Woordenlijst voor de spelling der Nederlandsche Taal Met aanwijzing van de geslachten der naamwoorden en de vervoeging der werkwoorden (part 3 of 6)
Kinderachtigheid, V., -heden.
Kinderarts, M., -artsen.
Kinderbal, O, -bals.
Kinderbalk, M., -balken; -balkje, O. -jes.
Kinderbewaarplaats, V., -plaatsen.
Kinderbijbel, M., -bijbels.
Kindercourant, V., -couranten.
Kinderdief, M., -dieven.
Kinderdokter, M., -dokters.
Kinderdoop, M.
Kinderdracht, V., -drachten.
Kinderen, kinderde, heeft gekinderd.
Kinderfeest, O., -feesten.
Kindergeld, O.
Kindergeschreeuw, O.
Kindergezang, O.
Kindergoed, O.
Kindergril, V., -grillen.
Kinderhand, V., -handen.
Kinderhoofd, O., -hoofden.
Kinderjaren (mv.), O.
Kinderjuffrouw, V., -juffrouwen.
Kinderkamer, V., -kamers.
Kinderkost, M.
Kinderkuur, V., -kuren.
Kinderleven, O.
Kinderlied, O., -liederen; -liedje, O., -jes.
Kinderliefde, V.
Kinderlijk, -lijker, -lijkst.
Kinderlijkheid, V.
Kinderloos, -looze.
Kinderloosheid, V.
Kindermaal, O., -malen.
Kindermand, V., -manden.
Kindermeid, V., -meiden.
Kindermeisje, O., -jes.
Kindermoord, M., -moorden.
Kindermoordenares, V., -moordenaressen.
Kinderpartij, V., -partijen.
Kinderplaag (plaag), V., -plagen.
Kinderplaag (persoon), M. en V., -plagen.
Kinderplicht, M., -plichten.
Kinderpokken (mv.), V.
Kinderpraat, M.
Kinderroof, M.
Kinderschoen, M., -schoenen; -schoentje, O., -jes.
Kinderschool, V. en O., -scholen; -schooltje, O., -jes.
Kinderspeelgoed, O.
Kinderspel, O., -spellen en -spelen.
Kinderstoel, M., -stoelen.
Kindervoeding, V.
Kindervraag, V., -vragen.
Kindervriend, M., -vrienden.
Kinderwagen, M., -wagens; -wagentje, O., -jes.
Kinderwereld, V.
Kinderwerk, O.
Kinderwetten (mv.), V.
Kinderzegen, M.
Kinderziekenhuis, O., -huizen.
Kinderziekte, V., -ziekten.
Kindlief.
Kindsbeen (Van - af).
Kindsch.
Kindschheid (gebrek van den ouderdom), V.
Kindsgedeelte, O., -gedeelten.
Kindsheid (eerste jeugd), V.
Kindskind, O., -kinderen.
Kinine, V.
Kininedrank, M., -dranken; -drankje, O., -jes.
Kininepil, V., -pillen.
Kininepoeder en -poeier, V., -poeders en -poeiers.
Kink, V., kinken.
Kinkel, M., kinkels.
Kinken, kinkte, heeft gekinkt.
Kinkhoest, M.
Kinkhoorn en Kinkhoren, M., -hoorns en -horens; -hoorntje en -horentje, O., -jes.
Kinnebak, V., -bakken.
Kinnebaksblok, O., -blokken.
Kinnebaksham, V., -hammen; -hammetje, O., -jes.
Kinnetje (maat), O., -jes.
Kiosk, V., kiosken.
Kiosk-onderneming, V., -ondernemingen.
Kip (band, knip, enz.), V., kippen.
Kip (vogel), V., kippen. Kipje en kippetje, O., -jes.
Kippeborst, V., -borsten.
Kippeboutje, O., -jes.
Kippen, kipte, heeft gekipt.
Kippenboer, M., -boeren.
Kippendief, M., -dieven.
Kippenei, O., -eieren; -eitje, O., -eitjes en -eiertjes.
Kippengaas, O.
Kippengerst, V.
Kippenhok, O., -hokken.
Kippenkoopman, M., -kooplui.
Kippenkuur, V., -kuren.
Kippenladder, V., -ladders.
Kippenloop, M., -loopen.
Kippenpastei, V., -pasteien.
Kippenren, V., -rennen.
Kippensoep, V.
Kippenvel, O.
Kippenvoer, O.
Kippetjesgort, V.
Kippetjesgrutten (mv.), V.
Kippetjeskost, M.
Kippig, kippiger, kippigst.
Kipsel, O., kipsels.
Kiptakel, M., -takels.
Kirren, kirde, heeft gekird.
Kissen, kiste, heeft gekist.
Kist, V., kisten. Kistje, O., -jes.
Kisten, kistte, heeft gekist.
Kistenhout, O.
Kistenmaker, M., -makers.
Kit, V., kitten.
Kits, V., kitsen.
Kitsen, kitste, heeft gekitst.
Kittebroer, M., -broers.
Kittelaar, M., kittelaars.
Kittelen (ook Ketelen en Kietelen), kittelde, heeft gekitteld.
Kitteling, V., kittelingen.
Kitteloorig, -ooriger, -oorigst.
Kitteloorigheid, V.
Kittig, kittiger, kittigst.
Klaaghuis, O., -huizen.
Klaaglied, O., -liederen.
Klaaglijk, -lijker, -lijkst.
Klaagpsalm, M., -psalmen.
Klaagrede, V., -redenen.
Klaagschrift, O., -schriften.
Klaagstem, V., -stemmen.
Klaagtoon, M., -tonen.
Klaagzang, M., -zangen.
Klaar, klaarder, klaarst.
Klaarblijkelijk, -lijker, -lijkst.
Klaarheid, V.
Klaarkomen, komt klaar, kwam klaar, kwamen klaar, is klaargekomen.
Klaarkrijgen, kreeg klaar, kregen klaar, heeft klaargekregen.
Klaarleggen, legde en leide klaar, heeft klaargelegd en klaargeleid.
Klaarlicht (bnw.).
Klaarliggen, lag klaar, lagen klaar, heeft klaargelegen.
Klaarmaken, maakte klaar, heeft klaargemaakt.
Klaarspelen, speelde klaar, heeft klaargespeeld.
Klaarstaan, stond klaar, heeft klaargestaan.
Klaarzetten, zette klaar, heeft klaargezet.
Klaas, M., klazen. Klaasje, O., -jes.
Klacht, V., klachten.
Klachtenboek, O., -boeken.
Klachtig, klachtiger, klachtigst.
Klad (vlek), V., kladden. Kladje, O., -jes.
Klad (ruw opstel), O. Kladje, O., -jes.
Kladboek, O., -boeken.
Kladdeboter, V.
Kladden, kladde, heeft geklad.
Kladder, M., kladders.
Kladderig, kladderiger, kladderigst.
Kladderigheid, V.
Kladdig, kladdiger, kladdigst.
Kladpapier, O., -papieren.
Kladschilder, M., -schilders.
Kladschrijver, M., -schrijvers.
Kladschrift, O., (schrijfsel), O.; (schrijfboek), O., -schriften.
Kladschuld, V., -schulden.
Kladwerk, O.
Klagen, klaagde, heeft geklaagd.
Klager, M., klagers.
Klak, V., klakken.
Klakkebus, V., -bussen.
Klakkeloos, -looze.
Klakken, klakte, heeft geklakt.
Klam, klammer, klamst.
Klamaai, M., klamaaien.
Klamaaien, klamaaide, heeft geklamaaid.
Klamheid, V.
Klamp, M., klampen. Klampje, O., -jes.
Klampen, klampte, heeft geklampt.
Klamplat, V., -latten.
Klampspijker, M., -spijkers.
Klandizie, V.
Klank, M., klanken. Klankje, O., -jes.
Klankbodem, M., -bodems.
Klankbord, O., -borden.
Klankleer, V.
Klankloos, -looze.
Klanknabootsing, V., -nabootsingen.
Klankverandering, V., -veranderingen.
Klankverschuiving, V.
Klankwet, V., -wetten.
Klankwijziging, V., -wijzigingen.
Klant, M., klanten. Klantje, O., -jes.
Klap (slag), M., klappen. Klapje, O., -jes.
Klap (gepraat), M.
Klapachtig, -achtiger, -achtigst.
Klapbes, V., -bessen; -besje. O., -jes.
Klapbrug, V., -bruggen.
Klaphek, O., -hekken.
Klaphout, O.
Klaphoutje, O., -jes.
Klaploopen, O.
Klaplooper, M., -loopers.
Klaplooperij, V.
Klapmuts, V., -mutsen.
Klappei, V., klappeien.
Klappeien, klappeide, heeft geklappeid.
Klappen, klapte, heeft geklapt.
Klapper, M., klappers.
Klapperboom, M., -boomen.
Klapperen, klapperde, heeft geklapperd.
Klapperman, M., -lieden en -lui.
Klappermelk, V.
Klappermolen, M., -molens.
Klappernoot (boom), M.; (vrucht), V., -noten.
Klapperolie, V.
Klappertanden, klappertandde, heeft geklappertand.
Klaproos, V., -rozen.
Klapsigaar, V., -sigaren.
Klapspaan (molenklapper), V., -spanen.
Klapster, V, klapsters.
Klapstuk, O., -stukken.
Klaptafel, V., -tafels; -tafeltje, O., -jes.
Klaptouw, O., -touwen.
Klapwieken, klapwiekte, heeft geklapwiekt.
Klare (jenever), V.
Klaren, klaarde, heeft geklaard.
Klarigheid, V.
Klarinet, V., klarinetten.
Klarinettist, M., klarinettisten.
Klaring, V.
Klaringsvaartuig, O., -vaartuigen.
Klaroen, V., klaroenen.
Klaroengeschal, O.
Klasse, V., klassen.
Klassenstrijd, M.
Klassenverdeeling, V., -verdeelingen.
Klater, V., klaters. Klatertje, O., -jes.
Klateren, klaterde, heeft geklaterd.
Klatergoud, O.
Klats (tusschenw.).
Klauteraar, M., klauteraars.
Klauteren, klauterde, heeft en is geklauterd.
Klauterpaal, M., -palen.
Klauw, M., klauwen. Klauwtje; O., -jes.
Klauwen, klauwde, heeft geklauwd.
Klauwer, M., klauwers.
Klauwier, M., klauwieren.
Klauwzeer, O.
Klavaatshamer, M., -hamers.
Klavecimbaal en Klavecimbel, V., klavecimbalen en klavecimbels.
Klaver, V.
Klaveren (mv.), V.
Klaveren, klaverde, heeft geklaverd.
Klaverenaas en Klaveraas, O., -azen.
Klaverenboer en Klaverboer, M., -boeren.
Klaverenheer en Klaverheer, M., -heeren.
Klaverenvrouw en Klavervrouw, V., -vrouwen.
Klaverjassen, klaverjaste, heeft geklaverjast.
Klaverrijk, -rijker, -rijkst.
Klavier, O., klavieren.
Klavierconcert, O., -concerten.
Klavierspel, O.
Klavierspeler, M., -spelers.
Kleed (kleedingstuk), O., kleederen en kleeren. Kleedje, O., kleedjes en kleertjes.
Kleed (dekkleed), O., kleeden. Kleedje, O., -jes.
Kleeden, kleedde, heeft gekleed.
Kleederdracht, V., -drachten.
Kleedermaker en Kleermaker (ook Kleerenmaker), M., -makers.
Kleederpracht, V.
Kleedij, V.
Kleeding, V.
Kleedingstuk, O., -stukken.
Kleedkamer, V., -kamers.
Kleefgaren, O.
Kleefkruid, O.
Kleefpleister, V., -pleisters.
Kleefrijst, V.
Kleefstof, V.
Kleen, kleene. Zie Klein.
Kleerbak, M., -bakken.
Kleerborstel, M., -borstels.
Kleerenbleeker, M., -bleekers.
Kleerenmaker. Zie Kleedermaker.
Kleerkast, V., -kasten.
Kleerklopper, M., -kloppers.
Kleerkoop, M., -koopen.
Kleerkooper, M., -koopers.
Kleermaken, O.
Kleermaker. Zie Kleedermaker.
Kleermakerstafel, V., -tafels.
Kleermakerswinkel, M., -winkels.
Kleermand, V., -manden.
Kleerscheuren (zonder -).
Kleerstok, M., -stokken.
Kleerwinkel en Kleerenwinkel, M., -winkels.
Kleerzolder en Kleerenzolder, M., -zolders.
Klef, kleffe.
Klei, V.
Kleiaardappel, M., -aardappels.
Kleiachtig, -achtiger, -achtigst.
Kleigrond, M., -gronden.
Klein (ook Kleen), kleiner, kleinst.
Klein (in het -), O.
Kleinachten, achtte klein, heeft kleingeacht.
Kleinachting, V.
Klein-Azië, O.
Kleindochter, V., -dochters; -dochtertje, O., -jes.
Kleinduimpje, O.
Kleine, M. en V., kleinen.
Kleineeren, kleineerde, heeft gekleineerd.
Kleingeestig, -geestiger, -geestigst.
Kleingeestigheid, V.
Kleingeld, O.
Kleingeloovig, -gelooviger, -geloovigst.
Kleingeloovigheid, V.
Kleinhandel, M.
Kleinhandelaar, M., -handelaars.
Kleinheid, V.
Kleinigheid, V., -heden. Kleinigheidje, O., -jes.
Kleinkind, O., -kinderen; -kindje, O., -kindertjes.
Klein-kinderschooltje, O., -jes.
Kleinkrijgen, kreeg klein, heeft kleingekregen.
Kleinmoedig, -moediger, -moedigst.
Kleinmoedigheid, V.
Kleinood, O., kleinooden en kleinoodiën. Kleinoodje, O., -jes.
Kleins, V., kleinzen.
Kleinschrift, O.
Kleinsmid, M., -smeden.
Kleinsteedsch.
Kleinsteedschheid, V.
Kleinte, V.
Kleintje, O., -jes.
Kleinzeerig, -zeeriger, -zeerigst.
Kleinzeerigheid, V.
Kleinzen, kleinsde, heeft gekleinsd.
Kleinzing, V., kleinzingen.
Kleinzoon, M., -zoons en -zonen; -zoontje, O., -jes.
Kleiweg, M., -wegen.
Klem, V., klemmen.
Klemhaak, M., -haken.
Klemmen, klemde, heeft geklemd.
Klemmerblad. Zie Klimmerblad.
Klemmerkruid. Zie Klimmerkruid.
Klemtoon, M., -tonen.
Klemvogel, M., -vogels.
Klens, Klenzen. Zie Kleins, Kleinzen.
Klep, V., kleppen. Klepje, O., -jes.
Klepel, M., klepels. Klepeltje, O., -jes.
Kleppel, M., kleppels.
Kleppen, klepte, heeft geklept.
Klepper, M., kleppers.
Klepperen, klepperde, heeft geklepperd.
Klepperman. Zie Klapperman.
Klerk, M., klerken. Klerkje, O., -jes.
Klerkschap, O.
Klessen. Zie Kletsen.
Klet, V.
Klets, V., kletsen. Kletsje, O., -jes.
Klets (tusschenw.).
Kletsen, kletste, heeft gekletst.
Kletskop, M. en V., -koppen.
Kletskous, V., -kousen.
Kletsnat en Klesnat, -natte.
Kletspraat, M.
Kletstafel, V.
Kletteren, kletterde, heeft gekletterd.
Kleumen, kleumde, heeft gekleumd.
Kleumer, M., kleumers.
Kleumsch.
Kleunen, kleunde, heeft gekleund.
Kleur, V., kleuren. Kleurtje, O., -jes.
Kleuren, kleurde, heeft gekleurd.
Kleurenblind.
Kleurenblindheid, V.
Kleurendruk, M.
Kleurenpracht, V.
Kleurhoudend.
Kleurig, kleuriger, kleurigst.
Kleuring, V., kleuringen.
Kleurling, M. en V., kleurlingen. V. ook kleurlinge.
Kleurloos, -looze.
Kleurloosheid, V.
Kleurmiddel, O., -middelen; -middeltje, O., -jes.
Kleurschakeering, V., -schakeeringen.
Kleursel, O., kleursels. Kleurseltje, O., -jes.
Kleurstof, V., -stoffen.
Kleuter, V., kleuters. Kleutertje, O., -jes.
Kleven, kleefde, heeft gekleefd.
Klevenaar, M., klevenaars.
Kleverig, kleveriger, kleverigst.
Kleverigheid, V.
Klewang, M., klewangs.
Klibber, O.
Kliefbaar.
Kliek, V., klieken. Kliekje, O., -jes.
Klieken, kliekte, heeft gekliekt.
Klieker, M., kliekers.
Kliekjesdag, M., -dagen.
Klier, V., klieren. Kliertje, O., -jes.
Klierachtig, -achtiger, -achtigst.
Kliergezwel, O., -gezwellen.
Kliertering, V.
Klierziekte, V.
Klieven, kliefde, heeft gekliefd.
Klif, O.
Klijf, O.
Klik, M., klikken.
Klikken, klikte, heeft geklikt.
Klikker, M., klikkers.
Klikklakken, klikklakte, heeft geklikklakt.
Klikspaan, M. en V., -spanen.
Klikspillen, klikspilde, heeft geklikspild.
Klim (het klimmen), M. (een heele -).
Klim (klimop), O.
Klimaat, O., klimaten.
Klimaatschieten, O.
Klimboon, V., -boonen.
Klimmen, klom, klommen, heeft en is geklommen.
Klimmer, M., klimmers.
Klimmerblad en Klemmerblad, O., -bladen.
Klimmerij, V.
Klimmerkruid en Klemmerkruid, O.
Klimop (het loof), O.; (de boom), M.
Kling, V., klingen. Klingetje, O., -jes.
Klingelbuil, M., -builen.
Klingelingeling.
Klink (klap), M., klinken. Klinkje, O., -jes.
Klink (van eene deur), V., klinken. Klinkje, O., -jes.
Klinkbout, M., -bouten.
Klinkdicht, O., -dichten; -dichtje, O., -jes.
Klinken, klonk, heeft geklonken.
Klinker, M., klinkers.
Klinkerpad, O., -paden.
Klinket, O., klinketten.
Klinkhaak, M., -haken.
Klinkhamer, M., -hamers.
Klinkklaar, -klare.
Klinkklank, M.
Klinkletter, V., -letters.
Klinknagel, M., -nagels.
Klinknagelshaak, M., -haken.
Klinkplaat, V., -platen.
Klinkring, M., -ringen.
Klinkwerk, O.
Klip, V., klippen. Klipje, O, -jes.
Klipgeit, V., -geiten.
Klipmuis, V., -muizen.
Klipper, M., klippers.
Klippertanden, klippertandde, heeft geklippertand.
Klipzout, O.
Klis, V., klissen. Klisje, O., -jes.
Klisklas, O.
Kliskruid en Klissekruid, O.
Klissen, kliste, is geklist.
Klisteer, V., klisteeren. Klisteertje, O., -jes.
Klisteeren, klisteerde, heeft geklisteerd.
Klisteerspuit, V., -spuiten.
Klit, V., klitten. Klitje, O., -jes.
Klits, V., klitsen. Klitsje, O., -jes.
Klodder, V., klodders.
Kloek, kloeker, kloekst.
Kloekhartig, -hartiger, -hartigst.
Kloekheid, V.
Kloekmoedig, -moediger, -moedigst.
Kloekmoedigheid, V.
Kloekzinnig, -zinniger, -zinnigst.
Kloen, O.; (persoon), V., kloenen. Kloentje, O., -jes.
Kloet, M., kloeten. Kloetje, O., -jes.
Kloeten, kloette, heeft gekloet.
Kloeter, M., kloeters.
Klok (teug), M., klokken. Klokje, O., -jes.
Klok (klokhen), V., klokken. Klokje, O., -jes.
Klok (metalen werktuig, glazen stolp enz.), V., klokken. Klokje, O., -jes.
Klokbloemig.
Klok-en-hamerspel, O.
Kloker, M., klokers.
Klokgelui, O.
Klokhen, V., -hennen.
Klokhuis, O., -huizen.
Klokkegalg, V.
Klokken, klokte, heeft geklokt.
Klokkengieter, M., -gieters.
Klokkenist, M., klokkenisten.
Klokkenmaker, M., -makers.
Klokkenspel, O., -spellen.
Klokkenspeler, M., -spelers.
Klokkereep en Klokreep, M., -reepen.
Klokkestoel, M., -stoelen.
Klokketoren, M., -torens.
Kloksignaal, O., -signalen.
Klokslag, M.
Klokspijs, V.
Klomp, M., klompen. Klompje, O., -jes.
Klompenmaker, M., -makers.
Klongel. Zie Klungel.
Klongelen. Zie Klungelen.
Klont, V., klonten. Klontje, O., -jes.
Klonter, M., klonters. Klontertje, O., -jes.
Klonteren, klonterde, is geklonterd.
Klonterig, klonteriger, klonterigst.
Klontig, klontiger, klontigst.
Kloof en Klove, V., kloven. Kloofje, O., -jes.
Kloofbijl, V., -bijlen.
Kloofhamer, M., -hamers.
Kloofhout, O.
Kloofmes, O., -messen.
Kloofstok, M., -stokken.
Klooster, O., kloosters. Kloostertje, O., -jes.
Kloosterachtig, -achtiger, -achtigst.
Kloosterbroeder, M., -broeders.
Kloostercel, V., -cellen.
Kloosteren, kloosterde, heeft gekloosterd.
Kloostergang, V., -gangen.
Kloosterhout, O.
Kloosterkerk, V., -kerken.
Kloosterleven, O.
Kloosterling, M. en V., kloosterlingen. V. ook kloosterlinge.
Kloosterorde, V., -orden.
Kloosterschool, V., -scholen.
Kloosterzuster, V., -zusters.
Kloot, M., klooten. Klootje, O., -jes.
Klootzak, M., -zakken.
Klooven, kloofde, heeft gekloofd.
Kloover, M., kloovers.
Klop (slag), M., kloppen. Klopje, O., -jes.
Klop (non), V., kloppen. Klopje, O., -jes.
Klopgeest, M., -geesten.
Klopgeesterij, V.
Klophamer, M., -hamers.
Klophengst, M., -hengsten.
Klophout, O.
Klopjacht, V., -jachten.
Kloppartij, V., -partijen.
Kloppen, klopte, heeft geklopt.
Klopper, M., kloppers. Kloppertje, O., -jes.
Klopping, V., kloppingen.
Klopscheen, V., -schenen.
Klopsteen, M., -steenen.
Klopzee, V., -zeeën.
Klos, M., klossen. Klosje, O., -jes.
Klosbaan, V., -banen.
Klosbeitel, M., -beitels.
Klossen, kloste, heeft geklost.
Klotsen, klotste, heeft geklotst.
Klove. Zie Kloof.
Klovenier en Kolvenier, M., kloveniers en kolveniers.
Kloveniersburgwal, M.
Kloveniersdoelen, M., -doelens.
Klucht (boert), V., kluchten. Kluchtje, O., -jes.
Klucht (mast), V., kluchten.
Kluchtig, kluchtiger, kluchtigst.
Kluchtigheid, V.
Kluchtspel, O., -spelen.
Kluft, V., kluften. Kluftje, O., -jes.
Kluif (het kluiven), M. Kluifje, O., -jes.
Kluif (klauw), V., kluiven.
Kluiffok, V., -fokken.
Kluifhout, O.
Kluifje (kluifbeentje), O., -jes.
Kluis, V., kluizen. Kluisje, O., -jes.
Kluisdeur, V., -deuren.
Kluisgat, O., -gaten.
Kluisplaat, V., -platen.
Kluister, V., kluisters.
Kluisteren, kluisterde, heeft gekluisterd.
Kluit, V., kluiten. Kluitje, O., -jes.
Kluitenbreker, M., -brekers.
Kluitig, kluitiger, kluitigst.
Kluiven, kloof, kloven, heeft gekloven.
Kluiver, M., kluivers.
Kluiverboom, M., -boomen.
Kluizen, kluisde, heeft gekluisd.
Kluizenaar, M., kluizenaren en kluizenaars.
Kluizenaarshut, V., -hutten.
Kluizenaarsleven, O.
Klungel (ook Klongel), V., klungels.
Klungelen (ook Klongelen), klungelde, heeft geklungeld.
Klungelwerk, O.
Kluppel, M., kluppels en kluppelen. Kluppeltje, O., -jes.
Kluppelen, kluppelde, heeft gekluppeld.
Kluppelkoek, M., -koeken.
Kluppelspel, O., -spellen.
Kluppelvers, O., -verzen.
Kluts, V.
Klutsei, O., -eieren.
Klutsen, klutste, heeft geklutst.
Kluwen, O., kluwens. Kluwentje, O., -jes.
Kluwenen, kluwende, heeft gekluwend.
Knaagdier, O., -dieren; -diertje, O., -jes.
Knaap, M., knapen. Knaapje, O., -jes.
Knaapjeskruid, O.
Knabbelen, knabbelde, heeft geknabbeld.
Knagen, knaagde, heeft geknaagd.
Knaging, V., knagingen.
Knak, M., knakken. Knakje, O., -jes.
Knak (bnw.).
Knak (tusschenw.).
Knakhamer, M., -hamers.
Knakken, knakte, heeft en is geknakt.
Knal, M., knallen.
Knaleffect, O., -effecten.
Knalgas, O.
Knalgoud, O.
Knallen, knalde, heeft geknald.
Knalpot, M., -potten.
Knalsignaal, O., -signalen.
Knap, M., knappen. Knapje, O., -jes.
Knap, knapper, knapst.
Knapenleeftijd, M.
Knaphandig, -handiger, -handigst.
Knapheid, V.
Knapjes.
Knapkers, V., -kersen.
Knapkoek (een koek), M., -koeken; (als stofnaam), V.
Knappen, knapte, is en heeft geknapt.
Knapper, M., knappers. Knappertje, O., -jes.
Knapperd (knap mensch), M., knapperds. Knapperdje, O., -jes.
Knapperen, knapperde, heeft geknapperd.
Knapzak, M., -zakken.
Knar, M., knarren.
Knarpen, knarpte, heeft geknarpt.
Knarsbeen en Knarsebeen, O.; -beentje, O., -jes.
Knarsen (ook Knersen), knarste, heeft geknarst.
Knarsetanden (ook Knersetanden), knarsetandde, heeft geknarsetand.
Knarsing, V., knarsingen.
Knaster, M., knasters.
Knaster (tabak), V.
Knauw, M., knauwen.
Knauwen, knauwde, heeft geknauwd.
Knauwsel, O., knauwsels.
Knecht, M., knechten en knechts. Knechtje, O., -jes; ook knechtken en knechtke, O., knechtkens en knechtkes.
Knechtsch.
Knechtschap, O.
Knechtsdienst, M., -diensten.
Knechtskamer, V., -kamers.
Knechtslivrei, V., -livreien.
Knechtsloon, O., -loonen.
Knechtswerk, O.
Kneden, kneedde, heeft gekneed.
Kneedbaar, -baarder, -baarst.
Kneedbaarheid, V.
Kneep, V., knepen. Kneepje, O., -jes.
Knekelhuis, O., -huizen; -huisje, O., -jes.
Knel, V., knellen. (In de knel).
Knellen, knelde, heeft gekneld.
Knelling, V., knellingen.
Kneppel, Kneppelen. Zie Knuppel, Knuppelen.
Knersen, enz. Zie Knarsen, enz.
Knetteren (ook Knitteren), knetterde, heeft geknetterd.
Knettering, V.
Knetterslag, M., -slagen.
Kneu, V., kneuen. Kneutje, O., -jes.
Kneukel. Zie Knokkel.
Kneukelvast.
Kneuter, V., kneuters. Kneutertje, O., -jes.
Kneuteraar, M., kneuteraars.
Kneuteren, kneuterde, heeft gekneuterd.
Kneuterig, kneuteriger, kneuterigst.
Kneuzen, kneusde, heeft gekneusd.
Kneuzing, V., kneuzingen.
Knevel, M., knevels. Kneveltje, O., -jes.
Knevelaar, M., knevelaars.
Knevelarij, V., knevelarijen.
Knevelbaard, M., -baarden.
Knevelband, M., -banden.
Knevelen, knevelde, heeft gekneveld.
Knibbelaar, M., knibbelaars.
Knibbelarij, V., knibbelarijen.
Knibbelen, knibbelde, heeft geknibbeld.
Knibbelspel, O., -spellen; -spelletje, O., -jes.
Knie, V., knieën. Knietje, O., -jes.
Knieboog, M., -bogen.
Kniegebed, O., -gebeden.
Kniegezwel, O., -gezwellen.
Knielen, knielde, heeft en is geknield.
Knieling, V., knielingen.
Knier, V., knieren.
Knieriem, M., -riemen.
Knieschijf, V., -schijven.
Kniesoor, M. en V., -ooren.
Kniezen (ook Knijzen), kniesde, heeft gekniesd.
Kniezer, M., kniezers.
Kniezerig, kniezeriger, kniezerigst.
Kniezerigheid, V.
Kniezig, knieziger, kniezigst.
Knijf, O., knijven. Knijfje, O., -jes.
Knijp, V. (In de knijp).
Knijpbril, M., -brillen.
Knijpen, kneep, knepen, heeft geknepen.
Knijper, M., knijpers. Knijpertje, O., -jes.
Knijping, V.
Knijptang, V., -tangen.
Knijzen, enz. Zie Kniezen, enz.
Knik, M., knikken. Knikje, O., -jes.
Knikkebeenen, knikkebeende, heeft geknikkebeend.
Knikkebollen, knikkebolde, heeft geknikkebold.
Knikken, knikte, heeft en is geknikt.
Knikker, M., knikkers. Knikkertje, O., -jes.
Knikkeren, knikkerde, heeft geknikkerd.
Knikkerspel, O., -spelen.
Knikkertijd, M.
Knikkerzak, M., -zakken; -zakje, O., -jes.
Knikstag, O., -stagen.
Knip (handeling), M., knippen. Knipje, O., -jes.
Knip (werktuig), V., knippen. Knipje, O., -jes.
Knipbeurs, V., -beurzen; -beursje, O., -jes.
Knipbriefje, O., -jes.
Knipmes, O., -messen; -mesje, O., -jes.
Knipmuts, V., -mutsen.
Knipoog, M. en V., -oogen.
Knipoogen, knipoogde, heeft geknipoogd.
Knipoogje, O., -jes.
Knippen, knipte, heeft geknipt.
Knipper, M., knippers.
Knipschaar, V., -scharen.
Knipsel, O., knipsels. Knipseltje, O., -jes.
Knipslot, O., -sloten; -slotje en -slootje, O., -slootjes.
Knipster, V., knipsters.
Knitteren. Zie Knetteren.
Knobbel, M., knobbels. Knobbeltje, O., -jes.
Knobbelachtig, -achtiger, -achtigst.
Knobbelig, knobbeliger, knobbeligst.
Knobbeljicht, V.
Knoei, M. (In den knoei).
Knoeien, knoeide, heeft geknoeid.
Knoeier, M., knoeiers.
Knoeierig, knoeieriger, knoeierigst.
Knoeierij, V., knoeierijen. Knoeierijtje, O., -jes.
Knoeister, V., knoeisters.
Knoeiwerk, O.
Knoest, M., knoesten. Knoestje, O., -jes.
Knoesterig, knoesteriger, knoesterigst.
Knoesterigheid, V.
Knoestig, knoestiger, knoestigst.
Knoestigheid, V.
Knoet, M., knoeten.
Knoetachtig, -achtiger, -achtigst.
Knoetslag, M., -slagen.
Knoffelen, enz. Zie Knuffelen, enz.
Knoflook, O.
Knoflooksoep, V.
Knok, M., knokken. Knokje, O., -jes.
Knokig, knokiger, knokigst.
Knokkel, M., knokkels. Knokkeltje, O., -jes.
Knokkeljicht, V.
Knokkelkoorts, V.
Knol, M., knollen. Knolletje, O., -jes.
Knolachtig.
Knollentuin, M.
Knolleschil, V., -schillen.
Knolvormig.
Knook, M., knoken. Knookje, O., -jes.
Knoop, M., knoopen. Knoopje, O., -jes.
Knoopen, knoopte, heeft geknoopt.
Knoopendraaier, M., -draaiers.
Knoopenfabriek, V., -fabrieken.
Knoopenhaak, M., -haken.
Knoopenmaker, M., -makers.
Knoopenschaar (om knoopen te poetsen), V., -scharen.
Knoopentrekker, M., -trekkers.
Knoopig, knoopiger, knoopigst.
Knooping, V., knoopingen.
Knoopkoord, O.
Knooplaars, V., -laarzen; -laarsje, O., -jes.
Knoopnaald, V., -naalden.
Knoopschaar (om te knoopen), V., -scharen.
Knoopsgat, O., -gaten; -gaatje, O., -jes.
Knoopster, V., knoopsters.
Knoopwerk, O.
Knoopzijde, V.
Knop, M., knoppen. Knopje, O., -jes.
Knoppen, knopte, heeft geknopt.
Knor, M., knorren.
Knorf, M., knorven. Knorfje, O., -jes.
Knorhaan, M., -hanen; -haantje, O., -jes.
Knorren, knorde, heeft geknord.
Knorrepot, M. en V., -potten.
Knorrig, knorriger, knorrigst.
Knorrigheid, V.
Knorvleesch, O.
Knot, V., knotten. Knotje, O., -jes.
Knots, V., knotsen. Knotsje, O., -jes.
Knotsslag, M., -slagen.
Knotten, knotte, heeft geknot.
Knotting, V., knottingen.
Knotwilg, M., -wilgen.
Knuffelen (ook Knoffelen), knuffelde, heeft geknuffeld.
Knuffeling, V., knuffelingen.
Knuist, M., knuisten. Knuistje, O., -jes.
Knul, M., knullen.
Knullig, knulliger, knulligst.
Knuppel (ook Kneppel), M., knuppels. Knuppeltje, O., -jes.
Knuppelen (ook Kneppelen), knuppelde, heeft geknuppeld.
Knuppelvers, O., -verzen.
Knusjes.
Knutselaar, M., knutselaars.
Knutselarij, V., knutselarijen. Knutselarijtje, O., -jes.
Knutselen, knutselde, heeft geknutseld.
Knutseling, V., knutselingen.
Knutselwerk, O.; -werkje, O., -jes.
Knuttel, V., knuttels.
Knutterig, knutteriger, knutterigst.
Kobalt, O.
Kobaltblauw, O.
Kodde, V., kodden.
Koddebeier, M., koddebeiers.
Koddenaar, M., koddenaars.
Koddig, koddiger, koddigst.
Koddigheid, V., -heden.
Koe, V., koeien. Koetje, O., -jes.
Koebeest, O., -beesten.
Koebrug, V., -bruggen.
Koebrugsdek, O.
Koeiekop, M., -koppen.
Koeiendrijver, M., -drijvers.
Koeienmelker, M., -melkers.
Koeienstal. Zie Koestal.
Koeionneeren, koeionneerde, heeft gekoeionneerd.
Koek (gebak, enz.). Als voorwerpsnaam, M., koeken. Koekje, O., -jes. Als stofnaam, V.
Koekamp, M.
Koekbakker en Koekenbakker, M., -bakkers.
Koekbakkerij, V., -bakkerijen.
Koekdeeg, O.
Koekeloeren, koekeloerde, heeft gekoekeloerd.
Koekenpan, V., -pannen.
Koekhakken, hakte koek, heeft koekgehakt.
Koekoek, M., koekoeken. Koekoekje, O., -jes.
Koekoekklok, V., -klokken; -klokje, O., -jes.
Koekoeksbloem, V., -bloemen.
Koekoeksbrood, O.
Koekoekslook, O.
Koekoeksplant, V.
Koekoeksveer, V., -veeren.
Koekoekszang, M., -zangen.
Koekwinkel, M., -winkels; -winkeltje, O., -jes.
Koel, koeler, koelst.
Koelbak, M., -bakken.
Koelbalie, V., -balies.
Koelbloedig, -bloediger, -bloedigst.
Koelbloedigheid, V.
Koeldrank, M., -dranken; -drankje, O., -jes.
Koelemmer, M., -emmers.
Koelen, koelde, heeft en is gekoeld.
Koelhartig, -hartiger, -hartigst.
Koelhartigheid, V.
Koelheid, V.
Koelhuis, O., -huizen.
Koelie, M., koelies.
Koelie-ordonnantie, V., -ordonnanties.
Koeliewerk, O.
Koeling, V., koelingen.
Koelkelder, M., -kelders.
Koelketel, M., -ketels.
Koelkruik, V., -kruiken.
Koelkuip, V., -kuipen.
Koeloven, M., -ovens.
Koelpan, V., -pannen.
Koelte, V.
Koeltje, O., -jes.
Koeltjes (bijw.).
Koelvat, O., -vaten.
Koelzeil, O., -zeilen.
Koelzinnig, -zinniger, -zinnigst.
Koelzinnigheid, V.
Koelzwabber, M., -zwabbers.
Koemelk, V.
Koen, koener, koenst.
Koenheid, V.
Koepel, M., koepels. Koepeltje, O., -jes.
Koepeldak, O., -daken.
Koepelkamer, V., -kamers.
Koepelkerk, V., -kerken.
Koepokinenting, V.
Koepokstof, V.
Koer, M., koeren.
Koeren, koerde, heeft gekoerd.
Koerier, M., koeriers.
Koers, M., koersen.
Koersen, koerste, heeft gekoerst.
Koersing, V.
Koersnoteering, V., -noteeringen.
Koersverschil, O., -verschillen.
Koeskoes, V.
Koeskoesen, koeskoeste, heeft gekoeskoest.
Koest (tusschenw.).
Koestal, M., -stallen.
Koesteren, koesterde, heeft gekoesterd.
Koestering, V., koesteringen.
Koet, V., koeten. Koetje, O., -jes.
Koeteraar, M., koeteraars.
Koeteraarster, V., koeteraarsters.
Koeteren, koeterde, heeft gekoeterd.
Koeterwaal, M., koeterwalen.
Koeterwaalsch, O.
Koeterwalen, koeterwaalde, heeft gekoeterwaald.
Koets (rijtuig), V., koetsen. Koetsje, O., -jes.
Koets (bed), V.
Koetsen, koetste, heeft gekoetst.
Koetser, M., koetsers.
Koetshuis, O., -huizen.
Koetsier, M., koetsiers. Koetsiertje, O., -jes.
Koetsiersjas, V., -jassen.
Koetspaard, O., -paarden.
Koevoet, M., -voeten.
Kof, V., koffen. Kofje, O., -jes.
Koffer, M., koffers. Koffertje, O., -jes.
Kofferen, kofferde, heeft gekofferd.
Koffermaker, M., -makers.
Koffie, V.
Koffieboon, V., -boonen; -boontje, O., -jes.
Koffiebrander, M., -branders.
Koffiecultuur, V.
Koffiedik, O.
Koffiedrinken, O.
Koffiehuis, O., -huizen.
Koffiehuishouder, M., -houders.
Koffieijs, O.
Koffiekamer, V., -kamers.
Koffiekan, V., -kannen.
Koffiekleurig.
Koffiekopje, O., -kopjes.
Koffiemolen, M., -molens.
Koffieplantage, V., -plantages.
Koffiepot, M., -potten; -potje, O., -jes.
Koffiestroop, V.
Koffietafel, V.
Koffietijd, M.
Koffietrommel, V., -trommels.
Koffieuur, O.; -uurtje, O.
Koffieveiling, V., -veilingen.
Koffiewater, O.
Kog en Kogge, V., koggen.
Kogel, M., kogels. Kogeltje, O., -jes.
Kogelbaan, V., -banen.
Kogelen, kogelde, heeft gekogeld.
Kogelflesch, V., -flesschen; -fleschje, O., -jes.
Kogelregen, M., -regens.
Kogelrond.
Kogelvanger, M., -vangers.
Kogelvormig.
Kohier, O., kohieren.
Kohort, V., kohorten.
Kok, M., koks. Kokje, O., -jes.
Kokarde, V., kokardes.
Koken, kookte, heeft gekookt.
Kokendheet, -heete.
Koker (persoon), M., kokers.
Koker (voorwerp), M., kokers. Kokertje, O., -jes.
Kokerellen, kokerelde, heeft gekokereld.
Kokeren, kokerde, heeft gekokerd.
Kokerij, V., kokerijen. Kokerijtje, O., -jes.
Kokerjuffertje, O., -jes.
Kokermuilen, kokermuilde, heeft gekokermuild.
Kokhalzen, kokhalsde, heeft gekokhalsd.
Koking, V., kokingen.
Kokinje, V., kokinjes.
Kokkelen, kokkelde, heeft gekokkeld.
Kokkerd, M., kokkerds.
Kokkin, V., kokkinnen.
Kokosboom, M., -boomen; -boompje, O., -jes.
Kokosnoot, V., -noten.
Kokospalm, M., -palmen.
Kokoszeep, V.
Koksjongen, M., -jongens.
Koksmaat, M., -maats.
Kokswerk, O.
Kol (slag), M., kollen.
Kol (bles en heks), V., kollen. Kolletje, O., -jes.
Kolbak, M., kolbaks.
Kolbijl, V., -bijlen.
Kolder, M., kolders.
Kolderen, kolderde, heeft gekolderd.
Kolderig, -iger, -igst.
Kolenbak, M., -bakken.
Kolenbrander, M., -branders.
Kolendamp, M.
Kolendistrict, O., -districten.
Kolendrager, M., -dragers.
Kolenemmer, M., -emmers.
Kolenhok, O., -hokken.
Kolenkooper, M., -koopers.
Kolenmaat, V., -maten.
Kolenmagazijn, O., -magazijnen.
Kolenmeter, M., -meters.
Kolenmijn, V., -mijnen.
Kolenpakhuis, O., -pakhuizen.
Kolenschip, O., -schepen.
Kolenschop, V., -schoppen.
Kolentip, V., -tippen.
Kolenvuur, O., -vuren.
Kolenwagen, M., -wagens.
Kolenzak, M., -zakken.
Kolf, V., kolven. Kolfje, O., -jes.
Kolfbaan, V., -banen.
Kolfbal, M., -ballen.
Kolfhout, O.
Kolfspel, O.
Kolhamer, M., -hamers.
Kolibrie, M., kolibries. Kolibrietje, O., -jes.
Koliek, O. en V.
Kolk, V., kolken. Kolkje, O., -jes.
Kolken, kolkte, heeft gekolkt.
Kollebloem, V., -bloemen; -bloempje, O., -jes.
Kollen, kolde, heeft gekold.
Kolokwint, M., kolokwinten.
Kolom, V., kolommen. Kolommetje, O., -jes.
Kolomkachel, V., -kachels.
Kolonel, M., kolonels.
Kolonel-ingenieur, M., kolonels-ingenieurs.
Kolonelschap, O.
Kolonelsplaats, V., -plaatsen.
Koloniaal, koloniale.
Koloniaal, M., kolonialen.
Kolonie, V., koloniën en kolonies.
Kolonisatie, V., kolonisatiën.
Koloniseeren, koloniseerde, heeft gekoloniseerd.
Kolonist, M., kolonisten.
Koloriet, O.
Kolos, M., kolossen.
Kolossaal, kolossale.
Kolsem, M., kolsems.
Kolter, M., kolters.
Kolven, kolfde, heeft gekolfd.
Kolvenier, enz. Zie Klovenier, enz.
Kolver, M., kolvers.
Kom, V., kommen. Kommetje, O., -jes.
Komaan.
Komaf (Van hooge -), V.
Kombaars, V., kombaarzen.
Kombof, V., kombofs en komboffen.
Kombuis, V., kombuizen.
Komediant, M., komedianten.
Komediantentroep, M., -troepen.
Komedie (schouwburg), V., komedies.
Komediespel, O.
Komedievertooning, V., -vertooningen.
Komeet, V., kometen.
Komen, komt, kwam, kwamen, is gekomen.
Komfoor, O., komforen. Komfoortje, O., -jes.
Komiek, komieker, komiekst.
Komiek, M., komieken.
Komijn, M. Komijntje, O., -jes.
Komijnekaas en Komijnkaas, V., -kazen. Komijnekaasje, O., -jes.
Komkommer, V., komkommers. Komkommertje, O., -jes.
Komkommerschaaf, V., -schaven.
Komkommertijd, M.
Komma, V. en O., komma's.
Kommaliebehoefte, V., -behoeften.
Kommaliewant, O.
Kommapunt, V., -punten.
Kommer (zorg), M.
Kommer (hazendrek), V.
Kommerlijk, -lijker, -lijkst.
Kommerloos, -looze.
Kommernis, V., kommernissen.
Kommervol, -volle.
Kommies (ambtenaar bij de belastingen), M., kommiezen.
Kommiesbrood, O.
Kompas, O., kompassen. Kompasje, O., -jes.
Kompashuisje, O., -huisjes.
Kompasnaald, V., -naalden.
Komplot, O., komplotten.
Kompres, V., kompressen. Kompresje, O., -jes.
Komst, V.
Kond (- doen).
Kondschap, V., -schappen.
Kondschappen, kondschapte, heeft gekondschapt.
Kondschapper, M., -schappers.
Konfijt, O.
Konfijten, konfijtte, heeft gekonfijt.
Kongeraal, M., -alen.
Konijn, O., konijnen. Konijntje, O., -jes.
Konijnenberg, M., -bergen.
Konijnenblad, O.
Konijnenfokker, M., -fokkers.
Konijnenfokkerij, V., -fokkerijen.
Konijnenhok, O., -hokken.
Konijnenhol, O., -holen.
Konijnenjacht, V.
Konijnenpastei, V., -pasteien.
Konijnenveld, O., -velden.
Konijnevel, O., -vellen.
Koning, M., koningen. Koninkje, O., -jes.
Koningin, V., koninginnen.
Koninginnenkroon, V., -kronen.
Koningsarend, M., -arenden.
Koningschap, O.
Koningsdochter, V., -dochters.
Koningsgeel, O.
Koningsgezind.
Koningsgezindheid, V.
Koningshof, O., -hoven.
Koningskind, O., -kinderen.
Koningskroon, V., -kronen.
Koningsmantel, M., -mantels.
Koningsmoord, M., -moorden.
Koningsmoorder, M., -moorders.
Koningstijger, M., -tijgers.
Koningstroon, M., -tronen.
Koningswater, O.
Koningszeer, O.
Koningszoon, M., -zonen.
Koninklijk, -lijker, -lijkst.
Koninkrijk, O., -rijken; -rijkje, O., -jes.
Konkel (slag), M., konkels.
Konkel (persoon), V., konkels. Konkeltje, O., -jes.
Konkelaar, M., konkelaars.
Konkelaarster, V., konkelaarsters.
Konkelachtig, -achtiger, -achtigst.
Konkelboel, M.
Konkelen, konkelde, heeft gekonkeld.
Konkelhuis, O., -huizen.
Konserf, O., konserven.
Konstabel, M., konstabels.
Konstabelskamer, V., -kamers.
Konstabelsmaat, M., -maats.
Kont, V., konten. Kontje, O., -jes.
Konterfeiten, konterfeitte, heeft gekonterfeit.
Konterfeitsel, O., konterfeitsels.
Konvooi, O., konvooien.
Konvooibiljet, O., -biljetten.
Konvooilooper, M., -loopers.
Konzenielje (volksterm voor Cochenille), V.
Koog, V., kogen.
Kooi, V., kooien. Kooitje, O., -jes.
Kooien, kooide, heeft gekooid.
Kooihout, O., -houten.
Kooiker, M., kooikers.
Kook, V. (Aan de -, van de kook).
Kookboek, O., -boeken.
Kookfornuis, O., -fornuizen.
Kookgereedschap, O., -gereedschappen.
Kookhok, O., -hokken.
Kookhuis, O., -huizen.
Kookkachel, V., -kachels.
Kookketel, M., -ketels.
Kookkunst, V.
Kookmachine, V., -machines.
Kookpan, V., -pannen.
Kookpunt, O., -punten.
Kookschool, V., -scholen.
Kooksel, O., kooksels. Kookseltje, O., -jes.
Kookster, V., kooksters.
Kooktoestel, M. en O., -toestellen.
Kookvrouw, V., -vrouwen.
Kool (brandstof), V., kolen. Kooltje, O., -jes.
Kool (gewas), V., koolen. Kooltje, O., -jes.
Koolblad, O., -bladeren.
Kooldruk, M.
Koolhaas, M., -hazen.
Koolmees, V., -meezen.
Kooloxyde, O.
Koolraap, V., -rapen.
Koolsla, V.
Koolspits, V., -spitsen.
Koolstof, V.
Koolstofverbinding, V., -verbindingen.
Koolstronk, M., -stronken.
Koolteer, V.
Kooltje-vuur, O.
Koolwaterstofgas, O.
Koolzaad, O.
Koolzuur, O.
Koolzuurhoudend.
Koolzwart.
Koomenij, V., koomenijen.
Koomenijswinkel, M., -winkels.
Koon, V., koonen. Koontje, O., -jes.
Koop, M., koopen. Koopje, O., -jes.
Koopakte, V., -akten.
Koopbrief, M., -brieven.
Koopdag, M., -dagen.
Koopen, kocht, heeft gekocht.
Kooper, M., koopers.
Koopgoed, O., -goederen.
Koopgraag, -grager, -graagst.
Koophandel, M.
Kooplust, M.
Kooplustig, -lustiger, -lustigst.
Koopman, M., -lieden en -lui.
Koopmansbeurs, V., -beurzen.
Koopmansboek, O., -boeken.
Koopmansbrief, M., -brieven.
Koopmanschap, V.
Koopmansgeest, M.
Koopmanshuis, O., -huizen.
Koopmanskantoor, O., -kantoren.
Koopmansstijl, M.
Koopmanszoon, M., -zoons en -zonen.
Kooppenning, M., -penningen.
Koopprijs, M., -prijzen.
Koopstad, V., -steden.
Koopster, V., koopsters.
Koopvaarder, M., -vaarders.
Koopvaardij, V.
Koopvaardijkapitein, M., -kapiteins.
Koopvaardijschip, O., -schepen.
Koopvaardijvloot, V., -vloten.
Koopvrouw, V., -vrouwen.
Koopwaar, V., -waren.
Koopziek.
Koopzucht, V.
Koor, O., koren.
Koord (touw), V. en O., koorden. Koordje, O., -jes.
Koorddansen, O.
Koorddanser, M., -dansers.
Koorde (in de meetkunde), V., koorden.
Koordfabriek, V., -fabrieken.
Koorgestoelte, O., -gestoelten.
Koorgezang, O.
Koorhek, O., -hekken.
Koorknaap, M., -knapen.
Koorn. Zie Koren.
Koorts, V., koortsen. Koortsje, O., -jes.
Koortsachtig, -achtiger, -achtigst.
Koortsachtigheid, V.
Koortsbitter, O.
Koortsdrank, M., -dranken; -drankje, O., -jes.
Koortsgloed, M.
Koortsig, koortsiger, koortsigst.
Koortsmiddel, O., -middelen.
Koortsthermometer, M., -thermometers.
Koortsverwekkend.
Koortsvrij.
Koorzang, M.
Koorzanger, M., -zangers.
Koot, V., kooten. Kootje, O., -jes.
Kooten, kootte, heeft gekoot.
Kootspel, O.
Koozen, koosde, heeft gekoosd.
Kop (hoofd), M., koppen. Kopje, O., -jes.
Kop (beker, maat enz.), M., koppen. Kopje, O., -jes.
Kopbout, M., -bouten.
Kopek, M., kopekken.
Koper, O.
Koperachtig, -achtiger, -achtigst.
Koperdraad, O.
Koperdruk, M.
Koperen (bnw.).
Koperen, koperde, heeft gekoperd.
Kopererts, O.
Kopergeld, O.
Kopergieter, M., -gieters.
Kopergieterij, V., -gieterijen.
Kopergravure, V., -gravures.
Kopergroen, O.
Koperkleurig.
Kopermijn, V., -mijnen.
Koperroest, O.
Koperrood, O.
Koperslager, M., -slagers.
Koperslagerij, V., -slagerijen.
Kopervitriool, O.
Koperwerk, O.
Kopglas, O., -glazen; -glaasje, O., -jes.
Kopie (nabootsing), V., kopieën. Kopietje, O., -jes.
Kopieboek, O., -boeken.
Kopieeren, kopieerde, heeft gekopieerd.
Kopieerinkt, M.
Kopieermachine, V., -machines.
Kopieerpers, V., -persen.
Kopieerwerk, O.
Kopiïst, M., kopiïsten.
Kopij (handschrift voor de pers), V., kopijen.
Kopijrecht, O.
Koplaag, V., -lagen.
Koppel (band), M., koppels. Koppeltje, O., -jes.
Koppel (paar), O., koppels. Koppeltje, O., -jes.
Koppelaar, M., koppelaars.
Koppelaarster, V., koppelaarsters.
Koppelarij, V., koppelarijen.
Koppelbout, M., -bouten.
Koppelen, koppelde, heeft gekoppeld.
Koppeling, V., koppelingen.
Koppelkompas, O., -kompassen.
Koppelriem, M., -riemen.
Koppelstuk, O., -stukken.
Koppelteeken, O., -teekens.
Koppelwoord, O., -woorden.
Koppen, kopte, heeft gekopt.
Koppensneller, M., -snellers.
Kopper, M., koppers.
Kopper- en Koppertjesmaandag, M., -maandagen.
Koppig, koppiger, koppigst.
Koppigheid, V.
Kopping, V., koppingen.
Kopshout, O.
Kopstuk, O., -stukken.
Koraal (koorknaap), M., koralen.
Koraal (koorzang), O., koralen.
Koraal (stof), O.; (voorwerp), V., koralen.
Koraalbank, V., -banken.
Koraaldier, O., -dieren.
Koraalgezang, O., -gezangen.
Koraalmuziek, V.
Koraalrif, O., -riffen.
Koraalrood.
Koraalvereeniging, V., -vereenigingen.
Koralen (bnw.).
Koran, M.
Korbeel, M., korbeelen. Korbeeltje, O., -jes.
Kordaat, kordater, kordaatst.
Kordaatheid, V.
Kordelier, M., kordeliers en kordelieren.
Kordon, O., kordons.
Kordonbeugel, M., -beugels.
Koren en Koorn, O.
Koren, koorde, heeft gekoord.
Korenaar, V., -aren.
Korenbeurs, V., -beurzen.
Korenbloem, V., -bloemen.
Korendrager, M., -dragers.
Korenkooper, M., -koopers.
Korenland, O., -landen.
Korenmaat, V., -maten.
Korenmarkt, V., -markten.
Korenmolen, M., -molens.
Korenschoof, V., -schooven.
Korenschop, V., -schoppen.
Korenschuur, V., -schuren.
Korenveld, O., -velden.
Korenzolder, M., -zolders.
Korf, M., korven. Korfje, O., -jes.
Korfbal (spel), O.
Korfbalspel, O.
Korfbalwedstrijd, M., -wedstrijden.
Korhaan, M., -hanen; -haantje, O., -jes.
Korhoen, O., -hoenderen en -hoenders; -hoentje, O., -jes.
Koriander, M.
Kornak, M., kornaks.
Kornel, V.
Kornet (vaandrig), M., kornetten.
Kornet (muts), V., kornetten. Kornetje, O., -jes.
Kornis, V., kornissen.
Kornoelje, V., kornoeljes.
Kornoeljen (bnw.).
Kornuit, M., kornuiten. Kornuitje, O., -jes.
Koroester, V., -oesters.
Korporaal, M., korporaals en korporalen. Korporaaltje, O., -jes.
Korporaalsstrepen, mv.
Korps, O., korpsen.
Korre, V., korren.
Korrel, V., korrels en korrelen. Korreltje, O., -jes.
Korrelen, korrelde, is gekorreld.
Korrelig, korreliger, korreligst.
Korren (oesters vangen), korde, heeft gekord.
Korren (van duiven), korde, heeft gekord.
Korset, O., korsetten. Korsetje, O., -jes.
Korsettenmaakster, V., -maaksters.
Korsetveer, V., -veeren.
Korsetveter, M., -veters.
Korst, V., korsten. Korstje, O., -jes.
Korsten, korstte, is gekorst.
Korstig, korstiger, korstigst.
Kort, korter, kortst.
Kortademig, -ademiger, -ademigst.
Kortarmig.
Kortaf.
Kortegaard, V., kortegaarden.
Kortelas, V., kortelassen.
Kortelijk.
Korteling, M., kortelingen.
Kortelings.
Korten, kortte, heeft en is gekort.
Kortheid, V.
Kortheidshalve.
Kortijd, M.
Korting, V., kortingen.
Kortjan, O.
Kortom.
Kortooren, kortoorde, heeft gekortoord.
Kortschaaf, V., -schaven.
Kortschaven, kortschaafde, heeft gekortschaafd.
Kortsluiting, V., -sluitingen.
Kortstaart, M. en V., -staarten.
Kortstaarten, kortstaartte, heeft gekortstaart.
Kortstondig.
Kortswijl, V.
Kortvoer, O.
Kortweg.
Kortwieken, kortwiekte, heeft gekortwiekt.
Kortzichtig, -zichtiger, -zichtigst.
Kortzichtigheid, V.
Korven, korfde, heeft gekorfd.
Korvet, V., korvetten.
Korzel, korzeler, korzelst.
Korzelheid, V.
Korzelig, korzeliger, korzeligst.
Korzeligheid, V.
Kossem, M., kossems.
Kost (spijs), M., kosten. Kostje, O., -jes.
Kost (uitgaaf), M., kosten.
Kostbaar, -baarder, -baarst.
Kostbaarheid, V., -heden.
Kostelijk, -lijker, -lijkst.
Kostelijkheid, V., -heden.
Kosteloos, -looze.
Kosten, kostte, heeft gekost.
Koster, M., kosters.
Kosteres, V., kosteressen.
Kosterin, V., kosterinnen.
Kosterschap, O.
Kostershuis, O., -huizen.
Kostganger, M., -gangers.
Kostgeld, O., -gelden.
Kosthuis, O., -huizen.
Kostjongen, M., -jongens.
Kostkind, O., -kinderen.
Kostleerling, M. en V., -leerlingen.
Kostschool, V., -scholen.
Kostschoolhouder, M., -houders.
Kostschoolvriendin, V., -vriendinnen.
Kostuum, O., kostumen en kostumes. Kostuumpje, O., -jes.
Kostuumnaaister, V., -naaisters.
Kostwinning, V., -winningen.
Kot, O., kotten. Kotje, O., -jes.
Kotelet, V., koteletten. Koteletje, O., -jes.
Koteren, koterde, heeft gekoterd.
Kotsen, kotste, heeft gekotst.
Kotter, M., kotters. Kottertje, O., -jes.
Koubeitel, M., -beitels.
Koud, kouder, koudst.
Koudbloedig.
Koudbros, -brosse.
Koude en Kou, V.
Koudekeuken, V.
Koudeschaal, V.
Koudheid, V.
Koudjes.
Koudvuur, O.
Koudwaterinrichting, V., -inrichtingen.
Koukleum, M. en V., -kleumen en -kleums.
Kous, V., kousen. Kousje, O., -jes.
Kouseband, M., -banden.
Kousenbreien, O.
Kousenkooper, M., -koopers.
Kousenwever, M., -wevers.
Kousenwinkel, M., -winkels.
Kousjesbrander, M., -branders.
Kout, M.
Kouten, koutte, heeft gekout.
Kouter (ploegmes), O., kouters.
Kouw, V., kouwen. Kouwtje, O., -jes.
Kouwelijk, -lijker, -lijkst.
Kouwelijkheid, V.
Kozak, M., Kozakken.
Kozakjesdag, M.
Kozijn, O., kozijnen. Kozijntje, O., -jes.
Kraag, M., kragen. Kraagje, O., -jes.
Kraagmantel, M., -mantels.
Kraai (vaartuig), V., kraaien.
Kraai (vogel), V., kraaien. Kraaitje, O., -jes.
Kraaien, kraaide, heeft gekraaid.
Kraaienmarsch, M.
Kraaiennest, O., -nesten.
Kraaienoog, O., -oogen.
Kraaier, M., kraaiers.
Kraak (krak), M.
Kraak (vaartuig), V., kraken.
Kraakamandel, V., -amandels.
Kraakbeen, O., -beenderen; -beentje, O., -jes.
Kraakbes, V., -bessen.
Kraakporselein, O.
Kraakzindelijk.
Kraal (koraal), V., kralen. Kraaltje, O., -jes.
Kraal (perk en gehucht), V., kralen.
Kraam (tent), V., kramen. Kraampje, O., -jes.
Kraam (bevalling), V.
Kraambed, O., -bedden.
Kraambezoek, O., -bezoeken.
Kraamheer, M., -heeren.
Kraamkamer, V., -kamers.
Kraamkind, O., -kinderen.
Kraamschut, O., -schutten.
Kraamster, V., kraamsters.
Kraamvisite, V., -visites.
Kraamvrouw, V., -vrouwen.
Kraamvrouwenkoorts, V.
Kraan (kraanvogel), M., kranen.
Kraan (persoon), M. en V., kranen.
Kraan (tap en hijschtuig), V., kranen. Kraantje, O., -jes.
Kraanbalk, M., -balken.
Kraanbalksgewijze.
Kraanboom, M., -boomen.
Kraandraaier, M., -draaiers.
Kraanoog, O., -oogen.
Kraanoogen, kraanoogde, heeft gekraanoogd.
Kraanvogel, M., -vogels.
Krab (krauw), V., krabben. Krabje, O., -jes.
Krab en Krabbe (schaaldier), V., krabben. Krabbetje, O., -jes.
Krabbedieven, krabbediefde, heeft gekrabbediefd.
Krabbedieverij, V.
Krabbel, V., krabbels.
Krabbelaar, M., krabbelaars.
Krabbelen, krabbelde, heeft gekrabbeld.
Krabbelig, krabbeliger, krabbeligst.
Krabbeling, V., krabbelingen.
Krabbelschrift, O.
Krabbelvuisten, krabbelvuistte, heeft gekrabbelvuist.
Krabben, krabde, heeft gekrabd.
Krabbeneter, M., -eters.
Krabber, M., krabbers.
Krabsel, O., krabsels.
Kracht, V., krachten.
Krachtdadig, -dadiger, -dadigst.
Krachtdadigheid, V.
Krachteloos, -loozer, -loost.
Krachteloosheid, V.
Krachtens.
Krachtig, krachtiger, krachtigst.
Krachtkabel, M., -kabels.
Krachtmeter, M., -meters.
Krachtsinspanning, V.
Krachtsoefening, V., -oefeningen.
Kraf. Zie Karaf.
Krak, M., krakken. Krakje, O., -jes.
Krak (tusschenw.).
Krakeel, O., krakeelen. Krakeeltje, O., -jes.
Krakeelen, krakeelde, heeft gekrakeeld.
Krakeeler, M., krakeelers.
Krakeelziek, -zieker, -ziekst.
Krakeelzucht, V.
Krakeling, M., krakelingen. Krakelingetje, O., -jes.
Krakelingentrommel, V., -trommels.
Kraken, kraakte, heeft gekraakt.
Kraker, M., krakers.
Kraking, V., krakingen.
Krakken, krakte, heeft en is gekrakt.
Kram, V., krammen. Krammetje, O., -jes.
Kramen, kraamde, heeft gekraamd.
Kramer, M., kramers.
Kramerij, V., kramerijen.
Kramerskans, V.
Krammat, V., -matten.
Krammen, kramde, heeft gekramd.
Krammer, M., krammers.
Kramming, V., krammingen.
Kramp, V., krampen, Krampje, O., -jes.
Krampachtig, -achtiger, -achtigst.
Krampachtigheid, V.
Kramphoest, M.
Kramwerk, O., -werken.
Kranen, kraande, heeft gekraand.
Kranig, kraniger, kranigst.
Kranigheid, V.
Krank, kranker, krankst.
Kranke, M. en V., kranken.
Krankheid, V., -heden.
Krankte, V.
Krankzinnig, -zinniger, -zinnigst.
Krankzinnigengesticht, O., -gestichten.
Krankzinnigenhuis, O., -huizen.
Krankzinnigheid, V.
Krans, M., kransen. Kransje, O., -jes.
Kransen, kranste, heeft gekranst.
Krant en Courant (zoo ook in de samenstellingen), V., kranten. Krantje, O., -jes.
Krantenbericht, O., -berichten.
Krantendrukkerij, V., -drukkerijen.
Krantenjongen, M., -jongens.
Krantenman, M., -mannen.
Krantennieuws, O.
Krantenombrenger, M., -ombrengers.
Krantenschrijver, M., -schrijvers.
Krantenstijl, M.
Krantenvrouw, V., -vrouwen.
Krap (meekrap), V.
Krap (kram aan een boek), V., krappen. Krapje, O., -jes.
Krap (varkensrib), V., krappen. Krapje, O., -jes.
Krap (bijw.).
Krapjes.
Krapschuitswijze en -wijs.
Kras (schrap), V., krassen. Krasje, O., -jes.
Kras, krasser.
Kras (Bij kris en kras).
Kras (tusschenw.).
Krasheid, V.
Krassen, kraste, heeft gekrast.
Krasser, M., krassers.
Krat, O., kratten. Kratje, O., -jes.
Krater, M., kraters.
Krates, M., kratessen.
Kraton, M., kratons.
Krauw, V., krauwen. Krauwtje, O., -jes.
Krauwel, M., krauwels.
Krauwen, krauwde, heelt gekrauwd.
Kreatuur, O., kreaturen. Kreatuurtje, O., -jes.
Kreb. Zie Krib.
Krediet (vertrouwen, enz.), O., kredieten.
Kredietbank, V., -banken.
Kredietbrief, M., -brieven.
Kredietinstelling, V., -instellingen.
Kredietvereeniging, V., -vereenigingen.
Kredietwet, V., -wetten.
Kreeft, M., kreeften. Kreeftje, O., -jes.
Kreeftengang, M.
Kreeftensla, V.
Kreeftskeerkring, M.
Kreeftsoog, O., -oogen.
Kreeftsschaar, V., -scharen.
Kreek, V., kreken. Kreekje, O., -jes.
Kreel, V., kreelen. Kreeltje, O., -jes.
Kreelen, kreelde, heeft gekreeld.
Kreet, M., kreten.
Kregel, kregeler, kregelst.
Kregelheid, V.
Kregelig, kregeliger, kregeligst.
Kregeligheid, V.
Kregelkop, M. en V., -koppen.
Kreits, M., kreitsen.
Krek.
Krekel, M., krekels. Krekeltje, O., -jes.
Kreng, O., krengen.
Krengen, krengde, heeft gekrengd.
Krenken, krenkte, heeft gekrenkt.
Krenking, V., krenkingen.
Krent, V., krenten. Krentje, O., -jes.
Krenteboom, M., -boomen.
Krentenbaard, M., -baarden.
Krentenbol, M., -bollen; -bolletje, O., -jes.
Krentenbrood, O., -brooden; -broodje, O., -jes.
Krentenkakker, M., -kakkers.
Krentenkoek, M., -koeken; -koekje, O., -jes.
Krenterig, krenteriger, krenterigst.
Krenterigheid, V.
Krepijzer, O., -ijzers.
Kreppen, krepte, heeft gekrept.
Kreuk, V., kreuken. Kreukje, O., -jes.
Kreukel, V., kreukels. Kreukeltje, O., -jes.
Kreukelen, kreukelde, heeft en is gekreukeld.
Kreukelig, kreukeliger, kreukeligst.
Kreuken, kreukte, heeft en is gekreukt.
Kreuking, V., kreukingen.
Kreunen, kreunde, heeft gekreund.
Kreupel, kreupeler, kreupelst.
Kreupelbosch, O., -bosschen.
Kreupele, M. en V., kreupelen.
Kreupelhout, O.
Kreus, V., kreuzen.
Krevel, V.
Krevelen, krevelde, heeft gekreveld.
Kreveling, V., krevelingen.
Krevelkruid, O.
Krevelzaad, O.
Krib en Kribbe, V., kribben. Kribje en kribbetje, O., -jes.
Krib (kribbige vrouw), V., kribben.
Kribbebijter, M., -bijters.
Kribbebijtster, V., -bijtsters.
Kribbekat, V., -katten; -katje, O., -jes.
Kribbelen, kribbelde, heeft gekribbeld.
Kribben, kribde, heeft gekribd.
Kribberij, V., kribberijen.
Kribbig, kribbiger, kribbigst.
Kribbigheid, V.
Kriebelen, kriebelde, heeft gekriebeld.
Kriebelig, kriebeliger, kriebeligst.
Kriebelschrift, O.
Kriek (krekel), V., krieken. Kriekje, O., -jes.
Kriek (zwarte kers), V., krieken. Kriekje, O., -jes.
Kriekeboom, M., -boomen; -boompje, O., -jes.
Kriekelaar, M., kriekelaars.
Krieken (piepen), kriekte, heeft gekriekt.
Krieken (van den dag), O.
Kriekentijd, M.
Kriel (persoon), M. en V., krielen. Krieltje, O., -jes.
Kriel (mand), V., krielen.
Kriel (klein goed), O.
Kriel, krieler, krielst.
Krielen, krielde, heeft gekrield.
Krielhaan, M., -hanen; -haantje, O., -jes.
Krielheid, V.
Krielhen, V., -hennen; -hennetje, O., -jee.
Krielkip, V., -kippen; -kippetje, O., -jes.
Kriemelen, kriemelde, heeft gekriemeld.
Kriemelig, kriemeliger, kriemeligst.
Krieuwel, V.
Krieuwelen, krieuwelde, heeft gekrieuweld.
Krieuwelig, krieuweliger, krieuweligst.
Krieuweling, V., krieuwelingen.
Krieuwen, krieuwde, heeft gekrieuwd.
Kriezel, V., kriezels. Kriezeltje, O., -jes.
Kriezelen, kriezelde, heeft gekriezeld.
Krijg, M.
Krijgen (ontvangen), kreeg, kregen, heeft gekregen.
Krijgen (oorlogen), krijgde, heeft gekrijgd.
Krijger, M., krijgers.
Krijgertje, O. (- spelen).
Krijgsartikel, O., -artikels en -artikelen.
Krijgsbanier, V., -banieren.
Krijgsbedrijf, O., -bedrijven.
Krijgsbehoefte, V., -behoeften.
Krijgsbeleid, O.
Krijgsbende, V., -benden.
Krijgsbewind, O.
Krijgsdaad, V., -daden.
Krijgsdeugd, V., -deugden.
Krijgsdienst, M.
Krijgseer, V.
Krijgsgebruik, O., -gebruiken.
Krijgsberoep, O.
Krijgsgeschiedenis, V.
Krijgsgevangene, M., -gevangenen.
Krijgsgeweld, O.
Krijgsgod, M.
Krijgshaftig, -haftiger, -haftigst.
Krijgshaftigheid, V.
Krijgsheld, M., -helden.
Krijgshoofd, O., -hoofden.
Krijgskans, V., -kansen.
Krijgskas, V., -kassen.
Krijgsklaroen, V., -klaroenen.
Krijgsknecht, M., -knechten.
Krijgskunde, V.
Krijgskundig.
Krijgskunst, V.
Krijgslied, O., -liederen.
Krijgslist, V., -listen.
Krijgsmacht, V.
Krijgsmakker, M., -makkers.
Krijgsman, M., -lieden.
Krijgsmanseer, V.
Krijgsmansstand, M.
Krijgsmuziek, V.
Krijgsorde, V.
Krijgsordening, V., -ordeningen.
Krijgsoverste, M., -oversten.
Krijgsplicht, M., -plichten.
Krijgsraad, M., -raden.
Krijgsrecht, O.
Krijgsroem, M.
Krijgsrumoer, M.
Krijgsschool, V., -scholen.
Krijgstocht, M., -tochten.
Krijgstoerusting, V., -toerustingen.
Krijgstrompet, V., -trompetten.
Krijgstucht, V.
Krijgsverrichting, V., -verrichtingen.
Krijgsvolk, O.
Krijgsvoorraad, M.
Krijgswet, V., -wetten.
Krijgswetenschap, V., -wetenschappen.
Krijgswezen, O.
Krijgszaak, V., -zaken.
Krijgzuchtig, -zuchtiger, -zuchtigst.
Krijsch, M., krijschen.
Krijschen, kreesch, kreschen, heeft gekreschen; ook krijschte, heeft gekrijscht.
Krijt (stof), O. Krijtje, O., -jes.
Krijt (strijdperk), O.
Krijtachtig, -achtiger; -achtigst.
Krijtberg, M., -bergen.
Krijten, kreet, kreten, heeft gekreten.
Krijtend, krijtender, krijtendst.
Krijter, M., krijters. Krijtertje, O., -jes.
Krijthouder, M., -houders.
Krijtmolen, M., -molens. v
Krijtrots, V., -rotsen.
Krijtstreep, V., -strepen; -streepje, O., -jes.
Krijtwit.
Krijzeltanden, krijzeltandde, heeft gekrijzeltand.
Krik (tusschenw.).
Krikkemik, V., -mikken.
Krikkrakken, krikkrakte, heeft gekrikkrakt.
Krim, V.
Krimp, V.
Krimp (bnw.).
Krimpen, kromp, heeft en is gekrompen.
Krimperd, M., krimperds.
Krimping, V., krimpingen.
Krimpkabeljauw, V.
Krimpschol, V.
Krimpvisch, V.
Krimpvrij.
Krimpzalm, V.
Kring, M., kringen. Kringetje, O., -jes.
Kringelen, kringelde, heeft gekringeld.
Kringloop, M.
Kringswijze en -wijs.
Kringvormig.
Krinkel, M., krinkels. Krinkeltje, O., -jes.
Krinkelen, krinkelde, heeft en is gekrinkeld.
Krinkeling, V., krinkelingen.
Krioelen, krioelde, heeft gekrioeld.
Krip, O.
Krippen (bnw.).
Kris (dolk), V., krissen. Krisje, O., -jes.
Kris. (Bij kris en kras).
Krissen, kriste, heeft gekrist.
Kristal, O., kristallen.
Kristalhelder.
Kristallen (bnw.).
Kristallig.
Kristallijn, O.
Kristallijnen (bnw.).
Kristallisatie, V., kristallisatiën.
Kristalliseeren, kristalliseerde, is gekristalliseerd.
Kristalwater, O.
Kritiek (hachelijk), kritieker, kritiekst.
Krocht, V., krochten.
Krodde, V.
Kroeg, V., kroegen. Kroegje, O., -jes.
Kroegen, kroegde, heeft gekroegd.
Kroeghouder, M., -houders.
Kroeglooper, M., -loopers.
Kroep, V.
Kroes, M., kroezen. Kroesje, O., -jes.
Kroes, kroezer.
Kroeskop (kroeshoofd), M., -koppen.
Kroeskop (persoon), M., -koppen.
Kroezen, kroesde, heeft en is gekroesd.
Krok, V., krokken.
Kroken, krookte, heeft gekrookt.
Krokodil, M., krokodillen. Krokodilletje, O., -jes.
Krokodillentranen (mv.), M.
Krokus, M., krokussen. Krokusje, O., -jes.
Krol, O., krollen.
Krollen, krolde, heeft gekrold.
Krollig, krolliger, krolligst.
Krolsch (bnw.), krolscher, meest krolsch.
Krolschheid, V.
Krom, krommer, kromst.
Krombeen, M. en V., -beenen.
Krombek (boon), M., -bekken.
Kromhals (persoon), M. en V., -halzen.
Kromhals (retort), V., -halzen.
Kromhals (plant), V.
Kromheid, V.
Kromhout, O., -houten.
Kromliggen, lag krom, lagen krom, heeft kromgelegen.
Kromloopen, liep krom, is kromgeloopen.
Kromme, V., krommen.
Krommen, kromde, heeft en is gekromd.
Krommer, M., krommers.
Kromming, V., krommingen.
Kromneus, M. en V., -neuzen.
Kromsluiten, sloot krom, sloten krom heeft kromgesloten.
Kromspreken, O.
Kromstaart, M., -staarten.
Kromstaf, M., -staven.
Kromsteven, V., -stevens.
Kromte, V., kromten.
Kromtevlak, O., -vlakken.
Kromtrekken, trok krom, trokken krom, is kromgetrokken.
Kromvoet, M. en V., -voeten.
Kronen, kroonde, heeft gekroond.
Kronengoud, O.
Kroniek, V., kronieken. Kroniekje, O., -jes.
Kroniekachtig, -achtiger, -achtigst.
Kroniekschrijver, M., -schrijvers.
Kroning, V., kroningen.
Kroningsfeest, O., -feesten.
Kroningsplechtigheid, V., -heden.
Kronkel, M., kronkels. Kronkeltje, O., -jes.
Kronkelbocht, V., -bochten.
Kronkelen, kronkelde, heeft en is gekronkeld.
Kronkelig, kronkeliger, kronkeligst.
Kronkeling, V., kronkelingen.
Kronkelpad, O., -paden; -paadje, O.; -jes.
Kronkelweg, M., -wegen; -wegje, O., -jes.
Kroon, V., kronen. Kroontje, O., -jes.
Kroonbalk, M., -balken.
Kroondomein, O., -domeinen.
Kroonlijst, V., -lijsten.
Kroonprins, M., -prinsen.
Kroonprinses. V., -prinsessen.
Kroontjeskruid, O.
Kroos, O.
Kroos (kuipersterm), V., krozen.
Kroosje (pruim), O., -jes.
Kroost, O.
Kroot, V., kroten. Krootje, O., -jes.
Krop (voormaag en gezwel), M., kroppen. Kropje, O., -jes.
Krop (salade), V., kroppen. Kropje, O., -jes.
Krop (meel), O.
Kropader, V., -aderen.
Kropbrood, O.
Kropgans, V., -ganzen.
Kropgezwel, O., -gezwellen.
Kroppen, kropte, heeft en is gekropt.
Kroppig, kroppiger, kroppigst.
Kropsla, V.
Krot, O., krotten. Krotje, O., -jes.
Krotenstroop, V.
Krotensuiker, V.
Krotten, krotte, heeft gekrot.
Krozen, kroosde, heeft gekroosd.
Kruchen, kruchte, heeft gekrucht.
Kruid (gewas), O., kruiden. Kruidje, O., -jes.
Kruidachtig.
Kruidboek, O., -boeken.
Kruiden, kruidde, heeft gekruid.
Kruidenazijn, M.
Kruidenier, M., kruideniers.
Kruideniersvak, O.
Kruidenierswaren (mv.), V.
Kruidenierswinkel, M., -winkels.
Kruidenthee, V.
Kruidenwijn, M.
Kruiderij, V., kruiderijen.
Kruidig, kruidiger, kruidigst.
Kruidigheid, V.
Kruidje-roer-mij-niet, O.
Kruidkaas, V.
Kruidkoek, M., -koeken.
Kruidkunde, V.
Kruidkundige, M., -kundigen.
Kruidnagel, M., -nagels; -nageltje, O., -jes.
Kruidnoot, V., -noten; -nootje, O., -jes.
Kruidtuin, M., -tuinen.
Kruien, krooi, krooien, heeft gekrooien; ook kruide, heeft gekruid.
Kruier, M., kruiers.
Kruiersloon, O., -loonen.
Kruierswerk, O.
Kruiing, V., kruiingen.
Kruik, V., kruiken. Kruikje, O., -jes.
Kruikeblad, O., -bladen en -bladeren.
Kruiken, kruikte, heeft gekruikt.
Kruil, V.
Kruilen, kruilde, heeft gekruild.
Kruiling, M., kruilingen en kruilings.
Kruiloon, O., -loonen.
Kruim, V., kruimen. Kruimpje, O., -jes.
Kruimel, V., kruimels en kruimelen. Kruimeltje, O., -jes.
Kruimelaar, M., kruimelaars.
Kruimelen, kruimelde, heeft en is gekruimeld.
Kruimelig, kruimeliger, kruimeligst.
Kruimeling, V., kruimelingen.
Kruimen, kruimde, is gekruimd.
Kruimig, kruimiger, kruimigst.
Kruin, V., kruinen. Kruintje, O., -jes.
Kruinpunt, O.
Kruipelings.
Kruipen, kroop, kropen, heeft en is gekropen.
Kruipend, kruipender, kruipendst.
Kruiper, M., kruipers. Kruipertje, O., -jes.
Kruiperwt, V., -erwten.
Kruiphaantje, O., -jes.
Kruiphennetje, O., -jes.
Kruiphol, O., -holen.
Kruipwilg, M., -wilgen.
Kruis, O., kruisen. Kruisje, O., -jes.
Kruisband, M., -banden.
Kruisbanier, V.
Kruisberg, M.
Kruisbes, V., -bessen.
Kruisbesseboom, M., -boomen.
Kruisbezie, V., -beziën.
Kruisbloem, V.
Kruisboog, M., -bogen.
Kruisdag, M., -dagen.
Kruisdood, M.
Kruisdrager, M., -dragers.
Kruiselings.
Kruisen, kruiste, heeft gekruist.
Kruiser, M., kruisers.
Kruisgang, M.
Kruisgebed, O., -gebeden.
Kruisgewelf, O., -gewelven.
Kruisheer, M., -heeren.
Kruisheuvel, M., -heuvels.
Kruishout, O., -houten.
Kruisigen, kruisigde, heeft gekruisigd.
Kruisiging, V., kruisigingen.
Kruising, V., kruisingen.
Kruisjassen, kruisjaste, heeft gekruisjast.
Kruiskerk, V., -kerken.
Kruiskozijn, O., -kozijnen.
Kruisnet, O., -netten.
Kruispaal, M., -palen.
Kruisra, V., -raas.
Kruisraam, O., -ramen.
Kruissteek, M., -steken.
Kruisstraat, V., -straten.
Kruisstraf, V.
Kruisteeken, O., -teekens.
Kruistocht, M., -tochten.
Kruisvaarder, M., -vaarders.
Kruisverband, O., -verbanden.
Kruisverheffing, V.
Kruisvinding, V.
Kruisvormig.
Kruisvuur, O.
Kruisweg, M., -wegen.
Kruiswijze en -wijs.
Kruiswoord, O., -woorden.
Kruiszeil, O., -zeilen.
Kruit (poeder), O.
Kruitdamp, M.
Kruithoorn, M., -hoorns.
Kruitkamer, V., -kamers.
Kruitmagazijn, O., -magazijnen.
Kruitmolen, M., -molens.
Kruitouw, O., -touwen.
Kruittoren, M., -torens.
Kruitwagen, M., -wagens.
Kruiven, kruifde, heeft gekruifd.
Kruiwagen, M., -wagens; -wagentje, O., -jes.
Kruizeel, O., -zeelen.
Kruizemunt, V.
Kruk (persoon), M., krukken.
Kruk (voorwerp), V., krukken. Krukje, O., -jes.
Krukas, V., -assen.
Krukken, krukte, heeft gekrukt.
Krukkig, krukkiger, krukkigst.
Krul, V., krullen. Krulletje, O., -jes.
Krulhaar, O.
Krulhond, M., -honden.
Krulijzer, O., -ijzers.
Krulkop en Krullekop (hoofd), M., -koppen.
Krulkop en Krullekop (persoon), M. en V., -koppen.
Krullebol (hoofd), M., -bollen.
Krullebol (persoon), M. en V., -bollen.
Krullen, krulde, heeft gekruld.
Krullenjongen, M., -jongens.
Krullenmand, V., -manden.
Krullig, krulliger, krulligst.
Krulling, V.
Krulloot, V., en Krullot, O.; krulloten.
Krullotenziekte, V.
Krulsalade, V.
Krultabak, V.
Krultang, V., -tangen.
Kub en Kubbe, V., kubben. Kubje en kubbetje, O., -jes.
Kubboot, V., -booten.
Kubiek, kubieke.
Kubiekgetal, O., -getallen.
Kubiekwortel, M., -wortels.
Kuch (hoest), V. Kuchje, O., -jes.
Kuch (kommiesbrood), O.
Kuchen, kuchte, heeft gekucht.
Kudde, V., kudden. Kuddetje, O., -jes; ook kuddeken en kuddeke, O., kuddekens en kuddekes.
Kuf, V., kuffen. Kufje, O., -jes.
Kuier, M. Kuiertje, O., -jes.
Kuieren, kuierde, heeft en is gekuierd.
Kuif, V., kuiven. Kuifje, O., -jes.
Kuifmuts, V., -mutsen.
Kuifpootig.
Kuiken. Zie Kieken.
Kuil, M., kuilen. Kuiltje, O., -jes.
Kuildek, O., -dekken.
Kuilen, kuilde, heeft gekuild.
Kuilkorvet, V., -korvetten.
Kuip, V., kuipen. Kuipje, O., -jes.
Kuipen, kuipte, heeft gekuipt.
Kuiper, M., kuipers.
Kuiperij, V., kuiperijen. Kuiperijtje, O., -jes.
Kuipersambacht, O.
Kuipersboor, V., -boren.
Kuipersdissel, M., -dissels.
Kuipershaak, M., -haken.
Kuiperswinkel, M., -winkels.
Kuiphout, O.
Kuiploon, O., -loonen.
Kuis, V., kuizen.
Kuisch, kuischer, meest kuisch.
Kuischboom, M., -boomen.
Kuischen, kuischte, heeft gekuischt.
Kuischheid, V.
Kuischmolen, M., -molens.
Kuit (lichaamsdeel), V., kuiten. Kuitje, O., -jes.
Kuit (zaad van een visch), V., kuiten. Kuitje, O., -jes.
Kuitbeen, O.
Kuitendekker, M., -dekkers.
Kuitenflikker, M., -flikkers.
Kuiter, V., kuiters.
Kul, V., kullen.
Kulas, V. kulassen.
Kullage, V.
Kullekenskruid, O.
Kullen, kulde, heeft gekuld.
Kunde, V.
Kundig, kundiger, kundigst.
Kundigheid, V., -heden.
Kunne, V.
Kunnen, kan, kunnen, konde of kon, gij kondt, konden of konnen, heeft gekund.
Kunst, V., kunsten. Kunstje, O., -jes.
Kunstbeen, O., -beenen.
Kunstbeschouwing, V., -beschouwingen.
Kunstbewerking, V., -bewerkingen.
Kunstbloem, V., -bloemen.
Kunstboter, V.
Kunstdraaier, M., -draaiers.
Kunsteloos, -loozer, -loost.
Kunstenaar, M., kunstenaars en kunstenaren.
Kunstenaarsloopbaan, V.
Kunstenares, V., kunstenaressen.
Kunstenarij, V., kunstenarijen.
Kunstenmaker, M., -makers.
Kunstgenoot, M., -genooten.
Kunstgeschiedenis, V.
Kunstgevoel, O.
Kunstgewrocht, O., -gewrochten.
Kunstgreep, M., -grepen.
Kunsthandel, M.
Kunstig, kunstiger, kunstigst.
Kunstigheid, V.
Kunstkenner, M., -kenners.
Kunstkooper, M., -koopers.
Kunstlicht, O.
Kunstliefde, V.
Kunstlievend, -lievender, -lievendst.
Kunstmatig, -matiger, -matigst.
Kunstmest, M.
Kunstmiddel, O., -middelen.
Kunstnaaldwerk, O.
Kunstnijverheid, V.
Kunstoog, O., -oogen.
Kunstproduct, O., -producten.
Kunstreis, V., -reizen.
Kunstschilder, M., -schilders.
Kunststuk, O., -stukken; -stukje, O. -jes.
Kunsttand, M., -tanden.
Kunstterm, M., -termen.
Kunsttheorie, V., -theorieën.
Kunstvaardig, -vaardiger, -vaardigst.
Kunstvaardigheid, V.
Kunstverzameling, V., -verzamelingen.
Kunstwerk, O., -werken.
Kuras, O., kurassen.
Kurassier, M., kurassiers.
Kurassiershelm, M., -helmen.
Kuren, kuurde, heeft gekuurd.
Kurenmaker, M., -makers.
Kurk (stof), O., (voorwerp), V., kurken. Kurkje, O., -jes.
Kurkegeld, O.
Kurkeik, M., -eiken.
Kurken (bnw.).
Kurkenmandje, O., -jes.
Kurketang, V., -tangen.
Kurketrekker, M., -trekkers.
Kurkuma, V.
Kus, M., kussen. Kusje, O., -jes.
Kushandje, O., -jes.
Kussen, O., kussens. Kussentje, O., -jes.
Kussen, kuste, heeft gekust.
Kussenblok, O., -blokken.
Kussensloop, V., -sloopen.
Kust (oever), V., kusten.
Kust (verkiezing), V.
Kustbatterij, V., -batterijen.
Kustbewoner, M., -bewoners.
Kustboot, V., -booten.
Kusting, V., kustingen.
Kustingbrief, M., -brieven.
Kustlijn, V., -lijnen.
Kustontwikkeling, V.
Kustplaats, V., -plaatsen.
Kustvaarder, M., -vaarders.
Kustverdediging, V.
Kut, V., kutten.
Kuur, V., kuren. Kuurtje, O., -jes.
Kwaad, kwader, kwaadst; ook erger, ergst.
Kwaad, O.
Kwaadaardig, -aardiger, -aardigst.
Kwaadaardigheid, V.
Kwaadheid, V.
Kwaadsappig, -sappiger, -sappigst.
Kwaadsappigheid, V.
Kwaadschiks.
Kwaadspreekster, V., -spreeksters.
Kwaadspreken, sprak kwaad, spraken kwaad, heeft kwaadgesproken.
Kwaadsprekend, -sprekender, -sprekendst.
Kwaadsprekendheid, V.
Kwaadspreker, M., -sprekers.
Kwaadwillig, -williger, -willigst.
Kwaadwilligheid, V.
Kwaal, V., kwalen. Kwaaltje, O., -jes.
Kwab en Kwabbe, V., kwabben. Kwabbetje, O., -jes.
Kwabbig, kwabbiger, kwabbigst.
Kwajongen, M., kwajongens.
Kwajongensachtig, -achtiger, -achtigst.
Kwajongensstreek, M., -streken.
Kwak, M., kwakken. Kwakje, O., -jes.
Kwaken, kwaakte, heeft gekwaakt.
Kwaker, M., kwakers.
Kwakerskerk, V., -kerken.
Kwakkel, M., kwakkels en kwakkelen. Kwakkeltje, O., -jes.
Kwakkelaar, M., kwakkelaars.
Kwakkelen, kwakkelde, heeft gekwakkeld.
Kwakkelwinter, M., -winters.
Kwakkelziekte, V.
Kwakken, kwakte, heeft gekwakt.
Kwakzalven, kwakzalfde, heeft gekwakzalfd.
Kwakzalver, M., -zalvers.
Kwakzalverij, V., -zalverijen.
Kwakzalversmiddel, O., -middelen; -middeltje, O., -jes.
Kwal, V., kwallen.
Kwalie, V., kwaliën en kwalies.
Kwalijk.
Kwalijkheid, V.
Kwalm, M.
Kwalmen, kwalmde, heeft gekwalmd.
Kwalster, M., kwalsters. Kwalstertje, O., -jes.
Kwanselaar, M., kwanselaars.
Kwanselarij, V., kwanselarijen.
Kwanselen, kwanselde, heeft gekwanseld.
Kwanseling, V., kwanselingen.
Kwansuis.
Kwant, M., kwanten. Kwantje, O., -jes.
Kwapsch, kwapscher.
Kwarrel, M., kwarrels. Kwarreltje, O., -jes.
Kwarrelig, kwarreliger, kwarreligst.
Kwart, O., kwarten. Kwartje, O., -jes.
Kwartaal, O., kwartalen.
Kwartaalstaat, M., -staten.
Kwartanker, O., -ankers; -ankertje, O., -jes.
Kwartel, M., kwartels. Kwarteltje, O., -jes.
Kwartgulden, M., -guldens.
Kwartier, O., kwartieren. Kwartiertje, O., -jes.
Kwartierboom, M., -boomen.
Kwartiermaker, M., -makers; -makertje, O., -jes.
Kwartiermeester, M., -meesters.
Kwartiermuts, V., -mutsen; -mutsje, O., -jes.
Kwartiersvergadering, V., -vergaderingen.
Kwartierziek.
Kwartijn, M., kwartijnen.
Kwartjesvinder, M., -vinders.
Kwartnoot, V., -noten.
Kwartrond, O., -ronden.
Kwartrust, V., -rusten.
Kwarts, O., kwartsen.
Kwartsachtig.
Kwassiehout, O.
Kwast (voorwerp en persoon), M., kwasten. Kwastje, O., -jes.
Kwast (drank), V., kwasten.
Kwasterig, kwasteriger, kwasterigst.
Kwasterigheid, V.
Kwastig, kwastiger, kwastigst.
Kwastlepel, M., -lepels.
Kwee, V., kweeën. Kweetje, O., -jes.
Kweeappel, M., -appels en -appelen.
Kweek, V.
Kweekeling, M. en V., kweekelingen. V., ook kweekelinge.
Kweeken, kweekte, heeft gekweekt.
Kweeker, M., kweekers.
Kweekerij, V., kweekerijen.
Kweekgras, O.
Kweekhof, M., -hoven.
Kweeking, V., kweekingen.
Kweekplaats, V., -plaatsen.
Kweekschool, V., -scholen.
Kweekster, V., kweeksters.
Kweektuin, M., -tuinen.
Kweelen (zingen), kweelde, heeft gekweeld.
Kween, V., kwenen.
Kweepeer, V., -peren.
Kweern, V., kweernen. Kweerntje, O., -jes.
Kweesten, kweestte, heeft gekweest.
Kweken en Kwekken. Zie Kwaken.
Kwel, V.
Kweldam, M., -dammen.
Kwelder, V., kwelders.
Kweldergras, O.
Kweldijk, M., -dijken.
Kwelduivel, M., -duivels.
Kwelgeest, M., -geesten.
Kwellage, V., kwellages.
Kwellen, kwelde, heeft gekweld.
Kweller, M., kwellers.
Kwelling, V., kwellingen.
Kwelwater, O.
Kwelziek, -zieker, -ziekst.
Kwelzucht, V.
Kwendel (wilde tijm), V.
Kwestie, V., kwesties. Zie ook Quaestie.
Kwets, V., kwetsen. Kwetsje, O., -jes.
Kwetsbaar, -baarder, -baarst.
Kwetsbaarheid, V.
Kwetsen, kwetste, heeft gekwetst.
Kwetsing, V., kwetsingen.
Kwetsuur, V., kwetsuren. Kwetsuurtje, O., -jes.
Kwetteraar, M., kwetteraars.
Kwetteren, kwetterde, heeft gekwetterd.
Kwezel, V., kwezels. Kwezeltje, O., -jes.
Kwezelaar, M., kwezelaars en kwezelaren.
Kwezelaarster, V., kwezelaarsters.
Kwezelachtig, -achtiger, -achtigst.
Kwezelarij, V., kwezelarijen.
Kwezelen, kwezelde, heeft gekwezeld.
Kwibus, M., kwibussen. Kwibusje, O., -jes.
Kwidam, M., kwidams.
Kwijl, V.
Kwijlbaard, M., -baarden.
Kwijlbab, V., -babben; -babje, O., -jes.
Kwijlen, kwijlde, heeft gekwijld.
Kwijnen, kwijnde, heeft gekwijnd.
Kwijning, V.
Kwijt.
Kwijtbrief, M., -brieven.
Kwijten, kweet, kweten, heeft gekweten.
Kwijting, V., kwijtingen.
Kwijtraken, raakte kwijt, is kwijtgeraakt.
Kwijtschelden, schold kwijt, heeft kwijtgescholden.
Kwijtschelding, V.
Kwik (beuzeling), V., kwikken. Kwikje, O., -jes.
Kwik (kwikzilver), O.
Kwik, kwikker, kwikst.
Kwikafsluiter, M., -afsluiters.
Kwikbak, M., -bakken; -bakje, O., -jes.
Kwikbarometer, M., -barometers.
Kwikkolom, V., -kolommen.
Kwikkuur, V., -kuren.
Kwikoxyde, O.
Kwikstaart, M., -staarten; -staartje, O., -jes.
Kwikstaarten, kwikstaartte, heeft gekwikstaart.
Kwikthermometer, M., -thermometers.
Kwikzalf, V.
Kwikzilver, O.
Kwinkeleeren, kwinkeleerde, heeft gekwinkeleerd.
Kwinken, kwinkte, heeft gekwinkt.
Kwinkslag, M., -slagen.
Kwint (streek), V., kwinten. Zie ook Quint.
Kwipsch, kwipscher, meest kwipsch.
Kwispedoor, O., kwispedoren. Kwispedoortje, O., -jes.
Kwispel, M., kwispels. Kwispeltje, O., -jes.
Kwispelen, kwispelde, heeft gekwispeld.
Kwispeling, V., kwispelingen.
Kwispelstaarten, kwispelstaartte, heeft gekwispelstaart.
Kwisten, kwistte, heeft gekwist.
Kwistgeld, M. en V., -gelden.
Kwistgoed, M. en V.
Kwistig, kwistiger, kwistigst.
Kwistigheid, V.
Kwistpenning, M. en V., -penningen.
L
L, V., l's.
La. Zie Lade.
Laadboom, M., -boomen.
Laadruim, O., -ruimen.
Laadstok, M., -stokken.
Laag, lager, laagst.
Laag, V., lagen. Laagje, O., -jes.
Laaghartig, -hartiger, -hartigst.
Laaghartigheid, V.
Laagheid, V., -heden.
Laagjes.
Laagland, O., -landen.
Laagte, V., laagten.
Laai en Laaie, V. (In lichter -).
Laakbaar, -baarder, -baarst.
Laakbaarheid, V.
Laakzucht, V.
Laan, V., lanen. Laantje, O., -jes.
Laars, V., laarzen. Laarsje, O., -jes.
Laarzen, laarsde, heeft gelaarsd.
Laarzenknecht, M., -knechts.
Laarzenmaker, M., -makers.
Laarzentrekker, M., -trekkers.
Laarzenwinkel, M., -winkels.
Laarzeschacht, V., -schachten.
Laas (tusschenw.).
Laat, later, laatst.
Laatbekken, O., -bekkens.
Laatdunkend, -dunkerder, -dunkendst.
Laatdunkendheid, V.
Laatijzer, O., -ijzers.
Laatkop, M., -koppen.
Laatst.
Laatstelijk.
Laatstleden.
Laatstmaal.
Laatvlijm, V., -vlijmen.
Labaar, V., labaren.
Labbei, V., labbeien.
Labbeien, labbeide, heeft gelabbeid.
Labbekak, M. en V., labbekakken.
Labben, labde, heeft gelabd.
Labber (bnw.).
Labberdaan, ook Abberdaan, V.
Labberen, labberde, heeft gelabberd.
Labberkoelte, V.
Labberlot (nachtbraker), M., labberlotten.
Labberlot (sloep), V., labberlotten.
Labiaal, -ale.
Laboratorium, O., laboratoria.
Laboreeren, laboreerde, heeft gelaboreerd.
Labyrint, O., labyrinten.
Lach, M. Lachje, O., -jes.
Lachebek, M. en V., -bekken; -bekje, O., -jes.
Lachen, lachte, heeft gelachen.
Lacher, M., lachers.
Lachlust, M.
Lachspier, V., -spieren.
Lachstuip, V., -stuipen.
Lachverwekkend, -verwekkender, -verwekkendst.
Laconiek, laconieker, laconiekst.
Laconisme, O.
Lacune, V., lacunes.
Ladder, V., ladders. Laddertje, O., -jes.
Laddersport, V., -sporten.
Lade en La, V., laden. Laatje, O., -jes.
Laden, laadde, heeft geladen.
Lader, M., laders.
Lading, V., ladingen. Ladinkje, O., -jes.
Ladingsbrief, M., -brieven.
Ladingspoort, V., -poorten.
Lady, V., lady's.
Laf, laffer, lafst.
Lafaard, M., lafaards.
Lafbek, M., -bekken.
Lafenis, V., lafenissen. Lafenisje, O., -jes.
Lafhartig, -hartiger, -hartigst.
Lafhartigheid, V.
Lafheid, V., -heden.
Lagerbier, O.
Lagerhand, V.
Lagerhuis, O.
Lagerwal, M.
Lagune, V., lagunen.
Laisser-aller, O.
Lak (lastering), M.
Lak (stof), O., lakken.
Lak (bnw.).
Lakei, M., lakeien. Lakeitje, O., -jes.
Laken, O., lakens. Lakentje, O., -jes.
Laken, laakte, heeft gelaakt.
Lakenfabriek, V., -fabrieken.
Lakenhal, V., -hallen.
Lakenkooper, M., -koopers.
Lakensch.
Lakenvelder, M. en V., -velders.
Lakenwinkel, M., -winkels.
Laker, M., lakers.
Laking, V., lakingen.
Lakken, lakte, heeft gelakt.
Lakmoes, O.
Lakmoesfabriek, V., -fabrieken.
Lakmoespapier, O.
Lakooi, V., lakooien.
Lakooienbed, O., -bedden.
Lakooienzaad, O.
Lakstelletje, O., -stelletjes.
Laks, lakse.
Lakstempel, O., -stempels.
Lam, O., lammeren. Lammetje, O., lammetjes en lammertjes.
Lam, lammer, lamst.
Lambrizeering, V., lambrizeeringen.
Lamentabel, lamentabeler, lamentabelst.
Lamenteeren, lamenteerde, heeft gelamenteerd.
Lamfer, M. en O., lamfers.
Lamheid, V., -heden.
Lamlendig, -lendiger, -lendigst.
Lamlendigheid, V.
Lammeling, M., lammelingen.
Lammelot, M. en V., lammelotten.
Lammelottig, -lottiger, -lottigst. Ook Lammerlottig.
Lammelottigheid, V.
Lammenadig.
Lammeren, lammerde, heeft gelammerd.
Lammergier, M., -gieren.
Lammerlotten, lammerlotte, heeft gelammerlot.
Lammermarkt, V., -markten.
Lammertjesbaai, V.
Lammertjespap, V.
Lammigheid, V., -heden.
Lamoen. Zie Lemoen.
Lamp, V., lampen. Lampje, O., -jes.
Lampeglas, O., -glazen.
Lampekap, V., -kappen.
Lampekleedje, O., -jes.
Lampekousje, O., -jes.
Lampenfabriek, V., -fabrieken.
Lampenist, M., lampenisten.
Lampenkatoen, O.
Lampenmaker, M., -makers.
Lampepit, V., -pitten.
Lampeschaar, V., -scharen.
Lampet, O., lampetten. Lampetje, O., -jes.
Lampetkan, V., -kannen.
Lampion, V., lampions.
Lampoot, M. en V., -pooten.
Lamprei (visch), V., lampreien.
Lamprei (jong konijn), O., lampreien. Lampreitje, O., -jes.
Lampzwart, O.
Lamsbout, M., -bouten; -boutje, O., -jes.
Lamskop, M., -koppen.
Lamskotelet, V., -koteletten.
Lamsoor, O., -ooren.
Lamspoot, M., -pooten.
Lamsvacht, V., -vachten.
Lamsvel, O., -vellen.
Lamsvleesch, O.
Lamswol, V.
Lamzalig, -zaliger, -zaligst.
Lamzaligheid, V.
Lanceerbuis, V., -buizen.
Lanceeren, lanceerde, heeft gelanceerd.
Lanceer-inrichting, V.
Lancet, O., lancetten. Lancetje, O., -jes.
Land, O., landen. Landje, O., -jes.
Landaanwinning, V.
Landaard, M.
Landauer, M., landauers.
Landbouw, M.
Landbouwcongres, O., -congressen.
Landbouwer, M., -bouwers.
Landbouwkrediet, O.
Landbouwschool, V., -scholen.
Landbouwtentoonstelling, V., -tentoonstellingen.
Landedelman, M., -edellieden.
Landelijk.
Landen, landde, is geland.
Landengte, V., -engten.
Landerig, landeriger, landerigst.
Landerigheid, V.
Landerijen (mv.), V.
Landgenoot, M., -genooten.
Landgenoote, V., -genooten.
Landgoed, O., -goederen.
Landheer, M., -heeren.
Landhuis, O., -huizen.
Landhuishoudkunde, V.
Landhuishoudkundig.
Landhuur, V., -huren.
Landing, V., landingen.
Landingsboot, V., -booten.
Landingsplaats, V., -plaatsen.
Landingstroepen (mv.), M.
Landjuweel, O., -juweelen.
Landkaart, V., -kaarten.
Landkrab (persoon), M., -krabben.
Landleven, O.
Landlooper, M., -loopers.
Landlooperij, V.
Landman (landbouwer), M., -lieden.
Landmeter, M., -meters.
Landnationalisatie, V.
Landontginning, V., -ontginningen.
Landouw, V., landouwen.
Landpaal, M., -palen.
Landraad, M., -raden.
Landrecht, O., -rechten.
Landrente, V., -renten.
Landrot (persoon), M., -rotten.
Landsbediening, V., -bedieningen.
Landschap, O., landschappen. Landschapje, O., -jes.
Landschapschilder, M., -schilders.
Landscheiding, V., -scheidingen.
Landsdrukkerij, V., -drukkerijen.
Landsgebouw, O., -gebouwen.
Landsheer, M., -heeren.
Landsheerlijk.
Landskind, O., -kinderen.
Landsman (landgenoot), M., -lieden.
Landstad, V., -steden; -stadje, O., -jes.
Landstreek, V., -streken.
Landsverdediging, V.
Landsvrouw, V., -vrouwen.
Landtaal, V., -talen.
Landtong, V., -tongen.
Landverhuizer, M., -verhuizers.
Landverhuizing, V.
Landverraad, O.
Landverrader, M., -verraders.
Landvoogd, M., -voogden.
Landvoogdes, V., -voogdessen.
Landvoogdij, V.
Landwaarts.
Landweer, V.
Landweerdistrict, O., -districten.
Landweerman, M., -mannen.
Landweerwet, V.
Landwind, M., -winden.
Landwinning, V., -winningen.
Landzaat, M., -zaten.
Landziekig, -ziekiger, -ziekigst.
Lang, langer, langst.
Langbeen (persoon), M. en V., -beenen.
Langbeen (ooievaar), M., -beenen.
Langbeen (mug), V., -beenen.
Langbeenig, -beeniger, -beenigst.
Langdradig, -dradiger, -dradigst.
Langdradigheid, V.
Langdurig, -duriger, -durigst.
Langdurigheid, V.
Langen, langde, heeft gelangd.
Langet, V., langetten. Langetje, O., -jes.
Langeveld, O.
Langhals (persoon), M. en V., -halzen.
Langhals (flesch), V., -halzen.
Langhalzig, -halziger, -halzigst.
Langharig.
Langheid, V.
Langjarig.
Langlijvig.
Langneus, M. en V., -neuzen.
Langoor (persoon), M. en V., -ooren.
Langoor (ezel), M., -ooren.
Langpoot, M., -pooten.
Langs.
Langscheeps (bijw.).
Langscheepsch (bnw.).
Langsgaan, ging langs, is langsgegaan.
Langsloopen, liep langs, heeft en is langsgeloopen.
Langsrijden, reed langs, reden langs, heeft en is langsgereden.
Langstaart, M., -staarten.
Langstlevend.
Langsvaren, voer langs, heeft en is langsgevaren.
Langszijde, (bijw.).
Langtand, M. en V., -tanden.
Langtong, M. en V., -tongen.
Langtongig, -tongiger, -tongigst.
Langwerpig, -werpiger, -werpigst. Ook Lankwerpig.
Langwerpigheid, V.
Langwijlig, -wijliger, -wijligst.
Langwijligheid, V.
Langzaam, -zamer, -zaamst.
Langzaamheid, V.
Langzamerhand.
Laning, V., laningen.
Lankmoedig, -moediger, -moedigst.
Lankmoedigheid, V.
Lankwerpig. Zie Langwerpig.
Lans, V., lansen. Lansje, O., -jes.
Lansier, M., lansiers.
Lanskenet (kaartspel), O.
Lantaarnopsteker, M., -opstekers.
Lantaren en Lantaarn, V., lantarens en lantaarnen. Lantarentje en lantaarntje, O., -jes.
Lantarenpaal, M., -palen.
Lanterfant, M., lanterfanten.
Lanterfanten, lanterfantte, heeft gelanterfant.
Lanterfanterij, V., lanterfanterijen.
Lap, M., lappen. Lapje, O., -jes.
Lapidair.
Lappen, lapte, heeft gelapt.
Lappendag, M., -dagen.
Lappendeken, V., -dekens.
Lappendief, M., -dieven.
Lappenmand, V., -manden.
Lappenmarkt, V., -markten.
Lapper, M., lappers.
Lapperij, V., lapperijen.
Lapwerk, O.
Lapwoord, O., -woorden.
Lapzalf, V.
Lapzalven, lapzalfde, heeft gelapzalfd.
Lapzalver, M., -zalvers.
Lapzalverij, V., -zalverijen.
Lardeeren, lardeerde, heeft gelardeerd.
Lardeerpriem, M., -priemen.
Lardeersel, O., lardeersels.
Lardeerspeetje, O., -jes.
Lardeerspek, O.
Largo, O., largo's.
Larie, V.
Lariemoer, V., -moers.
Lariën, lariede, heeft gelaried.
Lariks, M., lariksen. Lariksje, O., -jes.
Lariksboom, M., -boomen; -boompje, O., -jes.
Larve, V., larven.
Lasch, V., lasschen. Laschje, O., -jes.
Laschijzer, O., -ijzers.
Laschmes, O., -messen.
Laschnagel, M., -nagels.
Lasschen, laschte, heeft gelascht.
Lassching, V., lasschingen.
Last (vracht, bevel), M., lasten.
Last (maat), O., lasten.
Lastage, V.
Lastbrief, M., -brieven.
Lastdrager, M., -dragers.
Lasten, lastte, heeft gelast.
Laster, M.
Lasteraar, M., lasteraars en lasteraren.
Lasteren, lasterde, heeft gelasterd.
Lastering, V., lasteringen.
Lasterlijk, -lijker, -lijkst.
Lastermond, M. en V., -monden.
Lasterpen, V., -pennen.
Lasterrede, V., -redenen.
Lasterschrift, O., -schriften.
Lasterstuk, O., -stukken.
Lastertaal, V.
Lastertong, M. en V., -tongen.
Lastgever, M., -gevers.
Lastgeving, V., -gevingen.
Lasthebber, M., -hebbers.
Lastig, lastiger, lastigst.
Lastigheid, V.
Lat, V., latten. Latje, O., -jes.
Latafel, V., -tafels; -tafeltje, O., -jes.
Laten, liet, heeft gelaten.
Lateraal, laterale.
Latierboom, M., -boomen.
Latijn, O.
Latijnsch.
Latijnzeil, O., -zeilen.
Lating, V., latingen. Latinkje, O., -jes.
Latinisme, O., latinismen.
Latinist, M., latinisten.
Latiniteit, V.
Latoen, O.
Lats en Latse, V., latsen.
Latten, latte, heeft gelat.
Lattenzager, M., -zagers.
Latuw, V.
Laudanum, O.
Laurier, M., laurieren.
Laurierbes, V., -bessen.
Laurieren, laurierde, heeft gelaurierd.
Laurierkers (vrucht), V.
Laurierkerswater, O.
Lauw, lauwer, lauwst.
Lauwer, M., lauweren en lauwers.
Lauweren, lauwerde, heeft gelauwerd.
Lauwerkrans, M., -kransen.
Lauwerkroon, V., -kronen.
Lauwertak, M., -takken.
Lauwheid, V.
Lauwte, V.
Lava, V.
Lavas, V.
Lavastroom, M., -stroomen.
Laveeren, laveerde, heeft en is gelaveerd.
Lavei, V.
Laveien, laveide, heeft gelaveid.
Lavement, O., lavementen. Lavementje, O., -jes.
Lavementspuit, V., -spuiten; -spuitje, O., -jes.
Laven, laafde, heeft gelaafd.
Lavendel, V.
Lavendelbloem, V., -bloemen.
Lavendelolie, V.
Lawaai, O.
Lawaaimaker, M., -makers.
Lawine, V., lawinen en lawines.
Laxans, O.
Laxeeren, laxeerde, heeft gelaxeerd.
Laxeermiddel, O., -middelen.
Lazaret, O., lazaretten.
Lazarij, V.
Lazarusklep, V., -kleppen.
Lazuren (bnw.).
Lazuur (steen), M., lazuren; (stof), O.
Leb en Lebbe, V., lebben.
Lebaal, V.
Lebbig, lebbiger, lebbigst.
Lebbigheid, V.
Lector, M., lectoren.
Lectoraat, O., lectoraten.
Lectuur, V.
Ledebraak en Leebraak, V.
Ledebraken en Leebraken, ledebraakte, heeft geledebraakt.
Ledebreuk, V.
Ledekant (ook Ledikant), O., ledekanten. Ledekantje, O., -jes.
Ledekantgordijn, O., -gordijnen.
Ledeman. Zie Leeman.
Ledematen. Zie Lidmaat.
Ledenlijst, V., -lijsten.
Ledenvergadering, V., -vergaderingen.
Ledepop, V., -poppen.
Leder en Leer, O. Leertje, O., -jes.
Lederachtig en Leerachtig.
Lederen en Leeren (bnw.).
Lederwaren (mv.), V.
Lederwerk, O.
Ledewater en Leewater, O.
Ledig (ook Leeg), lediger, ledigst.
Ledigen (ook leegen), ledigde, heeft geledigd.
Lediggang, M.
Ledigganger, M., -gangers.
Lediggieten (ook Leeggieten), goot ledig, goten ledig, heeft lediggegoten.
Ledigheid, V.
Lediging, V.
Ledigloopen (ook Leegloopen), liep ledig, heeft en is lediggeloopen.
Ledigmaken (ook Leegmaken), maakte ledig, heeft lediggemaakt.
Ledigpompen (ook Leegpompen), pompte ledig, heeft lediggepompt.
Ledigscheppen (ook Leegscheppen), schepte ledig, heeft lediggeschept.
Ledigstaan (ook Leegstaan), stond ledig, heeft lediggestaan.
Ledigzitten (ook Leegzitten), zat ledig, zaten ledig, heeft lediggezeten.
Leebraak, Leebraken. Zie Ledebraak enz.
Leed.
Leed, O.
Leedwezen, O.
Leefbaar, -bare.
Leefregel, M., -regels.
Leeftijd, M., -tijden.
Leeftocht, M.
Leefwijze en -wijs, V., -wijzen.
Leeg (voor Ledig), leeger, leegst.
Leegen (voor Ledigen), leegde, heeft geleegd.
Leeglooper, M., -loopers.
Leegloopster, V., -loopsters.
Leegte, V.
Leek, M., leeken.
Leekebroeder, M., -broeders.
Leekezuster, V., -zusters.
Leelijk, leelijker, leelijkst.
Leelijkerd, M., leelijkerds.
Leelijkheid, V., -heden.
Leem, O.
Leemachtig, -achtiger, -achtigst.
Leeman, M., leemans en leemannen.
Leemen, leemde, heeft geleemd.
Leemen (bnw.).
Leemgroeve, V., -groeven.
Leemput, M., -putten.
Leemte, V., leemten.
Leen, V. (Ter leen en te leen).
Leen, O., leenen.
Leenbrief, M., -brieven.
Leeneed, M., -eeden.
Leenen, leende, heeft geleend.
Leener, M., leeners.
Leenheer, M., -heeren.
Leenheerschap, O.
Leening, V., leeningen.
Leenman, M., -mannen.
Leenmanschap, O.
Leenplicht, M., -plichten.
Leenrecht, O.
Leenroerig.
Leenroerigheid, V.
Leenspreuk, V., -spreuken.
Leenspreukig.
Leenstelsel, O.
Leentjebuur, V. (- spelen).
Leenvorst, M., -vorsten.
Leep, V.
Leep (slim), leeper, leepst.
Leep (druipoogig), leper, leepst.
Leeperd, M., leeperds. Leeperdje, O., -jes.
Leepheid, V.
Leepigheid, V.
Leepoog, M. en V., -oogen.
Leepoogig, -oogiger, -oogigst.
Leer (leering), V.
Leer (ladder), V., leeren.
Leer. Zie Leder.
Leeraar, M., leeraren en leeraars.
Leeraarsambt, O., -ambten.
Leeraarsbetrekking, V., -betrekkingen.
Leeraarschap, O.
Leeraarsvergadering, V., -vergaderingen.
Leerachtig. Zie Lederachtig.
Leeraren, leeraarde, heeft geleeraard.
Leerares, V., leeraressen.
Leerbegrip, O., -begrippen.
Leerbereiden, O.
Leerbereider, M., -bereiders.
Leerboek, O., -boeken; -boekje, O., -jes.
Leerdicht, O., -dichten.
Leeren (bnw.). Zie Lederen.
Leeren, leerde, heeft geleerd.
Leergang, M., -gangen.
Leergeld, O.
Leergierig, -gieriger, -gierigst.
Leergierigheid, V.
Leergraag, -grager, -graagst.
Leering, V., leeringen.
Leerjaar, O., -jaren.
Leerjongen, M., -jongens.
Leerkamer, V., -kamers.
Leerknaap, M., -knapen.
Leerkracht, V., -krachten.
Leerling, M. en V., leerlingen. V. ook leerlinge.
Leerling-consul, M.
Leerlingschap, O.
Leerlooien, O.
Leerlooier, M., -looiers.
Leerlooierij, V., -looierijen.
Leermarkt en Ledermarkt, V., -markten.
Leermeester, M., -meesters.
Leermeesteres, V., -meesteressen.
Leermeesterschap, O.
Leermeisje, O., -jes.
Leermiddel, O., -middelen.
Leerplan, O.
Leerplicht, M.
Leerplichtig.
Leerplichtwet, V.
Leerrede, V., -redenen.
Leerrijk.
Leerschool, V., -scholen.
Leerstellig.
Leerstelling, V., -stellingen.
Leerstelsel, O., -stelsels.
Leerstoel, M., -stoelen.
Leerstof, V.
Leerstuk, O., -stukken.
Leertijd, M.
Leertouwen, O.
Leertouwer, M., -touwers.
Leertouwerij, V., -touwerijen.
Leeruur, O., -uren.
Leervak, O., -vakken.
Leerwijze en -wijs, V., -wijzen.
Leerzaam, -zamer, -zaamst.
Leerzaamheid, V.
Leerzucht, V.
Leesbaar, -baarder, -baarst.
Leesbaarheid, V.
Leesbeurt, V., -beurten.
Leesbibliotheek, V., -bibliotheken.
Leesboek, O., -boeken; -boekje, O., -jes.
Leesgezelschap, O., -gezelschappen.
Leesinrichting, V., -inrichtingen.
Leeskabinet, O., -kabinetten.
Leeskamer, V., -kamers; -kamertje, O., -jes.
Leesmuseum, O., -museums.
Leesoefening, V., -oefeningen.
Leest, V., leesten. Leestje, O., -jes.
Leestafel, V., -tafels.
Leesteeken, O., -teekens; -teekentje, O., -jes.
Leestenhout, O.
Leestenmaker, M., -makers.
Leestijd, M.
Leestoon, M., -tonen.
Leestrant, M.
Leestrommel, V., -trommels.
Leesuur, O., -uren.
Leeswijze en -wijs, V., -wijzen.
Leeszaal, V., -zalen; -zaaltje, O., -jes.
Leeuw, M., leeuwen. Leeuwtje, O., -jes.
Leeuwenbek (bek van een leeuw), M., -bekken.
Leeuwenbek (plant), M., -bekken; -bekje, O., -jes.
Leeuwendeel, O.
Leeuwenhart, O.
Leeuwenhol, O., -holen.
Leeuwenhuid, V., -huiden.
Leeuwenjong, O., -jongen.
Leeuwenkop, M., -koppen.
Leeuwenkuil, M., -kuilen.
Leeuwenmanen (mv.), V.
Leeuwenmoed, M.
Leeuwenwelp, O., -welpen; -welpje, O., -jes.
Leeuwerik, M., leeuweriken. Leeuwerikje, O., -jes.
Leeuweriksnest, O., -nesten.
Leeuweriksstaart, M., -staarten.
Leeuwerikszang, M.
Leeuwin, V., leeuwinnen. Leeuwinnetje, O., -jes.
Leewater. Zie Ledewater.
Leg (het leggen), M. (Aan -, van den leg).
Leg en Legge (lichaamsdeel van vogels), V., leggen.
Legaal, legaler, legaalst.
Legaat, O., legaten. Legaatje, O., -jes.
Legaliseeren, legaliseerde, heeft gelegaliseerd.
Legataris, M., legatarissen.
Legateeren, legateerde, heeft gelegateerd.
Legbord, O., -borden.
Legeeren, legeerde, heeft gelegeerd.
Legeering, V., legeeringen.
Legende, V., legenden en legendes.
Legendendichter, M., -dichters.
Leger, O., legers. Legertje, O., -jes.
Legerafdeeling, V., -afdeelingen.
Legerbende, V., -benden.
Legerbericht, O., -berichten.
Legercommandant, M., -commandanten.
Legeren, legerde, heeft gelegerd.
Legerhoofd, O., -hoofden.
Legering, V., legeringen.
Legerkorps, O., -korpsen.
Legermacht, V., -machten.
Legerplaats, V., -plaatsen.
Legerschaar, V., -scharen.
Legersterkte, V.
Legertent, V., -tenten.
Legertrein, M., -treinen.
Legerwet, V., -wetten.
Leges (mv.), V.
Leggen, legde en leide, heeft gelegd en geleid.
Legger, M., leggers.
Leghen, V., -hennen; -hennetje, O., -jes.
Legioen, O., legioenen.
Legitiem, legitieme.
Legitimeeren, legitimeerde, heeft gelegitimeerd.
Legitimist, M., legitimisten.
Legitimiteit, V.
Legkaart, V., -kaarten; -kaartje, O., -jes.
Legpenning, M., -penningen.
Legprent, V., -prenten.
Legsel, O., legsels.
Legster, V., legsters.
Legtijd, M., -tijden.
Leguaan, M., leguanen.
Lei (voorwerp), V., leien; (stof), O. Leitje, O., -jes.
Leiband, M., -banden.
Leiboom, M., -boomen.
Leidekker, M., -dekkers.
Leiden (stad), O.
Leiden, leidde, heeft geleid.
Leidenaar, M., Leidenaars en Leidenaren.
Leider, M., leiders.
Leiding, V., leidingen.
Leidraad, M., -draden.
Leidsch.
Leidsel en Leisel, O., leidsels en leisels.
Leidsman, M., -lieden.
Leidster en -star, V., -sterren en -starren.
Leidster, V., leidsters.
Leidsvrouw, V., -vrouwen.
Leien (bnw.).
Leiendak, O., -daken; -dakje, O.
Leigroeve, V., -groeven.
Leikleur, V.
Leikleurig.
Leireep, M., -reepen.
Leis, V., leisen.
Leisel. Zie Leidsel.
Leist (leizeel), V., leisten.
Leizeel, O., -zeelen.
Lek, V.
Lek (het lekken), M.
Lek (lekgat), O., lekken.
Lek, lekke.
Lekbier, O.
Leken, leekte, heeft en is geleekt.
Lekgat, O., -gaten.
Lekkage, V., lekkages.
Lekken (druipen), lekte, heeft en is gelekt.
Lekken (voor Likken). Zie Likken.
Lekker, lekkerder, lekkerst.
Lekkerbeetje, O., -jes.
Lekkerbek, M. en V., -bekken.
Lekkerbekken, lekkerbekte, heeft gelekkerbekt.
Lekkerbekkerij, V., -bekkerijen.
Lekkerheid, V.
Lekkernij, V., lekkernijen. Lekkernijtje, O., -jes.
Lekkers, O.
Lekkertjes.
Lekking, V., lekkingen.
Leksteen, M., -steenen.
Lekton, V., -tonnen.
Lekvat, O., -vaten.
Lekwater, O.
Lekwijn, M.
Lekzak, M., -zakken.
Lekzand, O.
Lel, V., lellen. Lelletje, O., -jes.
Lelie, V., lelies en leliën. Lelietje, O., -jes.
Lelieblank.
Leliënbed, O., -bedden.
Leliewit, -witte.
Lellen, lelde, heeft geleld.
Lemma, O., lemmata.
Lemmen, lemde, heeft gelemd.
Lemmer, O., lemmers en lemmeren. Lemmertje, O., -jes.
Lemmet, O., lemmeten. Lemmetje, O., -jes.
Lemoen (ook Lamoen), O., lemoenen.
Lende, V., lenden en lendenen.
Lendekussen, O., -kussens; -kussentje, O., -jes.
Lendenpijn, V.
Lendestuk, O., -stukken.
Lenen. Zie Leunen.
Leng (stokvisch), V., lengen.
Leng (touw), O., lengen.
Lengen, lengde, heeft en is gelengd.
Lengsel, O., lengsels.
Lengte, V., lengten.
Lengtecirkel, M., -cirkels.
Lengtegraad, M., -graden.
Lengtemaat, V., -maten.
Lenig, leniger, lenigst.
Lenigen, lenigde, heeft gelenigd.
Leniger, M., lenigers.
Lenigheid, V.
Leniging, V., lenigingen.
Lens (spiets), V., lensen.
Lens (glas), V., lenzen.
Lens (ledig), lenze.
Lensen (spietsen), lenste, heeft gelenst.
Lensgat, O., -gaten.
Lenspomp, V., -pompen.
Lente, V.
Lenteavond, M., -avonden.
Lentebloem, V., -bloemen.
Lentedag, M., -dagen.
Lentefeest, O., -feesten.
Lentelied, O., -liederen.
Lentemaand, V.
Lenteren, lenterde, heeft gelenterd.
Lenteteeken, O., -teekens.
Lentetijd, M.
Lenteweder, O.
Lenzen (ledigmaken), lensde, heeft gelensd.
Lenzen (scheepsw.), lensde, heeft en is gelensd.
Lenzing, V., lenzingen.
Lep, M., leppen.
Lepel, M., lepels. Lepeltje, O., -jes.
Lepelaar, M., lepelaars en lepelaren.
Lepelblad, O.
Lepeldoos, V., -doozen; -doosje, O., -jes.
Lepelen, lepelde, heeft gelepeld.
Lepelkistje, O., -jes.
Lepelkost, M.
Lepelspijs, V.
Lepelvaasje, O., -vaasjes.
Leplam, O., -lammeren.
Leppen, lepte, heeft gelept.
Lepper, M., leppers.
Lepperen, lepperde, heeft gelepperd.
Lepra, V.
Leproos, leproze.
Leprozenhuis, O., -huizen.
Les, V., lessen. Lesje, O., -jes.
Lesboek en Lessenboek, O., -boeken; -boekje, O., -jes.
Leschbak, M., -bakken.
Leschdrank, M., -dranken.
Leschtrog, M., -troggen.
Leschwater, O.
Lesgeefster, V., -geefsters.
Lesgever, M., -gevers.
Lesschen, leschte, heeft gelescht.
Lessching, V.
Lessenaar, M., lessenaars. Lessenaartje, O., -jes.
Lessenplan, O.
Lesuur, O., -uren.
Lethargie, V.
Letsel, O.
Letten, lette, heeft gelet.
Letter, V., letters en letteren. Lettertje, O., -jes.
Letterarbeid, M.
Letterbanket, O.
Letterbode, M., -boden.
Letterdief, M., -dieven.
Letterdieverij, V., -dieverijen.
Lettereindje, O., -eindjes.
Letteren, letterde, heeft geletterd.
Lettergieten, O.
Lettergieter, M., -gieters.
Lettergieterij, V., -gieterijen.
Lettergreep, V., -grepen.
Letterkast, V., -kasten.
Letterklank, M., -klanken.
Letterknecht, M., -knechten.
Letterknechterij, V.
Letterkunde, V.
Letterkundig.
Letterkundige, M. en V., -kundigen.
Letterlievend.
Letterlijk, -lijker, -lijkst.
Letterproef, V., -proeven.
Letterraadsel, O., -raadsels.
Letterschrift, O.
Letterslot, O., -sloten; -slootje, O., -jes.
Lettersnijder, M., -snijders.
Lettersoort, V., -soorten.
Letterspecie, V.
Letterteeken, O., -teekens.
Letterwijs, -wijze.
Letterzetten, O.
Letterzetter, M., -zetters.
Leugen (ook Logen), V., leugens. Leugentje, O., -jes.
Leugenaar en Logenaar, M., leugenaars en leugenaren.
Leugenaarster, V., leugenaarsters.
Leugenachtig, -achtiger, -achtigst.
Leugenachtigheid, V.
Leugentaal, V.
Leugenzak, M., -zakken.
Leuk, leuker, leukst.
Leukheid, V.
Leukweg.
Leunen, leunde, heeft geleund.
Leuning, V., leuningen. Leuninkje, O., -jes.
Leuningstoel, M., -stoelen.
Leunspaan, V., -spanen.
Leunstoel, M., -stoelen.
Leur (drank), V.
Leus en Leuze, V., leuzen.
Leuter, M.
Leuteraar, M., leuteraars.
Leuteren, leuterde, heeft geleuterd.
Leuterig, leuteriger, leuterigst.
Leuterkous, M. en V., -kousen.
Leuterwerk, O.
Leuver, M., leuvers.
Leuze. Zie Leus.
Levant, M.
Levantijn (Oosterling), M., Levantijnen.
Levantijn (stormwind), M., levantijnen.
Levantijnsch.
Leven, leefde, heeft geleefd.
Leven, O., levens. Leventje, O.
Levend (niet dood).
Levendbarend.
Levendig (vroolijk), levendiger, levendigst.
Levendigheid, V.
Levenloos, -looze.
Levenmaken, O.
Levenmaker, M., -makers.
Levensbaan, V.
Levensbeginsel, O.
Levensbehoefte, V., -behoeften.
Levensbehoud, O.
Levensbericht, O., -berichten.
Levensbeschouwing, V., -beschouwingen.
Levensbeschrijver, M., -beschrijvers.
Levensbeschrijving, V., -beschrijvingen.
Levensbijzonderheden (mv.), V.
Levensbron, V.
Levensdagen (mv.), M.
Levensdoel, O.
Levensdraad, M.
Levensduur, M.
Levensgeesten (mv.), M.
Levensgeluk, O.
Levensgenot, O.
Levensgevaar, O.
Levensgezellin, V., -gezellinnen.
Levensgroot, -groote.
Levensgrootte, V.
Levenskracht, V., -krachten.
Levenslang.
Levenslicht, O.
Levensloop, M.
Levenslust, M.
Levenslustig, -lustiger, -lustigst.
Levensmiddelen (mv.), O.
Levensmoede en -moe.
Levensmoeheid, V.
Levensonderhoud, O.
Levenspad, O.
Levensschets, V., -schetsen.
Levensteeken, O., -teekenen.
Levensverzekering, V.
Levenswandel, M.
Levenswijsheid, V.
Levenswijze en -wijs, V., -wijzen.
Levenwekkend.
Lever, V., levers. Levertje, O., -jes.
Leveraar, M., leveraars.
Leverancier, M., leveranciers.
Leverantie, V., leverantiën en leveranties.
Leverbaar, -bare.
Leveren, leverde, heeft geleverd.
Levering, V., leveringen.
Leveringstermijn, M., -termijnen.
Leveringstijd, M., -tijden.
Leverkleurig.
Leverkwaal, V., -kwalen.
Levertraan, V.
Leverworst, V., -worsten.
Leverzucht, V.
Leverzuchtig.
Leviathan, M., leviathans.
Lexicograaf, M., lexicografen.
Lexicographie, V.
Lexicographisch.
Lexicon, O., lexica.
Lezen, las, lazen, heeft gelezen.
Lezenaar, M., lezenaars. Lezenaartje, O., -jes.
Lezenswaardig, -waardiger, -waardigst, of meer en meest -waardig.
Lezer, M., lezers.
Lezeres, V., lezeressen.
Lezing, V., lezingen. Lezinkje, O., -jes.
Lias, V., liassen.
Liashaak, M., -haken.
Libel, O., libellen.
Liberaal, liberaler, liberaalst.
Liberaal, M., liberalen.
Liberalisme, O.
Liberaliteit, V.
Libertijn, M., libertijnen.
Lichaam, O., lichamen. Lichaampje, O., -jes.
Lichaamsarbeid, M.
Lichaamsbeweging, V., -bewegingen.
Lichaamsbouw, M.
Lichaamsdeel, O., -deelen.
Lichaamsgebrek, O., -gebreken.
Lichaamsgestel, O., -gestellen.
Lichaamskracht, V., -krachten.
Lichaamsoefening, V., -oefeningen.
Lichaamsstraf, V., -straffen.
Lichamelijk.
Licht, O., lichten. Lichtje, O., -jes.
Licht (helder), lichter, lichtst.
Licht (niet zwaar), lichter, lichtst.
Lichtbeeld, O., -beelden.
Lichtblauw.
Lichtbron, V., -bronnen.
Lichtbruin.
Lichtdruk, M.
Lichtekooi, V., -kooien.
Lichtelijk.
Lichten (licht geven), lichtte, heeft gelicht.
Lichten (opheffen), lichtte, heeft gelicht.
Lichter, M., lichters.
Lichtergeld, O., -gelden.
Lichterlaaie en Lichtelaaie (bijw.).
Lichterschip, O., -schepen.
Lichtfabriek, V., -fabrieken.
Lichtgas, O.
Lichtgeel, -gele.
Lichtgeloovig, -gelooviger, -geloovigst.
Lichtgeloovigheid, V.
Lichtgeraakt, -geraakter, -geraaktst.
Lichtgeraaktheid, V.
Lichtgevend.
Lichtgewapend.
Lichtgrauw.
Lichtgrijs, -grijze.
Lichtgroen.
Lichthart, M. en V., -harten.
Lichtheid, V.
Lichthoofd, M. en V., -hoofden.
Lichting, V., lichtingen.
Lichtkegel, M., -kegels.
Lichtkogel, M., -kogels.
Lichtkrans, M., -kransen.
Lichtkroon, V., -kronen.
Lichtmis (losbol), M., lichtmissen. Lichtmisje, O., -jes.
Lichtmis (Vrouwendag), V.
Lichtmissen, lichtmiste, heeft gelichtmist.
Lichtmisserij, V., lichtmisserijen.
Lichtopstand, M., -opstanden.
Lichtrood, -roode.
Lichtschuw.
Lichtsterkte, V.
Lichtstraal, M., -stralen.
Lichtvaardig, -vaardiger, -vaardigst.
Lichtvaardigheid, V.
Lichtzinnig, -zinniger, -zinnigst.
Lid, O., leden. Lidje, O., leedjes.
Lidmaat (medelid), M. en V., lidmaten.
Lidmaat (deel des lichaams), O., ledematen.
Lidmaatschap, O.
Lidmatencatechisatie, V., -catechisatiën en -catechisaties.
Lidwoord, O., -woorden.
Liebaard, M., liebaards.
Lied, O., liederen. Liedje, O., -jes.
Lieden (mv.). Zie ook Lui.
Liederboek en Liedboek of Liedeboek, O., -boeken; -boekje, O., -jes.
Liederlijk, -lijker, -lijkst.
Liederlijkheid, V., -heden.
Liedertafel, V., -tafels.
Liedjeszanger, M., -zangers.
Lief, liever, liefst.
Lief, O.
Liefdadig, -dadiger, -dadigst.
Liefdadigheid, V.
Liefde, V.
Liefdebeurt, V., -beurten.
Liefdeblijk, O., -blijken.
Liefdedienst, M., -diensten.
Liefdefonds, O., -fondsen.
Liefdegave, V., -gaven.
Liefdegift, V., -giften.
Liefdeloos, -loozer.
Liefdeloosheid, V.
Liefderijk, -rijker, -rijkst.
Liefderijkheid, V.
Liefdesavontuur, O., -avonturen.
Liefdesbetrekking, V., -betrekkingen.
Liefdesbetuiging, V., -betuigingen.
Liefdeshistorie, V., -histories.
Liefdesverklaring, V., -verklaringen.
Liefelijk, -lijker, -lijkst.
Liefelijkheid, V., -heden.
Liefhebben, heeft lief, had lief, hadden lief, heeft liefgehad.
Liefhebber, M., -hebbers; -hebbertje, O., -jes.
Liefhebberen, liefhebberde, heeft geliefhebberd.
Liefhebberij, V., -hebberijen.
Liefhebberijtooneel, O., -tooneelen.
Liefhebster, V., -hebsters.
Liefje, O., -jes.
Liefkoozen, liefkoosde, heeft geliefkoosd.
Liefkoozing, V., -koozingen.
Liefst (bijw.).
Liefste, M. en V., liefsten.
Lieftallig, -talliger, -talligst.
Lieftalligheid, V.
Liegen, loog, logen, heeft gelogen.
Lier, V., lieren. Liertje, O., -jes.
Lierdicht, O., -dichten.
Lierdichter, M., -dichters.
Liereman, M., -mannen.
Lieren, lierde, heeft gelierd.
Lierlauw.
Lierzang, M., -zangen.
Lies, V., liezen. Liesje, O., -jes.
Liesbreuk, V., -breuken.
Lieveling, M. en V., lievelingen. V. ook lievelinge. Lievelingetje, O., -jes.
Lievelingsbezigheid, V., -bezigheden.
Lievelingsdichter, M., -dichters.
Lievelingskleur, V., -kleuren.
Lievelingsplaats, V., -plaatsen.
Lievelingsplekje, O., -jes.
Lievelingsschrijver, M., -schrijvers.
Lievelingsuitdrukking, V., -uitdrukkingen.
Lievemoederen, O.
Lieven, liefde, heeft geliefd.
Lieverd, M., lieverds. Lieverdje, O., -jes.
Lieverlede (Van -).
Lieve-vrouwenbedstroo, O.
Lieve-vrouwenkerk, V., -kerken.
Lievigheid, V., -heden.
Liflaffen, liflafte, heeft geliflaft.
Liflafferij, V., liflafferijen.
Liflafje, O., liflafjes.
Lift, V., liften.
Liftjongen, M., -jongens.
Liftkoker, M., -kokers.
Ligdag, M., -dagen.
Liggeld, O.
Liggen, ligt, lag, lagen, heeft gelegen.
Ligger, M., liggers.
Ligging, V., liggingen.
Ligplaats, V., -plaatsen.
Ligue, V.
Liguster, M, ligusters.
Lij (scheepsw.) V.
Lijboelijn, V., -boelijns.
Lijdelijk, -lijker, -lijkst.
Lijdelijkheid, V.
Lijden (dulden), leed, leden, heeft geleden.
Lijden (duren), leed, is geleden.
Lijden, O.
Lijdend.
Lijdensbeker, M.
Lijdensgeschiedenis, V., -geschiedenissen.
Lijdenskelk, M.
Lijdenspreek, V., -preeken.
Lijdenstekst, M., -teksten.
Lijdensweek, V., -weken.
Lijdensweg, M., -wegen.
Lijder, M., lijders.
Lijderes, V., lijderessen.
Lijdzaam, -zamer, -zaamst.
Lijdzaamheid, V.
Lijf, O., lijven. Lijfje, O., -jes.
Lijfarts, M., -artsen.
Lijfeigene, M. en V., -eigenen.
Lijfeigenschap, V.
Lijfelijk.
Lijfgoed, O., -goederen.
Lijfknecht, M., -knechten.
Lijfrente, V., -renten.
Lijfsbehoud, O.
Lijfsberging, V.
Lijfsdwang, M.
Lijfsgevaar, O., -gevaren.
Lijfssierraad, O., -sieraden.
Lijfstraf, V., -straffen.
Lijfstraffelijk.
Lijfstuk, O., -stukken; -stukje, O., -jes.
Lijftocht, M.
Lijftochten, lijftochtte, heeft gelijftocht.
Lijftochtenaar, M., -tochtenaars.
Lijftochtenares, V., -tochtenaressen.
Lijfwacht (persoon), M., -wachten.
Lijfwacht (de gezamenlijke wachten), V., -wachten.
Lijk (touw). O., lijken.
Lijk (dood lichaam), O., lijken. Lijkje, O., -jes.
Lijkbaar, V., -baren.
Lijkbus, V. -bussen.
Lijkdienst, M., -diensten.
Lijken (gelijken), leek, leken, heeft geleken.
Lijken (scheepsw.), lijkte, heeft gelijkt.
Lijkenhuis, O., -huizen; -huisje, O., -jes.
Lijkenverbranding, V.
Lijkgaren, O.
Lijkklacht, V., -klachten.
Lijkkleed, O., -kleeden.
Lijkkleur, V.
Lijkkleurig.
Lijkkoets, V., -koetsen.
Lijklucht, V.
Lijknaald, V., -naalden.
Lijkopening, V.
Lijkplechtigheid, V., -plechtigheden.
Lijkrede, V. -redenen.
Lijkschouwing, V., -schouwingen.
Lijkstaatsie, V., -staatsies.
Lijkstoet, M.
Lijkwade en Lijkwa, V. -waden.
Lijkwagen, M., -wagens.
Lijm, V.
Lijmen, lijmde, heeft gelijmd.
Lijmer, M., lijmers.
Lijmerig, lijmeriger, lijmerigst.
Lijmerigheid, V.
Lijmerij, V., lijmerijen.
Lijmig, lijmiger, lijmigst.
Lijmigheid, V.
Lijmketel, M., -ketels.
Lijmkokerij, V., -kokerijen.
Lijmkwast, M., -kwasten.
Lijmpot, M., -potten.
Lijmstok, M., -stokken.
Lijmverband, O., -verbanden.
Lijn (touw), V., lijnen. Lijntje, O., -jes.
Lijn (streep), V., lijnen. Lijntje, O., -jes.
Lijnbaan, V., -banen.
Lijndraaier, M., -draaiers.
Lijnen, lijnde, heeft gelijnd.
Lijnkoek, M., -koeken.
Lijnmeel, O.
Lijnolie, V.
Lijnrecht.
Lijnslager, M., -slagers.
Lijnwaad, O., -waden.
Lijnzaad, O.
Lijs, M. en V., lijzen.
Lijst, V., lijsten. Lijstje, O., -jes.
Lijsten, lijstte, heeft gelijst.
Lijstenmaker, M., -makers.
Lijster, V., lijsters.
Lijsterbes, V., -bessen.
Lijsterboog, M., -bogen.
Lijstwerk, O.
Lijvig, lijviger, lijvigst.
Lijvigheid, V.
Lijwaarts.
Lijzeil, O., -zeilen en -zeils.
Lijzeilsra, V., -raas.
Lijzig, lijziger, lijzigst.
Lik, M., likken. Likje, O., -jes.
Likdoorn en Likdoren, M., -doorns en -dorens; -doorntje en -dorentje, O., -jes.
Likdoornsnijder, M., -snijders.
Likeur, V., likeuren. Likeurtje, O., -jes.
Likeurglas, O., -glazen; -glaasje, O., -jes.
Likeurstoker, M., -stokers.
Likhout, O., -houten.
Likkebaard, M., -baarden.
Likkebaarden, likkebaardde, heeft gelikkebaard.
Likkebroer, M., -broers.
Likken en Lekken, likte en lekte, heeft gelikt en gelekt.
Likken (gladmaken), likte, heeft gelikt.
Likkepot, M., -potten; -potje, O., -jes.
Liksteen, M., -steenen.
Likstok, M., -stokken.
Lil, O.
Lila, O.
Lillen, lilde, heeft gelild.
Lillig, lilliger, lilligst.
Lilliputter, M., lilliputters.
Limiet, V., limieten.
Limietpaal, M., -palen.
Limoen, M., limoenen. Limoentje, O., -jes.
Limoensap, O.
Limonade, V., limonaden en limonades.
Limonadeglas, O., -glazen.
Linde, V., linden.
Lindeblad, O., -bladen en -bladeren; -blaadje, O., -blaadjes en -bladertjes.
Lindebloesem, M.
Lindeboom, M., -boomen; -boompje, O., -jes.
Linden (bnw.).
Lindenhout, O.
Lindenlaan, V., -lanen.
Lineair.
Linguist, M., linguisten.
Linguistiek, V.
Liniaal, V. en O., linialen. Liniaaltje, O., -jes.
Linie, V., liniën en linies.
Linieeren, linieerde, heeft gelinieerd.
Linieerfabriek, V., -fabrieken.
Linieermachine, V., -machines.
Linieerpen, V., -pennen.
Linieschip, O., -schepen.
Linietroepen (mv.), M.
Link, V., linken.
Linkerarm, M., -armen.
Linkerbeen, O., -beenen.
Linkerhand, V., -handen.
Linkerkant, M.
Linkermouw, V., -mouwen.
Linkeroever, M.
Linkeroog, O., -oogen.
Linkeroor, O., -ooren.
Linkervleugel, M., -vleugels.
Linkervoet, M., -voeten.
Linkerzijde, V.
Links.
Linksaf.
Linksch, linkscher, meest linksch.
Linkschheid, V.
Linksom.
Linnen, O., linnens.
Linnen (bnw.).
Linnengoed, O.
Linnenjuffrouw, V., -juffrouwen.
Linnenkamer, V., -kamers.
Linnenkast, V., -kasten.
Linnenmeid, V., -meiden.
Linnennaaister, V., -naaisters.
Linnenpers, V., -persen.
Linnenwever, M., -wevers.
Lint, O., linten. Lintje, O., -jes.
Lintjesjager, M., -jagers.
Lintwinkel, M., -winkels.
Lintworm, M., -wormen.
Linze, V., linzen.
Linzeboom, M., -boomen; -boompje, O., -jes.
Linzenakker, M., -akkers.
Linzenmeel, O.
Linzensoep, V.
Lip, V., lippen. Lipje, O., -jes.
Lipbloemig.
Liplap, M., liplappen.
Lipletter, V., -letters.
Lippen, lipte, heeft gelipt.
Lippenpommade, V., -pommades.
Lippenzalf, V., -zalven; -zalfje, O., -jes.
Liquidatie, V., liquidatiën en liquidaties.
Liquideeren, liquideerde, heeft geliquideerd.
Lis en Lus, V., lissen en lussen. Lisje en lusje, O., -jes.
Lisch, O., lisschen.
Lischbloem, V., -bloemen.
Lispelen, lispelde, heeft gelispeld.
Lispen, lispte, heeft gelispt.
Lisper, M., lispers.
Lissen, liste, heeft gelist.
List, V., listen. Listje, O., -jes.
Listig, listiger, listigst.
Listigheid, V.
Listiglijk.
Litanie, V., litanieën.
Liter, M., liters.
Literarisch.
Literator, M., literatoren.
Literatuur, V., literaturen.
Literatuurgeschiedenis, V.
Literflesch, V., -flesschen.
Literglas, O., -glazen.
Lithograaf, M., lithografen.
Lithographeeren, lithographeerde, heeft gelithographeerd.
Lithographie, V., lithographieën.
Litteeken, O., -teekens en -teekenen. Litteekentje, O., -jes.
Liturgie, V., liturgieën.
Livrei, V., livreien.
Livreibediende, M., -bedienden.
Livreiknecht, M., -knechts.
Livreirok, M., -rokken.
Livret, O., livretten.
Lob, V., lobben. Lobbetje, O., -jes.
Lobberen, lobberde, heeft gelobberd.
Lobberig, lobberiger, lobberigst.
Lobbes, M., lobbesen.
Lobbig, lobbiger, lobbigst.
Loboor, M., -ooren.
Locaal (plaatselijk), locale.
Locaalspoorweg, M., -spoorwegen.
Locaaltrein, M., -treinen; -treintje, O., -jes.
Localiteit, V., localiteiten.
Locomobiel, V., locomobielen.
Locomotief, V., locomotieven.
Lodder, M., lodders.
Lodderen, lodderde, heeft gelodderd.
Lodderig, lodderiger, lodderigst.
Loeder, M., loeders.
Loef, V.
Loefbalk, M., -balken.
Loefboom, M., -boomen.
Loefgierig.
Loefhouder, M., -houders.
Loefwaarts.
Loefzijde, V.
Loeien, loeide, heeft geloeid.
Loensch.
Loep, V., loepen. Loepje, O., -jes.
Loer (lomperd), M., loeren.
Loer (het loeren), V.
Loeren, loerde, heeft geloerd.
Loeres, M., loeresen. Loeresje, O., -jes.
Loergat, O., -gaten.
Loeroogen, loeroogde, heeft geloeroogd.
Loerplaats, V., -plaatsen.
Loervogel, M., -vogels.
Loet, V., loeten.
Loeven, loefde, heeft en is geloefd.
Loevert en Loever (Te -).
Lof, M.
Lof, O. Zie Loof.
Lof (kerkwoord), O.
Lofdicht, O., -dichten.
Loffelijk, -lijker, -lijkst.
Lofgalm, M., -galmen.
Loflied, O., -liederen.
Lofpsalm, M., -psalmen.
Lofrede, V., -redenen.
Lofredenaar, M., -redenaars.
Lofspraak, V., -spraken.
Loftrompet, V., -trompetten.
Loftuiting, V., -tuitingen.
Lofwaardig, -waardiger, -waardigst, of meer en meest -waardig.
Lofwaardigheid, V.
Lofwerk, O.
Lofzang, M., -zangen.
Log, logger, logst.
Log, V., loggen.
Logarithme, V., logarithmen.
Logarithmentafel, V., -tafels.
Logboek, O., -boeken.
Loge, V., loges.
Logé, M. en V., logé's.
Logeabel.
Logeeren, logeerde, heeft gelogeerd.
Logeergast, M. en V., -gasten.
Logeerkamer, V., -kamers; -kamertje, O., -jes.
Logement, O., logementen. Logementje, O., -jes.
Logementhouder, M., -houders.
Logen, enz. Zie Leugen, enz.
Logenstraffen, logenstrafte, heeft gelogenstraft.
Loggen, logde, heeft gelogd.
Logger, M., loggers. Loggertje, O., -jes.
Loggerschip, O., -schepen.
Logglas, O., -glazen.
Logheid, V.
Logica, V.
Logies, O.
Logisch.
Loglijn, V., -lijnen.
Logplankje, O., -plankjes.
Lok, V., lokken. Lokje, O., -jes.
Lokaal (vertrek), O., lokalen. Lokaaltje, O., -jes.
Lokaalhuur, V.
Lokaas, O.
Lokbrood, O. Lokbroodje, O., -jes.
Lokduif, V., -duiven.
Lokeend, V., -eenden.
Loket, O., loketten. Loketje, O., -jes.
Loketkast, V., -kasten.
Lokfluitje, O., -jes.
Lokken, lokte, heeft gelokt.
Lokkig, lokkiger, lokkigst.
Lokmees, V., -meezen.
Lokspijs, V., -spijzen.
Lokvink, M., -vinken.
Lokvogel, M., -vogels.
Lol, V. Lolletje, O., -jes.
Lollen, lolde, heeft gelold.
Lollepot, M., -potten.
Loller, M., lollers.
Lombard en Lomberd. Zie Lommerd.
Lombarden en Lomberden. Zie Lommerden.
Lommer, O.
Lommerd (ook Lomberd en Lombard), M., lommerds.
Lommerdbriefje, O., -jes.
Lommerden (ook Lomberden en Lombarden), lommerde, heeft gelommerd.
Lommeren, lommerde, heeft gelommerd.
Lommerig, lommeriger, lommerigst.
Lomp, V., lompen. Lompje, O., -jes.
Lomp, lomper, lompst.
Lompenbak, M., -bakken.
Lompengaarder, M., -gaarders.
Lompenkoopman, M., -kooplieden.
Lompenkramer, M., -kramers.
Lompenmand, V., -manden.
Lompenpakhuis, O., -pakhuizen.
Lompenschuur, V., -schuren.
Lompenzak, M., -zakken.
Lompenzolder, M., -zolders.
Lomperd, M., lomperds. Lomperdje, O., -jes.
Lompheid, V., -heden.
Lompigheid, V., -heden.
Long, V., longen. Longetje, O., -jes.
Longengymnastiek, V.
Longontsteking, V., -ontstekingen.
Longtering, V.
Longziekte, V., -ziekten.
Lonk, M., lonken. Lonkje, O., -jes.
Lonken, lonkte, heeft gelonkt.
Lonker, M., lonkers.
Lont, V., lonten. Lontje, O., -jes.
Loochenaar, M., loochenaars en loochenaren.
Loochenen, loochende, heeft geloochend.
Loochening, V., loocheningen.
Lood (metaal), O.
Lood (gewicht), O., looden. Loodje, O., -jes.
Loodachtig, -achtiger, -achtigst.
Loodazijn, M.
Loodboom, M., -boomen.
Looden (bnw.).
Looden, loodde, heeft gelood.
Loodgieter, M., -gieters.
Loodgieterij, V., -gieterijen.
Loodglans, O.
Loodglit, O.
Loodhoudend.
Looding, V., loodingen.
Loodkleur, V.
Loodkleurig.
Loodkoliek, V.
Loodlijn, V., -lijnen; -lijntje, O., -jes.
Loodoxyde, O.
Loodrecht.
Loods (persoon), M., loodsen.
Loods (houten gebouw), V., loodsen. Loodsje, O., -jes.
Loodsen, loodste, heeft geloodst.
Loodsgeld, O., -gelden.
Loodskotter, M., -kotters.
Loodsmannetje, O., -mannetjes.
Loodsmansboot, V., -booten.
Loodsmanswater, O., -waters.
Loodsuiker, V.
Loodswezen, O.
Loodvergiftiging, V.
Loodwit, O.
Loodwitfabriek, V., -fabrieken.
Loodwitfabrikant, M., -fabrikanten.
Loodwitmolen, M., -molens.
Loodzwaar.
Loof en Lof, O.
Loofdak, O., -daken.
Loofhut, V., -hutten.
Loofhuttenfeest, O., -feesten.
Loofhuttenzetting, V.
Loofrijk, -rijker, -rijkst.
Loofwerk, O.
Loog, V.
Loogasch, V.
Loogbak, M., -bakken.
Loogdoek, M., -doeken.
Loogen, loogde, heeft geloogd.
Looging, V., loogingen.
Loogkuip, V., -kuipen.
Loogwater, O.
Loogzout, O., -zouten.
Looi, V.
Looien, looide, heeft gelooid.
Looier, M., looiers.
Looierij, V., looierijen.
Looierskalk, V.
Looiersmes, O., -messen.
Looikuip, V., -kuipen.
Looistof, V.
Looizuur, O.
Look, O.
Looksaus, V., -sausen.
Loom, loomer, loomst.
Loomheid, V.
Loomig, loomiger, loomigst.
Loomigheid, V.
Loon, O., loonen. Loontje, O.
Loondienaar, M., -dienaars.
Loonen, loonde, heeft geloond.
Loonkiezer, M., -kiezers.
Loonstandaard, M.
Loonsverhooging, V., -verhoogingen.
Loontrekkend.
Loontrekker, M., -trekkers.
Loop, M., loopen. Loopje, O., -jes.
Loopbaan, V., -banen.
Loopbrug, V., -bruggen.
Loopen, liep, heeft en is geloopen.
Looper, M., loopers. Loopertje, O., -jes.
Loopgraaf, V., -graven.
Loopjongen, M., -jongens.
Loopkraan, V., -kranen.
Loopmeisje, O., -jes.
Loopplaats, V., -plaatsen.
Loopplank, V., -planken.
Loopsch.
Loopschheid, V.
Loopstag, O., -stagen.
Loopstrijd, M., -strijden.
Loopveld, O., -velden.
Loopwagen, M., -wagens.
Loos (touw), V., loozen.
Loos (listig), loozer, loost.
Loos (ledig), looze.
Loosheid, V., -heden.
Loospijp, V., -pijpen.
Loot, V., loten. Lootje, O., -jes.
Loover, O.
Loovertje (blaadje klatergoud, enz.), O., -jes.
Loozen, loosde, heeft geloosd.
Loozing, V., loozingen. Loozinkje, O., -jes.
Lor, V., lorren. Lorretje, O., -jes.
Lord, M., lords.
Lording, V., lordings.
Lorgneeren, lorgneerde, heeft gelorgneerd.
Lorgnet, O., lorgnetten. Lorgnetje, O., -jes.
Lorgnon, O., lorgnons.
Lorkeboom, M., -boomen.
Lorren, lorde, heeft gelord.
Lorrendraaien, lorrendraaide, heeft gelorrendraaid.
Lorrendraaier, M., -draaiers.
Lorrendraaierij, V., -draaierijen.
Lorretje (papegaai), O., -jes.
Lorrewerk, O.
Lorrie, V., lorries.
Lorrig, lorriger, lorrigst.
Los (lynx), M., lossen.
Los, losser.
Losbaar, -bare.
Losbak, M., -bakken.
Losbandig, -bandiger, -bandigst.
Losbandigheid, V., -heden.
Losbarsten en Losbersten, barstte los, is losgebarsten; ook borst los, is losgeborsten.
Losbarsting, V., -barstingen.
Losbersten. Zie Losbarsten.
Losbinden, bond los, heeft losgebonden.
Losblijven, bleef los, bleven los, is losgebleven.
Losbol, M., -bollen; -bolletje, O., -jes.
Losbranden, brandde los, heeft en is losgebrand.
Losbreken, brak los, braken los, heeft en is losgebroken.
Losceel, V., -ceelen.
Losdag, M., -dagen.
Losdooien, dooide los, is losgedooid.
Losdraaien, draaide los, heeft losgedraaid.
Losdrukken, drukte los, heeft losgedrukt.
Losgaan, gaat los, ging los, is losgegaan.
Losgeld, O., -gelden.
Losgespen, gespte los, heeft losgegespt.
Losgooien, gooide los, heeft losgegooid.
Losgraven, groef los, groeven los, heeft losgegraven.
Losgrendelen, grendelde los, heeft losgegrendeld.
Loshaken, haakte los, heeft losgehaakt.
Loshakken, hakte los, heeft losgehakt.
Loshangen, hing los, heeft losgehangen.
Losheid, V., -heden.
Loshoofd, M. en V., -hoofden.
Loshoofdig, -hoofdiger, -hoofdigst.
Losjes.
Loskade, V., -kaden.
Losknippen, knipte los, heeft losgeknipt.
Losknoopen, knoopte los, heeft losgeknoopt.
Loskomen, komt los, kwam los, kwamen los, is losgekomen.
Loskoopen, kocht los, heeft losgekocht.
Loskrijgen, kreeg los, kregen los, heeft losgekregen.
Loslaten, liet los, heeft losgelaten.
Loslating, V.
Loslijvig, -lijviger, -lijvigst.
Loslijvigheid, V.
Losloopen, liep los, heeft en is losgeloopen.
Losmaken, maakte los, heeft losgemaakt.
Losplaats, V., -plaatsen.
Losprijs, M., -prijzen.
Losraken, raakte los, is losgeraakt.
Losrente, V., -renten.
Losrijgen, reeg los, regen los, heeft losgeregen.
Losrukken, rukte los, heeft losgerukt.
Losscheuren, scheurde los, heeft en is losgescheurd.
Losschieten, schoot los, schoten los, is losgeschoten.
Losschroeven, schroefde los, heeft losgeschroefd.
Lossen, loste, heeft gelost.
Losser, M., lossers.
Lossigheid, V., -heden.
Lossing, V., lossingen.
Losslaan, slaat los, sloeg los, heeft en is losgeslagen.
Lossmijten, smeet los, smeten los, heeft losgesmeten.
Lossnijden, sneed los, sneden los, heeft losgesneden.
Losspelden, speldde los, heeft losgespeld.
Losspil, O., -spillen.
Losspringen, sprong los, is losgesprongen.
Losstaan, staat los, stond los, heeft losgestaan.
Losstrikken, strikte los, heeft losgestrikt.
Lostarnen, tarnde los, heeft losgetarnd.
Lostornen. Zie Lostarnen.
Lostrekken, trok los, trokken los, heeft losgetrokken.
Losvliegen, vloog los, vlogen los, is losgevlogen.
Loswaaien, waaide los, is losgewaaid; ook woei los, woeien los.
Losweeken, weekte los, heeft en is losgeweekt.
Loswringen, wrong los, heeft losgewrongen.
Loswroeten, wroette los, heeft losgewroet.
Loszagen, zaagde los, heeft losgezaagd.
Loszinnig, -zinniger, -zinnigst.
Loszinnigheid, V., -heden.
Loszitten, zat los, zaten los, heeft losgezeten.
Lot (in de loterij). O., loten. Lotje en lootje, O., lootjes.
Lot (levenstoestand), O.
Lot (scheut), O., loten. Lootje, O., -jes.
Lotbus, V., -bussen.
Loteling, M., lotelingen.
Loten, lootte, heeft geloot.
Loterij, V., loterijen. Loterijtje, O., -jes.
Loterijbriefje, O., -briefjes.
Loterijjood, M., -joden.
Loterijkantoor, O., -kantoren.
Loterijlijst, V., -lijsten.
Loterijzaal, V.
Lotgemeen.
Lotgenoot, M., -genooten.
Lotgenoote, V., -genooten.
Lotgeval, O., -gevallen.
Loting, V., lotingen.
Lotsbedeeling, V., -bedeelingen.
Lotsbestel, O.
Lotsverbetering, V.
Lotsverwisseling, V., -verwisselingen.
Lotto, O., lotto's.
Lottospel, O.
Lotus, M., lotussen.
Lotusbloem, V., -bloemen.
Loupe (vergrootglas), V., loupen.
Louter, louterder, louterst.
Louteraar, M, louteraars.
Louteren, louterde, heeft gelouterd
Louterheid, V.
Loutering, V., louteringen.
Louterpan, V., -pannen.
Louterstal, M.
Loutertrog, M., -troggen.
Louw, V., louwen. Louwtje, O., -jes.
Louwmaand, V.
Loven, loofde, heeft geloofd.
Loyaal, loyaler, loyaalst.
Loyaliteit, V.
Lub en Lubbe, V., lubben.
Lubben, lubde, heeft gelubd.
Lubbing, V., lubbingen.
Lubmes, O., -messen.
Lucht, V., luchten. Luchtje, O., -jes.
Luchtbal, M., -ballen.
Luchtballon, M., -ballons.
Luchtband, M., -banden.
Luchtbel, V., -bellen.
Luchtbol, M., -bollen.
Luchtdicht.
Luchtdruk, M.
Luchten, luchtte, heeft gelucht.
Luchter, M., luchters.
Luchtgat, O., -gaten; -gaatje, O., -jes.
Luchthart, M. en V., -harten.
Luchthartig, -hartiger, -hartigst.
Luchthartigheid, V.
Luchtig, luchtiger, luchtigst.
Luchtigheid, V.
Luchtigjes.
Luchtkasteel, O., -kasteelen.
Luchtkolom, V., -kolommen.
Luchtkuur, V., -kuren.
Luchtledig.
Luchtledig, O.
Luchtpijp, V., -pijpen.
Luchtpomp, V., -pompen.
Luchtreis, V., -reizen.
Luchtreiziger, M., -reizigers.
Luchtruim, O.
Luchtschipper, M., -schippers.
Luchtsgesteldheid, V.
Luchtsoort, V., -soorten.
Luchtspiegeling, V., -spiegelingen.
Luchtstreek, V., -streken.
Luchtverschijnsel, O., -verschijnselen.
Luchtverversching, V.
Lucifer, M., lucifers. Lucifertje, O., -jes.
Lucifersdoosje, O., -jes.
Lucifersfabriek, V., -fabrieken.
Luciferskop, M., -koppen.
Lucratief, lucratiever, lucratiefst.
Lui (lieden), mv., M. Luitjes, mv., O.
Lui, luier, luist.
Luiaard, M., luiaards.
Luibak, M. en V., -bakken.
Luibakken, luibakte, heeft geluibakt.
Luibuis, M., -buizen.
Luibuizen, luibuisde, heeft geluibuisd.
Luid (Naar - van).
Luid, luider, luidst.
Luiden (ook Luien), luidde en luide, heeft geluid.
Luider (ook Luier), M., luiders en luiers.
Luidkeels.
Luidruchtig, -ruchtiger, -ruchtigst.
Luidruchtigheid, V.
Luien, enz. Zie Luiden, enz.
Luier, V., luiers. Luiertje, O., -jes.
Luieren, luierde, heeft geluierd.
Luiermand, V., -manden.
Luifel, V., luifels. Luifeltje, O., -jes.
Luiheid, V.
Luik, O., luiken. Luikje, O., -jes.
Luiken, look, loken, heeft geloken.
Luikerwaal, M., -walen.
Luilak, M. en V., luilakken.
Luilakken, luilakte, heeft geluilakt.
Luilekkerland, O.
Luim, V., luimen. Luimpje, O., -jes.
Luimen, luimde, heeft geluimd.
Luimig, luimiger, luimigst.
Luimigheid, V.
Luip, M., luipen.
Luipaard, M., luipaarden. Luipaardje, O., -jes.
Luipen, luipte, heeft geluipt.
Luiperd, M., luiperds.
Luis, V., luizen. Luisje, O., -jes.
Luishark (persoon), M., -harken.
Luister, M.
Luisteraar, M., luisteraars.
Luisteraarster, V., luisteraarsters.
Luisteren, luisterde, heeft geluisterd.
Luisterrijk, -rijker, -rijkst.
Luistervink, M. en V., -vinken.
Luit, V., luiten.
Luitenant, M., luitenants. Luitenantje, O., -jes.
Luitenant-adjudant, M., luitenants-adjudanten.
Luitenant-admiraal, M., luitenant-admiraals.
Luitenant-generaal, M., luitenant-generaals.
Luitenant-ingenieur, M., luitenants-ingenieurs.
Luitenant-kolonel, M., luitenant-kolonels.
Luitenantstraktement, O., -traktementen; -traktementje, O., -jes.
Luiwagen, M., -wagens.
Luiwammes, M., -wammesen.
Luiwijvengoed, O.
Luizen, luisde, heeft geluisd.
Luizenmarkt, V., -markten.
Luizenzalf, V.
Luizig, luiziger, luizigst.
Luk, O. Lukje, O., -jes.
Lukken, lukte, is gelukt.
Lukraak.
Lul (stagzeil), M., lullen.
Lul (pijp), V., lullen. Lulletje, O., -jes.
Lullen, lulde, heeft geluld.
Lullepijp, V., -pijpen.
Lumieren, O.
Lumineus, lumineuzer.
Lumme, V., lummen.
Lummel, M., lummels.
Lummelachtig, -achtiger, -achtigst.
Lummelachtigheid, V.
Lummelen, lummelde, heeft gelummeld.
Lummelig, lummeliger, lummeligst.
Lummerharst, M., -harsten.
Lummerstuk, O., -stukken.
Lunderen, lunderde, heeft gelunderd.
Lunet, V., lunetten.
Luns, V., lunzen. Lunsje, O., -jes.
Lunteren, lunterde, heeft gelunterd.
Lunzen, lunsde, heeft gelunsd.
Lurf, V., lurven.
Lurken, lurkte, heeft gelurkt.
Lus. Zie Lis.
Lust, M., lusten. Lustje, O., -jes.
Lusteloos, -loozer.
Lusteloosheid, V.
Lusten, lustte, heeft gelust.
Lusthof, M., -hoven.
Lustig, lustiger, lustigst.
Lustigheid, V.
Lustoord, O., -oorden.
Lustprieel, O., -prieelen.
Lustre, O.
Lustrum, O., lustra.
Lustrumfeest, O., -feesten.
Lustwarande, V., -waranden.
Lutheraan, M., Lutheranen.
Luthersch.
Lutje, O.
Luttel (bijw.).
Luttel, O.
Luur, V., luren. Luurtje, O., -jes.
Luw, luwer, luwst.
Luwen, luwde, heeft en is geluwd.
Luwte, V., luwten.
Luxe, V.
Luxe-artikel, O., -artikelen.
Luxe-trein, M.
Luxueus, luxueuze.
Lyceum, O., lycea.
Lynx, M., lynxen.
Lyriek, V.
Lyrisch.
Lyrisme, O.
M
M, V., m's.
Ma. Zie Mama.
Maag (bloedverwant), M. en V., magen.
Maag (lichaamsdeel), V., magen. Maagje, O., -jes.
Maagbitter, O.
Maagd, V., maagden.
Maagdelijk.
Maagdelijkheid, V.
Maagdelijn, O., maagdelijns.
Maagdenblos, M.
Maagdenhart, O., -harten.
Maagdenpalm, V., -palmen.
Maagdenpeer, V., -peren.
Maagdenrei, M., -reien.
Maagdenroof, M.
Maagdenschennis, V.
Maagdenwas, O.
Maagdevlies, O., -vliezen.
Maagdom, M.
Maagkanker, M.
Maagkramp, V., -krampen.
Maagkwaal, V., -kwalen.
Maagpijn, V., -pijnen.
Maagpomp, V., -pompen.
Maagsap, O.
Maagschap (magen), V.; (vermaagschapping), O.
Maagstreek, V.
Maaien, maaide, heeft gemaaid.
Maaier, M., maaiers.
Maaigeld, O.
Maaiing, V., maaiingen.
Maailand, O.
Maailoon, O., -loonen.
Maaitijd, M.
Maaiveld, O., -velden.
Maaivoet, M. en V., -voeten.
Maaivoeten, maaivoette, heeft gemaaivoet.
Maaiweder en -weer, O.
Maak, V. (In de maak).
Maakloon, O., -loonen.
Maaksel, O. Maakseltje, O., -jes.
Maakster, V., maaksters.
Maal (keer), V., malen.
Maal (kofferzak), V., malen.
Maal (maaltijd), O., malen. Maaltje, O., -jes.
Maalfeest, O., -feesten.
Maalgeld, O.
Maalloon, O., -loonen.
Maalsteen, M., -steenen.
Maalstok, M., -stokken.
Maalstroom, M., -stroomen.
Maaltand, M., -tanden.
Maaltijd (maal), M., -tijden.
Maaltijd (eener suikerfabriek), M.
Maalzolder, M., -zolders.
Maan (hemellichaam), V., manen. Maantje, O., -jes.
Maanbewoner, M., -bewoners.
Maanbrief, M., -brieven.
Maand, V., maanden. Maandje, O., -jes.
Maandag, M., -dagen.
Maandaghouder, M., -houders.
Maandagsch.
Maandblad, O., -bladen.
Maandbloeiers (mv.), M.
Maandelijks (bijw.).
Maandelijksch (bnw.).
Maandgeld, O., -gelden.
Maandkaart, V., -kaarten.
Maandkamer, V., -kamers.
Maandpaard, O., -paarden.
Maandroos, V., -rozen.
Maandschrift, O., -schriften.
Maandstaat, M., -staten.
Maandstond, M., -stonden.
Maaneclips, V., -eclipsen.
Maanjaar, O., -jaren.
Maankop (kop of zaadhuisje), M.; (de plant), V., -koppen; (slaapmiddel), O.
Maanlicht, O.
Maansverduistering, V., -verduisteringen.
Maanziek, -zieker, -ziekst.
Maanziekte, V.
Maar.
Maar. Zie Mare.
Maarschalk, M., -schalken.
Maarschalksstaf, M., -staven.
Maarschalkstafel, V., -tafels.
Maart, M.
Maartsch.
Maas (rivier), V.
Maas (van een net), V., mazen. Maasje, O., -jes.
Maasbal, M., -ballen.
Maasmand, V.; -mandje, O.
Maat (makker), M., maats. Maatje, O., -jes.
Maat (van meten), V., maten. Maatje, O., -jes.
Maatflesch, V., -flesschen.
Maatgevoel, O.
Maatglas, O., -glazen; -glaasje, O., -jes.
Maathouden, O.
Maatjesharing, V.
Maatjespeer, V., -peren.
Maatregel, M., -regelen en -regels.
Maatschap, V., -schappen.
Maatschappelijk.
Maatschappij, V., maatschappijen.
Maatstaf, M., -staven.
Maatstok, M., -stokken.
Maatstreep, V., -strepen.
Maatvast, -vaster.
Maatverdeeling, V., -verdeelingen.
Macadamweg, M., -wegen.
Macaroni, V.
Macaroni-schoteltje, O., -schoteltjes.
Macchiavellisme, O.
Macedoine, V., macedoines.
Machinaal, machinale.
Machine, V., machines.
Machinekamer, V., -kamers.
Machinekamer-behoeften (mv.), V.
Machine-olie, V.
Machinerie, V., machinerieën.
Machinist, M., machinisten.
Machinistenschool, V., -scholen.
Macht, V., machten.
Machteloos, -loozer.
Machteloosheid, V.
Machthebbende, M. en V., -hebbenden.
Machthebber, M., -hebbers.
Machtig, machtiger, machtigst.
Machtigen, machtigde, heeft gemachtigd.
Machtiging, V., machtigingen.
Machtsaanwijzer, M., -aanwijzers.
Machtsbetoon, O.
Machtsoefening, V., -oefeningen.
Machtsontwikkeling, V.
Machtspreuk, V., -spreuken.
Machtsverheffing, V., -verheffingen.
Machtsvertoon, O.
Mad, O.
Made, V., maden.
Madelief, V., madelieven. Madeliefje, O., -jes.
Madera, V.
Maderakaraf, V., -karaffen.
Madonna, V., madonna's.
Madonnabeeld, O., -beelden.
Madrigaal, O., madrigalen.
Maecenas, M., Maecenaten.
Maestro, M., maestro's.
Maf, maffer, mafst.
Maf (geldstuk), M., maffen. Mafje, O., -jes.
Mafheid, V.
Magazijn, O., magazijnen. Magazijntje, O., -jes.
Magazijngeweer, O., -geweren.
Magazijnhouder, M., -houders.
Magazijnmeester, M., -meesters.
Magazijnvuur, O.
Mager, magerder, magerst.
Mageren, magerde, is gemagerd.
Magerheid, V.
Magerte, V.
Magertjes.
Magisch.
Magistraat, M., magistraten.
Magistraatspersoon, M., -personen.
Magistratuur, V.
Magnaat, M., magnaten.
Magneet, M., magneten.
Magneetkracht, V.
Magneetnaald, V., -naalden.
Magnesia, V.
Magnesium, O.
Magnesiumlicht, O.
Magnetisch.
Magnetiseeren, magnetiseerde, heeft gemagnetiseerd.
Magnetiseur, M., magnetiseurs.
Magnetisme, O.
Magyaar, M., Magyaren.
Mahomedaan, M., Mahomedanen.
Mahomedaansch.
Mahoniehout, O.
Mahoniehouten (bnw.).
Mail, V., mails.
Mailboot, V., -booten.
Mailbrief, M., -brieven.
Mailcourant, V., -couranten.
Mail-editie, V., -edities.
Mailpapier, O.
Mailsluiting, V.
Mainteneeren, mainteneerde, heeft gemainteneerd. Zie ook Mentineeren.
Maïs, V.
Maïsoogst, M.
Majesteit, V., majesteiten.
Majesteitsschennis, V.
Majestueus, -euze.
Majolica, O.
Majoor, M., majoors.
Majoor-ingenieur, M., majoors-ingenieurs.
Majoraat, O., majoraten.
Mak, makker, makst.
Makelaar (persoon en zaak), M., makelaars en makelaren. Makelaartje, O., -jes.
Makelaardij, V.
Makelaarschap, O.
Makelaarsloon, O.
Makelaarsprovisie, V.
Makelarij, V., makelarijen.
Makelen, makelde, heeft gemakeld.
Makelij, V.
Maken, maakte, heeft gemaakt.
Maker, M., makers.
Makheid, V.
Making, V., makingen.
Makkelijk, -lijker, -lijkst.
Makker, M., makkers. Makkertje, O., -jes.
Makreel, M., makreelen. Makreeltje, O., -jes.
Makrol, V., makrollen. Makrolletje, O., -jes.
Mal (vorm), M., mallen. Malletje, O., -jes.
Mal, maller, malst.
Malachiet, O.
Malaria, V.
Malaria-bacil, M., -bacillen.
Malaria-mug, V., -muggen.
Malder en Maller (werkman), M., malders en mallers.
Malder (maat), O., malders.
Maleier, M., Maleiers.
Maleisch.
Maleisch, O.
Malen (fijnmaken), maalde, heeft gemalen.
Malen (schilderen), maalde, heeft gemaald.
Malen (lastig zijn), maalde, heeft gemaald.
Maler, M., malers.
Malerij, V., malerijen.
Malheid, V., -heden.
Malicieus, malicieuzer.
Malie (ring en nestel), V., maliën en malies.
Malie (kolf), V., maliën en malies.
Maliebaan, V., -banen.
Maliën, maliede, heeft gemalied.
Maliënkolder, M., -kolders.
Malieveld, O., -velden.
Maling, V.
Malkaar (afbreken malk-aar).
Malkander, (afbreken malk-ander).
Malkruid, O.
Mallejan, M., -jans.
Mallemolen, M., -molens.
Mallen, malde, heeft gemald.
Mallepraat, M.
Malligheid, V., -heden.
Malloot (vrouwmensch), V., malloten.
Mallote (steenklaver), V.
Malsch, malscher, malscht.
Malschheid, V., -heden.
Malteezer, M., Malteezers.
Maltentig, maltentiger, maltentigst.
Maltentigheid, V.
Malthusianisme, O.
Maluwe, V.
Malve, V., malven.
Malversatie, V., malversatiën.
Malvezij, V.
Malzolder, M., -zolders.
Mam, V., mammen. Mammetje, O., -jes.
Mama en Ma, V., mama's en ma's. Mamaatje en maatje, O., -jes.
Mamiering, V., mamieringen en mamierings.
Mammekenskruid, O.
Mammeluk, M., Mammelukken.
Mammen, mamde, heeft gemamd.
Mammon, M.
Man, M., mannen en mans. Mannetje, O., -jes; ook manneken en manneke, O., mannekens en mannekes.
Manachtig, -achtiger, -achtigst.
Manbaar, -bare.
Manbaarheid, V.
Manchet, V., manchetten. Manchetje, O., -jes.
Manchetknoop, M., -knoopen; -knoopje, O., -jes.
Manco, O.
Mand, V., manden. Mandje, O., -jes.
Mandaat, O., mandaten.
Mandarijn, M., mandarijnen.
Mandarijntje, O., mandarijntjes.
Mandataris, M., mandatarissen.
Mandement, O., mandementen.
Manden, mandde, heeft gemand.
Mandenmaken, O.
Mandenmaker, M., -makers.
Mandenwinkel, M., -winkels.
Mandewagen, M., -wagens; -wagentje, O., -jes.
Mandewerk, O.
Mandewerker, M., -werkers.
Mandjeskoop, M., -koopen.
Mandoline, V., mandolines.
Mandragora, V.
Mandril, M., mandrils.
Mandvol, V. (mv. manden vol).
Manege, V., maneges.
Manegepaard, O., -paarden.
Manen (haren), mv., V.
Manen, maande, heeft gemaand.
Maner, M., maners.
Maneschijn, M., -schijntje, O.
Mangaan, O.
Mangat en Mannegat, O., -gaten.
Mangel (werktuig), M., mangels. Mangeltje, O., -jes.
Mangel (gebrek), O.
Mangelbord, O., -borden.
Mangelen (gladmaken), mangelde, heeft gemangeld.
Mangelen (ontbreken), mangelde, heeft gemangeld.
Mangelgeld, O.
Mangelgoed, O.
Mangelkamer, V., -kamers.
Mangelrol, V., -rollen.
Mangelvrouw, V., -vrouwen.
Mangelwortel, M., -wortels.
Manhaftig, -haftiger, -haftigst.
Manhaftigheid, V.
Manheid, V.
Manier, V., manieren.
Manifest, O., manifesten.
Manifestatie, V., manifestaties en manifestatiën.
Manilla, V., manilla's.
Manilla-sigaar, V., -sigaren.
Manille, V., manilles.
Maning, V., maningen.
Mank, manker, mankst.
Mankeeren, mankeerde, heeft gemankeerd.
Mankement, O., mankementen. Mankementje, O., -jes.
Mankheid, V.
Mankpoot, M. en V., -pooten.
Manlief.
Manlijk en Mannelijk, -lijker, -lijkst.
Manlijkheid, V.
Manmoedig, -moediger, -moedigst.
Manmoedigheid, V.
Manna, O.
Mannen, mande, heeft gemand.
Mannenhuis, O., -huizen.
Mannenklooster, O., -kloosters.
Mannenkoor, O., -koren.
Mannenkracht, V.
Mannenmoed, M.
Mannenstem, V., -stemmen.
Mannentaal, V.
Mannenzaal, V., -zalen.
Mannenzangvereeniging, V., -vereenigingen.
Mannetjes. De diernamen, met mannetjes verbonden, als samenstellingen aaneen te schrijven, b. v. mannetjeseend, mannetjesvink enz.
Mannetjesboon, V., -boonen.
Mannetjesnoot, V., -noten.
Mannin, V., manninnen.
Manoeuvre, V., manoeuvres.
Manoeuvreeren, manoeuvreerde, heeft gemanoeuvreerd.
Manometer, M., -meters.
Mans (Mans genoeg).
Mansbloed, O.
Manschap (bemanning), V.
Manschappen (mv.), V.
Manshemd, O., -hemden.
Manshoed, M., -hoeden.
Manshoofd, O.
Manshoogte, V.
Manskerel, M., -kerels.
Manskleed, O., -kleederen en -kleeren.
Manskleermaker, M., -kleermakers.
Manslaars, V., -laarzen.
Manslag, M., -slagen.
Manslengte, V.
Mansmoeder, V.
Mansnaam, M., -namen.
Manspersoon, O., -personen.
Mantel (kleedingstuk), M., mantels. Manteltje, O., -jes.
Mantel (takel), M., mantels.
Mantelen, mantelde, heeft gemanteld.
Manteling, V., mantelingen.
Manteljas, V., -jassen.
Mantelmagazijn, O., -magazijnen.
Mantelstof, V., -stoffen.
Mantelzak, M., -zakken.
Mantille, V., mantilles.
Manuaal, O., manualen.
Manufacturen (mv.), V.
Manufacturier, M., manufacturiers.
Manufactuurwinkel, M., -winkels.
Manuscript, O., manuscripten.
Manvolk, O.
Manwijf, O., -wijven.
Manziek, -zieker, -ziekst.
Maraskijn, M. Maraskijntje, O.
Marcheeren, marcheerde, heeft en is gemarcheerd.
Marconist, M., marconisten.
Mare en Maar (tijding), V., maren.
Marechaussee (politie), V.; (persoon), M., marechaussees. In de eerste bet. ook Maréchaussée.
Margarine, V.
Margarineboter, V.
Mariabeeld, O., -beelden.
Maria-Boodschap, V.
Mariadag, M., -dagen.
Mariadienst, M.
Maria-Geboorte, V.
Marialied, O., -liederen.
Mariavereering, V.
Marine, V.
Marineblauw, O.
Marineeren, marineerde, heeft gemarineerd.
Marine-officier, M., -officieren.
Marinewerf, V., -werven.
Marinier, M., mariniers.
Mariniersbak, M.
Marinierskazerne, V., -kazernes.
Mariolein en Marjolein, V.
Marionet, V., marionetten.
Marionettenspel, O., -spellen.
Maritiem, maritieme.
Mark (landstreek), V., marken.
Mark (geldstuk), V., marken.
Mark (gewicht), O., marken.
Markegrond, M., -gronden. Ook Markgrond.
Marketentster, V., marketentsters. Marketentstertje, O., -jes.
Marketentstersvaatje, O., -jes.
Markeur, M., markeurs.
Markgenoot, M., -genooten.
Markgraaf, M., -graven.
Markgravin, V., -gravinnen.
Markies, M., markiezen.
Markiezaat. O., -aten.
Markiezin, V., markiezinnen.
Markje, O., -jes.
Markt, V., markten.
Marktbericht, O., -berichten.
Marktdag, M., -dagen.
Markten, marktte, heeft gemarkt.
Marktganger, M., -gangers.
Marktgangster, V., -gangsters.
Marktgeld, O.
Marktmeester, M., -meesters.
Marktplaats, V., -plaatsen.
Marktplein, O., -pleinen.
Marktpolitie, V.
Marktprijs, M., -prijzen.
Marktrecht, O., -rechten.
Marktschip, O., -schepen.
Marktvlek, O., -vlekken.
Marktwaar, V., -waren.
Marlen, marlde, heeft gemarld.
Marlijn, V., marlijnen.
Marling, V., marlingen.
Marlpriem, M., -priemen.
Marlreep, M., -reepen.
Marltouw, O.
Marmel, M., marmels.
Marmelade, V., marmeladen en marmelades.
Marmeladepotje, O., -potjes.
Marmelen, marmelde, heeft gemarmeld.
Marmer, O., marmers.
Marmeren (bnw.).
Marmeren, marmerde, heeft gemarmerd.
Marmergroeve, V., -groeven.
Marmerkleur, V.
Marmerzaag, V., -zagen.
Marmot, V., marmotten. Marmotje, O., -jes.
Marmottenhok, O., -hokken.
Marmottevel, O., -vellen.
Marokijn, O.
Marokijnen (bnw.).
Marren, marde, heeft gemard.
Mars, V., marsen. Marsje, O., -jes.
Marsch (tusschenw.).
Marsch, M., marschen.
Marschroute, V.
Marschtenue, V.
Marschvaardig.
Marsepein, V. en O., marsepeinen. Marsepeintje, O., -jes.
Marsepeinen (bnw.).
Marsiliaan (vaartuig), M., marsilianen.
Marskramer, M., -kramers.
Marslantaarn, V., -lantaarns.
Marszeil, O., -zeilen en -zeils.
Martelaar, M., martelaren en martelaars. Martelaartje, O., -jes.
Martelaarsboek, O., -boeken.
Martelaarschap, O.
Martelaarskroon, V., -kronen.
Martelares, V., martelaressen.
Marteldood, M.
Martelen, martelde, heeft gemarteld.
Marteling, V., martelingen.
Martelkroon, V., -kronen.
Marteltuig, O., -tuigen.
Marter (dier), M., marters; (bont), O. Martertje, O., -jes.
Martiaal, martialer, martiaalst.
Maskeeren (verbergen), maskeerde, heeft gemaskeerd.
Masker, O., maskers. Maskertje, O., -jes.
Maskerade, V., maskeraden.
Maskeradefeest, O., -feesten.
Maskeradepak, O., -pakken.
Maskeren (vermommen), maskerde, heeft gemaskerd.
Massa, V., massa's.
Massaal, massale.
Massage, V.
Masseeren, masseerde, heeft gemasseerd.
Masseur, M., masseurs.
Masseuse, V., masseuses.
Massief, massiever, massiefst.
Mast, M., masten. Mastje, O., -jes.
Mastboom, M., -boomen.
Mastbosch, O., -bosschen.
Masteluin, O. of M., masteluinen. Masteluintje, O., -jes.
Masteluinen (bnw.).
Masten, mastte, heeft gemast.
Mastenmaker, M., -makers.
Mastenmakerij, V., -makerijen.
Mastik, M.
Mastklimmen, O.
Mastkoker, M., -kokers.
Mat (geldstuk), M., matten.
Mat (vlechtwerk), V., matten. Matje, O., -jes.
Mat (landmaat), O. Zie Mad.
Mat, matter, matst.
Matador, M., matadors.
Mateloos, -looze.
Materiaal, O., materialen.
Materialisme, O.
Materialist, M., materialisten.
Materie, V., materiën en materies.
Materieel, materieeler, materieelst.
Matglas, O.
Matglazen (bnw.).
Matheid, V.
Mathematicus, M., mathematici.
Mathematisch.
Mathesis, V.
Matig, matiger, matigst.
Matigen, matigde, heeft gematigd.
Matigheid, V.
Matigheidsgenootschap, O., -genootschappen.
Matiging, V.
Matinée, V., matinée's.
Matras, V., matrassen. Matrasje, O., -jes.
Matrassenmaker, M., -makers.
Matres,V., matressen. Matresje, O., -jes.
Matresseschool, V., -scholen.
Matriarchaat, O.
Matrijs, V., matrijzen.
Matrone, V., matronen en matrones.
Matroos, M., matrozen. Matroosje, O., -jes.
Matrozenbak, M., -bakken.
Matrozenherberg, V., -herbergen.
Matrozenhoed, M., -hoeden.
Matrozenkist, V., -kisten.
Matrozenkraag, M.
Matrozenkroeg, V., -kroegen.
Matrozenlied, O., -liederen.
Matrozenpak, O., -pakken; -pakje, O., -jes.
Matrozenplunje, V.
Matschudding, V.
Matsen, matste, heeft gematst.
Mattekeesje, O., -keesjes.
Matten (stoelen matten), matte, heeft gemat.
Mattenbies, V., -biezen.
Mattenmaken, O.
Mattenmaker, M., -makers.
Mattenvlechter, M., -vlechters.
Matter, M., matters.
Mausoleum, O., mausolea.
Mauwen, mauwde, heeft gemauwd.
Maximaal, maximale.
Maximum, O.
Maximum-thermometer, M., -thermometers.
Mazelen (mv.), V.
Mazelen, mazelde, heeft gemazeld.
Mazen, maasde, heeft gemaasd.
Mazurka, V., mazurka's.
Mechanica, V.
Mechaniek, V. en O.
Mechanisch.
Mechanisme, O.
Medaille, V., medailles.
Medaillon, O., medaillons. Medaillonnetje, O., -jes.
Mede en Mee (drank), V.
Mede en Mee (meekrap), V.
Mede en Mee, bijw. (Zoo ook in de meeste samenstellingen).
Medeafgevaardigde, M. en V., -afgevaardigden.
Medearbeiden, arbeidde mede, heeft medegearbeid.
Medearbeider, M., -arbeiders.
Medebestuurder, M., -bestuurders.
Medebewoner, M., -bewoners.
Medebrengen, bracht mede, heeft medegebracht.
Medebroeder, M., -broeders.
Medeburger, M., -burgers.
Medeburgerschap, O.
Medechristen, M., -christenen.
Medecommissaris, M., -commissarissen.
Medecrediteur, M., -crediteuren.
Mededansen, danste mede, heeft medegedanst.
Mededeelbaar, -bare.
Mededeelen, deelde mede, heeft medegedeeld.
Mededeeling, V., -deelingen.
Mededeelzaam, -zamer, -zaamst.
Mededeelzaamheid, V.
Mededingen, dong mede, heeft medegedongen.
Mededinger, M., -dingers.
Mededoen, deed mede, deden mede, heeft medegedaan.
Mededoogen, O.
Mededoogend. Zie Meedoogend.
Mededoogendheid, V. Zie Meedoogendheid.
Mededoogenloos. Zie Meedoogenloos.
Medeëigenaar, M., -ëigenaars en -ëigenaren.
Medeëigenares, V., -ëigenaressen.
Medeërfgenaam, M. en V., -ërfgenamen. V. ook -ërfgename.
Medeëten, at mede, aten mede, heeft medegegeten.
Medegaan, gaat mede, ging mede, is medegegaan.
Medegaand. Zie Meegaand.
Medegetuige, M. en V., -getuigen.
Medegeven, gaf mede, gaven mede, heeft medegegeven.
Medehelper, M., -helpers.
Medeïngezetene, M. en V., -ïngezetenen.
Medeklinker, M., -klinkers.
Medekomen, komt mede, kwam mede, kwamen mede, is medegekomen.
Medelid, O., -leden.
Medelijden, leed mede, leden mede, heeft medegeleden.
Medelijden, O.
Medelijdend, -lijdender, -lijdendst.
Medelijdendheid, V.
Medelijdenswaardig, -waardiger, -waardigst, of meer en meest -waardig.
Medeloopen, liep mede, heeft en is medegeloopen.
Medelooper (persoon), M., -loopers.
Medelooper (buitenkansje). Zie Meelooper.
Medemensch, M., -menschen.
Medeminnaar, M., -minnaars.
Medeminnares, V., -minnaressen.
Meden, meedde, heeft gemeed.
Medenemen, nam mede, namen mede, heeft medegenomen.
Medeonderteekenaar, M., -onderteekenaars.
Medeoorzaak, V., -oorzaken.
Medepakken, pakte mede, heeft medegepakt.
Medeplichtig.
Medeplichtige, M. en V., -plichtigen.
Medepraten, praatte mede, heeft medegepraat.
Medeprater. Zie Meeprater.
Mederedacteur, M., -redacteurs.
Medereeder, M., -reeders.
Mederegeeren, regeerde mede, heeft medegeregeerd.
Medereizen, reisde mede, heeft en is medegereisd.
Mederekenen, rekende mede, heeft medegerekend.
Mederijden, reed mede, reden mede, heeft en is medegereden.
Medeschepsel, O., -schepselen.
Medeschuldige, M. en V., -schuldigen.
Medesleepen, sleepte mede, heeft medegesleept.
Medespelen, speelde mede, heeft medegespeeld.
Medespeler, M., -spelers.
Medespreken, sprak mede, spraken mede, heeft medegesproken.
Medestander, M., -standers.
Medestemmen, stemde mede, heeft medegestemd.
Medestrijden, streed mede, streden mede, heeft medegestreden.
Medestrijder, M., -strijders.
Medetrekken, trok mede, trokken mede, heeft en is medegetrokken.
Medetroonen, troonde mede, heeft medegetroond.
Medevallen, viel mede, is medegevallen.
Medevaller. Zie Meevaller.
Medevoeren, voerde mede, heeft medegevoerd.
Medevrijer, M., -vrijers.
Medewerken, werkte mede, heeft medegewerkt.
Medewerker, M., -werkers.
Medewerking, V.
Medewerkster, V., -werksters.
Medeweten, O.
Medeweter, M., -weters.
Medezeggenschap, O.
Medezingen, zong mede, heeft medegezongen.
Mediaan (papier), O.
Mediaan (lettersoort), V.
Medicament, O., medicamenten.
Medicijn, V., medicijnen.
Medicijnflesch, V., -flesschen; -fleschje, O., -jes.
Medicijnmeester, M., -meesters.
Medicinaal.
Medicineeren, medicineerde, heeft gemedicineerd.
Medicus, M., medici.
Mediocriteit, V., mediocriteiten.
Medisch.
Medium, O., mediums.
Mee. Zie Mede.
Meedoogend, -doogender, -doogendst.
Meedoogendheid, V.
Meedoogenloos, -looze.
Meegaand, -gaander, -gaandst.
Meegaandheid, V.
Meekrap, V.
Meekrapplant, V., -planten.
Meekraprups, V., -rupsen.
Meekrapwortel (stofnaam), V.
Meel, O.
Meelachtig, -achtiger, -achtigst.
Meeldauw, M.
Meeldraad, M., -draden.
Meelfabriek, V., -fabrieken.
Meelhandelaar, M., -handelaars.
Meeligger, M., meeliggers.
Meelkost, M., -kosten.
Meelmolen, M., -molens.
Meelooper (buitenkansje), M., -loopers; -loopertje, O., -jes.
Meelspijs, V., -spijzen.
Meelworm, M., -wormen.
Meelzak, M., -zakken.
Meelzolder, M., -zolders.
Meemaler, M., -malers.
Meenen, meende, heeft gemeend.
Meenens (Het is -).
Meening, V., meeningen.
Meeprater, M., -praters.
Meepsch, meepscher, meest meepsch.
Meer (water), O., meren. Meertje, O., -jes.
Meer (drooggemaakt meer), V.
Meer.
Meerboei, V., -boeien.
Meerder.
Meerdere, M. en V., meerderen.
Meerderen, meerderde, heeft en is gemeerderd.
Meerderheid, V., -heden.
Meerderjarig.
Meerderjarigheid, V.
Meerderjarigverklaring, V., -verklaringen.
Meerendeel, O.
Meerendeels.
Meergeld, O., -gelden.
Meergemeld.
Meergenoemd.
Meerkat, V., -katten.
Meerketting, M., -kettingen.
Meerkoet, V., -koeten.
Meerkol, M., -kollen.
Meerle en Merel, V., meerlen en merels.
Meerlenei, O., -eieren.
Meermalen.
Meermin, V., -minnen.
Meerpaal, M., -palen.
Meerring, M., -ringen.
Meerschuim, O.
Meerschuimen (bnw.).
Meerslachtig.
Meerstoel, M., -stoelen.
Meertouw, O., -touwen.
Meervoud, O., meervouden.
Meervoudig.
Meervoudsvorm, M., -vormen.
Mees, V., meezen. Meesje, O., -jes.
Meesmuilen, meesmuilde, heeft gemeesmuild.
Meest.
Meestal.
Meestamper, M., -stampers.
Meestbiedende, M., -biedenden.
Meestendeels.
Meestentijds. Verg. Meesttijds.
Meester, M., meesters en meesteren. Meestertje, O., -jes.
Meesterachtig, -achtiger, -achtigst.
Meesterachtigheid, V.
Meesteren, meesterde, heeft gemeesterd.
Meesteres, V., meesteressen.
Meestergast, M., -gasten.
Meesterhand, V.
Meesterknecht, M., -knechts.
Meesterlijk, -lijker, -lijkst.
Meesterschap, O.
Meesterstitel, M., -titels.
Meesterstuk, O., -stukken; -stukje, O., -jes.
Meesterwerk, O., -werken; -werkje, O., -jes.
Meestoof, V., -stoven.
Meesttijds en Meestentijds.
Meet, V. (Van meet aan).
Meetbaar, -bare.
Meetbrief, M., -brieven.
Meetgeld, O.
Meetkan, V., -kannen.
Meetketting, M., -kettingen.
Meetkunde, V.
Meetkundig.
Meetkundige, M. en V., -kundigen.
Meetkunst, V.
Meetkunstig.
Meetlijn, V., -lijnen.
Meetloon, O., -loonen.
Meetroede, V., -roeden.
Meetstok, M., -stokken.
Meettafeltje, O., -jes.
Meeuw, V., meeuwen. Meeuwtje, O., -jes.
Meeuwenei, O., -eieren.
Meeuwennest, O., -nesten.
Meeuweveer, V., -veeren.
Meevaller, M., -vallers; -vallertje, O., -jes.
Meevat, O., -vaten.
Meeverf, V.
Meewarig, -wariger, -warigst.
Meewarigheid, V.
Mei (Bloeimaand), M.
Mei (tak), M., meien.
Meiavond, M., -avonden.
Meiboom, M., -boomen; -boompje, O., -jes.
Meid, V., meiden.
Meidenkamer, V., -kamers; -kamertje, O., -jes.
Meidenloon, O., -loonen.
Meidenplaag (persoon), V., -plagen.
Meidenpraat, M.
Meidenwerk, O.
Meier, M., meiers.
Meierij, V., meierijen.
Meikers, V., -kersen.
Meikever, M., -kevers.
Meimaand, V.
Meineed, M., -eeden.
Meineedig, -eediger, -eedigst.
Meineedige, M. en V., -eedigen.
Meisje, O., -jes.
Meisjesachtig, -achtiger, -achtigst.
Meisjesboek, O., -boeken.
Meisjesburgerschool, V., -scholen.
Meisjesgek, M., -gekken.
Meisjesgezicht, O., -gezichten.
Meisjeshand, V., -handen.
Meisjeskleeren (mv.), O.
Meisjesschool, V., -scholen.
Meisjesstem, V., -stemmen.
Mejuffer, V., mejuffers. Mejuffertje, O., -jes.
Mejuffrouw, V., mejuffrouwen.
Mekka-ganger, M., -gangers.
Mekken, mekte, heeft gemekt.
Melaatsch, melaatscher, meest melaatsch.
Melaatschheid, V., -heden.
Melancholie, V.
Melancholiek, melancholieker, melancholiekst.
Melancholisch.
Melasse, V.
Melde, V.
Melden, meldde, heeft gemeld.
Meldenswaardig, -waardiger, -waardigst, of meer en meest -waardig.
Melder, M., melders.
Melding, V., meldingen.
Melig, meliger, meligst.
Meligheid, V.
Melis (suiker), V.
Melis en Melisse (plant), V.
Melisseblad, O., -bladen en -bladeren.
Melissekruid, O.
Melk, V.
Melkbaard, M., -baarden.
Melkboer, M., -boeren.
Melkchocolade, V.
Melkemmer, M., -emmers.
Melken, molk, heeft gemolken.
Melker, M., melkers.
Melkerij, V., melkerijen.
Melkgevend.
Melkglas (voorwerp), O., -glazen; (stof), O.
Melkglazen (bnw.).
Melkhuisje, O., -huisjes.
Melkinrichting, V., -inrichtingen.
Melkkan, V., -kannen.
Melkkoe, V., -koeien; -koetje, O., -jes.
Melkkuur, V.
Melkmaat, V., -maten.
Melkmuil, M., -muilen.
Melkpot, M., -potten.
Melksap, O.
Melkschuit, V., -schuiten.
Melkster, V., melksters.
Melksuiker, V.
Melktand, M., -tanden.
Melkuur, O., -uren.
Melkvee, O.
Melkwagen, M., -wagens; -wagentje, O., -jes.
Melkweg, M.
Melkweger, M., -wegers.
Melkwit.
Melodie, V., melodieën.
Melodieus, melodieuzer.
Melodrama, O., -drama's.
Meloen, M., meloenen. Meloentje, O., -jes.
Melomaan, M., -manen.
Melomanie, V.
Meltbak, M., -bakken; -bakje, O., -jes.
Melter, M., melters.
Melterij, V., melterijen.
Memelig, memeliger, memeligst.
Memorandum, O., -ums.
Memoriaal, O., memorialen.
Memorie (geheugen), V.
Memorie (geschrift), V., memories en memoriën.
Memoriseeren, memoriseerde, heeft gememoriseerd.
Men.
Menage, V., menages.
Menageeren, menageerde, heeft gemenageerd.
Menageketel, M., -ketels.
Menagerie, V., menagerieën.
Mengbaar, -bare.
Mengel, O., mengelen. Mengeltje, O., -jes.
Mengelen, mengelde, heeft gemengeld.
Mengeling, V., mengelingen.
Mengelklomp, M.
Mengelmoes, O.
Mengelwerk, O.
Mengen, mengde, heeft gemengd.
Menger, M., mengers.
Menging, V., mengingen.
Mengingrekening, V.
Mengkoren, O.
Mengsel, O., mengsels. Mengseltje, O., -jes.
Mengster, V., mengsters.
Menie, V.
Meniën, meniede, heeft gemenied.
Menig.
Menigeen.
Menigerhande.
Menigerlei.
Menigmaal.
Menigte, V., menigten.
Menigvuldig, -vuldiger, -vuldigst.
Menigvuldigheid, V.
Menigwerf.
Menist, M., Menisten. Menistje, O., -jes.
Menistenkerk, V.
Mennen, mende, heeft gemend.
Menner, M., menners.
Mennoniet, M., Mennonieten.
Mensch, M., menschen; (met minachting), O. Menschje, O., -jes.
Menschdom, O.
Menschelijk, -lijker, -lijkst.
Menschelijkerwijze.
Menschelijkheid, V.
Menschenbloed, O.
Menscheneter, M., -eters.
Menschengedaante, V.
Menschenhaat, M.
Menschenhater, M., -haters.
Menschenkenner, M., -kenners.
Menschenkennis, V.
Menschenkind, O., -kinderen.
Menschenleven, O., -levens.
Menschenliefde, V.
Menschenmin, V.
Menschenoffer, O., -offers.
Menschenpaar, O., -paren.
Menschenplicht, M., -plichten.
Menschenras, O., -rassen.
Menschenschuw, -schuwer, -schuwst.
Menschenvrees, V.
Menschenvriend, M., -vrienden.
Menschenwaarde, V.
Menschenwerk, O.
Menschheid, V.
Menschkundig, -kundiger, -kundigst.
Menschlievend, -lievender, -lievendst.
Menschlievendheid, V.
Menschwording, V.
Mentenee en Mentinee, V., mentenee's.
Mentineeren, mentineerde, heeft gementineerd. Ook Menteneeren.
Mentor, M., Mentors.
Menu, O., menu's.
Menuet, V., menuetten. Menuetje, O., -jes.
Mep, M., meppen. Mepje, O., -jes.
Meppen, mepte, heeft gemept.
Mercantiel.
Merel. Zie Meerle.
Meren, meerde, heeft gemeerd.
Merg, O.
Mergel, V.
Mergelachtig, -achtiger, -achtigst.
Mergelen, mergelde, heeft gemergeld.
Mergelgroeve, V., -groeven.
Mergelput, M., -putten.
Merglepel, M., -lepels.
Mergpijp, V., -pijpen.
Meridiaan, M., meridianen.
Meridiaancirkel, M., -cirkels.
Meridiaankijker, M., -kijkers.
Meridionaal, meridionale.
Merinos, O.
Merinossen (bnw.).
Merk, O., merken. Merkje, O., -jes.
Merkbaar, -baarder, -baarst.
Merkelijk, -lijker, -lijkst.
Merkels (mv.), M.
Merken, merkte, heeft gemerkt.
Merker, M., merkers.
Merkkatoen, O.
Merklap, M., -lappen.
Merkletter, V., -letters.
Merknaald, V., -naalden.
Merkpaal, M., -palen.
Merkteeken, O., -teekenen.
Merkteekenen, merkteekende, heeft gemerkteekend.
Merkwaardig, -waardiger, -waardigst, of meer en meest -waardig.
Merkwaardigheid, V., -heden.
Merrie, V., merries en merriën. Merrietje, O., -jes.
Mes, O., messen. Mesje, O., -jes.
Messekoker en Messenkoker, M., -kokers.
Messelegger, M., -leggers; -leggertje, O., -jes.
Messenbak, M., -bakken; -bakje, O., -jes.
Messenhandel, M.
Messenlade, V., -laden.
Messenmaker, M., -makers.
Messenmandje, O., -jes.
Messenslijper, M., -slijpers.
Messenwinkel, M., -winkels.
Messescheede, V., -scheeden.
Messias, M.
Messing (van eene plank), V., messingen.
Messing (metaal), O.
Messingploeg, V., -ploegen.
Mest (meststof), ook Mist, M., mesten en misten.
Mesten, mestte, heeft gemest.
Mestgreep, V., -grepen.
Mesthaak, M., -haken.
Mesthoop, M., -hoopen.
Mesties, M. en V., mestiezen.
Mesting, V., mestingen.
Mestkalf, O., -kalveren.
Mestkar, V., -karren.
Mestkoe, V., -koeien.
Mestspecie, V.
Meststof, V., -stoffen.
Mestvaalt, V., -vaalten.
Mestvarken, O., -varkens.
Mestvoeder en -voer, O.
Mestvork, V., -vorken.
Mestwagen, M., -wagens.
Met (gehakt vleesch), O.
Met (voorz.).
Metaal, O., metalen.
Metaalachtig.
Metaalgieter, M., -gieters.
Metaalgieterij, V., -gieterijen.
Metalen (bnw.).
Metalloïde, O., metalloïden.
Metallurgie, V.
Metamorphose, V., metamorphosen.
Metamorphoseeren, metamorphoseerde, heeft gemetamorphoseerd.
Metaphoor, V., metaphoren.
Metaphorisch.
Metaphysica, V.
Metaphysisch.
Metathesis, V.
Meteen.
Metempsychose, V.
Meten, mat, maten, heeft gemeten.
Meteoor, M., meteoren.
Meteoorsteen, M., -steenen.
Meteorologie, V.
Meter (persoon die meet), M., meters.
Meter (maat), M., meters.
Meter (peet), V., meters.
Metgezel, M., -gezellen.
Methode, V., methoden en methodes.
Methodisch.
Methodist, M., methodisten.
Meting, V., metingen.
Metriek, V.
Metriek, metrieke.
Metrisch.
Metronoom, M., metronomen.
Metropool, V., metropolen.
Metropolitaan, M., -tanen.
Metrum, O., metra.
Metselaar, M., metselaren en metselaars.
Metselaarsbaas, M., -bazen.
Metselaarsknecht, M., -knechts.
Metselaarswerk, O.
Metselen, metselde, heeft gemetseld.
Metselkalk, V.
Metselspecie, V.
Metselsteen, M., -steenen.
Metselverband, O., -verbanden.
Metselwerk, O.
Metten (mv.), V.
Metterdaad.
Mettertijd.
Metterwoon.
Metworst, V., -worsten.
Meubel, O., meubelen en meubels. Meubeltje, O., -jes.
Meubelgordijn, O., -gordijnen.
Meubelmagazijn, O., -magazijnen.
Meubelmaker, M., -makers.
Meubelpapier, O., -papieren.
Meubelstuk, O., -stukken.
Meubileeren, meubileerde, heeft gemeubileerd.
Meubileering, V.
Meug, V. (Tegen heug en meug).
Meugebet, M. en V.; ook Muggebet.
Meuk, V.
Meuken, meukte, heeft gemeukt.
Meulen. Zie Molen.
Meuzelen, meuzelde, heeft gemeuzeld.
Mevrouw, V., mevrouwen. Mevrouwtje, O., -jes.
Mevrouwschap, O.
Miasma, O., miasmen.
Miauw en Miaauw.
Miauwen en Miaauwen, miauwde, heeft gemiauwd.
Micrometer, M., -meters.
Microscoop, M. en O., microscopen.
Microscopisch.
Middag, M., middagen. Middagje, O., -jes.
Middagbeurt, V., -beurten.
Middagdut, M.; -dutje, O.
Middageten, O.
Middaghoogte, V.
Middagmaal, O., -malen; -maaltje, O. -jes.
Middagmalen, middagmaalde, heeft gemiddagmaald.
Middagpreek, V., -preeken.
Middagslaapje, O., -slaapjes.
Middagtrein, M., -treinen.
Middaguur, O., -uren.
Middagzon, V.
Middel (middellijf), V. en O., middels. Middeltje, O., -jes.
Middel (om een doel te bereiken), O., middelen. Middeltje, O., -jes.
Middelaar, M., middelaren en middelaars.
Middelaarschap, O.
Middelbaar, -bare.
Middeldeur, V., -deuren.
Middeleeuwen (mv.), V.
Middeleeuwsch.
Middelen, middelde, heeft gemiddeld.
Middelerwijl.
Middelevenredig.
Middelhand, V.
Middelhoogduitsch.
Middellandsch (bnw.).
Middellijk.
Middellijn, V., -lijnen.
Middelmaat, V.
Middelmatig, -matiger, -matigst.
Middelmatigheid, V., -heden.
Middelmoot, V., -mooten; -mootje, O., -jes.
Middelnederlandsch.
Middelperk, O., -perken.
Middelpunt, O., -punten.
Middelpuntvliedend.
Middelpuntzoekend.
Middelrif, O., -riffen.
Middelschot, O., -schotten; -schotje, O., -jes.
Middelslag, O.
Middelsoort, V. en O., -soorten.
Middelstand, M.
Middelste.
Middelstuk, O., -stukken; -stukje, O., -jes.
Middelterm, M., -termen.
Middelvinger, M., -vingers.
Middelweg, M., -wegen.
Middelzout, O., -zouten.
Midden, O.
Midden (bijw.).
Middenbeurs (bijw.).
Middenboords (bijw.).
Middending, O., -dingen.
Middendoor.
Middeneuropeesch.
Middenin.
Middenman, M., -mannen.
Middenstof, V., -stoffen.
Middernacht, M., -nachten.
Middernachtelijk.
Middernachtsuur, O., -uren.
Middernachtzendeling, M., -zendelingen.
Middernachtzending, V.
Middernachtzon, V.
Midscheeps (bijw.).
Midscheepsch (bnw.).
Midwinter, M., -winters.
Mier (insect), V., mieren. Miertje, O., -jes.
Mier (afkeer), V.
Mierenei, O., -eieren; -eitje, O., -eitjes en -eiertjes.
Miereneter, M., -eters.
Mierenhoop, M., -hoopen.
Mierenjager, M., -jagers.
Mierenleeuw, M., -leeuwen.
Mierennest, O., -nesten.
Mierenzuur, O.
Mierik, M.
Mierikswortel en Mierikwortel (wortel), M., -wortels; (stof), V.
Miezerig.
Mij.
Mijden, meed, meden, heeft gemeden.
Mijl, V., mijlen. Mijltje, O., -jes.
Mijlpaal, M., -palen.
Mijlsteen, M., -steenen.
Mijmeraar, M., mijmeraars.
Mijmeren, mijmerde, heeft gemijmerd.
Mijmerig, mijmeriger, mijmerigst.
Mijmerij, V., mijmerijen.
Mijmering, V., mijmeringen.
Mijn, mijne, mijn.
Mijn, V., mijnen.
Mijnbouw, M.
Mijnen (eene mijn maken), mijnde, heeft gemijnd.
Mijnen (bij eene verkooping), mijnde, heeft gemijnd.
Mijnenlegger, M., -leggers.
Mijnent (Te -).
Mijnenthalve.
Mijnentwege.
Mijnentwil (Om -).
Mijner, M., mijners.
Mijngang, V., -gangen.
Mijngas, O.
Mijnheer, M., Mijne Heeren en Mijnheeren.
Mijningenieur, M., -ingenieurs.
Mijnontginning, V., -ontginningen.
Mijnpomp, V., -pompen.
Mijnraad, M., -raden.
Mijnschacht, V., -schachten.
Mijnwerker, M., -werkers.
Mijnwezen, O.
Mijt (munt), V., mijten. Mijtje, O., -jes.
Mijt (worm), V., mijten. Mijtje, O., -jes.
Mijt (houtstapel), V., mijten. Mijtje, O., -jes.
Mijten, mijtte, heeft gemijt.
Mijter, M., mijters.
Mijteren, mijterde, heeft gemijterd.
Mijterig, mijteriger, mijterigst.
Mijterstad, V., -steden.
Mik (het mikken), M.
Mik (vork), V., mikken. Mikje, O., -jes.
Mik (brood), V., mikken. Mikje, O., -jes.
Mik (meel), V.
Mikken, mikte, heeft gemikt.
Mikmak, M. Mikmakje, O.
Mikpunt, O., -punten.
Mild, milder, mildst.
Milddadig, -dadiger, -dadigst.
Milddadigheid, V.
Mildheid, V., -heden.
Milicien, M., miliciens.
Militair (bnw.).
Militair, M., militairen.
Militie, V.
Militiecommissaris, M., -commissarissen.
Militieraad, M., -raden.
Milliard, O., milliarden.
Milligram, O., milligrammen.
Millimeter, M., millimeters.
Millimeteren, millimeterde, heeft gemillimeterd.
Millioen, O., millioenen. Millioentje, O., -jes.
Millioenennota, V.
Millioenenspeech, V.
Millionnair, M., millionnairs.
Milt, V., milten.
Milter, M., milters.
Miltvuur, O.
Mimiek, V.
Mimisch.
Min (liefde), V.
Min en Minne (zoogster), V., minnen.
Min.
Minachten, minachtte, heeft geminacht.
Minachting, V.
Minaret, V., minaretten.
Minbekend.
Minder.
Minderbroeder, M., -broeders.
Mindere, M. en V., minderen.
Minderen, minderde, heeft en is geminderd.
Minderheid, V., -heden.
Mindering, V., minderingen.
Minderjarig.
Minderjarigheid, V.
Mineraal, minerale.
Mineraal, O., mineralen.
Mineraalwater, O.
Mineralogie, V.
Mineraloog, M., mineralogen.
Minerval, O., minervalia.
Mineur, M., mineurs.
Mingele, O., mingelen.
Miniatuur, V., miniaturen.
Miniatuurschilder, M., -schilders.
Minimum, O., minima.
Minister, M., ministers.
Ministerie, O., ministeriën en ministeries.
Ministerieel, ministerieele.
Ministerraad, M.
Minister-resident, M., ministers-residenten.
Ministerschap, O.
Ministersportefeuille, V., -portefeuilles.
Minlijk en Minnelijk, -lijker, -lijkst.
Minlijkheid en Minnelijkheid, V.
Minnaar, M., minnaars en minnaren.
Minnares, V., minnaressen.
Minnarij, V., minnarijen.
Minne. Zie Min.
Minnebrief, M., -brieven; -briefje, O., -jes.
Minnedicht, O., -dichten; -dichtje, O., -jes.
Minnedichter, M., -dichters.
Minnedrank, M., -dranken.
Minnegloed, M.
Minnegod, M.
Minnehandel, M.
Minnekoorts, V., -koortsen.
Minnekoozen, minnekoosde, heeft geminnekoosd.
Minnekoozerij, V., -koozerijen.
Minnelied, O., -liederen; -liedje, O., -jes.
Minnelijk. Zie Minlijk.
Minnelijkheid. Zie Minlijkheid.
Minnemoer, V., -moers.
Minnen, minde, heeft gemind.
Minnenijd, M.
Minnenswaardig, -waardiger, -waardigst, of meer en meest -waardig.
Minnepijn, V., -pijnen.
Minnespel, O.
Minnevlaag, V., -vlagen.
Minnevuur, O.
Minnezang, M., -zangen.
Minst.
Minste, M. en V., minsten.
Minste (Ten -).
Minteeken, O., -teekens.
Minutieus, minutieuzer, minutieust.
Minuut en Minute (opstel), V., minuten. Minuutje, O., -jes.
Minuut (tijdmaat), V., minuten. Minuutje, O., -jes.
Minuutglas, O., -glazen.
Minuutwijzer, M., -wijzers.
Minvermogend.
Minzaam, -zamer, -zaamst.
Minzaamheid, V.
Mirabel, V., mirabellen.
Miraculeus, miraculeuzer, miraculeust.
Mirakel, O., mirakelen en mirakels.
Mirakelspel, O., -spelen.
Mirre en Myrrhe, V.
Mirt, M., mirten.
Mirteblad, O., -bladen en -bladeren.
Mirteboom, M., -boomen.
Mirtekrans, M., -kransen.
Mirteloof, O.
Mirtenbosch, O., -bosschen.
Mirtestruik, M., -struiken.
Mirtetak, M., -takken.
Mis en Misse, V., missen.
Mis (bijw.).
Misanthroop, M., misanthropen.
Misanthropie, V.
Misanthropisch.
Misbaar, O.
Misbak, O., -bakken. Misbakje, O., -jes.
Misbakken (bnw.).
Misbaksel, O., -baksels.
Misboek, O., -boeken.
Misbrood, O.
Misbruik, O., -bruiken. Misbruikje, O., -jes.
Misbruiken, misbruikte, heeft misbruikt.
Misbruiker, M., -bruikers.
Misdaad, V., -daden.
Misdadig, -dadiger, -dadigst.
Misdadiger, M., -dadigers.
Misdadigster, V., -dadigsters.
Misdeelen, misdeelde, heeft misdeeld.
Misdienaar, M., -dienaren.
Misdoen, deed mis, deden mis, heeft misgedaan; ook misdeed, misdeden, heeft misdaan.
Misdracht, V., -drachten.
Misdragen (zich -), misdroeg (zich), heeft (zich) misdragen.
Misdrijf, O., -drijven.
Misdrijven, misdreef, misdreven, heeft misdreven; ook dreef mis, dreven mis, is misgedreven.
Misdruk, O.
Misduiden, misduidde, heeft misduid.
Mise, V.
Miserabel, miserabeler, miserabelst.
Misère, V., misères.
Miserie, V.
Misgaan, ging mis, is misgegaan; ook misging, is misgaan.
Misgeboorte, V., -geboorten.
Misgewaad, O., -gewaden.
Misgewas, O., gewassen. Misgewasje, O., -jes.
Misgooien, gooide mis, heeft misgegooid.
Misgreep, M., -grepen.
Misgrijpen, greep mis, grepen mis, heeft misgegrepen; ook misgreep (zich), misgrepen (zich), heeft (zich) misgrepen.
Misgunnen, misgunde, heeft misgund.
Mishagen, mishaagde, heeft mishaagd.
Mishagen, O.
Mishakken, hakte mis, heeft misgehakt.
Mishandelen, mishandelde, heeft mishandeld.
Mishandeling, V., -handelingen.
Mishebben, heeft mis, had mis, hadden mis, heeft misgehad.
Mishooren, hoorde mis, heeft misgehoord.
Miskelk, M., -kelken.
Miskennen, miskende, heeft miskend.
Miskenning, V., -kenningen.
Miskraam, V., -kramen.
Misleiden, misleidde, heeft misleid.
Misleiding, V., -leidingen.
Mislezen, las mis, lazen mis, heeft misgelezen; ook mislas (zich), mislazen (zich), heeft (zich) mislezen.
Misloopen, liep mis, is misgeloopen.
Mislukken, mislukte, is mislukt.
Mislukking, V., -lukkingen.
Mismaakt, -maakter, -maaktst.
Mismaaktheid, V., -heden.
Mismaken, mismaakte, heeft mismaakt.
Mismas, M., mismassen. Mismasje, O., -jes.
Mismoedig, -moediger, -moedigst.
Mismoedigheid, V.
Misnoegd, -noegder, -noegdst.
Misnoegdheid, V.
Misnoegen, O.
Misoordeelen, oordeelde mis, heeft misgeoordeeld.
Mispas, M., -passen. Mispasje, O., -jes.
Mispel (vrucht), V., (boom), M., mispels en mispelen. Mispeltje, O., -jes.
Misplaatst.
Misplaatstheid, V.
Misprijzen, misprees, misprezen, heeft misprezen.
Mispunt, O., -punten. Mispuntje, O., -jes.
Misraden, ried mis en raadde mis, heeft misgeraden; ook misried en misraadde, heeft misraden.
Misramen, raamde mis, heeft misgeraamd; ook misraamde (zich), heeft (zich) misraamd.
Misrekenen, rekende mis, heeft misgerekend; ook misrekende (zich), heeft (zich) misrekend.
Misrekening, V., -rekeningen.
Missaal, O., missalen.
Misschatten, schatte mis, heeft misgeschat.
Misschien.
Misschieten, schoot mis, schoten mis, heeft misgeschoten.
Misschoppen, schopte mis, heeft misgeschopt.
Misselijk, -lijker, -lijkst.
Misselijkheid, V., -heden.
Missen, miste, heeft gemist.
Missie, V., missiën.
Missiekruis, O., -kruisen.
Missionaris, M., missionarissen.
Missive, V., missiven en missives.
Misslaan, slaat mis, sloeg mis, heeft misgeslagen.
Misslag, M., -slagen. Misslagje, O., -jes.
Misspringen, sprong mis, heeft en is misgesprongen.
Misstaan, misstaat, misstond, heeft misstaan.
Misstal, M.
Misstand, M.
Misstap, M., -stappen. Misstapje, O., -jes.
Misstappen, stapte mis, heeft en is misgestapt.
Missteken, stak mis, staken mis, heeft misgestoken.
Misstelling, V., -stellingen.
Misstooten, stiet mis, heeft misgestooten; ook stootte mis.
Missturen, stuurde mis, heeft misgestuurd.
Mist (damp), M., misten.
Mist (meststof). Zie Mest.
Mistasten, tastte mis, heeft misgetast.
Mistelboom, M., -boomen.
Mistellen, telde mis, heeft misgeteld.
Misteltak, M., -takken.
Misten, mistte, heeft gemist.
Misthoorn, M., -hoorns.
Mistig, mistiger, mistigst.
Mistigheid, V.
Mistral, M.
Mistrappen, trapte mis, heeft misgetrapt.
Mistred, M., -treden.
Mistreden, trad mis, traden mis, heeft en is misgetreden.
Mistroostig, -troostiger, -troostigst.
Mistroostigheid, V.
Misvallen, viel mis, is misgevallen; ook misviel, heeft misvallen.
Misvallen, O.
Misvaren, voer mis, heeft en is misgevaren.
Misvatten, vatte mis, heeft misgevat.
Misvatting, V., -vattingen.
Misverstaan, verstond mis, heeft misverstaan.
Misverstand, O., -verstanden.
Misvormen, misvormde, heeft misvormd.
Misvorming, V., -vormingen.
Miswas, O., -wassen.
Miswerpen, wierp mis, heeft misgeworpen.
Miswijzen, wees mis, heeft misgewezen.
Miswijzing, V., -wijzingen.
Miszeggen, miszeide, heeft miszegd en miszeid.
Miszien, zag mis, zagen mis, heeft misgezien.
Mitrailleur, M., mitrailleurs.
Mitrailleur-afdeeling, V., -afdeelingen.
Mitrailleuse, V., mitrailleuses.
Mits.
Mitsdien.
Mitsgaders.
Mixtuur, V., mixturen.
Mnemoniek, V.
Mnemotechnisch.
Mobiel, mobieler, mobielst.
Mobilisatie, V., mobilisatiën.
Mobilisatieplan, O., -plannen.
Mobiliseeren, mobiliseerde, heeft gemobiliseerd.
Modaal.
Modaliteit, V.
Modde, V., modden.
Modden, modde, heeft gemod.
Modder, V.
Modderaar, M., modderaars.
Modderen, modderde, heeft gemodderd.
Modderig, modderiger, modderigst.
Modderigheid, V.
Modderkuil, M., -kuilen.
Modderlaars, V., -laarzen.
Modderman, M., -lui.
Moddermolen, M., -molens.
Modderplas, M., -plassen.
Modderpoel, M., -poelen.
Modderschuit, V., -schuiten.
Moddersloot, V., -slooten.
Moddervet.
Mode, V., modes.
Mode-artikel, O., -artikelen.
Modegek, M., -gekken.
Modekleur, V., -kleuren.
Model, O., modellen. Modelletje, O., -jes.
Mode-lectuur, V.
Modeleeren, modeleerde, heeft gemodeleerd.
Modelhoeve, V., -hoeven.
Modelkamer, V., -kamers.
Modemaakster, V., -maaksters.
Modemagazijn, O., -magazijnen.
Modeplaat, V., -platen; -plaatje, O., -jes.
Modepop, V., -poppen. Als persoonsnaam ook M.
Moderateurlamp, V., -lampen.
Moderato, O., moderato's.
Modern, moderner, modernst.
Moderniseeren, moderniseerde, heeft gemoderniseerd.
Modernisme, O.
Moderniteit, V.
Modewinkel, M., -winkels.
Modieus, modieuzer, modieust.
Modiste, V., modisten.
Modulus, M.
Moe. Zie Moede.
Moed, M.
Moede en Moe, moeder, meest moede.
Moedeloos, -loozer.
Moedeloosheid, V.
Moeder, V., moeders. Moedertje, O., -jes.
Moederborst, V., -borsten.
Moederhart, O.
Moederhuis, O., -huizen.
Moederkerk, V.
Moederklooster, O., -kloosters.
Moederkoorn, O.
Moederland, O.
Moederlief.
Moederliefde, V.
Moederlijk, -lijker, -lijkst.
Moederloos, -looze.
Moedermaagd, V.
Moedermelk, V.
Moedernaakt.
Moeder-overste, V., -oversten.
Moederplant, V., -planten.
Moederschap, O.
Moederschoot, M.
Moederskind, O., -kinderen; -kindje, O., -kindjes en -kindertjes.
Moedertaal, V.
Moedervlek, V., -vlekken.
Moederzegen, M.
Moederzielalleen en Moerzielalleen.
Moedig, moediger, moedigst.
Moedwil, M.
Moedwillig, -williger, -willigst.
Moedwilligheid, V., -heden.
Moeheid, V.
Moei, V., moeien.
Moeial, M. en V., moeiallen.
Moeien, moeide, heeft gemoeid.
Moeilijk en Moeielijk, -lijker, -lijkst.
Moeilijkheid en Moeielijkheid, V., -heden.
Moeite, V., moeiten.
Moer (droesem), V.
Moer (van eene schroef), V., moeren. Moertje, O., -jes.
Moer (moerassig land), O., moeren.
Moeras, O., moerassen. Moerasje, O., -jes.
Moerasachtig, -achtiger, -achtigst.
Moerasdamp, M., -dampen.
Moeraskoorts, V., -koortsen.
Moerasplant, V., -planten.
Moerassig, moerassiger, moerassigst.
Moerassigheid, V.
Moerbalk, M., -balken.
Moerbei. Zie Moerbezie.
Moerbeiensap, O.
Moerbezie en Moerbei, V., -beziën en -beien.
Moerbezieboom en Moerbeiboom, M., -boomen; -boompje, O., -jes.
Moerbout, M., -bouten.
Moeren, moerde, heeft gemoerd.
Moerig, moeriger, moerigst.
Moes, O.
Moesgroente, V., -groenten.
Moesje (moedertje), O., -jes.
Moesje (op 't gelaat), O., moesjes.
Moesjesdoos, V.
Moesson, M., moessons.
Moestuin, M., -tuinen; -tuintje, O., -jes.
Moet, V., moeten. Moetje, O., -jes.
Moeten (voortduwen), moette, heeft gemoet.
Moeten (verplicht zijn), moest, heeft gemoeten.
Moezerij, V., moezerijen.
Mof (Westfaling), M., Moffen. Mofje, O., -jes.
Mof (bontwerk), V., moffen. Mofje, O., -jes.
Moffel (oven), M., moffels.
Moffel (mof, mouw), V., moffels. Moffeltje, O., -jes.
Moffelarij, V., moffelarijen.
Moffelen, moffelde, heeft gemoffeld.
Moffenland, O.
Moffenpijp, V., -pijpen; -pijpje, O., -jes.
Moffentoer, M., -toeren.
Moffin, V., Moffinnen. Moffinnetje, O., -jes.
Mogelijk.
Mogelijkheid, V., -heden.
Mogen, mag, mogen, mocht.
Mogendheid, V., -heden.
Mohammedaan, M., Mohammedanen.
Moker, M., mokers.
Mokeren, mokerde, heeft gemokerd.
Mokka-kopje, O., -kopjes.
Mokkel, M. en V., mokkels. Mokkeltje, O., -jes.
Mokkelen, mokkelde, heeft gemokkeld.
Mokken, mokte, heeft gemokt.
Mol (dier), M., mollen. Molletje, O., -jes.
Mol (bier), V.
Mol (in de muziek), V., mollen.
Moleculair.
Molecule, V. (ook O.), moleculen.
Molen (ook Meulen), M., molens (meulens). Molentje (meulentje), O., -jes.
Molenaar, M., molenaars en molenaren.
Molenaarsknecht, M., -knechts.
Molenaarspak, O.
Molenaarster, V., molenaarsters.
Molenas, V., -assen.
Molenkap, V., -kappen.
Molenmaker, M., -makers.
Molenpaard, O., -paarden.
Molenpad, O., -paden.
Molenrad, O., -raderen.
Molenroede, V., -roeden.
Molensteen, M., -steenen.
Molenwiek, V., -wieken.
Molferd, M., molferds.
Molik, M., moliken.
Mollen, molde, heeft gemold.
Mollenkruid, O.
Mollenval, V., -vallen.
Mollepoot, M., -pooten.
Mollevel, O., -vellen.
Mollevellig.
Mollig, molliger, molligst.
Molligheid, V.
Molm, M. en O.
Molmen, molmde, is gemolmd.
Molos, M., molossen.
Molsem, M.
Molsemen, molsemde, is gemolsemd.
Molsgat, O., -gaten.
Molshoop, M., -hoopen.
Molsla, V.
Molteeken, O., -teekens.
Molton, O.
Moltonnen (bnw.).
Mom (bier), V.
Mom (masker), V., mommen.
Mombakkes, O., -bakkesen; -bakkesje, O., -jes.
Momber. Zie Momboor.
Momboor en Momber, M., momboren en mombers.
Momboorschap, O.
Moment, O., momenten. Momentje, O., -jes.
Mommelen, mommelde, heeft gemommeld.
Mommen, momde, heeft gemomd.
Mommer, M., mommers.
Mommerij, V., mommerijen.
Mommespel, O.
Mompelen, mompelde, heeft gemompeld.
Mompeling, V., mompelingen.
Monarch, M., monarchen.
Monarchaal, monarchale.
Monarchie, V., monarchieën.
Mond, M., monden. Mondje, O., -jes.
Mondbehoeften (mv.), V.
Mondeling.
Monden, mondde, heeft gemond.
Mondgesprek, O., -gesprekken.
Mondharmonica, V., -harmonica's.
Mondhoek, M., -hoeken.
Mondig.
Mondigheid, V.
Mondjesmaat, V.
Mondklem, V.
Mondkost, M.
Mondlijm, V.
Mondspoeling, V., -spoelingen.
Mondstopper, M., -stoppers.
Mondstuk, O., -stukken.
Mondvol, M.
Mondwater, O.
Mondzeer, O.
Monnik en Munnik, M., monniken en munniken. Monnikje en munnikje, O., -jes.
Monnikachtig.
Monnikengeleerdheid, V.
Monnikenklooster, O., -kloosters.
Monnikenlatijn, O.
Monnikenwerk, O.
Monnikskap, V., -kappen.
Monnikskleed, O.
Monniksorde, V., -orden.
Monnikspij, V., -pijen.
Monnikswezen, O.
Monogamie, V.
Monogram, O., monogrammen.
Monographie, V., monographieën.
Monoloog, M., monologen.
Monomaan.
Monomanie, V., monomanieën.
Monopolie, O., monopoliën en monopolies.
Monster (staaltje), O., monsters. Monstertje, O., -jes.
Monster (gedrocht), O., monsters. Monstertje, O., -jes.
Monsterachtig, -achtiger, -achtigst.
Monsterachtigheid, V.
Monsterconcert, O., -concerten.
Monsterdoos, V., -doozen.
Monsteren, monsterde, heeft gemonsterd.
Monstering, V., monsteringen.
Monsterplaat, V., -platen.
Monsterrol, V., -rollen.
Monsterverbond, O.
Monsterzak, O., -zakken; -zakje, O., -jes.
Monstrueus, monstrueuzer, monstrueust.
Montant, O.
Monteeren, monteerde, heeft gemonteerd.
Monteering, V., monteeringen.
Monter, monterder, monterst.
Monterheid, V.
Monteur, M., monteurs.
Montuur, V., monturen.
Monument, O., monumenten. Monumentje, O., -jes.
Monumentaal, -tale.
Mooi, mooier, mooist.
Mooiheid, V.
Mooiigheid, V., -heden.
Mooiprater, M., -praters.
Moois, O.
Mookhamer, M., -hamers.
Moor (persoon), M., mooren. Moortje, O., -jes.
Moor (stof), O., moren.
Moord, M., moorden.
Moordaanslag, M., -aanslagen.
Moorddadig, -dadiger, -dadigst.
Moorddadigheid, V.
Moorden, moordde, heeft gemoord.
Moordenaar, M., moordenaren en moordenaars.
Moordenares, V., moordenaressen.
Moordtooneel, O., -tooneelen.
Moordtuig, O., -tuigen.
Moorendans, M., -dansen.
Moorenland, O.
Moorsch.
Moot, V., mooten. Mootje, O., -jes.
Mop (hond), M., moppen. Mopje, O., -jes.
Mop (steen en koekje), V., moppen.
Mopneus, M. en V., -neuzen.
Moppen, mopte, heeft gemopt.
Moppentrommel, V., -trommels.
Mopper, M., moppers.
Mopperen, mopperde, heeft gemopperd.
Mops, M., mopsen. Mopsje, O., -jes.
Moraal, V.
Moralisatie, V., moralisaties.
Moralist, M., moralisten.
Moraliteit, V.
Moraliteitsbeginsel, O., -beginselen.
Moreel, moreele.
Moreene, V., moreenen.
Morel, V., morellen. Morelletje, O., -jes.
Morelleboom, M., -boomen; -boompje, O., -jes.
Morellenbrandewijn, M.
Morganatisch.
Morgen (ochtend), M., morgens. Morgentje, O., -jes.
Morgen (landmaat), O. en M., morgens.
Morgen (bijw.).
Morgenavond.
Morgenbezoek, O., -bezoeken.
Morgendrank, M., -dranken.
Morgengave, V., -gaven.
Morgengebed, O., -gebeden.
Morgengewaad, O., -gewaden.
Morgenjapon, V., -japonnen.
Morgenland, O.
Morgenlicht, O.
Morgenlied, O., -liederen.
Morgenmiddag.
Morgenochtend.
Morgenrood, O.
Morgenspraak, V.
Morgenster, V.
Morgenstond, M.
Morgenuur, O., -uren.
Morgenwandeling, V., -wandelingen.
Moriaan, M., Morianen. Moriaantje, O., -jes.
Morille, V., morilles.
Mormel, O., mormels.
Mormeldier, O., -dieren.
Morphine, V.
Morphine-inspuiting, V., -inspuitingen.
Morphinist, M. en Morphiniste, V., morphinisten.
Morphinepoeder, V., -poeders.
Morphinespuitje, O.
Morphologie, V.
Morrelen, morrelde, heeft gemorreld.
Morren, morde, heeft gemord.
Mors, V., morsen.
Morsbroek, V., -broeken.
Morsdood.
Morsebel, V., -bellen; -belletje, O., -jes.
Morsen, morste, heeft gemorst.
Morserij, V., morserijen.
Morsig, morsiger, morsigst.
Morsigheid, V.
Morsjurk, V., -jurken.
Morskiel, M., -kielen.
Morsmouw, V., -mouwen.
Morspot, M. en V., -potten; -potje, O., -jes.
Morsschort, V. en O., -schorten; -schortje, O., -jes.
Mortaliteit, V.
Mortel, V.
Mortelbak, M., -bakken.
Mortelen, mortelde, heeft en is gemorteld.
Mortelmolen, M., -molens.
Mortier, M., mortieren. Mortiertje, O., -jes.
Morzel, M., morzelen en morzels. Morzeltje, O., -jes.
Morzelen, morzelde, heeft gemorzeld.
Morzeling, V., morzelingen.
Mos, O., mossen.
Mosachtig.
Mosch. Zie Musch.
Moscovisch.
Moskee, V., moskeeën.
Mossel, V., mosselen en mossels. Mosseltje, O., -jes.
Mosselbank, V., -banken.
Mosselkraam, V., -kramen.
Mosselman (persoon), M.; (vaartuig), V., -mannen.
Mosselschelp, V., -schelpen.
Mosselwagen, M., -wagens.
Mosselwijf, O., -wijven.
Mossig.
Most, M.
Mosterd en Mostaard, M.
Mosterdjongen, M., -jongens.
Mosterdlepeltje, O., -lepeltjes.
Mosterdmolen, M., -molens.
Mosterdpap, V., -pappen.
Mosterdpleister, V., -pleisters.
Mosterdpot, M., -potten; -potje, O., -jes.
Mosterdpapier, O.
Mosterdsaus, V.
Mosterdzaad, O.
Mot (insect), V., motten. Motje, O., -jes.
Mot (fijne regen), V.
Mot (turfmolm), O.
Motie, V., motiën en moties.
Motief, O., motieven.
Motiveeren, motiveerde, heeft gemotiveerd.
Motiveering, V., motiveeringen.
Motor, M., motors.
Motorboot, V., -booten.
Motorfiets, V., -fietsen.
Motorjacht, O., -jachten, -jachtje, O., -jes.
Motorjongen, M., -jongens.
Motorrijtuig, O., -rijtuigen.
Motorwagen, M., -wagens.
Motorwet, V.
Motregen, M.
Motregenen, motregende, heeft gemotregend.
Mots (paard), M., motsen.
Motse (schippersbroek), V., motsen.
Motsen, motste, heeft gemotst.
Motten, motte, heeft gemot.
Mottig, mottiger, mottigst.
Motto, O., motto's.
Motto-album, O., motto-.
Mousseeren, mousseerde, heeft gemousseerd.
Mousseline, V. en O.
Mousselinen (bnw.).
Moustache, V., moustaches.
Mout, O.
Mouteest, M., -eesten.
Mouten, moutte, heeft gemout.
Mouter, M., mouters.
Mouterij, V., mouterijen.
Moutextract, O.
Moutwijn, M.
Mouw, V., mouwen. Mouwtje, O., -jes.
Mouwstrepen (mv.), V.
Mouwvest, O., -vesten.
Mozaïek, O.
Mozaïsch.
Mud, V. en O., mudden. Mudje, O., -jes.
Mudde, V., mudden.
Mudszak, M., -zakken.
Muf, muffer, mufst.
Muffen, mufte, heeft gemuft.
Muffig, muffiger, muffigst.
Muffigheid, V.
Mufheid, V.
Mug, V., muggen. Mugje, O., -jes.
Muggebeet, M., -beten.
Muggendoek, O., -doeken.
Muggengegons, O.
Muggenziften, muggenzifte, heeft gemuggenzift.
Muggenzifter, M., -zifters.
Muggenzifterij, V., -zifterijen.
Muggesteek, M., -steken.
Muil (dier), M., muilen.
Muil (bek), M., muilen.
Muil (schoeisel), V., muilen. Muiltje, O., -jes.
Muilband, M., -banden.
Muilbanden, muilbandde, heeft gemuilband.
Muildier, O., -dieren.
Muildierdrijver, M., -drijvers.
Muilezel, M., -ezels.
Muilkorf, M., -korven.
Muilpeer, V., -peren.
Muis, V., muizen. Muisje, O., -jes.
Muisgrauw.
Muisje (suikergebak en aardappel), O., -jes.
Muiskat, V., -katten.
Muisstil, -stille.
Muisvaal, -vale.
Muit en Muite, V., muiten.
Muiteling, M. en V., muitelingen.
Muiten, muitte, heeft gemuit.
Muiter, M., muiters.
Muiterij, V., muiterijen.
Muitziek, -zieker, -ziekst.
Muitzucht, V.
Muizen, muisde, heeft gemuisd.
Muizendrek, M.
Muizengat, O., -gaten.
Muizengerst, V.
Muizenis, V., muizenissen.
Muizenkeutel, V., -keutels; -keuteltje, O., -jes.
Muizenmaaltijd, M., -maaltijden.
Muizennest, O., -nesten.
Muizenoor, O.
Muizentarwe, V.
Muizenval, V., -vallen.
Muizenvanger, M., -vangers.
Muizestaart, M., -staarten.
Muizetand, M., -tanden.
Muizevel, O., -vellen.
Muizing, V., muizings.
Mul, V.
Mul, muller, mulst.
Mulat, M., mulatten.
Mulattin, V., mulattinnen.
Mulheid, V.
Mullen, mulde, is en heeft gemuld.
Mullig, mulliger, mulligst.
Mulligheid, V.
Mummelen, mummelde, heeft gemummeld.
Mummie, V., mummiën en mummies.
Munitie, V.
Munnik. Zie Monnik.
Munt (geld en muntplaats), V., munten. Muntje, O., -jes.
Munt (kruid), V.
Muntbiljet, O., -biljetten.
Muntboek, O., -boeken.
Muntconferentie, V., -conferenties.
Munten (geldslaan), muntte, heeft gemunt.
Munten (doelen), muntte, heeft gemunt.
Muntenkabinet, O., -kabinetten.
Munter, M., munters.
Muntgasmeter, M., -meters.
Munting, V., muntingen.
Muntloon, O.
Muntmateriaal, O.
Muntmeester, M., -meesters.
Muntmeter, M., -meters.
Muntrecht, O.
Muntslag, M.
Muntsoort, V., -soorten.
Muntspecie, V., -speciën.
Muntstelsel, O., -stelsels.
Muntstempel, M., -stempels.
Munt-unie, V. (De Latijnsche -).
Muntvoet, M.
Muntvoorraad, M.
Muntwezen, O.
Muren, muurde, heeft gemuurd.
Murf, V., murven.
Murik, V.
Murmelen, murmelde, heeft gemurmeld.
Murmureerder, M., murmureerders.
Murmureeren, murmureerde, heeft gemurmureerd.
Murmureering, V., murmureeringen.
Murw, murwer, murwst.
Murwen, murwde, heeft en is gemurwd.
Musch en Mosch, V., musschen en mosschen. Muschje en moschje, O., -jes.
Muscus, V.
Muscusdier, O., -dieren.
Muscusgeur, M.
Museum, O., museums, musea en museën.
Musiceeren, musiceerde, heeft gemusiceerd.
Musicus, M., musici.
Muskaat (wijn), M.
Muskaatnoot, V., -noten.
Muskaatwijn, M.
Muskadel, V., muskadellen.
Musket, O., musketten. Musketje, O., -jes.
Musketier, M., musketiers.
Musketkogel, M., -kogels.
Musketvuur, O.
Muskiet, M., muskieten.
Muskietennet, O.
Musschenhagel, M.
Musschennest, O., -nesten.
Musscheveer, V., -veeren.
Mutatie, V., mutatiën en mutaties.
Muts, V., mutsen. Mutsje, O., -jes.
Mutsaard en Mutserd, M., mutsaards en mutserds.
Mutsebol, M., -bollen.
Mutsenlint, O.
Mutsenmaakster, V., -maaksters.
Mutsenstijfster, V., -stijfsters.
Mutsenwaschster, V., -waschsters.
Mutsje (maat), O., -jes.
Muur, M., muren. Muurtje, O., -jes.
Muur (murik, kruid), V.
Muurbloem, V., -bloemen.
Muurplaat, V., -platen.
Muze, V., Muzen.
Muzelman, M., Muzelmannen.
Muzenzoon, M., -zonen.
Muziek, V.
Muziekavondje, O., -avondjes.
Muziekboek, O., -boeken.
Muziekcorps, O., -corpsen. Ook wel Muziekkorps, O., -korpsen.
Muziekdoos, V., -doozen.
Muziekfeest, O., -feesten.
Muziekgezelschap, O., -gezelschappen.
Muziekinstrument, O., -instrumenten.
Muziekles, V., -lessen.
Muzieklessenaar, M., -lessenaars.
Muziekliefhebber, M., -liefhebbers.
Muzieknoot, V., -noten.
Muziekmeester, M., -meesters.
Muziekpapier, O.
Muziekschool, V., -scholen.
Muziekstuk, O., -stukken.
Muziektent, V., -tenten.
Muziekuitvoering, V., -uitvoeringen.
Muzikaal, muzikaler, muzikaalst.
Muzikant, M., muzikanten. Muzikantje, O., -jes.
Myoop.
Myopie, V.
Myriade, V., myriaden.
Myriagram, O., myriagrammen.
Myriameter, M., myriameters.
Myrrhe. Zie Mirre.
Mysterie, O., mysteriën en mysteries.
Mysteriespel, O., -spelen.
Mysterieus, mysterieuzer, mysterieust.
Mysticisme, O.
Mystiek, V.
Mystiek, mystieker, mystiekst.
Mystificatie, V., mystificatiën en mystificaties.
Mystificeeren, mystificeerde, heeft gemystificeerd.
Mythe, V., mythen.
Mythisch.
Mythologie, V., mythologieën.
Mythologisch.
Mytholoog, M., mythologen.
N
N, V., n's.
Na.
Na, nader, naast.
Naäapster, V., -äapsters.
Naad, M., naden. Naadje, O., -jes.
Naaf, V., naven.
Naaibank, V., -banken.
Naaibout, M., -bouten.
Naaidoos, V., -doozen.
Naaien, naaide, heeft genaaid.
Naaigaren, O.
Naaikamer, V., -kamers.
Naaikistje, O., -jes.
Naaikussen, O., -kussens; -kussentje, O., -jes.
Naaimachine, V., -machines.
Naaimand, V., -manden; -mandje, O., -jes.
Naaimeisje, O., -jes.
Naainaald, V., -naalden.
Naaischool, V., -scholen; -schooltje, O., -jes.
Naaister, V., naaisters. Naaistertje, O., -jes.
Naaitafel, V., -tafels; -tafeltje, O., -jes.
Naaiwerk, O.
Naaiwinkel, M., -winkels.
Naaizak, M., -zakken.
Naaizijde, V.
Naakt, naakter, naaktst.
Naaktheid, V.
Naald, V., naalden. Naaldje, O., -jes.
Naaldboom, M., -boomen.
Naaldenboekje, O., -boekjes.
Naaldenfabriek, V., -fabrieken.
Naaldengeld, O.
Naaldenkoker, M., -kokers.
Naaldenoog, O.
Naaldenwerk, O.
Naaldenwinkel, M., -winkels.
Naaldgeweer, O., -geweren.
Naaldhout, O.
Naam, M., namen. Naampje, O., -jes.
Naambord, O., -borden; -bordje, O., -jes.
Naamchristen, M., -christenen.
Naamcijfer, O., -cijfers.
Naamdag, M., -dagen.
Naamgenoot, M., -genooten. V. ook naamgenoote.
Naamgeving, V.
Naamkaartje, O., -kaartjes.
Naamloos (zonder naam), -looze.
Naamloosheid, V.
Naamlijst, V., -lijsten.
Naamstempel, M., -stempels.
Naamsverandering, V., -veranderingen.
Naamval, M., -vallen.
Naamvalsuitgang, M., -uitgangen.
Naamwoord, O., -woorden.
Naäpen, aapte na, heeft nageaapt.
Naäper, M., -äpers.
Naäperij, V., -äperijen.
Naäping, V., -äpingen.
Naar, naarder, naarst.
Naar (voorz.).
Naardien.
Naargeestig, -geestiger, -geestigst.
Naargeestigheid, V.
Naarheid, V., -heden.
Naarmate (voegw.).
Naars. Zie Aars.
Naarstig, naarstiger, naarstigst.
Naarstigheid, V.
Naarstiglijk.
Naast.
Naastbestaande, M. en V., -bestaanden.
Naaste, M. en V., naasten.
Naaste (Ten naaste bij).
Naasten, naastte, heeft genaast.
Naasting, V., naastingen.
Nababbelen, babbelde na, heeft nagebabbeld.
Nabassen, baste na, heeft nagebast.
Nabauwen, bauwde na, heeft nagebauwd.
Nabauwer, M., -bauwers.
Naberouw, O.
Nabeurs, V.
Nabestaande, M. en V., -bestaanden.
Nabetrachting, V., -betrachtingen.
Nabij (bijw.).
Nabijgelegen.
Nabijheid, V.
Nabijzijnd.
Nablaffen, blafte na, heeft nageblaft.
Nablijven, bleef na, bleven na, is nagebleven.
Nablijver, M., -blijvers.
Nabloeden, bloedde na, heeft nagebloed.
Nabloeien, bloeide na, heeft nagebloeid.
Nabloeier, M., -bloeiers.
Nabootsen, bootste na, heeft nagebootst.
Nabootser, M., -bootsers.
Nabootsing, V., -bootsingen.
Nabrengen, bracht na, heeft nagebracht.
Nabroodje, O., -jes.
Nabrullen, brulde na, heeft nagebruld,
Naburig, -buriger, -burigst.
Nabuur, M., -buren. Nabuurtje, O., -jes.
Nabuurschap, V.
Nacht, M., nachten. Nachtje, O., -jes.
Nachtarbeid, M.
Nachtblaker, M., -blakers.
Nachtboot, V., -booten.
Nachtbraken, nachtbraakte, heeft genachtbraakt.
Nachtbraken, O.
Nachtbraker, M., -brakers.
Nachtbroek, V., -broeken.
Nachtdoek, M., -doeken.
Nachtdienst, M.
Nachtegaal, M., nachtegalen en nachtegaals. Nachtegaaltje, O., -jes.
Nachtegaalsnest, O., -nesten.
Nachtegaalsslag, M.
Nachtegaalsstem, V., -stemmen.
Nachtegaalstoon, M., -tonen.
Nachtelijk.
Nachtevening, V.
Nachtgerucht, O.
Nachtgewaad, O., -gewaden.
Nachtglas, O., -glazen.
Nachtgoed, O.
Nachthemd, O., -hemden.
Nachthuisje, O., -huisjes.
Nachtjapon, V., -japonnen. Zie ook Nachtpon.
Nachtkaars, V., -kaarsen.
Nachtkwartier, O., -kwartieren.
Nachtlamp, V., -lampen; -lampje, O., -jes.
Nachtlicht, O. Nachtlichtje, O., -jes.
Nachtlijst, V., -lijsten,
Nachtlooper, M., -loopers.
Nachtlucht, V.
Nachtmaal, O.
Nachtmaalganger, M., -gangers.
Nachtmaalsbeker, M., -bekers.
Nachtmaalsbrood, O.
Nachtmaalstafel, V., -tafels.
Nachtmerrie, V., -merries.
Nachtmuts, V., -mutsen.
Nachtpitje, O., -jes.
Nachtpon, V., -ponnen; -ponnetje, O., -jes.
Nachtraaf, M., -raven.
Nachtroofvogel, M., -vogels.
Nachtrust, V.
Nachtschade, V.
Nachtschuit, V., -schuiten.
Nachtsein, O., -seinen.
Nachtslot, O.
Nachtspiegel, M., -spiegels.
Nachttafeltje, O., -tafeltjes.
Nachttrein, M., -treinen.
Nachtuil, M., -uilen.
Nachtverblijf, O., -verblijven.
Nachtvlinder, M., -vlinders.
Nachtvogel, M., -vogels.
Nachtvorst, V., -vorsten.
Nachtwacht (wachter), M.; (het wachthouden en de gezamenlijke wachters), V., -wachten.
Nachtwaker, M., -wakers.
Nachtwerk, O.
Nachtwerken, nachtwerkte, heeft genachtwerkt.
Nachtwerker, M., -werkers.
Nachtwind, M.
Nachtzoen, M., -zoenen.
Nacijferen, cijferde na, heeft nagecijferd.
Nadag, M., -dagen.
Nadansen, danste na, heeft nagedanst.
Nadat.
Nadeel, O., -deelen. Nadeeltje, O., -jes.
Nadeelig, -deeliger, -deeligst.
Nademaal.
Nadenken, dacht na, heeft nagedacht.
Nadenkend, -denkender, -denkendst.
Nader. Zie Na.
Naderbij.
Naderen, naderde, is genaderd.
Naderhand.
Nadering, V., naderingen.
Nadezen.
Nadir, O.
Nadoen, deed na, deden na, heeft nagedaan.
Nadoener, M., -doeners.
Nadorst, M.
Nadragen, droeg na, heeft nagedragen.
Nadraven, draafde na, heeft en is nagedraafd.
Nadruk (nagedrukt boek), M., -drukken. Nadrukje, O., -jes.
Nadruk (het nadrukken), M.
Nadruk (klem), M.
Nadrukkelijk, -lijker, -lijkst.
Nadrukken, drukte na, heeft nagedrukt.
Nadweilen, dweilde na, heeft nagedweild.
Naëten, at na, aten na, heeft nagegeten.
Nafluiten, floot na, floten na, heeft nagefloten.
Nagaan, gaat na, ging na, heeft en is nagegaan.
Nagalm, M.
Nageboorte, V., -geboorten.
Nagebuur, M., -geburen.
Nagel (aan het lichaam), M., nagels en nagelen. Nageltje, O., -jes.
Nagelbank, V., -banken.
Nagelbed, O.
Nagelbijter, M., -bijters.
Nagelbloem, V., -bloemen.
Nagelborstel, M., -borstels; -borsteltje, O., -jes.
Nagelen, nagelde, heeft genageld.
Nagelhout (rookvleesch), O.
Nagelijzer, O., -ijzers.
Nagelkruid, O.
Nagelolie, V.
Nagelvast.
Nagelvijltje, O., -jes.
Nagelwortel (stofnaam), V.
Nagenoeg.
Nagerecht, O., -gerechten.
Nageslacht, O., -geslachten.
Nageven, gaf na, gaven na, heeft nagegeven.
Nagezang, O., -gezangen.
Nagieten, goot na, goten na, heeft nagegoten.
Nagisten, gistte na, heeft nagegist.
Nagluren, gluurde na, heeft nagegluurd.
Nagooien, gooide na, heeft nagegooid.
Nagras, O.
Naherfst, M.
Nahollen, holde na, heeft en is nagehold.
Nahooi, O.
Nahouden, hield na, heeft nagehouden.
Naïef, naïever, naïefst.
Naijlen, ijlde na, is nageijld.
Naijver, M.
Naijverig, -ijveriger, -ijverigst.
Naïveteit, V., naïveteiten.
Najaar, O., -jaren.
Najaarsblad, O., -bladen en -bladeren.
Najaarsbloem, V., -bloemen; -bloempje, O., -jes.
Najaarskoorts, V., -koortsen.
Najaarsloover, O.
Najaarsmis, V., -missen.
Najaarsopruiming, V., -opruimingen.
Najaarsregen, M., -regens.
Najaarsreis, V., -reizen.
Najaarsveiling, V., -veilingen.
Najaarsvergadering, V., -vergaderingen.
Najaarsweder en -weer, O.
Najaarszon, V.
Najade, V., najaden
Najagen, jaagde na, heeft nagejaagd; ook joeg na.
Najager, M., -jagers.
Najouwen, jouwde na, heeft nagejouwd.
Naken, naakte, is genaakt.
Nakermis, V., -kermissen.
Nakijken, keek na, keken na, heeft nagekeken.
Nakind, O., -kinderen.
Naking, V.
Naklank, M.
Naklauteren, klauterde na, is nageklauterd.
Naklimmen, klom na, klommen na, is nageklommen.
Naklinken, klonk na, heeft nageklonken.
Nakomeling, M. en V., -komelingen. V. ook nakomelinge.
Nakomelingschap, V.
Nakomen, komt na, kwam na, kwamen na, is nagekomen.
Nakomer, M., -komers; -komertje, O., -jes.
Nakoming, V.
Nakoop, M.
Nakroost, O.
Nakruipen, kroop na, kropen na, heeft en is nagekropen.
Nalaten, liet na, heeft nagelaten.
Nalatenschap, V., -schappen.
Nalatig, -latiger, -latigst.
Nalatigheid, V.
Nalating, V.
Nalekken, lekte na, heeft nagelekt.
Naleven, leefde na, heeft nageleefd.
Naleving, V.
Nalezen, las na, lazen na, heeft nagelezen.
Nalezing, V., -lezingen. Nalezinkje, O., -jes.
Nalikken, likte na, heeft nagelikt.
Naloop, M.
Naloopen, liep na, heeft en is nageloopen.
Nalooper, M., -loopers.
Nalooping, V.
Naloopster, V., -loopsters.
Namaag, M. en V., -magen.
Namaagschap (namagen), V.; (vermaagschapping), O.
Namaaien, maaide na, heeft nagemaaid.
Namaaisel, O., -maaisels.
Namaak, V. Namaakje, O., -jes.
Namaaksel, O., -maaksels. Namaakseltje, O., -jes.
Namaakster, V., -maaksters.
Namaals.
Namaken, maakte na, heeft nagemaakt.
Namaker, M., -makers.
Namaking, V., -makingen.
Namalen (molenaarsterm), maalde na, heeft nagemalen.
Namarkt, V.
Namelijk.
Nameloos (onnoemelijk), -looze.
Nameloosheid, V.
Namens.
Nameten, mat na, maten na, heeft nagemeten.
Namiddag, M., -middagen. Namiddagje, O., -jes.
Namiddagpreek, V., -preeken.
Namiddaguur, O., -uren.
Namis, V., -missen.
Nanacht, M., -nachten.
Naneef, M., -neven.
Nanking, O.
Naoogen, oogde na, heeft nageoogd.
Naooging, V.
Naoogst, M.
Naoogsten, oogstte na, heeft nageoogst.
Nap, M., nappen. Napje, O., -jes.
Napeinzen, peinsde na, heeft nagepeinsd.
Naphtha, V.
Napleiten, pleitte na, heeft nagepleit.
Naploegen, ploegde na, heeft nageploegd.
Napluizen, ploos na, plozen na, heeft nageplozen.
Napluizer, M., -pluizers.
Napluizing, V., -pluizingen.
Napok, V., -pokken. Napokje, O., -jes.
Napraat, M.
Napraten, praatte na, heeft nagepraat.
Naprater, M., -praters.
Napret, V. Napretje, O., -jes.
Nar, M., narren.
Narcis, V., narcissen. Narcisje, O., -jes.
Narcissenbed, O., -bedden.
Narcose, V.
Narcotisch.
Nardus, V.
Nardusgeur, M.
Narede, V., -redenen.
Nareizen, reisde na, heeft en is nagereisd.
Narekenen, rekende na, heeft nagerekend.
Narekening, V., -rekeningen.
Narennen, rende na, is nagerend.
Naricht, O.
Narigheid, V., -heden.
Narijden, reed na, reden na, heeft en is nagereden.
Naroep, M.
Naroepen, riep na, heeft nageroepen.
Narren. Zie Arren.
Narrenkap, V., -kappen.
Narreslede. Zie Arreslede.
Narrig, narriger, narrigst.
Narrigheid, V., -heden.
Narwal, M., narwals en narwallen.
Nasaal, nasale.
Nasaal, V., nasalen.
Nasaleering, V.
Naschetsen, schetste na, heeft nageschetst.
Naschilderen, schilderde na, heeft nageschilderd.
Naschouw, V.
Naschouwen, schouwde na, heeft nageschouwd.
Naschreeuwen, schreeuwde na, heeft nageschreeuwd.
Naschrift, O., -schriften; -schriftje, O., -jes.
Naschrijven, schreef na, schreven na, heeft nageschreven.
Naschrijver, M., -schrijvers.
Naseinen, seinde na, heeft nageseind.
Naseining, V.
Naslaan, slaat na, sloeg na, heeft nageslagen.
Naslag, M., -slagen.
Nasleep, M.
Nasleepen (bedr.), sleepte na, heeft nagesleept.
Naslepen (onz.), sleepte na, heeft nagesleept.
Nasluipen, sloop na, slopen na, is nageslopen.
Nasmaak, M., -smaken. Nasmaakje, O., -jes.
Nasmijten, smeet na, smeten na, heeft nagesmeten.
Nasnede, V., -sneden.
Nasnuffelaar, M., -snuffelaars.
Nasnuffelen, snuffelde na, heeft nagesnuffeld.
Nasnuffeling, V., -snuffelingen.
Nasopje, O., -jes.
Naspel, O., -spelen. Naspelletje, O., -jes.
Naspelen, speelde na, heeft nagespeeld.
Naspellen, spelde na, heeft nagespeld.
Naspeuren, speurde na, heeft nagespeurd.
Naspeuring, V., -speuringen.
Naspeurlijk.
Naspoelen, spoelde na, heeft nagespoeld.
Naspoeling, V.
Nasporen (onderzoeken), spoorde na, heeft nagespoord.
Nasporen (met den spoorwagen narijden), spoorde na, is nagespoord.
Nasporing, V., -sporingen.
Naspringen, sprong na, is nagesprongen.
Naspui, O.
Nastappen, stapte na, heeft en is nagestapt.
Nastaren, staarde na, heeft nagestaard.
Nastormen, stormde na, heeft en is nagestormd.
Nastreven, streefde na, heeft en is nagestreefd.
Nastuiven, stoof na, stoven na, is nagestoven.
Nastuk, O., -stukken. Nastukje, O., -jes.
Nasturen, stuurde na, heeft nagestuurd.
Nasukkelen, sukkelde na, is nagesukkeld.
Nat, natter, natst.
Nat, O. Natje, O.
Natafelen, tafelde na, heeft nagetafeld.
Nateekenen, teekende na, heeft nageteekend.
Nateekening, V.
Natellen, telde na, heeft nageteld.
Natelling, V.
Nater, V., naters.
Nateren, teerde na, heeft nageteerd.
Nathals, M. en V., -halzen. Nathalsje, O., -jes.
Natheid, V.
Natie, V., natiën en naties.
Natievlag, V., -vlaggen.
Natijd, M.
Nationaal, nationale.
Nationaliteit, V., nationaliteiten.
Nationaliteitsgevoel, O.
Natorsen, torste na, heeft nagetorst.
Natrachten, trachtte na, heeft nagetracht.
Natred, M.
Natreden, trad na, traden na, heeft en is nagetreden.
Natrekken, trok na, trokken na, heeft en is nagetrokken.
Natrium, O.
Natten, natte, heeft genat.
Nattig, nattiger, nattigst.
Nattigheid, V.
Naturalisatie, V., naturalisatiën en naturalisaties.
Naturaliseeren, naturaliseerde, heeft genaturaliseerd.
Naturalisme, O.
Naturelletje, O., -jes.
Naturen, tuurde na, heeft nagetuurd.
Natuur, V., naturen.
Natuurbeschouwer, M., -beschouwers.
Natuurbeschrijving, V., -beschrijvingen.
Natuurboter, V.
Natuurdienst, M.
Natuurdrift, V.
Natuurgenoot, M., -genooten.
Natuurgenoote, V., -genooten.
Natuurkennis, V.
Natuurkracht, V., -krachten.
Natuurkunde, V.
Natuurkundig.
Natuurkundige, M. en V., -kundigen.
Natuurlijk, -lijker, -lijkst.
Natuurlijkerwijze.
Natuurlijkheid, V.
Natuurmensch, M., -menschen.
Natuuronderzoeker, M., -onderzoekers.
Natuurproduct, O., -producten.
Natuurrecht, O.
Natuurstaat, M.
Natuurverschijnsel, O., -verschijnselen.
Natuurvoortbrengsel, O., -voortbrengselen.
Natuurwet, V., -wetten.
Natuurwetenschap, V., -wetenschappen.
Nautiek, V.
Nauw, nauwer, nauwst.
Nauwelijks.
Nauwgezet, -gezetter, -gezetst.
Nauwgezetheid, V.
Nauwheid, V.
Nauwkeurig, -keuriger, -keurigst.
Nauwkeurigheid, V.
Nauwlettend, -lettender, -lettendst.
Nauwlettendheid, V.
Nauwnemend, -nemender, -nemendst.
Nauwnemendheid, V.
Nauwte, V.
Navel, M., navels. Naveltje, O., -jes.
Navelband, M., -banden; -bandje, O., -jes.
Navelbreuk, V., -breuken.
Navelmerk, O., -merken.
Navelstreng, V., -strengen.
Naverhalen, verhaalde na, heeft naverhaald.
Navertellen, vertelde na, heeft naverteld.
Naverwant, M., -verwanten.
Naverwantschap, V.
Navloed, M.
Navloeien, vloeide na, heeft nagevloeid.
Navloeiing, V., -vloeiingen.
Navloeken, vloekte na, heeft nagevloekt.
Navluchten, vluchtte na, is nagevlucht.
Navoeren, voerde na, heeft nagevoerd.
Navolgbaar, -bare.
Navolgen, volgde na, heeft nagevolgd.
Navolgend.
Navolgenswaardig, -waardiger, -waardigst, of meer en meest -waardig.
Navolger, M., -volgers.
Navolging, V., -volgingen.
Navolgster, V., -volgsters.
Navorschen, vorschte na, heeft nagevorscht.
Navorscher, M., -vorschers.
Navorsching, V., -vorschingen.
Navraag, V.
Navragen, vraagde na, heeft nagevraagd; ook vroeg na.
Navrucht, V., -vruchten.
Nawee, O., -weeën.
Nawegen, woog na, wogen na, heeft nagewogen.
Naweging, V.
Naweide, V.
Nawerken, werkte na, heeft nagewerkt.
Nawerking, V.
Nawerpen, wierp na, heeft nageworpen.
Naweven, weefde na, heeft nageweven.
Nawijn, M.
Nawijzen, wees na, wezen na, heeft nagewezen.
Nawinter, M., -winters. Nawintertje, O., -jes.
Nazaaien, zaaide na, heeft nagezaaid.
Nazaat, M., -zaten.
Nazamelen, zamelde na, heeft nagezameld.
Nazang, M., -zangen.
Nazeggen, zeide na, heeft nagezegd en nagezeid.
Nazegger, M., -zeggers.
Nazeilen, zeilde na, is nagezeild.
Nazenden, zond na, heeft nagezonden.
Nazending, V.
Nazetten, zette na, heeft nagezet.
Nazien, zag na, zagen na, heeft nagezien.
Nazingen, zong na, heeft nagezongen.
Nazitten, zat na, zaten na, heeft nagezeten.
Nazoeken, zocht na, heeft nagezocht.
Nazomer, M., -zomers. Nazomertje, O., -jes.
Nazorg, V., -zorgen.
Neb en Nebbe, V., nebben. Nebje en nebbetje, O., -jes.
Nebbeling (nebaal), M., nebbelingen. Als stofnaam, V.
Necrologie, V., necrologieën.
Necroloog, M., necrologen.
Nectar, M.
Nectarteug, V., -teugen.
Neder en Neer. (Zoo ook in de meeste samenstellingen).
Neder-Betuwe, V.
Nederbiggelen, biggelde neder, is nedergebiggeld.
Nederbliksemen, bliksemde neder, heeft nedergebliksemd.
Nederbonzen, bonsde neder, heeft en is nedergebonsd.
Nederbrengen, bracht neder, heeft nedergebracht.
Nederbuigen, boog neder, bogen neder, heeft en is nedergebogen.
Nederbuigend, -buigender, -buigendst.
Nederbuigendheid, V.
Nederbukken, bukte neder, heeft en is nedergebukt.
Nederdalen, daalde neder, is nedergedaald.
Nederdaling, V., -dalingen.
Nederdonderen, donderde neder, is en heeft nedergedonderd.
Nederdringen, drong neder, heeft nedergedrongen.
Nederdruipen, droop neder, dropen neder, is nedergedropen.
Nederdrukken, drukte neder, heeft nedergedrukt.
Nederduiken, dook neder, doken neder, is nedergedoken.
Nederduitsch.
Nederduitsch, O.
Nederduitscher, M., -duitschers.
Nederduwen, duwde neder, heeft nedergeduwd.
Nederflansen, flanste neder, heeft nedergeflanst.
Nedergaan, gaat neder, ging neder, is nedergegaan.
Nederglijden, gleed neder, gleden neder, is nedergegleden.
Nedergolven, golfde neder, is nedergegolfd.
Nedergooien, gooide neder, heeft nedergegooid.
Nederhagelen, hagelde neder, is nedergehageld.
Nederhalen, haalde neder, heeft nedergehaald.
Nederhaler. Zie Neerhaler.
Nederhangen, hing neder, heeft nedergehangen.
Nederhellen, helde neder, heeft nedergeheld.
Nederhelling, V.
Nederhouwen, hieuw neder, heeft nedergehouwen.
Nederhurken, hurkte neder, is nedergehurkt.
Nederig, nederiger, nederigst.
Nederigheid, V.
Nederkammen, kamde neder, heeft nedergekamd.
Nederkijken, keek neder, keken neder, heeft nedergekeken.
Nederkladden, kladde neder, heeft nedergeklad.
Nederknielen, knielde neder, heeft en is nedergeknield.
Nederknieling, V.
Nederkomen, komt neder, kwam neder, kwamen neder, is nedergekomen.
Nederkrijgen, kreeg neder, kregen neder, heeft nedergekregen.
Nederlaag, V., -lagen. Nederlaagje, O., -jes.
Nederland, O., -landen.
Nederlander, M., -landers.
Nederlanderschap, O.
Nederlandsch.
Nederlandsch, O.
Nederlaten, liet neder, heeft nedergelaten.
Nederlating, V.
Nederleggen, legde en leide neder, heeft nedergelegd en nedergeleid.
Nederliggen, lag neder, lagen neder, heeft nedergelegen.
Nederloopen, liep neder, heeft en is nedergeloopen.
Nederpersen, perste neder, heeft nedergeperst.
Nederploffen, plofte neder, is en heeft nedergeploft.
Nederplompen, plompte neder, is nedergeplompt.
Nederplonzen, plonsde neder, heeft en is nedergeplonsd.
Neder-Rijn, M.
Nederrollen, rolde neder, is nedergerold.
Nedersabelen, sabelde neder, heeft nedergesabeld.
Nedersaksisch.
Nedersaksisch, O.
Nederschieten, schoot neder, schoten neder, heeft en is nedergeschoten.
Nederschijnen, scheen neder, schenen neder, heeft nedergeschenen.
Nederschrijven, schreef neder, schreven neder, heeft nedergeschreven.
Nederschuiven, schoof neder, schoven neder, heeft en is nedergeschoven.
Nedersijpelen, sijpelde neder, is nedergesijpeld.
Nederslaan, sloeg neder, heeft en is nedergeslagen.
Nederslag. Zie Neerslag.
Nedersmakken, smakte neder, heeft en is nedergesmakt.
Nedersmijten, smeet neder, smeten neder, heeft nedergesmeten.
Nederspringen, sprong neder, is nedergesprongen.
Nederstampen, stampte neder, heeft nedergestampt.
Nederstooten, stiet neder, heeft nedergestooten; ook stootte neder.
Nederstormen, stormde neder, heeft en is nedergestormd.
Nederstorten, stortte neder, heeft en is nedergestort.
Nederstorting, V.
Nederstrekken, strekte neder, heeft nedergestrekt.
Nederstrijken, streek neder, streken neder, heeft en is nedergestreken.
Nederstroomen, stroomde neder, is nedergestroomd.
Nederstuiven, stoof neder, stoven neder, is nedergestoven.
Nedertrappen, trapte neder, heeft nedergetrapt.
Nedertrekken, trok neder, trokken neder, heeft nedergetrokken.
Nedertuimelen, tuimelde neder, is nedergetuimeld.
Nederval, M.
Nedervallen, viel neder, is nedergevallen.
Nedervellen, velde neder, heeft nedergeveld.
Nedervliegen, vloog neder, vlogen neder, is nedergevlogen.
Nedervlijen, vlijde neder, heeft nedergevlijd.
Nedervloeien, vloeide neder, is nedergevloeid.
Nederwaarts (bijw.).
Nederwaartsch (bnw.).
Nederwerpen, wierp neder, heeft nedergeworpen.
Nederwerping, V.
Nederzetten, zette neder, heeft nedergezet.
Nederzetting, V., -zettingen.
Nederzien, zag neder, zagen neder, heeft nedergezien.
Nederzijgen, zeeg neder, zegen neder, is nedergezegen.
Nederzinken, zonk neder, is nedergezonken.
Nederzitten, zat neder, zaten neder, heeft nedergezeten.
Nederzweven, zweefde neder, is nedergezweefd.
Neef, M., neven. Neefje, O., -jes.
Neefje (mugje), O., -jes.
Neefschap, O.
Neen (tusschenw.). Als znw., O.
Neep, V., nepen. Neepje, O., -jes.
Neepjeskapje, O., -jes.
Neepjesmuts, V., -mutsen; -mutsje, O., -jes.
Neer, V.
Neer. Zie Neder.
Neerhaal, M., -halen.
Neerhaler, M., -halers.
Neerslachtig, -slachtiger, -slachtigst.
Neerslachtigheid, V.
Neerslag (het nederslaan), M.
Neerslag (rustbed), V., -slagen.
Neerslag (bezinksel), O., -slagen.
Neet (luizenei), V., neten. Neetje, O., -jes.
Neet, ook Niet (klinknageltje), V., neeten. Neetje, O., -jes.
Neeten, ook Nieten (klinken), neette, heeft geneet.
Neetoor, M. en V., -ooren.
Neffens.
Neg en Negge, V., neggen.
Negatie, V., negatiën en negaties.
Negatief, negatieve.
Negatief (in de photographie), O., negatieven.
Negeeren, negeerde, heeft genegeerd.
Negen (telwoord). Als znw., V., negens. Negentje, O., -jes.
Negendaagsch.
Negende.
Negendehalf, -halve.
Negenderhande.
Negenderlei.
Negenduizendste.
Negenhonderd.
Negenmaal.
Negenoog, V., -oogen; -oogje, O., -jes.
Negenponder, M., -ponders.
Negentallig.
Negentien.
Negentig.
Negenwerf.
Neger, M., negers. Negertje, O., -jes.
Negerbevolking, V.
Negeren, negerde, heeft genegerd.
Negerhut, V., -hutten.
Negerin, V., negerinnen.
Negerland, O.
Negerslaaf, M., -slaven.
Negge. Zie Neg.
Négligé, O.
Negorij, V., negorijen.
Negotiatie, V., negotiatiën en negotiaties.
Negotie, V., negotiën en negoties.
Negotieeren, negotieerde, heeft genegotieerd.
Negotiepenning, M., -penningen.
Neigen, neigde, heeft geneigd.
Neiging (begeerte), V., neigingen.
Nek, M., nekken. Nekje, O., -jes.
Nekken, nekte, heeft genekt.
Nekslag, M.
Nekvel, O.
Nel, V., nellen.
Nemen, nam, namen, heeft genomen.
Nemesis, V.
Neologie, V.
Neologisme, O., neologismen.
Neoloog, M., neologen.
Nephritis, V.
Nepotisme, O.
Neppe (ook Nippe), V.
Nereïde, V., nereïden.
Nerf, V.
Nergens.
Nering, V., neringen.
Neringdoende, M. en V., -doenden.
Neringloos, -looze.
Nerveus, nerveuzer, nerveust.
Nervig.
Nervositeit, V.
Nes, V., nessen.
Nest, O., nesten. Nestje, O., -jes.
Nestei, O., -eieren.
Nestel, M., nestels en nestelen. Nesteltje, O., -jes.
Nestelen (toerijgen enz.), nestelde, heeft genesteld.
Nestelen (een nest maken), nestelde, heeft genesteld.
Nesteling (dier), M., nestelingen.
Nesteling, V., nestelingen.
Nestel-lakei, M., -lakeien.
Nesterij, V., nesterijen. Nesterijtje, O., -jes.
Nestig, nestiger, nestigst.
Nestigheid, V., -heden.
Nestkuiken, O., -kuikens.
Nestvederen (mv.), V.
Net, O., netten. Netje, O., -jes.
Net (netschrift), O.
Net, netter, netst.
Net (bijw.).
Netbord, O., -borden.
Netel, V., netels en netelen. Neteltje, O., -jes.
Netelachtig, -achtiger, -achtigst.
Netelachtigheid, V.
Neteldoek, O.
Neteldoeksch.
Netelig, neteliger, neteligst.
Neteligheid, V.
Netelroos, V.
Netheid, V.
Netjes.
Netschrift, O.
Netten, nette, heeft genet.
Nettenboeter, M., -boeters.
Nettenbreien, O.
Nettenbreier, M., -breiers.
Nettenknoopen, O.
Nettenknooper, M., -knoopers.
Nettigheid, V.
Netto.
Netto-winst, V.
Netvlies, O.
Neulen, neulde, heeft geneuld.
Neurasthenicus, M., neurasthenici.
Neurasthenie, V.
Neuriën, neuriede, heeft geneuried.
Neurose, V.
Neus, M., neuzen. Neusje, O., -jes.
Neusbeen, O.
Neusbloeding, V., -bloedingen.
Neusdoek, M., -doeken; -doekje, O., -jes.
Neusgat, O., -gaten.
Neusholte, V.
Neushoorn en Neushoren, M., -hoorns en -horens.
Neuskijker, M., -kijkers.
Neusklank, M., -klanken.
Neusknijper, M., -knijpers.
Neusstem, V., -stemmen.
Neusvleugel, M., -vleugels.
Neuswijs, -wijze.
Neut, V., neuten.
Neutelaar, M., neutelaars.
Neutelarij, V., neutelarijen.
Neutelen, neutelde, heeft geneuteld.
Neutelig, neuteliger, neuteligst.
Neutraal, neutrale.
Neutraliseeren, neutraliseerde, heeft geneutraliseerd.
Neutraliteit, V.
Neutraliteitsverklaring, V.
Neuzelaar, M., neuzelaars.
Neuzelen, neuzelde, heeft geneuzeld.
Neuzen, neusde, heeft geneusd.
Nevel, M., nevels en nevelen. Neveltje, O., -jes.
Nevelachtig, -achtiger, -achtigst.
Nevelen, nevelde, heeft geneveld.
Nevelig, neveliger, neveligst.
Nevelvlek, V., -vlekken.
Nevens.
Nevensgaand.
Nicht, V., nichten. Nichtje, O., -jes.
Nicotine, V.
Nicotinevergiftiging, V.
Niemand.
Niemendal.
Nier, V., nieren. Niertje, O., -jes.
Nierbed, O.
Nierbroodje, O., -broodjes.
Niersteen, M., -steenen; -steentje, O., -jes.
Niervormig.
Nierziekte, V., -ziekten.
Nieskruid, O.
Niesmiddel, O., -middelen.
Nieswortel, V.
Niet (in de loterij), V., nieten. Nietje, O., -jes.
Niet (klinknageltje). Zie Neet.
Niet (niets), O.
Niet (stof), O.
Niet (bijw.).
Nieten (klinken). Zie Neeten.
Nietig, nietiger, nietigst.
Nietigheid, V., -heden.
Niets.
Nietsbeteekenend.
Nietswaardig.
Niettegenstaande.
Niettemin.
Nieuw, nieuwer, nieuwst.
Nieuwbakken.
Nieuwelijks.
Nieuweling, M. en V., nieuwelingen. V. ook nieuwelinge.
Nieuwemaan, V.
Nieuwerwets (bijw.).
Nieuwerwetsch (bnw.), -wetscher, meest -wetsch.
Nieuwgebonden.
Nieuwgebouwd.
Nieuwgemunt.
Nieuwgeverfd.
Nieuwgevormd.
Nieuwheid, V.
Nieuw-Holland, O.
Nieuwigheid, V., -heden. Nieuwigheidje, O., -jes.
Nieuwigheidsbejag, O.
Nieuwigheidszucht, V.
Nieuwjaar, O.
Nieuwjaarsbezoek, O., -bezoeken.
Nieuwjaarsbrief, M., -brieven.
Nieuwjaarsdag, M., -dagen.
Nieuwjaarsfooi, V., -fooien.
Nieuwjaarsgeschenk, O., -geschenken.
Nieuwjaarsgroet, M., -groeten.
Nieuwjaarskaart, V., -kaarten; -kaartje, O., -jes.
Nieuwjaarsmorgen, M., -morgens.
Nieuwjaarswensch, M., -wenschen.
Nieuwkoop, M.; -koopje, O.
Nieuwlichter, M., -lichters.
Nieuwlichterij, V.
Nieuwmodisch.
Nieuws, O.
Nieuwsbericht, O., -berichten.
Nieuwsgierig, -gieriger, -gierigst.
Nieuwsgierigheid, V.
Nieuwspapier, O., -papieren.
Nieuwstijding, V., -tijdingen.
Nieuwtje, O., -jes.
Niezen, niesde, heeft geniesd.
Nihilisme, O.
Nihilist, M., nihilisten.
Nihiliste, V., nihilisten.
Nijd, M.
Nijdas, M., nijdassen.
Nijdasserig.
Nijdig, nijdiger, nijdigst.
Nijdigaard, M., nijdigaards.
Nijdigheid, V.
Nijgen, neeg, negen, heeft genegen.
Nijging (buiging), V., nijgingen.
Nijnagel en Nijdnagel, M., -nagels. Nijnageltje, O., -jes.
Nijpen, neep, nepen, heeft genepen.
Nijper, M., nijpers. Nijpertje, O., -jes.
Nijptang, V., -tangen.
Nijver, nijverder, nijverst.
Nijverheid, V.
Nik, M., nikken.
Nikkel (onkruid), V.
Nikkel (metaal), O.
Nikkelen (bnw.).
Nikken, nikte, heeft genikt.
Nikker, M., nikkers. Nikkertje, O., -jes.
Niks.
Nimf, V., nimfen. Nimfje, O., -jes.
Nimfenstoet, M.
Nimmer.
Nimmermeer.
Nippe. Zie Neppe.
Nippen, nipte, heeft genipt.
Nippertje, O.
Nis, V., nissen. Nisje, O., -jes.
Niveau, O., niveau's.
Nivelleeren, nivelleerde, heeft genivelleerd.
Nobel, M., nobels en nobelen.
Nobel, nobeler, nobelst.
Noch (ook niet).
Nochtans.
Nocturne, V., nocturnes.
Noembaar, -bare.
Noemen, noemde, heeft genoemd.
Noemenswaardig, -waardiger, -waardigst, of meer en meest -waardig.
Noemer, M., noemers.
Noen, M.
Noenmaal, O.
Noest (ook oest), M., noesten.
Noest, noester.
Noesterig, noesteriger, noesterigst.
Noestheid, V.
Noestig, noestiger, noestigst.
Noestigheid, V.
Nog (daarenboven, tot nu toe).
Noga, V.
Nogal.
Nogataart, V., -taarten; -taartje, O., -jes.
Nogmaals.
Nok (snik), M., nokken. Nokje, O., -jes.
Nok (van het dak enz.), V., nokken. Nokje, O., -jes.
Nokbalk, M., -balken.
Nokken, nokte, heeft genokt.
Nomaden (mv.), M.
Nomadenleven, O.
Nomadenstam, M., -stammen.
Nomadisch.
Nomenclatuur, V., nomenclaturen.
Nominaal, nominale.
Nominalisme, O.
Nominalist, M., nominalisten.
Nominatie, V., nominatiën en nominaties.
Nommer en Nummer, O., nommers en nummers. Nommertje en nummertje, O., -jes.
Nommeren en Nummeren, nommerde, heeft genommerd.
Nommerijzer, O., -ijzers.
Nommering, V., nommeringen.
Nommervlag, V., -vlaggen.
Non, V., nonnen. Nonnetje, O., -jes; ook nonneken en nonneke, O., nonnekens en nonnekes.
Nonactief, nonactieve.
Nonactiviteit, V.
Nonactiviteits-traktement, O., -traktementen.
Nonchalance, V.
Nonchalant, nonchalanter, nonchalantst.
Non-interventie, V.
Nonnengewaad, O.
Nonnenkleed, O., -kleederen.
Nonnenklooster, O., -kloosters.
Nonnenorde, V., -orden.
Nonnensluier, M. -sluiers.
Nonsens, M.
Nonsensicaal, -cale.
Nonvaleur, M., nonvaleurs.
Nood, M., nooden.
Noodanker, O., -ankers.
Noodbrug, V., -bruggen.
Nooddeur, V., -deuren.
Nooddoop, M.
Nooddruft, V.
Noode (Van noode).
Noode (ongaarne).
Noodeloos, -looze.
Noodeloosheid, V.
Nooden, noodde, heeft genood.
Noodhaven, V., -havens.
Noodhulp, V., -hulpen.
Noodig, noodiger, noodigst.
Noodigen, noodigde, heeft genoodigd.
Noodiger, M., noodigers.
Noodiging, V., noodigingen.
Noodklok, V., -klokken.
Noodlijdend.
Noodlijdende, M. en V., -lijdenden.
Noodlot, O.
Noodlottig, -lottiger, -lottigst.
Noodlottigheid, V.
Noodmunt, V., -munten.
Noodrem, V., -remmen.
Noodschot, O., -schoten.
Noodsein, O., -seinen.
Noodweer (tegenweer), V.
Noodweer en Noodweder (hevig onweder), O.
Noodwendig, -wendiger, -wendigst.
Noodwendigheid, V.
Noodwet, V., -wetten.
Noodzaak, V.
Noodzakelijk, -lijker, -lijkst.
Noodzakelijkheid, V.
Noodzaken, noodzaakte, heeft genoodzaakt.
Nooit.
Noopijzer, O., -ijzers.
Noor, M., Noren.
Noord (bijw.). Noord (het Noorden), O.; (de noordelijk gelegen landen), V.
Noord-Brabant, O.
Noordelijk, -lijker, -lijkst.
Noordelijken, noordelijkte, is genoordelijkt.
Noorden, O.
Noordenwind, M., -winden.
Noorderbreedte, V.
Noorderlicht, O.
Noorderzon, V.
Noordfriesch.
Noord-Holland, O.
Noordhollandsch.
Noordnoordoost (bijw.). Als znw., O.
Noordnoordwest (bijw.). Als znw., O.
Noordoost (bijw.). Als znw., O.
Noordoostelijk.
Noordoosten, O.
Noordoosteren, noordoosterde, is genoordoosterd.
Noordpool, V.
Noordpoolexpeditie, V., -expedities.
Noordpoolreis, V., -reizen.
Noordpoolreiziger, M., -reizigers.
Noordpoolvaarder, M., -vaarders.
Noordsch.
Noordwaarts.
Noordwest (bijw.). Als znw., O.
Noordwestelijk.
Noordwesten, O.
Noordwesteren, noordwesterde, is genoordwesterd.
Noordzee, V.
Noorman, M., -mannen.
Noorsch (Noorweegsch).
Noorsch, O.
Noorweegsch.
Noorwegen, O.
Noot (zangnoot en aanteekening), V., noten. Nootje, O., -jes.
Noot (vrucht), V., noten. Nootje, O., -jes.
Nop, V., noppen. Nopje, O., -jes.
Nopen, noopte, heeft genoopt.
Nopens.
Nopijzer, O., -ijzers.
Nopjesgoed, O.
Noppen, nopte, heeft genopt.
Nopper, M., noppers.
Noppig, noppiger, noppigst.
Nopschaar, V., -scharen.
Norbertijn, M., Norbertijnen.
Normaal, normale.
Normaallessen (mv.), V.
Normaalpapier, O.
Normaalschool, V., -scholen.
Normaliseeren, normaliseerde, heeft genormaliseerd.
Normaliteit, V.
Norsch, norscher, meest norsch.
Norschheid, V., -heden.
Nota, V., nota's.
Notabel, notabeler, notabelst.
Notabele, M., notabelen.
Notariaat, O., notariaten.
Notarieel, notarieele.
Notaris, M., notarissen.
Notarisambt, O.
Notarishuis, O., -huizen.
Notariskantoor, O., -kantoren.
Notarisklerk, M., -klerken.
Noteboom, M., -boomen; -boompje, O., -jes.
Noteboomen (bnw.).
Noteboomhout, O.
Notedop, M., -doppen; -dopje, O., -jes.
Noteeren, noteerde, heeft genoteerd.
Noteering, V., noteeringen.
Notemuskaat (noot), V., -muskaten; (stof), O. Notemuskaatje, O., -jes.
Notenbalk, M., -balken.
Notendruk, M.
Notenhouten (bnw.).
Notenkraker, M., -krakers.
Notenschrift, O.
Notie, V., notiën en noties.
Notificatie, V., notificatiën en notificaties.
Notitie, V., notitiën en notities.
Notitieboekje, O., -boekjes.
Notulen (mv.), V.
Notulenboek, O., -boeken.
Notweg, M., -wegen.
Novelle, V., novellen.
Novellist, M., novellisten.
November, M.
Novene, V., novenen.
Novice, M. en V., novices.
Noviciaat, O.
Nu.
Nuance, V., nuances en nuancen.
Nuanceeren, nuanceerde, heeft genuanceerd.
Nuanceering, V., nuanceeringen.
Nuchter, nuchterder, nuchterst.
Nuchterheid, V.
Nuf, V., nuffen. Nufje, O., -jes.
Nuffig, nuffiger, nuffigst.
Nuffigheid, V.
Nuk, V., nukken. Nukje, O., -jes.
Nukkig, nukkiger, nukkigst.
Nukkigheid, V.
Nul, V., nullen. Nulletje, O., -jes.
Nulliteit, V., nulliteiten.
Nulpunt, O.
Numero, O.
Numismatiek, V.
Numismatisch.
Nummer, Nummeren, enz. Zie Nommer, Nommeren enz.
Nummerbord, O., -borden.
Nummerklep, V., -kleppen.
Nummerverwisselaar, M., -verwisselaars.
Nurk, M., nurken.
Nurksch, nurkscher, meest nurksch.
Nurkschheid, V.
Nusselaar, M., nusselaars.
Nusselen, nusselde, heeft genusseld.
Nut, O.
Nut, nutter, nutst.
Nutslezer, M., -lezers.
Nutslezing, V., -lezingen.
Nutsvergadering, V., -vergaderingen.
Nutsverhandeling, V., -verhandelingen.
Nutteloos, -loozer.
Nutteloosheid, V.
Nutten, nutte, heeft genut.
Nuttig, nuttiger, nuttigst.
Nuttigen, nuttigde, heeft genuttigd.
Nuttigheid, V.
Nuttigheidsbejag, O.
Nuttiging, V.
O
O. V., o's.
O (tusschenw.). Als znw., O., o's. Ootje, O., -jes.
Oase, V., oasen.
O-beenen (mv.), O. O-beentjes, O.
Obelisk, M., obelisken.
Object, O., objecten.
Objectie, V., objectiën en objecties.
Objectief, objectiever, objectiefst.
Objectief, O., objectieven.
Objectiviteit, V.
Oblie, V., oblieën. Oblietje, O., -jes.
Oblieman, M., -mannen.
Oblietrommel, V., -trommels; -trommeltje, O., -jes.
Obligaat (bijw.), - spelen, - zingen. Als znw., O., obligaten.
Obligatie, V., obligatiën en obligaties.
Obligatiehouder, M., -houders.
Obligeeren, obligeerde, heeft geobligeerd.
Obscoen en Obsceen, obscene.
Obscoeniteit, V., -teiten.
Obscurantisme, O.
Obscuur, obscure.
Observatie, V., observatiën en observaties.
Observator, M., observatoren.
Observatorium, O., observatoriums en observatoria.
Observeeren, observeerde, heeft geobserveerd.
Obstetrie, V.
Obstructie, V., obstructies.
Obstructionisme, O.
Obstructionist, M., -isten.
Oceaan, M., oceanen.
Och.
Ocharm en Ocharmen (tusschenw.).
Ochtend en Uchtend, M., ochtenden. Ochtendje, O., -jes.
Ochtendbeurt, V., -beurten.
Ochtendbezoek, O., -bezoeken.
Ochtendblad, O., -bladen.
Ochtenddienst, M., -diensten.
Ochtendlied, O., -liederen.
Ochtendlucht, V.
Ochtendmuts, V., -mutsen.
Ochtendstond, M., -stonden.
Ochtendtrein, M., -treinen.
Octaaf, V. en O., octaven. Octaafje, O., -jes.
Octant, V., octanten.
Octavo (bnw.). Als znw., O., octavo's.
October, M.
Octrooi, O., octrooien. Octrooitje, O., -jes.
Octrooieeren, octrooieerde, heeft geoctrooieerd.
Oculist, M., oculisten.
Ode, V., oden.
Odendichter, M., -dichters.
Odenstijl, M.
Odeur, V., odeuren. Odeurtje, O., -jes.
Odeurfleschje, O., -jes.
Oeconomie (staathuishoudkunde), V.; ook Economie.
Oeconomisch, ook Economisch.
Oeconoom, M., oeconomen; ook Econoom.
Oef (tusschenw.).
Oefenaar, M., oefenaars en oefenaren.
Oefenaarster, V., oefenaarsters.
Oefendag, M., -dagen; -dagje, O., -daagjes.
Oefenen, oefende, heeft geoefend.
Oefening, V., oefeningen. Oefeningetje, O., -jes.
Oefeningskamp, O., -kampen.
Oefenkamer, V., -kamers; -kamertje, O., -jes.
Oefenperk, O., -perken.
Oefenplaats, V., -plaatsen; -plaatsje, O., -jes.
Oefenschool, V., -scholen; -schooltje, O., -jes.
Oefentijd, M.
Oefenzaal, V., -zalen; -zaaltje, O., -jes.
Oefenzuster, V., -zusters.
Oeh (tusschenw.).
Oei (tusschenw.).
Oeken, oekte, heeft geoekt.
Oele (tusschenw.).
Oer (ijzerhoudende aarde), O.
Oerachtig, -achtiger, -achtigst.
Oergrond, M., -gronden.
Oerig, oeriger, oerigst.
Oerlaag, V., -lagen.
Oeros, M., oerossen.
Oest, Oestig, enz. Zie Noest, enz.
Oester, V., oesters en oesteren. Oestertje, O., -jes.
Oesterbank, V., -banken.
Oesterhandel, M.
Oesterhuis, O., -huizen.
Oesterpartij, V., -partijen.
Oesterpastei, V., -pasteien; -pasteitje, O., -jes.
Oesterput, M., -putten.
Oesterschelp, V., -schelpen.
Oesterteelt, V.
Oever, M., oevers.
Oeveraas, O.
Oeverhaam, M., -hamen.
Oeverlicht, O., -lichten.
Oeverlooper, M., -loopers.
Oeverstaat, M., -staten.
Oeverval, M., -vallen.
Of.
Offensief, offensiever, offensiefst.
Offer, O., offers en offeren. Offertje, O., -jes.
Offeraar, M., offeraren en offeraars.
Offeraltaar, O., -altaren.
Offerambt, O., -ambten.
Offerande, V., offeranden.
Offerbeest, O., -beesten.
Offerbijl, V., -bijlen.
Offerblok, O., -blokken.
Offerbus, V., -bussen.
Offerdienaar, M., -dienaars en -dienaren.
Offerdienst, M., -diensten.
Offerdier, O., -dieren.
Offeren, offerde, heeft geofferd.
Offerfeest, O., -feesten.
Offergave, V., -gaven.
Offergeld, O.
Offering, V., offeringen.
Offerkelk, M., -kelken.
Offerkist, V., -kisten.
Offerlam, O., -lammeren.
Offermaal, O., -malen.
Offermes, O., -messen.
Offerpenning, M., -penningen; -penningske, O., -kes.
Offerplaats, V., -plaatsen.
Offerplechtigheid, V., -plechtigheden.
Offerpriester, M., -priesters en -priesteren.
Offerschaal, V., -schalen.
Offerstier, M., -stieren.
Offerte, V., offertes en offerten.
Offervaardig, -vaardiger, -vaardigst.
Offerwijn, M.
Offerwillig, -williger, -willigst.
Officiant, M., officianten.
Officie, O., officiën en officies.
Officieel, officieele.
Officier, M., officieren en officiers. Officiertje, O., -jes.
Officierensociëteit, V., -sociëteiten.
Officiersdegen, M., -degens.
Officiersepaulet, V., -epauletten.
Officierskleeding, V.
Officierskok, M., -koks.
Officiersmonteering, V., -monteeringen.
Officierspensioen, O., -pensioenen.
Officiersplaats, V., -plaatsen.
Officiersrang, M., -rangen.
Officierssloep, V., -sloepen.
Officierstafel, V., -tafels.
Officierstenue, V.
Officierstraktement, O., -traktementen.
Officiersuniform, V.
Officiersweduwe, V., -weduwen.
Officieus, officieuze.
Officinaal, officinale.
Offreeren, offreerde, heeft geoffreerd.
Ofschoon.
Ofte (Ja ofte neen.--Ofte wel).
Ogief (kruisboog), O., ogieven.
Ogief en Ojief (vloeilijst), O., ogieven en ojieven.
Ogiefsgewijze en -gewijs.
Ogivaal, ogivale.
Oho (tusschenw.).
Oi (tusschenw.).
Oir (nakroost), O.
Ojief, O. Zie Ogief.
Ojief (ojiefschaaf), V., ojieven.
Oker, V.
Okerachtig, -achtiger, -achtigst.
Okerkleurig.
Okernoot. Zie Okkernoot.
Okkernoot en Okernoot, V., -noten.
Okkernoteboom, M., -boomen.
Oksaal, O., oksalen. Oksaaltje, O., -jes.
Oksel, M., oksels en okselen. Okseltje, O., -jes.
Okselhaar, O.
Okselschrooi, V., -schrooien.
Okshoofd, O., okshoofden.
Olderman, M., -mans, -mannen en -lieden.
Oleander, M., oleanders. Oleandertje, O., -jes.
Olie, V., oliën. Olietje, O., -jes.
Olieachtig, -achtiger, -achtigst.
Olieachtigheid, V.
Oliebol, M., -bollen.
Oliebollenkraam, V., -kramen.
Oliedom, -domme.
Oliefabriek, V., -fabrieken.
Oliekan, V., -kannen; -kannetje, O., -jes.
Oliekoek, M., -koeken.
Oliekop, M., -koppen; -kopje, O., -jes.
Oliekruik, V., -kruiken.
Olielamp, V., -lampen; -lampje, O., -jes.
Oliemolen, M., -molens.
Oliën, oliede, heeft geolied.
Oliesel, O.
Olieslager, M., -slagers.
Olieslagerij, V.
Oliesteen, M., -steenen; -steentje, O., -jes.
Olieverf, V., -verven.
Olievlek, V., -vlekken.
Oliezaad, O.
Olifant, M., olifanten. Olifantje, O., -jes.
Olifantenjacht, V., -jachten.
Olifantenjager, M., -jagers.
Olifantsbeen, O., -beenderen.
Olifantshuid, V., -huiden.
Olifantskever, M., -kevers; -kevertje, O., -jes.
Olifantsluis, V., -luizen; -luisje, O., -jes.
Olifantsorde, V., -orden.
Olifantspapier, O.
Olifantsridder, M., -ridders.
Olifantssnuit, M., -snuiten.
Olifantstand, M., -tanden.
Olifantstor, V., -torren; -torretje, O., -jes.
Olifantsvoet, M., -voeten.
Oligarchie, V., oligarchieën.
Olijf (boom), M.; (vrucht), V., olijven. Olijfje, O., -jes.
Olijfachtig, -achtiger, -achtigst.
Olijfberg, M., -bergen.
Olijfgroen.
Olijfkleurig.
Olijfkrans, M., -kransen.
Olijftak, M., -takken.
Olijven, olijfde, heeft geolijfd.
Olijvenhout, O.
Olijvenolie en Olijfolie, V.
Olijvenoogst, M.
Olijvenpers, V., -persen.
Olijventijd, M.
Olm, M., olmen. Olmpje, O., -jes.
Olmenhout en Olmhout, O.
Olographisch.
Olympisch.
Olympus, M.
Om.
Oma (grootmama), V. Omaatje, O.
Omakkeren, akkerde om, heeft omgeakkerd.
Omarmen, omarmde, heeft omarmd.
Omarming, V., -armingen.
Ombaksen, bakste om, heeft omgebakst.
Omballing, V.
Ombedelen, bedelde om, heeft omgebedeld.
Ombellen, belde om, heeft omgebeld.
Omber (aardsoort), V.
Omber (in 't kaartspel), M., ombers. Ombertje, O., -jes.
Omberaar, M., omberaars.
Omberdoos, V., -doozen; -doosje, O., -jes.
Omberen, omberde, heeft geomberd.
Ombergezelschap, O., -gezelschappen.
Omberkaarten (mv.), V.
Omberkleur, V.
Omberkrans, M., -kransen; -kransje, O., -jes.
Omberpartij, V., -partijen; -partijtje, O., -jes.
Omberspel (het spel), O., -spelen; -spelletje, O., -jes; (stel kaarten), O., -spellen; -spelletje, O., -jes.
Ombertafel, V., -tafels; -tafeltje, O., -jes.
Ombervisch, M., -visschen.
Ombervogel, M., -vogels.
Ombijten, beet om, beten om, heeft omgebeten.
Ombinden, bond om, heeft omgebonden; ook ombond, heeft ombonden.
Omblazen, blies om, bliezen om, heeft omgeblazen.
Omblijven, bleef om, bleven om, is omgebleven.
Ombliksemen, bliksemde om, heeft omgebliksemd.
Ombloeien, ombloeide, heeft ombloeid.
Omboenen, boende om, heeft omgeboend.
Omboeren, boerde om, heeft omgeboerd.
Ombonzen, bonsde om, heeft omgebonsd.
Omboorden, boordde om, heeft omgeboord; ook omboordde, heeft omboord.
Omboording, V., -boordingen.
Omboordsel, O., -boordsels en -boordselen.
Ombrassen, braste om, heeft omgebrast.
Ombreien, breide om, heeft omgebreid.
Ombrengen, bracht om, heeft omgebracht.
Ombrenger, M., -brengers.
Ombrenging, V.
Ombrengster, V., -brengsters.
Ombruisen, bruiste om, heeft omgebruist; ook ombruiste, heeft ombruist.
Ombuigen, boog om, bogen om, heeft en is omgebogen.
Ombuiging, V., -buigingen.
Ombuitelen, buitelde om, heeft en is omgebuiteld.
Ombuiteling, V., -buitelingen.
Omdammen, omdamde, heeft omdamd.
Omdamming, V., -dammingen.
Omdat.
Omdeelen, deelde om, heeft omgedeeld.
Omdeeler, M., -deelers.
Omdeeling, V., -deelingen.
Omdijken, omdijkte, heeft omdijkt.
Omdijking, V., -dijkingen.
Omdobberen, dobberde om, heeft omgedobberd.
Omdoen, deed om, deden om, heeft omgedaan.
Omdolen, doolde om, heeft omgedoold; ook omdoolde, heeft omdoold.
Omdoling, V., -dolingen.
Omdonderen, donderde om, is en heeft omgedonderd.
Omdouwen. Zie Omduwen.
Omdraai, M., -draaien.
Omdraaien, draaide om, is en heeft omgedraaid.
Omdraaiing, V., -draaiingen.
Omdracht, V., -drachten.
Omdragen, droeg om, heeft omgedragen.
Omdraven, draafde om, heeft en is omgedraafd.
Omdrijven, dreef om, dreven om, is en heeft omgedreven; ook omdreef, omdreven, heeft omdreven.
Omdrinken, dronk om, heeft omgedronken.
Omdrogen, droogde om, heeft omgedroogd.
Omduikelen, duikelde om, heeft en is omgeduikeld.
Omduwen, duwde om, heeft omgeduwd.
Omdwalen, dwaalde om, heeft omgedwaald.
Omdwaling, V., -dwalingen.
Omdweilen, dweilde om, heeft omgedweild.
Omega, V., omega's.
Omeggen, egde om, heeft omgeëgd.
Omelet, V., omeletten. Omeletje, O., -jes.
Omfladderen, fladderde om, heeft omgefladderd; ook omfladderde, heeft omfladderd.
Omflikkeren, omflikkerde, heeft omflikkerd; ook flikkerde om, heeft en is omgeflikkerd.
Omfloersen, omfloerste, heeft omfloerst.
Omgaan, gaat om, ging om, heeft en is omgegaan.
Omgang, M., -gangen.
Omgangstaal, V.
Omgekeerd.
Omgelanden (mv.), M. en V.
Omgelegen.
Omgeschreven.
Omgespen, gespte om, heeft omgegespt.
Omgeuren, omgeurde, heeft omgeurd.
Omgeven, gaf om, gaven om, heeft omgegeven; ook omgaf, omgaven, heeft omgeven.
Omgeving, V.
Omgezetenen (mv.), M. en V.
Omgieten, goot om, goten om, heeft omgegoten.
Omglijden, gleed om, gleden om, is en heeft omgegleden.
Omgluren, gluurde om, heeft omgegluurd.
Omgolven, golfde om, heeft omgegolfd; ook omgolfde, heeft omgolfd.
Omgolving, V.
Omgooien, gooide om, heeft omgegooid.
Omgorden, gordde om, heeft omgegord; ook omgordde (zich), heeft (zich) omgord.
Omgording, V.
Omgraven, groef om, groeven om, heeft omgegraven; ook omgroef, omgroeven, heeft omgraven.
Omgraving, V., omgravingen.
Omgrenzen, omgrensde, heeft omgrensd.
Omgrenzing, V., -grenzingen.
Omgrijpen, greep om, grepen om, heeft omgegrepen.
Omgroeien, omgroeide, heeft omgroeid.
Omhaal, M., -halen. Omhaaltje, O., -jes.
Omhaken, haakte om, heeft omgehaakt.
Omhakken, hakte om, heeft omgehakt.
Omhakking, V., -hakkingen.
Omhalen, haalde om, heeft omgehaald.
Omhaling, V., -halingen.
Omhangen, hing om, heeft omgehangen; ook omhing, heeft omhangen.
Omhanging, V.
Omhangsel, O., -hangels en -hangselen.
Omhebben, heeft om, had om, hadden om, heeft omgehad.
Omheen (bijw.).
Omheinen, omheinde, heeft omheind.
Omheining, V., -heiningen. Omheininkje, O., -jes.
Omhelpen, hielp om, heeft omgeholpen.
Omhelzen, omhelsde, heeft omhelsd.
Omhelzing, V., -helzingen.
Omhoepelen, hoepelde om, heeft en is omgehoepeld.
Omhollen, holde om, heeft en is omgehold.
Omhoog.
Omhoogbeuren, beurde omhoog, heeft omhooggebeurd.
Omhoogblazen, blies omhoog, bliezen omhoog, heeft omhooggeblazen.
Omhoogdrijven, dreef omhoog, dreven omhoog, heeft omhooggedreven.
Omhoogduwen, duwde omhoog, heeft omhooggeduwd.
Omhooggaan, gaat omhoog, ging omhoog, is omhooggegaan.
Omhooghalen, haalde omhoog, heeft omhooggehaald.
Omhoogheffen, hief omhoog, hieven omhoog, heeft omhooggeheven.
Omhooghouden, hield omhoog, heeft omhooggehouden.
Omhoogjagen, jaagde omhoog, heeft omhooggejaagd; ook joeg omhoog.
Omhoogkijken, keek omhoog, keken omhoog, heeft omhooggekeken.
Omhoograken, raakte omhoog, is omhooggeraakt.
Omhoogrichten, richtte omhoog, heeft omhooggericht.
Omhoogrijzen, rees omhoog, rezen omhoog, is omhooggerezen.
Omhoogschieten, schoot omhoog, schoten omhoog, heeft en is omhooggeschoten.
Omhoogslaan, slaat omhoog, sloeg omhoog, heeft en is omhooggeslagen.
Omhoogspringen, sprong omhoog, is omhooggesprongen.
Omhoogstaren, staarde omhoog, heeft omhooggestaard.
Omhoogsteken, stak omhoog, staken omhoog, heeft omhooggestoken.
Omhoogstijgen, steeg omhoog, stegen omhoog, is omhooggestegen.
Omhoogstuiven, stoof omhoog, stoven omhoog, is omhooggestoven.
Omhoogtillen, tilde omhoog, heeft omhooggetild.
Omhoogtrekken, trok omhoog, trokken omhoog, heeft omhooggetrokken.
Omhoogturen, tuurde omhoog, heeft omhooggetuurd.
Omhoogvliegen, vloog omhoog, vlogen omhoog, is omhooggevlogen.
Omhoogvoeren, voerde omhoog, heeft omhooggevoerd.
Omhoogwerken (zich -), werkte (zich) omhoog, heeft (zich) omhooggewerkt.
Omhoogwerpen, wierp omhoog, heeft omhooggeworpen.
Omhoogzien, zag omhoog, zagen omhoog, heeft omhooggezien.
Omhoogzitten, zat omhoog, zaten omhoog, heeft omhooggezeten.
Omhoogzwaaien, zwaaide omhoog, heeft omhooggezwaaid.
Omhooren, hoorde om, heeft omgehoord.
Omhouden, hield om, heeft omgehouden.
Omhouwen, hieuw om, heeft omgehouwen.
Omhouwer, M., -houwers. Omhouwertje, O., -jes.
Omhouwing, V.
Omhuilen, huilde om, heeft omgehuild.
Omhullen, omhulde, heeft omhuld.
Omhulling, V., -hullingen.
Omhulsel, O., -hulsels en -hulselen.
Omhutselen, hutselde om, heeft omgehutseld.
Omineus, omineuzer, omineust.
Omissie, V., omissiën en omissies.
Omkaden, omkaadde, heeft omkaad.
Omkading, V., -kadingen.
Omkantelen, ook Omkentelen, kantelde om, heeft en is omgekanteld.
Omkanteling, V., -kantelingen.
Omkanten, kantte om, heeft omgekant.
Omkantijzer, O., -ijzers; -ijzertje, O., -jes.
Omkappen, kapte om, heeft omgekapt.
Omkapping, V.
Omkeer, ook Ommekeer, M.
Omkeeren, keerde om, heeft en is omgekeerd.
Omkeering, V., -keeringen.
Omkegelen, kegelde om, heeft omgekegeld.
Omkenteren, kenterde om, is omgekenterd.
Omkijken, keek om, keken om, heeft omgekeken.
Omkleeden, kleedde (zich) om, heeft (zich) en is omgekleed; ook omkleedde, heeft omkleed.
Omklemmen, omklemde, heeft omklemd.
Omklemming, V., -klemmingen.
Omklinken, klonk om, heeft omgeklonken; ook omklonk, heeft omklonken.
Omklinking, V., -klinkingen.
Omkloppen, klopte om, heeft omgeklopt.
Omklopping, V.
Omklotsen, klotste om, heeft omgeklotst; ook omklotste, heeft omklotst.
Omknabbelen, knabbelde om, heeft omgeknabbeld.
Omknellen, omknelde, heeft omkneld.
Omknelling, V., -knellingen.
Omknikkeren, knikkerde om, heeft omgeknikkerd.
Omknoopen, knoopte om, heeft omgeknoopt.
Omkomen, komt om, kwam om, kwamen om, is omgekomen.
Omkoop, M.
Omkoopbaar, -bare.
Omkoopbaarheid, V.
Omkoopen, kocht om, heeft omgekocht.
Omkooper, M., -koopers.
Omkooperij, V., -kooperijen.
Omkooping, V., -koopingen.
Omkorsten, omkorstte, heeft omkorst.
Omkorsting, V., -korstingen.
Omkoud (er - zijn).
Omkransen, omkranste, heeft omkranst.
Omkransing, V., -kransingen.
Omkreuken, ook Omkroken, kreukte om, heeft en is omgekreukt.
Omkrijgen, kreeg om, kregen om, heeft omgekregen.
Omkrommen, kromde om, heeft en is omgekromd.
Omkronkelen, kronkelde om, heeft en is omgekronkeld; ook omkronkelde, heeft omkronkeld.
Omkronkeling, V., -kronkelingen.
Omkruien, krooi om, krooien om, heeft en is omgekrooien; ook kruide om, heeft en is omgekruid.
Omkruipen, kroop om, kropen om, is en heeft omgekropen; ook omkroop, omkropen, heeft omkropen.
Omkrullen, krulde om, heeft en is omgekruld; ook omkrulde, heeft omkruld.
Omkrulling, V., -krullingen.
Omkuieren, kuierde om, heeft en is omgekuierd.
Omkuipen, kuipte om, heeft omgekuipt; ook omkuipte, heeft omkuipt.
Omkunnen, kan om, kunnen om, konde en kon om, konden om, heeft omgekund.
Omkwakken, kwakte om, is en heeft omgekwakt.
Omlaag.
Omlaagbrengen, bracht omlaag, heeft omlaaggebracht.
Omlaagbuigen, boog omlaag, bogen omlaag, heeft omlaaggebogen.
Omlaagdrukken, drukte omlaag, heeft omlaaggedrukt.
Omlaagduwen, duwde omlaag, heeft omlaaggeduwd.
Omlaaggaan, gaat omlaag, ging omlaag, is omlaaggegaan.
Omlaaghouden, hield omlaag, heeft omlaaggehouden.
Omlaagkijken, keek omlaag, keken omlaag, heeft omlaaggekeken.
Omlaagrukken, rukte omlaag, heeft omlaaggerukt.
Omlaagschieten, schoot omlaag, schoten omlaag, is omlaaggeschoten.
Omlaagslaan, slaat omlaag, sloeg omlaag, heeft en is omlaaggeslagen.
Omlaagspringen, sprong omlaag, is omlaaggesprongen.
Omlaagstorten, stortte omlaag, heeft en is omlaaggestort.
Omlaagvallen, viel omlaag, is omlaaggevallen.
Omlaagvoeren, voerde omlaag, heeft omlaaggevoerd.
Omlaagzien, zag omlaag, zagen omlaag, heeft omlaaggezien.
Omladen, laadde om, heeft omgeladen.
Omlading, V.
Omlaten, liet om, heeft omgelaten.
Omlauweren, omlauwerde, heeft omlauwerd.
Omlaveeren, laveerde om, heeft en is omgelaveerd.
Omlegeren, omlegerde, heeft omlegerd.
Omlegering, V., -legeringen.
Omleggen, legde om en leide om, heeft omgelegd en omgeleid; ook omlegde en omleide, heeft omlegd en omleid.
Omleiden, leidde om, heeft omgeleid.
Omleven, leefde om, heeft omgeleefd.
Omliggen, lag om, lagen om, heeft omgelegen.
Omliggend (bnw.).
Omlijsten, omlijstte, heeft omlijst.
Omlijsting, V., -lijstingen.
Omlikken, likte om, heeft omgelikt.
Omlommeren, omlommerde, heeft omlommerd.
Omloofd.
Omloop, M., -loopen.
Omloopdijk, M., -dijken.
Omloopen, liep om, is en heeft omgeloopen; ook omliep, heeft omloopen.
Omlooper, M., -loopers.
Omlooperij, V.
Omlooping, V.
Omloopstijd, M., -tijden.
Omlooveren, omlooverde, heeft omlooverd.
Omluiden, ook Omluien, luidde en luide om, heeft omgeluid.
Omluisteren (van luister, glans), omluisterde, heeft omluisterd.
Omlummelen, lummelde om, heeft omgelummeld.
Ommaken, maakte om, heeft omgemaakt.
Ommalen, maalde om, heeft omgemaald.
Ommangelen, mangelde om, heeft omgemangeld.
Ommarcheeren, marcheerde om, heeft en is omgemarcheerd.
Ommekant, M., -kanten.
Ommekomst, V. (Na - van).
Ommelanden (mv.), O.
Ommelander, M., -landers.
Ommelander (bnw.).
Ommelandsch.
Ommestaand. Zie Omstaand.
Ommeten, mat om, maten om, heeft omgemeten.
Ommezien, ook Omzien, O. Ommezientje, O. (In een -).
Ommezijde, V., -zijden.
Ommezwaai, Zie Omzwaai.
Ommoeten, moet om, moest om, heeft omgemoeten.
Ommogen, mag om, mogen om, mocht om.
Ommuren, ommuurde, heeft ommuurd.
Ommuring, V., -muringen.
Omnaaien, naaide om, heeft omgenaaid; ook omnaaide, heeft omnaaid.
Omnevelen, omnevelde, heeft omneveld.
Omneveling, V.
Omnibus, M., omnibussen. Omnibusje, O., -jes.
Omnibusdienst, M., -diensten.
Omnibuskaartje, O., -kaartjes.
Omnibusmaatschappij, V., -maatschappijen.
Omnibuspaard, O., -paarden.
Omoog, O., -oogen. Omoogje, O., -jes.
Ompaarlen. Zie Omparelen.
Ompagaaien, pagaaide om, heeft en is omgepagaaid.
Ompaggering, V., -paggeringen.
Ompakken, pakte om, heeft omgepakt.
Ompalen, ompaalde, heeft ompaald.
Ompanseren, ook Ompantseren, ompanserde, heeft ompanserd.
Ompansering, V.
Ompantseren. Zie Ompanseren.
Omparelen, ook Ompaarlen, omparelde, heeft ompareld.
Ompassen, paste om, heeft omgepast.
Omperken, omperkte, heeft omperkt.
Omperking, V., -perkingen.
Omplaggen, plagde om, heeft omgeplagd.
Omplagging, V.
Omplakken, omplakte, heeft omplakt.
Omplakking, V.
Omplaksel, O., -plaksels.
Omplanten, plantte om, heeft omgeplant; ook omplantte, heeft omplant.
Omplanting, V., -plantingen. Omplantinkje, O., -jes.
Omplassen, plaste om, heeft omgeplast; ook omplaste, heeft omplast.
Omploegen, ploegde om, heeft omgeploegd.
Omploeging, V., -ploegingen.
Omploeteren, ploeterde om, heeft omgeploeterd.
Omploffen, plofte om, is en heeft omgeploft.
Omploffing, V.
Omplooi, V., -plooien.
Omplooien, plooide om, heeft omgeplooid; ook omplooide, heeft omplooid.
Omplooiing, V.
Ompoten, pootte om, heeft omgepoot; ook ompootte, heeft ompoot.
Ompoting, V.
Ompraten, praatte om, heeft omgepraat.
Ompurperen, ompurperde, heeft ompurperd.
Omraken, raakte om, is omgeraakt.
Omrammeien, rammeide om, heeft omgerammeid.
Omranden, omrandde, heeft omrand.
Omranselen, ranselde om, heeft omgeranseld.
Omrasteren, omrasterde, heeft omrasterd.
Omrastering, V., -rasteringen.
Omreiken, reikte om, heeft omgereikt.
Omreizen, reisde om, heeft en is omgereisd; ook omreisde, heeft omreisd.
Omrennen, rende om, heeft en is omgerend; ook omrende, heeft omrend.
Omrijden, reed om, reden om, is en heeft omgereden.
Omringdijk, M., -dijken.
Omringen (in ringen zetten), ringde om, heeft omgeringd.
Omringen (omgeven), omringde, heeft omringd.
Omringing, V., -ringingen.
Omringkade, V., -kaden.
Omrit, M., -ritten. Omritje, O., -jes.
Omroeien, roeide om, heeft en is omgeroeid.
Omroepen, riep om, heeft omgeroepen.
Omroeper, M., -roepers.
Omroepersbaantje, O.
Omroepersbekken, O., -bekkens.
Omroeping, V., -roepingen.
Omroeren, roerde om, heeft omgeroerd.
Omroering, V., -roeringen.
Omroersel, O., -roersels en -roerselen. Omroerseltje, O., -jes.
Omrollen, rolde om, heeft en is omgerold.
Omruil, M.
Omruilen, ruilde om, heeft omgeruild.
Omruiling, V., -ruilingen.
Omruischen, omruischte, heeft omruischt.
Omrukken, rukte om, heeft en is omgerukt.
Omrukking, V.
Omsabelen, sabelde om, heeft omgesabeld.
Omschaduwen, omschaduwde, heeft omschaduwd.
Omschaduwing, V.
Omschakelaar, M., omschakelaars.
Omschakelen, schakelde om, heeft omgeschakeld.
Omschallen, omschalde, heeft omschald.
Omschansen, omschanste, heeft omschanst.
Omschansing, V., -schansingen.
Omscharrelen, scharrelde om, heeft en is omgescharreld.
Omschenken, schonk om, heeft omgeschonken.
Omscheppen (putten), schepte om, heeft omgeschept.
Omscheppen (maken, vormen), schiep om, heeft omgeschapen.
Omschepping, V., -scheppingen.
Omscheren, schoor om, schoren om, heeft omgeschoren.
Omschering, V.
Omschermen, schermde om, heeft omgeschermd.
Omscheuren, scheurde om, heeft omgescheurd.
Omschieten, schoot om, schoten om, heeft en is omgeschoten.
Omschijnen, omscheen, omschenen, heeft omschenen.
Omschikken, schikte om, is omgeschikt.
Omschitteren, omschitterde, heeft omschitterd.
Omschoeien, omschoeide, heeft omschoeid.
Omschoffelen (langzaam gaan), schoffelde om, heeft en is omgeschoffeld.
Omschoffelen (losmaken), schoffelde om, heeft omgeschoffeld.
Omschommelen, schommelde om, heeft en is omgeschommeld.
Omschooien, schooide om, heeft omgeschooid.
Omschoppen, schopte om, heeft omgeschopt.
Omschorsen, omschorste, heeft omschorst.
Omschrabben, schrabde om, heeft omgeschrabd.
Omschrafelen, schrafelde om, heeft omgeschrafeld.
Omschrapen, schraapte om, heeft omgeschraapt.
Omschreeuwen, schreeuwde om, heeft omgeschreeuwd.
Omschrijfbaar, -bare.
Omschrijven, omschreef, omschreven, heeft omschreven.
Omschrijver, M., -schrijvers.
Omschrijving, V., -schrijvingen.
Omschudden, schudde om, heeft omgeschud.
Omschudding, V.
Omschuieren, schuierde om, heeft omgeschuierd.
Omschuiven, schoof om, schoven om, heeft en is omgeschoven.
Omschulpen, schulpte om, heeft omgeschulpt.
Omschuren, schuurde om, heeft omgeschuurd.
Omsingelen, omsingelde, heeft omsingeld.
Omsingeling, V., -singelingen.
Omsjokken, sjokte om, heeft en is omgesjokt.
Omsjouwen, sjouwde om, heeft omgesjouwd.
Omslaan, slaat om, sloeg om, heeft en is omgeslagen; ook omslaat, omsloeg, heeft omgeslagen.
Omslachtig, -slachtiger, -slachtigst.
Omslachtigheid, V.
Omslag (omhaal, drukte), M.
Omslag (in de belasting enz.), M., -slagen.
Omslag (voorwerp), M. en O., -slagen. Omslagje, O., -jes.
Omslagboor, V., -boren.
Omslagdoek, M., -doeken; -doekje, O., -jes.
Omslager, M., -slagers. Omslagertje, O., -jes.
Omsleepen (bedr.), sleepte om, heeft omgesleept.
Omslenteren, slenterde om, heeft en is omgeslenterd.
Omsleuren, sleurde om, heeft omgesleurd.
Omslingeren, slingerde om, heeft en is omgeslingerd; ook omslingerde, heeft omslingerd.
Omslingering, V.
Omsloffen, slofte om, heeft en is omgesloft.
Omsluieren, omsluierde, heeft omsluierd.
Omsluiering, V., -sluieringen.
Omsluipen, sloop om, slopen om, heeft en is omgeslopen.
Omsluiten, omsloot, omsloten, heeft omsloten.
Omsluiting, V., -sluitingen.
Omsmakken, smakte om, heeft en is omgesmakt.
Omsmeden, smeedde om, heeft omgesmeed.
Omsmelten, smolt om, heeft omgesmolten.
Omsmijten, smeet om, smeten om, heeft omgesmeten.
Omsnellen, snelde om, heeft en is omgesneld.
Omsnoeren, snoerde om, heeft omgesnoerd; ook omsnoerde, heeft omsnoerd.
Omsnorren, snorde om, is en heeft omgesnord; ook omsnorde, heeft omsnord.
Omsnuffelen, snuffelde om, heeft omgesnuffeld.
Omsollen, solde om, heeft omgesold.
Omspannen, spande om, heeft omgespannen; ook omspande, heeft omspannen.
Omspanning, V., -spanningen.
Omspant, V.
Omspatten, spatte om, heeft omgespat; ook omspatte, heeft omspat.
Omspelden, speldde om, heeft omgespeld; ook omspeldde, heeft omspeld.
Omspinnen, omspon, omsponnen, heeft omsponnen.
Omspitten, spitte om, heeft omgespit.
Omspitting, V., -spittingen.
Omspoelen, spoelde om, heeft omgespoeld; ook omspoelde, heeft omspoeld.
Omspoeling, V., -spoelingen.
Omspoelsel, O.
Omspoken, spookte om, heeft omgespookt; ook omspookte, heeft omspookt.
Omspringen, sprong om, heeft en is omgesprongen; ook omsprong, heeft omsprongen.
Omstaan, staat om, stond om, heeft omgestaan.
Omstaand en Ommestaand.
Omstander, M., -standers.
Omstandig, -standiger, -standigst.
Omstandigheid, V., -heden.
Omstappen, stapte om, heeft en is omgestapt.
Omsteken, stak om, staken om, heeft omgestoken.
Omstelpen. Zie Omstulpen.
Omstevenen, stevende om, heeft en is omgestevend.
Omstoeien, stoeide om, heeft omgestoeid; ook omstoeide, heeft omstoeid.
Omstoomen, stoomde om, heeft en is omgestoomd.
Omstooten, stiet om, heeft omgestooten; ook stootte om.
Omstormen, stormde om, heeft en is omgestormd; ook omstormde, heeft omstormd.
Omstorten, stortte om, heeft en is omgestort.
Omstorting, V.
Omstralen, straalde om, heeft omgestraald; ook omstraalde, heeft omstraald.
Omstraling, V.
Omstreek, V., -streken.
Omstreeks.
Omstrengelen, omstrengelde, heeft omstrengeld.
Omstrengeling, V.
Omstrepen, omstreepte, heeft omstreept.
Omstreping, V.
Omstrikken, strikte om, heeft omgestrikt; ook omstrikte, heeft omstrikt.
Omstrompelen, strompelde om, heeft en is omgestrompeld.
Omstrooien, strooide om, heeft omgestrooid; ook omstrooide, heeft omstrooid.
Omstroomen, omstroomde, heeft omstroomd.
Omstroopen, stroopte om, heeft omgestroopt.
Omstuiven, stoof om, stoven om, heeft en is omgestoven; ook omstoof, omstoven, heeft omstoven.
Omstulpen, ook Omstelpen, stulpte om, heeft omgestulpt.
Omsturen, stuurde om, heeft omgestuurd.
Omstuwen, omstuwde, heeft omstuwd.
Omsukkelen, sukkelde om, heeft en is omgesukkeld.
Omtasten, tastte om, heeft omgetast; ook omtastte, heeft omtast.
Omtellen, telde om, heeft omgeteld.
Omtimmeren, timmerde om, heeft omgetimmerd; ook omtimmerde, heeft omtimmerd.
Omtobben, tobde om, heeft omgetobd.
Omtocht, M., -tochten.
Omtogen (deelw.).
Omtollen, tolde om, heeft en is omgetold.
Omtonnen, tonde om, heeft omgetond; ook omtonde, heeft omtond.
Omtooveren, tooverde om, heeft omgetooverd.
Omtoovering, V., -tooveringen.
Omtrappen, trapte om, heeft omgetrapt.
Omtrede en Omtree, V., -treden.
Omtreden, trad om, traden om, is en heeft omgetreden.
Omtrek, M., -trekken. Omtrekje, O., -jes.
Omtrekken, trok om, trokken om, heeft en is omgetrokken; ook omtrok, omtrokken, heeft omtrokken.
Omtrekking, V.
Omtrent.
Omtrommelen, trommelde om, heeft omgetrommeld.
Omtuimelen, tuimelde om, is en heeft omgetuimeld.
Omtuimeling, V., -tuimelingen.
Omtuinen, omtuinde, heeft omtuind.
Omtuining, V., -tuiningen.
Omvaart, V.
Omvademen, omvademde, heeft omvademd.
Omvademing, V.
Omval, M., -vallen.
Omvallen, viel om, is omgevallen.
Omvang, M.
Omvangen, omving, heeft omvangen.
Omvangrijk, -rijker, -rijkst.
Omvaren, voer om, heeft en is omgevaren.
Omvaring, V.
Omvatten, omvatte, heeft omvat.
Omvatting, V.
Omventen, ventte om, heeft omgevent.
Omver.
Omverblazen, blies omver, bliezen omver, heeft omvergeblazen.
Omverdringen, drong omver, heeft omvergedrongen.
Omverdrukken, drukte omver, heeft omvergedrukt.
Omverduwen, duwde omver, heeft omvergeduwd.
Omvergooien, gooide omver, heeft omvergegooid.
Omverhakken, hakte omver, heeft omvergehakt.
Omverhalen, haalde omver, heeft omvergehaald.
Omverhelpen, hielp omver, heeft omvergeholpen.
Omverhouwen, hieuw omver, heeft omvergehouwen.
Omverjagen, jaagde omver, heeft omvergejaagd; ook joeg omver.
Omverkantelen, kantelde omver, is omvergekanteld.
Omverkegelen, kegelde omver, heeft omvergekegeld.
Omverkrijgen, kreeg omver, kregen omver, heeft omvergekregen.
Omverliggen, lag omver, lagen omver, heeft omvergelegen.
Omverloopen, liep omver, heeft omvergeloopen.
Omverpraten, praatte omver, heeft omvergepraat.
Omverraken, raakte omver, is omvergeraakt.
Omverrennen, rende omver, heeft omvergerend.
Omverrijden, reed omver, reden omver, heeft omvergereden.
Omverrukken, rukte omver, heeft omvergerukt.
Omverschieten, schoot omver, schoten omver, heeft omvergeschoten.
Omverslaan, slaat omver, sloeg omver, heeft en is omvergeslagen.
Omversmakken, smakte omver, heeft omvergesmakt.
Omversmijten, smeet omver, smeten omver, heeft omvergesmeten.
Omverstooten, stiet omver, heeft omvergestooten; ook stootte omver.
Omverstorten, stortte omver, heeft en is omvergestort.
Omvertrekken, trok omver, trokken omver, heeft omvergetrokken.
Omvertuimelen, tuimelde omver, is omvergetuimeld.
Omvervallen, viel omver, is omvergevallen.
Omverwaaien, waaide omver, is en heeft omvergewaaid; ook woei omver, woeien omver.
Omverwerpen, wierp omver, heeft omvergeworpen.
Omverwerping, V.
Omvlechten, omvlocht, heeft omvlochten.
Omvlieden, vlood om, vloden om, is omgevloden.
Omvliegen, vloog om, vlogen om, is en heeft omgevlogen; ook omvloog, omvlogen, heeft omvlogen.
Omvlieten, vloot om, vloten om, heeft en is omgevloten; ook omvloot, omvloten, heeft omvloten.
Omvloeien, vloeide om, heeft en is omgevloeid; ook omvloeide, heeft omvloeid.
Omvoeren, voerde om, heeft omgevoerd.
Omvoering, V.
Omvouwen, vouwde om, heeft en is omgevouwen.
Omvraag en Omvrage, V.
Omvragen, vraagde om, heeft omgevraagd; ook vroeg om.
Omwaaien, waaide om, is en heeft omgewaaid; ook woei om, woeien om; en omwaaide (omwoei, omwoeien), heeft omwaaid.
Omwallen, omwalde, heeft omwald.
Omwalling, V., -wallingen.
Omwalmen, omwalmde, heeft omwalmd.
Omwandelen, wandelde om, heeft en is omgewandeld.
Omwandeling, V., -wandelingen.
Omwaren, waarde om, heeft omgewaard.
Omwaschkom, V., -kommen; -kommetje, O., -jes.
Omwasschen, wiesch om, wieschen om, heeft omgewasschen; ook waschte om.
Omwassen, omwies, omwiesen, heeft omwassen.
Omweg, M., -wegen. Omwegje, O., -jes.
Omweiden, weidde om, heeft omgeweid.
Omwelven, omwelfde. heeft omwelfd.
Omwelving, V., -welvingen.
Omwemelen, omwemelde, heeft omwemeld.
Omwenden, wendde om, heeft en is omgewend.
Omwending, V., -wendingen.
Omwentelen, wentelde om, heeft en is omgewenteld.
Omwenteling, V., -wentelingen.
Omwentelingsas, V., -assen.
Omwentelingslichaam, O. -lichamen.
Omwentelingsoppervlak, O., -oppervlakken.
Omwentelingstijd, M., -tijden.
Omwentelingsvlak, O., -vlakken.
Omwerken, werkte om, heeft omgewerkt.
Omwerking, V., -werkingen.
Omwerpen, wierp om, heeft omgeworpen.
Omwerping, V.
Omweven, omweefde, heeft omweven.
Omwiegelen, wiegelde om, heeft omgewiegeld.
Omwikkelen, omwikkelde, heeft omwikkeld.
Omwikkeling, V.
Omwillen, wil om, wilde (wou) om, heeft omgewild.
Omwimpelen, omwimpelde, heeft omwimpeld.
Omwinden, omwond, heeft omwonden.
Omwinding, V., -windingen.
Omwippen, wipte om, heeft en is omgewipt.
Omwisselen, wisselde om, heeft omgewisseld.
Omwisseling, V., -wisselingen.
Omwoelen, woelde om, heeft omgewoeld; ook omwoelde, heeft omwoeld.
Omwoeling, V., -woelingen.
Omwolken, omwolkte, heeft omwolkt.
Omwonend.
Omwoners (mv.), M.
Omwrikken, wrikte om, heeft omgewrikt.
Omwroeten, wroette om, heeft omgewroet.
Omzadelen, zadelde om, heeft omgezadeld.
Omzagen, zaagde om, heeft omgezaagd.
Omzakken (op zijde vallen), zakte om, is omgezakt.
Omzaten, (mv.), M. en V.
Omzeg, M.
Omzeggen, zeide om, heeft omgezegd en omgezeid.
Omzegging, V.
Omzeilen, zeilde om, heeft en is omgezeild; ook omzeilde, heeft omzeild.
Omzeiling, V., -zeilingen.
Omzenden, zond om, heeft omgezonden.
Omzending, V., -zendingen.
Omzet, M.
Omzetijzer, O., -ijzers; -ijzertje, O., -jes.
Omzetsel, O., -zetsels en -zetselen. Omzetseltje, O., -jes.
Omzetspade, V., -spaden.
Omzetten, zette om, heeft en is omgezet; ook omzette, heeft omzet.
Omzetting, V., -zettingen.
Omzichtig, -zichtiger, -zichtigst.
Omzichtigheid, V., -heden.
Omzien, zag om, zagen om, heeft omgezien.
Omzien, O. Zie Ommezien.
Omziend.
Omzitten, zat om, zaten om, heeft omgezeten.
Omzitters (mv.). M.
Omzoeken, zocht om, heeft omgezocht.
Omzoomen, zoomde om, heeft omgezoomd; ook omzoomde, heeft omzoomd.
Omzooming, V., -zoomingen.
Omzwaai en Ommezwaai, M., -zwaaien.
Omzwaaien, zwaaide om, heeft en is omgezwaaid; ook omzwaaide, heeft omzwaaid.
Omzwaaiing, V., -zwaaiingen.
Omzwachtelen, omzwachtelde, heeft omzwachteld.
Omzwachteling, V., -zwachtelingen.
Omzwalken, zwalkte om, heeft omgezwalkt.
Omzwalpen, zwalpte om, heeft omgezwalpt; ook omzwalpte, heeft omzwalpt.
Omzwemmen, zwom om, zwommen om, heeft en is omgezwommen.
Omzwenken, zwenkte om, is en heeft omgezwenkt.
Omzwenking, V., -zwenkingen.
Omzwermen, zwermde om, heeft omgezwermd; ook omzwermde, heeft omzwermd.
Omzwerven, zwierf om, zwierven om, heeft omgezworven; ook omzwierf, omzwierven, heeft omzworven.
Omzwerving, V., -zwervingen.
Omzweven, zweefde om, heeft en is omgezweefd; ook omzweefde, heeft omzweefd.
Omzwiepen, zwiepte om, is omgezwiept.
Omzwieren, zwierde om, heeft en is omgezwierd.
Omzwikken, zwikte om, is omgezwikt.
On (- of even).
Onaandachtig, -dachtiger, -dachtigst.
Onaandoenlijk, -lijker, -lijkst.
Onaandoenlijkheid, V.
Onaangedaan.
Onaangediend.
Onaangekleed, -gekleede.
Onaangeleund.
Onaangemeld.
Onaangemerkt.
Onaangenaam, -genamer, -genaamst.
Onaangenaamheid, V., -heden.
Onaangeraakt.
Onaangerand.
Onaangeroerd.
Onaangesneden.
Onaangesproken.
Onaangestoken.
Onaangetast.
Onaangevallen.
Onaangevochten.
Onaangevuld.
Onaangezet, -gezette.
Onaangezien.
Onaangezocht.
Onaangezuiverd.
Onaanlokkelijk, -lijker, -lijkst.
Onaannemelijk, -lijker, -lijkst.
Onaannemelijkheid, V.
Onaansprakelijk.
Onaansprakelijkheid, V.
Onaanstootelijk, -lijker, -lijkst.
Onaanstootelijkheid, V.
Onaantastbaar, -bare.
Onaantastbaarheid, V.
Onaantrekkelijk, -lijker, -lijkst.
Onaantrekkelijkheid, V.
Onaanvaard.
Onaanzienlijk, -lijker, -lijkst.
Onaanzienlijkheid, V.
Onaardig, onaardiger, onaardigst.
Onaardigheid, V., -heden.
Onachtzaam, -zamer, -zaamst.
Onachtzaamheid, V., -heden.
Onadellijk.
Onafgebakend.
Onafgeborsteld.
Onafgebroken.
Onafgedaan, -gedane.
Onafgehandeld.
Onafgemaakt.
Onafgesneden.
Onafgewend.
Onafgewerkt.
Onafhankelijk, -lijker, -lijkst.
Onafhankelijkheid. V.
Onafkeerbaar, -bare.
Onafkoopbaar, -bare.
Onafkoopbaarheid, V.
Onaflosbaar, -bare.
Onaflosbaarheid, V.
Onafscheidbaar, -bare.
Onafscheidbaarheid, V.
Onafscheidelijk.
Onafscheidelijkheid, V.
Onafweerbaar, -bare.
Onafwendbaar, -bare.
Onafwijsbaar, -bare.
Onafzetbaar, -bare.
Onafzetbaarheid, V.
Onafzienbaar, -bare.
Onafzienbaarheid, V.
Onbaatzuchtig, -zuchtiger, -zuchtigst.
Onbaatzuchtigheid, V.
Onbarmhartig, -hartiger, -hartigst.
Onbarmhartigheid, V., -heden.
Onbeangst.
Onbeangstigd.
Onbeantwoord.
Onbearbeid.
Onbebouwd.
Onbedaard.
Onbedaarlijk.
Onbedacht, onbedachter, onbedachtst.
Onbedachtelijk.
Onbedachtheid, V., -heden.
Onbedachtzaam, -zaam, -zaamst.
Onbedachtzaamheid, V., -heden.
Onbedeesd.
Onbedekt.
Onbedenkelijk.
Onbederfelijk.
Onbediend.
Onbedijkt.
Onbedorven, onbedorvener, onbedorvenst.
Onbedorvenheid, V.
Onbedreven, onbedrevener, onbedrevenst.
Onbedrevenheid, V.
Onbedriegbaar, -bare.
Onbedrieglijk, -lijker, -lijkst.
Onbedrieglijkheid, V.
Onbeduidend, onbeduidender, onbeduidendst.
Onbeduidendheid, V., -heden.
Onbedwingbaar, -bare.
Onbedwingbaarheid, V.
Onbedwongen.
Onbeëedigd.
Onbefaamd.
Onbegaafd.
Onbegaanbaar, -bare.
Onbegaanbaarheid, V.
Onbegeerd.
Onbegeerig.
Onbegeerigheid, V.
Onbegeerlijk, -lijker, -lijkst.
Onbegeerlijkheid, V.
Onbegonnen.
Onbegraven.
Onbegrensd.
Onbegrensdheid, V.
Onbegrepen.
Onbegrijpbaar, -bare.
Onbegrijpbaarheid, V., -heden.
Onbegrijpelijk, -lijker, -lijkst.
Onbegrijpelijkheid, V., -heden.
Onbegrootbaar, -bare.
Onbehaaglijk, -lijker, -lijkst.
Onbehaaglijkheid, V.
Onbehaard.
Onbehangen.
Onbeheerd.
Onbehendig, onbehendiger, onbehendigst.
Onbehendigheid, V.
Onbehoed.
Onbehoedzaam, -zamer, -zaamst.
Onbehoedzaamheid, V.
Onbeholpen, onbeholpener, onbeholpenst.
Onbeholpenheid, V.
Onbehoorlijk, -lijker, -lijkst.
Onbehoorlijkheid, V., -heden.
Onbehouwen, onbehouwener, onbehouwenst.
Onbehouwenheid, V.
Onbehulpzaam, -zamer, -zaamst.
Onbehulpzaamheid, V.
Onbekeerbaar, -bare.
Onbekeerd.
Onbekeerlijk.
Onbekeerlijkheid, V.
Onbekend, onbekender, onbekendst.
Onbekendheid, V., -heden.
Onbeklaagd.
Onbekleed, onbekleede.
Onbeklemd.
Onbeklimbaar, -bare.
Onbeklimbaarheid, V.
Onbekommerd, onbekommerder, onbekommerdst.
Onbekommerdheid, V.
Onbekookt, onbekookter, onbekooktst.
Onbekooktheid, V.
Onbekrachtigd.
Onbekrompen, onbekrompener, onbekrompenst.
Onbekrompenheid, V.
Onbekroond.
Onbekwaam, onbekwamer, onbekwaamst.
Onbekwaamheid, V.
Onbeladen.
Onbelangrijk, -rijker, -rijkst.
Onbelangrijkheid, V.
Onbelast.
Onbelastbaar, -bare.
Onbelastbaarheid, V.
Onbeleefd, onbeleefder, onbeleefdst.
Onbeleefdelijk.
Onbeleefdheid, V., -heden.
Onbelegd.
Onbelegen.
Onbelemmerd, onbelemmerder, onbelemmerdst.
Onbelemmerdheid, V.
Onbelet.
Onbelezen.
Onbelezenheid, V.
Onbelichaamd.
Onbelogen.
Onbelommerd.
Onbeloonbaar, -bare.
Onbeloond.
Onbeluisterd.
Onbemand.
Onbemast.
Onbemerkbaar, -bare.
Onbemerkt
Onbemiddeld.
Onbemind.
Onbeminlijk en Onbeminnelijk, -lijker, -lijkst.
Onbeminlijkheid, V.
Onbemuurd.
Onbenaderbaar, -bare.
Onbenepen.
Onbeneveld, onbenevelder, onbeneveldst.
Onbenijd.
Onbenijdbaar, -bare.
Onbenoembaar, -bare.
Onbenoembaarheid, V.
Onbenoemd.
Onbenul, M. en V., onbenullen.
Onbenullig, onbenulliger, onbenulligst.
Onbenulligheid, V.
Onbeoordeeld.
Onbepaalbaar, -bare.
Onbepaalbaarheid, V.
Onbepaald, onbepaalder, onbepaaldst.
Onbepaaldheid, V.
Onbeperkt, onbeperkter, onbeperktst.
Onbeperktheid, V.
Onbeproefd.
Onberaden, onberadener, onberadenst.
Onberadenheid, V.
Onberecht.
Onbereden.
Onberedeneerd, onberedeneerder, onberedeneerdst.
Onberedeneerdheid, V.
Onbereid.
Onbereikbaar, -bare.
Onbereikbaarheid, V.
Onbereisd.
Onberekenbaar, -bare.
Onberekend.
Onberijdbaar, -bare.
Onberispelijk, -lijker, -lijkst.
Onberispelijkheid, V.
Onberoemd.
Onberoemdheid, V.
Onberoepbaar, -bare.
Onberoerd.
Onberouwelijk.
Onbeschaafd, onbeschaafder, onbeschaafdst.
Onbeschaafdheid, V., -heden.
Onbeschaamd, onbeschaamder, onbeschaamdst.
Onbeschaamdheid. V., -heden.
Onbeschadigd.
Onbeschaduwd.
Onbescheid, O.
Onbescheiden, onbescheidener, onbescheidenst.
Onbescheidenheid, V., -heden.
Onbescheidenlijk,
Onbeschenen.
Onbeschermd.
Onbeschoft, onbeschofter. onbeschoftst.
Onbeschoftheid, V., -heden.
Onbeschreid.
Onbeschreven.
Onbeschrijfbaar, -bare.
Onbeschrijfbaarheid, V.
Onbeschrijfelijk, -lijker, -lijkst.
Onbeschroomd, onbeschroomder, onbeschroomdst.
Onbeschroomdheid, V.
Onbeschut, onbeschutte.
Onbesefbaar, -bare.
Onbeslagen.
Onbeslapen.
Onbeslecht.
Onbeslist.
Onbeslistheid, V.
Onbesmet, onbesmette.
Onbesneden.
Onbesnoeid.
Onbespeeld.
Onbespied.
Onbesproken.
Onbesprokenheid, V.
Onbestaanbaar, -bare.
Onbestaanbaarheid, V.
Onbesteed, onbestede.
Onbestelbaar.
Onbesteld.
Onbestendig, onbestendiger, onbestendigst.
Onbestendigheid, V.
Onbestierd.
Onbestijgbaar, -bare.
Onbestorven.
Onbestreden.
Onbesuisd, onbesuisder, onbesuisdst.
Onbesuisdheid, V., -heden.
Onbetaalbaar, -baarder, -baarst.
Onbetaald.
Onbetamelijk, -lijker, -lijkst.
Onbetamelijkheid, V., -heden.
Onbeteekenend, onbeteekenender, onbeteekenendst.
Onbetembaar, -bare.
Onbetembaarheid, V.
Onbetemd.
Onbeteugelbaar, -bare.
Onbeteugeld.
Onbeteuterd.
Onbetoogbaar, -bare.
Onbetoombaar, -bare.
Onbetoombaarheid, V.
Onbetoomd.
Onbetracht.
Onbetreden.
Onbetreurd.
Onbetrouwbaar, -bare.
Onbetuigd.
Onbetwijfelbaar, -baarder, -baarst.
Onbetwist.
Onbetwistbaar, -baarder, -baarst.
Onbetwistbaarheid, V.
Onbevaarbaar, -bare.
Onbevaarbaarheid, V.
Onbevallig, onbevalliger, onbevalligst.
Onbevalligheid, V.
Onbevaren.
Onbevattelijk, -lijker, -lijkst.
Onbevattelijkheid, V.
Onbevlekt.
Onbevlektheid, V.
Onbevochten.
Onbevoegd.
Onbevoegdheid, V.
Onbevolkt.
Onbevooroordeeld.
Onbevooroordeeldheid, V.
Onbevoorrecht.
Onbevredigd.
Onbevredigdheid, V.
Onbevredigend.
Onbevreesd.
Onbevreesdheid, V.
Onbevriesbaar, -bare.
Onbevroren en Onbevrozen.
Onbevrucht.
Onbewaakt.
Onbewassen.
Onbeweegbaar, -bare.
Onbeweegbaarheid, V.
Onbeweeglijk, -lijker, -lijkst.
Onbeweeglijkheid, V.
Onbeweend.
Onbewerkt.
Onbewerktuigd.
Onbewezen.
Onbewijsbaar, -bare.
Onbewijsbaarheid, V., -heden.
Onbewimpeld, onbewimpelder; onbewimpeldst.
Onbewogen.
Onbewolkt.
Onbewoonbaar, -bare.
Onbewoonbaarheid, V.
Onbewoond.
Onbewust.
Onbewustheid, V.
Onbezeerd.
Onbezegeld.
Onbezeilbaar, -bare.
Onbezeild.
Onbezet, onbezette.
Onbezichtigd.
Onbezield.
Onbezien.
Onbeziens.
Onbezocht.
Onbezoedeld.
Onbezoldigd.
Onbezonnen, onbezonnener, onbezonnenst.
Onbezonnenheid, V., -heden.
Onbezorgd, onbezorgder, onbezorgdst.
Onbezorgdheid, V.
Onbezwaard.
Onbezwalkt.
Onbezweken.
Onbijbelsch.
Onbillijk, -lijker, -lijkst.
Onbillijkheid, V., -heden.
Onbloedig.
Onbluschbaar, -bare.
Onboetvaardig, -vaardiger, -vaardigst.
Onboetvaardigheid, V.
Onbrandbaar, -bare.
Onbrandbaarheid, V.
Onbreekbaar, -baarder, -baarst.
Onbreekbaarheid, V.
Onbroederlijk.
Onbruik (znw.).
Onbruikbaar, -baarder, -baarst.
Onbruikbaarheid, V.
Onbuigbaar, -baarder, -baarst.
Onbuigbaarheid, V.
Onbuigzaam, -zamer, -zaamst.
Onbuigzaamheid, V.
Onburgerlijk.
Once (medicinaal gewicht), V., oncen.
Onchristelijk, -lijker, -lijkst.
Onchristelijkheid, V.
Onchristen, M., onchristenen.
Ondaad, V., ondaden.
Ondank, M.
Ondankbaar, -baarder, -baarst.
Ondankbaarheid, V., -heden.
Ondanks.
Ondeeg (Te -).
Ondeelbaar, -bare.
Ondeelbaarheid, V.
Ondeelnemend.
Ondegelijk, ondegelijker, ondegelijkst.
Ondegelijkheid, V.
Ondenkbaar, -bare.
Ondenkbaarheid, V.
Onder.
Onderaan.
Onderaannemer, M., -aannemers.
Onderaardsch.
Onderadjudant, M., -adjudanten.
Onderaf.
Onderafdeeling, V., -afdeelingen.
Onderarm, M., -armen; -armpje, O., -jes.
Onderbaas (meesterknecht), M., -bazen.
Onderbaas (voetstuk van een pilaar), V., -bazen.
Onderbaggeren, baggerde onder, heeft ondergebaggerd.
Onderbaggering, V.
Onderbalk, M., -balken.
Onderband, M., -banden.
Onderbank, V., -banken.
Onderbanket, O., -banketten.
Onderbast, M., -basten.
Onderbatterij, V., -batterijen.
Onderbed, O., -bedden; -bedje, O., -jes.
Onderbeek, V., -beken; -beekje, O., -jes.
Onderbek, M., -bekken.
Onderbekken, O., -bekkens.
Onderberghout, O., -berghouten.
Onderberm, M., -bermen.
Onderbeschuit, V., -beschuiten.
Onderbevelhebber, M., -bevelhebbers.
Onderbevelhebberschap, O.
Onderbibliothecaris, M., -bibliothecarissen.
Onderbikkel, M., -bikkels.
Onderbil, V., -billen.
Onderbinden, bond onder, heeft ondergebonden; ook onderbond, heeft onderbonden.
Onderbinding, V., -bindingen.
Onderblad, O., -bladen.
Onderblijven, bleef onder, bleven onder, is ondergebleven.
Onderboekhouder, M., -boekhouders.
Onderboom, M., -boomen.
Onderboord (rand), M., -boorden.
Onderboord (plank), O., -boorden.
Onderbouw, M.
Onderbouwen, bouwde onder, heeft ondergebouwd.
Onderbraak, V., -braken.
Onderbreken, onderbrak, onderbraken, heeft onderbroken.
Onderbreking, V., -brekingen.
Onderbrengen, bracht onder, heeft ondergebracht.
Onderbroek, V., -broeken; -broekje, O., -jes.
Onderbroeksknoop, M., -knoopen.
Onderbuik, M., -buiken; -buikje, O., -jes.
Onderbuikskwaal, V., -kwalen.
Onderbuiksziekte, V., -ziekten.
Onderbuis, O., -buizen; -buisje, O., -jes.
Onderbuur, M., -buren.
Ondercommissaris, M., -commissarissen.
Ondercommissarisschap, O.
Onderconsul, M., -consuls.
Onderdaags.
Onderdaan, M. en V., onderdanen. V., ook onderdane.
Onderdanig, onderdaniger, onderdanigst.
Onderdanigheid, V.
Onderdeel, O., -deelen; -deeltje, O., -jes.
Onderdek, O., -dekken.
Onderdeken (persoon), M., -dekens.
Onderdeken (dekkleed), V., -dekens; -dekentje, O., -jes.
Onderdekken, dekte onder, heeft ondergedekt.
Onderdeks.
Onderdeksplank, V., -planken.
Onderdeur, V., -deuren; -deurtje, O., -jes.
Onderdiaken, M., -diakenen en -diakens.
Onderdies.
Onderdijk, M., -dijken.
Onderdijken, heeft ondergedijkt.
Onderdijking, V.
Onderdoen, deed onder, deden onder, heeft ondergedaan.
Onderdompelen, dompelde onder, heeft ondergedompeld.
Onderdompeling, V., -dompelingen.
Onderdoor.
Onderdoorgaan, gaat onderdoor, ging onderdoor, is onderdoorgegaan.
Onderdoorglijden, gleed onderdoor, gleden onderdoor, is onderdoorgegleden.
Onderdoorkruipen, kroop onderdoor, kropen onderdoor, is onderdoorgekropen.
Onderdoorloopen, liep onderdoor, is onderdoorgeloopen.
Onderdoorrijden, reed onderdoor, reden onderdoor, is onderdoorgereden.
Onderdoorsluipen, sloop onderdoor, slopen onderdoor, is onderdoorgeslopen.
Onderdoorvaren, voer onderdoor, is onderdoorgevaren.
Onderdoorzeilen, zeilde onderdoor, is onderdoorgezeild.
Onderdoorzwemmen, zwom onderdoor, zwommen onderdoor, is onderdoorgezwommen.
Onderdorpel, M., -dorpels.
Onderdrempel, M., -drempels.
Onderdrukken, drukte onder, heeft ondergedrukt; ook onderdrukte, heeft onderdrukt.
Onderdrukker, M., -drukkers.
Onderdrukking, V., -drukkingen.
Onderduiken, dook onder, doken onder, is en heeft ondergedoken.
Onderduwen, duwde onder, heeft ondergeduwd.
Ondereen.
Ondereengooien, gooide ondereen, heeft ondereengegooid.
Ondereenklutsen, klutste ondereen, heeft ondereengeklutst.
Ondereenknoeien, knoeide ondereen, heeft ondereengeknoeid.
Ondereenmengen, mengde ondereen, heeft ondereengemengd.
Ondereenroeren, roerde ondereen, heeft ondereengeroerd.
Ondereensmelten, smolt ondereen, heeft en is ondereengesmolten.
Ondereenwarren, warde ondereen, heeft ondereengeward.
Ondereenwerpen, wierp ondereen, heeft ondereengeworpen.
Ondereggen, egde onder, heeft ondergeëgd.
Onderegging, V.
Ondereinde, O., -einden.
Onderen (Naar -, van -, tot -).
Ondergaan, gaat onder, ging onder, is ondergegaan; ook ondergaat, onderging, heeft ondergaan.
Ondergang (het ondergaan), M.
Ondergang (benedengang), V., -gangen; -gangetje, O., -jes.
Ondergast, M., -gasten; -gastje, O., -jes.
Ondergebit, O., -gebitten.
Ondergedeelte, O., -gedeelten.
Ondergei, V., -geien.
Ondergeschikt, -geschikter, -geschiktst.
Ondergeschikte, M. en V., ondergeschikten.
Ondergeschiktheid, V.
Ondergeschoven.
Ondergeschrevene, M. en V., -geschrevenen.
Ondergestel, O., -gestellen.
Ondergestoken.
Ondergeteekende, M. en V., -geteekenden.
Ondergewas, O.
Ondergieten, goot onder, goten onder, heeft ondergegoten.
Ondergilling, V., -gillingen.
Ondergist, V.
Ondergisting, V.
Ondergoed, O., -goedje, O.
Ondergooien, gooide onder, heeft ondergegooid.
Ondergorden, ondergordde, heeft ondergord.
Ondergording, V., -gordingen
Ondergouverneur, M., -gouverneurs.
Ondergraatsch.
Ondergrauw, O.
Ondergraven, groef onder, groeven onder, heeft ondergegraven; ook ondergroef, ondergroeven, heeft ondergraven.
Ondergraving, V., -gravingen.
Ondergrond, M., -gronden.
Ondergrondsch.
Ondergrondsploeg, M., -ploegen.
Onderhaam, O., -hamen.
Onderhagelen, hagelde onder, is ondergehageld.
Onderhalen, haalde onder, heeft ondergehaald; ook onderhaalde, heeft onderhaald.
Onderhaling, V., -halingen.
Onderhals, M., -halzen.
Onderhand, V., -handen.
Onderhandelaar, M., -handelaars en -handelaren.
Onderhandelen, onderhandelde, heeft onderhandeld.
Onderhandeling, V., -handelingen.
Onderhandelingsvlag, V., -vlaggen.
Onderhandsch (bnw.).
Onderhave en Onderhaaf, V.
Onderhavenmeester, M., -havenmeesters.
Onderhebben, heeft onder, had onder, hadden onder, heeft ondergehad.
Onderhebbend.
Onderheien, heide onder, heeft onderheid.
Onderhelpen, hielp onder, heeft onderholpen.
Onderhemd, O., -hemden; -hemdje, O., -jes.
Onderhevig.
Onderhoofdman, M., -hoofdlieden.
Onderhooren, onderhoorde, heeft onderhoord.
Onderhoorig.
Onderhoorige, M. en V., -hoorigen.
Onderhoorigheid, V., -heden.
Onderhoud, O.
Onderhouden, hield onder, heeft ondergehouden; ook onderhield, heeft onderhouden.
Onderhoudend, -houdender, -houdendst.
Onderhoudendheid, V.
Onderhouder, M., -houders.
Onderhouding, V.
Onderhoudplichtig.
Onderhoudskosten (mv.), M.
Onderhoudster, V., -houdsters.
Onderhout, O.
Onderhouw, M.
Onderhuid, V., -huiden.
Onderhuidsch.
Onderhuis, O., -huizen; -huisje, O., -jes.
Onderhuren, onderhuurde, heeft onderhuurd.
Onderhuring, V., -huringen.
Onderhuur, V.
Onderhuurder, M., -huurders.
Onderijzer, O., -ijzers.
Onderin.
Onderjurk, V., -jurken.
Onderkaak, V., -kaken.
Onderkaaksbeen, O., -beenderen.
Onderkam, M., -kammen; -kammetje, O., -jes.
Onderkanselier, M., -kanseliers en -kanselieren.
Onderkant, M., -kanten; -kantje, O., -jes.
Onderkapitein, M., -kapiteins.
Onderkast, V., -kasten; -kastje, O., -jes.
Onderkennen, onderkende, heeft onderkend.
Onderkenning, V.
Onderkerk, V., -kerken.
Onderkeuken, V., -keukens.
Onderkiesdistrict, O., -kiesdistricten.
Onderkimweger, M., -kimwegers.
Onderkin, V., -kinnen; -kinnetje, O., -jes.
Onderklavier, O., -klavieren.
Onderkleed (kleedingstuk), O., -kleeden; -kleedje, O., -jes.
Onderkleed (dekkleed), O., -kleeden; -kleedje, O., -jes.
Onderkleeding, V.
Onderkok, M., -koks.
Onderkoksmaat, M., -maats; -maatje, O., -jes.
Onderkomeling, M. en V., -komelingen. V. ook onderkomelinge.
Onderkomen, komt onder, kwam onder, kwamen onder, is ondergekomen.
Onderkomen, O.
Onderkoning, M., -koningen.
Onderkoningschap, O.
Onderkorst, V., -korsten; -korstje, O., -korstjes.
Onderkoster, M., -kosters.
Onderkous, V., -kousen; -kousje, O., -jes.
Onderkrijgen, kreeg onder, kregen onder, heeft ondergekregen.
Onderkrop, M., -kroppen.
Onderkruier, M., -kruiers.
Onderkruipen, kroop onder, kropen onder, is ondergekropen; ook onderkroop, onderkropen, heeft onderkropen.
Onderkruiper, M., -kruipers.
Onderkruiperij, V., -kruiperijen.
Onderkruipertje, O., -jes.
Onderkruiping, V., -kruipingen.
Onderkruipster, V., -kruipsters.
Onderkruipstertje, O., -jes.
Onderkuil, V.
Onderkunnen, kan onder, kunnen onder, konde en kon onder, konden onder, heeft ondergekund.
Onderkussen, O., -kussens; -kussentje, O., -jes.
Onderlaag, V., -lagen; -laagje, O., -jes.
Onderlaken, O., -lakens; -lakentje, O., -jes.
Onderlandvoogd, M., -landvoogden.
Onderlandvoogdij, V.
Onderlangs.
Onderlast, M.
Onderlaten, liet onder, heeft ondergelaten.
Onderlegd en Onderleid.
Onderleggen, legde en leide onder, heeft ondergelegd en ondergeleid; ook onderlegde en onderleide, heeft onderlegd en onderleid.
Onderlegger, M., -leggers.
Onderlegsel, O., -legsels.
Onderleid. Zie Onderlegd.
Onderliggen, lag onder, lagen onder, heeft ondergelegen.
Onderliggend.
Onderligger, M., -liggers.
Onderlijf, O., -lijven; -lijfje, O., -jes.
Onderlijk, O., -lijken.
Onderlijnen, onderlijnde, heeft onderlijnd.
Onderlijning, V., -lijningen.
Onderlijzeil, O., -lijzeilen en -lijzeils.
Onderling.
Onderlinnen, O.
Onderlip, V., -lippen; -lipje, O., -jes.
Onderloopen, liep onder, is ondergeloopen.
Onderloopsch.
Onderloopschheid, V.
Onderlosser, M., -lossers.
Onderlucht, V.
Ondermaansch.
Ondermaansche, O.
Ondermaat, V.
Ondermatras, V., -matrassen; -matrasje, O., -jes.
Ondermeester, M., -meesters; -meestertje, O., -jes.
Ondermelk, V.
Ondermengen, ondermengde, heeft ondermengd.
Ondermijnen, ondermijnde, heeft ondermijnd.
Ondermijner, M., -mijners.
Ondermijning, V., -mijningen.
Ondermolen, M., -molens.
Ondermouw, V., -mouwen; -mouwtje, O., -jes.
Ondermuts, V., -mutsen; -mutsje, O., -jes.
Ondermuur, M., -muren; -muurtje, O., -jes.
Ondernemen, ondernam, ondernamen, heeft ondernomen.
Ondernemend, -nemender, -nemendst.
Ondernemer, M., -nemers.
Onderneming, V., -nemingen.
Ondernemingsgeest, M.
Ondernemingszucht, V.
Ondernok, V., -nokken.
Onderofficier, M., -officieren en -officiers; -officiertje, O., -jes.
Onderofficiersstrepen (mv.), V.
Onderom.
Onderom, V. en O.
Onderonsje, O., -jes.
Onderoog, O., -oogen.
Onderooglid, O., -oogleden.
Onderopzichter, M., -opzichters.
Onderoven, M., -ovens.
Onderpacht, V.
Onderpachten, onderpachtte, heeft onderpacht.
Onderpachter, M., -pachters.
Onderpand, O., -panden; -pandje, O., -jes.
Onderpastoor, M., onderpastoors.
Onderpijp, V., -pijpen.
Onderpikeur, M., -pikeurs.
Onderplaat, V., -platen; -plaatje, O., -jes.
Onderploegen, ploegde onder, heeft ondergeploegd.
Onderploeging, V.
Onderplompen, plompte onder, heeft en is ondergeplompt.
Onderplomping, V.
Onderpompen, pompte onder, heeft ondergepompt.
Onderprefect, M., -prefecten.
Onderprefectuur, V., -prefecturen.
Onderprior, M., -priors.
Onderpriores, V., -prioressen.
Onderpriorschap, O.
Onderra, V., -raas.
Onderraaklijn, V., -raaklijnen.
Onderraam, O., -ramen.
Onderraken, raakte onder, is ondergeraakt.
Onderrand, M., -randen; -randje, O., -jes.
Onderreep, M., -reepen.
Onderregel, M., -regels.
Onderregenen, regende onder, is ondergeregend.
Onderregent, M., -regenten.
Onderrekenen, rekende onder, heeft ondergerekend.
Onderricht, O.
Onderrichten, onderrichtte, heeft onderricht.
Onderrichter, M., -richters.
Onderrichting, V., -richtingen.
Onderriem, M., -riemen; -riempje, O., -jes.
Onderrijden, reed onder, reden onder, is en heeft ondergereden.
Onderrok, M., -rokken; -rokje, O., -jes.
Onderruim, O.
Onderschatten, onderschatte, heeft onderschat.
Onderscheid, O.
Onderscheiden (bnw.).
Onderscheiden, onderscheidde, heeft onderscheiden.
Onderscheidenlijk.
Onderscheiding, V., -scheidingen.
Onderscheidingsgave, V.
Onderscheidingsteeken, O., -teekens en -teekenen.
Onderscheidingsvermogen, O.
Onderscheidingsvlag, V., -vlaggen.
Onderscheppen, onderschepte, heeft onderschept.
Onderschepping, V., -scheppingen.
Onderschikken, onderschikte, heeft onderschikt.
Onderschikkend.
Onderschip, O.
Onderschoren, onderschoorde, heeft onderschoord.
Onderschoring, V., -schoringen.
Onderschout, M., -schouten.
Onderschragen, onderschraagde, heeft onderschraagd.
Onderschrappen, onderschrapte, heeft onderschrapt.
Onderschrift, O., -schriften; -schriftje, O., -jes.
Onderschrijven, onderschreef, -schreven, heeft onderschreven.
Onderschrijving, V., -schrijvingen.
Onderschuiven, schoof onder, schoven onder, heeft ondergeschoven.
Onderschuiver, M., -schuivers.
Ondershands (bijw.).
Onderslaan, ondersloeg, heeft onderslagen.
Onderslag, M., -slagen.
Onderslede, V., -sleden.
Ondersmijten, smeet onder, smeten onder, heeft ondergesmeten.
Ondersnede, ook Ondersnee, V., -sneden (-sneeën); -sneetje, O., -jes.
Ondersneeuwen, sneeuwde onder, is ondergesneeuwd.
Onderspannen, onderspande, heeft onderspannen.
Onderspil, O., -spillen.
Onderspit, O.
Onderspitten, spitte onder, heeft ondergespit.
Onderspuiten, spoot onder, spoten onder, heeft ondergespoten.
Onderst.
Onderstaan, onderstond, heeft onderstaan.
Onderstaand.
Onderstampen, stampte onder, heeft ondergestampt.
Onderstand, M.
Onderstandig.
Onderstandsgeld, O., -gelden.
Onderstboven.
Onderste, O.
Ondersteek, O., -steken.
Ondersteeksel, O., -steeksels.
Onderstel, O., -stellen; -stelletje, O., -jes.
Onderstellen, onderstelde, heeft ondersteld.
Onderstelling, V., -stellingen.
Ondersteunen, ondersteunde, heeft ondersteund.
Ondersteuning, V., -steuningen.
Onderstreepen, onderstreepte, heeft onderstreept.
Onderstreping, V., -strepingen.
Onderstroom, M., -stroomen.
Onderstuk, O., -stukken.
Onderstut, M., -stutten.
Onderstutten, onderstutte, heeft onderstut.
Onderstuurman, M., -lieden en -lui.
Ondertand, M., -tanden.
Ondertasten, ondertastte, heeft ondertast.
Onderteekenaar, M., -teekenaren en -teekenaars.
Onderteekenen, onderteekende, heeft onderteekend.
Onderteekening, V., -teekeningen.
Ondertijds.
Ondertrouw, M.
Ondertrouwde, M. en V., -trouwden.
Ondertrouwen, ondertrouwde, heeft ondertrouwd.
Ondertrouwing, V., -trouwingen.
Ondertusschen.
Onderuit.
Onderuitreven, reefde onderuit, heeft onderuitgereefd.
Ondervat, O., -vaten.
Onderverdeelen, heeft onderverdeeld.
Onderverdeeling, V., -verdeelingen.
Ondervest, O., -vesten.
Ondervinden, ondervond, heeft ondervonden.
Ondervinding, V., -vindingen.
Ondervloer, M., -vloeren.
Ondervoorzitter, M., -voorzitters.
Ondervragen, ondervraagde, heeft ondervraagd; ook ondervroeg.
Ondervrager, M., -vragers.
Ondervraging, V., -vragingen.
Ondervrijen, ondervrijde, heeft ondervrijd.
Onderwal, M., -wallen.
Onderwant, O.
Onderwater, O.
Onderwaterzetting, V., -zettingen.
Onderweg, M., -wegen; -wegje, O., -jes.
Onderweg (bijw.).
Onderwelven, onderwelfde, heeft onderwelfd.
Onderwereld, V.
Onderwerken, werkte onder, heeft onderwerkt.
Onderwerp, O., -werpen; -werpje, O., -jes.
Onderwerpen, onderwierp, heeft onderworpen.
Onderwerping, V., -werpingen.
Onderwerpszin, M., -zinnen.
Onderwicht, O.
Onderwijl.
Onderwijs, O.
Onderwijskrachten (mv.), V.
Onderwijswet, V., -wetten.
Onderwijszaken (mv.), V.
Onderwijzen, onderwees, onderwezen, heeft onderwezen.
Onderwijzer, M., -wijzers.
Onderwijzeres, V., -wijzeressen.
Onderwijzersgenootschap, O., -genootschappen.
Onderwijzerspersoneel, O.
Onderwijzerstraktement, O., -traktementen.
Onderwijzing, V., -wijzingen.
Onderwind, O.
Onderwinden (zich -), onderwond zich, heeft zich onderwonden.
Onderworpeling, M. en V., -worpelingen. V. ook onderworpelinge.
Onderworpen, -worpener, -worpenst.
Onderworpenheid, V.
Onderwroeten, onderwroette, heeft onderwroet.
Onderzaat, M., -zaten.
Onderzeesch.
Onderzeil, O., -zeilen.
Onderzetting, V., -zettingen.
Onderzinken, zonk onder, is ondergezonken.
Onderzoek, O.
Onderzoeken, onderzocht, heeft onderzocht.
Onderzoeker, M., -zoekers.
Onderzoeking, V., -zoekingen.
Onderzwaveligzuur, O.
Ondeugd (gebrek), V., ondeugden.
Ondeugd (persoon), M. en V., ondeugden. Ondeugdje, O., -jes.
Ondeugdelijk.
Ondeugdzaam, -zamer, -zaamst.
Ondeugend, ondeugender, ondeugendst.
Ondeugendheid, V., -heden.
Ondicht, O.
Ondicht (bnw.).
Ondichterlijk, -lijker, -lijkst.
Ondienst, M., ondiensten.
Ondienstig, ondienstiger, ondienstigst.
Ondiep, ondieper, ondiepst.
Ondiepte, V., ondiepten.
Ondier, O., ondieren.
Onding, O., ondingen.
Ondoelmatig, -matiger, -matigst.
Ondoeltreffend, -treffender, -treffendst.
Ondoenlijk, -lijker, -lijkst.
Ondoenlijkheid, V.
Ondoofbaar.
Ondoordacht.
Ondoordringbaar, -bare.
Ondoordringbaarheid, V.
Ondoorgrond.
Ondoorgrondelijk, -lijker, -lijkst.
Ondoorgrondelijkheid, V.
Ondoorkomelijk, -lijker, -lijkst.
Ondoorschijnend.
Ondoorschijnendheid, V.
Ondoorstaanbaar.
Ondoorwaadbaar, -bare.
Ondoorworstelbaar, -bare.
Ondoorzichtig, -zichtiger, -zichtigst.
Ondoorzichtigheid, V.
Ondoorzienbaar.
Ondoorzocht.
Ondraagbaar, -bare.
Ondraaglijk, -lijker, -lijkst.
Ondraaglijkheid, V.
Ondrinkbaar, -bare.
Ondrinkbaarheid, V.
Ondubbelzinnig, -zinniger, -zinnigst.
Ondubbelzinnigheid, V.
Onduidelijk, -lijker, -lijkst.
Onduidelijkheid, V., -heden.
Onduitsch.
Onduldbaar, -bare.
Onduldelijk, -lijker, -lijkst.
Onduline, V., ondulines.
Onecht, M.
Onecht, onechter, onechtst.
Onechtheid, V.
Onedel, onedeler, onedelst.
Onedelaardig.
Onedelmoedig, -moediger, -moedigst.
Onedelmoedigheid, V.
Oneendrachtig.
Oneenig, oneeniger, oneenigst.
Oneenigheid, V., -heden.
Oneenparig.
Oneenparigheid, V., -heden.
Oneens.
Oneensgezind.
Oneensgezindheid, V.
Oneenstemmig.
Oneer, V.
Oneerbaar, -baarder, -baarst.
Oneerbaarheid, V.
Oneerbiedig, -biediger, -biedigst.
Oneerbiedigheid, V., -heden.
Oneerbiediglijk.
Oneerlijk, -lijker, -lijkst.
Oneerlijkheid, V., -heden.
Oneetbaar, -bare.
Oneffen, oneffener, oneffenst.
Oneffenheid, V., -heden.
Oneigen.
Oneigenaardig, -aardiger, -aardigst.
Oneigenaardigheid, V.
Oneigenlijk.
Oneigenlijkheid, V.
Oneindig.
Oneindigheid, V.
Oneindigmaal.
Onereus, onereuzer, onereust.
Onergdenkend, -denkender, -denkendst.
Onergerlijk, -lijker, -lijkst.
Onerkend.
Onerkentelijk, -lijker, -lijkst.
Onerkentelijkheid, V.
Onervaren, onervarener, onervarenst.
Onervarenheid, V.
Oneven.
Onevenheid, V.
Onevenmatig, -matiger, -matigst.
Onevenmatigheid, V.
Onevenredig, -rediger, -redigst.
Onevenredigheid, V., -heden.
Onfaalbaar, -bare.
Onfatsoenlijk, -lijker, -lijkst.
Onfatsoenlijkheid, V., -heden.
Onfeilbaar, -bare.
Onfeilbaarheid, V.
Onfraai.
Onfrisch, onfrisscher.
Onfrischheid, V.
Ongaaf, ongaver, ongaafst.
Ongaar, ongare.
Ongaarheid, V.
Ongaarne.
Ongalijk, -lijker, -lijkst.
Ongalijkheid, V.
Ongangbaar, -bare.
Ongangbaarheid, V.
Ongansch, O.
Ongansch.
Ongastvrij, -vrijer.
Ongastvrijheid, V.
Ongeacht.
Ongeadeld.
Ongeaderd.
Ongebaand, ongebaander, ongebaandst.
Ongebaandheid, V.
Ongebaard (baardeloos).
Ongebakken.
Ongeballast.
Ongebalsemd.
Ongebeden.
Ongebeft.
Ongebeurd.
Ongebeurlijk, -lijker, -lijkst.
Ongebezigd.
Ongebiecht.
Ongeblanket, ongeblankette.
Ongebleekt.
Ongebloemd.
Ongebluscht.
Ongeboeid.
Ongeboekt.
Ongeboend.
Ongebogen.
Ongebonden, ongebondener, ongebondenst.
Ongebondenheid, V., -heden.
Ongeboord.
Ongeborduurd.
Ongeboren.
Ongebreideld.
Ongebroken.
Ongebruikelijk, -lijker, -lijkst.
Ongebruikelijkheid, V.
Ongebruikt.
Ongebruineerd.
Ongebuild.
Ongedaan (onverricht), ongedane.
Ongedaan (er slecht uitziende), ongedaner, ongedaanst.
Ongedacht.
Ongedachtig.
Ongedagteekend.
Ongedateerd.
Ongedeeld.
Ongedeerd.
Ongedekt.
Ongedienstig, ongedienstiger, ongedienstigst.
Ongedienstigheid, V.
Ongedierte, O.
Ongedoopt.
Ongedopt.
Ongedorscht.
Ongedrongen.
Ongedroogd.
Ongedroomd.
Ongedrukt.
Ongeduld, O.
Ongeduldig, ongeduldiger, ongeduldigst.
Ongeduldigheid, V.
Ongedurig, ongeduriger, ongedurigst.
Ongedurigheid, V.
Ongedwongen, ongedwongener, ongedwongenst.
Ongedwongenheid, V.
Ongeëgd.
Ongeestig.
Ongefatsoeneerd.
Ongefoelied.
Ongeformeerd.
Ongegist.
Ongeglansd.
Ongegoed.
Ongegomd.
Ongegord.
Ongegrendeld.
Ongegrond, ongegronder, ongegrondst.
Ongegrondheid, V.
Ongehard.
Ongeharnast.
Ongehaspeld.
Ongehavend.
Ongehekeld.
Ongehinderd.
Ongehoopt.
Ongehoord, ongehoorder, ongehoordst.
Ongehoordheid, V.
Ongehoornd en Ongehorend.
Ongehoorzaam, -zamer, -zaamst.
Ongehoorzaamheid, V., -heden.
Ongehouden.
Ongehoudenheid, V.
Ongehuicheld.
Ongehuwd.
Ongekaakt.
Ongekamd.
Ongekantrecht.
Ongekapt.
Ongekarteld.
Ongekend.
Ongekeperd.
Ongeketend.
Ongekeurd.
Ongekleed, ongekleede.
Ongekleurd.
Ongekluisterd.
Ongeknakt.
Ongekneusd.
Ongeknield.
Ongeknot, ongeknotte.
Ongekookt.
Ongekoperd.
Ongekorven.
Ongekrenkt.
Ongekreukt.
Ongekroond.
Ongekruid.
Ongekruld.
Ongekuifd.
Ongekuischt.
Ongekunsteld.
Ongekunsteldheid, V.
Ongekurkt.
Ongekweld.
Ongekwetst.
Ongel, V.
Ongelaagd.
Ongelaakt.
Ongelaarsd.
Ongelachtig, -achtiger, -achtigst.
Ongelachtigheid, V.
Ongelakt.
Ongelasterd.
Ongelauwerd.
Ongeld, O., ongelden.
Ongeleerd.
Ongelegen, ongelegener, ongelegenst.
Ongelegenheid, V., -heden.
Ongeletterd.
Ongeletterde, M. en V., ongeletterden.
Ongelezen.
Ongelig, ongeliger, ongeligst.
Ongeligheid, V.
Ongelijk, ongelijker, ongelijkst.
Ongelijk, O.
Ongelijkbaar, -bare.
Ongelijkbrekend.
Ongelijkelijk.
Ongelijkheid, V., -heden.
Ongelijkmatig, -matiger, -matigst.
Ongelijkmatigheid, V., -heden.
Ongelijknamig.
Ongelijkslachtig, -slachtiger, -slachtigst.
Ongelijkslachtigheid, V.
Ongelijksoortig.
Ongelijksoortigheid, V.
Ongelijkvormig, -vormiger, -vormigst.
Ongelijkvormigheid, V.
Ongelijmd.
Ongelijnd.
Ongelikt, ongelikter, ongeliktst.
Ongeliktheid, V.
Ongelinieerd.
Ongelogen.
Ongeloken.
Ongeloochend.
Ongeloof, O.
Ongeloofbaar, -baarder, -baarst.
Ongeloofbaarheid, V.
Ongeloofelijk, -lijker, -lijkst.
Ongeloofelijkheid, V.
Ongeloofwaardig, -waardiger, -waardigst, of meer en meest -waardig.
Ongeloofwaardigheid, V.
Ongeloogd.
Ongelooid.
Ongeloovig, ongelooviger, ongeloovigst.
Ongeloovige, M. en V., ongeloovigen.
Ongeloovigheid, V.
Ongelouterd.
Ongeluk, O., ongelukken. Ongelukje, O., -jes.
Ongelukkig, ongelukkiger, ongelukkigst.
Ongelukkigerwijze en -wijs.
Ongeluksbode, M. en V., -boden.
Ongeluksdag, M., -dagen.
Ongelukskind, O., -kinderen.
Ongeluksprofeet, M., -profeten.
Ongeluksvogel, M., -vogels.
Ongemaaid.
Ongemaakt, ongemaakter, ongemaaktst.
Ongemaaktheid, V.
Ongemachtigd.
Ongemak, O., ongemakken. Ongemakje, O., -jes.
Ongemakkelijk, -lijker, -lijkst.
Ongemakkelijkheid, V.
Ongemalen.
Ongemangeld.
Ongemanierd, ongemanierder, ongemanierdst.
Ongemanierdheid, V., -heden.
Ongemarmerd.
Ongemaskerd.
Ongemeen, ongemeener, ongemeenst.
Ongemeend.
Ongemeenheid, V.
Ongemengd.
Ongemerkt.
Ongemest.
Ongemeten.
Ongemeubeld.
Ongemeubileerd.
Ongemoeid.
Ongemuilband.
Ongemunt.
Ongenaakbaar, -baarder, -baarst.
Ongenaakbaarheid, V.
Ongenade, V.
Ongenadig, ongenadiger, ongenadigst.
Ongeneesbaar, -bare.
Ongeneesbaarheid, V.
Ongeneeslijk en Ongeneselijk, -lijker, -lijkst.
Ongeneeslijkheid, V.
Ongenegen, ongenegener, ongenegenst.
Ongenegenheid, V.
Ongeneigd.
Ongeneigdheid, V.
Ongeneselijk. Zie Ongeneeslijk.
Ongeneugte, V., ongeneugten.
Ongenietbaar, -bare.
Ongenoegen, O.
Ongenoeglijk, -lijker, -lijkst.
Ongenoegzaam, -zamer, -zaamst.
Ongenoegzaamheid, V.
Ongenoemd.
Ongenommerd.
Ongenood.
Ongenoodigd.
Ongeoefend, ongeoefender, ongeoefendst.
Ongeoefendheid, V.
Ongeolied.
Ongeoorloofd, ongeoorloofder, ongeoorloofdst.
Ongeoorloofdheid, V.
Ongeopend.
Ongeordend.
Ongepaard.
Ongepast, ongepaster.
Ongepastheid, V.
Ongepekeld.
Ongepeld.
Ongepeperd.
Ongepermitteerd.
Ongeplaveid.
Ongepleisterd.
Ongeplet, ongeplette.
Ongeploegd.
Ongepluimd.
Ongepolijst.
Ongepolijstheid, V.
Ongepolitoerd.
Ongeprezen.
Ongepunt.
Ongeraden, ongeradener, ongeradenst.
Ongeradenheid, V.
Ongerand.
Ongerechtig, ongerechtiger, ongerechtigst.
Ongerechtigheid, V., -heden.
Ongereede, O.
Ongeregeld, ongeregelder, ongeregeldst.
Ongeregeldheid, V., -heden.
Ongereinigd.
Ongerekend.
Ongerept.
Ongerezen.
Ongerief, O.
Ongeriefelijk, -lijker, -lijkst.
Ongeriefelijkheid, V., -heden.
Ongerijmd, ongerijmder, ongerijmdst.
Ongerijmdheid, V., -heden.
Ongerimpeld.
Ongeroepen.
Ongeroosterd.
Ongerust, ongeruster.
Ongerustelijk.
Ongerustheid, V.
Ongeschaafd.
Ongeschapen.
Ongescheiden.
Ongescheurd.
Ongeschift.
Ongeschikt, ongeschikter, ongeschiktst.
Ongeschiktheid, V.
Ongeschoeid.
Ongeschokt.
Ongeschonden, ongeschondener, ongeschondenst.
Ongeschondenheid, V.
Ongeschoren.
Ongeschreven.
Ongeschubd.
Ongeslepen.
Ongesloten.
Ongesluierd.
Ongesmeerd.
Ongesmolten.
Ongesnoeid.
Ongesnoerd.
Ongespannen.
Ongespleten.
Ongesplitst.
Ongesponnen.
Ongestadig, ongestadiger, ongestadigst.
Ongestadigheid, V.
Ongestampt.
Ongesteeld.
Ongesteld.
Ongesteldheid, V., -heden.
Ongestempeld.
Ongesteven.
Ongestoffeerd.
Ongestoord.
Ongestraft.
Ongestreept.
Ongestudeerd.
Ongesuikerd.
Ongetakt.
Ongetand.
Ongeteerd.
Ongeteld.
Ongetemd.
Ongetemperd.
Ongetiteld.
Ongetoomd.
Ongetroost.
Ongetrouw, ongetrouwer, ongetrouwst.
Ongetrouwd.
Ongetrouwelijk.
Ongetrouwheid, V.
Ongetwijfeld.
Ongetwijnd.
Ongevaarlijk, -lijker, -lijkst.
Ongeval, O., ongevallen. Ongevalletje, O., -jes.
Ongevallenwet, V.
Ongevallig, ongevalliger, ongevalligst.
Ongevalligheid, V.
Ongevederd.
Ongeveer.
Ongeveinsd, ongeveinsder, meest ongeveinsd.
Ongeveinsdheid, V.
Ongeverfd.
Ongevergd.
Ongevernist.
Ongevleid.
Ongevlekt.
Ongevleugeld.
Ongevoeglijk, -lijker, -lijkst.
Ongevoeglijkheid, V.
Ongevoelig, ongevoeliger, ongevoeligst.
Ongevoeligheid, V.
Ongevolgd.
Ongevorderd.
Ongevormd.
Ongevouwen.
Ongevraagd.
Ongewaarschuwd.
Ongewapend.
Ongewasschen.
Ongewast.
Ongewaterd.
Ongeweekt.
Ongeweigerd.
Ongewenscht.
Ongeweven.
Ongewied.
Ongewijd.
Ongewild.
Ongewillig, ongewilliger, ongewilligst.
Ongewilligheid, V.
Ongewis, ongewisser, meest ongewis.
Ongewisheid, V., -heden.
Ongewisseld.
Ongewit, ongewitte.
Ongewond.
Ongewoon, ongewoner, ongewoonst.
Ongewoonheid, V., -heden.
Ongewoonte, V.
Ongewroken.
Ongewrongen, ongewrongener, ongewrongenst.
Ongewrongenheid, V.
Ongezaagd.
Ongezaaid.
Ongezadeld.
Ongezalfd.
Ongezegeld.
Ongezeglijk, -lijker, -lijkst.
Ongezeglijkheid, V.
Ongezellig, ongezelliger, ongezelligst.
Ongezelligheid, V.
Ongezien.
Ongezift.
Ongezind.
Ongezocht, ongezochter, ongezochtst.
Ongezochtheid, V.
Ongezond, ongezonder, ongezondst.
Ongezondheid, V.
Ongezoold.
Ongezoomd.
Ongezouten.
Ongezuiverd.
Ongezuurd.
Ongezwaveld.
Ongoddelijk.
Ongodist, M., ongodisten.
Ongodisterij, V.
Ongodsdienstig, -dienstiger, -dienstigst.
Ongodsdienstigheid, V.
Ongracelijk.
Ongrondwettig, -wettiger, -wettigst.
Ongrondwettigheid, V.
Ongunst, V.
Ongunstig, ongunstiger, ongunstigst.
Ongunstigheid, V.
Onguur, onguurder, onguurst.
Onguurheid, V., -heden.
Onhandelbaar, -baarder, -baarst.
Onhandelbaarheid, V.
Onhandig, onhandiger, onhandigst.
Onhandigheid, V., -heden.
Onharmonisch.
Onhebbelijk, -lijker, -lijkst.
Onhebbelijkheid, V., -heden.
Onheelbaar, -bare.
Onheil, O., onheilen. Onheiltje, O., -jes.
Onheilig, onheiliger, onheiligst.
Onheiligheid, V.
Onheilsbode, M., -boden.
Onheilsdag, M., -dagen.
Onheilspellend.
Onherbergzaam, -zamer, -zaamst.
Onherbergzaamheid, V.
Onherkenbaar, -bare.
Onherkenbaarheid, V.
Onherkiesbaar, -bare.
Onherkiesbaarheid, V.
Onherleidbaar, -bare.
Onherleidbaarheid, V.
Onherroepbaar, -bare.
Onherroepbaarheid, V.
Onherroepelijk.
Onherroepelijkheid, V.
Onherstelbaar, -bare.
Onheuglijk.
Onheusch, onheuscher, meest onheusch.
Onheuschheid, V., -heden.
Onhistorisch.
Onhoffelijk, -lijker, -lijkst.
Onhoffelijkheid, V., -heden.
Onhollandsch.
Onhoudbaar, -baarder, -baarst.
Onhoudbaarheid, V.
Onhout, O.
Onhuiselijk en Onhuislijk, -lijker, -lijkst.
Onhuiselijkheid en Onhuislijkheid, V.
Oningebonden.
Oningelicht.
Oningemaakt.
Oningenaaid.
Oningevuld.
Oningewijd.
Oninneembaar, -bare.
Onjoodsch.
Onjuist, onjuister.
Onjuistheid, V., -heden.
Onkenbaar, -baarder, -baarst.
Onkenbaarheid, V.
Onkerkelijk.
Onkiesch, onkiescher, meest onkiesch.
Onkieschheid, V., -heden.
Onklaar, -klare.
Onklaarheid, V.
Onknap.
Onkostbaar, -baarder, -baarst.
Onkosten (mv.), M.
Onkreukbaar, -baarder, -baarst.
Onkreukbaarheid, V.
Onkruid, O., onkruiden. Onkruidje, O., -jes.
Onkuisch, onkuischer, meest onkuisch.
Onkuischheid, V.
Onkunde, V.
Onkundig, onkundiger, onkundigst.
Onkwetsbaar, -bare.
Onkwetsbaarheid, V.
Onland, O., onlanden.
Onlangs.
Onledig.
Onleesbaar, -baarder, -baarst.
Onleesbaarheid, V.
Onlekker.
Onleschbaar, -bare.
Onleverbaar, -bare.
Onlichamelijk.
Onlief, onliever, onliefst.
Onlijdelijk, -lijker, -lijkst.
Onlijdelijkheid, V.
Onlogisch.
Onloochenbaar, -baarder, -baarst.
Onloochenbaarheid, V.
Onlust (lusteloosheid), M.
Onlusten (woelingen), (mv.), M.
Onlustig, onlustiger, onlustigst.
Onlustigheid, V.
Onmacht, V.
Onmachtig, onmachtiger, onmachtigst.
Onmanierlijk, -lijker, -lijkst.
Onmanierlijkheid, V., -heden.
Onmanlijk, -lijker, -lijkst.
Onmanlijkheid, V.
Onmatig, onmatiger, onmatigst.
Onmatigheid, V.
Onmeedoogend, -doogender, -doogendst.
Onmeedoogendheid, V.
Onmeetbaar, -bare.
Onmeetbaarheid, V.
Onmensch, O., onmenschen.
Onmenschelijk, -lijker, -lijkst.
Onmenschelijkheid, V., -heden.
Onmerkbaar, -baarder, -baarst.
Onmetelijk, -lijker, -lijkst.
Onmetelijkheid, V.
Onmiddellijk.
Onmin, V.
Onmisbaar, -baarder, -baarst.
Onmisbaarheid, V.
Onmiskenbaar, -baarder, -baarst.
Onmiskenbaarheid, V.
Onmoed, M.
Onmogelijk, -lijker, -lijkst.
Onmogelijkheid, V., -heden.
Onmondig.
Onmondigheid, V.
Onnadenkend, -denkender, -denkendst.
Onnadenkendheid, V.
Onnaspeurbaar, -bare.
Onnaspeurlijk, -lijker, -lijkst.
Onnaspeurlijkheid, V., -heden.
Onnatuurlijk, -lijker, -lijkst.
Onnatuurlijkheid, V., -heden.
Onnauwkeurig, -keuriger, -keurigst.
Onnauwkeurigheid, V., -heden.
Onnavolgbaar, -baarder, -baarst.
Onnavolgbaarheid, V.
Onnederlandsch.
Onneembaar, -bare.
Onnoembaar, -bare.
Onnoemelijk, -lijker, -lijkst.
Onnoodig, onnoodiger, onnoodigst.
Onnoodigheid, V.
Onnoozel, onnoozeler, onnoozelst.
Onnoozele-kinderendag, M.
Onnoozelheid, V.
Onnut, onnutter, onnutst.
Onnuttig.
Onomkoopbaar, -bare.
Onomkoopbaarheid, V.
Onomstootelijk, -lijker, -lijkst.
Onontbeerlijk, -lijker, -lijkst.
Onontbeerlijkheid, V.
Onontbindbaar, -bare.
Onontbindbaarheid, V.
Onontdekt.
Onontgonnen.
Onontvlambaar, -bare.
Onontvlambaarheid, V.
Onontwijkbaar, -bare.
Onontwikkeld.
Onooglijk, -lijker, -lijkst.
Onooglijkheid, V.
Onoorbaar, onoorbaarder, onoorbaarst.
Onoorbaarheid, V.
Onoordeelkundig, -kundiger, -kundigst.
Onoorspronkelijk.
Onopengesneden.
Onopgebonden.
Onopgelost.
Onopgemaakt.
Onopgemerkt.
Onopgeschreven.
Onopgesierd.
Onopgesmukt.
Onopgesneden.
Onopgeteekend.
Onopgetoomd.
Onopgetuigd.
Onopgevoed.
Onopgewekt.
Onophoudelijk.
Onoplettend, -lettender, -lettendst.
Onoplettendheid, V.
Onoplosbaar, -bare.
Onoplosbaarheid, V.
Onopmerkzaam, -zamer, -zaamst.
Onopmerkzaamheid, V.
Onoprecht, -rechter, -rechtst.
Onoprechtheid, V.
Onopzegbaar.
Onopzettelijk.
Onordelijk, -lijker, -lijkst.
Onordelijkheid, V., -heden.
Onordentelijk, -lijker, -lijkst.
Onordentelijkheid, V., -heden.
Onoverdacht.
Onoverdekt.
Onovergankelijk.
Onoverkomelijk, -lijker, -lijkst.
Onoverlegd.
Onovertrefbaar, -bare.
Onovertroffen.
Onoverwinbaar, -bare.
Onoverwinlijk en Onoverwinnelijk, -lijker, -lijkst.
Onoverwinlijkheid, V.
Onoverwonnen.
Onoverzienbaar, -bare.
Onpaedagogisch.
Onpartijdig, onpartijdiger, onpartijdigst.
Onpartijdigheid, V.
Onpartijdiglijk.
Onpas (Te -).
Onpasselijk.
Onpasselijkheid, V.
Onpeilbaar, -bare.
Onpeilbaarheid, V.
Onpersoonlijk.
Onpleizierig, -iger, -igst.
Onplooibaar, -baarder, -baarst.
Onpractisch.
Onprofijtelijk, -lijker, -lijkst.
Onprofijtelijkheid, V.
Onraad, O.
Onraadzaam, -zamer, -zaamst.
Onraadzaamheid, V.
Onrecht, O.
Onrechtmatig, -matiger, -matigst.
Onrechtmatigheid, V.
Onrechtvaardig, -vaardiger, -vaardigst.
Onrechtvaardigheid, V., -heden.
Onrechtvaardiglijk.
Onrechtzinnig, -zinniger, -zinnigst.
Onrechtzinnigheid, V., -heden.
Onredbaar, -bare.
Onredelijk, -lijker, -lijkst.
Onredelijkheid, V., -heden.
Onredzaam, -zamer, -zaamst.
Onredzaamheid, V.
Onregelmatig, -matiger, -matigst.
Onregelmatigheid, V., -heden.
Onrein, onreiner, onreinst.
Onreinheid, V., -heden.
Onridderlijk, -lijker, -lijkst.
Onrijm, O.
Onrijp, onrijper, onrijpst.
Onrijpheid, V.
Onroerend.
Onroomsch.
Onrust, V., onrusten.
Onrustig, onrustiger, onrustigst.
Onrustigheid, V.
Onruststoker, M., -stokers.
Ons (pers. vnw.).
Ons, onze, ons.
Ons (hectogram), O., onsen. Onsje, O., -jes.
Onsamenhangend.
Onschadelijk, -lijker, -lijkst.
Onschadelijkheid, V.
Onschatbaar, -baarder, -baarst.
Onscheidbaar, -bare.
Onscheidbaarheid, V.
Onschendbaar, -bare.
Onschendbaarheid, V.
Onschriftmatig, -matiger, -matigst.
Onschriftmatigheid, V.
Onschriftuurlijk.
Onschuld, V.
Onschuldig, onschuldiger, onschuldigst.
Onsierlijk, -lijker, -lijkst.
Onsierlijkheid, V.
Onslijtbaar, -bare.
Onsmakelijk, -lijker, -lijkst.
Onsmakelijkheid, V.
Onsmeltbaar, -bare.
Onsmeltbaarheid, V.
Onspoed, M., onspoeden.
Onstaatkundig, -kundiger, -kundigst.
Onstandvastig, -vastiger, -vastigst.
Onstandvastigheid, V.
Onstandvastiglijk.
Onsterfelijk.
Onsterfelijkheid, V.
Onsterfelijkheidsgeloof, O.
Onsterk, onsterker, onsterkst.
Onsterkheid, V.
Onsterkte, V.
Onstichtelijk, -lijker, -lijkst.
Onstichtelijkheid, V., -heden.
Onstoffelijk.
Onstoffelijkheid, V.
Onstraffelijk.
Onstrijdbaar, -bare.
Onstuimig, onstuimiger, onstuimigst.
Onstuimigheid, V., -heden.
Ontaalkundig.
Ontaard, ontaarder, ontaardst.
Ontaarden, ontaardde, is ontaard.
Ontaardheid, V.
Ontaarding, V., ontaardingen.
Ontadelen, ontadelde, heeft ontadeld.
Ontastbaar, -bare.
Ontbaarden, ontbaardde, heeft ontbaard.
Ontbeerlijk, -lijker, -lijkst.
Ontbeerlijkheid, V., -heden.
Ontberen, ontbeerde, heeft ontbeerd.
Ontbering, V., ontberingen.
Ontbieden, ontbood, ontboden, heeft ontboden.
Ontbieder, M., ontbieders.
Ontbieding, V., ontbiedingen.
Ontbijt, O., ontbijten. Ontbijtje, O., -jes.
Ontbijten, ontbeet, ontbeten, heeft ontbeten.
Ontbijtgoed, O.
Ontbijtkamer, V., -kamers.
Ontbijtkoek (voorwerp), M., -koeken; (stofnaam), V.
Ontbijtservies, O., -serviezen.
Ontbijttafel, V., -tafels.
Ontbijtzaal, V., -zalen; -zaaltje, O., -jes.
Ontbindbaar.
Ontbindbaarheid, V.
Ontbinden, ontbond, heeft ontbonden.
Ontbinding, V., ontbindingen.
Ontbindingsrecht, O.
Ontbladeren, ontbladerde, heeft ontbladerd.
Ontbladering, V.
Ontblooten, ontblootte, heeft ontbloot.
Ontblooting, V., ontblootingen.
Ontboeien, ontboeide, heeft ontboeid.
Ontboeiing, V.
Ontboezemen, ontboezemde, heeft ontboezemd.
Ontboezeming, V., ontboezemingen.
Ontbolsteren, ontbolsterde, heeft ontbolsterd.
Ontbolstering, V.
Ontbrandbaar, -bare.
Ontbrandbaarheid, V.
Ontbranden, ontbrandde, is ontbrand.
Ontbranding, V., ontbrandingen.
Ontbreidelen, ontbreidelde, heeft ontbreideld.
Ontbreken, ontbrak, ontbraken, heeft ontbroken.
Ontbreking, V.
Ontchristenen, ontchristende, heeft ontchristend.
Ontcijferen, ontcijferde, heeft ontcijferd.
Ontcijfering, V., ontcijferingen.
Ontdaan.
Ontdaanheid, V.
Ontdekken, ontdekte, heeft ontdekt.
Ontdekker, M., ontdekkers.
Ontdekking, V., ontdekkingen.
Ontdekkingslust, M.
Ontdekkingsreis, V., -reizen.
Ontdekkingsreiziger, M., -reizigers.
Ontdekkingstocht, M., -tochten.
Ontdoen, ontdeed, ontdeden, heeft ontdaan.
Ontdooien, ontdooide, heeft en is ontdooid.
Ontdooiing, V.
Ontdragen, ontdroeg, heeft ontdragen.
Ontdraven, ontdraafde, is ontdraafd.
Ontdrijven, ontdreef, ontdreven, heeft en is ontdreven.
Ontdubbelen, ontdubbelde, heeft ontdubbeld.
Ontdubbeling, V.
Ontduiken, ontdook, ontdoken, heeft en is ontdoken.
Ontduiking, V., ontduikingen.
Onteerder, M., onteerders.
Onteeren, onteerde, heeft onteerd.
Onteerend, onteerender, onteerendst.
Onteering, V., onteeringen.
Ontegenzeglijk, -lijker, -lijkst.
Ontegenzegelijkheid, V.
Onteigenen, onteigende, heeft onteigend.
Onteigening, V., onteigeningen.
Onteigeningswet, V., -wetten.
Ontelbaar, -bare.
Ontelbaarheid, V.
Ontembaar, -bare.
Ontembaarheid, V.
Onterven, onterfde, heeft onterfd.
Onterving, V., ontervingen.
Ontevreden, ontevredener, ontevredenst.
Ontevredenheid, V.
Ontevredenheidsbetuiging, V., -betuigingen.
Ontfermen (zich -), ontfermde zich, heeft zich ontfermd.
Ontfermer, M.
Ontferming, V.
Ontfronsen, ontfronste, heeft ontfronst.
Ontfutselen, ontfutselde, heeft ontfutseld.
Ontfutseling, V., ontfutselingen.
Ontgaan, ontgaat, ontging, is ontgaan.
Ontgelden, ontgold, heeft ontgolden.
Ontgespen, ontgespte, heeft ontgespt.
Ontgeven (zich -), ontgaf zich, ontgaven zich, heeft zich ontgeven.
Ontginnen, ontgon, ontgonnen, heeft ontgonnen.
Ontginner, M., ontginners.
Ontginning, V., ontginningen.
Ontglijden, ontgleed, ontgleden, is ontgleden.
Ontglimmen, ontglom, ontglommen, is ontglommen.
Ontglippen, ontglipte, is ontglipt.
Ontgloeien, ontgloeide, heeft en is ontgloeid.
Ontgommen, ontgomde, heeft ontgomd.
Ontgoochelen, ontgoochelde, heeft ontgoocheld.
Ontgoocheling, V., ontgoochelingen.
Ontgraten, ontgraatte, heeft ontgraat.
Ontgraven, ontgroef, ontgroeven, heeft ontgraven.
Ontgraving, V., ontgravingen.
Ontgrendelen, ontgrendelde, heeft ontgrendeld.
Ontgrendeling, V.
Ontgroeien, ontgroeide, is ontgroeid.
Ontgroenen, ontgroende, heeft ontgroend.
Ontgroening, V., ontgroeningen.
Ontgroenpartij, V., -partijen.
Ontgronden, ontgrondde, heeft ontgrond.
Ontgronding, V., ontgrondingen.
Onthaal, O.
Onthaken, onthaakte, heeft onthaakt.
Onthalen, onthaalde, heeft onthaald.
Onthalzen, onthalsde, heeft onthalsd.
Onthalzing, V., onthalzingen.
Onthanden, onthandde, heeft onthand.
Ontheffen, onthief, onthieven, heeft ontheven.
Ontheffing, V., ontheffingen.
Ontheiligen, ontheiligde, heeft ontheiligd.
Ontheiliger, M., ontheiligers.
Ontheiliging, V., ontheiligingen.
Ontheisteren, ontheisterde, heeft ontheisterd.
Ontheistering, V.
Onthollandschen, onthollandschte, heeft onthollandscht.
Onthollen, ontholde, is onthold.
Onthoofden, onthoofdde, heeft onthoofd.
Onthoofding, V., onthoofdingen.
Onthouden, onthield, heeft onthouden.
Onthouder, M., -houders.
Onthouding, V.
Onthuiden, onthuidde, heeft onthuid.
Onthullen, onthulde, heeft onthuld.
Onthulling, V., onthullingen.
Onthuppelen, onthuppelde, is onthuppeld.
Onthutsen, onthutste, heeft en is onthutst.
Ontijd, M., ontijden.
Ontijdig, ontijdiger, ontijdigst.
Ontijdigheid, V.
Ontijlen, ontijlde, is ontijld.
Ontilbaar, -bare.
Ontilbaarheid, V.
Ontjagen, ontjaagde, heeft en is ontjaagd; ook ontjoeg.
Ontkapen, ontkaapte, heeft ontkaapt.
Ontkaping, V., ontkapingen.
Ontkennen, ontkende, heeft ontkend.
Ontkenner, M., ontkenners.
Ontkenning, V., ontkenningen.
Ontkenningswoord, O., -woorden.
Ontkerkeren, ontkerkerde, heeft ontkerkerd.
Ontkerkering, V.
Ontketenen, ontketende, heeft ontketend.
Ontketening, V.
Ontkiemen, ontkiemde, is ontkiemd.
Ontkieming, V.
Ontkleeden, ontkleedde, heeft ontkleed.
Ontkleeding, V.
Ontkleuren, ontkleurde, heeft ontkleurd.
Ontkluisteren, ontkluisterde, heeft ontkluisterd.
Ontkluistering, V.
Ontknoopen, ontknoopte, heeft ontknoopt.
Ontknooping, V., ontknoopingen.
Ontkolen, ontkoolde, heeft ontkoold.
Ontkomen, ontkomt, ontkwam, ontkwamen, is ontkomen.
Ontkoming, V., ontkomingen.
Ontkoopen, ontkocht, heeft ontkocht.
Ontkoppelen, ontkoppelde, heeft ontkoppeld.
Ontkoppeling, V.
Ontkorrelen, ontkorrelde, heeft ontkorreld.
Ontkorsten, ontkorstte, heeft ontkorst.
Ontkorsting, V.
Ontkruipen, ontkroop, ontkropen, is ontkropen.
Ontkuipen, ontkuipte, heeft ontkuipt.
Ontkurken, ontkurkte, heeft ontkurkt.
Ontkurking, V.
Ontlaadtang, V., -tangen.
Ontladen, ontlaadde, heeft ontladen.
Ontlader, M., ontladers.
Ontlading, V., ontladingen.
Ontlasten, ontlastte, heeft ontlast.
Ontlasting, V.
Ontlastingsboog, M., -bogen.
Ontlastpijp, V., -pijpen.
Ontlaten, ontliet, heeft en is ontlaten.
Ontlating, V.
Ontleden, ontleedde, heeft ontleed.
Ontleder, M., ontleders.
Ontledigen, ontledigde, heeft ontledigd.
Ontlediging, V., ontledigingen.
Ontleding, V., ontledingen.
Ontleedkamer, V., -kamers.
Ontleedkunde, V.
Ontleedkundig.
Ontleedkundige, M. en V., -kundigen.
Ontleedkunst, V.
Ontleedmes, O., -messen.
Ontleenen, ontleende, heeft ontleend.
Ontleening, V., ontleeningen.
Ontleeren, ontleerde, heeft ontleerd.
Ontlijken, ontlijkte, heeft ontlijkt.
Ontlijven, ontlijfde, heeft ontlijfd.
Ontlijving, V., ontlijvingen.
Ontlokken, ontlokte, heeft ontlokt.
Ontlooden, ontloodde, heeft ontlood.
Ontloopen, ontliep, is ontloopen.
Ontlooping, V., ontloopingen.
Ontlooveren, ontlooverde, heeft ontlooverd.
Ontluiken, ontlook, ontloken, heeft en is ontloken.
Ontluiking, V.
Ontluisteren, ontluisterde, heeft ontluisterd.
Ontluistering, V.
Ontmaagden, ontmaagdde, heeft ontmaagd.
Ontmannen, ontmande, heeft ontmand.
Ontmanning, V.
Ontmantelen, ontmantelde, heeft ontmanteld.
Ontmanteling, V., ontmantelingen.
Ontmaskeren, ontmaskerde, heeft ontmaskerd.
Ontmaskering, V., ontmaskeringen.
Ontmast.
Ontmasten, ontmastte, heeft ontmast.
Ontmenscht.
Ontmergeld.
Ontmoedigen, ontmoedigde, heeft ontmoedigd.
Ontmoediging, V.
Ontmoeten, ontmoette, heeft en is ontmoet.
Ontmoeting, V., ontmoetingen.
Ontmunten, ontmuntte, heeft ontmunt.
Ontnederlandschen, ontnederlandschte, heeft ontnederlandscht.
Ontnemen, ontnam, ontnamen, heeft ontnomen.
Ontneming, V.
Ontnestelen, ontnestelde, heeft ontnesteld.
Ontnuchteren, ontnuchterde, heeft en is ontnuchterd.
Ontnuchtering, V., ontnuchteringen.
Ontoegankelijk, -lijker, -lijkst.
Ontoegankelijkheid, V.
Ontoepasselijk.
Ontoereikend.
Ontoereikendheid, V.
Ontoerekenbaar, -bare.
Ontoerekenbaarheid, V.
Ontoerekeningsvatbaar, -bare.
Ontoombaar, -bare.
Ontoonbaar, -bare.
Ontpakken, ontpakte, heeft ontpakt.
Ontpakking, V., ontpakkingen.
Ontpantseren, ontpantserde, heeft ontpantserd.
Ontparen, ontpaarde, heeft ontpaard.
Ontpersen, ontperste, heeft ontperst.
Ontplanken, ontplankte, heeft ontplankt.
Ontploffen, ontplofte, is ontploft.
Ontploffing, V., ontploffingen.
Ontplooien, ontplooide, heeft ontplooid.
Ontplooiing, V.
Ontplukken, ontplukte, heeft ontplukt.
Ontpolderen, ontpolderde, heeft ontpolderd.
Ontpoorteren, ontpoorterde, heeft ontpoorterd.
Ontpoortering, V.
Ontpraten, ontpraatte, heeft ontpraat.
Ontraadselen, ontraadselde, heeft ontraadseld.
Ontraadseling, V.
Ontraden, ontried, heeft ontraden; ook ontraadde.
Ontrading, V.
Ontrafelen, ontrafelde, heeft ontrafeld.
Ontrakken, ontrakte, heeft ontrakt.
Ontrampeneerd.
Ontredderd.
Ontrefbaar, -bare.
Ontreinigen, ontreinigde, heeft ontreinigd.
Ontreiniging, V., ontreinigingen.
Ontrennen, ontrende, is ontrend.
Ontrieven, ontriefde, heeft ontriefd.
Ontrieving, V.
Ontrijden, ontreed, ontreden, is ontreden.
Ontrijgen, ontreeg, ontregen, heeft ontregen.
Ontrijzen, ontrees, ontrezen, is ontrezen.
Ontrimpelen, ontrimpelde, heeft ontrimpeld.
Ontrimpeling, V.
Ontroeien, ontroeide, is ontroeid.
Ontroeren, ontroerde, heeft en is ontroerd.
Ontroerend.
Ontroering, V., ontroeringen.
Ontrollen, ontrolde, heeft en is ontrold.
Ontronselen, ontronselde, heeft ontronseld.
Ontroostbaar, -baarder, -baarst.
Ontroostbaarheid, V.
Ontrooven, ontroofde, heeft ontroofd.
Ontrooving, V.
Ontrouw, V.
Ontrouw, ontrouwer, ontrouwst.
Ontrouwelijk.
Ontruimen, ontruimde, heeft ontruimd.
Ontruiming, V., ontruimingen.
Ontrukken, ontrukte, heeft ontrukt.
Ontrukking, V.
Ontrusten, ontrustte, heeft ontrust.
Ontschaken, ontschaakte, heeft ontschaakt.
Ontschepen, ontscheepte, heeft ontscheept.
Ontscheping, V., ontschepingen.
Ontscheuren, ontscheurde, heeft ontscheurd.
Ontschieten, ontschoot, ontschoten, is ontschoten.
Ontschillen, ontschilde, heeft ontschild.
Ontschoeien, ontschoeide, heeft ontschoeid.
Ontschoeiing, V.
Ontschuilen, ontschool, ontscholen, heeft en is ontscholen.
Ontschuldigen, ontschuldigde, heeft ontschuldigd.
Ontschuldiging, V., ontschuldigingen.
Ontschutteren, ontschutterde, heeft ontschutterd.
Ontsieren, ontsierde, heeft ontsierd.
Ontsiering, V., ontsieringen.
Ontslaan, ontslaat, ontsloeg, heeft ontslagen.
Ontslag, O.
Ontslagbrief M., -brieven; -briefje, O., -jes.
Ontslagneming, V., -nemingen.
Ontslapen, ontsliep, is ontslapen.
Ontslippen, ontslipte, is ontslipt.
Ontsluieren, ontsluierde, heeft ontsluierd.
Ontsluiering, V., ontsluieringen.
Ontsluipen, ontsloop, ontslopen, is ontslopen.
Ontsluiping, V.
Ontsluiten, ontsloot, ontsloten, heeft ontsloten.
Ontsluiter, M., ontsluiters.
Ontsluiting, V.
Ontsmetten, ontsmette, heeft ontsmet.
Ontsmetting, V., ontsmettingen.
Ontsmettingsmiddel, O., -middelen.
Ontsmettingsoven, M., -ovens.
Ontsnaard.
Ontsnappen, ontsnapte, is ontsnapt.
Ontsnapping, V., ontsnappingen.
Ontsnappingswerk, O.
Ontsnellen, ontsnelde, is ontsneld.
Ontsnoepen, ontsnoepte, heeft ontsnoept.
Ontsnoeren, ontsnoerde, heeft ontsnoerd.
Ontspannen, ontspande, heeft ontspannen.
Ontspanning, V., ontspanningen.
Ontspartelen, ontspartelde, is ontsparteld.
Ontspatten, ontspatte, is ontspat.
Ontspinnen, ontspon, ontsponnen, heeft ontsponnen.
Ontsporen, ontspoorde, is ontspoord.
Ontsporing, V., ontsporingen.
Ontspringen, ontsprong, is ontsprongen.
Ontspruiten, ontsproot, ontsproten, is ontsproten.
Ontstaan, ontstaat, ontstond, is ontstaan.
Ontsteigeren, ontsteigerde, is ontsteigerd.
Ontsteken, ontstak, ontstaken, heeft en is ontstoken.
Ontsteking, V., ontstekingen.
Ontstekingskoorts, V., -koortsen.
Ontstekingsmiddel, O., -middelen.
Ontsteld.
Ontstelen, ontstal, ontstalen, heeft ontstolen.
Ontsteling, V.
Ontstellen, ontstelde, heeft en is ontsteld.
Ontsteltenis, V.
Ontstemd.
Ontstemdheid, V.
Ontstemmen, ontstemde, heeft en is ontstemd.
Ontstemming, V.
Ontstentenis, V.
Ontsterven, ontstierf, ontstierven, is ontstorven.
Ontstichten, ontstichtte, heeft ontsticht.
Ontstichting, V.
Ontstijgen, ontsteeg, ontstegen, is ontstegen.
Ontstoken.
Ontstrengelen, ontstrengelde, heeft ontstrengeld.
Ontstrijden, ontstreed, ontstreden, heeft ontstreden.
Ontstrikken, ontstrikte, heeft ontstrikt.
Ontstroomen, ontstroomde, is ontstroomd.
Onttakelen, onttakelde, heeft en is onttakeld.
Onttakeling, V., onttakelingen.
Onttogen (deelw.).
Onttooveren, onttooverde, heeft onttooverd.
Onttrekken, onttrok, onttrokken, heeft onttrokken.
Onttroggelen, onttroggelde, heeft onttroggeld.
Onttronen (van den troon stooten), onttroonde, heeft onttroond.
Onttroning, V., onttroningen.
Onttroonen (aftroonen), onttroonde, heeft onttroond.
Onttuien, onttuide, heeft onttuid.
Onttuigen, onttuigde, heeft onttuigd.
Ontucht, V.
Ontuchtelijk.
Ontuchtig, ontuchtiger, ontuchtigst.
Ontuchtigheid, V.
Ontuig, O.
Ontvallen, ontviel, is ontvallen.
Ontvang, M.
Ontvangbak, M., -bakken.
Ontvangbewijs, O., -bewijzen.
Ontvangdag, M., -dagen.
Ontvangen, ontving, heeft ontvangen.
Ontvangenis, V.
Ontvanger, M., ontvangers.
Ontvangerskantoor, O., -kantoren.
Ontvangerspost, M., -posten.
Ontvanging, V.
Ontvangkamer, V., -kamers.
Ontvangst, V., ontvangsten.
Ontvangstbewijs, O., -bewijzen.
Ontvankelijk, -lijker, -lijkst.
Ontvankelijkheid, V.
Ontvaren, ontvoer, is ontvaren.
Ontvechten, ontvocht, heeft ontvochten.
Ontveinzen, ontveinsde, heeft ontveinsd.
Ontveinzing, V.
Ontvellen, ontvelde, is ontveld.
Ontvelling, V., ontvellingen.
Ontvetten, ontvette, heeft ontvet.
Ontvlambaar, -baarder, -baarst.
Ontvlambaarheid, V.
Ontvlammen, ontvlamde, heeft en is ontvlamd.
Ontvlamming, V.
Ontvlechten, ontvlocht, heeft ontvlochten.
Ontvleezen, ontvleesde, heeft ontvleesd.
Ontvleien, ontvleide, heeft ontvleid.
Ontvlieden, ontvlood, ontvloden, is ontvloden.
Ontvlieding, V.
Ontvliegen, ontvloog, ontvlogen, is ontvlogen.
Ontvloeien, ontvloeide, is ontvloeid.
Ontvluchten, ontvluchtte, is ontvlucht.
Ontvluchting, V., ontvluchtingen.
Ontvoerder, M., ontvoerders.
Ontvoeren, ontvoerde, heeft ontvoerd.
Ontvoering, V., ontvoeringen.
Ontvolken, ontvolkte, heeft ontvolkt.
Ontvolking, V.
Ontvonken, ontvonkte, heeft en is ontvonkt.
Ontvonking, V.
Ontvoogden, ontvoogdde, heeft ontvoogd.
Ontvoogding, V.
Ontvouwen, ontvouwde, heeft ontvouwd en ontvouwen.
Ontvouwing, V.
Ontvreemden, ontvreemdde, heeft ontvreemd.
Ontvreemding, V., ontvreemdingen.
Ontvrijen, ontvrijde, heeft ontvrijd.
Ontwaken, ontwaakte, is ontwaakt.
Ontwaking, V.
Ontwapenen, ontwapende, heeft ontwapend.
Ontwapening, V.
Ontwaren, ontwaarde, heeft ontwaard.
Ontwarren, ontwarde, heeft ontward.
Ontwarring, V.
Ontwassen, ontwies, ontwiesen, is ontwassen.
Ontwateren, ontwaterde, heeft ontwaterd.
Ontweien, ontweide, heeft ontweid.
Ontweiing, V.
Ontweldigen, ontweldigde, heeft ontweldigd.
Ontweldiger, M., ontweldigers.
Ontweldiging, V.
Ontwennen, ontwende, heeft en is ontwend.
Ontwenning, V.
Ontwerp, O., ontwerpen. Ontwerpje, O., -jes.
Ontwerpen, ontwierp, heeft ontworpen.
Ontwerper, M., ontwerpers.
Ontwerp-tractaat, O., -tractaten.
Ontwijden, ontwijdde, heeft ontwijd.
Ontwijder, M., ontwijders.
Ontwijding, V.
Ontwijfelbaar, -baarder, -baarst.
Ontwijk, O.
Ontwijken, ontweek, ontweken, heeft en is ontweken.
Ontwijking, V.
Ontwikkelaar, M., -laars.
Ontwikkelbaar, -bare.
Ontwikkelen, ontwikkelde, heeft ontwikkeld.
Ontwikkeling, V., ontwikkelingen.
Ontwikkelingsgang, M.
Ontwikkelingsgeschiedenis, V.
Ontwikkelingsleer, V.
Ontwikkelingstijdperk, O., -perken.
Ontwinden, ontwond, heeft ontwonden.
Ontwoekeren, ontwoekerde, heeft ontwoekerd.
Ontwolken, ontwolkte, heeft ontwolkt.
Ontworstelen, ontworstelde, is ontworsteld.
Ontwortelen, ontwortelde, heeft ontworteld.
Ontwrichten, ontwrichtte, heeft ontwricht.
Ontwringen, ontwrong, heeft ontwrongen.
Ontzadelen, ontzadelde, heeft ontzadeld.
Ontzag, O.
Ontzaglijk, -lijker, -lijkst.
Ontzaglijkheid, V.
Ontzagverwekkend.
Ontzagwekkend, -wekkender, -wekkendst.
Ontzakken, ontzakte, is ontzakt.
Ontzegelen, ontzegelde, heeft ontzegeld.
Ontzegeling, V., ontzegelingen.
Ontzeggen, ontzeide, heeft ontzegd en ontzeid.
Ontzegging, V.
Ontzeilen, ontzeilde, is ontzeild.
Ontzenuwen, ontzenuwde, heeft ontzenuwd.
Ontzenuwing, V.
Ontzet, O.
Ontzetbaar, -bare.
Ontzetten, ontzette, heeft en is ontzet.
Ontzettend, ontzettender, ontzettendst.
Ontzetter, M., ontzetters.
Ontzetting, V., ontzettingen.
Ontzielen, ontzielde, heeft ontzield.
Ontzien, ontzag, ontzagen, heeft ontzien.
Ontzijgen, ontzeeg, ontzegen, is ontzegen.
Ontzind.
Ontzinken, ontzonk, is ontzonken.
Ontzinking, V.
Ontzondigen, ontzondigde, heeft ontzondigd.
Ontzondiging, V.
Ontzuigen, ontzoog, ontzogen, heeft ontzogen.
Ontzuiveren, ontzuiverde, heeft ontzuiverd.
Ontzuivering, V.
Ontzwachtelen, ontzwachtelde, heeft ontzwachteld.
Ontzwavelen, ontzwavelde, heeft ontzwaveld.
Ontzwaveling, V.
Ontzwemmen, ontzwom, ontzwommen, is ontzwommen.
Ontzweven, ontzweefde, is ontzweefd.
Onuitbaar, -bare.
Onuitbluschbaar, -bare.
Onuitdelgbaar, -bare.
Onuitdoofbaar, -bare.
Onuitdrukbaar, -bare.
Onuitgedrukt.
Onuitgegeven.
Onuitgelezen.
Onuitgeloot, -gelote.
Onuitgemaakt.
Onuitgesproken.
Onuitgevoerd.
Onuitgevorscht.
Onuitgewerkt.
Onuitgezocht.
Onuitputtelijk, -lijker, -lijkst.
Onuitputtelijkheid, V.
Onuitroeibaar, -bare.
Onuitspreekbaar, -bare.
Onuitsprekelijk, -lijker, -lijkst.
Onuitsprekelijkheid, V.
Onuitstaanbaar, -bare.
Onuitstaanbaarheid, V.
Onuitvoerbaar, -bare.
Onuitvoerbaarheid, V.
Onuitwischbaar, V.
Onvaderlandsch.
Onvaderlijk.
Onvast, onvaster.
Onvastheid, V.
Onvatbaar, -baarder, -baarst.
Onvatbaarheid, V.
Onveilig, onveiliger, onveiligst.
Onveiligheid, V.
Onver.
Onveranderbaar, -bare.
Onveranderd.
Onveranderlijk, -lijker, -lijkst.
Onveranderlijkheid, V.
Onverantwoord.
Onverantwoordelijk, -lijker, -lijkst.
Onverantwoordelijkheid, V.
Onverbasterd.
Onverbergbaar, -bare.
Onverbeterbaar, -baarder, -baarst.
Onverbeterbaarheid, V.
Onverbeterd.
Onverbeterlijk, -lijker, -lijkst.
Onverbeterlijkheid, V.
Onverbiddelijk, -lijker, -lijkst.
Onverbiddelijkheid, V.
Onverbleekt.
Onverblind.
Onverbloemd.
Onverbogen.
Onverbolgen.
Onverbonden.
Onverborgen.
Onverbrand.
Onverbrandbaar, -bare.
Onverbreekbaar, -bare.
Onverbreekbaarheid, V.
Onverbrekelijk, -lijker, -lijkst.
Onverbrekelijkheid, V.
Onverbroken.
Onverbuigbaar, -bare.
Onverbuigbaarheid, V.
Onverdacht.
Onverdedigbaar, -bare.
Onverdedigbaarheid, V.