← Engelsch woordenboek. Eerste deel: Engelsch-Nederlandsch (met uitgeschreven verkortingen)

Engelsch woordenboek. Eerste deel: Engelsch-Nederlandsch (met uitgeschreven verkortingen) (part 2 of 7)

Part 2 of 7 · Bruggencate, K. ten (Karel) · Public domain text

About this edition

Source: Project Gutenberg e-text #64478, public domain in the United States · text not rewritten or summarized · How RedLectern is built

 

Contents (7)

Continue:

Engelsch woordenboek. Eerste deel: Engelsch-Nederlandsch (met uitgeschreven verkortingen) (part 2 of 7)

Claret, klarət, subst. Bordeauxwijn; adj. wijnkleurig; Claret-cup = bowl van rooden wijn, citroen en brandewijn met ijs.

Clarification, klarifikeiš’n, klaring; Clarifier = klaarmiddel, klaarpan; Clarify = klaren, reinigen; opklaren.

Clari(o)net, klari(ə)net, klarinet.

Clarion, klariən, klaroen.

Clarity, klariti, klaarheid, glans.

Clarty, klâti, nat, vuil, glibberig (Dial.).

Clary, klêri, scharlei, muskadel-salie.

Clash, klaš, subst. gekletter, knal, botsen, tegenspraak, tegenstrijd; Clash verb. rammelen, rinkelen, kletteren, strijden, in strijd zijn met: The clash of cymbals; That clashes with my interests = strijdt met...

Clasp, klâsp, kram, haak, gesp, knip, omhelzing; Clasp verb. vasthaken, sluiten, grijpen, omklemmen, omhelzen, vouwen: A medal with six clasps = met zes gespen; Clasp-knife = knipmes; Clasp-pin = veiligheidsspeld.

Class, klâs, subst. klasse, lesuur, cursus; Class verb. classificeeren, ordenen: When (the) class is over = het lesuur om is; To be sent out of class; Class-feeling = standen-(kasten)geest; Class-fellow (Class-mate) = klassegenoot; Classman = een “met lof” geslaagde (tegenover Passman), bij Academ. examens; Class periodicals = vaktijdschriften; Class schools = standenscholen.

Classic(al), klasik(’l), subst. en adj. klassiek (schrijver of boek); Classics = de kl. studiën: The Classics = de kl. schrijvers; The Prussian classical schools = gymnasia; Classicality = het klassieke; Classicism = classicisme, klassieke vorm of stijl; Classicist = klassiek geleerde.

Classification, klasifikeiš’n, classificatie; Classifier; Classify = classificeeren.

Clatter, klatə, subst. geklater, gerammel, geratel; Clatter verb. klateren, ratelen, rammelen; Clatterer.

Claudia, klôdjə. Claudius, klôdjəs.

Clause, klôz, zindeel, clausule.

Claustral, klôstr’l, kloosterachtig, klooster...

Clavate(d), kleivit(id), knotsvormig.

Clavecin, kleivsin, spinet, clavecimbaal.

Claver, kleivə, klavə, wauwelen; gewauwel.

Claverhouse, klavərɐs.

Clavichord, klaviköd, clavecordium.

Clavicle, klavik’l, sleutelbeen; Clavicular, kləvikjulə, sleutelbeen...

Clavicorn, klavikön, knotssprietigen (insect.).

Clavier, kləvîə; klavjə, claviatuur, klavier.

Claviger, klavidžə, claviger, custos.

Clavis, kleivis, sleutel, vertaling.

Claw, klô, subst. klauw, nagel, schaar, poot; Claw verb. krabben, (ver)scheuren, grijpen, krauwen, kittelen, flikflooien, knijpen (zeeterm): Claw off = door te knijpen uit lager wal komen; Claw-back = vleier, lekkerbek; Claw-back verb. vleien; Claw-hammer = klauwhamer; zwarte rok; adj. gekleed, deftig: There was quite a claw-hammer crowd at the governor’s palace = een troep heeren met zwarte rokken; Claw-sickness = klauwzeer.

Clay, klei, subst. klei, leem, aarde, stof, aarden pijp; adj. van klei gemaakt; Clay verb. met klei bedekken (mengen); zemelen, kleien; Clay-cold = ijskoud; Clay-marl = kleimergel; Clayey = kleiig, leemig = Clayish.

Claymore, kleimö, vroeger slagzwaard der Schotsche Hooglanders.

Clean, klîn, adj. zuiver, rein, blank, kuisch, onschuldig, welgevormd, slim, totaal; Clean verb. reinigen, schoonmaken, zuiveren: As clean as a new penny = zoo blank als zilver; He went out of office with his hands clean = hij legde zijne portefeuille neer zonder smet of blaam; A clean bill (= Bill of Health); He made a clean job of it = hij deed het uitstekend, keurig; To clean a person out = iemand “blut” maken, geheel uitschudden; Clean-limbed (Clean-shaped) = goed geproportioneerd; Clean-shaven = gladgeschoren; Cleaner = stijfster: Vacuum cleaner = stofzuiger; Cleaning = schoonmaak; Cleanliness, klenlinəs, zindelijkheid: Cleanliness is next to godliness; Cleanly, klenli, adj. zindelijk; Cleanly, klînli, adv. rein; Cleanliness = reinheid; Cleanse, klenz, zuiveren.

Clear, klîə, adj. klaar, zuiver, helder, doorzichtig, doorschijnend, duidelijk, onbetwistbaar, vlekkeloos, netto, volle, onbelast, onbezwaard, ongehinderd, vrij; Clear verb. helder maken, verduidelijken, zuiveren, ophelderen, wegnemen, vrijmaken, vrijspreken, zuivere winst maken, betalen, klareeren, overspringen, afruimen, opruimen: The coast is clear = de kust is vrij, het veld is schoon; He carried it clear = won het royaal; I will try to set you clear = u uit de verlegenheid te helpen; We steered clear of the rock = liepen de rots vrij; A clear hour = vol uur; To clear accounts = vereffenen; To clear a character = van blaam zuiveren; The grounds will be cleared at ten = het park zal ontruimd worden; Clear-the-ground skirt = grondvrije rok; To clear a hedge = springen over; To clear the land = in volle zee blijven; He cleared more than 200 pounds = winst maken; The table was cleared = de tafel werd afgenomen; He cleared his throat = schraapte de keel; He cleared the way = baande den weg; The ship was cleared at the custom-house = uit-, ingeklaard; To clear away the tea = opruimen; The ship was cleared for action = voor het gevecht gereed gemaakt; To clear off = vertrekken; uit den weg ruimen; afbetalen; He cleared out = hij kneep uit; I am cleared out = platzak; Clear-cut = fijn besneden, scherp omlijnd; Clear-headed = helder; Clear-sighted = helderziend; Clear-starch = stijven; Clear-starcher = stijfster; Clearance = opklaren, opruimen, (bewijs van) in- of uitklaren, dunnen van boomen, uitverkoop (= Clearance sale); Clearing = dunnen van boomen; ontgonnen land in bosschen (Amer.); verrekening van saldo’s tusschen bankiers, bij spoorwegmaatschappijen, etc. (dit wordt gedaan in het Clearing-house); Clearness = helderheid, duidelijkheid, etc.

Cleat, klît, subst. klamp, stang, ijzeren zoolplaatje; Cleat verb. bevestigen.

Cleavable, klîvəb’l, kloofbaar; Cleavage = kloven, kloofbaarheid; Cleave = kloven, splijten, banen; kleven, aanhangen, trouw blijven: He cleaves to his right = staat op; My tongue cleaves to my mouth = kleeft vast aan mijn gehemelte; Cleaver = (slagers)hakmes, houthakkersbijl: Marrow-bones and cleavers = mergpijpen en hakmessen (met deze werd eertijds bij een huwelijk uit de lagere standen muziek gemaakt); Cleavers = kleefkruid.

Cleek, klîk, kolf met ijzeren voet (bij het Golfspel) voor ’t “drijven” gebruikt.

Clef, klef, (muziek)sleutel.

Cleft, kleft, kloof, reet, barst, scheur; P.P. gespleten; Cleft-footed = met gespleten hoef; The cleft infinitive (Zie Split).

Cleg, kleg, paardenhorzel.

Clematis, klemətis, heggeboschdruif.

Clemency, klem’nsi, zachtheid, genade.

Clement, klem’nt, subst. Clementius; adj. zacht, vergevend, medelijdend.

Clementina, klem’ntînə, Clementine.

Clemmed, klemd, uitgehongerd.

Clench, klenš. Zie Clinch.

Cleomenes, kliominîz; Cleon, klîən; Cleopatra, klîəpeitrə, klîəpatrə, klîopətrə.

Clergy, klɐ̂dži, geestelijkheid, clerus; Clergyman = geestelijke; Clergywoman = vrouw van den clergyman (iron.).

Cleric, klerik, klerk, geestelijke, clericaal; Cleric(al) = geestelijk - -; schrijf - -: Clerical coat (hat); Clerical and typographical errors = schrijf- en drukfouten; Clericalism = clericalisme.

Clerk, klâk, subst. geestelijke, cantor, koster (= Parish clerk), geleerde, schrijver, klerk; winkelbediende (Am.); Clerk verb. het boekhouder- of klerkschap uitoefenen (Amer.): Articled clerk = klerk van een Solicitor, die na eenige jaren bij hem gewerkt te hebben het solicitorsexamen kan afleggen voor de Incorporated Law Society; Clerk of the House = de 1ste griffier van het Lagerhuis; I don’t like figures well enough to clerk = genoeg van cijfers om klerk of boekhouder te worden; Clerkship = betrekking van klerk of schrijver.

Clever, klevə, handig, bekwaam, vlug, gevat, gezond, knap, lief (Amer.): A clever leading-article = knap hoofdartikel; Clever at sums = knap in ’t rekenen; Cleverly, volkomen (Amer.); Cleverness, handigheid, etc.

Cleves, klîvz, Kleef.

Clevis, klevis, Clevy, klevi, U-vormig ijzer aan een ploeg of dissel.

Clew, klû, subst. kluwen, bal, draad (fig.), wenk, schoothoorn; Clew verb. (met up) = oprollen, geien.

Click, klik, subst. tik, knip, knap, klink, pal; Click verb. tikken, knappen, knippen; wegnemen, gappen; klinken: To click glasses = klinken; Watches click; Clicker = winkelknecht om klanten te lokken; vormopmaker (zetterij); schoenmaker, die het leer snijdt.

Client, klaiənt, client, beschermeling, creatuur; Clientage, klaiəntidž, clientèle = Clientele, klaiəntîl, klaiəntîl, klaiəntel.

Cliff, klif, steile rots; Cliffy = rotsachtig, steil.

Climacteric, klaimakterik, klaimaktərik, kritiek; subst. kritieke leeftijd (jaar): Grand climacteric = het 63ste levensjaar.

Climate, klaimit, klimaat, luchtstreek, gewest; Climatic(al) = klimaat..; Climatize = acclimatiseeren; Climatology = klimatologie.

Climax, klaimaks, climax, toppunt.

Climb, klaim, verb. klimmen, klauteren, beklimmen, stijgen; subst. klim: It is a good climb = heele klim; We began the upward climb; To climb down = afklimmen; inbinden (fig.); Climbable = beklimbaar; Climber = klimmer, clematis; Climbers = klimvogels: Hasty climbers have sudden falls, High climbers fall low = wie hoog klimt, valt laag.

Climene, klaimîn, Climeen.

Clinch, klinš, klinknagel, ankersteek; Clinch verb. klinken, bevestigen, vasthouden: That clinches the matter = dat is afdoende; I can’t clinch her name = komen op; Clinch-nails = klinknagels; Clincher = klamp, houvast: That’s a clincher = daarmee slaat gij den spijker op den kop, dat is afdoende; Clincher-built = Clinker-built.

Cling, kliŋ, vastzetten, kleven (hangen) aan, zich vastklemmen, verdorren: She clung hold of his coat = hield stevig vast.

Clinic, klinik, een bedlegerige; kliniek: Clinic(al) = klinisch: Clinical baptism = doop aan zieke of stervende; Clinical convert = de aldus gedoopte; Clinical lecture = kliniek. Clinique, klinîk, kliniek.

Clink, kliŋk,—verb. klinken, doen klinken, laten rijmen; subst. het klinken: At the clink of gold; To clink glasses (together) = aanstooten; Clinking = buitengewoon.

Clinker, kliŋkə, klinkersteen, hamerslag, metaalschuim, best paard; klikker (Schotl.): Clinker-built = met over elkaar liggende planken, overboeid (scheepst.).

Clinquant, kliŋk’nt, subst. klatergoud; adj. glinsterend, in klatergoud gekleed.

Clio, klaiou, Clio; walvischaas.

Clip, klip, subst. de scheerwol van één seizoen; slag, uitknipsel, voorpunt aan hoefijzer, klemhoutje, knijper; Clip verb. afknippen, snoeien, verkleinen, verkorten, afsnijden, radbraken, slaan, voortrennen (Amer.): He slurred and clipped his words = sprak slordig - - uit en slikte in; His wings were clipped = hij werd gekortwiekt (fig.); Clipper = besnoeier; klipper; pracht van een kerel (meid); Clippers = tondeuse; Clipping = snelzeilend (vliegend), uitstekend, omarmend; Clippings = lappen, uitknipsels.

Clique, klîk, kliek; Cliquism = kliekwezen; Cliquy = kliekerig.

Clish-clash, klišklaš, geratel: To go clish-clash = rammelen, ratelen (fig.).

Clitter-clatter, klitəklatə, gewauwel: Her shoes go clitter-clatter = klip-klap.

Clivers, klaivəz = Cleavers.

Clo, klou = Clothes.

Cloak, klouk, subst. mantel, dekmantel (fig.); Cloak verb. bemantelen, verbergen; Cloak-bag = mantelzak, valies; Cloak-room = vestiaire, (dames)toilet, retirade; bagagelokaal.

Clobber, klobə, smeersel om bij het oplappen van oude schoenen de scheuren te stoppen.

Clock, klok, subst. klok, kever, versierde klink (aan de zijde van eene kous); Clock verb. klokken, broeden, beieren: What o’clock is it? What is (it) o’clock? = Hoe laat is het? They set all clocks by Greenwich time = scheren alles over één kam; Clock-dial = Clock-face = wijzerplaat; Clock-hand = wijzer; Clockmaker; As regular as clock-work = zoo precies als een uurwerk; Clock-work animal = stuk speelgoed met mechaniek.

Clod, klod, subst. aardkluit, stof, lomperd, domoor; Clod verb. kluiten, klonteren, met kluiten gooien; Clod-crusher = wals; Clod-hopper = boerenkinkel; Clod-pate, Clod-poll = ezelskop; Cloddish = Cloddy = klonterig, plomp.

Clog, klog, subst. blok, stomp, belemmering, rem, holsblok, trip; Clog verb. te zwaar belasten, overladen, belemmeren, verhinderen, tegenhouden, stokken, klonteren, verstoppen; Cloggy, klonterig, kleverig, etc.

Cloister, klôistə, subst. klooster, kruisgang, veranda, piazza; Cloister verb. in een klooster opsluiten, afzonderen.

Clomb, kloum, oud imperf. van To Climb.

Close, klouz, subst. besluit, einde; schermutseling, handgemeen; Close verb. sluiten, eindigen, besluiten, aaneensluiten; overeenkomen, handgemeen worden, worstelen: With closeed doors = met gesloten deuren; These are closed questions now = uitgemaakt; Evening closed = de avond viel; At this moment the scene closes in = valt het gordijn; To close in = de gelederen sluiten; We have closed on that point = het eens geworden; They closed round the fortress = sloten in; The passage was closed up = afgesloten; Close up, gentlemen; we won’t go home yet = aansluiten, Heeren! To close with = aannemen, het eens zijn, naderen.

Close, klous, subst. ingesloten of omheinde plaats, terrein bij eene cathedraal of abdij, blinde straat of steeg, slop; adj. gesloten, benauwd, drukkend, dicht, stilstaand, nauw, strak, compres, dicht in elkaar, nabij, innig, vlijtig, streng logisch, zeldzaam, nabij (Close by), ongeveer gelijk, geheim, achterhoudend, oplettend, beknopt, getrouw, nauwkeurig, gierig, krenterig: Close corporation = een corporatie, die vacatures zelf aanvult; Close season, Close time = gesloten vischtijd of jachttijd; As close as wax = zoo dicht als een pot (fig.); The air is close here = het is hier benauwd; Close is my shirt, but closer is my skin = het hemd is nader dan de rok; To come to close quarters = handgemeen worden; To keep oneself close = zich koest houden; To live at close quarters = klein behuisd zijn; To sit close = dicht opeen; Close-banded = dicht aaneengesloten; Close by (on); Close upon = bijna; dicht bij; Close-cropped = kort geknipt; Close-fisted, Close-handed = vrekkig, gierig; Close-grained = dicht (v. hout, steen); A close-stool = stilletje; Close-tongued = zwijgend, “zoo dicht als een pot”; Closely = dicht op elkaar, ijverig, grondig; Closeness = vastheid, dichtheid, geslotenheid, bedomptheid, etc.

Closet, klozət, subst. kabinet, studeerkamer, privaat; adj. geheim, theoretisch, kamer..; Closet verb.: To be closeted with = een geheim onderhoud hebben met.

Closure, kloužə, subst. sluiting, slot; Closure verb. het debat sluiten: To apply the closure het debat sluiten.

Clot, klot, subst. klonter; Clot verb. klonteren; Clotted cream = dikke room.

Cloth, kloth, laken, wol, stof, calicot, tafellaken, gewaad: The Cloth = de geestelijkheid; More cloth than dinner = meer vertoon dan degelijkheid; To lay the cloth = tafeldekken; To wear the cloth = den soldatenrok (liverei) dragen; geestelijke zijn; Cloth-shearer = lakenscheerder; Cloth-worker = lakenmaker.

Clothe, kloudh, kleeden, bekleeden, inkleeden.

Clothes, kloudhz, kleeren, kleeding, de wasch, luiers: Bed-clothes = bedlinnen; Long clothes = lange kinderjurk; Short clothes = korte rokken; A suit of clothes = pak; Clothes-press = kleerkast; Clothes-wringer = wringmachine.

Clothier, kloudhjə, lakenkooper, lakenfabrikant; lakenvoller (Amer.).

Clothing, kloudhiŋ, kleeding.

Cloture, Fr. uitspr. = Closure.

Cloud, klaud, subst. wolk, ader, groote menigte, lichte wollen sjaal; Cloud verb. bewolken, verduisteren, somber maken, aderen, moireeren: Every cloud has a silver lining = geen kwaad zonder baat; To be in the clouds = droomen, absent zijn; To be under a cloud = in verlegenheid zijn, gecompromitteerd zijn; To blow a cloud = rooken; To cast a cloud upon = een schaduw werpen op; To drop (fall) from the clouds = uit de lucht vallen; Cloudberry = bergbraambes; Cloud-burst = wolkbreuk; Cloud-capped (capt) = zeer hoog, met wolken bedekt; In Cloud Cuckoo Town = hoogst onzeker; Cloud-drift = wolkendrift; Cloud-rack = drijvend zwerk; Cloud-wrapt = in wolken of mist gehuld; Clouded = bewolkt, betrokken, troebel, beneveld: I got clouded out = de wolken beletten mij te photographeeren; Cloudiness = bewolktheid enz.; Cloudless = onbewolkt; Cloudlet = wolkje; Cloudy = bewolkt, somber, duister, geaderd, gemoireerd.

Clough, klɐf (Arthur); Clough, klau, klɐf, ravijn; kruik; sluis; toegift van 2 Eng. ponden op iedere honderd.

Clout, klaut, subst. lap, vod, roos van een schijf, as-plaatje: Clout verb. oplappen, opflikken, slaan, met spijkers bevestigen: He looks as white as a clout = zoo wit als een doek; Clout(-nail) = schoenbeslag; Clouted = met spijkers beslagen.

Clove, klouv, kruidnagel; gewicht voor kaas en boter (± 3,6 K.G.) en voor wol (± 3,17 K.G.); ravijn; Clove-gilly-flower = tuinanjelier; Cloves, klouvz = een soort likeur.

Cloven, klouv’n: Cloven-footed, Cloven-hoofed = met gespleten hoef, satanisch; There was a decided exhibition of the cloven foot = daar kwam de aap leelijk uit den mouw kijken = He showed his cloven foot.

Clover, klouvə, klaver: To be (live) in clover = een lekker leventje leiden; To go from clover to rye-grass = van de veeren op het stroo komen.

Clown, klaun, boerenkinkel, hansworst; Clownish = boersch, clownachtig; subst. Clownishness.

Cloy, klôi, overladen, tegenstaan.

Club, klɐb, subst. knots, kolfstok, uitwas, haarknoop; club, sociëteit, vereeniging; adj. knotsvormig; Clubs = klaveren (kaartspel); Club verb. met een knots (neer) slaan, samen betalen, geld bijeenleggen: We clubbed (our funds) together = wij legden bij elkander wat wij hadden; The soldier clubbed his musket = sloeg met den kolf; Clubfist(ed) = (met) klomphand; Club-foot = horrelvoet; Club-haul = overstag gaan bij stormweer met behulp van een anker; Club-headed = met dikken kop; Club-house = sociëteit; Club-law = het recht van den sterkste; Club-man = lid van een club, knotsdrager; Club-moss = wolfsklauw; Club-pigtail = dik uitloopende pruik; Club-room; Club-suit = “smoking”; Club-train = bliksemtrein tusschen Londen en Parijs; Club(b)able = gezellig; Clubbed = klomp..., knotsvormig, plomp.

Cluck, klɐk, klokken, smakkend spreken als een Hottentot; Clucking-hen = kloekhen.

Clue, klû, kluwen, (leid)draad.

Clump, klɐmp, subst. blok, brok, groep, dikke zool; Clump verb. lomp stappen, tot groepen vormen; Clump-boots = zware vetlaarzen.

Clumsiness, klɐmzinəs, plompheid, onbeholpenheid; Clumsy = onhandig, lomp, plomp; subst. stommeling.

Clunch, klɐnš, verharde leemlaag, weeke kalksteen.

Clung, klɐŋ, imperf. en part. perf. van To cling.

Cluster, klɐstə, subst. tros, bos, groep, troep, zwerm, menigte; Cluster verb. in trossen groeien, scharen, zwermen, ophoopen: In clusters = saamgehoopt.

Clutch, klɐtš, subst. greep, klauw, haak; Clutch verb. grijpen, omvatten; Clutch-fisted = vrekkig.

Clutter, klɐtə, subst. warboel, lawaai; Clutter verb. onderstboven gooien, eene warboel of drukte maken: Cluttered shops = drukke, volle.

Clyster, klistə, lavement; Clyster verb. een lavement zetten; Clyster-pipe = klisteerspuit.

Co, kou, verkort voor Company; County; c/o = care of; C. O. = Colonial Office; Commanding Officer.

Coach, koutš, subst. rijtuig, koets, diligence, personenwagen, kapiteinshut; repetitor; Coach verb. (in) eene koets rijden, drillen, africhten: To drive a coach and six (= horses) through (an Act of Parliament, etc.): een uitdrukking veel gebruikt om het gebrekkige van een wet, etc. uit te drukken. (Verg.: Door zijn geweten kan wel een koets met 4 paarden rondrijden); They play at coaches with my money = hangen den “heer” uit van; A slow-coach = treuzelaar; Coach-house = koets- of wagenhuis; Coachman = koetsier; Coach-office = plaatsbureau (van eene diligence); Coachstand; Coach-wheel = wagenrad; ‘achterwiel’ = ½ crown (= Forecoach); crown (= Hindcoach); Coachee = koetsier.

Coadjutor, kouədžûtə, coadjutor, medehelper; Coadjutorship, coadjutorschap.

Co-agency, koueidž’nsi, medewerking; Co-agent = medewerker.

Coagulable, keagjuləb’l, strembaar; Coagulate, kəagjuleit, (doen) stremmen (stollen); Coagulation = stremming; Coagulum, kəagjul’m, gestolde massa, geronnen bloed.

Coak, kouk, lasch, blokbus; Coak verb. lasschen.

Coal, koul, subst. kool, steenkool; Coal verb. verkolen, van kolen voorzien, kolen innemen: To blow the coals = de hartstochten aanwakkeren; To haul over the coals = duchtig onder handen nemen; Coal-backer = kolendrager; Coal-box = kolenbak; Coal-bunker = kolenbergplaats aan boord; Coal-cake = briket; Coal-fish = koolvisch; Coal-gas = steenkolengas; Coal-heaver = kolendrager; Coal-hole = kolenhok; Coal-mine; Coal-mouse = zwartkopmees; Coal-pit = kolenmijn; Coal-scuttle = kolenemmer; (Coal-scuttle bonnet); Coal-tar = koolteer; Coal-whipper = kolenwipper; Coaling-station = kolenstation.

Coalesce, kouəles, samengroeien, samenvloeien, zich vereenigen; Coalescence = vergroeiing, etc.; adj. Coalescent.

Coalition, kouəliš’n, coalitie.

Coaptation, kouəpteiš’n, aanpassing.

Coarse, kös, grof, ruw, onbeleefd, onkiesch; Coarse-grained = grof, norsch; Coarsen = grof maken (worden); Coarseness, grofheid, etc.

Coast, koust, subst. kust, met sneeuw bedekte helling; Coast verb. langs de kust zeilen, van haven tot haven zeilen; op sneeuw of ijs in eene slede naar beneden glijden, eene helling affietsen met de voeten op de foot-rests (Am.): He knows the coast of France = is een smokkelaar; Coast-guard = kustwacht; Coasting-trade = kusthandel; Coasting-vessel (= Coaster) = kustvaarder; Coastways = Coastwise = langs de kust.

Coat, kout, subst. jas, haren, pels, veeren, laag, schil, wapen (herald.); Coat verb. bekleeden, bedekken: Dress-coat = rok; Frock-coat = gekleede jas; Coat of arms = familiewapen; A coat of mail = maliënkolder; Cut your coat according to your cloth = zet de tering naar de nering; Coat-card = Court-card; Coat-tail = rokspand; He trailed his coat-tails over the green, and dared any one to tread on them (een Iersche vorm van uitdaging); Coatee, koutî, nauwsluitend jasje; Coating = overtrek, bekleeding, laag, jasstof.

Coax, kouks, vleien: To coax into = bepraten, bevleien; To coax out of = aftroggelen; Coaxer = vleier; A Coaxing puss (= A coax) = vleister(tje).

Cob, kob, subst. zware hit; mantelmeeuw, meelballetje voor het mesten van vogels, spin, rond brood, steen, chignon, maïsaar, piaster, dracht slagen; Cob verb. afranselen; Cob-loaf = rond brood; Cob-nut = kleine hazelnoot; Cob-wall = muur van leem en stroo; Cobweb = spinneweb, spinrag; adj. dun, fijn, waardeloos: To brush off the cobwebs = de blommetjes buiten zetten; To have cobwebs in one’s brain = muizenissen in zijn hoofd hebben; Cobby = kort en gedrongen.

Cobalt, koubolt, kobalt; Cobaltic, kobaltachtig.

Cobble, kob’l, subst. kiezelsteen, rond stuk kool; Cobble verb. lappen, samenflansen: The buttonholes had been cobbled out of their original shape = waren verknoeid; Cobbler = schoenlapper, knoeier; wijn met vruchten en ijs, die men door een rietje opzuigt: The cobbler must stick to (not go beyond) his last = schoenmaker, houd je bij je leest.

Cobham, kob’m.

Coble, kob’l, koub’l, soort van visschersschuit.

Cocaigne, kəkein, het land van Cocagne, luilekkerland.

Cochin-China, kotšin (koutšin)-tšainə.

Cochineal, kotšinîl, kotšinîl, cochenille.

Cochlean, kokliən, lepelvormig; Cochleate(d), kokli(e)it(id), spiraalvormig.

Cochrane, kokrein.

Cock, kok, subst. haan, mannetje, kemphaan (ook fig.), weerhaan, kraan; hooiopper; onrust; wijzer, tong, boot, aanvoerder, opperste; het hanengekraai, kerfje; Cock verb. overhalen, opheffen, opzetten, optoomen, schuin (zwierig) opzetten, wenken: By cock and pie = bij kris en kras; As the old cock crows, the young cock learns = zooals de ouden zongen, piepen de jongen; He lives like a fighting cock = leidt een weelderig leven; That cock won’t fight = die vlieger gaat niet op; Cock-a-doodle (-doo) = kikeriki; That man is Cock-a-hoop = zijn haan kraait victorie; The cock of the school = de “primus”; He is the cock of the walk = haantje de voorste, leider; A cock and bull (A cock-and-a-bull) story = onmogelijk verhaal; To cock the ears = spitsen; To cock the eye = wenken; To cock the eye at = boos aankijken; To cock the tail = hoog dragen; Cock-boat = kleine boot; Cock-brained = onbezonnen, dwaas; Cock-broth = hanensoep; Cock-chafer = meikever; Cock-crow(ing) = hanengekraai, dageraad; Cock-fight(ing) = hanengevecht; Cock-eyed = loensch; Cock-horse = hobbelpaard, stokpaardje; fier paard; trotsch, op hooge plaats, schrijlings: To ride a cock-horse to Banbury = paardje rijden; zich trotsch, aanmatigend gedragen; Cock-match = hanengevecht; Cockpit = hanenmat, plaats voor hanengevechten; Cockpit deck = ziekenboeg aan boord; Cockroach = kakkerlak; Cock-robin = roodborstje; Cock-rose = roode papaver; Cocks-comb = hanekam, ratelaar, hoofd, fat. Zie Coxcomb; Cock’s-head = spurrie; Cock-shut (Cocktime) = schemeravond; Cock-shy = spel, om met stokken (Cock-shy sticks) iets op een afstand om te gooien; Cock-spur = hanenspoor; Cock-sure, šuə, positief zeker; Cockswain, koks’n, stuurman in een giek; Cocktail = renpaard, dat geen volbloed is; paard met fier gedragen staart; poen: Champagne cocktail = champ. met enkele droppels Angostura bitter; Soda cocktail = selterswater met bitter etc.; Cock-tread = hanetree; Cocked hat = steek; driehoekig gevouwen briefje: To knock into a cocked hat = tot moes slaan; Cockerel (Cocklet, Cockling) = jonge haan; Cock-up = naar boven gekeerd; boven den regel uitstekend; scheeve hoed; Cocky = onbeschaamd, pedant, aanmatigend.

Cockade, kəkeid, kokarde.

Cockatoo, kokətû, kaketoe.

Cockatrice, kokətr(a)is, basiliskus.

Cockburn, koubɐ̂n.

Cocker, kokə, subst. fokker van kemphanen; hond voor de snippenjacht; Cocker verb. troetelen, liefkoozen: Cockered up too much; Cocker thy child and he shall make thee afraid = vertroetel; According to Cocker = volgens Bartjes.

Cocket, kokət, douanezegel, tolbewijs, douane (veroud.); adj. dartel, levendig, coquet: Cocketed up in fair gowns = uitgedost; Cocket-bread = tweede soort tarwebrood.

Cockieleekie, kokəlîki, kippesoep met look.

Cockle, kok’l, subst. mossel; bolderik, dolik; Cockle verb. rimpelen, samentrekken: That warms the cockles of my heart = doet me innig genoegen; Hot cockles = spel waarbij een geblinddoekte moet raden wie hem geslagen heeft; Cockle-hat = pelgrimshoed met een Cockle-shell = (mossel)schelp (als pelgrimsinsigne); notedop (= klein bootje); Cockle-stairs = wenteltrap; Cockler = mosselverkooper.

Cockney, kokni, subst. (geboren en getogen) Londenaar; verwende en verwijfde jongen; adj. wat een Cockney eigen is; Cockneydom; Cockneyfy = tot C. maken; adj. Cockneyish; Cockneyism = aard of uitdrukking van een C.

Cocoa, koukou, cacao; Cocoabutter; Cocoa-nib = zaadvliesje van de cacaoboon; Cocoa-nut = kokosnoot.

Cocoon, kəkûn, cocon; Cocoonery = inrichting voor de zijdewormteelt.

Coctile, kokt(a)il, gebakken; Coction, kokš’n, koking, bakken.

Cod, kod, subst. schil, schaal, buidel, zak; Cod verb. in eene schil besluiten.

Cod, kod, kabeljauw; Cod-liver-oil = levertraan; Codder = visschersschuit (voor Cods); Codling = jonge kabeljauw.

Coda, koudə, coda.

Coddle, kod’l, zacht koken; troetelen, vleien: Don’t coddle yourself = verwen je zelf niet.

Code, koud, wetboek, reglement: Code of morality = zedewet; Code-words = afgesproken of telegramwoorden: The telegram was put into the code-words = in dit schrift overgebracht; Codex = wetboek.

Codger, kodžə, oude vent, vrek.

Codicil, kodisil, aanhangsel van een testament; adj. Codicillary.

Codification, koudifikeiš’n, kodifikeiš’n, codificatie; Codify, koudifai, kodifai, codificeeren.

Codilla, kədilə, ruwe hennep of vlas.

Codille, kədîl, codille (in quadrille of omber).

Codlin(g), kodliŋ, Codlin, soort appelboom; Zie Cod.

Codrington, kodriŋt’n.

Coefficient, kouəfiš’nt, medewerkend; subst. coefficient.

Coemption, kouem(p)š’n, het opkoopen of koopen in het groot.

Coequal, kouîkw’l, subst. en adj. gelijk(e); Coequality, kouikwoliti, gelijkheid.

Coerce, kouɐ̂s, dwingen; Coercer; Coercion = dwang; Coercion-act = dwangwet.

Coessential, kouəsenš’l, van hetzelfde wezen.

Coetaneous, kouiteiniəs, even oud.

Coeternal, kouitɐ̂n’l, eeuwig bestaand met; subst. Coeternity.

Coeval, kouîv’l = Coetaneous.

Coexist, kouegzist, gelijktijdig bestaan; subst. Coexistence; adj. Coexistent.

Coffee, kofi, koffie: A cup of black coffee; To grind, make, roast, take coffee; Coffee-beans (= Coffee-nibs); Coffee-mill; Coffee-pot; Coffee-room = gelagkamer.

Coffer, kofə, subst. geldkist, kist, koffer, schat; gracht, galerij (vestingb.), sluis (in een kanaal); Coffer verb. in eene kist besluiten; Coffer-dam, kofədam, kistdam; Coffered.

Coffin, kofin, subst. doodkist, pasteikorst, peperhuisje, bovenste van een paardehoef, kar van een drukpers; Coffin verb. in eene kist besluiten, insluiten.

Cog, kog, subst. kam of tand (van een rad); kleine boot; Cog verb. paaien, door mooie praatjes bedriegen: His dice were cogged = zijne dobbelsteenen waren valsch (met lood aan ééne zijde bezwaard); Cog-wheel = tand- of kamrad.

Cogency, koudž’nsi, overtuigende kracht; Cogent, koudž’nt, krachtig, overtuigend.

Coggle, kog’l, kleine boot; Coggle-stone = afgeronde keisteen.

Cogitate, kodžiteit, denken, overpeinzen; subst. Cogitation; adj. Cogitative.

Cognac, ko(u)njak, cognac.

Cognate, kognit, subst. bloedverwant; adj. verwant (in Schotl. vooral van moederszijde), vermaagschapt, van denzelfden aard; Cognation = bloedverwantschap.

Cognition, kogniš’n, kennis (door eigen ondervinding of onderzoek opgedaan); adj. Cognitive.

Cognizable, ko(g)nizəb’l, kenbaar, vervolgbaar; Cognizance, ko(g)niz’ns, kennis(neming), kenmerk, insigne; competentie, (rechts)gebied: Out of the cognizance of the post; Cognizant, ko(g)niz’nt, kennis dragend of nemend van (of).

Cognomen, kognoum’n, familienaam, bijnaam; benaming.

Cognovit, kognouvit, schriftel. erkenning door den gedaagde, dat de eischer in zijn recht is.

Cogue, kog, nap, vaatje, emmer, slok.

Cohabit, kouhabit, (als man en vrouw) samenwonen; subst. Cohabitation.

Coheir(ess), kouêə(rəs), mede-erfgenaam.

Cohere, kouhîə, samenkleven, logisch samenhangen; subst. Coherence = Coherency; adj. Coherent; Coherer = cohaerer, fritter (Draadl. telegr.).

Cohesion, kouhîž’n, cohesie, samenhang, verband; adj. Cohesive; subst. Cohesionness.

Cohort, kouhöt, krijgsbende (oudtijds 500 à 600 man).

Coif, kôif, kwof, subst. kuif, kap, kapsel; Coif verb. met eene kap bedekken.

Coiffure, kwofûə, kapsel.

Coign(e) kôin. Zie Coin.

Coil, kôil, subst. kronkeling, bocht; vlecht: (False back coils), rumoer, verwarring, menigte; Coil verb. kronkelen.

Coin, kôin, subst. hoek, buitenhoek, wig, muntstempel (gestempelde munt); Coin verb. munten, smeden, bedenken, verzinnen: Current coin = gangbare munt: To be all over coin = een bom duiten hebben; He was paid in his own coin = met gelijke munt betaald; He is coining money = hij verdient geld als water; He coined new words = smeedde; Coinage, kôinidž, het munten van geld, muntstukken, het bedenken (van onware of valsche voorstellingen); Coiner = stempelaar, valsche munter, bedenker (van leugens, enz.).

Coincide, kouinsaid, samenvallen, overeenkomen; Coincidence = samenloop (v. omstand.).

Coir(e), kôiə, kaiə, kokosbast (touw).

Coition, kouiš’n, conjunctie; bijslaap.

Cojuror, koudžûrə, getuige van eens anders geloofwaardigheid of onschuld.

Coke, kouk, subst. coke(s); Coke verb. in coke(s) veranderen.

Coker-nut, koukənɐt = Cocoa-nut.

Colander, kɐl’ndə, vergiettest; Colander verb. doorzijgen.

Colchester, koultšəstə.

Cold, kould, adj. koud, huiverig, koel, zonder deelneming of opgewektheid, bedaard: subst. koude, verkoudheid: Cold comfort = schrale troost; It must be a cold day in August ere I ever try it again = het zal lang duren, vóór ik het weer beproef; To be down with a bad cold; To have (to catch) a cold; She always had the joint in cold the second day = als koudvleesch; To leave out in the cold = in de kou laten staan; negeeren; afschepen; Cold-blooded = koudbloedig, koelbloedig; Cold-cream = zalfje voor barsten; Cold-served = koud voorgediend; vervelend, saai; Cold-short = koudbroos, koudbreukig; He gave me the cold-shoulder = negeerde mij, zag mij met den nek aan; I am severely colded = zwaar verkouden; Coldish = wat koud; Coldness = koude, koelheid.

Coleoptera, kolioptərə, schildvleugelige insecten.

Cole, koul: Colemouse = Coal-mouse; Colerape, koolraap; Colerape-seed = koolzaad; Cole-wort = Cabbage.

Colic, kolik, subst. koliek, hevige buikpijn: Devonshire colic, Painter’s colic = loodvergiftiging; Colicky = koliek...

Colinderies, kəlindəriz, koloniale producten, enz.; eene tentoonstelling daarvan.

Coliseum, kolisîəm. Zie Colosseum.

Collaborate, kəlabəreit, samenwerken; Collaborator.

Collapse, kəlaps, subst. instorting, invalling, geheele mislukking; Collapse verb. invallen, instorten; Collapsible tubes = samendrukbare.

Collar, kolə, subst. kraag, boord(je), halsband, halsring; Collar verb. een halsband, enz. aandoen, bij den kraag pakken, de hand leggen op, wegnemen, stelen; eene rollade maken: Against the collar = met tegenzin; He slipped the collar = streek de halster (af), ging er vandoor; He is out of collar = buiten betrekking, heeft geen werk; A collar of brawn = eene rollade van varkensvleesch; The beef was collard = het vleesch werd tot den vorm eener rollade gemaakt; Collar-beam = dwarsbalk; Collar-bone = sleutelbeen; Collar-work = zwaar werk; Collared herring = rolmops; Collarette = dameskraagje.

Collate, kəleit, vergelijken (vooral van oude handschriften of boeken), ordenen of rangschikken, schenken, overdragen, met een kerkelijk “benefice” begiftigen; Collation, kəleiš’n, vergelijking; lichte maaltijd, begiftiging, geschenk; Collator, kəleitə, vergelijker, collator, schenker.

Collateral, kəlatər’l, subst. bloedverwant in de zijlinie, adj. zij aan zij, parallel loopend, indirect, zijdelingsch: Collateral security = bij- of nevenborg; subst. Collateralness.

Colleague, kolîg, subst. ambtgenoot; Colleague verb. (kolîg) zich vereenigen, samenspannen; Colleagueship.

Collect, kolekt, kort gebed, gebed voor een bepaalden tijd of dag; vijver, waterplas (Amer.).

Collect, kəlekt, vereenigen, verzamelen, incasseeren; afhalen; door waarneming of inlichting verkrijgen; gevolgtrekkingen maken: He collected himself = hij herkreeg zijne zelfbeheersching; He was not collected = bedaard, zichzelf meester; Collection = verzameling, incasseering (v. coupons), gevolgtrekking, buslichting; Collection bag (box) = kerkzakje; Collections = een soort tentamen (Oxf.); To make a collection = collecteeren; Collective = verzamelend, vereenigd, afleidend (uit): The collective body of a nation = Body Politic; Collector = verzamelaar, ontvanger (v. belastingen enz.); een der twee B.A.’s met de regeling der Dispuutcolleges belast (Oxf.); Collectorate, Collectorship = ontvangersdistrict of ontvangersbetrekking.

College, kolidž, college, seminarium, universiteit, leerinrichting; verkiezingslichaam (Amer.): College-pudding = pudding van nierenvet, brood, rozijnen en eieren.

Collegiate, kəlîdžiit, subst. lid van een college; adj. tot een college behoorende: Collegiate church = collegiale kerk, die door het kapittel en de kanunikken wordt bediend en geen bisschopszetel heeft.

Collet, kolət, halsband, ringkas.

Collide, kəlaid, tegen elkander stooten.

Collie, koli, Schotsche herdershond.

Collier, koljə, kolengraver, kolenhandelaar; kolenschip; Colliery = kolenmijn, kolenhandel.

Colligate, koligeit, verbinden; Colligation = samenhang.

Collision, kəliž’n, botsing, aanvaring; tegenstand.

Collocate, koləkeit, plaatsen, stationeeren; Collocation = bijeenplaatsing, regeling.

Collodion, kəloudj’n, collodium.

Colloid, kolôid, gelatineachtig, amorph; subst. gelatineachtige stof.

Collogue, kəloug, samenspannen (with).

Collop, koləp, stukje vleesch, lapje.

Colloquial, kəloukwiəl, tot de omgangstaal behoorende, alledaagsch, gemeenzaam: A colloquial command of the language = vertrouwdheid met de omgangstaal; Colloquial powers = onderhoudendheid; Colloquialism = alledaagsche uitdrukking; Colloquy, koləkwi, gesprek.

Collude, kəl(j)ûd, onder één hoedje spelen, samenspannen; Colluder; Collusion = geheime samenspanning.

Colluvies, kəl(j)ûviîz, etterhaard, vuil.

Collyrium, kəliriəm, oogzalf (-water).

Colman, koulm’n; Colnebrook, konbruk.

Colocynth, koləsinth, kolokwint.

Cologne, kəloun, Keulen: Cologne-water = Eau de Cologne.

Colon, koulən, kronkeldarm; dubbele punt; Colon, kəloun, kolən (plaatsn.).

Colonel, kɐ̂n’l, subst. kolonel; Colonel verb. (kolənel) = aanvoeren als kolonel; aanspreken met kolonel; Colonelcy; Colonelship.

Colonnade, koləneid, zuilenrij.

Colonial, kəlouniəl, koloniaal: The colonial Dutch (Dutch colonials) = Holl. kolonisten; Colonial-office = Min. v. Koloniën; Colonial-produce = koloniale waren; Colonist; Colonization; Colonize.

Colophon, koləfon, koləfoun, colophoon, einde, sluitsteen: From title to colophon = van ’t begin tot het einde.

Colophony, kəlofəni, koləfouni, colophonium (vioolhars).

Colorado(-beetle), kolərâdou(bît’l), colorado(-kever).

Colorate, kɐlərit, kolərit, gekleurd, geverfd, getint; Coloration; Colorature, kɐləritjə, koləritjə, koloratuur; Colorific, kɐlərifik, kolərifik, kleurgevend, kleur—.

Colossal, kəlos’l, Colossean, koləsîən, kolossaal, reusachtig.

Colosseum, koləsîəm, Colosseum.

Colossus, kəlosəs, colossus.

Colostrum, kəlostr’m, biestmelk.

Colour, kɐlə, subst. kleur, tint, verf, voorkomen, (valsche) schijn, soort, karakter; Colour verb. verven, kleuren, tinten, doorrooken, blozen, bedekken, bewimpelen, aanneembaar maken, overdrijven: A man of colour = kleurling; State colour = regimentsvaandel, waarmede alleen voor den koning wordt gesalueerd; Colours = kleuren; vlag, standaard, insigne: In colours = opgeschikt; That is off colour = niet de ware kleur; I am all off colour = flets, onlekker; de kluts kwijt; The off coloured son of an Indian Civilian; Under colour of = onder het voorwendsel van; To change, lose colour = van kleur verschieten, bleek worden; To nail the colours to the mast = ten teeken dat men zich niet wil overgeven; volhouden; To serve with the colours = als soldaat dienen; To colour a pipe = doorrooken; He coloured to the eyes = bloosde tot over de ooren; Colour-bearer = vaandeldrager; Colour-box = verfdoos; In the oil and colour line = in oliën en verfwaren; Colour-man = verfbereider, verfverkooper; Colour-sergeant = onderofficier-vaandeldrager; Coloured = gekleurd (niet wit), zwartbruin; Colouring = valsche schijn, kleur(sel); Colourless; Colourist.

Colportage, kolpötidž, ook Fr. uitspr. colportage; Colporte(u)r, kolpötɐ̂, kolpötɐ̂, colporteur.

Colquhoun, kəhûn.

Colstaff, kolstaf, draagstok voor watervat of last.

Colt, koult, subst. veulen (ook fig.): Colt’s foot = klein hoefblad (de bladeren worden wel gerookt tegen asthma); Colt’s-tooth = melktand; Colt verb. dartelen, springen (Amer.); afstraffen met een eind touw; Coltish = dartel.

Colter, koultə. Zie Coulter.

Colton, koult’n.

Coluber, koljubə = Colubrid(e), adder; Colubrine, koljubr(a)in, slangachtig, listig.

Columbarium, koləmbêriəm, columbarium.

Columbia, kəlɐmbjə.

Columbine, kol’mb(a)in, subst. akelei; Colombine; violette weerschijn; adj. met de kleur van een duivenhals.

Columbus, kəlɐmbəs.

Column, kol’m, zuil, pilaar, kolom, kolonne (troepen), rij: Column of companies = compagniescolonne; Column of route = marschcolonne; Columnar = zuilvormig, zuil - -.

Colure, kəljûə, kouljuə, (meest mv.) coluren (sterrek.), snijpunt.

Coma, koumə, slaapziekte, diepe slaap; nevelkring van een komeet; zaadpluisje.

Co-mate, koumeit, subst. kameraad.

Comatose, koumətous, koumətous, door slaap bevangen, slaapzuchtig.

Comb, koum, subst. kam, hekel, wolkam, hanekam, honigraat; Comb verb. kammen, hekelen, rollen en uiteenspatten (der golven): To cut a person’s comb = een toontje lager doen zingen; To comb some one’s head (hair) = iemand onder den duim houden; He combed his hair with his hands = streek met de hand door.

Combat, kombət, kɐmbət, subst. strijd, gevecht: Private, single combat = duel; Combat verb. strijden, worstelen, bestrijden; Combatable = bestrijdbaar; Combatant, subst. (ook: Combater) strijder; adj. strijdend, strijdlustig; Combative = strijdlustig; Combativeness = strijdlustigheid.

Combe, kûm, koum.

Comber, koumə, hij die kamt, wolkam(mer), lange omkrullende golf.

Combinable, kəmbainəb’l, vereenigbaar.

Combination, kombineiš’n, verbinding, vereeniging, komplot; Combinations = hemdbroek, = Combination-garment; Combination-laws = Eng. arbeidswetten van 1824; Combination-room = gezelschapszaal (aan de universiteit te Cambridge); Combinative, Combinative = verbindend, verbindings...

Combine, k’mbain, nauw verbinden, (zich) vereenigen, samenvoegen; subst. bond, kongsie.

Combings, koumiŋz, kamharen.

Combustibility, k’mbɐstibiliti, brandbaarheid; Combustible, k’mbɐstib’l, subst. brand(bare) stof; adj. verbrandbaar; driftig, opvliegend; Combustion, k’mbɐstj’n, verbranding: Spontaneous combustion = zelfverbranding.

Come, kɐm, komen, naderen, aankomen, verschijnen, uitbotten, gebeuren, afloopen: Come, that’s satisfactory = komaan, dat is plezierig; Come, come, hope for the best = kom, kom, laten we ’t beste er van hopen; Come, don’t be a fool; Come your ways = allo, kom mee; She was trying to come that dodge = die bedriegerij aan te wenden; Will you come the cruise? = tochtje meemaken; You shall not come your ghosts over me = me niet bang maken met je spoken; To come to hand = in goede orde ontvangen; It has come home to me = is me duidelijk geworden; That stab came home = was raak; That word came home = maakte een diepen indruk; To come to light = aan het licht komen; To come to pass = geschieden; To come short = te kort schieten, falen; That is coming it strong = dat is kras gezegd; To come true = uitkomen, waar blijken; To come undone = losgaan; In time to come = in de toekomst; For a long time to come = het zal nog lang duren; First come best served = die ’t eerst komt, ’t eerst maalt; Lightly come, lightly go = zoo gewonnen, zoo geronnen; He’ll be sixty come next Christmas = a.s. Kerstmis; The time has come about, round = is weer daar; How did it come about? = hoe is het gebeurd? To come across = toevallig aantreffen, stooten op; Come along, old man = ga nu mee; To come at = bereiken, raken, te pakken krijgen; She was always coming backward and forward = zij was er, of ze kwam er; The soldiers came by = kwamen voorbij; How did you come by that horse? = kwaamt gij aan? To come down = naar beneden komen, vallen, dalen; He came down very soon = hij bakte heel gauw zoete broodjes; They came down handsomely = zij dokten flink op; To come down (up)on = aanpakken (fig.); Come in = kom binnen; I just came in for the last act = ik was nog net op tijd voor het laatste bedrijf; He came in for a good scolding = kreeg een flink standje; We came in for a storm = werden overvallen; Chimney-pot hats have come in again = zijn weer in de mode; To come in = te pas komen; He has come into his own = heeft zijn (erf)deel gekregen; He came off scot-free = hij heeft het er zonder kleerscheuren afgebracht; When will the concert come off? = wanneer zal het concert plaats hebben? The trial will soon come off = beginnen; My hair is coming off = ik groei door mijn haar; The soldiers came off duty = kwamen van de wacht; He came out with his guess prematurely = hij raadde te vroeg; Nothing will come out of it = daar zal niets uit voortkomen; She came out on her 18th birthday = kwam in de wereld; kwam uit; The bankrupt has come out again = heeft zich weer (in de maatschappij) vertoond; It came out as I told you = gebeurde; He came out with his secret = hij verklapte zijn geheim; The truth came out; This comes out clearly = blijkt duidelijk, komt duidelijk aan ’t licht; The book came out = verscheen; He has come out strongly = is kranig voor den dag gekomen; To come over to a party = overgaan bij; To come round = komen aanrijden, vóór komen, etc.; He is sure to come round = hij zal wel bijdraaien; The patient will soon come round again = hersteld zijn, tot bewustzijn komen; You shall not come round me = bepraten, inpalmen; He came to (himself) in no time = kwam dadelijk weer bij (uit flauwte); It comes to the same thing = komt op ’t zelfde neer; When all comes to all = alles bijeengenomen; That has come up of late = dat is in den laatsten tijd gebruik geworden; He struck gold, and came up by leaps and bounds = hij vond goud, en werd zeer spoedig rijk; To come up to = beantwoorden aan; He came up to me = naderde mij; To come up to the scratch = iemand staan, een uitdaging aannemen, toebijten; Two travellers came up with me = haalden mij in; He came upon me very suddenly = hij viel mij plotseling op het lijf; Come-at-able = genaak(verkrijg)baar; Come-down = val, vernedering; Come-off, kɐmof, kɐmof, uitvlucht, tot stand koming; Come-outer = bekeerde; radicaal (Amer.); He has found his Come-uppance = hij heeft zijn meerdere gevonden, hij heeft zijn man gevonden.

Comedian, kəmîdj’n, tooneelspeler, blijspeldichter; Comedietta, komədjetə, klucht; Comedy, komədi, blijspel.

Comely, kɐmli, bevallig, knap, gepast.

Comer, kɐmə, komende, bezoeker: The first comer = de eerst komende, de eerste de beste; Newcomer = nieuweling, vreemdeling.

Comestibles, kəmestib’lz, eetwaren.

Comet, komət, komeet, een kaartspel; Cometary = komeet - -; Cometarium = cometarium.

Comfit(ure), kɐmfit(jə), suikergoed, bonbon. Comfit = confijten.

Comfort, kɐmfət, subst. troost, vertroosting, aanmoediging, bijstand; soort sprei (Amer.); Comfort verb. troosten, kracht geven, opwekken, opbeuren: We are in comfort = kunnen ons goed redden; To take comfort = zich troosten, moed scheppen; Comfortable = subst. soort sprei of polsmof (Amer.); adj. (= Comfy) aangenaam, gemak gevend: Now I am comfortable = nu ben ik (voel ik mij) op mijn gemak; Comforter = trooster; fopspeen; bouffante; de Heilige Geest (Joh. XIV, 26).

Comfy = Comfortable.

Comic(al), komik(’l), grappig; subst. Comicality, Comicalness.

Coming, kɐmiŋ, toekomstig: Coming! Sir! = aannemen! mijnheer! Coming in = binnenkomen; inkomsten; Coming on = nadering, toeneming.

Comitia, kəmišə, volksvergaderingen; adj. Comitial.

Comity, komiti, (burgerlijke) beleefdheid, hoffelijkheid: Comity of nations = internationale hoffelijkheid, waardoor b.v. de wetten van het eene land erkend worden binnen de grenzen van een ander.

Comma, komə, komma: Inverted commas = aanhalingsteekens; Comma-bacillus.

Command, kəmând, subst. bevel, gebod, macht, gezag, commando; Command verb. bevelen, bestellen, bedingen, beheerschen, afdwingen: The Boers of De Wet’s command = commando; Command of oneself = zelfbeheersching; I am at your command = ben tot uw dienst; To be in command = het bevel voeren; This hill commands (a view of) the surrounding landscape = deze heuvel bestrijkt (geeft het gezicht op); Commandant, kom’ndânt, als titel bij een naam; kom’ndânt = commandant; Commandeer, kom’ndîə, requireeren in den oorlog (Zuid-Afrika): They commandeered the caffres for military service; Commander = bevelhebber, zeeofficier met rang tusschen Captain en First Lieutenant; stamper; Commander of the Faithful = titel van den Sultan van Turkije; Commander-in-chief = opperbevelhebber; Command(e)ry = kommandeurschap; Commandership = bevelhebberschap; Commandment = gebod, bevel; Commando: The Transvaal commandos.

Commeasurable, kəmežər’b’l = Commensurable.

Commemorate, kəmeməreit, herdenken, vieren; subst. Commemoration; adj. Commemorative.

Commence, kəmens, beginnen, worden, een zeker karakter aannemen; Commencement = begin, opkomst, oorsprong; de dag waarop vroeger uitsluitend de promotie tot M. A. of Doctor plaats had te Cambridge.

Commend, kəmend, prijzen, aanbevelen, opdragen, toevertrouwen: For a mild winter, commend me to the South of France = voor zacht winterweer moet men het Zuiden van Frankrijk hebben; Commend me to him = doe mijne groeten aan hem; adj. Commendable = prijzenswaardig; subst. Commendableness = prijzenswaardigheid; Commender; Commendam = tijdelijk beheer van een kerkelijk ambt of een leen (in 1863 afgeschaft); Commendation = lof; Commendatory = prijzend, aanbevelings- - (Commendatory letter); een prebende in commendam hebbend; subst. tijdelijk beheerder van een opengevallen prebende (= Commendam) = Commendator.

Commensurability, kəmenšurəbiliti, commensurabiliteit; Commensurable = commensurabel: A is commensurable with B = Commensurate, kəmenšureit.

Comment(ary), kom’nt(əri), commentaar; Comment = verklarende aanteekeningen maken bij, kritiek uitoefenen (on); Commentator = uitlegger, verklaarder.

Commerce, koməs, handel, verkeer, omgang; een kaartspel: Commerce Union = tolverbond; Commerce of ideas = gedachtenwisseling.

Commercial, kəmɐ̂š’l, handels ...: Commercial college = handelsschool; Commercial education = handelsonderwijs; Commercial relations = handelsbetrekkingen; Commercial room = monsterkamer in een hotel voor handelsreizigers; Commercial-school = handelsschool; Commercial traveller = handelsreiziger.

Commination, komineiš’n: Commination-service = een deel van de liturgie der Eng. kerk, op Aschwoensdag gelezen, waarbij Gods toorn tegen zondaars wordt uitgesproken; Comminatory = dreigend.

Commingle, kəmiŋg’l, (zich) vermengen.

Comminute, kominjût, tot gruis of poeder maken; inkrimpen; subst. Comminution.

Commiserate, kəmizəreit, beklagen; subst. Commiseration.

Commissariat, komisêriət, subst. de intendance van het leger, de daartoe behoorende officieren; ook adj.: All the commissariat animals had been killed = al het slachtvee (voor het leger) was gedood.

Commissary, komisəri, gemachtigde; officier van het Commissariat: Commissary Court = gerechtshof (van een graafschap) inzake erfenissen; Commissary-general = generaal-intendant.

Commission, kəmiš’n, subst. opdracht, last, lastbrief, commissie(loon); officiers-aanstelling (bij marine of leger): Commission verb. machtigen, belasten, in commissie bestellen; een commission verleenen: Ships in commission = in dienst gestelde schepen; Commission of (the) peace = aanstelling tot vrederechter; To be put into the Commission of Peace = benoemd worden tot vrederechter; Commission of lunacy = commissie van onderzoek naar den toestand der geestvermogens; Commission-agent = (Commission-merchant); Commissional = gevolmachtigd; Commissioned officer = officier; Non commissioned officer = onderofficier; Commissioner = gevolmachtigde, commissaris, lid van een commissie, commissionair = Commissionaire.

Commissure, komišuə, voeg, naad.

Commit, kəmit, toevertrouwen, toewijzen, gevangen nemen, blootstellen, compromitteeren, (zich) verbinden, doen, bedrijven, naar eene commissie verzenden: He rarely commits himself in speaking = hij zegt zelden domme of gekke dingen; I would not commit myself to these conclusions without examining the affair myself = ik wou niet instemmen met dergelijke conclusies; He committed himself to that course = besloot tot die wijze van doen; They stand committed to that policy = moeten volgen; Parliament has the power of committing = het recht om wetten enz. in handen eener commissie te stellen, of een bevel tot gevangenneming uit te vaardigen; He committed these words to memory = leerde van buiten; To commit to paper = op papier brengen; Commitment = verwijzing, overdracht, inhechtenisneming; Committable = te begane; Committal = subst. toewijzing, gevangenneming, bevel daartoe, begaan; adj. I thought of a non-committal thing to say = ik bedacht mij op iets, dat ik gerust kon zeggen, waardoor ik mij niet bloot gaf; Committee, kəmitî, commissie, comité; Committee, komitî, curator (van een idioot of krankzinnige); Committer = bedrijver, lastgever.

Commode, kəmoud, hoog dameskapsel (van vroeger tijd); latafel; stilletje.

Commodious, kəmoudjəs, geriefelijk; subst. Commodiousness; Commodity, kəmoditi, gerief, gemak, handelsartikel, waar.

Commodore, komədö = Captain of the Fleet = rang tusschen schout-bij-nacht en kapitein ter zee; bevelhebber van een eskader; het voorop zeilend schip van een koopvaardijvloot.

Common, kom’n, subst. gemeenteweide, meente; adj. (al)gemeen, gewoon, gebruikelijk, openbaar, van lagen rang, plat, onrein, gemeenschappelijk, gemeenslachtig (van subst. en werkw.); Common verb. gezamenlijke grondrechten hebben; samen eten: We have it in common = gezamenlijk; He is above the common = meer dan gewoon; It is out of the common = buitengewoon, ongewoon; Common carrier = vrachtrijder; Common divisor = gemeene deeler; Common council(man) = gemeenteraad(slid); Common crier = stadsomroeper; Common gender = van ’t zelfde gramm. geslacht; Common hall = raadhuis; aula; Common law = gewoonterecht (tegenover het geschreven recht); Common noun = gem. zelfst. nmw.; Common Pleas = oud gerechtshof; thans opgenomen onder de Queen’s Bench Division van het Hooggerechtshof; Book of Common Prayer = ritueel en gebedenboek der Angl. kerk; Common sense = gezond verstand: That is a common sense remark = van gezond verstand getuigende; Commonable = gezamenlijk, gemeenschappelijk; Commonage = gezamenlijk bezit, gemeenschappelijk recht; Commonalty = burgerij (wat niet tot den adel behoort); Commoner = burger; lid van het House of Commons; iemand, die mede recht heeft op gemeenschappelijken grond: Gentleman commoner = betalend student, die eerst in later tijd werden toegelaten; Commonish = vrij algemeen, alledaagsch; Commonplace, kom’npleis, subst. gewoon onderwerp, gewone uitdrukking, gemeenplaats, memorandum; adj. gewoon, alledaagsch; Commonplace verb. in een memorandum of commonplace-book aanteekenen; Commons, komənz, het volk; de leden van het Lagerhuis = House of Commons; voedsel (aan eene algemeene tafel): His cheeks were hollow; he had been on short commons for four years = hij had het schraal van eten gehad; Doctors’ Commons = oud gerechtshof bestaande uit 5 hoven, vervangen door het Probate Court, thans Prob. Division van het Hooggerechtshof; Commonty = land, aan twee of meer toebehoorende; gemeenteweide; Commonweal, kom’nwîl, het algemeen welzijn; Commonwealth, kom’nwelth, gemeenebest, staatslichaam, statenbond, republiek (in Engeland onder Cromwell: 1649–1660).

Commorance, -cy, komər’ns(i), domicilie; Commorant = wonend.

Commotion, kəmouš’n, beroering, beweging, drukte, tumult.

Communal, komjun’l, kəmjûn’l, communaal; Commune, komjûn, gemeente, commune (Fr.), communie: To hold commune (with) = spreken met, raadplegen.

Commune, kəmjûn, komjun, spreken met, raadplegen; deelnemen aan het Avondmaal (Amer.); de communie ontvangen (Kath. kerk).

Communicability, kəmjûnikəbiliti, mededeelbaarheid; Communicable, kəmjûnikəb’l, mededeelbaar; Communicant, kəmjûnikənt, avondmaalsganger, communicant; Communicate, kəmjûnikeit, mededeelen, schenken, openbaren, omgang hebben, in verbinding staan met, deelnemen aan het Avondmaal, communiceeren, ter communie gaan.

Communication, kəmjûnikeiš’n, mededeeling, omgang, communicatie (middel), verbindingsweg: Communication-cord = noodrem; Evil communications corrupt good manners = kwade samensprekingen bederven goede zeden; Communicative = mededeelzaam; subst. Communicativeness; Communicator = mededeeler, noodlijn; Communion, kəmjûnj’n, verbinding, gemeenschap, omgang; Avondmaal; communie: Communion cup, table, service = avondmaalsbeker, -tafel, -dienst.

Communism, komjunizm, eigendomsgemeenschap, communisme, socialisme; Communist; adj. Communistic(al).

Community, kəmjûniti, gemeenschap, gemeente(wezen).

Commutability, kəmjûtəbility, vervreemdbaarheid, verwisselbaarheid; adj. Commutable.

Commutation, komjuteiš’n, verwisseling, verandering; abonnement (Amer.); stroomwisseling, aflossing; adj. Commutative; Commutator = stroomwisselaar; Commute, kəmjût, verruilen, ineens betalen in plaats van in termijnen, veranderen, wisselen: The sentence of death was commuted into lifelong imprisonment = het doodvonnis werd veranderd in.

Compact, kompakt, verdrag, overeenkomst, verbond; Compact, k’mpakt, adj. aaneengesloten, vast, kort, bondig, bestaand uit (of); Compact verb. krachtig verbinden, nauw vereenigen, verdichten: A compactly built young fellow = kort en stevig ventje; Compactness = beknoptheid, soliditeit, stevigheid.

Companion, k’mpanj’n, subst. gezel, kameraad, makker, compagnon, laagste graad in eene ridderorde, kampanje, kapluik (bij de trap van eene kajuit), koekoek (uitstekend dakvenster); adj. vergezellend; Companion verb. vergezellen: Companion-hatch = kap boven de kajuitstrap; Companion-ladder, Companion-stairs, Companion-way = kajuitstrap; Companionable = gezellig; Companionless; Companionship = gezelschap.

Company, kɐmpəni, subst. gezelschap, maatschappij, gilde, genootschap, compagnie, bemanning: I will bear, keep you company = u gezelschap houden; To be in company with, in the company of = in gezelschap van; Two is company, three is none = twee is gezellig, drie is te veel; He kept company with our servant = had verkeering met onze meid; My friend sees no company = is zéér eenzelvig; She wept for company = schreide mee; Company verb. het gezelschap genieten van: I companied with very interesting people.

Comparable, kompərəb’l, vergelijkbaar; Comparative, k’mparətiv, vergelijkend, betrekkelijk; subst. comparatief; A comparatively small sum = betrekkelijk geringe som.

Compare, k’mpêə, vergelijken, gelijkstellen, gelijk zijn, in den comparatief zetten; zich laten vergelijken; subst. vergelijking: His eloquence may be compared to a thunderstorm = kan worden vergeleken bij; I cannot compare the one statesman with the other = vergelijken met; On our comparing notes, many circumstances tallied with wonderful exactness = toen wij onze bevindingen vergeleken (van gedachten wisselden), kwamen vele omstandigheden merkwaardig juist overeen; You cannot compare (You compare disadvantageously) with your friend = gij kunt een vergelijking met uw vriend niet doorstaan; Beyond compare, past compare = onvergelijkelijk.

Comparison, k’mparis’n, vergelijking, trappen van vergelijking: Beyond all comparison, Out of all comparison, Without comparison = onvergelijkelijk; By way of comparison = vergelijkenderwijze; To bear (stand) comparison with = de vergelijking doorstaan met.

Compartment, k’mpâtm’nt, afdeeling, coupé, vak.

Compass, kɐmpəs, subst. omtrek, omvang, omweg, ruimte, grens, bestek, bereik, kompas; Compass verb. omvatten, omringen, bekleeden, verkrijgen, bedenken, beramen, tot stand brengen: We have boxed the compass = zijn de rij rond geweest; He fetched a compass = hij maakte een omweg, ging niet recht op het doel af; We speak within compass in asserting this = wij zeggen niet te veel met dit te beweren; True as a compass = echt waar; They compass heaven and earth to make one proselyte = doorzoeken hemel en aarde; He compassed his end = bereikte zijn doel; I felt resolved to compass revenge = op wraak te peinzen; Compass-box = kompashuisje; Compass-card = kompasroos; Compass-saw = cirkelzaag; Compass-timber = kromhout; Compass-window = vooruitspringend boogvenster; Compasses = passer.

Compassion, k’mpaš’n, subst. medelijden; Compassion verb. beklagen, zich erbarmen; Compassionate, k’mpašənit, adj. mededoogend, medelijdend; Compassionate verb. k’mpašəneit, beklagen, medelijden hebben met.

Compatibility, k’mpatibiliti, vereenigbaarheid, bestaanbaarheid; Compatible, k’mpatib’l, bestaanbaar, passend, vereenigbaar (met with).

Compatriot, k’mpeitriot, k’mpatriot, subst. landgenoot; adj. uit hetzelfde land; subst. Compatriotism.

Compeer, k’mpîə, subst. evenknie, gelijke, makker; Compeer verb. evenaren.

Compel, k’mpel, dwingen, drijven, verplichten: That actor compelled tears from his audience = dwong zijn gehoor tranen af; Compeller = verzamelaar.

Compend, kompend, Compendium, k’mpendj’m, kort begrip, verkorte opgaaf; Compendious = beknopt, bevattelijk; subst. Compendiousness.

Compensate, komp’nseit, k’mpenseit, goed maken, vergoeden, opwegen; Compensation = vergoeding, compensatie, tegenrekening: Workman’s Compensation Act = ongevallenwet; Compensation-balance (pendulum) = compensatieslinger; adj. Compensative = Compensatory; Compensator = compensator.

Compesce, k’mpes, bedwingen, beteugelen.

Compete, k’mpît, wedijveren, strijden om.

Competence, kompitens, Competency, kompitensi, bevoegdheid, welgesteldheid, gepastheid: They led a life of competence = zij konden het goed stellen in de wereld; He has a competency = kan zich goed redden; Competent = bevoegd, toereikend, overeenkomstig.

Competition, kompitiš’n, mededinging, wedijver, concurrentie, kooplust; Competitive, k’mpetitiv, vergelijkend (van een examen b.v.), mededingend; Competitor = mededinger, concurrent; Competitress = Competitrix.

Compilation, kompileiš’n, verzameling.

Compile, k’mpail, samenstellen, samenvoegen, verzamelen; een aantal ‘runs’ maken (cricket); subst. Compiler.

Complacence, k’mpleis’ns, Complacency, k’mpleis’nsi, welbehagen, voldoening, aangename wijze van optreden, manieren, enz.; beleefdheid; Complacent = behaaglijk, etc.

Complain, k’mplein, subst. klacht; Complain verb. klagen, morren, aanklagen: He complained of the boys = klaagde over; To complain to = zich beklagen bij; Complainant = klager, lijder, eischer; Complaining = klagend, onpasselijk; subst. klacht; Complaint = klacht, aanklacht, kwaal, ongesteldheid.

Complaisance, kompləz’ns, kompləzans, beleefdheid, hoffelijkheid, inschikkelijkheid; adj. Complaisant of Complaisant.

Complement, kompliment, subst. aanvulling, volle getal, volheid, toevoegsel, het bijkomende, complement; Complement verb. aanvullen: Three meals a day was the Homeric complement = de taks, het aantal in de dagen van H.; The complement of the squadron = getalsterkte; Complemental, Complementary = aanvullend, complementair.

Complete, k’mplît, adj. volledig, voltooid, af, volkomen; Complete verb. afmaken, voltooien; subst. Completeness; Completion = voltooiing, vervulling; Completive = volkomen makend; Completory, subst. de completen, het deel van het Brevier, dat het officium van den dag afsluit (Kath. Kerk); adj. vervullend, voltooiend.

Complex, kompleks, subst. het geheel; adj. samengesteld, ingewikkeld.

Complexion, k’mplekš’n, gelaatskleur, teint, voorkomen; temperament, lichaamsgesteldheid.

Complexity, k’mpleksiti, samengesteldheid, ingewikkeldheid.

Compliance, k’mplaiəns, toegeving, toestemming, onderwerping: In compliance with = overeenkomstig; Compliant, toegevend, inschikkelijk.

Complicate, komplikeit, adj. ingewikkeld; Complicate verb. verwikkelen, verwarren; Complication = verwikkeling, complicatie (Med.).

Complicity, k’mplisiti, medeplichtigheid.

Compliment, kompliment, subst. plichtpleging, lof, vleierij: Compliments of the season = Nieuwjaarswenschen; (Make) my best compliments to = mijne hartelijke groeten aan; With the author’s compliments = van den schrijver.

Compliment, kompliment, verb. complimenteeren, gelukwenschen, complimenten maken; Complimental = beleefd, beleefdheids ... = Complimentary (op boeken) = presentexemplaar.

Complin(e), komplin = Completory, de completen (Kath. kerk): To go to Complins.

Comply, k’mplai, voldoen, toegeven aan, toestemmen: I complied with his wishes = voldeed aan; Complying = Complaisant.

Compo, kompou, compositie; mengsel, enz.; het woord is kort voor Composition.

Component, k’mpoun’nt, subst. en adj. samenstellend (deel).

Comport, k’mpöt, overeenkomen, overeenstemmen, zich gedragen; subst. compôte, kompət: She comported herself with much gravity; The hangings do not comport with the furniture = het behangsel past niet bij het ameublement; Comportment = gedrag, houding.

Compose, k’mpouz, samenstellen, samenvoegen; bevredigen, tot bedaren brengen, in orde brengen, voorbereiden; zetten (drukkerij), componeeren, dichten, ontwerpen: What was it composed of? = waaruit bestond het?; Composed = kalm; rustig; subst. Composedness; Composer = componist; Composing draught = kalmeerende drank; Composing-frame (-room, -machine, -stick) = zettersraam, etc. zethaak.

Composite, kompəzit, samengesteld, compositie - - (i.e. hout en ijzer); subst. samenstelling, mengsel; Composite candle = stearinekaars; Composite carriage = spoorwegrijtuig met verschillende klassen; Composite number = deelbaar getal; Composition, kompəziš’n, samenstelling, mengsel, geaardheid, opstel, arbeid, werk, schikking, verdrag, afkooping, bevrediging, het aangenomen bedrag, het letterzetten: A composition of a shilling in the pound = een accoord van vijf percent; He has no fear in his composition = kent geen vrees; Compositor = letterzetter.

Compost, kompo(u)st, subst. mengmest; pleisterkalk, gemengd nieuws; Compost verb. mesten; bepleisteren.

Composure, k’mpoužə, kalmte, bedaardheid, bezadigdheid: He upset my composure = hij bracht mij van mijn stuk.

Compote, kompout, compôte.

Compound, kompaund, subst. samenstelling, mengsel, massa; samengesteld woord; erf, kampong; adj. samengesteld, gecompliceerd: Compound fracture = dubbele breuk; Compound interest = interest op interest; Compound leaf = sameng. blad; Compound system = stelsel om mijnwerkers in eene afgesloten ruimte te houden.

Compound, k’mpaund, samenstellen, vermengen, vereenigen, bereiden, delgen, schikken, accordeeren: The matter was Compounded for = geschikt; He compounded for his escape = maakte een accoord; He compounded the felony = hij trok de aanklacht in na schadeloosstelling; We compounded some hot stuff = bereidden wat warmen drank; Compoundable = aflosbaar, etc; Compounder = menger, bereider; hij, die een accoord aangaat.

Comprador, komprədö, Chineesch handelsagent voor Europ. handelshuis.

Comprehend, komprihend, omvatten, insluiten; begrijpen; Comprehensibility = begrijpelijkheid; Comprehensible = duidelijk, begrijpelijk; Comprehension = bevatting, begrip; omvang; Comprehensive = veelomvattend, uitgebreid, groot; bondig: subst. Comprehensiveness.

Compress, kompres, compres, doek.

Compress, k’mpres, samendrukken, verdichten; Compressibility = samendrukbaarheid; Compressible = samendrukbaar; Compression = samendrukking, bondigheid, beknoptheid; Compressive = samendrukkend; Compressor = drukverband, soort machine, kettingstopper.

Comprise, k’mpraiz, bevatten, insluiten.

Compromise, komprəmaiz, subst. minnelijke schikking, overeenkomst; tusschending; Compromise verb. schikken, bijleggen; compromitteeren, op ’t spel zetten: A life of compromise = van geven en nemen; I will so far compromise the matter as to accompany you thither = ik zal er mij dan toe laten vinden er met u heen te gaan; To compromise one’s principles = het met zijne beginselen op een accoordje gooien; Let us compromise opinions = laten wij het zien eens te worden.

Compromit, komprəmit, in gevaar stellen, compromitteeren.

Comptant, kaunt’nt, contant geld.

Comptoir, koŋtwö, kantoor, toonbank.

Comptroller, k’ntroulə. Zie Controller.

Compulsion, k’mpɐlš’n, dwang: On (By) compulsion = gedwongen; Compulsory = dwingend, gedwongen, dwang - -: Compulsory attendance = verplicht schoolbezoek; Compulsory military service.

Compunction, k’mpɐŋkš’n, wroeging, gewetensknaging; Compunctious = berouwhebbend.

Compurgation, kompɐ̂geiš’n, vrijspraak van een beschuldigde op de beëedigde verklaring van 12 personen; Compurgator of kəmpɐ̂gətə = iemand die zoo’n verklaring aflegt.

Computable, kəmpjûtəb’l, kompjutəb’l, berekenbaar; Computation = rekenen, berekening, omslag; Compute = (be)rekenen, omslaan, overwegen.

Comrade, komreid, kameraad, “burger”; Comradeship.

Con, kon, subst. het tegen: Pro and con = het vóór en tegen.

Con, kon, zorgvuldig nagaan, van buiten leeren; een schip sturen door aanwijzingen van den roerganger: He conned over his lessons = leerde zijne lessen van buiten; He conned thanks = betuigde zijn dank.

Concatenate, kənkatəneit, aaneenschakelen; subst. Concatenation.

Concave, konkeiv, subst. holte, (hemel), gewelf; adj. hol, concaaf; Concave verb. uithollen; Concavity, kənkaviti, holheid; Concavo-concave = hol aan de beide oppervlakten; Concavo-convex = hol aan de eene, bol aan de andere zijde.

Conceal, k’nsîl, verbergen, geheim houden, wegstoppen, vermommen; Concealable = wat verborgen kan worden; A concealed royalist = verkapte; Concealer = verberger, heler; Concealment = geheimhouding: Place of conceal = schuilhoek.

Concede, k’nsîd, toegeven, opgeven, toestaan, toestemmen: To concede attention to = schenken.

Conceit, k’nsît, subst. bevatting, begrip, meening, valsche waan, verwaandheid; eigenaardige, grillige opvatting of denkbeeld, spitsvondige geestigheid; Conceit verb. opvatten, zich verbeelden: He was a little out of conceit with her = hij mocht haar niet meer zoo graag; A man of a quick conceit = vlugge bevatting; A conceited fellow = verwaande vent; Conceitedness = inbeelding, geaffecteerdheid.

Conceivable, kənsîvəb’l, denkbaar, begrijpelijk; Conceive, k’nsîv, een denkbeeld vormen, denken, zich voorstellen, begrijpen, bevatten, opvatten, zwanger worden, ontvangen.

Concentrate, kons’ntreit, kənsentreit, in een punt vereenigen, concentreeren, samentrekken op; subst. Concentration; Concentrative = geneigd of dienend tot concentratie; Concentrativeness.

Concentre, k’nsentə, in een middelpunt samenkomen (samenbrengen); Concentric = Concentrical = concentrisch; subst. Concentricity = de eigenschap van of geschiktheid tot concentreeren.

Concept, konsept, begrip; Conceptual: Conceptual incongruities = begripsverwarringen, inconsequenties; Conception = voorstelling, begrip, opvatting, gedachte, ontwerp; ontvangenis.

Concern, k’nsɐ̂n, subst. zaak, onderneming, ding; belang, bezorgdheid, angst; Concern verb. betreffen, aangaan; ontstellen, bezorgd maken: A manufacturing concern = fabriekszaak; I have no concern with it = niets mee te maken; That is no concern of any one’s = dat gaat geen mensch wat aan; I do not care for the whole concern = ik geef niets om het heele spul: Common concerns = alledaagsche zaken; Forget such worldly concerns now = wereldsche zaken; I am concerned for your welfare = stel belang in (maar maak mij ongerust over); He was greatly concerned for the loss, his friend had suffered = hij had erg te doen met; To be concerned in a plot = betrokken bij; I am not concerned with his opinions = - - - gaan mij niet aan; So far as I am concerned = wat mij aangaat; Concerning = betreffende; Concernment = zaak: He has no concernment for it = hij bekommert er zich niet om.

Concert, konsət, overeenstemming, harmonie, concert: The European concert; They acted by concert = één van zin; I have acted in concert with your wishes = overeenkomstig uwe; Concert-hall; Concertize = concerten geven.

Concert, k’nsɐ̂t, samenwerken, afspreken, een plan maken, meerstemmig arrangeeren: The concerted works were Beethoven’s Seventh Symphony and Schumann’s Quartet in A minor = de uitgevoerde, ten gehoore gebrachte stukken.

Concertante, kontšɐ̂tanti, concertstuk voor solo-instrumenten; Concertina, konsɐ̂tînə, concertina (soort v. harmonica); Concerto = concertstuk (voor solo met begeleiding).

Concession, k’nseš’n, vergunning, concessie; Concession(n)aire, Fr. uitspraak, Concessionary, k’nseš’nəri. Concessioner (Amer.), concessionaris; Concessive = vergunnend, concessief.

Conch, koŋk, zeeschelp; Concha, koŋkə, oorschelp; gewelf van een halfkoepel of nis; Conchifera, koŋkifərə, schelpdieren met twee schelpen; Conchiferous, koŋkifərɐs, schelpen voortbrengend of bevattend; Conchology, koŋkolədži, kennis van schelpen en hare bewoners.

Conciliar, k’nsiljə, Concilium - - -.

Conciliate, k’nsiljeit, verzoenen, bevredigen, (voor zich) innemen: A conciliating person = innémend mensch; Conciliation = verzoening, etc.; Conciliative, Conciliatory = verzoenend; Conciliator = bemiddelaar.

Concise, k’nsais, beknopt, zaakrijk; subst. Conciseness.

Concision, k’nsiž’n, besnijdenis; beknoptheid.

Conclave, konkleiv, (geheime) kardinaalsvergadering; de vergaderde kardinalen, hunne vergaderzalen, geheime zitting.

Conclude, k’nklûd, besluiten, beslissen, bepalen, opmaken uit, ten einde brengen, vaststellen, eindigen, sluiten: To conclude alliances (peace) = sluiten; I conclude from your words to his guilt = ik maak uit uwe woorden op, dat hij schuldig is; To be concluded = slot volgt; Conclusion, k’nklûž’n, besluit, einde, afloop, gevolgtrekking: I will try conclusions with him = mij met hem meten; Conclusive, k’nklûsiv, afdoende, beslissend: Conclusive evidence = afdoend bewijs; subst. Conclusiveness.

Concoct, k’nkokt, samenkoken, bereiden, zuiveren, overlèggen, smeden, beramen, verteren; Concoction = bereiding, overleg; beraming; Concocter = bewerker.

Concomitance, k’nkomit’ns, Concomitancy, co-existentie: In concomitance with = tegelijk met.

Concomitant, k’nkomit’nt, subst. het begeleidende of bijkomende; adj. vergezellend, bijkomend.

Concord, koŋköd, eendracht, overeenstemming, harmonie; Concordance, k’nköd’ns, overeenstemming, index, concordans; Concordancy = overeenstemming; Concordant = overeenstemmend; Concordat, k’nködat, overeenkomst, concordaat.

Concourse, kon(g)kös, toeloop, samenloop, menigte, vergadering.

Concrete, koŋkrît, kənkrît, subst. concreet begrip; beton; adj. compact, concreet, uit beton bestaande: The floor is concrete = de vloer is van beton; Concrete-steel = Ferroconcrete = gewapend beton.

Concrete, k’nkrît, een compacte massa vormen (daartoe vereenigen), kristalliseeren, met beton bouwen; Concreteness = concreetheid, geronnen of bevroren zijn, verdikking; Concretion = vastworden, vaste massa, verharding; Concretionary = door concretion ontstaan.

Concubine, koŋkjubain, bijzit; Concubinage, k’nkjûbinidž, concubinaat.

Concupiscence, kənkjûpisens, wellust, zondige begeerte, ontucht; adj. Concupiscent = Concupiscible.

Concur, k’nkɐ̂, samenkomen, samenvallen, overeenkomen, overeenstemmen, bijdragen tot, medewerken: I concur in this opinion, wish = ben het daarmede eens; To concur with the views of an author; Concurrence, k’nkɐr’ns, Concurrency, k’nkɐr’nsi, samenvallen, overeenkomst, vereeniging, goedkeuring, medewerking: Their entire concurrence with our plan; We acted in concurrency = wij traden gemeenschappelijk op; Concurrent, k’nkɐr’nt, subst. bijkomende omstandigheid, medewerker, mededinger; adj. samenwerkend, mededingend, gelijktijdig; subst. Concurrentness.

Concuss, k’nkɐs, schokken, dwingen (into); Concussion = schok, botsing; afdreiging: Concussion of the brain = hersenschudding; Concussive = schokkend.

Cond, kond, van eene hoogte de richting aanwijzen, waarin een schuit gestuurd moet worden, met ’t oog op een naderende school visschen; Conder, kondə, de persoon, die zulks doet.

Condemn, k’ndem, veroordeelen, afkeuren, berispen, onbewoonbaar of ongeschikt verklaren, verbeurd verklaren, dicht spijkeren: Ship and cargo were condemned = verbeurd verklaard; Condemned cells, Condemned sermon = cellen, preek voor ter dood veroordeelden; Condemned dwelling = onbewoonbaar verklaarde; Condemnable, k’ndemnəb’l, verwerpelijk, strafbaar; Condemnation = veroordeeling, verwerping, afkeuring; Condemnatory = veroordeelend, etc.

Condensability, k’ndensəbiliti, verdichtbaarheid; Condensable, k’ndensəb’l, verdichtbaar; Condensation, kondənseiš’n, condensatie, bekorting; Condense, k’ndens, verdikken, bekorten, condenseeren; zich condenseeren; Condenser, k’ndensə, condensor.

Condescend, kondəsend, zich verwaardigen, zich inlaten met, zich vernederen: He did not condescend to answer (on an answer) = verwaardigde zich niet; Condescending = minzaam, nederbuigend; Condescension: His condescension struck us all very favourably = zijne minzaamheid deed ons allen aangenaam aan.

Condign, k’ndain, verdiend: Condign punishment.

Condiment, kondiment, kruiderij.

Condite, k’ndait, inleggen, konfijten.

Condition, k’ndiš’n, subst. toestand, rang, eigenschap, voorwaarde, bepaling; Condition verb. bepalen, voorwaarden maken, bedingen, in goeden (gezondheids)toestand brengen en houden, keuren: I am not in a condition to feast with you = in de stemming, met u feest te vieren; Our horses take months to condition in South Africa = om aan ’t klimaat te gewennen; She felt herself growing quiet and conditioned again = gezond, flink; Conditional, subst. voorwaardelijke wijs, beperking; adj. voorwaardelijk; Conditionality = ’t afhankelijk zijn.

Condolatory, k’ndoulətəri, condoleantie...; Condole, k’ndoul, medetreuren, betreuren: He condoled his own misery = hij had medelijden met zichzelf; I condole with you on the loss you have suffered = ik condoleer u met; Condolence, k’ndoul’ns: A visit of condolence; Condolencer = hij die condoleert.

Condonation, kondəneiš’n, vergiffenis, goedvinding, het over het hoofd zien; Condone, k’ndoun, vergeven.

Condor, kondö, Z.-Amer. gier.

Condottiere, köndotjêə, Ital. vrijbuiter of soldaat.

Conduce, k’ndjûs, leiden, strekken, bijdragen tot; Conducive, dienstbaar, strekkend tot: May your measures be conducive to that noble end! = mogen .... dienstbaar zijn aan ... doel; subst. Conduciveness.

Conduct, kondəkt, gedrag, leiding, houding, geleide: Safe conduct = vrijgeleide; Conduct-roll = conduitelijst (van ambtenaren en officieren).

Conduct, k’ndɐkt, leiden, aanvoeren, voeren, vergezellen, richten, besturen, geleiden, gedragen: Who conducts your correspondence? = voert; Conducted: A well conducted boy = fatsoenlijke; Conductibility = geleidbaarheid; Conductible = geleidend; Conducting wire = geleiddraad; Conduction = geleiding; Conductive = geleidend; Conductivity = Conductibility; Conductor = leider, gids, bevelhebber, kapelmeester, muziekdirecteur, conducteur (van omnibus of tram), bliksemafleider; Conduct-money = reisgeld voor getuigen; Conductress = geleidster.

Conduit, kondit, kɐndit, waterleiding, kanaal; Conduit-pipe = buis.

Conduplicate, kondjûplikit, adj. dubbel gevouwen; Conduplicate verb. (kondjûplikeit), dubbel vouwen; subst. Conduplication.

Condyl(e), kondil, knokkel.

Cone, koun, kegel, denappel: Cone of sugar = suikerbrood; Cone-shaped = kegelvormig.

Confab(ulation), kənfab (konfab), kənfabjuleiš’n, gemeenzaam gesprek; Confabulate, Confab of Confab = keuvelen.

Confect, konfekt, bonbon.

Confect, k’nfekt, inmaken, maken; Confection, subst. suikergoed, het maken daarvan; confectie (kleeren); Confect verb. suikergoed maken; kleederen maken: She is kind enough to confection for the poor; Confectioner = suikerbakker; Confectionery = suikerbakkerij; suikergoed, bonbons; kroeg (Amer.).

Confederacy, k’nfedərəsi, verbond, complot; de verbondenen; Confederate, k’nfedərit, subst. bondgenoot; adj. verbonden; Confederacy verb. (k’nfedereit), verbinden, een verbond aangaan; Germanic Confederation = de Duitsche Bond (van 1815–66).

Confer, k’nfɐ̂, te rade gaan, beraadslagen; verleenen, overdragen, vergelijken; Conferee, konfərî, lid van een conferentie (Amer.); Conference, konfərens, beraadslaging, bijeenkomst, onderhandeling, overdracht, verleening; Conferrable = overdraagbaar; Conferrer.

Confess, k’nfes, erkennen, bekennen, toegeven, belijden, biechten: The priest confessed him = nam hem de biecht af; I confess to a weakness in his favour = ik beken, dat ik een zwak voor hem heb; She stood confessed, A maid in all her charms (Goldsmith) = bleek te zijn, ontpopte zich als; A confessed culprit = erkend; Confessedly = openbaar; Confession = bekentenis, erkenning, biecht: The Augsburg confession of faith = geloofsbelijdenis; She went to confess = ging biechten; Confessional = confessioneel; subst. biechtstoel; Confessionary, adj. biecht..; Confessor = biechtvader, belijder.

Confidant(e), konfidant, mann. of vr. vertrouweling, boezemvriend.

Confide, k’nfaid, verb. vertrouwen, toevertrouwen: I will confide my experiences in the public ear = aan het publiek toevertrouwen; Confidence = vertrouwen, zelfvertrouwen, driestheid, vertrouwelijke mededeeling: To have (place, put) confidence in; I took him into confidence; Confidence men = soort kwartjesvinders, die de Confidence trick toepassen door het slachtoffer over te halen om als token of Confidence zijn kostbaarheden etc. aan hen in bewaring te geven; Confident = vertrouwend, zeker, driest: I am confident that it is true = overtuigd; Confidential = vertrouwd, vertrouwelijk, geheim: Confidential clerk = procuratiehouder; Confidential position = post van vertrouwen.

Configuration, kənfigjureiš’n, uiterlijke gedaante; Configure, kənfig(j)ə, groepeeren.

Confinable, kənfainəb’l, begrenzend, begrensbaar; Confine, konfain, subst. grens, rand, uiterste.

Confine, k’nfain, begrenzen, opsluiten, beperken, bepalen tot: He is confined to his bed = hij moet het bed houden; To be confined (of) = bevallen (van); Confinedness, begrensdheid; Confinement = opsluiting; bevalling: Solitary confinement = eenzame opsluiting.

Confirm, k’nfɐ̂m, bevestigen, versterken, bekrachtigen; als lidmaat aannemen, vormen: He is a confirmed bachelor = verstokte oude vrijer; Confirmation = bevestiging; H. vormsel: Confirmation classes = catechisaties; Confirmative = Confirmatory = bevestigend, bekrachtigend.

Confiscable, kənfiskəb’l, confisqueerbaar; Confiscate, konfiskeit, kənfiskeit, adj. verbeurd (verklaard); Confiscate verb. verbeuren, verbeurd verklaren; subst. Confiscation; Confiscator of Confiscator = verbeurd verklaarder; Confiscatory = verbeurd verklarend.

Confiture, konfitjə, bonbon, suikergoed.

Confix, kənfiks, goed bevestigen.

Conflagration, konfləgreš’n, groote brand.

Conflict, konflikt, botsing, strijd, worsteling.

Conflict, k’nflikt, botsen, strijden, worstelen, in tegenspraak zijn met (with); Conflicting = tegenstrijdig.

Confluence, konfluens, samenvloeiing, vereeniging, toeloop; Confluent, subst. zijrivier, bijstroom; adj. samenvloeiend; Conflux = Confluence.

Conform, k’nföm, adj. overeenkomstig; Conform verb. van gelijken vorm maken, passend maken, (zich) schikken of voegen naar, overeenstemmen; zich aan de Staatskerk onderwerpen: You must conform yourself to our customs = u schikken naar; Conformable = overeenkomstig, meegaand: That is not conform to the facts = overeenkomstig; Conformation = vorm(ing), bouw, overeenstemming; Conformist = lid van de Anglikaansche kerk; Conformity = gelijkheid, overeenkomst, overeenstemming (ook: met den ritus der Anglik. kerk): In conformity with; They acted in conformity = dienovereenkomstig.

Confound, k’nfaund, verwarren, dooreenwarren, vernietigen, verbazen, bedremmelen, beschaamd maken: Confound it! = wat drommel; Confounded = verward, verbaasd; verfoeilijk, vervloekt, duivelsch.

Confraternity, konfrətɐ̂niti, broederschap.

Confront, k’nfrɐnt, tegenover staan of plaatsen, het hoofd bieden, confronteeren: I have confronted them together = hen tegenover elkander geplaatst; I confronted him with his guilt = hield hem zijne schuld voor; subst. Confrontation.

Confucius, k’nfjûšiəs, Confusius.

Confuse, k’nfjûz, verwarren, beschaamd of verlegen doen staan, verbijsteren; Confusion = verwarring, verlegenheid, warboel, herrie, onduidelijkheid, ondergang: Confusion! = verduiveld! It was confusion worse confounded = het was eene onbeschrijfelijke verwarring.

Confutable, k’nfjûtəb’l, weerlegbaar; Confutation = weerlegging; Confute, k’nfjût, weerleggen, verijdelen.

Congeal, k’ndžîl, doen stollen of stremmen; Congealable = bevriesbaar; Congealment = Congelation.

Congee, konži, kɐnžî, subst. ontslag, afscheid; rijstwater (Indië). Zie Conjee.

Congelation, konžileiš’n, bevriezing, stremming.

Congener, konžənə, verwant, gelijksoortig iets; adj. verwant, gelijksoortig = Congenerous, k’nženərɐs.

Congenial, k’ndžînj’l, verwant, in geest en aard overeenstemmend, sympathiek; subst. Congeniality.

Congenital, k’ndženit’l, aangeboren, natuurlijk.

Conger, koŋgə, zeepaling (-aal); Conger-eel = (In Calif.) een soort lamprei.

Congeries, k’ndžîriiz, samenhooping, verzameling.

Congest, k’ndžest, ophoopen (van bloed, b.v.); Congestion = ophooping (van bloed), congestie: Congestion of the brain.

Conglobate, kongləbeit, kəngloubeit, Conglomerate, k’ngloməreit; adj. bolrond; subst. conglomeraat; Conglobate verb. tot een bal of bol verzamelen; Conglomeration = conglomeraat.

Conglutinate, kənglûtineit, samenlijmen, samenkleven, verbinden; subst. Conglutination.

Congo, koŋgou, Congo; ook = Congou.

Congou, koŋgû, zwarte thee.

Congratulate, k’ngratjuleit, gelukwenschen, zich verheugen met (on): Congratulation = gelukwensch; Congratulator = gelukwenscher; Congratulatory = felicitatie - -: Congratulatory letters.

Congregate, koŋgrigeit, verzamelen, samenkomen; Congregation = vergadering, (kerkelijke) gemeente, broederschap; Congregational = een gemeente der Independenten betreffend; Congregationalism = kerkel. zelf bestuur of leer der Independenten; Congregationalist = lid dier gemeenten.

Congress, koŋgres, vergadering, congres; Congress-man = lid van het congres (Amer.); Congressional, Congres - -.

Congreve, koŋgrîv: Congreve impression = Congrevische druk; Congreve match = lucifer; Congreve rocket = Congrevische vuurpijl.

Congruence, koŋgruens, Congruency, koŋgruensi, Congruity, k’ŋgrûiti, overeenstemming, gepastheid, congruentie; Congruent (with), Congruous (to, with) = overeenstemmend, samenpassend.

Conic, konik, kegelvormig, kegel - -; subst. kegelsnede = Conic-section = kegelsnede; Conics = leer van de kegelsneden; Conical = Conic (adj.); subst. Conicalness = kegelvorm.

Conifer, kounifə = conifeer (den, etc.); Coniferous = kegelvormige vrucht dragend: Coniferous tree = Conifer.

Conjectural, k’ndžektšurəl, vermoedelijk; Conjecture, k’ndžektšə, subst. gissing, onderstelling, conjectuur; Conjecture verb. gissen.

Conjee, kondžî, rijstwater.

Conjoin, k’ndžôin, samenvoegen, (zich) vereenigen: This, conjoined with his silence = in verband met zijn stilzwijgen; Conjoint = vereenigd, mede - -; subst. Conjointness.

Conjugal, kondžug’l, echtelijk; Conjugal knot = huwelijksband.

Conjugate, kondžugit, subst. woord van denzelfden oorsprong als een ander; adj. in paren vereenigd; Conjugate verb. (kondžugeit), vervoegen; Conjugation = verbinding, vervoeging; adj. Conjugational: Conjugational system.

Conjunct, k’ndžɐŋkt, vereenigd, verbonden; Conjunction = vereeniging, verbond, voegwoord, conjunctie; Conjunctive = subst. aanvoegende wijs; adj. nauw verbonden, vereenigd, verbindings ...; Conjunctly = vereenigd, gezamenlijk; Conjuncture, k’ndžɐŋktjə, vereeniging, samenloop (van omstandigheden), crisis: Conjunction (Conjuncture) of circumstances.

Conjuration, kondžureiš’n, bezwering, tooverformule.

Conjure, k’ndžûə, bezweren, verzekeren, onder eede bevestigen.

Conjure, kɐndžə, tooveren, heksen, betooveren: To conjure up = bezweren, oproepen; You are no conjurer = gij hebt ook het buskruit niet uitgevonden; I have not got a conjurer’s cap = ik ben (daarin) geen heksenmeester; Conjurer = goochelaar; Conjuring-trick = goocheltoer.

Connate, koneit, kəneit, aangeboren, verwant, samengegroeid.

Connatural, kənatšərəl, nauw verwant, aangeboren (to).

Connaught, konôt.

Connect, kənekt, verbinden, vereenigen, (zich) aansluiten, in verbinding staan: In a connected form = vereenigd, saamgevoegd; Connected by marriage = geparenteerd; To be aristocratically connected = van aristocratische familie zijn; Connecting-rod = drijf-, koppelstang; Connection, kənekš’n, verband, verbinding, (bloed)verwantschap, bloedverwant, connectie, aansluiting (van spoorwegen), vereeniging, aantal klanten of clienten: In this connection = in verband hiermede; I bought a connection in that part of London = ik nam (voor geld) de practijk van een dokter (met diens patienten) over; Connections = handelsbetrekkingen; Connective = verbindingswoord; adj.: Connective tissue = bindweefsel.

Connecticut, kənetikɐt.

Connexion, kənekš’n = Connection.

Connivance, kənaivəns = Connivence = oogluikende toelating; Connive, kənaiv, oogluikend toelaten, opzettelijk door de vingers zien (met at); Conniver = hij, die toelaat.

Connoisseur, konišûə, konisɐ̂, (kunst)kenner; Connoisseurship = Connoisseurschap.

Connotation, konəteiš’n, (bij)beteekenis, kenteeken; Connotative of Connotative, ook beteekenend, bijbeteekenissen hebbend; Connote, kənout, tegelijk beteekenen.

Connubial, kənjûbj’l, huwelijks..., gehuwd: Connubial bliss = huwelijksgeluk; Connubiality = echtelijke staat; Connubialities = echtelijke liefkoozingen.

Conoid, kounôid, conoïde; adj. kegelvormig.

Conquer, koŋkə, veroveren, onderwerpen, overwinnen; Conquerable = overwinnelijk; Conqueror: The Conqueror = Willem de Veroveraar; Conquest, koŋkwəst, verovering, onderwerping, overwinning.

Conrad, konrad; Conrade, konreid.

Consanguineous, konsangwinjəs, verwant in den bloede; Consanguinity = bloedverwantschap.

Conscience, konš’ns, geweten: In conscience = redelijkerwijs; In all conscience = voorzeker; Conscience clause (= Cowper-Temple clause) = bepaling in de Education Act (1870), dat ouders hun kinderen kunnen vrijstellen van het godsdienstonderwijs in de Elementary Schools; Conscience-keeper = iemand die als ons ‘uitwendig’ geweten fungeert; zielverzorger; Conscience money = vrijwillig gezonden bedrag als men te weinig belasting heeft betaald; Conscience-proof = verhard; Conscience-smitten (Conscience-stricken) = gekweld door; Conscientious, konšienšəs, nauwgezet, gewetens - -: subst. Conscientiousness; Conscionable, konšənəb’l, redelijk, billijk; Conscious, konšəs, bewust, gewaar, schuldbewust, zelfbewust: I am not conscious of any guilt = ik ben mij niet bewust van; subst. Consciousness.

Conscript, konskript, subst. iemand, die aangeloot is voor den krijgsdienst; adj. op de dienstrol geplaatst: Conscript fathers = senatoren (van Rome), raadsleden; Conscription = verplichte krijgsdienst.

Consecrate, konsəkrit, adj. geheiligd, gewijd; Consecrate verb. konsəkreit, heiligen, wijden, inwijden, consacreeren; Consecration = wijding, inzegening; Consecrator = inwijder; Consecratory = heiligend, wijdend.

Consecution, konsikjûš’n, opvolging, reeks, gevolgtrekking; Consecutive, k’nsekjutiv, geregeld, opvolgend, volgend; Consecutiveness = ’t op elkaar volgen.

Consensual, k’nsenšuəl, reflex - -; Consensus, k’nsensəs, overeenkomst, -stemming, sympathie.

Consent, k’nsent, subst. overeenstemming, berusting, toestemming; Consent verb. instemmen, berusten, toegeven: Silence gives consent = die zwijgt stemt toe; By (with) one, By common consent = éénstemmig; The age of consent = 14 jar. leeftijd in Engel.; Consentaneity, konsentənîiti, onderlinge overeenkomst; Consentaneous, konsenteinjəs, overeenstemmend, gelijktijdig; subst. Consentaneousness; Consentient, k’nsenšiənt, eenstemmig.

Consequence, konsikwens, gevolg, uitwerking, gewicht: In (By) consequence of = ten gevolge van, dientengevolge; That is of no consequence = van geen belang; He gave a bottle to keep up his consequence = hij schonk eene flesch voor zijn fatsoen; A man of consequence = van invloed; To play consequences = protocollen maken; Consequent = daaruit volgend, consequent; subst. gevolg; Consequential = consequent, gewichtig doende.

Conservancy, k’nsɐ̂v’nsi, behoud, bewaring: Thames Court of Conservancy = College ter bescherming van en toezicht op de visscherij en de scheepvaart op de Theems onder presidium van den Lord Mayor.

Conservation, konsəveiš’n, behoud: Conservation of force, energy = behoud van arbeidsvermogen; Conservatism = conservatisme; Conservative = subst. behoudsman; adj. behoudend, behoedzaam.

Conservatoire, konsɐ̂vətwö, muziekschool.

Conservator, konsəveitə, konsəveitə, bewaarder, conservator; Conservatrix, k’nsɐ̂vətriks.

Conservatory, k’nsɐ̂vətəri, broeikas, serre; muziekacademie (Amer.); adj. conserveerend, conservatief.

Conserve, konsɐ̂v, conserf.

Conserve, k’nsɐ̂v, conserveeren, goed houden; Conserver = inmaker.

Consider, k’nsidə, overwegen, beschouwen, waarnemen, bedenken, beloonen: Consider the end = let op; He put on his considering-cap = hij begon te overleggen; Considerable = aanzienlijk, gewichtig; subst. Considerableness; Considerate = attent, zorgvuldig, kiesch, omzichtig; subst. Considerateness; Consideration, k’nsidəreiš’n, overweging, aanzien, onderscheiding, achting, beweeggrond, invloed, vergoeding, premie, valuta, welwillendheid: He sold the picture for a consideration = voor iets meer dan den kostenden prijs; In consideration of = ter vergoeding van, met het oog op; Out of consideration for your interests = met het oog op; That is a consideration to me = een heele som voor mij; He extended his consideration to me = behandelde mij met consideratie; To take into consideration = in aanmerking nemen; Considerative = beschouwend, peinzend; Considering = in aanmerking nemende, lettende op, wat betreft.

Consign, k’nsain, overdragen, toevertrouwen, overmaken, consigneeren, toewijzen, onderwerpen: Consigned to happiness, to fetters = gewijd aan, verwezen tot; Consignation, konsigneiš’n, endossement, deponeering, consignatie; Consignee, konsainî, factor; geconsigneerde, geadresseerde; Consigner, k’nsainə, consigneerder, vervrachter = Consignor, k’nsainə, konsinô; Consignment, k’nsainm’nt, consignatie; geconsigneerde artikelen.

Consist, k’nsist, bestaan, voortbestaan, bestaanbaar zijn met: Happiness consists in contentment = het geluk is gegrond in de tevredenheid; What does it consist of? = waaruit bestaat het? Such things cannot consist together = zijn niet met elkander bestaanbaar; Consistence = samenstelling, dichtheid; Consistency = overeenstemming, volharding, consequentie: His idol was consistency = consequentie; Consistent, adj. vast, consequent, zich-gelijk-blijvend.

Consistory, konsistəri, kənsistəri, vergadering, consistorie, kerkeraad.

Consolable, k’nsouləb’l, troostbaar; Consolate = To console; Consolation = troost; Consolatory = troostend, troost...

Console, k’nsoul, troosten, bemoedigen, tot berusting aansporen: I hope she will be consoled = dat zij zich zal schikken in haar lot; Consoler = trooster.

Console, konsoul, console; Console-table = consoletafeltje.

Consolidate, k’nsolideit, tot eene vaste en krachtige massa vereenigen, samentrekken, consolideeren; Consolidated fund = de gezamenlijke staatsinkomsten van Engeland en Ierland; Consolidated Stocks = Consols = werkelijke schuld; Consolidation = verdichten, vast worden, combinatie.

Consols, kənsolz, konsolz, Engelsche staatspapieren (Werkelijke Schuld).

Consonance, Consonancy, konsən’ns(i), overeenstemming, harmonie; Consonant = subst. medeklinker; adj. gelijkluidend; overeenstemmend; Consonantal = medeklinker...

Consort, konsöt, gemaal, makker: Prince Consort = Prins Gemaal.

Consort, k’nsöt, omgaan met (with), overeenstemmen, passen bij, vergezellen, escorteeren.

Conspectus, kənspektəs, overzicht, synopsis.

Conspicuous, k’nspikjuəs, duidelijk zichtbaar, buitengewoon, opzichtig: To be conspicuous by one’s absence = schitteren door afwezigheid; He made (rendered) himself conspicuous = maakte, dat de aandacht op hem viel; subst. Conspicuousness.

Conspiracy, k’nspirəsi, samenzwering, complot; Conspirator, k’nspirətə, samenzweerder; Conspire, k’nspaiə, samenzweren, beramen.

Constable, kɐnstəb’l, konstabel, slotvoogd, connetable: County constable = veldwachter; He has been outrunning the constable = heeft te groot geleefd; Constableship = ambt van - -; Constabulary, k’nstabjuləri, subst. de gezamenlijke konstabels, de geheele politiemacht; adj. politie - -: Constablary force.

Constance, konst’ns, Constanz; Constantia.

Constancy, konst’nsi, standvastigheid, volharding, trouw; Constant = onveranderlijk, voortdurend, standvastig, trouw.

Constantia, k’nstanšiə, soort wijn; Constantine, konst’ntain, konst’ntain, Constantijn; Constantinople, k’nstantinoup’l, Constantinopel; Constantinopolitan, adj. en subst.

Constellate, konstəleit, kənsteleit: The constellated sky = de met sterren bezaaide lucht; To be constellated = door zijn geboortester voorbestemd tot; Constellation = gesternte, sterrenbeeld.

Consternate, konstəneit, doen ontstellen; Consternation, konstəneiš’n, ontsteltenis.

Constipate, konstipeit, verstoppen; Constipation = hardlijvigheid.

Constituency, k’nstitjuənsi, de gezamenlijke kiezers; Constituent, subst. wezenlijk bestanddeel, lastgever, afgever, kiezer; adj. vormend, samenstellend, hoofd.., grond.., kies..: Constituent body = kieslichaam; Constitute, konstitjût, samenstellen, vormen, uitmaken, machtigen, benoemen: The constituted authorities = gestelde, wettige machten; We constituted ourselves the champion of the coloured races = wij wierpen ons op als; Constitution = inrichting, samenstelling, aanstelling, ziels- of lichaamsgesteldheid, regeeringsvorm, grondwet, staatsregeling; Constitutional = lichaams - -, geestes - -, gemoeds - -; constitutioneel; subst. wandeling: Constitutional government = grondwettelijke regeering; He went for a constitutional every day = maakte eene wandeling voor de gezondheid; Constitutive = Constituent: Constituent power = wetgevende macht.

Constrain, k’nstrein, dwingen, weerhouden, bedwingen, noodzaken, binden; Constrainable = bedwingbaar; Constrained = gedwongen: Constrained demeanour = gedwongen houding; Constraint = dwang, beperking, verlegenheid.

Constrict, k’nstrikt, samentrekken, samenkrimpen; subst. Constriction; Constrictor = sluitspier: Boa constrictor = reuzenslang.

Constringent, k’nstrinžənt, samentrekkend.

Construct, k’nstrɐkt, bouwen, opbouwen, vormen, plaatsen, construeeren, verklaren; Construction = samenstelling, maaksel, bouw, inrichting, uitlegging, constructie: What construction shall I put upon your words? = welke uitlegging moet ik - - -? The building was in course of construction = in aanbouw; Constructive = vormend, opbouwend; afgeleid, aangenomen: Constructive contempt (trust) = aangenomen smaad (vertrouwen); Constructor = bouwer, maker.

Construe, k’nstrû, konstrû, verklaren, uitleggen, vertalen, prepareeren.

Consuetudinal, konswitjûdin’l, Consuetudinary, konswitjûdinəri, door de gewoonte geijkt.

Consul, kons’l, consul; Consular, konšulə, consulair; Consulate = consulaat = Consulship.

Consult, k’nsɐlt, raadplegen, beraadslagen, letten op, overleggen: They consulted together = staken de hoofden bij elkaar; Consultation = beraadslaging, consult: Writ of Consult = verwijzing weer naar het eerste gerechtshof; Consultative = raadplegend; Consulting-room = spreekkamer (van een dokter).

Consumable, k’nsiuməb’l, verteerbaar, verbruikbaar; Consume, k’nsiûm, vernietigen, uitroeien, verteren, uitteren, gebruiken, afzetten: Consumedly = kolossaal, verduiveld; Consumer = verbruiker, afnemer.

Consummate, k’nsɐmit, adj. volkomen, volmaakt: Consummate verb. kənsɐmeit, konsəmeit, voltooien, afmaken: Consummate scoundrel = doortrapte schurk; Consummation = voltooiing, vervulling, dood; huwelijksgemeenschap.

Consumption, k’nsɐmš’n, uittering, vertering, verbruik, tering; consumptie: To be (go) in (into) a consumption = de tering hebben (krijgen); Far gone in consumption; Consumptive, teringachtig, tering - -; teringlijder.

Contact, kontakt, aanraking, voeling, contact, vereeniging: To come in contact with the law; Angle of contact = hoek, gevormd door een kromme lijn en de tangens daarvan; Point of contact = raakpunt.

Contagion, k’nteiž’n, besmetting, pest, smetstof, gif; Contagious = besmettelijk, giftig: The Contagious Diseases Acts = Wetten op Besmettelijke Ziekten; subst. Contagiousness; Contagium = smetstof.

Contain, k’ntein, bevatten, omvatten, insluiten, bedwingen, (zich) goed houden: We contained the enemy until nightfall; I could not contain my laughter = inhouden, bedwingen; Containable = te bevatten; Container = vat, bak.

Contaminate, k’ntaminit, adj. bevlekt, besmet, bedorven: Contaminate verb. k’ntamineit, bevlekken, besmetten, bezoedelen, bederven: Contaminated fish; Contamination = besmetting, bederf; Contaminative = besmettend.

Contango, k’ntaŋgou, opgeld, betaald om de betaling der gekochte stukken tot over 14 dagen (Settlement-day) te mogen uitstellen (het tegengestelde van Backwardation); Contango-day = afrekeningsdag.

Contemn, k’ntem, verachten, geringschatten.

Contemplate, kont’mpleit, k’ntempleit, beschouwen, overpeinzen, van plan zijn, op het oog hebben, ernstig denken over; Contemplation = beschouwing, nadenken, droomerij: This is in contemplation = overweging; Contemplative = nadenkend, beschouwend, speculatief; subst. Contemplativeness; Contemplator, Contemplator = denker, etc.

Contemporaneous, kəntempəreinjəs, gelijktijdig; subst. Contemporaneousness; Contemporary (with), k’ntemp’rəri, gelijktijdig; subst. tijdgenoot, persoon (blad, tijdschrift) van denzelfden (leef)tijd.

Contempt, k’ntemt, verachting, geringschatting: Contempt of Court = beleediging van het (gerechts)hof; In contempt of = in weerwil van; To hold in contempt = verachten; Contemptible = verachtelijk, nietig; subst. Contemptibleness; Contemptuous, k’ntemtjuəs, smalend, onbeschaamd; subst. Contemptuousness.

Contend, k’ntend, betwisten, betoogen, beweren, strijden, worstelen, streven (met for); Contending = tegenstrijdig.

Content, k’ntent, subst. voldaanheid, berusting; Content verb. tevreden stellen; adj. tevreden, voldaan; vóór (stemmer in het House of Lords): To one’s heart’s content = naar hartelust; I am content = ik stem het toe, ben er voor; Not content = (ik stem) tegen; To content oneself = zich vergenoegen; Contented(ness) = tevreden(heid) = Contentment: Contentment is above riches = tevredenheid gaat boven rijkdommen.

Content, k’ntent, kontent, inhoud: Table of contents = inhoudsopgave; Content bill = inhoudsopgave van sommige couranten.

Contention, k’ntenš’n, strijd, twist, naijver, argument, bewering: My contention is, that.... = ik beweer, durf volhouden, dat....; Contentious, twistziek; subst. Contentiousness.

Conterminous, k’ntɐ̂minɐs, dezelfde grenzen hebbend, aangrenzend.

Contest, kontest, strijd, twist, geschil.

Contest, k’ntest, betwisten, strijden om, worstelen, wedijveren: Contested election = verkiezing, waarbij meer dan één candidaat voor ééne plaats is; To contest a borough = als candidaat optreden voor; Contestable = bestrijdbaar, strijdig; Contestant = mededinger.

Context, kontekst, samenhang; Contesture, k’ntekstjə, samenweefsel, samenstelling, samenhang, bouw.

Contiguity, kontigjûiti, samenhang, nabijheid; Contiguous, k’ntigjuəs, aangrenzend, nabij (met to).

Continence, kontinens, Continency, kontinensi, matigheid, zelfbeheersching, maat, kuischheid.

Continent, kontinent, subst. vastland, Europa (behalve Engeland), stoffelijk omhulsel, aarden vat; adj. kuisch, matig, onafgebroken, bevattend; Continental = continentaal; subst. bewoner van het Continent: The Continental Powers = de Europeesche mogendheden (behalve Engeland); The Continental system, van Napoleon I; Continentalize = zich naar vastelandsgewoonten schikken.

Contingency, k’ntinž’nsi, gebeurtelijkheid, toevallige gebeurtenis: In a certain contingency = onder bepaalde omstandigheden; Contingencies = onvoorziene uitgaven: Contingencies of war = krijgskans; Contingent, k’ntinž’nt, subst. toevallige gebeurtenis, aandeel, contingent; adj. voorwaardelijk, toevallig, mogelijk, eventueel: My promise is contingent on your going away = ik beloof het onder voorwaarde, dat gij weggaat.

Continual, k’ntinjuəl, voortdurend, onophoudelijk, herhaald, voortgezet: Continual fever = aanhoudende koorts; subst. Continualness; Continuance = onafgebroken opeenvolging, volharding, verloop, verblijf: For a continuence = op den duur; In continuence of time = in verloop van tijd; Continuation, k’ntinjueiš’n, voortduring, voortzetting, vervolg, prolongatie: Continuation day = beursdag, waarop de interest verrekend wordt; Continuation-schools = M. U. L. O. scholen; Continuations = broek; Continuative = uitdrukking die, of koppelwoord, dat voortduur uitdrukt.

Continue, k’ntinjû, voortduren, voortzetten, blijven, duren, vertoeven: The weather continued fair for several days = het weer hield zich verscheidene dagen goed (bleef droog); To be continued = wordt vervolgd; Continued in our next = voortzetting in ’t volgend nommer; Continued fever = hardnekkige.

Continuity, kontinjûiti, samenhang, onafgebroken verband, continuiteit; Continuous: Continuious rains = onophoudelijke regens.

Contort, k’ntöt, adj. ineengedraaid; Contort verb. wringen, draaien; Contortion, k’ntöš’n, verdraaiing, verminking (vooral der ledematen); verrekking: To make contortions = zich in alle bochten wringen; Contortionist = slangenmensch; woordverdraaier.

Contour, k’ntûə, kontûə, subst. omtrek, buitenlinie; Contour verb. een omtrek of schets maken.

Contra, kontra, contra: Per contra = in tegenvordering; Contraband, kontrəband, subst. smokkelhandel, verbod, smokkelgoederen (= Contraband-goods); adj. (wettig) verboden: Contraband trade; Contraband of war; Contrabandist, kontrəbandist = smokkelaar.

Contract, kontrakt, contract, verdrag, acte, overeenkomst; huwelijk; huwelijksacte, aanneming (v. bouwwerken, etc.): Contract-work = aangenomen werk.

Contract, k’ntrakt, samentrekken, verkorten, inkrimpen, verloven, zich op den hals halen, aangaan, maken, oploopen, aannemen: To contract friendship = vriendschap aangaan; Contractibility = inkrimpbaarheid, samentrekbaarheid; adj. Contractible, Contractile; Contracting parties = contracteerende partijen; Contracting price = leveringsprijs; Contraction = samentrekking, afkorting, oploopen, aangaan van; Contractor = aannemer, leverancier, sluitspier; Contractor-built houses = bij aanneming gebouwde.

Contra-dance, kontradâns, quadrille.

Contradict, kontradikt, tegenspreken, ontkennen, weerspreken; Contradiction = tegenstrijdigheid: That is a contradiction in terms = tegenstrijdigheid in woorden; Contradictious = tegenstrijdig, twistziek; subst. Contradictiousness; Contradictoriness = tegenstrijdigheid; Contradictory = tegenstrijdig, onbestaanbaar met elkander (of one another).

Contradistinction, kontradistiŋkš’n, tegenstelling: In contradistinction to (from) = in tegenstelling met; Contradistinctive = tegengesteld; Contradistinguish = door tegenstellingen onderscheiden.

Contralto, kəntraltou, tweede alt.

Contrapuntal, kontrapɐnt’l; Contrapuntist. Zie Counterpoint.

Contrariety, kontrəraiiti, tegenstrijdigheid, moeielijkheid = Contrariness = weerspannigheid; adj. Contrarious; Contrary, kontrəri, subst. tegendeel, tegenstelling; adj. tegengesteld, weersprekend, strijdig, vijandig, weerspannig, knorrig: On the contrary = integendeel; To the contrary = niettegenstaande: He will come, all rumours about his health to the contrary; Unless I hear to the contrary = tegenbericht krijg; Contrary to equity = in strijd met de billijkheid; Contrary wind = tegenwind.

Contrast, kontrast, tegenstelling.

Contrast, k’ntrast, tegenover elkander staan of stellen (met with), afsteken bij.

Contra-tenor, kontratenö, tweede tenor.

Contravallation, kontravəleiš’n, door belegeraars opgeworpen reeks van borstweringen.

Contravene, kontravîn, in tegenspraak zijn, tegenwerken, overtreden; Contravener = overtreder; Contravention = tegenwerking, overtreding: He did it in contravention of that rule = vlak tegen dien regel in.

Contributable, k’ntribjutəb’l, bij te dragen; Contribute, k’ntribjût, bijdragen (voor een gemeenschappelijk doel), bevorderen, medewerken; Contribution = bijdrage, brandschatting, belasting (Contribution-bag = kerkezakje); To levy a contribution on = brandschatten; Contributive = bijdragend, bevorderend; Contributor = bijdrager, medewerker, bevorderaar; Contributory = bijdragend: Contributory river = zijrivier; subst. = Contributor.

Contrite, kontrait, berouwvol, boetvaardig; Contrition, k’ntriš’n, diep berouw, droefheid.

Contrivance, k’ntraiv’ns, plan, uitvinding, middel, list; zuinig overleg; Contrive, k’ntraiv, beramen, maken, bedenken, het aanleggen, overlèggen; Contriver = beramer, etc.

Control, k’ntroul, subst. beperking, bestuur, controle, invloed, macht; Control verb. controleeren, in bedwang houden, invloed oefenen: He cannot control himself = zich niet beheerschen; Controllable = te controleeren; Controller = controleur, stroomregelaar; Controlment = Control.

Controversial, kontrəvɐ̂š’l, strijd ..., polemisch; Controversialist = polemicus; Controversy, kontrəvɐ̂si, dispuut, geschil, strijdpunt; Controvert, kontrəvɐ̂t, betwisten, weerleggen; Controvertible = weerlegbaar.

Contumacious, kontjumeišəs, weerspannig, weerbarstig, zich verzettend, niet verschijnend; subst. Contumaciousness; Contumacy, kontjuməsi, (opzettelijke) weerbarstigheid, niet verschijnen; Contumelious = honend, verachtelijk, aanmatigend; Contumely = smaad, hoon.

Contuse, k’ntjûz, kneuzen; subst. Contusion; adj. Contusive.

Conundrum, kənɐndr’m, woordraadsel.

Convalesce, konvəles, beter worden; Convalescence = herstel, genezing; Convalescent = genezend, herstellings - -: Convalescent hospital = hospitaal voor herstellende zieken.

Convallaria, konvəlêrjə de plantensoort, waartoe het lelietje van dalen behoort.

Convection, k’nvekš’n, voortplanting; Convective = voortplantings - -.

Convene, k’nvîn, samenkomen, samenroepen, oproepen; convenieeren (Amer.); Convener = die oproept, etc.

Convenience(-cy), k’nvînj’ns(i), geschiktheid, gepastheid, gemak, gelegen tijd of plaats, wagen, stoel: Do it at your (earliest) convenience = zoo(dra) het u voegt; Consult your own convenience = regel het zooals het u best past; To meet the convenience of = zich regelen naar; Convenient = geschikt, gemakkelijk (gelegen, te vinden): I will make it convenient = zal het schikken, dat....

Convent, konv’nt, (nonnen)klooster.

Conventicle, k’nventik’l, subst. conventikel, geheime godsdienstoefening, bidstond of bedehuis (van afvalligen of uitgestootenen eener kerk); Conventicle verb. behooren tot (bezoeken van) conv.; Conventicler = bezoeker van een conventicle.

Convention, k’nvenš’n, samenkomst, vereeniging, (voorloopig) verdrag van oorlogvoerende partijen, verbond, afspraak, overeenkomst; Conventional, Conventionary = overeengekomen, afgesproken, stilzwijgend gewettigd, gebruikelijk, conventioneel; Conventionalism = conventionalisme, het conventioneele; Conventionalist = aanhanger van het conventioneele; Conventionality = gebruikelijkheid; Conventionalize = convent. voorstellen.

Conventual, k’nventjuəl, klooster - -; subst. kloosterling.

Converge, k’nvɐ̂dž, in één punt samenkomen; Convergence, Convergency = convergentie; Convergent = convergeerend.

Conversant, konvəs’nt, bekend, bedreven in, vertrouwd, gemeenzaam (with).

Conversable, k’nvɐ̂səb’l, gezellig, onderhoudend; Conversation, konvəseiš’n, verkeer, omgang, gesprek: Criminal conversation = echtbreuk; We entered into conversation = wij raakten in gesprek; He joined in the conversation = hij sprak een woordje mee; Conversational = het gesprek betreffend, in gesprekvorm: Conversational powers = spraakzaamheid; Conversationalism: That is a conversationalism = familiare uitdrukking; Conversationalist = Converser.

Conversazione, konvəsatšouni, bijeenkomst ter bespreking van een letterkundig of wetenschappelijk onderwerp.

Converse, k’nvɐ̂s, omgaan (spreken) met, verkeeren; Converser = (onderhoudend) prater.

Converse, konvəs, subst. gesprek, gemeenzame omgang: To hold converse with.

Converse, konvəs, omgekeerd, wederkeerig; subst. omkeering, tegenstelling.

Conversion, k’nvɐ̂š’n, bekeering, verandering, omkeering, conversie, toeëigening; Conversionist = bekeerling: A conversionist sermon = preek van een bekeerling (waarin hij zijne redding vertelt).

Convert, konvət, bekeerde, geredde; leekenbroeder.

Convert, k’nvɐ̂t, veranderen, bekeeren, redden, omzetten in, converteeren, omkeeren, zich veranderen, aanwenden, in eigen gebruik nemen, doen overgaan: He converted his property into money, which he converted to his own use = te gelde maken... aanwenden; Converted India-rubber = gezwavelde; Convertibility = veranderbaarheid, etc.; Convertible = veranderbaar, enz.: Convertible terms = gelijkwaardige uitdrukkingen.

Convex, konveks, subst. en adj. convex; Convexity = convexe vorm; Convexo: Convex-concave = convex-concaaf; Convex-convex = bol aan beide zijden; Convex-plane = plan-convex.

Convey, k’nvei, vervoeren, verschepen (= Convey by water), overdragen, overbrengen, mededeelen; de gedachte wekken: My words do not mean to convey this; Conveyable = overdraagbaar; Conveyance = vervoer, vervoermiddel, rijtuig, overdracht, voortplanting: Letter of Conveyance = akte van overdracht; Conveyancer = Conveyancing-council = een ambtenaar, die akten v. overdracht maakt; Conveyancing-law = recht op de overdracht van eigendom; Conveyer = overbrenger.

Convict, konvikt, veroordeelde, galeiboef; Convict-colony = Convict-establishment = strafkolonie; Convict-ship = transportschip van gestraften.

Convict, k’nvikt, adj. schuldig bevonden; Convict verb. schuldig bevinden, veroordeelen; bewijzen, de onjuistheid aantoonen; Conviction = schuldigbevinding, overtuiging, vast geloof; Convictive = overtuigend.

Convince, k’nvins, overtuigen; Convincible = te overtuigen; Convincing proof = doorslaand.

Convive, konvaiv, tafelgenoot; Convive verb. kənvaiv, feestvieren; Convivial, k’nvivj’l, feestelijk, vroolijk, gezellig; Conviviality = feestelijkheid, enz.

Convocate, konvəkeit, bijeenroepen; Convocation = bijeenroeping, vergadering; synode van de 2 kerkelijke provinces (Canterbury en York) waarin Engeland verdeeld is; vergadering der gegradueerden eener universiteit.

Convoke, k’nvouk, samenroepen, oproepen, samenkomen.

Convolute, konvəl(j)ût, Convoluted, konvel(j)ûtid, ineengerold; Convolution = omdraaiing, ineenwikkeling; Convolvulus, k’nvolvjulɐs, winde.

Convoy, konvôi, konvooi, escorte: Convoy of prisoners = transport gevangenen.

Convoy, kənvôi, convoyeeren.

Convulse, k’nvɐls, krampachtig samentrekken, schokken, schudden, hevig ontroeren: To be convulsed with laughter = zich een stuip lachen; Convulsion = kramp, hevige ontroering, stuip; Convulsionary = krampachtig = Convulsive: Convulsive motion = stuiptrekkende beweging.

Con(e)y, kouni, kɐni, konijn; Con(e)y-burrow = konijnenhol; Con(e)y-wool = konijnenbont.

Conybeare, kɐnibêə.

Conyza, kənaizə, vlooienkruid.

Coo, kû, kirren, vrijen: They were billing and cooing together = zij zaten te vrijen.

Cooee (Cooey), kûi, signaal der Austral. boschbewoners; ook verb.

Cook, kuk, subst. keukenmeid, kok; Cook verb. koken, bereiden, een geflatteerde balans maken, vervalschen: Too many cooks spoil the broth = te veel koks bederven de brij; To cook a person’s goose = iemand geducht beetnemen; To cook up = opwarmen; Cook-shop = gaarkeuken; Cookery-book; School of cookery; Cooking-box = hooikist; Cooking-range (-stove) = fornuis.

Cookie, kuki, koekje; (Am.).

Cooky, kuki, iemand die met Cook (den Engelschen Lissone) reist.

Cool, kûl, subst. koelheid, frischheid; adj. koel, frisch, kalm, onhartstochtelijk, onverschillig, onbeschaamd, brutaal: Cool verb. afkoelen, bekoelen, koelen, koel (kalm) worden (down): Cool as a cucumber = zoo brutaal mogelijk; bij zijn neus langs; I call it cool = onbeschaamd; It cost me a cool hundred = honderd guldentjes; Cool your brain = kalmeer je wat; He cooled his heels = hij moest lang buiten wachten; Cooler = koeldrank, koelvat, koelkan: Butter cooler; Cool-headed = onhartstochtelijk, zichzelf meester; subst. Cool-headedness = bezonnenheid; Coolish = wat koel (koud); Coolness = koelheid, kalmte, koudbloedigheid, onbeschaamdheid; Coolth = het koel zijn.

Coolie, kûli, koelie.

Coom, kûm, dik wagensmeer, roet, zaagmeel, stof, vuil.

Coomb, kûm, maat van vier bushels (± 141 L.); ook: Comb, koum.

Coon, kûn, verkorte vorm van Racoon, waschbeer: You are a gone coon = je bent erbij, voor de poes (Am.); Old coon = slimmerd.

Coop, kûp, subst. kippenhok, konijnenhok, kuip.

Cooper, kûpə, subst. kuiper; mengsel van half stout en half porter; Cooper verb. kuipen; bederven, vervalschen; begrijpen (Am.): Coopered up = opgeknapt; Cooperage, kûpəridž, kuiperswerk, kuiperij, kuipersloon = Coopery.

Co-operant, kou-opər’nt, medewerkend; meewerkende oorzaak; Co-operate, kouopəreit, samen-, medewerken; Co-operation = samenwerking, medewerking; Co-operative: Co-operative Society = Vereeniging Eigen Hulp; Co-operative Stores = winkel v. E. H.; Co-operator = medewerker.

Co-ordinate, kouödinit, adj. van dezelfde orde of macht; subst. coördinaat; Co-ordinate verb. (kouödineit), doen coördineeren, samenvatten, in overeenstemming brengen; Co-ordination = coördinatie.

Coot, kût, meerkoet.

Cop, kop, pakken, gappen, stelen.

Copaiba, kəpeibə = Balsam of Copaiba.

Copal, koup’l, copal.

Copartner, koupâtnə, deelhebber, compagnon; Copartnership = compagnieschap.

Cope, koup, koorhemd, kap; (blader)dak, uitspansel (= Cope of heaven); Cope verb. met een mantel (dak, koepel) bedekken; een kapgewelf vormen; bestrijden, tegemoet treden; handel drijven; wedijveren, meedoen: To Cope with = voldoen aan; This copes best with women = daarmee komt men bij vrouwen het verst; The doctors could not cope with all the wounded = konden al de gewonden niet helpen.

Copenhagen, koup’nheig’n.

Coper, koupə, vaartuig, dat aan de visschers op de Noordzee jenever, etc. verkoopt.

Copernican, kəpɐ̂nik’n, van Copernicus.

Copestone, koupstoun, sluit-, hoek-, of deksteen.

Cophetua, kəfetjuə.

Copier, kopjə, copiïst, naäper, copieermachine.

Coping, koupiŋ, muurkap: Coping-stone = Copestone.

Copious, koupjəs, overvloedig, volledig, wijdloopig, vrijgevig; subst. Copiousness.

Copper, kopə, subst. rood koper, ketel, koperen munt; klabak, smeris; adj. van koper; Copper verb. met koperen platen bedekken; Coppered = Copper-bottomed = gekoperd; Copper-beech = bruine beuk; Copper-head = vergiftige slang (Am.); heimelijke vijand; scheldnaam (in den Am. vrijheidsoorlog) voor een Noord-Amerikaan, die het met de Zuidelijken hield (Copper-headism); Copperish = koperachtig; Copper-plate = koperplaat, kopergravure; Copper-smith; Copper-wire; Copper-worm = paalworm; Coppery = koperachtig, koper - -; naar koper smakend.

Copperas, kopərəs, koperrood.

Coppice, kopis, onderhout, kreupelboschje.

Coprolite, koprəlait = Coprolith, coprolieten, dreksteen.

Copse, kops, onderhout wegsnoeien, of aanplanten; subst. = Coppice; Copsy = met struikgewas begroeid.

Copt, kopt, Kopt; Coptic, subst. en adj. Koptisch(e taal).

Copula, kopjulə, koppelwoord; Copulate, verb. paren; copuleeren; Copulation, verbinding, paring; Copulative, adj. verbindend, parings - - - -; subst. copula, verbindingswoord.

Copy, kopi, subst. afschrift, manuscript, exemplaar, kopie, model; Copy verb. afschrijven, nabootsen: Foul copy = concept, ontwerp; That’s copy = dat is een bekende zaak; He made copy out of it = maakte er gebruik van voor krant of tijdschrift; He set us copies = hij schreef ons een regel voor om na te schrijven; To take copy of = tot voorbeeld nemen; To copy fair, To copy out = in ’t net schrijven (To write out a fair copy); To copy from nature; Copy-book = schrijfboek (voor schoonschrift), copieboek; Copyhold, kopihould, een soort erfpacht (Het erfpachtsrecht van den Holder of a Copyhold Estate bestaat in een copy van de inschrijving daarvan in the Court Rolls van de Manor waarvan elke copyhold steeds een deel uitmaakt. Voldoet de holder slechts aan zekere Customs of the Manor, dan staat zijn bezit even vast als dat van eenig landeigenaar); Copying-ink (Copy-paper, Copy-press) = copieerinkt, etc.; Copyist = Copier; Copyright = copierecht: The paper was duly copyrighted = het recht op den inhoud van het blad (of artikel) was (werd) volgens de wet verzekerd.

Coquet, kəket, coquetteeren; Coquetry, koukətri, kəketri, behaagzucht; Coquette, kəket, behaagziek meisje, coquette; Coquettish = coquet.

Cor, kö = Coroner; Corinthians.

Coracle, korək’l, visschersboot, bestaande uit een houten geraamte met leer of wasdoek overtrokken (Ierl.).

Coral, kor’l, subst. koraal, kinderrammelaar; adj. van koraal, koraalachtig: Coral-beads = koralen halssnoer; Coral-diver; Coral-fishing; Coral island; Coralliferous = koraalbevattend; Coralliform, Coralliform = koraalvormig; Coralline, korəl(a)in, koraal...; subst. koraalmos, koraaldier; Corallite, korəlait, koraliet.

Corb, köb, kolendragers- of mijnwerkersmand, aalmoezenmand.

Corban, köb’n, offerande als gevolg van eene gelofte (bij de Israelieten); de offerande van schapen (bij de Mahomedanen), die onder de armen verdeeld worden.

Corbeil, köb’l, schanskorf.

Corbel, köb’l, subst. draagsteen of draagijzer, nis, kraagsteen van eene Corinthische zuil; Corbel verb. laten steunen op een corbel; Corbel-steps = geveltrapjes, trapgevel; Corbel-table = aan den muur bevestigde, op een corbel rustend uitsteeksel.

Cord, köd, subst. touw, snoer, band, streng, snaar; vadem hout (128 kub. voeten); Cord verb. met een touw binden (ook: Cord up), vamen; Cord-maker = touwslager; Cordwood = vademhout; Cordage = touwwerk.

Cordate(d), ködeit(id), hartvormig.

Cordelia, ködîljə.

Cordelier, ködəlîə.

Cordial, ködj’l, subst. hartsterking, opwekkend middel, likeurtje; adj. hartelijk, hartsterkend, opwekkend; Cordiality = hartelijkheid; Cordiform, ködiföm, hartvormig.

Cordilleras, ködiljêrɐz, ködiləraz, Sierra Nevada, Rotsgebergte; de Andes.

Cordite (powder), ködait, cordiet.

Cordon, köd’n, lint, cordon; rand van een muur: Cordons and decorations = lintjes; Cordon bleu = hoogste onderscheiding; beste kok.

Cordova, ködəvə; Cordovan, ködəv’n, corduaan = Cordova leather.

Corduroy, ködjurôi, ködərôi, geribd katoen, fluweelachtige stof voor broeken (= Corduroys); Corduroy-road = weg van dikke stukken hout door venen of moerassen (Amer.).

Core, kö, hart, binnenste, kern, klokhuis; Core verb. boren (v. appels), inzouten; Corer = appelboor.

Corea, kərîə.

Co-regency, kourîdžənsi, mederegentschap; Co-regent.

Co-religionist, kourilidžənist, geloofsgenoot.

Co-respondent, kourispond’nt, mede-aangeklaagde, medeminnaar of medeplichtige (bij een echtscheidings-proces).

Corf, köf, sleeptrog in mijnen.

Coriaceous, kourieišəs, lederen, taai.

Coriander, kouriandə, koriander.

Corinth, korinth; Corinthian, kərin-thiən, Corinthisch; subst. fat, aristocratisch amateur (tegenover den professional prize-fighter); Coriolanus, kəraiəleinəs, koriəleinəs.

Co-rival, kouraiv’l, medeminnaar, -dinger; Co-rivalship = wedijver; Co-rivalry.

Cork, kök, subst. kurk; Cork verb. kurken, onderdrukken, kniezen, met een kurk zwart maken; Cork-jacket = zwemvest; Cork-oak; Corkscrew = kurketrekker; Corkscrew stairs = wenteltrap; Corkage fee = kurkengeld; To pull the cork out of an entertainment = het spel bederven; To draw a cork = een bloedneus slaan; To smell the cork = drinken; Corked = naar de kurk smakend; Corker = kurker; dooddoener; spelbreker; Corking = kolossaal; Corking-machine = toestel om flesschen te kurken; Corking-pin, groote doekspeld, bakerspeld, naald om insecten op te steken; Corky = kurkachtig, wankel, schichtig, naar de kurk smakend; Corky flavour.

Cormorant, kömər’nt, aalscholver, waterraaf; vraat.

Corn, kön, subst. korrel, koren; maïs (Am.), whisky (Amer.); likdoorn; Corn verb. pekelen, zulten; met graan of haver voederen; tot korrels maken: There is corn in Egypt = er is overvloed; He measures our corn by his own bushel = zooals de waard is, vertrouwt hij zijne gasten; Corn-chandler, köntšandlə, korenhandelaar; Corn-crake = kwartelkoning (spriet); Corn-cutter = maaimachine (Amer.); Corn-exchange = korenbeurs; Corn-floor = (Corn-loft) = korenzolder; Corn-mill; Corn-plaster = likdoornpleister; Corn-poppy = gewone klaproos; Corn-salad = veldsalade; Corn-stalk = korenhalm; Corn-violet, könvaiəlit, onechte kantvrucht; Corn-weevil, könwîv’l, graan- of klanderworm; Corned = gepekeld; aangeschoten; Corning-house = korrelhuis.

Cornac, könək, kornak.

Cornea, könjə, hoornvlies.

Cornel, kön’l, eetbare kornoelje = Cornel-berry, Cornel-cherry.

Cornelia, könîljə.

Cornelian, könîlj’n, cornalijn, corneool.

Cornelius, könîljəs; Cornell, könel.

Corneous, köniəs, hoornachtig.

Corner, könə, subst. hoek, bocht, geheime plaats; kliek, die door opkooping den prijs opjaagt; Corner verb. in een hoek zetten (fig.); den prijs van iets opjagen, eene schaarschte verwekken door opkooping: To drive into a corner = in het nauw brengen; To put (stand) one in the corner = in den hoek zetten; To turn the corner = het hoekje (crisis) te boven zijn; Atween the four corners of the parish = in de geheele; To be at the four corners for = niet weten waar vandaan te halen; To be within the four corners of = behooren tot; The Corner = Tattersall’s bij Hydepark Corner; To corner a person = in ’t nauw brengen; Corner-boy = lanterfanter; (Cornerer =) Corner-man = lid van een corner of kliek; Corner-stone; Corner-wise = met vooruitspringenden hoek.

Cornet, könət, hoorn, cornet, ruiterbende onder bevel van een cornet; doctorssjerp, neepjesmuts, peperhuisje; Cornetcy = rang van cornet.

Cornice, könis, kroonlijst; Cornice-pole = stok (van overgordijnen).

Corniculate, kônikjulit, gehoornd, hoornvormig.

Cornish, köniš, van Cornwallis; subst. bewoner en taal v. C.; Cornish-engine = soort van stoompomp.

Cornucopia, könjukoupjə, hoorn des overvloeds.

Cornute(d), kônjût(id), gehoornd.

Cornwall, könwôl; Cornwallis, könwolis.

Corollary, korələri, kəroləri, gevolgtrekking uit het voorafgaande.

Corona, kərounə, krans, kroontje, kroon (van een kies), kring (vooral om de maan); Coronal = kroon - -, krans - -: Coronal bone = voorhoofdsbeen; Coronal-feathers = kuifveeren; Coronary = kroonvormig, kransachtig: Coronary arteries = de twee uit de groote slagader zich vertakkende hoofdaderen; Coronate(d) = eene kroon, krans, kuif dragend; Coronation = kroning: Coronation-oath = kroningseed.

Coroner, korənə, lijkschouwer: Coroner’s inquest = gerechtelijke lijkschouw.

Coronet, korənət, kroontje, krans; Coroneted = met een kroontje.

Coronule, korənjûl, zaadkroontje.

Corporal, köpər’l, subst. korporaal; adj. lichamelijk, stoffelijk: Corporal punishment = lijfstraf.

Corporal, köpər’l, Corporale, köpəreili, corporale, een met figuren bestikt lijnwaad waarop de hostieschotel en de kelk worden geplaatst.

Corporate, köpərit, tot één lichaam vereenigd: Body corporate = rechtspersoon; Corporation, köpəreiš’n, staatkundig of wetgevend lichaam, gilde, gemeentebestuur; dikke buik (scherts.): Municipal corporation = gemeentebestuur; Corporation-pictures = regentenstukken; Corporation spiritual = bestuur van eene cathedraal; Corporation temporal = bestuur van eene gemeente; Corporator = lid v. eene corporatie.

Corporeal, köpöriəl, lichamelijk, stoffelijk: He is a corporealist = materialist; Corporeality, Corporeity = lichamelijkheid; Corporealize, belichamen.

Corposant, köpəz’nt, St. Elmusvuur.

Corps, kö (Meerv. Corps, köz), legerkorps.

Corpse, köps (Meerv. Corpses, köpsiz), lijk; Corpse-candle, Corpse-light = licht bij lijken; dwaallicht.

Corpulence, köpjulens, Corpulency, zwaarlijvigheid; adj. Corpulent.

Corpus, köpəs, lichaam, corpus: Corpus Christi = Sacramentsdag; Corpus delicti, diliktai; Corpuscle, köpɐs’l, köpɐs’l, lichaampje, atoompje; Corpuscular = tot atomen behoorende.

Corral, kəral, subst. omheining (voor vee; ook ter verdediging); Corral verb. omsluiten, opsluiten.

Correct, kərekt, adj. precies, goed, juist, nauwkeurig; Correct verb. verbeteren, gelijk of op tijd zetten (v. een klok), straffen, verzachten: To be correct = juist zijn, gelijk hebben; Correction, kərekš’n, verbetering, terechtwijzing, tuchtiging: House of Correction = verbeterhuis, gevangenis; Correction of the press = correctie der drukproeven; He observed under correction = merkte bescheiden op; Correctional = straf..., verbeterings...; She stood corrected = daar stond ze, zich van hare schuld bewust; Corrective, kərektiv, verbeterend, verbeterings..., verzachtend; subst. correctief: We will apply a corrective; Correctness = juistheid; Corrector = verbeteraar.

Correlate, korilit, subst. correlatief; subst. correlaat; Correlate verb. korileit, in correlatie staan of brengen; Correlation, correlatie; Correlative = Correlate: Correlative conjunctions, zooals either ... or; These words are correlatives.

Correspond, korəspond, overeenkomen, correspondeeren, aansluiting hebben, bij elkander passen (to): A mutton-chop, with potatoes to correspond = een schapenboutje, met daarbij behoorende aardappelen; That corresponds to this = dat stemt hiermede overeen; I correspond with him = houd briefwisseling; Correspondence = overeenstemming, omgang, briefwisseling: To carry on (keep up) a correspondence with = briefwisseling houden met; Correspondent = subst. correspondent; adj. overeenstemmend.

Corridor, koridö, gang; open galerij om een gebouw; bedekte weg om eene versterking: Corridor-train = D-(harmonica)trein.

Corrie, kori, kloof (Schotl.).

Corrigendum, koridžendəm, verbetering; mv. Corrigenda.

Corrigible, koridžib’l, te verbeteren.

Corroborant, kərobər’nt, subst. en adj. versterkend (middel), bevestigend; Corroborate, kərobəreit, versterken, bevestigen, verzekeren; Corroboration = bevestiging, versterking; Corroborative = versterkend, bevestigend.

Corrode, kəroud, wegvreten, invreten, verteren; Corrodent = invretend (middel); Corrodible, Corrosible = voor invreting vatbaar; Corrosion = wegvreting, uitbijting; Corrosive = subst. en adj. bijtend (middel); subst. Corrosiveness.

Corrugate, korugeit, adj. gerimpeld, gefronst: Corrugate verb. fronsen, samentrekken: Corrugated iron, glass = gegolfd plaatijzer, glas; subst. Corrugation.

Corrupt, kərɐpt adj. bedorven, omkoopbaar, onecht, verknoeid; Corrupt verb. bederven, verontreinigen, omkoopen; Corrupt food; Corrupt tinned meats = bedorven; Corrupt practices = gemeene verkiezingspraktijken; Corrupter = verleider, omkooper; Corruptibility, kərɐptibiliti, bederfbaarheid, omkoopbaarheid; Corruptible = bederfbaar, omkoopbaar; Corruptibleness = Corruptibility; Corruption = bederf, etter, verdorvenheid, vervalsching, omkooperij; Corruptive = bedervend, verleidend; Corruptness = Corruption.

Corsage, kösidž, corsage.

Corsair, kösêə, zeeroover, vrijbuiter(schip).

Corse, kös = Corpse.

Corselet, köslət = Corslet.

Corset, kösət, subst. korset (vaak Corsets).

Corsica, kösikə, Corsican = Corsikaan(sch).

Corslet, köslət, borstharnas; borstschild.

Cortège, kötêž, stoet, gevolg.

Cortes, kötəs, de Cortes.

Cortex, köteks, schors: Cortical, kötik’l, met schors bedekt, schors..; Corticate(d), kötikeit(id), een schors hebbend.

Coruscate, kərɐskeit, korəskeit, flikkeren; Coruscation = schittering, glans.

Corvette, követ, Corvet, kövət, korvet.

Corvus, kövəs, kraai, enterhaak (bij de Romeinen); Corvine = kraai...

Corybant, koribant, priester van Cybele; Corybantic, koribantik, dol, woest.

Corydon, köridən.

Corymb, korimb, tros.

Corypheus, korifiəs, koorleider, coryphee.

Cos, koz, kôz = Because.

Cosey, kouzi = Cosy.

Cosher, košə, vertroetelen, liefkoozen; Cosherer = smulpaap (fig.); Coshering = Iersch gebruik, waarbij de landheer (Cosherer) van zijn pachter voedsel en onderkomen kon eischen voor zich en zijn gevolg.

Cosine, kousain, co-sinus.

Cosmetic, kozmetik, schoonheids..; subst. cosmetiek.

Cosmic(al), kozmik(’l), het heelal betreffend, wereld..., kolossaal.

Cosmogony, kozmogəni, cosmogenie; Cosmographer = cosmograaf; Cosmographic(al); Cosmography = cosmographie; Cosmology = cosmologie.

Cosmopolitan, kozməpolit’n, cosmopolitisch, onbevooroordeeld; subst. cosmopoliet = Cosmopolite, kozmopəlait, wereldburger; Cosmopolitism, cosmopolitisme.

Cosmos, kozmos, het Heelal, etc.

Coss, kos, onbekende grootheid; lengtemaat tusschen 1,6 en 3,2 K.M. (Brit. Ind.): The rule of coss = oude naam voor de algebra.

Cossack, kosək, kozak.

Cosset, kosət, ooilam (ook fig.); Cosset verb. liefkoozen, verwennen.

Cost, kost, subst. prijs, uitgaaf, verlies, boete, nadeel; Cost verb. kosten, te staan komen op: At any cost = tot elken prijs; I have experienced it to my cost = tot mijne schade; The court sentenced him to three months and costs = en in de kosten (van het geding); That cost him his life; Cost-price = inkoopsprijs; Costless = zonder kosten; Costliness = kostbaarheid, pracht; Costly = duur.

Costal, kostəl, nerf.., zij...

Costard, kostəd, groote appel, kop.

Coster(monger), kostə(mɐŋgə), fruitverkooper (langs de straat): A coster ditty = soort café-chantantliedje.

Costive, kostiv, hardlijvig; subst. Costiveness.

Costume, kostjûm, kostjûm, kostuum, kleeding; Costumer, kostjumə, kostjûmə, costumier = Costumier, kostûmiə.

Co-surety, koušûriti, medeborg.

Cosy, kouzi, adj. gezellig, aangenaam (ook: Cozy); subst. theemuts.

Cot, kot, huisje, hut, bootje, schaapskooi; kamerwiegje, hangmat, krib (ook: Cote); Cot (Betty) = janhén; Cotland = akker, tot een cot (arbeiderswoning) behoorende.

Co-temporary, Zie Contemporary.

Cothurn, kəthɐ̂n, kouthɐ̂n, cothurne.

Cotill(i)on, koutiljən, cotillon.

Cotquean, kotkwîn, janhén, manwijf.

Cotswold, kotswould: Cotswold Hills, in Gloucestershire; langharig schapenras.

Cottage, kotidž, hut, villatje, klein buitentje: Cottage-allotments = stukken gronds behoorende bij de woningen van boerenarbeiders; Cottage piano = pianino; Cottager = hutbewoner, eenvoudig landman.

Cotton, kot’n, subst. katoen; Cotton verb. zich nauw aansluiten bij, intiem zijn met, harmonieeren: Cotton-gin = égreneermachine; Cotton-grass = wolgras; Cotton-grower = katoenplanter; Cotton-lord = rijk katoenfabrikant; Cotton-prints = gedrukt katoen; Cotton-wool = ruwe katoen, watten (op wonden): To be in cotton-wool = zich vertroetelen, verwend worden; To cotton to a person or thing = op hebben met; inpakken: I do not cotton to him; Cottonocracy, (polit.) invloed der cotton-lords; Cottonopolis = Manchester (schertsend); Cottonous = donzig, als katoen.

Cotyledon, kotilîd’n, zaadlob; Cotyledonous = van zaadlobben voorzien.

Couch, kautš, subst. rustplaats, canapé; laag, verflaag; leger (ligplaats); Couch verb. (op de knieën) gaan liggen (b.v. als een kameel), gedekt liggen, in hinderlaag liggen, zich buigen, bukken; te bed leggen; uitspreiden, vellen (van eene speer); van den staar lichten: To couch an eye; He couched it in glowing terms = drukte het uit in hartstochtelijke woorden; Couch-grass = hondsgras; Couch-mate = slaapkameraad; A lion couchant = liggende leeuw (heraldiek).

Cougar, kûgâ, poema.

Cough, kof, subst. hoest: That’s a churchyard cough; Cough verb. hoesten, opgeven (= up), door hoesten beletten te spreken (= down); Cough-drop = hoestbonbon.

Could, kud, Imperf. van can.

Coulisse, kûlis, kulîs, coulisse, gleuf (waarin de c. staan), ruimte tusschen de c.

Coulter, koultə, ploegijzer, kouter.

Council, kaunsil, raad, raadsvergadering, concilie: Common council = gemeenteraad; County council = graafschapsraad; Privy Council = Raad van State; geheimraad; Council-board = raadstafel, raad; Councillor = raadslid, raad; Council-man = gemeenteraadslid.

Counsel, kaunsəl, subst. raad, overleg, onderzoek, plan; advocaat, rechtskundige; Counsel verb. raadgeven, aanraden: Good counsel is never out of date = komt altijd gelegen; Don’t tell her; she cannot keep counsel, her own counsel = de zaak niet stil (geheim) houden; He took counsel with his friends = raadpleegde; To take counsel of one’s pillow = zich op iets beslapen; Counsellor = raadsman; Counsellorship = ambt van C.

Count, kaunt, subst. getal, berekening, waarde, schatting; punt van aanklacht, onderdeel van eene beschuldiging; (niet Engelsche) graaf; Count verb. optellen, rekenen, achten, rekenen op: He was beaten on that count = op dat punt verslagen; He keeps no count = telt of controleert niet; I lost the count of the hours = wist van geen uur of tijd meer; You must take no count of it = er geene rekening mee houden, er niet om geven; Without taking it into count = mee te tellen; How many fingers have we got? Five, if you count the thumb in = meetelt; To count out the House = de zitting verdagen wanneer na telling is vastgesteld dat het vereischte aantal leden (40) in ’t Lagerhuis niet aanwezig is (Vergelijk To move a count = zulk eene telling voorstellen); I should count myself a coward = achten, beschouwen als; Count-palatine, Countpalət(a)in, paltsgraaf; titel van den bestuurder van een der in vroegeren tijd met bijzondere privilegiën begiftigde Counties Palatine; Count-wheel = tandrad voor het slagwerk; Countable: It is countable on the fingers of your hands = ge kunt het op uw vingers natellen (fig.); Countess = gravin.

Countenance, kauntən’ns, gelaat, uitzicht, blik, gezicht; gunst, steun, aanmoediging; Countenance verb. steunen, begunstigen: The church gave countenance to the party = steunde; He kept his countenance = beheerschte zich, hield zich goed; He got quite out of countenance = raakte van zijn stuk (in de war, ontmoedigd); That put him out of countenance = deed hem beschaamd staan; To put in countenance = kalmeeren; The authorities countenanced the school-feast = gaven het schoolfeest door hunne tegenwoordigheid zedelijken steun; Countenancer = beschermer, begunstiger.

Counter, kauntə, subst. legpenning, dam-, schaakstuk, fiche (in ’t spel); toonbank, teller; boeg (van een paard), tegenstem, tegenstoot, gat (van een schip), valsch spoor, hielstuk; adj. tegenover; Counter verb. tegenwerken, pareeren: Across the counter = over de toonbank: To sell spirits across the counter = in ’t klein drank verkoopen, over de toonbank een borrel schenken; To go counter = het spoor verliezen; To run counter to = tegenwerken, in strijd zijn met; Counter to the hearth = tegenover den haard; Counter-jumper = elleridder.

Counteract, kaunt’rakt, tegenwerken, verijdelen, verhinderen; Counteraction = tegenwerking, reactie; adj. Counteractive; Counter-agent = wat tegenwerkt.

Counterbalance, kauntəbal’ns, tegenwicht, evenwicht; Counterbalance verb. kauntəbal’ns, opwegen tegen, compenseeren.

Counter-blast, kauntəblâst, tegenwind (stoot); tegenslag.

Counterbond, kauntəbond, revers.

Counterbuff, kauntəbɐf, subst. terugslag; Counterbuff verb. terugslaan, kauntəbɐf.

Counter-cab, kauntə-kab, taxameter.

Countercharge, kauntətšâdž, tegenaanklacht; Countercharge verb. kauntətšâdž, een tegenklacht indienen.

Countercharm, kauntətšâm, ontgoocheling, een tegenovergestelde bekoring; Countercharm verb. kauntətšâm, de uitwerking van een betoovering neutraliseeren, een tegenovergestelde bekoring uitoefenen.

Countercheer, kauntətšiə, subst. tegentoejuiching (gew. meerv.): Countercheer verb. kauntətšîə, de toejuiching der vijandige partij niet tartend gejuich beantwoorden.

Counterdraw, kauntədrô, op elkaar trekken.

Counterfeit, kauntəfit, subst. bedrog, huichelarij, valsch geld, valsche wissel, nadruk; adj. nagebootst, onecht; Counterfeit verb. namaken, huichelen, bedriegen: To counterfeit notes; Counterfeiter = huichelaar, valsche munter.

Counterfoil, kauntəfôil, contraregister, coupon, bagagebriefje.

Counterguard, kauntəgâd, kleine wal vóór een bastion.

Countermand, kauntəmând, subst. tegenbevel, herroeping; Countermand verb. kauntəmând, een tegenbevel geven, herroepen; afcommandeeren, afbestellen, afzeggen.

Countermarch, kauntəmâtš, tegenmarsch, Countermarch verb. kauntəmâtš, terugmarcheeren.

Countermark, k´a´untəmâk, subst. contramerk; Countermark verb. kauntəmâk, merken.

Countermine, kauntəmain, subst. tegenmijn; krijgslist; Countermine verb. kauntəmain, eene tegenmijn aanleggen, heimelijk tegenwerken of verijdelen.

Counterpane, kauntəpein, sprei, doorstikte deken: A patchwork counterpane = lappendeken.

Counterpart, kauntəpât, tegenhanger, duplikaat, tegenstem.

Counterplea, kauntəplî, tegenpleidooi, repliek; Counterplead, kauntəplîd, tegenpleiten, weerspreken.

Counterplot, kauntəplot, tegenlist; Counterplot verb. kauntəplot, eene tegenlist verzinnen of gebruiken.

Counterpoint, kauntəpôint, contrapunt; sprei.

Counterpoise, kauntəpôiz, tegenwicht, evenwicht; Counterpoise verb. kauntəpôiz, in evenwicht houden, opwegen tegen.

Counterpoison, kauntəpôiz’n, tegengif.

Counterscarp, kauntəskâp, contrescarp, tegenwal.

Countersign, kauntesain, subst. wachtwoord, contrasigne, mede-onderteekening; Countersign verb. kauntəsain, medeonderteekenen.

Counter-signal, kauntəsign’l, contrasein; Counter-signature, kauntəsignətjə, mede-onderteekening.

Counterstroke, kauntəstrouk, tegen-, terugslag.

Countervail, kauntəveil, opwegen tegen, compenseeren: Countervailing duties = contrarechten.

Countess, kauntəs, gravin. Zie Count.

Counting-house, kauntiŋhaus (kassiers- of bankiers)kantoor.

Countrified, kɐntrifaid, boersch, landelijk; Countrified verb. Countrify, kɐntrifai; Country, kɐntri, grondgebied, streek, staat, de bewoners daarvan, vaderland, platteland (tegenover stad): So many countries, so many customs = ’s lands wijs, ’s lands eer; No one called him country = boerachtig; To go into the country = naar buiten gaan; The ministry will go to the country = de kamer(s) ontbinden en de kiezers laten beslissen; Country-cousin = nichtje “van buiten”; Country-dance = oude dans, waarbij de heeren en dames in twee rijen tegenover elkander staan; tusschen de rijen worden eenige passen uitgevoerd; Country-gentleman = landedelman; Countryman = landgenoot, landman; (Countrywoman = landgenoote); Country-party = de agrariërs; Country-seat = buitenplaats, landgoed; Country-squire = landjonker; Country-town = vlek.

County, kaunti, graafschap, district: County-borough = plaats van meer dan 50,000 inw.; County corporate = steden wier gebied een county vormden; County-court = graafschapsrechtbank; County-town = de hoofdstad van een county.

Coupé, kûpei, eerste afdeeling van een diligence; coupé.

Couple, kɐp’l, subst. paar, echtpaar, koppel; Couple verb. paren; vereenigen, koppelen: A couple of dozen = een paar dozijn; These horses run in couples = zijn een span; To hunt in couples = met z’n beiden iets doen, b.v. jagen, huizen zien, etc; He coupled-on his engine to the passenger-train = haakte vast.

Couplet, kɐplət, couplet, vers, rijmpaar.

Coupling, kɐpliŋ: Coupling-chains = koppeling; Coupling-pin, verbindings- of kettingbout.

Courage, kɐridž, moed, dapperheid: He took his courage in both hands = raapte zijn moed bijeen, vermande zich; Courageous, kəreidžəs = moedig; subst. Courageousness.

Courier, kuriə, koerier, renbode.

Courland, kûəland, Koerland.

Course, kös, subst. loop, wedloop, loopbaan, stroom, richting, koers, cursus, kuur, onder-razeil, hazenjacht, (ren)baan, reis; wijze van handelen of doen; opeenvolging, reeks, gerecht; Course verb. loopen, rennen, stroomen, vervolgen, jagen met windhonden: In course of construction = in aanbouw; In (the) course of time = met verloop van tijd, mettertijd; In due course = op (behoorlijken) tijd, naar den gewonen gang van zaken; That is a matter of course = spreekt vanzelf; Course of exchange = wisselkoers; I attended his course of lectures = volgde zijn cursus; Right must have course = zijn beloop; To finish one’s course at = den cursus afloopen aan; Take your course = ga je gang; The ship shaped a course for Tahiti = wendde den steven naar; To walk over the course = eene gemakkelijke overwinning behalen; Courses = “zaken” (menstr.); I will course you to the house = ik wil om het hardst met u naar het huis loopen; The tears were coursing down his face = stroomden hem over; Courser = renpaard, oorlogspaard; Coursing, kösiŋ, jacht op hazen met windhonden: Course-match = wedstrijd met windhonden.

Court, köt, subst. hof, hofstoet, paleis, opwachting; plein, gerechtshof, gerechtszitting, rechtbank, slop, hofje; Court verb. streven naar, het hof maken, vleien: To go to court = aan het hof verschijnen; To go into court = gaan procedeeren; To hold a court = receptie (of zitting) houden; He paid his court to her = hij maakte haar het hof; To put out of court = wegens niet verschijnen van de behandeling uitsluiten; buitensluiten; Court of ease = hulphof; To rule out of court = wraken; To court appearances = voor het oog aangenaam zijn; To court death = den dood zoeken; I came to this country, to court forgetfulness of the past = om te trachten, het verledene te vergeten; Court of Common Pleas = vroeger gerechtshof; thans vervangen door de Queen’s Bench Division van het Hooggerechtshof; Court of Session = onderdeel van het Hooggerechtshof (Schotl.); Court-card = heer, vrouw of boer (in het kaartspel); Court-chaplain = hofkapelaan; Court-day = zittingsdag; Court-dress = hofkostuum; Court-fool = hofnar; Court-lady; Court-martial = krijgsraad; Court-plaster = (Engelsche) pleister; Court-yard = binnenplaats, binnenplein; Courteous, kötjəs, kɐ̂tjəs, hoffelijk, beleefd, beschaafd; subst. Courteousness; Courter = hofmaker; Courtesan, kötiz’n, lichtekooi; Courtesy, kɐ̂tisi, kötisi, hoffelijkheid, vriendelijkheid, gunstbetoon: By courtesy = uit hoffelijkheid, niet rechtens; Courtesy title = de titel, door de zonen van adellijken gedragen, vóór ze hun vader in zijn rang opvolgen (Courtesy-lords); Tenure by courtesy = recht op het bezit der goederen van de overleden vrouw tijdens het leven harer kinderen; Courtesy, kɐ̂tsi, subst. buiging (van hoofd en lichaam) door eene dame; Courtesy verb. eene buiging maken (ook Curts(e)y gespeld); Courtier, kötjə, hoveling: Courtierism, kötjerizm, hoofschheid, hoofsche manieren; Courting = hofmaken, vrijerij; Courtliness = hoffelijkheid; adj. Courtly; Courtship = vrijerij.

Courtney, kɐ̂tni; Courtray, kûətrei, Kortrijk.

Cousin, kɐz’n, neef, nicht: Cousin Betty = halfwijze; First cousin = Cousin-german = volle neef of nicht; Cousinship = neefschap, verwantschap.

Coutts, kûts.

Cove, kouv, subst. inham, baai, kreek, hol, gewelf; strook prairie-grond; vent; Cove verb. verwulven; Coving = het vooruitsteken der bovenverdiepingen; adj. overhangend.

Covenant, kɐvən’nt, subst. verdrag, contract, verbond, acte; Covenant verb. zich verbinden, overeenkomen, volgens acte schenken; Covenanted = door een verdrag gebonden; Covenanter = aanhanger van de Partij der Schotsche Presbyterianen (1638).

Covent Garden, kɐvən(t)gâd’n, groente- en fruitmarkt (Londen).

Coventry, kɐv’ntri: To send to Coventry = doodverklaren, ignoreeren.

Cover, kɐvə, subst. bedekking, deksel, scherm, (boek)omslag, foudraal, band (The book is interesting from cover to cover); struikgewas, schuilplaats (The fox broke cover = kwam uit zijne schuilplaats), beschutting; couvert (bord, vork, mes, lepel); Cover verb. bedekken, bemantelen, bekleeden, beschermen, dekken, omhullen, inwikkelen; afleggen, broeden, van gelijke uitgestrektheid zijn, bevatten, mikken op, onder schot nemen, insluiten: That covers everything = sluit alles in; We have covered a mile = eene mijl afgelegd; I knelt down, covered the tiger, and fired = mikte op; The house is covered in = onder dak; The balcony has just been covered in with glass = rondom omsloten; Cover-side = jachtterrein (eig. plaats bij de schuilplaats van wild of vossen); Covering = bedekking, dek, omhulsel, dekmantel, (lijk)wade; Covering-party = bedekking; Coverlet = sprei, soms Coverlid; Covert, kɐvət = subst. schuilplaats, lommerrijke plek, leger (van wild); adj. verborgen, geheim, beschermd: Femme covert = getrouwde vrouw; Covert-coating = een bepaalde stof; Coverture = beschutting, lommerrijke plaats; staat der gehuwde vrouw.

Covet, kɐvət, vurig verlangen, begeeren, hunkeren: Thou shalt not covet = gij zult niet begeeren; Covetous, kɐvətɐs, begeerig, hebzuchtig; subst. Covetousness.

Covey, kavi, broedsel, vlucht (patrijzen), troep: kouvi, ventje.

Cow, kau, subst. koe; Cowbane = waterscheerling, hondspeterselie; Cowberry = roode boschbes; Cow-boy = koejongen, bereden koeherder (Amer.); Cow-bunting = (Amerik.) lijster; Cow-catcher = toestel vóór aan de locomotief om de baan schoon te maken (Amer.); Cow-feeder = koehouder (hoeder); Cow-hide = subst. koehuid, grove rijzweep; Cow-hide verb. afranselen; Cow-house = koestal; Cow-leech = koedokter; Cow-lick = weerbarstige haarlok; spuuglok; Cow-pock = koepok; Cow-pox = koepokken; Cow-shed = koestal; Cowslip = sleutelbloem; Milch cow = melkkoe: To look upon one as a milch cow.

Cow, kau, vrees inboezemen, bang maken.

Coward, kauəd, subst. lafaard; beest met den staart tusschen de pooten (Herald.); adj. lafhartig, verachtelijk; Cowardice = lafhartigheid = Cowardliness; adj. Cowardly.

Cower, kauə, neerhurken (down), ineenkrimpen.

Cowes, kauz, Cowes.

Cowl, kaul, monnikskap, gek op een schoorsteen, kap van ijzerdraad op den schoorsteen van een locomotief; watervat, tusschen twee mannen aan een stok gedragen.

Cowley, kauli.

Cowlstaff, kaulstaf. Zie Colstaff.

Cowper, kûpə, kaupə.

Cowry, kauri, porseleinslak, schelp als ruilmiddel gebruikt.

Cox, koks; Zie Coxswain.

Coxcomb, kokskoum, zotskap, fat, pronker; hanekam (plant); Coxcom(b)ical, kokskomik’l, fatterig, ijdel.

Coxswain, kokswein, koks’n, stuurman.

Coy, kôi, adj. bedeesd, zedig, preutsch; Coy verb. afvleien (from); zich zedig gedragen; subst. Coyness.

Coyote, koujout, prairiewolf.

Coz, kɐs, familiaar voor Cousin.

Cozen, kɐs’n, beetnemen; Cozenage = beetnemerij; Cozener = bedrieger.

Cozy, Zie Cosy.

Crab, krab, subst. krab, kreeft (in den Dierenriem), kaapstander, kraan, gangspil, wilde appel, gemelijk mensch; adj. zuur, gemelijk, norsch; Crab verb. verbitteren, ontstemmen, bederven: He has caught a crab = hij heeft (bij het roeien) een snoek gevangen (fig.); Don’t crab the whole thing now = zeg er eens, bederf het spel nu niet; Crab-louse = platluis; Crabsidle = in zijwaartsche richting voortbewegen; Crab-tree = wilde appelboom; Crabbed = zuur, oneffen, grommig, verward, onleesbaar: Crab manuscripts; subst. Crabedness; Crabber = krabbenvisscher.

Crack, krak, subst. gekraak, spleet, deuk, barst, (donder)slag, stemverandering (van jongen tot man), verbijstering (van het verstand), oogenblikje; kraan, piet; adj. kranig, uitstekend, chic, keur..; Crack verb. barsten, breken, knappen, knetteren, scheuren, diep treffen, verbijsteren, bluffen; doen knallen, breken, vernielen, uitdrinken, opkammen: He got it in a crack = onmiddellijk; There is a crack in your head = je bent niet recht snik; Crack piano; Crack surgeons; The premier is a crack speaker; To crack a crib = inbreken (in een huis); He was not in the habit of cracking jokes = geestigheden te tappen; All the inhabitants cracked up that watering-place (to the skies) = verhieven die badplaats tot in de wolken; Cracked = gemalen, fijngedrukt, gescheurd; gek = Crack-brained; He is a crack-hemp (crack-rope) = hij verdient de galg, hij komt nog wel eens aan de galg; A crack-jaw = niet uit te spreken; Cracksman = inbreker; Cracker = knal, knalbonbon (pistache), voetzoeker, iets buitengewoons, blufferij, groote leugen, biscuitje; Crackey = drommels; Crackle = knetteren; Crackling = zwoerd van gebraden varkensvleesch; Cracknel = krakeling, bros beschuitje.

Cracow, kreikou, Krakau.

Cradle, kreid’l, subst. wieg, bakermat, kindsheid, net (of filet) in een spoorwagon, spalk, zwachtel, graveerstift, zeisboog; toestel bij ’t redden van schipbreukelingen; goudwaschmachine; Cradle verb. wiegen, tot bedaren brengen, bakeren, maaien (van koren), in eene wieg liggen, in de wieg leggen: I have known him from the (his) cradle = van zijne geboorte, van kindsbeen af; Cradled in innocence = in onschuld; Cradle-clothes = luren; Cradling = ribben van een gewelfde zoldering.

Craft, krâft, kunstvaardigheid, sluwheid; beroep, ambacht, kunstnijverheid; vaartuig: The Craft = de vrijmetselarij; Small craft = kleine vaartuigen van allerlei soort; Craft-guild = handwerksgilde; Craftsman = bekwaam handwerksman; Craftsmanship = het werk (beroep) van een craftsman; Craftsmaster = meester (in zijn vak); Craftiness = subst. v. Crafty = listig, sluw.

Crag, krag, ruwe rotst(punt), klip; Crag-and-tail = rots, steil aan de eene zijde, en langzaam af hellend aan de andere; Cragged (= Craggy) = rotsig, oneffen, stroef (van gelaatstrekken b.v.); subst. Craggedness = Cragginess.

Craigenputtock, kreig’npɐtək.

Crake. Zie Corn-crake.

Cram, kram, subst. ingepompte kennis, leugen; Cram verb. volstoppen, inproppen, inpompen, gretig eten; Cram-jam = propvol; Crammer = leugen.

Crambo, krambou: Dumb crambo = spel, waarin het te raden rijmwoord slechts door gebaren mag worden aangewezen.

Cramp, kramp, subst. kramp, pijnlijke trekking; kram of klemhaak; dwang, belemmering; adj. moeilijk, lastig; Cramp verb. krampachtig vertrekken; trekken, neerdrukken, beperken, achteruitgaan (van de wielen van een wagen), klampen, krammen: Cramped for room = te weinig ruimte hebbende, in enge ruimte besloten; That cramped me for two months = daardoor moest ik krom liggen, mij behelpen; A cramped and scrawling hand = stijve en slordige; They labour cramped up = in kromme houding; The cramping influences of poverty = neerdrukkende; Cramp-fish = sidderoog; Cramp-iron = klemhaak, anker; Crampon = kanthaak, klimijzer, ijsspoor = Crampoon, krampûn.

Cranberry, kranberi, soort v. veenbes, roode boschbes.

Cranage, kreinidž, kraangeld; Crane, krein, subst. kraanvogel; kraan; hevel; Cranage verb. den nek uitrekken, voorzichtig uitkijken; Cranage-fly = soort mug; Cranage’s-bill = ooievaarsbek, reigersbek; soort van tang (chirurgie).

Cranial, kreinj’l, schedel..; Craniology, kreiniolədži, schedelleer; Cranioscopy, kreinioskəpi, schedelonderzoek; Cranium, kreinj’m, schedel.

Crank, kraŋk, subst. kruk, slinger, handvat; draai, verdraaiing, gril, dwaas, iemand met een stokpaardje; adj. rank, wrak, verdraaid, zwak, gek, levendig, lustig; Crank verb. kronkelen, zigzagsgewijze snijden: He was much of a crank about his discovery = erg mal, dwaas met; Crankiness = grilligheid, enz.; Crankle, subst. kronkel; Crankle verb. draaien, kronkelen; Crankles = hoekige uitsteeksels; Crankness = verdraaidheid, rankheid; Cranky = dwars; kronkelend; geestig, dol; waggelend, wrak, rank.

Crannied, kranid, gespleten, gebarsten; Cranny, krani, scheur, spleet, geheime verblijfplaats.

Crape, kreip, subst. krip; Crape verb. krullen.

Crapnel, krapn’l, dreg, haak.

Crapulence, krapjulens, overlading, dronkenschap, katterigheid; adj. Crapulent.

Crash, kraš, gekraak, geraas, gedrang, krach (= algemeen failliet); grof linnen; Crash verb. krassen, ineenstorten met gekraak, vermorzelen: Crashes on the doors were heard = geklop en gestomp op de deuren; To go crash = failliet gaan.

Crass, kras, grof, dik, lomp: Crass ignorance = kolossale domheid; subst. Crassness.

Crassamentum, krasəment’m, (bloed)klomp, bloedkoek.

Crate, kreit, teenen mand, krat: Cycle crate.

Crater, kreitə, krater; Crateriform, krəteriföm = kratervormig; Craterlet = kleine krater.

Craunch, krônš, krânš = Crunch.

Cravat, krəvat, (stijve) das.

Crave, kreiv, smeeken, verzoeken, eischen: I crave your indulgence = roep in; A craving after her child = vurig verlangen.

Craven, kreiv’n, subst. lafaard; adj. lafhartig; Craven verb. bang maken.

Craw, krô, krop.

Crawfish, krôfiš, Crayfish, rivierkreeft; overlooper; Crawfish verb. ontrouw worden (Amer.).

Crawl, krôl, subst. schildpadvijver, vischweer; Crawl verb. kruipen (To crawl on hands and knees), krieuwelen, wemelen (with); Crawler = vigelante, die langzaam rijdend op een vrachtje wacht; Crawlers = ongedierte.

Crayfish, kreifiš, rivierkreeft; zeekreeft (langouste).

Crayon, kreiən, subst. teekenkrijt, pastelteekening; Crayon verb. schetsen, met crayon teekenen: Portrait painter in crayons.

Craze, kreiz, subst. barst; manie, rage, dwaze hartstocht; Craze verb. afsplinteren, barsten; breken, kneuzen, het verstand krenken; Craziness = dwaasheid, dolheid; Crazing-mill = molen om tinerts te verbrijzelen = Craze-mill; Crazy = gebroken, oud, zwak, verpletterend; gek.

Creak, krîk, subst. gekras; Creak verb. kraken, krassen: Creaking doors (hinges) last longest = krakende wagens loopen het langst.

Cream, krîm, subst. room, vlies, bovenste laag, bloem, fine fleur, de crême; Cream verb. afroomen, room voegen bij, zich met room bedekken; vergruizelen: Cream and roses = melk en bloed (fig.); Cream-cake(-tart) = roomtaartje; Cream-cheese; Cream-colour(ed); Cream-faced = bleek, laf; Cream-laid paper = geel geribd schrijfpapier = Cream-wove paper; Creamery = roomhuis; zuivelfabriek; Creamy = vol room, vettig; uitgelezen: Soap-suds is a creamy mess = een vettig goedje.

Crease, krîs, subst. vouw, ezelsoor, streep; kris; Crease verb. kreuken, vouwen; Creasy = geplooid, gerimpeld: The child’s creasy arms = mollige armpjes, met plooien erin.

Create, krieit, adj. voortgebracht; Create verb. scheppen, voortbrengen, benoemen, maken; Creation, krieiš’n, het scheppen, de schepping, wereld, heelal, aanstelling, benoeming; Creative, krieitiv, scheppend: A creative genius = scheppend genie; subst. Creativeness; Creator, krieitə, Schepper, voortbrenger; vrouwl. Creatress; Creature, krîtšə, subst. schepsel, beest; kreatuur in ongunstigen zin; hartsterking; paard (Am.); adj. tot het lichaam behoorende: A silly creature = een sul; He despises all creature comforts = hij geeft niets om de dingen, die den mensch aangenaam zijn; He was filled with creature comforts = hij kreeg (had) wat zijn buikje maar begeerde.

Credence, krîd’ns, subst. geloof, vertrouwen; credens-tafel: Letter of Credence = geloofsbrief; Credent = geloofwaardig, lichtgeloovig; Credential, kridenš’l, geloofs..: Credentials = geloofsbrieven, aanbevelingen.

Credenda, kridendə, de te gelooven waarheden (tegenover Agenda = de te vervullen plichten).

Credibility, kredibiliti, geloofwaardigheid; adj. Credible, kredib’l.

Credit, kredit, subst. vertrouwen, geloof, goede naam, autoriteit, aanzien, achting, crediet, creditzijde; Credit verb. gelooven, vertrouwen, tot eer strekken, crediteeren: Bills of Credit = schatkistbiljetten; Letter of credit = credietbrief; That does you credit = strekt je tot eer; They gave us credit for fighting most gallantly = gaven ons de eer; Give him credit for a clever fellow = geloof maar gerust, dat hij is; To grant (lodge, open) a credit = (een) krediet geven, openen; I take credit for nothing but my books = ik betaal alles contant behalve mijne boeken; He takes credit to the liberal party for the reforms during the past fifty years = hij geeft de ... de eer van de hervormingen der laatste 50 jaren: He took great credit to himself for it = hij rekende het zich als eene groote verdienste aan; There are a hundred pounds to your credit at the bank; I carry that to your credit = dat zet ik op uw credit; I am credited with a good appetite = ik heb den naam van...; Creditability = aanzien, soliditeit; Creditable = eervol, fatsoenlijk, solide; Creditor = schuldeischer: Creditor in trust = curator (van een faillieten boedel, die mede-crediteur is); Creditress, Creditrix = schuldeischeres.

Credulity, kridjûliti, lichtgeloovigheid; Credulous, kredjulɐs, lichtgeloovig; subst. Credulousness.

Creed, krîd, geloof(sbelijdenis).

Creek, krîk, kreek, inham, bocht, riviertje (Am.); Creeky = bochtig.

Creel, krîl, teenen mand (vooral van visschers).

Creep, krîp, kruipen, krieuwelen, sluipen, zich slaafs gedragen, laag vleien, dreggen (for a drowned man): My flesh began to creep = ik kreeg kippenvel = I crept all over = It gave me the creeps; Creeps and horrors = akeligheden; Creep-hole = sluipgat, uitvlucht; Creep-mouse = kinderspelletje (soort van verstoppertje); Creeper = kruiper, kruipend dier, kruipende plant, boomkruiper; dreg, ijsspoor; Creepiness = griezeligheid; adj. Creepy: A creepy tale, story.

Creese, krîs, kris.

Creighton, kreit’n.

Cremate, krimeit, krîmeit, verbranden; Cremation, krimeiš’n, lijkverbranding; Cremator = Crematory, kremətori, krîmətori, crematorium.

Cremona, krimounə, (Cremona) viool.

Crenate(d), krîneit(id), gekerfd, getand; Crenature of Crenature = tand; gekerfdheid, getandheid.

Crenel, krenəl, schietgat, kanteel; Crenel(l)ated = van schietgaten voorzien.

Crenulate(d), krenjuleit(id) = fijn getand.

Creole, krîoul, Creool(sche).

Creosote, krîəsout, creosoot; Creosote verb. creosoteeren.

Crepitate, krepiteit, knarsen, knetteren; subst. Crepitation.

Crepon, krep’n, soort van krip.

Crept, krept, Imp. en P.P. van to creep.

Crepuscular, kripɐskjûlə, schemerend, schemer.., avond...

Crescent, kres’nt, subst. wassende maan, Turksche vlag, de Porte; eene halfcirkelvormige rij huizen; adj. toenemend, halvemaanvormig (= Crescentic); Crescent verb. tot een Crescent vormen.

Cress, kres: Garden cress = tuinkers; Water-cress = witte waterkers.

Cresset, kresət, groot bakenlicht, toorts of flambouw; meteoor.

Crest, krest, subst. kam, kuif, manen, helmpluim of -teeken, wapen, kroon, kruin, trots, hoogmoed; Crest verb. van een kam of pluim voorzien, kuiven, den top bereiken: Crested = gekuifd, etc: Crested lark = kuifleeuwerik; Crested spoons = met wapen of insigne; He looked Crest-fallen = hij zag er moedeloos, terneergeslagen uit; Crestless = zonder kuif (wapen).

Creswick, kresik.

Cretan, krîtən, Cretenzer; ook adj.; Crete, krît, Creta.

Cretin, krîtin, cretin, idioot; Cretinism.

Cretism, krîtizm, leugen (Vergel. Tit. I, 12).

Crevasse, krəvas, scheur, spleet, doorbraak (Amer.).

Crevet, krevət, smeltkroes (van goudsmeden).

Crevice, krevis, subst. scheur, spleet; Creviced = gescheurd, enz.

Crew, krû, menigte, troep, scheepsbemanning; gespuis, zootje.

Crewel, krûəl, soort borduurwol.

Crib, krib, subst. etenskribbe, stal (voor ossen), hut, woning, kinderkribbe, plaats, betrekking, zoutvaatje, (letter)dieverij, woordelijke vertaling (van een Latijnsch of Grieksch schrijver); Crib verb. beperken, opsluiten, (ont)stelen, ter sluiks nemen, letterkundigen diefstal plegen, overpennen, opgesloten worden; Crib-biter = kribbebijter; grompot; Cribbed, cabined and confined = in eene enge ruimte opgesloten.

Cribbage, kribidž, een kaartspel; Cribbage-board.

Cribble, krib’l, subst. groote zeef; grof meel; adj. grof; Cribble verb. ziften; Cribration, kribreiš’n, het ziften.

Crichton, kraitən, kritən.

Crick, krik, subst. kramp, pijn; Crick verb. pijn krijgen: Crick in the back = spit; Crick in the neck = stijve nek; He cricked his neck with gazing upon the pictures.

Cricket, krikit, subst. cricket; huiskrekel, zwarte veldkrekel, voetbankje; Cricket verb. cricketen; Cricket-ground = cricketveld; Cricket-match = cricketwedstrijd; Cricketer = cricketspeler.

Cricoid, kraikôid, ringvormig; subst. = Cricoid cartilage = ringvormig kraakbeen.

Crier, kraiə, schreeuwer, omroeper (= Town-crier).

Crikey, kraiki, heeremijntijd.

Crim-con., krimkon, overspel (verkorting van Criminal conversation).

Crime, kraim, misdaad; Criminal, krimin’l, subst. misdadiger, schuldige, veroordeelde; adj. misdadig, schuldig, strafrechterlijk: Crime-lawyer = Criminalist, kriminəlist, criminalist; Criminality, kriminaliti, strafbaarheid, criminaliteit; Criminate, krimineit, van misdaad beschuldigen, in eene misdaad betrekken; Crimination, krimineiš’n, aanklacht, betrekking in een misdaad; Criminatory = aanklagend.

Crimea (The), kraimîə, de Krim; Crimean: The Crimean War.

Crimp, krimp, subst. werver, zielverkooper, ronselaar; adj. broos, onstandvastig; Crimp verb. krullen, friseeren, knijpen, grijpen, krimpen (van visch); verlokken, ronselen; Crimping-iron = friseertang; Crimple = samentrekken, doen krimpen of krullen.

Crimson, krimz’n, subst. karmozijn; adj. donkerrood; Crimson verb. donkerrood kleuren, verven, blozen; Crimson-warm = roodgloeiend.

Crincum-crancum, kriŋk’m-kraŋk’m, krom, zigzag; subst. zigzag, dingsigheidje.

Cringe, krinž, subst. onderdanige buiging, lage vleierij; Cringe verb. kruipen, vleien; Cringer = kruiper.

Cringle, kriŋg’l, kous, (blok)beslag (zeetermen).

Crinkle, kriŋk’l, subst. vouw, kronkel, kronkeling; Crinkle verb. kronkelen, frommelen: He crinkled the news-paper.

Crinkum-Crankum = Crincum-Crancum.

Crinoline, krinəl(a)in, crinoline, paardenhaar: A crinoline hat = hoed van paardenhaar.

Cripple, krip’l, subst. kreupele; adj. kreupel; Cripple verb. kreupel maken, verlammen, verminken, buiten gevecht stellen.

Cripplings, kripliŋz, schoorbalken.

Crisis, kraisis (Meerv. Crises, kraisîz), crisis, beslissend oogenblik.

Crisp, krisp, adj. kroes, knetterend, brokkelig, broos, flink, frisch, helder, levendig, krachtig; Crisp verb. krullen, rimpelen, broos maken: Crisp-almonds = gebrande; Crisp style = levendige; Crisping-iron = frizeerijzer.

Crispin, krispin, Crispinus, schoenmaker: St Crispin’s Day = 25 October.

Criss-cross, kriskros, subst. kruisje, gekriskras; adj. en adv. verward, kriskras: Criss-cross row = het alphabet.

Criterion, kraitîriən, kenmerk, maatstaf.

Critic, kritik, beoordeelaar, criticus, bediller; Critical = kritisch, onderscheidend, oordeelkundig, streng, bedillerig, bedenkelijk, hachelijk; subst. Criticalness; Criticaster = muggenzifter; Criticism = kritiek; Criticize, kritisaiz, recenseeren, beoordeelen, hekelen; Critique, kritîk = Criticism.

Croak, krouk, subst. gekras, gekwaak; Croak verb. krassen, morren, kwaken, kwaad voorspellen, sterven: He croaked forth his lesson = dreunde zijne les op; Croaker = ongeluksprofeet; Croaking-lizard = gecko van Jamaica.

Croat, krouət, Croaat; Croatia(n), krəeišə(n), Croatië(r).

Crochet, kroušei, subst. haakwerk; Crochet verb. haken; Crochet-hook = haaknaald.

Crock, krok, subst. aarden kan of pot, roet (daaraan verzameld); vilderspaard; Crock verb. met roet zwart maken, in een pot doen, zwart of vuil afgeven; Crockery = aardewerk.

Crocodile, krokədail, subst. krokodil; meisjeskostschool op de wandeling, twee aan twee; sophisme; adj. krokodilachtig, huichelachtig: Crocodile tears = krokodillentranen; Crocodilian = krokodilachtig, valsch; subst. krokodil; Crocodility = sophisme.

Crocus, kroukəs, krokus; adj. saffraangeel.

Croesus, krîsəs.

Croft, kroft, klein stuk wei- of bouwland by een boerenplaatsje; Crofter = keuterboertje.

Croma, kroumə, ⅛ noot (muziek).

Cromarty, kroməti; Cromer, kroumə.

Cromlech, kromlek, een groote platte tafelsteen op andere steenen steunend, gevonden in Keltische landen, òf graf òf Druïdenaltaar.

Cromwell, kromwel, krɐmwel.

Crone, kroun, oud wijf; oud schaap.

Cronenburg, kroun’nbɐ̂g; Cronstadt, kronstat, Kroonstad.

Crony, krouni, boezemvriend.

Croodle, krûd’l, neerhurken; huiveren; flikflooien,

Crook, kruk, subst. bocht, kromte, onaangenaamheid (That was the only crook in my lot); herdersstaf, bisschopsstaf, hanepoot (in ’t schrijven), ketelhaak, kunstgreep; oplichter, dief; Crook verb. buigen, krommen, uit den rechten stand brengen, krom zijn: By hook or by crook = op de een of andere manier, door eerlijke of oneerlijke middelen; Crooked = gebogen, gedraaid, scheef, slecht: To go crooked = den slechten weg opgaan; Cross questions and crooked answers = protocollen; Crooked-pated = stijfkoppig; Crooked-stick = dwarse kerel, norsche vent; subst. Crookedness.

Croon, krûn, subst. gekreun, geneurie; Croon verb. jammeren, kreunen, neuriën.

Crop, krop, subst. krop, oogst, kort afgesneden haar (staart), jachtzweep; erts, een heele huid; Crop verb. afsnijden, afvreten, maaien, oogsten, (vroegtijdig) plukken, verbouwen, oogst geven, aan de oppervlakte komen, te voorschijn komen (out): Neck and crop = geheel en al, volkomen; The cows were cropping the grass = vraten af; I must get cropped = mijn haar laten knippen; It has cropped out = is aan het licht gekomen; Such subjects are cropping up nowadays = doen zich voor; Crop-ear = paard met korte ooren; Crop-haired = met kort haar; Crop-sick = ziek door overvoeren; Cropper = kropduif, kropper: He came (down) a cropper = hij schoot of viel over den kop (van het paard, van een rijwiel, etc.); Croppy = iemand met afgesneden ooren; gevangene; Iersch oproerling in 1798.

Croquet, kroukei, subst. croquetspel; Croquet verb. croquetten.

Crore, krö, een millioen pond sterling (= honderd lacs = 10.000.000 ropijen).

Crosier, kroužə, bisschopsstaf.

Croslet, kroslət = Crosslet.

Cross, kros, krôs, subst. kruis, in de volgende drie vormen: †, T, ✕ (ook fig.), het lijden van Christus, de Christelijke godsdienst, wederwaardigheid, tusschending, kruising, gekruist ras; adj. en adv. wederkeerig, dwars, verkeerd, tegengesteld, onhandelbaar, knorrig; Cross verb. kruisen, oversteken, overzetten, een kruis slaan, dwarsboomen, tegengaan, doorhalen, dwars liggen, elkaar kruisen: He is a cross between a Scandinavian and a Dutchman; St. Andrew’s cross = ✕ (wit op blauw); St. George’s cross = + (rood op wit); St. Patrick’s cross = ✕ (rood op wit); Cross and pile = kruis of munt; As cross as two sticks = erg uit zijn humeur; On the cross = onbillijk; It crossed my mind = het kwam bij mij op; To cross swords with = het zwaard kruisen met; When do you cross to the continent = wanneer gaat gij de zee over? A crossed cheque = een cheque met twee evenwijdige lijnen op de vóórzijde, alléén verhandelbaar bij een bankier; Cross-acceptance (-accommodation) = wisselruiterij; Cross-armed = met de armen over elkander; Cross-arrow = pijl van een voet- of handboog; Cross-aisle = zijbeuk; Cross-bar = dwarshout, dwarslat; Cross-bar-shot, krosbâšot, stangkogel; Cross-bones = gekruiste beenderen als zinnebeeld van den dood; Cross-bow = voet- of handboog; Cross-bowman; Cross-bred = gekruist; Cross-breed = gekruist ras; Cross-bun = krentenbroodje of gebakje met een kruis erop (op Goeden Vrijdag gegeten); Cross-circuiting = kortsluiting; Cross-country = dwars over ’t land, over heg en steg; Cross-cut, subst. kruishouw, korte weg; Cross-cut verb. dwars doorsnijden; Cross-examination = kruisverhoor; Cross-examine = ondervragen van een getuige door den advocaat der tegenpartij; Cross-eyed = scheel; Cross-grained = tegen den draad in, lastig, onhandelbaar, dwars; Cross-hatching = arceeren, schaduwen; Cross-head = juk, groot gedrukte beginwoorden van eene annonce; Cross-legged = met de beenen over elkander; Cross-over = omslagdoek, waarvan de einden gekruist over elkander loopen; Cross-patch, Cross-pate = dwarskop; Cross-purpose, krospɐ̂pəs, tegenstrijdig doel of plan, streep door de rekening, misverstand: To be at cross-purposes = tegen elkander in zijn of werken, elkaar misverstaan; Cross-question = (Cross-examine); Cross-questions = vraag en antwoordspel; Cross-reference = verwijzing over en weer; Cross-road = dwarsweg; Cross-river traffic = ’t verkeer over een rivier; Cross-row (Zie Criss-cross-row); Cross-spider = kruisspin; Cross-tie = dwarsligger (van den spoorweg); Cross-wind = tegenwind, zijwind; Cross-wort = kruisbladig walstroo; Crossing = kruising, overweg (Level crossing = kruising gelijkvloers), plaats om over te steken; Crossings = hindernis, tegenstand, tegenstrubbeling; Crossing-sweeper = schoonhouder van den overgang, straatveger; Crosslet = kruisje; Crossness = onwilligheid, baloorigheid, humeurigheid; Crosswise = kruiselings.

Crotch, krotš, haak, gaffel, bifurcatie; Crotchet, krotšət, subst. haakje, kwartnoot, eigenaardigheid, gril, stokpaardje: A crotch antimacassar = gehaakt; Crotch-monger of Crotcheteer = grillig mensch; Crotchiness = subst. van Crotchy = zonderling, eigenzinnig, nukkig.

Crouch, krautš, zich laag bukken, kruipen, laag vleien; Crouched-friars, krautšədfraiəz, kruisbroeders of kruisheeren.

Croup, krûp, kroep, kruis, romp, stuit.

Croapade, krupeid, boogsprong.

Croupier, krûpjə, krupîə, croupier; ondervoorzitter bij een diner (zittende tegenover den voorzitter).

Crout, kraut, ingemaakte kool.

Crow, krou, subst. kraai, gekraai; koevoet; darmscheel; Crow verb. kraaien, bluffen, snoeven, triumpheeren: To pluck (pull) a crow = over kleinigheden twisten; I have a crow to pluck with you = een appeltje met u te schillen; The distance is five miles as the crow flies = in eene rechte lijn; When the black crows fly, then comes the sick man’s chance = als de dokter het opgeeft; He shall not crow it over me = hij zal mij niet overbluffen, de baas zijn; Crow-bar = koevoet, breekijzer; Crow-flower = koekoeksbloem; Crow-foot = ranonkel; hanepoot, voetangel; Crow-keeper = vogelverschrikker; Crow-mill = kraaienknip; Crow’s bill = kogeltang (Chir.); Crow’s feet = rimpels om de oogen (bij oude menschen; ook Crowsfeet); Crow’s nest = kraaiennest, een vat (aan den mast van een walvischvaarder), waarin de uitkijk zit.

Crowd, kraud, subst. menigte, troep, gepeupel; Crowd verb. dringen, duwen, overmatig vullen, volproppen, aandringen, wemelen: To crowd sail (all sails), steam = alle zeilen, alle stoom bijzetten; The room was crowded with people, and I got crowded into a corner = was stampvol ... ik werd gedrongen; My article got crowded out = kon door gebrek aan ruimte niet geplaatst worden.

Crowe, krou; Crowland, krouland.

Crown, kraun, subst. kroon, koningsmacht, toppunt, belooning, eer, pracht, kruin, bol (van een hoed), geldstuk van 5 sh., voltooiing, formaat v. schrijfpapier (15 × 20 inches); Crown verb. kronen, eeren, sieren, loonen, voltooien, dam maken: Crown imperial = keizerskroon; Crown-lands = staatsdomeinen; Crown office = afdeeling voor crimineele zaken van de Queen’s Bench Division van het Hooggerechtshof; The word glared at me in crown posters from every hoarding = het woord staarde mij aan uit groote aanplakbiljetten van elke schutting; Crown-prince; Crowning adj. bekronend, hoogste.

Crucial, krûš’l, kruisgewijze, kruis—, streng, hard, kritiek, beslissend: At the crucial moment; Cruciate = kruisvormig, kruis—; Cruciation = kruisvorm.

Crucible, krûsib’l, smeltkroes, kritiek oogenblik, vuurproef.

Crucifer, krûsifə, kruisdrager; Cruciferae, krusifərî, kruisbloemigen; Cruciferous = kruisbloemig.

Crucifix, krûsifiks, kruisbeeld; Crucifixion = kruisiging; Crucify, krûsifai, kruisigen, pijnigen.

Crude, krûd, ruw, onbereid, onrijp, slecht harmonieerend (van kleuren); subst. Crudeness = Crudity = het onverteerde.

Cruel, krûəl, wreed, ongevoelig, hardvochtig, verschrikkelijk, bloedig; subst. Cruelty.

Cruet, krûət, fleschje voor olie of azijn; ampulla (Kath.); Cruet-stand = olie- en azijnstelletje.

Cruikshank, krukšaŋk.

Cruise, krûz, kruistocht, zwerftocht; Cruise verb. kruisen; Cruiser = kruiser.

Cruller, krɐlə, knijpkoekje (Amer.).

Crumb, krɐm, subst. kruimel, het zachte deel van brood, kruim; Crumb verb. kruimelen, paneeren; Crumb-brush = tafelschuier; Crumb-cloth = morskleed; Crumble, krɐmb’l, afbrokkelen, paneeren, langzaam achteruitgaan; Crummy = kruimig, vleezig, vuil; sierlijk (Amer.), kruimelig.

Crumpet, krɐmpət, los gebak bij de thee; “bol”: He is balmy on the crumpet = ’t schort hem in den “bol”.

Crumple, krɐmp’l, kreukelen, fronsen, krommen: He looked crumpled = zag er moedeloos uit; His will was crumpled within hers = ondergeschikt aan.

Crunch, krɐnš, kraken, knarsen, kauwen; ook subst.

Cruor, krûö, krûə, bloedkoek; Cruorin(e) = roode bloeddeeltjes.

Crupper, krɐpə, subst. kruis, staartriem; Crupper verb. den staartriem aandoen.

Crusade, kruseid, subst. kruistocht (ook fig.); Crusade verb. een kruistocht ondernemen; Crusader = kruisvaarder.

Cruse, krûs, krûz, kroes: He spilt his mother’s cruse = hij maakte het spaarpotje (spaarpenningen)... op; Cruset, krûsət, smeltkroes.

Crush, krɐš, subst. (groot) gedrang, schok, verplettering; groote avondpartij; Crush verb. verpletteren, vernietigen, samendrukken, persen, verfrommelen; samengedrukt worden: We crushed a cup (pot) = knapten eene flesch; He was crushed = verbouwereerd, overdùveld; Crush-hat = slappe hoed (Amer.); klak; Crush-room = foyer; Crusher = kalkmolen, iets vernietigends; prachtexemplaar; politieagent: My fate is a crusher = mijn lot is vernietigend hard.

Crusoe, krûsou.

Crust, krɐst, subst. korst, aardkorst, schaal, wijnaanzetsel (in de flesch), ketelsteen; Crust verb. met eene korst bedekken, een korst vormen; Crusted = oud, met eene korst: Crusted with prejudice = vol vooroordeelen; Crusted manners = stijve manieren; Crustiness = korstigheid, knorrigheid; adj. Crusty.

Crustacea, krɐsteišə, schaaldieren; Crustacean = tot de schaaldieren behoorend; subst. schaaldier; Crustaceous = als eene schelp, hard en broos, schaaldier - -; Crustate(d) = omkorst; Crustation = korstvorming.

Crutch, krɐtš, subst. kruk; Crutch verb. steunen (met eene kruk): He was crutching himself slowly about the house; Crutched = op krukken steunend.

Crux, krɐks, kruis, harde noot, groote moeilijkheid, niet te verklaren plaats (meerv. Cruces, krûsîz).

Cry, krai, subst. kreet, roep, geschreeuw, geween, gehuil, omroeping, straatroep, gerucht, aanslaan, geblaf, leus; troep; Cry verb. schreeuwen, huilen, schreien, weenen, roepen, janken, blaffen, aanslaan, gillen, omroepen: It is a far cry from the fifteenth to the nineteenth century = een heele sprong; It is more cry than wool = A great cry and little wool = veel geschreeuw en weinig wol; The dogs were in full cry = blaften luide bij de vervolging van het wild; He cried mercy = om genade; To cry shame upon = uitvaren over (tegen); They cried down the other party’s merits and cried up their own = zij braken ... af, en verhieven hunne eigene hoog; He cried off in time = hij gaf het bijtijds op, had er genoeg van; To cry out against = protesteeren tegen; Crying, subst. geschreeuw, gejammer, gehuil; adj. hemeltergend, grienerig: I am the crying one of the family = de huilebalk; Cryish(ness) = grienerig(heid).

Crypt, kript, onderaardsche gewelfde kapel, grafkelder; Cryptic(al), kriptik(’l), geheim, verborgen.

Cryptogamia, kriptəgeimjə, kriptəgamjə, cryptogamen; adj. Cryptogamic = Cryptogamous; Cryptogamy = cryptogamie; Cryptography = geheimschrift; Cryptology = geheime taal.

Crystal, krist’l, kristal; adj. kristallen, kristalhelder; Chrystalline, kristəl(a)in, kristalachtig, helder doorschijnend: Crystalline lens = kristallens; Chrystallization = kristallisatie; Chrystallize = kristalliseeren (laten); Chrystallography = kristallographie; Chrystalloid = kristalachtig; kristalloide.

Ctenoid, tenôid, kamvormig, scherp gepunt: Ctenoid-scales.

Cub, kɐb, subst. jong, welp; lobbes, blaag, bengel; Cub verb. jongen werpen, opsluiten; Cub-hunting = jacht op jonge vossen.

Cuba, kjûbə, Cuba (sigaar); Cuban = uit Cuba, bewoner van Cuba.

Cubature, kjûbətjuə, inhoudsmeting.

Cubby, kɐbi, eng, beperkt; Cubby-hole = kleine ruimte, huisje.

Cube, kjûb, subst. kubus, dobbelsteen, teerling, derdemacht; Cube verb. tot de derdemacht verheffen; Cube-root = kubiekwortel; Cubic equation = derdemachtsvergelijking.

Cubicle, kjûbik’l, slaapvertrek.

Cubit, kjûbit, voorarm, ellepijp, voorarmslengte (± 46 c.M.); Cubit-arm = arm, bij den elleboog afgesneden; Cubital = onderarms—; een cubit lang; kussen.

Cucaine, kûkə-in, cocaïne.

Cucking-stool, kɐkiŋstûl, duikstoel (een oud strafwerktuig).

Cuckold, kɐkəld, subst. horendrager; Cuckold verb. horens opzetten (fig.).

Cuckoo, kukû, koekoek, domkop; Cuckoo verb. koekoeken; Cuckoo-bud = boterbloempje, dotterbloem; Cuckoo-clock; Cuckoo-flower = koekoeksbloem, pinksterbloem; Cuckoo-spit(tle) = koekoeksspog.

Cucullate(d), kjûkəleit(id), kjukɐleit(id), van eene kap voorzien, kapvormig.

Cucumber, kjûkɐmbə, komkommer: Cucumber-frame = komkommerbed; Cucumber-slicer = komkommerschaaf.

Cucurbit, kjukɐ̂bit, distilleerkolf; laatkop; pompoen.

Cud, kɐd, het ter herkauwing in den mond teruggebrachte voedsel; tabakspruim: To chew the cud = over iets peinzen, herkauwen.

Cuddle, kɐd’l, warm, lekker liggen, warm instoppen, omhelzen, liefkoozen, pakken; subst. liefkoozing, omhelzing: I cuddled the fiddle under my chin = vlijde; Cuddlesome, Cuddly = aanhalig.

Cuddy, kɐdi, kajuit, roef, kombuis: The cook’s cuddy; Cuddy-table = gemeenschappelijke tafel aan boord.

Cudgel, kɐdž’l, subst. knuppel, stok; Cudgel verb. knuppelen, afrossen: Let us cross the cudgels = den strijd eindigen; I’ll take up the cudgels for you, in your behalf (favour) = het voor u opnemen; I’ll cudgel my brains no more about it = mijne hersens niet langer mee plagen; He is cudgel-proof = hij kan tegen een stootje, is niet gauw bang.

Cue, kjû, einde of staart, slagwoord (tooneel), vingerwijzing, wenk, luim, humeur; queue (biljart): My uncle was not in good cue = had geen goede bui; It was not his cue to = zijn zaak niet; She found her cue in a moment = wist dadelijk te antwoorden; To give a person his cue = een wenk geven; To take the cue from a person = hem tot richtsnoer nemen.

Cuff, kɐf, subst. vuistslag, slag; opslag (van eene mouw), losse manchet; Cuff verb. met de vuist, de klauwen of de vleugels slaan, vechten.

Cuirass, kwiras, kwîrəs, kjûrəs, kuras, borstharnas; Cuirassier, kwirəsîə, kjûrəsîə, kurassier.

Cuish, Cuisse, kwiš, dijstuk (harnas).

Culdees, kɐldîz, kɐldîz, monniken (van de 9e tot de 15e eeuw) in Schotland, Ierland en Wales.

Culex, kjûleks, steekmug.

Culinary, kjûlinəri, tot keuken of kookkunst behoorende.

Cull, kɐl, plukken, uitzoeken; sukkel, vent; Culler = uitzoeker; Cullings = uitschot.

Cullender, kɐl’ndə. Zie Colander.

Cullion, kɐlj’n, schurk; Cullions = standelkruid.

Cullis, kɐlis, bouillon; dakgoot.

Culloden, kəloud’n.

Cully, kɐli, subst. sukkel; kameraad; Cully verb. foppen, beetnemen.

Culm, kɐlm, halm, stengel; hooi, stroo; kolengruis.

Culminate, kɐlmineit, culmineeren, het toppunt bereiken; Culmination = culminatie, hoogste punt.

Culpability, kɐlpəbiliti, strafbaarheid, schuldigheid; adj. Culpable; Culpableness = Culpability.

Culprit, kɐlprit, schuldige, beschuldigde.

Cult, kɐlt, eeredienst, cultus.

Cultiv(at)able, kɐltiv(eit)əb’l, bebouwbaar; Cultivate, kɐltiveit, verbouwen, bebouwen, koesteren, veredelen, beschaven, aankweeken; zoeken; subst. Cultivation = cultuur, etc.; Cultivator = bebouwer, aankweeker; cultivator (landbouwwerktuig).

Cultrate(d), kɐltreit(id), mesvormig = Cultriform.

Culture, kɐltšə, subst. cultuur, zie Cultivation; Cultured = beschaafd, ontwikkeld.

Culver, kɐlvə, duif; ook = Culverin; Culver-tail = zwaluwstaart.

Culverin, kɐlv’rin, veldslang (kanon uit de 16de en 17de eeuw).

Culvert, kɐlvət, verwulfd riool.

Cumber, kɐmbə, kwellen, een last zijn voor, belemmeren; ook subst.; Cumber-world = sta-in-den-weg; Cumbersome = lastig, vervelend, hinderlijk, veel plaats innemend; subst. Cumbersomeness; Cumbrous = zwaar, plomp; subst. Cumberness.

Cumin, kɐmin, komijn.

Cumulative, kjûmjulətiv, ophoopend, versneld: Cumulative voting = stemming, waarbij een stemgerechtigde al zijne stemmen aan één candidaat geeft; dit is een Cumulative vote.

Cumulus, kjûmjulɐs, stapelwolk, hoop.

Cunabula, kjunabjulə, incunabelen, vóór 1500 gedrukte boeken.

Cunard, kunâd.

Cuneate(d), kjûnieit(id), wigvormig; Cuneiform writing, kjunîföm of [kjûniiföm raitiŋ], keil- of spijkerschrift.

Cunegond, kjûnəgɐnd, Kunegonde.

Cunning, kɐniŋ, subst. ervaring, vaardigheid, slimheid, loosheid, list, bedrog; adj. listig, loos, sluw, handig: As cunning as a weasel = zoo slim als eene rot; Too much cunning undoes = wie te slim wil zijn, komt bedrogen uit; Cunning-man, Cunning-woman = waarzegger, waarzegster.

Cup, kɐp, subst. kop, beker, kroes, kelk, nap, schaal, bowl, drinkgelag; Cup verb. koppen zetten (om bloed af te tappen); inschenken: He is in his cups = hij is dronken; They were quoting poetry over their cups = zij haalden de dichters aan bij hunne drinkgelagen; There is many a slip Betwixt the cup and the lip = Tusschen bekerrand en lippen, Kan u menige kans ontglippen; Claret cup (Champagne cup) = bowl; Cup-and-ball = kinderspel, waarbij een bal in een beker wordt opgevangen; Cup-and-ball joint = kogelgewricht; Cup-bearer = schenker (aan het hof); Cup-board, kɐbəd, subst. kast, huishoudkast, vertrekje, kabinetje; Cup-board verb. vergaren; Cup-board-love = egoïstische liefde; Cup-gall = soort galappel; Cuprose = gewone klaproos; Cupping-glass = laatkop.

Cupel, kjûp’l, kɐp’l, cupel (Essaai); Cupel verb. cupelleeren; subst. Cupellation.

Cupid, kjûpid, Cupido.

Cupidity, kjupiditi, hebzucht.

Cupola, kjûpələ, koepel.

Cupreous, kjûpriəs, koperachtig, koperkleurig, koperen; Cupriferous, koper..., koperhoudend.

Cupula, kjûpjulə, Cupule, kjûpjul, napje; Cupuliferous = napjesdragend.

Cur, kɐ̂, rekel; ploert: Currish = hondsch, norsch; subst. Currishness.

Curability, kjurəbiliti, geneeslijkheid; Curable, kjûrəb’l, geneeslijk; subst. Curableness = geneesbaarheid.

Curaçao, kûrasou, Curaçao.

Curacy, kjûrəsi, ambt van een Curate, kjûrit, een door den Rector bezoldigden hulppredikant; zij worden òf levenslang aangesteld (Perpetual) òf “on six months’ notice” (Temporal). In het eerste geval noemt men ze thans Vicars; Curateship = Curacy.

Curative, kjûrətiv, genezend; geneesmiddel.

Curator, kjureitə, kjûrətə, curator; Curatorship.

Curb, kɐ̂b, subst. trens (aan een paardetoom), kinketting (= Curb-chain); trottoirband (= Curbstone); spat (bij paarden); beperking, dwang; Curb verb. beperken, bedwingen, leiden, een trens aandoen: To put a sharp curb upon = streng in toom houden; Curb-roof = mansarde (dak).

Curd, kɐ̂d, subst. wrongel, geklonterde melk (gew. Meerv.); Curd verb, klonteren, (doen) stremmen; Curdle = (doen) stremmen, stollen, klonteren: This novel is a regular curdler = een echte sensatieroman; Curdy = geklonterd.

Cure, kjûə, subst. genezing, herstel; zielzorg, geneesmiddel; Cure verb, herstellen, genezen, inmaken, zouten, pekelen, rooken, drogen: He has a cure of souls = is de zielverzorger van..; This hamlet is in his cure = de zielzorg... is hem toevertrouwd; I will cure him of his cheek(iness) = zijne brutaliteit afleeren; My mother cured the servant of followers = leerde af er vrijers op na te houden; What cannot be cured must be endured = men moet zich in het onvermijdelijke schikken; Cure-guest = badgast; Curer = genezer, geneesmiddel; inzouter, rooker; Cureless = ongeneeslijk.

Curfew, kɐ̂fjû, poortklok; vieravond; avondklok = Curfew-bell.

Curialistic, kjûriəlistik, tot de curie behoorend.

Curing-house, kjûriŋhaus, suikerraffinaderij; zouterij.

Curio, kjûrjou, rariteit; Curiosity, kjûriositi, nieuwsgierigheid, zonderlingheid, rariteit: Curio-monger = nieuwtjeslooper; Curio-shop = winkel met antiquiteiten; Curious, kjûriəs, zonderling, zeldzaam, keurig, nieuwsgierig, moeilijk te voldoen; subst. Curiousness; Curioso, kjûriousou, verzamelaar v. curiosos; zonderling.

Curl, kɐ̂l, subst. krul, golving, kronkeling; aardappelziekte; Curl verb. krullen, kronkelen, golven, kabbelen; Curler = Curling speler; Curliness = krulligheid; Curling = een spel op het ijs waarbij groote gladde steenen met handvat naar een doel, de tee, worden geslingerd (Schotl.); Curling-tongs (Curl-irons) = frizeerijzer; Curly = gekruld, krullig, golvend.

Curlew, kɐ̂ljû, wulp.

Curmudgeon, kɐ̂mɐdž’n, vrek, onaangenaam mensch, vlegel; Curmudgeonly = vrekachtig.

Currant, kɐr’nt, krent, aalbes (= Red currant), zwarte aalbes (= Black currant), kruisbes (= Rough currant); Currant-cake.

Currency, kɐr’nsi, stroom, loop, omloop, circulatie, gangbaarheid, waarde, koers, gangbare munt, schatting; Current, kɐr’nt, subst. stroom, loop; adj. stroomend, gangbaar, algemeen verspreid of aangenomen, loopende, tegenwoordige: To pass current = gangbaar zijn; Atmospheric currents = luchtstroomen, winden; The current month = loopende; Of this current = dezer (maand) = instant; He reported it currently = vertelde het overal.

Curricle, kɐrik’l, subst. een licht 2-wielig rijtuig gewoonlijk met twee paarden; Curriculum, kərikjəlɐm, cursus (aan Schotsche universiteit, etc.).

Currier, kɐriə, leertouwer; Curriery = ambacht of werkplaats van een currier.

Curry, kɐri, subst. kerrie; Curry verb. met kerrie (Curry-powder) kruiden; leer touwen (opmaken na het looien); roskammen, afranselen: He curried favour with the Royalists = hij trachtte bij de R. in de gunst te komen; Curry-comb, kɐrikoum, roskam.

Curse, kɐ̂s, subst. vloek, vervloeking, verdoeming; Curse verb. vloeken, vervloeken, bezoeken, teisteren: I do not care a curse = ik geef er geen lor om; A cursed calumniator = vervloekte lasteraar.

Cursitor, kɐ̂sitə, vroegere griffier in het Court of Chancery.

Cursive, kɐ̂siv, subst. en adj. loopend (schrift); Cursores, kɐ̂sôrîz, loopvogels; Cursoriness = vluchtigheid; Cursory, kɐ̂səri, haastig, vluchtig.

Curt, kɐ̂t, kortaf, barsch; subst. Curtness.

Curtail, kɐ̂teil, verkorten, verminderen, beperken; afsnijden, kortstaarten; subst. Curtailment = verkorting, enz.

Curtain, kɐ̂tin, subst. gordijn (van bed, enz.). schuifgordijn of overgordijn (voor het raam), scherm (tooneel); tusschenwal, die twee bastions verbindt; Curtain verb. met gordijnen omsluiten, omhullen: Nothing could curtain in the tender light of her eyes = verdonkeren; Curtain-lecture = bedsermoen; Curtain-raiser = vóórstukje; Curtain-rings.

Curtal, kɐ̂t’l, subst. hond met korten staart (= Curtal-dog); adj. m. korten staart, beknopt.

Curtilage, kɐ̂tilidž, erf.

Curtle-axe, kɐ̂t’laks = Cutlass.

Curts(e)y, kɐ̂tsi, subst. dienaresse, buiging; Curtilage verb. eene buiging maken = To drop (make) a curtilage.

Curule, kjûrûl, adj. curulisch: Curule seat = curulische stoel, ambtelijke zetel; Curule triumph = zegetocht.

Curvation, kɐ̂veiš’n, kromming = Curvature, kɐ̂vətšə; Curvate(d), kɐ̂veit(id), gekromd, gebogen; Curve, kɐ̂v, subst. kromme lijn, bocht; adj. gebogen (Curving); Curve verb. regelmatig buigen of krommen.

Curvet, kɐ̂vet, kɐ̂vət, subst. korte boogsprong; bokkesprong; Curvet verb, springen, dartelen.

Curviform, kɐ̂viföm, boogvormig; Curvilineal, kɐ̂vilinj’l, kromlijnig.

Cushat, kɐšət, kušət, ring- of woudduif.

Cushion, kuš’n, subst. kussen, buffer, samengeperste stoom (lucht), biljartband; Cushion verb, op een kussen plaatsen, van kussens voorzien; een bal bij den band brengen; over de band spelen (Amer.), smoren; Cushionet = kussentje; Cushiony = week; dik en vet.

Cusp, kɐsp, hoorn (van de maan), uitstekende punt, oneffenheid (in het ijs; ook purl genoemd); Cuspidate(d), spits uitloopend.

Cuss, kɐs (= Curse), (baloorige) vent (Amer.); Cussedness = boosaardigheid, dwarsheid (Am.).

Custard, kɐstəd, vlade; Custard-cup = vladeglaasje of -kopje.

Custodian, kɐstoudj’n, custos, conservator, voogd; adj. Custodial; Custody, kɐstədi, bewaring, hoede, hechtenis.

Custom, kɐst’m, subst. gewoonte, gebruik, klandizie, nering; inkomend recht; jaarlijksche offerande van menschen (bij de Ashantijnen): He lost her custom = klandizie; It was the (a) custom with them = was gebruikelijk bij hen; Customs = in- en uitgaande rechten en accijnzen (ook Duties); Custom-free = onbelast; Custom-house = douanenkantoor; Custom-house officer = tolbeambte; Custom-law = tariefwet; Customable = belastbaar; Customariness = gebruikelijkheid; Customary = gewoonlijk, gebruikelijk: Customary law = gewoonterecht; Customer = klant, kwant: I know my customers = ik ken mijn volkje; A queer customer = rare klant.

Custos, kɐstos, bewaarder: Custos brevium = griffier (bij het vroegere Court of Common Pleas. Zie Court); Custos rotulorum = vrederechter van een graafschap, en bewaarder der akten van de Quarter Sessions.

Cut, kɐt, subst. snede, hak, gapende wonde; houw, zweepslag, schok; kanaal, kortere weg; afgesneden stuk, coupon, prent, plaat, het coupeeren (bij kaartspel); vorm, fatsoen, snit; Cut verb. snijden, slijpen, afsnijden, verdeelen, hakken, kappen, maaien, diep treffen of aandoen, bijten, grieven, coupeeren (van kaarten), drukken; zich snijden, uitsnijden, een kuitenflikker slaan: Let us draw cuts = laten we er om trekken (wie het langste stuk papier, etc. krijgt); He gave me the cut = negeerde me; He took a short cut = nam den kortsten weg; A cut-and-come-again = groot stuk vleesch, overvloed, zoodat de gasten zich naar hartelust kunnen bedienen; A cut and dried theory = pasklaar gemaakte; The cut-and-thrust hero in a melodrama = de vechtersbaas; He is of the same cut with the rest = van het zelfde slag; That was an unkind cut indeed = dat was al heel onhartelijk; That’s where it cuts = dat is het pijnlijke ervan; Let us cut = uitsnijden, er van door gaan; To cut an acquaintance = negeeren, niet willen kennen; Cut your scientific cackle = schei uit met je wetenschappelijk gewauwel; He cut a caper = hij maakte een bokkesprong; Cut your coat according to your cloth = zet de tering naar de nering; He cuts a dash = maakt veel vertoon; He cut a noble figure = speelde een mooie rol, gedroeg zich kranig; I will cut the lecture = ga niet naar ’t college; To cut to pieces = in stukken snijden, hakken; To cut somersaults = buitelingen maken; He cut his stick = schuurde zijn piek; To cut one’s wisdom-tooth = zijn verstandskies krijgen; Let us cut across here = laten we hier dwars oversteken; To cut asunder = scheiden; Cut away = ga je gang; To cut both ways = voor tweeërlei uitlegging vatbaar; To cut dead = volkomen negeeren; To cut it fat = opsnijden; To cut up rough = grof worden; To cut short = in de rede vallen en den mond snoeren; The premier was cutting down trees = was bezig met boomen omhakken; Cut down = afbikken, afhakken, verkleinen, besnoeien; Here the old woman cut in = viel in de rede; I tried to cut in, but my samples did not please him = trachtte mijn artikel er in te werken; He was cut off in the midst of his work = afgeroepen (door den dood); He was cut off with a shilling = onterfd = Cut out of the will; I shall try to cut him out = ik zal trachten, hem een beentje te lichten; He cut me out with a woman = hij drong zich in mijne plaats bij; He is cut out for a teacher = voor onderwijzer geknipt; He could not cut out a coat = geen jas knippen; The piece of cloth was cut up = doorgesneden; He was cut up by his friend’s death = kapot van; The book was cut up by all the critics = werd doorgehaald; He has cut up well = veel geld nagelaten; Don’t cut up rusty about it = word er maar niet boos om; That merchant cut under = verkocht de goederen onder de waarde; A cut-glass water-bottle = waterkaraf van geslepen glas; A cut-away coat = jas met rondgesneden panden; Cut-grass = galigaan; Cutpurse, kɐtpɐ̂s, gauwdief, zakkenroller; Cut-throat = moordenaar; adj. moorddadig; Cutwater = bruggehoofd, golfbreker, scheepsneb; Cutworm = larve van een uiltje; Cutter = hakker, snijder, coupeur, mes; kotter, boot (bij oorlogschepen), lichte slede (Amer.); Cuts = steenen, gebruikt om de bogen van vensters enz. te maken: To play cuts = een pandspel (“Alle vogels vliegen”); Cutting = subst. scheiding, verdeeling, reepje, uitgraving (v. een heuvel, om kanaal of weg te maken); adj. scherp, grievend: He sent me several cuts from the London papers = courantenreepjes, uit de bladen geknipt; Cut sorrow = schrijnende smart.

Cutaneous, kjuteinjəs, tot de huid behoorend, huid...

Cutch, kɐtš = Catechu.

Cute, kjût. Zie Acute.

Cuticle, kjûtik’l, opperhuid, vlies (op dranken); Cuticular = huid..; Cutis, kjûtis, huid.

Cutlass, kɐtləs, breede kromme sabel, hartsvanger.

Cutler, kɐtlə, messenmaker; Cutlery = messenmakerszaak, scherpe werktuigen.

Cutlet, kɐtlət, cotelette.

Cuttle(-fish), kɐt’l(fiš), inktvisch.

Cutty, kɐti: Cuttypipe = neuswarmertje; Cutty-sark = vrouwenhemd; Cutty-stool, kɐtistûl, vrouwelijk zondaarsbankje in Schotsche kerken in vroeger tijd.

Cuvette, kjuvet, lepelvormig chirurgisch instrument; steenen smeltkroes.

Cwt, 112 Eng. ponden (Verkorting van Centum + weight) ± 50,8 K.G. Zie Hundred-weight.

Cyanogen, saianədžen, cyaan; Cyanosis, saiənousis, blauwziekte.

Cybele, sibəli; Cyclades, siklədîz.

Cyclamen, sikləmen, alpenviooltje.

Cycle, saik’l, subst. kringloop, tijdkring, cyclus (van legenden), rijwiel; Cycle verb. ronddraaien, fietsen: Cycle of indiction = tijdperk van 15 jaar; Cycle of the moon, of Metonic cycle = guldengetal = tijdperk van 19 jaar, waarna nieuwe en volle maan op dezelfde dagen der maand terugkeeren: Cycle of the sun = zonnecirkel (28 jaar); To cycle over from X.; Cycling-costume (Cycling-tour) = fietskostuum (-tocht); Cyclist = Cycler.

Cyclic(al), siklik(’l), tot een cyclus behoorend: Cyclic poets = navolgers van Homerus, die allen den Trojaanschen oorlog tot onderwerp hunner epische poëzie kozen; Cyclic chorus = het koor te Athene dat, zingende, om het altaar van Bacchus danste.

Cyclone, saikloun, cycloon, wervelstorm; adj. Cyclonic.

Cyclopaedia, saikləpîdjə, encyclopaedie; adj. Cyclopaedic of Cyclopaedic.

Cyclopean, saikləpîən, tot de Cyclopen behoorend; reusachtig; Cyclops, saiklops; meerv. Cyclopes, saikloupîz.

Cyclorama, saiklərâmə, cyclorama.

Cyclostyle, saikloustail, cyclostile.

Cygnet, signət, jonge zwaan.

Cylinder, silində, cylinder, wals, rol, ziel, kaliber: A green tin cylinder = botaniseerbus; adj. Cylindric(al); Cylindriform.

Cymar, saimə, simâ, licht opperkleed, sjerp.

Cymbal, simb’l, bekken.

Cymbiform, simbiföm, bootvormig.

Cymric, kimrik, Kimbrisch; Cymry, kimri, Kimbren; An old Cymro.

Cynic, sinik, subst. cynisch persoon; adj. hondsch, cynisch; Cynics = de school der cynische wijsgeeren (door Antisthenes gesticht); adj. Cynical; Cynicism = cynisme.

Cynosure, sinəšə, sainəšə, middelpunt v. aantrekking; de kleine Beer; poolster, leidster.

Cynthia, sinthiə.

Cypher, Zie Cipher.

Cypress, saipres, cypres; soort krip; adj. gestreept.

Cyprian, sipriən, van Cyprus; Cypriote, sipriout, bewoner van C.; Cyprus, saiprəs; Cyprus; krip.

Cyrus, sairəs.

Cyst, sist, blaas, beursgezwel; Cystic worm = lintworm; Cystitis, sistaitis, ontsteking van de blaas.

Cytherea, sithərîə; adj. Cytherean.

Czar, zâ, keizer, czaar; Czarevna, zârevnə, vrouw van den czarewitz; Czarina, zârînə, keizerin, vrouw van den czaar; Czarowitz, zârəvitš, oudste zoon van den czaar.

Czech, tšek, Czech; Czechisch(e taal).

D.

D. di, D.; 500 (D̄ 5000); doctor; date, day; died; denarius (= penny); damn; (ook verb.): The big D = groote vloek (D. = Damn); ’d = had, would; D.D. = Divinitatis Doctor; M.D. = Medicinae doctor; D.C.L. = Civilis Legis Doctor; L.L.D. = Legum Doctor; Dec(ember); De(l) = Delaware; Deut(eronomy); Div. = Divide, Dividend, Division, Divisor; D.Lit(t) = Litterarum Doctor; D(ead) L(etter) O(ffice); Do. = Ditto; Doz(en); On the D(ead) Q(uiet) = in strikt vertrouwen; D.T. = Delirium Tremens; Du(t). = Dutch; D(eo) V(olente); Dwt. = Pennyweight; D.W.T. = D(eclined) W(ith) T(hanks) = beleefd afgewezen (van een bijdrage).

Dab, dab, subst. klompje, vlak, klad; tik, pik; schar (ook allerlei platvisch); meester, kraan; Dab verb. zacht kloppen (met een vochtig of zacht werktuig); pikken; bevuilen; clicheeren; adj. knap: He is a dab at cricket = knap in; She dabbed at her hair with a brush = ging hier en daar even over; Dabber = hij die clicheert; tampon; Dabster = meester, kraan.

Dabble, dab’l, besprenkelen, bevochtigen, plassen; knoeien, liefhebberen: He dabbled at his forehead with a pocket-handkerchief; He dabbles in politics = liefhebbert in; Dabbler = knoeier, stumper.

Dabchick, dabtšik, pas uitgekomen kuiken; kuifduiker = Dipchick.

Da Capo, dâkâpou, Da Capo.

Dace, deis, serpeling of witvisch.

Dacia, deišə, Dacië; Dacian, Dacisch.

Dacoit, dakôit, bandiet, roover (Brit. Ind.); Dacoitage, Dacoity = rooverij door dacoits.

Dactyl, daktil, dactylus (– ⏑ ⏑); vinger, teen (anatom.); Dactylar, Dactylic, daktilik, uit dactylen bestaande; een dactylische versregel; Dactylioglyph, daktiljəglif, ringgraveur, inschrift; Dactylology, daktilolədži, vingerspraak.

Daddle, dad’l, waggelen.

Dad(dy), dad(i), paatje; Daddy-long-legs, dadiloŋlegz, langpoot mug; hooiwagen; langbeenig mensch.

Dado, deidou, dâdou, vlakke voorzijde van een voetstuk, soort van lambrizeering.

Daedalus, dedəlɐs.

Daffodil, dafədil, affodil. Zie Asphodel.

Daft, daft, subst. bot van geest, dwaas, gek; subst. Daftness.

Dagger, dagə, subst. dolk, kort zwaard, leesteeken (†); Dagger verb. doorsteken: At daggers drawn = klaar om te vechten; op hoogst gespannen voet; To look daggers at a person = iemand met zijn blikken doorboren; To speak daggers to a person = vlijmscherp toespreken; Dagger-plant = Jucca.

Daggle, dag’l, door het slijk sleepen, door den modder loopen; Daggle-tail = slordevos, = Daggle-tailed = slordig, bevuild.

Dago, deigou, scheldnaam voor elk Spaansch of Portugeesch sprekend matroos.

Dagonet, dagənet.

Daguerreotype, dəgerətaip, subst. daguerreotype; Daguerreotype verb. daguerreotypeeren.

Dahabeeyah, Dahabieh, dâhâbîə, Egyptisch vaartuig, voornamelijk voor den Nijl.

Dahlia, dâljə, deiljə, dahlia.

Dahomey, dəhoumi.

Daily, deili, subst. dagblad; adj. dagelijksch: Daily News = naam van een Eng. dagblad.

Daimio, daimiou, groote leenheer, vazal van den Mikado (Japan).

Daintiness, deintinəs, fijnheid, verweekelijking, kieskeurigheid, lekkerheid; Dainty, deinti, subst. lekkernij; adj. lekker, kieskeurig, sierlijk, fijngevoelig: My dainty = lieve; ’Don’t be dainty’ = (opschrift op een) slabbetje; Dainty-mouthed = kieskeurig.

Dairy, dêri, subst. melkhuis, melkwinkel; Dairy-farm = melkboerderij; Dairy-house = melkhuis; Dairymaid = melkmeid; Dairyman = melkboer.

Dais, dei-is, estrade, met een troonhemel overdekte troon.

Daisy, deizi, subst. madeliefje; adj. keurig, prima: Daisied meadow = vol madeliefjes; Daisy-cutter = dravend paard, dat zijne pooten niet hoog oplicht; Cricket-bal, die laag over ’t veld vliegt; Daisy-picker; Zie Gooseberry-picker.

Dak, dak, brievenpost in Brit. Indië.

Daker, deikə, Dakir, tien stuk of paar; Daker-hen, wachtelkoning.

Dakoit, dakôit = Dacoit.

Dakota, dakoutə; adj. Dakotan.

Dalai Lama, dəlailâmə, opperpriester.

Dale, deil, dal; Dalesman = dalbewoner, vooral op de grens tusschen Engeland en Schotland.

Dalhousie, dalhûzi; Dalkeith, dalkîth.

Dalliance, daliəns, het dartelen, stoeien; Dally = dartelen, beuzelen, treuzelen, talmen.

Dallop, daləp, bosje (gras).

Dalmatia, dalmeišə, Dalmatië; Dalmatian = Dalmatiër, Dalmatisch.

Dalmatic(a), dalmatik(ə), dalmatica.

Dalrymple, dalrimp’l, dalrimp’l; Dalston, dôlst’n.

Daltonian, dôltounj’n, kleurenblinde; Daltonism, dôltənizm, kleurenblindheid.

Dalzel(l), dalzel, deiel; Dalziel, deiel, diel.

Dam, dam, subst. moer, wijfje; dam; sloot (Austr.); Dam verb. stuiten, afdammen.

Dam, dam. Zie Dawm.

Damage, damidž, subst. schade, nadeel, kosten, averij; Damage verb. beschadigen, schade lijden, toetakelen: What’s the damage? = hoe groot zijn de onkosten, wat ben ik schuldig? Damages = schadevergoeding; Damageable = beschadigbaar; Damaged = beschadigd, bedorven.

Damascene, daməsîn, damasceeren; subst. damastpruim (ook Damask-plum); adj. v. Damascus; Damascus blade = Damascener zwaard.

Damask, daməsk, subst. damast; adj. lichtrood; Damask verb. bloemen in stoffen werken (damast weven), staal met goud of zilver inleggen, damasceeren; Damask-steel = Damascus-staal; Damaskeen, daməskîn, daməskîn, damasceeren; Damassin, daməsin, damast, met bloemen van goud- en zilverdraad doorweven.

Damboard, damböd, dambord.

Dame, deim, deftige dame, vrouwe, matrone; dorpsschoolmaitres; ouderwetsche bewaarschoolhouderes; de Dame, thans de Assistant-Master, by wie(n) de externe leerlingen (The Oppidans) van Eton College in den kost zijn; Dame’s-violet, Dame-wort, nachtviooltje.

Damietta, damietə, Damiette.

Damn, dam, verdoemen, veroordeelen, vloeken: It is not worth a damn = het is geen lor waard; Damnable = verdoemelijk, vervloekt, kolossaal; Damnation, damneiš’n, subst. verdoeming, verdoemenis; interj. vervloekt; Damnatory = verdoemend, verdoemings...; Damnific = schadelijk; Damnify = schade veroorzaken, beschadigen (Jur.); Damning = verpletterend (bewijs).

Damoclean, daməklîən, van D.: Damoclean sword; Damocles, daməklîz, Damocles.

Damon, deim’n.

Damosel, daməzel. Zie Damsel.

Damp, damp, subst. vochtigheid, nevel, uitwaseming, neerslachtigheid; adj. vochtig, saai, neerslachtig, kil; Damp verb. vochtig maken, verkillen, verzwakken, ontmoedigen, smoren, dempen, dof maken: His presence threw a damp on our joy = was als een emmer koud water; Dampen = bevochtigen; ontmoedigen; Damper = demper, sleutel (in een kachelpijp), toondemper; ongezuurd brood (Austr.); teleurstelling, ontmoediging: He puts a damper on every thing I do or say = hij beneemt me den moed bij; Dampish = eenigszins vochtig; subst. Dampishness; Dampness = vochtigheid.

Dampier, dampî.

Damsel, damz’l, jonge deern, jonkvrouw; Damsel-fly = waterjuffer.

Damson, damz’n, damastpruim: Damson cheese = conserf van deze pruimen.

Dan, dan, Heer: Dan Cupid; Daniel, Dan; From Dan to Beer-sheba (biəšîbə, biɐ̂šibə) = overal, op alle punten.

Danaid, danəid; Danaidean, deinəidiən, danəidiən.

Dance, dâns, subst. dans, bal; Dance verb. dansen, rondspringen; laten dansen: He danced attendance on (to) the powerful = liep de groote lui na; Dance of death = doodendans; He led me a jolly dance = hield me leelijk aan het lijntje; Dancer = danser; Dancing: Dancing-girl = Indische danseres; Dancing-master; Dancing-mistress = balletmeesteres; Dancing-room = danszaal; Dancing-school.

Dandelion, dandelaiən, leeuwetand.

Dander, dandə, subst. toorn; roos (= Dandruff); Dander verb. treuzelen, zeuren, stotteren: He got (had) his dander (dandriff) raised = hij werd woedend.

Dandify, dandifai, zich adoniseeren.

Dandiprat, dandiprat, dreumes.

Dandle, dand’l, liefkoozen, spelen met, laten dansen (op de knie): The mother dandled him to rest.

Dandriff, dandrif, Dandruff, dandrəf, roos.

Dandy, dandi, fat, pronker; soort vaartuig, jolleman op den Ganges; soort palankijn; iets keurigs; adj. fatterig; Dandy-cock (Dandy-hen) = Bantamsche haan (hen); Dandy-horse = ouderwetsche tweewieler; Dandy-rigged = met Dandy tuig; Dandyish = fatterig.

Dane, dein, Deen: Great Dane = Deensche dog; Danegeld, deingeld, jaarlijksche belasting, in vroeger tijd opgelegd ter verdediging tegen de Denen; Danelagh, deinlôg, Dane law = Deensch recht (9e eeuw), het gebied hiervan.

Dane-wort, deinwɐ̂t, lage vlier, paarsche anemoon.

Danger, deinžə, gevaar; Danger-signal = onveilig sein (bij spoorwegen); Dangerous = gevaarlijk; subst. Dangerousness.

Dangle, daŋg’l, slingeren, bengelen; achterna loopen; Dangler = vrouwengek; sleepsabel.

Dan(iel), dan(j’l).

Danish, deiniš, Deensch(e taal).

Dank, daŋk, subst. vochtigheid; adj. vochtig.

Dantesque, dantesk, in den stijl van Dante, somber, verheven.

Danube, danjûb, Donau; Danubian, dənjûbj’n, Donau - -.

Dap, dap, het aas voorzichtig in ’t water neerlaten.

Daphne, dafni, Daphne; peperboompje.

Dapper, dapə, netjes, wakker, kregel.

Dapple, dap’l, subst. spikkel; adj. gevlekt; Dapple verb. bespikkelen; Dapple-grey = appelgrauw (paard).

Darby, dâbi: Darby and Joan = de Eng. Philemon en Baucis.

Darbies, dâbiz, handboeien.

D’Arblay, dâblei.

Darbyites, dâbiaits, godsdienstige sekte, ook Plymouth Brethren genoemd.

Dardanelles (The), dâdənelz, de Dardanellen.

Dardania, dâdeinjə, Dardanië; Dardanian.

Dare, dêə, durven, wagen; tarten, uitdagen; leeuweriken onder schot of in ’t net brengen, door ze met behulp van een houten bord met spiegeltjes (a dare) te verblinden: I dare say = ik durf wedden; I daresay, dêəsei, voorwaar; I dare you to do it = tart u; Dare-devil = waaghals; roekeloos; Daring, subst. vermetelheid; adj. onverschrokken, moedig; Darenet, slagnet.

Darg, dâg, subst. dagwerk, dagtaak; Darg verb. een dagtaak verrichten (Schotl.).

Darius, dəraiəs; Darjeeling, dâdžîliŋ.

Dark, dâk, subst. duisterheid, onwetendheid; adj. duister, donker, somber, heimelijk, ontmoedigend, slecht, blind, onzeker, donker uitziend: Dark Ages = Middeleeuwen; Darkblue = de kleur van de studenten van Oxford (Sport); Darkchamber, Darkroom (phot.); Dark lantern = dievenlantaarn; After dark = na donker; He rides a dark horse = hij voert wat in het schild; Then I had my dark hour = droevig uur; I fear I shall go dark = blind worden; I have kept it dark = geheim; He has kept me in the dark = hij heeft mij onwetend gehouden; Darken = verduisteren, verdonkeren, zwart maken, bezoedelen, blind maken, duister worden: You shall darken my doors no more = komt me nooit weer over den drempel; Darkish = vrij duister; Darkle = duister worden; Darkling, adj. somber, droevig; adv. in het donker, blindelings; Darkly = in ’t geheim, geheimzinnig; Darkness = duisternis, verborgenheid, blindheid, onwetendheid; Darksome, dâks’m, somber, duister; Darky = zwartje, neger; dievenlantaarn.

Darling, dâliŋ, subst. lieveling: My darling = lieverd; adj. geliefd.

Darn, dân, subst. stop; adj. vervloekt (Amer.); Darn verb. stoppen, mazen: The darnest fool I ever saw = grootste gek; Darner = stopnaald, stopper of stopster; Darning-needle; Darning-yarn.

Darnel, dân’l, dolik.

Dart, dât, subst. pijl, schicht, werpspies; sprong; Dart verb. (een pijl) schieten, (eene lans) werpen, schieten (v. stralen), wegsnellen, losstormen op (at, on): To dart rays.

Darwin, dâwin; adj. Darwinian; Darwinism = Darwinianism.

Dash, daš, subst. slag, schok, stoot, aanval, vlugge beweging, élan, kranigheid, bezieling, geestkracht, streepje (–), drupje; Dash verb. stooten, slaan, te pletter slaan, bespatten, met water werpen, besprenkelen, vermengen, bederven, een streep halen door, teleurstellen, snel bewegen: Dash of the pen = pennestreek; A dash of romance = tintje; A dash under the word = streep; A morning dash through the Park = morgenritje; At first dash = op het eerste gezicht; He wanted to cut a dash (figure), and lived above his income = wou bluf slaan; I got a dash of German = een hap en een snap; I dashed at him = vloog op hem aan; I dashed this paper off in two hours’ time = ik heb dit artikel in twee uur op het papier gegooid; I dashed it out = ik streek het uit; Dash it = wat duivel! Dash-board, dašböd, spatbord (vooraan een rijtuig); Dasher = schepbord, stamper; fat; Dashing = kranig, flink, voornaam, zwierig; Dashy = opzichtig, fijn gekleed.

Dastard, dastəd, bloodaard, lafaard; Dastardliness = lafhartigheid, blooheid; adj. Dastardly.

Datary, deitəri, hoofd van de Dataria = afdeeling der pauselijke kanselarij voor de uitvaardiging van bullen.

Date, deit, subst. dadel; datum, dagteekening, duur, tijd; Date verb. dateeren, vaststellen, rekenen; beginnen (from): That is out of date, up to date = uit den tijd, op de hoogte van den tijd; He wrote to me under date Oct. 2; To date = totnutoe; Dateless = zonder datum; Date-palm.

Dative, deitiv, dativus.

Datum, deit’m (Mv. Data, deitə), het gegevene, een gegeven.

Daub, dôb, subst. gemeene kalk, smeer, kladschilderij; Daub verb. besmeren, bekladden, kladschilderen, vermommen, smakeloos opsieren, grof vleien; Dauber = knoeier, kladschilder; grove vleier; Daubery = knoeierij (in de kunst); valsch voorwendsel; Dauby, dôbi, kleverig, lijmerig.

Daughter, dôtə, dochter; Daughter-in-law = schoondochter; Daughter of Heth = zedelooze vrouw (Gen. XXVII, 46).

Daunt, dânt, dônt, schrik inboezemen, ontmoedigen; Dauntless = onbevreesd; subst. Dauntlessness.

Dauphin, dôfin, dauphin; Dauphiness; Dauphiny = Dauphiné.

Davenant, davən’nt; Davenport, dav’npöt, kleine (dames)schrijftafel; Daventry, dav’ntri; David, deivid; Davis, deivis; Davison, deivis’n.

Davits, deivits, davits (scheepst.).

Davy Jones, deividžounz, de booze geest der zee: To go to Davy Jones’s Locker of Davy’s Locker = “voor de haaien” zijn.

Davy-lamp, deivilamp, daviaan, veiligheidslamp (mijnwerkers).

Daw, dô, (kerk)kauw; leeghoofd.

Dawdle, dôd’l, beuzelen, verbeuzelen, zeuren: She is a regular dawdle(r) = echte zeur.

Dawk, dôk, subst. inkeping; wisselplaats voor dragers; posthuis (Brit. Ind.); Dawk verb. eene inkeping maken.

Dawm, dôm, Indische munt: 1⁄40 ropij.

Dawn, dôn, subst. dageraad; Dawn verb. licht worden, dagen, aanbreken: At dawn of day = bij het aanbreken van den dag; It dawned upon me = er ging me een licht op, ’t werd me bewust; Dawning = dageraad; flauw idee.

Day, dei, dag, daglicht, strijd, overwinning: Day by day = dag aan dag; A day to order = uitgezochte; All day (long) = den geheelen dag; Every day = alle dagen; Every other day = om den anderen dag; One day = op een dag; One of these days = een dezer dagen; This day fortnight, sennight = vandaag over veertien, acht dagen; For ever and a day = voor eeuwig; To-day = vandaag; These systems have had their day = hun tijd; We lost the day = den slag; The emperor won the day = behaalde de overwinning; A day’s march; A several day’s journey; Day of grace = dag der genade; Days of grace = respijtdagen; Day-bed = rustbank, sofa; Day-blush = dageraad; Day-boarder = scholier in den halven kost; Daybook = journaal; Daybreak = het dagen; Day-coal = bovenste kolenlaag; Day-dream = mijmering, luchtkasteel; Day-fly = eendagsvlieg; Day-labourer = daglooner; Daylight; Day-scholar = externe; Day-room = zitkamer, huiskamer; Daysman = scheidsrechter (Job. IX 33); Dayspring = dageraad; Day-star = morgenster; Day-ticket = dagkaart; In the day-time = overdag; Day-wearied = vermoeid van het dagwerk; Daywork = dagwerk; Day’s-work = bestek (zeeterm).

Daze, deiz, subst. verdooving, verwarring, verblinding, verstijving; mica; Daze verb. verblinden, verdooven, verstijven, verwarren; Dazzle, daz’l, subst. schittering; Daze verb. verblinden, verwarren, verbijsteren.

Deacon, dîk’n, diaken (in de Apostolische kerk); geestelijke (ordained, i.e. in Holy Orders), die van altaardienst en het toedienen der sacramenten is uitgesloten (Engelsche kerk); Deaconess = diacones; Deaconry = Deaconship = ambt van een deacon.

Dead, ded, dood, levenloos, doodsch, dof, mat, ongevoelig, diep, pikdonker, beslist, volstrekt, waardeloos, onbestelbaar, verschaald, blind, somber: He is a dead man = een man des doods; Just dead = pas gestorven; Dead and gone = gestorven, al lang begraven; He was dead of small-pox = gestorven aan; At dead of night = in het holle van den nacht; In the dead of winter = in het hartje; The book fell dead-born from the press = werd doodgezwegen; To stop dead (= To come to a dead stop) = plotseling blijven staan (steken); The wind was dead against us = vlak tegen; (He is) dead-alive = levend dood; uiterst vervelend; dom (Slang); I had it a dead bargain = spotgoedkoop; Dead-beat = doodop; Dead-broken = geruineerd; The wind fell a dead calm = het werd bladstil; Dead capital = renteloos kapitaal; Dead certain = beslist zeker; Dead colour(ing) = doodverf, grondeering; Dead copper = dof koper; Dead drunk = stomdronken; It was a dead failure = het mislukte totaal; He went off (into) a dead faint, fainted dead away = viel geheel van zich zelf (in zwijm); Dead head = bezitter van een vrijbiljet voor een schouwburg (stoomboot) (Amer.); The race was a dead heat = kamp; Dead horse = vooruit betaald werk; The actor was dead letter-perfect = volkomen rolvast; Dead letter = onbestelbare brief; The country is a dead level = volkomen vlak; Dead lift = zware last; Dead-lights = luiken; phosphorisch lichten van doode visch; We have him at a dead-lock = in onze macht, tot staan, vastgezet; Things have come to (are at) a dead-lock = de zaken (vooral politieke) zitten vast, ze kunnen niet vooruit; Dead in love = smoorlijk verliefd; The band played the dead-march in Saul = de marche funèbre uit Saulus; How many dead men did you count? = ledige flesschen; Dead on end = in tegengestelden koers; Dead-reckoning = raming; gegist bestek; The Dead Sea = de Doode Zee; A dead security = waarborg van geen waarde (bijv. stilstaande fabriek); The dog made dead-sets at me = venijnige aanvallen; He is a dead shot = schiet nooit mis; We were in a dead stand = in groote verlegenheid; I made a dead stand against him = ik verzette mij krachtdadig tegen hem; Dead stock = renteloos kapitaal; It came to a dead stop = hield in eens op; Dead-struck = doodelijk getroffen; vervuld van afgrijzen; Dead wall = blinde muur; Dead-water = kielwater; Dead-weight = doode last; zwaar gewicht, ballast; renteloos kapitaal; voorschot van de Engelsche bank aan officieren, die op non-actief, of gepensionneerd zijn; Deads = uitgeworpen gesteente bij het graven; Deaden = verzwakken, verminderen, verstompen, verdooven, doen verschalen, den glans ontnemen; Deadlihood = de staat der dooden; Deadliness = doodelijkheid, gevaarlijkheid; Deadly = doodelijk, vergiftig, vreeselijk: Deadly nightshade = belladonna; Deadly sin = doodzonde.

Deaf, def, doof, onoplettend, zonder pit of kern: He is deaf-and-dumb = doofstom; Deaf-mute = doofstomme; Deaf of an ear = doof aan één oor; Deaf to prayers = doof voor; I am deaf with the noise = doof van het lawaai; Deafen = verdooven, doof maken: The floor was deafened = ondoordringbaar gemaakt voor geluid.

Deal, dîl, subst. hoeveelheid, handel; het geven (bij het kaarten), deel (hout); Deal verb. verdeelen, geven (van kaarten), toebrengen, handelen, zich gedragen, behandelen, te doen hebben, bestrijden: White deal = vurenhout; Red deal = grenenhout; A deal = een hoop; A great (good) deal of money (slechts voor enkelv. woorden) = zeer veel; The deal is with me, I have the deal, I have to deal = ik moet geven; To make a deal = eene overeenkomst aangaan (Amer.); What shop does he deal at? = waar koopt hij zijne waren; Deal by others as you wish to be dealt by = behandel anderen zooals gij wenscht behandeld te worden; He deals in wines and spirits = handelt in; He has troublesome customers to deal with = hij heeft met lastige klanten te doen; I deal with him = ben bij hem in den winkel; Deal-box = spanen doos; Dealer = koopman, handelaar; Dealing = omgang, verkeer, handeling.

Dean, dîn, deken, hoofd van een domkapittel (Engelsche kerk); Dean and chapter = domkapittel; Rural dean = geestelijk hoofd van eenige plattelandsgemeenten; Deanery = waardigheid, huis- of rechtsgebied van een Deanship = ambt van een Dean.

Dear, dîə, duur, dierbaar, geliefd: Oh dear! = hemeltjelief! Dear me = Goede Genade; There’s a dear = dan ben je een beste; My dear = lieve (ook mv. dears); M. is such a dear = zoo’n snoes; Dear-bought = duurgekocht; Dearly = innig, dolgraag: I should have dearly liked to go there = had er dolgraag heen gewild; Dearness = duurte, kostbaarheid; innigheid; Dearth, dɐ̂th, schaarschte, gebrek, hongersnood, armoede; Deary = lieveling, schat.

Death, deth, de dood, sterfgeval, holle of hartje (van winter of nacht): To bore to death = doodelijk vervelen; To do to death = dooden; overdrijven; To drink oneself to death = doodzuipen; Frightened to death, Frozen to death = doodelijk geschrokken, dood gevroren; To put to death = ter dood brengen; To ride a free (willing) horse to death = misbruik maken van iemands goedheid; To be in at the death = tegenwoordig zijn bij het dooden van den vos; ook fig.: bij de tragische ontknooping; You will be the death of me = je zult nog mijn dood zijn, ik zal het besterven (ook van lachen); It was war to the death with Germany = het was oorlog op leven en dood met Duitschland; Death when it comes, will have no denial; Death is deaf, and hears no denial = tegen den dood is geen kruid gewassen; One man’s breath is another man’s death = den eene zijn dood is den ander zijn brood; Death devours lambs as well as sheep = de dood maakt geen onderscheid; Death keeps no calendar = de dood komt als een dief in den nacht; Death-bed; Death-bell; Death-blow = doodelijke slag, genadeslag; Death-duties = successierechten; Death-hurt = doodelijke wonde; Death-rates = sterftecijfers; Death-rattle = gerochel; I have been at death’s door several times = ben er na “aan toe” geweest; Death’s head = doodskop; Deathsman = beul; Death-stroke = doodelijke slag; Death-struggle, Death-throe = doodstrijd; Deathtrap = valluik voor een gevangene, gevaarlijke plaats; Death-warrant = bevelschrift tot terdoodbrenging; Death-watch = doodkloppertje (een houtkevertje, welks getik eertijds geacht werd een zeker voorteeken van een sterfgeval te zijn); Deathful = doodelijk: Deathless = onsterfelijk; Deathlike = als dood, doodelijk; Deathly sick = doodziek.

Debacle, dibak’l, dibeik’l, ijsgang, moddervloed, algemeene vlucht, ondergang, val.

Debar, dibâ, uitsluiten, den toegang beletten.

Debark, dibâk, ontschepen, aan wal gaan; subst. Debarkation.

Debase, dibeis, vernederen, verlagen; vervalschen; onteeren; subst. Debasement; Debaser.

Debatable, dibeitəb’l, betwistbaar; Debate, dibeit, subst. debat, woordenstrijd; Debatable verb. debatteeren, nadenken over (on, upon), behandelen; Debating-Society = dispuut- of debatteercollege.

Debauch, dibôtš, subst. ongebondenheid, losbandigheid; roes; Debauch verb. bederven, verleiden, demoraliseeren; losbandig zijn; Debauchedness = liederlijkheid; Debauchee, debôšî, lichtmis; Debaucher = verleider; Debauchery = losbandigheid, verleiding.

Debenture, dibentjə, obligatie (= Debenture Bond); betalingsmandaat; mandaat door de douane uitgegeven voor in- of uitvoerrechten, die men terugkrijgt: Debenture holder = obligatiehouder; Registered debentures = obligatiën op naam; Debentured goods, goederen waarvoor men de betaalde rechten terugkrijgt.

Debilitate, dibiliteit, verzwakken; Debilitation = verzwakking; Debility = zwakheid.

Debit, debit, subst. debet, debetzijde; Debit verb. debiteeren: To the debit of = ten laste van; No one could be credited or debited with any knowledge of it = men kon niemand de eer of de schande geven, dat hij er iets van wist.

Debonair, debənêə, beleefd, inschikkelijk.

Deborah, debərə.

Debouch, dibûš, deboucheeren (van een leger), uitloopen: The new street is to debouch into the Strand = zal op het Strand uitkomen; subst. Debouchment.

Debris, debrî, deibri, debri, overblijfselen, wrak, overschot.

Debt, det, schuld: An action of debt = schuldvordering; Debt on call = opzegbare schuld; You are in my debt, head over ears in debt = bij mij in de schuld, tot over de ooren in de schuld; To pay the debt of nature = tol der natuur; To run into debt = schulden maken: Debtor, detə, schuldenaar, debiteur; Debtor-side = debetzijde.

Debut, Fr. uitspr., eerste optreden, begin; Debutant(e) (Fr. uitspr.) = debutant(e).

Decachord, dekəköd, ouderwetsche 10-snarige harp.

Decade, dekəd, tiental (van jaren, etc.).

Decadence, Decadency, dekədəns(i), dikeid’ns(i), verval; Decadent = decadent.

Decagon, dekəgon, tienhoek.

Decahedral, dekəhîdr’l, tienvlakkig (-zijdig); Decahedron = tienvlak.

Decalcomania, dikalkəmeinjə, het decalqueeren.

Decalogue, dekəlog, decalogus, de tien geboden.

Decameron, dikaməron, Decamerone.

Decamp, dikamp, opbreken, heengaan; uitsnijden.

Decanal, dekən’l, tot eene Dean(ery) behoorend.

Decangular, dikaŋgjulə, tienhoekig.

Decant, dikant, zacht òvergieten; klaren; subst. Decantation; Decanter, dikantə, wijnkaraf.

Decapitate, dikapiteit, onthoofden; ontslaan (Amer.); subst. Decapitation.

Decapod, dekəpod, tienpootig: Decapods = Decapoda, dikapədə, de tienpootigen.

Decarbonization, dikâbən(a)izeiš’n, ontkoling = Decarburization; Decarbonize, dikâbənaiz, ontkolen = Decarburize.

Decastich, dekəstik, tienregelig gedicht.

Decasyllable, dekəsiləb’l, woord van tien lettergrepen; adj. Decasyllabic.

Decay, dikei, subst. verval, vergaan, verwelken; Decay verb. vervallen; vergaan, verwelken: To fall (go) to (into) decay = in verval geraken, te gronde gaan; A decayed tradesman = achteruitgegaan; What’s put away will soon decay = rust roest; Decayedness = toestand van verval.

Decease, disîs, subst. dood, overlijden; Decease verb. sterven: The deceased = de overledene(n).

Deceit, disît, bedrog, begoocheling; Deceitful = bedriegelijk, listig; subst. Deceitfulness; Deceivable, disîvəb’l, (licht) te bedriegen; subst. Deceivableness; Deceive, disîv, misleiden, bedriegen, teleurstellen; Deceiver = bedrieger.

December, disembə, December; Decemberly = winterachtig.

Decemvir, disemvɐ̂, Tienman (Rome); Mv. Decemviri, disemvirai; adj. Decemviral; Decemvirate = decemviraat.

Decency, dîs’nsi, welvoegelijkheid.

Decennary, disenəri, decennium; Decennial = decennaal.

Decent, dîsən’t, welvoegelijk, betamelijk; voldoende, behoorlijk.

Decentralization, disentrəlaizeiš’n, decentralisatie; Decentralization verb. Decentralize.

Deception, disepš’n, subst. bedrog, misleiding; Deceptive = bedriegelijk; subst. Deceptiveness.

Deciare, dešiâ, deciare (= 107,641 square feet).

Decide, disaid, beslissen, bepalen, overhalen, doen besluiten: He decided me to go there = kreeg er mij toe; Decidedly true = bepaald waar.

Deciduous, disidjuəs, vergankelijk, uit- of afvallend; subst. Deciduousness.

Decigram(me), desigram; Decilitre, desilîtə; Decimal, desim’l, subst. tiendeelige breuk; adj. decimaal: To calculate to five places (points) of decimals; Decimal fraction = tiendeelige breuk; Decimal six = nul komma zes = 0,6; Decimate, desimeit, door tien deelen, den tienden man dooden, in grooten getale ombrengen; subst. Decimation; Decimetre, desimîtə.

Decipher, disaifə, ontcijferen, ontwarren; Decipherable = ontcijferbaar; Decipherer.

Decision, disiž’n, beslissing, uitslag, beslistheid; Decisive, disaisiv, beslissend, afdoend: Decisionness = vastberadenheid.

Deck, dek, subst. dek; kaartspel (Amer.); Deck verb. tooien, versieren, bedekken, van een dek voorzien: The decks were cleared = alles werd in orde gebracht, tot den strijd voorbereid; Have you swept the decks = hebt gij den inzet (den pot) gewonnen, het dek schoongeveegd (fig.); Decked out = getooid; Deck-chair = rieten dekstoel; Deck-passenger.

Declaim, dikleim, voordragen, declameeren; uitvaren: He declaimed against such measures = liet krachtig zijne stem hooren tegen; Declaimer = declamator; Declamation = redevoering, voordracht, hoogdravende rede; Declamatory = gezwollen, hoogdravend.

Declaration, dekləreiš’n, verklaring, aangifte, aanklacht; adj. Declarative; To be declaratory of = bevestigen; Declare, diklêə, verklaren, verzekeren, bekend maken, aangeven, constateeren: I declare = ik moet zeggen; The result was declared as follows = bekend gemaakt; He declared himself to her = deed haar eene liefdesverklaring; He had not yet declared himself = nog geen partij gekozen; His name was declared at the Exchange = werd aangeslagen op de beurs als failliet; Anything to declare? = iets te declareeren; I have declared the contract off = ik heb verklaard, niet te willen voortzetten; Declared = openlijk; Declarer.

Declassed, diklâst, uitgestooten.

Declension, diklenš’n, verval, afdaling, vermindering, afwijking, verbuiging; bedanken (Amer.).

Declinable, diklainəb’l, verbuigbaar; Declinate, deklineit, naar beneden gebogen, met een bocht; Declination = neerbuiging, verval, achteruitgang, helling, declinatie, afwijking: Declination of the needle (compass); Declinator = afwijkingsmeter; Declinatory = weigerend, afwijzend; Declinature = bestrijding van de competentie van een hof (Schotl.).

Decline, diklain, subst. afneming, verval, vermindering, uittering; Decline verb. afwijken, verbuigen, neerbuigen, bukken, weigeren, vervallen, uitteren, ten einde loopen, afwijzen: To go into a decline = uitteren; He is on the decline = gaat achteruit; Prices are declining = gaan achteruit; Declining age = hooge ouderdom.

Declivity, dikliviti, helling, glooiing, schuinte; Declivitous = schuin, hellend = Declivous.

Decoct, dikokt, afkoken, uittrekken; subst. Decoction.

Decollate, dikoleit, onthalzen; Decollation of St. John = 29 Aug.

Decolo(u)r(ize), dikɐlə(raiz), bleeken, Decolorant, dikɐlər’nt, bleekmiddel; Decoloration = bleeken, kleurloosheid.

Decompose, dîk’mpouz, ontbinden, oplossen, ontleden; Decomposite, Decomposite, veelvoudig samengesteld; Decomposition = ontbinding.

Decompound, dik’mpaund, veelvoudig samenstellen of verbinden; ook adj.: A decompound leaf, flower = een dubbel blad, dubbele bloem.

Decorate, dekəreit, versieren, optooien; Decoration, dekəreiš’n, versiering, sieraad, decoratie: Decoration day = 30 Mei (in Amerika), bestemd tot versiering van de graven der in den burgeroorlog gesneuvelden (1861–1865); Decorative = versierend, verfraaiend; Decorator = versierder, (decoratie)schilder.

Decorous, dikôrəs, dekərɐs, gepast, welvoegelijk; subst. Decorousness; Decorum, dikôr’m, welvoegelijkheid, decorum.

Decoy, dikôi, subst. lokmiddel, aas, krijgslist; lokeend, eendenkooi; Decoy verb. verlokken, verleiden; Decoy-duck; Decoy-man = kooiker.

Decrease, dikrîs, dîkrîs, subst. afneming, vermindering, het vallen (van het water); Decrease verb. dikrîs, verminderen, (langzaam) afnemen.

Decree, dikrî, subst. decreet, verordening, voorschrift; gebod, rechterlijke beslissing; Decree verb. bepalen, vaststellen, beslissen, decreteeren: Decree nisi, naisai, voorwaardelijke beslissing (geldig zoolang geen nieuw feit hiermee in strijd blijkt te zijn); To decree levies = lichtingen uitschrijven.

Decrement, dekrim’nt, achteruitgang, vermindering.

Decrepit, dikrepit, afgeleefd, gebrekkig.

Decrepitate, dikrepiteit, calcineeren van zouten; subst. Decrepitation.

Decrepitude, dikrepitjûd, afgeleefdheid, gebrekkigheid.

Decrescent, dikres’nt, afnemend; Decrescendo, dikrəšendou, decrescendo (Muz.).

Decretal, dikrît’l, subst. bevel (vooral pauselijk); adj. tot een decreet behoorend.

Decrier, dikraiə, hij die decries; Decry, dikrai, laken, in discrediet brengen.

Decumb, dikɐmb, gaan liggen; Decumbence = liggende houding; Decumbent = liggend, bedlegerig.

Decuple, dekjup’l, subst. tienvoud; adj. tienvoudig; Decuple verb. vertienvoudigen.

Decurrent, dikɐr’nt, afloopend; Decursive, dikɐ̂siv, afloopend.

Decussate, dikɐsit, kruisstandig; Decussate verb. dikɐseit, dekəseit = kruiselings snijden.

Dedicate, dedikit, adj. toegewijd; Dedicate verb. dedikeit, toewijden, opdragen, wijden; Dedicatee = wien een werk wordt opgedragen; Dedication = toewijding, opdracht; Dedicator = die opdraagt; Dedicatory = bij wijze van opdracht.

Deduce, didjûs, afleiden, opmaken (uit); Deducement = gevolg; Deducible = af te leiden uit (from).

Deduct, didàkt, aftrekken, afnemen, wegleiden: Charges deducted = na aftrek van kosten; Deduction = vermindering, afneming, gevolgtrekking; The deductive method = de deductieve methode.

Deed, dîd, subst. daad, feit, handeling, akte; Deed verb. bij akte overdragen (Amer.): Deed of gift = schenkingsakte; Deed of partnership = acte v. vennootschap; Deed of sale = koopakte; Deed of trust = volmacht; He was caught in the very deed = op heeterdaad; Deed-poll = hoofdelijke akte (tegenover de dubbele), omdat ééne der partijen ze maakt; Deedy = ijverig, knap.

Deem, dîm, oordeelen, denken: He deemed it an honour = achtte het eene eer.

Deemster, dîmstə, titel van de 2 justices op het eiland Man.

Deep, dîp, subst. diepte, zee; adj. diep, diepzinnig, verdiept, laag, achteraf, verborgen, geheim, doordringend, ernstig, zwaar, hoog, donker, sluw: He is a deep one = een slimmerd; Of a deep blue (colour) = donkerblauw; They have drunk deep = zwaar gedronken; He lied deep = loog schandelijk; To play deep = hoog spelen; A deeply-bitten sketch of the city of L. = een scherpe (scherp gelijnde) schets; The deep-mouthed thunder = krachtige en holklinkende; Deep-read in the classics = zeer belezen; The deep-sea water = het water der zee op meer dan 200 vademen diepte; Deep-set = diepliggend; Deep-toned instruments = zwaar (plechtig) klinkende; Deepen = verdiepen, donkerder (sterker) worden of maken; Deepmost = diepste, verste; Deepness = scherpzinnigheid, sluwheid.

Deer, dîə, hert; goedje: The small deer = het kleine grut; Deermouse = eekhorentje (Canada); Deer-neck = dunne, slecht gevormde nek (van een paard); Deer-stalker = hertenjager; laag hoofddeksel (soms met oorkleppen) door deze jagers gedragen; Deer-stalking, stôkiŋ, jacht op herten (door ze te besluipen).

Deface, difeis, schenden, misvormen, doorhalen, uit het veld slaan; bekrassen of beschrijven van muren, etc.; subst. Defacement.

Defalcate, difalkeit, snoeien (van geld), verminderen, korten; verduisteren; Defalcation = verkorting, verduistering, besnoeiing; Defalcator, Defalcator = verduisteraar.

Defamation, defəmeiš’n, laster, eerrooving; adj. Defamatory; Defame, difeim, lasteren, eerrooven.

Default, difôlt, subst. gebrek, verzuim, verwaarloozing, in gebreke blijven, nietverschijning (voor de rechtbank); Default verb. bij verstek veroordeelen, niet voldoen aan (een contract, eene belofte, etc.): Judgment by default = veroordeeling bij verstek; To go by default = bij verstek veroordeelen; door afwezigheid van een der partijen niet doorgaan; He made (a) default = hij verscheen niet; To suffer a default = verstek laten gaan; In default of = bij gebreke van: A fine of £ 3, or seven days’ imprisonment in default = subsidiair 7 dagen gevang.; Defaulter = woordbreker, misdadiger, wanbetaler.

Defeasance, difîz’ns, nietigverklaring, vernietiging, opheffing; Defeasanced = vernietigbaar = Defeasible.

Defeat, difît, subst. nederlaag, verijdeling, vernietiging, berooving, ongeldig verklaring; Defeat verb. verslaan, verijdelen, van nul en geener waarde maken; berooven.

Defecate, defikit, adj. gezuiverd; Defecate verb. defikeit, zuiveren, klaren; subst. Defecation.

Defect, difekt, gebrek, onvolkomenheid; Defection = afval, afvalligheid; Defective = gebrekkig; subst. Defectiveness.

Defence, difens, verdediging, versterking, verdedigingswerk, bescherming: Line of defence = verdedigingslinie; Defenceless = weerloos; subst. Defencelessness.

Defend, difend, verdedigen, beschermen: We defended ourselves against the enemy = verdedigden ons tegen; To defend oneself from reports = tegen praatjes; Defend me from my enemies = bewaar mij voor; Defendable = verdedigbaar; Defendant = beklaagde, gedaagde; Defender = verdediger: Defender of the Faith = titel van Eng. vorsten sedert Hendrik VIII (1521); Defense = Defence; Defensibility = verdedigbaarheid; Defensible = houdbaar; Defensive = verdedigend, verwerend: To act (be, stand) on the defensive = een verdedigende houding aannemen; Defensor = verdediger, beschermer; Defensory = verdedigend.

Defer, difɐ̂, uitstellen, talmen; zich onderwerpen aan; verwijzen: I defer to your opinion = onderwerp mij aan; I defer to the sixth example = verwijs naar; Deferred bonds = obligaties recht gevend op stijgenden interest (tot bepaalde hoogte) in welk geval ze geconverteerd of tot active bonds worden; Deference, defərens, eerbied, onderwerping, eerbiediging; Deferent, defərent, geleidend; subst. geleider, overbrenger: The air is a deferent of sound = klankgeleider; Deferential, eerbiedig; Deferrer = uitsteller.

Defiance, difai’ns, uitdaging, uittarting: In (flat) defiance of all rules = trots alle regelen; He bears (bids) defiance to them all = tart ze allen; He set all the rules at defiance = hij zondigde tegen al de regels; Defiant = trotseerend, tartend.

Deficience, Deficiency, difiš’ns(i), gebrek, tekort, deficit, onvolkomenheid: Deficiency Bills = voorschot door de Bank of England aan de regeering, ter inlossing der coupons; To make up for (to supply) a deficiency = voorzien in een gebrek; Deficient: He is deficient in that quality = hem ontbreekt, hij schiet te kort in ...: Mentally deficient = zwakzinnigen; Deficit, defisit, dîfisit, deficit.

Defile, difail, subst. engte, pas, défilé; Defile verb. defileeren; bevuilen, verontreinigen, bezoedelen; subst. Defilement; Defiler = ontwijder, schender.

Definable, difainəb’l, te bepalen of begrenzen; Define, difain, bepalen, beperken, uitleggen, beschrijven; Definite, definit, bepaald, begrensd; subst. Definiteness; Definition = bepaling, omschrijving, beschrijving; Definitive, subst. bepalend woord (b.v. een adjectief); adj. beslissend, afdoend; subst. Definitiveness.

Deflagrate, defləgreit, verbranden; subst. Deflagration.

Deflate, difleit, gas of lucht uitlaten.

Deflect, diflekt, afbuigen, afwijken; Deflection = Deflexion, afwijking, afdrijving (v. een schip).

Defloration, dîfloreiš’n, defloreiš’n, verkrachting; Deflour, Deflower, diflauə, onteeren, schenden; Deflourer = verkrachter.

Defluxion, diflɐkš’n, ontsteking, catarrh.

Defoe, dəfou.

Deforest, diforəst, ontwouden.

Deform, diföm, misvormen; Deformation = mismaking; Deformed = mismaakt; subst. Deformedness; Deformity = wanstaltigheid, mismaaktheid.

Defraud, difrôd, onrechtmatig onthouden, bedriegen, beetnemen; Defrauder = bedrieger, smokkelaar.

Defray, difrei, betalen, afbetalen, vereffenen: He defrayed our expenses = hield ons vrij; subst. Defrayment.

Deft, deft, vlug, vaardig, handig; subst. Deftness.

Defunct, difɐŋkt, overleden(e).

Defy, difai, uitdagen, tarten, trotseeren: It defies description = gaat alle beschrijving te boven. Zie Defiance.

Degeneracy, didženərəsi, ontaarding; Degenerate, adj. ontaard, laag; subst, gedegenereerde; Degenerate verb. ontaarden; Degeneration = ontaarding.

Deglutinate, diglûtineit, losmaken (wat gelijmd is).

Deglutition, deglutitiš’n, dîglutiš’n, slikken.

Degradation, degrədeiš’n, dégradatie, afzetting, vernedering, vermindering;—verb. Degrade, digreid; Degrading = onteerend.

Degree, digrî, subst. graad, rang, waardigheid, verwantschap, stand: He took his degree = promoveerde; By degrees = trapsgewijze, langzamerhand; Persons in their degree = van hun stand; In a degree = tot op zekere hoogte, in zekeren zin; In no degree = geenszins; In some degree = eenigszins; eenigermate; To a degree = in hoogen graad, buitenmate; Honorary degree = doctorstitel honoris causa; Degree-day = promotiedag; Degree-title = academ. graad.

Dehisce, dihis, openspringen; adj. Dehiscent; subst. Dehiscence.

Dehort, dihöt, afraden; adj. Dehortatory.

Deicide, dîisaid, Christusmoord, Christusmoordenaar.

Deific(al), dîifik’(l), vergoddelijkend; Deification = vergoddelijking, apotheose; Deifier = vergoder; Deiform = van goddelijken vorm; Deify, dîifai, vergoden, vergoddelijken.

Deign, dein, zich verwaardigen, toestaan.

Dei gratia, dî-ai greišiə, van Gods genade.

Deil, dîl, dil, duivel (Schotsch).

Deism, dîizm, deïsme; Deist = deïst; adj. Deistic(al); Deity, dîiti, Godheid.

Deject, didžekt, adj. terneergeslagen (= Dejected), ontmoedigd; Deject verb. ontmoedigen, neerslachtig maken; Dejectedness = Dejection = neerslachtigheid, moedeloosheid; Dejectory = ontmoedigend, afdrijvend.

Delactation, dîlakteiš’n, het spenen.

Delany, dileini, deləni.

Delate, dileit, aangeven, aanklagen; subst. Delation: Espionage and delation; Delator = verklikker.

Delay, dilei, subst. uitstel, vertraging; Delay verb. uitstellen, rekken, uitstel geven; zich laten wachten, aarzelen, belemmeren: All is not lost that is delayed = uitstel is geen afstel; Delayer = uitsteller; reden van uitstel.

Del credere, delkredərə, delcredere.

Dele, dîli, subst. uitschrappingsteeken; Dele verb. uitschrappen, wegnemen; Deleble, delib’l, uitwischbaar.

Delectable, dilektəb’l, verrukkelijk, lekker; subst. Delectableness; Delectation = genot.

Delegate, deləgit, subst. gevolmachtigde, afgevaardigde; adj. gevolmachtigd; Delegate verb. (deləgeit) volmacht geven, toevertrouwen, afvaardigen; Delegation = afvaardiging, opdracht, deputatie.

Delete, dilît, uitwisschen, doorhalen.

Deleterious, dîlətîriəs, vergiftig, schadelijk.

Deletion, dilîš’n, subst. Zie Delete.

Delf, delf, Delftsch aardewerk = Delft ware.

Delhi, deli, Delhi.

Delian, dîliən, uit Delos.

Deliberate, dilibərit, adj. bedaard, overleggend, opzettelijk; Deliberate verb. (dilibəreit) overwegen, beraadslagen; subst. Deliberateness; It was taken into deliberation = het werd in overweging genomen; Deliberative, dilibərətiv, overleggend.

Delicacy, delikəsi, fijnheid, keurigheid, teerheid; heerlijkheid, lekkernij; zwakheid; Delicate, delikit, fijn, teer, lekker, voorzichtig, kiesch, kieskeurig, fijngevoelig, zwak; subst. Delicateness; Delicious, dilišəs, heerlijk; subst. Deliciousness.

Delict, dilikt, delict.

Delight, dilait, subst. genot, wellust, verrukking; Delight verb. verrukken, streelen; behagen scheppen in, verheugd zijn over: To have (take) delight in = behagen scheppen in; I am delighted with it = ik ben er verrukt mee, over; Delightful = verrukkelijk; subst. Delightfulness.

Delimit, dilimit, afperken, de grenzen vaststellen; Delimitation = vaststelling (der gr.).

Delineate, dilinieit, schetsen, ontwerpen, beschrijven; subst. Delineation; Delineator = schetser, enz.

Delinquency, diliŋkw’nsi, misdrijf, misdaad, plichtverzuim; Delinquent, diliŋkw’nt, subst. schuldige; adj. schuldig.

Deliquesce, delikwes, smelten of oplossen door vochtopneming; subst. Deliquescence; adj. Deliquescent.

Delirious, diliriəs, ijlhoofdig, dol van (= with): To be delirious = ijlen; subst. Deliriousness; Delirium = delirium: In a delirium of drink; Delirium tremens = dronkaardswaanzin.

Delitescence, delites’ns, verborgenheid; plotseling verdwijnen van gezwel of ontsteking; adj. Delitescent.

Deliver, dilivə, verlossen, bevrijden, overbrengen, leveren, in-, op-, uitleveren, bestellen, overgeven, uitspreken: To deliver a message = overbrengen; To be delivered in 8 days, at B = te leveren; To be delivered immediately = in handen (op brieven); She was -ed of a boy = beviel van een jongen; Delivered in my trust = mij toevertrouwd; The fortress was delivered up (over) = overgegeven; He delivered himself up = gaf zich in handen der politie; Deliverable = te leveren; Deliverance = bevrijding, beslissing, vrijspreking; Deliverer = verlosser, overbrenger; Delivery, diliv’ri, verlossing, bevrijding, uitspraak, (wijze van) voordracht, levering, bestelling; Delivery-pipe = afvoerpijp; Delivery-window = loket.

Dell, del, nauw dal.

Deliac, dîliək, uit Delos; artistieke vaas; Delos, dîlos; Delphian, delfiən, Delphic, delfik, Delphisch, raadselachtig.

Delphin(e), delfin, den dauphin betreffend: Delphin classics = de voor het gebruik van den Dauphin (zoon van Lod. XIV) bestemde uitgaven der klassieken; Delphine, delfin, tot de dolfijnen behoorend.

Delta, deltə, de Grieksche D = Δ; delta; Delta-leaved = met Δ-vormige bladeren; Deltaic, delteiik, Delta ...; Deltification = deltavorming; Deltoid, deltôid, deltavormig; deltaspier.

Deludable, dil(j)ûdəb’l, licht te misleiden; Delude, dil(j)ûd, bedriegen, misleiden; Deluder = misleider.

Deluge, deljudž, subst. watervloed, zondvloed, groote menigte, ramp; Deluge verb. overstroomen, overstelpen: After me the Deluge.

Delusion, dil(j)ûž’n, bedrog, bedriegerij, waan, begoocheling; adj. Delusive, dil(j)ûsiv; subst. Delusiveness; Delusory, dil(j)ûsəri = Delusive.

Delve, delv, graven, uitvorschen.

Demagogic(al), deməgodžik(’l); Demagogism, deməgodžizm, de beginselen van een volksleider; Demagogue, deməgog, volksmenner.

Demain, dimein. Zie Demesne.

Demand, dimând, subst. eisch, vraag, behoefte; vordering; Demand verb. eischen, vorderen: Demand and supply = vraag en aanbod; In great demand = Much in demand = zeer gezocht, in trek; On demand = op verlangen; Payable on demand = op zicht; Demandant = eischer; Demander = schuldeischer, adressant.

Demarcate, dimâkeit, de grenzen vaststellen; subst. Demarcation, dîmâkeiš’n, afpaling, grenslijn.

Demean, dimîn, (zich) gedragen of houden; (zich) vernederen of verlagen; Demeanour, dimînə, gedrag, houding.

Dementate, dimentit = Demented = waanzinnig, krankzinnig; subst. Dementedness = Dementia, dimenšə, krankzinnigheid, waanzin, idiotisme.

Demerara, demərârə.

Demerit, dimerit, gebrek, blaam, schuld, wangedrag, onwaardigheid.

Demersed, dimɐ̂st, onder water groeiend.

Demesne, dimîn, domein, grondbezit; gebied: The demesnes of the school = het gebied.

Demi, demi: Demigod, halfgod; Demi-john = groote mandflesch; Demi-lance = korte lans, licht gewapend ruiter; Demi-official = officieus; Demi-rep (= demi-reputation), demi-mondaine; Demi-repdom; Demi-semiquaver = 32ste noot.

Demisable, dimaisəb’l overdraagbaar; subst. Demisability; Demise, dimaiz, subst. overlijden; overdracht; Demise verb. overdragen; nalaten (bij uiterste wilsbeschikking = To demise by will).

Demission, dimiš’n, opgeven, laten varen; verlaging; Demit = neerleggen.

Demiurge, demiɐ̂dž, Demiurgos, dimiɐ̂gəs, demiurgos; adj. Demiurgic.

Demobilization, dimobilizeiš’n, dimoubilizeiš’n, demobilisatie; Demobilize, Demobilize = demobiliseeren, ontbinden (van troepen).

Democracy, dimokrəsi, volksregeering; Democrat, deməkrat, democraat; adj. Democratic(al); Democratize = democratiseeren.

Demolish, dimoliš, afbreken, slechten, verwoesten; Demolisher = afbreker, verwoester; Demolition, deməliš’n = het afbreken, verwoesting.

Demon, dîm’n, demon; Demoness = duivelin; Demoniac, dimounjək, bezetene; adj. demonisch = Demoniacal, dîmənaiək’l = Demonian, dimounj’n = Demonic, dimonik; Demonology, dîmənolədži, demonenleer.

Demonetization, dimonitizeiš’n, subst. van Demonetize, dimonitaiz, buiten omloop stellen van geld.

Demonstrable, dimonstrəb’l, dem’nstrəb’l, bewijsbaar; subst. Demonstrableness; Demonstrate, dimonstreit, dem’nstreit, aantoonen, aanwijzen, demonstreeren: Demonstration, dem’nstreiš’n, bewijs, demonstratie; schijnbeweging; Demonstrative, dimonstrətiv, aanschouwelijk, openhartig, overdreven, demonstratief, aanwijzend (voornaamwoord); (brutaal, demənstreitiv); subst. Demonstrativeness; Demonstrator = demonstrator, prosector, wijsvinger.

Demoralization, dimorəlizeiš’n, dimorəlaizeiš’n, demoralisatie;—verb. Demoralize, dimorəlaiz.

Demosthenes, dimosthənîz; adj. Demosthenic, demosthenik = Demosthenian.

Demotic, dimotik: Demotic character = oud-Egyptisch volksschrift.

Demur, dimɐ̂, subst. aarzeling, weifeling; protest; Demur verb. aarzelen, weifelen, excepties opwerpen: I cannot subscribe without demur(ring) to so sweeping a sentence = ik kan zulk een algemeen oordeel niet zonder protest aanvaarden; I demur at that = kom in verzet tegen; He demurred to my assertion = was het niet eens met; Demurrer = weifelaar; exceptie (jur.).

Demure, dimjûə, stemmig, zedig, preutsch; subst. Demureness.

Demurrage, dimɐridž, liggeld (v. schepen); korting van 1½ d. per ons goud bij inwisseling van banknoten bij de Bank of England: Days of demurrage = ligdagen.

Demy, dimai, een zeker papierformaat (56 bij 46 c.M. voor drukwerk, 48 bij 38 c.M. voor schrijven); zoogenaamde half-fellow of scholar van het Magdalen College te Oxford; Demy-ship = beurs van 100 tot 50 £.

Den, den, subst. hol, leger, kuil; hok, gat: Daniel in the lions’ den.

Denarius, dinêriəs, oude zilveren munt (Rome) van ongeveer 8 stuivers; een Engelsche penny: Denarius Dei = Godspenning; Denarius Sancti Petri = St. Pieterspenning.

Denationalize, dinašənəlaiz, van de nationaliteitsrechten berooven.

Denbigh, denbi.

Dendri...., dendri...., Dendro..., dendrə..., in samenst., boom...; Dendritic = boomachtig.

Dendrolite, dendrəlait, dendroliet, versteende boomstam; Dendrology = boomenleer.

Denham, denəm.

Deniable, dinaiəb’l, loochenbaar; Denial, dinai’l, ontkenning, verloochening, weigering: I will take no denial = neem geen bedankje aan; Denier = loochenaar.

Denim, denim, grove wollen stof.

Denis, denis.

Denization, denizeiš’n, naturalisatie: Letters of denization; Denizen, deniz’n, subst. bewoner, genaturaliseerd burger; Denization verb. het burgerrecht verleenen; Denizenship.

Denmark, denmâk: Denmark satin shoes = stoffen laarsjes.

Dennis, denis, Dionysius.

Denominate, dinomineit, benoemen, aanwijzen; Denomination = naam, benaming, sekte; Denominational education = confessioneel onderwijs; Denominative = benoemend of benoemd; Denominator = noemer (van eene breuk).

Denotable, te onderscheiden; Denotation of a term = omvang (ruimte) of beteekenis eener uitdrukking; Denote, dinout, aanwijzen, aanduiden.

Denouement, Fr. uitspr., ontknooping, afloop.

Denounce, dinauns, dreigen met, dreigend verklaren, aanklagen, aanbrengen, opzeggen (a treaty); subst. Denouncement; Denouncer = aanbrenger.

Dense, dens, dicht, bekrompen, dom; The denseness of the public is something wonderful = domheid; Density = dichtheid.

Dent, dent, indruk, deuk; tand; Dental, subst. tandletter; adj. tand...: Dental formula = tandformule; Dental surgeon = tandmeester; Dentate(d), denteit(id), Dented, getand; Denticulate(d), dentikjul(e)it(id), met tandjes; met kalfstanden (bouwk.); subst. Denticulation; Dentiform, dentiföm, tandvormig; Dentifrice, dentifris, tandpoeder; Dentist, dentist, tandmeester; Dentistry = tandheelkunde; Dentition, dentiš’n, het tandenkrijgen; tandstelsel; Dentolingual, dentəliŋgw’l, subst. en adj. (consonant) door tong en tanden gevormd; Denture, dentjə, tandenrij; kunstgebit.

Denudation, denjudeiš’n, ontblooting, berooving:—verb. Denude, dinjûd.

Denunciation, dinɐnšieiš’n, Denunciate, dinɐnšieit; Denunciator. Zie Denounce.

Deny, dinai, ontkennen, tegenspreken, weigeren, (ver)loochenen: To deny oneself = belet geven; He denied himself every pleasure = ontzeide zich elk genot; She was denied = zij kreeg “belet”.

Deobstruct, diobstrɐkt, purgeeren; Deobstruent = subst. en adj. zuiverend of purgeerend (middel).

Deodorization, dioudərizeiš’n, dioudəraizeiš’n, ontsmetting, reukeloos maken;—verb. Deodorize, dioudəraiz; Deodorizer = ontsmettingsmiddel.

Deontology, diontolədži, Bentham’s leer der zedelijke verplichting.

Deo volente, dîə vəlenti, als God het wil.

Deoxidate, dioksideit, Deoxidize, dioksidaiz, reduceeren; subst. Deoxidation.

Depaint, dipeint, afschilderen, malen.

Depart, dipât, vertrekken, heengaan, sterven, opgeven, afzien van, afwijken, verlaten: The statesman departed this life on the 20th = scheidde uit het leven, stierf; He departed from his house = ging heen; Our dear departed = overledene(n); The departed = de overledenen; Departure, dipâtšə, vertrek, dood, afwijking, richting, wending: He took his departure = vertrok; That is quite a new departure = heel wat nieuws, een geheel nieuwe richting; He took a new departure at 40 = op 40-j. leeftijd werd hij een ander man.

Department, dipâtm’nt, afdeeling, werkkring, departement; Departmental = afdeelings- -.

Depauperization, dipôpərizeiš’n, subst. v. Depauperize, dipôpəraiz, uit de armoede opheffen.

Depend, dipend, neerhangen, afhangen, vertrouwen op, rekenen op: It (All) depends = dat hangt er vanaf; They are people to be depended upon = ver- en betrouwbare menschen; Depend upon it = reken daarop; Every man must depend upon himself = zelf is de man; Dependable = vertrouwd: To employ dependable tradespeople; Dependance, Dependence, Dependency = afhankelijkheid, verband: Dependencies = toebehooren; wingewest, kolonie; Dependent = afhangend (on), neerhangend (from), afhankelijk, onbeslist, berustend op; subst. dienaar, vazal; Depending, onbeslist of hangende (van eene rechtszaak).

Depict, dipikt, afschilderen, malen = Depicture.

Depilate, depileit, ontharen; Depilation, ontharen, uitvallen van haren; Depilatory, ontharend; Depilatories = ontharingsmiddelen.

Deplete, diplît, ledigen, aderlaten, uitputten; subst. Depletion, aderlating, uitputting.

Deplorable, diplôrəb’l, betreurenswaard, jammerlijk; subst. Deplorableness; Deplore, diplö, betreuren, beweenen.

Deploy, diplôi, (doen) ontplooien, ontwikkelen: The troops deployed into line = kwamen in bataille; subst. Deployment.

Deplume, diplûm, van vederen berooven.

Depone, dipoun, onder eede bevestigen; Deponent, dipoun’nt, subst. getuige; werkwoord met passieven vorm en actieve beteekenis; adj passief van vorm en actief van beteekenis.

Depopulate, dipopjuleit, ontvolken; subst. Depopulation.

Deport, dipöt, deporteeren: To deport oneself = zich gedragen; Deportation, deportatie; Deportment = houding, gedrag.

Deposable, dipouzəb’l, afzetbaar; Deposal = afzetting; Depose, dipouz, afzetten; onder eede bevestigen (verklaren, verhooren).

Deposit, dipozit, subst. neerslag, storting, pand, deposito; Deposit verb. leggen, neerleggen, bijzetten, storten, toevertrouwen, in bewaring geven: Deposit at call, Deposit at notice (zonder, met opzegging); In (on) deposit = in deposito (van gelden, etc.); Depositary, dipozitəri, bewaarder; Deposition, depəziš’n, dîpəziš’n, neerslag, getuigenisaflegging, verklaring, onttroning, afzetting, deposito; Depositor, hij die deponeert; Depository, dipozitəri, bewaarplaats.

Depot, dîpou, depou, dipou, depot, bergplaats, stapelplaats; station (Amer.): Coal and Cattle Depot.

Depravation, deprəveiš’n, verdorvenheid, bederf; Deprave, dipreiv, bederven, demoraliseeren: Depravedness = Depravity, dipraviti, verdorvenheid.

Deprecate, deprikeit, door smeeken trachten af te wenden, krachtig opkomen tegen, ernstig afkeuren; Deprecation; Deprecatory looks = smeekende blikken.

Depreciate, diprîšieit, de waarde verminderen (Amer.); geringschatten, onderschatten; Depreciation = waardevermindering; onderschatting, geringschatting; Depreciative, diprîšiətiv, Depreciatory, diprîšiətəri, minachtend, gering-, onderschattend.

Depredate, deprideit, (uit)plunderen, verwoesten, verslinden; subst. Depredation; Depredator, plunderaar; Depredatory = verwoestend, plunderend.

Depress, dipres, neerdrukken, neerslaan, buigen, vernederen, matigen, verlagen, lager richten (van geschut), neerslachtig maken, in waarde doen dalen; Depressed = gedrukt, flauw; Depression, dipreš’n, (neer)drukking, indruk, depressie, neerslachtigheid, uitputting, slapte (in zaken): Depression of spirits = melancholie; Depressionist = pretbederver, vreugdeverstoorder; Depressive = drukkend.

Deprivation, depriveiš’n, berooving, verlies, ontzetting uit een ambt; Deprive, dipraiv, berooven, ontdoen, ontzetten: She was deprived of her membership = lidmaatschap.

Deptford, detfəd.

Depth, depth, diepte, hoogte, breedte, donkerheid (bij eene kleur), afgrond, zee, hartje (van den winter), holle (van den nacht), diepzinnigheid, onmetelijkheid: In the depth(s) of winter; Ten feet in depth = tien voet diep; I am out of (within) my depth here = ik voel hier geen (nog) grond, kan hier (niet) staan (ook fig.); Depthless = ondiep; onpeilbaar.

Depurate, depjureit, reinigen; subst. Depuration; Depurative = bloedzuiverend (middel).

Deputation, depjuteiš’n, afvaardiging, deputatie: In, by deputation = bij volmacht; Depute, dipjût, subst. gevolmachtigde (Schotsch); Depute verb. afvaardigen; Deputy, depjuti, subst. afgevaardigde, gevolmachtigde, plaatsvervanger, helper: Deputy-chairman (Deputy-judge) ondervoorzitter (rechter-plaatsvervanger).

Deracinate, dirasineit, uitroeien, verdelgen.

Derail, direil, (laten) derailleeren; uit den trein laden (van troepen): The train got derailed = derailleerde; subst. Derailment.

Derange, direinž, verstoren, krenken (van geest of lichaam); Deranged = gek; Derangement = storing, krenking.

Deray, direi, wanorde, tumult.

Derby, dɐ̂bi, dâbi, Derby; stijve, ronde hoed met smallen rand (Amer.): Derby-day = de dag bestemd voor de Derby races = wedrennen te Epsom (in Mei).

Derelict, derəlikt, subst. onbeheerd goed, verlaten schip; aangeslibd land; adj. onbeheerd, verlaten (Jur.); Dereliction = verzaking, het onbeheerd laten, landaanwinning door aanslibben: A serious dereliction of duty = een ernstig plichtsverzuim.

Derham, derəm.

Deride, diraid, bespotten, uitlachen; Derision, diriž’n, spot, hoon; Derisive, diraisiv, spottend: subst. Derisiveness; Derisory, diraisəri, spottend, hoonend.

Derivable, diraivəb’l, afleidbaar; Derivation, deriveiš’n, afleiding, afwijking; Derivative, dirivətiv, afgeleid, voortkomend, bijkomend; subst. afgeleid woord, afleiding; Derive, diraiv, afleiden, verkrijgen (door schenking of overdracht), trekken uit, voortkomen uit.

Derm, dɐ̂m, Derma, dɐ̂mə, huid; Dermal, dɐ̂m’l, huid- -; Dermatology, dɐ̂mətolədži, leer der huidziekten.

Dermestes, dɐ̂mestîz, knotssprietigen.

Derogate, derəgeit, afbreuk doen (from one’s honour, dignity = aan), benadeelen, schenden, verkleinen; subst. Derogation; Derogatory = benadeelend, nadeelig, verslappend.

Derrick, derik, laadboom, kraan.

Derringer, derindžə, pistool met korten loop, doch van groot kaliber (Amer.).

Dervis(e), dɐ̂vis, Dervish, dɐ̂viš, derwisch.

Descant, deskn’t, discant, meerstemmig lied; gedachtenwisseling.

Descant, deskant, sopraan zingen, vibreeren; breedvoerig van gedachten wisselen over (on, upon).

Descend, dəsend, neerdalen (-vallen, -stroomen), dalen, afdalen, invallen, neervallen, tendeelvallen, zich vernederen, afstammen, komen aan: He descended in his price = sloeg af; He descended into particulars = daalde af tot; Descendant = afstammeling; Descendent = afstammend, nederdalend; Descension, dəsenš’n, neerdaling, vernedering; Descent, dəsent, neerdaling, helling, val, vernedering, landing, aanval, afstamming: Descent-theory = afstammingstheorie.

Describable, diskraibəb’l, beschrijfbaar; Describe, diskraib, beschrijven; Describer = beschrijver; Describent = beschrijvend: Describent surface (wisk.); Description, diskripš’n, beschrijving, klasse, soort; Descriptive geometry = beschrijvende meetkunde.

Descry, diskrai, bespieden, ontdekken.

Desecrate, desikreit, ontheiligen, ontwijden, profaneeren; subst. Desecration.

Desert, dezət, subst. woestijn, woestenij; adj. woest, onbewoond; Desert-bird = pelikaan.

Desert, dizɐ̂t, subst. verdienste, verdiende loon (gew. Meerv.): He got (was brought to) his deserts = hij kreeg zijn verdiende loon.

Desert, dizɐ̂t, verlaten, deserteeren, afvallig worden van; Deserter = deserteur, afvallige; Desertion, dizɐ̂š’n, verlatenheid, wanhoop, desertie.

Deserve, dizɐ̂v, verdienen, waardig zijn: He has deserved well of his country = heeft zich verdienstelijk gemaakt jegens; Deservedly = terecht; The deserving poor man = fatsoenlijke arme; Deserving of a better cause = eene betere zaak waardig.

Deshabille, dezəbîl = Dishabille.

Desiccant, disik’nt, desik’nt, subst. en adj. opdrogend (geneesmiddel); Desiccate, desikeit, disikeit, opdrogen; subst. Desiccation; Desiccative, disikətiv = Desiccant.

Desiderate, dəsidəreit, wenschen, noodig hebben, missen: I could have desiderated a fuller treatment of that subject = eene vollediger behandeling ware wenschelijk geweest; A desiderated reform = gewenscht, maar niet verkregen; Desiderative, dəsidərətiv, subst. en adj. gewenscht(e zaak); Desideratum, desideratum.

Design, dizain, disain, subst. schets, plan, ontwerp, voornemen, bedoeling, aanslag, dessin; Design verb. schetsen, ontwerpen, bedoelen, aanwijzen: Industrial design = vakteekenen; A school of design = ambachtsteekenschool; Through design = opzettelijk; Designedly = opzettelijk; Designer = ontwerper, intrigant; Designing, subst. het ontwerpen van dessins, etc.; adj. intrigeerend, listig.

Designate, designeit, aanwijzen, onderscheiden, noemen, bestemmen voor; subst. Designation.

Desilver(ize), disilvə(raiz), ontzilveren; subst. Desilverization.

Desirable, dizairəb’l, wenschelijk; subst. Desirableness = Desirability; Desire, dizaiə, subst. begeerte, wensch, verlangen; Desire verb. verlangen, begeeren, verzoeken: He is not all that can be desired = hij kon wel beter zijn; I desired him to walk upstairs = verzocht hem; Desirous = begeerig: Desirous of praise = begeerig naar lof.

Desist, disist, dizist, ophouden, nalaten, afzien van (from); subst. Desistance.

Desk, desk, subst. lessenaar, lezenaar: Desk-work = schrijfwerk, zittend werk.

Desolate, desəlit, adj. verlaten, droevig, somber, eenzaam, woest; Desolate verb. (desəleit), verwoesten, eenzaam maken, ontvolken, vernietigen; subst. Desolateness; Desolater, Desolator, deseleitə, verwoester; Desolation = verwoesting, eenzaamheid, troosteloosheid.

Despair, dispêə, subst. wanhoop; Despair verb. wanhopen: In despair = wanhopig; His life was despaired of = er werd gewanhoopt aan.

Despatch, dispatš, subst. verzending, wegzending, afdoening, spoed, bericht; Despatch verb. afzenden, afmaken, volbrengen, afdoen, dooden: Happy despatch = de Jap. Harakiri; Despatch-box = portefeuille, schrijfmap; Despatch-goods = ijlgoederen; Despatch-money = premie op vlug laden of lossen; Despatcher = dispacheur.

Desperado, despəreidou, dolle waaghals, wanhopige schurk, woesteling.

Desperate, despərit, adj. vertwijfeld, wanhopig, verloren, hopeloos, roekeloos, geweldig: Desperate of = wanhopend aan; subst. Desperateness = vertwijfeling, razernij; Desperation = vertwijfeling.

Despicable, despikəb’l, verachtelijk, laag, gemeen, waardeloos; subst. Despicableness; Despise, dispaiz, verachten, versmaden.

Despite, dispait, subst. boosaardigheid, spijt, verachting; He did it (in) despite of warning = trots alle; Despiteful = boosaardig; subst. Despitefulness.

Despoil, dispôil, berooven, plunderen; Despoliation, despoulieiš’n, dispoulieiš’n, plundering, berooving.

Despond, dispond, moedeloos of hopeloos worden, wanhopen; Despondency = moedeloosheid; adj. Despondent = Desponding.

Despot, despot, alleenheerscher, tiran; adj. Despotic(al); Despotism = despotisme.

Despumation, despjumeiš’n, afschuiming.

Dessert, dəzɐ̂t, dəsɐ̂t, dessert; Dessert-dish; Dessert-spoon.

Destination, destineiš’n, bestemming; Destine, destin, bestemmen (to, for); Destiny, destini, bestemming, lot, noodlot: The Destinies = de drie Parcae of Schikgodinnen.

Destitute, destitjût, ontbloot van, behoeftig, verlaten, hulpeloos; ook subst.; Destituteness = verlatenheid; Destitution = groote armoede.

Destroy, distrôi, vernietigen, verwoesten, afbreken, dooden, verdelgen: Never destroy anything = doe nooit iets weg; Destroying angel = worgengel.

Destructibility, distrɐktibiliti, vernietigbaarheid; adj. Destructible; Destruction, distrɐkš’n, vernieling, verdelging, verwoesting, ondergang; Destructive, distrɐktiv, subst. radicale hervormer; adj. vernietigend, verderfelijk; subst. Destructiveness.

Desudation, desjudeiš’n, overmatig zweeten.

Desuetude, deswitjûd, (in) onbruik (raken).

Desulphurate, disɐlfjureit, ontzwavelen = Desulphurize.

Desultoriness, desəltərinəs, subst. v. Desultory, des’ltəri, onsamenhangend, vluchtig, oppervlakkig, van den hak op den tak.

Detach, ditatš, scheiden, losmaken, afkeerig maken, detacheeren: The Free Staters will not be detached from their alliance = zich niet losmaken; Detachable = scheidbaar; Detached house = vrijstaand; Detachment = scheiding, onbevangenheid, detachement.

Detail, diteil, dîteil, subst. omstandig verhaal, omstandigheid, bijzonderheid, afdeeling manschappen (voor speciale diensten): In detail = omstandig, stuk voor stuk; He entered into details = trad in bijzonderheden; Further details = nadere bijzonderheden, details.

Detail, diteil, omstandig verhalen, in bijzonderheden mededeelen; voor speciale diensten aanwijzen: A detailed account = omstandig verslag.

Detain, ditein, afhouden, ophouden, terughouden, onthouden, gevangen houden: A writ of detainer was issued against them = bevel tot verlengde gevangenhouding werd tegen hen uitgevaardigd; Forcible detainer = gewelddadige inbezithouding.

Detect, ditekt, ontdekken, betrappen, aan ’t licht brengen; Detectable of Detectible = ontdekbaar; Detecter (Detector) = indicateur; Detection = ontdekking, betrapping; Detective = subst. geheime agent; ook adj.: The detective force = geheime politie.

Detent, ditent, lichter, drukker, trekker.

Detention, ditenš’n, terughouding, uitstel, opsluiting; het nablijven: Detention-colony = strafkolonie; Detention-work = strafwerk; House of detention = huis van bewaring.

Deter, ditɐ̂, afschrikken, afhouden; Deterrent = afschrikkend (middel of voorbeeld).

Deterge, ditɐ̂dž, eene wond zuiveren; Detergent = reinigend (middel).

Deteriorate, ditîriəreit, ontaarden, verergeren; subst. Deterioration.

Determinability, ditɐ̂minəbiliti, subst. v. Determinable, ditɐ̂minəb’l, bepaalbaar, beslisbaar; Determinate, ditɐ̂minit, bepaald, beperkt, beslist; Determination, ditɐ̂mineiš’n, einde, beslissing, bepaling, besluit, vaststelling, beslistheid, vastberadenheid; Determinative = bepalend; Determine, ditɐ̂min, bepalen, beperken, besluiten, beslissen, vergewissen; Determinism, ditɐ̂minizm, determinisme.

Detest, ditest, verfoeien; Detestability = Detestableness = verfoeielijkheid; Detestation, dîtəsteiš’n, verfoeiing, walging.

Dethrone, dithroun, onttronen; subst. Dethronement.

Detinue, detinjû: Action of detinue = actie tot teruggave van onwettig onthouden goederen.

Detonate, detəneit, (doen) ontploffen: Detonating cap, gas, powder = slaghoedje, knalgas, donderpoeder; Detonation = explosie; Detonator, slaghoedje, knalsignaal (= Detonating fog-signal), donderbus.

Detour, ditûə, kromming, omweg, omhaal, wijking.

Detract, ditrakt, wegnemen, smaden, verkleinen, belasteren: That does not detract from my wish to serve you = dit belet niet, dat ik wensch; subst. Detraction; adj. Detractive = Detractory; Detractor, smaler, lasteraar; aftrekspier.

Detrain, ditrein, uit een spoortrein laden, uitstijgen.

Detriment, detriment, schade, nadeel; Detrimental; adj. nadeelig, schadelijk; subst. jongmensch, dat meisjes het hof maakt, en ernstige aspiranten daardoor afschrikt.

Detroit, ditrôit.

Detruncate, ditrɐŋkeit, knotten, afsnijden; subst. Detruncation.

Deuce, djûs, twee (op dobbelsteenen of kaarten), beide spelers 3 slagen (Lawntennis); duivel, droes, drommel: I had the deuce’s own trouble with him = drommels veel moeite met; The deuce is in it = daar speelt de duivel mee; He is the deuce to talk = hij is een vervelende babbelaar; Deuced difficult = verduiveld moeilijk; Deuce-ace = de één en twéé bij het dobbelen.

Deus ex machina, dîəseksmeikinə.

Deuteronomy, djûteronəmi, Deuteronomium.

Deuxponts, djûpoŋ, Tweebruggen.

Devastate, devəsteit, verwoesten; subst. Devastation; Devastator = verwoester.

Develop, diveləp, (zich) ontwikkelen, verduidelijken, ontvouwen; Developer = ontwikkelaar; Development = ontwikkeling, ontvouwing.

De Vere, də vîə; Devereux, devərû.

Devest, divest, vervreemden (van recht of titel); verloren gaan: Zie Divest. He devested himself of his power = hij legde af.

Deviate, dîvieit, afwijken, afdwalen; subst. Deviation.

Device, divais, subst. plan, oogmerk, devies, motto, list, vinding; Full of devices = vindingrijk, slim.

Devil, dev’l, subst. duivel, drukkersloopjongen, scheurmachine (in lompenfabrieken); sterk gekruid vleeschgerecht; Devil verb. aan flarden scheuren (van lompen), sterk kruiden of peperen; handlangen: What comes over the devil’s back, goes under his belly = onrechtvaardig verkregen goed gedijt niet; Devil’s bones = dobbelsteenen; Devil’s books = speelkaarten; Devil’s dirt = duivelsdrek; Devil’s Own = het 88e linie-regiment; Devil’s tattoo = het trommelen met de vingers op eene tafel, etc.; Between (the) devil and (the) deep sea = tusschen Scylla en Charybdis; He must needs go whom the devil drives = wie den duivel aan boord heeft moet met hem varen; Devil take the hindmost = loope wie loopen kan; He gave the devil his due = hij heeft hem recht laten wedervaren; The boy plays the devil with his teachers = plaagt verschrikkelijk; It is enough to kill the devil = je zou er des duivels van worden; That is the devil of it = dat is het beroerde van de zaak; What the devil do you want? = wat duivel moet je; Devil a bit I care = het kan me geen zier schelen; A devil-may-care fellow = onverschillig, roekeloos; Devilish = duivelsch, verduiveld; Devilment = schurkerij: There’s devilment in him = hij heeft leelijke streken; Devil(t)ry = duivelsche slechtheid, streken.

Devious, dîvjəs, afwijkend, afdwalend: Devious path (way) = omweg; Devious step = misstap; subst. Deviousness.

Devisable, divaizəb’l, bedenkbaar; vermaakbaar; Devise, divaiz, subst. erflating; testament; Devise verb, verzinnen, overleggen, overwegen, nalaten (by will); Devisee, devizî, wien de grondbezittingen worden vermaakt; Deviser = plannenmaker; Devisor = erflater.

Devitrification, dəvitrifikeiš’n, subst. v. Devitrify, divitrifai, tot matglas maken.

Devocalize, divoukəlaiz, stemloos maken.

Devoid, divôid, ontbloot (of).

Devoir, Fr. uitspr., plichtpleging.

Devolution, devəl(j)ûš’n, toevallen bij erfenis; verwijzing naar eene commissie (Parl.).

Devolve, divolv, overdragen, overgaan, toevallen, tebeurtvallen, neerkomen op: It devolves on you = komt op u neer; subst. Devolvement.

Devon, dev’n = Devonshire; Devonian = uit D.; Devonport; Devonshire: Devonshire colic = loodkoliek.

Devote, divout, verb. wijden, offeren, doemen; Devoted = gewijd, gedoemd; innig verknocht; subst. Devoteness; Devotee, devətî, aanbidder, enthousiast; bekrompen dweper, kwezel; Devotion, divouš’n, toewijding, opoffering, godsvrucht, godsdienstoefening, gebed, gehechtheid, vurige liefde: Devotions = gebeden, godsdienstige plichten, godsdienstoefening; Devotional = godvruchtig, vroom, stichtelijk.

Devour, divauə, verslinden, verteren, vernietigen.

Devout, divaut, vroom, innig, oprecht; subst. Devoutness.

Dew, djû, subst. dauw; Dew verb. bedauwen, bevochtigen; Dew-beater = dauwtrapper; voet; Dew-berry = dauwbraam; Dew-dropping = dauwend, zacht neervallend als dauw; Dewlap = kossem, halskwabbe; Dew-point = dauwpunt; Dew-worm = aardworm, pier; Dewy = bedauwd.

D’Ewes, djûz.

Dexter, dekstə, rechtsch, ter rechter (Herald.); Dexterity, deksteriti, handigheid, vaardigheid; Dext(e)rous, dekstrəs, (dekstərɐs), handig, vaardig.

Dextrine, dekstrin, dextrine.

Dey, dei, (Turksche titel voor) stadhouder.

Dhobi(e), doubi, Brit. Ind. waschvrouw; Dhole, doul, wilde hond; Dhotee, Dhoti, douti, lendendoek (Brit. Ind.).

Dhow, dau, Arabisch vaartuig.

Dhurra, dɐrə, Indisch en Egypt. gierst.

Diabetes, daiəbîtîz, suikerziekte; adj. Diabetic: Diabetic sugar = druivensuiker.

Diablerie, Diablery, diabləri, diâbləri, = Devilry; Diabolic(al), daiəbolik(’l), duivelsch, kwaadaardig; subst. Diabolicalness; Diabolism, daiabəlizm, duivelachtigheid, bezetenheid.

Diaconal, daiakən’l, een deacon betreffend; Diaconate = decanaat.

Diacritic, daiəkritik, onderscheidend; subst. onderscheidingsteeken; adj. Diacritical.

Diadem, daiədem, diadeem; Diadem spider = kruisspin.

Di(a)eresis, daiîrisis, daierisis, diaeresis.

Diagnose, daiəgnouz, daiəgnous, de diagnose bepalen; Diagnosis, daiəgnousis, diagnose; Diagnostic = kenmerkend (teeken); Diagnostics = diagnostiek.

Diagonal, daiagən’l, adj. en subst. diagonaal.

Diagram, daiəgram, subst. diagram; adj. Diagrammatic.

Diagraph, daiəgraf, een soort teekenaap; Diagraphic(al) = beschrijvend.

Dial, dai’l, zonnewijzer, wijzerplaat, draaibord: Arabic, Roman dial(-plate) = wijzerplaat met Arab. of Romeinsche cijfers.

Dialect, daiəlekt, dialekt, tongval; adj. Dialectal = Dialectical = de dialectiek betreffend = Dialectic; Dialectician, dialecticus; Dialectics, dialectiek; Dialectology = studie en kennis der dialecten.

Dialogic(al), daiəlodžik(’l), dialogisch; Dialogist; Dialogue, daiəlog, subst. tweegesprek, tweespraak; verb. een d. houden.

Diameter, daiamətə, middellijn; Diametric(al) = diametraal.

Diamond, dai(ə)m’nd, subst. diamant, diamantletter, ruit; ook adj.: It is diamond cut diamond = ze zijn aan elkaar gewaagd; Nine of diamonds = ruiten negen; Diamond-cutting = diamantslijpen; The windows were diamond-pane lattices = in lood gevatte ruiten; A diamond-shaped figure = ruitvormige figuur; Diamondiferous = diamanten bevattend.

Diana, daianə, daieinə, Diana.

Diapason, daiəpeiz’n, algemeene toonomvang van stem of instrument; algemeen aangenomen toonhoogte, diapason.

Diaper, daiəpə, subst. soort van damast, servet; adj. gebloemd; Diaper verb. figuren of bloemen maken (in eene stof), schakeeren; Diaper-pavement, Diaper-work = mozaïekvloer.

Diaphane, daiəfein, doorschijnende stof, zijden stof met doorschijnende figuren.

Diaphanous, daiafənɐs, diaphaan.

Diaphoretic, daiəfəretik, subst. en adj. zweetverwekkend (middel).

Diaphragm, daiəfram, middenrif; diaphragma (microsc.).

Diarist, daiərist, houder v. een Diary.

Diarrhoea, daiərîə, buikloop; adj. Diarhoetic, daiəretik.

Diary, daiəri, dagboek.

Diastase, daiəsteis, diastase.

Diastole, daiastəlî, uitzetting van het hart na samentrekking; verlenging van eene korte lettergreep.

Diatribe, daiətraib, schimprede, schotschrift.

Dib, dib, subst. bikkel; fiche; Dib verb. hengelen; Dibs = bikkelspel; geld; Dibber = hengelaar; pootijzer.

Dibble, dib’l, subst. pootijzer; Dibble verb. planten met een pootijzer; hengelen; Dibbler.

Dice, dais, subst. dobbelsteenen, dobbelspel; Dice verb. dobbelen; Dicer = dobbelaar; Dice-box = dobbelkoker; Dicing-house = dobbelhol.

Dicephalous, daisefəlɐs, tweekoppig.

Dick, dik, (verkorting voor) Richard; een soort pudding: Dick, Tom and Harry = Jan, Piet en Klaas; The children were making dick-duck-drakes in the sea with flattish pebbles = keilden platte kiezelsteentjes over de zeeoppervlakte.

Dickens, dik’nz, Dickens; duivel: What the Dickens = wat drommel!

Dicker, dikə, subst. tiental, tien paar; ruilhandel (Amer.); Dicker verb. (ruil)handel drijven (Amer.).

Dick(e)y, diki, achterbok (van een rijtuig), voorhemdje, slabbetje, ezel; adj. twijfelachtig, vreemd, onwel.

Dicotyledon, daikotilîd’n, plant met twee zaadlobben; adj. Dicotyledonous.

Dictate, diktit, subst. voorschrift, inspraak; Dictate verb. dikteit, voorschrijven, gebieden, dicteeren; Dictation = dictee: voorschrift; Dictator; Dictatorial = gebiedend, dictatoriaal; Dictatorship.

Diction, dikš’n, wijze van zeggen, uitdrukking, stijl; Dictionary, dikš’nəri, woordenboek; Dictum, dikt’m (Meerv. Dicta, diktə), uitspraak, bewering: Obiter Dicta = beweringen “in ’t voorbijgaan”.

Didactic(al), didaktik(’l), didactisch: Didactic poetry = didactische; Didactics = didactiek.

Didder, didə, rillen (van koude).

Diddle, did’l, zwendel; Diddle verb. bedotten; waggelen: He diddled me out of it = zette het mij af; Diddler = zwendelaar.

Dido, daidou, bokkesprong: He is cutting didos = hij maakt bokke(kromme)sprongen.

Die, dai, subst. dobbelsteen (Meerv. Dice), muntstempel (Mv. Dies, daiz); teerling, kubusvormig voetstuk: As straight as a die = zoo recht als eene kaars; The die is cast = de teerling is geworpen; Die-sinker = graveur: Those dies are well sunk = goed gegraveerd.

Die, dai, sterven, vergaan, omkomen, achteruitgaan, verdwijnen, verdorren, verwelken, uitgaan, gaan liggen, wegsterven, smachten naar: To die hard = onbevreesd sterven, een taai leven hebben; Never say die = geef het nooit op; He died of hunger, for thirst, from poison, with terror = van honger, dorst, aan vergif, van schrik; This man has died to the world = is der wereld afgestorven; I am dying to see you = brand van verlangen.

Dies irae, daiîzairi, dag des toorns, aanvangswoorden van een ouden boetpsalm; Per diem = per dag.

Diesis, daiisis, dubb. dolk: ‡ of ⌗.

Diet, daiit, subst. voedsel, dieet; rijks- of landdag; Diet verb. voeden, eten; een dieet volgen of voorschrijven: I think I ought to diet you = op dieet zetten; Dietary = het dieet betreffend, verplegings..., keuken...; subst. dieet; Dietetic = tot diet behoorende; Dietetics, daiətetiks, leer der juiste voeding.

Differ, difə, verschillen, zich onderscheiden van; niet eens zijn, twisten: He differs from you = verschilt van (is anders dan) u; He differed with me in opinion = was ’t niet met me eens; Difference, subst. verschil, onderscheid; strijd, geschilpunt; Difference verb. onderscheiden; To arrange a difference = een geschil uitmaken; It makes no difference = het maakt niet uit; To pay the difference = het ontbrekende bijbetalen; With a difference = met eenig verschil; Reason differences man from the brutes; Different = verschillend; Differential, difərenš’l, verschil of onderscheid makende; subst. differentiaal: Differential calculus = differentiaalrekening; Differential duties = differentiaalrechten; Differentiate, difərenšieit, (zich) onderscheiden, differentieeren; subst. Differentiation.

Difficult, difikɐlt, moeilijk, lastig; Difficulty = moeilijkheid: He is in difficulties = in geldelijke verlegenheid.

Diffidence, difidens, gebrek aan zelfvertrouwen, schroom, bedeesdheid; Diffident = beschroomd, bescheiden.

Diffract, difrakt, breken; Diffraction, breking (van stralen).

Diffranchise, difranšaiz = Disfranchise.

Diffuse, difjûs, adj. verspreid, verstrooid; wijdloopig; subst. Diffuseness.

Diffuse, difjûz, (zich) verspreiden, uitspreiden, uitgieten; Diffused = verspreid; subst. Diffusedness = wijdloopigheid = Diffuseness; Diffusibility = diffusievermogen; Diffusible = verspreidbaar; Diffusion = verspreiding, verstrooiing, uitstorting, overvloed; Diffusive, difjûsiv, verspreidend, uitstortend, wijdloopig; subst. Diffusiveness.

Dig, dig, subst. stomp, duw, blokker, steek (fig.); Dig verb. graven, spitten, uitgraven, indrukken; blokken: To have a sly dig at; To give a dig = (stiekum) een steek onder water geven; To dig away at = blokken op, aanhoudend werken aan; The wall was dug down = werd ondermijnd; The ground was dug up = uitgehold; Digger = graver, schop; Diggings = goudvelden, goudmijnen (in Californië, etc.); woonplaats, district, woning, kast.

Digest, daidžəst, digesten, pandecten, verzameling van Romeinsche wetten.

Digest, didžest, daižest, rangschikken, verteren, slikken (fig.), dulden, rijpelijk overdenken; zacht laten worden (door hitte), tot mest prepareeren; Digester = verteringbevorderend middel: Papin’s digest = Papiniaansche pot; Digestibility = verteerbaarheid; Digestible = verteerbaar; Digestion = vertering, het prepareeren van mest; Digestive = verteringbevorderend: Digestive organs = verteringsorganen.

Dight, dait, tooien, sieren.

Digit, didžit, subst. vinger, vingerbreedte, 1⁄12 van de middellijn van zon of maan; cijfer: Number of three digits = getal van drie cijfers; Digital = vinger..., vingervormig; Digitalis, didžiteilis, vingerhoedskruid; Digitat(ed) = gevingerd; Digitigrade = op de teenen gaande; subst. teenganger.

Dignified, dignifaid, waardig, deftig; Dignify, dignifai, met eer bekleeden, onderscheiden, eerbied wekken; Dignitary, dignitəri, waardigheidsbekleeder; kerkvoogd; Dignity, digniti, waardigheid, deftigheid, rang: To stand on one’s dignity = op zijn point d’honneur staan.

Digraph, daigraf, twee letters met één klank (de ea in head).

Digress, d(a)igres, afdwalen, afwijken; subst. Digression = afwijking, uitweiding, afdwaling; adj. Digressive.

Dike, daik, subst. sloot; dijk, grensmuur; ader: Dike verb. indijken; draineeren; Dike-grave(-reeve) = dijkgraaf.

Dilapidate, d(a)ilapideit, laten vervallen, neerhalen, afbreken; subst. Dilapidation.

Dilatability, d(a)ileitəbiliti, rekbaarheid; uitzetbaarheid; adj. Dilatable, d(a)ileitib’l; Dilatation, d(a)iləteiš’n, uitzetting; Dilate, d(a)ileit, Dilate verb. uitzetten, verwijden, uitwijden: Dilated eyes = opengesperde.

Dilatoriness, dilətərinəs, traagheid, nalatigheid, uitstellen; adj. Dilatory = tot uitstellen geneigd.

Dilemma, d(a)ilemə, dilemma: To find oneself on (To place between) the horns of a dilemma = zich bevinden in (iem. plaatsen voor) een dilemma.

Dilettant(e), dilətant, dilettant; Dilettant(e)ism = dilettantisme.

Diligence, dilidž’ns, ijver, naarstigheid; adj. Diligent.

Dilly, dili, diligence (verkorting van Diligence, Fr. uitspr.).

Dilly-Dally, dilidali, (ver)treuzelen.

Diluent, diljûent, met water verdunnend; subst. bloedverdunnend middel.

Dilute, d(a)il(j)ût, adj. verdund, zwak; Dilute verb. verzwakken, verslappen, verdunnen; Dilution = verdunde oplossing (van vloeistoffen).

Diluvial, d(a)il(j)ûv’l; Diluvian, diluviaal; tot den zondvloed behoorend; Diluvium, d(a)il(j)ûvj’m, diluvium.

Dim, dim, adj. donker, dof, onduidelijk, schemerig, suf, mat; Dim verb. verduisteren, dof maken, dof worden; Dim-eyed = met zwakke oogen; Dim-sighted = bijziend; Dim-twinkling = zwak schijnend.

Dime, daim, zilveren muntstukje, 1⁄10 van een dollar, kwartje: Dime-novels = goedkoope prulromans; Dimes = geld.

Dimension, dimenš’n, afmeting, graad, grootte; adj. Dimensional.

Dimeter, dimətə, (versregel) van twee of vier voeten.

Dimidiate, dimidjit, gehalveerd.

Diminish, diminiš, verminderen, verkleinen, verlagen, afvallen, afnemen: Our opponents may well hide their diminished heads = beschaamd afdruipen; Diminution, diminjûš’n, vermindering, verkleining, verlaging; Diminutive, diminjutiv, subst. verkleinwoord; adj. klein, gering; subst. Diminutiveness; Diminuendo, diminjuendou, verminderingsteeken: >.

Dimissory, dimisəri, wegzendend, ontslag...

Dimity, dimiti, diemet.

Dimness, dimnəs, duisterheid, dofheid.

Dimple, dimp’l, subst. kuiltje; Dimple verb. (zich) rimpelen, kuiltjes vormen: A pretty, dimpled face = gezichtje met kuiltjes erin; Dimply = vol kuiltjes, gerimpeld.

Din, din, subst. geraas, gerammel, gekletter, lawaai; Din verb. verdooven (door geraas), rammelen, kletteren, aan de ooren schreeuwen of zeuren (into a person’s ears).

Dinah, dainə, Dina.

Dine, dain, middagmalen, middagmaal verschaffen: I have dined with Duke Humphrey = heb geen (warm) eten gehad; You can dine a boat’s crew on this piece of meat = aan dit stuk vleesch heeft de bemanning van eene boot genoeg; Diner = eter; restauratiewagen (Amer.): He is a diner-out = hij is bijna altijd op diner, eet buitenshuis; Dining: Dining-car = restauratiewagen; Dining-rooms = eetzalen, restaurant; Dining-table.

Ding, diŋ, met kracht stooten, neerslaan, wegwerpen, inscherpen (into), pochen, klinken, luiden; Ding-dong, diŋdoŋ, bom-bam, gebeier, verdoovend, nadrukkelijk.

Ding(e)y (Dinghy), diŋgi, Indisch bootje; kleinste boot (van een schip).

Dinginess, dinžinəs, donkerbruin, vuil.

Dingle, diŋg’l, klein dal, vallei.

Dingle-dangle, ding’ldang’l, slofslof.

Dingy, dinži, vuil, donker of vuil-zwart.

Dink, diŋk, keurig: Dink and dainty; Dink verb. optooien.

Dinner, dinə, middagmaal, feestmaal: Public dinner = officieel diner, banket; I have made a good (poor) dinner = heb goed (weinig) gegeten; Dinner-jacket = ‘smoking’; Dinner-party = gezelschap, dischgenooten; Dinner-service = servies; Dinner-time = etenstijd; Dinner-waggon = dienbak op rolletjes; Dinnerless = zonder eten.

Dint, dint, subst. slag, stoot, deuk, indruk, striem, kracht; Dint verb. groeven, indrukken: By (through) dint of hard work he succeeded = door hard werken; These are the dints of his fingers = indrukken.

Diocesan, daiosîs’n, daiəsîs’n, subst. bisschop of inwoner van een diocese; adj. diocesaan; Diocese, daiəsîs, diocese.

Diocletian, daiəklîš’n, Diocletianus.

Diogenes, daiodžənîz; Diomedes, daiəmîdîz; Dionysus, daienisəs: Fruit of Dionysus = wijn.

Dioptric(al), daioptrik(’l), dioptrisch: Dioptrics = dioptrica.

Diorama, daiərâmə, daiəreimə, diorama; adj. Dioramic.

Dip, dip, subst. indooping, bad, helling, glooiing, vetkaars (= Dip-candle), vette saus, inclinatie (van de kompasnaald); Dip verb. indoopen, bevochtigen, indompelen, inclineeren, strijken en weer opzetten, op en neer halen, doorslaan (v. balans); uitscheppen, glooien, vluchtig doorlezen, even aanraken, zich inlaten met, op goed geluk kiezen, verpanden: The scale dipped on that side, in favour of him = de schaal sloeg door; He had deeply dipped his estates = had eene zware hypotheek genomen op.

Dipchick, diptšik; Zie Dabchick.

Diphtherea, dif-thîriə, dipthîriə, Diphtheritis, diphtheritis; adj. Diphther(it)ic, diftherik, diptherik, dif-thəritik.

Diphthong, difthoŋ, dipthoŋ, tweeklank; adj. Dipthongal; Diphthongize = tot een tweeklank maken of worden.

Diphyllous, difəlɐs, daifiləs, tweeblad(er)ig.

Diploma, diploumə, diploma; Diplomacy = diplomatie; Diplomat(e) dipləmat = Diplomatist, diploumətist; Diplomatic, dipləmatik, subst. gezant, diplomaat; adj. diplomatisch; handschrift...; Diplomatics, dipləmatiks, diplomatie; paleografie.

Dipper, dipə, duiker, badknecht; nap; kaarsenmaker; Groote Beer; dompelaar (Amer.), waterspreeuw.

Dipsomania, dipsəmeinjə, periodieke drankzucht; Dipsomaniac = drankzuchtige; adj. Dipsomaniacal.

Diptera, diptərə, tweevleugelige insecten; adj. Dipteral = tweevleugelig = Dipterous.

Dire, daiə, ijselijk, verschrikkelijk, treurig, naar; adj. Direful; subst. Direfulness.

Direct, direkt, direct, rechtstreeksch, open, klaar, eenvoudig, oprecht, uitdrukkelijk; Direct verb. richten, sturen, den weg wijzen, toonen, geleiden, besturen, voorschrijven, adresseeren; Direct-fire = direct vuur (tegen vrijstaand doel); Direct-tax = directe belasting; Direction = richting, bestuur, voorschrift, opdracht, aanwijzing, recept, opschrift, adres; Direction-post = wegwijzer; Directly, direct, duidelijk, oogenblikkelijk; Directness = oprechtheid; Director = directeur; Directorate = directoraat (= Directorship); Directory, direktəri, subst. adresboek; bestuur, directoire (1795); adj. aanwijzend, aanwijzingen bevattend; Directress = directrice = Directrix.

Dirge, dɐ̂dž, (verbastering van Dirige), lijkzang (R.K. kerk).

Dirigible, diridžib’l, bestuurbaar; ook subst.

Diriment impediment, dirimentimpediment, storend iets; omstandigheid, die een huwelijk onwettig maakt (R.K. kerk).

Dirk, dɐ̂k, subst. dolk, ponjaard; Dirk verb. doorsteken met een dolk.

Dirt, dɐ̂t, subst. vuil, drek, slijk, vuiligheid, vuil weer; (goud houdende) grond (Amer.); Dirt verb. bevuilen, besmetten: It is as common as dirt = komt in groote hoeveelheden voor; To eat dirt = zich vernederen, in zijn schulp kruipen; If you throw enough dirt, some of it will stick = er blijft van den laster altijd wel wat hangen; Dirt-cheap = spotgoedkoop; To make dirt-pies = zandtaartjes maken (kinderspel); Dirtiness = vuilheid (ook fig.); Dirty, adj. bevuild, vuil, laag, gemeen; Dirt verb. bevuilen, bezoedelen.

Disability, disəbiliti, onbekwaamheid, onvermogen, onbevoegdheid; Disable, diseib’l, onbekwaam (onbevoegd, onbruikbaar) maken, buiten gevecht stellen, tot zwijgen brengen: A disabled soldier = invalide; A disabled state = ontredderde toestand; subst. Disablement.

Disabuse, disəbjûz, uit de dwaling of den droom helpen: You must disabuse yourself of such an idea = u losmaken van.

Disaccustom, disəkɐst’m, ontwennen.

Disadvantage, disədvântidž, subst. nadeel, verlies; Disadvantage verb. benadeelen: To be at a disadvantage = achterstaan bij; To place at a disadvantage = achterstellen bij; Disadvantageous, disadv’nteidžəs = nadeelig; subst. Disadvantageousness.

Disaffect, disəfekt, vervreemden, afkeerig of ontrouw maken; Disaffected = ontevreden, misnoegd; subst. Disaffectedness; Disaffection = afkeer, misnoegdheid.

Disaffirm, disəfɐ̂m, ontkennen, tegenspreken, loochenen, vernietigen; subst. Disaffirmance.

Disagree, disəgrî, verschillen, oneens zijn, niet passen bij, slecht bekomen; Disagreeable = onaangenaam; subst. Disagreeableness; Disagreement = meeningsverschil, oneenigheid.

Disallow, disəlau, niet toestaan, weigeren, afkeuren; Disallowable = verwerpelijk; Disallowance = afkeuring, verbod.

Disannul, disənɐl, vernietigen; subst. Disannulment.

Disappear, disəpîə, verdwijnen; subst. Disappearance: He was a nameless disappearance = zijn naam stierf geheel uit.

Disappoint, disəpôint, teleurstellen, verijdelen: I am disappointed in you = gij valt mij tegen; subst. Disappointment: Disappointment in love = ongelukkige liefde.

Disappreciate, disəprîšieit, onderschatten.

Disapprobation, disaprəbeiš’n, afkeuring, veroordeeling; Disapprobatory = afkeurend.

Disappropriate, disəproupriit, adj. onteigend; Disappropriate verb. disəprouprieit, ontnemen, onteigenen.

Disapproval, disəprûv’l, afkeuring; Disapprove, disəprûv, afkeuren, verwerpen.

Disarm, disâm, ontwapenen, onschadelijk maken; de wapens neerleggen, subst. Disarmament.

Disarrange, disəreinž, in de war brengen; subst. Disarrangement = verwarring.

Disarray, disərei, subst. verwarring, wanorde; verwarde kleeding; Disarray verb. in wanorde brengen; de kleeding uittrekken.

Disarticulate, disâtîkjuleit, ontleden; Disarticulator = prosector.

Disassociate, disəsoušieit, ontbinden.

Disaster, dizastə, subst. ramp, tegenspoed, onheil, ongeluk; Disastrous, dizastrəs, rampspoedig, ongelukkig, verwoestend.

Disavow, disəvau, ontkennen, loochenen, verwerpen; subst. Disavowal.

Disband, disband, afdanken (v. troepen), (zich) verspreiden; subst. Disbandment.

Disbar, disbâ, een Barrister het recht van pleiten ontnemen.

Disbelief, disbəlîf, ongeloof, twijfel; Disbelieve, disbəlîv, niet gelooven; betwijfelen; Disbeliever = ongeloovige.

Disbud, disbɐd, knoppen afbreken.

Disburden, disbɐ̂d’n, ontlasten, zich bevrijden, zijn hart uitstorten.

Disburse, disbɐ̂s, uitbetalen, uitgeven, voorschieten; subst. Disbursement.

Disc, disk. Zie Disk.

Discard, diskâd, subst. het écarteeren, de weggegooide kaarten; Discard verb. afdanken, heenzenden, afleggen, verwerpen, verwijderen, laten loopen, écarteeren.

Discern, dizɐ̂n, onderscheiden, bespeuren, beoordeelen, waarnemen; Discerner = kenner, etc.; Discernible = te onderscheiden, duidelijk; subst. Discernibleness; Discerning = scherpzinnigheid; adj. scherpzinnig, oordeelkundig; Discernment = inzicht.

Discharge, distšâdž, subst. ontslag, kwijtschelding, ontlasting, ontheffing; losbranding, salvo, ontlading, lossing, afdoen, vervulling, verrichting; Discharge verb. lossen, uitwerpen, ontladen, afschieten, kwijtschelden, ontslaan, ontheffen, betalen, réhabiliteeren, vrijspreken, uitstroomen, uitstorten, uitstooten, vervullen, dragen (van wonden): Men with satisfactory discharges = eervol ontslagen personen; To discharge one’s duty, from duty = zijn plicht vervullen, van den plicht ontheffen; Discharge-cock = afvoerkraan; Discharge-pipe = afvoerpijp; Discharger = ontlader, etc.

Dischurch, distšɐ̂tš, doorhalen als lidmaat, berooven van den rang van kerkelijke gemeente (dus: als sekte behandelen).

Disciform, disiföm, schijfvormig.

Disciple, disaip’l, subst. leerling, volgeling; Discipleship = de jongeren; Disciplinable, disiplinəb’l, voor leering vatbaar; strafbaar; Disciplinarian, disiplinêri’n, subst. tuchtmeester, ordehouder; adj. = Disciplinary, disiplinəri, disciplinair; Discipline, disiplin, subst. tucht, tuchtmiddel, tuchtiging, bestraffing; Discipline verb. onderwijzen, drillen, tuchtigen, bestraffen: To take the discipline = zichzelf tuchtigen.

Disclaim, diskleim, ontkennen, verwerpen, afstand doen van: He disclaimed any intention to offend; Disclaimer = ontkenning, verwerping, afstand, démenti.

Disclose, disklouz, openbaren, onthullen, blootleggen; Disclosure, diskloužə, openbaring, onthulling.

Discoid, diskôid, schijfvormig; ook subst.

Discoloration, diskɐləreiš’n, verkleuring, verkleurde plek, vlek, smet; Discolour, diskɐlə, ontkleuren, verkleuren, verbleeken.

Discomfit, diskɐmfit, verslaan, verstrooien, ontmoedigen, uit het veld slaan, verijdelen; Discomfiture = nederlaag, verijdeling, teleurstelling.

Discomfort, diskɐmfət, subst. smart, pijn, onrust, droefheid, onbehaaglijkheid; Discomfort verb. bedroeven, verontrusten.

Discommend, diskəmend, berispen, misprijzen, kleineeren; Discommendable = berispelijk.

Discommon, diskomən, een meente aan algemeen gebruik onttrekken, van privileges berooven.

Discompose, disk’mpouz, in wanorde of verlegenheid brengen, plagen: He was discomposed at it = was er geheel van ontdaan; Discomposure, disk’mpoužə, wanorde, verwarring, ontvoering.

Disconcert, disk’nsɐ̂t, in wanorde brengen, in verwarring brengen, verijdelen; subst. Disconcertion.

Disconformity, disk’nfömiti, gebrek aan overeenkomst, ongelijkheid.

Disconnect, diskənekt, afkoppelen, uitschakelen; subst. Disconnection.

Disconsolate, diskonsəlit, troosteloos, bedroevend; subst. Disconsolateness.

Discontent, disk’ntent, subst. ontevredenheid, misnoegen; adj. ontevreden, misnoegd; Discontent verb. ontevreden, misnoegd maken; Discontented = ontevreden; subst. Discontentedness = Discontentment.

Discontinuance, disk’ntinjuəns, staking, onderbreking, afbreking, storing = Discontinuation; Discontinue, disk’ntinjû, onderbreken, afbreken, ophouden, staken, onderbroken zijn of worden: To discontinue (a) business = eene zaak opheffen, likwideeren; Discontinuity = gebrek aan samenhang; Discontinuous = onsamenhangend.

Discord, disköd, tweedracht, strijd, disharmonie, verschil; Discordance, disköd’ns, gebrek aan overeenstemming, tegenspraak; Discordant = niet overeenstemmend, wanklinkend, valsch.

Discount, diskaunt, korting, disconto: At a discount = beneden pari; niet in trek (aanzien); Reverence (knowledge) is at a discount nowadays = staat thans in een slechten reuk; I bought it at a discount bookseller’s = bij een boekhandelaar, die netto en à contant verkoopt; Discount-bank = disconto-bank; Discount-broker (= Discounter) = wisselmakelaar; Discount-day = de vaste dag, waarop de E. bank wissels, enz. disconteert.

Discount, diskaunt, aftrekken, disconteeren, van weinig waarde beschouwen: We do not wish to discount the report of the committee = te kort doen aan; Our objections are partly discounted in the preface = onze bezwaren .... ondervangen; The beauty of the book is somewhat discounted by that circumstance = aan de schoonheid wordt afbreuk gedaan; Iron looked up through causes, that everybody had often discounted = de prijs van ’t ijzer ging omhoog door oorzaken, die iedereen dikwijls als van geen invloed had beschouwd; This grand building discounts all other structures out of sight = steekt uit boven alle andere gebouwen (fig.); Discountable = te disconteeren.

Discountenance, diskauntən’ns, subst. koele behandeling, afkeuring; Discountenance verb. den moed benemen, afschrikken van, afkeuren, verlegen maken.

Discourage, diskɐridž, ontmoedigen, afschrikken; Discouragement = ontmoediging, beletsel.

Discourse, diskös, subst. voordracht, redevoering, gesprek, verhandeling, preek; Discourse verb. spreken over, eene redevoering houden, handelen over; onderhouden over: To discourse music = ten gehoore brengen; He discoursed the women about their duties = onderhield.

Discourteous, diskɐ̂tšəs, diskötšəs, onbeleefd, lomp: Discourtesy, diskɐ̂təsi, onbeleefdheid, lompheid.

Discover, diskɐvə, ontdekken, openbaren, onderscheiden, toonen: She cannot discover hearts from diamonds = zij kent geen harten voor ruiten; He discovered himself as = ontpopte zich als, bleek te zijn; Discoverable = te ontdekken, zichtbaar; Discoverer = ontdekker; Discovery = ontdekking.

Discoverture, diskɐvətšə, ongehuwde staat (v. vrouwen).

Discredit, diskredit, subst. oneer, schande, discrediet, slechte naam; twijfel, ongeloof; Discredit verb. niet gelooven; in minachting brengen; Discreditable = verkeerd, schandelijk.

Discreet, diskrît, verstandig, oordeelkundig, beleidvol; discreet: He is discreet = kan een geheim bewaren; subst. Discreetness.

Discrepance, Discrepancy, diskrep’ns(i), verschil, tegenspraak, inconsequentie; adj. Discrepant.

Discrete, diskrît, afgescheiden, apart; Discretive, diskrîtiv, disjunctief, scheidend.

Discretion, diskreš’n, bezonnenheid, verstand, takt, discretie: Years of discretion = jaren des onderscheids; The enemies surrendered at discretion = op genade of ongenade; That is at your discretion = tot uw dienst, zooals u verkiest; That is in your discretion = dat moet ge zelf weten; Discretion is the better part of valour = beter een levende hond dan een doode leeuw; Use your own discretion = handel naar believen; Discretional = Discretionary = naar believen.

Discriminate, diskriminit, adj. onderscheidend; Discriminate verb. (diskrimineit) onderscheiden, uitkiezen, kenmerken; Discriminating = karakteristiek; scherpzinnig: Discriminating duties = differentiëele rechten; Discrimination, diskrimineiš’n, onderscheiding, onderscheid, onderscheidingsteeken; inzicht; Discriminative = kenmerkend, onderscheidend; oordeelkundig.

Discursive, diskɐ̂siv, logisch; afdwalend; subst. Discursiveness.

Discus, diskəs, schijf.

Discuss, diskɐs, bespreken; (rechterl.) vervolgen; verorberen, opdrinken: To discuss a bottle of wine; Discussion = discussie, debat; vervolging.

Disdain, disdein, subst. versmading, verachting; Disdain verb. versmaden, verachten; adj. Disdainful = verachtelijk; subst. Disdainfulness.

Disease, dizîz, ziekte, lijden, ziekelijke toestand: Diseases Prevention Act = Wet op Besmettelijke Ziekten; To die of disease of the heart = aan eene hartkwaal sterven; Disease-bearer = ziektekiem; Diseased meat = bedorven; Diseased in mind = zielsziek.

Disembark, disəmbâk, ontschepen, landen; subst. Disembarkation.

Disembarrass, disəmbarəs, bevrijden, uit de verlegenheid helpen; Disembarrassment = bevrijding.

Disembellish, disəmbeliš, van versierselen ontdoen.

Disembodiment, disəmbodiment, subst. v. Disembody, disəmbodi, van ’t lichaam bevrijden; afdanken (van soldaten), ontbinden.

Disembogue, disəmboug, uitstorten, uitstroomen; uitvaren.

Disembowel, disəmbau’l, van de ingewanden ontdoen; den buik opensnijden.

Disenchant, disəntšânt, ontgoochelen; subst. Disenchantment.

Disencumber, disənkɐmbə, bevrijden, ontlasten (of, from).

Disenfranchise, disənfrantšaiz, van kiesrecht berooven; subst. Disenfranchisement.

Disengage, disəngeidž, vrijmaken, zich losmaken, zich lostrekken, ontbinden, ontheffen, ontwarren: I shall be disengaged to-morrow = vrij zijn; Disengagedness = vrijheid, gebrek aan oplettendheid; Disengagement = bevrijding, ontslaan.

Disennoble, disənoub’l, van adeldom berooven.

Disentangle, disəntaŋg’l, ontwarren, bevrijden, losmaken; subst. Disentanglement.

Disestablish, disəstabliš, scheiden (v. Kerk en Staat); Disestablishment = scheiding (v. Kerk en Staat).

Disesteem, disəstîm, subst. minachting; geringschatting; Disesteem verb. minachten, geringschatten.

Disfavo(u)r, disfeivə, subst. ongenade, minachting; Disfavo(u)r verb. gunst onttrekken, afkeuren.

Disfiguration, disfigjureiš’n, misvorming, wanstaltigheid; Disfigure, disfigjə, misvormen, bederven.

Disfranchise, disfrantš(a)iz, van privileges of burgerrechten (vooral van het kiesrecht) berooven; subst. Disfranchisement.

Disgorge, disgödž, uitbraken, opgeven, teruggeven; subst. Disgorgement.

Disgrace, disgreis, subst. ongenade, schande, schandvlek; Disgrace verb. genade of gunst onttrekken, in ongenade brengen, tot schande strekken: That boy is in disgrace = heeft straf; You are disgraced = in ongenade gevallen, onteerd; Disgraceful, schandelijk; subst. Disgracefulness.

Disguise, disgaiz, subst. vermomming, dekmantel, voorwendsel, veinzerij; roes; Disguise verb. vermommen, verbergen: He did not make the least disguise of his faults = verbloemde ze niet in ’t minst; He was slightly disguised = lichtelijk aangeschoten; Disguisement = vermomming; Disguiser = schijnheilige.

Disgust, disgɐst, subst. walging, ergernis; Disgust verb. walgen: I am disgusted at that = walg ervan; Disgustful = walgelijk; subst. Disgustfulness; Disgusting = walgelijk.

Dish, diš, subst. schotel, schaal, gerecht, schoteltje, kop, holte, meetrog; Dish verb. opdisschen (up), uithollen, verijdelen, uit het zadel lichten, “verlakken”: Meat dish; Made dishes = fijne schoteltjes; Soap dish = zeepbakje; Vegetable dish; Dish-butter = tafelboter; Dish-cover = deksel; Dish-cloth = vaatdoek, Dish-mat = tafelmatje; Dish-warmer = heetwaterkomfoor; Dish-washer = bordenwasscher; Dish-water = schotelwater; Dishing = hol.

Dishabille, disəbîl, disəbil, négligé.

Disharmonious, dishâmounjəs; Disharmony, dishâməni, tweedracht.

Dishearten, dishât’n, ontmoedigen.

Dishevel, dišev’l, in wanorde brengen (van haar vooral); Dishevelment = wanorde.

Dishonest, disonəst, oneerlijk, onoprecht, bedriegelijk, schandelijk; subst. Dishonesty.

Dishono(u)r, disonə, subst. oneer, schande; Dishono(u)r verb. onteeren, te schande maken, niet honoreeren (wissel); Dishono(u)rable = onteerend, eerloos.

Dishorse, dishös, van het paard werpen.

Disillusion, disil(j)ûž’n, ontgoocheling; Disillusion verb. ontnuchteren, de illusie benemen = Disillusionize.

Disinclination, disinklineiš’n, afkeer, ongenegenheid; Disincline, disinklain, (iemand iets) tegen maken: To be disinclined = ongenegen zijn.

Disincorporate, disinköpəreit, eene corporatie of vereeniging ontbinden; subst. Disincorporation.

Disinfect, disinfekt, ontsmetten; Disinfectant = ontsmettingsmiddel = Disinfecting agent; Disinfection = ontsmetting; Disinfector = ontsmetter.

Disingenuity, disinžənjûiti, onoprechtheid; Disingenuous, disindženjuəs, onoprecht, sluw; subst. Disingenuousness.

Disinherit, disinherit, onterven; Disinheritance = onterving.

Disintegrable, disintəgrəb’l, scheidbaar, verweerbaar; Disintegrate, disintəgreit, de samenstellende deelen scheiden, (doen) verweeren, (zich) ontbinden; subst. Disintegration.

Disinter, disintɐ̂, opgraven, aan het licht brengen; subst. Disinterment.

Disinterested, disintərestid, belangeloos, onpartijdig; subst. Disinterestedness.

Disinthral(l), disinthrôl, van slavernij bevrijden.

Disjoin, disdžôin, ontbinden, scheiden, losspringen.

Disjoint, disdžôint, ontwrichten, ontleden, uit elkaar nemen: Disjointed sentences = losse zinnen; Disjointedness = onsamenhangendheid.

Disjunct, disdžɐŋkt, gescheiden; Disjunction = scheiding; Disjunctive = scheidend.

Disk, disk, schijf, discus.

Dislike, dislaik, subst. afkeer, weerzin; Dislike verb. niet houden van, afkeerig zijn van: Likes and dislikes = sympathieën en antipathieën; He took a dislike to me = kreeg een hekel aan mij; I do not dislike it = ik mag het wel.

Dislocate, disləkeit, ontwrichten, verschuiven; verhuizen (Amer.); Dislocation = ontwrichting, verschuiving, verdeeling (v. troepen).

Dislodge, dislodž, van eene plaats verwijderen, uit eene stelling verdrijven, opjagen, verjagen, opbreken; subst. Dislodgment.

Disloyal, dislôiəl, adj. ontrouw, plichtvergeten; subst. Disloyalty.

Dismal, dizm’l, somber, droevig, treurig, ijselijk: A dismalized account of the circumstances = treurig; subst. Dismalness.

Dismantle, dismant’l, ontdoen van, onttakelen, ontmantelen.

Dismask, dismâsk, ontmaskeren.

Dismast, dismâst, van mast(en) berooven.

Dismay, dismei, subst. verslagenheid, schrik; Dismay verb. verschrikken, moedeloos maken.

Disme, dîm, tiende.

Dismember, dismembə, ontleden, stuk snijden, verscheuren, verbrokkelen; subst. Dismemberment.

Dismiss, dismis, wegzenden, ontslaan, afdanken, verstooten, afwijzen, ontzeggen; uit elkander gaan: I was dismissed his house = zijn huis werd mij ontzegd; He was dismissed (from) that office = ontslagen uit; The appeal will be dismissed = geweigerd; The judge dismissed the plaintiff’s suit = wees... af; Dismissal = Dismission = ontslag, etc.; A dismissive letter = ontslagbrief.

Dismount, dismaunt, afwerpen, uit het zadel lichten, demonteeren, tot zwijgen brengen; uit elkaar nemen; afstijgen.

Disobedience, disəbîdj’ns, ongehoorzaamheid; adj. Disobedient; Disobey, disəbei, niet gehoorzamen: I will not be disobeyed = ik duld geen ongehoorzaamheid.

Disoblige, disəblaidž, onbeleefd, oninschikkelijk zijn.

Disorder, disödə, subst. wanorde, verwarring, tumult, overtreding, ongesteldheid, kwaal, gekrenktheid (van geest), uitspatting; Disorder verb. verwarren, derangeeren, ziek maken; Disordered = gekrenkt, liederlijk, bedorven; Disorderly = wanordelijk, ongeregeld, oproerig, liederlijk.

Disorganization, disögən(a)izeiš’n, desorganisatie; Disorganization verb. Disorganize.

Disown, disoun, verloochenen, niet erkennen, verstooten.

Disparage, disparidž, verkleinen, kwaadspreken van; subst. Disparagement.

Disparate, disparit, ongelijk, ongerijmd; Disparity, dispariti, verschil, ongelijkheid.

Dispart, dispât, scheiden, deelen, klooven, vizier en as van geschut parallel maken, zich scheiden, splijten; Dispart-sight = vizier (korrel).

Dispassionate, dispašənit, onpartijdig, kalm, leuk.

Dispatch, dispatš. Zie Despatch.

Dispel, dispel, verdrijven, verstrooien, verbannen.

Dispensability, dispensəbiliti, subst. v. Dispensable, dispensəb’l, vatbaar voor dispensatie, toelaatbaar; ontbeerlijk; subst. Dispensableness; Dispensary, dispensəri, armen-apotheek, polikliniek: I hate dispensary stuff = wat uit de apoth. komt; Dispensation = dispenseiš’n, uitdeeling; Godsbeschikking (= Dispensation of Providence), ontheffing, vrijstelling, vergunning (tot het hebben van twee betrekkingen, tot het wonen buiten zijn district of gemeente, etc.); Dispensatory, subst. de pharmacopœa; adj. de macht bezittend om vrijstelling te verleenen; Dispense, dispens, uitdeelen, toedienen, recepteeren, toepassen, beschikken, vrijstellen, kunnen ontberen: I can dispense with that now = ik kan er nu wel buiten, ik kan het missen; Dispenser = uitdeeler, apotheker: He did, as if he were the dispenser of life and death = beschikker over; Dispensing-power = het koninklijk prerogatief om de wet (b.v. door gratie te schenken) buiten werking te stellen.

Dispeople, dispîp’l, ontvolken.

Dispermous, daispɐ̂məs, tweezadig.

Disperse, dispɐ̂s, verstrooien, verspreiden, uit elkander jagen, uiteengaan; Dispersal = verspreiding; Dispersion, dispɐ̂š’n, verstrooiing, breking (van licht in verschillende kleuren); Dispersive = verspreidend.

Dispirit, dispirit, ontmoedigen, bang maken.

Displace, displeis, verplaatsen, verleggen, verschuiven; afzetten, ontzetten; verdringen, vervangen; subst. Displacement = ook waterverplaatsing (v. schepen).

Display, displei, subst. vertooning, vertoon, tentoonstelling; ontvouwing; Display verb. ontvouwen, ontwikkelen, tentoonspreiden, vertoon maken: A display of fireworks.

Displease, displîz, onaangenaam zijn, mishagen; Displeased = boos (with, at); Displeasing, displîziŋ, onaangenaam; subst. Displeasingness; Displeasure, displežə, subst. misnoegen, ongenade.

Disport, dispöt, subst. spel, tijdverdrijf; Disport verb. spelen, dartelen, zich vermaken.

Disposable, dispouzəb’l, beschikbaar; Disposal, dispouz’l, regeling, schikking, controle, beschikking: I am at your disposal = tot uw dienst, te uwer beschikking; The disposal in marriage = uithuwelijking; The disposal by sale = verkoop; Dispose, dispouz, schikken, regelen, uitdeelen, bestemmen, bewegen, beschikken, disponeeren; verkoopen: Man proposes, God disposes = de mensch wikt, God beschikt; It was disposed of by will = vermaakt bij testament; This house will be disposed of by valuation = is te koop voor de geschatte waarde; He disposed of his house for half the value = deed van de hand; How will you dispose of yourself? = wat ga je uitvoeren? He disposed on them for the amount of £ 500, to his own order = trok op hen - - -; Disposed = geneigd, gezind, gestemd: I am not disposed to it = niet voor gedisponeerd; He has a disposing mind for it = neiging; Disposition, dispəziš’n, subst. schikking, indeeling, gesteldheid, beschikking, neiging, gezindheid, aard, aanleg: The house is at your disposition = te uwer beschikking; I had the worst Dispositioned donkey = kwaadwilligste ezel.

Dispossess, dispəzes, uit het bezit verdrijven, berooven, bevrijden: He was dispossessed from (of) the throne by his brother; subst. Dispossession.

Dispraise, dispreiz, subst. blaam, verwijt; Dispraise verb. laken, berispen, verwijten.

Disproof, disprûf, weerlegging.

Disproportion, disprəpöš’n, subst. wanverhouding, onevenredigheid; Disproportion verb. onevenredig maken; Disproportionable = Disproportional = Disproportionate = ongelijk, onevenredig; subst. Disproportionality = Disproportionateness.

Disprovable, disprûvəb’l, weerlegbaar, berispelijk; Disprove, disprûv, weerleggen.

Disputable, dispjutəb’l, dispjûtəb’l, betwistbaar; twistziek; Disputant, dispjut’nt, subst. disputant, opponens; adj. betwistend, strijdig; Disputation, dispjuteiš’n, woordentwist; Disputatious = twistziek, tot opponeeren geneigd; Dispute, dispjût, subst. woordentwist, debat, geschil; Dispute verb. twisten, debatteeren, betwisten, verdedigen: Beyond (Past, Without) dispute = zonder kwestie; To arrange (settle) a dispute = bijleggen; He disputed for the empire = hij betwistte een ander het bezit van; Disputed = betwist.

Disqualification, diskwolifikeiš’n, onbevoegdverklaring, uitsluiting, onbevoegdheid; Disqualify, diskwolifai, onbevoegd (onbekwaam) verklaren (maken), uitsluiten.

Disquiet, diskwaiit, subst. angst, onrust; Disquiet verb. verontrusten, kwellen; Disquietous = angst- of onrustwekkend; Disquietude = onrustigheid, ongerustheid.

Disquisition, diskwiziš’n, verhandeling, onderzoek; Disquisitional, onderzoekings....

Disraeli, disreili.

Disregard, disrigâd, subst. minachting, verwaarloozing; Disregard verb. geringschatten, in den wind slaan, negeeren; adj. Disregardful.

Disrelish, disreliš, subst. afkeer, tegenzin; Disrelish verb. geen zin hebben in, een afkeer hebben van; tegen maken.

Disrepair, disripêə, verval, bouwvalligheid.

Disreputable, disrepjutəb’l, berucht, schandelijk; Disrepute, disripjût, subst. slechte naam, oneer, schande: To bring into disrepute = To bring disrepute upon = in discrediet brengen; To fall (sink) into disrepute = in kwaden reuk komen.

Disrespect, disrispekt, subst. geringschatting, minachting, oneerbiedigheid; Disrespect verb. geringschatten; Disrespectability = onwaardigheid, onsoliditeit; Disrespectable = onwaardig, onsolide; Disrespectful = oneerbiedig, onbeleefd, minachtend.

Disrobe, disroub, uitkleeden, berooven.

Disroot, disrût, ontwortelen.

Disrupt, disrɐpt, adj. verbroken; Disrupt verb. scheiden, verbreken; Disruption = scheiding, splitsing, verbreking, breuk; Disruptive discharge = plotselinge ontlading.

Dissatisfaction, disatisfakš’n, ontevredenheid; Dissatisfactory = onbevredigend; Dissatisfy = mishagen, niet voldoen, ontevreden maken, teleurstellen.

Dissect, disekt, ontleden, scherp en kritisch onderzoeken; Dissecting-room (Dissecting-table) = snijkamer (snijtafel); Dissection = sectie, nauwkeurig onderzoek; Dissector = anatoom, prosector.

Disseise, disîz, uit het bezit stooten; Disseisee = de onwettig uit zijn bezit gestootene; Disseisin, disîzin, wederrechtelijke inbezitneming; Disseisor, disîzə, onwettig bezitnemer; vr. Disseisoress.

Dissemble, disemb’l, verbergen, veinzen, huichelen; Dissembler = huichelaar; Dissembling, huichelachtig; subst. huichelarij.

Disseminate, disemineit, verspreiden, uitstrooien; subst. Dissemination; Disseminator.

Dissension, disenš’n, tweedracht, oneenigheid.

Dissent, disent, subst. verschil (van gevoelen), afscheiding (van eene kerk, de Dissenters); Dissent verb. verschillen (van gevoelen), zich afscheiden; Dissenter = afgescheidene (van de Staatskerk) = Dissentient, disenš’nt, adj. afwijkend: With one dissentient voice = één stem tegen; Dissenting views = afwijkende meeningen.

Dissertation, disəteiš’n, verhandeling, dissertatie.

Disservice, disɐ̂vis, ondienst, nadeel, schade.

Dissever, disevə, scheiden, afsnijden, splijten; subst. Disseverance.

Dissidence, disidens, oneenigheid; scheiding; Dissident, afwijkend.

Dissilient, disilj’nt, openspringend.

Dissimilar, disimilə, ongelijk; Dissimilarity, ongelijkheid = Dissimilitude, disimilitjûd, ook: tegenstelling.

Dissimulate, disimjuleit, veinzen; subst. Dissimulation; Dissimulator = huichelaar.

Dissipate, disipeit, verstrooien, verdrijven, weggooien, verkwisten, uitputten, zich verspreiden: Dissipated = liederlijk; Dissipation = verkwisting, losbandigheid.

Dissociate, disoušieit, scheiden; afzonderen; subst. Dissociation.

Dissolubility, disəl(j)ubiliti, disoljubiliti, oplosbaarheid; Dissoluble, disəl(j)ûb’l, disoljub’l, oplosbaar.

Dissolute, disəl(j)ût, losbandig; subst. Dissoluteness; Dissolution, disəl(j)ûš’n, smelting, oplossing, dood; Dissolvable = oplosbaar; Dissolve, dizolv, oplossen, scheiden, ontbinden, ophouden te bestaan, sluiten (van vergaderingen): To dissolve partnership = ontbinden; Dissolved in tears = wegsmeltende; Dissolvent, dizolv’nt, oplossend (middel); Dissolving views = lichtbeelden.

Dissonance, disən’ns, wanklank; Dissonant = wanklinkend, afwijkend.

Dissuade, disweid, afraden; Dissuasion, disweiž’n, afrading, ontrading; Dissuasive, disweisiv, ontradend; ontrading.

Dissyllabic, disilabik, tweelettergrepig; Dissyllable, disiləb’l, woord van twee lettergrepen.

Distaff, distaf, spinrok(ken), vrouw(elijk geslacht); Distaff-side = de vrouwelijke linie.

Distance, dist’ns, subst. afstand (ook fig.), tusschenruimte, verschiet, tijdruimte, interval (muziek), afstand van ± 200 M. van den eindpaal (aangewezen door den Distance-post); Distance verb. verwijderen, ver achter zich laten: At a distance = op een afstand; In the distance = in de verte; Out of distance = onafzienbaar ver; He keeps his distance = hij weet waar hij staan moet; I know my distance = weet waar ik staan moet; The jockey has saved his distance = had den distance-post (200 M. vóór den Winning-post) bereikt, voor de winner aan het einde der baan was (en mocht daarom verder aan de wedrennen deelnemen); That horse was distanced = dit paard viel uit, omdat het den distance-post nog niet had bereikt, toen zijn mededinger aan den Winning-post was; He was distanced = legde het schandelijk af; Distant, dist’nt, verwijderd, afgelegen, koel: He was distant and reserved = erg op een afstand.

Distaste, disteist, subst. afkeer, walging: He took a distaste at it = walgde ervan; Distasteful = walgelijk, onaangenaam; subst. Distastefulness.

Distemper, distempə, subst. ongesteldheid (thans vooral bij hond, paard en rundvee); tempera-schilderwerk, waarbij de kleuren met een bindmiddel zijn vermengd; een zoo bereide kleurstof; Distemper verb. in de war brengen, tempera-schilderen; Distempered, ongesteld, getroubleerd, ontevreden.

Distend, distend, uitstrekken, rekken, uitzetten, opzwellen: To distend a crush hat = laten uitspringen; The horse distended its nostrils = spalkte open; Distension, Distention, distenš’n, uitzetting, omvang.

Distich, distik, distichon.

Distil(l), distil, in druppels neervallen, zacht vloeien, distilleeren, laten druppelen: Distilled damnation = volkskanker; Distillate = distillaat; Distillation = distillatie; Distillatory, distilleer...; Distiller = brander; Distillery = branderij, stokerij; Distilment = Distillate.

Distinct, distiŋkt, onderscheiden, duidelijk: As distinct from = geplaatst tegenover; Distinction, distiŋkš’n, onderscheid, onderscheiding, onderscheidingsteeken, aanzien, rang, voornaamheid: Without distinction = zonder onderscheid; Distinguish, distiŋgwiš, onderscheiden, indeelen, kenmerken, zich onderscheiden; Distinguishable = te onderscheiden, opmerkelijk; Distinguished = onderscheiden, aanzienlijk, uitstekend.

Distingué, distiŋgei = Distinguished, ook: regenmantel.

Distort, distöt, verwringen, verdraaien; trekken (van hout); subst. Distortion; Distortive = verdraaid, verwrongen.

Distract, distrakt, afleiden, afwenden, verwarren, storen (v. de geestvermogens), verbijsteren: Distracted = verward, onthutst, dol, razend; Distractedness = Distraction, ook afleiding: He allowed himself no distraction = hij gunde zich geene ontspanning; Distractive = verwarrend, verontrustend.

Distrain, distrein, beslag leggen op: He threatened to distrain for the money = beslag te zullen leggen (op het goed) om het geld te krijgen; Distrainable = waarop beslag gelegd kan worden; Distrainer = hij die beslag legt; Distraint = beslaglegging (on).

Distraught, distrôt = Distracted.

Distress, distres, subst. droefheid, smart, benauwdheid, ellende, nood, tegenspoed; beslaglegging; Distress verb. benauwen, ongelukkig maken, beslag leggen: To levy (make, put in) a distress = beslag leggen; He is in distress for money = heeft geldgebrek; Flag of distress = noodvlag; Warrant of distress = bevel tot beslaglegging; A distressed ship = schip in nood; Distressful = ellendig, jammerlijk; Distressing = rampspoedig, pijnlijk.

Distributable, distribjutəb’l, verdeelbaar; Distribute, distribjut, verdeelen, uitdeelen, verbreiden, toebedeelen, sorteeren of distribueeren (van letters); Distribution, distribjûš’n, verdeeling, toebedeeling, sorteering, verbreiding; Distributive, subst. distributief woord (b.v. ieder); adj. verdeelend.

District, distrikt, subst. gebied, streek, afdeeling, district, provincie; District verb. in districten verdeelen (Amer.); District-court = arrondissementsrechtbank (Amer.); District-visitor = armenbezoek(st)er.

Distrust, distrɐst, subst. wantrouwen, verdenking; Distrust verb. wantrouwen, verdenken; adj. Distrustful; subst. Distrustfulness.

Disturb, distɐ̂b, verstoren, doen afwijken, in wanorde brengen, verontrusten, belemmeren, in beroering brengen: Do not disturb the sleeping lion = stoor niet; Disturbance = rustverstoring, stoornis, verwarring, verhindering.

Disunion, disjûnj’n, scheiding, ophitsing, tweedracht; oneenigheid; Disunite, disjunait, scheiden, gescheiden raken, uit elkaar gaan; Disunity = gescheidenheid.

Disuse, disjûs, onbruik, ongewoonte: To come (fall) into disuse = in onbruik geraken.

Disuse, disjûz, niet meer gebruiken, ontwennen, afnemen.

Ditch, ditš, subst. greppel, sloot, gracht; Ditch verb. eene sloot graven, draineeren, met een sloot omringen: It is as dull as ditchwater = verschrikkelijk langdradig; To die in the last ditch = zich tot het uiterste verdedigen; I am in a dry ditch = heb mijne schaapjes op het droge; Ditcher = slootgraver; schip dat door het Suezkanaal vaart.

Dithyramb, dithiram(b), Dithyrambus, dithirambəs, dithyrambe; adj. Dithyrambic.

Dittander, ditandə, peperkers.

Ditto, ditou, hetzelfde: A suit of dittoes (does) = een pak kleeren van ééne stof.

Ditty, diti, subst. liedje, deuntje; Ditty verb. zingen, neuriën; Ditty-bag = naaizak (met naalden, garen, etc.).

Diuresis, dai-jurîsis, sterke urineafscheiding; Diuretic, dai-juretic, urine-afscheidend (middel).

Diurna, daiɐ̂nə, dagvlinders, kapellen; Diurnal, daiɐ̂n’l, dagelijksch, dag...; subst. dagboek.

Divagation, daivəgeiš’n, afwijking, afdwaling, weiding.

Divan, divan, staatsraad (Turkije); raadzaal; rechtszaal; Turksch koffiehuis; rookkamer, sofa; verzameling gedichten.

Divaricate, daivarikeit, adj. gevorkt; Divaricate verb. zich vertakken, in twee takken scheiden, zich afwenden van; subst. Divarication.

Dive, daiv, subst. duiking in het water met het hoofd vooruit, plotselinge greep; dievenhol; Dive verb. duiken, zich verdiepen, doordringen: He made a dive for it = hij dook (greep) ernaar; Diver = zeeduiker; zakkenroller.

Diverge, d(a)ivɐ̂dž, divergeeren, afwijken; subst. Divergence; Divergent opinions = afwijkende.

Divers, daivəz, daivəs, verscheidene, ettelijke; Diverse, d(a)ivɐ̂s, daivəs, onderscheidene; Diversification, verscheidenheid, verschil, verandering; Diversiform = van verschillenden vorm; Diversify = varieeren, afwisselen; Diversion, d(a)ivɐ̂š’n, afleiding, uitspanning, vermaak; schijnbeweging, verlegging: To create a diversion = eene afleiding bezorgen; Diversity, d(a)ivɐ̂siti, verscheidenheid, ongelijkheid.

Divert, d(a)ivɐ̂t, afleiden, afbrengen van, vermaken; eene schijnbeweging maken; Diverting = vermakelijk; Divertisement = amusement; Divertive = vermakend.

Dives, daivîz, de rijke man.

Divest, divest, ontdoen, berooven, ontblooten; zich afwennen (= oneself); Dives(ti)ture, dives(ti)tjə, berooving (van bezit of recht); Divestment = het beroofd zijn (worden).

Divide, divaid, verdeelen, deelen, verleggen, scheiden, openen, splijten, in tweeën gaan; stemmen; subst. (water)scheiding: To divide the House = een stemming houden (in ’t Lagerhuis); Dividend, divid’end, deeltal, dividend: Dividend-warrant = dividendbewijs; Divider = deeler: Dividers = passer om lijnen in een zeker aantal gelijke deelen te verdeelen.

Divination, divineiš’n, voorspelling, voorgevoel; adj. Divinatory; Divine, divain, subst. godgeleerde, geestelijke; adj. goddelijk, hemelsch, buitengewoon, voortreffelijk; Divine verb. voorzèggen, gissen, raden: Divine service = godsdienstoefening; subst. Divineness; Divining-rod = tooverroede (om te ontdekken waar water onder den grond wordt gevonden).

Diving: Diving-bell, daiviŋbel, duikerklok; Diving-dress = duikerspak.

Divinity, diviniti, god(delijk)heid, godgeleerdheid: A divinity student; Divinify, divinifai, vergoddelijken.

Divisibility, divizibiliti, deelbaarheid; Divisible = deelbaar; Division = verdeeling, verdeeldheid, deeling, afdeeling, scheiding, schot, aandeel, divisie, stemming; Divisional = afdeelings..; Divisor = deeler.

Divorce, divös, subst. echtscheiding; Divorce verb. scheiden (van den echt): Divorce from bed and board = scheiding van tafel en bed (ook Judicial separation genoemd); Bill of Divorce = vonnis van echtscheiding; He divorced her = liet zich van haar scheiden; Divorcer = scheidingsmotief.

Divulge, divɐldž, onthullen, openbaar maken, verspreiden.

Divulsion, divɐlš’n, vaneenscheuring.

Dizen, daiz’n, zich optooien (out).

Dizziness, dizinəs = duizeligheid; Dizzy, dizi, adj. duizelig, duizelingwekkend; onnadenkend; Dizziness verb. duizelig maken, ronddraaien, verwarren.

Do, dû, subst. handeling, daad, moeite, drukte, bedrog; maal; Do verb. doen, verrichten, volvoeren, gereedmaken, voleindigen, zich gedragen, zich bevinden, voldoende zijn, enz.: I have done my do = het mijne gedaan; It was all a do = bedrog, afzetterij; To make a great to-do = veel drukte maken over; There’s nothing to do but yielding = niets anders aan te doen dan; I will have nothing to do with him = te maken hebben; What’s to do = wat is er aan de hand? That will do = zoo is ’t goed; These will do = zijn goed; That will not do with me = gaat bij mij niet op; How do you do? = hoe gaat het? He did me on a wager = nam mij beet met; Could you do me some fifty pounds? = zoowat 50 l. leenen? We do these at a shilling a piece = verkoopen; He did himself away = beging zelfmoord; We did away with it = schaften het af; Do by others as you wish to be done by = doe anderen, zooals gij wenscht, dat men u zal doen; To do for = zorgen voor, voldoende zijn; beetnemen; What can I do for you? wat is er van uw dienst? We have done for him = He was done for by us = wij hebben hem zijn vet gegeven, totaal verslagen; He did me for three thousand pounds = zette mij af; These things will do for fly-catchers = kunnen dienen als; She was done in stone = gebeeldhouwd; Done into English = overgezet; He did off all his array = legde ter zijde; I am not going to be done out of it = laat me niet ontnemen; He has done me out of £ 3000 = armer gemaakt; The house was done up = opgeknapt, gerepareerd; She has done him up = is hem te slim af geweest; To do up a parcel = vastbinden, toebinden; To be done up (knocked up) with the heat = kapot van; I am done with you for ever = je hebt voor goed bij mij afgedaan; I have done with him = met hem afgerekend; Have you done with the umbrella? = moet je de parapluie nog gebruiken? I can do without it = kan er buiten, wel zonder; To do battle for = strijden voor; To do the beds = doen; To do bills = wissels realiseeren; She did her hair = maakte op; To do Hamlet = spelen voor; Is your sister game to do the housekeeper = is uwe zuster geschikt (heeft ze lust) om de rol van huishoudster te spelen; We did the Isle of Wight in three days = reisden het eiland Wight rond; To do like for like = met gelijke munt betalen; To do paper = effecten, enz. omzetten; To do a room = doen; She was done brown = leelijk beetgenomen; To do the grand = den heer uithangen; To do the polite = zich zeer vriendelijk aanstellen; You do me proud = ik ben trotsch op je; I’ll do you right (reason) = bescheid; They’ve done splendidly = zich kranig gehouden; To do well = er goed aan doen; het goed maken; Done = fiat, afgesproken; klaar; Have done = schei uit; We are done (with it) = klaar; We were done at three o’clock = 3 uur waren wij klaar; To be done to death = ter dood gebracht; The meat was done to a turn = prachtig gebraden; A well-to-do man = welgesteld; A never-do-well = een wildzang; A do-all = duivelstoejager; Do-nothing = luilak, doeniet; adj. nietsdoend; subst. Do-nothingness = nietsdoen, laissez-faire; Doing: Fine doings these! = een mooie boel! There is not much doing aan de hand.

Do, dou, ut of do (toonschaal); verkorting van ditto: Connubial dittoes = trouwpak.

Doat, dout: Z. Dote.

Dobbie, dobi, nar; een geest of kabouter (Noord Eng.).

Dobbin, dobin, oud werkpaard.

Dobell, dəbel.

Docible, dosib’l, Docile, do(u)s(a)il, leerzaam, handelbaar; subst. Docility.

Dock, dok, subst. dok, stompje, pit (van de paardestaart), afgekorte staart; zuring; bank der beschuldigden; Dock verb. afsnijden, kortstaarten, verminderen, afschaffen, dokken (van een schip): A (close-)docked tail; Dock-charges, Dock-dues = dok- of havengelden; Dock-master = havenmeester; Dock-warrant = geleibiljet, ceel; Dockyard = scheepswerf; Dockage = gelegenheid om te dokken; dokgeld; Docker = dokwerker.

Docket, dokət, subst. korte inhoud, lijst der aanhangige rechtszaken of uitspraken; adreskaart (aan goederen), etiket; Docket verb. een korten inhoud maken, briefjes of nummers plakken op, den inhoud van een stuk op de rugzijde vermelden, adresseeren: To strike a docket = eene faillietverklaring aanvragen.

Doctor, doktə, subst. doctor, dokter, leeraar; middel om wijn te vervalschen; Doctor verb. promoveeren, medicineeren, beter maken; vervalschen: He doctored us in the cholera days = behandelde ons; I live by doctor’s rule = op dieet; Doctors’ Commons, zie Commons; Doctor’s-stuff = medicijnen; Doctoral = doctoraal; Doctorate, doktərit, subst. doctoraat; Doctorate, doktəreit, verb. doctoreeren, promoveeren; Doctoress = doctores; Doctorship = Doctorate.

Doctrinaire, doktrinêə, adj. doctrinair; ook subst.; Doctrinal: Doctrinal theology = dogmatiek; Doctrine, doktrin, leer, leerstuk, dogma.

Document, dokjument, subst. bewijsstuk, document; Document verb. documenteeren; Documental = Documentary: Documentary evidence = schriftelijke getuigenis; Documentary proof of one’s election = geloofsbrieven.

Dod, dod, afsnijden, scheren (van wol).

Dodder, dodə, warkruid; Dodder-grass = trilgras.

Dodder, dodə, beven, trillen: To dodder about = rondstrompelen; Doddering fears.

Doddle, dod’l, waggelen: A doddling old dotard = een strompelende oude sufferd.

Dodecagon, dədekəgon, twaalfhoek.

Dodge, dodž, subst. plotselinge zijbeweging, kunstgreep, list, streek; Dodge verb. plotseling opzij springen, ontwijken, uitwijken, uitvluchten bedenken, voorzichtig rondsluipen, slenteren, vermijden, als een schaduw volgen, nagaan, heen en weer bewegen, bedotten: He worked the dodge singled-handed = voerde de zwendelarij geheel alleen uit; He went dodging about the village = slenterde door; Dodger = slimmerd, bedrieger, kuiper, zwendelaar; Dodgery = zwendel, uitvlucht; adj., Dodgy.

Dodipole, dodipoul, sukkel, domkop.

Dodman, dodm’n, tuinslak.

Dodo, doudou, dodaars of basterdstruis (vroeger op Mauritius).

Dodonian, doudounj’n, uit Dodona, beroemd om haar orakel.

Doe, dou, hinde, ree; wijfje; Doeskin, douskin, hertenleder, soort buckskin.

Doff, dof, afzetten, uittrekken.

Dog, dog, subst. hond, hondevleesch, vent, snaak; de Groote of Kleine Hond (sterrenbeeld); duivelsklauw, mijnkarretje, haardijzer; Dog verb. als een schaduw volgen, nauwkeurig nagaan: An artful (sly) dog = een slimmerd; A sad dog = een snaak; Give a dog a bad name, and hang him = als men een hond wil slaan, vindt men wel een stok = There are more ways of killing a dog than hanging him; To go to the dogs = ten onder gaan: Let sleeping dogs lie = maak geen - - - wakker; I call this throwing things to the dogs = de dingen weggooien; A dog and shadow conviction = persoonlijke; He is a dog in the manger = hij kan niet zien dat de zon in het water schijnt; The police dogged him = ging hem na; Dog-bee = hommel (mannetjesbij); Dog-berry = bes van de roode kornoelje; Dog-biscuit; Dog-briar (Dog-rose) = hondsroos; Dog-cart = twee- of vierwielig rijtuigje met twee banken (rug aan rug); Dog-cheap = spotgoedkoop; Dog-collar = halsband; Dog-days = hondsdagen; Dog-fancier = hondenfokker en -koopman; Dog-fennel = stinkende camille; Dogfish = o.a. hondshaai; Dog-fox = mannetjesvos; Dog-grass = kweek; Dog-hearted = onbarmhartig; Dog-hole = hondegat, hondenhok; hok, gat (fig.); Dog-kennel = hok; Dog-latin = kramerlatijn; Dog’s-ear = ezelsoor; ook verb.; Dog-sleep = hazenslaapje; Dog’s-meat = afval van vleesch, hondenvleesch; Dog-star = hondsster, Sirius; Dog-tooth = oogtand; Dog-trick = leelijke streek, gemeene behandeling; Dog-trot = sukkeldrafje; Dog-vane = waker (scheepst.); Dog-violet = hondsviooltje; Dog-watch = hondenwacht (van 4–6 of 6–8 p. m.); Dog-weary = zoo moe als een hond; Dogwood = roode kornoelje; Dogged; = norsch, hardnekkig: It’s dogged as does it = de aanhouder wint; subst. Doggedness; Doggish = hondsch; subst. Doggishness.

Doge, doudž, doge; Dogate, dougit, Dogeate, doudžit, waardigheid van een Doge.

Dogger, dogə, dogger (vaartuig).

Doggerel, dogərel, subst. rijmelarij = Doggerel rhymes.

Dogma, dogmə, leerstuk; adj. Dogmatic(al); Dogmatism = dogmatisme; Dogmatize = dogmatizeeren.

Doily, dôili, tafelmatje, slabbetje, servetje.

Doit, dôit, duit, kleinigheid; 0,135 mGr.

Dolce, doltši, zacht, liefelijk.

Doldrums, doldr’mz, streek der windstilten: To be in the doldrums = lusteloos, gemelijk zijn, zich vervelen.

Dole, doul, subst. portie, aalmoes; smart; marksteen; Dole verb. uit- of ronddeelen in kleine hoeveelheden (out); Happy man be his dole = moge hij gelukkig zijn; Doleful = smartelijk, treurig, akelig; subst. Dolefulness; Dolesome = Doleful.

Doll, dol, pop: Doll’s eyes, dolzaiz, k(o)ralen (voor poppenoogen).

Doll, dol, Doortje = Dolly, doli.

Dollar, dolə, Amerik. munt (van 100 cents = ƒ 2,50).

Dol(l)man, dolm’n, lang Turksch gewaad; dolman.

Dollop, doləp, klonter, klomp.

Dolly, doli, Doortje; bak met geperforeerden bodem, om erts in te wasschen; grisette; blad met bloemen en vruchten; adj. sukkelig; Dolly-shop = stille bank van leening, lompenhandel.

Dolly Varden, dolivâd’n, lichte en gebloemde soort van polonaise gedragen over een licht gekleurden rok; ook schuin gedragen hoed met bloemen.

Dolorous, dolərɐs, pijnlijk, smartelijk; Dolour, doulə, smart, pijn: Our Lady of Dolours = naam van de H. Maagd Maria.

Dolphin, dolfin, dolfijn; dolfijnvormig oor (van kanon of mortier), ducdalf, meerboei: He felt as much out of his element as a dolphin in a sentry-box = als een visch, die op het droge ligt.

Dolt, doult, domkop, sukkel: Doltish = dom, sukkelachtig; subst. Doltishness.

Domain, dəmein, macht, gezag, domein, gebied.

Dombey, dombi.

Dom-boc, doumbouk, wetboek uit den tijd van Koning Alfred = Domebook.

Dome, doum, koepel, koepelvormig dak; een tempel, dom; Dome-shaped = koepelvormig; Domed = met een koepel, gewelfd.

Domesday, dûmzdei; Zie Doomsday.

Domesman, dûmzman, vroeger rechter = Doomsman.

Domestic, dəmestik, subst. huisbediende, dienstbode; adj. huiselijk, huishoudelijk, tam, inlandsch; Domestics = binnenl. producten (Amer.); Domestic animals = huisdieren; Domestic economy = huishoudkunde; Domestic peace = huiselijke vrede; Domestic quarrels = binnenlandsche twisten; Domesticate, dəmestikeit, aan huiselijk leven gewennen, temmen, beschaven; Domesticity, doumestisiti, huiselijkheid.

Domett, domət, katoenflanel.

Domicile, domis(a)il, subst. domicilie; Domicile verb. (zijn) domicilie nemen, domicilieeren: A domiciliary visit = bezoek door de rechterlijke macht, met het oog op huiszoeking; Domiciliate (= Domicile): To domicile a bill of exchange = een wissel domicilieeren; Domiciliation = domicilie.

Dominant, domin’nt, subst. de dominante (Muziek); adj. heerschend, domineerend, ver zichtbaar; Dominate, domineit, heerschen, zich verheffen boven; Domination = heerschappij; Dominator = beheerscher; Dominative = heerschend; Domineer, dominîə, een gebiedenden, onbeschaamden toon voeren, den baas spelen; opspelen, woedend uitvaren.

Dominic, dominik; Dominica, domənîkə, dəminikə.

Dominical, dəminik’l: Dominical letter = Zondagsletter; Dominical prayer = het Onze Vader.

Dominican, dəminik’n, Dominicaner monnik.

Dominie, do(u)mini, schoolmeester (vaak iron.), dominé (Schotl.); predikant van Holl. gemeente (Amer.).

Dominion, dəminj’n, oppermacht, heerschappij, gebied: Dominion Day = nationale feestdag in Canada (1 Juli); The Dominion = Canada.

Domino, dominou, domino; dominosteen: To play at dominoes = domino spelen; Domino-box = dominospel, mond vol tanden.

Don, don, subst. heer (vroeger titel, in Spanje), Tutor of Fellow van een College aan een der hoogescholen; banjer; Donnish = pedant.

Don, don, aandoen.

Dona, dounja, Donna; meisje.

Donalbain, donəlbein; Donald, don’ld.

Donate, douneit, geven (Am.); Donation, deneiš’n, gave, gift, schenking; Donative, donətiv, subst. gift, schenking, benefice; adj. bij schenking gegeven.

Doncaster, doŋkəstə.

Done, dɐn, part. perf. van to do. Zie Do.

Donee, dounî, begiftigde.

Donegal, donəgôl, donəgôl.

Donga, doŋgə, spleet in eene rivierbedding, droge rivierb. (Z. A.).

Donjon, dɐnž’n, donž’n, slottoren, kerker.

Don Juan, dondžûən.

Donkey, doŋki, ezel; Donkeyess, doŋkiəs, ezelin; Donkey-engine = een kleine hulpmachine aan boord; Donkey-pump = stoompomp (voor den ketel).

Donne, don; Donnybrook, donibruk, ruw, woest, (genoemd naar: Donnybrook fair = woeste (Iersche) kermisboel); Donnybrook dance = woest gevecht; Donnybrook row = hevige ruzie.

Don Quixote, donkwiksət.

Doodle, dûd’l, subst. beuzelaar, sukkel; Yankee Doodle = Amerik. volkslied.

Doob, dûb, gras als voeder gebruikt (Brit. Ind.).

Dood, dûd, kameel: Dood-wallah (walə) = kameeldrijver (Brit. Ind.).

Doolie, dûli, Brit. Ind. draagstoel.

Doom, dûm, subst. oordeel, veroordeeling, lot, verdoeming; Doom verb. veroordeelen, straffen, richten: The crack of doom = de jongste dag, het einde der wereld; Doomsday = dag des oordeels; Doomsday-book = kadaster, register van de landerijen (samengesteld op last van Willem den Veroveraar); Doomster = rechter.

Doonga, dûŋgə, cano met vierkant zeil (Brit. Ind.).

Door, dö, deur, ingang: That was laid at his door = hem ten laste gelegd; It lies at his door = het is zijne schuld; It was never proved at his door = hem nooit bewezen; He lives next-door = in het huis (kamer) hiernaast; Next-door to him = naast hem; We had next-door to nothing = zoowat niets; In, within doors = binnenshuis; Out of doors = buitenshuis; Sent out of doors = weggestuurd; He leant against a door-casing (-case) = kozijn = Door-frame; Door-handle = kruk; Door-hinges = hengsels; Door-keeper = portier; Door-mat = deurmat; voetveeg (fig.); Door-nail = plaatje, waarop de klopper neervalt: He is as dead as a door-nail = zoo dood als een pier (ook: As dead as a door-mat); Door-plate = naamplaatje; Door-post = deurstijl: He is as deaf as a door-post = zoo doof als een kwartel; Door-scraper = krabber; Door-step = stoep, of = Door-sill = drempel: You shall never darken my door(-step) again = jij zet geen voet meer over mijn drempel; Door-stone = steenen drempel; Door-way = ingang.

Dop, dop, onderduiken; subst. diepe buiging; dop (bij het diamantslijpen).

Dopatta, doupatə, soort sjerp (Br. Ind.).

Dopper, dopə, schimpnaam voor de ouderwetsche en meer bekrompen leden der Geref. kerk in Zuid-Afrika.

Dor, dö, kever (bladsprietig) = Dor-beetle.

Dorado, dəreidou, dərâdou, Dorada, Zuidelijk sterrenbeeld van zes sterren; goudmakreel.

Dorcas Society, dökəsəsaiiti, Vereeniging (van dames) tot Christelijk Hulpbetoon (Zie Handelingen IX, 36–41).

Dorchester, dötšəstə.

Dorée, derî, dorî, zonnevisch.

Dorian, dôriən, Doric, dorik, Dorisch: Doric order = Dorische bouwstijl.

Doring, dôriŋ, het leeuwerikenvangen met een slagnet en een spiegel.

Dormancy, döm’nsi, rust; Dormant, döm’nt, subst. slaper (groote dwarsbalk); adj. slapend, liggend; ongebruikt, dood (Jurid.): Let us allow the matter to lie dormant = laten rusten; Dormant partner = stille vennoot; Dormer, dömə, verticaal venster in hellend dak (= Dormer-window); Dormitive = subst. en adj. slaapwekkend (middel); Dormitory, dömitəri, slaapzaal.

Dormouse, dömaus, hazel-(berg)muis.

Dorn, dön, rog, stekelrog.

Dorothy, dorəthi, Dorothea.

Dorsal, dös’l, dorsaal, rug...

Dorse, dös, jonge kabeljauw; rug.

Dorsel, dös’l, soort wollen stof.

Dorset, dösət; Dorsetshire, dösətšə.

Dorsum, dös’m, rug, heuvelrug.

Dort, döt, Dordrecht.

Dory, döri, zonnevisch (= John Dory); platboomd bootje (Amer.).

Dose, dous, subst. dosis, bittere pil (fig.); Dose verb. afmeten (van geneesmiddelen), (een bittere pil) toedienen: They have dosed him with liquor = veel drank toegediend, suf of dronken gemaakt.

Dosel, dos’l = Dossal = dorsale, geborduurd kleed achter het altaar; rijke draperie.

Doss, dos, kussen, bed; slaapstee = Doss-house; Dosser = logé van een slaapstee, landlooper; huisvader.

Dosser, dosə, kleed, wandtapijt; draagkorf.

Dost, dɐst, 2de p.s. Pres. Imp. v. to do.

Dot, dot, subst. stip, punt; kindje; huwelijksgift (Amer.); Dot verb. stippelen: Dotted lines = stippellijnen; Dot your i’s and cross your t’s = zet de puntjes op de i (ook fig.).

Dotage, doutidž, suffigheid (vooral van ouderdom), overdreven teederheid, apenliefde; Dotard, doutəd, kindsche grijsaard, verliefde oude gek.

Dotation, dəteiš’n, huwelijksgift, schenking.

Dote, dout, suffen, dol verzot zijn op: He dotes on her = is dol op haar; Doting = kindsch; dol, gek (on); subst. Doteness.

Doth, dɐth = does.

Dottard, dotəd = Dotard.

Dottel, Dottle, dot’l, kluitje, propje (onverbrande) tabak in een pijp.

Dott(e)rel, dot’r’l, Morinel pluvier; sukkel.

Dottyville, dotivil: To be booked for Dottyville = naar “Meerenberg” moeten.

Double, dɐb’l, adj. dubbel, in paren, gekromd, dubbelzinnig; subst. tweevoud, duplicaat, dubbelganger, zijsprong, draai, kunstgreep; Double verb. vouwen, verdubbelen, herhalen, omzeilen, dichtknijpen, ballen, over elkaar slaan, doubleeren, verdubbelen van rotten (Mil.), zich verdubbelen, op zijn weg terugkeeren, omdraaien, listig ontwijken, bedriegen: They marched off at the double, at double-quick time = met den looppas; The Cape was doubled = omgezeild; He doubled his fists = balde; All the leaves were doubled down = aan alle bladen waren ezelsooren; We doubled upon the enemy = brachten hem tusschen twee vuren; Double-acting = dubbelwerkend (mechan.); Double-action; A double-barrelled rifle = geweer met dubbelen loop; Double-bass = contrabas; Double-breasted coat = jas met twee rijen knoopen; Double-chin = onderkin; A double-dealer = dubbelhartig mensch, bedrieger; Double-dealing, subst. en adj. dubbelhartig(heid); Double-Dutch = koeterwaalsch; A double-dyed villain = een aartsschurk; Double-eagle = goudstuk van twintig dollars (Amer.); Double-edged sword = tweesnijdend; Double-entry: Book-keeping by double-entry = Italiaansch boekhouden; Double-faced = met twee aangezichten, aan beide kanten bruikbaar; onoprecht; Double-first = de eerste zoowel in klassieke talen als in mathematische wetenschappen te Oxford; de graad door zoo iemand verkregen; Double-ganger = dubbelganger; Double-handed = met twee handvatten; Double-hearted = verraderlijk, valsch; Double-knock = korte dubbele klop (met een deurklopper); Double-minded = weifelend, besluiteloos; Double-railed = met dubbel spoor; Double-shot = dubb. lading; Double-shot verb. zwaar laden, aandikken (fig.); Double-tide = overuur; Double-tongued = uit twee monden sprekende; Double-track = dubbelspoor; Doubleness = dubbel zijn; dubbelzinnigheid.

Doublet, dɐblət, wambuis, buis, vest, doublette (een woord van denzelfden stam als een ander, maar verschillend in vorm en beteek.); Doublets = dobbelspel (soort van triktrak); hetzelfde getal op beide dobbelsteenen.

Doubloon, dɐblûn, Spaansch en Zuid-Amer. goudstuk (± ƒ 12).

Doubt, daut, subst. twijfel, onzekerheid, aarzeling, vrees; Doubt verb. weifelen, aarzelen, twijfelen, vermoeden, verdenken, vreezen: Beyond a doubt = boven allen twijfel verheven; I have put it beyond doubt = buiten allen twijfel geplaatst; No doubt = ongetwijfeld; Doubtful = twijfelachtig, weifelend, verdacht, dubbelzinnig, onzeker; subst. Doubtfulness; Doubtless = ongetwijfeld.

Douche, dûš, douche, stortbad.

Dough, dou, deeg: My cake is dough = mijn plan is in duigen gevallen; A dough-faced fellow = jabroer, polit. weerhaan (Amer.); Dough-kneaded = zoo zacht als deeg (Amer.); Doughnut = soort pannekoek; Doughy = week, bleek.

Doughtiness, dautinəs, manhaftigheid, flinkheid; adj. Doughty = flink.

Douglas, dɐgləs.

Dour, dûə, hard, streng, onbuigzaam (Schotl.).

Douse, daus, adj. ernstig, eerbaar; Douse verb. plotseling onderdompelen of in ’t water vallen; ineens vieren of neerlaten; uitdooven; ranselen.

Dove, dɐv, duif, duifje (fig.); Dove-cot(e), Dove-house = duivenhok, duiventil; Dove’s-foot = fijnblad ooievaarsbek; Dovetail, subst. zwaluwstaart; Dovetail verb. vast verbinden, samenvoegen met zwaluwstaarten: His own work and the quoted passages dovetail into one another = sluiten in elkander.

Dover, douvə: The Straits of Dover = het Nauw van Calais; Dover Court = een luidruchtige bijeenkomst.

Dowager, dauidžə, douairière: Queen dowager = koningin-weduwe (moeder).

Dowden, daud’n.

Dowdy, daudi, subst. ouderwetsch of slordig gekleede vrouw, slons; adj. ouderwetsch, slonzig = Dowdyish.

Dowel, dau’l, subst. houten pen of nagel; Dowel verb. met pennen verbinden.

Dower, dauə, subst. weduwengoed; Dower verb. een uitzet geven; Dowerless = zonder bruidschat, arm.

Dowlas, dauləs, grof linnen goed.

Dowl(e), daul, pluim, veder.

Down, daun, subst. dons, nestveeren; zaadpluimpje; zacht haar; duin, schapenweide: The Downs = een groote reede aan de kust v. Kent; Downy = donzig, piekfijn.

Down, daun, beneden, naar beneden, onder; af, van de hoofdstad of van een hoofdstation weg; terneergeslagen, koest (tegen honden), etc.; Down verb. neerdrukken, ontmoedigen, neerdalen: Down the country = weg van de hoofdstad; Down the sound = in de richting van de ebbe zeewaarts; Down the stream = stroomafwaarts; Down town = naar het centrum (handelswijk) der stad; To be down at heel = afgetrapt; To be down for a club = vóórhangen; To be down in the mouth = neerslachtig = Down on one’s luck = in moeielijkheden; Down the wind = met den wind mee; I like her down to the ground = dolgraag; That part suits you down to the ground = is geknipt voor je; From the mayor down to the meanest citizen = tot den geringsten burger toe; To be down on = uitvaren tegen; I’ll be down upon you = ’k zal je wel krijgen; To be down with the influenza = aangetast door, te bed liggen met; Down with him = weg met hem; To feel down = somber, neerslachtig; To go down into the country = naar buiten gaan; That will not go down with me = dat wil er bij mij niet in; He has gone down = is met vacantie naar huis gegaan (v. studenten); The wind is down = is gaan liggen; To look down upon = neerzien op; To pay down = kontant; To turn upside down = onderste boven keeren; In writing for children, be careful not to write down too much = niet te kinderachtig te schrijven; He is not to be downed by censure = laat zich niet ontmoedigen; To downbear = drukken, verdrukken; A downcast look = sombere blik; Downcome = plotselinge val, omverwerping; He is a down-Easter = iemand, in de Oostel. staten wonend (soms New-Eng. of Maine); Downfall = instorting, val (van water), plotselinge val, ondergang; Downhaul = touw om een zeil neer te halen; Downhearted = neerslachtig; Downhill = bergafwaarts: Downhill work = gemakkelijk werk; Down-line = spoorlijn (van de hoofdplaats of het middelpunt af); Down-passenger = passagier met een Down-train; Downpour = plasregen; Downright = rechtstreeks, rondweg, echt, volslagen, plotseling, dadelijk, loodrecht, openhartig, grondig: A Downright fool = gek in folio, echte dwaas; subst. Downrightness; Downstairs = (naar) beneden, het dienstpersoneel betreffend; She was down-thump on him = pakte hem (te) hard aan; Down-stroke = neerhaal, neergaande beweging; Down-train = trein (van de hoofdplaats of het middelpunt af); Down-trod(den) = platgetreden, overheerscht; Down-weed = roerkruid, viltkruid; Downy = sluw.

Dowry, dauri, huwelijksgift, uitzet; hoop.

Dowse, daus. Zie Douse.

Doxological, doksəlodžik’l, lofzingend; Doxology, doksolədži, lofzang.

Doxy, doksi, liefje; snol.

Doze, douz, subst. dutje, sluimering; Doze verb. sluimeren, dutten, suffen.

Dozen, dɐz’n, dozijn: A baker’s dozen = dertien.

Doziness, douzinəs, slaperigheid; droomerij; adj. Dozy.

Drab, drab, subst. slons; zoutbak; muisvale stof, geelgrauwe kleur (Drabs = broek van die stof); adj. muisvaal, geelgrauw; saai, kleurloos, conventioneel; vuil, goor; zwak: The republic is too drab to last = te zwak; Drabbish = vuil, geelgrauw; Drabby = vuil, slonzig.

Drabble, drab’l, bemodderen, vuil maken; naar barbeelen visschen met een grondangel.

Dracaena, drəsînə, drakenbloedboom.

Drachm, dram, Drachma, drakmə, drachma; oud-Grieksche munt; nieuw-Grieksche munt van ± 50 cts.; oud-Grieksch gewicht.

Draco, dreikou, drakenkop, sterrenbeeld; lichtende uitwaseming van den bodem; vliegende draak = Draco volans, soort van hagedis (Indië en Afrika); Draconian, drəkounj’n, Draconic(al), drəkonik(’l), Draconisch.

Dracunculus, drəkɐŋk(j)ulɐs, slangenwortel; pitvisch of schelvischduivel.

Draff, drâf, spoeling, draf: Chaff and draff = volkomen waardeloos iets.

Draft, drâft, subst. wissel, traite, stille uitslag, goed gewicht, rafactie; detachement, afdeeling; schets, concept, waterdiepte noodig voor een schip; Draft verb. concipieeren, schetsen, uitzoeken, detacheeren: Finnish battalions will be drafted into the Russian regiments; He was drafted off with others to work in the mines = hij werd aangewezen; Draft bill = concept. Zie ook Draught.

Drag, drag, subst. dreg, zware eg, rem, remschoen, slede (Amer.), sleepende beweging, laag voertuig of kar, lange hooge wagen doorgaans met vier paarden; Drag verb. sleepen, trekken, eggen, dreggen, uitbaggeren, met een sleepnet visschen, langzaam vooruitkomen, niet vlotten: The affair Dragged = vlotte niet; Drag-bar = koppelstang; Drag-chain = remketting; Drag-hunt, Zie Anise; Dragman = visscher, die een sleepnet (Drag-net) gebruikt; Drag-rope = trektouw.

Draggle, drag’l, door het slijk of den modder sleepen, bevuilen: A draggle-tail, a draggle-tailed woman = eene slons, slordige vrouw; Draggled skirts = vuile rokken.

Dragoman, dragəm’n, Turksche (of Oostersche) tolk (gids).

Dragon, drag’n, draak; pistool (van de dragoons in de 17de eeuw); sterrenbeeld, lichtende uitwaseming; dragon, slangenkruid, keizersalade; Dragon’s-blood = drakenbloed (roode kleurstof); Dragon-fish = pitvisch; Dragon-fly = paardebijter, waterjuffer; Dragon’s-head = drakenkop (plant); klimmende knoop (Astron.); Dragon-tree = drakenbloedboom; Dragonet = kleine draak.

Dragonnade, dragəneid, dragonade (onder Lodewijk XIV en XV); Dragonnade verb. onderdrukken met behulp van troepen; Dragoon, drəgûn, subst. dragonder; Dragoon verb. door dragonades onderwerpen, plagen, négeren, vervolgen: The military vice of dragooning is unsuited to civic life = van “donderen”.

Drain, drein, subst. verlaat, sluis, greppel, riool, slokje; Drain verb. draineeren of droogleggen, rioleeren, laten leegloopen, onttrekken, uitputten, uitdrinken, filtreeren, wegvloeien: That is a heavy drain on my purse = dat kost veel geld; Drains = korrels uit de brouwerskuip; Drainable = wat gedraineerd kan worden; Drainage, dreinidž, drooglegging, waterafvoer, het drooggelegde land; Drain(age)-pipe = draineerbuis; Drainer = vergiet, schep; Draining-engine = pompmachine (voor waterafvoer); Drain(ing)-tiles = draineerpannen; Draining-well = zinkput; afvoerput.

Drake, dreik, woerd: Drake-stone = steentje, om over het water te keilen.

Dram, dram, subst. drachme (60 greinen of ⅛ van een ounce), kleine hoeveelheid, slokje, borreltje; Dram verb. zich aan het gebruik van sterken drank overgeven, trakteeren: Not a dram = geen zier; Dram-drinker = borrelaar; Dramshop = kroeg.

Drama, drâmə, drama; Dramatic, drəmatik, dramatisch: The dramatic speed of a railway-train = de werkelijke snelheid van een trein; Thrown Dramatically together = bont doorééngeworpen; Dramatis Personae, dramətis pɐ̂sounî = handelende personen; Dramatist = tooneelschrijver; The dramatization of a novel = het omwerken tot een tooneelstuk (The novel was dramatized); Dramaturgist = dramaturg; Dramaturgy = tooneelschrijfkunst.

Drape, dreip, drapeeren, bekleeden, hullen in; Draper = lakenhandelaar: The Drapers’ Company = een der twaalf groote Londensche gilden; Drapery = lakenfabricage, lakenhandel; lakensche goederen; drapeering, draperie; Drape verb. drapeeren.

Drastic, drastik, subst. en adj. krachtig werkend(middel).

Drat, drat: Drat the boys = die “duivelsche” jongens.

Draught, drâft, subst. trek, span, trektouw, slok, vangst, teug, drankje; tocht, zuiging, trek, luchtstroom; schets, eerste ontwerp, klad; het spannen van een boog; detachement, diepgang; wissel; Draughts = damspel; Draught verb. ontwerpen, concipieeren: At a draught = in één teug; A boat with a light draught = met geringen diepgang; Ale on draught = bier van het vat; Draught and bottled ale = bier van ’t vat en op flesschen; Draught-animals = trekdieren; Draught-board = dambord; Draught-dog = trekhond; Draught-hole = trekgat (voor smeltovens, etc.); Draught-ox = trekos; Draught-screen = tochtscherm; Draughtsman = teekenaar; Draughty = tochtig.

Draw, drô, subst. trek, haal, vangst, successtuk, getrokken lot, beweegbaar deel van eene brug, voelhoren, onbeslist spel; Draw verb. trekken, uithalen, sleepen; optrekken, terugtrekken, maken, aantrekken, wekken, ontlokken, inzuigen, slaken, aftappen, vergieten, langzaam bewegen, rekken, uittrekken, uitstrekken; teekenen, schetsen, malen; leiden (door zedelijken invloed), overhalen; diepgang hebben: The draw of the concerts was immense = trokken ontzaglijk veel menschen; She was a sure draw = trok veel menschen; The game ended in a draw = bleef onbeslist; To draw a bead upon = mikken op; To draw blood = een bloedende schram of wonde veroorzaken; To draw bridle = stilhouden; To draw a covert = het wild opsporen en uit zijn schuilplaats jagen; To draw a curtain = dicht trekken; To draw a fox = doen ‘uitvaren’; To draw a letter = opstellen; To draw the long bow = met spek schieten; To draw a man = door list (vleierij) aan ’t praten krijgen; Draw it mild = maak ’t niet te erg; To draw money = trekken, opnemen; To draw a parallel; He draws a straight furrow = hij is een eerlijke kerel (Amer.); What water do you draw = hoe diep ligt gij? The ship draws twenty feet (of water) = heeft een diepgang van; To draw along = voorttrekken; To draw back = zich terugtrekken, achteruit wijken; To draw forth = uittrekken, ontlokken; To draw in = intrekken, aantrekken, inkrimpen, invallen, iemand bewegen of verlokken tot iets: The evenings are drawing in = de dagen worden langer; The time draws near = nadert; His negligence drew on much danger = veroorzaakte; Your confidence will be able to draw him out = zal hem voor zijne gevoelens doen uitkomen; I led off on that subject to draw out my guest = om mijn gast aan ’t praten te krijgen; They don’t draw well together = harmoniëeren niet; They were drawing together = er ontstond toenadering; A report was drawn up = opgesteld; To draw up a scheme = een plan maken; The coachman drew up instantly = hield dadelijk stil; He drew upon me as often as he had a chance = hij trok een wissel op mij, maakte gebruik van mij (mijn geld, mijn tijd, mijne krachten, enz.); The train drew up at the station = hield stil voor; The soldier drew himself up = nam de militaire houding aan, zette zich in postuur; The troops were drawn up in array of battle = opgesteld in slagorde; She draws kindly with him = harmoniëert goed; Drawback, drôbak, schaduwzijde, nadeel, bezwaar; teruggave van betaalde rechten, uitvoerpremie: Being young is a drawback which disappears in time = een gebrek; The drawback is, that - - = er is tegen, dat...; Draw-bar, drôbâ, koppelstang; Draw-bridge, drôbridž, ophaalbrug; Draw-gear, drôgîə, tuig; koppeling; koppelstang; Draw-net, drônet, vogelnet; Draw-plate, drôpleit, stalen plaat met conische gaatjes, waardoor metaaldraad wordt getrokken om het te verdunnen of te rekken; Draw-well, drô-wel, put met ketting; Drawee, drô-î, hij op wien een wissel getrokken wordt; Drawer = trekker, putter, tapper, trekdier, lade: A pair of drawers = onderbroek; Bathing-drawers = zwembroek; Chest of drawers = latafel; Drawing, drôiŋ, trekking, trekken, teekenen, teekening, ontvangst: Out of drawing = slecht geteekend; Drawing-board = teekenplank; Drawing-book; Drawing-chalk; Drawing-knife = polijststaal; snijmes; Drawing-master = teekenleeraar; Drawing-paper; Drawing-pen = trekpen; Drawing-pin = punaise, stiftje; Drawing-room = salon, ontvangzaal: The Queen’s drawing-room = de receptie voor dames en heeren in Buckingham-Palace; I feel drawn to that conclusion = voel mij getrokken tot: A drawn battle (game) = onbeslist; Drawn butter = gewelde; A drawn fowl = schoongemaakte vogel; A drawn and wrinkled face = strak.

Drawcansir, drôkansə, bluffer, snoevende grootspreker (genoemd naar een persoon in Buckingham’s Rehearsal).

Drawl, drôl, subst. temerige spraak; Drawl verb. temerig spreken; adj. Drawly.

Dray(-cart), drei(kât), sleeperswagen; Dray-horse; Drayman = sleeper; Drayage = gebruik en huur van een dray.

Dread, dred, subst. vrees, schrik, ontzag; adj. gevreesd, verschrikkelijk, ontzagwekkend; Dread verb. vreezen, duchten: Dreadnought, drednôt, durfal, groot pantserschip, dikke duffel(sche jas); Dreadful = vreeselijk, ontzagwekkend: Penny dreadfuls = goedkoope sensatieromans; subst. Dreadfulness; Dreadless = onbevreesd; subst. Dreadlessness.

Dream, drîm, subst. droom; Dream verb. droomen, in een droom zien, zich verbeelden: Dreams go by contraries = komen altijd anders uit; He dreams away his life = hij verbeuzelt zijn leven; Dreamer = droomer; Dreamy = droomerig.

Drear, drîə, verlaten, woest, somber; akelig, treurig; vervelend; subst. Dreariness; Dreary = Drear.

Dredge, dredž, subst. dreg, sleepnet, baggermachine; mengsel van haver en gerst; Dredge verb. met eene dreg of een sleepnet ophalen, uitbaggeren; meel strooien op; Dredger = dregger, oestervisscher, baggermachine; strooibus; Dredging: Dredgebox = strooibus; Dredge-machine = baggermolen.

Dree, drî, dulden: To dree one’s weird = zich schikken in zijn lot.

Dregginess, dreginəs, troebelheid, droesem; Dreggish = troebel, onrein; Dregs, dregz, grondsel, droesem, uitschot, janhagel, schuim: To the dregs = ten bodem toe.

Drench, drenš, doorweeken, doornat maken, verzadigen (met drank of vocht), een drank toedienen; drenken; subst. drank (v. dieren): Christ was drenched with vinegar; Drencher = plasregen.

Dresden, drezd’n, dreizd’n: Dresden china, Dresden-ware = Meisz(e)ner porselein.

Dress, dres, subst. kleed, kleeding, kleederen, japon; Dress verb. kleeden, richten, klaar maken, bereiden, verbinden, in orde brengen, appreteeren, besnoeien, braken, garneeren, opstrijken, bekappen, roskammen, kappen, versieren (out), africhten, mores leeren, zich kleeden: Full dress = groot tenu, officieel kleed; High (Low) dress = hooge (laag uitgesneden) japon; Halt, dress! = Sectie halt! Richt u!; The ships were dressed = met vlaggen getooid; The shops were beautifully dressed = waren mooi uitgestald; Dressed to death = vreeselijk opgeschikt; To dress up = uitdossen, kostumeeren; Dress-ball = galabal; Dress-box = loge avant-scène; Dress-circle = die rangen van den schouwburg waar het publiek in rok, of gedecolleteerd is; Dress-coat = rok; Dress-improver = tournure; Dress-jacket = ‘smoking’; Dressmaker = naaister; Dress-shield = sousbras; Dress-stand = costuumpop; Dress-suit = rok, enz.; Dress-sword = galadegen; Dress-vest = ‘smoking’ (Amer.); Dresser = aanrechtbank of -tafel, dressoir, kast; aankleeder; Dressing = kleeding, verband, mest, opvulsel (van vogels, enz.), appretuur, enz.; Dressing-case = toilet- of kapdoos, verbandkistje; Dressing-gown = kamerjapon, morgenjapon (voor dames), peignoir; Dressing-room = kleedkamer; Dressing-station = plaats om gewonden te verbinden; Dressing-table = toilettafel; Dressy = pronkziek; fraai gekleed, chic.

Drew, drû, P. Imp. v. To draw.

Dribble, drib’l, druppelen, kwijlen, beuzelen, laten druppelen, bekwijlen, zachtjes vooruit schoppen: Driblet = brokje, brokstukje, kleine som, klein troepje.

Drift, drift, wat gedreven (of bijeengedreven) wordt door wind, water, ijs, enz.; hoop (sneeuw, b.v.), drijfkracht, loop, gang, doel, beteekenis, voornemen, strekking, drift (zeeterm), ruimnaald, horizontale mijngang, doorwaadbare plaats; Drift verb. drijven (uit den koers), saamgedreven of (voort)gedreven worden, zich ophoopen, een doorgang in een mijn maken: The drift of a current = richting en snelheid van een stroom; He drifted about = zwierf rond; He drifted into practice = kreeg zachtjes aan praktijk; Drift-ice = drijfijs; Drift-sand = stuifzand; Drift-wood = drijf- of wrakhout; Driftage, driftidž, afdrijving (van een schip); Driftless = doelloos.

Drill, dril, subst. (dril)boor, een soort zaaimachine, exercitie, dril (= Drillling): Drill verb. doorboren, boren, drillen, exerceeren, graan in rijen zaaien: To be at drill = aan het exerceeren: Drill-bow = drilboog; Drill-ground exercitieveld; Drill-harrow = fijne egge; Drill-master = drilmeester, gymnastiekleeraar; Drill-sergeant = sergeant-instructeur.

Drily, draili, droogjes, leuk.

Drink, driŋk, subst. teug, drank, borrel; Drink verb. drinken, zich goed laten drinken, begeerig in zich opnemen: To be in drink (= The worse for drink) = dronken; That brute of a fellow is always on the drink and gamble = aan ’t zuipen en dobbelen; To drink deep = sterk drinken; To drink like a fish = als een tempelier; He took to drink(ing) = raakte aan den drank; You cannot drink him down = onder de tafel drinken; Drink off your glass = drink eens uit; The guinea was drunk out = verdronken; I drink to the bride and bridegroom = drink op; I’ll drink (to) your health = (op) uwe gezondheid; Drink-money = drinkgeld, fooi; Drinkoffering = plengoffer; Drinkable, drinkbaar; drank; Drinker = Hard drinker = drinkebroer; Drinking-bout = slemp- of zuippartij: Drinking-fountain = drinkfontein; Drinking-house = kroeg, bierhuis; Drinking-song = drinklied.

Drip, drip, subst. neervallen in druppels, dakkant, goot; Drip verb. druppelen, laten druppelen: The dripping air of the twilight = de met waterdeelen bezwangerde avondlucht; The dripping(s) of the meat = het van aan ’t spit gebraden vleesch afdruppelend vet (dit wordt opgevangen in de dripping-pan); Dripping-caves = benedenste dakrand.

Drive, draiv, ritje, oprijlaan, rijweg, drift (vee), opdrijven (v. wild), krachtige slag: (The Drive Zie Rotten Row); Drive verb. drijven, voortdrijven, voortstormen, jagen, doelen op, slaan naar, ijverig werken, rijden, mennen, inslaan, aandrijven tot: Let drive, boys! = slaat er duchtig op, jongens! To drive a good bargain = een voordeeligen koop sluiten; You are driving a hard bargain = gij laat ook niets vallen; To drive a trade in = handeldrijven in; They drove the river = zij stuurden het vlot, etc. de rivier af; To drive away = wegrijden, verdrijven, er op los gaan; I did not know what he was driving at = waar hij heen wou (fig.); The enemies were driven in = genoodzaakt te retireeren; They were driven off = teruggedreven; The carriages drove off = reden weg; Drive-way = drijfpad voor vee, rijweg; Driver = koetsier, voerman, veedrijver, machinist, rijder, de play-club bij het golf-spel; blankofficier, uitzuiger, drijfrad; Driving: Driving-band = drijfriem; Driving-box = bok; Driving-gear = drijfwerk; Driving-glove; Driving-park = renbaan (Am.); Driving-wheel = drijfrad, voorrad van een fiets; Driving-whip = zweep.

Drivel, driv’l, subst. speeksel, kwijl, gewauwel; Drivel verb. wauwelen, suffen; kwijlen; Driveller = kwijler, suffer, dwaas, halfwijze.

Driven, driv’n, part. perf. van to drive.

Drizzle, driz’l, subst. stof- of motregen; Drizzle verb. mot- of stofregenen, in fijne deeltjes neervallen; Drizzly = stof- - -.

Drogheda, drogidə; Droitwich, drôitidž.

Droll, droul, subst. grappenmaker, snaak; adj. snaaksch, grappig; Droll verb, grappig zijn, grappen maken; Drollery = snakerij; Drolly = grappig.

Dromedary, drɐməd’ri, dromedaris.

Dromio, droumiou.

Drone, droun, subst. hommel, luiaard; gebrom, gegons, geneurie, baspijp (v. een doedelzak); Drone verb, gonzen, brommen, opdreunen, luieren: The monotonous drone of the wheel = gesnor; He droned out a little song = hij neuriede een liedje; Drone-bee = mannetjesbij; luilak; Drone-fly = bromvlieg; Drone-pipe = baspijp; Dronish = lui; subst. Dronishness.

Drool, drûl, kwijlen; druipen.

Droop, drûp, neerhangen, versmachten, kwijnen, zinken, dalen, laten hangen; Drooping-willow = treurwilg.

Drop, drop, subst. droppel, kleine hoeveelheid, oorknopje, bonbon, daling, valluik, valdeur, tooneelscherm of gordijn (ook het vallen daarvan), drupsje; Drop verb, druppelen, druipen, vallen, ophouden met, zich laten vallen, verliezen, (jongen) werpen, uitlaten, ter zijde leggen, opgeven, enz.: Kendal Black Drop = laudanum; A library drop = het stel schermen, dat een bibliotheek voorstelt; It was a great drop, a fall from the stars to the mire = een diepe val; To get the drop on = den vinger tijdig (eerder dan een tegenstander) aan den trekker hebben (Amer.); He likes a drop = houdt van een borrel; Drops = droppels, borreltje, prisma’s aan een luchter; bonbons: He is fond of his drops = houdt van een borrel; The bear fell down some ten feet of drop = viel zoowat tien voet naar beneden; To drop anchor; To drop a bill = een wetsontwerp terugnemen; Drop me a line = schrijf me een lettertje; Let us drop the official = het officieele laten varen; He dropped me a post-card = zond mij eene briefkaart; We shall drop Sicily, and return by Marseilles = niet aandoen; He dropped his voice to a whisper = liet dalen: I never dropped a word on the subject = ik heb er nooit over gesproken; The conversation halted, then dropped = stokte, en hield toen op; To drop asleep = in slaap vallen; The steamer dropped astern = zakte, bleef achter; We dropped past a steamer = dreven langzaam langs; We dropped down the river = zakten de rivier af; Where did you drop from = waar ben je zoo ineens vandaan gekomen; I will drop in one of these days = wel eens aanloopen; He dropped into his place = nam zijne plaats in; After dinner I dropped off (to sleep) = viel ik ongemerkt in slaap; To drop on = uitvaren tegen, afsnauwen; Drop-curtain (= Dropscene), Zie Act-drop; Dropletter = brief, geadresseerd aan iemand in dezelfde wijk (Amer.); Drop-shutter = schuif met veer voor phot. instant.; Dropstone = druipsteen; The Dropping of doors = zakken; A dropping fire = ongeregeld aanhoudend geweervuur; Some dropping cases of typhoid = alleenstaande en onverwachte; Dropping-bottle (-tube) = druppel-fleschje; Droppings = excrementen, mest.

Dropsical, dropsik’l, waterzuchtig, gezwollen = Dropsied; Dropsy, dropsi, waterzucht.

Dros(h)ky, droski, vierwielig rijtuig (Rusl.).

Dross, dros, droesem, slakken of schuim (van metalen), afval: Dross of iron = hamerslag; Drossiness = onreinheid, vuil; Drossy = vol droesem of slakken, waardeloos.

Drought, draut, droogte, dorheid; adj. Droughty; Drouth, drauth = Drought.

Drove, drouv, P. Imp. van to drive; subst. kudde (groot of klein vee); drom, hoop, drijfpad (voor vee, etc.), buis of nauwe greppel voor besproeiing; Drover = veedrijver, veekooper.

Drown, draun, (doen) verdrinken (= To be drowned), onder water zetten, uitdooven, onderdrukken, overschreeuwen, overstelpen, smoren: While intending to drown his dog, he himself was drowned = verdronk hij zelf; We were in danger of drowning = gevaar te verdrinken.

Drowse, drauz, subst. dutje; Drowse verb. dommelen, slaperig zijn; Drowsiness = slaperigheid; A drowsy-headed fellow = slaapkop, sufkop.

Drub, drɐb, subst. slag, stoot; Drub verb. slaan, trommelen (met de vingers op), ranselen: You have brought me many drubbings = veel ransel bezorgd.

Drudge, drɐdž, subst. werkezel, slaaf, duivelstoejager, groote hark; Drudge verb. slaven, zich afsloven, hard werken, zwoegen; Drudgery = zware arbeid, verachtelijk werk.

Drug, drɐg, subst. drogerij, kruid, narcotisch middel, onverkoopbaar artikel; Drug verb. vermengen met kruiden, bedwelmen, (te veel) medicijnen voorschrijven of gebruiken: Such things are a drug in the labour market = zijn niets waard, en brengen dus niets op; Druggist, drogist; apotheker (Amer.).

Drugget, drɐgət, droget; morskleed, stofkleed (laken), tafelkleed.

Druid, drûid, druïde; vr. Druidess; adj. Druidic(al); Druidism = dienst of leer der druïden.

Drum, drɐm, trom, trommelvlies, mat (vijgen), trommelvisch; zuilsteen, groote avondpartij; Drum verb. trommelen, hard kloppen (van het hart), bijeentrommelen, werven; Drum of the ear = trommelvlies; The soldier was drummed out = werd voor het front der troepen weggejaagd; A drum and trumpet spirit = oorlogzuchtige geest; Drum-head = trommelvel; top van een kaapstander; soort v. kool: At a drum-head = op staanden voet; Drum-major = tamboermajoor; Drum-stick = trommelstok; boutje van een kip of eend; Drummer = trommelslager, handelsreiziger.

Drumble, drɐmb’l, luilakken, luilak.

Drunk, drɐŋk, dronken: Ever drunk, ever dry = hoe meer je drinkt, hoe dorstiger je wordt; To be drunk; To get drunk = dronken worden; Drunkard = dronkaard; Drunken = dronken, drankzuchtig, dronkemans - -; subst. Drunkenness.

Drupacious, drupeišəs, adj. v. Drupe, drûp, steenvrucht.

Drury, drûri: Drury Lane.

Druse, drûs, een korst van kristallen in een grot; een grot waarin dat voorkomt.

Druses, drûziz, volk en secte in Syrië.

Dry, drai, adj. droog, dor (ook fig.), droog, niet zoet, dorstig, sarcastisch; Dry verb. drogen, (laten) verdrogen, verdorren, van dorst versmachten: A dry blow = een flinke opstopper; A dry old file = droog komiek; Dry-wine = belegen (niet zoet); Madera dry = belegen, niet zoet meer; The conversation dried up = hield op (door gebrek aan stof); He had dried up their souls by his story = opgevroolijkt (Amer.); He dried up again = verviel weer tot stilzwijgen; Dry-as-dust = droog, saai; droog kamergeleerde; Dry-beaten = flink afgeranseld; He is a dry-bob = jongen te Eton, die niet aan roeien doet maar wel aan andere sport, tegenover wet-bob; Dry-boned = knokig; Dry-dock = droogdok; Dry-eyed = met droge oogen; Dry-foot = droogvoets; het wild opsporen door de ‘lucht’ van de pooten (vergl. To draw dry-foot); hond hierbij gebruikt; Dry-goods = manufacturen; Dry-measure = maat voor droge waren; Dry-nurse = baker, min; inferieur die een superieur officier terecht helpt; Dry-nurse verb. met de flesch grootbrengen, voor dry-nurse spelen; Dry-point = punteerijzer; Dry-rot = vermolmde toestand van hout; de zwam, die dit veroorzaakt: He talks a lot of Dry-rot = hij kletst heel wat af; Dry-rub = droogschuren; Drysalt = zouten en drogen; Drysalter = koopman in drogerijen en verfwaren, soms in comestibles; Dry-shod = droogvoets; Dry-stove = broeikas (Drying-stove = droogoven); Drying-lines = drooglijnen; Dryly = droog(jes) = Drily.

Dryad, draiad, dryade.

Dual, djûəl, uit twee bestaande; dualis: The dual alliance = het tweevoudig verbond; Dualism = dualisme; Dualist = dualist; adj. Dualistic; Duality = tweevoudigheid.

Duan, djûən, zang (van een gedicht).

Dub, dɐb, subst. tik, trommelslag; Dub verb. tot ridder slaan, titel of naam geven; zachtmaken, bereiden, beknippen, besnoeien, een kort en dof geluid maken: Dub a dub = rataplan; We dubbed him Charlie = noemden; The cock was dubbed = de kam en de lellen afgesneden, d.i. voor ’t (hanen)gevecht klaar gemaakt; To dub cloth = appreteeren; Dubbing = mengsel van traan en talk om leer zacht te maken.

Dubash, dûbaš, Indische tolk.

Dubiety, djubaiiti, onzekerheid; Dubious, djûbjəs, twijfelachtig, onzeker, weifelend, dubbelzinnig; subst. Dubiousness; Dubitable = twijfelachtig, onzeker.

Dublin, dɐblin.

Ducal, djûk’l, hertogelijk, hertogs—.

Ducat, dɐkət, dukaat (gouden ± ƒ 5,70; zilveren ± ƒ 2,20); Ducatoon, dɐkətûn, dukaton (ongeveer ƒ 3,20).

Duchess, dɐtšəs, hertogin; Duchy, dɐtši, hertogdom.

Duck, dɐk, subst. eend, grof linnen, dun zeildoek, tentdoek, knik, buiging; lieveling; Duck verb. duiken, onderduiken, (zich) bukken, buigen, kruipen: A lame duck = iemand, die niet aan zijn financieele verplichtingen kan voldoen; Duck’s egg = 0 (Cricket); The boys were making (playing) ducks and drakes = keilden steentjes over het water; He makes ducks and drakes of his money = gooit zijn geld weg; Ducks = grof linnen matrozenbroek of kleeding; A duck-billed bird = vogel met eendenbek; Duck-meat (Duck’s-meat, Duck-weed) = eendenkroos; Duck-pond = eendenvijver, (schertsend) de Atlantische Oceaan (Amer.); Ducker = kruiper; zeeduiker, waterspreeuw; Ducking = onderdanig; eendenjacht, nat pak: Ducking-gun = eendenroer; Ducking-stool = stoel ter onderdompeling als strafoefening; Duckling = jonge eend; Ducky = snoes.

Duct, dɐkt, leiding, buis; Ductile, dɐkt(a)il, leidzaam, handelbaar, toegevend, rekbaar; subst. Ductility.

Dudder, dɐdə, trillen, beven, verdooven, verwarren.

Dude, d(j)ûd, fat, “gigerle” (Amer.).

Dudeen, djudîn, Iersch neuswarmertje (pijp).

Dudgeon, dɐdž’n, korte dolk, dolkgevest; verontwaardiging, toorn: She left in (high) dudgeon = ging (zéér) boos weg; She broiled my bacon into dudgeon = verknoeide.

Duds, dɐdz, oude kleeren, vodden, spulletjes.

Due, djû, subst. schuld, plicht, recht, eisch, aanspraak, rechten en leges (de laatste twee steeds Dues); adj. en adv. schuldig, verschuldigd, vervallen, behoorlijk, gepast, vlak: That is my due = dat komt mij toe; Give every man his due = geef ieder het zijne; I had been due at my office for an hour = had al een uur op het kantoor moeten zijn; The train is due at 7 = moet aankomen; The debt (becomes, falls) due on the twentieth = vervalt op; The post is due out = de post vertrekt; In due course = op zijn tijd; He came in due time = juist op tijd; Due east = vlak oost; Due-bill = promesse; Dueness = gepastheid.

Duel, djû’l, subst. duel; Duel verb. duelleeren; Duellist = duellant.

Duen(n)a, djuenə, oudere dame, die eene jonge begeleidt (Spanje); Duenaship = het ambt van D.

Duet, djuet, Duetto, djuetou, duet: To play duets = quatre-mains; Duet(t)ino, djûətînou, kort duet.

Duff, dɐf, zakkoek.

Duffadar, dɐfadâ, politieagent, onderofficier (Br. Ind.).

Duffel, dɐf’l, duffel.

Duffer, dɐfə, marskramer, bedrieger, sufkop, brekebeen, domoor; valsch geldstuk: He is but a flat duffer = een echte sufkous.

Duffle, dɐf’l = Duffel.

Dug, dɐg, P. Imp. v. To Dig: Dug-out = boomkano, uitgegraven woning (Amer.).

Dug, dɐg, tepel of uier.

Duke, djûk, hertog; Dukedom = hertogdom.

Dulcamara, dɐlkəmârə, bitterzoet.

Dulcet, dɐlsit, zoet, liefelijk; Dulcification = zoetmaking; Dulcifluous = zoetvloeiend; Dulcify, dɐlsifai, zoet maken.

Dulcimer, dɐlsimə, ouderwetsch snaarinstrument, met roedjes bespeeld.

Dulcine, dɐlsin, Dulcose, dɐlkous, gekristall. zoete zelfstand. uit de Dulcit-manna van Madagascar.

Dull, dɐl, adj. dom, suf, bot, slaperig, loom, zeurig, vervelend, stil, saai, dof, stomp, stroef, ongevoelig, bewolkt; Dull verb. dof (bot, stom, traag, donker, blind) maken, versuffen, stil worden, afstompen, mat worden, bewolken, verdooven: A dull market = slappe; Dull of hearing = hardhoorig; Dull of sale = traag (van de hand); Dull-brained = stomp, traag (van hersens); Dull-browed = somber uitziend; Dull-disposed = somber gestemd; Dull-eyed = zwak van gezicht, suf kijkend; Dull-sighted = slecht van gezicht; Dull-tempered steel = dof staal; Dull-witted = dom, sufferig; Dullard, dɐləd = domkop, botterik; Dullish = sufferig; Dul(l)ness = sufheid, enz., slapte in zaken.

Dulse, dɐls, roodwier.

Dulwich, dɐlidž.

Duly, djûli, behoorlijk, regelrecht, stipt.

Dumb, dɐm, adj. stom, sprakeloos: It has struck me dumb = het heeft mij de spraak benomen; Dumb-bells = halters (bij de gymnastiek); Dumb-cake, gebak, door meisjes zwijgend gebakken (24 April), om haar toekomstigen man te ontdekken; Dumb-show = pantomime; Dumb-waiter = dientafeltje, stommeknecht.

Dumbarton, dɐmbât’n.

Dumbledore, dɐmb’ldö, hommel, meikever.

Dumbfound, dɐmfound, den mond snoeren, verplet doen staan.

Dumfries, dɐmfrîz.

Dumdum, dɐmdɐm, stad met munitiefabriek bij Calcutta: Dumdum bullets.

Dummy, dɐmi, subst. stomme, iets nagemaakts (pop, leege kist of flesch), patroon (bij exercitie), blinde (bij het kaartspel), figurant; persijzer; adj. nagemaakt: Most of these doors are dummies = blinde deuren; He is not a man, he is a dummy = pop; Double dummy = whist met twee personen.

Dump, dɐmp, plof, smak, somberheid, slechtgeluimdheid (meest dumps: I am in the dumps = somber gestemd); Dump verb. neergooien, ledigen, hydraulisch persen, neerploffen (Amer.); Dumping-cart = stortkar; Dumping-ground = vuilnisbelt (ook fig.); Dumpish = verdrietig; subst. Dumpishness; Dump(t)y = kort en dik, verdrietig.

Dumpling, dɐmpliŋ, appelbol, knoedel.

Dun, dɐn, subst. lastige schuldeischer, dringende maanbrief, aardwerk; adj. dofbruin, somber; Dun verb. onophoudelijk manen; visch inzouten op een bijzondere manier zoodat ze een bruine kleur krijgt; Dun-fish = bruine gezouten kabeljauw; Dun-fly = kunstvlieg om mede te hengelen.

Dunbar, dɐnbâ; Duncan, dɐŋk’n.

Dunce, dɐns, ezel, domkop.

Dundalk, dɐndôk; Dundas, dɐndas; Dundee, dɐndî.

Dunderhead(ed), dɐndəhed(id), Dunderpate, dɐndəpeit, subst. domkop; adj. dom.

Dundonald, dɐndonəld; Dundreary, dɐndrîri, banjer; Dunedin, dɐned’n.

Dune, djûn, duin.

Dunfermline, dɐnf(ɐ̂m)lin.

Dung, dɐŋ, subst. mest, drek; Dung verb. bemesten; Dung-beetle = mestkever; Dunghill, subst. mesthoop, vuil hok; adj. laag, gemeen.

Dungaree, dɐngərî, grove (blauwe) katoenen stof.

Dungarvan, dɐngâv’n; Dungeness, dɐnžənes.

Dungeon, dɐnž’n, subst. kerker; Dungeon verb. inkerkeren.

Dungy, dɐŋgi, drekkig, vuil.

Dunkeld, dɐnkeld; Dunkirk, dɐnkɐ̂k, Duinkerken.

Dunlop, dɐnləp, Dunlop; Dunlop-tyre = fietsband (naar den uitvinder genoemd); vette kaas (Schotl.).

Dunmow, dɐnmou: Dunmow flitch = zijde spek vroeger te D. vereerd aan paren, die bezwoeren een jaar en een dag na het huwelijk geen ruzie te hebben gehad.

Dunnage, dɐnidž, stuwhout; bagage, kleeren; Dunnage verb. stuwen.

Dunnish, dɐniš, dof bruinachtig.

Dunnock, dɐnək, bastaard nachtegaal.

Dunsinane, dɐnsinən, dɐnsinein; Dunwich, dɐnidž.

Duodecimo, djûoudesimou, subst. een boek in duodecimo (formaat); adj. duodecimo (twaalf bladen of 24 bladzijden in een vel).

Duologue, djûəlog, tooneelstukje met zang voor eene dame en een heer.

Dupable, djûpəb’l, lichtgeloovig; Dupe, djûp, subst. bedrogene, iemand die gemakkelijk bedrogen wordt; Dupe verb. bedriegen; Dupery = bedriegerij.

Duplicate, djûplikit, subst. afschrift, duplicaat; adj. dubbel, tweevoudig; Duplicate verb. (djûplikeit) verdubbelen, een afschrift maken; subst. Duplication; Duplicature = vouw; Duplicity, djuplisiti, bedrog, huichelarij.

Durability, djurəbiliti, duurzaamheid; Durable, djûrəb’l, duurzaam.

Dura mater, dûrəmeitə, buitenste harde hersenvlies.

Duramen, djureim’n, kernhout.

Durance, djûrəns, gevangenschap, ontbering = Durance vile.

Duration, djureiš’n, duur.

Durban, dɐ̂ban, dɐ̂b’n.

Durbar, dâbâ, audientie-zaal of receptie van een Brit. Ind. vorst; gala-receptie van den Viceroy.

Duress, djures, djûrəs, subst. dwang, gevangenschap, vrijheidsbeneming: To be under duress.

Durga, dɐ̂gə, godin (der Hindoes), vrouw van Siva.

Durham, dɐr’m.

Durian, djûriən, durîən, doerian (vruchtenboom).

During, djûriŋ, gedurende.

Durst, dɐ̂st, imperf. van to dare.

Dusk, dɐsk, subst. schemering, duisterheid: At (In) the dusk of the evening; Duskiness = donkere kleur; droefheid; Duskish = ietwat donker; Dusky = somber, donker, droevig.

Dust, dɐst, subst. stof, aarde, vuilnis, verwarring, beroering, geld; Dust verb. afstoffen, bestuiven: In dust and ashes = in zak en assche; The enemies bit the dust = beten in ’t stof; To kick up (make, raise) a dust spektakel maken; The rain has laid the dust = het stof neergeslagen; To throw dust in (into) a person’s eyes = zand in de oogen strooien; It was turned to dust and ashes = werd waardeloos; I will dust your jacket = je een pak ransel geven; Dust-bin = aschvat; Dust-cloak = stofjas, stofmantel; Dust-contractor = aannemer van het straatvuilnis; Dust-hole = aschhok; Dustman = vuilnisman, aschman: The Dustman = Klaas Vaak; Dust-pan = blik; Dust-sheet = stoflaken; Dust-speck = stofje; Duster = stofdoek, borstel; Dustiness = stoffigheid; Dusty = stoffig, stormig: Well it’s not so dusty = kom, zoo erg is het niet.

Dutch, dɐtš, Hollandsch, Nederlandsch: The Dutch = de Nederlanders; Double Dutch = koeterwaalsch; That beats the Dutch = dat is ongelooflijk (Amer.); Dutch auction = verkooping bij afslag; Dutch blue = lakmoes; Dutch cheese = Edammer kaas; Dutch clinkers = gele klinkersteenen; Dutch clock = Schwarzwalder klok; Dutch concert = waarbij allen tegelijk een verschillend lied zingen; kikkergekwaak; Dutch courage = jenevermoed; Dutch disease = scheurbuik; Dutch drops = terpentijnbalsem; Dutch gold (metal) = klatergoud, bladgoud; Dutchman = Nederlander: If it is not true, I’m a Dutchman = laat ik me hangen; Dutch oven = kleine oven; Dutch stairs = huistrap; Dutch tiles = haardsteentjes; Dutch toys = Neurenberger speelgoed; Dutch treat = partijtje (uitstapje) waarbij ieder voor zich zelf betaalt; Dutch uncle: To talk like a Dutch uncle = een strafpredikatie houden.

Dutiable, djûtiəb’l, aan invoerrechten onderhevig.

Dutiful, djûtiful, eerbiedig, gehoorzaam; subst. Dutifulness; Duty, djûti, plicht, gehoorzaamheid, dienst; belasting, accijnzen, in- en uitvoerrechten: When will he enter upon his duties = zijn ambt aanvaarden? You are in duty bound to go there = verplicht; (Up)on duty, off duty = in dienst (op wacht), vrij; Succession duty (duties) = successie-rechten; Duty-free = vrij van belasting.

Duumvir, djuɐmvə, duümvir (mv. Duumvirs of Duumviri, djuɐmvirai); Duumvirate = duümviraat.

Dux, dɐks, leider, primus (op school).

Dwarf, dwöf, subst. dwerg; Dwarf verb. den groei belemmeren, klein doen lijken, klein blijven: Famine has dwarfed the race = in forschheid achteruit doen gaan; Dwarf-wall = grondmuur.

Dwell, dwel, wonen, verblijven, (lang) stilstaan bij, hangen aan: I shall not dwell any longer on this subject = blijven stilstaan; Her eye dwelt on her child = rustte vol teederheid op; Dweller = bewoner; Dwelling = woning; Dwelling-house; Dwelling-place.

Dwindle, dwind’l, minder worden, achteruitgaan, inkrimpen, afnemen.

Dyak, daiak, Dajakker.

Dye, dai, subst. kleur, tint, verfstof; Dye verb. verven (van stoffen): A villain of a first-class dye = schurk van ’t ergste soort = of the blackest dye; Deeply dyed criminal = doortrapte; Dye-house = ververij; Dye-stuff = verfstof; Dye-wood = verfhout; Red dye-wood = fernambukhout; Dyer = stoffenverver.

Dying, daiiŋ, stervend, wegstervend, uitgaand, brandend van verlangen; subst. stervenden, sterven: To be in a dying condition = op sterven liggen; Dying-bed = sterfbed. Zie Die.

Dyke, daik = Dike.

Dynamic(al), d(a)inamik(’l), dynamisch; Dynamics, d(a)inamiks, dynamica.

Dynamitard, d(a)inəmitâd, anarchist van de daad (= Dy(n)amiter); Dynamite, d(a)inəmait, subst. dynamiet: Dynamite explosions = dynamietontploffingen.

Dynamo, d(a)inəmou, dynamo; Dynamometer, d(a)inəmomətə, dynamometer.

Dynasty, d(a)inəsti, dynastie; adj. Dynastic.

Dysart, daizət, dizât.

Dysenteric, dis’nterik, dysenterisch; Dysentery, dis’ntəri, dysenterie.

Dyspepsia, dispepšə, Dyspepsy, dispepsi, dispepsi, slechte spijsvertering; Dispeptic = dispeptisch.

Dyspnoea, dispnîə, moeilijke ademhaling.

E.

E, î, verkorting voor East (als E. N. E. = Oost Noord Oost); als telwoord = 250; Ea(ch); E. C. = Eastern Central (postdistrict in Londen) of: Established Church; Eccl(esiastes); Ed(itor); E. G. (Exempli gratia) = bij voorbeeld; Edin(burgh); E(ast) I(ndies); E(ast) I(ndia) Co(mpany); Eliz(abeth); Eng(lish); Epis(copal); Equiv(alent); Et Seq(uentia) = en de volgenden; Etym(ology); Ex(ample); E. &. O. E. = Errors and Omissions excepted; Esq. Esqre (Esquire) = WelEdelgeb. Heer; Etc. (Etcaetera) = enzoovoort; Excy (Excellency) = Excellentie; E sharp = Eis (muziek); E flat = Es (muziek).

Each, îtš, subst. en adj. elk: Each other = elkander.

Eager, îgə, vurig, ongeduldig, gretig, begeerig, scherp; subst. Eagerness.

Eagle, îg’l, arend, adelaar, gouden munt van 10 dollars (Amer.), zeker sterrenbeeld, veldteeken (Rom.), zekere lezenaar; Eagle-eyed (= Eagle-sighted) = met arendsoogen; Eagle-flighted = met eene arendsvlucht; Eagle-pinioned = met arendsvlerken = Eagle-winged; Eaglet = jonge arend.

Eagre, îgə, eigə, springvloed.

Ear, îə, oor, gehoorzin, oplettendheid; aar; Ear verb. aren vormen: No ear for music = geen muzikaal gehoor; I am all ear, all ears = geheel gehoor; I would not say anything against him in the public ear = in het openbaar; He is up to the ears (= over head and ear) in debt = tot over de ooren; He has a flea in his ear = is niet op zijn gemak; To send one off with a flea in his ear = kort en scherp afwijzen; To be together by the ears = elkaar in ’t haar zitten; To come (go, fall) together by the ears = elkaar in ’t haar vliegen; The room fell in about our ears = viel boven ons hoofd in; It goes in at one ear and comes out at the other = het ééne oor in, het andere weer uit; They knocked the idols of their youth about their ears = verachtten hen; We have set them by the ears = tegen elkander opgezet, opgehitst; This set the critics by the ears = deed ... opvliegen; He has bitten this man’s ear = hem beleedigd, geërgerd; They eat their ears off = ergeren zich dood; Lend me your ears = verleen mij gehoor, luister naar mij; More is meant than meets the ear = daar zit meer achter; To turn a deaf (favourable) ear to = doof zijn voor (een gunstig oor leenen aan); Ear-ache, îreik, oorpijn; Ear-bob = oorknopje; Ear-cap = oorklep (tegen de koude); Ear-cockle = ziekte in de tarwe; Ear-deafening = oorverdoovend; Ear-drop(per) = oorknopje; Ear-drum = trommelvlies; Earlap = oorlel; Ear-mark = merk: Ear-mark verb. schapen merken; Ear-pick(er) = oorlepeltje; Ear-piercing = oorverscheurend; Ear-shot = gehoorsafstand: The man was within ear-shot = de man kon ons hooren; Ear-trumpet = spreekhoren; Ear-wax = oorvuil, oorsmeer; Earwig, subst. oorworm; oorblazer, verklikker; Earwig verb. gehoor verkrijgen door lasterlijk gepraat over anderen; Eared = met ooren of aren; Earing = het aren vormen; steekbout (zeeterm).

Earl, ɐ̂l, graaf; Earl-marshal = opperceremoniemeester; hoofd van het Court of Chivalry, erfelijk in het geslacht van de hertogen van Norfolk; Earldom = rang of waardigheid v. een earl.

Early, ɐ̂li, vroeg, vroegtijdig, eerste, bijtijds, vroeg opstaand: It’s early days = wel wat spoedig; Early English = het Engelsch tusschen 1250–1350; An early party = eene partij, waarbij de gasten niet laat blijven; Early times = vóórhistorische tijd; Early in May = in ’t begin v. Mei; As early as May = reeds in Mei; Early to bed and early to rise, makes a man healthy and wealthy and wise = de morgenstond heeft goud in den mond = The early bird catches the worm; Easter fell early that year = het was een vroege Paschen.

Earn, ɐ̂n, verdienen, verkrijgen: To earn a living = den kost verdienen; Earnings = verdiensten.

Earnest, ɐ̂nist, adj. ernstig, vurig, ijverig, dringend; subst. ernst, vooruitzicht op, pand, onderpand, handgeld: I am in (good) earnest = ik meen het; This is an earnest of further honours = wekt gegronde verwachtingen op; I shall be earnest to know how the matter proceeds = ik verlang vurig om te weten; Earnest-money = geld als borg voor de geldigheid van een gesloten koop, handgeld, godspenning; Earnestness = ernst, vuur, ijver, enz.

Earth, ɐ̂th, subst. aarde, grond, de wereld, vossehol; Earth verb. in den grond stoppen, met aarde bedekken, in den grond kruipen: He made his millions right up from the bare earth = na met niets begonnen te zijn; How on Earth could you do it = hoe ter wereld; Earth-bag = zandzak; Earth-board = ploegzool (die de aarde omwerkt); Earth-bob = pier; Earth-born = aardsch, laaggeboren; Earth-bound = in de aarde bevestigd; Earth-bred, (Earth-fed) = laag, verachtelijk; Earth-created = uit stof geschapen; Earth-drake = monster, draak; Earth-flax = amant (soort asbest); Earth-hunger = begeerte naar grond- of landbezit; Earth-light = van de aarde op de maan teruggekaatst licht (= Earth-shine); Earth-nut = aardkastanje, aardaker; Earthquake = aardbeving: Blind force and violence played earthquake(s) with peace and order = vernietigden; Earth-work = aardwerk (Mil.); Earth-worm = aardworm; Earthen = aarden; Earthenware = aardewerk, potten en pannen; Earthling = aardbewoner, sterveling; wereldling; Earthly = aardsch, stoffelijk; mogelijk, begrijpelijk; Earthly-minded = aardschgezind; subst. Earthly-mindedness; Earthy, aardsch, aard—, ruw: They are of the earthy = door en door aardschgezind, wereldsch; An earthy savour = grondlucht.

Ease, îz, subst. gemak, kalmte, rust, ongedwongenheid; Ease verb. geruststellen, verlichten, van pijn verlossen, loslaten: At ease = op zijn gemak, zonder pijn; Chapel of Ease = hulpkerk; A lady of ease = in goeden doen; To set a person at his ease = iemand op zijn gemak zetten; Stand at ease = op de plaats, rust! To take one’s ease = het zich gemakkelijk maken; He eased my mind = stelde mij gerust: To ease a screw = losser draaien; To ease the screw = de schroef helpen door zeilen bij te zetten; To ease a ship = wat afhouden om het stampen te voorkomen; He was eased of his pain = verlost; The rope was eased away (off) = het touw werd langzaam gevierd; The cyclists eased up = reden langzamer (om stil te houden); Easeful = kalm, vreedzaam; Easeless = ongemakkelijk; Easement = verlichting, verzachting; recht van overgang (bijv. over eens anders land).

Easel, îz’l, schildersezel; Easel-picture = klein schilderijtje, paneeltje.

Easiness, îzinəs, kalmte, gemakkelijkheid, lichtzinnigheid, welwillendheid: Easiness of belief = lichtgeloovigheid; Easiness of mind = gemoedsrust.

East, îst, subst. Oosten; adj. oost, oostelijk: The East = het Oosten, het morgenland; de Levant; East of North = N.-Oostelijk; Bounded to the East by France = ten oosten door F. begrensd; East-end = oostzijde; armenbuurt in Londen; East-ender = bewoner van die buurt; East-India = Oost Indië (The East-Indies); East-Indiaman = Oostindievaarder; East-Indian = Oost Indisch; Oost Indiër; Easterling = Oosterling, handelaar v. de Oostzeekusten; goudstuk (door Richard I in het Oosten geslagen), soort v. zwemvogel; Easterly = oostelijk; Eastern, adj. en adv. Oostersch, Oostelijk, naar het Oosten: Eastern Empire = Oostersch Rom. Rijk; Brit. Ind.; Eastern question = Oostersche; Easting = oosterende wind; Easterner = bewoner der oostelijke staten (Amer.); Eastward = oostelijk, oostwaarts(ch).

Easter, îstə, Paschen: Easter-eggs = Paascheieren; Easter-holidays = Paaschvacantie; Easter Monday = 2de Paaschdag; Easter Sunday.

Easy, îzi, gemakkelijk, ongedwongen, vrij van zorgen, pijn, etc., gerust, welgesteld, ondoordacht, licht te bepraten: Easy come, easy go = zoo gewonnen, zoo geronnen; Easy of digestion = licht verteerbaar; Easy with it = kalmpjes aan! He is in easy circumstances = hij is in goeden doen; I fell into easy chat with him = begon een gezellig praatje met hem; You may make yourself easy on that = daarop kunt gij gerust zijn; Stand easy! = op de plaats rust; To take it easy = rust; To easy = zachter voortbewegen; Easy-chair = gemakstoel; He is an Easy-going man = hij neemt de dingen gemakkelijk op = takes things easy.

Eat, ît, eten, opeten, smaken, wegvreten: These peas eat very well = smaken lekker; To eat dirt = zoete broodjes bakken; To eat one’s terms = de jurid. colleges loopen en de 3 verplichte gezamenlijke diners bijwonen aan een der Inns of Court; To eat one’s words = zijne woorden terugnemen; To eat into = uitbijten; They have eaten far into the pudding = een heel gat gegeten in; I’ll eat my head off, if it isn’t true = mag sterven; The horses are eating their heads off in the stables = zijn doodeters, voeren niets uit; To eat one’s heart out = zich ‘opvreten’ van verveling of verdriet; A sense of his wrongs had eaten him up = verteerd; Eatable = eetbaar: Eatables and drinkables = eet- en drinkwaren; Eater: A great, a poor eater = een groote, kleine eter; Eating: Eating-house = ordinaris.

Eatanswill, ît’nzwil, opgeblazen (als de inwoners van E. in The Pickwick Papers).

Eau de Cologne, oudəkəloun, Eau de Cologne.

Eaves, îvz, vooruitspringende beneden dakrand: Eavesdrop, subst. het v. den dakrand druppelend water; Eaves verb. afluisteren, den luistervink spelen; Eavesdropper = luistervink.

Ebb, eb, subst. ebbe, verval; Ebb verb. ebben, achteruitgaan, in verval geraken: Ebb and flow, Ebb and tide = eb en vloed; To be at an ebb = at a low ebb = aan lager wal, gedrukt; To ebb away = afnemen; Ebb-tide = eb.

Ebenezer, ebənîzə, kerk, vereenigingslokaal voor Dissenters.

Eblis, eblis, duivel der Mahomedanen: Hall of Eblis = hel.

Ebon, eb’n, van ebbenhout, donker, zwart; Ebonize = ebbenhoutkleurig maken; Ebony = ebbenhout: A bit of ebony = neger; Dealer in ebony = slavenhandelaar.

Ebullience, Ebulliency, ibɐlj’ns(i), subst. overkoken, overstroomen; adj. Ebullient; Ebullition, ebəliš’n, het koken, (op)borrelen, uitstorting.

Eburnean, îbɐ̂nj’n, adj. ivoren.

Ecce Homo, eksihoumou, voorstelling van Christus met de doornenkroon.

Eccentric(al), eksentrik(’l), excentrisch, excentriek, zonderling; subst. excentriek; Eccentric-rod = excentriekstang; Eccentricity = excentriciteit, zonderlingheid.

Ecclefechan, ekləfek’n.

Ecclesiastes, eklîziastîz, de Prediker (O. Test.); Ecclesiastic, eklîziastik, subst. geestelijke; adj. geestelijk, kerkelijk = Ecclesiastical: The Ecclesiastical States = de Kerkelijke Staat.

Echinate(d), ekəneit(id), əkaineit(id), stekelig; Echinus, ikainəs, zeeëgel; egelskop (plant); eivormig ornament.

Echo, ekou, subst. echo; Echo verb. weerklinken, weergalmen, terugkaatsen, herhalen: The speech was cheered to the echo = uitbundig toegejuicht; I echoed his sentiment = deelde zijn gevoelen; Echoism = onomatopee; Echometer, ekomətə, klankmeter.

Eclectic, eklektik, eclectisch, schiftend, uitkiezend; subst. eclecticus; Eclecticism, eklektisizm = eclecticisme.

Eclipse, iklips, subst. eclips, verduistering; Eclipse verb. verduisteren; Ecliptic, ikliptik, subst. ecliptica; adj. tot den zonneweg behoorende.

Eclogue, eklog, herdersdicht.

Economic, îkənomik, ekənomik, economisch; huishoudelijk, spaarzaam; Economics, îkənomiks, ekənomiks, (staat)huishoudkunde; Economical = spaarzaam; Economist = spaarzaam gebruiker: Political Economic = economist; Economize = spaarzaam zijn, sparen; Economy = economie (= Political Economy) = besparing, zuinigheid, (Goddelijke) inrichting, stelsel, bouw; orde v. zaken, regeling.

Ecorché, eiköšei, spierfiguur ter bestudeering (voor kunstenaars).

Ecstasy, ekstəsi, extase, opgetogenheid, geestverrukking of vervoering; ziekelijke overprikkeling; flauwte; Ecstatic(al), ekstatik(’l), verrukt, onbeschrijfelijk genotvol, verrukkelijk.

Ectype, ektaip, copie, afgietsel.

Ecuador, ekwədö, əkwâdö.

Ecumenic(al), îkjumenik(’l), algemeen.

Eczema, eksîmə, eczeem; adj. Eczematous, əksemətɐs.

Edacious, ideišəs, gulzig, vraatzuchtig; Edacity, idasiti, vraatzucht, gulzigheid.

Eddish, ediš, etgroen, nagras, stoppelveld.

Eddy, edi, draaikolk, dwarrelwind; Eddy verb. dwarrelen, draaien; Eddy-water = zog, kielwater; Eddy-wind = wervelwind.

Eddystone, edist’n.

Eden, îd’n, Eden, Paradijs.

Edentate(d), identeit(id), zonder snijtanden.

Edgar, edgə.

Edge, edž, subst. rand, kant, scherpe kant, snede, zoom, hevigheid, scherpheid; Edge verb. scherpen, afranden, afsteken, begrenzen, omzoomen, zich zijdelings voortbewegen, scherp bij den wind houden: To edge one’s way through a crowd = zich een weg banen; It sets my teeth on edge = het doet mij griezelen; It has taken away (off) the edge of hunger = het heeft den eersten honger gestild; To turn up the edges of one’s trousers = de broekspijpen omslaan; To edge away from the coast = zich van de kust langzaam verwijderen; We edged in with the coast = langzamerhand naderden wij de kust; He edged me on = zette mij aan; Edge-rail = rechtopstaande spoorstaaf (niet liggende, zooals bij trams); Edge-tool = snijdend of scherp werktuig; He plays with edge-tools = speelt met vuur; Edgeways, Edgewise = met den scherpen kant vooruit: I couldn’t get in a word edgeways = er geen woord tusschen krijgen.

Edgecombe, edžk’m.

Edging, edžiŋ, boordsel, franje, rand.

Edible, edib’l, eetbaar; subst. Edibleness.

Edict, îdikt, edict, verordening.

Edification, edifikeiš’n, stichting, opbouwing; Edificatory = stichtend; Edifice, edifis, gebouw; Edify, edifai, stichten, opbouwen: An edificeing sermon = stichtelijke preek.

Edile, îdail, aedilis.

Edinburgh, edinbɐrə.

Edison, edis’n.

Edit, edit, uitgeven (d.w.z. voor de pers gereed maken), redigeeren: Dickens’ Letters edited by his daughter, and published by L.; Edition, idiš’n, uitgave, druk; Editor = uitgever, redacteur; Editorial, editôriə’l, redactioneel; subst. hoofdartikel: Editorial management = redactie; Editorial staff = redactie (personeel); Editorship = redacteurschap; Editress = redactrice.

Edith, îdith.

Edomite, îdəmait.

Educate, edjukeit, opvoeden, onderrichten; Education, edjukeiš’n, opvoeding, onderwijs: Board of Education = Raad van Onderwijs; Educational = opvoedings..., paedagogisch: Educational institutions = opvoedingsgestichten, opvoedingsinrichtingen; Educationist = voorstander van onderwijs; ervaren paedagoog; Educator = opvoeder.

Educe, idjûs, afleiden, trekken uit; Educible = afleidbaar.

Educt, îdɐkt, wat zich afscheidt of heeft afgescheiden (chem.); conclusie: The educts of an analysis; Eduction pipe, valve = afvoerbuis; klep voor afgewerkten stoom.

Edulcorate, idɐlkəreit, verzachten, zoeter maken, zuiveren; subst. Edulcoration.

Edward, edwəd, Eduard; Edwin, edwin.

Eel, îl, aal, paling: Eel-buck, (Eel-pot) = aalkorf (om ze te vangen); Eel-fare = broedsel palingen; Eel-pout = aalpuit; Eel-spear = aalgeer, elger.

E’en, în, verkorting van Even, Evening.

E’er, êə, verkorting van Ever.

Eerie, Eery, îri, angstwekkend, huiveringwekkend, geheimzinnig; Eeriness = angst, vooral voor iets bovennatuurlijks.

Efface, efeis, uitwisschen, uitkrabben, in de schaduw stellen; Effaceable = uitwischbaar, enz.; Effacement = uitwissching, enz.

Effect, efekt, subst. effect, indruk, uitvoering, uitwerking, gevolg (Effects = effecten, waarden, bezittingen); Effect verb. uitwerken, teweegbrengen, tot stand brengen, effectueeren: For effect = om den schijn, om den indruk te verhoogen; In effect = werkelijk, inderdaad; Of no(ne) effect = van geene kracht; To no effect, Without effect = vergeefs; His words were to this effect = kwamen hier op neer; He gave effect to this resolution = voerde uit; The cannon took effect = miste zijne uitwerking niet; To carry into effect = ten uitvoer brengen; They effected their escape = bewerkstelligden; Effective = werkzaam, krachtig, werkelijk voorhanden, effectief; ook subst.: An army with an effective of 80.000 men in time of peace = met een effectief; subst. Effectiveness; Effectual = bindend, dringend, krachtig: The blow Effectually pitched him into the water = deed hem pardoes... vallen; Effectuate = bewerkstelligen; subst. Effectuation.

Effeminacy, efeminəsi, verwijfdheid, verweekelijking; Effeminate, efeminit, subst. en adj. verwijfd (persoon); Effeminate verb. (efemineit) verwijfd maken, verweekelijken.

Effendi, əfendi, hooge titel (Turk.).

Effervesce, efəves, opborrelen, zingen (vóór het koken), opbruisen of uitbarsten; subst. Effervescence, Effervescency; Effervescent = opbruisend: Effervescent powder = bruispoeder.

Effete, efît, afgeleefd, versleten.

Efficacious, efikeišəs, werkzaam, krachtig; subst. Efficaciousness = Efficacy, efikəsi, kracht, invloed.

Efficiency, efiš’nsi, werking, kracht, capaciteit; Efficient, efiš’nt, werkzaam, krachtig, afgeëxerceerd; subst, werkende oorzaak; afgeëxerceerd soldaat.

Effigies, efidžîz. Zie Effigy.

Effigy, efidži, beeld, beeltenis, beeldenaar (op eene munt): He was hanged in effigy = in effigie (beeltenis) gehangen.

Effloresce, efləres, uitbotten, zich ontplooien, bloeien, met een korst van witte kristallen bedekt worden; Efflorescence = bloei, het uitbotten, huiduitslag, vorming van kristallen; adj. Efflorescent = bloeiend.

Effluence, efluens, uitvloeisel; Effluent.

Effluvium, eflûvj’m, uitwaseming, uitdamping.

Efflux, eflɐks, uitvloeiing = Effluxion.

Effort, efət, eföt, poging, krachtsinspanning, worsteling, effectbejag: That is an effort to me = kost mij inspanning; Effortless = werkeloos, zonder inspanning.

Effrontery, efrɐnt’ri, onbeschaamdheid.

Effulge, efɐldž, uitstralen; Effulgence = glans; Effulgent = stralend, glanzend.

Effuse, efjûz, uitgieten, storten, uitstroomen; adj. efjûs; Effusion = uitstorting, ontboezeming; adj. Effusive, efjûsiv, verspreid, rijkelijk, demonstratief, overdreven: Polly kissed me effusely = onstuimig.

Eft, eft, watersalamander.

Eftsoon(s), eftsûn(z), in korten tijd, spoedig daarna, opnieuw, dadelijk.

Egad, əgad, goede hemel! Duivekaters!

Egbert, egbət; Egerton, edžət’n; Egeus, idžîəs.

Egg, eg, subst. ei: As sure as eggs is (are) eggs = zoo zeker als wat; To beat up an egg = klutsen; To count one’s eggs = zien wat men heeft; To put all one’s eggs into one basket = alles op ééne kaart zetten; Egg-boiler = eierkoker; Egg-cup = eierdopje; Egg-flip = warm bier met suiker etc., en daarin geklutste eieren; Egg-glass = kleine zandlooper; Egg-nog(g) = advocaat; Egg-plant = eierplant; Egg-shell = eierschaal; Egg-slice = pannekoeksmes; Egg-whipper = Egg-whisk = eierklopper; Eggery = nest met eieren; eierbergplaats, eierrekje; Eggler = eierenhandelaar; eierenverzamelaar.

Egg, eg, aanzetten tot, aanhitsen en opstoken.

Eginhard, edžinhâd.

Egis, îdžis, aegis (schild van Jupiter).

Eglantine, egl’nt(a)in, egelantier, hondsroos.

Ego, egou, îgou, ego; Egoism = egoisme; Egoist = egoist; Egoistic(al) = egoistisch; Egotism = het te veelvuldig gebruik van “ik”; zelfgenoegzaamheid; zelfzucht; Egotist = persoon, die zich aan Egotism schuldig maakt; adj. Egotistic(al); Egotize = te veel over zichzelf praten of schrijven.

Egregious, igrîdžəs, uitstekend, buitengewoon: Egregious folly = kolossale dwaasheid.

Egress, îgres, subst. uitgang, heengaan.

Egret, egrət, îgrət, kleine witte reiger; reigerveer als versiering; zaadpluimpje; Egrette, igret, pluim, bos, lintversiersel.

Egria, îgriə, Eger.

Egypt, îdžipt, Egypte; Egyptian, idžipš’n, subst. Egyptenaar; Zigeuner; groot formaat teekenpapier; adj. Egyptisch, Zigeuner—: Egyptian type = egyptienne, bijzondere soort van dikke drukletter; Egyptologist = Egyptoloog; Egyptology, îdžiptolədži, kennis van Egyptische antiquiteiten, enz.

Eh, ei, ə, He? Wat?

Eidam, aid’m, Edammer kaas.

Eider, aidə: Eiderdown = eiderdons, kussen gevuld met eiderdons; Eider-duck.

Eidolon, aidoulən, schim, verschijning.

Eigh, ei, Hé! Och!

Eight, eit, acht: An eight-day clock = die acht dagen loopt; Eighteen = achttien; Eighteenmo, eitînmou, boekvorm, verkregen door het in 18 bladen (of 36 bladzijden) vouwen van een vel (verkort 18mo); Eighteenth = achttiende; Eightfold = achtvoudig; Eighth = achtste; Eightieth, eitiəth, tachtigste; Eight-score = 160; Eighty = tachtig.

Eikon, aikoun, beeltenis, heiligenbeeld.

Eirie, îri = Eerie.

Eisteddfod, aistedhwoud, oorspronkelijk eene vergadering van Keltische zangers tot het ontvangen van prijzen voor hunne werken; thans een jaarlijksche bijeenkomst ter bevordering van Keltische taal en letterkunde.

Either, aidhə, îdhə, een van beiden (onverschillig welke), beide: In either case = in het eene of andere geval.

Ejaculate, idžakjuleit, uitbrengen, uitstooten, uitwerpen; Ejaculation = uitroep; ook = Ejaculatory prayer = schietgebedje.

Eject, idžekt, uitwerpen, uitspuiten, loozen, uitzetten, verdrijven, verbannen, afzetten; subst. Ejection; Ejectment = uitstooting, uitzetting, verdrijving; Ejector = verdrijver, veer of inrichting waarmee patroonhulzen, asch, etc. worden uitgeworpen.

Eke, îk, toevoegen, verlengen, aanvullen, vermeerderen; adv. ook: The meat was eked out by potatoes and apple-sauce = werd aangevuld door; The lion’s skin was eked (out) with the fox’s = moed en list gingen samen; Parish Eke-names = bij(scheld)namen (Vergel. Silly Sutton, Sleepy Ingham, etc.).

Elaborate, ilabərit, adj. doorwrocht, uitgewerkt, uitvoerig, uitgebreid; Elaborate verb. (ilabəreit) nauwkeurig bewerken, met moeite voortbrengen: To elaborate an idea = uitwerken; Elaborateness = zorgvuldige en uitvoerige bewerking; Elaboration = uitwerking, bewerking; Elaborative faculty = onderscheidingsvermogen.

Elaine, ilein.

Eland, îl’nd, eland.

Elapse, ilaps, verstrijken, verloopen.

Elastic (= Elastical), ilastik, elastiek, veerkrachtig: An elastic = A piece of elastic = een elastiekje; Elastics = kousebanden; Elastic-sided boots = bottines met elastiek; Elastic stockings; Elastic tissue = veerkrachtig weefsel; Elasticity, îləstisiti, elasticiteit.

Elate, ileit, adj. opgewonden, blijde, opgeblazen; Elate verb. verheffen (van geest of ziel), opwinden, opgetogen maken, opgeblazen maken; Elater = springkever, springtor; Elation = opgetogenheid, enz.

Elbe (The), dhi-elb, Elbe; Elberfeld, elbəfeld: The Elberfeld system of poor relief = Elberfelder stelsel van armenverzorging.

Elbow, elbou, elleboog, bocht, hoek; Elbow verb. met de ellebogen duwen; bochten: I am at your elbow = vlak bij u; He is out at elbow(s) = hij is in slechten doen; hij zit met zijn elleboog(en) door de mouwen; I am up to my elbows in work = zit tot over de ooren in het werk; He jogged (nudged) my elbow = hij gaf mij een duwtje (ter herinnering); To lift (crook) one’s elbow = onmatig drinken; To shake one’s elbow = dobbelen, spelen; He elbowed people about = duwde op zij; He elbowed his way through the crowd = baande zich met geweld een weg door; Elbow-chair = armstoel; Elbow-grease = harde handenarbeid; Elbow-rest = leuning; Elbow-room = ruimte van beweging.

Eld, eld, ouderdom, grijsaard; oude tijden: Like the princesses of eld.

Elder, eldə, subst. oudere, ouderling, voorvader; adj. ouder, senior; Elder-brethren = de regenten van Trinity House; Elder hand = speler aan de voorhand (kaartspel); My elders = ouderen dan ik; The Elders = voorvaderen; ouderlingen; An elderly gentleman = bejaard, oudachtig heer; Eldership = de betrekking van ouderling, de ouderlingen; hooge ouderdom; eerstgeboorte; Eldest = oudste: Elder born = eerstgeborene.

Elder, eldə, vlier: Elder-gun = proppenschieter.

El Dorado, eldərâdou, eldəreidou, Eldorado.

Eldri(t)ch, eldritš, vreemd, spookachtig, ijzingwekkend.

Eleanor, eliənö, elənö; Eleazer, îlieizə.

Elecampane, elək’mpein, alant.

Elect, ilekt, subst. uitverkorene, gekozene; adj. uitverkoren, gekozen; Elect verb. uitkiezen, verkiezen, kiezen: The Lord Mayor Elect = de nieuw gekozen (nog niet zijne functies aanvaard hebbende); The Elect = de uitverkorenen Gods; Election = keus, verkiezing, praedestinatie, genadekeus: Election auditor = iemand belast met het opmaken van de kosten voor eene parlementsverkiezing; Election cry = verkiezingsleus; Election judges = twee rechters, die de protesten (Petitions) tegen eene verkiezing onderzoeken; Electioneer, ilekšənîə, stemmen werven bij verkiezingen: Electioneering-agent = verkiezingsagent; Elective = uitkiezend, verkiezend: Elective affinity = chem. verwantschap, affiniteit; Elective franchise = kiesrecht; Elector = kiezer, keurvorst; Electoral college = kiescollege; Electoral law = kieswet; Electoral offences = knoeierijen; Electorate, ilektərit, de gezamenlijke kiezers; keurvorstendom; Electorship = ambt van een keurvorst; Electress = keurvorstin.

Electrepeter, ilektrepətə, stroomwisselaar.

Electric, ilektrik, electrisch, electriseer...: Electric battery = electr. batterij; Electric car = electr. tramwagen; Electric circuit = kringstroom; Electric clock; Electric column = kolom van Volta; Electric current = electr. stroom; Electric eel = sidderaal; Electric jar = Leidsche flesch; Electric launch = motorboot met electr. beweegkracht; Electric light; Electric machine = electriseermachine; Electric plant = electr. installatie; Electric railway; Electric ray = sidderrog; Electric shock = electr. schok; Electric spark = electr. vonk; Electric wire = telegraafdraad; Electrical engineer = electr.-technicus; Electrical engineering = electrotechniek; Electrician, ilektriš’n, elektriš’n = electricien; Electricity, ilektrisiti, elektrisiti, electriciteit; Electrification, ilektrifikeiš’n, subst. electriseeren; Electrificate verb. Electrify, ilektrifai, electriseeren (ook fig.); Electrization, ilektrizeiš’n, subst. electriseeren; Electrize verb. Electrize, ilektraiz.

Electro, ilektrou, in samenstellingen: electro, electrisch; Electrocution, ilektrəkjûš’n, terechtstelling door electriciteit (Amer.); Electrology, ilektrolədži, de wetenschap der electriciteit; Electrolyze, ilektrəlaiz, door electriciteit ontleden; Electro-motion, ilektrəmouš’n, beweging door electriciteit; Electrophorus, ilektrofərɐs, electrophoor; Electro-plate, ilektrəpleit, galvanisch verzilverd of verguld; ook subst. en verb.; Electroscope, ilektrəskoup, electroscoop; Electron = electroon.

Electrum, ilektr’m, barnsteen; mengsel van goud met ⅕ deel zilver, zilverhoudend gouderts.

Electuary, ilektjuəri, electuarium, likkepot.

Eleemosynary, elimosinəri, subst. de van aalmoezen levende, adj. uit liefdadigheid gegeven, weldadigheids—.

Elegance, Elegancy, eləg’ns(i), sierlijkheid, bevalligheid: Elegances = beschaafde gebruiken of manieren; Elegant = fijn, smaakvol, voornaam.

Elegiac, elidžaiak, elîdžiak, elegisch; elegie; Elegist, elədžist, dichter van elegieën; Elegize = elegie dichten, weeklagen; Elegy = elegie.

Element, eləment, (hoofd) bestanddeel, element: I am in (out of) my element in this company = voel mij in dit gezelschap (niet) thuis; Elements = beginselen; brood en wijn (aan ’t avondmaal); Elemental, eləment’l, de elementen betreffend, elementair, aanvankelijk, oorspronkelijk: Elemental spirits = de geesten van vuur, aarde, lucht en water, i.e. salamanders, gnomen, sylphen en undinen; Elementalism, eləmentəlizm, de theorie volgens welke de goden der oudheid verpersoonlijkte natuurkrachten waren; Elementariness, eləmentərinəs, elementaire toestand, eenvoudigheid; Elementary, eləmentəri, eenvoudig, elementair: Elementary education = lager onderwijs.

Elephant, eləf’nt, olifant: White elephant = een weinig benijdenswaardig bezit (meer kostbaar dan voordeelig): To buy a white elephant = er in loopen; To see the white elephant = de merkwaardigheden van eene stad zien (meest in ongunst. zin); To have seen the white elephant = de nieuwste knepen kennen, slim zijn; Elephantpaper = olifantspapier (711 × 534 mM.); Elephantiasis, eləfɐntaiəsis, olifantsziekte; Elephantine, eləfant(a)in, olifants-, olifantachtig, reusachtig, onbeholpen; Elephantoid, eləfantoid, eləfantoid, olifantachtig.

Eleusinian, eljusiniən.

Elevate, eləveit, verb. verheffen, verhoogen, veredelen, opvroolijken, van trots doen zwellen; adj. verheven, hoog = Elevated: Slightly elevated = aangeschoten; Elevated railway = luchtspoorweg; Elevation, eləveiš’n, verhevenheid, verhooging, opheffing, verheffing, hoogte, verticale opstand (tegeno. platte gr.): To my tallest elevation = in mijne volle lengte; Elevator = ascenseur, elevator; Elevatory = opheffend.

Eleven, ilev’n, elf, elftal: The Eleven = de Apostelen; At the eleventh hour.

Elf, elf, subst. elf, kabouter, fee; Elf-arrow, Elf-bolt, Elf-dart = vuursteen (in den vorm van een pijl); Elf-child = wisselkind (door feeën achtergelaten voor het echte); Elf-fire = dwaallicht; Elf-lock = Poolsche vlecht (haarziekte); Elfin, subst. fee; adj. tot de feeën behoorende; Elfish = elfachtig, elven—, kwaadaardig.

Elgin marbles, elginmâb’lz, de beelden uit den tempel van Minerva te Athene, door Earl Elgin tusschen 1801–1802 naar Engeland gebracht.

Elia, îliə, Eliah, ilaiə, Elia (I Kron. VIII, 27).

Elicit, ilisit, uitlokken, krijgen uit, aan het licht brengen.

Elide, ilaid, een klinker of lettergreep weglaten.

Eligibility, elidžibiliti, verkiesbaarheid, enz.; Eligible, elidžib’l, verkiesbaar, bevoegd; begeerlijk, verkieselijk, huwbaar: An eligible = geschikte partij; subst. Eligibleness.

Elijah, ilaîdžə, Elia (I Kon. XVII, 1).

Eliminant, ilimin’nt, eliminante.

Eliminate, ilimineit, verdrijven, buiten beschouwing laten, terzijde stellen, elimineeren; subst. Elimination.

Elinor, elinö; Eliot, eljət; Elisabeth, ilizəbeth; Elisha, ilaišə.

Elision, iliž’n, elisie, bijv. o’er voor over.

Elite, ilît, élite.

Elixir, iliksə, elixer, bitter, hartsterking: Elixir of life = levenselixer = Life’s elixir.

Eliza, ilaizə; Elizabeth, ilizəbeth; Elizabethan, ilizəbeth’n, ilizəbeth’n, ilizəbîth’n, uit den tijd van koningin E.

Elk, elk, eland; wapiti (Amer.); wilde zwaan, wilde eend.

Ell, el, lengtemaat (in Engeland ± 114 c.M., in Schotl. ± 94,5 c.M., in Holland 69 c.M.): Give him an inch, he will take an ell = als men hem den vinger geeft, neemt hij de geheele hand; Ell-wand = ellestok, el.

Ellen, el’n; Ellesmere, elzmîə; Ellinor, elinö; Elliot(t), eljət.

Ellipse, ilips, ellips; Ellipsis, ilipsis, uitlating; Elliptic(al), iliptik(’l), elliptisch; subst. Ellipticity.

Elm, elm, iep; Elmen = iepen; Elm(en)-tree; Elmy = met veel iepen.

Elmo’s-fire, elmouzfaiə, St. Elmusvuur.

Elocution, eləkjûš’n, (gekunstelde) voordracht; Elocutionary = de wijze van spreken betreffend; Elocutionist = bekwaam in, of leeraar in voordracht.

Elodes, iloudîz, zweetziekte.

Elohim, ilouhim, eləhim, een der namen voor God in het Oude T.

Elongate, iloŋgeit, îloŋgeit, verlengen, uitrekken; subst. Elongation.

Elope, iloup, wegloopen (met een minnaar), zich laten schaken; subst. Elopement.

Eloquence, eləkwens, welsprekendheid; adj. Eloquent.

Else, els, ander, anders, bovendien: What else? = nog iets? Else-ways = op eene andere manier; Elsewhere = elders, ergens anders; Somewhere else = ergens anders.

Elsinburg, elsinbɐrə; Elsinore, elsinö, Elseneur.

Elucidate, il(j)ûsideit, verduidelijken, ophelderen, verklaren; subst. Elucidation; Elucidative = verklarend; Elucidator = verklaarder; Elucidatory: Elucidatory notes = verklarende aanteekeningen.

Elude, il(j)ûd, ontduiken, ontwijken, ontsnappen; subst. Elusion; adj. Elusive; Elusory = bedriegelijk.

Elul, îləl, de 6de maand van het Joodsche burgerlijk jaar.

Elvish, elviš = Elfish.

Ely, îli; Elysian, iliž’n, Elyzeesch, hemelsch; Elysium, iliž’m, Elysium, Paradijs.

Elytra, elitrə, schildvleugels; enkelv. Elytrum.

Elzevir, elzəvɐ̂ elzəviə, een van de Elzevier-uitgaven der klassieken gedurende de 16e en de 17e eeuw te Amsterdam en Leiden: Elzevir editions.

’Em, əm, samentrekking van them.

Emaciate, imeišieit, vermageren, wegkwijnen; subst. Emaciation.

Emanant, emən’nt, voortkomende uit; Emanate, eməeit, voortkomen uit; The emanations of radium = uitstraling.

Emancipate, imansipeit, vrij maken, emancipeeren; subst. Emancipation; He was an emancipationist = voorstander van de vrijverklaring der slaven; Emancipator = bevrijder; Emancipist = vrijgelaten gedeporteerde (Austral.).

Emarginate, imâdžinit, uitgerand, uitgetand.

Emasculate, imaskjuleit, ontzenuwen, castreeren; subst. Emasculation.

Embale, əmbeil, emballeeren.

Embalm, əmbâm, balsemen, doorgeuren, bewaren; subst. Embalmment.

Embank, əmbaŋk, indijken, van eene kade voorzien; Embankment = indijking, dijk, kade.

Embargo, əmbâgou, subst. beslag (op schepen), verbod, belemmering; Embargo verb. beslag leggen en tegenhouden.

Embark, əmbâk, (zich) inschepen, zich wagen of begeven in: He embarked his fortune in trade = stak ... in; Don’t embark in such a trade = laat u niet in met; Embarked in litigation = in een proces gewikkeld; subst. Embarkation, embâkeiš’n.

Embarrass, əmbarəs, beletten, in moeielijkheden brengen, verlegen maken, verwarren; Embarrassment = verwarring, verlegenheid, moeielijkheid.

Embassador. Zie Ambassador.

Embassy, embəsi, gezantschap, zending, gezantschapshotel.

Embattle, əmbat’l, in slagorde scharen; van kanteel en voorzien: Embattled fields = slagvelden.

Embed, əmbed, als in een bed leggen, bedelven.

Embellish, əmbeliš, verfraaien, versieren; subst. Embellishment.

Ember, embə: Ember days = Woensdag, Vrijdag en Zaterdag van een bepaalde week in ieder jaargetijde, waarop vasten en onthouding is voorgeschreven; quatertemper; Ember-fast; Ember-tide.

Ember, embə, ijsduiker = Emberdiver, Ember-goose.

Embers, embəz, gloeiende asch of sintels.

Embezzle, əmbez’l, verduisteren; subst. Embezzlement; Embezzler = verduisteraar.

Embitter, əmbitə, verbitteren.

Emblaze, əmbleiz, in brand zetten, verlichten, doen schitteren; blazoeneeren; Emblazon, əmbleiz’n, blazoeneeren, schitterend versieren, verheerlijken; Emblazement, Emblazery, heraldieke versiering.

Emblem, embl’m, subst. zinnebeeld, attribuut; Emblemata, əmblemətə, losse figuurtjes van goud of zilver, waarmede de ouden hunne gouden en zilveren vaten plachten te versieren; Emblematic(al) = zinnebeeldig; Emblematize, əmblemətaiz, embləmətaiz, zinnebeeldig voorstellen.

Emblements, embləments, opbrengst van bouwland, oogst.

Embodiment, əmbodiment, belichaming; Embody, əmbodi, belichamen, vereenigen, omvatten, organiseeren.

Embolden, əmbould’n, aanmoedigen, verstouten.

Embolism, embəlizm, inlassching van eene maand, embolie, verstopping in een bloedvat; Embolus, embəlɐs, klontertje dat embolie veroorzaakt.

Emboss, əmbos, reliefwerk maken, drijven; Embossed = gedreven.

Embouchure, Fr. uitspraak, monding, mondstuk.

Embowed, əmbaud, gewelfd, gebogen.

Embowel, əmbau’l, de ingewanden uitnemen, ontweien; subst. Embowelment.

Embower, əmbauə, in een lustwarande verblijven of verbergen.

Embrace, əmbreis, subst. omhelzing; Embrace verb. omhelzen, gretig aangrijpen, aannemen, omvatten, bevatten; trachten om te koopen (van jury); Embrace(o)r = omkooper; Embracery = poging om eene jury om te koopen; Embracive = alles omvattend: That is an embracive title.

Embrangle, əmbraŋg’l, verwarren, dooreenhaspelen: To embrangle messages.

Embrasure, əmbreižə, schietgat of opening; schuinsche verbreeding van deur- of vensteropening.

Embrocate, embrəkeit, een pijnlijk lichaamsdeel met een smeersel wrijven; Embrocation = wrijving, smeersel.

Embroider, əmbrôidə, borduren (ook fig. = fantaseeren); Embroidery = borduurwerk, kunstmatige versiersels (ook fig.): Embroidery frame = borduurraam.

Embroil, əmbrôil, verwarren, verwikkelen: Embroiled with each other = met elk. gebrouilleerd; subst. Embroilment.

Embryo, embriou (Embryon, embriən), embryo, kiem: In embryo = in den eersten en onvolkomen toestand; Embryonal = kiem- -; Embryonic = embryonaal.

Emend, imend, emendeeren, verbeteren = Emendate, îməndeit, subst. Emendation; Emendator, emendeitə, îməndeitə = emendator; adj. Emendatory.

Emerald, emər’ld, smaragd, bep. Eng. drukletter: Emerald green = smaragdgroen; Emerald Isle = Ierland.

Emerge, imɐ̂dž, oprijzen uit, zich verheffen, te voorschijn komen, ontstaan; subst. Emergence, ook Emergency = plotselinge verschijning, onverwachte gebeurtenis, moeilijkheid, dringende noodzakelijkheid: In case of emergency = geval van nood; In an emergency = desnoods; Emergency-door = nooddeur; Emergency-loan; Emergency-man = noodhulp, ook bij geboycotte Iersche landheeren; Emergent = opduikend, ontstaand, dringend.

Emeritus, imeritɐs, emeritus: Pastor emeritus = emeritus predikant.

Emerods, emərodz, aambeien.

Emersion, imɐ̂š’n, oprijzing; emersie.

Emerson, eməs’n.

Emery, eməri, amaril: Emery-paper = schuurpapier; Emery-wheel = slijprad.

Emetic, imetik, subst. en adj. braakwekkend (middel): Tartar emetic = braakwijnsteen.

Emeu, îmju. Zie Emu.

Emigrant, emigr’nt, subst. landverhuizer; ook adj.; Emigrant-ship; Emigrate, emigreit, uit het land verhuizen; subst. Emigration.

Emilia, imîljə; Emily, emili.

Eminence, eminens, verhevenheid, hoogte, hooge rang, beroemdheid, onderscheiding, eminentie; Eminent = verheven, uitstekend; Eminently = in hooge mate.

Emir, imîə, îmə, emir.

Emissary, emisəri, subst. (geheime) gezant, bespieder.

Emission, imiš’n, uitstraling, uitstrooming, emissie, uitgifte, het bedrag in omloop gebracht; Emissive = uitstralend, uitzendend = Emissory.

Emit, imit, uitzenden, uitstralen, (laten) uitstroomen, uiten, uitwerpen, uitgeven, in omloop brengen.

Emma, emə; Emmanuel, əmanjuəl.

Emmet, emət, mier.

Emollient, imolj’nt, subst. en adj. weekmakend, verzachtend (middel).

Emolument, imoljument, emolument, nut, voordeel, salaris.

Emotion, imouš’n, aandoening, ontroering, gisting; Emotional = ontroerend, gemoeds...

Empale, əmpeil, omheinen, met palen omgeven; spietsen.

Empan(n)el, əmpan’l, subst. lijst van de gezworenen; Empale verb. zulk een lijst maken, hen oproepen.

Emperil, əmperil = Imperil.

Emperor, empərə, keizer: Purple Emperor = pauwenoog (kapel); Emperor paper = grootst formaat teekenpapier, 165 cM. bij 118 cM.

Emphasis, emfəsis, nadruk, klem: I wish to emphasize this fact = den nadruk te leggen op; Emphatic = nadrukkelijk: Emphasis form = de vorm van een bevestigend werkwoord met to do.

Empire, empaiə, keizerrijk, rijk, heerschappij, macht: The Empire City = (bijnaam van) New-York; Empire Day = 24 Mei (geboortedag van Koningin Victoria); Empire gown.

Empiric, əmpirik, empirisch (= Empirical); subst. empiricus, kwakzalver; Empiricism, əmpirisizm = empirie; kwakzalverij.

Employ, əmplôi, subst. bezigheid, beroep, dienst; Employ verb. gebruiken, besteden, aanwenden, bezig zijn met: He has many men in his employ = aan ’t werk; To be employed = in dienst zijn; He employed himself actively whilst there = werkte hard; Employable = bruikbaar; Employee = emplôi-î, employé; Employer = werkgever, principaal; Employment = bezigheid, beroep, plaatsing, belegging: Thrown out of employment = werkloos.

Emporium, əmpôriəm, handelscentrum, stapelplaats, entrepot, bazaar, magazijn.

Empower, əmpauə, machtigen, in staat stellen.

Empress, emprəs, keizerin.

Emptiness, em(p)tinəs, ledigheid, holheid, waardeloosheid.

Empty, em(p)ti, adj. ledig, leeg, hongerig, leegstaand, vergeefsch, ijdel, nutteloos, woest en ledig; Empty verb. ledigen, uit- of weggieten, leeg worden, zich ontlasten: The room was empty of everything but a lamp = er was niets in de kamer dan; The empties = alle ledige dingen (zooals bussen, flesschen, zakken, kisten, enz.); He got (they gave him) the empties = den bons; Empty-handed = met leege handen; Empty-headed = onwetend; Empty-hearted = harteloos; Emptyings = droesem van bier, cider, etc.; gist (Amer.).

Empurple, əmpɐ̂p’l, purperrood kleuren.

Empyreal, əmpiriəl, empirîəl, den hemel betreffend; hemelsch, vurig = Empyrean, empirîən, əmpiriən, subst. hoogste hemel, firmament.

Ems, emz.

Emu, îmjû, casuaris (Australië); Emu-wren = klein Australisch vogeltje.

Emulate, emjuleit, wedijveren met, nastreven: He emulated popularity; Emulation = wedijver, naijver, concurrentie; Emulator = wedijveraar.

Emulgent, imɐldž’nt, subst. en adj. afvoerend (middel).

Emulous, emjulɐs, wedijverend, naijverig.

Emulsion, imɐlš’n, emulsie; amandelmelk; Emulsive = geschikt voor emulsie, verzachtend.

Emunctory, imɐŋktəri, afscheidend.

Enable, əneib’l, in staat stellen, machtigen.

Enact, ənakt, vaststellen, bepalen, tot wet verheffen; voorstellen, spelen, volvoeren: To enact a part = eene rol spelen; Enactment = wetsbekrachtiging, wet, verordening; Enactor = wetgever; Enacture = volbrenging.

Enamel, ənam’l subst. email, glazuur; Enamel verb. emailleeren, glazuren, opsmukken; Enamellar, adj. op email gelijkend, glad, glanzig; Enameller = emailleerder, brandschilder.

Enamour, ənamə, verliefd maken, bekoren: To be enamoured of = verliefd op.

Encamp, ənkamp, (laten) kampeeren; subst. Encampment.

Encase, ənkeis, in een koker sluiten, omsluiten: Encased in black silk = gestoken, gedost.

Encash, ənkaš, in baar geld uitbetalen (ontvangen), incasseeren.

Enceinte, Fr. uitspr., subst. wal, ringmuur; adj. zwanger.

Enchafe, əntšeif, sarren, boos maken.

Enchain, əntšein, ketenen, boeien; Enchainment = aaneenschakeling.

Enchant, əntšânt, bekoren, verrukken, betooveren: Enchanted ring = tooverkring; Enchanter = toovenaar, betooveraar; Enchantment = betoovering; Enchantress = heks, betooverende vrouw.

Enchase, əntšeis, zetten (b.v. van juweelen in goud), ciseleeren; drijven, sieren; Enchaser = graveur, ciseleur.

Encircle, ənsɐ̂k’l, omringen, omgeven, omarmen, omsluiten.

Enclasp, ənklâsp, omvatten, omsluiten.

Enclitic, ənklitik (= Enclitical), enklitisch, onafscheidelijk verbonden.

Enclose, ənklouz, omgeven, omringen, omheinen, insluiten: The enclosed = bijgaande (ingesloten) stukken; Enclosure = omheining, afsluiting, insluiting.

Encomiast, ənkoumiast, lofredenaar; Encomiastic = lovend; Encomium, ənkoumj’m, lof, loftuiting.

Encompass, ənkɐmpəs, omringen, omgeven; subst. Encompassment.

Encore, âŋkö, verb. bisseeren: To give an encore = biscouplet geven; Encore! = bis!

Encounter, ənkauntə, subst. ontmoeting, treffen, gevecht; Encounter verb. (onverwacht) ontmoeten, stooten op, beloopen worden door, het hoofd bieden.

Encourage, ənkɐridž, aanmoedigen, steunen; subst. Encouragement; Encourager = begunstiger.

Encroach, ənkroutš, inbreuk maken op (on), benadeelen, indringen, inbreuk maken, misbruiken: He encroached on my kindness = maakte misbruik van; Encroachment = inbreuk, benadeeling, aanmatiging.

Encrust, ənkrɐst, incrusteeren, (zich) omkorsten.

Encumber, ənkɐmbə, belemmeren, versperren, nauwer maken, met schulden belasten; Encumbrance = hindernis, last, hypotheek: Married people, no encumbrance = zonder kinderen tot hun last; Encumbrancer = hypotheekhouder.

Encyclic(al), əns(a)iklik(’l), subst. rondgaand schrijven, encycliek; adj. rondgaand.

Encyclop(a)edia, ənsaikləpîdjə, encyclopedie; Encyclop(a)edian = Encyclopedic(al), ənsaikləpîdik(’l), ənsaikləpedik(’l), encyclopedisch; Encyclopedist, ənsaikləpîdist, encyclopedist (1750–1770 in Frankrijk).

End, end, subst. einde, eindje, stukje, besluit, uitslag, dood, grens, oogmerk, doel, resultaat, nut; End verb. eindigen, ophouden, een einde maken aan, besluiten, voleindigen: The end justifies the means = het doel heiligt de middelen; The end is not yet = het einde is niet te voorzien; There’s an end of the matter = daar is de zaak mee uit; At an end = ten einde, uit; At the end = ten slotte; At one’s wit’s (wits’) end = ten einde raad; In the end = bij slot van rekening; No end = vreeselijk, erg, enorm: No end of a fool (fun, a row, time) = een groote dwaas (veel, hoogloopend, zeer veel); For a fortnight on end = veertien dagen aan één stuk; This train runs 80 miles on end = zonder stoppen; His hair stood on end = was te berge gerezen; To no end = vergeefs; To this end = met dit doel; World without end = van eeuwigheid tot amen; To come (draw) to an end = afloopen; He cannot make both ends meet = hij kan niet rondkomen (vergel. Joindre les deux bouts); He put an end to it (to himself) = maakte er een einde aan (aan zijn leven); He roamed to the ends of the earth = zwierf tot de uiterste grenzen der aarde; All’s well that ends well = eind goed, al goed; End-all = slot, einde voorgoed; Ending = einde, uitgang; Endless = eindeloos; subst. Endlessness; Endlong = rechtuit; Endmost = laatst, uiterst; Endways, Endwise = overeind, rechtop, in de lengte.

Endanger, əndeinžə, in gevaar brengen, aan schade blootstellen.

Endear, əndîə, bemind of dierbaar maken; Endearing, dier, lief: Endearing terms = lieve namen of woorden; Endearment = toegenegenheid, teederheid, bekoring.

Endeavour, əndevə, subst. poging, inspanning; Endeavour verb. pogen, trachten.

Endecagon, əndekəgon, elfhoek.

Endemic, əndemik (= Endemical), subst. endemie, locale ziekte; adj. inheemsch, endemisch.

Endirons, endaiənz, standaards waarin het spit draait, of die dienen om de houtblokken te steunen.

Endive, endiv, andijvie.

Endocardium, endəkâdj’m, binnenste hartvlies; Endocarditis = hartvliesontsteking.

Endogamy, əndogəmi, huwelijk onder de leden van denzelfden stam; adj. Endogamous: Endogamous marriage.

Endogastritis, endəgastraitis, maagvliesontsteking.

Endorse, əndös, endosseeren, in omloop brengen, bevestigen, onderschrijven: These typewriters are endorsed as the best = verklaard de beste te zijn; Endorsee = iemand aan wien een wissel, etc. geëndosseerd is; Endorsement = endossement, giro, bevestiging; Endorser = endossant.

Endow, əndau, begiftigen, doteeren; Endower = schenker; Endowment = huwelijksgift, schenking, dotatie; talent, gave.

Endue, əndjû, aantrekken, bekleeden met.

Endurable, əndjûrəb’l, verdraaglijk; Endurance, əndjûr’ns, duur, voortduring; lijden, lijdzaamheid, geduld, uithoudingsvermogen; Endure, əndjûə, duren; verdragen, dulden, uithouden: He was very enduring = kon het lang uithouden.

Endymion, əndimiən; Eneid, îniid, de Eneïde.

Enemy, enəmi, vijand, tegenstander: The Enemy = de Duivel; de tijd; How goes the enemy? = hoe laat is het; The hands of the enemy = wijzers v. d. klok.

Energetic (= Energetical), enədžetik, krachtig; Energetics, enədžetiks, de leer van het arbeidsvermogen; Energic(al), ənɐ̂dzik(’l) krachtig, werkzaam; Energize, krachtig werken (handelen), energie verleenen; Energy, enədži, energie, nadruk, beweging: Conservation of energy = de leer van het behoud van het arbeidsvermogen.

Enervate, ənɐ̂veit, enəveit, verzwakken, ontzenuwen; subst. Enervation.

Enfeeble, ənfîb’l, verzwakken; subst. Enfeeblement.

Enfeoff, ənfef, met een leen of eene schenking begiftigen, overdragen; Enfeoffment = begiftiging, leenbrief.

Enfilade, enfileid, subst. bestrijking overlangs; Enfilade verb. overlangs bestrijken: Enfilading fire = overlangsch vuur; This window enfilades the park = geeft uitzicht op het park in zijn geheele lengte.

Enfist, ənfist: The book enfists the reader = pakt, bindt.

Enforce, ənfös, doorzetten, dwingen, opleggen, opdwingen, doen eerbiedigen: The law was enforced = werd streng toegepast; Enforced absence = gedwongen; subst. Enforcement.

Enfranchise, ənfranš(a)iz, vrijmaken, vrij laten, het burgerrecht verleenen, het kiesrecht geven; subst. Enfranchisement: Enfranchisement of copyhold lands = het veranderen van deze in freeholds.

Engage, əngeidž, verbinden, engageeren, bespreken, in dienst nemen, in dienst treden (Engage oneself), bewegen tot, verplichten, zich bezig houden met, aan den gang brengen, wikkelen (in een strijd), slaags raken, zich begeven in, op zich nemen, zich verbinden: I am engaged = ben bezet, niet te spreken, heb al eene uitnoodiging; They engaged in general conversation = het gesprek werd algemeen; Engagement = afspraak, verplichting, verloving, aanstelling, bezigheid; gevecht: A general and close engagement = algemeen gevecht van man tegen man; I am under an engagement to him = ik ben jegens hem gebonden; To break, enter into, stand by an engagement = eene verbintenis verbreken, aangaan, houden; Meet your engagements = betaal uwe schulden; Engaged-wheels = in elkander grijpende raderen; het drijvende rad heet engaging, het gedrevene engaged wheel; Engaging = innemend, boeiend.

Engender, əndžendə, voortbrengen, telen, veroorzaken.

Engine, endžin, machine, locomotief (= Fire-engine, Locomotive-Engine); Engine verb. van machines voorzien: Light engine = losse machine; Engine-driver = machinist; Engine-hose = brandspuitslang(en); Engine-house = machineloods, brandspuithuisje; Engine-man = machinist, spuitgast; Engine-wright = locomotiefconstructeur.

Engineer, endžinîə, subst. ingenieur, machinist v. een trein (Amer.), officier of soldaat van de genie, technicus, machinist (op een schip); Engineer verb. aanleggen, op touw zetten, klaarspelen: Civil engineer; Electric engineer; Practical engineer = werktuigkundige; Then the Dreyfus case was engineered = op touw gezet; With a little tact it could be engineered = met een beetje tact kon het wel klaargespeeld worden; Civil and Military engineering = burgerlijke en militaire bouwkunde of genie; Engineering-drawing = machineteekenen.

Engird, əngɐ̂d, omgorden = Engirdle.

England, iŋlənd; Englander = Brit, Engelschman: A Little Englander = tegenstander van de uitbreiding van het rijk.

English, iŋgliš, Engelsch, ook subst.; English verb. verengelschen, in het E. overbrengen; She (He) is English = zij (hij) is een(e) Engelsche(-man); The King’s (Queen’s) English = zuiver Engelsch; Englishman = Engelschman; Englishwoman = eene Engelsche; Englishry = bewoners (in een ander land) van Engelschen stam.

Engorge, əngödž, gulzig verslinden; Engorged = volbloedig; Engorgement = vraatzucht; congestie.

Engraft, əngrâft, enten, indrukken, inplanten; subst. Engraftment.

Engrail, əngreil, kartelen, versieren; Engrailment = gekartelde of uit een kring van puntjes bestaande rand op een geldstuk.

Engrain, əngrein, in de wol verven, drenken in, inwortelen: Engrained with filth = door en door vuil.

Engrave, engreiv, graveeren, inprenten, indrukken; Engraver (on copper, on steel, on stone, on wood); Engraving = gravure, houtsnee.

Engross, əngrous, geheel innemen of bezitten, geheel in beslag nemen, aan zich trekken, in ’t groot opkoopen; in ’t net schrijven; Engrosser = copiïst; subst. Engrossment.

Engulf, əngɐlf, verzwelgen, verzwolgen worden, zich uitstorten, verdwijnen (onder de aarde).

Enhance, ənhâns, verhoogen, verheffen, vermeerderen, verzwaren; subst. Enhancement.

Enid, înid.

Enigma, inigmə, raadsel; Enigmatic(al), ook enigmatik(’l), raadselachtig, duister; Enigmatize = in raadselen spreken.

Enisle, ənail, tot eiland maken, isoleeren.

Enjoin, əndžôin, opleggen, bevelen, verbieden, vermanen (met on).

Enjoy, əndžôi, genieten, zich verheugen over, zich laten smaken, bezitten; zich vermaken (= Enjoy oneself): Did you enjoy your holiday = hebt ge plezier gehad in de vacantie? Enjoyable = genietbaar, genotvol; Enjoyer = bezitter, genieter; Enjoyment = genot, vreugde.

Enkindle, ənkind’l, aansteken, doen ontvlammen, opwekken.

Enlace, ənleis, omstrengelen, omgeven.

Enlard, ənlâd, lardeeren.

Enlarge, ənlâdž, grooter maken, verwijden, uitzetten, uitweiden over, in vrijheid stellen, grooter worden: Such an education enlarges the heart = maakt het hart ontvankelijker; subst. Enlargement.

Enlighten, ənlait’n, verlichten, beschaven, duidelijk maken, inlichten; subst. Enlightenment.

Enlink, ənliŋk, aaneenschakelen.

Enlist, ənlist, inschrijven, registreeren, in dienst nemen, winnen voor, werven, dienstnemen (into): I got him enlisted into my company; I enlist my pity in your behalf = ik heb medelijden met u; subst. Enlistment: Voluntary enlistment.

Enliven, ənlaiv’n, verlevendigen, opwekken, opvroolijken; Enlivener = opwekkend middel.

Enmesh, ənmeš, in een net vangen, omstrikken.

Enmity, enmiti, vijandschap, vijandige gezindheid.

Ennea..., eniə (in samenstellingen), negen: Enneagon, eniəgon, negenhoek; adj. Enneatic(al): Enneatic(al) days = iedere negende dag van eene ziekte; Enneatic(al) years = ieder negende jaar van een menschenleven.

Enniskillen, eniskilən.

Ennoble, ənoub’l, adelen, veredelen, verheffen; subst. Ennoblement.

Enoch, înok.

Enormity, inömiti, kolossaalheid, buitengewoonheid, gruwelijke misdaad, wreedheid, afschuwelijkheid; adj. Enormous; subst. Enormousness.

Enough, inɐf, genoeg, voldoende (hoeveelheid): Hold, enough = schei uit, ’t is genoeg; That is an easy pillow enough = zeer gemakkelijk; That’s right enough = volkomen juist; Sure enough = voorzeker, inderdaad; It is true enough = maar al te waar; Well enough = vrij goed, voldoende; Enough and to spare = meer dan genoeg; Enough is as good as a feast = de tevredenheid gaat boven alle schatten.

Enow, inau = Enough.

Enquire, əŋkwaiə = Inquire.

Enrage, ənreidž, woedend maken, vertoornen.

Enrapt, ənrapt, verrukt; subst. Enrapture, ənraptšə.

Enravish, ənraviš, verrukken; subst. Enravishment.

Enrich, ənritš, verrijken, tooien, vruchtbaar maken; subst. Enrichment.

Enrobe, ənroub, (be)kleeden, tooien.

Enrockment, ənrokm’nt, steenstorting, hordenwerk voor havenhoofden, wallen, dammen, enz.

Enrol(l), ənroul, inschrijven, registreeren, opnemen, aanmonsteren: They enrolled themselves members of the university = lieten zich inschrijven als; They were prepared to enrol themselves = bereid dienst te nemen; Enrolment = inschrijving, register, oorkonde.

Enroot, ənrût, doen wortel schieten.

Enschedule, ənšedjûl, opteekenen, inschrijven.

Ensconce, ənskons, zich verbergen, zich neerzetten: They ensconced themselves on one of the sofas = zij doken in; Ensconced in an angle = verscholen, verdekt opgesteld.

Enshrine, ənšrain, wegsluiten (als iets heiligs), koesteren (met heilige liefde).

Enshroud, ənšraud, omhullen, bedekken.

Ensiferous, ensifərɐs, zwaarddragend; Ensiform, ensiföm, zwaardvormig.

Ensign, ensain, vlag, standaard, signaal, vaandrig, (onderscheidings)teeken, insigne, verhuurbordje, uithangbord; Ensign-bearer = vaandeldrager; Ensigncy, Ensignship = vaandrigrang.

Ensilage, ensilidž, subst. ingekuild voeder, inkuiling van groen veevoeder en vruchten; Ensilage verb. inkuilen = Ensile.

Enslave, ənsleiv, tot slaaf maken, onderwerpen; subst. Enslavement.

Ensnare, ənsnêə, in eene val lokken, verstrikken, verlokken.

Ensphere, ənsfîə, omringen, een bolvorm geven aan.

Ensue, ənsiû, volgen, voortkomen; Ensuing: Ensuing ages = het nageslacht.

Ensure, ənšûə. Zie Insure.

Entablature, əntablətjuə, Entablement, ənteib’lm’nt, entablement, architraaf, fries en kroonlijst samen.

Entail, ənteil, subst. = Entailed estate, grondbezit, dat van vader op zoon moet overgaan; de regeling van de overdracht van goederen; Entail verb. vermaken (zóó, dat het vermaakte onvervreemdbaar is), na zich sleepen, meebrengen, leiden tot: My property has got no entail on it = ik kan vrij beschikken over; To cut off the entail = The Estate in Tail veranderen in een Estate in Fee Simple, waarover de erflater vrij beschikken mag; subst. Entailment.

Entangle, əntaŋg’l, verstrikken, verwarren, verlegen maken; subst. Entanglement = verwikkeling, verwarring, verlegenheid, valstrik, havenversperring.

Enter, entə, binnengaan, binnenkomen, instroomen, intreden, zich begeven in, lid worden van, toelaten, inschrijven, boeken, aanvangen, beginnen, inklaren (v. goederen), indringen, ingaan (fig.), indrijven: To enter the cargo = bij de douane aangeven; To enter the church = geestelijke worden; He entered the lists against a formidable adversary = trad het strijdperk binnen, bond het gevecht aan met; He entered his office = trad binnen; To enter a protest against = aanteekenen tegen; To enter into conversation = aanknoopen; I enter into your feelings = begrijp volkomen, deel in; To enter into the Kingdom of Heaven = binnengaan; To enter into (on) one’s rest = de eeuwige rust ingaan; He was entered of the Inner Temple = werd lid van; A new actor entered on the scene = trad op; She entered to him = zij kwam bij hem op het tooneel; Entered to national account = geboekt voor het rijk; To enter upon the joys of Heaven = deelachtig worden; He entered upon his office = aanvaardde zijn ambt.

Enteric, ənterik, darm...: Enteric fever = typheuse koorts; Enteritis, entəraitis, ingewandsontsteking; Entero..., entərou (in samenstellingen), ingewands..., buik...

Enterclose, entəklous, doorgang tusschen twee kamers.

Enterprise, entəpraiz, subst. onderneming, waagstuk, speculatie, energie, ondernemingsgeest; ook verb.; Enterprising = ondernemend, vermetel.

Entertain, entətein, onthalen, zich onderhouden, bezighouden, handhaven, voeden of koesteren, in overweging nemen, vermaken: I do not entertain the idea of it = ik denk er niet over; To entertain an offer, an overture = op een aanbod (voorstel) ingaan; To be entertained at (to) dinner = de gast zijn; Entertainer = onderhouder, patroon, gastheer: I am the entertainer = ik betaal; Entertaining = amusant; Entertainment = onthaal, gastvrijheid, feestmaal, vermaak, geestesgenot, koesteren (van gedachten).

Enthral, ənthrôl, tot slaaf maken, onderwerpen, betooveren; subst. Enthralment.

Enthrone, ənthroun (Enthronize, ənthrounaiz), ten troon verheffen, zetelen, wijden (een bisschop); subst. Enthralment.

Enthuse, ənthjûz, in geestdrift (in vuur) geraken, vol geestdrift zijn (Am.): To Enthuse over; Enthusiasm, ənthjûziazm, geestdrift, overdreven ijver; Enthusiast = geestdriftig, vurig bewonderaar of vereerder; adj. Enthusiastic(al).

Entice, əntais, verlokken of verleiden; subst. Enticement.

Entire, əntaiə, adj. geheel, volkomen, oprecht, onbetwist, zuiver; subst. bier (direct v. de brouwerij), niet gecastreerd paard; subst. Entireness = Entirety.

Entitle, əntait’l, aanspraak of recht geven op, betitelen, noemen.

Entity, entiti, zijn, aanwezen, bestaand iets: That remarkable entity, the French people = dat merkwaardig geheel.

Entoil, əntôil, verstrikken.

Entomb, əntûm, (levend) begraven; Entombment = begrafenis.

Entomologic(al), entəməlodžik(’l), entomologisch; Entomologist = entomoloog; Entomology, entəmolədži, insectenleer.

Entozoön, entəzouən, ingewandsworm.

Entrails, entreilz, ingewanden, binnenste.

Entrain, əntrein, ten gevolge hebben, meesleepen; inladen (in een trein): The troops entrained for Kimberley.

Entrammel, əntram’l, verwarren, verstrikken.

Entrance, entr’ns, binnenkomst, intrede, intocht, optreden, aanvaarding, toelating, ingang, monding, inklaring: His entrance into his office = het aanvaarden van zijn ambt; Entrance-examination = toelatingsexamen; Entrance-duty = invoerrecht; Entrance-fee = inleggeld, entrée(geld); Entrance money = toegangsprijs; Entrance subscription = entree (bij het lid worden.)

Entrance, əntrâns, verrukken, in geestverrukking brengen; subst. Entrancement.

Entrant, entr’nt, optredende, deelnemer.

Entrap, əntrap, in eene val vangen, verstrikken.

Entreat, əntrît, smeeken, dringend verzoeken: Entreative words = smeekbeden; Entreaty = dringend verzoek, smeekbede.

Entrée, Fr. uitspr., toegang; Entrées = Entremets, Fr. uitspr., tusschengerechten (in Engel.).

Entrench, əntrenš, verschansen (m. loopgr.); subst. Entrenchment.

Entrepot, Fr. uitspr., hoofdstapelplaats, magazijn, entrepôt.

Entrust, əntrɐst (Zie Intrust): He was entrusted with your interests = hem werden toevertrouwd.

Entry, entri, ingang, (binnen)komst, intocht, optreden, steeg, boeking, post, inklaring, declaratie, inbezitneming: To make one’s entry = zijn intocht houden; To make an entry = declareeren (van goed); Will you make an entry of this = dit opschrijven? The entries were six in all = deelnemers; (Book-keeping by) Double, Single entry = dubbel, enkel boekhouden; Bill of entry = lijst der voor invoer in te klaren goederen; Entry-money.

Entwine, əntwain, Entwist, əntwist, omwinden, omslingeren.

Enucleate, injûklieit, ontwarren, ophelderen; subst. Enucleation.

Enumerate, ənjûməreit, optellen, opnoemen; Enumeration = optelling, lijst; adj. Enumerative.

Enunciate, inɐnšieit, uiten, uitspreken, verklaren; Enunciation = uitdrukking, bewoordingen, uitspraak, verklaring; adj. Enunciative.

Envelop, ənveləp, omringen, omwikkelen, verbergen; Envelope, envəloup, omslag, enveloppe; de coma (zie dit woord) van een planeet, omhulsel, versterkte wal: A visiting-card is carried in an open envelope for one centime — kan worden verzonden; Envelopment = inwikkeling, omslag.

Envenom, ənvenəm, vergiftigen, verbitteren.

Enviable, enviəb’l, benijdenswaardig; Envied, envid, benijd; Envious, enviəs, afgunstig: The envious flood = de boosaardige golven (vloed); subst. Enviousness.

Environ, ənvair’n, omringen, omgeven, insluiten; Environs ook envir’nz, omstreken, omgeving; subst. Environment.

Envisage, ənvizidž, onder de oogen zien, beschouwen.

Envoy, envôi, afgezant, bode; slotstrophe welke een opdracht bevat (ook ənvôi); Envoyship = ambt v. envoy.

Envy, envi, subst. nijd, afgunst, voorwerp van afgunst; kwaadaardigheid; Envy verb. benijden, misgunnen: In envy = uit jaloerschheid, nijd.

Enwrap, ənrap, omwikkelen, inwikkelen, omhullen.

Enwreathe, ənrîdh, be-, omkransen.

Eolian, ioulj’n, Eolic, iolik, Eolisch.

Eon, îən, eeuw, eeuwigheid.

Eostre, îəstə, Angelsaksische godin.

Epact, îpakt, epakt, epacta.

Eparch, epək, gouverneur, bisschop (Grieksche kerk); Eparchy = provincie; diocees.

Epaule, əpôl, hoek van een bastion; Epaulement = epaulement, borstwering.

Epaulet(te), epôlet, epaulette.

Epenthesis, ipenthisis, epenthesis.

Ephemera, ifemərə, ééndagsvlieg, ding van één dag; Ephemeral, kortstondig, ephemeer; Ephemeris, ifeməris (Meerv. Ephemerides, îfemeridîz), sterrekundige tafel, astronomische almanak; Ephemeron, ifeməron, = Ephemera.

Ephesian, ifîž’n, subst. Ephezer; adj. van Ephesus, efəsɐs.

Ephialtes, efialtîz, nachtmerrie.

Ephod, efod, rijk en kort opperkleed der Joodsche (hooge)priesters.

Ephor, efö, opziener; mv. Ephors of Ephori, efərai, ephoren (Sparta).

Epic, epik, adj. episch, verhalend; subst. epos, heldendicht.

Epicede, episîd, lijk- of klaagzang.

Epicene, episîn, gemeenslachtig.

Epicure, epikjuə, epicurist, gastronoom; Epicurean, epikjurîən, adj. epicuristisch, weelderig; subst. epicurist, lekkerbek; Epicureanism, epikjurîənizm = Epicurism = epicurisme.

Epidemic, epidemik (Epidemy, epidəmi), epidemie: An epidemic of typhoid was raging; Epidemic(al) = heerschend, epidemisch.

Epidermis, epidɐ̂mis, opperhuid.

Epigastric, epigastrik, tot het bovendeel van den onderbuik (= Epigastrium) behoorende.

Epiglottis, epiglotis, keelklep; adj. Epiglottic.

Epigram, epigram, puntdicht, epigram; adj. Epigrammatic(al); Epigrammatist, epigramətist, maker van puntdichten; Epigram verb. Epigrammatize.

Epigraph, epigraf, opschrift, motto.

Epilepsy, pilepsi, vallende ziekte; Epileptic, epileptik, subst. epilepticus; adj. epileptisch (= Epileptical).

Epilogical, epilodžik’l, Epilogistic, epiləžistik, epilogisch, tot een epiloog behoorend; Epilogue, epilog, epiloog.

Epiphany, əpifəni, Driekoningen (6 Jan.).

Epiphyte, epifait, woekerplant.

Epirus, epirəs.

Episcopacy, əpiskəpəsi, bisschoppelijke regeering der kerk; Episcopal, əpiskəp’l, episcopaal; Episcopalian, əpiskəpeilj’n, subst. lid v. de episcop. kerk; adj. bisschoppelijk; Episcopate, əpiskəpit, subst. bisdom, waardigheid van bisschop; het episcopaat.

Episode, episoud, episode, voorval, tusschenverhaal; Episodial, episoudj’l; Episodic(al), episodik(’l), tot eene episode behoorend, toevallig.

Epistle, ipis’l, subst. brief, Zendbrief; gedeelte van de Zendbr., dat bij ’t Avondmaal wordt voorgelezen; Epistle side = rechterzijde van het altaar (als men er vóór staat) waar dit voorgelezen wordt; Epistolary, əpistələri: Epistolary style = briefstijl.

Epistyle, epistail, architraaf.

Epitaph, epitaf, grafschrift.

Epithalamium, epithəleimj’m, bruiloftsdicht of lied.

Epithelium, epithîliəm, opperhuid, slijmhuid.

Epithet, epithet, subst. epitheton, toenaam, bijnaam.

Epitome, əpitəmî, korte inhoud, kort begrip; Epitomist = maker van een epitome; Epitome verb. Epitomize = condenseeren.

Epoch, epok, îpok, tijdstip, tijdperk; Epoch-making; Epochal, epək’l, opzienbarend.

Epode, epoud, epode, slotzang, refrein.

Epopee, epəpî, Epos, epos, heldendicht.

Epsom Salts, eps’msôlts, Engelsch zout.

Equability, îkwəbiliti, ekwəbiliti, gelijkmatigheid; Equable, îkwəb’l, ekwəb’l, gelijkmatig, gelijkvormig.

Equal, îkw’l, subst. gelijke, wederga; adj. gelijk, gelijkvormig, opgewassen tegen; Equal verb. gelijk zijn (worden, maken), evenaren: His mental (social) equal; He is not (does not feel) equal to it = hij is er niet tegen opgewassen; Equal to the occasion = berekend voor zijn taak, slagvaardig; Not to be equalled = zijns gelijke niet hebben; Equality, ikwoliti, gelijkheid, enz.; Equalization, ikwəl(a)izeiš’n, gelijkmaking; Equalize = gelijkmaken.

Equanimity, îkwənimiti, gelijkmoedigheid.

Equate, ikweit, herleiden tot een gemiddelde, in den vorm van een vergelijking brengen; Equation, ikweiš’n, vergelijking, equatie of verevening: Equation of time = tijdsverevening.

Equator, ikweitə, evenaar, aequator; Equatorial, îkwətôri’l, adj. aequatoriaal, ook subst. = bepaalde astronomische kijker; Equatorial current = aequatoriaalstroom; Equatorial regions = de tropen.

Equer(r)y, ekwəri, ikweri, stalmeester.

Eques, îkwiz = Equites.

Equestrian, ikwestriən, subst. ruiter, kunstrijder; adj. te paard zittend, tot het rijden behoorend: Fair equestrian = amazone; Equestrianism = rijkunst; Esquestrienne, ikwestrien, ikwestrien, kunstrijderes.

Equiangular, îkwiaŋgjulə, gelijkhoekig.

Equibalance, îkwibal’ns, subst. evenwicht; Equibalance verb. in evenwicht zijn met.

Equidifferent, îkwidifər’nt, met gelijke verschillen.

Equidistant, îkwidist’nt, op gelijken afstand.

Equilateral, îkwilatər’l, subst. en adj. gelijkzijdige (figuur).

Equilibrate, îkwilaibreit, in evenwicht zijn (houden, brengen), in evenwicht blijven; Equilibration = evenwicht; Equilibrist, ikwilibrist, ikwilaibrist, koorddanser; Equilibrity, îkwilibriti, evenwicht; Equilibrium, îkwilibriəm.

Equimultiple, îkwimɐltip’l, subst. en adj. met hetzelfde getal vermenigvuldigd (getal).

Equine, îkw(a)in, paardachtig, paarde...

Equinoctial, îkwinokš’l, subst. evenachtslijn; adj. tot de e. behoorende: Equinox, îkwinoks, ekwinoks, dag- en nachtevening: Vernal and autumnal equinox = lente- en herfstnachtevening.

Equip, ikwip, uitrusten; Equipment = equipement.

Equipage, ekwipidž, uitrusting, stoet, gevolg, (staatsie)rijtuig.

Equipoise, îkwipôiz, evenwicht.

Equipollence, îkwipol’ns, gelijkheid van macht of kracht, gelijkwaardigheid; Equipollent = gelijkwaardig.

Equiponderance, îkwipondər’ns, gelijk gewicht; Equiponderant, îkwipondər’nt, van gelijk gewicht; Equiponderate, îkwipondəreit, opwegen tegen, in evenwicht brengen.

Equitable, ekwitəb’l, billijk, onpartijdig; subst. Equitableness.

Equitation, ekwiteiš’n, rijkunst; Equites ekwtîz, de tweede adellijke orde in het oude Rome, die oorspronkelijk de cavalerie vormde.

Equity, ekwiti, billijkheid, rechtvaardigheid; soort van aanvullingsrecht (meer naar den geest dan naar de letter der wet) voor gevallen waarin de oude Common Law niet voorzag: Equity of redemption = de tijd, iemand toegestaan, om de hypotheek op zijne landerijen af te lossen; het hem toekomende overschot na verkoop; Court of Equity = rechtbank waar Equity-recht werd gesproken, vroeger ressorteerend onder het oude Court of Chancery; sedert 1878 onder de Chancery Division van het High Court of Justice.

Equivalence, ikwivəlens, gelijkwaardigheid; Equivalent = equivalent, adj. en subst.

Equivocal, ikwivək’l, dubbelzinnig, verdacht, onzeker; subst. Equivocalness; Equivocate, ikwivəkeit, dubbelzinnig spreken, het niet nauw met de waarheid nemen; subst. Equivocation; Equivocator = draaier.

Equus, îkwɐs, paard.

Era, îrə, tijdperk, jaartelling.

Eradicate, iradikeit, met wortel en tak uitroeien, verdelgen; subst. Eradication; Eradicative, iradikətiv, subst. en adj. radicaal uitroeiend (middel).

Erase, ireis, uitschrappen, uitwisschen; Erasement = uitkrassing, uitschrapping; Eraser = radeermesje; radeergomelastiek; Erasure, ireižə, uitkrassing, geradeerd gedeelte.

Erasmus, irazməs.

Erastian, irastj’n, Erastiaan(sch), genoemd naar Erastus, irastəs, die de Kerk wilde ondergeschikt maken aan den Staat.

Ere, êə, eer, vroeger dan, vóór: Ere ever = voordat; Erelong = eerlang; Erenow = vóór dezen; Ere this = vroeger, te voren; Erewhile = vroeger.

Erebus, eribɐs, Erebus, onderwereld.

Erect, irekt, adj. rechtop, loodrecht, vast, flink; Erect verb. oprichten, stichten, bouwen, monteeren, verheffen, uitzetten, stijf worden, zich verheffen: To Erect a perpendicular = eene loodlijn oprichten; Erectile, irektil, wat opgericht kan worden; Erecting-shop = stelkamer; Erection = oprichting, verheffing, stichting; erectie; gebouw; Erective = oprichtend; Erectness = opgerichte stand of houding; oprechtheid; Erector = oprichter, spier, die ter oprichting dient.

Eremite, erəmait, (h)eremiet, kluizenaar; adj. Eremitic(al).

Ergo, ɐ̂gou, dus, derhalve.

Ergot, ɐ̂gət, moederkoren; Ergotism = moederkoren, vergiftiging hierdoor.

Eric, îrik, erik.

Erica, iraikə, heidekruid.

Erie, îri: Lake Erie; Erin, îrin, Ierland: Son of Erin = Ier.

Erinnys, irinis, irainis, Erinnyen, wraakgodinnen; furiën; Erlking, ɐ̂lkiŋ, elfenkoning.

Ermin(e), ɐ̂min, hermelijn, hermelijnen mantel; rechterlijke waardigheid: Ermined = met rechterl. of pairs-waardigheid bekleed.

Ern(e), ɐ̂n, zee-arend.

Ernest, ɐ̂nəst.

Erode, iroud, wegvreten, invreten: Erodent = wegvretend (middel).

Eros, îros.

Erosion, irouž’n, wegvreting, weggevreten plaats; kanker; adj. Erosive, irousiv.

Erotic, irotik, erotisch; minnedicht.

Erotomania, əroutəmeinjə, Erotomany, erətoməni, minnewaanzin, erotomanie.

Err, ɐ̂, dwalen, een fout begaan, zondigen.

Errand, er’nd, boodschap: Bent on an errand = op een boodschap uit; To go (on) an errand, To run errands = boodschap(pen) doen; To be sent on a fool’s errand = voor gek loopen; Errand-boy = loopjongen.

Errant, er’nt, dolend, dwalend: Knight errant = dolende ridder; Errantry = zwerftocht, leven van een dolenden ridder.

Errata, əreitə, Meerv. v. Erratum = fout, vergissing; Erratic(al), əratik(’l), dwalend, doelloos, opvallend, excentriek: Erratic block = erratisch rotsblok.

Erroneous, ərouniəs, verkeerd, onjuist; subst. Erroneousness.

Error, erə, dwaling, vergissing, fout, onregelmatigheid, zonde, overtreding: Writ of error = bevel tot revisie van een vonnis wegens een gebrek in den vorm.

Erse, ɐ̂s, subst. en adj. oud-Schotsch of Iersch.

Erskine, ɐ̂skin.

Erst, ɐ̂st, (superl. van ere), vroeger, eerst: Erstwhile = vroeger.

Erubescence, erubes’ns, roodworden of blozen; adj. Erubescent.

Eructation, irɐkteiš’n, oprisping; uitbarsting, uitwerpsel.

Erudite, erudait, geleerd; Erudition, erudiš’n, geleerdheid.

Erupt, irɐpt, uitbarsten; Eruption, irɐ̂pš’n, uitbarsting, eruptie, uitval, huiduitslag; Eruptive: Eruption countenance = gezicht vol uitslag; Eruption matter = uitgeworpen stoffen (van een vulkaan b.v.).

Ervalenta, ɐ̂vəlentə, revalenta.

Erysipelas, erisipəlɐs, roos; adj. Erysipelatous.

Esau, îsô.

Escalade, eskəleid, subst. escalade, beklimming met stormladders; Escalade verb. met stormladders beklimmen.

Escalop, əskaləp = Scallop.

Escapade, eskəpeid, moedwillige streek, gekke kuur, kwajongensstreek.

Escape, əskeip, subst. ontsnapping, ontkoming, vlucht, ontwijking, ontduiking, reddingtoestel; Escape verb. ontsnappen, ontkomen, vrijkomen; ontvallen, uitstroomen, ontgaan: We had a narrow escape = ontsnapten ternauwernood; We made our escape = wij maakten ons uit de voeten; Escape-ladder = brandladder; Escape-pipe = afvoerpijp; Escape-valve = ventiel; Escape-warrant = bevel tot inhechtenisneming v. een ontsnapt gevangene; Escapement = échappement, schakelrad.

Escarp, əskâp, subst. binnentalud; Escarp verb. tot eene steile helling maken; Escarpment = steilte.

Eschalot, ešəlot, sjalot.

Eschar, eskâ, korst; Escharotic, korstvormend (middel).

Escheat, əstšit, subst. aan de kroon of aan den leenheer (door ontbreken van erfgenamen) vervallen goed; in Amer. aan den staat; Escheat verb. aan de kroon of den leenheer vervallen; Escheatage = het recht van dit vervallen; Escheator = vroeger ambtenaar belast met het toezicht op dergelijke goederen.

Eschew, əstšû, schuwen, vlieden, vermijden.

Escort, esköt, gewapend geleide; Escort, əsköt vergezellen of geleiden.

Escritoire, eskritwö, schrijflessenaar, schrijfmap.

Esculapian, eskjuleipj’n, geneeskundig.

Esculent, eskjulent, subst. en adj. eetbaar (iets), voedsel.

Escurial, əskjûriəl, Eskuriaal.

Escutcheon, əskɐtš’n, wapenschild, familiewapen; dekschild; naambord of spiegel van een schip.

Eskimo, eskimou, Eskimo, ook adj.

Esop, îsəp; Esopian, isoupj’n, Esopic, isopik, Esopisch, van E.

Esophagus, îsofəgɐs, slokdarm.

Esoteric, esəterik, geheim, alléén voor de ingewijden, esoterisch, duister.

Espadon, espəd’n, tweehandig Spaansch zwaard.

Espalier, əspaljə, subst. spalier, latwerk, staketsel; leiboom; Espalier verb. eene reeks van leiboomen maken.

Especial, əspeš’l, onderscheiden, bijzonder, hoofdzakelijk: In especial = voornamelijk.

Espial, əspai’l, spionneeren; Espier = spion.

Espinel, espinel, spinel (edelst.).

Espionage, espiənidž, spionnage.

Esplanade, espləneid, glacis, terras, vlakke wandel- of rijweg.

Espousal, əspauz’l, tot het huwelijk of de verloving behoorend; Espousals = huwelijk, bruiloft, verloving; Espouse, əspauz, huwen, uithuwelijken, aankleven, omhelzen.

Espy, əspai, bespeuren, ontdekken.

Esquimau, eskimou, mv. Esquimaux; Zie Eskimo.

Esquire, əskwaiə, subst. schildknaap, Weledelgeb. Heer (op adressen: G. Bell, Esq. = Den Weledelgeb. Heer B.); Esquire verb. vergezellen, dienen.

Essay, esei, poging, proef, verhandeling, vertoog; Essayist = schrijver van korte verhandelingen.

Essai, əsei, pogen, beproeven.

Essence, es’ns, subst. bestaan, wezen, essence, het wezenlijke, uittreksel, reukwerk: He is the essence of goodness = toonbeeld van; Essential, əsens’l, wezenlijk, werkelijk, bepaald noodzakelijk, gewichtig; subst. hoofdbestanddeel, hoofdzaak, kern: Essential-oils = etherische oliën; Essentiality = wezenlijkheid.

Essera, esərə, netelroos.

Essoi(g)n, əsôin, subst. (Eertijds) het verontschuldigen (de verontschuldiging) van iem. wegens niet-verschijning voor eene rechtbank; Essoin verb. verontschuldigen wegens niet-verschijning ter terechtzitting; Essoinee, esoinî, de niet verschenen en verontschuldigde persoon; Essoin-day = de eerste dag van de zitting waarop de essoins in ontvangst werden genomen.

Establish, əstabliš, vaststellen, inrichten, oprichten, stichten, zich vestigen, vaststellen: To establish a business = eene zaak oprichten; To establish communications (with) = in verbinding stellen; He established himself there = vestigde zich; An established truth = uitgemaakte waarheid; Establishment = vaststelling, bevestiging, regeling, bekrachtiging, vestiging, handelshuis, inrichting, établissement, huishouding, sterkte, staatskerk = The Established Church.

Estacade, estəkeid, estacades, rivier- of havenversperringen.

Estafet(te), estəfet, renbode.

Estate, əsteit, subst. staat, toestand, rang, stand, bezit, landbezit, bezitting, landgoed, plantage: The British legislature consists of the estates of king (queen), lords and commons = drie (stenden) lichamen: koning, lords en gemeenten; Second Estate = the Lords; Third Estate = the Commons; Fourth Estate = de pers; He has come to man’s estate = mannelijken staat; Personal estate = roerend goed; Real estate = onroerend goed.

Esteem, əstîm, subst. achting, waardeering; Esteem verb. achten, waardeeren, beschouwen als.

Esther, estə.

Esthetic, əs-thetik. Zie Aesthetic.

Estimable, estiməb’l, achtenswaardig; subst. Estimableness; Estimate, estimit, subst. schatting, begrooting, meening; Estimate verb. estimeit, schatten, ramen, begrooten, berekenen: On the extremest estimate = naar hoogste schatting; The Army estimates were voted unanimously = de begrooting van oorlog werd met algemeene stemmen aangenomen; The loss is estimated at £ 5000 = wordt begroot; Estimation = schatting, begrooting, hoogachting, meening; Estimator = taxateur.

Estival, estiv’l, istaiv’l, zomersch; Estivate, estiveit, îstiveit, zomerslaap houden; subst. Estivation, estiveiš’n, îstiveiš’n, zomerslaap.

Estop, əstop, belemmeren, afsluiten, uitsluiten (door een voorafgaande handeling of verklaring); subst. Estoppel.

Estovers, əstouvəz, gerechtel. toegestane onderhoudsmiddelen, alimentatie; gebruik van hout van den landheer door den huurder.

Estrade, əstreid, estrade.

Estrange, əstreinž, vervreemden, verwijderen, onthouden; subst. Estrangement.

Estrapade, estrəpeid, steigeren en schoppen van een paard, om zijn ruiter af te werpen.

Estray, əstrei, onbeheerd of weggeloopen huisdier (Jur.).

Estreat, əstrît, subst. afschrift, duplicaat; Estreat verb. een afschrift maken.

Estuarine, estjuər(a)in, tot een estuary behoorend; Estuary, estjuəri, wijde monding eener rivier, zeeboezem.

Esurient, isiûriənt, hongerig, begeerig.

Et caetera, etsetərə, enzoovoort; Et caeteras = en verdere dingen; extra uitgaven.

Etch, etš, etsen; Etcher = etser; Etching-needle = etsnaald, etsstift.

Etern(e), itɐ̂n, eeuwig (dichterlijk) = adj. Eternal = eeuwig, onveranderlijk: The Eternal = de Eeuwige, God; Eternal flower = immortelle; Eternalize = eeuwig doen voortduren; Eternity = eeuwigheid, onsterfelijkheid: To all eternity = tot in eeuwigheid; Eternize = vereeuwigen, onsterfelijk maken.

Etesian, itîž’n, periodiek: Etesian wind = de “mistral” of de “bise” aan de Middell. Zee.

Ethel, ethəl; Ethelbald, Ethelbôld; Ethelbert, Ethelbɐ̂t; Ethelwulf, Ethelwulf.

Ether, îthə, ether; Ethereal, ithîriəl, vluchtig, etherisch, hemelsch; Ethereality, onstoffelijkheid; Etherealize, vergeestelijken; Etherize, met ether verdooven.

Ethic, ethik (= Ethical), ethisch; zedenleer (= Ethics): The Christian ethics.

Ethiop, îthiop, Ethiopiër, Ethiopisch; Ethiopia = Ethiopië; Ethiopian, subst. Ethiopiër; neger, moor; adj. Ethiopisch, zwart; Ethiopic = Ethiopisch, Ethiopiër.

Ethnic, ethnik, subst. heiden; adj. ethnologisch; heidensch = Ethnical.

Ethnographer, əthnogrəfə, ethnograaf; Ethnographic(al), ethnəgrafik(’l), ethnographisch; Ethnography, əthnogrəfi, ethnographie; Ethnologic(al), ethnəlodžik(’l), ethnologisch; Ethnologist, əthnolədžist, ethnoloog; Ethnology, əthnolədži, ethnologie.

Ethyl, ethil, aethyl.

Etiolate, îtiəleit, (doen) verbleeken, bleek worden (door onthouding van licht); subst. Etiolation.

Etiology, etiolədži, îtiolədži, leer der (ziekte) oorzaken.

Etiquette, etiket, etiket, etiquette: It is not etiquette for ladies = contrary to etiquette = tegen de etiquette.

Etna, etnə, Etna; soort snelkoker.

Eton, ît’n; Etonian, itounj’n, leerling van de school te Eton; ook adj.

Etruria(n), itrûriə(n), Etrurië(r); Etruscan, itrɐsk’n, Etrurisch, Etruriër.

Etui, ətwî, etui.

Etymologic(al), etiməlodžik(’l), etymologisch; Etymologist, etimolədžist, etymoloog; Etymologize, etimolədžaiz, woorden afleiden, aan woordafleiding doen; Etymology, etimolədži, etymologie; Etymon, etimon, grondwoord, stamwoord.

Eucalyptus, jûkəliptəs, eucalyptus, blauwe gomboom.

Eucharist, jûkərist, Eucharistie, het Sacrament des altaars, de H. Hostie; Eucharistic = avondmaals..., dank...; Eucharistica = overpeinzingen en gebeden bij het Heilig Avondmaal.

Euchre, jûkə, Amer. kaartspel (op Whist gelijkend); Euchre verb. beetnemen.

Euclid, jûklid, Euclides; meetkunde; adj. Euclidean, jûklidîən, Euclidian, juklidiən.

Eudoxia, judokšiə; Eugene, jûdžin, judžîn.

Eugenics, judženiks, rasverbetering.

Eulalia, juleiljə. Eulogist, jûlədžist, lofredenaar; adj. Eulogistic(al); Eulogium, juloudž’m = Eulogy, jûlədži, lofspraak; Eulogize, jûlədžaiz, loven.

Eumenides, jumenidîz, de Furiën.

Eunuch, jûnək, eunuch; Eunuchism, het eunuch wezen, castreeren; Eunuch verb. Eunuchize, castreeren.

Eupepsia, jupepšiə = Eupepsy, jupepsi, jûpepsi, normale spijsvertering; Eupeptic = met goede spijsvertering.

Euphemism, jûfimizm, verzachtende uitdrukking; adj. Euphemistic(al).

Euphonic(al), jufonik(’l), Euphonious, jufouniəs, welluidend; Euphonism, jûfənizm, harmonie der klanken; Euphonize, jûfənaiz, welluidend maken; Euphony, jûfəni, welluidendheid.

Euphrasy, jûfrəsi, oogentroost.

Euphrates, jufreitîz.

Euphues, jûfjuîz; Euphuism, jûfjuizm, gemaakte, gezochte, overdreven sierlijke manier van uitdrukken; adj. Euphuistic(al).

Eurasia, jureišə, jureižə, Europa en Azië; Eurasian = Europeesch-Aziatisch; een uit het huwelijk van een Europeaan en Aziate geborene.

Eureka, jurîkə, Eureka: Eureka overcoat = piekfijne.

Europe, jûrəp; European, jûrəpîən, Europeaan; Europeesch; Europeanize, jûrəpîənaiz = invoeren van Europeesche zeden, enz.

Eurus, jûrəs, (Zuid)oostenwind.

Eustace, jûstis; Eustachian, justeikj’n: Eustachian tube = Eustachiaansche buis; Eustatia, justeišə.

Euston, jûst’n. Euterpe, jutɐ̂pi, Euterpe; palmsoort; kapellensoort; adj. Euterpean.

Euthanasia, jûthəneižə, Euthanasy, juthanəsi, zachte dood; middel daarvoor.

Euxine (The), dhəjûksin, de Zwarte Zee.

Eva, îvə, Eva.

Evacuant, ivakjuənt, subst. en adj. purgeerend (middel); ventiel; Evacuate, ivakjueit, ontruimen, purgeeren, uitwerpen, ledigen; Evacuation = stoelgang, ontruiming.

Evade, iveid, ontduiken, ontwijken, ontgaan, ontglippen, verijdelen, uitvluchten maken: To evade the law = ontduiken.

Evan, ev’n; Evans, ev’nz.

Evanesce, evənes, verdwijnen; subst. Evanescence; Evanescent = verdwijnend, voorbijgaand, oneindig klein.

Evangel, ivanž’l, evangelie; Evangelic, îv’ndželik, evangelisch = Evangelical, ook subst. een aanhanger van de Low Church; Evangelism, ivanžəlizm, evangelieprediking; Evangelist; Evangelization = evangelisatie; Evangelize, ivanžəlaiz, het evangelie prediken, evangeliseeren.

Evangeline, ivanžəl(a)in.

Evanish, ivaniš, verdwijnen; subst. Evanishment = Evanition.

Evaporable, ivapərəb’l, verdampbaar; Evaporate, ivapəreit, verdampen, uitwasemen, drogen, verdwijnen, luchten (van toorn, b.v.); Evaporation, verdamping; Evaporative = verdampings...; Evaporator = verdampingstoestel; Evaporometer, îvapəromətə, verdampingsmeter.

Evasion, iveiž’n, ontduiking, ontwijking, uitvlucht; Evasive, iveisiv, vol uitvluchten, ontwijkend.

Eve, îv, Eva; avond, vóóravond: She was on the eve of her marriage = het was onmiddellijk vóór haar huwelijk, aan den vóóravond van.

Evelina, evəlainə; Eveline, Evelyn, evəlin.

Even, îv’n, adj. gelijk, effen, even, kalm, onpartijdig, rond; adv. zelfs, juist, zooeven, ook, bovendien; Even verb. effenen, gelijk maken: Even and odd = even en oneven; To be even with a person = niets meer schuldig zijn; To come even with = betaald zetten; To meet on even ground = strijden met gelijke kansen; To be even with the times = met zijn tijd meegaan; He told me even as much = precies hetzelfde; Even as I said it = juist toen; Even now = zoo pas nog; Even if = Even though he came = al kwam hij ook; I saw him even yesterday = ik heb hem gisteren nog gezien; Their even Christians = mede-christenen; His even-handed dealing with all = onpartijdige handelwijze jegens; Even-handedness; On an even keel = achter en voor even diep liggend; Even-minded = gelijkmoedig; Even money = ronde som; Even-tempered = gelijkmatig van humeur (= Of an even temper); Evener = gelijkmaker; zwengelhout (Amer.). Evenness = vlakheid, gelijkheid, gelijkmoedigheid, onpartijdigheid.

Even, îv’n, avond; Evenfall = avondstond; Evensong = vesper, avondlied; Eventide = avondtijd.

Evening, îv’niŋ, avond: The evening crowns the day = einde goed alles goed; Six in the evening = zes uur ’s avonds; Evening-dress = rok en witte das; Evening-gun = avondschot; Evening song = avondlied; Evening-star.

Event, ivent, gebeurtenis, afloop, gevolg, (sport)nummer: Double event = zevenstoot (bilj.); Treble event = negenstoot; At all events = in elk geval; In the event of = voor het geval dat; In the event = ten slotte; Eventful = belangrijk, gewichtig; Eventual, iventjuəl, gebeurlijk, eindelijk; Eventuality = mogelijkheid.

Ever, evə, ooit, in eenig opzicht, in eenige mate: For ever = voor goed; For ever and a day = voor eeuwig en altijd = For ever and aye; Or ever = voordat (verbasterd uit Ere ever); Not ever = never = nooit: I cannot ever repent of it = ik heb er volstrekt geen berouw van; Aren’t you ever coming? = kom je haast? As soon as ever she comes here = zoodra ze maar hier komt; Ever and again = telkens weer; Ever and anon = nu en dan; gedurig; Ever since that time = van dien tijd af aan; I waited for ever so long = een eeuwigen tijd; He may rail ever (never) so much = zooveel hij verkiest; Still tremendously hot! It is ever so much in the shade = ’k weet wel niet hoeveel graden; With ever so slight a foreign accent = een ‘ietsje’, ‘tikje’; It’s ninepence for ever such a little tin = voor nog zoo’n klein blikje; He would veto your taking ever such a little glass = de geringste hoeveelheid; Everglade = moerassige steppe in Oost-Florida; Evergreen = plant, die het geheele jaar door groen blijft; Ever-lasting, evəlâstiŋ, altijddurend, eeuwig; subst. eeuwigheid; sterke stof voor laarsjes: The Everlasting = de (eeuwige) Godheid; Everlastings = immortellen; Everlasting flower = stroobloem; Life everlasting = het eeuwige leven; Evermore = altijd door, steeds weer, voor eeuwig.

Ever(h)ard, evərəd; Everett, evərət.

Eversion, ivɐ̂š’n, omkeering, naar buitenkeering; Eversion verb. Evert, ivɐ̂t.

Every, ev’ri, ieder, elk: Every bit = volkomen, geheel: Her every gesture = elk harer gebaren; Every now and then = van tijd tot tijd, telkens; Every other day = om den anderen dag; My every word = elk mijner woorden; Everybody = iedereen; Everything = alles; Everyway = in elk opzicht; Everywhere = overal.

Evesham, îvz(h)əm.

Evict, ivikt, uitzetten (uit een huis, b.v.), ontnemen, verdrijven; Eviction = uitzetting, ontneming.

Evidence, evidens, subst. bewijs, bewijsmateriaal, klaarblijkelijkheid; Evidence verb. bewijzen; In this novel the clergy are in evidence = komen veel geestelijken voor; Mr. and Mrs. N. were both in evidence = tegenwoordig; Circumstantial evidence = bewijs (Jur.); These circumstances are opposed to the evidence = druischen tegen alle waarschijnlijkheid in; He gave evidence = legde getuigenis af; To turn King’s (Queen’s) evidence = getuigenis afleggen tegen de medeschuldigen; Evident, evid’nt, duidelijk, klaarblijkelijk: Self-evident = zonneklaar; Evidential = duidelijk bewijzend; Evidentness = klaarblijkelijkheid.

Evil, îv’l, subst. kwaad, onheil, ellende, zonde, kwaal; adj. kwaad, boos, snood, slecht, zondig: The Evil one = de duivel; The king’s evil = klierziekte; The evils of war, social evils = rampen; Stomach evils = maagkwalen; This bodes evil = voorspelt kwaad; Evil-affected = kwalijk gezind; Evil case = rampzalige toestand; Evil-doer = boosdoener, zondaar; Evil-eye = kwaad oog (dat op bovennatuurl. wijze kwaad berokkent); Evil-eyed = met evil eye; afgunstig; Evil-favoured = met een ongunstig uiterlijk; Evil-minded = boosaardig; subst. Evil-mindedness; Evil-smelling = kwalijk riekend; Evil-speaking = laster(end); Evil-worker = boosdoener.

Evince, ivins, bewijzen, aan den dag leggen.

Eviscerate, ivisəreit, ontweiden (van wild); verknoeien; subst. Evisceration.

Evocate, evəkeit, oproepen; Evocation = oproeping, bezwering.

Evoke, ivouk, oproepen, uitlokken, voor een andere rechtbank brengen.

Evolution, evəl(j)ûš’n, îvəl(j)ûš’n, evolutie, ontwikkeling, worteltrekking, militaire beweging; Evolutional = ontwikkelings = Evolutionary = evolutie...; Evolutionism = evolutieleer.

Evolve, ivolv, ontvouwen, ontplooien, ontwikkelen, zich ontwikkelen; Evolvulus, ivolvjulɐs, evolvulus, zekere klimplant.

Ewart, jûwət.

Ewe, iû, ooi: Ewe cheese = schapekaas; Ewe-lamb; Ewe-neck = hertenhals (van paarden).

Ewer, jûə, lampetkan, waterkan.

Ewing, jûwiŋ.

Ex, eks, (in samenst.), vroeger, gewezen: The ex-king Milan.

Exacerbate, əgzasəbeit, verbitteren, verergeren; subst. Exacerbation.

Exact, əgzakt, adj. nauwkeurig, precies, methodisch, stipt; Exact verb. eischen, vorderen, afpersen: In exactest sort = in de puntjes; Exactly so = precies; Exacting, veeleischend, streng; Exactingness causes much misery = veeleischendheid; Exaction = afpersing, buitensporige eisch; Exactitude = Exactness = nauwkeurigheid.

Exaggerate, əgzadžəreit, overdrijven, vergrooten; subst. Exaggeration; adj. Exaggerative.

Exalt, əgzôlt, verheffen, verhoogen, verrukken; Exaltation, egzolteiš’n, verheffing, verrukking, geestvervoering; Exalted = hoog, verheven; Exaltedness = exaltatie.

Examination, əgzamineiš’n, onderzoek, ondervraging, verhoor, examen (ook verk. tot Exam, əgzam): Examination on paper = Written examination = The writing part of an examination; Vivâ voce examination = vivâ voce; To enter, (to pass, to present oneself for, to retire from) an examination; Examination-paper = examenopgaaf; Examination-in-chief = ondervraging van de(n) hoofdgetuige; Examinational: The old examinational system = examenstelsel; Examine, əgzamin, onderzoeken, ondervragen, verhooren, examineeren: I examined into the thing = deed onderzoek naar de zaak; Examinee = examinandus; Examiner = examinator, onderzoeker, inspecteur, rechter v. instructie.

Example, əgzâmp’l, voorbeeld, patroon, model, opgave: For example = bij voorbeeld; By way of example = als, bij wijze van; I will set (give) you a good example = u een goed voorbeeld geven; Take example from (by) your brother = neem een voorbeeld aan, uw broeder tot voorbeeld; Exampler = model, voorbeeld.

Exanthema, eksanthîma, huiduitslag; koorts, die daarmee gepaard gaat; meerv. Exanthemata, eksanthîmətə, eksanthemətə.

Exarch, eksâk, Legaat v. den Patriarch; onderkoning (in Italië) van de Byzantijnsche keizers; Exarchate, eksâkit, eksâkit, exarchaat.

Exasperate, əgzaspərit, adj. verbitterd, getergd; Exasperate verb. (əgzaspəreit) verbitteren, tergen, verergeren; subst. Exasperation.

Excalibur, ekskalibə.

Excavate, ekskəveit, uithollen, uitgraven; Excavation = uitholling, holte, uitgraving, doorgraving; Excavator = graafmachine.

Exceed, əksîd, overtreffen, overschrijden, meer zijn dan, te ver gaan, te buiten gaan: I’ll take good care that you don’t exceed = u niet te buiten gaat; I have exceeded already = ik heb al boven mijn “taks” gedronken (gegeten), etc.; Exceeding(ly) = buitengewoon.

Excel, əksel, overtreffen, uitmunten; Excellence, eksəlens, uitstekendheid, voortreffelijkheid; Excellency, eksəlensi, excellentie: In a degree of Excellency = voortreffelijk; Excellent = voortreffelijk.

Excelsior, əkselsiö, excelsior.

Excentric, eksentrik. Zie Eccentric.

Except, əksept, Except verb. uitzonderen, tegenwerpingen maken; prep. buiten, behalve; conj. tenzij, zonder; Excepting = uitzonderend, uitgezonderd; Exception, eksepš’n, uitzondering, tegenwerping, ontkenning: I take exception to such words = ik keur af, neem kwalijk, werp op een exceptie tegen; Bill of Exception = lijst van excepties tegen een rechterlijk besluit; Exceptions prove the rule = de uitzonderingen bevestigen den regel; Exceptionable = berispelijk, betwistbaar; Exceptional = bij wijze van uitzondering = Exceptive.

Excerpt, əksɐ̂pt, excerpeeren, een uittreksel maken; subst. (eksɐ̂pt), excerpt.

Excess, əkses, overtolligheid, overdaad, buitensporigheid, onmatigheid: He eats and drinks to excess = buitensporig veel; Excess fare = boete (op spoorwegen): To pay excess fare; Excessive = overdadig, buitensporig, buitengewoon, onmatig.

Exchange, əkstšeinž, subst. (uit)wisseling, ruiling, beurs; Exchange verb. ruilen, wisselen, uitwisselen: To apply for an exchange = overplaatsing verzoeken; Arbitration of exchange = wisselarbitrage; Bill of exchange = wissel(brief); Course of exchange = wisselkoers; Foreign and domestic exchanges = buiten- en binnenlandsche wisselkoersen; List of exchanges = koersnoteeringen; The Exchange = de Beurs; At to-day’s exchange = ter beurze van heden; Exchange it for another = vervang het, ruil het; Exchange-broker = wisselmakelaar; Exchangeability = wisselbaarheid; Exchangeable = inwisselbaar, uitwisselbaar; Exchanger = wisselaar.

Exchequer, əkstšekə, schatkist, kas: Exchequer Bills = schatkistbiljetten; Chancellor of the Exchequer = kanselier van de schatkist.

Excisable, əksaizəb’l, belastbaar; Excise, əksaiz, subst. accijns, impost; adj. accijns...; Excise verb. belasten, veraccijnzen; Excise-duties = accijnzen; Exciseman = ontvanger der accijnzen; Excise-office = accijnzenkantoor.

Excise, eksaiz, uitsnijden, uithollen, schrappen; Excision, əksiž’n, uitsnijding, amputatie, uitsluiting; excommunicatie.

Excitability, əksaitəbiliti, prikkelbaarheid; Excitable, əksaitəb’l, prikkelbaar; Excitant, əksait’nt, eksit’nt, subst. en adj. prikkelend, opwekkend (middel); Excitation, eksiteiš’n, opwinding, opgewondenheid; Excitative = prikkelend; Excite, əksait, opwekken, aanzetten, opwinden, prikkelen, aan den gang brengen, gevoelig maken; Excitement = opwinding, opgewondenheid, prikkel.

Exclaim, əkskleim, uitroepen, luide uitvaren (against), luid jammeren (on); Exclaimer = ijveraar; Exclamation, ekskləmeiš’n, uitroep, kreet, geschreeuw, het uitvaren (tegen): Note of exclamation = uitroepteeken; adj. Exclamatory, əksklamətəri.

Exclude, əksklûd, uitsluiten, buitensluiten, uitzonderen; Exclusion = uitsluiting; Exclusive, əksklûsiv = uitsluitend, met uitsluiting van (of), exclusief: Exclusive dealing = begunstiging van bepaalde personen (om politieke of relig. redenen); He has exclusive sources of information = aparte, bijzondere; His comforter was three yards long, exclusive of the fringe = buiten de franje; subst. Exclusivism.

Excogitate, əkskodžiteit, uitdenken, verzinnen; subst. Excogitation.

Excommunicate, ekskəmjûnikeit, excommuniceeren; subst. ekskəmjûnikit = een geëxcommuniceerde; Excommunication, ekskəmjûnikeiš’n, excommunicatie: The lesser excommunication = uitsluiting van deelneming aan het avondmaal; The greater excommunication = algeheele kerkban; adj. Excommunicative.

Excoriate, əkskôrieit, villen, de huid afschaven; subst. Excoriation.

Excrement, ekskrəment, uitwerpsel(en); adj. Excremental.

Excrescence, əkskres’ns, uitwas, wrat; Excrescent = overtollig.

Excrete, əkskrît, afscheiden; Excretion, əkskrîš’n, afscheiding; Excretory, əkskrîtəri, ekskrətəri, afscheidend: Kidneys are excretory organs = afscheidingsorganen.

Excruciate, əkskrûšieit, martelen, folteren; Excruciating = ondragelijk, ijsselijk; Excruciation = marteling.

Exculpate, ekskəlpeit, əkskɐlpeit, verschoonen, verontschuldigen, vrijspreken, rechtvaardigen; subst. Exculpation; Exculpatory = verontschuldigend.

Excursion, əkskɐ̂š’n, afwijking, afdwaling, uitstapje: Excursion-ticket = uitstapkaart; Excursion-train = pleiziertrein; Excursionist = tourist; Excursive, doelloos, afdwalend; subst. Excursiveness; Excursus, əkskɐ̂səs, aanhangsel met nadere uitwerking van een in den tekst genoemd punt.

Excusable, əkskjûzəb’l, verschoonbaar; subst. Excusableness; Excuse, əkskjûs, verontschuldiging, uitvlucht, ontheffing.

Excuse, əkskûz, vrijpleiten, vergeven, vrijstellen, verontschuldigen: He is excused all the hard work in the house = vrijgesteld van; He excused himself on that score = verontschuldigde zich; Excuse me for doubting it = neem me niet kwalijk, dat ...

Exeat, eksiat, verlof aan een (Engelsch) student tot tijdelijke afwezigheid; afwezigheidsverlof aan een geestelijke.

Execrable, eksikrəb’l, verfoeilijk; subst. Execrableness; Execrate, eksikreit, verfoeien, vervloeken, verwenschen; subst. Execration; adj. Execrative = Execratory.

Executable, eksəkjûtəb’l, əksekjutəb’l, uitvoerbaar; Execute, eksikjût, uitvoeren, volvoeren, verrichten, passeeren, ten uitvoer leggen, voltrekken, terdoodbrengen: To execute a deed = eene acte passeeren; To execute a will = een testament uitvoeren; Executer = executeur; Execution, eksikjûš’n, uitvoering, volbrenging, voordracht, spel, uitwerking, bevel tot voltrekking (= Writ of execution), executie, beslag, voltrekking der doodstraf: To put a thing into execution = iets ten uitvoer brengen; An execution was put into our house for rent = om de huur werd er beslag gelegd op het meubilair; To take in execution = bij executie laten verkoopen; Executioner, eksikjûšənə, beul; Executive, əgzekjutiv, subst. uitvoerende macht; adj. uitvoerend, volvoerend; Executor, egzekjutə, executeur; Executionership = ambt van executeur; Executory = executoir; Executrix = executrice.

Exegesis, eksidžîsis, exegese; Exegete, eksidžît, exegeet; Exegetic(al), eksidžetik(’l), exegetisch; Exegetics, eksidžetiks, uitlegkunde.

Exemplar, əgzemplə, model, voorbeeld; Exemplariness, əgzemplərinəs, eksəmplərinəs, voorbeeldigheid; Exemplary, əgzempləri, eksəmpləri, egzəmpləri, voorbeeldig, uitstekend; Exemplification, əgzemplifikeiš’n, verklaring, bewijsplaats; afschrift; Exemplify, əgzemplifai, met een voorbeeld aantoonen, als voorbeeld dienen, een afschrift maken.

Exempt, əgzemt, subst. vrijgestelde; adj. vrij, bevrijd; Exempt verb. vrijstellen, excuseeren; Conscientious exempts = v. dienst vrijgestelden wegens gemoeds- of godsdienstbezwaren; Exemption, əgzemš’n, vrijstelling, vrij zijn.

Exequatur, eksikweitə, exequatur, officiëele bekrachtiging; erkenning van een consul door de regeering.

Exequies, eksikwiz, begrafenisplechtigheid.

Exercise, eksəsaiz, subst. gebruik, vervulling, beoefening, lichaamsbeweging; oefening, godsdienstoefening, exercitie, opgave; Exercise verb. uitoefenen, gebruiken, aanwenden, oefenen, afrijden, drillen, beweging nemen in de open lucht, beproeven, verontrusten: Exercise-book = schrift; To do one’s exercises = schoolwerk maken; To hold closing exercises = eindrepetities houden; You can take exercise every day in that climate = je alle dagen in de open lucht bewegen; To claim and exercise a right = eischen en uitoefenen; They were much exercised on that subject = ze hielden zich ernstig bezig met dat onderwerp; You were exercised that we should know her = gij deedt uw best, steldet er belang in; I was painfully exercised in my mind at the way in which he ruined his children = had er erg mee te doen; maakte me ongerust; I was seriously exercised in my mind as to the possibility of doing it = ik zat er ernstig over in; He exercises me strangely = maakt het mij zeer moeielijk; Exerciser.

Exert, əgzɐ̂t, inspannen, (kracht) toonen of gebruiken: It is the privilege of poetry to exert such charms = zulke bekoringen uit te oefenen; He exerted himself very much = spande zich zéér in; Exertion, əgzɐ̂š’n, inspanning, krachtige poging.

Exes, eksiz, verkorting van Expenses.

Exeter, eksitə.

Exeunt, eksiɐnt, ‘zij treden af’ (tooneel).

Exfoliate, əksfoulieit, afschilferen; subst. Exfoliation.

Exhalable, əgz(h)eiləb’l, əksheiləb’l, vluchtig; Exhalation, eksəleiš’n, ekshəleiš’n, egzəleiš’n, uitwaseming, damp; Exhale, əgzheil, əksheil, əgzeil, uitademen, uitwasemen, in damp opgaan, doen verdampen.

Exhaust, əgz(h)ôst, uitputten, leegmaken, luchtledig maken: The fifth edition is exhausted = uitverkocht; Exhausted receiver = leeggepompte klok (van eene luchtpomp); Exhaust-pipe = afvoerpijp (v. stoom); Exhaust-valve = afvoerklep; Exhauster = exhauster, oppomper, opzuiger; Exhaustible = uitputtelijk; Exhaustion, əgz(h)ôstj’n, uitputting, vermoeienis, uitpompen, uitstroomen; Exhaustive = volledig, alleruitvoerigst: He sent me Exhaustive information about that subject = volledige inlichtingen; Exhaustless = onuitputtelijk.

Exhibit, əgz(h)ibit, subst. uitstalling, tentoongesteld voorwerp, bewijsstuk, staat; Exhibit verb. tentoonstellen, uitstallen, vertoonen, formeel indienen of overleggen; voorschrijven (van geneesmiddelen); Exhibition, eks(h)ibiš’n, tentoonstelling, vertooning, indiening of overlegging van bewijsstukken, studiebeurs, openbare les met prijsuitdeeling; het voorschrijven (van geneesmiddelen); lijftocht: He made an exhibit of himself = hij stelde zich belachelijk aan; He has an interesting collection on exhibit = heeft ... ingezonden; Exhibit-room = tentoonstellingszaal; Exhibiter, eksibišənə, iemand, die van eene beurs studeert; Exhibitist = executant; Exhibitive = voorstellend; Exhibitor = vertooner, exposant; adj. Exhibitory.

Exhilarant, əgz(h)ilər’nt, subst. en adj. vervroolijkend of opbeurend (middel); Exhilarate, əgz(h)iləreit, opvroolijken, verblijden; subst. Exhilaration = opvroolijking, vroolijkheid.

Exhort, əgz(h)öt, vermanen, waarschuwen, aanzetten, aansporen; subst. Exhortation, eks(h)öteiš’n; Exhortative; Exhortatory = vermanend; Exhorter = vermaner.

Exhumation, eks(h)jumeiš’n, opgraving; Exhume, əgz(h)jûm, opgraven.

Exigence, eksidžens, Exigency, eksidžensi, noodzakelijkheid, urgentie, behoefte, benoodigd bedrag, vereischte; adj. Exigent.

Exiguity, eksigjûiti, kleinheid, onvoldoendheid; Exiguous, əgzigjuəs, gering, klein, schraal.

Exile, eksail, egzail, subst. balling, verbanning; Exile verb. verbannen: To pass sentence of exile on.

Exist, əgzist, zijn, bestaan, leven; Existence = bestaan, zijn; Existent.

Exit, eksit, het heengaan (v. het tooneel), aftreden, uitgang, verscheiden, dood: He made his exit = hij trad af, stierf.

Exmouth, eksmɐth.

Exodus, eksədɐs, Exodus: General exodus = algemeene uittocht.

Ex officio, eksofišiou, ambtshalve.

Exon, eksən, titel van de 4 officieren der Yeomen of the Guard, in rang onder den Ensign.

Exonerate, əgzonəreit, zuiveren, vrijspreken; ontheffen, ontlasten; subst. Exoneration; adj. Exonerative.

Exorbitance, əgzöbit’ns, overdrijving, buitensporigheid; Exorbitant = buitensporig: Exorbitant bill = hooge rekening, hooge prijs.

Exorcize, eksösaiz, əgzösaiz, uitdrijven, uitbannen (van booze geesten); Exorcizer of Exorcist = duivelbanner.

Exordium, əgzödj’m, inleidend woord, aanhef; Exordial = inleidend.

Exoteric(al), eksəterik(’l), openbaar, populair.

Exotic, əgzotik, subst. en adj. niet inheemsch, buitenlandsch (product).

Expand, əkspand, uitspreiden, ontplooien, in omvang toenemen, ontluiken, uitzetten; Expanse, əkspans, uitgestrektheid, groote ruimte, uitspansel; Exspansibility = uitzetbaarheid, spankracht; Expansible = uitzetbaar; Expansion, əkspanš’n, uitzetting, spanning, verbreeding, toeneming, vermeerdering, uitgestrektheid, ruimte: Expansion curb = instrument tot het tegengaan van uitzetting of inkrimping (door hitte of koude), zooals bij chronometers; Expansive = uitzettings..., uitzetbaar, uitgestrekt, openhartig, zich licht uitend: Expansive force = spankracht; Expansive power = uitzettingsvermogen; Expansive youths = openhartige, gevoelige jongelui; subst. Expansiveness.

Expatiate, əkspeišieit, uitweiden (on), uitvoerig zijn; subst. Expatiation; Expatiatory = wijdloopig.

Expatriate, əkspeitrieit, verbannen (uit het vaderland): To expatriate oneself = het vaderland verlaten; subst. Expatriation.

Expect, əkspekt, verwachten, rekenen op, vermoeden, denken: He is not expected to live = de dokters hebben hem opgegeven; She is expecting = in blijde verwachting; Expectance = verwachting, hoop, opschorting; Expectant = hoopvol, verwachtend; expectant; Expectation, ekspekteiš’n, verwachting, vooruitzicht, belofte: To have expectations from an old aunt = wat ‘te wachten’ hebben; Expectation of life = vermoedelijke levensduur; Expectation week = de week tusschen Hemelvaartsdag en Pinkster.

Expectorant, əkspektər’nt, subst. en adj. slijm losmakend (middel); Expectorate, əkspektəreit, opgeven (bij het hoesten); Expectoration, ophoesten, het opgehoeste; Expectoratoon = kwispedoor (Amer.).

Expediency, əkspîdj’nsi, gepastheid, raadzaamheid, geschiktheid; utiliteitsbeginsel, zelfzucht; adj. Expedient, əkspîdj’nt, ook subst. hulpmiddel, redmiddel.

Expedite, ekspidait, bevorderen, verhaasten; afzenden, uitvaardigen, snel afmaken of verrichten: The revolution was expedited, instead of delayed = verhaast; Expedition, ekspidiš’n, haast, vlugheid, spoed, vlugge verzending; expeditie, onderneming; Expeditionary = expeditie...: Expeditionary troops; Expeditious, ekspidišəs, Expeditive, əkspeditiv, Expeditory, əkspeditəri, vaardig, vlug.

Expel, əkspel, uitdrijven, verbannen (from), wegzenden, uitsluiten; Expellant, uitdrijvend middel; Expeller: Pain-expeller = pijnstillend middel.

Expend, əkspend, uitgeven, besteden (on), verbruiken; Expenditure, əkspenditjə, uitgaven, kosten, verbruik: That is mere expenditure of words (breath) = slechts verlies van woorden.

Expense, əkspens, onkosten, uitgaven: At my expense = op mijne kosten; To be at the expense of = moeten betalen; I am sorry you were put to such expense = dat gij zooveel kosten hebt gehad; He went to great expense = hij maakte veel kosten; Expensive = kostbaar; subst. Expensiveness = kostbaarheid, duurte.

Experience, əkspîriəns, subst. ondervinding, ervaring; Experience verb. ondervinden, ervaren, probeeren, beproeven, ondergaan: Of no experience = onervaren; It was outside all our experience = zoo iets hadden we nog nooit beleefd; Experience is the best teacher = Experience is a good school = de onderv. is de beste leermeesteres; Experience keeps a dear school = door schade en schande wordt men wijs; Experience teaches fools = ervaring is de wijsheid der dwazen; He experienced religion = werd bekeerd (Amer.); An experienced teacher = een ervaren onderwijzer; Experiential science = ervaringswetenschap; Experiment, əksperiment, subst. proef; Experiment verb. proeven nemen, experimenteeren (on); Experimental philosophy = proefondervindelijke wijsbegeerte; Experimentalize = experimenteeren; Experimenter.

Expert, ekspɐ̂t, subst. deskundige, vakman; adj. (əkspɐ̂t) deskundig, bedreven: To get expert at = ervaren worden in; subst. Expertness.

Expey = Expensive.

Expiable, ekspiəb’l, verzoenbaar; Expiate, ekspieit, boeten, weer goed maken; Expiation = boete, zoenoffer: Feast of Expiation = Groote Verzoendag; adj. Expiatory: Expiatory sacrifice = zoenoffer.

Expiration, ekspireiš’n, uitademing, ademtocht, einde, dood, vervaltijd; Expiratory = tot de uitademing behoorend: Expiratory execution = terechtstelling door verstikking, etc.; Expire, əkspaiə, uitademen, den laatsten adem uitblazen; afloopen, vervallen: This ticket expired yesterday; Expiry, ekspirə, əkspairi, vervaltijd: The expiry of the copyright = het vervallen van het copierecht.

Explain, əksplein, uitleggen, verklaren: To explain away = door toelichting uit den weg ruimen; Explainable = verklaarbaar; Explainer = verklaarder; Explanation, ekspləneiš’n, uitlegging, verklaring: To come to an explanation with = het eens worden met; Explanatory notes = verklarende aanteekeningen.

Expletive, eksplətiv, subst. stopwoord, verwensching; adj. aanvullend = Expletory.

Explicable, eksplikəb’l, verklaarbaar; Explicate, eksplikeit, uitleggen; subst. Explication; Explicative, eksplikətiv, uitleggend = Explicatory; Explicit, əksplisit, duidelijk, helder, open, uitvoerig; subst. Explicitness.

Explode, əksploud, uiteenbarsten, ontploffen, laten ontploffen, verwerpen: An exploded notion = opgegeven denkbeeld; He exploded with his grievances to his friend’s ear = hij uitte zijne grieven tegen zijn vriend; Explodent = ontploffingsgeluid; Exploder = ontploffingsmiddel.

Exploit, əksplôit, subst. heldendaad; Exploit verb. exploiteeren, uitbuiten, benutten, gebruiken (tot zijn doel); Exploitation, eksplôiteiš’n, exploitatie, uitbuiting, verkenning; Exploiter, uitbuiter.

Exploration, ekspləreiš’n, onderzoeking, navorsching; Explorative = Exploratory = onderzoekend, onderzoekings—; Explore, əksplö, zorgvuldig onderzoeken; Explorer = onderzoeker; sonde.

Explosion, əksplouž’n, uitbarsting, losbarsting; ontploffing; Explosive, əksplousiv, subst. ontploffingsstof; klapper, ontploffingsgeluid; adj. ontploffend, knal, schiet—; opvliegend: Explosive cotton = schietkatoen; Explosive signals = knalsignalen; subst. Explosiveness.

Exponent, əkspoun’nt, verklaarder, exponent; adj. Exponential: Exponential equation = vergelijking met den onbekende als exponent; Exponential quantity = exponentiaal grootheid.

Export, ekspöt, uitvoer, uitgevoerde artikelen; Export-duties = uitgaande rechten; Export-trade = uitvoerhandel.

Export, əkspöt, uitvoeren; Exportable = uitvoerbaar; Exportation, ekspöteiš’n = uitvoer; Exporter = exporteur.

Exposal, əkspouž’l. Zie Exposure.

Expose, əkspouz, blootstellen, overleveren, aan de kaak stellen, ontblooten, openbaren, blootleggen, tentoonstellen, uitstallen, uiteenzetten: They exposed the child = lieten ... aan zijn lot over; Exposition, ekspəziš’n, blootstelling; blootlegging, verklaring; tentoonstelling (Amer.); Expositor, əkspozitə, uitlegger, tolk, woordenlijst; Expositive, Expository = verklarend; Exposure, əkspoužə, blootstelling, blootlegging, ontblooting (= Indecent exposure), onthulling, uitstalling, het blootgesteld zijn: Death by exposure = doodvriezing, etc.

Expostulate, əkspostjuleit, ernstig onderhouden, vermanen; Expostulation = vermaning, vertoog, woordenwisseling; Expostulator = afkeurder; adj. Expostulatory.

Expound, əkspaund, verklaren, vertolken.

Express, əkspres, subst. bode, expresse, tijding, sneltrein; adj. duidelijk, helder, uitdrukkelijk, expres, juist; Express verb. uitdrukken, betuigen, uitpersen, per expresse verzenden (Amer.); in beeld brengen; Express-man = beambte bij een Express-office = expeditiekantoor (Amer.); Express-train = sneltrein; He expressed himself very distinctly = drukte zich uit; Expressible = uitdrukbaar; Expression = uitpersing, uitdrukking, verklaring, voorstelling: He loves you past expression = meer dan woorden kunnen zeggen; Expressive = vol uitdrukking, krachtig: Expressive language = krachtige, levendige taal; Expressive of deep interest = groote belangstelling uitdrukkende; subst. Expressiveness.

Expropiate, əksprouprieit, onteigenen, uitsluiten; (Compulsory) expropriation = onteigening (bij de wet).

Expulsion, əkspɐlš’n, uitdrijving, verbanning; Expulsive = verbannend; afdrijvend (middel).

Expunge, əkspɐnž, uitwisschen, uitkrabben.

Expurgate, əkspɐ̂geit, ekspɐ̂geit, zuiveren; subst. Expurgation; Expurgator, əkspɐ̂gətə, ekspɐ̂geitə = zuiveraar; Expurgatory, əkspɐ̂gət’ri, zuiverend: Expurgatory Index = lijst van boeken, door den Paus verboden, zoolang zij niet van de daarin voorkomende dwalingen zijn gezuiverd.

Exquisite, ekskwizit, uitgezocht, uitgelezen, voortreffelijk, verfijnd, keurig, lekker; hevig, verschrikkelijk, diep; subst. fat; subst. Exquisiteness; Exquisitism = fatterigheid.

Exsanguinity, eksaŋgwiniti, bloedarmoede; Exsangui(n)ous, əksaŋgwi(n)ɐs, bloedarm.

Exsect, əksekt, uitsnijden; subst. Exsection.

Exsiccant, əksik’nt, subst. en adj. opdrogend (kruid of middel); Exsiccate, eksikeit, əksikeit, op- of uitdrogen; subst. Exsiccation.

Exsuccous, əksɐkəs, saploos, droog.

Extant, ekst’nt, əkstant, bestaande, voorhanden, aanwezig; uitstekend.

Extasy, ekstəsi. Zie Ecstasy.

Extemporal, əkstempər’l, Extemporaneous, əkstempəreinjəs, onvoorbereid; subst. Extemporaneousness; Extemporary, əkstempərəri, Extempore, əkstemperî, onvoorbereid, voor de vuist; Extemporize, əkstempəraiz, voor de vuist spreken, improviseeren; Extemporizer = improvisator.

Extend, əkstend, uitstrekken, uitbreiden, verspreiden, rekken, verlengen, verwijden, vergrooten, zich uitstrekken, rekken, zich verspreiden, beslag leggen: An invitation was extended to me = mij ook werd eene uitnoodiging gezonden; I extend my best hopes to you = ontvang; A more extended book = omvangrijker boek; This group requires extended notice = het is noodig, dat wij deze groep van naderbij bezien; He had the most extended powers = de meest uitgebreide volmacht; Extendible = uitrekbaar; Extensibility = uitrekbaarheid; adj. Extensible, əkstensib’l = Extensile, əkstensil, rekbaar; Extension, əkstenš’n, uitbreiding, uitstrekking, verlenging, rekken, uitgebreidheid; omvang; Extensionist, əkstenšənist, iemand, die vóór extension (d.i. uitbreiding en verspreiding van universitair onderwijs) is; Extensive, əkstensiv, uitgebreid, veelomvattend: Extensive knowledge = uitgebreide kennis; subst. Extensiveness; Extensor, strekspier; Extent, əkstent, uitgebreidheid, omvang, beslaglegging: To a certain extent = tot op zekere hoogte; To the extent of = ten bedrage van; He laughed at me to such an extent, that I got my back up = lachte zóó om mij, dat ik boos werd.

Extenuate, əkstenjueit, verzachten, verminderen: Extenuating circumstances = verzachtende omstandigheden; subst. Extenuation; Extenuator = verzachter; adj. Extenuatory.

Exterior, əkstîriə, subst. buitenzijde, uiterlijk; adj. buitenste, buiten..; uiterlijk, buitenlandsch: Exterior angle = buitenhoek; Exteriority, əkstîrioriti, uiterlijkheid, buitenzijde, overdreven oplettendheid voor uiterlijke dingen.

Exterminate, əkstɐ̂mineit, uitroeien, verdelgen, elimineeren; subst. Extermination; Exterminator = verdelger; Exterminatory war = verdelgingskrijg.

Extern, əkstɐ̂n, externe (leerling); adj. uiterlijk, uitwendig = External, subst. uitwendig deel; Externals = uitwendige deelen, uitwendige ceremoniën en plechtigheden, zichtbare vorm; Externality = uiterlijkheid.

Exterritorial, əksteritôriə’l, buiten het rechtsgebied van een land.

Extinct, əkstiŋkt, uitgebluscht, uitgestorven, niet meer bestaande, niet meer van kracht; Extincteur, əkstiŋktɐ̂, extincteur; Extinction = blussching, uitroeiing, uitsterving, ondergang.

Extinguish, əkstiŋgwiš, uitblusschen, verstikken, verduisteren, vernietigen, opheffen, delgen; adj. Extinguishable; Extinguisher = uitblusscher, dompertje, een dooddoener; subst. Extinguishment.

Extirpate, əkstɐ̂peit, ekstɐ̂peit, verdelgen, uitroeien, geheel wegnemen; subst. Extirpation; Extirpator, əkstɐ̂pətə, ekstɐ̂peitə, uitroeier, soort eg of wieder.

Extol, əksto(u)l, verheffen, prijzen.

Extort, əkstöt, afpersen, ontwringen; subst. Extortion; Extortionary = afpersings - -; Extortionate = onbillijk, buitensporig; Extortioner = woekeraar.

Extra, ekstrə, subst. extra, bijgevoegd iets, enz.: An Art extra = plaat als premie bij een tijdschrift; I took her on as extra = (nood)hulp; adj. daarbuiten, buiten en behalve, buitengewoon: Seven and twenty shillings a week for board and lodging: no extras = zonder meerdere kosten; Extra pay = toelage; Extra-postage = strafport; Extra special = extra tijding; Extra work = extra werk, strafwerk.

Extract, ekstrakt, uittreksel, extract: Extract of beef = vleeschextract.

Extract, əkstrakt, uittrekken, trekken: To extract a tooth (To have a tooth extracted) = trekken (laten); To extract the root of = den wortel trekken uit; Extractable = (uit)trekbaar; Extraction = uittreksel, afkomst, geboorte: Extraction of roots = worteltrekking; Extractive = uittrekbaar; extract; Extractor = trekker, tang (voor (tand)artsen).

Extraditable, ekstrədaitəb’l, uitleverbaar; Extradite, ekstrədait, uitleveren (van misdadigers, enz.); Extradition, ekstrədiš’n, uitlevering: Law of Extradition = uitleveringswet.

Extrageneous, ekstrədžînjəs, tot eene andere soort behoorend, vreemd.

Extra-judicial, ekstrədž(j)udiš’l, buitengerechtelijk, wederrechtelijk.

Extramundane, ekstrəmɐndein, bovenaardsch.

Extra-mural, ekstrəmjûr’l, buiten de muren van stad (of universiteit).

Extraneous, əkstreinjəs, vreemd, niet behoorende bij.

Extraordinary, əkströd’nəri, buitengewoon, zeldzaam, merkwaardig.

Extravagance, əkstravəg’ns, buitensporigheid, overdrevenheid, verkwisting, overdaad; Extravagant = buitensporig, verkwistend, overdreven, geexalteerd; Extravaganza, əkstravəganzə, een bepaald soort muziekstuk, een geexalteerde rede, tooverballet.

Extravasate, əkstravəseit, uit de aderen dringen of brengen (van bloed); subst. Extravasation.

Extreme, əkstrîm, uiterst, laatste, verste, slot..; zeer groot of hevig, zeer nauwkeurig of gestreng; subst. uiteinde, uiterste grens, hoogste graad: Extreme unction = het Laatste Oliesel; It is ridiculous in the extreme = het is allerbelachelijkst; To carry to extremes = op de spits drijven; Extremes meet = de uitersten raken elkander; He was in extremis = lag op het uiterste; Extremist, əkstrîmist, ultraradicaal, ultra; Extremity, əkstremiti, uiterste, uiteinde, hoogste graad, uiterste nood, buitengewone gestrengheid of heftigheid: Driven to Extremity = tot het uiterste gedreven; The extremities = de ledematen of extremiteiten: Nether extremities = beenen; To push matters to extremes = op de spits drijven.

Extricable, ekstrikəb’l, ontwarbaar, vermijdbaar; Extricate, ekstrikeit, (zich) bevrijden, losmaken, ontwarren; subst. Extrication.

Extrinsic(al), əkstrinsik(’l), uiterlijk, van buiten.

Exuberance, Exuberancy, əgzjûbər’ns(i), əksiûbərəns(i), weelderigheid, overvloed, overdrevenheid; adj. Exuberant.

Exudation, egziudeiš’n, eksiudeiš’n, uitzweeting; Exudative = uitzweetings - -; Exude, əgziûd, əksiûd, uitzweeten, afscheiden, afgescheiden worden.

Exult, əgzɐlt, jubelen, juichen; Exultant (= Exulting) = juichend, jubelend; subst. Exultation, egzɐlteiš’n, eksɐlteiš’n.

Exuviae, əgzjûviî, əksiûviî, afgeworpen huiden of schalen; Exuviation, əgzjûvieiš’n, əksiûvieiš’n = afwerping.

Eyas, aiəs, jonge valk.

Eyder, aidə, de Eider.

Eye, ai, subst. oog, blik, gezicht, glans, knop (van planten); Eye verb. beschouwen, aankijken, monsteren: What the eye does not see, the heart does not grieve over; Eyes front! = Staat! (milit.); Eyes left (Eyes right) = richt u! The eye of day (of the morning) = de zon; The eye of a dome = ronde opening in; The eye of an egg = hanetree; The eye of a needle; It shows to the eye of sense beautiful vistas = opent een schoon verschiet voor het geestesoog; The eyes of a ship = kluisgaten; I could find no favour in his eyes = ik kon geen genade vinden in zijne oogen; I am getting my eye in now = begin er nu kijk op te krijgen; I’ll have an eye over her = een waakzaam oog houden over; He has an eye to (upon) my sister = hij heeft een oogje op mijne zuster; He had an eye to my money = had het gemunt op; I have an eye to business = ik let op de zaken, affaire; I will keep an eye on him = ik zal hem nauwkeurig gadeslaan; He looked upon me with an evil eye = zag mij met een scheel oog aan; He sees a thing with half an eye = met een half oog; I see eye to eye with you = ik ben ’t met u eens, heb er denzelfden kijk op als gij; I never set eyes on her = ze is me nooit onder de oogen gekomen; To break the law and turn the blind eye = een oogje dicht doen; Eye-ball = oogappel; Eye-beam = oogstraal; Eye-bolt = oogbout (scheepst.); Eyebright = oogentroost (plant); Eyebrow = wenkbrauw; Eye-drop = traan; Eye-flap = oogklep; Eyeglass = monocle, oogglas; Eyehole = kijkgat; Eyelash = wimper; Eyelet = oog, vetergaatje, reefgat; Eyelet-hole = vetergaatje; Eyelid = ooglid; Eye-opener = iets verbazends; Eyepiece = oculair, oogglas; Eye-salve = oogzalf; Eyereach = Eyeshot; Eye-servant = oogendienaar; Eye-service = oogendienst; Eyeshot = gezichtsafstand: He was within (out of) eyeshot = hij was in (uit) het gezicht; Eyesight = gezicht, gezichtsvermogen: His eyesight begins to fail = zijne oogen worden zwak; Eyesore = gerstekorrel (Med.); doorn in ’t oog: He is an eyesore to me; Eye-string = oogzenuw; Eye-tooth = oogtand: I’m not going to be cheated out of my eye-teeth here (Amer.) = ik laat me hier niet beetnemen; Eye-wash = oogwater = Eye-water, dit ook: glasachtig lichaam (van het oog); Eyewitness = ooggetuige.

Eyne, ain, oud Meerv. van Eye.

Eyot, aiət, riviereilandje.

Eyre, êə, vroegere rondgaande rechtbank: Justices in Eyre = rondgaande rechters.

Eyrie, Eyry, êri, airi, îri. Zie Aerie.

Ezekiel, izîkj’l, Ezechiël; Ezra, ezrə.

F.

F. ef, F sharp = fis (muz.); Fahrenheit; fellow; f. = farthing, feet, feminine, folio, foot; F. A. = F(ootball) A(ssociation); f. a. a. = f(ree) of a(ll) a(verage); Fahr. = Fahrenheit; F. A. S. = F(ellow) of the A(ntiquarian) S(ociety); F. A. S. = Fellow of the Society of Arts; F. B. S. = F(ellow) of the B(otanical) S(ociety); F(ree) C(hurch of Scotland); Fcp = foolscap; F(idei) D(efensor) = Verdediger des Geloofs; Feb(ruary); Fem(inine); ff = fortissimo; F(ellow) G(eological) S(ociety) (ook Geographical); Fig(ure); Fl(orin); F(oo)lsc(a)p; F(atho)m; F. M. = F(ield)-M(arshal); F. O. = F(ield)-O(fficer); F. o. b. = f(ree) o(n) b(oard); Fol(io); Fra(ncis); F(ellow) R(oyal) A(cademy); F.R.A.S. = F(ellow) of the R(oyal) A(siatic) (Astronomical) S(ociety); F. R. C. P. = F(ellow) of the R(oyal) S(ociety) of P(hysicians); F. R. C. S. = F(ellow) of the R(oyal) C(ollege) of S(urgeons); F(ellow) S(ociety) A(rts) (of Antiquaries); Ft = fort; ft = foot, feet; F. T. C. D. = F(ellow) of T(rinity) C(ollege), D(ublin); F. W. = F(resh) W(aterline) = een der Plimsoll merken op schepen; F. Z. S. = F(ellow) of the Z(oological) S(ociety).

Fa, fâ, fa.

Fabaceous, fəbeišes, boonachtig, boon - -.

Fabian, feibj’n, Fabisch, talmend, traag: Fabian Society = een soc. pol. vereeniging te Londen, opgericht in 1884, die ook landnationalisatie beoogt.

Fable, feib’l, subst. fabel, verdichtsel, vertelseltje, praatje; Fable verb. fabelen schrijven, leugens vertellen; Fabled animals = in fabels besproken, alléén in de verdichting bestaande; Fabler = fabeldichter.

Fabliau, fâbliou, Oud-Fransche berijmde vertelling (12e en 13e eeuw).

Fabric, fabrik, subst. bouw, structuur, weefsel, maaksel, gebouw, stof, fabrikaat; Fabricate, fabrikeit, bouwen, maken, vervaardigen, samenstellen, fabriceeren, bedenken, verzinnen, vervalschen; subst. Fabrication; Fabricator = hij die vervaardigt, enz.

Fabulist, fabjulist, fabeldichter; verb. Fabulize; Fabulous, fabjulɐs, verdicht, fabelachtig, ongeloofwaardig, rijk aan fabelen: Fabulous age = vóórhistorische tijd; subst. Fabulousness = Fabulosity = fabelachtigheid.

Facade, fəsâd, fəseid, vóórgevel, vóórzijde.

Face, feis, subst. gelaat, gezicht, uiterlijk, driestheid, onbeschaamdheid, aangezicht (fig.), redactie, voorkant, wijzerplaat, vlak, façade; Face verb. het gezicht toekeeren, staan (zitten, gelegen zijn, zich bevinden) tegenover, te gemoet treden, omkeeren met de voorzijde naar boven, weerstand bieden, aanvaarden, bekleeden aan de voorzijde, omzoomen, omboorden, zich wenden naar: Face of a coin = beeldzijde; In the face of day = op klaarlichten dag; The faces of a square = de zijden van een carré; This is unpardonable in face of the facts = met het oog op de feiten; He did it in face of all that is honourable and just = in strijd met al wat eervol en rechtvaardig is; On the face of it = op ’t eerste gezicht; To be face to face = tegenover elkaar staan; To fly in the face of danger = tegemoet snellen; I laughed in his face = in zijn gezicht; I will say so before his face, in his face = waar hij bij is; She said it with a little face = ietwat brutaal; I could not see my hand before my face = geen hand voor oogen; He told it me to the face = vlak in ’t gezicht; The King accepted the poor supplicant’s face = trok zich den armen smeekeling aan, stond zijn verzoek toe; He cut a queer face = trok een raar gezicht; He entreated (sought) the King’s face = ’s konings gunst; He has his face at his command = hij heeft zijn gelaat in zijn macht; Everything has two faces = men kan alles van twee kanten beschouwen; He made (pulled) a long face = trok een lang gezicht (fig.); He made a wry face = trok een zuur gezicht; She can make all kinds of faces = allerlei gezichten trekken; I’ll put a good face on it = het van den besten kant beschouwen; He set his face against his father’s will = hij weerstreefde zijn vader; Left face! Right face! = links-, rechtsom; Right about face! = rechtsomkeert; He faced the card = hij keerde om; He faced the consequences = aanvaardde; To face the enemy = het hoofd bieden; The country-seat faces the high-road = staat met de voorzijde naar; To face the music = de moeielijkheid moedig onder de oogen zien; The room faces South-east = ligt op; It was more than my heart could face = verdragen, weerstaan; To face about = zich omkeeren; He faced his men down = overblufte; He wanted to face me down = hij wou mij door onbeschaamdheid den blik doen neerslaan; He faced it out = hij hield het brutaal vol; Face-ache, feiseik, Face-ague, feiseigju, aangezichtspijn; Face and hood = driekleurig viooltje; Face-card = heer, vrouw of boer (in ’t kaartspel); Face-cloth = doek (ter bedekking van het gelaat) van een doode; Face-guard = masker; Facer = slag in ’t gezicht, teleurstelling.

Facet, fasət, facet; Facet verb. met facetten slijpen.

Facetiae, fəsîši-î, fijne, geestige zetten, humorist. lectuur; Facetious, fəsîšəs, grappig, boertig: subst. Facetiousness.

Facial, feiš’l, tot het gelaat behoorend: Facial angle = gelaatshoek; Facial contractions = gelaatsverwringingen.

Facile, fasil, gemakkelijk, gedwee, gewillig, vlug, lichtgeloovig, licht over te halen, meegaande, vriendelijk, minzaam: He wields a Facile pen = een vlugge pen; Facilitate, fəsiliteit, vergemakkelijken, verlichten; subst. Facilitation; Facilities, fəsilitiz, gemakken, voordeelen; Facility, fəsiliti, gemakkelijkheid, handigheid, meegaandheid, genaakbaarheid, minzaamheid.

Facing, feisiŋ, subst. boordsel, opslag, tressen, bekleeding van talud, wending, zwenking (Mil.): Facing of tea = thee kleuren ter vervalsching.

Facsimile, faksimili, subst. facsimile; Facsimile verb. eene juiste nabootsing geven van.

Fact, fakt, daad, feit, werkelijkheid: In fact = inderdaad, feitelijk.

Faction, fakš’n, (politieke) partij, oneenigheid, onrust, tumult, opstand; Factionist = raddraaier, oproermaker; Factious, fakšəs, partijzuchtig, oproerig, muitend; subst. Factiousness.

Factitious, faktišəs, kunstmatig, nagebootst, onecht, conventioneel.

Factitive, faktitiv, causatief: Factitive object, zooals b.v. het woord duke in: The queen made him a duke.

Factor, faktə, agent, facteur, factor; Factorage, faktəridž, commissieloon; Factorship = beroep v. factor; Factory, faktəri, fabriek, faktorij: Factories and Workshops Acts = arbeidswetten; Factory hand = fabrieksarbeider.

Factotum, faktout’m, factotum, duivelstoejager.

Facultative, fakəltətiv, rechtgevend, naar believen, facultatief; Faculty, fak’lti, bekwaamheid, vermogen, gave, talent, zin, bevoegdheid, dispensatierecht, faculteit: The Faculty = medische faculteit, de medici.

Fad, fad, liefhebberij, stokpaardje, gril; Faddish = grillig; Faddist = iemand, die er allerlei dwaze stokpaardjes en meeningen op nahoudt; Faddy = vol fads.

Faddle, fad’l, beuzelen.

Fade, feid, adj. zwak, mat, kleurloos; Fade verb. verwelken, verkleuren, verschieten, verdwijnen; Fadingness = vergankelijkheid.

F(a)ecal, fîk’l, tot faeces behoorende of die bevattende; F(a)eces, fîsîz, faecaliën, bezinksel.

Fag, fag, subst. werkezel; groen; een “pluk”, een “toer”; Fag verb. zich afsloven, zich afmatten, groen loopen; afmatten, als werkezel gebruiken: Fagged out = doodop; Fag-end = zelfkant, rafeleind, uitgerafeld stuk, eindje, slot.

Fa(g)got, fagət, subst. takkebos, bundel (of iron, steel), brandstapel; oud gerimpeld vrouwspersoon, lummel; Faggot verb. samenbinden; To smell of the faggot = naar den mutsaard rieken; Faggot-voting, bestond hierin, dat grondbezitters nominaal stukken land aan pachters overdeden, die dientengevolge als grondbezitters ook mochten stemmen.

Fagin, feigin.

Fagotto, fagotou, fagot.

Fail, feil, achteruitgaan, ontbreken, gebrek hebben aan, ophouden, verloren gaan, uitblijven, uitdrogen, mislukken, niet opkomen, afnemen, verzwakken, in den steek laten, zijn doel missen, misgaan, falen, nalatig zijn, failleeren of bankroet gaan, verlaten, teleurstellen; ook subst.: His heart failed him = zijn moed begaf hem; He failed to do it = slaagde niet; They failed to do him justice = bleven in gebreke; He failed in his usual alacrity (animation) = het ontbrak hem; He has failed of his ambitions = zijn illusies (wenschen) zijn niet verwezenlijkt; This work cannot fail of popularity = moet wel in den smaak vallen; Without fail = zonder mankeeren, zeker; Failing, subst. gebrek, zwak; adj. ontbrekend, achteruitgaand, begevend, etc.; prep. bij gebrek van: A never failing topic of conversation = waarover men nooit raakt uitgepraat; Failure = gebrek, slechte uitslag, gemis, mislukking, misgewas, verval, achteruitgang, bankroet.

Fain, fein, gaarne, blij, geneigd, begeerig, genoodzaakt: He was fain to eat black bread = hij was blij met (hij moest wel eten) roggebrood; Fain to gain it = verlangend; He would fain = hij wou graag (liefst); Fain of = blij met.

Faint, feint, adj. zwak, verzwakt, uitgeput, flauw, bedwelmend, zwoel, drukkend, terneergeslagen; subst. flauwte, onmacht; Faint verb. flauw vallen (away), afnemen, zwakker worden: Faint heart never won fair lady = die niet waagt, die niet wint; Faint at heart = bevreesd; I have not the faintest idea of it = er geen flauw begrip van; The book was killed with faint praise = werd totaal vermoord door zwakke aanprijzing (die met veroordeeling gelijk stond); A faint sound = zwak, dof; Faint with hunger, thirst = flauw, uitgeput van; Fainthearted = moedeloos, flauwhartig; subst. Faint-heartedness; Fainting = flauwte, bezwijming: In a fainting fit = in een aanval van flauwte; Faintish = zwakkelijk; subst. Faintishness; Faintness = zwakte, moedeloosheid, onduidelijkheid.

Fair, fêə, subst. jaarmarkt, kermis; Fancy fair = liefdadigheidsbazaar; Fairing = kermisgeschenk.

Fair, fêə, schoon, fraai, rein, vlekkeloos, ongerept, helder, duidelijk, blond, blank, ongehinderd, vrij, gunstig, behoorlijk, billijk, rechtvaardig, eerlijk, oprecht, zacht, vriendelijk: The fair (sex) = het schoone geslacht; She has a fair knowledge of English = behoorlijke, flinke; Fair play is a jewel = eerlijk duurt het langst; That is not fair play = niet eerlijk en rond; To see fair play = zorgen dat iets eerlijk toegaat; Fair trade = beschermde handel; He is in a fair way to succeed = mooi op weg; Fair words butter no parsnips = praatjes vullen geen gaatjes; Fair and square = eerlijk, rond, oprecht; Fair and softly = zoetjes aan; He bids fair to get the place = zijne kansen staan goed; He carried it fair towards them in public = deed zich mooi voor; Fairly = vrijwel; geheel en al, volstrekt, werkelijk: The book is going on fairly, sells fairly well = gaat vrij goed van de hand; Fair-faced = met mooi gelaat; mooie praatjes makend; Fair-minded = oprecht; Fair-spoken = innemend, hoffelijk; His Fair-weather friends = vr. in voorspoed; Fairish = lief, tamelijk goed (mooi, etc.); vrij wel; Fairness = schoonheid, ongereptheid, blondheid, oprechtheid, billijkheid, duidelijkheid, etc.

Fairway, fêəwei, vaarwater.

Fairbairn, fêəbən; Fairfax, fêəfaks.

Fairy, fêri, subst. fee, toovenares; adj. feeachtig: Fairy circle (Fairy green, Fairy ring) = kring (groener dan de omgeving) in ’t grasveld, die naar ’t volksgeloof door het dansen der feeën ontstaan is; Fairy fingers, Fairy glove = vingerhoedskruid; Fairyland = feeënland; Fairy-like = als een fee; Fairy-tale = sprookje.

Faith, feith, geloof, vertrouwen, trouw, belofte, eerewoord: (In) faith, he did it = eerlijk (waarachtig), hij deed het; In good faith = te goeder trouw; The Faith = de Christel. godsdienst; A breach of faith = trouwbreuk; To keep faith with = zijn woord houden jegens; To put faith in = geloof hechten aan; Faithful = geloovig, trouw, eerlijk, geloofwaardig: The faithful = de geloovigen; Faithfully: Yours faithfully = uw dienstwillige; subst. Faithfulness; Faithless = ongeloovig, trouweloos; subst. Faithlessness; Faithworthy = be- of vertrouwbaar.

Faix, feiks, op mijn woord, waarachtig.

Fake, feik, oplappen, opknappen (met het oog op bedrog), stelen; bedriegen; opschieten (zeeterm); subst. bocht, slag, bedrog: The old horse was faked up for work again = werd weer opgelapt voor ’t werk; Fakement = zwendel, diefstal, knoeiwerk; Faker = bedrieger, zwendelaar, zakkenroller.

Fakir, fəkîə, feikîə, fakir, Brit. Ind. bedelmonnik.

Falcate(d), falkeit(id), sikkelvormig; subst. Falcation.

Falchion, fôlš’n, kort licht gekromd en breed zwaard.

Falciform, falsiföm, sikkelvormig.

Falcon, fô(l)k’n, falk’n, valk; falkonet (kanonnetje); Falconer = valkenier; Falconet = falkonet, smelleken; Falconry = valkendressuur, valkenjacht.

Falderals, faldəralz, snuisterijen, snorrepijperijen.

Faldstool, fôldstûl, vouwstoel; bisschopsstoel (bij het altaar), stoel (aan de zuidzijde van het altaar) waarbij de Engelsche vorsten bij de kroning knielen; lezenaar (in de kerk).

Falernian, fəlɐ̂nj’n, subst. en adj. (wijn) van Falernus.

Falkirk, falkɐ̂k, fôlkɐ̂k, fôkɐ̂k; Falkland, fôklənd.

Spotted a typo or a problem in this chapter? Tell us