Engelsch woordenboek. Eerste deel: Engelsch-Nederlandsch (met uitgeschreven verkortingen) (part 5 of 7)
Over, ouvə, prep. en adv. over, boven, voorbij; subst. overschot; Over verb. springen over: The concert is over = uit; The flowers were over = bloeiden niet meer; The rain is over; When school is over the children go home; Over and above what I have told you = buiten en behalve; I told him so Over and over = herhaaldelijk; Over and over again = tot vervelens toe; Over against = tegenover; Over there = daar ginds; I told you so ten times over = tienmaal achter elkander; He is a gentleman all over = een volmaakt gentleman; It is all over (up) with me = met mij gedaan; It’s well over = goed afgeloopen; I went all over the town = ik ben overal in de stad geweest; Over the walnuts and the wine = aan het dessert; I live over the way = hier tegenover; He is over head and ears in debt = tot over de ooren; He fell head over ears into the water = hals over kop; The pot boils over = kookt over; We discussed our affairs over a glass of wine = bij; I have given over doing it = opgegeven, gestaakt; I lost it over a bet = bij een weddenschap; Many advertisements must be kept over = tot een volgend nummer uitgesteld; Published over my name = onder; What remains over = overblijft; To sit over the fire = bij den haard; I will sleep over it = mij er op beslapen; She will not stay over the week = blijft niet langer dan een week; He took (showed) me over his picture-gallery = liet mij zien; We talked over the matter = bepraatten de zaak; Over difficult = te moeielijk; She is not over particular = zij neemt het niet zoo nauw; Over young = wat al te jong; Overabound = buitengewoon of al te overvloedig zijn, overvloed hebben; adj. Overabundant; Overact = overdrijven; Overalls, ouvərôlz, dunne, waterdichte broek ter besparing van de andere bij werken of rijden; morskiel (overjurk); Overarch = overwelven, verwulven, omvatten; Overawe = ontzag inboezemen, in ontzag houden; Overbalance, ouvəbal’ns, subst. overwicht, meer dan het gewicht; Overbalans verb. (ouvəbal’ns) meer wegen, overtreffen, het evenwicht verliezen (= To overbalans oneself); Overbear = onderdrukken, onderwerpen; Overbearing = aanmatigend, heerschzuchtig, uit de hoogte; Overbid = meer bieden dan; Overblow = overwaaien, uitrazen; Overblown = verwelkt: An overblown fellow = overdreven, dwaze; Overboard, ouvəböd, overboord; Overbold = al te stout of vrijmoedig; Overbrim = over (den rand) loopen; Overbuild = te veel bouwen: This part of the town is overbuilt = men heeft hier te veel gebouwd; Overburden = overladen, te veel laden op; Overbuy = te duur betalen, te veel koopen; Overcanopy = met een troonhemel bedekken; Overcareful = al te zorgvuldig of sekuur; Overcarry = te ver rijden (een passagier); Overcast, ouvəkâst, bewolkt; verb. (ouvəkâst), te hoog schatten; bewolken, verduisteren; overnaaien: The sky is overcast = de hemel is bewolkt; Overcharge, ouvətšâdž, subst. te hooge berekening, te groote lading, te veel betaalde vracht; Overcharge verb. (ouvətšâdž), overdrijven, te zwaar beladen, overvragen, al te zeer vullen; Overcloud = bewolken; Overcoat = overjas; Overcome = overwinnen: He was very much overcome = zenuwachtig, aangedaan; Over-credulous = al te lichtgeloovig; Overcrowded = overvol van; Overdo = overdrijven, te gaar koken, overwerken: We are overdone with newspapers nowadays = worden overstelpt; I am overdone = op, heb mij overwèrkt; The meat is overdone = al te gaar; Overdose, ouvədous, al te groote hoeveelheid of dosis; Overdose verb. (ouvədous), een te groote dosis geven; Overdraw = overdrijven, een wissel trekken voor meer geld dan het credit is: To overdraw one’s account; Overdrive = te ver of te snel jagen of drijven: I am overdriven = ik ben op, afgemat, heb mij overwèrkt; Overdue = vervallen, te laat: The train is overdue = de trein is over zijn tijd; Overdue letters = te laat bestelde of bezorgde brieven; Overdue rates = die al betaald hadden moesten zijn; Overearnest = al te ernstig; subst. Overearnestness; To overeat oneself; Overestimate = overschatten, overschatting; Over-exposure = te lange belichting (photog.); Overfeed = te sterk voeden, volstoppen; Overflow, ouvəflou, subst. overstrooming, groote overvloed; Overflow verb. (ouvəflou) overvloeien, overstroomen; Overflowing = overstrooming; Over-fond, ouvəfond, al te teeder, dol; Overfreight, ouvəfreit, overvracht; Over-freight = overladen; Overfull = al te vol; Over-greedy = al te gulzig; Overgrow = met plantengroei bedekken, te groot worden; Overgrown = uit de kracht gegroeid, lang opgeschoten, hooggaand; Overgrowth, ouvəgrouth, te weelderige groei, overvloed; Overhand, bovenhandsch; Overhang = overhangen, hangen over, bedreigen; Overhaul, ouvəhôl, subst. streng onderzoek of examen, inspectie, herstelling; Overhaul verb. (ouvəhôl), streng onderzoeken of inspecteeren, winnen op, herstellen, nazoeken, opzoeken: We overhauled the steamer = wij haalden in; Overhead = boven, boven het hoofd: Overhead (ouvəhed) conductor, wires = bovengrondsche geleiding; Overhear = toevallig hooren, afluisteren; Overhours = óveruren; Over-indulge = al te veel toegeven aan: She over-indulged her children; Over-issue, ouvərišû, te veel in omloop brengen (van bankbiljetten, enz.); subst. ouvərišû; Overjoy, = verrukking; He was overjoyed, (ouvədžôid) to find me = verrukt dat hij mij vond; Over-labour = met te veel werk plagen, al te “peuterig” uitvoeren; Overland, ouvəland, overlánd: The overland mail; adv. ouvəland; Overlap = overdekken, gedeeltelijk bedekken: History and geography overlap here and there = geschiedenis en aardrijkskunde raken elkaar hier en daar; Their lives overlap in the last years of our century = hunne levens vallen gelijktijdig; Over-lavish = al te kwistig; Overlay, ouvəlei, subst. stuk bedekkend papier, bekleeding; Overlay verb. (ouvəlei), bedekken, drukken op, liggen op, doodliggen: Your performance was overlaid by his = werd in de schaduw gesteld; Such books do not preserve, but overlay the old-world stories = zij verknoeien ze; Overleaf = op de andere zijde van het blad; Overleap = springen over, overtreffen, overslaan: You overleapt yourself = gij hebt te ver of te hoog gesprongen; Overlie = liggen op, doen stikken; Overlive = overléven, te boven komen; Overliver; Overload = te zwaar beladen; Overlook = overzien, het opzicht houden over, over het hoofd of door de vingers zien: My room overlooks the Thames = ziet uit op; Overlooker, opzichter, opziener; Overmanned = met te groote equipage; Overmantel = étagère-spiegel; Overmasted = met te hooge of zware masten; Overmaster = vermeesteren, overwinnen; Overmatch = de meerdere zijn, overtreffen, overwinnen; Overmeasure = toegift (bij wegen of meten); Overmuch = te veel; Overnight, ouvənait, den nacht (avond) te voren, van den laatsten nacht of avond; adv. Overnight, ouvənait, gedurende den nacht, den laatsten nacht, gisterenavond; Overpay = te veel betalen; Overpeer = uitsteken boven; Overpitch = te ver gooien, overdrijven; Overplus, ouvəplɐs, overschot, overmaat; Overpower = overstelpen, overweldigen; Overpressure, al te zware druk; Over-produce = te veel produceeren; Over-production = overproductie; Overproof = boven de normale sterkte; sterke brandewijn; Overrake = overheen harken; spoelen over; Overrate = overschatten; Overreach = verder reiken dan, de achterpooten te veel vooruitslaan (van paarden), het evenwicht verliezen; beetnemen, bedriegen, de baas worden; Override = vermoeien of afmatten (door rijden), zich niet storen aan, ter zijde zetten: To override one’s commission = zijne ambstbevoegdheid te buiten gaan; Overripe(n) = al te rijp (worden); Overroast = te sterk braden; Overrule = beheerschen, overheerschen, verwerpen, overstémmen: He was overruled = bleef in de minderheid; Overruling = oppermachtig, alles beheerschend; Overrun = overloopen, verspreiden over, invallen doen en teisteren, onderdrukken, uit elkaar loopen (bij het drukken), overstroomen, voorbijrijden (van het perron): We are overrun with mice = ’t leeft bij ons van muizen; Oversea, ouvəsî, vreemd, van over de zee; Overseas edition = editie van een courant voor de koloniën bestemd; Oversee. Zie Overlook; Overseer, ouvəsîə, inspecteur, opzichter, armvoogd: Overseer of the line (Overseer of the poor); Overseership; Oversell = meer verkoopen dan men kan leveren: An oversold market = eene markt, waar zooveel effecten verhandeld zijn, dat zij niet geleverd kunnen worden; Overset, ouvəset, subst. omverwerping: An article standing in the overset = koopwaar of artikel, dat over is; Overset verb. (ouvəset), omslaan, onderstboven werpen; Overshadow = overschaduwen, beschutten; Overshoe = overschoen; Overshoot = over het doel heenschieten: I have overshot myself = mijn neus voorbijgepraat, te veel gezegd of beweerd; An overshot wheel = waterrad, in beweging gebracht door het er overheen stroomende water; Overshotted = al te zwaar geladen (van vuurwapens), overdreven (uitdrukking); Overside, adv. ouvəsaid, adj. ouvəsaid, over de zijde, over de verschansing; Oversight = opzicht, toezicht, vergissing; Overslaugh, ouvəslô, ontslaan; passeeren bij bevordering; subst. ouvəslô, ontslag; zandbank (Amer.); Oversleep = te lang slapen: I have overslept myself = ik heb mij verslapen; Oversman, ouvəzman, opzichter; scheidsrechter (Schotl.); Overspread = bedekken, verspreiden of uitgespreid zijn; Overstate = overdrijven, te veel bewijzen: To overstate one’s case = te veel willen beweren; subst. Overstatement; Overstay = langer blijven dan: To overstay one’s time; Overstep = te buiten gaan, overtréden; Overstock, ouvəstok, subst. al te groote voorraad; Overstock verb. ouvəstok al te zeer vullen, overvoeren: Being over-stocked with copy, we can find no room for your article = daar we een overvloed van copie hebben; Overstrain = zich al te zeer inspannen, te veel vergen van, zich verrekken (= To overstrain oneself): An overstrained nervous system = overspannen zenuwgestel; Overstrung = kruissnarig; Oversubscribe = voor een te groot bedrag inschrijven; Overtake = inhalen, verrassen, overvallen; Overtask = met werk overladen: I am sorely overtasked = ik heb het veel te druk; Overtax = te zwaar belasten, overschatten; Overthrow, ouvəthrou, subst. nederlaag, ondergang, omverwerping: To give the overthrow; Overthrow verb. (ouvəthrou) omverwerpen, onderstboven gooien, veroveren; Overthwart, koppig, dwars: Overthwart, ouvəthwöt, and endlong = in de dwarste en de lengte; Overtime = overuren: To do (make, work) overtime; Overtone = boventoon (muz.); Overtop = te boven gaan, overtreffen, uitsteken boven; Overturn, ouvətɐ̂n, omkeering, omverwerping; Overturn verb. ouvətɐ̂n, omverwerpen, omgooien; Overweening, subst. groote verwaandheid; adj. aanmatigend, verwaand; Overweight = overmacht, over(ge)wicht; Overwhelm = verpletteren, overstelpen; Overwork, ouvəwɐ̂k, subst. óverwerk; Overwork verb. (ouvəwɐ̂k) al te veel werken, (doen) overwérken, uitputten; Overworn, uitgeput, afgemat, afgezaagd; Overwrought = overspannen.
Overt, ouvət, open(lijk), met uitgespreide vleugels (herald.); Overtly.
Overture, ouvətjə, subst. voorstel, aanbod, ouverture (muz.); Overture verb. aanbiedingen doen: The overtures to intimacy should always come from the higher to the lower = de aanbiedingen van vriendschap; It was difficult to refuse her overtures, she was so kind and hospitable = aanbiedingen, uitnoodigingen.
Ovid, ovid, Ovidius; Ovidian, əvidiən; Ovidius, əvidiəs.
Oviduct, ouvidɐkt, eileider; Oviform, eivormig.
Ovine, ouv(a)in, schaapachtig, schaap ...; subst. schaap.
Oviparous, əvipərɐs, eierleggend; Oviposit, ouvipozit, eieren leggen; Oviposition, ouvipəziš’n, het eieren leggen, vooral door middel van de legboor; Ovisac = eierzak; Ovoid = eivormig; Ovulite, ouvjulait, fossiel ei; Ovum = ei.
Owe, ou, schuldig zijn, moeten betalen, verschuldigd zijn, te danken hebben: To owe a person a grudge (a spite) = wrok koesteren tegen; Money was owing to him = men was hem schuldig; To have money owing = gelden hebben uitstaan; It was still owed to her = het kwam haar nog toe; Owing to = tengevolge: It is all owing to your negligence = ’t komt al door uwe onachtzaamheid.
Owl, aul, uil; Owl verb. smokkelen: As drunk as an owl = zoo dronken als eene snip; Owlery = uilennest; uilachtige hoedanigheden; Owlet = uiltje, ook = Owl-moth; Owlish = als een uil, dom.
Own, oun, adj. eigen; Own verb. bezitten: Every one for his own = ieder voor zich; He has a house of his own = een eigen huis; A dear little clock of my very own = heelemaal van mij alleen; To have a reason of one’s own = eene bijzondere reden hebben; To hold one’s own (with) = zijn recht handhaven, stand houden: Of one’s own accord (motion) = uit eigen beweging; He did it on his own hook, account = op eigen houtje, verantwoording; Name your own day = bepaal zelf den dag; To be one’s own master = zijn eigen baas zijn; He does not know his own mind = weet zelf niet wat hij wil; To be own niece to = een volle nicht zijn van; He will have it all his own way = geheel zooals hij het wenscht; Owner = eigenaar; Ownerless = onbeheerd; Ownership = eigendom(srecht).
Own, oun, erkennen, toegeven, zijn hart uitstorten: To own to a fault = bekennen; It must be owned that = erkend worden; I own to your reproach = ik erken dat uw verwijt verdiend is: I own to much less affection for him than for his brother = ik erken, dat ik zijn broer veel liever mag dan hem; Own up like a man! = beken, biecht op; Why don’t you own up about him? = waarom ontken je niet je ongelijk jegens hem?
Ox, oks, (Meerv. Oxen, oks’n), os: Ox-bow = ossenjuk; bocht van eene rivier (Amer.); Ox-eye = bijmees; blauwmeesje; runderoog (plant); Ox-eyed = met groote oogen; Ox-fly = koeienhorzel; Ox-heart = soort groote kers; Ox-hide = runderhuid; Oxlip = hoogstengelige sleutelbloem; Ox-stall = ossenstal; Ox-tail = ossestaart: Ox-tail soup; Ox-team = span ossen.
Oxalic, oksalik: Oxalic acid = oxaalzuur.
Oxford, oksfəd.
Oxidation, oksideiš’n, oxydatie; Oxide, oks(a)id, oxyde; Oxidizable = oxydeerbaar; Oxidize = oxydeeren.
Oxonian, oksounj’n, student, gepromoveerde van de universiteit te Oxford; knoopschoen; ook adj.
Oxygen, oksidžen, zuurstof; bleekpoeder; Oxygenate, oksidžəneit, oksidženeit, met zuurstof verbinden; subst. Oxygenation; Oxygenizable = oxydeerbaar; Oxygenize, oksidžənaiz, oksidžənaiz, oxydeeren.
Oxyhydrogen, oksihaidrədžen, knalgas.
Oxytone, oksitoun, met den klem op de laatste lettergreep.
Oyer, oujə, ôiə, verhoor.
Oyes, Oyez, oujes, oujez, hoort! Met dit woord, driemaal herhaald, worden de openbare afkondigingen begonnen, en zittingen geopend; proclamatie, omroeper.
Oyster, ôistə, oester: Oyster-bed = oesterbed; Oyster-culture = oesterkultuur; Oyster-ground (= Oyster-bed); Oyster-knife; Oysterman; Oyster-patty = oesterpasteitje; Oyster-shell = schelp; Oyster verb. afzonderen, verbannen: He oyster-shelled himself quite out of humanity’s reach = zonderde zich geheel af van de menschen; Oyster-wife (Oyster-woman).
Ozone, ouzoun, əzoun, ozon; Ozonize = in ozon omzetten, met ozon vervullen; Ozonizer = apparaat hiervoor.
P.
P, pî: He is on his P’s and Q’s = op zijn “qui vive”; Mind your P’s and Q’s, for she is very black (= knorrig) this morning = pas op uw tellen; P. staat verkort voor page, participle, past, pole en port; Pa = Pennsylvania; Paint(ing); Pa(st) Part(iciple); Par(agraph); Parl(iament); Particip(ial); Pass(ive); Pat(rick); Pathol(ogical); P(atres) C(onscripti) = de beschreven vaderen; P(olice) C(onstable); P(rivy) C(ouncil); P(ai)d; Penn(sylvania); Pers(onal); Percent(um) = percent; Perf(ect); Pet(er); Pharm(acy); Ph(ilosophiae) B(accalaureus); Ph(ilosophiae) D(octor); Phil(osophy); Phil. Trans. = Transactions of the Philosophical Society = Handelingen van het Wijsgeerig Genootschap; Philol(ogy); Philos(ophy); Photog(raphy); Phren(ology); Phys(ics); Physiol(ogy); Pinx(it) = hij (zij) heeft het geschilderd; P(oet) L(aureate); P(oor) L(aw) C(ommissioners); Plu(ral); Plup(erfect); P(ost) M(eridiem) = na den middag; P(ost) M(aster) G(eneral); P(ost) O(ffice); P(eninsular &) O(riental Steam Navigation) Co(mpany); Poet(ry); Pol(ish); Polit(ical) Econ(omy); P(ost) O(ffice) M(oney) O(rder); Pop(ulation); Port(ugal); Poss(essive); Pph = Pamphlet; Pr(esent, Prince of Priest); Pr(esent) Par(ticiple); P(resident of the) R(oyal) A(cademy); Pref(ix of Preface); Prep(osition); Pres(ent); Pret(erite); Prim(ary); Print(ing); Prob(lem); Prof(essor); Prop(osition); Pro temp(ore) = voor het oogenblik; Prov(erb); Prox(imo = volgende maand); P(resident of the) R(oyal) S(ociety); Prus(sia); P. S. = Postscript; P(rompter’s) S(ide) = de rechterzijde van het tooneel, waar de souffleur staat; P(rivy) S(eal); Ps(alm); Psychol(ogy); P(articulars) t(o) f(ollow) = nadere bijzonderheden volgen; P(lease) T(urn) O(ver); Pub(lic); Pxt = Pinx(it).
Pa, pâ, Pa.
Pabulary, pabjuləri, voedzaam, voedsel - -; Pabulum, pabjulɐm, voedsel: To offer literary pabulum.
Paca, pakə, peikə, gevlekt zeevarkentje (Z. Amer.).
Pace, peis, subst. stap, pas, gang, schrede, tempo, elasticiteit der banden van een biljart (= Pace of the table): Pace verb. gaan, stappen, afpassen; afstappen, gangmaken: Double-time pace = looppas; Ordinary pace = marsch tempo; Quick pace = versnelde pas; To go at a great pace = flink doorstappen; To go the pace = voortsnellen; een vroolijk (losbandig) leven leiden; To keep pace with = met iemand in den pas blijven, iemand bijblijven; You had better mend your pace = je deed beter wat aan te stappen; To set the pace = het tempo aangeven; We walked twelve miles at a pace = twaalf mijlen achtereen; The horse (He) was put through its (his) paces = men liet het paard vóórdraven, hij werd op de proef gesteld, moest toonen wat hij kon; To work a horse within his pace = zich niet te veel laten inspannen; Pace-maker = gangmaker; Thorough-paced = flink geoefend, geschoold, onvervalscht, doortrapt; Thorough-pacer = renpaard.
Pace, peisi: Pace Mr. W. = met verlof van.
Pacha, pəšô, pacha.
Pachyderm, pakidɐ̂m, dikhuidig dier; Pachydermatous, pakidɐ̂mətɐs, dikhuidig; ongevoelig.
Pacific, pəsifik, subst. Stille Zuidzee; adj. Pacific(al) = vredelievend, verzoenend, rustig, vreedzaam; Pacification = verzoening, verdrag, bevrediging; Pacificator = vredestichter; Pacifier, pasifaiə, vredestichter; Pacify = bevredigen, stillen, tot bedaren brengen.
Pack, pak, subst. pak, last, menigte, troep, spel (kaarten), troep (jachthonden); Pack verb. pakken, inpakken, laden, bergen, wegzenden, de kaarten valsch leggen, eene jury zóódanig samenstellen dat ze partijdig is; zich laten pakken, pakken, zich wegpakken; Pack-cloth = paklinnen; Pack-horse = lastpaard; Pack-ice = pakijs; Packman = marskramer; Pack-saddle = pakzadel; Pack-staff = stok (van een marskramer); Packthread = pakgaren; I sent him packing = ik heb hem de laan uitgestuurd; He was found guilty by a packed jury = een partijdige jury; The hall was packed in every part = vol aan alle kanten; With such people they pack their audiences = vullen zij hun gehoor; Package, pakidž, pakje, pak, emballage, pakloon: Number of packages = getal colli; Packer = pakker; lastdier, leider van een lastdier; Packet, subst. pakje, pakketboot; Pack verb. inpakken, verzenden per Packet-boat; Packet-line; Packet-ship; Packing = vulling, pakking, pakloon; Packing-awl = paknaald; Packing-bath = natte omslagen; Packing-case = pakkist, enz.; Packing-needle = paknaald; Packing-paper; Packing-room = pakkamer; Packing-sheet = paklinnen, natte omslag (laken).
Paco, pâkou, peikou, alpaca.
Pact, pakt, verbond, verdrag; Pactional = afgesproken.
Pad, pad, subst. zacht kussen, stootkussen, onderlegger, spoor (voetindrukken); klepper, telganger (= Pad-nag); Pad verb. te voet reizen, opvullen, watteeren: A pad of straw = een bos stroo; She wears pads = stopt zich op; To go upon the pad = op roof uitgaan; Padding = (op)vulsel, iets ter vulling of bladvulling: There is much padding in the book.
Paddle, pad’l, subst. pagaai, blad (van een roeiriem), schoep (van een scheprad), zwemvoet; Paddle verb. in het water plassen, pagaaien; waggelen; uitsnijden; streelen; afranselen (Amer.): He paddles his own canoe = hij redt zichzelf; Paddle-board = schoep; Paddle-boat = raderboot; Paddle-box = raderkast; Paddle-wheel = scheprad.
Paddock, padək, besloten perk of veld naast een stal (of op een renbaan); stoeterij; padde: As cold as a paddock = ijskoud; Paddock-stool = paddestoel.
Paddy, padi, (verk. v. Patrick) bijnaam voor een Ier; rijst in de aar.
Padella, pədelə, Padelle, pədel, illumineerschaaltje.
Padisha(h), pâdîšâ, pâdišâ, padišô, Groote Heer, titel van den sultan of shah.
Padlock, padlok, subst. hangslot, slot (fig.): Padlock verb. met een hangslot vastmaken.
Padra, pâdra, soort van zwarte thee.
Padua, padjuə; Paduan = Paduaansch; bewoner v. P.; Paduasoy, padjuəsôi, padjuəsôi, Paduazijde, kleed daarvan vervaardigd.
Paean, pîən, triomfzang, danklied.
Paedobaptism, pîdəbaptizm, kinderdoop.
Paeony, pîəni, pioen.
Pagan, peig’n, subst. heiden; adj. heidensch = Paganish; Paganism = heidendom; Paganize = heidensch maken, als heidenen doen.
Page, peidš, subst. page, livreijongen, bode; bladzijde, geschrift, episode; Page verb. als page dienen; pagineeren; Pagehood = pageschap.
Pageant, padž’nt, peidž’nt, vertooning, praal, pracht, optocht; Pageantry = praalvertooning.
Paget, padžət.
Paginal, padžin’l, uit bladz. bestaande; subst. Pagination.
Pagoda, pəgoudə, afgodentempel; vroegere gouden (soms zilveren) munt van ± 7 s. (Br. Ind.): To shake the pagoda-tree = spoedig fortuin maken in Indië.
Pah, pâ, subst. versterkt kamp bij de Maori’s; interj. bah!
Paid, peid, imperf. en part. perf. van to pay.
Pail, peil, emmer; Pailful: By pailfuls = met emmers.
Pain, pein, pijn, zorg, kommer, straf; (Pains = moeite, inspanning; weeën); Pain verb. pijnigen, kwellen, smarten, bedroeven, beangstigen: To be in pain; To have much pain; To give oain = pijn doen; On pain of death, pain of a fine = op straffe des doods, van boete; It pains me to see = doet me leed; We are pained at the death of a friend; No gains without pains = zonder moeite heeft men niets; I have been at the (infinite) pains to help him = heb (veel) moeite gedaan; He has spared no pains, has taken many pains = heeft geene moeite ontzien, veel moeite gedaan; Painstaker; Painstaking = onverdroten; nauwgezet; ook subst.; Painful = pijnlijk, subst. Painfulness; Painless = pijnloos; licht; subst. Painlessness.
Painim, peinim, heiden; adj. heidensch = Paynim.
Paint, peint, subst. verf, blanketsel, tinctuur; Paint verb. schilderen, blanketten, verven, tinten, afbeelden, beschrijven: Wet paint! = pas geverfd! She paints = blanket zich; Her letters paint in her autobiography = vullen aan; To paint the city red = de blommetjes buiten zetten; Painted of a deep red = donkerrood gekleurd; Painted in oils = olieverf; Paint flirtation = groote behaagzucht (door blanketten); Paint-box = kleurdoos, verfdoos, schildersdoos; (House) painter = (huis)schilder, vuist: To let go the painter = er op los slaan; Painter’s colic = loodvergiftiging; Painting = schilderkunst, schilderij, blanketsel: Painting-room = atelier; Paintress = schilderes; Painty = met verf bevuild.
Painter, peintə, vanglijn: To cut a person’s painter = iemand wegzenden; hem verhinderen kwaad te doen; To cut the painter = uitsnijden.
Pair, pêə, subst. paar; Pair verb. in paren vereenigd zijn of vereenigen, bij elkaar passen, paren: Pair and pair = paarsgewijze; A carriage and pair = een rijtuig met 2 paarden; There’s a pair of them = zij zijn aan elkaar gewaagd, een paar besten; That’s (quite) another pair of boots = dat is andere thee (fig.); Two pair of spectacles = twee brillen; A pair of steps = huistrap; He rang the twopair-bell = de bel van twee hoog; A twopair-front = voorkamer twee hoog; He struck up a pair with another member, Vergel. To pair off; To pair off = in paren heengaan of komen: In the House of Commons they have adopted the system of pairing off, by which an equal number of members of opposite parties have agreed not to partake of the division, so that the chances remain equal by their non-appearance = in het Huis der Gemeenten bestaat het stelsel van samen wegblijven, waarbij een gelijk aantal leden van tegenovergestelde partijen zijn overeengekomen niet aan de stemming deel te nemen, zoodat de kansen dezelfde blijven bij hunne nietverschijning; Pairing-season (Pair-time) = paartijd.
Paixshansgun, peiks’nzgɐn, soort houwitser.
Pal, pal, kameraad (Slang): To Pal on = maatjes worden.
Palace, palis, paleis: The Palace = het kristallen paleis; Palace-car = salonwagen (Amer.); Palace-Court = een in 1849 opgeheven gerechtshof; Palace-yard = slotplein.
Paladin, palədin, (dolende) ridder, paladijn.
Palaeontology, peiləontolədži, paləontolədži, palaeontologie.
Palaeography, peiləogrəfi, palaeographie.
Palampore, paləmpö, sprei van gebloemd sits.
Palankeen, Palankin, Palanquin, palənkîn, draagkoets.
Palatability, palətəbiliti, smakelijkheid; Palatable = smakelijk, aangenaam; subst. Palatableness; Palatal, subst. verhemeltebeen; verhemelteletter; adj. verhemelte...; Palatalize = in een palatal veranderen; Palate, palit, verhemelte, smaak.
Palatial, pəleiš’l, paleis..; vorstelijk.
Palatinate, pəlatinit, palətinit, paltsgraafschap: The Palatinate = de Palts; Palatine, palət(a)in, tot het keizerlijk hof of paleis behoorend, paltsgrafelijk; subst. palantijn, bewoner van een County Palatine, of de Palts; een soort pelskraag (= Palatine tippet): Count Palatine = paltsgraaf, titel van de oudtijds met bijzondere privilegiën begiftigde stedehouders van Chester, Durham en Lancaster; County Palatine = paltsgraafschap.
Palaver, pəlâvə, pəlavə, subst. discussie, samenspreking, gewauwel; Palaver verb. bepraten, wauwelen; Palaverer.
Pale, peil, subst. paal, spietspaal, omsloten ruimte, district, gebied, grenzen: Within the pale of the law = binnen de perken...; The English Pale = deel v. Ierland, waarin het Engelsche gezag werd erkend (1172–1602); Pale verb. met palen omsluiten.
Pale, peil, bleek, mat, flauw, dof; Pale verb. bleek worden, verbleeken: A pale smile = flauwe; She alternately paled and flushed with anger = werd beurtelings bleek en rood; Paleface = bleek gezicht; Pale-faced = met een bleek gelaat; Pale-hearted = moedeloos; Paleness = bleekheid.
Palestine, paləstain, Palestina; adj. Palestinian, Palestinean.
Paletot, palətou, paletot.
Palette, palət, palet: To set the palette = kleuren op het palet brengen; Palette-knife = = tempermes.
Paley, peili.
Palfrey, pôlfri, damesrijpaard, telganger.
Palgrave, pôlgreiv, palgreiv.
Pali, pâli, Pali, taal der Zuidelijke Boeddhisten.
Palimpsest, palimpsest, palimpsest, perkamentrol, die na afkrabbing van het oorspronkelijk geschrevene, opnieuw beschreven is; ook adj. en verb.
Palindrome, palindroum, woord of zin, evengoed naar voren als naar achteren te lezen, b.v. lepel, madam.
Paling, peiliŋ, paalwerk, staketsel.
Palingenesis, palindženəsis, wedergeboorte; palingenesie.
Palisade, paliseid, subst. palissade, paalwerk, staketsel; Palisade verb. ompalen, palissadeeren.
Palisander, palisandə, palisanderhout.
Palish, peiliš, eenigszins bleek.
Pall, pôl, subst. mantel; doodskleed (over de lijkkist) = Funeral pall; Pall verb. met een lijkkleed bedekken; Pall-bearer = iemand, die (de slippen van) het lijkkleed draagt.
Pall, pôl, verschalen, kracht of aantrekkelijkheid verliezen, vervelen, tegenstaan: It palls upon the reader = begint den lezer te vervelen; Beauty alone soon palls upon the sense.
Palladium, pəleidj’m, beeld van Pallas Athene in Troje, dat de onneembaarheid der stad waarborgde, palladium, schild, heiligst kleinood.
Pallet, palət, palet, in verschillende beteekenissen; stroozak, veldbed.
Palliasse, paljas, stroomatras.
Palliate, palieit, verzachten, verlichten, bemantelen; subst. Palliation; Palliative, subst. en adj. verzachtend(middel); Palliator.
Pallid, palid, bleek; subst. Pallidity = Pallidness.
Pallium, paliəm, opperkleed der oude Grieken; schoudermantel van een aartsbisschop; mantel (weekdieren).
Pallmall, pelmel, maliespel; straat van dien naam in Londen, het daarin gelegen Ministerie van Oorlog.
Pallor, palə, bleekheid, ongezonde kleur.
Palm, pâm, palm (van de hand), lengtemaat, blad van een roer, klauw van een anker, tak van een gewei, palmtak, palmboom, zegepalm; Palm verb. betasten, streelen, in de palm der hand verbergen, aansmeren, bedriegen: He bears (wins) the palm = draagt den palm weg; That carries the palm = spant de kroon; To yield the palm = het veld ruimen; He palmed himself off as an artist = deed zich voor als; He would palm off his butterine on me as best dairy-fresh = mij zijne kunstboter als beste natuurboter aansmeren; Palm-butter = palmboter; Palm-greasing = omkooperij; Palm-house = palmenhuis; Palm-leaf = palmblad (waaier, hoed); Palm-oil = palmolie; steekpenning; Palm-Sunday = Palmzondag; Palm-tree; Palmar, palmə, tot de hand behoorende, van eene handbreed; Palmarian, palmêriən, uitstekend = Palmary: His palmarian emendation of that passage = schitterende tekstverbetering; Palmate, palmit, handvormig; met zwemvliezen; Palmer, pâmə, pelgrim, die als bewijsstuk een palmtak uit het Heilige Land meebracht; soort kunstvlieg (hengelsport); Palmer-worm = soort harige rups; Palmist(er), palmist(ə), pâmist(ə), handkijker; Palmistry = voorspelling uit de palm van de hand; Palmy, pâmi, vol palmen, zegevierend, bloeiend, gelukkig.
Palmerston, pâməst’n.
Palmetto, palmetou, buks, dwergpalm.
Palmiped, palmiped, adj. met zwemvliezen; subst. zwemvogel.
Palp, palp, voelhoren; Palpi, palpai = voelhorens; Palpiform, palpiföm, in den vorm van voelhorens; Palpigerous, palpidžərɐs, voelhorens dragende.
Palpability, palpəbiliti, subst. v. Palpable, palpəb’l, voelbaar, tastbaar, duidelijk; subst. Palpableness; Palpation, palpeiš’n, onderzoek door voelen.
Palpitate, palpiteit, snel kloppen (van het hart); Palpitation of the heart = hartklopping.
Palsgrave, pôlsgreiv, palzgreiv, paltsgraaf; Palsgravine, pôlzgrəvîn, paltsgravin.
Palsied, pôlzid, door verlamming of beroerte getroffen; Palsy, pôlzi, verlamming, beroerte: Writer’s palsy = schrijfkramp.
Palter, pôltə, uitvluchten zoeken, niet oprecht handelen, spelen met; Palterer = bedrieger, knoeier.
Paltriness, pôltrinəs, subst. v. Paltry, pôltri, onbeteekenend, treurig, klein, laag, verachtelijk.
Paludal, pəl(j)ûd’l, paljədəl, Paludinous, pəl(j)ûdinəs, moerassig, moeras....
Paly, peili, bleek; gepaald, door evenwijdige verticale lijnen in gelijke deelen verdeeld (Herald.).
Pamela, pəmîla, pamila.
Pampas, pampəs, pampa’s (Z.-Amerika); Pampero, pampêrou, koude (Zuid)westen wind in de Pampas.
Pamper, pampə, dikvoeren, volproppen, overvoeren, vertroetelen: Prosperity pampered his recklessness into cruelty = verergerde tot; Pampered from a darling into a despot = door te verwennen veranderd van ... tot.
Pamphlet, pamflət, pamflet; Pamphleteer, pamflətîə, subst. pamflettist; Pamphlet verb. vlugschriften schrijven.
Pan, pan, subst. pan, holte, ondergrond, plas, hoofd, kop, de god Pan; Pan verb. To pan out = goudwasschen; toestaan; zich meester maken van; goud vertoonen, uitvallen, uitpakken: Panned out = bankroet; Pan-ice = los kustijs.
Panacea, panəsîə, panacee, algemeen middel.
Panache, pənaš, vederbos.
Panada, pəneidə, pənâdə, broodsoep.
Panama, panəmâ, pânamâ.
Pancake, pankeik, pannekoek.
Panch, panš, stootmat (scheepst.).
Pancreas, paŋkrias, alvleeschklier; Pancreatic: Pancreas juice = alvleeschsap.
Pandarus, pandərɐs; Pandean, pandîən: Pandean pipes = fluit van Pan = Pan-pipes.
Pandects, pandekts, pandecten, verzameling van wetten betreffende het Oud-Romeinsche recht (wetten van Justinianus).
Pandemonium, pandimounj’m, pandemonium, hel, oproerige vergadering; helsch lawaai.
Pander, pandə, subst. koppelaar; likker (fig.); Pander verb. koppelen, iemands lage lusten terwille zijn, begunstigen: He pandered to all their desires; Panderage, pandəridž, koppelarij; Panderism = het koppelen.
Pandit, pandit. Zie Pundit.
Pandoor, pandûə. Zie Pandour.
Pandora, pandôrə, Pandora; Pandora’s-box = doos van P.
Pandour, pandûə, pandoer.
Pandy, pandi, scheldnaam voor de Sepoys.
Pandy, pandi, klap op de vlakke hand; ook verb.
Pane, pein, glasruit = Pane of glass; Paneless = zonder ruiten.
Panegyric, panədžirik, lofrede; adj. = Panegyrical = lovend; Panegyrist, Panegyrist = lofredenaar; Panegyrize, panədžiraiz, hoogelijk prijzen, eene lofrede houden.
Panel, pan’l, subst. paneel(vormig), zadelkussen, (naamrol der) jury; Panel verb. met paneelen maken; Panel-gardening = mozaïekwerk (in tuinen); Panel-picture = paneeltje.
Pang, paŋ, subst. plotselinge folterende pijn, steek, angst, doodsbenauwdheid: Pangs of death = doodsangst.
Panic, panik, subst. paniek; vingergras (= Panic grass); adj. panisch: Panic fear (Panic fright); Panic-struck (Panic-stricken) = door plotselinge vrees bevangen.
Panicum, panik’m, vingergras.
Panjandrum, pandžandrəm, Groot-Mogol (iron.).
Pannade, pəneid, korte boogsprong (paard).
Pannage, panidž, belasting op het laten loopen van varkens in eikenbosschen; eikelvoer.
Pannel, pan’l, soort v. zadel. Z. Panel.
Pannier, panjə, draagmand; soort rok (wijduitstaand in ’t midden).
Pannikin, panikin, pannetje, schaaltje.
Panoply, panəpli, volledige wapenrusting; wapentrophee.
Panopticon, panoptikon, een gevangenis zoodanig gebouwd dat de bewaarders steeds, zonder zelf gezien te worden, alle gevangenen kunnen zien; tentoonstellingsgebouw voor allerlei nieuwigheden, etc.
Panorama, panərâmə, panəramə, panəreimə, panorama; adj. Panoramic.
Panslavic, pansleivik, Panslavisch; Panslavism, panslâvizm, panslavizm, Panslavisme.
Pansy, panzi, driekleurig viooltje.
Pant, pant, pânt, hijgen, snuiven, snakken, verlangen, snakken naar (Pant for); ook subst. Pants = pantaloons; To pant for breath.
Pantalet(te)s, pantəlets, vrouwen- of kinderbroek met strooken.
Pantaloon, pantəlûn, subst. hansworst, de “pantalon” in eene pantomime; Pantaloons = nauwsluitende (onder)broek.
Pantechnicon, panteknikon, magazijn van alle soorten v. artikelen; bewaarplaats voor huisraad; verhuiswagen = Pantechnicon van.
Pantheism, panthiizm, pantheïsme; Pantheist = pantheïst; adj. Pantheistic(al).
Pantheon, panthiən, panthîən, Pantheon.
Panther, panthə, panter; Pantheress.
Pantile, pantail, dakpan van S-vorm; hooge hoed of “kachelpijp”; scheepsbeschuit.
Pantisocracy, pantisokrəsi, pantisocratie.
Pantograph, pantəgraf, pantograaf, teekenaap; Pantəgraphic(al).
Pantomime, pantəmaim, pantomime; ook adj. en verb.; Pantomimic, pantəmimik, pantomimisch; Pantomimist, pantəmaimist, pantomimist.
Pantry, pantri, provisiekast of -kamer.
Pants, pants, Zie Pant.
Pap, pap, pap, vruchtvleesch, pulp; bijverdiensten; tepel: As easy as pap = doodmakkelijk; Pappiness, subst. v. Pappy = papachtig, zacht, sappig.
Papa, pəpâ; (Amer.), pâpə, popə, vader; Papaship.
Papacy, peipəsi, pauselijke waardigheid en macht, de pausen gezamenlijk, R.K. kerk; Papal, peip’l, pauselijk: The Dogma of Papal Infallibility.
Papaver, pəpeivə, papaver: adj. Papaverous.
Papaw, pəpô, pôpô, meloenboom (of vrucht).
Paper, peipə, subst. papier, blad, zak(je), verhandeling, opstel, document, courant, geldswaardig papier, papillottenpapier, behangselpapier, (personen met) vrijbiljetten; ook adj.; Paper verb. met papier bedekken, in papier wikkelen, behangen, met vrijbiljetten vullen: To commit to (Put on) paper = op papier zetten; It will get into the papers = couranten; To perform to houses filled with paper = voor theaters vol van personen met vrijbiljetten; Reflect, before you put pen to paper = vóór gij schrijft; To read a paper on Folk Lore = een lezing houden; To send in one’s papers = stukken; To set a paper in English grammar = een gram. oefening opgeven; A paper of cigars = zakje; Paper of direction = adreskaart; A paper of needles = brief naalden; Paper of patterns = staalkaart; He is three down the paper = staat No. 3 op lijst of voordracht; On paper = op papier; Blotting-paper and letter-paper = vloei- en postpapier; It is nothing but waste paper = het is louter scheurpapier; I will have this room papered = zal laten behangen; Paper-bag = zak; Paper-chase = snipperjacht; Paper-collar = papieren boord; Paper-cornet = peperhuisje; Paper-cover = omslag; Paper-credit = wisselcrediet; Paper-cutter = papiersnijder, vouwbeen; Paper-fastener = klemmer; Paper-folder = vouwbeen; Paper-hanger = behanger; Paper-hangings = behangsel; Paper-knife = papiersnijder; Paper-mill = papiermolen; Paper-money = papiergeld, bankbiljetten; Paper-shop = courantenrondbrengerswinkel; Paper-stainer = fabrikant van behangselpapieren; Paper-weight = “presse-papier”; Papery = als papîer.
Paphian, peifiən, van Paphos, tot Venus of haar dienst behoorende, ontuchtig: subst. boeleerster; Paphos, peifos, stad in Cyprus met Venustempel.
Papilio, pəpiliou, koninginnepage (kapel); Papilionaceous, pəpiljəneišəs, vlindervormig; kapelachtig.
Papilla, pəpilə, papil, tepel; Papillary, papələri, pəpiləri; Papillate, papilit, pəpilit, tepelvormig, met wratjes bedekt.
Papillote, papilout, papillot.
Papist, peipist, Roomsch-Katholieke; adj. Papistic(al); Papistry = R. Katholicisme.
Papoose, pəpûz, pəpûs, jong kind (Indianen).
Pappose, papous, van zaadpluis voorzien; Pappus = zaadpluis, fijne haarbedekking.
Papua, papuə, pâpuə; adj. Papuan, papuən, papjuən, ook = Papoea.
Papula, papjulə, puistje.
Papyrus, pəpairəs, papyrusplant (rol).
Par, pâ, pari(koers), gelijkheid, normaalstand; verkorting voor Paragraph: Above, below par = boven, beneden pari: They are on a par (with) = staan op gelijke lijn, op gelijke hoogte (als); There is a par about him in to-day’s paper = er staat wat over hem in de courant.
Parable, parəb’l, parabel: He took up his parable = begon te spreken (hief zijn spreuk op).
Parabola, pərabələ, parabool, kegelsnede; Parabole, pərabəlî, vergelijking, parabool; Parabolic(al) = parabolisch; bij wijze van gelijkenis of vergelijking.
Paracelsian, parəselš’n, van Paracelsus = Paracelsus.
Parachute, parəšût, subst. valscherm, parachute; Parachute verb. zich met eene parachute laten vallen; Parachutist = iemand, die zich van een valscherm bedient.
Paraclete, parəklît, voorspraak, Trooster (H. Geest).
Para-coat, pârəkout, gummi-overjas.
Parade, pəreid, subst. parade, vertoon, optocht, paradeplein, exercitieplaats (= Parade-ground), openbare wandelplaats; Parade verb. vertoon maken, pronken, pralen, (laten) paradeeren: At three o’clock the troops were paraded = liet men de troepen parade maken.
Paradigm, parəd(a)im, paradigma, voorbeeld; adj. Paradigmatic.
Paradisaic(al), parədiseiik(’l), paradijsachtig; Paradise, parədais, paradijs, schellinkje (Theater): Bird of paradise = paradijsvogel; Paradisiac(al), parədisiək(’l), parədisaiək(’l), paradijsachtig.
Paradox, parədoks, paradox; Paradoxer = maker van paradoxen; Paradoxical, parədoksik’l: A paradoxical cynic or a cynical paradoxer = een van paradoxen houdend cynicus of een cynisch paradoxenmaker.
Paraffin(e), parəfin, paraffine, petroleum; Paraffin-oil, parəfinôil, gezuiverde petroleum; paraffine olie.
Paragoge, parəgoudž, paragoge.
Paragon, parəgon, subst. toonbeeld van volmaaktheid; Paragon verb. evenaren, vergelijken.
Paragraph, parəgraf, paragraaf, beknopt artikel; Paragraph verb. paragrafeeren, een artikeltje schrijven; Paragrapher = Paragraphist = reporter.
Paraguay, parəgwei, parəgwai, parəgwai, parəgwei.
Parakeet, parəkît, parkiet.
Parallax, parəlaks, parallax (Astron.).
Parallel, parəlel, parallel, evenwijdig; subst. parallel, breedtecirkel, loopgraaf evenwijdig aan de vuurlinie; Parallel verb. evenwijdig maken (loopen), gelijkstellen, evenaren, overeenkomen met: To draw a parallel between; To find one’s parallel = zijn gelijke; To put oneself on a parallel (with) = zich vergelijken; Parallels of latitude = breedtecirkels; Such passages can be easily paralleled from the best authors = zulke overeenkomende passages vindt men bij; Parallel motion = evenwijdige beweging (van zuigers, enz. bij stoommachines); Parallel ruler = parallelograaf; Parallelism = evenwijdige toestand of ligging, overeenkomst; Parallelogram, parəleləgram, parallelogram; Parallelopiped, parəleləp(a)ipəd, parallelopipedum.
Paralogism, pəralədžizm, drogreden.
Paralysis, pəralisis, verlamming; Paralytic, parəlitik, subst. lamme; adj. aan verlamming lijdende, met aanleg voor verlamming, verlamd; Paralyse = Paralyze, parəlaiz, verlammen.
Paramo, pərâmou, Paramo, hoogvlakte (Andes).
Paramount, parəmaunt, hoogst, voornaamst, onbeperkt, souverein; subst. hoogste; Paramountcy = eerste plaats, enz.
Paramour, parəmûə, minnaar, minnares (steeds in slechten zin).
Parapet, parəpet, borstwering, verhoogde rand of muurtje, trottoir; Parapeted.
Paraph, parəf, paraaf; Paraph verb. parafeeren.
Paraphernalia, parəfəneiljə, eigendom der bruid buiten den bruidschat, zooals lijfgoederen, sieradiën, etc.; toebehooren, uitrusting, versiering: Warlike paraphernalia = uitrusting.
Paraphrase, parəfreiz, subst. paraphrase; Paraphrase verb. paraphraseeren; adj. Paraphrastic(al).
Parasite, parəsait, parasiet; Parasitic(al), parəsitik(’l), woekerend; Parasitism, parəsaitizm, woekering; Parasitize = woekeren.
Parasol, parəsol, parəsol, parasol; Parasolette, parəsəlet, kleine parasol.
Parboil, pâbôil, ten deele koken, opkoken, warmtepuistjes veroorzaken.
Parbuckle, pâbɐk’l, subst. schrooitouw; Parbuckle verb. met een schrooitouw hijschen.
Parcae, pâsî, de schikgodinnen.
Parcel, pâs’l, subst. deel, stuk, pakje, pakket, hoeveelheid; adj. gedeeltelijk, half; Parcel verb. verdeelen; smarten (zeeterm): Bill of parcels = factuur; By parcels = bij gedeelten; That is part and parcel of our contract = dat is een voornaam deel van ons contract; It was parcelled out to us = toebedeeld; Parcel-express = pakketpost; Parcel-office = bestelkantoor, goederenbureau; A parcels-delivery man (Parcelvan) = besteller (wagen van den besteldienst); Parcel(’s)-post = pakketpost; Parcels-service = bestelgoederendienst.
Parcenary, pâsənəri, mede-erfgenaamschap; Parcener, pâsənə, mede-erfgenaam.
Parch, pâtš, opdrogen, verdorren, verzengen, schroeien, roosteren: I am parched with thirst = versmacht van.
Parchment, pâtšm’nt, subst. perkament; perkament(en): The parchment of a drum; Parchment-paper = Vegetable parchment = perkamentpapier; Parchmentize = in perkament veranderen.
Pard, pâd, panter, luipaard; ook = Partner, (Amer.).
Pardie, pâdî, Zie Pardy.
Pardon, pâd’n, subst. vergiffenis, aflaat, amnestie; Pardon verb. vergeven, vergiffenis schenken: (I beg your) pardon! = neem me niet kwalijk; (I) beg your pardon? = wat blieft u? Pardonable = vergeeflijk; subst. Pardonableness; Pardoner = verkooper van aflaten.
Pardy, pâdî, par Dieu, waarachtig.
Pare, pêə, afsnijden, schillen, besnijden, besnoeien (ook fig.): He pared his nails to the quick = hij sneed zijne nagels tot op het vleesch af; Parer = schilmachine, enz.
Paregoric, parəgorik, subst. en adj. pijnstillend (middel), opiumtinctuur.
Parenchyma, pəreŋkimə, celweefsel, parenchiem; adj. Parenchymatous.
Parent, pêr’nt, vader of moeder, oorzaak, bron; Parents = ouders: You are not a parent = hebt geen kinderen; Parentage, pêr’ntidž, geboorte, afkomst, ouders, oorzaak; Parental, pərent’l, ouderlijk; Parenthood = ouderschap; Parentless = ouderloos.
Parenthesis, pərenthəsis, parenthese: By way of parenthesis = tusschen twee haakjes (fig.); Parentheses, pərenthəsîz, haakjes: In parenthesis, Within marks of parenthesis = tusschen haakjes; Parenthesize; Parenthetic(al) = tusschen haakjes geplaatst; He said it parenthetically = bij zijn neus langs.
Parget, pâdžət, subst. ruw pleisterwerk; Parget verb. bepleisteren; grimeeren.
Parhelion, pâhîlj’n, bijzon.
Pariah, pâriə, pêriə, paria, uitgeworpene: Pariah dog = onbeheerde hond.
Parian, pêriən, van Paros; subst. soort van porselein.
Parietal, pəraiət’l, tot een muur (buikwand) behoorende, wandstandig; universiteits... (Amer.); Parietary = glaskruid, muurkruid.
Paring, pêriŋ: Parings = krullen, schillen.
Paris, paris, Parijs: He knows his Paris = hij kent z’n Fransch; Paris doll = kostuumpop; Paris garden = oude berebijt in Londen; Parisian, pəri’ž’n, subst. Parijzenaar; adj. Parijsch.
Parish, pariš, kerspel, parochie; district (Amer.); adj. gemeente..., parochie...: To be on (To come (up)on, To throw oneself on) the parish = armlastig zijn (worden); Parish clerk = leider der responses in de Anglik. kerk; Parish priest = geestelijke met eigen gemeente; Parish register; Parish work = herderlijke werkzaamheid; Parishioner, pərišənə, lid van eene parochie of gemeente.
Parisina, parisînə.
Parisyllabic, parisilabik, met het zelfde aantal lettergrepen.
Parity, pariti, gelijkheid, overeenkomst.
Park, pâk, subst. park, artilleriepark, de batterijen behoorende bij een afd. artill.; oesterbank; Park verb. in een park besluiten, samenbrengen; Park-keeper; Park-paling.
Parker, pâkə; Parkes, pâks; Parkhurst, pâkhɐ̂st; Parkinson, pâkins’n.
Parlance, pâl’ns, gesprek; Parlance verb. onderhandelen, spreken met: In common parlance = in de taal van het dagelijksch leven.
Parley, pâli, onderhoud, onderhandeling: To beat (To sound) a parley; To desire, To hold a parley.
Parliament, pâliment, parlement: To dissolve (To prorogue) a parliament; To convene (To summon) a parliament; Parliamentarian. pâlimentêriən, aanhanger van het Long Parliament (onder Karel I en Karel II); Parliamentary, pâlimentəri, parlements...; subst. volgens parlementsbesluit voorgeschreven trein voor de 3de klasse reizigers, minstens eens per dag tegen hoogstens 1 penny per Eng. mijl: Parliamentary agent = een solicitor optredend als verkiezingsagent; Parliamentary borough = een borough, die een lid afvaardigt; A parliamentary carriage = wagon 3de klasse.
Parlour, pâlə, huis- of woonkamer; ontvangkamer (Amer.), spreekkamer, gelagkamer; Parlour-boarder = kostjongen, die met de familie aan tafel zit, en als huisgenoot behandeld wordt; Parlour-maid = kamermeisje.
Parlous, pâləs, gevaarlijk, vreeselijk.
Parmesan, pâməzan, Parmezaansch: Parmesan cheese.
Parnassian, pânaš’n, van den Parnassus; Parnassus, pânasəs, Parnassus.
Parnell, pânel, pânel.
Parochial, pəroukj’l, parochiaal; bekrompen, kleingeestig: Parochial board = armbestuur, armvoogden; Parochial relief = armenzorg; Parochialism = bekrompenheid; Parochialize = in parochies verdeelen.
Parodist, parədist, parodieënmaker; Parody, parədi, subst. parodie; Parody verb. parodieeren.
Parole, pəroul, eerewoord, wachtwoord: The officers were admitted to their parole (released on parole) = werden op hun eerewoord vrijgelaten.
Paronomasia, parənəmeisiə, parənəmeižə, woordspeling.
Paronym, parənim, gelijkluidend of verwant woord; adj. Paronymous, pəronimɐs; subst. Paronymy, pəronimi.
Paroquet, parəket, parkiet.
Paroxysm, parəksizm, krampachtige aanval; Paroxysmal, parəksizm’l, krampachtig.
Parquet, pâket, parketvloer; parket in een schouwburg (Am.); parket (Jur.); Parquet verb. met paneelen inleggen; Parquetry = parketvloer.
Parr, pâ, jonge zalm (kabeljauw, haas).
Par(r)akeet, parəkît, parkiet.
Parricidal, parisaid’l, adj. v. Parricide, parisaid, vadermoord(er).
Parrot, parət, papegaai (ook fig.); Parrot verb. napraten, nadoen; Parrot-coal = soort v. bitumineuse kool; Parrot-fish = papegaaivisch; lipvisch; Parrotry = naäperij.
Parrott, parət: Parrott gun, een naar den uitvinder P. genoemd kanon.
Parry, pari, afweren, pareeren: Parry and thrust = pareeren en uitvallen.
Parse, pâs, pâz, (taalkundig) ontleden.
Parsee, pâsî, pâsî, aanhanger. v. d. Oud-Perzischen godsdienst, afstammeling der oude Perzen (in Indië); Parseeism = de leer (van Zoroaster) der Parsees.
Parsimonious, pâsimounjəs, karig, gierig, knijperig; subst. Parsimoniousness = Parsimony, pâsiməni.
Parsley, pâsli, peterselie.
Parsnip, pâsnip, pastinaak of witte peen: Fair (Fine) words butter no parsnips = praatjes vullen geen gaatjes.
Parson, pâs’n, dominé, geestelijke (dikwijls in smalenden zin): Parson’s nose = stuit van een gebraden gans; Parsonage, pâsənidž, predikantsplaats, pastorie.
Part, pât, subst. deel, zijde, gedeelte, aflevering, aandeel, lid, stuk, rol, partij, plicht; Part verb, verdeelen, uitdeelen, scheiden, van de hand doen, breken, uit elkaar gaan, opgeven; adv. deels: Silence would have been the better part = verstandiger zijn geweest; The best part of a foot long = ruim een halve; Of the first part, of the second part = ter eenre.. ter andere zijde; For my part = wat mij aangaat; In part = gedeeltelijk: To make a payment in part = een deel afbetalen; On our part = onzerzijds; Do you come on his part? No I come on my own part = van zijnentwege;.... voor mijzelf; To do one’s part = zijn plicht doen; To take a person’s part = iemands partij opnemen; He took part in the conspiracy = nam deel aan; He took my remarks in good part = nam goed of vriendelijk op; I hope you will not take it in ill part = ongunstig of euvel opnemen; Parts = talenten; streek: A man of parts = begaafd; I am a stranger in these parts = hier; The ten parts of speech = de tien rededeelen; To come out in parts = afleveringen; Divided into parts = in stukken verdeeld; To be (To have) art and part in = deel hebben aan; To have no part nor lot in = part noch deel hebben aan; To become part and parcel of = een wezenlijk deel worden van; He was part and parcel of the procession = maakte een wezenlijk deel uit van; They had better part = zij moesten liever scheiden; To part company = scheiden, uiteengaan, zich van het eskader afzonderen; To part the hair = een scheiding maken; I intend to part with my dog, though I feel it will be hard to part from such a faithful friend = van de hand te doen, schoon ik voel dat ik moeilijk van zulk een trouw vriend zal kunnen scheiden; I parted with her at the station = verliet, nam afscheid van; With parted mouth = met open mond; Part-music = meerstemmig; Part-owner = mede-eigenaar (reeder); Part-payment: In part-payment = op afbetaling; Parting = scheiding, deeling, vertrek; adj. scheidend, afscheid - -: At parting = bij het vertrek; At the parting of the ways = bij de scheiding; Speed the parting guests and welcome the coming = wensch den vertrekkenden Gods zegen; Parting-cup = afscheidsdronk; Parting-kiss; Parting-song = afscheidslied; Parting-word = afscheidswoord; Partly = gedeeltelijk, soms ook Part.
Partake, pâteik, deelnemen, deelhebben: We partook of a nice little dinner = gebruikten; It partakes of the nature of a crime = het heeft iets van; Partaker.
Parterre, pâtêə, bloemperk(en); parterre.
Parthenon, pâthənon, Parthia, pâthiə, Parthië: Parthian, Parthisch; subst. bewoner van Parthië: Parthian arrow (shot) = scherp antwoord van den vertrekkende.
Partial, pâš’l, gedeeltelijk, partijdig, vooringenomen, eenzijdig: Every mother is partial to her children = zal het beste van hare kinderen denken; I am partial to such food = van zulk eten houd ik veel; Partial board = pension zonder middageten; Partialism = partijdigheid; Partialist; Partiality, pâšaliti, partijdigheid, voorliefde.
Participant, pâtisip’nt, deelhebbend; subst. deelhebber: To be participant of = deelnemen aan.
Participate, pâtisipeit, deelnemen aan, deel hebben in: I participate in (of) your happiness = deel in uw geluk; subst. Participation; Participator = deelnemer.
Participial, pâtisipiəl, deelwoordelijk; Participle, pâtisip’l, deelwoord.
Particle, pâtik’l, deeltje, greintje, partikel: He has not a particle of sound sense = geen greintje gezond verstand; I don’t care a particle = ik geef er geen zier om.
Parti-coloured, pâtikɐləd, bont.
Particular, pâtikjulə, subst. bijzonderheid; adj. bijzonder, omstandig, persoonlijk, merkwaardig, zorgvuldig, kieskeurig: London particular = echt Londensche mist; bijzonder soort Madeira; In particular = in ’t bijzonder; He did not enter into particulars = hij trad niet in bijzonderheden; For further particulars apply to him = nadere inlichtingen zijn bij hem te verkrijgen; Particulars to follow = bijzonderheden volgen; Particular friend = intieme vriend; I am not particular about it = het steekt me niet zoo nauw; I am particular in (about) my eating and drinking = ben erg kieskeurig op; He is not particular in this = in dit opzicht heeft hij niets bijzonders; He is not particular to a guilder = het komt hem op een gulden niet aan; Particularism = particularisme; Particularist = afgevaardigde die slechts de belangen v. zijn eigen district voorstaat; aanhanger v. de leer der Bijzondere Genade; Particularity, pâtikjulariti, bijzonderheid, omstandigheid; Particularization, subst. v. Particularize = in bijzonderheden treden, op kleinigheden en bijzonderheden letten.
Partisan, pâtiz’n, subst. partijganger, partijgenoot; aanvoerder van een korps partijgangers; partisaan; adj. partijdig; Partisanship.
Partition, pâtiš’n, subst. verdeeling, afdeeling, tusschenschot, scheidingspunt; Partition verb, in stukken of afdeelingen verdeelen (off); Partition-wall = scheidsmuur (ook fig.).
Partitive, pâtitiv, subst. deelend woord; adj. een deel aanwijzend.
Partner, pâtnə, compagnon, firmant, vennoot, danser(es), echtgenoot(e), medespeler: He is a partner in this business = compagnon in deze zaak; Acting (Active), Sleeping (Dormant) partner; Partnership = vennootschap: To enter (go) into partnership, To contract a partnership with.
Partridge, pâtridž, patrijs: Partridge-wood = patrijshout.
Parturient, pâtjûriənt, barend, vruchtbaar; Parturition, pâtjuriš’n, baring.
Party, pâti, subst. partij, troep, gezelschap, “avondje”, zaak, bepaald persoon: The parties = die “lui”; The People’s Party = Volkspartij; A queer party = een rare kerel; I will be no party to this affair = wil er niet mee te maken hebben; To give a party = een partij geven; Party-coloured = v. verschillende kleuren, bont; Party-jury = jury, deels uit Engelschen, deels uit niet-Engelschen bestaande; Party-spirit = partijgeest; Party-wall = scheidsmuur, tusschenmuur.
Parvenu, pâvənjû, parvenu: The parvenu aristocracy.
Pas, pâ, schrede, stap, voorrang: He takes (has) the pas of dukes and earls = gaat in rang vóór; I yielded him the pas = liet hem vóórgaan.
Pasch, pask: Pasch-egg = Paaschei; Pasch(al) flower = paarsche anemoon, Paaschbloem; Paschal, paskəl, tot het Pascha behoorende: Paschal lamb.
Pascha(w), pašə, pâšə, pəšâ, pəšô, pacha; Paschalic, pašəlik, pəšâlik, pâšəlik, pəšôlik = gebied of waardigheid van een Pacha.
Pasque-flower = Paschal-flower.
Pasquil, paskwil, Pasquinade, paskwineid, paskwil, schotschrift.
Pass, pâs, subst. pas, gang, enge weg, bergpas, staat van zaken, doorgangs- of toegangsbewijs, slagen bij examen, toestand, uitval, verlegenheid, etc.; Pass verb. gaan, overbrengen, gebeuren, verdwijnen, langzaam veranderen, van de eene hand in de andere gaan; verloopen, weglaten, overslaan, slapen, er door komen, uitvallen, toelaten, vaststellen, aannemen (van eene wet), etc.: Things had come to such a pass that a change was desirable = het was nu zoover gekomen, dat; The world is coming to a pretty pass = het wordt eene mooie boel tegenwoordig; I gave them passes to the theatre = ik gaf hun biljetten voor de comedie (op zulke biljetten staat b.v.: Pass Mr. So and So to the stalls); To make a pass at = een uitval doen; 375 candidates, 154 passes = 154 toegelaten; He may pass = kan slagen; That may pass = kan er door; Let that pass = laten we daar niet meer over spreken = Let us pass that; That passes belief = is ongelooflijk; To pass a bill = een wetsontwerp aannemen; We passed the candidate = hebben toegelaten; To pass base coin = in omloop brengen; To pass muster = den toets doorstaan; Don’t pass remarks on your betters = maak geen aanmerkingen op; To pass a river = oversteken; To pass sentence on a criminal = het vonnis uitspreken over; Who brought it to pass? = wie heeft dat veroorzaakt, gedaan; It came to pass = het gebeurde; Pass along that hedge = ga langs; He passed peacefully away = stierf; Pass away, please = ga daar uit den weg; His life was passed away in the country = werd doorgebracht; What has passed between you? = is er voorgevallen; You cannot pass this for a good coin = als goed geld uitgeven; He passes for a clever man = gaat door voor; Pass on, please = doorloopen, alsjeblieft; I passed that over = dat heb ik over het hoofd gezien, overgeslagen; He was passed over in favour of another man = werd gepasseerd; It will be passed to the credit of your account = op uw credit worden geboekt; The property passed under the will, was very large = bij testamentaire beschikking vermaakt; He passed up coppers to the conductor = gaf door; This judgment was passed upon him = werd over hem uitgesproken; Pass-bill = geleibiljet; Pass-book = bestelboekje, kassiersboekje; Pass-check = vrijbiljet; contremarque; Pass examination = gewoon examen, tegenover Honours exam.; Pass-holder = houder van een vrijbiljet of abonnementskaart; Pass-key = looper, huissleutel; Passman = geslaagde (tegenover Classman = de met grooten lof geslaagde); Pass-paper = schriftelijke examenopgaaf; Passport = paspoort; Password = parool, wachtwoord; Passable = gangbaar, dragelijk, begaanbaar; Passer = die passeert; Passer-by = voorbijganger; Passing = voorbijgang, verloop, aanneming; adj. voortreffelijk, uitstekend, in hooge mate, voorbijgaand, terloopsch: Passing-bell = doodsklok; Passing-note = overgangstoon (muz.); He said it in passing = in ’t voorbijgaan; We don’t see a bit of passing = zien (hier) niemand voorbijgaan.
Passage, pasidž, doorgang, uitgang, binnenkomst, gang, weg, reis, passage, doorvaart, aanneming (v. een wet), stoelgang, voorval, gebeurtenis, etc.: Had you a good passage? = hebt ge een goede overtocht gehad; To take a passage for = biljet nemen; Birds of passage = trekvogels; They indulged in frequent passages of words = hielden herhaalde woordenwisselingen; Passage-money = passagiersvracht.
Passant, pas’nt, gaande: Lion passant = gaande leeuw (Herald.).
Passenger, pas’ndžə, passagier, reiziger, passagierstrein: Cabin passenger; Deck passenger; Effects of passengers = passagiersgoed; Through-passengers = doorgaande reizigers; Passenger-carriage = personenwagen; Passenger-pigeon = postduif; Passenger-traffic = personenvervoer; Passenger-train = personentrein.
Passerine, pasər(a)in, tot de musschensoort behoorende.
Passiflora, pasiflôrə, passiebloem.
Passim, pasim, hier en daar.
Passion, paš’n, het lijden (vooral het laatste lijden des Heeren), hartstocht, liefde, toorn, smart, geestdrift, vuur: To be in a towering passion = in hevigen toorn ontstoken; He fell (flew) into a passion = werd woedend; Don’t give way to passion = laat u niet door drift medesleepen; To have a passion for = voorliefde hebben; To put a person into a passion = iemand in drift doen ontsteken; Passion-flower = passiebloem; Passion-play = passiespel; Passion-Sunday = Zondag vóór Paschen; Passion tide = lijdensweken; Passion week = lijdensweek; Passionate = hartstochtelijk, driftig, oploopend; subst. Passionateness; Passionists = een bepaalde godsdienstige orde der R. Katholieken, die behalve de gewone 3 beloften nog een vierde afleggen, nl. tot voortdurende overweging van het lijden Onzes Heeren (vandaar de naam); Passionless.
Passive, pasiv, lijdend, passief, indifferent: Passive obedience = lijdelijke gehoorzaamheid; Passive resistance; Passive verb = lijdend werkwoord; subst. Passiveness.
Passover, pasouvə, Joodsch paaschfeest, feest ter herinnering aan de verlossing uit Egypte; paaschlam; Passover-bread, Passover-cake = Paaschbrood.
Past, pâst, subst. verleden; adj. voorbij(gegaan), verleden, doorgebracht; onovertroffen; adv. en prep, over, overheen, te boven, voorbij: She has a past = iets op haar kerfstok (een “verleden”); He is a past-master in villainy = een aartsschelm; He came past our house = langs; He was past that now = er nu overheen; Past comprehension (all common sense) = alle begrip (gezond verstand) te boven gaande; The patient is past cure = onherstelbaar, ongeneeslijk; Half past four = half vijf; Past hope = hopeloos; I am past marrying = te oud om te trouwen; For many years past = vele jaren geleden.
Paste, peist, subst. deeg, pasta, glasdeeg, valsche diamant; adj. uit pasta gemaakt, onecht; Paste verb. vastplakken, beplakken; in pasta werken; afranselen: A pair of ear-drops of glittering paste = een paar simili oorknopjes; Pasteboard = bordpapier, visitekaartje, speelkaart, biljet; Paste-pot = lijmpot.
Pastel, past’l, weede (plant); pastel; Pastellist = pastelteekenaar.
Pastern, pastən, koot van een paard; Pastern-joint = kootgewricht.
Pasteurize, pastɐ̂raiz, pastɐ̂raiz, pasteuriseeren.
Pastil, pastil; Pastille, pastîl, pastille.
Pastime, pâstaim, tijdverdrijf, genoegen.
Pastor, pâstə, (geestelijk) herder; Pastoral, subst. idylle, landelijk gedicht, herdersdicht, herderlijk schrijven, pastorale (muziek); adj. landelijk, herderlijk: Pastoral visitation = huisbezoek; Pastoralism = herderlijke omgeving of natuur; Pastorate = herderlijk ambt = Pastorship.
Pastorale, pastərâli, pastorale (muz.).
Pastry, peistri, gebak, pastei: Pastry-cook = pastei- of banketbakker.
Pasturable, pâstjurəb’l, voor beweiding geschikt; Pasturage, pâstjuridž, weiden, weiland; Pasture, pâstjə, subst. weide, gras; Pasture verb, weiden, grazen: Pasture-ground (Pasture-land); Pastureless.
Pasty, peisti, subst. pastei(tje); adj. als deeg: A pasty-faced youth = bleeke jonge man.
Pat, pat, verk. van Patrick; Ier.
Pat, pat, subst. tikje, klapje, opgemaakt stuk boter; adj. geschikt, net van pas, toepasselijk; Pat verb. zachtjes tikken of kloppen: Pat to the time = te rechter tijd; He said the words pat on = glad achter elkaar op; He had rhymes pat about all the persons present = juist van toepassing; It came pat to the purpose = net van pas; He patted little children on the back, head = tikte (goedkeurend) op den rug, op het hoofd; Patness = juistheid, gepastheid.
Patagonia, patəgounjə.
Patch, patš, subst. lap, stuk, moesje, stuk of lapje grond; Patch verb. lappen, oplappen, samenflansen: This comedian is not a patch upon his fellow-artist = haalt in de verte niet bij; She laid on patches and made herself ridiculous = zij zag er belachelijk uit met hare schoonheidsmoesjes; To put a patch on = lap opzetten; The plaster is patching off the walls = valt bij stukken van den muur af; The dress was patched up = in haast en slordig opgelapt; Peace was patched up with them = een overhaaste vrede werd gesloten; Patchwork quilt = lappendeken; Patcher = lapper, knoeier; Patchy = gelapt, saamgeflanst; knorrig.
Patchouly, patšəli, patšûli, patchoeli plant, parfum daaruit bereid.
Pate, peit, kop: He broke his pate = kreeg een gat in zijn kop; Pated (in samenst., zooals: Curly-pated).
Patella, pətelə, schoteltje, knieschijf; Patelliform.
Paten, pat’n, pateen, vlakke gouden of vergulde schaal waarop de H. Hostie ligt.
Patent, peit’nt, subst. octrooi, vergunning, patent; adj. openbaar, duidelijk, gepatenteerd, uitstekend; Patent verb. octrooi verleenen, door een octrooi zich verzekeren: To take out a patent for = patent nemen op; Dissensions were becoming patent to the household = hunne geschillen werden duidelijk voor de huisgenooten; Patent-law; Patent-leather = verlakt leder; Patent-office = bureau der octrooien; Patent-right = patent(recht); Patent-rolls = register der ingeschreven octrooien; Patentable = waarvoor octrooi kan worden genomen; Patentee, peit’ntî, pat’ntî, patenthouder.
Pater, peitə, “ouwe heer”: My Pater; Pater-familias, peitəfəmiljəs, huisvader; Paternoster, patənostə, peitənostə, het “Onze Vader”, rozenkrans; Paternal, pətɐ̂n’l, vaderlijk, erfelijk; Paternity, pətɐ̂niti, vaderschap: Inquiry into the paternity of an illegitimate child = onderzoek naar het vaderschap; Paternity law = wet op het vaderschap.
Paterson, patəs’n; Patey, peiti.
Path, pɐ̂th, subst. pad: To break (open) a path = een weg banen; To leave the path to = iemand uit den weg gaan; Path-breakers = baanbrekers; Pathway = voetpad; Pathless = ongebaand.
Pathetic, pəthetik, gevoelvol, aandoenlijk.
Pathogeny, pəthodžəni, leer van het ontstaan der ziekten.
Pathologic(al), pathəlodžik(’l), pathologisch; Pathologist = patholoog; Pathology = ziektenleer.
Pathos, peithos, pathos.
Patience, peiš’ns, geduld, volharding, lijdzaamheid: I am out of patience = mijn geduld is op; I have come to the end of my patience = mijn geduld is ten einde; To lose one’s patience; Possess your soul in patience = bezit je ziel in lijdzaamheid; Take patience = heb geduld; Patient, peiš’nt, lijder, patient; adj. geduldig, lijdzaam, kalm, toegevend, volhardend, taai: What is death to the patient is profit to the physician = den een zijn dood is den ander zijn brood; To be patient of = geduldig dragen.
Patina, patinə, vlakke schaal; groene roest op brons.
Patriarch, peitriâk, patriarch; Patriarchal, peitriâk’l, aartsvaderlijk; Patriarchate = patriarchaat = Patriarchship.
Patrician, pətriš’n, patricisch; subst. patriciër.
Patrick, patrik, Patricius.
Patrimonial, patrimounj’l, tot het vaderlijk erfdeel of de nalatenschap behoorende; Patrimony, patriməni, vaderlijk erfdeel.
Patriot, peitriət, patriət, subst. vaderlander, patriot; adj. vaderlandslievend; Patriotic, peitriotic, patriotic = vaderlandslievend; Patriotism, peitriətizm, patriətizm, vaderlandsliefde.
Patrol, pətroul, subst. patrouille, ronde; Patrol verb. patrouilleeren, de ronde doen.
Patron, peitr’n, patr’n, subst. beschermer, beschermheer, beschermheilige, geregeld bezoeker, begunstiger; adj. beschermend, bescherm ...; Patronage, peitrənidž, patrənidž, bescherming, patronaat, recht van begeving; Patroness = beschermvrouw; Patronize, peitrənaiz, patrənaiz, beschermen, begunstigen; Patronizer; Patronizing = beschermend, nederbuigend: Patronizing air.
Patronymic, patrənimik, subst. geslachts- of familienaam; adj. v. een voorvader verkregen (naam); Patronymical.
Patroon, pətrûn, grondbezitter aan wien, oorspronkelijk door de Ned. W.-Ind. Comp., eenige heerlijke rechten waren toegekend.
Patten, pat’n, soort klomp, oudtijds soort stelt(schoen), patijn; onderlaag v. een muur, voetstuk v. eene zuil.
Patter, patə, kletteren, trappelen, ratelen, klateren, snateren; subst. gekletter, etc., tusschengevoegde en snel uitgesproken woorden in een pattersong; They all pattered French more or less = praatten, snapten.
Pattern, patən, subst. model, patroon, voorbeeld, staal, schabloon; Pattern verb. copieeren, bespikkelen: A French patternbonnet = modelhoed; The streets were starred and patterned with lights.
Patty, pati, pasteitje; Patty-pan.
Patulous, patjulɐs, afstaand, uitstaand.
Paucity, pôsiti, geringheid, schaarschte, gebrek: Paucity of labour = gebrek aan werkkrachten.
Paul, pôl, Paulus; Pauline, pôlin, Paulina; pôl(a)in, Paulinisch.
Paunch, pônš, pânš, buik, pens, balg; Paunch-mat = stootmat (scheepst.); Bow-paunched = met ronden buik; Paunchiness.
Pauper, pôpə, arme, bedeelde: Pauper children, Pauper school; Pauperism = de bedeelden, armoede; Pauperization, subst. v. Pauperize = tot diepe armoede brengen.
Pause, pôz, subst. rust, afbreking, twijfel, besluiteloosheid, gedachtestreep: Pause verb. pauseeren, rusten, weifelen, aarzelen: Such things must give a sensible man pause = brengen tot nadenken; He stood in pause = twijfelde, weifelde.
Pave, peiv, bevloeren, plaveien: To pave the way for = den weg banen; Pavement = bestrating, plaveisel; Foot-, Side-pavement = trottoir, kleine steentjes; Paver = straatmaker, wegbereider, straatsteen, stamper.
Pavilion, pəvilj’n, paviljoen, vlag, standaard, verhemelte (Herald.); oude munt.
Pavior, peivjə, straatmaker, stamper.
Pavo, peivou, pauw, sterrenb. de pauw; Pavonine, pavən(a)in, met vele kleuren schitterend (als een pauwestaart).
Paw, pô, subst. poot met klauw; hand; Paw verb. (met den voorpoot) krabben (v. paarden); ruw aanpakken, flikflooien.
Pawem, pôəm, aangenaam gedeelte, in een boek tusschen zwaardere kost ingelascht.
Pawky, pôki, slim, schalks(ch): He takes a pawky view of things.
Pawl, pôl, pal.
Pawn, pôn, subst. pion (schaakspel), pand; Pawn verb. verpanden: I have given my watch in (at) pawn = als pand gegeven; Pawnbroker = lombardhouder; Pawnbroking = het houden v. een lommerd; Pawner; Pawn-house = Pawnshop; Pawn-tickets with the equity of redemption = lommerdbriefjes met het recht van wederinkoop.
Pawnee, pônî: Brandy pawnee = cognacgroc (Brit Ind.).
Pawnee, pônî; Pawtucket, pôtɐkət.
Pax, paks. Zie Osculatory: To cry pax = roepen dat het ‘genoeg’ is (Schoolslang).
Pax(y)-wax(y), paks(i)waks(i), sterke, dikke nekspier (bij slachtvee).
Pay, pei, subst. betaling, loon, soldij; Pay verb. betalen, vergoeden, vergelden, kwijten; teeren, smeren: No pay no play = zonder geld heb je niets; In the pay of = in dienst van; Officer on halfpay = op wachtgeld; To pay one’s addresses to = het hof maken; To pay attention = opletten; You paid him a bad compliment = maakte; When he came home there was the devil to pay = waren de poppen aan het dansen; He robs Peter to pay Paul = hij maakt een gat om een ander gat te stoppen; To pay the piper = het gelag betalen; I will pay him full tale for this = het hem dubbel en dwars betaald zetten; To pay a visit = brengen; If you don’t wish to get into debt, you must pay your way = moet ge uwe verplichtingen nakomen; You will have to pay down = gij zult moeten opdokken, contant betalen; You shall pay for this = zult boeten; Will you pay for the book? = het boek betalen; He paid for his treachery with his life = boette zijn verraad; The sum was paid in to your account = gestort, afbetaald op uw debet-rekening; To pay into a bank, the hands of a banker = deponeeren bij; I have paid him off = het volle bedrag uitbetaald; het hem betaald gezet; The loan will be paid off at the price of £ 106 for every £ 100 = is aflosbaar; Pay him on = sla er op, raak hem; I have paid him out (for it) = paid him home = het hem betaald gezet; Pay out more cable = vier; We had to pay through the nose = ons werd het vel over de ooren getrokken; I want to pay up my arrears = wensch te betalen; The business does not pay = rendeert niet; Paid-up shares = volgestorte aandeelen; He got well paid = kreeg het goed betaald; Pay-bill = betaalsrol; Pay-box = loket, plaatsbureau (theaters); Pay-day = traktementsdag; Paymaster = betaalmeester, kwartiermeester, officier van administratie; Pay-office = betaalkantoor; Pay-sheet = betaalsrol; Payable = betaalbaar: Payable at sight to Mr. X. or order = betaalbaar op zicht aan den heer X. of order; Payee, peiî, wien betaald wordt; Payer = betaler; Paying = loonend; Payment = betaling, loon: He has stopped (suspended) payment = zijne betalingen gestaakt.
Payne, pein.
Paynim, peinim, heiden.
Paynize, peinaiz, hout voor bederf bewaren door eene injectie van zekere oplossing.
Pea, pî, erwt: They are as much alike as two peas (in a pod) = zij lijken als twee droppels water op elkaar; Pea(s)-cod (-pod, -shell) = erwtenpeul; Pea-gun (Pea-shooter) = proppenschieter; Pea-nut = aardnoot; Pea-soup = erwtensoep.
Peabody, pîbodi.
Peace, pîs, vrede, rust, kalmte, harmonie: Peace to his ashes = hij ruste in vrede; Peace there! = stilte! At peace = verzoend; dood; I am not at peace with myself = het met mijzelf niet eens; Hold your peace = houd je stil; They kept the peace better than I had expected = zij hielden zich rustiger dan ik verwacht had; He promised to keep the king’s (queen’s) peace = om de orde niet meer te verstoren; He was sent to peace = werd gedood; Peace-breaker = rustverstoorder; Peacemaker = vredestichter; Peace-offering = zoenoffer; Peace-officer = politieagent; sheriff; Peace-party = vredepartij; The Peace-society = vredebond; In their peace-strength = sterkte in tijd van vrede; Peaceable = vreedzaam, vredelievend; subst. Peaceableness; Peaceful = vredig, kalm, stil; subst. Peacefulness; Peaceless = rusteloos, woelig.
Peach, pîtš, subst. perzik: He is no small peaches of an artist = als kunstenaar is hij geen kwajongen; Peach-brandy = persico; Peach-coloured = perzikkleurig; Peach-down = dons; Peach-tree.
Peach, pîtš, aanklagen, verklappen: Speak, or I’ll peach = spreek, of ik getuig tegen je, verklik je, geef je aan.
Peachick, pîtšik, jonge pauw; Peacock, pîkok, (mannetjes)pauw; ook verb., stappen als een pauw; Peacock-butterfly = pauwoog; Peacock-fish = pauwoog (visch); Peacock-hangings = behangsel met pauwenpatroon; Peafowl = pauw; Peahen = pauwin.
Pea-jacket, pîdžakət, pijjekker.
Peak, pîk, subst. piek, spits, punt, klep (van pet of hoed); Peak verb. kwijnen, er ziekelijk uitzien, (eene ra) optoppen: A peaked cap = met klep; Peaked beard = puntbaard; A peaked look = kwijnend; Peaked-up persons = stijve, opgeprikte personen; Peaking = ziekelijk; geniepig; Peakish = ziekelijk; Peaky = spits, ziekelijk uitziend.
Peal, pîl, subst. knal, slag, salvo, geratel, donderslag, klokgelui, aantal klokken; Peal verb. luide weerklinken of weergalmen: The peals were rung = er werd op de klokken gespeeld, klokkenspel weerklonk; Peals of laughter, of thunder = schaterend gelach, ratelende donderslagen; The bells pealed forth their merriest sounds = de klokken deden hare vroolijkste klanken hooren.
Pear, pêə, peer; Pear-tree.
Pearce, pîəs.
Pearl, pɐ̂l, parel, paarlemoer; pil; staar, (ook Pearl-eye), diamantletter; ook adj.; Pearl verb. met parelen bezetten, beperelen, parelen: Mother of pearl = paarlemoer; That’s casting pearls to (before) the swine = dat is paarlen voor de zwijnen gooien; The girl strung her beads and pearls = reeg hare kralen en paarlen; Pearl-ash = parelasch; Pearl-barley = geparelde gerst; Pearl-disease = parelziekte; Pearl-diver = parelvisscher; Pearl-eye(d) = (met) een vlek (staar) op het oog; Pearl-fishery = parelvisscherij, de plaats hiervoor; Pearl-oyster = pareloester; Pearl-sago; Pearl-shell = parelschelp; Pearl-studded = met paarlen bezet; Pearl-white = parelwit; Pearly = parelachtig, vol paarlen.
Pears, pîəz; Pearson, pîəs’n.
Peasant, pez’nt, subst. en adj. boer(sch); Peasantry = boerenstand, landvolk.
Pease, pîz, erwten.
Peat, pît, turf; ook = A lump of peat = een turf; Peat-bog = laag veen; Peat-cutter = turfsteker; Peat-drag = bagger; Peat-moor = hoog veen; Peat-moss = veenmos; Peat-stacks; Peatery = veenderij; Peaty = uit turf bestaande, turf bevattende.
Pebble, peb’l, kiezelsteen (= Pebble-stone), agaat, bergkristal (= Pebble-crystal); Pebbled, Pebbly = vol kiezelsteenen.
Peccability, pekəbiliti, zondigheid; Peccable, pekəb’l, zondig; Peccadillo, pekədilou, kleine zonde, pekelzonde; Peccancy, pek’nsi, zondige staat; Peccant = zondig, bedorven, slecht; Peccavi, pekeivai, “ik heb gezondigd”, schuldbelijding: To cry peccavi = schuld bekennen, om vergiffenis vragen.
Peck, pek, subst. maat van ± 9 L.; pik, hap, kus, voer, kost; groote hoeveelheid; Peck verb. pikken, vitten, eten: There are pecks and pecks of = hoopen; It gave me a peck of trouble = een heele portie last; We had to keep them peck and perch, all the year round = we moesten hen onderhouden; She pecked at her chop = knabbelde aan, at met kleine beetjes van; She pecked up all the crumbs = raapte (pikte) op; Peck-alley = keel(gat); Pecker = specht; snavel: To keep up one’s pecker = den moed (of eetlust) niet verliezen; To go to Peckham = gaan eten; All holiday at Peckham = Schraalhans is keukenmeester; Peckish = hongerig.
Pectin, pektin, pectine.
Pectinate, pektənit, kamvormig.
Pectoral, pektər’l, borst - -; subst. borstmiddel, borstlap, borstschild of kruis van priesters, borstspier; borstvin = Pectoral fin.
Peculate, pekjuleit, (geld) verduisteren; Peculation: Peculation was rife, and abuses were rampant = verduistering was algemeen; Peculator.
Peculiar, pəkjûliə, eigenaardig, bijzonder, origineel; ook subst.: This wine has a peculiar flavour = een gansch bijzonderen smaak (en geur); Peculiarity, pəkjûliariti, eigenaardigheid, bijzonderheid.
Pecuniary, pəkjûniəri, geldelijk, geld(s) ...: In pecuniary difficulties, troubles = in geldelijke moeilijkheden.
Ped, ped, pedaal; voetganger; groote mand.
Pedagogue, pedəgog, pedagoog, schoolvos; Pedagogical, pedəgodžik(’l), pedagogisch; Pedagogics, pedəgodžiks, pedagogiek.
Pedal, ped’l, pîd’l, voet - -; subst. pedaal; Pedal verb. het pedaal gebruiken; peddelen, fietsen; Pedal-note = aangehouden toon; Pedal-pipes (of an organ); Pedal(l)er = fietser.
Pedant, ped’nt, schoolvos; Pedantic(al), pədantik(’l), pedant; Pedantry = muggenzifterij, pedanterie.
Peddle, ped’l, venten, met eene mars loopen; zich met beuzelarijen ophouden: Peddler = marskramer (Z. Pedlar); Peddling = beuzelachtig, onbeteekenend.
Pedestal, pedəst’l, voetstuk: Pedestal writing-table = “bureau ministre”; To put on a pedestal (fig.).
Pedestrian, pədestriən, voet - -; gewoon, alledaagsch, prozaïsch; subst. voetganger: Pedestrian journey, Pedestrian tour = voetreis; Pedestrianism = het wandelen, wandelwedstrijd, hardloopwedstrijd; alledaagschheid.
Pedicel, pedisel, bloemsteel; Pedicellate, pediselit, gesteeld.
Pedigree, pedigrî, stam- of geslachtsboom, afkomst: Pedigree cattle = stamboekvee.
Pediment, pediment, pediment, gevelveld.
Pedipalp, pedipalp, schorpioenspin; taster (van een spin).
Pedireme, pedirîm, waterwants.
Pedlar, Pedler, pedlə, marskramer; Pedlary = marskramerij; bedriegerij.
Pedlington, pedliŋt’n: This is the Little Pedlington view of the matter = kleingeestige, bekrompen kijk op.
Pedometer, pədomətə, pedometer.
Peduncle, pədɐŋk’l, (bloem)steel; Peduncular, pədɐŋkjulə, bloemsteel ...; steel ...; Pedunculate, pədɐ̂nkjulit, gesteeld.
Peek, pîk, verb. gluren: Peek-a-boo = Peep-bo: Peek-a-boo blouse = blouse met transparant halsstuk; Peeker.
Peel, pîl, subst. schil; schieter (van bakkers), versterkte toren (op de grens van Eng. en Schotl.); Peel verb. schillen, afschillen, afschilferen, ontkleeden, plunderen: Candied peel = sukade; Orange peel; To keep one’s eyes peeled = zijne oogen open houden (fig.); Peelings = schillen.
Peel, pîl: Peeler = klabak.
Peep, pîp, subst. gepiep; het eerste dagen of verschijnen, gluren, sluwe blik; Peep verb. piepen; gluren (naar = at), gloren, aanbreken, sluw kijken: At the peep of dawn = bij het gloren van den dag; To take a peep at = gluren naar; Peep-bo = kiekeboe! Peep-hole = kijkgaatje; Peep-o’-day boys = Iersche (Protest.) opstandelingen (1784); Peep-show = kijkkast; Peeper = pas geboren kuiken; loervogel (fig.); oog: Painted peepers = blauwe (geslagen) oogen; Single peeper = éénoog; Peeping Tom = loervogel.
Peer, pîə, gluren, kijken, te voorschijn komen.
Peer, pîə, subst. pair, gelijke; Peerage = pairschap, de hooge adel; adelboek; Peeress = adellijke dame, vrouw van een peer; Peerless(ness) weergaloos(heid).
Peevish, pîviš, gemelijk, knorrig; subst. Peevishness.
Peewit, pîwit, kievit.
Peg, peg, subst. pen of pin, nagel, klemhoutje, schroef; tand, voet, bepaalde slag; cognac met spuitwater; Peg verb. met pinnen vastmaken of merken, afranselen (into), geducht werken of eten (away), met pennen uitzetten (out), uitknijpen (out), hard loopen: Pegs = broek van boven zeer wijd en van onderen erg nauw; He is a square (round) peg in a round (square) hole = niet op zijne plaats; To come down a peg or two = een toontje lager zingen; I’ll take (pull) him down a peg or two = ik zal hem een toon of wat lager doen zingen; I have pegged two for you = twee voor u aangezet; He was pegging away at his translation = werkte hard aan; peg-top = priktol; peg-tops = broek, wijd van boven en nauw om de enkels.
Pegasus, pegəsɐs, Pegasus; Peggoty, pegəti; Pegram, pîgrəm; Peile, pîl; Peirce, pîəs, pɐ̂s; Pekin, pəkin; Pekin(g), pikin(g).
Pekoe, pekou, pîkou, Pecco-thee.
Pelagic, piladžik, zee...
Pelargonium, peləgounj’m, pelargonium.
Pelerine, pelərîn, pelərîn, pelerine.
Pelf, pelf, vuil; “duiten”: It was the pelf that got her a husband = zij kreeg een man om haar “moppen”.
Pelican, pelik’n, pelikaan; tang, haak; distilleerkolf.
Pelion, pîliən: To pile Ossa on Pelion = zich bovenmenschelijk inspannen.
Pelisse, pəlîs, soort mantel, pelsmantel.
Pellet, pelət, balletje, propje, kogel(tje), grove hagelkorrel; Pellet verb. met balletjes (hagelkorrels) schieten op.
Pellicle, pelik’l, huidje, vliesje.
Pellitory, pelitəri, glaskruid.
Pell-mell, pelmel, in groote verwarring, blindelings; subst. verwarring, handgemeen.
Pellucid, pəl(j)ûsid, helder; doorschijnend; subst. Pellucidity, pel(j)usiditi = Pellucidness.
Peloponnesian, peləpənîsiən; subst. Peloponnesus.
Pelt, pelt, gooien, werpen, kletterend neerkomen; subst. werpen enz.; vel, vacht, ruwe huid: To pelt along = voortjakkeren (snellen); Pelt-monger = handelaar in huiden en vellen; Pelt-wool = wol (van doode schapen); Pelter = hagel (fig.), plasregen; geweer, pistool, klein oorlogschip; Pelterer = handelaar in vellen; Peltry = pelterij, huiden.
Pelvic, pelvik, bekken...; Pelvis, pelvis, bekken.
Pembroke, pembruk: Pembroke table = kleptafel.
Pem(m)ican, pemik’n, gedroogd gemalen en met vet tot koeken geperst vleesch: This booklet is historical pem(m)ican = droog maar degelijk.
Pen, pen, subst. schaapskooi, hok, perk; pen, veder, stijl; Pen verb. opsluiten, stuwen; schrijven, neerpennen: Slip of the pen = schrijffout, vergissing; The last stories from her pen = van hare hand; These pens have hard, soft nibs = dit zijn pennen met harde, zachte punten; I want this pen mended = ik wou deze pen vermaakt hebben; To put the pen through = de pen halen door; To set pen to paper: Pen-case = pennenkoker; Pen-driver = pennelikker; Pen-fish = pijl-inktvisch; Penholder = pennehouder: Penknife = pennemes; Pen-man = schoonschrijver; Penmanship = schrijfkunst, manier van schrijven; Pen-name = pseudoniem; Penwiper = pennenwisscher.
Penal, pîn’l, straf..., strafbaar: Penal code = wetboek van strafrecht; Penal colony = strafkolonie; Penal laws = strafwetten; Penal servitude = dwangarbeid; Penal settlement = strafkolonie; Penalty, pen’lti, wettige straf of boete; extra gewicht op een renpaard; bij een handicap; Penal kick = strafschop; Penalize = strafbaar stellen: Abstention of voting ought to be penalized = onthouding van stemming moest strafbaar gesteld worden; Penance, pen’ns, boetedoening, zoenstraf, boetekleed; ook verb.: To do penance.
Penang, pinaŋ: Penang-lawyer (Zie Lawyer); Penang-nut = betelnoot.
Penarth, pînəth.
Penates, pəneitîz, Penaten of huisgoden.
Pence, pens, stuivers (als verzamelwoord): St. Peter’s Pence = Pieterspenning; Bad sixpence always turns up = onkruid vergaat niet.
Pencil, pensil, subst. penseel, potlood, bundel; Pencil verb. schilderen, teekenen, met een potlood opschrijven: A pencil of rays = stralenbundel; Pencil-case = potloodhouder; Pencil-colo(u)rs = crayon; Pencil-compass = Pencil-pointer = potloodscherper of -punter.
Pendant, pend’nt, oorhanger, hanger, wimpel, pendant, luster.
Pendency, pend’nsi, het hangen, onzekerheid, aanhangig zijn; Pendent = hangend; vrij zwevend; Pendent bridge.
Pendennis, pendenis.
Pending, pendiŋ, adj. hangende, onbeslist, prep. gedurende: Pending affairs = loopende zaken; He smiled, with life and death pending = zwevende tusschen dood en leven; Pending the inquiry = gedurende het onderzoek.
Pendragon, pendrag’n, opperste veldheer bij de Oude Britten; Pendragonship.
Pendulous, pendjulɐs, hangend, schommelend, trillend: He had a pendulous excrescence on his nose = een slingerend uitwas; subst. Pendulousness; Pendulum, pendjulɐm, slinger; Pendulum-clock.
Penelope, pəneləpî.
Penetrability, penətrəbiliti, subst. v. Penetrable, penətrəb’l, doordringbaar, ontvankelijk; subst. Penetrableness; Penetralia, penətreiljə, binnenste van huis of tempel; geheimen; Penetrant = doordringend; Penetrate, penətreit, doordringen, doorgronden; Penetrating = doordringend, fijn onderscheidend, scherp; Penetration, penətreiš’n, het doordringen of doorgronden, doordringingsvermogen, scherpte, scherpzinnigheid; Penetrative, penətrətiv, doordringend: Penetrative effect (van een schot); subst. Penetrativeness.
Penguin, pengwin, Penguin, vetgans.
Peninsula, pəninsiulə, schiereiland; adj. Peninsular: The Peninsular War = de oorlog in Spanje en Portugal tegen Napoleon I (1808–1814).
Penitence, penitens, berouw, boete; Penitent, boetvaardig, boete doende; subst. boetvaardige, boeteling; Penitential, penitenšl, subst. boeteboek (ten behoeve van biechtvaders); adj. berouwhebbend, boetvaardig: Penitential Psalm = boetpsalm; Penitentiary, penitenšəri, boete..., boetvaardig; subst. verbeteringsgesticht; tuchthuis; penitentiaris (hoofd van het pauselijk college dat over dispensaties en vrijspraak beslist).
Pennant, pen’nt, vlaggetje, wimpel.
Pennate(d), penit(id), gevleugeld = Pennigerous.
Penniless, peniles, arm; subst. Pennilessness.
Pennon, pen’n, wimpel, vaantje; wiek.
Pennsylvania, pensilveinjə; adj. en subst. Pennsylvanian.
Penny, peni, 1⁄12 van een shilling, stuiver, geld: A penny saved is a penny gained = een stuiver gespaard is een stuiver gewonnen; In for a penny, in for a pound = komt men over den hond, dan komt men over den staart; A penny at a time = zachtjes aan, geleidelijk; To make a penny = geld verdienen; To turn an honest penny = een eerlijk stuk brood verdienen; Penny-a-liner = loon-, broodschrijver; Penny-a-lining = broodschrijverij; Twopenny people = proleten; Twopenny halfpenny godliness (picnic) penny goedkoope; Penny-in-the-slot machine = automaat; Penny-gaff = tjingeltangel; Penny royal = polei; Penny-wedding = bruiloftsfeest, waar de gasten bijdragen tot de onkosten; Penny-weight = ± 1.55 gram; Penny-wise = krenterig: Their penny-wise precautions = prullerige voorzorgsmaatregelen; To be penny-wise and pound-foolish = de zuinigheid de wijsheid laten bedriegen; Pennyworth, penəth, peniwɐ̂th, voor de waarde van een stuiver, iets ge- of verkochts, koop, kleinigheid: You have got there a poor pennyworth = ge hebt u daar leelijk in den nek laten zien.
Pensile, pens(a)il, hangend; subst. Pensileness.
Pension, penš’n, subst. pensioen, jaargeld, geld betaald in plaats van tienden; met Fr. uitspr. pension; Pension verb. pensionneeren; in pension zijn: Old Age Pensions Act = wet op ouderdomspensioen; Not for a pension = voor geen geld ter wereld; To return home on a pension; He was pensioned off on another post = kreeg pensioen en werd in eene andere betrekking geplaatst; Pensionable = gerechtigd tot (rechtgevend op) het verkrijgen van een pensioen; Pensionary, subst. gepensionneerde, pensionaris; adj. pensioen(s)...; pensioen trekkend: Grand pensionary; Pensioner = gepensionneerde, iemand die jaargeld geniet: Chelsea pensioner = invalide uit het Chelsea Hospital; Greenwich pensioner = invalide (matroos) uit het Hospital te Greenwich; Gentleman pensioner = een lid van het corps der Gentlemen-at-Arms, een oude paleis-eerewacht.
Pensive, pensiv, peinzend, somber, zwaarmoedig; subst. Pensiveness.
Penstock, penstok, verlaat; hydrant.
Pent, pent, opgesloten; ook = Penthouse.
Pentachord, pentəköd, vijfsnarige lier.
Pentacle, pentək’l, soort tooverzegel tegen heksen.
Pentadactyl(ous), pentədaktil(əs), met vijf vingers of teenen.
Pentagon, pentəgon, vijfhoek, fort met vijf bastions; Pentagonal, pentagən’l, vijfhoekig.
Pentagraph, pentəgraf, teekenaap.
Pentahedral, pentəhîdr’l, pentəhedr’l, met vijf gelijke zijden; Pentahedron, pentəhîdr’n, pentəhedr’n, regelmatige vijfhoek.
Pentameter, pentamətə, vijfvoetige versregel.
Pentarchy, pentəki, vijfmanschap.
Pentastich, pentəstik, vijfregelig gedicht.
Pentateuch, pentətjûk, vijf boeken van Moses.
Pentecost, pentəkost, pinkster(feest); Pentecostal, pentəkost’l, Pinkster...
Penthouse, penthaus, afdak; ook verb.
Penult, pînɐlt, pinɐlt, Penultimate, tweede lettergreep van achter.
Penumbra, pinɐmbrə, bijschaduw.
Penurious, pənjûriəs, vrekkig, gierig; schraal, karig, behoeftig; subst. Penuriousness; Penury, penjuri, diepe armoede, volslagen gebrek.
Penzance, penzâns.
Peon, pîən, Indisch soldaat (bode, politieagent); Mexicaansche slaaf of arbeider; pion (schaaksp.); Peonage = Peonism = dienstbaarheid.
Peony, pîəni, pioen.
People, pîp’l, subst. natie, volk. geslacht, ras, menschen, bedienden; People verb. (zich) bevolken: The people = de groote hoop. gepeupel; The peoples of antiquity = volkeren; My people = mijne familie; One’s own people = iemands bloedverwanten.
Pepin, pepin.
Pepper, pepə, subst. peper; Pepper verb. peperen; bombardeeren, er op los schieten of ranselen (away): Ground pepper = gemalen peper; Whole (Round) pepper; Pepper and salt = zwart en wit, gemengd-kleurig; I’ll give you pepper = ik zal het je inpeperen; Pepper-box = peperbus, driftkop; Pepper-caster = peperbus; revolver; Pepper-cake = peperkoek; Pepper-corn = peperkorrel; iets van zeer geringe waarde: Pepper-corn rent = nominale pacht, waardoor een eigenlijke lease-hold feitelijk tot een freehold wordt; Pepper-mill; Peppermint = pepermunt (Pepper-drop, Pepper-lozenge); Pepper-wort = peperkruid; Pepperer = driftkop; Peppery = gepeperd; scherp; driftig, heet gebakerd.
Pepsin(e), pepsin, pepsine.
Peptic, peptik, de spijsvertering bevorderend; middel ter bevordering der spijsvertering: Peptics = spijsverteringsorganen; Peptone, peptoun, pepton.
Pepys, peps, pips, pepis.
Per, pɐ̂, per, door: Per advance = vooruit; Per advice = volgens bericht; Per annum = per jaar; Per cent. = percent; As per margin = volgens aanteekening op den rand.
Peradventure, peradventšə, misschien, toevallig; subst. twijfel, onzekerheid.
Perambulate, pərambjuleit, door-, rondwandelen; Perambulation = doorwandeling, rondgang, inspectie, schouw; Perambulator = kinderwagen, melkwagentje.
Perceivable, Perceive, pəsîv, waarnemen, bemerken, inzien, onderscheiden.
Percentage, pəsentidž, percentage.
Percept, pɐ̂sept, waarneembaar iets, iets reëels: Snow is a percept, the white of snow a concept = sneeuw is iets reëels, de witte kleur ervan bestaat niet op zichzelf, maar wordt er aan waargenomen; Perceptibility = waarneembaarheid; Perceptible, pəseptib’l waarneembaar (voor = to); Perception, pəsepš’n, waarneming, gewaarwording, begrip: Range of perception = gezichtskring (fig.); Perceptive = vatbaar voor waarneming of gewaarwording: Perceptive faculty = Perceptiveness = Perceptivity = waarnemings-, gewaarwordingsvermogen.
Perch, pɐ̂tš, subst. baars; stok, prik, hooge bok of zitplaats; maat van 5,029 M.; ook 1⁄160 acre; Perch verb. als een vogel zitten of gaan zitten, hoog zitten, zetten op: I am off to perch = ik ga op stok (naar kooi); The bird was perched there; I was perched on the roof = zat; Percher = vogel, die op takken pleegt te zitten; groote altaarkaars; Perching-stick = prik.
Perchance, pətšans, misschien, bijgeval.
Percipience, pəsipj’ns, Percipiency, gewaarwording, waarneming; Percipient, waarnemend, bespeurend; ook subst.
Percolate, pɐ̂kəleit, doorzijgen, filtreeren, zuiveren; subst. Percolation; Percolator = filter; filtreerkoffiekan.
Percuss, pəkɐs, stooten; percuteeren; Percussion, pəkɐš’n, schok, slag; percussie (Med.): Percussion-cap = slaghoedje; Percussion-lock = slot met slaghoedje; Percussive = schokkend, slaand, slag- -, schok- -.
Percy, pɐ̂si; Perdita, pɐ̂ditə.
Perdie, pɐ̂dî = par Dieu.
Perdition, pədiš’n, vernietiging, ondergang; verdoemenis: Go to perdition = loop naar den duivel.
Peregrinate, perəgrineit, zwerven, rondtrekken; Peregrination, perəgrineiš’n, rondzwerving, verblijf buitenslands; Peregrinator.
Peregrine, perəgrin.
Peregrine(-falcon), perəgrin(fôk’n), edelvalk.
Peremptoriness, perəm(p)tərinəs, subst. v. Peremptory, per’m(p)təri, volstrekt, beslissend, afdoende, meesterachtig, vasthoudend: His commands are peremptory = dulden geene tegenspraak; To take a peremptory pipe = nog een laatste pijpje stoppen.
Perennial, pərenj’l, subst. vaste, overblijvende plant; adj. een vol jaar durend; overblijvend, onafgebroken.
Perfect, pɐ̂fəkt, volmaakt, zuiver, zonder gebreken, rolvast; subst. Perfectum; Perfect verb. pɐ̂fəkt, pəfekt, volmaken, voleindigen, volledig onderrichten: To be perfect in = goed kennen = To have a thing perfect; Practice makes perfect = al doende leert men; Perfecter; Perfectibility = volmaakbaarheid; Perfectible, pəfektib’l, volmaakbaar; Perfection, pəfekš’n, volmaaktheid, uitstekendheid: That approaches perfection = komt de volmaaktheid nabij; To bring to perfection; He performed to perfection = hij speelde uitstekend; Perfectionist = die op zedelijke volmaaktheid boogt, of zedelijke volmaaktheid bereikbaar acht; lid eener Amer. sekte; Perfectness = volmaaktheid, volkomenheid.
Perfervid, pəfɐ̂vid, gloedvol, vurig; subst. Perfervidness.
Perfidious, pəfidjəs, verraderlijk, trouweloos, bedriegelijk; subst. Perfidiousness; Perfidy, pɐ̂fidi, trouweloosheid, trouwbreuk.
Perforate, pɐ̂fərit, adj. doorboord, geperforeerd; Perforate verb. (pɐ̂fəreit) doorboren; Perforation = doorboring, gaatje; Perforator = perforeermachine, schedelboor.
Perforce, pəfös, met geweld, gedwongen.
Perform, pəföm, volvoeren, uitvoeren, volbrengen, vervullen, nakomen, spelen, opvoeren; Performable = uitvoerbaar; Performance = uitvoering, vervulling, opvoering, verrichting, daad: No performance to-day = heden geene uitvoering (voorstelling); Morning-performance = morgenvoorstelling; Promises without performances = onvervulde beloften; Performer = uitvoerder, volbrenger, acteur, zanger, speler, gymnast, etc.: A good promiser but a bad performer.
Perfume, pɐ̂fjûm, pəfjûm, subst. geur, reukwerk; Perfume verb. geuren, met geuren doortrekken: Perfume-fountain = spuitje; Perfumer, pəfjûmə, parfumeur; Perfumery, pəfjûməri, reukwerk(en), parfumerie.
Perfunctoriness, pəfɐŋktərinəs, subst. v. Perfunctory, pəfɐŋktəri, zorgeloos, oppervlakkig, nonchalant, slordig: He held perfunctory receptions = maakte niet veel werk van het houden van recepties.
Perfuse, pəfjûz, besprenkelen, overgieten, vervullen; subst. Perfusion, pəfjûž’n.
Perhaps, pəhaps, pəraps, misschien.
Peri, pîri, gevallen engel.
Perianth, perianth, bloembekleedselen.
Periapt, periapt, amulet, behoedmiddel.
Pericardiac, perikâdiək, Pericardial, Pericardian, Pericardic = tot het hartzakje behoorende; Pericarditis, perikâdaitis, ontsteking van het hartzakje; Pericardium = hartzakje.
Pericarp, perikâp, zaadhuisje.
Pericles, periklîz.
Pericranium, perikreinj’m, schedel; schedelhuid.
Peridot, peridot, chrysoliet (goudsteen).
Perigee, peridžî, perigeum.
Perihelion, perihîlj’n, perihelium.
Peril, peril, subst. gevaar, risico; Peril verb. in gevaar brengen, wagen: You do it at your own peril = op eigen verantwoording en risico; He perilled his happiness upon it = waagde zijn geluk er aan; Perilous = gevaarlijk; subst. Perilousness.
Period, pîriəd, periode, tijdkring, omloopstijd, grens, slot, zin, punt: Girl of the period = modern meisje; Poets of the period = dichters van onzen tijd; That put a period to our labours = maakte een einde aan = brought them to a period; Periodic, pîriodik, periodiek, kring...; Periodical, subst. tijdschrift; adj. periodiek; Periodicity = het periodiek zijn of terugkeeren.
Perioeci, periîsai, omwoners = Perioecians.
Peripatetic, peripətetik, rondwandelend, peripatetisch; subst. wandelaar; volgeling van Aristoteles; Peripateticism = wijsbegeerte van A.
Periphery, pərifəri, omtrek, oppervlakte.
Periphrase, perifreiz, omschrijving; Periphrase verb. omschrijven; Periphrasis, pərifrəsis, omschrijving; Periphrastic(al) conjugation = omschrijvende vervoeging (gramm.).
Periscii, pərišiai, bewoners der Poolstreken.
Periscope, periskoup, soort objectief; reflector in een onderzeesch vaartuig.
Perish, periš, omkomen, sterven, vervallen, vergaan, doen omkomen; Perishable = vergankelijk, aan bederf onderhevig; ook subst. Perishableness = vergankelijkheid, enz.; Perisher = drank, proleet.
Peristaltic, peristaltik, gekronkeld.
Peristyle, peristail, peristyl.
Peritoneum, peritənîəm, buikvlies; Peritonitis, peritənaitis, buikvliesontsteking.
Periwig, periwig, pruik; ook verb.; Periwig-maker.
Periwinkle, periwiŋk’l, alikruik; maagdepalm.
Perjure, pɐ̂d[szə], een valschen eed doen: He perjured himself = was meineedig; You are perjured = gij hebt een meineed gedaan; Perjurer = meineedige; Perjurious = meineedig; Perjury, pɐ̂džəri, meineed, meineedigheid, eedschennis: Subornation of perjury = omkoopen (of overhalen) der getuigen om een valschen eed te doen.
Perk, pɐ̂k, mooi, net, verwaand, brutaal; Perk verb. den neus in den wind steken, zich uitrekken, uitsteken, mooi maken: She perked up her cap = maakte zich mooi om te behagen; Perkiness = brutaliteit; Perky = Perk.
Perkin, pɐ̂kin, lichte ciderwijn.
Perlustration, pɐ̂lɐstreiš’n, bezichtiging, monstering.
Permanence, pɐ̂mənens, duurzaamheid, bestendigheid; Permanent, pɐ̂mənent, duurzaam, bestendig: Permanent colours = vaste kleuren; The permanent way was broken up = viaduct (Amer.).
Permeability, pɐ̂miəbiliti, subst. v. Permeable, pɐ̂miəb’l, doordringbaar; Permeate, pɐ̂mieit, doordringen, indringen; subst. Permeation.
Permissible, pəmisib’l, toelaatbaar; Permission, pəmiš’n, vergunning, verlof: By (with) your permission = met uw verlof; Permissive = toestaand, veroorloovend: Permissive Bill = wetsontwerp, waarbij twee derden van de belastingschuldigen eener gemeente het vergunningsrecht binnen haar grondgebied kunnen weigeren.
Permit, pɐ̂mit, verlof, vergunning, toegangsbewijs; geleibiljet, consent (voor uitvoer) ter terugverkrijging v. d. accijns.
Permit, pəmit, veroorloven, toelaten: I may be permitted to say = het zij mij vergund te zeggen; The medical man would not permit of any noise in the sickroom = wilde niet hebben.
Permutable, pəmjûtəb’l, verwisselbaar; subst. Permutableness; Permutation, pɐ̂mjuteiš’n, verwisseling, omzetting, permutatie: Permutation-lock = letterslot.
Pernambuco, pernambûkou.
Pernicious, pənišəs, schadelijk, verderfelijk; subst. Perniciousness.
Pernickety, pənikəti, peuterig.
Perorate, perəreit, zijne redevoering eindigen; doordraven; subst. Peroration.
Peroxide, pəroks(a)id, peroxyde; Peroxidize, pəroksidaiz, tot den hoogsten graad oxideeren.
Perpendicular, pɐ̂p’ndikjulə, loodrecht, steil, rechtop, staande; subst. loodlijn, enz., staande boterham: To erect, To let fall a perpendicular = eene loodlijn oprichten, neerlaten; Out of the perpendicular = uit het lood; To preserve one’s perpendicular; Perpendicularity, pɐ̂p’ndikjulariti, loodrechte stand.
Perpetrate, pɐ̂pitreit, bedrijven, uithalen: He perpetrated a bad (huge) joke; subst. Perpetration; Perpetrator = bedrijver, schuldige.
Perpetual, pəpetjuəl, eeuwigdurend, levenslang, vast: Perpetual imprisonment; Perpetual motion = perpetuum mobile; Perpetual screw = schroef zonder eind; Perpetuate, pəpetjueit, laten voortbestaan, vereeuwigen; subst. Perpetuation; Perpetuity, pɐ̂pətjûiti, eeuwigheid, eeuwige duur, levenslang bezit, levenslange rente: For (In, To) perpetuity = in eeuwigheid.
Perplex, pəpleks, verwarren, verlegen maken, bemoeielijken; adj. Perplexed; subst. Perplexedness = Perplexity = verlegenheid, verwarring, moeielijkheid.
Perquisite, pɐ̂kwizit, fooi, emolument, bijkomende voordeelen: The nurse takes her evenings and Sundays, which is her lawful perquisite and due = waarop ze wettig recht heeft.
Perroquet, perəket = Parakeet.
Perry, peri, perewijn.
Persecute, pɐ̂sikjût, vervolgen, lastig vallen; subst. Persecution: Persecution of Christians; Persecutor, p1ɐ̂sikjutə, Persecutrix.
Perseus, pɐ̂siûz, Perseus.
Perseverance, pɐ̂səvîrəns, subst. v. Persevere, pɐ̂səvîə, volharden.
Persia, pɐ̂šə, Perzië; Persian, subst. en adj. Pers, Perzisch(e taal); soort v. dunne zijde: Persian blinds = persiennes, soort zonneblind; Persian cat = cypersche kat; Persian powder = insectenpoeder; Persian wheel = rad met aangehechte emmers om water te putten.
Persico, pɐ̂sikou, persico.
Persimmon, pəsim’n, dadelpruim.
Persist, pəsist, krachtig volharden, volhouden: He persisted with that subject = hield zich hardnekkig aan; Persistence, Persistency = groote volharding, koppigheid; Persistent = volhardend, hardnekkig, herhaald, niet afvallend (v. bladeren).
Person, pɐ̂s’n, persoon, persoonlijkheid, iemand, vrouwspersoon, meisje: Artificial person = zedelijk lichaam; For our persons = wat ons aangaat; He came in person = in eigen persoon; There is no respect of persons with God = God kent geen aanzien des persoons: Without respect of persons = zonder aanzien des persoons; Personable = flink, knap van uiterlijk; Personage, pɐ̂sənidž, gewichtig of voornaam persoon; persoon (theater): Though a head-waiter, he is a personage = een heel heer; Personal, persoonlijk; subst. roerend goed: Personal estate = roerend goed; Personality = persoonlijkheid; Personization = verpersoonlijking; Personalize = verpersoonlijken; Personalty: The new duty will be charged on both realty and personalty = zoowel van vast als van roerend goed; Personate, pɐ̂səneit, voorstellen, de rol spelen van, in eens anders plaats optreden, zich uitgeven voor: There are no actresses, women being always personated = vrouwenrollen worden altijd door jongens of mannen vervuld; False personation = het optreden in eens anders plaats met bedriegelijke oogmerken; Personator, pɐ̂s’neitə, iemand die in eens anders rol of plaats optreedt; Personification, subst. v. Personify, pəsonifai, verpersoonlijken.
Perspective, pəspektiv, pɐ̂spektiv, perspectivisch; subst. verschiet, perspectief, perspectivische voorstelling; verrekijker.
Perspicacious, pɐ̂spikeišəs, schrander, scherpziend; subst. Perspicaciousness = Perspicacity, pɐ̂spikasiti, helderheid, duidelijkheid, doorzichtigheid; Perspicuity = duidelijkheid; Perspicuous, pəspikjuəs, duidelijk; subst. Perspicuousness.
Perspirability, pəspairəbiliti, subst. v. Perspirable, pəspairəb’l, wat uitgewasemd kan worden; Perspiration, pɐ̂spireiš’n, uitwaseming, zweet; Perspirative = uitwasemend; Perspiratory, uitwaseming bevorderend, zweet - -; Perspire = uitwasemen, zweeten.
Persuadable, pəsweidəb’l, (licht) te overreden; Persuade, pəsweid, overreden, bepraten, brengen tot: I am persuaded that I am lost = ik ben zeker; He could persuade himself of almost everything = zich haast alles wijsmaken; Persuader = overreder, zweepslag; Persuasibility, pəsweisibiliti, pəsweizibiliti, overreedbaarheid; Persuasible, pəsweisib’l, pəsweizib’l, overreedbaar; subst. Persuasibleness; Persuasion, pəsweiž’n, overreding(skracht), geloof, vaste overtuiging; Persuasive, pəsweisiv, subst. beweeggrond, beweegreden; adj. overredend; subst. Persuasiveness.
Pert, pɐ̂t, brutaal, vrijpostig; gezond, monter (Amer.); subst. Pertness.
Pertain, pətein, behooren, betrekking hebben: “Social” is a word, pertaining to society = in verband staande met.
Pertinacious, pɐ̂tineišəs, hardnekkig, eigenzinnig, vastbesloten; subst. Pertinacity, pɐ̂tinasiti.
Pertinence, pɐ̂tin’ns, gepastheid, geschiktheid, voegzaamheid; Pertinent = voegzaam, passend bij: That is not pertinent to the matter under discussion = heeft niets te maken.
Perturb, pətɐ̂b, verstoren, verwarren, verontrusten; subst. Perturbation; Perturbative, Perturbative = storend; Perturber.
Pertussis, pətɐsis, kinkhoest.
Peru, pərû, Peru.
Peruvian, pərûvj’n, subst. en adj. Peruviaan(sch): Peruvian bark = kinabast.
Peruke, pərûk, pruik.
Perusal, pərûz’l, nauwkeurige kennisneming of lezing; Peruse, pərûz, nauwkeurig doorlezen of nagaan; Peruser.
Pervade, pəveid, doordringen, zich uitstrekken tot: His all pervading goodness = zijne zich tot alles uitstrekkende goedheid; subst. Pervasion; adj. Pervasive.
Perverse, pəvɐ̂s, verkeerd, slecht, verdorven, onhandelbaar, afschuwelijk, pervers; spiegelbeeld; subst. Perverseness = Perversity; Perversion, pəvɐ̂š’n, verdraaiing, afwijking, halsstarrigheid; spiegelbeeld; Perversive = verderfelijk.
Pervert, pɐ̂vət, afvallige, goddelooze.
Pervert, pəvɐ̂t, verdraaien, in ’t verderf storten, verleiden; slecht worden, afvallig worden: It all came from love Perverted = uit verdwaalde, in verkeerde richting geleide liefde; Perverter; Pervertible = (licht) te verdraaien of te bederven.
Pervious, pɐ̂vjəs, doordringbaar, toegankelijk: Pervious to the eye = zichtbaar; subst. Perviousness.
Pesade, pəzeid, pəseid, steigeren.
Peshawar, Peschawur, pəšauə.
Pesky, peski, verduiveld; bovenmate (Am.).
Pessimism, pesimizm, pessimisme; Pessimist, subst. pessimist; adj. pessimistisch = Pessimistic.
Pest, pest, plaag, onkruid; pest(ilentie): He’s a regular pest; Pest-house = pesthuis, lazaret; Pester = kwellen, lastig vallen; Pesterer = kwelgeest, plager; Pestiferous, pestifərɐs = verpestend, besmettelijk, schadelijk, pest - -; Pestilence = pest; besmetting; Pestilent = verpestend, schadelijk; lastig; Pestilential, pestilenš’l = Pestiferous.
Pestle, pes’l, subst. stamper; Pestle verb. stampen.
Pet, pet, subst. lievelingsdier, lieveling, snoes; aanval van booze luim of gemelijkheid; adj. lievelings - -, geliefd, vertroeteld; Pet verb. vertroetelen; uit zijn humeur zijn: Of course Maggie is the pet = lieveling; He invariably got in a pet at that juncture = werd altijd boos op dat moment; Pet-name = lievelingsnaam; Petsie-tootsie-wootsie = lief diertje.
Petal, pet’l, bloemblad; Petaline, petəl(a)in, bloembladvormig; Petalled = met bloembladen; Petaloid = bloembladachtig.
Petar(d), pətâ(d), springbus: He was hoist(ed) with his own petar = viel in den kuil dien hij voor anderen had gedolven.
Peter, pîtə, subst. Petrus; patrijs, geldkist; cel; valies; Peter verb. ophouden; uitputten: Peter Grievous = kniesoor; His claim petered out and came to nothing = verviel langzamerhand tot er niets overbleef; Peter-boat = soort visschersboot; Peterman = vroeger visscher (op de Theems); Peter-pence, Peter’s-pence = St. Pieterspenning(en).
Peterborough, pîtəbərə; Peterhead, pîtəhed.
Petiole, petioul, bladstengel.
Petit, Fr. uitspr. (Zie Petty).
Petition, pitiš’n, subst. verzoek, smeekschrift, petitie; Petition verb. petitionneeren, smeeken: Right of Petition = recht van petitie; To make (send in, up, put up) a petition = een verzoekschrift indienen; Petition against a return = protest tegen een verkiezing; Petitionary = smeekend, een verzoek bevattend: Petitionary letter = verzoekschrift; Petitioner = smeeker, requestrant.
Petrarca, pətrâkə; Petrarch, pîtrâk.
Petrel, petr’l: Stormy petrel = stormzwaluw.
Petrifaction, petrifakš’n, versteening; Petrify, petrifai, versteenen, verharden.
Petrol, petrəl, pətroul, petroleum (voor automobielen); Petroleum, pitroulj’m, petroleum: Refined petrol, Raw petrol; The incandescent petrol-burner = petroleum gloeilichtbrander; Petrol lamp.
Petruchio, pətrûtšou, pətrûkiou.
Pettichaps, petišaps, tuinfluiter.
Petticoat, petikout, (onder)rok; vrouw: While he was in petticoats = nog geen broek aan had (kind); Petticoat-affair = amourette; Petticoat-government = vrouwenregeering; Petticoat-ridden = onder de pantoffel.
Pettifog, petifog, beunhazen; Pettifogger = beunhaas; Pettifoggery = beunhazerij.
Pettiness, petinəs, kleinheid, nietigheid, onbeduidendheid.
Pettish, petiš, verdrietig, nukkig, humeurig; subst. Pettishness.
Pettitoes, petitouz, varkenspootjes.
Petto, petou: To keep in petto = in reserve houden, reserveeren.
Petty, peti, klein, gering, onbeteekenend; Petty-beg office = een (opgeheven) bureau aan het vroegere High Court of Chancery; Petty jury = de jury (12 leden) waarnaar de zaak verwezen wordt als de Grand Jury rechtsingang verleent; Petty larceny = gauwdieverij; Petty officer = onderofficier bij de marine; Petty sessions, zittingen van den Justice of the Peace, een soort politierechter (geen jurist).
Petulance, petjul’ns, Petulancy, petjul’nsi, subst. v. Petulant, petjul’nt, lastig (van humeur), gemelijk, verdrietig.
Petunia, pətjûniə, petunia.
Peveril, pevəril.
Pew, pjû, subst. kerkbank; Pew verb. van pews voorzien; Pew-holder = bezitter van een pew; Pew-opener = banksluiter.
Pewit, pîwit, pjûit, kievit.
Pewter, pjûtə, subst. mengsel van tin en lood, antimonium; tinnen kan, tinnen (keuken)gereedschap; beker, zilver, geld; adj. tinnen; Pewterer = tinnegieter; Pewtery = op tin gelijkend.
Phaeton, feiət’n, Phaeton, naam van een rijtuigje en van een vogel; voerman.
Phalange, fal’nž, fəlanž. Zie Phalanx.
Phalanger, fəlanžə, soort buidelrat, die op boomen leeft (Australië).
Phalanstery, falənstəri, gemeenschappelijk woonhuis (volgens het stelsel Fourier).
Phalanx, fal’ŋks, feil’ŋks, slagorde bij de Macedoniërs; beentje van vingers en teenen, bundel meeldraden (in de 2 laatste beteekenissen is het meerv. meest Phalanges).
Phantasm, fantəzm, hersenschim, gezichtsbedrog, geestverschijning; Phantasmagoria, fantazməgôriə, droombeeld, optisch tooverapparaat; de beelden daarmede voortgebracht; eene voorstelling daarmede = Phantasmagory; adj. Phantasmal; Phantasy = Fantasy.
Phantom, fant’m, spooksel, droombeeld: Phantom ship = (de) Vliegende Hollander.
Pharaoh, fêrou; adj. Pharaonic.
Phare, fêə, vuurtoren.
Pharisaic(al), farisei-ik(’l), schijnheilig; Pharisaism, fariseiizm, schijnheiligheid, leer der Pharizeeërs; Pharisee, farisî, Farizeeër, schijnheilige.
Pharmaceutic(al), fâməsiûtik(’l), artsenijkundig; Pharmaceutics, fâməsiûtiks, artsenijbereidkunde; Pharmacist, fâməsist, pharmaceut; Pharmacology, fâməkolədži, artsenijleer, artsenijbereidkunst of verhandeling daarover; Pharmacopoeia, fâməkəpîə, pharmacopoea; Pharmacy, fâməsi, artsenijbereidkunde, apotheek, drogistwinkel.
Pharos, fêros, Pharos; vuurtoren.
Pharyngeal, fərinžiəl, behoorende tot de Pharynx, fariŋks = keelholte.
Phase, feiz, Phasis, feisis (Meerv. Phases, feisîz), voorkomen, aanzien, toestand, phase, stadium.
Pheasant, fez’nt, fazant: Common (Golden, Silver) pheasant; Pheasantry = fazantentuin.
Phebe, fîbi; Phenix, fîniks. Zie Phoenix.
Phenol, fîno(u)l, carbolzuur, phenol.
Phenomenal, finomən’l, buitengewoon; Phenomenon, finomənon (Meerv. Phenomena, finomənə), (buitengewoon) verschijnsel; wonderkind (= Infant phenomena).
Pheon, fîon, pijlspits (Herald.).
Phew, fjû, (p)oef! foef! Foei! Oho!
Phial, faiəl, subst. fleschje; Phial verb. in een fleschje doen of bewaren: Leyden phial; Philosophical phial = Bologneezerflesch.
Phidias, fidias, faidias; Philadelphia, filədelfjə: Philadelphian = Philadelphisch; bewoner van Ph.
Philaloo, filəlû, gewauwel.
Philander, filandə, den sentimenteelen minnaar spelen met (with, after).
Philanthropic, filənthropik, menschlievend; Philanthropist = menschenvriend; Philanthropy = menschenliefde.
Philatelic, filətelik: Philatelic Society = vereeniging van postzegelverzamelaars; Philatelist, filatilist, postzegelverzamelaar.
Philemon, failîmon.
Philharmonic, filhâmonik, muzieklievend, philharmonisch concert.
Philhellene, filhelîn, filhelin, vriend der Grieken; adj. Philhellenic of Philhellenic; Philhellenist of Philhellenist = Philhellene.
Philip, filip; Philippic, filipik, filippica, scherpe en bittere redevoering; Philippina, filipînə, Philippine, filəpîn = Philopoena; Philippine, filipin: Philippine Islands.
Philistine, filist(a)in, filistin, Filistijn; bekrompen burgermensch; adj. bekrompen; Philistinism, filəstinizm, (Amer. fəlistinizm), het philister- of ploertendom, de manieren en denkwijze van een Philistine, ook Philister.
Philologer, filolədžə, taalgeleerde, philoloog; Philological = tot de taalwetenschap behoorende; Philologist = philoloog; Philology = (vergelijkende) taalwetenschap.
Philomel, filəmel, filomeel; Philomela, filəmîlə, Philomele.
Philopoena, filəpînə, filippine: They ate a philopoena together.
Philosopher, filosəfə, wijsgeer: Natural philosopher = natuurvorscher; Philosopher’s stone = steen der wijzen; Philosophic(al), filesofik(’l), wijsgeerig, kalm; Philosophize, filosəfaiz, wijsgeerig redeneeren; Philosophy, filosəfi, wijsbegeerte, levenswijsheid.
Philter, Philtre, filtə, subst. minnedrank; Philter, Philtre verb. bekoren door een minnedrank.
Phit, fit, f’t (bij uitblazen, of bij het fluiten van kogels).
Phiz, fiz, Phizog, verk. v. Physiognomy.
Phlebotomy, flibotəmi, aderlating.
Phlegm, flem, slijm; phlegma; Phlegmatic, fləgmatik, phlegmatisch; slijmerig.
Phlegmon, flegmon, bindweefselontsteking; bloedzweer; adj. Phlegmonous.
Phlox, floks, phlox.
Phoca, foukə, rob, zeehond; Phocine, fousin, robachtig.
Phoebe, fîbi; adj. Phoebean; Phoebus, fîbəs, Apollo, de zon; Phoenicia, finišə, Phoenicië; Phoenician, subst. Phoeniciër; adj. Phoenicisch; Phoenix, fîniks, Phoenix, feniks (fig.); dadelpalm.
Phone, foun, toon; ook verk. v. telephone: Phone and telegraph girls = vrouwelijke telefonisten en telegrafisten; Phone verb. telefoneeren.
Phonetic(al), fənetik(’l), phonetisch; Phonetician = phoneticus; Phonetics = klankleer; Phonetism, klankvoorstelling; Phonetist = kenner van de klankleer; Phonic of Phonic = acoustisch, phonetisch; Phonics of Phonics = phonetiek; Phonogram, founəgram, phonogram; Phonograph, founəgraf, phonograaf; adj. Phonographic; Phonography = klankbeschrijving, klankschrift; Phonologic(al), founəlodžik(’l), phonologisch; Phonology = klankleer.
Phosgene, fosdžîn, fosdžen, lichtgevend; phogenium.
Phosphate, fosfit, phosphaat; Phosphor, fosfö, Lucifer; phosphorus; Phosphorate = met phosphor verbinden; Phosphoresce, fosfəres, phosphoresceeren; Phosphorescence = phosphorescentie; Phosphorescent = phosphoresceerend; Phosphoric, fosforik: Phosphoric acid; Phosphoric match; Phosphorous = phosphor...
Phossy, fosi: Phossy jaw = ontsteking aan de kaakbeenderen van werklieden bij phosphorfabricatie.
Photo, foutou, photographie: To have one’s photo taken = To sit for one’s photo; Photo-engraving = photogravure; Photograph = Photo; Photograph verb. photographeeren: He photographs well, as the phrase goes = is goed te treffen; Photographer, Photographist, fətogrəfə, fətogrəfist, photograaf; Photographic = photografisch; Photographic album; Photography, fətogrəfi, photografie; Photogravure, foutəgrəvjûə; Photolithograph; Photolithography, foutəlithogrəfi, lichtsteendrukkunst; Photometer, fətomətə, photometer; adj. Photometric(al); Photometry, fətomətri, meting der lichtsterkte; Photophobia, foutəfoubjə, lichtschuwheid; Photosphere, foutəsfîə, lichtkring om de zon, photosfeer.
Phrase, freiz, subst. zindeel, woordverbinding, spreekwijze; Phrase verb. noemen, in woorden uitdrukken: I was afraid to phrase my notion = mijn denkheeld onder woorden te brengen; Phrase-book = boek met idiomatische uitdrukkingen; Phraseologic(al), freiziəlodžik(’l), uit zindeelen en uitdrukkingen bestaande; Phraseology, freiziolədži, wijze van uitdrukking, woordenkeus, boek met idiomen.
Phrenetic, frənetik, krankzinnig, dol, fanatiek; ook subst.; Phrenitis, frənaitis, hersenontsteking, waanzin; Phrenologist, frənolədžist, phrenoloog; Phrenology, frənolədži, schedelleer.
Phrygia, fridžiə, Phrygië; Phrygian = Phrygisch: Phrygian cap = vrijheidsmuts; Phryne, fraini.
Phthisic, tizik, teringachtig; subst. tering, teringlijder; Phthisical = teringachtig; Phthisis, thaisis, taisis, fthisis, longtering.
Phylactery, filaktəri, talisman, amulet; gedenkcedel der Israëlieten; reliquieënkastje.
Phyllis, filis.
Phylloxera, filoksîrə, druifluis(ziekte).
Physic, fizik, subst. geneeskunde; geneesmiddel; purgeermiddel; geneesheer (Physics = natuurkunde); Physic verb. geneesmiddelen toedienen, purgeeren, genezen: To take (use) physic = medicineeren; Physical = natuurkundig, zinnelijk waarneembaar; geneeskundig; heilzaam: Physical education = lichamelijke opvoeding; Physical science = natuurkunde; Physician, fiziš’n, geneesheer: Family physician = huisdokter; Physicist, fizisist, natuurkundige.
Physiognomic(al), fiziognomik(’l), tot het gelaat of de gelaatkunde behoorende; Physiognomist, fizio(g)nəmist, gelaatkundige; Physiognomy, fizio(g)nəmi, gelaatkunde, gelaat, voorkomen.
Physiologic(al), fiziəlodžik(’l), physiologisch; Physiologist = physioloog; Physiology = physiologie.
Physique, fizîk, lichaamsbouw, -gestel.
Phytogenesis, f(a)itədženəsis, leer van het ontstaan der planten; Phytography, f(a)itogrəfi, plantenbeschrijving; Phytophagan = Phytophagous = plantenetend; Phytonomy, f(a)itonəmi, planten-anatomie.
Pianino, pîənînou, pianino; Pianist, pîənist, pjanist, pianist.
Piano, pjanou, piano; adj. zacht (pjânou): Cottage (Oblique) piano = pianino; Grand piano = concertvleugel; Square piano = klavier; Upright (Cottage) piano = pianino; Piano-stool; Piano-teacher; Piano-tuner = pianostemmer; Pianola, pianələ, pianola.
Piastre, piastə, piaster: Spanish piastre = ƒ 2,60; Turkish piastre = ± ƒ 1,07.
Piazza, piazə, plein; zuilengang; veranda (Amer.).
Pibroch, pîbrok, Schotsche doedelzak.
Pica, paikə, soort van drukletter; eetlust voor onmogelijke dingen (zand, etc.); ekster.
Picador, pikədö, ruiter, bereden stierenbevechter.
Picardy, pikədi, Picardië.
Picaroon, pikərûn, avonturier, (zee)roover, kaperschip; Picaroon verb. rooven.
Piccalilly, pikəlili, augurkjes, etc. in sterk gekruide saus.
Piccaninny, pikənini, hummeltje (van kinderen), negerkind.
Piccolo, pikəlou, kleine fluit.
Pick, pik, subst. soort houweel, keur, het beste; Pick verb. met iets puntigs naar iets slaan, openen (met een puntig werktuig), schoonmaken, plukken, afknagen, kiezen, uitkiezen, oprapen, prikken, stelen (To pick and steal), met de vingers spelen op een snaarinstrument: The pick of the basket = het neusje van den zalm; You can take your pick = uitzoeken; To pick a person’s brains = iemand naschrijven of napraten; I have a bone to pick with you = een appeltje met je te schillen; I do not want to pick holes in your coat = geene aanmerkingen te maken; To pick a lock = een slot opensteken; To pick pockets = zakkenrollen; To pick a quarrel = ruzie maken; To pick a salad = schoonmaken; Here you cannot walk without picking your steps = zonder voorzichtig te zijn; I wish you would pick your words = voorzichtiger uitdrukken; She might pick and choose between (had the picking and choosing from) two husbands; An army of picked men = van uitgelezen troepen; Our officers are picked off by the Boers = er uitgepikt; I have picked you out of the gutter = uit de goot opgeraapt; I cannot pick out the meaning of this = de beteekenis hiervan niet snappen; The black velvet was picked out with bright blue = afgezet met; A mouth, picked out with large teeth = voorzien van; To pick to pieces = scherp critiseeren; You are picking up straws = je bent aan het stroo dorschen (fig.); I must try to pick up a livelihood somewhere = ik moet zien dat ik ergens aan den kost kom; We have picked (up) acquaintance with each other = kennis gemaakt; He picked up with a pretty American = maakte kennis met; Where did you pick up your English? = waar heb je opgedaan; To pick (oneself) up = To pick up one’s crumbs = To pick up one’s strength = opknappen, weer op krachten komen; Pick-a-back: To carry a person (a) pick-a-back = op de schouders: Pick-axe = houweel; Pick-axe team = één paard tusschen de boomen en twee daar vóór (Austral.); Picklock = looper; dief; Pick-me-up = versterkend middel, hartsterking; Pickpocket = zakkenroller; Pickings and stealings = oneerlijk verkregen inkomsten, knoeierijen; Good pickings = vette bijverdiensten.
Pickaninny, Zie Piccaninny.
Pickeer, pikîə, schermutselen, verkennen, toelonken.
Pickerel, pikər’l, soort snoek; snoekbaars.
Pickersgill, pikəzgil.
Picket, pikət, subst. paal, staak, piket, posten (van stakers); Picket verb. met palen omheinen of beschermen, aan een paal binden, stationneeren (als een piket), posten: The horses broke their pickets = braken los van de piketpalen.
Pickle, pik’l, subst. pekel, zuur; lastig geval, lastpost (van een kind); Pickle verb. pekelen, inleggen: I have a rod in pickle for you = er staat een potje te vuur voor je; To be in a fine (nice, sad) pickle = leelijk in de klem zitten: They are great pickles = hachjes; Pickle(d) herring = pekelharing.
Pickwick, pikwik, Pickwick; stinkstok (sigaar); adj. Pickwickian: Pickwickian sense = technische beteekenis van een woord.
Picnic, piknik, subst. buitenpartijtje, waarbij de deelnemers provisie meenemen; Picnic verb. een picnic houden; Picnicker.
Picotee, pikətî, soort van anjelier: The picotee differs from the carnation in being fringed.
Picric. p(a)ikrik: Picric acid = pikrinezuur.
Pict, pikt, Pict; Pictish.
Pictorial, piktôriəl, schilder - -, geïllustreerd: Pictorial art = schilderkunst; Pictorial list = geïllustr. prijscourant; Pictorial postcards = prentbriefkaarten; Pictorial Scotland = Schotland in beeld gebracht.
Picture, piktšə, subst. schilderij, beeltenis, levendige beschrijving; Picture verb. afbeelden, schilderen, levendig beschrijven: A picture of health; I will have my picture drawn, taken = ik wil mijn portret laten maken; I got him to sit for his picture = ik heb hem overgehaald om voor mij te zitten; He is handsome, quite a picture = net een beeld; He was altogether out of the picture = paste heelemaal niet bij de omgeving; Picture-book = prentenboek; Picture-card = pop (kaartspel); Picture-gallery = museum van schilderijen; Picture-postcard = prentbriefkaart; Picturesque, piktjəresk, schilderachtig; subst. Picturesqueness.
Piddle, pid’l, beuzelen, peuteren; piemelen, regenen; Piddler = peuteraar.
Pidgin, pidžin, Chineesche verbastering van Business; Pidgin-English = het jargon in Chineesche havenplaatsen.
Pie, pai, pastei (ook in de beteek. v. door elkander gevallen zetsel); ekster, babbelaar; gebedenboek: To eat humble pie = zoete broodjes bakken; To fall into pie = in pastei vallen (ook fig.); You made pie of the learned man’s valuable notes = hebt totaal verknoeid, overhoop geworpen; He has a finger in every man’s pie = heeft overal de hand in; By cock and pie = bij kris en kras; To be in for a pie-jaw = een standje krijgen; Pied = gevlekt, bont; subst. Piedness.
Piebald, paibôld, bont, gevlekt.
Piece, pîs, stuk, comediestuk, deel, munt, kanon, geweer, rol; Piece verb. lappen, verstellen, samenvoegen: Five guilders a piece = per stuk, elk; This paper costs seven and six the piece = de rol; A piece of advice = raad; A piece of bread and butter = boterham; A piece of cheek = brutaliteit; A piece of etiquette = beleefdheidsgebruik; To give a person a piece of one’s mind = hem zeggen waar ’t op staat; A piece of news = nieuwtje; A piece of nonsense, wit = een onzinnige, geestige zet; In a piece = uit een stuk; Of a piece = van hetzelfde soort, aan elkaar gewaagd; All to pieces = bankroet, in slechte conditie; It was broken (fell, tumbled, went) to pieces = het brak (viel) stuk; To take to pieces = uit elkaar nemen; To tear to pieces; You will have to piece it out = vergrooten (door er stukken bij te voegen); Thus must I piece it out = zóó moet ik dat begrijpen, lezen, aanvullen; Piece-goods = goederen die bij het stuk verkocht worden; Piece-work = stukwerk; Pieceless = uit één stuk bestaand; Piecemeal = bij stukken en brokken; Piecer = lapper, versteller.
Piedmont, pîdmont, Piedmont; Piedmontese, pîdmontîz, pîdmontîs, Piedmontees(ch).
Pier, pîə, havenhoofd, havendam, landingsplaats, pijler; Pier-glass = dam- of penantspiegel; Pier-guard = beambte op een pier; Pier-table = penanttafeltje; Pierage, pîridž, liggeld.
Pierce, pîəs, doordringen, doorsteken, doorboren, onderzoeken; Pierceable = doorboorbaar, etc.; Piercer = priem, angel, legboor; Piercing, scherp, snijdend: Piercing cries = doordringende kreten; Piercing words; subst. Piercingness.
Pierian, paiîriən, paieriən, Muzen - -.
Pierpont, pîəpont; Piers, pîəs; Pierson, pîəs’n.
Pietism, paiitizm, Pietisme; kwezelarij; Pietist = Duitsche Pietist; vrome kwezelaar; Pietistic(al), paiətistik(’l), pietistisch; Piety, paiiti, vroomheid: Filial piety = kinderliefde.
Piffle, pif’l, leuteren; subst. leuterpraat.
Pig, pig, big, varken(svleesch), zwijn, klomp ruw metaal; Pig verb. biggen werpen, als biggen samengepakt zijn of samenhokken: You have bought a pig in a poke = ge hebt eene kat in den zak gekocht; She meant to be a pig = wou onaangenaam zijn; Pig’s wash = draf; Pig’s whisper = zacht gefluister: In a pig’s whisper = in een vloek en een zucht; Guinea pig = iemand die gepoederd haar bleef dragen niettegenstaande Pitt’s belasting daarop van een guinea (1795); Zie Guinea; Pig and whistle = engeltje met trompet (naam v. herberg); (To go to pigs and whistles = verkwist worden); Pig and tinderbox = elephant and castle (naam v. herberg); Pig-eyed = met kleine oogen; Pig-headed = met groot hoofd; koppig, eigenwijs; Pig-iron = ruw ijzer; Pig-nut = aardkastanje; Pigskin = varkenshuid; zadel; Pig-sticking = wilde zwijnenjacht met lansen; Pigsty = varkenshok (ook fig.); Pigtail = varkensstaart, korte losse vlecht haar, Chinees, tabak in lange rollen; Piggery = zwijnestal (ook fig.), zwijnerij; Piggish = vuil; subst. Piggishness = zwijnerij.
Pigeon, pidž’n, subst. duif; domoor, sul, stakkerd; lood; Pigeon verb. bedriegen, villen, alles afhalen: To milk (pluck) the pigeon = afzetten; Zie Milk; Pigeon-breast(ed) = (met een) kippeborst; Pigeon-English = Pidgin English; Pigeon-fancier = duivenhouder(-koopman); Pigeon-hole, subst. poortje (van een duivenslag), loket; Pigeon verb. in een vakje of eene afdeeling leggen, opbergen; opzettelijk verwaarloozen (fig.): They were very kind to me, but I was pigeon-holed = ik werd met een kluitje in het riet gestuurd; Pigeon-livered = beschroomd, zachtaardig; Pigeon-pair = tweelingen van tweeërlei geslacht; Pigeon-shooting (sport); Pigeon-toed, met naar binnen gekeerde teenen; Pigeon-wing = soort pruik; kruissprong: To cut a pigeon-wing; Pigeonry = duivenhok.
Piggin, pigin, half vaatje met één langere duig als handvat.
Pigment, pigm’nt, pigment, kleur, verf (stof); adj. Pigmental.
Pigmy, pigmi = Pygmy.
Pigot(t), pigət.
Pigwidgeon, pigwidž’n, subst. dwerg, fee, sul; iets zeer kleins; dwergachtig.
Pike, paik, piek, spies, tolboom; snoek; (Zie ook Turnpike); Pikeman = piekenier; Pikestaff = schacht van eene piek: As plain as a pikestaff = zoo klaar als een klontje; I call a pikestaff a pikestaff = het kind bij z’n naam; Piked = gepunt, puntig.
Pikelet, paiklət, Pikelin, paiklin, gebakje.
Pilaster, pilastə, pilaster.
Pilate, pailit, Pilatus.
Pilau, pilau, pilô, rijst met gehakt schapenvleesch.
Pilchard, piltšəd, een soort sardijn.
Pile, pail, subst. hoop, massa, brandstapel, heipaal, beharing, nop (van laken), groot gebouw, opeenhooping, fortuin; Pile verb. opeenhoopen, stapelen, heien, noppen: He goes the whole pile = zet alles op één worp; He went to America and made his (a) pile = en maakte fortuin (Amer.); Piles = aambeien; Galvanic pile = zuil van Volta; To pile arms = de geweren aan rotten zetten; To pile up (on) the agony = zoo sensationeel mogelijk voorstellen; Pile-driver = heiblok; Pile-engine = heimachine; Pile-worm = paalworm; Pile-wort = speenkruid.
Pileate, p(a)ili-it, hoedvormig.
Pilfer, pilfə, ontfutselen, ontstelen (bij kleine hoeveelheden); Pilferer.
Pilgarlick, pilgâlik, arme drommel.
Pilgrim, pilgrim, pelgrim; nieuweling; Pilgrimage = bedevaart; levensreis: Pilgrimage of woe = vervelende tijd.
Piliferous, pailifərɐs, behaard; Piliform, p(a)iliföm = haarvormig.
Pill, pil, subst. pil, mil. dokter, bittere pil; vlegel; Pill verb. pillen voorschrijven; deballoteeren: To be a bitter pill for = een bittere pil zijn; Blue pill = kwikpil; blauwe boon (fig.); A long-haired pill was making a speech to a crowd of ruffians = een vlegel met lang haar; We shall have to gild the pill = de pil moeten vergulden; I know what it is to be pilled = te worden gedéballoteerd; Pill-monger = pillendraaier.
Pillage, pilidž, subst. roof, plundering, buit; Pillage verb. rooven, plunderen, vernielen; Pillager.
Pillar, pilə, pilaar, zuil: I was sent from pillar to post, and back again from post to pillar = ze zonden me van Pontius naar Pilatus; The pillars of society = de steunpilaren der maatschappij; Pillar-box = (straat)brievenbus; Pillar-saint = Pillarist = zuilheilige.
Pil(l)au, Pillaw. Zie Pilau.
Pillion, pilj’n, zacht laag zadel, kussen voor eene vrouw om achter iemand op het paard te zitten.
Pillory, piləri, subst. kaak; Pillory verb. op de kaak stellen, te pronk staan, aan de algemeene verachting prijsgeven: He was put into the pillory = op de kaak gesteld.
Pillow, pilou, subst. peluw, kussen; Pillow verb. op een peluw of kussen ter ruste leggen; met een kussen steunen: To advise (take counsel, consult) with one’s pillow = zich erop beslapen; Pillow-case = kussensloop = Pillow-sham = Pillow-slip.
Pilose, pailous, pailouz, behaard, harig.
Pilot, pailət, subst. loods, gids; Pilot verb. loodsen (in, out): He piloted the ship into port = loodste binnen; Pilot-boat = loodsboot; Pilot-bread = scheepsbeschuit; Pilot-cloth = donkere blauwe stof voor zeelui; Pilot-engine = voorspan-, of hulplocomotief; Pilot-fish = loodsmannetje; Pilot-jack = loodsvlag; Pilot-jacket = pijjekker; Pilotage, pailətidž, loodsgeld (inwards, outwards), leiding of bekwaamheid van een loods.
Pilule, piljul, kleine pil; Pilulous, piljulɐs, pilvormig, nietig.
Pilularia, piljulêriə, pilvaren.
Piment, paimənt, wijn met honig en nagels.
Pimento, pimentou, piment, nagelbollen.
Piminy, pimini, gemaakt, gekunsteld.
Pimp, pimp, subst. koppelaar; Pimp verb. koppelen.
Pimpernel, pimpənel: Field (Male, Red, Scarlet) pimpernel = guichelheil; Water pimpernel = beekpunge, watereereprijs, waterpunge; Wood (Yellow) pimpernel = boschwederik.
Pimple, pimp’l, puist(je).
Pin, pin, subst. speld, pin, kegel, bout, kleinigheid, stemming; Pin verb. met eene speld, pin of een bout vastmaken, vasthouden, spelden, insluiten: There is not a pin to choose between them = er is geen zier verschil tusschen beiden, ze zijn aan elkaar gewaagd; I have pins and needles in my leg = mijn been slaapt; To be on pins and needles = op heete kolen zitten; To be in (on, upon) a merry pin = vroolijk gestemd; You might have heard a pin drop; I don’t care a pin = het kan mij geen lor schelen; A company playing at ninepins = dat aan het kegelen was; To be put to the pin of one’s collar = bijna den laatsten cent uitgegeven hebben; To stick pins into = speldeprikken geven (ook fig.); The web and the pin = een vlek op het hoornvlies van het oog (verouderd); I pin my faith on him (on his sleeve) = ik vertrouw hem volkomen; I am pinned to it = eraan gebonden, zit eraan vast; He pinned the government to that declaration = bond; Pinafore = voorspelder, kinderboezelaar; Pin-case = speldenkokertje; Pincushion = speldenkussen; Pincushiony = mollig, dik (Amer.); Pin-feather = uitkomende veer; Pin-fire cartridge = patroon met randontsteking (tegenover Central-fire cartridge); Pinfold = schutstal; Pin-head = knop; Pin-hole = speldeprik (= Pinprick ook fig.); Pin-money = speldengeld; Pin-tail = pijlstaart; Pinner = boezelaar met voorspelder; de houder van een schutstal.
Pinaster, p(a)inastə, zeepijn.
Pincers, pinsəz, groote knijptang, schaar.
Pinch, pinš, subst. kneep, steek, prise, nood, verlegenheid, angst; Pinch verb. knijpen, knellen, in verlegenheid brengen, gappen, toehappen, beperken, knijperig of gierig zijn, zich bekrimpen: At a pinch = als het knijpt (desnoods); If ever it comes to a pinch = in geval van nood; als het tot het uiterste komt; He pinched me black and blue = kneep; That’s where the shoe pinches = daar wringt de schoen; He pinched himself (of everything) = hij ontzeide zich alle genoegens; She pinched her waist in = reeg zich sterk; To be pinched with cold = erg van de koude lijden; Pinch-belly = gierigaard; Pinch-spotted = met blauwe plekken van het knijpen; Pincher = knijper, gierigaard; Pinchers (Zie Pincers).
Pinchbeck, pinšbek, subst. pinsbek, een koperlegeering; adj. onecht, valsch.
Pindar, pində, Pindarus; Pindaric, pindarik, subst. Pindarische ode; adj. Pindarisch. Pindarus.
Pinder, pində, houder van een schutstal.
Pine, pain, subst. (grove) den; pijnappel; Pine-apple = ananas; Pine-barren = dennenaanplanting (Amer.); Pine-clad = met pijnboomen bezet; Pine-cone = dennenappel; Pine-needle = dennennaald; Pinery = broeikas voor het kweeken van ananassen; dennenaanplanting = Pinetum, painît’m; het laatste ook = verhandeling over naaldhout.
Pine, pain, van kommer, honger omkomen, wegkwijnen (away), smachten naar (after, for).
Ping-pong, piŋpoŋ, subst. tafeltennis; Ping-pong verb. tafeltennis spelen.
Pinic, painik: Pinic-acid = dennenzuur.
Pinion, pinj’n, subst. vleugel, wiek, vleugelpunt; handboei; Pinion verb. kortwieken, omklemmen, vastklemmen, boeien: He was seized and pinioned = gegrepen en weerloos gemaakt.
Pink, piŋk, subst. rose anjelier, lichtroode kleurstof; uitstekendheid, hoogte, puikje; pink (schip); Pink adj. rosekleurig, lichtrood; uitstekend (Am.): The champion-rider was in the pink of condition = was in uitstekende “conditie”; He is the pink of fashion = hij is de spiegel (het toonbeeld) der mode; Napoleon dreaded the pink of that society more than Russia itself = die allerhoogste kringen; The Pink’un = een sportblad (Vergel. De “Groene”); To change to pink = een rooden jagersrok aantrekken; Pink-eyed = met kleine glinsterende oogen; Pink-sterned = met smallen achtersteven; Pinky = rose, vleeschkleurig; subst. pink (Amer.).
Pink, piŋk, doorboren, doorsteken; verfraaien, verbloemen (Amer.).
Pinkster, piŋkstə, Pinksteren (Amer.).
Pinnace, pinis, pinas, 6 of 8 riemssloep van een oorlogsschip.
Pinnacle, pinək’l, subst. tinne, toppunt; Pinnacle verb. van eene tinne of een top voorzien, kronen: The pinnacle of fame = toppunt van beroemdheid.
Pinnate, pinit, gevederd.
Pinniped, piniped, vinpootig (dier).
Pinnock, pinək, meesje.
Pint, paint, subst. pint (⅛ gallon = ± 0,568 L.); Pint-pot = klein huisje (Am.); kan die een pint inhoudt.
Pintle, pint’l, pen, bout, roerhaak.
Piny, paini, vol pijnboomen, pijnboomachtig.
Pioneer, paiənîə, subst. pionier, baanbreker, wegbereider; Pioneer verb. den weg bereiden.
Piony, paiəni, pioen.
Pious, paiəs, vroom, godvruchtig, teeder; Pious-minded = met vroom gemoed.
Pip, pip, subst. pip (vogelziekte), pit (v. eene vrucht), oog (op eene kaart); verk. v. Philip: Pip verb. piepen, sjilpen: Count your pips = tel, hoeveel oogen gij hebt.
Pipe, paip, pijp, buis, fluit(je), luchtpijp, stem; maat v. twee okshoofden of 126 gallons; Pipe verb. op de fluit spelen, een fluitsignaal geven, van pijpen voorzien, huilen, zingen: In a feeble pipe = met zwakke stem; All the children were on full pipe, on the full howl = waren om het hardst aan het janken en gillen; To charge (fill) a pipe = stoppen; I’ll clear my pipe first = mijne keel schrapen; To hit the pipe = opium schuiven; I’ll put your pipe out = ik zàl je wel; Put that in your pipe and smoke it = steek dat in je zak; His pipe was stopped, went out = was verstopt, ging uit; He began to pipe down = een toontje lager te zingen; He dances as she pipes = hij danst naar haar pijpen; Pipe-bowl = kop; Pipe-clay = pijpaarde; Pipe-clay verb. pijpaarden; Pipe-cleaner (Pipe-cleanser); Pipe-laying = het leggen van pijpen; politieke intrigues (Amer.); Pipe-light = fidibus; Pipe-picker = pijpuitpluizer; Pipe-rack = pijpenstander; Pipe-stem = steel; Pipe-tree = sering; Piper: Who is to pay the piper? = “Wie zal dat betalen, zoete, lieve Gerritje”? Piping = schril, schel, zwak, kokend heet (= Piping hot): The piping days of yore = de goede oude tijd.
Piperic, paiperik: Piperic acid = piperinezuur.
Pipkin, pipkin, aarden pot, tobbetje.
Pippin, pipin, kleine zure appel, pippeling.
Pipul, pipul, de heilige vijgenboom (Brit. Ind.).
Piquancy, pîk’nsi, pik’nsi, scherpheid, stekeligheid; Piquant = pikant, scherp, doordringend; Pique, pîk, subst. pik of piek, wrok, spijtigheid, gevoeligheid; Pique verb. boos maken, beleedigen, prikkelen: In a moment of pique she accepted him = in een spijtig oogenblik schonk ze hem hare hand; She piqued herself on her ladylike tastes = liet zich heel wat voorstaan op.
Piquet, piket, pikət, piket, piketspel.
Piracy, pairisi, zeerooverij, nadruk = Book piracy; Pirate, pairit, subst. zeeroover(sschip), letterdief; Pirate verb. zeeroof plegen, onbevoegd nadrukken; Piratical, pairatik’l, zeerooverij of letterkundigen diefstal plegend: Piratical printer.
Piraeus, pairîəs; Pirie, piri.
Pirn, pɐ̂n, (garen)klos, spoel.
Pirogue, piroug, uitgeholde boomstam (als kano); smalle boot.
Pirouette, piruet, subst. pirouette: To turn a pirouette = To pirouette.
Pisa, pîzə; Pisanio, piseiniou.
Piscary, piskəri, vischrecht, ook: Common of piscary; Piscatorial, piskətôriəl, Piscatory, piskətəri, visschers..., tot het visschen behoorende; Pisces, pisîz, de Visschen (dierenriem); Pisciculture, pisikɐltjə, vischteelt; Piscine, pis(a)in, tot de visschen behoorende; Piscivorous, pisivərɐs, vischetend.
Pisé, pîzei, ineengestampte aarde.
Pish, piš, interj. foei! bah! Pish verb. verachting uitdrukken: To cry pish at = To pish at.
Piss, pis, subst. urine; Piss verb. urineeren.
Pistachio, pisteišiou, pistatšou: Pistachio nut = groene amandel.
Pistareen, pistərîn, peseta (munt); adj. gering.
Pistil, pistil, stamper (v. bloemen); Pistillaceous pistileišəs, tot den stamper behoorend, stamper...; Pistillate = met een stamper.
Pistol, pist’l, subst. pistool; Pistol verb. doodschieten (met een pistool): Pistol-bag = holster; Pistol-case = pistoolkistje.
Pistole, pistoul, pistoul, gouden munt (ƒ 9 à ƒ 12).
Piston, pist’n, klep, zuiger; zuignapje: Piston-rod = zuigerstang; Piston-stroke = zuigerslag; Piston-valve = zuigerklep.
Pit, pit, subst. put, kuil, afgrond, diepte, parterre (schouwburg), plaats voor hanengevechten; een kaartspel; Pit verb. uithollen, in eene put plaatsen, aanzetten, ophitsen, met kuiltjes of pokken merken: The pit = het graf; He flew the pit = hij gaf den strijd op; He hit the pit of my stomach = raakte me in de maagholte; He has the power of pit and gallows = kerker en dood; To pit against = stellen tegenover; He pitted his brains against that difficult language = hij studeerde hard op die taal; Pitted with the smallpox = van de pokken geschonden (ook: Pock-pitted); Pitfall = val, strik, valluik; Pitman = putwerker; Pit-pat = tik.... tak; Pit-saw = kraanzaag (voor twee man: de onderste heet Pitman of Pit-sawyer, de bovenste top-sawyer); Pittite = volgeling van Pitt, parterre-bezoeker = Pitster.
Pit-a-pat, pitəpat, subst. klopping, tiktak, getrippel; adv. tikketak; Pit-a-pat verb. trippelen: And my heart went pit-a-pat = ging rikketik.
Pitch, pitš, subst. pik of pek; hoogte, toppunt, graad of trap; diepte, helling; toestand; toonhoogte; worp, stalletje; Pitch verb. teeren, pikken; bevestigen, zetten, opstellen, steken, regelen, werpen, slingeren, met een hooivork gooien of aanreiken, ruw plaveien, stemmen, den (grond)toon bepalen, kampeeren, (voorover) vallen, zich storten op, neerkomen, stampen (v. een schip): One cannot touch pitch without being defiled; As dark (black) as pitch = zoo donker als de nacht; Pitch-and-toss = kop of leeuw; It rose to the highest pitch = het bereikte het toppunt; Pitch of a roof = helling v. een dak; Pitch of a room = de hoogte van vloer tot zolder; Pitch of a saw = helling van de tanden van eene zaag; (All our rooms are well pitched = van behoorlijke hoogte); A pitched battle = geregelde slag; A pitched street = eene met granietblokken geplaveide straat; They pitched a camp near the town = sloegen op; Pitch into him = sla er op; I could not pitch upon the right word = kon niet vinden; The 17th was pitched upon = het werd op den 17en vastgesteld; Mind the pitching = denk om de helling; The pitching of the ship was something terrible = het schip stampte verschrikkelijk; Pitch-farthing = het spelen met centen in een kuil; Pitchfork = hooivork; Pitchfork verb. met een hooivork opgooien of aanreiken: He was pitchforked into that office = kreeg dat ambt door zijne vele kruiwagens; Pitch-pipe = stemfluitje; Pitchiness, subst. v. Pitchy = pikachtig, pikzwart, duister, akelig.
Pitcher, pitšə, soort v. houweel; kruik of kan; iemand, die van een stalletje verkoopt; straatkunstenaar: Pitchers have ears = kleine potjes hebben ook ooren; So often goes the pitcher to the well, that it comes home broken at last = de kruik gaat zoolang te water tot ze breekt.
Piteous, pitjəs, ellendig, jammerlijk, treurig; medelijden hebbend met (of); subst. Piteousness.
Pith, pith, pit, kern, merg, kracht, nadruk, het essentiëele; Pithiness = pittigheid, kracht; Pithless = zonder pit (ook fig.), slap, zwak; subst. Pithlessness; Pithy = pittig, krachtig.
Pitiable, pitiəb’l, jammerlijk; subst. Pitiableness.
Pitiful, pitiful, medelijdend; erbarmelijk, onbeduidend; subst. Pitifulness; Pitiless = onbarmhartig; subst. Pitilessness.
Pittance, pit’ns, gave, kleine portie, schrale kost, beetje.
Pity, piti, subst. medelijden, jammer, ellende; Pity verb. medelijden hebben; beklagen: It’s a great pity = het is (erg) jammer; Do it, for pity’s sake = doe het om Gods wil; More is the pity = jammer genoeg, wat nog erger is; Have (take) pity on him = wees hem genadig, heb deernis met; I pity you, though you never complain of him = ik beklaag u, ofschoon gij nooit over hem klaagt; He is to be pitied = is te beklagen.
Pius, paiəs.
Pivot, pivət, spil, guide (= Pivot-man); Pivot verb. draaien; Pivotal question = hoofdzaak.
Pix, piks = Pyx.
Pixy, piksi, fee, toovergodin.
Pizzle, piz’l, roede: Bull’s pizzle = bullepees.
Placability, plakəbiliti, pleikəbiliti, verzoenbaarheid, vergevensgezindheid, toegevendheid; adj. Placable, plakəb’l, pleikəb’l.
Placard, pləkâd, plakəd, subst. plakkaat, aanplakbiljet; Placard verb. biljetten aanplakken, bekend maken door plakkaten.
Place, pleis, subst. plaats, ruimte, inrichting, gebouw, verblijf, stad, dorp, betrekking, rang, stand; Place verb. plaatsen, op intrest zetten, (geld) beleggen (ook: to place out), schatten, de eerste, tweede of derde plaats toekennen (bij wedrennen), aanstellen: In place = op de juiste plaats; In the first place = ten eerste; In his place = in zijn plaats; In place of = in plaats van; The right man in the right place = de rechte man op de rechte plaats; To be out of place = buiten betrekking; To be badly (entirely) out of place = totaal misplaatst; To be all over the place = aan de orde van den dag zijn; I do not wish to change my place = ik wensch geene andere betrekking; Shall we change places = van plaats verwisselen; He filled his place to everybody’s satisfaction = nam zijne betrekking waar; To give place to = vervangen worden door; Censure began to give place to curiosity = begon te wijken voor; He has long since gone to his place = is ten grave gedaald; To know one’s place = weten waar men moet staan (ook fig.); To put in his place = op zijn nummer zetten; To take place = plaats hebben; To take places = plaatsen bespreken; Place-hunter = baantjesjager; Placeman = iemand, die door zijne partij aan een baantje geholpen wordt; Place-name = plaatsnaam.
Placenta, pləsentə, moederkoek; adj. Placental.
Placer, pleisə, plasə, goudbevattend terrein, goudmijn (ook fig.).
Placid, plasid, kalm, rustig, vreedzaam; subst. Placidity, pləsiditi = Placidness.
Placket, plakət, split v. een vrouwenrok (= Placket-hole); rok, schort, vrouw.
Plagiarism, pleidžiərizm, letterdieverij; Plagiarist, pleidžiərist, letterdief; Plagiarize = letterdieverij plegen.
Plague, pleig, subst. pest, plaag, ramp, straf; Plague verb. met de pest besmetten, met eenige ramp bezoeken; kwellen, plagen: (A) plague on his sentiments = laat hij met zijne opinies naar den duivel loopen; You little plague = kleine rakker! Plague-spot (Plague-token) = pestbuil, schandvlek; Plaguy, pleigi, pest - -, besmettelijk, vervelend, lastig, ondragelijk, veel, zeer.
Plaice, pleis, schol; platvisch.
Plaid, plad, pleid, subst. geruite wollen omslagdoek in Schotland; reisdeken; adj. Schotsch.
Plain, plein, subst. vlakte, vlak, veld; adj. vlak, open, helder, duidelijk, eenvoudig, niet schoon, leelijk; Plain verb. klagen, beklagen; uitleggen: In plain clothes = in burgerkleeren; A plain face = alledaagsch, niet mooi; In plain terms = ronduit; That’s the plain truth = dat is de zuivere waarheid; Sausage and plain = worst met gekookte aardappelen; He put it very plain = drukte zich zeer duidelijk uit; Plain cooking = burgerpot; Plain-dealer = oprecht en eerlijk man; Plain-dealing = oprechtheid, rondheid; Plain-song = koraalgezang; Plain-speaking = openhartigheid, oprechtheid; Plain-spoken = openhartig, rond; Plain-work = nuttige handwerken; Plainness = vlakheid, etc.
Plaint, pleint, weeklacht, klaaglied; aanklacht; Plaintiff = (aan)klager, eischer; Plaintive = jammerend, klagend, droevig; subst. Plaintiveness.
Plaister, plâstə, pleistə; Zie Plaster.
Plait, pleit, subst. platte vouw, plooi; vlecht; bonbon, borstplaat; Plait verb. vouwen, plooien, vlechten: She carefully removes my plaits (= valsche vlechten of valsch haar) and gingerly applies the comb to what is left on my head.
Plan, plan, subst. ontwerp, plan, schets, methode; Plan verb. een plan maken, schetsen, ontwerpen, beoogen: Plan of campaign = krijgsplan; On an entirely new plan = volgens eene geheel nieuwe methode; The plan fell away (through) = viel in duigen; I have changed my plans = ik ben van plan veranderd; They were always planning and plotting = aan het plannen maken en samenzweren; Planless; Planner.
Planchet, planšət, muntplaatje.
Plane, plein, vlak, effen; subst. vlakte, vlak, oppervlak, basis, sfeer, trap, gebied; schaaf; plataan (= Plane-tree); Plane verb. effenen, schaven: Plane chart = kaart naar Mercators projectie; Plane geometry = vlakke meetkunde; Plane sailing = zeilen op een gelijkgradige kaart; eenvoudige zaak; Plane-table = planchet (in graden verdeeld instrument voor het landmeten); Plane-tree = plataanboom; Planer = schaver; schaaf.
Planet, planət, planeet; Planet-struck, Planet-stricken = door den invloed van planeten getroffen, als verlamd; Planet-wheel = planeetrad; Planetarium, planətêriəm, planetarium; Planetary = veroorzaakt door planeten; planeet...; Planetoid, planətôid, asteroid.
Plangent, planž’nt, luid klotsend.
Planimetric(al), pleinimetrik(’l), planimetrik(’l), planimetrisch; Planimetry, plənimətri, pleinimətri, vlakke meetkunde.
Planing, pleiniŋ: Planing bench = schaafbank; Planing-machine = schaafmachine.
Planish, planiš, planeeren, glad schaven, polijsten, pletten; Planisher.
Planisphere, planisfîə, planisfeer.
Plank, plaŋk, subst. plank; beginsel van een politiek programma; Plank verb. met planken beleggen of bedekken; neerleggen (gooien) = To plank down (Amer.); The pirates made their captives walk the plank = spoelden hun gevangenen de voeten; A planked way = plankier.
Plano, pleinou: Plano-concave = planconcaaf; Plano-conical = planconisch; Plano-convex = planconvex.
Plant, plânt, subst. plant, gewas; al het materiaal voor een bepaalden arbeid; bedriegerij, zwendel; Plant verb. planten, vestigen, neerzetten, zaaien: Railway plant = al het materiaal voor een spoorweg; I am sure he has some plant on = dat hij iets in het schild voert; Planting his right foot with some force on the ground = neerzettende; To plant oneself four square = zich schrap zetten; Plant-cane = suikerriet van het eerste jaar; Plant-marker = naambordje (bij plant.); Planter; Planting-ground = (kunstmatige) oesterbank; Plantlet = plantje.
Plantain, plantən, weegbree; pisang.
Plantation, planteiš’n, aanplanting, beplanting, plantage, nederzetting.
Plantigrade, plantigreid, op de zolen loopend; zoolganger.
Plap, plap, kletteren (v. water).
Plaque, plâk, geëmailleerd of beschilderd bord van aardewerk of metaal; ster van eene orde, schijf; Plaquette, pləket, plaquette.
Plash, plaš, subst. tak (in eene heg) met andere takken dooreengevlochten; geklots, geplas, plas; Plash verb. dooreenvlechten van takken; plassen, sprenkelen; Plashy, plaši, drassig; gespikkeld.
Plasma, plazmə, plasma; een soort van groen kwarts; Plasmatic(al) = vorm of gedaante gevend; plasma-achtig.
Plaster, plâstə, subst. pleister(werk), gips, cement; pleister; Plaster verb. bepleisteren, berapen, besmeren: Calcined plaster = Plaster of Paris = gebrande gips; Plaster bust = buste van gips; Plaster image = gipsen beeldje; Plaster image maker; Adhesive (Sticking) plaster = hechtpleister; Blistering (Cantharides, Vesicating) plaster = trekpleister; Court plaster (Isinglass plaster) = Engelsche pleister; He was plastered all over = als bedekt met pleisters of pappen; Plasterer = stucadoor.
Plastic, plastik, plastisch, beeldend, vormend, vormbaar: Plastic art = de beeldende kunst; Plastic clay = pottebakkersaarde; Plasticity, pləstisiti, plasticiteit, vormbaarheid.
Plastron, plastr’n, borstharnas, borst- of stootlap (voor schermers), borststuk, borst in kleedingstuk; plastron.
Plat, plat, subst. lapje grond, plan, vlecht, vlechtstroo (= Platting); Plat verb. een plattegrond maken van, vlechten; Platband = rabat (bloembed), bovenstijl van venster of deur.
Platan, plat’n, Platane, platein, plataan.
Plate, pleit, subst. plaat, bord, metalen vaatwerk, gouden en zilveren schotels of andere voorwerpen (als prijzen), tafelzilver, schaal, gang, etc.; harnas; Plate verb. met zilver of goud bedekken, pantseren, pletten; Plate-armour = pantserplaten; Plate-basket = afhaalmandje; Plate-fleet = (de Spaansche) zilvervloot; Plate-glass = spiegelglas; Plate-iron = plaatijzer; Plate-layer = legger van spoorstaven; Plate-mark = keur; Plate-rack = rek voor borden en schotels; Plate-warmer.
Plateau, plətou, hoogvlakte, tafelland.
Platen, plat’n, degel (boekdr.).
Platform, platföm, verhoogde vloer, tribune, terras, balkon (van tram), perron, politiek programma of pol. redevoeringen; bedding van een stuk geschut.
Platina, platinə, plətînə, Platinum, platinɐm, plətînəm, platina: Platinum crucible; Platinum-wire; adj. Platinic; Platiniferous = platina opleverend.
Platitude, platitjûd, platheid, onbeduidendheid, oppervlakkigheid: He is endlessly prolix and platitudinous = en vol gemeenplaatsen.
Plato, pleitou, Plato; Platonic, plətonik, platonisch: Platonic love (= Platonics); Platonic year = platonisch jaar (ongeveer 26,000 jaren); Platonism = wijsbegeerte van P.; Platonist = volgeling van Plato.
Platoon, plətûn, peleton: In (By) platoons; Platoon firing.
Platter, platə, houten bord, groote platte schotel.
Plaudit, plôdit, toejuiching; Plauditory = toejuichend.
Plausibility, plôzibiliti, subst. v. Plausible, plôzib’l, plausibel, aannemelijk, aangenaam voor oog of zinnen, mooi pratend, met gladde tong; subst. Plausibleness.
Play, plei, subst. spel, vermaak, vrijheid van handeling, ruimte, tooneelstuk, wijze van spelen; Play verb. spelen, in beweging zijn, bespuiten, beschieten, etc.: It was as good as a play = onbetaalbaar; Play of colours = kleurenspel; A play on (upon) words = woordspeling; To leave off boys’ play = de kinderschoenen uittrekken; Let him have fair play = geef hem een eerlijke kans, behandel hem zoo royaal mogelijk; That is not fair play = niet eerlijk; To give full (free) play = vrij spel laten; A child at play = spelend; His pen was in full play = hij gebruikte zijne pen ter dege; The waterworks were in full play = aan ’t springen; I am in play = aan stoot (bilj.); He called into play all his influence = hij liet al zijn invloed gelden; You must try to hold (keep) them in play = aan den gang te houden; To put into play = in beweging brengen; You must play or pay = ge moet doorspelen of alles verbeuren (“hangen of verzuipen”); To play fair, foul = eerlijk, oneerlijk; You play me false = bedriegt mij; He plays fast and loose with his money = hij gooit zijn geld weg; He plays fast and loose = hij is grillig, wispelturig; To play boats (horses, school, soldiers) = scheepjezeilen, paardje spelen, etc.; To play (at) cards (chess, dice); To play the deuce (devil) with = beetnemen, erg te pakken nemen, ondermijnen; To play a fish = laten uitspartelen; To play the fool (with) = zich mal aanstellen (malle streken uithalen met); To play the game = eerlijk of flink handelen; He plays a capital knife and fork = kan geducht eten, eet kolossaal; To play a prominent part = een hoofdrol spelen; He has played (the) truant = hij is stil uit school (van zijn werk) weggebleven; They played first at blindman’s buff and then at keeping house = ze speelden eerst blindemannetje en toen huismoedertje; Two can play at this = dàt kan ik ook; We will not play for money but for love = niet om geld, maar om de eer (voor ons plezier); I only play for safety = op goed af (bilj.); To play into each other’s hands = elkaar den bal toekaatsen (fig.); He played off that trick on me = hij bakte mij die poets; To play off one against the other = tegen elkaar uitspelen; He has many talents, but he plays them off = loopt er mee te koop; To play on words = woordspelingen maken; They played out their dinner = betaalden het diner met hun spelen; Played out = op, verbruikt, uitgeput; The musicians must play up = beginnen, opspelen; They did not play up to me = zij speelden niet in mijn kaart; You play upon me = gij bedriegt mij; I played with his follies as an angler plays the fish at the end of his line = ik speelde met zijn dwaasheden, zooals de hengelaar den visch laat uitspartelen; Play-acting = tooneelspelen; Play-actor = tooneelspeler; Playbill = affiche, programma; Play-book = tekstboekje; Play-day = speeldag; vacantiedag; Play-debt = speelschuld; Playfellow = speelmakker; Playgoer = geregeld theaterbezoeker; Playground = speelplaats; Playhouse = theater; Playmate = speelkameraad; Plaything = stuk speelgoed; Playwright = schrijver van tooneelstukken = Play-writer; Player = speler; Playful = speelsch, schalksch; subst. Playfulness.
Plea, plî, pleit, pleidooi, excuus, verweer, dringend verzoek: Court of Common Pleas = vroeger gerechtshof, thans onder The Queen’s Bench Division van het High Court of Justice; On (Under) the plea that = onder voorwendsel; To urge the plea of necessity = op de noodzakelijkheid wijzen.
Pleach, plîtš: Pleached walk = berceau.
Plead, plîd, pleiten, een pleidooi houden, zich verweren, bewijzen voor of tegen bijbrengen, voorgeven, aanvoeren, verontschuldigen: To plead for a person, To plead a person’s cause = iemands zaak bepleiten; He pleaded ignorance, innocence, guilty = hij gaf voor dat hij er niets van wist, dat hij onschuldig was, hij bekende; Pleadable = wat aangevoerd kan worden; Pleader: Special pleader = sophistisch verdediger; Special pleading = het aanvoeren van nieuw bewijsmateriaal (in tegenstelling met het weerleggen van het door de tegenpartij aangevoerde), draaierij; Pleadings = protocollen, processen-verbaal, processtukken.
Pleasance, plez’ns, vermaak, vroolijkheid; lusthof; Pleasant, plez’nt, aangenaam, prettig, vroolijk; subst. Pleasantness; Pleasantry, plez’ntri, vroolijkheid, scherts, grapje.
Please, plîz, behagen, genot verschaffen, believen: He was pleased to say so = het behaagde hem; Are you not yet pleased! = hebt ge nog niet genoeg? He was pleased at hearing of my success = was verheugd te hooren; Pleased with = ingenomen met; Please come in = Will you please to walk in? = mag ik u verzoeken binnen te gaan; As you please = naar u verkiest; As pleased as Punch = dolblij; If you please = alstublieft; ook: met permissie, note bene; Please, don’t say so = zeg dàt nu niet; Please acknowledge receipt = ontvangbewijs verzocht; Pleasing, subst. het behagen of voldoen; adj. aangenaam, behaaglijk: Pleasing ways = innemende manier van doen; subst. Pleasingness = innemendheid.
Pleasurable, pležərəb’l, aangenaam, subst. Pleasurableness; Pleasure, pležə, subst. genoegen, vermaak, genot, wensch, wil, welbehagen, keus, begeerte; Pleasure verb. zich vermaken: I am at your pleasure = ik hang af van uw welbehagen; At pleasure = naar goedvinden; It is a pleasure to me to do it = het is mij een genot; The pleasure is ours = het genoegen is aan ons; To take pleasure in = behagen scheppen in; Use your pleasure = doe wat gij niet laten kunt; I’ll wait his good pleasure = wachten tot het hem behagen zal; Pleasure-boat = pleizierboot; Pleasure-ground = park, uitspanningstuin; Pleasure-train = pleiziertrein (Amer.); Pleasure-trip = pleiziertochtje; To go (out) a-pleasuring = pret gaan maken.
Pleat, plît; Zie Plait.
Plebeian, plibîən, subst. plebejer; adj. plebejisch, plat, gemeen; Plebeianism = ploertenmanieren of -gewoonten, platheid; Plebeii, plibîai, plebejers.
Plebiscite, plebis(a)it, plebisît, plebisci(e)t; Plebs, plebz, plebs.
Pledge, pledž, subst. pand, onderpand, borgtocht, het drinken van iemands gezondheid, liefdepand; Pledge verb. verpanden, als onderpand geven, plechtig verbinden, iemands gezondheid drinken: He has redeemed his pledge = zijn pand ingelost, zijne belofte gehouden of gestand gedaan; To take the pledge = afschaffer worden; To hold in pledge = in pand houden; To put in pledge = verpanden; He pledged me in return = deed mij bescheid; I pledge my word on it = verpand er mijn woord onder; They have pledged themselves too deeply to recant = zich te zeer en te plechtig verbonden; I have pledged myself to you on behalf of my brother = ben bij u borg gebleven; Pledgee, pledžî = pandnemer; Pledger.
Pledget, pledžət, plok, plukselverband.
Pleiades, plîədîz, het zevengesternte.
Plenary, plînəri, plenəri, volkomen, geheel: Plenary absolution, Plenary indulgence = volle absolutie, aflaat; Plenary meeting = plenum, voltallige vergadering; Plenary power = volmacht.
Plenipotentiary, plenipətenšəri, plînipətenšəri, subst. en adj. gevolmachtigd(e).
Plenitude, plenitjûd, volheid, volkomenheid.
Plenteous, plentjəs, overvloedig, in groot aantal; subst. Plenteousness; Plentiful = overvloedig: Apples were plentiful and rare this year = dit jaar gaf een overvloed van zeldzaam mooie appels; subst. Plentifulness; Plenty, plenti, subst. overvloed; adj. en adv. overvloedig: He has plenty of money = veel geld; You will be in plenty of time (have plenty of time) = hebt meer dan tijd; Horn of plenty = hoorn des overvloeds.
Pleonasm, plîənazm, pleonasme; Pleonastic = overtollig.
Plesiosaurus, plîziəsôrəs, fossiele zeehagedis.
Plethora, plethərə, volbloedigheid, overvloed; adj. Plethoric, pləthorik, plethərik.
Pleura, plûrə, borstvlies; Pleural = borstvlies..; Pleurisy, plûrisi, borstvliesontsteking, pleuris = Pleuritis, pluraitis.
Pliability, plaiəbiliti, subst. v. Pliable, plaiəb’l, buigzaam, lenig, volgzaam; subst. Pliableness = Pliancy, plaiənsi; Pliant, plaiənt, buigzaam, smijdig, gedwee.
Plicate(d), plaikit(id), gevouwen, geplooid; Plication = platte vouw.
Pliers, plaiəz, vouw- of buigtang.
Plight, plait, subst. belofte; toestand, geval; Plight verb. verpanden, beloven: In good (a sorry) plight = er goed (slecht) aan toe; He plighted his faith = gaf zijn eerewoord; They had plighted their troth to each other = hadden elkander trouw beloofd.
Plimsoll, plimsol: Plimsoll’s mark = wettig voorgeschreven lastlijn.
Plinth, plinth, plint, onderste gedeelte van den zuilsokkel.
Pliny, plini, Plinius.
Plod, plod, zwoegen, ploeteren, hard blokken: To plod at one’s books = vossen; Plodder.
Plop, plop, plonsen; interj. plomp, klets: To fall plop into the water.
Plot, plot, subst. samenzwering, complot, intrige of knoop; stuk gronds, platte grond; Plot verb. samenzweren, plannen smeden; ontwerpen, traceeren: A complicated plot = ingewikkelde intrige; Secondary, Subplot; They laid (wove) a plot = zij smeedden eene samenzwering; Grass plot = grasveld; To plot a line = een spoorlijn traceeren; To plot against = een samenzwering smeden tegen; To plot down (out) = ontwerpen; Plotter = plannenteekenaar, samenzweerder; Plotting-scale = verkleinde schaal.
Plough, plau, subst. ploeg, holle schaaf; Plough verb, ploegen, groeven: You must put your hand to the plough = de hand aan den ploeg slaan; To plough a lonely furrow = alleen staan; To plough the sands = nutteloos werk doen; To plough in = onderploegen; To plough up = omploegen; He was ploughed = hij zakte voor het examen; Ploughboy = ploeger, arbeider; kinkel; Plough-handle = staart; He had a plough-handle-stoop in his shoulders = hij liep met krommen rug; Ploughland = bouwland, geploegd land; Ploughman = ploeger, boer; Plough Monday = Maandag na Driekoningen (6 Jan.); Plough-share = ploegijzer, kouter; Plough-tail = ploegstaart; Ploughing-machine; Ploughing-match.
Plover, plɐvə, pluvier.
Pluck, plɐk, subst. ruk, trek, ingewand, moed, vuur, korf (bij examen); Pluck verb. (kaal) plukken, rukken, afwijzen: He has no end of pluck = hij heeft veel “durf”; He is a plucked one = heeft durf; The best plucked man I ever saw = kranigste; I have a crow to pluck with you = een appeltje met u te schillen; To pluck a pigeon = een suffer plukken (bij ’t spel); To pluck up courage, spirit = moed vatten, bijeenrapen; He was (got) plucked = hij is gezakt; Plucky; You are a plucky little fellow = een dapper ventje.
Plug, plɐg, subst. plug, prop, pin; Plug verb. dichtstoppen, plombeeren: Plug of a pump = zuiger van eene pomp; Plug of tobacco = prop tabak; She thinks that I am going to be plugged = neergeschoten zal worden (Amer.); Plug-basin = fonteintje; Plug-hat = hooge “dop”.
Plum, plɐm, pruim, rozijn, 100.000 pond sterling, groot fortuin, beste deel, goed zaakje; Plum-cake = rozijnentaart; Plum-loaf = rozijnenbrood; Plum-pudding = rozijnenpudding; Plum-tree = pruimenboom.
Plumage, plûmidž, gevederte.
Plumb, plɐm, subst. schietlood; adj. loodrecht, degelijk, eerlijk; adv. pardoes; Plumb verb. loodrecht zetten, polsen, peilen: Out of plumb = uit het lood; She plumbed their depths of misery = peilde; Plumb-line = schiet- of loodlijn; ook verb.; Plumb-rule = waterpas; Plumber, plɐmə, loodwerker, loodgieter: All the crowned heads, bankers and plumbers of Europe = en groote lui (Amer.) van Europa; Plumbery = artikelen van loodwerk, loodgieterij, het loodgieten; Plumbic, plɐmbik, loodhoudend; Plumbiferous, plɐmbifərɐs, lood opleverend; Plumbing, plɐmiŋ, het werken in lood, looden pijpen.
Plumbago, plɐmbeigou, graphiet.
Plume, plûm, subst. veer, pluim, eereteeken, lauwer; Plume verb. de veeren terecht of gelijk leggen, met veeren versieren, pochen, plukken, plunderen: The swan plumed itself = streek zijne veeren glad; He plumed himself on his liberality = liet zich voorstaan op; Plumeless; Plumelet = pluimpje; Plumiped, plûmiped, subst. en adj. (vogel) met veeren aan de pooten.
Plummet, plɐmət, dieplood, peillood.
Plummy, plɐmi, voortreffelijk.
Plumose, plumous, plûmous, vederachtig, gevederd; Plumosity, plumositi, gevederdheid.
Plump, plɐmp, subst. klomp; adj. mollig, dik, grof; Plump verb. dik worden, opzwellen, neerploffen, uitflappen (out), alles op één paard zetten; stemmen op één candidaat (in plaats van op alle personen op wie men stemmen mag) = To plump one’s vote = To plump for a candidate; adv. plotseling, pardoes, zwaar, eenvoudig, botweg: Plump in the pocket = met vollen buidel; To come plump upon = overvallen; Say it out plump = vooruit! zeg op! Plumper = pruim tabak, valsche buste; stem aan slechts één der candidaten, stemmer op slechts één der candidaten; brutale leugen; Plumply = rond, botweg, platweg; Plumpness; Plumpy = dik, mollig, glad.
Plumy, plûmi, gevederd.
Plunder, plɐndə, subst. plundering, buit, roof, bagage en huisraad van een landverhuizer (Amer.), winst; Plunder verb, plunderen, rooven; Plunderage = verduistering aan boord; Plunderer.
Plunge, plɐnž, subst. indompeling, doop (door onderdompeling), achteruitslaan van een paard, hooge en roekelooze weddenschap of speculatie, plotseling en opzienbarend bericht, afgrond, draaikolk, klem (fig.); Plunge verb. (onder)dompelen, plonzen, springen, doopen, achteruit slaan, steil afhellen, zwaar en roekeloos wedden, geld uitgeven: To make the plunge = den beslissenden stap doen, op den slechten weg geraken; To take a plunge = duiken, storten; The plunge of the Pall Mall Gazette about Mr. Gladstone’s retirement = opzienbarend bericht omtrent het aftreden van den minister G.; By plunges = bij rukken; He plunged awfully = speelde, speculeerde hoog; To plunge after a person = achterna springen; I have plunged a bit in trifles = heb wat geld in kleinigheden gestoken; The ship plunged on her way = zette stampend zijne reis voort; Plunged in thought = in gedachten verzonken; Plunger = dolleman, dolle speculant of wedder; zuiger (v. perspomp); Plungers = zware cavalerie; Plunging = van boven naar onderen gericht: Plunging-fire.
Pluperfect, plûpɐ̂fəkt, plupɐ̂fəkt, voltooid verleden (tijd).
Plural, plûr’l, subst. en adj. meervoudig (woord); Pluralism = meervoudigheid; het gelijktijdig bezitten van meer dan één living; Pluralist = geestelijke, die te gelijkertijd meer dan één living heeft; Plurality, pluraliti, getal van twee of meer, meerderheid; Pluralize = meervoudig maken.
Plus, plɐs, plus(teeken) = +.
Plush, plɐš, pluche: Plush-velvet = zijden pluche; Plush-velveteen = wollen pluche; Plushy.
Plutarch, plûtâk.
Pluto, plûtou, Pluto; Plutocracy, geldheerschappij(aristocratie); adj. Plutocratic; Plutonian = Plutonic = tot Pluto of de onderwereld behoorende, door vuur ontstaan: Plutonic theory, of Plutonism = de theorie der Plutonists, die beweren, dat de gesteenten door de werking van het vuur zijn ontstaan; Plutus, plûtəs.
Pluvial, plûvjəl, vochtig, regenachtig, regen - -; Pluviameter, Pluviometer = regenmeter; Pluviose, plûvious, vijfde maand van het republik. jaar (20 Jan.–19 Febr.); Pluvious, plûvjəs, vochtig, regenachtig.
Ply, plai, subst. kronkel, vouw, plooi, neiging, zin, aanleg; Ply verb. zich toeleggen op, ijverig doen of uitvoeren, zich bezighouden, aandringen, gedurig lastig vallen, geregeld varen of zeilen, laveeren, omzien naar: He took a ply from his tutor = plooide zich naar de inzichten van; To ply the bottle = geducht aanspreken; The spider plied its nimble legs = bewoog vlug, snel; To ply the oars = krachtig roeien; She plied her task = zij werkte ijverig aan hare taak; To ply a trade = uitoefenen; Many steamers ply between Holland and America = varen; They plied him with drink = maakten hem dronken; They so plied him with smiles and favours that he grew crazy with ecstasy = overlaadden hem; To ply with questions = overstelpen met; Plyer.
Plymouth, pliməth: Plymouth Brethren = eene Calvinistische broedergemeente, opgericht tusschen 1820–35 te Dublin en Plymouth; Plymouthism.
Pneumatic(al), njumatik(’l), lucht-, gasachtig, met lucht gevuld, door luchtdruk bewogen: Pneumatic dispatch = luchtdrukpost; Pneumatic pump = luchtpomp; Pneumatic tyres = luchtbanden; Pneumatics = pneumatica.
Pneumonia, njumounjə, longontsteking; Pneumonic, njumonik, long - - -; subst. middel voor de longen.
Poach, poutš, stroopen (ook fig.); door veel loopen modderig of moerassig maken, (zijn, worden), gepelde eieren bakken in boter, of breken in kokend water; Poacher = strooper; Poachy = drassig, moerassig.
Po(a)chard, po(u)tšəd, poukəd, tafeleend.
Pock, pok, pok; Pock-mark, Pock-pit = pokteeken; Pock-marked, Pock-pitted, Pock-fretten = van de pokken geschonden, pokdalig = Pocky.
Pocket, pokət, subst. zak, holte, diepte, maat voor hop, gember, wol, enz.; Pocket verb. in den zak steken, gappen, stoppen, hinderen: I am in pocket, out of pocket = ik win, verlies; I am out of pocket = heb geen cent; Nothing but empty pockets lies between her and William = dat zij en W. niets hebben staat alleen hun engagement in den weg; I am in her pocket = bij haar in de gunst; I have Pa in my pocket = kan met Pa doen wat ik wil; This would have placed Turkey in the pocket of the Czar = in de macht gebracht hebben van; Put that in your pocket = steek dat in je zak; He had spent the evening in her pocket = had alleen werk van haar gemaakt; Hip-pocket, Pistol pocket = heupzak (achterzak) in een pantalon; He pocketed the affront, insult, wrong = hij slikte de beleediging, het onrecht; You pocketed my ball by a fluke = stopte; Pocket-argument = zelfzuchtig argument; Pocket-book = zakboek(je); Pocket-borough = kiesdistrict dat geheel in de macht is van één grondbezitter; Pocket-copy (= Pocket-edition); Pocket-glass = zakspiegeltje; Pocket-handkerchief = zakdoek; Pocket-hole = zakopening; Pocket-knife = zakmes; Pocket-money = zakgeld.
Pockwood, pokwud, pokhout.
Poco, poukou, een weinig (muz.).
Pod, pod, subst. dop, schil, peul; school robben, walvisschen; Pod verb. opzwellen, doppen, peulen vormen; Pod-net = fuik; Podded (fig.) = gemakkelijk.
Podagra, podəgrə, pədagrə, het “pootje”, voeteuvel; adj. Podagral = Podagric(al).
Podge, podž, modderige poel; Podge verb. roeren.
Podgy, podži, kort en gezet; dronken.
Podium, poudiəm, podium.
Podrida, pədrîdə, mengelmoes.
Podsnap, podsnap, type van stijve deftigheid; Podsnappery = peuterige, stijve deftigheid.
Poe, pou.
Poem, pouim, gedicht: Minor poems = kleinere gedichten; Poesy, pouəsi, dichtkunst; Poet = dichter: Minor poet = dichter van den tweeden of derden rang; Poet Laureate = gekroonde of hofdichter (in Engeland); Poetaster, pouətastə, pouətastə, rijmelaar; Poetess, pouətəs, dichteres; Poetic(al), pouetik(’l), dichterlijk; Poetics = gedichten; leer (theorie) der dichterlijke vormen (ook Poetic); Poetize, pouətaiz, dichten, dichterlijk behandelen; Poetry = dichtkunst, poëzie, gedichten.
Pogrom, pogrom, pogrom (Rusland).
Poh, pou, bah!
Poignancy, pôin’nsi, subst. v. Poignant, pôin’nt, scherp, bitter, stekelig, pijnlijk.
Poind, pôind, schutten van vee; beslag leggen op (voor schuld).
Point, pôint, subst. punt, spits, stip, stift, naald, nestel, oog, naaldkantwerk, doel, nadruk, gedachte, uitdrukking, eigenaardigheid, trek, wissel; Point verb. punten, scherpen, wijzen, richten, aanleggen, voegen, staan, pointeeren: What is the point = wat is de kwestie? That is a great point for me = van groot belang; That is rather a nice point with him = teer punt; He enumerated all the good points of his horse = eigenschappen; Blue points = een klein soort oesters (Amer.); The points of a speech = hoofdpunten; At the point of death (= On the point of dying); This is a case in point = dit is zoo’n geval als waarvan we thans spreken; In point of money = uit een oogpunt van; To rise to a point of order = vragen of de spreker niet “buiten de orde” is; In (from) a literary point of view = uit een letterkundig oogpunt; What you say there is not to the point = ter zake dienende; To be armed at all points = van top tot teen gewapend, op alles voorbereid; To come to a point = staan (van jachthonden); Things had come to such a point that further delay would have been disastrous = hadden zulk eene hoogte bereikt; That’s what I call coming to the point = dat is nu eens op den man af; It came to the point = het kwam er op aan; Things were growing to a point = men kon het einde zien aankomen; We hate militarism to the point that = zoozeer, dat; You didn’t gain your point, you missed it = ge hebt uw doel niet bereikt, uw zin niet gekregen; He gave me points in (at) billiards = gaf mij vóór; To lend point to = accentueeren, sterk doen uitkomen; He always made (it) a point to stand (of standing) high in his employer’s regard = hij stelde zich altijd ten doel; The rain always makes a point of setting in when I wish to go out = heeft het er altijd op gezet te beginnen; He has tried to prove it, but his point is not absolutely made = maar is hierin niet volkomen geslaagd; Don’t press the point = dring niet te zeer aan; We shall not pursue the point = er niet verder op aandringen; I will not put too fine a point upon it = er niet te veel van zeggen; That would be straining (stretching) a point = daarmee zouden we een uitzondering maken, het niet zoo nauw nemen; To point a moral = tot zedeles doen strekken; This story points a moral against party disputes = bevat een les tegen; He pointed at me = behandelde verachtelijk; The cannon was pointed at the gate = was gericht op; To point out = aanwijzen, in ’t licht stellen; The clock pointed to the hour, to seven = wees het uur aan, stond op zeven; Point-blank = recht op het doel af, zonder omwegen, op den man af, botweg: I told him so point-blank = ik heb het hem in zijn gezicht gezegd; Pointsman = wisselwachter; Pointed = gepunt, scherp, geestig, geestrijk: A pointed remark = fijne, scherpe opmerking; She only answered when pointedly addressed = als het woord bepaaldelijk tot haar gericht werd; Pointer = wijzer, staande hond, stift, graveerstift; etsnaald; Pointless = stomp, dom, niet geschikt of ter zake.
Poise, pôiz, subst. gewicht, belang, evenwicht, houding; Poise verb. wegen, overwegen, in evenwicht brengen of zijn: The elegant poise of her head; The cloud hung at poise over the hill = hing zwevend; Poise down = drukken, onderdrukken.
Poison, pôiz’n, subst. vergift; Poison verb. vergiftigen, besmetten: Poisoned cup = giftbeker = Poison-cup; Poison-fang = gifttand; Poisoner; Poisonous = vergiftig; subst. Poisonousness.
Poitiers, pôitîəz.
Poke, pouk, subst. zak, blaas, stoot, duw; Poke verb. duwen, stooten, tasten, voelen, zoeken, onderzoeken, beuzelen (Amer.): That was a sly poke at him = dat was een steek op hem; His life and character were poked into = nauwkeurig onderzocht; He poked his head through the window = stak; He can poke fun urbanely = op fijne wijze spotten of schertsen met, over; He poked some very effective fun at continental customs = spotte raak met....; Poke-bonnet = ouderwetsche tuithoed; Poker = pook; boeman (Am.), pedèl v. den Vice-Chancellor (Oxf.), slakkensteker (degen), bluffen (kaartspel): As stiff as a poke; To have swallowed the poke = To have a poke up one’s back = zich stijf houden (gedragen); Poke-drawing = brandschilderen; Poky = onnoozel, dom; bekrompen, nauw, klein: A poky little place = bekrompen, klein; A poky little staircase = zeer nauwe trap.
Polacca, pəlakə, driemaster (Middell. Z.).
Poland, poul’nd, Polen; Polander = Pool.
Polar, poulə, pool...: Polar bear = ijsbeer; Polar circles = poolcirkels; Polar expedition; Polar sea; Polar star = poolster; Polarity, pəlariti, polariteit; Polarizable, pouləraizəb’l, polariseerbaar; Polarization = het polariseeren; Polarize = polariseeren.
Polder, pouldə, polder.
Pole, poul, Pool.
Pole, poul, pool, paal, stang, dissel, stok, pols, uiterste punt; 5½ yard; Pole verb. staken zetten bij, voortboomen, beschoeien, inpompen; Pole-ax(e), subst. hellebaard, enterbijl, slachtbijl; Pole-axe verb. met eene bijl dooden; Pole-axe isolation will be necessary against the rinderpest = afmaking van aangetast en verdacht vee; A lot of crippled crocks, only fit to be pole-axed = een troep kreupele vilderspaarden, alleen geschikt om gedood te worden; Pole-star = poolster.
Polecat, poulkat, bunzing.
Polemic, pəlemik, polemisch; polemicus: Polemics = polemiek.
Polenta, pəlentə, soort pap van maïs, aardappelmeel of gerstemeel.
Police, pəlîs, subst. politie; ook verb.: Mounted police = bereden politie; A number of troops will be necessary to police the country = orde en regel te brengen in; Police-commissioner = commissaris; Police-constable = agent; Police-court = politierechtbank; Police-inspector = inspecteur; Police-magistrate = politierechter; Policeman = agent; Police-office = bureau (Police-station); Police-officer = ambtenaar bij de politie.
Policy, polisi, staatkunde, staatsbeleid, overleg, omzichtigheid, wijsheid; polis; park van een landgoed (Schotland): Honesty is the best policy = eerlijk duurt het langst; Life policy = levensverzekeringspolis.
Polish, pouliš, Poolsch.
Polish, poliš, subst. politoer, glans, verfijning, beschaving; Polish verb. polijsten, poetsen, beschaven, gaan glimmen, zich laten polijsten: He polished his eye-glasses = veegde af; To polish glass = glas slijpen; May I polish off that job for you? = dat zaakje ... opknappen; I polished him off in no time = zette hem gauw op z’n plaats; Polished = gepolijst, beschaafd; Polishing: Polishing-cloths = wrijflappen; Polishing-paste = poetspommade; Let us give it a polishing = polijsten, politoeren, poetsen.
Polite, pəlait, beschaafd, beleefd; subst. Politeness.
Politic, politik, politiek, staatkundig, slim, sluw: The Body Politic = burgerlijke staat; Political, pelitik’l, politiek, staatsrechtelijk, staats - -, staatkundig: Political Economy = staathuishoudkunde; Politician, politiš’n, staatsman, staatkundige, politicus; Politics, politiks, staatkunde, politiek, slimheid: They were talking politics the whole evening = zij hadden het den geheelen avond over staatkunde; Polity, politi, regeerings(vorm), inrichting.
Polk, poulk, een polka dansen: They liked waltzing and polking; Polka, poulkə, polkə, polka.
Poll, pol, Mietje; papegaai, lorretje = Poll-parrot.
Poll, poul, subst. hoofd, achterhoofd, persoon, register, lijst, stemming, stembus, stembureau; benedeneind van eene bijl; Poll verb. toppen, snoeien, knippen; stemmen, stemmen verkrijgen; registreeren, slaan (sport): The poll is over = de stemming is afgeloopen; At six the poll closed = sloot het stembureau; To go to the poll = gaan stemmen; kandidaat zijn; He was at the head of the poll = hij had de meeste stemmen; The ordinary or poll (ook pol uitgesproken) degree at Cambridge = de gewone graad (Zie Pass) bij het B.A.; The jury was polled = de leden der jury werden hoofdelijk ondervraagd omtrent hun aandeel in de genomen beslissing (Amer.); Poll-cattle = ongehoornd vee; Poll-tax = hoofdelijke omslag; Polling-booths = (verplaatsbare) stembureaux; Polling-clerk = officieel stemopnemer; Polling-place (Poll-station) = stembureau.
Pollard, poləd, geknotte of getopte boom (b.v. Pollard willow = knotwilg); dier dat zijn gewei of horens kwijt is; grootkop (visch, Zie Chub), zemelenmeel.
Pollen, pol’n, stuifmeel; Pollenize = bevruchten met stuifmeel; Pollinary (Pollinose) = als met stuifmeel bedekt; Pollination = bevruchting door insecten.
Polliwig, poliwig, donderpad, kikkervischje.
Pollute, pəljût, bezoedelen, besmetten, bevlekken, ontheiligen; Polluted(ness); Polluter; Pollution, pəljûš’n, bezoedeling, besmetting, bevlekking.
Pollux, poləks; Polly, poli, Mietje, Marie(tje).
Polo, poulou, soort balspel, te paard (of in ’t water) gespeeld.
Polonaise, po(u)ləneiz, soort v. japon; Polonaise.
Polony, pəlouni, worst van halfgaar-gekookt varkensvleesch.
Poltroon, poltrûn, subst. lafaard; adj. lafhartig, verachtelijk; Poltroonery = lafheid; Poltroonish = laf.
Polyandrian, poliandriən, polyandrisch; subst. Polyandry, Polyandry.
Polyanthus, polianthəs, tuberoos.
Polygamist, poligəmist, voorstander der polygamie; adj. Polygamous; Polygamy = polygamie.
Polyglot, poliglot, veeltalig; polyglotte, boek in vele talen; adj. Polyglottous.
Polygon, poligon, veelhoek; Polygonal, Polygonous, pəligən’l, pəligənɐs, veelhoekig; Polygonum, pəligənɐm, Polygony, pəligəni, duizendknoop (grassoort).
Polygraph, poligraf, soort hectograaf; verzameling van verschillende werken, veelschrijver; adj. Polygraphic(al), poligrafik(’l).
Polyhymnia, polihimniə; Polynesia, polinîšə, polinîžə, Polynesië; Polynesian = van P.; Polynesiër.
Polyp(e), polip, poliep.
Polypod, polipod, duizendpoot; naaktvaren.
Polypus, polipɐs, poliep inktvisch.
Polysyllabic(al), polisilabik(’l), veellettergrepig; Polysyllable, polisiləb’l, polisiləb’l, veellettergrepig woord.
Polysyndeton, polisindəton, polysyndeton.
Polytechnic, politeknik, polytechnisch; subst. = Polytechnic-school = polytechnische school.
Polytheism, polithîizm, veelgodenleer; Polytheist = geloover in veelgodenleer; adj. Polytheistic(al).
Pomace, pomis, pɐmis, pəmeis, droesem van geperste appelen; adj. Pomaceous = appel...
Pomade, pəmeid, pəmâd, Pomatum, pəmeit’m, pommade; Pomade verb. pommadeeren.
Pome, poum, appelvrucht; Pomegranate, pomgranit, pɐmgranit, granaatappel.
Pomerania, poməreinjə, Pommeren: Pomeranian = Pommersch; Pommeriaan, keeshond; Pomfret, pomfrət.
Pomiculture, poumikɐltšə, ooftboomkweekerij.
Pommel, pɐm’l, subst. degen- of zadelknop; Pommel verb. slaan, bont en blauw slaan: They pommel(l)ed his back = sloegen op zijn rug; To pommel to a jelly = tot moes slaan.
Pomologist, pəmolədžist, pomoloog; Pomology, pəmolədži de kunst v. (leerboek over) vruchten en vruchtboomen kweeken; Pomona.
Pomp, pomp, praal, praalvertooning.
Pompeian, pompeiən, pompîən; Pompeii, pompeijî, pompîjai; Pompeius, pompîjəs = Pompey, pompi, Pompeji; Pompejus.
Pompion, pɐmpj’n, pompoen.
Pompom, pompom, revolverkanon.
Pompon, pompən, pompon.
Pomposity, pompositi, praalzucht, vertoon, verwaandheid; gewichtigheid; adj. Pompous, pompəs, subst. Pompousness; Pomposo, pompousou, statig en waardig (muz.).
Pond, pond, vijver, poel.
Ponder, pondə, overwegen, overpeinzen: He pondered the past = hij bepeinsde wat er gebeurd was; Ponderability = weegbaarheid; Ponderable = weegbaar; Ponderosity = zwaarte, gewicht, gewichtigheid; Ponderous = zwaar, gewichtig, saai; subst. Ponderousness.
Pondicherry, pondišeri.
Pone, poun, maïsbrood (Amer.).
Pongee, pöndžî, mindere soort v. Chineesche zijde.
Poniard, ponjəd, subst. dolk; Poniard verb. doorsteken.
Ponsonby, pons’nbi.
Pont, pont, veerschuit, veerpont.
Pontic, pontik: Pontic Sea = Zwarte Zee.
Pontifex, pontifeks (Mv. Pontifices, pontifisîz), Romeinsch priester; bisschop, paus; Pontifex-maximus = eerste dezer priesters, de Paus; Pontiff = hoogepriester, paus (= Supreme Pontifex); Pontifical, pontifik’l, subst. het liturgische boek voor de bisschoppelijke bedieningen; adj. hoogepriesterlijk, pauselijk: Pontifical States = de kerkelijke staat; Pontificals = onderscheidingen gedragen door bisschoppen en prelaten: In full pontificals = in pontificaal; Pontificate, pontifikit, hoogepriesterlijke of pauselijke waardigheid.
Pont levis, pontləvis, pontlevis, ophaalbrug; het steigeren (van een paard).
Ponton(n)ier, pontənîə, pontonnier; Pontoon, pontûn, ponton, kiellichter (scheepst.); Pontoon-bridge = pontonbrug; Pontoon-train.
Pony, pouni, hit: 25 £; letterlijke vertaling v. een (klassiek)schrijver; Pony verb. zulk een vertaling gebruiken: To put down the pony = opdokken; Pony-engine = rangeerlocomotief.
Poodle, pûd’l, poedel.
Pooh, pû, interj. poepoe! onzin! To pooh-pooh = met verachting van zich werpen: He pooh-poohed the possibility of ever doing such a thing.
Pool, pûl, subst. poel, inzet, pot (bij het spelen), potspel (biljart), totalisator; Pool verb. samenleggen (van geld, etc.), zich verbinden tot gezamenlijk doen van iets: The swimming pool and the wading pool = zwembassin en “pierenbak”; Pool-counter = fiche; Pool-ticket = totalisatorkaart; Pooler = stok om te roeren.
Poonghee, pûŋgî, Poongy, pûŋgi, Boeddhistisch priester.
Poop, pûp, subst. achterhut of -dek, campagne; vent; Poop verb. over den achtersteven breken (van golven), van achteren aanvaren; Funny old poop.
Poor, pûə, arm, behoeftig, uitgeput, vermagerd, zwak, vervelend, treurig, onbeteekenend, nederig, stumperig: The poor and the rich = armen en rijken; Poor Clares = orde van Franciscaner nonnen; You are making a poor dinner = ge eet weinig; A poor excuse = een armzalig excuus; In poor health = in slechte gezondheid; Poor Law = armenwet; It’s a poor look-out = ’t ziet er miserabel voor ons uit; Poorhouse = armenhuis; Poor-rate = armenbelasting; Poor-spirited = ellendig, lafhartig; subst. Poor-spiritedness; I feel very poorly to-day = voel me lang niet goed; How is the patient? Poorly indeed = hoe is het met de(n) zieke? Erg minnetjes; subst. Poorness.
Pop, pop, subst. klap, flap, plof, mousseerende drank, pistool(tje); interj. floep! poef! Pop verb. plotseling binnenkomen of voor den dag komen, schieten, snel bewegen, duwen, paffen, knallen, poffen, verpanden: Pop goes the weasel! = en weg was het! Pop, bang, fire! = pief-paf-poef! The pop of bottles = floep; To go pop = op de flesch gaan; He came in pop = plotseling; He was a regular attender at Sunday Pops = Popular Concerts; To pop corn = maïs poffen tot de korrels er uit vliegen; She popped her head out of the window = zij kwam in eens met haar hoofd buiten het raam; He popped the question = hij vroeg om hare hand; To pop into bed = springen; I could not think you would pop in upon me at this hour = ik had er niet het minste idee op, dat gij nu zoudt komen aanwaaien; Rusty firelocks were continually popped off = verroeste snaphanen werden onophoudelijk afgeschoten; He popped a wanting hand on the mutilated statue = hij lapte eene ontbrekende hand aan; Pop-corn = maïs die geschikt is gepoft te worden; Pop-eyes = uitpuilende oogen; Pop-gun = klein pistooltje; Pop-shop = pandjeshuis; Pop-visit = onverwacht bezoek; Popper = mand van ijzerdraad om maïs te poffen; poffer, pistool.
Pope, poup, paus, patriarch, pope; pos; tuinvalk; Pope-Joan, poupdžoun, zeker kaartspel; Pope’s eye = de met vet omgeven klier in de dij van ossen of schapen; Pope’s-head = lange bezem; Pope’s nose = stuit van een gebraden vogel; Popedom = pausdom, pausschap; Popehood; Popery = Roomsch-Kath. godsdienst (in ongunstigen zin): The No-Popery Plots = de anti-R.-Katholieke samenzweringen.
Pope, poup, Pope; Popian = v. Pope.
Popinjay, popindžei, papegaai, specht, gaai (schietschijf in den vorm van een papegaai), windbuil.
Popish, poupiš, pauselijk, paapsch.
Poplar, poplə, populier = Poplar-tree.
Poplin, poplin, popeline.
Poppet, popət, een der blokken waarop het schip ligt bij het van stapel loopen; lieverd, popje, marionet.
Poppa = papa (Amer.).
Poppy, popi, papaver.
Poppycock, popikok: It’s all poppycock = allemaal onzin.
Populace, popjulis, volk, grauw; Popular, popjulə, bij het volk geliefd, populair, gemakkelijk te begrijpen; Popularity, popjulariti, populariteit; volksgunst; Popularization, subst. v. Popularize, popjuləraiz, populair maken; Populate, popjuleit, bevolken, voortplanten; Population = bevolking; Populous = dicht bevolkt, vol menschen; subst. Populousness.
Porcate(d), pökit(id), evenwijdig geribd.
Porcelain, pöslin, subst. porselein; adj. porselein...: Porcelain-clay = porseleinaarde; Porcelain-ware; Porcelainize = door hitte in eene porseleinachtige stof veranderen; Porcel(l)anous, pösələnɐs, pösəleinəs, pöselənɐs, porseleinachtig, porselein...
Porch, pötš, portiek, portico, portaal: The Porch = school der Stoïcijnen.
Porcine, pös(a)in, tot de zwijnen behoorende.
Porcupine, pökjupain, stekelvarken: Porcupine quill.
Pore, pö, turen, staren, vlijtig studeeren (= To pore over, on, upon one’s books), nauwkeurig onderzoeken.
Pore, pö, porie.
Porgy, pödži, soort v. zeebrasem (Am.).
Poriform, pôriföm, als eene porie.
Pork, pök, varkensvleesch; Pork-butcher; Porker = (gemest) varken; Porkopolis = bijnaam voor Cincinnati en Chicago.
Pornographer, pönogrəfə, pornograaf; adj. Pornographic; Pornography = pornographie.
Porose, pourous, poreus; subst. Porosity; Porous, pourəs, poreus; subst. Poroseness.
Porphyritic(al), pöfiritik(’l), porfierachtig, porfier bevattend; Porphyry, pöfiri, porfier.
Porpoise, pöpəs, bruinvisch: As fat as a porpoise = zoo vet als modder.
Porrect, porekt, uitgestrekt; ook verb.; subst. Porrection.
Porridge, poridž, havermeelpap.
Porringer, porinžə, kommetje, nap.
Port, pöt, haven; houding, voorkomen; portwijn; poort, ingang, bakboord, geschutpoort; adj. aan bakboordzijde; Port verb. het roer naar links overleggen: Free, Inner, Outport = vrijhaven, binnenhaven, buitenhaven; The ship made (the) port = liep... binnen = put in at the port; Port of departure, destination, distress, refuge (ook fig.); Port-admiral = havencommandant; Port-bar = havenbank, boom om eene haven of geschutpoort af te sluiten; Port-charges, Port-dues = havengelden; Portcullis = hamei; Porthole = patrijspoort; Port-lanyard (Port-rope) = touw om de deur der geschutpoort op te trekken; Portlast = dolboord; Port-lid = deur eener geschutpoort; Port-side = bakboordzijde; Port-town; Port-vein = poortader; Port-wine.
Portability, pötəbiliti, subst. v. Portable, pötəb’l, niet zwaar, draagbaar; subst. Portableness; Portage, pötidž, het dragen, draagloon, afbreking van eene waterverbinding (zoodat de goederen daarover moeten worden gedragen).
Portal, pöt’l, deur, portaal, ingang, poortje.
Porte, pöt: The Sublime Porte = de Verheven Porte.
Portend, pötend, voorbeduiden, voorspellen; Portent, pötent, pötent, (slecht) voorteeken; Portentous, pötentəs, onheilspellend, dreigend, monsterachtig, ijselijk; subst. Portentousness.
Porter, pötə, portier, besteller, drager, kruier; porter (bier): Porter’s lodge = portierswoning; Porterage, pötəridž, kruiersloon, draagloon, bestelloon; Porteress = portierster.
Portfolio, pötfouljou, portefeuille: The portfolio for Foreign Affairs.
Portico, pötikou, overdekte zuilengang.
Portion, pöš’n, subst. gedeelte, portie, aandeel, erfdeel, huwelijksgift; Portion verb. verdeelen, toebedeelen, begiftigen; Portionist = een van de beursstudenten van Merton College (Oxf.); clergyman die met anderen de inkomsten van een living deelt; Portionless, zonder huwelijksgift.
Portland, pötlənd, schiereiland in Dorsetshire: Portland cement = cement; Portland stone.
Portliness, pötlinəs, statigheid, deftigheid, gezetheid; adj. Portly.
Portmanteau, pötmantou, valies.
Porto, pötou, Oporto.
Portrait, pötrət, portret, schildering: Full-length portrait = portret ten voeten uit; Half-length portrait = kniestuk, buste; I will have my portrait taken = mijn portret laten maken; Portrait-painter = portretschilder = Portraitist; Portraiture = portret, de kunst van portretten maken, schildering.
Portray, pötrei, schilderen, portretteeren, beschrijven; Portrayal = schildering, beschrijving; Portrayer = schrijver, beschrijver.
Portsmouth, pötsməth.
Portugal, pötjug’l, Portugal; Portug(u)ee = Portugees, Portugeesch; Portuguese, pötjugîz, pötjugîs, pötjugîs, pötjugîz, subst. en adj. Portugees(che taal), Portugeezen.
Pose, pouz, subst. pose, houding, stand; Pose verb. eene bepaalde houding of een bestudeerd karakter (de allures) aannemen, poseeren, verlegen maken, in de war brengen; Poser = moeielijke vraag, streng examinator, “harde noot”: That’s a poser = dat is moeilijk te verklaren.
Posit, pozit, vaststellen, als waar aannemen.
Position, pəziš’n, toestand, houding, gesteldheid, rang, stand, betrekking, stelling: Of inferior social position = van minderen stand; I am not in a position to pretend such a thing = ik ben niet in staat, durf niet, zoo iets te beweren; You cannot make good this position = die bewering niet bewijzen; He took up his position there = hij nam daar positie, zijne positie in.
Positive, pozitiv, stellende trap, positief (in photographie); adj. stellig, volstrekt, bepaald, werkelijk, dogmatisch, eigenzinnig, koppig: I am quite positive = weet het zeker; I am positive in your doing this = ik sta er op dat gij dit doet; He is not naturally positive = het ligt niet in zijn aard, stijf op zijn stuk te blijven staan; Positive degree = stellende trap; Positive electricity = glas-electriciteit; Positive philosophy = positivisme, de wijsgeerige richting, die het gebied van het weten bepaalt tot wat met de zinnen kan worden waargenomen; Positive quantity = positief getal; subst. Positiveness; Positivist = aanhanger van Positivism.
Posse, posi, mogelijkheid; menigte, hoop: A strong posse of police; Posse Comitatus = de gewapende macht die een Sheriff kan oproepen.
Possess, pəzes, bezitten, bezetten, bemachtigen, zich overtuigen van, beheerschen, vervullen: He acted like one (a man) possessed = als een bezetene: He possesses himself = hij kan zich beheerschen; Great awe possesses my soul = mijne ziel is vervuld van; Possess your soul in patience = bezit in lijdzaamheid; Possession, pəzeš’n, bezit, eigendom, bezitting: Possession is nine points of the law = zalig zijn de bezitters; A writ of possession = een rechterlijk bevel van den Sheriff om iemand in het bezit van een stuk grond te stellen; The man in possession = Broker’s man (who is put in possession of the house till the execution is paid out); To be in possession; To get possession of; I gave him possession of (put him in possession of) his property = stelde hem in het bezit van; He recovered possession of his goods = hij herkreeg bezit van; He took possession of his own = hij nam wat het zijne was; To take possession of a house = betrekken; Possessive case = tweede naamval; Possessor = bezitter; adj. Possessory = bezittend, betrekking hebbende op het bezit.
Posset, posət, warme melk, geronnen door bijvoeging van wijn, bier of azijn, gekruid en zoet gemaakt; Posset verb. stremmen.
Possibility, posibiliti, mogelijkheid; Possible, posib’l, mogelijk: If possible = zoo mogelijk; Possibly = mogelijk(erwijs): I cannot possibly assist you = ik kan u onmogelijk helpen.
Possum, posəm, subst. opossum: To act (play) possum = zich dood houden, ziek houden; To play possum with = bedriegen.
Post, poust, paal, stijl, post, ambt, plaats, militair station of post, bode, brievenbesteller, postdienst, postkantoor, postpapier; Post verb. aanplakken, op de kaak stellen, stationneeren, per post verzenden, geheel op de hoogte brengen, boeken, snel of met postpaarden reizen; adv. spoedig, snel: General Post = een gezelschapsspel; algemeene promotie; The last post = laatste post; taptoe signaal (nu gewoonlijk geblazen bij de begrafenis van een soldaat); To answer (reply) by (return of, the first, the earliest) post = per (keerende) post; Lost in the post = verloren geraakt; To ride post = als koerier rijden, snel rijden; To send by post = per post; I was sent from post to pillar, and from pillar to post = ze stuurden mij van ’t kastje naar den muur; He is on the wrong side of the post = verkeert in een moeilijke positie; You ought to have posted me about him = mij ’t noodige omtrent hem te hebben meegedeeld; A notice was posted up in the market-place = eene bekendmaking werd aangeplakt; He is well posted (up) in this branch of learning = hij is goed op de hoogte; Her diary was posted up from her fifteenth year = dagboek was bijgehouden; Post-box; Postboy = postillon; Post-captain = rang tusschen commodore en captain (na 3 jaar dienst); Post-card = briefkaart; Post-chaise, subst. postkar, postwagen; Post-chaise verb. rijden met eene Post-chaise; Post-day = dag, waarop de post aankomt of vertrekt; Post-free = franco; Post-haste, subst. groote spoed; Post-horn = hoorn van den postillon; Posthorse = postpaard; Posthouse = posthuis; Postman = brievenbesteller; Postmark = postmerk; Postmaster = postmeester, directeur van een postkantoor; Postmaster-general = directeur generaal der posterijen (lid van het Cabinet); Post-office = postkantoor; Post-office box; Post-office clerk = postambtenaar; Post-office money-order = postwissel; Post-office savings-bank = postspaarbank; Post-paid = franco, gefrankeerd; Post-stage = poststation (om te rusten en van paarden te verwisselen); Post-time; Post-town = stad met een postkantoor; Postage = port (van een brief): Additional postage = strafport; Postage-stamp = postzegel; Postal = tot de posterijen behoorende: Postal evolution = ontwikkeling van het postwezen; Postal matters; Postal order = postbewijs = Postal note (Amer.); Poster = renbode, postpaard, aanplakbiljet; Poste restante = poste restante (“to be left till called for”); Posting: Posting-bill = aanplakbiljet; Posting-hôtel, Posting-house = poststation, posthuis.
Post, poust (in samenst.), na, achter: Post-communion = het deel van den dienst na het avondmaal; gebed na de mis; Postdate, poustdeit, latere datum; Postdate verb. poustdeit = later dateeren; Postdiluvian = subst. en adj. na den zondvloed levende; Post-entry = latere boeking, latere aangifte; Post-fix = achtervoegsel; Post-fix verb. poustfiks; Post-meridian, subst. en adj. namiddag; Post-mortem = na den dood: A Post-mortem examination = lijkschouwing; Post-nuptial = na het huwelijk gebeurende; Post-obit, poust-oubit, poust-obit, obligatie waarbij zich de debiteur verplicht na den dood van een bepaald persoon eene grootere som te betalen; Post-position = plaatsing na of achter iets anders; Post-positive = na of achter geplaatst; Post-prandial = na den maaltijd: A Post-prandial speech = rede aan het dessert gehouden; Post-scenium = achtertooneel; Postscript = postscriptum.
Posterior, postîriə, later volgend: Posteriors = achterste; Posterity, posteriti, nakomelingschap.
Postern, poustən, kleine deur, geheime ingang (ook: Postern-door; Postern-gate), gewelfde doorgang onder de wallen eener vesting.
Posthumous, postjumɐs, na ’s vaders dood geboren, na den dood van een schrijver uitgegeven: Posthumous papers, writings = nagelaten papieren, geschriften.
Postil, postil, postille.
Postil(l)ion, poustilj’n, postiljon, voorrijder (op het linker paard).
Postpone, poustpoun, uitstellen, verdagen; subst. Postponement = uitstel; Postponer.
Postulant, postjul’nt, vrager, sollicitant candidaat; Postulate, postjulit, subst. postulaat; Postulate verb. (postjuleit) zonder bewijs aannemen, verlangen, eischen; subst. Postulation.
Posture, postjə, houding, stand, toestand: In a posture of defence = in verdedigende houding; Posture-maker, Posture-master = acrobaat.
Posy, pouzi, dichterlijk motto; bloem(tuiltje).
Pot, pot, pot, bloempot, kan die een quart inhoudt, formaat papier (31 × 37½ cM.), groote som (inzet); Pot verb. in potten zetten of planten, inmaken of inleggen, parodieeren, (neer)schieten, zuipen: The pot calls the kettle black = de pot verwijt den ketel dat hij zwart is; The iron pot breaks all the cloam pipkins that float on the same water = met groote heeren is het slecht kersen eten; Little pots are soon hot = jongelui stuiven gauw op; To go to pot = op de flesch, te gronde gaan; To keep the pot boiling = den boel (het gesprek) aan den gang houden; To put the pot on = te veel vragen, overdrijven; To put on the pot = hoog wedden; To pot a ball = stoppen (bilj.); We were potted at till we were all hit = er werd op ons geschoten; He was potted out there = werd daar geplaatst; Pot-bellied = met uitstekenden, ronden buik; Pot-boiler = kunstwerk alléén om het geld gemaakt: Is it a novel with a purpose, or only a pot-boiler? Pot-boilery portraits; Pot-boy = helper in eene kroeg of een bierhuis; Pot-butter; Pot-companion = drinkgezel; Pot-crane, Pot-hanger, Pot-hangle = pot- of schoorsteenhaak; Pot-hat = hooge hoed; stijve vilthoed met ronden bol; Pot-herb = moesgroente; Pot-hook = S-vormige haak om een pot of ketel aan te hangen; hanepoot of “puthaak”: Pot-hooks and hangers; Pot-house = kroeg; Pot-hunter = jager, die op alles schiet; broodjager, mededinger in een wedstrijd, wien het alleen om de prijzen te doen is; Pot-hunting; Pot-ladle; Pot-lid = potdeksel; To take Potluck = eten wat de pot schaft; Pot-man = zuiplap; Pot-metal = legeering van koper en lood; soort v. beschilderd glas; Pot-pourri = allegaartje, mengelmoes (ook fig.); Pot-sherd = potscherf; Pot-shop = kroeg; Pot-shot = schot uit een hinderlaag, welgemikt schot, schot van een Pot-hunter; Pot-valiant = met jenevermoed bezield; Pot-waller (Potwolə) = Pot-walloper = iemand die (tot 1832) op grond van een eigen kookgelegenheid en een verblijf van 6 maanden in een kiesdistrict het stemrecht bezat; Potted meat = geconserveerd vleesch; Potted plays = parodieën; Potter = pottenbakker: Potter’s-clay = pottenbakkersaarde; Potter’s field = begraafplaats voor armen, onbekenden, etc. (Matth. XXVII, 7); Potter’s-ore = pottenbakkersverglaassel; Pottery = pottenbakkersgoed, pottenbakkerij.
Potable, poutəb’l, drinkbaar; subst. Potableness.
Potash, potaš, potasch = Potass(a), pətas(ə); Potassium, pətasiəm = kalium; Whisky and potass = Whisky and soda.
Potation, pəteiš’n, drank, drinkgelag, het drinken.
Potato, pəteitou, aardappel: We ate the potatoes in the skin. Zie Jacket; Baked, Boiled, Fried potatoes; Mighty small potatoes = niet veel zaaks (bijzonders); Potato-disease (Potato-rot) = aardappelziekte; Potato-trap = mond.
Pot(h)een, pot(h)în, (geheim gestookte) whisky (Ierl.).
Potence, pout’ns, krukvormig kruis (T); ook = Potency, pout’nsi, macht, invloed; Potent, pout’nt, machtig, invloedrijk, sterk; Potentate, pout’ntit, vorst, monarch; Potential, potentieel, mogelijk; subst. potentiaal; subst. Potentiality.
Pother, podhə, subst. rumoer, verwarring; Pother verb. razen, rumoer maken, plagen, hinderen.
Potion, pouš’n, drankje.
Potomac, pətoumək.
Potter, potə, zich met nietigheden ophouden of druk maken, strompelen, zeuren, Úmhangen, treuzelen: He pottered about among various sciences = liefhebberde zoo’n beetje in; They are potteringly European = bekrompen Europeesch; The old potterer = de oude zeur of zanikkous.
Pottle, pot’l, maat van ± 2,272 L.; vruchtenmandje of bakje.
Pouch, pautš, zak, tasch, krop, balg, patroontasch, buidel (van het buideldier); Pouch verb. in den zak steken (ook fig.), schenken.
Pouchong, pušoŋ, soort v. zwarte thee.
Poughkeepsie, poukîpsi; Poulett, pôlət.
Poulterer, poultərə, poelier.
Poultice, poultis, subst. pap; Poultice verb. pappen.
Poultry, poultri, pluimgedierte: Rearing of poultry = hoenderteelt; Poultry-house = hoenderhok; Poultry-yard = hoenderhof.
Pounce, pauns, een fijn poeder, vroeger gebruikt in plaats van vloeipapier; klauw (van roofvogels); Pounce verb. met radeerpoeder bestrooien; aanvallen, neerschieten op: He is on the pounce = gereed om aan te vallen; He fell pounce among them = pardoes; The policeman pounced on a little innocent = greep een kleinen jongen, die niets gedaan had; Pounce-box = strooier, reukdoosje.
Pound, paund, Engelsch pond (12 ounces Troy-weight = ± 373 gr., en 16 ounces Avoirdupois = ± 453,6 gr.); pond sterling; schuthok (voor vee); Pound verb. in het schuthok zetten, slaan, stampen, tot poeder maken, ploeteren, zwoegen, schieten (met zwaar geschut): The bankrupt paid two shillings in the pound = betaalde 10%; The pounded earthen floor = gestampte leemen; He pounded steadily at his great historical work = werkte ijverig en geregeld aan; They kept pounding away = schoten maar door; This pounding with the big guns at long range is not to my taste = dat schieten met de kanonnen op grooten afstand; Pound-cake = een soort gebak waarin de bestanddeelen pondsgewijs, of in gelijke deelen voorkomen; Pound-foolish, Zie Penny; Pound-keeper = bewaker van den schutstal; Poundage = belasting v. 1 sh. per £; schutten; staangeld; Pounder = stamper; ... ponder: Ten pounder = tienponder, banknoot van 10 £.
Pour, pö, gieten, storten, stroomen, vloeien: It never rains but it pours = een (on)geluk komt zelden alleen; He poured forth his heart to me = stortte zijn hart voor mij uit; To pour in a volley = een salvo geven; Shall I pour you out another glass? = zal ik u nog eens inschenken?
Poussette, puset, subst. figuur v. d. country-dance, waarbij de 2 paren elkaar kruiselings de hand geven en ronddraaien; Poussette verb. in paren ronddraaien.
Pout, paut, subst. hoentje; meisje, liefje; het vooruitsteken der lippen, het pruilen; Pout verb. de lippen vooruitsteken (om gemelijkheid, landerigheid of verachting uit te drukken), pruilen, uitsteken; Pouter = pruiler; kropduif.
Poverty, povəti, armoede, behoefte, gebrek, onvruchtbaarheid: To bring a person to poverty, To reduce to poverty = tot armoede brengen.
Powder, paudə, subst. poeder, buskruit; Powder verb. tot poeder maken, bestrooien of bepoederen, zouten, poeieren: To lie in powder = in duigen liggen; You waste your powder and shot = verschiet vergeefs je kruit; I am in good health and Powdering away at my novel = schrijf hard aan mijn roman; Powder-box = poederdoos; kruitkist; Powder-cart = caisson of kruitwagen; Powder-chest = kruitkist; springmijn; Powder-flask = kruithoorn = Powder-horn; Powder-magazine = kruithuis; Powder-mill = kruitfabriek; Powder-mine = kruitmijn; Powder-puff = poederkwast; Powder-room = kruitkamer (in een schip); Powder-sugar; Powdery = gelijkende op kruit of poeder (poeier), kruimelig, stoffig, gepoederd.
Powell, pauəl, pouəl.
Power, pauə, macht, kracht, vermogen, geest, bekwaamheid, invloed, gezag, mogendheid, menigte, hoop: Power of attorney = volmacht, procuratie; It does not lie in my power = ik heb het niet in mijne macht; Powers = gaven of vermogen: The powers that be = de gestelde machten, de overheid; The Powers be thanked for it = dank zij den Goden; Merciful Powers = goeie Goden! The Great European Powers = Groote Europeesche mogendheden; Power-house (Power-station) = electr. centrale; Power-loom = stoomweefgetouw; Power-press = stoomdrukpers; Powerful = machtig, krachtig, vermogend; subst. Powerfulness; Powerless(ness) = machteloos(heid).
Powwow, pauwau, subst. Indiaansche toovenaar, tooverformulier of plechtigheden voor het genezen v. zieken, krijgsdans; rumoerige politieke bijeenkomst (Amer.); Powwow verb. bezweren, beraadslagen, woelige vergaderingen houden (Amer.).
Pox, poks, pokken: Chicken-pox = waterpokken; Smallpox = kinderpokken; A pox on that fellow = de duivel hale dien vent!
Praam, prâm, praam.
Practicability, praktikəbiliti, subst. v. Practicable, praktikəb’l, uitvoerbaar, doenlijk; subst. Practicableness; Practical, praktik’l, practisch, werkdadig: A practical joke = handtastelijkheid, ruwe grap; They are, practically, on a par = feitelijk staan ze gelijk.
Practice, praktis, practijk, uitoefening, gewoonte, gebruik: A doctor in any (large) practice = met eenige (groote) praktijk; My private practice; That is in practice, out of practice = in gebruik, in onbruik; He had been out of practice for many years = hij had er jaren lang niet aan gedaan; It was put (in), reduced to practice = in practijk gebracht; Practice-butt = kogelvanger; Practice-ground = schietbaan; Practice-target = schijf.
Practise, praktis, oefenen, zich oefenen, uitoefenen, in toepassing brengen, een beroep of vak uitoefenen: If you wish to learn to play the piano, you must practise every day = moet ge u alle dagen oefenen; Young men practised at the glass to catch the curl of Byron’s lip = oefenden zich voor den spiegel; The doctor does not practise in the town = praktiseert niet in de stad; They practised on my good faith = maakten misbruik van mijn vertrouwen, goedgeloovigheid; A practised teacher = ervaren; Practising-ground = exercitieveld.
Practitioner, praktišənə, praktiseerend geneesheer, praktizijn.
Praed, preid.
Praemunire, prîmjunairî, premjunairî, overschrijding van het kerkelijk recht: Statute of Praemunire = wet omtrent schending van ’s konings prerogatief, rechtsingang daartegen, straf daarvoor; ook verb.
Praetor, prîtə, Romeinsch overheidspersoon; Praetorial, Praetorian, pritôriəl, pritôriən, praetoriaansch, rechterlijk: Praetorian bands (guards) = lijfgarde der Romeinsche keizers; Praetorium.
Pragmatic, pragmatik, pragmatisch, pragmatiek: Pragmatic sanction = onherroepelijk vorstelijk besluit (vooral dat v. Karel VI, waarbij hij de erfopvolging in zijne Staten regelde); Pragmatical = druk, ijverig, bemoeiziek, peuterig; subst. Pragmaticalness.
Prague, preig.
Prairie, prêri, prairie: Prairie-chicken (Prairie-hen) = hazelhoen; Prairie-dog = prairiehond; Prairie-oyster = gezouten en gepeperd ei met spiritualiën of azijn geklutst; Prairie value = geringe waarde van grond (als weiland alleen); Prairie-wolf.
Praise, preiz, subst. lof, lofspraak, dank; Praise verb. prijzen, toejuichen, hoog verheffen: He got more praise than pudding = werd met mooie woorden afgescheept; Be it said in his praise = het zij te zijner eer gezegd; He sounded his friend’s praises = verkondigde den lof; I praise you for it = ik prijs je er om; Don’t praise the day till it is over; Praiseworthiness, subst. v. Praiseworthy = loffelijk, lofwaardig.
Prakrit, prâkrit, volksdialect v. h. Sanskrit.
Praline, prâlîn, praline.
Pram, pram, praam; ook verk. van Perambulator.
Prance, prâns, steigeren, met veel vertoon rijden, trotsch en statig stappen.
Prandial, prandiəl, betrekking hebbend op den maaltijd.
Prank, praŋk, subst. grap of poets, scherts; Prank verb. veel vertoon maken, optooien: Don’t play your pranks upon me = bak mij je poetsen niet.
Prate, preit, wauwelen, babbelen, klappeien; ook subst.; Prater.
Pratique, pratik, handelsverkeer, verlof aan een schip om binnen te vallen na de quarantaine of na eene verklaring, dat het niet in besmette havens is geweest: The vessel was admitted to pratique = de quarantaine werd opgeheven.
Prattle, prat’l, subst. (kinder)gesnap; Prattle verb. snappen, kakelen; Prattler.
Prawn, prôn, steurgarnaal.
Praxis, praksis, uitoefening, gebruik, (verzameling van) voorbeeld(en).
Praxiteles, praksitəlîz.
Pray, prei, verb. bidden, smeeken, aanroepen; interj. eilieve!: I pray to God to bless you; Pray be quiet = wees als ’t u belieft rustig; Prayer, prêə, gebed, smeekbede; preijə, bidder: The Book of Common Prayer = de liturgie der Engelsche staatskerk; The Lord’s Prayer = het “Onze Vader”; The child said its prayers, and Heaven heard them = het kind zei zijne gebeden op, en de hemel verhoorde ze; Prayers = godsdienstoefening (b.v. bijbellezen, etc.) in huis; Prayer-book = gebedenboek; Prayer-meeting = bidstond; Prayerful = godsdienstig, vroom; Prayerless = het gebed veronachtzamend, ongodsdienstig; Praying-desk = bidstoel.
Preach, prîtš, prediken, eene leerrede houden: To Preach at = preeken tegen; She preached down her daughter’s heart with her worldly maxims = zij ontnam hare dochter alle idealen door hare wereldsche gezindheid; To preach to deaf ears; They preached up those principles = prezen luide aan; The Preacher = Prediker; Preachership = predikambt; Preachment = preek (in verachtelijken zin): A preachment in a novel is contraband in art = dat gepreek in een roman is uit den booze in de kunst; Preachy tone = preekerig.
Preacquaintance, prîəkweint’ns, vroegere kennis(making); adj. Preacquainted.
Pre-Adamic, prîadamik, vóór Adams tijd; Pre-Adamite, prîadəmait, subst. bewoner der aarde vóór Adam; adj. vóór Adam bestaande = Pre-Adamitic, prîadəmitik.
Preadmonish, prîadmoniš, vooraf vermanen; subst. Preadmonition.
Preamble, prîamb’l, voorrede, inleiding; Preamble verb. van eene inleiding voorzien; adj. Preambulary.
Preappoint, prîəpôint, vooraf bepalen of aanstellen; subst. Preappointment.
Preaudience, prîôdj’ns, rangorde (voorrang) bij de rechterlijke macht.
Prebend, preb’nd, prebende, bezoldiging v. een domheer; Prebendal, pribend’l, prebənd’l, tot eene prebende behoorende; Prebendary, preb’ndəri, dienstdoend domheer (tegenover Canon, titulair domheer); Prebendaryship.
Precarious, prikêriəs, in hooge mate onzeker, van den wil van een ander afhangend; opzegbaar; subst. Precariousness.
Precaution, prikôš’n, subst. voorzorg, voorbehoedmiddel; Precaution verb. vooraf waarschuwen: To take Precautions; Precautionary = uit voorzorg: Precautionary measures = voorzorgsmaatregelen; Precautious, prikôšəs, omzichtig, behoedzaam.
Precede, prisîd, voorgaan, voorafgaan; Precedence, prisîd’ns, voorrang, voortreffelijkheid: The French ambassador took (had) precedence of all the court = had den voorrang boven allen aan het hof; Precedent, prisîd’nt, voorafgaand; Precedent, president, antecedent: To be without a precedent.
Precentor, prisentə, koorleider, voorzanger; Precentorship.
Precept, prîsept, voorschrift, bevel, grondregel, mandaat; Preceptor, priseptə, onderwijzer, opvoeder: College of Preceptors = een onderwijzersvereeniging, waaraan door den staat het recht van opleiding en examineeren is toegekend; Preceptorship; Preceptory, priseptəri, prîseptəri, subst. godsdiensthuis der tempeliers; seminarium; adj. voorschriften bevattende.
Precession, priseš’n, precessie; adj. Precessional.
Precinct, prîsiŋkt, grens, gebied.
Precious, prešəs, kostbaar, dierbaar: A precious fellow = een mooie vent (ironisch); Your precious things = je prullengoed; Precious metals, stones = edele metalen, edelgesteenten; subst. Preciousness.
Precipice, presipis, afgrond, steilte, groot gevaar: He was rescued from the precipice = van den afgrond gered; To walk on a precipice = aan den rand des afgronds staan.
Precipitance, Precipitancy, prisipit’ns(i), overhaasting, voorbarigheid; Precipitant, adj. overhaast, voorbarig, neerstortend; subst. praecipitaat; Precipitate, prisipiteit, verb. neerstorten, bezinken, aandrijven met groote haast of met geweld, blindelings voorthollen, verhaasten (v. schreden of loop); subst. (prisipitit) bezinksel, praecipitaat; adj. overhaast, overijld, onbezonnen, nederstortend; Precipitation, presipiteiš’n, overhaasting, overijling, praecipitaat of neerslag; Precipitator = overhaaster, overijler; Precipitous, prisipitɐs, steil, overhaastig; subst. Precipitousness.
Precis, preisî, preisî, korte inhoud, excerpt: He was appointed as a precis-writer in the Foreign Office = hij werd bij Buitenlandsche Zaken als excerptenmaker aangesteld.
Precise, prisais, juist, nauwkeurig, overdreven correct, sekuur; subst. Preciseness; Precisian, prisiž’n, Jantje sekuur, zemelknooper; Precisianism = femelarij, vormelijkheid; Precision, prisiž’n, nauwkeurigheid, stiptheid.
Preclude, priklûd, uitsluiten, beletten: This precludes ambiguity = voorkomt; Space precludes us from quoting the passage = door gebrek aan ruimte kunnen wij de passage niet aanhalen; Preclusion, priklûž’n, ùitsluiting, voorkóming; Preclusive, priklûsiv, uitsluitend, voorkómend.
Precocious, prikoušəs, vroegrijp, brutaal; subst. Precociousness = Precocity, prikositi.
Precognition, prîkogniš’n, voorkennis; voor-onderzoek (Schotl.).
Preconceive, prîk’nsîv, vooraf opvatten of eene meening vormen: Preconceived opinion = vooroordeel.
Preconcert, prîk’nsɐ̂t, vooraf overleggen of beramen; subst. Preconcert.
Precondemn, prîk’ndem, reeds vooraf (zonder onderzoek) veroordeelen; subst. Precondemnation.
Preconization, prîkon(a)izeiš’n, benoeming tot een kerkelijk ambt; Preconization verb. To preconize.
Precontract, prîk’ntrakt, vooraf overeenkomen, door een vooraf gemaakte overeenkomst verbinden; subst. Precontract.
Precursor, prikɐ̂sə, voorlooper, voorteeken; Precursory = voorloopig, inleidend, voorafgaand.
Predaceous, prideišəs, roof...
Predatory, predətəri, plunderend, roovend; roof...: Predatory raids = strooptochten.
Predecease, prîdisîs, subst. vroegere dood; Predecease verb. vroeger sterven: The doctors have frequently predeceased him = hem vaak “doodgezegd”.
Predecessor, prîdisesə, predisesə, voorganger, voorouder.
Predestinarian, prîdestinêriən, subst. geloover in voorbeschikking; adj. wat tot de voorbeschikking behoort; Predestinate = voorbeschikken, vooraf bestemmen, vooraf bepalen; adj. pridestinit, voorbeschikt; Predestination = voorbeschikking.
Predeterminable, prîditɐ̂minəb’l, vooraf bepaalbaar; Predeterminate, prîditɐ̂minit, vooraf bepaald; Predetermination = vooraf gemaakte bepaling; Predetermine = vooraf bepalen.
Predial, prîdj’l, behoorende tot (voortkomende uit) grondbezit: Predial slave = lijfeigene.
Predicability, predikəbiliti, bevestigbaarheid; Predicable, predikəb’l, subst. eigenschap-aanduidend woord; adj. wat gezegd of bevestigd kan worden van iets.
Predicament, pridikəment, geval, toestand, kritiek geval, categorie, klasse: To be in a pretty predicament = er leelijk aan toe zijn; Predicamental, predikəment’l, categorisch, tot eene klasse behoorend.
Predicate, predikit, subst. gezegde, praedicaat; Predicate verb. (predikeit) bevestigen; gronden of steunen op (Amer.); Predication = bewering, bevestiging; Predicative = bevestigend = Predicatory.
Predict, pridikt, voorzeggen, voorspellen; Prediction = voorspelling, profetie; Predictive = voorspellend; Predictor = voorspeller.
Predilection, prîdilekš’n, vooringenomenheid, voorliefde.
Predispose, prîdispouz, voorbereiden, neiging of geschiktheid hebben of geven voor; Predisposition, prîdispəzišn, neiging tot, vatbaarheid voor; voorbereiding.
Predominance, Predominancy, pridomin’ns(i), overhand, gezag, heerschappij; Predominant = overheerschend; Predominate, pridomineit, de overhand hebben, heerschen; subst. Predomination.
Predoom, prîdûm, vooraf veroordeelen of bestemmen.
Pre-elect, prî-ilekt, vooraf kiezen; subst. Pre-election.
Pre-eminence, prî-emin’ns, voorrang, meerdere voortreffelijkheid; adj. Pre-eminent.
Pre-empt, prî-em(p)t, het (of door) vóórkoopsrecht verkrijgen (Amer.); Pre-emption(-right), pri-em(p)š’n, recht van vóórkoop.
Preen, prîn, subst. gevorkte naald; Preen verb. met den bek (de veeren) gladstrijken.
Pre-engage, prî-əngeidž, vooraf verbinden; subst. Pre-engagement.
Pre-establish, prî-əstabliš, vooraf vestigen of vaststellen; subst. Pre-establishment.
Pre-examination, prî-əgzamineiš’n, voorafgaand onderzoek; Pre-examination verb. Pre-examine, prî-əgzamin.
Pre-exist, prî-əgzist, vooraf bestaan; subst. Pre-existence; adj. Pre-existent.
Preface, prefis, subst. voorrede, inleidend woord; Preface verb. van eene voorrede voorzien, inleiden; Prefatory, prefətəri, inleidend, voorafgaand.
Prefect, prîfekt, gouverneur, magistraat, prefect; Prefectship; The prefectual system = het monitor-stelsel (in de school); Prefecture = prefectuur.
Prefer, prifɐ̂, voordragen, aanhangig maken, aanbieden, verkiezen: To prefer a bill = klacht indienen; To prefer a request = een verzoek doen, voordragen; To prefer to (above, before) = verkiezen boven; Preferred debts = preferente schulden; Preferred stock = pref. aandeelen; Preferable, prefərəb’l, verkieslijk (before, to); subst. Preferableness; Preference, prefərens, voorkeur: In preference to = liever dan; Preference Bonds = prioriteitsobligaties; Preference Shares = preferente aandeelen (wier houders een extra-dividend krijgen); Preferment = voorrang, bevordering, hoogere betrekking (vooral kerkelijke).
Prefix, prîfiks, voorvoegsel; Prefix, prifiks, voorplaatsen, aanhechten aan het begin (to).
Preform, prîföm, vooraf vormen; subst. Preformation; adj. Preformative.
Pregnancy, pregn’nsi, zwangerschap; vruchtbaarheid, gewichtigheid: To be far advanced in pregnancy; About the 7th month of her pregnancy; On her 9th pregnancy; Pregnant = zwanger, vruchtbaar, vol beteekenis, scherpzinnig, overtuigend, duidelijk: The times are pregnant with important events = de tijden zijn zwanger van belangrijke gebeurtenissen; It is pregnant = het is duidelijk.
Pregustation, prîgɐsteiš’n, voorproef, voorsmaak.
Prehensible, prihensib’l, grijpbaar; Prehensile, prihens(a)il, grijpend, geschikt om mede te grijpen: Some animals have Prehensile toes and tails = grijpteenen en grijpstaarten; Prehension, prihenš’n, het pakken of grijpen.
Prehistoric(al), prîhistorik(’l), vóórhistorisch: A prehistorically-minded person = zeer ouderwetsch mensch.
Prejudge, prîdžɐdž, vooraf oordeelen, zonder behoorlijk onderzoek (ver)oordeelen: It was a prejudged case = het geval was al beslist of uitgemaakt vóór onderzoek; subst. Prejudg(e)ment.
Prejudice, predžədis, subst. vooroordeel; nadeel, afbreuk, schade; Prejudice verb. vóórinnemen, afbreuk doen, schaden: Last night’s events had prejudiced me in his eyes = hadden mij bij hem kwaad gedaan; I am not in the least prejudiced by what I heard about you = ik ben in het minst niet geïnfluenceerd; Prejudicial, predžudiš’l, nadeelig, schadelijk: To be prejudicial to = afbreuk doen aan.
Preknowledge, prînolədž, voorkennis.
Prelacy, preləsi, ambt van prelaat, alle prelaten, bisschoppelijke regeering; Prelate, prelit, prelaat; Prelateship = prelaatschap; Prelatic(al) = van een prelaat of prelaten; Prelatism = bisschoppelijke kerkregeering; Prelatist = voorstander van bisschoppelijke kerkregeering.
Prelect, prilekt, openbare redevoering of voorlezing houden; Prelection = redevoering, voorlezing; Prelector = voorlezer, redenaar; lector.
Preliminary, priliminəri, inleidend, voorafgaand; Preliminary articles = preliminairen = Preliminaries.
Prelude, preljûd, prîl(j)ûd, subst. voorspel, inleiding; Prelude verb. (pril(j)ûd), inleiden, voorbereiden, een voorspel geven; Prelusive, pril(j)ûsiv, inleidend, bij wijze van voorspel = Prelusory, pril(j)ûsəri.
Premature, prîmətjuə, premətjuə, vroegrijp, ontijdig; subst. Prematureness, Prematurity, prîmətjûriti, premətjûriti, vroegrijpheid, voorbarigheid.
Premeditate, primediteit, bepeinzen, beramen, vooraf overleggen: The murder was premeditated; subst. Premeditation.
Premier, premjə, prîmjə, eerste, voornaamste; subst. premier; Premiership = waardigheid van eersten minister.
Premise, premis, premisse (ook Premiss gespeld); Premises, premisiz, gebouw met alles wat er bij hoort, huis en erf.
Premise, primaiz, vooropstellen.
Premium, prîmj’m, belooning, prijs, premie, opgeld, agio, waarde boven pari, hooge prijs: The Russian railway-shares are at a premium now = staan nu boven pari; Pews in the centre aisle are at a premium = zijn zeer gezocht.
Premonish, primoniš, vooraf waarschuwen; subst. Premonition, prîməniš’n; Premonitive = Premonitory = vooraf waarschuwend.
Premunire; Zie Praemunire.
Prenatal, prîneit’l, vóór de geboorte.
Prentice, prentis, verk. van Apprentice; Prenticeship.
Preoccupancy, prîokjupənsi, (het recht op) vroegere inbezitneming; Preoccupant; Preoccupation = vroegere inbezitneming; vooringenomenheid, vooroordeel; Preoccupied = in gedachten verzonken; Preoccupy = vooraf bezetten; geheel innemen, vóórinnemen.
Preordain, priödein, vooraf bepalen of beschikken; Preordination = voorafgaande bepaling, vroeger besluit.
Prepaid, pripeid: Address prepaid to N.N. = men wende zich met franco brieven tot N.N.
Preparation, prepəreiš’n, voorbereiding, voorbereidsel, huiswerk (verkort: Prep.); Preparative, priparətiv, subst. en adj. voorbereidend(e maatregel); Preparator; Preparatory, priparətəri, voorbereidend, inleidend; Prepare, pripêə, voorbereiden, klaarmaken, toebereiden: He prepared for his departure = maakte zich klaar voor; He was almost prepared for anything = was haast op alles voorbereid; I am not prepared to pretend that = dat durf ik niet beweren.
Prepay, prîpei, vooruitbetalen, frankeeren: Send a telegram and prepay reply = met antwoord betaald; Prepayment = vooruitbetaling.
Prepense, pripens, voorbedacht, vooruit beraamd: Malice prepense.
Preponderance, pripondər’ns, overwicht, overmachtige invloed; Preponderant = overwegend; Preponderate, pripondəreit, zwaarder wegen, het overwicht hebben; subst. Preponderation.
Preposition, prepəziš’n, voorzetsel; Prepositional = als v. een voorzetsel; Prepositive, pripozitiv, subst. en adj. voorop geplaatst (woord); Prepositor, pripozitə, klassevoogd, monitor, prefekt.
Prepossess, prîpozes, vooraf in bezit nemen, voor zich innemen; Prepossessing = innemend; Prepossession = vroeger bezit, vroegere inbezitneming; voorafgevormde meening, vooringenomenheid; Prepossessor = vroeger bezitter.
Preposterous, pripostərɐs, ongerijmd, belachelijk, dwaas, averechtsch; subst. Preposterousness.
Prepotence, pripout’ns, Prepotency, pripout’nsi, groote macht, overmacht; Prepotent = overmachtig, zeer sterk, invloedrijk.
Prepuce, prîpjûs, voorhuid.
Pre-Raphaelite, prî-rafəlait, kunstenaar (dichter, schilder), die de voorgangers van Raphael tot voorbeeld neemt; adj. angstvallig getrouw aan de natuur; Pre-Raphaelitism = de kunstrichting dezer mannen.
Prerogative, prirogətiv, voorrecht, privilege, prerogatief: Prerogative court = oudtijds eene geestelijke rechtbank, ook tot onderzoek van testamenten.
Presage, prîsidž, presidž, voorteeken, voorgevoel, voorkennis.
Presage, priseidž, voorspellen, een voorgevoel hebben van; subst. Presagement.
Presbyopia, presbioupjə, vèrziendheid; Presbyopic, presbiopik, vèrziend.
Presbyter, prezbitə, presbitə, ouderling, geestelijke van de Presbyteriaansche kerk; Presbyterian, prezbitîriən, presbitîriən, Presbyteriaansch, aanhanger v. Presbyterianism = stelsel v. kerkbestuur door Presbyters; Presbytery = raad van ouderlingen, het presbyterianisme.
Prescience, prîšiəns, vóórwetenschap, Prescient = voorafwetend.
Prescind, prisind, afsnijden; afzonderen.
Prescribe, priskraib, voorschrijven, geneeskundig behandelen (for), ongeldig maken door verjaring, verjaren; Prescriber; Prescript, prîskript, subst. voorschrift, bevel; adj. voorgeschreven; Prescriptible = wat voorgeschreven mag worden; Prescription = voorschrift, recept; recht door verjaring; Prescriptive = verjaard, door lang gebruik verkregen: Prescriptive right.
Presence, prez’ns, tegenwoordigheid, gezelschap, nabijheid, uiterlijk, spookverschijning, audientie: Presence of mind = tegenwoordigheid van geest; In presence of a crisis = bij, tegenover; Real Presence = het werkelijk aanwezig zijn van het vleesch en bloed van Christus bij het avondmaal; Saving your presence = met allen eerbied voor u; de aanwezige(n) uitgezonderd; Presence-chamber, Presence-room = audientiezaal; Present, prez’nt, subst. tegenwoordige tijd; geschenk; de onderwerpelijke zaak; adj. tegenwoordig, bestaand, gereed, onmiddellijk, gunstig; Presents = (aanwezige) stukken of documenten: He made me a present of it = hij gaf het mij ten geschenke = Gave it me as a present; At present = op het oogenblik; For the present = voor het oogenblik; Present tense; Presently = dadelijk.
Present, prizent, formeel voorstellen, aanbieden, ten geschenke geven, vertoonen, voorleggen, presenteeren, aanleggen (v. een geweer), voor een kerkambt voordragen, beschuldigen: He presented me with it = gaf het mij ten geschenke; This noble subject ought to be presented dramatically = in dramatischen vorm behandeld worden; Present arms = presenteer ’t geweer; Presentable = presentabel: You do not look presentable; Presentation = voorstelling, introductie, (recht van) voordracht, (voor een kerkambt); vertooning: This is good material for dramatic presentation = uitstekend geschikt voor eene dramat. bewerking; The book contains much humour and vivid presentation = en eene levendige wijze v. voorstelling; Presentation-copy = present-exemplaar; Presentative, prizentətiv, het recht hebbend v. voordracht; op aanschouwing berustend; Presentee, prez’ntî, die tot een kerkambt of benefice wordt voorgedragen; Presenter; Presential, prizenš’l, werkelijk aanwezig; Presentive, prizentiv: Presentive words = begripsnamen; Presentment = voorstelling, gedrag, aanbieding, klacht.
Presentient, prisenšiənt, vooraf voelend of bemerkend; Presentiment, prisentiment, voorgevoel.
Preservable, prizɐ̂vəb’l, wat bewaard of goed gehouden kan worden; Preservation, prezəveiš’n, bewaring, onderhoud, inmaak; Preservative, Preservatory, prizɐ̂vətiv, prizɐ̂vətəri, subst. en adj. bewarend of goedhoudend (middel); Preserve, prizɐ̂v, subst. ingelegde vruchten, gereserveerd vischwater of wildpark: Preservers = stofbril; Preserve verb. redden, beschermen, handhaven, bewaren, goed houden, inmaken; Preserver = bewaarder, beschermer, inmaker (van vruchten).
Preses, prîsîz, praeses, voorzitter (Schotl.).
Preside, prizaid, presideeren, het opzicht hebben, leiden: He presided at the meeting = leidde (als voorzitter); He must not preside over us = moet zich geen rechten over ons aanmatigen; Presidency, prezidensi, presidentschap, (de waardigheid, het gebied, diensttijd v. een pres.); voorzitterschap; President, prezident, voorzitter, president: President elect = de verkozen, nog niet in functie zijnde president; Presidential, prezidenš’l: The presidential address was loudly cheered = de toespraak v. den president; Presidentship = presidentschap, zijn tijd van dienst.
Presidial, prizidj’l, Presidiary, prizidjəri, garnizoens ..., bezettings ...
Press, pres, subst. gedrang, menigte, druk, kast, linnen(pers), drukpers, het gedrukte, couranten en tijdschriften, pressing (v. zeelieden); Press verb. drukken, persen, (uit)knijpen, omhelzen, pakken, dringen, inprenten, geweld uitoefenen, aandringen, krachtig streven, pressen: Press of matters, work = hoop werk, dat “af” moet; I am correcting the press = bezig de drukproeven na te zien; Just as we are going to press = op het punt zijn, de copie naar den drukker te zenden; I have written it out for the press = ik heb het voor den druk gereed gemaakt; The book is in the press = wordt gedrukt; The ship was under a press of sail = het schip had alle zeilen bij; We were very hard pressed = zeer in ’t nauw gebracht; I am not going to press the point = hierop nader aan te dringen; He presses into his service a saying of Macaulay = tracht met geweld zijne meening te staven met een beroep op; To press on = voortdringen; We pressed the boat on = lieten de boot op het land loopen; The messengers were pressing onward = renboden spoedden zich voort; Press-agency = agentschap voor de pers (zooals Reuter’s Office); Press-bed = samenvouwbaar bed, slaapbank; Press-buttons = drukknoppen (aan handschoenen, etc.); Press-copy = afdruk met een copieerpers gemaakt; Press-gang = een troep zeelui met opdracht om mannen door geweld of list tot dienstnemen op de vloot aan te werven; Press-man = drukker, dagbladschrijver; geprest, of tot een Press-gang behoorend zeeman: Press-money = handgeld; Press-work = drukken v. de vellen op de pers; Presser = perser, drukker; Pressing = dringend: Pressing necessity; Time is pressing; Pression = drukking, persing; Pressure, prešə, druk(king); gedruktheid, onderdrukking; moeilijkheid, dringendheid, kracht, drang: To put pressure upon a person = pressie uitoefenen; He was leading a life at high pressure = hij vergde veel van zijne krachten; These letters must be held over owing to pressure on our space = wegens plaatsgebrek.
Prest, prest, gereed, klaar; Prest-money = handgeld.
Prestation, presteiš’n: Prestation-money = vroeger door Archdeacons jaarlijks aan hunnen bisschop te betalen geld.
Prestidigitation, prestididžiteiš’n, goochelarij; Prestidigitator.
Prestige, prestidž, prestîž, invloed, gewicht.
Presto, prestou, snel: Hey presto = het “één, twee, drie: Passe” van den goochelaar; Prestissimo = zeer snel.
Presumable, priziûməb’l, vermoedelijk; Presume, prižûm, vermoeden, voor waar aannemen; wagen, durven, zich vermeten: To presume too far = te ver gaan; Do not presume too much on my patience = verg niet te veel van; Mr. Williams, I presume? = heb ik niet het genoegen meneer W. te zien? Presuming = verwaand, aanmatigend, trotsch, vermetel; Presumption, prizɐmš’n, vermoeden, waarschijnlijkheid; verwatenheid, onbeschaamdheid; Presumptive, prizɐmtiv, vermoedelijk, waarschijnlijk: Presumptive evidence = derivatief bewijs = Circumstantial of Indirect evidence; Heir Presumptive = vermoedelijk troonopvolger; Presumptuous, prizɐmtjuəs = aanmatigend, vermetel; subst. Presumptuousness.
Presuppose, prîsəpouz, vooronderstellen, voor waar aannemen; Presupposition, prîsɐpəziš’n, vooronderstelling.
Presurmise, prisəmais, vooraf opgevat vermoeden, argwaan.
Pretence, pritens, voorwendsel, voorgeven, schijn: He made pretence to laugh = deed of hij lachte; He did it on (under) a pretence of friendship = deed het onder (het valsche) voorwendsel van vriendschap; Pretend, pritend, voorgeven, voorwenden, zich aanmatigen, (ten onrechte) beweren; He pretends to be your friend = neemt den schijn aan; Such people cannot pretend to honour = kunnen op eer geene aanspraak maken; They make pretend that they have got a nice dinner = zij verbeelden zich, dat ze een lekker dineetje hebben; Pretended = voorgewend; Pretender = pretendent, huichelaar; Pretension = aanspraak, voorwendsel, aanmatiging, pretensie: I wonder whether he can make good his pretensions = het zal mij verwonderen of hij verkrijgt, waarop hij beweert recht te hebben; Pretentious = pretentieus; subst. Pretentiousness.
Preterhuman, prîtəhjûm’n, bovenmenschelijk.
Preter-imperfect, prîtərimpɐ̂fəkt, subst. en adj. onvoltooid verleden (tijd).
Preterit(e), pretərit, prîtərit, voltooid verleden.
Pretermission, prîtəmiš’n, het voorbijgaan, uitlating; Pretermit, prîtəmit, voorbijgaan, overslaan.
Preternatural, prîtənatjər’l, boven-, onnatuurlijk, abnormaal: Preternatural calves = onmogelijk dikke kuiten; subst. Preternaturalism = Preternaturalness.
Preterperfect, pritəpɐ̂fəkt, volt. verl. (tijd).
Pretext, prîtekst, voorwendsel: He did it under a pretext of kindness = onder den schijn van.
Pretty, priti, lief, aardig, snoezig, mooi, tamelijk: You are a pretty fellow (one) = een mooie vent! (iron.); That is a pretty kettle of fish = dat’s ’n mooie boel; He is pretty much as tall as you = vrijwel even lang; Pretty sure = vrij zeker; It was not pretty of her = niet lief van haar; My mother had a number of pretty pretties: some china, some household silver, a few books, etc. = een aantal keurige dingen; He is a pretty-spoken fellow = hij is een aangenaam man om mee te praten.
Pretypify, prîtipifai. Zie Prefigure.
Pretzel, prets’l, krakeling.
Prevail, priveil, de overhand hebben, heerschen, van kracht zijn, invloed hebben: The strong hand prevailed = het recht van den sterkste gold; I could not prevail on him to beg pardon = kon hem er niet toe krijgen; Such arguments do not prevail with me = hebben geen vat op mij, laten mij koud; He prevailed himself of the opportunity = maakte zich de gelegenheid ten nutte; Prevailing = heerschend; Prevalence, Prevalency, prevəlens(i), overmacht, overwicht, het algemeen heerschen of voorkomen; Prevalent, prevəlent, overwegend, heerschend, algem. geldend; krachtig.
Prevaricate, privarikeit, uitvluchten zoeken, dubbelzinnig handelen; verdraaien, schenden; Prevarication = uitvlucht, verzaking van wat waar, plichtmatig en goed is; Prevaricator = uitvluchtenzoeker, plichtverzaker, knoeier.
Prevenient, privînj’nt, voorafgaand, voorkomend, hinderlijk.
Prevent, privent, voorkÚmen, verhinderen, beletten, tegenhouden: He would prevent me from going there = mij beletten; Preventable (of Preventible) = wat voorkómen of belet kan worden; Preventative, subst. voorbehoedmiddel; adj. belettend, voorkomend; Preventer = beletter, verhinderaar; borgtouw, borghout; Prevention = verhindering: I did it for the prevention of worse things = om erger te voorkomen; Preventive = Preventative: Preventive detention = preventieve hechtenis; Preventive service = gewapende kustdienst tegen de smokkelarij.
Previous, prîvjəs, voorafgaand: Mr. Chairman, before putting this proposal to the vote, I beg to move the previous question = stel ik de prealabele questie; subst. Previousness.
Previse, privaiz, vooruitzien, aankondigen; subst. Prevision, priviž’n.
Prey, prei, subst. prooi, buit, slachtoffer, Prey verb. rooven, plunderen, azen op, knagen aan: Beast (Bird) of prey = roofdier (roofvogel); He fell a prey to despondency = hij viel aan algeheele wanhoop ten prooi; Tigers prey on living creatures = azen op; There is something preying on your rest and health = dat u de rust rooft en uwe gezondheid ondermijnt.
Priam(us), praiəm(ɐs), Priamus; Priapus, prai-eipəs.
Pribbles and Prabbles, prib’lzəndprab’lz, onzin.
Price, prais, prijs, waarde; verb. prijzen, den prijs vaststellen: We settled on that price = zijn het over dien prijs eens geworden = Have agreed on that price; A price was set on his head = er werd een prijs op zijn hoofd gezet: Current price = courante (thans geldende) prijs; Reduced price = verminderde; Set price = vaste; Starvation price = buitengewoon lage; Price-current, Price-list = prijscourant, prijslijst; Priceless = onschatbaar.
Prick, prik, subst. prik, punt, stip, rolletje, print, teeken, prikkel, wroeging, ongerustheid; Prick verb. prikken, steken, opsteken, aansporen, knagen (van wroeging, enz.), door een prikje aanwijzen, zich opzichtig kleeden, snel rijden: Pricks and compunctions of conscience = wroeging en knaging van het geweten; It is no use kicking against the pricks = het helpt niet of men de verzenen al tegen de prikkels slaat; To prick a hare = een haas in de sneeuw speuren; The chart was pricked = de koers van het schip werd op de kaart aangegeven (door prikjes); To prick (for) a Sheriff = een Sheriff benoemen, door een gaatje te prikken achter zijn naam in de lijst der voorgedragen candidaten; Vergelijk: The Sheriffs, when nominated annually, are said to be pricked, this is called: Pricking for Sheriffs; He was pricking on at full gallop = reed voort; Prick-madam = vetkruid; Prick-punch = drevel of doorslag (van smeden); Pricker = priem; Prickle, subst. stekel; verb. puncteeren; Prickle-back = stekelbaarsje; Prickliness, subst. v. Prickly = stekelig, vol prikkels; Prickly-heat = warmtepuistjes (in de Tropen); Prickly-pear = vijgdistel.
Pricket, prikət, hert in het 2e jaar = spieshert; aansteker; muurpeper.
Pride, praid, subst. trots, hoogmoed, fierheid, aanmatiging, luister; Pride verb. trotsch zijn op, hoogschatten: Pride will (is sure to) have a fall = hoogmoed komt vóór den val; To bring down a man’s pride = iemand vernederen; That fellow is puffed up with family pride = opgeblazen van familietrots; She takes a pride in her children = zij is trotsch op hare kinderen; He prided himself on being = hij beroemde (verhief) er zich op, dat hij was; Prideful = hoovaardig, trotsch; subst. Pridefulness.
Prier, praiə, snuffelaar; spion. Zie Pry.
Priest, prîst, priester, geestelijke; Priest-ridden = onder de plak der geestelijkheid; Priestcraft = priesterlist; Priestess = priesteres; Priesthood = priesterschap, alle priesters; Priestlike, Priestly = priesterlijk, als priester.
Prig, prig, subst. verwaand en aanmatigend persoon; “brave Hendrik”, “braaf Lijsje”; dief; Prig verb. stelen, ontfutselen: They are a set of starched-up prigs = een stelletje opgeprikte “kwibussen”; She prigged his diamond shirt-pin = zij ontfutselde hem; Priggish = verwaand, pedant; subst. Priggishness, Priggism.
Prill, pril, tongschar.
Prim, prim, adj. netjes, vormelijk, gemaakt; Prim verb. zich keurigjes kleeden en tooien: popperig mooi maken: She was very proprietous, and even fainted primly = en viel zelfs flauw in allen vorm; Primness = stijfheid, affectatie.
Prima, prîmə, eerste, voornaamste; b.v.: Prima-buffa = eerste komieke actrice; Prima-donna = eerste zangeres; To play prima vista = van ’t blad.
Primacy, praiməsi, opperkerkvoogdschap.
Primage, praimidž, kaplaken (premie).
Primal, praim’l, eerste, voornaamste; Primary, praiməri, adj. eerste, voornaamste, primair, elementair; subst. hoofdzaak: Primary colours = primaire kleuren; Primary instruction, school = lager onderwijs, lagere school.
Primate, praimit, opperkerkvoogd: Primate of England = aartsbisschop v. York; Primate of all England = aartsb. v. Canterbury; Primateship.
Prime, praim, eerste, voornaamste, prima, vroeg bloeiend, uitstekend; subst. begin, eerste stadium, dageraad, jeugd, lente, bloei, premie, priemgetal; Prime verb. kruit op de pan doen, gereed maken om af te schieten, klaarmaken, instrueeren, africhten (voor een examen, b.v.), in de grondverf zetten, opkoken (v. water in den stoomketel), water door stoom uit den ketel in den cylinder brengen: To sell at prime cost = tegen inkoopsprijs; Prime meridian = eerste meridiaan; Prime minister = minister-president; Prime mover = beweegkracht; Prime number = ondeelbaar getal; He was still in his prime = in den bloei zijns levens: Verg.: In the prime of life, not yet 50 years of age; Primeness; The partisan judge primed the audience and the jury = bewerkte het publiek en de jury; He primed his pistol = deed kruit op de pan; The soldiers were primed for the battle with liquor = kregen een stevigen borrel om hun moed te geven; Priming-iron, Priming-wire = ruimnaald (Milit.).
Primer, primə, gebedenboek, boek voor beginners, inleiding, abc-boek; soort van drukletter: A primer of English Literature = eerste inleiding tot de E. letterkunde.
Primeval, praimîv’l, oorspronkelijk: Primeval Forest = oerwoud.
Primigenial, praimidžînj’l, eerst geschapen, oorspronkelijk.
Primitive, primitiv, subst. en adj. oorspronkelijk (woord), stamwoord; subst. Primitiveness.
Primo, prîmou, eerste: Primo Basso (Zie Prima).
Primogenial, praimədžînj’l, oorspronkelijk, eerst geboren; Primogeniture, praimədženitjə, eerstgeboorterecht.
Primordial, praimödj’l, oorspronkelijk, van het begin bestaande; primitief; subst. begin.
Primrose, primrouz, sleutelbloem: Primrose-day = gedenkdag van Lord Beaconsfields (B. Disraeli) dood, 19 April 1888, ingesteld door de Primrose League = een conservatieve bond, gesticht door Lady Randolph Churchill in 1881.
Primula, primjulə, gemeene sleutelbloem.
Prince, prins, subst. vorst, prins: Crown prince; Hereditary prince = erfprins; Prince Charming = de Prins uit het sprookje; Prince Consort = prins gemaal; Prince of Wales = Engelsche kroonprins; Prince Royal (Prince Imperial) = kroonprins bij Latijn. naties; Prince’s feather = kattestaart, Oostersche duizendknoop; Prince’s metal = spinsbek: Princedom; Princelike = vorstelijk (= Princely); Princeliness; Princess, prinses, prinses: Princess Royal = kroon prinses; titel der oudste dochter van den Eng. koning; Princess dress, gown, robe.
Principal, prinsip’l, subst. hoofd, president, chef, bestuurder, hoofdsom, hoofdpersoon, lastgever of bedrijver; adj. voornaamste, eerste, hoogste, hoofd ...: Only principals will be dealt with = op tusschenpersonen wordt geen regard geslagen; Principal and interest = kapitaal en intrest; Principal Librarian of the British Museum = hoofdbibliothecaris; Principality, prinsipaliti, vorstelijke waardigheid, vorstendom; zevende orde van engelen; Principalness = voorrang, hoofdzaak.
Principia, prinsipiə, beginselen.
Principle, prinsip’l, subst. beginsel, oorsprong, element, grondslag; Principle verb. beginselen inboezemen of inprenten: He acted from a noble principle = uit een edel beginsel; On principle = uit beginsel; Act up to your principles = handel volgens uwe beginselen; To hold a principle; He laid down the following principle = hij stelde dit beginsel voorop.
Prink, priŋk, zich opsmukken; Prinker = fat.
Print, print, subst. indruk, teeken, merk, blad, prent; gravure, geschrift; gedrukte katoenen stof: Print verb. drukken, indrukken, stempelen, uitgeven: When will the book appear in print? = in druk verschijnen; He has put it into print = heeft het laten drukken; The first edition is out of print = is uitverkocht; One of the conservative prints = conservatieve bladen; Keeper of the prints in the British Museum = directeur van het prentenkabinet; Let me print it on your minds = het ulieden op het gemoed drukken; Print-seller = handelaar in prenten en gravures; Print-shop = winkel van een print-seller; Employed at a print-works = katoendrukfabriek; Printer = boekdrukker; Printer’s devil = drukkersloopjongen; Printer’s errors = drukfouten: Printer’s reader = corrector; Printing = het (boek)drukken: Letterpress print = boekdruk; Lithographic print = steendruk; Print-ink = drukinkt; Print-machine = druk- of snelpers; Print-paper = drukpapier; Print-press = drukpers; Print-type = drukletter.
Prior, praiə, eer, vroeger, voorafgaand (met to); subst. prior = Claustral prior; Conventual prior = prior, die niet aan de jurisd. van een abt is onderworpen; Priorate, praiərit, prioraat; Prioress = priores; Priority, praioriti, voorrang: Creditor by priority = preferente; Priorship = prioraat; Priory = klooster met een prior of eene priores aan het hoofd.
Prise, praiz, hefboom; Prise verb. opheffen, openen, openbreken.
Prism, prizm, prisma; Prismatical, prizmatik’l, prismatisch.
Prison, priz’n, subst. gevangenis; Prison verb. gevangen zetten, insluiten: To be (sit) in prison = gevangen zitten; To break (out of) prison = uitbreken; To put (throw) into prison = gevangen zetten; To take to prison = naar de gevangenis brengen; Prison-bars = tralies; ook Prison-base of Prisoner’s-base = diefjesspel (een speler staat tusschen twee bases of goals en tracht de anderen, die voorbijloopen te “tikken”; Prison-van = dievenwagen; Prison-yard = binnenplaats van eene gevangenis; Prisoner = gevangene: They were taken prisoner = gevangen genomen; Prisonment = gevangenschap.
Pristine, pristin, eerst, oorspronkelijk, frisch.
Prithee, pridhî, eilieve!
Prittle-Prattle, prit’lprat’l, gewauwel.
Privacy, pr(a)ivisi, afzondering, eenzaamheid, eenzame plaats: Your privacy will not be invaded = niemand zal u (in uwe afzondering) lastig vallen.
Private, praivit, subst. gewoon soldaat; Privates = geslachtsdeelen; adj. alléén, persoonlijk, ambteloos, niet-officiëel, vertrouwelijk: The letter was headed “Private” = boven den brief stond “Vertrouwelijk”: In private = in ’t geheim, in vertrouwen, onder vier oogen; The word “Private” on this door means: “Verboden toegang”; A private affair = een onderonsje; To sell by private bargain (treaty) = onderhands; Private box = post“box”; Private confessor = eigen biechtvader; My private debts amount to 3000 guilders = mijne persoonlijke schulden; A private dinner = “en famille”; Private hotel = hotel garni; A private person = ambteloos, niet officiëel, particulier persoon; Private parts = Privates; Private theatricals = liefhebberijkomedie; Private venture school = school voor eigen rekening; Privateness = afzondering, geheimhouding; Privateer, pr(a)ivitîə, subst. kaper; Privateer verb. ter kaap varen; Privateering = kaapvaart, kaperij; Privateersman = kaapvaarder.
Privation, praiveišn, ontbering, behoefte, gebrek; ontzetting uit een ambt, schorsing; wegneming; Privative, privətiv, subst. en adj. ontkennend (zooals un in unhappy), beroovend.
Privet, privət, liguster of keelkruid.
Privilege, privilidž, subst. voorrecht, recht; Privilege verb. vrijstellen, bevoorrechten, machtigen: Breach of privilege = schennis van de rechten van een zedelijk lichaam, zooals het House of Commons; Writ of Privilege = bevel tot vrijlating van bevoorrechte personen (Afgevaardigden, etc.); Privileged = bevoorrecht.
Privy, privi, geheim, afgezonderd, heimelijk, ingewijd; subst. privaat; belanghebbende: I am privy to all his plans = ingewijd in; Privy Chamber = geheim kabinet; particulier vertrek van den koning; Privy Council = Engelsche Raad van State; Privy Councillor = lid van dien Raad van State; Privy parts = Privates; Privy purse = civiele lijst; Privy Seal = geheimzegel: Lord Privy Seal = geheimzegelbewaarder; Privity = geheime mededeeling, medeweten: With his privity and consent.
Prize, praiz, subst. prijs, buit, belooning, voordeel; adj. bekroond; Prize verb. waardeeren, schatten, den prijs bepalen van: To draw a prize in the lottery; He got (took, won) the first prize = heeft den eersten prijs behaald; Prize of war; Prize-cat, Prize-ox = bekroonde; Prize-court = hof dat uitspraak doet over den op zee behaalden buit; Prize-essay = bekroonde verhandeling; Prize-fight = wedstrijd in het boksen; Prize-fighter; Prize-fighting = het boksen; Prize-man = prijswinnaar (vooral aan een universiteit); Prize-money = prijsgeld; Prize-ring = worstelplaats.
Pro and con, prouəndkon, voor en tegen.
Proa, prouə, prauw (Ind. vaartuig).
Probabiliorism, probəbiljərizm, Roomsche leer dat een handeling veroorloofd is als een waarschijnlijk motief daarvoor kan worden opgegeven.
Probability, probəbiliti, waarschijnlijkheid; weervoorspelling (Amer.): In all probability he will come = naar alle waarschijnlijkheid; Probable, probəb’l, waarschijnlijk.
Probate, proubit, officieele erkenning van de rechtsgeldigheid van een testament, het afschrift hiervan op perkament met het zegel van het Probate Court; Probate Court = vroeger gerechtshof, waar de rechtsgeldigheid van testamenten geconstateerd werd, waar door den executor “the will was proved”; thans een afd. van de Probate, Divorce and Admiralty Division of the High Court of Justice; Probate duties = recht te betalen bij het aanvragen van; Probate of a will = successierecht; Probation, prəbeiš’n, bewijsvoering, voorwaardelijke vrijspraak, bewijs, onderzoek, proeftijd: To preach on probation = een proefpreek houden (Amer.); Probational = Probationary = op proef, proef...; Probationer, prəbeišənə, provisioneel aangestelde, novitius, proponent (Schotl.); Probative = op proef, proef...; Probator, prəbeitə, onderzoeker; Probatory = proef - -.
Probe, proub, subst. tentstaal of sonde, peilstift (Med.); Probe verb. sondeeren, onderzoeken: They probed my knowledge to its utmost quick = peilden mijne kennis; Probe-scissors = wondschaar.
Probity, probiti, beproefde eerlijkheid of rechtschapenheid, oprechtheid.
Problem, probl’m, vraagstuk, lastig geval: He could not do that problem, solve that problem = kon dat voorstel niet maken, dat vraagstuk niet oplossen; Problematic(al), probləmatik(’l), twijfelachtig, onzeker; Problematize, probl’mətaiz, vraagstukken voorleggen.
Proboscidean, proubəsidiən, van snuitdieren (olifanten, etc.); ook subst.; Proboscis, prəbosis, snuit (van olifanten, tapirs; ook de zuigorganen der insecten), groote neus.
Procedure, prəsîdjə, handelwijze, manier v. doen, procedure.
Proceed, prəsîd, voortgaan, voortzetten, voortrukken, voortkomen uit, ontstaan, overgaan tot procedeeren, een acad. graad verkrijgen: This proceeds from sheer vanity = komt voort uit; He proceeded on his way, journey = zette voort; Let us proceed to business = aan het werk gaan, tot onze werkzaamheden overgaan; You proceed upon the wrong principle = gaat te werk; Let us proceed with our business = laten wij voortgang maken met; Proceeding = voortgang, handeling, gedragslijn, handelwijze; Proceedings = maatregelen in eene rechtszaak genomen, verslagen van een genootschap: Proceedings of the Geographical Society = Handelingen v. het Aardrijkskundig Genootschap; He took legal proceedings = deed gerechtelijke stappen; He wound up the proceedings of the meeting with a speech = besloot de werkzaamheden der vergadering; Proceeds = opbrengst: He lived on the proceeds of his estates = hij leefde van de opbrengst (rente, huur) zijner (land)goederen.
Process, pro(u)səs, voortgang, loop, verloop, handelwijze, maatregel; verlenging; chem. proces, dagvaarding: In process of time = in verloop van tijd; To serve a process on = dagvaarden; Procession, prəseš’n, processie: Funeral procession = begrafenisstoet; Processional, subst. titel van een deel van het Rituaal met 14 artikels over processies; adj. tot eene processie of een stoet behoorende; Processionary = processie - -.
Procidence, pro(u)sidens, verzakking; Prociduous, prəsidjuəs, verzakkend, verzakt.
Proclaim, prəkleim, afkondigen, openbaar maken, verspreiden, proclameeren, in staat van beleg verklaren: The ban(n)s were proclaimed = huwelijksafkondiging had plaats; The county was proclaimed = het graafschap werd in staat van beleg verklaard krachtens de Peace Preservation Acts (Ierl.); Proclamation, prokləmeiš’n, bekendmaking, afkondiging: Proclamation of war; To issue a proclamation.
Proclivity, prəkliviti, neiging, overhelling; Proclivous, prəklaivəs, overhellend, geneigd.
Proconsul, prokons’l, proconsul, stadhouder; adj. Proconsular; Proconsulate, prəkonsiulit, proconsulschap = Proconsulship.
Procrastinate, prəkrastineit, uitstellen, verschuiven; Procrastination = uitstel, traagheid; Procrastinator; adj. Procrastinatory.
Procreate, proukrieit, telen, voortbrengen; subst. Procreation; Procreative = voortbrengend; Procreator = voortbrenger.
Procrustean, prokrɐstj’n: Procrustean bed = bed van Procrustes, prokrɐstîz, bekende roover in Attica, die zijne slachtoffers verminkte of uitrekte tot ze van pas waren voor zijne rustbank.
Proctor, proktə, een soort van universiteitsrechter en opziener die met de bewaring van orde en tucht belast is, en uit de Fellows gekozen wordt; procureur (in een geestelijk gerechtshof), afgevaardigde; Proctorize = roepen voor den Proctor; Proctorship = waardigheid van Pr.
Procumbent, prəkɐmb’nt, liggend.
Procurable, prəkjûrəb’l, verkrijgbaar.
Procuracy, prokjurəsi, procureurschap, procuratie; Procuration, prokjureiš’n, bezorging (van eens anders belangen of zaken), volmacht, procuratie: Procuration-fee (Procuration-money) = makelaarsloon; Procurations = geld door de E. geestelijken te betalen in plaats v. het vroeger aan den bezoekenden bisschop of aartsdeken aangeboden maal; Procurator = procureur, gevolmachtigde: Procuratorship; adj. Procuratory.
Procure, prəkjûə, verschaffen, krijgen, bezorgen: I could procure an order for you = zou u wel een toegangsbewijs kunnen bezorgen; I got it through his procurement = bemiddeling, zorg; Procurer, prəkjûrə, prokjurə, verschaffer, bezorger; koppelaar; Procuress = koppelaarster.
Prod, prod, subst. prikkel, gepunt werktuig, els, prik; Prod verb. prikken, stooten, aanzetten (ook met up).
Prodigal, prodig’l, subst. doorbrenger, verkwister; adj. verkwistend, overvloedig: The Prodigal Son = de Verloren Zoon; Prodigality, prodigaliti, verkwisting, overvloed.
Prodigious, prədidžəs, kolossaal, ongehoord, verschrikkelijk; subst. Prodigiousness; Prodigy, prodidži, wonder, wangedrocht, voorteeken: Youthful prodigy = wonderkind.
Produce, pro(u)djûs, opbrengst, resultaat.
Produce, prədjûs, voortbrengen, veroorzaken, vertoonen, bijbrengen, aanvoeren, overleggen, verlengen: I don’t know how many witnesses he offered to produce = hij wel zeide er te kunnen bijhalen; His words did not produce the least effect = hadden niet de minste uitwerking; He produced his papers = haalde voor den dag; To produce a new play = voor het voetlicht brengen; Producer = producent; Producibility, subst. v. Producible = wat bijgebracht, aangehaald, vertoond kan worden: Many proofs are producible for this assertion = kunnen worden bijgebracht; subst. Producibleness.
Product, prodəkt, voortbrengsel, product, resultaat, gevolg; Production, prədɐkš’n, overlegging, productie, vrucht, voortbrengsel, verlenging; Productive = voortbrengend: This law has been productive of much good = deze wet heeft veel goeds gewrocht; Productiveness = Productivity = vruchtbaarheid, rentabiliteit.
Proem, prouəm, inleiding, voorrede; Proemial, prəîmiəl, inleidend.
Profanation, profəneiš’n, ontheiliging, ontwijding; Profane, prəfein, adj. ontheiligend, profaan, goddeloos; Profane verb. ontheiligen, profaneeren; subst. Profaneness; Profaner; Profanity, prəfaniti, goddeloosheid, godslasterlijke taal, heiligschennis.
Profess, prəfes, openlijk verklaren of betuigen, erkennen, betuigen, beweren: He is a professed misogynist = verstokt vrouwenhater; I don’t profess to be a judge of literature = geef mij niet uit voor; He professed himself an artist = gaf zich uit voor; Professed friendship = beweerde; Professedly = onloochenbaar: Profession = erkentenis, openlijke verklaring, belijdenis; beroep; kloostergelofte: By profession = van beroep; The learned professions = geleerde beroepen; Professional, subst. die een beroep uitoefent, die eene kunst niet als amateur beoefent, kunstenares; adj. beroeps - -: A Professional cricketer, skater = beroeps...; Professional gentleman (man) = jurist, theoloog, dokter.
Professor, prəfesə, belijder, hoogleeraar: Professor of law, of natural history = hoogleeraar in de rechten, in de natuurlijke geschiedenis; Professorate = Professoriate; Professorial, proufəsôriəl, professoraal; Professoriate = gezamenl. professoren van een hoogesch.; professoraat = Professorship = hoogleeraarsambt.
Proffer, profə, subst. aanbod, voorstel: Proffer verb. aanbieden, voorslaan: Proffers of peace; To make a proffer; I shook his proffered hand = uitgestoken hand; Profferer.
Proficience, Proficiency, prəfiš’ns(i), vaardigheid, bedrevenheid; bekwaamheid; Proficient, subst. ingewijde, meester; adj. ingewijd, bedreven, bekwaam: To be proficient in = bekwaam in.
Profile, prouf(a)il, subst. profiel; Profile verb. in profiel teekenen; Profilist, prouf(a)ilist, silhouetteekenaar.
Profit, profit, subst. voordeel, winst, nut; Profit verb. helpen, v. nut zijn, vorderingen maken: I have derived much profit from your instruction = veel nut getrokken; To leave a profit = winst afwerpen; Small profits, quick returns = kleine winst, groote omzet; I have profited very much by your advice = uw raad is mij zeer heilzaam geweest; Profitable = voordeelig, nuttig, heilzaam, winstgevend; subst. Profitableness; Profitless = zonder nut, onvoordeelig.
Profligacy, profligəsi, losbandigheid; Profligate, profligit, subst. en adj. losbandig(e), losbol; subst. Profligateness.
Profound, prəfaund, diep, geleerd, diepzinnig, diepgevoeld; subst. afgrond: A profound mistake = grove dwaling; The profound = de zee; A profoundly interesting book = hoogst..; Profoundness = Profundity, prəfɐnditi, diepte, diepzinnigheid, grondige kennis, etc.
Profuse, prəfjûs, mild, verkwistend, kwistig, overvloedig; subst. Profuseness; Profusion, prəfjûž’n, overvloed, verkwisting, mildheid.
Prog, prog, bedelen; opgebedelde eetwaren; bedelaar.
Progenitor, prədženitə, voorvader, voorzaat; vr. Progenitress; Progeny, prodžini, nageslacht, nakomelingen.
Prognosis, prognousis, prognose; Prognostic, prognostik, subst. voorteeken, prognose; adj. voorspellend, vóórbeteekenend; Prognosticate = voorspellen, wijzen of doelen op; Prognostication = voorspelling, voorteeken; Prognosticative = voorspellend; Prognosticator.
Program(me), prougram, programma.
Progress, prougrəs, progrəs, voortgang, reis, vorstelijke rondreis, vorderingen, vooruitgang: The matter is in progress = de zaak is in wording, gaat geregeld voort; The committee reported progress = deelde den stand der zaak mede.
Progress, prəgres, voortgang of vorderingen maken, vooruitkomen, stijgen, bevorderen; Progression = voortgang, vooruitgang, opklimming, reeks (in de rekenkunde): Arithmetic progression = rekenkundige reeks; Geometrical progression = meetkundige reeks; Ascending, Descending progression = opklimmende, afdalende reeks; Progressional = voortgaand, vorderend; Progressionist = voorstander van den vooruitgang, uitspr. Progressist, Progressist; Progressive = voortgaand, verbeterend; subst. vooruitstrevend man, voorstander van vooruitgang; Progressive minded = vooruitstrevend; Progressive number = doorgaand nummer; subst. Progressiveness.
Prohibit, prəhibit, verbieden, beletten: Bill-sticking prohibited here = verboden hier aan te plakken; Prohibiter; Prohibition, prouhibiš’n, verbod: Writ of Prohibition = bevel van het High Court aan een lager hof tot schorsing van een geding; Prohibition party = partij die het verbod van den verkoop van sterken drank voorstaat (Amer.); Prohibitionist = lid dier partij; voorstander van beschermende rechten; Prohibitive, prəhibitiv, verbiedend; Prohibitive duties = beschermende rechten.
Project, prodžəkt, proudžəkt, ontwerp; (dwaas en onpractisch) plan.
Project, prədžekt, vooruitwerpen, projecteeren, ontwerpen, beramen, vooruitsteken; Projectile, prədžekt(a)il, voortdrijvend, voortgedreven; subst. projectiel; Projection = ontwerp, vooruitspringing, projectie; Projector = maker van (dwaze en onpractische) plannen; sciopticon; Projecture = het vooruitsteken.
Prolapse, prəlaps, Prolapsus, prəlapsəs, uitzakking (Med.).
Prolegomena, prouləgomənə, inleiding.
Proletarian, proulitêriən, laag, gemeen, proletarisch; subst. proletariër; Proletarianism = toestand of invloed der proletariërs; Proletariat, proulitêriət, proletariaat; Proletary, pro(u)litəri = Proletarian.
Prolific, prəlifik, vruchtbaar: A prolific writer = vruchtbaar schrijver; Prolification, prəlifikeiš’n, voortteling, bevruchting; Prolificness = vruchtbaarheid.
Prolix, pro(u)liks, prəliks, langdradig, vervelend; Prolixity, prəliksiti = Prolixness = langdradigheid.
Prolocutor, prəlokjutə, prouləkjûtə, proləkjûtə, woordvoerder, voorzitter; Prolocutorship.
Prologue, pro(u)log, inleiding, proloog.
Prolong, prəloŋ, verlengen, uitstellen, prolongeeren; subst. Prolongation, prouloŋgeiš’n; Prolonger, prəloŋə.
Prolusion, prəl(j)ûž’n, voorspel, poging, proeve.
Prom, prom, verk. van Promenade-concert.
Promenade, promənâd, subst. wandeling, wandelplaats, promenade; Promenade verb. op en neer wandelen; Promenade-concert = wandelconcert.
Promethean, prəmîthiən, adj. van Prometheus; Prometheus, prəmîthiəs, prəmîthjûs.
Prominence, Prominency, prominens(i), Uitsteken, uitstèkendheid, hooge plaats, beroemdheid: To bring into prominence = op den voorgrond brengen; Prominent = ùitstekend, uitstèkend, voornaamste.
Promiscuity, proumiskjûiti, vermenging, verwarring, vrij geslachtelijk verkeer; Promiscuous, prəmiskjuəs, gemengd, verward, door elkander: They always came at promiscuous hours (= op alle uren v. d. dag), never at stated times (= gezette tijden); Promiscuous society = gemengd gezelschap; The two words may be used promiscuously = men mag die woorden voor elkander in de plaats zetten; subst. Promiscuousness.
Promise, promis, subst. belofte, verwachting; Promise verb. beloven, toezeggen: A promise is a promise = belofte maakt schuld; Breach of promise cases = gevallen van (huwelijks)beloftebreuk; Land of promise = land van belofte; You should not have made or recalled that promise = dat hadt gij niet moeten beloven of herroepen; He acted up to his promise = deed zooals hij beloofd had; He was very happy, I promise you = dat beloof ik je; To promise well = veel beloven; Promise-breaker = woord- of beloftebreker; To be in a promising state = veel beloven; Promissory, promisəri: A promissory note = promesse.
Promontory, prom’ntəri, voorgebergte, kaap.
Promote, prəmout, bevorderen, aankweeken, begunstigen, op touw zetten, oprichten, verwekken: To be promoted at school = verhoogd worden; Promoter = oprichter (vaak in ongunstigen zin); Promotion = bevordering, aanmoediging: He is on promotion = verwacht (staat op) bevordering; Promotive: To be promotive of a thing = iets bevorderen.
Prompt, prom(p)t, adj. gereed, vaardig, gevat, vlug, stipt: Prompt verb. aanzetten, aansporen, souffleeren, inblazen, vóórzeggen (in school): Eleven-thirty prompt = precies om half twaalf; Avarice prompted him to that mean action = deed hem bedrijven; Prompt-book = souffleursboek; Prompter = aanzetter, voorzegger, souffleur; Boxes P. S. (= Prompter’s-side) = loge aan de rechterzijde van het tooneel waar de souffleur staat (in Engeland staat hij achter eene coulisse); The promptings of nature = de ingevingen (stem) der natuur; Promptitude, promtitjûd, vaardigheid, vlugheid = Promptness; Promptuary, promtjuəri, magazijn van gereede goederen, bergplaats; Prompture = inblazing, het aanzetten.
Promulgate, prəmɐlgeit, openbaar maken, verkondigen: The secret was promulgated = bekend gemaakt; subst. Promulgation.
Prone, proun, naar voren of beneden gebogen, steil, gretig, geneigd, vooroverliggend: He lay prone before the emperor = in het stof gebogen; He is prone to mischief = geneigd, in staat; Proneness = helling, steilheid, neiging.
Prong, proŋ, scherp werktuig, tand van een vork; Prong verb. steken; Prongbuck, Pronghorn antelope = soort van Amerikaansche antilope; Pronged: A three-pronged fork = vork met drie tanden.
Pronominal, prənomin’l, voornaamwoordelijk; Pronoun, prounaun, voornaamwoord.
Prononcé, pronoŋsei, met kracht of klem.
Pronounce, prənauns, uitspreken, houden, verklaren of beslissen: Sentence of death was pronounced on the murderer = het doodvonnis werd uitgesproken over; He was pronounced to be a fool = hij werd voor dwaas verklaard; It is not easy to pronounce upon the subject = daaromtrent te beslissen; Pronounceable = wat uitgesproken kan worden; Pronouncement = uitdrukkelijke verklaring: A pronouncement on that question = eene beslissing omtrent die zaak; That pronouncement pulls me up = voor die uitspraak sta ik stil; Pronouncing dictionary = woordenboek met uitspraak.
Pronunciation, prənɐnšieiš’n, uitspraak, voordracht; Pronunciative, prənɐnšieitiv, tot de uitspraak behoorende, dogmatisch.
Proof, prûf, bewijs, proef, drukproef, overtuigend bewijs, vastheid, kracht, ondoordringbaarheid; adj. ondoordringbaar, beproefd, bestand, van zeker alcoholgehalte: Clean proof = revisie; First proof = (eerste) proef; Burden of proof = bewijslast; A lot of proof = een hoop proeven; I read it in the proof = las de proeven; What can you adduce in proof of your assertion? = tot bewijs van; We shall put it to the proof = op de proef stellen; The proof of the pudding is in the eating = ondervinding is het beste bewijs; A proof overcoat = waterdichte overjas; He is proof against temptation = tegen de verleiding bestand; Cholera-proof; The safe proved to be fire-proof = bleek tegen het vuur bestand te zijn; Proof-reader = corrector; Proof-sheet = drukproef; Proofless = onbewezen.
Prop, prop, subst. steun, stut, pen (van gloeikousje); Prop verb. stutten, schragen.
Propaedeutic, proupədjûtik, propaedeutisch; Props = propaedeuse.
Propagable, propəgəb’l, wat voortgeplant, bevorderd of verspreid kan worden.
Propaganda, propəgandə, propaganda: College of the Propaganda = Propaganda-College te Rome; To make propaganda for; Propagandism = verspreiding van leerstellingen; Propagandist = propagandist.
Propagate, propəgeit, (zich) voortplanten, verspreiden, verbreiden; Propagation = voortplanting, verspreiding, verbreiding; Propagator; adj. Propagatory.
Propel, prəpel, voortdrijven: Propelling force = drijfkracht; Propellent = voortstuwend; Propeller = drijver, voortstuwer, schroef (= Screw-propeller); Propeller shaft = schroefas.
Propense, prəpens, geneigd; Propenseness, prəpensnəs, Propensity, prəpensiti, geneigdheid, natuurlijke neiging.
Proper, propə, gepast, geschikt, eigen(aardig), behoorlijk, betamelijk, fatsoenlijk: Proper name (Proper noun) = eigennaam; What’s your proper name? = eigen naam; That is the proper thing = dat is “je ware”; The thing proper = de eigenlijke zaak; A word used in its proper sense = eigenlijke beteekenis; All in its proper time = op zijn tijd; It is not proper for you to do so = het past u niet; To think proper = goed vinden; Properness = gepastheid; Property = eigenschap, hoedanigheid, eigendom (Properties = requisieten): Funded property, Landed property = kapitaal-vermogen, landbezit of grondeigendom; Movable, Personal property = roerend goed; Real property = onroerend goed; Property-letter = tooneelbrief; Property-master = requisiteur; Property-room; Property-tax = vermogensbelasting.
Prophecy, profəsi, voorzegging, voorspelling; Prophesier, profəsaiə, profeet; Prophesy, profəsai, voorzeggen, voorspellen; Prophet, profət, profeet: A prophet has no honour in his own country = een profeet is niet geëerd in zijn land; Prophetess, profətəs, profetes; Prophetic(al), prəfetik’(l), profetisch.
Prophylactic, pro(u)filaktik, subst. en adj. voorbehoedend (middel) tegen ziekte; Prophylaxis = prophylaxe.
Propinquity, prəpiŋkwiti, nabijheid, nauwe verwantschap.
Propitiate, prəpišieit, gunstig stemmen, bevredigen, verzoenen; Propitiation = verzoening; Propitiator = verzoener; Propitiatory = verzoenend, zoen...: Propitiatory sacrifice = zoenoffer; Propitious, prəpišəs, gunstig, genadig, vergevend; subst. Propitiousness.
Propolis, propəlis, maagdenwas.
Propontic, prəpontik, Zee v. Marmora.
Proportion, prəpöš’n, subst. evenredigheid, verhouding, regel van drieën (= Rule of proportion); Proportion verb. toebedeelen, evenredig maken, regelen: In proportion as you work so you will be rewarded = naar de mate dat; In proportion to = met betrekking tot; That is out of all proportion to the want = geheel onevenredig aan; They bear no proportion to one another = staan in geen verhouding tot, houden geen verband met; The work ought to be proportioned to his strength = moet in overeenstemming zijn met; Proportionable = evenredig = Proportional; dit ook subst. = evenredige hoeveelheid: Proportional representation = evenredige vertegenwoordiging; Mean proportional = de middenevenredige; Proportionality = evenredigheid;—verb. (prəpöšəneit) evenredig maken: Proportionate (prəpöšənit), adj. evenredig; subst. Proportionateness.
Proposal, prəpouz’l, voorstel, aanbod: Proposal of marriage, of peace; Proposal book = register waarin de “voorgehangen” leden van een club worden ingeschreven; I make this proposal but once = doe dit voorstel.
Propose, prəpouz, voorstellen, aanbieden, van plan zijn (to oneself), stellen (van candidaten): He has actually proposed for her = (haar vader of voogd) om hare hand gevraagd (Vergel. Proposeed to her = haarzelf om hare hand gevraagd); Man proposees, but God disposes = de mensch wikt, God beschikt; It is proposed to provision the fortress = het plan bestaat; I propose to go (going) there = ben van plan; To propose a toast; Proposer; Proposition, propəziš’n, voorstel, aanbod, verklaring, probleem, vergelijking; adj. Propositional.
Propound, prəpaund, voorstellen, onderwerpen of voorleggen (v. eene vraag): That question was propounded to the meeting = werd voorgelegd; Propounder.
Proprietary, prəpraiətəri = eigendoms...; subst. eigendomsrecht; Proprietaries = eigendommen, bezitters; Proprietor, prəpraiətə, eigenaar, deelnemer: Proprietorship = eigendomsrecht; vr. Proprietress, Proprietrix, prəpraiətriks.
Proprietous, prəpraiətəs, “netjes”, zooals het hoort: I am stifled at the thought of this pretty girl being guarded by those proprietous dragons of aunts = die stijve draken van tantes; Propriety, prəpraiəti, juistheid, gepastheid, welvoegelijkheid: This fellow sets all propriety at defiance = handelt tegen alle regelen der welvoegelijkheid in.
Props, props, verk. van Properties.
Propulsion, prəpɐlš’n, voortstuwing; Propulsive, Propulsory = voortdrijvend, stuwend.
Propylaeum, propilîəm, proupailîəm.
Pro rata, prou reitə, evenredig; Pro-ratable, naar rato of verhouding te verdeelen (Am.).
Prorogation, prourəgeiš’n, verdaging; Prorogue, prəroug, uitstellen, verdagen, sluiten van de zittingen der wetgevende macht: The Second Chamber was prorogued by the Home Minister in the Queen’s name = de zitting van de 2de kamer werd in naam der Koningin door den Min. v. B. Z. gesloten.
Prosaic(al), prəzeiik(’l), prozaïsch, alledaagsch; Prosaist, prouzə-ist, prozaschrijver, nuchter persoon.
Proscenium, prəsînj’m: Proscenium box = loge avant scène.
Proscribe, proskraib, verbannen, verwerpen, verbieden, veroordeelen, buiten de wet plaatsen; Proscriber; Proscription = verbanning, verbod; Proscriptive = verbannend, tyranniek.
Prose, prouz, subst. proza; adj. prozaïsch, vervelend; Prose verb. vervelend schrijven of verhalen: This writer never preaches nor proses = moraliseert of verveelt nooit; The poet’s way of handling his materials is different from the proseman’s = die van een prozaschrijver; Prose-writer = prozaschrijver; He is a proser = vervelend spreker of schrijver.
Prosect, prəsekt, lijken ontleden; Prosector = prosector.
Prosecute, prosəkjût, vervolgen, voortzetten: To prosecute a war, one’s studies; Trespassers will be prosecuted = overtreders worden volgens de wet vervolgd; Prosecution, prosəkjûš’n, vervolging, voortzetting; Prosecutor, prosəkjûtə, voortzetter, vervolger: The Public Prosecutor = Off. van Justitie = Counsel for the Prosecution = ambtenaar van het Openb. Ministerie; vr. Prosecutrix.
Proselyte, prosəlait, subst. bekeerling, proseliet; Proselyte verb. bekeerlingen maken = Proselytism, prosəlitizm, proselietenmakerij; Proselytize, prosəl(a)itaiz.
Proserpine, prosəpin, Proserpina.
Prosiness, prouzinəs, nuchterheid, vervelendheid.
Pro-slavery, prousleivəri, de slavernij voorstaand (Amer.).
Prosodian, prəsoudj’n, een in de prosodie bedrevene; Prosodical, prəsodik’l, overeenkomstig de wetten der prosodie; Prosody, prosədi, prosodie.
Prospect, prospəkt, verschiet, uitzicht, aanblik, hoop, verwachting: Golden prospects; In prospect = in ’t vooruitzicht; Prospect-glass = verrekijker.
Prospect, prəspekt, onderzoeken van land met het oog op geschiktheid van ligging of vooral om te zien of het edele metalen bevat; Prospective = vooruitziende, waarschijnlijk, aanstaande: His Prospective father-in-law = zijn schoonvader in spe; Prospective glass = verrekijker; Prospector = mijnonderzoeker, speculant; Prospectus, prəspektəs, prospectus, programma.
Prosper, prospə, bloeien, gelukken, begunstigen: God Prosper you = zegene u; Prosperity, prosperiti, voorspoed, welvaart, geluk; Prosperous = voorspoedig, welvarend, gunstig, gelukkig; subst. Prosperousness.
Pross, pros, gebabbel, enthousiastisch liefhebber van het tooneel; Pross verb. afbedelen, zich laten trakteeren.
Prosthesis, pros-thəsis, prothesis.
Prostitute, prostitjût, subst. prostituée, huurling; Prostitute verb. (zich) prostitueeren: He prostituted his honour = gooide te grabbel; Prostitution = prostitutie; Prostitutor = die zichzelf of een ander aan ontucht prijs geeft.
Prostrate, prostrit, adj. neergebogen, in ’t stof gebogen, ootmoedig, verzwakt, slap: To fall prostrate = een voetval doen; To lie prostrate = geknield; Prostrate verb. (prostreit), nederwerpen, ter aarde werpen, geheel vernielen, verzwakken: To Prostrate oneself = zich ootmoedig buigen; Prostration = ternederwerping, diepe vernedering, ootmoedige aanbidding, groote zwakte.
Prostyle, proustail, zuileningang.
Prosy, prouzi, prozaïsch, vervelend.
Protagonist, prətagənist, leider, toonaangever; voornaamste speler in een Grieksch drama.
Protasis, protəsis, protasis.
Protean, proutiən, prətîən, als Proteus, licht van gedaante veranderend.
Protect, prətekt, beschermen, honoreeren: Protect me from (against) mine enemies = behoed mij voor mijne vijanden; Protectingness: The mother threw her arm round the child with a tender protectingness = beschermende teederheid; Protection = bescherming, middel, vrijgeleide, paspoort, protectie, beschermend recht, honoreering: To find (meet with) due protection = behoorlijk gehonoreerd worden (v. een wissel); Protection paper = vrijstelling, die men den Press-gang toonde; Protectionism = protectionisme; Protectionist, subst. protectionist; adj. protectionistisch: Protective = beschermend middel; adj. beschermend: Protective deck = pantserdek; Protective duties, taxes = beschermende rechten; Protective system; Protector = beschermer, protector; Protectorate = protectoraat, protectorschap = Protectorship; Protectory = opvoedingsgesticht voor verwaarloosde kinderen (Amer.); Protectress of Protectrix = beschermster, beschermvrouw.
Protégé, Fr. uitspr., beschermeling.
Protein, proutiin, proteïne: Protein-body = eiwitlichaampje.
Protest, proutəst, plechtige verklaring, protest: He entered a protest against = teekende protest aan tegen; To levy (make, order) protest = protesteeren; To be returned under protest = teruggezonden worden onder protest.
Protest, prətest, plechtig verklaren of bevestigen, betuigen, protesteeren: I had (got) the bill of exchange protested = liet protesteeren; Protestant, protəst’nt, subst. protestant; adj. protestantsch, protesteerend; Protestantism = protestantisme; Protestation, protəsteiš’n, plechtige verklaring, betuiging of verzekering; Protester = die protest aanteekent, betuiger.
Proteus, proutiəs, proutjûs, Proteus, wispelturig persoon.
Prothalamion, Prothalamium, prouthəleimj’n, prouthəleimj’m, lied ter eere van het bruidspaar.
Prothonotary, prəthonətəri, eerste griffier in Amer. gerechtshoven; protonotarius, pauselijk geheimschrijver.
Protocol, proutəkol, protocol; Protocol verb. een protocol opmaken: To draw up a protocol; Protocolist = griffier; Protocol verb. Protocolize.
Protogenic, proutədženik, primair (Geol.).
Protomartyr, proutəmâtə, eerste martelaar.
Protoplasm, proutəplazm, protoplasma; adj. Protoplasm(at)ic.
Prototype, proutətaip, oorspronkelijk type, model.
Protozoa, proutəzouə, laagst georganiseerde dieren: Protozoan, subst. en adj.
Protract, prətrakt, uitstellen, rekken, verlengen: A protracted struggle = langdurige worsteling; Protracter; Protractile, prətraktil, rekbaar; Protraction = rekking, vertraging; Protractor = transporteur, graadboog.
Protrude, prətrûd, uitsteken, overhangen: Something protruded from his robe which proved to be a claw = er stak iets uit zijn mantel; Protrusion = uitsteking; Protrusive: Protrusive motion = stootende beweging.
Protuberance, prətjûbər’ns, uitwas, knobbel, gezwel; Protuberant = uitstekend, uitpuilend, gezwollen; subst. Protuberation.
Proud, praud, trotsch, hoovaardig, aanmatigend, fier; blij (Amer.): To be proud of = trotsch zijn op; It does him proud = het doet hem eer aan; As proud as Lucifer = zoo trotsch als eene pauw; Proud flesh = wild vleesch (bij wonden); Proud-hearted; Proud-minded; Proud-spirited = met trotschen, fieren geest, hooghartig; Proudish = ietwat trotsch.
Provable, prûvəb’l, bewijsbaar; subst. Provableness; Prove, prûv, bewijzen, beproeven, ondervinden, aantoonen, de proef maken op, blijken te zijn: To prove false (true) = niet waar (waar) blijken; I have proved him to be a mean fellow = ik heb bewezen; The bill was proved = geverifieerd; Not proven = niet bewezen (formule waarmee in Schotland de jury een beschuldigde vrijspreekt); Prover.
Provender, prov’ndə, droog voeder (hooi, haver, koren): He is provender-pricked = de broodkruimels steken hem.
Proverb, provəb, subst. spreekwoord, voorwerp van spot (The Proverbs = Spreuken Salomo’s); Proverb verb. van een spreekwoord voorzien: To be a proverb = spreekwoordelijk berucht zijn; Proverbial, prəvɐ̂bj’l, spreekwoordelijk: To be proverbial for; Proverbialism = spreekwoordelijke uitdrukking; Proverbialist = maker en verzamelaar van spreekwoorden.
Provide, prəvaid, voorzien van, verschaffen, zorgen, maatregelen nemen: You must provide your own supper = zorgen voor; The law provides that = de wet bepaalt, dat; We must provide against it = daar moeten wij maatregelen tegen nemen; You have nobody to provide for = waar ge voor zorgen kunt (moet); You have to provide for nobody = voor niemand te zorgen; Are you provided for? = is er voor u gezorgd; hebt gij genoeg: The poor were provided with the necessaries of life = werden voorzien van; Provided = mits, onder voorwaarde: Provided schools = lagere gemeentescholen; Non provided schools = lagere scholen, die medebestuurd worden door het een of ander godsdienstig genootschap; Providence, providens, de Voorzienigheid, spaarzaamheid, voorzorg, voorzichtigheid: Providence protects children and drunken men; Under providence = D. V. = Deo Volente = als het God behaagt; Provident = voorzichtig, zorgend, zorgzaam: Provident bank = spaarkas; adj. Providential: God’s providential care; Provider = verzorger, verschaffer.
Province, provins, provincie, wingewest, kerspel, gebied, vak, sfeer: Arithmetic is not my province = mijn vak (en “fort”) niet; That is within my province = behoort tot mijn departement, daar moet ik voor zorgen; Provinces: This gentleman is from the provinces = meneer komt “van buiten”; Provincial, prəvinš’l, gewestelijk, boersch, onbeschaafd; subst. provinciaal; Provincialism = gewestelijke spreekwijze of spreektrant; Provinciality = provincialisme, bekrompenheid.
Provision, prəviž’n, subst. voorraad, voorziening, voorzorg, voorbereidende maatregel, dekking, remise, bepaling; (Provisions = mondvoorraad, eetwaren); Provision verb. van levensmiddelen voorzien (a town, etc.): The provisions of this law = de bepalingen; To make provision against = maatregelen nemen.
Provisional, prəvižən’l, voorloopig: A provisional measure = voorloopige maatregel; Proviso, prəvaizou, voorbehoud, beding, bepaling: With (a) proviso = onder voorwaarde; Provisor, prəvaizə, geestelijke tot een ambt benoemd vóór de houder dood is; de schat- of hofmeester van een klooster, etc.; provisor; Provisory = voorwaardelijk, voorloopig.
Provocation, provəkeiš’n, prikkel, terging, tarting, beleediging; Provocative, prəvo(u)kətiv, tergend, prikkelend, boos makend; ook subst.; Provocativeness; Provoke, prəvouk, tergen, aanzetten, verbitteren: Those words provoked my anger = maakten mijn toorn gaande; Provoker; Provoking words = tartende woorden.
Provost, provəst, opziener, hoofd, proost van eene cathedraal, voornaamste magistraat in Schotsche gemeenten; provoost (prouvəst, prouvou, prəvou): Lord Provost = titel van de burgemeesters van Edinburgh, Glasgow, Aberdeen, Dundee en Perth; Provost-marshal, prəvoumâš’l = kapitein-geweldiger; Provost-sergeant = provoost-geweldiger; Provostship.
Prow, prau, voorsteven, boeg.
Prowess, prauəs, moed, dapperheid.
Prowl, praul, subst. sluipen, rondzwerven en loeren; Prowl verb. sluipend rondzwerven: To be on the prowl = de “baan” op zijn; Prowler.
Proximate, proksimit, naast, onmiddellijk: Proximate cause = naaste, onmiddellijke oorzaak; Proximity, proksimiti, onmiddellijke nabijheid, nauwe verwantschap; Proximo, proksimou, de aanstaande maand: The 7th proxo = de 7e van de volgende maand.
Proxy, proksi, volmacht, gevolmachtigde: To give proxy = procuratie geven; She married by proxy = met den handschoen, bij volmacht (= Proxy-wedded); Proxyship.
Prude, prûd, preutsche vrouw.
Prudence, prûd’ns, voorzichtigheid, bedachtzaamheid; Prudent = voorzichtig, omzichtig, zuinig, spaarzaam; Prudential, prudenš’l, verstandig, beraden, wijs: Prudentials = voorzorgsmaatregelen.
Prudery, prûdəri, preutschheid.
Prud’homme, prudom, lid van een scheidsgerecht van werkgevers en arbeiders (in Frankrijk).
Prudish, prûdiš, preutsch, stijf.
Prune, prûn, subst. gedroogde pruim.
Prune, prûn, snoeien, besnoeien (fig.), glad, netjes maken; Pruner; Pruning-hook (-knife, -shears) = snoeihaak (mes, schaar).
Prunella, prunelə, zachte, donker-wollen stof; soort van gedroogde pruim = Prunello.
Prurience, Pruriency, prûriəns(i), jeuking, kitteling, heftig verlangen naar; Prurient, prûriənt, jeukend, vurig verlangend: Prurient details = pikante bijzonderheden.
Pruriginous, pruridžinɐs, jeukend, schurftig; Prurigo, pruraigou, jeukende huidziekte, schurft.
Prussia, prɐšə, Pruisen; Prussian, subst. Pruis; adj. Pruisisch: Prussian blue = Berlijnsch blauw; Prussic, prɐsik, prûsik: Prussic acid = Pruisisch zuur.
Pry, prai, gluren, onderzoekend kijken: He is a Paul Pry = hij is een nieuwsgierige bemoeial = A prying fellow.
Psalm, sâm, psalm: The (Book of) Psalms = de Psalmen; Psalmist, sâmist, salmist, psalmdichter: The Psalmist = David; Psalmodist, sâmədist, salmədist, psalmdichter, psalmzanger; Psalmody, sâmədi, salmədi, psalmgezang, boek met psalmen; Psalter, sôltə, psalter, psalmboek; Psaltery, sôltəri, psalter, oud Joodsch snaarinstrument.
Pseudo, siûdou, valsch (vooral in samenst.); Pseudonym, siûdənim, aangenomen naam; Pseudonymous, siudonimɐs, pseudoniem; Pseudonymuncle, siûdənimɐŋk’l, (verachtelijk voor) iemand, die niet onder zijn waren naam schrijft.
Pshaw, (p)šô, bah! foei!
Psittacus, sitəkəs, jaco, aschgrauwe papegaai.
Psora, sôrə, schurft, adj. Psoric, ook middel tegen schurft.
Psyche, saikî, psyche, de ziel; Psychiatric(al), saikiatrik(’l), psychiatrisch; Psychiatry, saikaiətri, psychiatrie; Psychic(al), saikik(’l), zielkundig, spiritistisch; Psychics, saikiks, psychologie; Psychologic(al), saikəlodžik(’l), psychologisch; Psychologist, saikolədžist, zielkundige; Psychology, saikolədži, zielkunde; Psychologize, saikolədžaiz, psychologische onderzoekingen doen; hypnotiseeren: She psychologized her uncle to the extent of opening his arms to her = zij bewerkte haar oom zóó, dat hij zijne armen voor haar opende.
Ptarmigan, tâmig’n, sneeuwhoen.
Pteridology, teridolədži, leer der varens.
Ptisan, t(a)iz’n, gerstewater.
Ptolemaic, toləmeiik, Ptolomeisch; Ptolemy, toləmi, Ptolemeus.
Pub, pɐb, gewone verk. voor Public-house.
Puberty, pjûbəti, huwbare leeftijd; Pubes, pjûbîs, schaamstreek, schaamheuvel; Pubescence, pjubes’ns, geslachtsrijpheid; zacht dons; Pubescent, pjubes’nt, van huwbaren leeftijd; donzig, zacht.
Public, pɐblik, subst. het algemeen, publiek, bierhuis; adj. openbaar, algemeen, bekend: The public at large, The general public = het groote publiek; The work was brought before the public in 1880 = werd uitgegeven; He did it in public = in het openbaar; Who introduced this work to the public? = heeft bij het publiek ingeleid; Public appointment = benoeming van rijkswege; At public charge, At the public cost = op rijkskosten; Public debt = staatsschuld; Public good = het nut van ’t algemeen; Public health department = gezondheidsraad; Public-house = herberg, bierhuis, kroeg; A public man = iemand die eene openbare betrekking bekleedt; algemeen bekend (Vergel.: A public woman = algemeen bekende); Public nursery = kinderbewaarplaats; Public opinion; Public-school = benaming van sommige oude Latijnsche scholen (Eton, Harrow, etc.) met internaat; volksschool (Am.); Public-servant = rijksambtenaar; Public-spirited = met een hart voor de algemeene belangen; Publican, pɐblik’n, tollenaar; herbergier, kroeghouder; Publication, pɐblikeiš’n, bekendmaking, afkondiging, uitgave: List of new publications; Publicist, pɐblisist, schrijver over staatkundige en staatsrechtelijke onderwerpen; Publicity, pəblisiti, openbaarheid, bekendheid; Publish, pɐbliš, bekend maken, uitroepen, uitgeven; Publisher = uitgever, bekendmaker: Publisher and Publishee = uitgever en schrijver; The publishing-business, Publishing-firm, Publishing-house = uitgeverszaak; Publishment = bekendmaking, huwelijksafkondiging.
Puce, pjûs, vlookleur.
Puck, pɐk, kabouter, elf, fee.
Pucker, pɐkə, rimpelen, plooien, samentrekken; subst. vouw, verwarring, verlegenheid, opgewondenheid, ergernis: She puckered up her mouth = trok te zamen; Puckery = vol vouwen, licht kreukend.
Pudding, pudiŋ, pudding, beuling, worst; darm, maag, lijf: But the pudding was richer than that = maar ’t was nog veel mooier; Pudding-faced = met vollemaansgezicht; Pudding-head = dikkop, domkop; Pudding-pie = vleeschpastei; Pudding-sleeve = wijde (pof)mouw van de toga; steek (iron.); Pudding-time = etenstijd; het juiste oogenblik: He came in pudding-time = hij kwam net van pas, viel met zijn neus in de boter.
Puddle, pɐd’l, subst. kleine modderpoel of plas, klei en zand gemengd; Puddle verb. bevuilen, modderig maken, waterdicht maken met puddle, poedelen (van ijzer); Puddly = modderig.
Pudenda, pjûdendə, schaamdeelen.
Pudgy, pɐdži. Zie Podgy.
Pudic, pjûdik, schaam - -; Pudicity = schaamte, kuischheid.
Pueblo, pueblou, stad, dorp.
Puerile, pjûər(a)il, kinderachtig, jongensachtig; subst. Puerileness = Puerility = kinderachtigheid, kinderleeftijd.
Puff, pɐf, subst. krachtige windruk, geblaas, trekje of haal, wat licht en poreus is, luchtig gebak, poeierkwast, reclame, holle en snoevende aanbeveling, gemalen klei; Puff verb. blazen of waaien met korte en krachtige stooten, opblazen, opzwellen, uitblazen, overdreven in de hoogte steken, verachtelijk snuiven: He puffed his cigar = trok aan; He puffed with anger = snoof van toorn; He was puffed with pride = hij was opgeblazen van hoogmoed; Puff-ball = stuifzwam; Puff-paste = feuilleté deeg; Puff-ridden = opgeblazen van trots; Puffer = snoever, bluffer, opjager (op verkoopingen); Puffiness, subst. v. Puffy = opgeblazen, bombastisch, verwaand.
Pug, pɐg, mopshond; leem; Pug verb. leem kneden, met leem opvullen: Pug-dog; Pug-mill = kneedmachine, mortelmolen; Pug-nose, mopneus.
Pugaree, pɐgəri, Puggery, pɐgəri, sluier van mousseline om hoed of helm gedragen in tropische gewesten.
Pugh, pû, bah! foei! loop!
Pughe, pjû.
Pugilism, pjûdžilizm, het vuistvechten; Pugilist = vuistvechter, bokser; Pugilistic, pjûdžilistik: Pugilistic encounter.
Pugnacious, pɐgneišəs, twistziek, strijdlustig; subst. Pugnaciousness = Pugnacity, pɐgnasiti.
Pugree, pɐgrî. Zie Pugaree.
Puisne, pjûni, jonger, van lageren rang; ook subst.
Puissance, pjûis’ns, macht, kracht; adj. Puissant; subst. Puissantness.
Puke, pjûk, subst. braakmiddel, braaksel; Puke verb. braken, iemand misselijk maken: Sounds of puking woe.
Pule, pjûl, piepen, blèren, janken: The children look wretchedly white and puled = zien er erg bleek en schraaltjes uit; Puler; Puling = gejank; adj. jankend, zwakjes.
Pulkha, pɐlkə, slede der Laplanders.
Pull, pul, subst. ruk, teug, voordeel, invloed (Am.); Pull verb. trekken, rukken, plukken, scheuren, inhouden (rensport), roeien: It’s a hard pull = een heele karwei; To have a pull at a glass = een teug nemen; To have a pull on = invloed hebben bij of op; Boot pulls = laarzentrekker; Will you pull the bell, please? = wil u wel eens bellen? He pulled the long bow = schoot met spek; He pulled a face = keek leelijk op zijn neus; To pull a leg = beetnemen, foppen; To pull proofs = proeven trekken; He can pull a string or two in the press = heeft veel invloed in de pers; The piece of cloth was pulled apart = in stukken gerukt of gescheurd; He pulled at the bell (cord) = trok aan; The old houses near the gate were pulled down = werden afgebroken; I will pull him down a little = ik zal hem klein krijgen; He pulled the man’s vengeance down on his head = haalde zich op den hals; Pulled-down = afgetobd; He pulled it off = redde het, sloeg er zich door, kreeg het gedaan, speelde het klaar; The shoes were pulled off my swollen feet = werden getrokken; He pulled on his stockings = trok aan; Never say die, man, I hope we shall pull you through = je er nog door zullen halen, redden; To pull together = één lijn trekken; I had taken a brandy-and-soda to pull me together = wat (weer) moed te geven; We pulled ourselves together = wij zetten ons beste beentje vóór, vermanden ons; The coachman pulled up before the house, at the door = hield stil; The things were pulled up = weggenomen; He was pulled up under the act as a vagabond = hij werd opgepakt en gedagvaard; We pulled him up for his insolence = maakten hem een standje; Pull up a brave heart = vat moed; Pull up = vooruit, huup, haal op! Pulled hen = ruiende, geplukte kip; Puller.
Pullet, pulət, kuiken; bakvischje (fig.).
Pulley, puli, katrol, talie: Fast pulley, Loose pulley = vaste, vrije katrol.
Pul(l)icat, pɐlikət, gekleurde en geruite zakdoek.
Pullman(-car), pulm’n(kâ), slaap- of salonrijtuig.
Pulmonary, pɐlmənəri, long...: Pulmonary complaint, consumption = longkwaal, longtering; Pulmonary inflammation = longontsteking; Pulmonic, pɐlmonik, subst. longlijder, longmiddel; adj. long...: Pulmonic circulation = kleine bloedsomloop.
Pulp, pɐlp, subst. weeke, vochtige massa, vleezig deel eener vrucht, pulp, merg; Pulp verb. tot pulp of weeke massa maken of worden, rijp maken of worden: I’ll beat you to a pulp = ik zal je tot mosterd slaan; Pulp-engine; Pulp-mill = pulpmolen; Pulpiness = pappigheid, etc.; Pulpous = pappig, week, zacht = Pulpy.
Pulpit, pulpit, kansel, katheder: The pulpit = de predikanten; The preacher is in the pulpit = op den stoel; The declaration was read from the pulpit = werd van den preekstoel afgelezen; Pulpit-cuffer (Pulpit-thumper) = hemeldragonder; Pulpit-orator = kanselredenaar.
Pulsate, pɐlseit, kloppen, slaan: Our hearts pulsate to the same ideals = kloppen voor; Pulsatile, pɐlsətil, kloppend, slag - -; Pulsation, pɐlseiš’n, klopping, hart- of aderslag, slingering; Pulsative, Pulsatory = kloppend; Pulse, pɐls, subst. pols(slag), trilling; peulvrucht; Pulse verb. kloppen: The patient has a low pulse = een zwakken pols; I shall try to feel his pulse = ik zal hem eens zien te polsen (fig.); My heart pulsed fiercely = klopte woest; My watch pulsed regularly = tikte; Pulse-rate = aantal polsslagen per minuut; Pulseless = zonder polsslag.
Pulteney, pɐltni, poultni.
Pulverization, pɐlvər(a)izeiš’n, subst. v. Pulverize, pɐlvəraiz, tot poeder malen of stooten, totaal vernietigen; tot stof vergaan; een zandbad nemen (vogels): The opponents were pulverized = werden totaal verslagen; Pulverous = poederachtig; Pulverulence = poederachtigheid; Pulverulent = poederachtig.
Puma, pjûmə, Amerik. puma.
Pumice, pɐmis, pjûmis, puimsteen (= Pumice-stone); Pumice verb. met puimsteen glad wrijven; Pumiceous, pjumišəs, puimsteenachtig.
Pummel, pɐm’l. Zie Pommel.
Pump, pɐmp, subst. pomp, dansschoen; Pump verb. (leeg)pompen, uithooren, oppompen: Lift and force pump = zuig- en perspomp; The pump is dry = lens; The pump is foul = verstopt; To fetch the pump = water in een pomp gieten om haar aan den gang te krijgen; To stand under the pump = zich laten uithooren; We must try to pump him = hem zien uit te hooren; We pumped him dry = hebben hem geheel uitgehoord; Pump-barrel = pompcylinder; Pump-brake = pompzwengel; Pump-cistern = pompbak; Pump-dale = pompdaal (scheepst.); Pump-gear = pomptoestel; Pump-handle; Pump-room = drinkhal; Pump-spear = pompstang; A yard of pump-water = A flat board-like figure = zoo plat als een schol; Pumper = pomper, petroleumbron (Amer.), uithoorder, schandelijke nederlaag (rensport).
Pumpernickel, pɐmpənikəl, pompernikkel.
Pumpkin, pɐmpkin, pompoen: To think pumpkins of oneself = een hoogen dunk van zichzelf hebben.
Pun, pɐn, subst. woordspeling; Pun verb. woordspelingen maken; Punster = die gaarne woordspelingen maakt of ze goed kan maken.
Punch, pɐnš, subst. priem, drevel, slag, stoot, korte en dikke kerel; klein, sterk paard, punch, hansworst; adj. kort en dik; Punch verb. priemen, doorslaan, ponsen, knippen, slaan, stompen: Punch and Judy = Jan en Trijn; Punch and Judy show = poppenkast; As pleased as Punch = dolblij, jolig; As proud as Punch = zoo trotsch als Jan Klaassen; Punch-bowl = punchkom; To Punch tickets = kaartjes knippen; Puncher; Punchy = kort en dik.
Puncheon, pɐnš’n, stift, priem, zekere vochtmaat (84 gallons), ruw bekapte plank (Amer.).
Punctate(d), pɐŋktit(id), gepunt, gestippeld; subst. Punctation; Punctiform = als een punt.
Punctilio, pɐŋktiljou, overdreven vormelijkheid of nauwgezetheid: He stands upon punctilios = hij is overdreven precies; Punctilious = overdreven vormelijk of nauwgezet; subst. Punctiliousness.
Punctual, pɐŋktjuəl, precies op tijd (Punctual to the hour); Punctuality, pɐŋktjualiti, stiptheid = Punctualness.
Punctuate, pɐŋktjueit, punctueeren, leesteekens plaatsen, door gebaren kracht bijzetten: A deep sigh punctuated her remark; subst. Punctuation; Punctuative = tot de punctuatie behoorende; Punctum = punt.
Puncture, pɐŋktjə, subst. prik, gaatje; Puncture verb. prikken.
Pundit, pɐndit, geleerde Bramin, geleerde (ironisch).
Pung, pɐŋ, slede voor goederenvervoer (Amer.).
Pungency, pɐnž’nsi, scherpheid; wrangheid, bitterheid; adj. Pungent.
Punic, pjûnik, Punisch, Carthaagsch, verraderlijk, trouweloos: Punic faith = trouweloosheid.
Puniness, pjûninəs, subst. v. Puny.
Punish, pɐniš, straffen, kastijden, pijn doen, toetakelen, geducht aanspreken (v. een flesch): The big pugilist was severely punished = verschrikkelijk toegetakeld; Punishable = strafbaar; subst. Punishableness; Punishment = straf(fe), boete: On punishment of death = op straffe des doods; He took punishment very well = hij droeg alle straf geduldig: Punitive, pjûnitiv, straf ...: A punitive detachment, expedition.
Punjab, pɐndžâb.
Punka(h), pɐnkə, waaier, ook kamerwaaier door een bediende in beweging gehouden (Brit. Ind.).
Punster. Zie Pun.
Punt, pɐnt, subst. platboomde boot of schuit, schouw; Punt verb. basset, ombre of faro spelen tegen den gever; voortduwen, boomen, wegstooten, in een punt op jacht gaan; Punt-gun = geweer voor de eendenjacht; Puntsman = eendenjager; Punter = pointeur, speculant; iemand die boomt.
Puny, pjûni, klein, onvolkomen ontwikkeld, zwak.
Pup, pɐp, subst. jonge hond: Pup verb. jongen werpen: To be in pup = drachtig zijn.
Pupa, pjûpə, pop; adj. Pupal: Pupal state; Pupate = zich verpoppen; subst. Pupation.
Pupil, pjûpil, leerling, minderjarige, oogappel; adj. onmondig: Pupil-teacher = kweekeling; Pupilage = minderjarigheid leertijd; Pupillary = oogappel..., minderjarig...
Puppet, pɐpət, pop, marionet, werktuig; Puppet-man = marionettenspeler; Puppet-play, Puppet-show = marionettenspel; Puppetry = affectatie.
Puppy, pɐpi, jong, jonge hond; lafbek, kwast; Puppy verb. jongen werpen; Puppy-dog = jonge hond; Puppy-headed = kinderachtig, onnoozel; Puppyism = kwasterigheid.
Purblind, pɐ̂blaind, bijziende, slecht van gezicht; kortzichtig; subst. Purblindness.
Purchase, pɐ̂tšis, subst. verkrijging, koop, het gekochte, hefboom en hefboomseffect; Purchase verb. verkrijgen, koopen, aankoopen, opheffen door middel van hefboom: It is mine by purchase = door aankoop; On the easy purchase system = met gemakkelijke afbetaling; I could not get any purchase for my feet = mijne voeten nergens tegen aanzetten; In that posture you have a better purchase over your instrument = hebt ge het instrument beter in uwe macht; To make purchases = inkoopen doen; We have purchased him out = wij hebben hem uitgekocht; I have purchased it with my own money = voor eigen geld gekocht; Purchase-money = kooppenningen; Purchaser = kooper, afnemer.
Purdah, pɐ̂da, gordijn, scherm (Brit. Ind.).
Pure, pjûə, zuiver, rein, kuisch, echt, onvermengd: It is a newspaper article pure and simple = het is niets anders dan een courantartikel; subst. Pureness.
Purgation, pɐ̂geiš’n, zuivering, purgatie; Purgative, pɐ̂gətiv, purgeerend, zuiverend; subst. purgeermiddel; Purgatorial, pɐ̂gətôriəl, tot het vagevuur behoorende; Purgatory, pɐ̂gətəri, subst. vagevuur; adj. zuiverend, reinigend.
Purge, pɐ̂dž, subst. purgeermiddel; Purge verb. zuiveren, reinigen, purgeeren; Purging = buikloop, purgatie.
Purification, pjûrifikeiš’n, zuivering, reiniging; Purificative, Purificative = reinigend, zuiverend = Purificatory, Purificatory; Purifier = zuiveraar, reiniger; Purify, pjûrifai, zuiveren, reinigen, louteren, klaren.
Purim, pjûrim, Purimfeest (der Joden).
Purism, pjûrizm, muggenzifterij, purisme; Purist = muggenzifter, taalzuiveraar; Puristic(al), pjuristik(’l), overdreven nauwkeurig, puristisch.
Puritan, pjûrit’n, subst. en adj. Puritein(sch); Puritanic(al) = Puriteinsch; Puritanism = leer of gewoonten der Puriteinen.
Purity, pjûriti, reinheid, kuischheid.
Purl, pɐ̂l, subst. geborduurde rand, cantille, lus (van een sloop), averechtsche breisteek; alsembier, heete gekruide jenever en bier; kabbeling, gemurmel; Purl verb. borduren; kabbelen, murmelen: He got purled = hij viel van het paard; Purler = val.
Purlieus, pɐ̂ljûz, omtrek, buurt.
Purloin, pɐ̂lôin, stelen, kapen, ontfutselen; Purloiner.
Purple, pɐ̂p’l, purper, purperen kleed of mantel, kardinaalschap, keizers- of koningsmacht; Purple verb. purperkleurig; worden of verven: Purple patches = mooie plaatsen of gedeelten; To be born in the purple = van vorstelijke geboorte; Purples = scharlakenkoorts; Purple-frosty = rood van koude; Purplish = purperachtig.
Purport, pɐ̂pöt, subst. beteekenis, inhoud, bedoeling; Purport verb. ook pɐ̂pöt, bedoelen, beteekenen, inhouden; Purportless.
Purpose, pɐ̂pəs, subst. bedoeling, doel, voornemen, plan, resultaat; Purpose verb. voornemens zijn, het plan hebben: For what purpose did you go there? = waartoe; You use this knife quite from the purpose for which I gave it you = voor geheel andere dingen dan waarvoor; It is wide of the purpose = heelemaal mis; He did it on purpose = hij deed het opzettelijk; That is not to the purpose, to no purpose = dat is niet ter zake dienende, te vergeefs; He remembered this conversation to some purpose, as appeared afterwards = uitstekend (ter dege) en met reden; He has hunted to good purpose = met succes; They struggled to small purpose = met weinig succes; That does not answer my purpose = dat kan me niet dienen; To suit a person’s purpose = in iemands kraam te pas komen; That man has a wonderful tenacity of purpose = wonderbaarlijke volharding; These persons fell in love with each other at cross purposes, for Alfred loves Alice, but Alice loves Herbert, and Herbert loves Kate, who is dying for Alfred = werden tegen het heil in op elkaar verliefd; He purposed to write the history of England = hij nam zich voor; Man purposes, and God disposes = de mensch wikt, en God beschikt; Purposeful = belangrijk, expres; Purposeless = zonder doel of resultaat.
Purr, pɐ̂, subst. het snorren of spinnen (van katten vooral); Purr verb. snorren, spinnen: The tobacco of his somewhat foul pipe began to purr.
Purse, pɐ̂s, subst. beurs, schatkist, middelen, som gelds; Purse verb. in de beurs steken, rimpelen, den mond samentrekken: He has an empty, a light purse = hij is arm, heeft geene middelen; He has a long purse, a heavy purse = hij is rijk; He has a well-lined purse = goed gespekte beurs; To bear the purse = baas zijn in zijn huis; His pursed out underlip hinted at decision of character = zijne vooruitgestoken onderlip; She pursed up her mouth (lips) = trok den mond (de lippen) samen; Purse-bearer = thesaurier; Purse-bearing animal = buideldier; Purse-cutter = zakkenroller; Purse-net = zaknet; Purse-pride = geldtrots; Purse-proud = trotsch op geld; Purse-strings: To keep a tight hand on the purse-strings = de hand op den zak houden, gierig zijn; To loosen one’s purse-strings = de hand in den zak steken, (ongaarne) geven; Purser = administrateur; Pursiness, subst. v. Pursy.
Purslain, Purslane, pɐ̂slin, postelein, portulak.
Pursuance, pɐ̂siûəns, vervolg, voortzetting: In pursuance of your favour = ingevolge uw geëerd schrijven; Pursuant, pɐ̂siûənt, overeenkomstig (to); Pursue, pɐ̂siû, vervolgen (met het doel om in te halen of te vangen), voortzetten, voortgaan: To pursue a fashion, a tale; He Pursued his headlong course = zette zijn doldriftigen loop voort; They pursue after riches = zij jagen rijkdommen na; Pursuer = vervolger, najager; Pursuit, pɐ̂siût, vervolging, jacht op; Pursuits = bezigheden, arbeid, studie: His pursuits are literary rather than commercial = hij houdt zich meer met letterkundigen arbeid dan met handelszaken bezig; We were in pursuit of the game = wij vervolgden het wild; The pursuit of knowledge = het najagen van kennis.
Pursuivant, pɐ̂swiv’nt, volgeling, wapenheraut (Pursuivant at arms).
Pursy, pɐ̂si, kort en dik, kortademig, opgeblazen.
Purulence, Purulency, pjûrulens(i), etterigheid; Purulent = etterig.
Purvey, pâvei, voorzien van, verschaffen, aanschaffen; Purveyance = het verschaffen van levensmiddelen, mondvoorraad, levensmiddelen; Purveyor = leverancier: Purveyor to the Queen = hofleverancier.
Purview, pâvjû, uitgestrektheid, grens, omvang, competentie.
Pus, pɐs, etter.
Puseyism, pjûziizm, de leerstellingen van de Oxford School; Puseyite, pjûziait = volgeling van Pusey, een der hoofdleiders van de Oxford Movement.
Push, puš, subst. duw, stoot, aanval, energie, volharding; Push verb. duwen, stooten, voortdrijven, vooruithelpen, (aan)dringen, aanvallen: At a push = in geval van nood; in één slag of stoot; He brought (put) things to the last push = hij dreef de zaken tot het uiterste; When it comes to the push = in het beslissende oogenblik; You must push good books = den verkoop of lectuur bevorderen; He pushed the comparison too far = zette te ver door; We pushed him hard = we legden hem het vuur na aan de schenen; He pushed a joke = tapte eene aardigheid; To push one’s way = vooruitdringen; Let us push at them = op hen aanrukken, hen aanvallen; He pushed himself forward = drong naar voren; To push off = opruimen, afzetten, afstooten; Push on = vooruit! haast u!; He pushed on his work = zette zijn werk krachtig en met spoed voort; To push up one’s eyebrows = optrekken; Push-button = knop van electr. bel; Push-cart = soort kinderwagen; To play at push-pin = prikken (kinderspel); Push-strokes are barred = billardeeren mag niet; Pushful, Pushing = energiek, ondernemend: A pushing fellow.
Pushto(o), puštu, Afghaan(sch).
Pusillanimity, pjûsilənimiti, lafhartig- of kleinmoedigheid; adj. Pusillanimous, pjûsilanimɐs; subst. Pusillanimousness.
Puss, pus, kat, haas: Have you read Puss-in-Boots? = “De gelaarsde Kat”; To play puss-in-the-corner = stuivertje wisselen; Puss-faced = met scherp, vooruitstekend gelaat; Pussy = poesje, katje, jonge haas.
Pustule, pɐstjûl, puistje, blaartje; Pustulous = vol puistjes.
Put, pɐt, subst. lomperd; worp; kaartspel; Put verb. het spelen op het putting green, i.e. in een omtrek van 20 yards van een der putting-holes, waarin bij het Golfspel de bal gedreven moet worden. Zie Putt; Putter = de kolf daarbij gebruikt.
Put, put, subst. zet, duw, drang, dwang; koop op termijn; Put verb. zetten, plaatsen, brengen, leggen, toepassen, uitdrukken, etc.: That is a put-off = eene uitvlucht; Put-on = streek; Let us put this case = dit geval stellen; They put their heads together = staken de hoofden bij elkaar; I do not know how to put it = hoe ik het zal zeggen of uitdrukken; To put a stop to = een einde maken aan; You may put and call these stocks = kunt deze effecten voor een bepaalden prijs verkoopen, koopen (Am.); I’ll put it mildly = zal mij zacht uitdrukken; I hope I don’t put you about = dat ik het u niet lastig maak; The ship was put about = werd gewend; I will put it at the lowest = zoo laag mogelijk stellen, het zoo zacht mogelijk uitdrukken; Put it back = zet het weer op zijne plaats; The watch was put back = werd achteruit gezet; The dinner was put back an hour = later gesteld; The thing was put beyond a doubt = buiten allen twijfel gesteld; He put by my remarks with indifference = ging voorbij, gaf er niets om, legde ze ter zijde; He had put by some money for unexpected events = weggelegd; I will put down his pride = hem zijn trots wel afleeren; What may I put you down for? = wat mag ik eens voor u opschrijven, voor hoeveel teekent u in? He put it down to jealousy = schreef het toe aan; They put it down as hare, but maybe it is a cat = op het menu noemen ze het haas; The losses are put down at 40 killed and 60 wounded = worden gesteld, geschat; A declaration was put forth = eene verklaring werd uitgevaardigd; He put forth his hand = stak uit; The trees are putting forth their leaves = komen in ’t blad; He put forth all his strength = ontwikkelde, spande in al zijne kracht; He put it in writing, in print = zette het op schrift, in druk; I am glad you put me in mind of it = dat ge er mij aan herinnerd hebt; I do not wish to put you in fear of him = u bang voor hem te maken; The ship put in, was put in = liep binnen, werd binnengeloodst; Allow me to put in a word = laat me ook een woord meespreken; He put in thus = hij sprak als volgt, merkte... op; He put in the lot at so much = zette in; The horses were put in (the carriage) = aangespannen; He put in a word for me = deed een goed woord voor mij; She has put herself gently into his life = heeft ongemerkt een plaats verkregen in; Never put off till to-morrow what you can do to-day = stel nooit uit; He put me off = scheepte mij af, stelde mij te leur; bracht mij in een kunstmatigen slaap (“maakte mij weg”); They put the horse off its food = deden het zijn eetlust verliezen; That put me off most = hinderde mij; To put on = aantrekken, opzetten, de schuld geven, aansporen: He did not offer to put me anything on = hij gaf mij geene gelegenheid met hem te wedden (bij wedstrijden); To put out of action, countenance = buiten gevecht stellen, verlegen maken; We can safely put this out of court = wij kunnen dit gerust buiten beschouwing laten; He put out his money at compound interest = zette het uit intrest op intrest; Their plans were put out = gedwarsboomd; I am not afraid of your putting him out = dat ge hem de loef afsteekt; He was fearfully put out on hearing this = verschrikkelijk ontstemd, boos; To put oneself out = zich moeite geven, zich uitsloven; To put out = verstuiken; They put out in their canoes = staken van wal; The actor was put out = was van streek, in de war; Are we to stand here till we put out? = tot we vastgroeien, wortel schieten; The boy was put out after 3 months = werd verhoogd; To put through = steken door, laten verrichten; It is a pleasure to put such a fellow through = klaar te maken (voor een examen); We have been hard put to it of late = hebben het hard te verantwoorden gehad; He was put to it = hij moest wel; He was sorely put to it = sterk in verzoeking gebracht; I put it to him = stelde hem die vraag, maakte hem erop attent; The criminal was put to the question = werd op de pijnbank gebracht; He hovers over the difficulty, but does not put his hand to it = hij fladdert er wat om heen, maar pakt niet aan; To put to = laten dekken (van dieren); To put to death = ter dood brengen; To put to great expenses = op groote kosten jagen; To put to hazard = op het spel zetten; To put to (any) inconvenience = het iemand lastig maken; To put to the oath = den eed afnemen; To put to pains = moeite veroorzaken; To put oneself to pains = zich moeite geven; To put to the sword = over de kling jagen; To put to rights = in orde brengen; The motion was put to the vote = in stemming gebracht; To put two and two together = alles bij elkaar nemen; alle omstandigheden in aanmerking nemen; Put up your sword = steek op; He put up for that place = hij stelde zich candidaat voor die betrekking; Shall we put up here, at this hotel? = onzen intrek nemen; To put up = als getuige laten optreden; To put up a hare = opjagen; Can you put me up for the night = logeeren? They were put up in church = hun huwelijk werd afgekondigd; The house was put up (for sale) = aangeslagen; Shall I put it up for you = inpakken, apart leggen? I have put you up to a good thing = iets goeds aan de hand gedaan; They put up the shutters = zetten de luiken er voor; She put up her lips to kiss him = stak uit, hield toe; That put my back up, put me up = maakte mij boos; You will have to put up with it = dat zult gij u moeten laten welgevallen; The Transvaal war is a put-up job, affair = doorgestoken kaart; He put a trick upon me = hij bakte mij eene poets; He is easily put upon = beetgenomen; Putter; Putter-on = aanstoker.
Putative, pjûtətiv, ondersteld, gewaand.
Putlog, pɐtlog, steigerpaal.
Putney, pɐtni.
Putredinous, pjutredinɐs, verrot, stinkend.
Putrefaction, pjûtrifakš’n, verrotting, het verrotte = Putrification, pjûtrifikeiš’n; Putrefactive = verrottend; Putrefy, pjûtrifai, (doen) verrotten of bederven; Putrescence, pjutres’ns, rotting; adj. Putrescent; Putrescible, pjutresib’l, licht verrottend; Putrid, pjûtrid, verrot; subst. Putridness = Putridity.
Putt, pɐt. Zie Put.
Puttee, pɐtî, een soort slobkous bestaande uit een om het been gewonden band of strook.
Puttock, pɐtək, wouw of koningswouw.
Putty, pɐti, subst. stopverf; tinasch; Putty verb. met stopverf bevestigen; Putty-knife.
Puzzle, pɐz’l, subst. verlegenheid, raadsel; Puzzle verb. verlegen maken, in de war brengen, verbijsteren: I am puzzled at it = ik ben er verlegen mee, weet er geen weg mee; It puzzles me = dat is me te geleerd; I have not been able to puzzle it out = heb het onmogelijk kunnen vinden of oplossen; Puzzle-headed = verward: He is a puzzle-headed fellow = een warkop; Puzzle-lock = letterslot; Puzzle-ring; Puzzledom = verwarde toestand = Puzzlement; Puzzler: That’s a puzzler for him = dat zal hem hoofdbreken kosten.
Pyaemia, paiîmjə, etterige bloedvergiftiging.
Pygmean, pigmîən, dwergachtig; Pygmy, pigmi, subst. pigmee, dwerg; ook adj.
Pyjamas, p(a)idžâməz, een soort zijden of flanellen slaapbroek (of kostuum).
Pyramid, pirəmid, piramide; Pyramids = zeker biljartspel; Pyramidal, piramid’l = Pyramidic(al), pirəmidik(’l), als eene piramide, piramidaal.
Pyramus, pirəmɐs.
Pyre, paiə, brandstapel.
Pyrenean, pirənîən, Pyreneesch; Pyrenees, pirənîz, pirənîz, de Pyreneeën.
Pyretic, p(a)iretik, koortsig, koorts...; middel tegen koorts; Pyrexia, p(a)irekšə, koorts(achtigheid).
Pyriform, piriföm, peervormig.
Pyrites, piraitîz, pyriet, zwavelkies.
Pyro, p(a)irou, (in samenst.), warmte..., vuur...; Pyrolatry, p(a)irolətri, vuuraanbidding; Pyrology, p(a)irolədži, leer der warmte; Pyromania, p(a)irəmeinjə, pyromanie, d.i. manie tot brandstichting; Pyrometer, p(a)iromətə, hittemeter; Pyroscope, p(a)irəskoup, pyroscoop; Pyrosis, p(a)irousis, zuur, branding in de maag; Pyrotechnic, p(a)irəteknik, tot vuurwerk of het maken ervan behoorende; Pyrotechnics, Pyrotechny = vuurwerkmakerskunst; Pyrotechnist = vuurwerkmaker.
Pyrrhic, pirik: Pyrrhic victory = te duur gekochte.
Pyrrho, pirou; Pyrrhonism, pirənizm, twijfelzucht; Pyrrhonist = scepticus.
Pyrrhus, pirəs.
Pythagoras, pithagəras, Pythagoras; Pythagorean, pithagərîən, subst. en adj. (volgeling) van Pythagoras: Pythagorean proposition (theorem).
Pythia, pithiə; Pythian, pithiən, van Delphi of Apollo; Pythia games = vierjaarlijksche volksspelen bij Delphi.
Python, paithon, Python; Pythoness = Pythia, waarzegster; Pythonic, p(a)ithonik, profetisch; Pythonism = voorspelling.
Pyx, piks, monstrans; kist waarin de standaard muntstukken worden bewaard aan de Engelsche Munt; Pyx verb. munten keuren op hun gewicht: The Trial of the Pyx = het officieele keuren aan de Munt.
Q.
Q. kjû; Q. = question; Q(ueen’s) B(ench); Q(ueen’s) C(ounsel of College); Q(uod) E(st) = dat is; Q(uod) E(rat) D(emonstrandum) = wat bewezen moest worden; Q(uod) E(rat) F(aciendum) = wat gedaan moest worden; Q(uantum) l(ibet) = zooveel gij verkiest; Q(uarter) M(aster) G(eneral); Qr = quarterly of quire; Q(uarter) S(essions); Qt. = quart; On the strict Q. T. = Quiet = ‘stiekem’; Qu. = queen, query, question; Quart(erly); Qy. = query.
Qua, kwei, kwâ, als: I speak qua a private person.
Quack, kwak, subst. gekwaak, kwakzalver, grootspreker; adj. kwakzalverachtig; Quack verb. kwaken, bluffen, kwakzalveren; Quack medicine, nostrum = kwalkzalversmiddel; Quacksalver, kwaksalvə, kwakzalver; Quackery = blufferigheid, kwakzalverij, bedrog; Quackish = kwakzalverachtig.
Quad, kwod, verk. voor Quadrangle of Quadruple(t).
Quadragesima, kwodrədžesimə, veertigdaagsche vasten vóór Paschen: Quadragesima-Sunday = eerste Zondag van de vasten; Quadragesimal = tot den vastentijd behoorende; Quadragesimals = offeranden vroeger aan de moederkerk gebracht op den middenzondag in vasten.
Quadrangle, kwodraŋg’l, vierkant (binnen)plein door gebouwen omringd, vierkant; Quadrangular, kwodraŋgjulə, vierhoekig, vierzijdig.
Quadrant, kwodr’nt, vierde deel (van een cirkel), boog van 90 graden, hoekmeter: Quadrant of altitude = instrument op eene globe om hoogten te meten; Quadrantal, kwodrant’l, kwodrəntəl, tot een quadrant behoorende.
Quadrate, kwodrit, subst. vierkant; adj. vierkant, kwadraat; Quadrate verb. (kwodreit) overeenbrengen, overeenstemmen; Quadratic, kwodratik, subst. vierkantsvergelijking; adj. tot een vierkant behoorende: Quadratic equation = vierkantsvergelijking: Quadratics = het deel der algebra dat over vierkantsvergelijkingen handelt; Quadrature, kwodrətjə: Problem of the quadrature of the circle.
Quadrennial, kwodreniəl, vierjarig, vierjaarlijksch; Quadrennium = 4-jarige periode.
Quadricapsular, kwodrikapsiulə, met vier kapsels.
Quadricorn, kwodrikön, met vier (voel)horens; adj. Quadricornous, kwodrikönəs.
Quadricycle, kwodrisaik’l, (motor)rijwiel voor 4 personen.
Quadriga, kwodraigə, (Romeinsche) wagen op twee wielen met vier paarden naast elkander.
Quadrilateral, kwodrilatər’l, subst. en adj. vierzijdig(e figuur).
Quadrille, kədril, kwodril, quadrille.
Quadrillion, kwodrilj’n, 1. met 24 nullen er achter; in Amer. 1. met 15 nullen.
Quadrivalvular, kwodrivalvjulə, vierkleppig.
Quadroon, kwodrûn, afstammeling van een creool en terceroonsche vrouw.
Quadrumana, kwodrûmənə, de vierhandigen; Quadrumanous = vierhandig.
Quadruped, kwodruped, subst. en adj. viervoetig (dier).
Quadruple, kwodrup’l, subst. en adj. viervoudig(e hoeveelheid); Quadruple verb. verviervoudigen: Quadruple births = vierling(geboorten); Quadruplet, kwodruplet = (motor)rijwiel voor 4 personen; vierling.
Quadruplicate, kwodrûplikit, adj. viervoudig; Quadruplicate verb. kwodrûplikeit, verviervoudigen; subst. Quadruplication.
Quaestor, kwîstə, kwestə, thesaurier; Quaestor-ship.
Quaff, kwâf, subst. groote teug: Quaff verb. inzwelgen, veel drinken: To quaff off = in één teug uitdrinken; Quaffer.
Quag, kwag, moeras; Quaggy = moerassig, meegevend (van grond); Quagmire = moeras, drassige bodem, poel.
Quagga, kwagə, quagga.
Quail, kweil, subst. kwartel: Quail-call (Quail-pipe) = fluitje om wachtels te lokken.
Quail, kweil, den moed verliezen, sidderen; doen sidderen: The boy quailed beneath your glance = sidderde voor uw blik.
Quaint, kweint, adj. raar, zonderling, dwaas, grillig, vergezocht: A quaint fellow = een rare vent; Your quaint notions of propriety = je zonderlinge (dwaze) begrippen van gepastheid; subst. Quaintness.
Quake, kweik, subst. trilling, huivering; Quake verb. schudden, beven, trillen: The shout set the walls to quaking = deed trillen; Quaker = een van de sekte der Kwakers (gew. Society of Friends genoemd); Quaker(-gun) = gemonteerd houten kanon om den vijand beet te nemen (Amer.); Quakeress; Quakerism = leer en praktijk der Kwakers; Quaky = sidderend.
Qualification, kwolifikeiš’n, bevoegdheid, bekwaamheid, eigenschap, geschiktheid, vereischte; Qualificatory = bevoegd, etc. makend; Qualified = bevoegd, voorwaardelijk, nader bepaald: In a qualified sense = in beperkten zin; subst. Qualifiedness; Qualifier = bepalend woord; Qualify, kwolifai, (zich) bekwaam, bevoegd of geschikt maken, wijzigen, beperken, matigen, verdunnen; bezweren, een eed doen (Amer.): You seem to be qualifying for a lunatic asylum = gij schijnt gek te willen worden; Would you qualify this brandy with two thirds of water? = wilt ge ⅔ water door de cognac doen? A qualifying examination = akte-examen.
Quality, kwoliti, eigenschap, hoedanigheid, kwaliteit, rang, stand, stroomsterkte: The quality = de grooten of aanzienlijken; Gentlemen of quality = v. hoogen rang; In the quality of a nurse = als min.
Qualm, kwâm, kwôm, misselijkheid, plotselinge ongesteldheid, onaangenaam gevoel, gewetensbezwaar of wroeging: He had no qualms (of conscience) about the life he had entered upon = geen berouw over; Qualmish = misselijk; subst. Qualmishness.
Quandary, kwondəri, kwondêri, verlegenheid, lastig geval: He was in a nice quandary = hij zat er leelijk in.
Quant, kwont, kwant, kloet, polsstok.
Quantify, kwontifai, de hoeveelheid aanwijzen of bepalen van; Quantitative, kwontitətiv, quantitatief; Quantity, kwontiti, hoeveelheid, mate, uitgestrektheid, omvang, maatklank; Quantum, kwont’m, hoeveelheid, bedrag.
Quarantine, kwor’ntîn, kwor’ntain, subst. quarantaine, isoleering, quarantaine-station; Quarantine verb. ook kworəntîn, tot quarantaine verplichten: To pass (perform, make) quarantine = in quarantaine liggen.
Quaresimal, kwəresim’l: Quaresimal sermons = lijdensmeditatiën (op Zondagavonden in den vastentijd).
Quarles, kwâlz.
Quarrel, kwor’l, subst. twist, ruzie, gekrakeel; pijl met vierkante spits, (venster)ruit; Quarrel verb. kijven, twisten, krakeelen, aanmerkingen maken: Domestic quarrels = huiselijke twisten; He wanted to fasten a quarrel upon me, to pick a quarrel with me = hij wou ruzie met mij hebben; There are two parties to a quarrel and I won’t be one = voor een twist zijn er twee noodig, en ik doe niet mee; I quarrel with your assertions and statements throughout = ben het volmaakt oneens met; Quarreller = ruziezoeker; Quarrelsome = twistziek, ruzieachtig; subst. Quarrelsomeness.
Quarrier, kworjə, arbeider in een Quarry, kwori, subst. steengroeve; wild, prooi; Quarry verb. uitgraven, delven uit; ploeteren: The quarry was worked by a firm = de steengroeve werd door eene firma geexploiteerd; Quarryings = brokjes steen of marmer; Quarryman = Quarrier.
Quart, kwöt, twee pint = ¼ v. een gallon; tweepintskan.
Quart, kât, vier opvolgende kaarten (piket).
Quartan, kwöt’n, vierdaagsch: Quartan ague (fever).
Quarte, kât, houw naar de linkerzijde van den tegenstander (bij het schermen).
Quarter, kwötə, vierde deel, vierendeel, kwartaal, kwartier, ± 23 c.M.; ± 12,7 K.G.; wijk, landstreek, genade, kwartier (voor troepen), arm van een ra; Quarter verb. in vier gelijke deelen verdeelen, vierendeelen, inkwartieren, ingekwartierd zijn: No quarter ought to be given or shown her = geene genade moet haar geschonken worden; The drums beat to quarters = de trommen gaven het sein om in te rukken; We came to close quarters with the enemy = wij werden met den vijand handgemeen; You have got nice quarters here = een mooie kamer; They marched in close quarters = in gesloten colonne; The men stood at quarters = klaar voor den strijd; We are quartered among friends = bij vrienden ingekwartierd; I have as much a right to quarter my arms as any of you = mag evengoed mijn wapens op het schild plaatsen; Quartering = het inkwartieren; het indeelen van een wapenschild; He has more quarterings on his own side than any house in Europe = meer kwartieren op zijn wapenschild; Quarter-bred = met ¼ zuiver bloed (van raspaarden, etc.); Quarter-day = betaal- of kwartaaldag (Lady-day = 25 Maart; Midsummer-day = 24 Juni; Michaelmas-day = 29 September, en Christmas-day = 25 December); Quarter-deck = campagne; Quartermaster = kwartiermeester: Quartermaster-sergeant = fourier; Quarter-profit system = stelsel, waarbij de schrijver ¼ v. de winst krijgt; Quarter-sessions = driemaandelijksche zittingen v. de vrederechters; Quarterstaff = stok; Quarterly, subst. en adj. driemaandelijksch (tijdschrift); Quartern = 0,142 L.; 2,27 L.; 0,1134 K.G.; Quartern-loaf = vierpondsbrood.
Quartet(te), kwötet, kwartet.
Quarto, kwötou, kwartijn; subst. en adj. kwarto.
Quartz, kwöts, kwarts; Quartziferous = kwartshoudend; Quartzite, kwötsait, kwartsrots; Quartzose = kwarts bevattend; Quartzy = van of als kwarts.
Quash, kwoš, subst. Zie Squash; Quash verb. plat drukken, verpletteren, onderdrukken, nietig verklaren: The verdict was quashed = het vonnis werd vernietigd.
Quasi, kweis(a)i: Quasi nobility = de Baronets.
Quasimodo, kwasimoudou: Quasimodo Sunday = eerste Zondag na Paschen.
Quass, kwas, kwass, een Russische drank.
Quassia, kwosiə, kwasiə, bitterhout; Quassin = het bittere bestanddeel hiervan.
Quaternary, kwotɐ̂nəri, kwətɐ̂nəri, subst. het getal vier; adj. uit vier bestaande: Quaternion, subst. het getal vier, aantal van vier, vierlettergrepig woord.
Quatrain, kwotrein, kâtrein, vierregelig vers, kwatrijn.
Quaver, kweivə, subst. ⅛ noot, triller, trilling; Quaver verb. trillen, vibreeren, met trillers zingen; Quaverer.
Quay, kwei.
Quay, kî, subst. kaai; Quay verb. van kaaien voorzien; Quayage = kaai- of werfgeld.
Quean, kwîn, slet, zedelooze vrouw.
Queasiness, kwîzinəs, subst. v. Queasy, kwîzi, zwak, weekelijk, sentimenteel, kieskeurig, walgend, walgelijk.
Quebec, kwibek.
Queen, kwîn, subst. koningin; Queen verb. de koningin spelen, tot koningin maken, van eene koningin voorzien: To go to queen = dam maken; Queen of the meadows = Meadowsweet; Queen-apple = renet; Queen-bee = bijenkoningin; Queen consort = gemalin van den koning; Queen dowager = koninginweduwe; Queen mother = koninginmoeder; Queen regent = koningin-regentes; Queen regnant = regeerende koningin; Queen’s-Bench Division = afdeeling van het hoogste Gerechtshof; Queen’s-carriage = gevangeniswagen; Queen’s-counsel = rijksadvocaat; Queen’s English = zuiver Engelsch; Queen’s-head = postzegel (met de beeltenis der koningin); Queen’s-metal = wit zilver; The Queen’s Speech = Troonrede; Queen’s ware = geglazuurd crêmekleurig aardewerk; Queen’s weather = prachtig weer; Queenhood = koninginneschap; Queenlike, Queenly = als eene koningin.
Queenborough, kwînbərə.
Queer, kwîə, vreemd, zonderling, wonderlijk, verdacht, onlekker, uit zijn humeur, valsch: A queer bill = onsoliede wissel: I am in Queer Street = ik heb me verzien, bedrogen; ik zit er “in”; I feel rather queer to-day = ik voel me niet lekker vandaag; Queerish = vrij zonderling; Queerness = zonderlingheid.
Quell, kwel, onderdrukken, bedwingen, dempen, tot rust brengen: The revolt was quelled = het oproer werd gedempt; Queller.
Quench, kwenš, blusschen, lesschen, dempen, onderdrukken, doen bedaren; Quenchable = wat gedempt of gelescht kan worden; Quencher = domper, een “glaasje”; Quenchless = onbluschbaar, onleschbaar, onverzadelijk.
Quercus, kwɐ̂kəs, eik.
Querimonious, kwerimounjəs, klagend, ontevreden, jammerend; subst. Querimoniousness.
Querl, kwɐ̂l, bocht (Amer.).
Querulous, kwer(j)ulɐs, klagend, ontevreden, jammerend; subst. Querulousness.
Query, kwîri, subst. vraag, vraagteeken, twijfel; Query verb. vragen (naar), betwijfelen, van een vraagteeken voorzien: Query, which of the two is right? = vrage: wie van beiden heeft gelijk.
Quest, kwest, subst. zoeken, onderzoek; Quest verb. zoeken naar, onderzoeken: The Quest of the Holy Grail; To be in (To go in) quest of = (gaan) zoeken naar; A fresh and questing mind = onderzoekende geest; Quester = speurhond.
Question, kwestj’n, subst. vraag, ondervraging, geschilpunt, interpellatie, opgaaf, twijfel, rekenschap; Question verb. vragen, ondervragen, betwijfelen: Question! = Ter zake! uitroep als een spreker in het Parlement van het onderwerp afdwaalt; That is a (the) question = de vraag; If it is a fair question = als ik vragen mag, als het niet te onbescheiden is; The previous question = de prealabele kwestie; Beside the question = er buiten; The point in question = het punt van discussie; That is altogether out of the question = daar is heelemaal geen sprake van; It is him without a question = hij is het ongetwijfeld; It is a question of time; There is no question about it = geen twijfel aan; To ask a question = eene vraag doen; He begged the question = hij nam als bewezen aan, wat nog bewezen moest worden; The question-begging use of certain terms = het zonder bewijs gebruiken van zekere uitdrukkingen, als: “The will of the nation”; The House is calling for the question = (het Lagerhuis) de vergadering verlangt sluiting van het debat; His repentance was called in question = werd betwijfeld; Questions will be invited at the close of the meeting = gelegenheid om vragen te stellen zal worden gegeven; To pop the question = ten huwelijk vragen; To put a leading question = een vraag doen waarbij men tegelijk het antwoord in den mond geeft; To put a person to question = in verhoor nemen (ook onder folteringen); He put a question to the Home Minister = stelde een vraag aan den Min. v. Binnenl. Zaken; To put the question = (voorstellen) de debatten (te) sluiten en tot stemmen over te gaan; This question is settled = die zaak is in orde, dit geschil is beslist; Remember you question with a cruel man = dat gij te doen hebt; Question-time = tijd om vragen te richten tot de regeering (House of Commons); Questionability = twijfelachtigheid; Questionable = betwijfelbaar, twijfelachtig; subst. Questionableness = betwijfelbaarheid; Questioner = vrager, onderzoeker; Questionless = ongetwijfeld.
Questor, kwestə, Zie Quaestor.
Queue, kjû, staart, staartpruik: To form a queue = “queue” maken.
Quibble, kwib’l, subst. spitsvondigheid, woordspeling, uitvlucht, voorwendsel: Quibble verb. ontwijken, uitvluchten zoeken, spitsvondig zijn, woordspelingen maken; Quibbler.
Quick, kwik, subst. levend vleesch, levende haag; adj. vlug, levend(ig), opwekkend, snel, haastig, gevoelig, hevig, sterk, fijn; To cut (sting, touch) to the quick = tot in ’t levende vleesch snijden, een pijnlijke snaar aanroeren, diep wonden (fig.); Quick ear = fijn gehoor; Quick of ear = scherp van gehoor; Quick eye = scherpe blik; Quick of scent = met fijnen neus; Quick of sight = scherp van gezicht; The quick and the dead = de levenden en de dooden; Be quick about it = gauw wat; He is quick at figures = hij is vlug in het rekenen, rekent vlug; He is a quick-answered boy = gevat jongetje; Quick-beam = gewone lijsterbes; Quick-eyed = scherp van gezicht; Quick-fence = levende haag; Quick-grass = kweek; Quicklime = ongebluschte kalk; Quick-march = versnelde pas; Quick-match = gezwinde lont; Quicksand(s) = drijfzand; Quick-scented = met fijnen reuk; Quickset = uit levende planten bestaande (Quickset hedge = levende haag); subst. levende plant (haag); Quick-sighted = scherp van gezicht; Quicksilver = kwikzilver; Quicksilvered = met kwikzilver bedekt; Quick-step = Quick-march; Quick-tempered = opvliegend, prikkelbaar; At double quick-time = in den looppas; Quick-witted = scherpzinnig, gevat; Quicken = levend worden, zich snel bewegen, trekken, leven vertoonen (gevoelen), opwekken, bezielen, aanvuren, versnellen, opscherpen; ook subst.: Look out for the quicken = houd je klaar voor het snellere tempo; To pick up the quick = dit tempo aannemen; Quickener = opwekker, opwekking, opwekkend middel; Quickness = vlugheid, snelheid, scherpte van blik, etc.
Quid, kwid, herkauwd voedsel, tabakspruim, een pond (geldstuk).
Quidditative, kwiditətiv, het wezenlijke van iets uitmakend; Quiddity, kwiditi, het wezenlijk deel van iets; woordspeling, spitsvondigheid.
Quiddle, kwid’l, den tijd vermorsen, beuzelen; Quiddler = beuzelaar.
Quidnunc, kwidnɐŋk, nieuwsgierig neuswijs persoon, politieke tinnegieter.
Quiesce, kwaies, stom zijn of worden (v. letters); Quiescence, Quiescency = rust; winterslaap; het stom zijn; Quiescent, subst. stomme letter; adj. kalmeerend, rustig, stil, vredig, stom: Quiescent draught (powder).
Quiet, kwaiit, subst. rust, kalmte, vrede; adj. rustig, stil, gerust, niet opzichtig, zonder omslag, familiaar; Quiet verb. kalmeeren, doen bedaren, met rust laten, rustig of kalm worden (down): Have a quiet dinner at our house, with us = eet familiaar bij ons; A quiet dress = stemmige japon; A quiet horse = mak; It’s the way with all these quiet ones = zoo gaat het met (zoo zijn) die stille, bedeesde meisjes; A few weeks’ quiet = rust; Let me be quiet = laat me met rust; He kept it quiet = sprak er niet van; To restore quiet = de rust herstellen; Quiet, Spartan! = koest! At quiet = rustig; On the (dead) quiet = (heel) in stilte; Quieten, kwaiət’n, tot rust of bedaren brengen: He tried vainly to quieten the naughty child; Quieter = wie of wat stilt; A Quieting draught = kalmeerende drank; Quietism = quiëtisme, berusting, stille onderwerping, (leer van den Jezuïet Molina (1588); Quietist = aanhanger van Quietism; Quietness = Quietude = rust, vrede, berusting; Quietus, kwaiîtəs, ontheffing, ontlasting; ontslag.
Quill, kwil, subst. schacht (van vleugels), pen, stekel (van een stekelvarken), spoel; Quill verb. fijn plooien: He carries a good, a clever quill = hij heeft eene welversneden pen; Quill-driver = veelschrijver, pennelikker; Quill-pen; Quill-toothpick = veeren tandenstokertje; Quilling = fijn plooisel (van kant, tule of lint).
Quilt, kwilt, subst. gewatteerde sprei of deken; Quilt verb. doornaaien, opstoppen, watteeren, twee stukken stof op elkander stikken met watteering daartusschen (together); omwòelen; afranselen: She felt the daisy quilt creeping up higher and higher = zij voelde den dood naderen; The pipe was quilted with string for its longer preservation = de pijp was met touw omwoeld; Quilted calves = valsche kuiten; Tennyson’s works in quilted cover = in gewatteerden band; He went to the quiltings long ago = hij is lang geleden gestorven.
Quin, kwin.
Quina, kînə, kwainə, kina.
Quinary, kwainəri, uit vijven bestaande, door 5 deelbaar.
Quince, kwins, kwee(peer).
Quincentenary, kwinsentənəri, kwinsəntînəri, 500 jarig (jubileum).
Quincey, kwinsi.
Quincunx, kwinkɐŋks, figuur als deze: ⁙
Quindecagon, kwindekəgon, vijftienhoek.
Quindecemviri, kwindisemvirai, 15 priesters belast met de bewaking der Sibyllijnsche boeken.
Quinine, kwinîn, kwinain; kwainain (Amer.) kinine.
Quinquagesima, kwinkwədžesimə, tijd v. 50 dagen: Quinquagesima Sunday = Zondag vóór de vasten.
Quinquangular, kwinkwaŋgjulə, vijfhoekig.
Quinquennial, kwinkwenj’l, vijfjarig of -jaarlijksch.
Quinquina, kinkînə, kwinkwainə, kinkinə, kina.
Quinsy, kwinzi, keelontsteking.
Quint, kwint, quint (muziek en schermkunst).
Quintal, kwint’l, ± 45,359 KG. of 100 KG.
Quintan, kwint’n, om de vijf dagen.
Quintessence, kwintes’ns, kern of keur van iets, quintessence; Quintessential, kwintəsenš’l, tot het fijnste behoorende.
Quintet(te), kwintet, quintet.
Quintillion, kwintilj’n, 1 + 30 nullen (Engl.); 1 + 18 nullen (Amer.).
Quintuple, kwintjup’l, adj. vijfvoudig; Quintuple verb. vijfvoudig maken; Quintuplet = (motor)fiets voor 5 personen.
Quip, kwip, subst. fijne of scherpe zet, schimpschot, wonderlijke inval, woordspeling, speeldingetje; Quip verb. schertsen, beschimpen.
Quire, kwaiə, boek papier.
Quirinal, kwirinəl.
Quirk, kwɐ̂k, krul, uitvlucht, wonderlijke inval, woordspeling, loopje in muziek: His paltry quirks did not impose on any member = zijne flauwe uitvluchten; adj. Quirky.
Quirt, kwɐ̂t, rijzweep; ook verb. (Amer.).
Quist, kwist, ringduif.
Quit, kwit, adj. quitte, vrij, ontslagen; Quit verb. verlaten, verzaken, opgeven; overlaten; terugbetalen, loonen, afrekenen, vergelden: To be quit for = er af komen met; I shall be quit with you = het je inpeperen; To go (get) quit = vrij komen, vrijgesproken worden; He got notice to quit = hem werd de dienst (de huur) opgezegd; To quit business = uit de zaken gaan; To quit scores = afrekenen; They quitted the siege = hieven op; To quit smoking = opgeven; Quits = quitte, kamp, gelijk: We are quits = we zijn quitte; To cry quits = verklaren “quitte” te zijn; He played double or quits = dubbel of quitte; Quit-claim, subst. afstand (van een recht); ook verb.; Quit-rent = pacht, die van andere verplichtingen vrijstelt.
Quitch(grass), kwitšgrâs, kweek(gras).
Quite, kwait, geheel: I am quite with you = ik ga geheel met u mee, ben ’t geheel eens; A quite young girl = een heel jong meisje (Vergel. quite a young girl = precies een jong meisje); You are quite out = je hebt het heelemaal mis; Quite so = precies; Persons whom she considered not “quite” = niet van haar stand.
Quittance, kwit’ns, betaling.
Quiver, kwivə, subst. trilling; pijlkoker; Quiver verb. trillen, beven, sidderen, ritselen: In a quiver = sidderend; Quivered = van een pijlkoker voorzien, in een koker of scheede.
Quixote (Don), donkwiksət; Quixotic, kwiksotik, dwaas romantisch, buitensporig; Quixotism, Quixotry = Don Quichotterie.
Quiz, kwiz, grappenmaker, spotvogel, vreemde snaak, mikpunt (van spotternij), nieuwsgierig persoon, raadsel, monocle; Quiz verb. voor den gek houden, foppen, schertsen, begluren; Quizzer = snaak, schalk; Quizzical = grappig, snaaksch; Quizzing-glass = monocle.
Quod, kwod, verkort. van Quadrangle, nor, doos: I’ll have you in quod = ik zal je in de “doos” zien te krijgen.
Quodlibet, kwodlibet, spitsvondigheid, woordspeling, potpourri; Quodlibetarian, kwodlibetêriən, iemand die over alles graag disputeert.
Quoif, kôif, kapsel, hoofdtooi, kap.
Quoin, kôin, uitspringende hoek (archit.); hoeksteen, keg.
Quoint, k(w)ôint.
Quoit, kôit, kwôit, platte ring: Quoits = spel daarmede: Deck quoits = ringwerpen op dek.
Quondam, kwond’m, vroeger, voormalig.
Quorum, kwôr’m, voldoend aantal leden om een besluit te nemen.
Quota, kwoutə, evenredig (aan)deel, contingent.
Quotable, kwoutəb’l, wat aangehaald kan worden; Quotation, kwəteiš’n, aanhaling, citaat, (genoteerde) prijs: Wheat was not in the market at any quotation = er was geen tarwe te krijgen; Quotation of prices = prijsnoteering; Quotation-marks = aanhalingsteekens; Quote, kwout, aanhalen, citeeren, noteeren (van prijzen); Quoter.
Quoth, kwouth, zeide of zegt (ik, hij of zij); Quotha, kwouthə, zoo!
Quotidian, kwətidj’n, subst. en adj. (wat) dagelijks(ch) (voorkomt).
Quotient, kwouš’nt, uitkomst (eener deeling).
Quotum, kwout’m, quotum, evenredig aandeel.
R.
R, ɐ̂; The three R’s = (R)eading, (W)riting and (A)rithmetic; R(iver); R(ex = koning of Regina = koningin); R. A. = Royal Academy, Royal Academician, Rear Admiral (schout-bij-nacht) of Royal Artillery; Rad(ix) = Root; R(oyal) A(gricultural) S(ociety); R(oman) C(atholic); R(ural) D(ean); R(oyal) E(xchange); Recd. = received; Recpt. = Receipt; Ref(erence); Ref(ormed) Ch(urch); Reg(ular); Reg(ius) Prof(essor); Reg(istrar of Regiment); Rel(igion of Religious); Rel(ative) Pron(oun); Rem(ark); Rep(ort of Representative); Rep(ublic) of Repub(lican); Retd. = Returned; Reth(oric); Rev(elation, Revenues, Reverend, Review); R(oyal) H(orse) A(rtillery); R(oyal) H(orse) G(uards); R(hode) I(sland); R(equiescat) I(n) P(ace) = hij (zij) ruste in vrede; Riv(er); R(oyal) M(ail) S(teamer); R(oyal) N(avy); R(eceiving) O(ffice); Rom(an); Rom(an) Cath(olic); R(ight) R(everend); R(oyal) S(ociety for the) P(revention of) C(ruelty to) A(nimals) = Koninkl. Maatschappij tot Bescherming van Dieren; Rt. Hon. = Right Honourable; R(eligious) T(ract) S(ociety); Russ(ia); R(evised) V(ersion); R(ight) W(orshipful) G(rand) M(aster) = Groot-Achtbare Meester; Ry. = Railway.
Rabate, rəbeit, de valk weer op de vuist doen nederdalen.
Rabbet, rabət, subst. sponning; Rabbet verb. eene sponning maken; Rabbet-plane = sponningschaaf.
Rabbi, rab(a)i, Rabbin, rabin, rabbi, rabbijn; adj. Rabbinic(al), rəbinik(’l), rabbijnsch; Rabbinist, rabinist, Talmudist.
Rabbit, rabit, konijn: Buck, Doe rabbit = mannetje, wijfje; Welsh rabbit = geroosterde sneden brood overgoten met in bier geweekte kaas; onvertrouwbaar paard (sport); Rabbit-hole; Rabbit-hutch = hok; Rabbit-warren = konijnenberg = Rabbitry.
Rabble, rab’l, janhagel, grauw, warboel; ook adj.
Rabid, rabid, dol, krankzinnig.
Rabies, reibiîz, hondsdolheid.
Raca, râkə, onwaardig (Matth. V. 22).
Raccoon, rəkûn, gewone waschbeer (Am.).
Race, reis, subst. geslacht, ras, soort, pittigheid (wijn), loop, snelle vaart, wedloop of wedren, loopbaan, wortel; Race verb. snel loopen, wedrennen: I will race you home = ik wil om het hardst met u loopen wie het eerst thuis is; Races = (paarden)wedrennen; The Derby or Epsom races; Race-boat = hardzeiler, boot voor wedstrijden; Race-course = renbaan; molenbeek; Race-ginger = gemberwortels; Race-ground = renbaan; Race-horse = renpaard, harddraver; Race-track = renbaan; Racer = renner, renpaard, rijwiel, hardzeiler.
Racemation, rasimeiš’n, trosvormigheid; Raceme, rəsîm, bloeiwijze in trossen; Racemic, rəsemik, rəsîmik: Racemic acid = druivenzuur; Racemose, rasimous, trosvormig.
Rachel, reitš’l.
Rachitic, rəkitik, adj. v. Rachitis, rəkaitis, Engelsche ziekte.
Racial, reiš’l, ras...
Raciness, reisinəs, subst. v. Racy.
Racing, reisiŋ: Racing crew = bemanning van een Racing-boat (Racing-yacht).
Rack, rak, subst. pijnbank, rad, rek, statief, rooster, ruif, arak; halsstuk van kalfs- of schapevleesch; drijvende wolken; zekere paardepas (tusschen draf en stap); ondergang, vernieling; Rack verb. pijnigen, op de pijnbank brengen, afpersen, ontwringen, overdrijven, als damp of mist voortdrijven en verdwijnen, met vluggen gang loopen, voorzichtig aftappen of afschenken (om van droesem te zuiveren): To go to rack and ruin = geheel te gronde gaan; To live at rack and manger = zorgeloos voortleven; To put to the rack = op de pijnbank brengen (ook fig.); He racked his brain(s), his wits about it = brak er zich het hoofd over; Racking-can = klaarkan (voor wijn); Racking headache = brekende; Racking pace = vlugge telgang; Rack-punch = punch van arak; Rack-rent = schandelijk hooge huur: The rack-rented labourers = de op schandelijke huren zittende arbeiders; Racker = iemand, die zulk een pacht vraagt of moet opbrengen.
Racket, rakət, subst. raket; spektakel, rumoer; sneeuwschoen; Racket verb. pret maken, boemelen: That’s just our racket = dat is net wat voor ons; To keep, kick up a racket = lawaai, herrie schoppen; He could not stand the racket and came to grief = kon niet tegen dat losbandige leven; That will not stand the racket = kan niet tegen hetgeen ervan geëischt wordt; Rackets = raketspel; Racketing = rumoerige vroolijkheid; Rackety = druk tierend, lawaaiig: The rackety-tack of the wheels = het geraas.
Racoon = Raccoon.
Racy, reisi, sterk van geur of smaak, pittig, pikant: Racy of the soil = kenmerkend voor, eigen aan.
Rad, rad, verk. v. Radical.
Raddle, rad’l, rood blanketsel; Raddle verb. schminken, met rood krijt merken: Those jabbering mummers with their raddled faces = die schetterende acteurs met hunne rood gegrimeerde gezichten.
Radial, reidj’l, straalvormig; Radiance, Radiancy, reidj’ns(i), straling, schittering, glans; Radiant, reidj’nt, stralend, schitterend, glansrijk; subst. uitstralingspunt, straal: She was radiant with happiness = straalde van geluk; Radiate, reidjit, adj. straalvormig; straal, straaldier; Radiate verb. reidjeit, uitstralen; Radiator, reidjeitə, uitstralend lichaam, verwarmingstoestel, radiator.
Radical, radik’l, subst. wortel, stam(woord), stamletter, radicaal (pol.); adj. oorspronkelijk, uiterst, radicaal, tot den stam behoorende: Radical party = radicale partij; Radical quantity = wortelgrootheid; Radical sign = wortelteeken; Radicalism = de beginselen der radicale partij; Radicate, radikeit, vast inwortelen, vast wortel doen schieten: Radicated abuses = ingewortelde misbruiken; Radication = het diep wortel schieten, wortelvorming.
Radio, reidiou: Radio-active substances = uitstralend als bijv. radium; subst. Radio-activity; Radiogram, reidiəgram = Radiograph, reidiəgrâf = radiogram; Radiography, reidiogrəfi, radiographeeren; Radiometer, reidiomətə, radiometer, graadboog, vleugelborstel.
Radish, radiš, radijs, tweeslachtige waterkers: Horse-radish = mierik.
Radius, reidiəs, buitenste been van den vóórarm, straal (van een cirkel); Radium, reidiəm, radium.
Radix, reidiks, wortel, basis, grondgetal.
Raff, raf, subst. vuil, schuim, deugniet, gepeupel (= Riff-raff): A crowd of shabby raffs = schunnige kerels; Raff-merchant = handelaar in rommel; Raffish = schunnig, liederlijk.
Raffle, raf’l, subst. loterij, verloting; Raffle verb. verloten, loten om: The doll was put up in (put up to) a raffle = werd verloot; You enticed me into raffling for that article = op dat artikel te loten; Raffler.
Raft, râft, subst. vlot; ophooping van drijfhout in rivieren, troep (Amer.); Raft verb. vlotten, op een vlot varen of vervoeren: How shall we get rid of this raft of people? = hoe raken wij dit zootje kwijt; Raftsman = vlotter.
Rafter, râftə, dakspar, balk; Rafter verb. van sparren voorzien.
Rag, rag, lap, lomp, vod: All in rags = Worn (out) to rags = in flarden; To boil meat to rags = geheel fijn koken; Rags and bones! = vodden en bonken! Rag-baby = pop; bankbiljet; Rag-book = een linnen prenteboek, dat gewasschen kan worden; Rag-bolt = bout met weerhaken; Rag-fair = voddenmarkt; Ragpicker = voddenraper; Rag-shop; Rag-sorter; Rag-tag-and-bobtail (crowd) = janhagel; Rag-time = gesyncopeerde maat: Rag-time airs = negerliedjes; Rag-man = lompenkoopman; duivel; Rag-stone = brokkelige steen; Rag-wheel = kamrad: Rag-wort = kruiskruid; Ragged = ruig, gescheurd, in lompen: Ragged schools = scholen voor havelooze kinderen; Raggedness = schabbigheid, haveloosheid.
Rag, rag, groenen, baren, donderen, straatschenderij bedrijven.
Ragamuffin, ragəmɐfin, ragəmɐfin, subst. schooier; adj. in lompen, berooid.
Rage, reidž, subst. woede, toorn, geweld, razernij, zucht, manie, vuur; Rage verb. woeden, razen, toornen: He was in (got into) a rage = was (werd) woedend; Rage for building = bouwwoede; Accordion sleeves are all the rage now = waaier-(harmonica) mouwen zijn nu erg algemeen: He is all the rage = hij is het voorwerp van algemeene geestdrift; Rageful.
Raggee, ragî, Indische grassoort.
Raglan, ragl’n, soort overjas.
Ragout, rəgû, ragout.
Raid, reid, subst. vijandelijke inval, strooptocht, razzia, inval van de politie; Raid verb. een inval doen, prijzen drukken: A drug store was raided the other day, and the stock was found to consist wholly of strong liquor = de politie drong onlangs plotseling een (zoogenaamde) drogistzaak binnen; Raider.
Rail, reil, subst. slagboom, dwarsstaaf, leuning, spoorstaaf, trein; wachtelkoning; Rail verb. met hekwerk omgeven, met het spoor verzenden of reizen; schimpen, schelden, beleedigen: It is 40 minutes by rail = per spoor; To drive off the rails = doen dérailleeren (ook fig.); To go (get) off the rails = dérailleeren; All rails were high = alle spoorwegactiën stonden hoog; I have railed it = ik ben met het spoor gekomen; Railer = schimper; Rail-car = spoorrijtuig (Am.); Rail-fence = houten hek; Rail-mill = fabriek van spoorstaven; Rail-road = spoorweg; Rail-road flat = bovenhuis bestaande uit eene reeks in elkaar loopende kamers.
Railway, reilwei, spoorweg, spoorbaan: Circular (Encircling), Double, Single, Underground railway = ceintuurbaan, dubbel-, enkel spoor, ondergrondsche spoorweg; Railway-accident = ongeluk; Railway-board = directie; Railway-bridge; Railway-car (Amer.) = Railway-carriage = wagon; Railway-guard = conducteur; Railway-guide = gids; Railway-pass = vrijbiljet; Railway-share = spoorwegactie; Railway-signaller; Railway-sleepers = dwarsliggers; Railway-ticket = kaartje; Railway-traffic.
Raillery, reiləri, boert, scherts: He turned it into raillery = hij maakte er een grapje van.
Raiment, reim’nt, gewaad, kleederen.
Rain, rein, subst. regen; Rain verb. regenen, laten regenen (Rains = regentijd): It was pouring with rain = het goot; After rain comes sunshine; A small rain lays great dust = men vangt meer vliegen met honig dan met edik; As unconcerned as rain = doodleuk; Right as rain = geheel klaar; lekker als een kip, kiplekker; Rain or shine = bij slecht weer of mooi weer; It is raining cats and dogs = het valt met emmers uit de lucht; Rainbow = regenboog; Rainbow-hued (Rainbow-tinted) = met de tinten van den regenboog; Rain-cloud; Raincoat; Raindrop; Rainfall; Rain-gauge = regenmeter; Rain-proof = Rain-tight = waterdicht, tegen regen bestand; Rain-water = regenwater; Rainless; Rainy = regenachtig; To save money (put by a penny) for a rainy day = een appeltje voor den dorst bewaren.
Raise, reiz, verheffen, opheffen, optillen, tot aanzijn brengen, opwekken (van dooden), verhoogen, rechtop zetten, bouwen, opbouwen, heffen, opwerpen; subst. verhooging, opslag: To raise a blister = een blaar trekken; To raise a blockade (a siege) = opbreken, opheffen; To raise the carpets = opnemen; To raise a cry = aanheffen; To raise the dead = doen opstaan; To raise a dust = stof opjagen (fig.); To raise the eyes = opslaan; To raise a laugh at the expense of a person = iemand belachelijk maken; To raise a loan = een leening uitschrijven; I don’t know where to raise money = waar ik geld zal loskrijgen; The purchase was raised = de hefboom werd in werking gebracht; To raise questions = vragen (kwesties) opwerpen; To raise the wind = geld zien los te krijgen; lawaai maken, opschudding veroorzaken; Raised letters = letters in reliëf; Raised work = gedreven; Raiser = verbouwer, teler, fokker; Raising-bee = gemeenschappelijk bouwen van een huis door bij elkaar wonende farmers (Amer.).
Raisin, reiz’n, reizin, rozijn.
Raja(h), râdžə, reidžə, Indisch vorst; Rajaship; Rajpoot, Rajput, râdžpût, afstammeling van de oude krijgmanskaste (Ind.).
Rake, reik, subst. hark, krabber; losbandig mensch; helling van steven, mast of schoorsteen; Rake verb. harken, of bijeenschrapen, verzamelen, ophoopen, zoeken, ophalen, naspeuren, “opsnorren”, vuren langs of in de lengte van een schip, losbandig zijn, zuipen, overhellen, nauwkeurig onderzoeken: He is as lean as a rake = zoo mager als een talhout; A reformed rake makes the best husband; To rake a fire = inrakelen, dekken; He took the glass and raked it = dronk het leeg; To rake up things = oprakelen (fig.); Rakehell = adj. liederlijk, woest; subst. lichtmis, woesteling; The rakings were put into the dustbin = het opgeharkte; Rakish = liederlijk, losbandig; hellend; subst. Rakishness.
Rakshas(a), rakšas(ə), booze geest (Indië).
Rale, râl, gerochel.
Raleigh, rôli.
Rally, rali, subst. bijeenbrenging, hereeniging, signaal voor verzamelen, hernieuwde aanval, herstel van orde of krachten of prijzen, scherts, grove boert, relletje; Rally verb. hereenigen, samentrekken (van verspreide of uiteengejaagde troepen), de krachten of orde herstellen; plagen, schertsen met: She rallied her husband on his credulity = plaagde hem met; Rallying: Rallying-point = punt van verzameling; Rallying-signal.
Ralph, râf, ralf, reif; Ralston, rôlst’n.
Ram, ram, ram, rammei, ramschip; Ram verb. rammen, rammeien, vaststampen, instampen: Hydraulic ram = waterram; Ram’s horn = ammonshoorn (versteend weekd.); Ram-rod = laadstok; Rammer = heiblok, straatblok, laadstok; Rammish = sterk ruikend, stinkend, geil = Rammy.
Ramad(h)an, ramədân, Ramazan, raməzân, ramadan, 9e maand van het mahomedaansche jaar, de vastenmaand.
Ramayana, râmâjənâ, een Indisch epos.
Ramble, ramb’l, subst. wandeling, uitstapje, zwerftochtje; Ramble verb. rondzwerven, uitstapjes doen, verward zijn, afdwalen, bazelen; Rambler; Rambling = wijdloopig, stelselloos: A rambling village = onregelmatig gebouwd.
Rameous, reimiəs, tak.
Ramie, rami, rameh.
Ramification, ramifikeiš’n, subst. v. Ramify, ramifai, (zich) vertakken, takken of spruiten schieten.
Ramose, rəmous, reimous, vertakt.
Ramp, ramp, subst. sprong, hellende weg, bocht; zwendelaar; Ramp verb. klimmen, springen, stoeien; zwendelen: They had some high old ramps = gingen er ouderwetsch van door; Only asses ramp nowadays, save in heraldry = slechts van ezels gebruikt men ramp, etc.; Rampage, rampidž, subst. opgewondenheid, wildheid; Rampage verb. rondspringen (als een gek): The cows seemed to be on the rampage = schenen dol te zijn; He has been on the rampage = is er leelijk “van door” geweest; The dog was rampaging through the apartment; Rampageous, rampeidžəs, woest, luidruchtig, schreeuwerig; Rampancy, ramp’nsi, woekeren, toeneming, uitgelatenheid, buitensporigheid; Rampant, ramp’nt, overvloedig, weelderig woekerend, teugelloos, op de achterpooten staande: A lion rampant = klimmende leeuw; Bribery was rampant in the former century = was algemeen; Rampant-gardant = klimmend en den toeschouwer aanziende; Rampant-passant = loopend met den rechter voorpoot omhoog; Rampant-regardant = staande en achterwaarts ziende; Rampant-sejant = zittend met de voorpooten omhoog, opzittend (heraldische termen).
Rampart, rampət, rampât, subst. wal; Rampart verb. omwallen.
Rampion, rampiən, akkerklokje.
Rampoor, rampûə; Ramsay, ramzi.
Ramshackle, ramšak’l, losjes, bouwvallig, slecht onderhouden: The four-wheeler was the most ramshackly of vehicles = was het “rapperigste” van alle rijtuigen.
Ramulose, ramjulous, Ramulous, ramjulɐs, met veel kleine takjes.
Ran, ran, imperf. van to run.
Rana, rânə, vorst (Brit. Ind.).
Ranch, rân(t)š, veehouderij, boerderij (Amer.), ook Cattle-ranch; Rancher = Ranchero, ran(t)šêrou, koeherder, opzichter; Rancheria, ran(t)šərîə, veldhut voor een Ranchero, dorp, kolonie; Rancho = veldhut, boerderij voor vee- of paardenteelt.
Rancid, ransid, ranzig, zuur; Rancidity, ransiditi = Rancidness = ranzigheid, etc.
Rancorous, raŋkərɐs, kwaadaardig, venijnig, haatdragend; subst. Rancorousness; Rancour, raŋkə, wrok, bittere vijandschap, ingevreten haat: To bear rancour = wrok koesteren.
Rand, rand: The Rand = het goudmijndistrict ten westen van Johannesburg (Z. Afr.).
Randal, rand’l.
Randan, rand’n, boot met 3 roeiers, waarvan alléén de middelste 2 riemen hanteert; herrie, brasserij: On the randan = aan ’t zuipen; They were rowing (in) randan = zij roeiden met hun drieën met vier riemen.
Random, rand’m, subst. toeval, goed geluk; adj. zonder berekening, in het wild, zonder methode: At random = in het wild, zonder doel; A random shot = schot in het wild; To talk at random = onzin uitkramen.
Randy, randi, rumoerig, wanordelijk; subst. helleveeg, wildebras.
Ranee, rânî, vorstin (Brit. Ind.).
Ranelagh, ranəlâ.
Rang, raŋ, imperf. van to ring.
Range, reinž, subst. rij, klasse, zwerftochtje, ruimte, bereik, keten, macht, keukenfornuis, afstand van een schot, schietterrein, omvang; Range verb. in eene rij plaatsen, ordenen, rangeeren, zwerven, zeilen langs, reiken, rangschikken: To fire at close range = op zeer korten afstand; He is a dead shot at short range = op korten afstand mist hij nooit; Out of range = buiten schot; Within range = op geweer- of kanonschotsafstand; A long range fire on a position = kanonnade op grooten afstand; A wide range of students = een breede kring; To get (find) the range = den afstand vinden; The revenue-cutter ranged the coast = voer langs de kust; The talk ranged over many subjects = liep over; He ranged over the whole subject = doorliep vluchtig; Their guns range further than ours = dragen; Ranger = rondzwerver, houtvester, speurhond, roover; Rangership.
Rangoon, raŋgûn.
Rani = Ranee.
Ranine, reinin, kikkerachtig.
Rank, raŋk, subst. rij, gelid, standplaats, rang, graad, stand, klasse; Rank verb. tot klassen brengen, opstellen, in het gelid plaatsen, ordenen: The rank and file = alle gewone soldaten; de groote hoop; The rank and file cleared the grounds at 8 = het volk verliet het park om 8 uur; The cabman was on his rank = de koetsier was op zijne standplaats; To close the ranks = de gelederen sluiten; To be promoted, rise, spring from the ranks = van soldaat of onderofficier tot officier bevorderd worden; To be reduced to the ranks = gedégradeerd worden; He takes rank before (of) you = hij staat boven u in rang; You rank after me = volgt in rang op; ranker = schikker; hij die uit de gelederen officier geworden is, “troupier”.
Rank, raŋk, weelderig, geil, sterk, grof, vet, ranzig, stinkend, bedorven, vuil, vies; echt, waar: A rank fraud = een echte bedriegerij; Rank nonsense = echte onzin; The rankest South-Easter = de krachtigste (een echte) Zuid-Oostenwind; subst. Rankness.
Rankle, raŋk’l, ontsteken of zweren (van eene wond); wrok hebben, knagen: Is there anything rankling in your mind against me? = hebt gij eenigen wrok tegen mij.
Rannee = Ranee.
Ransack, ransak, plunderen, nasnuffelen.
Ransom, rans’m, subst. losgeld, bevrijding, verlossing; Ransom verb. verlossen, bevrijden, vrijkoopen: They were held to ransom by the brigands = de roovers hielden hen, tot een bepaalde losprijs betaald zou worden, als gijzelaars; Ransomer; Ransomless = zonder losgeld, etc.
Rant, rant, subst. hoogdravende bombastische taal; Rant verb. bombast uitslaan, uitvaren: She was ranting and panting with fury = zij raasde en tierde van woede; Ranter = schreeuwer, drukke prater; Ranters = spotnaam v. de eerste Methodisten; Ranterism = leer der ranters = Rantism.
Rantipole, rantipoul, subst. wilde meid of jongen; adj. wild, ruw; Rantipole verb. als een gek vliegen; Ranty = wild, rumoerig, woest.
Ranunculus, rənɐŋkjulɐs, ranonkel.
Rap, rap, subst. tik, snelle en pijnlijke slag, knip, valsche halfpenny, duit; Rap verb. slaan, knippen, hard tikken, kloppen, vervoeren of buiten zichzelf brengen, uitstooten: I don’t care a single rap = geef er geen lor om; There is not a rap to choose between them = het is lood om oud ijzer; To deal a smart rap = een leelijken tik op de vingers geven (fig.); It is not worth a rap = het is geen lor waard; Without a rap = zonder een duit op zak; To rap a person’s fingers (knuckles) = iemand op de vingers tikken (fig.); To rap out an oath = vloeken; He rapped out his opinion = flapte uit; He rapped his teeth = sloeg de tanden op elkaar; Rapper = deurklopper; geestenklopper = Rappist = klopgeest.
Rapacious, rəpeišəs, roofzuchtig, hebzuchtig; subst. Rapaciousness = Rapacity.
Rape, reip, subst. roof, berooving, verkrachting, onteering; gouw (Sussex); koolraap; Rape verb. berooven, verkrachten: Rape of the forest = overtreding der boschwetten; Rape-cake, Rape-oil; Rape-seed, Rape-seed oil = raapkoek, raapzaad, raapolie.
Raphael, rafəel, Raphael; Rapho, rəfou.
Rapid, rapid, adj. snel (Rapids = stroomversnellingen); Rapid consumption (decline) = vliegende tering; Rapid fire = snelvuur; Rapid march = looppas; subst. Rapidity = Rapidness.
Rapier, reipjə, rapier; Rapier-fish = zwaardvisch.
Rapine, rapin, subst. plundering, roof; ook verb.
Rapparee, rapərî, roover (Ierl.), landlooper, deugniet.
Rappee, rəpî, sterke snuif, rappé.
Rappel, rəpel, rapəl, tromsignaal tot verzamelen.
Rapscallion, rapskalj’n, subst. en adj. schurk(achtig).
Rapt, rapt, verrukt, meegesleept: Rapt in his work = geheel opgaande in. Zie Rap.
Raptores, raptôriz, roofvogels; Raptorial: Raptorial bird = roofvogel.
Rapture, raptšə, verrukking: In raptures = In a rapture of delight = geheel verrukt; Rapturous = verrukt, hartstochtelijk.
Rare, rêə, zeldzaam, ongewoon, buitengewoon, onberispelijk, prachtig, schaarsch; bijna rauw (Am.), ijl, poreus: The apples were plentiful and rare = overvloedig en buitengewoon mooi; Rarebit = lekker hapje: Rareripe, subst. vroege vrucht (vooral vroege perzik); adj. vroegrijp; Rareness = Rarity, rêriti, rariti.
Raree-show, rêrišou, rarišou, kijkkast, rarekiek.
Rarefaction, rêrifakš’n, rarifakš’n, verdunning; Rarefy, rêrifai, rarifai, ijl, dun maken of worden: They seem to breathe a more rarefied atmosphere than we = een fijnere lucht.
Rascal, râsk’l, rask’l, subst. schurk, schelm, mager wild; adj. verachtelijk, mager; Rascaldom, râsk’ld’m, het dievenpak; Rascality, râskaliti, raskaliti, schurkachtigheid, schelmerij; Rascallion, râskalj’n, raskalj’n, schurk.
Rase, reiz, schaven, schuren langs, uitkrabben, doorhalen, met den grond gelijk maken, vernietigen.
Rash, raš, subst. huidroos.
Rash, raš, haastig, snel, overhaast, onbezonnen; subst. Rashness.
Rasher, rašə, sneetje, reepje: A rasher of bacon = dun sneetje spek.
Rasp, râsp, subst. rasp; Rasp verb. raspen, afschrapen, krassen, pijnlijk treffen, afschampen (off): He made a rasping attack on the House of Lords = vinnige aanval; Rasper = rasper, krabber, moeielijk te nemen hek (jacht), driftkop, iets buitengewoons; Raspy = schor.
Raspberry, râzb’ri, razb’ri, framboos; Raspberry-bush = frambozenstruik.
Rat, rat, rat; overlooper, onderkruiper (Rats! = onzin!) Rat verb. ratten vangen; overloopen, onderkruipen: I smell a rat = ik ruik lont; He was ratting for a place = trachtte door onderkruipen een baantje te krijgen; He ratted to a duke = flikflooide; The instances of ratting were not many = van onderkruiperij; Rat-catcher = rattenvanger; Rat-snake = Indische, op ratten azende slang; Rat-tail (Rat’s-tail) = rattestaart (paardenziekte); Rat’s-bane = rattenkruid; Rat-trap = rattenval; Ratten = de gereedschappen wegnemen of vernielen om het werken te beletten; posten; Ratter = rattenvanger, overlooper; Ratty = waardeloos, gek.
Ratable, reitəb’l, schatbaar, waardeerbaar.
Ratafia, ratəfîə, rataf(f)ia, soort biscuit.
Ratan, rətan, riet, rotting.
Rataplan, ratəplan, rataplan; Rataplan verb. trommelen; Rat-a-tat, ratətat, kloppen, kloppend geluid.
Ratch, ratš, slagrad v. een uurwerk, pal = Ratchet: Ratchet-wheel = palrad.
Rate, reit, standaard, prijs, waarde, maatstaf, plaatselijke belasting, tarief, vracht, snelheid, rang, graad, klasse van een oorlogschip; Rate verb. schatten, bepalen; berispen, een standje maken: At a cheap (dear, high) rate = voor weinig (veel) geld; The train rushed on at a furious rate (At express rate) = met woedende vaart (met de vaart van een sneltrein); At any rate = in elk geval, tot elken prijs; At the rate of five per cent. = tegen 5 perc.; At the highest rate of exchange = tegen den hoogsten koers; Rate of insurance (interest, wages) = premie, rentestandaard, loonstandaard; You must not go on at this rate = op deze manier; Rates = gemeentelasten; He is a first-rate fellow = uitstekende kerel; Rated by time = ge- of berekend bij (naar) het uur; He rated me for putting in a word = maakte mij een standje; Rate-cutting = verlaging van tarieven; Rate-payer = belastingschuldige; Rater: He is a first rater = First-rate fellow; The vessel is a second rater = schip 2e klasse.
Rath, rath, Oud-Iersche versterkte woning.
Rather, râdhə, eer(der), liever, vooral, in hoogere mate dan, vrij, tamelijk: It is rather cold to-day = vrij koud; Rather less = iets minder; That is rather too much of a good thing = dat is wel een beetje veel van het goede; I had (I would, I’d) rather = ik wou liever; I had rather not = ik wou liever niet; Cold, isn’t it? Rather! = koud, he! dat zou ik denken; You think it nice? (I do) rather! = vindt ge dit lekker? òf ik.
Ratification, ratifikeiš’n, bekrachtiging; Ratify, ratifai, bekrachtigen, goedkeuren.
Rating, reitiŋ, standje; schatting, rang: Persons of £20 rating = die £20 belasting betalen.
Ratio, reišiou, verhouding, reden.
Ratiocinate, rašiosineit, gevolgtrekkingen maken; Ratiocination = gevolgtrekking; Ratiocinative = logisch.
Ration, reiš’n, subst. rantsoen, portie; Ration verb. rantsoen geven, in rantsoenen verdeelen (out): On full rations = op heel rantsoen.
Rational, rašən’l, met rede begaafd: Man is a rational and moral being = de mensch is een redelijk, zedelijk wezen; Rational dress. Zie Bloomers = Rationals; Rationale, rašəneilî, opgaaf van redenen, beredeneerde opgaaf, rekenschap; Rationalism = godsdienst der rede, rationalisme; Rationalist = aanhanger van het rationalisme; Rationalistic = rationalistisch; Rationality = redelijkheid, gave der rede; Rationalize = rationalistisch denken; verstandelijk verklaren; subst. Rationalness.
Ratisbon, ratisbon.
Ratlin(e)s, ratlinz, weeflijnen (scheepst.).
Rattan, rətan, ratən, bamboes, Spaansch riet, wandelstok.
Ratteen, rətîn, ratijn (soort v. wollen stof); Rattinet, ratinet, dun en fijn ratijn.
Rattle, rat’l, subst. geratel, ratel, gereutel, rammelaar, gekakel, ijdel gesnap, babbelkous; Rattle verb. ratelen, rammelen, rochelen, reutelen, aframmelen; verlegen maken, verschrikken (Amer.); beknorren: The death-rattle = het rochelen of reutelen van een stervende; She rattled away for ten minutes = zij babbelde tien minuten achter elkaar door; He is a rattle-brain = malloot; Rattle-brained, Rattle-headed, Rattle-pated = onbezonnen, dwaas; Rattle-snake = ratelslang (Amer.); Rattlewort = klapperzaad; Rattling = opgewekt, uitstekend; subst. rammeling: To give a person a rattling = een rammeling geven; A rattling good light, portrait; He was in a rattling vein = zat op zijn praatstoel.
Raucous, rôkəs, ruw, schor.
Ravage, ravidž, subst. roof, plundering, verwoesting; Ravage verb. rooven, plunderen, verwoesten: Ravage of time = tand des tijds; Ravager.
Rave, reiv, ijlen, raaskallen, gek zijn, dol (verliefd) zijn op; Raver.
Ravel, rav’l, verwarren, inwikkelen: To ravel out = uitrafelen, ontwarren: My trousers were ravelled out at the heels = waren uitgerafeld; Ravel(ment) = verwikkeling.
Ravelin, ravlin, ravelijn (vestingbouw).
Raven, reiv’n, subst. raaf; ongeluksprofeet; adj. raafkleurig, zwart: Don’t be a raven = zie het niet zoo donker in; Raven locks.
Raven, rav’n, verslinden, rooven; Ravening = roofzucht; roofzuchtig; Ravenous = roofgierig, verslindend, vraatzuchtig; subst. Ravenousness.
Ravine, rəvîn, ravijn, bergkloof.
Ravish, raviš, ontrooven, verkrachten; verrukken: He was ravished with joy = verrukt, uitgelaten; Ravisher; Ravishing, verrukkelijk; Ravishment = roof, verkrachting, verrukking.
Raw, rô, subst. rauwe, zeere of pijnlijke plek; adj. rauw, ruw, guur, open, ontstoken, onervaren, onrijp, ongeoefend, niet afgereden, natuurlijk, ongelooid, ongesponnen, onverdund of onvermengd: Raw recruits = nog niet afgeëxerceerde recruten; Raw spirit = klare jenever; She is raw and awkward = onbedreven en onhandig; To touch a person (up)on the raw (upon the raw spot) = iemand in zijn zeer tasten; Raw-boned = mager, beenig; Raw-head: The raw-head and bloody bones = de bullebak met bebloeden kop en bloederige beenderen; Rawhide = ongelooide koehuid; grove rijzweep; subst. Rawness.
Ray, rei, subst. straal, licht; rog; Ray verb. stralen schieten, schitteren: Rayed animals = straaldieren; Rayless = duister, somber.
Raya(h), râjâ, niet-Mahomedaan in Turkije.
Rayleigh, reili; Raymond, reim’nd..
Raze, reiz, slechten, raseeren: The enemy’s fortress was razed to the ground = met den grond gelijk gemaakt.
Razor, reizə, scheermes; Razor verb. scheren, wegsnijden, vernauwen (down); Razor-back = vinvisch; zwijn of paard met spitsen rug; Razor-bill = alk; Razor-strap, Razor-strop = aanzetleder, scheerriem.
Razure, reižə, doorhaling, uitschrapping.
Razzia, ratsiə, râziə, rooftocht, overval, razzia.
Razzle-dazzle, raz’ldaz’l, duizelig (dronken) maken, beetnemen; subst. dronkenschap, herrie, zwendel.
Reabsorb, rîəbsöb, weder opslorpen; subst. Reabsorption, rîəbsöpš’n.
Reaccess, riaksəs, rîəkses, nieuwe toegang, terugkeer.
Reach, rîtš, subst. bereik, draagkracht, uitgestrektheid, bekwaamheid, rak; Reach verb. uitsteken, uitstrekken, aanreiken, overreiken, verkrijgen, bereiken: Reach of a river = rak; It was beyond my (not within my, out of my) reach = niet in mijn bereik, buiten mijn bereik (macht); He is out of reach of the police = hij is buiten bereik der politie; The king is a man of deep reach = een knappe kop; Reach of thought = scherpzinnigheid; He reached his jacket = kreeg, greep; This writer reaches his public = pakt, boeit; What should an author do to reach his readers? = te boeien; They could not reach at the ceiling = raken, met de handen komen aan; He reached forth both his arms = stak uit; He reached out with his long arms = stak uit; News has reached here that = er is hier bericht gekomen; Reach-me-down-clothes = gemaakte manskleeding, meest broeken.
Re-act, rî-akt, nogmaals doen of opvoeren; React, riakt, reageeren op, terugwerken; Reaction = terugwerking, reactie; Reactionary, subst. reactionair; adj. terug- of tegenwerkend; Reactive = reageerend, gevoelig voor (to), reactionair; subst. Reactivity.
Read, rîd; Imp. en P.P. red, lezen, aflezen, uitleggen, raden, doorzien, studeeren, luiden: They could not read the clock = op de klok zien; To read futurity = in de toekomst lezen; To read music = van ’t blad spelen of zingen; Read me that riddle = los me dat raadsel op; To read between the lines = tusschen de regels lezen; To read for an examination = studeeren voor; He read himself in = hield zijn intreerede; Can you read this off hand = dit zoo voor de vuist lezen? This may be read off both ways = gelezen worden op twee manieren; To read over the proofsheets = nalezen; He read out the 68th psalm = las hardop voor; To read to a person = iemand voorlezen; To read to oneself; I must read up for it first = er mij eerst inwerken; The book reads very well = laat zich goed lezen; The passage reads thus = de passage luidt aldus; To be better-, best-, ill-read = meer, het meest, weinig algemeen ontwikkeld; He is well-read in the classics = hij is goed thuis; Readable = leesbaar, lezenswaard; subst. Readableness; Reader = lezer, voorlezer, corrector, leesboek: The general reader = de lezer in ’t algemeen, de gewone lezer; Where is my English reader? Readership = lectoraat. Zie Reading.
Readiness, redinəs, gereedheid, bereidwilligheid, bereidvaardigheid, stiptheid: Readiness of mind (Readiness of wit) = tegenwoordigheid van geest; Readiness of speech = welbespraaktheid.
Reading, rîdiŋ subst. het lezen, voorlezing, belezenheid; discussie; adj. belust op lezen of studeeren, ijverig: I have done a lot of reading = hard gevost; The third reading of the bill will take place next week = de derde lezing (artikelsgewijze behandeling van het wetsontwerp); Balliol was not then a reading college = in het B. College werd destijds niet hard gestudeerd; I am not a reading man = ik houd niet van lezen; Reading-book = leesboek; Reading-desk (-stand) = lezenaar; Reading-lamp; Reading-party = excursie, studiereisje; Reading-room = leeszaal.
Reading, rediŋ.
Readjourn, rîədžɐ̂n, nogmaals verdagen; subst. Readjournment.
Readjust, rîədžɐst, opnieuw regelen en ordenen; subst. Readjustment.
Readmission, rîadmiš’n, wedertoelating; Readmission verb. Readmit; subst. Readmittance.
Readopt, rîədopt, weder aannemen.
Readorn, rîədön, opnieuw versieren.
Ready, redi, adj. gereed, klaar, bereid, snel, vlug, gemakkelijk, kort, geneigd, nabij, bij de hand, contant; Ready verb. klaar maken: Ready all! = klaar om te wenden! Ready for sea = zeilklaar (zeetermen); They made ready for the journey = zij maakten zich klaar voor de reis; Paid in ready money = contant; Ready-made = vooraf gemaakt: Ready-made clothing establishment = magazijn van confectie-artikelen; Ready-money transactions = handel à contant; Ready payment = contante betaling; Ready-reckoner = boek met tabellen om berekeningen gemakkelijk te maken; Ready-wit = gevatheid: He is a ready-witted fellow = hij is een gladde baas.
Reaffirm, rîəfɐ̂m, opnieuw bevestigen.
Reagent, rîeidž’nt, reageermiddel.
Reaggravation, rîagrəveiš’n, laatste vermaning (de Monitio peremptoria) aan den schuldige vóór de kerkelijke censuur over hem werd uitgesproken.
Real, rîəl, werkelijk, waar, echt, onvervalscht, voortreffelijk: Real estate, zie Estate; Real money = klinkende munt; Real presence = de werkelijke tegenwoordigheid van Christus bij het avondmaal; Realism = realisme; Realist = realist; Realistic = realistisch; Reality, rialiti, wezenlijkheid, werkelijkheid, feit: Realities of Irish life = het leven in Ierland; Realization, subst. v. Realize = verwezenlijken, uitwerken, bewerken, beseffen, werkelijk maken, realiseeren, betaald worden, halen: To realize a joke = snappen; To realize a price = opbrengen; Realness = Reality; Realty = vast goed, grondbezit.
Real, rîəl, reiəl, rial, reaal (Spaansche munt: ± 11 cent).
Reallege, rîəledž, opnieuw aanvoeren.
Realliance, rîəlaiəns, hernieuwd verbond.
Realm, relm, koninkrijk: Peer of the Realm = rijksgroote, lid van ’t Hoogerhuis.
Ream, rîm, subst. riem = 20 boek = 480 vel (Printer’s ream = 516 vel); Ream verb. verbreeden, rekken, uitboren; adj. echt, natuurlijk; Reamer = boorwerktuig.
Reanimate, rianimeit, bezielen, doen herleven; subst. Reanimation.
Reannex, rîəneks, opnieuw aanhechten; subst. Reannexation.
Reap, rîp, maaien (van koren), inoogsten, verkrijgen, verdienen; Reaper = oogster, maaier; Reaping-hook = sikkel; Reaping-machine = maaimachine; Reaping-time = oogsttijd.
Reapparel, rîəpar’l, weer kleeden.
Reappear, rîəpîə, opnieuw verschijnen; subst. Reappearance.
Reapply, rîəplai, opnieuw aanwenden, zich op nieuw wenden (tot).
Reappoint, rîəpôint, opnieuw aanstellen; subst. Reappointment.
Rear, rîə, subst. achterhoede, achterkant, achtergrond; adj. achterste, laatste: He was (in) at the rear, fell, moved to the the rear = was op den achtergrond (in de achterhoede), bleef achter, ging naar den achtergrond (de achterhoede); The sepoys brought up the rear = vormden de achterhoede; Rear-admiral = schout-bij-nacht; Rear-guard = achterhoede; Rear-line (Rear-rank) = achterste gelid; Rearward, subst. achterhoede, laatste troep; adj. naar de achterhoede, naar achteren.
Rear, rîə, verb. grootbrengen, opkweeken, fokken, bouwen, oprichten, steigeren: The horse reared and plunged = steigerde en sloeg achteruit.
Rearise, rîəraiz, weer opkomen.
Reascend, rîəsend, weder beklimmen; subst. Reascension.
Reason, rîz’n, subst. rede, vernuft, verstand, oordeel, recht, gematigdheid, billijkheid, reden, evenredigheid; Reason verb. redeneeren, overreden, bespreken: That’s the reason why I declined = daarom; To regain one’s reason = weer bij zijn verstand komen; To talk reason = zijn verstand gebruiken, verstandig praten; By reason of = wegens, van wege; For that very reason = juist om die reden; In reason = met mate; I will pay you any sum in (all) reason, which you may ask of me = elke billijke som; It stands to reason that I cannot go there = het spreekt vanzelf; He reasoned me into voting for that candidate = heeft mij bepraat om; I could not reason him out of his folly = kon hem zijne dwaasheid niet uit het hoofd praten; Reasonable = redelijk, voor redeneering vatbaar, billijk, matig: I shall be back by a reasonable hour = op behoorlijken tijd; Reasonable price; subst. Reasonableness; Reasoner = redeneerder; Reasoning = redeneering; Reasonless.
Reassemble, rîəsemb’l, opnieuw verzamelen of bijeenkomen.
Reassert, rîəsɐ̂t, opnieuw bevestigen, zich weer doen gelden; subst. Reassertion.
Reassign, rîəsain, weder toe- of aanwijzen.
Reassume, rîəsiûm, hervatten, hernemen; subst. Reassumption.
Reassurance, rîəšûrəns, subst. v. Reassure, rîəšûə, opnieuw verzekeren, geruststellen; Reassuring news, tidings = geruststellende berichten.
Reattach, rîətatš, opnieuw verbinden; subst. Reattachment.
Réaumur, Fr. uitspr.
Reavow, rîəvau, opnieuw betuigen.
Reay, rei.
Rebaptism, rîbaptizm, wederdoop; Rebaptize, rîbəptaiz, herdoopen.
Rebate, ribeit, subst. rabat, korting, speciale (verlaagde) vrachttarieven; soort v. harde zandsteen; Rebate verb. verminderen, rabat geven of korten; Rebatement = vermindering, korting.
Rebec(k), rîbek, ouderwetsche driesnarige viool.
Rebel, reb’l, subst. oproerling; adj. oproerig.
Rebel, ribel, oproer maken, in opstand komen, muiten: They rebelled against the lawful authority = kwamen in opstand tegen; Rebeller = Rebel; Rebellion, ribelj’n, opstand, oproer: The Great Rebellion = de Eng. revolutie van 1642–1660; de Amer. burgeroorlog van 1861–1865; Rebellious = oproerig; subst. Rebelliousness.
Reboant, reboənt, weerklinkend.
Reboil, rîbôil, opnieuw koken.
Rebound, ribaund, subst. terugstuiting, echo; Rebound verb. terugstuiten, weerklinken, weergalmen: Many a heart is caught in (on) the rebound = wanneer het nog bloedt na versmaad te zijn door een ander.
Rebuff, ribɐf, subst. terugstoot, weigering, afwijzing; Rebuff verb. terugdrijven, afwijzen: To meet with a rebuff.
Rebuild, rîbild, weder opbouwen.
Rebukable, ribjûkəb’l, wat berisping verdient; Rebuke, ribjûk, subst. berisping, standje; Rebuke verb. berispen, laken: He caught a rebuke = hij kreeg een standje; Rebukeful = berispend, bitter; Rebuker.
Rebullition, rîbuliš’n, opborreling, opkoking.
Rebury, rîberi, opnieuw begraven.
Rebus, rîbəs, rebus, devies (op een schild), waarbij de naam door eene teekenfiguur of een beeld wordt voorgesteld.
Rebut, ribɐt, terugslaan of -stooten, afweren, van repliek dienen, weerleggen; Rebuttal = weerlegging; Rebutter = antwoord van den beschuldigde na dat van den aanklager.
Recalcitrance (Recalcitrancy) rikalsitr’ns(i): Carlyle’s style excites recalcitrance in novices = wekt tegenspraak bij oningewijden; Recalcitrant, rikalsitr’nt, weerspannig, tegenstrevend; subst. weerspannige; Recalcitrate = zich verzetten, tegenstreven; subst. Recalcitration.
Recall, rikôl, subst. herroeping, terugroeping (het signaal daarvoor); Recall verb. herroepen, opzeggen, terugroepen, zich herinneren: That is past recall = onherroepelijk; These two officers are under recall and on their journey back = deze twee ambtenaren zijn teruggeroepen; To present one’s letters of recall = brieven van rappèl (van een gezant); I can’t recall it to mind = me niet herinneren.
Recant, rikant, herroepen; Recantation = herroeping: He made a recantation = hij herriep zijne bewering, trok ze in; Recanter.
Recapitulate, rîkəpitjuleit, in het kort herhalen; subst. Recapitulation; adj. Recapitulative, Recapitulatory: Recapitulation exercises = oefeningen ter herhaling.
Recaption, rikapš’n, terugname (van een wederrechtelijk onthouden bezit); Recaptor = hernemer, die het buit gemaakte terugneemt; Recapture, subst. herovering, heroverde prijs; Recapture verb. heroveren, terugnemen.
Recast, rikâst, opnieuw gieten of vormen, opnieuw bewerken, nogmaals berekenen; ook subst.: Sixth edition, recast and augmented = opnieuw bewerkte en vermeerderde uitgaaf.
Recede, risîd, teruggaan, terugloopen, zich terugtrekken, wijken: He receded into the background = hij trad op den achtergrond; Receder.
Recede, rîsîd, rîsîd, weder afstaan aan den vroegeren bezitter.
Receipt, risît, subst. ontvangst, het ontvangene, voorschrift, recept, kwitantie, reçu; Receipt verb. eene kwitantie geven, voor voldaan teekenen: A receipt for catching birds by putting salt on their tails = een middel om vogels te vangen; He is in the receipt of a good income = hij heeft een goed inkomen; On receipt of your favour of the 4th. inst. = na ontvangst van uw geëerde van 4 dezer; He acknowledged the receipt of my letter = berichtte de ontvangst; To give a receipt = kwitantie geven; Book of receipts and expenditures = van inkomsten en uitgaven; Receipt-stamp = kwitantiezegel.
Receive, risîv, ontvangen, toelaten, aannemen, erkennen, vinden, helen: It was generally received that he was in fault = men erkende algemeen; He was received into our club = werd opgenomen; To sit to receive on certain days = ‘jour’ houden; To receive or visit a pupil = lessen aan huis of buitenshuis geven; Received of Mr. N. = ontvangen van den Heer N. (op kwitanties); Received payment = ontvangen, betaald; Custom long received = oud gebruik; Receiver = ontvanger (ook instrument), heler, recipient, klok (luchtpomp): The receiver makes the thief = zonder heler geen steler; Receiver (in bankruptcy) = curator, bewindvoerder; Receiving: Receiving-office = kantoor voor het aannemen van pakketten, etc.; Receiving-ship = wachtschip (waarop de nieuwe matrozen blijven tot ze voor den dienst worden aangewezen).
Recency, rîs’nsi, frischheid, nieuwheid; Recent, rîs’nt, nieuw, versch, frisch, pas geleden (gebeurd): Recent English = het E. van onzen tijd; subst. Recentness.
Recension, risenš’n, critische tekstuitgaaf, herziene en verbeterde uitgaaf: The work exists in two different recensions = in twee verschillende critische uitgaven.
Receptacle, riseptək’l, vergaarbak, ontvanger, koker, vruchtbodem, vat.
Receptibility, riseptibiliti, ontvangbaarheid, ontvankelijkheid.
Reception, risepšn, ontvangst, receptie: They prepared a cordial reception for him = een hartelijke ontvangst; Receptive: His receptive faculties are very great = zijn opnemingsvermogen; Receptivity = receptiviteit, opnemingsgave; Receptor = ontvanger.
Recess, rises, opschorting of vacantie, vrij kwartier; afgelegen verblijf, schuilhoek, nis, alcoof: The Easter recess will not last more than two weeks = het Paaschreces; The inner recesses of the heart = de diepste schuilhoeken; The passage led to an inner recess = een verborgen hoek; Recession = verwijdering, terugtrekking, het afstand doen; Recessional = slot...; subst. gezang bij het uitgaan der kerk.
Rechabite, rekəbait, Rechabiet (Jez. XXXV, 5); geheelonthouder.
Recharge, rîtšâdž, opnieuw aanvallen of laden, eene tegenaanklacht indienen.
Recharter, rîtšâtə, opnieuw bevrachten.
Recheat, ritšît, subst. hoorngeschal om de honden terug te roepen als ze het spoor kwijt zijn; Recheat verb, een recheat doen weerklinken.
Recheck, rîtšek: The luggage (account) had to be rechecked first = moest eerst opnieuw gecontroleerd worden.
Recherché, Fr. uitspr. uitgezocht, fijn, keurig.
Recidivism, risidivizm, recidive; Recidivist = recidivist.
Recipe, resipi, recept.
Recipient, risipj’nt, subst. ontvanger; adj. ontvangend.
Reciprocal, risiprək’l, wederzijdsch, wederkeerig, afwisselend; ook subst. Reciprocality, risiprəkaliti = Reciprocalness = wederkeerigheid; Reciprocate, risiprəkeit, wederkeerig geven of aandoen, teruggeven, vergoeden: We have Reciprocated kindnesses = wij hebben eenige beleefdheden gewisseld; subst. Reciprocation; Reciprocity = wederkeerigheid, reciprociteit.
Recital, risait’l, voordracht, optelling, verhaal, solo, reciet: The recital of his story drew tears from the audience = het verhaal van zijne geschiedenis; Recitation = opzeggen, declamatie, voordracht; mondeling examen (Amer.); Recitative, resitətîv, recitatief (muz.); Recite, risait, opzeggen, voordragen: He recited Tennyson’s May-queen; Reciter = declamator.
Reck, rek, geven om, schelen: I do not reck = het kan me niet schelen; Little does he reck what are the consequences = om de gevolgen bekommert hij zich geen zier; Reckless = roekeloos, zorgeloos: I am reckless of his words = zijne woorden laten me volkomen koud; subst. Recklessness.
Reckon, rek’n, rekenen, onderstellen, houden voor, optellen (up), tellen, afrekenen: That cannot reckon as an English word = kan niet beschouwd worden; He was reckoned among your friends = geteld onder; The English reckon by pounds, shillings and pence = rekenen met, bij; Reckoning from what you say = te oordeelen naar; May I reckon on you? = op u rekenen; These things are too small to be reckoned up = te onbeduidend om opgeteld te worden; I cannot reckon it up = ik kan het me niet begrijpen; Modern thought is not reckoned with by him = hij houdt geene rekening met; He appeared to have reckoned without his host = hij bleek buiten den waard gerekend te hebben; Reckoner = rekenaar: He is a ready reckoner = vlug in het rekenen; Reckoning = berekening, rekening, schatting, gissing, bestek (scheepsterm): Even (short) reckonings make lasting (long) friends = effen rekening onderhoudt de vriendschap; You are out in your reckoning = gij zijt in uwe rekening mis, vergist u = You have lost your reckoning; To leave out of the reckoning = buiten rekening laten; Reckoning-book = boek van ontvangst en uitgaaf, journaal.
Reclaim, rikleim, terugroepen, op het rechte pad brengen (fig.), verbeteren, ontginnen, in cultuur brengen van droog gemaakt land; ontginnen; africhten, temmen: They reclaimed against such measures = kwamen in verzet tegen; He was reclaimed from his sinful ways by his friend = hij werd op het goede pad teruggebracht; adj. Reclaimable; Reclamation, rekləmeiš’n, eisch, verwering, protest, verbetering; ontginning: Scrooge’s reclamation was brought about by the three spirits = S.’s verbetering.
Reclination, reklineiš’n, subst. v. Recline, riklain, achterover leunen, overhellen, rusten, steunen; Reclining: Reclining-board = leun-plank (orthop.); Reclining-chair = verstelbare leuningstoel.
Reclose, rîklouz, opnieuw sluiten.
Recluse, riklûs, subst. kluizenaar; adj. eenzaam, afgezonderd; Recluseness = afzondering, eenzaamheid = Reclusion, riklûž’n; Reclusive, riklûsiv, eenzaam, teruggetrokken.
Recognition, rekəgniš’n, herkenning; erkenning, betuiging: In recognition of his many services = ter erkenning van; Recognitory = (h)erkennend; Recognizable, rekəgnaizeb’l, rikognizəb’l, rekəgnaizəb’l, herkenbaar; Recognizance, riko(g)niz’ns, erkenning, teeken, insigne, schriftelijke verplichting tot het betalen van een schuld, tot zich ordelijk gedragen, etc.: They had to enter into their own recognizances to keep the peace = zij moesten een schriftelijke verklaring afleggen (zich persoonlijk borgstellen), de orde niet weer te verstoren; Recognize, rekəgnaiz, herkennen, erkennen; Recognizee, riko(g)nizî, degene ten wiens behoeve voor de rechtbank dergelijke schriftelijke verbintenis wordt gegeven; Recognizor, riko(g)nizə, riko(g)nizö, afgever van dergelijke verbintenis.
Recoil, rikôil, subst. terugslag, wijking, terugsprong; Recoil verb. terugdeinzen, terugspringen, terugkomen, stooten: Their attacks will recoil on them = op henzelf weer neerkomen.
Recoin, rîkôin, opnieuw munten; subst. Recoinage.
Recollect, rîkəlekt, opnieuw verzamelen: To recollect oneself = zich beheerschen, tot nadenken komen.
Recollect, rekəlekt, zich herinneren: I can’t recollect having ever seen him before = kan me niet herinneren; Recollection = herinnering, zelf beheersching: You have grown out of all recollection = je bent zoo gegroeid, dat men je niet meer herkent; adj. Recollective.
Recolonize, rîkolənaiz, opnieuw koloniseeren.
Recombination, rîkombineiš’n, subst. v. Recombine, rîk’mbain, (zich) opnieuw verbinden of samenvoegen.
Recommence, rîkəmens, opnieuw beginnen; subst. Recommencement.
Recommend, rekəmend, aanbevelen, aanprijzen, aanraden: The jury recommended him to mercy; To recommend itself = zich aanbevelen; adj. Recommendable = aanbevelenswaardig; subst. Recommendableness; Recommendation: Letter of recommendation; Recommendatory = aanbevelings....: Recommendatory letter; Recommender.
Recommit, rîkəmit, opnieuw opdragen (overleveren), weder naar dezelfde commissie terugzenden: To recommit to prison = weer arresteeren; subst. Recommitment = Recommittal.
Recommunicate, rîkəmjûnikeit, opnieuw mededeelen.
Recompense, rek’mpens, subst. belooning, vergoeding; Recompense verb. beloonen, vergelden, schadeloos stellen; Recompenser.
Recompile, rîk’mpail, opnieuw verzamelen of samenstellen; subst. Recompilement.
Recompose, rîk’mpouz, opnieuw samenstellen, weder geruststellen, weder in orde brengen; subst. Recomposition.
Reconcilable, rek’nsailəb’l, verzoenbaar, vereenigbaar, bestaanbaar; Reconcile, rek’nsail, verzoenen, overeen- of tot harmonie brengen: To reconcile oneself to, To be (become) reconciled to = zich verzoenen met, zich schikken in; He felt more reconciled to his work = kreeg meer op met; How can you reconcile it to your conscience? = het met je geweten overeenbrengen; They were reconciled to each other and to their fate = zij verzoenden zich met elkander en met hun lot; Reconcilement = Reconciliation; Reconciliatory, rek’nsiliətəri, verzoenend.
Recondensation, rîkondənseiš’n, subst. v. Recondense, rîk’ndens, opnieuw verdichten.
Recondite, rek’ndait, rikondit, geheimzinnig, verborgen; afgetrokken, diepzinnig.
Reconduct, rîk’ndɐkt, terugleiden.
Reconfirm, rîk’nfɐ̂m, opnieuw bevestigen.
Reconnaissance, rəkonəs’ns, verkenning: Reconnaissance duty = verkenningsdienst = Reconnoissance.
Reconnoitre, rekənôitə, verkennen, opnemen: Reconnoitring party.
Reconquer, rîkoŋkə, opnieuw veroveren, herwinnen; Reconquest, rikoŋkwəst, herovering.
Reconsecrate, rîkonsikreit, opnieuw wijden; subst. Reconsecration.
Reconsider, rîk’nsidə, opnieuw in overweging nemen; Reconsideration.
Reconsignment, rîk’nsainm’nt, terugzending, hernieuwde zending.
Reconstitute, rîkonstitjût, opnieuw samenstellen; subst. Reconstitution.
Reconstruct, rîk’nstrɐkt, opnieuw samenstellen of bouwen; subst. Reconstruction; adj. Reconstructive.
Reconvene, rîk’nvîn, opnieuw bijeenkomen of roepen.
Reconversion, rîk’nvɐ̂š’n, wederbekeering; Reconvert = opnieuw bekeeren.
Reconvey, rîk’nvei, terugvoeren, overdragen op een vroegeren eigenaar; subst. Reconveyance.
Record, rekəd, gedenkschrift, getuigschrift, getuigenis, verleden, antecedenten, verhaal, register, officieel afschrift, rol of plaat voor phonograaf of gramophoon; kortste tijd, die geregistreerd is (sport): Court of Record = hof waar uitspraken in archief worden bewaard; Records = publieke documenten, protocollen, verslag van de hoofdzaken in een geding: Keeper of the records = archivaris, griffier; That is the most famous name (up)on record = in de geschiedenis vermeld; It is on indisputable record = het staat onomstootelijk vast; To bear record of = getuigen van; This skater has beaten (broken, cut) the record = heeft den besten tijd gemaakt, dus: het oude record geslagen; He has a clean record = een zuiver geweten; I will make a record of it = zal er een register of eene lijst van aanleggen; He wrote his record upon his generation (Amer.) = hij was in zijn tijd een man van beteekenis; Record-office = rijksarchief.
Record, riköd, aanteekenen, registreeren, opteekenen, vermelden, als historisch feit overleveren, zingen (van vogels): All the glorious names, recorded in history = in de geschiedenis opgeteekend; Recorder = archivaris, syndicus (de hoogste, door de regeering benoemde rechter in een Borough); registratie-apparaat (telegr.); soort fluit; Recordship; Recording-telegraph = druktelegraaf.
Recount, rikaunt, omstandig verhalen; rîkaunt, op nieuw tellen.
Recoup, rikûp, vergoeden, schadeloosstellen, een verlies herstellen: He recouped his energies in the Giant Mountains = herkreeg; I will recoup all losses you may incur by it = vergoeden; I lost more than this book is likely to recoup me for = waarschijnlijk zal opbrengen; I never attempted to recoup myself for the money spent so unnecessarily = mij schadeloos te stellen voor; subst. Recoupment.
Recourse, rikös, toevlucht, schadeloosstelling: I had recourse to him = nam mijne toevlucht tot hem.
Recover, rikɐvə, (doen) herleven, herstellen, te boven komen, herwinnen, herkrijgen, terugvinden, vergoeden, inhalen, bevrijden, redden: To recover one’s breath = weer op adem komen; To recover consciousness = bijkomen; He wanted to recover damages = schadevergoeding te krijgen; He could only recover second-class expenses = had slechts aanspraak op vergoeding van etc.; To recover shipwrecked goods = bergen; He couldn’t recover health = zijne gezondheid niet terugkrijgen; He recovered his legs = hij kwam weer op de been; He recovered his nerve = herkreeg zijne zelfbeheersching; He recovered his property = kreeg terug; He recovered himself = herstelde zich; He was recovered from the hands of his enemies = hij werd gered of bevrijd; Recoverability, subst. v. Recoverable = herkrijgbaar; subst. Recoverableness; Recovery = herstel, herkrijging: The patient is past recovery = hopeloos.
Recover, rîkɐvə, opnieuw bedekken.
Recreance, Recreancy, rekriəns(i), lafhartigheid, laagheid, afvalligheid; Recreant, rekriənt, laf, laaghartig, valsch; afvallig; ook subst.
Recreate, rekrieit, zich ontspannen, vermaken, verlustigen; Recreation, rekrieiš’n, ontspanning, afleiding; Recreative = opwekkend, ontspannend, versterkend.
Recreate, rîkrieit, opnieuw scheppen; Recreation, rîkrieiš’n, herschepping.
Recrement, rekriment, uitwerpsel, slakken; adj. Recrementitious.
Recriminate, rikrimineit, eene tegenbeschuldiging inbrengen; Recrimination = tegenbeschuldiging; Recriminative, Recriminatory = een tegenbeschuldiging bevattend; Recriminator = tegenbeschuldiger.
Recross, rîkros, nogmaals oversteken.
Recrudesce, rîkrudes, weer zeer worden, verergeren, weer uitbreken, weer opleven; subst. Recrudescence; adj. Recrudescent.
Recruit, rikrût, subst. rekruut, nieuweling; aanvulling; Recruit verb. recruteeren, versterken, herstellen, met nieuwe kracht bezielen, weer op krachten komen: Will you recruit the fire? = wat bij het vuur doen; To recruit the inner man = den inwendigen mensch versterken; He recruited his strength (flesh) on the Riviera = herwon zijne krachten; We must recruit him and set him on his legs again = hem versterken; A recruiting officer (sergeant) = werfofficier; Recruiting-money = handgeld; Recruiting-office = werfbureau; Recruiting-sergeant; Recruitment = recruteering, herstel, versterking.
Rectal, rektəl: Rectal douche = lavement.
Rectangle, rektaŋg’l, rechthoek; Rectangled, Rectangular, rektaŋgjulə, rechthoekig; Rectangularity = rechthoekigheid.
Rectifiable, rektifaiəb’l, wat verbeterd kan worden; Rectification = verbetering, rectificatie; Rectifier; Rectify, rektifai, herstellen, verbeteren; overhalen (door distillatie).
Rectilineal, rektilinj’l, rechtlijnig = Rectilinear.
Rectitude, rektitjûd, oprechtheid, eerlijkheid, juistheid: Unctious rectitude = huichelachtigheid.
Rector, rektə, bestuurder, rector, Anglikaansch geestelijke, die al de tithes (vroeger de great tithes, those in corn) van de Living ontvangt, doch geen dienst behoeft te doen; Rectorate, rektərit, rectoraat; rektəial, rəktôriəl, rectoraal, rector - -; Rectorship = betrekking of ambt van een rector; Rectory = pastorie, ambt van een rector.
Rectrix, rektriks, staartveer; mv. Rectrices, rektraisîz.
Rectum, rekt’m, endeldarm.
Recumb, rikɐmb, leunen, rusten; Recumbence, Recumbency = rust, leunende of liggende houding; Recumbent = leunend, rustend, lui.
Recuperate, rikjûpəreit, herstellen: She recuperated her health = herkreeg; Recuperation = herstel, herkrijging; Recuperative = herstellings - -: Recuperative power.
Recur, rikɐ̂, terugkeeren tot, terugkomen op, invallen, zijn toevlucht nemen tot: He recurred to it again and again = kwam er telkens op terug; It does not recur to me = valt me niet in; It recurred to my (mind) memory = schoot mij weer te binnen; Recurrence, Recurrency, rikɐr’ns(i), terugkeer, toevlucht: The word is of frequent recurrence in this book = komt herhaaldelijk voor; Recurrent, rikɐr’nt, telkens voorkomend; Recurring (rikɐ̂riŋ) decimal = repeteerende breuk.
Recurvation, rîkɐ̂veiš’n, subst. v. Recurve, rikɐ̂v, achterwaarts buigen of gebogen.
Recusance, Recusancy, rekjuz’ns(i), rikjûz’ns(i), hardnekkige weigering (van den godsdiensteed, van de geestelijke suprematie des konings); Recusant, rekjuz’nt, rikjûz’nt, weigerend; subst. weigeraar.
Recusation, rekjuzeiš’n, weigering, verwerping of wraking (van een rechter).
Red, red, rood; subst. rood, roode, roode wijn; (Reds = roodhuiden); Bright red = helder-rood; Deep red = donkerrood; He is red on it = hij is er op verzot; To go red in the face = blozen; Red-backed shrike = grauwe klauwier; Red-book = staatsalmanak, adelsboek; Redbreast = roodborstje; Red cabbage; Redcap = goudvink; Red-chalk = rood krijt; Red-coat = soldaat; Redcock crowing = brandstichting, den rooden haan laten kraaien (Schotl.); Red-cross banner = banier met het roode kruis v. St. George; Red-cross societies; Red currant = roode (aal)bes; Red deer = edelhert; Red grouse = sneeuwhoen; Red-gum = huiduitslag (bij kinderen); roest (in koren); Red-hand(ed) = op heeter daad: He was caught red-handed = op heeter daad betrapt; red-herring = bokking; Red-hot = gloeiend heet; Red-lattice = roode jalouzieën van kroegen en bordeelen: Red-lattice phrases = gemeene taal; Red lead = roode menie; Red-letter day = gelukkige dag (omdat de heiligendagen rood gemerkt waren in de almanakken); All red-line = route geheel over Engelsch gebied; Redpoll = roodharig rund zonder horens; Red ribbon = ordelint van de Bathorde; brandy; Red Sea = Roode zee; Red-shanks = tureluur; Bergschot; Red-short = roodbreukig (v. ijzer); Redskin = Roodhuid, Indiaan; Redstart = roodstaartje; Red-tape = rood lint voor het binden van akten; adj. bureaucratisch; Red-tapism = bureaucratie; Red-tapist = bureaucraat; Redwing = koperwiek; Redwood = roodhout; Redden = rood worden, blozen; Reddish = roodachtig; Reddle = rood krijt.
Redact, ridakt, redigeeren; Redaction = het redigeeren of geredigeerde.
Redan, ridan, schans met uit- en inspringende hoeken; trap (Archit.).
Redeem, ridîm, terugkoopen, verlossen, loskoopen, vervullen (van woord of belofte), boeten voor, goedmaken, benuttigen, verlossen: He has redeemed his wicked deeds = goedgemaakt; To redeem a promise = vervullen; Jesus has redeemed mankind = Jezus heeft het menschdom verlost; Redeemable = (af)losbaar; subst. Redeemableness; Redeemer = Verlosser; The one redeeming feature = de eenige goede trek.
Redeliver, rîdilivə, weder afleveren, nogmaals bevrijden, rapporteeren; subst. Redeliverance = Redelivery.
Redemand, rîdimând, terugvorderen.
Redemption, ridemš’n, loskooping, verlossing, vrijkooping, lossing: Power of redemption = recht tot terugkoop; Past redemption = reddeloos verloren; Redemptionist = Redemptorist, lid van de orde van den Heiligen Verlosser; Redemptive = verlossend; Redemptorist, redemptorist, ligurist; Redemptory price (sum) = losgeld, losprijs.
Redingote, rediŋgout, jas.
Redintegrate, ridintəgreit, verb. vernieuwen, weer volkomen maken; adj. vernieuwd; Redintegration = vernieuwing.
Redirect, rîdirekt, opzenden (van brieven door ze van een nieuw adres te voorzien).
Redistribute, ridistribjût, opnieuw uitdeelen; subst. Redistribution; adj. Redistributive, Redistributory.
Redivivus, ridivaivɐs, herleefd.
Redolence, Redolency, redəlens(i), geur, welriekendheid; adj. Redolent, redəlent: The air in the room was redolent of attar of roses = was bezwangerd met.
Redouble, ridɐb’l, verdubbelen.
Redou(b)t, ridaut, reduit (vestingbouw).
Redoubtable, ridautəb’l, geducht, gevreesd = Redoubted.
Redound, ridaund, weer neerkomen, terugvallen, strekken: No small profit redounds from this business to you = vloeit voort; All this redounds on you = valt op u terug; That will redound to the credit and advantage of our cause = strekken tot.
Redowa, redəwa, Boheemsche dans; muziek daarbij.
Redraft, rîdrâft, subst. tweede afschrift of afdruk; herwissel; Redraft verb. opnieuw opstellen (ontwerpen, teekenen).
Redraw, rîdrô, opnieuw (een wissel)trekken.
Redress, ridres, subst. herstel (van grieven, b.v.), vergoeding; Redress verb. verhelpen, herstellen, vergoeden: To obtain redress; Redressable = wat verholpen kan worden; Redressment = herstel.
Reduce, ridjûs, terugleiden, terugbrengen tot een vroegeren toestand, verlagen, dégradeeren, ten onder brengen, verminderen, verkleinen, reduceeren, intoomen, rangschikken: To reduce to ashes = tot asch verbranden; His family was reduced to beggary (poverty) = tot den bedelstaf gebracht; The account was reduced to half its amount = werd tot op het halve bedrag teruggebracht; This startling order reduced us all to powder = we stonden ‘paf’ van; To reduce to submission = tot onderwerping brengen; The sergeant was reduced to the ranks = werd tot soldaat gedegradeerd; In reduced circumstances = armoedige; A reduced copy = verkleinde copie; A reduced family = verarmde; Reducer; Reducible, ridjûsib’l: To be reducible to = herleidbaar tot; Reduction, ridɐkš’n, reductie, terugbrenging, overwinning, onderwerping, vermindering, rabat, verkleining, herleiding: Reduction of fractions to a common denominator = gelijknamig maken van breuken; Reductive = verminderend, reduceerend; ook subst.
Redundance, Redundancy, ridɐnd’ns(i), overtolligheid, overdaad; This word is redundant = overtollig, te veel.
Reduplicate, ridjûplikit, herhaald; subst. verdubbeling; Reduplicate verb. ridjûplikeit, verdubbelen, herhalen; subst. Reduplication; adj. Reduplicative.
Ree, rî, reis, Portugeesche of Braziliaansche muntéénheid. Zie Reis.
Re-echo, rî-ekou, weergalmen, weerklinken.
Reed, rîd, riet, herdersfluit, tongetje, mondstuk, weverskam; Reed-bird = rijstvogeltje (Amer.); Reed-fence = rietscherm; Reed-grass = riet; Reedy = vol riet, rieten, rietachtig; brouwend.
Reef, rîf, subst. rif; reef; Reef verb. reven; Reef-earing = steekbout (scheepst.); Reefer = een soort jekker = Reefing-jacket; Reefy = vol riffen.
Reek, rîk, subst. damp, rook; Reek verb. dampen, rooken: The battle-field was reeking with blood; The floor reeked with recent scrubbing; Reeky = vuil, zwart, rookerig.
Reel, rîl, subst. haspel, klos; waggelende gang, Schotsche dans; Reel verb. op een haspel of klos winden, draaien; waggelen, dansen: He knows it off the reel = op zijn duimpje; I am for settling matters off the reel = ik maak de zaken graag zonder talmen en gezeur in orde; His head reels = zijn hoofd draait met hem in het rond; He reeled from the pothouse = kwam waggelend uit; To reel off a story = aframmelen.
Re-elect, rî-ilekt, nogmaals kiezen, herkiezen; Re-election = herkiezing; Re-eligibility, subst. v. Re-eligible, ri-elədžib’l, herkiesbaar.
Re-embark, rî-əmbâk, (zich) opnieuw inschepen; subst. Re-embarkation.
Re-embody, rî-əmbodi, nogmaals belichamen of inlijven.
Re-emerge, rî-imɐ̂dž, weder bovenkomen; subst. Re-emergence.
Re-enact, rî-ənakt, nogmaals bepalen of voorschrijven of opvoeren; subst. Re-enaction = Re-enactment.
Re-enforce, rî-ənfös. Zie Reinforce.
Re-enter, rî-entə, opnieuw binnentreden; subst. Re-entrance; Re-entrant = inspringend.
Re-establish, rîəstabliš, opnieuw vestigen, herstellen; subst. Re-establishment.
Reeve, rîv, subst. baljuw; kemphaan (het wijfje); Reeve verb. inscheren (scheepst.).
Re-examination, rîəgzamineiš’n, subst. v. Re-examine, rîəgzamin, nogmaals ondervragen.
Re-exchange, rîəkstšeinž, omwisseling, herwissel; ook verb.
Re-export, rîekspöt, wederuitvoer = Re-exportation.
Re-export, rîəkspöt, weder uitvoeren.
Refection, rifekš’n, verversching, kleine maaltijd; Refective, lavend; subst. lafenis.
Refectory, rifektəri, eetzaal, refectorium (in kloosters); lokaal voor ververschingen.
Refer, rifɐ̂, verwijzen, terugvoeren, in handen stellen (voor consideratie en afdoening), nasporen, toewijzen, een beroep doen op, zich wenden tot, betrekking hebben op, raadplegen: The matter was referred to his decision = hem ter beslissing voorgelegd; I refer to the very words you spoke = ik beroep mij op (verwijs naar); He referred to a passage unknown to me = had het oog op; Referable, refərəb’l, verwijsbaar, betrekkelijk, toe te schrijven; Referee, refərî, scheidsrechter, deskundige; Referee verb. toezien op; Reference, refərens, verwijzing, betrekking, beslissing, iemand tot wien, of iets waartoe men zich om inlichtingen kan wenden: In reference to what you said just now = met betrekking tot; For references apply to editor = men wende zich tot den redacteur om inlichtingen; This adverb has no reference to the principal verb = slaat niet op; To look up references = plaatsen waarnaar verwezen wordt opzoeken; References required with application = reflectanten gelieven hunne referentiën op te geven; Many books (works) of reference are at the reader’s disposal = vele encyclopedieën, woordenboeken, enz.; Referential, refərenš’l, betrekking hebbende op; Referrible = Referable: That is referable to what he asserted = kan in verband worden gebracht.
Refine, rifain, zuiveren, louteren, raffineeren, beschaven: Refined manners, language, morals = beschaafde manieren en taal, verfijnde zeden; Refined sugar = geraffineerde; Refinement = zuivering, loutering, beschaving, vorming, gemaaktheid, spitsvondigheid; Refiner = beschaver, zuiveraar, raffinadeur; haarkloover, uitpluizer; Refinery = Refining-works = raffinaderij.
Refit, rîfit, subst. het herstellen of kalfaten; Refit verb. herstellen, opnieuw uitrusten, kalfaten; subst. Refitment.
Reflect, riflekt, terugkaatsen, terugwerpen, weerspiegelen, weerkaatsen; overdenken, overpeinzen, zich ongunstig uitlaten over, hatelijke opmerkingen maken (on); een ongunstig licht werpen op: He wanted me to reflect on his proposal = na te denken over; That reflects on the memory of my deceased friend = dat werpt een smet op; Reflection, riflekš’n, terugkaatsing, weerspiegeling, overdenking, berisping, verwijt, kritiek: Do not say so, lest it seem a reflection on your benefactor = het mocht eens een verwijt aan uw weldoener schijnen; Reflective = terugkaatsend, overwegend; Reflector = reflector.
Reflex, rîfleks, subst. weerkaatst beeld of licht, reflexbeweging; Reflexibility = weerkaatsbaarheid; adj. Reflexible; Reflexive = wederkeerend, weerkaatsbaar, terugslaand (op iets verledens): Reflexive verb.
Reflourish, rîflɐriš, opnieuw bloeien.
Reflow, riflou, terugvloeien, ebben.
Refluence, Refluency, refluens(i), terugvloeiing; adj. Refluent; Reflux, rîflɐks = ebbe: Flux and reflow = vloed en ebbe.
Reform, riföm, subst. verbetering, hervorming; Reform verb. hervormen, (zich) verbeteren: I reformed him of his negligence = heb hem afgeleerd; Reform Act (Reform Bill) = wet tot betere regeling van het Engelsche kiesrecht (van 1832; uitgebreid in 1867 en 1884/85); Reform-school = tuchtschool (Amer.); Reformation, refəmeiš’n, hervorming, verbetering: House of reformation; Reformative = hervormend, verbeterend; Reformatory, subst. verbeteringsgesticht (= Reform school); adj. verbeterend; The Reformed Church = Hervormde Kerk; Reformer = hervormer; Reformist = hervormingsgezinde.
Refortification, rîfötifikeiš’n, subst. v. Refortify, rîfötifai, opnieuw versterken.
Refract, rifrakt, breken (van stralen): Refracted rays = gebroken lichtstralen; Refraction = straalbreking: Angle of refraction = brekingshoek; Refractive = brekend (van stralen), brekings - -; Refractor = refractor; Refractoriness, subst. v. Refractory = weerspannig, weerbarstig; moeilijk smeltbaar: Refractory to cholera = immuun tegen.
Refrain, rifrein, subst. refrein.
Refrain, rifrein, (zich) weerhouden of inhouden, bedwingen, nalaten: He refrained from saying this = onthield zich; He could not refrain from weeping = kon niet inhouden.
Refrangibility, rifranžibiliti, subst. v. Refrangible, rifranžib’l, breekbaar; subst. Refrangibleness.
Refresh, rifreš, verfrisschen, ververschen, opwekken, verkwikken, proviand innemen: Refreshing news = opwekkend nieuws, prettige tijding; Refresher = opfrissching; extra honorarium aan een barrister ter bespoediging van eene zaak die lang duurt; Refreshment = verversching, opwekking: To take refreshment; Refreshment-bar = “bar”; Refreshment-room = restauratiezaal; Refreshment-Sunday = vierde Zondag in de vasten.
Refrigerant, rifridžər’nt, verkoelend of afkoelend (middel); Refrigerate = afkoelen, koel houden: Refrigerating-chamber = koelkamer, ijskast; Refrigeration = afkoeling, ijsbereiding; Refrigerator = koelkan, koelvat, koelkamer = Refrigeratory; adj. verkoelend.
Refuge, refjûdž, schuilplaats, toevlucht, asyl, hulp- of redmiddel, uitvlucht, vluchtheuvel: He was obliged to take refuge with his enemies = eene schuilplaats te zoeken bij; He took refuge to the wood = nam de wijk; A loud cry was raised for the fire-escapes, but these refuges had been removed = deze hulpmiddelen had men verwijderd; The cities of refuge = de zes vrijsteden (Jos. XX); House of refuge = asyl voor dakloozen; Refugee, refjudžî, vluchteling, uitgewekene.
Refulgence, rifɐldž’ns; glans, schittering; adj. Refulgent.
Refund, rifɐnd, terugbetalen, vergoeden; subst. Refundment.
Refurbish, rîfɐ̂biš, opnieuw bruineeren, polijsten.
Refusal, rifjûz’l, weigering, keus, optie: If this gentleman leaves, you can have the refusal of his room = kunt u zijn kamer krijgen zoo u verkiest; My proposal met with a flat refusal = werd kortweg afgeslagen; Refuse, rifjûz, weigeren, afslaan: The horse refused the hedge = wou niet over de heg springen; He refused himself all the comforts of life for the sake of his children = ontzegde zich alle levensgenot.
Refuse, refjûs, refjûz, subst. afval, uitschot; adj. waardeloos: Refuse consumer = verbrandingsoven; Refuse iron = oud ijzer; Refuse milk = afgeroomde; Refuse parts = afval.
Refutable, rifjûtəb’l, refjutəb’l, weerlegbaar; Refutation, refjuteiš’n, weerlegging; Refutatory, rifjûtətəri, weerleggend; Refute, rifjût, weerleggen; Refuter.
Regain, rigein, herwinnen, weder bereiken: We couldn’t regain home in time = op tijd thuis zijn.
Regal, rîg’l, koninklijk.
Regale, rigeil, onthalen (op = with), vergasten, zich te goed doen; subst. feestmaal, lekkernij; Regalement = verversching, onthaal.
Regalia, rigeiljə, teekenen der koninklijke waardigheid, onderscheidingsteekenen der vrijmetselaars; privileges aan de Eng. Staatskerk verleend; (merk)sigaar: I am in regalia = in groot tenu, piekfijn.
Regality, rigaliti, koninklijke waardigheid.
Regan, rîgən.
Regard, rigâd, subst. blik, aandacht, overweging, achting, eerbied, opzicht, betrekking; Regard verb. waarnemen, letten op, aanschouwen, beschouwen, achten, hoogschatten, geven om, aangaan: In regard of; In, With regard to = in of met betrekking tot; I am, with kindest regards, yours faithfully = na vriendelijke groeten; Give my best (kindest) regards to = groet hartelijk van me; We still had a regard for him = hadden nog genegenheid voor hem; Having no regard to the surrounding dangers = niets gevende om; We must leave that out of regard altogether = heelemaal buiten beschouwing laten; Will you pay him my regards? = hem mijne complimenten doen; To send one’s kind regards to = laten groeten; As regards the labour-question, it demands an early solution = wat de arbeidskwestie aangaat; Regardant = omziende (herald.); Regarder; Regardful = oplettend, eerbiedig: He is regardful of his interests = houdt goed in het oog; Regarding = betreffende, met betrekking tot; Regardless of his duties = onverschillig voor.
Regather, rîgadhə, opnieuw verzamelen.
Regatta, rigatə, roei-, zeilwedstrijd.
Regelation, rîdžəleiš’n, aaneenvriezing van twee stukken ijs.
Regency, rîdž’nsi, regentschap.
Regeneracy, ridženərəsi, wedergeboorte, herleving; Regenerate, ridženərit, wedergeboren; Regenerate verb. (ridženəreit), opnieuw voortbrengen, nieuw vormen, wedergeboren worden; Regeneration, rîdženəreiš’n, herleving; wedergeboorte: Baptismal regeneration = wedergeboorte door den doop; Regenerative = vernieuwend, herlevend = Regeneratory; Re-genesis, ridženisis = vernieuwing, nieuwe wording.
Regent, rîdž’nt, subst. regent, bestuurder; adj. regeerend: Prince Regent; Queen Regent = Koningin-Regentes; Regentship = regentschap.
Reggy, redži.
Regicidal, redžisaid’l, tot een regicide behoorende; Regicide, redžisaid, koningsmoord(enaar).
Regimen, redžim’n, regeering; dieet, leefregel: I am under a regimen = ik leef op dieet.
Regiment, redžiment, regiment; Regimental, redžiment’l, regiments...: The regimental band = de regimentsmuziek; Regimentals = uniform.
Regina, ridžainə, Regina; Reginald, redžin’ld.
Region, rîdž’n, streek, gewest: I feel a pain in the region of the stomach = maagstreek.
Register, redžistə, subst. register, protocol, meetbrief, jaarboek (Registers), kiezerslijst, verslag, gedenkschrift, sleutel of schuif (van kachelpijp); Register verb. registreeren, inschrijven, op de kiezerslijst plaatsen, aanteekenen: Hotel register = vreemdelingenboek; The parish register = de registers van den burgelijken stand; Register-office = registratiekantoor, bureau van den burgerl. stand, verhuurkantoor voor dienstboden; Register-thermometer = zelfregistreerende thermometer; Register-ton = ruimtemaat voor schepen (= 2,8316 M.3); His name was entered in the register = werd ingeschreven op de lijst; To make register = registeren (boekdruk.); I wish to have this letter registered = te laten aanteekenen; I had my luggage registered = liet mijne bagage inschrijven; To register a vow = zichzelf plechtig beloven; Registered bonds = obligaties op naam; Registered holders = houders van obligatiën op naam; Registrar, redžistrâ, redžistrə, bewaarder der registers, ambtenaar van den burgerlijken stand: Register-General = hoofdambtenaar bij de registers van den burgerlijken stand; Register’s Statistics, Returns = bevolkingsstatistieken; Registration, redžistreiš’n = inschrijving van geboorte, sterfgevallen, kiezers (= Registration of voters): Registration-fee = kosten van inschrijving; Registration-list = kiezerslijst; Registration-office = bureau van den burgerl. stand; verhuurkantoor; Registry, redžistri, inschrijving, registratie-bureau.
Regius, rîdžiəs, koninklijk: Regius professor = bekleeder van een der leerstoelen, door Hendrik VIII aan de Engelsche hoogescholen gesticht.
Reglet, reglət, zetlijn; plat lijstje.
Regnal, regn’l, regeerings...: Regnal years = regeeringsjaren; Regnancy, regn’nsi, regeering, heerschappij; Regnant = regeerend.
Regorge, rîgödž, weer uitbraken.
Regrant, rîgrânt, subst. hernieuwde vergunning; Regrant verb. opnieuw verleenen.
Regress, rigres, teruggaan; subst. rîgres = Regression = teruggang, terugkeer; Regressive = teruggaand.
Regret, rigret, subst. spijt, berouw: Regret verb. treuren om, bejammeren: To feel regret at; I regret your having done this = het spijt mij; It is to be regretted = het is te betreuren; Regretful = vol spijt of berouw; Regrettable = betreurenswaardig.
Regular, regjulə, regelmatig, geregeld, normaal, stipt, periodiek, echt, flink, tot eene kloosterorde behoorende; subst. ordebroeder, vaste klant, stamgast (Regulars = Regular troops = de geregelde troepen): He is a regular fool = hij is een echte gek; I am as regular as clockwork = een man van de klok; Regularity, regjulariti, regelmatigheid, gelijkmatigheid, methode: Regulate, regjuleit, regelen, ordenen; Regulation, regjuleiš’n, subst. regeling, schikking, voorschrift, statuut, reglement; adj. overeenkomstig het bevel of reglement: Regulation chargers = dienstpaarden; Regulation boot (dress, sword) = model - - -; A regulation joke = vaste ui of aardigheid; The regulation of the Rhine = normaliseering; Regulative = regelend; Regulator = regelaar, gangkruk (locomot.), regulateurklok, regulateur; Regulatory = Regulative.
Regulus, regjulɐs, Regulus (een vaste ster in het beeld “Leeuw”); goudhaantje.
Regurgitate, rigɐ̂džiteit, terug (laten) stroomen; subst. Regurgitation.
Rehabilitate, rîhəbiliteit, herstellen (in vroegere rechten of positie), rehabiliteeren; subst. Rehabilitation.
Rehear, rîhîə, nogmaals hooren of onderzoeken; Rehearing = tweede onderzoek, revisie.
Rehearsal, rihɐ̂s’l, herhaling, repetitie (van tooneelstukken, etc.), verhaal: The rehearsal of his experiences made us shudder = het verhaal van zijne ervaringen; Rehearse, rihɐ̂s, repeteeren, opzeggen; Rehearsalr.
Reid, rîd; Reigate, raigit.
Reign, rein, subst. regeering, macht, overwicht, invloed; Reign verb. heerschen, regeeren: It happened in the reign of Queen Victoria = onder de regeering van: The king reigns, his ministers govern = de koning regeert, zijne ministers besturen; A reigning disease = eene algemeen heerschende ziekte.
Reillume, rîil(j)ûm, Reilluminate, rîil(j)ûmineit, Reillumine, rîil(j)ûmin, opnieuw verlichten; Reillumination.
Reim, rîm, riem (Zuid-Afrika).
Reimbark, rîimbâk, (zich) weer inschepen.
Reimbody, rîimbodi, opnieuw inlijven.
Reimburse, rîimbɐ̂s, terug betalen, dekken, schadeloos stellen: He was reimbursed for the costs of his trial = de proceskosten werden hem vergoed; Reimbursing yourself for your charges = na aftrek der door u gemaakte kosten; subst. Reimbursement = rembours, etc.; Reimburser.
Reimport, rîimpöt, opnieuw invoeren; subst. Reimportation.
Reims, rîmz.
Rein, rein, subst. teugel, bestuur; Rein verb. besturen, beteugelen, zich laten besturen: To draw rein = inhouden, stilhouden; He gave the reins to his folly = liet den vrijen loop; To give a loose rein to = den vrijen loop laten aan; To hold the rein(s) of (the) government; He holds a tight rein over the boys = hij houdt streng in toom, hij rijdt ze op de stang; He lets the rein loose at times = laat nu en dan glippen; I wish you would take the reins = dat gij de teugels aanvaarddet, het bestuur in handen naamt; He reined in the horses = hij hield de paarden in, bracht ze tot staan.
Reindeer, reindîə, rendier.
Reinforce, rîinfös, versterken; subst. versterking: Reinforcement = versterking.
Reins, reinz, nieren, lendenen.
Reinstal, rîinstôl, weder installeeren; subst. Reinstal(l)ment.
Reinstate, rîinsteit, in vroegere positie herstellen: He was reinstated in his office = werd in zijn ambt hersteld; subst. Reinstatement.
Reinsurance, rîinšûr’ns, herverzekering; Reinsure, rîinsšûə, herverzekeren; Reinsurancer.
Reintegrate, rîintigreit, hernieuwen, herstellen; subst. Reintegration.
Reinvest, rîinvest, opnieuw bekleeden met (aanstellen); subst. Reinvestment.
Reinvigorate, rîinvigəreit, opnieuw bezielen (sterken).
Reis, rei-is, rîz, reis, reis (koperen munteenheid in Portugal en Brazilië).
Reis, rais, reis, titel van hooge Oostersche ambtenaren, scheepskapitein: Reis effendi = vroegere titel van den Turkschen Groot-Vizier.
Reissue, rîišû, subst. nieuwe uitgave of uitgifte; Reissue verb. opnieuw uitgeven of in omloop brengen.
Reiterate, riitəreit, telkens herhalen; subst. Reiteration, riitəreiš’n; adj. Reiterative.
Reject, ridžekt, verwerpen, van zich af gooien, afwijzen, uitschieten, uitspuwen; subst. Rejects = uitschot; My suit was rejected = mijn aanzoek werd verworpen, van de hand gewezen; Rejectable = verwerpelijk; Rejecter; Rejection = verwerping, afwijzing; Rejective = verwerpend.
Rejoice, ridžôis, (zich) verheugen, verblijden: I rejoice at your having come = ik ben blij dat ge gekomen zijt; Rejoicer; Rejoicing = vreugdebetoon, feestelijkheid: Great rejoicings on the occasion of the Queen’s accession.
Rejoin, ridžoin, weder vereenigen, antwoorden, hernemen; Rejoinder = antwoord, bescheid, dupliek.
Rejoint, rîdžôint, weder samenvoegen, opnieuw voegen (van metselwerk).
Rejuvenate, ridžûvəneit, Rejuvenescence, Rejuvenescency, ridžûvənes’ns(i), verjonging; Rejuvenescent = verjongend, verjongings...; Rejuvenize, ridžûvənaiz, verjongen.
Rekindle, rîkind’l, opnieuw aansteken of aanwakkeren.
Reland, rîland, nogmaals landen of ontschepen.
Relapse, rilaps, subst. wederinstorting (ziekte), het weder vervallen (tot vroegere verkeerdheden, enz.), weer dalen (van prijzen); Relapse verb. weder instorten, weder vervallen (tot slechtheid of zonde); Relapser; Relapsing fever = terugkeerende koorts.
Relate, rileit, verhalen; toeschrijven of terugbrengen tot, betrekking hebben op; Related = verwant, in zekere betrekking staande tot; Relater = verhaler; Relation, rileiš’n, verhaal: betrekking, verhouding, verwantschap, bloedverwant, overeenkomst: “Are not those Comptons relations of yours?” “Connections,” said John, “by marriage”; They bear no relation to each other = hebben geene overeenkomst met elkander, staan tot elkaar in geenerlei betrekking of verhouding; Relationship = bloedverwantschap; Relative, relətiv, subst. bloedverwant; betrekking hebbend woord, betrekkelijk voornaamwoord; adj. betrekkelijk: That is not relative to what he said = heeft niets te maken met; The bomb did relatively little damage = betrekkelijk; The number of good books is relatively insignificant = naar verhouding; subst. Relativeness; Relativity, relətiviti = betrekkelijkheid, verwantschap, verhouding: The relativity of all human knowledge = de betrekkelijkheid.
Relax, rilaks, verslappen, verzachten, minder streng of stipt doen zijn; laxeeren, ontspannen: Now she would be cruel, then relax into tenderness again = werd ze weer erg teeder en gevoelig; Relaxant = laxeermiddel; Relaxation = verlichting, ontspanning, verslapping; Relaxative, laxeerend, verzachtend.
Relay, rilei, nieuwe paarden, honden, manschappen om af te lossen; poststation; Relay dogs, Relay horse: We got a relay of horses every two hours.
Relay, rîlei, opnieuw leggen of plaatsen.
Release, rilîs, subst. bevrijding, vrijlating, verlossing, afstand; Release verb. ontslaan, vrijlaten (from = uit), afstaan: Deed of release = acte van afstand; Releasee, rilîsî, iemand, ten wiens behoeve men afstand doet; Releasement = bevrijding, etc.; Releaser = Releasor.
Relegate, religeit, verbannen, sjeezen (v. studenten), verwijderen, verwijzen: This remark might have been relegated to a footnote = ware beter op hare plaats geweest onder aan de bladzijde in eene noot; The student was relegated to his former pleasures = werd gesjeesd en kon zijne vroegere genoegens weer opvatten; subst. Relegation.
Relent, rilent, toegeven, minder hardvochtig of streng worden, zich laten vermurwen; Relenting = toegevend; Relentless = meedoogenloos; subst. Relentlessness.
Relet, rîlet, opnieuw verhuren.
Relevance, Relevancy, reləv’ns(i), betrekking, toepasselijkheid; His answer bore no relevance to my question, was not relevant to my question = was niet toepasselijk (sloeg niet) op mijne vraag; This question is not relevant = ongepast, heeft niets met de zaak te maken.
Reliability, rilaiəbiliti, vertrouwbaarheid: Reliability trial = vertrouwbaarheidsrit; Reliable, rilaiəb’l, be- of vertrouwbaar; subst. Reliableness; Reliance, rilaiəns, vertrouwen: To have reliance (up)on, in = vertrouwen hebben op, in; You cannot place any reliance on him = in hem geen vertrouwen stellen, niet op hem rekenen; adj. Reliant.
Relic, relik, reliquie, overblijfsel, aandenken: Relics = (stoffelijk) overschot; Relics of the past; Relict, relikt, weduwe, weduwnaar.
Relief, rilîf, verlichting, verzachting, onderstand, bevrijding, ontzet, aflossing, hulp, bijstand, relief: Indoor relief = opneming in het Workhouse, of het Ziekenhuis daaraan verbonden; Outdoor relief = ondersteuning aan huiszittende armen; Parish relief = onderstand der burgerlijke gemeente; To apply for relief = om onderstand vragen; To bring into relief = doen uitkomen; I came to his relief in the right nick of time = ik kwam hem net op tijd te hulp; To give relief = onderstand verleenen; Relief-work = werkverschaffing; Relieve, rilîv, verlichten, lucht geven aan, opbeuren, steunen, onderstand geven, aflossen, ontzetten, doen uitkomen, afzetten: The soldiers were relieved guard = afgelost; The monotony of the work was not relieved by anything = werd door niets afgewisseld; The brazen sky was not relieved by a single cloud = geen wolkje stond aan den strak blauwen hemel; He was relieved of his office = ontheven van, ontslagen uit: To relieve oneself = zijn behoefte doen; Relieving officer = gemeentelijke armverzorger; de oude, de pipa.
Relievo, rilîvou, “relief”.
Relight, rîlait, opnieuw aansteken of ontvlammen.
Religion, rilidž’n, godsdienst (vorm of plechtigheid), eerbied, piëteit: No religion was attached to the property = aan dien eigendom was men niet door een gevoel v. piëteit gehecht; To experience, to get religion = zich bekeeren, vroom worden (Amer.); To make (a) religion of doing a thing = er een gewetenszaak van maken; Religionary = godsdienstig, godsdienst...; Religionism = kwezelarij; Religionist = kwezelaar; Religiosity, rilidžiositi, kwezelarij; Religious, rilidžəs, godsdienstig, godvruchtig, nauwgezet, streng; subst. ordebroeder, monnik, non: He was a religious, almost a priest = ordebroeder; The many priests and religious = ordebroeders; My sister is almost a religious = religieuse; A religious house = klooster; All your property will be Religiously respected = zullen streng geëerbiedigd worden; subst. Religiousness = godsdienstigheid.
Relinquish, riliŋkwiš, verlaten, opgeven, laten varen: I have relinquished that claim = heb afgezien van; Relinquisher = die opgeeft, laat varen of afziet van iets; Relinquishment = afstand.
Reliquary, relikwəri, reliquiënkastje; Relique, rilîk, relik = Relic.
Relish, reliš, subst. smaak, pikante bijsmaak; Relish verb. graag eten, smaak vinden in, smakelijk maken, goed smaken: To eat with relish = met smaak; That gave a relish to my desires = verhoogde, prikkelde; He has no relish for poetry, for a joke = hij heeft geen zin voor; Have you relished your dinner? = heeft het je gesmaakt? I did not relish the coffee = de koffie smaakte me niet; I do not relish such jokes = zulke aardigheden mag ik niet; The remark relishes of wit = heeft iets geestigs; Relishable = smakelijk.
Relive, rîliv, herleven, weer opleven.
Reluctance, Reluctancy, rilɐkt’ns(i), weerzin, tegenzin; Reluctant = weerbarstig, onwillig: I am reluctant to (have a reluctance to) such measures = ik heb een tegenzin in; He was very reluctant to go = ging ongaarne.
Relume, ril(j)ûm, opnieuw ontsteken, verlichten.
Rely, rilai, rekenen of zich verlaten op, berusten op, gronden: That man is not to be relied on = kan men niet op aan; We rely on the will = gronden onzen eisch op.
Remain, rimein, (over)blijven, overschieten, verblijven; subst. Remains = stoffelijk overschot, nagelaten letterkundige producten, ruïne: It remains to me to do so = mij rest nog; That remains to be seen = dat staat te bezien; Remainder = overblijfsel, restant, saldo, onverkochte exemplaren: He left her a good round sum to be hers for life, with remainder to her children = die na haar dood aan de kinderen kwam.
Re-make, rîmeik, opnieuw maken.
Remand, rimând, subst. terugzending; Remand verb. terugzenden: Under remand (Jur.): i.e. een beschuldigde is Under remand, zoo lang zijn zaak niet is beslist. Hij kan dan zijn, òf in preventieve hechtenis, òf op vrije voeten, mits on bail, i.e. na borgstelling; He remanded his son home = liet... thuis komen; He was remanded till the 20th = tot den 20en in preventieve hechtenis teruggezonden; Remanded on bail = na borgstelling, voorloopig vrij gelaten.
Remanet, remənet, restant, uitgestelde zaak.
Remark, rimâk, subst. opmerking, aanmerking; Remark verb. opmerken, aanmerken: To pass remarks on = aanmerkingen maken op; He did not remark on that = hij had geene aan- of opmerkingen; Remarkable = merkwaardig; subst. Remarkableness.
Remasticate, rîmastikzeit, herkauwen; subst. Remastication.
Remediable, rimîdjəb’l, herstelbaar; subst. Remediableness; Remedial, rimîdj’l, heelend; Remediless, remədiles, rəmediles, ongeneeslijk, onherstelbaar; Remedy, remədi, subst. geneesmiddel, hulpmiddel, rechtsmiddel, vrije namiddag; Remedy verb. genezen, verhelpen: There is no remedy for it, It is beyond (past) remedy = er is niets aan te doen; It cannot be remedied = het kan niet verholpen worden.
Remember, rimembə, zich herinneren, te binnen komen, onthouden, gedenken, groeten: Well remembered = goed dat gij er om denkt; Remember the Sabbath = gedenk den Sabbatdag; I do not remember having seen him before = ik herinner me niet; Remember me kindly to your friend = doe mijne vriendelijke groeten aan; He has “remembered me” very handsomely = goed bedacht (in zijn testament); I should be glad to be remembered = doe alstublieft mijn groeten; Remembrance, rimembr’ns, herinnering, geheugen, heugenis, aandenken: Do it in remembrance of him = doe het te zijner gedachtenis; Within my remembrance = zoolang mij heugt; I cannot call it to remembrance = ik kan het mij niet herinneren: Give my kind remembrances to = groet van mij; Remembrancer = The City Remembrancer = vertegenwoordiger van de City in het Parlement; Your letter was a kind remembrancer = uw brief heeft er mij vriendelijk aan herinnerd.
Remind, rimaind, te binnen brengen, herinneren: There, that reminds me = wacht eens, daar schiet me te binnen; Remind me of it = help het mij onthouden; Reminder: A gentle reminder = een vriendelijke aanmaning, wenk; A little reminder note = briefje om te herinneren aan; Remindful of = gedachtig aan.
Remington, remiŋt’n.
Reminiscence, reminis’ns, herinnering: Reminiscences of Carlyle = herinneringen aan C.; Reminiscent = herinnerend: To be reminiscent of = zich herinneren; herinneren aan.
Remise, rimaiz, terugzenden, terugschenken; subst. rimîz, rimaiz, afstand; huurrijtuig: To remise a claim = afstand doen van.
Remiss, rimis, zorgeloos, onachtzaam, nalatig, lui: He was a very remiss correspondent; subst. Remissness.
Remission, rimiš’n, remissie, vermindering, verslapping, afneming, afstand, vergiffenis: At last there was a remission of the hot weather = eindelijk werd het wat minder heet; adj. Remissive (of) = nalatig.
Remit, rimit, terugzenden, overmaken, remitteeren, verslappen, verminderen, vergeven, kwijtschelden, afstand doen; Remitting fever = afgaande koorts: The King remitted the sentence of death; His fine was remitted to half the amount = werd tot op de helft teruggebracht; Remittance = het overmaken (van geld, etc.), het overgemaakte geld, remise; Remittee, ontvanger van de remise; Remittent = beurtelings op- en afgaande in kracht: Remittent fever; Remitter = remittent.
Remnant, remn’nt, overblijfsel, laatste stuk: Special remnant day = lappendag.
Remodel, rîmod’l, opnieuw bewerken: The work was entirely remodelled = het werk is geheel omgewerkt.
Remonstrance, rimonstr’ns, vertoog, verzet, protest; Remonstrant, subst. remonstrant; adj. vertoogend, vermanend; Remonstrate, rimonstreit, protesteeren, zich verzetten, excepties opwerpen, onderhouden: I frequently remonstrated with him on his behaviour = heb hem herhaaldelijk onderhouden; subst. Remonstration.
Remora, remərə, de groote zuigervisch.
Remorse, rimös, berouw, wroeging; Remorseful = berouwhebbend, medelijdend; subst. Remorsefulness; Remorseless = meedoogenloos, wreed, onbarmhartig: subst. Remorselessness.
Remote, rimout, afgelegen, verwijderd, lang geleden, vreemd aan, afgezonderd, gering: He made a remote allusion to this = hij zinspeelde er heel in de verte op; Remote antiquity = grijze oudheid; Remote kinsman = verre bloedverwant; Remote resemblance = flauwe gelijkenis.
Remould, rîmould, opnieuw vormen.
Remount, rîmaunt, remonte (ook: versch) paard; Remount verb. opnieuw bestijgen, remonteeren, teruggaan: The Army Remount Commission = remonte commissie; We were getting remounts for the cavalry = remontepaarden.
Removability, rimûvəbiliti, afzetbaarheid; Removable, rimûvəb’l, afzetbaar; ook subst.; Removal, rimûv’l, verplaatsing, verhuizing, afzetting, verwijdering; Remove, rimûv, subst. verwijdering, trap, graad, klasse, bevordering; Remove verb. verwijderen, wegzenden, verplaatsen, verhuizen, afdanken, dooden: The boy gained his remove to the form above = ging over; The boy missed his remove, was not removed = ging niet over, bleef zitten; He is my cousin to the second remove = neef in den tweeden graad (A cousin four times removed = in den vierden graad); Elections at two removes = getrapte verkiezingen; These buildings will be removed = zullen worden afgebroken; I think we shall remove the first of July = zullen verhuizen (overgaan); Removed = verwijderd, afgelegen, dood; Remover: Furniture remover = verhuizer.
Remunerable, rimjûnərəb’l, wat beloond kan worden; subst. Remunerability; Remunerate, rimjûnəreit, beloonen, vergoeden; subst. Remuneration; Remunerative = beloonend, vergoedend = Remuneratory.
Renaissance, rineis’ns, renaissance.
Renal, rîn’l, nier...
Renard, renəd, Reintje de Vos.
Renascence, Renascency, rinas’ns(i), renaissance, wedergeboorte, herleving; adj. Renascent.
Rencounter, renkauntə, subst. ontmoeting, botsing, treffen, gevecht, duel; Rencounter verb. onverwachts ontmoeten, botsen, handgemeen worden.
Rend, rend, vaneenscheuren, verscheuren: To rend in two, to pieces; It has rent my heart in twain = het heeft mijn hart vaneengescheurd.
Render, rendə, teruggeven, overgeven, weergeven, overzetten of vertalen, bewijzen, maken, berapen; subst. afgifte, beraping (van een muur), overgave, verklaring: To render account = rekenschap afleggen; To render assistance = hulp verleenen; To render homage = hulde bewijzen; To render judgment = vonnis vellen; He wouldn’t render reason = geene reden geven; Would you render me a service? = een dienst bewijzen; To render thanks = dank betuigen; This rendered him unfit for work = maakte hem ongeschikt; The fortress was rendered up to the prince = werd overgegeven; Renderer.
Rendezvous, rendəvû of Fr. uitspr. subst. plaats van bijeenkomst; Rendezvous verb. verzamelen, samenkomen; Rendezvous-flag = verzamelplaatsvlag.
Rendition, rəndiš’n, overgave, uitlevering; vertaling, weergeving.
Renegade, renəgeid, afvallige, deserteur.
Renew, rinjû; hernieuwen, hervatten, nieuwe kracht geven, opnieuw beginnen, herhalen; Renewable = hernieuwbaar; Renewal = verniewing, herleving; Renewer.
Renfrew, renfrû, als persoonsn. renfrû.
Reniform, rîniföm, reniföm, niervormig.
Rennet, renət, (kaas)stremsel; renetappel.
Renounce, rinauns, subst. renonce (in het kaartspel); Renounce verb. verwerpen, zich verklaren tegen, laten varen, afzien van, renonceeren (in ’t kaartspel): I renounce you and your party = wil niets gemeen hebben met; subst Renouncement; Renouncer.
Renovate, renəveit, vernieuwen, herstellen; Renovater of Renovator; subst. Renovation, renəveiš’n.
Renown, rinaun, subst. vermaardheid, roem; Renown verb. beroemd of vermaard maken; Renowned = vermaard, beroemd.
Rent, rent, subst. scheur, scheuring, scheiding; Rent verb. imperf. en p.p. van to rend.
Rent, rent, subst. rente, huur (Rents = inkomsten); Rent verb. huren, in huur hebben, verhuren: Rent-charge = erfpacht; Rent-day = betaaldag (van huur of rente); Rent-free = kosteloos; Rent-roll = opgaaf of lijst der pachtinkomsten, bruto pachtopbrengst; Rental: The house commanded a good rental = deed eene hooge huur; Rental right = erfpacht; Renter = huurder, pachter, verhuurder, verpachter.
Rente, Fr. uitspr. rente, staatsschuld(bewijs).
Renter, rentə, fijn mazen. haast onzichtbaar stoppen of aaneennaaien; subst. Renterer. Zie Rent.
Renumerate, rinjûməreit, optellen, opsommen.
Renunciation, rinɐnšieiš’n, verzaking, afstand; adj. Renunciative.
Reopen, rîoup’n, opnieuw openen of opengaan: The schools reopen = de scholen beginnen weer; To reopen a wound (sore) = een oude wonde openrijten (fig.).
Reorganization, rîögən(a)izeiš’n, reorganisatie; Reorganize, rîögənaiz, opnieuw organiseeren of inrichten.
Rep(p), subst. rips; adj. geribd: Rep note-paper = geribd postpapier.
Repair, ripêə, subst. herstel(ling); verblijfplaats, schuilhoek; Repair verb. herstellen, vernieuwen, vergoeden, terugkomen op, zich begeven: Beyond repair = niet meer te herstellen; In (good) repair = goed onderhouden; In bad repair, out of repair, under repair = slecht onderhouden, in verval, in reparatie; To undergo repair; Everything was soon repaired to its former state = in vroegeren toestand teruggebracht, hersteld; He repaired to the subject again and again = kwam telkens terug op; I repaired to him for information = wendde mij tot hem; I do not know where to repair to = waar ik zal heen gaan, waar mij te bergen; adj. Repairable; Repairer (rijwiel)hersteller.
Repand, ripand, geschulpt (v. bladen).
Reparable, repərəb’l, herstelbaar; Reparation, repəreiš’n, herstelling, genoegdoening, schadeloosstelling: He made reparation for his offensive words = maakte weder goed; Reparative = herstellend, etc.
Repartee, repətî, gevat antwoord: Quick in repartee = slagvaardig.
Repass, rîpâs, opnieuw voorbij- of overgaan.
Repast, ripâst, maaltijd, voedsel.
Repatriate, ripatrieit, ripeitrieit, repatrieeren; subst. Repatriation.
Repay, ripei, terugbetalen, nogmaals betalen, vergoeden, kwijten: To repay oneself = zich schadeloos stellen; adj. Repayable; subst. Repayment.
Repeal, ripîl, subst. intrekking, herroeping, afschaffing; Repeal verb. intrekken, herroepen, afschaffen; Repealable = herroepelijk; subst. Repealableness; Repealer = voorstander v. de Repeal of the Union = de unie van Engeland met Ierland (1843).
Repeat, ripît, subst. herhalingsteeken (muz.), nabestelling; Repeat verb. herhalen, opzeggen, oververtellen, repeteeren: Let me repeat to you = opzeggen, reciteeren; I had to repeat him three times before he answered = moest het hem herinneren; Repeat-order = nabestelling; I have warned him repeatedly = herhaaldelijk; Repeater = herhaler, opzegger, repeteerende breuk (= Repeating-decimal), repetitiehorloge (= Repeating-watch), repeteergeweer of pistool, iemand, die zijn stem tweemaal tracht uit te brengen (Amer.).
Repel, ripel, terugdrijven, afslaan, afstooten, weerstaan, afweren: I repel such terms = kom op tegen; Repellence = afstootende kracht; adj. Repellent: Intoxicating drinks are repellent to me = staan mij tegen; Repeller.
Repent, ripent, spijt of berouw gevoelen (hebben), boete doen: I repent of it = het berouwt me; She repented her of her choice = had berouw van; Repentance = berouw: Stool of repentance = zondaarsbankje; Repentant = berouwhebbend, boetvaardig.
Repeople, rîpîp’l, opnieuw bevolken.
Repercussion, rîpəkɐš’n, terugkaatsing; adj. Repercussive, rîpəkɐsiv.
Repertoire, repətwâ, répertoire.
Repertory, repətəri, repertorium, bewaarplaats, lijst, register: A repertory of useful science = een schat van nuttige kennis.
Repetend, repətend, repətend, repetent.
Repetition, repitiš’n, herhaling, voordracht; adj. Repetitious, Repetitive.
Repine, ripain, morren, ontevreden zijn, kniezen, klagen: What is the use of repining at God’s will? = wat geeft het of gij mort tegen Gods wil.
Replace, ripleis, weer op de vorige plaats brengen, vervangen, opvolgen: I must replace the borrowed sum next week = het geleende teruggeven; He has replaced his opponent in the people’s esteem = zijn tegenstander uit de gunst van het volk gedrongen; By what phrase can this word be replaced? = kan men dit woord vervangen; subst. Replacement.
Replait, rîpleit, rîplît, opnieuw vouwen, dubbel vouwen.
Replant, rîplânt, opnieuw planten, verplanten; subst. Replantation.
Replenish, ripleniš, weder aanvullen, bijvoegen: He couldn’t replenish his small fire = kon niet aanvullen; subst. Replenishment.
Replete, riplît, vol: Replete with filth and misery = vol vuil en ellende; Repletion = overlading, volheid.
Repleviable, ripleviəb’l, losbaar, herkrijgbaar; Replevin = (bevelschrift tot) opheffing van beslag; Replevy, riplevi, weer in het bezit krijgen, lossen.
Replica, replikə, copie v. een kunstwerk (door den maker zelf), herhaling (muz.): A replica of his father = evenbeeld; In Maggie we have Dot in replica.
Replicate, replikit, subst. herhaling (muz.); Replication = antwoord, repliek, herhaling.
Reply, riplai, subst. antwoord, repliek; Reply verb. antwoorden, repliceeren, hernemen: He made a poor reply = gaf een ongelukkig antwoord; The barrister replied on this case = repliceerde met betrekking tot deze zaak; Why did you not reply to his accusation? = antwoorddet gij niet op, weerlegdet gij niet; Reply-(post)card = dubbele briefkaart.
Repolish, rîpoliš, opnieuw polijsten of beschaven.
Report, ripöt, subst. rapport, gerucht, faam, bericht, vonnis, verslag, knal, gebulder; Report verb. berichten, verslag doen, rapporteeren, vertellen: To draw up a report = samenstellen; I am your friend in (through) good and evil report = wat de wereld ook van u zegge; The report of the guns was heard far off = in de verte hoorde men het kanongebulder; He was reported missing, but he soon reported himself = als vermist opgegeven, doch meldde zich; It is reportd = het gerucht gaat; To report against = ongunstig rapporteeren over; The committee reported upon the bill = bracht rapport uit over; School report; Reporter = verslaggever, rapporteur: He is a parliamentary reporter = stenograaf bij de Tweede (Eerste) Kamer; Reporters’ gallery = tribune voor de pers.
Repose, ripouz, subst. rust, kalmte, slaap, gemoedsrust, stilte; Repose verb. uitrusten, slapen, berusten, zich verlaten of vertrouwen op: To take repose = rust nemen; To repose confidence in a person = vertrouwen stellen; Reposeful = kalm: Every page is rich in quiet, Reposeful beauty = ademt kalme, stille schoonheid.
Repository, ripozitəri, bewaarplaats, pakhuis, magazijn.
Repossess, rîpəzes, weder in het bezit stellen (nemen): He was repossessed of his property = werd weer in het bezit zijner goederen gesteld; subst. Repossession.
Reprehend, reprihend, berispen; Reprehensible = berispelijk; subst. Reprehensibleness; Reprehension, reprihenš’n, berisping, blaam; adj. Reprehensive, Reprehensory.
Represent, reprizent, voorstellen, spelen voor, vertegenwoordigen, afbeelden: Represented by counsel = door een advocaat bijgestaan; adj. Representable; Representation = voorstelling, rolvervulling, uiteenzetting, vertegenwoordiging; Representative, subst. voorsteller, plaatsvervanger, gevolmachtigde, vertegenwoordiger; adj. voorstellend, vertegenwoordigend, typisch: This work is representative of the spirit of our age = drukt den geest uit; subst. Representativeness; Representer; Representment.
Represent, rîprizent, opnieuw aanbieden; Representation = vernieuwd aanbod.
Repress, ripres, onderdrukken, bedwingen, in toom houden; Repressible = bedwingbaar; Repression = bedwinging, beteugeling; Repressive = bedwingend, beteugelend.
Reprieve, riprîv, subst. uitstel, bevrijding; Reprieve verb. opschorten, uitstellen, bevrijden.
Reprimand, reprimand, subst. strenge berisping, hard verwijt; Reprimand verb. reprimand, streng berispen, openbaar bestraffen.
Reprint, rîprint, herdruk; afdruk, nadruk (Amer.).
Reprint, riprint, herdrukken, een afdruk maken; nadrukken.
Reprisal, ripraiz’l, subst. herneming, represaille, vergelding, weerwraak: Letters of reprisal = kaperbrieven; That is a just reprisal against them = rechtmatige represaille op; To make reprisals (on); Reprise, ripraiz, subst. hernomen schip; refrein: Reprises = jaarlijksche aftrek (bijv. erfpacht) van de inkomsten uit landerijen.
Reproach, riproutš, subst. verwijt, berisping, blaam, schande, oneer; Reproach verb. verwijten, berispen, afkeuren, beschuldigen: That boy is the reproach of the family, brings (draws) reproach on (upon) the family = strekt zijne familie tot oneer; He incurred several reproaches = haalde zich allerlei verwijtingen op den hals; Reproaches = beurtgezang tijdens de kruisaanbidding in de R.K. kerk op Goeden Vrijdag; I reproached myself for forgetting it = nam mezelf kwalijk; What did he reproach you with? = wat heeft hij u ten laste gelegd; Reproachful = schandelijk, verwijtend: His was a reproachful conduct = was schandalig; subst. Reproachfulness.
Reprobate, reprəbit, subst. verworpeling; adj. goddeloos, verdoemd; Reprobate verb. reprəbeit, verwerpen, afkeuren, verdoemen; Reprobation, reprəbeiš’n, verwerping, verdoeming: The tenet of reprobation = het leerstuk der verwerping of verdoeming.
Reproduce, rîprədjûs, opnieuw voortbrengen, copieeren, weergeven; Reproducer; Reproduction = copie, nieuwe voortbrenging, etc.; Reproductive, Reproductory = voortbrengend, copieerend.
Reproof, riprûf, berisping = Reproval, riprûv’l; Reprove, riprûv, berispen, een standje maken; Reprover.
Reprune, rîprûn, opnieuw snoeien (vruchtboomen).
Reptant, rept’nt, kruipend.
Reptile, rept(a)il, subst. kruipend dier, verachtelijke kruiper; adj. kruipend, verachtelijk; Reptilia, reptiljə, kruipende dieren; Reptilian, subst. en adj. kruipend (dier).
Republic, ripɐblik, republiek, gemeenebest: Republic of letters = rijk der letteren en geletterden; Republican, subst. en adj. republikein(sch); Republicanism = republikeinsche gezindheid; Republicanize = in eene republiek veranderen.
Republication, rîpɐblikeiš’n, herdruk, nieuwe uitgave; Republish, rîpɐbliš, opnieuw uitgeven, herdrukken.
Repudiate, ripjûdieit, verwerpen, verstooten, loochenen, ontkennen; Repudiation = verwerping, etc; Repudiator.
Repugnance, ripɐgn’ns, afkeerigheid, weerzin, tegenspraak; adj. Repugnant.
Repulse, ripɐls, subst. terugdrijving, afwijzing, weigering, teleurstelling; Repulse verb. terugdrijven, terugslaan, afslaan: He got (met with) no second repulse = hij werd niet voor de tweede maal afgescheept; Repulser; Repulsion = terugdrijving, afstooting, afschuw; Repulsive = terugstootend, afschuwwekkend.
Repurchase, rîpɐ̂tšis, subst. terugkoop; Repurchase verb. weder- of terugkoopen.
Reputable, repjutəb’l, te goeder naam bekend, eervol, geacht; subst. Reputableness; Reputation, repjuteiš’n, goede naam, aanzien, achting; Reputatively, repjutətivli, volgens zijn naam, volgens gerucht; Repute, ripjût, subst. goede naam, roem; Repute verb. achten, houden voor: He is a man of (good) repute = van goeden naam; He is held (stands) in high, in bad repute = hij heeft een goeden, slechten naam; He is well reputed = hij staat goed bekend, heeft een eervollen naam; Reputedly = naar verluidt, vermeend.
Request, rikwest, subst. verzoek, vraag, request; Request verb. verzoeken, een request richten: At your request = op uw verzoek; At the request of; In great request = veel gevraagd = Much in request; To accede to, To comply with, To grant a request = aan een verzoek voldoen, een verzoek inwilligen; To make, To prefer a request = een verzoek doen; Requester.
Requiem, rîkwiem, rekwiem, requiem, zielmis (= Requiem-mass).
Require, rikwaiə, eischen, vorderen, verzoeken, vragen, noodig hebben, vereischen: What do you require me to do? = verlangt ge dat ik doen zal; Requirement = eisch, vereischte, geëischte; Requirer; Requisite, rekwizit, subst. vereischte; adj. onontbeerlijk, noodig; subst. Requisiteness; Requisition, rekwiziš’n, subst. vraag, eisch, verlangen, schriftelijke oproeping, requireering; Requisition verb. eischen, requireeren: To lay under (Put in) requisition = requireeren; Requisitions of food = opeisching van levensmiddelen; The horses were requisitioned for the Royal Artillery = werden gerequireerd; Requisitionist.
Requital, rikwait’l, belooning, vergelding, wraak; Requite, rikwait, beloonen, vergelden, wreken; Requiter.
Reredos, rîədos, altaarscherm, achterwand van het altaar (van steen, hout, fluweel of borduursel); achterwand van een open vuurhaard.
Reremouse, rîəmaus, vleermuis.
Resail, rîseil, terugzeilen.
Resale, rîseil, weder-verkoop, tweedehandsverkoop.
Rescind, risind, herroepen, afschaffen, vernietigen; adj. Rescindable; Rescission, risiš’n, herroeping, vernietiging; Rescissory = opheffings ...
Rescript, rîskript, keizerlijke beslissing over eene rechtszaak, pauselijk antwoord of beslissing, besluit, edict.
Rescue, reskjû, subst. bevrijding, verlossing, redding, hulp, gewelddadige bevrijding; Rescue verb. bevrijden, verlossen, te hulp komen, redden: To come to the rescue in time = te hulp komen; He was rescued from danger; Rescue-home = asyl voor gevallen meisjes; Rescuer.
Research, risɐ̂tš, subst. stipt en streng onderzoek; Research verb. ook rîsɐ̂tš, nauwkeurig onderzoeken, naspeuren: I have made researches into it = van alle zijden nauwkeurig onderzocht; Researcher.
Reseat, rîsît, opnieuw plaatsen, van nieuwe zitplaatsen voorzien.
Resect, risekt, uitsnijden (van beenderen); subst. Resection.
Reseda, risîdə, reseda.
Reseize, rîsîz, weder bemachtigen, weder in bezit nemen; subst. Reseizure, rîsîžə.
Resell, rîsel, opnieuw verkoopen.
Resemblance, rizembl’ns, gelijkenis, overeenkomst; Resemble, rizemb’l, gelijken: He resembled my father = geleek op.
Resend, rîsend, opnieuw zenden, doorzenden.
Resent, rizent, kwalijk nemen, zich beleedigd toonen over, als eene beleediging opvatten: I resent such opinions = protesteer tegen zulke meeningen; Resenter; Resentful = geraakt, gebelgd; Resentment = wrok, toorn, verbolgenheid: He did not show the least resentment = scheen er volstrekt niet gebelgd over.
Reservation, rezəveiš’n, voorbehoud, achterhoudendheid; gereserveerd terrein (Amer.): Mental reservation = innerlijk voorbehoud.
Reserve, rizɐ̂v, subst. achterhouding, terughoudendheid, voorbehoud, behoedzaamheid (in taal of daad), uitzondering, reserve, de oudere lichtingen der soldaten; Reserve verb. achterhouden, bewaren, voorbehouden: To accept a statement with some reserve = onder eenige reserve; He kept it in reserve = hield dat achter, in voorraad; I dare state this without reserve = zonder voorbehoud; The reserves were called out = de reserve werd opgeroepen; I have reserved the best for the last moment = heb bewaard; I reserve to myself the right of refusing = behoud mij het recht voor; Reserved = gereserveerd, teruggehouden, omzichtig, koel, op een afstand; Reserver = wie of wat voorbehoudt; Reservist = soldaat van de reserve; Reservoir, rezəvwö, bewaarplaats, regenbak: Balancing reservoir = watertoren.
Reset, rîset, opnieuw zetten; Resetter.
Reset, riset, een misdadiger herbergen, helen; Resetter = heler.
Resettle, rîset’l, opnieuw in orde brengen, weer vestigen of installeeren, tot rust komen; subst. Resettlement.
Reship, rîšip, opnieuw inschepen, retour zenden, opnieuw uitvoeren; subst. Reshipment.
Reside, rizaid, wonen, resideeren; Residence, rezidens, woning, verblijf(plaats), officieel verblijf, residentie: He took up his residence there = hij vestigde zich; Board and residence = kost en inwoning; Residency, rezid’nsi, residentschap; officieel verblijf van den Resident (Brit. Ind.); Resident, rezid’nt, subst. bewoner, (minister)-resident; adj. woonachtig, inwonend: Resident doctor, pupil, teacher; Residentship = ambt van een resident; Residential, rezidenš’l, met betrekking tot een verblijf of bewoner; Resider = bewoner, verblijfhouder.
Residual, rizidju-əl, overgebleven: Residual product = netto opbrengst; Residuary (rizidjuəri) devisee = de persoon aan wien al het onroerend goed komt na aftrek van legaten; Residuary legatee = aan wien al het roerend goed komt onder dezelfde voorwaarden (feitelijk krijgen beiden alles, waarover niet bepaald anders is beschikt); Residue, rezidjû, overschot, rest; Residuum, rizidju-əm, bezinksel, overblijfsel, schuim der maatschappij.
Resign, rizain, afstaan, zich onderwerpen aan, bedanken, neerleggen, ontslag nemen: He was appointed, but resigned = werd benoemd, maar bedankte; I would not resign my grief = zou niet willen missen; He suffered much, but was resignd = maar droeg het gelaten; He resigned himself up to the decrees of Providence = onderwierp zich aan; Resignation, rezigneiš’n, onderwerping, gelatenheid, overgave (aan Gods wil), ontslag: To hand in, To offer, To tender one’s resignation = indienen, aanbieden; Resignee, rizainî, rezainî, rizainî, wien iets afgestaan wordt; Resigner = die afstand doet; Resignment = afstand, berusting, onderwerping.
Resign, rîsain, opnieuw teekenen.
Resilient, risilj’nt, terugspringend.
Resin, rezin, hars; Resin verb. met hars bestrijken; Resiniferous = hars voortbrengend; Resino, rezinou, (in samenst.) Resino-electric = negatief electrisch; Resino-electricity = negatieve electriciteit; Resinous, rezinɐs, harsachtig; Resiny, rezini, harsachtig, hars.
Resist, rizist, weerstaan, (zich) verzetten: He resisted all such attempts successfully = bood met succes weerstand aan; Resistance = tegenstand; weerstand (natuurk.): To offer, To meet with resistance = weerstand bieden, ondervinden; resistant = wie of wat weerstand biedt; ook adj.; Resister; Resistibility, subst. v. Resistible = weerstaanbaar; Resistibleness = weerstand, weerstandsvermogen; Resistive = vermogen weerstand te bieden; Resistless = onweerstaanbaar; subst. Resistlessness.
Resoluble, rezəl(j)ub’l, oplos- of smeltbaar; subst. Resolubleness.
Resolute, rezəl(j)ût, vast besloten, beraden, onverschrokken; subst. Resoluteness; Resolution, rezəl(j)ûš’n, oplossing, besluit, vastbeslotenheid, resolutie: Resolution of an equation = oplossing van eene vergelijking; Resolution of forces (of motion) = ontbinding van krachten; The resolution of the plot = ontknooping van de intrigue; He took a firm resolution and stuck to it = nam een vast besluit en bleef erbij; Resolutive, rezəl(j)ûtiv, oplossend.
Resolvability, rizolvəbiliti, oplosbaarheid; adj. Resolvable; Resolve, rizolv, subst. vast besluit, beslissing of resolutie; Resolve verb. oplossen, ontbinden, verklaren, besluiten, oplossen van dissonanten (muz.), wegsmelten: I approve your resolve = keur uw besluit goed; I am resolved = ik ben besloten; The House resolved itself into a committee = ging in comité-generaal; Ice resolves into water = ijs verandert in water; I cannot resolve on anything = tot niets besluiten; I am resolved on accompanying you = ben besloten; The king has the right to resolve on peace and war = oorlog te verklaren en vrede te sluiten; Resolvent, subst. en adj. oplossend (middel); Resolver = wie besluit, wat oplost.
Resonance, Resonancy, rezən’ns(i), weerklank; Resonant = weerklinkend.
Resort, rizöt, subst. samenloop, vereenigingsplaats, druk bezoek, hulpmiddel, redmiddel; Resort verb. zich begeven naar, zijne toevlucht nemen tot: His usual place of resort was the inn = zijn gewone gang was naar de herberg; We must trust to our swords in the last resort = als laatste toevlucht; Do not go to places where drunkards and gamblers resort to = plaatsen, die door dronkaards en dobbelaars bezocht worden; Resorter = geregeld bezoeker.
Resound, rizaund, weerklinken, weergalmen: The sound resounded through the house like thunder; The smithies resounded with hammering = weerklonken van de hamerslagen.
Resound, rîsaund, opnieuw (doen) klinken.
Resource, risös, hulpbron, hulp(middel), redmiddel, vindingrijkheid: Resources = (geld)middelen, gaven, talenten: He was thrown on his own resources = moest zichzelf maar zien te redden; Resourceful = vindingrijk; subst. Resourcefulness: He has a Resourcefulness of mind which is quite astonishing = hij heeft een vindingrijkheid die verbazend is.
Respect, rispekt, subst. eerbied, achting, verhouding of betrekking, opzicht; Respect verb. betrekking hebben op, acht slaan op, eerbiedigen: In respect of that question = met betrekking tot; In (with) respect to = met betrekking tot; He is a clever fellow in every respect = in ieder opzicht = In all respects; Respects = beleefde groeten of komplimenten: Pay (Present) my respects to your lady = mijne beleefde groeten aan mevrouw; God does not respect persons = God kent geen aanzien des persoons; Respectability = achtenswaardigheid, aanzien; subst. persoon van aanzien: Starving respectability = fatsoenlijke armoede (armen); He is a man of respectability = van aanzien; Respectable = eerbiedwaardig, achtbaar, fatsoenlijk, eerzaam, middelmatig, tamelijk: His father was a respectable tradesman = een geacht koopman; subst. Respectableness; Respecter: He is a respecter of persons = hij ziet zijne lui aan, is niet onpartijdig; Respectful = eerbiedig, hoogachtend; subst. Respectfulness; Respecting = met betrekking tot, aangaande; Respective: We went our respective ways = ieder zijn eigen weg; These persons were condemned to costs respectively = werden respectievelijk (ieder voor zich) in de kosten veroordeeld.
Respirability, resp(a)irəbiliti, inadembaarheid; adj. Respirable, respirəb’l, rispairəb’l, Respiration, respireiš’n, ademhaling; Respirator = respirateur; Respiratory, respirətəri, rispairətəri, ademhalings...: Respiratory organs = ademhalingsorganen; Respire, rispaiə, ademhalen.
Respite, respit, subst. schorsing, uitstel, respijt, geduld; Respite verb. uitstellen, schorsen, verdagen: Days of respite = respijtdagen.
Resplendence, risplend’ns, luister, glans; Resplendent = glans- of luisterrijk.
Respond, rispond, subst. reponsorie, beurtzang tusschen geestelijke en koor (of gemeente) in een deel der Litany en Communion Service der Angl. Kerk; Respond verb. antwoorden, beantwoorden, vergoeden, voldoen: He responded to my summons = gaf gehoor aan; Respondent, subst. antwoorder, gedaagde; adj. (be)antwoordende, overeenkomstig: Respondent to our wishes = overeenkomstig; Respondentia, respondenšiə, leening op de lading van een schip, respondentia; Response, rispons, antwoord: I doubt response = ik weet niet welk antwoord zal komen; The clerk read the responses = las de antwoorden (kerkdienst); In response to a summons = ingevolge; Responsibility, risponsibiliti, verantwoordelijkheid; adj. Responsible; subst. Responsibilityness; Responsion, risponš’n, antwoord: Responsions = eerste examen voor den B.A. graad (Oxford) = Little Go (Cambr.); Responsive = (be)antwoordend, overeenkomstig: Responsive to your kind words = in overeenstemming met (in antwoord op); Responsory, risponsəri, antwoordend; subst. responsorium.
Rest, rest, subst. rust, kalmte, slaap, doodslaap, bok (bij het biljarten of schieten), steun, pauze, rust (muz.), rest, overschot, de overigen, appeltje voor den dorst (fig.); Rest verb. rusten, slapen, steunen, leunen, berusten op (on), tot rust brengen, laten uitrusten, laten leunen: A shoeblack’s rest = bankje, kastje; He is at rest now = de (eeuwige) rust ingegaan; I hope I have set your heart at rest on that point = u hieromtrent gerustgesteld heb; With lance in rest = met gevelde lans; We retired to rest at eleven = begaven ons ter ruste; These are glorious times, Christmas among the rest = onder andere Kerstfeest; There were men of all kinds, men of genius among the rest = en ook mannen van genie; For the rest = overigens; The train rested at a great station = hield eenigen tijd stil; She rested back in her carriage = leunde achterover; Many members of the family rest in this churchyard = liggen begraven; He rested on his arms = leunde op; Your eye will rest with pleasure on that scene = zal met welgevallen rusten; The decision rests with you = is aan u; The victory will rest with us = zal onzer zijn; Why do you not rest yourself, take rest? = waarom neemt ge geen rust; I am rested now = uitgerust; Rest assured = houd u verzekerd; To rest contented = tevreden zijn; These thoughts rest me when weary, and comfort me in trouble = schenken mij rust; You rest me = je aanwezigheid is een weldadige rust voor me; God rest his soul! = zijn ziel ruste in God; God rest you merry gentlemen = uwe zielen rusten in God; Rest-capital = reserve; Rest-cure = rustkuur; Restful = kalm, rustig; subst. Restfulness; Resting-place = rustplaats, graf; Rest(ing)-stick = schilderstok; Restless = rusteloos, slapeloos, onstuimig, woelig; subst. Restlessness.
Restitution, restitjûš’n, teruggave, schadeloosstelling: To make restitution; adj. Restitutive.
Restive, restiv, koppig, weerspannig; subst. Restiveness.
Restorable, ristôrəb’l, herstelbaar; subst. Restorableness; Restoration, restəreiš’n, herstel(ling), verlevendiging, restauratie: The Restoration = het herstel van het koningschap (met Karel II) in 1660; Restorative, ristôrətiv, subst. en adj. herstellend, versterkend, genezend (middel); Restorator = restaurateur; Restore, ristö, herstellen, genezen, vernieuwen: You will soon be restored = beter zijn; Everything was restored to him = hem teruggegeven; He was restored to favour = in de gunst hersteld; To restore to life = in ’t leven terugroepen; Restored to the throne = op den troon hersteld; Restorer.
Restore, rîstö, opnieuw opslaan (in het pakhuis).
Restrain, ristrein, bedwingen, beteugelen, inhouden, beperken: He was restrained from doing it = hem werd belet; I could not restrain myself from asking that question = mij niet weerhouden; All my remarks are restrained to these = beperkt tot, bepalen zich tot; Restrainable = beteugelbaar, beperkbaar; Restrainedly = in beperkten zin; Restrainer = wie of wat beteugelt of bedwingt; Restraint = dwang, beperking, verkorting, hechtenis: You are under no restraint any longer = weer geheel vrij; It is a great restraint upon us = het legt ons grooten dwang op; To keep under restraint = in hechtenis houden; He put a restraint upon my liberty = hij besnoeide mijne vrijheid; He put all kinds of restraints on us = hij beperkte ons op alle manieren.
Restrict, ristrikt, beperken, bepalen; Restriction, ristrikš’n, beperking, voorbehoud; Restrictive = beperkend, bepalend: subst. Restrictiveness.
Restringent, ristrinž’nt, subst. en adj. stoppend (middel).
Result, rizɐlt, subst. gevolg, uitslag, slotsom; Result verb. volgen uit; uitloopen op: The long results of time = al wat de tijd heeft opgeleverd; Can any good result from it? = hieruit voorkomen; Let us see what it will result in = wat er van komt; Result-fee = belooning voor vorderingen (school); Resultant, subst. resultante (werktuigkunde); adj. als resultaat: The resultant impression is one of contrast rather than of harmony = de totaalindruk; Resultless.
Resume, riziûm, hervatten, weder opnemen, weer aanknoopen: To resume business = weer openen; To resume a discourse = weer opvatten; Old friendships were resumed = werden hernieuwd.
Résumé, reižumei, kort overzicht.
Resummon, rîsɐm’n, opnieuw dagvaarden; subst. Resummons.
Resumption, rizɐmš’n, hervatting.
Resupine, rîsiupain, achterover, op den rug, nalatig.
Resurrection, rezərekš’n, opstanding, verrijzenis; lijkenroof: Christ’s resurrection from the dead; Resurrection-man = lijkendief; Resurrection-pie = pastei van overgeschoten vleesch; Resurrectionist = Resurrection-man.
Resurvey, rîsɐ̂vei, rîsəvei, hernieuwd onderzoek, nieuwe meting.
Resurvey, rîsəvei, opnieuw onderzoeken, opnieuw meten.
Resuscitate, risɐsiteit, opwekken, doen herleven, hernieuwen; subst. Resuscitation; adj. Resuscitative; Resuscitator = wie of wat opwekt of doet herleven.
Ret, ret, roten (v. vlas); Rettery, Rettory = plaats om vlas te roten.
Retail, rîteil, riteil, subst. verkoop of handel in het klein; adj. détail...: Cigars wholesale and retail = in ’t groot en klein; To sell by retail; Sold retail everywhere; He is a Retail dealer = kleinhandelaar; Retail trade = kleinhandel; Retailment.
Retail, riteil, in het klein verkoopen, uit de tweede hand verkoopen, bij stukjes en brokjes mededeelen, aan velen vertellen: He retailed to us accurate accounts of the dishes, the dresses and the scandal at yesterday’s dinner = gaf ons een omstandig verslag van; To retail nonsense = onzin verkoopen; Retailer = slijter, kleinhandelaar.
Retain, ritein, in bezit houden, behouden, onthouden, in dienst nemen, bespreken: The men are especially retained for this purpose = voor dit doel gehouden; Retainer = bediende, vazal, volgeling, honorarium waardoor men zich van de hulp van een barrister verzekert (gewoonl. 10 guineas) = Retaining-fee; I have a retainer from that periodical in my pocket = honorarium (als uitnoodiging om iets te schrijven).
Retake, rîteik, opnieuw nemen of vangen.
Retaliate, ritaljeit, vergelden (upon); subst. Retaliation; Retaliative, Retaliatory = vergeldend, wraaklustig.
Retard, ritâd, subst. vertraging; Retard verb. vertragen, tegenhouden, uitstellen; Retardation = vertraging, uitstel; adj. Retardative; Retarder = wie of wat vertraagt.
Retch, retš, kokhalzen.
Retell, rîtel, opnieuw vertellen.
Retention, ritenš’n, terughouding, vermogen om te onthouden, achterhouding; Retentive = terughoudend, bewarend: He has a retentive memory = een sterk geheugen; The house was still retentive of its former state = had iets behouden van zijn vroegeren toestand; subst. Retentiveness.
Reticence, Reticency, retisens(i), stilzwijgendheid, verzwijging; adj. Reticent.
Reticular, ritikjulə, netvormig, ingewikkeld; Reticulated = netvormig; Reticulation = netwerk; Reticule, retikjûl, dameswerktaschje; Reticulum, ritikjul’m, tweede maag der herkauwers; Retiform = netvormig; Retina, retinə, netvlies; adj. Retinal; Retinitis, retinaitis, ontsteking van het netvlies.
Retinue, retinjû, gevolg, stoet.
Retiracy, ritairəsi, afzondering, voldoend vermogen (Amer.); Retiral, ritair’l, terugtocht, ontslag; inlossing van een wissel; Retire, ritaiə, (zich) terugtrekken, verwijderen, naar bed gaan, heengaan, aftreden, uit de zaken gaan, intrekken: To retire from the army (service) = den dienst verlaten; To retire from business = zich uit de zaken terugtrekken; To retire from the examination = zich terugtrekken; To retire from practice = de praktijk neerleggen; I retire to my bedroom = ik ga naar mijne slaapkamer; They did not know where to retire to = waarheen te gaan; Retired = teruggetrokken, afgezonderd, oud, gepensionneerd, rentenierend: A retired baker, Indian Judge, postman; To go on the retired list = gepensionneerd worden; On retired pay = op nonactiviteitstractement; Retirement = eenzaamheid, afzondering, verwijdering, uittreding, pensionneering; Retiring = (zich) terugtrekkend, bedeesd, bescheiden: He is retiring rather than shy = meer teruggetrokken dan bedeesd; Retiring allowance = pensioen.
Retorsion, ritöš’n: Retorsions = represaillemaatregelen.
Retort, ritöt, subst. scherp, vinnig antwoord; retort; Retort verb. terugwerpen, een scherp antwoord geven: I retorted upon him = ik raakte hem weer, weerlegde hem.
Retouch, rîtɐtš, subst. het retoucheeren; Retouch verb. retoucheeren; weer aanroeren: Don’t retouch on the subject; Retoucher; Retouchment.
Retrace, ritreis, weer naspeuren, opnieuw nagaan, weer óvertrekken (van eene schets, etc.): We retraced the events of our lives = gingen weer na; Let us retrace our steps to the wood = teruggaan naar.
Retract, ritrakt, terugtrekken, intrekken, herroepen: I retract the insult = trek de beleediging in; Retractability = intrekbaarheid; adj. Retractable; Retractation = herroeping, intrekking; Retractile = intrekbaar; Retraction = intrekking, herroeping; Retractor = herroeper, spier voor de terugtrekkende beweging.
Retreat, ritrît, subst. terugtocht, stil verblijf, afzondering, wijkplaats; Retreat verb. terugtrekken, wijken, afzien van: To effect (make) a retreat = zich terugtrekken; To make good one’s retreat = terug trekken, zich een terugtocht verzekeren; The enemies sounded, beat a retreat = gaven (op hoorn of trom) het signaal tot den terugtocht; A pleasant retreat among the valleys = een heerlijk stil plekje; In retreat = uit dienst.
Retrench, ritrenš, besnoeien, verkorten, bezuinigen, beperken, verschansen; Retrenchment = afsnijding, besnoeiing, inkrimping, verkorting, verschansing.
Retributer, ritribjutə, vergelder, vergoeder; Retribution, retribjûš’n, vergelding, belooning, vergoeding; adj. Retributive, Retributory.
Retrievable, ritrîvəb’l, herstelbaar; subst. Retrievableness; Retrieval, ritrîv’l, herstel; Retrieve, ritrîv, herstellen, terugvinden, weer goed maken, apporteeren: She afterwards retrieved her shortcomings = maakte weer goed; Retriever = jachthond (die geschoten wild apporteert).
Retroact, ritrəakt, retrəakt, terugwerken; Retroaction = terugwerking; adj. Retroactive.
Retrocede, rîtrəsîd, teruggaan, wijken; subst. Retrocession, rîtrəseš’n.
Retrogradation, rîtrəgrədeiš’n, achteruitgang, ontaarding; Retrograde, rîtrəgreid, retrəgreid, adj. (zich) achterwaarts bewegend, achteruitgaand, ontaardend; Retrograde verb. achteruitgaan, ontaarden; Retrogression, rîtrəgreš’n, achteruitgang, ontaarding; adj. Retrogressive.
Retrorse, ritrös, achterwaarts gebogen.
Retrospect, rîtrəspekt, retrəspekt, terugblik; Retrospection = terugblik; Retrospective: Retrospective law = wet met terugwerkende kracht; Retrospective view = terugblik, teruggewende blik; He is a retrospicient (rîtrəspiš’nt) man = een man, die met voorliefde den blik achterwaarts richt.
Return, ritɐ̂n, subst. terugkomst, terugkeer, omloop, teruggave, belooning, beantwoording, verkiezing, officieel rapport, winst, opbrengst, voordeel, retourkaartje; Return verb. terugkomen, terugkeeren, terugzenden, nogmaals vóórkomen, terugbetalen, kwijten, antwoorden, officieel rapporteeren, verkiezen: A return of hospitality = contra-beleefdheid; The return of spring = de terugkeer der lente; By return mail (post) = per keerende post; In return for this = ter vergoeding hiervan; In return of services rendered = ter vergelding van; On return = in commissie; To make a false return of one’s income to the tax-gatherers = onjuiste opgave doen; To meet with a base return = ondankbaar behandeld worden; To obtain a fair return upon capital = behoorlijke rente maken; Returns = omzet, tegenwaarde, ontvangsten; The government returns = de officieele statistieken; I wished him many happy returns of the day = dat hij het nog dikwijls mocht beleven; Small profits and quick returns = kleine winst bij vluggen omzet; He has not returned evil with (for) evil = geen kwaad met kwaad vergolden; A great liberal majority was returned = werd verkozen; My partner did not return my suit = heeft niet aan mijn invite (kaartspel) gevolg gegeven; To return thanks = bedanken; To return a visit = een visite terugbrengen; Return-cargo = retourvracht; Return-check = sortie (theat.); Return-day = dag, waarop een beschuldigde wordt voorgebracht om de uitspraak te hooren; Return-match = revanchepartij; Return-ticket = retourbiljet; Returnable = wat hersteld of teruggegeven kan worden: Returnable goods; Returning officer = voorzittend ambtenaar bij eene Parlementsverkiezing.
Reunion, ri-jûnj’n, hereeniging, reunie; Reunite, rîjunait, hereenigen, verzoenen.
Revaccinate, rîvaksineit, herenten; subst. Revaccination.
Revalenta, revəlentə, revalenta, linzenmeel.
Reveal, rivîl, openbaren, bekend maken; Revealable = wat geopenbaard kan worden; subst. Revealableness; Revealer.
Revel, rev’l, subst. luidruchtige pret of partij; Revel verb. pret maken, luidruchtig feest vieren, brassen: Master of the revels = een soort van “Prins Carnaval” bij de oude feesten op Kerstmis; Reveller = zwierbol, pretmaker; Revelry = luidruchtige feestvreugde, brasserij.
Revelation, revəleiš’n, openbaring, laatste bijbelboek = Book of the Revelation; adj. Revelational.
Revenge, rivenž, subst. wraak(zucht), revanche; Revenge verb. wreken, weerwraak nemen: In revenge of former insults = uit wraak over; I did it out of revenge = uit wraak; To give an adversary his revenge = “revanche” geven; He glutted his revenge = wreekte zich vreeselijk; To take one’s revenge on; I will be revenged on you = ik wil mij op u wreken; Revengeful = wraakgierig; subst. Revengefulness; Revenger = wreker.
Revenue, revənjû, inkomsten, tollen: The Public Revenue(s) = de inkomsten van den staat; Revenue-cutter = recherchevaartuig (tegen den smokkelhandel); Revenue-officer = ambtenaar der douane.
Reverberant, rivɐ̂bərənt, weergalmend, terugkaatsend; Reverberate, rivɐ̂bəreit, terugkaatsen, weergalmen; Reverberation = terugkaatsing, weergalming; oven; adj. Reverberative = Reverberatory, subst. reverbeer (strijk-, puddel-)oven = Reverberatory furnace.
Revere, rivîə, eerbiedigen, hoogachten; Reverence, revərens, subst. eerbied, hoogachting, eerwaarde; Reverence verb. vereeren, eerbiedig groeten: Your Reverence = Uw Eerwaarde; Saving your reverence = met allen eerbied, met alle respect; Reverencer; Reverend, revərend, eerwaardig, eerwaarde (voor geestelijken): The Very Reverend Dean of W. = de hoogeerwaarde deken van W.; The Right Reverend Bishop of London = zijne hoogwaardigheid; The Most Reverend Archbishop of Canterbury = zijne doorluchtige hoogwaardigheid; Reverent, revərent, eerbiedig, nederig, onderdanig; He laid the book down Reverentially (revərenšəli) = hij legde het boek eerbiedig neer; Reverer = vereerder.
Reverie, revəri, revərî, mijmering, droomerij.
Revers, rivîə, revers.
Reversal, rivɐ̂s’l, herroeping, vernietiging, omlegging.
Reverse, rivɐ̂s, omgekeerd, tegengesteld; subst. keerzijde, achterkant, omverwerping, omkeer, tegenspoed, nederlaag, tegenovergestelde; Reverse verb. omkeeren, omleggen, omschakelen, de richting wijzigen, onderstboven keeren, omverwerpen: That is the reverse of the medal = de keerzijde; He said the reverse of what he intended = het omgekeerde; The chairman reversed the order of the day = veranderde, keerde om de orde der werkzaamheden; He held his pipe reversed = hij had de pijp met de opening naar beneden in den mond; Reverser = stroomwisselaar; Reversible = omkeerbaar, herroepelijk, wat aan beide kanten gedragen kan worden: Reversible Coat; Reversion, rivɐ̂š’n, atavisme, het weder toevallen (van een erfgoed) aan een persoon na den dood van den tegenwoordigen bezitter: He has an estate in reversion of £ 300 a-year; Reversionary, rivɐ̂šənəri: He had a reversionary right to the crown = het recht op de kroon kon op hem terugvallen; Reversioner = iemand die eene reversion heeft; Revert, rivɐ̂t, omkeeren, terugkomen, terugkeeren tot den schenker of diens erfgenamen: That will revert to you = dat zal u later ten deel vallen; He reverted to the subject again and again = kwam telkens weer terug; The conversation reverted to our plan = kwam weer op; Revertible = teruggaand, terugkeerend; Revertive = omkeerend, wisselend.
Revest, rîvest, weder bekleeden, weder instellen, terugkeeren tot den vorigen eigenaar.
Revet, rivet, bekleeden; Revetment = bemanteling (vestingb.).
Review, rivjû, subst. overzicht, revisie (ook jur.), recensie, aankondiging, tijdschrift met opstellen en recencies, revue, inspectie; Review verb. terugzien op, herzien, recenseeren, inspecteeren: The Review of Reviews is a well-known monthly = de “revue der revues”; Works reviewed in this number = in dit nummer besproken; The queen reviewed the fleet off Spithead = hield eene vlootschouw bij; Reviewer = recensent.
Revile, rivail, smaden, beschimpen; subst. Revilement; Reviler; He said it revilingly = smadelijk.
Revisal, rivaiz’l, revisie; Revise, rivaiz, subst. herziening, revisie; Revise verb. herzien, verbeteren, revideeren; Reviser = corrector; Revising barrister = revisor der kiezerslijsten; Revision, riviž’n, herziening, revisie; adj. Revisional = Revisionary.
Revisit, rîvizit, nogmaals bezoeken.
Revival, rivaiv’l, herleving, weder opleving, weder opvoering, herstel; godsdienstige opwekking of herleving = Revivalism; Revivalist = voorstander van (bijeenkomsten tot) opwekking van godsdienstig leven; Revive, rivaiv, herleven, nieuw leven herkrijgen, weer opleven (opvoeren), opwekken, vernieuwen, weer moed imboezemen: Old differences should not be revived = men moet geen oude koeien uit de sloot halen; Let me revive your memory a little = wat opfrisschen; Reviver = soort vlekkenwater, borrel; Revivify, rîvivifai, opnieuw bezielen; Revivor, rivaivə, hervatting van een rechtsgeding.
Revocability, revəkəbiliti, rivoukəbiliti, herroepbaarheid; adj. Revocable, revəkəb’l, rivoukəb’l, subst. Revocableness; Revocation, revəkeiš’n, herroeping; Revoke, rivouk, subst. renonceeren; Revoke verb. herroepen, intrekken, vernietigen, renonceeren (bij het kaarten): The judgment cannot be revoked = is onherroepelijk.
Revolt, rivoult, rivolt, subst. opstand, oproer; Revolt verb. in opstand komen, walgen van: The labourers were in revolt = maakten oproer; In vain did he try revolt = beproefde hij het met oproer; The meal revolted him = stond hem tegen; Revolter = oproermaker, oproerling, afvallige; A revolting deed = stuitende; A revolting smell = walgelijke.
Revolution, revəl(j)ûš’n, omwenteling, omloop, revolutie: The rotation of the earth on its axis, and its revolution round the sun = en haar loop om de zon; Revolutionary, subst. revolutionair; adj. omwentelingsgezind: Revolutionary ideas = revolutionaire denkbeelden; Revolutionist = omwentelingsgezinde; Revolutionize = eene omwenteling veroorzaken, een geheelen omkeer brengen in: Darwin’s works have revolutionized all our old-world systems = al onze ouderwetsche stelsels omvergegooid.
Revolve, rivolv, omdraaien, omwentelen, voortrollen, overleggen, overdenken: There he stood, revolving many memories = terwijl hij vele herinneringen bepeinsde; To revolve in one’s mind = overpeinzen; Revolver = revolver; Revolving: Revolving light = draaiend licht van een vuurtoren; Revolving winds = dwarrelwinden.
Revulsion, rivɐlš’n, plotselinge en geweldige ommekeer; afleiding (eener ziekte); Revulsive, adj. afdrijvend; subst. afdrijving, afdrijvend middel.
Reward, riwöd, subst. belooning, vergoeding, jagersrecht; Reward verb. beloonen, vergelden: Give it him as a reward = ter belooning; Rewarder; Rewardless = zonder belooning.
Rewrite, rîrait, opnieuw schrijven: Sixth edition, entirely rewritten = geheel nieuw bewerkte uitgaaf.
Reynard, rein’d, ren’d; Reynold, ren’ld, Reinout; Reynolds, ren’ldz. Rhadamant(h)ine, radəmant(h)in, streng rechtvaardig, afdoende, zonder beroep.
Rhaetian, rîšən: Rhaetian Alps.
Rhapsodic(al), rapsodik(’l), rhapsodisch, zonder samenhang; Rhapsodist = rhapsode (rondtrekk. Grieksch volkszanger), reciteerder van verzen; Rhapsodize = rhapsodieën opzeggen, zingen of voordragen; Rhapsody, rapsədi, rhapsodie.
Rhea, rîə, Rhea; Amerik. struis.
Rheims, rîmz.
Rhenish, reniš, subst. Rijnwijn = Rhenish wine; Rhenish Prussia.
Rhetia, rîšiə, Rhetië.
Rhetoric, retərik, declamatie, welsprekendheid; Rhetorical, rətorik’l, oratorisch: Rhetorical art; Rhetorician, retəriš’n, redekunstenaar, declamator.
Rheum, rûm, abnormale afscheiding van de slijmvliezen, tranen, slijm; Rheumy eyes = druipoogen.
Rheumatic, rumatik, rheumatisch, jichtig: Rheumatics = rheumatiek; Rheumatism, rûmətizm, rheumatisme.
Rhine, rain, Rijn: The Lower, Middle, Upper Rhine.
Rhino, rainou, “duiten”, “moppen”: To sport the rhino = over de brug komen (fig.).
Rhinoceros, rainosəros, neushoorndier.
Rhinoscope, rainəskoup, neusspiegel; Rhinoscopy, rainoskəpi, onderzoek van den neus.
Rhode Island, roud-ail’nd; Rhodes, roudz, Rhodes (eiland); Rhodesia, roudîziə; Rhodian, roudj’n, subst. en adj. (bewoner) van Rhodes.
Rhododendron, roudədendron, Rhododendron.
Rhomb, rom(b), ruit; Rhombic = ruitvormig.
Rhomboid, rombôid, scheefhoekig parallelogram; Rhomboidal, rombôid’l, ruitvormig.
Rhone, roun, Rhône.
Rhubarb, rûbâb, rabarber.
Rhumb, rɐm(b), kompas, windstreek; Rhumb-card = windroos; Rhumb line = lijn welke alle meridianen onder denzelfden hoek snijdt.
Rhyme, raim, subst. rijm, poëzie, metrum; Rhyme verb. (be)rijmen, harmonieeren: The plan has neither rhyme nor reason = is hoogst ongerijmd en roekeloos; He answered without rhyme or reason = zijn antwoord had slot noch val; Male, female rhyme = mannelijk (staand), vrouwelijk (slepend) rijm; Rhymeless = rijmloos; Rhymer, Rhymester = rijmelaar, verzensmid.
Rhythm, rithm, ridhm, klankmaat, rhythmus; Rhythmic(al) = rhythmisch, welluidend; periodiek (v. ziekten).
Rial, rîəl, Spaansche reaal.
Rialto, rialtou.
Riancy, raiənsi, vroolijkheid; Riant = vroolijk.
Rib, rib, subst. rib, inhout (van een schip), hoofdnerf (van een blad), vrouw (1 Mos. II. 21); Rib verb. met ribben omsluiten, van ribben voorzien; Rib-roast = afranselen; Rib-roaster = ribbestoot; Ribbed = geribd; Ribbing = geribd verwulf.
Ribald, ribəld, subst. en adj. liederlijk (mensch); Ribaldry = liederlijke en vuile taal, ontucht.
Rib(b)and, rib’n(d) = Ribbon: He took up the ribalds (ribbons) of the conversation, and kept them in his own hand = hij nam de leiding van het gesprek en behield die.
Ribbon, rib’n, lint, band(je): Blue Ribbon, Zie Blue; To handle the ribbons = zelf mennen; To tear (in)to ribbons = in flarden scheuren; Ribbon-grass = rietachtig kanariegras; Ribbonism = beginselen der Ribbon Society = een geheim Iersch genootschap (van Ribbonmen), opgericht in 1808, die een groen bandje als insigne dragen.
Ribston pippin, ribst’npipin, een fijne soort appel.
Rice, rais, rijst: The Duke and Duchess left for their honeymoon amid a complete shower of rice and throwing of the slipper = te midden van een ware bui van rijst en het nawerpen van de pantoffel; Rice-bird = rijstvogeltje; Rice-flour; Rice-milk = rijstepap; Rice-paper; Rice-plantation = rijstveld; Rice-pudding = rijsttaart; Rice-starch; Rice-table = ind. rijsttafel; Rice-weevil = rijstworm.
Rich, ritš, rijk, kostelijk, voortreffelijk, overvloedig, vruchtbaar, sterk, voedzaam, zoet, saprijk, klankrijk, gepeperd: The Rich = de rijken; The New Rich = parvenus; Such food is too rich for me = mij te machtig; She has a rich voice = heerlijke, klankrijke; He is rich beyond the dreams of avarice = rijker dan een vrek het zich durft droomen; Rich in silver = rijk aan zilver; Riches = rijkdom(men), pracht; Richness = rijkheid, overvloed(igheid), voedzaamheid, volheid.
Richard, ritšəd, Richard; Richardson, ritšəds’n; Richmond, ritšm’nd.
Rick, rik, subst. hooimijt, hoop koren; Rick verb. ophoopen, tot een mijt vormen.
Ricketiness, rikətinəs, subst. v. Rickety.
Rickets, rikəts, Engelsche ziekte.
Rickety, rikəti, aan de Engelsche ziekte lijdend, zwak in de gewrichten, wankel, waggelend: Rickety stairs = wrak.
Rickshaw, rikšô, tweewielig karretje door een man getrokken (Indië, China, Japan) = Jinricksha.
Ricochet, rikəšet, rikəšei, rikəšet, subst. terugstuiting, opstuit, afkaatsing; ricochetschot; Ricochet verb. ricochet schieten, terugstuiten, even aanraken.
Rid, rid, adj. bevrijd; Rid verb. bevrijden, afhelpen, reinigen, zuiveren: He could not get rid of his toothache = van zijne kiespijn niet afkomen; He rid me of my pain = hielp mij van de pijn af; To rid of caterpillars, from moss; Riddance, rid’ns, bevrijding, verlossing: He made a clear riddance = hij zette alles aan kant; He is gone, and it’s a good riddance = wij zijn gelukkig van hem af; A gentle riddance = daar zijn we netjes afgekomen.
Ridden, rid’n, part. perf. van to ride.
Riddle, rid’l, subst. raadsel; groote zeef; Riddle verb. oplossen, in raadsels spreken, in de war brengen, ziften, besnoeien, met kogels doorboren: To propose, to solve a riddle = opgeven, raden; The fence was riddled with bullets = doorboord van geweerkogels; Don’t riddle your plans before they are ripe = breng niet in de war; Riddler = raadselachtig spreker.
Ride, raid, subst. rit, toertje, rijweg; Ride verb. rijden, voor anker rijden: To give a ride = laten rijden (ook kinderen op den rug); To go long bicycle rides = fietstochten maken; The young ladies have gone for a ride = zijn uit toeren; To have a ride = To take a ride = een ritje doen; To have donkey rides = ezeltje rijden; It’s a two hours’ ride = twee uur sporens; Within a few minutes’ railroad ride = binnen een paar minuten sporens; To ride a bicycle, a horse; She can’t ride an ounce under sixteen stone = zij weegt bepaald geen ons minder dan 224 Eng. ponden; The ship rides easy, hard = het schip rijdt gemakkelijk, zwaar op zijn anker; The ship was riding at anchor = het schip reed op zijn anker; To ride in a railway-carriage (in a coach) = rijden in; He attempted to ride off under cover of a mistake = hij trachtte zich schoon te wasschen door te beweren, dat het een vergissing was; The steamer will ride out the storm = de stoomboot zal den storm wel afrijden (voor anker); I rode outside an omnibus = boven op; He rode roughshod over me = tiranniseerde mij; He rides well to hounds = hij blijft (bij de vossenjacht) steeds achter en zoo dicht mogelijk bij de honden; He rode to cover = reed ter jacht (Zie Cover); Rider = rijder, ruiter, pikeur, temmer; bijblad, toegevoegde clausule: I have been a rider in cabs, on omnibuses = heb gereden in; To add, To put, To move as a rider = als clausule toevoegen, voorstellen; The rider was an old gentleman = passagier; He selected the hardest rider from my book = het moeilijkste vraagstuk; Riderless.
Ridge, ridž, subst. hoogte, rug of keten, nok, vorst (van het dak); Ridge verb. in voren ploegen: The sea was ridging roughly eastward, and almost overwhelmed the vessel = de golven vormden hooge kammen van west naar oost; Ridge-pole, Ridge-piece, Ridge-plate = nokstuk (timmerwerk aan den nok); Ridge-tile = vorstpan; Ridgy = zich in ruggen of hoogten verheffend.
Ridicule, ridikjûl, subst. belachelijkheid, hoon, spot; Ridicule verb. belachelijk maken, bespotten: To cover (treat) with, To turn into ridicule = belachelijk maken; He is a past master of killing ridicule = volleerd in vernietigenden (bijtenden) spot; His proposal was ridiculed by the whole meeting = werd bespot; Ridiculer; Ridiculous, ridikjuləs, belachelijk, bespottelijk; subst. Ridiculousness.
Riding, raidiŋ, rij - -; subst. rijden, rijweg; eene der drie afdeelingen van Yorkshire: They were playing the game of “spy for ridings” = ze speelden “vangertje”, waarbij de gevangen jongen den vanger op zijn rug moet laten rijden; Riding-academy = Riding-school; Riding-breeches; Riding-crock, (-crop, -rod, -whip) = karwats; Riding-habit = rijkleed voor dames; Riding-hall = rijschool; Riding-lights = ankerlichten; Riding-master = pikeur, stalmeester; Riding-rimes (rhymes) = rijmen in twee-regelige versjes; Riding-school = rijschool; Little Red-Riding-Hood = Roodkapje.
Ridotto, ridotou, bal masqué.
Rife, raif, overvloedig, algemeen heerschend, vol van (with): Bribery was rife = omkooperij kwam veel voor; subst. Rifeness.
Riffler, riflə, raspvijl.
Riffraff, rifraf, gepeupel, uitvaagsel; uitschot.
Rifle, raif’l, subst. geweer met getrokken loop; Rifle verb. wegvoeren, rooven, leegplunderen, een getrokken loop maken (Rifles = fuseliers, jagers); Rifle-barrel = getrokken loop; Rifle-barrelled = met getrokken loop; Rifle-brigade, Rifle-corps; Rifleman = jager, scherpschutter; Rifle-pit = kuil voor scherpschutters; Rifle-range = schietbaan; Rifle-shot = geweerschot: He lived within rifle-shot of my retreat = op geweerschotsafstand; Rifler = roover, plunderaar.
Rift, rift, subst. kloof, spleet, scheur, gebrek, misverstand, oneenigheid; Rift verb. scheuren, splijten, kerven.
Rig, rig, subst. tuigage, want, opschik, voertuig, vischgerei, grap, streek; Rig verb. optuigen (ook fig.), uitdossen; voor den mal houden: I am up to your rigs = ik weet wat je in ’t schild voert; I never thought of running such a rig = dat me zoo iets gebeuren zou; To run the rig upon = voor den mal houden; He gets a new rig-out = een nieuw pak; He was rigged out in a pair of new trousers = uitgedost in; He rigged the market = hij beheerschte de markt (Am.); Rigger = scheepstuiger; riemschijf; speculant; Rigging = tuigage, want: Running, Standing rigging = loopend, staand want; Riggish = verpierewaaid.
Riga, raigə, rîgə.
Right, rait, subst. recht, aanspraak, rechterhand, rechterkant, rechterzijde (in eene wetgevende vergadering); stuk land, aandeel in fabriek of mijn (Amer.); adj. en adv. recht, billijk, rechtvaardig, juist, rechter of rechts(ch); Right verb. recht zetten, oprichten, recht laten wedervaren, zich oprichten: The Right = Rechterzijde (Parl.); Mr. Right is not yet come = de rechte Jozef is nog niet verschenen; Bill (Declaration) of Rights = het Eng. charter van 1689; It would not come right = het wou niet goed komen; We shall soon put (set) this to rights = dat spoedig in orde brengen; I’ll send him to the right-about very soon = hem gauw wegzenden, rechtsomkeert doen maken; To have a (no) right to = recht (geen recht) hebben op; He did not hear, know the rights of it = hoorde, wist er het fijne niet van; They killed a right and left of rabbits = schoten konijnen rechts en links neer; Good shooting does not guarantee rights and lefts at partridges = is nog geen waarborg voor eene goede patrijzenjacht; By rights = eigenlijk; You are in the right = hebt gelijk; She had a fortune in her own right = zij had zelf fortuin; A duchess in her own right = eene hertogin die zelf de rechten heeft, aan dien rang verbonden (behalve een zetel in The House of Lords); He was standing on the right = hij stond aan den rechterkant; To the right = naar rechts; He was strictly within his rights = in zijn recht; Right about face (turn) = rechtsomkeert; All right, my boy = in orde, baasje; You are right = hebt gelijk; That is right, set him right = goed zoo, help hem op weg; It is not right for you to say so = het past u niet; I am on the right side of fifty = nog geen vijftig; On the right side of five guilders = over de; On the right side of fortune = schatrijk; To put right = in orde brengen, verbeteren; We’ll soon set it right = het gauw in orde brengen; Right across = dwars over; Right away = terstond (Amer.); A right down Londoner = oprechte, echte; Right down to the bottom = loodrecht naar de diepte; Right opposite = vlak hier tegenover; To tell right out = zonder omwegen; To read right through = in één stuk door; Right to the point = recht op het doel af; I am right glad that I went right up to the top of the building = erg blij, ... heelemaal naar; I must be righted, or I will right myself = er zal mij recht geschieden, of ik zal mij zelven recht verschaffen; Things will right themselves = zullen wel van zelf in orde komen; To right the helm = het roer midscheeps leggen; To right a pole = een paal rechtop zetten; Right angle = rechte hoek; Right-angled = met rechte(n) hoek(en); Right-hand = rechtsch; subst. rechterhand, ook fig. = Right-hand man = rechter nevenman; Right-handed = rechtsch, handig; Right-hearted = rechtschapen; Right-honourable = titel voor al de pairs in Engeland, voor de zoons en dochters van Dukes en Marquesses, en de dochters en oudste zoons van Earls, voor leden van den Privy Council, den Speaker van het House of Commons, den Lord Chancellor, de Lord Chief Justices, en den Lord Chief Baron; voor de Lord-mayors van London, Dublin en York, en voor den Lord-Provost van Edinburgh, zoolang zij in functie zijn; Right-lined = rechtlijnig; Right-minded(ness) = rechtgeaard(heid); Righteous, raitšəs, rechtvaardig, rechtschapen, heilig, billijk; Righteousness = rechtschapenheid, reinheid des harten, volkomen gehoorzaamheid aan Christus; Righter: Women’s Righter = kampioen voor vrouwenrechten; Rightful = rechtvaardig, rechtmatig: He is the rightful heir = de rechtmatige erfgenaam; subst. Rightfulness; Rightly = terecht, precies: You rightly refused to accompany him = hebt terecht geweigerd.
Rigid, ridžid, (ge)streng, stijf, onbuigzaam, hard: Rigid dirigible = bestuurbare ballon van het stijve stelsel; Rigid examinations = strenge; subst. Rigididity = Rigidness.
Riglet, riglət, lijstje; filet.
Rigmarole, rigməroul, subst. onzin, gewauwel; verhaal door één begonnen, en achtereenvolgens door de anderen van het gezelschap voortgezet; adj. dwaas, onzinnig, vervelend.
Rigorism, rigərizm, (ge)strengheid, stiptheid; Rigorist, subst. iemand van strenge beginselen; adj. streng, stipt; Rigorous, rigərəs, (ge)streng; straf, stipt, onbuigzaam, hard; subst. Rigorousness; Rigour, rigə, strengheid, hardheid, nauwkeurigheid.
Rig Veda, rigveidə, het eerste der 4 Veda’s.
Rile, rail, “het land” opjagen.
Rill, ril, subst. beekje; Rill verb. vlieten; Rillet = klein beekje.
Rily, raili, uit zijn humeur, boos.
Rim, rim, subst. rand, invatsel, garnituur (v. een bril, b.v.); Rim verb. van een rand, etc. voorzien: Her eyes were rimmed round with weeping = zij had randen om de oogen van.
Rime, raim, subst. rijm, rijp (zie Rhyme); Rime verb. tot rijp doen bevriezen; Rime-frosted = berijpt.
Rimose, raimous, raimous, vol barsten en spleten; subst. Rimosity, raimositi; Rimous, raiməs = Rimose.
Rimple, rimp’l, subst. rimpel; Rimple verb. rimpelen.
Rimy, raimi, berijpt, koud en nevelig.
Rind, raind, subst. schors, huid, schil; Rind verb. schillen: Cheese rind, Pork rinds; Rindless.
Rinderpest, rindəpest, longziekte (vee).
Ring, riŋ, subst. ring, kring, circus, renperk, krijt, kliek; klank, stel harmonische klokken; Ring verb. omringen, van een ring voorzien, een kring van schors van een boom snijden; klinken, luiden, doen klinken of weergalmen: The Ring = onafgebroken keten van rijtuigen in Hydepark; kringvormig opgesteld publiek bij een bokspartij, bokspartij; There is a ring in his voice which gains your sympathy = eigenaardige toon of klank; There’s a ring = er wordt gebeld; To blow rings = kringetjes (rook) blazen; To be trained to the ring = voor het circus opgeleid; Swinging-rings = ringen (gymn.); He rang the changes on her praise = prees haar op alle manieren; The bells rang out the old year and rang in the new = luidden het oude jaar uit en het nieuwe in; I rang up the chemist = belde op (per telefoon); The curtain was rung up for the second act = de bel voor het tweede bedrijf luidde; To ring up a (forgotten) letter = in herinnering brengen; The house rang with merriment = vroolijkheid weerklonk door het huis; Ring-bolt = ringbout; Ring-dove = ringduif; Ring-dropper = kwartjesvinder; Ring-finger = ringvinger; Ring-formed = ringvormig; Ring-leader = belhamel; Ring-mail = maliënkolder; Ring-master = pikeur (van een circus); Ring-streaked = met ringen gestreept; Ring-tailed = met kringen op den staart; Ring-worm = soort duizendpoot, dauwworm (Med.); Ringer = klokkenluider; Ringing, subst. het luiden, gelui; adj. klinkend, welluidend: It is still ringing in my ears = het tuit me nog in de ooren; Ringlet = ringetje, krulletje.
Rink, riŋk, subst. ijsbaan, baan voor kunstrijders, lokaal voor het rijden op rolschaatsen; Rink verb. rijden in een Rink: Skating-rink.
Rinse, rins, spoelen, omwasschen (away, off, out); Rinsing-tub.
Riot, raiət, subst. oproer, muiterij, drinkgelag, burengerucht; Riot verb. oproer maken, muiten, zwelgen, rumoerig zijn, snel slaan (pols): The Riot Act was read = de oproerige menigte werd gesommeerd (met verwijzing naar de Riot Act van 1714) uiteen te gaan; To kick up a riot = herrie schoppen; To run riot (Zie Run); Rioter = zwelger, oproermaker; Riotous, raiətɐs, oproerig, ongebonden; subst. Riotousness = Riotry.
Rip, rip, subst. scheur, teenen vischmand, bedrieger, deugniet, waardeloos iets, knol, snoepreisje; Rip verb. openrijten, lostornen, losscheuren (up), onthullen, uitstooten: A six months’ rip to America = uitstapje; Don’t rip up old sores (half-scarred wounds) = rijt geen oude wonden open; Ripper = tornmesje; iets uitstekends: She is a ripper = eene aardige, kranige meid; Jack the Ripper = een berucht vrouwenmoordenaar; A ripping little girl = flinke, bovenste beste, kranige meid.
Riparian, raipêriən, aan een oever gelegen of wonende; ook subst.
Ripe, raip, rijp, ontwikkeld, dringend: Ripe wants = dringende behoeften; He is ripe for the madhouse = rijp voor; Ripen = rijp worden of maken; subst. Ripeness.
Ripon, rip’n.
Ripost(e), ripoust, tegenstoot, vlug en vinnig antwoord.
Ripple, rip’l, subst. gekabbel, golving; groote kam om vlas te repelen; Ripple verb. rimpelen, kabbelen; repelen: Chestnut hair with a ripple in it; It excited ripples of interest = teekenen v. belangstelling; The rippling of the waves = het kabbelen der golven; Ripple-marks = indrukken van de wijkende golven op het strand; The beach was Ripple-marked = het strand had overal de indrukken der golven.
Riprap, riprap, steenstorting (als fundament); ook verb.
Rise, raiz, subst. opstand, opkomst, opslag, verhooging, rijzing, verheffing, bron, het opkomen, toeneming, verbetering, bevordering; Rise verb. opstijgen, opstaan, opkomen, opzwellen, voortkomen, wassen, toenemen: The rise of the Dutch Republic = de opkomst der Nederl. republiek; That gave rise to many cordial greetings = gaf aanleiding tot; The Rhine takes its rise in Switzerland = ontspringt in; I took (got) a rise out of him = ik ben hem te slim af geweest, heb hem belachelijk gemaakt; The water is on the rise = aan het opkomen; Each epithet rose above the other = elk volgend epitheton was steeds mooier; The House rose at three in the morning = de zitting werd gesloten; The company rose from table = stond van tafel op; The whole nation rose in arms = vatte de wapenen op; The wind soon rose to a storm = verhief zich; The colour rose to her cheeks = steeg haar naar de wangen; He rose to the occasion, emergency = was tegen de moeilijkheid opgewassen; He would not rise to my scheme = hij wou mijn plan niet begrijpen, er niets van weten; He rose to the suggestion = hij begreep den wenk; The words Plenty, Abundance and Exuberance rise upon each other in expressing the idea of fulness = het begrip overvloed wordt telkens sterker uitgedrukt door; Riser: I am not an early riser = niet matineus; Rising, subst. opstaan, opstand, opgang, gezwel; adj. opgaande, opkomend, toenemend, aanzwellend: The rising of Lazarus = de opwekking van L.; The rising generation = het opkomend geslacht; They adore (worship) the rising (risen) sun = zij aanbidden de opgaande zon.
Risibility, rizibiliti, subst. v. Risible, rizib’l, belachelijk, lachwekkend; tot lachen geneigd.
Risk, risk, subst. gevaar, risico; Risk verb. wagen, in de waagschaal stellen: He did it at the risk of his life = met gevaar van eigen leven; I won’t run the (a) risk = wil mij daaraan niet blootstellen; You are subject to the risks = moet de risico dragen; Risker; Risky = gevaarlijk, gewaagd: A risky experiment = gewaagde proefneming.
Risorial, raisôriəl: Risorial muscle = lachspier.
Rite, rait, godsdienstige plechtigheid, ritus; Ritual, ritjuəl, subst. rituaal, liturgisch boek met formulieren; adj. ritueel: Is thy meat ritually prepared? = koscher; Ritualism = ritus; Ritualist = voorstander van de richting der High Church; kenner der kerkgebruiken; adj. Ritualistic.
Rivage, rividž, oever, kust.
Rival, raiv’l, subst. mededinger, medeminnaar; adj. mededingend, concurreerend; Rival verb. mededingen, wedijveren: He was my rival for that place = mededinger; Rivalry = Rivalship = medeminnaarschap, wedijver.
Rive, raiv, scheuren, opensplijten: The tree was riven (riv’n) by (with) lightning = door den bliksem gespleten; River.
River, rivə, rivier, stroom: We sailed down, up the river = de rivier af, op; In (On) the river = op de rivier; The Rivers = Delta van den Niger, het Niger-coast Protectorate; River-basin = stroomgebied; River-bed, River-channel = bedding eener rivier; River-craft = riviervaartuigen; River-driver = vlotter (Amer.); River-god = stroomgod; River-hog = Z. Amer. waterzwijn; River-head = bron; River-horse = nijlpaard; River-side = oever.
Rivers, rivəz.
Rivet, rivət, subst. klinknagel; Rivet verb. vastklinken, strak richten op (to, on), diep inprenten: It remains riveted in my mind for ever = staat in mijne ziel gegrift; He was riveted to that post = hij zat er vast aan (kon er nooit eens uit); The Eiffel Tower is the work of the riveter = het werk van den vastklinker, den klinkhamer.
Riviera, rivjêrə.
Rivose, raivous, rivous, gerimpeld.
Rivulet, rivjulet, beek, riviertje.
Rixdollar, riksdolə, rijksdaalder (ƒ 1,50 tot ƒ 2,50).
Roach, routš, (blank-)voorn: As sound as a roach = zoo gezond als een visch.
Road, roud, weg, reis, reede: To be in the road(s) = op de reede liggen; I am off my road = verdwaald; He was on the road to Vienna = op reis naar; There is no royal road to learning = de weg naar de wetenschap is vol moeilijkheden; I have lost my road = ben verdwaald; To put a person on the right road to = den weg wijzen naar; He has taken to the road = struikroover geworden; Road-agent = tolgaarder; roover (Am.); Road-bed = grondlaag v. weg of spoor; Road-book = gids voor steden, wegen en afstanden; Road-hog = onbesuisd fietsrijder; Roadman = Road-mender = wegwerker; Road-metal = steenen voor macadamwegen; He was sitting by (on) the roadside = zat aan den weg; Roadstead = reede; Roadster = rijpaard, koetsier v. diligence, schip (op de reede), soort fiets; Roadway = straatweg, bereden gedeelte van een brug.
Roam, roum, rondzwerven, omzwerven: I roamed the streets of the city aimlessly = zwierf doelloos door; Roamer.
Roan, roun, subst. roode schimmel; roode kleur; adj. rood- of ijzergrauw.
Roar, rö, subst. gebrul, geloei, gehuil, geschater, gebulder; Roar verb. brullen, loeien, huilen, bulderen, schateren, bruisen, donderen: To keep the company in a roar = aan het schateren; He set the company in (on) a roar = deed schateren van lachen; The whole company set up a roar = begon te brullen van lachen; Roarer = bruisende golf, luid aanslaande hond, aamborstig paard; He has a roaring business (trade) = eene woest-drukke zaak.
Roast, roust, subst. gebraad; adj. gebraden; Roast verb. braden, branden; voor het lapje houden, ongenadig plagen: He rules the roast (roost) = hij is de baas, beheerscht alles; Roast beef, goose, etc.; Roaster; Roasting-jack = toestel waarin het spit draait.
Rob, rob, rooven, bestelen, plunderen: He robbed me of my gold watch = ontstal mij; Robber = roover, dief; Robbery = rooverij, diefstal.
Rob, rob, gelei, conserf.
Robe, roub, subst. toga, tabberd, staatsiemantel; Robe verb. kleeden, in een toga of tabberd kleeden: Gentlemen of the long robe = advocaten of getabberden; Master, Mistress of the robe = titel van een hofbeambte, of hofdame met de zorg voor de garderobe belast; They follow the robe as a profession = zijn bij de magistratuur; Robes of office = ambtsgewaad; In robe and crown the king appeared; I have seen him in his robes in the House of Lords = in zijn pairsmantel gezien.
Robert, robət, Robert; ook: kellner, “Jan”; Robertson, robəts’n; Robinson, robins’n.
Robin, robin, Robert; roodborstje; Robin-Good-fellow = goedige kabouter; Robin-redbreast = roodborstje; Round robin = petitie met de handteek. in een cirkel, zoodat men niet weet wie het eerst geteekend heeft: That beats the round robin = dat is wat al te erg, al te brutaal.
Roborant, robər’nt, subst. en adj. versterkend (middel).
Roburite, robjurait, roburiet.
Robust, rəbɐst, krachtig, sterk, gespierd; subst. Robustness.
Roc, rok, fabelachtige vogel in Arabische sprookjes: Roc’s egg = iets fabelachtigs.
Rocambole, rok’mboul, slangelook.
Rochdale, rotšdeil; Rochester, rotšəstə.
Rochet, rotšət, linnen toog; korte pairsmantel; voorn.
Rock, rok, subst. rots, gesteente, klip, soort bonbon, schommel, spinnewiel; Rock verb. wiege(le)n, schommelen, wankelen: To be on the rocks (fig.) = in (geld)verlegenheid zijn; To run against a rock = zich aan gevaar blootstellen; Rock-alum = aluinsteen; Rockaway = een bepaalde Amer. wagen; Rock-bound = door rotsen omsloten; Rock-cork = bergkurk; Rock-crystal = bergkristal; Rock-oil = steenolie, petroleum; Rock-pigeon = klipduif; Rock-ruby = robijn-roode granaat; Rock-salt = klipzout: Rock-snake = tijgerpython; Rock-soap = bergzeep; Rock-staff = blaasbalgstok; Rock-wood = houtasbest; Rock-work = rotswerk; Rocker = wieg, hobbelpaard, onderstel v. een wieg; Rockery = rotswerk (in tuinen, etc.); Rockiness = rotsachtigheid; Rocking-chair = schommelstoel; Rocking-horse = hobbelpaard; Rocking-stone = schommelsteen; Rocky = rotsachtig, hard als een rots.
Rockefeller, rokfelə.
Rocket, rokət, vuurpijl; Rocket verb. als een pijl opvliegen: To let off a rocket = oplaten; To rocket about (on a horse) = rijden, wippen.
Rockies = Rocky Mountains (Amer.).
Rococo, rəkoukou, Rococostijl (17e eeuw).
Rod, rod, roede (ook maat = 5,029 M.), stok, staf, stang, rotting, scepter, takje: I have a rod in pickle for you = ik heb voor u wat in het vat; Black Rod = koninkl. boodschapper en ceremoniemeester in het Hoogerhuis (altijd een gepension. admiraal of generaal); de staf waaraan hij zijn naam ontleent; Rod-fishing = hengelen.
Rode, roud, imperf. van to ride.
Rodent, roud’nt, knaagdier: He is a political rodent = oude rot (fig.).
Roderic(k), rodərik; Roderigo, rod(ə)rîgou.
Ro(d)ger, rodžə, Rutger; schepers naam voor een ram; stier: We hoisted the Jolly Roger = wij heschen de kapervlag (de vlag draagt “Crossbones and skull” = een schedel met gekruiste doodsbeenderen).
Rodney, rodni; Rodolph(us), roudolf (rədolfəs).
Rodomont, rodəmont, subst. grootspreker, bluffer; adj, blufferig, snoevend; Rodomontade, rodəmonteid, subst. snoeverij, geschetter; Rodomont verb. bluffen, schetteren.
Rody, rodi.
Roe, rou, ree, hinde; kuit: Soft roe = hom; Hard roe = kuit; Roebuck = reebok.
Rogation, rəgeiš’n, litanie: Rogation days (Rogation tide) = de drie dagen vóór Hemelvaartsdag, vóór het feest van den H. Marcus; Rogation week = Hemelvaartsweek.
Roger, rodžə, Zie Rodger.
Rogue, roug, schurk, schalk(je), snaak, grappenmaker, verstooten en daardoor woest geworden olifant: He is a rogue in grain = aartsschurk; Rogue’s march = marsch gespeeld als een soldaat weggejaagd wordt; Roguery = schurkenstreek, snakerij; Roguish = schalksch, schelmachtig; subst. Rogueness.
Roil, rôil, troebel maken, sarren, plagen.
Roister, rôistə, snoeven, rumoer (pret) maken; Roister(er) = snoever, rumoer(pret)maker.
Roland, roul’nd, Roland: To give a Roland for an Oliver = met gelijke munt betalen (fig.).
Roll, roul, subst. het rollen, slingeren (slingering), rol, (presentie)lijst, register, rond broodje, roffel; Roll verb. rollen, wentelen, draaien, slingeren, roffelen, rommelen: To call the roll = appèl houden; To put on the roll = op de rol plaatsen; To strike off the roll = van de rol afvoeren; Master of the Rolls = eerste archivaris v. de Chancery Division of the High Court of Justice; Office of the Rolls = archief; Rolls of Court, Rolls of Parliament = officieele perkamentrollen van het hof of parlement, archieven; The ship rolled and pitched = slingerde en stampte; He rolls himself in luxury (wealth) = baadt zich in weelde; He is like three persons rolled into one = tot één persoon vereenigd; To roll into a ball = op een kluwen winden; To set the ball rolling = een zaakje aan ’t rollen brengen; Roll-call = appèl; Roller = rolstok, rol, zware golf, lange en breede zwachtel, rolletje; Roller-blind = rolgordijn; Roller-skates = rolschaatsen; Rolling = het rollen, golven, etc.: Rolling-fire = pelotonsvuur; Rolling-mill = pletmolen, Rolling-plant = Rolling-stock; Rolling-press = rolpers, mangel; Rolling-stock = rollend materiaal (van een spoor); A rolling stone gathers no moss = op een rollende steen zet zich geen mos aan.
Rollick, rolik, zich op nonchalante, losse en vroolijke manier bewegen, overmoedig zijn: The wood was jubilant with rollicking children = van de dartelende kinderen; We had some rollicking fun yesterday = dolle pret.
Roly-poly, roulipouli, kort en dik; Roly-poly-pudding = opgerold pasteideeg met confituren; He has a roly-poly growlery of style = hij heeft zoo’n gezwollen brommerigen stijl.
Romaic, rəmeiik, nieuw Grieksch(e taal).
Romal, rəmôl, zijden of haren stof, hoofddoek; rəmal, uit leer of paardehaar gevlochten zweep (Amer.).
Roman, roum’n, subst. Romein; adj. Romeinsch, Roomsch, met romein of gewone drukletter: Roman candle = Romeinsche kaars (soort van vuurwerk); Roman Catholic, subst. en adj. Roomsch-Katholiek(e); Roman law; Romanism = Roomsche leer; Romanist = Roomsch-Katholieke; Romanize = latiniseeren, Roomsch maken of worden.
Romance, rəmâns, subst. romance, geschiedkundig verhaal, verdichting, het romantische, romantiek, Romaansche taal; adj. Romaansch; Romance verb. romantische of overdreven verhalen vertellen, overdrijven, liegen; Romancer = Romancist = schrijver van romances of verdichte verhalen, opsnijder.
Romanese, roumənîz, Rumeensch(e taal).
Romanesque, roumənesk, romanesk.
Romantic, rəmantik, romantisch, fantastisch, schilderachtig, tot de Romant. school behoorend; ook subst.: These great romantics; Romanticism = romantiek; Romanticist = iemand, die tot de romantische school behoort: He is neither a realist, nor a romanticist; Romanticness = het romantische.
Romany, roməni, Zigeuner, taal der Z.
Rome, roum, Rome.
Romeo, roumiou; Romford, rɐmfəd.
Romic, roumik, phonetisch spelstelsel van H. Sweet.
Romilly, romili; Romney, romni.
Romp, romp, subst. wild meisje, wild spel; Romp verb. stoeien, dol spelen; Rompish = wild, uitgelaten; subst. Rompishness.
Romulus, romjulɐs.
Ronde, rond, rondschrift (boekdr.).
Rondeau, rondou, rondou, rondeau; soort muziekstuk.
Rood, rûd, kruis, kruisbeeld, roede, stok, ¼ acre (± 10,117 Are); 5,029 M.; Rood-loft = kruisgalerij (in eene kerk).
Roody, rûdi, geil, weelderig.
Roof, rûf, subst. dak, gewelf, verhemelte (= Roof of the mouth); Roof verb. met een dak bedekken, onder dak brengen: Roof of Heaven; To be content with having a roof over one’s head; Roof-tile = dakpan; Roof-tree = vorstbalk; Roofer = daklegger; Roofing-felt = asphaltvilt; Roofless = dakloos; Rooflet = dakje; Roofy = met een dak.
Rook, ruk, subst. roek; bedrieger; kasteel (schaakspel); Rook verb. bedriegen (in het spel vooral); Rooker = bedrieger; Rookery = bosch met veel roekennesten, de gezamenl. roeken, broedplaats van zeevogels of robben; dievenhol(-kwartier), bordeel.
Room, rûm, subst. ruimte, plaats, kamer, vertrek, gelegenheid, aanleiding, donkerblauwe verfstof; Room verb. kamers bewonen: He gave (left) room = hij ging heen, maakte ruim baan voor een ander; Make room there = ruimte daar! uit den weg! My room will be preferred to my company = ze hebben liever dat ik ga dan blijf; I want your room = ik wensch, dat gij heengaat; There is no room for suspicion = aanleiding tot verdenking; He was appointed in (the) room of his brother = werd in zijn broers plaats benoemd; Cloak-room, Zie Cloak; Living-room, Sitting-room = woonkamer; Room-mate = contubernaal; Roominess = ruimte: Turin is unrivalled in the matter of roominess = er is geene ruimer gebouwde stad dan T.; Roomy = ruim.
Roop, rûp, subst. roep, kreet, heeschheid; Roopy = heesch, schor.
Roost, rûst, subst. rek of stok, troep vogels bij elkander op een stok; Roost verb. slapen, op stok zitten: The hens are at roost = op stok; His curse (chickens) came home to roost = hij kreeg zijne trekken thuis; I am going to roost = ga op stok; The barge lies at roost in a boat-house = is opgelegd in; To retire to roost = op stok gaan; Rooster = haan (Amer.).
Root, rût, subst. wortel, stam, grondtoon (van eene snaar), oorsprong, bron; Root verb. doen wortelen, wortel schieten; wroeten, omwroeten, ontwortelen: Extract the root out of 125 = trek den wortel uit; To go to the root of the matter = tot den grond der zaak doordringen; That lies at the root of it = ligt er aan ten grondslag; To take (To strike) root = wortel schieten; Dutch roots = Hollandsche bloembollen; Root and branch = met wortel en tak; The sow has rooted (out) all the plants = omgewroet; Why do you not root it out? = roeit ge het niet uit? He stood rooted to the spot = als aan den grond genageld; Root-bound = ingeworteld, onbewegelijk; Root-crop = knollenoogst; Root-leaf = wortelblad; Rooted: A rooted hatred of injustice = ingewortelde haat; Rooter = plant die wortel schiet; uitroeier; radicaal; Rootless; Rootlet = worteltje; Rooty = wortelrijk.
Rope, roup, subst. touw, rist; Rope verb. draderig zijn, tot draden uitrekken, met een touw trekken, vastmaken, inhouden (van een paard bij een wedstrijd): He gave me the ropes = liet me vrij spel; I have not got rope enough = ben niet vrij genoeg, kan mij niet voldoende bewegen; He knows (has learned) the ropes = weet er alles van; He performed on the slack, tight rope = danste op het slappe, strakke koord; I hope you will put me up to all the ropes = mij geheel op de hoogte zult brengen; A rope of onions = rist uien; A rope of sand = zwakke band; To rope in = met een touw omspannen, inpalmen (ook van personen), binnenhalen: To rope in a remark with quotes = tusschen aanhalingsteekens zetten; Rope-dancer = koorddanser; Rope-ladder = touwladder; Rope-maker = touwslager: To play the rope-maker = achteruitloopen; Rope-railway = kabelspoor; Rope-walk = lijnbaan; Rope-yarn = kabelgaren; Ropery = lijnbaan; Ropiness, subst. v. Ropy = touwachtig, draderig, kleverig, lijmerig.
Roquelaure, roukəlö, rokəlö, korte mantel.
Rorqual, rökwəl, vinvisch.
Rosa, rouzə; Rosabel, rozəbel.
Rosace, rouzeis, rozet; Rosaceous, rəzeišəs, roosachtig.
Rosalia, rəzeiliə; Rosalind, rozəlind; Rosaline, rozəl(a)in; Rosamond, rozəm’nd.
Rosary, rouzəri, rozenkrans; guirlande, rozenperk of rozentuin: To tell over the rosary = den rozenkrans bidden.
Roscid, rosid, met dauw bedekt.
Roscoe, roskou; Roscommon, roskom’n.
Rose, rouz, subst. roos, rozet, rozenkleur, sproeier; adj. rooskleurig: No rose without a thorn; Once he was very near the rose = bijna geestelijke; They drank wine under the rose in their rooms = stilletjes; I told him so under the rose = onder de roos; Without the rose = onverholen; Members of the White Rose = van eene vereeniging ter herinnering aan de terechtstelling van Karel I; She blushed rose all over; Rose-bud = rozeknop; Rose-bug (Rose-chafer) = gouden tor; Rose-bush = rozestruik; Rose-cheeked = met blozende wangen; Rose-cold (Rose-fever) = zware catarrhe met asthmatische verschijnselen; Rose-colour = rozenkleur; Rose-diamond = rozetsteen; Rose-drop = bonbon (met rozengeur), oorknopje, roode neus; Rose-faced = met rozig gelaat; Rose-hued = met rozentint; Rose-knot = rozet; Rose-leaf = rozeblad: They live in an age of rose-leaves and velvet = zij hebben een leventje op een bordje; Rose-mallow = stokroos; Rosemary, rouzməri, rosmarijn; Rose-pink = rose(kleurig); Rose-rash = roseola, huiduitslag; roos; Rose-water = rozenwater: Revolutions cannot be made with rose-water = die het doel wil, moet de middelen willen; Rose-window = rozet(venster); Rose-wood = rozenhout; Rosery = rozenperk.
Rose, rouz, imperf. van to rise.
Roseate, rouzi-it, vol rozen, rooskleurig, bloeiend.
Roseola, rəzîələ, huiduitslag, roos.
Rosebery, rouzbə’ri.
Rosetta, rəzetə: Rosetta stone, steen met hieroglyphen, enz., in Rosetta gevonden; Rosetta wood = O.-I. oranjekleurig hout.
Rosette, rəzet, rozet.
Rosicrucian, rouzikrûš’n, subst. lid v. een geheim genootschap in de 17de eeuw; adj. tot dit genootschap behoorende; Rosicrucianism = leer, enz. van dit genootschap.
Rosin, rozin, hars: To give rosin = afranselen; Rosiny = harsig.
Rosland, rosland, veengrond, heide.
Rostellum, rostel’m, snaveltje (plantk.).
Roster, rostə, rooster, naamlijst.
Rostral, rostr’l, tot snavel of rostrum behoorende; Rostrate(d), rostrit(id), gesnaveld; Rostriform = snavelvormig; Rostrum, rostr’m, snavel (ook van een schip), spreekgestoelte, tribune, platform.
Rosy, rouzi, rooskleurig, bloeiend, roos...
Rot, rot, subst. verrotting, aardappelziekte, schurft, geklets, onzin; Rot verb. verrotten, bederven: It’s all rot = allemaal onzin, bedriegerij; It’s awful (dry, tommy) rot = verschrikkelijk geklets, onzin; They drink rot-gut = bocht; Rotten = verrot, stinkend, wrak, aangestoken, gemeen, beroerd; Rotten-ripe = beursch; subst. Rottenness; Rotter = kletser, onnut wezen.
Rota, routə, ranglijst, rooster, hoogste pauselijk hof van appèl.
Rotary, routəri, draaiend, rondgaand: The rotary motion of our earth round its axis = omdraaiende beweging; Rotary pump = centrifugaalpomp; Rotate, routeit, om een middelpunt wentelen, draaien; adj. routit, wielvormig; Rotation, rəteiš’n, omdraaiing, omwenteling, geregelde opvolging: By (in) rotation = bij afwisseling, beurt om beurt; Rotation of crops = wisselbouw; Rotative = ronddraaiend; Rotator, omdraaier, draaispier; Rotatory = omdraaiend, beurtelings: Rotatory motion = draaiende beweging.
Rote, rout, routine, sleur, gewoonte: By rote = van buiten, in den sleur; Rote of business = routine.
Rotten-Row, rot’nrou, naam v. een rijweg (voor ruiters) in Hydepark.
Rotund, rətɐnd, rond, bolvormig, plechtig, zwaar; subst. Rotundity = Rotundness.
Rotunda, rətɐndə, rotonde.
Rouble, rûb’l, zilveren roebel (= ƒ 1,88).
Rouen, rûən, Rouaan.
Rouge, rûž, subst. rood blanketsel; Rouge verb. (zich) blanketten: If you do not rouge you won’t tell in a ball, handsome though you may be = als ge u niet blanket, maakt ge geen indruk op een bal; Rouge et noir = hazardspel; Rouge-pot.
Rough, rɐf, subst. ruwe klant; ruwe schets, grof pleisterwerk; Rough adj. ruw, ruig, hard, wrang, woest, kras; verb. ruw maken, ruw schetsen, op scherp zetten, dresseeren: The London roughs = het gepeupel van Londen; In the rough = onafgewerkt, ruwweg; To be rough on = hard zijn jegens, zwaar drukken op; Rough-and-ready = ruw doch flink; Rough-and-tumble = ruw en druk: It is a rough-and-tumble farce = het is een woeste, dolle klucht; We have been Roughing it = wij hebben het hard te verantwoorden gehad, hebben ons er doorheen moeten slaan; The weather was rough, but our yacht roughed it out = maar ons jacht hield het goed uit; Rough-cast, subst. ruwe schets, beraping; adj. ruw gevormd, grof; Rough verb. ruw schetsen, berapen; Rough-draft, Rough-draught, ruwe schets; Rough-draw, in het ruwe schetsen; Rough-dry = laten drogen zonder mangelen; Rough-hew = in het ruwe houwen, ontwerpen, schetsen; Rough-hewn = ruw, ongepolijst (ook fig.); Rough-rider = pikeur; wachtmeester-instructeur (Amer.), stout ruiter; Rough-shod = op scherp gezet: He rides rough-shod = hij rijdt maar toe, stoort zich aan niets, gaat zijn gang maar; Rough-wrought = grof bewerkt; Roughen = ruw maken of worden; Roughish = ietwat ruw; Roughness = zuurheid.
Rouleau, rûlou, rolletje, bundel fascinen; Roulette, rûlet, roulette, wiel met punten om stippellijnen te maken: hazardspel.
Roumania, rûmeinjə, Roemenië; Roumanian, subst. en adj. (bewoner) van Roemenië.
Round, raund, subst. kring, bol, ommegang, ronding, rondreis, ronde, cursus, omdraaiing, sport, salvo, schot, patroon, rondelied; adj. rond, vloeiend, vol, ronduit, openhartig, eerlijk, flink, snel; Round verb. rond maken, afronden, rondgaan, rondreizen, ronddraaien, zich keeren tegen, schimpen op (on); prep. en adv. rondom, overal: Thirty-six rounds (of ammunition) = patronen; A round of applause = algemeene toejuiching; A round of beef = runderschijf; A round of cartridges = één patroon voor iederen soldaat; I have made my round of visits = mijne bezoeken; Shall we have a round? = zullen we eens vechten; Let us play one more round = nog één rondje; He is a round peg in a round hole = de rechte man op de rechte plaats; I assure you that I shall bring you round = dat ik u weer zal opknappen of beter maken; It is not easy to bring him round = te bepraten, over te halen; Christmas has come round again = het is weer kerstmis geworden; He came round to my room = kwam mij op mijne kamer opzoeken; He came round = hij draaide bij; You won’t get round me = mij niet beetnemen, bepraten; He lives round the corner = dicht bij; He gave the money round the corner = met tegenzin; (All) round my hat = katterig; als subst. onzin; They have sent the hat round = zijn met den hoed rondgegaan, hebben geld opgehaald; It is a hundred guilders in round numbers = het is in een rond getal een honderd gulden; To walk at a round rate = vlug doorstappen; To ride at a round trot = in vluggen draf; He is an honest man all round = in alle opzichten; The engine rounded a curve in the road = kwam om een bocht in den weg; To round off a story = een verhaal besluiten; The ship was rounded to = werd bijgedraaid; Roundabout, subst. draaimolen, omweg, soort leuningstoel (jasje, manteltje); adj. wijdloopig, omslachtig, veelomvattend, niet openhartig: I sent him to the roundabout = ik stuurde hem weg; Roundabout the town = om de stad heen; Roundabout way = omweg; Round-backed = met ronden rug; Round-dance = rondedans; Round-games = gezelschapsspelen; Roundhand = rondschrift; Round-head, subst. Puritein in Cromwell’s Tijd; adj. van de partij der Puriteinen; Round-house = achterkajuit, hut, retirade, locomotiefloods; Round-ridge = ronde voren maken bij het ploegen; Round-robin; Zie Robin; Round-shouldered = rond in de schouders of rug; Roundsman = beambte die politie- en nachtwachtposten controleert (Amer.); Round-turn = één slag v. een touw om een paal, etc.; Round-up = ’t bijeendrijven van het vee; Rounded = gerond van vokalen; Rounders = een soort kaatsspel; Rounding, subst. het ronden; adj. ongeveer rond; Roundness = openhartigheid, volheid van klank, rondheid.
Roundel, raund’l, klein schild; Roundelay, raundəlei, ouderw. dichtstuk (8 + 5 regels), rondedans.
Roup, rûp, kippen-huidziekte; raup, rûp, publieke verkooping; Roup verb. veilen.
Rouse, rauz, opwekken, doen ontwaken, opjagen, aansporen: He was roused to anger = boos gemaakt; Rousing = opwekkend, aansporend, bezielend, geweldig, ontzettend: A rousing lie.
Roust, raust, opschudden, hard werken, opwekken, in opstand brengen; Roust-about = losse arbeider of matroos op eene rivierstoomboot; leeglooper (Amer.).
Rout, raut, subst. volkomen nederlaag, algemeene vlucht, oproer, rumoer, twist, gedrang, wanordelijke troep; avondreceptie; Rout verb. in verwarring op de vlucht drijven, omwoelen, wroeten, vernielen (met out): The rout = het schuim, gepeupel, janhagel; To put to (the) rout = op de vlucht slaan; Boys were routing in the streets = waren aan het stoeien; I routed out an edition of Tennyson among his books = schommelde op; The ferret routed out the conies = joeg naar buiten, verdreef (uit hun hol); I routed it up from my memory = ik bracht het mij na eenige inspanning te binnen; Rout-seats and chairs = zitbanken (tegen den muur) en stoelen voor een rout; He is a Router-out of antiquities = snort allerlei oudheden op.
Route, rût, weg; Routine, rutîn, gewoonte, sleur: Routine-business = sleurwerk; Routinist, rutînist, sleurganger.
Routledge, rautlədž.
Rove, rouv, (om)zwerven; in dwarsrijen ploegen (Amer.), scheren van touw of wol door een blok, uitpluizen; Rover = roover, zwerver, wispelturig en ontrouw persoon: Her sweetheart has proved a rover = is gebleken een vlinder (ontrouw) te zijn; They were shooting at rovers = zij schoten in het wild; Rover of the seas = zeeschuimer.
Roving-shot = schot in ’t wild.
Rove, rouv, imperf. en part. perf. v. to reeve.
Row, rou, subst. rij, reeks, gelid, roeitochtje; Row verb. roeien: In a row = in de rij, in ’t gelid; We had a splendid row = heerlijk roeitochtje gedaan; I guess you can hoe your own row = uw eigen zaakje wel opknappen, je eigen straat schoonvegen (Am.); He had a hard row to hoe = had het hard te verantwoorden (Am.); To put (set) in a row = op een rij; He can row his own boat, paddle his own canoe = zijn zaakje alleen wel opknappen; They row in the same boat = zij zijn in hetzelfde schuitje; Rowboat = roeischuitje, roeibootje; Rowlock, roulok, rɐlək, keep of gat waarin de riem rust, roeimik, roeipen, roeiklamp; Rower = roeier; Rowing-club; Rowing-match = roeiwedstrijd.
Row, rau, standje, ruzie, twist; Row verb. ruzie, lawaai maken, schelden: To get into a row with = standjes krijgen met; Hold your row = houd je mond; Don’t kick up a row = maak geen schandaal; What’s the row = wat is er aan de hand?
Rowan, rauən, gewone lijsterbes = Rowan-tree.
Rowdy, raudi, subst. ruwe, woeste kerel; “duiten”; adj. ruw, ploertig, oproerig = Rowdyish; Rowdyism = herrie, baldadig optreden.
Rowel, rauəl, subst. wieltje of rad van een spoor, seton (platte ring van een toom); Rowel verb. wieltje of seton zetten in; Rowel-head = de as van een spoorwieltje.
Rowena, rouînə.
Rowen, rauən, stoppelveld, nagras (Amer.).
Rowland, roul’nd; Rowley, rauli; Roxburgh, roksbərə, roksbɐ̂g.
Royal, rôiəl, subst. tak van een gewei, papierformaat (19 × 24 voor schrijf-, en 20 × 25 inches voor drukpapier), kleine mortier, bovenbramzeil (The Royals = vroeger het eerste regiment infanterie; thans Royal Scots); adj. koninklijk, edel: Royal Academy = Koninklijke (kunst)academie; The Royal Assent is, under the Constitution, still essential to the validity of an Act of Parliament = de koninklijke goedkeuring; Royal bounty = fonds ter ondersteuning van de betrekkingen van gesneuvelde officieren; Royal grants = jaargeld aan de leden der koninklijke familie; Royal Society = Eng. Academie van Wetenschappen; Royalism = koningschap, koningsgezindheid; Royalist, subst. en adj. koningsgezind(e); Royalty, subst. koningschap, majesteit, koninklijke bezitting of rechten; tantième, aandeel: We don’t often see royalty = de leden der kon. fam.; The author gets a royalty of twopence on the shilling = krijgt ⅙ van den verkoopprijs; Royalty rents = vergoeding voor het gebruik van den bovengrond (bij mijnwerkers).
Royster(er). Zie Roister.
Rub, rɐb, subst. het wrijven, wrijving, hinderpaal, sarcasme, schimp; Rub verb. wrijven: There’s the rub = daar zit ’m de knoop; I rubbed my eyes at that = ik wreef me de oogen uit van verbazing; To rub elbows (shoulders) with = gemeenzaam omgaan met (fig.); They began to rub noses = op vriendschappelijken voet te komen; They rubbed their way along the streets = baanden zich een weg; To rub (up) the wrong way = plagen, ergeren; The horse was being rubbed down = werd geroskamd; The piece of sugar was rubbed down = werd al kleiner door het wrijven: I rubbed the dirt off him = wreef het vuil van hem af; He rubbed it out = hij veegde het uit; Shall I rub up your memory? = eens opfrisschen; The chairs and tables were Rubbed up = gewreven; Rubstone = slijpsteen; Rub-a-dub = getrommel; Rubber = wie of wat wrijft of schuurt, slijpsteen, het beslissende spel, gummi, gummiband-(schoen); A rubber of whist = drie spellen, waarvan 2 gewonnen en 1 verloren, of 2 na elkander gewonnen spellen; If you play at bowls, you must look out for rubbers = wie kaatst, moet den bal verwachten; Rubber-stamp = caoutchouc stempel.
Rubbish, rɐbiš, puin, uitschot, nonsens, klets: Rubbish shot here = plaats voor puin, enz.: Rubbishy = pruilerig.
Rubble, rɐb’l, stukken ruwe steen; Rubble-cart; Rubble-stone = bovenste losse deelen van eene steenmassa; Rubble-work = metselwerk met ruwen, onregelmatigen steen; adj. Rubbly.
Rubeola, rûbîələ, mazelen.
Rubicon, rûbik’n, Rubicon: To cross the Rubicon = een beslissenden stap doen.
Rubicund, rûbik’nd, rood(achtig); subst. Rubicundity, rûbikɐnditi; Rubific = roodmakend.
Rubigo, rubaigou, meeldauw, roest.
Rubric, rûbrik, subst. rubriek, kerkelijk voorschrift, adj. rood gemerkt; Rubrical = liturgisch, ritueel: Rubricate = met rood merken; subst. Rubrication.
Ruby, rûbi, subst. robijn, karbonkel, formaat van drukletter; roode puist of vlek; adj. robijnkeurig = Rubied.
Ruche, rûš. Ruching, rûšiŋ, ruche.
Ruck, rɐk, subst. rimpel, vouw, hoop, troep, groote massa; Ruck verb. rimpelen; ergeren, geërgerd zijn: Out of the ruck = ongewoon.
Ruction, rɐkš’n, oploop, vechterij, krakeel.
Rudder, rɐdə, roer; Rudder-post = roersteven.
Ruddiness, rɐdinəs, subst. v. Ruddy.
Ruddle, rɐd’l, subst. roodaarde; Ruddle verb. met roodaarde merken (zooals b.v. schapen): Faces ruddled with rouge and pearl-powder.
Ruddy, rɐdi, adj. blozend, met frissche kleur, rood, ros(sig); subst. goudstuk; Ruddy-faced.
Rude, rûd, ruw, ongeletterd, onbeschaafd, stormachtig, grof, woest, sterk: Don’t be rude = wees niet lomp, onbeschoft: It was a rude awakening = een onaangenaam ontwaken; Rudeness = lompheid, ruwheid.
Rudesheimer, rûdzhaimə, soort v. Rijnwijn.
Rudiment, rûdim’nt, subst. rudiment, beginsel (gewoonlijk meerv.): The rudiments of grammar; Rudimental, rûdiment’l, Rudimentary, rûdimentəri, eerste, aanvangs...; niet geheel ontwikkeld: Rudimentary organs = rudimentaire organen.
Rudolph, rûdolf; Rudyard, rɐdjâd.
Rue, rû, subst. wijnruit; Rue verb. betreuren, treuren om, beklagen, berouwen: You will rue the day, my boy = de dag zal je rouwen: To rue a bargain = een koop ongedaan maken; Rue-bargain = rouwkoop; Rueful = droevig, treurig; subst. Ruefulness.
Ruff, rɐf, subst. groote, geplooide kraag, cachepot, oud kaartspel, het aftroeven, kemphaan, duivensoort; Ruff verb. aftroeven: Ruffed grouse = gekraagd hazelhoen.
Ruffian, rɐfj’n, subst. ruwe klant, roover, moordenaar; adj. woest, gemeen; Ruffianism; adj. Ruffianlike, Ruffianly.
Ruffle, rɐf’l, subst. geplooide rand aan mouw of kraag, jabot: onrust, beroering, opwinding; Ruffle verb. frommelen, plooien, rimpelen, in de war brengen, verstoren, tieren, onstuimig worden, bluffen, zich airs geven: To ruffle a person’s feathers = iemand boos maken; His temper was ruffled = hij was uit zijn humeur; To ruffle it = geuren; Ruffler = bluffer, schetteraar: He was a ruffler of the camp = hij was een schreeuwer (vechtersbaas) van het kamp.
Rufous, rûfəs, bruin- of geelrood.
Rufus, rûfəs.
Rug, rɐg, reisdeken, haardkleedje, dek.
Rugged, rɐgid, ongelijk, ruw, onbeholpen, norsch; subst. Ruggedness.
Rugose, rûgous, rugous, gerimpeld; subst. Rugosity.
Ruin, rûin, subst. ondergang, vernietiging, verderf, ruïne; Ruin verb. in het verderf storten, bederven, te gronde gaan (Ruins = overblijfselen, ruïne): To be the ruin of a person, To bring him to ruin = iemand te gronde richten; To fall into ruins = tot puin vervallen; On the brink of ruin = op den rand des ondergangs; To go to wreck and ruin = te gronde gaan; He has ruined me = mij ongelukkig gemaakt; He ruined his eyes with reading = bedierf; Ruination = verderf, ondergang; Ruiner; Ruinous = bouwvallig, verderfelijk, nadeelig, enorm (van prijzen); subst. Ruinousness.