Woordenlijst voor de spelling der Nederlandsche Taal Met aanwijzing van de geslachten der naamwoorden en de vervoeging der werkwoorden (part 6 of 6)
Weerspannigheid, V.
Weerspiegelen, weerspiegelde, heeft weerspiegeld.
Weerstand, M.
Weerstroom, M.
Weerstuit, M.
Weersverandering, V., -veranderingen.
Weerszijden (Van - of Aan -).
Weertafel, V., -tafels.
Weertij, O., -tijen.
Weervloed, M.
Weervoorspeller, M., -voorspellers.
Weerwijs, -wijze.
Weerwijzer, M., -wijzers.
Weerwil, M. (In -).
Weerwolf, M., -wolven.
Weerwolfsziekte, V.
Weerziek, -zieker, -ziekst.
Weerzin, M.
Wees, M. en V., weezen. V. ook weeze. Weesje, O., -jes.
Weesburger, M., -burgers; V. -burgeres, -burgeressen.
Wees-gegroet, O.
Weeshuis, O., -huizen.
Weesje (prieeltje), O., -jes.
Weesjongen, M., -jongens.
Weeskamer, V., -kamers.
Weeskind, O., -kinderen.
Weesmeester, M., -meesters en -meesteren.
Weesmeisje, O., -meisjes.
Weesmoeder, V., -moeders.
Weesvader, M., -vaders.
Weet, V. Weetje, O.
Weetal, M. en V., weetallen.
Weetgierig, -gieriger, -gierigst.
Weetgierigheid, V.
Weetgraag, -grager, -graagst.
Weetlust, M.
Weetniet, M. en V., weetnieten.
Weeuw. Zie Weduwe.
Weeuwenaar. Zie Weduwnaar.
Weeuwenaarsbotje, O.
Weeuwenaarspijn, V.
Weeuwkrop, V., -kroppen.
Weeuwplant, V., -planten.
Weeuwtje. Zie Weduwe.
Weezenfonds, O., -fondsen.
Weg, M., wegen. Wegje, O., -jes.
Weg (bijw.).
Wegbannen, bande weg, heeft weggebannen.
Wegbergen, borg weg, heeft weggeborgen.
Wegbijten, beet weg, beten weg, heeft en is weggebeten.
Wegblazen, blies weg, bliezen weg, heeft weggeblazen.
Wegblijven, bleef weg, bleven weg, is weggebleven.
Wegboegseeren, boegseerde weg, heeft weggeboegseerd.
Wegborstelen, borstelde weg, heeft weggeborsteld.
Wegbranden, brandde weg, heeft en is weggebrand.
Wegbreken, brak weg, braken weg, heeft en is weggebroken.
Wegbreking, V.
Wegbrengen, bracht weg, heeft weggebracht.
Wegcijferen, cijferde weg, heeft weggecijferd.
Wegdampen, dampte weg, is weggedampt.
Wegdenken, dacht weg, heeft weggedacht.
Wegdieven, diefde weg, heeft weggediefd.
Wegdoen, deed weg, deden weg, heeft weggedaan.
Wegdooien, dooide weg, is weggedooid.
Wegdragen, droeg weg, heeft weggedragen.
Wegdraven, draafde weg, is weggedraafd.
Wegdrijven, dreef weg, dreven weg, heeft en is weggedreven.
Wegdringen, drong weg, heeft en is weggedrongen.
Wegdrogen, droogde weg, is weggedroogd.
Wegdruipen, droop weg, dropen weg, is weggedropen.
Wegdrukken, drukte weg, heeft weggedrukt.
Wegduiken, dook weg, doken weg, is weggedoken.
Wegduwen, duwde weg, heeft weggeduwd.
Wegdwalen, dwaalde weg, is weggedwaald.
Wegedoorn en Wegedoren, V.
Wegen, woog, wogen, heeft gewogen.
Wegens.
Weger (plank), M., wegers. Ook Weeger.
Wegeren, wegerde, heeft gewegerd. Ook Weegeren.
Wegering, V. Ook Weegering.
Wegfrommelen, frommelde weg, heeft weggefrommeld.
Weggaan, gaat weg, ging weg, is weggegaan.
Weggaloppeeren, galoppeerde weg, is weggegaloppeerd.
Wegge, V., weggen. Weggetje, O., -jes.
Weggeven, gaf weg, gaven weg, heeft weggegeven.
Weggieten, goot weg, goten weg, heeft weggegoten.
Wegglijden, gleed weg, gleden weg, is weggegleden.
Weggoochelen, goochelde weg, heeft weggegoocheld.
Weggooien, gooide weg, heeft weggegooid.
Weggraven, groef weg, groeven weg, heeft weggegraven.
Weggraving, V.
Weggrijpen, greep weg, grepen weg, heeft weggegrepen.
Weghakken, hakte weg, heeft weggehakt.
Weghakking, V.
Weghalen, haalde weg, heeft weggehaald.
Weghaling, V.
Wegharken, harkte weg, heeft weggeharkt.
Weghebben, heeft weg, had weg, hadden weg, heeft weggehad.
Weghelpen, hielp weg, heeft weggeholpen.
Weghouwen, hieuw weg, heeft weggehouwen.
Weghuppelen, huppelde weg, is weggehuppeld.
Wegijlen, ijlde weg, is weggeijld.
Weging, V., wegingen.
Wegjagen, jaagde weg, heeft weggejaagd; ook joeg weg.
Wegkaatsen, kaatste weg, heeft weggekaatst.
Wegkabbelen, kabbelde weg, heeft en is weggekabbeld.
Wegkankeren, kankerde weg, is weggekankerd.
Wegkankering, V.
Wegkapen, kaapte weg, heeft weggekaapt.
Wegknippen, knipte weg, heeft weggeknipt.
Wegkomen, komt weg, kwam weg, kwamen weg, is weggekomen.
Wegkrabbelen, krabbelde weg, heeft weggekrabbeld.
Wegkrabben, krabde weg, heeft weggekrabd.
Wegkrijgen, kreeg weg, kregen weg, heeft weggekregen.
Wegkrimpen, kromp weg, is weggekrompen.
Wegkruien, krooi weg, krooien weg, heeft en is weggekrooien; ook kruide weg, heeft en is weggekruid.
Wegkruipen, kroop weg, kropen weg, is weggekropen.
Wegkunnen, kan weg, kunnen weg, konde of kon weg, gij kondt weg, konden weg, heeft weggekund.
Wegkwijnen, kwijnde weg, is weggekwijnd.
Wegkwijning, V.
Weglaten, liet weg, heeft weggelaten.
Weglating, V., -latingen.
Wegleggen, legde weg en leide weg, heeft weggelegd en weggeleid.
Wegleiden, leidde weg, heeft weggeleid.
Wegleiding, V.
Weglokken, lokte weg, heeft weggelokt.
Wegloopen, liep weg, is weggeloopen.
Wegmaaien, maaide weg, heeft weggemaaid.
Wegmaaiing, V.
Wegmaken, maakte weg, heeft weggemaakt.
Wegmalen, maalde weg, heeft weggemalen.
Wegmaling, V.
Wegmarcheeren, marcheerde weg, is weggemarcheerd.
Wegmarcheering, V.
Wegmoffelen, moffelde weg, heeft weggemoffeld.
Wegmolmen, molmde weg, is weggemolmd.
Wegnemen, nam weg, namen weg, heeft weggenomen.
Wegneming, V.
Wegpakken, pakte weg, heeft weggepakt.
Wegpleisteren, pleisterde weg, heeft weggepleisterd.
Wegplukken, plukte weg, heeft weggeplukt.
Wegpraten, praatte weg, heeft weggepraat.
Wegraken, raakte weg, is weggeraakt.
Wegrapen, raapte weg, heeft weggeraapt.
Wegredeneeren, redeneerde weg, heeft weggeredeneerd.
Wegreizen, reisde weg, is weggereisd.
Wegrekenen, rekende weg, heeft weggerekend.
Wegrijden, reed weg, reden weg, heeft en is weggereden.
Wegroeien, roeide weg, heeft en is weggeroeid.
Wegroepen, riep weg, heeft weggeroepen.
Wegroesten, roestte weg, is weggeroest.
Wegrollen, rolde weg, heeft en is weggerold.
Wegrooven, roofde weg, heeft weggeroofd.
Wegrotten, rotte weg, is weggerot.
Wegrotting, V.
Wegruimen, ruimde weg, heeft weggeruimd.
Wegruiming, V.
Wegrukken, rukte weg, heeft en is weggerukt.
Wegschaven, schaafde weg, heeft weggeschaafd.
Wegschenken, schonk weg, heeft weggeschonken.
Wegschenking, V.
Wegscheppen, schepte weg, heeft weggeschept.
Wegscheren (scherende wegnemen), schoor weg, schoren weg, heeft weggeschoren.
Wegscheren (zich -), (wegpakken), scheerde zich weg, heeft zich weggescheerd.
Wegscheuren, scheurde weg, heeft en is weggescheurd.
Wegschieten, schoot weg, schoten weg, heeft en is weggeschoten.
Wegschillen, schilde weg, heeft weggeschild.
Wegschoffelen, schoffelde weg, heeft weggeschoffeld.
Wegschoppen, schopte weg, heeft weggeschopt.
Wegschrabben, schrabde weg, heeft weggeschrabd.
Wegschrapen, schraapte weg, heeft weggeschraapt.
Wegschrappen, schrapte weg, heeft weggeschrapt.
Wegschudden, schudde weg, heeft weggeschud.
Wegschuieren, schuierde weg, heeft weggeschuierd.
Wegschuilen, school weg, scholen weg, is weggescholen.
Wegschuimen, schuimde weg, heeft weggeschuimd.
Wegschuiven, schoof weg, schoven weg, heeft en is weggeschoven.
Wegschuiving, V.
Wegschuren, schuurde weg, heeft en is weggeschuurd.
Wegschuring, V.
Wegsijpelen, sijpelde weg, is weggesijpeld.
Wegsjouwen, sjouwde weg, heeft weggesjouwd.
Wegslaan, slaat weg, sloeg weg, heeft en is weggeslagen.
Wegsleepen, sleepte weg, heeft weggesleept.
Wegsleepend, -sleepender, -sleependst.
Wegslenteren, slenterde weg, is weggeslenterd.
Wegslijten, sleet weg, sleten weg, is weggesleten.
Wegslijting, V.
Wegslingeren, slingerde weg, heeft en is weggeslingerd.
Wegslinken, slonk weg, is weggeslonken.
Wegsluipen, sloop weg, slopen weg, is weggeslopen.
Wegsluiten, sloot weg, sloten weg, heeft weggesloten.
Wegsluiting, V.
Wegsmelten, smolt weg, is weggesmolten.
Wegsmelting, V.
Wegsmijten, smeet weg, smeten weg, heeft weggesmeten.
Wegsnappen, snapte weg, heeft en is weggesnapt.
Wegsnellen, snelde weg, is weggesneld.
Wegsnijden, sneed weg, sneden weg, heeft weggesneden.
Wegsnijding, V.
Wegsnoeien, snoeide weg, heeft weggesnoeid.
Wegsnoeiing, V.
Wegsnorren, snorde weg, is weggesnord.
Wegspatten, spatte weg, is weggespat.
Wegspoeden, spoedde weg, is weggespoed.
Wegspoelen, spoelde weg, heeft en is weggespoeld.
Wegspoeling, V.
Wegsporen, spoorde weg, is weggespoord.
Wegspringen, sprong weg, is weggesprongen.
Wegstappen, stapte weg, is weggestapt.
Wegsteken, stak weg, staken weg, heeft weggestoken.
Wegstelen, stal weg, stalen weg, heeft weggestolen.
Wegsterven, stierf weg, stierven weg, is weggestorven.
Wegstommelen, stommelde weg, heeft weggestommeld.
Wegstompen, stompte weg, heeft weggestompt.
Wegstoomen, stoomde weg, is weggestoomd.
Wegstooten, stiet weg, heeft weggestooten; ook stootte weg.
Wegstoppen, stopte weg, heeft weggestopt.
Wegstormen, stormde weg, heeft en is weggestormd.
Wegstrijken, streek weg, streken weg, heeft en is weggestreken.
Wegstrooien, strooide weg, heeft weggestrooid.
Wegstroopen, stroopte weg, heeft weggestroopt.
Wegstuiven, stoof weg, stoven weg, is weggestoven.
Wegsturen, stuurde weg, heeft weggestuurd.
Wegstuwen, stuwde weg, heeft weggestuwd.
Wegsukkelen, sukkelde weg, is weggesukkeld.
Wegtimmeren, timmerde weg, heeft weggetimmerd.
Wegtooveren, tooverde weg, heeft weggetooverd.
Wegtrappen, trapte weg, heeft weggetrapt.
Wegtrekken, trok weg, trokken weg, heeft en is weggetrokken.
Wegtroonen, troonde weg, heeft weggetroond.
Wegvallen, viel weg, is weggevallen.
Wegvaren, voer weg, heeft en is weggevaren.
Wegvegen, veegde weg, heeft weggeveegd.
Wegvijlen, vijlde weg, heeft weggevijld.
Wegvisschen, vischte weg, heeft weggevischt.
Wegvlieden, vlood weg, vloden weg, is weggevloden.
Wegvliegen, vloog weg, vlogen weg is weggevlogen.
Wegvloeien, vloeide weg, is weggevloeid.
Wegvluchten, vluchtte weg, is weggevlucht.
Wegvoeren, voerde weg, heeft weggevoerd.
Wegvoering, V.
Wegvreten, vrat weg, vraten weg, heeft en is weggevreten.
Wegwaaien, waaide weg, heeft en is weggewaaid; ook woei weg, woeien weg.
Wegwandelen, wandelde weg, is weggewandeld.
Wegwasschen, wiesch weg, wieschen weg, heeft weggewasschen.
Wegwedstrijd, M., -wedstrijden.
Wegwenschen, wenschte weg, heeft weggewenscht.
Wegwentelen, wentelde weg, heeft weggewenteld.
Wegwerken, werkte weg, heeft weggewerkt.
Wegwerker, M., -werkers.
Wegwerking, V.
Wegwerpen, wierp weg, heeft weggeworpen.
Wegwerping, V.
Wegwillen, wilde weg, heeft weggewild.
Wegwippen, wipte weg, is weggewipt.
Wegwisschen, wischte weg, heeft weggewischt.
Wegwrijven, wreef weg, wreven weg, heeft weggewreven.
Wegzagen, zaagde weg, heeft weggezaagd.
Wegzakken, zakte weg, is weggezakt.
Wegzeilen, zeilde weg, is weggezeild.
Wegzenden, zond weg, heeft weggezonden.
Wegzending, V.
Wegzetten, zette weg, heeft weggezet.
Wegzijgen, zeeg weg, zegen weg, is weggezegen.
Wegzinken, zonk weg, is weggezonken.
Wegzwemmen, zwom weg, zwommen weg, is weggezwommen.
Wegzweven, zweefde weg, is weggezweefd.
Wei (veld). Zie Weide.
Wei (hui), V.
Weiachtig, -achtiger, -achtigst.
Weiachtigheid, V.
Weide en Wei, V., weiden.
Weidegrond, M., -gronden.
Weiden (grazen en hoeden), weidde, heeft geweid.
Weider, M., weiders.
Weiderij, V., weiderijen.
Weiding, V., weidingen.
Weidmes en Weimes, O., -messen.
Weidsch, weidscher, meest weidsch.
Weidschheid, V.
Weifelaar, M., weifelaars en weifelaren.
Weifelachtig, -achtiger, -achtigst.
Weifelen, weifelde, heeft geweifeld.
Weifeling, V., weifelingen.
Weifelmoedig, -moediger, -moedigst.
Weifelmoedigheid, V.
Weigeld, O.
Weigeraar, M., weigeraars en weigeraren.
Weigerachtig, -achtiger, -achtigst.
Weigeren, weigerde, heeft geweigerd.
Weigerig.
Weigering, V., weigeringen.
Weigroen, O.
Weikaas, V., -kazen.
Weiland, O., -landen.
Weiman, M., -lieden en -lui.
Weimes. Zie Weidmes.
Weinig, minder, minst.
Weinigje, O.
Weit, V.
Weitasch, V., -tasschen.
Weitebrood, O., -brooden.
Weitekoek, M., -koeken.
Weitemeel, O.
Wekelijks (bijw.).
Wekelijksch (bnw.).
Wekken, wekte, heeft gewekt.
Wekker, M., wekkers. Wekkertje, O., -jes.
Wekkerklok, V., -klokken; -klokje, O., -jes.
Wekstem, V., -stemmen.
Wekster, V., weksters.
Wel, V., wellen. Welletje, O., -jes.
Wel, beter, best.
Welaan.
Welbearbeid.
Welbebouwd.
Welbedacht.
Welbegrepen.
Welbehaaglijk.
Welbehagen, O.
Welbeklant.
Welbekomen, O.
Welbekookt.
Welbemand.
Welbemind.
Welberaamd.
Welberaden.
Welbereid.
Welbespraakt, -bespraakter, -bespraaktst.
Welbespraaktheid, V.
Welbesteed.
Welbevolkt.
Welbewaakt.
Welbewerkt.
Welbewoond.
Welbezeild, -bezeilder, -bezeildst.
Welbezeildheid, V.
Welbezocht.
Welboot, V., -booten.
Weldaad, V., -daden.
Weldadig, -dadiger, -dadigst.
Weldadigheid, V., -heden.
Weldadigheidsbazar, M., -bazars.
Weldadigheidsconcert, O., -concerten.
Weldoen, doet wel, deed wel, deden wel, heeft welgedaan.
Weldoen, O.
Weldoener, M., -doeners.
Weldoenster, V., -doensters.
Weldoordacht.
Weldoorkneed, -doorknede.
Weldoortimmerd.
Weldoorvoed.
Weldra.
Weledel.
Weledelachtbaar.
Weledelgeboren.
Weledelgestreng.
Weledelheid, V., -heden.
Weledelzeergeleerd.
Weleer.
Weleerwaard.
Weleerwaardig.
Welfsel, O., welfselen en welfsels.
Welgaan, gaat wel, ging wel, heeft welgegaan.
Welgat, O., -gaten.
Welgeaard.
Welgeboren.
Welgebouwd.
Welgedaan, -gedaner, -gedaanst.
Welgedaanheid, V.
Welgegoed, -gegoeder, -gegoedst.
Welgegrond.
Welgelegen, -gelegener, -gelegenst.
Welgeliefd.
Welgelijkend.
Welgelukken, O.
Welgelukkig.
Welgelukzalig.
Welgemaakt, -gemaakter, -gemaaktst.
Welgemaaktheid, V.
Welgemanierd, -gemanierder, -gemanierdst.
Welgemanierdheid, V.
Welgemeend.
Welgemoed.
Welgemoedheid, V.
Welgemutst.
Welgeordend.
Welgeschapen.
Welgeslaagd.
Welgesteld, -gestelder, -gesteldst.
Welgesteldheid, V.
Welgetroffen.
Welgevallen, O.
Welgevallig, -gevalliger, -gevalligst.
Welgevalligheid, V.
Welgevormd.
Welgezind, -gezinder, -gezindst.
Welgezindheid, V.
Welgrond, M., -gronden.
Welhaast.
Welig, weliger, weligst.
Weligheid, V.
Welingericht.
Wel is waar.
Welk.
Welkom, meer - en meest -.
Welkomst, V.
Welkomstgroet, M., -groeten.
Welkomstlied, O., -liederen.
Welkomthuis (geschenk), O. Welkomthuisje, O., -jes.
Wellen (koken), welde, heeft geweld.
Wellen (smidsw.), welde, heeft geweld.
Wellen (opborrelen), welde, is geweld.
Wellevend, -levender, -levendst.
Wellevendheid, V.
Wellicht.
Welling, V., wellingen.
Welluidend, -luidender, -luidendst.
Welluidendheid, V.
Welluidendheidshalve.
Wellust, M., -lusten.
Wellusteling, M. en V., -lustelingen.
Wellustig, -lustiger, -lustigst.
Wellustigheid, V., -heden.
Welmeenend, -meenender, -meeendst.
Welmeenendheid, V.
Welnemen, O.
Welnu.
Welonderwezen.
Welopgevoed, -gevoeder, -gevoedst.
Welp, O., welpen. Welpje, O., -jes.
Welpomp, V., -pompen.
Welput, M., -putten.
Welriekend, -riekender, -riekendst.
Welriekendheid, V.
Welslagen, O.
Welsmakend.
Welsprekend, -sprekender, -sprekendst.
Welsprekendheid, V.
Welstaan, staat wel, stond wel, heeft welgestaan.
Welstaanshalve.
Welstand, M.
Welste (Van je -).
Weltevreden.
Welvaart, V.
Welvaren, O.
Welvaren, voer wel, heeft welgevaren.
Welvarend, -varender, -varendst.
Welvarendheid, V.,
Welven, welfde, heeft gewelfd,
Welverbonden.
Welvereenigd.
Welverschanst.
Welversierd.
Welversneden.
Welverstaande.
Welversterkt.
Welving, V., welvingen.
Welvoeglijk, -lijker, -lijkst.
Welvoeglijkheid, V., -heden.
Welvoorzien.
Welwater, O.
Welwijs, -wijze.
Welwillend, -willender, -willendst.
Welwillendheid, V., -heden.
Welzalig.
Welzand, O.
Welzijn, O.
Wem, M., wemmen.
Wemelen, wemelde, heeft gewemeld.
Wen, V., wennen. Wennetje, O., -jes.
Wen (voegw.).
Wenden, wendde, heeft gewend.
Wending, V., wendingen.
Wenk, M., wenken. Wenkje, O., -jes.
Wenkbrauw, V., -brauwen; -brauwtje, O., -jes.
Wenken, wenkte, heeft gewenkt.
Wennen, wende, heeft en is gewend.
Wensch, M., wenschen. Wenschje, O., -jes.
Wenschelijk, -lijker, -lijkst.
Wenschelijkheid, V.
Wenschen, wenschte, heeft gewenscht.
Wentelen, wentelde, heeft gewenteld.
Wenteling, V., wentelingen.
Wentelspil, V., -spillen.
Wentelsteen, M., -steenen.
Wentelstok, M., -stokken.
Wentelteefje, O., -teefjes.
Wenteltrap, V., -trappen.
Wenteltrapvormig.
Wepeldorenknop, M., -knoppen.
Wereld, V., werelden.
Wereldbeschouwing, V., -beschouwingen.
Wereldbol, M.
Wereldburger, M., -burgers.
Wereldburgerschap, O.
Werelddeel, O., -deelen.
Wereldgebeurtenis, V., -gebeurtenissen.
Wereldgeschiedenis, V.
Wereldgodsdienst, M., -godsdiensten.
Wereldkaart, V., -kaarten.
Wereldkampioenschap, O.
Wereldkennis, V.
Wereldkundig, -kundiger, -kundigst.
Wereldlijk.
Wereldling, M., en V., wereldlingen.
Wereldrond, O.
Werelds (bijw.).
Wereldsch (bnw.).
Wereldschgezind, -gezinder, -gezindst.
Wereldschgezindheid, V.
Wereldstad, V., -steden.
Wereldtaal, V., -talen.
Wereldtentoonstelling, V., -tentoonstellingen.
Wereldtooneel, O.
Weren, weerde, heeft geweerd.
Werf, V., werven, Werfje, O., -jes.
Werfbrief, M., -brieven.
Werfdepot, O., -depots
Werfgeld, O.
Werfhuis, O., -huizen.
Werfkantoor, O., -kantoren.
Werfofficier, M., -officieren en -officiers.
Wering, V.
Werk (arbeid, gewrocht), O., werken. Werkje, O., -jes.
Werk (vlas), O.
Werkbaas, M., -bazen.
Werkbank, V., -banken.
Werkbeest, O., -beesten.
Werkbij, V., -bijen.
Werkdadig, -dadiger, -dadigst.
Werkdadigheid, V.
Werkdag, M., -dagen.
Werkelijk.
Werkelijkheid, V.
Werkeloos, -looze.
Werkeloosheid, V.
Werken, werkte, heeft gewerkt; ook wrocht, heeft gewrocht.
Werker, M., werkers.
Werkezel, M., -ezels.
Werkgast, M., -gasten.
Werkgever, M., -gevers.
Werkheilig, -heiliger, -heiligst.
Werkheilige, M. en V., -heiligen.
Werkheiligheid, V.
Werkhuis, O., -huizen.
Werking, V., werkingen.
Werkinrichting, V., -inrichtingen.
Werkkamer, V, -kamers.
Werkkracht, V., -krachten.
Werkkring, M., -kringen.
Werkliedenverbond, O.
Werkloon, O., -loonen.
Werkloos, -looze.
Werkman, M., -lieden en -lui.
Werkmandje, O., -mandjes.
Werkmeester, M., -meesters.
Werkmeid, V., -meiden.
Werknemer, M., -nemers.
Werkpaard, O., -paarden.
Werkpak, O., -pakken; -pakje, O., -jes.
Werkplaats, V., -plaatsen.
Werkschort, O., -schorten
Werkstaker, M., -stakers.
Werkstaking, V., -stakingen.
Werkstellig.
Werkster, V., werksters.
Werkstoel, M., -stoelen.
Werkstuk, O., -stukken; -stukje, O., -jes.
Werktafel, V., -tafels; -tafeltje, O., -tafeltjes.
Werktijd, M., -tijden.
Werktuig, O., -tuigen; -tuigje, O., -jes.
Werktuigkunde, V.
Werktuigkundige, M., -kundigen.
Werktuiglijk, -lijker, -lijkst.
Werktuiglijkheid, V.
Werkuur, O., -uren.
Werkverschaffing, V.
Werkvolk, O.
Werkvrouw, V., -vrouwen.
Werkwoord, O., -woorden; -woordje, O., -jes.
Werkwoordelijk.
Werkzaam, -zamer, -zaamst.
Werkzaamheid, V., -heden.
Werkzijde, V., -zijden.
Werpanker, O., -ankers.
Werpdraad, M., -draden.
Werpen, wierp, heeft geworpen.
Werpgaren, O.
Werplijn, V., -lijnen.
Werplood, O.
Werpnet, O., -netten.
Werpschicht, M., -schichten.
Werpschijf, V., -schijven.
Werpspeer, V., -speren.
Werpspel, O., -spelen.
Werpspiets en Werpspies, V., -spietsen.
Werpstoot, M., -stooten.
Werptol, M., -tollen.
Werptros, M., -trossen.
Werptuig, O., -tuigen.
Werst, V., wersten.
Wervel, M., wervels en wervelen.
Wervelen, wervelde, heeft gewerveld.
Wervelwind, M., -winden.
Wervelziek, -zieker, -ziekst.
Werven, wierf, wierven, heeft geworven.
Werver, M., wervers.
Werving, V., wervingen.
Werwaarts.
Weshalve.
Wesp, V., wespen. Wespje, O., jes.
Wespenangel, M., -angels.
Wespenei, O., -eieren; -eitje, O., -eitjes en -eiertjes.
Wespennest, O., -nesten.
Wespesteek, M., -steken.
West (het Westen), O.; (Nederlands Westindische bezittingen), V.
West (bijw.).
Westeinde, O.
Westelijk, -lijker, -lijkst.
Westelijken, westelijkte, is gewestelijkt.
Westen, O.
Westenwind, M., -winden.
Westergang, V.
Westergoo, O.
Westergrens, V., -grenzen.
Westerhoek, M.
Westerkim, V.
Westerlengte, V.
Westerling, M. en V., westerlingen. V. ook westerlinge.
Westersch.
Westerzon, V.
Westfriesch.
Westfriesland, O.
West-Indië en Westinje, O.
Westindiëvaarder en Westinjevaarder, M., -vaarders.
Westindisch.
Westinje. Zie West-Indië.
Westland, O.
Westnoordwest (bijw.). Als znw., O.
Westvlaamsch.
Westvlaamsch, O.
West-Vlaanderen, O.
Westwaarts.
Westzuidwest (bijw.). Als znw. O.
Weswege.
Wet, V., wetten. Wetje, O., -jes.
Wetboek, O., -boeken.
Weten, wist, heeft geweten.
Weten, O.
Wetens. (Willens en -).
Wetenschap, V., -schappen.
Wetenschappelijk, -lijker, -lijkst.
Wetenschappelijkheid, V.
Wetenswaardig, -waardiger, -waardigst, of meer en meest -waardig.
Wetering, V., weteringen.
Wetgeleerde, M., -geleerden.
Wetgetrouw.
Wetgevend.
Wetgever, M., -gevers.
Wetgeving, V., -gevingen.
Wethouder, M., -houderen en -houders.
Wethouderschap (de wethouders), V., -schappen; (de waardigheid), O.
Wetplank, V., -planken.
Wetsartikel, O., -artikelen en -artikels.
Wetsbepaling, V, -bepalingen.
Wetschennis, V.
Wetsherziening, V., -herzieningen.
Wetsinterpretatie, V.
Wetsontwerp, O., -ontwerpen.
Wetsovertreding, V., -overtredingen.
Wetstaal, O., -stalen.
Wetsteen, M., -steenen.
Wetsverandering, V., -veranderingen.
Wetsvoorstel, O., -voorstellen.
Wetswijziging, V., -wijzigingen.
Wettelijk.
Wettelijkheid, V.
Wetteloos, -loozer.
Wetteloosheid, V.
Wetten, wette, heeft gewet.
Wettenverzameling, V., -verzamelingen.
Wettig, wettiger, wettigst.
Wettigen, wettigde, heeft gewettigd.
Wettigheid, V.
Wettiging, V., wettigingen.
Wettiglijk.
Wettisch.
Weveling, V., wevelingen.
Weven, weefde, heeft geweven.
Wever, M., wevers.
Weverij, V., weverijen.
Weversboom, M., -boomen.
Weversklos, M., -klossen.
Weversknoop, M., -knoopen.
Weversspoel, V., -spoelen.
Weving, V., wevingen.
Wezel, V., wezels. Wezeltje, O., -jes.
Wezen, was, waren, is geweest. (Verg. Zijn).
Wezen, O., wezens. Wezentje, O., -jes.
Wezenheid, V.
Wezenlijk, -lijker, -lijkst.
Wezenlijkheid, V.
Wezenloos, -loozer.
Wezenloosheid, V.
Wezenstrek, M., -trekken.
Whist (spel), O.; (maat, medehelper), M., whisten.
Whistavondje, O., -avondjes.
Whistclub, V., -clubs.
Whisten, whistte, heeft gewhist.
Whister, M., whisters.
Whistkaart, V., -kaarten.
Whistspel, O., -spellen.
Wichelaar, M., wichelaars en wichelaren.
Wichelaarskunst, V., -kunsten.
Wichelaarster, V., wichelaarsters.
Wichelarij, V., wichelarijen.
Wichelroede, V., -roeden.
Wicht (kind), O., wichten. Wichtje, O., -jes.
Wicht (gewicht), O., wichten. Wichtje, O., -jes.
Wichtig, wichtiger, wichtigst.
Wichtigheid, V.
Wie.
Wiebelen, wiebelde, heeft gewiebeld.
Wiedbaas, M., -bazen.
Wieden, wiedde, heeft gewied.
Wieder, M., wieders.
Wiedijzer, O., -ijzers.
Wiedloon, O., -loonen.
Wiedmes, O., -messen.
Wiedster, V., wiedsters.
Wiedvolk, O.
Wieg, V., wiegen. Wiegje, O., -jes.
Wiegekap, V., -kappen.
Wiegekleed, O., -kleeden; -kleedje, O., -jes.
Wiegekoord, O., -koorden.
Wiegelen, wiegelde, heeft gewiegeld.
Wiegelied, O., -liederen; -liedje, O., -jes.
Wiegeling, V., wiegelingen.
Wiegelstoel, M., -stoelen.
Wiegen, wiegde, heeft gewiegd.
Wiegetouw, O., -touwen.
Wiek (vlerk en lemmet), V., wieken. Wiekje, O., -jes.
Wiel, O., wielen. Wieltje, O., -jes.
Wieler, M., wielers.
Wielerbaan, V., -banen.
Wielersport, V.
Wielerwedstrijd, M., -wedstrijden.
Wielewaal, M., wielewalen.
Wieling, V., wielingen.
Wielrijden, O.
Wielrijder, M., -rijders.
Wielrijdersbond, M., -bonden.
Wielrijschool, V., -scholen.
Wieltros, M., -trossen.
Wier, O., wieren.
Wierig, wieriger, wierigst.
Wierigheid, V.
Wierook, M.
Wierookdamp, M., -dampen.
Wierooken, wierookte, heeft gewierookt.
Wierookgeur, M.
Wierookvat, O., -vaten.
Wiewauwen, wiewauwde, heeft gewiewauwd.
Wiewouter, M. Zie Vijfwouter.
Wig en Wigge, V., wiggen. Wigje en wiggetje, O., -jes.
Wiggebeen, O., -beenderen.
Wiggelen, wiggelde, heeft gewiggeld.
Wigvormig.
Wij.
Wijbisschop, M., -bisschoppen.
Wijbrood, O., -brooden.
Wijd, wijder, wijdst.
Wijdbeens.
Wijdberoemd.
Wijden (heiligen), wijdde, heeft gewijd.
Wijders.
Wijding, V., wijdingen.
Wijdloopig, -loopiger, -loopigst.
Wijdloopigheid, V.
Wijdluftig, -luftiger, -luftigst.
Wijdte, V., wijdten.
Wijdvermaard.
Wijf, O., wijven. Wijfje, O., -jes.
Wijfachtig, -achtiger, -achtigst.
Wijfjes. De diernamen, met wijfjes verbonden, als samenstellingen aan een te schrijven, b. v. wijfjesvos, wijfjesvink enz.
Wijk (vlucht), V.
Wijk (afdeeling eener gemeente), V., wijken.
Wijken, week, weken, is geweken.
Wijkgebouw, O., -gebouwen.
Wijkhuis, O., -huizen.
Wijkmeester, M., -meesters.
Wijkplaats, V., -plaatsen.
Wijkvereeniging, V., -vereenigingen.
Wijkverpleegster, V., -verpleegsters.
Wijkverpleging, V.
Wijkwast, M., -kwasten.
Wijkzuster, V., -zusters.
Wijl en Wijle (sluier), V., wijlen.
Wijl en Wijle (poos), V.
Wijl (voegw.).
Wijlen (bijw.).
Wijn, M., wijnen. Wijntje, O., -jes.
Wijnachtig, -achtiger, -achtigst.
Wijnappel, M., -appelen.
Wijnazijn, M.
Wijnberg, M., -bergen.
Wijnbouw, M.
Wijnbouwer, M., -bouwers.
Wijnflesch, V., -flesschen.
Wijngaard, M., -gaarden.
Wijngaardenier, M., -gaardeniers.
Wijngeest, M.
Wijnglas, O., -glazen.
Wijngrog, M.
Wijnhandel, M.
Wijnkaraf, V., -karaffen.
Wijnkelder, M., -kelders.
Wijnkelk, M., -kelken.
Wijnkenner, M., -kenners.
Wijnkooper, M., -koopers.
Wijnkooperij, V., wijnkooperijen.
Wijnlezen, O.
Wijnlezer, M., -lezers.
Wijnlezing, V., -lezingen.
Wijnmaand, V.
Wijnmaat, V., -maten.
Wijnoogst, M.
Wijnoogsten, O.
Wijnpakhuis, O., -pakhuizen.
Wijnpeiler, M., -peilers.
Wijnpers, V., -persen.
Wijnproef, V., -proeven.
Wijnproever, M., -proevers.
Wijnrank, V., -ranken.
Wijnroeien, O.
Wijnroeier, M., -roeiers.
Wijnsoep, V.
Wijnsteen (stofnaam), V.
Wijnsteenzuur, O.
Wijnstok, M., -stokken.
Wijnvat, O., -vaten.
Wijnverlater, M., -verlaters.
Wijnvervalscher, M., -vervalschers.
Wijnvlek, V., -vlekken.
Wijs (znw.). Zie Wijze.
Wijs, wijzer, wijst.
Wijsbegeerte, V.
Wijselijk.
Wijsgeer, M., -geeren. Wijsgeertje, O., -jes.
Wijsgeerig, -geeriger, -geerigst.
Wijsgeerigheid, V.
Wijsheid, V., -heden.
Wijshoofd, M. en V., -hoofden.
Wijsmaken, maakte wijs, heeft wijsgemaakt.
Wijsneus, M. en V., -neuzen; -neusje, O., -jes.
Wijsneuzig, -neuziger, -neuzigst.
Wijsvinger, M., -vingers.
Wijten, weet, weten, heeft geweten.
Wijting (visch), M., wijtingen; (als stofnaam), V.
Wijvenpraat, M.
Wijwater, O.
Wijwaterbakje, O., -jes.
Wijwaterkwast, M., -kwasten.
Wijwatervat, O., -vaten.
Wijze (persoon), M., wijzen.
Wijze en Wijs (manier, enz.), V., wijzen. Wijsje, O., -jes.
Wijzen, wees, wezen, heeft gewezen.
Wijzer, M., wijzers. Wijzertje, O., -jes.
Wijzerbarometer, M., -barometers.
Wijzerplaat, V., -platen.
Wijzigen, wijzigde, heeft gewijzigd.
Wijziging, V., wijzigingen.
Wik (bij het wegen), V., wikken.
Wik en Wikke (peulvrucht), V., wikken.
Wik (bijw.) (- of wak).
Wikgeld, O.
Wikkelen, wikkelde, heeft gewikkeld.
Wikken, wikte, heeft gewikt.
Wikkenstroo, O.
Wikking, V.
Wik-en-weegloonen (mv.), O.
Wil, M. Willetje, O.
Wild, wilder, wildst.
Wild, O.
Wildachtig.
Wildbraad, O.
Wilddief, M., -dieven.
Wilde, M. en V., wilden.
Wildebras, M. en V., -brassen.
Wildeling, M., wildelingen.
Wildeman (persoon), M., -mannen.
Wildeman (in de wapenkunde), M., -mans.
Wildernis, V., wildernissen.
Wildheid, V.
Wildpastei, V., -pasteien.
Wildschut, M., -schutten.
Wildvang, M., -vangen.
Wildvreemd.
Wildzang (gezang), M.
Wildzang (persoon), M. en V., -zangen.
Wilg, M., wilgen. Wilgje, O., -jes.
Wilgeblad, O., -bladen en -bladeren.
Wilgeboom, M., -boomen; -boompje, O., -jes.
Wilgeloot, V., -loten.
Wilgenbloesem, M.
Wilgenbosch, O., -bosschen.
Wilgenhout, O.
Wilgenlaan, V., -lanen.
Wilgenloover, O.
Wilgenzwam, V.
Wilgetak, M., -takken; -takje, O., -jes.
Willekeur, V.
Willekeurig, -keuriger, -keurigst.
Willekeurigheid, V., -heden.
Willeloos, -loozer.
Willeloosheid, V.
Willemsorde, V.
Willen, wil, wilde, heeft gewild.
Willens.
Willig, williger, willigst.
Willigen, willigde, is gewilligd.
Willigheid, V.
Wilskracht, V.
Wimpel, M., wimpels. Wimpeltje, O., -jes.
Wimpelman, M., -mannen.
Wimpelstok, M., -stokken.
Wimper, V., wimpers. Wimpertje, O., -jes.
Winbaar, -baarder, -baarst.
Wind (luchtstroom), M., winden. Windje, O., -jes.
Wind (windhond), M., winden.
Windas, O., windassen.
Windboom, M., -boomen.
Windbreken, O.
Windbrekend.
Windbreker, M., -brekers.
Windbrekerij, V., -brekerijen.
Windbuil, M., -builen; -builtje, O., -jes.
Winde, V., winden.
Windei, O., -eieren.
Windel, M., windels en windelen.
Winden, wond, heeft gewonden.
Winder, M., winders.
Winderig, winderiger, winderigst.
Winderigheid, V.
Windgat, O., -gaten.
Windhandel, M.
Windhoek, M., -hoeken.
Windhond, M., -honden.
Windhoos, V., -hoozen.
Windig, windiger, windigst.
Winding, V., windingen.
Windkant, M.
Windketel, M. -ketels.
Windmaker, M., -makers.
Windmolen, M., -molens.
Windreep, M., -reepen.
Windroer, O., -roeren.
Windroos, V., -rozen.
Windsel, O., windsels en windselen. Windseltje, O., -jes.
Windspaak, V., -spaken.
Windspil, V., -spillen.
Windstil.
Windstilte, V.
Windvaan, V., -vanen; -vaantje, O., -jes.
Windvang, M.
Windvlaag, V., -vlagen.
Windwaarts.
Windwerk, O.
Windwijzer, M., -wijzers.
Windzak, M., -zakken; -zakje, O., -jes.
Wingerd, M., wingerden en wingerds.
Wingewest, O., -gewesten.
Winkel, M., winkels. Winkeltje, O., -jes.
Winkelbediende, M., -bedienden.
Winkeldeur, V., -deuren.
Winkeldochter, V., -dochters.
Winkelen, winkelde, heeft gewinkeld.
Winkelhaak, M., -haken.
Winkelhuis, O., -huizen.
Winkelier, M., winkeliers.
Winkelierster, V., winkeliersters.
Winkeljuffrouw, V., -juffrouwen.
Winkelkast, V., -kasten.
Winkelknecht, M., -knechts.
Winkellade, V., -laden.
Winkelnering, V., -neringen.
Winkelraam, O., -ramen.
Winkelschuld, V.
Winkelsluiting, V.
Winkelstand, M., -standen.
Winkelvereeniging, V.
Winkelwaar, V., -waren.
Winkelzaak, V., -zaken.
Winket, O., winketten.
Winnaar, M., winnaars.
Winnen, won, wonnen, heeft gewonnen.
Winner, M., winners.
Winst, V., winsten. Winstje, O., -jes.
Winstbejag, O.
Winstderving, V., -dervingen.
Winst-en-verliesrekening, V.
Winstgevend.
Winter, M., winters. Wintertje, O., -jes.
Winteraardappelen (mv.), M.
Winterachtig, -achtiger, -achtigst.
Winteravond, M., -avonden.
Winterconcert, O., -concerten.
Winterdag, M., -dagen.
Winterdags.
Winterdienst, M., -diensten.
Winterdracht, V. -drachten.
Winteren, winterde, heeft gewinterd.
Wintergerst, V.
Wintergezicht, O., -gezichten; -gezichtje, O., -jes.
Wintergoed, O., -goederen.
Wintergroenten (mv.), V.
Winterhanden (mv.), V.
Winterhoed, M., -hoeden.
Winterjas, V., -jassen.
Winterkoninkje, O., -jes.
Winterkoren, O.
Winterkost, M.
Winterkoude, V.
Winterkwartier, O., -kwartieren.
Winterling, V.
Wintermaand, V., -maanden.
Wintermantel, M., -mantels.
Winternacht, M., -nachten.
Winterpaleis, O., -paleizen.
Winterprovisie, V.
Wintersch.
Winterseizoen, O.
Winterslaap, M.
Winterstof, V., -stoffen.
Winterteen (-toon). M., -teenen (-toonen).
Wintertering, V.
Wintertijd, M.
Wintertuin, M., -tuinen.
Winterverblijf, O., -verblijven.
Wintervermaak, O., -vermaken.
Wintervinger, M., -vingers.
Wintervoeten (mv.), M.
Wintervoorraad, M., -voorraden.
Winterweder en -weer, O.
Winterzon, V.; -zonnetje, O.
Winzucht, V.
Wip, M. (In een -).
Wip (werktuig), V., wippen. Wipje, O., -jes.
Wip (tusschenw.).
Wipbrug, V., -bruggen.
Wipgalg, V., -galgen.
Wiphout, O., -houten.
Wipmolen, M., -molens.
Wipneus (neus), M., -neuzen; -neusje, O., -jes.
Wipneus (persoon), M. en V., -neuzen.
Wippen, wipte, heeft - en is gewipt.
Wipper, M., wippers. Wippertje, O., -jes.
Wipperig, wipperiger, wipperigst.
Wipplank, V., -planken.
Wipstaart, M., -staarten.
Wiptrog, M., -troggen.
Wis, wisser.
Wisch (veegdoek), V., wisschen.
Wisch (twijg), V., wisschen. Wischje, O., -jes.
Wischdoek, M., -doeken.
Wiskunde, V.
Wiskundig.
Wiskundige, M. en V., -kundigen.
Wiskunst, V.
Wiskunstenaar, M., -kunstenaars.
Wiskunstig.
Wispelturig, -turiger, -turigst.
Wispelturigheid, V.
Wisschen, wischte, heeft gewischt.
Wisscher, M., wisschers.
Wisschersklos, M., -klossen.
Wisscherstouw, O., -touwen.
Wisse, V., wissen.
Wissel, M., wissels. Wisseltje, O., -jes.
Wisselaar, M., wisselaars en wisselaren.
Wisselagent, M., -agenten.
Wisselarbitrage, V.
Wisselbaar, -baarder, -baarst.
Wisselbank, V., -banken.
Wisselbrief, M., -brieven.
Wisselen, wisselde, heeft gewisseld.
Wisselgeld, O.
Wisselhandel, M.
Wisselhond, M., -honden.
Wisseling, V., wisselingen.
Wisselkans, V., -kansen.
Wisselkantoor, O., -kantoren.
Wisselkoers, M., -koersen.
Wisselkoorts, V., -koortsen.
Wisselmakelaar, M., -makelaars.
Wisselnoteering, V., -noteeringen.
Wisselpaard, O., -paarden.
Wisselplaats, V., -plaatsen.
Wisselrecht, O.
Wisselruiterij, V.
Wisselstand, M., -standen.
Wisselstroom, M.
Wisseltand, M., -tanden.
Wisselvallig, -valliger, -valligst.
Wisselvalligheid, V., -heden.
Wisselwachter, M., -wachters.
Wisselzegel, O., -zegels.
Wissewasje, O., wissewasjes.
Wit, witter, witst.
Wit (doel), O.
Witachtig, -achtiger, -achtigst.
Witbont.
Witgedast.
Witgepleisterd.
Witharig, -hariger, -harigst.
Witheer, M., -heeren.
Witheid, V.
Without, O.
Witje, O., -jes.
Witjes.
Witkalk, V.
Witkop (persoon), M. en V., -koppen; -kopje, O., -jes.
Witkop (vogel), M., -koppen.
Witkwast, M., -kwasten.
Witpoot, M., -pooten.
Wit-Rusland, O.
Witsel, O.
Witstaart, M., -staarten.
Wittebrood, O., -brooden; -broodje, O., -jes.
Wittebroodskind, O., -kinderen.
Wittebroodsweek, V., -weken.
Wittekool, V., -koolen.
Witten, witte, heeft gewit.
Witter, M., witters.
Witvisch, V.
Witwerk, O.
Witwerker, M., witwerkers.
Witwerkersgoed, O.
Witzijden (bnw.).
Woede, V.
Woeden, woedde, heeft gewoed.
Woedend, woedender, woedendst.
Woeker, M.
Woekeraar, M., woekeraars en woekeraren.
Woekeraarster, V., woekeraarsters.
Woekeren, woekerde, heeft gewoekerd.
Woekergeld, O.
Woekerhandel, M.
Woekerplant, V., -planten.
Woekerwinst, V., -winsten.
Woekerzucht, V.
Woelen, woelde, heeft gewoeld.
Woelgaren, O.
Woelgeest, M., -geesten.
Woelig, woeliger, woeligst.
Woeligheid, V.
Woeling, V., woelingen.
Woelsel, O.
Woelwater, M. en V., -waters.
Woelziek, -zieker, -ziekst.
Woensdag, M., -dagen.
Woensdagsch.
Woerd (eend). Zie Waard.
Woerd (waard, land), V., woerden.
Woerhaan, M., -hanen; -haantje, O., -jes.
Woerhen, V., -hennen; -hennetje, O., -jes.
Woest, woester.
Woestaard, M., woestaards.
Woestaardig, -aardiger, -aardigst.
Woesteling, M. en V., woestelingen. V. ook woestelinge.
Woestenij, V., woestenijen.
Woestheid, V., -heden.
Woestijn, V., woestijnen.
Woestijnbewoner, M., -bewoners.
Woestijnwind, M., -winden.
Wol, V., wollen. Wolletje, O., -jes.
Wolachtig, -achtiger, -achtigst.
Wolachtigheid, V.
Wolbaal, V., -balen.
Wolbereiden, O.
Wolf, M., wolven. Wolfje, O., -jes.
Wolfachtig.
Wolfram, O.
Wolfsangel, M., -angels.
Wolfsbalk, M., -balken.
Wolfsbezie, V., -beziën.
Wolfsboon, V., -boonen.
Wolfseinde, O., -einden.
Wolfsgebit, O., -gebitten.
Wolfsgras, O.
Wolfshond, M., -honden.
Wolfshonger, M.
Wolfshuid, V., -huiden.
Wolfsklauw (klauw), M. -klauwen.
Wolfsklauw (plant), V.
Wolfsklem, V., -klemmen.
Wolfskruid, O.
Wolfskuil, M., -kuilen.
Wolfsmelk (plant), V.
Wolfsmuil, M., -muilen.
Wolfspels, M., -pelzen.
Wolfstand, M., -tanden.
Wolfsvel, O., -vellen.
Wolfswortel, V.
Wolk, V., wolken. Wolkje, O., -jes.
Wolkaarden, O.
Wolkaarder, M., -kaarders.
Wolkachtig, -achtiger, -achtigst.
Wolkammen, O.
Wolkammer, M., -kammers.
Wolkbreuk, V., -breuken.
Wolkgevaarte, O., -gevaarten.
Wolkig, wolkiger, wolkigst.
Wolkruid, O.
Wollen (bnw.).
Wollenaaien, O.
Wollenaaister, V., -naaisters.
Wollig, wolliger, wolligst.
Wolligheid, V.
Wolmarkt, V.
Wolplukken, O.
Wolscheiden, O.
Wolspinnen, O.
Wolspinner, M., -spinners.
Wolspinnerij, V., -spinnerijen.
Wolspinster, V., -spinsters.
Wolvebeet, M., -beten.
Wolvedak, O., -daken.
Wolvenaard, M.
Wolvenjacht, V., -jachten.
Wolvenjager, M., -jagers.
Wolveprent, V., -prenten.
Wolverven, O.
Wolverver, M., -ververs.
Wolververij, V., -ververijen.
Wolvespoor, O., -sporen.
Wolvin, V., wolvinnen.
Wolwasschen, O.
Wolweven, O.
Wolwever, M., -wevers.
Wond, V., wonden. Wondje, O., -jes.
Wonden, wondde, heeft gewond.
Wonder, O., wonderen.
Wonderbaarlijk, -lijker, -lijkst.
Wonderboom, M., -boomen.
Wonderdadig, -dadiger, -dadigst.
Wonderdadigheid, V.
Wonderdier, O., -dieren.
Wonderdoend.
Wonderdoener, M., -doeners.
Wonderdokter, M., -dokters.
Wonderen, wonderde, heeft gewonderd.
Wondergroot, -groote.
Wonderkind, O., -kinderen.
Wonderklein.
Wonderlijk, -lijker, -lijkst.
Wonderlijkheid, V., -heden.
Wondermacht, V.
Wonderman, M., -mannen.
Wondermiddel, O., -middelen.
Wonderolie, V.
Wonderschoon, -schoone.
Wonderspreukig, -spreukiger, -spreukigst.
Wonderteeken, O., -teekenen.
Wonderverhaal, O., -verhalen.
Wonderwerk, O., -werken.
Wondheeler, M., -heelers.
Wondkoorts, V., -koortsen.
Wonen, woonde, heeft gewoond.
Woning, V., woningen. Woninkje, O., -jes.
Woninggids, M., -gidsen.
Woningkiezer, M., -kiezers.
Woon. Zie Metterwoon.
Woonachtig.
Woonhuis, O., -huizen.
Woonkamer, V., -kamers.
Woonplaats, V., -plaatsen.
Woonstede, V., -steden.
Woonvertrek, O., -vertrekken.
Woord (eend). Zie Waard.
Woord, O., woorden. Woordje, O., -jes.
Woordafleiding, V.
Woordbreker, M., -brekers.
Woordbreuk, V.
Woordelijk, -lijker, -lijkst.
Woordenaar, M., woordenaars.
Woordenboek, O., -boeken; -boekje, O., -jes.
Woordenboekschrijver, M., -schrijvers.
Woordenkeus V.
Woordenlijst, V., -lijsten; -lijstje, O., -jes.
Woordenpraal, V.
Woordenrijk, -rijker, -rijkst.
Woordenrijkheid, V.
Woordenschat, M.
Woordenspel, O.
Woordenstrijd, M.
Woordentwist, M.
Woordenwisseling, V., -wisselingen.
Woordenzifter, M., -zifters.
Woordschikking, V.
Woordspeling, V., -spelingen.
Woordverklaring, V., -verklaringen.
Woordvoerder, M., -voerders.
Woordvorming, V.
Worden, wordt, werd, is geworden.
Wording, V.
Worg, M.
Worgen en Wurgen, worgde (wurgde), heeft geworgd (gewurgd).
Worging en Wurging, V.
Worgkoord, O., -koorden.
Worgpaal, M., -palen.
Work, M., worken.
Worken, workte, heeft geworkt.
Worm en Wurm (diertje), M., wormen en wurmen. Wormpje en wurmpje, O., -jes. Verg. Wurm.
Wormachtig.
Wormer (naam van een polder), V.
Wormig, wormiger, wormigst.
Wormkoekje, O., -koekjes.
Wormkruid, O.
Wormstekig, -stekiger, -stekigst.
Wormstekigheid, V.
Worp, M., worpen.
Worst, V., worsten. Worstje, O., -jes.
Worstelaar, M., worstelaars en worstelaren.
Worstelen, worstelde, heeft geworsteld.
Worsteling, V., worstelingen.
Worstelkunst, V.
Worstelmeester, M., -meesters.
Worstelperk, O., -perken.
Worstelplaats, V., -plaatsen.
Worstelspel, O.
Worstelwedstrijd, M., -wedstrijden.
Worstelstrijd, M.
Worstenmaker, M., -makers.
Worstepen, V., -pennen.
Wort, O.
Wortel, M., wortels en wortelen. Worteltje, O., -jes.
Wortelboer, M., -boeren.
Wortelen, wortelde, is geworteld.
Wortelgrootbeid, V., -grootheden.
Wortelklinker, M., -klinkers.
Wortelloof, O.
Wortelteeken, O., -teekens.
Worteltrekken, O.
Worteltrekking, V., -trekkingen.
Wortelvorm, M., -vormen.
Woud, O., wouden.
Woudduif, V., -duiven.
Woudezel, M., -ezels.
Wouterman, M., -mans; -mannetje, O., -jes.
Wouw (vogel), M., wouwen.
Wouw (plant), V.
Wraak en Wrake, V.
Wraakbaar, -baarder, -baarst.
Wraakgierig, -gieriger, -gierigst.
Wraakgierigheid, V.
Wraakgodin, V., -godinnen.
Wraakgoed, O.
Wraaklust, O.
Wraakneming, V.
Wraakzucht, V.
Wraakzuchtig, -zuchtiger, -zuchtigst.
Wraddel, M., wraddels.
Wrak, wrakker, wrakst.
Wrak, O., wrakken.
Wraken, wraakte, heeft gewraakt.
Wrakheid, V.
Wraking, V., wrakingen.
Wrang, V., wrangen.
Wrang, wranger, wrangst.
Wrangheid, V.
Wrangkruid, O.
Wrat, V., wratten. Wratje, O., -jes.
Wratachtig, -achtiger, -achtigst.
Wrattenkruid, O.
Wrattig, wrattiger, wrattigst.
Wreed, wreeder, wreedst.
Wreedaard, M., wreedaards.
Wreedaardig, -aardiger, -aardigst.
Wreedaardigheid, V.
Wreedaardiglijk.
Wreedelijk.
Wreedheid, V., -heden.
Wreef, V., wreven.
Wreekster, V., wreeksters.
Wreken, wreekte, heeft gewroken.
Wreker, M., wrekers.
Wreking, V.
Wrenschen, wrenschte, heeft gewrenscht.
Wrevel, M.
Wrevelig, wreveliger, wreveligst.
Wreveligheid, V.
Wriemelen, wriemelde, heeft gewriemeld.
Wriggelen, wriggelde, heeft gewriggeld.
Wrijfbak, M., -bakken.
Wrijfborstel, M., -borstels.
Wrijfdoek, M., -doeken; -doekje, O., -jes.
Wrijfgoed, O.
Wrijfhout, O., -houten.
Wrijflap, M., -lappen; -lapje, O., -jes.
Wrijfmand, V., -manden.
Wrijfmolen, M., -molens.
Wrijfpaal, M., -palen.
Wrijfpakking, V.
Wrijfrol, V., -rollen.
Wrijfsel, O., wrijfsels.
Wrijfsteen, M., -steenen.
Wrijfster, V., wrijfsters.
Wrijfwas, O. en V.
Wrijten, wrijtte, heeft gewrijt.
Wrijter, M., wrijters.
Wrijven, wreef, wreven, heeft gewreven.
Wrijver, M., wrijvers.
Wrijving, V., wrijvingen.
Wrijvingssas, V., -sassen.
Wrikken, wrikte, heeft gewrikt.
Wrikriem, M., -riemen.
Wrikwiel, O., -wielen.
Wringen, wrong, heeft gewrongen.
Wringhaak, M., -haken.
Wringhout, O., -houten.
Wringing, V.
Wrocht. Zie Werken.
Wroegen, wroegde, heeft gewroegd.
Wroeging, V., wroegingen.
Wroeten, wroette, heeft gewroet.
Wroeter, M., wroeters.
Wrok, M.
Wrokken, wrokte, heeft gewrokt.
Wrokkig, wrokkiger, wrokkigst.
Wrong, V., wrongen. Wrongetje, O., -jes.
Wrongel, V.
Wrongstuk, O., -stukken.
Wuft, wufter, wuftst.
Wuftheid, V.
Wui, V., wuien. Wuitje, O., -jes.
Wuit, V., wuiten. Wuitje, O., -jes.
Wuiven, wuifde, heeft gewuifd.
Wuiving, V., wuivingen.
Wulf, O., wulven.
Wulk, V., wulken. Wulkje, O., -jes.
Wulp, M., wulpen.
Wulpsch, wulpscher.
Wulpschheid, V.
Wurg, M., wurgen.
Wurgdraad, M., -draden.
Wurgen. Zie Worgen.
Wurm (diertje). Zie Worm.
Wurm (stumper, sukkel), M., wurmen. Wurmpje, O., -jes.
Wurmen (moeite doen), wurmde, heeft gewurmd.
X
X, V., x-en.
Xantippe (booze vrouw), xantippes.
X-beenen (mv.), O.
X-stralen (mv.), M.
Z
Z. V., z's.
Zaad, O., zaden. Zaadje, O., -jes.
Zaadbakje, O., -bakjes.
Zaadhandelaar, M., -handelaars.
Zaadhuisje, O., -jes.
Zaadkorrel, V., -korrels.
Zaadleider, M., -leiders.
Zaadlob, V., -lobben.
Zaadwinkel, M., -winkels.
Zaadzolder, M., -zolders.
Zaag, V., zagen. Zaagje, O., -jes.
Zaagbek, M., -bekken.
Zaagbok, M., -bokken.
Zaagkruid, O.
Zaagkuil, M., -kuilen.
Zaagloon, O.
Zaagmachine, V., -machines.
Zaagmeel, O.
Zaagmolen, M., -molens.
Zaagmolenaar, M., -molenaars.
Zaagpeul, V., -peulen.
Zaagsel, O.
Zaagvijl, V., -vijlen.
Zaagvisch, M., -visschen.
Zaagvormig.
Zaaibaar, -bare.
Zaaibloem, V., -bloemen.
Zaaiboon, V., -boonen.
Zaaien, zaaide, heeft gezaaid.
Zaaier, M., zaaiers.
Zaaigoed, O.
Zaaiing, V., zaaiingen.
Zaaikoren, O.
Zaaikorf, M., -korven.
Zaailand, O., -landen.
Zaailing (zaaiplant), M., zaailingen.
Zaailing (hennep), V.
Zaaimaand, V., -maanden.
Zaaimachine, V., -machines.
Zaaiplant, V., -planten.
Zaaiploeg, M., -ploegen.
Zaaisel, O., zaaisels.
Zaaitijd, M.
Zaaiveld, O., -velden.
Zaaizak, M., -zakken.
Zaak, V., zaken. Zaakje, O., -jes.
Zaakgelastigde, M., -gelastigden.
Zaakkennis, V.
Zaakrijk, -rijker, -rijkst.
Zaakrijkheid, V.
Zaakwaarnemer, M., -waarnemers.
Zaal (ruime kamer), V., zalen. Zaaltje, O., -jes.
Zaal (zadel), O., zalen.
Zaalwachter, M., -wachters.
Zaan, V.
Zaat, V.; zaatje, O.
Zaathout, O.
Zabbelaar, M., zabbelaars.
Zabbelen, zabbelde, heeft gezabbeld.
Zabberaar, M., zabberaars.
Zabberdoek, M., -doeken.
Zabberen, zabberde, heeft gezabberd.
Zacht, zachter, zachtst.
Zachtaardig, -aardiger, -aardigst.
Zachtaardigheid, V.
Zachtaardiglijk.
Zachtblad, O.
Zachtelijk.
Zachtharig.
Zachtheid, V.
Zachtigheid, V.
Zachtjes.
Zachtkens.
Zachtmoedig, -moediger, -moedigst.
Zachtmoedigheid, V.
Zachts.
Zachtzinnig, -zinniger, -zinnigst.
Zachtzinnigheid, V.
Zadel, M. en O., zadels. Zadeltje, O., -jes. Verg. Zaal.
Zadelboog, M., -bogen.
Zadeldak, O., -daken.
Zadelen, zadelde, heeft gezadeld.
Zadelknop, M., -knoppen.
Zadelmaker, M., -makers.
Zadelrug, M.
Zagen, zaagde, heeft gezaagd.
Zager, M., zagers.
Zagersbok, M., -bokken.
Zak, M., zakken. Zakje, O., -jes.
Zakalmanak, M., -almanakken.
Zakbijbeltje, O., -bijbeltjes.
Zakboekje, O., -jes.
Zakdoek, M., -doeken; -doekje, O., -jes.
Zakelijk, -lijker, -lijkst.
Zakelijkheid, V.
Zakformaat, O.
Zakgeld, O.
Zakinktkoker, M., -inktkokers.
Zakkammetje, O., -kammetjes.
Zakken (in den zak steken), zakte, heeft gezakt.
Zakken (dalen), zakte, is gezakt.
Zakkendrager, M., -dragers.
Zakkenlinnen, O.
Zakkenrollen, O.
Zakkenroller, M., -rollers.
Zakkijker, M., -kijkers.
Zakking, V., zakkingen.
Zakmes, O., -messen; -mesje, O., -jes.
Zakwoordenboek, O., -woordenboeken; -boekje, O., -jes.
Zalf, V., zalven. Zalfje, O., -jes.
Zalfachtig, -achtiger, -achtigst.
Zalfachtigheid, V.
Zalfolie, V., -oliën.
Zalfpot, M., -potten; -potje, O., -jes.
Zalig, zaliger, zaligst.
Zaligen, zaligde, heeft gezaligd.
Zaliger (gedachtenis).
Zaligheid, V., -heden.
Zaliging, V.
Zaligmakend.
Zaligmaker, M.
Zaligmaking, V.
Zaligspreking, V., -sprekingen.
Zaling, V., zalings.
Zalm (een visch), M., zalmen. Als stofnaam, V. Zalmpje, O., -jes.
Zalmachtig.
Zalmkleur, V.
Zalmkleurig.
Zalmteelt, V.
Zalmtractaat, O., -tractaten.
Zalmvisscherij, V.
Zalven, zalfde, heeft gezalfd.
Zalvend, zalvender, zalvendst.
Zalving, V., zalvingen.
Zamelen, zamelde, heeft gezameld.
Zameling, V., zamelingen.
Zamen. Te Zamen en Samen. Als eerste lid eener samenstelling altijd Samen of Saam.
Zand, O., zanden. Zandje, O., -jes.
Zandaardappel, M., -aardappelen.
Zandachtig.
Zandbad, O., -baden.
Zandbak, M., -bakken.
Zandbank, V., -banken.
Zandbestorting, V., -bestortingen.
Zanden, zandde, heeft gezand.
Zanderig, zanderiger, zanderigst.
Zanderigheid, V.
Zanderij, V., zanderijen.
Zandgoed, O.
Zandgrond, M., -gronden.
Zandhaas, M., -hazen.
Zandheuvel, M., -heuvels.
Zandhoop, M., -hoopen.
Zandig, zandiger, zandigst.
Zandigheid, V.
Zandkorrel, V., -korrels.
Zandlooper, M., -loopers; -loopertje, O., -jes.
Zandraap, V., -rapen.
Zandruiter, M., -ruiters.
Zandschip, O., -schepen.
Zandschipper, M., -schippers.
Zandstreek, V., -streken.
Zandtaartje, O., -taartjes.
Zandtrein, M., -treinen.
Zandvlakte, V., -vlakten.
Zandweg, M., -wegen.
Zandwoestijn, V., -woestijnen.
Zandzak, M., -zakken.
Zang, M., zangen.
Zangberg, M.
Zangbodem, M., -bodems.
Zangcursus, M., -cursussen.
Zanger, M., zangers.
Zangeres, V., zangeressen.
Zangerig, zangeriger, zangerigst.
Zangerigheid, V.
Zangersfeest, O., -feesten.
Zanggodin, V., -godinnen.
Zangkoor, O., -koren.
Zangkunst, V.
Zangles, V., -lessen.
Zanglijster, V., -lijsters.
Zangoefening, V., -oefeningen.
Zangschool, V., -scholen.
Zangster, V., zangsters.
Zangstuk, O., -stukken.
Zangvereeniging, V., -vereenigingen.
Zangvogel, M., -vogels.
Zangwedstrijd, M., -wedstrijden.
Zaniken, zanikte, heeft gezanikt.
Zaniker, M., zanikers.
Zat, zatter, zatst.
Zaterdag, M., -dagen.
Zaterdagsch.
Zatheid, V.
Zatlap, M., -lappen.
Zavel, O.
Zavelachtig, -achtiger, -achtigst.
Zavelboom en Zevenboom, M., -boomen; -boompje, O., -jes.
Zavelig, zaveliger, zaveligst.
Zebra, M., zebra's.
Zede, V., zeden.
Zedelijk.
Zedelijkheid, V.
Zedeloos, -loozer.
Zedeloosheid, V.
Zedenbederf, O.
Zedenbedervend, -bedervender, -bedervendst.
Zedenbederver, M., -bedervers.
Zedenkunde, V.
Zedenkundig.
Zedenleer, V.
Zedenleeraar, M., -leeraars.
Zedenles, V., -lessen.
Zedenmeester, M., -meesters.
Zedenpreek, V., -preeken.
Zedenspreuk, V., -spreuken.
Zedenverbastering, V.
Zedenwet, V.
Zedig, zediger, zedigst.
Zedigheid, V.
Zediglijk.
Zee, V., zeeën. Zeetje, O., -jes.
Zeeanemoon, V., -anemonen.
Zeearend, M., -arenden.
Zeearm, M., -armen.
Zeeassurantie, V.
Zeebad, O., -baden.
Zeebadplaats, V., -plaatsen.
Zeebanket, O.
Zeebonk, M., -bonken.
Zeebeer (waterkeering), M., -beeren.
Zeebeer (dier), M., -beren.
Zeebrak, O.
Zeedienst, M.
Zeedier, O., -dieren.
Zeedijk, M., -dijken.
Zeedorp, O., -dorpen.
Zeedrift, V.
Zeef, V., zeven.
Zeefvormig.
Zeeg, ook Zeegt (scheepsw.), V.
Zeegat, O., -gaten.
Zeegevecht, O., -gevechten.
Zeegezicht, O., -gezichten.
Zeeghaftig.
Zeeghaftigheid, V.
Zeegod, M., -goden.
Zeegras, O.
Zeegroen.
Zeehandelaar, M., -handelaars.
Zeeheld, M., -helden.
Zeehond, M., -honden.
Zeekaart, V., -kaarten.
Zeekapitein, M., -kapiteins.
Zeekasteel, O., -kasteelen.
Zeekust, V., -kusten.
Zeel, O., zeelen. Zeeltje, O., -jes.
Zeeland, O.
Zeeleeuw, M., -leeuwen.
Zeelt, V., zeelten. Zeeltje, O., -jes.
Zeelucht, V.
Zeem (bereide huid), O.; mv. (als voorwerpsnaam) zeemen. Zeempje, O., -jes.
Zeem (honig), O.
Zeemacht, V.
Zeeman, M., -lieden en -lui.
Zeemanschap, V.
Zeemanshuis, O., -huizen.
Zeemanstaal, V.
Zeemeermin, V., -meerminnen.
Zeemeeuw, V., -meeuwen.
Zeemen, zeemde, heeft gezeemd.
Zeemen (bnw.).
Zeemleder en -leer, O.
Zeemlederen en -leeren (bnw.).
Zeemogendheid, V., -mogendheden.
Zeemonster, O., -monsters.
Zeeofficier, M., -officieren.
Zeeoorlog, M., -oorlogen.
Zeep, V., zeepen.
Zeepaard, O., -paarden.
Zeepaccijns, M.
Zeepbakje, O., -bakjes.
Zeepdoos, V., -doozen; -doosje, O., -jes.
Zeepen, zeepte, heeft gezeept.
Zeeper, M., zeepers.
Zeeperij, V., zeeperijen.
Zeephout, O.
Zeepig, zeepiger, zeepigst.
Zeepost, V.
Zeepsop, O.
Zeeptonnetje, O., -tonnetjes.
Zeepzieden, O.
Zeepzieder, M., -zieders.
Zeepziederij, V., -ziederijen.
Zeer, O.
Zeer, zeere.
Zeer (bijw.).
Zeeramp, V., -rampen.
Zeerecht, O.
Zeereis, V., -reizen.
Zeergeleerd.
Zeergestreng.
Zeerig, zeeriger, zeerigst.
Zeerigheid, V.
Zeerob, M., -robben.
Zeeroof, M.
Zeeroover, M., -roovers.
Zeeschade, V.
Zeeschilder, M., -schilders.
Zeeschip, O., -schepen.
Zeesoldaat, M., -soldaten.
Zeestad, V., -steden.
Zeestoomboot, V., -stoombooten.
Zeestraat, V., -straten.
Zeet, V., zeten. Zeetje, O., -jes.
Zeeterm, M., -termen.
Zeetijding, V., -tijdingen.
Zeetocht, M., -tochten.
Zeeuw, M., Zeeuwen.
Zeeuwsch.
Zeevaarder, M., -vaarders.
Zeevaardig.
Zeevaardigheid, V.
Zeevaart, V.
Zeevaartkunde, V.
Zeevaartschool, V., -scholen.
Zeevang, V.
Zeevarend.
Zeevast.
Zeever, V.
Zeeveraar, M., zeeveraars.
Zeeveren, zeeverde, heeft gezeeverd.
Zeevering, V.
Zeevisch, V. (stofnaam).
Zeevisscherij, V., -visscherijen.
Zeevogel, M., -vogels.
Zeevoogd, M., -voogden.
Zeewaardig.
Zeewater, O.
Zeewering, V., -weringen.
Zeewezen, O.
Zeezaken (mv.), V.
Zeezand, O.
Zeeziek, -zieker, -ziekst.
Zeeziekte, V.
Zefier en Zefir, M., zefiéren en zéfirs.
Zege, V.
Zegel, O., zegels. Zegeltje, O., -jes.
Zegelbelasting, V.
Zegelbewaarder, M., -bewaarders.
Zegelen, zegelde, heeft gezegeld.
Zegeling, V., zegelingen.
Zegelkantoor, O., -kantoren.
Zegellak, O.
Zegelrecht, O.
Zegelring, M., -ringen.
Zegelwet, V.
Zegen (heil), M.
Zegen (net), V., zegens.
Zegenaar, M., zegenaars.
Zegenen, zegende, heeft gezegend.
Zegening, V., zegeningen.
Zegenrijk, -rijker, -rijkst.
Zegepraal, V., zegepralen.
Zegepralen, zegepraalde, heeft gezegepraald.
Zegevieren, zegevierde, heeft gezegevierd.
Zeggen, zeide en zei, heeft gezegd en gezeid.
Zegger, M., zeggers.
Zeggingskracht, V.
Zegsman, M., -lieden en -lui.
Zegster, V., zegsters.
Zegsvrouw, V., -vrouwen.
Zegswijze en -wijs, V., -wijzen.
Zeiken, zeikte, heeft gezeikt.
Zeil, O., zeilen. Zeiltje, O., -jes.
Zeilage, V.
Zeilbaar, -baarder, -baarst.
Zeilboot, V., -booten.
Zeildoek, O.
Zeilen, zeilde, heeft en is gezeild.
Zeiler, M., zeilers.
Zeiljacht, O., -jachten.
Zeilklaar.
Zeilmaker en Zeilenmaker, M., -makers.
Zeilmakerij en Zeilenmakerij, V., -makerijen.
Zeilorde, V.
Zeilpriem, M., -priemen.
Zeilpunt, O.
Zeilree.
Zeilschip, O., -schepen.
Zeilschuit, V., -schuiten.
Zeilsteen, M., -steenen.
Zeiltocht, M., -tochten.
Zeilvaardig.
Zeilvaartuig, O., -vaartuigen.
Zeilvereeniging, V., -vereenigingen.
Zeilweder en -weer, O.
Zeilwedstrijd, M., -wedstrijden.
Zeilwind, M., -winden.
Zeis, V., zeisen.
Zeisen, V., zeisenen en zeisens.
Zeisenkramer, M., -kramers.
Zeisensmederij, V., -smederijen.
Zeisensmid, M., -smeden.
Zeisvormig.
Zeker, zekerder, zekerst.
Zekerheid, V.
Zekerheidshalve.
Zekerheidstelling, V., -stellingen.
Zekerlijk.
Zelden.
Zeldzaam, -zamer, -zaamst.
Zeldzaamheid, V., -heden.
Zelf, zelve.
Zelfbedrog, O.
Zelfbegoocheling, V.
Zelfbehaaglijk.
Zelfbehagen, O.
Zelfbeheersching, V.
Zelfbehoud, O.
Zelfbeoordeeling, V.
Zelfbeproeving, V., -beproevingen.
Zelfbeschuldiging, V., -beschuldigingen.
Zelfbestuur, O.
Zelfbevlekking, V.
Zelfbewust.
Zelfbewustheid, V.
Zelfbewustzijn, O.
Zelfgenoegzaam, -zame.
Zelfgenoegzaamheid, V.
Zelfgevoel, O.
Zelfheid, V.
Zelfkant, M., -kanten.
Zelfkanten (bnw.).
Zelfkastijding, V., -kastijdingen.
Zelfkennis, V.
Zelfklinker, M., -klinkers.
Zelfkweller, M., -kwellers.
Zelfkwelling, V., -kwellingen.
Zelfmoord, M., -moorden.
Zelfmoordenaar, M., -moordenaars.
Zelfonderricht, O.
Zelfonderzoek, O.
Zelfontbranding, V.
Zelfopoffering, V.
Zelfregistreerend.
Zelfrichtend.
Zelfs.
Zelfsmerend.
Zelfstandig, -standiger, -standigst.
Zelfstandigheid, V., -heden.
Zelfstrijd, M.
Zelfverbranding, V.
Zelfverdediging, V.
Zelfverheffing, V.
Zelfverlaging, V.
Zelfverloochening, V.
Zelfvernedering, V.
Zelfvertrouwen, O.
Zelfverwijt, O., -verwijtingen, V.
Zelfverzaking, V.
Zelfvoldoening, V.
Zelfwerkend.
Zelfzucht, V.
Zelfzuchtig, -zuchtiger, -zuchtigst.
Zelling, V., zellingen.
Zeloot, M., zeloten.
Zemelen (mv.), V. Zemeltje, O., -jes.
Zemelig, zemeliger, zemeligst.
Zemelknoopen, zemelknoopte, heeft gezemelknoopt.
Zemelknooper, M., -knoopers.
Zendbrief, M., -brieven.
Zendeling, M. en V., zendelingen. V. ook zendelinge.
Zendeling-arts, M., -artsen.
Zendelingsgenootschap, O.
Zenden, zond, heeft gezonden.
Zender, M., zenders.
Zending, V., zendingen.
Zendingsfeest, O., -feesten.
Zendingshospitaal, O., -hospitalen.
Zendingsschool, V., -scholen.
Zendingswerk, O.
Zendster, V., zendsters.
Zeng, V., zengen.
Zengen, zengde, heeft gezengd.
Zenging, V.
Zenith, O.
Zenuw, V., zenuwen. Zenuwtje, O., -jes.
Zenuwaandoening, V., -aandoeningen.
Zenuwachtig, -achtiger, -achtigst.
Zenuwachtigheid, V.
Zenuwberoerte, V., -beroerten.
Zenuwknoop, M., -knoopen.
Zenuwkoorts, V., -koortsen.
Zenuwkwaal, V., -kwalen.
Zenuwlijder, M., -lijders; V., -lijderes en -lijdster, -lijderessen en -lijdsters.
Zenuwloos, -looze.
Zenuwpijn, V., -pijnen.
Zenuwstelsel, O.
Zenuwtrekking, V., -trekkingen.
Zenuwvlecht, V., -vlechten.
Zenuwziekte, V., -ziekten.
Zerk, V., zerken. Zerkje, O., -jes.
Zerkenlichter, M., -lichters.
Zerp, zerper, zerpst.
Zerpheid, V.
Zes (telw.). Als znw. V., zessen. Zesje, O., -jes.
Zesbladig.
Zesdaagsch.
Zesde.
Zesdehalf, -halve.
Zesderhande.
Zesderlei.
Zesdraadsch.
Zesduizend.
Zesduizendste.
Zeshoek, M., -hoeken.
Zeshoekig.
Zeshonderd.
Zeshonderdste.
Zesjarig.
Zeskantig.
Zesmaal.
Zesponder, M., -ponders.
Zesregelig.
Zestal, O., -tallen.
Zestallig.
Zesthalf, M., zesthalven. Zesthalfje, O., -jes.
Zestien, zestienen.
Zestiende.
Zestiendehalf, -halve.
Zestienderhande.
Zestienderlei.
Zestienhonderd.
Zestienjarig.
Zestienmaal.
Zestienvoud, O., -vouden.
Zestienvoudig.
Zestig, zestigen.
Zestiger, M., zestigers.
Zestigjarig.
Zestigmaal.
Zestigponder, M., -ponders.
Zestigste.
Zestigtal, O., -tallen.
Zestigvoud, O., -vouden.
Zestigvoudig.
Zesvoud, O., -vouden.
Zesvoudig.
Zet, M., zetten. Zetje, O., -jes.
Zetangel, M., -angels.
Zetbaas, M., -bazen.
Zetboer, M., -boeren.
Zetbord, O., -borden.
Zetel, M., zetels. Zeteltje, O., -jes.
Zetelen, zetelde, heeft gezeteld.
Zetfout, V., -fouten.
Zetgang, V., -gangen.
Zethaak, M., -haken.
Zethamer, M., -hamers.
Zethengel, M., -hengels.
Zetijzer, O., -ijzers.
Zetkastelein, M., -kasteleins.
Zetlijn, V., -lijnen.
Zetmachine, V., -machines.
Zetmeel, O.
Zetpil, V., -pillen; -pilletje, O., -jes.
Zetplank, V., -planken.
Zetschipper, M., -schippers.
Zetsel, O., zetsels. Zetseltje, O., -jes.
Zetten, zette, heeft gezet.
Zetter, M., zetters.
Zetterij, V., zetterijen.
Zetting, V., zettingen.
Zeug, V., zeugen.
Zeulen, zeulde, heeft gezeuld.
Zeur (zeurder, zeurster), M. en V., zeuren. Zeurtje, O., -jes.
Zeur (vod), V., zeuren.
Zeuren, zeurde, heeft gezeurd.
Zeurig, zeuriger, zeurigst.
Zeurkous, M. en V., -kousen.
Zeven (telw.). Als znw., V., zevens. Zeventje, O., -jes.
Zeven, zeefde, heeft gezeefd.
Zevenblad, O.
Zevenbladig.
Zevenboom. Zie Zavelboom.
Zevendaagsch.
Zevende.
Zevendehalf en Zevendhalf, -halve.
Zevenderhande.
Zevenderlei.
Zevendhalfje, O., -jes.
Zevenduizend.
Zevenduizendste.
Zevengesternte, O.
Zevengetijde, O.
Zevenhoek, M., -hoeken.
Zevenhoekig.
Zevenhonderd.
Zevenhonderdste.
Zevenjaarsbloem, V., -bloemen.
Zevenjarig.
Zevenklapper, M., -klappers; -klappertje, O., -jes.
Zevenkleurig.
Zevenkramer (koopman in zeven), M., -kramers.
Zevenmaal.
Zevenmaandsch.
Zevenmaker, M., -makers.
Zevenmijlslaars, V., -laarzen.
Zevenoog, V., -oogen; -oogje, O., -jes.
Zevenslaper, M., -slapers.
Zevenstoot, M., -stooten.
Zevental, O., -tallen.
Zeventallig.
Zeventien, zeventienen.
Zeventiendaagsch.
Zeventiende.
Zeventiendehalf, -halve.
Zeventienderhande.
Zeventienderlei.
Zeventienhonderd.
Zeventienjarig.
Zeventienmaal.
Zeventienvoud, O., -vouden.
Zeventienvoudig.
Zeventig, zeventigen.
Zeventiger, M., zeventigers.
Zeventigjarig.
Zeventigmaal.
Zeventigste.
Zeventigvoud, O., -vouden.
Zeventigvoudig.
Zevenvoud, O., -vouden.
Zevenvoudig.
Zich.
Zicht (kleine zeis), V., zichten.
Zicht (gezicht en vertoon), O.
Zichtbaar, -baarder, -baarst.
Zichtbaarheid, V.
Zichten, zichtte, heeft gezicht.
Zichtig, zichtiger.
Ziedaar.
Zieden, zood, zoden, heeft gezoden.
Zieder, M., zieders.
Zieding, V.
Ziegezagen, ziegezaagde, heeft geziegezaagd.
Ziehier.
Ziek, zieker, ziekst.
Ziekbed, O., -bedden.
Zieke, M. en V., zieken.
Ziekelijk, -lijker, -lijkst.
Ziekelijkheid, V.
Zieken, ziekte, heeft geziekt.
Ziekenbewaarder, M., -bewaarders.
Ziekenboeg, M., -boegen.
Ziekenfonds, O., -fondsen.
Ziekenhuis, O., -huizen.
Ziekenkamer, V., -kamers. Ook Ziekekamer.
Ziekenmoeder, V., -moeders.
Ziekenoppasser, M., -oppassers.
Ziekenoppasseres, V., -oppasseressen.
Ziekenoppassing, V.
Ziekenstal, M., -stallen.
Ziekentroost, M.
Ziekentrooster, M., -troosters.
Ziekenvader, M., -vaders.
Ziekenverpleegster, V., -verpleegsters.
Ziekenverpleger, M., -verplegers.
Ziekenverpleging, V.
Ziekenwagen, M., -wagens.
Ziekenzaal, V., -zalen.
Ziekenzuster, V., -zusters.
Ziekestoel, M., -stoelen.
Ziekte, V., ziekten.
Ziektegeschiedenis, V., -geschiedenissen.
Ziektegeval, O., -gevallen.
Ziektekiem, V., -kiemen.
Ziektestof, V., -stoffen.
Ziekteverschijnsel, O., -verschijnselen.
Ziel, ook Ziele, V., zielen. Zieltje, O., -jes.
Zielegrootheid, V.
Zieleleed, O.
Zieleleven, O.
Zielelijden, O.
Zielenadel, M.
Zielenherder, M., -herders.
Zielental, O.
Zielesmart en Zielssmart, V.
Zielestrijd, M. Ook Zielsstrijd.
Zielevreugde en Zielsvreugde, V.
Zielkunde, V.
Zielloos, -looze.
Zielmis, V., -missen.
Zielroerend, -roerender, -roerendst.
Zielsangst, M., -angsten.
Zielsbedroefd.
Zielsbeminde, M. en V., -beminden.
Zielsblij en -blijde.
Zielsgedachte, V., -gedachten.
Zielsgeliefde, M. en V., -geliefden.
Zielsgenoegen, O.
Zielskracht, V.
Zielskwelling, V., -kwellingen.
Zielsrust, V.
Zielsveel.
Zielsverdriet, O.
Zielsverhuizing, V.
Zielsvermogen, O., -vermogens.
Zielsverrukking, V.
Zielsvervoering, V.
Zielsvriend, M., -vrienden.
Zielsvriendin, V., -vriendinnen.
Zielsziekte, V., -ziekten.
Zieltogen, zieltoogde, heeft gezieltoogd.
Zieltoging, V.
Zielverheffend.
Zielverkooper, M., -verkoopers.
Zien, zag, zagen, heeft gezien.
Zienderoogen.
Ziener, M., zieners.
Zienersblik, M., -blikken.
Zienersoog, O.
Zienlijk.
Zienswijze en -wijs, V., -wijzen.
Zier, V. Ziertje, O., -jes.
Ziezoo.
Zift, V., ziften.
Ziften, ziftte, heeft gezift.
Zifter, M., zifters.
Zifting, V., ziftingen.
Zigzag, M., zigzags.
Zigzaglijn, V., -lijnen.
Zigzagsgewijs en -gewijze.
Zij.
Zij (znw.). Zie Zijde.
Zijbalk, M., -balken.
Zijblad, O., -bladen.
Zijdak, O., -daken.
Zijdam, M., -dammen.
Zijde en Zij (kant), V., zijden. Zijtje, O., -jes.
Zijde en Zij (stof), V.
Zijdeachtig.
Zijdelings (bijw.).
Zijdelingsch (bnw.).
Zijden (bnw.).
Zijdenhemdje, O., -jes.
Zijderups, V., -rupsen.
Zijdestof, V.
Zijdeur, V., -deuren; -deurtje, O., -jes.
Zijdewever, M., -wevers.
Zijdeworm en Zijworm, M., -wormen.
Zijdgeweer, O.
Zijgang (het gaan), M., -gangen.
Zijgang (gaanderij), V., -gangen; -gangetje, O., -jes.
Zijgen, zeeg, zegen, heeft en is gezegen.
Zijkamer, V., -kamers; -kamertje, O., -jes.
Zijl (waterloop), V., zijlen.
Zijlaan, V., -lanen; -laantje, O., -jes.
Zijlijn, V.
Zijlinie, V.
Zijlvest, O., -vesten.
Zijlvestenij, V., -vestenijen.
Zijmuur, M., -muren.
Zijn.
Zijn, is, was, waren, is geweest.
Zijnent (Te -).
Zijnenthalve.
Zijnentwege.
Zijnentwil (Om -).
Zijpad, O., -paden; -paadje, O., -jes.
Zijraam, O., -ramen; -raampje, O., -jes.
Zijreeder, M., -reeders.
Zijreederij, V., -reederijen.
Zijsprong, M., -sprongen; -sprongetje, O., -jes.
Zijstraat, V., -straten; -straatje, O., -jes.
Zijstuk, O., -stukken.
Zijtak, M., -takken.
Zijwaarts (bijw.).
Zijwaartsch (bnw.).
Zijwang, V., -wangen.
Zijweg, M., -wegen; -wegje, O., -jes.
Zijworm. Zie Zijdeworm.
Zijzak, M., -zakken.
Zilt, zilter, ziltst.
Ziltheid, V.
Ziltig, ziltiger, ziltigst.
Ziltigheid, V.
Zilver, O.
Zilveraanmunting, V.
Zilverachtig, -achtiger, -achtigst.
Zilverader, V., -aderen en -aders.
Zilverblank.
Zilverbon, M., -bons.
Zilverdraad (stof), O.
Zilveren (bnw.).
Zilverfazant, M., -fazanten.
Zilvergaas, O.
Zilvergeld, O.
Zilverkast, V., -kasten.
Zilverkleurig.
Zilverling, M., zilverlingen.
Zilvermijn, V., -mijnen.
Zilverprijs, M., -prijzen.
Zilverproef, V.
Zilversmid, M., -smeden.
Zilversmidswinkel, M., -winkels.
Zilvervloot, V., -vloten.
Zilverwerk, O.
Zilverwit, -witte.
Zin, M., zinnen. Zinnetje, O., -jes.
Zinbouw, M. Ook Zinsbouw.
Zincographie, V.
Zindelijk, -lijker, -lijkst.
Zindelijkheid, V.
Zingen, zong, heeft gezongen.
Zinger, M., zingers.
Zink, O.
Zinkboor, V., -boren.
Zinken (bnw.).
Zinken, zonk, is gezonken.
Zinkgat, O., -gaten.
Zinking, V., zinkings.
Zinkingachtig.
Zinklaag, V., -lagen.
Zinklood, O., -looden.
Zinkluik, O., -luiken.
Zinkoxyde, O.
Zinkput, M., -putten.
Zinkrijs, O.
Zinkroer, O., -roers en -roeren.
Zinksel, O., zinksels.
Zinkstuk, O., -stukken.
Zinkwit, O.
Zinkzalf, V.
Zinledig.
Zinlijk en Zinnelijk, -lijker, -lijkst.
Zinlijkheid, V.
Zinloos (zonder zin), -looze.
Zinnebeeld, O., -beelden.
Zinnebeeldig.
Zinneloos (zonder verstand), -loozer.
Zinneloosheid, V.
Zinnen, zon, zonnen, heeft gezonnen.
Zinnenwereld, V.
Zinnespel, O., -spelen.
Zinrijk, -rijker, -rijkst.
Zinrijkheid, V.
Zinsbedrog, O.
Zinsbegoocheling, V.
Zinsbouw. Zie Zinbouw.
Zinsnede, V., -sneden.
Zinsontleding, V., -ontledingen.
Zinspelen, zinspeelde, heeft gezinspeeld.
Zinspeling, V., -spelingen.
Zinspreuk, V., -spreuken.
Zinspreukig.
Zinsverband, O.
Zinsverbijstering, V.
Zintuig, O., -tuigen.
Zinverwant.
Zit, M. Zitje, O., -jes.
Zitbank, V., -banken; -bankje, O., -jes.
Zitdag, M., -dagen.
Zitkamer, V., -kamers.
Zitplaats, V., -plaatsen.
Zitten, zat, zaten, heeft gezeten.
Zitting, V., zittingen.
Zittingsjaar, O., -jaren.
Zittingsverslag, O., -verslagen.
Zituur, O., -uren.
Zitvlak, O., -vlakken.
Zitvleesch, O.
Zode (kooksel). Zie Zoo.
Zode (van gras), V., zoden.
Zodenploeg, M., -ploegen.
Zodensnijder, M., -snijders.
Zodenwerk, O.
Zodiak, M.
Zoek (bijw.).
Zoekbrengen, bracht zoek, heeft zoekgebracht.
Zoeken, zocht, heeft gezocht.
Zoeker, M., zoekers.
Zoekerbout, M., -bouten.
Zoeklicht, O., -lichten.
Zoekmaken, maakte zoek, heeft zoekgemaakt.
Zoekraken, raakte zoek, is zoekgeraakt.
Zoel, zoeler, zoelst.
Zoelheid, V.
Zoen, M., zoenen. Zoentje, O., -jes.
Zoenbloed, O.
Zoendood, M.
Zoenen, zoende, heeft gezoend.
Zoener, M., zoeners.
Zoengeld, O.
Zoenoffer, O., -offers.
Zoet, zoeter, zoetst.
Zoetachtig, -achtiger, -achtigst.
Zoetekauw, M. en V., -kauwen.
Zoetekoek, V.
Zoetelaar, M., zoetelaars en zoetelaren.
Zoetelaarster, V., zoetelaarsters.
Zoetelen, zoetelde, heeft gezoeteld.
Zoetelief.
Zoeteliefje, O., -jes.
Zoetelijk.
Zoetemelk, V.
Zoetemelksch.
Zoeten, zoette, heeft gezoet.
Zoeterd, M., zoeterds. Zoeterdje, O., -jes.
Zoetheid, V.
Zoethout, O.
Zoetig.
Zoetigheid, V., -heden.
Zoetjes.
Zoetrasp, V., -raspen.
Zoetsappig, -sappiger, -sappigst.
Zoetsappigheid, V.
Zoetvijl, V., -vijlen.
Zoetvijlen, zoetvijlde, heeft gezoetvijld.
Zoetvloeiend, -vloeiender, -vloeiendst.
Zoetvloeiendheid, V.
Zoetwater, O.
Zoetwatervisch, M., -visschen; (als stofnaam), V.
Zog, O.
Zogkoorts, V., -koortsen.
Zolder, M., zolders. Zoldertje, O., -jes.
Zolderdeur, V., -deuren.
Zolderen, zolderde, heeft gezolderd.
Zoldering, V., zolderingen.
Zolderkamer, V., -kamers; -kamertje, O., -jes.
Zolderraam, O., -ramen.
Zolderschuit, V., -schuiten.
Zomer, M., zomers. Zomertje, O., -jes.
Zomerachtig, -achtiger, -achtigst.
Zomeravond, M., -avonden.
Zomerdag, M., -dagen.
Zomerdienst, M., -diensten.
Zomerdracht, V.
Zomeren, zomerde, heeft gezomerd.
Zomergraan, O.
Zomergroente, V., -groenten.
Zomerhoed, M., -hoeden.
Zomerkade, V., -kaden.
Zomermaand, V., -maanden.
Zomermantel, M., -mantels.
Zomernacht, M., -nachten.
Zomerpaleis, O., -paleizen.
Zomerreis, V., -reizen.
Zomersch.
Zomerseizoen, O.
Zomersproeten (mv.), V.
Zomervacantie, V.
Zomerverblijf, O., -verblijven.
Zomerwarmte, V.
Zomerweder, O.
Zon, V., zonnen. Zonnetje, O., -jes.
Zondaar, M., zondaren en zondaars.
Zondaarsbankje, O., -jes.
Zondaarsgezicht, O., -gezichten.
Zondag, M., -dagen; -dagje, O., -jes.
Zondagavond, M., -avonden.
Zondagsbeurt, V., -beurten.
Zondagsblad, O., -bladen.
Zondagsch.
Zondagskind, O., -kinderen.
Zondagskleed, O., -kleederen.
Zondagskost, M.
Zondagsletter, V., -letters.
Zondagspak, O., -pakken; -pakje, O., -jes.
Zondagspreek, V., -preeken.
Zondagsrust, V.
Zondagsschool, V., -scholen. Ook Zondagschool.
Zondagswerk, O.
Zondares, V., zondaressen.
Zonde, V., zonden.
Zondeloos, -looze.
Zondeloosheid, V.
Zondenbok, M., -bokken.
Zondenregister, O., -registers.
Zonder.
Zonderling, zonderlinger, zonderlingst.
Zonderling, M. en V., zonderlingen. V. ook zonderlinge.
Zonderlingheid, V.
Zondig, zondiger, zondigst.
Zondigen, zondigde, heeft gezondigd.
Zondvloed, M.
Zone (aardgordel enz.), V., zonen.
Zonegrens, V.
Zonenstelsel, O.
Zonkant, M.
Zonnebaan, V., -banen.
Zonnebad, O., -baden.
Zonnebeeld, O.
Zonneblind, O., -blinden.
Zonneblind (bnw.).
Zonnebloem, V., -bloemen.
Zonnecirkel, M., -cirkels.
Zonnedak, O., -daken.
Zonnedauw, M.
Zonnedienst, M.
Zonnegloed, M.
Zonnegod, M.
Zonnejaar, O., -jaren.
Zonneklaar.
Zonnelicht en Zonlicht, O.
Zonnemaand, V., -maanden.
Zonnepaard, O., -paarden.
Zonnescherm, O., -schermen.
Zonneschijf, V.
Zonneschijn, M.; -schijntje, O.
Zonnestand, M.
Zonnesteek, M., -steken.
Zonnestelsel, O., -stelsels.
Zonnestraal, M., -stralen.
Zonnetent, V., -tenten.
Zonnetijd, M.
Zonnevlecht, V.
Zonnevlek, V., -vlekken.
Zonnevuur, O.
Zonnewachter, M., -wachters.
Zonnewarmte, V.
Zonnewende, V.
Zonnewijzer, M., -wijzers.
Zonnig, zonniger, zonnigst.
Zonsafstand, M., -afstanden.
Zonshoogte, V.
Zonsondergang, M.
Zonsopgang, M.
Zonsverduistering, V., -verduisteringen.
Zoo.
Zoo en Zooi (zode, kooksel), V., zooien. Zootje en zooitje, O., -jes.
Zooals.
Zoodanig.
Zoodat.
Zoodoende.
Zoodra.
Zooeven.
Zoogbroeder, M., -broeders; -broertje, O., -jes.
Zoogdier, O., -dieren.
Zoogen, zoogde, heeft gezoogd.
Zoogenaamd.
Zoogenoemd.
Zoogezegd.
Zoogkind, O., -kinderen; -kindje, O., -jes.
Zooglam, O., -lammeren.
Zoogoed, bijw. (- als).
Zoogster, V., zoogsters.
Zoogzuster, V., -zusters; -zustertje en -zusje, O., -jes.
Zoohaast.
Zooi (menigte), V. Zooitje, O., -jes.
Zool, V., zolen. Zooltje, O., -jes.
Zoolang.
Zoolgangers (mv.), M.
Zoolleder, O.
Zoölogie, V.
Zoölogisch.
Zoöloog, M., zoölogen.
Zoom, M., zoomen. Zoompje, O., -jes.
Zoomen, zoomde, heeft gezoomd.
Zoomin.
Zoomwerk, O.
Zoon, M., zonen en zoons. Zoontje, O., -jes.
Zoonlief.
Zoonschap, O.
Zoopje, O., -jes.
Zoopjesman, M., -lui.
Zoor, zoorder, zoorst.
Zoorheid, V.
Zoötomie, V.
Zoötomisch.
Zooveel, -vele.
Zooveel (bijw.).
Zooveelste.
Zooverre en Zoover.
Zoowel.
Zoozeer.
Zorg, V., zorgen.
Zorgband, M., -banden.
Zorgdragend.
Zorgeloos, -loozer.
Zorgeloosheid, V.
Zorgen, zorgde, heeft gezorgd.
Zorggras, O., -grassen.
Zorgketting, M., -kettingen.
Zorglijk, -lijker, -lijkst.
Zorglijkheid, V.
Zorglijn, V., -lijnen.
Zorgstoel, M., -stoelen.
Zorgvuldig, -vuldiger, -vuldigst.
Zorgvuldigheid, V.
Zorgzaad, O.
Zorgzaam, -zamer, -zaamst.
Zorgzaamheid, V.
Zot, zotter, zotst.
Zot, M., zotten. Zotje, O., -jes.
Zotheid, V., -heden.
Zotskap (muts), V., -kappen.
Zotskap (persoon), M. en V., -kappen.
Zotteklap, M.
Zottepraat, M.
Zotternij, V., zotternijen. Zotternijtje, O., -jes.
Zottigheid, V., -heden.
Zottin, V., zottinnen. Zottinnetje, O., -jes.
Zou en Zoude. Zie Zullen.
Zout, O., zouten.
Zout, zouter, zoutst.
Zoutbriket, V., -briketten.
Zouteloos, -loozer.
Zouteloosheid, V., -heden.
Zouten, zoutte, heeft gezouten.
Zouter, M., zouters.
Zoutevisch, V.
Zoutheid, V.
Zoutig.
Zoutigheid, V.
Zoutkeet, V., -keten.
Zoutkorrel, V., -korrels; -korreltje, O., -jes.
Zoutlepeltje, O., -lepeltjes.
Zoutmijn, V., -mijnen.
Zoutpakhuis, O., -pakhuizen.
Zoutpan, V., -pannen.
Zoutpilaar, M., -pilaren.
Zoutpot, M., -potten.
Zoutte (van -), V.
Zoutvat, O., -vaten; -vaatje, O., -jes.
Zoutwater, O.
Zoutweger, M., -wegers.
Zoutzak (persoon), M. en V., -zakken.
Zoutzieder, M., -zieders.
Zoutziederij, V., -ziederijen.
Zoutzuur, O.
Zucht (ademhaling), M., zuchten. Zuchtje, O., -jes.
Zucht (zwelling, ziekte, begeerte), V.
Zuchten, zuchtte, heeft gezucht.
Zuchtig, zuchtiger, zuchtigst.
Zuchtigheid, V.
Zuid (bijw.).
Zuid (het Zuiden), O.; (de zuidelijke streken), V.
Zuid-Brabant, O.
Zuideinde, O.
Zuidelijk, -lijker, -lijkst.
Zuidelijken, zuidelijkte, is gezuidelijkt.
Zuiden, O.
Zuidenwind, M., -winden.
Zuiderbreedte, V.
Zuiderzee, V.
Zuiderzeevereeniging, V.
Zuiderzon, V.
Zuid-Holland, O.
Zuidhollandsch.
Zuidoost (bijw.). Als znw., O.
Zuidoostelijk.
Zuidoosten, O.
Zuidwaarts.
Zuidwest (bijw.). Als znw., O.
Zuidwestelijk.
Zuidwesten, O.
Zuidwester, M., -westers.
Zuidzee, V.
Zuidzee-traan, V.
Zuidzeevaarder, M., -vaarders.
Zuien, zuide, heeft gezuid.
Zuigeling, M. en V., zuigelingen. V. ook zuigelinge. Zuigelingetje, O., -jes.
Zuigen, zoog, zogen, heeft gezogen.
Zuiger, M., zuigers. Zuigertje, O., -jes.
Zuigerstang, V., -stangen.
Zuigflesch, V., -flesschen.
Zuigglas, O., -glazen.
Zuiging, V.
Zuigkalf, O., -kalven.
Zuigkind, O., -kinderen.
Zuigklep, V., -kleppen.
Zuiglam, O., -lammeren; -lammetje, O., -jes.
Zuigpijp, V., -pijpen.
Zuigpomp, V., -pompen.
Zuigsponning, V., -sponningen.
Zuigtand, M., -tanden.
Zuil, V., zuilen. Zuiltje, O., -jes.
Zuilengang, V., -gangen.
Zuilenrij, V., -rijen.
Zuimen, zuimde, heeft gezuimd.
Zuinig, zuiniger, zuinigst.
Zuinigheid, V.
Zuinigje, O.
Zuinigjes.
Zuip, V.
Zuipen, zoop, zopen, heeft gezopen.
Zuiper, M., zuipers.
Zuiplap, M., -lappen.
Zuippartij, V., -partijen.
Zuivel, O.
Zuivelbereiding, V.
Zuivelconsulent, M., -consulenten.
Zuivelmethode, V., -methodes.
Zuiver, zuiverder, zuiverst.
Zuiveraar, M., zuiveraars.
Zuiveren, zuiverde, heeft gezuiverd.
Zuiverheid, V.
Zuivering, V., zuiveringen.
Zuiveringseed, M., -eeden.
Zuiveringsproces, O., -processen.
Zuiveringszout, O.
Zulk.
Zulks.
Zullen, zal, zoude en zou, zouden.
Zult, O.
Zulten, zultte, heeft gezult.
Zulting, V.
Zultspek, O.
Zundgat, O., -gaten.
Zuren, zuurde, heeft gezuurd.
Zurigheid, V.
Zuring, V.
Zus (bijw.).
Zuster en Zus (persoon), V., zusters en zusteren. Zustertje en zusje, O., -jes.
Zuster (gebak), V., zusters. Zustertje, O., -jes.
Zustergemeente, V., -gemeenten.
Zusterlijk, -lijker, -lijkst.
Zusterschap (de betrekking), O.; (vereeniging van zusters), V., -schappen.
Zusterschool, V., -scholen.
Zustersdochter, V., -dochters.
Zusterskind, O., -kinderen.
Zusterszoon, M., -zoons.
Zustervereeniging, V., -vereenigingen.
Zutfen, O.
Zutfensch.
Zuur, O., zuren. Zuurtje, O., -jes.
Zuur, zuurder, zuurst.
Zuurachtig, -achtiger, -achtigst.
Zuurdeeg, O.
Zuurdeesem, M.
Zuurheid, V.
Zuurkijker, M., -kijkers.
Zuurkool, V.
Zuurkoolvat, O., -vaten.
Zuurkraam, V., -kramen; -kraampje, O., -jes.
Zuurmuil, M. en V., -muilen.
Zuurstel, O., -stellen; -stelletje, O., -jes.
Zuurstof, V.
Zuurstofverbinding, V., -verbindingen.
Zuurtjes.
Zuurzoet.
Zwaai, M., zwaaien.
Zwaaien, zwaaide, heeft en is gezwaaid.
Zwaaihaak, M., -haken.
Zwaaiing, V., zwaaiingen.
Zwaaikom, V., -kommen.
Zwaan, M., zwanen. Zwaantje, O., -jes.
Zwaar, zwaarder, zwaarst.
Zwaard, O., zwaarden.
Zwaardveger, M., -vegers.
Zwaardvisch, M., -visschen.
Zwaarhoofd, M. en V., -hoofden.
Zwaarhoofdig, -hoofdiger, -hoofdigst.
Zwaarhoofdigheid, V.
Zwaarlijvig, -lijviger, -lijvigst.
Zwaarlijvigheid, V.
Zwaarmoedig, -moediger, -moedigst.
Zwaarmoedigheid, V.
Zwaarte, V.
Zwaartekracht, V.
Zwaartepunt, O., -punten.
Zwaartillend, -tillender, -tillendst.
Zwaartillendheid, V.
Zwaarwichtig, -wichtiger, -wichtigst.
Zwaarwichtigheid, V.
Zwabber, M., zwabbers. Zwabbertje, O., -jes.
Zwabberen, zwabberde, heeft gezwabberd.
Zwabberkapitein, M., -kapiteins.
Zwachtel, M., zwachtels. Zwachteltje, O., -jes.
Zwachtelen, zwachtelde, heeft gezwachteld.
Zwachteling, V.
Zwad. Zie Zwade.
Zwadder, M.
Zwadderig.
Zwade en Zwad, V., zwaden.
Zwager, M., zwagers. Zwagertje, O., -jes.
Zwagerschap, V. en O.
Zwak, O., zwakken. Zwakje, O., -jes.
Zwak, zwakker, zwakst.
Zwakheid, V., -heden.
Zwakjes.
Zwakkelijk, -lijker, -lijkst.
Zwakkelijkheid, V.
Zwakkeling, M. en V., -lingen.
Zwakstroom, M.
Zwakte, V.
Zwalken, zwalkte, heeft gezwalkt.
Zwalker, M., zwalkers.
Zwalp, M., zwalpen.
Zwalpen, zwalpte, heeft gezwalpt.
Zwaluw, V., zwaluwen. Zwaluwtje, O., -jes.
Zwaluwenkruid, O.
Zwaluwennest, O., -nesten.
Zwaluwetong, V.
Zwaluwstaart, M., -staarten.
Zwaluwstaartig.
Zwam (gewas), V., zwammen; (tonder), O. Zwammetje, O., -jes.
Zwanedons en Zwanendons, O.
Zwanenbloem, V., -bloemen.
Zwanenborst, V., -borsten.
Zwanendrift, V., -driften.
Zwanenei, O., -eieren.
Zwanenhals, M., -halzen.
Zwanennest, O., -nesten.
Zwanepen, V., -pennen.
Zwaneschacht, V., -schachten.
Zwanezang, M.
Zwang, M. (In -).
Zwanger.
Zwangerschap, V.
Zwarigheid, V., -heden.
Zwart, zwarter, zwartst.
Zwartachtig, -achtiger, -achtigst.
Zwartbont.
Zwartbruin.
Zwarte, M. en V., zwarten. Zwartje, O., -jes.
Zwartekunst, V.
Zwarten, zwartte, heeft gezwart.
Zwartepieten, zwartepiette, heeft gezwartepiet.
Zwartgallig, -galliger, -galligst.
Zwartgalligheid, V.
Zwartgerokt.
Zwartgroen.
Zwartharig.
Zwartheid, V.
Zwartigheid, V.
Zwartkop, M. en V., -koppen; -kopje, O., -jes.
Zwartkrijt, O.
Zwartkrijtteekening, V., -teekeningen.
Zwartlakensch.
Zwartoog, M. en V., -oogen.
Zwartoogig.
Zwartsel, O.
Zwartzijden (bnw.).
Zwatelen, zwatelde, heeft gezwateld.
Zwavel, V. Zwaveltje, O., -jes.
Zwavelachtig, -achtiger, -achtigst.
Zwavelbron, V., -bronnen.
Zwaveldamp, M., -dampen.
Zwavelen, zwavelde, heeft gezwaveld.
Zwavelerts, O.
Zwavelgeel, -gele.
Zwavelig.
Zwaveligzuur, O.
Zwavelkoper, O.
Zwavelstok, M., -stokken; -stokje, O., -jes.
Zwavelwaterstofgas, O.
Zwavelzuur, O.
Zwavelzuur, -zure.
Zweden, O.
Zweed, M., Zweden.
Zweem, M. Zweempje, O.
Zweemen, zweemde, heeft gezweemd.
Zweemsel, O.
Zweep, V., zweepen. Zweepje, O., -jes.
Zweepen, zweepte, heeft gezweept.
Zweeping, V.
Zweepslag, M., -slagen.
Zweer, V., zweren. Zweertje, O., -jes.
Zweet, O.
Zweetbad, O., -baden.
Zweetbank, V., -banken.
Zweetdoek, M., -doeken.
Zweetdrank, M., -dranken; -drankje, O., -jes.
Zweetdruppel, M., -druppels.
Zweeten, zweette, heeft gezweet.
Zweeterig, zweeteriger, zweeterigst.
Zweeterigheid, V.
Zweetgat, O., -gaten; -gaatje, O., -jes.
Zweeting, V., zweetingen.
Zweetkamer, V., -kamers; -kamertje, O., -jes.
Zweetkoorts, V., -koortsen.
Zweetkuur, V., -kuren.
Zweetmiddel, O., -middelen; -middeltje, O., -jes.
Zweetpoeder en -poeier (stofnaam), O., (fijngestampt geneesmiddel), V., -poeders en -poeiers; -poedertje en -poeiertje, O., -jes.
Zweetvoeten (mv.), M.
Zweetvos, M., -vossen; -vosje, O., -jes.
Zweetziekte, V.
Zwei, V., zweien.
Zwelen, zweelde, heeft gezweeld.
Zweler, M., zwelers.
Zwelg, M.
Zwelgen, zwolg, heeft gezwolgen.
Zwelger, M., zwelgers.
Zwelgerij, V., zwelgerijen.
Zwelgpartij, V., -partijen.
Zwellen, zwol, zwollen, is gezwollen.
Zwelling, V., zwellingen.
Zwembassin, O., -bassins.
Zwemblaas, V., -blazen.
Zwemboei, V., -boeien.
Zwembroek, V., -broeken; -broekje, O., -jes.
Zwemgordel, M., -gordels.
Zweminrichting, V., -inrichtingen.
Zwemkunst, V.
Zwemmen, zwom, zwommen, heeft en is gezwommen.
Zwemmer, M., zwemmers.
Zwemmerig, zwemmeriger, zwemmerigst.
Zwempak, O., -pakken.
Zwemplaats, V., -plaatsen.
Zwempoot, M., -pooten.
Zwemschool, V., -scholen.
Zwemvlies, O., -vliezen.
Zwemvoet, M., -voeten.
Zwemvogel, M., -vogels.
Zwemwedstrijd, M., -wedstrijden.
Zwendelaar, M., zwendelaars.
Zwendelaarster, V., zwendelaarsters.
Zwendelarij, V., zwendelarijen.
Zwendelen, zwendelde, heeft gezwendeld.
Zwengel, M., zwengels.
Zwenk, M., zwenken.
Zwenken, zwenkte, heeft en is gezwenkt.
Zwenkgras, O.
Zwenking, V., zwenkingen.
Zweren (een eed doen), zwoer, heeft gezworen.
Zweren (etteren), zwoor, zworen, heeft gezworen.
Zwerfster, V., zwerfsters.
Zwerftocht, M., -tochten.
Zwering, V., zweringen.
Zwerk, O.
Zwerm, M., zwermen.
Zwermen, zwermde, heeft gezwermd.
Zwermer, M., zwermers.
Zwermpot, M., -potten.
Zwerveling, M. en V., zwervelingen. V. ook zwervelinge.
Zwerven, zwierf, zwierven, heeft gezworven.
Zwerver, M., zwervers.
Zwetsen, zwetste, heeft gezwetst.
Zwetser, M., zwetsers.
Zwetserij, V., zwetserijen.
Zweven, zweefde, heeft gezweefd.
Zwezerik, M., zwezeriken. Zwezerikje, O., -jes.
Zwichtband, M., -banden.
Zwichten, zwichtte, heeft en is gezwicht.
Zwichting (scheepsw.), V.
Zwichtlijn, V., -lijnen.
Zwichtstelling, V., -stellingen.
Zwiepen, zwiepte, heeft gezwiept.
Zwieping, V.
Zwier, M. Zwiertje, O., -jes.
Zwierbol, M., -bollen.
Zwieren, zwierde, heeft gezwierd.
Zwierig, zwieriger, zwierigst.
Zwierigheid, V.
Zwijgen, zweeg, zwegen, heeft gezwegen.
Zwijger, M., zwijgers.
Zwijgster, V., zwijgsters.
Zwijgteeken, O., -teekens.
Zwijm, V.
Zwijmel, M.
Zwijmelbeker, M., -bekers.
Zwijmeldrank, M., -dranken.
Zwijmeldronken.
Zwijmelen, zwijmelde, heeft gezwijmeld.
Zwijmeling, V.
Zwijmen, zwijmde, heeft gezwijmd.
Zwijn, O., zwijnen. Zwijntje, O., -jes.
Zwijnachtig, -achtiger, -achtigst.
Zwijnen, zwijnde, heeft gezwijnd.
Zwijnenaard, M.
Zwijnenboel, M.
Zwijnendistel, V.
Zwijnengras, O.
Zwijnenhoeder, M., -hoeders.
Zwijnenjacht, V., -jachten.
Zwijnenkost, M.
Zwijnenkot, O., -kotten.
Zwijnenstal, M., -stallen.
Zwijnentrog, M., -troggen.
Zwijnerij, V.
Zwijnevleesch en Zwijnenvleesch, O.
Zwijnjak, M., -jakken.
Zwijnshoofd, O., -hoofden.
Zwijnskop, M., -koppen.
Zwik, M.
Zwikboor, V., -boren; -boortje, O., -jes.
Zwikgat, O., -gaten; -gaatje, O.
Zwikhout, O., -houten.
Zwikje (pennetje), O., -jes.
Zwikken, zwikte, heeft en is gezwikt.
Zwikking, V., zwikkingen.
Zwikstelling, V., -stellingen.
Zwilk, O.
Zwilken (bnw.).
Zwin, O., zwinnen.
Zwingel, M., zwingels.
Zwingelaar, M., zwingelaars.
Zwingelbord, O., -borden.
Zwingelen, zwingelde, heeft gezwingeld.
Zwingelkeet, V., -keten.
Zwingelkooi, V., -kooien.
Zwingelspaan, V., -spanen.
Zwirrelen, zwirrelde, heeft gezwirreld.
Zwitser, M., Zwitsers.
Zwitserland, O.
Zwitsersch.
Zwoegen, zwoegde, heeft gezwoegd.
Zwoeger, M., zwoegers.
Zwoel, zwoeler, zwoelst.
Zwoelheid, V.
Zwoord, O., zwoorden. Zwoordje, O., -jes.
AANTEEKENINGEN
[1] Zie vooral M. (J. A. Alberdingk Thijm), Over de Spelling van de Bastaartwoorden. Amsterd. 1843.