Woordenlijst voor de spelling der Nederlandsche Taal Met aanwijzing van de geslachten der naamwoorden en de vervoeging der werkwoorden (part 2 of 6)
Bruikbaar, -baarder, -baarst.
Bruikbaarheid, V.
Bruiker, M., bruikers.
Bruikleen, O., -leenen.
Bruiloft, V., bruiloften.
Bruiloftsdag, M., -dagen.
Bruiloftsdicht, O., -dichten.
Bruiloftsdisch, M.
Bruiloftsfeest, O., -feesten.
Bruiloftsgast, M. en V., -gasten.
Bruiloftskleed, O., -kleederen en -kleeren.
Bruiloftslied, O., -liederen; -liedje, O., -jes.
Bruiloftsmaal, O., -malen.
Bruiloftsvers, O., -verzen; -versje, O., -jes.
Bruin, bruiner, bruinst.
Bruin (bruin paard), M., bruinen. Bruintje, O., -jes.
Bruin (bruine kleur), O.
Bruinachtig, -achtiger, -achtigst.
Bruineeren, bruineerde, heeft gebruineerd.
Bruineerijzer, O., -ijzers.
Bruineersel, O.
Bruineerstaal, O.
Bruinen, bruinde, heeft en is gebruind.
Bruingeel, -gele.
Bruinheid, V.
Bruinkolen (mv.), V.
Bruinkoolbriket, V., -briketten.
Bruinoog, M. en V., -oogen.
Bruinoogig.
Bruinsteen, O.
Bruinvisch, M., -visschen; -vischje, O., -jes.
Bruis, V. en O.
Bruisen, bruiste, heeft gebruist.
Bruispoeder en -poeier, O.
Brulboei, V., -boeien.
Brullen, brulde, heeft gebruld.
Brunet, V., brunetten. Brunetje, O., -jes.
Brusk.
Brutaal, brutaler, brutaalst.
Brutaliseeren, brutaliseerde, heeft gebrutaliseerd.
Brutaliteit, V., brutaliteiten.
Bruto.
Bruto-gewicht, O., -gewichten.
Bruto-winst, V., -winsten.
Budget, O., budgetten en budgets.
Budgetrecht, O.
Buffel, M., buffels. Buffeltje, O., -jes.
Buffelachtig, -achtiger, -achtigst.
Buffelachtigheid, V., -heden.
Buffelen, buffelde, heeft gebuffeld.
Buffelhuid, V., -huiden.
Buffeljacht, V., -jachten.
Buffelleder en -leer, O.
Buffelvel, O., -vellen.
Buffer, M., buffers.
Bufferstaat, M., -staten.
Buffet, O., buffetten. Buffetje, O., -jes.
Buffetjuffrouw, V., -juffrouwen.
Buffetmaatschappij, V.
Bui, V., buien. Buitje, O., -jes.
Buidel (ook Buil), M., buidels (builen). Buideltje, O., -jes.
Buideldier, O., -dieren.
Buien, buide, heeft gebuid.
Buigbaar, -baarder, -baarst.
Buigbaarheid, V.
Buigen, boog, bogen, heeft en is gebogen.
Buigijzer, O., -ijzers.
Buiging, V., buigingen. Buiginkje, O., -jes.
Buigpunt, O., -punten.
Buigspier, V., -spieren.
Buigtang, V., -tangen.
Buigzaam, -zamer, -zaamst.
Buigzaamheid, V.
Buiig, buiiger, buiigst.
Buiigheid, V.
Buik, M., buiken. Buikje, O., -jes.
Buikholte, V.
Buikig, buikiger, buikigst.
Buikloop, M.
Buikpijn, V., -pijnen.
Buikriem, M., -riemen.
Buikspreken, O.
Buikspreker, M., -sprekers.
Buikvlies, O.
Buikvliesontsteking, V., -ontstekingen.
Buikziek.
Buikziekte, V., -ziekten.
Buil (gezwel), V., builen. Builtje, O., -jes.
Buil (buidel; meelbuil), M., builen.
Buildoek, O.
Builen, builde, heeft gebuild.
Builkist, V., -kisten.
Builzolder, M., -zolders.
Buis (pijp), V., buizen. Buisje, O., -jes.
Buis (haringbuis), V., buizen. Buisje, O., -jes.
Buis (kleedingstuk), O., buizen. Buisje, O., -jes.
Buisjesdag, M.
Buit, M.
Buitelaar, M., buitelaars.
Buitelen, buitelde, heeft en is gebuiteld.
Buiteling, V., buitelingen.
Buiten, buitte, heeft gebuit.
Buiten (lustplaats), O., buitens. Buitentje, O., -jes.
Buiten.
Buitenband, M., -banden.
Buitenbeentje, O., -jes.
Buitendeur, V., -deuren.
Buitendien.
Buitendijks.
Buitendrijven, dreef buiten, dreven buiten, heeft buitengedreven.
Buitengaats.
Buitengemeen, -gemeener, -gemeenst.
Buitengemeente, V., -gemeenten.
Buitengewoon, -gewoner, -gewoonst.
Buitenhof, O.
Buitenkansje, O., -jes.
Buitenland, O., -landen.
Buitenlander, M., -landers.
Buitenlandsch.
Buitenmoeder, V., -moeders.
Buitenplaats, V., -plaatsen.
Buitenpost, M., -posten.
Buitensdijks.
Buitenshuis.
Buitenslands.
Buitensluiten, sloot buiten, sloten buiten, heeft buitengesloten.
Buitensluiting, V.
Buitensporig, -sporiger, -sporigst.
Buitensporigheid, V., -heden.
Buitenstaan, staat buiten, stond buiten, heeft buitengestaan.
Buitenste.
Buitentijds en Buitenstijds.
Buitenvader, M., -vaders.
Buitenwaarts.
Buitenwacht, V., -wachten.
Buitenwerks.
Buitenwerpen, wierp buiten, heeft buitengeworpen.
Buitmaken, maakte buit, heeft buitgemaakt.
Buizerd, M., buizerds.
Bukken, bukte, heeft gebukt.
Buks, V., buksen. Buksje, O., -jes.
Bul (stier), M., bullen. Bulletje, O., -jes.
Bul (oorkonde), V., bullen.
Bul (koek), V.
Bulderaar, M., bulderaars.
Bulderbast, M., -basten.
Bulderen, bulderde, heeft gebulderd.
Bulderig, bulderiger, bulderigst.
Bulhond, M., -honden; -hondje, O., -jes.
Bulken, bulkte, heeft gebulkt.
Bullebak, M., bullebakken.
Bullegeld, O.
Bulleman, M.
Bullenbijter, M., -bijters.
Bullepees, V., -pezen.
Bulletin, O., bulletins.
Bulster, V., bulsters.
Bult, M., bulten. Bultje, O., -jes.
Bultachtig.
Bultenaar, M., bultenaars.
Bultig, bultiger, bultigst.
Bultzak, M., -zakken.
Bun, V., bunnen. Bunnetje, O., -jes.
Bundel, M., bundels. Bundeltje, O., -jes.
Bunder, O., bunders.
Bunderbundersgelijk.
Bundergeld, O., -gelden.
Bungelen, bungelde, heeft gebungeld.
Bunzing (ook Bonzing), M., bunzingen en bunzings (bonzingen en bonzings). Bunzinkje en bonzinkje, O., -jes.
Burcht, M., burchten.
Burchtheer, M., -heeren.
Burchtplein, O., -pleinen.
Bureau, O., bureau's.
Bureaukosten (mv.), M.
Bureaulamp, V., -lampen.
Bureaulist, M., bureaulisten.
Bureauliste, V., bureaulisten.
Bureaustoel, M., -stoelen.
Bureel, O., bureelen. Bureeltje, O., -jes.
Bureelist, M., bureelisten.
Buren, buurde, heeft gebuurd.
Burengerucht, O.
Burg, M., burgen. Burgje, O., -jes.
Burgemeester, M., -meesters.
Burgemeesterlijk.
Burgemeestersambt, O.
Burgemeestersbuik, M., -buiken.
Burgemeesterschap, O.
Burgemeesterskamer, V.
Burgemeestersplaats, V., -plaatsen.
Burger, M., burgers. Burgertje, O., -jes.
Burgerbestaan, O.
Burgeres, V., burgeressen.
Burgerij, V., burgerijen.
Burgerjongen, M., -jongens.
Burgerkind, O., -kinderen.
Burgerklasse, V.
Burgerkleeding, V.
Burgerleeraar, M., -leeraren.
Burgerlijk, -lijker, -lijkst.
Burgerlijkheid, V.
Burgerman, M., -lieden en -lui.
Burgermanachtig.
Burgeroorlog, O., -oorlogen.
Burgerplicht, M., -plichten.
Burgerrecht, O., -rechten.
Burgerschap (burgerij), V.; (burgerrecht), O.
Burgerschapsrecht, O., -rechten.
Burgerschool, V., -scholen.
Burgerstand, M.
Burgervader, M., -vaders.
Burgervrouw, V., -vrouwen.
Burggraaf, M., -graven.
Burgwal, M., -wallen.
Burlesk.
Burrie (voor Berrie), V., burries.
Bus (bos), V., bussen. Busje, O., -jes.
Busdokter, M., -dokters.
Buskruit, O.
Buskruitfabriek, V., -fabrieken.
Buslichting, V., -lichtingen.
Buspraktijk, V.
Bussel, M., bussels. Busseltje, O., -jes.
Busselen, busselde, heeft gebusseld.
Bussen, buste, heeft gebust.
Buste, V., busten en bustes.
But, V., butten.
Buur, M., buren. Buurtje, O., -jes.
Buurman, M., -lieden en -lui.
Buurmansgek, M.
Buurschap (buurt), V., -schappen; (betrekking als buur), O.
Buurt, V., buurten.
Buurtmeester, M., -meesters.
Buurtspoorweg, M., -spoorwegen.
Buurtverkeer, O.
Buurvrijer, M., -vrijers.
Buurvrouw, V., -vrouwen.
C
C, V., c's.
Cabaal, O., cabalen.
Cabretleder en -leer, O.
Cabretleeren (bnw.).
Cabriolet, V., cabrioletten.
Cacao, V.
Cacaoboter, V.
Cachelot, M., cachelotten.
Cache-nez, M., cache-nez's.
Cachet, O., cachetten. Cachetje, O., -jes.
Cachot, O., cachotten.
Cachou, V.
Cacographie, V., cacographieën.
Cactus, V., cactussen.
Cadanceeren, cadanceerde, heeft gecadanceerd.
Cadans, V.
Cadaver, O., cadavers.
Cadeau, O., cadeau's. Cadeautje, O., -jes.
Cadet (militaire kweekeling), M., cadetten en cadets.
Caesuur, V., caesuren.
Café, O., café's; cafeetje, O., -jes.
Caféhouder, M., -houders.
Cahier (schrijfboek), O., cahiers.
Calangeeren, calangeerde, heeft gecalangeerd.
Calêche (ook Kales), V., calêches.
Caleidoscoop, M., caleidoscopen.
Calligraaf, M., calligrafen.
Calligraphie, V.
Calorie, V., calorieën.
Calorifère, M., calorifères.
Calqueeren, calqueerde, heeft gecalqueerd.
Calvinisme, O.
Calvinist, M., Calvinisten.
Camee, V., cameeën.
Camera, V., camera's.
Campagnejaar, O., -jaren.
Canaille (ook Kanalje), (menigte), O.; (persoon), V.
Canapé, V., canapé's.
Canapé-kussen, O., -kussens.
Candelaber, V., candelabers.
Candidaat, M., candidaten.
Candidaat-notaris, M., candidaat-notarissen.
Candidaats-examen, O., -examens en -examina.
Candidatuur, V., candidaturen.
Canon (regel) M., canons.
Canoniek, canonieke.
Cantate, V., cantaten en cantates.
Cantine, V., cantines.
Caoutchouc, O.
Capaciteiten-stelsel, O.
Capillair.
Capitool, O.
Capitulatie, V., capitulatiën en capitulaties.
Capituleeren, capituleerde, heeft gecapituleerd.
Caprice, V., caprices.
Capricieus, capricieuzer, capricieust.
Carambole, V., caramboles.
Carbolgaas, O.
Cardinaal (bnw.), cardinale.
Carga, V.
Cargadoor, M., cargadoors.
Caricatuur, V., caricaturen. Caricatuurtje, O., -jes.
Carillon, O., carillons.
Carnaval, O.
Carré, O., carré's.
Carton (verbeterblad en schets), O., cartons.
Casino, O., casino's.
Cassa, V.
Cassatie, V.
Casueel, casueele.
Catacombe, V., catacomben en catacombes.
Catalogiseeren, catalogiseerde, heeft gecatalogiseerd.
Catalogus, M., catalogussen.
Catarrhaal, catarrhale.
Catechetisch.
Catechisatie, V., catechisatiën en catechisaties.
Catechisatiekamer, V., -kamers.
Catechiseeren, catechiseerde, heeft gecatechiseerd.
Catechiseermeester, M., -meesters.
Catechismus, M., catechismussen.
Categorie, V., categorieën.
Categorisch.
Catholicisme, O.
Catholiek en Katholiek (bnw.), -lieke.
Catholiek en Katholiek, M., catholieken en katholieken.
Cautie, V.
Cavalcade, V., cavalcades.
Cavalerie, V.
Cavaleriekazerne, V., -kazernen.
Cavalerie-officier, M., -officieren.
Cavalerist, M., cavaleristen.
Caveeren, caveerde, heeft gecaveerd.
Cayenne-peper, V.
Cedel en Ceel, V., cedelen, cedels en ceelen. Cedeltje en ceeltje, O., -jes.
Ceder, M., cederen en ceders.
Cederachtig.
Cederen (bnw.).
Ceel. Zie Cedel.
Ceintuur, V., ceinturen. Ceintuurtje, O., -jes.
Ceintuurbaan, V., -banen.
Cel, V., cellen. Celletje, O., -jes.
Celebriteit, V., celebriteiten.
Celibaat, O.
Cellebroer, M., -broers.
Cellist, M., cellisten.
Cellulair.
Celstraf, V., -straffen.
Celvormig.
Cement, O., cementen.
Censor, M., censoren en censors.
Census, M.
Censuur, V.
Cent, M., centen en cents. Centje, O., -jes.
Centenaar, M., centenaars.
Centiare, V., centiaren en centiares.
Centigram, O., centigrammen.
Centiliter, M., centiliters.
Centimeter, M., centimeters.
Centraal, centrale.
Centraalstation, O., -stations.
Centrale, V., centralen.
Centralisatie, V.
Centraliseeren, centraliseerde, heeft gecentraliseerd.
Centrifugaal, -fugale.
Centrum, O., centra.
Ceremonie, V., ceremoniën en ceremonies.
Ceremonieel, O.
Ceremoniemeester, M., -meesters.
Certificaat, O., certificaten.
Certificeeren, certificeerde, heeft gecertificeerd.
Champagne (wijn), M.
Champagneglas, O., -glazen.
Champignon, M., champignons.
Chaos, M.
Charade, V., charades.
Charivari, O., charivari's.
Charmant, charmanter, charmantst.
Charter, O., charters.
Chassinet, O., chassinetten. Chassinetje, O., -jes.
Chauffeur, M., chauffeurs.
Chauffeurspet, V., -petten.
Chef, M., chefs.
Chemicaliën (mv.).
Chemie, V.
Chemisch.
Chenille, V., chenilles.
Cherub, M., Cherubs.
Cherubijn, M., Cherubijnen. Cherubijntje, O., -jes.
Chicane, V., chicanes.
Chicaneeren, chicaneerde, heeft gechicaneerd.
Chicaneur, M., chicaneurs.
Chiffonnière, V., chiffonnières.
Chijl, V.
Chinaasappel, M., -appels en -appelen.
Chinees, M., Chineezen.
Chineesch.
Chineesch, O.
Chirurg, M., chirurgen.
Chirurgie, V.
Chirurgijn, M., chirurgijns.
Chirurgisch.
Chloor, V. en O.
Chloroform, V.
Chloroformiseeren, chloroformiseerde, heeft gechloroformiseerd.
Chocolade en Chocola, V. Chocolaadje, O., -jes.
Chocolaketel, M., -ketels.
Cholera, V.
Cholerabacil, M.
Cholerabarak, V., -barakken.
Choleradrank, M.
Cholera-epidemie, V., -epidemieën.
Choleralijder, M., -lijders.
Chrestomathie, V., chrestomathieën.
Christelijk, -lijker, -lijkst.
Christen, M., Christenen.
Christendom, O.
Christenheid, V.
Christenmensch, O., -menschen.
Christin, V., Christinnen.
Christus, M.
Chronisch.
Chronologie, V., chronologieën.
Chronometer, M., chronometers.
Chrysanthemum, V., chrysanthemums.
Chrysoliet, M., chrysolieten.
Ciborie, O., ciboriën en cibories.
Cichorei (ook Suikerij), V.
Cider, M.
Cigarette, V., cigaretten.
Cigarettenkoker, M., -kokers.
Cijfer, O., cijfers. Cijfertje, O., -jes.
Cijferaar, M., cijferaars.
Cijferen, cijferde, heeft gecijferd.
Cijferschrift, O.
Cijfertelegram, O., -telegrammen.
Cijns, M., cijnzen.
Cijnsbaar, -bare.
Cinematograaf, M., -grafen.
Cipier, M., cipiers.
Circa.
Circulaire, V., circulaires.
Circulatie, V.
Circulatiebank, V., -banken.
Circuleeren, circuleerde, heeft gecirculeerd.
Circus, M., circussen.
Cirkel, M., cirkels. Cirkeltje, O., -jes.
Cirkelgang, M., -gangen.
Cirkelomtrek, M., -omtrekken.
Citaat, O., citaten. Citaatje, O., -jes.
Citadel, V., citadellen.
Citeeren, citeerde, heeft geciteerd.
Citer, V., citers.
Citroen, M., citroenen. Citroentje, O., -jes.
Citroenlimonade, V.
Citroenpers, V., -persen.
Civetkat, V., -katten.
Civiel, civieler, civielst.
Civiel-ingenieur, M., civiel-ingenieurs.
Civilist, M., civilisten.
Classicaal, classicale.
Classicisme, O.
Classiek, classieke.
Classis, V., classes.
Clausule, V., clausules.
Cleresie en Cleresij, V.
Clericaal, M., clericalen.
Clericalisme, O.
Clerus, M.
Cliché, O., cliché's.
Cliënt, M., cliënten.
Cliënte, V., cliënten.
Cliënteele, V.
Climax, M.
Cliniek, V.
Clinisch.
Closet, O., closets.
Closetpapier, O.
Clown, M., clowns.
Club, V., clubs.
Clubgeest, M.
Cochenille, V.
Code, M., codes.
Codex, M., codices.
Codicil, O., codicillen.
Codille.
Coëfficiënt, M., coëfficiënten.
Cognac, M. Cognacje, O., -jes.
Cognacgrog, M.
Cognacstelletje, O., -stelletjes.
Cognossement, O., cognossementen.
Cokes (mv.), V.
Cokesbak, M., -bakken.
Collatie, V., collatiën en collaties.
Collation, O., collations.
Collationneeren, collationneerde, heeft gecollationneerd.
Collectant, M., collectanten.
Collecte, V., collecten en collectes.
Collecte-bus, V., -bussen; -busje, O., -jes.
Collecteeren, collecteerde, heeft gecollecteerd.
Collecte-zak, M., -zakken; -zakje, O., -jes.
Collectie, V., collectiën en collecties.
Collega, M., collega's.
College, O., colleges.
Colonne, V., colonnen en colonnes.
Colportage, V.
Colporteur, M., colporteurs.
Combinatie, V., combinatiën en combinaties.
Combineeren, combineerde, heeft gecombineerd.
Comedie (blijspel), V., comediën en comedies.
Comfort, O.
Comisch.
Comité, O., comité's.
Commandant, M., commandanten.
Commandantsvrouw, V., -vrouwen.
Commandeeren, commandeerde, heeft gecommandeerd.
Commandement, O., commandementen.
Commandeur, M., commandeurs en commandeuren.
Commandeurskruis, O., -kruisen.
Commanditair.
Commando, O., commando's.
Commando-brug, V., -bruggen.
Commensaal, M., commensalen.
Commentaar, M., commentaren.
Commersen, commerste, heeft gecommerst.
Commersspel, O., -spellen; -spelletje, O., -jes.
Commies (ambtenaar aan een ministerie), M., commiezen.
Commissariaat, O., commissariaten.
Commissaris, M., commissarissen.
Commissie, V., commissiën en commissies.
Commissieloon, O.
Commissionnair, M., commissionnairs.
Commis-voyageur, M., -voyageurs.
Committent, M., committenten.
Commode (latafel), V., commodes.
Commune, V.
Communicant, M. en V., communicanten.
Communicatie, V., communicatiën en communicaties.
Communiceeren, communiceerde, heeft gecommuniceerd.
Communie, V.
Communiebank, V., -banken.
Communiedag, M., -dagen.
Communieeren, communieerde, heeft gecommunieerd.
Communiekleed, O.
Communisme, O.
Communist, M., communisten.
Commutator, M., commutators en commutatoren.
Compagnie, V., compagnieën.
Compagnieschap, V., -schappen.
Compagnon, M., compagnons.
Comparant, M., comparanten.
Comparante, V., comparanten.
Comparatief en Comparativus, M., comparatieven.
Compendium, O., compendiums en compendia.
Compensatie, V., compensatiën en compensaties.
Compenseeren, compenseerde, heeft gecompenseerd.
Competent, competenter, competentst.
Competentie, V., competentiën en competenties.
Compleet, completer, compleetst.
Compleetheid, V.
Complement, O., complementen.
Completeeren, completeerde, heeft gecompleteerd.
Compliment, O., complimenten. Complimentje, O., -jes.
Complimenteeren, complimenteerde, heeft gecomplimenteerd.
Componeeren, componeerde, heeft gecomponeerd.
Componist, M., componisten.
Componiste, V., componisten.
Compote, V., compotes.
Compote-lepel, M., -lepels.
Compres, V. Zie Kompres.
Compres, compresse.
Compres (bijw.).
Compromis, O., compromissen.
Compromitteeren, compromitteerde, heeft gecompromitteerd.
Comptabiliteit, V.
Comptant en Contant.
Concept, O., concepten. Conceptje, O., -jes.
Concept-reglement, O., -reglementen.
Concert, O., concerten.
Concertvleugel, M., -vleugels.
Concertzaal, V., -zalen.
Concertzangeres, V., -zangeressen.
Concessionaris, M., concessionarissen.
Conciërge, M., conciërges.
Concilie, O., conciliën en concilies.
Conclave, O., conclaves.
Conclusie, V., conclusiën en conclusies.
Concordaat, O., concordaten.
Concordantie, V., concordantiën en concordanties.
Concours, O., concoursen.
Concreet, concrete.
Concurreeren, concurreerde, heeft geconcurreerd.
Concurrent, M., concurrenten.
Concurrentie, V.
Condensatie, V.
Condensatie-water, O.
Condenseeren, condenseerde, is gecondenseerd.
Conditie, V., conditiën en condities.
Conditioneel, conditioneele.
Conditionneeren, conditionneerde, heeft geconditionneerd.
Condoleantie, V., condoleantiën en condoleanties.
Condoleantiebezoek, O., -bezoeken.
Condoleantievisite, V., -visites.
Condoleeren, condoleerde, heeft gecondoleerd.
Condor, M., condors.
Conducteur, M., conducteuren en conducteurs.
Conductor, M., conductors.
Conduite-lijst, V., -lijsten.
Confectiemagazijn, O., -magazijnen.
Confereeren, confereerde, heeft geconfereerd.
Conferentie, V., conferentiën en conferenties.
Confessie, V., confessiën en confessies.
Confessioneel, confessioneele.
Confidentie, V., confidentiën en confidenties.
Confidentieel, confidentieele.
Confirmatie, V.
Confirmeeren, confirmeerde, heeft geconfirmeerd.
Confiscatie, V., confiscatiën.
Confisqueeren, confisqueerde, heeft geconfisqueerd.
Confiturentaart, V., -taarten.
Confituur, V., confituren.
Conflict, O., conflicten.
Conform.
Conformatie, V.
Confrater, M., confraters.
Confronteeren, confronteerde, heeft geconfronteerd.
Confusie, V., confusiën en confusies.
Confuus, confuser, confuust.
Congé, O.
Congestie, V., congestiën en congesties.
Congregatie, V., congregatiën en congregaties.
Congres, O., congressen.
Congreslid, O., -leden.
Conjectuur, V., conjecturen. Conjectuurtje, O., -jes.
Conjugatie, V., conjugatiën en conjugaties.
Conjugeeren, conjugeerde, heeft geconjugeerd.
Conjunctief en Conjunctivus, M., conjunctieven.
Conrector, M., conrectoren en conrectors.
Consciëntie, V., consciëntiën en consciënties.
Consciëntieus, consciëntieuzer, consciëntieust.
Conscriptie, V.
Consent, O., consenten.
Consequent, consequenter, consequentst.
Consequentie, V., consequentiën en consequenties.
Conservatief, conservatiever, conservatiefst.
Conservatief, M., conservatieven.
Conservatisme, O.
Conservatoire, O., conservatoires.
Considerans, V.
Consideratie, V., consideratiën en consideraties.
Consignatie, V., consignatiën en consignaties.
Consigne, O., consignes.
Consistorie, O., consistoriën en consistories.
Consistoriekamer, V., -kamers.
Console, V., consoles.
Consolideeren, consolideerde, heeft geconsolideerd.
Consonant, V., consonanten.
Consonantenstelsel, O., -stelsels.
Consorten (mv.), M. en V.
Constateeren, constateerde, heeft geconstateerd.
Constellatie, V., constellaties.
Consternatie, V., consternatiën en consternaties.
Constitutie, V., constitutiën en constituties.
Constitutioneel, constitutioneele.
Constructie, V., constructiën en constructies.
Constructiewinkel, M., -winkels.
Construeeren, construeerde, heeft geconstrueerd.
Consul, M., consuls.
Consulaat, O., consulaten.
Consulent, M., consulenten.
Consult, O., consulten.
Consulteeren, consulteerde, heeft geconsulteerd.
Consumeeren, consumeerde, heeft geconsumeerd.
Consument, M., consumenten.
Contant. Zie Comptant.
Continentaal, continentale.
Contingent, O., contingenten.
Contrabande, V.
Contrabas, V., -bassen.
Contrabassist, M., -bassisten.
Contrabezoek, O., -bezoeken.
Contraboek, O., -boeken.
Contract, O., contracten. Contractje, O., -jes.
Contractant, M., contractanten.
Contracteeren, contracteerde, heeft gecontracteerd.
Contract-koelie, M., -koelies.
Contramine (In de -).
Contrapunt, O.
Contrast, O., contrasten.
Contravisite, V., -visites.
Contribuant, M., contribuanten.
Contribueeren, contribueerde, heeft gecontribueerd.
Contributie, V., contributiën en contributies.
Contributiekaart, V., -kaarten.
Contrôle, V., contrôles.
Controleeren, controleerde, heeft gecontroleerd.
Controleur, M., controleurs.
Contubernaal, M., contubernalen.
Convent, O., conventen.
Conventie, V., conventiën en conventies.
Conventioneel, conventioneele.
Conversatie, V.
Conversatie-les, V., -lessen.
Converseeren, converseerde, heeft geconverseerd.
Conversie, V., conversiën en conversies.
Conversie-ontwerp, O., -ontwerpen.
Converteeren, converteerde, heeft geconverteerd.
Convocatie, V., convocatiën en convocaties.
Convocatiebiljet, O., -biljetten.
Convocatiebriefje, O., -briefjes.
Convoceeren, convoceerde, heeft geconvoceerd.
Coöperatie, V.
Coöperatief, coöperatieve.
Coördinatenstelsel, O. -stelsels.
Coquet, coquetter, coquetst.
Coquetteeren, coquetteerde, heeft gecoquetteerd.
Coquetterie, V., coquetterieën.
Corporaal (altaardoek), O., corporalen.
Corporatie, V., corporatiën en corporaties.
Corpulent, corpulenter, corpulentst.
Corpulentie, V.
Correct, correcter, correctst.
Correctie, V., correctiën en correcties.
Correctioneel, correctioneele.
Corrector, M., correctors en correctoren.
Correspondeeren, correspondeerde, heeft gecorrespondeerd.
Correspondent, M., correspondenten.
Correspondente, V., correspondenten.
Correspondentie, V., correspondentiën en correspondenties.
Corridor, M., corridors.
Corrigeeren, corrigeerde, heeft gecorrigeerd.
Coryphee, M., corypheeën.
Cosmetiek, V.
Cosmographie, V., cosmographieën.
Cosmopoliet, M., cosmopolieten.
Cosmopolitisch.
Cosmopolitisme, O.
Coterie, V., coterieën.
Cotillon, M., cotillons.
Couplet, O., coupletten. Coupletje, O., -jes.
Coupletzanger, M., -zangers.
Coupon, V., coupons.
Couponboekje, O., -boekjes.
Couponknipper, M., -knippers.
Courant (ook Krant), V., couranten.
Courantenartikel, O., -artikels.
Courantenbericht, O., -berichten.
Courantier, M., courantiers.
Courtage, V., courtages.
Couvert, O., couverten. Couvertje, O., -jes.
Creatuur, O., creaturen. Creatuurtje, O., -jes.
Credit (term in 't boekhouden), O.
Crediteeren, crediteerde, heeft gecrediteerd.
Crediteur, M., crediteuren.
Creditzijde, V.
Credo, O., credo's.
Crematie, V.
Creool, M. en V., creolen.
Creosoot, V.
Criminalist, M., criminalisten.
Crimineel, crimineele.
Crisis, V.
Criterium, O., criteria.
Critiek (oordeelkunde), V.
Critisch.
Critiseeren, critiseerde, heeft gecritiseerd.
Crucifix, O., crucifixen.
Culture, V., cultures.
Cultuur, V.
Cultuurdwang, M.
Cultuurmaatschappij, V., -maatschappijen.
Cultuurstelsel, O., -stelsels.
Cultuurtuin, M., -tuinen.
Curaçao (drank), M.
Curateele, V.
Curator, M., curatoren en curators.
Curatorschap, O., -schappen.
Cureeren, cureerde, heeft gecureerd.
Curie (Roomsche -), V.
Curieus, curieuzer, curieust.
Curiositeit, V., curiositeiten.
Cursief, cursieve.
Cursus, M., cursussen.
Cycloon, M., cyclonen.
Cycloop, M., Cyclopen.
Cylinder, M., cylinders. Cylindertje, O., -jes.
Cylinderbureau, O., -bureau's.
Cylinderhorloge, O., -horloges.
Cylindrisch.
Cynisch.
Cynisme, O.
Cypersch (-e kat).
Cypres, M., cypressen. Cypresje, O., -jes.
Cypresseboom, M., -boomen.
Cypressenhout, O.
D
D, V., d's.
Daad, V., daden.
Daagsch.
Daalder, M., daalders. Daaldertje, O., -jes.
Daaldersplaats, V., -plaatsen.
Daar.
Daaraan.
Daarachter.
Daarbeneden.
Daarbenevens.
Daarbij.
Daarboven.
Daardoor.
Daarenboven.
Daarentegen.
Daarheen.
Daarin.
Daarlangs.
Daarlaten, liet daar, heeft daargelaten.
Daarmede.
Daarna.
Daarnaar.
Daarnaast.
Daarnevens.
Daarom.
Daaromheen.
Daaromtrent.
Daaronder.
Daarop.
Daarover.
Daartegen.
Daartoe.
Daaruit.
Daarvan.
Daarvoor.
Daas, V., dazen.
Dadel (boom), M.; (vrucht), V., dadels. Dadeltje, O., -jes.
Dadelijk.
Dadelijkheid, V., -heden.
Dadelpalm, M., -palmen.
Dader, M., daders.
Daderes, V., daderessen.
Dading, V., dadingen.
Daemon en Demon, M., daemonen en demonen.
Daemonisch en Demonisch.
Dag, M., dagen. Dagje, O., dagjes.
Dagblad, O., -bladen.
Dagboek, O., -boeken.
Dagdief, M., -dieven.
Dagdienst, M.
Dagdieven, dagdiefde, heeft gedagdiefd.
Dagdieverij, V., -dieverijen.
Dagelijks (bijw.).
Dagelijksch (bnw.).
Dagen (dag worden), daagde.
Dagen (voor de rechtbank roepen), daagde, heeft gedaagd.
Dager, M., dagers.
Dageraad, M.
Daging, V., dagingen.
Dagge (ook Dag), V., daggen.
Daggeld, O., -gelden.
Dagkaart, V., -kaarten.
Daglooner, M., -looners.
Dagmeisje, O., -meisjes.
Dagorder, V., -orders.
Dagreis, V., -reizen.
Dagschool, V., -scholen.
Dagteekenen, dagteekende, heeft gedagteekend.
Dagteekening, V., -teekeningen.
Dagvaarden, dagvaardde, heeft gedagvaard.
Dagvaarding, V., -vaardingen.
Dagverhaal, O., -verhalen.
Dagwerk, O.
Dahlia, V., dahlia's.
Dak, O., daken. Dakje, O., -jes.
Dakdicht.
Dakgoot, V., -goten.
Dakloos, -looze.
Dakvenster, O., -vensters.
Dal, O., dalen.
Dalen, daalde, is gedaald.
Daling, V., dalingen.
Dam (hoogte van aarde), M., dammen.
Dammetje, O., -jes.
Dam (dubbele schijf), V., dammen.
Damasceeren, damasceerde, heeft gedamasceerd.
Damast, O., damasten.
Damasten (bnw.).
Dambord, O., -borden.
Dame, V., dames. Dametje, O., -jes.
Damesfiets, V., -fietsen.
Damhert, O., -herten.
Damlooper, M., -loopers.
Dammen, damde, heeft gedamd.
Damp, M., dampen.
Dampen, dampte, heeft gedampt.
Damper, M., dampers.
Dampig, dampiger, dampigst.
Dampkring, M., -kringen.
Dampkringslucht, V.
Damschijf, V., -schijven.
Damspel, O.
Damspeler, M., -spelers.
Dan.
Danig.
Dank, M.
Dankbaar, -baarder, -baarst.
Dankbaarheid, V.
Dankbetuiging, V., -betuigingen.
Dankdag, M., -dagen.
Danken, dankte, heeft gedankt.
Dankfeest, O., -feesten.
Dankgebed, O., -gebeden.
Danklied, O., -liederen.
Dankoffer, O., -offers.
Dankzeggen, zeide en zei dank, heeft dankgezegd.
Dankzegging, V., -zeggingen.
Dans, M., dansen. Dansje, O., -jes.
Dansen, danste, heeft gedanst.
Danser, M., dansers.
Danseres, V., danseressen.
Danshuis, O., -huizen.
Dansles, V., -lessen.
Dansmeester, M., -meesters.
Danspartij, V., -partijen.
Danszaal, V., -zalen.
Dapper, dapperder, dapperst.
Dapperheid, V.
Darm, M., darmen. Darmpje, O., -jes.
Darmkanaal, O., -kanalen.
Darmscheil, O.
Dartel, darteler, dartelst.
Dartelen, dartelde, heeft gedarteld.
Dartelheid, V., -heden.
Das (dier), M., dassen. Dasje, O., -jes.
Das (halsdoek), V., dassen. Dasje, O., -jes.
Dassenhaar, O.
Dassenhol, O., -holen.
Dassennet, O., -netten.
Dassevel, O., -vellen.
Dat.
Dateeren, dateerde, heeft gedateerd.
Dateering, V., dateeringen.
Datgene.
Datief en Dativus, M., datieven.
Datum, M., datums en data.
Dauw, M.
Dauwel, V., dauwels. Dauweltje, O., -jes.
Dauwelaar, M., dauwelaars.
Dauwelen, dauwelde, heelt gedauweld.
Dauwen, dauwde, heeft gedauwd.
Dauwworm, M.
Daveren, daverde, heeft gedaverd.
De.
Deballoteeren, deballoteerde, heeft gedeballoteerd.
Debat, O., debatten.
Debatteeren, debatteerde, heeft gedebatteerd.
Debet, O.
Debiet, O.
Debietzaak, V., -zaken.
Debitant, M., debitanten.
Debiteeren, debiteerde, heeft gedebiteerd.
Debiteur, M., debiteuren en debiteurs.
Debuteeren, debuteerde, heeft gedebuteerd.
Debuut, O.
Decadent, M., decadenten.
Decagram, O., decagrammen.
Decaliter, M., decaliters.
Decameter, M., decameters.
Decanaat, O., decanaten.
Decastere, V., decasteren en decasteres.
December, M.
Decideeren, decideerde, heeft gedecideerd.
Decigram, O., decigrammen.
Deciliter, M., deciliters.
Decimaal, decimale.
Decimeter, M., decimeters.
Decisie, V., decisiën en decisies.
Decisief, decisiever, decisiefst.
Decistere, V., decisteren en decisteres.
Declamatie, V.
Declaratie, V., declaratiën en declaraties.
Declareeren, declareerde, heeft gedeclareerd.
Declinatie, V., declinatiën en declinaties.
Declinatie-uitgang, M., -uitgangen.
Declineeren, declineerde, heeft gedeclineerd.
Decorateur, M., decorateurs.
Decoratie, V., decoratiën en decoraties.
Decoratief, O.
Decoratieschilder, M., -schilders.
Decoreeren, decoreerde, heeft gedecoreerd.
Decorum, O.
Decreet, O., decreten.
Deeg, O., deegen. Deegje, O., -jes.
Deel (plank en dorschvloer), V., delen. Deeltje, O., -jes.
Deel (gedeelte), O., deelen. Deeltje, O., -jes.
Deelachtig.
Deelbaar, -bare.
Deelbaarheid, V.
Deelen, deelde, heeft gedeeld.
Deeler, M., deelers.
Deelgenoot, M., -genooten.
Deelgenoote, V., -genooten.
Deelgenootschap, O.
Deelhebber, M., -hebbers.
Deeling, V., deelingen. Deelinkje, O., -jes.
Deelnemen, nam deel, namen deel, heeft deelgenomen.
Deelnemend, -nemender, -nemendst.
Deelnemer, M., -nemers.
Deelneming, V.
Deels.
Deeltal, O., -tallen.
Deelwoord, O., -woorden.
Deemoed, M.
Deemoedig, -moediger, -moedigst.
Deen, M., Denen.
Deensch.
Deensch, O.
Deerlijk, -lijker, -lijkst.
Deern (ook Deerne), V., deernen. Deerntje, O., -jes.
Deernis, V.
Deerniswaardig, -waardiger, -waardigst of meer en meest -waardig.
Deesem, M.
Deesemen, deesemde, heeft gedeesemd.
Defect, O., defecten.
Defect.
Defensie, V.
Defensief, defensieve.
Defensiewezen, O.
Deficit, O.
Definitie, V., definitiën en definities.
Definitief, definitieve.
Deftig, deftiger, deftigst.
Deftigheid, V.
Degel, M., degels.
Degelijk, -lijker, -lijkst.
Degelijkheid, V.
Degen, M., degens. Degentje, O., -jes.
Degene.
Degenstok, M., -stokken.
Degenstoot, M., -stooten.
Degradatie, V.
Degradeeren, degradeerde, heeft gedegradeerd.
Deinen, deinde, is gedeind.
Deining, V., deiningen.
Deinzen, deinsde, is gedeinsd.
Deïsme, O.
Deïst, M., deïsten.
Dejeuneeren, dejeuneerde, heeft gedejeuneerd.
Dejeuneetje, O., dejeuneetjes.
Dejeuner, O., dejeuners.
Dek, O., dekken. Dekje, O., -jes.
Dekbalk, M., -balken.
Dekbed, O., -bedden.
Dekblad, O., -bladen.
Dekbord, O., -borden.
Deken (overste), M., dekens en dekenen.
Deken (dekking), V., dekens. Dekentje, O., -jes.
Dekken, dekte, heeft gedekt.
Dekker, M., dekkers.
Dekgeld, O.
Dekhuis, O., -huizen.
Dekhut, V., -hutten.
Dekking, V., dekkingen.
Dekkleed, O., -kleeden.
Dekknecht, M., -knechts.
Deklast, M.
Dekmantel, M., -mantels.
Dekpan, V., -pannen.
Dekplaat, V., -platen.
Dekplank, V., -planken.
Dekriet, O.
Dekschild, O., -schilden.
Deksel, O., deksels. Dekseltje, O., -jes.
Dekselsch.
Dekservet, O., -servetten.
Deksteen, M., -steenen.
Dekstoel, M., -stoelen.
Dekstroo, O.
Dekstuk, O., -stukken.
Dekstut, M., -stutten.
Dekverf, V., -verven.
Del, V., dellen.
Delegatie, V., delegatiën.
Delfstof, V., -stoffen.
Delfstoffenrijk, O.
Delfstofkunde, V.
Delgen, delgde, heeft gedelgd.
Delging, V.
Deliberatie, V., deliberatiën en deliberaties.
Delicaat, delicater, delicaatst.
Delicieus, delicieuzer, delicieust.
Delirium-tremens, O.
Delling, V., dellingen.
Delta, V., delta's.
Deluw.
Delven, dolf, dolven, heeft gedolven.
Delver, M., delvers.
Delving, V., delvingen.
Demagoog, M., demagogen.
Demissie, V., demissiën en demissies.
Democraat, M., democraten. Democraatje, O., -jes.
Democratie, V.
Democratisch.
Demon. Zie Daemon.
Demonisch. Zie Daemonisch.
Demonstratie, V., demonstratiën.
Demonstreeren, demonstreerde, heeft gedemonstreerd.
Dempen, dempte, heeft gedempt.
Demper, M., dempers.
Dempig, dempiger, dempigst.
Dempigheid, V.
Den, M., dennen.
Denemarken, O.
Denkbaar, -bare.
Denkbeeld, O., -beelden.
Denkbeeldig, -beeldiger, -beeldigst.
Denkelijk.
Denken, dacht, heeft gedacht.
Denker, M., denkers.
Denkkracht, V.
Denkvermogen, O.
Denkwijze en -wijs, V., -wijzen.
Denneboom, M., -boomen.
Dennen (bnw.).
Dennenhout, O.
Dennenwoud, O., -wouden.
Departement, O., departementen.
Departementaal, departementale.
Departementssecretaris, M., -secretarissen.
Deponeeren, deponeerde, heeft gedeponeerd.
Deposito, O., deposito's.
Deposito-bank, V., -banken.
Deposito-gelden (mv.), O.
Depot, O., depots.
Depressie, V., depressies.
Deputatie, V., deputatiën en deputaties.
Derailleeren, derailleerde, is gederailleerd.
Deraillement, O., -menten.
Derde.
Derdehalf, -halve.
Derdendaagsch.
Deren, deerde, heeft gedeerd.
Dergelijk.
Derhalve.
Dermate.
Derrie, V.
Derrieachtig.
Dertien, dertienen. Dertientje, O., -jes.
Dertiende.
Dertienhonderd.
Dertienmaal.
Dertig, dertigen.
Dertiger, M., dertigers.
Dertigmaal.
Dertigste.
Dertigvoud, O.
Derven, derfde, heeft gederfd.
Derver, M., dervers.
Derving, V.
Derwaarts.
Derwijze.
Des.
Desalniettemin.
Desbevoegd.
Desbewust.
Descendentieleer, V.
Deserteeren, deserteerde, is gedeserteerd.
Deserteur, M., deserteuren en deserteurs.
Desertie, V., desertiën en deserties.
Desgelijks.
Desgevorderd.
Desinfecteeren, desinfecteerde, heeft gedesinfecteerd.
Desinfectie, V.
Deskundig.
Deskundige, M. en V., -kundigen.
Desniettegenstaande.
Desniettemin.
Desnoods.
Desolaat, desolater, desolaatst.
Desolate-boedelkamer, V., -kamers.
Desondanks.
Despoot, M., despoten. Despootje, O., -jes.
Despotisch.
Despotisme, O.
Dessendiaan, V.
Dessert, O., desserten. Dessertje, O., -jes.
Dessertmes, O., -messen; -mesje, O., -jes.
Dessertvork, V., -vorken; -vorkje, O., -jes.
Destijds.
Deswege.
Detachement, O., detachementen.
Detail, O., details.
Determinant, M., determinanten.
Determinisme, O.
Deugd, V., deugden.
Deugdelijk, -lijker, -lijkst.
Deugdelijkheid, V.
Deugdzaam, -zamer, -zaamst.
Deugdzaamheid, V.
Deugen, deugde, heeft gedeugd.
Deugniet, M. en V., deugnieten. Deugnietje, O., -jes.
Deuk, V., deuken. Deukje, O., -jes.
Deuken, deukte, heeft en is gedeukt.
Deun, M., deunen. Deuntje, O., -jes.
Deun, deuner, deunst.
Deunen, deunde, heeft gedeund.
Deunheid, V.
Deuntjes (bijw.).
Deur, V., deuren. Deurtje, O., -jes.
Deurknop, M., -knoppen.
Deurpost, V., -posten.
Deurwaarder, M., -waarders.
Deuvekater, M., deuvekaters.
Deuvik, M., deuviken. Deuvikje, O., -jes.
Deuviken, deuvikte, heeft gedeuvikt.
Deventerkoek, M. (als voorwerpsnaam), -koeken; V. (als stofnaam).
Devies, O., deviezen.
Devoot, devoter, devootst.
Devotie, V.
Devotiedag, M., -dagen.
Dewelke.
Dewijl.
Dextrine, V.
Deze.
Dezelfde.
Dezelve.
Dezulke.
Diacones, V., diaconessen.
Diaconessenhuis, O., -huizen.
Diaconie, V., diaconieën.
Diaconiehuis, O., -huizen.
Diadeem, M., diademen.
Diagnose, V., diagnosen.
Diagonaal, V., diagonalen.
Diaken, M., diakenen en diakens.
Diakones, V., diakonessen. Zie Diacones.
Dialect, O., dialecten.
Dialectenstudie, V.
Dialectisch.
Dialoog, M., dialogen.
Diamant (stof), O.; (stuk steen), M., diamanten. Diamantje, O., -jes.
Diamantbewerker en Diamantwerker, M., -werkers.
Diamanten (bnw.).
Diamantletter, V., -letters.
Diamantmijn, V., -mijnen.
Diamantslijper, M., -slijpers.
Diameter, M., diameters.
Diapason, M., diapasons.
Diarrhee, V.
Dicht, O., dichten. Dichtje, O., -jes.
Dicht, dichter, dichtst.
Dichtdoen, deed dicht, deden dicht, heeft dichtgedaan.
Dichten (dichtmaken), dichtte, heeft gedicht.
Dichten (verzen maken), dichtte, heeft gedicht.
Dichter, M., dichters. Dichtertje, O., -jes.
Dichteres, V., dichteressen.
Dichterlijk, -lijker, -lijkst.
Dichtheid, V.
Dichtkunst, V.
Dichtmaat, V., -maten.
Dichtmaken, maakte dicht, heeft dichtgemaakt.
Dichtregel, M., -regels.
Dichtsluiten, sloot dicht, sloten dicht, heeft dichtgesloten.
Dichtstuk, O., -stukken.
Dichtvuur, O.
Dictaat, O., dictaten.
Dictaatboekje, O., -boekjes.
Dictatenstudie, V.
Dictatuur, V.
Dictee, O., dictee's.
Dicteeren, dicteerde, heeft gedicteerd.
Didactiek, V.
Die.
Dieet, O.
Dief, M., dieven. Diefje, O., -jes.
Diefachtig, -achtiger, -achtigst.
Diefstal, M., -stallen.
Diegene.
Diemit, O., diemiten.
Diemiten (bnw.).
Dienaangaande.
Dienaar, M., dienaars en dienaren.
Dienares, V., dienaressen.
Diender, M., dienders.
Dienen, diende, heeft gediend.
Dienovereenkomstig.
Dienst, M., diensten. Dienstje, O., -jes.
Dienstbaar, -bare.
Dienstbaarheid, V.
Dienstbode, M. en V., -boden.
Dienstdoend.
Dienstig, dienstiger, dienstigst.
Dienstjaar, O., -jaren.
Dienstpet, V., -petten.
Dienstplicht, M.
Dienstplichtig.
Dienstregeling, V., -regelingen.
Dienstreis, V., -reizen.
Diensttijd, M., -tijden.
Dienstvaardig, -vaardiger, -vaardigst.
Dienstvaardigheid, V.
Dienstverrichting, V.
Dienstweigering, V., -weigeringen.
Dienstwillig, -williger, -willigst.
Dienstwilligheid, V.
Dientafeltje, O., -tafeltjes.
Dientengevolge.
Dienvolgens.
Diep, dieper, diepst.
Diep, O., diepen.
Diepdenkend.
Diepdruk, M.
Diepen, diepte, heeft gediept.
Diepgang, M.
Dieplood, O., -looden.
Diepte, V., diepten.
Diepzinnig, -zinniger, -zinnigst.
Diepzinnigheid, V.
Dier, O., dieren. Diertje, O., -jes.
Dier, dierder, dierst.
Dierbaar, -baarder, -baarst.
Dierbaarheid, V.
Dierenbeschermer, M., -beschermers.
Dierenbescherming, V.
Dierengevecht, O., -gevechten.
Dierenkweller, M., -kwellers.
Dierenriem, M.
Dierenrijk, O.
Dierentemmer, M., -temmers.
Dierentent, V., -tenten.
Dierentuin, M., -tuinen.
Diergaarde, V., -gaarden.
Diergelijk.
Dierkunde, V.
Dierlijk, -lijker, -lijkst.
Dierlijkheid, V.
Diersoort, V., -soorten.
Dies.
Diets (- maken).
Dievegge, V., dieveggen.
Dieven, diefde, heeft gediefd.
Dievenbende, V., -benden.
Dievenlantaren en -lantaarn, V., -lantarens; -lantarentje en -lantaarntje, O., -jes.
Dieventaal, V.
Dieverij, V., dieverijen.
Differentiaal, V., differentialen.
Differentiaalquotiënt, O., -quotiënten.
Differentiaalrekening, V.
Digestie, V.
Digestiekoorts, V.
Digestievisite, V., -visites.
Diggel, V., diggelen en diggels.
Dignitaris, M., dignitarissen.
Dij, V., dijen.
Dijbeen, O., -beenderen.
Dijen, dijde, is gedijd.
Dijk, M., dijken. Dijkje, O., -jes.
Dijkage, V., dijkages.
Dijkbreuk, V., -breuken.
Dijken, dijkte, heeft gedijkt.
Dijker, M., dijkers.
Dijketting, V., -ettingen.
Dijkgraaf, M., -graven.
Dijking, V., dijkingen.
Dijksbestuur, O., -besturen.
Dijkschouw, V.
Dijkslasten (mv.), M.
Dijkwezen, O.
Dik, dikker, dikst.
Dikbloedig, -bloediger, -bloedigst.
Dikbuik, M. en V., -buiken.
Dikbuikig, -buikiger, -buikigst.
Dikheid, V.
Dikhuidig.
Dikken, dikte, heeft en is gedikt.
Dikkerd, M., dikkerds. Dikkerdje, O., -jes.
Dikkop, M. en V., -koppen.
Dikmaals.
Dikte, V., dikten. Diktetje, O., -jes.
Dikwerf.
Dikwijls.
Dikzak, M. en V., -zakken.
Dilemma, O., dilemma's.
Dilettant, M., dilettanten.
Dilettante, V., dilettanten.
Dilettantisme, O.
Diligence, V., diligences.
Diligent.
Dille, V.
Diminutief, O., diminutieven.
Diminutiefsuffix. O., -suffixen.
Dineeren, dineerde, heeft gedineerd.
Diner, O., diners. Dinertje en dineetje, O., -jes.
Ding, O., dingen. Dingetje, O., -jes.
Dingen, dong, heeft gedongen.
Dingtaal, V., -talen.
Dinsdag en Dingsdag, M., -dagen.
Dinsdags en Dingsdags (bijw.).
Dinsdagsch en Dingsdagsch (bnw.).
Diocese, V., ook Diocees, O., diocesen.
Diorama, O., diorama's.
Diphthong, V., diphthongen.
Diploma, O., diploma's.
Diplomaat, M., diplomaten.
Diplomatentaal, V.
Diplomatie, V.
Diplomatiek, V.
Diplomatisch.
Direct.
Directeur, M., directeuren en directeurs.
Directeurskamer, V., -kamers.
Directeurswoning, V., -woningen.
Directie, V., directiën en directies.
Directiekeet, V., -keten.
Dirigeeren, dirigeerde, heeft gedirigeerd.
Dirigeerstok, M., -stokken.
Dirk, V., dirken.
Dirkjespeer, V., -peren.
Discant, M.
Disch, M., disschen.
Dischgenoot, M., -genooten.
Discipel, M., discipels en discipelen.
Discipline, V.
Disciplineeren, disciplineerde, heeft gedisciplineerd.
Disconteeren, disconteerde, heeft gedisconteerd.
Disconto, O.
Discours, O., discoursen.
Discreet, discreter, discreetst.
Discretie, V.
Discussie, V., discussiën en discussies.
Discuteeren, discuteerde, heeft gediscuteerd.
Dispache, V., dispaches.
Dispacheur, M., dispacheurs.
Disputeeren, disputeerde, heeft gedisputeerd.
Dispuut, O., disputen.
Dissel (bijl), M., dissels. Disseltje, O., -jes.
Dissel (aan een wagen), M., dissels.
Dissertatie, V., dissertatiën en dissertaties.
Dissonant, M., dissonanten.
Distel, V., distels. Disteltje, O., -jes.
Distillateur, M., distillateurs.
Distilleeren, distilleerde, heeft gedistilleerd.
Distilleerketel, M., -ketels.
Distributiekantoor, O., -kantoren.
District, O., districten.
Districtscommissaris, M., -commissarissen.
Dit.
Ditje, O., -jes.
Ditmaal.
Divan, M., divans.
Diverteeren, diverteerde, heeft gediverteerd.
Divertissement, O., divertissementen.
Dividend, O., dividenden.
Dividendbewijs, O., -bewijzen.
Divisie, V., divisiën en divisies.
Dobbel, M.
Dobbelaar, M., dobbelaars en dobbelaren.
Dobbelarij, V., dobbelarijen.
Dobbelen, dobbelde, heeft gedobbeld.
Dobbelspel, O., -spelen.
Dobbelsteen, M., -steenen.
Dobber, M., dobbers. Dobbertje, O., -jes.
Dobberen, dobberde, heeft gedobberd.
Doceeren, doceerde, heeft gedoceerd.
Docent, M., docenten.
Docentenkamer, V., -kamers.
Doch.
Dochter, V., dochters. Dochtertje, O., -jes.
Dochterskind, O., -kinderen.
Dochtersman, M.
Doctor (titel), M., doctoren; (geneesheer): zie bij Dokter.
Doctoraal, O., doctoralen.
Doctores, V., doctoressen.
Doctorsbul, V., -bullen.
Document, O., documenten.
Dodderig, dodderiger, dodderigst.
Doedelzak, M., -zakken.
Doek (de stof), O.; (een stuk van die stof), M., doeken. Doekje, O., -jes.
Doeken, doekte, heeft gedoekt.
Doel, O.
Doelen, M., doelens.
Doelen, doelde, heeft gedoeld.
Doelloos, -looze.
Doelmatig, -matiger, -matigst.
Doelmatigheid, V.
Doeltreffend, -treffender, -treffendst.
Doelverdediger, M., -verdedigers.
Doelwit, O. ,
Doemen, doemde, heeft gedoemd.
Doemenswaardig. Zie Doemwaardig.
Doemvonnis, O., -vonnissen.
Doemwaardig, -waardiger, -waardigst, of meer en meest -waardig.
Doen, doet, deed, deden, heeft gedaan.
Doeniet, M. en V., doenieten.
Doenlijk.
Doetje, O., doetjes.
Doezelaar, M., doezelaars.
Doezelen, doezelde, heeft gedoezeld.
Dof, M., doffen. Dofje, O., -jes.
Dof, doffer, dofst.
Doffen, dofte, heeft gedoft.
Doffer, M., doffers. Doffertje, O., -jes.
Doffig, doffiger, doffigst.
Dofheid, V.
Doft, V., doften.
Dog, M., doggen. Dogje, O., -jes.
Doge, M., doges.
Dogger, M., doggers.
Doggerboot, V., -booten.
Doggersbank, V.
Dogma, O., dogma's en dogmata.
Dogmatiek, V.
Dogmatisch.
Dok, O., dokken.
Dokken, dokte, heeft gedokt.
Dokmeester, M., -meesters.
Dokter (geneesheer), M., dokters en doctoren.
Dokteren, dokterde, heeft gedokterd.
Doktersgang, M.
Doktersrekening, V., -rekeningen.
Doktersvisite, V., -visites.
Dol, M., dollen.
Dol, doller, dolst.
Doldriftig, -driftiger, -driftigst.
Doleeren, doleerde, heeft gedoleerd.
Dolen, doolde, heeft gedoold.
Dolfijn, M., dolfijnen. Dolfijntje, O., -jes.
Dolgraag.
Dolhamer, M., -hamers.
Dolheid, V., -heden.
Dolhuis, O., -huizen.
Dolik, V.
Doling, V., dolingen.
Dolk, M., dolken. Dolkje, O., -jes.
Dolkmes, O., -messen.
Dolkop, M. en V., -koppen.
Dolkruid, O.
Dolksteek, M., -steken.
Dollar, M., dollars.
Dolle-hondsbeet, M., -hondsbeten.
Dollekervel, V.
Dolleman, M., -mannen en -mans.
Dollemanspraat, M.
Dollen, dolde, heeft gedold.
Dollepraat, M.
Dolligheid, V., -heden.
Dolman, M., dolmans.
Dolomiet (stof), O.; (voorwerpsnaam), M., dolomieten.
Dolzinnig, -zinniger, -zinnigst.
Dolzinnigheid, V., -heden.
Dom, M., domkerken.
Dom, dommer, domst.
Domein, O., domeinen.
Domeingrond, M., -gronden.
Domheid, V., -heden.
Domicilie, O., domiciliën en domicilies.
Dominee, M., dominees.
Domineeren, domineerde, heeft gedomineerd.
Domineesbriefje, O., -briefjes.
Domineesklontje, O., -klontjes.
Dominicaan, M., Dominicanen.
Domino (vermomming), M., domino's.
Domino (spel), O., domino's.
Dominospel, O., -spellen.
Dominosteen, M., -steenen.
Domkapittel, O., -kapittels.
Domkerk, V., -kerken.
Domkop, M. en V., -koppen.
Dommekracht, V., -krachten.
Dommel, M.
Dommelen, dommelde, heeft gedommeld.
Dommerik, M., dommeriken.
Dommigheid, V., -heden.
Domoor, M., domooren.
Dompelaar, M., dompelaars.
Dompelen, dompelde, heeft gedompeld.
Dompeling, V., dompelingen.
Dompen, dompte, heeft gedompt.
Domper, M., dompers. Dompertje, O., -jes.
Dompig, dompiger, dompigst.
Domproost, M., -proosten.
Donateur, M., donateurs.
Donatrice, V., donatrices.
Donder, M., donders.
Donderaar, M., donderaars.
Donderbui, V., -buien.
Donderdag, M., -dagen.
Donderdags (bijw.).
Donderdagsch (bnw.).
Donderen, donderde, heeft gedonderd.
Donderjagen, donderjaagde, heeft gedonderjaagd.
Donders (bijw.).
Dondersch (bnw.).
Donderslag, M., -slagen.
Dondersteen, M., -steenen.
Donker, donkerder, donkerst.
Donker, O.
Donkerblauw.
Donkerbruin.
Donkergrijs, -grijze.
Donkergroen.
Donkerheid, V.,
Donkerrood, -roode.
Donkerte, V.
Dons, O. Donsje, O., -jes.
Donzen (bnw.).
Donzig, donziger, donzigst.
Dood, M., dooden.
Dood, doode.
Doodaf.
Doodakte, V., -akten.
Doodarm.
Doodbed, O., doodbedden
Doodbedaard.
Doodbloeden, bloedde dood, is doodgebloed.
Dooddoener, M., -doeners.
Doode, M. en V., dooden.
Doodeenvoudig.
Doodekop, V.
Doodelijk, -lijker, -lijkst.
Doodelijkheid, V.
Dooden, doodde, heeft gedood.
Doodendans, M., -dansen.
Doodenmarsch, M.
Dooder, M., dooders.
Doodeter, M., -eters.
Doodfamiliaar, -familiare.
Doodgaan, ging dood, is doodgegaan.
Doodgoed, O.
Doodgoed (bnw.).
Doodgraver, M., -gravers.
Doodjagen, jaagde dood, heeft doodgejaagd; ook joeg dood.
Doodjammer.
Doodkist, V., -kisten.
Doodloopen, liep dood, heeft en is doodgeloopen.
Doodmoede en -moe.
Doodnuchter.
Doodop.
Doodsangst, M., -angsten.
Doodsbeenderen (mv.), O.
Doodsbenauwd.
Doodsbleek, -bleeke.
Doodsch, doodscher.
Doodschheid, V.
Doodschieten, schoot dood, schoten dood, heeft doodgeschoten.
Doodsgevaar, O., -gevaren.
Doodshoofd, O., -hoofden.
Doodskleur, V.
Doodskop, M., -koppen.
Doodslaan, sloeg dood, heeft doodgeslagen.
Doodslag, M., -slagen.
Doodslager, M., -slagers.
Doodsnood, M.
Doodsschrik, M.
Doodsslaap, M.
Doodssnik, M.
Doodsstond, M.
Doodsstrijd, M.
Doodsstuip, V., -stuipen.
Doodsteken, stak dood, staken dood, heeft doodgestoken.
Doodstraf, V., -straffen.
Doodstroom, M. of O.
Doodsuur, O.
Doodsverachting, V.
Doodszweet, O.
Doodverf, V.
Doodverven, doodverfde, heeft gedoodverfd.
Doodvreter, M., -vreters.
Doodzeilen (het tij -), zeilde dood, heeft doodgezeild.
Doodziek.
Doodzwijgen, zweeg dood, zwegen dood, heeft doodgezwegen.
Doof, doover, doofst.
Doofheid, V.
Doofpot, M., -potten; -potje, O., -jes.
Doofstom, -stomme.
Doofstomme, M. en V., -stommen.
Doofstommen-instituut, O., -instituten.
Dooi, M.
Dooien, dooide, heeft gedooid.
Dooier, M., dooiers.
Dooiweder en -weer, O.
Dook, V., doken.
Doolhof, M. en O., -hoven.
Doolweg, M., -wegen.
Doop (kerkplechtigheid), M.
Doop (saus), V.
Doopbekken, O., -bekkens.
Doopceel, V., -ceelen.
Doopeling, M. en V., doopelingen. V. ook doopelinge.
Doopen, doopte, heeft gedoopt.
Dooper, M., doopers.
Doopformulier, O., -formulieren.
Doophek, O., -hekken.
Doopjurk, V., -jurken.
Doopmaal, O., -malen.
Doopsel, O.
Doopsgezind.
Doopsgezinde, M. en V., -gezinden.
Doopvont, V., -vonten.
Door (voorz. en bijw.).
Door (dooier), M. en O., dooren.
Dooraderen, dooraderde, heeft dooraderd.
Doorarbeiden, arbeidde door, heeft doorgearbeid.
Doorbabbelen, babbelde door, heeft doorgebabbeld.
Doorbakken, bakte door, heeft doorgebakken; ook doorbakte, heeft doorbakken.
Doorbakken (bnw.).
Doorbijten, beet door, beten door, heeft doorgebeten.
Doorbladeren, bladerde door, heeft doorgebladerd; ook doorbladerde, heeft doorbladerd.
Doorblazen, blies door, bliezen door, heeft doorgeblazen.
Doorboren, boorde door, heeft doorgeboord; ook doorboorde, heeft doorboord.
Doorboring, V., -boringen.
Doorbraak, V., -braken.
Doorbraden (bnw.).
Doorbranden, brandde door, heeft en is doorgebrand.
Doorbreien, breide door, heeft doorgebreid.
Doorbreken, brak door, braken door, heeft en is doorgebroken; ook doorbrak, doorbraken, heeft doorbroken.
Doorbreking, V., -brekingen.
Doorbrengen, bracht door, heeft doorgebracht.
Doorbrenger, M., -brengers.
Doorbuigen, boog door, bogen door, heeft en is doorgebogen.
Doordat.
Doordenken, dacht door, heeft doorgedacht; ook doordacht, heeft doordacht.
Doordien.
Doordraaien, draaide door, heeft doorgedraaid.
Doordraaier, M., -draaiers.
Doordraven, draafde door, heeft doorgedraafd.
Doordraver, M., -dravers.
Doordraverij, V.
Doordrentelen, drentelde door, is doorgedrenteld.
Doordrijven, dreef door, dreven door, heeft en is doorgedreven.
Doordrijver, M., -drijvers.
Doordrijverij, V., -drijverijen.
Doordringbaar, -bare.
Doordringbaarheid, V.
Doordringen, drong door, is en heeft doorgedrongen; ook doordrong, heeft doordrongen.
Doordringend, -dringender, -dringendst.
Doordringendheid, V.
Doordrinken, dronk door, heeft doorgedronken.
Doordruipen, droop door, dropen door, is doorgedropen.
Doordrukken, drukte door, heeft doorgedrukt.
Dooreen.
Dooreengooien, gooide dooreen, heeft dooreengegooid.
Dooreenhaspelen, haspelde dooreen, heeft dooreengehaspeld.
Dooreenkoken, kookte dooreen, heeft dooreengekookt.
Dooreenloopen, liep dooreen, is dooreengeloopen.
Dooreenmengen, mengde dooreen, heeft dooreengemengd.
Dooreenroeren, roerde dooreen, heeft dooreengeroerd.
Dooreenslaan, slaat dooreen, sloeg dooreen, heeft dooreengeslagen.
Dooreenvlechten, vlocht dooreen, heeft dooreengevlochten.
Dooreenwarren, warde dooreen, heeft dooreengeward.
Dooreten, at door, aten door, heeft doorgegeten.
Doorgaan, gaat door, ging door, is en heeft doorgegaan.
Doorgaans.
Doorgalmen, galmde door, heeft doorgegalmd; ook doorgalmde, heeft doorgalmd.
Doorgang, M., -gangen.
Doorgangshuis, O., -huizen.
Doorgestoken.
Doorgeven, gaf door, gaven door, heeft doorgegeven.
Doorgieten, goot door, goten door, heeft doorgegoten.
Doorglippen, glipte door, is doorgeglipt.
Doorgooien, gooide door, heeft doorgegooid.
Doorgraven, groef door, groeven door, heeft doorgegraven; ook doorgroef, doorgroeven, heeft doorgraven.
Doorgraving, V., -gravingen.
Doorgroeien, groeide door, is doorgegroeid.
Doorgronden, doorgrondde, heeft doorgrond.
Doorhakken, hakte door, heeft doorgehakt.
Doorhalen, haalde door, heeft doorgehaald.
Doorhaling, V., -halingen.
Doorheen.
Doorhelpen, hielp door, heeft doorgeholpen.
Doorhouwen, hieuw door, heeft doorgehouwen.
Doorijlen, ijlde door, heeft en is doorgeijld.
Doorkermen, kermde door, heeft doorgekermd.
Doorkijken, keek door, keken door, heeft doorgekeken; ook doorkeek, doorkeken, heeft doorkeken.
Doorklieven, kliefde door, heeft doorgekliefd; ook doorkliefde, heeft doorkliefd.
Doorklinken, klonk door, heeft doorgeklonken; ook doorklonk, heeft doorklonken.
Doorkloppen, klopte door, heeft doorgeklopt.
Doorknabbelen, knabbelde door, heeft doorgeknabbeld.
Doorknagen, knaagde door, heeft doorgeknaagd; ook doorknaagde; heeft doorknaagd.
Doorkneed, -knede.
Doorknippen, knipte door, heeft doorgeknipt.
Doorkoken, kookte door, heeft doorgekookt.
Doorkomen, komt door, kwam door, kwamen door, is doorgekomen.
Doorkrabben, krabde door, heeft doorgekrabd.
Doorkrijgen, kreeg door, kregen door, heeft doorgekregen.
Doorkronkelen, doorkronkelde, heeft doorkronkeld.
Doorkruipen, kroop door, kropen door, heeft en is doorgekropen; ook doorkroop, doorkropen, heeft doorkropen.
Doorkruisen, kruiste door, heeft doorgekruist; ook doorkruiste, heeft doorkruist.
Doorlaat, M., -laten.
Doorlachen, lachte door, heeft doorgelachen.
Doorlaten, liet door, heeft doorgelaten.
Doorlaveeren, laveerde door, heeft en is doorgelaveerd.
Doorleeren, leerde door, heeft doorgeleerd.
Doorleiden, leidde door, heeft doorgeleid.
Doorlekken, lekte door, heeft doorgelekt.
Doorleven, doorleefde, heeft doorleefd en doorgeleefd.
Doorlezen, las door, lazen door, heeft doorgelezen; ook doorlas, doorlazen, heeft doorlezen.
Doorlezing, V.
Doorliggen, lag door, lagen door, heeft doorgelegen.
Doorloodsen, loodste door, heeft doorgeloodst.
Doorloop, M., -loopen.
Doorloopen, liep door, is en heeft doorgeloopen; ook doorliep, heeft doorloopen.
Doorloopend.
Doorlucht, -luchter, -luchtst.
Doorluchtig, -luchtiger, -luchtigst.
Doorluchtigheid, V., -heden.
Doormalen, maalde door, heeft doorgemalen.
Doormarcheeren, marcheerde door, heeft en is doorgemarcheerd.
Doormarsch, M., -marschen.
Doormengen, mengde door, heeft doorgemengd; ook doormengde, heeft doormengd.
Doormijmeren, mijmerde door, heeft doorgemijmerd; ook doormijmerde, heeft doormijmerd.
Doorn en Doren, M., doornen en doorns of dorens. Doorntje en dorentje, O., -jes.
Doornaaien, naaide door, heeft doorgenaaid; ook doornaaide, heeft doornaaid.
Doornachtig, -achtiger, -achtigst.
Doornagelen, doornagelde, heeft doornageld.
Doornat, -natte.
Doornen (bnw.).
Doornenkroon, V., -kronen.
Doornig, doorniger, doornigst.
Doornommeren, nommerde door, heeft doorgenommerd.
Doorpennen, pende door, heeft doorgepend.
Doorpersen, perste door, heeft doorgeperst.
Doorpikken, pikte door, heeft doorgepikt.
Doorploegen, doorploegde, heeft doorploegd.
Doorpraten, praatte door, heeft doorgepraat.
Doorpriemen, priemde door, heeft doorgepriemd; ook doorpriemde, heeft doorpriemd.
Doorprikken, prikte door, heeft doorgeprikt.
Doorpruimen, pruimde door, heeft doorgepruimd.
Doorrazen, raasde door, heeft doorgeraasd.
Doorredeneeren, redeneerde door, heeft doorgeredeneerd.
Doorregenen, regende door, heeft en is doorgeregend.
Doorreis, V., -reizen.
Doorreizen, reisde door, heeft en is doorgereisd; ook doorreisde, heeft doorreisd.
Doorrennen, rende door, heeft en is doorgerend.
Doorrijden, reed door, reden door, heeft en is doorgereden; ook doorreed, doorreden, heeft doorreden.
Doorrijgen, reeg door, regen door, heeft doorgeregen; ook doorreeg, doorregen, heeft doorregen.
Doorroeien, roeide door, heeft en is doorgeroeid.
Doorroeren, roerde door, heeft doorgeroerd.
Doorroesten, roestte door, is doorgeroest.
Doorrollen, rolde door, heeft en is doorgerold.
Doorrooken, rookte door, heeft doorgerookt; ook doorrookte, heeft doorrookt.
Doorrooker, M., -rookers; -rookertje, O., -jes.
Doorschemeren, schemerde door, is en heeft doorgeschemerd.
Doorschermen, schermde door, heeft doorgeschermd.
Doorscheuren, scheurde door, heeft en is doorgescheurd; ook doorscheurde, heeft doorscheurd.
Doorschieten, schoot door, schoten door, heeft en is doorgeschoten; ook doorschoot, doorschoten, heeft doorschoten.
Doorschijnen, scheen door, schenen door, heeft doorgeschenen; ook doorscheen, doorschenen, heeft doorschenen.
Doorschijnend.
Doorschijnendheid, V.
Doorschrappen, schrapte door, heeft doorgeschrapt.
Doorschrapping, V., -schrappingen.
Doorschreeuwen, schreeuwde door, heeft doorgeschreeuwd.
Doorschreien, schreide door, heeft doorgeschreid.
Doorschrijven, schreef door, schreven door, heeft doorgeschreven.
Doorschudden, schudde door, heeft doorgeschud.
Doorschuiven, schoof door, schoven door, heeft doorgeschoven.
Doorschutten, schutte door, heeft doorgeschut.
Doorsijpelen, sijpelde door, heeft en is doorgesijpeld.
Doorslaan, sloeg door, heeft en is doorgeslagen.
Doorslaand, -slaander, -slaandst.
Doorslag, M., -slagen; -slagje, O., -jes.
Doorslapen, sliep door, heeft doorgeslapen.
Doorsleepen, sleepte door, heeft doorgesleept.
Doorslepen, -slepener, -slepenst.
Doorslepenheid, V.
Doorslijten, sleet door, sleten door, heeft en is doorgesleten.
Doorslikken, slikte door, heeft doorgeslikt.
Doorslokken, slokte door, heeft doorgeslokt.
Doorsluimeren, sluimerde door, heeft doorgesluimerd.
Doorsluipen, sloop door, slopen door, is doorgeslopen.
Doorsmeulen, smeulde door, heeft doorgesmeuld.
Doorsnede, V., -sneden.
Doorsneeuwen, sneeuwde door, heeft doorgesneeuwd.
Doorsnijden, sneed door, sneden door, heeft doorgesneden; ook doorsneed, doorsneden, heeft doorsneden.
Doorsnijding, V., -snijdingen.
Doorsnorren, snorde door, heeft en is doorgesnord.
Doorsnuffelaar, M., -snuffelaars.
Doorsnuffelen, doorsnuffelde, heeft doorsnuffeld.
Doorspekken, doorspekte, heeft doorspekt.
Doorspelen, speelde door, heeft doorgespeeld.
Doorspijkeren, doorspijkerde, heeft doorspijkerd.
Doorspitten, spitte door, heeft doorgespit.
Doorspoelen, spoelde door, heeft doorgespoeld.
Doorspoeling, V., -spoelingen.
Doorspreken, sprak door, spraken door, heeft doorgesproken.
Doorspringen, sprong door, heeft doorgesprongen.
Doorspuiten, spoot door, spoten door, heeft doorgespoten.
Doorstaan, stond door, heeft doorgestaan; ook doorstond, heeft doorstaan.
Doorstampen, stampte door, heeft doorgestampt.
Doorstappen, stapte door, heeft en is doorgestapt.
Doorsteek, M., -steken.
Doorsteken, stak door, staken door, heeft doorgestoken; ook doorstak, doorstaken, heeft doorstoken.
Doorsteker, M., -stekers; -stekertje, O., -jes.
Doorsteking, V., -stekingen.
Doorstevenen, stevende door, is doorgestevend.
Doorstikken, doorstikte, heeft doorstikt.
Doorstoomen, stoomde door, heeft en is doorgestoomd.
Doorstooten, stiet door, heeft doorgestooten; ook stootte door; en doorstiet, heeft doorstooten.
Doorstormen, stormde door, heeft doorgestormd.
Doorstralen, straalde door, heeft doorgestraald; ook doorstraalde, heeft doorstraald.
Doorstraling, V.
Doorstrepen, streepte door, heeft doorgestreept.
Doorstrijden, streed door, streden door, heeft doorgestreden.
Doorstrijken, streek door, streken door, heeft en is doorgestreken.
Doorstrompelen, strompelde door, is doorgestrompeld.
Doorstroomen, stroomde door, heeft doorgestroomd; ook doorstroomde, heeft doorstroomd.
Doorstudeeren, studeerde door, heeft doorgestudeerd.
Doorsturen, stuurde door, heeft doorgestuurd.
Doorsukkelen, sukkelde door, heeft en is doorgesukkeld.
Doortasten, tastte door, heeft doorgetast; ook doortastte, heeft doortast.
Doorteekenen, teekende door, heeft doorgeteekend.
Doortellen, telde door, heeft doorgeteld.
Doortimmerd.
Doortintelen, doortintelde, heeft doortinteld.
Doortocht, M., -tochten.
Doortrappen, trapte door, heeft doorgetrapt.
Doortrapt, -trapter, -traptst.
Doortraptheid, V.
Doortreden, trad door, traden door, heeft en is doorgetreden.
Doortrekken, trok door, trokken door, heeft en is doorgetrokken; ook doortrok, doortrokken, heeft doortrokken.
Doortrekking, V.
Doortrillen, doortrilde, heeft doortrild.
Doortrokken.
Doorvaart, V., -vaarten.
Doorvallen, viel door, is doorgevallen.
Doorvaren, voer door, is en heeft doorgevaren.
Doorvechten, vocht door, heeft doorgevochten.
Doorvijlen, vijlde door, heeft doorgevijld.
Doorvlechten, vlocht door, heeft doorgevlochten; ook doorvlocht, heeft doorvlochten.
Doorvliegen, vloog door, vlogen door, is doorgevlogen; ook doorvloog, doorvlogen, heeft doorvlogen.
Doorvloeien, vloeide door, is doorgevloeid.
Doorvoed.
Doorvoeden, doorvoedde, heeft doorvoed.
Doorvoer, M., -voeren.
Doorvoeren, voerde door, heeft doorgevoerd.
Doorvouwen, vouwde door, heeft doorgevouwen.
Doorvragen, vraagde door, heeft doorgevraagd; ook vroeg door.
Doorvreten, vrat door, vraten door, heeft doorgevreten.
Doorvriezen, vroor door, heeft doorgevroren en doorgevrozen.
Doorwaadbaar, -bare.
Doorwaaien, waaide door, heeft en is doorgewaaid; ook woei door, woeien door; en doorwaaide (doorwoei), heeft doorwaaid.
Doorwaden, waadde door, heeft doorgewaad; ook doorwaadde, heeft doorwaad.
Doorwandelen, wandelde door, heeft en is doorgewandeld; ook doorwandelde, heeft doorwandeld.
Doorwasemen, doorwasemde, heeft doorwasemd.
Doorwassen, wies door, wiesen door, is doorgewassen.
Doorwassen (bnw.).
Doorwateren, waterde door, heeft en is doorgewaterd; ook doorwaterde, heeft doorwaterd.
Doorweeken, weekte door, is en heeft doorgeweekt; ook doorweekte, heeft doorweekt.
Doorweeking, V.
Doorweenen, weende door, heeft doorgeweend.
Doorwerken, werkte door, heeft doorgewerkt; ook doorwerkte, heeft doorwerkt.
Doorweven, weefde door, heeft doorgeweven; ook doorweefde, heeft doorweven.
Doorwoeden, woedde door, heeft doorgewoed.
Doorwoelen, doorwoelde, heeft doorwoeld.
Doorwonden, doorwondde, heeft doorwond.
Doorworstelen, doorworstelde, heeft doorworsteld.
Doorworsteling, V.
Doorwrocht, -wrochter, -wrochtst.
Doorwroeten, wroette door, heeft doorgewroet; ook doorwroette, heeft doorwroet.
Doorwroeting, V.
Doorzaaien, zaaide door, heeft doorgezaaid; ook doorzaaide, heeft doorzaaid.
Doorzagen, zaagde door, heeft doorgezaagd.
Doorzaging, V.
Doorzakken, zakte door, is doorgezakt.
Doorzakking, V., -zakkingen.
Doorzeilen, zeilde door, is en heeft doorgezeild.
Doorzenden, zond door, heeft doorgezonden.
Doorzetten, zette door, heeft doorgezet.
Doorzicht, O.
Doorzichtbaar, -bare.
Doorzichtbaarheid, V.
Doorzichtig, -zichtiger, -zichtigst.
Doorzichtigheid, V.
Doorzichtkunde, V.
Doorzien, zag door, zagen door, heeft doorgezien; ook doorzag, doorzagen, heeft doorzien.
Doorziften, ziftte door, heeft doorgezift.
Doorzijgen, zeeg door, zegen door, heeft en is doorgezegen.
Doorzingen, zong door, heeft doorgezongen.
Doorzinken, zonk door, is doorgezonken.
Doorzitten, zat door, zaten door, heeft doorgezeten.
Doorzoeken, zocht door, heeft doorgezocht; ook doorzocht, heeft doorzocht.
Doorzoeking, V., -zoekingen.
Doorzouten, doorzoutte, heeft doorzouten.
Doorzweeten, zweette door, heeft doorgezweet.
Doorzwelgen, zwolg door, heeft doorgezwolgen.
Doorzwelger, M., -zwelgers.
Doorzwelging, V.
Doorzwemmen, zwom door, zwommen door, heeft en is doorgezwommen.
Doorzweren, zwoor door, zworen door, is doorgezworen.
Doorzwerven, zwierf door, zwierven door, heeft doorgezworven.
Doorzweven, zweefde door, is doorgezweefd; ook doorzweefde, heeft doorzweefd.
Doos, V., doozen. Doosje, O., -jes.
Doovekool, V., -kolen.
Dooven, doofde, heeft gedoofd.
Doovenetel, V., -netels.
Doovigheid, V.
Doozenfabriek, V., -fabrieken.
Doozenmaakster, V., -maaksters.
Dop, M., doppen. Dopje, O., -jes.
Dopjesspel, O., -spellen.
Dopknier, V., -knieren.
Doppen, dopte, heeft gedopt.
Dopper, M., doppers.
Dor, dorder, dorst.
Doren. Zie Doorn.
Dorheid, V.
Dormter, M.
Dorp, O., dorpen. Dorpje, O., -jes.
Dorpachtig.
Dorpel, M., dorpels. Dorpeltje, O., -jes.
Dorpeling, M. en V., dorpelingen. V. ook dorpelinge.
Dorpsbestuur, O., -besturen.
Dorpsch.
Dorpsherberg, V., -herbergen.
Dorpskerk, V., -kerken; -kerkje, O., -jes.
Dorpsleeraar, M., -leeraars en -leeraren.
Dorpsschool, V., -scholen.
Dorsch, M.
Dorschdeel, V., -delen.
Dorschen, dorschte, heeft gedorscht.
Dorscher, M., dorschers.
Dorsching, V., dorschingen.
Dorschschuur, V., -schuren.
Dorschtijd, M.
Dorschvlegel, M., -vlegels.
Dorschvloer, M., -vloeren.
Dorst, M.
Dorsten, dorstte, heeft gedorst.
Dorstig, dorstiger, dorstigst.
Dorstigheid, V.
Dos, M.
Dosis, V., dosissen.
Dossen, doste, heeft gedost.
Dot, M., dotten. Dotje, O., -jes.
Douairière, V., douairières.
Douane, V.
Douanekantoor, O., -kantoren.
Douanen (mv.) (de beambten der douane), M.
Douarie, V., douarieën.
Doubleeren, doubleerde, heeft gedoubleerd.
Doublet, O., doubletten. Doubletje, O., -jes.
Douceur, V. Douceurtje, O., -jes.
Douche, V.
Douw, M., douwen. Douwtje, O., -jes.
Dozijn, O., dozijnen. Dozijntje, O., -jes.
Dra.
Draad (voorwerp), M., draden; (stof), O. Draadje, O., -jes.
Draadloos, -looze.
Draadschaar, V., -scharen.
Draadsgewijze en -wijs.
Draadtrekken, O.
Draadtrekker, M., -trekkers.
Draagbaar, V., -baren.
Draagbaar, -bare.
Draagbalk, M., -balken.
Draagband, M., -banden.
Draagboom, M., -boomen; -boompje, O., -jes.
Draaggeld, O., -gelden.
Draagkoets, V., -koetsen.
Draagkorf, M., -korven; -korfje, O., -jes.
Draaglijk, -lijker, -lijkst.
Draagloon, O., -loonen.
Draagriem, M., -riemen.
Draagster, V., draagsters.
Draagstoel, M., -stoelen; -stoeltje, O., -jes.
Draagstok, M., -stokken.
Draagvermogen, O.
Draagzadel, M. en O., -zadels.
Draagzeel, O., -zeelen.
Draagzetel, M., -zetels.
Draai, M., draaien. Draaitje, O., -jes.
Draaibank, V., -banken.
Draaibeitel, M., -beitels.
Draaiboom, M., -boomen.
Draaibord, O., -borden.
Draaibrug, V., -bruggen.
Draaien, draaide, heeft en is gedraaid.
Draaier, M., draaiers.
Draaierig, draaieriger, draaierigst.
Draaierij, V., draaierijen.
Draaiing, V., draaiingen.
Draaikap, V., -kappen.
Draaikolk, V., -kolken.
Draaikruk, V., -krukken.
Draaikunst, V.
Draaimolen, M., -molens.
Draaiorgel, O., -orgels.
Draaipen, V., -pennen.
Draaischijf, V., -schijven.
Draaispil, V., -spillen.
Draaispit, O., -spitten.
Draaister, V., draaisters.
Draaistroom, M.
Draaitol, M., -tollen.
Draaiwerk, O.
Draak, M., draken. Draakje, O., -jes.
Draakwortel (plant), V.
Drab en Drabbe, V.
Drabbigheid, V.
Drachme, V. en O., drachmen.
Dracht, V., drachten.
Drachtig.
Dradig, dradiger, dradigst.
Draf (het draven), M. Drafje, O.
Draf (voeder), M.
Dragen, droeg, heeft gedragen.
Drager, M., dragers.
Dragersplaats, V., -plaatsen.
Dragon (kruid), V.
Dragon (kwast), V., dragons.
Dragonder, M., dragonders.
Draineerbuis, V., -buizen.
Draineeren, draineerde, heeft gedraineerd.
Drakenbloed, O.
Drakenboom, M., -boomen.
Drakenkop, M., -koppen.
Drakenkruid, O.
Drakenplant, V., -planten.
Drakenslang, V., -slangen.
Dralen, draalde, heeft gedraald.
Draler, M., dralers.
Drama, O., drama's.
Dramatiek, V.
Dramatisch.
Dramaturg, M., dramaturgen.
Dramaturgie, V.
Drang, M.
Drangreden, V., -redenen.
Drank, M., dranken. Drankje, O., -jes.
Drankaccijns, M., -accijnzen.
Drankbestrijder, M., -bestrijders.
Drankgebruik, O.
Drankjesflesch, V., -flesschen; drankjesfleschje, O., -jes.
Drankmisbruik, O.
Drankwet, V.
Drankwinkel, M., -winkels.
Drapeeren, drapeerde, heeft gedrapeerd.
Drapeering, V., drapeeringen.
Draperie, V., draperieën.
Dras, V.
Dras, drasser, drast.
Drassig, drassiger, drassigst.
Drassigheid, V.
Drastisch.
Draven, draafde, heeft gedraafd.
Draver, M., dravers.
Dravik, V.
Dreef, V., dreven. Dreefje, O., -jes.
Dreet, V., dreten. Dreetje, O., -jes.
Dreg en Dregge, V., dreggen. Dregje, O., -jes.
Dreggen, dregde, heeft gedregd.
Dreigbrief, M., -brieven.
Dreigement, O., dreigementen.
Dreigen, dreigde, heeft gedreigd.
Dreiging, V., dreigingen.
Drek, M.
Drekkig, drekkiger, drekkigst.
Drempel, M., drempels. Drempeltje, O., -jes.
Drenkbak, M., -bakken.
Drenkeling, M. en V., drenkelingen. V. ook drenkelinge.
Drenkelinghuisje, O., -huisjes.
Drenken, drenkte, heeft gedrenkt.
Drenkplaats, V., -plaatsen.
Drenktrog, M., -troggen.
Drenkwed, O., -wedden.
Drent, M., Drenten.
Drente (gewest), O.
Drentelen, drentelde, heeft en is gedrenteld.
Drentenaar, M., Drentenaars en Drentenaren.
Drenzen, drensde, heeft gedrensd.
Dressuur, V.
Dreum, M.
Dreumes, M., dreumessen. Dreumesje, O., -jes.
Dreun, M., dreunen. Dreuntje, O., -jes.
Dreunen, dreunde, heeft gedreund.
Dreuning, V., dreuningen.
Dreutel, M., dreutels. Dreuteltje, O., -jes.
Dreutelaar, M., dreutelaars.
Dreutelen, dreutelde, heeft gedreuteld.
Drevel, M., drevels.
Dribbel, M. en V., dribbels. Dribbeltje, O., -jes.
Dribbelaar, M., dribbelaars.
Dribbelaarster, V., dribbelaarsters.
Dribbelen, dribbelde, heeft en is gedribbeld.
Drie (telwoord). Als znw., V., drieën. Drietje, O., -jes.
Driedaagsch.
Driedeelen, driedeelde, heeft gedriedeeld.
Driedeelig.
Driedekker, M., -dekkers.
Driedik, -dikke.
Driedraadsch.
Driedubbel.
Drieduizendste.
Drieëenheid.
Drieëenig.
Drieërhande.
Drieërlei.
Driegdraad, M.
Driehoek, M., -hoeken; -hoekje, O., -jes.
Driehoekig.
Driehoeksmeting, V., -metingen.
Driehonderd.
Driehonderdste.
Drieklank, M., -klanken.
Driekleur, V.
Driekleurig.
Driekoningen (-dag, M., -dagen; -feest, O., -feesten).
Driekroon, V.
Drieledig.
Drieling, M. en V., drielingen.
Driemaal.
Drieman, M., -mannen.
Driemanschap, O., -schappen.
Driemast, M., -masten.
Driemaster, M., -masters.
Drieponder, M., -ponders.
Driepuntig.
Drieschijfsblok, O., -blokken en -bloks.
Driesprong, M., -sprongen.
Driest, driester.
Driestal, M., -stallen; -stalletje, O., -jes.
Driestemmig.
Driestheid, V., -heden.
Drietal, O., -tallen.
Drievlakshoek, M., -hoeken.
Drievoet, M., drievoeten.
Drievoudig.
Drievuldigheid, V.
Driewerf.
Drift, V., driften.
Driftig, driftiger, driftigst.
Driftigheid, V.
Driftkop, M. en V., -koppen.
Driftzand, O.
Drijfbeitel, M., -beitels.
Drijfhamer, M., -hamers.
Drijfhout, O., -houten.
Drijfijs, O.
Drijfjacht, V., -jachten.
Drijfkracht, V., -krachten.
Drijfrad, O., -raderen.
Drijfsteen, M., -steenen.
Drijftol, M., -tollen.
Drijfton, V., -tonnen.
Drijfveer, V., -veeren.
Drijfzand, O.
Drijnen, drijnde, heeft gedrijnd.
Drijten, dreet, dreten, heeft gedreten.
Drijven, dreef, dreven, is en heeft gedreven.
Drijver, M., drijvers.
Drijverij, V., drijverijen.
Dril (werktuig en klap), M., drillen.
Dril (gestold vleeschnat), V.
Dril (stof), O.
Drilboog, M., -bogen.
Drilboor, V., -boren.
Drilgat, O., -gaten.
Drilkunst, V.
Drillen, drilde, heeft gedrild.
Driller, M., drillers.
Drilmeester, M., -meesters.
Drilplaats, V., -plaatsen.
Drilschool, V., -scholen.
Dringen, drong, heeft en is gedrongen.
Dringend, dringender, dringendst.
Drinkbaar, -bare.
Drinkbak, M., -bakken; -bakje, O., -jes.
Drinkbeker, M., -bekers.
Drinkebroer, M., -broers.
Drinken, dronk, heeft gedronken.
Drinker, M., drinkers.
Drinkerij, V., drinkerijen.
Drinkgelag, O., -gelagen.
Drinkgeld, O., -gelden.
Drinkglas, O., -glazen; -glaasje, O., -jes.
Drinkhoorn en -horen, M., -hoorns en -horens.
Drinkkan, V., -kannen.
Drinklied, O., -liederen; -liedje, O., -jes.
Drinknap, M., -nappen; -napje, O., -jes.
Drinkpartij, V., -partijen.
Drinkschaal, V., -schalen.
Drinkvat, O., -vaten.
Drinkwater, O.
Droef, droever, droefst.
Droefenis, V.
Droefgeestig, -geestiger, -geestigst.
Droefgeestigheid, V.
Droefheid, V.
Droelen, droelde, heeft gedroeld.
Droes (duivel), M.
Droes (paardenziekte), M.
Droesem, M.
Droevig, droeviger, droevigst.
Droezig, droeziger, droezigst.
Drogen, droogde, heeft en is gedroogd.
Drogerij, V., drogerijen.
Droging, V., drogingen.
Drogist, M., drogisten.
Drogreden, V., -redenen.
Drogredenaar, M., -redenaren en -redenaars.
Drok. Zie Druk.
Drol, M., drollen. Drolletje, O., -jes.
Drollig, drolliger, drolligst.
Drolligheid, V., -heden.
Drom, M., drommen.
Dromedaris, M., dromedarissen.
Drommel, M., drommels. Drommeltje, O., -jes.
Drommels (bijw.).
Drommelsch (bnw.).
Dronk, M., dronken. Dronkje, O., -jes.
Dronkaard, M., dronkaards en dronkaarden.
Dronkelap, M., -lappen.
Dronken.
Dronkenman en Dronkeman, M., -mannen.
Dronkenschap, V.
Droog, droger, droogst.
Droogdoek, M., -doeken.
Droogheid, V.
Droogje, O.
Droogjes.
Drooglat, V., -latten.
Droogleggen, legde en leide droog, heeft drooggelegd en drooggeleid.
Drooglegging, V., -leggingen.
Droogloopen, liep droog, is drooggeloopen.
Droogmachine, V., -machines.
Droogmaken, maakte droog, heeft drooggemaakt.
Droogmakerij, V., -makerijen.
Droogmaking, V., -makingen.
Droogmalen, maalde droog, heeft drooggemalen.
Droogmaling, V., -malingen.
Droogoven, M., -ovens.
Droogpijp, V., -pijpen.
Droogplaats, V., -plaatsen.
Droograam, O., -ramen.
Droogrek, O., -rekken.
Droogscheerder, M., -scheerders.
Droogscheren, O.
Droogschuren, schuurde droog, heeft drooggeschuurd.
Droogschuur, V., -schuren.
Droogstok, M., -stokken.
Droogte, V., droogten.
Droogtouw, O., -touwen.
Droogvoets en Droogsvoets.
Droogzolder, M., -zolders.
Droom, M., droomen. Droompje, O., -jes.
Droombeeld, O., -beelden.
Droomen, droomde, heeft gedroomd.
Droomer, M., droomers.
Droomerig, droomeriger, droomerigst.
Droomerij, V., droomerijen.
Droomgezicht, O., -gezichten.
Droomig, droomiger, droomigst.
Droomuitlegger, M., -uitleggers.
Droopen, droopte, heeft gedroopt.
Drooping, V.
Drop (drup). Zie Drup.
Drop (geneesmiddel), V.
Droppel, Droppelen, enz. Zie Druppel, Druppelen, enz.
Dropsteen (een steen), M., -steenen; (als stofnaam), O.
Drossaard, M., drossaards.
Drossen, droste, is gedrost.
Drost, M., drosten.
Drostendienst, M., -diensten.
Drostschap, O.
Druïde, M., Druïden.
Druif, V., druiven. Druifje, O., -jes.
Druifluis, V., -luizen.
Druil (zeil), M., druilen.
Druil (persoon), M. en V., druilen.
Druilen, druilde, heeft gedruild.
Druiler, M., druilers.
Druilerig, druileriger, druilerigst.
Druilig, druiliger, druiligst.
Druiloor, M., -ooren.
Druilooren, druiloorde, heeft gedruiloord.
Druiloorig, -ooriger, -oorigst.
Druilsra, V., -raas.
Druip, M.
Druipbad, O., -baden.
Druipen, droop, dropen, heeft en is gedropen.
Druiper, M., druipers.
Druipnat, -natte.
Druipneus, M. en V., -neuzen.
Druipoog, M. en V., -oogen.
Druipstaart, M. en V., -staarten.
Druipstaarten, druipstaartte, heeft gedruipstaart.
Druipsteen (een steen), M., -steenen; (als stofnaam), O.
Druischen, druischte, heeft gedruischt.
Druiveblad, O., -bladeren.
Druiveboom, M., -boomen.
Druivenbloed, O.
Druivenkas, V., -kassen; druivenkasje, O., -jes.
Druivenlezen, O.
Druivenlezer, M., -lezers.
Druivenmand, V., -manden.
Druivenmoer, V.
Druivennat, O.
Druivenoogst, M.
Druivenpers, V., -persen.
Druivenrank, V., -ranken.
Druivensap, O.
Druivenschaar, V., -scharen.
Druivensuiker, V.
Druiventreden, O.
Druiventreder, M., -treders.
Druiventros, M., -trossen.
Druivepit, V., -pitten.
Druiveschil, V., -schillen.
Druivesteel, M., -stelen.
Druk, M., drukken. Drukje, O., -jes.
Druk, drukker, drukst.
Drukbal, M., -ballen.
Drukbank, V., -banken.
Drukfeil, V., -feilen.
Drukfout, V., -fouten; -foutje, O., -jes.
Drukinkt, M.
Drukken, drukte, heeft gedrukt.
Drukkend, drukkender, drukkendst.
Drukker, M., drukkers.
Drukkerij, V., drukkerijen.
Drukkersraam, O., -ramen.
Drukkersrol, V., -rollen.
Drukkerswerk, O.
Drukking, V., drukkingen.
Drukkosten (mv.), M.
Drukkunst, V.
Drukletter, V., -letters.
Drukloon, O., -loonen.
Drukpapier, O., -papieren.
Drukpers, V., -persen.
Drukproef, V., -proeven.
Drukschrift, O.
Druksel, O.
Drukte, V., drukten.
Druktelegraaf, V., -telegrafen.
Drukvorm, M., -vormen.
Drukwerk, O., -werken.
Drup en Drop, M., druppen (droppen). Drupje en dropje, O., -jes.
Druppel en Droppel, M., druppels (droppels) en druppelen (droppelen). Druppeltje en droppeltje, O., -jes.
Druppelen en Droppelen, druppelde (droppelde), heeft en is gedruppeld (gedroppeld).
Druppeling en Droppeling, V., druppelingen en droppelingen.
Druppelings en Droppelings.
Druppelsgewijze en -gewijs, ook Droppelsgewijze en -gewijs, en Druppelswijze of Droppelswijze.
Druppen en Droppen, drupte (dropte), heeft en is gedrupt (gedropt).
Dryade, V., dryaden.
D-trein, M.
Dualisme, O.
Dualist, M., dualisten.
Dubbel, ook Dubbeld.
Dubbelaar, M., dubbelaars.
Dubbelen, dubbelde, heeft gedubbeld.
Dubbelhartig, -hartiger, -hartigst.
Dubbelhartigheid, V.
Dubbelpunt, O., -punten (in de wiskunde).
Dubbeltje, O., -jes.
Dubbeltongig, -tongiger, -tongigst.
Dubbelzinnig, -zinniger, -zinnigst.
Dubbelzinnigheid, V., -heden.
Dubbelzout, O., -zouten.
Dubben, dubde, heeft gedubd.
Dubber, M., dubbers.
Dubbing, V., dubbingen.
Dubieus, dubieuzer, dubieust.
Dubio (In -).
Dubloen, M., dubloenen.
Duchten, duchtte, heeft geducht.
Duchtig, duchtiger, duchtigst.
Duel, O., duellen.
Duelleeren, duelleerde, heeft geduelleerd.
Duellist, M., duellisten.
Duet, O., duetten. Duetje, O., -jes.
Duf, duffer, dufst.
Duffel (stof), O.; (jas), M., duffels. Duffeltje, O., -jes.
Duffelsch.
Dufheid, V.
Dufsteen. Zie Tufsteen.
Duidelijk, -lijker, -lijkst.
Duidelijkheid, V.
Duidelijkheidshalve.
Duiden, duidde, heeft geduid.
Duiding, V.
Duif, V., duiven. Duifje, O., -jes.
Duig, V., duigen. Duigje, O., -jes.
Duikelaar, M., duikelaars.
Duikelen, duikelde, heeft geduikeld.
Duikeling, V., duikelingen.
Duiken, dook, doken, heeft gedoken.
Duiker, M., duikers. Duikertje, O., -jes.
Duikerklok, V., -klokken.
Duiking, V., duikingen.
Duim, M., duimen. Duimpje, O., -jes.
Duimbreed, O.
Duimelen, duimelde, heeft geduimeld.
Duimeling, M., duimelingen.
Duimkruid, O.
Duimschroef, V., -schroeven.
Duimstok, M., -stokken.
Duin (zandheuvel), V., duinen; (collectief), O.
Duinaardappel, M., -aardappelen.
Duinachtig, -achtiger, -achtigst.
Duinflora, V.
Duingrond, M., -gronden.
Duinroos, V., -rozen.
Duinwater, O.
Duinwaterijs, O.
Duinwaterkraan, V., -kranen; -kraantje, O., -jes.
Duinwaterleiding, V., -leidingen.
Duinwatermaatschappij, V., -maatschappijen.
Duinzand, O.
Duist, O.
Duister, duisterder, duisterst.
Duisterheid, V., -heden.
Duisterling, M. en V., duisterlingen. V. ook duisterlinge.
Duisternis, V.
Duit, M., duiten. Duitje, O., -jes.
Duitendief, M., -dieven.
Duitsch.
Duitsch, O.
Duitscher, M., Duitschers.
Duitschland, O.
Duivekater (wat -!)
Duivel, M., duivels en duivelen. Duiveltje, O., -jes.
Duivelachtig, -achtiger, -achtigst.
Duivelarij, V., duivelarijen.
Duivelin, V., duivelinnen. Duivelinnetje, O., -jes.
Duivels (bijw.)
Duivelsbeet, M.
Duivelsbrood, O.
Duivelsch (bnw.).
Duivelsdrek, M.
Duivelskop, M., -koppen.
Duivelskunstenaar, M., -kunstenaars.
Duivelskunstenarij, V., -kunstenarijen.
Duivelsmelk, V.
Duivelspoot, M., -pooten.
Duivelstoejager, M., -toejagers.
Duivenboon, V., -boonen.
Duivendrek, M.
Duivenei, O., -eieren; -eitje, O., -eitjes en -eiertjes.
Duivenhok, O., -hokken; -hokje, O., -jes.
Duivenkervel, V.
Duivenkot, O., -kotten.
Duivenmarkt, V.
Duivenmelker, M., -melkers.
Duivenpost, V.
Duivenslag, O., -slagen.
Duiventil, V., -tillen; -tilletje, O., -jes.
Duivenvlucht, V.
Duizelen, duizelde, heeft geduizeld.
Duizelig, duizeliger, duizeligst.
Duizeling, V., duizelingen.
Duizend.
Duizend, O., duizenden.
Duizendbloempje, O., -jes.
Duizenderhande.
Duizenderlei.
Duizendjarig.
Duizendmaal.
Duizendschoon, V., -schoonen; -schoontje, O., -jes.
Duizendste.
Duizendvoud, O.
Duizendvoudig.
Duizendwerf.
Dukaat, M., dukaten. Dukaatje, O., -jes.
Dukatengoud, O.
Dukaton, M., dukatonnen en dukatons.
Dukdalf, M., dukdalven.
Duldeloos, -loozer, -loost.
Dulden, duldde, heeft geduld.
Dun, dunner, dunst.
Dunbloedig, -bloediger, -bloedigst.
Dunbloedigheid, V.
Dunbuikig, -buikiger, -buikigst.
Dundoek, O.
Dunharig.
Dunheid, V.
Dunk, M.
Dunken, hem dunkt, hem dacht en docht.
Dunlijvig, -lijviger, -lijvigst.
Dunlijvigheid, V.
Dunnen, dunde, heeft en is gedund.
Dunnetjes.
Dunnigheid, V.
Dunning, V.
Dunsel, O.
Dunte, V., dunten.
Duo, O., duo's.
Duodecimo (bnw.). Als znw., O., duodecimo's. Duodecimootje, O., -jes.
Dupe, M. en V., dupes.
Dupeeren, dupeerde, heeft gedupeerd.
Duplicaat, O., duplicaten.
Dupliek, V., duplieken.
Duplo (In -).
Duren, duurde, heeft geduurd.
Durf (Een heele -), M.
Durfal, M. en V., durfallen.
Durfniet, M. en V., durfnieten.
Durk, M., durken.
Durven, dorst en durfde, heeft gedurfd.
Dus.
Dusdanig.
Dusverre en Dusver.
Dut, M. Dutje, O., -jes.
Dutten, dutte, heeft gedut.
Duur, M.
Duur, duurder, duurst.
Duurkoop.
Duurte, V.
Duurzaam, -zamer, -zaamst.
Duurzaamheid, V.
Duw, M., duwen.
Duwen, duwde, heeft geduwd.
Dwaal, V., dwalen.
Dwaalbegrip, O., -begrippen.
Dwaalgeest, M., -geesten.
Dwaalleer, V., -leeren.
Dwaallicht, O., -lichten.
Dwaalpad, O., -paden.
Dwaalspoor, O., -sporen.
Dwaalster en -star, V., -sterren en -starren.
Dwaalweg, M., -wegen.
Dwaas, dwazer, dwaast.
Dwaasheid, V., -heden.
Dwaashoofd, M. en V., -hoofden.
Dwalen, dwaalde, heeft gedwaald.
Dwaling, V., dwalingen.
Dwang, M.
Dwangarbeid, M.
Dwangarbeider, M., -arbeiders.
Dwangbevel, O., -bevelen.
Dwangbuis, O., -buizen.
Dwangmiddel, O., -middelen.
Dwarrel, M.
Dwarrelen, dwarrelde, heeft gedwarreld.
Dwarreling, V., dwarrelingen.
Dwarrelwind, M., -winden.
Dwars, dwarser, dwarst.
Dwarsarm, M., -armen.
Dwarsboomen, dwarsboomde, heeft gedwarsboomd.
Dwarsdraads.
Dwarsdrijven, dwarsdrijfde, heeft gedwarsdrijfd.
Dwarsdrijver, M., -drijvers.
Dwarsdrijverij, V., -drijverijen.
Dwarsfluit, V., -fluiten.
Dwarsheid, V.
Dwarshout, O., -houten; -houtje, O., -jes.
Dwarskijker, M., -kijkers.
Dwarskijkerij, V.
Dwarskop, M. en V., -koppen.
Dwarsscheeps (bijw.).
Dwarsscheepsch (bnw.).
Dwarsstraat, V., -straten; -straatje, O., -jes.
Dwarsstrooms.
Dwarste, V.
Dwarsuit.
Dwaselijk.
Dweepachtig, -achtiger, -achtigst.
Dweepster, V., dweepsters.
Dweepziek, -zieker, -ziekst.
Dweepzucht, V.
Dweepzuchtig, -zuchtiger, -zuchtigst.
Dweil, V., dweilen. Dweiltje, O., -jes.
Dweilen, dweilde, heeft gedweild.
Dwepen, dweepte, heeft gedweept.
Dweper, M., dwepers.
Dweperij, V., dweperijen.
Dwerg, M., dwergen. Dwergje, O., -jes.
Dwergachtig, -achtiger, -achtigst.
Dwergeik, M., -eiken.
Dwergkruid, O.
Dwingeland, M., dwingelanden. Dwingelandje, O., -jes.
Dwingelandij, V.
Dwingen, dwong, heeft gedwongen.
Dwinger, M., dwingers.
Dwingerig, dwingeriger, dwingerigst.
Dwingster, V., dwingsters.
Dynamica, V.
Dynamiet, O.
Dynamietaanslag, M., -aanslagen.
Dynamietbom, V., -bommen.
Dynamietpatroon, V., -patronen.
Dynamometer, M., -meters.
Dynast, M., dynasten.
Dynastie, V., dynastieën.
Dynastiek.
Dysenterie, V.
Dyspepsie, V.
E
E, V., e's.
Eau de cologne-fabriek, V., -fabrieken.
Eau de cologne-zeep, V.
Eb en Ebbe, V.
Ebben, ebde, heeft geëbd.
Ebbenhout, O.
Ebbenhouten (bnw.).
Ebdeur, V., -deuren.
Ecarté, O.
Ecarteeren, ecarteerde, heeft geëcarteerd.
Echel, M., echels.
Echo, V., echo's.
Echt, M.
Echt, echter, echtst.
Echtbreker, M., -brekers.
Echtbreuk, V.
Echtelieden (mv.), M.
Echtelijk.
Echtelingen (mv.), M.
Echteloos, -looze.
Echten, echtte, heeft geëcht.
Echter.
Echtgenoot, M., -genooten.
Echtgenoote, V., -genooten.
Echtheid, V.
Echting, V.
Echtscheiding, V., -scheidingen.
Echtvereeniging, V., -vereenigingen.
Eclatant, eclatanter, eclatantst.
Eclectisch.
Eclips, V., eclipsen.
Eclipseeren, eclipseerde, is en heeft geëclipseerd.
Ecliptica, V.
Economie, V.
Economisch.
Economiseeren, economiseerde, heeft geëconomiseerd.
Economist, M., economisten.
Econoom, M., economen.
Edel, edeler, edelst.
Edelaardig, -aardiger, -aardigst.
Edelaardigheid, V.
Edelachtbaar, -bare.
Edelgeboren.
Edelgesteente, O., -gesteenten.
Edelgrootachtbaar, -bare.
Edelheid, V.
Edelknaap, M., -knapen.
Edelman, M., -lieden.
Edelmoedig, -moediger, -moedigst.
Edelmoedigheid, V.
Edelmogend.
Edelvrouw, V., -vrouwen.
Edict, O., edicten.
Edik, M.
Editie, V., editiën en edities.
Edoch.
Educatie, V., educaties.
Eed, M., eeden.
Eedaflegging, V.
Eedgenoot, M., -genooten.
Eega en Eegade, M. en V., eegaas en eegaden.
Eek (eikenschors), V.
Eekelaar, M., eekelaars.
Eekhoorn en Eekhoren, M., eekhoorns en eekhorens. Eekhoorntje en eekhorentje, O., -jes.
Eelt, O.
Eeltachtig, -achtiger, -achtigst.
Eelterig, eelteriger, eelterigst.
Eeltig, eeltiger, eeltigst.
Eeltigheid, V.
Eeltknobbel, M., -knobbels; -knobbeltje, O., -jes.
Eeltzweer, V., -zweren.
Een, eene, een. Als znw., V., eenen. Eentje, O., -jes.
Eenarmig.
Eend, V., eenden. Eendje, O., -jes.
Eendebout, M., -bouten.
Eendenei, O., -eieren; -eitje, O., -eitjes en -eiertjes.
Eendenjacht, V.
Eendenkom, V., -kommen; -kommetje, O., -jes.
Eendenkooi, V., -kooien.
Eendenkroos, O.
Eendennest, O., -nesten.
Eender.
Eendracht, V.
Eendrachtelijk.
Eendrachtig, -drachtiger, -drachtigst.
Eendrachtiglijk.
Eenenmale (Ten -).
Eenerhande.
Eenerlei.
Eenhandig.
Eenheid, V., -heden.
Eenhoevig.
Eenhoofdig.
Eenhoorn en Eenhoren, M., eenhoorns en eenhorens.
Eenhuizig.
Eenig.
Eenigerhande.
Eenigerlei.
Eenigermate.
Eenigerwijze en -wijs.
Eenigheid, V.
Eeniglijk.
Eenigszins.
Eenjarig.
Eenkennig, -kenniger, -kennigst.
Eenkennigheid, V.
Eenlettergrepig.
Eenlobbig.
Eenmaal.
Eenmannig.
Eenoog, M. en V., eenoogen.
Eenoogig.
Eenparig, -pariger, -parigst.
Eenparigheid, V.
Eenpariglijk.
Eens.
Eensdeels.
Eensdenkend.
Eensgestemd.
Eensgezind.
Eensgezindheid, V.
Eensklaps.
Eensluidend.
Eensluidendheid, V.
Eenstemmig, -stemmiger, -stemmigst.
Eenstemmigheid, V.
Eentonig, -toniger, -tonigst.
Eentonigheid, V.
Eenvormig, -vormiger, -vormigst.
Eenvormigheid, V.
Eenvoud, M.
Eenvoudig, -voudiger, -voudigst.
Eenvoudigheid, V.
Eenwaardig.
Eenwerf.
Eenzaam, -zamer, -zaamst.
Eenzaamheid, V.
Eenzelvig, -zelviger, -zelvigst.
Eenzelvigheid, V.
Eenzijdig, -zijdiger, -zijdigst.
Eenzijdigheid, V.
Eer, V.
Eer (bijw.).
Eerbaar, -baarder, -baarst.
Eerbaarheid, V.
Eerbetoon, O.
Eerbetooning, V., -betooningen.
Eerbewijs, O., -bewijzen.
Eerbied, M.
Eerbiedelijk.
Eerbiedenis, V.
Eerbiedig, -biediger, -biedigst.
Eerbiedigen, eerbiedigde, heeft geëerbiedigd.
Eerbiedigheid, V.
Eerbiediging, V.
Eerbiediglijk.
Eerbiedshalve.
Eerbiedwaardig, -waardiger, -waardigst.
Eerbiedwekkend.
Eerder.
Eereblijk, O., -blijken.
Eereboog, M., -bogen.
Eeredienst en Eerdienst, M., -diensten.
Eerediploma, O., -diploma's.
Eeredoctoraat, O., -doctoraten.
Eerekrans, M., -kransen.
Eerelid, O., -leden.
Eerelidmaatschap, O., -schappen.
Eeremetaal en Eermetaal, O.
Eeren, eerde, heeft geëerd.
Eerepalm, M., -palmen.
Eereplaats, V., -plaatsen.
Eerepoort, V., -poorten.
Eerepost, M., -posten; -postje, O., -jes.
Eereprijs (belooning), M., -prijzen.
Eereprijs (plant), V.
Eeresabel, V., -sabels.
Eereschot, O., -schoten.
Eereschuld, V., -schulden.
Eereteeken, O., -teekenen en -teekens.
Eeretitel, M., -titels.
Eerewacht, V., -wachten.
Eerewijn, M.
Eerewoord, O.
Eergevoel, O.
Eergierig, -gieriger, -gierigst.
Eergierigheid, V.
Eergisteren.
Eerlang.
Eerlijk, -lijker, -lijkst.
Eerlijkheid, V.
Eerloos, -loozer, -loost.
Eermetaal, O., zie Eeremetaal.
Eerroover, M., -roovers.
Eershalve.
Eerst.
Eerstaanwezend.
Eerstbeginnende, M. en V., -beginnenden.
Eerstdaags.
Eerste.
Eerstelijk.
Eersteling, M. en V., eerstelingen. V. ook eerstelinge.
Eerstgeboorte, V.
Eerstgeborene, M. en V., -geborenen.
Eerstkomend.
Eertijds.
Eervergeten, -vergetener, -vergetenst.
Eervol, -voller, -volst.
Eerwaard.
Eerwaardig, -waardiger, -waardigst.
Eerwaardigheid, V.
Eerzuchtig, -zuchtiger, -zuchtigst.
Eerzuil, V., -zuilen.
Eest, M., eesten.
Eesten, eestte, heeft geëest.
Eesting, V.
Eetbaar, -bare.
Eetbaarheid, V.
Eethuis, O., -huizen.
Eetkamer, V., -kamers.
Eetlepel, M., -lepels.
Eetlust, M.
Eetster, V., eetsters.
Eetwaar, V., -waren.
Eetzaal, V., -zalen.
Eeuw, V., eeuwen.
Eeuwenoud.
Eeuwig.
Eeuwigdurend.
Eeuwigheid, V., -heden.
Effect, O., effecten. Effectje, O., -jes
Effectenbeurs, V., -beurzen.
Effectenhandel, M.
Effectenhoek, M.
Effectenmakelaars, M., -makelaars.
Effectentrommel, V., -trommels.
Effectief, O.
Effectief, effectieve.
Effen, effener, effenst.
Effenen, effende, heeft geëffend.
Effenheid, V.
Effening, V., effeningen.
Eg. Zie Egge.
Egaal, egaler, egaalst.
Egel, M., egels. Egeltje, O., -jes.
Egelantier, M., egelantieren en egelantiers.
Egelskop, M., -koppen.
Egelsvoet, M.
Egge en Eg, V., eggen.
Eggen, egde, heeft geëgd.
Eggerig, eggeriger, eggerigst.
Eggig, eggiger, eggigst.
Egging, V.
Egoisme, O.
Egoist, M., egoisten.
Egoistisch.
Egsmid, M., -smeden.
Egtand, M., -tanden.
Ei (tusschenw.).
Ei, O., eieren. Eitje, O., eitjes en eiertjes.
Eiber, M., eibers.
Eiderdons, O.
Eierdop, M., -doppen; -dopje, O., -jes.
Eierkoek, M., -koeken; -koekje, O., -jes.
Eierkorf, M., -korven; -korfje, O., -jes.
Eierkrans, M., -kransen.
Eierlepel, M., -lepels; -lepeltje, O., -jes.
Eierlijst, V., -lijsten; -lijstje, O., -jes.
Eiernetje, O., -netjes.
Eierpruim, V., -pruimen.
Eierrek, O., -rekken; -rekje, O., -jes.
Eiersaus, V.; -sausje, O., -jes.
Eierschaal, V., -schalen.
Eierstok, M., -stokken.
Eierstruif, V., -struiven.
Eiervrouw, V., -vrouwen.
Eigen, eigener, eigenst.
Eigenaar, M., eigenaren en eigenaars.
Eigenaardig, -aardiger, -aardigst.
Eigenaardigheid, V., -heden.
Eigenares, V., eigenaressen.
Eigenbaat, V.
Eigenbelang, O.
Eigendom (recht), M.,; (bezitting), O., -dommen. Eigendommetje, O., -jes.
Eigendomsoverdracht, V., -overdrachten.
Eigendomsrecht, O.
Eigendunk, M.
Eigendunkelijk, -lijker, -lijkst.
Eigendunkelijkheid, V.
Eigenen, eigenden, heeft geëigend.
Eigengebakken.
Eigengeërfde, M. en V., -geërfden.
Eigengemaakt.
Eigenhandig.
Eigenhoorig.
Eigenhoorigheid, V.
Eigenlijk.
Eigenlof, M.
Eigenmachtig, -machtiger, -machtigst.
Eigenmachtigheid, V.
Eigennaam, M., -namen.
Eigenschap, V., -schappen.
Eigenwaan, M.
Eigenwijs, -wijzer, -wijst.
Eigenwijsheid, V.
Eigenwillig, -williger, -willigst.
Eigenzinnig, -zinniger, -zinnigst.
Eigenzinnigheid, V.
Eik, M., eiken. Eikje, O., -jes.
Eikeblad, O., -bladen en -bladeren; -blaadje, O., -blaadjes en -bladertjes.
Eikeboom, M., -boomen; -boompje, O., -jes.
Eikekrans, of Eikenkrans, M., -kransen.
Eikekroon, of Eikenkroon, V., -kronen.
Eikel, M., eikels. Eikeltje, O., -jes.
Eikeloof en Eikenloof, O.
Eiken (bnw.).
Eikenbast, M., -basten.
Eikenbosch, O., -bosschen.
Eikendreef, V., -dreven.
Eikenhout, O.
Eikenhouten (bnw.).
Eikenlaan, V., -lanen; -laantje. O., -jes.
Eikenmos, O.
Eikenschors, V.
Eiker (vrachtschip), M., eikers.
Eikestam, M., -stammen.
Eiketak, -takken; -takje, O., -jes.
Eilaas.
Eiland, O., eilanden. Eilandje, O., -jes.
Eilander, M., eilanders.
Eilieve.
Eiloof, O.
Eindbeslissing, V., -beslissingen.
Eindbesluit, O., -besluiten.
Eindcijfer, O., -cijfers.
Einddoel, O.
Einde, ook Eind en End, O., einden en enden. Eindje en endje, O., -jes.
Eindelijk.
Eindelinghout, O.
Eindeloos, -looze.
Eindeloosheid, V.
Einden, eindde, heeft geëind.
Eindig.
Eindigen, eindigde, heeft en is geëindigd.
Eindigheid, V.
Eindoogmerk, O., -oogmerken.
Eindoorzaak, V., -oorzaken.
Eindpaal, M., -palen.
Eindstation, O., -stations.
Eindstemming, V., -stemmingen.
Eindvonnis, O., -vonnissen.
Eirond.
Eisch, M., eischen.
Eischen, eischte, heeft geëischt.
Eischer, M., eischers.
Eischeres, V., eischeressen.
Eiwit, O.
Eiwitgehalte, O.
Eiwitstof, V.
Eiwitten, eiwitte, heeft geëiwit.
Ekster (ook Aakster), V., eksters (aaksters).
Eksteroog, O., -oogen.
El, V., ellen. Elletje, O., -jes.
Eland, M., elanden.
Elasticiteit, V.
Elastiek, O., elastieken; elastiekje, O., -jes.
Elastiek, elastieker, elastiekst.
Elders.
Eldorado, O.
Electricien, M., electriciens.
Electriciteit, V.
Electriek, electrieke.
Electriseeren, electriseerde, heeft geëlectriseerd.
Electriseermachine, V., -machines.
Electrocutie, V.
Electro-magnetisch.
Electromotor, M., -motors of -motoren.
Electrotechniek, V.
Electrotherapie, V.
Elegant, eleganter, elegantst.
Elegantie, V.
Elegie, V., elegieën.
Elegisch.
Element, O., elementen.
Elementair.
Elf, elven.
Elfde.
Elfdehalf, -halve.
Elfderhande.
Elfderlei.
Elf-en-dertigst (op zijn -).
Elfhonderd.
Elfmaal.
Elfrank, V., -ranken.
Elft, M., elften. Elftje, O., -jes
Elfvoud, O.
Elfvoudig.
Elger (aalgeer), M., elgers.
Elisie, V.
Elixir en Elixer, O., elixir en elixers.
Elk.
Elkaar (afbreken elk-aar).
Elkander (afbreken elk-ander).
Elkeen.
Elleboog, M., -bogen; -boogje. O., -jes.
Elleboogsbeen, O., -beenderen.
Elleboogsknokkel, M., -knokkels.
Elleboogslengte, V., -lengten.
Elleboogsmouw, V., -mouwen.
Ellemaat, V., -maten.
Ellende, V., ellenden.
Ellendeling, M. en V., ellendelingen. V. ook ellendelinge.
Ellendig, ellendiger, ellendigst.
Ellendigheid, V.
Ellestok, M., -stokken.
Ellewaar, V., -waren.
Ellewinkel, M., -winkels.
Ellips, V., ellipsen.
Ellipsoïde, V., ellipsoïden.
Elliptisch.
Elpenbeen, O.
Elpenbeenen (bnw.).
Els (boom), M., elzen.
Els (priem), V., elzen. Elsje, O., -jes.
Elzeblad, O., -bladen en -bladeren.
Elzeboom, M., -boomen.
Elzenbosch, O., -bosschen.
Elzenheg, V., -heggen.
Elzenhout, O.
Elzenlaan, V., -lanen; -laantje, O., -jes.
Elzestam, M., -stammen.
Elzestruik, M., -struiken.
Elzetak, M., -takken; -takje, O., -jes.
Email, O.
Emailleeren, emailleerde, heeft geëmailleerd.
Emancipatie, V.
Emancipeeren, emancipeerde, heeft geëmancipeerd.
Emballage, V.
Embargo, O.
Emblema, O., emblema's en emblemata.
Embryo, O., embryo's.
Embryologie, V.
Embryoloog, M., -logen.
Emeritus.
Emigrant, M., emigranten.
Emigrante, V., emigranten.
Emigratie, V.
Emigreeren, emigreerde, is geëmigreerd.
Eminent, eminenter, eminentst.
Eminentie, V., eminentiën.
Emissie, V., emissies.
Emitteeren, emitteerde, heeft geëmitteerd.
Emmer, M., emmers. Emmertje, O., -jes.
Emolument, O., emolumenten.
Emphase, V.
Empirie, V.
Empirisch.
Emplooi, O., emplooien.
Emulsie, V., emulsies.
En.
Encycliek, V., encyclieken.
Encyclopedie, V., encyclopedieën.
Encyclopedisch.
End. (Zie Einde).
Endeldarm, M., -darmen.
Endosseeren, endosseerde, heeft geëndosseerd.
Endossement, O., endossementen
Energie, V.
Energiek, energieker, energiekst.
Eng, enger, engst.
Engageeren, engageerde, heeft geëngageerd.
Engagement, O., engagementen.
Engagementstijd, M.
Engborstig.
Engel, M., engelen. Engeltje, O., -jes
Engelachtig, -achtiger, -achtigst.
Engelbewaarder, M., -bewaarders.
Engelenbak, M., -bakken.
Engelengeduld, O.
Engelenkoor, O., -koren.
Engelenschaar, V., -scharen.
Engelenzang, M.
Engelsch.
Engelsch, O.
Engelzoet, O.
Engerling, M., engerlingen.
Engheid, V.
Engte, V., engten.
Enkel, M., enkels. Enkeltje, O., -jes
Enkel, ook Enkeld.
Enkelvoud, O., enkelvouden.
Enkelvoudig.
Enkhuizer (persoon, almanak, kabelslag), M., Enkhuizers.
Enorm, enormer, enormst.
Enormiteit, V., enormiteiten.
Enquête, V., enquêtes.
Enquête-commisie, V., -commissiën.
Ent, V., enten.
Enten, entte, heeft geënt.
Enter, M., enters.
Enterbijl, V., -bijlen.
Enterdreg, V., -dreggen.
Enteren, enterde, heeft geënterd.
Entering, V., enteringen.
Enterluik, O., -luiken.
Enternet, O., -netten.
Enthusiasme, O.
Enthusiast, M., enthusiasten.
Enting, V.
Entmes, O., -messen.
Entomologie, V.
Entomologisch.
Entomoloog, M., entomologen.
En-tout-cas, M.
Entrée, V., entrée's.
Entrée-kaart, -kaarten.
Entrepot, O., entrepots.
Entwas, O. en V.
Enveloppe, V., enveloppen.
Epaulet, V., epauletten.
Epicurist, M., epicuristen.
Epidemie, V., epidemieën.
Epidemisch.
Epigram, O., epigrammen.
Epilepsie, V.
Episch.
Episcopaal, episcopale.
Episcopaat, O.
Episode, V., episoden en episodes.
Epistel, M., epistels. Episteltje, O., -jes.
Epitheton, O., epitheta.
Epoque, V., epoques.
Epos, O.
Eppe, V.
Equipage, V., equipages.
Equipeeren, equipeerde, heeft geëquipeerd.
Equipement, O., equipementen.
Equivalent, O., equivalenten.
Er.
Erachten, O., (mijns erachtens).
Erbarmelijk, -lijker, -lijkst.
Erbarmelijkheid, V.
Erbarmen, erbarmde, heeft erbarmd.
Erbarming, V.
Erf, O., erven. Erfje, O., -jes.
Erfcijns, M., -cijnzen.
Erfdeel, O., -deelen, -deeltje, O., -jes.
Erfdochter, V., -dochters.
Erfelijk.
Erfelijkheid, V.
Erfenis, V., erfenissen. Erfenisje, O., -jes.
Erfgenaam, M. en V., erfgenamen. V. ook erfgename.
Erfgoed, O., -goederen.
Erfhuis, O., -huizen.
Erflater, M., -laters.
Erfoom, M., -ooms; -oompje, O., -jes.
Erfopvolging, V.
Erfpacht, V., -pachten.
Erfportie, V., -portiën en -porties.
Erfprins, M., -prinsen.
Erfprinses, V., -prinsessen.
Erfrecht, O.
Erfrente, V., -renten.
Erfschuld, V.
Erfstadhouder, M., -stadhouders.
Erfstelling, V., -stellingen.
Erfstuk, O., -stukken.
Erftante, V., -tantes.
Erfvijand, M., -vijanden.
Erfzonde, V.
Erg, erger, ergst.
Ergdenkend, -denkender, -denkendst.
Ergdenkendheid, V.
Ergens.
Ergeren, ergerde, heeft geërgerd.
Ergerlijk, -lijker, -lijkst.
Ergerlijkheid, V., -heden.
Ergernis, V., ergernissen.
Ergje, O.
Erkennen, erkende, heeft erkend.
Erkenning, V.
Erkentelijk, -lijker, -lijkst.
Erkentelijkheid, V.
Erkentenis, V.
Erlangen, erlangde, heeft erlangd.
Erlanging, V.
Ernst, M.
Ernstig, ernstiger, ernstigst.
Erotisch.
Erratum, O., errata.
Erts, O., ertsen.
Ervaren, ervoer, heeft ervaren.
Ervaren, ervarener, ervarenst.
Ervarenheid, V.
Ervaring, V., ervaringen.
Erven (mv.), M.
Erven, erfde, heeft geërfd.
Erwt, V., erwten. Erwtje, O., -jes.
Erwtenblazer, M., -blazers.
Erwtensoep, V.
Esch, M., esschen.
Eschdoorn en -doren, M., -doornen en -dorens.
Escorte, O.
Eskader, O., eskaders. Eskadertje, O., -jes.
Eskadron, O., eskadrons.
Esp, M., espen.
Espeblad, O., -bladen en -bladeren.
Espeboom, M., -boomen.
Espenhout, O.
Espenhouten (bnw.).
Essaai, O.
Essaieeren, essaieerde, heeft geëssaieerd.
Essaieur, M., essaieurs.
Esscheboom, M., -boomen.
Esschenhout, O.
Esschenhouten (bnw.).
Essence, V., essences.
Essentieel, essentieele.
Estafette, M., estafetten.
Estrik, M., estriken.
Etablisseeren, etablisseerde, heeft geëtablisseerd.
Etablissement, O., etablissementen.
Étagère, V., étagères.
Etalage, V., etalages.
Etaleeren, etaleerde, heeft geëtaleerd.
Eten, at, aten, heeft gegeten.
Eten, O.
Etensdrager, M., -dragers.
Etenstijd, M.
Etensuur, O., -uren; -uurtje, O., -jes.
Eter, M., eters.
Eterij, V.
Etgroen, O.
Etherisch.
Ethnographie, V.
Ethnographisch.
Etiquette (briefje), V., etiquetten.
Etiquette (wellevendheid), V.
Etmaal, O., etmalen.
Ets, V., etsen. Etsje, O., -jes.
Etsen, etste, heeft geëtst.
Etser, M., etsers.
Etsgrond, M.
Etskunst, V.
Etsnaald, V., -naalden.
Etswerk, O.
Ettelijke.
Etter, M.
Etterachtig, -achtiger, -achtigst.
Etteren, etterde, heeft geëtterd.
Etterig, etteriger, etterigst.
Ettering, V.
Etterzak, M., -zakken.
Etui, O., etuis. Etuitje, O., etuitjes.
Etymologie, V., etymologieën.
Etymologisch.
Etymoloog, M., etymologen.
Euphemisme, O., euphemismen.
Euphonie, V.
Europeaan, M., Europeanen.
Europeesch, Europeesche.
Euvel, O., euvelen.
Euvel, euveler, euvelst.
Euveldaad, V., -daden.
Euvelmoed, M.
Euvelmoedig, -moediger, -moedigst.
Evangelie, O., evangeliën.
Evangeliewoord, O., -woorden.
Evangelisatie, V.
Evangelisch.
Evangelist, M., Evangelisten.
Even.
Evenaar, M., evenaars en evenaren. Evenaartje, O., -jes.
Evenals.
Evenaren, evenaarde, heeft geëvenaard.
Evenbeeld, O., -beelden.
Eveneens.
Evenement, O., evenementen.
Evengoed (bijw.).
Evening, V., eveningen.
Evenknie, M., -knieën.
Evenmatig.
Evenmatigheid, V.
Evenmensch, M., -menschen.
Evenmin.
Evennaaste, M. en V., -naasten.
Evennachtslijn, V.
Evenredig, -rediger, -redigst.
Evenredigen, evenredigde, heeft geëvenredigd.
Evenredigheid, V., -heden.
Eventjes.
Eventueel, eventueele.
Evenveel.
Evenveeltje, O., -jes.
Evenwel.
Evenwicht, O.
Evenwijdig.
Evenwijdigheid, V.
Evenzeer.
Evenzoo.
Ever, M., evers.
Everwortel, M.
Everzwijn, O., -zwijnen.
Evident, evidenter, evidentst.
Evidentie, V.
Evolutie, V., evolutiën.
Evolutieleer, V.
Exact.
Examen, O., examens en examina.
Examencommissie, V., -commissies en -commissiën.
Examengeld, O., -gelden.
Examenkiezer, M., -kiezers.
Examentijd, M., -tijden.
Examenvrees, V.
Examinator, M., examinatoren.
Examineeren, examineerde, heeft geëxamineerd.
Excedent, O., excedenten.
Excelleeren, excelleerde, heeft geëxcelleerd.
Excellent, excellenter, excellentst.
Excellentie, V., excellentiën en excellenties.
Excentriciteit, V.
Excentriek, excentrieker, excentriekst.
Excentriek, O., excentrieken.
Exceptie, V., exceptiën en excepties.
Exceptioneel, exceptioneele.
Excerpeeren, excerpeerde, heeft geëxcerpeerd.
Excerpt, O., excerpten.
Exces, O., excessen.
Exclusief, exclusiever, exclusiefst.
Exclusivisme, O.
Excrement, O., excrementen.
Excuseeren, excuseerde, heeft geëxcuseerd.
Excuus, O., excuses.
Executeeren, executeerde, heeft geëxecuteerd.
Executeur, M., executeuren en executeurs.
Executeur-testamentair, M., executeurs-testamentair.
Executie, V., executiën en executies.
Executoir.
Exegeet, M., exegeten.
Exegese, V., exegesen.
Exempel, O. exempels.
Exemplaar, O., exemplaren. Exemplaartje, O., -jes.
Exerceeren, exerceerde, heeft geëxerceerd.
Exercitie, V., exercitiën en exercities.
Exercitieplein, O., -pleinen.
Exercitiereglement, O., -reglementen.
Ex-keizer, M., ex-keizers.
Ex-minister, M., ex-ministers.
Exorbitant, exorbitanter, exorbitantst.
Expansie, V.
Expedieeren, expedieerde, heeft geëxpedieerd.
Expediet.
Expediteur, M., expediteuren en expediteurs.
Expeditie, V., expeditiën en expedities.
Expeditiekantoor, O., -kantoren.
Expert, M., experts.
Explicatie, V., explicatiën en explicaties.
Expliceeren, expliceerde, heeft geëxpliceerd.
Exploitatiemaatschappij, V., -maatschappijen.
Exploot, O., exploten.
Explosie, V., explosies.
Exponeeren, exponeerde, heeft geëxponeerd.
Exponent, M., exponenten.
Exporthandel, M.
Exposé, O., exposé's.
Expositie, V., exposities.
Expres (bijw.).
Expres (trein), M.
Extempore, O., extempore's.
Extern.
Extra.
Extraatje, O., -jes.
Extract, O., extracten.
Ezel, M., ezels. Ezeltje, O., -jes.
Ezelachtig, -achtiger, -achtigst.
Ezelachtigheid, V.
Ezelen, ezelde, heeft geëzeld.
Ezelin, V., ezelinnen. Ezelinnetje, O., -jes.
Ezelinnenmelk, V.
Ezelsbrug, V., -bruggen.
Ezelskop, (kop van een ezel), M., -koppen.
Ezelskop, (schimpnaam), M. en V., -koppen.
Ezelsoor, O., -ooren.
Ezelsveulen, O., -veulens.
Ezelwagen, M., -wagens; -wagentje, O., -jes.
F
F., V., f's.
Faam, V.
Faas, V., fazen.
Fabel, V., fabelen en fabels. Fabeltje, O., -jes.
Fabelachtig, -achtiger, -achtigst.
Fabelleer, V.
Fabricage, V.
Fabriceeren, fabriceerde, heeft gefabriceerd.
Fabriceering, V.
Fabriek, V., fabrieken.
Fabrieken, fabriekte, heeft gefabriekt.
Fabrieksarbeider, M., -arbeiders.
Fabrieksmerk, O., -merken.
Fabrieksnijverheid, V.
Fabrieksprijs, M., -prijzen.
Fabrieksstad, V., -steden.
Fabrieksvolk, O.
Fabrikaat, O., fabrikaten.
Fabrikant, M., fabrikanten.
Fabuleus, fabuleuze.
Facsimile, O., facsimile's.
Factie, factiën en facties.
Factor, M., factoren.
Factorij, V., factorijen.
Factotum, M., factotums.
Factuur, V., facturen.
Facultatief, facultatieve.
Faculteit, V., faculteiten.
Faculteitsschool, V., -scholen.
Faculteitsvergadering, V., -vergaderingen.
Fagot, V., fagotten.
Fagottist, M., fagottisten.
Failleeren, failleerde, is gefailleerd.
Failliet, M. en O., faillieten.
Failliet (bnw.).
Faillietverklaring, V., -verklaringen.
Faillissement, O., faillissementen.
Fakkel, V., fakkels. Fakkeltje, O., -jes.
Fakkeldrager, M., -dragers.
Fakkellicht, O.
Fakkeltocht, M., -tochten.
Falbala, V., falbala's.
Falen, faalde, heeft gefaald.
Falie, V., faliën en falies.
Faliekant.
Falsaris, M., falsarissen.
Fameus, fameuzer, fameust.
Familiaar, familiaarder, familiaarst.
Familiariteit, V., familiariteiten.
Familie, V., familiën en families.
Familiedag, M., -dagen.
Familiegraf, O., -graven.
Familiekring, M., -kringen.
Familiekwaal, V., -kwalen.
Familielid, O., -leden.
Familienaam, M., -namen.
Familieraad, M., -raden.
Familieregeering, V., -regeeringen.
Familiewapen, O., -wapens.
Familiezwak, O.
Fanatiek, fanatieker, fanatiekst.
Fanatisme, O.
Fanfare, V., fanfares.
Fanfarecorps, O., -corpsen.
Fantasiehoed, M., -hoeden.
Fantasiepak, O., -pakken.
Farizeër, M., Farizeërs en Farizeën.
Farizeesch.
Faro (spel en drank), O.
Fascine, V., fascinen en fascines.
Fat, M., fatten. Fatje, O., -jes.
Fataal, fataler, fataalst.
Fatalisme, O.
Fataliteit, V., fataliteiten.
Fatigant, fatiganter, fatigantst.
Fatigeeren, fatigeerde, heeft gefatigeerd.
Fatsen (mv.), V.
Fatsoen, O., fatsoenen. Fatsoentje, O., -jes.
Fatsoeneeren, fatsoeneerde, heeft gefatsoeneerd.
Fatsoeneering, V.
Fatsoenlijk, -lijker, -lijkst.
Fatsoenlijkheid, V.
Fatsoenshalve.
Fatterig, fatteriger, fatterigst.
Fatterigheid, V.
Fauteuil, M., fauteuils.
Faveur, V., faveurs; faveurtje, O., -jes.
Favoriet, M., favorieten.
Favoriete, V., favorieten.
Fazant, M., fazanten.
Fazantenei, O., -eieren.
Fazantenhaan, M., -hanen.
Fazantenhen, V., -hennen.
Fazantenhok, O., -hokken.
Fazantenjacht, V.
Fazantennest, O., -nesten.
Februari, M.
Februari-omwenteling, V.
Fee, V., feeën.
Feeks, V., feeksen. Feeksje, O., -jes.
Feest, O., feesten. Feestje, O., -jes.
Feestcatalogus, M., -catalogussen.
Feestdag, M., -dagen.
Feestelijk, -lijker, -lijkst.
Feestelijkheid, V., -heden.
Feesteling, M. en V., feestelingen. V. ook feestelinge.
Feestgenoot, M., -genooten.
Feestgewaad, O., -gewaden.
Feestgroet, M., -groeten.
Feestinsigne, O., -insignes.
Feestlied, O., -liederen.
Feestlokaal, O., -lokalen.
Feestmarsch, M., -marschen.
Feestprogramma, O., -programma's.
Feestterrein, O., -terreinen.
Feestvieren, vierde feest, heeft feestgevierd.
Feestviering, V., -vieringen.
Feestvreugde, V.
Feil, V., feilen. Feiltje, O., -jes.
Feilbaar, -bare.
Feilbaarheid, V.
Feilen, feilde, heeft gefeild.
Feilloos, -looze.
Feilloosheid, V.
Feit, O., feiten.
Feitel, V., feitels. Feiteltje, O., -jes.
Feitelijk.
Feitelijkheid, V., -heden.
Fel, feller, felst.
Felheid, V.
Felicitatie, V., felicitatiën en felicitaties.
Felicitatiebrief, M., -brieven.
Feliciteeren, feliciteerde, heeft gefeliciteerd.
Femelaar, M., femelaars.
Femelen, femelde, heeft gefemeld.
Feminisme, O.
Feminist, M. en V. (V. ook -iste), feministen.
Fenegriek, O.
Feniks, ook Phoenix, M., feniksen en phoenixen.
Fep, V.
Feppen, fepte, heeft gefept.
Ferm, fermer, fermst.
Fermenteeren, fermenteerde, heeft gefermenteerd.
Fermenteerschuur, V., -schuren.
Fermeteit en Fermiteit, V.
Fermoor, O., fermoren.
Festijn, O., festijnen.
Festival, O., festivals.
Festiviteit, V., festiviteiten.
Festoen, V. en O., festoenen. Festoentje, O., -jes.
Festonneeren, festonneerde, heeft gefestonneerd.
Fêteeren, fêteerde, heeft gefêteerd.
Feuilleton, O., feuilletons.
Feuilletonschrijver, M., -schrijvers.
Fiacre, V., fiacres.
Fiasco, O.
Fiat, O.
Fiatteeren, fiatteerde, heeft gefiatteerd.
Fiatteering, V.
Fiche, O., fiches.
Fichesdoos, V., -doozen.
Fichu, V., fichu's.
Fictie, V., fictiën en ficties.
Fideel, fideeler, fideelst.
Fidei-commis, O., -commissen.
Fielt, M., fielten.
Fieltenstreek, M., -streken.
Fielterig, fielteriger, fielterigst.
Fielterigheid, V.
Fier, fierder, fierst.
Fierheid, V.
Fierte, V.
Fiets, V., fietsen.
Fietsbel, V., -bellen; -belletje, O., -jes.
Fietsen, fietste, heeft gefietst.
Fietskostuum, O.
Fietspet, V., -petten; -petje, O., -jes.
Fietspomp, V., -pompen; -pompje, O., -jes.
Figurant, M., figuranten.
Figurante, V., figuranten.
Figuur, V., en O., figuren. Figuurtje, O., -jes.
Figuurlijk.
Figuurlijkheid, V.
Fij.
Fijmelaar, M., fijmelaars.
Fijmelaarster, V., fijmelaarsters.
Fijmelachtig, -achtiger, -achtigst.
Fijmelarij, V., fijmelarijen.
Fijmelen, fijmelde, heeft gefijmeld.
Fijn, fijner, fijnst.
Fijnhakken, hakte fijn, heeft fijngehakt.
Fijnheid, V., -heden.
Fijnigheid, V., -heden.
Fijnkauwen, kauwde fijn, heeft fijngekauwd.
Fijnmaken, maakte fijn, heeft fijngemaakt.
Fijnmalen, maalde fijn, heeft fijngemalen.
Fijnstampen, stampte fijn, heeft fijngestampt.
Fijnstooten, stiet en stootte fijn, heeft fijngestooten.
Fijnte, V., fijnten.
Fijntjes.
Fijnwrijven, wreef fijn, wreven fijn, heeft fijngewreven.
Fijt, V.
Fiks (bijw.), fikser, fikst.
Fiksch, (bnw.) fikscher, fikscht.
Fikschheid, V.
Fikshond, M., -honden; -hondje, O., -jes.
Filomeel, V., filomeelen. Filomeeltje, O., -jes.
Filozel, V.
Filozellen (bnw.).
Filtreerdoek, M., -doeken.
Filtreeren, filtreerde, heeft gefiltreerd.
Filtreerkan, V., -kannen.
Filtreermachine, V., -machines.
Filtreerpapier, O.
Filtreertoestel, M. en O., -toestellen.
Finaal, finale.
Finale, V.
Financieel, fiancieele.
Financiën (mv.), V.
Financier, M., financieren en financiers.
Financiewezen, O.
Fiool (flesch), V., fiolen.
Firma, V., firma's.
Firmament, O.
Firmant, M., firmanten.
Fiscaal, fiscale.
Fiscus, M.
Fiskaal, M., fiskalen.
Fistel, V., fistels. Fisteltje, O., -jes.
Fitter, M., fitters.
Fixeeren, fixeerde, heeft gefixeerd.
Flab. Zie Fleb.
Flabberen, flabberde, heeft geflabberd.
Flacon, M., flacons. Flaconnetje, O., -jes.
Fladderen, fladderde, heeft gefladderd.
Flageolet, V., flageoletten.
Flakkeren, flakkerde, heeft geflakkerd.
Flambeeren, flambeerde, heeft geflambeerd.
Flambouw, V., flambouwen.
Flamingo, M., flamingo's.
Flaneeren, flaneerde, heeft geflaneerd.
Flanel, O., flanellen; flanelletje, O., -jes.
Flanellen (bnw.).
Flank, V., flanken.
Flankeeren, flankeerde, heeft geflankeerd.
Flankeering, V.
Flankeur, M., flankeurs.
Flansen, flanste, heeft geflanst.
Flap, M., flappen.
Flappen, flapte, heeft geflapt.
Flapuit, M., en V., flapuiten.
Flarden (mv.), M.
Flater, M., flaters. Flatertje, O., -jes.
Flauw, flauwer, flauwst.
Flauwerd, M., flauwerds.
Flauwhartig, -hartiger, -hartigst.
Flauwhartigheid, V.
Flauwheid, V., -heden.
Flauwigheid, V., -heden.
Flauwiteit, V., flauwiteiten.
Flauwte, V., flauwten.
Flauwtjes.
Fleemen, fleemde, heeft gefleemd.
Fleemer, M., fleemers.
Fleemerij, V., fleemerijen.
Fleemkous, M. en V., -kousen.
Fleemster, V., fleemsters.
Fleemtaal, V.
Fleer (klap), M., fleeren.
Fleer (vrouwspersoon), V., fleeren.
Fleers, M., fleerzen.
Flegma, O.
Flegmatiek, flegmatieker, flegmatiekst.
Flegmatisch.
Flens (ijzeren kraag), V., flenzen.
Flensje (gebak), O., flensjes.
Flenter, M., flenters.
Flep, V., fleppen. Flepje, O., -jes.
Fleppen, flepte, heeft geflept.
Flerecijn, O.
Flesch, V., flesschen. Fleschje, O., -jes.
Flesschebakje, O., -bakjes.
Flesschenblazer, M., -blazers.
Flesschenglas, O.
Flesschenkooper, M., -koopers.
Flesschenmaker, M., -makers.
Flesschenmand, V., -manden.
Flesschenrek, O., -rekken.
Flesschentrekker, M., -trekkers.
Flets, fletser, fletst.
Fletsheid, V.
Fleur (bloei), V.
Fleur (vischlijn), V., fleuren.
Fleur (aardappel), V., fleuren.
Fleuren, fleurde, heeft gefleurd.
Fleuret, V. Zie Floret.
Fleurig, fleuriger, fleurigst.
Fleurigheid, V.
Flikflooien, flikflooide, heeft geflikflooid.
Flikflooier, M., -flooiers.
Flikflooierij, V., -flooierijen.
Flikje, O., flikjes.
Flikker, M., flikkers.
Flikkeren, flikkerde, heeft geflikkerd.
Flikkerglans, M., -glansen.
Flikkerij, V.
Flikkering, V., flikkeringen.
Flikkerlicht, O., -lichten; -lichtje, O., -jes.
Flink, flinker, flinkst.
Flinkheid, V.
Flits, M., flitsen.
Flodder, V., flodders.
Flodderen, flodderde, heeft geflodderd.
Flodderkous, V., -kousen.
Floddermoer, V., -moeren en -moers.
Floddermuts, V., -mutsen.
Floers, O., floersen.
Flonkerbag, V., -baggen.
Flonkeren, flonkerde, heeft geflonkerd.
Flonkering, V., flonkeringen.
Flonkerlicht, O.
Flonkerster, en -star, V., -sterren en -starren.
Floreen, M., floreenen.
Floreenplichtig.
Floret (schermdegen), V., floretten.
Floret (zijde), O.
Floretten (bnw.).
Florijn, M., florijnen.
Flottille, V., flottilles.
Flottille-vaartuig, O., -vaartuigen.
Flous, V., flouzen. Flousje, O., -jes.
Flouw, V., flouwen.
Fluctuatie, V., fluctuaties.
Fluim, V., fluimen. Fluimpje, O., -jes.
Fluimachtig.
Fluimen, fluimde, heeft gefluimd.
Fluisteraar, M., fluisteraars.
Fluisteren, fluisterde, heeft gefluisterd.
Fluistering, V., fluisteringen.
Fluit, V., fluiten. Fluitje, O., -jes.
Fluiten, floot, floten, heeft gefloten.
Fluitenmaker, M., -makers.
Fluiter, M., fluiters.
Fluitist, M., fluitisten.
Fluitspeler, M., -spelers.
Fluks (bijw.), flukser, flukst.
Fluksch (bnw.), flukscher, flukscht.
Fluweel, O., fluweelen.
Fluweelachtig, -achtiger, -achtigst.
Fluweelen (bnw.).
Fluwijn, O., fluwijnen.
Fniezen, fniesde, heeft gefniesd.
Fnuiken, fnuikte, heeft gefnuikt.
Fnuiking, V., fnuikingen.
Foedraal, O., foedralen. Foedraaltje, O., -jes.
Foef, V. Foefje, O., -jes.
Foei.
Foelie, V., foeliën.
Foeliën, foeliede, heeft gefoelied.
Foeteren, foeterde, heeft gefoeterd.
Foetus, O., foetussen.
Foezel, V.
Fok, V., fokken. Fokje, O., -jes.
Fokkemast, M., -masten.
Fokken, fokte, heeft gefokt.
Fokkenhals, M., -halzen.
Fokker, M., fokkers.
Fokkera, V., -raas.
Fokkerij, V., fokkerijen.
Fokkerust, V.
Fokking, V., fokkingen.
Foksia, V., foksia's.
Fokstier, M., -stieren.
Fokvee, O.
Folen, foolde, heeft gefoold.
Foliant, M., folianten.
Folio (bnw.). Als znw., O., folio's.
Folklore, V.
Folklorist, M. en V. (V. ook -iste), folkloristen.
Folteraar, M., folteraars.
Folterbank, V., -banken.
Folteren, folterde, heeft gefolterd.
Foltering, V., folteringen.
Folterkamer, V., -kamers.
Folterkoord, O., -koorden.
Foltertuig, O., -tuigen.
Fommelen, fommelde, heeft gefommeld.
Fondament en Fondement, ook Fundament, O., fondamenten en fondementen (fundamenten).
Fonds, O., fondsen. Fondsje, O., -jes.
Fondsartikel, O., -artikelen.
Fondscatalogus, M., -catalogussen.
Fondsdokter, M., -dokters.
Fondsenbeurs, V., -beurzen.
Fondsenblad, O., -bladen.
Fondsenhouder, M., -houders.
Fondsenmarkt, V., -markten.
Fondsveiling, V., -veilingen.
Fonkelen (overdrachtelijk), fonkelde, heeft gefonkeld. (Verg. Vonkelen).
Fonkeling, V., fonkelingen.
Fonkelnieuw.
Fontein, V., fonteinen. Fonteintje, O., -jes.
Fontenel, V., fontenellen.
Fooi, V., fooien. Fooitje, O., -jes.
Fop, M.
Foppage, V.
Foppen, fopte, heeft gefopt.
Fopperij, V., fopperijen. Fopperijtje, O., -jes.
Fopspeen, V., -spenen; fopspeentje, O., -jes.
Forceeren, forceerde, heeft geforceerd.
Forel, V., forellen. Forelletje, O., -jes.
Forellenvangst, V.
Forens, M. en V., forensen.
Forket, O., forketten.
Formaat, O., formaten. Formaatje, O., -jes.
Formaatvel, O., -vellen.
Formaatzegel, O., -zegels.
Formaliteit, V., formaliteiten.
Formeel, formeele.
Formeerder, M., formeerders.
Formeeren, formeerde, heeft geformeerd.
Formeering, V.
Formule, V., formules.
Formulier, O., formulieren.
Fornuis, O., fornuizen. Fornuisje, O., -jes.
Forsch, forscher, forscht.
Forschheid, V.
Fort, O., forten. Fortje, O., -jes.
Fortenlinie, V., -linies.
Fortificatie, V., fortificatiën en fortificaties.
Fortuin (vermogen), O., fortuinen; (geluk), O.; (geluksgodin), V. Fortuintje, O., -jes.
Fortuinzoeker, M., -zoekers.
Fossiel, fossiele.
Fossiel, O., fossielen.
Fourage, V.
Fourageeren, fourageerde, heeft gefourageerd.
Fourgon, M., fourgons.
Fourier, M., fouriers.
Fourneeren, fourneerde, heeft gefourneerd.
Fout, V., fouten. Foutje, O., -jes.
Foutief, foutieve.
Foyer, M., foyers.
Fraai, fraaier, fraaist.
Fraaiheid, V., -heden.
Fraaiigheid, V., -heden.
Fraaitjes.
Fractie, V., fracties en fractiën.
Fragment, O., fragmenten. Fragmentje, O., -jes.
Frak, V., frakken.
Framboos, V., frambozen. Framboosje, O., -jes.
Frambozeboom, M., -boomen; -boompje, O., -jes.
Frambozenazijn, M.
Frambozengelei, V.
Frambozenkoekje, O., -jes.
Frambozenlimonade, V.
Frambozenstroop, V.
Frambozentaart, V., -taarten; -taartje, O., -jes.
Franciscaan, M., Franciscanen.
Franciscanenklooster, O., -kloosters.
Franciscanenorde, V.
Franco.
Franje, V., franjes. Franjetje, O., -jes.
Frank (geldstuk), M., franken. Frankje, O., -jes. Ook Franc, francs.
Frank (bnw.).
Frankeeren, frankeerde, heeft gefrankeerd.
Frankeering, V., frankeeringen.
Frankeerkosten (mv.), M.
Frankeerzegel, O., -zegels.
Frankisch.
Fransch.
Fransch, O.
Fransijn, O.
Frappant, frappanter, frappantst.
Frappeeren, frappeerde, heeft gefrappeerd.
Fratsen, (mv.), V.
Fratsenmaker, M., -makers.
Fraude, V., fraudes.
Frauduleus, frauduleuzer.
Frees, V., freezen.
Fregat, O., fregatten. Fregatje, O., -jes.
Fresco, O., fresco's.
Frescoschilder, M., -schilders.
Fret, O., fretten.
Fretten, frette, heeft gefret.
Freule, V., freules. Freuletje, O., -jes.
Fricandeau, M., fricandeau's.
Fries (volksnaam), M., Friezen.
Friesch.
Friesch, O.
Friesland, O.
Friezin, V., Friezinnen. Friezinnetje, O., -jes.
Frikkadel, V., frikkadellen.
Frisch, frisscher, frischt.
Frischheid, V.
Friseeren, friseerde, heeft gefriseerd.
Friseerijzer, O., -ijzers.
Frisket, ook Verschet, O., frisketten en verschetten.
Frommel, M., frommels.
Frommelen, frommelde, heeft gefrommeld.
Frons, V., fronsen.
Fronsel, V., fronsels.
Fronselen, fronselde, heeft gefronseld.
Fronsen, fronste, heeft gefronst.
Front, O., fronten.
Frontaanval, M., -aanvallen.
Frontieren (mv.), V.
Frontispice, V., frontispicen; ook Frontispies, O., frontispiesen.
Frontmarsch, M., -marschen.
Fronton, O., frontons.
Frontverandering, V., -veranderingen.
Fruit, V. en O., fruiten.
Fruiten, fruitte, heeft gefruit.
Fruitpan, V., -pannen.
Fruitschaal, V., -schalen; -schaaltje, O., -jes.
Fruitvrouw, V., -vrouwen.
Fruitwinkel, M., -winkels.
Fuchsine, V.
Fuga, V., fuga's.
Fuif, V., fuiven. Fuifje, O., -jes.
Fuiven, fuifde, heeft gefuifd.
Fuik, V., fuiken. Fuikje, O., -jes.
Fulmineeren, fulmineerde, heeft gefulmineerd.
Fulp, O.
Fulpen (bnw.).
Functie, V., functiën en functies.
Functionaris, M., functionarissen.
Fundament. Zie Fondament.
Fundeering, V., fundeeringen.
Fungeeren, fungeerde, heeft gefungeerd.
Furie, V., furiën en furies.
Fuselier, M., fuseliers.
Fusilleeren, fusilleerde, heeft gefusilleerd.
Fust, O., fusten.
Fustage, V.
Fustein, O.
Fut, V.
Futselaar, M., futselaars. Futselaartje, O., -jes.
Futselarij, V., futselarijen.
Futselen, futselde, heeft gefutseld.
Futselwerk, O.
Futteloos en Futloos, -looze.
Fuut, M., futen.
G
G, V., g's.
Ga. Zie Gade.
Gaaf en Gave, V., gaven.
Gaaf, gaver, gaafst.
Gaafheid, V.
Gaai, V., gaaien. Gaaitje, O., -jes.
Gaaien, gaaide, heeft gegaaid.
Gaaike, Gaaiken en Gaaitje, O., gaaikes, gaaikens en gaaitjes.
Gaal, V., galen. Gaaltje, O., -jes.
Gaan, gaat, ging, is en heeft gegaan.
Gaanderij, V., gaanderijen.
Gaandeweg.
Gaap, M., gapen. Gaapje, O., -jes.
Gaapschelp, V., -schelpen.
Gaar, gaarder, gaarst.
Gaarbak, M., -bakken; -bakje, O., -jes.
Gaarboord, O., -boorden.
Gaard, M., gaarden.
Gaarde, V., gaarden.
Gaardenier, M., gaardeniers en gaardenieren.
Gaarder, M., gaarders.
Gaarheid, V.
Gaarkeuken, V., -keukens; -keukentje, O., -jes.
Gaarkok, M., -koks; -kokje, O., -jes.
Gaarkookster, V., -kooksters.
Gaarne,
Gaarte, V.
Gaarvat, O., -vaten; -vaatje, O., -jes.
Gaas, O., gazen. Gaasje, O., -jes.
Gaatels, V., -elzen.
Gaatje. Zie Gat.
Gaatring, M., -ringen; -ringetje, O., -jes.
Gaatschijf, V., -schijven; -schijfje, O., -jes.
Gaatstempel, M., -stempels; -stempeltje, O., -jes.
Gabberen, gabberde, heeft gegabberd.
Gabel, V., gabellen.
Gade en Ga, M. en V., gaden.
Gadeloos, -looze.
Gader (Te -).
Gaderen, gaderde, heeft gegaderd.
Gadeslaan, slaat gade, sloeg gade, heeft gadegeslagen.
Gading, V.
Gaffel, V., gaffels. Gaffeltje, O., -jes.
Gaffeler, M., gaffelers.
Gaffelval, O., -vallen.
Gaffelvormig.
Gaffelzeil, O., -zeilen.
Gage, V., gages.
Gagel (heester), M., gagels. Als stofnaam, V.
Gagel (verhemelte), O., gagels.
Gagelen. Zie Gaggelen.
Gagement, O., gagementen.
Gaggelen, gaggelde, heeft gegaggeld.
Gal (vocht), V.
Gal (gezwel), V., gallen. Galletje, O., -jes.
Gal (gebrek in gegoten ijzer), V., gallen.
Gala, O.
Galabal, O., -bals.
Galachtig, -achtiger, -achtigst.
Galachtigheid, V.
Galakoets, V., -koetsen.
Galant, galanter, galantst.
Galant, M., galanten en galants.
Galanterie, V., galanterieën. Galanterietje, O., -jes.
Galanteriewinkel, M., -winkels.
Galappel, M., -appels.
Galarok, M., -rokken.
Galavoorstelling, V., -voorstellingen.
Galblaas, V., -blazen.
Galbuis, V., -buizen.
Galeas (groot vaartuig), V., galeassen.
Galei, V., galeien. Galeitje, O., -jes.
Galeiboef, M., -boeven.
Galeislaaf, M., -slaven.
Galerij, V., galerijen. Galerijtje, O., -jes.
Galg, V., galgen. Galgje, O., -jes.
Galgebrok, M., -brokken; -brokje, O., -jes.
Galgemaal, O., -malen.
Galgenaas, O., -azen.
Galgetronie, V., -tronies.
Galgeveld, O.
Galigaan, V., galiganen.
Galigaangras, O., -grassen.
Galijk.
Galijkheid, V.
Galjas (klein koopvaardijschip), V., galjassen.
Galjoen, O., galjoenen en galjoens. Galjoentje, O., -jes.
Galjoenskapitein, M., -kapiteins; -kapiteintje, O., -jes.
Galjoot, V., galjoten en galjoots. Galjootje, O., -jes.
Galkoorts, V., -koortsen.
Gallen, galde, heeft gegald.
Gallicisme, O., gallicismen.
Gallig, galliger, galligst.
Galligheid, V.
Galm, M., galmen. Galmpje, O., -jes.
Galmei, O.
Galmen, galmde, heeft gegalmd.
Galmgat, O., -gaten.
Galming, V., galmingen.
Galnoot, V., -noten.
Galon, O., galons en galonnen.
Galonwever, M., -wevers.
Galop, M., galops. Galopje, O., -jes.
Galoppade, V., galoppades.
Galoppeeren, galoppeerde, heeft en is gegaloppeerd.
Galpeiler, M., -peilers.
Galpen, galpte, heeft gegalpt.
Galsteen, M., -steenen; -steentje, O., -jes.
Galsteenkoliek, V., -kolieken.
Galsterig.
Galvanisch.
Galvaniseeren, galvaniseerde, heeft gegalvaniseerd.
Galvanisme, O.
Galvanoplastiek, V.
Galvanoplastisch.
Galvet, O.
Galvlieg, V., -vliegen.
Galwesp, V., -wespen.
Galziekte, V.
Gamander, V.
Gamanderlijn, O.
Gambiet, V., gambieten.
Gamma, V., gamma's.
Gander, M., ganders.
Gang (loop), M., gangen. Gangetje, O., -jes.
Gang (gaanderij, weg), V., gangen. Gangetje, O., -jes.
Gangbaar, -bare.
Gangbaarheid, V.
Gangboord, O., -boorden.
Gangdeur, V., -deuren.
Gangklok, V., -klokken.
Gangkruk, V., -krukken.
Gangmaker, M., -makers.
Gangmassa, V., -massa's.
Gangpad, O., -paden; -paadje, O., -jes.
Gangspil, O., -spillen.
Gangwerk, O.
Gannef, M., gannefen en ganneven. Gannefje, O., -jes.
Gans, V., ganzen. Gansje, O., -jes.
Gansch.
Ganschelijk.
Gansknuppelen, O.
Gansrijden, O.
Gansslaan, O.
Ganstrekken, O.
Ganzebek, M., -bekken.
Ganzebout, M., -bouten.
Ganzegat, O., -gatten.
Ganzelever, V.
Ganzeleverpastei, V., -pasteien.
Ganzenbloem, V., -bloemen; -bloempje, O., -jes.
Ganzenbord, O., -borden; -bordje, O., -jes.
Ganzendistel, V., -distels; -disteltje, O., -jes.
Ganzenei, O., -eieren.
Ganzenhagel, M.
Ganzenhoeder, M., -hoeders.
Ganzenjacht, V.
Ganzenmarkt, V., -markten.
Ganzenoog, O., -oogen; -oogje, O., -jes.
Ganzenroer, O., -roeren en -roers.
Ganzenspel, O., -spellen.
Ganzepen, V., -pennen; -pennetje, O., -jes.
Ganzepoot, M., -pooten; -pootje, O., -jes.
Ganzerik (mannetjesgans), M., ganzeriken. Ganzerikje, O., -jes.
Ganzerik (plant), V.
Ganzeschacht, V., -schachten; -schachtje, O., -jes.
Ganzetong, V., -tongen.
Ganzeveder en Ganzeveer, V., -vederen (-veeren) en -veders; -vedertje (-veertje), O., -jes.
Ganzevleugel, M., -vleugels.
Ganzevoet, M., -voeten.
Gapen, gaapte, heeft gegaapt.
Gaper, M., gapers.
Gaperig, gaperiger, gaperigst.
Gaping, V., gapingen.
Gaps, V., gapsen.
Garancine, V.
Garandeeren, garandeerde, heeft gegarandeerd.
Garant, M., garanten.
Garantie, V.
Gard, V. Zie Garde.
Garde en Gard (roede), V., garden. Gardje, O., -jes.
Garde (wacht), V.
Garderobe, V., garderobes.
Gardiaan, M., gardianen.
Gareel, O., gareelen.
Gareelblok, O., -blokken.
Garen, O., garens.
Garen (bnw.).
Garen, gaarde, heeft gegaard.
Garenklos, M., -klossen; -klosje, O., -jes.
Garenstrop, M., -stroppen.
Garenwinder, M., -winders.
Garf en Garve, V., garven.
Garfboer, M., -boeren.
Garfland, O., -landen.
Garfplichtig.
Garfster, V., garfsters.
Garnaal, V., garnalen. Garnaaltje, O., -jes.
Garnalenbroodje, O., -jes.
Garnalenpasteitje, O., -jes.
Garnalenvangst, V.
Garnalenvrouw, V., -vrouwen.
Garneeren, garneerde, heeft gegarneerd.
Garneering, V., garneeringen.
Garneersel, O., garneersels. Garneerseltje, O., -jes.
Garnituur, O., garnituren. Garnituurtje, O., -jes.
Garnizoen, O., garnizoenen.
Garnizoenscommandant, M., -commandanten.
Garnizoensdienst, M., -diensten.
Garnizoensplaats, V., -plaatsen.
Garnizoensverandering, V., -veranderingen.
Garoe, V.
Garoeboom, M., -boomen; -boompje, O., -jes.
Garst. Zie Gerst.
Garstig, garstiger, garstigst.
Garstigheid, V.
Garven, garfde, heeft gegarfd.
Garvenbinder, M., -binders.
Garver, M., garvers.
Gas, O., gassen.
Gasaanleg, M.
Gasachtig, -achtiger, -achtigst.
Gasco, M.
Gasfabriek, V., -fabrieken.
Gasfitter, M., -fitters.
Gasgloeilicht, O.
Gashouder, M., -houders.
Gaskachel, V., -kachels; -kacheltje, O., -jes.
Gaskomfoor, O., -komforen.
Gaskraan, V., -kranen; -kraantje, O., -jes.
Gaskroon, V., -kronen.
Gaslantaarn, V., -lantaarns.
Gasleiding, V., -leidingen.
Gaslicht, O., -lichten.
Gasmeter, M., -meters.
Gasmotor, M., -motoren.
Gasontploffing, V., -ontploffingen.
Gasornament, O., -ornamenten.
Gaspeldoorn en -doren, M., -doornen en -dorens.
Gaspijp, V., -pijpen.
Gaspit, V., -pitten; -pitje, O., -jes.
Gassen, gaste, heeft gegast.
Gassig.
Gast, M. en V., gasten. Gastje, O., -jes.
Gastenbak, M., -bakken.
Gastereeren en Gastreeren, gastereerde (gastreerde), heeft gegastereerd (gegastreerd).
Gasterij, V., gasterijen.
Gastheer, M., -heeren.
Gasthuis, O., -huizen.
Gastmaal, O., -malen.
Gastrol, V., -rollen.
Gastronomie, V.
Gastronoom, M., gastronomen.
Gastvriend, M., -vrienden.
Gastvrij, -vrijer, -vrijst.
Gastvrijheid, V.
Gastvrouw, V., -vrouwen.
Gasverbruik, O.
Gasvlam, V., -vlammen.
Gasvormig.
Gat (opening), O., gaten. Gaatje, O., -jes.
Gat (achterste), O., gatten. Gatje, O., -jes.
Gaten, gaatte, heeft gegaat.
Gatenplateel, O., -plateelen; -plateeltje, O., -jes.
Gaterig, gateriger, gaterigst.
Gauw, gauwer, gauwst.
Gauwdief, M., -dieven.
Gauwdieverij, V., -dieverijen.
Gauwerd, M., gauwerds. Gauwerdje, O., -jes.
Gauwheid, V.
Gauwigheid, V., -heden.
Gauwte, V.
Gave. Zie Gaaf.
Gazel, V., gazellen.
Gazellenoog, O., -oogen.
Gazen (bnw. van Gaas).
Gazon, O., gazons.
Geaardheid, V., -heden.
Geabonneerd.
Geabonneerde, M. en V., geabonneerden.
Geaderd.
Geankerd.
Geappeld.
Gearmd.
Geassureerd.
Gebaand.
Gebaar, O., gebaren.
Gebaard.
Gebabbel, O.
Gebak, O., gebakken. Gebakje, O., -jes.
Gebalder, O.
Gebarenkunst, V.
Gebarenspel, O.
Gebarentaal, V.
Gebas, O.
Gebazel, O.
Gebbe, V., gebben.
Gebed, O., gebeden. Gebedje, O., -jes.
Gebedel, O.
Gebedenboek, O., -boeken; -boekje, O., -jes.
Gebedsoefening, V., -oefeningen.
Gebeente, O., gebeenten.
Gebeft.
Gebeid (op bessen overgehaald).
Gebeier, O.
Gebel, O.
Gebengel, O.
Gebergte, O., gebergten.
Gebeten.
Gebeteren (Iets niet kunnen -).
Gebeuren, gebeurde, is gebeurd.
Gebeurlijk.
Gebeurlijkheid, V., -heden.
Gebeurtenis, V., gebeurtenissen.
Gebeuzel, O.
Gebied, O.
Gebieden, gebood, geboden, heeft geboden.
Gebiedend.
Gebiedenis, V.
Gebieder, M., gebieders.
Gebiedster, V., gebiedsters.
Gebiedswapen, O., -wapens.
Gebint en Gebinte, O., gebinten.
Gebit, O., gebitten.
Geblaard.
Geblaas, O.
Geblaat, O.
Gebladerd.
Gebladerte, O.
Geblaf, O.
Gebloemd.
Geblokt.
Gebocheld.
Gebod, O., geboden.
Geboefte, O.
Geboegd.
Gebogen.
Gebogenheid, V.
Gebonden, gebondener, gebondenst.
Gebondenheid, V.
Gebons, O.
Geboogd.
Geboomte, O., geboomten.
Geboord.
Geboorte, V., geboorten.
Geboortedag, M., -dagen.
Geboortefeest, O., -feesten.
Geboortegrond, M.
Geboorteland, O.
Geboortenregister, O., -registers.
Geboorteplaats, V., -plaatsen.
Geboorterecht, O.
Geboortig.
Geboren.
Geborrel, O.
Gebouw, O., gebouwen. Gebouwtje, O., -jes.
Gebraad, O.
Gebrabbel, O.
Gebrek, O., gebreken. Gebrekje, O., -jes.
Gebrekkelijk, -lijker, -lijkst.
Gebrekkelijkheid, V., -heden.
Gebrekkig, gebrekkiger, gebrekkigst.
Gebrekkigheid, V.
Gebrild.
Gebroed, O.
Gebroeders en Gebroederen (mv.), M.
Gebroederschap, V., -schappen.
Gebroedsel, O., gebroedsels.
Gebrom, O.
Gebrouwte en Gebrouwt, O.
Gebruik, O., gebruiken.
Gebruikelijk, -lijker, -lijkst.
Gebruikelijkheid, V., -heden.
Gebruiken, gebruikte, heeft gebruikt.
Gebruiker, M., gebruikers.
Gebruiksaanwijzing, V., -aanwijzingen.
Gebruikskunst, V.
Gebruikster, V., gebruiksters.
Gebrul, O.
Gebuikt.
Gebulder, O.
Gebulk, O.
Gebult.
Geburin, V., geburinnen.
Gebuur, M., geburen.
Gebuurschap, V.
Gebuurte, V., gebuurten.
Geconfedereerden (mv.), M.
Gecontrarieerd.
Gecontrasigneerd.
Gecostumeerd.
Gedaagde, M. en V., gedaagden.
Gedaan, gedane.
Gedaante, V., gedaanten.
Gedaanteverwisseling, V., -verwisselingen.
Gedachte, V., gedachten.
Gedachteloos, -loozer, -loost.
Gedachteloosheid, V.
Gedachtengang, M.
Gedachtenis, V., gedachtenissen. Gedachtenisje, O., -jes.
Gedachtenkring, M.
Gedachtenloop, M.
Gedachtenstreep, V., -strepen.
Gedachtenwisseling, V., -wisselingen.
Gedachtig.
Gedamd.
Gedarmte, O., gedarmten.
Gedartel, O.
Gedaver, O.
Gedecideerd.
Gedecideerdheid, V.
Gedecolleteerd.
Gedecoreerd.
Gedeeld.
Gedeelte, O., gedeelten.
Gedeeltelijk.
Gedegen.
Gedegradeerd.
Gedekt.
Gedenkboek, O., -boeken; -boekje, O., -jes.
Gedenkdag, M., -dagen.
Gedenken, gedacht, heeft gedacht.
Gedenknaald, V., -naalden.
Gedenkpenning, M., -penningen.
Gedenkrol, V., -rollen.
Gedenkschrift, O., -schriften.
Gedenksteen, M., -steenen.
Gedenkstuk, O., -stukken.
Gedenktafel, V., -tafelen en -tafels.
Gedenkteeken, O., -teekenen en -teekens.
Gedenkwaardig, -waardiger, -waardigst, of meer en meest -waardig.
Gedenkwaardigheid, V., -heden.
Gedenkzuil, V., -zuilen.
Gedeputeerde, M., gedeputeerden.
Gedicht, O., gedichten. Gedichtje, O., -jes.
Gediende, M., gedienden.
Gedienstig, gedienstiger, gedienstigst.
Gedienstige, M. en V., gedienstigen.
Gedienstigheid, V., -heden.
Gedierte, O., gedierten.
Gedijen, gedijde, is en heeft gedijd.
Geding, O., gedingen.
Gedistilleerd, O.
Gedistingeerd, gedistingeerder, gedistingeerdst.
Gedobbel, O.
Gedoe, O.
Gedoen, ook Gedoente, O.
Gedomicilieerd.
Gedonder, O.
Gedoogen, gedoogde, heeft gedoogd.
Gedraaf, O.
Gedraai, O.
Gedrag, O.
Gedragen (zich -), gedroeg zich, heeft zich gedragen.
Gedraging, V., gedragingen.
Gedragslijn, V.
Gedrang, O.
Gedrentel, O.
Gedreun, O.
Gedrocht, O., gedrochten. Gedrochtje, O., -jes.
Gedrochtelijk, -lijker, -lijkst.
Gedrongenheid, V.
Gedruisch, O.
Gedrukt, gedrukter, gedruktst.
Gedruktheid, V.
Geducht, geduchter, geduchtst.
Geduchtheid, V.
Geduld, O.
Geduldig, geduldiger, geduldigst.
Gedurende.
Gedurig.
Gedwarrel, O.
Gedwee, gedweeër, gedweest.
Gedweeheid, V.
Gedwongen, gedwongener, gedwongenst.
Gedwongenheid, V.
Geef (Te -).
Geefster, V., geefsters.
Geel, geler, geelst.
Geel (kleur), O.
Geel (vischnet), V., geelen.
Geelachtig, -achtiger, -achtigst.
Geelachtigheid, V.
Geelbal, M., -ballen.
Geelbes, V., -bessen.
Geelbleek, -bleeke.
Geelbloem, V., -bloemen.
Geelbruin.
Geelgieten, O.
Geelgieter, M., -gieters.
Geelgieterij, V., -gieterijen.
Geelgors, V., -gorzen.
Geelhaar, O.
Geelhart, O.
Geelheid, V.
Geelhout, O.
Geelkoper, O.
Geelpelde.
Geelrood, -roode.
Geelsel, O.
Geeltje, O., -jes.
Geelvink, M., -vinken.
Geelwortel, V.
Geelzucht, V.
Geëmancipeerd.
Geen (ontkenning), geene.
Geenerhande.
Geenerlei.
Geëngageerd.
Geëngageerden (mv.).
Geenszins.
Geep, V., geepen. Geepje, O., -jes.
Geepsch.
Geer, V., geeren. Geertje, O., -jes.
Geerard (kruid), V.
Geerardskruid, O.
Geeren, geerde, heeft gegeerd.
Geërfde, M. en V., geërfden.
Geerig.
Geertelsel, M., -telsels.
Geerten, geertte, heeft gegeert.
Geervalk, M., -valken.
Geesel, M., geesels en geeselen. Geeseltje, O., -jes.
Geeselbank, V., -banken.
Geeselbroeder, M., -broeders.
Geeselen, geeselde, heeft gegeeseld.
Geeseling, V., geeselingen.
Geeselmonnik, M., -monniken.
Geeselpaal, M., -palen.
Geeselpaard, O., -paarden.
Geeselroede, V., -roeden.
Geeselslag, M., -slagen.
Geeselsteen, M., -steenen.
Geeselstraf, V.
Geest (ziel en geestverschijning), M., geesten. Geestje, O., -jes.
Geest (zandige streek), V.
Geestdoodend, -doodender, -doodendst.
Geestdrift, V.
Geestdriftig, -driftiger, -driftigst.
Geestdrijvend.
Geestdrijver, M., -drijvers.
Geestdrijverij, V.
Geestelijk.
Geestelijke, M., geestelijken.
Geestelijkheid, V.
Geesteloos, -loozer, -loost.
Geestenbanner, M., -banners.
Geestendom, O.
Geestenleer, V.
Geestenrijk, O.
Geestenwereld, V.
Geestenziener, M., -zieners.
Geestesarbeid, M.
Geestesgaven (mv.), V.
Geestesrichting, V., -richtingen.
Geestgrond, M., -gronden.
Geestig, geestiger, geestigst.
Geestigheid, V., -heden.
Geestkracht, V.
Geestrijk.
Geestverheffend.
Geestverheffing, V.
Geestvermogen, O., -vermogens.
Geestverschijning, V., -verschijningen.
Geestverwant, M., -verwanten.
Geeuw, M., geeuwen. Geeuwtje, O., -jes.
Geeuwen, geeuwde, heeft gegeeuwd.
Geeuwerig, geeuweriger, geeuwerigst.
Geeuwhonger, M.
Geëvenredigd.
Gefemel, O.
Gefijmel en Gefiemel, O.
Gefladder, O.
Gefleem, O.
Geflikflooi, O.
Geflikker, O.
Geflonker, O.
Gefluister, O.
Gefluit, O.
Gefoeter, O.
Gefonkel, O.
Geforceerd.
Gefortuneerd.
Gegadigde, M. en V., gegadigden.
Gegageerde, M., gegageerden.
Gegalm, O.
Gegeven, O., gegevens.
Gegil, O.
Geglansd.
Gegleufd.
Geglinster, O.
Gegoed, gegoedst
Gegoedheid, V.
Gegons, O.
Gegrabbel, O.
Gegradueerd.
Gegradueerde, M., gegradueerden.
Gegrijns, O.
Gegrinnik, O.
Gegroefd.
Gegrond, gegronder, gegrondst.
Gegrondheid, V.
Gehaast (bnw).
Gehaat, gehater, gehaatst.
Gehakketeer, O.
Gehakt, O., Gehaktje, O.
Gehakt (bnw.).
Gehalte, O., gehalten.
Gehamer, O.
Gehandschoend.
Gehard, geharder, gehardst.
Gehardheid, V.
Geharnast.
Geharrewar, O.
Gehaspel, O.
Gehecht.
Gehechtheid, V.
Geheel, geheele.
Geheel, O., geheelen.
Geheelonthouder, M., -onthouders.
Geheiligd, geheiligdst.
Geheim, O., geheimen. Geheimpje, O., -jes.
Geheimenis, V., geheimenissen.
Geheimhouden, hield geheim, heeft geheimgehouden.
Geheimhouding, V.
Geheimschrift; O,
Geheimschrijver, M., -schrijvers.
Geheimzinnig, -zinniger, -zinnigst.
Geheimzinnigheid, V.
Gehelmd.
Gehemelte, O., gehemelten.
Gehemelteletter, V., -letters.
Geheng, O., gehengen.
Gehengen, gehengde, heeft gehengd.
Geheugen, O.
Geheugenis, V., geheugenissen.
Geheugenloos, -loozer, -loost.
Geheugenwerk, O.
Gehijg, O.
Gehik, O.
Gehinnik, O.
Gehoefslaagde, M. en V., gehoefslaagden.
Gehoest, O.
Gehoofd (gehuisd en -).
Gehoor, O., gehooren.
Gehoorbeen, O., -beenderen; -beentje, O., -jes.
Gehoorgang, V., -gangen.
Gehoorig, gehooriger, gehoorigst.
Gehoorigheid, V.
Gehoornd en Gehorend.
Gehoororgaan, O., -organen.
Gehoorweg, M., -wegen.
Gehoorzaal, V., -zalen; -zaaltje, O., -jes.
Gehoorzaam, -zamer, -zaamst.
Gehoorzaamheid, V.
Gehoorzamen, gehoorzaamde, heeft gehoorzaamd.
Gehoorzenuw, V., -zenuwen.
Gehouden (bnw.).
Gehoudenheid, V.
Gehoudenis, V., gehoudenissen.
Gehucht, O., gehuchten. Gehuchtje, O., -jes.
Gehuichel, O.
Gehuil, O.
Gehumeurd.
Gehunker, O.
Gehuwd.
Gei, V., geien.
Geiblok, O., -blokken en -bloks.
Geien, geide, heeft gegeid.
Geijkt.
Geil, geiler, geilst.
Geil (vocht), O.
Geil (plant), O.
Geilen, geilde, heeft gegeild.
Geilheid, V.
Geïllustreerd.
Geinster, V., geinsters.
Geïnteresseerd.
Geit, V., geiten. Geitje, O., -jes.
Geitachtig.
Geitebaard, M., -baarden.
Geitebok, M., -bokken; -bokje, O., -jes.
Geiteleer en Geitenleer, O.
Geiteleeren en Geitenleeren (bnw.).
Geitenblad, O.
Geitenfokkerij, V., -fokkerijen.
Geitenhaar, O.
Geitenhoeder, M., -hoeders.
Geitenhoedster, V., -hoedsters.
Geitenmelk, V.
Geitenmelker, M., -melkers.
Geitenstal, M., -stallen; -stalletje, O., -jes.
Geitepoot, M., -pooten.
Geitevel, O., -vellen; -velletje, O., -jes.
Geitevellen (bnw.).
Geitevleesch en Geitenvleesch, O.
Geitouw, O., -touwen.
Gejaag, O.
Gejaagd, gejaagder, gejaagdst.
Gejaagdheid, V.
Gejacht, O.
Gejakker, O.
Gejammer, O.
Gejank, O.
Gejoel, O.
Gejubel, O.
Gejuich, O.
Gek, gekker, gekst.
Gek (dwaas en draaiende kap), M., gekken. Gekje, O., -jes.
Gekakel, O.
Gekamerd.
Gekarteld.
Gekef, O.
Gekeperd.
Gekerm, O.
Gekeuvel, O.
Gekheid, V., -heden. Gekheidje, O., -jes.
Gekibbel, O.
Gekield.
Gekietel, O.
Gekijf, O.
Gekir, O.
Gekittel, O.
Gekken, gekte, heeft gegekt.
Gekkengetal, O.
Gekkenhuis, O., -huizen.
Gekkennommer, O.
Gekkenpraat, M.
Gekkentaal, V.
Gekkenwerk, O.
Gekker, M., gekkers.
Gekkernij, V., gekkernijen. Gekkernijtje, O., -jes.
Gekkin, V., gekkinnen. Gekkinnetje, O., -jes.
Geklaag, O.
Geklapper, O.
Geklater, O.
Geklauwd.
Gekleed, gekleeder, gekleedst.
Geklep, O.
Geklepper, O.
Geklets, O.
Gekletter, O.
Gekleurd.
Geklikklak, O.
Geklonken.
Geklop, O.
Geklots, O.
Geklungel, O.
Geknabbel, O.
Geknal, O
Geknars, O.
Geknetter, O.
Geknipoog, O.
Geknoei, O.
Geknor, O.
Geknot, geknotte.
Geknutsel, O.
Gekonkel, O.
Gekoppeld.
Gekorven.
Gekoust.
Gekraagd.
Gekraai, O.
Gekraak, O.
Gekrab, O.
Gekrabbel, O.
Gekras, O.
Gekreun, O.
Gekriebel, O.
Gekrieuw, O.
Gekriewel, O.
Gekrijsch, O.
Gekrioel, O.
Gekroesd.
Gekromd.
Gekroond.
Gekruist.
Gekruld.
Gekscheren, gekscheerde, heeft gegekscheerd.
Gekscheren, O.
Gekskap (kap), V., -kappen; -kapje O., -jes.
Gekskap (persoon), M. en V., -kappen; -kapje, O., -jes.
Gekskolf, V., -kolven; -kolfje, O., -jes.
Geksstok (zotskolf), M., -stokken; -stokje, O., -jes.
Geksteken, O.
Gekstok (van eene pomp), M., -stokken.
Gekuch, O.
Gekuip, O.
Gekuischt, gekuischter.
Gekuischtheid, V.
Gekunsteld.
Gekunsteldheid, V.
Gekwaak, O.
Gekwansel, O.
Gekwartileerd.
Gekweel, O.
Gekwel, O.
Gekwetter, O.
Gekwispel, O.
Gelaarsd.
Gelaat, O.
Gelaatkunde, V.
Gelaatkundig.
Gelaatshoek, M., -hoeken.
Gelaatskleur, V.
Gelaatsspier, V., -spieren.
Gelaatstint, V.
Gelaatstrek, M., -trekken.
Gelaatstype, O., -typen.
Gelaatsuitdrukking, V., -uitdrukkingen.
Gelach (het lachen), O.
Gelag (drinkgelag), O., gelagen.
Gelag (lot), O.
Gelagkamer, V., -kamers.
Gelakt.
Gelambrizeerd.
Gelamenteer, O.
Geland.
Gelande, M. en V., gelanden.
Gelang (Naar - van).
Gelasten, gelastte, heeft gelast.
Gelastigde, M. en V., gelastigden.
Gelaten, gelatener, gelatenst.
Gelaten (zich -), geliet zich, heeft zich gelaten.
Gelatenheid, V.
Gelatine, V.
Gelauwerd.
Geld, O., gelden. Geldje, O.
Geld (bnw.), gelde.
Geldboete, V., -boeten.
Geldelijk.
Geldeloos, -looze.
Gelden, gold, heeft gegolden.
Geldend.
Geldgebrek, O.
Geldgierig.
Geldhandel, M.
Geldheffing, V., -heffingen.
Geldig, geldiger, geldigst.
Geldigheid, V.
Geldkist, V., -kisten.
Geldkoers, M., -koersen.
Geldlade, V., -laden; -laatje, O., -jes.
Geldleening, V., -leeningen.
Geldmarkt, V., -markten.
Geldmiddelen (mv.), O.
Geldschieter, M., -schieters.
Geldslaan, O.
Geldsom, V., -sommen.
Geldstuk, O., -stukken; -stukje, O., -jes.
Geldswaarde, V.
Geldswaardig.
Geldtrommel, V., -trommels; -trommeltje, O., -jes.
Geldverlegenheid, V.
Geldverlies, O., -verliezen.
Geldwinning, V.
Geldzaak, V., -zaken.
Geldzak, M., -zakken; -zakje, O., -jes.
Geldzucht, V.
Geldzuchtig, -zuchtiger, -zuchtigst.
Geleden.
Geledigd.
Geleding, V., geledingen.
Geleed, gelede.
Geleend.
Geleerd (kundig), geleerder, geleerdst.
Geleerd (geladderd).
Geleerde, M. en V., geleerden.
Geleerdheid, V., -heden.
Gelegen, gelegener, gelegenst.
Gelegenheid, V., -heden. Gelegenheidje, O., -jes.
Gelegenheidsgedicht, O., -gedichten.
Gelegenheidsgezicht, O., -gezichten.
Gelegenheidspreek, V., -preeken.
Gelegenheidsvers, O., -verzen.
Gelei, V., geleien.
Geleiachtig, -achtiger, -achtigst.
Geleibiljet, O., -biljetten.
Geleibrief, M., -brieven.
Geleide, O.
Geleidelijk, -lijker, -lijkst.
Geleiden, geleidde, heeft geleid.
Geleider, M., geleiders.
Geleiding, V., geleidingen.
Geleidingsvermogen, O.
Geleidraad, M., -draden.
Geleidster en -star, V., -sterren en -starren.
Geleidster, V., geleidsters.
Geleigeest, M., -geesten.
Geleigeld, O., -gelden.
Geleipotje, O., -potjes.
Gelel, O.
Gelen, geelde, heeft en is gegeeld.
Geletterd.
Geletterdheid, V.
Geleuter, O.
Gelfsch.
Gelid, O., gelederen.
Geliefd, geliefder, geliefdst.
Geliefde, M. en V., geliefden.
Geliefhebber, O.
Geliefkoosd.
Gelieven (mv.), M.
Gelieven, geliefde, heeft geliefd.
Gelijk, gelijker, gelijkst.
Gelijk, O.
Gelijkbeenig.
Gelijkbreien, breide gelijk, heeft gelijkgebreid.
Gelijkdraadsch.
Gelijkelijk.
Gelijken, geleek, geleken, heeft geleken.
Gelijkenis, V., gelijkenissen.
Gelijkerwijze en -wijs.
Gelijkheid, V.
Gelijkhoekig.
Gelijkkloppen, klopte gelijk, heeft gelijkgeklopt.
Gelijkknippen, knipte gelijk, heeft gelijkgeknipt.
Gelijkkomen, komt gelijk, kwam gelijk, kwamen gelijk, is gelijk gekomen.
Gelijkloopen, liep gelijk, heeft gelijkgeloopen.
Gelijkluidend.
Gelijkluidendheid, V.
Gelijkmaken, maakte gelijk, heeft gelijkgemaakt.
Gelijkmatig, -matiger, -matigst.
Gelijkmatigheid, V.
Gelijkmoedig.
Gelijkmoedigheid, V.
Gelijknamig.
Gelijknamigheid, V.
Gelijkschaven, schaafde gelijk, heeft gelijkgeschaafd.
Gelijkslachtig.
Gelijkslachtigheid, V.
Gelijksoortig.
Gelijksoortigheid, V.
Gelijkstaan, staat gelijk, stond gelijk, heeft gelijkgestaan.
Gelijkstandig.
Gelijkstellen, stelde gelijk, heeft gelijkgesteld.
Gelijkstrijken, streek gelijk, streken gelijk, heeft gelijkgestreken.
Gelijkstroom, M.
Gelijkteeken, O., -teekens.
Gelijktijdig.
Gelijktijdigheid, V.
Gelijkvijlen, vijlde gelijk, heeft gelijkgevijld.
Gelijkvloeiend.
Gelijkvloers.
Gelijkvormig.
Gelijkvormigheid, V.
Gelijkvormigheidspunt, O., -punten.
Gelijkzetten, zette gelijk, heeft gelijkgezet.
Gelijkzijdig.
Gelijkzijdigheid, V.
Gelijnd.
Gelik, O.
Gelinieerd.
Gelispel, O.
Gelletje, O., -jes.
Gelling, V.
Geloei, O.
Gelofte, V., geloften.
Geloftenis, V., geloftenissen.
Gelol, O.
Geloof, O.
Geloofbaar, -baarder, -baarst.
Geloofbaarheid, V.
Geloofelijk, -lijker, -lijkst.
Geloofelijkheid, V.
Geloofsartikel, O., -artikelen en -artikels.
Geloofsbelijdenis, V., -belijdenissen.
Geloofsbrief, M., -brieven.
Geloofsdwang, M.
Geloofsgenoot, M., -genooten.
Geloofsgenoote, V., -genooten.
Geloofshaat, M.
Geloofsheld, M., -helden.
Geloofsleer, V.
Geloofsovertuiging, V., -overtuigingen.
Geloofspunt, O., -punten.
Geloofsstuk, O., -stukken.
Geloofsvervolging, V., -vervolgingen.
Geloofsvrijheid, V.
Geloofswaarheid, V., -waarheden.
Geloofszaak, V., -zaken.
Geloofwaardig, -waardiger, -waardigst, of meer en meest -waardig.
Geloofwaardigheid, V.
Geloop, O.
Gelooven, geloofde, heeft geloofd.
Geloovig, gelooviger, geloovigst.
Geloovige, M. en V., geloovigen.
Geloovigheid, V.
Gelui, O.
Geluid, O., geluiden. Geluidje, O., -jes.
Geluidgevend.
Geluidsleer, V.
Geluier, O.
Geluimd.
Geluk, O. Gelukje, O., -jes.
Gelukken, gelukte, is gelukt.
Gelukkig, gelukkiger, gelukkigst.
Gelukkigerwijze en -wijs.
Geluksbode, M. en V., -boden.
Geluksgodin, V., -godinnen.
Gelukshans, M., -hanzen.
Gelukskind, O., -kinderen.
Geluksster en -star, V., -sterren en -starren.
Geluksvogel, M., -vogels.
Gelukwensch, M., -wenschen.
Gelukwenschen, wenschte geluk, heeft gelukgewenscht.
Gelukwensching, V., -wenschingen.
Gelukzalig, -zaliger, -zaligst.
Gelukzaligheid, V., -heden.
Gelukzoeker, M., -zoekers.
Gelusten, gelustte, heeft gelust.
Gemaakt, gemaakter, gemaaktst.
Gemaaktheid, V.
Gemaal, M., gemaals en gemalen.
Gemaal (gezanik), O.
Gemaal, O. (Gemaal en geslacht).
Gemacht, O.
Gemachtigde, M. en V., gemachtigden.
Gemak, O., gemakken. Gemakje, O., -jes.
Gemakkelijk, -lijker, -lijkst.
Gemakkelijkheid, V.
Gemakshalve.
Gemakzucht, V.
Gemal, O.
Gemalin, V., gemalinnen.
Gemanierd, gemanierder, gemanierdst.
Gemanierdheid, V.
Gemartel, O.
Gemaskerd.
Gematigd, gematigder, gematigdst.
Gematigdheid, V.
Gemauw, O.
Gember, V.
Gemberbier, O.
Gemberlepel, M., -lepels.
Gemberpot, M., -potten.
Gemberstroop, V.
Gembervork, V., -vorken.
Gemeen, gemeener, gemeenst.
Gemeen, O.
Gemeenebest, O., -besten.
Gemeenheid, V., -heden.
Gemeeniteit, V., -teiten.
Gemeenlandshuis, O.
Gemeenlijk.
Gemeenplaats, V., -plaatsen.
Gemeenschap, V., -schappen.
Gemeenschappelijk.
Gemeenslachtig.
Gemeente, V., gemeenten.
Gemeente-archief, O., -archieven.
Gemeente-archivaris, M., -archivarissen.
Gemeentebegrooting, V., -begrootingen.
Gemeentebelasting, V., -belastingen.
Gemeentebestuur, O., -besturen.
Gemeentegrond, M., -gronden.
Gemeentehuis, O., -huizen.
Gemeentenaar, M., -naren.
Gemeente-ontvanger, M., -ontvangers.
Gemeente-opzichter, M., -opzichters.
Gemeenteraad, M., -raden.
Gemeenterekening, V.
Gemeenteschool, V., -scholen.
Gemeentesecretaris, M., -secretarissen.
Gemeentewet, V., -wetten.
Gemeentezaak, V., -zaken.
Gemeenzaam, -zamer, -zaamst.
Gemeenzaamheid, V., -heden.
Gemeesmuil, O.
Gemeet, O.
Gemelijk, -lijker, -lijkst.
Gemelijkheid, V.
Gemengd.
Gemerkt.
Gemet, O., gemeten.
Gemetsel, O.
Gemeubileerd.
Gemiauw of Gemiaauw, O.
Gemiddelde, O., gemiddelden.
Gemijmer, O.
Gemijterd.
Gemis, O.
Gemoed, O., gemoederen.
Gemoedelijk, -lijker, -lijkst.
Gemoedelijkheid, V.
Gemoedsaandoening, V., -aandoeningen.
Gemoedsaard, M.
Gemoedsbeweging, V., -bewegingen.
Gemoedsbezwaar, O., -bezwaren.
Gemoedsgesteldheid, V.
Gemoedsleven, O.
Gemoedsrust, V.
Gemoedsstemming, V., -stemmingen.
Gemoet (Te gemoet).
Gemok, O.
Gemompel, O.
Gemopper, O.
Gemor, O.
Gemors, O.
Gems, V., gemzen. Gemsje, O., -jes.
Gemshoorn, M., -hoorns.
Gemurmel, O.
Gemutst.
Gemzeleer en Gemzenleer, O.
Gemzeleeren en Gemzenleeren (bnw.).
Gemzenhaar, O.
Gemzenjacht, V.
Gemzenjager, M., -jagers.
Genaakbaar, -baarder, -baarst.
Genaakbaarheid, V.
Genaamd.
Genade, V.
Genadebrood, O.
Genadegift, V., -giften.
Genademiddel, O., -middelen.
Genadeslag, M.
Genadestoot, M.
Genadeverbond, O.
Genadig, genadiger, genadigst.
Genadigheid, V.
Genaken, genaakte, is genaakt.
Genan en Genant, M. en V., genannen en genanten. V. ook genante.
Gendarme, M., gendarmes.
Gendarmerie, V.
Gene (gindsche).
Genealogie, V., genealogieën.
Genealogisch.
Genealoog, M., genealogen.
Geneeren (fr. gêner), geneerde, heeft gegeneerd.
Geneesbaar, -bare.
Geneesheer, M., -heeren.
Geneeskracht, V.
Geneeskunde, V.
Geneeskundige, M. en V., -kundigen.
Geneeskunst, V.
Geneeslijk en Geneselijk, -lijker, -lijkst.
Geneesmeester, M., -meesters.
Geneesmiddel, O., -middelen.
Geneesvleesch, O.
Geneeswijze en Geneeswijs, V., -wijzen.
Genegen, genegener, genegenst.
Genegenheid, V., -heden.
Geneigd, geneigder, geneigdst.
Geneigdheid, V.
Generaal, M., generaals.
Generaal-majoor, M., -majoors.
Generaalschap, O.
Generaliseeren, generaliseerde, heeft gegeneraliseerd.
Generaliteit, V.
Generaliteitslanden (mv.), O.
Generen (zich -), (onderhouden), geneerde zich, heeft zich geneerd.
Genereus, genereuzer, genereust.
Genet, O., genetten.
Genetkat, V., genetkatten.
Geneugte, V., geneugten.
Geneurie, O.
Genezen, genas, genazen, heeft en is genezen.
Genezing, V., genezingen.
Geniaal, genialer, geniaalst.
Genialiteit, V.
Genie (wapen in 't leger), V.
Genie (vernuft en vernuftig persoon), O., genieën.
Genie-officier, M., -officieren.
Geniep (In 't -), O.
Geniepig, geniepiger, geniepigst.
Geniepigerd, M., geniepigerds.
Geniepigheid, V.
Genieten, genoot, genoten, heeft genoten.
Genieting, V., genietingen.
Genius, M., geniën.
Genoeg.
Genoegdoening, V.
Genoegen, O., genoegens.
Genoegen, genoegde, heeft genoegd.
Genoeglijk, -lijker, -lijkst.
Genoeglijkheid, V., -heden.
Genoegzaam, -zame.
Genoegzaamheid, V., -heden.
Genoffel, V., genoffels.
Genomen.
Genoot M., genooten.
Genoote, V., genooten.
Genootschap, O., -schappen.
Genootschappelijk.
Genootschapsjaar, O., -jaren.
Genootschapswerk, O., -werken.
Genot, O.
Genotrijk, -rijker, -rijkst.
Genotzucht, V.
Gent, M., genten.
Gentiaan, V., gentianen.
Genugte, V., genugten.
Geodesie, V.
Geodetisch.
Geograaf, M., geografen.
Geographie, V.
Geographisch.
Geologie, V.
Geoloog, M., geologen.
Geoorloofd, geoorloofder, geoorloofdst.
Geoorloofdheid, V.
Gepaard.
Gepalmd.
Gepareld.
Geparfumeerd.
Gepasporteerd.
Gepast, gepaster, meest gepast.
Gepastheid, V.
Gepatenteerd.
Gepeesd.
Gepeins, O., gepeinzen.
Gepen, O.
Gepeperd.
Geperforeerd.
Gepeupel, O.
Gepeuter, O.
Gepiep, O.
Gepiker en Gepieker, O.
Geplas, O.
Geplekt.
Geploeter, O.
Gepluimd.
Gepluimte, O.
Gepoch, O.
Gepomp, O.
Gepopel, O.
Geposeerd, geposeerder, geposeerdst.
Gepraat, O.
Gepresseerd.
Geprevel, O.
Geproest, O.
Gepromoveerd.
Gepromoveerde, M. en V., gepromoveerden.
Gepruttel, O.
Geraamte, O., geraamten.
Geraas, O.
Geraaskal, O.
Geraden.
Gerak, O.
Geraken, geraakte, is geraakt.
Geranium, V., geraniums.
Geratel, O.
Gerecht en Gericht (rechtbank), O., gerechten en gerichten.
Gerecht (spijs), O., gerechten. Gerechtje, O., -jes.
Gerecht, gerechter, gerechtst.
Gerechtelijk.
Gerechtig, gerechtiger, gerechtigst.
Gerechtigd.
Gerechtigen, gerechtigde, heeft gerechtigd.
Gerechtigheid, V.
Gerechtsbode, M., -boden.
Gerechtsdag, M., -dagen.
Gerechtsdienaar, M., -dienaars en -dienaren.
Gerechtsgebouw, O., -gebouwen.
Gerechtshof, O., -hoven.
Gerechtsplaats, V., -plaatsen.
Gerechtszaak, V., -zaken.
Geredeneer, O.
Gereed, gereeder, gereedst.
Gereedelijk.
Gereedheid, V.
Gereedhouden, hield gereed, heeft gereed gehouden.
Gereedkomen, komt gereed, kwam gereed, kwamen gereed, is gereedgekomen.
Gereedleggen, legde en leide gereed, heeft gereedgelegd.
Gereedliggen, lag gereed, lagen gereed, heeft gereedgelegen.
Gereedmaken, maakte gereed, heeft gereedgemaakt.
Gereedschap, O., -schappen.
Gereedstaan, staat gereed, stond gereed, heeft gereedgestaan.
Gereedzetten, zette gereed, heeft gereedgezet.
Gereformeerd.
Gereformeerde, M. en V., gereformeerden.
Geregeld, geregelder, geregeldst.
Geregeldheid, V.
Gerei, O.
Gerekt, gerekter, gerektst.
Gerektheid, V.
Gereutel, O.
Gerevel, O.
Gerfkamer, V., -kamers.
Gerfschaaf, V., -schaven.
Gergel, ook Girgel, M., gergels en girgels.
Geribd.
Gericht. Zie Gerecht.
Gerief, O.
Geriefelijk, -lijker, -lijkst.
Geriefelijkheid, V., -heden.
Gerieven, geriefde, heeft geriefd.
Gerij, O.
Gering, geringer, geringst.
Geringachten, achtte gering, heeft geringgeacht.
Geringachting, V.
Geringd.
Geringheid, V., -heden.
Gerinkel, O.
Gerinkink, O.
Geritsel, O.
Germanisme, O., germanismen.
Germanist, M., germanisten.
Germanistisch.
Gerochel, O.
Geroep, O.
Geroffel, O.
Gerokt.
Gerommel, O.
Geronk, O.
Geronnen.
Geros, O.
Geroutineerd.
Gerst, ook Garst, V. Gerstje, O., -jes.
Gerstebier, O.
Gerstebrij, V.
Gerstebrood, O., -brooden.
Gerstedrank, M., -dranken.
Gerstekorrel en Gerstkorrel, V., -korrels.
Gerstemeel, O.
Gerstenat, O.
Gerstepap, V.
Gerstewater, O.
Gerucht, O., geruchten. Geruchtje, O., -jes.
Geruim (In een geruimen tijd).
Geruisch, O.
Geruit.
Gerust, geruster, meest gerust.
Gerustelijk.
Gerustheid, V.
Geruststellen, stelde gerust, heeft gerustgesteld.
Geruststellend.
Geruststelling, V.
Gerw, V.
Gesar, O.
Geschaard.
Geschacher, O.
Geschakeerd.
Geschal, O.
Geschapen.
Gescharrel, O.
Geschater, O.
Gescheept.
Geschenk, O., geschenken. Geschenkje, O., -jes.
Gescherm, O.
Geschetter, O.
Gescheurd.
Geschiedboek, O., -boeken.
Geschieden, geschiedde, is geschied.
Geschiedenis, V., geschiedenissen. Geschiedenisje, O., -jes.
Geschiedenisles, V., -lessen.
Geschiedkunde, V.
Geschiedkundig.
Geschiedkundige, M. en V., -kundigen.
Geschiedrol, V., -rollen.
Geschiedschrijver, M., -schrijvers.
Geschiedverhaal, O., -verhalen.
Geschiedvorscher, M., -vorschers.
Geschiet, O.
Geschikt, geschikter, geschiktst.
Geschiktheid, V.
Geschil, O., geschillen. Geschilletje, O., -jes.
Geschilpunt, O., -punten.
Geschilstuk, O., -stukken.
Geschimmeld.
Geschimp, O.
Geschitter, O.
Geschommel, O.
Geschooi, O.
Geschraap, O.
Geschreeuw, O.
Geschrei, O.
Geschrift, O., geschriften. Geschriftje, O., -jes.
Geschubd.
Geschuif, O.
Geschuifel, O.
Geschut, O.
Geschutbedding, V., -beddingen.
Geschutbrons, O.
Geschutstelling, V., -stellingen.
Geschuttalie, V., -talies.
Geschutvuur, O.
Gesignaleerd.
Gesis, O.
Gesjouw, O.
Geslacht (familie, soort), O., geslachten.
Geslacht (slacht), O.
Geslachtelijk.
Geslachtsboom en Geslachtboom, M. -boomen.
Geslachtsdeelen (mv.), O.
Geslachtsdrift, V.
Geslachtsnaam en Geslachtnaam, M. -namen.
Geslachtsorgaan, O., -organen.
Geslachtswapen en Geslachtwapen, O. -wapens.
Geslenter, O.
Geslepen, geslepener, geslepenst.
Geslepenheid, V.
Gesloten, geslotener, geslotenst.
Geslotenheid, V.
Gesmaal, O.
Gesmeek, O.
Gesmijdig, gesmijdiger, gesmijdigst.
Gesmook, O.
Gesnaard.
Gesnedene, M., gesnedenen.
Gesnotter, O.
Gesnurk, O.
Gesoes, O.
Gesorteerd.
Gesp, M., gespen. Gespje, O., -jes.
Gespan (span), O.
Gespartel, O.
Gespeel (het spelen), O.
Gespelen (makkers), M. en V.
Gespen, gespte, heeft gegespt.
Gespenmaker, M., -makers.
Gespierd, gespierder, gespierdst.
Gespierdheid, V.
Gespin, O.
Gespoord.
Gesprek, O., gesprekken. Gesprekje, O., -jes.
Gesprenkeld.
Gespring, O.
Gespuis, O.
Gest. Zie Gist.
Gestaald.
Gestadig, gestadiger, gestadigst.
Gestadigheid, V.
Gestalte, V., gestalten.
Gestaltenis, V.
Gestamel, O.
Gestamer, O.
Gestamp, O.
Gestampvoet, O.
Gestand (Gestand doen).
Gestarnd, Gestarnte. Zie Gesternd, Gesternte.
Geste, V., gestes.
Gesteente, O., gesteenten.
Gesteentenkenner, M., -kenners.
Gestel, O., gestellen. Gestelletje, O., -jes.
Gesteld.
Gesteldheid, V., -heden.
Gesteltenis, V.
Gesternd en Gestarnd.
Gesternte en Gestarnte, O., gesternten en gestarnten.
Gesticht, O., gestichten. Gestichtje, O., -jes.
Gesticulatie, V., gesticulatiën en gesticulaties.
Gesticuleeren, gesticuleerde, heeft gegesticuleerd.
Gestoei, O.
Gestoelte, O., gestoelten.
Gestoffeerd.
Gestommel, O.
Gestotter, O.
Gestreept.
Gestreng, gestrenger, gestrengst.
Gestrengheid, V., -heden.
Gestrikt.
Gestroomd.
Gestudeerd.
Getal, O., getallen. (Ten getale van).
Getallenleer, V.
Getalmerk, O., -merken.
Getalsterkte, V.
Getand.
Geteekend.
Geteem, O.
Getemperd.
Geteut, O.
Getier, O.
Getij, O., getijen.
Getijde, O., getijden.
Getijdenboek, O., -boeken; -boekje, O., -jes.
Getijgerd.
Getik, O.
Getimmer, O.
Getimmerte, O., getimmerten.
Getjilp, O.
Getogen (verl. deelw.).
Getokkel, O.
Getongd.
Getouw, O., getouwen.
Getralied.
Getrappel, O.
Getrommel, O.
Getroost.
Getroosten (zich -), getroostte zich, heeft zich getroost.
Getroubleerd.
Getrouw, getrouwer, getrouwst.
Getrouwd.
Getrouwelijk.
Getrouwheid, V.
Getrouwigheid, V.
Getuige, M. en V., getuigen.
Getuigen, getuigde, heeft getuigd.
Getuigenbewijs, O.
Getuigengeld, O.
Getuigenis, O. en V., getuigenissen
Getuigenverhoor, O., -verhooren.
Getuigschrift, O., -schriften.
Getuimel, O.
Getuur, O.
Getwist, O.
Geul, V., geulen. Geultje, O., -jes.
Geur, M., geuren. Geurtje, O., -jes.
Geuren, geurde, heeft gegeurd.
Geurig, geuriger, geurigst.
Geurigheid, V.
Geürm, O.
Geurmaker, M., -makers.
Geurstof, V., -stoffen.
Geus (persoonsnaam), M., geuzen.
Geus (vlag), V., geuzen. Geusje, O., -jes.
Geuzenpenning, M., -penningen.
Gevaar (aanhoudend varen), O.
Gevaar (hachelijke kans), O., gevaren.
Gevaarlijk, -lijker, -lijkst.
Gevaarlijkheid, V.
Gevaarte, O., gevaarten; ook gevaartes.
Gevaarvol, -volle.
Gevaccineerd.
Gevader, M., gevaders.
Gevaderschap, O.
Geval, O., gevallen. Gevalletje, O., -jes.
Gevallen, geviel, is gevallen.
Gevallig, gevalliger, gevalligst.
Gevalligheid, V.
Gevangen.
Gevangenbewaarder, M., -bewaarders.
Gevangene, M. en V., gevangenen.
Gevangenhuis, O., -huizen.
Gevangenis, V., gevangenissen.
Gevangenisstraf, V.
Gevangeniswezen, O.
Gevangenmaken, maakte gevangen, heeft gevangengemaakt.
Gevangennemen, nam gevangen, namen gevangen, heeft gevangengenomen.
Gevangenneming, V., -nemingen.
Gevangenpoort, V., -poorten.
Gevangenschap, V.
Gevangenwagen, M., -wagens.
Gevangenzetten, zette gevangen, heeft gevangengezet.
Gevangenzetting, V., -zettingen.
Gevangenzitten, zat gevangen, zaten gevangen, heeft gevangengezeten.
Gevankelijk.
Gevat, gevatter, gevatst.
Gevatheid, V.
Gevecht, O., gevechten.
Gevechtsafstand, M., -afstanden.
Gevechtsstelling, V., -stellingen.
Gevechtswaarde, V.
Gevederd.
Geveinsd.
Geveinsde, M. en V., geveinsden.
Geveinsdheid, V.
Gevel, M., gevels. Geveltje. O., -jes.
Gevelsteen, M., -steenen.
Geveltop, M., -toppen.
Geven, gaf, gaven, heeft gegeven.
Gevensgezind.
Gever, M., gevers.
Geverseerd.
Gevest, O., gevesten.
Gevit, O.
Gevlakt.
Gevlamd.
Gevleesd.
Gevlei, O.
Gevlekt.
Gevleugeld.
Gevlij (in 't -), O.
Gevloek, O.
Gevoeg, O.
Gevoeglijk, -lijker, -lijkst.
Gevoel, O.
Gevoelen, O., gevoelens.
Gevoelen, gevoelde, heeft gevoeld.
Gevoelig, gevoeliger, gevoeligst.
Gevoeligheid, V., -heden.
Gevoelloos, -loozer, -loost.
Gevoelloosheid, V.
Gevoelsleven, O.
Gevoelsmensch, M., -menschen.
Gevoelszenuw, V., -zenuwen.
Gevoelszin, M.
Gevoelvol.
Gevogelte, O.
Gevolg, O., gevolgen.
Gevolglijk.
Gevolgtrekking, V., -trekkingen.
Gevolmachtigde, M., gevolmachtigden.
Gevonkel, O.
Gevorkt.
Gevrij, O.
Gewaad, O., gewaden.
Gewaagd, gewaagder, gewaagdst.
Gewaagdheid, V.
Gewaand.
Gewaarworden, wordt gewaar, werd gewaar, is gewaargeworden.
Gewaarwording, V., -wordingen.
Gewag, O.
Gewagen, gewaagde, heeft gewaagd.
Gewalm, O.
Gewapend.
Gewapenderhand.
Gewarrel, O.
Gewas, O., gewassen. Gewasje, O., -jes.
Gewaterd.
Gewauwel, O.
Geweeklaag, O.
Geween, O.
Geweer, O., geweren. Geweertje, O., -jes.
Geweerkogel, M., -kogels.
Geweerkolf, V., -kolven.
Geweerloop, M., -loopen.
Geweermaker, M., -makers.
Geweerrek, O., -rekken.
Geweerschot, O., -schoten.
Geweervuur, O.
Gewei (Geweide), O.
Geweld, O.
Gewelddadig, -dadiger, -dadigst.
Gewelddadigheid, V., -heden.
Geweldenaar, M., geweldenaars en geweldenaren.
Geweldenarij, V., geweldenarijen.
Geweldig, geweldiger, geweldigst.
Gewelf, O., gewelven. Gewelfje, O., -jes.
Gewemel, O.
Gewennen, gewende, heeft gewend.
Gewenscht, gewenschter, meest gewenscht.
Gewerveld.
Gewest, O., gewesten.
Gewestelijk.
Geweten, O., gewetens.
Gewetenloos, -loozer, -loost.
Gewetenloosheid, V.
Gewetensbezwaar, O., -bezwaren.
Gewetensdwang, M.
Gewetensvraag, V., -vragen.
Gewetensvrijheid, V.
Gewetenszaak, V., -zaken.
Gewettigd.
Gewezen.
Gewicht, O., gewichten. Gewichtje, O., -jes.
Gewichtig, gewichtiger, gewichtigst.
Gewichtigheid, V.
Gewichtseenheid, V., -eenheden.
Gewichtsverlies, O.
Gewiekt.
Gewijd.
Gewijsde, O., gewijsden.
Gewikst, gewikster.
Gewikstheid, V.
Gewild, gewilder, gewildst.
Gewillig, gewilliger, gewilligst.
Gewilligheid, V.
Gewin, O.
Gewinnen, gewon, gewonnen, heeft gewonnen.
Gewinziek, -zieker, -ziekst.
Gewis, gewisser, meest gewis.
Gewisheid, V.
Gewisselijk.
Gewoel, O.
Gewolkt.
Gewoon, gewoner, meest gewoon.
Gewoonheid, V.
Gewoonlijk.
Gewoonte, V., gewoonten.
Gewoonterecht, O.
Gewoonweg.
Geworden, gewordt, gewerd, is geworden.
Gewormte, O.
Geworteld.
Gewricht, O., gewrichten.
Gewrichtsrheumatiek, V.
Gewrocht, O., gewrochten.
Gewroet, O.
Gewrongen, gewrongener, gewrongenst.
Gewrongenheid.
Gewurm, O.
Gezaag, O.
Gezaaide, O.
Gezag, O.
Gezaghebbend.
Gezaghebber, M., -hebbers.
Gezagvoerder, M., -voerders.
Gezalfde, M., gezalfden.
Gezamenlijk.
Gezang, O., gezangen. Gezangetje, O., -jes.
Gezangbundel, M., -bundels.
Gezanik, O.
Gezant, M., gezanten.
Gezantschap, O., -schappen.
Gezantschapshotel, O., -hotels.
Gezantschapssecretaris, M., -secretarissen.
Gezeegd.
Gezegde, O., gezegden.
Gezegeld.
Gezegend, gezegender, gezegendst.
Gezeggen (zich laten -).
Gezeglijk, -lijker, -lijkst.
Gezeglijkheid, V.
Gezel, M., gezellen.
Gezellig, gezelliger, gezelligst.
Gezelligheid, V.
Gezellin, V., gezellinnen. Gezellinnetje, O., -jes.
Gezelschap, O., -schappen.
Gezelschapsbiljet, O., -biljetten.
Gezelschapslied, O., -liederen; -liedje, O., -jes.
Gezelschapsplicht, M., -plichten.
Gezelschapsrekening, V.
Gezelschapsspel, O., -spelen en -spellen; -spelletje, O., -jes.
Gezelschapszaal, V., -zalen.
Gezet, gezetter, gezetst.
Gezeten.
Gezetheid, V.
Gezeur, O.
Gezicht, O., gezichten. Gezichtje, O., -jes.
Gezichteinder, M.
Gezichtsafstand, M., -afstanden.
Gezichtsbedrog, O.
Gezichtshoek, M., -hoeken.
Gezichtskring, M.
Gezichtslijn, V., -lijnen.
Gezichtsorgaan, O., -organen.
Gezichtspunt, O., -punten.
Gezichtsveld, O., -velden.
Gezien.
Gezin, O., gezinnen.
Gezind.
Gezindheid, V., -heden.
Gezindte, V., gezindten.
Gezocht, gezochter, gezochtst.
Gezochtheid, V.
Gezoek, O.
Gezond, gezonder, gezondst.
Gezondheid, V., -heden.
Gezondheidscommissie, V., -commissiën.
Gezondheidsgordel, M., -gordels.
Gezondheidsleer, V.
Gezondheidsmaatregel, M., -maatregelen.
Gezondheidspas, M., -passen.
Gezondheidspolitie, V.
Gezondheidsraad, M., -raden.
Gezondheidsregel, M., -regelen.
Gezondheidstoestand, M.
Gezondmakertje, O., -makertjes.
Gezucht, O.
Gezusters en Gezusteren (mv.), V.
Gezwagers (mv.), M.
Gezwatel, O.
Gezwel, O., gezwellen. Gezwelletje, O., -jes.
Gezwets, O.
Gezwind, gezwinder, gezwindst.
Gezwindheid, V.
Gezwoeg, O.
Gezwollen, gezwollener, gezwollenst.
Gezwollenheid, V.
Gezworene, M., gezworenen.
Gichelen, gichelde, heeft gegicheld.
Gids, M. en V., gidsen.
Gidsartikel, O., -artikelen.
Giegagen, giegaagde, heeft gegiegaagd.
Giegelen, giegelde, heeft gegiegeld.
Giek, V., gieken.
Giekslag, M., -slagen.
Gier, M., gieren.
Gierbrug, V., -bruggen.
Gierbuizerd, M., -buizerds.
Gieren, gierde, heeft gegierd.
Gierennest, O., -nesten.
Gierig, gieriger, gierigst.
Gierigaard, M., gierigaards.
Gierigheid, V.
Giering, V., gieringen.
Gierkabel, M., -kabels.
Gierketting, M., -kettingen.
Gierkoning, M., -koningen.
Gierpont, V., -ponten.
Gierst, V. Gierstje, O., -jes.
Gierstgras, O.
Gierstvink, M., -vinken.
Giertelsel, M., -telsels.
Giertoom, M., -toomen.
Giertouw, O., -touwen.
Giervalk, M., -valken.
Gierzwaluw, V., -zwaluwen.
Gieteling, M., gietelingen.
Gietemmer, M., -emmers.
Gieten, goot, goten, heeft gegoten.
Gieter, M., gieters.
Gieterij, V., gieterijen.
Gietgat, O., -gaten.
Giethuis, O., -huizen.
Gietijzer, O.
Gieting, V., gietingen.
Gietlepel, M., -lepels.
Gietnaad, M., -naden.
Gietregenen, gietregende.
Gietsel, O., gietsels.
Gietstaal, O.
Gietvorm, M., -vormen.
Gif en Gift (vergif), O., giften.
Gift (geschenk), V., giften. Giftje, O, -jes.
Giftbeker, M., -bekers.
Giftblaas, V., -blazen.
Giftbrief, M., -brieven.
Giftig, giftiger, giftigst.
Giftigheid, V., -heden.
Giftklier, V., -klieren.
Giftmenger, M., -mengers.
Gifttand, M., -tanden.
Gij.
Gijbelen, gijbelde, heeft gegijbeld.
Gijk, V., gijken.
Gijl, O.
Gijlen, gijlde, heeft gegijld.
Gijlieden.
Gijling, V.
Gijlkuip, V., -kuipen.
Gijn, O., gijnen en gijns; ook Jijn.
Gijnbalk, M., -balken.
Gijnblok, O., -blokken en -bloks.
Gijnlooper, M., -loopers.
Gijp, V.
Gijpen, gijpte, heeft gegijpt.
Gijzelaar, M., gijzelaars en gijzelaren.
Gijzelen, gijzelde, heeft gegijzeld.
Gijzeling, V., gijzelingen.
Gijzelkamer, V., -kamers.
Gijzelrecht, O.
Gil, M., gillen. Gilletje, O., -jes.
Gild en Gilde, O., gilden.
Gildebrief, M., -brieven.
Gildebroeder, M., -broeders.
Gildemeester, M., -meesters.
Gildepatroon, M., -patroons.
Gildepenning, M., -penningen.
Gildos, M., -ossen.
Gillen, gilde, heeft gegild.
Gilling (scheepsw.), V., gillingen.
Ginder.
Ginds (bijw.).
Gindsch (bnw.).
Gingang, O.
Ginnegabben en Ginnegappen, ginnegabde en ginnegapte, heeft geginnegabd en geginnegapt.
Ginst, V.
Gips, O., gipsen.
Gipsafgietsel, O., -afgietsels.
Gipsbeeld, O., -beelden; -beeldje, O., -jes.
Gipsen (bnw.).
Gipsen, gipste, heeft gegipst.
Gipsverband, O., -verbanden.
Gipsvorm, M., -vormen.
Giraffe, V., giraffen en giraffes.
Girgel. Zie Gergel.
Girsen, girste, heeft gegirst.
Gis, V.
Gisp, V., gispen.
Gispen, gispte, heeft gegispt.
Gisping, V., gispingen.
Gissen, giste, heeft gegist.
Gissing, V., gissingen. Gissinkje, O., -jes.
Gist, V.
Gisten, gistte, heeft gegist.
Gisteravond.
Gisteren.
Gistermiddag.
Gistermorgen.
Gisternacht.
Gisterochtend.
Gisting, V.
Gistingsproces, O., -processen.
Gistkladder, M., -kladders.
Gistkuip, V., -kuipen.
Gistvorming, V.
Gistzwam, V. -zwammen.
Git (stof), O.; (stuk), V., gitten. Gitje, O., -jes.
Gitaar, V., gitaren.
Gitaardoos, V., -doozen.
Gitaarspeler, M, -spelers.
Gittegom. Zie Guttegom.
Gitten (bnw.).
Gitzwart.
Glaasje. Zie Glas.
Glaceetjes (mv.), O.
Glacéhandschoen, M., -handschoenen.
Glacis, O., glacieën.
Glad, gladder, gladst.
Gladakker, M., gladakkers.
Gladborstelen, borstelde glad, heeft gladgeborsteld.
Gladden, gladde, heeft geglad.
Gladdigheid, V.
Gladheid, V.
Gladiator, M., gladiatoren.
Gladschaven, schaafde glad, heeft gladgeschaafd.
Gladscheren, schoor glad, schoren glad, heeft gladgeschoren.
Gladschuren, schuurde glad, heeft gladgeschuurd.
Gladslijpen, sleep glad, slepen glad, heeft gladgeslepen.
Gladstrijken, streek glad, streken glad, heeft gladgestreken.
Gladvijlen, vijlde glad, heeft gladgevijld.
Gladwrijven, wreef glad, wreven glad, heeft gladgewreven.
Glans, M., glansen.
Glansijzer, O., -ijzers.
Glanspapier, O.
Glanspunt, O., -punten.
Glansrijk, -rijker, -rijkst.
Glansrijkheid, V.
Glanssteen, M., -steenen.
Glansstijfsel, V.
Glanzen, glansde, heeft geglansd.
Glanzer, M., glanzers.
Glanzig, glanziger, glanzigst.
Glanzigheid, V.
Glanzing, V.
Glas (stof), O.; (stuk), O., glazen. Glaasje, O., -jes.
Glasachtig.
Glasblazen, O.
Glasblazer, M., -blazers.
Glasblazerij, V., -blazerijen.
Glasgordijn, V. en O., -gordijnen.
Glashelder.
Glaskruid, O.
Glasraam, O., -ramen.
Glasruit, V., -ruiten.
Glasverzekering, V.
Glaswerk, O.
Glazen (bnw.).
Glazendak, O., -daken.
Glazendeur, V., -deuren.
Glazendoek, M., -doeken.
Glazenkast, V., -kasten.
Glazenmaker, M., -makers.
Glazenspuit, V., -spuiten.
Glazenwasscher, M., -wasschers.
Glazenwasscherij, V.
Glazig, glaziger, glazigst.
Glazigheid, V.
Glazuur, O.
Glazuursel, O.
Glee, V., gleeën.
Gleierwerk, O.
Gleis, O.
Gleiswerk, O.
Gleuf, V., gleuven. Gleufje, O., -jes.
Glibberen, glibberde, is geglibberd.
Glibberig, glibberiger, glibberigst.
Glibberigheid, V.
Glid, O.
Glidkruid, O.
Glijbaan, V., -banen; -baantje, O., -jes.
Glijden, gleed, gleden, heeft en is gegleden.
Glijgewicht, O., -gewichten.
Glimlach, M., -lachje, O., -jes.
Glimlachen, glimlachte, heeft geglimlacht.
Glimmen, glom, glommen, heeft geglommen.
Glimmend, glimmender, glimmendst.
Glimmer, O.
Glimp, M.
Glimworm, M., -wormen; -wormpje, O., -jes.
Glinster, M., glinsters.
Glinsteren, glinsterde, heeft geglinsterd.
Glinsterend, glinsterender, glinsterendst.
Glinsterig, glinsteriger, glinsterigst.
Glinstering, V., glinsteringen.
Glint, O., glinten.
Glinting, V., glintingen. Glintinkje, O., -jes.
Glippen (ontglippen), glipte, is geglipt.
Glipper, M., glippers.
Glissen, gliste, heeft en is geglist.
Glit, O.
Globaal, globale.
Globe, V., globes.
Gloed, M.
Gloednieuw.
Gloeien, gloeide, heeft gegloeid.
Gloeiend, gloeiender, gloeiendst.
Gloeiendheet, -heete.
Gloeierig.
Gloeihitte, V.
Gloeiing, V., gloeiingen.
Gloeikousje, O., -kousjes.
Gloeilamp, V., -lampen.
Gloeilichaam, O., -lichamen.
Gloeilicht, O.
Gloeioven, M., -ovens.
Gloeipan, V., -pannen.
Gloeiplaat, V., -platen.
Glooien, glooide, heeft geglooid.
Glooiend.
Glooiing, V., glooiingen.
Glooiingshoek, M., -hoeken.
Gloop, V., glopen.
Gloor, M.
Glop, O., gloppen. Glopje, O., -jes.
Gloren, gloorde, heeft gegloord.
Glorie, V.
Glorieus, glorieuzer.
Gloring, V.
Glos en Glosse, V., glossen.
Glossarium, O., glossaria.
Glui, O., gluien.
Gluip, V., gluipen.
Gluipen, gluipte, heeft gegluipt.
Gluiper, M., gluipers.
Gluiperd, M., gluiperds.
Gluiperig, gluiperiger, gluiperigst.
Glunder, glunderder, glunderst.
Gluren, gluurde, heeft gegluurd.
Gluten, O.
Glutenbrood, O.
Gluur, M. Gluurtje, O., -jes.
Gluurder, M., gluurders.
Glycerine, V.
Gnap, gnapper, gnapst.
Gniffelen, gniffelde, heeft gegniffeld.
God, M., 3de nv. Gode.
God (in het heidendom), M., goden. Godje, O., -jes.
Goddank.
Goddelijk, -lijker, -lijkst.
Goddelijkheid, V.
Goddeloos, -loozer, -loost.
Goddeloosheid, V., -heden.
Godebehaaglijk.
Godendom, O.
Godendrank, M., -dranken.
Godenleer, V.
Godenmaal, O., -malen.
Godenspijs, V., -spijzen.
Godes, V., godessen.
Godgansch.
Godganschelijk.
Godgeklaagd.
Godgeleerd.
Godgeleerde, M., -geleerden.
Godgeleerdheid, V.
Godgevallig, V.
Godgewijd.
Godheid, V., -heden.
Godin, V., godinnen.
Godlof.
Godloochenaar, M., -loochenaars.
Godloochening, V.
Godmensch, M.
Godsakker, M.
Godsbegrip, O., -begrippen.
Godsbestuur, O.
Godsdienst, M., -diensten.
Godsdiensthaat, M.
Godsdienstig, -dienstiger, -dienstigst.
Godsdienstigheid, V.
Godsdienstleer, V.
Godsdienstleeraar, M., -leeraars.
Godsdienstoefening, V., -oefeningen.
Godsdienstonderwijs, O.
Godsdienstonderwijzer, M., -onderwijzers.
Godsdienstoorlog, M., -oorlogen.
Godsdienstplicht, M., -plichten.
Godsdienstwetenschap, V.
Godsdienstzin, M.
Godsgericht, O., -gerichten.
Godsgezant, M., -gezanten.
Godshuis, O. -huizen.
Godsjammerlijk, -lijker, -lijkst.
Godslasteraar, M., -lasteraars en -lasteraren.
Godslastering, V., -lasteringen.
Godslasterlijk.
Godsman, M., -mannen.
Godsnaam (In -).
Godsoordeel, O., -oordeelen.
Godspenning en Goodspenning, M., -penningen.
Godsregeering, V.
Godsrijk, O.
Godsspraak, V., -spraken.
Godsvereering, V.
Godsvrucht, V.
Godswil (Om -).
Godvergeten.
Godvreezend, -vreezender, -vreezendst.
Godvreezendheid, V.
Godvruchtig, -vruchtiger, -vruchtigst.
Godvruchtigheid, V.
Godzalig, -zaliger, -zaligst.
Godzaligheid, V.
Goed, beter, best.
Goed, O., goederen. Goedje, O.
Goedaardig, -aardiger, -aardigst.
Goedaardigheid, V.
Goeddeels.
Goeddoen, doet goed, deed goed, deden goed, heeft goedgedaan.
Goeddunken, O.
Goeddunken, dunkt goed, dacht en docht goed, heeft goedgedacht en goedgedocht.
Goedendag, M., goedendags.
Goedendagzeggen, zeide goedendag, heeft goedendaggezegd (-gezeid).
Goederenbureau, O., -bureau's.
Goederenhandel, M.
Goederenkantoor, O., -kantoren.
Goederenloods, V., -loodsen.
Goederentrein, M., -treinen.
Goederenvervoer, O.
Goederenwagen, M., -wagens.
Goederhand (Van -).
Goedertieren, -tierener, -tierenst.
Goedertierenheid, V., -heden.
Goedgeefsch.
Goedgeefschheid, V.
Goedgeloovig, -gelooviger, -geloovigst.
Goedgunstig, -gunstiger, -gunstigst.
Goedgunstigheid, V.
Goedhartig, -hartiger, -hartigst.
Goedhartigheid, V.
Goedheid, V., -heden.
Goedig, goediger, goedigst.
Goedigheid, V.
Goedkeuren, keurde goed, heeft goedgekeurd.
Goedkeuring, V., -keuringen.
Goedkoop, -kooper, -koopst (ook beterkoop).
Goedkoopheid, V.
Goedlachsch.
Goedleersch.
Goedleven (Pater -), M.
Goedmaken, maakte goed, heeft goedgemaakt.
Goedmaking, V.
Goedmoedig, -moediger, -moedigst.
Goedpraten, praatte goed, heeft goedgepraat.
Goedrond.
Goedschiks.
Goedsmoeds.
Goedvinden, vond goed, heeft goedgevonden.
Goedvinden, O.
Goedwillig, -williger, -willigst.
Goeierd, M., goeierds.
Goelijk, -lijker, -lijkst.
Goesting, V.
Golf, V., golven. Golfje, O., -jes.
Golfbreker, M., -brekers.
Golflengte, V.
Golflijn, V., -lijnen.
Golfslag, M.
Golfstroom, M., -stroomen.
Golven, golfde, heeft gegolfd.
Golving, V., golvingen.
Gom, V., gommen.
Gomachtig, -achtiger, -achtigst.
Gombal, M., -ballen; -balletje, O., -jes.
Gomboom, M., -boomen.
Gomdragant, O.
Gomflesch, V., -flesschen; -fleschje, O., -jes.
Gomkwast, M., -kwasten.
Gomlastiek en Gom-elastiek, O.
Gomlastieken (bnw.).
Gommen, gomde, heeft gegomd.
Gondel, V., gondels. Gondeltje, O., -jes.
Gondelier, M., gondelieren en gondeliers.
Gong, V., gongs.
Goniometrie, V.
Goniometrisch.
Gons, M.
Gonzen, gonsde, heeft gegonsd.
Goochelaar, M., goochelaren en goochelaars.
Goochelaarskunst, V., -kunsten; -kunstje, O., -jes.
Goochelarij, V., goochelarijen.
Goochelbal, M., -ballen.
Goochelbeker, M., -bekers.
Goochelen, goochelde, heeft gegoocheld.
Goochelkunst, V.
Goochelspel, O.
Goochelstuk, O., -stukken.
Goocheltasch, V., -tasschen.
Goocheltoer, M., -toeren.
Goodspenning. Zie Godspenning.
Gooi (worp), V., gooien.
Gooi (naam eener landstreek). O.
Gooien, gooide, heeft gegooid.
Gooier, M., gooiers.
Goor, gore, goorder, goorst.
Goorheid, V., -heden.
Goot, V., goten. Gootje, O., -jes.
Gootgat, O., -gaten.
Gootplank, V., -planken.
Gootrecht, O.
Gootsteen, M., -steenen.
Gootwater, O.
Gord (scheepsw.), V., gorden.
Gordel, M., gordels. Gordeltje, O., -jes.
Gordeldier, O., -dieren.
Gordelriem, M., -riemen.
Gordelroos, V.
Gorden, gordde, heeft gegord.
Gordijn, V. en O., gordijnen. Gordijntje, O., -jes.
Gordijnfranje, V.
Gordijnkoord, O., -koorden.
Gordijnring, M., -ringen.
Gordijnroede, V., -roeden.
Gording, V., gordingen en gordings.
Gorgel, M., gorgels. Gorgeltje, O., -jes.
Gorgeldrank, M., -dranken.
Gorgelen, gorgelde, heeft gegorgeld.
Gorig, goriger, gorigst.
Gorigheid, V., -heden.
Gors (vogel), V., gorzen.
Gors (land) V. en O., gorzen.
Gorsdijk, M., -dijken.
Gort (grutten), V., gorten. Gortje, O., -jes.
Gortbus, V., -bussen; -busje, O., -jes.
Gortenteller, M., -tellers.
Gortepap, V.
Gorter, M., gorters.
Gorterij, V.
Gortewater, O.
Gortig, gortiger, gortigst.
Gortigheid, V.
Gorzing, V., gorzingen.
Goteling, M., gotelingen.
Gothiek, V.
Gothisch en Gotisch.
Goud, O.
Goudader, V., -aderen en -aders.
Goudbeurs, V., -beurzen.
Goudbeweging, V., -bewegingen.
Goudblond.
Goudbrons, O.
Gouddorst, M.
Gouddraad, O.
Gouden (bnw.).
Goudenregen, M., -regens.
Goudessaai, O., -essaaien.
Goudgeel, -gele.
Goudgeld, O.
Goudgewicht, O., -gewichten.
Goudgulden, M., -guldens.
Goudhaan, M., -hanen; -haantje, O., -jes.
Goudklomp, M., -klompen; -klompje, O., -jes.
Goudkoorts, V.
Goudkorrel, V., -korrels.
Goudlak, O.
Goudlaken, O.
Goudlakensch.
Goudland, O., -landen.
Goudmijn, V., -mijnen.
Goudpelde.
Goudsbloem, V., -bloemen.
Goudschaal, V., -schalen; -schaaltje, O., -jes.
Goudsmid, M., -smeden.
Goudstuk, O., -stukken; -stukje, O., -jes.
Goudveld, O., -velden.
Goudvink, M., -vinken.
Goudvisch, M., -visschen; -vischje, O., -jes.
Goudzoeker, M., -zoekers.
Goulard-water, O.
Gouvernante, V., gouvernantes.
Gouvernement, O., gouvernementen.
Gouvernementsambtenaar, M., -ambtenaars en -ambtenaren.
Gouvernementsgebouw, O., -gebouwen.
Gouvernementsland, O., -landen.
Gouverneur, M., gouverneuren en gouverneurs.
Gouverneur-generaal, M., gouverneuren- en gouverneurs-generaal.
Gouw, V.
Gouwenaar (Goudsche pijp), M., gouwenaars.
Graad, M., graden. Graadje, O., -jes.
Graadboog, M., -bogen; -boogje, O., -jes.
Graadmeting, V., -metingen.
Graaf, M., graven. Graafje, O., -jes.
Graafschap (in 't algemeen), O., -schappen.
Graafschap (van Zutfen), V.
Graafwesp, V., -wespen.
Graag, grager, graagst.
Graagheid, V.
Graagte, V.
Graan, O., granen. Graantje, O., -jes.
Graanbeurs, V., -beurzen.
Graanbouw, M.
Graan-elevator, M., -elevatoren en -elevators.
Graangewas, O., -gewassen.
Graankooper, M., -koopers.
Graanmarkt, V., -markten.
Graanoogst, M., -oogsten.
Graanpakhuis, O., -pakhuizen.
Graanrecht, O., -rechten.
Graanwet, V., -wetten.
Graanzolder, M., -zolders.
Graat, V., graten. Graatje, O., -jes.
Grabbel, V.
Grabbelen, grabbelde, heeft gegrabbeld.
Gracelijk, -lijker, -lijkst.
Gracht, V., grachten. Grachtje, O., -jes.
Grachtwater, O.
Gracieus.
Gradeeren.
Gradeermachine, V.
Graecisme, O., graecismen.
Graf, O., graven. Grafje, O., -jes.
Grafelijk en Graaflijk.
Grafelijkheid en Graaflijkheid, V.
Grafheuvel, M., -heuvels.
Grafkelder, M., -kelders.
Grafkuil, M., -kuilen.
Grafmonument, O., -monumenten.
Grafschrift, O., -schriften.
Grafsteen, M., -steenen.
Grafstem, V.
Grafteeken, O., -teekens.
Graftombe, V., -tombes en -tomben.
Grafwaarts.
Grafzerk, V., -zerken.
Gram (gewicht), O., grammen.
Gram, grammer, gramst.
Grammatica, V., grammatica's.
Grammaticaal, grammaticale.
Gramophoon, V., gramophonen.
Gramschap, V.
Gramstorig, -storiger, -storigst.
Gramstorigheid, V.
Granaat (boom), M.; (vrucht), V., granaten.
Granaat (edelgesteente), M., granaten; (stof), O. Granaatje, O., -jes.
Granaat (projectiel), V., granaten.
Granaatappel, M., -appels.
Granaatkartets, V., -kartetsen.
Granaatvrij.
Granaatvuur, O.
Graniet, O.
Granietblok, O., -blokken
Granietrots, V., -rotsen.
Grap, V., grappen. Grapje, O., -jes.
Graphiet, O.
Grappenmaker, M., -makers.
Grappig, grappiger, grappigst.
Grappigheid, V.
Gras, O., grassen en grazen. Grasje, O., -jes.
Grasachtig.
Grasboter, V.
Grasduinen (mv.), V. (In - gaan).
Grasduinen, grasduinde, heeft gegrasduind.
Grasetting, V.
Grasgewas, O., -gewassen.
Grasgroen.
Grashalm, M., -halmen.
Graskaas, V., -kazen.
Grasland, O., -landen.
Graslinnen, O.
Grasmaaier, M., -maaiers.
Grasmaand, V.
Grasperk, O., -perken.
Grasplein, O., -pleinen.
Grasscheut, M., -scheuten; -scheutje, O., -jes.
Grasspriet, M., -sprieten; -sprietje, O., -jes.
Grasveld, O., -velden.
Grasvellig.
Grasvilt, V.
Graszaad, O.
Graszode, V., -zoden.
Gratias, V., gratiassen.
Gratie (bevalligheid en genade), V.
Gratie (godin), V., Gratiën.
Gratificatie, V., gratificatiën en gratificaties.
Gratig, gratiger, gratigst.
Gratigheid, V.
Gratis.
Grauw (snauw), M., grauwen.
Grauw (gemeen volk), O.
Grauw, grauwer, grauwst.
Grauwen, grauwde, heeft gegrauwd.
Grauwgors, V., -gorzen.
Grauwheid, V.
Grauwtje, O., grauwtjes.
Graveel, O.
Graveelig, graveeliger, graveeligst.
Graveeligheid, V.
Graveeren, graveerde, heeft gegraveerd.
Graveerijzer, O., -ijzers.
Graveering, V.
Graveerkunst, V.
Graveernaald, V., -naalden.
Graveerstift, V., -stiften.
Graven, groef, groeven, heeft gegraven.
Gravenkroon, V., -kronen; -kroontje, O., -jes.
Graver, M., gravers.
Graveur, M., graveurs.
Gravin, V., gravinnen. Gravinnetje, O., -jes.
Graving, V., gravingen.
Gravinnentooi, M.
Gravure, V., gravures.
Grazen, graasde, heeft gegraasd.
Grazig, graziger, grazigst.
Greb, V., grebben.
Greel (voor Gareel), O., greelen.
Greep (het grijpen), M. en V., grepen. Greepje, O., -jes.
Greep (handvol, handvatsel en mestvork), V., grepen. Greepje, O., -jes.
Greid, V., greiden.
Greidboer, M., -boeren.
Greidhoek, M.
Grein (korrel, gewicht en geweven stof), O., greinen. Greintje, O., -jes.
Greinen (bnw.).
Greling, M., grelingen.
Grenadier, M., grenadiers.
Grenadiersmuts, V., -mutsen.
Grenadine, V.
Grendel, M., grendels en grendelen. Grendeltje, O., -jes.
Grendelen, grendelde, heeft gegrendeld.
Grendelslot, O., -sloten.
Grendelsteen, M., -steenen.
Grenen (bnw.).
Grenenhout, O.
Grenenhouten (bnw.).
Grens, V., grenzen.
Grensbewoner, M., -bewoners.
Grensgebied, O.
Grenskantoor, O., -kantoren.
Grenslijn, V., -lijnen.
Grensmuur, M., -muren.
Grenspaal, M., -palen.
Grensplaats, V., -plaatsen.
Grensregeling, V., -regelingen.
Grensscheiding, V., -scheidingen.
Grensverandering, V., -veranderingen.
Grensvesting, V., -vestingen.
Grenzen, grensde, heeft gegrensd.
Grenzenloos, -looze.
Greppel, V., greppels. Greppeltje, O., -jes.
Gretig, gretiger, gretigst.
Gretigheid, V.
Grief en Grieve, V., grieven. Griefje, O., -jes.
Griek, M., Grieken. Griekje, O., -jes.
Griekenland, O.
Grieksch.
Grieksch, O.
Griel, V., grielen.
Griend, V., grienden.
Griendbaas, M., -bazen.
Griendgewas, O.
Griendkade, V., -kaden.
Griendwaard, V., -waarden.
Griep, V.
Griesmeel, O.
Griet, V., grieten. Grietje, O., -jes.
Grietenij, V., grietenijen.
Grietjesbras, M., -brassen.
Grietman, M., -mannen.
Grieve. Zie Grief.
Grieven, griefde, heeft gegriefd.
Grievend, grievender, grievendst.
Griezelen, Griezelig. Zie Grijzelen, Grijzelig.
Griezeltje, O., -jes.
Grif, griffer, grifst.
Grif (bijw.).
Griffel, V., griffels. Griffeltje, O., -jes.
Griffelen, griffelde, heeft gegriffeld.
Griffen, grifte, heeft gegrift.
Griffie, V., griffiën en griffies.
Griffier, M., griffiers.
Griffierschap, O.
Griffiersplaats, V., -plaatsen.
Griffioen en Griffoen, M., griffioenen en griffoenen.
Grifheid, V.
Grift, V., griften. Griftje. O., -jes.
Griftenkoker, M., -kokers.
Grifweg.
Grijn (knorrepot), M., grijnen.
Grijnen, green, grenen, heeft gegrenen; ook grijnde, heeft gegrijnd.
Grijnig, grijniger, grijnigst.
Grijns, V., grijnzen.
Grijnslach, M.; -lachje, O., -jes.
Grijnslachen, grijnslachte, heeft gegrijnslacht.
Grijnzaard, M., grijnzaards.
Grijnzen, grijnsde, heeft gegrijnsd.
Grijp, M., grijpen.
Grijpen, greep, grepen, heeft gegrepen.
Grijpvogel, M., -vogels.
Grijs, grijzer.
Grijsaard, M., grijsaards.
Grijsachtig, -achtiger, -achtigst.
Grijsbaard, M., -baarden.
Grijsblauw.
Grijsharig.
Grijsheid, V.
Grijskop, M., -koppen.
Grijzelen (griezelen), grijzelde (griezelde), heeft gegrijzeld (gegriezeld).
Grijzelig en Griezelig, -iger, -igst.
Grijzen, grijsde, is gegrijsd.
Grijzigheid, V.
Gril, V., grillen. Grilletje, O., -jes.
Grillen, grilde, heeft gegrild.
Grillig, grilliger, grilligst.
Grilligheid, V., -heden.
Grilling, V., grillingen.
Grim, V.
Grimas, V., grimassen.
Grimassen, grimaste, heeft gegrimast.
Grimassenmaker, M., -makers.
Grimlach, M.; -lachje, O., -jes.
Grimlachen, grimlachte, heeft gegrimlacht.
Grimmelen, grimmelde, heeft gegrimmeld.
Grimmen, grimde, heeft gegrimd.
Grimmig, grimmiger, grimmigst.
Grimmigheid, V.
Grind, O.
Grindbank, V., -banken.
Grind-depot, O., -depot's.
Grinden, grindde, heeft gegrind.
Grindschipper, M., -schippers.
Grindweg, M., -wegen.
Grindzand, O.
Grinniken, grinnikte, heeft gegrinnikt.
Grissen, griste, heeft gegrist.
Groef, V., groeven. Groefje, O., -jes.
Groefbeitel, M., -beitels.
Groefschaaf, V., -schaven.
Groefverband, O., -verbanden.
Groei, M.
Groeien, groeide, is gegroeid.
Groeiing, V.
Groeikracht, V.
Groeisel, O.
Groeistuip, V., -stuipen; -stuipje, O., -jes.
Groeizaam, -zamer, -zaamst.
Groeizaamheid, V.
Groen, groener, groenst.
Groen (nieuweling), M., groenen. Groentje, O., -jes.
Groen (kleur), O.
Groenachtig, -achtiger, -achtigst.
Groenboer, M., -boeren.
Groenen, groende, heeft en is gegroend
Groengrond, M., -gronden.
Groenheid, V.
Groenlandsvaarder, M., -vaarders.
Groenling, M., groenlingen.
Groenloopen, liep groen, heeft groengeloopen.
Groenmarkt, V., -markten.
Groensel (vogel), M., groensels.
Groensel (groente en verfaarde), O.
Groente, V., groenten.
Groenteboer, M., -boeren.
Groentesoep, V.
Groentevrouw. V., -vrouwen.
Groentijd, M.
Groenvrouw, V., -vrouwen.
Groep, V., groepen. Groepje. O., -jes.
Groepeeren, groepeerde, heeft gegroepeerd.
Groepeering, V., groepeeringen.
Groepen, groepte, heeft gegroept.
Groepvergadering, V., -vergaderingen.
Groet, M., groeten.
Groete, V., groeten.
Groeten, groette, heeft gegroet.
Groetenis, V., groetenissen.
Groeven, groefde, heeft gegroefd.
Groeze, V.
Groezelig, groezeliger, groezeligst.
Groezeligheid, V.
Grof, grover, grofst.
Grofgebouwd.
Grofgrein, O., -greinen.
Grofheid, V., -heden.
Grofsmederij, V., -smederijen.
Grofsmid, M., -smeden.
Grofte, V.
Grog, M. Grogje, O., -jes.
Grogglas, O., -glazen.
Grogstem, V., -stemmen.
Grol, V., grollen.
Grollen, grolde, heeft gegrold.
Grollenmaker, M., -makers.
Grom, O.
Grombaard, M., -baarden.
Grommelen, grommelde, heeft gegrommeld.
Grommen (knorren), gromde, heeft gegromd.
Grommen (ingewand uithalen), gromde, heeft gegromd.
Grommer, M., grommers.
Grommig, grommiger, grommigst.
Grommigheid, V.
Grompot, M. en V., -potten.
Grond, M., gronden.
Grondakkoord, O., -akkoorden.
Grondbeginsel, O., -beginselen.
Grondbegrip, O., -begrippen.
Grondbelasting, V., -belastingen.
Grondbezit, O.
Grondbezitter, M., -bezitters.
Grondboring, V., -boringen.
Grondeigenaar, M., -eigenaars.
Grondeigendom, M. en O., -eigendommen.
Grondel, M., grondels.
Grondeling, M., grondelingen.
Grondeloos, -loozer, -loost.
Grondeloosheid, V.
Gronden, grondde, heeft gegrond.
Gronderig, gronderiger, gronderigst.
Grondgebied, O.
Grondgesteldheid, V.
Grondhout, O.
Grondig, grondiger, grondigst.
Grondigheid, V.
Grondijs, O.
Grondkleur, V., -kleuren.
Grondkrediet, O.
Grondlasten (mv.), M.
Grondlegger, M., -leggers.
Grondnoot, V., -noten.
Grondpapier, O.
Grondsap en -sop, O.
Grondslag M., -slagen.
Grondspecie, V., -speciën.
Grondstof, V., -stoffen.
Grondtoon, M., -tonen.
Grondverf, V.
Grondvesten, grondvestte, heeft gegrondvest.
Grondvesting, V., -vestingen.
Grondvorm, M., -vormen.
Grondwater, O.
Grondwet, V., -wetten.
Grondwetgever, M., -gevers.
Grondwetsherziening, V., -herzieningen.
Groot, grooter, grootst.
Groot (muntstuk), M., grooten.
Groot (in het -), O.
Grootachtbaar, -bare.
Grootachtbaarheid, V.
Grootambtenaarsexamen, O.
Grootboek, O., -boeken.
Grootbrengen, bracht groot, heeft grootgebracht.
Grootdadig, -dadiger, -dadigst.
Grootedelachtbaar, -bare.
Grootelijks.
Grootendeels.
Groothandel, M.
Groothandelaar, M., -handelaars.
Groothartig, -hartiger, -hartigst.
Groothartigheid, V.
Grootheid, V., -heden.
Grootheidswaanzin, M.
Groothertog, M., -hertogen.
Groothertogdom, O., -hertogdommen.
Groothouden (zich -), hield zich groot, heeft zich grootgehouden.
Grootje, O., grootjes.
Grootkorrelig.
Grootkruis, O., -kruisen.
Grootmachtig, -machtiger, -machtigst.
Grootmaken (verheerlijken), maakte groot, heeft grootgemaakt.
Grootmaking, V.
Grootmama, V., -mama's.
Grootmeester, M., -meesters.
Grootmeester-nationaal, M., -meesters-nationaal.
Grootmoeder, V., -moeders; -moedertje, O., -jes.
Grootmoedig, -moediger, -moedigst.
Grootmoedigheid, V.
Grootouders (mv.), M.
Grootsch, grootscher, meest grootsch.
Grootscheepsch.
Grootschheid, V.
Grootschrift, O.
Grootspraak, V.
Grootspreken, O.
Grootspreker, M., -sprekers.
Grootsteedsch.
Grootte, V., grootten.
Grootvader, M., -vaders; -vadertje, O., -jes.
Grootvisscherij, V.
Grootvizier, M., -viziers en -vizieren.
Grootvorst, M., -vorsten.
Grootvorstin, V., -vorstinnen.
Groot-zegelbewaarder, M., -bewaarders.
Grop en Grup, V., groppen en gruppen.
Gros, O., grossen.
Grosse, V., grossen.
Grossier, M., grossiers.
Grossierderij, V., grossierderijen.
Grossierskantoor, O., -kantoren.
Grossiersvak, O.
Grot, V., grotten. Grotje, O., -jes.
Grotesk.
Grovelijk.
Gruis, O. Gruisje, O., -jes.
Gruisbak, M., -bakken.
Gruit, V.
Gruizelementen (mv.), O.
Gruizen, gruisde, heeft gegruisd.
Gruizig.
Gruizigheid, V.
Grup. Zie Grop.
Grut, V., grutten. Grutje, O., -jes.
Gruttenbrij, V.
Gruttenmeel, O.
Grutter, M., grutters.
Grutterij, V., grutterijen.
Gruttersmolen, M., -molens.
Grutterswaar, V., -waren.
Grutterswinkel, M., -winkels.
Grutto, M., grutto's.
Gruwel, M., gruwelen.
Gruweldaad, V., -daden.
Gruwelen, gruwelde, heeft gegruweld.
Gruwelijk, -lijker, -lijkst.
Gruwelijkheid, V., -heden.
Gruwen, gruwde, heeft gegruwd.
Gruwzaam, -zamer, -zaamst.
Gruwzaamheid, V., -heden.
Guano, V.
Guichelen, guichelde, heeft geguicheld.
Guichelheil, O.
Guichelspel, O.
Guillotine, V., guillotines.
Guinje, V., guinjes.
Guirlande, V., guirlandes.
Guit, M., guiten. Guitje, O., -jes.
Guitenstreek, M., -streken.
Guitenstuk, O., -stukken.
Guiterij, V., guiterijen.
Guitig, guitiger, guitigst.
Guitigheid, V., -heden.
Gul, V., gullen. Gulletje, O., -jes.
Gul, guller, gulst.
Guldeling, M., guldelingen.
Gulden, M., guldens. Guldentje, O., -jes.
Gulden (bnw.).
Guldengetal, O.
Guldenmond, M.
Guldenwater, O.
Gulhartig, -hartiger, -hartigst.
Gulhartigheid, V.
Gulheid, V., -heden.
Gulp, V., gulpen. Gulpje, O., -jes.
Gulpen, gulpte, heeft gegulpt.
Guluit.
Gulzig, gulziger, gulzigst.
Gulzigaard, M., gulzigaards.
Gulzigheid, V.
Gummistok, M., -stokken.
Gunnen, gunde, heeft gegund.
Gunning, V., gunningen.
Gunst, V., gunsten. Gunstje, O., -jes.
Gunstbejag, O.
Gunstbewijs, O., -bewijzen.
Gunsteling, M. en V., gunstelingen. V. ook gunstelinge.
Gunstig, gunstiger, gunstigst.
Gust (bnw.).
Guts, V., gutsen.
Gutsen, gutste, heeft gegutst.
Guttapercha, V.
Guttegom, ook Gittegom, V.
Gutturaal, V., gutturalen.
Guur, guurder, guurst.
Guurheid, V.
Gymnasiast, M., gymnasiasten.
Gymnasium, O., gymnasiën en gymnasia.
Gymnast, M., gymnasten.
Gymnastiek, V.
Gymnastiekmeester, M., -meesters.
Gymnastiekonderwijs, O.
Gymnastiekschool, V., -scholen.
Gymnastisch.
H
H, V., h's.
Ha.
Haag, V., hagen. Haagje, O., -jes.
Haagbeuk, M., -beuken.
Haagdoorn en Haagdoren (ook Hagedoorn), M., -doornen en -dorens.
Haagwinde, V.
Haai, M., haaien.
Haaievangst, V.
Haaievel, O., -vellen.
Haak, M., haken. Haakje, O. -jes.
Haakbeentje, O., -jes.
Haakboekje, O., -jes.
Haakbus, V., -bussen.
Haakpen, V., -pennen; -pennetje, O., -jes.
Haaks (bijw.).
Haaksch (bnw.).
Haakswijze en -wijs.
Haakvormig.
Haakwerk, O.
Haal (trek), M., halen. Haaltje, O., -jes.
Haal (werktuig), V. en O., halen.
Haalbaar, -bare.
Haalbier, O.
Haalboter, V.
Haalkan, V., -kannen.
Haalwijn, M.
Haam (vischnet), M., hamen.
Haam (paardetuig), O., hamen. Haampje, O., -jes.
Haan, M., hanen. Haantje, O., -jes.
Haar.
Haar, O., haren. Haartje, O., -jes.
Haarachtig.
Haarborstel, M., -borstels.
Haarbreed, O.
Haarbuisje, O., -buisjes.
Haard, M., haarden. Haardje, O., -jes.
Haardstede, V., -steden.
Haardstedengeld, O.
Haarfijn.
Haarkam, M., -kammen.
Haarklein.
Haarklooven, haarkloofde, heeft gehaarkloofd.
Haarklooverij, V., -klooverijen.
Haarknippen, O.
Haarknipper, M., -knippers.
Haarlemmer, M., Haarlemmers.
Haarlint, O., -linten; -lintje, O., -jes.
Haarlok, M., -lokken.
Haarloos, -looze.
Haarmiddel, O., -middelen; -middeltje, O., -jes.
Haarnaald, V.; -naalden.
Haarschuier, M., -schuiers.
Haarsnijden, O.
Haarsnijder, M., -snijders.
Haarspeld, V., -spelden.
Haarvlok, V., -vlokken.
Haas, M. en O., hazen. Haasje, O., -jes.
Haas (van een rund), M. Haasje, O.
Haasjeover, O.
Haast, V.
Haast (bijw.).
Haastelijk.
Haasten, haastte, heeft gehaast.
Haastig, haastiger, haastigst.
Haastigheid, V.
Haat, M.
Haatdragend, -dragender, -dragendst.
Haatdragendheid, V.
Habitué, M., habitué's.
Hach, V. Hachje, O., -jes.
Hachée en Hachis (gehakt vleesch), O.
Hachelijk, -lijker, -lijkst.
Hachelijkheid, V.
Hachis. Zie Hachée.
Hachje (persoon), O., hachjes.
Hacht, M., hachten. Hachtje, O., -jes.
Haft (uitsteeksel), V., haften.
Haft (insect), O., haften.
Hagedis, V., hagedissen. Hagedisje, O., -jes.
Hagedoorn. Zie Haagdoorn.
Hagel, M.
Hagelblank.
Hagelbui, V., -buien; -buitje, O., -jes.
Hagelen, hagelde, heeft gehageld.
Hageljacht, V.
Hagelkorrel, V., -korrels; -korreltje, O., -jes.
Hagelschade, V.
Hagelslag, M.
Hagelsteen, M., -steenen.
Hagelwit, -witte.
Hagenaar, M., Hagenaars en Hagenaren.
Hagepreek, V., -preeken.
Hak (houw), M., hakken. Hakje, O., -jes.
Hak (hiel en houweel), V., hakken.
Hakbank, V., -banken.
Hakbijl, V., -bijlen.
Hakblok, O., -blokken.
Hakbord en Hakkebord, O., -borden.
Hakbosch, O., -bosschen.
Haken, haakte, heeft gehaakt.
Hakgeld, O.
Hakhout, O.
Hakkebord. Zie Hakbord.
Hakkel, M., hakkels.
Hakkelaar, M., hakkelaars.
Hakkelbout, M., -bouten.
Hakkelen, hakkelde, heeft gehakkeld.
Hakken, hakte, heeft gehakt.
Hakkenei, V., hakkeneien.
Hakker, M., hakkers.
Hakketeeren, hakketeerde, heeft gehakketeerd.
Hakmes, O., -messen.
Hakmoes, O.
Haksel, O.
Hakstroo, O.
Hakstuk, O., -stukken.
Hal (overdekte plaats), V., hallen.
Hal (de hardigheid der aarde), O.
Halen, haalde, heeft gehaald.
Half, halve.
Halfacht.
Halfbakken.
Halfbroeder, M., -broeders.
Halfdek, O.
Halfdood, -doode.
Halfdrie.
Halfdronken.
Halfgod, M., -goden.
Halfheid, V.
Halfhemdje, O., -jes.
Halfhonderd, O.
Halfhout, O.
Halfjaar, O., -jaren; -jaartje, O., -jes.
Halfje, O., -jes.
Halfklinker, M., -klinkers.
Halfluid.
Halfnegen.
Halfrond, O., -ronden.
Halfslachtig.
Halfslachtigheid, V.
Halfsleetsch.
Halfstok.
Halfvasten, V.
Halfvier.
Halfvijf.
Halfwas, M.
Halfweg.
Halfwind, M., -winden.
Halfzacht.
Halfzes.
Halfzijden.
Halfzuster, V., -zusters.
Halleluja, O., halleluja's.
Halletje, O., -jes.
Halm, M., halmen. Halmpje, O., -jes.
Hals, M., halzen. Halsje. O., -jes.
Halsbrekend, -brekender, -brekendst.
Halsdoek, M., -doeken; -doekje, O., -jes.
Halsketting, M., -kettingen.
Halskraag, M., -kragen.
Halsrecht, O.
Halssierraad, O., -sieraden.
Halsstarrig, -starriger, -starrigst.
Halsstarrigheid, V.
Halsstarriglijk.
Halster, M., halsters.
Halszaak, V., -zaken.
Halt en Halte, V., halten.
Halter, M., halters.
Halveeren, halveerde, heeft gehalveerd.
Halvemaan, V.
Halverwegen.
Halvezolen, halvezoolde, heeft gehalvezoold.
Halzen, halsde, heeft gehalsd.
Ham, V., hammen. Hammetje, O., -jes.
Hamei, V., hameien.
Hamel, M., hamels.
Hamer, M., hamers en hameren. Hamertje, O., -jes.
Hameren, hamerde, heeft gehamerd.
Hamerslag (slag met een hamer), M., -slagen.
Hamerslag (afspringende deeltjes van gesmeed ijzer en kleine wolkjes), O.
Hammebeen, O., -beenen.
Hammevet, O.
Hamster, V., hamsters.
Hand, V., handen. Handje, O., -jes.
Handboek, O., -boeken.
Handboog, M., -bogen.
Handbreed, O.
Handcamera, V., -camera's.
Handdoek, M., -doeken; -doekje, O., -jes.
Handdruk, M., -drukken; -drukje, O., -jes.
Handel, M.
Handelaar, M., handelaars en handelaren.
Handelbaar, -baarder, -baarst.
Handelen, handelde, heeft gehandeld.
Handeling, V., handelingen.
Handelmaatschappij, V.
Handelsbetrekking, V., -betrekkingen.
Handelsblad, O., -bladen.
Handelsgeest, M.
Handelshuis, O., -huizen.
Handelsonderneming, V., -ondernemingen.
Handelsrecht, O.
Handelsreiziger, M., -reizigers.
Handelsschool en ook Handelschool, V., -scholen.
Handelsstad, V., -steden.
Handelsverdrag, O., -verdragen.
Handelsverkeer, O.
Handelsvrijheid, V.
Handelswetenschap, V., -wetenschappen.
Handelszaak, V., -zaken.
Handelwijze en handelwijs, V., -wijzen.
Handen, handde, heeft gehand.
Handenarbeid, M.
Handenloos, -looze.
Handenloosheid, V.
Handgebaar, O., -gebaren.
Handgeklap, O.
Handgeld, O., -gelden.
Handgemeen.
Handgemeen, O.
Handgift, V.
Handgreep, M., -grepen.
Handhaven, handhaafde, heeft gehandhaafd.
Handhaver, M., handhavers.
Handhaving, V.
Handig, handiger, handigst.
Handigheid, V.
Handjegauw, M. en V., -gauws.
Handkar, V., -karren.
Handkoffer, M., -koffers; -koffertje, O., -jes.
Handkus, M., -kussen.
Handlanger, M., -langers.
Handleiding, V., -leidingen.
Handlichting, V.
Handpaard, O., -paarden.
Handreiken, handreikte, heeft gehandreikt.
Handreiking, V., -reikingen.
Handschoen, M., -schoenen; -schoentje, O., -jes.
Handschoenendoos, V., -doozen.
Handschrift, O., -schriften.
Handtastelijk, -lijker, -lijkst.
Handtastelijkheid, V., -heden.
Handtasting, V.
Handteekenen, O.
Handteekening, V., -teekeningen.
Handvat, O., -vatten.
Handvatsel, O., -vatsels.
Handvest, V. en O., -vesten.
Handvol, V. (mv. handen vol).
Handwagen, M., -wagens.
Handwerk, O., -werken.
Handwerksman, M., -lieden en -lui.
Handwijzer, M., -wijzers.
Handzaam, -zamer, -zaamst.
Handzaamheid, V.
Hanebalk, M., -balken.
Hanekam, M., -kammen.
Hanenei, O., -eieren.
Hanengekraai, O.
Hanengevecht, O., -gevechten.
Hanenmat, V., -matten.
Hanepoot, M., -pooten.
Haneschree, V.
Hanespoor, V., -sporen.
Hanetred, M., ook Hanetree, V., -treden.
Haneveer, V., -veeren.
Hang, M., hangen.
Hangbuik, M. en V., -buiken.
Hangebast (karnemelk), V.
Hangen, hing, heeft gehangen.
Hanger, M., hangers. Hangertje, O., -jes.
Hangijzer, O., -ijzers.
Hangklok, V., -klokken.
Hangkompas, O., -kompassen.
Hanglamp, V., -lampen; -lampje, O., -jes.
Hanglip, M. en V., -lippen.
Hangmat, V., -matten.
Hangoor (persoon), M. en V., -ooren.
Hangoor (tafel), V., -ooren.
Hangop, V.
Hangslot, O., -sloten; -slotje en -slootje, O., -slootjes.
Hanig, haniger, hanigst.
Hannekemaaier, M., -maaiers.
Hans, M., hanzen. Hansje, O., -jes.
Hanssop, M., hanssoppen.
Hansworst, M., hansworsten.
Hanteeren, hanteerde, heeft gehanteerd.
Hanteering, V., hanteeringen.
Hanze, V.
Hap, M., happen. Hapje, O., -jes.
Haperen, haperde, heeft gehaperd.
Hapering, V., haperingen.
Happa.
Happen, hapte, heeft gehapt.
Happig, happiger, happigst.
Happigheid, V.
Hapschaar, M., -scharen.
Har en Harre, ook Her en Herre, V., harren en herren. Harretje en herretje, O., -jes.
Hard, harder, hardst.
Harddraven, harddraafde, heeft geharddraafd.
Harddraver, M., -dravers.
Harddraverij, V., -draverijen.
Harden, hardde, heeft gehard.
Hardgeel, -gele.
Hardglas, O.
Hardhandig, -handiger, -handigst.
Hardheid, V., -heden.
Hardhoorig, -hooriger, -hoorigst.
Hardhoorigheid, V.
Hardigheid, V., -heden.
Hardleersch.
Hardlijvig, -lijviger, -lijvigst.
Hardlijvigheid, V.
Hardlooper, M., -loopers.
Hardlooperij, V., -looperijen.
Hardnekkig, -nekkiger, -nekkigst.
Hardnekkigheid, V.
Hardop.
Hardrijder, M., -rijders.
Hardrijderij, V., -rijderijen.
Hardsteen, O.
Hardsteenen (bnw.).
Hardvallen, viel hard, is hardgevallen.
Hardvochtig, -vochtiger, -vochtigst.
Hardvochtigheid, V.
Hardzeiler, M., -zeilers.
Hardzeilerij, V., -zeilerijen.
Harem, M., harems.
Haren (bnw.).
Haren, haarde, heeft gehaard.
Harent (Te -).
Harenthalve.
Harentwege.
Harentwil (Om -).
Harig, hariger, harigst.
Haring (een visch), M., haringen. Harinkje, O., -jes. Als stofnaam, V.
Haringband, O.
Haringbuis, V., -buizen.
Haringjager, M., -jagers.
Haringkaken, O.
Haringkaker, M., -kakers.
Haringpakker, M., -pakkers.
Haringsla, V.
Haringspeetster, V., -speetsters.
Haringspeten, O.
Harington, V., -tonnen.
Haringvangst, V.
Hark, V., harken. Harkje, O., -jes.
Harken, harkte, heeft geharkt.
Harksel, O., harksels.
Harlekijn, M., harlekijns.
Harmonica, V., harmonica's.
Harmonie, V., harmonieën.
Harmonieeren, harmonieerde, heeft geharmonieerd.
Harmonieleer, V.
Harmoniemuziek, V.
Harmonisch.
Harnas, O., harnassen.
Harp, V., harpen. Harpje, O., -jes.
Harpen, harpte, heeft geharpt.
Harpij, V., harpijen.
Harpoen, M., harpoenen.
Harpoenen, harpoende, heeft geharpoend.
Harpoenier, M., harpoeniers.
Harpuis, O.
Harpuizen, harpuisde, heeft geharpuisd.
Harrewarren, harrewarde, heeft geharreward.
Harrewarrerij, V., harrewarrerijen.
Hars, V. en O., harsen.
Harsachtig, -achtiger, -achtigst.
Harst, M., harsten. Harstje, O., -jes.
Hart, O., harten. Hartje, O., -jes.
Hartader, V.
Hartebloed, O.
Hartediefje, O., -jes.
Harteleed, O.
Hartelijk, -lijker, -lijkst.
Hartelijkheid, V.
Harteloos, -looze.
Hartelust, M.
Harten (mv.), O.
Hartenaas, O., -azen.
Hartenboer, M., -boeren.
Hartenet, O., -netten.
Hartenheer, M., -heeren.
Hartenvrouw, V., -vrouwen.
Hartepijn, V.
Hartewee, O.
Hartewensch, M., -wenschen.
Hartgebrek, O., -gebreken.
Hartgrondig, -grondiger, -grondigst.
Hartig, hartiger, hartigst.
Hartigheid, V.
Hartjesdag, M., -dagen.
Hartklopping, V., -kloppingen.
Hartkwaal, V., -kwalen.
Hartlap en Hartelap, M. en V., -lappen. Hartlapje en hartelapje, O., -jes.
Hartroerend, -roerender, -roerendst.
Hartseeren, hartseerde, heeft gehartseerd.
Hartsteken (- dood).
Hartsterking, V., -sterkingen; -sterkinkje, O., -jes.
Hartstocht, M., -tochten.
Hartstochtelijk, -lijker, -lijkst.
Hartstochtelijkheid, V., -heden.
Hartsvanger, M., -vangers.
Hartsvriend, M., -vrienden.
Hartverscheurend, -verscheurender, -verscheurendst.
Hartwater, O.
Hartzakje, O., -jes.
Hartzeer, O.
Haspel, M., haspels en haspelen. Haspeltje, O., -jes.
Haspelaar, M., haspelaars.
Haspelarij, V., haspelarijen.
Haspelen, haspelde, heeft gehaspeld.
Haspelraam, O., -ramen.
Haspelwerk, O., -werken.
Hassebassen, hassebaste, heeft gehassebast.
Hatelijk, -lijker, -lijkst.
Hatelijkheid, V., -heden.
Haten, haatte, heeft gehaat.
Hater, M., haters en hateren.
Hauw, V., hauwen. Hauwtje, O., -jes.
Have, V.
Haveloos, -loozer, -loost.
Haveloosheid, V.
Haven, V., havens.
Havenbootje, O., -jes.
Havendienst, M.
Havenen, havende, heeft gehavend.
Havenfront, O., -fronten.
Havengeld, O., -gelden.
Havenhoofd, O., -hoofden.
Havenlicht, O., -lichten.
Havenmeester, M., -meesters.
Havenpolitie, V.
Havenwerken (mv.), O.
Haver, V.
Haverdegort, V.
Haverkist, V., -kisten.
Haverklap, M.
Havermeel, O.
Havermout, O. en V.
Haverstroo, O.
Haverzak, M., -zakken.
Havezate, V., havezaten.
Havik, M., haviken.
Haviksbek, M., -bekken.
Haviksneus, M., -neuzen.
Hazardspel, O., -spelen.
Hazelaar, M., hazelaren en hazelaars.
Hazelaarsbosch, O., -bosschen.
Hazelaarshout, O.
Hazelhoen, O., -hoenders.
Hazelnoot (vrucht), V.; (boom), M., -noten; -nootje, O., -jes.
Hazelnoteboom, M., -boomen.
Hazelwortel, V.
Hazendistel, V., -distels.
Hazenjacht, V.
Hazenlip, V., -lippen.
Hazenpad, O.
Hazenslaap, M.; -slaapje, O., -jes.
Hazenwind, M., -winden.
Hazepeper, V.
Hazesprong, M., -sprongen.
Hazevel, O., -vellen.
He.
Hebbelijk, -lijker, -lijkst.
Hebbelijkheid, V., -heden.
Hebben, heeft, had, hadden, heeft gehad.
Hebreër, M., Hebreërs en Hebreën.
Hebreeuwsch.
Hebreeuwsch, O.
Hebzucht, V.
Hebzuchtig, -zuchtiger, -zuchtigst.
Hecatombe, V., hecatombes en -tomben.
Hecht en Heft, O., hechten en heften. Hechtje en heftje, O., -jes.
Hecht, hechter, hechtst.
Hechtdraad, M., -draden.
Hechten, hechtte, heeft gehecht.
Hechtenis, V.
Hechtheid, V.
Hechting, V., hechtingen.
Hechtpleister, V., -pleisters.
Hechtsel, O., hechtsels.
Hectare, V., hectaren en hectares.
Hectisch.
Hectogram, O., hectogrammen.
Hectoliter, M., hectoliters.
Hectometer, M., hectometers.
Heden.
Hedenavond.
Hedendaags (bijw.).
Hedendaagsch (bnw.).
Hedenmiddag.
Hedenmorgen.
Heede, V.
Heel, heele.
Heel (bijw.).
Heelal, O.
Heelbaar, -bare.
Heelegaar.
Heelemaal.
Heelen (genezen), heelde, heeft geheeld.
Heelendal.
Heelheid, V.
Heeling, V.
Heelkracht, V.
Heelkruid, O.
Heelkunde, V.
Heelkundig.
Heelkundige, M. en V., -kundigen.
Heelkunst, V.
Heelmeester, M., -meesters.
Heelshuids en Heelhuids.
Heelster, V., heelsters.
Heelvleesch, O.
Heem en Heim, O., heemen en heimen.
Heemraad, M., -raden.
Heemraadschap, O., -schappen.
Heen en Henen. Zoo ook in de samenstellingen.
Heenbrengen, bracht heen, heeft heengebracht.
Heendrijven, dreef heen, dreven heen, heeft en is heengedreven.
Heengaan, gaat heen, ging heen, is heengegaan.
Heenkomen, komt heen, kwam heen, kwamen heen, is heengekomen.
Heenkomen, O.
Heenloopen, liep heen, is heengeloopen.
Heenreis, V.
Heenrijden, reed heen, reden heen, is heengereden.
Heenrit, M.
Heenspoeden, spoedde heen, is heengespoed.
Heentrekken, trok heen, trokken heen, is heengetrokken.
Heenvaren, voer heen, is heengevaren.
Heenvlieden, vlood heen, vloden heen, is heengevloden.
Heenvliegen, vloog heen, vlogen heen, is heengevlogen.
Heep, V., hepen.
Heer (meester), M., heeren; (met minachting), O. Heertje, O., -jes.
Heer (leger). Zie Heir.
Heerachtig, -achtiger, -achtigst.
Heerachtigheid, V.
Heerboer en Heereboer, M., -boeren.
Heeremijntijd (tusschenw.).
Heerenboon, V., -boonen.
Heerendienst, M., -diensten.
Heerendiner, O., -diners; -dineetje, O., -jes.
Heerenhuis, O., -huizen.
Heerenhuizing, V., -huizingen.
Heerenknecht, M, -knechts.
Heerenloge, V., -loges.
Heerig, heeriger, heerigst.
Heerlijk, -lijker, -lijkst.
Heerlijkheid, V., -heden.
Heeroom, M., -ooms.
Heerschap, O., -schappen.
Heerschappij, V., heerschappijen.
Heerschen, heerschte, heeft geheerscht.
Heerscher, M., heerschers.
Heerscheres, V., heerscheressen.
Heerschzucht, V.
Heerschzuchtig, -zuchtiger, -zuchtigst.
Heerweg en Heirweg, M., -wegen.
Heesch, heescher, meest heesch.
Heeschheid, V.
Heester, M., heesters. Heestertje, O., -jes.
Heet, heeter, heetst.
Heeten (heet maken), heette, heeft geheet.
Heeten (noemen en genoemd worden), heette, heeft geheeten.
Heethoofd, M. en V., -hoofden.
Heethoofdig, -hoofdiger, -hoofdigst.
Hef en Heffe, V.
Hefboom, M., -boomen; -boompje, O., -jes.
Heffen, hief, hieven, heeft geheven.
Heffer, M., heffers.
Heffing, V., heffingen.
Heft. Zie Hecht.
Heftang, V., -tangen.
Heftig, heftiger, heftigst.
Heftigheid, V.
Heg en Hegge, V., heggen. Hegje en heggetje, O., -jes.
Hei (tusschenw.).
Hei (werktuig), V., heien.
Heibaas, M., -bazen.
Heibei, V., heibeien.
Heibeien, heibeide, heeft geheibeid.
Heibezem, M., -bezems.
Heiblok, O., -blokken.
Heiboender, M., -boenders.
Heibrand, M.
Heidamp, M.
Heide en Hei, V., heiden.
Heidebloem, V., -bloemen.
Heidegrond en Heigrond, M., -gronden.
Heidekruid, O.
Heiden (afgodendienaar),M., heidenen.
Heiden (landlooper), M., heidens.
Heidendom, O.
Heidensch.
Heideontginning, V.
Heideveld, O., -velden.
Heidin, V., heidinnen.
Heien, heide, heeft geheid.
Heier, M., heiers.
Heihaas, M., -hazen.
Heikrekel, M., -krekels; -krekeltje, O., -jes.
Heil, O.
Heiland, M.
Heilbede, V., -beden.
Heilbot, V., -botten.
Heilig, heiliger, heiligst.
Heiligavond, M.
Heiligbeen, O.
Heiligdom, O., heiligdommen.
Heilige, M. en V., heiligen. Heiligje, O., -jes.
Heiligedag, M., -dagen.
Heiligen, heiligde, heeft geheiligd.
Heiligenbeeld, O., -beelden; -beeldje, O., -jes.
Heiligendienst, M.
Heiligheid, V.
Heiliging, V.
Heiligmaking, V.
Heiligschennis, V.
Heiligverklaring, V., -verklaringen.
Heilloos, -loozer.
Heilloosheid, V.
Heilsleger, O.
Heilsoldaat, M., -soldaten.
Heilwensch, M., heilwenschen.
Heilzaam, -zamer, -zaamst.
Heilzaamheid, V.
Heimast, M., -masten.
Heimelijk, -lijker, -lijkst.
Heimelijkheid, V., -heden.
Heimwee, O.
Heinde.
Heinen, heinde, heeft geheind.
Heining, V., heiningen. Heininkje, O., -jes.
Heipaal, M., -palen.
Heir, ook Heer (leger), O., heiren en heren.
Heireep, M., -reepen.
Heirook, M.
Heirvaart, ook Heervaart, V., -vaarten.
Heisa.
Heistelling, V., -stellingen.
Heisteren, heisterde, heeft geheisterd.
Heiwerk, O.
Hek, O., hekken. Hekje, O., -jes.
Hekel (werktuig), M., hekels.
Hekel (afkeer), M.
Hekelaar, M., hekelaars.
Hekelaarster, V., hekelaarsters.
Hekeldicht, O., -dichten; -dichtje, O., -jes.
Hekeldichter, M., -dichters.
Hekelen, hekelde, heeft gehekeld.
Hekelig, hekeliger, hekeligst.
Hekeling, V., hekelingen.
Hekelschrift, O., -schriften.
Hekkenspringer, M., -springers.
Heks, V., heksen. Heksje, O., -jes.
Heksen, hekste, heeft gehekst.
Heksendans, M., -dansen.
Heksenmeester, M., -meesters.
Heksenproces, O., -processen.
Heksentoer, M., -toeren.
Heksenwerk, O.
Hekserij, V., hekserijen.
Heksluiter, M., -sluiters.
Hekwielstoomer, M., -stoomers.
Hel, V.
Hel, heller, helst.
Helaas.
Held, M., helden.
Heldenarm, M., -armen.
Heldendaad, V., -daden.
Heldendeugd, V., -deugden.
Heldendicht, O., -dichten.
Heldendichter, M., -dichters.
Heldendood, M.
Heldenmoed, M.
Heldenschaar, V., -scharen.
Heldentijdvak, O., -tijdvakken.
Heldentrouw, V.
Heldenzang, M., -zangen.
Helder, helderder, helderst.
Helderheid, V.
Helderziend.
Heldhaftig, -haftiger, -haftigst.
Heldhaftigheid, V.
Heldin, V., heldinnen.
Helen (verbergen), heelde, heeft geheeld.
Heler, M., helers.
Helft, V., helften. Helftje, O., -jes.
Helhond, M.
Helicon, M.
Heling, V., helingen.
Heliogravure, V., -gravuren.
Helioscoop, M., helioscopen.
Heliotroop, M., heliotropen.
Hellebaard, V., hellebaarden.
Hellebaardier, M., hellebaardieren en hellebaardiers.
Hellen, helde, heeft geheld.
Hellenist, M., hellenisten.
Hellepijn, V., -pijnen.
Hellevaart, V.
Helleveeg, V., -vegen.
Hellig, helliger, helligst.
Helligheid, V.
Helling, V., hellingen.
Helm (hoofddeksel), M., helmen.
Helm (duingras), V.
Helmbindsel, O., -bindsels.
Helmdraad, M., -draden.
Helmhoed, M., -hoeden.
Helmteeken, O.
Heloot, M., heloten.
Helpen, hielp, heeft geholpen.
Helper, M., helpers.
Helpster, V., helpsters.
Helpzeel en Hulpzeel, O., -zeelen.
Helsch.
Hem.
Hem (tusschenw.).
Hemd, O., hemden. Hemdje, O., -jes.
Hemdsboord, M., -boorden.
Hemdsknoop, M., -knoopen.
Hemdskraag, M., -kragen.
Hemdsmouw, V., -mouwen.
Hemel (uitspansel), M., hemelen; (van een bed), M., hemels.
Hemelglobe, V., -globes.
Hemelhoog.
Hemellichaam, O., -lichamen.
Hemellicht, O., -lichten.
Hemelrijk, O.
Hemelrond, O.
Hemelsblauw.
Hemelsbreed.
Hemelsbreedte, V.
Hemelsch.
Hemelschgezind.
Hemelstreek, V., -streken.
Hemeltergend.
Hemelvaart, V.
Hemelvaartsdag, M., -dagen.
Hemelwaarts.
Hemmen, hemde, heeft gehemd.
Hen, V., hennen. Hennetje, O., -jes.
Hen.
Henen, en de samenstellingen. Zie Heen, enz.
Heng, V., hengen.
Hengel, M., hengels. Hengeltje, O., -jes.
Hengelaar, M., hengelaars.
Hengelen, hengelde, heeft gehengeld.
Hengelroede, V., -roeden.
Hengelsnoer, O., -snoeren.
Hengelstok, M., -stokken.
Hengsel, O., hengsels. Hengseltje, O., -jes.
Hengst (paard), M., hengsten.
Hengst (vaartuig), V., hengsten.
Hengsten, hengstte, heeft gehengst.
Hengstenkeuring, V., -keuringen.
Hennegat, O., -gaten.
Hennenei, O., -eieren.
Hennep, M.
Hennepolie, V.
Hennepteelt, V.
Hennepzaad, O.
Her (bijw.).
Herademen, herademde, heeft herademd.
Heraldiek, V.
Heraldiek (bnw.).
Heraut, M., herauten.
Herbarium, O., herbariums en herbaria.
Herbenoemen, herbenoemde, heeft herbenoemd.
Herbenoeming, V., herbenoemingen.
Herberg, V., herbergen. Herbergje, O., -jes.
Herbergen, herbergde, heeft geherbergd.
Herbergier, M., herbergiers.
Herbergierster, V., herbergiersters.
Herbergzaam, -zamer, -zaamst.
Herbergzaamheid, V.
Herboren.
Herbouw, M.
Herbouwen, herbouwde, heeft herbouwd.
Herdenken, herdacht, heeft herdacht.
Herdenken, O.
Herdenking, V., herdenkingen.
Herder, M., herders. Herdertje, O., -jes.
Herderin, V., herderinnen. Herderinnetje, O., -jes.
Herderinnenhoed, M., -hoeden; -hoedje, O., -jes.
Herderlijk.
Herdersambt, O.
Herdersdicht, O., -dichten; -dichtje, O., -jes.
Herdersfluit, V., -fluiten.
Herdershond, M., -honden.
Herdershut, V., -hutten.
Herdersknaap, M., -knapen.
Herdersleven, O.
Herderslied, O., -liederen; -liedje, O., -jes.
Herdersspel, O., -spelen.
Herdersstaf, M., -staven.
Herdersstok, M., -stokken.
Herdersvolk, O.
Herderszang, M., -zangen.
Herdoop, M.
Herdoopen, herdoopte, heeft herdoopt.
Herdooper, M., herdoopers.
Herdooping, V., herdoopingen.
Herdruk, M., herdrukken.
Herdrukken, herdrukte, heeft herdrukt.
Hereenen, hereende, heeft hereend.
Hereenigen, hereenigde, heeft hereenigd.
Hereeniging, V., hereenigingen.
Heremiet, M., heremieten.
Herexamen, O., herexamens.
Herfst, M.
Herfstachtig, -achtiger, -achtigst.
Herfstdag, M., -dagen.
Herfstdraad, M., -draden.
Herfstig, herfstiger, herfstigst.
Herfstlandschap, O., -landschappen.
Herfstmaand, V.
Herfstmanoeuvres (mv.), V.
Herfstweder en -weer, O.
Hergeven, hergaf, hergaven, heeft hergeven.
Herhaaldelijk.
Herhalen, herhaalde, heeft herhaald.
Herhaling, V., herhalingen.
Herhalingsonderwijs, O.
Herhalingsschool, V., -scholen.
Herijk, M.
Herijken, herijkte, heeft herijkt.
Herinneren, herinnerde, heeft herinnerd.
Herinnering, V., herinneringen.
Herinneringsvermogen, O.
Herkauwen, herkauwde, heeft herkauwd.
Herkauwer, M., herkauwers.
Herkennen, herkende, heeft herkend.
Herkenning, V., herkenningen.
Herkenningsteeken, O., -teekenen.
Herkeuren, herkeurde, heeft herkeurd.
Herkeuring, V., herkeuringen.
Herkiesbaar, -bare.
Herkiesbaarheid, V.
Herkiezen, herkoos, herkozen, heeft herkozen.
Herkiezing, V., herkiezingen.
Herkomen, O.
Herkomst, V.
Herkomstig.
Herkoop, M.
Herkrijgen, herkreeg, herkregen, heeft herkregen.
Herkrijging, V.
Herleiden, herleidde, heeft herleid.
Herleiding, V., herleidingen.
Herleven, herleefde, is herleefd.
Herleving, V.
Herlezen, herlas, herlazen, heeft herlezen.
Herlezing, V., herlezingen.
Hermelijn (dier), M., hermelijnen; (bont), O.
Hermelijnen (bnw.).
Hermeting, V., hermetingen.
Hermetisch.
Hermitage, V., hermitages.
Hermoes, V.
Hernemen, hernam, hernamen, heeft hernomen.
Hernhutter, M., Hernhutters.
Hernieuwen, hernieuwde, heeft hernieuwd.
Hernieuwing, V., hernieuwingen.
Heroën. Zie Heros.
Heroïek, heroïeker, heroïekst.
Heroïsme, O.
Heropenen, heropende, heeft heropend.
Heropening, V.
Heros, M., heroën.
Heroveren, heroverde, heeft heroverd.
Herovering, V., heroveringen.
Herplaatsen, herplaatste, heeft herplaatst.
Herplaatsing, V.
Herrie, V.
Herrijzen, herrees, herrezen, is herrezen.
Herrijzenis, V.
Herrijzing, V.
Herroepbaar, -bare.
Herroepbaarheid, V.
Herroepen, herriep, heeft herroepen.
Herroeping, V., herroepingen.
Herschatten, herschatte, heeft herschat.
Herschatting, V., herschattingen.
Herscheppen, (van gedaante doen veranderen), herschiep, heeft herschapen.
Herschepper, M., herscheppers.
Herschepping, V., herscheppingen.
Hersenen en Hersens, ook Harsenen en Harsens (mv.), V.
Hersenloos, -looze.
Hersenontsteking, V., -ontstekingen.
Hersenschim, V., -schimmen.
Hersenschimmig, -schimmiger, -schimmigst.
Hersenschudding, V., -schuddingen.
Hersenverweeking, V., -verweekingen.
Hersenvlies, O., -vliezen.
Hersenziekte, V., -ziekten.
Hersmeden, hersmeedde, heeft hersmeed.
Herstel, O.
Herstelbaar, -bare.
Herstellen, herstelde, heeft en is hersteld.
Hersteller, M., herstellers.
Herstelling, V., herstellingen.
Herstellingsoord, V., -oorden.
Herstellingsteeken, O., -teekens.
Herstemming, V., herstemmingen.
Hert, O., herten. Hertje, O., -jes.
Hertebeest, O., -beesten.
Hertebout, M., -bouten.
Hertekop, M., -koppen.
Hertenjacht, V., -jachten.
Hertenkamp, M., -kampen.
Hertevleesch en Hertenvleesch, O.
Hertog, M., hertogen.
Hertogdom, O., hertogdommen.
Hertogelijk.
Hertogin, V., hertoginnen.
Hertrouwen, hertrouwde, heeft en is hertrouwd.
Hertshoorn en Hertshoren (voorwerp), M.; als stofnaam, O.
Hertsleder en -leer, O.
Hertslederen en -leeren (bnw.).
Hervatten, hervatte, heeft hervat.
Hervatting, V.
Hervinden, hervond, heeft hervonden.
Hervormd.
Hervormde, M. en V., Hervormden.
Hervormen, hervormde, heeft hervormd.
Hervormer, M., hervormers.
Hervorming, V., hervormingen.
Hervormingsdag, M.
Hervormingsfeest, O., -feesten.
Hervormingsgezind.
Herwaarts.
Herwinnen, herwon, herwonnen, heeft herwonnen.
Herwinning, V., herwinningen.
Herwissel, M., herwissels.
Herzeggen, herzeide, heeft herzegd en herzeid.
Herzegging, V.
Herzien, herzag, herzagen, heeft herzien.
Herziener, M., herzieners.
Herziening, V., herzieningen.
Hes (volksnaam), M., Hessen.
Hes (kiel), V., hessen. Hesje, O., -jes.
Hesp, V., hespen.
Het.
Heterodox, heterodoxe.
Heterodoxie, V.
Heterogeen, heterogene.
Hette. Zie Hitte.
Hetwelk.
Hetzelfde.
Hetzelve.
Hetzij.
Heug, V. (Tegen - en meug).
Heugel, M., heugels.
Heugen, heugde, heeft geheugd.
Heugenis, V.
Heuglijk, -lijker, -lijkst.
Heuglijkheid, V.
Heuker, M., heukers.
Heul (slaapbol), M.
Heul (hulp), O.
Heul (houten bruggetje), V., heulen. Heultje, O., -jes.
Heulen, heulde, heeft geheuld.
Heulsap, O.
Heulzaad, O.
Heumig, heumiger, heumigst.
Heup, V., heupen. Heupje, O., -jes.
Heupbeen, O., -beenderen.
Heupgewricht, O., -gewrichten.
Heupziekte, V., -ziekten.
Heuristisch.
Heusch, heuscher, meest heusch.
Heusch (bijw.).
Heuschelijk.
Heuschheid, V., -heden.
Heuvel, M., heuvels en heuvelen. Heuveltje, O., -jes.
Heuvelachtig, -achtiger, -achtigst.
Heuvelig, heuveliger, heuveligst.
Heuvelkling, V., -klingen.
Heuveltop, M., -toppen.
Hevel, M., hevels. Heveltje, O., -jes.
Hevelbarometer, M., -meters.
Hevig, heviger, hevigst.
Hevigheid, V., -heden.
Hexameter, M., hexameters.
Hiaat (stooting van klinkers), M.; (gaping), O., hiaten.
Hidalgo, M., hidalgo's.
Hiel, M., hielen. Hieltje, O., -jes.
Hielen, hielde, heeft gehield.
Hieling, V., hielingen.
Hielingsplaat, V., -platen.
Hielingssteek, M., -steken.
Hiep (verkorting van Hypochonder), bnw.
Hier.
Hieraan.
Hierachter.
Hieraf.
Hiërarchie.
Hiëratisch.
Hierbeneden.
Hierbenevens.
Hierbij.
Hierbinnen.
Hierboven.
Hierbuiten.
Hierdoor.
Hierheen.
Hierin.
Hierlangs.
Hiermede.
Hierna.
Hiernaar.
Hiernaast.
Hiernamaals.
Hiernevens.
Hiëroglyphe en Hiëroglief, V., hiëroglyphen en hiërogliefen.
Hierom.
Hieromheen.
Hieromtrent.
Hieronder.
Hierop.
Hierover.
Hiertegen.
Hiertegenover.
Hiertoe.
Hiertusschen.
Hieruit.
Hiervan.
Hiervoor.
Hierzijn, O.
Hij.
Hijgen, hijgde, heeft gehijgd.
Hijlikmaker, M., -makers.
Hijs en Hijze, V., hijzen. Hijsje, O., -jes.
Hijschblok, O., -blokken en -bloks.
Hijschen, heesch, heschen, heeft geheschen.
Hijschtoestel, O., -toestellen.
Hijschtouw, O., -touwen.
Hijze. Zie Hijs.
Hik, M., hikken. Hikje, O., -jes.
Hikken, hikte, heeft gehikt.
Hinde, V., hinden.
Hinder, M.
Hinderen, hinderde, heeft gehinderd.
Hinderlaag, V., -lagen.
Hinderlijk, -lijker, -lijkst.
Hindernis, V., hindernissen.
Hinderpaal, M., -palen.
Hinderwet, V.
Hinkelbaan, V., -banen; -baantje, O., -jes.
Hinkelen, hinkelde, heeft gehinkeld.
Hinken, hinkte, heeft gehinkt.
Hinkepink, M. en V., -pinken.
Hinkepoot, M., -pooten.
Hinniken, hinnikte, heeft gehinnikt.
Hipocras, M.
Hippelen, hippelde, heeft gehippeld.
Hippen, hipte, heeft gehipt.
Hippocreen, V.
Hippopotamus, M., hippopotamussen.
Histologie, V.
Historie, V., historiën en histories. Historietje, O., -jes.
Historiepenning, M., -penningen.
Historieprent, V., -prenten.
Historieschrijver, M., -schrijvers.
Historiestuk, O., -stukken.
Historisch.
Hit, M., hitten. Hitje, O., -jes.
Hitsen, hitste, heeft gehitst.
Hitsigheid, V.
Hitte en Hette, V.
Hittenwagen, M., -wagens; -wagentje, O., -jes.
Ho.
Hobbel, M., hobbels. Hobbeltje, O. -jes.
Hobbelen, hobbelde, heeft gehobbeld.
Hobbelig, hobbeliger, hobbeligst.
Hobbelpaard, O., -paarden; -paardje, O., -jes.
Hobbelstoel, M., -stoelen.
Hobo, V., hobo's.
Hoboïst, M., hoboïsten.
Hoe.
Hoed (hoofddeksel), M., hoeden. Hoedje, O., -jes.
Hoed (maat), O.
Hoedanig.
Hoedanigheid, V., -heden.
Hoede, V.
Hoedebol, M., -bollen.
Hoededoos, V., -doozen.
Hoeden, hoedde, heeft gehoed.
Hoedenfabriek, V., -fabrieken.
Hoedenfabrikant, M., -fabrikanten.
Hoedenmaakster, V., -maaksters.
Hoedenmaker, M., -makers.
Hoedenwinkel, M., -winkels.
Hoedepen, V., -pennen.
Hoeder, M., hoeders.
Hoedster, V., hoedsters.
Hoef (paardenhoef), M., hoeven. Hoefje, O., -jes.
Hoef en Hoeve (hofstede), V., hoeven. Hoefje, O., -jes.
Hoefbeslag, O.
Hoefijzer, O., -ijzers.
Hoefslag, M., -slagen.
Hoefsmederij, V., -smederijen.
Hoefsmid, M., -smeden.
Hoefstal, M., -stallen.
Hoegenaamd.
Hoegrootheid, V.
Hoek, M., hoeken. Hoekje, O., -jes.
Hoeker, M., hoekers.
Hoekhuis, O., -huizen.
Hoekig, hoekiger, hoekigst.
Hoekigheid, V.
Hoekpunt, O., -punten.
Hoekpuntslijn, V., -lijnen.
Hoeksch.
Hoeksche, M. en V., Hoekschen.
Hoekschop, M., -schoppen.
Hoeksteen, M., -steenen.
Hoekswijze en -wijs.
Hoektand, M., -tanden.
Hoekzak, M., -zakken.
Hoelang (Tot -).
Hoen, O., hoenderen en hoenders. Hoentje, O., hoentjes en hoendertjes.
Hoenderdief, M., -dieven.
Hoenderdrek, M.
Hoenderei, O., -eieren; -eitje, O., -eitjes en -eiertjes.
Hoenderhof, M.
Hoenderhok, O., -hokken.
Hoendermaag, V.
Hoendermarkt, V., -markten.
Hoendermelker, M., -melkers.
Hoendermest, M.
Hoenderpark, O., -parken.
Hoep, M., hoepen. Hoepje, O., -jes.
Hoepel, M., hoepels. Hoepeltje, O., -jes.
Hoepelen, hoepelde, heeft gehoepeld.
Hoepelrok, M., -rokken.
Hoepelstok, M., -stokken.
Hoer, V., hoeren. Hoertje, O., -jes.
Hoera.
Hoereerder, M., hoereerders.
Hoereeren, hoereerde, heeft gehoereerd.
Hoerekind, O., -kinderen.
Hoerenhuis, O., -huizen.
Hoerenjager, M., -jagers.
Hoerenwaard, M., -waarden.
Hoes, V., hoezen. Hoesje, O., -jes.
Hoest, M.
Hoestbui, V., -buien.
Hoesten, hoestte, heeft gehoest.
Hoetelaar, M., hoetelaars.
Hoetelen, hoetelde, heeft gehoeteld.
Hoeve. Zie Hoef.
Hoeveel.
Hoeveelheid, V., -heden.
Hoeveelste.
Hoeven, hoefde, heeft gehoefd.
Hoevenaar, M., hoevenaars en hoevenaren.
Hoever en Hoeverre.
Hoewel.
Hoezee.
Hoezeer.
Hof (tuin), M., hoven.
Hof (vorstelijk verblijf), O., hoven.
Hofbal, O., -bals.
Hofcabaal, O., -cabalen.
Hofcharge, V., -charges.
Hofdame, V., -dames.
Hoffelijk, -lijker, -lijkst.
Hoffelijkheid, V., -heden.
Hofhoorig.
Hofhoorigheid, V.
Hofhouding, V., -houdingen.
Hofje, O., -jes.
Hofjesjuffrouw, V., -juffrouwen.
Hofkring, M., -kringen.
Hofleverancier, M., -leveranciers.
Hofmeester, M., -meesters.
Hofphotograaf, M., -photografen.
Hofprediker, M., -predikers.
Hofrijtuig, O., -rijtuigen.
Hofstad, V., -steden.
Hofstede en Hofstee, V., -steden.
Hofstoet, M.
Hoggen, hogde, heeft gehogd.
Hok, O., hokken. Hokje, O., -jes.
Hokkeling, M. en V., hokkelingen.
Hokken, hokte, heeft gehokt.
Hokkerig, hokkeriger, hokkerigst.
Hokkerigheid, V.
Hokvast.
Hol (het hollen), M.
Hol (uitgeholde ruimte), O., holen. Holletje, O., -jes.
Hol, holler, holst.
Hola en Holla.
Holderdebolder.
Holheid, V.
Holla. Zie Hola.
Holland, O.
Hollander (volksnaam), M., Hollanders.
Hollander (maal- of roerbak), M., hollanders.
Hollandsch.
Hollandsch, O.
Hollen, holde, heeft en is gehold.
Holligheid, V., -heden.
Holographisch.
Holoogig.
Holrond.
Holsblok, O., -blokken.
Holster, M., holsters.
Holte, V., holten.
Hom, V., hommen. Hommetje, O., -jes.
Hombaars, M., -baarzen.
Homiletiek, V.
Hommel, V., hommels. Hommeltje, O., -jes.
Hommeles.
Hommer, M., hommers.
Hommergat, O., -gaten.
Homoeopaat, M., homoeopaten.
Homoeopathie, V.
Homoeopathisch.
Homogeen, homogene.
Homogeniteit, V.
Homologatie, V., homologatiën en homologaties.
Homologeeren, homologeerde, heeft gehomologeerd.
Homoniem.
Homoniem, O., homoniemen.
Homp, V., hompen. Hompje, O., -jes.
Hompelen, hompelde, heeft en is gehompeld.
Hompelvoet, M. en V., -voeten.
Hond, M., honden. Hondje, O., -jes.
Hondefok, V., -fokken.
Hondejong, O., -jongen.
Hondekar, V., -karren; -karretje, O., -jes.
Hondekot, O., -kotten.
Hondenbaantje, O., -jes.
Hondenbelasting, V.
Hondenbrood, O.
Hondendokter, M., -dokters.
Hondenend, O., -enden.
Hondenhaar, O.
Hondenhok, O., -hokken.
Hondenkost, M.
Hondenleer, O.
Hondenslager, M., -slagers.
Hondententoonstelling, V., -stellingen.
Hondenwacht, V.
Hondenwagen, M., -wagens.
Hondenweer, O.
Hondenwerk, O.
Hondenziekte, V.
Hondenzweep, V., -zweepen.
Honderd.
Honderd, O., honderden.
Honderdjarig.
Honderdmaal.
Honderdste.
Honderdtal, O., -tallen.
Honderdvoud, O.
Honderdvoudig.
Honderdwerf.
Hondestaart, M., -staarten.
Hondetong (plant), V.
Hondevel, O., -vellen.
Hondsch, hondscher, meest hondsch.
Hondschheid, V.
Hondsdagen (mv.), M.
Hondsdolheid, V.
Hondsdraf (plant), V.
Hondsgesternte en -gestarnte, O.
Hondskop, M., -koppen.
Hondsster en -star, V.
Hondsvot, M., -votten.
Hongaar, M., Hongaren.
Hongaarsch.
Hongaarsch, O.
Hongarije, O.
Honger, M.
Hongeren, hongerde, heeft gehongerd.
Hongerig, hongeriger, hongerigst.
Hongerkuur, V., -kuren.
Hongerlijder, M., -lijders.
Hongersnood, M.
Honig en Honing, M.
Honigachtig en Honingachtig, -achtiger, -achtigst.
Honigbij en Honingbij, V., -bijen.
Honigdauw en Honingdauw, M.
Honigraat en Honingraat, V., -raten.
Honigzeem en Honingzeem, O.
Honigzoet en Honingzoet.
Honk, O.
Honken, honkte, heeft gehonkt.
Honnig, honniger, honnigst.
Honorabel, honorabeler, honorabelst.
Honorair.
Honorarium, O., honoraria.
Honoreeren, honoreerde, heeft gehonoreerd.
Hoofd, O., hoofden. Hoofdje, O., -jes.
Hoofdadministratie, V.
Hoofdambtenaar, M., -ambtenaren en -ambtenaars.
Hoofdartikel, O., -artikelen.
Hoofdas, V., -assen.
Hoofdbewerker, M., -bewerkers.
Hoofdbreken, O.
Hoofddeksel, O., -deksels.
Hoofddoek, M., -doeken.
Hoofddoel, O.
Hoofdelijk.
Hoofdeloos, -looze.
Hoofdeneinde, O.
Hoofdenschool, V., -scholen.
Hoofdgebouw, O., -gebouwen.
Hoofdhaar, O.
Hoofdig, hoofdiger, hoofdigst.
Hoofdigheid, V.
Hoofdingeland, M., -ingelanden.
Hoofdingenieur, M., -ingenieurs.
Hoofdinhoud, M.
Hoofdinspecteur, M., -inspecteurs.
Hoofdkaas, V., -kazen; -kaasje, O., -jes.
Hoofdkraan, V., -kranen.
Hoofdkussen, O., -kussens.
Hoofdkwartier, O., -kwartieren.
Hoofdmaaltijd, M., -maaltijden.
Hoofdmacht, V.
Hoofdman, M., -mannen en -lieden.
Hoofdofficier, M., -officieren.
Hoofdonderwijzer, M., -onderwijzers.
Hoofdopzichter, M., -opzichters.
Hoofdpersoon, M. en V., -personen.
Hoofdpijn, V., -pijnen.
Hoofdplaats, V., -plaatsen.
Hoofdredacteur, M., -redacteurs.
Hoofdschudden, O.
Hoofdschudding, V.
Hoofdsom, V., -sommen.
Hoofdstad, V., -steden.
Hoofdvak, O., -vakken.
Hoofdwacht, V.
Hoofdwater, O., -wateren.
Hoofdweg, M., -wegen.
Hoofdzaak, V., -zaken.
Hoofsch, hoofscher, meest hoofsch.
Hoofschheid, V.
Hoog, hooger, hoogst.
Hoogaars, V., hoogaarzen.
Hoogachtbaar, -bare.
Hoogachten, achtte hoog, heeft hooggeacht.
Hoogachting, V.
Hoogaltaar, O., -altaren.
Hoogambt, O., -ambten.
Hoogbejaard.
Hoogdag, M., -dagen.
Hoogdienst, M., -diensten.
Hoogdravend, -dravender, -dravendst.
Hoogdravendheid, V.
Hoogduitsch.
Hoogduitsch, O.
Hoogduitscher, M., -duitschers.
Hoogeerwaard.
Hoogelied, O.
Hoogelijk en Hooglijk.
Hoogen, hoogde, heeft gehoogd.
Hoogepriester, M., -priesters.
Hoogerhand, V.
Hoogerhuis, O.
Hoogerop.
Hoogeschool, V., -scholen.
Hooggaand.
Hooggeacht.
Hooggeboren.
Hooggeel, -gele.
Hooggeleerd.
Hooggeplaatst.
Hooggeschat, -geschatte.
Hooghartig, -hartiger, -hartigst.
Hooghartigheid, V.
Hoogheemraad, M., -heemraden.
Hoogheemraadschap, O., -schappen.
Hoogheid, V., -heden.
Hooging, V., hoogingen.
Hooglander, M., -landers.
Hoogleeraar, M., -leeraren en -leeraars.
Hoogloopend.
Hoogmis, V.
Hoogmoed, M.
Hoogmoedig, -moediger, -moedigst.
Hoogmogend.
Hoognoodig.
Hoogoven, M., -ovens.
Hoogrood, -roode.
Hoogschatten, schatte hoog, heeft hooggeschat.
Hoogschatter, M., -schatters.
Hoogschatting, V.
Hoogsel, O., hoogsels.
Hoogst.
Hoogstammig.
Hoogte, V., hoogten. Hoogtetje, O., -jes.
Hoogtelijn, V., -lijnen.
Hoogtepunt, O., -punten.
Hoogtijd, M., -tijden.
Hoogverraad, O.
Hoogvlieger, M., -vliegers.
Hoogwaardige, O.
Hoogwelgeboren.
Hoogzuinig.
Hooi, O.
Hooiberg, M., -bergen.
Hooiboter, V.
Hooibouw, M.
Hooien, hooide, heeft gehooid.
Hooier, M., hooiers.
Hooikist, V., -kisten; -kistje, O., -jes.
Hooiland, O., -landen.
Hooimaand, V.
Hooimijt, V., -mijten.
Hooischelf, V., -schelven.
Hooischuur, V., -schuren.
Hooivork, V., -vorken.
Hooiwagen, M., -wagens.
Hoon, M.
Hoonen, hoonde, heeft gehoond.
Hoonend, hoonender, hoonendst.
Hoop (menigte), M., hoopen. Hoopje, O., -jes.
Hoop en Hope (verwachting), V.
Hoopen (opstapelen), hoopte, heeft gehoopt.
Hoopsgewijze en -gewijs.
Hoopvol, -volle.
Hoorbaar, -bare.
Hoorder, M., hoorders.
Hoorderes, V., hoorderessen.
Hooren, hoorde, heeft gehoord.
Hoorn en Horen (als stofnaam), O.; (als voorwerp), M., hoornen, hoorns en horens. Hoorntje en horentje. O., -jes.
Hoornachtig en Horenachtig, -achtiger, -achtigst.
Hoornblazer, M., -blazers.
Hoornen (bnw.).
Hoorngeschal, O.
Hoornist, M., hoornisten.
Hoornsignaal, O., -signalen.
Hoornvee, O.
Hoos (waterhoos), V., hoozen.
Hoos (kous), V., hozen.
Hoosgat, O., -gaten.
Hoosvat, O., -vaten.
Hoovaardig, -vaardiger, -vaardigst.
Hoovaardij, V.
Hoozen, hoosde, heeft gehoosd.
Hop (vogel), M., hoppen.
Hop (plant), V.
Hopeloos, -looze.
Hopen (verwachten), hoopte, heeft gehoopt.
Hopje, O., -jes.
Hopman, M., -mans en -lieden.
Hoppebloem, V., -bloemen.
Hoppekorrel, V., -korrels.
Hoppen, hopte, heeft gehopt.
Hopperd, M.
Hoppestaak, M., -staken.
Hoppezak, M., -zakken.
Hopsasa.
Hor, V., horren. Horretje, O., -jes.
Horde, V., horden.
Hordenvlechter, M., -vlechters.
Hordenwand, M., -wanden.
Horen. Zie Hoorn.
Horizon en Horizont, M., horizonten.
Horizontaal, horizontale.
Horlepijp, V., horlepijpen.
Horloge, O., horloges. Horlogetje, O., -jes.
Horlogeglas, O., -glazen.
Horlogeketting, M., -kettingen.
Horlogemaker, M., -makers.
Horlogesleutel, M., -sleutels; -sleuteltje, O., -jes.
Horlogestander, M., -standers.
Horlogeveer, V., -veeren.
Horlogewijzer, M., -wijzers.
Horlogezakje, O., -zakjes.
Horn, M., hornen.
Horoscoop, M., horoscopen.
Horrel, M., horrels.
Horrelvoet (misvormde voet), M., -voeten.
Horrelvoet (persoon), M. en V., -voeten.
Horribel, horribeler, horribelst.
Hort (stoot), M., horten. Hortje, O., -jes.
Hort (Op de -), V.
Horten, hortte, heeft gehort.
Hortensia, V., hortensia's.
Horzel, V., horzels en horzelen.
Hospita, V., hospita's.
Hospitaal, O., hospitalen.
Hospitaaldienst, M., -diensten.
Hospitaallinnen, O.
Hospitaalsoldaat, M., -soldaten.
Hossebossen, hosseboste, heeft gehossebost.
Hossen, hoste, heeft gehost.
Hostie, V., hostiën en hosties.
Hot, V.
Hotel, O., hotels.
Hotelhouder, M., -houders.
Hotsen, hotste, heeft gehotst.
Hotten, hotte, heeft gehot.
Hottentot, M., Hottentotten.
Hottentotsch.
Hou (bnw.). (Hou en getrouw).
Houdbaar, -bare.
Houden, hield, heeft gehouden.
Houder, M., houders.
Houding, V., houdingen.
Houdster, V., houdsters.
Houkind, O., -kinderen.
Houpaard, O., -paarden. Houpaardje, O., -jes.
Hout, O., houten. Houtje, O., -jes.
Houtachtig, -achtiger, -achtigst.
Houtazijn, M.
Houtdeeg, O.
Houtduif, V., -duiven.
Houten (bnw.).
Houterig, houteriger, houterigst.
Houterigheid, V.
Houtgravure, V., -gravures.
Houthak, M.
Houthakker, M., -hakkers.
Houthandel, M.
Houtig, houtiger, houtigst.
Houting, M., houtingen.
Houtkooper, M., -koopers.
Houtluis, V., -luizen.
Houtmarkt, V., -markten.
Houtskool, V., -kolen.
Houtskoolbriket, V., -briketten.
Houtsnede en Houtsnee, V., -sneden, en -sneeën; -sneetje. O., -jes.
Houtsnip, V., -snippen.
Houtvester, M., -vesters.
Houtvesterij, V.
Houtwol, V.
Houtzaagmolen, M., -molens.
Houtzager, M., -zagers.
Houvast, O., houvasten.
Houw, M., houwen.
Houwbijl, V., -bijlen.
Houwblok, O., -blokken.
Houwbosch, O., -bosschen.
Houweel, O., houweelen.
Houwen, hieuw, heeft gehouwen.
Houwer, M., houwers. Houwertje, O., -jes.
Houwhamer, M., -hamers.
Houwitser, M., houwitsers.
Houwitserbatterij, V., -batterijen.
Houwmes, O., -messen.
Hoveling, M., hovelingen.
Hoven, hoofde, heeft gehoofd.
Hovenier, M., hoveniers en hovenieren.
Hovenieren, hovenierde, heeft gehovenierd.
Hovenierskunst, V.
Hoveniersmes, O., -messen.
Hugenoot, M., Hugenoten.
Hui, V.
Hui (tusschenw.).
Huichelaar, M., huichelaars en huichelaren.
Huichelaarster, V., huichelaarsters.
Huichelachtig, -achtiger, -achtigst.
Huichelarij, V., huichelarijen.
Huichelen, huichelde, heeft gehuicheld.
Huid, V., huiden. Huidje, O., -jes.
Huidenkooper, M., -koopers.
Huidenmarkt, V., -markten.
Huidig.
Huidkleur, V.
Huidklier, V., -klieren.
Huiduitslag, M.
Huidvetten, huidvette, heeft gehuidvet.
Huidvetter, M., -vetters.
Huidvetterij, V., -vetterijen.
Huidziekte, V., -ziekten.
Huif, V., huiven. Huifje, O., -jes.
Huig, V., huigen. Huigje, O., -jes.
Huik, V., huiken. Huikje, O., -jes.
Huiken, huikte, heeft gehuikt.
Huiker, M., huikers.
Huilebalk (persoon), M. en V., -balken.
Huilebalk (hoed), V., -balken.
Huilebalken, huilebalkte, heeft gehuilebalkt.
Huilen, huilde, heeft gehuild.
Huilerig, huileriger, huilerigst.
Huis, O., huizen. Huisje, O., -jes.
Huisakte, V., -akten.
Huisbaas, M., -bazen.
Huisbakken.
Huisbel, V., -bellen; -belletje, O., -jes.
Huisdeur, V., -deuren.
Huisdier, O., -dieren.
Huisdokter, M., -dokters.
Huiselijk en Huislijk, -lijker, -lijkst.
Huiselijkheid en Huislijkheid, V.
Huisgenoot, M., -genooten.
Huisgenoote, V., -genooten.
Huishoudboek, O., -boeken; -boekje, O., -jes.
Huishoudelijk, -lijker, -lijkst.
Huishoudelijkheid, V.
Huishouden, O., -houdens. Huishoudentje, O., -jes.
Huishouden, hield huis, heeft huisgehouden.
Huishouder, M., -houders.
Huishoudgeld, O.
Huishoudgroente, V., -groenten.
Huishouding, V., -houdingen. Huishoudinkje, O., -jes.
Huishoudkunde, V.
Huishoudschool, V., -scholen.
Huishoudster, V., -houdsters.
Huishoudzeep, V.
Huishuur, V., -huren.
Huisjesmelker, M., -melkers.
Huisjesslak, V., -slakken.
Huiskamer, V., -kamers.
Huisknecht, M., -knechts.
Huismanskiesrecht, O.
Huismiddel, O., -middelen; -middeltje, O., -jes.
Huismoeder, V., -moeders; -moedertje, O., -jes.
Huisonderwijzer, M., -onderwijzers.
Huisprelaat, M., -prelaten.
Huisraad, O.
Huisschilder, M., -schilders.
Huissleutel, M., -sleutels.
Huistiran, M., -tirannen.
Huisvader, M., -vaders.
Huisvesten, huisvestte, heeft gehuisvest.
Huisvesting, V.
Huisvrouw, V., -vrouwen.
Huiswaarts.
Huiszittend.
Huiszittenhuis, O., -huizen.
Huiszoeking, V., -zoekingen.
Huiven, huifde, heeft gehuifd.
Huiveren, huiverde, heeft gehuiverd.
Huiverig, huiveriger, huiverigst.
Huiverigheid, V.
Huivering, V., huiveringen.
Huiveringwekkend, -wekkender, -wekkendst.
Huizen, huisde, heeft gehuisd.
Huizing, V., huizingen.
Hul, V., hullen. Hulletje, O., -jes.
Hulde, V.
Huldebetoon, O.
Huldeblijk, O., -blijken.
Hulden, huldde, heeft gehuld.
Huldigen, huldigde, heeft gehuldigd.
Huldiging, V., huldigingen.
Huldigingseed, M.
Hulk, V., hulken. Hulkje, O., -jes.
Hullen, hulde, heeft gehuld.
Hulp, V.
Hulpbank, V., -banken.
Hulpeloos, -loozer.
Hulpeloosheid, V.
Hulpkantoor, O., -kantoren.
Hulplijn, V., -lijnen.
Hulpmiddel, O., -middelen.
Hulppersoneel, O.
Hulpvaardig, -vaardiger, -vaardigst.
Hulpvaardigheid, V.
Huls en Hulze, V., hulzen.
Hulsel, O., hulsels. Hulseltje, O., -jes.
Hulst, M., hulsten.
Hulze. Zie Huls.
Hulzenbosch, O., -bosschen.
Hum (tusschenw.).
Humaan, humaner, humaanst.
Humanisme, O.
Humanist, M., humanisten.
Humaniteit, V.
Humeur, O., humeuren. Humeurtje, O., -jes.
Hummen, humde, heeft gehumd.
Humor, M.
Humorist, M., humoristen.
Humoristisch.
Hun.
Hunebed en Hunnebed, O., -bedden.
Hunkeren, hunkerde, heeft gehunkerd.
Hunkering, V., hunkeringen.
Hunnebed. Zie Hunebed.
Hunnent (Te -).
Hunnenthalve.
Hunnentwege.
Hunnentwil (Om -).
Huppelen, huppelde, heeft en is gehuppeld.
Hupsch, hupscher, meest hupsch.
Hupschheid, V.
Huren, huurde, heeft gehuurd.
Hurk, V., hurken.
Hurken, hurkte, heeft gehurkt.
Hut, V., hutten. Hutje, O., -jes.
Hutjongen, M., -jongens.
Hutkoffer, M., -koffers.
Hutselen, hutselde, heeft gehutseld.
Hutspot, V.
Huur, V., huren.
Huurceêl, V., -ceêlen.
Huurcontract, O., -contracten.
Huurder, M., huurders.
Huurhuis, O., -huizen; -huisje, O., -jes.
Huurkoetsier, M., -koetsiers.
Huurling, M. en V., huurlingen.
Huurpenningen (mv.), M.
Huurprijs, M.
Huurrijtuig, O., -rijtuigen.
Huurwaarde, V., -waarden.
Huwbaar, -bare.
Huwelijk, O., huwelijken.
Huwelijksaanzoek, O., -aanzoeken.
Huwelijksbed, O.
Huwelijksbericht, O., -berichten.
Huwelijksbootje, O.
Huwelijksch.
Huwelijkscontract, O., -contracten.
Huwelijksgeluk, O.
Huwelijksgift, V., -giften.
Huwelijksgoed, O.
Huwelijksleven, O.
Huwelijksliefde, V.
Huwelijksplicht, M., -plichten.
Huwelijksreis, V., -reizen; -reisje, O., -jes.
Huwelijkstrouw, V.
Huwelijksvoltrekking, V., -voltrekkingen.
Huwelijksvoorwaarde, V., -voorwaarden.
Huwelijkszegen, M.
Huwen, huwde, heeft en is gehuwd.
Huzaar, M., huzaren.
Huzarenmantel, M., -mantels.
Huzarensla, V.
Hyacint (edelgesteente), M., hyacinten; (als stofnaam), O.
Hyacint (bloem), V., hyacinten.
Hybridisch.
Hydra, V.
Hydraulica, V.
Hydraulisch.
Hydrographisch.
Hyena, V., hyena's.
Hygiëne, V.
Hymne, V., hymnen.
Hyperbolisch.
Hyperbool, V., hyperbolen.
Hypochonder.
Hypochondrie, V.
Hypotenusa, V., hypotenusa's.
Hypotheek, V., hypotheken.
Hypotheekbank, V., -banken.
Hypotheekbewaarder, M., -bewaarders.
Hypothese, V., hypothesen.
Hypothetisch.
Hysop, V.
Hysterie, V.
Hysterisch.
I
I, V., i's.
Ibis, M., ibissen.
Ideaal, O., idealen.
Ideaal (bnw.).
Idealiseeren, idealiseerde, heeft geïdealiseerd.
Idee, V. en O., ideeën. Ideetje, O., -jes.
Identiek.
Identiteit, V.
Idioma, O.
Idiomatisch.
Idioom, O., idiomen.
Idioot, M., idioten.
Idiotisme, O., idiotismen.
Idolaat.
Idylle, V., idyllen.
Idyllisch.
Ieder.
Iedereen.
Iegelijk.
Iemand.
Iep, enz. Zie IJp, enz.
Ier, M., Ieren.
Iersch.
Iersch, O.
Iets.
Ietwat.
Iezegrim, M.
Ignoreeren, ignoreerde, heeft geïgnoreerd.
IJdel, ijdeler, ijdelst.
IJdelheid, V., -heden.
IJdeltuit, V., -tuiten. IJdeltuitje, O., -jes.
IJdeltuiterij, V.
IJf, M., ijven.
IJk, M.
IJken, ijkte, heeft geijkt.
IJker, M., ijkers.
IJkerspost, M., -posten; -postje, O., -jes.
IJkhamer, M., -hamers.
IJkhuisje, O., -jes.
IJkijzer, O.; -ijzers.
IJking, V., ijkingen.
IJkkantoor, O., -kantoren.
IJkmaat, V., -maten.
IJkmeester, M., -meesters.
IJkplaats, V., -plaatsen.
IJkwezen, O.
IJl, V. (In aller -).
IJl, ijler, ijlst.
IJlen (spoeden), ijlde, heeft en is geijld.
IJlen (in de koorts), ijlde, heeft geijld.
IJlgoed, O., -goederen.
IJlheid, V.
IJlhoofdig, -hoofdiger -hoofdigst.
IJlhoofdigheid, V.
IJlings.
IJp (en Iep), M., ijpen (iepen).
IJpeboom (en Iepeboom), M., -boomen.
IJpelaar (en Iepelaar), M., ijpelaars (iepelaars).
IJpeloof en IJpenloof (en Iepeloof, Iepenloof), O.
IJpen (en Iepen) (bnw.).
IJpenbosch (en Iepenbosch), O., -bosschen.
IJpenlaan (en Iepenlaan), V., -lanen.
IJs, O.
IJsbaan, V., -banen.
IJsbeer, M., -beren.
IJsbreker, M., -brekers.
IJsclub, V., -clubs.
IJselijk, -lijker, -lijkst.
IJselijkheid, V., -heden.
IJsgang, M.
IJskast, V., -kasten.
IJskegel, M., -kegels.
IJskelder, M., -kelders.
IJskist, V., -kisten.
IJskoud.
IJsploeg, M., -ploegen.
IJsschol, V., -schollen.
IJsschots, V., -schotsen.
IJsvermaak, O., -vermaken.
IJswater, O.
IJszak, M., -zakken.
IJver, M.
IJveraar, M., ijveraren en ijveraars.
IJveren, ijverde, heeft geijverd.
IJverig, ijveriger, ijverigst.
IJverzucht, V.
IJverzuchtig, -zuchtiger, -zuchtigst.
IJzel, M.
IJzelen, ijzelde, heeft geijzeld.
IJzen, ijsde, heeft geijsd.
IJzer, O., ijzers. IJzertje, O., -jes.
IJzerachtig, -achtiger, -achtigst.
IJzerdraad, O.
IJzeren (bnw.).
IJzererts, O.
IJzergieterij, V., -gieterijen.
IJzerglans, O.
IJzerhard.
IJzerhout, O.
IJzerhouten (bnw.).
IJzeroxyde, O.
IJzerroest, O.
IJzersmelterij, V., -smelterijen.
IJzersterk.
IJzervitriool, O.
IJzervreter, M., -vreters.
IJzerwaren (mv.), V.
IJzerwinkel, M., -winkels.
IJzig, ijziger, ijzigst.
IJzigheid, V.
IJzingwekkend, -wekkender, -wekkendst.
Ik.
Ikheid, V.
Ikker, M., ikkers.
Ilias, V., Iliaden.
Illiberaal, illiberaler, illiberaalst.
Illiberaliteit, V.
Illuminatie, V., illuminatiën en illuminaties.
Illumineeren, illumineerde, heeft geïllumineerd.
Illusie, V., illusiën en illusies.
Illustratie, V., illustratiën en illustraties.
Illustreeren, illustreerde, heeft geïllustreerd.
Imker, M., imkers.
Immer.
Immermeer.
Immers.
Immigrant, M., immigranten.
Immigratie, V.
Immoraliteit, V.
Immoreel, immoreeler, immoreelst.
Imperatief en Imperativus, M., imperatieven.
Imperiaal, V., imperialen.
Imperialisme, O.
Impertinent, impertinenter, impertinentst.
Impertinentie, V., impertinentiën en impertinenties.
Imponeeren, imponeerde, heeft geïmponeerd.
Important, importanter, importantst.
Importantie, V.
Imposant, imposanter, imposantst.
Impost, M., imposten.
Impressie, V., impressies.
Impressionnisme, O.
Improductief, improductiever, improductiefst.
Impromptu, O., impromptu's.
Improvisatie, V., improvisatiën en improvisaties.
Improvisator, M., improvisators en improvisatoren.
Improviseeren, improviseerde, heeft geïmproviseerd.
In.
Inachtneming, V.
Inademen, ademde in, heeft ingeademd.
Inademing, V., -ademingen.
Inauguratie, V., inauguratiën en inauguraties.
Inaugureel, inaugureele.
Inaugureeren, inaugureerde, heeft geïnaugureerd.
Inbakeren, bakerde in, heeft ingebakerd.
Inbeelden (zich -), beeldde (zich) in, heeft (zich) ingebeeld.
Inbeelding, V., -beeldingen.
Inbegrip, O.
Inbeslagneming. V., -nemingen.
Inbewaringhouding, V.
Inbewaringneming, V.
Inbezitneming, V., -nemingen.
Inbezitstelling, V.
Inbijten, beet in, beten in, heeft ingebeten.
Inbijten (bijt hakken), bijtte in, heeft ingebijt.
Inbinden, bond in, heeft ingebonden.
Inblazen, blies in, bliezen in, heeft ingeblazen.
Inblazer, M., -blazers.
Inblazing, V., -blazingen.
Inblijven, bleef in, bleven in, is ingebleven.
Inboedel en Inboel, M., -boedels en -boelen. Inboedeltje (inboeltje), O., -jes.
Inboeken, boekte in, heeft ingeboekt.
Inboezemen, boezemde in, heeft ingeboezemd.
Inboezeming, V., -boezemingen.
Inboorling, M. en V., -boorlingen. V. ook inboorlinge.
Inborst, V.
Inbraak, V.
Inbranden, brandde in, heeft en is ingebrand.
Inbreien, breide in, heeft ingebreid.
Inbreken, brak in, braken in, heeft ingebroken.
Inbreker, M., -brekers.
Inbreng, M.
Inbrengen, bracht in, heeft ingebracht.
Inbrenger, M., -brengers.
Inbrengst, V., -brengsten.
Inbreuk, V.
Inbrokkelen, brokkelde in, heeft ingebrokkeld.
Inbuigen, boog in, bogen in, heeft en is ingebogen.
Inbuiging, V.
Incarnatie, V.
Incasseeren, incasseerde, heeft geïncasseerd.
Incasseering, V., incasseeringen.
Incident, O., incidenten.
Incidenteel.
Inclinatie, V., inclinatiën en inclinaties.
Inclineeren, inclineerde, heeft geïnclineerd.
Incluis.
Incognito, O.
Incommodeeren, incommodeerde, heeft geïncommodeerd.
Incompatibel.
Incompatibiliteit, V., incompatibiliteiten.
Incompetent.
Incompetentie, V., incompetentiën en incompetenties.
Incompleet, incompleter, incompleetst.
Inconsequent, inconsequenter, inconsequentst.
Inconsequentie, V., inconsequentiën en inconsequenties.
Inconstitutioneel, inconstitutioneele.
Inconveniënt, O., inconveniënten.
Incunabel, M., incunabelen.
Indachtig.
Indagen, daagde in, heeft ingedaagd.
Indaging, V., -dagingen.
Indammen, damde in, heeft ingedamd.
Indamming, V., -dammingen.
Indecent, indecenter, indecentst.
Indecentie, V., indecentiën en indecenties.
Indeelen, deelde in, heeft ingedeeld.
Indelven, dolf in, dolven in, heeft ingedolven.
Indemniteit, V., indemniteiten.
Indenken, dacht in, heeft ingedacht.
Inderdaad.
Inderhaast.
Indertijd.
Indeuken, deukte in, is ingedeukt.
Index, M., indices.
Indiaan, M., Indianen.
Indiaansch.
Indicatief en Indicativus, M., indicatieven.
Indictie, V., indictiën.
Indië, O., Indiën.
Indien.
Indienen, diende in, heeft ingediend.
Indiening, V.
Indiër, M., Indiërs.
Indigestie, V.
Indigo, V.
Indijken, dijkte in, heeft ingedijkt.
Indijking, V., -dijkingen.
Indirect.
Indisch.
Indiscreet, indiscreter, indiscreetst.
Indiscretie, V., indiscreties.
Individu, O., individuen en individu's.
Individualisme, O.
Individualiteit, V.
Individueel, individueele.
Indo, M., Indo's.
Indo-germaansch.
Indolent, indolenter, indolentst.
Indolentie, V.
Indoloog, M., Indologen.
Indommelen, dommelde in, is ingedommeld.
Indompeling, V., -dompelingen.
Indoopen, doopte in, heeft ingedoopt.
Indooping, V., -doopingen.
Indraaien, draaide in, heeft en is ingedraaid.
Indragen, droeg in, heeft ingedragen.
Indraven, draafde in, is ingedraafd.
Indrijven, dreef in, dreven in, heeft en is ingedreven.
Indringen, drong in, heeft en is ingedrongen.
Indringend, -dringender, -dringendst.
Indringendheid, V.
Indringer, M., -dringers.
Indrinken, dronk in, heeft ingedronken.
Indrogen, droogde in, is ingedroogd.
Indroging, V.
Indroog, -droge.
Indruischen, druischte in, heeft en is ingedruischt.
Indruk, M., -drukken.
Indrukken, drukte in, heeft ingedrukt.
Indruksel, O., -druksels en -drukselen. Indrukseltje, O., -jes.
Indruppelen, druppelde in, is ingedruppeld.
Inductie, V., inducties en inductiën.
Inductiestroom, M., -stroomen.
Induiken, dook in, doken in, heeft en is ingedoken.
Indulgentie, V., indulgentiën.
Industrie, V., industrieën.
Industrieel, industrieele.
Industrieel, M., industrieelen.
Industrieschool, V., -scholen.
Indutten, dutte in, is ingedut.
Induwen, duwde in, heeft ingeduwd.
Ineen.
Ineendraaien, draaide ineen, heeft ineengedraaid.
Ineenfrommelen, frommelde ineen, heeft ineengefrommeld.
Ineenkrimpen, kromp ineen, is ineengekrompen.
Ineenkrimping, V.
Ineenloopen, liep ineen, is ineengeloopen.
Ineenrollen, rolde ineen, heeft ineengerold.
Ineenschakelen, schakelde ineen, heeft ineengeschakeld.
Ineenschakeling, V.
Ineenschakelingscommissie, V.
Ineenschuiven, schoof ineen, schoven ineen, heeft ineengeschoven.
Ineenslaan, sloeg ineen, heeft ineengeslagen.
Ineensluiten, sloot ineen, sloten ineen, heeft ineengesloten.
Ineensmelten, smolt ineen, heeft ineengesmolten.
Ineenstorten, stortte ineen, is ineengestort.
Ineenstorting, V.
Ineenvloeien, vloeide ineen, is ineengevloeid.
Ineenvoegen, voegde ineen, heeft ineengevoegd.
Ineenvoeging, V., -voegingen.
Ineenzetten, zette ineen, heeft ineengezet.
Ineenzetting, V.
Ineenzinken, zonk ineen, is ineengezonken.
Inenten, entte in, heeft ingeënt.
Inenting, V., -entingen.
Infaam, infamer, infaamst.
Infamie, V.
Infanterie, V.
Infanteriekazerne, V., -kazernen.
Infanterist, M., infanteristen.
Inferieur.
Inferieur, M., inferieuren.
Infirmerie, V., infirmerieën.
Influenza, V.
Influenzalijder, M., -lijders.
Influisteren, fluisterde in, heeft ingefluisterd.
Informatie, V., informatiën en informaties.
Informatiebureau, O., -bureau's.
Informeeren, informeerde, heeft geïnformeerd.
Infusiediertje, O., -jes.
Ingaan, gaat in, ging in, is en heeft ingegaan.
Ingang, M., -gangen.
Ingebeeld, -gebeelder, -gebeeldst.
Ingeboren.
Ingeërfde, M. en V., -geërfden.
Ingeland en Ingelande, M., -gelanden.
Ingelande, V., -gelanden.
Ingenieur, M., ingenieurs.
Ingenieursplaats, V., -plaatsen.
Ingenieus, ingenieuzer.
Ingenomen, -genomener, -genomenst.
Ingenomenheid, V.
Ingeschapen.
Ingesloten.
Ingetogen, -getogener, -getogenst.
Ingetogenheid, V.
Ingeval (voegw.).
Ingeven, gaf in, gaven in, heeft ingegeven.
Ingeving, V., -gevingen.
Ingevolge.
Ingewand, O., -gewanden.
Ingewandskwaal, V., -kwalen.
Ingewandsworm, M., -wormen.
Ingewandsziekte, V., -ziekten.
Ingewikkeld, -gewikkelder, -gewikkeldst.
Ingewikkeldheid, V.
Ingeworteld.
Ingezetene, M. en V., -gezetenen.
Ingieten, goot in, goten in, heeft ingegoten.
Inglijden, gleed in, gleden in, is ingegleden.
Inglippen, glipte in, is ingeglipt.
Ingoed.
Ingooien, gooide in, heeft ingegooid.
Ingraven, groef in, groeven in, heeft ingegraven.
Ingrediënt, O., ingrediënten.
Ingrijpen, greep in, grepen in, heeft ingegrepen.
Ingrijping, V., -grijpingen.
Ingroeien, groeide in, is ingegroeid.
Ingroeven, groefde in, heeft ingegroefd.
Inhaerent.
Inhakken, hakte in, heeft ingehakt.
Inhalatie, V., inhalatiën en inhalaties.
Inhalatietoestel, O., -toestellen; -toestelletje, O., -jes.
Inhaleeren, inhaleerde, heeft geïnhaleerd.
Inhalen, haalde in, heeft ingehaald.
Inhalig, -haliger, -haligst.
Inhaligheid, V.
Inhaling, V., -halingen.
Inham, M., -hammen.
Inhebben, heeft in, had in, hadden in, heeft ingehad.
Inhechtenisneming, V., -nemingen.
Inheemsch.
Inheien, heide in, heeft ingeheid.
Inhijschen, heesch in, heschen in, heeft ingeheschen.
Inhoud, M., -houden.
Inhouden, hield in, heeft ingehouden.
Inhoudsmaat, V., -maten.
Inhoudsopgave, V., -opgaven.
Inhout, O., -houten.
Inhouwen, hieuw in, heeft ingehouwen.
Inhuldigen, huldigde in, heeft ingehuldigd.
Inhuldiging, V., -huldigingen.
Inhuldigingsfeest, O., -feesten.
Inhumaan, inhumaner, inhumaanst.
Inhuren, huurde in, heeft ingehuurd.
Inhuring, V., -huringen.
Initiale, V., initialen.
Initiatief, O., initiatieven.
Injagen, jaagde in, heeft ingejaagd; ook joeg in.
Injectie, V., injecties.
Ink, M., inken.
Inkalven, kalfde in, is ingekalfd.
Inkankeren, kankerde in, is ingekankerd.
Inkankering, V.
Inkarnaat, O.
Inkarnaten (bnw.).
Inkeep, V., -kepen.
Inkeer, M.
Inkeeren, keerde in, is ingekeerd.
Inkelderen, kelderde in, heeft ingekelderd.
Inkepen, keepte in, heeft ingekeept.
Inkeping, V., -kepingen.
Inkerven, korf in, korven in, heeft en is ingekorven.
Inkerving, V., -kervingen.
Inkiezen, koos in, kozen in, heeft ingekozen.
Inkijk, M. Inkijkje, O., -jes.
Inkijken, keek in, keken in, heeft ingekeken.
Inklaren, klaarde in, heeft ingeklaard.
Inklaring, V., -klaringen.
Inklauteren, klauterde in, is ingeklauterd.
Inkleeden, kleedde in, heeft ingekleed.
Inkleeding, V., -kleedingen.
Inklemmen, klemde in, heeft ingeklemd.
Inklimmen, klom in, klommen in, is ingeklommen.
Inklinken (inslaan), klonk in, heeft ingeklonken.
Inklinken (inkrimpen), klonk in, is ingeklonken.
Inkloppen, klopte in, heeft en is ingeklopt.
Inkoken, kookte in, heeft en is ingekookt.
Inkomeling, M. en V., -komelingen. V. ook inkomelinge.
Inkomen, komt in, kwam in, kwamen in, is ingekomen.
Inkomen, O.
Inkomst, V., -komsten. Inkomstje, O., -jes.
Inkomstenbelasting, V., -belastingen.
Inkoop, M., -koopen.
Inkoopboek, O., -boeken.
Inkoopen, kocht in, heeft ingekocht.
Inkooprekening, V., -rekeningen.
Inkoopsprijs, M., -prijzen.
Inkorten, kortte in, heeft ingekort.
Inkorting, V., -kortingen.
Inkoud.
Inkrijgen, kreeg in, kregen in, heeft ingekregen.
Inkrimpen, kromp in, heeft en is ingekrompen.
Inkrimping, V., inkrimpingen.
Inkruipen, kroop in, kropen in, is ingekropen.
Inkruipsel, O., inkruipsels.
Inkt, M., inkten.
Inkten, inkte, heeft geïnkt.
Inktflesch, V., -flesschen; -fleschje, O., -jes.
Inktkoker, M., -kokers; -kokertje, O., -jes.
Inktlap, M., -lappen; -lapje, O., -jes.
Inktpotlood, O., -potlooden.
Inktrol, V., -rollen.
Inktstel, O., -stellen.
Inkttafel, V., -tafels.
Inktvat, O., -vaten.
Inktvisch, M., -visschen.
Inktvlek, V., -vlekken.
Inktwrijver, M., -wrijvers.
Inkuipen, kuipte in, heeft ingekuipt.
Inkwartieren, kwartierde in, heeft ingekwartierd.
Inkwartiering, V., inkwartieringen.
Inkwartieringsbiljet, O., -biljetten.
Inlaag, V., -lagen.
Inladen, laadde in, heeft ingeladen.
Inlander, M., -landers.
Inlandsch.
Inlasch, M., -lasschen.
Inlasschen, laschte in, heeft ingelascht.
Inlassching, V., -lasschingen.
Inlaten, liet in, heeft ingelaten.
Inlating, V.
Inlaveeren, laveerde in, is ingelaveerd.
Inleg, M.
Inlegblad, O., -bladen.
Inlegeren, legerde in, heeft ingelegerd.
Inlegering, V., -legeringen.
Inleggeld, O., -gelden.
Inleggen, legde en leide in, heeft ingelegd en ingeleid.
Inlegger, M., -leggers.
Inlegkas, V., -kassen.
Inleiden, leidde in, heeft ingeleid.
Inleider, M., -leiders.
Inleiding, V., -leidingen.
Inlekken, lekte in, is ingelekt.
Inleveren, leverde in, heeft ingeleverd.
Inlevering, V.
Inlichten, lichtte in, heeft ingelicht.
Inlichting, V., -lichtingen.
Inliggen, lag in, lagen in, heeft ingelegen.
Inliggend.
Inlijmen, lijmde in, heeft ingelijmd.
Inlijsten, lijstte in, heeft ingelijst.
Inlijven, lijfde in, heeft ingelijfd.
Inlijving, V., inlijvingen.
Inlijvingsdecreet, O., -decreten.
Inloodsen, loodste in, heeft ingeloodst.
Inloop, M.
Inloopen, liep in, heeft en is ingeloopen.
Inlossen, loste in, heeft ingelost.
Inlossing, V., inlossingen.
Inluiden en Inluien, luidde en luide in, heeft ingeluid.
Inluiding, V.
Inmaak, V. en M.
Inmaakbus, V., -bussen.
Inmaakgroente, V., -groenten.
Inmaakkruiden (mv.), O.
Inmaaktijd, M.
Inmaken, maakte in, heeft ingemaakt.
Inmaker, M., -makers.
Inmaking, V.
Inmengen, mengde in, heeft ingemengd.
Inmenging, V., inmengingen.
Inmeten, mat in, maten in, heeft ingemeten.
Inmetselen, metselde in, heeft ingemetseld.
Inmiddels.
Innaaien, naaide in, heeft ingenaaid.
Innagelen, nagelde in, heeft ingenageld.
Innemen, nam in, namen in, heeft ingenomen.
Innemend, -nemender, -nemendst.
Innemendheid, V.
Innemer, M., -nemers.
Inneming, V.
Innen, inde, heeft geïnd.
Innerlijk.
Innig, inniger, innigst.
Innigheid, V.
Inning, V., inningen.
Innovatie, V., innovaties.
Inoogsten, oogstte in, heeft ingeoogst.
Inoogsting, V., inoogstingen.
Inpakken, pakte in, heeft ingepakt.
Inpalmen, palmde in, heeft ingepalmd.
Inpandgeving, V., inpandgevingen.
Inpennen, pende in, heeft ingepend.
Inpeperen, peperde in, heeft ingepeperd.
Inpersen, perste in, heeft ingeperst.
Inpikken, pikte in, heeft ingepikt.
Inplanten, plantte in, heeft ingeplant.
Inplanting, V., -plantingen.
Inploegen, ploegde in, heeft ingeploegd.
Inploffen, plofte in, is ingeploft.
Inplukken, plukte in, heeft ingeplukt.
Inpolderen, polderde in, heeft ingepolderd.
Inpoldering, V., inpolderingen.
Inpompen, pompte in, heeft ingepompt.
Inpreeken, preekte in, heeft ingepreekt.
Inprenten, prentte in, heeft ingeprent.
Inprenting, V., -prentingen.
Inprikken, prikte in, heeft ingeprikt.
Inproppen, propte in, heeft ingepropt.
Inquisiteur, M., inquisiteurs.
Inquisitie, V.
Inregenen, regende in, heeft ingeregend.
Inrekenen, rekende in, heeft ingerekend.
Inrekening, V.
Inrennen, rende in, heeft en is ingerend.
Inrichten, richtte in, heeft ingericht.
Inrichter, M., -richters.
Inrichting, V., -richtingen.
Inrijden, reed in, reden in, heeft en is ingereden.
Inrijgen, reeg in, regen in, heeft ingeregen.
Inrijging, V., -rijgingen.
Inrit, M.
Inroeien, roeide in, heeft en is ingeroeid.
Inroepen, riep in, heeft ingeroepen.
Inroeping, V.
Inroesten, roestte in, is ingeroest.
Inrollen, rolde in, heeft en is ingerold.
Inruilen, ruilde in, heeft ingeruild.
Inruiling, V., -ruilingen.
Inruimen, ruimde in, heeft ingeruimd.
Inruiming, V., -ruimingen.
Inrukken, rukte in, heeft en is ingerukt.
Inschakelen, schakelde in, heeft ingeschakeld.
Inschenken, schonk in, heeft ingeschonken.
Inschepen, scheepte in, heeft ingescheept.
Inscheping, V.
Inscheppen (van de Godheid), schiep in, heeft ingeschapen.
Inscherpen, scherpte in, heeft ingescherpt.
Inscherping, V.
Inscheuren, scheurde in, heeft en is ingescheurd.
Inscheuring, V., inscheuringen. Inscheurinkje, O., -jes.
Inschieten, schoot in, schoten in, heeft en is ingeschoten.
Inschikkelijk, -lijker, -lijkst.
Inschikkelijkheid, V., -heden.
Inschikken, schikte in, is en heeft ingeschikt.
Inschoppen, schopte in, heeft ingeschopt.
Inschrift, O., inschriften. Inschriftje, O., -jes.
Inschrijven, schreef in, schreven in, heeft ingeschreven.
Inschrijver, M., inschrijvers.
Inschrijving, V., inschrijvingen.
Inschrijvingsbiljet, O., -biljetten.
Inschroeven, schroefde in, heeft ingeschroefd.
Inschrokken, schrokte in, heeft ingeschrokt.
Inschuifsel, O., inschuifsels.
Inschuiftafel, V., -tafels.
Inschuiven, schoof in, schoven in, heeft ingeschoven.
Inschuiving, V., inschuivingen.
Inschuld, V., inschulden.
Inschuldenaar, M., inschuldenaars.
Inscriptie, V., inscripties en inscriptiën.
Insect, O., insecten. Insectje, O., -jes.
Insectendoos, V., -doozen.
Insecteneter, M., -eters.
Insectenpoeder, O.
Insgelijks.
Insigne, O., insignes.
Insinuatie, V., insinuatiën en insinuaties.
Insinueeren, insinueerde, heeft geïnsinueerd.
Insisteeren, insisteerde, heeft geïnsisteerd.
Inslaan, slaat in, sloeg in, heeft en is ingeslagen.
Inslag, M., inslagen.
Inslager, M., inslagers.
Inslapen, sliep in, heeft ingeslapen.
Inslikken, slikte in, heeft ingeslikt.
Inslobberen, slobberde in, heeft ingeslobberd.
Inslokken, slokte in, heeft ingeslokt.
Inslorpen en Inslurpen, slorpte (slurpte) in, heeft ingeslorpt (ingeslurpt).
Insluimeren, sluimerde in, is ingesluimerd.
Insluipen, sloop in, slopen in, is ingeslopen.
Insluiten, sloot in, sloten in, heeft ingesloten.
Insluiting, V., -sluitingen.
Insluitingsteeken, O., -teekens.
Inslurpen. Zie Inslorpen.
Insmelten, smolt in, heeft en is ingesmolten.
Insmeren, smeerde in, heeft ingesmeerd.
Insmijten, smeet in, smeten in, heeft ingesmeten.
Insnijden, sneed in, sneden in, heeft ingesneden.
Insnijding, V., -snijdingen.
Insnuiven, snoof in, snoven in, heeft ingesnoven.
Insolent, insolenter, insolentst.
Insolentie, V., insolentiën en insolenties.
Insolvent.
Insolventverklaring, V.
Inspannen, spande in, heeft ingespannen.
Inspanning, V., -spanningen.
Inspecteeren, inspecteerde, heeft geïnspecteerd.
Inspecteur, M., inspecteuren en inspecteurs.
Inspectie, V., inspectiën en inspecties.
Inspectiereis, V., -reizen.
Inspijkeren, spijkerde in, heeft ingespijkerd.
Inspiratie, V., inspiraties.
Inspireeren, inspireerde, heeft geïnspireerd.
Inspit, O.
Inspitten, spitte in, heeft ingespit.
Inspraak, V.
Inspreken, sprak in, spraken in, heeft ingesproken.
Inspringen, sprong in, is ingesprongen.
Inspuiten, spoot in, spoten in, heeft ingespoten.
Inspuiting, V., -spuitingen.
Instaan, staat in, stond in, heeft ingestaan.
Instal, M., -stallen.
Installatie, V., installatiën en installaties.
Installeeren, installeerde, heeft geïnstalleerd.
Installig.
Instampen, stampte in, heeft ingestampt.
Instamping, V., -stampingen.
Instandhouding, V.
Instantané, O., instantané's.
Instantelijk.
Instantie, V., instantiën en instanties.
Instappen, stapte in, is ingestapt.
Insteekhaard, M., -haarden.
Insteekkamer, V., -kamers.
Insteken, stak in, staken in, heeft ingestoken.
Insteking, V., -stekingen.
Instellen, stelde in, heeft ingesteld.
Insteller, M., -stellers.
Instelling, V., -stellingen.
Instemmen, stemde in, heeft ingestemd.
Instemming, V.
Instevenen, stevende in, is ingestevend.
Instigatie, V.
Instijgen, steeg in, stegen in, is ingestegen.
Instinct, O.
Instinctmatig.
Instippen, stipte in, heeft ingestipt.
Instituteur, M., instituteuren en instituteurs.
Institutrice, V., institutrices.
Instituut, O., instituten.
Instoomen, stoomde in, is ingestoomd.
Instooten, stiet in, heeft ingestooten; ook stootte in.
Instoppen, stopte in, heeft ingestopt.
Instopping, V., -stoppingen.
Instormen, stormde in, is ingestormd.
Instorten, stortte in, is en heeft ingestort.
Instorting, V.
Instrijken, streek in, streken in, heeft en is ingestreken.
Instrooien, strooide in, heeft ingestrooid.
Instrooiing, V., -strooiingen. Instrooiinkje, O., -jes.
Instroomen, stroomde in, is ingestroomd.
Instrooming, V.
Instructeur, M., instructeurs.
Instructie, V., instructiën en instructies.
Instructie-bataljon, O., -bataljons.
Instructief, instructieve.
Instrueeren, instrueerde, heeft geïnstrueerd.
Instrument, O., instrumenten. Instrumentje, O., -jes.
Instrumentaal, instrumentale.
Instrumentatie, V.
Instrumentmaker, M., -makers.
Instudeeren, studeerde in, heeft ingestudeerd.
Instuif, M.
Instuiven, stoof in, stoven in, is ingestoven.
Insturen, stuurde in, heeft ingestuurd.
Insubordinatie, V.
Insuikeren, suikerde in, heeft ingesuikerd.
Insulair.
Insult, O., insulten.
Insulteeren, insulteerde, heeft geïnsulteerd.
Insurgent, M., insurgenten.
Insurrectie, V., insurrecties.
Intact.
Intanden, tandde in, heeft ingetand.
Intappen, tapte in, heeft ingetapt.
Inteekenaar, M., -teekenaren en -teekenaars.
Inteekenbiljet, O., -biljetten.
Inteekenen, teekende in, heeft ingeteekend.
Inteekening, V., -teekeningen.
Inteekenlijst, V., -lijsten.
Integendeel.
Integraal, V., integralen.
Integraalrekening, V.
Integreerend.
Integriteit, V.
Intellectueel, intellectueele.
Intelligent, intelligenter, intelligentst.
Intelligentie, V.
Intendance, V.
Intendant, M., intendanten.
Intens, intense.
Intensiteit, V.
Intentie, V., intenties en intentiën.
Intercellulair.
Intercommunaal.
Interdict, O.
Interen, teerde in, heeft en is ingeteerd.
Interessant, interessanter, interessantst.
Interesseeren, interesseerde, heeft geïnteresseerd.
Interest, ook Intrest, M., interesten en intresten.
Interestrekening, V.
Interieur, O., interieurs.
Interim, O.
Interim-dividend, O., -dividenden.
Interjectie, V., interjecties.
Interlineair.
Interlinie, V., interlinies.
Intermediair, O.
Intermezzo, O., intermezzo's.
Internationaal, internationale.
Interpellatie, V., interpellatiën en interpellaties.
Interpelleeren, interpelleerde, heeft geïnterpelleerd.
Interpolatie, V., interpolaties.
Interpoleeren, interpoleerde, heeft geïnterpoleerd.
Interpretatie, V., interpretaties.
Interpreteeren, interpreteerde, heeft geïnterpreteerd.
Interpunctie, V.
Interregnum, O.
Interval, O., intervallen.
Intervenieeren, intervenieerde, heeft geïntervenieerd.
Interventie, V., interventies.
Interview, O.
Interviewen, interviewde, heeft geïnterviewd.
Intiem, intiemer, intiemst.
Intijds.
Intillen, tilde in, heeft ingetild.
Intimiteit, V., intimiteiten.
Intocht, M., -tochten.
Intonatie, V., intonaties.
Intoomen, toomde in, heeft ingetoomd.
Intrappen, trapte in, heeft ingetrapt.
Intrede en Intree, V.
Intreden, trad in, traden in, heeft en is ingetreden.
Intreebiljet, O., -biljetten.
Intreekaartje, O., -jes.
Intreepreek, V., -preeken.
Intrek, M.
Intrekken, trok in, trokken in, heeft en is ingetrokken.
Intrekking, V.
Intrigant, M., intriganten.
Intrigante, V., intriganten.
Intrige, V., intriges. Ook Intrigue.
Intrigeeren, intrigeerde, heeft geïntrigeerd.
Introduceeren, introduceerde, heeft geïntroduceerd.
Introductie, V., introductiën en introducties.
Intusschen.
Inval, M., -vallen.
Invalide, M., invaliden.
Invalidenhuis, O., -huizen.
Invallen, viel in, is ingevallen.
Invaren, voer in, heeft en is ingevaren.
Invaten, vaatte in, heeft ingevaat.
Inventaris, M., inventarissen.
Inventarisatie, V.
Inventariseeren, inventariseerde, heeft geïnventariseerd.
Inventie, V., inventies.
Inventief, inventiever, inventiefst.
Inversie, V.
Investituur, V., investituren.
Invitatie, V., invitatiën en invitaties.
Invitatie-concert, O., -concerten.
Inviteeren, inviteerde, heeft geïnviteerd.
Invlechten, vlocht in, heeft ingevlochten.
Invliegen, vloog in, vlogen in, is ingevlogen.
Invlijen, vlijde in, heeft ingevlijd.
Invloed, M., -vloeden.
Invloeien, vloeide in, is ingevloeid.
Invloeiing, V.
Invluchten, vluchtte in, is ingevlucht.
Invoege.
Invoegen, voegde in, heeft ingevoegd.
Invoeging, V., -voegingen.
Invoegsel, O., -voegsels en -voegselen.
Invoer, M., -voeren.
Invoerder, M., -voerders.
Invoeren, voerde in, heeft ingevoerd.
Invoering, V.
Invoerrecht, O., -rechten.
Involgen, volgde in, heeft ingevolgd.
Invorderaar, M., -vorderaars.
Invorderbaar, -bare.
Invorderen, vorderde in, heeft ingevorderd.
Invordering, V., -vorderingen.
Invouwen, vouwde in, heeft ingevouwen.
Invreten, vrat in, vraten in, heeft en is ingevreten.
Invrijheidstelling, V.
Invullen, vulde in, heeft ingevuld.
Invulling, V., -vullingen.
Inwaaien, waaide in, heeft en is ingewaaid; ook woei in, woeien in.
Inwaarts (bijw.).
Inwaartsch (bnw.).
Inwachten, wachtte in, heeft ingewacht.
Inwarm.
Inwateren, waterde in, heeft ingewaterd.
Inwatering, V.
Inweefsel, O., -weefsels.
Inwellen, welde in, is ingeweld.
Inwendig.
Inwerken, werkte in, heeft ingewerkt.
Inwerking, V., -werkingen.
Inwerpen, wierp in, heeft ingeworpen.
Inweven, weefde in, heeft ingeweven.
Inwijden, wijdde in, heeft ingewijd.
Inwijding, V., -wijdingen.
Inwijdingsrede, V., -redenen.
Inwijk, V., -wijken.
Inwijken, week in, weken in, is ingeweken.
Inwijking, V., -wijkingen.
Inwikkelen, wikkelde in, heeft ingewikkeld.
Inwikkeling, V., -wikkelingen.
Inwilligen, willigde in, heeft ingewilligd.
Inwinden, wond in, heeft ingewonden.
Inwinnen, won in, wonnen in, heeft ingewonnen.
Inwippen, wipte in, is ingewipt.
Inwonen, woonde in, heeft ingewoond.
Inwoner, M., -woners.
Inwoning, V.
Inwoonster, V., -woonsters.
Inwortelen, wortelde in, is ingeworteld.
Inwrijven, wreef in, wreven in, heeft ingewreven.
Inwrijving, V., -wrijvingen.
Inzaaien, zaaide in, heeft ingezaaid.
Inzage, V.
Inzagen, zaagde in, heeft ingezaagd.
Inzakken, zakte in, is ingezakt.
Inzakking, V., -zakkingen.
Inzamelen, zamelde in, heeft ingezameld.
Inzameling, V., -zamelingen.
Inzeepen, zeepte in, heeft ingezeept.
Inzegenen, zegende in, heeft ingezegend.
Inzegening, V., -zegeningen.
Inzeilen, zeilde in, heeft en is ingezeild.
Inzenden, zond in, heeft ingezonden.
Inzender, M., -zenders.
Inzending, V., -zendingen.
Inzet, M., -zetten.
Inzetsel, O., -zetsels.
Inzetten, zette in, heeft ingezet.
Inzetting, V., -zettingen.
Inzicht, O., -zichten.
Inzieden, zood in, zoden in, is ingezoden.
Inzien, zag in, zagen in, heeft ingezien.
Inzinken, zonk in, is ingezonken.
Inzitten, zat in, zaten in, heeft ingezeten.
Inzonderheid.
Inzouten, zoutte in, heeft ingezouten.
Inzuigen, zoog in, zogen in, heeft ingezogen.
Inzulten, zultte in, heeft ingezult.
Inzwachtelen, zwachtelde in, heeft ingezwachteld.
Inzwachteling, V., -zwachtelingen.
Inzwart.
Inzwelgen, zwolg in, heeft ingezwolgen.
Inzwelging, V., -zwelgingen.
Inzwemmen, zwom in, zwommen in, is ingezwommen.
Ioon, O., ionen.
Irenisch.
Irias, V., iriassen.
Iris (regenboogvlies en plantnaam), V., irissen.
Ironie, V.
Ironiek.
Ironisch.
Islam, M.
Islamisme, O.
Isochroon, -chrone.
Isoleerbuis, V., -buizen.
Isothermen (mv.), V.
Israëliet, M., Israëlieten.
Israëlietisch.
Isthmus, M.
Italiaan, M., Italianen.
Italiaansch.
Italiaansch, O.
Italië, O.
Item, O., items. Itempje, O., -jes.
Iteratief, O., iteratieven.
Ivoor, O.
Ivoordraaier, M., -draaiers.
Ivoorzwart, O.
Ivoren (bnw.).
Izabel (bnw.).
Izabel (geelachtig paard), M., izabellen.
J
J, V., j's.
Ja.
Jaaghout, O.
Jaagloon, O., -loonen.
Jaagpaard, O., -paarden.
Jaagpad, O., -paden.
Jaagschuit, V., -schuiten.
Jaap, M., japen. Jaapje, O., -jes.
Jaar, O., jaren. Jaartje, O., -jes.
Jaarboek, O., -boeken; -boekje, O., -jes.
Jaardag, M., -dagen.
Jaargang, M., -gangen.
Jaargeld, O., -gelden.
Jaargetijde en Jaargetij, O., -getijden en -getijen.
Jaarkring, M., -kringen.
Jaarlijks (bijw.).
Jaarlijksch (bnw.).
Jaarling, M., -lingen.
Jaarmarkt, V., -markten.
Jaartal, O., -tallen.
Jaartelling, V., -tellingen.
Jaarwedde, V., -wedden.
Jabroer, M., -broers.
Jacht (het jagen), V., jachten.
Jacht (vaartuig), O., jachten. Jachtje, O., -jes.
Jachtakte, V., -akten.
Jachtbedrijf, O.
Jachten, jachtte, heeft gejacht.
Jachthond, M., -honden.
Jachtig, jachtiger, jachtigst.
Jachtslot, O., -sloten.
Jachtsneeuw, V.
Jachtstoet, M.
Jachttijd, M.
Jachtvermaak, O., -vermaken.
Jachtwagen, M., -wagens; -wagentje, O., -jes.
Jacobakannetje, O., -kannetjes.
Jacobijn, M., Jacobijnen.
Jacobijnenmuts, V., -mutsen.
Jagen, jaagde, heeft gejaagd; ook joeg.
Jager, M., jagers. Jagertje, O., -jes.
Jagersleven, O.
Jagersmuts, V., -mutsen.
Jagerspet, V., -petten.
Jagerstaal, V.
Jagerstasch, V., -tasschen.
Jagersterm, M., -termen.
Jak, O., jakken. Jakje, O., -jes.
Jakhals, M., jakhalzen.
Jakhalzen, jakhalsde, heeft gejakhalsd.
Jakken, jakte, heeft gejakt.
Jakkeren, jakkerde, heeft gejakkerd.
Jakobsladder, V.
Jalappe, V., jalappen.
Jaloersch, jaloerscher, meest jaloersch.
Jaloerschheid, V.
Jaloezie (ijverzucht), V.
Jaloezie (zonneblind), V., jaloezieën.
Jaloezielat, V., -latten.
Jam, V., jammen.
Jam (Engelsch woord), V.
Jambe, V., jamben.
Jammer, O., jammeren.
Jammerdal, O.
Jammeren, jammerde, heeft gejammerd.
Jammerhartig, -hartiger, -hartigst.
Jammerklacht, V., -klachten.
Jammerlijk, -lijker, -lijkst.
Jampotje, O., -potjes.
Jan, M., jannen. Jantje, O., -jes.
Janhagel (koek), V.
Janhagel (gemeen), O.
Janhen, M., janhennen.
Janitsaar, M., Janitsaren.
Janken, jankte, heeft gejankt.
Janmaat, M.
Jansalie, M., jansalies.
Jansalieachtig, -achtiger, -achtigst.
Jansenist, M., Jansenisten.
Jansenistenkerk, V., -kerken.
Januari, M.
Japannees, M., Japanneezen.
Japanneesch en Japansch, O.
Japansch. Zie Japanneesch.
Japen, jaapte, heeft gejaapt.
Japon, V., japonnen en japons. Japonnetje, O., -jes.
Japonlijf, O., -lijven; -lijfje, O., -jes.
Japonrok, M., -rokken.
Japonstof, V., -stoffen.
Jarenlang (bijw.).
Jargon, O.
Jarig.
Jas (kleed), V., jassen. Jasje, O., -jes.
Jas (troefboer), M.
Jaskaart, V., -kaarten.
Jasmijn, V., jasmijnen. Jasmijntje, O., -jes.
Jaspis (steen), M., jaspissen; (als stofnaam), O.
Jassen, jaste, heeft gejast.
Jassenkamer, V., -kamers.
Jassenknecht, M., -knechts.
Java-koffie, V.
Jawoord, O.
Je.
Jegens.
Jenever, V.
Jeneverachtig, -achtiger, -achtigst.
Jeneverbes, V., -bessen.
Jeneverflesch, V., -flesschen.
Jeneverlucht, V.
Jenevermoed, M.
Jeneverneus (neus), M., -neuzen.
Jeneverneus (persoon), M. en V., -neuzen.
Jeneverstoker, M., -stokers.
Jeremiade, V., jeremiaden en jeremiades.
Jeruzalemmer (appel), M., jeruzalemmers.
Jeugd, V.
Jeugdig, jeugdiger, jeugdigst.
Jeugdigheid, V.
Jeuk, M.
Jeuken (ook Joken), jeukte (jookte), heeft gejeukt (gejookt).
Jeuking (ook Joking), V., jeukingen.
Jeukte, V.
Jeukziekte, V.
Jezuïet, M., Jezuïeten.
Jezuïetenkerk, V., -kerken.
Jezuïetisch.
Jezuïtisme, O.
Jicht, V.
Jichtaanval, M., -aanvallen.
Jichtig, jichtiger, jichtigst.
Jichtigheid, V.
Jichtknobbel, M., -knobbels.
Jij.
Jijn, O., jijns. Zie Gijn.
Jingo, M., jingo's.
Jingo-blad, O., -bladen.
Jobsbode, M. en V., -boden.
Jobstijding, V., -tijdingen.
Jockey, M., jockeys.
Jockey-pet, V., -petten; -petje, O., -jes.
Jodenbrood, O., -brooden.
Jodenbuurt, V., -buurten.
Jodendom, O.
Jodengenoot, M., -genooten.
Jodenhoek, M.
Jodenkerk, V., -kerken.
Jodenkind, O., -kinderen.
Jodenkoekje, O., -jes.
Jodenkriek, V., -krieken.
Jodenlijm, V.
Jodenpek, O.
Jodentaal, V.
Jodin, V., Jodinnen. Jodinnetje, O., -jes.
Jodium, O.
Jodiumtinctuur, V.
Jodoform, O. en V.
Jodoformgaas, O.
Joechjachen, joechjachte, heeft gejoechjacht.
Joedelen, joedelde, heeft gejoedeld.
Joelen, joelde, heeft gejoeld.
Jok, M.
Joken, Joking. Zie Jeuken, enz.
Jokkebrok, M. en V., -brokken.
Jokken, jokte, heeft gejokt.
Jokken, M., jokkens. Jokkentje, O., -jes.
Jokkernij, V., jokkernijen. Jokkernijtje, O., -jes.
Jol, V., jollen. Jolletje, O., -jes.
Jolen, joolde, heeft gejoold.
Jolig, joliger, joligst.
Joligheid, V.
Jolleman, M., -mannen.
Jonassen, jonaste, heeft gejonast.
Jong, jonger, jongst.
Jong, O., jongen.
Jongedochter, V., -dochters.
Jongeheer en Jongenheer, M., jongeheeren.
Jongejuffrouw, V., -juffrouwen.
Jongeling, M., jongelingen.
Jongelingschap, V.
Jongelingsdroom, M., -droomen.
Jongelingsjaren (mv.), O.
Jongelingsvereeniging, V., -vereenigingen.
Jongen, M., jongens. Jongetje, O., -jes.
Jongen, jongde, heeft gejongd.
Jongensachtig, -achtiger, -achtigst.
Jongensgek, V., -gekken.
Jongenspak, O., -pakken.
Jongenswerk, O.
Jonger, M., jongeren en jongers.
Jonggeborene, M. en V., -geborenen.
Jonggehuwde, M. en V., -gehuwden.
Jonggezel, M., jonggezellen.
Jongmaatje, O., -jes.
Jongmensch, O., jongelieden en jongelui.
Jongs (Van jongs af).
Jongsken en Jongske, O., jongskens en jongskes.
Jongstleden.
Jonk, V., jonken.
Jonker, M., jonkers. Jonkertje, O., -jes.
Jonkerachtig, -achtiger, -achtigst.
Jonkheer, M., -heeren; -heertje, O., -jes.
Jonkheerstitel, M., -titels.
Jonkheid, V.
Jonkman, M., jongelieden en jongelui.
Jonkvrouw, V., -vrouwen.
Jonkvrouwelijk.
Jood, M., Joden en joden. Joodje, O., -jes.
Joodsch.
Jool, M., jolen. Jooltje, O., -jes.
Joop, V., jopen.
Jopenbier, O.
Jota, V., jota's.
Jou.
Journaal, O., journalen.
Journalist, M., journalisten.
Journalistenkring, M., -kringen.
Journalistiek, V.
Jouw, M.
Jouwen, jouwde, heeft gejouwd.
Joviaal, jovialer, joviaalst.
Jovialiteit, V.
Jubel, M., jubels.
Jubelen, jubelde, heeft gejubeld.
Jubelfeest, O., -feesten.
Jubeljaar, O., -jaren.
Jubilaris, M., jubilarissen.
Jubilé, O., jubilé's.
Jucht, O.
Juchtleder en -leer, O.
Juchtlederen en -leeren (bnw.).
Judashaar, O.
Judaskus, M.
Judaspenning, M.
Juffer (juffrouw), V., juffers en jufferen. Juffertje, O., -jes.
Juffer (spar, balk), V., juffers.
Jufferachtig, -achtiger, -achtigst.
Jufferlijk, -lijker, -lijkst.
Jufferschap, V.
Juffershondje, O., -jes.
Juffrouw, V., juffrouwen.
Juichen, juichte, heeft gejuicht.
Juist, juister, juistste.
Juist (bijw.).
Juistheid, V.
Jujube, V., jujubes.
Juk, O., jukken. Jukje, O., -jes.
Jukbeen, O., -beenderen.
Juli, M.
Juni, M.
Juridisch.
Jurisprudentie, V.
Jurist, M., juristen.
Juristenvereeniging, V., -vereenigingen.
Jurk, V., jurken. Jurkje, O., -jes.
Jury, V., jury's.
Justeerder, M., justeerders.
Justeeren, justeerde, heeft gejusteerd.
Justitie, V.
Jut (peer), V., jutten.
Jute, V.
Jutmis en Juttemis, V.
Juttepeer (vrucht), V., -peren; (boom), M., -peren.
Juweel, O., juweelen. Juweeltje, O., -jes.
Juweelen (bnw.).
Juweelenkistje, O., -jes.
Juweelenkoffertje, O., -jes.
Juweelig.
Juwelier, M., juweliers.
Juwelierswinkel, M., -winkels.
K
K, V., k's.
Ka. Zie Kade.
Kaag, V., kagen.
Kaai, V., kaaien. Kaaitje, O., -jes.
Kaaidraaien en Kadraaien, kaaidraaide (kadraaide), heeft gekaaidraaid (gekadraaid).
Kaaidraaier en Kadraaier, M., -draaiers.
Kaaien, kaaide, heeft gekaaid.
Kaailooper, M., -loopers.
Kaaiman, M., kaaimans en kaaimannen.
Kaaimuur, M., -muren.
Kaaiwerker, M., -werkers.
Kaak (wang), V., kaken. Kaakje, O., -jes.
Kaak (schandpaal), V., kaken.
Kaakje (gebakje), O., -jes.
Kaakmes, O., -messen.
Kaakslag, M., -slagen.
Kaal, kaler, kaalst.
Kaalheid, V.
Kaalhoofdig, -hoofdiger, -hoofdigst.
Kaalkop, M. en V., -koppen.
Kaam, V.
Kaamsel, O., kaamsels.
Kaan, V., kanen.
Kaankoek, M., -koeken; (als stofnaam), V.
Kaap (voorgebergte), V., kapen. Kaapje, O., -jes.
Kaap (roof), V. (Ter - varen).
Kaapkolonie, V.
Kaapsch.
Kaapstander, M., -standers.
Kaapvaarder, M., -vaarders.
Kaapvaart, V.
Kaar, V., karen.
Kaarde, V., kaarden.
Kaardebol (voorwerp), M.; (als plantnaam), V., -bollen.
Kaarden, kaardde, heeft gekaard.
Kaardendistel, V., -distels.
Kaardenmaker, M., -makers.
Kaarder, M., kaarders.
Kaardsel, O.
Kaardster, V., kaardsters.
Kaars, V., kaarsen. Kaarsje, O., -jes.
Kaarsedief, M., -dieven.
Kaarsenbak, M., -bakken.
Kaarsenkatoen, O.
Kaarsenkooper, M., -koopers.
Kaarsenmaker, M., -makers.
Kaarsenwinkel, M., -winkels.
Kaarsepit, V., -pitten.
Kaarslicht, O., -lichten.
Kaarsvet, O.
Kaart, V., kaarten. Kaartje, O., -jes.
Kaarteblad (eene speelkaart), O., -bladen.
Kaarten, kaartte, heeft gekaart.
Kaartenblad (karton, en papier om eene kaart op te teekenen), O.
Kaartenfabriek, V., -fabrieken.
Kaartengeld, O.
Kaartenhuis, O., -huizen; -huisje, O., -jes.
Kaartenmaker, M., -makers.
Kaartenpapier, O.
Kaartenwinkel, M., -winkels.
Kaartlegster, V., -legsters.
Kaartspel, O., -spelen en -spellen.
Kaartspelen, O.
Kaartspeler, M., -spelers.
Kaas, V., kazen. Kaasje, O., -jes.
Kaascontrôle, V.
Kaasjeskruid, O.
Kaaskleursel, O.
Kaaskooper, M., -koopers.
Kaasmaken, O.
Kaasmarkt, V., -markten.
Kaasmes, O., -messen.
Kaaspakhuis, O., -pakhuizen.
Kaasstolp, V., -stolpen.
Kaats, V.
Kaatsbaan, V., -banen.
Kaatsbal, M., -ballen.
Kaatsdak, O., -daken.
Kaatsen, kaatste, heeft gekaatst.
Kaatser, M., kaatsers.
Kaatsnet, O., -netten.
Kaatsspel, O., -spellen.
Kabaai, V., kabaaien.
Kabas, V., kabassen.
Kabassen, kabaste, heeft gekabast.
Kabbelen, kabbelde, heeft gekabbeld.
Kabbeling, V., kabbelingen.
Kabel, M., kabels. Kabeltje, O., -jes.
Kabelaring of Kabellarga, V.
Kabelen, kabelde, heeft gekabeld.
Kabelgat, O., -gaten.
Kabeljauw (visch), M., kabeljauwen; (als stofnaam), V. Kabeljauwtje, O., -jes.
Kabelslengte, V., -lengten.
Kabeltouw, O., -touwen.
Kabinet, O., kabinetten. Kabinetje, O., -jes.
Kabinetscrisis, V.
Kabinetsorder, V., -orders.
Kabinetsquaestie en Kabinetskwestie, V., -quaestiën en -kwesties.
Kabinetsraad, M., -raden.
Kabinetsschrijven, O.
Kabinetsstuk, O., -stukken; -stukje, O., -jes.
Kabinetswerk, O.
Kabouter, M., kabouters.
Kaboutermannetje, O., -jes.
Kabuis, V., kabuizen.
Kachel, V., kachels. Kacheltje, O., -jes.
Kacheldeur, V., -deuren; -deurtje, O., -jes.
Kachelkolen, mv., V.
Kachelpijp, V., -pijpen.
Kachelplaat, V., -platen.
Kachelwarmte, V.
Kadaster, O.
Kadastraal, kadastrale.
Kadastreeren, kadastreerde, heeft gekadastreerd.
Kade en Ka, V., kaden.
Kader, O., kaders.
Kadernood, M.
Kaderplicht, M.
Kadet (broodje), V., kadetten. Kadetje, O., -jes.
Kadijk, M., kadijken.
Kadraai, V., kadraaien.
Kadraaien. Zie Kaaidraaien.
Kaf, O.
Kaffa, O.
Kaffer, M., Kaffers.
Kafferhoofd, O., -hoofden.
Kafferkraal, V., -kralen.
Kafferpolitiek, V.
Kaft, O., kaften. Kaftje, O., -jes.
Kaftan, M., kaftans.
Kaften, kaftte, heeft gekaft.
Kajapoetolie, V.
Kajuit, V., kajuiten.
Kajuitsjongen, M., -jongens.
Kajuitswachter, M., -wachters.
Kak, M.
Kakebeen, O., -beenen.
Kakelaar, M., kakelaars.
Kakelaarster, V., kakelaarsters.
Kakelbont, -bonter, -bontst.
Kakelen, kakelde, heeft gekakeld.
Kakement, O., kakementen.
Kaken, kaakte, heeft gekaakt.
Kaketoe, V., kaketoes.
Kakhiel, M., -hielen.
Kakhuis, O., -huizen; -huisje, O., -jes.
Kakken, kakte, heeft gekakt.
Kakkerlak, M., kakkerlakken. Kakkerlakje, O., -jes.
Kakschool, V., -scholen; -schooltje, O., -jes.
Kalamijnsteen, M., -steenen.
Kalamink en Kalmink, O.
Kalaminken en Kalminken (bnw.).
Kalander, V., kalanders.
Kalanderaar, M., kalanderaars.
Kalanderen, kalanderde, heeft gekalanderd.
Kalandermolen, M., -molens.
Kalebas, V., kalebassen.
Kalefaten, enz. Zie Kalfaten, enz.
Kalender, M., kalenders.
Kales, V., kalessen. Kalesje, O., -jes. Verg. Calêche.
Kalevink, M., -vinken.
Kalf, O., kalveren en kalven. Kalfje, O., -jes.
Kalfaathamer, M., -hamers.
Kalfaatijzer, O., -ijzers.
Kalfaattang, V., -tangen.
Kalfaten (ook Kalefaten), kalfaatte, heeft gekalfaat.
Kalfateren (ook Kalefateren), kalfaterde, heeft gekalfaterd.
Kalfatering, V., kalfateringen.
Kalfsbiefstuk, M., -biefstukken.
Kalfsborst, V., -borsten.
Kalfsgehakt, O.
Kalfsgelei, V.
Kalfskarbonade, V., -karbonaden.
Kalfskop, M., -koppen.
Kalfskotelet, V., -koteletten.
Kalfslap, M., -lappen; -lapje, O., -jes.
Kalfsleder en -leer, O.
Kalfslederen en -leeren (bnw.).
Kalfslever, V., -levers.
Kalfsnier, V., -nieren.
Kalfsoog, O., -oogen.
Kalfspoelet, O.
Kalfspoot, M., -pooten.
Kalfsrib, V., -ribben.
Kalfsschijf, V., -schijven; -schijfje, O., -jes.
Kalfssoep, V.
Kalfstong, V., -tongen; -tongetje, O., -jes.
Kalfsvel, O., -vellen.
Kalfsvleesch, O.
Kalfsvoet, M., -voeten.
Kalfszwezerik, M., -zwezeriken.
Kaliber, O.
Kalief, M., kaliefen.
Kalifaat, O.
Kalis, M., kalissen.
Kalk, V.
Kalkachtig, -achtiger, -achtigst.
Kalkbak, M., -bakken.
Kalkbranderij, V., -branderijen.
Kalken, kalkte, heeft gekalkt.
Kalkhydraat, O.
Kalklicht, O.
Kalkmelk, V.
Kalkoen, M., kalkoenen. Kalkoentje, O., -jes.
Kalkoenenei, O., -eieren.
Kalkoenenvleesch en Kalkoenevleesch, O.
Kalkoensch.
Kalkoentje (1/4 van eene flesch), O., -jes.
Kalkoven, M., -ovens.
Kalkwater, O.
Kallen, kalde, heeft gekald.
Kalm, kalmer, kalmst.
Kalmink. Zie Kalamink.
Kalmpjes.
Kalmte, V.
Kalmus, M.
Kalot, V., kalotten. Kalotje, O., -jes.
Kalven, kalfde, heeft gekalfd.
Kalverachtig, -achtiger, -achtigst.
Kalveren, kalverde, heeft gekalverd.
Kalverliefde, V.
Kalvijn, (appel), V., kalvijnen.
Kam, M., kammen. Kammetje, O., -jes.
Kameel (dier), M., kameelen.
Kameel (werktuig om schepen te lichten), O.
Kameelshaar, O.
Kameelsharen (bnw.).
Kameelsrug, M., -ruggen.
Kameleon, O., kameleons.
Kamelot, O.
Kamelotten (bnw.).
Kamen, kaamde, heeft gekaamd.
Kamenier, V., kameniers en kamenieren. Kameniertje, O., -jes.
Kamenieren, kamenierde, heeft gekamenierd.
Kameniersdienst, M., -diensten.
Kamer, V., kamers en kameren. Kamertje, O., -jes.
Kameraad, M. en V., kameraden en kameraads. Kameraadje, O., -jes.
Kameraadschap, O.
Kameraadschappelijk.
Kamerarrest, O., -arresten.
Kamerbehanger, M., -behangers.
Kamerbewaarder, M., -bewaarders.
Kamerbuks, V., -buksen.
Kamerdienaar, M., -dienaars.
Kameren, kamerde, heeft gekamerd.
Kamergymnastiek, V.
Kamerheer, M., -heeren.
Kamerjapon, V., -japonnen.
Kamerlid, O., -leden.
Kamerling, M., kamerlingen.
Kamermeisje, O., -meisjes.
Kamermuziek, V.
Kamerontbinding, V., -ontbindingen.
Kameroverzicht, O., -overzichten.
Kamerplant, V., -planten.
Kamerverslag, O., -verslagen.
Kamervleugel, M., -vleugels.
Kamerzanger, M., -zangers.
Kamerzitting, V., -zittingen.
Kamfer, V.
Kamferspiritus, M.
Kamfertandpoeder, O.
Kamig, kamiger, kamigst.
Kamille, V., kamillen.
Kamillethee, V.
Kamizool, O., kamizolen. Kamizooltje, O., -jes.
Kamizoolszak, M., -zakken.
Kammeling, V.
Kammen, kamde, heeft gekamd.
Kammenmaker, M., -makers.
Kamoesleer en Kamuisleer, O.
Kamoesleeren (bnw.).
Kamp (strijd en stuk land), M., kampen. Kampje, O., -jes.
Kamp (legerplaats), O.
Kamp (gelijk), (bijw.).
Kampanje, V., kampanjes.
Kampeeren, kampeerde, heeft gekampeerd.
Kampement, O., kampementen.
Kampen, kampte, heeft gekampt.
Kamper, M., kampers.
Kamperfoelie, V.
Kampernoelie, V., kampernoelies.
Kampersteur, M.
Kampioen, M., kampioenen.
Kampioenschap, O.
Kampioensprijs, M., -prijzen.
Kampong, M., kampongs.
Kamponghond, M., -honden.
Kamuis, kamuize.
Kamuisleer. Zie Kamoesleer.
Kan, V., kannen. Kannetje, O., -jes.
Kanaal, O., kanalen. Kanaaltje, O., -jes.
Kanaaltol, M., -tollen.
Kanalisatie, V.
Kanalje (ook Canaille), (menigte), O.; (persoon), V.
Kanarie, M., kanaries. Kanarietje, O., -jes.
Kanariegeel, -gele.
Kanarievogel, M., -vogels; -vogeltje, O., -jes.
Kanariezaad, O.
Kanaster. Zie Knaster.
Kandeel, V. Kandeeltje, O., -jes.
Kandeelketeltje, O., -keteltjes.
Kandelaar, M., kandelaren en kandelaars. Kandelaartje, O., -jes.
Kandij, V.
Kandijklontje, O., -jes.
Kaneel, V. en O.
Kaneelkleurig.
Kaneelwater, O.
Kanefas, O.
Kanenbrood, O.
Kangoeroe, V., kangoeroe's.
Kanjer, M.
Kanker, M.
Kankerachtig, -achtiger, -achtigst.
Kankeren, kankerde, is gekankerd.
Kannibaal, M., kannibalen.
Kanon (geschut), O., kanonnen. Kanonnetje, O., -jes.
Kanongebulder, O.
Kanonnade, V., kanonnades.
Kanonneerboot, V., -booten.
Kanonnenkoorts, V.
Kanonnier, M., kanonniers.
Kanonnierskazerne, V., -kazernen.
Kanonschot, O., -schoten.
Kanonskogel, M., -kogels.
Kanonvuur, O.
Kans, V., kansen. Kansje, O., -jes.
Kansbiljet, O., -biljetten.
Kansel, M., kansels.
Kanselarij, V., kanselarijen.
Kanselarijtaal, V.
Kanselier, M., kanseliers en kanselieren.
Kanselredenaar, M., -redenaars.
Kant (zijde), M., kanten. Kantje, O., -jes.
Kant (speldenwerk), V., kanten. Kantje, O., -jes.
Kant (Kant en klaar).
Kanteel, M., kanteelen.
Kantelen, kantelde, heeft en is gekanteld.
Kanteling, V.
Kanteloep, V., kanteloepen.
Kanten (bnw.).
Kanten, kantte, heeft gekant.
Kanterstok, M., -stokken.
Kanthouwen, kanthouwde, heeft gekanthouwd.
Kantig, kantiger, kantigst.
Kanton, O., kantons.
Kantongerecht, O., -gerechten.
Kantonnement, O., kantonnementen.
Kantonrechter, M., -rechters.
Kantoor, O., kantoren. Kantoortje, O., -jes.
Kantooragenda, V., -agenda's.
Kantooralmanak, M., -almanakken.
Kantoorbediende, M., -bedienden.
Kantoorbehoeften (mv.), V.
Kantoorboek, O., -boeken.
Kantoorklerk, M., -klerken.
Kantoorlessenaar, M., -lessenaars.
Kantoorschrijver, M., -schrijvers.
Kantoorstoel, M., -stoelen.
Kantooruur, O., -uren.
Kantoorwerk, O.
Kantrechten, kantrechtte, heeft gekantrecht.
Kantshaak, M., kantshaken.
Kantsteek, M., -steken.
Kantteekening, V., -teekeningen.
Kantwerkster, V., -werksters.
Kanunnik, M., kanunniken.
Kap, V., kappen. Kapje, O., -jes.
Kapbeitel, M., -beitels.
Kapblok, O., -blokken.
Kapdoos, V., -doozen.
Kapel (heiligdom en vlinder), V., kapellen. Kapelletje, O., -jes.
Kapelaan, M., kapelanen.
Kapelmeester, M., -meesters.
Kapen, kaapte, heeft gekaapt.
Kaper (vrijbuiter), M., kapers.
Kaper (muts), V., kapers. Kapertje, O., -jes.
Kaphamer, M., -hamers.
Kapitaal, O., kapitalen. Kapitaaltje, O., -jes.
Kapitaal, kapitale.
Kapitaalsverzekering, V., -verzekeringen.
Kapitaalvorming, V.
Kapitaliseeren, kapitaliseerde, heeft gekapitaliseerd.
Kapitalist, M., kapitalisten.
Kapiteel, O., kapiteelen.
Kapitein, M., kapiteins.
Kapitein-adjudant, M., kapiteins-adjudanten.
Kapitein-generaal, M., kapiteins-generaal.
Kapitein-ingenieur, M., kapiteins-ingenieurs.
Kapitein-kwartiermeester, M., kapiteins-kwartiermeesters en kapitein-kwartiermeesters.
Kapitein-luitenant, M., kapitein-luitenants.
Kapiteinschap, O.
Kapiteinsplaats, V., -plaatsen.
Kapiteinsrang, M.
Kapiteinsuniform, V., -uniformen.
Kapitorie, O., kapitories.
Kapittel, O., kapittels en kapittelen. Kapitteltje, O., -jes.
Kapittelbank, V., -banken.
Kapittelen, kapittelde, heeft gekapitteld.
Kapittelkamer, V., -kamers.
Kapittelstok, M., -stokken; -stokje, O., -jes.
Kaplaars, V., -laarzen.
Kaplaken, O.
Kapmantel, M., -mantels.
Kapmes, O., -messen.
Kapoen, M., kapoenen. Kapoentje, O., -jes.
Kapoenen, kapoende, heeft gekapoend.
Kapoeres.
Kapoets (kapoetsmuts). Zie Kapuitsmuts.
Kapok, V.
Kapokmatras, V., -matrassen.
Kapot, V., kapotten. Kapotje, O., -jes.
Kapot, kapotte.
Kapotgaan, ging kapot, is kapotgegaan.
Kapotjas, V., -jassen.
Kappelen, kappelde, is gekappeld.
Kappen (hakken), kapte, heeft gekapt.
Kappen (het haar optooien), kapte, heeft gekapt.
Kapper (haartooier), M., kappers.
Kapper (gewas), V., kappers. Kappertje, O., -jes.
Kappersbediende, M., -bedienden.
Kapperswinkel, M., -winkels.
Kappertjeskool, V., -koolen.
Kaproen, V., kaproenen.
Kapsel, O., kapsels. Kapseltje, O., -jes.
Kapspiegel, M., -spiegels.
Kapster, V., kapsters.
Kapstok, M., -stokken; -stokje, O., -jes.
Kaptafel, V., -tafels.
Kapucijn, M., Kapucijnen.
Kapucijnenklooster, O., -kloosters.
Kapucijner (monnik), M., Kapucijners.
Kapucijner (erwt), M., kapucijners.
Kapuitsmuts en Kapoetsmuts, V., -mutsen.
Kar, V., karren. Karretje, O., -jes.
Karaak en Kraak, V., karaken en kraken.
Karaat, O., karaten en karaats.
Karabijn, V., karabijnen.
Karabinier, M., karabinieren en karabiniers.
Karaf en Kraf, V., karaffen en kraffen. Karafje en krafje, O., -jes.
Karakter, O., karakters. Karaktertje, O., -jes.
Karakteriseeren, karakteriseerde, heeft gekarakteriseerd.
Karakteristiek, karakteristieker, karakteristiekst.
Karakteristiek, V.
Karakterloos, -loozer.
Karakterloosheid, V.
Karaktertrek, M., -trekken.
Karavaan, V., karavanen.
Karavaanthee, V.
Karbeel, M., karbeels en karbeelen.
Karbonade, V., karbonades en karbonaden. Karbonaadje, O., -jes.
Karbonkel (steen), M., karbonkelen en karbonkels.
Karbouw, M., karbouwen.
Kardeel, O., kardeels.
Kardemom, V.
Kardinaal, M., kardinalen.
Kardinaalshoed, M., -hoeden.
Kardoes (hond), M., kardoezen.
Kardoes (artillerie en bouwkunde), V., kardoezen.
Kareel, M., kareelen.
Kareelsteen, M., -steenen.
Karig, kariger, karigst.
Karigheid, V.
Karkant, M., karkanten.
Karkas, O., karkassen. Karkasje, O., -jes.
Karkiet, M., karkieten.
Karmeliet, M., Karmelieten.
Karmelietenklooster, O., -kloosters.
Karmijn, O.
Karmozijn, O.
Karmozijnen (bnw.).
Karn, V., karnen.
Karnemelk, V.
Karnemelksbrij, V.
Karnemelkspap, V.
Karnen, karnde, heeft gekarnd.
Karnton, V., -tonnen.
Karnoffelen, karnoffelde, heeft gekarnoffeld.
Karonje, V., karonjes.
Karos, V., karossen.
Karot, V., karotten. Karotje, O., -jes.
Karottenfabriek, V., -fabrieken.
Karper, M., karpers. Karpertje, O., -jes.
Karpet, O., karpetten. Karpetje, O., -jes.
Karpoets, V., karpoetsen. Karpoetsje, O., -jes.
Karreman, M., -lieden en -lui.
Karrepaard, O., -paarden.
Karrevracht, V., -vrachten.
Karsaai, O., karsaaien.
Karsaaien (bnw.).
Karsteling, M., karstelingen. Karstelingetje, O., -jes.
Kartel, M., kartels.
Kartelen, kartelde, heeft en is gekarteld.
Karteling, V., kartelingen.
Kartets, V., kartetsen.
Kartetskogel, M., -kogels.
Kartetsvuur, O.
Karton (papier), O.
Kartonneeren, kartonneerde, heeft gekartonneerd.
Kartonneering, V., kartonneeringen.
Kartonnen (bnw.).
Kartuizer, M., Kartuizers.
Karveel, V. en O., karveels en karveelen.
Karveelswerk, O.
Karviel, O., karviels en karvielen.
Karwats, V., karwatsen. Karwatsje, O., -jes.
Karwei (werk), V., karweien. Karweitje, O., -jes.
Karwij (zaad), V.
Kas, V., kassen. Kasje, O., -jes.
Kasboek, O., -boeken; -boekje, O., -jes.
Kasgeld, O.
Kaskien en Kaskijn, M., kaskienen en kaskijnen.
Kasregister, O., -registers.
Kasseien, kasseide, heeft gekasseid.
Kassen, kaste, heeft gekast.
Kassie, V.
Kassier, M., kassiers en kassieren. Kassiertje, O., -jes.
Kassierderij, V.
Kassiersboek, O., -boeken.
Kassiersbriefje, O., -jes.
Kassierskantoor, O., -kantoren.
Kassiersknecht, M., -knechts.
Kassiersrekening, V., -rekeningen.
Kassig.
Kast, V., kasten. Kastje, O., -jes.
Kastanje (boom), M.; (vrucht), V., kastanjes.
Kastanjeboom, M., -boomen.
Kastanjebruin.
Kastanjebruin, O.
Kastdeur, V., -deuren.
Kaste, V., kasten.
Kasteel, O., kasteelen. Kasteeltje, O., -jes.
Kastegeest, M.
Kastekort, O.
Kastelein, M., kasteleins. Kasteleintje, O., -jes.
Kasteleines, V., kasteleinessen.
Kasteleinsrekening, V., -rekeningen.
Kastelenij, V., kastelenijen.
Kastenmaker, M., -makers.
Kastiespel, O.
Kastijden, kastijdde, heeft gekastijd.
Kastijding, V., kastijdingen.
Kastoor (stof), O.
Kastoren (bnw.).
Kastpapier, O.
Kastrol, V., kastrollen.
Kat, V., katten. Katje, O., -jes.
Kataas, O.
Katafalk, V., katafalken.
Kater, M., katers.
Katern, V. en O., katernen. Katerntje, O., -jes.
Kathalzen, kathalsde, heeft gekathalsd.
Katheder (leerstoel), M., katheders.
Kathedraal, kathedrale.
Kathedraal, V., kathedralen.
Katheter (buis), M., katheters.
Katholiek en Catholiek, M., Katholieken en Catholieken.
Katjesspel, O.
Katoen (als stof), O.; (als handelswaar), V., katoenen. Katoentje, O., -jes.
Katoenbaal, V., -balen.
Katoenboom, M., -boomen.
Katoenen (bnw.).
Katoenfluweel, O.
Katoenmarkt, V.
Katoenplantage, V., -plantages.
Katoenspinnerij, V., -spinnerijen.
Katrol, V., katrollen. Katrolletje, O., -jes.
Kattebak, M., -bakken.
Kattebelletje, O., kattebelletjes.
Kattekop, M., -koppen.
Kattekwaad, O.
Katten, katte, heeft gekat.
Kattendoorn en -doren, M.
Kattengemauw, O.
Kattengeslacht, O.
Kattenhaar, O.
Kattenmuziek, V.
Katterig, katteriger, katterigst.
Katterigheid, V.
Kattesprong, M., -sprongen.
Kattestaart, M., -staarten.
Kattevel, O., -vellen.
Katuil, M., -uilen.
Katvisch, V.
Kauw, V., kauwen.
Kauwen, kauwde, heeft gekauwd.
Kauwoerde, V., kauwoerden.
Kavalje, V. en O., kavaljes.
Kavel, M., kavels en kavelen.
Kavelen, kavelde, heeft gekaveld.
Kaveling, V., kavelingen.
Kaviaar, V.
Kazak, V., kazakken.
Kazemat, V., kazematten.
Kazen, kaasde, heeft gekaasd.
Kazerne, V., kazernen.
Kazerneeren, kazerneerde, heeft gekazerneerd.
Kazerneering, V.
Kazuaris, M., kazuarissen.
Kazuifel, V., kazuifels en kazuifelen.
Ked, Kedde. Zie Kid.
Keel (in de bouwkunde), V., kelen.
Keel (lichaamsdeel), V., kelen. Keeltje, O., -jes.
Keel (rood), O. Verg. Kelen (bnw.).
Keelband, M., -banden,
Keelgat, O.
Keelgeluid, O., -geluiden.
Keelletter, V., -letters.
Keelpijn, V.
Keelstem, V.
Keeltering, V.
Keelziekte, V., -ziekten.
Keen, V., kenen.
Keep, V., kepen. Keepje, O., -jes.
Keer, M., keeren.
Keerdam, M., -dammen.
Keeren (wenden), keerde, heeft en is gekeerd.
Keering, V., keeringen.
Keerkring, M., -kringen.
Keerkringslijn, V., -lijnen.
Keerkringsplant, V., -planten.
Keerkringsvogel, M., -vogels.
Keerkringswarmte, V.
Keerkringszon, V.
Keernagel, M., -nagels.
Keerpunt, O., -punten.
Keertouw, O., -touwen.
Keerweer, M., -weeren.
Keerweg, M., -wegen.
Keerzijde, V., -zijden.
Kees, M., keezen. Keesje, O., -jes.
Keeshond, M., -honden.
Keest, M.
Keet, V., keten.
Keffen, kefte, heeft gekeft.
Keffer, M., keffers. Keffertje, O., -jes.
Keg en Kegge, V., keggen. Kegje en keggetje, O., -jes.
Kegel, M., kegels en kegelen. Kegeltje, O., -jes.
Kegelaar, M., kegelaars.
Kegelbaan, V., -banen.
Kegelbal, M., -ballen.
Kegelconcours, O., -concoursen.
Kegelen, kegelde, heeft gekegeld.
Kegeljongen, M., -jongens.
Kegelplaats, V., -plaatsen.
Kegelsnede, V., -sneden.
Kegeltop, M., -toppen.
Kegelvlak, O., -vlakken.
Kegelvormig.
Kei, M., keien. Keitje, O., -jes.
Keil, M., keilen. Keiltje, O., -jes.
Keilen, keilde, heeft gekeild.
Keisteen, M., -steenen; -steentje, O., -jes.
Keizer, M., keizers.
Keizerdom, O.
Keizerin, V., keizerinnen.
Keizerlijk.
Keizerrijk, O., -rijken.
Keizershof, O., -hoven.
Keizerskroon, V., -kronen.
Keizersnede, V., -sneden.
Keker, V., kekers.
Kekeren, kekerde, heeft gekekerd.
Kelder, M., kelders. Keldertje, O., -jes.
Kelderachtig, -achtiger, -achtigst.
Kelderen, kelderde, heeft gekelderd.
Keldergat, O., -gaten.
Kelderluik, O., -luiken.
Kelderraam, O., -ramen.
Kelderrat of -rot, V., -ratten en -rotten.
Keldertrap, V., -trappen.
Kelderwinde, V., -winden.
Kelen, keelde, heeft gekeeld.
Kelen (bnw. in de wapenkunde).
Kelk, M., kelken. Kelkje, O., -jes.
Kemel, M., kemels.
Kemelshaar, O.
Kemelsharen (bnw.).
Kemphaan, M., -hanen; -haantje, O., -jes.
Kenbaar, -baarder, -baarst.
Kenen, keende, is gekeend.
Kenlijk en Kennelijk, -lijker, -lijkst.
Kenmerk, O., -merken.
Kenmerken, kenmerkte, heeft gekenmerkt.
Kenmerkend.
Kennelijk. Zie Kenlijk.
Kennen, kende, heeft gekend.
Kennep. Zie Hennep.
Kenner, M., kenners.
Kennersblik, M., -blikken.
Kennersoog, O.
Kennis (wetenschap), V.
Kennis (bekende), V., kennissen. Kennisje, O., -jes.
Kennisgeving, V., -gevingen.
Kennismaking, V., -makingen.
Kennisneming, V.
Kenschets, V., -schetsen.
Kenschetsen, kenschetste, heeft gekenschetst.
Kenspreuk, V., -spreuken.
Kenster, V., kensters.
Kenteeken, O., -teekenen.
Kenteekenen, kenteekende, heeft gekenteekend.
Kenteren, kenterde, heeft en is gekenterd.
Kenterhaak, M., -haken.
Kentering, V., kenteringen.
Kenvermogen, O.
Kepen, keepte, heeft gekeept.
Keper, V., kepers.
Keperen, keperde, heeft gekeperd.
Kerel, M., kerels. Kereltje, O., -jes.
Keren (vegen), keerde, heeft gekeerd.
Kerf, V., kerven. Kerfje, O., -jes.
Kerfbank, V., -banken.
Kerfbijl, V., -bijlen.
Kerfmes, O., -messen.
Kerfstok, M., -stokken.
Kerk, V., kerken. Kerkje, O., -jes.
Kerkbaljuw, M., -baljuwen.
Kerkbank, V., -banken.
Kerkboek, O., -boeken; -boekje, O., -jes.
Kerkdag, M., -dagen.
Kerkdienst, M.
Kerkedienaar, M., -dienaars en -dienaren.
Kerkekamer, V., -kamers.
Kerkekas, V.
Kerkeknecht, M., -knechts.
Kerkelijk.
Kerken, kerkte, heeft gekerkt.
Kerkenorde en Kerkorde, V.
Kerkenordening, V., -ordeningen.
Kerker, M., kerkers.
Kerkeraad, M., -raden.
Kerkeren, kerkerde, heeft gekerkerd.
Kerkerkot, O., -kotten.
Kerkezakje, O., -jes.
Kerkgang, M., -gangen.
Kerkgebouw, O., -gebouwen.
Kerkgenootschap, O., -genootschappen.
Kerkgeschiedenis, V.
Kerkgezang, O.
Kerkhervorming, V., -hervormingen.
Kerkhof, O., -hoven; -hofje, O., -jes.
Kerkhofbloem, V., -bloemen.
Kerkklok, V., -klokken.
Kerkkroon, V., -kronen.
Kerkleer, V.
Kerkmeester, M., -meesters.
Kerkmuziek, V.
Kerkorgel, O., -orgels.
Kerkportaal, O., -portalen.
Kerkrat, V., -ratten.
Kerkrecht, O.
Kerkrechtelijk.
Kerkroof, M.
Kerksch, kerkscher, meest kerksch.
Kerkschheid, V.
Kerkstoel, M., -stoelen.
Kerktijd, M., -tijden.
Kerktoren, M., -torens.
Kerkuil, M., -uilen.
Kerkvader, M., -vaders.
Kerkvergadering, V., -vergaderingen.
Kerkvoogd, M., -voogden.
Kermen, kermde, heeft gekermd.
Kermer, M., kermers.
Kermis, V., kermissen.
Kermisbed, O., -bedden; -bedje, O., -jes.
Kermisfooi, V., -fooien.
Kermisgaan, O.
Kermisganger, M., -gangers.
Kermisgeld, O.
Kermisklant, M., -klanten.
Kermisstuk, O., -stukken.
Kermistent, V., -tenten.
Kermisvolk, O.
Kermisvrijer, M., -vrijers.
Kermisweek, V., -weken.
Kern, V., kernen.
Kernachtig, -achtiger, -achtigst.
Kernachtigheid, V.
Kers (vrucht), V., kersen. Kersje, O., -jes.
Kers (kruid), V.
Kerseboom, M., -boomen.
Kerseboomenhout, O.
Kerseboomgaard, M., -gaarden.
Kersenmand, V., -manden.
Kersentaart, V., -taarten.
Kersentijd, M.
Kersepit, V., -pitten.
Kersouw, V., kersouwen. Kersouwtje, O., -jes.
Kerspel, O., kerspelen en kerspels.
Kerstavond, M., -avonden.
Kerstboom, M., -boomen; -boompje, O., -jes.
Kerstbrood, O., -brooden.
Kerstdag, M., -dagen.
Kerstenen, kerstende, heeft gekerstend.
Kerstfeest, O., -feesten.
Kerstkrans, M., -kransen.
Kerstlied, O., -liederen; -liedje, O., -jes.
Kerstmis, V., -missen.
Kerstnacht, M., -nachten.
Kersttijd, M.
Kerstvacantie, V., -vacantiën en -vacanties.
Kerstweek, V., -weken.
Kerstzang, M., -zangen.
Kersversch.
Kervel, V.
Kerven, korf, korven, heeft en is gekorven.
Kesp, V., kespen.
Ketel, M., ketels. Keteltje, O., -jes.
Ketelachtig. Zie Kittelachtig.
Ketelbikker, M., -bikkers.
Ketelboeter, M., -boeters.
Ketelen. Zie Kittelen.
Ketelig. Zie Kittelig.
Ketelkoek, M., -koeken.
Ketellapper, M., -lappers.
Ketelmuziek, V.
Ketelsteen, M.
Keten, V., ketenen en ketens. Ketentje, O., -jes.
Keten, keette, heeft gekeet.
Ketenen, ketende, heeft geketend.
Ketsen, ketste, heeft geketst.
Ketter, M., ketters.
Ketterdom, O.
Ketterij, V., ketterijen. Ketterijtje, O., -jes.
Ketterjager, M., -jagers.
Kettersch.
Ketting, M., kettingen. Kettinkje, O., -jes.
Kettingbreuk, V., -breuken.
Kettingbrug, V., -bruggen.
Kettingganger, M., -gangers.
Kettingjongen, M., -jongens.
Kettingkogel, M., -kogels.
Kettingregel, M.
Kettingsteek, M., -steken.
Kettingwant, O.
Keu (biljartstok), V., keuen en keus.
Keuken, V., keukens. Keukentje, O., -jes.
Keukenboek, O., -boeken.
Keukenkast, V., -kasten.
Keukenmeid, V., -meiden.
Keukenpiet, M., -pieten.
Keukenprinses, V., -prinsessen.
Keukenschort, O., -schorten; -schortje, O., -jes.
Keukenwagen, M., -wagens.
Keukenzout, O.
Keule, V.
Keulenaar (persoon), M., Keulenaars.
Keulenaar (vaartuig), M., keulenaars.
Keulsch.
Keur, V., keuren.
Keurbende, V., -benden.
Keurder, M., keurders.
Keuren, keurde, heeft gekeurd.
Keurig, keuriger, keurigst.
Keurigheid, V.
Keuring, V., keuringen.
Keuringsdienst, M.
Keurkorps, O., -korpsen.
Keurlijk, -lijker, -lijkst.
Keurmeester, M., -meesters.
Keurprins, M., -prinsen.
Keurprinses, V., -prinsessen.
Keurs, V., keurzen. Keursje, O., -jes.
Keurslijf, O., -lijven.
Keursoldaat, M., -soldaten.
Keurteeken, O., -teekens.
Keurteekenen, keurteekende, heeft gekeurteekend.
Keurverwantschap, V.
Keurvorst, M., -vorsten.
Keurvorstelijk.
Keurvorstendom, O., -dommen.
Keus. Zie Keuze.
Keutel, V., keutels. Keuteltje, O., -jes.
Keutelaar, M., keutelaars.
Keutelachtig, -achtiger, -achtigst.
Keutelarij, V., keutelarijen.
Keutelen, keutelde, heeft gekeuteld.
Keutelig, keuteliger, keuteligst.
Keuteren, keuterde, heeft gekeuterd.
Keuvel, V., keuvels.
Keuvelaar, M., keuvelaars.
Keuvelen, keuvelde, heeft gekeuveld.
Keuze en Keus, V., keuzen.
Kevel, M., kevels. Keveltje, O., -jes.
Kever, M., kevers. Kevertje, O., -jes.
Kevie, V., kevies.
Kib en Kibbe, V., kibben. Kibje en kibbetje, O., -jes.
Kibbelaar, M., kibbelaars.
Kibbelarij, V., kibbelarijen. Kibbelarijtje, O., -jes.
Kibbelen, kibbelde, heeft gekibbeld.
Kibbeling (afval van zoutevisch), V.
Kibbelzucht, V.
Kid en Kidde (ook Ked en Kedde), V., kidden (en kedden).
Kiekeboe.
Kieken en Kuiken, O., kiekens en kuikens. Kiekentje en kuikentje, O., -jes.
Kiel (kleedingstuk), M., kielen. Kieltje, O., -jes.
Kiel (van een schip), V., kielen.
Kielbalk, M., -balken.
Kielen, kielde, heeft gekield.
Kielhalen, kielhaalde, heeft gekielhaald.
Kieling, V.
Kielkeper, V., -kepers.
Kielwater, O.
Kiem, V., kiemen. Kiempje, O., -jes.
Kiemblaadje, O., -blaadjes.
Kiemblaasje, O., -blaasjes.
Kiemen, kiemde, heeft gekiemd.
Kiemwit, O.
Kienen, kiende, heeft gekiend.
Kienspel, O., -spellen.
Kier, M., kieren. Kiertje, O., -jes.
Kiereboe, V., kiereboes.
Kieren, kierde, heeft gekierd.
Kies, V., kiezen. Kiesje, O., -jes.
Kiesbevoegdheid, V.
Kiesch, kiescher, meest kiesch.
Kieschheid, V.
Kieschkeurig en Kieskeurig, -keuriger, -keurigst.
Kieschkeurigheid, V.
Kiescollege, O., -colleges.
Kiesdistrict, O., -districten.
Kiesgerechtigd.
Kieskauw, M. en V., kieskauwen.
Kieskauwen, kieskauwde, heeft gekieskauwd.
Kieskauwer, M., -kauwers.
Kiespijn, V.
Kiespijndoek, M., -doeken.
Kiesplicht, M.
Kiesrecht, O.
Kiestabel, V.
Kiesstelsel, O., -stelsels.
Kiesvereeniging, V., -vereenigingen.
Kiesvergadering, V., -vergaderingen.
Kieswet, V., -wetten.
Kietelen. Zie Kittelen.
Kieuw, V., kieuwen.
Kieuwdeksel, O., -deksels.
Kievit, M., kieviten.
Kievitsei, O., -eieren; -eitje, O., -eitjes en -eiertjes.
Kievitsnest, O., -nesten.
Kiezel, O.
Kiezelsteen, M., -steenen; -steentje, O., -jes.
Kiezelzuur, O.
Kiezen, koos, kozen, heeft gekozen.
Kiezentrekker, M., -trekkers.
Kiezer, M., kiezers.
Kiezerslijst, V., -lijsten.
Kif, O.
Kijf, V. (buiten kijf).
Kijfachtig, -achtiger, -achtigst.
Kijk, M. Kijkje, O., -jes.
Kijkdag, M., -dagen.
Kijken, keek, keken, heeft gekeken.
Kijker, M., kijkers. Kijkertje, O., -jes.
Kijkgat, O., -gaten.
Kijkglas, O., -glazen.
Kijk-in-de-pot, M. en V., kijk-in-de-potten.
Kijkkast, V., -kasten.
Kijkspel, O., -spellen.
Kijvage, V.
Kijven, keef, keven, heeft gekeven.
Kik, M. Kikje, O.
Kikken, kikte, heeft gekikt.
Kikker, M., kikkers. Kikkertje, O., -jes.
Kikkerbil, V., -billen; -billetje, O., -jes.
Kikkerland, O.
Kikkerpoel, M., -poelen.
Kikkerrit, O.
Kikvorsch, M., -vorschen; -vorschje, O., -jes.
Kikvorschennet, O., -netten.
Kil, V., killen.
Kil, killer, kilst.
Kilheid, V.
Killen, kilde, heeft gekild.
Killig, killiger, killigst.
Kilo, O., kilo's. Kilootje, O., -jes.
Kilogram, O., kilogrammen.
Kilometer, M., kilometers.
Kilometerboekje, O., -boekjes.
Kilometerraai, V., -raaien.
Kim, V., kimmen.
Kimduiking, V.
Kimweger, M., kimwegers.
Kin, V., kinnen. Kinnetje, O., -jes.
Kina, V.
Kinabast, V. (als stofnaam).
Kinawijn, M.
Kind, O., kinderen en kinders. Kindje, O., kindertjes.
Kinderachtig, -achtiger, -achtigst.