability, imitəbiliti, navolgbaarheid; Imitable, imitəb’l, navolgbaar; Imitate, imiteit, nabootsen, navolgen; Imitation, imiteiš’n, navolging, nabootsing; ook adj.: In imitation of = in navolging van; Imitation-lace = onechte kant; Imitative, nabootsend, nagebootst (of); Imitator = nabootser, naäper.

Immaculate, imakjulit, onbevlekt, onberispelijk: Immaculate Conception = Onbevlekte Ontvangenis; subst. Immaculateness.

Immanence, imənens, subst. van Immanent = immanent, onafscheidelijk.

Immanuel, imanjuəl, “God met ons” (naam van Jezus).

Immarginate, imâdžinit, zonder rand.

Immaterial, imətîriəl, onstoffelijk, geestelijk, van geen belang of onverschillig: That is quite immaterial to me = mij totaal onverschillig; Immaterialism = immaterialisme, spiritualisme; Immateriality, imətîrialiti, onstoffelijkheid, onwezenlijkheid, onbelangrijkheid.

Immature, imətjûə, onrijp, ontijdig; subst. Immaturity.

Immeasurable, imežərəb’l, onmeetbaar; subst. Immeasurableness.

Immediate, imîdjit, onmiddellijk, dadelijk, direct, oogenblikkelijk; spoed! (op brieven); subst. Immediateness.

Immedicable, imedikəb’l, ongeneeslijk.

Immemorial, imimôriəl, onheugelijk: From (For, Since) time(s) immemorial = sedert onheugelijke tijden.

Immense, imens, onmetelijk, oneindig, onbegrensd, uitstekend, kranig; subst. Immenseness = Immensity.

Immensikoff, imensikof, groote overjas met bont, pelsjas.

Immerse, imɐ̂s, indompelen, onderdompelen, indoopen, verdiepen, verzinken: He was immersed in his studies = verzonken in; subst. Immersion.

Immigrant, imigr’nt, gaande naar of komende in een vreemd land; subst. immigrant; Immigrate, imigreit, zich in een vreemd land vestigen; subst. Immigration.

Imminence, iminens, subst. van Imminent = nabij, dreigend, boven het hoofd hangend.

Immobile, imoubil, onbewegelijk; Immobility, iməbility, onbewegelijkheid; Immobilization = onttrekken v. geld aan den omloop.

Immoderate, imodərit, buitensporig; subst. Immoderateness; Immoderation = gebrek aan gematigdheid, buitensporigheid.

Immodest, imodəst, onbescheiden, aanmatigend; onkiesch, onkuisch; subst. Immodesty.

Immolate, iməleit, (op)offeren; Immolation = offeren, offer; Immolator = offeraar.

Immoral, imor’l, onzedelijk; subst. Immorality.

Immortal, imöt’l, subst. en adj. onsterfelijk(e), onvergankelijk(e); Immortality = onsterfelijkheid; Immortalize = vereeuwigen, onsterfelijk maken; Immortelle, imötel, immortelle.

Immovability, imûvəbiliti, subst. v. Immovable, imûvəb’l, onbewegelijk, onwrikbaar, onveranderlijk, ongevoelig: Immovables = onroerende goederen, wat “spijkervast” is; Immovableness = Immovability.

Immune, imjûn, adj. vrij, onvatbaar voor: Immune horses = “gezouten” paarden (Z. Afr.); To be immune from; Immunity = vrijstelling, ontheffing, privilege; onvatbaarheid: Immunity from disease; To purchase immunity from military service, etc. = zich vrijkoopen; Immunize = immun maken.

Immure, imjûə, opsluiten, als met een muur omringen.

Immutability, imjûtəbiliti, subst. v. Immutable, imjûtəb’l, onveranderlijk; Immutableness = Immutability.

Imogen, imədžen.

Imp, imp, subst. kabouter, booze geest, deugniet, guit; verlengstuk; Imp verb. van nieuwe vederen voorzien, verlengen; Impish, duivelachtig.

Impact, impakt, schok, stoot; To impact = samendrukken, indrijven.

Impair, impêə, benadeelen, beschadigen, doen verminderen, verminderen, verzwakken: His health was not seriously impaired = had niet erg geleden, was niet ernstig aangetast; subst. Impairment.

Impale, impeil, spietsen, vastnagelen, ompalen; subst. Impalement.

Impalpability, impalpəbiliti, subst. v. Impalpable, impalpəb’l, niet voel- of tastbaar, fijn.

Impan(n)el, impan’l, op de lijst der jury plaatsen, uitloten en beëedigen.

Imparisyllabic, imparisilabik, met een ongelijk getal lettergrepen.

Imparity, impariti, ongelijkheid, verschil.

Impark, impâk, tot park maken; in een wildbaan opsluiten.

Impart, impât, verleenen, mededeelen, een deel geven; Imparter.

Impartial, impâš’l, onpartijdig, billijk, belangeloos; subst. = Impartialness = Impartiality.

Impassability, impâsəbiliti, subst. v. Impassable, impâsəb’l, onbegaanbaar, ontoegankelijk; Impassableness = Impassability.

Impassibility, impasibiliti, subst. v. Impassible, impasib’l, ongevoelig, gevoelloos; subst. Impassibleness.

Impassion, impaš’n: Impassioned = hartstochtelijk, vurig.

Impassive, impasiv, ongevoelig, gevoelloos, onverstoorbaar; subst. Impassiveness.

Impastation, impasteiš’n, samenkneding, marmerimitatie; Impaste, impeist, samenkneden (tot deeg), de kleuren er dik opleggen; Impasto = dikke verflaag.

Impatience, impeiš’ns, ongeduld, afkeer: His impatience of oppression = zijn afkeer (afschuw) van; An impatience of poetry = hekel aan poëzie.

Impatient, impeiš’nt, ongeduldig, vurig verlangend; afkeerig: I am impatient for his arrival = verlang vurig; He was impatient of slavery = kon niet dulden.

Impawn, impôn, verpanden.

Impeach, impîtš, in twijfel trekken, bestrijden; aanklagen, in staat van beschuldiging stellen; Impeachable = bestrijdbaar, aanklaagbaar, berispelijk; Impeacher; Impeachment = beschuldiging, aanklacht, etc.

Impearl, impâl, tot paarlen maken, beparelen.

Impeccability, impekəbiliti, subst. v. Impeccable, impekəb’l, onfeilbaar, schuldeloos.

Impecuniosity, impəkjûniositi, geldgebrek, armoede; Impecunious, impəkjûniəs, arm, zonder geld.

Impede, impîd, beletten, verhinderen; Impediment, impediment, beletsel: He has an impediment in his speech = hij kan sommige letters niet zeggen, stamelt, spreekt onduidelijk, lijdt aan spraakbelemmering; Impeditive = hinderlijk, belemmerend.

Impel, impel, voortdrijven, aanzetten; Impeller; Impellent, subst. aandrift, drijfkracht; adj. aansporend, voortdrijvend.

Impend, impend, boven het hoofd hangen, voor de deur staan, dreigen (over); subst. Impendence; Impendent = Impending.

Impenetrability, impenətrəbiliti, subst. v. Impenetrable, impenətrəb’l, ondoordringbaar, ongevoelig, ondoorgrondelijk; Impenetrate = doordringen.

Impenitence, Impenitency, impenitens(i), verstoktheid; adj. Impenitent, ook subst.

Impennate, impenit, zonder vleugels (veeren), met korte vleugels; Impennes, impenîz, het geslacht der Pinguins.

Imperative, imperətiv, gebiedend, verplicht; subst. gebiedende wijs: The categorical imperative = de categorische imperatief; This is imperative on all vessels = wordt geëischt van, is verplichtend voor.

Imperator, impəreitə, impəreitə, imperator, keizer; adj. Imperatorial.

Imperceivable, impəsîvəb’l, Imperceptible, impəseptib’l, onmerkbaar, onwaarneembaar; subst. Imperceptibleness.

Imperence, impərens = Impudence.

Imperfect, impɐ̂fəkt, onvolkomen of onvolmaakt; onvolmaakt verleden tijd; subst. Imperfection = Imperfectness.

Imperforable, impɐ̂fərəb’l, ondoorboorbaar; Imperforate(d), impɐ̂fərit (impɐ̂fəreitid), zonder openingen, niet doorboord.

Imperial, impîriəl, keizerlijk, rijks..., Britsch; vorstelijk, verheven, gebiedend, heerschzuchtig; subst. imperiaal (voor bagage op een rijtuig); plaats buitenop (koets of diligence), imperiaal (papier: 55 bij 80 cM.), haarbosje aan de onderlip; koepeldak, oude gouden munt: Imperial city = Duitsche vrije rijksstad; Imperial federation = plan tot bevestiging van het Britsche rijk, waarbij de rechten der koloniale parlementen onaangetast blijven; Imperial Institute = een museum in Londen (gesticht in 1887); Imperialism = keizerregeering, federatiepolitiek, streven naar wereldmacht; Imperialist, aanhanger van het imperialisme; adj. Imperialistic.

Imperil, imperil, in gevaar brengen.

Imperious, impîriəs, gebiedend, aanmatigend; heerschzuchtig, dringend; subst. Imperiousness.

Imperishable, imperišəb’l, onvergankelijk, eeuwig; subst. Imperishableness.

Imperium, impîriəm, oppermacht.

Impermanent, impɐ̂mənent, niet duurzaam of standvastig; subst. Impermanence.

Impermeability, impɐ̂miəbiliti, subst. v. Impermeable, impɐmiəb’l, ondoordringbaar: Impermeable to water = waterdicht.

Impersonal, impɐ̂sən’l, subst. en adj. onpersoonlijk (werkwoord); subst. Impersonality.

Impersonate, impɐ̂seneit, verpersoonlijken, voorstellen; Impersonation = vertolking; Impersonator = vertolker.

Impertinence, -cy, impɐ̂tinens(i), wat niet tot de zaak behoort; ongepastheid, onbeschaamdheid, onbehoorlijkheid: Miss Impertinence = kleine wijsneus; adj. Impertinent, ook subst.

Imperturbability, impətɐ̂bəbiliti, subst. v. Imperturbable, impətɐ̂bəb’l, onverstoorbaar, leuk.

Impervious, impɐ̂viəs, ondoordringbaar, ontoegankelijk; subst. Imperviousness.

Impetuosity, impetjuositi, subst. v. Impetuous, impetjuəs, ontstuimig, woest, heftig: subst. Impetuousness.

Impetus, impitɐs, beweegkracht, drijfkracht, aandrift.

Impi, impi, troepenafdeeling der Kaffers.

Impiety, impaiəti, goddeloosheid, ongeloof; adj. Impious, impiəs; subst. Impiousness.

Impinge, impinž, stooten, raken, zondigen tegen: The first circle impinges on the second = raakt (snijdt); The song of the skylark impinged on her ear = trof haar oor; subst. Impingement; adj. Impingent.

Implacability, impleikəbiliti, subst. v. Implacable, impleikəb’l, onverzoenlijk, onverbiddelijk; subst. Implacableness.

Implant, implânt, zaaien, enten, inprenten; subst. Implantation.

Implausible, implôzib’l, onwaarschijnlijk.

Implement, impləment, werktuig, gereedschap.

Implicate, implikeit, inwikkelen, verwikkelen: Two others were implicated (in it) = er bij betrokken; Implication: By implication = erin begrepen, stilzwijgend = Implicative (of).

Implicit, implisit, stilzwijgend of daaronder begrepen, onvoorwaardelijk, blind; ingewikkeld: I have an implicit faith in you = vertrouw u onvoorwaardelijk; subst. Implicitness.

Imploration, imploreiš’n, smeeking; Implore, implö, smeeken.

Imply, implai, insluiten, stilzwijgend er onder begrijpen, beteekenen, insinueeren, te verstaan geven: That is implied in it = er in begrepen.

Impolicy, impolisi, gebrek aan overleg.

Impolite, impəlait, onbeleefd, lomp; subst. Impoliteness.

Impolitic, impolitik, onverstandig, onoordeelkundig.

Imponderability, impondərəbiliti, subst. v. Imponderable, impondərəb’l, onweegbaar: Imponderables = imponderabiliën.

Import, impöt, invoer, belang, gewicht, beteekenis, invloed, nut, inhoud: Imports and exports = in- en uitvoer; Import duties = inkomende rechten; Import trade.

Import, impöt, invoeren, beteekenen, van belang zijn; Importable = invoerbaar; subst. Importation, impöteiš’n: Importations = import artikelen; Importer = importeur.

Importance, impöt’ns, belang, gewicht, invloed, beteekenis, gewichtigheid; Important = belangrijk, gewichtig doende.

Importunate, impötjunit, lastig, aanhoudend, dringend; subst. Importunateness.

Importune, impötjûn, impötjûn, aanhoudend aandringen, lastig vallen; Importunity, impötjûniti, overlast, etc.

Impose, impouz, opleggen, opdringen, voorschrijven, bedriegen, in de handen stoppen: I will not be imposed upon = mij niet laten bedriegen; He never imposed on me on this subject = maakte nooit grooten indruk op mij; Imposing, impouziŋ, indrukwekkend; Imposition, impəziš’n, oplegging, belasting, strafwerk, bedrog: It would be an imposition on his good nature = misbruik maken van.

Impossibility, imposibiliti, onmogelijkheid; adj. Impossible; At impossibly early hours = onmogelijk vroege.

Impost, impoust, belasting, invoerrecht.

Impostor, impostə, bedrieger; Imposture, impostjə, bedrog.

Impotence, Impotency, impətens(i), onmacht, machteloosheid, onvermogen; Impotent, impətent, machteloos, onvermogend, impotent.

Impound, impaund, opsluiten (van verdwaald vee in een pound); opsluiten, beslag leggen op.

Impoverish, impovəriš, verarmen, uitputten, uitzuigen; subst. Impoverishment.

Impracticability, impraktikəbiliti, subst. v. Impracticable, impraktikəb’l, ondoenlijk, onuitvoerbaar, onhandelbaar, koppig; subst. Impracticableness.

Imprecate, imprikeit, vervloeken, verwenschen, een vloek roepen op; subst. Imprecation; adj. Imprecatory, imprikətəri, impreikətəri.

Impregnability, impregnəbiliti, subst. v. Impregnable, impregnəb’l, onneembaar, onverwinlijk, onverstoorbaar.

Impregnate, impregneit, bezwangeren, bevruchten; vruchtbaar maken, doortrekken, verzadigen; adj. impregnit, zwanger; subst. Impregnation.

Impresario, impresâriou, imprezâriou, impressario.

Imprescriptible, impriskriptib’l, onverjaarbaar.

Impress, impres, stempel, afdruksel, merk, motto, indruk; het pressen.

Impress, impres, stempelen, merken, teekenen; drukken, indruk maken, inprenten, op het hart drukken, forsch aandringen; pressen, requireeren: A feeling of impending misfortune impressed me = drukte mij terneer; Impress-money, handgeld; Impressibility = ontvankelijkheid; Impressible, ontvankelijk; Impression = indruk, meening, stempel, afdruk, uitgave of oplaag, flauwe herinnering, invloed, uitwerking; Impressionable = licht voor indrukken vatbaar, prikkelbaar; Impressionism, impressionisme; Impressionist = impressionist; Impressionistic, impressionistisch; Impressive, indrukwekkend; subst. Impressiveness; Impressment: Impressment into military service = gedwongen dienstneming.

Imprest, imprest, voorschot; Imprest-office = departement van de admiraliteit dat voorschotten verleent aan officieren van administratie.

Imprimatur, imprimeitə, verlof (van den censor of corrector) tot het drukken (woordelijk: “dat het gedrukt worde”).

Imprint, imprint, afdruk; naam van drukker of uitgever van een boek, etc., met de plaats en den datum der uitgave.

Imprint, imprint, drukken, stempelen, inprenten.

Imprison, impriz’n, gevangen nemen; subst. Imprisonment: False imprisonment = wederrechtelijke gevangenzetting.

Improbability, improbəbiliti, subst. v. Improbable, improbəb’l, onwaarschijnlijk.

Improbity, improbiti, oneerlijkheid.

Impromptu, improm(p)tjû, adj. extemporé, geimproviseerd; ook subst.; Impromptuist = improvisator.

Improper, impropə, ongeschikt, ongepast, onjuist: Improper-fraction = onechte breuk.

Impropriate, improuprieit, zich toeëigenen; kerkelijke inkomsten en bedieningen in handen van leeken stellen; subst. Impropriation = die overdracht, het overgedragene; Impropriator, improuprieitə, die zich rechten toeëigent; leek, die kerkelijke goederen en bedieningen in handen heeft.

Impropriety, imprəpraiiti, ongepastheid, onwelvoegelijkheid, onjuistheid.

Improvable, imprûvəb’l, verbeterbaar; Improve, imprûv, verbeteren, volmaken, voordeel trekken, gebruik maken van, aankweeken, herstellen, vermeerderen, verhoogen, beter worden, stijgen: He has improved the occasion = heeft de gelegenheid waargenomen; He was called upon to improve the death of three young fishermen = hij werd gevraagd om eene stichtelijke toespraak te houden bij de begrafenis van drie jonge visschers; To improve away = verwijderen, verdrijven; That old gate has been improved off the face of the earth = is gelukkig van den aardbodem verdwenen; Some people improve on (upon) acquaintance = vallen hoe langer hoe meer mee bij nadere kennismaking; That cannot possibly be improved upon = laat geen verbetering toe; Improvement = verbetering, vordering, nuttig gebruik, stijging; Improver = verbeteraar; volontair.

Improvidence, improvidens, zorgeloosheid; Improvident, improvident, zorgeloos.

Improvisation, improvizeiš’n, improvisatie; Improvisator, improvizeitə, Improvisatore, imprəvizatôri, improvisator; Improvise, imprəvaiz, imprəvîz, improviseeren.

Imprudence, imprûd’ns, onvoorzichtigheid; Imprudent, imprûd’nt, onvoorzichtig.

Impudence, impjûdens, onbeschaamdheid; Impudent, impjudent, onbeschaamd; Impudicity = Impudence.

Impugn, impjûn, bestrijden, weerspreken; Impugnable, impjûnəb’l, bestrijdbaar, weerlegbaar; subst. Impugnation; Impugner.

Impulse, impɐls, Impulsion, impɐlš’n, aandrang, aandrift, aansporing; stoot; Impulsive, impɐlsiv, aandrijvend, impulsief; subst. Impulsiveness.

Impunity, impjûniti, straffeloosheid: With impunity = straffeloos.

Impure, impjûə, onrein, onzuiver, besmet, vuil, onkuisch; subst. Impureness = Impurity, impjûriti.

Imputability, impjûtəbiliti, subst. v. Imputable, impjûtəb’l, toerekenbaar; Imputation, impjûteiš’n, beschuldiging, aantijging, verwijt: I will not suffer an imputation on my brother’s character; Impute, impjût, toeschrijven, toerekenen, ten laste leggen (to): Don’t impute the ill success to me = wijt mij niet; Imputer.

In, in, prep. en adv. in, op, naar, bij, tehuis; subst. meest mv.; In verb. inbrengen: In the air = in de lucht; The news is in the air = gaat rond; To be in arms = onder de wapenen; In conclusion = tot besluit, om kort te gaan; In the daytime = overdag, des daags; He is not worthy to be mentioned in the same day as his friend = op één dag; In drink = dronken; In fact = inderdaad; In favour of = ten gunste van; He gave me twenty in fifty in billiards = gaf me 20 op de 50 vóór; In fine = ten slotte; In haste = haastig; In love = verliefd; In name of = bij wijze van; In the name of = in naam van; In the night = ’s nachts; In obedience to = ingevolge; In my opinion = naar mijne meening; In order to = ten einde; In for a penny, in for a pound = wie A zegt, moet ook B zeggen; A penny in the pound = een stuiver van of op de ƒ 12; In the reign of = onder de regeering van; In regard, respect to = met betrekking tot, ten opzichte van; My membership in your society = van uwe vereeniging; I spoke these words more in sorrow than in anger = meer uit droefheid dan uit toorn; A great pleasure is in store for you = staatje te wachten; He is one in a thousand = één uit de duizend; In time = op tijd; In due time = op den rechten tijd; If these things be done in the green tree, what will be done in the dry = in de jeugd... op ouden leeftijd; In vain = te vergeefs; In virtue of his office = krachtens zijn ambt; In writing = in geschrifte, schriftelijk; Are you curious in books on London = gesteld op boeken over L.?; I am in for it = ik ben er bij, kan er niet aan ontsnappen; How soon shall we be in? = in de haven, binnen zijn; They are in and out twenty times a day = hebben standjes en worden weer goed twintigmaal per dag; The liberals are in now = zijn nu aan de regeering; Champagne is not in it = haalt er niet bij; You are not in it with your friend = gij haalt niet bij; To be in with = iets uit te staan hebben (connecties hebben) met; Caught in the act = op heeterdaad betrapt; Come in = kom binnen; He had it in him = het lag in zijn aard, hij kon; In that = aangezien, daar, omdat; In-and-in-breeding = fokken met hetzelfde fokmateriaal; In and out running = afwisselend winnen en verliezen (bij rensport); subst. The ins and outs = hoeken en gaten, moeielijkheden; bijzonderheden: The ins and outs of a town = de hoeken en gaten van eene stad; The ins and outs = regeering en oppositie; The ins and the outs of the matter = alle bijzonderheden of het fijne van.

Inability, inəbiliti, onbekwaamheid, onvermogen.

Inaccessibility, inəksesibiliti, subst. v. Inaccessible, inəksesib’l, ontoegankelijk, ongenaakbaar.

Inaccuracy, inakjurəsi, onnauwkeurigheid; Inaccurate(ness), inakjurit(nəs), onnauwkeurig(heid).

Inaction, inakš’n, werkeloosheid, rust, traagheid; Inactive, inaktiv, werkeloos, vadsig, zonder uitwerking, zonder handeling, flauw (handelsterm), bewegingloos, onwerkzaam; subst. Inactivity, inəktiviti.

Inadequacy, inadikwəsi, onevenredigheid, ongelijkheid, onvoldoendheid; Inadequate, inadikwit, onevenredig, ongelijk, onvoldoende (to); Inadequation, inadikweiš’n, gebrek aan overeenkomst.

Inadmissibility, inədmisibiliti, subst. v. Inadmissible, inədmisib’l, onaannemelijk, niet toelaatbaar.

Inadvertence, -cy, inədvɐ̂t’ns(i), zorgeloosheid, onachtzaamheid; Inadvertent = onbewust, zonder er bij te denken.

Inalienability, ineiljənəbiliti, subst. v. Inalienable, ineiljənəb’l, onvervreemdbaar.

Inalterability, inôltərəbiliti, subst. v. Inalterable, inôltərəb’l, onveranderlijk.

Inane, inein, ledig, zinloos, doelloos, waardeloos; subst. (de) ledige ruimte.

Inanimate, inanimit, onbezield, levenloos, flauw (handelsterm): Inanimate bird = Clay-pigeon; subst. Inanimateness.

Inanition, inəniš’n, ledigheid, uitputting (Med.).

Inanity, inaniti, zinloosheid, zinlooze opmerking, holheid, ledigheid; Inanities = dwaasheden, zinledige gezegden.

Inappellable, inəpeləb’l, waartegen niet geappelleerd kan worden, laatste.

Inappetence, -cy, inapitens(i), gebrek aan eetlust of verlangen; adj. Inappetent.

Inapplicability, inaplikəbiliti, subst. v. Inapplicable, inaplikəb’l, ontoepasselijk, niet behoorende bij.

Inappreciable, inəprîšəb’l, onschatbaar, onmerkbaar.

Inapproachable, inəproutšəb’l, ongenaakbaar, weergaloos.

Inappropriate, inəproupriit, ongeschikt, ongepast; subst. Inappropriateness.

Inapt, inapt, ongeschikt, niet voegzaam, onbekwaam; subst. Inaptitude, inaptitjûd = Inaptness.

Inarch, inâtš, enten zonder den geënten tak van de moederplant te scheiden.

Inarticulate, inâtikjulit, onduidelijk, onverstaanbaar, sprakeloos, zonder geledingen; Inarticulated (inâtikjuleited); subst. Inarticulateness; Inarticulation = onduidelijkheid (in het spreken).

Inasmuch, inəzmɐtš, aangezien, voor zooverre als.

Inattention, inətenš’n, onoplettendheid, achteloosheid; Inattentive, inətentiv, onoplettend, achteloos.

Inaudibility, inôdibiliti, subst. v. Inaudible, inôdib’l, onhoorbaar; subst. Inaudibleness.

Inaugural, inôgjur’l, inauguraal; subst. inaugurale rede (Amer.); Inaugurate, inôgjureit, plechtig in een ambt bevestigen, inhuldigen, openen, beginnen met, in ’t leven roepen; subst. Inauguration: The inauguration of the Queen; Inauguratory, inôgjurətəri, inwijdend, huldigend.

Inauspicious, inôspišəs, onheilspellend, ongelukkig, ongunstig.

Inboard, inböd, adj. binnenboordsch; adv. aan boord: Inboard cargo = vracht in ’t ruim.

Inborn, inbön, aangeboren, natuurlijk.

Inbreathe, inbrîdh, inademen, inspireeren.

Inbred, inbred, aangeboren, inlandsch; door inbreeding verkregen.

Inbreed, inbrîd, fokken met steeds hetzelfde materiaal.

Inca, inkə, vorst (van Peru, vóór 1531).

Incalculable, inkalkjuləb’l, onberekenbaar; subst. Incalculableness.

Incandesce, inkandes, gloeien, doen gloeien; subst. Incandescence = gloeien, gloeihitte; Incandescent = gloeiend, witgloeiend, gloei—: Incandesce lamp = (electrische) gloeilamp; Incandesce light = gasgloeilicht.

Incantation, inkanteiš’n, tooverformule, betoovering.

Incapability, inkeipəbiliti, onbekwaamheid, onbevoegdheid; Incapable, inkeipəb’l, onbekwaam, onbevoegd; Incapacitate, inkəpasiteit, onbekwaam of onbevoegd maken; subst. Incapacitation; Incapacity, inkəpasiti, onbekwaamheid, ongeschiktheid (of, for).

Incarcerate, inkâsəreit, gevangen zetten; Incarcerated hernia = beklemde breuk; Incarceration = gevangenzetting, beklemming.

Incarnate, inkâneit, vleesch worden: To be incarnated = vleesch (mensch) geworden; adj. inkânit: God incarnate = Godmensch; A devil incarnate, an incarnate fiend = een duivel in menschengestalte; Incarnation, inkâneiš’n, vleeschwording, verpersoonlijking, vleeschvorming.

Incase, inkeis. Zie Encase.

Incautious, inkôšəs, onvoorzichtig; subst. Incautiousness.

Incendiarism, insendjərizm, brandstichting, ophitsing: Incendiary, insendjəri, subst. brandstichter, oproermaker, aanstoker; adj. brandstichtend, oproer stokend, ophitsend, vuur—, brand—.

Incense, insens, subst. wierook (ook fig.); Incense verb, insens, insens, bewierooken (ook fig.); Incense-boat = wierookdoosje.

Incense, insens, woedend maken, vertoornen (against, with).

Incentive, insentiv, aansporend, prikkelend; subst. aansporing, prikkeling.

Inception, insepš’n, begin; Inceptive, beginnend, aanvangs—.

Incessant, inses’nt, onophoudelijk, voortdurend; subst. Incessantness.

Incest, insest, bloedschande; Incestuous, insestjuəs, bloedschendig; subst. Incestuousness.

Inch, inš, 2,54 cM. (twaalfde deel van een foot), kleine hoeveelheid; eilandje (Schotl.): At an inch = precies, op een haar; Inch by inch = langzamerhand, voet voor voet: He died by inches = langzaam; Of inches = rijzig; To an inch = precies; Within an inch = bijna; He is every inch a king = in hart en nieren, een echte; He did not bate an inch = liet niets vallen; Give him an inch, he will take an ell = als men hem een vinger geeft, neemt hij de heele hand; This paper gives the story five inches of praise = twijfelachtigen lof = faint praise; He was dressed within an inch of his life = piekfijn uitgedost; I thrashed him within an inch of his life = sloeg hem bijna dood; We did it by inch-meal = bij stukjes en brokjes; Inch-rule = duimstok; Inch-stuff = vuren planken van een inch dikte; Inched (in samenst.): Three-inched.

Inchoate, inkouit, begonnen, aanvangs - -; subst. Inchoation = aanvang; Inchoative, inkouətiv, inkoueitiv, beginnend, aanvangs...

Incidence, insidens, de inval van een straal; het raken: The incidence of taxation = het verdeelen; Angle of incidence = hoek van inval; Area of incidence = omvang van de beteekenis (woord); Line of incidence = lijn van inval; Incident, insident, invallend, voorkomend bij, eigen aan, toevallig; subst. bijomstandigheid, voorval: It is incident to travellers to get accidents = reizigers zijn aan ongelukken blootgesteld; Incident on (to) the occasion = die de gelegenheid meebrengt; Paintings of incident = genrestukken; Incidental, insident’l, bijkomend, toevallig, ondergeschikt, afhankelijk: It is incidental to = het behoort tot; Incidental upon = toevallig volgend op.

Incinerate, insinəreit, tot asch verbranden; Incineration, lijkenverbranding (Amer.); Incinerator, oven voor verbranding van straatvuil, etc.

Incipience, -cy, insipj’ns(i), begin; Incipient, insipj’nt, beginnend, eerste: Boys with incipient beards = met vlas om de kin.

Incise, insaiz, insnijden, graveeren: Incised wound = snijwond; Incision, insiž’n, insnijding, kerf, snede, wond; Incisive, insaisiv, insnijdend, scherp, snij - -; Incisive teeth = snijtanden; subst. Incisiveness; Incisor, insaizə, snijtand; Incisory = snijdend, snij - -; Incisure = insnijding.

Incitant, insitənt, insaitənt, prikkelend; subst. prikkel, opwekkingsmiddel; Incitation, insiteiš’n, aansporing, prikkel; Incite, insait, aansporen, prikkelen; subst. Incitement; Inciter.

Incivility, insiviliti, onbeleefdheid, lompheid; Incivilization, gebrek aan beschaving.

Incivism, insivizm, gebrek aan burgerzin.

Inclemency, inklem’nsi, onmeedoogendheid, guurheid; adj. Inclement, inklem’nt.

Inclinable, inklainəb’l, geneigd; Inclination, inklineiš’n, neiging, geneigdheid, helling, schuinte, inclinatie; Incline, inklain, subst. neiging, helling, hellend vlak; Incline verb. (inklain), neigen, overhellen, geneigd zijn, hellen, richten, bewegen, brengen tot: He inclined to conservatism = helde over naar; To incline lower = goedkooper worden; Inclined-plane = hellend vlak; Incliner.

Inclose, inklouz, insluiten, omringen, omheinen, afrasteren: Inclosed letter = ingesloten brief; Inclosure, inkloužə, insluiting, omheining, het ingeslotene of omheinde.

Include, inklûd, insluiten, omhelzen, bevatten: Costs included = met kosten; Not included = er niet onder begrepen; Inclusion, inklûž’n, insluiting, bevatting; Inclusive, inklûsiv, ingesloten, bevattend, insluitend, er in begrepen.

Incog, inkog, (verkorting van): Incognito, incognito; onbekend (man); Incognita = onbekende (vrouw).

Incoherence, -cy, inkouhîr’ns(i), gebrek aan samenhang of consequentie; adj. Incoherent.

Incombustibility, inkəmbɐstibiliti, subst. v. Incombustible, ink’mbɐstib’l, onverbrandbaar.

Income, inkɐm, inkomen, inkomsten; Income-tax = inkomstenbelasting; Incomeless = zonder inkomen; Incomer = inbezitnemer, nieuwe huurder, opvolger; Incoming, inkɐmiŋ, bezit of ambt aanvaardend, inkomend; subst. ingang, winst, inkomsten (gewoonl. meerv.): The incoming president = de nieuwe president.

Incommensurability, inkəmenšərəbiliti, subst. v. Incommensurable, inkəmenšərəb’l, onderling onmeetbaar; subst. Incommensurableness; Incommensurate, inkəmenšərit, onderling onmeetbaar, onevenredig.

Incommode, inkəmoud, lastig vallen, storen, belemmeren; Incommodious, inkəmoudjəs, hinderlijk, lastig; subst. Incommodiousness = Incommodity.

Incommunicability, inkəmjunikəbiliti, subst. v. Incommunicable, inkəmjûnikəb’l, niet geschikt om te worden medegedeeld; Incommunicableness; Incommunicative = terughoudend, gesloten.

Incomparable, inkompərəb’l, weergaloos, ongeëvenaard; subst. Incomparableness.

Incompatibility, ink’mpatibiliti, onvereenigbaarheid: Incompatibility of temper = wederzijdsche antipathie; Incompatible, ink’mpatib’l, onvereenigbaar (with); ook subst.

Incompetence, -cy, inkompitens(i), onbevoegdheid, ongeschiktheid, onbekwaamheid; adj. Incompetent, inkompitent.

Incomplete, ink’mplît, onvolkomen, onvolledig; subst. Incompleteness = Incompletion, ink’mplîš’n, onvolledigheid.

Incomprehensibility, inkomprihensibiliti, subst. v. Incomprehensible, inkomprihensib’l, onbegrijpelijk, onbegrensd; subst. Incomprehensibleness; Incomprehension = gebrek aan bevattingsvermogen; Incomprehensive = beperkt.

Incompressibility, ink’mpresibiliti, onsamendrukbaarheid; adj. Incompressible.

Inconceivability, ink’nsîvəbiliti, subst. v. Inconceivable, ink’nsîvəb’l, onbegrijpelijk.

Inconclusive, ink’nklûsiv, niet beslissend, niet overtuigend, niet geëindigd, vergeefsch; subst. Inconclusiveness.

Incondensability, inkəndensəbiliti, onverdichtbaarheid; adj. Incondensable.

Incongruent, inkoŋgruent = Incongruous; Incongruity, ink’ngrûiti, gebrek aan overeenstemming of samenhang, ongerijmdheid; Incongruous, inkongruəs, niet bij elkaar passend, ongerijmd.

Inconscious, inkonšəs = Unconscious.

Inconsequence, inkonsikwens, valsche gevolgtrekking, inconsequentie; adj. Inconsequent; Inconsequential = inconsequent, onbelangrijk.

Inconsiderable, inkənsiderəb’l, onbelangrijk, gering; subst. Inconsiderableness.

Inconsiderate, inkənsidərit, onbezonnen, onbedachtzaam, weinig kiesch; subst. Inconsiderateness = Inconsideration.

Inconsistency, inkənsist’nsi, subst. v. Inconsistent, inkənsist’nt, onbestaanbaar, onlogisch, niet passend, inconsequent.

Inconsolable, ink’nsouləb’l, ontroostbaar; subst. Inconsolableness.

Inconspicuous, inkənspikjuəs, onaanzienlijk, niet in ’t oog vallend; subst. Inconspicuousness.

Inconstancy, inkonst’nsi, onstandvastigheid, veranderlijkheid, verscheidenheid; Inconstant, inkonst’nt, onbestendig, veranderlijk, vluchtig.

Inconsumable, inkənsjûməb’l, onverteerbaar, onvernietigbaar.

Incontestable, inkəntestəb’l, onbetwistbaar; subst. Incontestableness.

Incontinence, Incontinency, inkontinens(i), onkuischheid, gebrek aan zelfbeheersching: His incontinence of speech, of money = loslippigheid, geld weggooien; Incontinent, inkontinent, subst. en adj. onkuisch(e); Incontinently = onmiddellijk.

Incontrollable, inkəntrouləb’l, onbedwingbaar.

Incontrovertible, inkontrəvɐ̂tib’l, onbetwistbaar.

Inconvenience, ink’nvînj’ns, subst. ongerief, ongelegenheid; Inconvenience verb. in ongelegenheid brengen, last aandoen; adj. Inconvenient.

Inconvertibility, inkənvɐ̂tibiliti, subst. v. Inconvertible, inkənvɐ̂tib’l, onverwisselbaar, onveranderlijk, niet om te zetten in geld.

Inconvincible, inkənvinsib’l, niet te overtuigen.

Incorporate, inköpərit, adj. nauw verbonden, tot één lichaam gemaakt; niet lichamelijk of als rechtspersoon bestaande; Incorporate verb. (inköpəreit) tot één lichaam maken, als gewettigde corporatie, als rechtspersoon erkennen, in eene corporatie opnemen: Incorporated under the Companies Act 1860 = als r. erkend overeenk. de wet van 1860 op de naamlooze vennootschappen; Incorporator, inköpəreitə, soort van flesch voor sla-aanmaaksel; oprichter; Incorporation, inköpəreiš’n, vereeniging tot één lichaam, innige menging, etc.

Incorporeal, inköpôriəl, onlichamelijk, onstoffelijk; subst. Incorporeity.

Incorrect, inkərekt, onjuist, onwaar; subst. Incorrectness.

Incorrigibility, inkoridžibiliti, subst. v. Incorrigible, inkoridžib’l, subst. en adj. onverbeterlijk(e); subst. Incorrigibleness.

Incorrodible, inkəroudib’l, niet wegroestend.

Incorrupt, inkərɐpt, onbedorven, eerlijk, onomkoopbaar; Incorruptibility, inkərɐptibiliti, subst. v. Incorruptible, inkərɐptib’l, onomkoopbaar, onbederfbaar; Incorruptness, inkərɐptnəs, reinheid, onverdorvenheid.

Incrassate, inkraseit, verdikken, dikker worden; Incrassation = verdikking.

Increase, inkrîs, toename, vermeerdering, aanwas; winst, nut, nakomelingschap: To be on the increase = toenemen; The moon is on the increase = aan het toenemen of wassen; Increase, inkrîs, toenemen, aanwassen, vermeerderen, vergrooten, versterken: To increase the front = opmarcheeren.

Incredibility, inkredibiliti, subst. v. Incredible, inkredib’l, ongeloofelijk; subst. Incredibleness.

Incredulity, inkrədjûliti, ongeloof, twijfelzucht; adj. Incredulous, inkredjulɐs.

Increment, inkriment, aanwas, vermeerdering, het toegevoegde, differentiaal: Unearned increment = toevallige waardevermeerdering (van huizen, enz.).

Incriminate, inkrimineit, van eene misdaad beschuldigen; Incrimination; Incriminatory, inkriminətəri, beschuldigend.

Incrust, inkcrɐst, incrusteeren, inleggen; Incrustate, inkrɐstit, omkorst; Incrustation, incrustatie, ingelegd werk = Incrustment.

Incubate, inkjubeit, (uit)broeden; Incubation, (uit)broeding, incubatie; Incubative = broedend, incubatie...; Incubator = incubator, broedmachine.

Incubus, inkjubɐs, nachtmerrie, zwarte last, hindernis: The question rode her mind like an incubus = werd haar tot een ware nachtmerrie.

Inculcate, inkɐlkeit, inprenten; subst. Inculcation.

Inculpate, inkɐlpeit, inkɐlpeit, beschuldigen, aanklagen; subst. Inculpation; Inculpatory = aanklagend, beschuldigend.

Incumbency, inkɐmb’nsi, prebende; verplichting, last; het liggen op iets; Incumbent, inkɐmb’nt, subst. de met een prebende begiftigde (Rector of Vicar); adj. liggend, rustend, opgelegd als een plicht: I feel it incumbent on me = beschouw het als mijn plicht.

Incumbrance, inkɐmbr’ns, belemmering, bezwaar, hypotheek: Without incumbrance = zonder vrouw of kind; A wife and seven incumbrances = ... en zeven kinderen tot zijn last.

Incunabulum, inkjunabjul’m, wiegedruk, boek vóór 1500 gedrukt.

Incur, inkɐ̂, oploopen, zich op den hals halen: To incur debts = schulden maken.

Incurability, inkjurəbiliti, subst. v. Incurable, inkjûrəbl, ongeneeslijk, hopeloos; ook subst.: A Home for Incurables = ongeneeslijke zieken; subst. Incurableness.

Incuriosity, inkjuriositi, subst. v. Incurious, inkjûriəs, onverschillig, zorgeloos; subst. Incuriousness.

Incursion, inkɐ̂š’n, inval, strooptocht; adj. Incursive.

Incurvate, inkɐ̂vit, adj. gebogen, gekromd; Incurvate verb. inkɐ̂veit, inkɐ̂veit, buigen, krommen; subst. Incurvation; Incurve, inkɐ̂v, krommen, zich naar binnen buigen.

Incus, iŋkəs, aambeeldsbeentje.

Indebted, indetid, verplicht, schuldig: He was indebted to her in a large sum = eene groote som gelds schuldig; I am indebted to you for it = dank het u; Indebtedness = verschuldigd zijn, schuld.

Indecence, Indecency, indîs’ns(i), onwelvoeglijkheid, onbetamelijkheid; Indecent = onwelvoegelijk: Indecent assault = aanranding der eerbaarheid; Indecent exposure = onwelvoeglijke ontblooting.

Indeciduous, indisidjuəs, niet afvallend (van bladeren, enz.), altijd groen.

Indecipherable, indisaifərəb’l, niet te ontcijferen of te ontwarren.

Indecision, indisiž’n, besluiteloosheid; adj. Indecisive, indisaisiv; subst. Indecisiveness.

Indeclinable, indiklainəb’l, subst. en adj. onverbuigbaar (woord).

Indecomposable, indîk’mpouzəb’l, onscheidbaar (Chem.).

Indecorous, indikôrəs, indekɐrɐs, onwelvoegelijk; subst. Indecorousness = Indecorum, indikôr’m.

Indeed, indîd, inderdaad, voorwaar, voorzeker; int. wat je zegt! och kom! zoo! ja wel! Kind indeed! = Vriendelijk? ’t mocht wat!

Indefatigability, indifatigəbiliti, subst. v. Indefatigable, indifatigəb’l, onvermoeid; subst. Indefatigableness.

Indefeasibility, indifîzibiliti, subst. v. Indefeasible, indifîzib’l, onvervreemdbaar, onschendbaar, onaantastbaar.

Indefectible, indifektib’l, onfeilbaar, onvergankelijk.

Indefensibility, indifensibiliti, subst. v. Indefensible, indifensib’l, onverdedigbaar.

Indefinable, indifainəbl, onverklaarbaar, niet omschrijfbaar, raadselachtig.

Indefinite, indefinit, onbepaald, onbegrensd, oneindig; subst. Indefiniteness; Prorogued indefinitely = voor onbep. tijd uitgesteld.

Indelible, indelib’l, onuitwischbaar.

Indelicacy, indelikəsi, onkieschheid, grofheid; adj. Indelicate, indelikit.

Indemnification, indemnifikeiš’n, schadeloosstelling; Indemnify, indemnifai, schadeloos stellen (for); Indemnity, indemniti, schadeloosstelling, vergoeding, indemniteit.

Indent, indent, inkerven, uittanden, inkrassen, inspringen (bij het drukken), een contract in duplo maken, in de leer gaan (bij contract), bestellen, requireeren, aanspreken; indrukken, deuken; subst. indent, inkerving, bestelling, requisitie; Indentation = inkerving, uittanding = Indention, ook: inspringing; Indenture, indentšə, subst. gezegeld verdrag, uittanding; Indenture verb, inkerven: Apprentice’s indenture = (leerling)contract; Indenture of mortgage = hypotheekacte; The indentures were cancelled = de contracten werden vernietigd; To make indentures = slingeren als een dronken man.

Independence, indipend’ns, onafhankelijkheid, onafhankelijk bestaan, vermogen: Independence Day = 4 Juli (herdenking van de Amerikaansche onafhankelijkheidsverklaring 4 Juli 1776); Independent, indipend’nt, onafhankelijk, onbevooroordeeld, tot de Independenten behoorende; subst. afgescheidene, wilde: Independent as to means = financ. onafhankelijk; The Independents = godsdienstige, van de Staatskerk afgescheiden sekte.

Indescribability, indiskraibəbiliti, subst. v. Indescribable, indiskraibəb’l, onbeschrijfelijk; Indescribables = pantalon, broek.

Indestructibility, indistrɐktibiliti, subst. v. Indestructible, indistrɐktib’l, onvernietigbaar.

Indeterminable, inditɐ̂minəb’l, onbepaalbaar.

Indeterminate, inditɐ̂minit, onbepaald, besluiteloos; subst. Indeterminateness.

Index, indeks (Meerv. Indexes of Indices, indisîz; dit laatste in de algebra: exponenten), subst. wijzer, bladwijzer, inhoudsopgaaf, arm van wegwijzer, tong, exponent; Index verb. van een index voorzien, op den index plaatsen, aanwijzen (out): Index expurgatory = lijst van boeken, die eerst van de dwalingen moeten worden gezuiverd vóór ze door Katholieken mogen worden gelezen; Index prohibitory = lijst van de door de R.K. kerk verboden boeken; To be placed on the Index; Index-finger = wijsvinger.

India, indjə, Voor-Indië: Further India = Achter-Indië; India ink; Indiaman = Oostinjevaarder; India office = ministerie van koloniën; India rubber = Indian rubber; Indian = Indisch, Indiaansch; subst. Indiër, Indischman, roodhuid: Indian anis = steranijs; A retired member of the Indian Civil Service = gepensioneerd Indisch ambtenaar; Board of Indian Civil Service Studies = Raad voor de studie voor de Brit. Ind. ambtenaarsexamens; Indian corn = maïs; Indian cress = Oostindische kers; Indian file = achter elkaar; Indian fire = soort van Bengaalsch vuur als signaalvuur; Indian ink = Oostindische inkt; An Indian inky day = sombere; Indianlike = als een Indiër of Indiaan; Indian-reed, Indian-shot = Oostindisch riet; Indian rubber = gomelastiek, caoutchouc; overschoen = Indian rubber shoe; Indian summer = warme nazomer; Indian yellow = Oostindisch geel; The Indies = Indië.

Indiana, indjanə; Indianapolis, indjənapəlis.

Indicant, indik’nt, aanwijzend; subst. symptoom: Indicant days = crisis; Indicate, indikeit, aanwijzen, aanduiden; subst. Indication; Indicative, indikətiv, indikətiv, subst. en adj. aantoonend(e wijs); Indicator, indikeitə, indicateur; adj. Indicatory,

Indict, indait, beschuldigen, aanklagen: Indicted for murder; Indictable offence = een zwaar misdrijf (dat door de ‘Grand Jury’ berecht moet worden); Indicter (= Indictor); Indictment = aanklacht; beslissing van de Grand Jury, na onderzoek, om rechtsingang te verleenen.

Indifference, indifərens, onverschilligheid, onpartijdigheid, middelmatigheid; Indifferent = onverschillig(e), van geene beteekenis, tamelijk, zoo-zoo: He is in indifferent health = niet recht gezond; Indifferent pictures = van geen bijzondere waarde; Indifferently printed = niet bijzonder fraai gedrukt; To sleep indifferently = vrij slecht; These words are used indifferently = door elkander; Indifferentism, indifər’ntizm, stelselmatige onverschilligheid, vooral in godsdienst.

Indigence, -cy, indidžens(i), gebrek, nooddruft, armoede.

Indigene, indidžîn, oorspronkelijke bewoner; Indigenous, indidžinɐs, inlandsch, aangeboren, inherent.

Indigent, indidžent, behoeftig, arm.

Indigested, indidžestid, onverwerkt, onrijp, verward, vormloos; Indigestible, indidžestib’l, onverteerbaar, onduldbaar; subst. Indigestibleness; Indigestion, indidžestj’n, slechte spijsvertering; Indigestive = dyspeptisch.

Indignant, indign’nt, verontwaardigd; Indignation, indigneiš’n, verontwaardiging: Indignation-meeting = protest meeting (Amer.); Indignity = indigniti, smaad, hoon, beleediging.

Indigo, indigou, indigo; Indigo-bird = Indigo vink; Indigo composition = indigotinctuur; Indigo-plant = indigoplant; Indigometer, indigomətə, indigometer; Indigotin, indigətin, indigoblauw.

Indirect, indirekt, niet recht, onoprecht, slinksch: Indirect evidence = derivatief bewijs; Indirect-tax = indirecte belasting; Indirection, indirekš’n, oneerlijke practijk, list; Indirectness, scheefheid, omweg, onoprechtheid.

Indiscernible, indizɐ̂nib’l, niet te onderscheiden; subst. Indiscernibleness.

Indiscoverable, indiskɐvərəb’l, niet te ontdekken, onbegrijpelijk.

Indiscreet, indiskrît, onverstandig, onbezonnen, onbescheiden, indiscreet; subst. Indiscretion, indiskreš’n: Years of indiscretion vlegeljaren.

Indiscriminate, indiskriminit, niet te onderscheiden; niet onderscheiden; zonder onderscheid, door elkaar; Indiscriminating = geen onderscheid makend, blind; Indiscrimination, indiskrimineiš’n, gebrek aan onderscheiding(svermogen), verwardheid.

Indispensability, indispensəbiliti, subst. v. Indispensable, indispensəb’l, onvermijdelijk, onmisbaar: subst. Indispensableness.

Indispose, indispouz, ongunstig stemmen, ongeschikt of ongesteld maken; Indisposed; Indisposition, indispəziš’n, afkeer(igheid), ongesteldheid.

Indisputability, indispjutəbiliti, subst. v. Indisputable, indispjutəb’l, indispjûtəb’l, onbetwistbaar; Indisputed, indispjûtid, onbetwist.

Indissolubility, indisəl(j)ubiliti, subst. v. Indissoluble, indisəl(j)ub’l, indisoljub’l, onoplosbaar, onverbreekbaar; Indissolvable, indizolveb’l, onoplosbaar.

Indistinct, indistiŋkt, onduidelijk, verward; subst. Indistinctness.

Indistinguishable, indistiŋgwišəb’l, niet te onderscheiden; subst. Indistinguishableness.

Indite, indait, schrijven, opstellen; Inditer.

Individual, individjuəl, individueel, persoonlijk, eigendommelijk; subst. persoon, individu; Individualism = individualisme, zelfzucht; Individuality, individjualiti, eigenaardig karakter, individualiteit; Individualization = subst. v. Individualize = onderscheiden, als een individu kenmerken; Individuate, individjueit, individualiseeren; subst. Individuation.

Indivisibility, indivizibiliti, subst. v. Indivisible, indivizib’l, subst. en adj. ondeelbaar (iets).

Indo, indou, (in samenstellingen): Indo-Briton = iemand met een Engelschen vader en eene Brit. Ind. moeder; Indo-China; Indo-Chinese = behoorende tot het Z.O. schiereiland v. Azië; Indo-English = de in Indië geboren of wonende Engelschen betreffend; Indo-European = Arisch, Indo-germaansch; Indo-Germanic = Arisch, Indo-germaansch.

Indocile, indousil, indosil, onleerzaam, onhandelbaar; subst. Indocility, indəsiliti.

Indoctrinate, indoktrineit, onderwijzen, in een stelsel inleiden of er mede vertrouwd maken: I indoctrinated him with these notions; subst. Indoctrination.

Indolence, indəlens, vadsigheid, traagheid, pijnloosheid; adj. Indolent, indəlent: Indolent tumour = pijnloos gezwel.

Indomitable, indomitəb’l, ontembaar, onoverwinnelijk.

Indoor, indö, adj. binnen, huiselijk, huis...: Indoors, indöz, indöz, adv. binnenshuis, thuis.

Indorse, indös, Zie Endorse.

Indraught, Indraft, indrâft, binnenstroomen van water of lucht.

Indubitable, indjûbitəb’l, Indubitate, indjûbitit, ontwijfelbaar.

Induce, indjûs, bewegen, nopen, veroorzaken, induceeren; Inducement = aanleiding, beweegreden, drijfveer, prikkel.

Induct, indɐkt, inwijden, installeeren; (into), in een (geestelijk) ambt bevestigen; Induction, indɐkš’n, begin, installatie, bevestiging, inductie (electr.), inleiding, gevolgtrekking uit waargenomen feiten; Induction-coil = inductierol (-klos); Inductive = inleidend, door gevolgtrekking uit waargenomen feiten, inductie, inductief..: Inductive method; Inductive sciences = op waarneming gegronde wetenschappen; Inductor = hij, die installeert, inductor (Electr.).

Indue, indjû, bekleeden, verschaffen.

Indulge, indɐldž, toegeven, zich overgeven, voeden, koesteren, verwennen, zuipen: She indulges her children too much = geeft te veel toe; To indulge a dream = koesteren; He indulges in indolence = geeft zich over aan; This writer indulges himself with a trifle of exaggeration = veroorlooft zich eenige overdrijving; We indulged ourselves with tickets for the opera = permitteerden ons de weelde; Indulgence, Indulgency = toegevendheid, verdraagzaamheid, uitstel van betaling, uitspatting, aflaat; Indulgent = toegeeflijk, zacht.

Indurate, indjureit, verharden, ongevoelig maken, worden; subst. Induration.

Industrial, indɐstriəl, vlijtig, nijverheids..; subst. industriëel: Industrial exhibition = nijverheidstentoonstelling; Industrial school = ambachtsschool; ook soort tuchtschool; Industrial school-ship = opleidingsschip voor verwaarloosde kinderen; A penal industrial settlement = strafkolonie; Industrious, indɐstriəs, vlijtig, nijver, arbeidzaam; Industry, indəstri, ijver, vlijt, nijverheid: School of industry.

Inebriant, inîbriənt, dronken makend (middel); Inebriate, inîbri-it, subst. en adj. dronken (mensch); Inebriant verb. inîbrieit, dronken maken; Inebriation = dronkenschap, roes; Inebriety, inibraiiti, dronkenschap (vooral van een ‘habitual drunkard’).

Inedited, ineditid, onuitgegeven.

Ineffability, inefəbiliti, subst. v. Ineffable, inefəb’l, onuitsprekelijk.

Ineffaceable, inefeisəb’l, onuitwischbaar.

Ineffective, inefektiv, zonder uitwerking, vruchteloos, ondeugdelijk; subst. onbruikbaar mensch; subst. Ineffectiveness; Ineffectual, inefektjuəl = Ineffective.

Inefficacious, inefikeišəs, zonder uitwerking, vruchteloos; subst. Inefficaciousness = Inefficancy = Inefficiency, ook onbekwaamheid; adj. Inefficient.

Inelegance, ineləg’ns, smakeloosheid, onbevalligheid; adj. Inelegant, ineləg’nt.

Ineligible, inelidžib’l, onverkieslijk, onverkiesbaar.

Inept, inept, ongerijmd, dwaas; subst. Ineptitude = Ineptness.

Inequality, inikwoliti, ongelijkheid, oneffenheid, verschil, onbevoegdheid, partijdigheid.

Inequilateral, inîkwilatər’l, ongelijkzijdig.

Inequitable, inekwitəb’l, onbillijk.

Inequity, inekwiti, onbillijkheid.

Ineradicable, iniradikəb’l, onuitroeibaar.

Inert, inɐ̂t, bewegingloos, log, traag; Inertia, inɐšə, traagheid (Natuurk.) = Vis inertiae (inɐ̂ši-î); Inertion = Inertness = traagheid.

Inessential, inəsenš’l. Zie Unessential.

Inestimable, inestiməb’l, onschatbaar.

Inevitability, inevitəbiliti, subst. v. Inevitable, inevitəb’l, onvermijdelijk; subst. Inevitableness.

Inexact, inəgzakt, onnauwkeurig; subst. Inexactitude = Inexactness.

Inexcitable, inəksaitəb’l, loom, lusteloos.

Inexcusable, inəkskjûzəb’l, onvergeeflijk; subst. Inexcusableness.

Inexhaustibility, inəgz(h)ôstibiliti, subst. v. Inexhaustible, inəgz(h)ôstib’l, onuitputtelijk, onvermoeid = Inexhaustive, inəgz(h)ôstiv, niet uitputtend.

Inexorability, ineksərəbiliti, subst. v. Inexorable, ineksərəb’l, onverbiddelijk; subst. Inexorableness.

Inexpedience, -cy, inəkspîdj’ns(i), ongeschiktheid, onraadzaamheid; adj. Inexpedient, inəkspîdj’nt.

Inexpensive, inəkspensiv, goedkoop.

Inexperience, inəkspîrj’ns, onervarenheid; Inexperienced = onervaren, onbevaren.

Inexpert, inəkspɐ̂t, onbedreven; subst. Inexpertness.

Inexpiable, inekspiəb’l, onverzoenbaar; subst. Inexpiableness.

Inexplicability, ineksplikəbiliti, subst. v. Inexplicable, ineksplikəb’l, onverklaarbaar: Inexplicables = broek; subst. Inexplicableness.

Inexpressible, inəkspresib’l, onuitsprekelijk; Inexpressibles = broek; Inexpressive, inəkspresiv, zonder uitdrukking.

Inexpugnable, inəkspɐgnəb’l, inəkspjûnəb’l, onoverwinnelijk, onneembaar.

Inextinguishable, inəkstiŋgwišəb’l, onbluschbaar.

Inextricable, inekstrikəb’l, niet ontwarbaar; subst. Inextricableness.

Inez, ainîz.

Infallibilism, infalibilizm, het dogma van, en het geloof aan de pauselijke onfeilbaarheid; Infallibility, infalibiliti, onfeilbaarheid; Infallible, infalib’l, onfeilbaar, zeker; subst. Infallibleness.

Infamous, infəmɐs, schandelijk, verfoeilijk, berucht; Infamy, infəmi, schande, laagheid.

Infancy, inf’nsi, kindsheid, minderjarigheid, aanvang, eerste stadium.

Infant, inf’nt, kind, minderjarige; adj. klein, teeder, kinderlijk; kinder...: Infant in arms = schootkindje; Infant games; Infant mortality; Infant-school, Infants’ school = bewaarschool; His infant son = zoontje; Infanta, infantə, Infante, infanti, koninklijke prinses of prins, behalve de troonopvolgster of den troonopvolger (Spanje); Infanticide, infantisaid, kindermoord(enaar); Infantile, inf’nt(a)il, Infantine, inf’nt(a)in, kinderachtig; kinderlijk = Infantlike.

Infantry, inf’ntri, infanterie: Infantryman = infanterist.

Infatuate, infatjueit; Infatuated = blind ingenomen met, dwaas verliefd op (with); Infatuation, infatjueiš’n, verdwaasdheid, dwaze verliefdheid.

Infect, infekt, besmetten, aansteken; Infection = besmetting, smetstof: To catch (take) the infection = besmet, aangestoken worden; Infectious, infekšəs, besmettelijk, aanstekelijk; subst. Infectiousness; Infective = Infectious.

Infecundity, infikɐnditi, onvruchtbaarheid.

Infelicitous, infilisitɐs, ongelukkig; Infelicity, infilisiti, ongeluk, ellende, rampspoed, ongelukkig gekozen uitdrukking.

Infer, infɐ̂, eene gevolgtrekking maken, een besluit trekken; Inferable = afleidbaar, volgend; Inference, infərens, gevolgtrekking; Inferential, infərenš’l, afleidbaar = By inference; I could only gather it inferentially = slechts uit het medegedeelde opmaken.

Inferior, infîriə, minder, lager, ondergeschikt; ook subst.: I am inferior to none in love of country = doe voor niemand onder; Inferiority, infîrioriti, minderheid.

Infernal, infɐ̂n’l, helsch, duivelsch, verfoeilijk, kolossaal, kras: Infernal machine = helsche machine; Infernal-stone = helsche steen.

Inferno, infɐ̂nou, de hel.

Infertile, infɐ̂t(a)il, onvruchtbaar; subst. Infertility.

Infest, infest, aanvallen, overvallen, invallen, verwoesten, onveilig maken, kwellen; wemelen van (= To be infested with); subst. Infestation.

Infidel, infidel, subst. en adj. ongeloovig(e); Infidelity, infideliti, ongeloof, twijfelzucht, ontrouw, verraad, bedrog.

Infiltrate, infiltreit, insijpelen, langzaam doordringen; subst. Infiltration.

Infinite, infinit, oneindig, grenzeloos; subst. oneindigheid, oneindige ruimte, onbepaalde hoeveelheid, Hoogste Wezen; Infinitesimal, infinitesim’l, oneindig klein; Infinitude, infinitjûd, Infinity, infiniti, oneindigheid.

Infinitival, infinitaiv’l, infinitiv’l, tot de onbep. wijs behoorend; Infinitive, infinitiv, onbepaalde wijs.

Infirm, infɐ̂m, zwak, onzeker, weifelend; Infirmarian, infɐ̂mêriən, ziekentrooster; Infirmary = ziekenhuis; Infirmity = zwakheid (ook fig.); ziekelijkheid = Infirmness.

Infix, infiks, inplanten, inprenten.

Inflame, infleim, doen ontvlammen, verbitteren, doen gloeien; gloeiend worden: He inflamed them against England = zette ze op tegen; Inflammability, inflaməbiliti, ontvlambaarheid, ook fig.; Inflammable, inflaməb’l, ontvlambaar (Inflammables = brandbare lichamen); subst. Inflammableness; Inflammation, infləmeiš’n, ontbranding, opwinding, ontsteking; Inflammatory, inflamətəri, prikkelend, ontsteking veroorzakend, opruiend.

Inflatable, infleitəb’l, opblaasbaar; Inflate, infleit, opblazen, uitzetten, opdrijven, opgeblazen maken; Inflater = fietspomp; Inflation = opblazing, kunstmatige opdrijving, etc.: The inflation of (To inflate) worthless securities with an artificial value; Inflationist, infleišənist, voorstander van de vermeerdering van papieren geld; agioteur (Amer.); Inflator = Inflater; Inflatus = inspiratie.

Inflect, inflekt, buigen, krommen, verbuigen, moduleeren; Inflection = (ver)buiging, kromming, buigingsvorm, modulatie; Inflectional = buigings...; Inflexibility, subst. v. Inflexible, infleksib’l, onbuigzaam, onverbiddelijk; Inflexion(al) = Inflection(al).

Inflict, inflikt, opleggen (van boete of straf), doen gevoelen, toebrengen; Infliction, inflikš’n, het toebrengen, opgelegde straf, last, bezoeking.

Inflorescence, inflores’ns, bloeiwijze.

Inflow, inflou. Zie Influx.

Influence, influens, subst. invloed, macht; Influence verb. invloed hebben op, inwerken op: He has influence at Court = invloed aan het hof; These things have no influence with me = hebben geen invloed; He bragged of influence over his mother = dat hij zijne moeder naar zijne hand kon zetten; Influential, influenš’l, invloedrijk; Influenza, influenzə, griep; besmettelijke paardenziekte.

Influx, inflɐks, instrooming, toevoer, toevloed.

Inform, inföm, onderrichten, mededeelen, aangeven; vorm geven aan, bezielen: He informed against me = diende een aanklacht in tegen mij; He informed me of it = berichtte het mij; His book is informed with intense conviction = is bezield door, gloeit van; Informed with one spirit = bezield; Informant = aanbrenger, zegsman; Information, infömeiš’n, kennis, bericht, inlichting(en), kennisgeving, geschreven beëedigde aanklacht; Informer = aanklager: Common informer = verklikker.

Informal, inföm’l, niet formeel; Informality = informaliteit.

Infra, infrə: Infra dig = beneden de waardigheid.

Infract, infrakt, schenden; Infraction = schending, breuk: Infraction of faith = trouwbreuk.

Infrequence, -cy, infrîkw’ns(i), zeldzaamheid; adj. Infrequent, infrîkw’nt.

Infringe, infrinž, inbreuk maken op, schenden, overtreden; subst. Infringement; Infringer.

Infuriate, infjûriit, adj. woedend, razend: Infuriate verb. (infjûrieit), woedend of razend maken.

Infuse, infjûz, ingieten, ingeven, inprenten, een infusie maken, drenken: He infused his life into his poetry = legde in, doordrong; Infuser; Infusibility, subst. v. Infusible, infjûzib’l, onsmeltbaar; Infusion, infjûž’n, ingieting, doordringing, infusie.

Infusoria, infjusôriə, infusiediertjes; adj. Infusorial = tot de infusoria behoorend of die bevattende; Infusorian = infusiediertje.

Ingathering, ingadhəriŋ, inzameling: Feast of Ingathering (2 Mos. 23, 16).

Ingelow, indžəlou.

Ingeminate, indžemineit, herhalen.

Ingenious, indžîniəs, vernuftig, talentvol, vindingrijk, geestig; subst. Ingeniousness = Ingenuity, indžənjûiti.

Ingenue, Fr. uitspr. naïef, onschuldig, ingenue; ook subst.

Ingenuous, indženjuəs, oprecht, openhartig, ongekunsteld; subst. Ingenuousness.

Ingest, indžest, voedsel in de maag brengen; subst. Ingestion.

Ingle, iŋg’l, vuur, haard (Schotl.): In the ingle of a window = hoekje; Ingle-nook = hoekje van den haard.

Inglorious, inglôriəs, roemloos, onbekend, schandelijk; subst. Ingloriousness.

Ingoing, ingouiŋ, subst. het ingaan, aanvaarden; adj. binnengaand, een ambt aanvaardend.

Ingot, iŋgət, in-got, baar of staaf (goud, zilver, staal).

Ingraft, ingrâft, enten; Ingrafter = enter; Ingraftment.

Ingrain, ingrein, (predikatief: ingrein), adj. in de wol geverfd, ingeworteld, doortrapt; Ingrain verb. ingrein, ingrein, in de wol verven, doordringen, verzadigen; Ingrain(-carpet) = in de wol geverfd vloerkleed.

Ingram, iŋgram.

Ingrate, ingreit, ondankbaar, ondankbare; Ingrateful, ingreitf’l, ondankbaar.

Ingratiate, ingreišieit, (zich) in de gunst dringen bij (with), steeds reflexief.

Ingratitude, ingratitjûd, ondankbaarheid.

Ingredient, ingrîdj’nt, bestanddeel.

Ingress, ingres, toegang, intrede, aanvaarding; Ingression = intrede.

Ingulf, ingɐlf, (als in een afgrond) verzwelgen.

Ingurgitate, ingɐ̂džiteit, verzwelgen; subst. Ingurgitation.

Inhabit, inhabit, wonen, bewonen; Inhabitable = bewoonbaar; Inhabitancy = woonplaats, domicilie; Inhabitant = bewoner, inwoner; Inhabitation = bewoning.

Inhalation, inhəleiš’n, subst. v. Inhale, inheil, inademen, inhaleeren: Inhaler = respirateur, inhaleertoestel.

Inharmonic(al), inhâmonik(’l), Inharmonious, inhâmounjəs, onwelluidend.

Inhaul(er), inhôl(ə), inhaler (zeeterm).

Inhere, inhîə, onafscheidelijk verbonden zijn; Inherence, Inherency, inhîr’ns(i), onafscheidelijkheid, inhaerentie; Inherent = inhaerent: It is inherent in the blood = zit in het bloed.

Inherit, inherit, erven; Inheritability, erfelijkheid, overerving; Inheritable = erfbaar; Inheritance = erfenis, erflating; Inheritor = erfgenaam; vr. Inheritress = Inheritrix.

Inhibit, inhibit, terughouden, beletten, verbieden; subst. Inhibition, inhibiš’n, verbod tot het uitoefenen van geestelijke bedieningen, aangaan van schulden, geven van crediet; adj. Inhibitory.

Inhospitable, inhospitəb’l, onherbergzaam, ongastvrij; subst. Inhospitality.

Inhuman, inhjûm’n, onmenschelijk, wreed: An inhuman hunger = verschrikkelijke honger; subst. Inhumanity, inhjumaniti.

Inhumation, inhjumeiš’n, begraving; Inhume, inhjûm, begraving.

Inimical, inimik’l, vijandelijk, schadelijk.

Inimitability, inimitəbiliti, subst. v. Inimitable, inimitəb’l, onnavolgbaar; subst. Inimitableness.

Iniquitous, inikwitɐs, zondig, onrechtvaardig; Iniquity, inikwiti, ongerechtigheid, onrechtvaardigheid, zonde, misdaad.

Inirritability, iniritəbiliti, subst v. Inirritable, iniritəb’l, ongevoelig.

Initial, iniš’l, beginnend, eerste, voorste; subst. beginletter, vóórletter; Initial verb. met zijn initialen teekenen (borduren), parafeeren; Initiate, inišiit, nieuw...; nieuweling, ingewijde; verb. (inišieit), inleiden, in de eerste beginselen onderrichten, inwijden; Negotiations on the lines initiated at Bloemfontein = onderhandelingen in de lijn der voorloopige besprekingen te B; subst. Initiation; Initiative = inleidend; subst. eerste stap, begin, initiatief: To take the initiative in; Initiatory = inleidend, inwijdend.

Inject, indžekt, inspuiten, inbrengen; subst. Injection: Inject-cock = injector; Inject-pipe; Inject-syringe = injectiespuitje; Injector = injector.

Injudicious, indžudišəs, onoordeelkundig, onverstandig; subst. Injudiciousness.

Injunct, indžɐŋkt, uitdrukkelijk verbieden, inscherpen; Injunction = opdracht, bevel, rechterlijk verbod: To give strict injunctions to = To lay strong injunctions upon a person = iemand op het hart binden.

Injure, inžə, onrecht doen, verongelijken, krenken, benadeelen, kwetsen; Injurer; Injurious, indžûriəs, nadeelig, schadelijk, krenkend; subst. Injuriousness; Injury, inžəri, onrecht, schade, beleediging, krenking, verwonding: He is detained by an injury to his leg = door eene wond aan zijn been.

Injustice, indžɐstis, onrecht(vaardigheid).

Ink, iŋk, subst. inkt; Ink verb. zwart maken, met inkt besmeren; Ink-bag = inktblaas (bij visschen); Ink-blot = vlek; Ink-bottle = inktflesch; Ink-eraser = inktgomelastiek; Ink-fish = inktvisch; Ink-holder = reservoir; Ink-lines = gelinieerd blad; Ink-slinger = broodschrijver, journalist (Amer.); Inkstand = inktkoker, inktstel; Ink-stone = inktsteen; Inkiness = inktachtigheid, zwartheid; Inking: Inking-ball = drukbal; Inking-pad = inktkussen; Inky = inktachtig, zwart; Inkyburn = de Hel: I wished him at Inkyburn = ik wou, dat hij op de Mookerhei zat.

Inkle, iŋk’l, breed lint, soort sajet.

Inkling, iŋkliŋ, wenk, flauw idee (van): He has an inkling of it = hij weet er iets van; I gathered an inkling of their project = kreeg er de lucht van.

Inknit, in-nit, inbreien, vastmaken.

Inknot, in-not, met een knoop vastmaken.

Inland, inland, binnenlandsch: Inland duty = accijns; Inland navigation = binnenscheepvaart; Inland revenue = binnenlandsche rechten; Inland sea = binnenzee; Inland town = landstad, binnenl. stad.

Inlay, inlei, inlei, subst. mozaïek, fineerhout; Inlay verb. inlei, inleggen, met mozaïek versieren; Inlaid, inleid; predikatief: inleid: A mother-of-pearl inlaid desk = met paarlemoer ingelegde.

Inlet, inlet, ingang, baai, inham.

Inly, inli, innerlijk: Man’s conscience is an inly-written law = innerlijke, in zijn binnenste geschreven; He chuckled inly = lachte in zich zelf.

Inmate, inmeit, medebewoner, huisgenoot, bewoner: The carriage was crumbled up, and most of the inmates killed = inzittenden.

Inmost, inmoust, binnenste, geheimste.

Inn, in, subst. herberg; college van rechtsgeleerden en studenten: Inns of Chancery = opleidingsschool voor de studenten in de rechten (in vroeger tijd); Inns of Court = 4 colleges: Inner en Middle Temple, Lincoln’s en Gray’s Inn, waar de aanstaande juristen hunne opleiding tot barrister ontvangen, examens afleggen en later vaak hunne bureau’s (Chambers) hebben; Inn-keeper = herbergier.

Innate, in-neit, in-neit, ineit, in- of aangeboren: Innate ideas = aangeboren begrippen; subst. Innateness.

Inner, inə, meer naar binnen gelegen, innerlijk, binnen ...: The inner man = inwendige mensch, maag; The inner office = kantoor van den chef; That’s an inner = een mooi schot; He has made an inner = hij heeft in de roos (behalve de “witte”) geschoten; Innermost = binnenste.

Innervate, inɐ̂veit, prikkelen; Innervation = zenuwprikkeling (versterking); Innerve = sterken.

Inning, iniŋ: Innings = aangeslibd land; beurt om te spelen (bij het cricket), gelegenheid, kans: To have one’s innings = “aan slag” zijn (fig.); He had a long innings = prachtige gelegenheid.

Innocence, inəsens, onschuld, onnoozelheid; Innocent = onschuldig; Innocentius: You needn’t do the innocent with me = je van den domme houden; Massacre of the Innocents = Innocents’ Day = 28 December (Zie Matth. II, 16).

Innocuous, in-nokjuəs, onschadelijk; subst. Innocuousness.

Innominate, in-nominit, naamloos: Innominate bone = schaambeen.

Innovate, inəveit, nieuwigheden invoeren, veranderingen aanbrengen; subst. Innovation; Innovative = verzot op ’t invoeren van nieuwigheden; Innovator.

Innoxious, in-nokšəs, onschadelijk; subst. Innoxiousness.

Innuendo, injuendou, wenk, (hatelijke) toespeling.

Innumerability, in-njumərəbiliti, subst. v. Innumerable, in-njûmərəb’l, ontelbaar, talloos = Innumerous.

Innutritious, injutrišəs, niet voedzaam = Innutrative.

Inobservance, inobzɐ̂v’ns, Inobservancy, subst. v. Inobservant, inobzɐ̂v’nt, achteloos.

Inoccupation, inokjupeiš’n, gebrek aan bezigheid, werkeloosheid.

Inoculate, inokjuleit, enten, inenten; subst. Inocculation.

Inoffensive, inofensiv, onschadelijk, argeloos; subst. Inoffensiveness.

Inoperative, inopərətiv, zonder uitwerking.

Inopportune, inopətjûn, ongelegen, ontijdig; subst. Inopportunity.

Inordinate, inödinit, ongeregeld, buitensporig: To keep inordinate hours = ongeregeld opstaan en te bed gaan.

Inorganic(al), inöganik(’l), onbewerktuigd.

Inosculate, inos’kjuleit, inmonden van aderen; nauw verbinden; in nauw verband staan.

In-patient, in-peiš’nt, verpleegde (in een hospitaal, etc.).

Inquest, inkwest, onderzoek: Coroner’s inquest = gerechtelijke lijkschouwing.

Inquietude, inkwaiitjûd, ongerustheid.

Inquire, inkwaiə, vragen, onderzoeken: Inquire after him = informeer naar; He inquired into the matter = onderzocht; Inquire within = informatiën hier te verkrijgen; Inquirer; Inquiring look = vorschende, vragende blik; Inquiry, inkwairi, vraag, onderzoek, navraag: Writ of Inquiry = rechterlijk bevel ter vaststelling van het bedrag eener schadeloosstelling; To make inquiries = onderzoek doen; Inquiry-office = informatiebureau; Inquisition, inkwiziš’n, onderzoek, inquisitie, gerechtelijk onderzoek; Inquisitive, inkwizitiv, onderzoekend, nieuwsgierig; subst. Inquisitiveness; Inquisitor, inkwizitə, rechter met het onderzoek belast, inquisiteur; Inquisitorial, inkwizitôriəl, streng onderzoekend, tot de inquisitie behoorende.

Inroad, inroud, vijandelijke inval, inbreuk: To make an inroad upon = inbreuk maken op.

Inrush, inrɐš, inval, binnendringen.

Insalubrious, insəl(j)ûbriəs, ongezond; subst. Insalubrity, insəl(j)ûbriti.

Insane, insein, krankzinnig, dol; subst. Insaneness = Insanity, insaniti.

Insatiability, inseišəbiliti, subst. v. Insatiable, inseišəb’l, onverzadelijk; Insatiate, inseišit, onverzadelijk, onverzadigd.

Inscribe, inskraib, opschrijven, graveeren, opdragen, wijden, inprenten (Inscribe on the memory), beschrijven; Inscriber; Inscription = opschrift, opdracht, onderschrift; Inscriptive = van een opschrift voorzien.

Inscrutability, inskrutəbiliti, subst. v. Inscrutable, inskrûtəb’l, onnaspeurlijk; subst. Inscrutableness.

Insect, insekt, subst. insect; adj. als van een insect, klein, verachtelijk: Insect-powder; Insecticide, insektisaid, praeparaat om insecten te dooden; Insectivora, insektivərə, insecten-etenden; Insectivorous, insektivərɐs, insectenetend.

Insecure, insəkjûə, onveilig; subst. Insecurity, insəkjûriti.

Insensate, insensit, gevoelloos, zinneloos, onzinnig.

Insensibility, insensibiliti, subst. v. Insensible, insensib’l, onmerkbaar, ongevoelig, niet bewust, onverschillig, bewusteloos: Insensible of danger, Insensible of pain, Insensible to shame; Insensibly = onmerkbaar, langzamerhand; Insensitive = ongevoelig (to); Insensient = gevoelloos.

Inseparability, insepərəbiliti, subst. v. Inseparable, insepərəb’l, onscheidbaar, onafscheidelijk; subst. Inseparableness; Inseparate = onscheidbaar (from).

Insert, insɐ̂t, opnemen, invoegen; Insertion, insɐ̂š’n, plaatsing of opneming (Amer. = Insert), inlassching, tusschenzetsel.

Inset, inset, inzetten, inleggen; Inset = het ingezette, ingezet blad.

Insheathe, inšîdh, in de scheede steken.

Inshore, inšö, nabij of aan de kust, naar de kust toe.

Inside, insaid, insaid, subst. binnenkant, binnenste, inhoud, passagier binnenin; adj. insaid, aan den binnenkant, inwendig, binnen: To turn inside out = binnenste buiten; Inside callipers = bolpasser; Insider, insaidə, ingewijde.

Insidious, insidjəs, verraderlijk, sluw, arglistig; subst. Insidiousness.

Insight, insait, inzicht, begrip.

Insignia, insigniə, onderscheidingsteekenen.

Insignificance, Insignificancy, insignifik’ns(i), onbeteekenendheid; adj. Insignificant.

Insincere, insinsîə, onoprecht, huichelachtig; subst. Insincerity, insinseriti.

Insinuate, insinjueit, zich ongemerkt indringen, ongemerkt voeren of plaatsen tusschen (among), bedekt te kennen geven, kronkelen: They insinuated the pony among carts and baskets; She insinuated herself into her mother’s favour; Insinuating, insinjueitiŋ, kronkelend, inpakkend, vleierig; Insinuation = vleiend op- of indringen; insinuatie; Insinuative = insinueerend, inpakkend; Insinuator.

Insipid, insipid, laf, smakeloos; subst. Insipidity, insipiditi.

Insist, insist, aandringen, staan op, blijven bij: This need hardly be insisted on = hierover behoeven we niet uit te weiden; Insistence (Insistance) = halstarrigheid, aandrang; adj. Insistent.

Insnare, insnêə, verstrikken, verleiden; Insnarer.

Insobriety, insəbraiiti, onmatigheid.

Insociable, insoušəb’l, ongezellig.

Insolence, insəlens, onbeschaamdheid; adj. Insolent.

Insolubility, insoljubiliti, subst. v. Insoluble, insoljub’l, onoplosbaar, onverklaarbaar.

Insolvency, insolv’nsi, staat van onvermogen; Insolvent, insolv’nt, subst. en adj. onvermogend(e), insolvent.

Insomnia, insomniə, slapeloosheid.

Insomuch, insoumɐtš, voor zooverre, zóó dat.

Inspan, inspan, aanspannen (Transvaal).

Inspect, inspekt, inspecteeren, het opzicht houden over; Inspection, inspekš’n, nauwkeurig onderzoek, opzicht: For your kind inspection = ter inzage; Inspector = inspecteur; Inspectorate = Inspectorship = opzienerschap, inspectie (-district).

Inspiration, inspireiš’n, inademing, ingeving, inspiratie; Inspirational = geinspireerd, inspireerend; Inspirationist = iemand die gelooft dat ieder woord van den Bijbel door den H. Geest is ingegeven; Inspiratory, inspairətəri, inspirətəri: Inspiratory muscle = longspier; Inspire, inspaiə, inademen, ingeven, inboezemen, bezielen.

Inspirit, inspirit, bezielen, geest en leven mededeelen, opwekken, moed geven.

Inspissate, inspisit, adj. verdikt; Inspissate verb. (inspiseit, inspiseit), verdikken, indampen; dik worden; subst. Inspissation.

Instability, instəbiliti, onbestendigheid, wankelmoedigheid.

Install, instôl, met een ambt bekleeden, installeeren; Installation = installatie; Installment = installatie, afdoening, termijn (van betaling), gedeelte: They bought a piano on the installment plan = op afbetaling in termijnen; The article will be inserted in installments = bij gedeelten.

Instance, inst’ns, subst. aandrang, verzoek, instantie, geval, voorbeeld; Instance verb. een voorbeeld aanhalen of geven: At the instance of = op aandrang van; He resigned at the instance of popular clamour = op den krachtigen aandrang der volksstem; For instance = bij voorbeeld; It was a kind thought in the first instance = in de eerste plaats; Instant, inst’nt, loopend, dadelijk, dringend; subst. oogenblik; The fifth inst(ant) = de 5de dezer; This instant, On the instant = dadelijk; Instantaneous, inst’nteinjəs, oogenblikkelijk, in een oogenblik, moment - -; subst. Instantaneousness; Instanter, instantə, dadelijk, onmiddellijk; Instantly = dadelijk: We expect it instantly = elk oogenblik.

Instate, insteit, aanstellen, plaatsen.

Instauration, instôreiš’n, hernieuwing, herstelling.

Instead of, instedəv, in plaats van.

Instep, instep, wreef (van den voet): To be (To go) high in the instep = den neus in den wind steken.

Instigate, instigeit, aansporen, aanzetten, ophitsen; subst. Instigation: Under the instigation of = op aansporing van; Instigator, instigeitə, aanzetter, ophitser.

Instil, instil, indruppelen, langzamerhand inprenten; subst. Instillation = Instilment.

Instinct, instiŋkt, subst. natuurdrift; adj. (instiŋkt), bezield, doordrongen van, vol: Instinct with life; Instinctive, instiŋktiv, instinctmatig, spontaan.

Institute, institjût, subst. instelling, wet, genootschap(sgebouw), (wets)instituut; Institute verb. instellen, stichten, vaststellen, beginnen, aanstellen: An inquiry was instituted into (as to) his actions = ingesteld; Institution, institjûš’n, instelling, aanstelling, wet, stichting, genootschap(sgebouw); Institutional = instellend, vastgesteld, elementair; Institutor, institjûtə, insteller, oprichter: Institutor of law = wetgever.

Instruct, instrɐkt, onderwijzen, leeren, instrueeren, last geven: To instruct national opinion = opvoeden; He was instructed out = hij werd op hooger last uit zijn ambt ontslagen (Amer.); Instruction = onderwijs, bevel, last; Instructional = onderwijs - -, opvoedings; Instructive = onderwijzend, leerzaam; subst. Instructiveness; Instructor, onderwijzer, instructeur; vr. Instructress.

Instrument, instrument, werktuig, instrument (ook fig.), middel, gereedschap, stuk, document, oorkonde; Instrument verb. instrument, instrumenteeren; Instrumental, instrument’l, instrumentaal; dienstbaar, bevorderlijk voor: That will be instrumental to your welfare = zal strekken tot; Instrumentality = bemiddeling, werktuig, middel: By the instrumentality of = door middel van; Instrumentary, instrumentəri = Instrumental; Instrumentation = arrangement, instrumenteering; Instrumentoon, instrum’ntûn, kwispeldoor (Amer.).

Insubordinate, insəbödinit, weerspannig, oproerig; subst. Insubordination.

Insuccess, insəkses: Methods, received with conspicuous insuccess = waarmee men absoluut geen succes had.

Insufferable, insɐfərəb’l, onverdragelijk.

Insufficiency, insəfiš’nsi, ongenoegzaamheid, onbekwaamheid; adj. Insufficient.

Insufflation, insəfleiš’n, inblazing, opgeblazenheid; Insufflator = inblaasapparaat.

Insular, insiulə, van een eiland, geisoleerd, bekrompen; subst. Insularism = Insularity, insiulariti.

Insulate, insiuleit, afzonderen, isoleeren (ook in natuurk. zin): Insulating-stool (electr.); The insulation of overhead wires = het isoleeren van; Insulator, insiuleitə, isolator.

Insult, insɐlt, beleediging, hoon.

Insult, insɐlt, beleedigen, honen; Insulter.

Insuperability, insiupərəbiliti, subst. v. Insuperable, insiûpərəb’l, onoverkomelijk; subst. Insuperableness.

Insupportable, insəpötəb’l, on(ver)dragelijk; subst. Insupportableness.

Insuppressible, insəpresib’l, niet te onderdrukken.

Insurable, inšûrəb’l, verzekerbaar; Insurance, inšûr’ns, verzekering (in ’t algemeen; op het leven ook wel assurance), assurantie: To effect (To make) an insurance = een verzekering sluiten; Accident insurance = verzekering tegen ongevallen; Fire, Hailstorm, Life, Live Stock, Marine, Sanitary insurance = verzek. tegen brand, hagelslag, levensverzek., veeverzek., zeeassurantie, verz. tegen ziekte en invaliditeit; Insurance-agent; Insurance-broker = assuradeur; Insurance-company = verzekeringsmaatschappij; Insurance-money = verzekeringspremie; Insurance-office = assurantiekantoor; Insurance-policy = assurantiepolis; Insure, inšûə, verzekeren: I insured my voyage out and home = heb mij voor de heen- en terugreis verzekerd; Insured: The insured party = Party insured = de verzekerde; Insurer = verzekeraar.

Insurgence, -cy, insɐ̂dž’ns(i), opstand; Insurgent, insɐ̂dž’nt, subst. en adj. oproermaker, oproerig.

Insurmountable, insəmauntəb’l, onoverkomelijk; subst. Insurmountableness.

Insurrection, insərekš’n, opstand, muiterij: They rose (were roused) in insurrection against their lawful prince = kwamen in (werden gebracht tot) opstand tegen; adj. Insurrectional = Insurrectionary; Insurrectionist = Insurgent.

Insusceptibility, insəseptibiliti, subst. v. Insusceptible, insəseptib’l, onvatbaar (voor indrukken).

Intact, intakt, onaangeroerd, ongeschonden.

Intaglio, intaljou, intâljou, subst. gegraveerde edelsteen, tegenover Cameo (die in relief is gesneden).

Intake, inteik, inham, vernauwing, insnoering.

Intangibility, intandžibiliti, subst. v. Intangible, intanžib’l, onvoelbaar, ontastbaar.

Integer, intədžə, het geheel, geheel getal; Integral, intəgr’l, subst. geheel getal, integraal; adj. geheel, volledig, ongeschonden, integraal...; Integrant, intəgr’nt, deel van een geheel vormend, integreerend: Integrant parts = samenstellende deelen; Integrate, intəgreit, het geheel aanwijzen, de integraal vinden van; subst. Integration.

Integrity, integriti, oprechtheid, braafheid, onverdorvenheid, volledigheid.

Integument, integjument, vlies, vel, huid; adj. Integumental = Integumentary.

Intellect, intəlekt, verstandelijk vermogen; ontwikkeling, de ontwikkelden: Intellects = verstand: Disordered in his intellects; Intellective, intəlektiv, verstandelijk; Intellectual, intəlektjuəl, verstands..., intellectueel: Intellectual powers = verstandelijke vermogens; Intellectalism, intəlektjuəlizm, de leer dat alle kennis van de zuivere rede komt, rede-overschatting; Intellectuality = verstandelijk vermogen.

Intelligence, intelidžens, verstand, oordeel, begrip, verkregen kennis, vlugheid v. begrip; bericht, inlichting, nieuws: A wink of intelligence = knipoogje van verstandhouding; Intelligence department = informatie-departement (-bureau); Intelligence-office = informatiebureau, adreskantoor; Intelligent, intelidžent, verstandig, vlug v. geest, intelligent; Intelligibility, intelidžibiliti, begrijpelijkheid, duidelijkheid; adj. Intelligible.

Intemperance, intempər’ns, onmatigheid, overdaad; Intemperate, intempərit, onmatig, te buiten gaande; guur, ruw.

Intend, intend, zich voornemen, van plan zijn, bedoelen, bestemmen: He is intended for the church = zal predikant worden; I intend to leave (leaving) at four = ben van plan; She is intended to marry him = zij is voor hem bestemd; He is not intended to listen = niet van plan; Intended = subst. en adj. verloofd(e).

Intendancy, intend’nsi, intendance; Intendant = intendant.

Intense, intens, krachtig, ingespannen, hevig, geweldig, bovenmate; subst. Intenseness; Intensification = versterking, verhooging; Intensifier = versterker; Intensify, intensifai, verhoogen, versterken.

Intension, intenš’n, spanning, intensiteit; Intensity, intensiti, intensiteit, kracht, hevigheid; Intensive, intensiv, versterkend, intensief: Intensive cultivation.

Intent, intent, subst. plan, voornemen, bedoeling: He is the right man to all intents and purposes = in alle opzichten, inderdaad; To the intent that = opdat (veroud.); He is intent on his work = ijverig bij, vervuld van zijn werk; He looked intently at me = opmerkzaam; Intention = voornemen, doel, bedoeling, einde: By the first intention = snel; Intentional = met een bepaald oogmerk; A well-intentioned man = met goede bedoelingen; Intentness = gespannen opmerkzaamheid, ijver.

Inter, intɐ̂, ter aarde bestellen, begraven; Interment = teraardebestelling.

Inter, intə, in samenstellingen: tusschen in: Inter alia, (intəreiljə) = o.a.

Interact, intərakt, subst. tusschenbedrijf, tusschenwerk; Interact verb. intərakt, wederzijds werken op; Interactaction = wisselwerking.

Interbreed, intəbrîd, kruisen van dieren of planten.

Intercalate, intɐ̂kəleit, inlasschen, inschuiven (van een dag, b.v.); Intercalary = ingelascht: Intercalary day; Intercalation = inlassching.

Intercede, intəsîd, tusschenbeide komen, pleiten, voorspreken; Interceder.

Intercept, intəsept, onderscheppen, tegenhouden, verbreken, afsnijden, versperren, afbreuk doen aan: To intercept the trade; subst. Interception.

Intercession, intəseš’n, voorspraak, tusschenkomst, bemiddeling: To make intercession to a person for; adj. Intercessional: Intercessor, intəsesə, middelaar, tusschenpersoon: Intercessiony = bemiddelend.

Interchange, intətšeinž, subst. ruil, wisseling, ruilhandel, afwisseling; Interchange verb. intətšeinž, wisselen, ruilen, ruilhandel drijven, afwisselen; subst. Interchangeability, adj. Interchangeable = verwisselbaar, afwisselend.

Intercolonial, intəkəlounj’l, interkoloniaal, tusschen de koloniën onderling.

Intercommunicate, intəkəmjûnikeit, onderling gemeenschap hebben, met elkaar verkeeren, meedeelen; Intercommunication, onderling verkeer = Intercommunion; Intercommunity, wederzijdsche mededeeling, gemeenschappelijkheid.

Intercourse, intəkös, omgang, verkeer.

Intercross, intəkros, onderling kruisen.

Intercurrent, intəkɐr’nt, ongeregeld: Intercurrent pulse.

Interdependence, intədipend’ns, onderlinge afhankelijkheid; adj. Interdependent.

Interdict, intədikt, verbod: To put an interdict upon = verbieden; To lay under an interdict.

Interdict, intədikt, verbieden: To interdict a person from a thing, To interdict a person, a thing = iemand uitsluiten van (bijv. kerkelijke gemeenschap), subst. Interdiction; adj. Interdictory.

Interest, intərest, belangstelling, belang, voordeel, invloed, aandeel, interest; Interest verb. belang stellen, belang inboezemen, belang hebben, enz.: I disposed of a third interest in the factory = ik verkocht een derde aandeel; To attend to a person’s interests = waken voor de belangen; To excite a person’s interest = belangstelling wekken; To have an interest in = belang hebben bij; He has little or no interest = weinig of geen invloed; Most of them lost on interest account, and closed mills = konden hun interest niet goedmaken; To promote a person’s interests = iemand’s belangen bevorderen; Put out at interest = op interest gezet; To take an interest in = belangstellen in; Compound, simple interest = samengestelde, enkelvoudige interest; The cotton (iron, landed, moneyed, shipping) interest = de gezamenlijke katoenspinners (ijzerhandelaars, landeigenaren, geldmannen, reeders); Interest-ticket, Interest-warrant = coupon; He interested himself for me = stelde belang in mij, trok zich mijner aan; I am interested in your fate = stel belang in; He is interested in the matter = heeft belang bij; Interested marriages (marriages of interest) = waarbij andere belangen in het spel zijn dan de liefde; Interesting = belangwekkend.

Interfere, intəfîə, tusschenbeide komen, benadeelen, storend werken, interfereeren, aanslaan of strijken (van paarden): Don’t interfere with me = bemoei u niet; If it does not interfere with your plan = niet verstoort; Interference, intəfîr’ns, bemiddeling, bemoeiing, botsing, interferentie; Interferer; Interfering = storend, belemmerend.

Interim, intərim, subst. tusschentijd; adj. tijdelijk: In the interim = voorloopig.

Interior, intîriə, binnen, inwendig, binnenlandsch; subst. binnenste, binnenland: Department (Secretary) of the Interior = Departement (Minister) v. Binnenlandsche Zaken (Amer.); Interior angle = binnenhoek.

Interjacency, intədžeis’nsi, tusschenligging; adj. Interjacent.

Interjaculate, intədžakjuleit, aanmerkingen (opmerkingen) tusschenin maken = To interject; Interjection = tusschenwerpsel; adj. Interjectional = Interjectionary = Injectory: Interjectionary remarks = tusschenin gemaakte aanmerkingen.

Interlace, intəleis, tusschenvlechten, doorheen vlechten; doorvlochten of ineengestrengeld zijn: Interlaced arches = kruisbogen; subst. Interlacement.

Interlaminated, intəlamineitid, tusschen twee platen of vlakken gelegen.

Interlard, intəlâd, doorspekken, vermengen.

Interleaf, intəlîf, doorschoten blad; To interleave, intəlîv, doorschieten met wit papier.

Interline, intəlain, tusschen (de regels) schrijven; Interlinear, Interlineal, intəlinjə(l), tusschen de regels, interliniair; Interlineation, intəlinieiš’n, plaatsing tusschen de regels, doorhaling en vervanging van woorden.

Interlock, intəlok, in elkaar sluiten (-haken, -grijpen).

Interlocution, intələkjûš’n, onderhoud; Interlocutor, intəlokjutə, deelnemer aan een gesprek: My interlocutor = de persoon met wien ik spreek; Interlocutory = uit eene samenspraak bestaande; voorloopig.

Interlope, intəloup, beunhazen, opjagen der prijzen, zich onbevoegd indringen; Interloper = indringer, beunhaas.

Interlude, intəl(j)ûd, tusschenspel, “entre-acte”, intermezzo (ook fig.).

Interlunar, intəl(j)ûnə, den tijd van de nieuwe maan betreffende: Interlunar nights.

Intermarriage, intəmaridž, onderling huwelijk (tusschen families of stammen); Intermarry, intəmari, onder elkander huwen.

Intermaxillary, intəmaksiləri, intəmaksiləri: Intermaxillary bone = tusschenkaaksbeen.

Intermeddle, intəmed’l, zich (ongepast) bemoeien met; Intermeddler = bemoeial.

Intermediary, intəmîdjəri, tusschenliggend of komend, verbindings - -; subst. agent, tusschenpersoon.

Intermediate, intəmîdjit, tusschen(komend of liggend), verbindings - -, indirect: Intermediate cylinder = middelb. druk cylinder; Intermediate education (Intermediate schools) = middelbaar onderwijs (hoogere burgerscholen); Intermediate person = tusschenpersoon.

Interminable, intɐ̂minəb’l, oneindig, vervelend, gerekt; subst. Interminableness.

Intermingle, intəmiŋg’l, (zich) onderling vermengen.

Intermission, intəmiš’n, tusschenpoos, onderbreking; Intermissive.

Intermit, intəmit, tijdelijk afbreken, ophouden, verpoozen; Intermittence, Intermittency = onderbreking; Intermittent fever = intermitteerende koorts = Intermitting fever.

Intermix, intəmiks, onder elkander mengen; Intermixture = mengsel, dooreenmenging.

Intermural, intəmjûr’l, tusschen de muren.

Intermuscular, intəmɐskjulə, tusschen de spieren.

Intern, intɐ̂n, interneeren, waren naar het binnenland zenden (Amer.); Internal = innerlijk, inwendig, inlandsch; Internation = zending naar het binnenland; Internment = interneering.

International, intənašən’l, subst. “de Internationale” Zie: Internationalist adj, internationaal: International law = volkenrecht; Internationalism = internationalisme; Internationalist, subst. lid van de “Internationale”, soc. arbeidersvereenig. opgericht te Londen in 1864; adj. tot de “I” behoorende; Internationalize = internationaal maken.

Internecine, intənîs(a)in, moorddadig, verdelgings-: Internecine war.

Internodal, intənoud’l, tusschen twee knoopen of geledingen; Internode, intənoud, lid of been tusschen twee knoopen of geledingen.

Internuncius, intənɐnšəs, pauselijk vertegenwoordiger.

Interoceanic, intəroušianik, tusschen twee oceanen.

Interosseal, intərosiəl, tusschen de beenderen gelegen = Interosseous.

Interpellant, intəpel’nt, in de rede vallend; interpellant; Interpellate, intəpeleit, interpelleeren; Interpellation = interpellatie.

Interplead, intəplîd, met iemand over eigendomsrecht procedeeren.

Interpolate, intɐ̂pəleit, inschuiven, tusschenvoegen, interpoleeren; Interpolator; Interpolation = interpolatie.

Interpose, intəpouz, tusschenplaatsen, (zich) opdringen, in de rede vallen, tusschen beide komen, in ’t voorbijgaan opmerken: They didn’t interpose in her management, or interfere in the choice of servants = zij bemoeiden zich niet met; To interpose appeal = appèl aanteekenen; Interposer; Interposition, intəpəziš’n, tusschenkomst, bemiddeling.

Interpret, intɐ̂prət, verklaren, vertalen, vertolken; Interpreter = tolk, uitlegger: Student interpreter = leerling tolk; Interpretation, intəpriteiš’n, vertolking, verklaring.

Interregnum, intəregn’m, tusschenregeering.

Interrogate, interəgeit, (onder)vragen; subst. Interrogation; Interrogative, intərogətiv, subst. en adj. vragend (voornaamwoord); Interrogator, interəgeitə, (onder)vrager, interpellant; Interrogatory, intərogətəri, vragend; subst. verhoor, schriftelijke vraag.

Interrupt, intərɐpt, in de rede vallen, afbreken, storen; Interrupter; Interruption = onderbreking, storing, pauze; adj. Interruptive.

Interscapular, intəskapjulə, tusschen de schouderbladen.

Intersect, intəsekt, (door)snijden, (door)kruisen; Intersection = doorsnede, snijpunt, kruispunt.

Interspace, intəspeis, tusschenruimte; Interspace verb. intəspeis, tusschenruimte overlaten of aanvullen, innemen.

Intersperse, intəspɐ̂s, overal verspreiden, (rond)strooien.

Interstice, intɐ̂stis, intəstis, tusschenruimte; adj. Interstitial, intəstiš’l.

Intertropical, intətropik’l, tusschen de tropen of keerkringen.

Intertwine, intətwain, dooreenvlechten; subst. Intertwinement.

Intertwist, intətwist = Intertwine.

Interval, intəv’l, tusschenruimte(-tijd), interval, pauze, vlakke grond tusschen heuvels (ook intervale gespeld; Amer.): At intervals = van tijd tot tijd.

Interveined, intəveind, geaderd.

Intervene, intəvîn, liggen tusschen, tusschenbeide komen, storen; Intervention, intəvenš’n, tusschenkomst, bemiddeling.

Intervertebral, intəvɐ̂təbr’l, tusschen de wervels.

Interview, intəvjû, subst. samenkomst, gesprek, formeel bezoek van een dagbladcorrespondent aan een bekend persoon om hem op onderscheidene punten te hooren; Interview verb. formeel bezoeken om ingelicht te worden; Interviewer.

Interweave, intəwîv, dooréénweven.

Intestacy, intestəsi, afwezigheid van een testament; Intestate, intestit, zonder testament overleden, niet bij testament vermaakt; subst. persoon, die zonder testament gestorven is.

Intestinal, intestin’l, tot de ingewanden behoorende; darm...; Intestine, intestin, inwendig, binnenlandsch: Intestine war = burgeroorlog; Intestines = darmen, ingewanden.

Inthral, inthrôl, tot slavernij brengen, insluiten.

Intimacy, intiməsi, gemeenzaamheid, vertrouwelijkheid; Intimate, intimit, adj. gemeenzaam, vertrouwelijk; subst. boezemvriend(in); Intimate verb. (intimeit) vertrouwelijk mededeelen, te kennen geven; Intimation, intimeiš’n, kennisgeving, wenk: Intimation of death = kennisgeving van overlijden.

Intimidate, intimideit, vrees aanjagen, ontmoedigen, beangst maken; subst. Intimidation; adj. Intimidatory.

Intimity, intimiti, intimiteit.

Intitulation, intitjuleiš’n, subst. v. Intitule, intitjûl, betitelen.

Into, intu, in (drukt “richting” uit): He was laughed into good humour again = door lachen werd zijn goed humeur hersteld; Let me look into it = laat mij het eens onderzoeken, inzien; This room looks into the garden = ziet uit op; He reasoned them into courage = hij wist door zijne woorden hun moed te doen herleven; You are sitting well into the fire = je zit haast bovenop het vuur.

Intolerability, intolərəbiliti, subst. v. Intolerable, intolərəb’l, onduldbaar, onverdragelijk; subst. Intolerableness.

Intolerance, intolər’ns, onverdraagzaamheid, niet in staat zijn te verdragen; adj. Intolerant, intolər’nt, ook subst.

Intonate, intəneit, intoneeren, aanheffen; Intonation, intouneiš’n, aanhef, intonatie, toongeving; Intone = aanheffen, intoneeren, zingen (v. kerkgezangen).

Intoxicant, intoksik’nt, dronken makend, bedwelmend(e drank); Intoxicate, intoksikeit, dronken maken, opwinden, dol maken; Intoxication, dronkenschap.

Intractability, intraktəbiliti, subst. v. Intractable, intraktəb’l, onhandelbaar, weerspannig; subst. Intractableness.

Intramural, intrəmjûr’l, binnen de muren.

Intranquillity, intraŋkwiliti, ongerustheid.

Intransitive, intransitiv, onovergankelijk.

Intransmissible, intransmisib’l, wat niet overgedragen kan worden.

Intrench, intrenš, met loopgraven omringen, verschansen; Intrenchment = verschansing.

Intrepid, intrepid, onverschrokken, onversaagd; subst. Intrepidity, intrəpiditi.

Intricacy, intrikəsi, ingewikkeldheid, neteligheid; Intricate, intrikit, ingewikkeld, netelig, duister; subst. Intricateness.

Intrig(u)ant, intrigənt, intrigant; Intrig(u)ante, intrigant, intrigant, intrigante.

Intrigue, intrîg, subst. kuiperij, intrigue; Intrigue verb. kuipen, intrigeeren: He is an intriguer, an intriguing fellow = een kuiper of intrigant.

Intrinsic(al), intrinsik(’l), innerlijk, eigen, echt.

Introcession, intrəseš’n, verzakking (Med.).

Introduce, intrədjûs, inleiden, invoeren, inlasschen, bekend maken, voorstellen; subst. Introduction, intrədɐkš’n: Letter of introduction = aanbevelingsbrief; He made some introductory (introductive) remarks = eenige inleidende opmerkingen.

Introit, introu-it, introïtus, woorden gezongen of opgezegd bij den aanvang der mis.

Intromission, intrəmiš’n, invoeging, toelating;—verb. Intromit, intrəmit.

Introspection, intrəspekš’n, zelfonderzoek; Introspective, intrəspektiv, bespiegelend.

Introversion, intrəvɐ̂š’n, naar binnen wenden of gekeerd zijn; adj. Introversive; Introvert, intrəvɐ̂t, naar binnen wenden: An Introverted nature = eenzelvige aard.

Intrude, intrûd, zich indringen, lastig vallen, zich opdringen: I hope I do not intrude = niet ongelegen kom; He intruded himself upon the minister = drong zich op aan; Intruder; Intrusion, intrûž’n, indringing, het lastig vallen, onrechtmatige bezitneming van onbeheerd goed; Intrusive, intrûsiv, opdringend; subst. Intrusiveness.

Intrust, intrɐst, toevertrouwen: He intrusted me with his secret, He intrusted his secret to me = vertrouwde mij toe.

Intuition, intjuiš’n, intuitie, innerlijke aanschouwing, niet op waargenomen feiten berustend; Intuitive, intjûitiv, innerlijk aanschouwend, intuitief.

Intumesce, intjumes, opzwellen, uitzetten; Intumescence = opzwelling, gezwel; adj. Intumescent.

Intussusception, intəsəsepš’n, opneming en inschuiving van het eene stuk of deel in een ander.

Intwine, intwain, Intwist, intwist, samenvlechten, ineenvlechten.

Inundate, inəndeit, inɐndeit, overstroomen; Inundation = overstrooming; overvloed.

Inure, injûə, gewennen, harden, tot eene gewoonte worden; ten goede komen (met to).

Inurn, inɐ̂n, in eene urn verzamelen, bijzetten.

Inutility, injutiliti, nutteloosheid.

Inutterable, inɐtərəb’l, onuitsprekelijk.

Invade, inveid, invallen, inbreuk maken op, schenden; Invader.

Invalid, invalid, krachteloos, ongeldig, van geen waarde; Invalid, invəlîd, invəlid, invəlîd, subst. zieke, zwakke, invalide; adj. teer, zwak, ziek; Invalid verb. door ziekte aangetast worden, ongeschikt verklaren voor actieven dienst, buiten gevecht stellen: They were invalided home = als invalide naar huis gezonden; Invalidate, invalideit, krachteloos of van onwaarde maken, omverwerpen, vernietigen; subst. Invalidation; Invalidism, invəlîdizm, invəlîdizm = invaliditeit; Invalidity, invəliditi = ongeldigheid, krachteloosheid, invaliditeit.

Invaluable, invaljuəb’l, onschatbaar.

Invariability, invêriəbiliti, subst. v. Invariable, invêriəb’l, onveranderlijk, standvastig.

Invasion, inveiž’n, inval, inbreuk, schending; adj. Invasive.

Invective, invektiv, subst. smaadrede, scheldwoord, scherpe aanval; adj. stekelig, smadelijk, satirisch.

Inveigh, invei, uitvaren; Inveigher.

Inveigle, invîg’l, verlokken, verleiden, in de val lokken; subst. Inveiglement; Inveigler.

Invent, invent, uitvinden, verdichten, verzinnen; Invention = uitvinding, ontdekking, verzinsel, plannetje: Pure invention = een grove leugen; The inventions = Tentoonstelling der uitvindingen (1885); Inventive = vindingrijk; subst. Inventiveness; Inventor = uitvinder, bedenker; vr. Inventress.

Inventory, invəntəri, subst. inventaris, lijst; Inventory verb. inventariseeren.

Inveraray, invərêri; Inverness, invənes.

Spotted a typo or a problem in this chapter? Tell us