← Engelsch woordenboek. Eerste deel: Engelsch-Nederlandsch (met uitgeschreven verkortingen)

Engelsch woordenboek. Eerste deel: Engelsch-Nederlandsch (met uitgeschreven verkortingen) (part 1 of 7)

Part 1 of 7 · Bruggencate, K. ten (Karel) · Public domain text

About this edition

Source: Project Gutenberg e-text #64478, public domain in the United States · text not rewritten or summarized · How RedLectern is built

 

Contents (7)

Continue:

Engelsch woordenboek. Eerste deel: Engelsch-Nederlandsch (met uitgeschreven verkortingen)

K. TEN BRUGGENCATE’S

ENGELSCH WOORDENBOEK

EERSTE DEEL: ENGELSCH-NEDERLANDSCH.

ZESDE, VERBETERDE EN VERMEERDERDE UITGAVE, BEZORGD DOOR L. VAN DER WAL, DIRECTEUR DER R. H. B. S. TE STEENWIJK.

TE GRONINGEN BIJ J. B. WOLTERS’ U. M.

AANWIJZINGEN VOOR HET GEBRUIK.

1. Het — in den tekst staat in de plaats van het hoofdwoord; zoo een gedeelte hiervan tusschen haakjes staat, wordt dit laatste niet begrepen in het —. Voorbeeld: Acoustic(al); —-duct; het — in —-duct staat daarom alléén in plaats van Acoustic, dus van het niet tusschen haakjes geplaatste.

2. Van afgeleide woorden is de uitspraak slechts opgegeven bij verschil met het hoofdwoord; de klem wordt, zoowel in de herspelling als in de niet herspelde woorden, door vette, de halve klem door gewone, en de rest van het woord door cursieve letter aangeduid; Animative beteekent dus, dat de eerste a den hoofdklem, de tweede a den bijtoon heeft; de quantiteit van den klinker is als die van het hoofdwoord, tenzij anders opgegeven.

3. De noodige eigennamen zijn niet in eene afzonderlijke rubriek geplaatst, maar in het werk zelf opgenomen, en alleen desnoodig is de vertaling ervan opgegeven.

4. De woorden op eene r laten deze letter in de uitspraak vrij wel vervallen; alléén zoo door samenstelling of afleiding een vokaal op de r volgt, wordt deze letter weer gesproken; b.v. Jabber, džabə, maar: Jabbering, džabəriŋ.

5. Woorden als nature heb ik zonder sisklank, dus als neitjə en niet als neitšə, voorgesteld in de transcriptie, omdat de vreemdeling zich hier licht aan overdrijving schuldig maakt, en bovendien in onzen tijd deze sisklank in de beschaafde Engelsche uitspraak steeds meer verdwijnt; alléén Soldier wordt nog zeer krachtig souldžə gesproken, terwijl de vulgaire uitspraak soudžə verkiest.

6. Bij de phonetische transcriptie van woorden als poor, your, etc. ben ik opzettelijk wat conservatief gebleven; ik weet wel, dat pö en yö zéér dikwijls gehoord worden, maar dan toch alléén in het vlugge gesprek; ik aarzelde, om voor het enkele woord deze uitspraak als de gewone op te geven.

7. De u van mute heb ik gewoonlijk door jû voorgesteld; echter door iû na s of z, om te voorkomen dat woorden als suit te veel met š zouden worden gesproken, waardoor men šut, d.i. de transcriptie van shoot, zou verkrijgen; de transcripties siût en šut verschillen genoeg om alle verwarring te voorkomen.

VERKLARING VAN DE PHONETISCHE TRANSCRIPTIE.

A. VOKALEN.

1. a als de a in that (ongeveer als de a van het Fransche woord patte).

2. â als de a in ask en de ar in farm (ongeveer als de zéér open gesproken aa van zaal).

3. ɐ als de u in but (meer naar de a overhellend dan de ö van Götter).

4. ɐ̂ als de ear in learn (de eu van het Fransch leur + de toonlooze ə).

5. ai als de i in line (iets minder laag dan de ei in het D. Wein).

6. au als de ou in house.

7. e als de e in bet.

8. ê ongeveer als de ê in het F. prêtre, maar met grooter kaakopening.

9. ei als de a in fate.

10. i als de i in thin (ongeveer als de i in het Noordduitsche finden).

11. î als de ee in see (ongeveer als de D. ie, met. een vluchtige j daarna).

12. o als de o in not (ongeveer als onze o in pot).

13. ô als de aw in law

14. ö (= ôə) als de or in lord ongeveer als de o in het Fr. encore

15. ôi als de oy in boy.

16. ou als de o in bone.

17. u als de u in full.

18. û als de ue in true (als de u in hot D. Stufe + eene vluchtige w).

19. jû of iû als de u in mute (na de s en z gewoonlijk iû).

20. ə als a in asleep of als de r in care = kêə.

B. KONSONANTEN.

1. g als de g in good.

2. j als de y in year.

3. ŋ als de ng in long.

4. š als de sh in ship, of ongeveer als de ch in het F. Charles.

5. ž als de si in occasion, of ongeveer als de g in het F. rouge.

6. th als de th in thin.

7. dh als de th in father.

8. w als de w in wine.

N.B. In zulk eene transcriptie als okeiž’n of eib’l stellen de ’n en ’l eene lettergreep voor; ze zijn wat de Duitschers noemen silbemachendes n of l.

Dictionaries are like watches: the worst is better than none, and the best cannot be expected to go quite true.

Dr. Johnson.

VOORREDE.

Ist, dat oyt Rechter wil een schamper oordeel vellen, Waardoor hij allermeest kan den Misdader quellen, Die laet hem nimmermeer in ’t naare rasphuis gaen, Noch ook van dach tot dach aan ’t zware Berch-werk staan; Maar leg hem op, dat hij gae Woord-Registers maken, Dus zal hij alle soort van straffe teffens smaken.

De geschiedenis van dit boek, volgens Lessing de ware inhoud eener voorrede, is hoogst eenvoudig. Het kwam mij namelijk reeds jaren lang voor, dat wij in ons land geen, niet te groot en toch betrekkelijk volledig, woordenboek hadden, dat zoowel voor school als voor huis of kantoor een betrouwbare gids mocht worden geacht. Hier liet m. i. de inrichting, daar weder het uitspraakgedeelte der bestaande werken veel te wenschen over, terwijl verder bij andere werken het eenvoudig naschrijven der dikke boeken te zeer hoofdzaak was. En aangezien ik nu gedurende een tal van jaren al hetgeen mij in romans, tijdschriften en andere werken merkwaardigs en opvallends was voorgekomen, getrouw had verzameld, meende ik eene poging te mogen wagen, om te voorzien in eene naar mijne bescheiden meening bestaande leemte.

In zooverre een woordenboek op den naam van oorspronkelijkheid aanspraak kan maken, hoop ik dat deze dictionnaire oorspronkelijk is. Ik heb getracht het tot nu toe geproduceerde streng te schiften en zelfstandig te bewerken, en ik heb aan het voorhandene die mijner aanteekeningen, zonder vermelding der bron, toegevoegd, van welke ik meende, dat zij eene plaats in zulk een werk verdienen. Dat dit laatste eene zuiver subjectieve kwestie is, ik ben de eerste dit toe te geven. Het zou mij dan ook niet verwonderen, zoo de meeningen der kenners op dit gebied zeer uiteenloopend waren.

Bij de bewerking heb ik mij zoo trouw mogelijk gehouden aan de volgende beginselen, die ik ten grondslag meende te moeten leggen aan dezen vrij omvangrijken arbeid:

1. Alles wat men dikwijls in hedendaagsche romans en tijdschriften vindt, moet men niet te vergeefs in dit boek naslaan. Het spreekt vanzelf, dat een woordenboek nooit compleet te maken is. Telkens ontmoette ikzelf tal van uitdrukkingen, die ik niet heb opgenomen en waarschijnlijk later ook niet opnemen zal. Een woordenboek als dit doet m. i. genoeg, wanneer het eenig artikel zoodanig behandelt, dat niet opgenomen uitdrukkingen er toch duidelijk door worden, en de verschillende beteekenissen behoorlijk geïllustreerd zijn. Er is, hoop ik, naar gestreefd, om dit te bereiken.

2. Wanneer het niet noodig was, zijn niet telkens weer de vertalingen der afgeleide woorden opgenomen. Als men weet wat agreeable is, behoeft de omvang van een woordenboek niet noodeloos vergroot te worden door de vertaling van agreeableness, agreeably, agreeability, enz.; daarom zijn bijwoorden slechts zéér zelden, en woorden op ness lang niet altijd opgenomen.

3. De uitspraak is voorgesteld door eene eenvoudige phonetische transcriptie, waaromtrent de hierachter volgende sleutel en de woorden aan den voet der pagina’s voldoende ophelderingen geven. De beklemde vokaal is door vette, de half-beklemde vokaal door gewone, en de rest der transcriptie door cursieve letter aangegeven. Waar de uitspraak der afgeleide woorden niet van die van het grondwoord verschilt, is de transcriptie niet telkens herhaald; overigens zijn de klem en de halve klem bij verschil met het grondwoord in de afgeleide woorden eveneens door vette en gewone letter aangeduid.

4. Zonder éénige uitzondering zijn geheele zinnen, en niet slechts woordverbindingen opgenomen, om bepaalde uitdrukkingen te verduidelijken; daardoor is dit woordenboek tegelijk een Word- and Phrasebook geworden, zoodat men afzonderlijke werken deze laatste revisie, die uit den aard der zaak veel plaats vroeg, niet eerder worden begonnen, voordat de twee andere waren voltooid.

Im groszen und ganzen geldt thans de volgende regeling:

a. de beteekenissen van het woord, in zijn verschillende functies, achter elkaar. b. voorbeelden. c. samenstellingen. d. afleidingen, indien niet eene belangrijke spellingwijziging eene afzonderlijke behandeling wenschelijk maakte.

Dat eene afzonderlijke behandeling van de samengestelde vormen de gemakkelijkheid van het opzoeken zou bevorderen meen ik te mogen betwijfelen; doch buitendien zou, als men hiertoe overging, de inhoud aanzienlijk moeten worden bekort, of het woordenboek aanmerkelijk moeten worden uitgebreid, twee dingen, die in ’t belang der gebruikers in de eerste plaats dienden vermeden te worden. Zeer zeker levert hierbij het hoogst arbitrair gebruik der hyphens eenige moeielijkheid op, en draagt, als alle lexicographisch werk, ook dit noodwendig een sterk persoonlijk karakter; doch wie tegen bezwaren of onvolmaaktheden opziet, doet het best zelfs met de herziening van een woordenboek maar liever niet te beginnen.

Dat al de afleidingen aan het eind van de artikelen werden geplaatst vindt zijn verklaring in de overweging, dat het alleen op deze wijze mogelijk werd te overzien in hoeverre wellicht bij volgende uitgaven, door een natuurlijk weer systematische vereenvoudiging, ook nog voor deze een afzonderlijke plaats zou kunnen worden ingeruimd.

Met de wenschen mijner vele correspondenten werd zooveel mogelijk rekening gehouden. Aan één verzoek evenwel, om de aanwijzingen Slang en Amer. te willen uitbreiden, heb ik zeer tot mijn spijt niet kunnen voldoen. Liefst had ik ze alle weggelaten. In de moderne literatuur wemelt het van woorden en vormen, die enkele jaren geleden streng zouden zijn veroordeeld, en talrijke zoogenaamde Americanisms zijn niets dan tijdelijk verouderde vormen, nog voortlevend in hedendaagsche dialecten, waarvan het hoogst moeielijk is met zekerheid te verklaren of ze gereïmporteerd zijn van uit Amerika, of door de schrijvers aan locale dialecten direct werden ontleend.

Mijn hernieuwden dank aan mijne trouwe medewerkster en aan den Heer J. Coster, Directeur H.B.S. te Vlissingen, die me weer zeer belangrijk en uitstekend ‘belegt’ materiaal voor beide deelen toezond. Van de gewaardeerde bijdragen van den Heer A. Broers, Leeraar H.B.S. te ’s Gravenhage, kon ik tot mijn spijt slechts voor het 2e deel gebruik maken.

Ook den Heeren J. Browne, Somerset West, Zuid-Afrika, en K. Hoeksema, Muskegon, Michigan, U.S.A., die de vriendelijkheid hadden, me uitgebreide aanteekeningen te doen toekomen, betuig ik mijn hartelijken dank voor hunne welkome belangstelling. En waar ik aan sommige wenschen of verwachtingen ook tot nu toe niet mocht hebben voldaan, veroorloof ik me den wellicht wat nerveuzen gebruiker zachtkens te herinneren aan Byron’s bekende woorden:

“A man must serve his time to every trade Save censure—critics are all ready made.”

Steenwijk April 1913. L. VAN DER WAL.

A.

A, ei, A (letter, noot); A. 1. eiwɐn eerste klasse (in Lloyd’s Register); uitstekend; het lidw. een (ə vóór consonanten); het (vóór gewicht, maat, periode): Sixpence a pound = sixpence per pond; Twice a day = tweemaal daags; a = verbastering van at, by, in, on, van to have en van he, she, it, they: A. B. = able-bodied; A(rtium) B(accalaureus) = Bachelor of Arts; abbr., abbrev. = abbreviated, abbreviation; ABC, eibisî, alphabet, beginselen: All that is of the ABC of strategy; The very ABC of a man’s existence = meest elementaire behoeften; An ABC place = Aerated Bread Comp. Shop; An ABC = A.B.C. spoorboekje; Most of my work was now ABC to me = als gesneden brood; Abp. = archbishop; A(merican) B(ible) S(ociety); A. C. = Alpine Club; Ante Christum; a/c = account; A.D. = Anno Domini; A(ide) D(e) C(amp); adv. = adverb; A(dmiral) of the F(leet); A. F. B. S. = American and Foreign Bible Society; A. G. = adjutant-general, attorney-general; Ala. = Alabama; Ald. = Alderman; A. M. = ante meridiem; A. M. = Artium Magister; Amer. = America(n); an(d); App. = Apostles; app. = appendix; A. R. = anno regni; A(ssociate) of the R(oyal) A(cademy); A. R. A. M. = Associate of the Royal Academy of Music; Ariz(ona); Ark(ansas); A. R. S. = A. R. A.; A(nglo) S(axon); Av. = average; Avdp. = avoirdupois.

Aardvark, âdvâk, aardvarken.

Aaron, êr’n, Aaron: Aaron’s beard = hertshooi, steenbreek, etc.; Aaron’s rod = grootbloemige toorts; een staf met een slang er om gekronkeld; Aaronic(al), êronik(’l), het hoogepriesterambt betreffend.

Aasvögel, âsfɐ̂g’l, aasraaf (in Zuid-Afrika).

Aback, əbak, terug, mastwaarts: Taken aback = van zijn stuk gebracht, uit het veld geslagen.

Abacus, abəkɐs, rekentafel, dekstuk (van een kapiteel); soort stommeknechtje, etenskast, waschtrog (v. gouderts).

Abaddon, əbad’n, booze geest; de bodemlooze afgrond (Openb. v. Joh. IX, 11).

Abaft, əbâft, (naar) achter, achteruit (op schepen).

Abalienate, əbeiljəneit, vervreemden (van eigendom), overdragen; Abalienation, vervreemding; verzwakking van het verstand.

Abandon, abəndoŋ, ongedwongenheid.

Abandon, əband’n, verlaten; prijs geven, abandonneeren: abandon to = zich overgeven aan; An abandoned wretch = een verdorven ellendeling; The bill was abandoned = werd voor rekening gelaten; Abandonee, əbandənî, cessionaris (iemand, wien iets, b.v. bergen van een wrak, afgestaan wordt); Abandoner, əbandənə, die iets afstaat; Abandonment = afstand, achterlating, overlaten, abandonnement; overgave aan; verlatenheid.

Abase, əbeis, vernederen; subst. Abasement.

Abash, əbaš, beschamen, in verlegenheid brengen; subst. Abashment.

Abatable, əbeitəb’l, voor opheffing of vernietiging vatbaar; Abate, əbeit, opheffen, wegnemen, verminderen, verzachten; afnemen, dalen, ongeldig worden; Abatement, opheffing, vermindering, verzachting, korting, etc.; Abater = middel tot vermindering, etc.

Abat: Abat-jour, abəžûə, əbâžûə, vallicht; lichtscherm; Abat-vent, abəvoŋ, luifel, windscherm; Abat-voix, abəvwö, klankbord (kansel).

Abat(t)is, abətis of abətî, verhakking (ter verdediging van een kamp of fort); Abated, abətist, abətaizd, met een abat voorzien.

Abattoir, abətwô, abattoir.

Abb, ab (= Abb-wool) kettinggaren.

Abba, aba, vader (bij het aanspreken van een monnik); kloostervoogd.

Abbacy, abəsi, het ambt en het rechtsgebied van een abt; Abbatial, əbeiš’l, abtelijk, tot eene abdij behoorende = Abbatical.

Abbé, əbei, (= Abbe, abi), Abbé.

Abbess, abəs, abdis; Abbey, abi, abdij.

Abbot, abət, abt: Abbot of Unreason (Schotl.) Zie Lord of Misrule; Abbotship, ambt of waardigheid van een abt.

Abbreviate, əbrîvjeit, verkorten, afkorten; Abbreviation, afkorting; Abbreviator, vervaardiger van een uittreksel; Abbreviatory, afkortend.

Abdal, abd’l, Perzische derwisch.

Abdera, abdîrə; adj. Abderian; Abderite, abdərait, Abderiet; onnoozele hals: The Abdera = Democritus.

Abdicant, abdik’nt, afstand doende (van); Abdicate, abdikeit, afstand doen (van); verstooten, onterven; Abdication, afstand; Abdicator, hij, die afstand doet.

Abdomen, abdoum’n of abdəmen, onderbuik; achterlijf; Abdominal, abdomin’l, Abdominous, abdominəs tot den onderbuik (het achterlijf) behoorende, (onder)buik(s), achterlijfs....

Abduce, abdjûs, wegtrekken, op zij trekken; Abducent: Abduce muscle = strekspier.

Abduct, abdɐkt, ontvoeren; wegtrekken; Abduction, ontvoering; aftrekken; Abductor, hij, die ontvoert; strekspier.

Abeam, əbîm, rechthoekig op de kiel.

Abecedarian, eibîsîdêriən, subst. onderwijzer in de beginselen, beginner; adj. alphabetisch = Abecedary, eibisîdəri, subst. en adj.

Abed, əbed, in bed.

Abele, əbîl of eibil = Abel-tree, eib’ltrî, abeel, witte populier.

Aberbrothok, abəbrothok, abəbrəthok; Aberdeen, abədîn.

Aberdavine, Aberdevine, abədəvain, sijsje.

Aberrance, -cy, əber’ns(i), Aberration, abəreiš’n, afdwaling, afwijking, aberratie; Aberrant, afdwalend, afwijkend.

Aberuncator, abərɐŋkeitə, wiedmachine, (wiedijzer), tuinschaar.

Abet, əbet, aanhitsen; bijstand verleenen; Abetter of Abettor, aanstoker, handlanger.

Abeyance, əbeiəns, toestand van onzekerheid, werkeloosheid of twijfel: The question now in abeyance = de nog onopgeloste vraag; To (be in) fall into abeyance = krachteloos (zijn) worden; Abeyant = In abeyance.

Abhor, abhö, verfoeien, verafschuwen = To hold in abhorrence, abhor’ns = verafschuwen; Abhorrent, verfoeiend, onverdragelijk; Abhorrer, hij, die verfoeit.

Abide, əbaid, blijven, verwijlen, wonen; blijven bij, trouw zijn aan; helpen; wachten op; uithouden, verdragen, op zich nemen; Abiding = duurzaam; blijven, voortduur: Abiding-place = verblijfplaats.

Abies, abi-îz, zilverspar; Abietic acid, abietik asid = daaruit bereid zuur.

Abigail, abigeil, kamenier (1 Sam. 20, 5).

Ability, əbiliti, bekwaamheid; Abilities, əbilitiz, geestesgaven, talenten.

Abintestate, abintesteit, adj. zonder testament stervend; Abintestate subst. degene, die onder deze omstandigheden erft.

Abiogenesis, abiədženəsis, subst. zelfontstaan; adj. Abiogenetic; Abiogenist, voorstander van die theorie.

Abject, abdžəkt, adj. laag, verachtelijk, kruiperig; subst. Abjection.

Abjuration, abdžureiš’n, afzwering; adj. Abjuratory = afzwerings....; Abjure, abdžûə, afzweren; den naturalisatie-eed afleggen (Amer.); Abjurer (Abjuror), hij, die afzweert.

Ablative, ablətiv, subst. ablativus.

Ablaze, əbleiz, in brand, vlammend; opgewonden, vlammend op: To set ablaze = in vuur en vlam zetten.

Able, eib’l, bekwaam, bevoegd; krachtig; solvent; bevaren: able-bodied = sterk, krachtig, gezond van lijf en leden, bekwaam: Able seaman = matroos 1ste klasse; subst. Ableness.

Abluent, abluənt, subst. en adj. afdrijvend of bloedzuiverend (middel).

Ablution, ablûš’n, reiniging (godsdienstige plechtigheid der Mahom.); het uitspoelen van den kelk (Kath.); het daarvoor gebruikte water; Ablutionary, reinigings...

Abnegation, abnəgeiš’n, (zelf)verloochening.

Abnormal, abnöm’l, abnormaal; Abnormality, afwijking = Abnormity, ook: wanstaltigheid.

Aboard, əböd, aan boord: All aboard for New York! = allen instappen voor N.Y. (Amer.); To fall aboard (of) a ship = in aanvaring komen met een schip; To go aboard = aan boord gaan.

Abode, əboud, subst. verblijf, woonplaats: To make abode = wonen, verblijven.

Abode, əboud, voorspellen, een voorteeken zijn; Abodement, voorteeken.

Abolish, əboliš, afschaffen, vernietigen, ongeldig verklaren; Abolition, abəliš’n, afschaffing, opheffing, gratie: Abolitiondom = de gezamenl. Noord. Staten in den Amer. burgeroorlog; Abolitionism = de afschaffing der slavernij; Abolitionist = een voorstander van die afschaffing.

Abominable, əbominəb’l, afschuwelijk, verfoeilijk; Abominate, əbomineit, verfoeien, verafschuwen; Abomination, afschuw; schanddaad: He is my abomination = ik walg van hem; To hold in abomination = verafschuwen.

Aboriginal, abəridžin’l, oorspronkelijk; subst. oorspronkelijke bewoner; dier of plant eigen aan een land.

Aborigine(s), abəridžinî(z), oorspronkelijke bewoner(s) van een land.

Abort, əböt, ontijdig bevallen, rudimentair blijven; adj. Abortient; Abortion, əböš’n, misgeboorte, ontijdige geboorte: Forced abortion = vruchtafdrijving; Abortive = ontijdig, onvoldragen, rudimentair, onrijp; subst. afdrijvend middel; Abortiveness = mislukking.

Abound, əbaund, overvloedig zijn, wemelen van: To abound in one’s own sense = halsstarrig vasthouden aan eigen meening.

About, əbaut, omstreeks: I am about it now = er mee bezig; Be quick about it = maak voort; To bring about a great change = teweegbrengen; To come about = gebeuren; Go about your work = ga aan; I have no money about me = bij mij; He is about to go there = op het punt; What is all that noise about? = waarover is? When papa is not about, he will smoke = niet thuis is; That is all about it = en daarmee is het uit; Look about you = zie om u heen, neem u in acht; The books were lying all about = lagen overal te slingeren; The ship put about = wendde; He stopped and turned about = keerde zich om; You have walked two miles about = omgeloopen; Much ado about nothing = veel geschreeuw en weinig wol; You have been very good about it = je goed gehouden; Left, Right about = links, rechts zwenken; What about your friend? = hoe staat het met? About it = er op los! You are about right = gij hebt vrij wel gelijk; A man about town = roué; iemand, die veel uitgaat.

Above, əbɐv, prep., adv. en adj. boven, meer dan, omhoog: He is above following advice = te trotsch om; He doesn’t mean to marry above him = boven zijn stand; The above observations = bovengenoemde; Above the rest = bovenal; Above board = eerlijk, oprecht, openhartig; Above ground = levend, onbegraven; Above par = boven pari, duur.

Abracadabra, abrəkədabrə, tooverwoord; soort amulet; wartaal.

Abradant, əbreid’nt, adj. wrijvend, slijpend; subst. wrijf-, slijppoeder; Abrade = afwrijven, afschaven; beschadigen; His shins were abraded = waren geschaafd.

Abraham, eibrəham, Abraham: To sham Abraham = ziekte of ellende voorwenden; In Abraham’s bosom = in Abraham’s schoot; dood; Abraham men = krankzinnige bedelaars uit de Abraham Ward in het Bethlehem (Bedlam) Hospital, die op bepaalde dagen mochten gaan bedelen; bedelende vagebond; Abram = Abraham.

Abrasion, əbreiž’n, afslijting, afwrijving, afschaving.

Abreast, əbrest, naast elkander: Abreast of the newest discoveries, the times = op de hoogte van; To keep abreast of = op de hoogte blijven; To walk four abreast = vier op eene rij.

Abridge, əbridž, verkorten, bekorten, samentrekken, te kort doen: He was abridged of his rights = verkort in; Abridger, maker van een Abridgment = uittreksel.

Abroach, əbroutš: To set abroach = aansteken (van een vat).

Abroad, əbrôd, buiten, buitenshuis, buitenslands: To be all abroad = het geheel mis hebben, geheel in de war (van slag) zijn; It is all abroad = overal bekend; The schoolmaster is abroad = het onderwijs geniet (en eischt) alle aandacht; Stories get abroad = de menschen beginnen er over te praten; Who has set it abroad? = het ruchtbaar gemaakt? He does not stir much abroad = hij komt niet veel de deur uit; To take one’s grievances abroad = te koop loopen met.

Abrogate, abrəgeit, afschaffen, intrekken (van wetten); Abrogation, afschaffing, opheffing.

Abrupt, əbrɐpt, steil, plotseling, onverwacht, ruw, barsch; subst. Abruptness.

Abscess, absəs, zweer, gezwel.

Abscond, abskond, met de noorderzon vertrekken; zich verschuilen; Absconder = vluchteling.

Absence, abs’ns, afwezigheid: On leave of absence = met verlof; Absence of mind = verstrooidheid; To be conspicuous for one’s absence = schitteren door afwezigheid; Absent, abs’nt, afwezig, verstrooid: Long absent, soon forgotten = uit het oog, uit het hart; The absent is in the wrong = de afwezige; I am too absent to drive a cab in London = te verstrooid, sufferig; Absent-minded = verstrooid; Absent verb. Absent, absent, (zich) verwijderen, wegblijven; Absentee, abs’ntî, subst. en adj. afwezig(e), niet op zijne bezittingen wonend(e); Absenteeism, het niet wonen op zijne goederen.

Absinthe, absinth, alsem, absinth; Absinthial, Absinthian, Absinthic = alsemachtig; Absinthiate, əbsinthieit, met alsem mengen.

Absolute, absəl(j)ût, adj. onvoorwaardelijk, onbegrensd, volslagen, volstrekt: The Absolute = het absolute; subst. Absoluteness; Absolution, absəl(j)ûš’n, absolutie, vrijspraak; Absolutism, absəl(j)utizm, absolutisme; Absolutist = absolutist; Absolutory = vrijsprekend.

Absolve, absolv of abzolv, vrijstellen, vergeven, vrijspreken: He absolved me from my promise = ontsloeg mij van.

Absonant, absən’nt, wanklinkend, ongerijmd = Absonous.

Absorb, absöb, opslorpen, opzuigen, geheel in beslag nemen: Absorbed in thought, in study = verdiept; Absorbability = absorptievermogen; Absorbable = opzuigbaar; Absorbent, absorbeerend; absorb. stof, bloedstill. middel; Absorption = absorptie, verdiept zijn; zuiging: Absorptive, absorbeerend.

Absquatulate, abskwotjuleit, er vandoor gaan, uitsnijden (Amer.).

Abstain, abstein, zich onthouden: He abstained from wine = hij dronk geen wijn; Abstainer = Total abstainer = geheelonthouder.

Abstemious, abstîmjəs, matig, zich onthoudend; Abstemiousness, matigheid.

Abstention, abstenš’n, onthouding; Abstentionist = onthouder; adj. Abstentious.

Absterge, abstɐ̂dž, reinigen; Abstergent, abstɐ̂dž’nt, reinigend, afdrijvend (middel) = Abstersive, abstɐ̂siv = reinigend; subst. Abstersiveness.

Abstinence, abstin’ns, onthouding; kuischheid, vasten: Total abstinence = geheelonthouding; Abstinence day = onthoudingsdag; Abstinent, onthoudend, matig.

Abstract, abstrəkt, abstract, niet werkelijk, theoretisch, duister, ingewikkeld; Abstract noun = begripsnaam; Abstract numbers = onbenoemde getallen; Abstract subst. korte inhoud: In the abstract = op zich zelf beschouwd, in ’t algemeen gesproken.

Abstract, abstrakt, afscheiden, een verkorten inhoud maken, wegnemen, verduisteren, stelen: It was Abstracted from me in the railway = mij ontfutseld, ontvreemd; Abstracted = afgezonderd, verfijnd, verstrooid, ingewikkeld; Abstractedness = onwerkelijkheid, idealiteit; Abstracter, maker van een abstract; Abstraction, abstractie; afzondering, afgetrokkenheid, verduistering; Abstractive, afgezonderd; Abstractness = onwerkelijkheid, etc.

Abstruse, abstrûs, diepzinnig, duister; Abstruseness = Abstrusity, duisterheid, etc.

Absurd, absɐ̂d, ongerijmd; Absurdity = Absurdness, ongerijmdheid.

Abundance, əbɐnd’ns, overvloed: Out of the abundance of the heart the mouth speaketh = waar het hart vol van is vloeit de mond van over; Abundant, overvloedig.

Abuse, əbjûs, subst. misbruik, misstand, euvel, slechte behandeling; scheldwoorden.

Abuse, əbjûz, verb. misbruiken, verdraaien, verkeerdelijk toepassen, ruw behandelen, uitschelden, schenden: He has abused my confidence = geschonden; Abusive, əbjûsiv, verkeerd, scheld..: Abusive language = beleedigende taal.

Abut, əbɐt, grenzen aan (on); vooruitspringen (from); Abutment, əbɐtm’nt, het aangrenzen; steenen beer, paalwerk bij bruggen.

Abuzz, əbɐz, gonzend.

Abysmal, əbizm’l, bodemloos; Abyss, əbis, bodemlooze afgrond; hel: They are lost in the abyss of time; Abyssal, afgronds...

Abyssinia(n), abisinjə(n), Abyssinië(r).

Acacia, əkeišə, acacia.

Acacin(e), akəsin, acacine.

Academic, akədemik, adj. academisch; subst. student; Academical, academisch: Academicals = costuum (cap and gown) van studenten en beambten: In full academicals = in vol ornaat; Academician, əkadimiš’n, lid eener bepaalde academie: Royal Academician = lid der Koninklijke Academie van Schoone Kunsten; Academicism = Academism = acad. leer; Academy, əkadəmi, (hooge) school (vooral voor een bepaald vak); genootschap: Riding-, Dancing-, Military Academy; in Amerika wat Public School is in Engeland.

Acadia, əkeidjə, thans dichterl. voor Nieuw Schotland; Acadian = N. Schotlandsch; bewoner van N. S.

Acajou, akəžû, cachou, mahoniehout.

Acanaceous, akəneišəs, stekelig.

Acanthus, əkanthəs, acanthus.

Acatalectic, əkatəlektik, subst. en adj. volkomen (versvoet of versregel).

Acatalepsy, əkatəlepsi, onbegrijpelijkheid; Acataleptic, əkatəleptik, onbegrijpelijk.

Accede, əksîd, toetreden, instemmen met (met to) ten deel vallen: To accede to the throne = bestijgen.

Accelerate, əkseləreit, bespoedigen, versnellen; Acceleration, versnelling; Accelerative (= Acceleratory) versnellend; Accelerator = dat wat versnelt.

Accensor, əksensə, aansteker (vooral van de kaarsen in de Kath. kerk).

Accent, aks’nt, subst., accent, klemtoon, klemteeken, stembuiging, uitspraak, toon, nadruk; Accents = woorden, taal (Dichterl.).

Accent, əksent, verb. accentueeren, uitspreken; Accentual = rhythmisch; klem...; Accentuate = doen uitkomen, in ’t licht stellen, accentueeren; subst. Accentuation.

Accept, əksept, aannemen, goedvinden, instemmen met, accepteeren; Acceptability = aannemelijkheid; Acceptable = aannemelijk, aangenaam, welkom; subst. Acceptableness; Acceptance, əksept’ns, aanneming, gunstige ontvangst, acceptatie: I request your kind Acceptance of this = verzoek u vriendelijk, dit aan te nemen; Acceptant, bereid aan te nemen; Acceptation, aksəpteiš’n, aanneming, aanvaarding; aangenomen beteekenis; Accepted = aangenomen; subst. verloofde; Accepter = Acceptor = acceptant.

Access, aksəs, toegang, gehoor, genaakbaarheid, acces, aanval (van een ziekte): To have access to = toegang hebben tot; Easy of access = gemakkelijk genaakbaar; Accessary, aksəsəri, əksesəri = Accessory; Accessibility, bereikbaarheid, genaakbaarheid; adj. Accessible; Accessorial = bijkomend, medeschuldig; Accessory, aksəsəri, əksesəri, bijdragend, bijkomend, medeplichtig; subst. medeplichtige: The Accessories = al wat er bij hoort; Accession, əkseš’n, toetreding, toestemming, vermeerdering, komst (op den troon, tot eene waardigheid), aanval (van eene ziekte).

Accidence, aksid’ns, buigingsleer, beginselen.

Accident, aksid’nt, voorval, toeval, ongeluk, toevallige eigenschap: By accident = toevallig; He has met with an accident = heeft een ongeluk gehad, is verongelukt; Accident-column = kolom of rubriek van ongelukken in eene courant; Accidental = toevallig, niet essentieel; subst. toevallige eigenschap, bijzaak: Accidental colours = bijkleuren, aanvullende kleuren.

Accipiter, əksipitə, roofvogel (vooral havik).

Acclaim, əkleim, toejuichen; subst. toejuiching: By acclaim = bij acclamatie; Acclamation, akləmeiš’n, toejuiching, acclamatie; Acclamatory, bijvals...

Acclimatization, əklaimətaizeiš’n, əklaimətəzeiš’n, acclimatisatie: Acclimatize, əklaimətaiz, aan een zeker klimaat gewennen.

Acclivity, əkliviti, helling, steilte.

Accolade, akəleid, accolade (na den ridderslag); haakje: To confer the accolade on = de accolade geven.

Accommodate, əkomədeit, geschikt maken, aanpassen, verzoenen met; voorzien van; huisvesten, herbergen: If you want a nice room, I can accommodate you = u eraan helpen; Accommodating, əkomədeitiŋ, inschikkelijk, vriendelijk; Accommodation, əkomədeiš’n, schikking, verzoening, geschiktheid, plaatsruimte, logies; wisselruiterij etc.: Accommodation bill (Accommodation-note, Accommodation-paper) = schoorsteenwissel, plezierpapier; Accommodation-ladder = trap aan de valreep; Accommodation-works = bruggen, schuttingen, afsluitingen, enz., die eene spoorwegmaatschappij verplicht is te bouwen langs hare lijn.

Accompanier, əkɐmpənjə, begeleider (ook bij muziek); Accompaniment, əkɐmpəniment, begeleiding, bijwerk, toebehooren; Accompanist, əkɐmpənist, begeleider; Accompany, əkɐmpəni, vergezellen, begeleiden.

Accomplice, əkomplis, medeplichtige.

Accomplish, əkompliš, vervullen, uitvoeren; bereiken, verwezenlijken; uitrusten; Accomplishable, uitvoerbaar; Accomplished = volkomen, talentvol, voldongen; Accomplisher, hij, die voltooit; Accomplishment = voleindiging, vervulling, talent, beschaving; Accomplishments = kundigheden.

Accord, əköd, subst. overeenstemming, harmonie, schikking, accoord; Accord verb. overeenstemmen, toestaan, inwilligen: With one accord = eenstemmig, eenparig; He did it of his own accord = uit eigen beweging; accordance = overeenstemming: In accordance with = overeenkomstig; Accordant = overeenstemmend, overeenkomstig; According = overeenstemmend: according as = al naarmate; according to your wish = overeenkomstig; According to Cocker (Gunter; Amer.) = volgens Bartjes; You must act accordingly = dienovereenkomstig.

Accordion, əködjən, harmonica; Accordionist = harmonicaspeler; Accordion kilt = waaierrok; Accordion sleeves = waaiermouwen; A frock of accordion cut = met waaierplooien.

Accost, əkost, verb. naderen, groeten, aanspreken; subst. aanspraak, begroeting.

Accouchement, əkûšmoŋ of əkûšm’nt, bevalling; Accoucheur, əkûšɐ̂ Accoucheuse, akušɐ̂z.

Account, əkaunt, subst. (be)rekening, conto, rekenschap; bericht, verhaal, verslag; reden; verklaring; belang, voordeel; Account verb. berekenen, aanrekenen, achten, houden voor, rekenschap geven, verklaren, verantwoordelijk zijn: It is of no account = van geen belang; On my account = om mij, wat mij aangaat; I do it on account of you = om, ter wille van; I began life on my own account = op eigen verantwoordelijkheid; On no account = in geen geval; He was called to account = ter verantwoording; To cast accounts = rekeningen opmaken; To dodge an account = eene verwachting teleurstellen; The smaller of the two prize-fighters gave a good account of himself = hield zich kranig; We will give a good account of our enemies = ons kranig houden tegenover; They had all gone to their account = waren voor Gods rechterstoel geroepen; I lay that to your account = zet het op uwe rekening; To leave out of account = buiten rekening laten; He makes his account of it = profiteert er van (bij); I make no account of omens = geef niet om; He placed a nice sum to my account = op mijn credit; He will certainly render a good account of the work entrusted to him = zich goed kwijten van; You must try to turn it to good account = er zooveel mogelijk van te profiteeren; Every man was accounted for, either as dead or prisoner = verantwoord; It will not be difficult to account for our absence = te verklaren; There is no accounting for tastes = over den smaak valt niet te twisten; I will account for it = neem het op mijne verantwoording; He accounts dearly of all his friends = schat hoog; Account-current = rekening-courant; Account-day = betaaldag; Accountability, əkauntəbiliti, verantwoordelijkheid; Accountable, verantwoordelijk, rekenplichtig; Accountancy, əkaunt’nsi, bekwaamheid of arbeid van een Accountant, əkaunt’nt, subst. accountant; Accountantship, ambt van accountant.

Accouple, əkɐp’l, samenkoppelen; Accouplement, koppeling.

Accoutre, əkûtə, uitdossen, uitrusten; Accoutrements = uitrusting.

Accredit, əkredit, machtigen, volmacht geven, krediet verschaffen; gelooven, toeschrijven: He was accredited with miraculous power = hem werd toegeschreven; Accreditation: Letter of accreditation = geloofsbrief.

Accrescent, əkres’nt, toenemend; Accrescence, toeneming; Accretion, əkrîš’n, aanwas, toename, samengroeiing; Accretive = toenemend.

Accrue, əkrû, aangroeien; voortspruiten: Much good may accrue to you from it; Accrued interest to date = opgeloopen interest tot den dag toe.

Accubation, akjubeiš’n, Accumbency, əkɐmb’nsi, het aanliggen aan een maaltijd bij de Ouden; Accumbent, aanliggend tegen.

Accumulate, əkjûmjuleit, ophoopen, verzamelen, toenemen; Accumulation, (op)hoop(ing); Accumulative, accumuleerend; Accumulator, accumulator.

Accuracy, akjurəsi, nauwkeurigheid; adj. Accurate; subst. Accurateness.

Accurse, əkɐ̂s, vervloeken; Accursed, Accurst = vervloekt, goddeloos.

Accusable, əkjûzəb’l, laakbaar, aanklaagbaar; Accusant, aanklager; Accusation, aanklacht, beschuldiging.

Accusative, əkjûzətiv, subst. 4de nv.; ook adj.; Accusatorial, əkjûzətôriəl, den aanklager betreffend; Accusatory, əkjûzətəri, beschuldigend; Accuse, əkjûz, beschuldigen, aanklagen; Accuser, aanklager.

Accustom, əkɐst’m, gewennen, gewoon zijn; Accustomed = gewoon, gewend.

Ace, eis, eenheid, aas (bij kaart- of dobbelspel), kleinigheid: Within an ace (of) = op een haar na.

Acephalous, əsefəlɐs, koploos.

Acer, eisə, ahorn; Aceric acid, əserikasid, ahornzuur.

Acerb, əsɐ̂b, zuur, wrang; streng; Acerbity, wrangheid, scherpheid, hardheid, gestrengheid.

Acerose, asərous, acerous, als kaf; naaldvormig = Acerous, asərɐs, ook: zonder voelhorens.

Acervate, əsɐ̂veit, in trossen groeiend.

Acescency, əsesənsi, zuurheid; adj. Ascescent, zuur wordend, wrang.

Acetate, asiteit, azijnzuurzout; Acetic acid, əsetik- of əsîtikasid, azijnzuur; Acetone, asitoun, azijngeest; Acetose, asitous, asitous, Acetous, asitɐs, azijn....

Acetylene, əsetilîn, acetyleen.

Ache, eik, subst. pijn: Chest-ache; Face-ache; Ache verb. pijn doen, pijn lijden: My back (sides) ached; I ached in every limb.

Acheen, ətšîn, Atjeh; Acheenese, atšənîz, Atjeher; Acheron, akəron, Acheron.

Achievable, ətšîvəb’l, uitvoerbaar; Achieve, ətšîv, volbrengen, voleinden, verwerven: To achieve a great success = behalen; Achievement = succes, wapenfeit; wapenteeken: Men of achievement = beroemde.

Achilles (tendon), əkilîz(tend’n), Achilles (pees).

Achromatic, akrəmatik, achromatisch; Achromatism, Achromaticity = achromatisme; Achromatize, achromatiseeren.

Acicular, əsikjulə, Aciculate, əsikjulit, Aciculiform, əsikjûliföm, naaldvormig.

Acid, asid, subst. zuur; adj. zuur, scherp: An acid drop = zuurballetje; Acidify = zuur maken; Acidity, zuurheid; Acidulate, əsidjuleit, zuur maken: Acidulated drop = zuurballetje; Acidulent = zuur, norsch; Acidulous, zuurachtig, scherp.

Acknowledge, əknolədž, erkennen, toegeven, (de ontvangst) berichten, waardeering uitdrukken over: I acknowledge (receipt of) your favour of the 14th inst. = bericht u de ontvangst van uwe geëerde van 14 dezer; I acknowledge the corn = ik geef de beschuldiging toe (Amer.); Acknowledgment = erkenning, belooning, dank, bericht van ontvangst.

Acme, akmi, toppunt; adj. voortreffelijk.

Acock, əkok, brutaal, uitdagend.

Acold, əkould, koud.

Acolyte, akəlait, misdienaar.

Aconite, akənait, monnikskap (plant).

Acorn, eikön, eikel: acorn-cup, acorn-shell = eikeldopje; Acorned = eikels voortbrengend, met eikels gevoed of voorzien.

Acorus, akərɐs, kalmus.

Acotyledon, əkotilîd’n plant zonder zichtbare zaadlobben; adj., Acotyledonous.

Acoustic, əkûstik of əkaustik, het gehoor betreffend, gehoor...: Acoustic duct = gehoorbuis; Acoustic nerves = gehoorzenuwen; Acoustician = geluidkundige; Acoustics, əkûstiks of əkaustiks, geluidsleer.

Acquaint, əkweint, berichten, bekend maken; Acquaintance = bekendheid, kennis, vriend: He had made acquaintance with him, the acquaintance of him; To maintain the acquaintance = aanhouden; An acquaintance of mine = vriend van mij; Acquaintanceship, bekendheid.

Acquiesce, akwies, berusten, zich neerleggen bij, inwilligen, toegeven; Acquiescence = berusting; Acquiescent = geduldig, toegevend.

Acquirable, əkwairəb’l, verkrijgbaar; Acquire, əkwaiə, verkrijgen, verwerven; Acquirement, verwerving: Acquirements = talenten.

Acquisition, akwiziš’n, het verkregene, aanwinst, verkrijging; Acquisitive = hebzuchtig; subst. Acquisitiveness.

Acquit, əkwit, vrijstellen, vrijspreken, (zich) kwijten; Acquittal, vrijspraak; Acquittance, vervulling, vereffening: Forbearance is no acquittance = uitstel is geen afstel.

Acre, eikə, stuk land (4840 vierk. yards of 4047 M2): God’s acre, godzeikə, Godsakker; Acreage, eikəridž, het gezamenlijke land: The acreage of Holland amounts to = de gezamenlijke landerijen van Nederland zijn groot...; Acred, eikəd, grond bezittend.

Acrid, akrid, scherp, bijtend; Acridity, scherpheid.

Acrimonious, akrimounjəs, scherp, bits; Acrimony, akriməni, scherpheid, bitsheid.

Acrobat, akrəbat, acrobaat, koorddanser; Acrobatic, acrobatisch; Acrobatism, acrobatisme.

Acropolis, əkropəlis, Acropolis, burcht.

Acrospire, akrəspaiə, subst. (mout)kiem; Acrospired = kiemend.

Across, əkros, əkrôs, dwars, kruiselings, scheef, breed, aan gene zijde: To come across = aantreffen; opkomen (in den geest); With arms across = de armen over elkander.

Acrostic, əkrostik, subst. naamdicht; ook adj. = Acrostical.

Act, akt, subst. handeling, daad, wet, oorkonde, akte, disputatie, bedrijf; Act verb. doen, handelen, (in)werken, volbrengen, opvoeren, spelen, zich gedragen: Acts of the Apostles = Handelingen...; Act of God = godswil; Act of Grace = amnestie; Act of Honour = acte van interventie; Act of indemnity = acte van indemniteit; Act of Parliament = parlementswet; He was caught in the (very) act = op heeterdaad; He acts up to his promise = handelt overeenkomstig; I will act upon it = dienovereenkomstig; act-drop = scherm, dat tusschen de bedrijven wordt neergelaten; Actable = geschikt om op te voeren, uitvoerbaar; Acting = subst. het spelen, het spel; adj. handelend, tijdelijk, plaatsvervangend: An acting copy = een exemplaar van een tooneelstuk, zooals het gespeeld wordt.

Action, akš’n, handeling, daad, beweging, gang, werking; voordracht, uitdrukking; mechaniek, gevecht, aanklacht, proces: To bring an action against a person for = iemand aanklagen wegens; I threatened the driver with an action = aanklacht; The hour for action came = het ging op een vechten; Actionable, akš’nəbl, strafbaar (in rechten): Your words are Actionable.

Active, aktiv, werkzaam, vlug, levendig, actief; bedrijvend (gramm.): Active bonds = prioriteitsobligaties; Active capital = activa; Active partner = werkend; Activity = bedrijvigheid, vlugheid, behendigheid.

Actor, aktə, tooneelspeler; Actor-manager, theater-directeur (die meespeelt); Actress, aktrəs, tooneelspeelster.

Actual, aktjuəl, wezenlijk, werkelijk, feitelijk, werkzaam; actueel; Actuality = werkelijkheid; Actualities = actueele omstandigheden; Actualize, aktjuəlaiz, verwerkelijken.

Actuary, aktjuəri, gerechtsschrijver; actuaris.

Actuate, aktjueit, aansporen, invloed oefenen, in beweging brengen; Actuation, aandrijving, werkende kracht.

Aculeate(d), əkjûljit(-eitid), stekelig, van prikkels of een angel voorzien, scherp, bits.

Acumen, əkjûm’n, scherpzinnigheid; Acuminate, əkjûmineit, spits; Acumination, spitsheid; Acuminous, puntig.

Acute, əkjût, adj. puntig, scherp, fijn, doordringend, schrander; akuut (van ziekten): An acute angle; Acute-angled (= Acute angular); Acuteness, puntigheid, etc.

Ad (= advertisement): It was a paper of local news and local Ads.

Adage, adidž, spreekwoord, gezegde.

Adagio, adâdžou, langzaam; adagio.

Adam, ad’m, Adam, menschelijke zwakheid, broodheer: Adam’s ale = water; Adam’s apple = adamsappel in zijn verschillende beteek.; Adam’s flannel = melige toorts; Adam’s needle = Jucca; Adamite, Adamiet; adj. menschelijk.

Adamant, adəmant, adamant; groote hardheid: His heart is of adamant = zoo hard als steen; Adamantin(e), diamantachtig; onverwoestbaar.

Adapt, ədapt, geschikt of passend maken (to, for); toepassen; bewerken naar (from); Adaptability, aanwendbaarheid; Adaptable, aanwendbaar; Adaptation = aanpassing, bewerking; Adapted = passend, geschikt; subst. Adaptedness; Adapter = bewerker; Adaptive, geschikt tot aanpassen; subst. Adaptiveness.

Add, ad, bijvoegen, vermeerderen, verhoogen, optellen (met up): Added to = plus, toegevoegd aan, uitgebreid; Addendum = toevoegsel, bijlage.

Adder, adə, adder; Adder-bolt = Adder-fly = waterjuffer; Adder’s tongue = addertong; Adder’s wort = adder(slangen)wortel.

Addible, adib’l, vermeerderbaar.

Addict, ədikt, (zich) overgeven aan: Addicted to liquor = verslaafd aan den drank; Addictedness; Addiction, neiging, verslaafdheid.

Addition, ədiš’n, bijvoeging, vermeerdering, optelling: In addition to = behalve dat, buiten en behalve; Addition sum = optelsom; Additional = bijgevoegd, extra, bij...: An Additional petticoat = een rok meer.

Addle, ad’l, bedorven, onvruchtbaar; Addle verb. bederven, onvruchtbaar maken, verwarren: He has been addling his brains = zich suf zitten denken; Addled eggs = bedorven; Never mind such Addle-brain = domkop; Addle-brained (-headed, -pated) = suf, stom.

Address, ədres, subst. toespraak, adres, verzoekschrift; aanzoek; manieren, manier van optreden; handigheid; Address verb. adresseeren; (zich) richten tot, aanspreken; aanvangen; een adres richten tot: Address-book; He has a (is a man of) pleasant address = hij maakt een aangenamen indruk; Wanted a cook; editor has address = adres bij den uitgever dezes; He paid her his addresses = maakte haar het hof; To address the house = in ’t parlement spreken; To address the King = zich tot den Koning richten; Addressee, adrəsî, geadresseerde; Addresser, afzender, adressant.

Adduce, ədjûs, aanvoeren (als bewijs); Adducent = aanvoerend, aantrekkend; Adducer = bewijzer; Adducible = aanvoerbaar.

Adduct, ədɐkt, aantrekken; Adduction = het bijbrengen; Adductive = aantrekkend, bijbrengend.

Adelaide, adəleid, Adelheid; Aden, âd’n, eid’n.

Adenoid, adənôid: Adenoid growths = adenoïde vegetaties.

Adept, ədept, ingewijd; subst. ingewijde.

Adequacy, adikwəsi, geschiktheid, voldoendheid, gepastheid; Adequate, adikwit, gepast, geschikt, evenredig, bekwaam voor; subst. Adequateness.

Adhere, ad-hîə, aankleven, aanhangen, getrouw blijven; Adherence, aankleving, aanhankelijkheid, vasthouden (to); Adherent = aanklevend, aanhangend; subst. aanhanger; Adhesion ad-hîž’n, adhesie; Adhesive, ad-hîsiv, adj. gegomd; aanklevend, aanhankelijk, blijvend: Adhesion envelope = gegomde enveloppe; Adhesion plaster = hechtpleister; subst. Adhesionness.

Adieu, ədjû, subst. afscheid; adv. vaarwel.

Adige, âdidž, adidž, Etsch (rivier).

Adipocere, adipəsîə, lijkenvet; Adipose, adipous, adipous, vethoudend, vet..; nierenvet: Adipose tissue = vetweefsel; Adiposity, vetheid.

Adit, adit, toegang; afvoerkanaal.

Adjacency, ədžeis’nsi, aangrenzen, het aangrenzende; adj. Adjacent = aanliggend, aangrenzend.

Adjectival, adžəktiv’l, adžəktaiv’l, bijvoeglijk; Adjective, adžəktiv, subst. bijv. naamwoord; adj. bijvoeglijk.

Adjoin, ədžôin, aanvoegen, aangrenzen.

Adjourn, ədžɐ̂n, uitstellen, verdagen, schorsen; zich begeven: The meeting was adjourned; The meeting adjourned for lunch; The company adjourned to an ante-room = begaf zich; Adjournment, verdaging; verplaatsing; He moved an adjournment to the ladies = stelde voor zich te begeven naar.

Adjudge, ədžɐdž, toewijzen; oordeelen; subst. Adjudgment = Adjudication.

Adjudicate, ədžûdikeit, berechten, toewijzen, rechtspreken (on = over): He was adjudicated (a) bankrupt = hij werd failliet verklaard; Adjudication = toewijzing, uitspraak: Adjudication of bankruptcy = faillietverklaring; Adjudication order = faillietverklaring; Adjudicator = scheidsrechter.

Adjunct, adžɐŋkt, subst. aanhangsel, toevoegsel, toevallige eigenschap; adjunct; adj. verbonden, vereenigd; Adjunction, toevoeging; Adjunctive, toevoegend.

Adjuration, adžureiš’n, plechtige eed, dringende bede, eedsformule; Adjuratory = door een eed gestaafd; Adjure, ədžûə, bezweren; Adjurer, Adjuror = beëediger.

Adjust, ədžɐst, geschikt maken, in orde brengen, afwikkelen, beslechten; Adjustable: Adjustable chair = verstelbaar; Adjuster, ijker; Adjusting-screw = stelschroef; Adjustment = schikking, ijking.

Adjutancy, adžut’nsi, adjudantschap; Adjutant, adžut’nt, adjudant; soort vogel; Adjuvant, ədžûv’nt of adžuv’nt, helpend, bevorderlijk; subst. helper, hulpmiddel.

Administer, administə (Administrate) besturen, beheeren, executeeren, verschaffen, toedienen: To administer an oath = afnemen; To administer the law = rechtspreken; Administration = beheer, toediening, ministerie; Administrative = administratief, bevorderlijk; Administrator, of Administrator, administrateur, executeur (v. een intestate); vr. Administratrix.

Admirability, admirəbiliti, bewonderenswaardigheid; Admirable, admirəb’l, bewonderenswaardig; subst. Admirableness.

Admiral, admir’l, admiraal, admiraalschip; Admiralship, admiraalschap; Admiralty = de admiraliteit; het admiraliteitsgebouw: Admiralty Court = Oud Gerechtshof voor alle zaken, die met de scheepvaart in verband staan; thans overgebracht naar de Admiralty Division of the High Court of Justice.

Admiration, admireiš’n, bewondering: She performed to admiration = speelde wondermooi; Note of admiration = uitroepteeken; Admire, admaiə, bewonderen; Admirer = bewonderaar.

Admissibility, admisibiliti, toelaatbaarheid, aannemelijkheid; adj. Admissible; Admission, admiš’n, toegang, toegeving, installatie, entrée: Free admission = vrije toegang; Admission-fee = toegangsprijs.

Admit, admit, toelaten, toestaan, toegeven, erkennen: I admit it = erken; It admits of no excuse = het laat zich niet verontschuldigen: To admit of no change = geen verandering ondergaan; This ticket will admit two persons = geldt voor; subst. Admittance: No admittance = verboden toegang; No admittance except on business = verboden toegang voor het publiek; Admittedly = zooals algemeen wordt erkend.

Admixture, admikstšə, bijmenging, bijmengsel.

Admonish, admoniš, vermanen, waarschuwen; subst. Admonition, adməniš’n; Admonitory = vermanend.

Adnascent, adnas’nt: Adnascent plant = parasiet.

Ado, ədû, drukte, moeite: Much ado about nothing = veel geschreeuw en weinig wol; There’s a nice ado = dat is een mooie boel! Without any more ado = zonder verdere omslag.

Adolescence, adəlesəns, jeugd(ige leeftijd); Adolescent = jeugdig; subst. jongeling, jong meisje.

Adolphus, ədolfəs, Adolf.

Adonean, adənîən, Adonic, ədonik, Adonisch; Adonis, ədounis, Adonis; Adonize = zich adoniseeren.

Adopt, ədopt, (als kind) aannemen; aanwenden, zich bedienen van: You adopt a disagreeable tone to me = ge permitteert u; Adoptable = aanneembaar; Adopted = aangenomen; genaturaliseerd (Amer.); Adoption = aanneming; Adoptive = adoptief, vreemd.

Adorable, ədörəb’l, aanbiddelijk; subst. Adorableness; Adoration = aanbidding; Adore, ədö, aanbidden, vereeren; Adorer, aanbidder.

Adorn, ədön, versieren, verheerlijken; Adornment, versiering.

Adrian, eidriən, Adriaan; Adriano, adriânou; Adriatic, eidriatik of adriatik: Adriatic Sea = Adriatische Zee.

Adrift, ədrift, rondzwalkend: To send adrift = in een boot zetten en laten drijven; To turn adrift = aan zijn lot overlaten, wegzenden.

Adroit, adrôit, behendig, handig (at); Adroitness, handigheid.

Adscript, adskript, subst. en adj. lijfeigen(e) = Adscriptitious, adj.; Adscription, lijfeigenschap.

Adulate, adjuleit, kruipend vleien; Adulation, adjuleiš’n, kruiperij; Adulator, kruiper; Adulatory, vleiend, kruiperig.

Adult, ədɐlt, subst. en adj. (de of het) volwassen(e); Adultness, het volwassen zijn.

Adulterant, ədɐltərənt, middel ter vervalsching; Adulterate, ədɐltərit, adj. vervalscht; verb. ədɐltəreit, vervalschen; Adulteration, vervalsching; Adulterator, vervalscher.

Adulterer, ədɐltərə, echtbreker, afgodendienaar; Adulteress, ədɐltərəs, echtbreekster; Adultery, ədɐltəri, overspel; Adulterine, ədɐltərin of ədɐlterain, adj. onecht, vervalscht; Adulterous, overspelig, afvallig; Adultery = overspel, afgodendienst.

Adumbrate, ədɐmbreit, schetsen, aanduiden: The difficulties here adumbrated; Adumbration = schets.

Advance, advâns, subst. voortgang, vooruitgang, bevordering, verhooging, voorsprong, aanbod, voorschot, hooger bod, winst; Advance verb, bevorderen, verheffen, verhoogen, verbeteren, voorschieten; voortgaan, vooruitgaan, klimmen, stijgen; ontwikkelen, aanvoeren; Is there any advance? = biedt iemand meer? My desires are in advance of my means = zijn grooter dan; I tell you so in advance = vooruit; The price of the goods is on the advance = wordt hooger; Her resistance to his advances = tegen zijne pogingen om haar te winnen; He advanced an opinion from which I dissent = ontwikkelde eene meening; We should get wiser as we advance in life = ... naarmate wij ouder worden; advanced = geavanceerd (polit., enz.); An advanced child = voorlijk; At the advanced age of 80 = gevorderden; Advance-guard = voorhoede; Advance-proofs (Advance-sheets) = proefbladen; Advancement = vooruitgang, bevordering, voorschot; Advancer = bevorderaar.

Advantage, advântidž, subst. voordeel, overwicht, voorrang; Advantage verb. bevoordeelen: To great advantage = zéér voordeelig; He has an advantage over me = is in gunstiger conditie dan ik; You have the advantage of me = gij schijnt mij te kennen, terwijl ik u niet ken; You have taken advantage of my calamities = misbruik gemaakt van; You must try to turn this to advantage = hiervan te profiteeren; He is advantaged by it = profiteert; Advantageous, voordeelig, gunstig.

Advent, adv’nt, advent; komst, nadering: The police kept a space clear for the advent of royalty = voor de nadering van den koninklijken stoet; Adventitious, adv’ntišəs, toevallig, bijkomend.

Adventure, adventjə, subst. avontuur; speculatie, risico; mijnaandeel; verb. wagen, zich wagen, gevaar loopen: Do it at all adventures = wat er ook van kome; Adventurer = waaghals, avonturier, speculant (vr. Adventuress); Adventuresome = Adventurous, adventjərɐs, gewaagd, vermetel: subst. Adventurousness.

Adverb, advɐ̂b, bijwoord; An adverbial phrase = bijwoordelijke uitdrukking.

Adversaria, advəsêriə, adversaria.

Adversary, advəsəri, tegenstander; Adversative, subst. en adj. het tegengesteld(e) (gramm.).

Adverse, advɐ̂s, tegen.., nadeelig, vijandig: Adverse fate = tegenspoed; Adverse party = tegenpartij; Adverse winds = tegenwinden; Adversity, tegenspoed: Adversity makes wise, though not rich = door schade en schande wordt men wijs.

Advert, advɐ̂t, letten (wijzen) op: I will no more advert to that circumstance = wil laten rusten.

Advertise, advətaiz, publiek maken, adverteeren: The book (author) was advertised up = er werd reclame gemaakt voor; advertisement, advɐ̂tizm’nt, advertentie, reclame: Advertisement station = bord of muurvlakte voor reclamebiljetten; Advertiser, hij die adverteert; advertentieblad; Advertising agency = annoncenbureau.

Advice, advais, raad, advies, rapport, bericht: As per advice = volgens bericht; To ask advice of = raad vragen; I took his advice = volgde; To take medical advice = een dokter consulteeren; Advice-boat = adviesjacht; Mail advices, mailberichten.

Advisability, advaizəbiliti, raadzaamheid; Advisable = raadzaam; subst. Advisableness; Advise, advaiz, aanraden, berichten; raadplegen, te rade gaan: To advise with one’s pillow = zich beslapen op; I advise against such a step = raad af; A well advised plan = goed doordacht; The government was well advised in doing it = gaf blijk van overleg; You would have been better advised in abstaining from it = je hadt wijzer gedaan je er van te onthouden; Advisedly, met overleg, expresselijk; Advisory, advaizəri, raadgevend: An advisory body = raadgevend lichaam; Advisory Committee = Commissie van advies.

Advocacy, advəkəsi, advocatuur, voorspraak; Advocate, advəkeit, subst. pleitbezorger, advokaat (in Schotl.); voorstander; Advocate verb. bepleiten: Devil’s advocate = Duivelsadvocaat; Judge advocate = auditeur militair; Advocateship, advocatuur; verdediging.

Advowee, advauî, kerkpatroon, beschermheer; Advowson, advaus’n, patronaat, collatierecht; prebende (Schotl.).

Adytum, adit’m, het allerheilige van een (heiden)tempel; plaats van het altaar.

Adz(e), adz, subst. houweel; verb. met een houweel slaan.

Aegean Sea, îdžîənsî = Aegeïsche Zee.

Aegis, îdžis, aegis; goddelijke bescherming.

Aeneas, înîəs; Aeneid, îni-id, înî-id, de Aeneide.

Aeolian, î-oulj’n, aeolisch; Aeolian harp = Aeolusharp; The Aeolian Isles; Aeolic, i-olik, aeolisch.

Aeon, îən, eeuw(igheid); Aeonian, i-ounj’n, eeuwig(durend).

Aerate, eiəreit, lucht of koolzuur voeren door: Aerated = koolzuurhoudend: Aerated bread = brood gebakken van deeg waardoor men koolzuur heeft gevoerd; A.B.C. Shop = soort ‘lunchroom’. Zie A.B.C. Aerial, eiîrj’l, eierj’l, tot de lucht behoorende, in de lucht levend, etherisch, ingebeeld, lucht...: Aerial navigation = luchtscheepvaart.

Aerie, êri, îri, roofvogelnest (arendsnest), hooge woning; gebroed, kinderschaar.

Aeriform, eiəriföm, luchtvormig; Aerify, eiərifai, met lucht vullen, in lucht veranderen.

Aerodrome, eiərədroum, terrein waarvan vliegmachines opstijgen.

Aerolite, eiərəlait, meteoorsteen; Aerolitic, = meteorisch.

Aerometer, eiəromətə, aërometer; Aerometry, eiəromətri, leer der luchtmeeting.

Aeronaut, eiərənôt, luchtschipper; Aeronautics = luchtscheepvaart.

Aeroplane, eiərəplein, soort vliegmachine.

Aerostat, eiərəstat, luchtballon; Aerostatics = aërostatica.

Aesculapian, eskjuleipj’n, van Aesculaap, geneeskundig.

Aesthete, es-thît, îs-thît, dweper met ’t aestheticisme (vaak in ongunstigen zin).

Aesthetic(al), es-thetik(’l), îs-thetik(’l), es-thîtik(’l), îs-thîtik(’l), aesthetisch; Aesthetic(s) = aesthetiek; Aestheticism = studie van (zin voor) aesthetiek, kunst.

Aestival, estiv’l of əstaiv’l zomersch.

Aetiology, îtiolədži, etiolədži, aetiologie.

Afar, əfâ, ver, in de verte.

Afeard, əfîəd, bevreesd; verschrikt (Amer.).

Affability, afəbiliti, minzaamheid, adj. Affable, afəb’l, subst. Affableness.

Affair, əfêə, zaak, aangelegenheid, gevecht: It was a bloody affair = gevecht; Public Affairs = openbare aangelegenheden; At the head of affairs = aan het hoofd der regeering; An affair of honour = een duel; As affairs stand = zooals de zaken staan; That is not my affair = dat gaat mij niet aan.

Affect, əfekt, aandoen, roeren, aantasten, invloed hebben op, betreffen; liefhebben, houden van, de voorkeur geven aan, zich voordoen als, huichelen, voorkomen: It has greatly affected me = me zeer getroffen; He affects a knowledge of it = doet alsof hij weet; He affected a stare = hij stelde zich verwonderd aan; A servant was affected to his private use = bestemd voor, aangewezen tot; Affected with (illness) = getroffen, aangedaan door; Affectation, əfəkteiš’n, gemaaktheid, huichelarij, liefhebberij; They seemed to be his only affect = amusement, liefhebberij; Affection, əfekš’n, toegenegenheid, liefde; aandoening; ziekte; ontsteking; eigenschap; invloed: Return of affection = wederliefde; Affectionate, əfekšənit, liefhebbend, hartelijk: I am, Yours affectionately, B. = Uw liefh. B.; Affective, əfektiv, gemoeds...

Affeer, əfîə, ’t bedrag van een boete bepalen; subst. Affeerment.

Affiance, əfai’ns, verb. verloven, verbinden: Her affianced husband = verloofde.

Affiche, əfîš, affiche, aanplakbiljet (Amer.).

Affidavit, afideivit, schriftelijke beëedigde verklaring.

Affiliate, əfiljeit, adopteeren, opnemen: Affiliated Societies = vereenigingsafdeelingen; Affiliation = adoptie, verwantschap, opneming, verbinding.

Affinitive, əfinitiv, verwant; Affinity, əfiniti, aanverwantschap, overeenkomst, affiniteit (chemie): Electional affinities = verwantschap door keuze.

Affirm, əfɐm, verzekeren, beweren, bevestigen, bekrachtigen, plechtig verklaren; Affirmable = houdbaar; Affirmant, bevestigend; ook subst.; Affirmation, bevestiging, etc.; Affirmative, bevestigend, positief, dogmatisch: He answered in the affirmative = bevestigend; Affirmatory = bevestigend, enz.

Affix, afiks, subst. achtervoegsel; Affix, əfiks, verb. hechten of voegen aan.

Afflation, əfleiš’n, aanblazing, inspiratie = Afflatus, əfleitəs.

Afflict, əflikt (with), bedroeven, kwellen, bezoeken met; Affliction, droefenis; smart, ramp, ellende; Afflictive, bedroevend etc.

Affluence, afluens, rijkdom, overvloed; Affluent, rijkelijk, overvloedig, overvloed hebbend; zijrivier.

Afford, əföd, verschaffen, opleveren; (met can) in staat zijn, bestrijden, kunnen betalen: I can afford it = mijne middelen veroorloven het mij; I will afford you the means = verschaffen; He could afford the time = had den tijd.

Afforest, əforəst, in bosch veranderen; Afforestation, het veranderen in bosch; het land in bosch veranderd.

Affranchise, əfrantš(a)iz, vrijmaken; Affranchisement, vrijmaking.

Affray, əfrei, kloppartij, ruzie, standje.

Affright, əfrait, schrik aanjagen, doen schrikken; ook subst.

Affront, əfrɐnt, subst. hoon, beleediging; verb. beleedigen, weerstaan: Affronted at = beleedigd over.

Affusion, əfjûž’n, begieting, besprenkeling.

Afghan, afgan, adj. en subst.; Afghanistan, afgânistân, afganistan.

Afield, əfîld, naar of op het veld, van huis: That would lead me too far afield = zou mij te ver voeren.

Afire, əfaiə, in brand, gloeiend: She was all afire = vuur en vlam (fig.).

Aflame, əfleim, vlammend; in vuur (fig.).

Afloat, əflout, vlot, drijvend, overstroomd; uit de verlegenheid, aan den gang, onzeker.

Afoot, əfut, te voet, in beweging, op de been, gaande.

Afore, əfö, te voren, vroeger; Aforenamed, Aforesaid = voornoemd; Aforethought = voorbedacht; Aforetime = vroeger.

Afraid, əfreid, bevreesd: He is more afraid than hurt = schreeuwt harder dan noodig is; Don’t be afraid of him = bang voor; I am afraid for you = om uwentwil vrees ik.

Afresh, əfreš, opnieuw.

Africa, afrikə, Afrika; African, Afrikaan(sch); Africander, afrikandə, afrikandə, Afrikaander.

Aft, âft, naar de achterzijde van het schip: Fore and aft = van vóór- tot achtersteven.

After, âftə, na, later, daarna: After you with the match = na u; After all = bij slot van rekening; After (in) my opinion = volgens mijne meening; I don’t know what he is after = hij bedoelt, tracht te verkrijgen; He was after it = wou het zien te krijgen; I will look after it = er naar zien, er voor zorgen; A year after = een jaar later; The year after = het volgende jaar; After-ages = volgende eeuwen; After-birth = nageboorte; After-clap = nakomende (onverwachte) slag; verrassing, naspel; After-cost = bijkomende kosten; After-crop = nalezing; Afterday(s) = latere dagen, toekomst; After-glow = nagloed; After-grass (After-math) = etgroen; Afternoon, âftənûn, namiddag; After-pains = napijnen; After-thought = nader inzien, nadere overweging; nakomertje; After-time = overuren; After-tossing = nadeining; Afterings = de laatste uit de koe gemolken melk; Aftermost = het meest naar achter; achterschip; Afterward(s), âftəwəd(z), later, naderhand.

Aga, âgâ, əgâ, agə, eigə, aga.

Again, əgen of əgein, opnieuw, weer: Again and again = herhaaldelijk; He received as much again = nog eens zooveel; The bell rang again = weerklonk luide, krachtig; What are they called again? = hoe heeten zij ook weer? Again = en verder, om een ander voorbeeld te nemen; She was loved again = vond wederliefde; At times she was affable, again she was reserved = soms... dan weer.

Against, əge(i)nst, tegen(over), strijdig met, met betrekking tot: Against the 6th = tegen; The entries against him = posten op zijn naam geboekt; As against = vergeleken met; To talk against time = al maar door praten, om tijd te winnen, of verlegenheid te verbergen; To work against time = om op bepaalden tijd klaar te zijn, of met inspanning van alle krachten. (Vergelijk: To talk against death = al maar door praten om den patient als ’t ware te doen vergeten, dat hij sterven gaat).

Agape, əgeip, met open mond: To stand agape.

Agaric, əgarik, of agərik, zwam, paddenstoel.

Agate, agət, agaat.

Agave, əgeivə, Amerik. aloë.

Age, eidž, subst. ouderdom, levensduur, meerderjarigheid, eeuw, periode, geslacht, lange tijd; Age verb. verouderen; oud maken: What’s your age? Hoe oud zijt gij? He became a radical in his age = op zijn ouden dag; What an age you are = wat duurt dat lang; Ages ago = eeuwig lang geleden; Behind the age = achterlijk; Middle age = middelbare leeftijd; Middle Ages = Middeleeuwen; Of age = meerderjarig; Under age = minderjarig; To be (become) of age; At his coming of age = bij zijn meerderjarig worden; You bear your age well = gij houdt u goed voor uw leeftijd; To be getting well on in middle age = op leeftijd komen; To have passed the specified age = boven den leeftijd zijn (b.v. om voor half geld te reizen); You have aged ten years since the other day = bent tien jaar ouder geworden sedert een dag of wat; The aged = de bejaarden; The ag(e)ing change those years have wrought = de veroudering.

Agency, eidž’nsi, werking, agentschap, tusschenkomst: Through your agency = bemiddeling; Agency business = commissiehandel.

Agenda, ədženda, werkzaamheden, agenda.

Agent, eidž’nt, agent; agens; werktuig (fig.).

Agglomerate, əglomərit, subst. agglomeraat; adj. samengestapeld, opeengehoopt.

Agglomerate, əgloməreit, opeenstapelen, samenhoopen; Agglomeration, agglomeratie; adj. Agglomerative.

Agglutinant, əglûtin’nt, klevend; subst. kleefmiddel; Agglutinate, əglûtinit, adj. aangekleefd; Agglutinate verb. (əglûtineit), aanéénlijmen; Agglutination = agglutinatie; adj. Agglutinative.

Aggrandize, agrəndaiz, vergrooten, verheffen, verheerlijken; subst. Aggrandizement.

Aggravate, agrəveit, verergeren, verzwaren; prikkelen, boosmaken: Aggravating = verzwarend, onaangenaam, onuitstaanbaar: Aggravating circumstances = verzwarende; Aggravation = verergering, etc.

Aggregate, agrigit, adj. opgehoopt, gezamenlijk: Aggregate amount; subst. ophooping, massa, bedrag, aggregatie; Aggregate verb. (agrigeit), tot een geheel vereenigen; opnemen; bedragen; Aggregation = aggregatie; Aggregative = gezamenlijk.

Aggress, əgres, verb. aanvallen, den strijd beginnen; Aggression, aanval; Aggressive, aggressief, strijdlustig; Aggressiveness, strijdlustigheid; Aggressor, aanvaller.

Aggrieve, əgrîv, bedroeven, smarten; benadeelen, krenken.

Aghast, əgâst, ontzet, verbluft.

Agile, adž(a)il, vlug, bedrijvig; Agility, vlugheid, etc.

Agio, adž(i)ou of eidž(i)ou, agio; Agiotage, adžətidž, agiotage; beursspel.

Agitate, adžiteit, heen en weer bewegen, schokken, verontrusten, opwerpen, opruien; Agitation, beweging, gisting; Agitator, adžiteitə agitator.

Aglet, aglət of eiglət, veter(band).

Aglow, əglou, gloeiend.

Agnail, agneil, nijdnagel.

Agnat(e), agneit, subst. agnaat; adj. verwant; Agnatic relationship = verwantschap in de mannelijke linie = Agnation.

Agnes, agnəz, Agnes: St. Agnes Day = 21 Jan., waarop de meisjes plachten te vasten om van hun toekomstigen echtgenoot te kunnen droomen.

Agnostic, agnostik, agnosticus; agnostisch; Agnosticism = leer der Agnostici.

Agnus Dei, agnəsdîai, Lam Gods.

Ago, əgou, geleden.

Agog, əgog, vurig verlangend, opgewonden (on): They were all agog to be off = verlangend om te vertrekken; He came back all agog with the sight = opgewonden door; The servants are all agog with music = gek, vol van; All the world was agog on Trilby = was mal van, had het over.

Agoing, əgouiŋ, aan den gang, in beweging.

Agonist, agənist; Agonistes, agənistîz, kampvechter.

Agonize, agənaiz, den doodstrijd strijden; kwellen, martelen: An agonizing pain, thought; Agony = groote smart, zielsangst (= Mental Agony), doodstrijd (= Agony of death); Agony column = kolom in een dagblad in ’t bijzonder bestemd voor advert. omtrent verdwenen personen, etc.

Agrarian, əgrêrj’n, den akkerbouw of het landbezit betreffend, agrarisch, in ’t wild groeiend: Agrarian laws; Agrarian crime, outrage = misdrijf tegen landheeren, of rentmeesters; Agrarianism, beweging ter bevordering der agrarische belangen.

Agree, əgrî, het eens zijn, eensgezind leven, toestemmen, overeenkomen, het eens worden; passen bij, overeenstemmen (gramm.); doen sluiten: How do you and your master agree? = hoe is de verhouding tusschen u en uw meester? We cannot agree about it = eens worden omtrent; We agreed on the plan = werden het eens over; He would not agree to our plan = goedkeuren; The verb agrees with its subject = stemt overeen; Wine does not agree with me = ik kan geen wijn verdragen; Agreed! = top! afgesproken!

Agreeable, əgrîəb’l aangenaam, passend: Agreeable to our wishes = overeenkomstig; He does the agreeable = hij wil lief zijn; Is that agreeable, Are you agreeable? = vindt gij het goed?

Agreement, əgrîmənt, overeenstemming, overeenkomst.

Agricultural, agrikɐltšər’l, landbouw....; Agricultural college = landbouwschool; Agricultural implements, Agricultural labourers; Agriculture = landbouw: Board of Agriculture = Ministerie van landbouw; Agriculturist, econoom.

Agrimony, agriməni, leverkruid.

Aground, əgraund, aan den grond; in de klem: To be aground = aan den grond; in de klem; To run aground = op strand loopen, zetten; in de klem geraken.

Ague, eigju, subst. (koude) koorts, wisselkoorts: Intermittent fevers are of the type of ague; Ague-fit = aanval van koorts; Ague-tree = sassefras; Aguey, eigjui = Aguish, eigju-iš = koortsig.

Ah, â, ach, och.

Aha, âhâ, of əhâ, hoera! Mooi zoo! Bah!

Ahead, əhed, vooruit, vooraan: Ahead of her turn = vóór haar beurt; He is ahead of all = allen vóór; You are ahead of time = voor uw tijd, uw tijd vooruit; To be ahead = te wachten staan; Go ahead = vooruit maar! To see ahead = in de toekomst zien; To write ahead = vooruit, vooraf.

Aheap, əhîp, op een hoop.

Ahem, ɐhem, h’m!

Ahoy, əhôi, hola! ehoi! (bij zeelieden, om een schip aan te roepen): Boat ahoy!

Ahull, əhɐl, voor top en takel, d.i. een schip ligt ahull, als bij een storm al de zeilen zijn geborgen en het roer is vastgezet.

Ai, âi, luiaard of ai (aai).

Ai, ai, interj. Helaas! Ai for the fleecy flocks = Helaas, onze wollige kudden.

Aid, eid, subst. hulp, bijstand; helper; Aid verb. helpen, bijstaan, verlichten: Aids = hulptroepen, toelagen, tollen; First aid to the injured = eerste hulp bij ongelukken; I have learned first aid; This meeting will greatly aid in influencing the whole country = ertoe bijdragen; Aider, helper; medeplichtige: First aider = wie First aid verleent; Aidless = hulpeloos.

Aiglet, eiglət, jonge arend.

Aigret(te), eigret (eigret). Zie Egret.

Ail, eil, kwellen, pijnigen, deren: I ail nothing, of: Nothing ails me; My friend is ailing = ziekelijk, sukkelend; What ails you to beat me = hoe kom je er bij; Ailment, ongesteldheid.

Aim, eim, subst. doel, vizier(korrel), bedoeling, plan; Aim verb. mikken, richten, bedoelen, streven naar, zinspelen op: To miss one’s aim = misschieten, zijn doel missen; To take aim = aanleggen; The author aims higher = streeft een hooger doel na; To aim right = het goed bedoelen; juist mikken; What do you aim at? = Waarop hebt ge het gemunt? He aimed at my ruin = had het gemunt op; Tell aimed at his boy’s head = mikte op; Aimer, vingerwijzing; Aimless, doelloos.

Air, êə, subst. lucht, atmosfeer, windje; wijsje, air; voorkomen, schijn, air: Air verb. luchten, warmen, drogen; publiceeren, te koop loopen met: To give oneself airs = zich airs geven; To be wholly up in the air = vaag zijn; He has an air of security about him = neemt graag het air aan van zeker te zijn; To hang in mid-air = in de lucht hangen; To live much in the air = buiten; To take air = ruchtbaar worden; To take the air = een luchtje scheppen; The room was aired = gelucht; She took an airing every day = ging rijden (of wandelen), om een luchtje te scheppen; The hotel was opened for an airing = om te luchten; He is always airing me in public, and dropping me in private = heeft den mond vol over mij in ’t publiek; To air one’s grievances = te koop loopen met; To air horses = afrijden; Air-balloon; Airbath, luchtbad; Air-brake, êəbreik, luchtrem: The engineer turned on the air-brake = bracht in werking; Air-built, Air-drawn = ingebeeld; Air-cushion, windkussen; Air-gun = windroer; Air-hole, luchtgat; Air-man = aviateur; Air-pipe = ventileerbuis; Air-pump, luchtpomp; Air-tight = luchtdicht; Airiness, luchtigheid, lichtheid, luchthartigheid, etc.; Airy, lucht..., luchtig, hoog; onstoffelijk; luchthartig; onbeduidend: Air castles = luchtkasteelen = Castles in the air.

Aisle, ail, zijbeuk (van een kerk), doorgang tusschen zitplaatsen in kerk, schouwburg of wagon.

Ait, eit, eilandje (in eene rivier).

Aix-la-Chapelle, eikslašapel, Aken.

Ajar, ədžâ, op een kier; oneenig: To come ajar = op een kier gaan staan.

Akimbo, əkimbou, in de zijde: With arms akimbo = op de heupen.

Akin, əkin, verwant.

Alabaster, aləbastə of aləbastə, subst. albast; adj. albasten.

Alack, əlak; Alack-a-day = helaas! wee!

Alacrious, əlakriəs, vroolijk; Alacriousness, Alacrity, əlakriti, opgewektheid, vlugheid, bereidwilligheid.

Alamode, aləmoud, adj. nieuwmodisch; subst. zwarte taf; Alamode-beef = soort bouillon.

Alar, eilə, gevleugeld, vleugel...

Alaric, alərik, Alarik.

Alarm, əlâm, subst. (alarm)signaal, schrik, ongerustheid; wekker (aan eene klok); appèl (bij het schermen): Alarm verb. ontstellen, verontrusten, alarmeeren: To give the alarm = alarm maken; To take the alarm = lont ruiken; To sound an alarm = alarm blazen; The German emperor has a trick of alarming garrisons at impossible hours = te alarmeeren; They all assembled at the alarm-post = loopplaats (mil.); Alarm-watch = uurwerk met wekker; Alarmist = alarmist; Alarum, wekker.

Alas, əlas, helaas!

Alb, alb, alba, wit priesterkleed.

Albany, ôlbəni: Albany-beef (Am.) = steur; Albany-hemp = brandnetel.

Albatross, albətros, albatros.

Albeit, ôlbîit, ofschoon.

Albemarle, albəmâl.

Albert, albət. Ook: korte horlogeketting = Albert-chain; Albert medal = een medaille uitgereikt door de Society of arts; een medaille voor ’t redden van personen.

Albigenses, albidžensîz, Albigenzen.

Albiness, albinəs, albainəs, albina; Albinism, albinisme; Albino, albainou of albînou, albino.

Albion, albiən, Albion.

Album, alb’m, album; vreemdelingenboek (Amer.).

Albumen, albjûm’n, eiwitstof; Albuminize = in eiwit omzetten; met een laagje eiwithoudende vloeistof bedekken; Albuminous (matter) = eiwithoudend (eiwitstof).

Albuminuria, albjuminjûriə, nierziekte (v. Bright).

Alburnum, albɐn’m, spint.

Alcazar, alkâthâ of alkazâ, burcht, paleis; café in Moorschen stijl; campagne.

Alcedo, alsîdou, ijsvogel, koningsvisscher.

Alchemist, alkimist, alchemist; Alchemy, alchemie.

Alcibiades, alsibaiədîz; Alciphron, alsifrən.

Alcohol, alkəhol, alcohol, wijngeest: Wood alcohol = houtgeest; Alcoholic liquors = sterke dranken; Alcoholism = alcoholisme; Alcoholization = rectificatie; Alcoholize = in alcohol omzetten, rectificeeren.

Alcoran, Alkoran, alkərən, alkərân, al-koran, de koran; Alcoranist, uitlegger of aanhanger van den koran.

Alcove, alkouv of alkouv, alkoof, nis; prieel, grot.

Alcyon, alsiən. Zie Halcyon.

Alder, ôldə of oldə, elzeboom.

Alderman, ôldəm’n, wethouder, schepen: Alderman in chains = met saucijsjes behangen kalkoen; Aldermancy (Aldermanship) = de waardigheid van een Alderman; Aldermanlike = als een alderman, statig.

Alderney, ôldəni, Alderney; koe v. A.

Aldershot, ôldešot, stad, waarbij een groot militair kamp.

Ale, eil, (Engelsch) bier: Bottled ale = ale op flesschen; Ale-bench = bierbank; Alegar, algâ = bierazijn; Ale-hoof = hondsdraf; Ale-wife = bierhuishoudster; haringvormige visch.

Alee, əlî, aan (naar) lij: To put the helm alee.

Alembic, əlembik, destilleerkolf.

Alert, əlɐ̂t, waakzaam; subst. een waarschuwingssein: To be on the alert = op zijne hoede zijn; vurig uitzien naar (for); subst. Alertness, wakkerheid.

Aleutian Islands, aliûš’nail’ndz, Aleutische eilanden.

Alexander, aləgzandə, Alexandra, aləgzandrə; Alexandria, aləgzandriə; Alexandrian, aləgzandriən, alexandrijnsch; Alexandrine, aləgzandrin, alexandrijn.

Alf(red), alf(red).

Alga, algə, alge; Algae, aldži, algen; Algal, algenachtig.

Algebra, aldžəbrə, algebra; Algebraic(al), algebraïsch; Algebraist, aldžəbrei-ist, algebraïst.

Algeria, aldžîrjə, Algerije; Algerian = Algerijn(sch).

Algernon, aldženən.

Algid, aldžid, koud; Algidity = koude.

Algiers, aldžîəz Algiers.

Algous, algəs, algenachtig, vol algen.

Alguazil, algwazîl, (Spaansch) konstabel.

Algy, aldži; Ali, âlî.

Alias, eilias, adj. anders genoemd; subst. alias; Inter alia, intəreiljə onder anderen.

Alibi, alibai, subst. alibi: I proved my alibi = bewees mijn alibi.

Alice, alis.

Alien, eilj’n, vreemd, buitenlandsch, in strijd met (to); subst. vreemdeling, iemand niet in het bezit der burgerschapsrechten; Alien-Act = vreemdelingenwet; Alienability = vervreemdbaarheid; Alienable = vervreemdbaar, overdraagbaar; Alienate, eiljənit, adj. vervreemd; Alienate verb. (eiljəneit) vervreemden, overdragen; subst. Alienation: Mental Alienation = waanzin; Alienee = nieuwe eigenaar. Alienism = vreemdelingschap; Alienist = dokter voor krankzinnigen.

Alight, əlait, adj. aangestoken, brandend, verlicht: Her eyes are alight = schitteren; He intends to set the Thames alight = hij heeft groote plannen; The crocuses were alight = in bloei.

Alight, əlait, uitstappen, afstijgen, neervallen, neerstrijken, aantreffen: To alight at an hotel = afstappen; To alight from a horse = afstijgen; The bird alighted on the branch = neerstrijken.

Align, əlain, (zich) richten; Alignment, richting; tracé.

Alike, əlaik, gelijk, op dezelfde wijze: They are very much alike = gelijken veel op elkaar; They are all treated alike = op dezelfde wijze; Alike brilliant and ... = zoowel ... als.

Aliment, aliment, subst. voedsel; levensonderhoud; Aliment verb. (iemand) onderhouden; Alimental, voedzaam; Alimentary, voedend, voedings...: Alimentary canal = voedingskanaal; Alimentation, voeding, voedzaamheid, onderhoud: Derangements of Alimentation = voedingsstoornissen.

Alimony, aliməni, onderhoud, alimentatie.

Aline, əlain = Align.

Alive, əlaiv, in leven, levend, levendig, gevoelig voor; lettend op, bewust: The best man alive = van de wereld; No man alive = geen sterveling; All alive = met oogen en ooren open; He is terribly alive to an affront = zeer gevoelig voor; To be alive with = wemelen van; Look alive = vlug wat, maak voort; They skinned him alive = vilden hem levend, sloegen hem rauw.

Alkali, alkəli, loogzout; Alkaline, alkəl(a)in, alkalisch; Alkalization, alkalisatie; Alkalize, alkaliseeren; Alkaloid, alkəlôid, alkalisch; alkaloïde.

All, ôl, subst. het geheel, het alles, allen; adj. en adv. geheel, gansch, volkomen: When all is said (told) = bij slot van rekening = After all; That’s all = en daarmee is het uit; They have lost their (little) all = al wat zij bezaten; My boy is my all; All and sundry = allen zonder onderscheid; I have known him all along = al dien tijd; It is all along of you = alles uw schuld; All but = bijna; This sentence is all capitals = bestaat geheel uit; All day (the town) = de geheele; I am all ears and eyes = ik luister en zie zoo scherp toe als me mogelijk is; On all fours = op handen en voeten; It is all one (the same) to me = hetzelfde; He is a fool all over = een groote dwaas; That’s D. all over = net iets voor, lijkt precies op; He is all right = gezond, klaar, binnen, etc.; Did it cost all that? = zóóveel? Not all there = niet recht snik; All through = van begin tot einde; All of a sudden = plotseling; All the better = des te beter; All the better for = veel beter vanwege; If you do it at all = nog, soms mocht doen; I asked her if she was at all acquainted with him = soms ook; If you are telling a lie at all = toch eenmaal liegt; What she did at all, she did thoroughly = wat ze nu eenmaal deed; The be all and end all of life = in zijn geheel; Take that man for all in all = geheel zooals hij is; For all I know = voor zooverre ik weet; This is a time of all others = vooral een tijd; How can you say such things, and about me of all people = en nog wel van mij; To-night of all nights = nog wel van avond; Fifteen all = 15 gelijk (bilj.); How could you understand at your age and all = trouwens ook op jou leeftijd; Not at all = in ’t geheel niet; All-comers = allen, die zich aanmelden; All-father = alvader, godheid; All-fools’ Day = de eerste April; All-fours = een zeker kaartspel; An all-gone sensation = gevoel, dat men voor de poes is; All-hail = gegroet! All-hallow(s) = Allerheiligen, 1e November; An all-in match = wedstrijd, waaraan allen meedoen, bijv. potspel (bilj.): All-over, ziek, misselijk; All-overish = onlekker; All-round = rondom, in den regel, veelzijdig, van zessen klaar: An all-round actor = voor alle rollen geschikt; All-round price (rate) = uniform vracht, prijs van een artikel in zijn verschillende soorten; All-Souls’ Day = Allerzielen, 2e November; All-spice, myrt, nagelbol, pimentbes; The All-wise (All-powerful, and All-good) = de Alwijze, etc.

Allah, ala, Allah; Allahabad, alahabâd.

Allay, əlei, doen bedaren, stillen, verzachten, verlichten; Allayer, verzachter, verzachtend middel.

Allegation, aligeiš’n, bewering, getuigenis; citaat.

Alledge, Allege, əledž, verklaren, aanvoeren, beweren; adj. Alledgeable.

Alleghany, aləgeini: Alleghany Mountains.

Allegiance, əlîdž’ns, trouw: Oath of allegiance = eed van trouw; To swear allegiance; Allegiant, trouw.

Allegoric(al), aləgorik(’l), allegorisch; Allegoricalness; Allegorization = allegor. behandeling; Allegorize = allegor. voorstellen; Allegory = allegorie.

Alleluia, alilûjə, Hallelujah!

Al(l)emanni, aləmanai, Allemannen; Allemannic, Allemanisch.

Alleviate, əlîvjeit, verlichten, verzachten; Alleviation = verzachting(smiddel); Alleviator = verzachtend middel.

All(e)y, ali, steeg, laan, gang, baan (kegel baan): Blind All(e)y = blinde steeg.

Alliance, əlai’ns, verbond, verbintenis, verwantschap, band: To enter into (form, make) an alliance = een verbond aangaan.

Alligation, aligeiš’n: Rule of alligation = alligatie rekening.

Alligator, aligeitə, (Amerikaansche) krokodil, kaaiman.

Alliterate, əlitəreit, allitereeren; Alliteration, əlitəreiš’n, stafrijm, alliteratie; Alliterative, allitereerend.

Allocate, aləkeit, toewijzen; Allocation, toewijzing.

Allocution, aləkjûš’n, allocutie, Latijnsche toespraak v. d. Paus tot de verg. kardinalen.

Allodial, əloudj’l, allodiaal; Allodium, əloudj’m, allodium.

Allonge, Fransche uitspr., verlengstuk; uitval; leireep.

Allopath, aləpath, allopaat; adj. Allopathic; Allopathist = allopaat; Allopathy, əlopəthi, allopathie.

Allot, əlot, volgens het lot toebedeelen, toewijzen; Allotment = toewijzing; halve soldij of huur aan het gezin van soldaat of matroos: Allotments-act (1887) = wet, waarbij de Sanitary Authority v. een district wordt gemachtigd stukken grond te koopen of te onteigenen ten behoeve van arbeiders, die zich voor het huren daarvan aanmelden; Allotee = wien iets toebedeeld wordt; Allotter = toebedeeler.

Allow, əlau, toestaan, veroorloven, erkennen, aftrekken, beweren (Amer.): Allow for = in aanmerking nemen; aftrekken; He was allowed a hundred a year = hij kreeg; He is allowed to be a fool = iedereen geeft toe dat hij is; The estimate does not allow for any increase of value = bij de schatting is geen rekening gehouden met; He allows of your excuse = neemt aan; The season allows of it now = veroorlooft; Allowable, veroorloofd, af te trekken, rechtmatig; Allowance = vergunning, rabat, rantsoen, toelage; Allowance verb. eene toelage geven; op dieet stellen: Dress allowance = kleedgeld; Regulation allowance = rantsoen; His weekly allowance = weekgeld; I will give due allowance for that fact = voldoende rekening houden met; You must make allowance(s) for his hard words = door de vingers zien; To place on an allowance = op rantsoen stellen.

Alloy, əlôi, subst. allooi, bijmenging, vermindering; Alloy verb. legeeren: Without alloy = onvermengd; Alloyage, legeering.

Allude, əl(j)ûd, zinspelen, toespelen: Did you allude to that circumstance?

Allure, əl(j)ûə, aanlokken, verlokken; Allurement, verlokking, aas, aantrekkelijkheid.

Allusion, əl(j)ûž’n, toespeling; Allusive = toespelend; subst. Allusiveness.

Alluvial, əl(j)ûvj’l, alluviaal; Alluvion, alluvie; Alluvium = alluvium.

Ally, əlai, subst. bondgenoot; verb. verbinden: To be allied = verbonden (verwant) zijn.

Alma(h), alma, Oostersche zangeres en danseres.

Almadia, almədîə; Almadie, almədi, eene boot of kano van boombast (Indië, Afrika).

Almagra, əlmagrə, almagra.

Almanac, ôlmənak, almanak: Pictorial almanac = geïllustreerde; Almanac of the million = volks-almanak.

Almandine, alm’nd(a)in, roode granaat.

Almightiness, ôlmaitinəs, almacht; Almighty, ôlmaiti, almachtig: subst. de Almacht(ige): God Almighty; The Almighty dollar = de almacht v. h. geld.

Almond, âm’nd of almənd, amandel: Jordan almonds = Malaga amandelen; Soft-shelled almond = kraakamandel; Almond-nails = fijne, schoon geronde nagels.

Almoner, almənə, aalmoezenier; Grand Almoner, Lord High Almoner = Groot-aalmoezenier; Almonry, alm’nri, woning v. d. aalmoezenier; plaats in een klooster waar aalmoezen worden uitgedeeld.

Almost, ôlmoust, bijna, nagenoeg: He is an almost Protestant; My almost sister = mij bijna zoo dierbaar als een zuster; Almost never = bijna nooit.

Alms, âmz, aalmoes, aalmoezen: Alms-bag = kerkezakje; He lives on the alms-basket = van liefdadigheid; Alms-box = offerbus = Alms-chest; Alms-deed = daad van liefdadigheid; Alms-house = hofje, armenhuis; Alms-man, âmzman, provenier, bedeelde (vr. Alms-woman); Alms-people = bedeelden.

Alnwick, anik, Alnwick.

Aloe, alou, aloe; Aloes, alouz, aloesap; Aloetic = aloeachtig; aloepreparaat.

Aloft, əloft, omhoog, boven aan (in) den mast: To go aloft = naar boven (in het want) gaan; To pipe aloft = een fluitsignaal daartoe geven.

Alone, əloun, alleen, eenzaam: Let alone = om nog niet te spreken van; Let (leave) him alone = laat hem met rust, begaan; Let it alone = blijf er af; Let well alone = als iets goed is, wees daar dan ook tevreden mee; stuur den boel niet in de war door je bemoeizucht; Let him alone to be in time = laat hem maar loopen, hij komt wel op tijd; Let your brother alone for a clever administrator = die broeder van u is toch; She can walk alone = alléén loopen.

Along, əloŋ, voort, vooruit, langs: Come along = kom mee; She made her way along = zette voort; Twenty miles along = verder op; All along = over de geheele lengte; al dien tijd; I guessed it all along = al dien tijd, altijd wel; It is all along of you = ’t komt alles door u; Go along with you = och loop! We went there along with him = in zijn gezelschap; Take this along with you = neem het mee; Along shore = langs de kust: Along-shore-man = scheepssjouwerman; Along-side = langs zij.

Aloof, əlûf, op een afstand, ver; te loevert: To keep aloof = zich op een afstand houden, neutraal blijven; This sorrow shook her aloof from life = vervreemdde haar van; The Scotch and the Frisians stand in the repute of characteristic Aloofness = hebben den naam, dat hun aard niet toeschietelijk is; An aloofness from people = gereserveerdheid.

Alost, âlost, Aalst (stad).

Aloud, əlaud, luide.

Alow, əlou, beneden, naar beneden.

Alp, alp, alp, bergweide; Alpine, alp(a)in, adj. alpijnsch, alpen..., zeer hoog: Alpen-horn; Alpenstock = alpenstok; The Alps.

Alpaca, alpakə, alpaca.

Alpha, alfə: Alpha and Omega.

Alphabet, alfəbet, subst. Het Abc; Alphabet verb. alphabetisch rangschikken: They have to learn the alphabet of their business = het A.B.C., de grondbeginselen; Alphabetarian, beginneling; Alphabetic(al), alphabetisch.

Already, ôlredi, reeds.

Alroy, ôlrôi; Alsace, alsâs, Alsatia, alzeišə, de Elzas; ook: een vroeger berucht gedeelte van Londen; Alsatian, Elzasser, subst. en adj.

Also, ôlsou, eveneens, ook.

Alt, ôlt, alt(stem).

Altar, ôltə, altaar, de avondmaalstafel, heiligdom: He led her to the altar = naar het altaar; Altar-cloth = altaardwaal; Altar-piece = altaarstuk; Altar-table, altaartafel; Altar-tomb = altaartombe.

Alter, ôltə, veranderen: To alter one’s condition = van betrekking veranderen; huwen; Alterability = veranderlijkheid; Alterable, veranderlijk; subst. Alterableness; Alteration, verandering; Alterative = veranderend, subst. bloedzuiverend geneesmiddel.

Altercate, altəkeit, twisten, kijven; Altercation = ruzie.

Alternate, altɐ̂nit, ôltɐ̂nit, adj. alternatief, beurtelings, afwisselend; subst. plaatsvervangend predikant; Alternate verb. altəneit, ôltəneit, beurtelings doen, afwisselen; subst. Alternateness; Alternation, afwisseling; permutatie; beurtzang; Alternative = alternatief; ook subst.: They went there alternat(iv)ely = om beurten.

Althea, al-thîə, althea, stokroos.

Altho(ugh), ôldhou, (al)hoewel, ofschoon.

Altimeter, altimətə, altimeter; Altimetry, altimetrie.

Altitude, altitjûd, hoogte, hoogtepunt: To take the sun’s altitude = de zon schieten (zeet.); He is in his altitude = buitengewoon vroolijk; adj. Altitudinal.

Alto, altou, alt: Alto-clef (= klef) = alt-sleutel = Alto-key.

Altogether, ôltəgedhə, in het geheel, volkomen: That’s altogether wrong = heelemaal mis; Altogether they formed a picture = alles te zamen, alles bijeen genomen.

Altruism, altruizm, altruïsme; Altruist, altruïst; Altruistic = altruïstisch.

Alum, al’m, subst. aluin; Alum verb. met aluin vermengen; Alum-water = aluinwater.

Aluminium, aljuminj’m = aluminium.

Alutaceous, aljuteišəs, lederachtig, lederkleurig.

Alveary, alvjəri, bijenkorf, (buitenste) oorholte.

Alveolar, alvîələ, alviələ, tand...; Alveolus, əlvîəlɐs, honigcel, tandholte.

Alvine, alv(a)in, onderbuiks...

Alway(s), ôlwi(z), altijd, steeds, geregeld.

Alwin, alwin, Alewijn.

Amadou, amədû, tonder, zwam.

Amain, əmein, met alle kracht, in eens, gauw: Let go amain = strijk! vallen!

Amalgam(a), əmalgəm(ə), amalgaam, mengelmoes; Amalgamate, əmalgəmit, vermengd; Amalgam verb. əmalgəmeit, amalgeeren, (zich) vermengen; Amalgamation, amalgatie.

Amanuensis, əmanjuensis, amanuensis.

Amarant(h), amərant(h), Amaranthus, aməranthəs, amarant; purperkleur; Amaranthine, amarant; onvergankelijk.

Amaryllis, amərilis, amarillis.

Amass, əmas, ophoopen; Amassment, ophooping.

Amateur, amətɐ̂, amətjuə, amətjuə, amateur; His work is Amateurish = als van een dilettant; Amateurism, dilettantisme.

Amatory, amətəri, verliefd, liefde...; minnedrank.

Amaurosis, amôrousis, zwarte staar; adj. Amaurotic.

Amaze, əmeiz, verbazen, ontstellen; subst. verbazing = Amazement.

Amazon, aməz’n, amazone, manwijf, heldin; Amazonian = strijdbaar.

Ambages, ambeidžiz of ambədžiz, omhaal van woorden, uitvluchten; adj. Ambagious.

Ambassador, ambasədə, (af)gezant; Ambassadorial, gezantschaps..., diplomatiek; Ambassadorship; Ambassadress, afgezante, vrouw van den afgezant.

Amber, ambə, subst. amber, barnsteen; adj. amber: Ambergrease = Ambergris = ambergrijs.

Ambidexter, ambidekstə, iemand, die beide handen even vaardig kan gebruiken; een onoprecht, dubbelhartig mensch; Ambidexterity, vaardigheid met, etc.; Ambidextrous, vaardig met beide handen; dubbelhartig.

Ambient, ambj’nt, omringend: Ambient air = dampkring.

Ambiguity, ambigjûiti, Ambiguous(ness), ambigjuəs(nəs), dubbelzinnigheid.

Ambition, ambiš’n, eerzucht; wrok, nijd (Amer.); Ambitious = eerzuchtig, begeerig, hoogdravend, aanstellerig, schitterend; subst. Ambitiousness.

Amble, amb’l, subst. telgang, kalme gang; verb. (laten) loopen als een telganger; voorzichtig of gemaakt loopen; Ambler = telganger.

Ambrose, ambrouz, Ambrosia, ambrouž(i)a, ambrosia, godenspijs; Ambrosial, ambrozijnsch, hemelsch; zwierig: They appeared in Ambrosial locks and rolling collars; Ambrosian = Ambrosial.

Ambry, ambri, etenskast, vliegenkast.

Ambs-ace, amzeis, eimzeis, dubbel een of aas; ongeluk.

Ambulance, ambjul’ns, ambulance, ambulance-wagen = Ambulance-cart (-wagon); Ambulance-man = drager.

Ambulate, ambjuleit, rondtrekken; Ambulator = afstandsmeter; Ambulatory court = rondgaand gerechtshof.

Ambuscade, ambəskeid, Ambush, ambuš, subst. hinderlaag; Ambush verb. in hinderlaag liggen, plotseling aanvallen: To lay an ambush for (To lie in ambush).

Ameer, əmîə, (Afghaansch) emir.

Amelia, əmîljə, Amalia.

Ameliorable, əmîljərəb’l, te verbeteren; Ameliorate, əmîljəreit, verbeteren, beter worden; Amelioration, verbetering, stijging; Ameliorative, verbeterend.

Amen, eimen, âmen, het zij zoo, amen: To say Yes and Amen to everything.

Amenable, əmînəb’l, verantwoordelijk; afhankelijk (to); onderworpen; vatbaar, ontvankelijk voor; Amenableness = verantwoordelijkheid, etc.

Amend, əmend, verbeteren, amendeeren; beter worden: He amended his ways = beterde zich; Amendable, voor verbetering vatbaar; Amendatory = verbeterend (Amer.); Amendment, verbetering, amendement: To move an amendment; Amends = excuus, vergoeding: To make amends for.

Amenity, əmeniti, aangenaamheid, vriendelijkheid; Amenities = beleefdheden, lievigheden.

Amerce, əmɐ̂s, beboeten met geld (in money); Amercement, boete.

America, əmerikə, American, əmerik’n, subst. en adj. Amerikaan(sch): American fair = een soort liefdadigheidsbazaar; American leather = een soort van donkerbruin wasdoek; The America Cup = een beker, die voor ’t eerst in 1851 door de Royal Yacht Squadron als prijs werd aangeboden; Americanism = voorliefde v. het Amerik.; Amerik. eigenaardigheid v. taal, etc.; Americanist = kenner v. Amerik. toestanden; Americanize = veramerikaanschen; Americomania = manie voor alles wat Amerik. is.

Amesbury, eimzbri.

Amethyst, aməthist, amethist; purperkleur; Amethystine, violetkleurig.

Amiability, eimjəbiliti, beminnelijkheid; Amiable, eimjəb’l, beminnelijk, lief; Amiableness.

Amiant(h)us, amian-təs, asbest, steenvlas.

Amicability, amikəbiliti, vriendschappelijkheid; Amicable, amikəb’l, vriendschappelijk, welwillend; subst. Amicableness.

Amice, amis, amictus, de strook linnen, die de priester bij de mis over den schouder draagt; soort toga.

Amid(st), əmid(st), te midden van: Amidships = mid(den)scheeps.

Amir, əmîə = Ameer.

Amiss, əmis, verkeerd, te onpas: Don’t take it amiss = kwalijk; That is not amiss = niet kwaad.

Amity, amiti, vriendschappelijke verhouding: All is amity and sweetness = pais en vree, botertje tot den boom.

Amma, amə, breukband.

Ammonia, əmounjə, ammonia: Liquid ammonia = salmiakgeest: Ammoniac = Ammoniacal, ammoniak....; Ammonium, ammonium.

Ammunition, amjuniš’n, krijgsvoorraad; ’model’-(mil.): Ammunition-boots = “model” schoenen; Ammunition-bread = kommiesbrood; Ammunition-cart = munitiewagen.

Amnesia, amnîsiə, verlies van ’t geheugen.

Amnesty, amnəsti, subst. amnestie; verb. amnestie verleenen.

Amock, əmok. Zie Amuck.

Among(st), əmɐŋ(st), vermengd met, te midden van: Among ourselves = onder ons gezegd; We bought the house and garden Among us = met ons allen (méér dan twee).

Amorist, amərist, minnaar; Amorous, verliefd, liefdes..; subst. Amorousness.

Amorphous, əmöfəs, vormloos, amorphe.

Amortization, əmötizeiš’n, overdracht, amortisatie; Amortize, əmötaiz, goederen schenken of overdragen (in de doode hand); amortiseeren; subst. Amortizement.

Amount, əmaunt, subst. som, bedrag; hoofdinhoud: Amount of balance = saldo: verb. bedragen: The debit Amounts to 50 guilders a head = bedraagt.

Amour, əmûə, minnarij.

Amove, əmûv, wegzenden, ontzetten.

Amphibia, amfibjə, amphibieën; Amphibian, amfibjən, tweeslachtig (dier); Amphibiology = de leer der amphibieën; Amphibious = tweeslachtig.

Amphibrach, amfibrak, amphibrachys (⏑ – ⏑).

Amphiscians, amfisiənz; Amphiscii, amfisiai, dubbelschaduwigen.

Amphitheatric(al), amfithiatrik(’l), amphitheatersgewijze; Amphitheatre, amfithîətə, amphitheater.

Amphitrite, amfitraiti, vrouw van Poseidon; kokervorm.

Amphora, amfəra, amphora.

Ample, amp’l, groot, ruim, breedvoerig, prachtig; Ampleness, grootte, etc.; Amplification = vergrooting, uitweiding; Amplify = vergrooten, uitbreiden, uitweiden.

Amplitude, amplitjûd, grootte, uitgestrektheid, rijkdom; amplitudo: Amplitude of oscillation = slingerwijdte.

Ampulla, ampɐla, fleschje bij de Romeinen in gebruik ter balseming van het lichaam na het baden; glazen karafjes bij het Misoffer gebruikt; zilveren (tinnen) busjes met H. olie gevuld; fleschjes met bloed gevuld en gelegd bij de graven der martelaren; Ampullaceous, blaasvormig.

Amputate, ampjuteit, afzetten; Amputation = amputatie; Amputator = hij, die amputeert.

Amsel, ams’l, lijster.

Amuck, əmɐk, amok: To run amuck against = in blinde woede aanvallen.

Amulet, amjulet, amulet.

Amuse, əmjûz, (aangenaam) bezighouden, vermaken: To be amused at (by, in, with) = zich vermaken met, pret hebben over; Amusement, vermaak, tijdverdrijf; Amuser = iemand die met beloften paait; handlanger.

Amy, eimi.

Amygdalate, əmigdəleit, subst. amandelmelk; adj. amandelachtig.

An, ən, art. het onbepaald lidwoord (vóór vokalen); conj. indien, of; prep. = on.

Ana, einə of ânə, letterkundige anecdoten over, uitspraken van: Shakespeariana.

Anabaptism, anəbaptizm, Anabaptisme; Anabaptist = Anabaptist; Anabaptistic(al) = Anabaptistisch.

Anachronism, ənakrənizm, anachronisme, Anachronistic = anachronistisch.

Anaconda, anəkonda, python, reuzenslang.

Anacreon, ənakrion, Anacreon; Anacreontic, anacreontisch (vers).

Anaemia, ənîmiə, bloedarmoede; Anaemic, ənemik, bloedarm.

Anaesthetic, anəs-thetik, gevoelloos, verdoovend; subst. verdoovend middel; Anaesthetize = verdooven.

Anagram, anəgram, anagram; Anagrammatic(al), een anagram betreff. of vormend.

Anak, einak: Son of Anak.

Analecta, anəlekta, Analects, anəlekts, bloemlezing; Analectic, Anal. betreffende.

Analepsis, anəlepsis, herstel van krachten; Analeptic, subst. en adj., versterkend (middel).

Analepsy, anəlepsi, herstelling.

Analogical, anəlodžik’l, analogisch; Analogism, ənalədžizm, gevolgtrekking uit analogie; Analogize = analogisch verklaren; Analogous = analogisch; Analogue = analogon; Analogy, ənalədži, analogie: By false analogy with; In analogy with; On the analogy of.

Analysable, anəlaizəb’l, anəlaizəb’l = ontleedbaar; Analysation = analyse; Analyse = analyseeren, oplossen; Analysis = analyse, oplossing; Analyst = scheikundige: Public Analyst = ambtenaar met het onderzoek van voedingsmiddelen belast; Analytic(al) = ontledend.

Anana(s), ənanə, əneinəs, ənânəs, ananas.

Anapaest, anəpest, anapaestus (⏑ ⏑ –).

Anarch, anək, onruststoker; tyran; Anarchic = anarchistisch; Anarchism = anarchisme; Anarchist = anarchist; Anarchy = anarchie.

Anasarca, anəsâka, huidwaterzucht; Anasarcous, huidwaterzuchtig.

Anathema, ənathəma, anathema, banvloek; Anathematization = excommunicatie, vervloeking; Anathemize = vervloeken.

Anatomical, anətomik’l, anatomisch; Anatomist = anatoom; Anatomize = ontleden; Anatomy = ontleedkunde, ontleding; geraamte.

Ancestor, ansəstə, stamvader, voorvader; Ancestorial = Ancestral, ansestrəl, ansestrəl, voorvaderlijk; Ancestress, ansəstrəs, stamvrouw; Ancestry = geslacht, afstamming, (hooge) geboorte, voorvaders.

Anchor, aŋkə, subst. anker; Anchor verb. ankeren, rusten: I had an anchor to windward = nog iets achter de hand, in reserve; To be at anchor (= To ride at anchor) = voor anker liggen; To cast, drop (let go the) anchor = laten vallen; To weigh (the) anchor = het anker lichten; The fluke (of an anchor) = hand, klauw; Sheet anchor = plechtanker (ook fig.); Anchorage = ankergrond, ankerplaats, liggeld: The ship was cast loose from her anchor = is losgeslagen.

Anchoret, aŋkərət, Anchorite, aŋkərait, kluizenaar.

Anchovy, antšouvi, ansjovis.

Ancient, einš’nt, oud, uit vroegeren tijd, eerwaardig, verjaard; subst. grijsaard, oudere collega; vlag, vaandrig; The Ancients = de Ouden, klassieken; oudsten: The Ancient of Days = God de Vader; Ancientness, oudheid; Ancientry = ouderdom, voorrang, hooge geboorte.

Ancillary, ansiləri, ondergeschikt, aanvullend.

Ancipital, ansipit’l, tweesnijdend = Ancipitous.

And, and of ən(d), en: Without buts, ifs and ands = zonder voorbehoud; And all that (sort of thing) = en dergelijke (meer); Deeper and deeper = al dieper; She wept and wept = schreide al maar door; Try and take it = tracht het te nemen; What’s that and please you? = met uw verlof, wat is dat?

Andalusia, andəl(j)ûžə, Andalusië; Andalusian, Andalusisch; Andalusiër; Andaman, andəman: Andaman Islands.

Andante, andante, adj. andante; subst. andante; Andantino, andantînou, andantino, adj. en subst.

Andes, andîz, de Andes.

Andiron, andaiən, vuurbok; het ijzer, waarin het spit draait; haardstel.

Andrew, andrû, Andries: Merry Andrew = Hansworst; St. Andrews, s’ntandrûz.

Androgynal, androdžin’l = Androgynous, androdžinɐs, tweeslachtig; Androgyny, tweeslachtigheid.

Andromache, androməkî; Andromeda, andromədə; Andronicus, andrənaikəs.

Anear, ənîə, nabij.

Anecdotage, anəkdoutədž, verzameling anecdoten: He fell into Anecdotage = werd sufferig; Anecdotal = anecdotisch; Anecdote = anecdote; Anecdotic(al) = anecdotisch, anecdoten..., praatziek.

Anemograph, əneməgraf, anemograaf; Anemography = anemographie; Anemometer, anəmomətə, anemometer.

Anemone, Anemony, əneməni, anemoon.

Aneroid, anerôid, aneroïde barometer.

Anew, ənjû, opnieuw, anders.

Angel, einž’l, engel, Godsgezant, oude Engelsche munt (± 10 s.): Talk of an angel, and we hear the flutter of her wings = als men van den duivel spreekt, komt hij zelf, of stuurt een oud wijf; The father gave his little cherub a flying angel = de vader nam zijn kleinen lieveling op den schouder; Guardian angel = beschermengel; Angel-shot, kettingkogel; Angelic(al) = engelachtig; Angelology = engelenleer.

Angelica, andželikə, engelkruid.

Angelot, anžələt, eene soort luit; oud Eng. muntstuk van 5 shillings; kaas (uit Normandië).

Angelus, anžəlɐs, de “Angelus” verkorte aanduiding van het gebedje “Angelus Domini nuntiavit Mariae”, etc. Het wordt driemaal daags gebeden bij ’t luiden van het Angelus klokje = Angelus-bell.

Anger, aŋgə, subst. toorn, gramschap, verontwaardiging; Anger verb. vertoornen, tergen.

Angevin Kings, andžəvinkiŋz, koningen uit het huis van Anjou.

Angina, andžinə, andžainə, een soort keelontsteking; adj. Anginous.

Angle, aŋg’l, subst. hoek, haak; Acute (Adjacent, Alternate, External, Internal, Obtuse, Right) angle; At right angles to = rechthoekig op; (To branch off at right angles from, (To turn off) at right angles to) = rechthoekig staan op (van straten); To go off at a right angle = dadelijk heengaan; You had better set your wishing-cap at another angle = deed beter iets anders te wenschen.

Angle, aŋg’l, hengel; Angle verb. hengelen: He was angling for a compliment = vischte naar een compliment; Angler = hengelaar; Angling-line = hengelsnoer; Angling-rod = roede.

Angle(s), aŋg’l(z), Angel(en); Anglia, aŋgliə, Anglia; Anglian, aŋgliən, subst. Angel; adj. van de Angelen.

Anglican, aŋglik’n, Anglikaansch; subst. Anglikaan; lid van de Angl. Church; Anglicanism, leer der Angl. kerk; Anglice, aŋglisi, in het Engelsch; Anglicism, aŋglisizm, Engelsch idioom; Anglicize, verengelschen.

Anglo, anglou (in samenstellingen), Engelsch; Anglo-American = Engelsch-Amerikaansch; subst. Amerikaan van Engelsche afkomst; Anglo-catholic, subst. en adj. Engelsch-Katholiek; Anglo-catholicism, anglo-katholicisme; Anglo-Indian = Engelsch-Indisch; subst. Engelschman wonende in Indië; Anglo-Israelites, izrəlaits = secte uit de laatste helft dezer eeuw, bewerende, dat de Engelschen de verloren “Tien Stammen” waren; Anglo-mania = manie voor Engelsche gewoonten en zeden; Anglophobe, iemand die Engeland vreest (haat); Anglophobia = vrees voor Engeland; Anglo-Saxon = Angelsaksisch; subst. Angelsakser.

Angora, aŋgôrə: Angora-cat (-goat, -wool).

Angriness, aŋgrinəs, boosheid; Angry, aŋgri, boos; stormig; ontstoken, pijnlijk: Angry at (a person); Angry about, with (a thing); To get (grow, become) angry = boos worden.

Anguilliform, aŋgwiliföm, aal- of slangvormig.

Anguish, aŋgwiš, subst. angst, pijn, smart: Anguish of (the) mind = zielesmart.

Angular, aŋgjulə, hoekig, stijf, hoek...; Angularity = hoekigheid, stijfheid; Angulate(d) = Angular.

Anhydrous, anhaidrəs, watervrij.

Anight(s), ənait(s), in den nacht.

Anil, anil, indigo-plant (West-Indië).

Anile, an(a)il, kindsch.

Aniline, anil(a)in, aniline.

Anility, əniliti, kindschheid.

Animadversion, animadvɐ̂š’n, waarneming, inzicht; berisping, verwijt, critiek; adj. Animadversive; Animadvert, animadvɐ̂t, waarnemen; berispen, etc. (on).

Animal, anim’l, subst. dier; adj. dierlijk: Animal charcoal = beenderkool; Animal food = vleeschvoeding; Animal kingdom = dierenrijk; Animal spirits = levenslust; Animals Protection Act = wet op de dierenbescherming; Society for the Prevention of Cruelty to Animals = genootschap ter bescherming van dieren; Animalcule, animalkjûl, microscopisch diertje; meerv. Animalcula, animalkjulə; Animalism = dierlijkheid; Animality = dierlijke natuur, dierlijk leven.

Animate, animeit, bezielen, opwekken: Animated nature = dierenrijk; adj. animit, bezield, levendig; Animation = bezieling, levendigheid, animo.

Animosity, animositi, verbittering, haat, vijandschap.

Animus, animɐs, gezindheid, doel; verbittering, wrok: Their words were dictated by animus and self-interest = hun ingegeven door hunne vijandige gezindheid.

Anise, anis, anijs: We pay too much attention to the anise and cu(m)mins of literature = minder belangrijke zaken (Mattheus XXIII, 23); Aniseed = anijszaad: The devotees of the aniseed-bag = liefhebbers van eene zoogenaamde drag-hunt, die “ride after the red-herring”, i.e. een net of hazevel gevuld met de litter van een tammen vos, langs den grond gesleept en om de vijf minuten besprenkeld met een paar druppels “oil of aniseed”, een spoor, dat de honden na eenige oefening getrouw volgen.

Anisette, aniset, anisette.

Anker, aŋkə, vochtmaat van 10 gallons (= 45,4358 L.).

Ankle, aŋk’l, enkel: Ankle-deep; Ankle-jacks = halve laarzen; Ankle-joint = enkelgewricht; Anklet = enkelring, -sieraad, -verband.

Ankus(h), aŋkəs (aŋkəš), drijfstok van een mahout.

Anlace, anleis, hartsvanger.

Ann(e), an, Anna, anə, Anne, Anna.

Annal, an’l: Annals, annalen; Annalist, schrijver van annalen.

Anneal, ənîl, brandverven, émailleeren; temperen; uitgloeien; Annealing-furnace = temperoven.

Anectant, ənekt’nt, verbindend, overgangs...; Annex, əneks, aanhechten, toevoegen, vereenigen; subst. bijlage, bijgebouw(tje) = Annexe; Annexation, bijvoeging, annexatie.

Annesley, anzli.

Annihilate, ənaihileit, vernietigen, te niet doen; Annihilation, vernietiging; Annihilator: Fire annihilator = bluschapparaat.

Anniversary, anivɐ̂s’ri, jaarlijksch; subst. verjaardag, jaarfeest: The four hundredth anniversary of the discovery of America.

Annotate, anəteit, annoteeren; Annotation = annotatie; adj. Annotative; Annotator, schrijver van annotaties.

Announce, ənauns, aankondigen, aanmelden (to); Announcement, aankondiging.

Annoy, ənôi, subst. (= Annoyance) = plaag, ergernis; schade, beschadiging; Annoy verb. ergeren, kwellen, hinderen; The Annoying boy read a tedious book = vervelende (lastige) ... vervelend.

Annual, anjuəl, jaarlijksch, één jaar durend; subst. éénjarige plant, jaarlijks uitkomend boek, een soort Muzen Almanak; Annuary = jaarboek.

Annuitant, ənjûit’nt = hij, die een jaarlijksche rente geniet; Annuity, ənjûiti, jaargeld, annuïteit.

Annul, ənɐl, vernietigen; afschaffen, herroepen; Annulment, vernietiging, etc.

Annular, anjulə, ringvormig, ring..: Annular eclipse of the sun; Annulate(d) = geringd; Annulation = ringvormige bouw; Annulet, anjulet, ringetje; Annulose, anjulous, anjulous, uit ringen bestaande.

Annunciate, ənɐnš(i)eit (= Announce). Annunciation Day = Maria Boodschap (R.K. kerk, 25 Maart); Will you be so kind as to touch the annunciator (button) = knopje van electrische of luchtschel.

Anodyne, anədain, pijnstillend; subst. pijnstillend middel.

Anoint, ənôint, zalven: The Lord’s Anointed = de Gezalfde des Heeren; subst. Anointment.

Anomalous, ənoməlɐs, anomaal, afwijkend, onregelmatig; subst. Anomaly.

Anon, ənon, dadelijk, aanstonds; weer: Ever and anon = telkens weer, nu en dan.

Anonym, anənim, anonymus, pseudoniem; Anonimity = anonymiteit; Anonymous, anonimɐs, anoniem; subst. Anonymousness.

Another, ənɐdhə, een ander, nog een: One another = elkander; Such another creature = een dergelijk schepsel; Have another glass = neem nog een glas (ter onderscheiding van; an other glass = een ander glas); One misfortune rides upon another’s back = een ongeluk komt nooit alleen; He is a fool, and I am another = en ik ook; One thing with another = het eene met het andere.

Anselm, ans’lm, Anselmus.

Anser, ansə, gans; Anserine, ansər(a)in, als van een gans, dom.

Anstruther, anstrûthə, anstrûthə, anstə.

Answer, ânsə, subst. antwoord, verantwoording, oplossing; Answer verb. antwoorden, beantwoorden, respondeeren, instaan voor, boeten, luisteren naar, voldoen, rendeeren, bevredigen, passen, oplossen: An answer will oblige = er wordt op antwoord gewacht; There was no answer = er werd niet op antwoord gewacht; To call a person to answer = ter verantwoording; To answer the bell (call, door) = opendoen; To answer a letter; What you say there, does not answer our purpose = is niet geschikt voor; It seldom answers to break treaties = men komt zelden verder met...; To answer for = instaan voor, rechtvaardigen, boeten voor; To answer to = antwoorden op; passen bij; overeenkomen met; The ship answered to the helm = luisterde naar; answerable (to, for), verantwoordelijk; subst. answerableness; answerer = weerlegger.

Ant, ant of ânt, (maar ant in samenstellingen, zooals ant-hill), mier; Ant-bear, Ant-eater = miereneter; Ant-hole, Ant-hill = mierennest.

Antagonism, antagənizm, antagonisme; Antagonist = tegenstander, tegenpartij; tegenspier; adj. tegenstrevend; Antagonistic, antagonistisch; Antagonize, tegenwerken; wedijveren, neutraliseeren.

Antalgic, antaldžik, subst. en adj. pijnstillend (middel).

Antarctic, antâktik, Zuidelijk: The Antarctic Pole, de Zuidpool.

Antecede, antəsîd = voorafgaan; Antecedence, voorafgaan, voorrang; Antecedent, antecedent: His antecedents = vroegere gedragingen.

Antechamber, antitšeimbə, voorkamer, wachtkamer.

Antedate, antideit, subst. vóórdatum; Antedate verb. vroeger dateeren, vooruitloopen op, anticipeeren.

Antediluvian, antidil(j)ûvj’n, antidiluviaansch; antidiluviaan, ouderwetsch mensch.

Antelope, antiloup, antilope.

Antemeridian, antimiridj’n, vóór den middag: At 7 a.m. = te 7 v.m.

Antemetic, antimetik, geneesmiddel tegen het vomeeren.

Antemundane, antimɐndein, vóórwereldlijk.

Antenatal, antineit’l, vóór de geboorte geschiedend.

Antenna, antenə, voelhoren, antenne, luchtdraad (Draadl. telegr.); Antennal, voelhorensdragend of betreffend.

Antenuptial, antinɐpš’l, vóór de bruiloft of het huwelijk gebeurende.

Antepenult(imate), antipinɐlt(imeit), derde lettergreep van achteren.

Anteprandial, antiprandj’l, vóór den maaltijd.

Anterior, antîriə, voorafgaand, vroeger; Anteriority, voorafgaan, voorrang; hoogere ouderdom.

Ante-room, antirûm; Zie Antechamber.

Anthem, an-th’m, beurtzang, hymne: The national anthem = het volkslied.

Anthemis, an-thəmis, kamille.

Anther, an-thə, helmknop.

Anthology, an-tholədži, bloemlezing.

(St.) Anthony’s fire, antənizfaiə, (St.) Antoniusvuur (soort roos).

Anthracite, an-thrəsait, anthraciet.

Anthropography, an-thrəpogrəfi, anthropographie; Anthropology, an-thrəpolədži, anthropologie; Anthropomorphic = menschvormig, menschachtig; Anthropomorphism, an-throupəmöfizm, het toeschrijven van menschelijken vorm en menschelijke eigenschappen aan de Godheid; vergelijken van dieren en planten met den mensch; Anthropophagi, an-threpofədžai, menscheneters; Anthropotomy, an-thrəpotəmi, ontleedkunde (van den mensch).

Anti, anti, tegen, strijdig met.

Antibacchius, antibakiəs, versvoet (– – ⏑).

Antibilious, antibiljəs = tegen de gal.

Antic, antik, kluchtig, grappig; subst. grappenmaker, hansworst; klucht, grimas.

Antichrist, antikraist, Antichrist; Antichristian, tegen het Christendom; vijand van het Chr.

Anticipate, antisipeit, anticipeeren (op), bij voorbaat doen, vooruitloopen op, voorzien, vooraf gevoelen, vooruit betalen, verhinderen; subst. Anticipation, antisipeiš’n: Beyond anticipation = boven verwachting; By (In) anticipation = bij voorbaat: He rejoiced in anticipation = al vooruit; Anticipative; Anticipatory = anticipeerend.

Anticlimax, antiklaiməks, of antiklaiməks, het belachelijk verhevene (in stijl).

Antidotal, antidoutəl, als tegengif dienend; Antidote = antidotum, tegengift.

Antidrinkist, antidriŋkist, afschaffer: My friend is both an anti-smokist and an Antidrinkist.

Antifebrile, antifebril of antifîbril, subst. geneesmiddel tegen de koorts; adj. koortsstillend.

Antifederal, antifed’rəl, tegen bondgenootschappelijke vereeniging; Antifederalism, antifederalisme; Antifederalist, antifederalist.

Antigropelos, antigropilos of antigropilouz, waterdichte lederen beenbeschermers, soort rijlaarzen.

Antilles (The), (dhi) antilîz, de Antillen.

Antilogy, antilədži, tegenstrijdigheid.

Antimacassar, antiməkasə, antimacassar.

Antimonial, antimounj’l, adj. antimoon...; subst. antimoniumhoudende medicijn; Antimony, antimoon.

Antinome, antinoum = Antinomy, antinəmi, antinomie.

Antioch, antiok, Antiochië; Antiochia, antiəkaiə.

Antipathetic(al), antipəthetik(’l), antipathiek; Antipathy, antipəthi, antipathie.

Antiphon, antifon = Antiphony, antifəni, antiphoon.

Antipodal, antipədəl, antipodisch; Antipode, antipoud, tegenvoeter; Antipodes, antipədîz, tegenvoeters: We stand distinctly at antipodes in our political views = wij staan lijnrecht tegenover elkaar; Antipodean = Antipodal.

Antipyretic, antip(a)iretik, subst. en adj. koortswerend (middel); Antipyrin(e), antipairin, antipyrine.

Antiquarian, antikwêrj’n, adj. oudheidkundig; Antiquary, antikwəri, oudheidkenner, antiquaar; Antiquated, antikweitid, verouderd; Antique, antîk, oud, ouderwetsch; subst. antiquiteit: A dealer in Antique furniture; subst. Antiqueness; Antiquity = oudheid, antiquiteit.

Antiseptic, antiseptik, bederfwerend (middel).

Antispasmodic, antispazmodik, subst. en adj. krampstillend (middel).

Antistrophe, Antistrophy, antistrəfi, antistrophe; Antistrophic, de antistrophe betreffend.

Antithesis, antithisis, tegenstelling; Antithetic(al), antithetik(’l), tegenstellend.

Antitype, antitaip, tegenbeeld, symbool; adj. Antitypic(al).

Antler, antlə, tak (van het gewei); Antlered = met een gewei, knoestig; Antlers, antləz, het gewei.

Antonomasia, antənəmeižə, antonomasia.

Antral, antr’l, hol...

Antwerp, antwɐ̂p, Antwerpen.

Anus, einəs, anus.

Anvil, anv’l, aambeeld: On the anvil = in voorbereiding; Between hammer and anvil = tusschen twee vuren.

Anxiety, aŋzaiiti, angst, bezorgdheid; benauwdheid; vurig verlangen; Anxious, aŋšəs, angstig, bezorgd; verlangend, begeerig: He is on the anxious seat = hij zit leelijk in de klem; I am anxious to increase my collection of stamps = verlangend; subst. Anxiousness = bezorgdheid; verlangen.

Any, eni, eenig (in zéér algemeenen zin) etc.: Have you any money for me? = ook? Is my father any better? = soms ook wat; (Verg. ’t Amer.: That don’t comfort me any = geen sier; Will that help you any? = in eenig opzicht; If I had slept any last night = ook maar een oogenblik); You have not been here any time = nog maar zoo kort; You will be welcome at any time, (anywhen) = te allen tijde, wanneer ge ook komt.

Anyhow, enihau, in elk geval, hoe dan ook; Anything = iets, wat dan ook, etc.: For anything I know = voor zoover ik weet; Like anything = zooveel mogelijk, dat het een aard heeft; That is too charming for anything = onbeschrijfelijk (weergaloos) bekoorlijk; Anything but = alles behalve; My clock is, if anything, fast = loopt in elk geval voor; Anything like forty times = lang geen 40 keer; He ceased to think of her as the most beautiful or the most anything woman = of superieur in wat opzicht dan ook; Anyway = hoe dan ook, in allen gevalle; Anywhere = ergens; Anywise = op eenigerlei wijze.

Aonian, eiounj’n, dichterlijk.

Aorist, eiərist, aoristus.

Aorta, eiöta, aorta; Aortic, tot de aorta behoorend.

Aoul, âûl, een Tartaarsch kamp.

Apace, əpeis, snel, vlug: Ill weeds grow apace = onkruid vergaat niet.

Apanage, apənidž, apenage, aandeel, afhankelijk gebied.

Apart, əpât, afgescheiden van, apart, anders dan anders: You cannot consider the one apart from the other = de beide dingen zijn niet te scheiden; subst. Apartness.

Apartment, əpâtm’nt, vertrek: Apartments, reeks vertrekken (als woning); Apartments to let = kamers te huur (ook fig.); Apartment house (Am.) = huizen in verdiepingen verhuurd met gemeenschappel. ingang.

Apathetic, apəthetik, apathisch; Apathy, apəthi, apathie, laksheid.

Ape, eip, subst. aap (zonder staart), naäper; verb. naäpen: The higher the ape goes, the more he shows his tail; An ape’s an ape, a varlet’s a varlet, tho’ they be clad in silk and scarlet = al draagt een aap een gouden ring, het is en blijft een leelijk ding; Apery = apenstreek; naäperij.

Apeak, əpîk, recht op en neer, bijna loodrecht = Apeek.

Apelles, əpelîz; Apennines, apənainz = Appenijnen.

Apepsia, əpepsiə, Apepsy, əpepsi, slechte spijsvertering.

Aperient, əpîriənt, subst. laxeermiddel; adj. laxeerend = Aperitive.

Aperture, apətjuə, opening, spleet.

Apetalous, əpetəlɐs, zonder bloemblad.

Apex, eipeks (Meerv. Apices, eipisiz, of Apexes, eipeksiz), toppunt.

Aphaeresis, əfîrisis of əferisis, aphaeresis.

Aphelion, əfîliən, aphelium.

Aphidian, əfidiən, adj. bladluis...; subst. = Aphis, eifis of afis, bladluis. (Mv. Aphides, afidîz).

Aphorism, afərizm, aphorisme; Aphoristic, aphoristisch.

Aphrodite, afrədaiti, de Grieksche Venus.

Aphtha, af-thə, spruw.

Aphyllous, əfiləs of afilɐs, bladloos.

Apiarian, eipiêriən, de bijen betreffend; Apiarist, eipjərist, ijmker; Apiary, eipjəri, bijenstal.

A-piece, əpîs, per stuk, elk.

Apish, eipiš, aapachtig, potsierlijk; subst. Apishness.

A-pit(-a)pat, əpit(ə)pat, met snel geklop.

Aplomb, əploŋ, aplomb.

Apocalypse, əpokəlips, Openbaring; Apocalyptic number = het getal 666.

Apocope, əpokəpî, apocope.

Apocrypha, əpokrifə, de apocryphe boeken (van het Oude Testament); Apocryphal = aprocief.

Apodictic, apədiktik, apodictisch.

Apogean, apədžîən: Apogean tides = Neap apogean; Apogee, apədži, apogaeum.

Apograph, apəgraf, afschrift.

Apollo, əpolou, Apollo: Apollo and the Nine.

Apollyon, əpoliən, Apollyon, (Openb. IX, 11).

Apologetic(al), əpolədžetik(’l), verontschuldigend; Apologist = apologeet; Apologize = zich verontschuldigen; Apology = apologie, verdediging, excuus: He made an apology = maakte excuus.

Apo(ph)thegm, apəthem, kernspreuk.

Apoplectic, apəplektik, beroerte...: Apoplectic fit (stroke) = aanval van beroerte; Apoplexy, apəpleksi, beroerte: A fit of apoplexy = aanval van beroerte.

Apostasy, əpostəsi, afvalligheid: Julian the Apostate = Juliaan de Afvallige; Apostatical, afvallig; Apostatize, afvallen.

Apostil, əpostil, kantteekening, naschrift.

Apostle, əpos’l, apostel: Acts of the Apostles = Handelingen d. Apostelen; Apostle-spoons = zilveren lepels, waarvan het handvatsel in het beeld van een apostel uitloopt (een gewoon geschenk van peetvaders bij het doopen); Apostleship, ambt v. apostel = Apostolate, əpostəlit; Apostolic = apostolisch: Apostolic fathers = Christelijke schrijvers ten tijde of onmiddellijk na de apostelen; Apostolic succession = machtsoverdracht van af de apostelen.

Apostrophe, əpostrəfi, aanspraak, toespraak, afkappingsteeken; Apostrophize, zich wenden tot; met een apostrophe voorzien.

Apothecary, əpothəkəri, apotheker (Schotl. en Amer.); soort van plattelands-heelmeester; Apothecaries’ Society = College, dat sedert 1874 examens afneemt en Licenses uitreikt (Zie Chemist): Apothecary’s Bill = apothekersrekening (fig.); Apothecary’s Latin = potjeslatijn.

Apotheosis, apəthiousis of apəthîəsis, verheerlijking; Apotheosize, apəthîəsaiz, verheerlijken.

Appal, əpôl, verschrikken, ontstellen.

Appanage = Apanage.

Apparatus, apəreitəs, apparaat, hulpmiddelen, uitrusting, organen: The digestive apparatus = de verteringsorganen.

Apparel, əpar’l, subst. de kleederen, gewaad; opschik; Apparel verb. kleeden, uitrusten, opschikken.

Apparent, əpêr’nt, blijkbaar, duidelijk; schijnbaar; rechtmatig: Heir apparent = rechtmatige troonopvolger; Apparent horizon = schijnbare horizon; Apparent time = ware tijd; Apparent from = blijkend uit.

Apparition, apəriš’n, verschijning, spooksel; Apparitional = schijnbaar, zichtbaar; spookachtig.

Apparitor, əparitə, deurwaarder, pedel.

Appeal, əpîl, subst. beroep, het recht van beroep, appel, dagvaarding; smeekbede: Appeal verb. appelleeren, zich beroepen op, smeeken: Lord Justice of Appeal = lid van Her Majesty’s Court of Appeal (Hof van Beroep); Without appeal = in laatste instantie; He gave notice of appeal = gaf kennis dat hij wou appelleeren; He appealed from this Court of Justice to the king’s mercy = hij appelleerde... van deze rechtbank op; The ministry will appeal to the country = zal de Kamer(s) ontbinden; appealable = vatbaar voor beroep.

Appear, əpîə, verschijnen, zichtbaar worden, duidelijk zijn, blijken (by, from): It would appear that = lijkt wel of; Appearance, verschijnen, voorkomen, aanblik, verschijnsel, vertoon: To keep up (save) appearances = den schijn redden; To keep up a proper appearance = fatsoenlijk voor den dag komen; He put in an appearance = kwam, verscheen.

Appeasable, əpîzəb’l, te bevredigen; Appease, əpîz, stillen, bevredigen; Appeasing remedies = pijnstillende.

Appellant, əpel’nt, appelleerend, het appèl betreffend: Party appellant = de appellant; subst. appellant; requestrant; Appellate = het appèl betreffend: Appellate Court = Hof. v. Beroep; Appellation, apəleiš’n, benaming, naam; Appellative: Appellative name = soortnaam; Appellee, beschuldigde, aangeklaagde; Appellor, əpelə, aanklager; King’s (Queen’s) Evidence; wraker v. partijdige Jury-leden.

Append, əpend, aanhechten, bijvoegen; Appendage = aanhangsel; Appendages = bijbehoorende terreinen; Appendant, bijgevoegd, begeleidend; subst. aanhangsel; afhankelijke; Appendicitis = blindedarmontsteking; Appendix = aanhangsel.

Apperception, apəsepš’n, apperceptie, waarneming, voorstelling met bewustheid.

Appertain, apətein, behooren tot, toebehooren; Appertainment = toebehooren.

Appetence, apətens, begeerte; attractie; Appetent = begeerig.

Appetite, apətait, eetlust, begeerte: To get an appetite = honger krijgen; To give an appetite = opwekken; To have an appetite; To sharpen one’s appetite = eetlust geven; To take away the appetite = benemen; The appetite is concealed under the teeth = al etende krijgt men eetlust; Appetitive (əpetitiv of apətaitiv): Appetitive power (faculty) = begeervermogen; An appetizing book = boeiend, smakelijk.

Applaud, əplôd, toejuichen; He was received with general applause (əplôz); Applausive = bijvals...

Apple, ap’l, appel: Apple of the eye; Apple of discord = twistappel; Apple-cart = appelkar; lichaam, wezen: To upset one’s apple-cart = een streep door de rekening halen; Apple-jack = appelcider (Amer.); Apple-john = appel, die lang goed blijven kan, doch dan ook rimpelig wordt; Apple-pie bed = bed, opzettelijk zoodanig opgemaakt, dat men zijn beenen niet kan uitstrekken; Everything is in apple-pie order = in volmaakte orde; Apple-tree; Apple-woman; Apple-yard = boomgaard.

Appliance, əplaiəns, toepassing, middel, toestel, toebehooren.

Applicability, aplikəbiliti, toepasselijkheid, bruikbaarheid, Applicable, toepasselijk (to); Applicant, sollicitant; requestrant; Application (= aplikeiš’n) toepassing (to) gebruik; ijver, vlijt; aanvraag, sollicitatie; For outward application = voor uitwendig gebruik; On application = bij inschrijving, op aanvraag; A personal (written) application; application for membership in a club; applications are invited for the post = sollicitanten worden opgeroepen; applications are to be made in writing = zich schriftelijk aan te melden.

Apply, əplai, leggen op, brengen aan; toepassen, aanwenden, gebruiken; zich wenden tot (to), solliciteeren (for), betrekking hebben op (to), van toepassing zijn; Apply oneself (to) = zich toeleggen op.

Appoint, əpôint, subst. saldo; Appoint verb. bepalen, bescheiden, bestemmen, aanwijzen, vaststellen, inrichten, benoemen, aanstellen: He was appointed governor of the town = aangesteld; I must hear the two voices in my breast; it has been appointed me = God heeft het bepaald, het is Zijn wil; Well-appointed = keurig; Appointee = vruchtgebruiker; Appointment = aanstelling, afspraak, honorarium, inrichting of uitrusting: He got his formal appointment = benoeming; Mr. B. by appointment! = die belet heeft laten vragen; Appointment-book = agenda; By appointment (tailor) to his Majesty = hofleverancier.

Apportion, əpöš’n, evenredig verdeelen, aanwijzen: The wages apportioned to this post = verbonden; Apportionment = verdeeling, toedeeling.

Appose, əpouz, leggen (drukken) op; tegenover elkaar stellen.

Apposite, apəzit, geschikt, voegzaam, te pas: This argument is apposite to the case in question = toepasselijk op; subst. Appositeness.

Apposition, apəziš’n, bijvoeging; bijstelling; adj. Appositional.

Appraisable, əpreizəb’l, taxeerbaar; Appraisal = schatting; Appraise, əpreiz, waardeeren, schatten; Appraisement = schatting, taxatie; Appraiser = taxateur, schatter.

Appreciable, əprîšiəb’l, schatbaar, merkbaar; Appreciate, əprîšieit, waardeeren, hoogschatten, op prijs stellen; verhoogen (toenemen) in prijs (Amer.); Appreciation, waardeering; prijsverhooging; Appreciative, waardeerend; Appreciatory = waardeerend, erkennend.

Apprehend, aprihend, vatten, grijpen, begrijpen, verstaan; onderstellen; duchten; Apprehensibility = begrijpelijkheid; adj. Apprehensible; Apprehension = bevatting; vrees: To be dull of apprehension = traag v. bevatting; He was in no small apprehension for his life = vreesde zeer voor; Apprehensive, bevreesd (of); bevattelijk.

Apprentice, əprentis, subst. leerjongen, leerling; Apprentice verb. in de leer doen: To bind (put) a person apprentice to = in de leer doen bij; I was apprenticed to a very kind master at a very moderate apprentice-fee = leergeld; Apprenticeship = leertijd (meest 7 jaar in Eng.).

Apprise, əpraiz, bekend maken met.

Approach, əproutš, subst. nadering; toegang, oprit; Approach verb. naderen, nabij komen, gelijken op; Approaches = loopgraven; To approach a subject = aanroeren; Some relative pronouns approach to demonstratives; Approachable, toegankelijk (ook fig.).

Approbate, aprəbeit, goedkeuren, machtigen; adj. (aprəbit) goedgekeurd; Approbation, goedkeuring: Sent on Approbation = op zicht; Approbation-bill = onteigeningsontwerp.

Appropriable, əproupriəb’l, toepasselijk; Appropriate, əprouprieit, verb. (zich) toeëigenen; voor een bepaald doel bestemmen, besteden: That sum was appropriated for buying furniture; The balance of the amount will be appropriated towards the sum due = het saldo van het bedrag zal in vermindering strekken van; He appropriated the thing to himself = eigende zich toe; Appropriate adj. (əproupriit) geschikt, voor een bepaald doel aangewezen; subst. Appropriateness; Appropriation, toeëigening, bestemming, aanwijzing, toestaan; Appropriative, strevend naar toeëigening; Appropriator, bezitter v. een prebende.

Approvable, əprûvəb’l, loffelijk; subst. Approvableness; Approval = goedkeuring: To be sent on approval = op zicht gezonden; Approve, əprûv, goedkeuren; toonen; aanbevelen; bevestigen: I cannot Approve (of) these means = goedkeuren; Time approves it true = heeft bewezen; Approved = beproefd: An approved method; An approved author = erkend schrijver; To approve oneself = blijken te zijn; To approve oneself to = zich aangenaam maken bij; Approvement = verbetering; Approver = King’s (Queen’s) Evidence.

Approximate, əproksimit, adj. naderend, bijna juist, bijna gelijk; Approximate verb. (əproksimeit) nabij komen, naderen; By approximation, bij benadering; Approximative = bij benadering.

Appurtenance, əpɐ̂tən’ns, aanhangsel, bijvoegsel, servituut; Appurtenant, bijbehoorend; toebehooren.

Apricot, eiprikot of aprikot, abrikoos.

April, eipril, April; jeugd; onbestendigheid: April-fool = Aprilgek: He made an April-fool of me; April-fool day = All Fools’ Day = 1 April.

Apron, eipr’n, schort, schootsvel; dekkleed, deksel op het zundgat van een kanon; de vette buikhuidbedekking v. eend of gans (Provinc.): He is tied to his wife’s apron-strings = hij zit onder de plak.

Apsis, apsis (Mv. Apsides, apsidîz), apsis (in astron. en archit.).

Apt, apt, bekwaam, gepast; onderhevig, geneigd; vlug, klaar; Aptitude, aptitjûd, geschiktheid, bekwaamheid, neiging = Aptness.

Apter, aptə, vleugelloos insect (Mv. Aptera); Apteran = Apterous, ongevleugeld.

Apulia, əpjûliə, Apulië; adj. Apulian.

Apyrous, əpairəs of apərɐs, vuurvast, onsmeltbaar.

Aquarelle, akwərel, aquarel; Aquarellist, aquarellist.

Aquarium, əkwêrj’m, aquarium; Aquarius, əkwêrjəs, de Waterman (Sterrenb.).

Aquatic, əkwatik, in of op het water levend, water...; waterplant; Aquatics = watersport; Aqueduct, akwidɐkt = (steenen) waterleiding.

Aquatint, akwətint, eikwətint, aquatinta; Aquatint verb. in aquatinta behandelen.

Aqueous, eikwiəs, waterig, waterachtig, water...: Aqueous rocks = sedimentair gesteente.

Aquiferous, əkwifərəs, waterhoudend; Aquiform, eikwiföm, in den toestand van water.

Aquiline, akwil(a)in, tot den arend behoorend, arends - -.

Arab, arəb, subst. Arabier; Arabisch paard; adj. Arabisch: Street aquilines = daklooze kinderen; Arabesk, Arabesque, arəbesk, subst. arabesk; adj. Moorsch, fantastisch; Arabesque verb. met arabesken versieren; Arabia, əreibjə, Arabian, əreibjn, Arabisch, Arabier: The Arabian Nights’ Entertainments = de Duizend en Een Nacht vertellingen; Arabic, arəbik, Arabisch; subst. Arabische taal: Arabic numerals; Arabist, arəbist, geleerde in Arabische taal en letteren.

Arable, arəb’l, beploegbaar, bebouwbaar.

Araby, arəbi, Arabië.

Araeometer, âriomətə, areometer.

Arbalist, âbəlist, voetboog; Arbalister, voetboogschutter.

Arbiter, âbitə, scheidsrechter, autoriteit; Arbitrage, âbitridz, arbitrage; adj. Arbitral = arbitraal: Arbitrariness = willekeur; Arbitrary, âbitrəri, willekeurig, despotisch, grillig: Arbitrary address = telegr. adres; Arbitrate = arbitreeren; Arbitration = arbitrage: Arbitration of exchange(s) = wisselarbitrage; Arbitrator = arbiter, despoot; Arbitratix = Arbitress = vr. scheidsrechter.

Arbor, âbə, boom; hoofdas; Arboreal, âbôriəl, Arboraceous, âbəreišəs, boomachtig, op boomen groeiend, boom....; Arboreous = Arboreal = met bosch begroeid; Arboretum, âbərît’m, wetenschapp. boomkweekerij; Arboriculture = boomkweeking; Arboriculturist = boomkweeker; Arborist, âbərist, boomkenner; Arborous: Arbor roof = loofdak. Arbour, âbə, priëel; berceau.

Arbuscle, âbɐs’l, dwergboompje, struik; Arbuscular, âbɐskjulə, heesterachtig; in bosjes; Arbustum = boschje, boomgaard; Arbute = Arbutus = aardbezieboom.

Arc, âk, cirkelboog: Electric arc-lamp = booglamp; Arc-light.

Arcade, âkeid, bogengang; winkelgalerij.

Arcadia, âkeidjə, Arcadië; Arcadian = Arcadiër; adj. = Arcadic, âkeidik, Arcadisch.

Arcanum, âkein’m, geheim; geheim geneesmiddel: Shall I reveal the arcana of that virgin breast = geheimen.

Arch, âtš, subst. boog, gewelf: Arch verb. zich welven, krommen, overwelven; Arch (of heaven) = hemelgewelf; Triumphal arch = eereboog; Archway = overwelfde gang; Arches Court = Court of Arches, hoogste geestelijk gerechtshof.

Arch, âtš = voornaamste, eerste, aarts ...; schalksch, snaaksch: Archangel, âkeinž’l, aartsengel; doove netel; Archangel (âkeinž’l); Archarchitect, âtšâkitekt, de Opperbouwheer des Heelals; Archbishop, âtšbiš’p, aartsbisschop; Archdeacon, âtšdîk’n, geestelijk hoofd van de 2 of meer deaconries waarin elk Bisdom is verdeeld; Archdiocese, âtšdaiesis, aartsbisdom; Archduke (Archduchy); Arch-enemy; Archetype, âkitaip, oorspronkelijk model of type; Arch-fiend, âtsfînd, de Satan; Arch-foe; Arch-heresy, âtšherəsi, aartsketterij; Arch-heretic; Arch hypocrite.

Archaeologer, âkiolədžə = Archaeologian; adj. Archaeologic(al); Archaeologist = archaeoloog; Archaeology, archaeologie, oudheidkunde.

Archaic(al), âkeiik(’l), oud, verouderd; Archaism, âkeiizm, verouderd woord (of uitdrukking).

Archer(ess), âtšə(rəs), mannelijke (vrouwelijke) boogschutter; Archery, boogschieten; boogschutters.

Archimagus, âkimeigəs, Perz. hoogepriester.

Archimedean, Archimedian, âkimîdiən, âkimidîən: Archimedean screw = schroef van A.; Archimedes, âkimîdiz, Archimedes.

Archipelago, âkipeləgou, archipel.

Architect, âkitekt, architekt; schepper: Every one is the architect of his own fortune = iedereen heeft zijn eigen geluk in zijn hand; Architectonic = Architectural, architectonisch; Architecture, âkitektjə, bouwkunde; Architrave = architraaf.

Archival, âkaiv’l, adj. archivarisch, archief ...; Archives, âkaivz, het archief: Municipal Archives; Archivist = Archivaris = Keeper of the Archives.

Archon, âk’n, Archont; Archonship = ambt van A; adj. Archontic.

Arctic, âktik, noordelijk; koud: Arctic circle = Noordpool(cirkel); Arctic expedition.

Ardency, âd’nsi, vuur, drift, ijver.

Ardennes, âden, (de) Ardennen.

Ardent, âd’nt, vurig, volijverig; Ardent spirits = alcoholische dranken; My most ardent wish = vurigste.

Ardour, âdə, vuur, gloed, ijver.

Arduous, âdjuɐs = steil; moeielijk; Arduousness, steilheid, etc.

Are, ɐ̂, Teg. tijd, meerv. van to be = zijn; subst. are = 119,6 vierk. yards.

Area, êriə, oppervlakte, gebied, terrein; de ruimte vóór een sousterrain in Engelsche huizen, die van de straat door een hek langs eene trap toegang geeft tot de keuken, etc.; Area-bell = keukenbel; Area-sneak = (insluip)dief.

Arena, ərînə, arena.

Arenaceous, arineišəs, zandig, brokkelig, dor; Arenarious, zandig; Arenose, arinous, arinous.

Areometer, ariomətə, areometer.

Areopagus, ariopəgɐs, Areopagus.

Argent, âdž’nt, zilverkleurig; subst. zilver, zilverwitte kleur; Argental, zilveren, zilverhoudend; Argentan = nieuw zilver; Argentiferous = zilverhoudend; Argentine, âdž’nt(a)in, zilveren, luidklinkend; Argentijnsch; subst. verzilverd nieuwzilver; zilvervisch; Argentijn; Argentina, Argentinië.

Argle-bargle, âg’lbâg’l = redetwisten.

Argonaut, âgənôt, Argonaut; nautilus.

Argosy, âgəsi, karaak.

Arguable, âgjuəb’l, bewijsbaar; betwistbaar; Argue, âgju, redeneeren, redetwisten, debatteeren, getuigen van, overreden: It was no use to argue the point = bespreken; He argued me into = bracht mij door overreding tot; Argument, âgjument, argument, bewijs, bewijsgrond; onderwerp eener discussie; hoofdinhoud: Don’t start an argument = begin geen discussie; Argumentation = bewijsvoering; Argumentative = bewijzend, logisch; polemisch; subst. Argumentativeness.

Argus, âgəs, Argus: Argus-eyes; Argus-eyed.

Argyle, âgail, stad.

Aria, âriə, aria.

Arian, êriən, Ariaansch; subst. een aanhanger van Arius; Arianism, Arianisme.

Arid, arid, dor, onvruchtbaar; Aridity, dorheid, etc. = Aridness.

Ariel, êriəl; Aries, êriîz, Ram (sterrenb.); rammei.

Aright, ərait, recht: To set aright = recht zetten, in orde brengen.

Arise, əraiz, opstaan, zich verheffen, verschijnen, ontstaan; zich verzetten (against).

Arista, əristə, baard (der korenaren); stekel.

Aristarch, aristâk, Aristarch.

Aristocracy, aristokrəsi, aristocratie; Aristocrat, aristəkrat, aristəkrat; Aristocratic(al), aristocratisch.

Aristotelean, Aristotelian, aristətîliən = van Aristoteles (Aristoteles of Aristotle) = Aristotelic.

Arithmetic, ərith-mətik, rekenkunde, rekenboek, rekenen, getalleer: Commercial (Mercantile) Arithmetic = handelsrekenen; Mental arithmetic = uit ’t hoofd rekenen; Arithmetic(al), arithmetik(’l), rekenkundig; Arithmetician, rekenaar; Arithmometer = rekenmachine.

Ark, âk, ark; het biezen mandje, waarin Mozes lag; soort platboomd rivier vaartuig (Amer.): The Ark of the Covenant = de Arke des Verbonds; Noah’s Ark (ook v. speelgoed).

Arkansas, âkansəs, Arkansas.

Arm, âm, subst. arm, wapen, macht; Arm verb. wapenen, versterken, voorzien van: With one’s arms across = With folded arms; An infant in arms = nog op arm gedragen kind; At arm’s length; Arm in arm; Right arm = rechterhand (fig.); Secular arm = wereldl. macht, overheid; Soldiers of the same arm = wapen; The cavalry arm = het wapen der cav.; Arms, wapenen; wapen: Coat-of-arms = familiewapen; Master at Arms = provoostgeweldiger; Stand of arms = geweer met bajonet, patroontasch, etc.; volledige uitrusting; To call to arms = te wapen roepen; All the nations were in arms against France = traden gewapend op tegen; The people was under arms = onder de wapenen; Shoulder, carry arms = over, schouder ’t geweer; The whole force stood to arms = was in ’t geweer; Armed at all points = van ’t hoofd tot de voeten; Arm-chair = armstoel; adj. theoret., doctrinair, dilettant: Arm-chair critics; Arm-chair authorities, etc.; Arm-hole = armsgat; Arm-pit = oksel; Arm-rack = wapenrek; Armful = armvol; Armless = zonder wapenen of armen.

Armada, âmeidə, armada.

Armadillo, âmədilou, gordeldier; oproller (insect).

Armament, âməment, krijgstoerusting; krijgsmacht.

Armature, âmətjuə, uitrusting, bewapening, armatuur; pantser, versterking.

Armenia, âmînjə, Armenië; Armenian, Armenisch; Armeniër.

Armiger, âmidžə, wapendrager, schildknaap.

Arminian, âminj’n, Arminiaan.

Armistice, âmistis, wapenstilstand.

Armlet, âmlət, armpje, inham; armring, armstuk.

Armorial, âmôriəl: Armorial bearings = wapenschild; subst. wapenboek.

Armour, âmə, wapenrusting, harnas, pantser, beslag; Armour verb. pantseren, uitrusten: Armour-bearer = Armiger; Armour-clad = gepantserd; Armour-plate = pantserplaat; Armoured train = gepantserd; Armourer = wapensmid, geweermaker; Armoury = arsenaal; wapenfabriek (Amer.).

Armstrong, âmstroŋ, uitvinder van het Armstrong gun.

Army, âmi, leger, menigte, zwerm: Army-chaplain = veldprediker; Army corps; Army examination = toelat. exam. voor een mil. school; Army list = ranglijst; Army men = officieren.

Arnaut, Arnaout, ânaut, ânaut; Arnold, ânəld, Arnold, Arnout.

Arnut, ânət, aardnoot, aardakker.

Aroma, əroumə, aroma; Aromatic, aromatisch: Aromatics = specery; Aromatize = kruiden, geuren.

Arose, ərouz, imperf. van to arise.

Around, əraund, in ’t rond, rondom, omheen: I’ll get around you = ’k zal je wel vinden.

Arouse, ərauz, opwekken, aansporen, (doen) ontwaken, in beroering (opschudding) brengen.

Arow, ərou, op eene rij, achtereenvolgens.

Aroynt thee, ərôint dhî, scheer je weg.

Arquebus, âk(w)əbɐs, haakbus, oud vuurroer; Arquebusier âkwəbəsîə, busschieter: Officers of Arquebusiers of St. George (St. Andrew) = van den Jorisdoelen (Adriaansdoelen).

Arrack, arək, ərak, arak.

Arraign, ərein, voor een rechtbank roepen, beschuldigen, aanklagen: Clerk of Arraigns = ambtenaar belast met het opmaken van de aanklacht; Arraignment, aanklacht, etc.

Arrange, əreinž, schikken, regelen, in orde brengen, arrangeeren (muz.), afspreken: I have arranged for it = ik heb maatregelen genomen; Arrangement = schikking, inrichting.

Arrant, ar’nt, erg, doortrapt, aarts...: He is an arrant fool = groote gek (= in één woord: een gek).

Arras, arəs, tapijt (als behang in vroeger tijd); Atrecht; Arrased = met arras behangen.

Array, ərei, subst. slagorde, gelid; troepen; kleeding, dos, kleederpracht; installeeren der jury, de geïnstalleerde jury; Array verb. (in slagorde) opstellen; de juryleden oproepen en installeeren; uitdossen: To challenge the array = de lijst der juryleden wraken.

Arrear, ərîə, achterstallige schuld (doorgaans mv.): I am in arrears = achterop met het betalen mijner schulden; That sum is in arrears = nog niet betaald.

Arrest, ərest, verb. tegenhouden, stuiten; arresteeren; boeien; subst. inhechtenisneming, beslag; To arrest a fire = stuiten; To arrest the attention (the eyes) = boeien; Arrested development = belemmerde ontwikkeling; Open arrest = kamerarrest; Under (an) arrest = in arrest; To put (place) under arrest; To lay arrest on = beslag leggen op.

Arret, ərei of əret, de beslissing van eene rechtbank, arrest; decreet, edict.

Arris, aris, scherpe kant: Arris-beam = graatbalk; Arris-gutter = V-vormige goot; Arris-wise, diagonaal.

Arrival, əraiv’l, aankomst, aangekomene, aangekomen schip, aanvoer: The man was looking through the arrivals = keek eens na, wat (wie) (in)gekomen was; Arrival book = vreemdelingenboek; Arrive, əraiv, aankomen, bereiken, verkrijgen: Edison has arrived and is world-famous = E. heeft zijn pogingen bekroond gezien; To arrive at a conclusion = komen tot.

Arrogance, arəgəns, aanmatiging; Arrogant = aanmatigend; Arrogate, arəgeit, zich aanmatigen, wederrechtelijk toeëigenen.

Arrow, arou, pijl: Broad arrow = pijlvormig teeken op wapenen, mijlsteenen en tuchthuiskleeren: Arrow-head = pijlspits; Arrow-root = pijlwortel; arrowroot.

Arry, ari, plat Londenaar uit de volksklasse; Arriet, ari-it, diens meisje.

Arse, âs, aars.

Arsenal, âsən’l, arsenaal.

Arsenic, âs’nik, âsənik, subst. arsenicum, rattenkruid; adj. (âsenik): Arsenic acid = arseenzuur; Arsenious acid, âsîniəsasid, arsenigzuur.

Arsis, âsis, rijzende stembuiging, arsis.

Arson, âs’n, brandstichting (Jur.).

Art, ât, kunst, bekwaamheid, handigheid; list: Applied art = kunstnijverheid; High art = ‘in stijl’; To be art and part in = deelachtig zijn aan; Fine (Polite) arts = de schoone kunsten; Liberal arts = de vrije kunsten; Master of Arts = een acad. graad, die zonder examen aan Bachelors wordt verleend als ze nog drie jaar ‘aan’ zijn gebleven; Art-school = teekenacademie; Art-union, vereeniging voor kunst; Artful, artistiek; geslepen; subst. Artfulness; Artless, smakeloos; ongekunsteld, argeloos; subst. Artlessness.

Artemisia, âtimižə, Artemisia; alsem.

Arterial, âtîriəl, slagaderlijk: Arterial blood = slagaderlijk bloed; Through the lungs venous blood is arterialized = door de longen wordt aderlijk in slagaderlijk bloed veranderd; Artery, âtəri, slagader, hoofdkanaal, hoofdader.

Artesian, âtîžən, Artesisch: Artesian well = ... put.

Arthur, âthə, Arthur; adj. Arthurian.

Artichoke, âtitšouk, artisjok.

Article, âtik’l, subst. artikel, post, voorwerp, substantie, lidwoord (gramm.): Articles = contract, monsterrol; Article verb. door artikelen vaststellen, door bepaalde voorwaarden verbinden, vaststellen: You are a nice article = fijn heer; The genuine article = je ware! What is the next article? = verlangt u nog iets (in winkels)? Articles of association = statuten; Articles of war = krijgsartikelen; I was articled there = op bepaalde voorwaarden aangenomen; Articled to a firm; An articled clerk = een klerk die een bepaalde som (premium) betaalt aan den solicitor bij wien hij in de leer is.

Articular, âtîkjulə, tot de gewrichten behoorend, gewrichts - -: Gout is an articular disease = gewrichtskwaal; Articulate, âtikjulit, adj. geleed; gearticuleerd; duidelijk; Articulate verb. âtikjuleit, articuleeren, geleed verbinden; Articulateness = duidelijkheid; Articulation, geleding, articulatie.

Artifice, âtifis, kunst; streek; Artificer, bedreven werkman (vooral in tech. vakken); schepper; Artificial = kunst(vaard)ig, kunstmatig; geveinsd, gemaakt: Artificial arms, Artificial eyes = kunst - -; Artificial florist = kunstbloemenmaker; Artificial numbers = logarithmen; subst. Artificiality = Artificialness = gekunsteldheid.

Artillerist, âtilərist, artillerist; Artillery, âtîləri, artillerie, zwaar geschut: Captain A. of the artillery; Artillery-butt = kogelvanger; Artillery-driver = stukrijder; Artilleryman = artillerist; Artillery practice = oefening met de kanonnen.

Artisan, âtiz’n, âtizan, werkman; Artisan house; Artisans’ dwellings.

Artist, âtist, kunstenaar; Artistic(al), âtistik(’l), artistiek; Artiste, âtîst, artiest.

Artocarpus, âtəkâpəs, broodvruchtboom.

Arundel, ar’ndəl of ərɐnd’l (Amer.).

Aryan, êriən, âriən, Arisch; subst. Arische taal, Ariër.

Arytenoid, aritînôid, bekervormig (kraakbeen van het strottenhoofd).

As, az, gelijk, zooals, toen, terwijl, aangezien, als, bij voorbeeld: As far as I know = voor zoover; As if = alsof; He told me As much = zulks; As to (As for) = wat betreft; As though = alsof; As yet = nog, totnutoe; As I live = zoowaar; As it were, als ’t ware; I might as well go = ik kon wel eens gaan; She has enough to bear as it is = toch al genoeg; He had had to retrench as it was = toch al.

Asafoetida, asəfetidə, duivelsdrek.

Asbest(os), azbest(os), asbest(os), asbest, steenvlas; Asbestic, asbest...; Asbestine = asbest....; onverbrandbaar; Asbestous = Asbestic.

Ascend, əsend, opklimmen, opstijgen, teruggaan tot, opstaan, opgaan, beklimmen; opvaren: They ascended the hill = zij beklommen; Ascendable = beklimbaar, enz.; Ascendancy, overwicht, invloed: Nature has an ascendency over logic = de natuur gaat boven de leer; Ascendant = opklimmend, stijgend, superieur; subst. overwicht, invloed, hoogte, horoscoop: His star is in the ascendant = zijn geluksster gaat op; He has the ascendant over me = hij heeft overwicht over mij; Ascendency = Ascendancy; Ascension = (be)stijging, hemelvaart (van Jezus): Ascension Day = Hemelvaartsdag.

Ascent, əsent, beklimming, opgaan, opkomst, stijging, hoogte.

Ascertain, asətein, zich vergewissen, vaststellen, vernemen; Ascertainable, vast te stellen; Ascertainment, vaststelling, etc.

Ascetic, əsetik, ascetisch, streng, vroom; subst. asceet, kluizenaar; Asceticism, ascetisme; Ascetical = Ascetic.

Ascham, ask’m: Roger Ascham, een schrijver (1515–68).

Asci, asai, Ascians, asiənz, schaduwloozen.

Ascribable, əskraibəb’l, toe te schrijven; Ascribe, əskraib, toeschrijven aan; Ascription = toeschrijving.

Asexual, əsekšuəl, geslachtloos.

Ash, aš, esch; adj. van esschenhout = Ashen.

Ash, aš, subst. asch: Cigar (pipe, tobacco) ash; Volcanic ash(es); Ashes = asch (ook fig.): Peace to his ashes; To lay in ashes; Sitting in dust and ashes; Pale as ashes = Ashen pale; To grow ashen = doodsbleek worden; Ash-bin = aschvat; Ash-box, Ash-bucket = aschbak, aschemmer; Ash-pan = aschbak; Ash-path = asphalt wielerbaan; Ash-pit = aschkuil, aschbak; Ashputtel = Asschepoester; Ash-tray = aschbakje; Ash-Wednesday ašwenzdi, Aschdag; Ash-weed, ašwîd, geitebaard (plant); Ashy = aschkleurig.

Ashamed, əšeimd, beschaamd: To be ashamed of = zich schamen over.

Ashlar, Ashler, ašlə, hardsteen; hardsteenen façade; Ashlaring = hardsteenen muur; dakbetimmering; arduin.

Ashore, əšö, aan (naar) wal; gestrand: To go ashore = landen; ook = To run ashore = stranden.

Asia, eišiə, Azië; Asiatic, Aziatisch; Aziaat.

Aside, əsaid, adv. ter zijde, aan eene zijde: To earn large sums aside = er bij verdienen op minder eerlijke manier; To lay (put) aside = overleggen, sparen; This is aside from the question = staat buiten de kwestie; subst. terzijde.

Asinine, asin(a)in, ezelachtig, ezels - -; Asininity, ezelachtigheid.

Ask, âsk, vragen, verzoeken, verlangen, uitnoodigen: To ask about = naar; To ask after = naar; To ask again (back) = terug; To ask for = naar, om; I asked a penny of him, I asked him for a penny = om; To ask (for) nothing better = niets liever willen; To ask to dinner; A thing to be asked and had = voor het vragen (= To be got for the asking); An asking child = dat veel vragen doet; I could have it for the asking = ik heb het maar voor ’t vragen; To ask in church = ’t voorgenomen huwelijk afkondigen.

Askance, əskâns, Askant, əskânt, schuins, van terzijde: He looked askance at me = scheel, jaloersch.

Askew, əskjû, schuins, scheef, verachtelijk.

Aslant, əslânt, schuins, dwarsover: To hang aslant.

Asleep, əslîp, in slaap; ontslapen: He was fast (sound) asleep = in diepe rust; To fall (To rock) asleep.

Aslope, əsloup, hellend.

A-smear, əsmîə, bevuild.

Asp, asp, (Aspic, aspik), aspis, adder; esp(eboom), ratelpopulier; adj. Aspen: To tremble like an aspen leaf; Asp tree = esp.

Asparaginous, aspəradžinəs, asperge - - -; Asparagus, əsparəgɐs, asperge.

Aspect, aspəkt, gezicht(spunt), oogpunt, zijde, kant, licht; stand; uitzicht; voorkomen; ligging: The house has a southern aspect = ligt op het Zuiden.

Asper, aspə, subst. spiritus asper.

Asperity, əsperiti, ruwheid, scherpheid, norschheid.

Asperge, aspɐ̂dž = besprenkelen; ook subst. = Aspergill(um), aspədžil(’m), wijwaterkwast.

Asperse, əspɐ̂s, belasteren, bezwalken; besprenkelen: Who dared asperse my friend’s character? Aspersive = lasterlijk; He has cast shameful aspersions on this man = schandelijk belasterd; Aspersorium = wijwaterbekken.

Asphalt, asfalt, əsfalt, asphalt: Asphalt pavement; Asphaltic (= Asphaltite): Asphaltic cement; The Asphaltites Lake, dhiasf’ltaitîzleik = Doode Zee.

Asphodel, asfədel, affodil; Asphodelian = hemelsch.

Asphyxia, əsfikš(i)ə; Asphyxial, verstikkings - -; Asphyxiate = doen stikken; Asphyxiation = verstikking; Asphyxiator, (koolzuur) bluschapparaat; Asphyxy = Asphyxia.

Aspic, aspik, spijk (gr. lavendel); soort vleesch- of vischspijs. Zie Asp.

Aspirant, əspair’nt, eerzuchtig; subst. aspirant, kandidaat: Stiff aspirants = zware concurrenten.

Aspirate, aspirit, subst. eene geaspireerde letter; spiritus asper; adj. geaspireerd; Aspirate verb. (aspireit) aspireeren; Aspiration = aspiratie, streven, verlangen; Aspirator = aspirator; Aspiratory: Aspiratory organs = ademhalingswerktuigen.

Aspire, əspaiə, streven, trachten naar (after).

Asportation, aspöteiš’n, wederrechtelijk ontvoeren van goederen.

Asquint, əskwint loensch; heimelijk.

Ass, as, ezel, domkop: Asses’ bridge = het eerste moeielijk vraagstuk (Prop. 5.) in Euclides; iets waarmee een domoor niet terecht kan; To make an ass of = voor den mal houden; To make an ass of oneself = zich ezelachtig gedragen.

Assagai, asegai, assagaai.

Assail, əseil, aanvallen, bestormen; Assailable, aantastbaar; Assailant = Assailer, aanvaller.

Assassin, əsasin, sluipmoordenaar; Assassinate, vermoorden; Assassination = (sluip)moord.

Assault, əsôlt, subst. aanval, bestorming; persoonlijk geweld, ordeverstoring, belemmering van ambtenaren; Assault verb. aanvallen, bestormen, aanranden: Indecent assault = aanranding; Assault at (of) arms = militair assaut; Assaulter, aanvaller.

Assay, əsei, subst. onderzoek, toets; de te onderzoeken stof; Assay verb. onderzoeken, toetsen, keuren, beproeven: Assay balance = justeerbalans; Assay-master = essayeur = Assayer = essayeur.

Assemblage, əsemblidž, verzameling; verbinding; Assemble, əsemb’l, samenbrengen, vereenigen, vergaderen; Assembly, əsembli, verzameling, bijeenkomst; wetgevende vergad. (Amerik.); partij, bal (in een ’kursaal’); signaal om te ‘verzamelen’: The assemblage was blown (sounded); General Assemblage = Presbyteriaansche synode; Assemblage-man = lid eener wetgevende vergadering; Assemblage-room = bal-, concert-, ‘kursaal’.

Assent, əsent, subst. toestemming, goedkeuring, berusting; Assent verb. toegeven, toestemmen: The Royal Assent = koninklijke goedkeuring; She assented to it = vond het goed; Assentient, əsenšent, toestemmend; ook subst. Assentor.

Assert, əsɐ̂t, beweren, verklaren, laten gelden, handhaven: The man has asserted his influence = doen gelden; Assertable = Assertible, verdedigbaar; Assertion, bewering, etc; Assertive, positief, bevestigend: Self-Assertive = zelfbewust, aanmatigend.

Assess, əses, belasten, schatten, bepalen, vaststellen: To be Assessed on a sum = aangeslagen voor; Assessable: The income Assessable to income-tax = belastbaar; Assessment = schatting, belasting, etc.: Assessment on capital = vermogensbelasting; Assessor, assessor, schatter: Assessorship.

Assets, asəts, de activa: Personal assets = nalatenschap in roerend goed; Real assets = nalatenschap in onroerend goed; Assets and liabilities = actief en passief; We consider this as an asset which the liberals have secured by their labour and devotion = goed, voordeel.

Assever(ate), əsevə(reit), verzekeren, betuigen; Asseveration, plechtige verzekering.

Assident, asid’nt, bijkomend; subst. bijkomend symptoom: Assident signs (symptoms) = bijkomende symptomen.

Assiduity, asidjûiti, onverdroten ijver, vlijt; Assiduities (steeds meerv.) = dienstvaardigheid, attenties; Assiduous = volhardend, ijverig; subst. Assiduousness.

Assign, əsain, subst. iemand, wien eigendommen worden overgedragen of toegewezen; Assign verb. toewijzen, overdragen, bepalen, aanwijzen: Assigned to his use = hem ten gebruike aangewezen; To assign a person a share in a business = iem. in eene zaak opnemen; Assignable = toe te schrijven, aan te wijzen; Assignation, asigneiš’n, toewijzing, afspraak, overdracht; oproeping; Assignee, asinî, curator, gevolmachtigde, boedelberedderaar; executeur: Assignee in bankruptcy = curator; Assignee in law = door de Rechtbank aangesteld curator; Assignment, toewijzing, overdracht; assignatie.

Assimilable, əsimiləb’l, geschikt tot assimileeren; Assimilate, əsimileit, (zich) assimileeren, gelijk maken (worden, zijn); Assimilation, assimilatie.

Assist, əsist, helpen, bijstaan, steunen: Assist at = bijwonen: To assist at a ceremony; Assistance = hulp: To give (lend, render) assistance; They came to my assistance = mij ter hulp; Assistant = assistent: Chief assistant = eerste onderwijzer; Head assistant, eerste bediende; Assistant master = onderwijzer, secondant, leeraar.

Assize, əsaiz, subst. rondgaande rechtbank; vastgesteld gewicht, vastgestelde maat of prijs van levensmiddelen; Assize verb. den prijs of het gewicht bepalen, vaststellen (van eene belasting); Assize of bread; Assizes, əsaiziz, zitting der rondgaande rechters (minstens tweemaal per jaar in de 10 circuits, waarin Engeland en Schotland hiertoe zijn verdeeld); Assizement = inspectie van maten en gewichten; vaststellen der prijzen.

Associability, əsoušiəbiliti, vereenigbaarheid; adj. Associable = sympathisch; Associate, əsouši-it, verbonden, begeleidend; subst. metgezel, kameraad, bondgenoot, deelgenoot, lid (een rang lager dan Fellow of Member); Associate verb. əsoušieit, vereenigen, verbinden, vergezellen: To associate oneself = eene vennootsch. aangaan, omgaan met; Association = verbinding, vereeniging, associatie: Association foot-ball, volgens de regels van de Football Association van 1863 volgens welke de bal niet met de handen mag worden aangeraakt.

Assonance, asənəns, assonantie; Assonant = assoneerend; Assonate = assoneeren.

Assort, əsöt, (as)sorteeren, overeenstemmen (with); verkeeren (with): An assorted cargo; Assortment, assortiment.

Assuage, əsweidž, verzachten, lenigen, doen bedaren; Assuagement, verzachting, verzachtend middel.

Assuan, aswân.

Assume, əsiûm, aannemen, zich aanmatigen, zich toeëigenen; op zich nemen, eischen, aantrekken, voor waar aannemen: He assumeed the reins, command = nam op (zich); To assume the debts of a person = overnemen; To assume the responsibility; To assume a discourse = het woord nemen (Amer.); Assumedly = vermoedelijk.

Assumption, əsɐmš’n, aanneming, opneming, overname, onderstelling, toeëigening, aanmatiging; Assumtie (15 Aug.); opvatting; Assumptive, aangenomen, vooropgesteld; aanmatigend.

Assurance, əšur’ns, verzekering, zekerheid; driestheid, zelfvertrouwen, onbeschroomdheid, onbeschaamdheid; Assure, əšuə, verzekeren, assureeren (van het leven; van andere dingen insure en insurance); Assured, verzekerd, zeker, zelfbewust, driest; Assurer, verzekeraar; verzekerde; Assuring = geruststellend.

Assyria, əsiriə, Assyrië; Assyrian, Assyriër, Assyrisch; Assyriologist; Assyriology.

Aster, astə, aster.

Asterisk, astərisk, sterretje (*). Asterism, astərizm, gesternte; driestar ⁂.

Astern, əstɐ̂n, achter (naar of van achteren): To drop (fall) astern = achteruit zakken; Half-speed astern, Slow astern, Stop!

Asteroid, astərôid, asteroïde.

Asthma, as(t)mə, asthma; Asthmatic, asthmatisch (mensch); adj. = Asthmatical.

Asthore, astö, lieveling (Iersch).

Astir, əstɐ̂, in beweging: At five o’clock we were all astir = bij de hand.

Astonish, əstoniš, verbazen, versteld (raar) doen staan (opkijken); Astonishment, verbazing.

Astound, əstaund, ontzetten, ten hoogste verbazen.

Astrac(h)an (Astrakhan), astrakân, astrakan.

Astraddle, əstrad’l, schrijlings.

Astragal, astrəgal, astragaal; kootbeen = Astragalus.

Astral, astr’l, sterre - -: Astral body = astraallichaam (Theosophie); Astral lamp = astraallamp.

Astray, əstrei, verdwaald: To be astray in one’s reckoning = in de war zijn; To go astray = verdwalen; To lead astray = op een dwaalspoor (verkeerde wegen) leiden.

Astrict, əstrikt, samentrekken, verstoppen, beperken; Astriction, samentrekking, etc.; Astrictive, samentrekkend.

Astride, əstraid, schrijlings: Astride of a chair.

Astringency, əstrinž’nsi, samentrekkende eigenschap; gestrengheid; Astringent, əstrinž’nt, samentrekkend, streng; stoppend (middel).

Astrolabe, astrəleib, astrolabium.

Astrologer, əstrolədžə, sterrenwichelaar; adj. Astrologic(al); Astrology, sterrenwichelarij.

Astronomer, əstronəmə, sterrenkundige; Astronomic(al) = sterrenkundig; Astronomy = sterrenkunde.

Asturian, əstjûriən, Asturisch; Asturiër; Asturias, əstjûrias, Asturië.

Astute, əstjût, slim, sluw, schrander; Astuteness = slimheid, etc.

Asunder, əsɐndə, vaneen, gescheiden: To break (cut, fall, go, rend) asunder.

Asylum, əsail’m, asyl, toevluchtsoord: Lunatic asylum = krankzinnigengesticht; Orphan asylum = weeshuis; Asylum for the deaf and dumb (for homeless poor) = doofstommeninstituut (asyl voor dakloozen).

Asymmetric(al), asimetrik(’l), asymmetrisch; subst. Asymmetry.

Asyndeton, əsindət’n, asyndeton.

At, at, tot, te, aan, op, in, bij, van, etc.: At all = soms, nog: If I come at all; Not at all = geenszins; At break of day = bij het aanbreken; At first = in den beginne; At full gallop; At your hands = van u; At haphazard = op goed geluk af; At home = tehuis; ontvangdag; adv. thuis, op zijn gemak; At last, At length = eindelijk, ten slotte; To be at law = procedeeren; To be at a loss = verlegen; At most = op zijn hoogst; At once = ineens, zoowel als: At once his aunt and housekeeper; At one: To be at one = het eens zijn; At peace = in vrede; At sea = op zee; in ’t onzekere, de plank mis, in de war; At that = en als zoodanig: A third-rate entertainment and dull at that = en als zoodanig, en dan nog saai; At war = in oorlog; I did not know what he would be at = heen wilde; The majority was returned at 152 = bedroeg; The house rose at her = de aanwezigen stonden op bij hare binnenkomst.

Atabal, atəb’l, Moorsche keteltrom.

Ataghan, atəgan, jatagan, kromme Turksche dolk.

Ataunt(o), ətônt(ou) = met alle zeilen bij: To put ataunt = in orde brengen.

Atavism, atəvizm, atavisme, erfelijkheid; Atavistic, atavistisch.

Ate, eiti.

Ate, et of eit, Past Imp. van to eat.

Atelier, atəlîə of əteljə, atelier.

Athanasian, athəneiž’n, van Athanasius: The Athanasian Creed; subst. aanhanger van die leer.

Atheism, eithiizm, Atheisme; Atheist, atheist; Atheistic(al), atheistisch.

Athelstan, ath’lstən.

Athen(a)eum, athənîəm, athenaeum.

Athenian, əthînj’n, Athener; Atheensch; Athens, ath’nz, Athene.

Athirst, əthɐ̂st, dorstig; gretig: Athirst (for).

Athlete, athlît, athleet; Athletic, athletisch: Athletic club (games, sports); Athletics = athletiek; Track athletics = oefeningen in hardloopen; Athleticism, Athletism = krachtsport, spierkracht.

Athwart, əthwöt, overdwars, dwars, scheef: Athwart the stream = dwarsstrooms.

Atilt, ətilt, voorover (gebogen), wankelend, met gevelde lans: To run atilt = aanvallen (at).

Atkins, atkinz: Tommy Atkins = algemeene naam voor den Engelschen soldaat.

Atlantean, atəntîən, atlantisch; Atlas - -; Atlantes, atlantîz, Atlanten.

Atlantic, atlantik, Atlantisch; subst. Atlantische Oceaan = Atlantic Ocean.

Atlantides, atlantidîz, de Pleiaden.

Atlas, atləs, Atlas; atlas (ook de stof); atlas formaat (= Atlas-folio); eerste halswervel.

Atmology, ətmolədži, verdampingsleer; Atm(id)ometer, atm(id)omətə, verdampingsmeter.

Atmosphere, atməsfiə, dampkring; omgeving; Atmospheric: Atmospheric engine = luchtdrukmachine; Atmospheric stone = meteoor.

Atoll, ətol of atəl, atol.

Atom, at’m, atoom; zonnestofje; Atomic = atoom ...; Atomism = atoomtheorie; Atomize = in atomen ontleden; Atomology; atoomtheorie; Atomy = skelet, dwerg.

Atone, ətoun, boeten, vergoeden, verzoenen; Atonement = verzoening, boete: Atonement Day = Groote Verzoendag.

Atop, ətop, bovenop (of).

Atrip, ətrip, uit (vrij van) den grond (van een anker); in top geheschen: The bells in the tower were all atrip = zoo hoog mogelijk opgetrokken, dus: werden hard geluid.

Atrium, eitriəm, atrium.

Atrocious, ətroušəs, afgrijselijk, gruwelijk, wreed, verfoeilijk; Atrocity, afgrijselijkheid.

Atrophy, atrəfi, subst. atrophie; verb. uitteren, wegkwijnen.

Attach, ətatš, (vast)hechten, verbinden, vastknoopen, gevangen (in beslag) nemen; attacheeren: Eternal shame would have attached to England for allowing such barbarity = het zou E. tot eeuwige schande gestrekt hebben; This penalty attaches to offenders = wordt gegeven aan; Attachable = verbindbaar, enz.; Attachment, verbinding, aanhankelijkheid, liefde; arrest, beslag.

Attack, ətak, subst. aanval; Attack verb. aanvallen; Attacker, aanvaller.

Attain, ətein, bereiken, verkrijgen: He Attained his end = bereikte zijn doel; Attainability, bereikbaarheid; Attainable, bereikbaar, verkrijgbaar; subst. Attainableness; Attainment, bereiking, het verkregene; Attainments = kundigheden, talenten.

Attainder, əteində, eerverlies: A Bill of Attainder was brought into Parliament = wetsontwerp tot gevangenneming en verlies van burgerschapsrechten wegens hoogverraad.

Attaint, əteint, subst. smet; Attaint verb. bevlekken, besmetten, bezoedelen, van verraad beschuldigen; vervallen verklaren van zijne rechten; Attaintment = Attainture = eerverlies.

Attar, atə, essence.

Attemper, ətempə, matigen, temperen, verzachten, vermengen, geschikt maken voor.

Attempt, ətem(p)t, subst. poging; aanslag; Attempt verb. trachten, pogen, aanvallen, een aanslag doen: Attempted murder = poging tot moord; They attempted (made an attempt upon) the life of the king = deden een aanslag op.

Attend, ətend, vergezellen, oppassen, behandelen, bijwonen, zijne opwachting maken; luisteren, verhooren (to), uitvoeren, nauwkeurig letten op: To attend a meeting, concert = bijwonen; I cannot attend any more pupils = hebben; To attend church, school = bezoeken; The queen was attended by the court = vergezeld; You do not attend to what he says = let niet op; To attend to the door = open doen; It is attended with fever = gaat gepaard met; Attendance, dienst, bediening, behandeling, tegenwoordigheid, bediendenstoet: List of attendance(s) = presentielijst; The smallness of the attendance = het geringe bezoek; The people in attendance = bedienende personen; A carriage was in attendance = stond klaar; To dance attendance (on) = lang moeten wachten; naloopen; Attendance-officer = ambtenaar, met de zorg voor het (verplicht) schoolbezoek belast; Attendant, subst. geleider, bediende, oppasser, bezoeker: (Attendants = gevolg); adj. vergezellend, verbonden met, aanwezend (on): A dinner, Attendant on the opening of the building = gegeven ter gelegenheid van.

Attention, ətenš’n, oplettendheid, beleefdheid: To call attention to = vestigen op; To give (pay) attention to = schenken aan; He paid her many attentions = was zeer galant, maakte haar het hof; The soldiers stood at attention = in de positie “geeft acht”; Attentive = oplettend.

Attenuate, ətenjueit, verb. verdunnen, verminderen, verzachten, vermageren; adj. (ətenju-it) verdund, vermagerd, verminderd, spits; Attenuation = verdunning, etc.

Attest, ətest, subst. attest; Attest verb. getuigenis afleggen van, betuigen, bevestigen; Attestation, attest; beëediging; Attester, getuige.

Attic, atik, adj. Attisch; subst. attica, dakkamertje, bovenverdieping; Attic bird = nachtegaal; Attic faith = onkreukbare trouw; Attic salt = Attic wit = fijn vernuft; Atticism = Attisch gezegde (dialekt).

Attire, ətaiə, kleeden, uitdossen, optooien; subst. kleeding, kleedij, opschik; gewei: Head attire = hoofdtooi; Attire-woman = kamenier; Attiring = opschik.

Attitude, atitjûd, houding: Attitude of mind = gemoedstoestand; To strike an attitude = een theatrale houding aannemen = To attitudinize; Attitudinizer = poseur.

Attle, at’l, gesteente zonder erts.

Attorn, atɐ̂n, overdragen; huldigen; subst. Attornment.

Attorney, ətɐ̂ni, procureur; gevolmachtigde; Attorney-general = Procureur-generaal; Letter, Power, Warrant of attorney = volmacht, procuratie; Attorneyship, procureurschap.

Attract, ətrakt, aantrekken, tot zich trekken, lokken, boeien: In these sketches the reader will find much to attract = veel aantrekkelijks; Attractable = aan aantrekking onderworpen; Attraction = aantrekking(skracht): Attraction of cohesion = cohesie; Attractive, aantrekkelijk: Attractive power = aantrekkingskracht; subst. Attractiveness.

Attributable, ətributəb’l, toe te schrijven; Attribute, atribjût, eigenschap, attribuut; Attribute, ətribjut, toeschrijven; Attribution = toeschrijving; toekenning. Attributive = attributief; attribuut.

Attrite, ətrait, berouwvol (uit angst voor straf); Attrited = geschaafd, afgesleten; Attrition = afschaving, het gesleten zijn; berouw (uit vrees voor straf, etc.).

Attune, ətjûn, stemmen, doen harmonieeren: An ear Attuned to music.

Atwain, ətwein, in tweeën, gescheiden.

Aubade, əbâd, aubade.

Auburn, ôbən, kastanjebruin.

Auch, ôtš: Auch, you hurt = au! dat doet pijn.

Auction, ôkš’n, openbare verkooping bij opbod; ook verb.: Auction mart = venduhuis; Auction sale; To put up to auction (for sale by public auction) = To sell by auction = veilen; Dutch auction = verkooping bij afslag; The auctioneer (ôkšənîə) repeated his “going, going, gone” = de afslager herhaalde zijn “Eerstemaal, andere maal, derdemaal”.

Audacious, ôdeišəs, onverschrokken; brutaal, onbeschaamd; Audacity, onverschrokkenheid, etc.

Audibility, ôdibiliti, hoorbaarheid; Audible = hoorbaar; subst. Audibleness.

Audience, ôdj’ns, gehoor; audientie, auditorium, toehoorders, lezers: To give audience to = aanhooren; audientie verleenen; To draw large audiences = veel publiek trekken; Audience of leave = afscheidsaudientie; Audience-chamber.

Audit, ôdit, subst. onderzoek en nazien van rekeningen en boeken en opmaking van balans; balans, rekenschap; ook verb. = verifieeren: Final Audit = Oordeelsdag; Commissioners of Audit = college van comptabiliteitsambtenaren; Exchequer and Audit Department = rekenkamer aan ’t hoofd waarvan de Comptroller and Auditor General staat; Audit-office = Afd. Comptabiliteit; Auditor = toehoorder; accountant; Auditorium = auditorium; Auditory = gehoor - -: Auditory nerve = gehoorzenuw.

Augean, ôdzîən, van Augias: To cleanse the Augean-stables = Augiusstal.

Auger, ôgə, avegaar.

Auget, ôdžət, leigoot voor de zundpijp.

Aught, ôt, iets, wat ook, in eenig opzicht; subst. iets: For aught I know = voorzoover ik weet; He may go there, for aught I care = voor zoover mij betreft.

Augment, ôgm’nt: Syllabic augment (Grieksche gram.).

Augment, ôgment: vermeerderen, vergrooten, toenemen; Augmentation, vermeerdering, etc.; Augmentative, vermeerderend, etc.

Augur, ôgə, subst. waarzegger (bij de Romeinen) uit vlucht en het geschreeuw van vogels; Augur verb. gissen, voorspéllen: That augurs well for our happiness = belooft veel voor; Augural = Augurial = voorspellend; Augury, ôgjuri, voorspelling.

August, ôgəst, Augustus: It will be a cold day in August before she sees me again = ’t zal lang duren; Augustan, ôgɐstən, den keizer A. betreffend; Augsburgsch: Augustan confession = Augsburgsche geloofsbelijdenis (1530).

August, ôgɐst, grootsch, verheven, doorluchtig; Augustness, grootschheid, etc.

Augustin(e), ôgɐstin, of ôgəstin, Augustinus; Augustijner monnik; Augustinian, ôgəstinj’n, aanhanger van de leer v. A. Augustijner monnik; Augustijnsch; Augustus.

Auk, ôk, alk.

Aula, ôla, Aula; Aularian, ôlêrj’n, tot eene aula behoorende.

Aulic, ôlic, tot een koningshof behoorend.

Aunt, ânt, tante (= Auntie, Aunty = tantetje); Aunt Sally = eene pop met eene pijp in den mond die er van zekeren afstand met stokken moet worden uitgegooid.

Aural, ôr’l: Aural surgeon = oordokter.

Aurate, ôrit, goudkleurig, goudhoudend; Aureate, ôriit, goudgeel, verguld.

Aurelia, orîljə, Aurelia; pop van een insect; Aurelian, pop - -; kapellenverzamelaar.

Aureola, ôrîələ, Aureole, ôrioul, stralenkrans, lichtkrans.

Auric, ôrik, goud - -.

Auricle, ôrik’l, oorschelp: Auricle of the heart = hartoor.

Auricula, ôrikjulə, aurikel.

Auricular, ôrikjulə, oor - -: Auricular confession = oorbiecht; Auricular tradition = mondelinge overlevering; Auriculate(d), oorvormig, geoord.

Auriferous, ôrifərɐs, goudhoudend.

Auriform, ôriföm, oorvormig; Auriscalp, ôriskalp = oorlepeltje; Auriscope = oorspiegel; Aurist = oorarts.

Aurochs, auroks, ôroks, auerochs.

Aurora, ôrôrə, Aurora; morgenrood, dageraad: Aurora australis = Zuiderlicht; Aurora borealis = Noorderlicht; adj. Auroral.

Aurungzebe, ôrɐŋgseb, ôrɐŋgzeib.

Auscultate, ôskəlteit, ausculteeren; Auscultation, ôsk’lteiš’n, medisch onderzoek van longen of hart met behulp van den stethoscoop; Auscultator, ôsk’lteitə, stethoscoop; auscult. geneesheer.

Auspicate, ôspikeit, onder gunstige voorteekenen aanvangen; Auspice, ôspis, waarzeggen uit vogelvlucht: Auspices = auspiciën, voorteekens, leiding, bescherming: Under favourable auspices; Under the auspices of = bescherming van; Auspicious = gunstig (gezind); subst. Auspiciousness.

Austere, ôstîə, streng, norsch, stuursch; wrang; matig, eenvoudig; Austerity, strengheid, etc.; kastijding.

Austin Friars, ôstin fraiəz, Augustijner monniken.

Austral, ôstr’l, Zuidelijk; Austraal: Austral pole (der magneetnaald); Austral-signs = de zes zuidelijke teekens van den Dierenriem.

Australasia, ôstrəleišiə, Australia + Tasman., New Zeal., en de Fiji-eil.; of, dit alles + New Guin., New Cal., New Hebr., etc.; adj. Australasian; Australia = Australië; Australian = Australisch; Australiër.

Austria, ôstriə, Oostenrijk; Austrian = Oostenrijksch; Oostenrijker.

Authentic(al), ôthentik(’l), authentiek, betrouwbaar, geloofwaardig, echt; Authenticate = authentiseeren, verifieeren, legaliseeren, bekrachtigen; subst. Authentication; Authenticity = geloofwaardigheid, echtheid.

Author, ôthə, schepper, schrijver; bedrijver, aanlegger, bewerker: Author of an outrage; The author of her misery; Authoress = schrijfster; Authorship = auteurschap.

Authoritative, ôthoritətiv, gemachtigd, gebiedend, autoritair, gezaghebbend; subst. Authoritativeness; Authority, ôthoriti, autoriteit, aanzien, gewicht, invloed; gezag, man van gezag, machtiging: Misuse of authority = misbruik van gezag; He is no authority on the subject; On the authority of = in opdracht van, op grond van; We have it on the best authority = have high authority for saying = uit zéér vertrouwbare bron; Authorization = autorisatie; Authorize = autoriseeren, machtigen: Authorized Version = Engelsche bijbelvertaling (1611), ongeveer onze Statenvertaling.

Autobiographer, ôtəbaiogrəfə, autobiograaf; Autobiographic = autobiographisch; Autobiography = autobiographie.

Auto-car, ôtəkâ, automobiel.

Autochthon, ôtok-th’n, ôtok-thoun, oorspronkelijke bewoner; wat aan een land eigen is, of aldaar zijn oorsprong had; Autochthonal = Autochthonous = oorspronkelijk.

Autocracy, ôtokrəsi, autocratie: Autocrat = autocraat; Autocratic(al) = autocratisch.

Auto da fé, ôtədâfei, auto-da-fé.

Autogenous, ôtədžinɐs, zelfvoortbrengend; Autogeny = zelfontstaan.

Autograph, ôtəgraf, autograaf; Autographic, ôtəgrafik, autographisch; Autography = autographie.

Automatic(al), ôtəmatik(’l), automatisch: Automatic machine = automaat; Automaton, ôtoməton, automaat.

Automobile, ôtəmoubil of ôtəməbîl, automobiel; Automobilism = automobielsport; Automobilist = automobilist.

Autonomic(al), ôtənomik(’l), autonoom = Autonomous, Autonomy = autonomie.

Autopsia, ôtopsiə; Autopsy, ôtəpsi, persoonlijke waarneming, autopsie; lijkschouwing; Autoptical = uit eigen aanschouwing.

Autotype, ôtətaip, autotypie; Autotype verb. door middel hiervan vermenigvuldigen.

Autumn, ôt’m, herfst; verb. rijpen (laten); Autumnal = herfst ...: Autumnal Equinox.

Auxiliar, ôgziljə = Auxiliary, ôgziljəri, adj. hulp verleenend, hulp ...: Auxiliary forces (troops); Auxiliary subst. helper, bondgenoot, hulpwerkw. = Auxiliary verb; Auxiliaries = hulptroepen.

Avail, əveil, baten, helpen, uitwerken; subst. baat, hulp, nut: It was to little avail = het baatte zoo goed als niets = It was of no avail, without avail; Avails = bedrag, opbrengst (Amer.); What can it possibly avail? = met mogelijkheid uitwerken, waartoe kan het in vredesnaam dienen? I have availed myself of that opportunity = gebruik gemaakt, geprofiteerd van; Availability = bruikbaarheid, enz.; Available, bruikbaar, beschikbaar, ter dispositie, geldig: I have no available money at this moment = beschikbaar; There were no available candidates for that post = geschikte; Available for three days = geldig; Available for wheeled carriages = bruikbaar; Available to the meanest understanding = bevattelijk.

Avalanche, avəlânš, sneeuwval; Avalanchine praise = overdreven lof.

Avarice, avəris, gierigheid, hebzucht; Avaricious = gierig, hebzuchtig, karig met (of); subst. Avariciousness.

Avast, əvâst, stop!

Avatar, avətâ of avətâ, de vleeschwording der Godheid (Hind. Myth.); voorwerp v. vereering; openbaring.

Avaunt, əvônt, weg van hier!

Ave, eivi of âvə, interj. Heil! Welkom! Vaarwel! Ave Maria = Ave Maria, âvə mərîə; Ave Maria-bell = het angelus.

Avenaceous, avəneišəs, haverachtig.

Avenge, əvenž, wreken, straffen: I’ll be avenged on you = gij zult mij satisfactie geven; Avenger = wreker: Avenger of blood.

Avens, av’nz, nagelkruid.

Aventail(e), av’nteil, vizier (van een helm).

Aventine, av’ntain, subst. Aventinus; toevluchtsoord; adj. Aventijnsch.

Avenue, avənjû, toegang, oprijlaan, allee; breede met boomen beplante straat (Amer.).

Aver, əvɐ̂, betuigen, verzekeren; beweren; Averment = betuiging, bewijsvoering.

Average, avəridž, subst. doorsnee, de gemiddelde hoeveelheid, het gemiddelde; averij; adj. in doorsnee, gemiddeld, gewoon; Average verb. het gemiddelde nemen, gemiddeld bedragen: General Average = averij gros; Average-adjuster (= Averager) = dispacheur; At (On, Upon) an average = gemiddeld; Let us strike an average = het gemiddelde nemen; Average amount = gemiddeld bedrag; The Average Englishman = de gewone; Average price = gemiddeld; Average sample = doorsneemonster; Being of the average stamp (order) = van het gewone slag; We averaged two hares a day = schoten gemiddeld; They average about 50 lbs each = wegen gemiddeld; They average £100 each = hebben een doorsneeprijs; The blacksmith averaged the soldier with a glance = nam hem met één blik op.

Avernal, əvɐ̂n’l, van den Avernus; helsch.

Averruncate, avərɐŋkeit, uitroeien; Averuncator = boomschaar, snoeimes.

Averse, əvɐ̂s, afkeerig: He was averse to (from) all work; Averseness, tegenzin, afkeer (to, for) = Aversion: My pet aversion = mijn grootste antipathie; Avert, əvɐ̂t, afwenden, afkeeren; Avertible = afwendbaar.

Aviary, eivjəri, volière.

Aviate, eivieit, avieit, vliegen; Aviation, eivieiš’n, avieiš’n, luchtvaart; Aviator, eivieitə, avieitə, aviateur, vliegenier; Aviatory trespass = een met een vliegtoestel begane overtreding.

Aviculture, eivikɐltjə, vogelteelt.

Avid, avid, gretig, begeerig (of, for); Avidity = begeerte, etc.

Avocation, avəkeiš’n, roeping, werk; bijbaantje, afleiding.

Avoid, əvôid, vermijden, mijden; opheffen, ongeldig maken; vrijkomen: He could not avoid doing it = moest het wel doen; Avoidable: Not avoidable = onvermijdelijk; Avoidance, vermijding; vacature; herroeping: In (the) avoidance of = om te vermijden.

Avoirdupois, avədjupôiz, Engelsch gewichtsstelsel, behalve voor goud, zilver, juweelen en geneesmiddelen (het E. pound daarvan heeft 16 ounces): To reduce one’s avoirdupois = gewicht.

Avon, eiv’n, av’n, rivier; Avondale, av’ndeil.

Avouch, əvautš, betuigen, verzekeren; subst. getuigenis; Avouchment, betuiging, etc.

Avow, əvau, belijden, erkennen; Avowable = te erkennen; Avowal = bekentenis, belijdenis; Avowee, əvauî. (Zie Advowee).

Avuncular, əvɐŋkjulə, een oom betreffend.

Await, əweit, verwachten, afwachten, verbeiden; te wachten staan.

Awake, əweik, verb. ontwaken, zich bewust worden (to); wekken; adj. wakker: He awoke from his stupor = ontwaakte uit zijne verdooving; That call will awake the dead; He is wide awake = klaar wakker; “gaar”; I am awake = weet er alles van; I am awake to all that you say = ik begrijp, doorzie.

Awaken, əweik’n, wekken, levendig maken: Awakenning-books = tractaatjes.

Award, əwöd, subst. oordeel, uitspraak, beslissing, toegekende belooning (straf); Award verb. toekennen, toewijzen, beslissen: He was awarded the first prize = The first prize was awarded (to) him; Awarder, scheidsrechter.

Aware, əwêə, bewust, onderricht: To be aware of = merken, bewust zijn, weten.

A-wash, əwoš = op gelijke hoogte als het water; drijvend.

Away, əwei, weg, voort, op een afstand: Away for shame = foei, schaam je! I could not away with those people = kon ze niet zetten; The patient could not away with being nursed = wou niet opgepast worden; Come away from that = ga daar vandaan; To clear away = afnemen; To drink away = er op los drinken; Fire away = brand los; Get away = maak, dat je weg komt; To give away = weggeven, verraden; He made away with himself = maakte zich van kant; Pull away = haal op! To work away = hard werken; Question away = vraag maar op!

Awe, ô, subst. ontzag, eerbied; Awe verb. ontzag inboezemen, intimideeren: To keep in awe = ontzag inboezemen; To stand in awe of = ontzag hebben voor; I was awed by his serious words; Awe-commanding = ontzag inboezemend; Awe-struck = met ontzag vervuld; Aweless = onbevreesd; subst. Awelessness; Awful = vreeselijk; ontzagwekkend: subst. Awfulness = eerbiedwaardigheid; afschuwelijkheid.

Aweary, əwîri, vermoeid; levensmoede.

A-weather, əwedhə, loefwaarts.

A-weigh, əwei: To be a-weigh = “anker op” zijn.

Awhile, əwail, gedurende een tijdje.

Awkward, ôkwəd, onhandig, lomp, smakeloos, onaangenaam, verlegen: It is awkward that I forget his name = lam, vervelend; Awkward age = lummeljaren; Awkwardness, onhandigheid, etc.

Awl, ôl, els; Awl-bird = groene specht; Awl-wort, ôlwɐ̂t, priemkruid.

Awn, ôn, baard (van gras of aren).

Awning, ôniŋ, wagenkap, zonnescherm: The awning front of the shop = ruimte vóór den winkel, door een zeil of scherm tegen de zon beschut.

Awoke, əwouk, Imperf. van to awake.

Awry, ərai, scheef, schuin: To be awry = scheef staan (zitten); To laugh awry = lachen als een boer, die kiespijn heeft; He looked awry = zuur; To wear awry = scheef dragen.

Axe, aks, bijl; Axe-head = de bijl in tegenstelling met den steel; Axe-helve = steel; To hang up one’s axe = de lier aan de wilgen hangen, zich terugtrekken uit iets; People with axes to grind = menschen, die hun eigen zelfzuchtige plannen op het oog hebben.

Axial, aksiəl, in de richting van de as.

Axil, aksil, Axilla, əksilə, oksel; Axillar(y), oksel..., okselstandig.

Axiom, aksiəm, axioma; Axiomatic(al), onomstootelijk.

Axis, aksis, as; de tweede halswervel.

Axle, aks’l: Axle-tree, aks’ltrî, de spil.

Axminster, aksminstə.

Axolotl, aksəlot’l, waterhagedis (Mexico).

Ay, Aye, ai, ja, Ay marry = ja waarachtig; Ay me = o wee mij!

Ayah, eijə, Brit. Ind. baboe.

Aye, ei of ai = eeuwig: Farewell, perhaps for aye, for ever and aye.

Ayes, aiz, de voor- (eig. ja-)stemmers in het House of Commons: The ayes and the noes (= tegenstemmers); The ayes have it = de meerderheid is er voor.

Aye-aye, ai-ai, vingerdier (op Madagascar).

Aylesbury, eilzbri; Ayrshire, êəšə: The Aylesbury Bard = Robert Burns.

Azalea, əzeiljə, azalea.

Azimuth, azimɐth, azimuth; adj. = Azimuthal.

Azoic, əzouik, zonder spoor van organisch leven, zonder organische overblijfselen.

Azores, əzôz, əzôriz, Azorische eilanden.

Azure, ažə, of eižə, adj. azuur, hemelsblauw; subst. het uitspansel; blauw veld (Herald.); Azure verb. blauw verven; Azure stone = Azurite, ažərait, lazuursteen.

Azyme, az(a)im, ongezuurd brood; ongezuurd, ongegist.

B.

B, bî, B. B-flat = b mol; B-sharp = b kruis; B.A. = Bachelor of Arts; B. C. = Before Christ; B. C. L. = Bachelor of Civil Law; B. D. = Bachelor of Divinity; B. M. = Bachelor of Medicine; Bart of Bt. = Baronet. (Deze heeft, evenals een Knight, den titel Sir vóór den doopnaam; die titel is echter bij de Baronets erfelijk, bij de Knights niet); B(ritish) M(useum); A B and S = Brandy and Soda; Bro(thers); Brig(adier) Gen(eral); He does not know a B from a bull’s foot (a broom-stick, a battle-dore) = hij kent geene A voor eene B; B(lessed) V(irgin) M(ary).

Baa, bâ, subst. het blaten; Baa verb. blaten: The baby was caressing a woolly baa-lamb; You silly baahling = lam, sukkel.

Baal, beiəl, Baal; Baalist, Baalite, afgodsdienaar.

Bab, bab, peur; Bab verb. peuren.

Baba, bâba, vader, papa.

Babble, bab’l, snappen, wauwelen, babbelen; murmelen; subst. gesnap, gebabbel, gewauwel; gemurmel; Babbler, wauwelaar.

Babe, beib (= Baby): Food (Meat) for babes = kinderkost (ook fig.).

Babel, beib’l, Babel; spraakverwarring; wanorde, rumoer; dwaas plan; Babel-like buildings = hooge.

Baboo, bâbu of bəbû, heer; halfontwikkelde Hindoe: Baboo English = gebroken Engelsch.

Baboon, bəbûn, baviaan; Baboonery, aapachtig optreden.

Baboosh, Babouche, bəbûš, muiltje.

Babu = Baboo.

Baby, beibi, subst. klein kind; pop; adj. klein, jong, kinder Baby: Cry-baby (= Cry-a-baby) = grienerig kind; Baby-car = kinderwagentje (sportkarretje); Baby-carriage = kinderwagen; Baby-farming = zoogenaamde verzorging (meestal opzettelijke verwaarloozing) van kinderen; Baby-feeder = slabbetje; Baby-house = poppenhuis; Baby-linen = kindergoed, luiers; Baby-pin = veiligheidsspeld; Babyhood (Babyship), eerste kindsheid; kleine kinderen; Babyish (= Babish), kinderlijk; subst. Babishness.

Babylon, babilon; Babylonia, babilounjə, Babylonië: Babylonian, Babylonisch, reusachtig; Babyloniër; Babylonic, Babylonish, adj. Babylonisch, verward, rumoerig.

Bac(k), bak, platboomde (veer)boot; kuip.

Baccalaureate, bakəlôri-it, baccalaureaat.

Baccara(t), bakərâ, baccarat (spel).

Baccate, bakit, besachtig, besdragend, bezieachtig.

Bacchanal, bakən’l, subst. Bacchuspriester, Bacchant(e), zwierbol; adj. bacchantisch; Bacchanals = Bacchanalia, bakəneiljə, Bacchanaliën; Bacchanalian = Bacchantisch; zwierbol; Bacchant = Bacchant(e); adj. Bacchantisch; Bacchante, bakənt of bəkant(î), Bacchante; Bacchic = Bacchantisch; Bacchus = Bacchus.

Bacciferous, baksifərɐs, bessendragend; Bacciverous, baksivərɐs, bessenetend.

Bachelor (soms verkort tot Bach) batš(ələ), subst. ongetrouwd man; baccalaureus (laagste acad. graad na 3 jaren studie en examen): His bachelor rooms were always tidy = zijne kamers, toen hij nog ongetrouwd was, etc.; Bachelor’s of Bachelors’ buttons = dubbele ranonkel; Bachelorhood = Bachelorship, baccalaureaat; staat van jonggezel.

Bacillus, bəsiləs (Meerv. Bacilli), bacil.

Back, bak, subst. rug, achterzijde, onderkant, keerzijde, verste kant, etc.; adj. achter-, rug-, afgelegen, omgekeerd, etc.; adv. terug, omgekeerd, etc.; Back verb. van een rug voorzien, den rug versterken, verdedigen, bekrachtigen, steunen; achteruitgaan, achteruitbrengen, achterwaarts bewegen, bak halen, strijken; van achteren grenzen aan, op den rug dragen, endosseeren, wedden op, etc.: To sit back to back = met den rug tegen elkaar aan; Small of the back = kruis; He does not need my little palm in the small of his broad back = heeft mijn geringe steun niet noodig; He has not a shirt on his back = aan het lijf; Behind one’s back = achter iemands rug (ook fig.); To bow the people’s back = onderdrukken; To get up (make, set) a back = voorover gaan staan, een hoogen rug maken (van katten), boos worden; To provide a back = gaan staan (bij haasje over); To put one’s back into = zich inspannen voor; To put anybody’s back up = boos maken; To scratch the back of the public = vleien; To see the back of = afkomen van, zich afmaken van; To turn one’s back upon = den rug toedraaien; The back of the hand (postcard, wood) = rugzijde (achterkant, verste zijde); To be at the back of = ergens achter zitten (fig.); To look best from the back; To see through the back of a person’s head = iemand geheel doorzien; To go back on a friend = verraden; To go back on a promise = breken; She kissed him back = weerom; To look back upon = terugzien op; The angel rolled back the stone from the door = wentelde af; Back and forth (Amer.) heen en weer; As far back as = reeds in, toen reeds; Some time back = geleden; The horse backed with him = ging achteruit; To back the oars = strijken; To back sail = bakzeil halen (bijdraaien); To back water = strijken; achteruitkrabbelen (fig.); To back down before = wijken voor; Our train was backed on to a siding = teruggezet op een zijspoor; To back out of an engagement = terugkrabbelen, zich er afmaken; To back out of a fix = met fatsoen uit een moeilijkheid komen; To back up = steunen (rugsteunen); To back a horse = wedden op (in tegenstelling van den book-maker die ‘lays against’); To back the field = op alle paarden wedden behalve op de “favourite”; He would back himself for any amount to do it better than any of them = wilde wedden, maakte zich sterk; Backbite = belasteren, kwaad spreken van; Backbiter; Back-board = rugplank; rugplank in den stuurstoel van een (roei)boot; Backbone = ruggegraat; wilskracht: He is a liberal to the backbone = door en door; He has no backbone = geen pit in zich; Back-country = achterland, Hinterland (Amer.); Back-door = achterdeur; uitvlucht, uitweg; Backdown: That statesman’s backdown was an earnest of later success = zijn toegeven was eene belofte van later succes; High backed chairs = met hooge ruggen; Backer = helper, steuner; Backfall = val op den rug (bij het worstelen); Backgammon, bakgam’n, triktrakspel, bakspel; Background = achtergrond: To keep in the background = blijven in; Back-hand = subst. schuin linksch schrift; Back-handed = met den rug van de hand, schuin links, dubbelzinnig, heimelijk: A back-handed compliment = dubbelzinnig; A back-handed blow (= back-hander) = met den rug van de hand: Fortune gave him a lift, with a back-hander to follow = Fortuna was hem eerst gunstig, maar bedroog hem daarna; He took a back-hander = extra glas (wijn etc.); Back-house = achtergebouw; Back-number (-volume) = oud, vroeger; Back-payment (-rent) = achterstallige; Back-piece, Back-plate = rugbedekking (van een harnas); Back-seat = voorbank; ondergeschikte rol (plaats); Back-settlements = nederzettingen in het achterland (Amer.); Back-side = achterzijde; achterste; Back-slang = soort dieventaal, waarbij de woorden andersom gespeld worden b.v. Cool the esclop (of slop) = Look at the police; Backslide = afvallig of ontrouw worden; wegloopen; Backslider; Back-staff, bakstâf, ouderwetsche quadrant; Back-stair(s), bakstêə(z), subst. geheime trap, achtertrap; adv. listig, oneerlijk: The whispers of the backstairs = lasterlijk gefluister; Backstays = pardoens; Back-sword, baksöd, soort houwdegen; schermstok met getralied handvatsel, het spel daarmee; Backward = adj. en adv. achterwaarts, rugwaarts, langzaam, traag, onwillig, achterlijk, stomp van bevatting; schuchter (Amer.); lang geleden: It is backward in us = achterlijk; Backward and forward(s) = heen en weer; To repeat backwards = achterste voren opzeggen; backwardation, bakwədeiš’n, korting voor het recht om eerst na 14 dagen te mogen leveren; Backwards = van achteren naar voren; Back-water = opvaart, haf; achterwaarts geworpen water door waterraderen of schepraderen; ook verb. strijken; Backwoods, bakwudz, Canadeesche oerwouden; Backwoodsman = een Peer, die nooit een zitting bijwoont (fig.).

Backshee(sh), bakšî(š), Ba(c)kshish, bakšiš, drinkgeld, fooi; Backshish verb. omkoopen.

Backy, baki, tobacco; Backy-box = tabaksdoos.

Bacon, beik’n, Baco; Baconian, van Baco.

Bacon, beik’n, gezouten spek: A flitch of bacon = zij spek: He may fetch a flitch of bacon from Dunmow = hij heeft nooit ruzie gehad met zijne vrouw (een toespeling op den hiervoor uitgeloofden prijs); To save one’s bacon = er heelhuids afkomen.

Bacteria, baktîriə, (mv. v. Bacterium = bacterie); Bacteriological = bacteriologisch; Bacteriologist, bacterioloog; Bacteriology, bacteriologie.

Bad, bad, slecht, schadelijk, valsch, bedorven, ziek, erg: He is in a bad way = hij is er slecht aan toe; That’s too bad = dat is te kras; To feel bad = onwel; boos; To go bad = bederven (van eieren); To go from bad to worse = van kwaad tot erger; You had it bad = je hadt ’m leelijk “om”; To the bad = schuldig, te kort; To drift (go) to the bad = den slechten weg opgaan; Baddish = vrij slecht; I want it badly = heb het hoog noodig; He seems to be badly off = hij schijnt het slecht te hebben; Badness = slechtheid.

Bade, bad, Imperf. en Past Part. van to bid.

Badge, badž, insigne, kenteeken; galerij (scheepst.); Badge verb. kenmerken: Badge of authority; Badge of an order; Badged and crested ware = aardewerk van het merk van hotel of club voorzien.

Badger, badžə, subst. das; penseel; soort kunstvlieg (bij ’t visschen); Badger verb. sarren, pesten, plagen, tergen: As bald as a badger = zoo kaal als een biljartbal; Badger-baiting (Badger-drawing) = dassejacht; Badger-dog = dashond; Badger-legged; Badgerly = grijzend.

Badi, bâdi, veete.

Badinage, badinidž, badinage, scherts; verb. schertsen.

Badminton, badmint’n, eene soort raketspel; soort verfrisschende drank.

Baffeta(s), baf(ə)ta(s), wit of blauw Indisch katoen.

Baffle, baf’l, bedriegen, listig ontwijken, verhinderen, verijdelen: To baffle description = alle beschrijving te boven gaan; Baffling winds = veranderlijke winden.

Bag, bag, subst. zak, tasch, weitasch, haarzak, buidel; Bag verb. in een zak doen; schieten, vangen; stelen, opzwellen, uitzetten, zakkig zitten: Bags = wijde kleedingstukken, broek; ingewanden, maag (Schotl.): Alms (Collection) bag = armenzakje; Blue (Green) bag = zak voor akten, processtukken, etc.; City (Gladstone) bag = soort valies; What’s the bag to-day? = hoeveel wild is geschoten? He went away bag and baggage = met pak en zak; He is a bag of bones = de levende dood; To bear the bag = baas over’t geld zijn; To get the bag = den bons krijgen; To give the bag = verlaten; bedriegen; To give one the bag to hold = iemand bedotten; He let the cat out of the bag = verklapte alles: How many hares have you bagged to-day? = geschoten? You’ve had your wind bagged at footer = bent achter adem gekomen bij het voetbal spel; Bag-fox, bagfoks, een door jagers medegenomen vos, die los wordt gelaten om op te jagen; Bagman, bagm’n, handelsreiziger (veroud.); Bagpipe = doedelzak; Bagpiper; Bag-wig = pruik met haarzak; Bagging = zaklinnen; Baggy = zakachtig, flabberig; gezwollen: Baggy cheeks.

Bagatelle, bagətel, kleinigheid, bagatel; een zeker spel: Bagatelle-board.

Bagdad, bagdâd, bagdad; Bagehot, badžət.

Baggage, bagidž, bagage (Amer.; in Engeland ook luggage); de benoodigdheden van een leger; brutaaltje; meisje: A pretty, soft-hearted baggage; Baggage-car (Amer.) = goederenwagen.

Bagnio, banjou, badhuis, bordeel; gevangenis voor galeislaven.

Bah, bâ, ba, foei.

Bahadur, bahôdə, heer (Brit. Ind.).

Bail, beil, subst. borgtocht, borg; beugel, hengsel, halve hoepel; stang, staket, afsluiting, grens; hoosvat: Bail verb. borg blijven; toelaten, een borg te stellen, in onderpand geven; van een beugel voorzien; ontwapenen; hoozen: To accept (allow, admit to, take) bail = tegen borgtocht in vrijheid stellen; To be (go, stand) bail for = borg blijven voor; To give (furnish) bail = borg stellen; To bail out = met een borgtocht bevrijden; hoozen; Bailbond, Bail-piece = schriftelijk bewijs van borgstelling; Bailsman = borg; Bailable, tegen borgtocht vrij te laten; waarvoor bail gegeven kan worden; Bailee, beilî, borgtochthouder; Bailer (Bailor), beilə, borgtochtgever; Bailer, hoosvat, soort baggermachine; Bailment = overdracht onder borgstelling; vrijlating tegen borgstelling.

Bailey, beili, buitenmuur; binnenplein: The Old Bailey = zetel van het Central Criminal Court in de City.

Bailiff, beilif, schout, baljuw, opzichter, gerechtsdienaar, soort verificateur; opzichter der visscherijen; Bailiwick, beiliwik, het rechtsgebied van een bailiff.

Bairn, bêən, kind.

Bairam, bairâm, bairam, Turksche feesten (Lesser Bairam volgt op Ramadan; Greater Bairam volgt 70 dagen later).

Bait, beit, subst. aas, lokaas; verfrissching, water en voer; Bait verb. van aas voorzien, verlokken; stilhouden om zich te verfrisschen, drenken en voeren; aanhitsen: To take the bait = bijten; in de val loopen; Bear-bait(ing) = berebijt, vechten van honden tegen beren.

Baize, beiz, baai, saai; gordijn, tafelkleed.

Bake, beik, bakken; Baked meat = vleeschpastei; Baker = bakker: A Baker’s dozen = dertien; Baker-kneed (Bake-legged) = met x-beenen (= Bake-feet); Bakery = Bake-house = bakkerij.

Balance, bal’ns, subst. balans, schaal, evenwicht, Weegschaal (Dierenriem); onrust, saldo; Balance verb. wegen, balanceeren, in evenwicht brengen (houden, zijn), gelijk maken, opmaken: To be off one’s balance = wat van streek zijn; Our destinies hang (tremble) in the balance = hangt aan een zijden draad; I have a balance (in my favour) at my banker’s = (batig) saldo; I’ll pay the balance in sherry = wat er te kort is; To strike the balance = de balans opmaken; Balance of power = staatkundig evenwicht; Balance of trade = handelsbalans; Balance-bridge = wipbrug; Balance-fish = hamerhaai; Balance-knife = tafelmes, waarvan door het zware heft het lemmet niet het tafellaken raakt; Balance-master, Balance-mistress = équilibrist; Balance-pole = balanceerstok; Balance-sheet = balans; Balance-step = zweefpas; Balancer = koorddanser; équilibrist.

Balas(s)-ruby, baləsrûbi, roode spinel.

Balcony, balkəni, balkon.

Bald, bôld, kaal, naakt, armzalig; met witten kop: Bald-face = slechte whiskey (Amer.); Bald-head(ed), Bald-pate(d), subst. (en adj.) = kaal(kop).

Baldachin, baldəkîn, baldakijn.

Balderdash, bôldədaš, subst. wartaal, onzin; bocht.

Baldric, bôldrik, gordel of schouderriem.

Baldwin, bôldwin, Boudewijn.

Bale, beil, subst. baal; onheil; verb. in balen verpakken; uithoozen. (Zie Bail). Bale-fire = brandstapel; bakenvuur; Baling-paper = sterk pakpapier (Am.); Baleful, noodlottig, onheilspellend.

Balearic Islands, baliarikail’ndz, Balearische eilanden.

Baleen, bəlîn, balein.

Balfour, balfə; Baliol, beiliəl.

Balise, (Balize), bəlîz, baken.

Balk, bôk, subst. balk; ongeploegd gelaten strook land; teleurstelling, veredeling; Balk verb. dwarsboomen, verijdelen, teleurstellen; blijven steken; weigeren te springen, onaangeroerd laten; aanwijzen van de richting van haringscholen: Balk-line = streep (bij den onderband van een E. biljart); Balker = een visscher, die vanaf een hoogte signalen geeft over de haringscholen; Balky = koppig.

Balkan, bôlk’n of balkân: The Balkans = Balkanstaten.

Ball, bôl, bal, balspel, kogel, kluwen, (rijks)appel; Ball verb. (zich) tot een bal vormen: Ball and socket joint = kogelgewricht; The Ball of the foot = bal, zool, holte van den voet; A ball of wool = kluwen; Brandy balls = soort balletjes; Uncle three balls = “Oome Jan”; To have the ball at one’s feet = ’t spel in handen hebben (fig.); To hole a ball = stoppen (bilj.); To keep the ball rolling = iets aan den gang houden = (To keep the ball up); To load with ball = met kogels; To open the ball = het bal openen; discussies, strijd beginnen; To set (To start) the ball rolling = iets aan den gang brengen; The snow balled under the hoofs of the horses; Ball-cartridge = scherpe patroon; Ball-cock = balkraan, waardoor de watervoorraad in een vat vanzelf geregeld wordt door een drijvenden bal, die haar opent of sluit; Ball-proof = kogelvrij; Ball-room = balzaal.

Ballad, baləd, ballade; straatdeun; Ballad-maker, Ballad-monger = liedjesverkooper (Ballad-maker).

Ballast, baləst, subst. ballast; puin; Ballast verb. ballasten, in evenwicht houden; met puin bestrooien; Ballastage = rechten op ’t innemen van ballast.

Ballet, balei, ballet: A hole in the ballet = ironische uitroep wanneer iemand blijft steken in zang of voordracht; Ballet-dancer; Ballet-master.

Bal(l)ista, bəlistə, balist; Ballistic = ballistisch; Ballistics = balistiek.

Balloon, bəlûn, ballon, bol, kolf; Balloon verb. (laten) opstijgen; opzwellen; kunstmatig opdrijven (Amer.): To fly red balloons = ballonnetjes oplaten; Captive (Dirigible) balloon = ballon captief (bestuurbare); Ballooner, Balloonist = luchtschipper.

Ballot, balət, subst. (stem) balletje of briefje; (geheime) stemming; loting; het aantal uitgebrachte stemmen; Ballot verb. stemmen, balloteeren, uitloten: To cast a ballot = stemmen uitbrengen; To make a special ballot for = laten stemmen over; The ballot was taken on the resolution = er werd over gestemd; Ballot-box = stembus; Ballot-paper = stembriefje.

Balm, bâm, subst. balsem; troost; balsamieke reuk; balsemboom, bijenkruid; Balm verb. zalven; verlichten, lenigen; Balm-cricket = zwarte veldkrekel; Balminess = balsemachtigheid; Balmy = balsamiek, verzachtend: He is Balmy on the crumpet = het scheelt hem in zijn bol.

Balmoral, balmor’l, Balmoral; Balmoral boot = soort rijglaars; Balmoral cap = soort Schotsche muts.

Balneary, balnjəri, bad ...; Balnearies = bad, badplaats.

Balsam, bôls’m, balsem (Zie Balm); balsemine; Balsamic(al) = balsamiek, verzachtend (middel).

Balsamine, bôlsəmain, balsemien. springkruid, kruidje-roer-me-niet.

Baltic, bôltik, Baltisch: The Baltic = Oostzee; Baltimore, bôltimö: Baltimore-bird = Am. zangvogel.

Baluster, baləstə, baluster: Balustered = van balusters voorzien; Balusters = trapleuning; Balustrade = balustrade.

Bam, bam, zwendel; Bam verb. bedriegen.

Bambino, bambînou, kind; eene voorstelling van het kindeke Jezus in de kribbe.

Bamboo, bambû, subst. bamboes; Bamboo verb. met een bamboesstok afranselen.

Bamboozle, bambûz’l, bedriegen, verlakken; Bamboozlement, bedriegerij; Bamboozler, bedrieger.

Ban, ban, subst. afkondiging; verbod, banvloek; boete wegens bankbreuk; Ind. mousseline; Ban verb. vervloeken; verbannen, in den ban doen: To be placed under the ban of the law = (uit)bannen; A banned exile; Zie Banns.

Banal, bein’l, ban’l, banaal, plat, alledaagsch; Banality = banaliteit, gemeenplaats.

Banana, banânə, bənanə, banaan, pisang; Banana-bird = pisangvogel.

Banbury: Banbury cake, banb’rikeik, gebak met fijngehakt vleesch: To ride (a cock-horse) to Banbury cross = een kind op de knieën laten rijden.

Banco, baŋkou, bankgeld, tegenover minderwaardig current money: To sit in banco = in plechtige zitting vereenigd zijn.

Band, band, subst. band, smal lint, koord, keten, hof, zwachtel, rand, drijfriem; troep, korps, kapel, boei, verbond; Band verb. (zich) vereenigen: A plain gold band = gladde (trouw)ring; He has a band upon his hat = rouwband; Endless band = drijfriem; Band and gown = toga en bef; Band of hope = geheelonthoudersvereeniging van kinderen; Band of pearls = snoer; Brass band = fanfarekorps; Musical band = muziekkorps; String band = strijkorkest; Wind band = blaasorkest; Band-box = hoeden(linten) doos; fat: He looked as if he came out of a band-box = je kon hem door een ringetje halen; Band-master = kapelmeester (Military band, Town-band); Bandsman, muzikant; hoboist; Band-stand = muziektent; Bandage, bandidž, subst. verband, zwachtel; Bandage verb. verbinden.

Bandan(n)a, bandanə, rood, blauw of geel gekleurde zak- of halsdoek met witte of gele stippen van katoen of zijde (Indië).

Banderol(l), bandərol, Banderole, bandəroul, vaantje, banderol.

Bandicoot, bandikût, Malabaar rat, Australische buideldas.

Bandit, bandit, (Meerv. Bandits of -ti, banditi), bandiet.

Bandog, bandog, bandrekel.

Bandoleer, bandəlîə, bandelier.

Bandoline, bandəlin, soort pomade; Bandoline verb. pomadeeren, toilet maken.

Bandore, bandö, bandö, soort luit.

Bandy, bandi, heen en weer slaan, elkaar toewerpen, wisselen, disputeeren; subst. hockeyspel, hockeykolf; ossekarretje (Brit. Ind.); adj. krom: Her name was freely bandied about among them = te pas en onpas genoemd; Don’t bandy words with me = disputeer niet; There is no use in our bandying incivilities = elkander onbeleefdheden te zeggen; Bandy-legged = met O-beenen.

Bane, bein, vergif; verderf, pest; rotziekte (bij schapen): He was considered the bane of society = pest; Wolf’s bane = wolfswortel; Banewort, beinwɐ̂t = wolfskers, egelboterbloem; Baneful = giftig; doodelijk.

Bang, baŋ, subst. bons, harde slag, groot geraas, knal; interj. en adv. boem; Bang verb. slaan, stompen, dichtslaan; overtreffen, schallen, knallen, dreunen; het haar recht langs het voorhoofd afknippen; To close with a bang = bons; Bangs = (valsch) ponyhaar (Amer.); Banger = leugen: I never heard (told) such a banger = leugen; He banged his fist on the table = sloeg met; To bang things = hard neergooien; He banged my hat in; To bang each other with quarter staves = afranselen; That took my breath bang away = plotseling; To do a thing in bang-up style = royaal; Bang-shop = minder soort winkel (ook: Slap-and-bang-shop).

Banghy, baŋgi, draagstok; Banghy-post = postpakketdienst; Banghy-wallah = drager.

Bangle, baŋg’l, armring, armband.

Bangle, baŋg’l, verbeuzelen (away); slap neerhangen; Bangle-eared = met slap neerhangende ooren.

Bangy = Banghy.

Banian, banj’n, een Hindoekaste van vegetariërs; koopman, makelaar; katoenen Hindoesch hemd; soort nachthemd of sjamberloek; Banian-days = dagen, waarop vroeger bij de marine geen vleesch werd verstrekt Banian (Banian-tree) = heilige Ind. vijgeboom.

Banish, baniš, verbannen; Banishment, verbanning.

Ban(n)ister, banistə = Baluster.

Banjo, bandžou, banjo.

Bank, baŋk, subst. zandbak, aardwal, talud; oever, bank, geldbank, doft; Bank verb. indammen, (zich) ophoopen; in rekening staan met een bank, deponeeren, realiseeren: Banker = bankier, bankhouder; grondwerker; visschersvaartuig op de banken van New-Foundl.; modelleerbank: Discount (Mortgage bank, Savings bank) = Disconto (Hypotheek-, Spaar-) bank; Bank of Deposit (Bank of Issue) = Deposito (Circulatie) bank; He broke the bank = deed de bank springen; A banked-up fire = bedekt of ingerakeld vuur; Bank-agent = directeur van eene filiaalbank; Bank-bill = wissel, bankbiljet; Bank-book = bankboek; Bank-engine = hulplocomotief (bij hoogten); Bank-holiday = Paaschmaandag, Pinkstermaandag, 1e Maandag in Aug., en 2e Kerstdag; in Schotland Nieuwjaarsdag, Goede Vrijdag, 1ste Maandag in Mei en Augustus en Kerstdag; Bank-note = bankbiljet; Bank-rate = bankdisconto; Banksmack = visschersvaartuig (Newfoundland); Bank-stock = kapitaalvoorraad; Banking and commission-business = bankiers- en wisselzaak (commissionairsz.): Banking-house = bankiershuis.

Bankrupt, baŋkrɐpt, subst. bankroetier; adj. bankroet; Bankrupt verb. bankroet gaan of maken: Act of bankruptcy = faillietverklaring; Bankruptcy commissioner = curator; Bankruptcy Act = wet op het faillissement.

Banner, banə, banier: He joined, followed (fought under) our banners = streed onder onze banieren; bannered = van banieren voorzien; Banneret = baanderheer; vaantje.

Bannock, banək, koek van erwten- of gerstenmeel (Schotl.); Bannockburn, banəkbɐ̂n.

Banns, banz, geboden: To ask (publish, put up) the banns = kerkelijk afkondigen; To forbid the banns = bezwaren inbrengen tegen de afkondiging.

Banquet, baŋkwət, subst. banket; Banquet verb. banketeeren; Banqueter = deelnemer aan een banket; Banqueting-hall = feestzaal.

Banquette, bəŋket, banket (Mil.); steil talud; voetpad op eene brug; trottoir.

Banshee, banši, geest in de gestalte van eene oude vrouw (Ierl. en Schotl.), die een aanstaand sterfgeval aankondigt.

Banstickle, banstik’l, stekelbaars.

Bantam, bant’m, bantam, subst. Bantamsch dwerghoen; adj. Bantamsch; klein; strijdlustig; gewichtig; Bantam-work = nagemaakt Japansch snijwerk.

Banter, bantə, subst. scherts, boert; Banter verb. schertsen, gekscheren, schertsend plagen.

Bantling, bantliŋ, klein kindje: In our Bantling days = kinderjaren.

Banyan, banj’n = Banian (-tree).

Baobab, beiəbab, bâəbab, apenbroodboom.

Baptism, baptizm, doop: Baptism of fire = vuurdoop; Baptismal = doop - -: Baptismal certificate (Baptismal font); Baptist = baptist: St. John the Baptist = Joh. de Dooper; Baptistery = doopkapel; doopbekken; Baptistic = doop - -; baptisten - -; Baptize = doopen.

Bar, bâ, stang, houten boom, sluitboom, hindernis, hefboom, barrière, slagboom; eene zandbank bij den mond eener haven; balie, orde der advocaten, rechtbank; buffet; balk (in een wapenschild), dwarsstreep, eene lijn op den notenbalk (voor de maat); eene exceptie, die ’s klagers aanklacht vernietigt; staaf; Bar verb. met een boom of boomen sluiten; uitsluiten, beletten, belemmeren, versperren, doorkruisen met lijnen en strepen: Horizontal and parallel bars = rekstok en brug; The hunter cleared all the bars = nam al de hindernissen; The host was in the bar = buffet; The bar of the harbour = ondiepte; Bar of soap = reep; The bar are of a different opinion = de advocaten; There is no case at bar at present = aanhangig; A trial at bar = een behandeling voor al de rechters van een hof; At the bar of public opinion; He was called to the bar = werd toegelaten als advocaat; Called within the Bar = tot King’s (Queen’s) Counsel benoemd worden; To change the Bar for the Bench = van advocaat overgaan bij de magistratuur; To cross the bar = sterven; To study for the bar = in de rechten; A bird with a barred tail = gestreept; A crossbar-red shirt; This statute bars my right of a free choice = verhindert; Barring = barring; prep. uitgezonderd: I will take them all Bar(ing) these = met uitzondering van; Barring-out = het buitensluiten van den leeraar door leerlingen (met Kerstmis of Vasten); Bar-iron = staafijzer; Bar-keeper = buffetknecht; kroeghouder (Americ.); Bar-maid = buffetmeisje; Bar-man = buffetknecht; Bar-master = mijnopzichter; Bar-room = gelagkamer; Bar-shoe = rondom gesloten hoefijzer; Bar-soap = zeep aan reepen; Bar-shot = boutkogel; Bar-sinister (Zie Bend-sinister); Bar-tender = buffethouder.

Barb, bâb, subst. Barbarijsch paard; soort duif; baard, schachtveertjes; weerhaak; wapenrusting voor een paard; Barb verb. van weerhaken voorzien; barbieren: Barbed wire fence = prikkeldraadversperring.

Barbacan, bâbək’n, buitenwerk, wachttoren.

Barbados, bâbeidouz, Barbados. (W. Ind.).

Barbarian, bâbêriən, subst. barbaar, wilde, wreedaard; adj. barbaarsch, wild, onmenschelijk; Barbaric, barbaarsch; Barbarism, bâbərizm, barbarisme (gramm.), barbaarschheid, wreedheid; Barbarity = barbaarschheid; Barbarous = barbaarsch; subst. Barbarousness.

Barbary, bâb’ri, Barbarije: Barbary-ape = Turksche aap.

Barbate(d), bâbit(id), behaard.

Barbecue, bâbəkjû, subst. groote rooster; een in zijn geheel gebraden groot dier; volksfeest waar zulk een gebraad wordt opgegeten; terras waarop koffieboonen worden gedroogd (Amer.); Barbecue verb. een dier in zijn geheel braden.

Barbel, bâb’l, barbeel.

Barber, bâbə, subst. barbier, kapper; Barber verb. barbieren, kappen; Barber’s basin, Barber’s plates (brass vessels) = scheerbekken; Barber’s pole = rood en wit geschilderde stok aan de oude barbiers(dokters)winkels.

Barberry, bâberi, berberis, zuurdoorn.

Barbet, bâbət, poedelhond; baardvogel, baardkoekoek.

Barbette, bâbet, barbette, geschuttoren op pantserschepen; geschutbank.

Barbican = Barbacan.

Bard, bâd, zanger, bard; harnas v. een paard; spekreep; Bard verb. van een harnas voorzien; met spekreepen beleggen; Bardic, barden - - = Bardish; Bardism, bardenwezen.

Bardell, bâdəl, bâdel.

Bare, bêə, adj. naakt, bloot, blank, kaal, arm, versleten, ontbloot van; Bare verb. ontblooten, berooven: Under bare poles = voor top en takel; Bare-backed = zonder zadel; Bare-boned, (Bare-ribbed) fellow = mager, broodmager; He told it me barefaced = zonder blikken of blozen, onbeschaamd; Barefacedness; Bare-footed, Bare-headed, Bare-legged, etc.; Barely = nauwelijks; Bareness = naaktheid, behoeftigheid.

Barege, barêž, barège.

Baret, barət, hoofddeksel van Kath. geestelijken, bonnet, baret, kalotje.

Bargain, bâgin, subst. koop, koopje, overeenkomst, afspraak, het gekochte; Bargain verb. een koop sluiten, verkoopen, overeenkomen: To conclude (drive, strike) a bargain = sluiten; He made the best of a bad bargain = hij sloeg er zich zoo goed mogelijk door; A good bargain is a pickpurse = goedkoop duurkoop; I had these goods a dead bargain = spotgoedkoop; I will give you these into the bargain = op den koop toe; Sale bargains = koopjes; A bargain is a bargain = een man een man, een woord een woord; That’s a bargain! afgesproken; He bargained away his farm = verkocht; We had not bargained for his presence = niet gerekend op; He sent me less than I had bargained for = berekend, besteld; Bargain-hunter = loopster op koopjes; Which is the bargainee and which the bargainer = kooper ... verkooper.

Barge, bâdž, barge, praam, lichter; statie(officiers)sloep; een passagiers- of vrachtschip met dubbel dek, getrokken door eene stoomboot (Amer.); (hotel)omnibus = Hotel barge (Amer.); Bargeman = Bargee (bâdžî) = schuitenvoerder = Bargemaster.

Barilla, bərilə, ruwe soda, ook de plant, waaruit deze bereid wordt.

Bark, bâk, subst. schuit, bark; geblaf; bast (van een boom), schors, run; Bark verb. afschillen; blaffen; hoesten: I barked my skin against a wheel = schaafde; Bark-bared = van de bast ontdaan; Bark-galled tree = met beschadigde bast; Bark-pit = looikuil; Barker, blaffer, schreeuwer, iemand die koopers lokt; pistool, kanon; Barky = met schors bedekt.

Barley, bâli, gerst: Hulled (Peeled, Pot, Scotch) Barley = gepelde gerst; French (Pearl) barley = parelgerst; Barley-broth = gerstepap; Barley-corn = gerstekorrel; John Barley-corn = bier; Barley-sugar = gerstesuiker.

Barm, bâm, gist; Barmy = schuimend.

Barn, bân, subst. schuur; Barn verb. in eene schuur opslaan (up); adj. tam, huis - -: Barn-door fowls = pluimgedierte; Barn-owl = kerkuil; Barn-stormer = rondreizend acteur; Barn-yard = erf.

Barnaby, bânəbi, Barnabas.

Barnacle, bânək’l, eendenmossel, klis (fig.); boomgans; Barnacles = neusknijper (voor een paard); lorgnet; martelwerktuig.

Barometer, bəromətə, barometer; Barometric(al), barometrisch, barometer...

Baron, bar’n, baron: Barons of the Exchequer = vijf rechters, die (voor 1873) belastingkwesties tusschen regeering en onderdaan uitmaakten; Baron and feme = man en vrouw (jur. en herald.); Baron of beef = de twee ongescheiden lendestukken van een rund; Barons of the Cinque Ports = (tot 1832, veertien leden van het House of Commons, door de Cinque Ports (nl. Dover, Sandwich, Hastings, Hythe en Romney, waarbij later Winchelsea en Rye kwamen) gekozen); Baronage; Baroness = barones; Baronet = baronet (een baronet heeft, evenals een knight, Sir vóór den doopnaam; de titel van den eerste alleen is erfelijk); The Baronage and the Baronetage of England = alle barons en baronets; Baronetcy = titel of waardigheid van een baronet; Baronial = van een baron; Barony = baronie; waardigheid van baron.

Baroque, bərouk, subst. en adj. barok.

Barouche, bərûš; kales, barouche.

Barrack, barək, barak, keet; Barracks = kazerne.

Barrage, baridž, dam.

Barrator, barətə, omkoopbaar rechter; twistzoeker; iemand die barratry pleegt; Barratry, barətri, het aanzetten tot processen; bedrog door een scheepskapitein gepleegd ten nadeele van de eigenaars, assuradeurs of cargadoors.

Barrel, bar’l, subst. ton, vat, loop (van een geweer), cylinder (in een muziekdoos of orgel), spil; trommel (van het oor, van een horloge), romp van paard of koe; Barrel verb. inkuipen, in een vat doen; Barrel-bulk = vijf kubieke voet; Barrel-bellied = met ronden buik; Barrel-organ = draaiorgel; Barrelled = in vaten gedaan; Double Barrelled = tweeloops.

Barren, bar’n, subst. onvruchtbaar land (dier); adj. onvruchtbaar, droog, onnoozel, waardeloos: Barren-spirited = onbeduidend; subst. Barrenness.

Barricade, barikeid, subst. versperring, hindernis; Barricade verb. versperren, beletten.

Barrier, bariə, barrière, slagboom, grenspaal; Barrier verb. afsluiten; Barriers = krijt; Barrier-reef = koraalrif; Barrier Treaty.

Barrister, baristə = Barrister at law, advocaat (pleit alleen, behalve in crimin. zaken, na instructie door een solicitor).

Barrow, barou, grafheuvel, hunebed; berrie (= Handbarrow-), kruiwagen (= Wheelbarrow-); karrevracht; gecastr. beer.

Barter, bâtə, ruilhandel drijven, inruilen, omruilen: To barter away = verkwanselen; subst. ruil(handel); Barterer = handelaar.

Bartholomew, bâtholəmjû, Bartholomeus; Massacre of St. Bartholomew.

Barwood, bâwud, rood verfhout.

Barytone, baritoun, subst. en adj. bariton; (woord) met onbeklemde laatste lettergreep.

Basal, beis’l, grond - -, fundamenteel.

Basalt, bəsôlt of basolt, bazalt; Basaltic, basalten; Basaltiform, basaltzuilvormig.

Basanite, basənait, Lydische steen, toetssteen.

Bascule, baskjûl, wip: Bascule-bridge = ophaalbrug.

Base, beis, subst. basis, grondslag, fondament; vertrekplaats (bij wedrennen); een soort spel; bas; adj. gering, laag, gemeen, onecht; Base verb. grondvesten; Base-ball = een Amerik. balspel; Base-born = van lage geboorte; buitenechtelijk; gemeen; Base-burner = vulkachel; Base-line = grondlijn; operatiebasis; Base-minded = laaghartig; Baseless = ongegrond; Baselessness = ongegrondheid; Basement = basement; benedenverdieping; Baseness = laagheid, etc.

Bash, baš, slaan, ranselen: To bash in = inslaan.

Bashaw, bašô, bassa, pacha, gewichtig persoon, tiran: Three-tailed bashaw = pacha met 3 paardestaarten.

Bashful, bašf’l, bloode, bedeesd, schuchter; Bashfulness, blooheid, etc.

Bashi-Bazouk, bašibəzûk, (ongeregeld) Turksch soldaat.

Bashy-bash, bašibaš, heerlijk, snoezig.

Basic, beisik, fundamenteel; basisch.

Basil, beisil, bazil, gelooide schapenhuid; thijm. Zie Bezel.

Basilic, bəsilik, bəzilik: Basilic vein = ellepijpshuidader.

Basilica, bəsilikə, basilica, basiliek.

Basilisk, basilisk, basiliscus, draak; Amerik. kamhagedis; veldslang (kanon).

Basin, beis’n, bekken, schaal, bassin, stroomgebied: To pour water into a broken basin = nutteloos werk verrichten; Hand-basin = fonteintje.

Basis, beisis (Meerv. Bases, beîsîz), grondslag, basis, basement.

Bask, bâsk, koesteren, zich koesteren.

Basket, bâskət, subst. mand, mandvol; (sabel)korf, schanskorf; achterste 2 banken op een coach; Basket! = in de mand! (Straf voor hen, die bij hanengevechten, etc. hunne verliezen niet konden betalen en opgehangen werden in een mand tot de wedstrijd over was); Basket verb. in eene mand doen, in de prullemand gooien; That’s the pick of the basket = het neusje van den zalm; Basketball = korfbal; Basket-buttons = metalen knoopen met een gevlochten versiering; Basket-carriage = mandewagen; Basket-chair = rieten stoel; Basket darning = stoppen; Basket easy = rieten armstoel; Basket-fish = een soort zeester; Basket-hilt = korfgevest; Basket-stitch = maassteek; Basket-work = mandewerk; Basketful = korfvol; Basketry = mandewerk.

Basle, bâl, Bazel.

Basque, bâsk, Baskisch; Bask, het Baskisch; soort damesjacket.

Bas-relief, bârilîf, basrilîf = Bass-relief = bas-relief.

Bass, beis, subst. bas; adj. laag, bas; Bass-clef = bassleutel; Bass-horn = soort clarinet; Bass-viol = violoncel.

Bass, bas, baars; Amerikaansche linde, of de bast van dezen boom; mat van deze bast.

Basset, basət, soort v. dashond.

Basset, basət, of bəset, bassetspel.

Basset-horn, baset-hön, bassethoorn.

Bassinet(te), basinet, ijzeren hoofdbedekking onder den helm; mandewieg.

Bassoon, bəsûn, fagot; Bassoonist, fagottist.

Bast, bast, bâst, lindebast; touw of mat daarvan gemaakt.

Basta, bastə, basta! houd op! uit!

Bastard, bastəd, subst. bastaard; basterdsuiker; adj. onecht; Bastardize = tot bastaard maken; ontaarden; Bastardy, bastaardij.

Baste, beist, met vet overgieten; rijgen; afranselen: Basting threads = rijgdraden.

Bastil(l)e, bastil, bastil, de Bastille.

Bastinado, bastineidou, subst. bastonnade, pak slaag; verb. een bastonnade geven, afranselen.

Bastion, bastj’n, bastion, bolwerk.

Basto, bastou, basta (in ’t omber- en quadrillespel).

Bat, bat, subst. kolf, kolver (= batsman, batter); knuppelstok, slag; halve baksteen; katoenopvulsel; Bat verb. terugslaan met een bat: He did it off his own bat = door eigen inspanning; op eigen houtje.

Bat, bat, vleermuis: As blind as a bat = stekeblind; Bats-wing burner = vleermuisbrander.

Bat, bâ, bât, bat; Bathorse = bagagepaard, pakpaard.

Batata, bateitə, batâtə, zoete aardappel.

Batavian, bəteivj’n, Bataaf, Bataafsch; inwoner van Batavia; Bataviaasch.

Batch, batš, baksel: troep, partij, hoop: The members took the oath in batches = werden groepsgewijze beëedigd; Batches of boys and girls, of letters, etc.

Bate, beit. Zie Abate: With bated breath = ingehouden; He would not bate any of his privileges = afstaan; You can bate them a bit = afdingen.

Bath, bâth, bad, badkuip, badhuis, badplaats, vochtmaat (= 20,2 L.); Bath verb. baden: The Order of the Bath = Bath-orde; Foot-bath; Partial (= Sitting-, Sitz-) bath = zitbad; Shower-bath = stortbad; Vapour-bath; Go to Bath = loop naar den duivel; Bath-brick = schuursteen; Bath-bun = soort van krentenbroodje; Bath-chair = ziekenstoel op raderen; Floating baths = drijvend rivierbadhuis; He had gone off for his course of baths = badkuur.

Bathe, beidh, subst. bad (in rivier of zee); Bathe verb. baden, bespoelen, bevochtigen: Bathed in a cold perspiration, in tears; Bather = bader; Bathing: Bathe-box, (-closet) = badkamertje; Bathe-costume (-dress) = badkostuum; Bathe-drawers (-tights) = zwembroek; Bathe-establishment = badinrichting; Bathe-machine = badkoets.

Bathos, beithos, overgang van het verhevene tot het platte of belachelijke.

Bathurst, bathəst of bâthəst.

Bating, beitiŋ, behalve. Zie Bate.

Batist(e), bətîst, batist.

Batman, batman, keukengereedschapbewaarder der compagnie; oppasser; leider van het bat-horse.

Baton, bat’n, bəton; Batoon, bətûn, baton, staf; dirigeerstok; stok (van een politiedienaar).

Batrachite, batrəkait, vorsen- of paddensteen.

Batsman, batsman, hij, die bij het cricketspel de bat heeft.

Battalion, bətalj’n, subst. bataljon; Battalion verb. bataljons formeeren.

Battel, bat’l: Battels = extraatjes door de Eton Dames aan de jongens verschaft; consumptie besteld uit de bottelarij van een Oxford College; de kosten daarvan, kosten van voedsel, woning, onderwijs, enz. van een Oxford College; Battel verb. zulke aangeschafte levensmiddelen schuldig zijn; aan de gezamenlijke maaltijden deelnemen.

Batten, bat’n, subst. lat; Batten verb. met latten bevestigen (down).

Batten, bat’n, vet worden, gedijen; vruchtbaar worden; zich vetmesten (on, upon), in weelde leven.

Batter, batə, beslag: Batter pudding = een soort trommelkoek.

Batter, batə, verb. beuken tegen, vernielen, bombardeeren, beschieten; subst. beschieting; Battered = verpletterd, verfomfaaid, afgesleten, uitgemergeld, oud en invalide; Battering: Batter-gun = belegeringskanon; Batter-ram = stormram; Batter-train = belegeringsgeschut.

Battery, batəri, batterij (electr. en mil.); aanranding, mishandeling, verwaarloozing (een actie wegens battery heet technisch: For Assault and Battery; een bedreiging met de vuist is een assault, een vuistslag is battery).

Battle, bat’l, subst. slag, veldslag; Battle verb. vechten, strijden (against, for, with): The first blow is half the battle = een goed begin is het halve werk; God of Battles: Zie Rom. IX, 29; Trial by (Wager of) battle = Godsgericht; Drawn battle = onbesliste; Pitched battle = geregelde, felle strijd; Battle-array = slagorde; Battle-axe = strijdbijl, hellebaard, enterbijl; Battle-cry = strijdleus; Battledoor, Battledore, klopper, raket; Battle-field; Battle-horse = strijdros: He had got on his battle-horse, and careered onward = hij zat op zijn paardje, en holde maar door (fig.); Battle-piece = schilderij die een veldslag voorstelt; Battle-royal = hanengevecht (van meer dan twee hanen); algemeene strijd; Battle-song = strijdlied.

Battlement, bat’lm’nt, borstwering: Battlements = kanteelen.

Battue, batjû, drijfjacht; het opgejaagde wild; slachting op groote schaal.

Baubee, bôbî, 2½ cent (Schotsch).

Bauble, bôb’l, snuisterij, speeldingetje, narrenscepter.

Baulk, bôk, Zie Balk.

Bavaria, bəvêriə, Beieren; Bavarian, Beier; Beiersch.

Bavin, bavin, takkenbos.

Bawbee = Baubee.

Bawble = Bauble.

Bawd, bôd, koppelaar(ster); Bawdiness = ontucht; Bawdry = koppelarij; ontuchtige taal; Bawdy = vuil, onkuisch: Bawdy-house = bordeel.

Bawdrick; Zie Baldrick.

Bawl, bôl, subst. luide schreeuw; Bawl verb. schreeuwen, bulken: To bawl out = luid schreeuwen; Bawler, schreeuwer.

Bay, bei, subst. baai, bocht; opening in een muur, vak, nis; laurierboom (Bays = lauweren; The Queen’s Bays = het 2de regiment dragonders); geblaf, tot staan (in ’t nauw) brengen; dam, dijk; bruin paard; adj. kastanjebruin, roodbruin; Bay verb. blaffen, aanblaffen, blaffend vervolgen, in ’t nauw brengen: To be (stand) at bay, To turn to bay = in ’t nauw zijn, zich te weer stellen; To bring (hold, keep) at bay = in ’t nauw brengen, in bedwang houden; Bay-berry, beiberi, laurierbes; Bay-cherry = laurierkers; Bay-leaf = lauwer; Bay-salt = zeezout; Bay-window = erker, venster; Bay-wood = campêchehout.

Bayadeer, Bayadere, bâjadîə, bâjadêə, bajadère.

Bayonet, beiənet, subst. bajonet; Bayonet verb. doorsteken of aanvallen met de bajonet: The bayonet at the charge = met gevelde bajonet; Bayonet-fencing = bajonetvechten.

Bayou, baiû, uitwatering van een meer; moerassige zijarm van een rivier (Zuid. Stat. van Amer.).

Baz(a)ar, bazâ, bazaar, liefdadigheidsbazaar.

Be, bî, bestaan, zijn: The powers that be (were) = de gestelde (vroegere) overheid; Paradise Lost was not as yet = was toen nog niet geschreven; Let be = laat liggen, blijf er af; I am in for it = ik ben er bij; I am off = ik ga heen; I am off for the country = ik ga naar buiten; Time is up = de tijd is om, ’t is tijd; He is well up in history = weet veel van geschiedenis; My mother-in-law to be = toekomstige.

Beach, bîtš, subst. strand; Beach verb. op het strand halen (zetten): To be on the beach = aan lager wal zijn (fig.); Beach-comber, eene lange strandgolf; strandjutter; parelvisscher in den Indischen Oceaan; Beachy = zandig.

Beacon, bîk’n, subst. baken, bakenvuur: Beacon verb. bebakenen; verlichten, tot baken dienen; Beaconage = bîkənidž, bakengeld, bebakening.

Bead, bîd, kraal, drop, traan, blaasje, bobbeltje, vizierkorrel (Amer.); Beads = rozenkrans, halssnoer, eierrand, astragal: To count (tell) one’s beads = den rozenkrans bidden; To thread beads = kralen aanrijgen; To draw a bead upon = mikken op; Bead-eyes = glazen poppe(oogen); Bead-frame = telraam; Bead fringe = kralen rand om lampekap; Bead-roll = lijst van hen voor wier zielen moet worden gebeden; lijst, rozenkrans, eierrand; Beads-man, Beads-woman = iemand, die bidt voor een ander, in ’t bijzonder bewoners van een beadhouse, die het voor den stichter deden; gepatenteerd bedelaar (Schotl.).

Beadle, bîd’l, pedel, bode; Beadledom = Beadle-hood = Beadleship, waardigheid van een beadle.

Beagle, bîg’l, brak; spion, speurhond; verb. jagen met een brak.

Beak, bîk, subst. snavel, neb, bek, tuit; rechter (Slang); Beak verb. met den bek vastpakken; Beak-iron = aambeeld met twee punten; Beaked = gesnaveld, snavel ...

Beaker, bîkə, beker.

Beam, bîm, subst. balk; ploegboom, weversboom, disselboom; drijfstang, waagbalk; hoofdtak van een gewei; boom, speer; dekbalk, grootste breedte van een schip; ankerstok; lichtbundel, lichtstraal; Beam verb. stralen schieten, stralen: On the weather (lee) beam = te loevert (in lij); To be (thrown) on her (one’s) beam-ends = op zij liggen; in verlegenheid zitten, failliet zijn; To kick (strike) the beam = (te) licht wegen, van weinig belang zijn; She was beaming with joy = haar gezicht straalde van vreugde; To beam approval = met stralend gezicht zijn goedkeuring te kennen geven; Beamed stag = hert met het volle gewei; Beam-compass, stangpasser; Beamy, massief; breed; stralend.

Bean, bîn, boon: Full of beans = fleurig, jolig; Every bean has its black = elke gek heeft zijn gebrek; Quite a bean = een pan; To get beans = een standje krijgen; They can’t stand beans = standjes verdragen; He knows how many beans make five = weet zijn weetje; Sick for the bean-pots of Boston (verg. The flesh-pots of Egypt); Bean-feast = jaarlijksch feest van een werkgever aan zijne arbeiders; Bean-pod = boonschil: Bean-pods are noisiest when dry = holle vaten klinken het meest; Bean-pole = boonenstaak (ook fig.); Beany = fleurig.

Bear, bêə, subst. beer, lomperd, beursspeculant à la baisse: Grizzly bear (N. Amer.), Polar bear; To look as sulky as a bear with a sore head; The Great (Little) Bear = de groote (de kleine) Beer; To turn bear = à la baisse gaan speculeeren; Bulls and bears = speculanten à la hausse en à la baisse; Bulling and bearing; Bear-berry = berendruif; Bear’s-breech, bêəzbrîtš, acanthus; Bear’s-ear = berenoor; Bear’s-foot = daslook; Bear-garden = berenkuil, plaats waar bear-baiting gehouden werd; woelige vergadering; Bear’s-grease, bêəzgrîs, berenvet (eene pomade); Bear(’s-)skin = berenhuid; muts van berenvel; dikke, langharige wollen stof; Bearish = norsch, lomp.

Bear, bêə, torsen; dragen, verdragen, bezitten, overbrengen, afleggen, wegdragen, liggen, baren, etc.: Atlas bears the world; The ice bears; To bear the bell = belhamel zijn; To bear children = baren; To bear company = houden; To bear date = gedateerd zijn; To bear fruit; To bear a grudge (ill-will) = een wrok hebben tegen; To bear a hand = een handje helpen; To bear inspection = gezien mogen worden; To bear likeness (resemblance to) = gelijkenis vertoonen; To bear a loss; To bear this meaning (sense) = deze beteekenis hebben; To bear a part = een rol spelen in, deel hebben aan; To bear a proportion to = in verhouding staan tot; To bear reference to = betrekking hebben op; To bear the repute = den naam hebben; To bear a share in = aandeel hebben in; To bear sway (rule) = heerschen; To bear testimony (witness) = getuigen; To bear one’s years well = er flink uitzien voor zijn leeftijd; The land bears North by East = ligt; Bear Verb. met voorzetsels en bijwoorden: To bear against = leunen tegen, zich richten tegen; To bear away = weggaan, (snellen, zeilen), wegdragen (Bear away a prize); To bear down (up)on = losstormen op, aanhouden op, met volle zeilen aankomen op; To bear in mind = zich herinneren (It was borne in upon me = het werd me bewust); To bear off = wegdragen; To bear on = betrekking hebben op, gericht zijn op; To bear out = steunen, bevestigen; I will bear you out = je getuigenis bevestigen; To bear up = dragen, steunen, uithouden, zich goed houden; To bear up against misfortunes = moedig dragen; To bear with = verdragen; To bring to bear = doen gevoelen, laten gelden, laten inwerken op: We shall bring this gun to bear on the battery = deze batterij onder vuur nemen; I brought the lesson to bear = in toepassing; She brought the scheme to bear = voerde uit; Bear back there! = achteruit! Bearable = te dragen; Bearer = drager, brenger, toonder, bode, lijkdrager; een boom, die vrucht draagt: Pay to bearer = te betalen aan toonder; Please send answer by bearer (= Bearer waits) = antwoord verzocht met brenger dezes; Bearing = het dragen, dracht; houding, optreden; vizierlijn, richting, betrekking, verhouding, invloed: Past bearing = niet meer vruchtdragend; onvruchtbaar; Beyond bearing = onverdragelijk; Bearings = ligging, peiling; wapenschild; The trees are all in full bearing = bloei; The bearing of the cape was N. E. = de kaap lag N. O. van ons; This argument has no bearing on the case = betreft het geval niet; To discuss a question in all its bearings = van alle zijden; To bring a person to his bearings = zijn positie doen begrijpen; To find one’s bearings = zich orienteeren; To lose one’s bearings = de kluts kwijt zijn; To take bearings = peilingen doen; poolshoogte nemen (fig.); Armorial bearings = wapenschild; Bearing-rein = opzetteugel.

Beard, biəd, subst. baard; weerhaak; Bearded, gebaard, met een staart (astron.); Beard verb. bij den baard trekken, trotseeren, brutaliseeren; Beardless, baardeloos, jeugdig; Beardlessness, baardeloosheid, etc.

Beast, bîst, (viervoetig) dier; redeloos dier; ruw mensch, beest: The Beast = de Antichrist (Openbaring XIII, 1); Mark of the Beast; Beast verb. beest maken; Beastlike (= Beastly) = dierlijk, beestachtig, buitengewoon; subst. Beastliness.

Beastings, bîstiŋz, biest.

Beat, bît, subst. klap, slag, tred, ronde, wijk, dikwijls bezochte plaats; het maatslaan, slag (bij het laveeren); Beat verb. (herhaaldelijk) slaan, kneuzen, beuken, kloppen, stampen, verslaan, opdrijven, doorzoeken, doorkruisen, inspannen, vermoeien, uitputten, laveeren, vallen; klotsen, betreden: beat of drum = trommelslag; beat of the heart (the pulse); The heart makes from 70 to 80 beats a minute; A policeman’s beat, postman’s beat, sentry’s beat = wijk, post; I am not on your beat = heb uw wijk niet; Out of one’s beat = niet geschikt voor, onbereikbaar; Out of beat = uit de maat; To beat one’s brains (head) about = zich het hoofd breken over, zich inspannen; One beats the bush, and another gets the hare = de paarden, die de haver verdienen, krijgen ze niet; To beat the charge = het sein tot den aanval geven; To beat the general (alarm) = te wapen trommelen; To beat hemp = braken; To beat (pad) the hoof; Zie Hoof; To beat a parley = het sein geven tot mondelinge onderhandeling tusschen vijandelijke aanvoerders; To beat a retreat = den aftocht blazen; To beat time = de maat slaan; Dead-beat = doodop; beaten, geslagen, gesmeed, verslagen, veel betreden, alledaagsch: beaten gold = bladgoud; beaten hemp; beaten path = gewone weg (ook fig.); Hand-beaten silver = gedreven; beating = slaan, pak slaag, nederlaag: To get a sound beating; To give a sound beating = afranselen, slaan (sport); Beat verb. met voorzetsels en bijwoorden: To beat about the bush = er om heen praten; To beat at billiards, etc. = verslaan; To beat back = terugslaan; To beat down = neerslaan, afdingen (They beat down the price), drukken van prijzen; To beat hollow (= badly) = geheel verslaan; To beat in = inslaan; To beat a thing into one’s head (= in upon one) = inprenten; To beat off = afslaan, terugslaan; To beat out = uitdrijven, uitslaan; To beat out of = afbrengen van: The teacher tried to beat him out of lying = door slaan af te leeren; To beat out of countenance = van zijn stuk brengen; To beat up = alarmeeren, aanvallen, werven, kloppen, aanmaken, opkruisen; To beat up and down = op en neer loopen.

Beatific, bîətifik, zaligmakend, gelukzalig; subst. Beatification; Beatify, biatifai, zalig maken, zalig verklaren; Beatitude, biatitjûd, hemelsche zaligheid, zaligspreking.

Beatrice, bîətris; Beattie, bîti of beiti.

Beau, bou (Meerv. Beaus of Beaux, bouz), fat, galant; Beau verb. ’t hof maken; Beaupot (Bough Beau, Bow Beau) = bloempot voor het raam (veroud.).

Beauchamp, bîtš’m; Beaufort, bjûfət; Beaumont, boum’nt.

Beauteous, bjûtiəs, schoon; subst. Beauteousness; Beautifier, bjûtifaiə = verfraaier, schoonheidsmiddel; Beautiful, bjûtiful, schoon, voortreffelijk; subst. Beautifulness; Beautify, bjûtifai, verfraaien, fraai (schoon) worden; Beauty, bjûti, schoonheid, schoone: She is an heiress and a beauty = een rijk en schoon meisje; beauty is but skin deep = schoonheid is vergankelijk; Beauty-sleep = de slaap vóór middernacht; Beauty-spots = moesjes; Beauty-wash (Beauty-water) = cosmetisch huidwatertje.

Beaver, bîvə, bever, vilt, vilten hoed; vizier, helm; Beaverteen = soort van duffel.

Becalm, bikâm, stillen, bedaren: The fleet was becalmed off Lisbon = werd door windstilte overvallen op de hoogte van L.

Became, bikeim, imperf. van to become.

Because, bikôz, bikoz, omdat, dewijl: Because of = van wege, wegens.

Beccafico, bekəfikou, vijgeneter (vogel).

Bechance, bitšâns, gebeuren, overkomen.

Bechuanaland, bekuânəland.

Beck, bek, subst. knik, wenk met vinger of hand (als bevel of groet); beekje, riviertje: To be at one’s beck = To be at the beck and call of a person = tot iemands dienst zijn; iemand op zijn wenken bedienen; Beckon, bek’n, een wenk geven (met hand of hoofd), wenken.

Becloud, biklaud, bewolken, verduisteren.

Become, bikɐm, worden; passen, goed staan, betamen: I do not know what has become of him = waar hij gebleven is; It does not become you (= It ill becomes you) to speak like that = het past u niet; Her dress becomes her = staat haar goed; She becomes her dress = zij doet haar japon geen oneer aan; That’s very becoming = gepast.

Bed, bed, subst. bed, leger, huwelijk(sbed), bloembed, onderbouw, bedding, laag; Bed verb. in bed leggen, in een bed planten (out); in orde, in eene laag leggen, ondermetselen, te bed (ruste) gaan, overnachten: Early to bed and early to rise, makes a man healthy and wealthy and wise = de morgenstond heeft goud in den mond; To be in bed; To be brought to (= To have one’s) bed; = bevallen: To get out of bed with the wrong foot foremost = met het verkeerde been; To go to bed; He keeps his bed = houdt het bed; I have made your bed = opgemaakt; As you make your bed so you must lie in it = wat ge zaait zult ge oogsten; I have made up a bed for you = in orde gebracht; To put to bed = naar bed brengen; He took to his bed and died = ging liggen; Bed of roses (fig.); Separation from bed and board = scheiding van tafel en bed; Bed-chair = ziekenstoel; Bed-chamber = slaapkamer: Lords, Ladies (Women) of the (King’s) Queen’s bed-chamber = kamerheeren, hofdames (kamervrouwen); Bed-clothes = bedlinnen, beddegoed; Bed-curtains; Bedding = beddegoed, stroo, lagen (geol.); Bedfast = bedlegerig (Schotl.); Bedfellow (mate) = slaapkameraad; Bedgown = nachtjapon; kort jak (Schotl.); Bed-hangings = bedgordijnen; Bed-linen; Bed-maker = kamermeisje (aan Eng. universiteiten); Bed-pan = beddepan; Bed-post = stijl van een ledikant: In the twinkling of a bed-post = in een oogwenk; Bed-quilt = gewatteerde overdeken; Bed-rest = toestel om patienten bij het opzitten te steunen; Bedridden = bedlegerig; Bed-rock = vast gesteente; grond(slag): The family is almost down to bedrock = ze hebben nagenoeg niets meer; Bed-room = slaapkamer; Bed-sore, bedsö, doorgelegen plek (wegens lange bedlegerigheid); Bed-spread = bedsprei; Bed-stead = ledikant (Chair-bed = opvouwbaar ledikant); Bed-table = nachttafeltje; Bedtick = beddetijk; Bedtime = bedtijd.

Bedash, bidaš, bespatten.

Bedaub, bidôb, besmeren, bekladden.

Bedazzle, bidaz’l, door glans verblinden.

Bedeck, bidek, tooien, versieren, opschikken.

Bedehouse, bîdhaus, godshuis, gasthuis; Bede(s)man, Zie Beadsman.

Bedel, bîd’l, Bedell, bîdel, pedel (Oxford en Cambridge).

Bedevil, bidev’l, folteren, beheksen, in verwarring brengen, in ’t verderf storten; Bedevilment = bezetenheid, verwarring, helsch lawaai.

Bedew, bidjû, bedauwen, bevochtigen.

Bedight, bidait, versierd.

Bedizen, bidaiz’n, bidiz’n, optooien; Bedizenment, optooi.

Bedim, bidim, verduisteren.

Bedlam, bedl’m, subst. gekkenhuis; dolle boel; adj. gek; dolhuis ...; Bedlamite = krankzinnige.

Bedouin; beduîn, bedouïn, zwerver.

Bedraggle, bidrag’l, nat en vuil maken.

Bedrench, bidrenš, doorweeken, drenken.

Bedwarf, bidwöf, den groei belemmeren, verkleinen, laten verworden.

Bee, bî, bij, wesp, hommel; vereeniging of bijeenkomst van buurlieden tot het gezamenlijk verrichten van arbeid of uitoefenen van liefdadigheid: Husking-bee = voor maïs pellen; Sewing-bee = naaikransje; Spelling-bee = wedstrijd in het spellen, etc.; He has a bee in his bonnet, hears a bee humming in his head = hij is niet recht snik (rusteloos, opvliegend); Bee-bread = bijenbrood; Bee-dress = pak van den ijmker; Bee-eater = bijeneter; Bee-farmer = ijmker; Bee-garden = plaats waar de korven staan; Bee-glue (Beeswax) = raat of was; Beehive = korf; Bee-keeper = bijenhouder; Bee-line = kortste weg tusschen twee plaatsen; Bees-wing = dun vliesje op oude portwijn.

Beech, bîtš, beuk, beukeboom; Beech-gall = galnoot; Beech-mast, Beech-nut = beukenoot; Beech-wheat (Zie Buckwheat): Beechen = beuken.

Beef, bîf, rundvleesch, spierkracht; (geslachte) os; meest Mv. beeves of beefs = rundvee (Amer.); Hung beef, Smoked beef = rookvleesch; Beef-eater = spotnaam voor de Yeomen of the Guard; Beef-tea = bouillon; Beef-steak = runderlapje; Beef-witted = stom als een os; Beefy = vleezig; gespierd.

Been, bîn, part. perf. van to be.

Beer, bîə, bier: Strong, small beer = zwaar, dun (licht) bier: You talk small beer = je wauwelt; He thinks no small beer of himself = heelt een hoogen dunk; There would be more beer and skittles about my little jaunt = ik zou er meer lol van willen hebben; That man’s lot is not all beer and skittles = niet alles rozengeur en maneschijn; Native beers = binnenl. biersoorten; Beer-barrel = biervat; Beer-engine (= Beer-pump) = bierpomp; Beer-house (= Beer-shop) = bierhuis; Beer-money = geld aan meid of knecht in plaats van bier; Beery = vol bier, beneveld.

Beest, bîst, = Beestings = Beastings.

Beet, bît, biet, kroot: Beet-radish, Beet-rave = beetwortel; Beet-root = biet: To blush like a beet-root; Beet sugar = beetwortelsuiker.

Beetle, bît’l, subst. tor, kever.

Beetle, bît’l, zware houten hamer, stamper; Beetle verb. stampen, figuren indrukken; Beetle-head = heiblok, ram; domkop.

Beetle, bît’l, uitsteken, overhangen; Beetle-browed = met vooruitstekende ruige wenkbrauwen, norsch.

Befall, bifôl, overkomen, gebeuren.

Befit, bifit, passen, betamen.

Befog, bifog, in mist hullen, verwarren.

Befool, bifûl, voor den gek houden, bedotten.

Before, bifö, voor, tevoren, voorheen, vooraf, boven (bij eene keus): To sail before the wind; I love her before any other woman = boven; Before-cited (Before-mentioned) = vroeger vermeld; Before-going = voorafgaand; Beforehand, biföhand, vooraf, van tevoren, vooruit: He will be beforehand with you = u vóór zijn; She was anxious to be beforehand with his lightest wish = te voorkomen; I am beforehand with the world = ik kan mij goed redden, heb goede vooruitzichten; Before time = in vroeger tijd.

Befoul, bifaul, bevuilen, bemorsen.

Befriend, bifrend, als vriend handelen jegens, beschermen, bijstaan.

Beg, beg, smeeken, ernstig vragen, bedelen, verzoeken: Miss N., may I beg a dance of you = u verzoeken om; I beg your pardon = vraag u excuus; I beg your pardon? = wat blieft u? To beg the question = het punt in kwestie voor uitgemaakt of bewezen aannemen; I beg to inform (send) you = ik ben zoo vrij, heb de eer; He begged for bread; He tried to beg me off, but my father would hear of no pardon = hij trachtte gedaan te krijgen, dat de straf mij werd kwijtgescholden; Begging friars = bedelmonniken; Mayoralties that go a-begging for lack of men = waarvoor zich niemand aanmeldt.

Begad, bigad = Bij God.

Began, bigan, imperf. van to begin.

Begaum, bîgôm = Begum.

Beget, biget, voortbrengen, kweeken: Kindness begets kindness; Begetter, vader, bewerker.

Beggar, begə, subst. bedelaar, arme kerel, vent; Beggar verb. tot den bedelstaf brengen, berooven, overtreffen: Beggars cannot be choosers = nood leert bidden; Set a beggar on horseback and he’ll ride to the devil = als niet komt tot iet dan kent iet zichzelve niet; The scene beggars description = gaat alle beschrijving te boven; Beggar-my-neighbour = een kaartspel voor kinderen; Beggarliness = armzaligheid; Beggarly = armzalig; Beggary = armoede: Beggary is no vice = armoede is geen schande; Reduced to beggary = tot den bedelstaf gebracht; Zie Beg.

Begin, bigin, beginnen, ontstaan, aanvangen: Let us begin at the beginning = bij; To begin with I must tell you = om te beginnen; Beginner, beginneling; In the beginning = in den beginne; Every beginning is difficult = alle begin valt zwaar; Everything must have a beginning = een keer moet de eerste zijn.

Begird, bigɐ̂d, omgorden, omringen, omsluiten.

Begone, bigon, scheer je weg, ruk uit!

Begonia, bigounjə, begonia.

Begotten, bigot’n, voortgebracht: God’s only begotten Son = de zoon Gods; Zie Beget.

Begrime, bigraim, bezoedelen, bemorsen.

Begrudge, bigrɐdž, misgunnen.

Beguile, bigail, bedriegen, verschalken, korten, aangenaam doorbrengen: The fairy voices beguiled me on = de feeënstemmen verlokten mij, om steeds verder te gaan; He beguiled the difficult path with pleasant stories = door zijne aangename verhalen merkten wij de moeilijkheden van ons pad niet; That might have well beguiled, Even haughty Eblis of a sigh = kon zelfs E. eene zucht ontlokt hebben; Beguilement = bedrog; Beguiler = bedrieger.

Beguine, begin, Begijn.

Begum, bîg’m, eene Indische prinses, voorname dame.

Behalf, bihâf, behoeve, voordeel, belang: In (On) (the) behalf of = ten behoeve van; in naam van, van wege.

Behave, biheiv, zich gedragen: To behave oneself = zich (netjes) gedragen, zoet zijn: If you are pretty behaved = zoet bent; Behaviour, biheivjə, gedrag, optreden: To put a person upon his good behaviour = iemand verantwoordelijk stellen voor zijn goed gedrag; vermanen zich goed te gedragen.

Behead, bihed, onthoofden; Beheading, onthoofding.

Beheld, biheld, imperf. van to behold.

Behemoth, bihîməth of bîhimoth, Behemoth (Job. XL. 15–24); kolossaal dier.

Behest, bihest, bevel, opdracht.

Behind, bihaind, subst. achterkant, achterste; prep. achter, minder dan, na: Behind before = achterste voren; To fall behind = achterblijven; To leave behind = achterlaten; To look behind = omkijken; To stay behind = thuisblijven, achterblijven; Behind your back = achter uw rug (ook fig.); Behind the scenes = achter de schermen (ook fig.); You are behind your time = over; The train is behind time = over zijn tijd; To be behind the times = achterlijk; There was something behind his words = stak wat achter; Behindhand = achterlijk, achterstallig, ten achteren: To be behindhand in the world = in moeielijke omstandigheden zijn, aan lager wal zijn geraakt; Behindment(s) = achterstallige schulden (Amer.).

Behn, ben.

Behold, bihould, aanschouwen, waarnemen, zien: Behold! = kijk! Behold me = daar ben ik.

Beholden, bihould’n, verplicht, dankbaar (to, for).

Behoney, bihɐni, met honig besmeren (ook fig.).

Behoof, bihûf: In (On, For the) behoof of = On behalf of.

Beho(o)ve, bihouv, bihûv, passen, noodzakelijk zijn: It beho(o)ves one to be = men dient te zijn.

Behring, beriŋ, bîriŋ.

Beige, beiž, beige.

Being, bîiŋ, aanzijn, wezen, bestaan, verblijf: For the time being = voor het oogenblik; toenmalig.

Beiram, Zie Bairam.

Beknown, binoun, bekend.

Belabour, bileibə, afrossen, ranselen.

Belate, bileit, ophouden, vertragen: Belated = vertraagd, te laat, door den nacht overvallen: A belated traveller; Belated efforts; Belated wild roses.

Belaud, bilôd, uitbundig prijzen.

Belay, bilei, vastzetten, vastjorren: Belaying-pin = houten of ijzeren nagel (scheepsterm); Belay there = houd op! maak vast!

Belch, belš, oprispen, uitspuwen, uitbraken (out, forth); subst. oprisping, etc.

Belcher, beltšə, donkerblauwe halsdoek met witte stippen en donkerblauw hart (waarschijnlijk genoemd naar Jim Belcher, een beroemd bokser in zijn tijd): A Belcher handkerchief = een zakdoek van die stof.

Beldam, beld’m, oude vrouw, heks.

Beleaguer, bilîgə, belegeren, insluiten, blokkeeren.

Belecture, bîlektšə, kapittelen.

Belfast, belfâst.

Belfry, belfri, klokketoren, klokkekamer.

Belgian, beldž’n, Belg(isch); Belgic = Belgisch; Belgium = België.

Belgrade, belgreid, Belgrado.

Belgravian, belgreivj’n, adj. tot Belgravia, een aristocratisch deel van West-Londen, behoorende; aristocratisch, modisch; subst. aristokraat, een van de Upper ten thousand.

Belial, bîliəl, Belial: Son (man) of Belial = slecht mensch.

Belibel, bilaib’l, in geschrifte belasteren.

Belie, bilai, belasteren, logenstraffen, teleurstellen: Your looks belie your words; Our hopes belied our fears = we misleidden onszelf met te blijven hopen.

Belief, bilîf, geloof, weten, overtuiging: To the best of my belief = naar mijn beste weten; That is past all belief = bepaald ongeloofelijk; My firm belief is = ik ben vast overtuigd.

Believable, bilîvəb’l, geloofelijk; Believe, bilîv, gelooven, onderstellen: Nice weather, isn’t it? I believe you = dàt zal wel waar wezen, dàt beloof ik je; To believe in = gelooven aan; That fellow believes, that the moon is made of green cheese = die vent gelooft van alles; Come, let us make believe! = een kinderspelletje doen, waarbij men ’t een of ander voorstelt; He made believe to read = hij deed net of hij las; Believer, geloover, geloovige.

Belike, bilaik, misschien, waarschijnlijk.

Belittle, bilit’l, verkleinen, kleineeren: To belittle noble deeds, a man; Belittlement, kleineering.

Bell, bel, subst. bel, klok, schel (Bells = glazen-, scheepst.), kelk; verk. v. Arabelle of Isabella; Bell verb. de bel aanhangen; schreeuwen (van herten in den bronsttijd); in den vorm van een kelk groeien: There is the front-door bell = er wordt gebeld; Funeral bell = doodsklok; To answer the bell = komen als gebeld wordt, opendoen; To bear the bell = de belhamel zijn; To bear (carry) away the bell = de overwinning behalen; To curse one with bell, book and candle = excommuniceeren; met verwenschingen overladen; To pull (ring, touch) the bell (the streetdoor bell) = bellen, aanbellen; To toll the bell = plechtig luiden, kleppen; Coral and bells = rinkelbel; Who is going to bell the cat? = wie zal de kat de bel aanbinden? Bell-buoy = klokkeboei; Bell-button = electr. belknop; Bell-flower = campanula of klokbloem; Bell-founder = klokkegieter; Bell-glass = glazen stolp; Bell-harness = tuig met bellen; Bellman = omroeper; Bell-metal = klokkespijs; Bell-pull (Bell-rope) = schellekoord; Bell-punch = instrument met bel om kaartjes te knippen; Electric bell-pushes = knoppen; Bell-ringer = klokluider; Bell-shaped; Bell-wether = belhamel (ook fig.).

Belladonna, belədonə, belladonna.

Bellerophon, bəlerəfon.

Bellicose, belikous, belikous, oorlogzuchtig, strijdlustig.

Belligerence, bəlidžərens, Belligerency, oorlogvoeren, staat van oorlog; Belligerent, oorlogvoerend(e natie).

Bellona, bəlounə, Bellona.

Bellow, belou, verb. bulken, luid schreeuwen; subst. gebulk, etc; Bellower, afroeper, omroeper.

Bellows, belouz, beləz, blaasbalg: Bellows-blower = orgeltrapper.

Belly, beli, subst. buik, schoot; Belly verb. zwellen, dik worden, uitzetten: Your eyes are too big for your belly = je oogen zijn grooter dan je maag; To eat the calf in the cow’s belly = de kip slachten, die de gouden eieren legt; A man given to (fond of) his belly = die slechts zijn buik dient; Hoof to belly = ventre à terre; The bellied sails = bolle zeilen; Belly-ache = buikpijn, koliek; Belly-band = buikriem; Bellyful = buikvol; pak slaag; Belly-god (Belly-slave) = gulzigaard; Belly-pinched = uitgehongerd; Belly-timber = voedsel; Belly-worm = spoelworm.

Belong, biloŋ, toebehooren, behooren bij (tot), betreffen, voegen, geschikt zijn voor, wonen (Amerik.): Where do you belong? = waar hoor jij thuis? That word does not belong here = is niet op zijn plaats; Belongings = eigendom, hebben en houden, toebehooren, aanhang.

Beloved, bilɐvid, dierbaar, geliefd: The Beloved = de Zoon Gods.

Below, bilou, adv. en prep. onder, naar onderen, beneden, op aarde, in de hel (onderwereld): The realms below = het schimmenrijk; It is below him = beneden hem.

Belt, belt, Belt: The Great and the Little (Lesser) Belt.

Belt, belt, subst. gordel (ook als ridderattribuut), koppel, drijfriem, ring (van Jupiter); kampioensgordel; Belt verb. omgeven, omringen: Belt-railway = ceintuurbaan; To have the belt = ‘de week’ hebben (van officieren); To have too much wine under one’s belt = achter de knoopen; To hit below the belt = een gemeenen slag toebrengen (bij het boksen), ook fig.; To hold the belt = kampioen zijn; Belted cruiser = kruiser met een pantsergordel langs de waterlijn.

Beltane, Beltein, beltin, een Heidensch zonnefeest, in Ierland gehouden op 21 Juni, in de Hooglanden van Schotland in Mei, waarbij, te midden van allerlei plechtigheden, vuren werden gebrand op de heuvels.

Belvedere, belvidîə, belvedère, uitzichttoren, uitzichtkoepel.

Belvoir, bîvə.

Bemire, bimaiə, beslijken, bezoedelen.

Bemoan, bimoun, weeklagen, bejammeren: To bemoan oneself = zijn lot beklagen.

Ben, ben, berg(top) (Schotl.); binnenkamer, (Schotl.); adv. in, van binnen; verkorting voor Benjamin en Benefit (night).

Bench, benš, subst. bank, schaaf- of draaibank; de rechters; Bench verb. van banken voorzien; tot aanzien brengen: The bench and the bar = de rechters en de balie; Court of Queen’s (King’s) Bench = oud gerechtshof; thans de Queen’s Bench Division van het High Court of Justice; The Treasury Bench = bank der ministers in The House of Commons; He was raised to the bench = tot rechter benoemd; Bencher = vroeger bestuurslid van een Inn of Court; thans lid van het uit de besturen der 4 Inns gevormde college: Council of Legal Education, dat de examens voor Barrister afneemt; Bench-warrant = bevel tot inhechtenisneming uitgevaardigd door een Court of Judge.

Bend, bend, subst. bocht, kromming, knoop, steek; Bend verb. buigen, krommen, lichten, zich toeleggen, overhellen tot, besloten zijn, onderwerpen, overhangen, aanslaan: Bends = berghout; The Bend (Bar) sinister, eene lijn in een wapenschild, van den linkerbovenhoek naar den rechterbenedenhoek getrokken, en onechte geboorte aanduidend; We have been on the bend = wij zijn eens “uit” geweest; To go on a bend = bokkesprongen maken (fig.); He bent his brow = fronste zijn voorhoofd; To bend a sail = aanslaan; They bend their way homewards = richten hunne schreden; Bent on going, on pleasure, on mischief = besloten te gaan, geneigd tot pret maken, kwaad doen; He was bent on his work = ingespannen bezig met; As the twig is bent, the tree’s inclined = jong gewend, oud gedaan; We must not bend the bow till it breaks = de boog kan niet altijd gespannen zijn; Bend-leather, zoolleer; Bendable, buigbaar; Bender = spanner; sixpence; been, fuif (Amer.).

Beneaped, binîpt, vastzittend (door ebbe).

Beneath, binîth, beneden, lager dan, onder, op aarde: It is beneath you (your dignity); He thinks it beneath him; On the earth beneath.

Benedicite, benədisitî, of benədaisitî, God zegene u! subst. gebed vóór den maaltijd; een danklied.

Benedick, benədik, Benedict, benədikt, Benedictus; een pas gehuwde; bekeerde oude vrijer.

Benedictine, benədiktin, subst. Benedictijner monnik; Ben. likeur; adj. Benedictijnsch.

Benediction, benidikš’n, benedictie, inwijding, inzegening, lofrede; dankzegging; Benedictional = zegenformulier boek; Benedictory, benədiktəri, Benedictory prayers = heilbeden.

Benefaction, benifakš’n, weldaad, weldoen, schenking; Benefactor (Benefactress), weldoener (weldoenster).

Benefice, benəfis, leen, prebende, de door den Patron te vergeven predikantsplaats: The benefice was only open to = voor de prebende kwamen slechts in aanmerking.

Beneficence, bənefisens, weldadigheid; Beneficent, weldadig; Beneficial, benəfiš’l, voordeelig, nuttig, heilzaam; Beneficialness: Beneficiary, benəfišəri, subst. hij, die in ’t bezit is van een benefice; een provenier, vasal; hij, die een beurs heeft (Amer.); ontvanger van een geldelijk bedrag; beneficiant (van een leen of eene beurs) adj. in betrekking tot een benefice; mild.

Benefit, benəfit, subst. weldaad, gunst, voordeel, weldadigheidsvoorstelling of benefiet (= Benefit night); Benefit verb. nuttig zijn voor, van dienst zijn, bevorderen, nut of voordeel trekken uit (by): Benefit of Clergy = een vroeger voorrecht om niet voor een wereldlijke rechtbank terecht te staan; Maternity benefit = uitkeering (volgens de ziektewet) bij bevalling; Medical benefit = genees-, en heelkundige hulp; Sanatorium benefit = verpleging in sanatoria; Let us give him the benefit of the doubt = laten we den bestaanden twijfel in zijn voordeel uitleggen; For the benefit of his health = in het belang; The Egyptians never benefited by French influence; Benefit-society = verzekeringsgezelschap tegen ziekte en ouderdom; Benefit building-society = vereenig. voor het bouwen van arbeiderswoningen.

Benevolence, bənevəl’ens, welwillendheid, weldaad; bede; Benevolent, welwillend, weldadig: Benevolent fund = ondersteuningsfonds.

Bengal, beŋgôl, Bengalen; een dunne uit zijde en haar vervaardigde stof; adj. Bengaalsch: Bengal cane = Spaansch riet; Bengal light = Bengaalsch vuur; Bengal tiger = koningstijger; Bengalee, Bengali, beŋgôlî, Bengalese, beŋgôlîz, Bengalees, Bengaleezen, het Bengaalsch.

Benighted, binaitid, door den nacht overvallen, achterlijk, ouderwetsch, dom.

Benign, binain, liefderijk, weldadig, mild, goedaardig; Benignant, binign’nt, liefderijk, etc.; Benignity, binigniti, liefderijkheid, goedheid, welwillendheid.

Benjamin, benžəmin, Benjamin; benzoë; soort van overjas (in de mode in het begin dezer eeuw); lage stroohoed met breeden rand.

Benjy, benži, verkorting van Benjamin.

Bennet, benət, nagelkruid.

Bent, bent, gebogen, krom, geneigd, gesteld, belust, besloten; subst. neiging, drang, trek, grootste (in)spanning, helling: He has fooled me to the top of my bent = tot het uiterste; Bent (= Bent-grass) = struisgras; To take (to) the bent = ontsnappen, vluchten.

Benumb, binɐm, verstijven: Benumbed with cold; subst. Benumbedness.

Benzine, benzin, benzîn, benzine; Benzol(e), benzol, benzoul, benzol = Benzoline, benzəlîn.

Beowulf, beiəwulf, bîəwulf.

Bepraise, bipreiz, buitensporig prijzen.

Bepuff, bipɐf, vreeselijk in de hoogte steken.

Bequeath, bikwîth, bikwîdh, nalaten, vermaken; subst. Bequeathal = Bequeathment; Bequest, bikwest, legaat.

Berate, bireit, doorhalen of hekelen.

Berber, bɐ̂bə, Barbarijsche taal (of bewoner); adj. Barbarijsch.

Bereave, birîv, berooven, wegnemen; Bereavement = zwaar verlies.

Bereft, bireft, imperf. en part. perf. van to bereave.

Berenice, berinais; Beresford, berəsfəd.

Bergamot, bɐ̂gəmot, bergamotcitroen, bergamotolie, bergamotpeer; soort grof tapijtwerk.

Bergander, bɐ̂gandə, bergeend.

Berlin, bɐ̂lin, Berlijn, berline, garen handschoen (= Berlin glove); adj. Berlijnsch: Berlin blue = Pruisisch blauw; Berlin shop = tapisseriewinkel; Berlin wool = fijne breiwol.

Berm(e), bɐ̂m, berm, walrand.

Bernard, bɐ̂nəd, Bernardus; Bernardine, bɐ̂nədin, Bernardijn; adj. Bernardijnsch.

Berne, bɐ̂n, Bern: The Bernese (bɐ̂nîz) Highlands = Berner Oberland.

Bernoose, bɐ̂nûs, bɐ̂nûs, burnous.

Berre(t)ta, bəretə, baret (zwart voor priesters, violet voor bisschoppen (te Rome meest zwart), rood voor kardinalen.)

Berry, beri, subst. bes, boon, eitje van visch of kreeft; Berry verb. bessen voortbrengen, of plukken.

Berserk (Berserkar, Berserker, Berserkir), bɐ̂sɐ̂k(ə), subst. Berserker, woesteling; adj. woest: Berserker rage; His berserker forefathers = woeste.

Berth, bɐ̂th, subst. ruimte tusschen zeilende schepen, ankerplaats, ligplaats, kooi, hut, post, (goed) baantje; Berth verb. een slaapplaats aanwijzen; eene ankerplaats aanwijzen: He has got a good berth = baantje; To give a man (the coast) a wide berth = uit den weg (de kust) blijven; Berthage, bɐ̂thidž, ankerplaats, liggeld.

Berwick, berik, bɐ̂wik (Amer.).

Beryl, beril, beril; adj. lichtgroen = Berylline.

Besant (W.), bəzânt.

Beseech, bisîtš, smeeken, dringend verzoeken.

Beseem, bisîm, passen, voegen; subst. Beseemingness.

Beset, biset, omringen, insluiten, belegeren, in ’t nauw brengen, bestormen: Beset with enemies = omringd en bestookt door; Besetment: That was his great besetment = daarvan was hij de slaaf; Besetting-sins = zonden, waartoe men lichtelijk vervalt (Hebr. XII, 1.).

Beshrew, bišru, vervloeken, verwenschen: Beshrew me, my heart = waarachtig! Beshrew the hour! = vervloekt zij.

Beside, bisaid, naast, nabij, buiten, afgescheiden van: He was beside himself with rage = buiten zichzelven; He is beside the mark = de plank mis; That’s beside the present point = dat doet hier niet ter zake; Besides, bisaidz, bovendien, behalve.

Besiege, bisîdž, belegeren, bestormen; subst. Besiegement; Besieger, belegeraar.

Beslaver, bislavə, bekwijlen; likken (fig.).

Beslime, bislaim, met slijm bevuilen.

Beslobber, bislobə, bekwijlen; likken (fig.).

Beslubber, bislɐbə, bekwijlen.

Besmear, bismîə, besmeren, bevuilen.

Besmirch, bismɐ̂tš, bevuilen, bezoedelen.

Besmut, bismɐt, (met roet) bevuilen.

Besom, bîz’m, bezem, bezemkruid.

Besot, bisot, dronken voeren, verdwazen; Besotted = dronken, aan den drank, dwaas (verliefd).

Besought, bisôt, imp. en p.p. van to beseech.

Bespangle, bispaŋg’l, versieren (bezaaien) met loovertjes.

Bespatter, bispatə, bespatten, bekladden.

Bespeak, bispîk, subst. benefiet; Bespeak verb. vooraf bespreken, bestellen, beteekenen, verzoeken om, aanspreken, aankondigen, boeien: We were at a play last night: it was a bespeak; The bespeak party occupied two boxes = de dames en heeren die het stuk lieten spelen; I bespeak the attention of every man for our foreign affairs = vraag ieders aandacht; His language Bespeaks him a scholar = bewijst dat hij is; Bespeak bootmaker = op maat; Bespeak tailoring at ready-made prices = op maat doch tegen confectie prijzen; Imperf. en P.P. = Bespoke, Bespoken.

Besprinkle, bispriŋk’l, besprenkelen.

Bess, bes, verkorting van Elizabeth.

Bessemer, besəmə: Bessemer process = bessemeren, gietijzer onder hooge temperatuur smelten en er in gesmolten toestand lucht doorheen voeren; Bessemer steel.

Best, best, subst. best; adj. best; Best verb. overtreffen, beetnemen: Sunday best = Zondagskleeren; The best part of the week = grootste gedeelte; At (its) best = op zijn mooist, hoogstens; To see a person at his best = van zijn besten kant; To the best of my ability (belief) = zoo goed ik kan (naar mijn beste weten); To do one’s best = zijn best doen; To get (have) the best of = er het best afkomen, de overhand hebben; To keep the best (wine) to the end = het lekkerste (beste) voor het laatst bewaren; To look one’s best = op zijn voordeeligst; To make the best of a bad bargain = zich er zoo goed mogelijk doorheen slaan; To make the best of a chance = zooveel mogelijk partij trekken van; To make the best of a bad husband = zich schikken in, verzoenen met het idee; To make the best of one’s way home = zich zoo snel mogelijk begeven; We had performed the best of our way = het grootste gedeelte afgelegd; To play one’s best; To speak for the best = om bestwil; To wear for best = voor best; Put your best foot forward; Best-maid = bruidsmeisje (Schotl.); Best-man = bruidsjonker; Best-pleased = ingenomen.

Bestead, bisted, van dienst zijn, helpen; past part. en adj. omgeven, geplaatst, gelegen: Hard bestead = in ’t nauw; Ill bestead = in moeielijken toestand.

Bestial, bestj’l, beestachtig, zinnelijk; Bestiality = beestachtigheid, etc.; Bestialize = verdierlijken.

Bestir, bisɐ̂, in vlugge en krachtige beweging brengen, roeren, inspannen: You must bestir yourself = u inspannen, voortmaken.

Bestow, bistou, aanwenden, verleenen, werpen, schenken, besteden, opbergen; Bestowal = Bestowment = gave.

Bestraddle, bistrad’l = Bestride.

Bestrew, bistrû, bestrooien.

Bestride, bistraid, schrijlings zitten op of staan over; stappen over, bestijgen; P.P. Bestridden; P. Imp. Bestrode.

Bestud, bistɐd, met studs of kno(o)pjes versieren.

Bet, bet, subst. weddenschap, inzet; Bet verb. wedden, eene weddenschap aangaan; It is an even bet = weddenschap met gelijken inzet; He made a bet of a bowl of punch = wedde om; I’ll bet you ten pounds = ik wed met u om; You bet! (Amer.) = Zeker! Dat wed ik met je! Better (Bettor) = wedder; Betting-book = boekje voor het noteeren van weddenschappen; Betting-man = iemand, die wedrennen geregeld bezoekt om te wedden, gokker.

Betake, biteik: Betake oneself to = zich begeven naar, zijn toevlucht nemen tot, zich bedienen van, aanvatten.

Betel, bît’l, betel; Betelnut = betelnoot.

Bethel, beth’l, heilige plek, kerk voor dissenters of zeelui.

Bethink, bithiŋk, (zich) herinneren, overwegen: I bethought myself of it at the right moment; He bethought of him = herinnerde zich zijner.

Betide, bitaid, overkomen, geschieden: Woe betide you = wee u.

Betime(s), bitaim(z), in tijds, weldra.

Betoken, bitouk’n, aanduiden, voorspellen: That dark cloud betokens a storm.

Beton, bet’n, beton.

Betony, betəni, betonie.

Betook, bituk, imperf. van to betake.

Betray, bitrei, verraden, misleiden, bedriegen: He betrayed his ignorance = liet blijken; My head is all right, but my legs betray me = geven het op (ik kan niet meer loopen of staan); Betrayal = verraad; Betrayer, verrader.

Betroth, bitroudh of bitroth, verloven, beloven te huwen; tot bisschop aanstellen; Betrothal (Betrothment) = verloving; Betrothed, verloofde.

Better, betə, adj. en adv. beter; Better verb. overtreffen, verbeteren, beter worden: Better and better = al beter en beter; Betters = meerderen; All (so much) the better = des te beter; As long again and better = meer dan eens zoo lang; Two heads are better than one = twee weten meer dan een; To be better = beter zijn, zich beter bevinden; Is my father any better? Is your foot better? She would be better married = ’t was beter, dat zij getrouwd ware; Being better at stairs than her husband = beter kunnende trappen klimmen; To be better off = zich in betere, gunstiger omstandigheden bevinden; To be the better for = in beteren toestand zijn; He was the better for the sea-air; To become, get, grow better = beter worden; To change for the better = ten goede; To get, gain the better of a person = iemand de baas, te slim af zijn; To go one better = overtreffen; To have the better of a person = iemand overtreffen, overwinnen; You had better go = deedt beter; To marry for better for worse = of het geluk of ongeluk moge brengen; To think better of it = zich bedenken, zich bezinnen; The better half = de grootste helft; wederhelft (fig.); Bettermost = beste, voornaamste; Better part = grootste deel; The better opinion is = we weten niet beter of; To better oneself = zich verbeteren; een betere positie verwerven; Bettering, subst. verbetering; adj. verbeterend; Betterment = verbetering; Betterness = voortreffelijkheid, verbetering.

Betty, beti, Betty; Jan Hen.

Between, bitwîn, tusschen: They bought the house between them = met hun beiden; Between ourselves (you and me) = onder ons gezegd; Between this and then = tot zoolang; In between = in den tusschentijd; Between ... and = zoowel door ... als door; (Few and) far between = zeldzaam; Between-deck(s), subst. en adj. tusschendek(s); Betweenwhiles = nu en dan.

Betwixt, bitwikst, tusschen: There’s many a slip ’Twixt the cup and the lip = tusschen bekerrand en lippen, kan u meen’ge kans ontglippen; It is Betwixt and between = zoo zoo, la la.

Beulah, bjûlə; Bevan, bev’n.

Bevel, bev’l subst. winkelhaak, hoekmeter; adj. schuinsch, scherphoekig; Bevel verb. hoekig maken, schuin toeloopen: Bevel-angle = scherpe (of stompe) hoek.

Beverage, bevəridž, drank.

Beverley, bevəli; Bevis, bîvis.

Bevy, bevi, vlucht, troep, gezelschap.

Bewail, biweil, beklagen, beweenen; weeklagen; Bewailable = beklagenswaardig; Bewailing = gejammer.

Beware, biwêə, oppassen, zich hoeden voor: Beware of the dog = wacht u voor; Beware them both, but most of all beware this boy = houd in ’t oog; Beware lest ... pas op, dat niet.

Beweep, biwîp, beweenen.

Bewick, bjûik.

Bewilder, biwildə, in de war brengen, verbijsteren; Bewilderedness, Bewilderment = verwarring.

Bewitch, biwitš, beheksen, betooveren; subst. Bewitchery = Bewitchment.

Bewray, birei, ontdekken, verraden: This poem bewrays itself as a translation = men ziet dadelijk, dat het vertaald is; Her dress bewrays her = toont duidelijk wat ze is.

Beyond, bi-jond, verder dan, aan de andere zijde van, voorbij, boven, overtreffende: The Great Beyond = hiernamaals; It is beyond me = mij te hoog, te moeielijk; It goes beyond my comprehension, powers, beyond me = mij te hoog; That is beyond dispute = buiten kijf; The better land is beyond the tomb = aan de overzijde van; You are beyond that handbook = het is te gemakkelijk voor u; You have got beyond that cheap violin = speelt te goed voor; Beyond words = niet om uit te drukken, sprakeloos; To go beyond one = overtreffen, te slim af zijn; To go beyond one’s depth = zoo ver gaan, dat men niet meer staan kan (ook fig. = te hoog gaan, te moeielijk worden); To stay beyond one’s time = te lang blijven.

Bezel, Bezil, bez’l, scherpe kant van een beitel; kas van een ring, waarin de steen zit; het gleufje, waarin het horlogeglas past.

Bezoar, bîzö of bezö, bezoar of maagsteen.

Biangular, bai-aŋgjulə, tweehoekig.

Bias, baiəs, subst. eenzijdige verzwaring van den bal (bij Bowling); schuine loop of snede; neiging, vooroordeel, voorliefde; adj. schuin, diagonaal; Bias verb. doen overhellen naar één zijde, vooringenomen doen zijn: There is an admirable absence of bias in this paper = afwezigheid van vooringenomenheid; I have biased him; I am strongly biased (in his favour) = voor (hem) ingenomen.

Bib, bib, subst. slabbetje, borstlap (van een schortje), steenbolk; Bib verb. slurpen, pimpelen: Best bib and tucker = feestkleedij; A bibacious, baibeišəs fellow = aan den drank verslaafd; Bibacity = drankzucht; (Wine-)Bibber = (wijn)drinker, zuiper.

Bible, baib’l, bijbel: Bible-clerk = student aan het Magdalen College te Oxford, die uit den bijbel moest voorlezen; Bible-oath = eed op den Bijbel; Bible Society = bijbelgenootschap; Biblical, bijbelsch; Biblicism, geloof aan den tekst der Schrift als eenige geloofsregel; bijbelkennis; Biblicist, letterknecht; bijbelkenner.

Bibliographer, bibliogrəfə, bibliograaf; Bibliographical = bibliographisch; Bibliography = bibliographie; Bibliomancy, bibliomansi, voorspelling naar aanleiding van toevallig opgeslagen of open liggende teksten; Bibliomania, bibliəmeinjə, bibliomanie; Bibliomaniac = bibliomaan; Bibliophil(e), bibliəfil, boekenliefhebber of verzamelaar.

Bibulous, bibjulɐs: Bibulous paper = vloeipapier.

Bice, bais, bergblauw.

Bicentenary, baisentənəri, subst. en adj. tweehonderdjarige (gedenkdag).

Bicephalous, baisefəlɐs, tweehoofdig.

Biceps, baisəps, tweehoofdige opperarmspier.

Bicker, bikə, subst. strijd, twist; Bicker verb. kibbelen, twisten; flikkeren, zich slingeren; ratelen, klepperen.

Bickern, bikən, aambeeld met twee punten.

Biconjugate, baikonžugit, paarsgewijze.

Bicorn(ed), baikön(d), Bicornous, baikönəs, tweehoornig.

Bicycle, baisik’l, subst. rijwiel; Bicycle verb. wielrijden; Bicyclist = wielrijder.

Bid, bid, subst. bod, poging; Bid verb. verzoeken, bevelen, aanbieden, voorstellen, wenschen, uitnoodigen, bieden op (for): The book fell to my bid = werd mij toegeslagen; To make a bid for = moeite doen om te verkrijgen; Will you bid him walk in = verzoeken; He bade them witness it = riep hen tot getuige; What’s bid for this? = is geboden? The reserve price was not bidden; To bid beads = den rozenkrans bidden; To bid defiance to = tarten, trotseeren; To bid fair = beloven, doen verwachten; To bid good-day (bid-morning, farewell, welcome) = goeden dag zeggen etc.; Biddable = gehoorzaam, gezeggelijk; Bidder: The best (highest) bidder = meestbiedende; Bidding = het bieden, bod, bevel, uitnoodiging.

Biddery-ware, bidəriwêə = Bidri biddery-ware, metalen voorwerpen uit Bidar, met zilver of goud ingelegd.

Biddy, bidi, Bridget; Iersch dienstmeisje (Amer.); kiep (in: kiep! kiep!).

Bide, baid, verblijven, verwijlen; afwachten, verbeiden, verdragen, uitstaan: I will bide my time; That flower does not bide handling = kan niet tegen aanpakken; Let that bide = rusten.

Bident, baidənt, gaffel; Bidental, Bidentate, baidentit, tweetandig.

Bidet, bidet, bidei, klein paard; bidet.

Biennial, baienj’l, tweejarig.

Bier, bîə, draag-, lijkbaar: Bier right = baarrecht.

Bifacial, baifeiš’l met twee gelijke ruggelings verbonden zijden (of gezichten).

Bifarious(ly), baifêriəs(li), in twee rijen.

Biferous, bifərəs, tweemaal ’s jaars dragend.

Biffin, bifin, een (vooral in Norfolk gekweekte) appel; platgedrukte en gedroogde appel.

Biflorate, baiflôrit, Biflorous, baiflorəs, tweebloemig.

Bifoliate, baifouljit, tweebladig.

Bifold, baifould, tweevoudig, dubbel.

Bifurcate, baifɐ̂keit, in twee takken verdeelen; adj. Bifurcate(d), baifɐ̂kit(id): Bifurcation, vertakking, splitsing, Bifurcous = in twee takken verdeeld.

Big, big, dik, groot, zwaar, zwanger, vol, opgeblazen; voornaam, voortreffelijk (Amer.): Big Ben = de groote klok in ’t Parlementsgebouw; Big with = vol van, zwanger van; To get big = groot worden (van kinderen); To look big = er verwaand of dreigend uitzien; den neus in den wind steken; To talk big = een groot woord hebben; Big bugs = groote hanzen; Big guns = groote hanzen; groote kanselredenaars: That was his big gun = hooge troef, beste kaart (fig.); Big heart = edel, grootmoedig; Big man = man van invloed; Big pot = hooge oome: He is a big pot, and you are only a kettle; Big wig (= Big pot); Bigness = grootte, etc.

Bigamist, bigəmist, iemand, die zich aan bigamie schuldig maakt; Bigamous = bigamistisch; Bigamy = bigamie.

Biggin, bigin, filtreerkan; muts, kindermutsje.

Biggonet, bigənət, begijnekap, nonnenkap.

Bight, bait, baai, bocht (van een touw), buiging.

Bignonia, bignounjə, trompetbloem.

Bigot, bigət, bekrompen ijveraar, onverdraagzaam dweper; Bigoted = bigot, bijgeloovig, kwezelachtig, fanatiek; Bigotry, kwezelarij; blinde aanhankelijkheid, fanatieke ijver.

Bijou, bîžû, juweel, kleinood.

Bijugate, baidžugit, baidžûgit, Bijugous, baidžugɐs, met twee koppen in profiel, elkaar gedeeltelijk bedekkend; tweeparig.

Bike, baik, subst. fiets; Bike verb. fietsen.

Bilander, biləndə, bailəndə, bijlander.

Bilberry, bilbəri, soort v. blauwe boschbes.

Bilbo, bilbou, Spaansche degen (van Bilboa, bilbouə, in Spanje); Bilboes, bilbouz, scheepsvoetboeien, verschuifbaar langs lange stangen.

Bilboquet, bilbəket, bal met beker, waarin hij moet worden gevangen.

Bile, bail, gal, bitterheid: To stir up the bile = boos maken.

Bilge, bildž, subst. buik (van een vat), buikdelling (zeeterm); Bilge verb. een lek krijgen in de kim; buiken; lens pompen; Bilge-keel = kimkiel.

Biliary, biljəri, gal - -; gallig: Biliary calculus = galsteen.

Bilingual, bailiŋgwəl, Bilinguar, bailiŋgwə, Bilinguous, bailiŋgwəs, in twee talen, twee talen sprekend.

Bilious, biljəs, gallig, galzuchtig; subst. Biliousness.

Bilk, bilk, subst. bedrog, dwaasheid; bedrieger; Bilk verb. bedriegen, afzetten; zich heimelijk verwijderen, of verlaten: I don’t intend to bilk my lodgings; Bilker = afzetter.

Bill, bil, aanklacht, wetsontwerp, wissel, biljet, nota, rekening, programma, lijst, rol, bankbiljet (Amer.); aanplakbiljet; Bill verb. registreeren, aankondigen: To make out (= schrijven), pay, run up, send in, settle bills = rekeningen; To bring in, drop, pass, reject a bill = wetsontwerp; To post (up), to stick bills = biljetten aanplakken; Stick no bills! = hier niets aanplakken! He has a bill in chancery against you = eisch tot schadevergoeding bij de Chancery Division van het High Court; To bring in (to find) a true bill = een aanklacht gegrond verklaren (Dit geschiedt door de Grand Jury, die de zaak dan verwijst naar de Petty Jury, die een Verdict uitspreekt;—het ongegrond verklaren wordt to ignore of to throw out genoemd); It’s a true bill = (ongelukkig) maar al te waar (fig.); She fills that bill exactly = voldoet precies aan die eischen; Bill of credit, kredietbrief; Bill of divorce = scheidbrief (Joodsche wet); Bill of entry = declaratie van inkomende rechten; Bill of exchange = wissel (Inland bill, Foreign bill, Forged bill); Bill of fare = menu; Bill of fares = tarief van vracht en vervoerprijzen; Bill of health = gezondheidspas; Bill of indemnity = acte v. schadeloosstelling; Bill of lading = vrachtbrief; Bill of mortality = sterfte-statistiek; Bill of Rights = Eng. grondwet 1689; Bill of sale = machtiging tot verkoop van roerend goed voor schulden; Whenever he saw a circus billed = door biljetten aangekondigd; Bill-board = aanplakbord; Bill-book = wisselboek; Bill-broker = makelaar in wissels; Bill-sticker = aanplakker.

Bill, bil, snavel, ankerklauw, kromme snoeibijl, houweel, hellebaard; Bill verb. trekkebekken, minnekoozen = Billing and cooing; Bill-hook = sikkelmes; Billman = hellebardier.

Billet, bilət, subst. briefje, inkwartieringsbiljet, kwartier, baantje, dienst; blok hout, staaf; Billet verb. inkwartieren: Every bullet has its billet = heeft zijne bepaalde bestemming; Secretaryships and all such billets = baantjes; You have a very comfortable billet there = gemakkelijke betrekking; He charged upon the young man with a billet of wood; The regiment was billeted upon the inhabitants; I wish I could get you billeted on that ship = geplaatst.

Billiards, biljədz, biljardspel; Billiard-ball (Billiards-cloth; Billiards-cue; Billiards-hole = Billiards-pocket; Billiards-marker; Billiards-table); A game of billiards; To play at billiards.

Billingsgate, biliŋzgit: (Billingsgate language) vischwijventaal; adj. plat, gemeen; Billingsgate pheasant = bokking.

Billion, bilj’n, billioen (in Frankrijk en Amerika: 1000 × millioen).

Billot, bilət, ongemunt goud of zilver (in staven of blokken).

Billow, bilou, subst. baar; Billow verb. golven, opzwellen: The billow-and-breaker-beaten coast = de door golven en branding gebeukte kust; Billowy = ruw, golvend.

Billy, bili, kameraad; stok, ploertendooder, (koffie)keteltje, zijden halsdoek; ook gemeenz. voor Willy, William; Billycock, bilikok, laag, rond en stijf hoedje van vilt (of stroo), “kaasbolletje”; Billy-boy = platboomd vaartuig; Billy-goat = bok.

Biltong, biltoŋ, biltong (Zuid-Afr.).

Bimana, bimənə, baimənə, tweehandigen; Bimanous, bimənɐs, of baimənɐs, tweehandig.

Bimonthly, baimɐnthli, subst. en adj. tweemaandelijksch (tijdschrift).

Bin, bin, subst. kist, trog, bak, wijnrek; Bin verb. in eene kist, etc. bergen.

Binary, bainəri, binair.

Binate, bainit, paarsgewijs groeiend.

Bind, baind, binden, verbinden, ontwikkelen, beperken, verplichten, bevestigen, hard maken, eene grens vormen, verplichten (volgens contract); subst. band, verbinding, ijzerhoudend leem; rank, hopstengel, 250 (A bind of eels): Bound down by contract = gebonden; This apprentice was bound out to service = in dienst gedaan; He was bound over to appear again before the court within a week = moest eene som gelds deponeeren, die hij verbeurde als hij niet verscheen; To bind to secrecy = geheimhouding doen beloven; To bind up wounds = verbinden; That man is entirely bound up in his work, studies, etc. = wordt geheel ingenomen door, gaat geheel op in; Binder = (boek)binder, band; Bindery = boekbinderij; Binding = band, verband, het binden: The snow is less binding = pakt niet zoo goed meer; Bindweed = winde.

Bine, bain, rank (van hop), hop.

Binervate, bainɐ̂vit, met twee nerven.

Bing, biŋ, hoop; Bing verb. ophoopen.

Bin(n)acle, binək’l, kompashuisje.

Binny, bini, barbeel (van den Nijl).

Binocle, binok’l, binocle; Binocular = binoculair; binocle (= Binocles); Binoculate = binoculair.

Binomial, bainoumj’l, binominaal; binomium: Binomial theorem = binomium v. Newton; Binominal, bainomin’l, met twee namen.

Biograph, baiəgrâf = verbeterde kinematograaf; Biographer = biograaf; Biographic(al) = biographisch; Biography, biographie.

Biological, baiəlodžik(’l), biologisch; Biologist, bioloog; Biology = biologie.

Biparous, bipərɐs, tweelingen barend.

Biped, baiped, subst. en adj. tweevoetig (dier); Bipedal, baipəd’l, adj. tweevoetig.

Biplane, baiplein, tweedekker.

Biquadratic, baikwədratik, 4emachts; vierdemacht.

Birch, bɐ̂tš, berk, berkenroede, berken canoe (Amer.); Birch verb. met de roede straffen, ranselen; adj. berken = Birchen; Birch-broom = stalbezem.

Bird, bɐ̂d, subst. vogel; lieveling: Birds Protection Act; Neither bird nor fish = geen vleesch en geen visch; Birds of a feather flock together = soort zoekt soort; The early bird catches the worm = de morgenstond heeft goud in den mond; Fine feathers make fine birds = kleeren maken den man; A little bird told me = ik heb er een muisje van hooren piepen; A bird in the hand is worth two in the bush = ... beter dan tien in de lucht; It is an ill bird that fouls its own nest = wie zijn neus schendt, schendt zijn aangezicht; The bird has flown (ook fig.); To hit the bird in the eye = den spijker op den kop slaan; To kill two birds with one stone (at one blow); To lime one’s bird to the twig = lijmen, vangen, (fig.); Bird of Jove = adelaar; Bird of Juno = pauw; Bird of Minerva = uil; Bird of night = uil; Bird of passage = trekvogel; Bird of prey = roofvogel: Bird verb. vogels vangen of schieten; Bird-baiting = vangen met slagnet; Bird-batting = vangen met den lichtbak; Bird-boy = jongen, om vogels te verjagen; Bird-cage; Bird-call = fluitje (van den vogelaar); Bird-cherry = vogelkers; Bird-fancier = vogelliefhebber; vogelkoopman; Bird-lime = vogellijm; Bird-man, (Bird-catcher) = vogelaar; Bird’s-eye = subst. soort van tabak; adj. in vogelvlucht gezien: A bird’s eye view of Cologne = Keulen in vogelvlucht; Bird’s eye wood = geaderd, gemarmerd hout; They went bird’s-nesting = vogelnestjes uithalen; Nobody goes bird’s-nesting without a fall at times = wie wat onderneemt, struikelt wel eens; Bird-witted = vluchtig, van het een op het ander; Birdie = vogeltje; lieveling.

Biretta = Beretta.

Birmingham, bɐ̂miŋ’m, bɐ̂miŋham.

Birth, bɐ̂th, geboorte, afkomst, oorsprong, stand, vrucht, jong: To give birth to = bevallen, jongen werpen; To kill at birth = in de wieg smoren (fig.); To produce two young ones at a birth = twee jongen werpen; He is an Englishman by birth = van geboorte; New birth = wedergeboorte (fig.); Birth-certificate = Certificate of birth = geboorteakte; Birthday; Birth-hour; Birthplace; Birthright; Birth-roll = geboorteregister; Birth-sin = erfzonde.

Biscay, biskei, Biscaje; Biscayan, biskeiən = (bewoner) van Biscaje.

Biscuit, biskit, beschuit; biscuit (aardewerk); klein zacht broodje (Amer.).

Bise, bîz, biz, N. (O.) wind in Zwitserland en Provence.

Bisect, baisekt, in tweeën deelen; Bisection = halveering; Bisector = bisector.

Bisexual, baisekšu’l, tweeslachtig.

Bishop, bišəp, subst. bisschop; een warme drank; tournure of kussentje (Amer.); slabbetje; raadsheer (in het schaakspel); bisschopsmuts (hoornschelp); lievenheersbeestje; Bishop verb. bevestigen, bisschoppen benoemen, tot bisschop wijden; het gebit van een oud paard zóó opknappen, dat het jonger lijkt; beetnemen; Bishop’s-Bible = bijbelvertaling van 1568; Bishop’s-weed = zevenblad; Bishopess, vrouw van een Angl. bisschop; Bishopric = bisdom.

Bison, b(a)is’n, biz’n, bison.

Bissextile, bisekstil, schrikkeljaar; adj. bisextiel; Bissextile year.

Bistre, bistə, bister, roetbruin.

Bistoury, bisturi, opereermes.

Bistort, bistöt, slangenwortel.

Bit, bit, subst. boorijzer (boorspits), schaafijzer, baard v. een sleutel, gebit; beetje, hapje, kleinigheid, klein geldstuk: Not a bit of it = geen kwestie van; He is every bit as good as you = in alle opzichten; I am not a bit the wiser = ik ben geen haar wijzer; Bit by bit = stukje voor stukje; The coachman draws bit = begint het paard in te houden; The horse got the bit between his teeth and ran away; A six-penny bit = een munt van sixpence; A long bit = 15 cents (Amer.); A short bit = 10 cents (Amer.); Bit-bridle = stanggebit (van een paardetoom).

Bitch, bitš, teef, wijfje; snol.

Bite, bait, subst. beet, greep, mondvol, voedsel; streek, bedrog, afzetterij; Bite verb. bijten, steken, prikken, branden, grijpen, uitbijten, geeselen (fig.), bedriegen: His bark is worse than his bite = hij blaft harder dan hij bijt; He gave me a bite and a sup (ook sip) = wat te eten en te drinken; The biter bit = de bedrieger bedrogen; Once bit(ten) twice shy = een ezel stoot zich geen tweemaal aan den zelfden steen; Dead dogs don’t bite = doode honden bijten niet; To bite the dust = in het stof bijten; He bit his lip = beet op; To bite one’s nails = nagelbijten; He bit the thumb at me (ten teeken van verachting of uitdaging): Biter: He is no biter = hij bijt niet; Biting = bijtend, sarcastisch; Bitten = gebeten, geëtst (= Bitten in): Frost-bitten = bevroren; Hunger-bitten = verhongerd; To be bitten with = verliefd op.

Bithynia, bithinjə, Bithynië.

Bitt, bit, subst. beting; Bitt verb. om de beting leggen (scheepstermen).

Bitten, bit’n, Zie Bite.

Bitter, bitə, bitter, scherp, pijnlijk, smartelijk; subst. bitter; slag om de beting; Bitters = bitter, maagbitter, bitter bier; tegenspoeden; Bitter verb. bitter maken: To the bitter end = tot het (droeve) einde; Bitter-almond, Bitter-apple (Bitter-gourd) = kolokwint; Bitter-sweet = bitterzoet; soort appel; The bitter and the sweet of independence = lief en leed; Bitter-wort = gentiaanwortel: Bitterish = eenigszins bitter; Bitterness = bitterheid.

Bittern, bitən, roerdomp; moederloog.

Bitumen, bitjûm’n, bitjum’n, aardhars, aardpek; Bituminize = bitumineeren; Bituminous, aardpekachtig (aardpekhoudend).

Bivalve, baivalv, met twee schelpen of kleppen; subst. mossel met twee schelpen, vrucht met twee kleppen; Bivalvous, baivalvəs, Bivalvular, baivalvjulə, tweekleppig, etc.

Bivouac, bivwak, bivuak, subst. biv(ou)ak; Bivouac verb. bivakkeeren.

Biweekly, baiwîkli, baiwîkli, subst. en adj. veertiendaagsch (tijdschrift); adv. om de 14 dagen.

Biz, biz, verkorting voor Business.

Bizarre, bizâ, bizar.

Blab, blab, er uit flappen, wauwelen, verklikken; subst. snapper, wauwelaar, klikker = Blabber.

Black, blak, zwart, donker, duister, grimmig, somber, treurig, ellendig, snood; subst. zwarte kleur, zwartsel, rouwkleeding, zwarte vlek, roos (bij het boogschieten), neger, zwartrok, roetdeeltje, scheldnaam, brand (in ’t koren); Black verb. zwart maken, bevuilen, bezoedelen: Black as your hat, Black as a gipsy’s eyes, Black as ink, Black as a nigger-meeting; Black as November, Black as sables, Black as thunder; Lampblack = lampzwart; To be in a black temper = zoo nijdig als een spin; In black and white = zwart op wit = (To give) black on (and) white; To be in (put into) black = in het zwart (rouw) zijn (steken); To beat black and blue = bont en blauw; To look black = boos, nijdig; To be black with people = zwart van menschen; He is not fit to black your boots = uwe schoenriemen te ontbinden; Blackamoor, blakəmûə, neger; Black art = zwarte kunst; Blackball, subst. zwarte bal (bij ’t stemmen); brand (in tarwe), zwartsel, schoensmeer; Blackball verb. tegenstemmen, uitsluiten; Black-band = soort van ijzersteen; rouwband; Black beer = Dantzigsch bier; Blackbeetle = kakkerlak; Blackberry = braambes: As plentiful as blackberries = zeer overvloedig; Blackbird = subst. meerle, gevangen neger; Blackbird verb. negers vangen voor den slavenhandel; Blackboard = schoolbord; Blackboding = onheilspellend; Blackbook = rapport (onder Hendrik VIII) over de toenmalige kloosters; tooverboek; het zwarte boek, conduitelijst, lijst v. dubieuse debiteuren: I am in his black books = sta ongunstig bij hem aangeschreven; Black-browed = dreigend, norsch (fig.); Black-cap = zwarte muts door rechters bij het uitspreken van een doodvonnis opgezet; zwartkop koolmees, kapmeeuw; breedbladige lischdodde, zwarte framboos; Black cattle = zwart rundvee (Schotl.); Black-coat = zwartrok; Black-cock = korhaan; Black Country = de kolendistricten van Stafsh. en Warwsh.; Black-currant = zwarte aalbes; Black death = pest; To have a black dog (monkey) on one’s back = To ride the black donkey = slecht gemutst zijn; Black drop = laudanum droppel; Black earth = teelaarde; Black-edged note-paper = met rouwrand; Black-faced = somber, donker; Black-fellow = Australische neger; Blackfoot = huwelijksbemiddelaar (Schotl.); N.A. Ind. stam; Black Forest = Zwarte Woud; Black-friar = Dominikaner; Blackguard, blagəd, subst. ploert, deugniet; adj. laag, gemeen; (ook: Blackguardly); Blackguard verb. op gemeene wijze beschimpen, gemeene taal van of tegen iemand gebruiken; Blackguardism = gemeen optreden; Black-hole, subst. cachot, hondegat; Black-hole verb. in het cachot zetten; Blacking = schoensmeer; Black-lead, subst. potlood; Black-lead verb. potlooden; Black-leg = klauwzeer, vlekkoorts; oplichter, bedrieger; onderkruiper: They actually black-leg them by cutting (het drukken der) prices; Black-letter = oud Gothische letter; Black-list = officieele lijst van bankroetiers of misdadigers; verb. op die lijst plaatsen; Black-mail = geldafpersing, brandschatting: To levy black-mail = geldafpersen, brandschatten; Black-mail verb. afpersen; Black Maria = dievenwagen; Blackmartin = muurzwaluw; Black Monday = ongeluksdag, Paaschmaandag 1360; de eerste Maandag na de vacantie; Blackmonks = Benediktijner monniken; Black-mouthed = lasterend; Black night = (iron.) zwarte-rokkenavond; bijeenkomst voor heeren alleen; Black pudding = beuling; Black Rod = soort ceremoniemeester en intendant van het Hoogerhuis; Black Sea = Zwarte Zee; Black-sheep = schurftig schaap, deugniet; onderkruiper; Blacksmith = grofsmid; Black-thorn, sleedoorn; Black Watch = het 42e regiment Hooglanders; Blackwood = pokhout, rozenhout; Black-work = grof smidswerk; Blacken, blak’n = zwart maken of worden, bezoedelen, besmetten; Blackey = zwartje.

Bladder, bladə, blaas, buil, blaar; windzak; Bladdered = opgeblazen; Bladdery = met blaren.

Blade, bleid, subst. grasspriet, halm, blad, schep, plat gedeelte, lemmet, kling, zwaard, degen, vent, kerel; Blade verb. van een lemmet voorzien, opsnijden, zwetsen; Blade-bone = schouderblad; Blade-smith = zwaardveger.

Blain, blein, blaar, zweer; keeldroes.

Blamable, bleiməb’l = Blameable; Blame, bleim, berispen, laken; subst. berisping: You are to blame = het is uw schuld; To lay the blame on = ten laste leggen; No blame attaches to you = gij hebt geen schuld; Blameable, berispelijk; subst. Blameableness; Blameful = berispelijk; subst. Blamefulness; Blameless = onschuldig; subst. Blamelessness; Blameworthy = berispelijk; subst. Blameworthiness.

Blancard, blaŋkəd, soort van Normandisch linnen.

Blanch, blânš, bleeken, laten trekken, vertinnen, (doen) verbleeken, verzachten (over); Blanch subst. witte vlek, stuk erts: To Blanch almonds = schillen; Blanch fever = bleekzucht; Blanching-liquor = bleekwater.

Blanch(e), blânš, Bianca.

Blanc-mange(r), bləmonž, blanc manger.

Bland, bland, zacht, vriendelijk, minzaam; subst. Blandness.

Blandiloquence, blandiləkw’ns = vleitaal; Blandiloquent = vleiend.

Blandish, blandiš, vleien, streelen; Blandishment = vleitaal; liefkoozing.

Blank, blaŋk, blanco, niet ingevuld, wit, blind, ledig, los, vruchteloos, volkomen, zuiver, rijmloos, mistroostig, verbluft, beschaamd; subst. blanco papier, leemte, niet, pauze, (doel)wit, muntplaatje; Blank verb. verlegen maken, verijdelen, aan ’t gezicht onttrekken, een euphem. uitdrukking voor damn: The voting-paper was blank; I tell you so point-blank = in je gezicht; A lottery ticket that has drawn a blank = met een niet is uitgekomen (Verg.: To prove blanks = met een niet uitkomen); He looked blank = zag er beteuterd uit; Blank cartridge = losse patroon; Blank door = blinde deur; Blank practice = oefeningen met losse patronen; Blank shots = schoten met los kruit; Blank verse = niet rijmende verzen; Blank him! = Damn him! What the blankety blank do you want to know for? = waarom voor den drommel? Blankness = witheid, enz.

Blanket, blaŋkət, subst. deken; Blanket verb. jonassen; de loef afsteken: To get between the blankets = onder de dekens kruipen; To put a wet blanket on (To throw a wet blanket over) = koud water gieten op (fig.); Born on the wrong side of the blanket = onwettig; Blanketing = stof voor (wollen) dekens.

Blare, blêə, subst. geloei, gebrul; verb. loeien, brullen: Blare of trumpets = trompetgeschal.

Blarney, blâni, subst. grove vleitaal, geschetter; verb. vleien, bepraten, bedotten: With your gift of blarney = talent om te vleien; To put the blarney over a person = inpakken door vleierij; Try the three B’s: B(larney), B(lather) and B(unkum); He has kissed the blarney-stone = hij kan goed vleien en liegen.

Blaspheme, blasfîm, godslasterlijke taal spreken, spotten; Blasphemer; Blasphemous, godslasterlijk; Blasphemy, blasfimi, godlasterlijke taal.

Blast, blâst, subst. rukwind, harde wind, krachtige luchtstroom; stoot op een hoorn, vernietigende invloed op dieren of planten, pest, vloek, brand (in het koren), trommelzucht (bij schapen); Blast verb. vernietigen, verzengen, verdorren, laten springen, verijdelen, bederven, bezoedelen; ontploffen: The Blast of Doom = de bazuin van het Laatste Oordeel; In full blast = in vollen gang; They blasted her character = bezoedelden; They blasted it abroad = maakten het ruchtbaar; Blast-furnace, hoogoven; Blast-pipe = vlampijp, afvoerpijp; Blasting-oil = nitroglycerine; Blasting-powder = mijnkruit.

Blastoderm, blastədɐ̂m, kiemhuidje.

Blatancy, bleit’nsi, drukte; Blatant, bleit’nt, druk, schreeuwerig: Blatant nonsense = groote onzin; Blatant nothings = onbeteekenend geschetter.

Blather, bladhə, gezwets; Blather verb. zwetsen; Blatherskite = zwetser (Amer.).

Blatta, blatə, kakkerlak.

Blatter, blatə, kletteren; snateren; subst. gekletter; gesnater.

Blaze, bleiz, vlam, gloed, bles (op den kop van koe of paard), teeken op boomen (door verwijdering van den bovenbast); Blaze verb. vlammen, in gloed staan, (boomen) merken, verkondigen, bekend maken: The house was in a blaze = in lichterlaaie; He swore like blazes = hij vloekte verschrikkelijk; Go to blazes = loop naar de hel; How the blazes can you stand the head-work you do? = hoe drommel kunt gij dat met het hoofd werken zoo uithouden? What the blue blazes = wat weerlicht! To blaze away = los branden, er op los werken (praten); The stars themselves blaze forth the death of princes = kondigen der wereld aan; The newspapers blaze with his name = zijn vol van; Blazer = snikheete dag; gekleurde, gestreepte sportjekker.

Blazon, bleizn, bleiz’n, subst. blazoen, wapenschild, wapenkunde, voorstelling, bekendmaking, praal; Blazon verb. blazoeneeren, versieren, beschrijven, bekend maken, uitbazuinen; Blazoner = heraldicus, heraut, lofredenaar; Blazonment = wapenteekenen, kleurenpracht, uitbazuining; Blazonry = wapenkunde, wapenteeken, versiering met herald. figuren.

Bleach, blîtš, bleeken, wit maken (worden); Bleacher = bleeker; Bleachery = bleekerij; Bleaching-liquid; Bleaching-powder; Bleaching-ground (= Bleach-field) = bleekveld.

Bleak, blîk, subst. bliek.

Bleak, blîk, kaal, ruw, guur, droevig; Bleakness = kaalheid, etc.

Blear, blîə, adj. dof, zeer, druip - -; Blear verb. verduisteren, doen druipen, bevuilen: To blear the eyes = om den tuin leiden; Blear-eye = druipoog; Blear-eyed = druipoogig; Blearedness = zeerheid; verduistering.

Bleat, blît, subst, geblaat; Bleat verb. blaten.

Bleb, bleb, luchtbel, blaartje, puistje.

Bled, bled, imperf. en part. perf. van to bleed.

Bleed, blîd, bloeden, zijn bloed storten, aderlaten, (sap) aftappen, laten uitloopen: To bleed freely = erg; To bleed white = uitzuigen (fig.); He bleeds at the nose = uit den neus; To bleed to death = doodbloeden; To make one bleed = laten bloeden (fig.).

Blemish, blemiš, subst. vlek, smet, klad; Blemish verb. bevlekken, besmetten, bezwalken; Blemishless = vlekkeloos.

Blench, blenš, terugdeinzen, wijken.

Blend, blend, vermengen, zich vermengen, onmerkbaar in elkaar overgaan; subst. vermenging, mengsel: The blended scents of tea and coffee; This tea is a favourite blend; Blend-corn = tarwe en rogge dooréén verbouwd; Blend-water = nierziekte bij rundvee; Blender = menger.

Blenheim, blen’m, een soort spaniel, bruin en wit gevlekt; edele appelsoort gekweekt op Blenheim House, het kasteel van de hertogen van Marlborough = Blenheim orange.

Blesbock, blesbok, Z.-Afr. antilope.

Bless, bles, zegenen, heiligen, wijden, gelukkig maken, verheerlijken, gelukkig achten: To bless oneself = zich gelukkig achten; Not to have a penny to bless oneself with = geen rooien duit bezitten; Bless me, no! = om den drommel niet! Bless my eyes (soul) = sapperloot! A blessed man = gezegend, gelukkig; A blessed fool = groote gek; He was blessed in a fair daughter = gezegend met; The abode of the blessed (of bliss) = der gelukzaligen; Of blessed memory = zaliger gedachtenis; The whole blessed day = de lieve lange dag; Blessedness: To live in single blessedness = ongetrouwd zijn (iron.); Blessing = zegen, zegening, gave, geschenk, gunst; To ask a blessing = bidden vóór den maaltijd; een zegen afsmeeken.

Blet, blet, subst. overrijpheid van vruchten, rotte plek: Blet verb. rotte plekken hebben.

Blether, bledhə (Zie Blather).

Blight, blait, subst. meeldauw, brand, vorst; soort bladluis; pestlucht; bederf: Blight verb. doen verdorren, verwelken; vernietigen, bederven: Potato-blight (= Blight-rot) = aardappelziekte; Blighter = snaak, lammeling.

Blind, blaind, blind, bedekt, verborgen, duister, onbezonnen, valsch, onbestelbaar; subst. ophaalgordijn, blind, vensterluik, oogklep (ook Blinder genoemd), blinddoek, voorwendsel, uitvlucht, blindeering; Blind verb. verblinden, verduisteren, bedriegen: Among the blind the one-eyed blinkard reigns = is Éénoog Koning; Blind of an eye = blind aan een der oogen; Blind to his interests = blind voor; That proposal was a mere blind = voorwendsel; Roller blinds = rolluiken; Venetian blinds = jalouzieën; Wire blinds = horretjes; Blind alley = zak; Blind bargain = kat in den zak (fig.); Blind business = voorgewend (bijv. een barber’s shop, die een betting-house blijkt te zijn); Blind-coal, glanskool; Blind door; Blind-drunk = stomdronken; Blindfold, subst.: Your egotism is a blindfold to his virtues = maakt u blind voor; adj. geblinddoekt; Blindfold verb. blinddoeken; Blind-Harry (Blindman’s-buff) = blindekoe, blindemannetje; Blind letter = onbestelbare brief (Blindmen, Blindofficers, Blindreaders = ambtenaren bij het bureau daarvan); Blindman’s holiday = de tijd voordat het licht wordt opgestoken; Blind-shell = granaat zonder springlading; niet gesprongen granaat; To get on one’s blind side = iemand in zijn zwak tasten; Blind-staggers = beroerte: It gave me the blind-staggers = ik kreeg er een beroerte van op mijn lijf; Blind-worm = hazelworm; To blind oneself to the truth = de oogen sluiten voor; Blindage = blindeering; Blindness = blindheid.

Blink, bliŋk, subst. blik, oogwenk, knipoogje, glans, weerschijn v. ijsvelden, ijsberg; Blink verb. gluren, knipoogen, glanzen; ontduiken, ontwijken: To blink a question = ontwijken.

Blinkard, bliŋkəd, kortzichtig; subst. bijziende persoon, sufferd: His blinkard generation = (ver)blind geslacht.

Blinkers, bliŋkəz, oogkleppen.

Bliss, blis, zaligheid; Blissful(ness) = zalig(heid).

Blister, blistə, subst. blaar, trekpleister; Blister verb. blaren krijgen, blaren trekken, eene trekpleister leggen op; Blister-beetle (Blister-fly) = Spaansche vlieg; Blister-plaster = trekpleister; Blistery = met blaren.

Blite, blait, sapkelk, Goede Hendrik.

Blithe, blaidh, vroolijk, blijde = Blithesome.

Blizzard, blizəd, koude sneeuwstorm in N.-Amerika; moeielijke vraag, “harde noot” (Amer.).

Bloat, blout, (doen) opzwellen, opblazen, ijdel maken, rooken (van visch); Bloatedness = opgezwollenheid, opgeblazenheid.

Bloater, bloutə, bokking.

Blob, blob, bobbel, blaar, klont, klets: A blob in the eye from a wave; Blob of ink; Bloblip(ped) = dikke; Blobnose = mopneus.

Block, blok, subst. blok, onthoofding, stommeling, pruikebol, hoedenvorm; blok huizen; belemmering, stremming van passage (ook Block-up); stuk of gedeelte van een spoorbaan; Block verb. insluiten, belemmeren, verhinderen, in zijn fatsoen brengen, stoppen (van een trein), in ’t ruwe vormen of schetsen (met out): The hat had been sat on and was blocked = op een vorm gezet; Block-calendar = scheurkalender; Blockhead = domkop; Block-house = blokhuis; Block-printing = een manier van katoen drukken; Block-signal = signaal om te stoppen; Block-slip = coupon van een chequeboek; Block system = blokstelsel; Block-tin = bloktin; Block-up = versperring (To block up a window = het uitzicht benemen); stremming (van passage); Block-wood plaster = houten plaveisel.

Blockade, bləkeid, subst. blokkade: Paper blockade = in naam, niet door aanwezige scheepsmacht gehandhaafd; Blockade verb. insluiten, blokkeeren: The enemy ran the blockade = brak door onze schepen heen; Blockade-runner = schip, dat door een blokkade heensluipt of breekt.

Bloke, blouk, kerel.

Blomary = Bloomery.

Blond(e), blond, blond, (blondine); zijden kant; Blonds = blondines; His blond moustache; A dreamy blond = blondine; Blond-lace = zijden kant; Blondness = blondheid.

Blood, blɐd, subst. bloed, kroost, bloedverwantschap, ras, stemming; jongmensch, roué, fatje; het roode sap van bessen, enz.; Blood verb. aderlaten, bloed laten proeven, aan het gezicht van bloed gewennen: Blue blood; Fresh blood = nieuw bloed; Prince of the Royal blood; Allied by blood; Near in blood; It runs in the blood = zit in de familie; In cold (hot) blood = in koelen bloede (in drift); Flesh and blood = het zwakke vleesch; His blood is up = zijn bloed kookt; Blood is thicker than water = het bloed kruipt waar het niet gaan kan = Blood tells; His blood be on us = kome over: This caused much bad blood = heeft ... kwaad bloed gezet; You can’t get blood out of a stone = waar niets is heeft de keizer zijn recht verloren; It makes my blood boil; To show blood = zijn afkomst verraden; To wipe out by blood; Blood-baptism = doopsel des bloeds; Blood-bespattered (Blood-flecked, Blood-stained) = met bloed bespat, bevlekt; Blood-horse = volbloed paard; Blood-hound = bloed- of speurhond; wreede vervolger; Blood-letting = het aderlaten; Blood-money = bloedgeld; Blood-orange = wijn-sinaasappel; Blood-pudding = bloedworst; Blood relation; Blood-shed(ding) = bloedstorting; Blood-shot = met bloed beloopen (Blood-shot eyes); Blood-squeezer = Blood-sucker; Blood-stone = bloedsteen; Blood-sucker = bloedzuiger (ook fig.); Blood-swelled, Blood-swollen = gezwollen van bloed; Bloodthirstiness = bloeddorstigheid; adj. Bloodthirsty; Blood-vessel = ader: She broke a blood-vessel = kreeg eene aderbreuk; Blood-wite = zoen- of weergeld; Blood-worm = larve van een mug (Chironomus); Blooded = volbloed; Bloodiness = bloederigheid; bloeddorst; Bloodless = bloedeloos, zonder bloedstorten, koud, harteloos; subst. Bloodlessness; Bloody = bloederig, bloeddorstig; vervloekt, verduiveld: A bloody fool = aartsstommeling; Bloody-bones = boeman; Bloody-flux = dysenterie.

Bloom, blûm, subst. bloesem, bloem, blauwachtig waas op frissche vruchten, blos, dons, bloei, gefrischt stuk ijzer; Bloom verb. bloeien; Bloomer = ontloken knop; lief kind; reform kostuum (korte rok met Turksche broek van 1850); Blooming = verduivelde (Zie Bloody): Blooming nonsense; A blooming idiot; Blooming beaks = beroerde magistraatspersonen; A blooming copper = lamme klabak; Bloomy = bloeiend, donzig.

Blossom, blos’m, subst. bloesem, perzikkleur(ig paard); Blossom verb. bloeien, zich ontwikkelen: He blossomed out into some racy reminiscences = hij raakte aan het praten over; Blossom-faced = met rood, gezwollen gezicht.

Blot, blot, subst. vlek, smet, doorhaling; niet gedekte steen bij het pufspel (dammen); Blot verb. bevlekken, bezoedelen; uitwisschen, doorhalen, te niet doen, doen vergeten (out); vloeien: To cast a blot upon = een smet werpen op; To hit a blot = een niet gedekten steen nemen; een wondplek aanraken (fig.); To leave a blot = een steen ongedekt laten staan; Blotter = vloeiblok; klad; Blotting-book = vloeiboek; Blotting-pad = vloeiblok; Blotting-paper = vloeipapier.

Blotch, blotš, subst. puist, blaar; vlek, smet; Blotch verb. vlekken; Blotchy = vol puisten, bedekt, onduidelijk.

Blount, blont.

Blouse, blauz, kiel, blouse, blouseman.

Blow, blou, subst. slag, windvlaag, vliegenei, bloei, bluf, shilling; Blow verb. blazen, waaien, hijgen, toeteren, spuiten, uitblazen, aanblazen, opblazen, snuiten, orgeltrappen, verspreiden; eieren leggen, in de lucht laten vliegen, ontploffen: At a blow = in één klap: To come to blows = handgemeen worden; They took the town without a blow = zonder slag of stoot; That’s the way the wind blows = uit dien hoek waait; Huge winds blow on high hills = hooge boomen vangen veel wind; It’s an ill wind that blows nobody good = geen kwaad zonder baat; To blow eggs = uitblazen; Blow the expense! = ’t kan niet schelen wat het kost; To blow kisses at = kushandjes geven; To blow one’s nose = snuiten; You be blowed! loop jij naar den duivel; To blow hot and cold = uit twee monden spreken; nu eens erg lief en dan weer onvriendelijk zijn; Met voortzetsels en bijw.: To get a good blowing about = eens flink doorwaaien; To blow away = wegblazen, wegwaaien; To blow down = omwaaien; My umbrella was blown inside out; To blow off = afwaaien, uitlaten van stoom; He blows on his coffee = blazen om af te koelen; To blow out = uitblazen; He blew out his brains = schoot zich voor ’t hoofd; He blew out the tyres = pompte op; A blow-out = smulpartij, festijn; To blow over = omverwaaien; overwaaien (van gevaar, een storm, etc.); To blow up = opblazen; in de lucht laten vliegen; den mantel uitvegen: To give a good blow(ing)-up = een flink standje; To blow upon = blazen op; bederven, belasteren, verraden; Blow-ball = uitgebloeid bloemhoofdje van eene paardebloem, etc.; Blow-fly = vleeschvlieg; Blow-gun = windroer, blaaspijp (wapen); Blow-hole, trekgat, neusgat v. een walvisch; wak (in het ijs); Blower = blazer, glasblazer, orgeltrapper, reguleerschuif, soort ventilator; Blown = buiten adem; Blown-glass = geblazen glas; Fly-blown meat = bedorven vleesch (wegens de maden); Blowy = winderig.

Blowze, blauz, dikke, gezonde meid; Blowzed = roodwangig, boersch; Blowzy = roodwangig; verward, slordig.

Blubber, blɐbə, subst. walvischspek, zeenetel; Blubber verb. tranen met tuiten schreien.

Blucher, blûtšə, halve laars met veters.

Bludgeon, blɐdž’n, knuppel, knots.

Blue, blû, blauw, azuurkleurig, trouw, standvastig, conservatief, landerig, somber, norsch, buitengewoon, gemeen; subst. blauwe kleur, blauwsel; het azuur, conservatief, blauwkous; Blue verb. blauw verven, blauwen: To be blue (Blue as indigo = Stone blue); A blue Presbyterian = echte; Blue Water School = tegenstanders van een staand leger, omdat ze een sterke vloot voldoende achten; A true-blue Tory = echte; To blue the swag = de “boel” er door brengen; To have (To be in) the blues = het land (stierlijk het land) hebben; To give the blues = landerig maken; The Blues = The Royal Horse Guards; Blue-bell = grasklokje, scilla, knikkende vogelmelk; Blueberry = rijsbes; Blue-bird = Am. blauwkeeltje; Blue-bonnet = Schot, Schotsche muts; korenbloem; blauwmeesje; Blue-book = in Engeland officieele regeeringsbescheiden en rapporten; lijst van rijksambtenaren met hunne salarissen (Amerika); Blue-bottle = korenbloem; bromvlieg; politieagent; Blue-breast, blauwborstje; Blue-cap = eene zalmsoort; korenbloem; klabak; Blue-coat = een jongen van Christ’s hospital in Londen (wegens de lange blauwe jas die zij dragen); Blue-devils = landerigheid, katterigheid, delirium tremens; In a blue funk = erg in de rats; Blue-gown = gepatenteerd bedelaar (Schotl.); Blue-jacket = matroos, Janmaat; Once in a blue moon = alle blauwe Maandagen; Blue-ointment = kwikzalf; Blue-Peter = blauwe signaalvlag, ten teeken dat het schip gereed is om uit te zeilen; Blue-pill = kwikpil, blauwe boon (fig.); Blue-ribbon = het lint van de orde van den kouseband; eerste prijs; uitstekende kok; insigne der geheelonthouders: To be a blue-ribbon; To break one’s blue-ribbon; Blue-ribbonism; Blue-ribbonist; Blue-ruin, slechte jenever, volkskanker; Blue-stocking = blauwkous; Blue-stockingism = blauwkouserij; Blue-throat = blauwkeeltje; Blueness = blauwheid; Blueish = blauwachtig.

Bluff, blɐf, breed en plat, steil, open, rond, goedmoedig, barsch, lomp; Bluff subst. steile oever, steile en breede klip of voorgebergte; grootspraak, brutaliteit, een soort kaartspel; Bluff verb. overbluffen, driest, aanmatigend optreden: Bluff King Hal = de royale, ronde koning Hendrik VIII; That is a piece of bluff = opsnijderij, grootspraak, brutaliteit; He bluffed it through = hij sloeg er zich brutaal doorheen; You don’t bluff me = ik laat me niet bang maken; Bluffbowed = met breede en platte boeg; Bluffness = rondborstigheid, lompheid; Bluffy = steil; ruw, plomp.

Bluggy, blɐgi, bloederig: A bluggy story.

Blunder, blɐndə, subst. grove fout, bok; Blunder verb. een groven misslag begaan, domme fouten maken, knoeiwerk leveren, verknoeien, voortsukkelen, uitflappen (out); Blunderhead = domkop; A Blunderheaded fool; Blunderer = knoeier; Blundering = dom, stom; subst. domheid.

Blunderbuss, blɐndəbɐs, donderbus, snaphaan.

Blunt, blɐnt, adj. stomp, dom, ongevoelig, grof, kortaf, open, eenvoudig; subst. moppen (geld); Blunt verb. verstompen, verzwakken; Blunt-edged = stomp; Blunt-witted = bekrompen, dom; Bluntness = stompheid, etc.

Blur, blɐ̂, subst. smet, vlek, klad, nevelachtigheid, onduidelijkheid; Blur verb. bevuilen, bezoedelen, verduisteren, verdooven; adj. Blurry.

Blurt, blɐ̂t, er uit flappen (out).

Blush, blɐš, subst. blos, blosje, blik; Blush verb. rood worden, blozen, zich schamen; At (the) first blush = bij den eersten oogopslag; He put us to the blush = maakte ons beschaamd; To blush crimson; To blush all over = diep blozen; To blush down = beschamen, overtreffen; Blush-rose = soort bleekroode roos; Blushful = blozend.

Bluster, blɐstə, razen; stormen, tieren, gieren, snoeven, intimideeren (into); subst. geraas, etc.; Blusterer = bulderaar, opsnijder.

Bo, bou, interj. Boeh! He cannot say bo to a goose = hij kan geen tien tellen; To play at bo-peep = kiekeboe spelen.

Boa, bouə, groote slang; boa: A feather boa; Boa Constrictor = reuzenslang.

Boadicea, bouədisîə; Boanerges, bouənɐ̂džîz, zonen des donders (Mark. III, 17); zeloot.

Boar, bö, subst. mannetjesvarken, wild zwijn (= Wild boar); mannetjes....

Board, böd, subst. plank, tafel, kost, onderhoud, kostgeld; bestuurstafel, commissie of bestuur; bord, karton, bordpapier, boord, gang, slag; Board verb. met planken beschieten; in den kost nemen, den kost geven; aan boord gaan, enteren, aanklampen; instijgen (Amer.); in den kost zijn, wonen: Superior board = kost en inwoning in beschaafd gezin; Board and lodging = kost en inwoning; Board and lodging letter = bedankje na logeeren; On the boards = op de planken, het tooneel; Bound in boards = gekartonneerd; Above board = openhartig, eerlijk; To go by the board = overboord gaan, te gronde gaan; On board the steamer; To go on board; To have too much on board = te veel gedronken hebben; To lie board and board = naast elkaar; To put out to board = uitbesteden; He worked out his board = hij verdiende met zijn werk den kost; Billboard = aanplakbord; Schoolboard = schoolbestuur; Board of Public Works = bouwcommissie; Board of Trade = een soort Ministerie van Handel en Verkeer (een afdeeling v. den Privy Council, verdeeld in 6 Departementen: Commercial, Statistical, Railway, Harbour, Marine en Financial); Board-man = wandelende advertentie, met een bord vóór en een achter zich; Board-meeting = bestuursvergadering; Board-room = directiekamer; Board-school = openbare lagere school (onder toezicht van den School-board van een der Schooldistricten waarin Engl. en Schotl. zijn verdeeld); Board-wages = keukengeld aan meiden en knechts, waarvan ze hun eten betalen; Boarder = kostganger, kostleerling; Boarding = enteren; beschot; Boarding-axe = enterbijl; Boarding-clerk = ambtenaar van een tolkantoor of scheepsfirma, waterklerk; Boarding-house = kosthuis, pension; Boarding-out = het buitenshuis in den kost zijn; uitbesteden; Boarding-school = kostschool.

Boast, boust, subst. bluf, gepoch, roem, trots; Boast verb. pochen, zich beroemen op, pronken, bluffen (of, about, in); ruw behouwen: Holland can boast many great statesmen = zich beroemen op het bezit van; Not much to boast of = niet veel zaaks; Boaster = bluffer; steenhouwersbeitel; Boastful(ness) = pralend (pralerij).

Boat, bout, subst. boot, stoomboot; kom; Boat verb. vervoeren in eene boot, innemen, in eene boot varen of roeien; Don’t put me in the same boat with him = stel me niet met hem op ééne lijn; We are (sailing) in the same boat = wij varen in hetzelfde schuitje (fig.); To take boat at = in de boot, scheep gaan te; Sauce-boat = sauskom; Boat-bill = Braziliaansche lepelaar; Boat-fly = rugzwemmer (insect); Boat-house = schuitenhuisje; Boat-man = jolleman, schipper, bootenverhuurder; Boat-race = roeiwedstrijd; Boat-rope = vanglijn; Boatswain, bous’n, bootsman; Boatswain’s call = bootsmansfluitje; Boatable = bevaarbaar voor eene boot; Boatage = transport per boot; vracht; gemiddelde capaciteit der scheepsbooten; Boating = bootjevaren, zeil- of roeisport.

Bob, bob, subst. korte, hortende beweging, ruk, stoot, slag; slingerschijf, lood, oorbelletje, bosje bladen (vruchten, bloemen, wormen), dobber, 17de eeuwsche pruik van kort haar, korte pruik; vent, kerel (verkorting van Robert), een shilling; een harmonisch luiden op verschillende klokken (Bob minor op zes kl.; Bob triple op 7, etc.); Bob verb. heen en weer (op en neer) bewegen, peuren, steken, kort afsnijden, bedriegen, hengelen naar, knikken, opduiken; Bob-apple, Bob-cherry = spel, waarbij naar een appel of kers wordt gehapt, die aan een touwtje hangt; Bobstay = waterstag (zeeterm); Bob-tail = bolstaartje: Tag-rag and bob-tail het janhagel; Bob-tail-wig = Bob-wig = korte pruik; Bobber = dobber; Bobbish = vergenoegd; gezond; Bobby = klabak; nuchter kalf; Bobbery = herrie, lawaai; Bobbin, bobin, spoel, klos, haspel, een smal soort lint: Bobbin-work = kloswerk; Bobbinet, bobinet, of bobinet = soort tulle.

Bob(o)link, bob(ə)liŋk, Amerik. rijstvogeltje.

Bocking, bokiŋ, grove wollen stof.

Bode, boud, voorspellen: That bodes well for the issue of the war; Boding, subst. voorteeken; adj. veel beteekenend, onheilspellend (= Bodeful); Bodement = voorspelling, voorgevoel.

Bod(d)ice, bodis, keursje, korset, lijf (v. japon).

Bodied, bodid: Full bodied = pittig; Bodiless = onlichamelijk; Bodily. Zie Body.

Bodkin, bodkin, priem, rijgpen, lange haarspeld, kleine dolk: To ride (sit, travel) bodkin = tusschen twee personen op een bank, in een rijtuig zitten, als er slechts voor 2 ruimte is; “pasteitje” rijden.

Bodle, bod’l, Boddle, bod’l, Schotsche munt (= ⅙ penny): Not worth a bodle = geen duit waard.

Bodleian, bodlîən, bodliən: Bodleian Library = Bibliotheek door Sir T. Bodley te Oxford gesticht.

Body, bodi, subst. lichaam, romp; lijk; lijfje, keurs; hoofdbestanddeel (-inhoud), kern; het inwendige; persoon; corporatie, lichaam; troep, bent; sterkte, dichtheid; stof, materie, stelsel; Body verb. belichamen: A respectable-looking body = persoon; He is but a poor body = arme stakkerd; What a body you are! = wat ben je druk (lastig)! In a body = allen te zamen; He is a nobody = niets; The body of the House of Commons = het eigenlijke Huis, het inwendige; The body of a will = inhoud; body of police = politiemacht; To bear body = dekken (van kleuren); This is wine of a good body, This wine has a good body, There is a good body to this wine = is pittig; To keep body and soul together = den mond open houden (fig.); He set bodily about it = hij legde er zich met de borst op toe; He was thrown bodily on to the pavement = zoo lang als hij was; His skirts were torn off bodily = er geheel afgescheurd; Imagination bodies forth, The form of things unknown; Body-clothes = kleeren (Schot.); Body-cloths = paardedekens; Body-colour = dekkleur; Body-corporate = zedelijk lichaam; Body-guard = lijfwacht; Body-linen = lijflinnen; Body-physician = lijfarts; Body-politic = staatslichaam; Body-snatcher = lijkenroover; klabak.

Boeotia, bioušə, Beötië; adj. Boeotian = onbeschaafd, dom; subst. Beötiër; lomperd, domoor.

Boer, bûə, Hollandsche bewoner van Z.-Afr.

Bog, bog, subst. moeras, poel, veen(plas); Bog verb. dompelen of zinken in modder; Bog-bean = waterklaver; Bog-butter = harsachtige stof in venen; Bog(-house) = privaat; Bog-rush = cypergras; een soort rietzanger; Bog-trotter = een scheldnaam, oorspronkelijk gegeven aan de Schotsche, en thans aan zekere Iersche moerasbewoners; zware laarzen; Boggy = moerassig.

Bogey, bougi, boeman, schrikbeeld.

Boggle, bog’l, schrikken, schichtig worden, aarzelen, huichelen, ongedurig zijn, prutsen; subst. schrik, prutserij: He had boggled over these words for the last hour = een uur lang er mee in zijne maag gezeten; Boggler = aarzelend of bevreesd persoon, knoeier, stumper.

Bogie, bougi, wagentje met draaibaar onderstel, om gemakkelijk een bocht te kunnen nemen. Zie Bogey.

Bogle, boug’l, Zie Bogey.

Bogus, bougəs, valsch, onecht, nagemaakt: Bogus cheque; Bogus club (zoogenaamde sociëteit); Bogus diploma; Bogus firm; Bogus subscription list.

Bogy, bougi: Black Bogy = de boeman; Old Bogy = Satan.

Bohea, bəhî, inferieure zwarte thee.

Bohemia, bəhîmjə, Bohemen; de kunstenaarswereld, meest in ongunstigen zin; Bohemian = Bohemer; Hussiet; Zigeuner; Boheemsche taal; Bohemien, excentriek of verloopen kunstenaar; adj. Boheemsch; ongedwongen, verloopen.

Boil, bôil, bloedvin, bloedzweer.

Boil, bôil, koken, zieden, bruisen, gaar koken: Off the boil = van de kook; On the boil = aan de kook; To bring to the boil; To boil away = verkoken; To boil down to one half of its quantity (Boiled down novels = onzinnig verkorte romans); To boil over; Boiler = kookketel, stoomketel: Boiler-scale = ketelsteen; Boilery = ziederij; Boiling-point = kookpunt; Boiling springs = heete bronnen.

Bois le Duc, bwâlədjûk, ’s-Hertogenbosch.

Boisterous, bôistərɐs, onstuimig, hevig, rumoerig, onbesuisd; Boisterousness = onstuimigheid, etc.

Bokhara, bokhârə.

Boko, boukou, neus (Slang).

Bolar, boulə, bolusachtig.

Bold, bould, moedig, stout, vrijpostig, onbeschaamd, forsch, duidelijk uitkomend, krachtig; steil, diep: May I make (be) so bold as to ask you this? = zoo vrij zijn? Which is a bold word = en dat zegt wat; Bold-face = onbeschaamde vent; Bold-faced = onbeschaamd; Bold-spirited = moedig, dapper; Boldness, moedigheid, etc.

Bole, boul, boomstam; tegelaarde; nis.

Boleyn, bulin.

Bolide, bolaid, boulid, meteoor.

Bolingbroke, boliŋbruk, buliŋbruk.

Boll, boul, subst. zaaddoos, knop; oude maat voor droge waren, ook lengte- en vlaktemaat; Boll verb. zich tot zaaddoos vormen.

Bologna, bəlounjə; Bolognese, boulənjîs, boulənjîz = Bolognian, Bologneesch; inwoner v. B.

Bolster, boulstə, subst. peluw; compres, onderlaag, kussen; Bolster verb. met kussens, etc. steunen, kunstmatig ophouden, verdedigen: That opinion is bolstered up by the few survivors of the expedition = wordt gesteund, in het leven gehouden; Bolster-case = sloop voor een Bolster; Bolsterer, verdediger, ondersteuner.

Bolt, boult, subst. grendel, bout, korte en stompe pijl, langwerpige kogel, rol (geweven stof); bliksemstraal, plotselinge beweging; zeef, buil; Bolt verb. grendelen, snel voortloopen, binnenvliegen, op zij springen, op hol gaan, er van door gaan; wegslingeren, afschieten, opjagen, eruit flappen, haastig doorslikken of opdrinken; zich afscheiden van (Amer.); zeeven, zuiveren, onderzoeken: To run, shoot the bolt = grendelen; They have shot their bolt = kruit; A fool’s bolt is soon shot = een gek heeft gauw zijn kruit verschoten; A bolt from the blue = onverwachte, plotselinge (donder)slag (ook fig.); Bolt upright = kaarsrecht; Bolt up against = pardoes tegen ... aan; We shall bolt it out = nauwkeurig schiften; The horse bolted (made a bolt) = ging op hol; She bolted with a count = ging er vandoor met; Do not bolt your bread and butter = schrok je boterham niet zoo naar binnen; The house bolted the Navy Estimates = deed snel af; Bolter = deserteur; buil; Bolting-cloth = buillinnen; Bolting-hutch = zeefvat, builvat; Bolting-mill = builmolen.

Bolton, boult’n.

Bolus, bouləs, groote pil; bittere pil (fig.).

Bomb, bom, bɐm, bom: Bomb-ketch = bom; Bomb-proof = bomvrij; Bombshell = granaat; Bombard, bɐmbâd, bombâd, bombardeeren; Bombardier, bɐmbədîə, bombədîə, bombardier; soort loopkever; Bombardment = bombardement.

Bombasine = Bombazine.

Bombast, bombast, bɐmbast, subst. bombast (stof); bombast (fig.); Bombast verb. opvullen, opblazen; Bombastic(al) = bombastisch.

Bombax, bombaks, zijdewolboom.

Bombay, bombei.

Bombazin(e), bombəzîn, bɐmbəzîn, bombazijn.

Bombernickel, bombənik’l, pompernikkel.

Bombic, bombik, tot den zijdeworm behoorend.

Bombus, bombəs, oorsuizen; gerommel in de ingewanden.

Bombycinous, bombisinɐs, van zijde gemaakt, zijdewormkleurig; Bombyx, bombiks, zijdeworm.

Bona fide, bounafaidî, bona fide, te goeder trouw, solied: Bona fide traveller = iemand, die des Zondags verder dan 3 miles van huis is gereisd en met het oog hierop een alcoholische verfrissching mag gebruiken.

Bonanza, bənanzə, rijke goudader; meevallertje.

Bond, bond, subst. band, verbond, contract, obligatie, verplichting; boei, gevangenschap; het voegen van steenen; entrepôt; Bond adj. in slaafschen toestand; Bond verb. goederen in entrepôt opslaan, verhypothekeeren, verbinden (van metselwerk); Bondholder = obligatiehouder; Bond(s)man = borg; lijfeigene, slaaf; Bondmaid, Bond-servant, Bond(s)woman = slavin; Bondage, bondidž, lijfeigenschap, heerendienst, gevangenschap; Bondager, bondidžə, een tot heerendiensten verplichte huurboer (Schotland); Bonder, bondə, die goederen in entrepôt heeft; (dit zijn Bonded goods, of: Goods in bond); Bonded warehouse = entrepôt.

Bone, boun, subst. been, graat; Bones = dobbelsteenen, castagnetten(speler); Bone verb. de graten of beenderen verwijderen, baleinen inzetten, met beenderenmeel bemesten; nivelleeren; stelen: I will work my fingers to the bone for you = mij kapot werken; I have a bone to pick with you = een appeltje te schillen; What is bred in the bone will not out of the flesh = een vos verliest wel zijn haren, maar niet zijn streken; To plunder to the bone = naakt uitschudden; Whalebone = balein; Bone of contention = twistappel; Body and bones = met huid en haar; You must make no bones about it = er geen been in zien (vinden), geene bezwaren maken; An old bag of bones of a horse = magere knol; Goodman Bones = Vriend Hein; Lazy bones = luilak, luiwammes; Bone-black = beenderkool, beenzwart; Bone-dust = beendermeel; Bone-lace = een soort kant; Bone-setter = spotnaam voor een chirurg; Bone-shaker = spotnaam voor de oude tweewielers; Boneless = zonder been, slap; Boning-rod = nivelleerstok.

Bonfire, bonfaiə, vreugdevuur.

Boniface, bonifeis, Bonifacius; gemoedelijke waard.

Bonnet, bonət, subst. vrouwenhoed (zonder rand), muts, kap, bonnet (zeewezen en vestingb.), vonkenvanger (v. locomotief), balcondak (v. wagon); verb. de muts afnemen; den hoed of de muts over de oogen trekken, drukken of slaan: Bonnet-box = hoedendoos (v. dames); Bonnet-cap = ondermuts; Bonnet-stand = stander.

Bonny, boni, lief, mooi, vroolijk (Schotl.): A bonny lass = knappe meid.

Bonten, bont’n, soort wollen stof.

Bonum-magnum, boun’m magn’m, groote pruim (aardappel); soort stalen pen.

Bonus, bounəs, subst. premie, extra dividend, gratificatie; steekpenning; verb. eene premie of extra belooning geven.

Bony, bouni, Napoleon; adj. beenachtig, grof, beenhard.

Bonze, bonz, bonze, Boeddhistisch priester of monnik.

Boo, bû. Zie Booh.

Booby, bûbi, domkop, Jan van Gent; Booby-hut = een soort sleepkoetsje (Amer.); Booby-hutch = boerenwagen; handkar; Booby-prize = poedelprijs; Booby-trap = bijv.: een kan met water op een half geopende deur, die de binnenkomende op zijn hoofd krijgt; Boobyish = stom, suf; subst. Boobyism.

Boodle, bûd’l, bud’l, troep, hoop, steekpenning, verduisterd geld, valsch geld, buit; uilskuiken; Boodler = ambtenaar, die geld ten eigen bate of voor omkooperij aanwendt (Amer.).

Boody, bûdi, pruilen.

Boo(h), bû, ba! subst. gejouw; Boo verb. uitjouwen; loeien.

Bo(o)hoo, bəhû, bûhû, subst. luid schreien: A boohoo of laughter = een bulderend gelach; Boohoo verb. blèren, huilen.

Book, buk, subst. boek, tekstboekje, schrijfboek; Book verb. boeken, plaats bespreken, een kaartje nemen, laten adresseeren: The Book = The Book of Books = The Book of God = Bijbel; Book of complaints = klachtenboek; Book of reference = soort encyclopaedie; To be (to remain) in one’s (good) books = in een goed blaadje staan (blijven); To bring to book = ter verantwoording roepen; To get in one’s bad (get out of one’s good) books = uit de ‘gratie’ geraken; To go beyond the book = verder gaan dan men kan verantwoorden; To kiss the Book = een eed doen; To run into one’s book = bij iemand in de schuld geraken; To speak by the book = angstvallig nauwkeurig; To speak without book = onbevoegd; uit het hoofd; To take a leaf out of one’s book = iemand iets afkijken; You must book for Windsor = een kaartje nemen naar; To be booked = opgegeven (van een zieke); To be booked for = vrij zeker zullen verkrijgen; Book-account = boek van ontvangsten en uitgaven; Book-agent = colporteur; Bookbinder(y) = boekbinder(ij); Book-case = boekenkast; Book-hunter = verzamelaar van zeldzame werken; Book-keeper = boekhouder; Book-keeping = boekhouden; Book-knowledge, Book-learning = boekengeleerdheid; Book-learned = belezen (doch vaak onpraktisch); Book-madness = bibliomanie; Book-maker = boekenmaker (in slechten zin); beroepswedder in de sportwereld (omdat hij van zijne talrijke weddenschappen een book aanlegt); Book-mark(er) = leeswijzer; Book-monger, bukmɐŋgə, handelaar in boeken; Book-muslin = gestreepte mousseline; Book-oath = eed op den bijbel; Book-positive = geheel zeker; Book-post = afdeeling voor drukwerk; Bookseller = boekverkooper; Book-shelf = boekenplank (Bookhanger = Book-shelves); Book-stall = boekenstalletje; Book-stand = stalletje (Draaibare stander = Revolving book-stand); Book-tea = een ‘tea’ waarop de gasten iets, of een kostuum moeten dragen, dat aan een bepaald boek herinnert; Book-trade = boekhandel; Book-worm = boekenworm (ook fig.); Bookie = Bookmaker; Booking-clerk = klerk of ambtenaar aan het loket; Booking-hall = vestibule met loketten; Booking-office = plaatsbureau; Bookish, bukiš, geleerd, pedant; Bookishness = boekengeleerdheid; Booky = Bookish.

Boom, bûm, subst. boom, havenboom, spier; gebrom, gegons, gedreun, gebulder; een plotselinge vraag naar een artikel, plotseling rijzen van prijzen of koersen, reclame, zwendel; Boom verb. gonzen, dreunen, bulderen; met een boom uitzetten, voortboomen; plotseling in de hoogte gaan (drijven), zich snel ontwikkelen: The burglary season begins to boom = het begint te leven van dieven en inbrekers; That caused quite a boom in the oil-trade; The Wagner boom; The market was Boomish = ging plotseling in de hoogte.

Boomerang, bûməraŋ, boemerang.

Boon, bûn, subst. gave, gunst; gebed, verzoek; afval van vlas; adj. vriendelijk, mild; vroolijk, lustig.

Boor, bûə, boerenkinkel, lomperd, Afrik. boer: Boorish = boersch, onbeschaafd: Boorish work = ruw hardsteenwerk; subst. Boorishness.

Boose, bûz, sterk drinken, zuipen; subst. drank; Booser = zuiper; Boosy = dronken.

Boost, bûst, subst. een zetje; Boost verb. een zetje geven, omhoog werpen, opkammen (fig.): The bull boosted up the sand like a whirlwind.

Boot, bût, voordeel, nut, toegift; Boot verb. helpen, baten: To boot = op den koop toe, bovendien; What boots it? = wat geeft het? Bootless = nutteloos; Bootlessness = nutteloosheid.

Boot, bût, subst. laars, schoen, Spaansche laars (folterwerktuig), bak of kist (voor of achter aan een wagen), lederen kleed (voor de beenen) in een rijtuig: Boot verb. laarzen aantrekken of aanhebben; schoppen (Amer.): Butcher boots = vetleeren laarzen; Puss in Boots = de gelaarsde kat; Ogre’s (Seven league) boots = zevenmijlslaarzen; The boots = huisknecht in een hotel, jongste officier, jongste lid van een club; I gave him the boots = de folterlaarzen aan; er van geven; Booted and spurred = gelaarsd en gespoord; Boot-black = laarzenpoetser; Boot-crimp = laarzebeen; Boot-last (Boot-tree) = leest; Boot-hose (Boot-stockings) = lederen slobkousen; Boot-hook = laarzenhaak; Boot-jack = laarzenknecht; Boot-lick = lage vleier (Amer.); Bootee, butî, kindersokje, halve of korte dameslaars.

Booth, bûdh, bûth, kraam, tent.

Bootikin, bûtikin, laarsje.

Booty, bûti, buit, roof: To play booty = spelen met het plan om te verliezen, of om, met een derden, den tegenspeler tot slachtoffer te maken; To ride booty = zich laten omkoopen bij wedrennen, en opzettelijk verliezen.

Booze = Boose.

Borage, bɐridž, bernage.

Borax, bôraks, borax; Boracic acid, bərasikasid, boraxzuur.

Bordage, bödidž, ’t bezit van een domein met verplichting van enkele heerendiensten; zijplanken van een schip.

Border, bödə, subst. rand, grens, boord, randversiering, rabat, zoom, smal bloembed: The Border = de grens tusschen Engel. en Schotl.; Border verb. grenzen (on, upon), aanliggen; met een rand versieren; Borderland = grensland (ook fig.), tusschenliggend land; The Scottish borderers = grensbewoners.

Bore, bö, subst. boorgat, ziel, diameter, kaliber (van geweer of kanon); vloedgolf; vervelend mensch, vervelend iets; Bore verb. boren, doorboren, voortdringen, indringen, van de baan dringen (rensport), tegen de omheining dringen (bij ’t boksen); den kop vooruit steken onder ’t loopen (van paarden); vervelen: Blue bore = opening in een wolkengordijn waardoor men ’t blauw kan zien (Schotl.); What a bore! = wat een vervelende vent, wat vervelend; I feel bored = heb het land; Boredom = verveling: A member of boredom = vervelende vent; Borer = boor; Borings = krullen, door het boren ontstaan.

Boreal, bôriəl, den Noordenwind betreffend, noord - -; Boreas, bôriəs, Boreas, Noordenwind.

Borecole, bökoul, boerenkool.

Born, bön, geboren: He was born in the fifties = is geboren tusschen 1850 en 1860; He was born (of) on a Sunday = is een Zondagskind; Born to a large estate = erfgenaam van; He was born with a silver spoon in his mouth = rijk (voor ’t geluk) geboren; I was not born yesterday = ben niet van gisteren; Born again = wedergeboren; I never saw it in all my born days = van m’n leven niet.

Borne, bön, part. perf. van to Bear = dragen: All charges borne = na aftrek van alle kosten.

Borough, bàrou, gemeente met per royal charter verleende privileges; een stad met vertegenwoordiging in het Parlement; Borough-english = overgaan van land aan den jongsten, in plaats van aan den oudsten zoon of broeder; Borough-monger, bɐroumɐŋgə, iemand, die de parlementsplaatsen van een borough verkwanselt.

Borrow, borou, borgen, leenen van, ontleenen, copiëeren: Who goes a-borrowing goes a-sorrowing = borgen baart zorgen; To borrow trouble = zich onnoodig bezorgd maken.

Bort, böt, boort.

Boscage, boskidž, bosschage, boschlandschap; gedroogd loof als veevoeder.

Bosh, boš, subst. nonsens, malligheid; margarine; Bosh verb. voor den mal houden, bedotten.

Bosjesman, bošəzman, Boschjesman.

Bosk (Bosket), bosk, boschje; Bosky, boski, rijk aan bosch, schaduwrijk; beneveld; Boskiness, boschachtigheid.

Bosnia, bozniə, bosniə, Bosnië; Bosniac = Bosniër, Bosnisch.

Bosom, buz’m, subst. boezem, borst; Bosom verb. in zijn hart besluiten, geheimhouden; In Abraham’s bosom; The bosom of a shirt; Bosom-friend = boezemvriend; omslagdoek.

Bosquet, boskət = Bosk.

Boss, bos, subst. knop, bult; misgooi; baas (Amer.); adj. voornaamste, uitstekend; Boss verb. aan het hoofd staan van; drijven, met knoppen versieren; missen: He bosses the show = is de baas van ’t spul; Boss-eyed = met één oog, scheel; Bossed silver = gedreven; Bossy = met knoppen versierd.

Boston, bost’n; adj. en subst. Bostonian; Boswell, bozwel.

Botanic, bətanik, botanisch; Botanist = plantkundige; Botanize = botaniseeren: Botanizing-box; Botany = plantkunde.

Botany Bay, botəni bei, een vroegere strafkolonie in Oost-Australië: To go to Botany Bay = gedeporteerd worden.

Botch, botš, subst. gezwel; leelijke lap, knoeiwerk; Botch verb. samenflansen, leelijk lappen of verstellen; Botcher = knoeier; Botchery = lap- of knoeiwerk; Botchy = gelapt, verknoeid.

Bot-fly, botflai, paardevlieg, brems.

Both, bouth, beide: Both you and your friend = gij zoowel als; Both of us, of them = wij, zij beiden; Both ways = naar beide kanten, op beide manieren.

Bother, bodhə, subst. plager, kwelgeest; Bother verb. plagen, kwellen: Bother it = loop naar den duivel! Bother the flies! = die verwenschte vliegen! You will bother the life out of me = je maakt me nog gek met je gezanik; Botheration, bodhəreiš’n, gezanik: Botheration to it! = loop naar de pomp!

Bothie, Bothy, bothi, hut, waar het boerenhulppersoneel van beide geslachten woont (Schotl.).

Bots, bots, een door de larve der Bot-fly veroorzaakte ziekte.

Bottine, bətîn, bottine.

Bottle, bot’l, subst. flesch, karaf, leeren wijnzak; bos hooi of stroo; verb. bottelen: Bottled up = gebotteld; ingehouden (van toorn); Bottle-companion (Bottle-friend) = drinkebroer, pooieraar; Bottle-feeding = grootbrengen met de flesch; Bottle-glass = groen glas; Bottle-heath = dopheide; Bottle-holder = flesschebakje; secondant (met flesch water ter verfrissching en afwassching) bij een vuistgevecht, helper; Bottle-label = etiket; Bottle-nose = dikke (jenever)neus; Bottle-rack = flesschenrek; Bottler = aftapper.

Bottom, bot’m, subst. het laagste, onderste, verste, gewichtigste (van iets), bodem, diepte, basis, achterste einde, grens, zitting, uithoudingsvermogen, kracht; adj. onderste, laatste; Bottom verb. een bodem (zitting) inzetten, tot den bodem ledigen; grondvesten; rusten op; Bottoms = droesem; schepen: The ship’s bottom = bodem; My bottom dollar = mijn laatste dollar; Sixth line from (the) bottom = 6e regel van onderen; The bottom line over leaf = de laatste regel van ’t vorige blad; He is an honest man at (the) bottom, down to the bottom = in den grond van zijn hart, door en door; To act (stand) upon one’s own bottom = op eigen houtje handelen; To be at the bottom of = ergens achter zitten; To get to the bottom of = grondig onderzoeken, ergens achter komen; I will knock the bottom out of your secret = wil te weten komen en publiek maken; To venture all in one bottom = alles op één kaart zetten; Bottom-land = vruchtbaar oeverland (Amer.); The bottomless pit = de bodemlooze diepte, afgrond, hel; Bottomry = bodemerij.

Bough, bau, groote boomtak: Bough-pot = bloempot; ruiker.

Bought, bôt, bocht, kronkeling.

Bought, bôt, Imperf. en part. perf. van buy.

Boulder, bouldə, subst. groote rolsteen, kei: Erratic boulder = zwerfblok; Boulder-period = ijsperiode.

Boulevard, buləvâd, bûlvâ, boulevard.

Boulogne, bûloun, Boulogne.

Bounce, bauns, subst. plotselinge sprong, slag of stoot, terugstoot, verwaandheid, gesnoef, aplomb, onbeschaamde leugen; Bounce verb. laten springen, uitschelden, négeren; er uit smijten, den bons geven (Amer.), opspringen, binnenvliegen of -stormen, opsnijden, eruit flappen; adv. plotseling, boem! To bounce into a room = binnenstormen; To bounce out = uitflappen; Bouncer = kanjer, dragonder (fig.), blok van een kind (Amer.); uitsmijter; opsnijder; grove leugen; Bouncing = groot, zwaar, sterk; blufferig.

Bound, baund, Imp. en P.P. van to bind; gebonden, bestemd (for, to) besloten (Amer.): I’m bound to go = ga stellig; I will be bound = op mijn woord; Homeward bound = op de thuisreis.

Bound, baund, grens(steen); Bounds = begrensd gebied: In bounds = op het terrein, binnen het gebouw; It is within the bounds of possibility = nog wel mogelijk; Boundless = onbegrensd; subst. Boundlessness.

Bound, baund, sprong, weeromstuit: To take a thing at the bound = de gunstige gelegenheid waarnemen; Bound verb. springen, weeromstuiten.

Boundary, baund’ri, grens- of landpaal.

Bounden, baundən: It is my bounden duty = dure plicht.

Bounteous, bauntšəs, Bountiful, bauntiful, vrijgevig, edelmoedig, royaal; subst. Bounteousness.

Bounty, baunti, milddadigheid, vrijgevigheid; gave, premie: The King’s bounty = handgeld; Queen Anne’s Bounty = een fonds ter ondersteuning van slecht bezoldigde geestelijken, door Queen Anne geschonken; Sugar Bounties = premies op de suikerproductie; Bounty-fed, Bounty-raised sugar = door het geven van premiën bevorderde suikerproductie.

Bouquet, bûkei, bûkei, bouquet (ook fig.).

Bourgeon, bɐ̂dž’n, subst. knop, oog, kiem; verb. uitbotten, ontkiemen.

Bourn(e), bön, grens, einddoel; beekje.

Bouse, bauz, bûz, drinkgelag; Bouse verb. zuipen.

Bout, baut, keer, rondje, beurt; poging; fuif; aanval, kamp.

Bovine, bouv(a)in, runder - -; dom, traag; subst. runderachtig dier.

Bovril, bovril, bouvril, soort bouillon.

Bow, bau, subst. buiging; boeg; roeier vóór in de boot; Bow verb. buigen, neerbuigen, onderdrukken; groeten, zich onderwerpen: To make one’s bow = van het tooneel treden (ook fig.); Bowing and scraping = strijkages: To bow one’s thanks = buigend danken; He bowed me in and out = liet mij buigende in en uit; Bowman = voorste roeier, boeg; Bowsprit, bousprit, boegspriet; A bowing acquaintance = een man, die men slechts even kent; He is not within bowing distance of that science = heeft er geen flauwe notie van.

Bow, bou, subst. boog, strijkstok, streek; strikje, drilboog; Bow verb. op de viool spelen; buigen als een boog; gebogen zijn; A bow long bent at last waxeth weak = de boog kan niet altijd gespannen zijn; He has many strings on (to) his bow = veel pezen op zijn boog; The bow(ing) elbow, hand = de rechterhand of arm van den vioolspeler; To draw (pull, shoot with) the long bow = met spek schieten; To draw a bow at a venture = iets op goed geluk af doen of zeggen; Bow and spear (Bijbel) = (gewapende) macht, toeleg, intrige; Bow Bells = de klokken der Bowchurch: He was born within the sound of Bow Bells (v. St. Mary-le-Bow) = hij is een echte Cockney; Bow-compasses = krom-(mast) passer; Bow-drill = drilboor; Bow-leg = krombeen; Bow-line = boelijn (scheepsterm): On a Bow-line = dicht bij den wind zeilend; Bowman = boogschutter; Bow-net = soort fuik; Bow-pen (-pencil) = trekpen; Bow-shot = boogschot (afstand); Bow-street = een der politiebureaux in Londen; Bow-street officer, runner = detective (veroud.); Bowstring, subst. boogpees; Bow-window = rond uitstekend venster; Bow-windowed = fig. dikbuikig.

Bowdlerize, baudləraiz, boudləraiz, zuiveren van aanstootelijke passages, castreeren.

Bowels, bau’lz, subst. ingewanden; binnenste; medelijden: That fellow has no bowels = geen hart.

Bower, bauə, verblijf, buitenplaats, priëel, (slaap)vertrek, boudoir, sofa; boeganker; Boer (in een kaartspel): A bower of roses = rozenkoepel, rozenpriëel; Lady’s bower = boudoir; The right, left bower = troef boer en de andere boer van dezelfde kleur bij Euchre; Bowery = buiten; boerderij; adj. schaduwrijk.

Bowie-knife, bouinaif, lang dolkmes (Amer.).

Bowl, boul, subst. schaal, kom, bekken, pijpekop, kompashuisje; houten bal, worp: Bowls = een balspel met aan de eene zijde bezwaarde ballen, die in curven rollen; Bowl verb. kegelen (Amer.), (voort)rollen, werpen naar de wickets (bij het cricketspel): This fact bowls over your argument = werpt omver; To bowl out = de wickets raken (waardoor de batsman “af” is), overwinnen, verdringen: He is bowled out = het is gedaan met hem; Bowler = de speler bij cricket die den bal (op)gooit; fantasiehoed met ronden bol; Bowling = Bowls; Bowling-alley = soort kegelbaan; Bowling-green = veld voor het bowling.

Bowlder. Zie Boulder.

Bowles, boulz; Bowring, bauriŋ.

Bowse, bauz, zuippartij; Bowse verb. zuipen; optaliën.

Bow-wow, bauwau, woefwaf, hond.

Box, boks, subst. kist, koffer, doos, geldkistje, kompashuisje, loge, hokje, brievenbus (loket), bank, naafbus (van een wiel), (bad)kamertje, koets- of wagenbok, optrekje, huisje, stalafdeeling, slag, oorveeg, geschenk, boks(boom); Box verb. in eene doos sluiten, opsluiten, inpakken, van eene doos voorzien; eene oorveeg geven, boksen, insnijdingen maken in een boom (om het sap eruit te krijgen): Christmas box = Kerstgeschenk (Vergel. Boxing-day = 2e kerstdag); He is in a box = hij zit er leelijk in; You are (have got) in the wrong box = gij vergist u, gij hebt het mis, zijt buiten uw element; Strong box = brandkist; Jack in a box = duiveltje in een doosje; To Box the compass = de punten van het kompas in goede orde opnoemen; Box-car = overdekte goederenwagon; Box-coat = groote koetsiersjas; Box-elder = bonte eschdoorn; Box-iron = strijkbout, strijkijzer; Box-keeper = logebediende; signaalwachter; Box-office = plaatsbureau; Box-seat = logeplaats; plaats op den bok; Box-waggon = soort goederenwagen; A boxen writing-desk = palmhouten; Boxer = bokser; inpakker.

Boy, bôi, jongen, bediende: He made a little boat for boy = ... voor Broer, den kleine; The boy = champagne; That’s the boy for me = dat is net wat voor mij; Do it, that is a dear boy = dan ben je een beste; To leave off boy’s play = de kinderschoenen uittrekken; Boyscout = Eng. padvinder (In 1907 door Major-General Baden-Powell georganiseerd); Boyhood = jongensjaren; Boyish = jongensachtig, kinderachtig; Boyishness = jongensachtigheid, etc.

Boycot, bôikət, zich vereenigen ter algeheele uitsluiting van iemand, maatschappelijk of op handelsgebied; subst. dit uitsluiten; Boycotee = uitgeslotene; Boycotism = Boycot; Boycotter = wie zich bij een boycot aansluit.

Boyer, bôiə, boeier.

Boz, boz, bouz.

Brabant, brâb’nt, brâbant; Brabantine, brəbantin, Brabantsch.

Brabble, brab’l, subst. getwist, ruzie; Brabble verb. twisten; Brabbler = twister.

Brace, breis, subst. riem, stut, anker, band, bras; bretel, draagband, koppel, spanning, accolade, bras, spansnoer (v. een trom); drank (Amer.); Brace verb. spannen, vastbinden, verankeren, verfrisschen, brassen, versterken: He braced himself (up) against misfortune = zette zich schrap; Brace up your head, you have done nothing to be ashamed of = houd ... omhoog; Bracer = gordel, zwachtel, versterkend geneesmiddel; drank (Amer.); flinke wandeling; Bracing = versterkend, opwekkend; subst. verankering: Bracing air = opwekkende lucht.

Bracelet, breislət, armband, armscheen; handboei.

Brach, bratš, brak, brak.

Brachial, brakjəl, breikjəl, arm - -, armvormig.

Brachiate, braki-it, breiki-it, kruisvormig.

Bracken, brak’n, varen.

Bracket, brakət, subst. console, kraagsteen, gasarm, étagère, haakje: Bracket verb. tusschen haakjes plaatsen, met klampen verbinden: This writer brackets women with fools = plaatst op ééne lijn met; Bracket-light = gasarm; Bracket-seat = klapstoel.

Brackish, brakiš, brak, zoutachtig; Brackishness = brakheid.

Bract, brakt, dekblad; Bracteolate, braktîəlit, van dekbl. voorzien; Bracteole, braktioul, dekblaadje.

Brad, brad, spijker zonder kop, stift; Bradawl = els.

Bradshaw, bradshô, bekende reisgids.

Brag, brag, subst. bluf, zeker kaartspel; Brag verb. bluffen, pochen (of, about): He is all brag = hij is een praalhans; Braggadocio, bragədoušiou, praalhans, bluffer, gesnoef; Braggart, bragət, subst. pocher, bluffer; adj. blufferig; Bragger = pocher.

Brahm(a), brâm, brâmâ, Brahma; Brahman, Brahmin, brâm’n, brâmin, priester van Brahma; Brahminee, brâminî = vrouw uit de B. kaste; Brahmaansch = Brahmanic(al); Brahminism = Brahminisme.

Braid, breid, subst. vlecht, nestel, smal boordsel of veterband; Braid verb. vlechten, garneeren.

Brail, breil, subst. leeren riem tot het opbinden van de vleugels van valken; geitouw; Brail verb. opbinden, geien.

Brain, brein, subst. brein; Brain verb. de hersens inslaan; Brains = hersenen, verstand, verbeelding: To beat (dash, knock) out a person’s brains = iemand de hersens inslaan: To blow out one’s brains = zich een kogel door den kop jagen; To pick a person’s brains = letterk. diefstal bedrijven; The interviewer tried to pick (suck) the poet’s brains = den dichter uit te hooren; To turn one’s brain = duizelig, ijdel maken; Brain-fag = hersenvermoeidheid; Brain-fever = hersenziekte; Brain-pan = hersenpan; Brainsick = krankzinnig; subst. Brainsickness; Brain-tapper = iemand die anderen uithoort, om later met hunne ideeën te pronken; Brainy = knap, vlug.

Braise, breiz, (vleesch) smoren; subst. gesmoord vleesch.

Brake, breik, doornbosch, braambosch, varenkruid, boschje; vlasbraak, slinger (van eene pomp), bakkerstrog, kluitenbreker, rem, wagen (om paarden af te rijden en te dresseeren), hoefstal (voor onwillige paarden bij het beslaan); Safety brake = noodrem; To apply, put on the brake = remmen; Brake(s)man = remmer; Brake-van = remwagon; Braky = doornig, ruw.

Bramah, brâma, brama, een bekend werktuigkundige: Bramah lock = een naar hem genoemd slot.

Bramble, bramb’l, braamstruik, doornbosch; heester; Bramble-berry = braambes; Bramble-net = slagnet; Bramble-rose = hondsroos.

Brambling, brambliŋ, bergvink.

Brambly, brambli, vol braamstruiken; narrig.

Bran, bran, zemelen; Branny = vol zemelen.

Brancard, braŋked, brancard.

Branch, brânš, subst. tak, arm, afdeeling, filiaal, zijlijn, loodspatent, stang, been van een passer; adj. zij ...; Branch verb. takken schieten, vertakken, met takken versieren: Here the alley branched off from the main street = hier ging de steeg van de hoofdstraat af.

Branchiae, braŋkiî, kieuwen; Branchial, braŋkiəl = kieuw ...; Branchiate(d) = van kieuwen voorzien.

Brand, brand, subst. brandend stuk hout, fakkel, brand (plantenziekte), (brand)merk, soort, hoedanigheid, schandvlek; zwaard; Brand verb. brandmerken (ook fig.), griffen: They set a brand upon him = hij werd gebrandmerkt; Cigars and wines of the choicest (best) brands = fijnste merken; Brand-fox, Brand-goose, Zie Brent; Brand(ing)-iron = treeft; brandijzer; Bran(d)new, bran(d)njû, spiksplinternieuw.

Brandish, brandiš, zwaaien.

Brandy, brandi, brandewijn, (French) Brandy = cognac; cider, persico (Am.): He was in a state of brandy = dronken; Brandy-ball = likeurbonbon; Brandy-faced = met een gezicht, als iemand die aan den drank is; Brandy-nose = jeneverneus; Brandy-pawnee = toddy van cognac (Eng.-Ind.).

Brank-ursine, braŋkɐ̂sin of braŋkɐ̂sin, acanthus.

Brant-fox, Brant-goose, Zie Brent.

Brash, braš, subst. afgebrokkelde rotsen of ijsschotsen; uitslag; regenbui; adj. broos; haastig, driftig; Brash verb. verbrijzelen (Dial.); Brashy = kruimelig; regenachtig (Dial.).

Brass, brâs, subst. geel koper, brons (Monumental brass) bronzen gedenkplaat, (koper) geld, brutaliteit, koperinstrumenten (in een muziekkorps); adj. koperen; Brass verb. verkoperen, opdokken (up): As bold as brass = zoo brutaal als de beul; Brass-band, Zie Band; Brass-foil = klatergoud; The brass-throated trumpet = de schetterende trompet; Brass-visaged = onbeschaamd, brutaal; Brassy = koperachtig, koperkleurig; onbeschaamd.

Brassard, brəsâd, brasəd, rouwband, armband.

Brasset, brasət, ijzeren armbeschermer = Brassard.

Brassey, brâsi, houten kolf met koperen zool (Golfspel).

Brassica, brasikə, kool.

Brat, brat, kind, jong.

Bravado, brəveido, bravâdou, blufferij, aanmatigende bedreiging, uitdaging: In bravado = uitdagend, blufferig.

Brave, breiv, moedig, dapper, koen, onverschrokken; statig, prachtig, kostbaar; subst. een dappere, een (dapper) Roodhuid; Brave verb. weerstaan, braveeren, trotseeren, onbeschaamd volhouden (beweren, doorzetten): A brave show = een kranige (fraaie) vertooning; Bravery = dapperheid, pracht, glans.

Bravo, brâvou, breivou, subst. bandiet, sluipmoordenaar; interj. Mooi zoo! Bravo!

Bravura, bravûrə, subst. bravour-aria; adj. schitterend, bravour - -.

Brawl, brôl, subst. ruzie, twist; oude dans; Brawl verb. ruzie hebben, lawaai maken; bruisen; Brawler ruziemaker, lawaaimaker.

Brawn, brôn, wild zwijnenvleesch (gekookt en gepekeld); hoofdkaas; spiervleesch, spierkracht: A man of brawn and muscle = gezond en sterk; Brawner = wild zwijn, voor den disch geslacht; Brawniness = vleezigheid, gespierdheid; Brawny = gespierd.

Bray, brei, balken, onaangenaam klinken; uitbazuinen (out); fijn stampen; subst. gebalk; Brayer = schreeuwer; stamper.

Braze, breiz, bronzen, stalen (fig.).

Brazen, breiz’n, adj. geelkoperen; onbeschaamd, hard; Brazen verb. zich onbeschaamd gedragen, onbeschaamd volhouden (out); Brazen-face = onbeschaamde kerel; Brazen-faced = onbeschaamd.

Brazier, breižə, koperslager; (koperen) komfoor.

Brazil(-wood), brəzil(wud), fernambuk-hout; Brazilian = Braziliaan(sch).

Breach, brîtš, subst. breuk, bres, overtreding, inbreuk, twist; branding, stortzee; Breach verb, bres schieten: Breach of (the) peace = rustverstoring; Breach of promise = verbreking van trouwbelofte.

Bread, bred, brood (ook fig.): He knows on which side his bread is buttered = hij kan meer dan brood eten; Bread and butter = boterham (ook fig.): To quarrel with one’s bread and butter = zich zelf in ’t licht staan; A slice (piece) of bread and butter = boterham; The bread and butter brigade = baantjesjagers (Amer.); She is a mere bread and butter miss = een echt bakvischje; Who finds my bread and cheese, it’s to him I dance = wiens brood men eet, wiens woord men spreekt; Bread-basket = broodmand; maag; Bread-crumb = broodkruimel; Bread-fruit = broodvrucht; Breadstuffs = meel, etc. (Amer.); Bread-tin = broodvorm: She had been buttering her bread-tins = gezorgd, dat ze “binnen” kwam; Bread-winner = kostwinner.

Breadth, bredth, breedte, ruimte van opvatting, algemeenheid van blik.

Break, breik, subst. breuk, scheur, afbreking, rustpunt, pauze, overgang, poging tot vluchten, uitbarsting, stroomwisselaar, afbreekteeken, dageraad, rem; rijtuig (brik), serie caramboles: Yes, she said, with a break in her voice = met (van aandoening) gebroken stem; Break verb. breken, scheuren, afbreken, aanbreken, verpletteren, verspreiden, verstrooien; verzwakken, onderdrukken, dresseeren, bankroet maken, wegzenden, schenden, overtreden, verminderen; mededeelen (voor het eerst), dagen, uitbarsten, uitroepen, failliet gaan, doen springen, achteruitgaan, zich een weg banen, de vriendschap afbreken, veranderen: To break one’s back = den nek breken, te gronde richten; To break the back of = iemand den nek breken; het moeilijkste van een werk achter den rug zien te krijgen; To break balls = het spel (of een serie) beginnen (bilj.); To break bulk = beginnen te lossen; To break cover = “uitvaren” van den vos; To break one’s fast = ontbijten; To break ground = eene loopgraaf openen, met iets beginnen; To break a person’s head = iemand een gat in het hoofd slaan; To break one’s heart = diep bedroefd zijn; To break one’s heart to a person = uitstorten; To break the ice = het ijs breken; gesprek beginnen; To break jail = uitbreken; To break jests on = aardigheden tappen over; To break a lance with = een lans breken, zich meten met; I broke the news gently to him = deelde hem voorzichtig mee; Break ranks! ingerukt, marsch! To break a sovereign = wisselen; To break wind = een ‘boer’ laten. Met voorzetsels en bijwoorden: To break away = afbreken; zich losrukken van, wegsnellen, er uit breken; To break down = afbreken, te gronde richten, defect raken, vallen, blijven steken, geen woord uit kunnen brengen; He broke down in his speech = bleef steken; She broke down in her knitting = raakte in de war; Break-down van = déraillementswagen; To break forth = losbarsten, uitbarsten, plotseling te voorschijn komen; To break in horses = dresseeren; To break into a house = inbreken; To break of a habit = afleeren; To break on the wheel = radbraken; Young men will break out = loskomen, uit den band slaan; The court, meeting, school broke up = ging uit(een); The fair was broken up = afgebroken; The cold weather broke (up) = sloeg om, veranderde; It breaks upon me = ’t wordt me plotseling bewust; To break with a person = vriendschap afbreken; Why do you break in upon my rest? = verstoort gij? He broke in upon us = kwam ons storen; Let us not break with him on that subject = laten wij hem daaromtrent niets mededeelen; He broke with the turf, and sold his horses = deed niet meer aan wedrennen; I represented my uncle as breaking = doodziek, stervende; However strong the rope, it has its breaking-strain = ieder touw, hoe sterk ook, heeft een punt, waarop het breken moet; Broken food, meat, victuals = kliekjes; A house of broken fortunes = dat betere dagen gekend heeft; Breakage, breikidž, het breken, schadevergoeding voor bij vervoer gebroken goederen; Break-down = instorting, mislukking, storing; soort van wilde dans; Break-down gang = troep arbeiders, om de spoorbaan (na een ongeluk) vrij te maken; Breaker = breker, stortzee, ijsbreker, watervaatje in sloepen; Breakers = branding; Breakfast, brekf’st, subst. ontbijt; Breakfast verb. ontbijten, een ontbijt verschaffen: To have breakfast = ontbijten; I made a hearty breakfast = ontbeet stevig; Break-neck, subst. gevaarlijke val of plaats; adj. halsbrekend, gevaarlijk: Riding at break-neck pace = in dolle vaart; That is a break-neck affair; Breakwater = stroomleidende dam.

Bream, brîm, subst. brasem.

Bream, brîm, (een schip van onderen) schoon branden.

Breast, brest, subst. borst, boezem, binnenste, hart, de voorzijde; Breast verb. weerstaan, te gemoet gaan, bestijgen, omhoog stijgen op: To give (take) the breast; I made a clean breast of it = ik biechtte alles op; To breast up a hedge = eene heg gelijk of glad snoeien; This book has inspired many a youth to breast the chance of fate = te trotseeren, het hoofd te bieden; Breast-fast = dwarstros om een schip te meeren aan den wal, etc.; Breast-knot = strik(je) op de borst; Breast-pin = borstspeld; Breast-rail = bovenste leuning van een balcon, hek; Breastwork = borstwering, hek, schanskleed; Narrow-breasted = met smalle borst.

Breath, breth, adem, leven, ademhaling, ademtocht, tijd, oogenblik, uitstel, rust, luchtje; woord, stem, taal, rede; stemloosheid: Breath-consonant = stemlooze medekl.; At a (one) breath = in één adem, tegelijk; Below one’s breath = fluisterend; Out of breath = buiten adem; Under one’s breath = nauw hoorbaar; By keeping his lips firmly closed, he caught his second breath = kwam hij weer op adem; He drew a long breath = haalde diep adem; He gave up his breath = gaf den geest; To get a breath of air = een luchtje scheppen; He held his breath = hield in; He took breath = schepte; Breathed, bretht, stemloos; Breathless = ademloos; Breathlessness = ademloosheid.

Breathable, brîdhəb’l, in te ademen; Breathe, brîdh, ademen, leven, op adem komen, rusten, blazen, waaien, geuren, ruiken naar (of), uit- of inademen, op adem laten komen, zacht spreken, uiting geven aan, uitdrukken: We shall breathe him = op adem laten komen; He breathed his last = gaf den geest; To breathe a vein = een ader openen; He breathed a wish = hij uitte den wensch; To breathe upon = iets kwaads toefluisteren over; Breather: That hill’s a breather = het beklimmen van dien heuvel beneemt iemand den adem; To give a horse a breather = afrijden; Breathing = ademen, zucht, lichaamsbeweging, uiting, rust: Breathing-space (Breathing-spell, Breathing-time) = tijd om op zijn verhaal te komen, rusttijd.

Breccia, bre(t)šə, brecciën.

Bred, bred, imp. en p.p. van to breed.

Breech, brîtš, subst. achterste, sluitstuk; Breech verb., britš, brîtš, eene broek aandoen, voor de broek geven: To whip on the breech = voor de broek geven; Breeches, britšiz, brîtšiz, broek: She wears the breeches = zij heeft de broek aan; Breech-clout = Ind. lendendoek; Breech-loader = achterlaadgeweer; Breeching = pak voor de broek; broek (van paardetuig), broeking (v. een kanon).

Breed, brîd, subst. geslacht, ras, soort, gebroed; Breed verb. voortbrengen, telen, fokken, zich vermeerderen, ontstaan, zich ontwikkelen, veroorzaken, grootbrengen: To breed in and out = afwisselend met oud en nieuw fokmateriaal; Breeder = fokker, fokdier; Breeding = voortbrenging, fokken, beschaving; Breeding in and in = steeds fokken met dezelfde dieren; Breeding-cage = broedkooi; Breeding-place; Breeding-pond.

Breeze, brîz, subst. bries, lawaai, twist, gerucht; Breeze verb.: Breeze up = aanwakkeren.

Breeze, brîz, brems (insect).

Breeze, brîz, veegsel, kolenstof.

Breezy, brîzi, winderig, druk.

Brehon, brîh’n, voormalig erfelijk Iersch rechter: Brehon law = oud Iersch recht.

Brent, brent: Brent-fox = lichtkleurige vos; Brent-goose = ringelgans; Brent Hill: He is looking from under Brent Hill = kijkt boos.

Brethren, bredhr’n, broeders (fig.); Brethren of the brush (pen) = kunstbroeders; My Brethren = Geliefde Broeders en Zusters.

Breton, bret’n, Bretagner; ook adj.

Bretwalda, bretwôldə, Angel-Saksisch hoofd.

Breve, brîv, twee heele noten (in de muziek); boogje boven een klinker. (˘)

Brevet, brevət, brəvet, brevet, patent; Brevet verb. tot titulairen rang verheffen; Brevet rank, Brevetcy = titulaire rang zonder de bij dien rang behoorende soldij.

Breviary, brîvjəri, brevjeri, brevier.

Brevier, brəvîə, brevier (soort drukletter).

Brevity, breviti, kortheid, beknoptheid: Brevity is the soul of wit = kort maar krachtig.

Brew, brû, brouwen (ook fig.), vermengen, uitbroeden, broeien, opkomen, dreigen; subst. brouwsel: A storm is brewing = er broeit; Mischief is brewing = er broeit wat; As you have brewed so shall you drink = gelijk gij zaait, zult gij maaien; Brew your own tea = bemoei je met je eigen zaken; Brewage = brouwsel; Brewer (Brewster) = brouwer; Brewery of Brew-house = brouwerij; Brewis = Broth. Brewershaven, brûəzheiv’n, Brouwershaven.

Briar, braiə, heideplant (Erica arborea), pijp van dat hout gemaakt. Zie Brier.

Briarean, braiêrj’n, braiərîən, honderdhandig; Briareus, braiêriəs, braiəriəs.

Bribable, braibəb’l, omkoopbaar; Bribe, braib, subst. steekpenning, omkooperij, lokaas; Bribe verb. omkoopen, verleiden; Bribeable = Bribable; Briber = omkooper; Bribery = omkooperij, omkoopbaarheid.

Bric-a-brac, brikəbrak, snuisterijen.

Brick, brik, subst. baksteen, blok; kranige vent (meid); Brick verb. bouwen, bekleeden, baksteenen nabootsen; adj. steenen: A box of (wooden) bricks = bouwdoos; I resisted him like bricks = zeer krachtig; Brick-bat = stuk baksteen: Brick verb. gooien met stukken baksteen; Brick-clay = tichelaarde; Brick-dust = steengruis; Brick-kiln = steenoven; Brick-layer = metselaar; Brick-laying = het metselen; Brick-maker = steenbakker; Brick-moulder = steenvormer; Brick-nogging = metselwerk tusschen houtwerk; Brick-tea = Tartaarsche thee; Brick-work = metselwerk; Brick-works, Brick-yard = tichelwerk; Brickish = als van steen: Of a brickish red = steenrood.

Bridal, braid’l, subst. huwelijksfeest; adj. bruids - -, bruilofts - -: Bridal dress = bruidsjapon.

Bride, braid, bruid, pas getrouwde vrouw; The bride elect = bruid (in de bruidsdagen); Bride(s)-cake = bruidstaart; Bridegroom = bruidegom, jong gehuwd man; Bride(’s)-maid, Bride(’s)-man = bruidsmeisje, bruidsjonker; Bride-wort = moerasspiraea, theeboompje.

Bridewell, braidwel, een oude gevangenis in Londen; gevangenis, huis van correctie.

Bridge, bridž, subst. brug, kam (van eene viool), het bovendeel van den neus, een kaartspel; Bridge verb. een brug leggen, overbruggen: We have bridged over the difficulty = geëffend; Bridge-head = bruggenhoofd (Mil.); Bridge-railing = leuning; Bridge-toll = tol; Bridge-train = pontontrein.

Bridget, bridžət, Brigitta.

Bridle, braid’l, subst. teugel, toom, beteugeling; Bridle verb. beteugelen, in toom houden; het hoofd in den nek werpen, opstuiven (up): She was a bridling little piece of consequence = zij was een pedant stukje gewichtigheid; Bridle-hand = linkerhand: You shall not get hold of my bridle-hand = ge zult me de teugels niet uit handen nemen; Bridle-path, Bridle-way = rijpad.

Bridoon, bridûn, trens.

Brief, brîf, adj. kort, beknopt; subst. uittreksel, beknopte instructie, die door den solicitor aan den te pleiten barrister wordt overhandigd; exploit; pauselijke brief of breve: In brief = kortom; To hold a brief = een rechtszaak in handen hebben; To take a brief = de verdediging op zich nemen; A briefless lawyer = die geen praktijk heeft; Briefness = beknoptheid, bondigheid.

Brier, braiə, doornstruik; wilde roos: He is in the briers = hij zit er leelijk in; Sweet brier = eglantier; roos; Briery = vol doornen.

Brig, brig, brik.

Brigade, brigeid, subst. brigade; Brigade verb. tot eene brigade vereenigen; Brigadier, brigədîə, brigade-generaal.

Brigand, brig’nd, roover; Brigandage = rooverij.

Brigantine, brig’ntîn, brig’ntin, brigantijn of schoenerbrik.

Brigham-Young, brig’m-jɐŋ.

Bright, brait, schitterend, lichtend, prachtig, beroemd, klaar, helder (ook fig.), gunstig, vernuftig, geestig, levendig, opgewekt, “glad” (Am.); Brighten = verhelderen, verlichten, opklaren, opvroolijken, opscherpen, glans bijzetten, polijsten; Brightness = glans, etc.

Bright’s Disease, braitsdizîz, een nierziekte.

Brighton, brait’n; Brigit, bridžit.

Brill, bril, witte tarbotsoort.

Brilliance, brilj’ns, Brilliancy, brilj’nsi, glans, schittering; Brilliant, brilj’nt, adj. schitterend, glansrijk, geestig; subst. briljant (druk); Brilliantness = Brilliancy.

Brim, brim, subst. rand, boord, kant: Full to the brim = boordevol; Brim verb. tot den rand vol zijn of vullen: To brim over = overvol zijn; Brimming over with happiness = uitgelaten van; Brimful = boordevol; subst. Brimfulness; Brimmer = tot aan den rand gevulde roemer.

Brimstone, brimst’n, subst. zwavel; helleveeg; adj. van zwavel, zwavelkleurig: Vegetable brimstone = blitzpulver.

Brinded, brindid, Brindled, brind’ld, gestreept, getijgerd.

Brine, brain, subst. brem of pekel; de zee; tranen; Brine verb. pekelen: Brine-pan = zoutpan (zouttuin); Brine-pit = zoutkuil; Brine-spring = zoutbron.

Bring, briŋ, brengen, halen, geleiden, doen komen, indienen, veroorzaken, overhalen: Things never bring what they cost = brengen nooit op; Your letter brought us £ 200 = bevatte; To bring an action against a person = actie instellen; To bring word = bericht brengen; To bring low = doen verarmen, op ’t ziekbed werpen, verootmoedigen; To bring to pass = teweegbrengen, tot stand brengen; To bring about = bewerkstelligen; overreden; To bring before the public = uitgeven, publiceeren; That speech brought the House down = deed het huis (de zaal) daveren van toejuichingen; He brought down his hand on the table = sloeg met de vuist; I will bring his pride down = ik zal zijn trots wel breken; To bring forth = baren, werpen; To bring forward = vooruitbrengen, transporteeren, aanvoeren, bijbrengen; To bring home = thuis brengen; bewijzen, duidelijk maken; To bring in = binnenbrengen, invoeren, opbrengen, bijbrengen: The jury brought him in guilty = verklaarde hem schuldig; To bring off = wegbrengen, redden, er bovenop halen (van zieken); To bring on = veroorzaken, ter sprake brengen, beginnen; To bring out = voor den dag halen, doen uitkomen, voor ’t eerst opvoeren (uitgeven); To bring over = overbrengen, andersdenkenden tot onze meening of partij overhalen, transporteeren; To bring round = zijn doel bereiken, tot bewustzijn brengen, tot andere (onze) opvatting brengen; To bring to = brengen naar, er toe brengen, bijbrengen, bijdraaien, tot staan brengen; To bring together = samenbrengen, verzoenen; To bring up = boven brengen, groot brengen, te berde brengen, aanklagen, bijbrengen, transporteeren, tot staan brengen, tot staan komen, onderbreken, braken, aanvoeren: To bring up the rear = de achterhoede vormen (aanvoeren), den aftocht dekken; He brought up with a bump against the door = kwam met een harde bons tegen de deur aan; I brought up the cartridge of a repeating rifle = bracht een patroon voor; Bringer = brenger; Bringer-up = opvoeder; Bringing-up = opvoeding.

Brink, briŋk, rand: We are on the brink (verge) of ruin = rand des ondergangs.

Briny, braini, zout: The briny = het zilte nat.

Briquet(te), brikət briket, briket.

Brisgow, brisgou, Breisgau.

Brisk, brisk, adj. levendig, vlug, flink, frisch, helder brandend, snelwerkend; Brisk verb. verlevendigen, aanwakkeren (met up), snel komen aanloopen, vlug rondloopen (about); mooi kleeden; Briskness = levendigheid, etc.

Brisket, briskət, borst (van een dier), borststuk: Brisket-bone = borstbeen.

Bristle, bris’l, subst. borstel; Bristle verb. de haren overeind zetten, overeind gaan staan, opvliegen, boos worden, vol zijn van, vol liggen met: To set up a person’s bristles = nijdig maken; My desk bristles with letters; He bristled up to me = kwam verontwaardigd naar mij toe; Bristly = borstelig.

Bristol, brist’l, stad; Bristol-board = glad carton; Bristol-brick = schuursteen; Bristol-milk = sherry bowl.

Brit, brit, verkort van Britain en British; broed of jong van haring of sprot.

Britain, britn, Brittanje = Britannia: Britain metal = Brittannia-metaal; Britannic = Britsch.

British, britiš, Britsch: British gum = dextrine; Britisher = Engelschman (Amer.).

Briton, brit’n, Brit.

Brittany, britəni, Bretagne.

Brittle, brit’l, broos, vergankelijk, onzeker; subst. Brittleness.

Britz(s)ka, britskə, soort Russisch rijtuig.

Broach, broutš, subst. els, priem, boorstift, spit, spits, jonge hoorn van een hert, (boor)gat; Broach verb. aansteken (van een vat), beginnen (over), ter sprake brengen; snel oploeven: He broached the subject to me = begon er over; Broacher = verspreider.

Broad, brôd, breed, wijd, uitgestrekt, ruim, omvangrijk, algemeen, groot, liberaal, tolerant, helder, duidelijk, volledig, open, plomp, brutaal, luid, plat; subst. plas; oude gouden munt (20 s.); Broads = kaarten; Broad Church = gematigd vrijzinnige richting in de Engelsche kerk; Broad compliment = grof; Broad daylight = helder dag; Broad gauge = wijdspoor; Broad nonsense = klinkklare onzin; Broad trade = nouveauté’s; (As) broad as (it is) long = zoo breed als het lang is, net hetzelfde; Broad arrow = regeeringsstempel op regeeringseigendom (b.v. op de kleederen der gevangenen, paarden der cavalerie, etc.); Broad-axe = timmermansbijl, houweel; strijdbijl; Broad-bill = lepelaar, lepelreiger; Broad-blown = in vollen bloei; Broad-brim = breedgerande hoed; Kwaker; Broadcast = subst. en verb. (het) wijd uitzaaien met de hand; adj. en adv. ruim en wijd gezaaid of verspreid; Broad-cloth = fijn zwart laken van dubbele breedte; Broad-piece = goudstuk van 20 sh. (17e eeuw); Broadseal = subst. Engelsch rijkszegel; Broad-set = van krachtigen lichaamsbouw; Broadsheet = aan eene zijde bedrukt groot blad; plakkaat, vlugschrift; Broadside = zijde (van een schip), volle laag; pamflet of groot vel; Broadsword, brôdsöd, slagzwaard; Broadwise = in de breedte; Broaden = breeder worden of maken; Broadness = ruwheid, platheid.

Brobdingnag, brobdiŋnag; Brobdingnagian, brobdiŋnagiən, reusachtig; reus.

Brocade, brəkeid, brocaat.

Broc(c)oli, brokəli, Ital. aspergekool.

Brochure, brošuə, brochure.

Brock, brok, das; vuilpoes.

Brocket, brokət, tweejarig hert.

Broidery, brôidəri, borduurwerk: He described it with much broidery = borduurde erg.

Brogue, broug, grove schoen van ongelooid leer; provinciaal (vooral Iersch) accent; Brogues = broek.

Broil, brôil, subst. tumult, twist; Broil verb. braden (op een rooster, in de zon); erg verhit zijn; Broiler = rooster, braadkippetje, heete dag; ruziemaker.

Broke, brouk, imperf. van to break.

Broken, brouk’n, part. perf. van to break: Broken bread (victuals) = restanten, klieken; Broken horse = gedresseerd; Old broken soldier = invalide; Broken wind = dampigheid; Broken-backed = doorgezakt; Broken-bellied = met een breuk; ontaard; Broken-down = geruineerd, ongelukkig; Broken-hearted, Broken-spirited = ontmoedigd; Brokenness = gebrokenheid.

Broker, broukdə, makelaar, agent; uitdrager; soort deurwaarder, die meubilair, etc., waarop beslag is gelegd, verkoopt; koppelaar: Broker’s man = bediende van den Broker, die toe moet zien, dat niets vervreemd wordt; The brokers were put in = er werd beslag gelegd op de goederen; Brokerage = makelaarschap; commissieloon.

Brome, broum, dravik.

Bromine, broum(a)in, broom.

Brompton, bromt’n; Bromwich, bromidž.

Bronchia, broŋkiə, luchtpijpvertakkingen; Bronchial, broŋkiəl (Bronchic, broŋkik) de luchtpijp betreffend: Bronchial tubes = Bronchia; Bronchitis, broŋkaitis, luchtpijpontsteking.

Bronze, bronz, subst. brons, bronskleur, kunstwerk van brons; onbeschaamdheid; adj. van brons, bronskleurig; Bronze verb. bronzen, hard maken; Bronze age (Bronze period) = bronsperiode; Bronze-liquor, Bronze-powder = preparaten om te bronzen.

Brooch, broutš, subst. borst- of doekspeld, schilderij met ééne kleur.

Brood, brûd, subst. gebroed, broedsel, kroost; Brood verb. broeden, koesteren; bepeinzen, peinzen; broeien, dreigen: He brooded over the fire = hij zat over het vuur gebukt te peinzen; Brood-cage; Brood-hen; Brood-mare = fokmerrie; Brooder = broedmachine; Broody = broedsch; geneigd tot peinzen.

Brook, bruk, subst. beek, stroompje; Brooklet = beekje; Brook-mint = waterkruizemunt; Brook-weed = waterpunge.

Brook, bruk, verdragen, dulden.

Broom, brûm, subst. brem, bezem; Broom verb. bezemen, vegen: New brooms sweep clean; To hang out the broom = onbestorven weduwnaar zijn; ook gebruikt van trouwlustige weduwen; Broom-maker = bezembinder; Broom-staff, Broom-stick = bezemsteel: To be married over the broom-stick = over den puthaak getrouwd zijn; Broomy = vol brem.

Broth, broth, brôth, bouillon, soep: A broth of a boy = een flinke jongen; Too many cooks spoil the broth = te veel koks bederven de brij.

Brothel, broth’l, bordeel.

Brother, brɐdhə, broeder, ambtsbroeder; Brother-in-law = schoonbroeder, stiefbroeder; Brother Jonathan = de Amerikanen; Brotherhood = broederschap, korpsgeest; Brotherlike = broederlijk; subst. Brotherliness.

Brough, brɐf.

Brougham, brûəm, brûm, eigennaam; meest brouəm voor een soort dicht rijtuig.

Brought, brôt, imperf. en p.p. van bring.

Broughton, brôt’n, braut’n.

Brow, brau, subst. wenkbrauw, voorhoofd, gelaat, voorkomen; rand (van afgrond of heuvel); loopplank: To bend (contract, knit, wrinkle) one’s brows = het voorhoofd fronsen; Brow-ague = migraine; Browbeat = dreigend aankijken, overdonderen; Brow-bound = gekroond.

Brown, braun, bruin, donker, ernstig; subst. een bruine kleur; ½ penny; Brown verb. bruinen, doorrooken, bruin worden; in ’t wild schieten (it): Not for brown = om den dood niet; In a brown study = in gepeins verzonken; To do brown = afzetten, bedriegen; Brown Bess = oude snaphaan; Brown bill = oude strijdbijl; Brown bread; Brown cloth = ongebleekt linnen; Brown coal; Brown George = kommiesbrood, bruine kruik, soort pruik; Brown paper = pakpapier; Brown rust = roest (in koren); Brownish = bruinachtig; Brownness = bruine kleur.

Brown, Jones and Robinson = Jan, Piet en Klaas; Jan en alleman.

Brownie, brauni, goede huisgeest (Schotland).

Browning, brauniŋ; Browningite, brauniŋgait, bewonderaar van R. Browning.

Brownist, braunist, aanhanger van Robert Brown, uit den tijd van Elizabeth; Brownism = diens stelsel.

Browse, brauz, subst. scheuten, spruiten; Browse verb. grazen, afknabbelen; Browsing = weideplaats.

Bruges, brûdžiz, Brugge.

Bruin, brûin, Bruin (de beer).

Bruise, brûz, kneuzen, stampen; bont en blauw slaan; subst. kneuzing, buil; Bruiser = bokser, vechtersbaas; Bruise-wort, brûzwɐ̂t, smeerwortel.

Bruit, brût, subst. gerucht, geraas; Bruit verb. verspreiden, ruchtbaar maken.

Brumal, brûm’l, winter ....

Brummagem, brɐmədžem, in Birmingham vervaardigd artikel; adj. valsch, nagemaakt, opzichtig: Brummagem buttons = valsch geld.

Brunette, brunet, brunette; bruinachtig.

Brunonian, brunounj’n: Brunonian theory = Brownism; subst. student of gegradueerde van de Br. universiteit (Rhode Island).

Brunt, brɐnt, hevige schok, woeste aanval, geweld, het heete (van een gevecht), hoogtepunt: To bear the brunt of = het meest te verduren hebben.

Brush, brɐš, subst. borstel, kwast of penseel, wisscher; kreupelboschje; schermutseling, woeste rit; volle staart (b.v. van een vos); draadbundel (Electr.); Brush verb. borstelen (down, up), schilderen, strijken langs, opfrisschen, voorbijsnellen (by): He paints with the big brush = legt het er dik op; To make a brush = zich uit de voeten maken; Give me a brush (down) = borstel me eens af; Tarred with the same brush = met hetzelfde sop overgoten; Their coats were soundly brushed = zij kregen er flink van; Brush-maker = borstelmaker; Brushwood = kreupelbosch, bezemrijs; Brushwheels = raderen, die elkander door wrijving, niet door tanden in beweging brengen; Brushing gallop = gestrekte gallop; Brushy = borstelig.

Brusque, brɐsk, kortaf; ruw; Brusque verb. bruskeeren.

Brussels, brɐs’lz, Brussel(sch): Brussels carpet; Brussels lace; Brussels sprouts = spruitjes.

Brutal, brût’l, dierlijk, onmenschelijk: Brutality = dierlijkheid, grove zinnelijkheid, ruwheid; Brutalize = verdierlijken, verwilderen.

Brute, brût, subst. redeloos beest, bruut; adj. redeloos, ruw, dom, dierlijk; Brutish = dierlijk, zinnelijk, dom; subst. Bruteness.

Brutus, brûtəs.

Bryan, braiən.

Bryony, braiəni, heggerank.

Bubble, bɐb’l, subst. bobbel, luchtbel, zeepbel (ook fig.), zwendel, windhandel; Bubble verb. bobbelen, opborrelen, pruttelen, murmelen, beetnemen: Bubble companies = zwendelmaatschappijen; Bubbler = bedrieger.

Bubby, bɐbi, tiet; ventje, kereltje (Am.).

Bubo, bjûbou, kliergezwel; ooruil; The bubonic plague = builenpest.

Buccal, bɐk’l, wang - -.

Buc(c)an, bɐk’n, subst. rek om vleesch op te rooken; Buccan verb. rooken.

Buccaneer, bɐkənîə, subst. zeeroover, vrijbuiter; Buccaneer verb. zeerooverij plegen.

Buccleugh, Buccleuch, bəklû.

Bucentaur, bjûšəntö, bjusentö, Bucentaur; staatsiebark der Venetiaansche doges.

Bucephalus, bjusefəlɐs, Bucephalus, rijpaard.

Buchanan, bəkanən; Bucharia, bjukêriə, Bokhara.

Buck, bɐk, subst. bok, mannetje (van verschillende dieren); fat, pierewaaier, mannelijke neger (Indiaan), zaagbok (Amer.), sixpence; Buck verb. paren (van sommige dieren); bokken (van paarden): My buck = ouwe jongen; To buck up = zich taai houden; optooien; Buck-bean = Bog-buck; Buck-eye = Amerik. paardekastanje; spotnaam voor een bewoner van Ohio; kleine schoener; Buck-eyed = met slechte oogen (paard); Buck-horn = hertshoorn; Buck-hound = soort jachthond: Master of the buck-hounds = opperjagermeester aan het Eng. hof; Buck-jumper = bokkend paard; Buck-party = heerenpartij; Buckskin, subst. bokkevel; zacht, geel leer; broek (gewoonlijk meerv.); adj. van bukskin; Buckstall = net om herten, etc. te vangen; Buck-stick = vervelende vent (Anglo-Ind.); Buckthorn = wegedoorn; Buck-tooth = vooruitstekende tand; Buckwheat, bɐkwît, boekweit; Bucker = Buck-jumper; Buckish = fatterig; subst. Buckishness.

Buckeen, bɐkîn, Iersch jonker; fat.

Bucket, bɐkət, emmer, puts; ½ bushel; Bucket verb. putten, te snel vooroverbuigen (roeisport); er snel van door gaan, afjakkeren, bedriegen: To give the bucket = de laan uitsturen; To kick the bucket = het hoekje om gaan, sterven: Bucket-shop = kantoor voor het afsluiten van kleine weddenschappen; Bucketful: It rained in buckets full = het kwam met emmers uit de lucht vallen.

Buckle, bɐk’l, subst. gesp, krul, bocht; Buckle verb. gespen, zich krullen, buigen, insluiten, krachtig aanpakken, zich toerusten: The horse buckled down to the journey = aanvaardde, maakte zich klaar; You’ll have to buckle to = gij zult u moeten inspannen; To buckle with = handgemeen worden met; Buckler = beukelaar; Buckler-thorn = Christusdoorn, steekdoorn.

Buckram, bɐkr’m, subst. grove, gepapte linnen stof; stijfheid; adj. stijf, vormelijk; Buckram verb. stijven: Men in buckram = in buckram gekleede mannen, alleen in de verbeelding bestaande mannen (toespeling op Falstaff).

Bucks, bɐks, verkorting voor Buckinghamshire, bɐkiŋəmšə, bɐkiŋhamšə.

Bucolic, bjukolik, subst. herdersgedicht; landman; adj. herderlijk = Bucolical.

Bud, bɐd, subst. knop, kiem; snoes; Bud verb. uitbotten, knoppen, zich ontwikkelen; enten; Budlet = knopje.

Buda, bjûdə, Ofen.

Buddha, budha, bûda, Boeddha; Buddhism; Buddhist.

Budgerow, bɐdžrou, vaartuig (Br. Ind.).

Buddle, bɐd’l, subst. soort trog; Buddle verb. erts wasschen.

Budge, bɐdž, subst. lamsvel, leeren zak; adj. met lamsvel omzoomd; stijf, pedant: Budge Bachelors = arme, oude, in lamsvel gekleede mannen, die vroeger den Lord Mayor bij zijn intocht vergezelden.

Budge, bɐdž, zich bewegen, verroeren.

Budget, bɐdžət, zak, holster, voorraad, budget: Budget Speech = millioenenrede; The minister opened the Budget = hield de millioenenrede.

Buff, bɐf, subst. sterk (buffel)leer (met olie bereid), leeren kolder, geelbruin, naakte huid; adj. leeren, geelbruin: The Buffs = het East Kent Regiment; All in buff = spiernaakt.

Buff, bɐf, slag, stoot, onzin; Buff verb. dreunen; dempen, verzwakken (Schot.); To stand buff = weerstaan, standhouden; Blindman’s buff = blindemannetjes(spel); To say neither buff nor baff(stye) = boe noch ba zeggen; Buffer = stootkussen, pistool, vent, hond: An old buff = gezellige “ouwe” baas.

Buffalo, bɐfəlou, subst. buffel, bison van N. Amer.; Buffalo-chips = gedroogde buffelmest (brandstof); Buffalo-grass = prairiegras; Buffalo-robe = reisdeken van buffelvel.

Buffet, bɐfət, buffet.

Buffet, bɐfət, subst. klap, vuistslag; geweld (van wind of golven): Buffet verb. slaan, beuken, worstelen met, boksen.

Bufflehead, bɐf’lhed, dikkop, domkop.

Buffo, bɐfou, bufou, subst. komisch (opera) zanger; adj. grappig; Buffoon, bəfûn, potsenmaker, Jan Klaassen; Buffoonery, bəfûnəri = grappen en streken.

Bug, bɐg, wand- of weegluis, kever, kabouter, bloedzuiger (fig.): He is as snug as a bug in a rug = hij heeft een leventje als een vloo in eene wollen deken (zéér plat).

Bugbear, bɐgbêə, boeman.

Buggy, bɐgi, vol luizen of wormen; vermolmd.

Buggy, bɐgi, licht rijtuig op twee (in Am. vier) wielen met ééne zitbank; kolenwagentje.

Bugle, bjûg’l subst. lange zwarte kraal, zenegroen; (jacht)hoorn; neus; Bugle verb. hoornblazen: To sound the bugle = signaal blazen; Bugle-call = hoornsignaal; Bugler = trompetter.

Bugloss, bjûglos, ossetong (plant).

Buhl, bûl, goud, ivoor, schildpad of paarlemoer gebruikt voor inlegwerk; ingelegd werk; onnatuurlijkheid.

Build, bild, subst. vorm, maaksel, bouw; Build verb. bouwen, stichten; versterken; aanleggen: Rome was not built in a day; Builder = bouwmeester, schepper: General builder = aannemer; Builder’s estimate = bestek; Building = gebouw; Building-site = bouwterrein; Built, bilt, imperf. en p.p. van to build.

Bulb, bɐlb, subst. bol, bolletje, appel (oog); Bulb verb. vooruitsteken, uitzetten: Bulb culture, Bulb growers = kweeken, kweekers; Bulbaceous, bɐlbeišəs, bolvormig; Bulbiferous = bollen voortbrengend; Bulbiform = bolvormig; Bulbous = knolachtig, rond; Bulbule, bɐlbjûl, bolletje.

Bulbul, bulbul, nachtegaal (Perzië).

Bulgaria, bɐlgêriə, Bulgarije; Bulgarian = Bulgaar(sch).

Bulge, bɐldž, subst. buik; buikdelling (scheepst.); Bulge verb. vooruitsteken.

Bulimia, bjulimiə, Bulimy, bjûlimi, geeuwhonger.

Bulk, bɐlk, omvang, grootte, volume, massa; meerendeel; scheepslading; hoofd: By the bulk = alles met elkaar; In bulk = in losse massa, hoopen; To break bulk = beginnen te lossen; Laden in bulk = met stortgoederen (graan, zout) geladen; Bulkhead = schot; Watertight bulkhead = waterdicht schot; Bulkiness = omvang; Bulky = groot, zwaar.

Bull, bul, subst. stier, speculant à la hausse (zie Bear); bul van den Paus; onzin, domheid; adj. van grooten omvang; mannetjes ...; Bull verb. à la hausse speculeeren: He took the bull by the horns = pakte de koe bij de horens; John Bull = de Eng. natie; Bull-baiting = het vechten van stieren met honden; Bull-beef = ossenvleesch; Bull-calf = bulkalf; uilskuiken; Bulldog = bulhond; dienaar van den Proctor; revolver; Bulldoze = lange zweep (Am.); Bulldoze verb. ranselen, overdonderen; Bull’s-eye = rond venster of opening, dievenlantaarn, dik glas in een scheepsdek, roos (van schietschijf), schot in de roos, kleine, storm voorspellende wolk, kokinje: That is wide of the Bull’s-eye = de plank ver mis; Bull-faced = met grof en groot gezicht; Bullfinch = bloedvink; Bull-feast, Bull-fight = stierengevecht; Bullfrog = brulkikvorsch; Bullhead = rivierdonderpad; waterinsect; domkop; Bullheaded = doldriftig en koppig; Bull-pup = jonge bulhond; Bullroarer (zie Turndun); Bull-terrier = gekruist ras tusschen bulhond en dashond; Bull-trout = zalmforel; Bullwort = komijn (zwarte).

Bullace, bulis, kroosjes.

Bullate, bulit, met blaren of uitwassen.

Bullen-nail, bul’n-neil, vertinde en gelakte spijker met ronden kop.

Bullet, bulət, geweerkogel: Every bullet has its billet = iedere kogel heeft zijne bestemming; He got the bullet = werd de laan uitgestuurd; Bulletproof = kogelvrij; Bullet-mould = kogelvorm.

Bulletin, bulətin, subst. officieel rapport, bulletin; Bulletin verb. per b. bekend maken.

Bullion, bulj’n, ongemunt goud of zilver; vreemd (valsch geld); passement (= Bullion-fringe); Bullionist = voorstander van metalen munt.

Bullock, bulək, (jonge) os.

Bully, buli, subst. bullebak, vechtersbaas; souteneur; geconserveerd pekelvleesch; adj. brutaal, rumoerig; prachtig, flink (Amer.); Bully verb. overbluffen, donderen, treiteren; razen en tieren: Bully for you! = Bravo! He bullied me into doing it = dwong mij door vrees tot; He bullied it out of me = dwong het me af; She bullied over both = speelde de baas over; Bullybeef = ingemaakt vleesch: Bullyrag = uitschelden, negeren.

Bulrush, bulrɐš, groote waterbies; Bulrushy.

Bulwark, bulwək, subst. bolwerk (ook fig.), verschansing, wal; Bulwark verb. van versterkingen (of een bolwerk) voorzien.

Bulwer, bulwə.

Bum, bɐm, subst. achterste; gerechtsdienaar; Bum verb. ka(ai)draaien; gonzen; smullen, boemelen (Amer.); Bumboat = ka(ai)draaier; Bumbailiff, b’mbeilif, vroegere “rakker”.

Bumble-bee, bɐmb’lbî, hommel.

Bumbledom, bɐmb’ld’m, de gewichtige drukte van de kleine-ambtenaarswereld; alle kleinere ambtenaren.

Bumkin, bɐmkin, botteloef (zeeterm).

Bump, bɐmp, subst. gezwel, buil, bons, geschreeuw (van een roerdomp), knobbel; Bump verb. hard slaan of bonzen tegen; schreeuwen (van een roerdomp), botsen: A bump race = wedstrijd waarbij de achterste boot bonst tegen de voorste (dit geldt als bewijs van inhalen); Bump supper = het feest ter viering daarvan; His bump of friendship seems to be highly developed = zijn vriendschapsknobbel schijnt zeer ontwikkeld te zijn.

Bumper, bɐmpə, volle bokaal, vol lokaal (theater); Bumpers, Gentlemen! = Heeren Rouge bord!

Bumpkin, bɐm(p)kin, boerenkinkel.

Bumptious, bɐm(p)šəs, opgeblazen; Bumptiousness, opgeblazenheid.

Bun, bɐn, krentenbolletje.

Bunch, bɐnš, subst. tros, bos, bosje, bundel, troep, hoop, bochel; Bunch verb. tot een bult opzwellen, staart of kuif opsteken (met up); uitsteken, trossen vormen; Bunchy = knoestig, bossen of trossen vormend.

Bunco, bɐŋkou = Bunko.

Buncombe, bɐŋk’m, redevoering met ’t oog op de kiezers, in eigen belang (Am.); gewauwel: He speaks for Buncombe = voor de vaak, uit eigen belang.

Bundle, bɐnd’l, subst. pak, bundel, rol; Bundle verb. samenbinden, inpakken, oprollen, haastig heengaan (away, off, out), injagen (in); wegjagen, uitwerpen: The bill was bundled out = zonder komplimenten (of discussie) verworpen.

Bung, bɐŋ, subst. bom of spon; waard, brouwer; Bung verb. een vat dichten, sluiten: I bunged his eyes = takelde hem zoo toe, dat hij niet uit zijn oogen kon zien; Bung-hole = spongat.

Bungalow, bɐŋgəlou, Indisch landhuis (van ééne verdieping): Dak bungalow = (Brit. Ind.) posthuis.

Bungle, bɐŋg’l, subst. knoeiwerk; Bungle verb. knoeien, broddelen, prutsen: He made a bungle of it = verknoeide het.

Bunion, bɐnj’n, gezwel aan den bal van den grooten teen.

Bunk, bɐŋk, subst. slaapbank, kooi: Bunk verb. in eene kooi slapen; uitsnijden: To do a bunk = uitsnijden; Bunker = kolenbak (ruim); kist als bank; kuil (Golfspel); Bunker verb. kolen innemen: To be Bunkered = in de knel zitten.

Bunko, bɐŋkou, kwartjesvinden, afzetterij; Bunko verb. afzetten.

Bunkum; Zie Buncombe.

Bunny, bɐni, konijn.

Bunt, bɐnt, subst. buik van een zeil; steenbrand, stuifbrand; Bunt verb. opzwellen, stooten, springen; Bunter = voddenraper; prostituée.

Bunting, bɐntiŋ, vlaggedoek, vlaggen; ortolaan.

Buoy, b(w)ôi, subst. boei, ton; Buoy verb. betonnen; drijvende houden, ondersteunen, kracht geven; Buoyage = boeien, betonning; Buoyancy = opgewektheid en veerkracht van geest, drijfbaarheid; Buoyant = drijvend, veerkrachtig, opgewekt, stijgend.

Buphaga, bjûfəgə, Afr. spreeuw, die zich voedt met insectenlarven onder de huid van vee.

Bur, bɐ̂, stekelig napje (van kastanjes), klis, knoest: He stuck to me like a bur = hing aan mij als een klis.

Burbot, bɐ̂bət, kwabaal.

Burden, bɐ̂d’n, subst. last, druk, vracht, lading, tonnemaat; refrein, koor; Burden verb. beladen, belasten, drukken: Beast of burden = lastdier; Burdensome = drukkend, zwaar.

Burdett-Coutts, bədetkûts.

Burdock, bɐ̂dok, klis of klit.

Bureau, bjûrou, bjurou, schrijftafel, latafel, bureau; toilettafel (Am.); Bureaucracy, bjuroukrəsi, bureaucratie; Bureaucratic(al) = bureaucratisch.

Burette, bjuret, buret, maatglas.

Burg, bɐ̂g = Borough; Burgage, bɐ̂gidž, stedelijk leengoed.

Burgee, bɐ̂džî, bɐ̂dži, naamvlag; kleine kolen.

Burgeon, bɐ̂dž’n, knop. Zie Bourgeon.

Burgess, bɐ̂džəs, freeman (kiesgerechtigd burger) van een Borough; afgevaardigde van een Borough; magistraat: Burgess list, Burgess roll = kiezerslijst; Burgess-ship = burgerschap.

Burggrave, bɐ̂greiv = Burgrave.

Burgh, bɐ̂g, bɐrə = Borough; Burghal, gemeente ... (Schotl.); Burgher = ‘freeman’ van een Burgh.

Burghley, bɐ̂li = Burleigh.

Burglar, bɐ̂glə, inbreker; Burglarious = inbrekend; Burglary = inbraak; Burgle = inbreken.

Burgomaster, bɐ̂gəmâstə, burgemeester (in Holland of Duitschland); burgemeester (zeemeeuw).

Burgoo, bɐ̂gû, bəgû, haverpap; sterk gekruide soep.

Burgrave, bɐ̂greiv, burggraaf.

Burgundian, bəgɐndj’n, Bourgondiër; Bourgondisch; Burgundy, bɐ̂g’ndi, Bourgondië; bourgognewijn; Burgundy-pitch = soort dennenhars.

Burial, berj’l, begrafenis; Burial-case = metalen doodkist; Burial-club = begrafenisfonds; Burial-ground(-place) = begraafplaats; Burial-service = lijkdienst.

Burin, bjûrin, graveerstift, etsnaald.

Burk(e), bɐ̂k, vermoorden (eigenlijk door verstikking met een pikmasker), smoren: To burk a discussion = eene discussie smoren.

Burl, bɐ̂l, subst. nop, knoop (in laken of draad); Burl verb. de noppen uithalen; Burler = lakennopper.

Burlap, bɐ̂ləp, grof weefsel van hennep of jute.

Burlesque, bəlesk, koddig, kluchtig; subst. klucht, pots, satire, travestie; Burlesque verb. belachelijk maken (voorstellen).

Burletta, bəletə, opéra comique, vaudeville, muzikale scherts.

Burly, bɐ̂li, groot, zwaar, dik, stoer.

Burma(h), bɐ̂ma, Birmah; Burman = Birmaan; Burmese, bɐ̂mîz, bɐ̂mîs, Birmaan(sch).

Burn, bɐ̂n, subst. brandwond, litteeken; beek; Burn verb. branden, verbranden, uitbranden (van eene wond), bakken, heet maken (zijn), gloeien, vonkelen: To burn alive; Money burns (a hole) in his pocket = het geld brandt hem in zijn zak; He has money to burn = zit tot over de ooren in het geld; To burn a bawbee (= halfpenny) candle seekin’ a farthin’ = de gierigheid bedriegt de wijsheid; goed geld naar kwaad geld smijten; To burn one’s boats = zijn schepen achter zich verbranden; To burn the candle at both ends = zijn krachten of middelen verspillen; To burn one’s fingers (ook fig.); To burn away = op(af)branden; To burn down = afbranden; To burn out = uitbranden; To burn oneself out = zijn “boel” in brand steken; To burn out of house and home = (door brand) van huis en hof verdrijven; Burnt-out people = de menschen, die bij brand alles verloren hebben; To burn to ashes (to death); Burnable = brandbaar; Burner = brander; Burning-glass; Burning-mirror; Burning question = brandend vraagstuk; Burning scent = versch spoor (jacht); Burning shame; Burning, subst. = hitte, gloed.

Burnet(t), bɐ̂nət: Garden burnet = pimpernel.

Burnet(t)ize, bɐ̂nətaiz, behandelen met Burnett’s liquid (zinkchloride).

Burnish, bɐ̂niš, polijsten, bruineeren, gladmaken; Burnisher, polijster, polijststaal.

Burnoose, Burnous, bɐ̂nûs, bɐ̂nûs, bɐ̂nûz, burn(o)us, boernoes.

Burnt, bɐ̂nt, brandde, gebrand; opgewonden; beetgenomen (Amer.): A burnt child dreads the fire = een ezel stoot zich geen tweemaal aan denzelfden steen; Burnt-ear = roest (plantenziekte); Burnt-offering, Burnt-sacrifice = offerande, brandoffer.

Burr, bɐ̂, subst. Zie Bur; ruwe kant (van metaal); ruimijzer; molensteen, wetsteen; (Northumbrian burr) keel-r; Burr verb. met keel-r spreken; Burr-pump = scheepspomp.

Burrow, bɐrou, subst. hol; Burrow verb. een hol graven, indringen, zich ingraven.

Bursar, bɐ̂sə, penningmeester (v. een college); beneficiant (van een leen); Bursary = kas (van corporatie of klooster), leen, studiebeurs (Schotl.).

Burse, bɐ̂s, studiebeurs (Schotl.).

Burst, bɐ̂st, subst. breuk, scheur, uitbarsting, snelle rit, fuif; Burst verb. barsten, openvliegen(gaan, springen), uitbarsten, uitvallen, inbreken: This place is a burst of roses = ’t is al rozen wat men hier ziet; With a burst = plotseling; They burst the door = liepen in; With these words he burst away, forth, from = snelde hij heen, rukte hij zich los van; He burst into tears = in tranen uit; To burst on = zich storten op; To burst with laughing (laughter), anger = van lachen, toorn, barsten.

Burthen, bɐ̂dh’n. Zie Burden.

Burton, bɐ̂t’n, takel, talie.

Bury, beri, begraven, bedekken, bergen, vergeten en vergeven: To bury the hatchet = eig. de strijdbijl begraven, vrede sluiten; Burying-beetle = doodgraver (kever); Burying ground (Burying place).

Bus(s), bɐs, omnibus (Meerv. Busses); ook verb: We have bussed it.

Busby, bɐzbi, kolbak.

Bush, buš, subst. struik, kreupelbosch, tak klimop (vóór eene herberg als uithangbord), oerwoud (Amer. en Austral.), vossestaart, ijzeren ring, naafbus; Bush verb. met rijsjes of takjes steunen, van een naafbus voorzien, ruig groeien: Good wine needs no bush = geen krans; To beat about the bush = er omheendraaien, niet royaal op ’t doel afgaan; To beat the bush = het struikgewas kloppend doorzoeken; Bush fighting = guerilla; Bushman = boschjesman (Z. Afr.), kolonist, bijv. in Australië; Bush-ranger = woudlooper; een ontsnapte, van roof in bosschen levende galeiboef (Australië); Bush-whacker = Backwoodsman; pummel; soort zeis; Bushiness = ruigheid; Bushy = ruig, behaard.

Bushel, buš’l, schepel (8 gallons); een hoop: He measures other people’s corn by his own bushel = zooals de waard is vertrouwt hij zijn gasten; To hide one’s light under a bushel = zijn licht onder een korenmaat zetten; Bushelage = belasting op artikelen bij het schepel verkocht.

Business, bizinəs, subst. bezigheid, bedrijf, beroep, zaken, plicht: That is not your business, no business of yours = dat gaat u niet aan; What business have you to be here? = wat hebt gij hier te maken? That is not my line of business = branche; A man of business = handelsman; Business before pleasure = zaken gaan voor vermaken; That has done the business for him = dat heeft hem den knoei gegeven; He has got an eye to business = is een practische vent; Business is business = zaken zijn zaken; No business done after 4 o’clock = na 4 uur gesloten; I will make it my business to please you = ik zal er voor zorgen ...; I mean business = meen het in ernst; Mind your own business = bemoei je met je eigen zaken; A business concern = handelszaak; Business relations = handelsbetrekkingen; Chief business street = voornaamste winkelstraat; Businesslike = practisch.

Busk, bɐsk, subst. balein.

Buskin, bɐskin, halve laars, cothurn, tragedie; Buskined = tragisch, hoogdravend.

Buss, bɐs, subst. zoen; haringbuis (ook: Herring-buss); Buss verb. smokken.

Bust, bɐst, borstbeeld, borst.

Bustard, bɐstəd, trapgans.

Buster, bɐstə, iets kolossaals; een groote opsnijderij (leugen); fuif; hevige wind (Amer.)

Bustle, bɐs’l, subst. drukte, beweging, rumoer; tournure; Bustle verb. veel drukte of beweging maken, bedrijvig zijn; Bustler = druk, ijverig man.

Busy, bizi, adj. drukbezig, naarstig, rusteloos, bemoeiziek; Busy verb. bezig houden, aan het werk zetten (zijn): Busy at work, Busy doing it; He is a Busybody, a busy-brain = bemoeial, plannenmaker.

But, bɐt, behalve, slechts, tenzij: All came back but he (him) = behalve; Away went Gilpin, who but he? = wie anders dan hij? It cannot be but you must have seen him = het kan niet anders, of; Have you got anything? Yes, but I have = nu, of ik; “You know nothing about it.” But I do = dat doe ik wèl; But for you I should be dead = zonder u; Not but what (of that) he is a good fellow = niet, dat hij niet is; But then = maar daar staat tegenover, dat; But now = zooeven; I saw him but yesterday = gister nog (pas); All but one = alle op één na.

But, bɐt: But-and-ben = voor- en achterkamer in een huisje met twee vertrekken.

Butcher, butšə, subst. slager; moordenaar, wreedaard; Butcher verb. slachten, wreedaardig vermoorden; Butcher-bird = wurger (vogel); Butcherr’s-broom = muisdoorn; Butchery = slagersvak, slagerij, wreede moord of slachting.

Butler, bɐtlə, bottelier (hoofd der mannelijke bedienden); Butlery = wijnkelder, provisiekamer.

Butment, bɐtm’nt. Zie Abutment.

Butt, bɐt, subst. stoot, dik uiteinde, kolf, eindpunt, grens, mikpunt, schijf, schuttersdoelen, soort bot, achterste, kruis, zoolleer; groot vat (± 476 L. wijn ± 443 L. bier); kussen; Butt verb. met den kop stooten, wegduwen, aankomen tegen: He ran butt into it = pardoes, plompverloren; This path butts down upon the main road = loopt uit op; Butt-end = kolf, hoofdzaak.

Butter, bɐtə, subst. boter; Butter verb. met boter besmeren, honig om den mond smeren (fig.); boteren: Melted butter = botersaus; Oiled butter = gesmolten boter; He looks as if butter would not melt in his mouth = alsof hij geen tien kan tellen, erg zoetsappig; Butter on bacon = zuivel op zuivel, overdaad; Butter-boat = sauskom; Butter-cup, (Butter-flower) = boterbloempje; Butter-cooler; Butter-dish = botervlootje; Butter-fingered = onhandig (van iemand die alles laat vallen); Butterfly = kapel of vlinder (ook fig.); gaffel waarover de teugels loopen bij een hansom: A butterfly kiss = vluchtige zoen; Buttermilk = karnemelk; Butter-mould = Butter-print = botervormstempel; Butter-scotch = soort v. kokinje; Butter-trier = boterboor; Butterine, bɐtərîn, bɐtərin, margarine; Buttery, subst. provisiekamer of -kast; ververschingslokaal (voor E. studenten in de colleges); adj. boterachtig, week.

Butteris, bɐtəris, mes (v. een hoefsmid).

Buttock, bɐtək, achterste (gew. meerv.), bilstuk, gat (van het schip).

Button, bàt’n, subst. knop, oog, balletje, knoop, wervel; Button verb. van knoopen voorzien, vastknoopen: It is not worth a button = het is geen cent waard; Buttons = piccolo: He has a soul above buttons = hij is boven kleinigheden verheven; To button-hole = aanklampen: Button-hole, subst. knoopsgat, bouquetje of roosje in het knoopsgat (= Button-holer); Button-hole verb. knoopsgaten maken, aanklampen, zich laten knoopen; Button-hook = knoopenhaakje; Button-nail = spijker met ronden kop; Button-tree = Conocarpus; Button-ware = garen en band.

Buttress, bɐtrəs, subst. beer (metselwerk); Buttress verb. steunen (gew. met up).

Butty, bɐti, subst. kameraad, maat; Butty-collier = hoofd van de Butty-gang = een groep mijnwerkers arbeidend volgens het Butty-system = stelsel, volgens hetwelk het loon voor een aangenomen werk onder de arbeiders wordt verdeeld.

Buxom, bɐks’m, ferm, stevig, mollig; levendig, dartel: Buxomness.

Buy, bai, koopen, omkoopen: To buy dear = duur betalen (fig.); To buy at = bij; To buy back = terugkoopen; Buy from, of = van; Buy for, with = voor; To buy in = in(op)koopen, terugkoopen; To buy off = afkoopen, vrijkoopen, omkoopen; To buy out = uitkoopen; To buy over = omkoopen; To buy up = opkoopen; I have bought the refusal of that house = ik kan (tot zekeren tijd) dat huis voor een bepaalde som krijgen; Buyable = koopbaar; Buyer = kooper.

Buzz, bɐz, subst. gegons, gefluister, gerucht, gril; kortharige pruik, aanstellerig mensch; Buzz verb. gonzen, fluisteren, in ’t geheim rond vertellen; interj. stil! Buzz-saw = cirkelzaag; Buzzer = gonzend insect.

Buzzard, bɐzed, subst. buizerd; domkop.

By, bai, bij, nabij, door, volgens, naar evenredigheid van, gedurende, tegen, etc.: By all (any) means = toch vooral (By no means = vooral niet); By chance = bij toeval; By degrees = trapsgewijze; By far = verreweg; To get (to know) by heart = van buiten leeren (kennen); By our lady(kin) = bij de H. maagd; By little and little = langzamerhand; By the name of = genaamd; Passengers by the ‘Nederland’ = met; By nine o’clock = tegen; By reason (virtue) of = krachtens; By the run = alles te zamen; By the side of = vergeleken bij; Older by ten years = tien jaar ouder; By this time = tegen; It is seven by my watch = volgens, op; He said it by way of excuse = bij wijze van; I went to Italy by way of France = over Fr.; By the way = in ’t voorbijgaan, à propos; By word of mouth = mondeling; Day by day = dag aan dag; One by one = één voor één; By the by(e) = à propos; To be by oneself = alleen; I do not know how he came by all that money = kwam aan; When thieves fall out, honest men come by their own = als dieven ruzie krijgen, komen de eerlijke menschen aan wat hun toekomt; Do by others as you wish to be done by = behandel anderen, zooals; He has two children by her; I live by my trade = van mijn beroep, ambacht; To set great store by = op hoogen prijs stellen; To take example by = nemen aan: To travel by rail, sea, land, water, etc. (Maar in a carriage, vessel, steamer); By-bidder = opjager (bij verkoopingen); By-blow = buitenbeentje, onecht kind; By-book = kladboek; By-business = bijzaakje; By-corner = sluip- of schuilhoek; By-election = tusschentijdsche verkiezing; By-end (By-purpose, By-view) = nevenbedoeling; Bygone = voorbijgegaan: In the bygone = in verloopen jaren; Let bygones be bygones = laten we het gebeurde vergeten; By-interest = eigenbelang, persoonlijk belang; By-lane = zijlaan; By-law (plaatselijke) verordening; By-name = scheld- of spotnaam; By-part = bijrol; By-passage = zijgang; By-path = zijpad; By-place = achterhoek, schuilhoek; By-play = stil spel; gebaren; By-product = nevenproduct; By-road (By-way) = zijweg, geheime weg; Bystander = toeschouwer; By-street = zijstraat, achterafstraat; By-word = spreekwoord, bijnaam, mikpunt.

Byard, baiəd, borstriem (van een mijnwerker), om karren voort te trekken.

Bye, bai, sportterm met allerlei beteekenissen; vaarwel (= good-bye = Bye-bye); To go bye-bye = slapen gaan.

Byre, baiə, koestal.

Bysshe, biš.

Byssus, bisəs, linnen, katoenen of zijden stof van buitengewoon fijn weefsel (bij de Ouden); de vezelen, waarmede schelpdieren zich aan rotsen klampen; bosje of kuif.

Byzantian, bizanš’n, Byzantijn(sch); Byzantine, bizantain, bizəntain; Byzantium.

C.

C, sî, A.C. = Ante Christum = vóór Christus; C natural = C; C. flat = C-mol; C. sharp = C-dur; C = 100; C. B. = Companion of the Bath = ridder van de Bath-orde; CC = 200; Cf. = confer = vergelijk; Camb(ridge); Cantab = student van Cambridge University; Cant(erbury); C(are) O(f) = per adres (op brieven); Cath(olic); Celt(ic); C(ommissionary) G(eneral); Chap(ter); Chas. = Charles; Chem(istry); C(ost), I(nsurance), F(reight) = kosten, assurantie en vracht inbegrepen (uitspr.: Sif); C(ity) I(mperial) V(olunteer); C(ash) O(n) D(elivery) = tegen rembours; Colloq(uial); Comp(arative); Conn(ecticut); Corr(esponding) Mem(ber); Cor(responding) Sec(retary); C(ertificated) T(eacher); C(yclist) T(ouring) C(lub); C(ome) Q(uick) D(anger) = een Marconisein voor schepen; Cwt = a hundredweight; Cyc(lopaedia).

Caaba, kâ-a-ba, kaäba, de zwarte heilige steen in Mahomed’s moskee te Mekka. Ook het tempeltje zelf.

Cab, kab, soort rijtuig, bril = overdekte plaats voor den machinist op de locomotief; Cab verb. in een cab rijden: We have cabbed it; Cabman, kabm’n, koetsier; Cab-stand = standplaats voor Cabs; Cabby = Cabman.

Cabal, kəbal, subst. cabaal, samenspanning, politieke intrigue; Cabal verb. samenspannen; Caballer = intrigant.

Cab(b)ala, kabəla, geheime wetenschap, aan Mozes geopenbaard en den Rabbis overgeleverd, ter verklaring van de Schrift; mystiek; Cabalist, kabəlist, Rabbi, bedreven in de Cabala; mysticus; Cabalistic(al) = mystiek.

Caballine, kabəl(a)in, paarde(n) - - -: Caballine spring = hengstebron = Hippocrene.

Cabaret, kabəret of Fr. uitspr. kroeg.

Cabas, kaba, kabas, reismandje.

Cabbage, kabidž, subst. kool, koolkop; de stof, die bij kleermakers door de naald gaat; Cabbage verb. een kop vormen bij ’t groeien; zich stukjes goed toeëigenen; Cabbage-butterfly = koolwitje (de Cabbage-worm is er de larve van); Cabbage-headed = dom; Cabbage-lettuce = kropsla; Cabbage-tree = koolpalm.

Cabin, kabin, subst. kamertje, hut, kajuit: Cabin verb. opsluiten of wonen in eene cabin; Cabined, cribb’d, confined = achter slot en grendel; Cabin-boy.

Cabinet, kabinet, kabinet (in allerlei beteekenissen); photo in kabinetformaat: Cabinet council = Meeting of the C., ministerraad; Cabinet-maker = kabinetwerker; Cabinet-picture = kabinetstuk.

Cable, keib’l, subst. kabeltouw, ankerketting, telegraafkabel, kabelbericht; Cable verb. met een kabel vastmaken; kabelen: A cable’s length = 185,5 M.; To pay out a cable = een tros vieren; A cable (message) = een kabelbericht = Cablegram; Cable-laid = als een kabel gedraaid; Cable-(rail)road, Cable-railway = kabelspoor; Cable-room = Cable-tier, keib’ltîə, kabelgat; Cablet = kleine kabel.

Caboodle, kəbûd’l, rommelzoo (Amer.).

Caboose, kəbûs, kombuis; veldkeuken; een aan een goederentrein aangebrachte wagen voor beambten en arbeiders; een woning (Amer.).

Cabriolet, kabriəlei, cabriolet.

Cacao, kəkeiou, kakâou, cacaoboom; Cacao-butter = cacaoboter.

Cachalot, katšelot, potvisch.

Cache, kaš, geheime bewaarplaats; Cache verb. verbergen.

Cachet, kašei, zegel.

Cachinnation, kakineiš’n, luid, aanhoudend gelach; Cachinnatory = luid lachend.

Cacholong, katšoloŋ, cacholong.

Cachou, kəšû, cachou, cachoupil voor rookers.

Cackle, kak’l, subst. gekwaak, gekakel, gewauwel; Cackle verb. kwaken, wauwelen, giechelen; Cackler = snaterende gans, kakelende kip; wauwelaar.

Cacography, kəkogrəfi, cacographie.

Cacology, kəkolədži, slechte uitspraak.

Cacophony, kəkofəni, cacophonie.

Cactaceous, kakteišəs, cactusachtig; Cactal, kakt’l, cactus - -; Cactus, kaktəs, cactus.

Cad, kad, poen, ploert; Caddish, ploertig.

Cadastral, kədastr’l, kadastraal; Cadastre, kədastə, kadaster.

Cadaver, kədeivə, kədavə, lijk; Cadaverous, lijkachtig, lijkbleek, lijk - - -; subst. Cadaverousness = lijkachtigheid, etc.

Caddice, Caddis, kadis, soort pluksel; ook = Caddice-bait (Caddice-worm) = larve van de Caddice-fly = watermot.

Caddie, kadi, drager der kolven (golfspel).

Caddy, kadi, theebus.

Cade, keid, subst. vat haring (500 stuks), vat sprot (1000 stuks); ooilam, verwend kindje; adj. tam; Cade verb. met de hand groot brengen.

Cadence, keid’ns, Cadency, keid’nsi, cadans, rythme = Cadenza, kədenzə.

Cadet, kədet, jongere of jongste zoon; kadet.

Cadge, kadž, venten, bedelen; Cadger = venter; smulpaap.

Cadgy, kadži, lustig, dartel, lichtzinnig.

Cadi, kâdi, keidi, Kadi.

Cadiz, keidiz, Cadix.

Cadmean, kadmîən, van Cadmus, Thebaansch; Cadmus, kadməs.

Cadogan, kədoug’n.

Cadre, kadə, kader.

Caduceus, kədjûsiəs, staf van Mercurius.

Caducous, kədjûkəs, vroeg (ontijdig) vallend, broos.

Caecum, sîk’m, blinde darm.

Caedmon, kadm’n.

Caesar, sîzə, Caesar, keizer, autocraat; Caesarian, sizêrj’n: Caesarian operation = keizersnede; Caesarism, sîzərizm, absolute regeering.

Caesura, sizjûrə, caesuur; Caesural = caesuur - -.

Caffeic, kəfîik, kafəik: Caffeic acid = koffielooizuur; Caffein, kəfîin, kafiin, kafiain, caffeïne.

Caffer, Caffre, kafə, kaffer; kafir; Caffraria, kəfrêriə, het Kafferland.

Cage, keidž, subst. kooi; gevangenis, ijzergaas net (= Wire cage, om een gasbrander), liftkooi; Cage verb. in eene kooi sluiten; Cage of a stair-case = trappenhuis; Cageling = opgesloten vogel.

Cagmag, kagmag, subst. bedorven vleesch, taaie gans; adj. walgelijk, oneetbaar.

Cahoot, kəhût, subst. compagnieschap (Am.); Cahoot verb. handelen in vereeniging: To be in cahoots = onder één deken slapen (fig.).

Caic, kaîk, kaïk.

Caiman, keim’n, kaaiman.

Cain, kein: To raise Cain = den boel op stelten zetten.

Caique = Caic.

Cairn, kêən, kegelvormige steenhoop (als monument of herinneringsteeken).

Cairo, kairou.

Caisson, keis’n, keisûn, caisson.

Caitiff, keitif, subst. schurk; adj. laag, gemeen.

Caius, keiəs.

Cajuput, kadžəput, kajapoetolie (-boom).

Cajole, kədžoul, bevleien, aftroggelen (out of); Cajoler, vleier; Cajolery, vleierij.

Cake, keik, koek, gebak; suffer; Cake verb. tot een koek vormen, zich zetten tot een koek: My cake is dough = ’t is mis; There’d be no more cakes and ale = geen pret, vroolijkheid; They are cakes and ale to him = zijn een feest voor hem; They go off like hot cakes = zij gaan als koek, grif van de hand; You cannot eat your cake and have it = je kunt je geld maar eens uitgeven; Cake-walk = oorspronkelijk een danswedstrijd tusschen fraai uitgedoste negerparen met een cake als prijs; Caky = koekachtig.

Calabar, kaləbə, soort pelswerk.

Calabar-bean, kaləbâbîn, Afrikaansche boon (ook toetsboon genoemd, omdat zij als toets diende van de schuld of onschuld van de van hekserij aangeklaagden).

Calabash, kaləbaš, pompoen, kalebas.

Calaboos, kaləbûs, kaləbûz, gevangenis (Amer.), Calaboos verb. opsluiten.

Calabria, kəleibriə, kalâbriə, Calabrië.

Calais, kalis.

Calamanco, kaləmaŋkou, kalmink.

Calamint, kaləmint, kalament, kattenkruid.

Calamitous, kəlamitɐs, rampspoedig; Calamity, kəlamiti, ramp, ellende, tegenspoed.

Calamus, kaləmɐs, kalmus; herdersfluit.

Calandra, kəlandrə, kalander-leeuwerik; korenworm.

Calash, kəlaš, calèche; kap.

Calcar, kalkâ, fritoven; calcineeroven; Calcareous, kalkêriəs, kalkachtig, kalkhoudend: Calcareous spar = kalkspaath.

Calcedon, kalsidon, calcidoon, vuile ader in edelgesteenten.

Calcic, kalsik: Calcic-chloride = chloorcalcium; Calciferous, kalkhoudend; Calcify, kalsifai, verkalken; Calcimine = stukadoorskalk; Calcimine verb. witten.

Calcination, kalsineiš’n, calcineeren, oxydatie; Calcine, kalsain, kalsin, calcineeren; tot asch verbranden.

Calcium, kalsiəm, Calcium.

Calcography, kalkogrəfi, (koper)plaatsnijkunst.

Calculable, kalkjuləb’l = berekenbaar; betrouwbaar; Calculate, kalkjuleit, berekenen, rekenen, ramen, begrooten, geschikt zijn, zich leenen tot; zich voornemen, vermoeden (Amer.): A calculating boy = een rekengenie; Calculating-machine; Calculation = berekening; Calculative = berekenend; A lightning calculator = snelrekenaar.

Calculous, kalkjulɐs, steen...

Calculus, kalkjulɐs, (mv. Calculi), steen, graveel; berekening: The calculus of probabilities = kansrekening; Algebraical calculus = algebra; Differential calculus = differentiaal-rekening; Integral calculus = integraal-rekening; Literal calculus = algebra.

Ca(u)ldron, kôldr’n, groote ketel.

Caleb, keiləb.

Calecannon, keilkan’n, Iersch gerecht (gestampte aardappelen en moesgroente).

Caleche, kəleš = Calash.

Caledonia, kalədounjə, Schotland; Caledonian = Schot(sch); Caledonians = een soort quadrille.

Calefacient, kalifeišn’t, adj. en subst. verwarmend (middel); Calefaction, kalifakš’n, verwarming; Calefactor = klein kookfornuis; Calefactory = verwarmend.

Calembourg, kal’mbûə of Fr. uitspr. woordspeling.

Calendar, kal’ndə, subst. kalender, register, rol; Calendar verb. registreeren: Perpetual calendar, Tear-off calendar; Turn-over calendar; Calendar-month = zonnemaand.

Calender, kal’ndə, subst. kalander; Calender verb. kalanderen; Calenderer.

Calends, kal’ndz, eerste dag van iedere maand bij de Romeinen: At (on) the Greek calends = nooit.

Calendula, kəlendjulə, goudsbloem.

Calenture, kal’ntjulə, ijlende koorts (door de hitte in tropische gewesten).

Calf, kâf, (Meerv. Calves, kâvs), kalf (ook fig.), kalfsleer; kuit: To kill the fatted calf; Calf-love = kalverliefde; Calf-skin = kalfsvel (leer).

Calhoun, kalhûn.

Caliban, kaliban, verdierlijkt wezen, wildeman.

Caliber, Calibre, kalibə, kəlîbə, kaliber; gesteldheid, waarde; bevattingsvermogen: Caliber-compasses. Zie Callipers; Calibrate = kalibreeren; van graadstrepen voorzien; subst. Calibration.

Caliciform, kalisiföm, kelkvormig.

Calico, kalikou, calicot (in Amerika bedrukt katoen); Calico-ball = bal, waarop de dames katoenen japonnen dragen.

California, kaliföniə; Californian = Californiër, Californisch.

Caligo, kəlaigou, vlek op het hoornvlies.

Calipash, kalipaš, kalipaš, groenachtig vleesch van een schildpad aan de rugzijde; Calipee, kalipî, kalipî, geelachtig vleesch van een schildpad aan het buikschild.

Caliph, kalif, keilif, kalif; Caliphate, kalifeit, keilifeit, kalifaat.

Calisthenics, kalistheniks, vrije- en orde(n)-oefeningen (vooral voor meisjes).

Calix, kaliks, keiliks = Calyx.

Calk, kôk, subst. ijsspoor, scherpe kalkoen, ijsnagel; Calk verb. van ijssporen voorzien, op scherp zetten, calqueeren (kalkeeren), breeuwen; Calkin = ijsspoor, etc.; Calking-iron = breeuwmes, kalefaatijzer.

Call, kôl, subst. roep, oproeping, aanmaning, roepstem, beroep, smeeking, roeping, aanleiding, vraag, uitnoodiging, ‘invite’ bij kaartspel, kort bezoek, appèl, stoot op een jagershoorn, bootsmansfluitje, lokstem(-fluit); Call verb. noemen, rekenen, oproepen, uitroepen, bijeenroepen, aanstellen, inroepen, toeroepen, luide roepen, bezoeken, manen, opvorderen: At call = ter beschikking; He is at my beck and call = hij staat klaar voor mij; To be within call = te beroepen; To accept (to get, receive) a call = een (predikants) beroep; To get the call = opgeroepen worden (brandweer); To give a call = bezoeken (Verg.: To return a call); You had no call to say such a thing = gij waart niet geroepen, het was niet aan u; It seems such a far call = zoo’n groote sprong (fig.); A call of the House = het oplezen van de presentielijst (Parlement); Call of obligation (Duty call) = verplichte visite; The headmaster called absence = hield appèl; To call to account = ter verantwoording; To call to the Bar = toelaten als Barrister; To call over the coals = een uitbrander geven; To call to memory (mind, remembrance) = herinneren; To call names = uitschelden; To call to naught = voor alles uitmaken; To call the roll = appèl houden. Met voorzetsels en bijwoorden: To call after = achterna roepen, noemen naar; To call again = weer roepen, terugkomen; To call at = een bezoek brengen; aandoen; To call for = roepen om, vragen naar, afhalen; To be left till called for = zal afgehaald worden; poste restante; This called forth all his strength of mind = deed hem toonen; To call in = binnenroepen, opvragen; To call in question = in twijfel trekken; To call off = terugroepen, intrekken, nietig verklaren: He was called off by Death = weggenomen, opgeroepen; To call on (a person; at a house) = bezoeken; He called on (upon) the honour of his country = deed een beroep op; To call out = roepen, schreeuwen; uitdagen, oproepen (doen uitrukken) van troepen; To call over = appèl houden, aflezen; To call round = eens aanloopen; To call up = oproepen, wekken; Call-bird = lokvogel; Call-boy = jongen, die de acteurs op hun tijd op het tooneel roept; jongen op een stoomboot, die den machinisten bevelen overbrengt; Call-dinner = diner op Call-night, den promotie avond der Barristers; Call-office = spreekcel; A called assembly = buitengewone vergadering; Caller = bezoeker; Caller-up, kôlərɐp, morgenwekker, porder; Calling = beroep, roeping; Calling-place = plaats door stoombooten aangedaan.

Calligrapher, kəligrəfə, calligraaf; Calligraphic = calligraphisch; Calligraphy = schoonschrijfkunst, schoonschrift.

Calliope, kəlaioupî, Calliope.

Callipers, kalipəz: Callipers compasses, kɐmpəsiz, krom-(mast) passer.

Callisthenics, kalis-theniks = Calisthenics.

Callosity, kəlositi, verharding, eelt; ongevoeligheid; Callous, kaləs, verhard, vereelt; ongevoelig Callousness = verhardheid, etc.

Callow, kalou, kaal; jong, onervaren.

Calm, kâm; subst. kalmte, windstilte; adj. kalm, rustig, gelaten; Calm verb. stillen, doen bedaren, stil worden: The wind fell a dead calm = het werd bladstil; Calms = streek der windstilten; We shall try to calm him down a little = wat te kalmeeren; Calmative, kâmətiv, kalmətiv, kalmeerend (middel); Calmness = kalmte.

Calmucks, kalmuks, (de) Kalmukken.

Calne, kân.

Calomel, kaləməl, calomel.

Calorescence, kaləres’ns, overgang van niet-lichtgevende tot lichtgevende warmtestralen.

Caloric, kalorik, adj. warmte - - -: Caloric engine = heete-luchtmachine; subst. warmte; Caloriduct = warmtebuis; Calorifere, kəlorifîə, calorifère; Calorific, kalərifik: Calorific rays = warmtestralen; Calorimeter, kalərimətə = calorimeter; Calorimetric = calometrisch; Calory = calorie.

Calotte, kəlot, kalotje, kuif.

Caltrop, kaltrəp, voetangel (Caltrops = glasof potscherven); sterredistel.

Calumet, kaljumet, vredespijp.

Calumniate, kəlɐmnieit, belasteren; Calumniation = belastering; Calumniator = lasteraar; Calumniatory = lasterlijk = Calumnious; Calumny = laster.

Calvary, kalvəri, calvarieberg, kruisweg (of statie).

Calve, kâv, kalven, jongen voortbrengen.

Calville, kalvil, kalvil, kalvijnappel.

Calvinism, kalvinizm, calvinisme; Calvinist = calvinist; Calvinistic(al) = calvinistisch.

Calx, kalks, oxyde, glasafval.

Calyx, keiliks, kaliks, bloemkelk.

Cam, kam, subst. duim, lichter, kam: Cam-wheel = excentriek.

Camaieu, kamaijû, camee = Cameo.

Camarilla, kamərilə, camarilla.

Camber, kambə, subst. kromming, ronding; Camber verb. krommen.

Cambist, kambist, wisselaar, wisselhandelaar.

Cambium, kambj’m, cambium.

Cambray, kambrei, Kamerijk; Cambria, kambriə, Cambrië, Wales: Cambrian = Cambrisch; Cambriër.

Cambric, keimbrik, batist; (batisten) zakdoek: Cambric-paper = satijnpapier.

Cambridge, keimbridž.

Camden, kamd’n: Camden Town = wijk in het N.W. van Londen.

Came, keim, imperf. van to come.

Camel, kam’l, kameel, scheepskameel: Camel-backed = bochelig; Cameleer = kameeldrijver; Camelry = infanterie op kameelen.

Cameleon, Z. Chameleon.

Camellia, kəmeliə, camelia.

Camelopard, kəmeləpâd, kamələpâd = giraffe.

Cameo, kamiou, camee.

Camera, kamərə, camera, kamer.

Camerated, kaməreitid, gewelfd, in kamers afgedeeld.

Cameronian, kamərounj’n, volgeling van R. Cameron. Schot. Presbyt: Cameronian regiment = 1ste bataljon Schotsche jagers.

Cameroons, kamərunz: The Cameroons = Kamerun.

Camisole, kamisoul, kamizool.

Camlet, kamlət, kamelot.

Camomile. Zie Chamomile.

Camp, kamp, subst. kamp; kuil vol rapen (aardappels); wintervoorraad van aardappelen, etc.; Camp verb. kampeeren; onder den blooten hemel verblijven (out); To strike camp = een kamp opbreken; Camp-bed(stead) = veldbed; Camp-chair = vouwstoel met leuning; Camp-fire = kampvuur; officierenfuif (Amer.); Camp-follower = marketentster; Camp-meeting = zendingsfeest (Amer.) Camp-stool = vouwstoel.

Campaign, k’mpein, subst. veldtocht; vlakte; Campaign verb. een veldtocht medemaken; Campaigner = veteraan.

Campana, kampeinə, keukenkruid.

Campaniform, k’mpaniföm; Campanulate(d), Campanulous = klokvormig.

Campanile, kampən(a)il, klokketoren.

Campanula, k’mpanjulə, klokje.

Campbell, kamb’l.

Campeachy(wood), k’mpîtši, Campèche.

Camperdown, kampədaun.

Camphene, Camphine, kamfîn, kamfin, zuivere terpentijnolie.

Camphor, kamfə, kamfer; Camphoraceous = kamferachtig; Camphorated, met kamfer doortrokken, kamfer - -; Camphoric = kamfer - -.

Campvere, kampvîə, Veere.

Can, kan, subst. kan, kroes, kap, blik (Amer.); Can verb. vleesch (vruchten) in blikjes conserveeren: They are cup and can = koek en ei; Canned meat = vleesch in blikjes; Canner = inmaker; Cannery = fabriek v. inmaking.

Can, kan, kunnen: It is cheap as can = zoo goedkoop mogelijk; Can do is easily carried = lichter gezegd dan gedaan.

Canaan, keinən, keinəan, Kanaän; Canaanite, keinənait, Kanaäniet; Canaanitic, keinənaitik, Canaanitish, keinənaitiš, Kanaänitisch.

Canada, kanəda; Canadian, kəneidj’n, Canadisch; Canadees.

Canaille, keneil, kanalje, gepeupel.

Canal, kənal, kanaal: Canal boat = trekschuit; Canalization = kanalisatie; Canalize, kanəlaiz, kənalaiz, kanaliseeren.

Canard, kənâ(d), canard.

Canary, kənêri, kanarie; kanarie sek; oude dans; The Canaries = de Kanarische Eilanden.

Canaster, kənastə, rieten mat.

Cancan, kankan, wulpsche Fransche dans.

Cancel, kans’l, subst. strepen halen door; vernietigen, intrekken, buiten omloop stellen; Cancellate(d) = getralied, netvormig; Cancellation = intrekking, annuleering; netvormigheid.

Cancer, kansə, kreeft, kanker: The Tropic of Cancer = Kreeftskeerkring; To die of a cancer; She had the cancer cut out of her breast = werd geopereerd van; Cancerate = verkankeren; Canceration = verkankering; Cancerous = kankerachtig = Cancroid.

Cancriform, kankriföm, kankerachtig; kreeft (krab)vormig = Cancrine.

Candelabrum, kandəleibr’m, kroonluchter.

Candia, kandjə, Candia; Candian = Candioot.

Candid, kandid, eerlijk, vrijmoedig, oprecht; Candidness = eerlijkheid, etc.

Candidate, kandideit, candidaat, sollicitant; Candidacy, Candidateship, Candidature = candidatuur.

Candied, kandid, geconfijt, geglaceerd; vleierig.

Candle, kand’l, kaars, licht, normaalkaars: When candles are out all cats are grey = bij nacht zijn alle katten grauw; He went off like the snuff of a candle = hij ging uit als een nachtkaars; He cannot (is not fit to) hold a candle to you = hij kan niet in uw schaduw staan; To hold a candle to the devil = een kaars voor den duivel opsteken (steunen wat verkeerd is); The game is not worth the candle = de sop is de kool niet waard; For this we owe the author a candle = mogen wij den schrijver wel dankbaar zijn; Candleberry = croton, laurierbes; Candle-box = kaarsenbak; Candle-end economies = kleine bezuinigingen; Candle-light = kaarslicht (ook fig.): She is a candle-light beauty = schoon bij de kaars; Candle-lighter = soort fidibus; Candlemas = Maria Lichtmis (2 Februari); Candle-snuffer = snuiter; Candle-stick = kandelaar; Candle-waster = dief (aan de kaars); Candle-wick = kaarsepit.

Candour, kandə, oprechtheid, eerlijkheid.

Candy, kandi, subst. kandij, suikergoed; Candy verb. met suiker inleggen; kristalliseeren, konfijten (Candyshop = snoepwinkeltje), (Amer.): He has too much candy = een te lekker leventje.

Cane, kein, subst. riet, suikerriet, bamboes, rottang, rotting; Cane verb. met een riet afranselen (= To give one the cane); met riet matten: Bengal cane = Spaansch riet; A cane-(bottom) chair = stoel met rieten zitting; Cane-mill = suikerrietmolen; Cane-trash = afval van suikerriet.

Canella, kənelə, kaneel(plant).

Canicula, kənikjulə, hondsster; Canicular Days = hondsdagen; Caniculars = kreupelrijm.

Canine, kənain, kanain, honds...; hond: Canine appetite = hondshonger; Canine laugh = hondskramp; Canine madness = hondsdolheid; Canine teeth = oogtanden.

Canister, kanistə, bus, kartets (= Canister-shot); Canister verb. in een bus doen; een hond een blikken ketel aan zijn staart hangen.

Canker, kankə, subst. kanker, brand, roest, gifzwam, knagende worm (fig.), woekerende ziekte; Canker verb. kankeren, aansteken, knagen aan, wegvreten; Canker-rash = roodvonk (met zwerende keel); Canker-rose = klaproos; Canker-weed = kruiskruid; Canker-worm = blad- of vruchtenrups (Am.); Cankered = door kanker aangetast; giftig, bedorven, knorrig; Cankerous = verkankerend, brandig.

Cannabine, kanəb(a)in, Cannabis, kanəbis, hennep; harsachtige stof uit hennep getrokken.

Cannel-coal, kan’lkoul, harde harshoudende kool.

Cannequin, kanəkin, wit katoenen stof (Indië).

Cannibal, kanib’l, subst. kannibaal; adj. menschenetend = Cannibalic; Cannibalism.

Cannon, kanən, kanon, geschut; carambole; Cannon-ball; Cannon-foundry = geschutgieterij; Cannon-proof = bomvrij; Cannon-shot = kanonschot(afstand); Cannonade, subst. kanonnade; Cannonade verb. (be)schieten; caramboleeren; Cannoneer = kanonnier; Cannonry = geschut, kanonnade.

Cannula, kanjulə, afvoerbuisje (Med.); Cannular = buisvormig.

Canny, kani, omzichtig, voorzichtig, slim; spaarzaam; rustig, behagelijk; gevaarloos.

Canoe, kənû, boot, kano; Canoe verb. in een kano varen.

Cañon, kanj’n, diepe, steile bergkloof.

Canon, kanən, canon, in zijn verschillende beteekenissen; domheer: Canon law = canonieke wet; Canonic(al), canoniek; Canonicals = priestergewaad; Canonicity = echtheid; Canonize = canoniseeren; Canonry, Canonship = domheerschap.

Canopy, kanəpi, subst. baldakijn, hemel, dak; Canopy verb. met een hemel bedekken: Canopy of heaven = hemelgewelf.

Cant, kant, schuine (gebogen) stelling, stoot, ruk, slag, afwijking; geteem, argot; kwezelarij; auctie (Schotl.); adj. argot- -. volks- -, huichelachtig, opgewekt, flink; Cant verb. op zijde leggen, kanten, werpen, overhellen; teemen, kwezelen, huichelen, koeterwalen; afslaan, verkoopen: Cant-chisel = kantbeitel; Cant-hook = kantelhaak.

Cantab, kantəb, student te Cambridge (verkorting van Cantabrigian).

Cantankerous, k’ntankərɐs, twistziek, norsch, vitterig.

Cantate, kantâtə, cantate.

Canteen, k’ntîn, cantine, veldflesch; menagekorf.

Canter, kantə, subst. korte galop; kwezelaar; afslager; Canter verb. in korten draf of galop zijn of brengen: All was over in a canter = in een oogenblik; He struck a canter = zette zijn paard in korten galop; To win at (in) a canter = gemakkelijk.

Canterbury, kantəberi, kantəbəri, Canterbury; muziekstander: Canterbury bell = klokje; Canterbury gallop (pace) = korte galop, sukkeldrafje; Canterbury Tales = gedicht van G. Chaucer (14e eeuw); vervelend verhaal.

Cantharis, kanthəris (meerv. Cantharides, k’n-tharidîz), Spaansche vlieg.

Canticle, kantik’l, lied, lofzang: The Canticles = het Hooglied.

Cantinière, kantinjêə, zoetelaarster.

Cantle, kant’l, subst. hoek, stuk; achterboog van een zadel; Cantle verb. verdeelen.

Canto, kantou, zang; sopraanstem; Cantor, kantə, voorzanger.

Canton, kant’n, k’nton, subst. kanton, schildhoek; Canton verb. in kantons verdeelen; kantonneeren (= kənton, kəntûn); Cantonal = kantonnaal; Cantonment = kampement (Brit. Ind.); (winter)kwartier.

Cantoon, kantûn, sterke stof (geribd aan de eene zijde, met satijnachtigen achterkant).

Canute, kənjût, Knoet.

Canty, kanti, vroolijk, opgewekt (Schot.).

Canvas, kanvəs, subst. zeildoek, zeilen, grof linnen, kanefas, doek, olieverfschilderij; adj. linnen: Under canvas = onder zeil in tenten; Canvas-back = soort duikereend; Canvas-booth (Canvas-stall) = kraampje; Canvas-map = kaart op linnen.

Canvass, kanvəs, subst. onderzoek, discussie, stemmenwerving; Canvass verb. onderzoeken, bespreken, bezoeken afleggen (om stemmen te werven), bewerken, werven om: Canvasser = stemmenwerver, colporteur.

Cany, keini, vol riet, rieten.

Canzona, kanzouna, kantšouna, canzone; Canzonet = liedje.

Caoutchouc, kûtšuk, kautšuk, caoutchouc.

Cap, kap, subst. pet, muts, baret, hoed, napje, top, deksel, percussiehoedje; bepaald papierformaat; Cap verb. bedekken, eene muts of pet opzetten; van een slaghoedje voorzien; de kroon opzetten (fig.), overtreffen (troeven), de promotiekap opzetten, het hoofd ontblooten, groeten: Cap and bells = zotskap; Cap of a mast = ezelshoofd (scheepst.); Black cap = baret, die de rechter opzet, als hij het doodvonnis uitspreekt; Fur cap = bontmuts, berenmuts; That will be a feather in your cap = een veer op je muts; She set her cap at him = hengelde naar hem; Let him (whom) the cap fits, wear it = wie de schoen past, trekke hem aan; To cap verses = wedijverend verzen opzeggen (waarbij elk(e) vers(regel) met de eerste of laatste letter van het (de) vorige moet beginnen, of er op moet rijmen, of iets dergelijks); Cap-paper = zakkenpapier; soort schrijfpapier; Capful = een beetje: A capful of wind = bui.

Capability, keipəbiliti, bekwaamheid, vermogen; Capable, keipəb’l, bekwaam, bevoegd, in staat, vatbaar; veel omvattend: Capable of pity = vatbaar voor; They are not capable of being harmonized = hooren niet bij elkaar; capableness, bekwaamheid, etc.

Capacious, kəpeišəs, ruim, veelomvattend; Capaciousness = veelomvattendheid; Capacitate, kəpasiteit, bekwaam of bevoegd maken; Capacity, kəpasiti, bekwaamheid, bevoegdheid, capaciteit, inhoud, ruimte, karakter, hoedanigheid.

Cap-à-pie, kapəpî, van top tot teen.

Caparison, kəparis’n, subst. schabrak; Caparison verb. met een schabrak bedekken, prachtig optuigen.

Cape, keip, kaap, kaapsche wijn; pelerine: Cape smoke = een soort sterke drank; Cape Town = Kaapstad.

Caper, keipə, subst. kapperstruik (Capers = kappertjes); kapriool; Caper verb. rondspringen: To cut capers = bokkesprongen maken; That’s the proper caper = dat is je ware (Am.).

Capercailzie, kapəkeilzi, auerhaan (Schotl.).

Capias, keipias, kapias: Writ of Capias = bevel tot inhechtenisneming.

Capillaceous, kapileišəs, harig, haarvormig; Capillarity = capillariteit; Capillary, kapiləri of kəpiləri, capillair; subst. haarbuisje; Capilliform = haarvormig.

Capital, kapit’l, subst. kapiteel, hoofdstad (Court Capital = residentie), hoofdletter, kapitaal; adj. hoogst belangrijk, voornaamst, strafbaar met den dood, uitstekend, flink: To make capital (out) of = munt slaan uit; Capital crime = halsmisdaad; Capital letter = hoofdletter; Capital punishment = doodstraf; Capital stock = bedrijfskapitaal; Capitalist = kapitalist; Capitalization = kapitalisatie; Capitalize = kapitaliseeren.

Capitate, kapitat, kopvormig; Capitation = hoofdelijke belasting (= Capitation-tax): Capitation-fee = tantième voor elken leerling.

Capite, kapitî: Tenure in capite = kroonleen.

Capitol, kapit’l, kapitool; congresgebouw (in Washington); Capitolean, Capitoline = kapitolijnsch.

Capitular, kəpitjulə, kapittel - -; kapittelheer; Capitularies = capitularia.

Capitulate, kəpitjuleit, capituleeren; Capitulation = capitulatie.

Capoc, kapək, kapok.

Capon, keip’n, kapoen; Caponize = castreeren.

Caponiere, kapənîə, onderaardsche gang in de loopgraven eener vesting.

Capot, kəpot, subst. het halen van 40 trekken bij het piketspel; Capot verb. alle trekken halen.

Capote, kəpout, kapot(jas).

Cappadocia, kapədoušə, Cappadocië.

Capriccio, kapritšou, caprice (muz.).

Caprice, kəprîs, gril; Capricious, kəprišəs, grillig; subst. Capriciousness.

Capricorn, kaprikön, de Steenbok: Tropic of Capricorn = Steenbokskeerkring.

Capriole, kaprioul, bokkesprong; Capriole verb. bokkesprongen maken.

Capsicum, kapsikɐm, Spaansche peper.

Capsize, kəpsaiz, omslaan, omvallen, omverwerpen.

Capstan, kapst’n, kaapstander.

Capsular, kapsiulə, kapselvormig, kapsel ...; Capsule, kapsiul, capsule, kapsel, smeltkroes, schaaltje.

Captain, kapt’n, aanvoerder, kapitein, opzichter, leider, primus: Captain of horse = ritmeester; Captaincy, Captainship = rang van kapitein; ervaring, beleid.

Caption, kapš’n, legalisatie; arrestatie (Schot.); titel (Am.).

Captious, kapšəs, vitterig, bedillerig; netelig; subst. Captiousness.

Captivate, kaptiveit, bekoren, boeien, betooveren; Captivation, betoovering, etc.

Captive, kaptiv, gevangen, geboeid (fig.); subst. gevangene: Captive balloon; Captivity = gevangenschap; Captor = prijsmaker, vanger, kaper; Capture, kaptšə, subst. vangst, prijs, het vangen; Capture verb. buitmaken, opbrengen, kapen: Without a whole capture of columns we cannot do justice to the work = zonder eenige kolommen in beslag te nemen.

Capuchin, kaputšin, kapəšîn, Kapucijner; dameskapmantel; soort v. duif; Capuchin monkey.

Car, kâ, kar, wagen, triomfkar, schuitje van een ballon; tram- of spoorwagen: The Northern Car = de Wagen (Sterrenbeeld); The International Sleeping-Car Company; Restaurant-car; The cars = spoortrein (Am.); Carman = karrijder.

Carabineer, Carabinier, karəbinîə, karabinier.

Car(r)ack, karək, Spaansch schip, karaak.

Caracol(e), karəko(u)l, subst. sprong, halve zwenking (van een paard); wenteltrap; Caracol verb. een halve zwenking maken.

Carafe, kərâf, karaf.

Caramel, karəmel, camarel.

Carapace, karəpeis, rugschild, schaal.

Carat, karət, karaat; ± 15 Gr. voor goud en 0,2 Gr. of 205 mGr. voor juweelen: It is not worth a carat = geen duit waard.

Caravan, karəvan, karəvan, karavaan, kermiswagen, woonwagen; Caravaneer = iemand, met de zorg voor de kameelen van een karavaan belast; Caravanserai, Caravansery = karavansera; groot gebouw, door vele gezinnen bewoond, beneden met winkels, in groote steden.

Caravel, karəvel, karveel, soort v. vaartuig.

Caraway, karəwei, karwei (plant.).

Carbine, kâbain, karabijn; Carbineer, kabinîə = karabinier.

Carbolic, kâbolik: Carbolic-acid = carbolzuur; Carbolize = carboliseeren.

Carbon, kâb’n, koolstof; koolspits: Carbon light = booglicht; Carbon point = koolspits; Carbonaceous, kâbəneišəs, koolhoudend, koolstof - -.

Carbonari, kâbənâri, Carbonari.

Carbonate, kâbənit, carbonaat; verb. carboniseeren.

Carbonic acid, kâbonikasid, koolzuur; Carboniferous = koolhoudend; Carbonize, kâbənaiz, verkolen, carboniseeren; Carbonization = carbonisatie.

Carboy, kâbôi, mandflesch.

Carbuncle, kâbɐŋk’l, karbonkel, bloedzweer; Carbuncular, Carbunculate, Carbunculous = karbonkelachtig; ontstoken.

Carburet, kâbjuret, koolstofverbinding; Carburet verb. Carburize, kâbjuraiz, met kool(water)stof verbinden.

Carcase, Carcass, kâkəs, lijk, geraamte, karkas, wrak.

Carcinoma, kâsinoumə, kankergezwel; Carcinomatous = kankerachtig.

Card, kâd, subst. (speel)kaart, naamkaartje, program, kompasroos, (wol)kaarde; type, origineel; Card verb. kaarden: To cut, to deal cards = coupeeren, geven; To fling (throw) up one’s cards = het spel opgeven (ook fig.); To pack cards = op bedriegelijke wijze mengen; He plays his cards well = is een gladde baas; To show one’s cards = zich in de kaart laten zien; To shuffle cards = wasschen; He speaks by the card = drukt zich nauwkeurig uit; It is on the cards = licht mogelijk; That piece is a sure card, it will run fifty nights = het is een successtuk, en zal wel 50 maal gespeeld worden; Card-case, kâdkeis, visite(kaarten)boekje; Card-board = karton: Glazed Card-board = geglaceerd karton; Card-sharper = kwartjesvinder, valsche speler; Card-table = speeltafeltje; Carder = kaarder; Carding-machine = kaardmachine.

Cardamine, kâdaminî, kâdəmain, pinksterbloem, koekoeksbloem.

Cardia, kâdjə, hart, maagmond; Cardiac = hart - -, maagmond - -; hartsterkend (middel.)

Cardiff, kâdif.

Cardinal, kâdin’l, subst. kardinaal, scharlaken mantel, bisschop (soort warme wijn); adj. voornaamst, belangrijkst, donkerrood: Cardinal bird = kardinaalsvogel; Cardinal numbers = hoofdgetallen; Cardinal points = vier hoofdpunten (van het kompas); Cardinal signs = de vier voornaamste teekens van den dierenriem: Aries, Libra, Cancer, Capricorn; Cardinal virtues = de vier hoofddeugden (bij de Ouden): Prudence, Temperance, Justice, Fortitude; Cardinalate, Cardinalship = kardinaalschap.

Carditis, kâdaitis, ontsteking van het hart.

Cardoon, kâdûn, artisjok.

Carduus, kâdjuɐs, distel.

Care, kêə, subst. zorg, angst, oplettendheid, opzicht; Care verb. zorgen, bezorgd zijn, zich bekommeren om, geneigd zijn, lust of trek hebben, houden van: With care = voorzichtig! To Mr. W. (To the care of) Mrs. Müller = per adres (ook c. o. = p. a.); Have a care = pas op! He took care to ... = zorgde er voor, dat ...; I don’t care if I do = ’t is mij goed; He did not care to do it = deed het liever niet; I like you, and I don’t care to own it = en erken het graag; He did not care a pin, a curse, a damn = hij gaf er geen zier om; Let him go, I don’t care = het kan mij niet schelen; I don’t care about wine just now = heb liever niet; Care-taker = huisbewaarder; Care-worn = aftgetobd, door zorgen versleten; Careful = bedacht, zorgvuldig, spaarzaam: I am careful for nothing = ik geef om niets; Careful of = zorgvuldig, spaarzaam; He was not careful to deny it = hij erkende het gaarne; subst. Carefulness; Careless, zorgeloos; subst. Carelessness.

Careen, kərîn, een schip kanten, naar ééne zijde overhellen, kielen; Careenage = plaats daarvoor, of de kosten daarvan.

Career, kərîə, subst. loopbaan, snelle vaart; Career verb. zich snel bewegen, snel doen loopen: We were careering along at the rate of sixty miles an hour = wij snelden voort met eene vaart....

Carelia, kərîljə, Carelië.

Caress, kəres, subst. liefkoozing, omhelzing; Caress verb. liefkoozen, omhelzen, aanhalen.

Caret, kêrət, karət, een teeken (^) bij het corrigeeren, om aan te duiden, dat een ontbrekend woord moet worden ingevoegd.

Carew, kərû, karû.

Cargo, kâgou, lading, goederen; Cargo-carrying = vrachtvarend.

Caria, kêriə, Carië.

Carib, karib, Karibe; Caribal, Karibisch = Carib(b)ean, karibjən; Carib(b)ee, karibî = Carib = Carrib(b)ean Islands.

Caribou, karibû, karibû, N. Amer. rendier.

Caricature, karikətjuə, subst. karikatuur; Caricature verb. karikatureeren, bespottelijk voorstellen; Caricaturist = karikaturist.

Caricous, karikɐs: Caricous tumour = vijggezwel.

Caries, kêriîz, beeneter.

Carillon, karil’n, klokkenspel.

Carinthia, kərinthiə, Carinthië; Carinthian = Carinthisch; Carinthiër.

Cariole, karioul, tweewielig rijtuigje.

Cariosity, kêriositi, beeneter; Carious: Carious tooth = holle tand.

Cark, kâk, subst. last, gewicht, zorg, kommer; Cark verb. kwellen; bezorgd zijn: Cark and care = kommer en zorg; Carking cares = kwellende zorgen.

Carl(e), kâl, kerel, ruwe vent, boer; Carlin(e), kâlin, oud wijf, heks.

Carlisle, kâlail.

Carlovingian, kâləvinžən, Karolingisch.

Carlyle, kâlail; Carlylean = Carlyliaansch; Carlylese, Carlylesque, in den stijl (trant) van C; Carlylism = volgens C’s spraakgebruik.

Carmagnole, kâm’njoul, Carmagnole.

Carmarthen, kâmâth’n.

Carmelite, kâməlait. Karmeliet; Karmalitisch; soort laken, soort v. peer.

Carmichael, kâmaik’l, kâmaik’l.

Carmine, kâm(a)in, karmozijn.

Carnage, kânidž, subst. bloedbad, slachting; Carnage verb. moorden.

Carnal, kân’l, vleeschelijk, zinnelijk: Carnal intercourse = vleeschelijke gemeenschap; Carnal-minded = zinnelijk; Carnality, zinnelijkheid.

Carnarvon, kânâv’n.

Carnassial kânaš’l: Carnassial tooth = scheurtand.

Carnation, kâneiš’n, anjelier; vleeschkleur.

Carnegie, kâneigi.

Carnival, kâniv’l, carneval, pret.

Carnivore, kânivö, vleeschetend dier; Carnivorous, vleeschetend.

Carol, kar’l, subst. (lof)zang, lied, gekweel; Carol verb. (lof)zingen, kweelen.

Carolina, karəlainə; Caroline, karəl(a)in: The Caroline Age = tijd van Karel I.

Carolus, karəlɐs, gouden munt (van Karel I) van 20, later 23 shillings.

Carom, karəm, carambole; gelukje; Carom verb. caramboleeren (Amer.).

Carousal, kərauz’l, feest, drinkgelag; Carouse, subst. drinkgelag; Carouse verb. drinken, pret maken; Carouser = pretmaker.

Carp, kâp, karper.

Carp, kâp, vitten, bedillen (at).

Carpathian, kâpeithiən, Karpatisch.

Carpenter, kâp’ntə, subst. timmerman; Carpenter verb. timmeren; Carpentry = timmermansambacht, -werk.

Carpet, kâpət, subst. tapijt; tafelkleed, looper; adj. verwijfd, salon - -; Carpet verb. met een tapijt beleggen; berispen: Carpeting = tapijtstoffen; It is on the carpet now = het is nu op het tapijt; To bring on the carpet = op het tapijt brengen (fig.); Carpet-bag = subst. reiszak, valies: Carpet-bag politicians of Carpet-baggers = eigenlijk de politieke avonturiers, die na den oorlog v. 1861–65, naar de zuidelijke staten in N. Amer. trokken om, met behulp van de negro-vote, polit. invloed te krijgen en wier eenige property-qualification vaak slechts uit den inhoud van hun carpet-bags bestond; Carpet-beater = tapijtklopper; bediende aan tafel (iron.); Carpet-dance (Carpet-hop) = geïmproviseerd huiselijk bal; Carpet-knight = saletjonker; Carpet-rod = traproede; Carpet-slippers = gewerkte pantoffels; Carpet-walk = zacht, mossig pad.

Carpus, kâpəs, handwortelbeenderen.

Carrack, karək, karaak.

Carrag(h)een, karəgîn, Iersch mos.

Carriage, karidž, subst. rijtuig, wagon; affuit; vervoer; vrachtprijs; last, gedrag, houding, leiding, geraamte (van wagens): Carriage-builder; Carriage-clock = reisklokje; Carriage-door = portier; Carriage-double = dubbele slag met den klopper; deurtjebel; Carriage-drive = rijlaan; Carriage-free = franco (Carriage-paid); Carriage-step = trede; Carriage-tapper = spoorbeambte die a/h laatste station de rijtuigen nazoekt.

Carrick-bend, karikbend, kruissteek (scheepst.).

Carrier, kariə, vrachtrijder, vervoerder, voerman: General carrier = expediteur, bode, postduif (= Carrier-pigeon).

Carrion, kariən, subst. kreng: Carrion-beetle = aaskever; Carrion-crow = aasraaf; Carrion-vulture = aasgier.

Carrom, karəm, Zie Carom.

Carronade, karəneid, scheepskanonnetje.

Carrot, karət, gele wortel, karot: Carrots = rood haar; rooie; Carroty = geelrood.

Carry, kari, dragen, vervoeren, brengen, overbrengen, overdragen (van eigendommen enz.), binnenbrengen; wegnemen; uitwerken, volbrengen, de overhand behouden, verdragen, meebrengen, bij zich hebben, verkrijgen; uitdrukken; vertoon maken, bevatten; met geweld nemen, kleven (van sneeuw b.v. aan de voeten), het hoofd hoog dragen; draagwijdte: To carry the day = de overwinning behalen; To carry coals = zich als voetveeg laten gebruiken; To carry coals to Newcastle = turf in ’t veen brengen; The motion was carried = aangenomen; Seven and eight are fifteen, five carry one = vijf ’k houd er één; To carry an outwork = (in)nemen (Mil.); To carry property = overdragen; Don’t carry tales = klap niet uit de school; To carry the wind = het hoofd hoog dragen (van paarden); To carry one’s years lightly = met eere. Met adject.: To carry fair = zich vriendelijk toonen; That is carrying it very fine = gij neemt het zeer nauw; To carry it high = zijn neus in den wind steken; Fetch and carry = apporteeren. Carry Met voorz. en bijw.: To carry about = (met zich) ronddragen; Quantity carried it against quality = won het van; To carry along = voortdragen; To carry away = wegdragen; As far as my memory will carry me back = gaat; I was (got) carried away by my anger = liet mij meesleepen; He carried everything before him = won alles, van allen; It will be carried forward (to your credit) = geboekt, overgebracht; The work was carried into execution = ten uitvoer gebracht; To carry off = wegvoeren; She carried off the honours in her class = behaalde de prijzen; To carry a thing off = iets tot een goed einde brengen, redden door talentvolle behandeling, zich er doorslaan; Drink and idleness carried them off = sleepten ... ten grave; Don’t carry on like that = stel u niet zoo aan; To carry on a business, a lawsuit = drijven, proces voeren; To carry out = naar buiten dragen, uitvoeren, voleinden; To carry over = overdragen, transporteeren, vertalen; The character of the hero is carried through to the end = volgehouden; They carried it through at all costs = zetten het door “coûte que coûte”; Carry-all = Am. rijtuig; slede; Carrying-agent = expediteur; Carrying-business = expeditiezaak; Carrying-trade = expeditiezaak, reederij; vrachtvaart; Carrying-traffic = goederenvervoer; Carrying-van = vrachtwagen.

Carse(land), kâs(land), aangeslibd land (Schotl.).

Cart, kât, subst. vracht(kar); Cart verb. per vrachtkar vervoeren: To put the cart before the horse = de paarden achter den wagen spannen; To be put in the cart = beetgenomen worden; Cartage, kâtidž, vrachtvervoer, vrachtloon; Canvas cart-cover = huif; Cart-horse = karrepaard; Cart-load = vracht; Cart-wheel = wagenrad, 5 shillingstuk; To do (tumble, turn) cart-wheels = kopje-over duikelen; Cartwright = wagenmaker; Carter = karrijder, vrachtrijder.

Carte, kât, paradeslag, menu, photographie: Carte-de-visite, kâtdəvizît.

Cartel, kât’l, kâtel, overeenkomst tot uitwisseling van gevangenen; cartel; uitdaging.

Cartesian, kâtîž’n, Cartesiaansch aanhanger van Descartes: Cartesian-devil (Cartesian-diver, Cartesian-figure) = C. duikertje.

Carthamus, kâthəmɐs, saffloer.

Carthage, kâthidž, Carthago; Carthagian, kâtheidžj’n, Carthaagsch; Carthager.

Carthusian, kâthjûžən, Karthuizer (monnik).

Cartilage, kâtilidž, kraakbeen; Cartilaginous, kâtiladžinɐs, kraakbeenachtig, kraakbeen ...

Carton, kât’n, karton, wit van eene schietschijf of een schot daarin.

Cartoon, kâtûn, kartonteekening; spotprent, die een geheele pagina vult; patroon; Cartoonist = caricatuurteekenaar.

Cartouche, kâtûš, kardoes, patroon; huls; sierlijst: Cartouche-box, kardoeskist.

Cartridge, kâtridž, patroon, kardoes: Cartridge-bag; Cartridge-box; Cartridge-paper (ook een soort teekenpapier); Cartridge-pouch = patroontasch; Ball cartridge, Blank cartridge = scherpe, losse patroon.

Cartulary, kâtjuləri, klooster of kerkregister, archief, archivaris.

Carve, kâv, snijden, voorsnijden, beeldsnijden, graveeren: To carve one’s way = zich een weg banen; Every one must carve out his own fortune = ieder is de bewerker van zijn eigen fortuin; Carved = Carven = gesneden, gebeeldhouwd; Carver = beeldhouwer, houtsnijder; Carving = snijwerk: Carving-knife = voorsnijmes.

Caryatid, kariatid (Meerv. Caryatides, kariatidîz), caryatide.

Cascade, kaskeid, kleine waterval; ook Cascade verb.

Case, keis, subst. etui, schede, kist, kast, koker, trommel, stolp, dek, overtrek, band, letterkast; gebeurtenis, voorbeeld, rechtszaak, rechtsgrond, naamval, geval, toestand; Case verb. insluiten, overtrekken, in een koker of kist doen: Botanical case (Dressing case, Surgical case); In your case = geval; In case of need = geval van nood; In no case; In nine cases out of ten; To be in the case = in ’t spel zijn; The case is still on = de zaak is nog voor; The prosecution failed to make out its case = slaagde er niet in de aanklacht te motiveeren; To make out one’s own case = voor eigen belangen opkomen; Case-harden = harden; verharden (fig.); Case-bottle = veldflesch; Case-knife = dolk, hartsvanger; Case-shot = (granaat)kartets; Case-window = schuifraam; Case-work = het maken van den band, het bevestigen van het ingenaaide boek; zetten.

Casein(e), keisi-in, kaasstof.

Casemate, keismeit, kazemat; hol lijstwerk.

Casement, keism’nt, keizm’nt, openslaand venster, hol lijstwerk.

Caseous, keisiəs, kaasachtig.

Cash, kaš, subst. kas, geld, gereed geld; Cash verb. wisselen, incasseeren, te gelde maken, realiseeren, honoreeren; de kas opmaken (up): Down with the cash = eerst geld! For cash = à contant; To be in cash = bij kas zijn; To be out of (not in, short of) cash = slecht bij kas zijn; To keep the cash = de kas houden; To pay (in) cash = contant betalen; To sell for cash = à contant; Hard (Ready) cash = baar geld; These are 6 sh. cash = kosten 6 sh. contant; Cash-book; Cash-box = geldcassette; Cash-keeper = kashouder; Cash-price = prijs tegen contant geld; Cash-system = contante betaling.

Cashier, kəšîə, subst. kassier; Cashier verb. ontslaan, afdanken.

Cashmere, kašmîə, kašmîə, subst. cachemir: Cashmere shawl.

Cashoo, kəšû, cachou, of catechu.

Casing, keisiŋ, omhulsel, foudraal, overtrek, bekleeding, mantel.

Casino, kasînou, Casino.

Cask, kâsk, vat, ton; Cask verb. in een vat doen.

Casket, kâskət, cassette, kistje; kostbare doodkist (Amer.); Casket verb. in eene cassette of een kistje besluiten.

Caspian (The), kaspj’n, de Kaspische Zee.

Casque, kâsk, helm, stormhoed: Gold casque = gouden oorijzer.

Cassation, kəseiš’n, cassatie: Court of Cassation = hof van cassatie (Frankrijk).

Casse-paper, kaspeipə, kaspapier.

Cassia, kašə, cassia; kassie; laurier(bast).

Cassimere, kasimîə, kazimier (wollen stof).

Cassinet(te), kasinet, soort stof.

Cassino, kəsînou, soort kaartspel.

Cassock, kasək, engsluitende toog van priesters of koorknapen, soutane.

Cassonade, kasəneid, ongeraffineerde suiker.

Cassowary, kasəwəri, Casuaris.

Cast, kâst, subst. worp, gooi; oogopslap, blik; vorm, afgietsel, indruk, tint, karakter, aard, berekening, rolverdeeling; Cast verb. werpen, afwerpen, te vroeg werpen, neerwerpen, overwinnen, stem uitbrengen, doen verliezen, uitschiften, afdanken, berekenen; de rollen verdeelen; optellen, uitrekenen, krom trekken, gieten, stereotypeeren, vallen, zoeken: His genius was of a gloomy cast = somberen aard; A promising cast = goede hengelplaats; The cast of a man’s features = vorm; The cast of the play was excellent = rolverdeeling; He has a cast in his eye = hij kijkt loensch; I am at the last cast = tot het uiterste gebracht; He made an unsuccessful cast at the line of the fox = slaagde niet het spoor te vinden; The die is cast = de teerling is geworpen; The horse cast itself = sloeg over den kop; To cast (up) accounts (charges, expenses) = opmaken; To cast anchor = laten vallen; To cast doubts on = twijfel oppperen omtrent; To cast dust into a person’s eyes = iemand zand in de oogen strooien; To cast light on = licht laten vallen op; To cast a look (glance, eye) on = blik werpen; To cast lots = loten; To cast a person’s nativity = iemands toekomst uit de sterren voorspellen; To cast parts = de rollen verdeelen; To cast reflections = critiseeren; The horse cast a shoe = verloor een hoefijzer; To cast a thing in a person’s teeth = iemand iets voor de voeten werpen; To cast votes = stemmen; The cow has cast her young = ontijdig geworpen; He cast himself adrift upon the world = ging de wijde wereld in; To cast loose = losgooien; Met voorz. en bijw.: To cast about for the philosopher’s stone = zoeken naar den steen der wijzen; He was cast for Horatio = aangewezen voor de rol; I cast in my lot with that party = sloot mij aan bij; He began to cast in his mind = bij zich zelven te overleggen; To cast off copy = een gedeelte van een handschrift zetten, om te zien hoeveel pagina’s druks het wordt; To cast off = losgooien (van een schip); The ship cast off = gooide de trossen los; She cast me off = gaf mij den bons; He cast himself on his enemies = gaf zich over, deed een beroep op; I cast myself on your pity = doe een beroep op; To cast up = uitwerpen, opslaan, uitbraken; optellen, berekenen; Castaway, kâstəwei, subst. balling, verworpeling; schipbreukeling; ontredderd schip; adj. nutteloos, verworpen; Cast-house = gieterij; Cast-iron = gietijzer; adj. onverzettelijk, onhandelbaar; Cast-off = waardeloos, afgedankt; Cast-steel = gegoten staal; Casting = gieten, gietstuk; adj. beslissend: Casting-bottle = spuitfleschje; Casting-net = werpnet; Casting vote = beslissende stem.

Castanea, kasteinjə, kastanje.

Castanets, kastənets, castagnetten.

Caste, kâst, kaste: To lose caste = zijn rang in de maatschappij verliezen; Caste feeling = kastengeest.

Castellan, kastəl’n, slotvoogd; Castellated = van torens en kanteelen voorzien.

Caster, kâstə, gooier, gieter, regisseur, rekenaar, wieltje, strooier, afgedankt dienstpaard: Set of casters = olie en azijnstel.

Castigate, kastigeit, kastijden, gispen, verbeteren; Castigation = kastijding, tekstverbetering.

Castile, kastîl, Castilië; Castilian, kastilj’n, Kastiliaan(sch).

Casting, Zie Cast.

Castle, kâs’l, subst. kasteel, slot; Castle verb. rokkeeren: It brought down the whole card-castle = deed het heele kaartenhuis instorten; Castle in the air, Castle in Spain = luchtkasteel; Castle-builder = droomer, fantast; Castle-gate = slotpoort; Castle-keeper = slotvoogd; Castled elephant = torendragende oorlogsolifant.

Castor, kâstə, bever(geil); kastoren hoed; wieltje; strooier: Castor-oil = wonderolie.

Castor and Pollux, kâstər’ndpoləks, de Tweelingen (Dierenriem); St. Elmusvuur.

Castoreum, kastôriəm, bevergeil.

Castrate, kastreit, castreeren, een boek zuiveren van aanstootelijke plaatsen; subst. eunuch; adj. gecastreerd; Castration = ontmanning, etc.; Castrato = gecastreerd zanger.

Casual, kažuəl, adj. toevallig, bij gelegenheid voorkomend; subst. daklooze (in een asyl of armhuis tijdelijk opgenomen): Casuals = de bij een ramp omgekomenen; de als vermist opgegevenen; Casual labourers = losse werklieden; Casual ward = asyl; Casualism = de leer dat alles toeval is; Casualist, aanhanger van die leer; Casualty = toevalligheid, toeval, ongeluk; Casualties = verliezen aan menschenlevens, ongelukken, ongevallen.

Casuistic(al,) kažuistik(’l), casuistisch; Casuist = sophist; Casuistics = Casuistry, casuistiek.

Cat, kat, subst. kat (ook fig.); soort van schip, sterke takel, dubbele treeft; Cat verb. katten (scheepst.): Every cat to her kind = het muist wat van katten komt; A cat has nine lives = een kat komt altijd op zijn pootjes neer; The cat is out of the bag = het geheim is verklapt; Care killed the cat = Vooruit! er is geen lieve moederen aan; To let the cat out of the bag = uit de school klappen; They live like cat and dog = als kat en hond; It rained cats and dogs = het regende baksteenen; To see how the cat jumps = de kat uit den boom kijken; He leads her a cat-and-dog life = zij heeft een hondenleven bij hem; You have been made a cat’s paw of by her = ze heeft je de kastanjes uit het vuur laten halen; The translator plays the cat and banjo with Heine’s most tuneful metres = bederft totaal; Cat-bird = Amer. spotlijster; Cat-call (Cat-pipe) = schel fluitje; Cat-call verb. uitfluiten; Cat-eyed = in staat in ’t donker te zien; Cat-gut = darmsnaar; soort stramien; Cat-gut scraper = fidelaar; Cat-head = kraanbalk; Cat-nap = hazenslaapje, dutje; Cat’s eye = kat(ten)oog; Cat’s paw = licht briesje; dupe, werktuig; Cat’s meat = vleeschafval (voor katten); Cat’s-tail = kattestaart, breedbladige lischdodde; The cat-scene = het tooneel (in de Engelsche pantomimes), wanneer alles duister is, juist voor de transformation scene; Cattish = kattig; subst. Cattishness.

Cataclysm, katəklizm, geweldige beroering, groote ramp, zondvloed: Cataclysmal, als een c.

Catacombs, katəkoumz, Catacomben.

Catafalque, katəfalk, katafalk.

Catalepsy, katəlepsi, zinvang; Cataleptic = lijder aan z.; lijdend aan z.

Catalogue, katəlog, subst. catalogus; Catalogue verb. catalogiseeren: He did not know how to catalogue her = waar te plaatsen.

Catalonia, katəlounjə, Catalonië; Catalonian, Catalonisch, Cataloniër.

Catamaran, katəməran, kətaməran, vlot, platboomd vaartuig; feeks.

Catamount(ain), katəmaunt(in), puma.

Catapult, katəpɐlt, catapult.

Cataract, katərakt, waterval; cataract, grauwe staar: To couch a cataract = van de staar lichten.

Catarrh, kətâ, catarrhe; Catarrhal syringe = neusspuit.

Catastrophe, kətastrəfi, catastrophe; adj. Catastrophic.

Catch, katš, subst. vangst, buit, trek, goede partij, voordeeltje, houvast, greep, strikvraag, stokken (v. stem), onderbreking, afwateringssloot, cànon (muziek), steunijzer, klink; Catch verb. vangen, grijpen, achterhalen (up), betrappen; boeien, winnen, begrijpen, treffen, toebrengen, in de rede vallen (up), blijven hangen, afnemen, vatten (van koude, eene ziekte, enz.); verward raken, in elkaar grijpen, aanstekelijk zijn, zich verbreiden (on): A bit of a catch = een fortuintje; A poor catch = schrale vangst; It is no great catch = niet veel zaaks; Great catches = begeerlijke partijen; She married the catch of the season = beste partij van het Season (in Londen van Mei tot Aug.); There is a catch in it = er steekt wat achter; To live upon the catch = van roof leven; To catch it = een pak slaag oploopen, er van langs krijgen; Catch me (at it)! = dat kan je denken! dan kan je lang wachten! Catch and have = wien heeft, dien wordt gegeven; To catch the Speaker’s eye = door opstaan den voorzitter om ’t woord vragen, het woord krijgen; To catch a glimpse of = in ’t oog krijgen, even zien; To catch hold of = aanpakken, vastgrijpen; I don’t catch your meaning (what you say) = begrijp, snap niet; To catch sight of = in ’t oog krijgen; To catch step = in den pas komen; To catch the train = halen; He caught at all opportunities = pakte aan; He caught at me = greep naar; I’ll make him catch on = doen toehappen; You have caught on here = succes gehad; To catch out = op een fout betrappen; The lake was caught over = met een vliesje ijs bedekt; He caught towards him a scrap of paper = haalde naar zich toe; To catch up = haastig opnemen; terechtwijzen; Catch-drain = wetering, afvoerkanaal; Catch-’em-alive = soort vliegenpapier; Catch-lands = markegronden; Catch-line = korte titelregel tusschen 2 langere met grooter letter; vervolgwoord onder aan de bladzijde: The report of the Labour Commission is the latest catch-line = het rapport van de Enquête-commissie v. d. Arbeid is het jongste opvallend onderwerp van den dag; Catch-meadow = gedraineerde weide; A catch-penny title = een verlokkende, bedriegelijke titel; Catchphrase = een op effect berekende uitdrukking; Catch-pole, Catch-poll = dievenvanger; Catch-question = strikvraag; Catchword = vervolgwoord onder aan eene bladzijde, slagwoord (bij acteurs); leus; Catching = besmettelijk, aanstekelijk; pakkend, bekoorlijk.

Catchup, katšəp, pikante saus (uit champignons, tomaten, etc. ook Catsup, en Katchup).

Cate(s), keit(s), spijs, lekkernijen.

Catechetic(al), katəketik(’l), catechetisch; Catechism = catechismus; Catechistic(al) = catechetisch; Catechization = catechisatie, Catechize = catechiseeren, onder handen nemen.

Catechu, katə(t)šû, cachou.

Catechumen, katəkjûm’n, katechumeen, beginner.

Categorical, katəgorik’l, categorisch; Category = categorie.

Cater, keitə, voedsel, genot, enz. verschaffen: In those days art catered to (for) the national vanity = vleide de kunst de nationale ijdelheid; Cater-cousin, keitəkɐz’n, verre bloedverwant, goede vriend; Caterer = leverancier, proviandmeester.

Cateran, katər’n, Iersche of Schotsche vrijbuiter.

Caterpillar, katəpilə, rups.

Caterwaul, katəwôl, subst. kattengegrol; Caterwaul verb. grollen als krolsche katten.

Catharina, kathərainə, Catharina; Catharine, kathərin: Catharine-wheel = radvenster; vuurrad: To do (turn) Catharine-wheels = buitelen.

Cathedra, kathidrə, kəthîdrə, bisschopsstoel; katheder: Ex cathedra = met gezag; uit de hoogte.

Cathedral, kəthîdr’l subst. kathedraal; adj.: Cathedral church = domkerk.

Catherine, kathərin.

Cathode, kathoud, negatieve pool (electr.).

Catholic, kathəlik, katholiek, algemeen, onpartijdig; subst. R. Katholiek: Roman Catholic Church = de R.K. kerk; Catholicism, katholicisme; Catholicity = algemeenheid, onpartijdigheid; Catholicize = katholiseeren.

Catilina, katilainə (Catiline, katilain), Catilina; Catilinarian, Catilinarisch; samenzweerder.

Catkin, katkin, katje (van wilgen, enz.).

Catling, katliŋ, darmsnaar, ontleedmes.

Cato, keitou; Catonian = Catonisch, streng, deugdzaam.

Cattle, kat’l, rundvee; paarden: Blood cattle = stamboekvee: Cattle-box (= Cattle-truck) = veewagen; Cattle-breeding = veeteelt; Cattle-dealer = veehandelaar; Cattle-plague = veepest; Cattle-range (Cattle-ranch) = weidegrond; Cattle-run = weideplaats (Amer.); Cattle-show = veetentoonstelling.

Caucasian, kôkeiš’n, Caucasisch; Caucasiër; Caucasus, kôkəsɐs, Caucasus.

Caucus, kôkəs, voorloopige partijbijeenkomst ter voorbereiding eener verkiezing (Amer.); kiescomité; Caucus verb. door een caucus bewerken; een caucus houden.

Caudal, kôd’l, staart - -; Caudate = gestaart.

Caudex, kôdeks, stam v. palm, of boomvaren.

Caudle, kôd’l, kandeel.

Cauf, kôf, vischkaar.

Caught, kôt, imperf. en part. perf. van To catch.

Caul, kôl, darmnet; haarnetje, helm: To be born with a caul.

Cauldron. Zie Caldron.

Cauliflower, koliflauə, bloemkool; Cauline = stengel ...

Caulk, kôk. Zie Calk.

Causal, kôz’l, oorzakelijk; Causality = oorzakelijkheid; Causation = veroorzaking; Causative = causaal; causatief.

Cause, kôz, oorzaak, reden, beweegreden, zaak, aangelegenheid; Cause verb. veroorzaken, voortbrengen: The First Cause = God; He was called up to show cause with reference to a nuisance = hij werd voorgeroepen om zich te verantwoorden wegens burengerucht (of overlast); He caused his men to follow him = liet; Causeless = zonder oorzaak.

Cause(wa)y, kôz(we)i, subst. straatweg, verhoogd voetpad, dam, steiger, aanlegplaats; Cause verb. plaveien: A little stone cause = geplaveid straatje; A wooden cause = steiger.

Caustic, kôstik, subst. bijtmiddel; adj. bijtend, scherp: Lunar caustic = helsche steen; Causticity = scherpheid, sarcasme.

Cauter, kôtə, brandijzer; Cauterization = uitbranding; Cauterize = uitbranden; Cautery = branden; brandijzer, brandmiddel.

Caution, kôš’n subst. omzichtigheid, waarschuwing; pand; iets geweldigs (zonderlings); Caution verb. waarschuwen: Well, you’re a caution! = jij bent een best merk! That’s a caution = da’s kras! Caution-money = waarborgsom; Cautionary = waarschuwend; Cautious = omzichtig: subst. Cautiousness.

Cavalcade, kav’lkeid, cavalcade.

Cavalier, kavəlîə, subst. ridder, ruiter, cavalier, Royalist; adj. ongedwongen, zorgeloos, trotsch, aanmatigend.

Cavalry, kav’lri, ruiterij.

Cavatina, kavatînə, cavatine (muz.).

Cave, keiv, subst. hol, grot, het bukken of toegeven; afscheiding van een politieke partij; de afgescheidenen; Cave verb. instorten, inzakken, inslaan, uithollen, toegeven: He rose to make a speech but soon caved in = bleef steken; We shall never cave in to the French, so far as Egypt is concerned = toegeven; A caved-in old hat; Cave-dwellers = holbewoners = Cave-men.

Caveat, keivjət, subst. protest; patentaanvrage (Amer.); Caveat verb. een caveat beteekenen; caveeren (bij het schermen): To enter (Put in) a caveat = een protest indienen; Caveator = protesteerende; protestaanvrager.

Cavendish, kav’ndiš, kandiš, (tot koeken geperste) tabak.

Cavern, kavən, spelonk, hol; Caverned, vol holen; Cavernous = hol, vol holen.

Caves(s)on, kavəs’n, neuspranger.

Caviar(e), kaviâ, kaviaar: Caviar to the general = te fijn voor den grooten hoop.

Cavil, kav’l, verb. vitten op (at); subst. chicane, haarklooverij: Without cavil = buiten twijfel; Caviller = vitter, nijdas.

Cavin, kavin, holle weg.

Cavity, kaviti, holte.

Cavort, kəvöt, steigeren, rondspringen, druk doen.

Caw, kô, subst. gekras; Caw verb. krassen.

Cawnpore, kônpûə, kônpə.

Caxton, kakst’n, Caxton; boek door Caxton gedrukt.

Cay, kei, rif, zandbank, eilandje.

Cayenne, keien, kaien, Cayenne(peper).

Cayman, keim’n, alligator, kaaiman.

Cazique, kəzîk, Amer. opperhoofd.

Cease, sîs, ophouden, staken, laten varen; doen ophouden: Ceaseless = onophoudelijk.

Cecil, sesil, sisil; Cecils, sîsilz, gebakken vleeschballetjes; Cecilia; Cecily.

Cedar, sîdə, subst. ceder; adj. van cederhout = Cedarn = Cedrine, sîdr(a)in.

Cede, sîd, afstaan, opgeven, wijken.

Cedrat(e), sîdrit, citroenboom.

Cedric, sedrik.

Cee-spring, sîspriŋ, wagenveer in den vorm eener liggende c = ⏑.

Ceiling, sîliŋ, plafond, zoldering; wegering (scheepst.).

Celadon, seləd’n, bleekgroen (porselein); sentimenteele minnaar.

Celandine, sel’ndain, schelkruid.

Celebes, seləbîz, seləbez.

Celebrant, seləbr’nt, de priester, die de mis opdraagt: The celebrants of the Shelley Centenary = deelnemers aan de viering; Celebrate = vieren, loven, celebreeren, herdenken; Celebrated = beroemd, vermaard; Celebration = verheerlijking, viering; Celebrator = vierder; Celebrity, səlebriti, vermaardheid, roem, beroemdheid (ook fig.), beroemd persoon.

Celerity, səleriti, vlugheid, snelheid.

Celery, seləri, selderij.

Celestial, silestj’l, hemelsch (ook fig.), hemel...; Chineesch: Celestial empire = China; subst. hemelling; Chinees.

Celestine, silestin, seləst(a)in, Celestine, Celestijner (monnik); een mineraal.

Celibacy, selibəsi, ongehuwde staat; Celibate, selibit, ongehuwd (persoon).

Cell, sel, cel, kluis, hol.

Cellar, selə, kelder: Cellarflap = luik; Cellarflap dance = potsierlijke matrozendans; Cellar hole; Cellarman = wijnkooper, kelderwaard; keldermeester; Cellarage, seləridž, kelderruimte, kelderhuur; Cellarer = keldermeester; Cellaret, Cellaret = likeurkeldertje.

Cellular, seljulə, cel - -: Cellular tissue = celweefsel; Cellulars = celplanten; Cellulate = met cellen; Cellule = celletje; Celluloid = celluloïde; Cellulose = cellulose; celachtig.

Celt, selt, Kelt; bronzen (steenen) beitel; Celtic = Keltisch; Celticism = Keltisch idioom (gewoonte).

Cement, siment, subst. cement, verband; Cement verb. cementeeren, samenbinden of -voegen; Cementation, cementeering; Cementer = bindmiddel.

Cemetery, semət’ri, begraafplaats.

Cenobite, sînəbait, kloosterling, ordebroeder.

Cenotaph, senətaf, cenotaphium.

Censer, sensə, wierookvat, bewierooker.

Censor, sensə, censor, zedemeester, kunstrechter; Censorship = ambt van censor; censuur; Censorial, Censorious = berispend; Censoriousness = vitzucht; Censurable = berispelijk, laakbaar; Censure, subst. berisping, censuur, veroordeeling; Censure verb. berispen, bedillen, aanmerkingen maken: Motion of censure = motie van afkeuring.

Census, sensəs, volkstelling: Census-paper; Census-taker = teller.

Cent, sent, honderd, cent, 1⁄100 dollar: Per cent = percent; They do not count for a red cent = zijn geen rooden duit waard; Cent-shop = goedkoope bazaar.

Cental, sentəl, 100 pond avoirdupois.

Centaur, sentö. Centaur, sterrenbeeld.

Centenarian, sentənêrj’n, honderdjarige.

Centenary, sentənəri, Centennial, subst. honderd jaar, eeuwfeest; adj. honderdjarig.

Centesimal, s’ntesim’l, subst. en adj. honderdste (gedeelte).

Centigrade, sentigreid, van honderd graden: Twelve degrees centigrade = 12° Celsius.

Centimetre, sentimîtə, centimeter.

Centiped, sentiped, Centipede, sentipîd, duizendpoot.

Centner, sentnə, centenaar; 100-deelig gewicht.

Cento, sentou, compilatie.

Central, sentr’l, centraal; Centralization = centralisatie; Centralize = centraliseeren.

Centre, sentə, subst. middelpunt, centrum; Centre verb. in een middelpunt vereenigen (rusten), concentreeren: Centre-bit = centerboor; Centre-board = schip met kielzwaard; Centre-party = het Centrum; Centre of gravity = zwaartepunt; Centric = middelpuntig; Centricity = centrale ligging.

Centrifugal, sentrifjug’l, middelpuntvliedend: Centrifugal force; Centrifugal machine = centrifuge.

Centripetal, sentripət’l, middelpuntzoekend: Centripetal force.

Centuple, sentjup’l, subst. honderdvoud; Centuple verb. verhonderdvoudigen.

Centurion, sentjûriən, centurio.

Century, sentjəri, eeuw: End-of-the-century product = fin de siècle, hypermodern product.

Cephalic, səfalik, sefəlik, hoofd - -: Cephalic medicine, middel tegen hoofdpijn.

Cephalitis, sefəlaitis, hersenontsteking.

Cephalonia, sefəlounjə, Cephalonië.

Cephalopod, sefələpod, sefaləpod, koppootig dier.

Cerago, sireigou, bijenbrood.

Ceramic, siramik: Ceramics = ceramiek.

Cerate, sîrit, waszalf.

Cere, sîə, was(huid), verb. wassen, verzegelen: Cerecloth = wasdoek; in was gedrenkt lijkkleed = Cerement(s).

Cereal, sîrj’l, graan...: Cereals = graanvruchten; Non cereal crops = aardappelen, knollen, etc.

Cerebellum, serəbel’m, kleine hersenen; Cerebral, serəbr’l, hersen...; Cerebrum, serəbrɐm, groote hersenen.

Ceremonial, serəmounj’l, ceremonieel, ritueel, plechtig, vormelijk; subst. ceremonieel; Ceremonious = plechtstatig, vormelijk: subst. Ceremoniousness; Ceremony, ceremonie, vormelijkheid, hoffelijkheid: No Ceremonies! = geen complimenten! Master of Ceremonies = ceremoniemeester.

Ceroon, sərûn, theebaal, van huiden gemaakt; korf thee (rozijnen).

Cerris, Cerrus, serəs, Turksche eik.

Certain, sɐ̂tin, zeker, verzekerd, onfeilbaar, zekere, eenige: I will not be certain = ik durf het niet zeker zeggen; Certainty = zekerheid: For (of, to) a certainty, (To a live certainty) = zéér zeker.

Certes, sɐ̂tis, zekerlijk = Cert.

Certificate, sɐ̂tifikit, subst. getuigschrift, diploma, akte; Certificate verb. sɐ̂tifikeit, een certificaat (attest) verleenen, diplomeeren: Do you hold certificates? = ben je gediplomeerd? Nautical certificate = stuurmansdiploma; Certification = attest; Certifier = verklaarder; Certify, sɐ̂tifai, attesteeren, betuigen, berichten, verklaren: This is to certify = hiermede verklaar ik; Certified copy = gewaarmerkt afschrift; This act certified him the knave he was = toonde; Certitude, sɐ̂titjûd, zekerheid, verzekering.

Cerulean, sərûlj’n, hemelsblauw.

Ceruse, sîrûs, sirûs, loodwit.

Cervical, sɐ̂vik’l, nek-, hals ...

Cesar = Caesar.

Cess, ses, subst. belasting; Cess verb. belasten.

Cessation, seseiš’n, ophouding, stilstand: Cessation of (from) arms = wapenstilstand.

Cessio bonorum, sešoubənôr’m, afstand door een insolvent verklaarde van al wat hij bezit aan zijne schuldeischers.

Cession, seš’n, afstand, cessie; Cessionary = afstand doende; cessionaris.

Cesspool, sespûl, riool, zinkput.

Cestus, sestəs, cestus.

Cetacea, siteišə, walvisschen; Cetacean, walvisch; Cetaceous = walvischachtig.

Cevennes, səven, (De) Cevennen.

Ceylon, silon, siloun, sîlən, Ceylon; Ceylonese, sîlənîz, Ceylonees(ch).

Chab(o)uk, tšâbuk, tšəbuk, zweep.

Chafe, tšeif, warm wrijven, schuren, breken tegen; afslijten, sarren, boos maken, in toorn ontsteken: The horse chafed upon the rein (bit) = schuimde in het gebit; Chafer = komfoor = Chafing-dish = komfoor.

Chafer, tšeifə, kever, meikever.

Chaff, tšäf, subst. kaf, haksel, kleinigheid; plagerij, scherts; Chaff verb. gekheid maken, in ’t ootje nemen: To divide the wheat from the chaff; Take your chaff to the goslings. No gammon with me = Doe jij zoo met kleine kinderen. Ik laat niet met me spelen; Chaffy = vol kaf; onbeduidend.

Chaffer, tšafə, handelen, marchandeeren, dingen; Chafferer.

Chaffinch, tšafinš, boekvink.

Chagrin, šəgrîn, subst. kwelling, verdriet, slechte luim; Chagrin verb. verdrieten, plagen.

Chain, tšein, subst. keten, ketting, reeks; Chains = gevangenschap; Chain verb. ketenen; aan een ketting leggen: To do the ladies’ chain = een dansfiguur; Chain-bolt = deurketting; Chain-bridge = kettingbrug; Chain-gang = afdeeling kettinggangers; Chain-mail = maliënkolder; Chain-shot, kettingkogel; Chain-stitch = kettingsteek; Chainlet = kettinkje.

Chair, tšêə, subst. stoel, zetel, voorzittersstoel, leerstoel, voorzitterschap, draagstoel; Chair verb. in een stoel in triomf ronddragen: To be in the (Vice-) chair; This alderman has passed the chair = is Lord Mayor van de City geweest; He took the (was called to the) chair = presideerde, werd tot president verkozen; Chair-bottom = zitting; Chair-bottomer = stoelenmatter; Chairman = voorzitter; drager van een draagstoel; Chairmanship = presidium.

Chaise, šeiz, sjees, rijtuig.

Chalcedony, kalsedəni, kalsədoni, chalcedoon.

Chalcograph, kalkəgraf, kopergravure. Chalcographer = graveur; Chalcography = graveerkunst.

Chaldaic(al), kaldeiik(’l), Chaldeeuwsch; Chaldea(n), kaldîə(n), Chaldea (Chaldeeuwsch, Chaldeeër).

Chaldron, tšôldr’n, koren- en kolenmaat (1163,157 L. koren; 2888,9752 L. kolen).

Chalet, šale, Zwitsersch landhuisje.

Chalice, tšalis, kelk, avondmaalsbeker; Chaliced = kelkachtig.

Chalk, tšôk, subst. krijt, krijtstreep; Chalk verb. met krijt mengen (schrijven, teekenen), aankalken, schetsen: French chalk = kleermakerskrijt; He is better than you by a long chalk, by long chalks = oneindig beter; Not by a long chalk = op verre na niet; These things are as different as chalk from cheese, as chalk and cheese = verschillen hemelsbreed; I found my way chalked out for me = aangewezen; I will chalk it down = aankalken; To chalk down a scheme = schetsen; Chalk-stone = jichtknobbels; Chalk-Sunday = de eerste Zondag van den Vastentijd (Ierland), waarop de meisjes de vrijgezellen krijt op hun jas smeerden; Chalkiness = krijtachtigheid; Chalky = krijtachtig; jichtknobbelachtig.

Challenge, tšal’nž, subst. uitdaging, aanroeping (van een schildwacht), wraken (van een lid der jury of een getuige), aanslaan der jachthonden; Challenge verb. uitdagen, bestrijden, inroepen, eischen, wraken: I challenge contradiction = ik tart iedereen mij tegen te spreken; Challenger = uitdager, etc.

Chalybeate, kəlibi-it, adj. ijzerhoudend: Chalybeate spring.

Chamade, šəmeid, chamade.

Chamber, tšeimbə, subst. vertrek, kamer (in verschillende beteekenissen); Chamber verb. sluiten in (voorzien van) een kamer: Chambers = een reeks deftig gemeubileerde kamers, zittingzaal, privaat-bureau van een barrister in een Inn: He had been toiling at chambers all day = op zijn bureau; Chamber of Commerce = Kamer van Koophandel; Chamber of a lock = schutkolk; Chamber-council = Chamber-counsel = advocaat, die slechts Chamber-practice uitoefent; diens advies; geheim advies (gedachte); Chamber-maid = kamermeisje; Chamber-master = schoenmaker, die thuis voor magazijnen werkt; Chamber-music; Chamber-pot; Chamber-stool = nachtstoel; Chambered: A six-chambered revolver.

Chamberlain, tšeimbəlin, kamerheer: Lord Chamberlain = een der 14 dignitarissen van His Majesty’s Household.

Chambers, tšeimbəz.

Chameleon, kəmîl’n, chameleon.

Chamfer, tšamfə, subst. groef; Chamfer verb. canneleeren.

Chamois, šami, šamwô, gems, gemsleder; adj. geelbruin.

Chamomile, kaməmail, kamille.

Champ, tšamp, bijten (van een paard op zijn gebit), kauwen, stuk bijten: To champ the bit = mokken (fig.).

Champagne, šampein, champagne.

Champaign, tšampein, (t)šsampein, subst. open, vlak land; adj. open, vlak.

Champerty, tšampəti, afspraak van den solicitor met zijn client om de eventueele voordeelen van het proces te deelen.

Champignon, (t)šəmpinjən, eetbare paddestoel.

Champion, tšampj’n, subst. kampioen; adj. kampioen..., uitstekend; Champion verb. verdedigen; Championship, kampioenschap.

Champop = Champagne = ‘panje’, ‘sjampie’.

Chance, tšâns, subst. toeval, kans, uitzicht, mogelijkheid; Chance verb. wagen, gebeuren: By chance = toevallig; Main chance = persoonlijk voordeel; On the off chance = met ’t oog op de mogelijkheid; To stand a chance = kans hebben; To take one’s chance = het er op wagen; I chanced to meet him = ik ontmoette hem toevallig; To chance it = het er op aan laten komen; Chance-comer = een toevallig binnenkomende; Chance-games; Chance-medley = manslag uit noodweer.

Chancel, tšâns’l, koor (waar het altaar is, gewoonlijk met een hek afgesloten).

Chancellor, tšâns’lə, kanselier: Lord (High) Chancellor = Lord keeper = Minister van Justitie, Groot Zegelbewaarder, President van het House of Lords en voorzitter van de Chancery Division van het Hooggerechtshof; Chancellor of the Exchequer = hoofdambtenaar van de Treasury aan ’t hoofd waarvan The First Lord staat; Chancellorship = kanselierschap.

Chancery, tšânsəri, kanselarij: Chancery Division = afdeeling van het hoogste gerechtshof; To be in chancery = failliet zijn; in de klem zitten.

Chandelier, šandəlîə, kroonluchter; blindeeringsfascine.

Chandler, tšândlə, kaarsenmaker (verkooper): Corn chandler = factor; Ship chandler = winkelier in victualiën; Chandlery = kleinhandel, winkel.

Change, tšeinž, subst. verandering, wijziging, overgang, afwisseling, nieuwigheid, variatie, modulatie, klein geld, pasmunt, geld dat men terugkrijgt, verschooning, de Beurs; Change verb. veranderen, verwisselen, verruilen, (geld) wisselen, overstappen, zuur worden: To get (give) one his change = geld terug geven; iemand dienen (fig.); He won’t get much change out of me = hij zal van mij niet veel halen, krijgt bij mij den wind van voren; To have no change; They won’t have any change = behoeven niet over te stappen; To ring the changes = op allerlei manieren herhalen; valsch geld uitgeven, een winkelier in de war brengen zoodat hij te veel terug geeft; A complete change of linen = verschooning; The wind changed; To change trams; Change here for Velp = Velp overstappen; He changed his dress (linen) = trok andere kleeren aan, verschoonde zich; To change to a steamer = overstappen op; He changed to the diplomatic service = ging over in; Changeability = veranderlijkheid; Changeable, veranderlijk; subst. Changeableness; Changeful = veranderlijk; Changeless = onveranderlijk; Changeling = wisselkind; weifelaar, wankelmoedige.

Channel, tšan’l, subst. kanaal, bedding, vaarwater, groef, voor; Channel verb. groeven maken: The (British) Channel = Het Kanaal.

Chant, tšânt, subst. lied, melodie, kerkgezang; Chant verb. zingen, bezingen, opdreunen: To chant a horse = bedriegelijk verkoopen (door gebreken te verbergen); To chant the praises of = (iemands) lof zingen; Chanter, zanger; melodiepijp; paardekooper; Chanticleer, tšantiklîə, kraaiende haan; Chantry = kapel, waar dagelijks eene mis voor afgestorvenen gezongen wordt.

Chaos, keios, chaos; adj. Chaotic.

Chap, tšap, tšop, subst. kloof, spleet, reet; Chap verb. splijten, scheuren, doen barsten; Chapped = opengesprongen, gebarsten; Chappy = gebarsten, open.

Chap, tšap, kerel, vent, klant; Chappie = kereltje.

Chap, tšop, kaak; Chaps, snuit, muil; Chap-fallen = ontmoedigd.

Chap-book, tšap-buk, volksboekje waarmee vroeger gevent werd door Chap-men.

Chape, tšeip, knip, haak, schoen eener sabelscheede.

Chapel, tšap’l, kapel, godshuis (der van de Staatskerk afgescheidenen); Chapel verb. een uil vangen (zeeterm): Chapel of ease = hulp- of bijkerk.

Chapelet, tšapəlet, stijgbeugelriemen.

Chapelry, tšapəlri, kerkelijke gemeente tot ééne kapel behoorende.

Chaperon, šapəron, šapəroun, baret; oudere dame, die eene jongere vergezelt in het publiek; Chaperon verb. vergezellen, beschermen.

Chaplain, tšaplin, geestelijke op een schip, (bij het leger, in een gevangenis); huiskapelaan; Chaplaincy = Chaplainship, waardigheid van een chaplain.

Chaplet, tšaplət, subst. krans, rozenkrans, eierstaaf (-lijst); kuif.

Chapter, tšaptə, subst. hoofdstuk, kapittel; Chapter verb. in hoofdstukken verdeelen: Chapter and verse = tekst en uitleg (fig.); You will be persecuted to the end of the chapter = altijd door, ten einde toe; The chapter of accidents = het toeval; Chapter-house = kerkeraadskamer; vertrek waar het kapittel samenkomt.

Char, tšâ subst. appelforel.

Char, tšâ, verkolen.

Character, karəktə, subst. merk- of kenteeken, letter, karakter, gedrag, aard; getuigschrift, reputatie, origineel, persoon, naam, rol; Character verb., kəraktə, inprenten, graveeren; kenschetsen: To act out of character = uit zijn rol vallen; To be in (out of) character = in, uit de rol; I gave him a good character = ik heb goede getuigen van hem gegeven; To go by the character of = doorgaan onder den naam; He has a character for hospitality = staat bekend als gastvrij; He took away my character = goeden naam; Characteristic = kenschetsend, eigenaardig; subst. kenmerk: To be characteristic of = karakteriseeren; Characterization, karəktər(a)izeiš’n, kenschetsing; Characterize = kenmerken, stempelen, karakteriseeren.

Charade, šərâd, šəreid, charade.

Charcoal, tšâkoul, houtskool; Charcoal verb. met houtskool zwart maken, door kolendamp bedwelmen.

Chare, tšêə, tšâ, uit werken gaan, huiswerk verrichten; subst. huiswerk.

Charge, tšâdž, subst. zorg, bewaking, opzicht, bevel, plicht, opdracht, ambt, pupil, toevertrouwd persoon (zaak), toespraak, aanval(signaal), last, beschuldiging, lading, prijs, kosten (Charges), vergoeding: Charge verb. aanvallen, een charge doen, (be)laden, belasten, opdragen, bevelen, debiteeren, vermanend toespreken, beschuldigen, toevertrouwen, aanwijzen: A first charge = preferente schuld; No charge for delivery = franco huis; To be at (To bear) the charge of = de kosten dragen; To sound the charge = het signaal tot den aanval blazen; To give in charge = toevertrouwen; laten arresteeren; The officer in charge = dienstdoend; This minister is in charge of the bill = zal het wetsontwerp verdedigen; To go into the charges = aanklacht erkennen; He laid it to my charge = legde het mij ten laste; He grew up under my charge = onder mijne hoede; Charge your glasses = vult; The judge charged the jury at great length = sprak breedvoerig toe; What do you charge for these cigars? = hoeveel kosten? To charge to one’s account (debit) = iemand debiteeren; To be chargeed with a crime = beschuldigd; Charge-room = verhoorkamer (in een politiebureau); Charge-sheet = rol der arrestanten; Chargeability = toerekenbaarheid, belastbaarheid; Chargeable = te belasten, verantwoordelijk: That was chargeable to me = dat kwam mij ten laste; Charger = strijdros; groote schotel.

Chariot, tšariət, rijtuig, triomfwagen; Charioteer = wagenmenner, voerman.

Charitable, tšaritəb’l, liefdadig, barmhartig; Charitableness = liefdadigheid.

Charity, tšariti, menschenmin, naastenliefde, barmhartigheid, zachtheid, milddadigheid, gave, aalmoes, liefdadigheidsstichting: Sister of charity = liefdezuster; In charity = barmhartigheidshalve, voor niets; Charity begins at home = het hemd is nader dan de rok; To ask (beg) charity = bedelen; To dispense charity = gaven uitdeelen; It would be a charity to help her = een goed werk; We parted in charity = scheidden in vriendschap; Charity-boy (Charity-child) = kind uit een gesticht; Charity-school = armenschool, kostelooze school.

Charivari, šarivari, ketelmuziek, charivari.

Charlatan, šâlətan, kwakzalver, charlatan; Charlatanism = marktgeschreeuw.

Charlemagne, šâl(i)mein.

Charles, tšâlz, (Charley, tšâli,) Karel; King Charles(’s) dog = Bologneesch hondje; Charles(’s) Wain = Wagen, Groote Beer.

Charlock, tšâlok, krodde, wilde mosterd.

Charlotte, šâlot

Charm, tšâm, subst. toovermiddel(-woord, -formule), amulet, bekoring; Charm verb. betooveren, verrukken, bekoren: A pig-charm = gelukzwijntje aan een horlogeketting; Three is the charm = alle goede dingen bestaan in drieën; To bear a charmed life = onkwetsbaar zijn; Charmer = charmeur, betooverend schepsel: To listen to the voice of the charmer = naar het gefluit van den vogelaar; Charming = bekoorlijk; subst. Charmingness; Charmless = zonder bekoring.

Charnel, tšân’l, lijken..., knekel...: Charnel-house = knekelhuis.

Charon, kêr’n, Charon, veerman.

Charpie, šâpi, pluksel.

Charpoy, tšâpôi, veldbed (Brit. Ind.).

Chart, tšât, zeekaart, kaart, tabel, kompaskaart; Chart verb. (op een kaart aan)teekenen.

Charter, tšâtə, subst. charter, privilege, patent, (voor)recht; Charter verb. bevrachten, charteren, huren: Charter-house = Karthuizerklooster; een school en gasthuis in Londen; Charter-land = cijnsvrije bezitting; Charter-party = chertepartij, scheepsvrachtbrief.

Chartism, tšâtizm, de leer van F. O’Connor’s Radic. arbeiderspartij, geformuleerd in hun People’s Charter i.e. algemeen stemrecht, jaarlijksche parlementen, geheime stemming, kiesdistricten, en de betaling van de afgevaardigden der natie (1838–1848); Chartist = aanhanger van die leer.

Chartographer, kâtogrəfə, cartograaf; Chartography = cartographie.

Charwoman, tšêəwum’n, tšâwum’n, werkster; Charwork = huiswerk.

Chary, tšêri, zorgvuldig, karig, zuinig: Chary of praise = karig met lof.

Chase, tšeis, subst. jachtveld, vervolging, jachtstoet, het gejaagde wild, vervolgd schip; groef, voor; Chase verb. jagen, jacht maken op, nazetten, drijven: To send on a wild-goose chase = voor den gek houden, van Pontius naar Pilatus zenden; To be in chase (of), To give chase = vervolgen; To chase away (off) = wegjagen; Chased work = gedreven metaal; Chaser = jager, drijver, springpaard, soort kanon, ciseleur.

Chasm, kazm, kloof, afgrond; Chasmed = Chasmy = met kloven.

Chasse, šas: A cup of coffee and a chasse = ‘pousse’.

Chasseur, šasɐ̂, jager, chasseur.

Chassis, šasî, šasis, chassis, (inleg)raam, onderstel.

Chaste, tšeist, kuisch, rein; Chasten, tšeis’n, straffen, reinigen, zuiveren, matigen, verootmoedigen.

Chastise, tšəstaiz, kastijden, straffen, beteugelen, zuiveren; Chastiser = kastijder; Chastisement = kastijding; Chastity, tšastiti, kuischheid, reinheid.

Chasuble, tšažub’l, kazuifel.

Chat, tšat, subst. gekeuvel; katje, rijsje, aar; naam voor verschillende vogels; aardappel (voor veevoer); Chat verb. keuvelen: To have a chat together = keuvelen; Chatty = praatziek.

Chatelaine, šatəlein, chatelaine.

Chatham, tšat’m.

Chatoyant, šətôj’nt, katoog; adj. glinsterend met verschillende kleuren; Chatoyment = kleurenspel.

Chatta(h), tšatə, tšâtə, parasol (Brit. Ind.).

Chattel, tšat’l: Goods and chattels = have en goed.

Chatter, tšatə, subst. gesnap, gesnater; Chatter verb. snappen, kakelen, klappertanden: Chatter-box, Chatter-basket = babbelkous; Chatter-pie = klapekster (ook fig.); Chatterer = babbelaar.

Chattiness, tšatinəs, babbelzucht; Chatty, Zie Chat.

Chaucer, tšôsə; adj. Chaucerian.

Chauffer, tšôfə, klein draagbaar fornuis.

Chauvinism, šouvinizm, chauvinisme.

Chaw, tšô, kauwen; (Chaw up) afwijzen, zijn vet geven (Amer.).

Chaw-bacon, tšôbeik’n, pummel.

Chaworth, tšôwəth.

Cheap, tšîp, goedkoop, van weinig waarde; onlekker: Dog-(Dirt-)cheap = As cheap as dirt = spotgoedkoop; A man feels cheap in such a case = ellendig, nietswaardig; To get (come) off cheap(ly) = er blauw afkomen; To hold cheap = geringschatten; To make (render) oneself cheap = zich weggooien; Cheapjack = marktschreeuwer; Cheap-trippers = reizigers met pleiziertreinen; Cheapen = afdingen, goedkoop worden, bekladden.

Cheat, tšît, bedriegen, beetnemen; subst. bedrieger, valsche speler: To cheat fatigue = verdrijven; To cheat one into the belief = wijsmaken; To cheat one out of = afzetten; To cheat at cards = valsch spelen.

Check, tšek, subst. schaak, belemmering, beteugeling, échec, cheque (Amer.), fiche (Amer.), berisping, verwijt, teleurstelling; controle, contremarque; geruite stof; schaak; Check verb. schaakmat zetten (fig.), tegenhouden, beteugelen, berispen, afstempelen, inschrijven (Amer.), laten schrikken (scheepst.); collationneeren, controleeren: He was dressed in a summer check = geruit pak; He handed in his checks = stierf; To keep a check upon = in toom houden; To put a check upon = beteugelen, intoomen; Check to the queen = schaak koningin; The king is checked (is in check) = is schaak; He checked himself = hield zich in; Check-book = controleboek, chequeboekje; Checkmate = subst. schaakmat, nederlaag; Checkmate verb. schaakmat zetten = To give checkmate; check-rail = rail, waardoor een trein op een ander spoor wordt gebracht; Check-rein = trens; Check-string = trekriem; Check-taker = controleur; Checked = geruit; Checker, subst. damsteen (Checkers = damspel), geruit uithangbord, herberg, controleur; Check verb. = Chequer; Checker-board = schaak(dam)bord; Checky = in kleine vierkantjes verdeeld.

Cheechee, tšîtšî = Eurasian.

Cheek, tšîk, subst. wang, kaak; brutaliteit; driestheid; Cheek verb. brutaliseeren: With the coolest cheek = zoo brutaal mogelijk; He has plenty of cheek = hij is zoo brutaal als de beul; Cheek by jowl (jole) = wang aan wang, zij aan zij, gemeenzaam; Cheek-bone = kaakbeen; Cheeky = brutaal.

Cheela, tšîla, Hindoesch leerling.

Cheep, tšîp, tsjilpen, piepen: Cheeper = jonge patrijs (veldhoen).

Cheer, tšîə, subst. stemming, blijdschap, onthaal, spijs, troost, gejuich, bijval; Cheer verb. aanmoedigen, opmonteren, (toe)juichen, moed vatten, opfleuren: The table was filled with good cheer = lekkere spijzen; Be of good cheer = wees goedsmoeds; What cheer? = hoe gaat het? To receive with cheers = met gejuich ontvangen; Three cheers for = driemaal “hoera” voor; The speech was cheered to the echo = werd daverend toegejuicht; Cheer up = schep moed; Cheerful = vroolijk; Cheerfulness = vroolijkheid; Cheeriness = opgeruimdheid; Cheerless = droevig, somber; Cheery = opgeruimd.

Cheese, tšîz, kaas; overdreven diepe buiging: She dropped him a cheese; Making cheeses = een meisjesspel; He would make me believe that the moon is made of green cheese = hij wilde mij knollen voor citroenen verkoopen; That is the cheese = dat is je ware; Nip cheeses = krenterige lui; Cheese-hopper, Cheese-mite = kaasmijt; Cheese-monger = kaaskooper; Cheese-paring = kaaskorst: Financial cheese-paring = krenterigheid; Cheese-press = kaaspers; Cheese-rennet = Lieve-vrouwe-bedstroo; Cheesy = kaasachtig; schoon, mooi.

Cheeta(h). tšîta, jachtluipaard (Brit. Ind.).

Cheetal, tšîtəl, gevlekt hert (Brit. Ind.).

Chela, kîlə, schaar van krabben of kreeften; Cheliferous, kilifərɐs, van scharen voorzien; Cheliform, kîliföm, schaarvormig.

Chelmsford, tše(l)mzfəd; Chelsea, tšelsî.

Cheltenham, tšeltən’m.

Chemical, kemik’l, scheikundig: Chemicals = chemicaliën; Chemico = scheikundig - -.

Chemise, šəmîz, (vrouwen)hemd; Chemisette, šemizet, chemiset.

Chemist, kemist, scheikundige, apotheker: Assistant in a chemist’s shop = apothekersbediende; Chemistry = scheikunde.

Chenille, šənîl, chenille.

Cheque, tšek, cheque: To give one a blank cheque = “Carte blanche” geven; Cheque-book = chequeboekje.

Chequer, tšekə, met ruitjes versieren, schakeeren: His has been a chequered life = veel bewogen leven.

Cherish, tšeriš, liefhebben, liefkoozen, koesteren, voeden: To cherish a secret = een geheim trouw bewaren.

Cheroot, (t)šərût, soort v. sigaar (manilla model).

Cherry, tšeri, subst. kers; adj. kerskleurig; van kersehout: Bob cherry = spelletje waarbij men een kers, waarvan men den steel tusschen de lippen neemt, zonder er met de handen aan te komen in zijn mond werkt; Cherry-cheeked apples = appels met roode wangen; Cherry-stone = kersepit.

Cherson, kɐ̂soun.

Chersonese, kɐ̂sənîz, kɐ̂sənîz, schiereiland.

Chert, tšɐ̂t, vuursteen, hoornsteen.

Cherub, tšerəb, cherubijn; Cherubic(al), tšərûbik(’l), engelachtig.

Chervil, tšɐ̂vil, kervel.

Cheshire, tšešə.

Chess, tšes, schaakspel: To play at chess = schaken; A game of chess = spel schaak; Chess-board; Chess-man = stuk; Chess-tournament = schaakwedstrijd.

Chest, tšest, subst. koffer, kist, kas, borstkas; Chest verb. opsluiten; met de borst tegenaan loopen: There was something on his chest = hij had iets op het hart; She heaved her chest = slaakte een zucht; Chest of drawers = latafel; Chest-foundered = dampig; Flat (feeble) chested.

Chestnut, tšesnət, subst. kastanje(boom); adj. kastanjekleurig: That is a chestnut = ouwe mop; To pull the chestnuts out of the fire for another.

Cheval, šəval: Cheval glass = toiletspiegel; Chevaux-de-frise = Spaansche ruiters, rij spijkers op een muur.

Chevalier, ševəlîə, ridder, cavalier, ruiter.

Cheverel, Cheveril, šev’ril, subst. bokje; zeemleer; adj. rekbaar (fig.).

Cheville, šəvil, vioolschroef; stopwoord.

Cheviot, tšiviət, tšîviət, tševiət, Cheviot-(schaap).

Chevron, ševr’n, chevron.

Chevrotain, ševrət(e)in, bisamhertje.

Cheyne, tšein, tšain.

Chew, tšû, kauwen, pruimen, overdenken (on, upon); subst. mondvol, pruim: To chew the cud = herkauwen; overleggen.

Chian, kaiən, van Chios.

Chiante, kianti, Tosc. roode wijn.

Chiaroscuro, kjâroskûrou.

Chibouk, Chibouque, tšibûk, Turksche pijp.

Chic, šîk, chic, chiek.

Chicago, šikâgou, šikôgou, šikeigou.

Chicane, šikein, subst. chicane; Chicane verb. chicaneeren; Chicanery = chicanes, haarklooverij.

Chichester, tšišəstə.

Chick, tšik, kuiken: bamboejalouzie (Brit. Ind.), snoes: He has neither chick nor child = kind noch kraai; Chickling = kuikentje; Chick-pea = keker; Chick-weed = gewone sterrenmuur.

Chickeen, tšikîn, 4 ropijen.

Chicken, tšik’n, kuiken: You must not count your chickens before they are hatched = je moet de huid niet verkoopen voor de beer gevangen is; Mother Carey’s chicken = stormzwaluw; iemand die altijd slecht weer heeft; Chicken-broth = kippesoep; Chicken-hearted = lafhartig; Chicken-pox = waterpokken; Chicken-rising apparatus = broedmachine.

Chicory, tšikəri, cichorei, suikerij: As much like a gentleman as chicory is like coffee.

Chide, tšaid, beknorren, berispen, twisten, kijven.

Chief, tšîf, adj. voornaamste, hoogste, opperste; subst. hoofd, bevelhebber: Command(er) in Chief = opperbevel(hebber); To hold land in chief = land onmiddellijk in leen hebben van den souverein; Chief-baron = president van het vroegere Court of Exchequer; Lord Chief-justice = President van de King’s Bench Division van het Hooggerechtshof; Chiefly = voornamelijk; Chieftain = hoofd, aanvoerder; Chieftaincy, Chieftainry, Chieftainship = leiderschap.

Chiffonier, šifənîə, voddenraper; chiffonière.

Chignon, šinjon, chignon.

Chikara, tšikâra, Bengaalsche antiloop.

Chilblain, tšilblein, builen aan handen en voeten door de koude.

Child, tšaild (Meerv. Children, tšildr’n), kind: The child is father of (to) the man = zoo kind, zoo man; This child = mijn persoontje (Amer.); From a child = van kindsbeen af; With child = zwanger; Childbearing = baren; In childbed = in het kraambed; Childbirth = bevalling; Childermasday, tšaildəmasdei, herdenking (in de Eng. Kerk) van den kindermoord (28 December); Child’s-play = kinderspel (ook fig.); Childhood = kindsheid; Second childhood = kindschheid; Childing = kinderen barend; Childish, Childlike, Childishminded = kinderlijk, kinderachtig; Childishness = kinderlijkheid.

Childe, tšaild, jonker.

Chili, tšili; Chilian, tšilj’n, Chiliaan(sch).

Chiliad, kiliad, duizend jaren.

Chill, tšil, kil, koel, koud, ontmoedigend; subst. koude rilling, koude, koudheid; Chill verb. koud maken (worden), verstijven, ontmoedigen, temperen, huiveren: To catch a chill = een bekleuming opdoen; To take the chill off = laten beslaan; Chill(i)ness = koude, etc.; Chilling blast = snijdende wind; Chilly = kil, kleumsch; onhartelijk.

Chiltern Hundreds, tšiltənhɐndridz, Domeingoederen in Bucks. en Oxfords., waarover het nominale rentmeesterschap wordt gegeven aan een parlementslid, dat aftreden wil, daartoe niet het recht heeft, doch als Steward hiertoe verplicht is.

Chimb, tšaim, kim van een vat.

Chime, tšaim, klokkenspel (Chimes = carillon, melodie), rhythmus, harmonie, kim; Chime verb. harmonisch luiden (klinken), harmonieeren, instemmen, invallen (in); overeenstemmen (with).

Chimera, kai- of kimîrə, Chimaera; schrikbeeld; hersenschim; Chimeric(al) = hersenschimmig.

Chimere, šimîə, tšimə, wit opperkleed van een bisschop.

Chimney, tšimni, schoorsteen, lampeglas: The chimney smokes = de schoorsteen rookt, de lamp walmt; Chimney-cap = gek; Chimney-corner = hoekje v. d. haard; Chimney-hook = ketelhaak, vuurhaak; Chimney-money = belasting op schoorsteenen; Chimney-piece = schoorsteenmantel; Chimney-pot = schoorsteenpot; kachelpijp (fig.) = Chimney-pot (silk) hat; Chimney-shaft = deel van den schoorsteen boven het dak; Chimney-sweep(er) = schoorsteenveger.

Chimpanzee, tšimpanzî, tšimpanzî, chimpansé.

Chin, tšin, kin: To thrust the chin into the neck = den neus in den wind steken; Up to the chin = tot over de ooren; Double chinned = met onderkin; Chin-music = gesnater; Chin-scale = (helm)ketting; Chin-strop = kinriem.

China, tšainə, China; porselein; adj. porseleinen: China-clay = porseleinaarde; Chinaman = Chinees; schip, dat op China vaart; China-orange = sinaasappel; China-shop = porseleinwinkel; Chinaware = porselein; Chinee = Chinees; Chinese, tšainîz, tšainîs, Chinees(ch), Chineezen: Chinese lantern = lampion.

Chinch, tšinš, graanworm; wandluis (Amer.).

Chinchilla, tšintšilə, chincilla (bont).

Chine, tšain, subst. ruggegraat, ruggestuk, rug; kloof.

Chink, tšiŋk, subst. spleet, reet; gerinkel; geld; Chink verb. stoppen; rinkelen.

Chinka, tšinka, soort hangende brug (Brit. Ind.).

Chintz, tšints, sits.

Chios, kaios.

Chip, tšip, subst. brokje, splintertje, spaan, afval (= Chips), soort hoed van gevlochten bast; Chip verb. stuk snijden, bekappen, afbreken, afschilferen, afbrokkelen, openspringen: He is a chip of the old block = hij heeft een aardje naar zijn vaartje; Not to care a chip for = geen lor geven om; A little chip of an old lady = een oud dametje; From chipping comes chipping = men hakt geen hout of er vallen spaanders; Chip-axe = timmermansbijl, snik, houweel.

Chippendale, tšipəndeil, een meubelmaker uit het midden van de 18de eeuw.

Chippy, tšipi, katterig.

Chirk, tšɐ̂k, levendig, vroolijk; Chirk verb. tjilpen (Amer.).

Chiropodist, Chiropedist, kairopədist, spécialist voor ziekten aan handen of voeten; likdoornsnijder.

Chirp, tšɐ̂p, tjilpen, kweelen; subst. gekweel, getjilp; Chirper.

Chirr, tšɐ̂, kirren.

Chirrup, tširəp, verb. tjilpen, opvroolijken; interj. allo! Chirruppy = levendig, opgewekt.

Chirurgeon, kairɐ̂dž’n, wondheeler, chirurg.

Chisel, tšiz’l, subst. beitel; Chisel verb. beitelen, uitbeitelen, beeldhouwen; bedriegen.

Chisholm, tšiz’m, Chislehurst, tšiz’lhɐ̂st; Chiswick, tšizik.

Chit, tšit, kind, klein nest, jong ding: A chit of a child; A little chit of a nurse-girl; Chitty = klein en mager, kinderachtig; subst. brief, pas.

Chit-chat, tšitšat, gekeuvel, gebabbel, praatjes.

Chitter, tšitə, huiveren, rillen, klapperen (van tanden).

Chitterlings, tšitəliŋz, varkensdarmen.

Chivalresque, šiv’lresk = Chivalric, šiv’lrik, šivalrik = Chivalrous = ridderlijk; Chivalry, šiv’lri, ridderschap, ridderlijkheid.

Chiv(e)y, tšivi, (op)jagen.

Chloe, kloui.

Chloral, klôr’l, chloraal; Chloral-eater = aan ’t gebruik van chloraal verslaafde; Chloralism = vergiftiging door onmatig gebruik van chloraal.

Chlorine, klôr(a)in, chloor; adj. groen.

Chloroform, klôrəföm, chloroform; Chloroform verb. chloroformiseeren.

Chlorosis, klərousis, bleekzucht; Chlorotic = bleekzuchtig.

Chock, tšok, klos; Chock verb. vastzetten.

Chock, tšok: Chock-a-block = Chockful = stikvol.

Chocolate, tšokəlit, subst. chocolade; adj. chocoladekleurig: Chocolate-cake = koekje; Chocolate-creams = pralines; Chocolate-drop = flikje.

Choice, tšôis, subst. keus, keur, assortiment; adj. uitgelezen, keurig; For choice = bij voorkeur; To make choice = kiezen (of); To have (make, take) one’s choice = een keus doen; To have Hobson’s choice = van den nood eene deugd moeten maken; Choiceness = uitgelezenheid.

Choir, kwaiə, subst. koor, zangkoor; Choir verb. in koor zingen; Choir-screen = koorhek.

Choke, tšouk, worgen, verstikken, naar adem snakken, stikken; verstoppen, versperren (up); remmen: To choke off = door worgen dwingen tot loslaten, smoren, den mond snoeren, afschrikken, remmen; subst. baard van de artisjok; snik; Choke-damp = stiklucht, mijngas; Choke-pear, Choke-plum (= Choker) = aftroeving; Chokeweed = bremraap; Chokeful = stikvol; Chokers = witte das, vadermoorders (fig.): White chokers = geestelijken, kellners; A speckled choker = hooge das met stippels; Choky, verstikkend.

Choler, kolə, gal; toorn; Choleric, kolərik, galzuchtig, opvliegend.

Cholera, kolərə, cholera; Cholerine, kolər(a)in, cholerine.

Cholmondeley, tšɐmli.

Choltri, tšoultri, herberg (Brit. Ind.).

Choose, tšûz, kiezen, verkiezen, uitkiezen, liever hebben (Choose rather): There is not much to choose between them = ’t is één pot nat; I cannot choose but say = ik kan het niet helpen, maar....

Chop, tšop, subst. cotelet of ribbetje, houw, korte golfslag, stempel, douanebiljet, kwaliteit; Chop verb. afkappen, kappen, hakken, voortdurend veranderen; Chops = kinnebak, bek, monding: Chops and changes = wisselingen; To chop and change = koopen en verkoopen; voortdurend veranderen; To chop logic = redekavelen; Chop-fallen (Zie Chap-fallen); Chop house = gaarkeuken; Chop-sticks = eetstokjes; Chopper = hakmes: Logic chopper = wauwelaar; Chopping = flink, kort (van golfslag), plotseling omslaand (wind); Chopping-block = hakbord; Chopping-knife = hakmes; Choppy = vol barsten; onstuimig.

Chopin, tšopin, oude vochtmaat 0,85 L. (Schot.) 0,23 L. (Eng.).

Choral, kôr’l, tot een koor behoorend, in koor gezongen; Chorale, kərâl, koraal.

Chord, köd, subst. snaar, pees, accoord, koorde; Chord verb. besnaren.

Chore, tšö huiswerk (Amer.). Zie Chare.

Chorea, kərîə, St. Vitusdans.

Chorister, koristə, koorzanger, leider van een kerkkoor (Amer.).

Chortle, tšöt’l, grinniken.

Chorus, kôrəs, koor, refrein; Chorus verb. in koor zingen.

Chose, šouz, zaak (jur.).

Chose, tšouz, imperf. van To choose; Chosen, part, van To choose: My chosen friend = boezemvriend.

Chough, tšɐf, kauw.

Choultry, tšoultri, tšaultri, herberg (Brit. Ind.).

Chouse, tšaus, bedrog; Chouse verb. bedriegen; Chouser = bedrieger.

Chow-chow, tšautšau, subst. Chineesche maaltijd; soort mixed pickles; adj. vermengd.

Chowder, tšaudə, subst. gerecht, bestaande uit visch, varkensvleesch en scheepsbeschuit; een picnic waarbij dit de hoofdschotel is; Chowder-headed = dom, suf.

Chowree, Chowry, tšauri, vliegenwaaier (Brit. Ind.).

Chrestomathy, krəstoməthi, bloemlezing.

Chrism, krizm, heilige olie; Chrismation = toediening van het oliesel; Chrismatory = fleschje met gewijde zalfolie.

Chrisom, kriz’m, doek, gezalfd met heilige olie, en den kinderen bij het doopen op het hoofd gelegd; doopkleed, pasgedoopt kind; kind, dat binnen eene maand na den doop sterft.

Christ, kraist, Christus; Christ-cross-row, kriskrosrou, ’t alphabet; Christen, kris’n, doopen, noemen; Christendom, kris’nd’m, Christenheid; Christian, kristj’n, subst. Christiaan; Christen; adj. Christelijk: Christian era = Chr. jaartelling; Christian name = doopnaam; Christianity, krist’janiti, Christendom; Christianize = bekeeren.

Christmas, krisməs, subst. Kerstmis; adj. tot het Kerstfeest behoorende: Christmas-box, krisməsboks, kerstgeschenk; Christmas-carol, krisməskar’l, kerstzang; Christmas-day = Kerstdag, Kerstfeest; Christmas-eve, krisməzîv, (de avond van) 24 December; Christmas-flower = Christmas-rose = helleborus, zwarte nieswortel; Christmas-tide = Kersttijd; Christmas(s)y = kerstfeestachtig.

Christina, kristînə.

St. Christopher, s’ntkristəfə.

Chromatic, krəmatik, chromatisch: Chromatics = kleurenleer; Chromatic scale = chromatische toonladder.

Chrome, kroum, Chromium, kroumjəm, chromium.

Chromolithography, krouməlithogrəfi, chromolithographie = Chromo: You will find insurance chromos in all my rooms = gekleurde platen van levensverzekeringmaatschappijen.

Chronic, kronik, chronisch; Chronical = tijdelijk.

Chronicle, kronik’l, subst. kroniek; Chronicle verb, boekstaven; Chronicler = kroniekschrijver; Chronologic(al) = chronologisch; Chronology, krənolədži, chronologie.

Chronometer, krənomətə, chronometer.

Chrysalis, krisəlis (Meerv. Chrysalides, krisalidîz) pop (van een vlinder).

Chrysolite, krisəlait, chrysoliet.

Chub, tšɐb, wimber.

Chubbiness, tšɐbinəs, dikwangigheid, molligheid; adj. Chubby.

Chubb-lock, tšɐblok, slot, naar een bekend slotenmaker, Chubb, genoemd.

Chuck, tšɐk, subst. geklok, lieverd, aai (onder de kin), worp (tot op kleinen afstand); Chuck verb, klokken, roepen, aaien, gooien, er uit gooien (out): To chuck the whole business (thing) = er den brui van geven, met iets uitscheiden; To chuck under the chin = strijken; To chuck up the sponge = zich gewonnen geven; Chuck-farthing = subst. een spel, waarbij centen in een kuil worden geworpen: To play chuck-farthing with = weggooien, op ’t spel zetten; adj. ondoordacht: Chuck-farthing politics.

Chuckle, tšɐk’l, subst. klokken, gegrinnik; Chuckle verb, klokken, kakelen, liefkoozen, grinniken: To chuckle up (in) one’s sleeve = in zijn vuistje lachen; Chuckle-head = domkop; Chuckle-headedness = domheid.

Chudleigh, tšɐdli.

Chum, tšɐm, subst. contubernaal, kameraad, intieme vriend; Chum verb. met iemand samen eten of wonen; Chummy = intiem, gezellig.

Chump, tšɐmp, subst. houtblok; kop, schaapskop (fig.): He’s off his chump = niet recht snik; Chump verb. eten kauwen.

Chunam, tšunâm, kalk ter bestrijking der in sirihbladeren gewikkelde areka.

Chunk, tšɐŋk, brok, klomp: We’ve cut off a bigger chunk than we can chew = onze oogen waren grooter dan onze maag; Chunky = kort en dik.

Chupatti, tšûpati, ongezuurde koek (Brit. Ind.).

Chuprassy, tšûprasi, boodschaplooper (Brit. Ind.).

Church, tšɐ̂tš, subst. kerk, de geestelijkheid; ook verb.: To be churched = den kerkgang doen; in de kerk genoemd worden bij wijze van afkeuring (Amer.); Anglican Church = Church of England; Broad church = kerk met meer liberale leerstellingen; High church = Angl. kerk; Low church = het Calvinistisch gezinde gedeelte der Angl. Church; To be at (in) church; To attend church = bijwonen; To go to church; He was as fast asleep as a church = hij sliep zeer vast, als een marmot; They were asked in church = zij stonden onder de geboden; Church-burial = begrafenis naar den ritus der kerk; Church-goer = kerkganger; Church-living = prebende, predikantsplaats; Churchman = geestelijke; lid van de Angl. kerk; Church-music = koraalmuziek; Church-rate = kerkbelasting; Churchwarden = kerkmeester, kerkvoogd; lange pijp; Churchyard = kerkhof; Churching = kerkgang na bevalling; Churchy = kerksch.

Churl, tšɐ̂l, landman, vlegel, vrek; Churlish = boersch, lomp, vrekkig.

Churn, tšɐ̂n, subst. karn; Churn verb. karnen, krachtig roeren, koken of zieden.

Chute, šût, vangzeil (= Canvass chute), goot, stroomversnelling; opening in een dam voor vlotten (Amer.).

Chutnee, Chutney, tšɐtni, Ind. kruiderij.

Chyle, kail, chijl.

Chyme, kaim, chym of spijspap.

Ciborium, sibôrj’m, ciborie, hostiekastje, hostievaas.

Cicada, sikeidə, cicade, zingende krekel, soms sprinkhaan = Cicala, sikâlə.

Cicatrice, sikətris, litteeken, nerf. Zie Cicatricle.

Cicatricle, sikətrik’l, nerf; hanetred.

Cicatrix, sikeitriks, sikətriks, litteeken, nerf; Cicatrization = vergroeiing; Cicatrize = vergroeien.

Cicero, sisərou; Ciceronian, Ciceroniaansch.

Ciceron(e), tšitšərouni, sisərouni = cicerone.

Cichory, sikəri; Zie Chicory.

Cicuta, sikjûtə, dolle kervel, waterscheerling.

Cid, sid, opperhoofd, aanvoerder (Spaansch).

Cider, saidə, cider, appelwijn.

Cigar, sigâ, sigaar; Cigar-box = kistje; Cigar-case = koker; Cigar-cutter = knipper; Cigar-divan = rooksalon, waar men voor 1 sh. een sigaar en een kop koffie krijgt; Cigar-factory = fabriek; Cigarette, sigəret, cigarette.

Cilia, siljə, oogharen; Ciliate(d), met wimpers; Ciliary, wimper - -.

Cimbric, simbrik, Kimbrisch(e taal.)

Cimmerian, simîrj’n: Cimmerian darkness = uiterste duisternis.

Cinchona, sinkounə, kinaboom.

Cincinnati, sinsinâti, sinsinati.

Cincture, sinktjə, gordel, band; Cincture verb. omgorden.

Cinder, sində, sintel, slak: Yours to a cinder = tot mijn laatsten snik; Cinder-pail = doofpot; Cinder-woman (Cinder-wench) = kolenraapster; Cindery = slakvormig.

Cinderella, sindərelə, Asschepoetster (ook fig.): Cinderella’s glass slipper.

Cinematograph, s(a)inəmatəgraf, kinematograaf.

Cineraria, sinirêriə, cineraria.

Cinerary, sinərəri, subst. urn; adj. asch...: Cinerary-vase (Cinerary-urn).

Cingalese, siŋgəlîz, siŋgəlîs, Cingaleesch; subst. Cingalees.

Cinnabar, sinəbâ, cinnaber.

Cinnamon, sinəm’n, kaneel; Cinnamon-stick = pijpkaneel; Cinnamon-stone = kaneelsteen.

Cinque, siŋk, vijf: Cinquefoil = vijfvingerkruid; Cinque-ports = vijf havenplaatsen: Dover, Sandwich, Hastings, Romney en Hythe, waarbij later nog kwamen Winchelsea, Rye (en Seaford), onder bevel van den Lord Warden of the Cinque-ports, ter verdediging van de kust; het ambt is thans een sinecure.

Cipher, saifə, subst. de 0, cijfer, naamletter, cijferschrift; Cipher verb. berekenen, cijferen, ontcijferen, meeklinken: To be (stand for) a mere cipher = een nul in ’t cijfer zijn; What’s the cipher? = wat kost het? Cipher-key = sleutel; Ciphering-book = rekenboek.

Circassia, sɐ̂kašə, Circassië: Circassian = Circassiër; Circassisch.

Circe, sɐ̂sî, Circe; Circean, betooverend.

Circensian, sɐ̂senš’n, circus...

Circle, sɐ̂k’l, subst. cirkel, kring, omtrek, cirkelgang, rang, diadeem; Circle verb. zich in het rond bewegen, zwenken (v. cavalerie), omringen: To go round in a circle = in een kringetje ronddraaien (ook fig.); Circle-trains = ceintuurbanen; Circled in on all sides = rondom ingesloten; Circlet = cirkeltje, ringetje.

Circuit, sɐ̂kit, omloop, omtrek, geregeld bezoek of rondgang, (rechts)gebied, omweg: Circuit verb. zich in een kring bewegen; Ten miles in circuit = in omtrek; To make a circuit = omweg; To go the circuit = zijne tournée maken; To put in circuit, out of circuit = aansluiten (van telefoon, b.v.), in- uitschakelen; Circuitor = rondreizend inspecteur; Circuitous, sɐ̂kjûitəs, met een omweg; Circuity, sɐ̂kjûiti, kringloop, cirkelgang, omweg.

Circular, sɐ̂kjulə, subst. circulaire; adj. cirkelvormig, rond, rondgaand; Circular announcement (Circular letter) = circulaire; Circular letter of credit (Circular note) = kredietbrief: Circular-sailing = het zeilen langs den boog van een grooten cirkel; Circular ticket = rondreisbiljet; Circularity = rondheid; Circularize = circulaires zenden; Circulate = (laten) circuleeren, rondgaan, verkeeren; Circulating: Circulating decimal = repeteerende breuk; Circulating library = leenbibliotheek; Circulating medium = ruilmiddel; Circulation, circulatie, omloop: Circulation of the blood; Bank of circulation = girobank; Circulation of matter = stofwisseling; To be (To put) in circulation; Circulative = circuleerend; Circulator = repetent: Circulator of scandal = lastertong; Circulatory = circuleerend, rondtrekkend.

Circumambient, sɐ̂k’mambj’nt, omgevend; Circumambulate = rondwandelen; polsen; Circumambulation = rondgang, etc.; Circumbendibus = omweg.

Circumcise, sɐ̂k’msaiz, besnijden; Circumcision = besnijdenis.

Circumference, sɐ̂kɐmfər’ns, omtrek; adj. Circumferential.

Circumflex, sɐ̂k’mfleks, circonflex; rondbuigen, van een circonflex voorzien.

Circumfluent, sɐ̂kɐmfluent, omstròòmend.

Circumfuse, sɐ̂k’mfjûz, omgieten; Circumfusion = verbreiding (fig.).

Circumgyrate, sɐ̂k’mdžaireit, ronddraaien; Circumgyration = ronddraaiing.

Circumjacent, sɐ̂k’mdžeis’nt, omliggend, omgevend.

Circumlocution, sɐ̂k’mləkjûš’n, omschrijving; noodelooze omslag; Circumlocutory, sɐ̂k’mlokjutəri, omschrijvend.

Circumnavigable, sɐ̂k’mnavigəb’l, omvaarbaar; Circumnavigate = omvaren; Circumnavigation = òmvaring; Circumnavigator.

Circumpolar, sɐ̂k’mpoulə, om de pool.

Circumscribe, sɐ̂k’mskraib, omschrijven, beperken; Circumscription = begrenzing, beperking.

Circumspect, sɐ̂k’mspekt, omzichtig; Circumspection = omzichtigheid.

Circumstance, sɐ̂k’mst’ns, subst. omstandigheid, voorval, gebeurtenis, toestand; Circumstance verb.: To be circumstanced = in een bepaalden toestand zijn; Not a circumstance to = niets in vergelijking met (Amer.); Circumstantial, omstandig, toevallig: Circumstantial evidence = derivatief bewijs, bewijs door reductie; tegenover Direct evidence = blijk; Extenuating circumstances = verzachtende omstandigheden; Circumstantiate = omstandig meedeelen, verifieeren.

Circumvallation, sɐ̂k’mvəleiš’n, circumvallatie.

Circumvent, sɐ̂k’mvent, misleiden, bedriegen; Circumvention = bedrog; Circumventive = bedriegelijk.

Circumvolute, sɐ̂kɐmvəl(j)ût, omwikkelen. Circumvolution = omwikkeling.

Circus, sɐ̂kəs, circus: Circus-rider = paardrijder.

Cirencester, sisəstə.

Cirrose, sirous, Cirrous, sirəs, met ranken (vederwolken); Cirrus, sirəs (Mv. Cirri, sirai), hechtrank; vederwolk.

Cisalpine, sisalp(a)in, Cisalpijnsch.

Cisatlantic, sisətlantik; aan deze zijde van den Atlantischen oceaan.

Cispadane, siseid’n, sispədein, ten Z. van de Po.

Cis(sy), sis(i), verkorting van Cecily, sisili.

Cist, sist, kist; Keltisch graf.

Cistercian, sistɐ̂š’n, subst. Cistenciencer monnik; leerling van de Charterhouse School; adj. van een Cistercian.

Cistern, sistən, (vergaar)bak, put.

Cit, sit, burger, philister.

Citadel, sitədel, citadel.

Citation, saiteiš’n, dagvaarding; aanhaling; Letter Citatory = dagvaarding; Cite, sait, dagvaarden; aanhalen, aanvoeren; Citer = deurwaarder.

Cithara, sithərə, Cither(n), sithə(n), cither.

Citizen, sitiz’n, subst. burger; adj. burger—: The Citizen King; Citizen-soldier = burgermilitair; Citizenship = burgerrecht.

Citrin(e), sitrin, subst. citrin; adj. citroengeelkleurig.

Citron, citr’n, citroen(boom).

Citrus, sitrəs, lemoen.

City, siti, subst. groote stad (oorspronkelijk: bisschopsstad); handelswijk van Londen; in Amer. elke stad; de burgers; adj. stads—: Mr. A. of this city = de Heer A. alhier; City-article = beursbericht; City-bag = soort reistasch; City-fathers = de raad; City-hall = stadhuis; City-man = koopman; Cityfied = versteedscht.

Civet-cat, sivətkat, civetkat.

Civic, sivik, burger—: Civic crown = burgerkroon; Civic guard = burgerwacht; Civics = leer van de rechten en plichten eens burgers.

Civil, sivil, burger—, civiel, beschaafd, beleefd: Doing the civil to = beleefd zijn tegen; Civil death = verlies der burgerschapsrechten, afsterven van de wereld; Civil-engineer = civiel-ingenieur; Civil law = burgerl. recht; Civil list = civiele lijst; Civil servant = burgerlijk ambtenaar; Civil service = civiele dienst, burgerlijke ambtenaren; Civil-spoken = beleefd; Civilian, sivilj’n = professor in (beoefenaar van) ’t civiele recht; Civility, siviliti, beleefdheid, beschaafdheid; Civilities = attenties; Civiližation, beschaving; Civilize = beschaven, civiliseeren.

Clabber, klabə: Bonny clabber, subst. dikke, zure melk; Clabber verb. klonteren (Amer.).

Clack, klak, subst. geklepper, klepper, geratel (fig.), klik, klep, babbelaar: Clack verb. klappen, snappen, kakelen, klappeien: He clacked his whip; Clack-box = ventiel; Clack-dish = doos of bord met beweegbaar deksel van de vroegere bedelaars.

Clad, klad, gekleed; bevredigd.

Claim, kleim, subst. aanspraak, eisch, concessie aanvraag, stuk land, dat een kolonist productief maakt om het zoo mogelijk te koopen; Claim verb. aanspraak maken op, eischen: He claims kindred with us = zegt dat hij familie van ons is; To enter (To make, put in) a claim = eisch instellen; To give up (renounce, waive) a claim = laten varen; To lay claim to = aanspraak maken op; Claim-jumper = iemand die een stuk land in bezit neemt, waarop een ander een vroeger recht heeft; Claimant, eischer, pretendent.

Clair, klêə: The telegram was sent en clair = open besteld.

Clam, klam, subst. naam van allerlei soorten mossels (mantelschelpen, stroommossels, zoetwatermossels) mond, domkop (Amer.); nijptang, schroef; sabel van Harlekijn: He shut up like a clam (Amer.) = zweeg als een mof; Clam-bake = clams (gapers en venusschelpen) gebakken op heete steenen met laagjes aardappelen, visch en maïs; picnic waarbij dit het hoofdgerecht is (Amer.); If it isn’t true, I am a clam-shell = ben ik “ik weet niet wat”; Shut your clam-shell = houd je mond.

Clam, klam, klamheid; honger; adj. klam, Clam verb. besmeren, verstoppen; kleven; hongerlijden.

Clamber, klambə, klouteren.

Clamorous, klamərɐs, luidruchtig, tierend, schreeuwend; Clamour, klamə, subst. getier, luidruchtigheid; weeklacht; Clamour verb. luid schreeuwen, tieren, dringend eischen, klagen.

Clamp, klamp, subst. klamp; zware voetstap, hoop (steenen); Clamp verb. klampen, lasschen, zwaar stappen; Clamp-nails = klampnagels.

Clan, klan, stam, geslacht, kliek, secte: They clanned together = zij staken de hoofden bij elkaar; Clannish = aanhankelijk; Clannishness = aanhankelijkheid; Clanship = clan-schap; Clansman = lid van een clan.

Clandestine, klandestin, heimelijk, ongeoorloofd.

Clang, klaŋ, harde klank, gekletter, geraas; interj. kling! Clang verb. klinken, (laten) kletteren: A clanking noise = een kletterend, rammelend geraas.

Clap, klap, subst. slag, klap, flap, donderslag, handgeklap; Clap verb. klappen, knallen, tikken, kloppen, slaan (met iets plats), plotseling bijeendrijven, haastig dichtslaan, met kracht neerzetten, met handgeklap begroeten: He took a clap at me with his stick = sloeg naar mij; To clap eyes on a person = zien, ontmoeten; To clap hands = in de handen klappen; The chancellor of the Exchequer has clapped five shillings on champagne = gooide; He was clapped into a strait-waistcoat = hij kreeg een dwangbuis aan; He was clapped into prison, under lock and key = in de gevangenis gestopt; To clap on a dress = aanschieten; I’ll sell my boots, I believe and clap everything on = alles zetten op (wedden); He was clapped out of the room = gesloten; To clap spurs to a horse = de sporen geven; They clapped him up = in de gevangenis; The bargain was clapped up = plotseling gesloten; Clapboard = subst. kleine eikenh. duig; dakspaan (Amer.); Clapboard verb. met dakspanen bedekken (Amer.); Clap-bread = harde, dunne havermeelkoeken; Clap-dish, Zie Clack-dish; Clap-net = slagnet; Clap-trap = subst. kletspraat; bombast; adj. bedriegelijk; schoonklinkend; Clap display = knaleffect; Clapper = klepel, claqueur.

Clapper-claw, klapərklô, uitschelden, toetakelen, krabben.

Clara, klêrə, Clare, klêə, Clara, non (orde v. St. Clare).

Clarence, klar’ns, rijtuigje = coupé clarence.

Clarendon, klar’nd’n.

Clare-obscure, klêrobskjuə, clair-obscuur.

Spotted a typo or a problem in this chapter? Tell us