Woordenlijst voor de spelling der Nederlandsche Taal Met aanwijzing van de geslachten der naamwoorden en de vervoeging der werkwoorden (part 4 of 6)
Onverdedigd.
Onverdeeld.
Onverdelgbaar, -bare.
Onverderfelijk, -lijker, -lijkst.
Onverderfelijkheid, V.
Onverdicht.
Onverdichtbaar, -bare.
Onverdiend.
Onverdienstelijk.
Onverdoofbaar, -bare.
Onverdord.
Onverdorven.
Onverdorvenheid, V.
Onverdraaglijk, -lijker, -lijkst.
Onverdraaglijkheid, V.
Onverdraagzaam, -zamer, -zaamst.
Onverdraagzaamheid, V.
Onverdroten.
Onvereenigbaar, -bare.
Onvereenigbaarheid, V.
Onverflauwd.
Onvergankelijk, -lijker, -lijkst.
Onvergankelijkheid, V.
Onvergeeflijk en Onvergefelijk, -lijker, -lijkst.
Onvergeeflijkheid, V.
Onvergeetbaar, -bare.
Onvergelijkbaar, -bare.
Onvergelijkelijk, -lijker, -lijkst.
Onvergenoegd, onvergenoegder, onvergenoegdst.
Onvergenoegdheid, V.
Onvergetelijk, -lijker, -lijkst.
Onvergezeld.
Onverglaasd.
Onverhaalbaar, -bare.
Onverhelpelijk, -lijker, -lijkst.
Onverhinderd.
Onverhoeds (bijw.).
Onverhoedsch (bnw.).
Onverholen.
Onverhoopt.
Onverhoord.
Onverhuurbaar, -bare.
Onverhuurd.
Onverjaard.
Onverkiesbaar, -bare.
Onverkiesbaarheid, V.
Onverkieslijk en Onverkieselijk, -lijker, -lijkst.
Onverklaarbaar, -baarder, -baarst.
Onverklaarbaarheid, V.
Onverkleinbaar, -bare.
Onverkocht.
Onverkoopbaar, -bare.
Onverkort.
Onverkrijgbaar, -bare.
Onverkwikkelijk, -lijker, -lijkst.
Onverlaat, M., onverlaten.
Onverlept.
Onverlet.
Onverlicht.
Onverlost.
Onvermaard, onvermaarder, onvermaardst.
Onvermakelijk, -lijker, -lijkst.
Onvermakelijkheid, V.
Onvermeld.
Onvermengbaar, -bare.
Onvermengd.
Onvermijdbaar, -bare.
Onvermijdbaarheid, V.
Onvermijdelijk, -lijker, -lijkst.
Onvermijdelijkheid, V.
Onverminderd.
Onverminkt.
Onvermoeibaar, -baarder, -baarst.
Onvermoeibaarheid, V.
Onvermoeid.
Onvermogen, O.
Onvermogend, onvermogender, onvermogendst.
Onvermurwbaar, -bare.
Onvermurwbaarheid, V.
Onvermurwd.
Onvernielbaar, -bare.
Onvernietigbaar, -bare.
Onvernieuwd.
Onvernuftig, -iger, -igst.
Onveroordeeld.
Onverouderd.
Onveroverbaar, -bare.
Onveroverd.
Onverpacht.
Onverplicht.
Onverpoosd.
Onverricht.
Onversaagd, onversaagder, onversaagdst.
Onversaagdheid, V.
Onverschillig, onverschilliger, onverschilligst.
Onverschilligheid, V., -heden.
Onverschoonbaar, -bare.
Onverschoonbaarheid, V.
Onverschoonlijk, -lijker, -lijkst.
Onverschoonlijkheid, V.
Onverschoten.
Onverschrokken, onverschrokkener, onverschrokkenst.
Onverschrokkenheid, V.
Onversierd.
Onverslapt.
Onverslijtbaar, -bare.
Onverslijtelijk, -lijker, -lijkst.
Onversneden.
Onverstaanbaar, -bare.
Onverstaanbaarheid, V.
Onverstand, O.
Onverstandig, onverstandiger, onverstandigst.
Onverstandigheid, V.
Onversterfelijk.
Onverstoorbaar, -bare.
Onverstoorbaarheid, V.
Onverstoord.
Onverstorven.
Onvertaalbaar, -bare.
Onvertaald.
Onverteerbaar, -bare.
Onverteerbaarheid, V.
Onverteerd.
Onvertind.
Onvertogen.
Onvertraagd.
Onvertrokken.
Onvertroostbaar, -bare.
Onvervaard.
Onvervaardheid, V.
Onvervalscht.
Onvervoerbaar, -bare.
Onvervreemd.
Onvervreemdbaar, -bare.
Onvervreemdbaarheid, O.
Onvervuld.
Onverwacht.
Onverwachtheid, V.
Onverwachts (bijw.).
Onverwarmd.
Onverweerd.
Onverwelkbaar, -bare.
Onverwelkelijk.
Onverwelkt.
Onverwijld.
Onverwinbaar, -bare.
Onverwinbaarheid, V.
Onverwinlijk en Onverwinnelijk, -lijker, -lijkst.
Onverwonnen.
Onverwrikbaar, -baarder, -baarst.
Onverwrikbaarheid, V.
Onverwulfd.
Onverzaadbaar, -bare.
Onverzadelijk, -lijker, -lijkst.
Onverzadelijkheid, V.
Onverzadigbaar, -bare.
Onverzadigd.
Onverzegeld.
Onverzekerd.
Onverzeld.
Onverzetbaar, -bare.
Onverzetbaarheid, V.
Onverzettelijk, -lijker, -lijkst.
Onverzettelijkheid, V.
Onverzocht.
Onverzoenbaar, -bare.
Onverzoend.
Onverzoenlijk, -lijker, -lijkst.
Onverzoenlijkheid, V.
Onverzorgd.
Onverzwakt.
Onverzwelgbaar, -bare.
Onvindbaar, -bare.
Onvlaamsch.
Onvoegzaam, -zamer, -zaamst.
Onvoegzaamheid, V.
Onvoelbaar, -bare.
Onvolbouwd.
Onvolbracht.
Onvoldaan, -daner, -daanst.
Onvoldaanheid, V.
Onvoldoenbaar, -bare.
Onvoldoend.
Onvoldoendheid, V.
Onvoldragen.
Onvoleind.
Onvoleindigd.
Onvolkomen, -komener, -komenst.
Onvolkomenheid, V., -heden.
Onvolledig, -lediger, -ledigst.
Onvolledigheid, V.
Onvolmaakt, -maakter, -maaktst.
Onvolmaaktheid, V., -heden.
Onvolprezen.
Onvoltallig.
Onvoltalligheid, V.
Onvoltooid.
Onvoltrokken.
Onvolvoerbaar, -bare.
Onvolvoerd.
Onvolwassen.
Onvoorbedacht.
Onvoorbereid.
Onvoordeelig, -deeliger, -deeligst.
Onvoordeeligheid, V.
Onvoorwaardelijk.
Onvoorzichtig, -zichtiger, -zichtigst.
Onvoorzichtigheid, V., -heden.
Onvoorzichtiglijk.
Onvoorzien.
Onvoorzienbaar, -bare.
Onvoorziens (bijw.).
Onvorstelijk, -lijker, -lijkst.
Onvrede, M.
Onvriend, M., onvrienden.
Onvriendelijk, -lijker, -lijkst.
Onvriendelijkheid, V., -heden.
Onvriendschappelijk, -lijker, -lijkst.
Onvrij, onvrijer.
Onvrijheid, V.
Onvrijwillig, -williger, -willigst.
Onvrijzinnig, -zinniger, -zinnigst.
Onvrijzinnigheid, V.
Onvroom, onvromer, onvroomst.
Onvrouwelijk, -lijker, -lijkst.
Onvruchtbaar, -baarder, -baarst.
Onvruchtbaarheid, V.
Onwaar, onware.
Onwaarachtig, -achtiger, -achtigst.
Onwaarachtigheid, V., -heden.
Onwaard.
Onwaarde, V.
Onwaardeerbaar, -bare.
Onwaardeerbaarheid, V.
Onwaardig, onwaardiger, onwaardigst.
Onwaardigheid, V., -heden.
Onwaardiglijk.
Onwaarheid, V., -heden.
Onwaarneembaar, -bare.
Onwaarschijnlijk, -lijker, -lijkst.
Onwaarschijnlijkheid, V., -heden.
Onwankelbaar, -baarder, -baarst.
Onwankelbaarheid, V.
Onweder en Onweer, O., onweders en onweeren. Onweertje, O., -jes.
Onwederlegbaar, -baarder, -baarst.
Onwederlegbaarheid, V.
Onwederstaanbaar, -baarder, -baarst.
Onwederstaanbaarheid, V.
Onwederstreefbaar, -bare.
Onweer. Zie Onweder.
Onweerbaar, -bare.
Onweerbaarheid, V.
Onweeren, onweerde, heeft geonweerd.
Onweersbui, V., -buien.
Onweersvlaag, V., -vlagen.
Onweersvogel, M., -vogels.
Onweerswolk, V., -wolken.
Onwel.
Onwelgevallig, -gevalliger, -gevalligst.
Onwelkom.
Onwellevend, -levender, -levendst.
Onwellevendheid, V.
Onwelluidend, -luidender, -luidendst.
Onwelluidendheid, V.
Onwelmeenend.
Onwelvoeglijk, -lijker, -lijkst.
Onwelvoeglijkheid, V.
Onwetend, onwetender, onwetendst.
Onwetendheid, V.
Onwetens.
Onwetenschappelijk, -lijker, -lijkst.
Onwettelijk, -lijker, -lijkst.
Onwettelijkheid, V.
Onwettig, onwettiger, onwettigst.
Onwettigheid, V., -heden.
Onwezenlijk.
Onwijs, onwijzer.
Onwijsgeerig, -geeriger, -geerigst.
Onwijsheid, V.
Onwijslijk en Onwijselijk.
Onwil.
Onwillekeurig, -keuriger, -keurigst.
Onwillens.
Onwillig, onwilliger, onwilligst.
Onwilligheid, V.
Onwinbaar, -bare.
Onwinbaarheid, V.
Onwis.
Onwisheid, V.
Onwraakbaar, -baarder, -baarst.
Onwraakbaarheid, V.
Onwraakgierig, -gieriger, -gierigst.
Onwraakzuchtig, -zuchtiger, -zuchtigst.
Onwraakzuchtigheid, V.
Onwrikbaar, -baarder, -baarst.
Onwrikbaarheid, V.
Onyx, M., onyxen.
Onzacht, onzachter, onzachtst.
Onzachtheid, V.
Onzalig, onzaliger, onzaligst.
Onzaligheid, V.
Onzedelijk, -lijker, -lijkst.
Onzedelijkheid, V.
Onzedig, onzediger, onzedigst.
Onzedigheid, V.
Onzeewaardig.
Onzeglijk, -lijker, -lijkst.
Onzeilbaar, -bare.
Onzeker, onzekerder, onzekerst.
Onzekerheid, V., -heden.
Onzelfstandig, -standiger, -standigst.
Onzelfstandigheid, V.
Onze-lieve-heersbeestje, O., -beestjes. Onze-lieve-vrouwenbedstroo, O.
Onzent (Te -).
Onzenthalve.
Onzentwege.
Onzentwil (Om -).
Onzerzijds.
Onze-vader, O.
Onzichtbaar, -bare.
Onzichtbaarheid, V.
Onzienlijk, -lijker, -lijkst.
Onzienlijkheid, V.
Onzijdig, onzijdiger, onzijdigst.
Onzijdigheid, V.
Onzijdigverklaring, V., -verklaringen.
Onzin, M.
Onzindelijk, -lijker, -lijkst.
Onzindelijkheid, V., -heden.
Onzinnelijk.
Onzinnig, onzinniger, onzinnigst.
Onzinnigheid, V., -heden.
Onzoet, onzoeter, onzoetst.
Onzondig.
Onzondigheid, V.
Onzuiver, onzuiverder, onzuiverst.
Onzuiverheid, V., -heden.
Ooft, O.
Ooftboom, M., -boomen.
Ooftkelder, M., -kelders.
Oog, O., oogen. Oogje, O., -jes.
Oogappel, M., -appels.
Oogarts, M., -artsen.
Oogbad, O., -baden; -badje, O., -jes.
Oogelijn, O., oogelijns.
Oogen, oogde, heeft geoogd.
Oogenblik, O. en M., -blikken; -blikje, O., -jes.
Oogenblikkelijk.
Oogendienaar, M., -dienaars en -dienaren.
Oogendienst, M.
Oogendokter, M., -dokters.
Oogenklaar, O.
Oogenpaar, O.
Oogenschijnlijk, -lijker, -lijkst.
Oogenschijnlijkheid, V.
Oogenschouw, V.
Oogentaal, V.
Oogentroost, V.
Ooggetuige, M. en V., -getuigen.
Ooghaar, O., -haren; -haartje, O., -jes.
Oogheelkunde, V.
Oogholte, V., -holten.
Oogjesgoed, O.
Oogkas, V., -kassen.
Ooglid, O., -leden.
Ooglijder, M., -lijders.
Ooglijk, -lijker, -lijkst.
Oogluikend.
Oogluiking, V.
Oogmerk, O., -merken.
Oogontsteking, V., -ontstekingen.
Oogopslag, M.
Oogpunt, O., -punten.
Oogspiegel, M., -spiegels.
Oogst, M., oogsten. Oogstje, O., -jes
Oogsten, oogstte, heeft geoogst.
Oogster, M., oogsters.
Oogsting, V., oogstingen.
Oogstmaand, V.
Oogsttijd, M.
Oogtand, M., -tanden.
Oogverblindend.
Oogwater, O.; -watertje, O., -jes.
Oogwenk, M., -wenken.
Oogwit, O.
Oogziekte, V., -ziekten.
Ooi, V., ooien. Ooitje, O., -jes.
Ooievaar, M., ooievaars en ooievaren. Ooievaartje, O., -jes.
Ooievaarsbeen, O., -beenen.
Ooievaarsbeen (persoon), M. en V., -beenen.
Ooievaarsbek, M., -bekken.
Ooievaarshals, M., -halzen.
Ooievaarsnest, O., -nesten.
Ooievaarsvlucht, V.
Ooievaren, ooievaarde, heeft geooievaard.
Ooit.
Ook.
Oolijk, oolijker, oolijkst.
Oolijkerd, M., oolijkerds.
Oolijkheid, V.
Oom, M., ooms en oomen. Oompje, O., -jes.
Oomzegger, M., -zeggers.
Oomzegster, V., -zegsters.
Oonen, oonde, heeft geoond.
Oor, O., ooren. Oortje, O., -jes.
Oorbaar, oorbaarder, oorbaarst.
Oorbaar, O.
Oorbaarheid, V.
Oorband, M., -banden.
Oorbel, V., -bellen; -belletje, O., -jes.
Oorbiecht, V.
Oorblazer, M., -blazers.
Oord (plaats), O., oorden.
Oordeel, O., oordeelen.
Oordeelaar, M., oordeelaars en oordeelaren.
Oordeelen, oordeelde, heeft geoordeeld.
Oordeelkunde, V.
Oordeelkundig, -kundiger, -kundigst.
Oordeelsdag, M.
Oordeelskracht, V.
Oordeelvelling, V., -vellingen.
Oorhanger, M., -hangers.
Oorheelkunde, V.
Oorheelkundig.
Oorijzer, O., -ijzers.
Oorklep, V., -kleppen.
Oorkonde, V., oorkonden.
Oorkondenboek, O., -boeken.
Oorkruiper, M., -kruipers.
Oorkussen, O., -kussens.
Oorlam, O., oorlammen.
Oorlel, V., -lellen; -lelletje, O., -jes.
Oorlepeltje, O., -jes.
Oorliëtblok, O., -blokken en -bloks.
Oorlof, O.
Oorlog, M., oorlogen.
Oorlogen, oorloogde, heeft geoorloogd.
Oorlogsbehoeften (mv.), V.
Oorlogsbende, V., -benden.
Oorlogsbodem, M., -bodems.
Oorlogscontrabande, V.
Oorlogscorrespondent, M., -correspondenten.
Oorlogsdaad, V., -daden.
Oorlogsgevaar, O., -gevaren.
Oorlogsgeweld, O.
Oorlogsgezind, -gezinder, -gezindst.
Oorlogshaven, V., -havens.
Oorlogsheld, M., -helden.
Oorlogskaart, V., -kaarten.
Oorlogskans, V., -kansen.
Oorlogskas, V., -kassen.
Oorlogskosten (mv.), M.
Oorlogskreet, M., -kreten.
Oorlogskunst, V.
Oorlogslasten (mv.), M.
Oorlogsmateriaal, O.
Oorlogsplan, O., -plannen.
Oorlogsramp, V., -rampen.
Oorlogsrecht, O.
Oorlogsroem, M.
Oorlogsschip, O., -schepen.
Oorlogsterrein, O.
Oorlogstoestand, M.
Oorlogstooneel, O., -tooneelen.
Oorlogstuig, O.
Oorlogsvaan, V., -vanen.
Oorlogsvaartuig, O., -vaartuigen.
Oorlogsveld, O.
Oorlogsverklaring, V., -verklaringen.
Oorlogsvloot, V., -vloten.
Oorlogsvuur, O.
Oorlogswapen, O., -wapenen.
Oorlogswet, V.
Oorlogszwaard, O., -zwaarden.
Oorlogvoerend.
Oorlogvoering, V.
Oorlogzuchtig, -zuchtiger, -zuchtigst.
Oorpijn, V., -pijnen.
Oorring, M., -ringen; -ringetje, O., -jes.
Oorschelp, V., -schelpen.
Oorsprong, M., oorsprongen.
Oorspronkelijk, -lijker, -lijkst.
Oorspronkelijkheid, V.
Oorspuitje, O., -jes.
Oort (geldswaarde), O., oorten. Oortje, O., -jes.
Oortrompet, V., -trompetten.
Oorveeg, M., -vegen. Oorveegje, O., -jes.
Oorvijg, V., -vijgen. Oorvijgje, O., -jes.
Oorworm, M., -wormen.
Oorzaak, V., oorzaken.
Oorzakelijk.
Oost (het Oosten), O.; (Nederlands Oostindische bezittingen), V.
Oost (bijw.).
Oostelijk, -lijker, -lijkst.
Oosten, O.
Oostenwind, M., -winden.
Oosteren, oosterde, is geoosterd.
Oostergoo, O.
Oostergrens, V., -grenzen.
Oosterhoek, M.
Oosterkim, V.
Oosterling, M. en V., Oosterlingen. V. ook Oosterlinge.
Oosterlucie, V.
Oostersch.
Oosterzon, V.
Oostfriesch.
Oost-Friesland, O.
Oost-Indië en Oostinje, O.
Oostindiëvaarder en Oostinjevaarder, M., -vaarders.
Oostindisch.
Oostinje. Zie Oost-Indië.
Oostnoordoost (bijw.). Als znw., O.
Oostvlaamsch.
Oost-Vlaanderen, O.
Oostwaarts.
Oostzee, V.
Oostzuidoost (bijw.). Als znw., O.
Ootje, O. (In het - nemen).
Ootmoed, M.
Ootmoedig, -moediger, -moedigst.
Ootmoedigheid, V.
Ootmoediglijk.
Op.
Opaal (stof), O.; (steen), M., opalen.
Opbaggeren, baggerde op, heeft opgebaggerd.
Opbakken, bakte op, heeft opgebakken.
Opbaliën, baliede op, heeft opgebalied.
Opbarsten, barstte op, is opgebarsten; ook borst op, is opgeborsten.
Opbedelen, bedelde op, heeft opgebedeld.
Opbellen, belde op, heeft opgebeld.
Opbergen, borg op, heeft opgeborgen.
Opbersten. Zie Opbarsten.
Opbeuren, beurde op, heeft opgebeurd.
Opbeuring, V.
Opbiechten, biechtte op, heeft opgebiecht.
Opbieden, bood op, boden op, heeft opgeboden.
Opbieding, V., -biedingen.
Opbijten (bijt hakken), bijtte op, heeft opgebijt.
Opbikken, bikte op, heeft opgebikt.
Opbinden, bond op, heeft opgebonden.
Opblazen, blies op, bliezen op, heeft opgeblazen.
Opbleeken, bleekte op, heeft en is opgebleekt.
Opblijven, bleef op, bleven op, is opgebleven.
Opbobbelen, bobbelde op, is opgebobbeld.
Opbod, O.
Opboeien, boeide op, heeft opgeboeid.
Opboeisel, O., -boeisels.
Opboenen, boende op, heeft opgeboend.
Opboomen, boomde op, heeft opgeboomd.
Opboren, boorde op, heeft opgeboord.
Opboring, V.
Opborrelen, borrelde op, is opgeborreld.
Opborreling, V.
Opborstelen, borstelde op, heeft opgeborsteld.
Opbossen, boste op, heeft opgebost.
Opbouw, M.
Opbouwen, bouwde op, heeft opgebouwd.
Opbouwer, M., -bouwers.
Opbouwing, V.
Opbraden, braadde op, heeft opgebraden.
Opbranden, brandde op, heeft en is opgebrand.
Opbrassen (scheepsw.), braste op, heeft opgebrast.
Opbreeuwen, breeuwde op, heeft opgebreeuwd.
Opbreien, breide op, heeft opgebreid.
Opbreken, brak op, braken op, heeft en is opgebroken.
Opbreker, M., -brekers.
Opbreking, V.
Opbrengen, bracht op, heeft opgebracht.
Opbrenger, M., -brengers.
Opbrengst, V., -brengsten.
Opbrouwen, brouwde op, heeft opgebrouwen.
Opbruinen, bruinde op, heeft opgebruind.
Opbruisen, bruiste op, heeft en is opgebruist.
Opbuigen, boog op, bogen op, heeft en is opgebogen.
Opbulderen, bulderde op, heeft opgebulderd.
Opcent, M., -centen.
Opdagen (oproepen), daagde op, heeft opgedaagd.
Opdagen (verschijnen), daagde op, is opgedaagd.
Opdammen, damde op, heeft opgedamd.
Opdampen, dampte op, heeft en is opgedampt.
Opdansen, danste op, is opgedanst.
Opdat.
Opdelven, dolf op, dolven op, heeft opgedolven.
Opdelver, M., -delvers.
Opdelving, V., -delvingen.
Opdienen, diende op, heeft opgediend.
Opdiepen, diepte op, heeft opgediept.
Opdirken, dirkte op, heeft opgedirkt.
Opdisschen, dischte op, heeft opgedischt.
Opdoeken, doekte op, heeft en is opgedoekt.
Opdoemen, doemde op, is opgedoemd.
Opdoen, doet op, deed op, deden op, heeft opgedaan.
Opdoening, V.
Opdoffelen, doffelde op, heeft opgedoffeld.
Opdokken, dokte op, heeft opgedokt.
Opdonderen, donderde op, is opgedonderd.
Opdonkeren, donkerde op, heeft en is opgedonkerd.
Opdraaien, draaide op, heeft en is opgedraaid.
Opdracht, V., -drachten.
Opdrachtig, -drachtiger, -drachtigst.
Opdrachtigheid, V.
Opdragen, droeg op, heeft opgedragen.
Opdraven, draafde op, is opgedraafd.
Opdreunen, dreunde op, heeft opgedreund.
Opdrijven, dreef op, dreven op, heeft en is opgedreven.
Opdrijver, M., -drijvers.
Opdrijving, V.
Opdril, M., -drillen.
Opdrillen, drilde op, heeft opgedrild.
Opdringen, drong op, heeft en is opgedrongen.
Opdrinken, dronk op, heeft opgedronken.
Opdrogen, droogde op, heeft en is opgedroogd.
Opdroging, V.
Opdrossen, droste op, is opgedrost.
Opdrukken, drukte op, heeft opgedrukt.
Opduiken, dook op, doken op, is en heeft opgedoken,
Opdunnen, dunde op, is opgedund.
Opduwen, duwde op, heeft opgeduwd.
Opdweilen, dweilde op, heeft opgedweild.
Opdwingen, dwong op, heeft opgedwongen.
Opeen.
Opeendrijven, dreef opeen, dreven opeen, heeft opeengedreven.
Opeengooien, gooide opeen, heeft opeengegooid.
Opeenhoopen, hoopte opeen, heeft opeengehoopt.
Opeenjagen, jaagde opeen, heeft opeengejaagd; ook joeg opeen.
Opeenladen, laadde opeen, heeft opeengeladen.
Opeenleggen, legde opeen en leide opeen, heeft opeengelegd en opeengeleid.
Opeenliggen, lag opeen, lagen opeen, heeft opeengelegen.
Opeenpakken, pakte opeen, heeft opeengepakt.
Opeenplaatsen, plaatste opeen, heeft opeengeplaatst.
Opeenplakken, plakte opeen, heeft opeengeplakt.
Opeensmijten, smeet opeen, smeten opeen, heeft opeengesmeten.
Opeenstapelen, stapelde opeen, heeft opeengestapeld.
Opeenvolgen, volgde opeen, is opeengevolgd.
Opeenvolging, V., -volgingen.
Opeenwerpen, wierp opeen, heeft opeengeworpen.
Opeenzetten, zette opeen, heeft opeengezet.
Opeenzitten, zat opeen, zaten opeen, heeft opeengezeten.
Opeisch, M.
Opeischen, eischte op, heeft opgeeischt.
Opeisching, V., -eischingen.
Open, opener, openst.
Openbaar, -baarder, -baarst.
Openbaar, O.
Openbaarheid, V.
Openbaarmaken, maakte openbaar, heeft openbaargemaakt.
Openbaarmaking, V.
Openbaren, openbaarde, heeft geopenbaard.
Openbaring, V., -baringen.
Openbaringsleer, V.
Openbreken, brak open, braken open, heeft en is opengebroken.
Opendoen, doet open, deed open, deden open, heeft opengedaan.
Openen, opende, heeft geopend.
Opengaan, ging open, is opengegaan.
Openhartig, -hartiger, -hartigst.
Openhartigheid, V.
Openheid, V.
Openhouden, hield open, heeft opengehouden.
Opening, V., openingen. Openingetje, O., -jes.
Openingsrede, V., -redenen.
Openkrabbelen, krabbelde open, heeft opengekrabbeld.
Openkrabben, krabde open, heeft opengekrabd.
Openkrijgen, kreeg open, kregen open, heeft opengekregen.
Openlaten, liet open, heeft opengelaten.
Openleggen, legde open en leide open, heeft opengelegd en opengeleid.
Openliggen, lag open, lagen open, heeft opengelegen.
Openlijk.
Openmaken, maakte open, heeft opengemaakt.
Openprikken, prikte open, heeft opengeprikt.
Openrijten, reet open, reten open, heeft opengereten.
Openrukken, rukte open, heeft opengerukt.
Openscheuren, scheurde open, heeft opengescheurd.
Openschuiven, schoof open, schoven open, heeft opengeschoven.
Openslaan, slaat open, sloeg open, heeft en is opengeslagen.
Opensluiten, sloot open, sloten open, heeft opengesloten.
Opensnijden, sneed open, sneden open, heeft opengesneden.
Openspalken, spalkte open, heeft opengespalkt.
Openspringen, sprong open, is opengesprongen.
Openstaan, staat open, stond open, heeft opengestaan.
Openstaand.
Openstellen, stelde open, heeft opengesteld.
Openstooten, stiet open, heeft opengestooten; ook stootte open.
Openteren, enterde op, is opgeënterd.
Op-en-top.
Opentrappen, trapte open, heeft opengetrapt.
Opentrekken, trok open, trokken open, heeft opengetrokken.
Openvallen, viel open, is opengevallen.
Openvliegen, vloog open, vlogen open, is opengevlogen.
Openzeilen, zeilde open, heeft opengezeild.
Opera, V., opera's. Operaatje, O., -jes.
Operateur, M., operateuren en operateurs.
Operatie, V., operatiën en operaties.
Operatiekamer, V., -kamers.
Operatielijn, V., -lijnen.
Operazanger, M., -zangers.
Opereeren, opereerde, heeft geopereerd.
Operette, V., operettes.
Operment, O.
Opeten, at op, aten op, heeft opgegeten.
Opfladderen, fladderde op, is opgefladderd.
Opflakkeren, flakkerde op, is opgeflakkerd.
Opfleuren, fleurde op, is en heeft opgefleurd.
Opfleuring, V.
Opflikken, flikte op, heeft opgeflikt.
Opflikkeren, flikkerde op, is opgeflikkerd.
Opflikkering, V., -flikkeringen.
Opfluiten, floot op, floten op, heeft opgefloten.
Opfoeliën, foeliede op, heeft opgefoelied.
Opfokken, fokte op, heeft opgefokt.
Opfokker, M., -fokkers.
Opfokking, V.
Opfrisschen, frischte op, heeft en is opgefrischt.
Opfrissching, V.
Opgaaf en Opgave V., -gaven. Opgaafje, O., -jes.
Opgaan, gaat op, ging op, is opgegaan.
Opgaand.
Opgalmen, galmde op, heeft opgegalmd.
Opgang, M., -gangen.
Opgaren, gaarde op, heeft opgegaard.
Opgave. Zie Opgaaf.
Opgeblazen, -geblazener, -geblazenst.
Opgeblazenheid, V.
Opgebruiken, gebruikte op, heeft opgebruikt.
Opgeien, geide op, heeft opgegeid.
Opgeld, O., -gelden.
Opgeruimd, -geruimder, -geruimdst.
Opgeruimdheid, V.
Opgeschikt, -geschikter, -geschiktst.
Opgeschiktheid, V.
Opgeschoten.
Opgesmukt, -gesmukter, -gesmuktst.
Opgesmuktheid, V.
Opgetogen, -getogener, -getogenst.
Opgetogenheid, V.
Opgeven, gaf op, gaven op, heeft opgegeven.
Opgever, M., -gevers.
Opgeving, V.
Opgewekt, -gewekter, -gewektst.
Opgewektheid, V.
Opgewonden, -gewondener, -gewondenst.
Opgewondenheid, V.
Opgezet.
Opgezetene, M. en V., -gezetenen.
Opgezwollen, -gezwollener, -gezwollenst.
Opgezwollenheid, V.
Opgieten, goot op, goten op, heeft opgegoten.
Opgisten, gistte op, is opgegist.
Opglanzen, glansde op, heeft opgeglansd.
Opglimmen, glom op, glommen op, is opgeglommen.
Opglinsteren, glinsterde op, is opgeglinsterd.
Opglippen, glipte op, heeft opgeglipt.
Opgloeien, gloeide op, heeft en is opgegloeid.
Opgloeiing, V.
Opgloren, gloorde op, is opgegloord.
Opgooien, gooide op, heeft opgegooid.
Opgorden, gordde op, heeft opgegord.
Opgording, V.
Opgrabbelen, grabbelde op, heeft opgegrabbeld.
Opgraven, groef op, groeven op, heeft opgegraven.
Opgraver, M., -gravers.
Opgraving, V., -gravingen.
Opgrijpen, greep op, grepen op, heeft opgegrepen.
Opgroeien, groeide op, is opgegroeid.
Ophaal, M., -halen. Ophaaltje, O., -jes.
Ophaalbrug, V., -bruggen.
Ophaalnet, O., -netten.
Ophaken, haakte op, heeft opgehaakt.
Ophakken, hakte op, heeft opgehakt.
Ophakker, M., -hakkers. Ophakkertje, O., -jes.
Ophakkerig, -hakkeriger, -hakkerigst.
Ophakkerigheid, V.
Ophakkerij, V., -hakkerijen.
Ophalen, haalde op, heeft opgehaald.
Ophaler, M., -halers.
Ophaling, V., -halingen.
Ophanden.
Ophangen, hing op, heeft opgehangen.
Ophanging, V., -hangingen.
Ophappen, hapte op, heeft opgehapt.
Opharken, harkte op, heeft opgeharkt.
Ophaspelen, haspelde op, heeft opgehaspeld.
Ophebben, heeft op, had op, hadden op, heeft opgehad.
Ophef, M.
Opheffen, hief op, hieven op, heeft opgeheven.
Opheffing, V., -heffingen.
Ophekelen, hekelde op, heeft opgehekeld.
Ophelderen, helderde op, heeft en is opgehelderd.
Opheldering, V., -helderingen.
Ophelpen, hielp op, heeft opgeholpen.
Ophemelen, hemelde op, heeft opgehemeld.
Ophemeling, V., -hemelingen.
Ophicleïde, V., ophicleïdes.
Ophielen, hielde op, heeft opgehield.
Ophijschen, heesch op, heschen op, heeft opgeheschen.
Ophitsen, hitste op, heeft opgehitst.
Ophitser, M., -hitsers.
Ophitsing, V., -hitsingen.
Ophoepelen, hoepelde op, is opgehoepeld.
Ophoogen, hoogde op, heeft opgehoogd.
Ophooging, V., -hoogingen.
Ophoopen, hoopte op, heeft opgehoopt.
Ophooping, V., -hoopingen.
Ophooren, hoorde op, heeft opgehoord.
Ophouden, hield op, heeft opgehouden.
Ophouder, M., -houders.
Ophtalmoloog, M., -logen.
Ophuppelen, huppelde op, heeft en is opgehuppeld.
Opijken, ijkte op, heeft opgeijkt.
Opium, O.
Opiumkit, V., -kitten.
Opiumpacht, V.
Opiumregie, V.
Opiumschuiver, M., -schuivers.
Opjagen, jaagde op, heeft opgejaagd; ook joeg op.
Opkamer, V., -kamers. Opkamertje, O., -jes.
Opkammen, kamde op, heeft opgekamd.
Opkappen, kapte op, heeft opgekapt.
Opkatten, katte op, heeft opgekat.
Opkeeren, keerde op, heeft opgekeerd.
Opkeggen, kegde op, heeft opgekegd.
Opkijken, keek op, keken op, heeft opgekeken.
Opkikkeren, kikkerde op, heeft opgekikkerd.
Opkisten, kistte op, heeft opgekist.
Opkisting, V., -kistingen.
Opkladden, kladde op, heeft opgeklad.
Opklampen, klampte op, heeft opgeklampt.
Opklappen, klapte op, heeft opgeklapt.
Opklaren, klaarde op, heeft en is opgeklaard.
Opklaring, V.
Opklauteren, klauterde op, heeft en is opgeklauterd.
Opkleppen, klepte op, heeft opgeklept.
Opkleuren, kleurde op, heeft en is opgekleurd.
Opklimmen, klom op, klommen op, heeft en is opgeklommen.
Opklimming, V., -klimmingen.
Opklinken, klonk op, heeft opgeklonken.
Opklooven, kloofde op, heeft opgekloofd.
Opkloppen, klopte op, heeft opgeklopt.
Opklossen, kloste op, heeft opgeklost.
Opkluiven, kloof op, kloven op, heeft opgekloven.
Opknappen, knapte op, heeft en is opgeknapt.
Opknapping, V., -knappingen.
Opknijpen, kneep op, knepen op, is opgeknepen.
Opknoopen, knoopte op, heeft opgeknoopt.
Opknooping, V., -knoopingen.
Opkoelen, koelde op, heeft en is opgekoeld.
Opkoeling, V.
Opkoken, kookte op, heeft opgekookt.
Opkoking, V.
Opkomen, komt op, kwam op, kwamen op, is opgekomen.
Opkomer, M., -komers.
Opkomst, V.
Opkooien, kooide op, heeft opgekooid.
Opkooksel, O., -kooksels.
Opkoop, M.
Opkoopen, kocht op, heeft opgekocht.
Opkooper, M., -koopers.
Opkooping, V., -koopingen.
Opkoopster, V., -koopsters.
Opkorten, kortte op, heeft en is opgekort.
Opkrabbelen (openkrabbelen), krabbelde op, heeft opgekrabbeld.
Opkrabbelen (uit eene ziekte opkomen), krabbelde op, is opgekrabbeld.
Opkrabben, krabde op, heeft opgekrabd.
Opkramen, kraamde op, is opgekraamd.
Opkrassen, kraste op, heeft en is opgekrast.
Opkrauwen, krauwde op, heeft opgekrauwd.
Opkrijgen, kreeg op, kregen op, heeft opgekregen.
Opkrimpen, kromp op, is opgekrompen.
Opkrimping, V.
Opkroezen, kroesde op, heeft opgekroesd.
Opkroppen, kropte op, heeft opgekropt.
Opkropping, V.
Opkruien, krooi op, krooien op, heeft en is opgekrooien; ook kruide op, heeft en is opgekruid.
Opkruipen, kroop op, kropen op, is opgekropen.
Opkrullen, krulde op, heeft en is opgekruld.
Opkuipen, kuipte op, heeft opgekuipt.
Opkunnen, kan op, kunnen op, konde en kon op, konden op, heeft opgekund.
Opkweeken, kweekte op, heeft opgekweekt.
Opkweeking, V.
Opkwikken, kwikte op, heeft opgekwikt.
Oplaag en Oplage, V., -lagen.
Opladen, laadde op, heeft opgeladen.
Oplader, M., -laders.
Oplading, V., -ladingen.
Oplage. Zie Oplaag.
Oplangen, langde op, heeft opgelangd.
Oplanger, M., -langers.
Oplappen, lapte op, heeft opgelapt.
Oplapping, V., -lappingen.
Oplaten, liet op, heeft opgelaten.
Oplaveeren, laveerde op, is opgelaveerd.
Opleggen, legde op en leide op, heeft opgelegd en opgeleid.
Oplegging, V.
Oplegsel, O., -legsels. Oplegseltje, O., -jes.
Opleiden, leidde op, heeft opgeleid.
Opleider, M., -leiders.
Opleiding, V., -leidingen.
Opleidingsschip, O., -schepen.
Oplepelen, lepelde op, heeft opgelepeld.
Opletten, lette op, heeft opgelet.
Oplettend, -lettender, -lettendst.
Oplettendheid, V., -heden.
Opleven, leefde op, is opgeleefd.
Oplezen, las op, lazen op, heeft opgelezen.
Oplichten (helderder worden), lichtte op, is opgelicht.
Oplichten (opheffen, bedriegen, enz.), lichtte op, heeft opgelicht.
Oplichter, M., -lichters.
Oplichterij, V., -lichterijen.
Oplichting, V., -lichtingen.
Oplichtster, V., -lichtsters.
Oploeven, loefde op, is opgeloefd.
Oploop (opschudding), M. Oploopje, O., -jes.
Oploop (scheepsw.), M., -loopen.
Oploopen, liep op, is en heeft opgeloopen.
Oploopend, -loopender, -loopendst.
Oploopendheid, V.
Oplooping, V.
Oplosbaar, -bare.
Oplosbaarheid, V.
Oplossen, loste op, heeft opgelost.
Oplossing, V., -lossingen.
Opluchten, luchtte op, heeft opgelucht.
Opluiken, look op, loken op, is opgeloken.
Opluiking, V.
Opluisteren, luisterde op, heeft opgeluisterd.
Opluistering, V.
Opmaakster, V., -maaksters.
Opmaken, maakte op, heeft opgemaakt.
Opmaker, M., -makers.
Opmaking, V.
Opmalen, maalde op, heeft opgemalen.
Opmaling, V., -malingen.
Opmarcheeren, marcheerde op, is opgemarcheerd.
Opmerkelijk, -lijker, -lijkst.
Opmerken, merkte op, heeft opgemerkt.
Opmerkenswaardig, -waardiger, -waardigst, of meer en meest -waardig.
Opmerker, M., -merkers.
Opmerking, V., -merkingen.
Opmerkingsgave, V.
Opmerkzaam, -zamer, -zaamst.
Opmerkzaamheid, V.
Opmeten, mat op, maten op, heeft opgemeten.
Opmeting, V., -metingen.
Opmetselen, metselde op, heeft opgemetseld.
Opmetseling, V.
Opmonteren, monterde op, heeft opgemonterd.
Opmontering, V.
Opnaaien, naaide op, heeft opgenaaid.
Opnaaisel, O., -naaisels. Opnaaiseltje, O., -jes.
Opname, V.
Opnemen, nam op, namen op, heeft opgenomen.
Opnemer, M., -nemers.
Opneming, V., -nemingen.
Opnemingsvaartuig, O., -vaartuigen.
Opnieuw.
Opnoemen, noemde op, heeft opgenoemd.
Opnoeming, V., -noemingen.
Opodeldoc, V.
Opofferen, offerde op, heeft opgeofferd.
Opoffering, V., -offeringen.
Opontbieden, ontbood op, ontboden op, heeft opontboden.
Opontbieding, V., -ontbiedingen.
Opontbod, O.
Oponthoud, O.
Oppakken, pakte op, heeft opgepakt.
Oppalmen, palmde op, heeft opgepalmd.
Oppas, M.
Oppassen, paste op, heeft opgepast.
Oppassend, -passender, -passendst.
Oppassendheid, V.
Oppasser, M., -passers.
Oppasseres, V., -passeressen.
Oppassing, V.
Opper (hooistapel), M., oppers. Oppertje, O., -jes.
Opper en Opperd (schuilplaats, luwte), M., oppers en opperds. Oppertje en opperdje, O., -jes.
Opperbest.
Opperbestuur, O.
Opperbestuurder, M., -bestuurders.
Opperbevel, O.
Opperbevelhebber, M., -bevelhebbers.
Opperbewind, O.
Opperbrandmeester, M., -meesters.
Opperceremoniemeester, M., -meesters.
Opperen, opperde, heeft geopperd.
Oppergebied, O.
Oppergebieder, M., -gebieders.
Oppergezag, O.
Opperheer, M., -heeren.
Opperheerschappij, V.
Opperhoofd, O., -hoofden.
Opperhuid, V.
Oppering, V., opperingen.
Opperjager, M., -jagers.
Opperjagermeester, M., -meesters.
Opperkamerheer, M., -heeren.
Opperkleed, O., -kleederen.
Opperkoopman, M., -kooplieden.
Opperleenheer, M., -leenheeren.
Oppermacht, V.
Oppermachtig.
Oppermajesteit, V.
Opperman, M., -lieden en -lui.
Opperpriester, M., -priesters.
Opperpriesterschap, O.
Opperrabbijn, M., -rabbijnen.
Opperschenker, M., -schenkers.
Oppersen, perste op, heeft opgeperst.
Oppersing, V. -persingen.
Opperstalmeester, M., -stalmeesters.
Opperste.
Opperstuurman, M., -stuurlieden.
Oppertoezicht, O.
Oppervlak, O., -vlakken.
Oppervlakkig, -vlakkiger, -vlakkigst.
Oppervlakkigheid, V., -heden.
Oppervlakte, V., -vlakten.
Opperwal, M.
Opperwater, O.
Oppeuzelen, peuzelde op, heeft opgepeuzeld.
Oppikken, pikte op, heeft opgepikt.
Opplakken, plakte op, heeft opgeplakt.
Opploegen, ploegde op, heeft opgeploegd.
Opploeging, V.
Oppoetsen, poetste op, heeft opgepoetst.
Oppoffen, pofte op, heeft opgepoft.
Oppoken, pookte op, heeft opgepookt.
Oppompen, pompte op, heeft opgepompt.
Opponeeren, opponeerde, heeft geopponeerd.
Opponent, M., opponenten.
Opporren, porde op, heeft opgepord.
Opportuniteit, V.
Opposant, M., opposanten.
Oppositie, V., oppositiën en opposities.
Oppositieblad, O., -bladen.
Oppotten, potte op, heeft opgepot.
Opprikken, prikte op, heeft opgeprikt.
Oppronken, pronkte op, heeft opgepronkt.
Opproppen, propte op, heeft opgepropt.
Oppropping, V.
Oppuilen, puilde op, is opgepuild.
Oppuiling, V., -puilingen.
Opraapsel, O., -raapsels.
Oprakelen, rakelde op, heeft opgerakeld.
Oprakeling, V.
Opraken, raakte op, is opgeraakt.
Oprammeien, rammeide op, heeft opgerammeid.
Oprapen, raapte op, heeft opgeraapt.
Oprecht, -rechter, -rechtst.
Oprechtelijk.
Oprechtheid, V.
Opredderen, redderde op, heeft opgeredderd.
Opreddering, V.
Oprekenen, rekende op, heeft opgerekend.
Oprekening, V., -rekeningen.
Oprekken, rekte op, heeft opgerekt.
Oprichten, richtte op, heeft opgericht.
Oprichter, M., -richters.
Oprichtersaandeel, O., -aandeelen.
Oprichtersbewijs, O., -bewijzen.
Oprichting, V.
Oprichtingskosten (mv.), M.
Oprijden, reed op, reden op, heeft en is opgereden.
Oprijgen, reeg op, heeft opgeregen.
Oprijlaan, V., -lanen.
Oprijten, reet op, reten op, heeft en is opgereten.
Oprijzen, rees op, rezen op, is opgerezen.
Oprijzing, V.
Opril, V., oprillen.
Oprispen, rispte op, heeft opgerispt.
Oprisping, V., -rispingen.
Oprit, M., -ritten.
Opritsen, ritste op, heeft opgeritst.
Opritsing, V., -ritsingen.
Oprochelen, rochelde op, heeft opgerocheld.
Oproeien, roeide op, heeft en is opgeroeid.
Oproep, M.
Oproepen, riep op, heeft opgeroepen.
Oproeper, M., -roepers.
Oproeping, V., -roepingen.
Oproepingsbrief, M., -brieven.
Oproer, O., -roeren. Oproertje, O., -jes.
Oproeren, roerde op, heeft opgeroerd.
Oproerig, -roeriger, -roerigst.
Oproerigheid, V.
Oproerkraaier, M., -kraaiers.
Oproerkreet, M., -kreten.
Oproerling, M. en V., -lingen.
Oproermaker, M., -makers.
Oprokkenen, rokkende op, heeft opgerokkend.
Oprollen, rolde op, heeft opgerold.
Oprolling, V.
Opruien, ruide op, heeft opgeruid.
Opruier, M., -ruiers.
Opruiing, V., -ruiingen.
Opruimen, ruimde op, heeft opgeruimd.
Opruimer, M., -ruimers.
Opruiming, V., -ruimingen.
Oprukken, rukte op, heeft en is opgerukt.
Opscharrelen, scharrelde op, heeft opgescharreld.
Opschaven, schaafde op, heeft opgeschaafd.
Opschellen, schelde op, heeft opgescheld.
Opschenken, schonk op, heeft opgeschonken.
Opschepen, scheepte op, heeft opgescheept.
Opscheppen, schepte op, heeft opgeschept.
Opschepper, M., -scheppers.
Opscheren, schoor op, schoren op, heeft opgeschoren.
Opscherpen, scherpte op, heeft opgescherpt.
Opscherping, V., -scherpingen.
Opscheuren, scheurde op, heeft en is opgescheurd.
Opscheuring, V., -scheuringen.
Opschieten, schoot op, schoten op, heeft en is opgeschoten.
Opschik, M.
Opschikken, schikte op, heeft opgeschikt.
Opschikking, V.
Opschilderen, schilderde op, heeft opgeschilderd.
Opschildering, V., -schilderingen.
Opschoeien, schoeide op, heeft opgeschoeid.
Opschoeiing, V., -schoeiingen.
Opschommelen, schommelde op, heeft opgeschommeld.
Opschooien, schooide op, heeft opgeschooid.
Opschoppen, schopte op, heeft opgeschopt.
Opschorten, schortte op, heeft opgeschort.
Opschorting, V., -schortingen.
Opschotelen, schotelde op, heeft opgeschoteld.
Opschransen, schranste op, heeft opgeschranst.
Opschrift, O., -schriften. Opschriftje, O., -jes.
Opschrijfboek, O., -boeken; -boekje, O., -jes.
Opschrijven, schreef op, schreven op, heeft opgeschreven.
Opschrijver, M., -schrijvers.
Opschrijving, V.
Opschrikken, schrikte op, heeft en is opgeschrikt.
Opschroeven, schroefde op, heeft opgeschroefd.
Opschroeving, V., -schroevingen.
Opschrokken, schrokte op, heeft opgeschrokt.
Opschudden, schudde op, heeft opgeschud.
Opschudding, V., -schuddingen.
Opschuieren, schuierde op, heeft opgeschuierd.
Opschuimen, schuimde op, heeft opgeschuimd.
Opschuiven, schoof op, schoven op, heeft en is opgeschoven.
Opschuiving, V., -schuivingen.
Opschuren, schuurde op, heeft opgeschuurd.
Opschutten, schutte op, heeft opgeschut.
Opschutting, V.
Opseizen, seisde op, heeft opgeseisd.
Opsieren, sierde op, heeft opgesierd.
Opsiering, V., -sieringen.
Opsiersel, O., -siersels en -sierselen.
Opsjorren, sjorde op, heeft opgesjord.
Opsjorring, V.
Opslaan, slaat op, sloeg op, heeft en is opgeslagen.
Opslag, M., -slagen.
Opslechten, slechtte op, heeft opgeslecht.
Opsleepen, sleepte op, heeft opgesleept.
Opslenteren, slenterde op, is opgeslenterd.
Opsleuren, sleurde op, heeft opgesleurd.
Opslijpen, sleep op, slepen op, heeft opgeslepen.
Opslijping, V.
Opslikken, slikte op, heeft opgeslikt.
Opslobberen, slobberde op, heeft opgeslobberd.
Opslokken, slokte op, heeft opgeslokt.
Opslooten, slootte op, heeft opgesloot.
Opslorpen en Opslurpen, slorpte (slurpte) op, heeft opgeslorpt (opgeslurpt).
Opslorping en Opslurping, V., -slorpingen (-slurpingen).
Opsluiten, sloot op, sloten op, heeft opgesloten.
Opsluiting, V., -sluitingen.
Opsluitschijf, V., -schijven.
Opsluitwig, V., -wiggen.
Opslurpen. Zie Opslorpen.
Opsmeden, smeedde op, heeft opgesmeed.
Opsmukken, smukte op, heeft opgesmukt.
Opsmukking, V.
Opsmullen, smulde op, heeft opgesmuld.
Opsnappen, snapte op, heeft opgesnapt.
Opsnapper, M., -snappers.
Opsnijden, sneed op, sneden op, heeft opgesneden.
Opsnijder, M., -snijders.
Opsnijderij, V., -snijderijen.
Opsnijding, V., -snijdingen.
Opsnoepen, snoepte op, heeft opgesnoept.
Opsnorren, snorde op, heeft opgesnord.
Opsnuiven, snoof op, snoven op, heeft opgesnoven.
Opsnuiving, V.
Opsommen, somde op, heeft opgesomd.
Opsomming, V., -sommingen.
Opspalken, spalkte op, heeft opgespalkt.
Opspalking, V.
Opspannen, spande op, heeft en is opgespannen.
Opspanning, V., -spanningen.
Opsparen, spaarde op, heeft opgespaard.
Opspelden, speldde op, heeft opgespeld.
Opspelen, speelde op, heeft opgespeeld.
Opsperren, sperde op, heeft opgesperd.
Opsperring, V.
Opspitten, spitte op, heeft opgespit.
Opsplijten, spleet op, spleten op, heeft en is opgespleten.
Opsplijting, V.
Opspoelen, spoelde op, heeft opgespoeld.
Opsporen, spoorde op, heeft opgespoord.
Opsporing, V., -sporingen.
Opspouwen, spouwde op, heeft opgespouwen.
Opspraak, V.
Opspringen, sprong op, is opgesprongen.
Opspruiten, sproot op, sproten op, is opgesproten.
Opspugen, spoog op, spogen op, heeft opgespogen.
Opspuiten, spoot op, spoten op, heeft en is opgespoten.
Opstaan, staat op, stond op, is opgestaan.
Opstal, M., -stallen.
Opstallen, stalde op, heeft opgestald.
Opstalling, V.
Opstand, M., -standen.
Opstandeling, M. en V., -standelingen. V. ook opstandelinge.
Opstanding, V.
Opstandingsverhaal, O.
Opstapelen, stapelde op, heeft opgestapeld.
Opstapeling, V., -stapelingen.
Opstappen, stapte op, is opgestapt.
Opsteken, stak op, staken op, heeft en is opgestoken.
Opsteker, M., -stekers.
Opsteking, V.
Opstel, O., -stellen. Opstelletje, O., -jes.
Opstellen, stelde op, heeft opgesteld.
Opsteller, M., -stellers.
Opstelling, V., -stellingen.
Opstijgen, steeg op, stegen op, is opgestegen.
Opstijging, V., -stijgingen.
Opstijven, steef op, steven op, heeft en is opgesteven.
Opstoken, stookte op, heeft opgestookt.
Opstoker, M., -stokers.
Opstokerij, V., -stokerijen.
Opstoking, V., -stokingen.
Opstookster, V., -stooksters.
Opstooten, stiet op, heeft opgestooten; ook stootte op.
Opstooter, M., -stooters.
Opstooting, V.
Opstootje, O., -jes.
Opstoppen, stopte op, heeft opgestopt.
Opstopper, M., -stoppers.
Opstopping, V., -stoppingen.
Opstoven, stoofde op, heeft opgestoofd.
Opstrijden, streed op, streden op, heeft opgestreden.
Opstrijken, streek op, streken op, heeft opgestreken.
Opstrompelen, strompelde op, is opgestrompeld.
Opstroopen, stroopte op, heeft opgestroopt.
Opstuiten, stuitte op, heeft opgestuit.
Opstuiter, M., -stuiters.
Opstuiven, stoof op, stoven op, is opgestoven.
Opsturen, stuurde op, heeft opgestuurd.
Opstutten, stutte op, heeft opgestut.
Opstuwen, stuwde op, heeft opgestuwd.
Opstuwer, M., -stuwers.
Opstuwing, V.
Optakelen, takelde op, heeft opgetakeld.
Optakeling, V., -takelingen.
Optarnen, tarnde op, heeft en is opgetarnd.
Optassen, taste op, heeft opgetast.
Optatief, M., optatieven.
Opteekenaar, M., -teekenaars.
Opteekenen, teekende op, heeft opgeteekend.
Opteekening, V., -teekeningen.
Opteeren, opteerde, heeft geopteerd.
Optellen, telde op, heeft opgeteld.
Opteller, M., -tellers.
Optelling, V., -tellingen.
Optelsom, V., -sommen.
Opteren (opmaken), teerde op, heeft opgeteerd.
Opteren (met teer besmeren), teerde op, heeft opgeteerd.
Optica, V.
Opticien, M., opticiens.
Optie, V.
Optiejaar, O., -jaren.
Optillen, tilde op, heeft opgetild.
Optimisme, O.
Optimist, M., optimisten.
Optimmeren, timmerde op, heeft opgetimmerd.
Optimmering, V., -timmeringen.
Optisch.
Optocht, M., -tochten.
Optoetsen, toetste op, heeft opgetoetst.
Optooien, tooide op, heeft opgetooid.
Optooiing, V., -tooiingen.
Optooisel, O., -tooisels en -tooiselen.
Optoomen, toomde op, heeft opgetoomd.
Optooming, V., -toomingen.
Optoppen, topte op, heeft opgetopt.
Optornen, tornde op, heeft en is opgetornd.
Optreden, trad op, traden op, is opgetreden.
Optreding, V., -tredingen.
Optrek, M., -trekken. Optrekje, O., -jes.
Optrekken, trok op, trokken op, heeft en is opgetrokken.
Optrekker, M., -trekkers.
Optrekking, V., -trekkingen.
Optroeven, troefde op, heeft opgetroefd.
Optuigen, tuigde op, heeft opgetuigd.
Optuiger, M., -tuigers.
Optuiging, V., -tuigingen.
Opulent, opulenter, opulentst.
Opulentie, V.
Opvangen, ving op, heeft opgevangen.
Opvaren, voer op, is opgevaren.
Opvarende, M. en V., -varenden.
Opvatten, vatte op, heeft opgevat.
Opvatting, V., -vattingen.
Opvegen, veegde op, heeft opgeveegd.
Opveilen, veilde op, heeft opgeveild.
Opveiling, V.
Opverven, verfde op, heeft opgeverfd.
Opverving, V., -vervingen.
Opvijlen, vijlde op, heeft opgevijld.
Opvijling, V.
Opvijzelaar, M., -vijzelaars.
Opvijzelen, vijzelde op, heeft opgevijzeld.
Opvijzeling, V., -vijzelingen.
Opvisschen, vischte op, heeft opgevischt.
Opvlechten, vlocht op, heeft opgevlochten.
Opvliegen, vloog op, vlogen op, is opgevlogen.
Opvliegend, -vliegender, -vliegendst.
Opvliegendheid, V.
Opvlieging, V.
Opvoeden, voedde op, heeft opgevoed.
Opvoeder, M., -voeders.
Opvoeding, V., -voedingen.
Opvoedingsgesticht, O., -gestichten.
Opvoedingskunst, V.
Opvoedkunde, V.
Opvoedkundig.
Opvoedkundige, M. en V., -kundigen.
Opvoedster, V., -voedsters.
Opvoeren, voerde op, heeft opgevoerd.
Opvoering, V., -voeringen.
Opvolgen, volgde op, heeft en is opgevolgd.
Opvolger, M., -volgers.
Opvolging, V., -volgingen.
Opvolgster, V., -volgsters.
Opvouwen, vouwde op, heeft opgevouwen.
Opvreten, vrat op, vraten op, heeft opgevreten.
Opvroolijken, vroolijkte op, heeft opgevroolijkt.
Opvroolijking, V.
Opvullen, vulde op, heeft opgevuld.
Opvulling, V., -vullingen.
Opvulsel, O., -vulsels.
Opwaaien, waaide op, heeft en is opgewaaid; ook woei op, woeien op.
Opwaarts (bijw.).
Opwaartsch (bnw.).
Opwachten, wachtte op, heeft opgewacht.
Opwachting, V.
Opwakkeren, wakkerde op, heeft en is opgewakkerd.
Opwakkering, V.
Opwarmen, warmde op, heeft opgewarmd.
Opwarming, V.
Opwassen, wies op, wiesen op, is opgewassen.
Opwegen, woog op, wogen op, heeft opgewogen.
Opwekkelijk, -lijker, -lijkst.
Opwekken, wekte op, heeft opgewekt.
Opwekkend, -wekkender, -wekkendst.
Opwekking, V., -wekkingen.
Opwellen, welde op, heeft en is opgeweld.
Opwelling, V., -wellingen.
Opwentelen, wentelde op, heeft opgewenteld.
Opwerken, werkte op, heeft opgewerkt.
Opwerpen, wierp op, heeft opgeworpen.
Opwerping, V., -werpingen.
Opwinden, wond op, heeft opgewonden.
Opwinding, V., -windingen.
Opwippen, wipte op, heeft en is opgewipt.
Opwitten, witte op, heeft opgewit.
Opwrijven, wreef op, wreven op, heeft opgewreven.
Opzadelen, zadelde op, heeft opgezadeld.
Opzakken, zakte op, heeft opgezakt.
Opzamelaar, M., -zamelaars.
Opzamelen, zamelde op, heeft opgezameld.
Opzameling, V., -zamelingen.
Opzegbaar, -bare.
Opzegbaarheid, V.
Opzeggen, zeide op, heeft opgezegd en opgezeid.
Opzegging, V.
Opzeilen, zeilde op, heeft en is opgezeild.
Opzenden, zond op, heeft opgezonden.
Opzending, V.
Opzet (het opgezette), M., -zetten.
Opzet (bij geschut), M., -zetten.
Opzet (beraamd plan), O.
Opzetdoos, V., -doozen; -doosje, O., -jes.
Opzetsel, O.
Opzettelijk, -lijker, -lijkst.
Opzetten, zette op, heeft opgezet.
Opzetter, M., -zetters.
Opzetting, V.
Opzicht, O., -zichten.
Opzichter, M., -zichters.
Opzichtig, -zichtiger, -zichtigst.
Opzichtigheid, V.
Opzien, zag op, zagen op, heeft opgezien.
Opzien, O.
Opziener, M., -zieners.
Opzienersambt, O.
Opzingen, zong op, heeft opgezongen.
Opzitten, zat op, zaten op, heeft opgezeten.
Opzoeken, zocht op, heeft opgezocht.
Opzoeking, V., -zoekingen.
Opzolderen, zolderde op, heeft opgezolderd.
Opzoldering, V.
Opzouten, zoutte op, heeft opgezouten.
Opzuigen, zoog op, zogen op, heeft opgezogen.
Opzuipen, zoop op, zopen op, heeft opgezopen.
Opzwaaien, zwaaide op, is opgezwaaid.
Opzwalpen, zwalpte op, heeft opgezwalpt.
Opzweepen, zweepte op, heeft opgezweept.
Opzwelgen, zwolg op, heeft opgezwolgen.
Opzwellen, zwol op, zwollen op, is opgezwollen.
Opzwelling, V., -zwellingen.
Opzwemmen, zwom op, zwommen op, is opgezwommen.
Orakel, O., orakels en orakelen.
Orakelen, orakelde, heeft georakeld.
Orakelspreuk, V., -spreuken.
Orakeltaal, V.
Orang-oetang, M., orang-oetangs.
Oranje (boom), M., (vrucht), V., oranjes.
Oranje (kleur), O.
Oranje (bnw.).
Oranjeappel, M., -appels en -appelen.
Oranjebloesem, M.
Oranjeboom, M., -boomen.
Oranjehuis, O.
Oranjeklant, M. en V., -klanten.
Oranjekleur, V.
Oranjelint, O.
Oranjemarmelade, V.
Oranjerie, V., oranjerieën.
Oranjeschil, V., -schillen.
Oranjestrik, M., -strikken; -strikje, O., -jes.
Oratie, V., oratiën en oraties.
Oratorium, O., oratoriums en oratoria.
Orberen, orberde, heeft georberd.
Orchidee, V., orchideeën.
Orde, V., orden.
Ordelijk, -lijker, -lijkst.
Ordelijkheid, V.
Ordeloos, -loozer.
Ordeloosheid, V.
Ordenen, ordende, heeft geordend.
Ordening, V., ordeningen.
Ordentelijk, -lijker, -lijkst.
Ordentelijkheid, V.
Order, V., orders.
Orderbriefje, O., -briefjes.
Ordeteeken, O., -teekenen.
Ordinaat, V., ordinaten.
Ordinaris, V., ordinarissen.
Ordineeren, ordineerde, heeft geordineerd.
Ordonnans, M., ordonnansen.
Ordonnans-officier, M., -officieren.
Ordonnantie, V., ordonnantiën en ordonnanties.
Ordonnateur, M., ordonnateuren en ordonnateurs.
Ordonneeren, ordonneerde, heeft geordonneerd.
Oreeren, oreerde, heeft georeerd.
Orego, V.
Oreillonspassertje, O., -jes.
Orgaan, O., organen.
Organiek, organieke.
Organisatie, V., organisatiën en organisaties.
Organisch.
Organiseeren, organiseerde, heeft georganiseerd.
Organisme, O., organismen.
Organist en Orgelist, M., organisten en orgelisten.
Orgeade, V.
Orgel, O., orgels en orgelen. Orgeltje, O., -jes.
Orgelconcert, O., -concerten.
Orgeldraaier, M., -draaiers.
Orgelen, orgelde, heeft georgeld.
Orgelist. Zie Organist.
Orgelmuziek, V.
Orgelpunt, V., -punten.
Orgeltoon, M., -tonen.
Orgeltrapper, M., -trappers.
Orientalist, M., orientalisten.
Originaliteit, V.
Origineel, origineeler, origineelst.
Origineel, O., origineelen.
Orkaan, M., orkanen.
Orkest, O., orkesten.
Orkestdirecteur, M., -directeurs.
Orkestmeester, M., -meesters.
Orkesttoon, M.
Orleaan, O.
Ornament en Ornement, O., ornamenten en ornementen. Ornamentje en ornementje, O., -jes.
Orneeren, orneerde, heeft georneerd.
Orthodox (bnw.).
Orthodoxe, M. en V., orthodoxen.
Orthodoxie, V.
Orthographie, V., orthographieën.
Orthographisch.
Ortolaan, M., ortolanen.
Os, M., ossen. Osje, O., -jes.
Oscillatie, V., oscillatiën en oscillaties.
Oscilleeren, oscilleerde, heeft geoscilleerd.
Osculatievlak, O., -vlakken.
Ossegal, V.
Ossekop, M., -koppen.
Osselapjes (mv.), O.
Osseleder en Osseleer, en Ossenleder en Ossenleer, O.
Osseleeren en Ossenleeren (bnw.).
Ossemerg en Ossenmerg, O.
Ossenbloed, O.
Ossendrift, V., -driften.
Ossenhaas, M., -hazen; -haasje, O., -jes.
Ossenhuid, V., -huiden.
Ossenkooper, M., -koopers.
Ossenmarkt, V., -markten.
Ossenoog, O., -oogen.
Ossenstal, M., -stallen.
Osserib, V., -ribben.
Ossetand, M., -tanden.
Ossetong, V., -tongen; -tongetje, O., -jes.
Ossevleesch en Ossenvleesch, O.
Ostentatie, V.
Osteologie, V.
Ostracisme, O.
Otter, M., otters. Ottertje, O., -jes.
Otterbont, O.
Oud, ouder, oudst.
Oudachtig, -achtiger, -achtigst.
Oudbakken, -bakkener, -bakkenst.
Oudburgemeester, M., -burgemeesters.
Oude, M. en V., ouden. Oudje, O., -jes.
Oudejaar, O.
Oudejaarsavond, M., -avonden.
Oude-kleerenmarkt, V., -markten.
Oude-kleerkoop, M., -koopen.
Oude-mannenhuis, O., -huizen.
Ouderdom, M.
Ouderdomskwaal, V., -kwalen.
Ouderhart, O.
Ouderhuis, O.
Ouderliefde, V.
Ouderlijk.
Ouderling, M., ouderlingen.
Ouderlingenbank, V., -banken.
Ouderlingschap, O.
Ouderloos, -looze.
Oudermin, V.
Ouderpaar, O.
Ouders en Ouderen (mv.), M.
Oudervreugde en -vreugd, V.
Ouderwets (bijw.).
Ouderwetsch (bnw.), ouderwetscher, meest ouderwetsch.
Ouderwetschheid, V.
Oude-vrouwenhuis, O., -huizen.
Oudgast, M., -gasten.
Oudgediende, M., -gedienden.
Oudheid, V., -heden.
Oudheidkenner, M., -kenners.
Oudheidkunde, V.
Oudheidkundig.
Oudhollandsch.
Oudje, O., oudjes.
Oudoom, M., -ooms.
Oudovergrootmoeder, V., -moeders.
Oudovergrootvader, M., -vaders.
Oudroest, M.
Oudtante, V., -tantes.
Oudtestamentisch.
Oudtijds.
Oudvader, M., -vaders.
Oudvaderlandsch.
Oudvaderlijk.
Oudwijfsch.
Oulings.
Outaar en Outer, O., outaren en outers.
Ouverture, V., ouverturen en ouvertures.
Ouwel, M., ouwels. Ouweltje, O., -jes.
Ouwelijk, -lijker, -lijkst.
Ovaal, ovale.
Ovaal, O., ovalen.
Ovatie, V., ovatiën en ovaties.
Oven, M., ovens. Oventje, O., -jes.
Ovendweil, V., -dweilen.
Ovenist, M., ovenisten.
Ovenpaal, M., -palen.
Over.
Over (scheepsw.), M., overs.
Overaardig.
Overademen, overademde, heeft overademd.
Overal.
Overaltegenwoordig.
Overaltegenwoordigheid, V.
Overasemen, overasemde, heeft overasemd.
Overbabbelen, babbelde over, heeft overgebabbeld.
Overbekend.
Overbekendheid, V.
Overbeleefd.
Overbeschaafd.
Overbeschaafdheid, V.
Overbescheiden.
Overbevolking, V.
Overbevolkt.
Overbidden, bad over, baden over, heeft overgebeden.
Overbinden, bond over, heeft overgebonden.
Overbleeken, bleekte over, heeft overgebleekt.
Overblijfsel, O., -blijfsels en -blijfselen; -blijfseltje, O., -jes.
Overblijven, bleef over, bleven over, is overgebleven.
Overbluffen, overblufte, heeft overbluft.
Overbodig, -bodiger, -bodigst.
Overbodigheid, V., -heden.
Overboeken, boekte over, heeft overgeboekt.
Overboeking, V., -boekingen.
Overboenen, boende over, heeft overgeboend.
Overboord.
Overborduren, borduurde over, heeft overgeborduurd.
Overborrelen, borrelde over, is overgeborreld.
Overborreling, V.
Overborstelen, borstelde over, heeft overgeborsteld.
Overbouwen, bouwde over, heeft overgebouwd; ook overbouwde, heeft overbouwd.
Overbraden, braadde over, heeft overgebraden.
Overbreien, breide over, heeft overgebreid.
Overbrengen, bracht over, heeft overgebracht.
Overbrenger, M., -brengers.
Overbrenging, V., -brengingen.
Overbrengster, V., -brengsters.
Overbriefster, V., -briefsters.
Overbrieven, briefde over, heeft overgebriefd.
Overbriever, M., -brievers.
Overbrieving, V., -brievingen.
Overbruggen, overbrugde, heeft overbrugd.
Overbrugging, V., -bruggingen.
Overbruisen, bruiste over, heeft en is overgebruist.
Overbuigen, boog over, bogen over, heeft en is overgebogen.
Overbuitelen, buitelde over, heeft en is overgebuiteld.
Overbukken, bukte over, heeft overgebukt.
Overbuur, M., -buren; -buurtje, O., -jes.
Overcijferen, cijferde over, heeft overgecijferd.
Overcompleet, -complete.
Overdaad, V.
Overdadig, -dadiger, -dadigst.
Overdadigheid, V.
Overdeelen, deelde over, heeft overgedeeld.
Overdek, O., -dekken; -dekje, O., -jes.
Overdeken, M., -dekens.
Overdekken, overdekte, heeft overdekt.
Overdekking, V., -dekkingen.
Overdeksel, O., -deksels.
Overdenken, overdacht, heeft overdacht.
Overdenking, V., -denkingen.
Overdik, -dikke.
Overdijken, overdijkte, heeft overdijkt.
Overdijking, V.
Overdoen, doet over, deed over, deden over, heeft overgedaan; ook overdoet, overdeed, overdeden, heeft overdaan.
Overdoezelen, doezelde over, heeft overgedoezeld.
Overdonderen, overdonderde, heeft overdonderd.
Overdracht, V., -drachten.
Overdrachtelijk.
Overdrachtsbrief, M., -brieven.
Overdragen, droeg over, heeft overgedragen.
Overdrager, M., -dragers.
Overdraven, draafde over, heeft en is overgedraafd.
Overdrentelen, drentelde over, heeft en is overgedrenteld.
Overdreven, -drevener, -drevenst.
Overdrevenheid, V., -heden.
Overdrijven, dreef over, dreven over, heeft en is overgedreven; ook overdreef, overdreven, heeft overdreven.
Overdrijving, V., -drijvingen.
Overdruk, M., -drukken; -drukje, O., -jes.
Overdruk (bnw.), -drukke.
Overdrukken, drukte over, heeft en is overgedrukt; ook overdrukte, heeft overdrukt.
Overduivelen, overduivelde, heeft overduiveld; ook Overduvelen.
Overdwars.
Overeen.
Overeenbrengen, bracht overeen, heeft overeengebracht.
Overeenkomen, komt overeen, kwam overeen, kwamen overeen, is overeengekomen.
Overeenkomst, V., -komsten.
Overeenkomstig.
Overeenkomstigheid, V.
Overeenstemmen, stemde overeen, heeft overeengestemd.
Overeenstemming, V.
Overeind.
Overerfelijk.
Overernstig.
Overerven, erfde over, heeft en is overgeërfd.
Overerving, V.
Overeten (zich -), overat zich, overaten zich, heeft zich overeten.
Overfijn.
Overflonkeren, overflonkerde, heeft overflonkerd.
Overfluisteren, fluisterde over, heeft overgefluisterd.
Overfoeliën, overfoeliede, heeft overfoelied.
Overforsch.
Overgaaf en Overgave, V.
Overgaan, gaat over, ging over, is overgegaan.
Overgaar, -gare.
Overgalmen, overgalmde, heeft overgalmd.
Overgang, M., -gangen.
Overgangsbepaling, V., -bepalingen.
Overgangsexamen, O., -examens.
Overgangstijdperk, O., -tijdperken.
Overgangsvorm, M., -vormen.
Overgankelijk.
Overgapen, overgaapte, heeft overgaapt.
Overgaren, gaarde over, heeft overgegaard.
Overgauw.
Overgave. Zie Overgaaf.
Overgedienstig.
Overgegeven, -gegevener, -gegevenst.
Overgelukkig.
Overgeven, gaf over, gaven over, heeft overgegeven.
Overgeving, V., -gevingen.
Overgevoelig.
Overgevoeligheid, V.
Overgewicht, O.
Overgieten, goot over, goten over, heeft overgegoten; ook overgoot, overgoten, heeft overgoten.
Overgieting, V.
Overglijden, gleed over, gleden over, is overgegleden.
Overgloeien, gloeide over, heeft overgegloeid.
Overgoed.
Overgolven, overgolfde, heeft overgolfd.
Overgooien, gooide over, heeft overgegooid.
Overgrijpen, overgreep, overgrepen, heeft overgrepen.
Overgroeien, overgroeide, heeft overgroeid.
Overgroot, -groote.
Overgrootmoeder, V., -moeders.
Overgrootvader, M., -vaders.
Overgutsen, gutste over, heeft en is overgegutst.
Overhaal, M., -halen.
Overhaalschuit, V., -schuiten.
Overhaalster, V., -haalsters.
Overhaasten, overhaastte, heeft overhaast.
Overhaasting, V.
Overhalen, haalde over, heeft overgehaald.
Overhaler, M., -halers.
Overhaling, V., -halingen.
Overhand, V.
Overhandigen, overhandigde, heeft overhandigd.
Overhandiging, V.
Overhands.
Overhangen, hing over, heeft overgehangen.
Overhebben, heeft over, had over, hadden over, heeft overgehad.
Overheen.
Overheeren, overheerde, heeft overheerd.
Overheering, V.
Overheerlijk, -lijker, -lijkst.
Overheerschen, overheerschte, heeft overheerscht.
Overheerscher, M., -heerschers.
Overheersching, V., -heerschingen.
Overheet, -heete.
Overheid, V., -heden.
Overheidsambt, O., -ambten.
Overheidspersoon, M., -personen.
Overhellen, helde over, heeft overgeheld.
Overhelling, V.
Overhemd, O., -hemden; -hemdje, O., -jes.
Overhemdsknoop, M., -knoopen.
Overhemdsmouw, V., -mouwen.
Overhoef, M., -hoeven.
Overhoeks (bijw.).
Overhoeksch (bnw.).
Overhoop.
Overhoopliggen, lag overhoop, lagen overhoop, heeft overhoopgelegen.
Overhoopraken, raakte overhoop, is overhoopgeraakt.
Overhooren, overhoorde, heeft overhoord.
Overhooring, V., -hooringen.
Overhouden, hield over, heeft overgehouden.
Overhouwen (van een nieuwen houw voorzien), houwde over, heeft overgehouwd.
Overig.
Overigens.
Overijken, ijkte over, heeft overgeijkt.
Overijlen (zich -), overijlde zich, heeft zich overijld.
Overijling, V.
Overjagen, jaagde over, heeft overgejaagd, en joeg over; ook overjaagde, heeft overjaagd, en overjoeg.
Overjarig.
Overjarigheid, V.
Overjas, V., -jassen; -jasje, O., -jes.
Overkalken (met kalk), overkalkte, heeft overkalkt.
Overkalken (afschrijven), kalkte over, heeft overgekalkt.
Overkammen, kamde over, heeft overgekamd.
Overkant, M.
Overkappen (met eene kap bedekken), overkapte, heeft overkapt.
Overkapping, V., -kappingen.
Overkeurig.
Overkijken, keek over, keken over, heeft overgekeken; ook overkeek, overkeken, heeft overkeken.
Overkist, V., -kisten.
Overkladden, kladde over, heeft overgeklad.
Overklappen, klapte over, heeft overgeklapt.
Overklauteren, klauterde over, heeft en is overgeklauterd.
Overkleed (kleedingstuk), O., -kleederen en -kleeren; -kleedje, O., -kleedjes en -kleertjes.
Overkleed (dekkleed), O., -kleeden; -kleedje, O., -jes.
Overkleeden, kleedde over, heeft overgekleed; ook overkleedde, heeft overkleed.
Overkleeding, V., -kleedingen.
Overkleedsel, O., -kleedsels.
Overklein.
Overkleuren, kleurde over, heeft overgekleurd.
Overklikken, klikte over, heeft overgeklikt.
Overklimmen, klom over, klommen over, heeft en is overgeklommen.
Overklimming, V.
Overklinken, klonk over, heeft overgeklonken; ook overklonk, heeft overklonken.
Overkoken, kookte over, heeft en is overgekookt.
Overkomelijk.
Overkomen, komt over, kwam over, kwamen over, is overgekomen; ook overkomt, overkwam, overkwamen, is overgekomen.
Overkomst, V.
Overkop (bijw.).
Overkorsten, overkorstte, heeft overkorst.
Overkort.
Overkraaien, overkraaide, heeft overkraaid.
Overkrijgen, kreeg over, kregen over, heeft overgekregen.
Overkroppen, overkropte, heeft overkropt.
Overkropping, V.
Overkruipen, kroop over, kropen over, heeft en is overgekropen.
Overkuieren, kuierde over, heeft en is overgekuierd.
Overlaars, V., -laarzen.
Overlaat, M., -laten.
Overladen, laadde over, heeft overgeladen; ook overlaadde, heeft overladen.
Overlading, V., -ladingen.
Overland (bijw.).
Overlandmail, V.
Overlandreis, V., -reizen.
Overlang (bijw.).
Overlangs (bijw.).
Overlangsch (bnw.).
Overlangzaam, -zame.
Overlast, M.
Overlasten, overlastte, heeft overlast.
Overlasting, V.
Overlaten, liet over, heeft overgelaten.
Overlating, V.
Overledene, M. en V., -ledenen.
Overleder, en -leer, O.
Overleeren, leerde over, heeft overgeleerd.
Overleg, O.
Overleggen, legde over en leide over, heeft overgelegd en overgeleid; ook overlegde en overleide, heeft overlegd en overleid.
Overlegging, V., -leggingen.
Overleunen, leunde over, heeft overgeleund.
Overleven, overleefde, heeft overleefd.
Overlevende, M. en V., -levenden.
Overleveren, leverde over, heeft overgeleverd.
Overlevering, V., -leveringen.
Overleving, V.
Overlevingscontract, O., -contracten.
Overlezen, las over, lazen over, heeft overgelezen.
Overlezing, V.
Overlieden. Zie Overman.
Overliegen, overloog, overlogen, heeft overlogen.
Overliggen, lag over, lagen over, heeft overgelegen.
Overlijden, overleed, overleden, is overleden.
Overlijden, O.
Overlokken, lokte over, heeft overgelokt.
Overlommeren, overlommerde, heeft overlommerd.
Overloop, M., -loopen; -loopje, O., -jes.
Overloopen, liep over, heeft en is overgeloopen; ook overliep, heeft overloopen.
Overlooper, M., -loopers.
Overlooping, V., -loopingen.
Overluid.
Overluiden, ook Overluien, luidde en luide over, heeft overgeluid; ook overluidde en overluide, heeft overluid.
Overmaasch.
Overmaat, V.
Overmacht, V.
Overmachtig.
Overmaken, maakte over, heeft overgemaakt.
Overmalen, maalde over, heeft overgemalen.
Overmaling, V.
Overman, M., -lieden en -lui.
Overmangelen, mangelde over, heeft overgemangeld.
Overmannen, overmande, heeft overmand.
Overmarcheeren, marcheerde over, is overgemarcheerd.
Overmast (bnw.).
Overmatig (de maat te boven gaande), -matiger, -matigst.
Overmeesteren, overmeesterde, heeft overmeesterd.
Overmeestering, V.
Overmerken, merkte over, heeft overgemerkt.
Overmeten, mat over, maten over, heeft overgemeten.
Overmeting, V., -metingen.
Overmetselen, metselde over, heeft overgemetseld.
Overmidden.
Overmits.
Overmoed, M.
Overmoedig, -moediger, -moedigst.
Overmonsteren, monsterde over, heeft overgemonsterd.
Overmorgen.
Overmouw, V., -mouwen; -mouwtje, O., -jes.
Overnaaien, naaide over, heeft overgenaaid.
Overnachten, overnachtte, heeft overnacht.
Overnauwkeurig.
Overnemen, nam over, namen over, heeft overgenomen.
Overneming, V.
Overnommeren, nommerde over, heeft overgenommerd.
Overoud.
Overpad, O., -paden; -paadje, O., -jes.
Overpakken, pakte over, heeft overgepakt.
Overpakking, V., -pakkingen.
Overpassen, paste over, heeft overgepast.
Overpeilen, peilde over, heeft overgepeild.
Overpeinzen, overpeinsde, heeft overpeinsd.
Overpeinzing, V., -peinzingen.
Overpersen, perste over, heeft overgeperst.
Overplaatsen, plaatste over, heeft overgeplaatst.
Overplaatsing, V., -plaatsingen.
Overplakken, plakte over, heeft overgeplakt; ook overplakte, heeft overplakt.
Overplakking, V., -plakkingen.
Overplamuren, plamuurde over, heeft overgeplamuurd.
Overplanken, overplankte, heeft overplankt.
Overplanten, plantte over, heeft overgeplant.
Overplanting, V., -plantingen.
Overpleisteren, pleisterde over, heeft overgepleisterd; ook overpleisterde, heeft overpleisterd.
Overpleistering, V., -pleisteringen.
Overpletten, plette over, heeft overgeplet.
Overploegen, ploegde over, heeft overgeploegd.
Overpoetsen, poetste over, heeft overgepoetst.
Overpolijsten, polijstte over, heeft overgepolijst.
Overpond, O., -ponden.
Overpoten, pootte over, heeft overgepoot.
Overprachtig.
Overpraten, praatte over, heeft overgepraat; ook overpraatte, heeft overpraat.
Overprikkelen, overprikkelde, heeft overprikkeld.
Overprikkeling, V., -prikkelingen.
Overraken, raakte over, is overgeraakt.
Overreden, overreedde, heeft overreed.
Overreding, V.
Overredingskracht, V.
Overreiken, reikte over, heeft overgereikt.
Overreiking, V.
Overrekenen, rekende over, heeft overgerekend.
Overrennen, rende over, is overgerend; ook overrende, heeft overrend.
Overrijden, reed over, reden over, heeft en is overgereden; ook overreed, overreden, heeft overreden.
Overrijp.
Overroeien, roeide over, heeft en is overgeroeid; ook overroeide (zich), heeft (zich) overroeid.
Overroepen, riep over, heeft overgeroepen.
Overrompelen, overrompelde, heeft overrompeld.
Overrompeling, V., -rompelingen.
Overruim.
Oversausen, oversauste, heeft oversaust.
Overschaduwen, overschaduwde, heeft overschaduwd.
Overschaduwing, V.
Overschatten, overschatte, heeft overschat.
Overschatting, V.
Overschaven, schaafde over, heeft overgeschaafd.
Overschenken, schonk over, heeft overgeschonken.
Overschepen, scheepte over, heeft overgescheept.
Overscheping, V., -schepingen.
Overscheren, schoor over, schoren over, heeft overgeschoren.
Overscherp.
Overschetsen, schetste over, heeft overgeschetst.
Overschieten, schoot over, schoten over, heeft en is overgeschoten.
Overschijnen, overscheen, overschenen, heeft overschenen.
Overschilderen, schilderde over, heeft overgeschilderd; ook overschilderde, heeft overschilderd.
Overschildering, V.
Overschitteren, overschitterde, heeft overschitterd.
Overschoen, M., -schoenen.
Overschoon, -schoone.
Overschot, O., -schotten; -schotje, O., -jes.
Overschreeuwen, overschreeuwde, heeft overschreeuwd.
Overschrijden, overschreed, overschreden, heeft overschreden.
Overschrijding, V., -schrijdingen.
Overschrijven, schreef over, schreven over, heeft overgeschreven.
Overschrijver, M., -schrijvers.
Overschrijving, V., -schrijvingen.
Overschrobben, schrobde over, heeft overgeschrobd.
Overschudden, schudde over, heeft overgeschud.
Overschuieren, schuierde over, heeft overgeschuierd.
Overschuimen, schuimde over, heeft en is overgeschuimd.
Overschuiven, schoof over, schoven over, heeft overgeschoven.
Overschuren, schuurde over, heeft overgeschuurd.
Overseinen, seinde over, heeft overgeseind.
Overseining, V.
Oversjouwen, sjouwde over, heeft overgesjouwd.
Overslaan, slaat over, sloeg over, heeft en is overgeslagen.
Overslag, M., -slagen; -slagje, O., -jes.
Oversleepen, sleepte over, heeft overgesleept.
Overslenteren, slenterde over, heeft en is overgeslenterd.
Overslibben, overslibde, heeft overslibd.
Overslibbing, V.
Overslijpen, sleep over, slepen over, heeft overgeslepen.
Overslingeren, slingerde over, heeft en is overgeslingerd.
Overslingering, V.
Oversloof, V., -slooven.
Oversluipen, sloop over, slopen over, is overgeslopen.
Oversmeden, smeedde over, heeft overgesmeed.
Oversmelten, smolt over, heeft overgesmolten.
Oversmelting, V.
Oversmeren, smeerde over, heeft overgesmeerd; ook oversmeerde, heeft oversmeerd.
Oversmijten, smeet over, smeten over, heeft overgesmeten.
Oversneeuwen, oversneeuwde, heeft oversneeuwd.
Oversnellen, snelde over, is overgesneld.
Oversnoeien, snoeide over, heeft overgesnoeid.
Overspannen, spande over, heeft overgespannen; ook overspande, heeft overspannen.
Overspanning, V., -spanningen.
Oversparen, spaarde over, heeft overgespaard.
Oversparing, V.
Overspatten, overspatte, heeft overspat.
Overspeelster, V., -speelsters.
Overspel, O.
Overspeler, M., -spelers.
Overspelig.
Overspijkeren, spijkerde over, heeft overgespijkerd.
Overspikkelen, overspikkelde, heeft overspikkeld.
Overspinnen, spon over, sponnen over, heeft overgesponnen; ook overspon, oversponnen, heeft oversponnen.
Overspitten, spitte over, heeft overgespit.
Overspoeden, spoedde over, is overgespoed.
Overspoelen, spoelde over, heeft overgespoeld; ook overspoelde, heeft overspoeld.
Oversporen, spoorde over, heeft en is overgespoord.
Overspreiden, overspreidde, heeft overspreid.
Oversprenkelen, oversprenkelde, heeft oversprenkeld.
Overspringen, sprong over, heeft en is overgesprongen; ook oversprong (zich), heeft (zich) oversprongen.
Overstaan, staat over, stond over, heeft overgestaan.
Overstaan, O. (Ten -).
Overstag (bijw.).
Overstandig.
Overstapkaartje, O., -jes.
Overstappen, stapte over, heeft en is overgestapt; ook overstapte (zich), heeft (zich) overstapt.
Overstapping, V.
Overste, M., oversten.
Oversteeksel, O., -steeksels.
Overstek, O., -stekken; -stekje, O., -jes.
Oversteken, stak over, staken over, heeft en is overgestoken.
Oversteking, V.
Overstelpen, overstelpte, heeft overstelpt.
Overstelping, V.
Overstemmen, stemde over, heeft overgestemd; ook overstemde, heeft overstemd.
Overstemming, V., -stemmingen.
Overstempelen, stempelde over, heeft overgestempeld.
Overstempeling, V.
Overstijven, steef over, steven over, heeft overgesteven.
Overstoomen, stoomde over, heeft en is overgestoomd; ook overstoomde, heeft overstoomd.
Overstoppen, stopte over, heeft overgestopt.
Overstorten, stortte over, heeft overgestort; ook overstortte, heeft overstort.
Overstorting, V.
Overstralen, overstraalde, heeft overstraald.
Overstreng.
Overstrijden, overstreed, overstreden, heeft overstreden.
Overstrijken, streek over, streken over, heeft en is overgestreken; ook overstreek, overstreken, heeft overstreken.
Overstrompelen, strompelde over, heeft en is overgestrompeld.
Overstrooien, overstrooide, heeft overstrooid.
Overstroomen, stroomde over, heeft overgestroomd; ook overstroomde, heeft overstroomd.
Overstrooming, V., -stroomingen.
Overstudeeren, studeerde over, heeft overgestudeerd.
Overstuiven, stoof over, stoven over, is overgestoven; ook overstoof, overstoven, heeft overstoven.
Oversturen, stuurde over, heeft overgestuurd.
Oversturing, V.
Overstuur.
Oversuikeren, oversuikerde, heeft oversuikerd.
Overtal, O.
Overtappen, tapte over, heeft overgetapt.
Overtapping, V.
Overteekenen, teekende over, heeft overgeteekend.
Overteekening, V.
Overtelegrapheeren, telegrapheerde over, heeft overgetelegrapheerd.
Overtellen, telde over, heeft overgeteld.
Overtelling, V., -tellingen.
Overtent, V., -tenten.
Overtillen, tilde over, heeft overgetild.
Overtimmeren, overtimmerde, heeft overtimmerd.
Overtocht, M., -tochten.
Overtogen (deelw.).
Overtollig, -tolliger, -tolligst.
Overtolligheid, V., -heden.
Overtonnen, tonde over, heeft overgetond.
Overtoom, M., -toomen.
Overtopt.
Overtreden, trad over, traden over, is overgetreden; ook overtrad, overtraden, heeft overtreden.
Overtreder, M., -treders.
Overtreding, V., -tredingen.
Overtreedster, V., -treedsters.
Overtreffen, overtrof, overtroffen, heeft overtroffen.
Overtrek, O., -trekken; -trekje, O., -jes.
Overtrekken, trok over, trokken over, heeft en is overgetrokken; ook overtrok, overtrokken, heeft overtrokken.
Overtreksel, O., -treksels; -trekseltje, O., -jes.
Overtroeven, overtroefde, heeft overtroefd.
Overtuigen, overtuigde, heeft overtuigd.
Overtuigend, -tuigender, -tuigendst.
Overtuiging, V., -tuigingen.
Overtuin, M., -tuinen; -tuintje, O., -jes.
Overuur, O., -uren.
Overvaart, V.
Overval (aanval), M., -vallen.
Overval (toeval), O., -vallen; -valletje, O., -jes.
Overval (sluitwerk), M., -vallen.
Overvallen, viel over, is overgevallen; ook overviel, heeft overvallen.
Overvaren, voer over, heeft en is overgevaren, ook overvoer, heeft overvaren.
Overvegen, veegde over, heeft overgeveegd.
Oververfijnd.
Oververfijning, V.
Oververnissen, verniste over, heeft overgevernist.
Oververstandig.
Oververtellen, vertelde over, heeft oververteld.
Oververven, verfde over, heeft overgeverfd.
Oververzadigd.
Overvet, -vette.
Overvijlen, vijlde over, heeft overgevijld.
Overvlechten, vlocht over, heeft overgevlochten.
Overvleugelen, overvleugelde, heeft overvleugeld.
Overvleugeling, V.
Overvlieden, vlood over, vloden over, is overgevloden.
Overvliegen, vloog over, vlogen over, is overgevlogen.
Overvlieger, M., -vliegers; -vliegertje, O., -jes.
Overvlieten, vloot over, vloten over, is overgevloten.
Overvloed, M.
Overvloedig, -vloediger, -vloedigst.
Overvloedigheid, V.
Overvloeien, vloeide over, heeft en is overgevloeid.
Overvloeiing, V.
Overvluchten, vluchtte over, is overgevlucht.
Overvlug, -vlugge.
Overvoeden, overvoedde, heeft overvoed.
Overvoederen en Overvoeren, overvoederde, heeft overvoederd; en overvoerde, heeft overvoerd.
Overvoeding, V.
Overvoeren (overbrengen), voerde over, heeft overgevoerd.
Overvoeren (overvoederen). Zie Overvoederen.
Overvoering, V.
Overvol, -volle.
Overvolledig.
Overvormen, vormde over, heeft overgevormd.
Overvouwen, vouwde over, heeft overgevouwen.
Overvracht, V., -vrachten.
Overvragen, vraagde over, heeft overgevraagd en vroeg over, ook overvraagde, heeft overvraagd en overvroeg.
Overvriendelijk.
Overvruchtbaar, -bare.
Overwaaien, waaide over, is overgewaaid; ook woei over, woeien over.
Overwaarde, V.
Overwaardig.
Overwaggelen, waggelde over, is overgewaggeld.
Overwal, M.
Overwalsch.
Overwalsen, walste over, heeft overgewalst.
Overwandelen, wandelde over, heeft en is overgewandeld.
Overwarm.
Overwasemen, overwasemde, heeft overwasemd.
Overwasschen, wiesch over, wieschen over, heeft overgewasschen.
Overweek, -weeke.
Overweeken, weekte over, heeft overgeweekt.
Overweg, M., -wegen; -wegje, O., -jes.
Overweg (- kunnen).
Overwegen, woog over, wogen over, heeft overgewogen; ook overwoog, overwogen, heeft overwogen.
Overwegend, -wegender, -wegendst.
Overweging, V., -wegingen.
Overweldigen, overweldigde, heeft overweldigd.
Overweldiger, M., -weldigers.
Overweldiging, V.
Overwelfsel, O., -welfsels.
Overwelven (ook Overwulven), overwelfde, heeft overwelfd.
Overwelving, V.
Overwerk, O.
Overwerken, werkte over, heeft overgewerkt; ook overwerkte (zich), heeft (zich) overwerkt.
Overwerking, V.
Overwerpen, wierp over, heeft overgeworpen.
Overwicht, O.
Overwichtig.
Overwichtigheid, V.
Overwijs, -wijze.
Overwinden, wond over, heeft overgewonden.
Overwinnaar, M., -winnaars en -winnaren.
Overwinnares, V., -winnaressen.
Overwinnen, won over, wonnen over, heeft overgewonnen; ook overwon, overwonnen, heeft overwonnen.
Overwinning, V., -winningen.
Overwinst, V., -winsten.
Overwinteren, overwinterde, heeft overwinterd.
Overwintering, V.
Overwippen, wipte over, heeft en is overgewipt.
Overwitten, witte over, heeft overgewit.
Overwonneling, M. en V., -wonnelingen. V. ook overwonnelinge.
Overwrijven, wreef over, wreven over, heeft overgewreven.
Overwulven. Zie Overwelven.
Overzaaien, zaaide over, heeft overgezaaid; ook overzaaide, heeft overzaaid.
Overzakken, zakte over, is overgezakt.
Overzakking, V., -zakkingen.
Overzeesch.
Overzeggen, zeide over, heeft overgezegd en overgezeid.
Overzeilen, zeilde over, is overgezeild; ook overzeilde, heeft overzeild.
Overzeiler, M., -zeilers.
Overzeiling, V., -zeilingen.
Overzenden, zond over, heeft overgezonden.
Overzender, M., -zenders.
Overzending, V., -zendingen.
Overzetster, V., -zetsters.
Overzetten, zette over, heeft overgezet.
Overzetter, M., -zetters.
Overzetting, V., -zettingen.
Overzicht, O., -zichten; -zichtje, O., -jes.
Overzieden, zood over, zoden over, heeft overgezoden.
Overzien, zag over, zagen over, heeft overgezien; ook overzag, overzagen, heeft overzien.
Overzienbaar, -bare.
Overzijde en -zij, V.
Overzijdsch.
Overzilveren, overzilverde, heeft overzilverd.
Overzindelijk.
Overzingen, zong over, heeft overgezongen.
Overzitten, zat over, zaten over, heeft overgezeten.
Overzolderen, overzolderde, heeft overzolderd.
Overzouten, zoutte over, heeft overgezouten.
Overzuinig.
Overzulks.
Overzwaar, -zware.
Overzwalpen, overzwalpte, heeft overzwalpt.
Overzwemmen, zwom over, zwommen over, heeft en is overgezwommen.
Overzwikken, zwikte over, is overgezwikt.
Oxydatie, V., oxydatiën en oxydaties.
Oxyde, O.
Oxydeeren, oxydeerde, is geoxydeerd.
Ozon, O.
Ozonwater, O.
P
P, V., p's.
Pa. Zie Papa.
Paadje. Zie Pad, O.
Paai, M., paaien.
Paaiement, O., paaiementen.
Paaien, paaide, heeft gepaaid.
Paaiskist, V., -kisten.
Paal, M., palen. Paaltje, O., -jes.
Paalbalk, M., -balken.
Paalgeld, O., -gelden.
Paalgording, V., -gordingen.
Paalvast.
Paalwerk, O., -werken.
Paalwoning, V., -woningen.
Paalworm, M., -wormen.
Paander, V., paanders.
Paap, M., papen.
Paapje (vogeltje), O., -jes.
Paapsch.
Paapsche, M. en V., paapschen.
Paapschgezind.
Paapschgezindheid, V.
Paar, O., paren. Paartje, O., -jes.
Paard, O., paarden. Paardje, O., -jes.
Paardebek, M., -bekken.
Paardeborstel, M., -borstels.
Paardedek, O., -dekken.
Paardekleed, O., -kleeden.
Paardekop, M., -koppen.
Paardekracht (de kracht van een paard als maatstaf), V., -krachten. Verg. Paardenkracht.
Paardeleer en Paardenleer, O.
Paardeleeren en Paardenleeren (bnw.).
Paardelijn, V., -lijnen.
Paarden, paardde, heeft gepaard.
Paardenarts, M., -artsen.
Paardenbloem, V., -bloemen.
Paardenboer, M., -boeren.
Paardenboon, V., -boonen.
Paardendief, M., -dieven.
Paardendokter, M., -dokters.
Paardenfokker, M., -fokkers.
Paardenfokkerij, V., -fokkerijen.
Paardenhaar, O.
Paardenhals, M.
Paardenhandel, M.
Paardenharen (bnw.).
Paardenhoef, M., -hoeven.
Paardenkastanje (boom), M., (vrucht), V.
Paardenkenner, M., -kenners.
Paardenkennis, V.
Paardenknecht, M., -knechts.
Paardenkooper, M., -koopers.
Paardenkracht (kracht als van een paard), V. Verg. Paardekracht.
Paardenmarkt, V., -markten.
Paardenmest, M.
Paardenmiddel, O., -middelen.
Paardenras, O., -rassen.
Paardenslachter, M., -slachters.
Paardenslachterij, V., -slachterijen.
Paardensmid, M., -smeden.
Paardenspel, O., -spellen.
Paardenstal, M., -stallen.
Paardenstamboek, O., -boeken.
Paardenteelt, V.
Paardenvlieg, V., -vliegen.
Paardenvolk, O.
Paardenvracht, V., -vrachten.
Paardenwerk, O.
Paardenziekte, V.
Paardepoot, M., -pooten.
Paardestaart, M., -staarten.
Paardetoom, M., -toomen.
Paardetuig, O., -tuigen.
Paardevijg, V., -vijgen.
Paardevleesch en Paardenvleesch, O.
Paardevoet (voet van een paard), M., -voeten.
Paardevoet (horrelvoet), M., -voeten.
Paardrijden, O.
Paardrijder, M., -rijders.
Paardrijdster, V., -rijdsters.
Paarl. Zie Parel.
Paarlemoer en Parelmoer, O.
Paarlemoeren en Parelmoeren (bnw.).
Paars, paarser, paarst.
Paarsgewijze en -gewijs.
Paaschavond, M., -avonden.
Paaschbest, O.
Paaschbest (bijw.).
Paaschbeurt, V., -beurten.
Paaschbloem, V., -bloemen.
Paaschbrood, O., -brooden.
Paaschdag, M., -dagen.
Paaschdrie, M.
Paaschei, O., -eieren.
Paaschfeest, O., -feesten.
Paaschgezang, O., -gezangen.
Paaschkaars, V., -kaarsen.
Paaschkoek, M., -koeken.
Paaschlam, O., -lammeren.
Paaschmaandag, M.
Paaschnacht, M.
Paaschos, M., -ossen.
Paaschpreek, V., -preeken.
Paaschpronk, M.
Paaschtijd, M.
Paaschvacantie, V., -vacantiën en -vacanties.
Paaschvuur, O., -vuren.
Paaschweek, V.
Paaschzondag, M.
Paatje. Zie Papa.
Pacha en Pasja, M., pacha's en pasja's.
Pacht, V., pachten.
Pachten, pachtte, heeft gepacht.
Pachter, M., pachters.
Pachtgeld, O., -gelden.
Pachthoeve, V., -hoeven.
Pachting, V., pachtingen.
Pachtsom, V., -sommen.
Pachtspel, O.
Pachtster, V., pachtsters.
Pachttijd, M., -tijden.
Pacificatie, V., pacificatiën.
Pacifiek, pacifieker, pacifiekst.
Pad (weg), O., paden. Paadje, O., -jes.
Pad en Padde (dier), V., padden. Padje en paddetje, O., -jes.
Paddengif en -gift, O.
Paddengras, O.
Paddenstoel, M., -stoelen; -stoeltje, O., -jes.
Padvinder, M., -vinders.
Padvinderij, V.
Padvinderskostuum, O.
Paedagogie, V.
Paedagogiek, V.
Paedagogisch.
Paedagoog, M., paedagogen.
Paf, M., paffen.
Paf, paffer, pafst.
Paf (- staan, - zijn).
Paf (tusschenw.).
Paffen, pafte, heeft gepaft.
Pafferig, pafferiger, pafferigst.
Pafferigheid, V.
Paffig, paffiger, paffigst.
Paffigheid, V.
Pafzak, M. en V., -zakken.
Pagaai, V., pagaaien.
Pagaaien, pagaaide, heeft gepagaaid.
Pagadet, V., pagadetten. Pagadetje, O., -jes.
Pagadetterig.
Page (edelknaap), M., pages.
Pagina, V., pagina's.
Paginatuur, V., paginaturen.
Pagineeren, pagineerde, heeft gepagineerd.
Pagineering, V., pagineeringen.
Pagode, V., pagoden.
Pair, M., pairs.
Pairschap, O.
Pak, O., pakken. Pakje, O., -jes.
Paketboot, V., -booten.
Paketvaart, V., -vaarten.
Pakezel, M., -ezels.
Pakgaren, O.
Pakgoed, O., -goederen.
Pakjesdrager, M., -dragers.
Pakhuis, O., -huizen.
Pakhuishuur, V., -huren.
Pakhuisknecht, M., -knechts.
Pakhuismeester, M., -meesters.
Pakkage, V., pakkages.
Pakkamer, V., -kamers.
Pakken, pakte, heeft gepakt.
Pakkendrager, M., -dragers.
Pakker, M., pakkers.
Pakket, O., pakketten. Pakketje, O., -jes.
Pakketpost, V.
Pakketweger, M., -wegers.
Pakking, V.
Pakkingbus en Pakkingbos, V., -bussen (-bossen).
Pakkingzuiger, M., -zuigers.
Pakkist, V., -kisten.
Pakmand, V., -manden.
Paknaald, V., -naalden.
Pakpapier, O., -papieren.
Pakschuit, V., -schuiten.
Pakschuitdienst, M., -diensten.
Paktouw, O.
Pakwagen, M., -wagens.
Pakwerk, O., -werken.
Pakzadel, M., -zadels.
Pal, M., pallen.
Pal (bijw.).
Paladijn, M., paladijnen.
Palaeograaf, M., palaeografen.
Palaeographie, V.
Palaeontologie, V.
Palankijn, M., palankijns.
Palei, V., paleien.
Paleis, O., paleizen.
Paleiswacht, V.
Palen, paalde, heeft gepaald.
Palet (kaatstuig), V., paletten.
Palet (schilderswoord), O., paletten. Paletje, O., -jes.
Paletot, V., paletots.
Paletten, palette, heeft gepalet.
Palfrenier, M., palfreniers.
Paling (visch), M., palingen. Als stofnaam, V. Palinkje, O., -jes.
Palingtrekken, O.
Palingvel, O., -vellen.
Palissade, V., palissaden.
Palissadeeren, palissadeerde, heeft gepalissadeerd.
Palissadeering, V., palissadeeringen.
Palissander, O.
Palissanderhouten (bnw.).
Paljas, M., paljassen.
Palklamp, M., -klampen.
Palladium, O.
Pallas, M., pallassen.
Palliatief, O., palliatieven.
Palm (boom), M., palmen.
Palm (palmtak), M., palmen. Palmpje, O., -jes.
Palm (vlakke hand en lengtemaat), V., palmen. Palmpje, O., -jes
Palm (kruid), V.
Palmboom, M., -boomen; -boompje, O., -jes.
Palmen, palmde, heeft gepalmd.
Palmhout, O.
Palmhouten.
Palmiet, O.
Palmolie, V.
Palmpaasch en Palmpaschen, V., palmpaschen; palmpaaschje, O., -jes.
Palmtak, M., -takken.
Palmwijn, M.
Palmzondag, M., -zondagen.
Palster, M., palsters.
Paltrok, M., paltrokken.
Palts, V.
Pamflet, O., pamfletten. Pamfletje, O., -jes.
Pamflettist, M., pamflettisten.
Pampelen, pampelde, heeft gepampeld.
Pampernoelje, V., pampernoeljes.
Pan, V., pannen. Pannetje, O., -jes.
Panacee, V.
Panache, V., panaches.
Pand (onderpand), O., panden. Pandje, O., -jes.
Pand (rokslip), O., panden. Pandje, O., -jes.
Pandbeslag, O.
Pandecten (mv.), V.
Pandeling, M., pandelingen.
Pandelingschap, O.
Panden, pandde, heeft gepand.
Pander, M., panders.
Pandhuis, O., -huizen.
Pandhuishouder, M., -houders.
Pandhuiswet, V.
Panding, V., pandingen.
Pandjeshuis, O., -huizen.
Pandoer, M., pandoeren.
Pandoeren, pandoerde, heeft gepandoerd.
Pandrecht, O.
Pandspel, O., -spellen; -spelletje, O., -jes.
Pandverbeuren, O.
Paneel, O., paneelen. Paneeltje, O., -jes.
Paneelraam, O., -ramen.
Paneelzager, M., -zagers.
Panharing (een visch), M., -haringen. Als stofnaam, V.
Paniek, V.
Panisch.
Panje, V., panjes.
Panklaar, -klare.
Panlikker en Pannelikker, M., -likkers.
Panlikkerij, V., -likkerijen.
Pannedeksel, O., -deksels.
Pannekoek, M., -koeken; -koekje, O., -jes.
Pannenbakker, M., -bakkers.
Pannenbakkerij, V., -bakkerijen.
Pannendak, O., -daken.
Panopticum, O., panopticums.
Panorama, O., panorama's.
Panser, ook Pantser, O., pansers en pantsers.
Panslavisme, O.
Pantalon, V., pantalons.
Panter, M., panters. Pantertje, O., -jes.
Pantheïsme, O.
Pantheïst, M., pantheïsten.
Pantheon, O.
Pantoffel, V., pantoffels. Pantoffeltje, O., -jes.
Pantoffelheld, M., -helden.
Pantoffelparade, V.
Pantograaf, M., pantografen.
Pantomime, V., pantomimen en pantomimes.
Pantomimisch.
Pantomimist, M., pantomimisten.
Pantser. Zie Panser.
Pantserdek, O., -dekken.
Pantservloot, V.
Pantserfort, O., -forten.
Pantserplaat, V., -platen.
Pantserschip, O., -schepen.
Panvisch en Pannevisch, V.
Pap, V., pappen. Papje, O., -jes.
Papa en Pa, M., papa's en pa's. Papaatje en paatje, O., -jes.
Papaver, V., papavers.
Papaverstroop, V.
Papegaai, M., papegaaien. Papegaaitje, O., -jes.
Papegaaiekop, M., -koppen.
Papegaaietong, V., -tongen.
Papegaaisbek, M., -bekken.
Papegaaiskooi, V., -kooien.
Papenaad, M., -naden.
Papenbloem, V., -bloemen.
Papendom, O.
Paperassen (mv.), V.
Paperij, V.
Papeterie, V., papeterieën.
Papier, O., papieren. Papiertje, O., -jes.
Papieren (bnw.).
Papierfabriek, V., -fabrieken.
Papiermagazijn, O., -magazijnen.
Papiermaker, M., -makers.
Papiermand, V., -manden.
Papiermerk, O., -merken.
Papiermolen, M., -molens.
Papillot, V., papillotten.
Papillottenpapier, O.
Papist, M., papisten.
Papje (papegaaitje), O., -jes.
Papkind, O., -kinderen.
Paplepel, M., -lepels.
Pappen, papte, heeft gepapt.
Pappig, pappiger, pappigst.
Pappigheid, V.
Papping, V., pappingen.
Pappot, M., -potten.
Papyrus, M., papyrussen.
Paraaf, V., parafen.
Parabel, V., parabelen en parabels.
Parabolisch.
Paraboloïde, V., paraboloïden.
Parabool, V., parabolen.
Parachute, V., parachutes.
Paracleet, M.
Parade, V., parades.
Paradeeren, paradeerde, heeft geparadeerd.
Parademarsch, M., -marschen.
Paradepaard, O., -paarden.
Paradigma, O., paradigma's en paradigmata.
Paradijs, O., paradijzen. Paradijsje, O., -jes.
Paradijsappel, M., -appelen.
Paradijsgeschiedenis, V.
Paradijskostuum, O.
Paradijsvogel, M., -vogels.
Paradox, V., paradoxen.
Paradox (bnw.).
Parafeeren, parafeerde, heeft geparafeerd.
Paragraaf, V., paragrafen. Paragraafje, O., -jes.
Parallel, V., parallellen.
Parallelklasse, V., -klassen.
Parallelogram, O., parallelogrammen.
Parallelweg, M., -wegen.
Paralyseeren, paralyseerde, heeft geparalyseerd.
Paranimf, M., paranimfen.
Paraphrase, V., paraphrasen.
Parapluie en Paraplu, V., parapluies en paraplu's. Parapluutje, O., -jes.
Paraplubak, M., -bakken.
Paraplustander, M., -standers.
Parasiet (persoon), M., (plant), V., parasieten.
Parasitisch.
Parasol, V., parasols. Parasolletje, O., -jes.
Pardel, M., pardels.
Pardoen, V., pardoens.
Pardoes (tusschenw.).
Pardon, O.
Pardonneeren, pardonneerde, heeft gepardonneerd.
Pareeren, pareerde, heeft gepareerd.
Parel en Paarl, V., parelen, parels en paarlen. Pareltje en paarltje, O., -jes.
Parelen, parelde, heeft gepareld.
Parelgerst, V.
Parelgort, V.
Parelgras, O.
Parelgrijs.
Parelhoen, O., -hoenders.
Parelkleurig.
Parelmoer. Zie Paarlemoer.
Parelmoeren. Zie Paarlemoeren.
Parelmossel, V., -mosselen.
Pareloester, V., -oesters.
Parelsnoer, O., -snoeren.
Parelvisscher, M., -visschers.
Paren, paarde, heeft gepaard.
Parentage, V.
Parenthese, V., parenthesen.
Parfum, O., parfums.
Parfumeeren, parfumeerde, heeft geparfumeerd.
Parfumerie, V., parfumerieën.
Pari, O.
Paria, M. en V., paria's.
Parieeren, parieerde, heeft geparieerd.
Parijsch, Parijsche.
Paring, V.
Pariteit, V.
Park, O., parken.
Parket, O., parketten.
Parketvloer, M., -vloeren.
Parkiet, M., parkieten. Parkietje, O., -jes.
Parlement, O., parlementen.
Parlementair (onderhandelaar), M., parlementairs en parlementairen.
Parlementair (bnw.).
Parlementeeren, parlementeerde, heeft geparlementeerd.
Parlementsgebouw, O., -gebouwen.
Parlementslid, O., -leden.
Parlementszitting, V., -zittingen.
Parmantig, parmantiger, parmantigst.
Parmantigheid, V.
Parmezaan (iemand uit Parma), M., Parmezanen.
Parmezaan (kaas), V., parmezanen.
Parnas, M.
Parochiaan, M., parochianen.
Parochie, V., parochiën.
Parochiekerk, V., -kerken.
Parodie, V., parodieën.
Parodieeren, parodieerde, heeft geparodieerd.
Parool, O., parolen.
Part (poets, streek), V., parten. Partje, O., -jes.
Part (deel), O., parten. Partje, O., -jes.
Parterre, O.
Participant, M., participanten.
Particularist, M., particularisten.
Particulariteit, V., particulariteiten.
Particulier, particuliere.
Particulier, M., particulieren.
Particuliere, V., particulieren.
Partieel, partieele.
Partij, V., partijen. Partijtje, O., -jes.
Partijbelang, O., -belangen.
Partijdig, partijdiger, partijdigst.
Partijdigheid, V.
Partijganger, M., -gangers.
Partijgeest, M.
Partijgenoot, M., -genooten.
Partijhoofd, O., -hoofden.
Partijman, M., -mannen.
Partijschap, V., -schappen.
Partijzucht, V.
Partikel, V., partikels.
Partituur, V., partituren.
Partuur, O.
Paruik. Zie Pruik.
Parvenu, M., parvenu's.
Pas (tred, doortocht en vrijbrief), M., passen. Pasje, O., -jes.
Pas (tijdstip), O.
Pas (bijw.).
Pascha, O.
Paschen, V.
Pasganger, M., -gangers.
Pasgeboren.
Pasgeld, O.
Pasja. Zie Pacha.
Pasjes.
Paskaart, V., -kaarten; -kaartje, O., -jes.
Pasklaar.
Paskwil, O., paskwillen. Paskwilletje, O., -jes.
Paslood, O., -looden; -loodje, O., -jes.
Pasmunt, V.
Paspoort, O., paspoorten.
Passaat, M., passaten.
Passaatwind, M., -winden.
Passage, V., passages.
Passagebiljet, O., -biljetten.
Passagebureau, O., -bureau's.
Passagier, M., passagiers.
Passagieren, passagierde, heeft gepassagierd.
Passagiersgoed, O.
Passagierstrein, M., -treinen.
Passant, M., passanten.
Passantenhuis, O., -huizen.
Passeeren, passeerde, heeft en is gepasseerd.
Passelijk, -lijker, -lijkst.
Passement, O., passementen. Passementje, O., -jes.
Passementwinkel, M., -winkels.
Passen, paste, heeft gepast.
Passe-partout, M., passe-partouts.
Passer, M., passers. Passertje, O., -jes.
Passerdoos, V., -doozen.
Passie (het lijden en de lijdensweken), V.
Passie (hartstocht), V., passies en passiën.
Passiebloem, V., -bloemen.
Passief, passiever, passiefst.
Passief, O.
Passiespel, O., -spelen.
Pastei, V., pasteien. Pasteitje, O., -jes.
Pasteibakker, M., -bakkers.
Pasteikorst, V., -korsten.
Pastel (weede), V.
Pastel (kleurstift), O., pastellen.
Pastelteekening, V., -teekeningen.
Pastille, V., pastilles.
Pastinak, V., pastinaken.
Pastinakenzaad, O.
Pastoor, M., pastoors. Pastoortje, O., -jes.
Pastoraal, pastorale.
Pastoraal, V. Ook Pastorale.
Pastorie en Pastorij, V., pastorieën en pastorijen.
Pat (belegsel; klep), V. Patje, O., patjes.
Patas, V., patassen.
Patent, O., patenten. Patentje, O., -jes.
Patent, patenter, patentst.
Patentbelasting, V., -belastingen.
Patenteeren, patenteerde, heeft gepatenteerd.
Patentolie, V.
Patentplichtig.
Patentwet, V., -wetten.
Pater, M., paters. Patertje, O., -jes.
Paternoster, O., paternosters.
Pathetisch.
Pathologie, V.
Pathos, O.
Patiënt, M. en V., patiënten. V. ook patiënte. Patiëntje, O., -jes.
Patiëntie, V.
Patik (kruid), O.
Patriarch, M., patriarchen.
Patriarchaal, patriarchale.
Patriciër, M., patriciërs.
Patricisch.
Patrijs, M., patrijzen. Patrijsje, O., -jes.
Patrijshond, M., -honden.
Patrijspoort, V., -poorten.
Patrijzenei, O., -eieren.
Patrijzennest, O., -nesten.
Patrimonium, O.
Patriot, M., patriotten.
Patriotisme, O.
Patriottisch.
Patronaat, O., patronaten.
Patrones, V., patronessen.
Patroon (beschermer, heer), M., patronen en patroons.
Patroon (lading), V., patronen.
Patroon (model), O., patronen. Patroontje, O., -jes.
Patroontasch, V., -tasschen.
Patrouille, V., patrouilles.
Patrouilleeren, patrouilleerde, heeft gepatrouilleerd.
Pats, V.
Pauk, V., pauken.
Pauken, paukte, heeft gepaukt.
Paukenslager, M., -slagers.
Pauperisme, O.
Paus, M., pausen.
Paus, V. Zie Pauze.
Pausdom, O.
Pauseeren, pauseerde, heeft gepauseerd.
Pauseering, V., pauseeringen.
Pauselijk en Pauslijk.
Pausgezind.
Pausschap, O.
Pauw, M., pauwen. Pauwtje, O., -jes.
Pauwenei, O., -eieren.
Pauwestaart, M., -staarten.
Pauweveer, V., -veeren; -veertje, O., -jes.
Pauwin, V., pauwinnen.
Pauze en Paus, V., pauzen.
Paviljoen, O., paviljoenen. Paviljoentje, O., -jes.
Peauter. Zie Piauter.
Pecco, V.
Pecunieel, pecunieele.
Pedaal, O., pedalen.
Pedaalharp, V., -harpen.
Pedant, M., pedanten. Pedantje, O., -jes.
Pedant, pedanter, pedantst.
Pedanterie, V., pedanterieën.
Pedel, M., pedels en pedellen.
Pedelskamer, V., -kamers.
Pedestal, O., pedestallen. Pedestalletje, O., -jes.
Peel (haarband), V., pelen.
Peel (moerassig land), V., pelen.
Peen, V., penen. Peentje, O., -jes.
Peengras, O.
Peer (vrucht), V., (boom), M., peren. Peertje, O., -jes.
Peervormig.
Pees, V., pezen. Peesje, O., -jes.
Peet, M. en V., peten. Peetje, O., -jes.
Peetoom, M., -ooms.
Peetschap, O.
Peettante, V., -tantes.
Pegel, M., pegels. Pegeltje, O., -jes.
Pegelen, pegelde, heeft gepegeld.
Peil, O., peilen. Peiltje, O., -jes.
Peilen, peilde, heeft gepeild.
Peiler, M., peilers.
Peilglas, O., -glazen.
Peiling, V., peilingen.
Peilketting, M., -kettingen.
Peillood, O., -looden.
Peilmaling, V., -malingen.
Peilschaal, V., -schalen.
Peilstok, M., -stokken.
Peinzen, peinsde, heeft gepeinsd.
Peis, V.
Pek en Pik, O.
Pekel (zilt vocht), V.,; (zeewater), O.
Pekelen, pekelde, heeft gepekeld.
Pekelharing (een visch), M., -haringen. Als stofnaam, V.
Pekelwagen, M., -wagens.
Pekelzonde, V., -zonden.
Pekken (ook Pikken), pekte, heeft gepekt.
Pekkrans, M., -kransen.
Pekton, V., -tonnen.
Pel, V., pellen.
Pelen, peelde, heeft gepeeld.
Pelerine, V., pelerines.
Pelerwt, V., -erwten.
Pelgrim, M., pelgrims.
Pelgrimage, V., pelgrimages.
Pelgrimsgewaad, O., -gewaden.
Pelgrimshoed, M., -hoeden.
Pelgrimskleed, O., -kleederen.
Pelgrimsmantel, M., -mantels.
Pelgrimsreis, V., -reizen.
Pelgrimsstaf, M., -staven.
Pelgrimstasch, V., -tasschen.
Pelgrimstocht, M., -tochten.
Pelikaan, M., pelikanen. Pelikaantje, O., -jes.
Pelikaanskrop, M., -kroppen.
Pellen, pelde, heeft gepeld.
Pellen, O., pellens.
Pellengoed, O.
Pelmolen, M., -molens.
Peloton, O., pelotons.
Pelotonsvuur, O.
Pels, M., pelzen. Pelsje, O., -jes.
Pelsjas, V., -jassen.
Pelsmuts, V., -mutsen.
Pelswerk, O.
Pelterij, V., pelterijen.
Peluche, O. Zie Pluche.
Peluw. Zie Peuluw.
Pen (schrijfpen), V., pennen. Pennetje, O., -jes.
Pen (houten nagel), V., pennen. Pennetje, O., -jes.
Penant, O., penanten.
Penantkast, V., -kasten.
Penantspiegel, M., -spiegels.
Pendant, O., pendanten. Pendantje, O., -jes.
Pendule, V., pendules.
Penibel, penibeler, penibelst.
Pennekunst, V., -kunsten.
Pennelikker, M., -likkers.
Pennemes, O., -messen; -mesje, O., -jes.
Pennen, pende, heeft gepend.
Pennenbak, M., -bakken.
Pennenhouder en Pennehouder, M., -houders.
Pennenkoker, M., -kokers.
Penner, M., penners.
Penneschacht, V., -schachten.
Pennestreek, V., -streken.
Pennestrijd, M.
Pennevrucht, V., -vruchten.
Penning, M., penningen. Penninkje, penningsken, penningske, penninksken en penninkske, O., -jes, -kens en -kes.
Penningkabinet, O., -kabinetten.
Penningkruid, O.
Penningkunde, V.
Penningmeester, M., -meesters.
Pens, V., pensen. Pensje, O., -jes.
Penseel, O., penseelen. Penseeltje, O., -jes.
Penseelen, penseelde, heeft gepenseeld.
Penseeltrek, M., -trekken.
Pensioen, O., pensioenen. Pensioentje, O., -jes.
Pensioenfonds, O., -fondsen.
Pensioenkas, V., -kassen.
Pensioenverzekering, V.
Pensioenwet, V., -wetten.
Pensionaat, O., pensionaten.
Pensionaris, M., pensionarissen.
Pensionnaire, M. en V., pensionnaires.
Pensionneeren, pensionneerde, heeft gepensionneerd.
Pentameter, M., pentameters.
Pentateuch, M.
Penteekening, V., -teekeningen.
Penterhaak, M., -haken.
Pentertalie, V., -talies.
Peper, V.
Peperbus, V., -bussen.
Peperduur.
Peperen, peperde, heeft gepeperd.
Peperhuisje, O., -huisjes.
Peperkoek, M., -koeken. Als stofnaam, V.
Pepermunt en Peperment, V. Pepermuntje en pepermentje, O., -jes.
Pepermuntdoosje, O., -doosjes.
Pepermuntolie, V.
Pepermuntwater, O.
Pepernoot en Peperneut, V., -noten en -neuten; -nootje en -neutje, O., -jes.
Pepertuin, M., -tuinen.
Pepsine, V.
Pepton, O.
Perceel, O., perceelen. Perceeltje, O., -jes.
Perceelsgewijze en perceelsgewijs.
Percent, O., percenten. Percentje, O., -jes. Verg. Procent.
Percentsgewijze.
Porcussiegeweer, O., -geweren.
Percussieslot, O., -sloten.
Pereboom, M., -boomen; -boompje, O., -jes.
Perenmoes, O.
Pereschil, V., -schillen.
Perfect, perfecter, perfectst.
Perfectie, V.
Perforeeren, perforeerde, heeft geperforeerd.
Periculeus, -euze.
Perikel, O., perikels en perikelen.
Periode, V., perioden.
Periodenbouw, M.
Periodiciteit, V.
Periodiek, periodieke.
Peripatetisch.
Periphrase, V., periphrasen.
Perk, O., perken. Perkje, O., -jes.
Perkament, O., perkamenten.
Perkamenten en Perkementen (bnw.).
Perkamentpapier, O.
Perkenier, M., perkeniers.
Permanent.
Permissie, V.
Permitteeren, permitteerde, heeft gepermitteerd.
Permutatie, V., permutaties en permutatiën.
Perpetueel, -eele.
Perron, O., perrons.
Perronkaart, V., -kaarten; -kaartje, O., -jes.
Pers, V., persen. Persje, O., -jes.
Persbureau, O., -bureau's.
Perscongres, O., -congressen.
Persdelict, O., -delicten.
Persen, perste, heeft geperst.
Perser, M., persers.
Persico, V.
Persiflage, V., persiflages.
Persifleeren, persifleerde, heeft gepersifleerd.
Persijzer, O., -ijzers.
Persing, V., persingen.
Persisteeren, persisteerde, heeft gepersisteerd.
Persklaar, -klare.
Persloon, O., -loonen.
Personage, V. en O., personages.
Personaliteit, V., personaliteiten.
Personeel, personeele.
Personeel, O.
Personentrein, M., -treinen.
Personenverkeer, O.
Personificatie, V., personificatiën en personificaties.
Persoon, M. en V., personen. Persoontje, O., -jes.
Persoonlijk.
Persoonlijkheid, V., -heden.
Persoonsverbeelding, V., -verbeeldingen.
Persoonsverwisseling, V., -verwisselingen.
Persoverzicht, O., -overzichten.
Perspectief (doorzichtkunde), V.
Perspectief (vergezicht, vooruitzicht), O., perspectieven.
Perspomp, V., -pompen.
Persrevisie, V., -revisies.
Pertinent.
Perversiteit, V.
Perzik (vrucht), V., (boom); M., perziken. Perzikje, O., -jes.
Perzikeboom en Perzikboom, M., -boomen. Perzikboompje, O., -jes.
Perzikepit, V., -pitten.
Pessimisme, O.
Pessimist, M., pessimisten.
Pest, V., pesten.
Pestbuil, V., -builen.
Pesthol, O., -holen.
Pesthuis, O., -huizen.
Pestilentie, V., pestilentiën.
Pestkoorts, V., -koortsen.
Pestlijder, M., -lijders.
Pestlucht, V.
Pestziekte, V., -ziekten.
Pet, V., petten. Petje, O., -jes.
Petegift, V., -giften.
Petekind, O., -kinderen; -kindje, O., -jes.
Petemoei, V., -moeien.
Peter, M., peters.
Peterschap, O.
Peterselie en Pieterselie, V.
Peterseliesaus, V.
Petitie, V., petitiën en petities.
Petitionneeren, petitionneerde, heeft gepetitionneerd.
Petitionnement, O., petitionnementen.
Petroleum, V.
Petroleumbron, V., -bronnen.
Petroleumkachel, V., -kachels; -kacheltje, O., -jes.
Petroleumlamp, V., -lampen.
Petroleummotor, M., -motoren en -motors.
Petroleumtoestel, O., -toestellen.
Petroleumvat, O., -vaten.
Pettengoed, O.
Pettenmaker, M., -makers.
Pettenwinkel, M., -winkels.
Peueraar, M., peueraars.
Peueren, peuerde, heeft gepeuerd.
Peukel. Zie Pukkel.
Peul (vrucht), V., peulen. Peultje, O., -jes.
Peul (peuluw), V., peulen.
Peuluw, ook Peluw, V., peuluwen.
Peuren, peurde, heeft gepeurd.
Peuter (gereedschap), M., peuters.
Peuter (persoon), M., peuters.
Peuteraar, M., peuteraars.
Peuteren, peuterde, heeft gepeuterd.
Peuterig.
Peuterwerk, O.; -werkje, O., -jes.
Peuzel, V., peuzels. Peuzeltje; O., -jes.
Peuzelen, peuzelde, heeft gepeuzeld.
Peuzelwerk, O.; -werkje, O., -jes.
Pezerik, M., pezeriken.
Phaenomenaal.
Phaëton, M., phaëtons.
Phalanx, V., phalanxen.
Phantaseeren, phantaseerde, heeft gephantaseerd.
Phantasie, V., phantasieën.
Phantasiehoed, M., -hoeden. Zie ook Fantasiehoed.
Phantasmagorie, V., phantasmagorieën.
Phantast, M., phantasten.
Phantastisch.
Pharmacopoea, V.
Phase, V., phasen en phases.
Philanthroop, M., philanthropen.
Philanthropie, V.
Philanthropisch.
Philologencongres, O., -congressen.
Philologie, V.
Philoloog, M., philologen.
Philosoof, M., philosofen.
Philosopheeren, philosopheerde, heeft gephilosopheerd.
Philosophie, V.
Philosophisch.
Phoenix. Zie Fenix.
Phonetiek, V.
Phonograaf, M., phonografen.
Phosphorus, M.
Photograaf, M., photografen.
Photogram, O., photogrammen.
Photographeeren, photographeerde, heeft gephotographeerd.
Photographie, V., photographieën. Photographietje, O., -jes.
Photographie-artikelen (mv.), O.
Photographiestander, M., -standers; -standertje, O., -jes.
Photographietoestel, O., -toestellen.
Photographisch.
Photogravure, V., -gravures.
Phrase, V., phrasen en phrases.
Phraseologie, V.
Physica, V.
Physiek, physieke.
Physiek, O.
Physiologie, V.
Physioloog, M., physiologen.
Physionomie, V., physionomieën.
Physisch.
Pianino, V., pianino's.
Pianist, M., pianisten.
Piano, V., piano's.
Piano, bijw. (- aan).
Pianoconcert, O., -concerten.
Piano-forte, V., piano-fortes.
Pianoklasse, V., -klassen.
Pianoles, V., -lessen.
Pianomeester, M., -meesters.
Pianomuziek, V.
Piano-orgel, O., -orgels.
Pias, M., piassen. Piasje, O., -jes.
Piasserig, piasseriger, piasserigst.
Piaster, M., piasters.
Piauter, ook Peauter, O.
Piefpafpoef (tusschenw.).
Piek, V., pieken. Piekje, O., -jes.
Piekeren. Zie Pikeren.
Piekeval, O., piekevallen.
Pienter. Zie Pinter.
Piepen, piepte, heeft gepiept.
Pieperig, pieperiger, pieperigst.
Piepjong.
Piepkuiken, O., -kuikens.
Pier, V., pieren. Piertje, O., -jes.
Pieren, pierde, heeft gepierd.
Pierenverschrikkertje, O., -jes.
Pierewaaien, pierewaaide, heeft gepierewaaid.
Pierewaaier, M., pierewaaiers.
Piesen. Zie Pissen.
Piet, M., pieten.
Piëteit, V.
Pieterig, pieteriger, pieterigst.
Pieterman (visch). Als voorwerpsnaam, M., pietermans. Als stofnaam, V. Pietermannetje, O., -jes.
Pieterselie. Zie Peterselie.
Pieterspenning, M.
Piëtisme, O.
Piëtist, M., piëtisten.
Piëtisterij, V.
Pietje (munt), O., -jes.
Pietlut, M. en V., pietlutten.
Pietluttig, pietluttiger, pietluttigst.
Pieus, pieuzer, pieust.
Pigment, O.
Pij, V., pijen. Pijtje, O., -jes.
Pijjekker, M. pijjekkers. Pijjekkertje, O., -jes.
Pijl, M., pijlen. Pijltje, O., -jes.
Pijler, M., pijlers.
Pijlkruid, O.
Pijlsnel, -snelle.
Pijlstaart, M., -staarten.
Pijn (pijnboom), M., pijnen.
Pijn (smart), V., pijnen.
Pijnappel, M., -appels.
Pijnbank, V., -banken.
Pijnboom, M., -boomen.
Pijne, V. (de - waard).
Pijnen, pijnde, heeft gepijnd.
Pijnigen, pijnigde, heeft gepijnigd.
Pijniging, V., pijnigingen.
Pijnlijk, -lijker, -lijkst.
Pijnlijkheid, V., -heden.
Pijnstillend.
Pijp V., pijpen. Pijpje, O., -jes.
Pijpaarde, V.
Pijpedop, M., -doppen; -dopje, O., -jes.
Pijpekop, M., -koppen.
Pijpen (op eene fluit spelen), peep, pepen, heeft gepepen.
Pijpen (eene pijp rooken), pijpte, heeft gepijpt.
Pijpenbakker, M., -bakkers.
Pijpenboor, V., -boren.
Pijpenfabriek, V., -fabrieken.
Pijpenlade, V., -laden.
Pijpenmand, V., -manden; -mandje, O., -jes.
Pijpenrek, O., -rekken; -rekje, O., -jes.
Pijpepeuter, M., -peuters.
Pijper, M., pijpers.
Pijperoer, O., -roeren.
Pijpesteel, M., -stelen.
Pijphout, O.
Pijpkaneel, V.
Pijpleider, M., -leiders.
Pijpwerk, O., -werken.
Pijpzwavel, V.
Pik (haat, wrok), M.
Pik, O. Zie Pek.
Pikant, pikanter, pikantst.
Pikanterie, V., pikanterieën.
Pikbroek, M., -broeken.
Pikdonker.
Pikdraad (voorwerp), M., -draden; (stof), O.
Pikeeren, pikeerde, heeft gepikeerd.
Pikeren en Piekeren, pikerde (piekerde), heeft gepikerd (gepiekerd).
Piket, O., piketten.
Piketpaal, M., -palen.
Piketspel, O.
Piketten, pikette, heeft gepiket.
Pikeur, M., pikeurs.
Pikhaak, M., -haken.
Pikken (bijten), pikte, heeft gepikt.
Pikken (pekken), pikte, heeft gepikt.
Piklat, V., -latten.
Pikol, O., pikols.
Pikzwart.
Pil, V., pillen. Pilletje, O., -jes.
Pilaar, M., pilaren. Pilaartje, O., -jes.
Pilaarbijter, M., -bijters.
Pilaster, M., pilasters.
Pillegift, V., -giften.
Pillendoos, V., -doozen; -doosje, O., -jes.
Pillendraaier, M., -draaiers.
Piloot, M., piloten.
Piment, O.
Pimpel, M., pimpels. Pimpeltje, O., -jes.
Pimpelaar, M., pimpelaars.
Pimpelen, pimpelde, heeft gepimpeld.
Pimpelmees, V., -meezen; -meesje, O., -jes.
Pimpelpaars, -paarse.
Pimpernel, V., pimpernellen.
Pimpernoot, V., pimpernoten. Pimpernootje, O., -jes.
Pin (ijzeren nagel), V., pinnen. Pinnetje, O., -jes.
Pinacotheek, V., pinacotheken.
Pinas, V., pinassen.
Pince-nez, M., pince-nez's.
Pincet, O., pincetten. Pincetje, O., -jes.
Pingel, V., pingelen.
Pingelaar, M., pingelaars.
Pingelen, pingelde, heeft gepingeld.
Pink (vinger), M., pinken. Pinkje, O., -jes.
Pink (jong rund), M. en V., pinken. Pinkje, O., -jes.
Pink (vaartuig), V., pinken. Pinkje, O., -jes.
Pinken, pinkte, heeft gepinkt.
Pinker, M., pinkers.
Pinkoogen, pinkoogde, heeft gepinkoogd.
Pinkster en Pinksteren, V.
Pinksterbloem, V., -bloemen.
Pinksterdag, M., -dagen.
Pinksterfeest, O.
Pinksternakel, V., pinksternakels.
Pinkstervuur, O.
Pinksterweek, V.
Pinkstier, M., -stieren.
Pinsbek, ook Spinsbek, O.
Pinsbekken en Spinsbekken (bnw.).
Pint, V., pinten. Pintje, O., -jes.
Pinter, V., pinters.
Pinter en Pienter, pinterder (pienterder), pinterst (pienterst).
Pioen (roos), V., pioenen.
Pioenroos, V., -rozen.
Pion (in 't schaakspel), M., pions.
Pionier, M., pioniers.
Piot, M., piotten.
Pip, V.
Pipet, V., pipetten. Pipetje, O., -jes.
Pippeling, M., pippelingen. Pippelinkje, O., -jes.
Pipsch, pipscher, meest pipsch.
Piramidaal en Pyramidaal, piramidale en pyramidale.
Piramide en Pyramide, V., piramiden en pyramiden.
Pis, V.
Pisang, V., pisangs.
Pisbak, M., -bakken.
Pisblaas, V., -blazen.
Pisbroek, M., -broeken.
Pispot, M., -potten.
Pissebed (insect), V., pissebedden. Pissebedje, O., -jes.
Pissebed (van een klein kind), M. en V., pissebedden.
Pissen, ook Piesen, piste, heeft gepist.
Pistache, V., pistaches.
Piston, M., pistons.
Pistool (munt), V., pistolen.
Pistool (schietgeweer), V. en O., pistolen. Pistooltje, O., -jes.
Pistoolschot, O., -schoten.
Pit (van eene lamp), V., pitten. Pitje, O. -jes.
Pit (kern), V., pitten. Pitje, O., -jes.
Pit (merg), O.
Pitoor, ook Putoor, M., pitoren en putoren.
Pitsjaar, M., pitsjaren.
Pitsjaarsvlag, V., -vlaggen.
Pitsjaren, pitsjaarde, heeft gepitsjaard.
Pittig, pittiger, pittigst.
Pittigheid, V.
Pittoresk.
Plaag, V., plagen. Plaagje, O., -jes.
Plaaggeest, M. en V., -geesten.
Plaagster, V., plaagsters.
Plaagziek, -zieker, -ziekst.
Plaagzucht, V.
Plaat, V., platen. Plaatje, O., -jes.
Plaatdruk, M.
Plaatdrukken, O.
Plaatdrukker, M., -drukkers.
Plaathandel, M.
Plaatijzer, O.
Plaatkoek, M., -koeken.
Plaats, V., plaatsen. Plaatsje, O., -jes.
Plaatsbeschrijving, V., -beschrijvingen.
Plaatsbespreking, V.
Plaatsbewaarder, M., -bewaarders.
Plaatsbriefje, O., -briefjes.
Plaatsbureau, O., -bureau's.
Plaatscommandant, M., -commandanten.
Plaatselijk.
Plaatsen, plaatste, heeft geplaatst.
Plaatsgebrek, O.
Plaatsing, V., plaatsingen.
Plaatskaart, V., -kaarten; -kaartje, O., -jes.
Plaatsnijden, O.
Plaatsnijder, M., -snijders.
Plaatsopneming, V., -opnemingen.
Plaatsruimte, V.
Plaatsvervangend.
Plaatsvervanger, M., -vervangers.
Plaatsvervanging, V.
Plaatwerk, O., -werken.
Placet, O.
Pladijs en Pladdijs, V., pladijzen en pladdijzen. Pladijsje en pladdijsje, O., -jes.
Plafond, O., plafonds. Plafonnetje, O., -jes.
Plafond-rozet, V., -rozetten.
Plafonneeren, plafonneerde, heeft geplafonneerd.
Plag en Plagge, V., plaggen.
Plagen, plaagde, heeft geplaagd.
Plager, M., plagers.
Plagerij, V., plagerijen. Plagerijtje, O., -jes.
Plaggensteker, M., -stekers.
Plagiaat, O., plagiaten.
Plagiaris, M., plagiarissen.
Plaid, V., plaids.
Plak, V., plakken. Plakje, O., -jes.
Plakboek, O., -boeken.
Plakbord, O., -borden.
Plakbriefje, O., -jes.
Plakkaat, O., plakkaten.
Plakkaatboek, O., -boeken.
Plakken, plakte, heeft geplakt.
Plakker, M., plakkers.
Plakkerig, plakkeriger, plakkerigst.
Plakplaat, V., -platen; -plaatje, O., -jes.
Plaktafel, V., -tafels.
Plakwerk, O.
Plakzegel, O., -zegels.
Plammoten, plammootte, heeft geplammoot.
Plamuren, plamuurde, heeft geplamuurd.
Plamuur, O.
Plamuursel, O.
Plan, O., plannen en plans. Plannetje, O., -jes.
Planeeren, planeerde, heeft geplaneerd.
Planeerhamer, M., -hamers.
Planeet, V., planeten.
Planetenstelsel, O.
Planimetrie, V.
Plank, V., planken. Plankje, O., -jes.
Plankenloods, V., -loodsen.
Plankenschuur, V., -schuren.
Plankenvloer, M., -vloeren.
Planket, O., planketten.
Planketsel, O., planketsels.
Plankier, O., plankieren. Plankiertje, O., -jes.
Plannenmaker, M., -makers.
Plant, V., planten. Plantje, O., -jes.
Plantaardig.
Plantage, V., plantages.
Planten, plantte, heeft geplant.
Plantenbeschrijving, V., -beschrijvingen.
Plantenboek, O., -boeken.
Plantenboter, V.
Plantenbus, V., -bussen; -busje, O., -jes.
Plantengif, O.
Plantengroei, M.
Plantenkenner, M., -kenners.
Plantenkennis, V.
Plantenkunde en Plantkunde, V.
Plantenleer, V.
Plantenleven, O.
Plantenrijk, O.
Plantentuin, M., -tuinen.
Plantenzuur, O., -zuren.
Planter, M., planters.
Planterij, V., planterijen.
Planting, V., plantingen.
Plantsoen, O., plantsoenen. Plantsoentje, O., -jes.
Plapperen, plapperde, heeft geplapperd.
Plas, M., plassen. Plasje, O., -jes.
Plasdankje, O., -jes.
Plasregen, M., -regens.
Plasregenen, plasregende, heeft geplasregend.
Plassen, plaste, heeft geplast.
Plastiek, V.
Plastisch.
Plastron, O., plastrons.
Plat, O., platten. Platje, O., -jes.
Plat, platter, platst.
Plataan, M., platanen.
Platbek, M., -bekken.
Platboomde.
Plateau, O., plateau's.
Plateel, O., plateelen.
Plateelbakker, M., -bakkers.
Platheid, V., -heden.
Platina, O.
Platinadraad (voorwerp), M., -draden; (stof), O.
Platinaspons. V., -sponsen.
Plating, V., platingen.
Platje, O., -jes.
Platlood, O.
Platluis, V., -luizen.
Platneus, M. en V., -neuzen.
Platonisch.
Platschieten, schoot plat, schoten plat, heeft platgeschoten.
Platslaan, slaat plat, sloeg plat, heeft platgeslagen.
Platte-driehoeksmeting, V.
Plattegrond, M., -gronden.
Platteland, O.
Plattelandicus, M., plattelandici. Ook Platlandicus.
Plattelandsheelmeester, M., -heelmeesters.
Platten, platte, heeft geplat.
Platting (scheepsw.), V., plattings.
Plattrappen, trapte plat, heeft platgetrapt.
Platvoet, M. en V., -voeten.
Platvoet (scheepsw.), M.
Platvoeten, platvoette, heeft geplatvoet.
Platvoetwacht, V.
Platzak.
Platzetten, zette plat, heeft platgezet.
Plausibel, plausibeler, plausibelst.
Plavei, V., plaveien. Plaveitje, O., -jes.
Plaveien, plaveide, heeft geplaveid.
Plaveiing, V., plaveiingen.
Plaveisel, O., plaveisels.
Plavuis, V., plavuizen.
Plebejer, M., plebejers.
Plebejisch.
Plebs, O.
Plecht, V., plechten.
Plechtanker, O., -ankers.
Plechtgewaad, O., -gewaden.
Plechtig, plechtiger, plechtigst.
Plechtigheid, V., -heden.
Plechtstatig, -statiger, -statigst.
Plechtstatigheid, V.
Plee. Zie Pleti.
Pleebril, M., -brillen.
Pleegbroeder, M., -broeders.
Pleegdochter, V., -dochters.
Pleegkind, O., -kinderen.
Pleegmoeder, V., -moeders.
Pleegouders (mv.), M.
Pleegvader, M., -vaders.
Pleegzoon, M., -zoons en -zonen.
Pleegzuster, V., -zusters.
Pleepapier, O.
Pleeraampje, O., -raampjes.
Pleet, O.
Plegen (gewoon zijn), placht, plachten.
Plegen (bedrijven), pleegde, heeft gepleegd.
Plei, V., pleien.
Pleidooi, O., pleidooien.
Plein, O., pleinen. Pleintje, O., -jes.
Pleinvrees, V.
Pleister (heelmiddel), V., pleisters. Pleistertje, O., -jes.
Pleister (gips), O.
Pleisteraar, M., pleisteraars.
Pleisterafgietsel, O., -afgietsels.
Pleisterbeeld, O., -beelden.
Pleisteren (gipsen), pleisterde, heeft gepleisterd.
Pleisteren (vertoeven), pleisterde, heeft gepleisterd.
Pleistering, V., pleisteringen.
Pleisterkalk, V.
Pleisterornament, O., -ornamenten.
Pleisterplaats, V., -plaatsen.
Pleisterwerk, O.
Pleit (vaartuig), V., pleiten.
Pleit (rechtsgeding), O.
Pleitbezorger, M., -bezorgers.
Pleiten, pleitte, heeft gepleit.
Pleiter, M., pleiters.
Pleitkunst, V.
Pleitrede, V., -redenen.
Pleitzaal, V., -zalen.
Pleizier en Plezier, O., pleizieren. Pleiziertje, O., -jes.
Pleizierboot, V., -booten.
Pleizieren, pleizierde, heeft gepleizierd.
Pleizierig, pleizieriger, pleizierigst.
Pleiziermaker, M., -makers.
Pleizierreis, V., -reizen.
Pleiziertochtje, O., -jes.
Pleiziertrein, M., -treinen.
Pleiziervaartuig, O., -vaartuigen.
Plek, V., plekken. Plekje, O., -jes.
Plemp, V., plempen. Plempje, O., -jes.
Plempen, plempte, heeft geplempt.
Plengen, plengde, heeft geplengd.
Plenging, V., plengingen.
Plengoffer, O., -offers.
Plenipotentiaris, M., -arissen.
Pleonasme, O., pleonasmen.
Pleonastisch.
Pletbord, O., -borden.
Pleten (bnw.).
Plethamer, M., -hamers.
Pleti, V., pleti's. Ook Plee, V., plee's.
Pletipapier en Pleepapier, O.
Pletiruimer, M., -ruimers.
Pletmolen, M., -molens.
Pletpers, V., -persen.
Pletrol, V., -rollen.
Pletten, plette, heeft geplet.
Pletter, M., pletters.
Pletter, M. (Te -).
Pletteren, pletterde, heeft gepletterd.
Pletterij, V., pletterijen.
Pletwerk, O.
Pleuris, V., pleurissen.
Plicht, M., plichten.
Plichtbesef en Plichtsbesef, O.
Plichtmatig, -matiger, -matigst.
Plichtpleging, V., -plegingen.
Plichtsbetrachting, V.
Plichtshalve.
Plichtvergeten.
Plichtverzuim, O.
Plint, V., plinten. Plintje, O., -jes.
Ploeg (landbouwwerktuig), M., ploegen. Ploegje, O., -jes.
Ploeg (ploegschaaf), V., ploegen.
Ploeg (aantal werklieden), V., ploegen.
Ploegbaas, M., -bazen.
Ploegboom, M., -boomen.
Ploegen, ploegde, heeft geploegd.
Ploegenstelsel, O.
Ploeger, M., ploegers.
Ploeghout, O., -houten.
Ploegijzer, O., -ijzers.
Ploeging, V., ploegingen.
Ploegos, M., -ossen.
Ploegschaar, V., -scharen.
Ploegstaart, M., -staarten.
Ploert, M., ploerten. Ploertje, O., -jes.
Ploertendom, O.
Ploertendooder, M., -dooders.
Ploertenstreek, M., -streken.
Ploerterij, V., ploerterijen.
Ploertig, ploertiger, ploertigst.
Ploertigheid, V., -heden.
Ploeteraar, M., ploeteraars.
Ploeteraarster, V., ploeteraarsters.
Ploeteren, ploeterde, heeft geploeterd.
Plof, M., ploffen.
Plof (tusschenw.).
Ploffen, plofte, heeft en is geploft.
Plok, M., plokken. Plokje, O., -jes.
Plokgeld, O.
Plokpenning, M., -penningen.
Plombeeren, plombeerde, heeft geplombeerd.
Plombeersel, O., plombeersels.
Plombière, V., plombières.
Plomp, M., plompen. Plompje, O., -jes.
Plomp, plomper, plompst.
Plomp (tusschenw.).
Plompaard, M., plompaards.
Plompeblad, O., -bladen, -bladeren en -blaren.
Plompen, plompte, heeft en is geplompt.
Plomperd, M., plomperds.
Plompheid, V., -heden.
Plompverloren.
Plonderen. Zie Plunderen.
Plonzen, plonsde, heeft en is geplonsd.
Plooi, V., plooien. Plooitje, O., -jes.
Plooibaar, -baarder, -baarst.
Plooibaarheid, V.
Plooibout, M., -bouten.
Plooien, plooide, heeft geplooid.
Plooier, M., plooiers.
Plooierij, V., plooierijen.
Plooiing, V., plooiingen.
Plooischaar, V., -scharen.
Plooisel, O., plooisels.
Ploten, plootte, heeft geploot.
Ploter, M., ploters.
Ploterij, V., ploterijen.
Plots (tusschenw. en bijw.).
Plotseling.
Plotsen, plotste, heeft en is geplotst.
Pluche, O. Zie ook Peluche.
Plug (ploert), M., pluggen.
Plug (stop), V., pluggen. Plugje, O., -jes.
Pluim, V., pluimen. Pluimpje, O., -jes.
Pluimachtig.
Pluimage, V., pluimages.
Pluimen, pluimde, heeft gepluimd.
Pluimgedierte, O.
Pluimgraaf, M., -graven.
Pluimstaart, M., -staarten.
Pluimstrijken, pluimstrijkte, heeft gepluimstrijkt.
Pluimstrijker, M., -strijkers.
Pluimstrijkerij, V., -strijkerijen.
Pluis, V., pluizen. Pluisje, O., -jes.
Pluis (werk), O.
Pluis (bnw.).
Pluistouw, O., -touwen.
Pluiswerk, O.
Pluizen (rafelen, plukken), ploos, plozen, heeft geplozen.
Pluizen (pluizen afgeven), pluisde, heeft gepluisd.
Pluizer, M., pluizers.
Pluizerig, pluizeriger, pluizerigst.
Pluizerij, V.
Pluizig, pluiziger, pluizigst.
Pluk, M.
Plukhaak, M., -haken.
Plukharen, plukhaarde, heeft geplukhaard.
Plukken, plukte, heeft geplukt.
Plukker, M., plukkers.
Plukmand, V., -manden.
Pluksel, O., pluksels.
Plukselmaken, O.
Pluktijd, M.
Plumpudding, M., -puddings.
Plunderaar, M., plunderaars.
Plunderen en Plonderen, plunderde (plonderde), heeft geplunderd (geplunderd).
Plundering, V., plunderingen.
Plunderziek, -zieker, -ziekst.
Plunje, V.
Pluralis, M.
Plus.
Plusminus.
Plutocratie, V.
Pluvier, V., pluvieren. Pluviertje. O., -jes.
Pneumatisch.
Pneumonie, V.
Pochel, M., pochels. Pocheltje, O., -jes.
Pochen, pochte, heeft gepocht.
Pocher, M., pochers.
Pocherij, V., pocherijen.
Pochhans, M., -hanzen; -hansje, O., -jes.
Pochhanzerij, V., -hanzerijen.
Podagra, O.
Podagreus, podagreuzer.
Podagrist, M., podagristen.
Podding en Pudding, M., poddingen. Poddinkje, O., -jes.
Poddingtrommel, V., -trommels.
Poddingvorm, M., -vormen; -vormpje, O., -jes.
Poddingzak, M., -zakken.
Poedel, M., poedels. Poedeltje, O., -jes.
Poeder en Poeier (stof), O.; (fijngestampt geneesmiddel), V., poeders en poeiers. Poedertje en poeiertje, O., -jes.
Poederchocolade, V.
Poederen en Poeieren, poederde, heeft gepoederd.
Poedermantel, M., -mantels.
Poëet, M., poëten. Poëetje, O., -jes.
Poef (tusschenw.).
Poeha. Ook Poehaai.
Poehaan, M., -hanen.
Poeierdoos, V., -doozen; -doosje, O., -jes.
Poeierig, poeieriger, poeierigst.
Poel, M., poelen. Poeltje, O., -jes.
Poelepetaat, M., poelepetaten.
Poelet, O.
Poelier, M., poeliers.
Poelje, V., poeljes en poeljen.
Poelsnip, V., -snippen.
Poen, M., poenen.
Poenig, poeniger, poenigst.
Poenitent, M., poenitenten.
Poep, M., poepen. Poepje, O., -jes.
Poep (Mof), M., Poepen.
Poepen, poepte, heeft gepoept.
Poeren, poerde, heeft gepoerd.
Poes (kat), V., poesen. Poesje, O., -jes.
Poes (schimmel), O. en V.
Poeslief.
Poespas, M.
Poesten, poestte, heeft gepoest.
Poester, M., poesters.
Poëtisch.
Poets, V., poetsen. Poetsje, O., -jes.
Poetsen, poetste, heeft gepoetst.
Poetsgoed, O.
Poetsig, poetsiger, poetsigst.
Poetspommade.
Poezel (bnw.).
Poezelig, poezeliger, poezeligst.
Poëzie en Poëzij, V.
Poëzie-album, O., -albums.
Pof, M., poffen. Pofje, O., -jes.
Pof (tusschenw.).
Pofbroek, V., -broeken.
Poffen, pofte, heeft gepoft.
Poffer, M., poffers. Poffertje, O., -jes.
Poffertje (gebakje), O., -jes.
Poffertjeskraam, V., -kramen.
Poffertjespan, V., -pannen.
Pogen, poogde, heeft gepoogd.
Poging, V., pogingen.
Pok, V., pokken. Pokje, O., -jes.
Pokachtig.
Pokdaal, V., -dalen.
Pokdalig, -daliger, -daligst.
Poken, pookte, heeft gepookt.
Pokhout, O.
Pokkel. Zie Pukkel.
Pokken, pokte, heeft gepokt.
Pokkenbriefje, O., -briefjes.
Pokkenepidemie, V.
Pokput, M., -putten.
Pokstof, V.
Pokziekte, V., -ziekten.
Pol, M., pollen.
Polak, M., Polakken.
Polarisatie, V.
Polarisatievlak, O., -vlakken.
Polder, M., polders. Poldertje, O., -jes.
Polderbemaling, V.
Polderbestuur, O., -besturen.
Polderdijk, M., -dijken.
Polderdistrict, O., -districten.
Poldergast, M., -gasten.
Polderjongen, M., -jongens.
Polderkeet, V., -keten.
Polderland, O., -landen.
Poldermolen, M., -molens.
Polderreglement, O., -reglementen.
Poldersluis, V., -sluizen.
Polderwater, O.
Polei, V.
Polemiek, V.
Polemiet, O.
Polemisch.
Polemiseeren, polemiseerde, heeft gepolemiseerd.
Polichinel, M., polichinels.
Poliep, V., poliepen.
Poliet, polieter, polietst.
Polijsten, polijstte, heeft gepolijst.
Polijsthamer, M., -hamers.
Polijststaal, O., -stalen.
Polijststeen, M., -steenen.
Polijstwerk, O.
Polis, V., polissen.
Politicus, M., politici.
Politie, V.
Politie-agent, M., -agenten.
Politiebureau, O., -bureau's.
Politiecommissaris, M., -commissarissen.
Politiedienaar, M., -dienaars.
Politiehond, M., -honden.
Politiehuisje, O., -huisjes.
Politiek (staatkunde), V.
Politiek (burgerkleeding), O.
Politiek, politieker, politiekst.
Politiekamer, V., -kamers.
Politiemaatregel, M., -maatregelen.
Politiemacht, V.
Politiemuts, V., -mutsen.
Politie-oppasser, M., -oppassers.
Politiepost, M., -posten.
Politievaartuig, O., -vaartuigen.
Politieverordening, V., -verordeningen.
Politiewacht, V., -wachten.
Politiezaak, V., -zaken.
Politiezaal, V., -zalen.
Politiseeren, politiseerde, heeft gepolitiseerd.
Politoer, O.
Politoeren, politoerde, heeft gepolitoerd.
Polka, V., polka's.
Polka-mazurka, V., -mazurka's.
Pollepel, M., -lepels.
Pollevij, V., pollevijen. Pollevijtje, O., -jes.
Pols (slagader), M., polsen.
Pols (springstok), M., polsen.
Polsader, V., -aderen.
Polsen (in alle beteekenissen), polste, heeft gepolst.
Polsing, V., polsingen.
Polsmof, V., -moffen; -mofje, O., -jes.
Polsslag, M., -slagen.
Polsstok, M., -stokken.
Polygamie, V.
Polygoon, M., polygonen.
Polytechnisch.
Polytheïsme, O.
Pomerans, V., pomeransen.
Pomeransbitter, O.
Pomeransen, pomeranste, heeft gepomeranst.
Pommade, V.
Pommadepot, M., -potten; -potje, O., -jes.
Pomp, V., pompen. Pompje, O., -jes.
Pompbak, M., -bakken.
Pompdaal, V., -dalen.
Pompelmoes, V., pompelmoezen.
Pompen, pompte, heeft gepompt.
Pompenmaker, M., -makers.
Pomper, M., pompers.
Pompernikkel, M., pompernikkels.
Pompoen, M., pompoenen. Pompoentje, O., -jes.
Pompstation, O., -stations.
Pompstok, M., -stokken.
Pompwater, O.
Pon, V., ponnen. Ponnetje, O., -jes.
Pond, O., ponden. Pondje, O., -jes.
Pondegoed, O.
Pondspeer, V., -peren.
Pondspondsgewijze en -gewijs.
Ponjaard, M., ponjaarden. Ponjaardje, O., -jes.
Pons en Punch, V.
Ponsglaasje, O., -jes.
Pont (schouw), V., ponten. Pontje, O., -jes.
Pontegat, O.
Pontekoek, V.
Pontificaal, O.
Pontknecht, M., -knechts.
Ponto, V., ponto's.
Ponton, V., pontons.
Pontonbrug, V., -bruggen.
Pontonnier, M., pontonniers.
Pontwachter, M., -wachters.
Pony, M., pony's.
Pony-haar, O.
Pooien, pooide, heeft gepooid.
Pooier, M., pooiers.
Pook, M., poken. Pookje, O., -jes.
Pool (Polak), M., Polen.
Pool (aspunt), V., polen.
Pool (van fluweel), V.
Poolcirkel, M., -cirkels.
Poolexpeditie, V., -expedities.
Poolreis, V., -reizen.
Poolsch.
Poolsch, O.
Poolshoogte, V.
Poolster, V.
Poolvrouw, V., -vrouwen.
Poolzee, V.
Poort, V., poorten. Poortje, O., -jes.
Poortdeur, V., -deuren.
Poorter, M., poorters.
Poorteren, poorterde, heeft gepoorterd.
Poorterij, V., poorterijen.
Poorterschap, O.
Poortklep, V., -kleppen.
Poortsluiten, O.
Poortwachter, M. -wachters.
Poos, V., poozen. Poosje, O., -jes.
Poot (been), M., pooten. Pootje, O., -jes.
Poot (twijg), V., poten. Pootje, O., -jes.
Pootig, pootiger, pootigst. Zie ook Potig.
Pootje (podagra), O.
Pootvisch, M., -visschen. Collectief, V.
Poover, pooverder, pooverst.
Pooverheid, V.
Poovertjes.
Poozen, poosde, heeft gepoosd.
Pop, V., poppen. Popje en poppetje, O., -jes.
Popel, M., popels.
Popelen, popelde, heeft gepopeld.
Popeling, V., popelingen.
Poppegoed, O.
Poppejurk, V., -jurken.
Poppen, popte, heeft gepopt.
Poppenkamer, V., -kamers.
Poppenkast, V., -kasten.
Poppenkraam, V., -kramen.
Poppenledikant, O., -ledikanten.
Poppenspel, O.
Poppenwagen, M., -wagens; -wagentje, O., -jes.
Popperig, popperiger, popperigst.
Poppig, poppiger, poppigst.
Populair.
Populariseeren, populariseerde, heeft gepopulariseerd.
Populariteit, V.
Populier, M., populieren. Populiertje, O., -jes.
Populierenhout en Populierhout, O.
Por, M.
Porder, M., porders.
Poreus, poreuzer, poreust.
Poreusheid, V.
Porfier, O.
Porfieren (bnw.).
Porie, V., poriën.
Porijzer, O., -ijzers.
Porren, porde, heeft gepord.
Porring, V.
Porselein en Postelein (groente), V.
Porselein (aardewerk), O., porseleinen.
Porseleinaarde, V.
Porseleinen (bnw.).
Porseleinkast, V., -kasten.
Porseleinwinkel, M., -winkels.
Port (wijn), M.
Port (vrachtloon), O., porten.
Portaal, O., portalen. Portaaltje, O., -jes.
Porte, V.
Portefeuille, V., portefeuilles.
Portefeuille-almanak, M., -almanakken.
Portelen, portelde, heeft geporteld.
Porteltobbe, V., -tobben.
Portelwei, V.
Portemonnaie, V., portemonnaies; portemonneetje, O., -jes.
Portglas, O., -glazen.
Portie, V., porties en portiën. Portietje, O., -jes.
Portiek, V., portieken.
Portier (deurwachter), M., portiers.
Portier (van eene koets), O., portieren.
Portierraampje, O., -raampjes.
Portierster, V., portiersters.
Portierswoning, V., -woningen.
Portkaraf, V., -karaf; -karafje, O., -jes.
Portret, O., portretten. Portretje, O., -jes.
Portret-album, O., -albums.
Portretlijst, V., -lijsten; -lijstje, O., -jes.
Portretschilder, M., -schilders.
Portretteeren, portretteerde, heeft geportretteerd.
Portugees, M., Portugeezen.
Portugeesch, Portugeesche.
Portugeesch, O.
Portuurlijn, V., -lijnen.
Portwijn, M.
Portzegel, O., -zegels.
Pose, V., poses.
Poseeren, poseerde, heeft geposeerd.
Positie, V., positiën en posities.
Positief, positiever, positiefst.
Positief en Positivus (in de spraakkunst), M., positieven.
Positief (in de photographie), O., positieven.
Positieve, V.
Positivist, M., positivisten.
Positivistisch.
Possessie, V., possessiën en possessies.
Post (stijl), M., posten.
Post (van eene rekening), M., posten. Postje, O., -jes.
Post (standplaats en ambt), M., posten. Postje, O., -jes.
Post (postbode), M., posten.
Post (posterij, postkantoor en postwagen), V., posten.
Post (visch), V., posten. Postje, O., -jes.
Postambtenaar, M., -ambtenaars en -ambtenaren.
Postbeambte, M., -beambten.
Postbewijs, O., -bewijzen.
Postblad, O., -bladen.
Postbode, M., -boden.
Postdag, M., -dagen.
Postdienst, M.
Postdirecteur, M., -directeuren.
Postduif, V., -duiven.
Posteeren, posteerde, heeft geposteerd.
Postelein. Zie Porselein.
Postenorder, V.
Posterij, V., posterijen.
Posteriori (A -).
Postformaat, O.
Postgids, M., -gidsen.
Posthoorn en -horen, M., -hoorns en -horens.
Posthouder, M., -houders.
Postiljon, M., postiljons.
Postkaart, V., -kaarten.
Postkantoor, O., -kantoren.
Postkar, V., -karren.
Postlijst, V., -lijsten.
Postlooper, M., -loopers.
Postmeester, M., -meesters.
Postmerk, O., -merken.
Postpaard, O., -paarden.
Postpakket, O., -pakketten.
Postpakketdienst, M.
Postpapier, O.
Postquitantie, V., -quitanties.
Postscriptum, O.
Postspaarbank, V., -spaarbanken.
Postspaarbankboekje, O., -jes.
Poststempel, O., -stempels.
Postulaat, O., postulaten.
Postuur, O., posturen. Postuurtje, O., -jes.
Postverdrag, O., -verdragen.
Postverkeer, O.
Postwagen, M., -wagens.
Postweg, M., -wegen.
Postwet, V., -wetten.
Postwezen, O.
Postwissel, M., -wissels.
Postzak, M., -zakken.
Postzegel, M., -zegels.
Postzegelalbum, O.
Postzegelbevochtiger, M., -bevochtigers.
Postzegeldoosje, O., -doosjes.
Postzegelhandel, M.
Postzegelverzamelaar, M., -verzamelaars.
Postzegelverzameling, V., -verzamelingen.
Pot, M., potten. Potje, O., -jes.
Potage, V., potages.
Potasch, V.
Potaschloog, V.
Potdeksel, O., -deksels.
Potdicht.
Poteling, M., potelingen.
Poten, pootte, heeft gepoot.
Potentaat, M., potentaten. Potentaatje, O., -jes.
Potentiaal, V., potentialen.
Poter (persoon), M., poters.
Poter (pootaardappel), M., poters.
Pothuis, O., -huizen.
Potig, potiger, potigst. Zie ook Pootig.
Poting, V.
Potjeslatijn, O.
Potkachel, V., -kachels.
Potkijker, M., -kijkers.
Potlood, O., -looden; -loodje, O., -jes.
Potlooden, potloodde, heeft gepotlood.
Potloodteekening, V., -teekeningen.
Pots, V., potsen. Potsje, O., -jes.
Potscherf, V., -scherven.
Potsenmaker, M., -makers.
Potsierlijk, -lijker, -lijkst.
Potstuk, O., -stukken.
Potten, potte, heeft gepot.
Pottenbakker, M., -bakkers.
Pottenkast, V., -kasten.
Pottenmarkt, V., -markten.
Pottenschip, O., -schepen.
Pottenwinkel, M., -winkels.
Potter, M., potters.
Potverteerder, M., -verteerders.
Potvisch, M., -visschen.
Poularde, V., poulardes.
Praaibeurt, V., -beurten.
Praaien, praaide, heeft gepraaid.
Praal, V.
Praalbed, O., -bedden.
Praalgewaad, O., -gewaden.
Praalgraf, O., -graven.
Praalhans, M., -hanzen.
Praalkoets, V., -koetsen.
Praalvertoon, O.
Praalzucht, V.
Praam, V., pramen. Praampje, O., -jes.
Praat, M. Praatje, O., -jes.
Praatachtig, -achtiger, -achtigst.
Praatgraag, M. en V., praatgragen.
Praatster, V., praatsters. Praatstertje, O., -jes.
Praatstoel, M.
Praatvaar, M., -vaars.
Praatziek, -zieker, -ziekst.
Praatzucht, V.
Prachen, prachte, heeft gepracht.
Pracht, V.
Prachtalbum, O., -albums.
Prachtband, M., -banden; -bandje, O., -jes.
Prachtig, prachtiger, prachtigst.
Prachtigheid, V.
Prachtuitgave, V., -uitgaven.
Prachtwerk, O., -werken; -werkje, O., -jes.
Practijk (tegenover theorie), V.
Practisch.
Praeceptor, M., praeceptoren.
Praeceptoraat, O., praeceptoraten.
Praedicaat, O., praedicaten.
Praefix, O., praefixen.
Praeparaat, O., praeparaten. Praeparaatje, O., -jes.
Praepareeren (in de ontleedkunde), praepareerde, heeft gepraepareerd.
Praesens, O., praesentia.
Praeses, M., praesides.
Praesidium, O.
Prakkezeeren, prakkezeerde, heeft geprakkezeerd. Ook Prakkizeeren.
Praktijk (handeling), V., praktijken.
Praktijk (van een advocaat of dokter), V.
Praktizeeren, praktizeerde, heeft gepraktizeerd.
Praktizijn, M., praktizijns.
Praktizijnsleerling, M., -leerlingen.
Pralen, praalde, heeft gepraald.
Praler, M., pralers.
Pralerij, V., pralerijen.
Pram, V., prammen. Prammetje, O., -jes.
Prang, V., prangen.
Prangen, prangde, heeft geprangd.
Pranger, M., prangers.
Prat, pratter, pratst.
Praten, praatte, heeft gepraat.
Prater, M., praters. Pratertje, O., -jes.
Pratheid, V.
Prauw, V., prauwen.
Prauwel, V., prauwels. Prauweltje, O., -jes.
Prauwenveer, O., -veren.
Prebende, V., prebenden.
Precies, preciezer.
Precisie, V.
Predestinatie, V.
Predestineerden, predestineerde, heeft gepredestineerd.
Predikambt, O.
Predikant, M., predikanten.
Predikantsplaats, V., -plaatsen.
Predikantstraktement, O., -traktementen.
Predikantsweduwe, V., -weduwen.
Predikantswoning, V., -woningen.
Predikatie, V., predikatiën.
Predikbeurtenblad, O.
Prediken, predikte, heeft gepredikt.
Prediker, M., predikers.
Prediking, V., predikingen.
Predikstoel en Preekstoel, M., -stoelen.
Preek, V., preeken. Preekje, O., -jes.
Preekbeurt, V., -beurten.
Preeken, preekte, heeft gepreekt.
Preeker, M., preekers.
Preekstoel. Zie Predikstoel.
Preektoon, M.
Preektrant, M., -tranten.
Preekwijze, V., -wijzen.
Prefect, M., prefecten.
Prefectuur, V., prefecturen.
Prefereeren, prefereerde, heeft geprefereerd.
Preferent.
Preferentie, V., preferentiën en preferenties.
Prei, V., preien. Preitje, O., -jes.
Prelaat, M., prelaten.
Premie, V., premiën en premies.
Premieleening, V., -leeningen.
Premielot, O., -loten; -lootje, O., -jes.
Premieplaat, V., -platen.
Premiestelsel, O., -stelsels.
Prent (ook Print), V., prenten. Prentje, O., -jes.
Prentachtig, -achtiger, -achtigst.
Prentbijbel, M., -bijbels.
Prentbriefkaart, V., -kaarten.
Prenten, prentte, heeft geprent.
Prentenboek, O., -boeken; -boekje, O., -jes.
Prentenkraam, V., -kramen.
Prentenwinkel, M., -winkels.
Prentkunst, V.
Preparatief, O., preparatieven.
Prepareeren (voorbereiden enz.), prepareerde, heeft geprepareerd.
Prerogatief, O., prerogatieven.
Presbyteriaan, M., presbyterianen.
Presenning, V., presennings.
Present, O., presenten. Presentje, O., -jes.
Present (bnw.).
Presenteerblaadje, O., -jes.
Presenteeren, presenteerde, heeft gepresenteerd.
Presenteertrommeltje, O., -jes.
Present-exemplaar, O., -exemplaren.
Presentie, V.
Presentiegeld, O., -gelden.
Presentielijst, V., -lijsten.
Preservatief, O., preservatieven.
Presideeren, presideerde, heeft gepresideerd.
President, M., presidenten.
President-diaken, M.
Presidentschap, O.
Presidentshamer, M., -hamers.
Presidentsstoel, M., -stoelen.
Pressant, pressanter, pressantst.
Pressen, preste, heeft geprest.
Presser, M., pressers.
Pressing, V.
Prestige, O.
Presumeeren, presumeerde, heeft gepresumeerd.
Presumtie, V., presumtiën en presumties.
Pret, V. Pretje, O., -jes.
Pretendeeren, pretendeerde, heeft gepretendeerd.
Pretendent, M., pretendenten.
Pretensie, V., pretensiën en pretensies. Ook, en juister, Pretentie.
Pretentieus, pretentieuzer.
Pretext, O., pretexten.
Pretmaker, M., -makers.
Prettig, prettiger, prettigst.
Preukelen, preukelde, heeft gepreukeld.
Preutelaar, M., preutelaars.
Preutelen, preutelde, heeft gepreuteld.
Preutelig, preuteliger, preuteligst.
Preutsch, preutscher, meest preutsch.
Preutschheid, V.
Preuve en Prove, V., preuven en proven.
Prevaleeren, prevaleerde, heeft geprevaleerd.
Prevelaar, M., prevelaars.
Prevelarij, V., prevelarijen.
Prevelen, prevelde, heeft gepreveld.
Previeliën, previeliede, heeft geprevielied.
Priëel, O., priëelen. Priëeltje, O., -jes.
Priegel, M.
Priegelen, priegelde, heeft gepriegeld.
Priel, M., prielen.
Priem, M., priemen. Priempje, O., -jes.
Priemdonker.
Priemen, priemde, heeft gepriemd.
Priemgetal, O., -getallen.
Priester, M., priesters en priesteren.
Priesterambt, O.
Priesterdom, O.
Priesteres, V., priesteressen.
Priestergewaad, O., -gewaden.
Priesterkaste, V., -kasten.
Priesterkoor, O., -koren.
Priesterlijk.
Priesterschap (priesterlijke waardigheid), O.; (de gezamenlijke priesters), V.
Priesterwijding, V.
Priesterzegen, M.
Prij, V., prijen.
Prijken, prijkte, heeft geprijkt.
Prijs (lof, eereblijk en waarde), M., prijzen. Prijsje, O., -jes.
Prijs (buit), V., prijzen (voor goede - verklaren).
Prijsbepaling, V., -bepalingen.
Prijscourant, V., -couranten.
Prijselijk en Prijslijk, -lijker, -lijkst.
Prijsgeld, O., -gelden.
Prijsgerecht, O., -gerechten.
Prijsgeven, gaf prijs, gaven prijs, heeft prijsgegeven.
Prijshoudend.
Prijskamp, M., -kampen.
Prijslijst, V., -lijsten.
Prijsnoteering, V., -noteeringen.
Prijsopgaaf (en -opgave), V., -opgaven.
Prijsrechter, M., -rechters.
Prijsuitdeeling, V., -uitdeelingen.
Prijsverhandeling, V., -verhandelingen.
Prijsverklaren, heeft prijsverklaard.
Prijsvermindering, V.
Prijsvraag, V., -vragen.
Prijzen, prees, prezen, heeft geprezen.
Prijzenhof, O.
Prijzenswaardig, -waardiger, -waardigst, of meer en meest -waardig.
Prik, M., prikken. Prikje, O., -jes.
Prikkel, M., prikkels en prikkelen.
Prikkelbaar, -baarder, -baarst.
Prikkelbaarheid, V.
Prikkeldraad, O. (stof).
Prikkelen, prikkelde, heeft geprikkeld.
Prikkeling, V., prikkelingen.
Prikken, prikte, heeft geprikt.
Prikker, M., prikkers.
Prikslee, V., -sleeën; -sleetje, O., -jes.
Priktol, M., -tollen.
Pril, priller, prilst.
Primaat, M., primaten.
Primair.
Principaal, M., principalen.
Principe, O., principes.
Principiëel, -ëele.
Prins, M., prinsen. Prinsje, O., -jes.
Prinsdom, O., prinsdommen.
Prinselijk.
Prinsenhof, O.
Prinsenvlag, V.
Prinses, V., prinsessen. Prinsesje, O., -jes.
Prinsessenbier, O.
Prinsessenboonen (mv.), V.; -boontjes, O.
Prinsjesdag, M.
Print. Zie Prent.
Prior, M., priors.
Priores, V., prioressen.
Priorin, V., priorinnen.
Priorschap, O.
Priseerder, M., priseerders.
Priseeren, priseerde, heeft gepriseerd.
Priseering, V., priseeringen.
Prisma, O., prisma's en prismata.
Privaat, private.
Privaat, O., privaten.
Privaatbezit, O.
Privaatdocent, M., -docenten.
Privaatles, V., -lessen.
Privaatrecht, O.
Privaatrechtelijk.
Privaatrechter, M., -rechters.
Privilege, O., privilegiën en privileges.
Probeeren, probeerde, heeft geprobeerd.
Probeersel, O., probeersels. Probeerseltje, O., -jes.
Probleem en Problema, O., problemen.
Problematiek, problematieke.
Problematisch.
Procedeeren, procedeerde, heeft geprocedeerd.
Procedure, V., proceduren en procedures.
Procent. Zie Percent.
Proces, O., processen. Procesje, O., -jes.
Proceskosten (mv.), M.
Processie, V., processiën en processies.
Processtuk, O., -stukken.
Proces-verbaal, O., processen-verbaal.
Proclamatie, V., proclamaties en proclamatiën.
Procuratie, V., procuratiën en procuraties.
Procuratiehouder, M., -houders.
Procurator, M., procurators en procuratoren.
Procureur, M., procureurs.
Procureur-crimineel, M., procureurs-crimineel.
Procureur-generaal, M., procureurs-generaal.
Procureurschap, O.
Procureurskantoor, O., -kantoren.
Procureursklerk, M., -klerken.
Producent, M., producenten.
Product, O., producten.
Productief, productiever, productiefst.
Productiekosten (mv.), M.
Productiviteit, V.
Proef en Proeve, V., proeven. Proefje, O., -jes.
Proefbalans, V., -balansen.
Proefblad, O., -bladen; -blaadje, O., -jes.
Proefdruk, M.
Proefflesch, V., -flesschen.
Proefhoudend.
Proefkonijn, O., -konijnen; -konijntje, O., -jes.
Proefkunst, V.
Proeflokaal, O., -lokalen.
Proefnaald, V., -naalden.
Proefneming, V., -nemingen.
Proefnummer, O., -nummers.
Proefondervindelijk.
Proefpaal, M., -palen.
Proefpreek, V., -preeken.
Proefrit, M., -ritten.
Proefschrift, O., -schriften.
Proefstation, O., -stations.
Proefstoomen, O.
Proefstuk, O., -stukken; -stukje, O., -jes.
Proeftijd, M., -tijden.
Proeftocht, M., -tochten.
Proeftuin, M., -tuinen.
Proefveld, O., -velden.
Proesten, proestte, heeft geproest.
Proeven, proefde, heeft geproefd.
Proevenlezer, M., -lezers.
Proever, M., proevers.
Profaan, profaner, profaanst.
Profaneeren, profaneerde, heeft geprofaneerd.
Profeet, M., profeten.
Professie, V.
Professor, M., professoren en professors.
Professoraal, professorale.
Professoraat, O., professoraten.
Professorenkrans, M.
Profeteeren, profeteerde, heeft geprofeteerd.
Profetenbroodje, O., -jes.
Profetenschool, V., -scholen.
Profetes, V., profetessen.
Profetie, V., profetieën.
Profetisch.
Profiel, O., profielen.
Profijt, O., profijten. Profijtje, O., -jes.
Profijtelijk, -lijker, -lijkst.
Profiteeren, profiteerde, heeft geprofiteerd.
Programma, O., programma's.
Programma-muziek, V.
Progressief.
Progressist, M., progressisten.
Progressistisch.
Progymnasium, O., -gymnasia.
Project, O., projecten.
Projecteeren, projecteerde, heeft geprojecteerd.
Projectie, V., projectiën en projecties.
Projectief.
Projectiel, O., projectielen.
Projectieteekenen, O.
Prol, V.
Proletariaat, O.
Proletariër, M., proletariërs.
Prollig, prolliger, prolligst.
Prolongatie, V.
Proloog, M., prologen.
Promenade-dek, O., -dekken.
Promesse, V., promessen.
Promotie, V., promotiën en promoties.
Promotiepartij, V., -partijen.
Promotieplaat, V., -platen.
Promotor, M., promotors en promotoren.
Promoveeren, promoveerde, heeft en is gepromoveerd.
Prompt, prompter, promptst.
Pronk, M. Pronkje, O., -jes.
Pronkbed, O., -bedden.
Pronkbeeld, O., -beelden; -beeldje, O., -jes.
Pronken, pronkte, heeft gepronkt.
Pronker, M., pronkers.
Pronkerig, pronkeriger, pronkerigst.
Pronkerigheid, V.
Pronkerij, V., pronkerijen.
Pronkjuweel, O., -juweelen.
Pronkkamer, V., -kamers.
Pronksieraad, O., -sieraden.
Pronkster, V., pronksters.
Pronkstuk, O., -stukken; -stukje, O., -jes.
Pronselaar, M., pronselaars.
Pronselen, pronselde, heeft gepronseld.
Pronselgeld, O.
Pronselwerk, O.
Prooi, V., prooien. Prooitje, O., -jes.
Proosdij, V., proosdijen.
Proost, M., proosten.
Proostschap, O.
Prop, V., proppen. Propje, O., -jes.
Propaedeutisch.
Propaedeutisch, O.
Propaganda, V.
Propagandablad, O., -bladen, -blaadje, O., -jes.
Proper, properder, properst.
Properheid, V.
Proponeeren, proponeerde, heeft geproponeerd.
Proponent, M., proponenten. Proponentje, O., -jes.
Proponentsplaats, V., -plaatsen.
Propoost, O., propoosten.
Propositie, V., propositiën en proposities.
Proppen, propte, heeft gepropt.
Proppenschieter, M., -schieters.
Propvol, -volle.
Prorector, M., -rectoren.
Prosector, M., -sectoren.
Proseliet, M., proselieten.
Proselietenmaker, M., -makers.
Proselietenmakerij, V.
Prosodie, V.
Prosopographie, V., prosopographieën.
Prospectus, O., prospectussen.
Prostitutie, V.
Protectoraat, O., protectoraten.
Protest, O., protesten.
Protestant, M., protestanten.
Protestantenbond, M.
Protestantisme, O.
Protestantsch.
Protestatie, V., protestaties en protestatiën.
Protesteeren, protesteerde, heeft geprotesteerd.
Protocol, O., protocollen.
Protoplasma, O.
Prove. Zie Preuve.
Provençaalsch, O.
Provenier, M., proveniers.
Proveniershuis, O., -huizen.
Proviand, V.
Proviandeeren, proviandeerde, heeft geproviandeerd.
Proviandeering, V., proviandeeringen.
Provinciaal, provinciale.
Provinciaal, M., provincialen.
Provincialisme, O., provincialismen.
Provincie, V., provinciën en provincies.
Provinciehout, O.
Provincieroos, V., -rozen.
Provisie, V., provisiën en provisies.
Provisiekamer, V., -kamers.
Provisiekast, V., -kasten.
Provisioneel, provisioneele.
Provisor, M., provisors en provisoren.
Provoost (persoon), M., provoosten.
Provoost (lokaal), V.
Proza, O.
Prozaïsch.
Prozaïst, M., prozaïsten.
Prozamensch, M., -menschen.
Prozaschrijver, M., -schrijvers.
Prozastijl, M.
Pruik, ook Paruik, V., pruiken. Pruikje, O., -jes.
Pruik (ouderwetsch man), M., pruiken.
Pruikebol, M., -bollen.
Pruikedoos, V., -doozen.
Pruiken, pruikte, heeft gepruikt.
Pruikenmaker, M., -makers.
Pruikentijd, M.
Pruikerig, pruikeriger, pruikerigst.
Pruilen, pruilde, heeft gepruild.
Pruiler, M., pruilers.
Pruilhoek, M., -hoeken.
Pruilmond, M. en V., -monden.
Pruim, V., pruimen. Pruimpje, O., -jes.
Pruimeboom, M., -boomen; -boompje, O., -jes.
Pruimedant, V., pruimedanten.
Pruimemond, M., -monden; -mondje, O., -jes.
Pruimen, pruimde, heeft gepruimd.
Pruimenkonserf, O.
Pruimentaart, V., -taarten.
Pruimepit, V., -pitten.
Pruimer, M., pruimers.
Pruimerij, V., pruimerijen.
Pruimesteen, M., -steenen.
Pruimtabak, V.
Pruis, M., Pruisen.
Pruisen, O.
Pruisisch.
Pruisisch-zuur, O.
Prul, O., prullen. Prulletje, O., -jes.
Prullaria (mv.), O.
Prullenboel, M.
Prullenkast, V., -kasten.
Prullenkist, V., -kisten.
Prullenkraam, V., -kramen.
Prullenmand, V., -manden.
Prullig, prulliger, prulligst.
Prulschrijver, M., -schrijvers.
Prulwerk en Prullewerk, O., -werken.
Prumel en Prunel, V., prumellen en prunellen.
Prut, V.
Prut (bnw.).
Pruthuis, O., -huizen.
Prutsen, prutste, heeft geprutst.
Prutser, M., prutsers.
Pruttelaar, M., pruttelaars.
Pruttelaarster, V., pruttelaarsters.
Pruttelarij, V.
Pruttelen, pruttelde, heeft geprutteld.
Prutter, M., prutters.
Prutterig, prutteriger, prutterigst.
Psalm, M., psalmen. Psalmpje, O., -jes.
Psalmberijming, V., -berijmingen.
Psalmdichter, M., -dichters.
Psalmgezang, O.
Psalmist, M., psalmisten.
Psalter, O., psalters.
Pseudoniem, O., pseudoniemen.
Pst (tusschenw.).
Psychiater, M., psychiaters.
Psychiatrie, V.
Psychologie, V.
Publicatie, V., publicatiën en publicaties.
Publiceeren, publiceerde, heeft gepubliceerd.
Publicist, M., publicisten.
Publiciteit, V.
Publiek, publieker, publiekst.
Publiek, O.
Pudding. Zie Podding.
Puf, V.
Puffen, pufte, heeft gepuft.
Pufferig, pufferiger, pufferigst.
Pui, V., puien. Puitje, O., -jes.
Puibewassching, V.
Puik, O., Puikje, O., -jes.
Puilader, V., -aders.
Puiladerig.
Puilen, puilde, heeft gepuild.
Puiloog (oog), O., -oogen.
Puiloog (persoon), M. en V., -oogen.
Puiloogig.
Puimsteen, M., -steenen. Als stofnaam, O. Puimsteentje, O., -jes.
Puin, O.
Puingras, O.
Puinhoop, M., -hoopen.
Puist, V., puisten. Puistje, O., -jes.
Puistachtig, -achtiger, -achtigst.
Puistigheid, V.
Puit, M., puiten. Puitje, O., -jes.
Puitaal, M., -alen; -aaltje, O., -jes.
Pukkel, ook Peukel en Pokkel, V., pukkels (peukels, pokkels). Pukkeltje (peukeltje, pokkeltje), O., -jes.
Pul, V., pullen. Pulletje, O., -jes.
Pulken, pulkte, heeft gepulkt.
Pullen, pulde, heeft gepuld.
Pulp, V.
Pulseeren, pulseerde, heeft gepulseerd.
Pulver, O.
Pummel, M., pummels.
Punch. Zie Pons.
Punt (spits en leesteeken), V., punten. Puntje, O., -jes.
Punt (onderwerp, tijdpunt en wiskundig punt), O., punten. Puntje, O., -jes.
Puntbeitel, M., -beitels.
Puntdicht, O., -dichten; -dichtje, O., -jes.
Punteeren, punteerde, heeft gepunteerd.
Punteerijzer, O., -ijzers.
Punten, puntte, heeft gepunt.
Puntenreeks, V., -reeksen.
Puntig, puntiger, puntigst.
Puntigheid, V., -heden.
Puntkogel, M., -kogels.
Pupil, M. en V., pupillen.
Pupillenschool, V., -scholen.
Puren, puurde, heeft gepuurd.
Purgatie, V., purgaties en purgatiën.
Purgeerdrank, M., -dranken; -drankje, O., -jes.
Purgeeren, purgeerde, heeft gepurgeerd.
Purgeermiddel, O., -middelen.
Purgeerpoeier, V., -poeiers.
Purim, O.
Purist, M., puristen.
Puristerij, V.
Puritein, M., puriteinen.
Purmer (naam van een polder), V.
Purper, O.
Purperachtig, -achtiger, -achtigst.
Purperen (bnw.).
Purperen, purperde, heeft gepurperd.
Purperkleurig.
Purperrood.
Purperslak, V., -slakken.
Put, M., putten. Putje, O., -jes.
Putboor, V., -boren.
Putgalg, V., -galgen.
Puthaak, M., -haken.
Putoor. Zie Pitoor.
Puts, V., putsen.
Putsen, putste, heeft geputst.
Putten, putte, heeft geput.
Putter, M., putters. Puttertje, O., -jes.
Putting (scheepsw.), V., puttings.
Puttingwant, O.
Putwater, O.
Puur, pure.
Pyramidaal. Zie Piramidaal.
Pyramide. Zie Piramide.
Pyrotechnisch.
Pyrrhonisme, O.
Q
Q, V., q's.
Quadraat, O., quadraten.
Quadrant, O., quadranten.
Quadratuur, V.
Quadreeren, quadreerde, heeft gequadreerd.
Quadrille, V., quadrilles.
Quadrilleeren, quadrilleerde, heeft gequadrilleerd.
Quadrillioen, O., quadrillioenen.
Quaestie, V., quaestiën en quaesties. Zie ook Kwestie.
Quaestieus, quaestieuze.
Quaestor, M., quaestoren.
Quaestuur, V.
Qualificatie, V., qualificatiën en qualificaties.
Qualificeeren, qualificeerde, heeft gequalificeerd.
Qualitatief, qualitatieve.
Qualiteit, V., qualiteiten.
Quantitatief, quantitatieve.
Quantiteit, V., quantiteiten.
Quantiteitsverschil, O., -verschillen.
Quantum, O.
Quarantaine, V.
Quarantaine-maatregel, M., -maatregelen.
Quarantaine-vlag, V.
Quarterone, M. en V., quarteronen.
Quartet en Kwartet, O., quartetten en kwartetten.
Quartetvereeniging, V., -vereenigingen.
Quarto (bnw.). Als znw., O., quarto's.
Quarto-formaat, O.
Quasi.
Quatertemper, M., quatertempers.
Quatre-mains, V.
Quatre-mains-speler, M., -spelers.
Quiëtisme, O.
Quiëtist, M. quiëtisten.
Quint (in de muziek), V., quinten.
Quintaal, O., quintalen.
Quintessence en Quintessens, V.
Quintet, O., quintetten.
Qui-pro-quo, O., qui-pro-quo's.
Quitantie, V., quitantiën en quitanties. Ook Kwitantie, kwitanties.
Quitantiezegel, O., -zegels.
Quiteeren, quiteerde, heeft gequiteerd.
Quitte (bnw.).
Quota, V., quota's.
Quotiënt, O., quotiënten.
R
R, V., r's.
Ra, V., raas.
Raad, M., raden.
Raadgever, M., -gevers.
Raadgeving, V., -gevingen.
Raadhuis O., -huizen.
Raadkamer, V., -kamers.
Raad-pensionaris, M., raad-. Ook Raadpensionaris.
Raadplegen, raadpleegde, heeft geraadpleegd.
Raadpleger, M., -plegers.
Raadsbesluit, O., -besluiten.
Raadsel, O., raadselen en raadsels. Raadseltje, O., -jes.
Raadselachtig, -achtiger, -achtigst.
Raadselachtigheid, V.
Raadselboek, O., -boeken; -boekje, O., -jes.
Raadsheer, M., -heeren.
Raadsheerlijk.
Raadslid, O., -leden.
Raadsman, M., -lieden.
Raadsvergadering, V., -vergaderingen.
Raadsverslag, O., -verslagen.
Raadszitting, V., -zittingen.
Raadvragen, O.
Raadzaal, V., zalen.
Raadzaam, -zamer, -zaamst.
Raadzaamheid, V.
Raaf, V., raven. Raafje, O., -jes.
Raagbol. Zie Ragebol.
Raaghoofd en Raagshoofd, O., -hoofden.
Raagstok, M., -stokken.
Raai, V., raaien.
Raak, V., raken.
Raak (bijw.).
Raakgooien, gooide raak, heeft raakgegooid.
Raaklijn, V., -lijnen.
Raakpunt, O., -punten.
Raakschieten, schoot raak, schoten raak, heeft raakgeschoten.
Raakslaan, sloeg raak, heeft raakgeslagen.
Raam (raming), M.
Raam (venster), O., ramen. Raampje, O., -jes.
Raampost, M., -posten.
Raamwerk, O.
Raamzaag, V., -zagen.
Raap, V., rapen. Raapje, O., -jes.
Raapkoek, M., -koeken.
Raapolie, V.
Raapzaad, O.
Raar, raarder, raarst.
Raasbol, M., -bollen; -bolletje, O., -jes.
Raasbollen, raasbolde, heeft, geraasbold.
Raaskallen, raaskalde, heeft geraaskald.
Raaskop, M., -koppen.
Raasmaandag, M.
Raat, V., raten.
Rabarber, V.
Rabarbersteel, M., -stelen.
Rabat, O., rabatten. Rabatje, O., -jes.
Rabatijzer, O., -ijzers.
Rabatschaaf, V., -schaven.
Rabatteeren, rabatteerde, heeft gerabatteerd.
Rabatten, rabatte, heeft gerabat.
Rabauw (appel), V., rabauwen.
Rabbelaar, M., rabbelaars.
Rabbelaarster, V., rabbelaarsters.
Rabbelen, rabbelde, heeft gerabbeld.
Rabbi, M., rabbi's.
Rabbijn, M., rabbijnen.
Rabbijnsch.
Rachitis, V.
Rachter. Zie Rafter.
Rad, O., raden en raderen. Radje, O., raadjes en radertjes.
Rad, radder, radst.
Radbraken, radbraakte, heeft geradbraakt.
Raddraaier, M., -draaiers.
Radeermesje, O., -mesjes.
Radeloos, -loozer.
Radeloosheid, V.
Raden, ried, heeft geraden; ook raadde.
Radenmaker, M., -makers.
Raderbaar, V., -baren.
Raderboot, V., -booten.
Raderkast, V., -kasten.
Raderwerk, O.
Radheid, V.
Radicaal, radicale.
Radicaal (persoon), M., radicalen.
Radicaal (toelating), O.
Radicalisme, O.
Radijs, V., radijzen. Radijsje, O., -jes
Radijszaad, O.
Raf, O.
Rafel, V., rafels. Rafeltje, O., -jes.
Rafeldraad, M., -draden.
Rafelen, rafelde, heeft en is gerafeld.
Rafeling, V.
Rafelzijde, V.
Raffelen, raffelde, heeft geraffeld.
Raffinaderij, V., raffinaderijen.
Raffinadeur, M., raffinadeurs.
Raffineeren, raffineerde, heeft geraffineerd.
Raffinement, O.
Rafter, M., rafters.
Rag, O.
Ragebol en Raagbol, M., -bollen.
Ragen, raagde, heeft geraagd.
Ragout, M., ragouts.
Rahout, O., -houten.
Railleeren, railleerde, heeft gerailleerd.
Raillerie, V., raillerieën.
Rail, V., rails.
Raisonnabel, raisonnabeler, raisonnabelst.
Raisonnement, O.
Rak, O., rakken. Rakje, O., -jes.
Rakbeugel, M., -beugels.
Rakel, M., rakels. Rakeltje, O, -jes.
Rakelen, rakelde, heeft gerakeld.
Rakelijzer, O., -ijzers.
Rakelings.
Rakelstok, M., -stokken.
Raken, raakte, heeft en is geraakt.
Raket (kruid), V.
Raket (kaatstuig), O., raketten. Raketje, O., -jes.
Raketten, rakette, heeft geraket.
Rakker, M.. rakkers. Rakkertje, O., -jes.
Rakkestrop, M., -stroppen.
Rakketalie, V., -talies.
Rakketouw, O., -touwen.
Rakketros, M., -trossen.
Rallen, ralde, heeft gerald.
Ram, rammen. Rammetje, O., -jes.
Ramen, raamde, heeft geraamd.
Ramenas, V., ramenassen. Ramenasje, O., -jes.
Ramenasloof, O.
Raming, V., ramingen.
Rammei, V., rammeien.
Rammeien, rammeide, heeft gerammeid.
Rammel (rammelaar en rammelaarster), M. en V., rammels.
Rammelaar (babbelaar, konijn en speeltuig), M., rammelaars. Rammelaartje, O., -jes.
Rammelaarster, V., rammelaarsters.
Rammelen, rammelde, heeft gerammeld.
Rammeling, V.
Rammelkast, V., -kasten.
Rammen, ramde, heeft geramd.
Ramp, V., rampen.
Rampaard, O., -paarden.
Rampspoed, M., -spoeden.
Rampspoedig, -spoediger, -spoedigst.
Rampzalig, -zaliger, -zaligst.
Rampzaligheid, V., -heden.
Ramshoorn en -horen, M., -hoorns en -horens.
Ramskop, M., -koppen.
Rancune, V., rancunes.
Rand, M., randen. Randje, O., -jes.
Randen, randde, heeft gerand.
Randgaar, V.
Randschrift, O., -schriften.
Randversiering, V., -versieringen.
Rang, M., rangen.
Rangeerder, M., rangeerders.
Rangeeren, rangeerde, heeft gerangeerd.
Rangeerterrein, O., -terreinen.
Rangeertrein, M., -treinen.
Ranglijst, V., -lijsten.
Rangnummer, O., -nummers.
Rangorde, V.
Rangregeling, V.
Rangschikken, rangschikte, heeft gerangschikt.
Rangschikking, V., -schikkingen.
Rank (twijg), V., ranken. Rankje, O., -jes.
Rank, ranker, rankst.
Rankheid, V.
Ranonkel, V., ranonkels. Ranonkeltje, O., -jes.
Ranonkelgewas, O., -gewassen.
Rans, ranser, ranst.
Ransel (soldatentasch), M., ransels. Ranseltje, O., -jes.
Ransel (slaag), M.
Ranselen, ranselde, heeft geranseld.
Ranseling, V., ranselingen.
Ransheid, V.
Ransig, ransiger, ransigst.
Ransigheid, V.
Ransuil, M., -uilen.
Rantsoen en Ransoen (losgeld), O., rantsoenen.
Rantsoen (hoeveelheid spijs en drank), O., rantsoenen. Rantsoentje, O., -jes.
Rantsoeneeren en Ransoeneeren, rantsoeneerde, heeft gerantsoeneerd.
Rantsoenhout, O., -houten.
Rantsoenkist, V., -kisten.
Raout, M., raouts.
Rap, rapper, rapst.
Rap (Jan -).
Rapalje, O.
Rapé, V.
Rapen, raapte, heeft geraapt.
Rapesteel, M., -stelen.
Rapheid, V.
Rapier, O., rapieren.
Rappig, rappiger, rappigst.
Rappigheid, V.
Rapport, O., rapporten. Rapportje, O., -jes.
Rapporteeren, rapporteerde, heeft gerapporteerd.
Rapporteur, M., rapporteurs.
Rarekiek, M., rarekieken.
Rarigheid, V., -heden.
Rariteit, V., rariteiten. Rariteitje, O., -jes.
Rariteitenkamer, V., -kamers.
Rariteitenkast, V., -kasten.
Ras (draaikolk), O., rassen.
Ras (kleedingstof), O.
Ras (geslacht), O., rassen.
Ras (bijw.), rasser.
Rasch (bnw.), rasscher, meest rasch.
Raschheid, V.
Raseeren, raseerde, heeft geraseerd.
Rashond, M., -honden.
Rasp, V., raspen. Raspje, O., -jes.
Raspaard, O., -paarden.
Raspen, raspte, heeft geraspt.
Rasper, M., raspers.
Raspererwten (mv.), V.
Rasphuis, O., -huizen.
Rasping, V.
Raspvijl, V., -vijlen.
Raspzaag, V., -zagen.
Rassen (bnw.).
Rassenhaat, M.
Rastering, V., rasteringen. Rasterinkje, O., -jes.
Rasterwerk, O.
Rat en Rot, V., ratten en rotten. Ratje en rotje, O., -jes.
Ratel, M., ratels. Rateltje, O., -jes.
Ratelaar, M., ratelaars.
Ratelen, ratelde, heeft gerateld.
Rateling, V.
Ratelkous, M. en V., -kousen.
Ratelmond, M. en V., -monden.
Ratelslag, M., -slagen.
Ratelslang, V., -slangen.
Ratelwacht, M., -wachten.
Ratificatie, V., ratificatiën en ratificaties.
Ratificeeren, ratificeerde, heeft geratificeerd.
Ratijn, O., ratijnen.
Ratijnen (bnw.).
Rationalisme, O.
Rationalist, M., rationalisten.
Rationeel, rationeeler, rationeelst.
Ratjetoe, V.
Rattenhol, O.
Rattenklem, V., -klemmen.
Rattenknip, V., -knippen.
Rattenkruit, O.
Rattennest, O., -nesten.
Rattenval, V., -vallen.
Rattestaart (vijl), M., -staarten.
Rattevel, O., -vellen.
Rauw, rauwer, rauwst.
Rauwachtigheid, V.
Rauwelijk.
Rauwelings.
Rauwheid, V.
Rauwigheid, V.
Ravelijn, O., ravelijnen.
Ravenaas, O., -azen.
Ravengekras, O.
Ravennest, O., -nesten.
Ravenzwart.
Ravijn, O., ravijnen.
Ravotten, ravotte, heeft geravot.
Ravotter, M., ravotters.
Rayon, O., rayons.
Razeil, O., -zeilen en -zeils.
Razen, raasde, heeft geraasd.
Razend, razender, razendst.
Razer, M., razers.
Razernij, V., razernijen.
Razijn. Zie Rozijn.
Reaal, M., realen.
Reactie, V.
Reactionnair, M., reactionnairen.
Reactionnair (bnw.).
Reageerbuis, V., -buizen; -buisje, O., -jes.
Reageeren, reageerde, heeft gereageerd.
Reagens, O., reagentia.
Realisatie, V., realisatiën en realisaties.
Realiseeren, realiseerde, heeft gerealiseerd.
Realisme, O.
Realist, M., realisten.
Realistisch.
Realiteit, V.
Rebel, M., rebellen.
Rebelleeren, rebelleerde, heeft gerebelleerd.
Rebellie, V.
Rebelsch, rebelscher, meest rebelsch.
Recapitulatie, V., recapitulaties en recapitulatiën.
Recenseeren, recenseerde, heeft gerecenseerd.
Recensent, M., recensenten.
Recensie, V., recensiën en recensies.
Recent, recenter, recentst.
Recepis, O., recepissen.
Recept, O., recepten. Receptje, O., -jes.
Recepteeren, recepteerde, heeft gerecepteerd.
Receptenboek, O., -boeken.
Receptie, V., receptiën en recepties.
Receptiekamer, V., -kamers.
Receptiekosten (mv.), M.
Receptiezaal, V., -zalen.
Receptuur, V.
Reces, O.
Recherche, V., recherches.
Rechercheur, M., rechercheurs.
Recherche-vaartuig, O., -vaartuigen.
Recht, rechter, rechtst.
Recht, O., rechten.
Rechtaan.
Rechtbank, V., -banken.
Rechtbuigen, boog recht, bogen recht, heeft rechtgebogen.
Rechtdraads.
Rechten, rechtte, heeft gerecht.
Rechtens.
Rechter, M., rechters en rechteren.
Rechterarm, M., -armen.
Rechterbeen, O., -beenen.
Rechter-commissaris, M., rechters-commissarissen.
Rechterhand, V., -handen.
Rechterkant, M.
Rechterlijk.
Rechtermouw, V., -mouwen.
Rechteroever, M.
Rechteroog, O., -oogen.
Rechtersambt, O.
Rechterschap, O.
Rechterstoel, M., -stoelen.
Rechtervleugel, M., -vleugels.
Rechtervoet, M., -voeten.
Rechterzak, M., -zakken.
Rechterzijde, V.
Rechtgeaard.
Rechtgeloovig, -gelooviger, -geloovigst.
Rechtgeloovigheid, V.
Rechthebbende, M. en V., -hebbenden.
Rechtheid, V.
Rechthoek, M., -hoeken.
Rechthoekig.
Rechthuis, O., -huizen.
Rechtkloppen, klopte recht, heeft rechtgeklopt.
Rechtlijnig.
Rechtmatig, -matiger, -matigst.
Rechtmatigheid, V.
Rechtop.
Rechtopstaand.
Rechts (bijw.).
Rechtsaf.
Rechtsban, M.
Rechtsbedeeling, V.
Rechtsbegrip, O., -begrippen.
Rechtsbron, V..-bronnen.
Rechtsch (bnw.).
Rechtschapen, -schapener, -schapenst.
Rechtschapenheid, V.
Rechtscollege, O., -colleges.
Rechtsdwang, M.
Rechtsfeit, O., -feiten.
Rechtsgebied, O.
Rechtsgebouw, O. -gebouwen.
Rechtsgeding, O., -gedingen.
Rechtsgeldigheid, V.
Rechtsgeleerd.
Rechtsgeleerde, M. en V., -geleerden.
Rechtsgeleerdheid, V.
Rechtsgeschiedenis, V.
Rechtsgevoel, O.
Rechtshandel, M.
Rechtsingang, M.
Rechtskundig.
Rechtsmacht, V.
Rechtsmiddel, O., -middelen.
Rechtsom.
Rechtsomkeert (- maken).
Rechtspersoon, M. en V., -personen.
Rechtspersoonlijkheid, V.
Rechtsphilosophie, V.
Rechtspleging, V., -plegingen.
Rechtspraak, V.
Rechtspreken, sprak recht, spraken recht, heeft rechtgesproken.
Rechtsschool, V., -scholen.
Rechtstaal, V.
Rechtstandig.
Rechtstandigheid, V.
Rechtsterm, M., -termen.
Rechtstreeks (bijw.).
Rechtstreeksch (bnw.).
Rechtsverdraaiing, V., -verdraaiingen.
Rechtsverkrachting, V., -verkrachtingen.
Rechtsvervolging, V.
Rechtsvordering, V., -vorderingen.
Rechtsvraag, V., -vragen.
Rechtswege (van -).
Rechtsweigering, V.
Rechtswetenschap, V.
Rechtswezen, O.
Rechtszaak, V., -zaken.
Rechttoe.
Rechtuit.
Rechtuitgaan, gaat rechtuit, ging rechtuit, is rechtuitgegaan.
Rechtuitloopen, liep rechtuit, heeft en is rechtuitgeloopen.
Rechtvaardig, -vaardiger, -vaardigst.
Rechtvaardigen, rechtvaardigde, heeft gerechtvaardigd.
Rechtvaardigheid, V.
Rechtvaardiging, V.
Rechtvaardiglijk.
Rechtvaardigmaking, V.
Rechtverkrijgende, M. en V., -verkrijgenden.
Rechtvleugelig.
Rechtzinnig, -zinniger, -zinnigst.
Rechtzinnigheid, V.
Recidive, V.
Recidivist, M., recidivisten.
Reciet, O.
Recipieeren, recipieerde, heeft gerecipieerd.
Recitatief, O.
Reciteeren, reciteerde, heeft gereciteerd.
Reclamant, M., reclamanten.
Reclame, V., reclames.
Reclamebord, O., -borden.
Reclameeren, reclameerde, heeft gereclameerd.
Reclameprent, V., -prenten.
Recognitie, V., recognitiën en recognities.
Recommandatie, V., recommandatiën en recommandaties.
Recommandeeren, recommandeerde, heeft gerecommandeerd.
Reconvalescent, M., reconvalescenten.
Reconvalescente, V., reconvalescenten.
Record, O.
Recruteeren, recruteerde, heeft gerecruteerd.
Recrutenschool, V., -scholen.
Recruut, M., recruten.
Rectificatie, V.
Rector, M., rectoren.
Rectoraal, rectorale.
Rectoraat, O., rectoraten.
Reçu, O., reçu's. Reçuutje, O., -jes.
Redacteur, M., redacteuren en redacteurs.
Redactie, V., redactiën en redacties.
Redactiekosten (mv.), M.
Redactiewerk, O.
Reddeloos, -loozer.
Reddeloosheid, V.
Redden, redde, heeft gered.
Redder, M., redders.
Redderaar, M., redderaars.
Redderen, redderde, heeft geredderd.
Reddering, V.
Redding, V., reddingen.
Reddingboei, V., -boeien.
Reddingboot, V., -booten.
Reddingplank, V., -planken. Ook Reddingsplank.
Rede (toespraak), V.
Rede (denkvermogen), V.
Rededeel, O., -deelen.
Redekavelen, redekavelde, heeft geredekaveld.
Redekaveling, V., -kavelingen.
Redekunde, V.
Redekundig.
Redekunst, V.
Redekunstig.
Redelijk, -lijker, -lijkst.
Redelijkerwijze en -wijs.
Redelijkheid, V.
Redeloos, -loozer.
Redeloosheid, V.
Redemptorist, M., Redemptoristen.
Reden (oorzaak), V., redenen.
Reden (verhouding), V., redens.
Redenaar, M., redenaren en redenaars.
Redenaarsgave, V., -gaven.
Redenaarsgestoelte, O., -gestoelten.
Redenaarstalent, O., -talenten.
Redeneerder, M., redeneerders.
Redeneeren, redeneerde, heeft geredeneerd.
Redeneering, V., redeneeringen.
Redeneerkunde, V.
Redeneertrant, M.
Redengevend.
Rederijk, -rijker, -rijkst.
Rederijker, M., rederijkers.
Rederijkerskamer, V., -kamers.
Rederijkheid, V.
Redetwisten, redetwistte, heeft geredetwist.
Redevoeren, redevoerde, heeft geredevoerd.
Redevoering, V., -voeringen.
Redewisseling, V., -wisselingen.
Redigeeren, redigeerde, heeft geredigeerd.
Redmiddel, O., -middelen.
Redoute, V., redoutes.
Redres, O.
Redresseeren, redresseerde, heeft geredresseerd.
Redster, V., redsters.
Reductie, V., reducties.
Ree (dier), V., reeën. Reetje, O., -jes.
Ree (ligplaats). Zie Reede.
Reebok, M., -bokken; -bokje, O., -jes.
Reebout, M., -bouten.
Reede en Ree, V., reeden en reeën.
Reede en Ree, reeder, reedst.
Reeden, reedde, heeft gereed.
Reeder, M., reeders.
Reederij, V., reederijen.
Reederskantoor, O., -kantoren.
Reeding, V., reedingen.
Reeds.
Reëel, reëele.
Reef en Rif, O., reven. Reefje, O., -jes.
Reeftalie, V., -talies.
Reegeit, V., -geiten; -geitje, O., -jes.
Reekalf, O., -kalven; -kalfje, O., -jes.
Reeks, V., reeksen.
Reeling, V., reelings.
Reep (smalle strook), M., reepen. Reepje, O., -jes.
Reep (hoepel), M., reepen. Reepje, O., -jes.
Reephout, O.
Reeschaaf, V., -schaven.
Reet (spleet), V., reten. Reetje, O., -jes.
Reet en Rete (werktuig), V., reten.
Reetrekker, M., -trekkers.
Reeuw, O.
Reeuwen, reeuwde, heeft gereeuwd.
Reeuwer, M., reeuwers.
Reeuwster, V., reeuwsters.
Reevleesch en Reeënvleesch, O.
Referaat, O., referaten.
Refereeren, refereerde, heeft gerefereerd.
Referein en Refrein, O., refereinen en refreinen. Refereintje en refreintje, O., -jes.
Referendaris, M., referendarissen.
Referent, M., referenten.
Referentie, V., referenties en referentiën.
Reflector, M., reflectors.
Reflexie, V., reflexies.
Reformatie, V.
Reformeeren, reformeerde, heeft gereformeerd.
Reformkleeding, V.
Refter, M., refters.
Refugié, M., refugié's.
Refuus, O., refuzen.
Regaal, O., regalen.
Regeerder, M., regeerders.
Regeeren, regeerde, heeft geregeerd.
Regeering, V., regeeringen.
Regeeringloos, -looze.
Regeeringloosheid, V.
Regeeringsbank, V., -banken.
Regeeringsbeleid, O.
Regeeringscommissaris, M., -commissarissen.
Regeeringsontwerp, O., -ontwerpen.
Regeeringspartij, V., -partijen.
Regeeringspersoon, M., -personen.
Regeeringsreglement, O., -reglementen.
Regeeringstijd, M.
Regeeringsverslag, O., -verslagen.
Regeeringsvorm, M., -vormen.
Regeeringszaak, V., -zaken.
Regeerkunde, V.
Regel, M., regelen en regels. Regeltje, O., -jes.
Regelaar, M., regelaars.
Regeldraads.
Regelen, regelde, heeft geregeld.
Regeling, V., regelingen.
Regelingscommissie, V., -commissiën.
Regelloos, -loozer.
Regelloosheid, V.
Regelmaat, V.
Regelmatig, -matiger, -matigst.
Regelmatigheid, V.
Regelrecht.
Regen, M., regens. Regentje, O., -jes.
Regenachtig, -achtiger, -achtigst.
Regenachtigheid, V.
Regenbak, M., -bakken.
Regenboog, M., -bogen.
Regenbui, V., -buien.
Regendag, M., -dagen.
Regendroppel, M., -droppels.
Regenen, regende, heeft geregend.
Regenjas, V., -jassen.
Regenlucht, V., -luchten.
Regenmaand, V., -maanden.
Regenmantel, M., -mantels.
Regenmeter, M., -meters.
Regenscherm, O., -schermen.
Regent, M., regenten.
Regentenkamer, V., -kamers.
Regentes, V., regentessen.
Regentijd, M., -tijden.
Regenton, V., -tonnen.
Regentschap, O.
Regenval, M.
Regenwater, O.
Reggen, regde, heeft geregd.
Regie, V.
Regime, O., regimes.
Regiment, O., regimenten.
Regimentscommandant, M., -commandanten.
Regimentsdokter, M., -dokters.
Regimentskind, O., -kinderen.
Regimentsoverste, M., -oversten.
Regisseur, M., regisseurs.
Register, O., registers. Registertje, O., -jes.
Registerton, V., -tonnen.
Registratie, V.
Registratiekantoor, O., -kantoren.
Registratiekosten (mv.), M.
Registreeren, registreerde, heeft geregistreerd.
Registreering, V., registreeringen.
Reglement, O., reglementen. Reglementje, O., -jes.
Reglementair.
Reglementeeren, reglementeerde, heeft gereglementeerd.
Reglet, M., regletten.
Regulatief, O., regulatieven.
Regulator, M., regulators en regulatoren.
Reguleeren, reguleerde, heeft gereguleerd.
Regulier, M., Regulieren.
Regulier, reguliere.
Rei (koor), M., reien.
Reien (dansen), reide, heeft gereid.
Reiger, M., reigers. Reigertje, O., -jes.
Reigerbosch, O., -bosschen.
Reigervalk, M., -valken.
Reigerveer, V., -veeren.
Reiken, reikte, heeft gereikt.
Reikhalzen, reikhalsde, heeft gereikhalsd.
Reikhalzing, V.
Reilen (Als het reilt en zeilt).
Reiltop, M., -toppen.
Rein, reiner, reinst.
Reinheid, V.
Reinigen, reinigde, heeft gereinigd.
Reiniging, V., reinigingen.
Reinigingsdienst, M.
Reinigingsmiddel, O., -middelen.
Reinvaar, V., -varen.
Reis, V., reizen. Reisje, O., -jes.
Reisapotheek, V., -apotheken.
Reisbaar, -bare.
Reisbehoeften (mv.), V.
Reisbenoodigdheden (mv.), V.
Reisbeschrijving, V., -beschrijvingen.
Reisboek, O., -boeken.
Reisdeken, V., -dekens.
Reisgeld, O.
Reisgelegenheid, V., -gelegenheden.
Reisgenoot, M., -genooten.
Reisgenoote, V., -genooten.
Reisgezelschap, O., -gezelschappen.
Reisgids, M., -gidsen.
Reiskleed, O., -kleederen.
Reiskoets, V., -koetsen.
Reiskoffer, M., -koffers.
Reiskosten, (mv.), M.
Reiskostuum, O.
Reismakker, M., -makkers.
Reispenning, M., -penningen.
Reispet, V., -petten.
Reisplan, O., -plannen.
Reisroute, V.
Reistasch, V., -tasschen; -taschje, O., -jes.
Reisvaardig.
Reisverhaal, O., -verhalen.
Reiswijzer, M., -wijzers.
Reiszak, M., -zakken; -zakje, O., -jes.
Reizen, reisde, heeft en is gereisd.
Reiziger, M., reizigers.
Reizigster, V., reizigsters.
Rek (het rekken), M.
Rek (latwerk), O., rekken. Rekje, O., -jes.
Rekbaar, -baarder, -baarst.
Rekbaarheid, V.
Rekbank, V., -banken.
Rekel, M., rekels. Rekeltje, O., -jes.
Rekelachtig, -achtiger, -achtigst.
Rekenaar, M., rekenaars en rekenaren.
Rekenboek, O., -boeken; -boekje, O., -jes.
Rekenbord, O., -borden.
Rekenen, rekende, heeft gerekend.
Rekenfout, V., -fouten.
Rekening, V., rekeningen. Rekeningetje, O., -jes.
Rekening-courant, V., -courant.
Rekenkamer, V.
Rekenkunde, V.
Rekenles, V., -lessen.
Rekenmachine, V., -machines.
Rekenmeester, M., -meesters.
Rekenplichtig.
Rekenplichtigheid, V.
Rekenschap, V.
Rekensom, V., -sommen.
Rekenwijze en -wijs, V., -wijzen.
Rekest, enz. Zie Request, enz.
Rekhout, O., -houten.
Rekijzer, O., -ijzers.
Rekke, V., rekken.
Rekkelijk, -lijker, -lijkst.
Rekkelijkheid, V.
Rekkeling, V.
Rekken, rekte, heeft en is gerekt.
Rekker, M., rekkers.
Rekkerig, rekkeriger, rekkerigst.
Rekking, V., rekkingen.
Rekstok, M., -stokken.
Relaas, O., relazen. Relaasje, O., -jes.
Relatie, V., relatiën en relaties.
Releveeren, releveerde, heeft gereleveerd.
Reliëf, O., reliëfs.
Religie, V., religiën en religies.
Religietwist, M., -twisten.
Religieus, religieuzer.
Reliquie, V., reliquieën.
Reliquieënkastje, O., -jes.
Rellen, relde, heeft gereld.
Relletje, O., -jes.
Relmuis, V., -muizen; -muisje, O., -jes.
Rem, V., remmen.
Remedie, V. en O., remedies en remediën.
Remise, V., remises.
Remitteeren, remitteerde, heeft geremitteerd.
Remketting, M., -kettingen.
Remmen, remde, heeft geremd.
Remmer, M., remmers.
Remonstrant, M., Remonstranten.
Remonstrantendom, O.
Remonstrantsch.
Remonstreeren, remonstreerde, heeft geremonstreerd.
Remonte, V.
Remontepaard, O., -paarden.
Remontoir, O., remontoirs.
Remplaçant, M., remplaçanten.
Remplaceeren, remplaceerde, heeft geremplaceerd.
Remschoen, M., -schoenen.
Remtoestel, M. en O., -toestellen.
Ren, M., rennen.
Ren (kippenren), V., rennen.
Renaissance, V.
Renaissancestijl, M.
Renbaan, V., -banen.
Renbode, M., -boden.
Rendement, O.
Rendez-vous, O.
Rendier, O., rendieren.
Rendiermos, O.
Rendiervel, O., -vellen.
Renegaat, M., renegaten.
Renet, V., renetten. Renetje O., -jes.
Rennen, rende, heeft en is gerend.
Renonce, V.
Renonceeren, renonceerde, heeft gerenonceerd.
Renpaard, O., -paarden.
Renperk, O., -perken.
Rentbaar, -bare.
Rente, V., renten.
Rentebetaling, V., -betalingen.
Rentebrief, M., -brieven.
Rentegevend.
Renteloos, -looze.
Renten, rentte, heeft gerent.
Rentenier, M., renteniers en rentenieren.
Rentenieren, rentenierde, heeft gerentenierd.
Rentenierster, V., renteniersters.
Rentestandaard, M.
Rentevoet, M.
Rentmeester, M., -meesters.
Rentmeesterschap, O., -schappen.
Renversaal, O., renversalen.
Renvooi, O., renvooien.
Reorganisatie, V., reorganisaties en reorganisatiën.
Rep, M. (In - en roer).
Reparatie, V., reparatiën en reparaties.
Repareeren, repareerde, heeft gerepareerd.
Repel, M., repels. Repeltje, O., -jes.
Repelaar, M., repelaars.
Repelen, repelde, heeft gerepeld.
Repertoire, O., repertoires.
Repeteeren, repeteerde, heeft gerepeteerd.
Repeteergeweer, O., -geweren.
Repetent, M., repetenten.
Repetitie, V., repetitiën en repetities.
Repetitiehorloge, O., -horloges.
Repetitor, M., repetitoren.
Repliceeren, repliceerde, heeft gerepliceerd.
Repliek, V., replieken.
Reppen, repte, heeft gerept.
Representatiekosten (mv.), M.
Reprimande, V., reprimandes.
Republiek, V. republieken. Republiekje, O., -jes.
Republikein, M., republikeinen.
Republikeinsch.
Reputatie, V., reputaties en reputatiën.
Request, O., requesten. Requestje, O., -jes.
Requestrant, M., requestranten.
Requestrante, V., requestranten.
Requestreeren, requestreerde, heeft gerequestreerd.
Requiem, O., requiems.
Requisiet, O., requisieten.
Requisitie, V., requisities en requisitiën.
Requisitoir, O., requisitoiren.
Rescript, O., rescripten.
Reseda, V., reseda's.
Reserve, V., reserves.
Reserveeren, reserveerde, heeft gereserveerd.
Reservefonds, O., -fondsen.
Reservekader, O.
Reservekapitaal, O., -kapitalen.
Reservetroepen (mv.), M.
Reservist, M., reservisten.
Reservoir, O., reservoirs.
Resideeren, resideerde, heeft geresideerd.
Resident, M., residenten.
Residentie, V., residentiën en residenties.
Residentiestad, V., -steden.
Residu, O., residuen en residu's.
Resolutie, V., resolutiën en resoluties.
Resoluut, resoluter, resoluutst.
Respect, O.
Respectabel, -ler, -lst.
Respecteeren, respecteerde, heeft gerespecteerd.
Respijt, O.
Respirator, M., respirators.
Respondeeren, respondeerde, heeft gerespondeerd.
Responsiecollege, O., -colleges.
Ressort, O.
Ressorteeren, ressorteerde, heeft geressorteerd.
Rest, V., resten. Restje, O., -jes.
Restant, O., restanten. Restantje, O., -jes.
Restantenlijst, V., -lijsten.
Restaurant, O., restaurants.
Restaurateur, M., restaurateurs.
Restauratie, V., restauratiën en restauraties.
Resteeren, resteerde, is geresteerd.
Resten, restte, is gerest.
Resultaat, O., resultaten.
Resultante, V., resultanten.
Resulteeren, resulteerde, is geresulteerd.
Resumé, O., resumé's.
Resumeeren, resumeerde, heeft geresumeerd.
Resumtie, V., resumtiën en resumties.
Resumtievergadering, V., -vergaderingen.
Reticule, V., reticules.
Retirade, V., retirades.
Retort, V., retorten.
Retour (terugvracht), V., retouren.
Retour (biljet), O., retours.
Retourbiljet, O., -biljetten.
Retourkaart, V., -kaarten.
Retourrekening, V.
Retourschip, O., -schepen.
Retourvloot, V., -vloten.
Retourvracht, V., -vrachten.
Retroacta (mv.), O.
Reu, M., reuen. Reutje, O., -jes.
Reuk, M., reuken. Reukje, O., -jes.
Reukeloos, -loozer, -loost.
Reukfleschje, O., -fleschjes.
Reukorgaan, O., -organen.
Reukwater, O., -wateren.
Reukwerk, O.
Reukzenuw, V., -zenuwen.
Reünie, V., reünies.
Reünie-commissie, V., -commissies.
Reus, M.; reuzen.
Reusachtig, -achtiger, -achtigst.
Reusachtigheid, V.
Reutel (reuteling), M.
Reutel (reutelaar en reutelaarster), M. en V., reutels.
Reutelen, reutelde, heeft gereuteld.
Reuter, M., reuters. Reutertje, O., -jes.
Reuzel (lichaamsdeel), M., reuzels; (stof), V. Reuzeltje, O., -jes.
Reuzenbeeld, O., -beelden.
Reuzenkracht, V., -krachten.
Reuzenplan, O., -plannen.
Reuzenschrede, V., -schreden.
Reuzenslang, V., -slangen.
Reuzenstap, M., -stappen.
Reuzentaak, V.
Reuzenwerk. O., -werken.
Reuzenzwaai, M.
Reuzin, V., reuzinnen.
Revaccinatie, V.
Reveille, V.
Revelen, revelde, heeft gereveld.
Reven, reefde, heeft gereefd.
Revenu, O., revenuen.
Revisie, V., revisies en revisiën.
Revolutie, V., revolutiën en revoluties.
Revolutiegeest, M.
Revolutiemannen (mv.), M.
Revolutietijd, M.
Revolutionnair.
Revolver, V., revolvers.
Revolverkanon, O., -kanonnen.
Revolverschot, O., -schoten.
Revue, V., revuen en revues.
Rhapsodie, V., rhapsodieën.
Rhetor, M., rhetoren en rhetors.
Rhetorica, V.
Rhetoriek, V.
Rhetorisch.
Rheumatiek, V.
Rheumatisch.
Rheumatisme, O.
Rhinoceros, M., rhinocerossen.
Rhythmisch.
Rhythmus, M.
Rib en Ribbe, V., ribben. Ribje en ribbetje, O., -jes.
Ribbebreuk, V., -breuken.
Ribbeling, M., ribbelingen.
Ribbenband, M., -banden.
Ribbenkast, V.
Ribbestoot. M., -stooten.
Ribbevlies, O., -vliezen.
Richel, V., richels. Richeltje, O., -jes.
Richtbaak, V., -baken.
Richten, richtte, heeft gericht.
Richter, M., richters en richteren.
Richtgat, O., -gaten.
Richtig, richtiger, richtigst.
Richtigheid, V.
Richting, V., richtingen.
Richtlat, V., -latten.
Richtlijn, V., -lijnen.
Richtliniaal, O., -linialen.
Richtlood, O., -looden.
Richtsnoer, O., -snoeren.
Ridder, M., ridders.
Ridderen, ridderde, heeft geridderd.
Riddergedicht, O., -gedichten.
Ridderkasteel, O., -kasteelen.
Ridderkruis, O., -kruisen.
Ridderlijk, -lijker, -lijkst.
Ridderlijkheid, V.
Ridderorde, V., -orden.
Ridderroman, M., -romans.
Ridderschap (de ridders), V., -schappen; (de waardigheid), O.
Ridderslag, M.
Ridderspel, O., -spelen.
Ridderspoor, V., -sporen.
Ridderstand, M.
Riddertijd, M., -tijden.
Ridderwezen, O.
Ridderwoord, O.
Ridderzaal, V., -zalen.
Rieken. Zie Ruiken.
Riem (lederen strook en roeispaan), M., riemen. Riempje, O., -jes.
Riem (papiermaat), M., riemen.
Riemblad, O., -bladen.
Riemer, M., riemers.
Riemschijf, V., -schijven.
Riemslag, M., -slagen.
Riet, O., rieten. Rietje, O., -jes.
Rietdekker, M., -dekkers.
Rieten (bnw.).
Rietgors, V., -gorzen.
Rietgras, O., -grassen.
Rietland, O., -landen.
Rietpeer, V., -peren; -peertje, O., -jes.
Rietsuiker, V.
Rietvink, M., -vinken.
Rif (geraamte, klip), O., riffen. Rifje, O., -jes.
Rif (in een zeil). Zie Reef.
Rij (reeks), V., rijen. Rijtje, O., -jes.
Rijbaan, V., -banen.
Rijbewijs, O., -bewijzen.
Rijbroek, V., -broeken.
Rijden, reed, reden, heeft en is gereden.
Rijder, M., rijders.
Rijdster, V., rijdsters.
Rijf, V., rijven. Rijfje, O., -jes.
Rijfelen, rijfelde, heeft gerijfeld.
Rijfelspel, O., -spelen.
Rijgdraad, M., -draden.
Rijgen, reeg, regen, heeft geregen.
Rijglaars, V., -laarzen; -laarsje, O., -jes.
Rijglijf, O., -lijven.
Rijgnaald, V., -naalden.
Rijgpen, V., -pennen.
Rijgschoen, M., -schoenen.
Rijgsnoer, O., -snoeren.
Rijgveter, M., -veters.
Rijk, O., rijken. Rijkje, O., -jes.
Rijk, rijker, rijkst.
Rijkaard, M., rijkaards.
Rijkdom, M., rijkdommen.
Rijkelijk, -lijker, -lijkst.
Rijkgeladen.
Rijkheid, V.
Rijkleed, O., -kleederen.
Rijkmaker, M., -makers.
Rijknecht, M., -knechts.
Rijksacademie, V., -academiën.
Rijksadel, M.
Rijksadvocaat, M., -advocaten.
Rijksambtenaar, M., -ambtenaars en -ambtenaren.
Rijksarchief, O., -archieven.
Rijksbelasting, V., -belastingen.
Rijksbestuurder, M., -bestuurders.
Rijksbetrekking, V., -betrekkingen.
Rijksbeurs, V., -beurzen.
Rijksdaalder, M., -daalders.
Rijksdag, M., -dagen.
Rijksgebied, O.
Rijksgebouw, O., -gebouwen.
Rijksgesticht, O., -gestichten.
Rijksgrond, M., -gronden.
Rijksgroote, M., -grooten.
Rijkshoogereburgerschool, V., -scholen.
Rijksinstelling, V., -instellingen.
Rijkskanselier, M., -kanseliers en -kanselieren.
Rijkskweekschool, V., -scholen.
Rijkslandbouwproefstation, V., -proefstations.
Rijkslandbouwschool, V., -scholen.
Rijksmerk, O.
Rijksmuseum, O., -museums en -musea.
Rijkspolitie, V.
Rijkspensioen, O., -pensioenen.
Rijkspostspaarbank, V.
Rijkssubsidie, O., -subsidiën.
Rijkstelegraaf, V.
Rijkstoezicht, O.
Rijksuniversiteit, V., -universiteiten.
Rijksveeartsenijschool, V.
Rijksveldwachter, M., -wachters.
Rijksverzekeringsbank, V.
Rijkswaterstaat, M.
Rijkswege (Van -).
Rijkszuivelinspecteur, M., -inspecteurs.
Rijkunst, V.
Rijlaars, V., -laarzen.
Rijles, V., -lessen.
Rijm (de rijp), M.
Rijm (gelijkheid van eindklanken), O., rijmen.
Rijmelaar, M., rijmelaars en rijmelaren.
Rijmelarij, V., rijmelarijen.
Rijmelen, rijmelde, heeft gerijmeld.
Rijmeloos en Rijmloos, -looze.
Rijmen, rijmde, heeft gerijmd.
Rijmklank, M., -klanken.
Rijmpje, O., -jes.
Rijmwoord, O., -woorden.
Rijn, M.
Rijn (in een molensteen), M., rijnen.
Rijnaak, V., -aken.
Rijnboot, V., -booten.
Rijnlander, M., -landers.
Rijnlandsch.
Rijnprovincie, V., -provincies en -provinciën.
Rijnsch.
Rijnsche-wijnflesch, V., -flesschen.
Rijnschip, O., -schepen.
Rijnstreek, V., -streken.
Rijntol, M., -tollen.
Rijnvaart, V.
Rijnwater, O.
Rijnwijn, M., -wijnen.
Rijp (de rijm), M.
Rijp (rups), V., rijpen. Rijpje, O., -jes.
Rijp, rijper, rijpst.
Rijpaard, O., -paarden; -paardje, O., -jes.
Rijpartij, V., -partijen; -partijtje, O., -jes.
Rijpelijk.
Rijpen (rijp maken en rijp worden), rijpte, heeft en is gerijpt.
Rijpen (door de vorst), rijpte, heeft gerijpt.
Rijpheid, V.
Rijping, V.
Rijrok, M., -rokken.
Rijs, O., rijzen. Rijsje, O., -jes.
Rijsbedding, V., -beddingen.
Rijsberm, M., -bermen.
Rijsbeslag, O.
Rijschool, V., -scholen.
Rijsdam, M., -dammen.
Rijshout, O.
Rijst, V.
Rijstbouw, M.
Rijstdiefje (vogel), O., -diefjes.
Rijstebrij, V.
Rijstemeel, O.
Rijstemelk, V.
Rijstepap, V.
Rijstesoep, V.
Rijstetaart, V., -taarten.
Rijstlepel, M., -lepels.
Rijstpapier, O.
Rijsttafel, V.
Rijstveld, O., -velden.
Rijstvogel, M., -vogels; -vogeltje, O., -jes.
Rijstwater, O.
Rijswerk, O.
Rijten, reet, reten, heeft en is gereten.
Rijtoer, M., -toeren; -toertje, O., -jes.
Rijtuig, O., -tuigen; -tuigje, O., -jes.
Rijtuiglak, O.
Rijtuigmaatschappij, V., -maatschappijen.
Rijtuigschilder, M., -schilders.
Rijtuigverhuurder, M., -verhuurders.
Rijven, reef, reven, heeft gereven.
Rijweg, M., -wegen.
Rijwiel, O., -wielen.
Rijwielbelasting, V., -belastingen.
Rijwielfabriek, V., -fabrieken.
Rijwielhersteller, M., -herstellers.
Rijwielpad, O., -paden.
Rijzen, rees, rezen, is gerezen.
Rijzig, rijziger, rijzigst.
Rijzing, V., rijzingen.
Rijzweep, V., -zweepen.
Rikketikken, rikketikte, heeft gerikketikt.
Ril, M.
Rillen, rilde, heeft gerild.
Rilling, V., rillingen. Rillinkje, O., -jes.
Rimpel, M., rimpels. Rimpeltje, O., -jes.
Rimpelen, rimpelde, heeft en is gerimpeld.
Rimpelig, rimpeliger, rimpeligst.
Rimpeling, V.
Ring, M., ringen. Ringetje, O., -jes.
Ringbaard, M., -baarden.
Ringbout, M., -bouten.
Ringbroeder, M., -broeders.
Ringdijk, M., -dijken.
Ringelduif, V., -duiven.
Ringelen, ringelde, heeft geringeld.
Ringelmusch, V., -musschen.
Ringelooren, ringeloorde, heeft geringeloord.
Ringen, ringde, heeft geringd.
Ringhout, O., -houten.
Ringkraag, M., -kragen.
Ringmuur, M., -muren.
Ringrijden, O.
Ringsloot, V., -slooten.
Ringvalk, M., -valken.
Ringvergadering, V., -vergaderingen.
Ringvinger, M., -vingers.
Ringvormig.
Rinkel, M., rinkels. Rinkeltje, O., -jes.
Rinkelaar (vaartuig), M., rinkelaars.
Rinkelbel, V., -bellen.
Rinkelen, rinkelde, heeft gerinkeld.
Rinkelrooien, rinkelrooide, heeft gerinkelrooid.
Rinkelrooier, M., -rooiers.
Rinket, O., rinketten. Rinketje, O., -jes.
Rinkinken, rinkinkte, heeft gerinkinkt.
Rinsch, rinscher, meest rinsch.
Rioleeren, rioleerde, heeft gerioleerd.
Rioleering, V., rioleeringen.
Riool, O., riolen. Riooltje, O., -jes.
Rioolstelsel, O., -stelsels.
Rioolwater, O.
Risico, O. en V.
Risqueeren, risqueerde, heeft gerisqueerd.
Rist, V., risten. Ristje, O., -jes.
Risten, ristte, heeft gerist.
Rit, M. en O., ritten. Ritje, O., -jes.
Ritmeester, M., -meesters.
Rits (tusschenw.).
Ritselen, ritselde, heeft geritseld.
Ritseling, V., ritselingen.
Ritsig, ritsiger, ritsigst.
Ritsijzer, O., -ijzers.
Ritten, ritte, heeft gerit.
Rituaal, O., ritualen.
Ritus, M.
Rivier, V., rivieren. Riviertje, O., -jes.
Rivierarm, M., -armen.
Rivierbedding, V., -beddingen.
Rivierbericht, O., -berichten.
Riviercorrespondentie, V.
Rivierdijk, M., -dijken.
Rivierkreeft, M., -kreeften.
Riviermond, O., -monden.
Rivierschip, O., -schepen.
Rivierstelsel, O., -stelsels.
Riviervisch (stofnaam), V.; (voorwerpsnaam), M.
Rivierwater, O.
Rob (dier), M., robben. Robbetje, O., -jes.
Rob (maag), V., robben.
Robbedoes, M. en V., robbedoezen.
Robbenjacht, V., -jachten.
Robbenvangst, V.
Robber, M., robbers. Robbertje, O., -jes.
Robbespek en Robbenspek, O.
Robbevel, O., -vellen.
Robijn (steen), M., robijnen; (stof), O. Robijntje, O., -jes.
Rochel, V., rochels.
Rochelaar, M., rochelaars.
Rochelen, rochelde, heeft gerocheld.
Rochelpot (persoon), M., -potten.
Roebel, M., roebels.
Roede en Roe, V., roeden. Roetje, O., -jes.
Roef, V., roeven. Roefje, O., -jes.
Roef (tusschenw.).
Roeibank, V., -banken.
Roeiboot, V., -booten; -bootje, O., -jes.
Roeidol, M., -dollen.
Roeien, roeide, heeft en is geroeid.
Roeier, M., roeiers.
Roeiklamp, M., -klampen.
Roeipen en Roeipin, V., -pennen en -pinnen.
Roeiriem, M., -riemen.
Roeischuit, V., -schuiten; -schuitje, O., -jes.
Roeispaan, V., -spanen.
Roeisport, V.
Roeistrop, M., -stroppen.
Roeivaartuig, O., -vaartuigen.
Roeivereeniging, V., -vereenigingen.
Roeiwedstrijd, M., -wedstrijden.
Roek, M., roeken.
Roekeloos, -loozer.
Roekeloosheid, V., -heden.
Roekoeken, roekoekte, heeft geroekoekt.
Roem, M.
Roemen, roemde, heeft geroemd.
Roemer en Romer, roemers en romers. Roemertje en romertje, O., -jes.
Roemrijk, -rijker, -rijkst.
Roemruchtig, -ruchtiger, -ruchtigst.
Roemvol.
Roemwaardig, -waardiger, -waardigst.
Roemwaardigheid, V.
Roemzucht, V.
Roep, M.
Roepen, riep, heeft geroepen.
Roeper, M., roepers.
Roeping, V., roepingen.
Roepstem, V., -stemmen.
Roer, M., (In rep en -).
Roer (stuur), O., roeren en roers. Roertje, O., -jes.
Roer (buis), O., roeren en roers. Roertje, O., -jes.
Roerbak, M., -bakken.
Roerdomp, M., -dompen; -dompje, O., -jes.
Roeren, roerde, heeft geroerd.
Roerend, roerender, roerendst.
Roerganger, M., -gangers.
Roerhard, -harder, -hardst.
Roerig, roeriger, roerigst.
Roerigheid, V.
Roering, V., roeringen.
Roerkruid, O.
Roerloos, -looze.
Roerloosheid, V.
Roerom, M., roerommen en roeroms.
Roerpen en Roerpin V., -pennen en -pinnen.
Roersel, O., roerselen en roersels.
Roersleuf, V., -sleuven.
Roerspaan, V., -spanen.
Roerstel, O., -stellen.
Roertalie, V., -talies.
Roervink, M., -vinken.
Roes, M., roezen. Roesje, O., -jes.
Roest (het roesten), M.; (roestigheid), O.
Roesten, roestte, is geroest.
Roestig, roestiger, roestigst.
Roestigheid, V.
Roestvlek, V., -vlekken.
Roet, O.
Roetachtig, -achtiger, -achtigst.
Roeterig, roeteriger, roeterigst.
Roetig, roetiger, roetigst.
Roetigheid, V.
Roetmop, V.; (persoon), M. en V., -moppen.
Roetzwart, O.
Roetzwart.
Roezemoezen, roezemoesde, heeft geroezemoesd.
Roezemoezig, roezemoeziger, roezemoezigst.
Roezen, roesde, heeft geroesd.
Roezig, roeziger, roezigst.
Roezigheid, V.
Roffel (tromslag en berisping), M., roffels. Roffeltje, O., -jes.
Roffel (schaaf), M., roffels. Roffeltje, O., -jes.
Roffelaar, M., roffelaars.
Roffelen, roffelde, heeft geroffeld.
Roffelig, roffeliger, roffeligst.
Roffelschaaf, V., -schaven.
Roffelzaag, V., -zagen.
Rog (visch), M., roggen. Rogje en roggetje, O., -jes.
Rogge, ook Rog (graansoort), V.
Roggebrood, O., -brooden.
Roggemeel, O.
Roggenvangst, V.
Roggestroo, O.
Roggevel, O., -vellen.
Roggeveld, O., -velden.
Rok (kleedingstuk), M., rokken. Rokje, O., -jes.
Rok (spinrokken). Zie Rokken.
Rokken en Rok, O., rokkens en rokken. Rokkentje, O., -jes.
Rokken, rokte, heeft gerokt.
Rokkenband (collectieve stof naam), O.
Rokkenen, rokkende, heeft gerokkend.
Roksband (een band), M., -banden.
Roksknoop, M., -knoopen.
Rokskraag, M., -kragen.
Roksmouw, V., -mouwen.
Rokspand, O., -panden.
Rokszak en Rokzak, M., -zakken.
Rol, M., (Aan den rol).
Rol, V., rollen. Rolletje, O., -jes.
Rolband, O.
Rolbank, V., -banken.
Rolbed, O., -bedden.
Rolgordijn, O., -gordijnen.
Rolkorf, M., -korven.
Rolkous, V., -kousen.
Rollaag, V., -lagen.
Rolleeren, rolleerde, heeft gerolleerd.
Rolleering, V.
Rollen, rolde, heeft en is gerold.
Rollende, V., -lenden.
Roller, M., rollers.
Rolling, V.
Rolpaal, M., -palen.
Rolpaard, O., -paarden.
Rolpens, V., -pensen.
Rolplank, V., -planken.
Rolschaats, V., -schaatsen.
Rolschot, O., -schoten.
Rolsteen, M., -steenen.
Rolstoel, M., -stoelen.
Rolstok, M., -stokken.
Rolverdeeling, V., -verdeelingen.
Rolwagen, M., -wagens.
Romaansch.
Romaansch, O.
Roman, M., romans. Romannetje, O., -jes.
Romance, V., romancen en romances.
Romanesk, romanesker.
Romanheld, M., -helden.
Romanist, M., romanisten.
Romanlectuur, V.
Romanlezer, M., -lezers.
Romanschrijver, M., -schrijvers.
Romantiek, V.
Romantisch, romantischer, meest romantisch.
Romantisme, O.
Romein, M., Romeinen.
Romeinsch.
Rommel, M., rommels. Rommeltje, O., -jes.
Rommelen, rommelde, heeft gerommeld.
Rommeling, V., rommelingen.
Rommelkamer, V., -kamers.
Rommelpot, M., -potten.
Rommelzolder, M., -zolders.
Rommelzoo en Rommelzooi, V., -zooien; -zootje, O., -jes.
Rommentom.
Romp, M., rompen. Rompje, O., -jes.
Rompelig, rompeliger, rompeligst.
Rompslomp, M.
Rond, ronder, rondst.
Rond, O., ronden. Rondje, O., -jes.
Rondas, V., rondassen.
Rondbazuinen, bazuinde rond, heeft rondgebazuind.
Rondbezorgen, bezorgde rond, heeft rondbezorgd.
Rondborstig, -borstiger, -borstigst.
Rondborstigheid, V.
Rondbrengen, bracht rond, heeft rondgebracht.
Rondbrieven, briefde rond, heeft rondgebriefd.
Ronddeelen, deelde rond, heeft rondgedeeld.
Ronddobberen, dobberde rond, heeft rondgedobberd.
Ronddolen, doolde rond, heeft rondgedoold.
Ronddraaien, draaide rond, heeft en is rondgedraaid.
Ronddraven, draafde rond, heeft en is rondgedraafd.
Ronddrijven, dreef rond, dreven rond, heeft rondgedreven.
Ronddwalen, dwaalde rond, heeft rondgedwaald.
Ronde, V., rondes.
Rondeau, O., rondeau's.
Rondedans, M., -dansen.
Rondeel, O., rondeelen. Rondeeltje, O., -jes.
Ronden, rondde, heeft gerond.
Rondfladderen, fladderde rond, heeft rondgefladderd.
Rondgaan, gaat rond, ging rond, is rondgegaan.
Rondgaand.
Rondgat, O., -gatten.
Rondgeven, gaf rond, gaven rond, heeft rondgegeven.
Rondgluren, gluurde rond, heeft rondgegluurd.
Rondheid, V.
Rondhout, O.
Rondigheid, V.
Ronding, V., rondingen.
Rondkijken, keek rond, keken rond, heeft rondgekeken.
Rondkomen, komt rond, kwam rond, kwamen rond, is rondgekomen.
Rondkop, M. en V., -koppen.
Rondleiden, leidde rond, heeft rondgeleid.
Rondloopen, liep rond, heeft en is rondgeloopen.
Rondlooper, M., -loopers.
Rondom.
Rondreis, V., -reizen; -reisje, O., -jes.
Rondreisbiljet, O., -biljetten.
Rondreizen, reisde rond, heeft en is rondgereisd.
Rondrijden, reed rond, reden rond, heeft en is rondgereden.
Ronds, V., rondsen. Rondsje, O., -jes.
Rondschenken, schonk rond, heeft rondgeschonken.
Rondsel, O., rondsels. Rondseltje, O., -jes.
Rondslenteren, slenterde rond, heeft rondgeslenterd.
Rondsnuffelen, snuffelde rond, heeft rondgesnuffeld.
Rondspringen, sprong rond, heeft rondgesprongen.
Rondsturen, stuurde rond, heeft rondgestuurd.
Rondte, V., rondten.
Rondtrompetten, trompette rond, heeft rondgetrompet.
Ronduit.
Rondventen, ventte rond, heeft rondgevent.
Rondventer, M., -venters.
Rondvertellen, vertelde rond, heeft rondverteld.
Rondvliegen, vloog rond, vlogen rond, heeft en is rondgevlogen.
Rondvoeren, voerde rond, heeft rondgevoerd.
Rondwandelen, wandelde rond, heeft rondgewandeld.
Rondwaren, waarde rond, heeft rondgewaard.
Rondzien, ziet rond, zag rond, zagen rond, heeft rondgezien.
Rondzwerven, zwierf rond, zwierven rond, heeft rondgezworven.
Rondzwieren, zwierde rond, heeft rondgezwierd.
Rong, V., rongen.
Ronken, ronkte, heeft geronkt.
Ronselaar, M., ronselaars.
Ronselen, ronselde, heeft geronseld.
Ronzebons, V., ronzebonzen.
Rood, rooder, roodst.
Rood, O.
Roodaarde, V.
Roodaarden, roodaardde, heeft geroodaard.
Roodachtig, -achtiger, -achtigst.
Roodachtigheid, V.
Roodbont.
Roodborstje, O., -jes.
Roodbros, -brosse.
Roodbruin.
Roodekool, V., -koolen.
Roodeloop, M.
Roodgieter, M., -gieters.
Roodgloeiend.
Roodharig.
Roodheet, -heete.
Roodheid, V.
Roodhuid, M., -huiden.
Roodkleurig, -kleuriger, -kleurigst.
Roodkoper, O.
Roodkoperen.
Roodkoralen (bnw.).
Roodkrijt, O.
Roodrok (Engelsch soldaat), M., roodrokken.
Rood-Rusland, O.
Roodsel, O.
Roodvonk, O.
Roodvos, M., -vossen.
Roodwangig, -wangiger, -wangigst.
Roodzijden (bnw.).
Roof (het rooven), M.
Roof (korst), V., roven. Roofje, O., -jes.
Roofbouw, M.
Roofdier, O., -dieren.
Roofgierig, -gieriger, -gierigst.
Roofgierigheid, V.
Roofgoed, O.
Roofhaai, M., -haaien.
Roofkever, M., -kevers.
Roofnest, O., -nesten.
Roofschip, O., -schepen.
Roofspelonk, V., -spelonken.
Roofvogel, M., -vogels.
Roofziek, -zieker, -ziekst.
Roofzucht, V.
Rooi, V.
Rooien, rooide, heeft gerooid.
Rooier, M., rooiers.
Rooiing, V., rooiingen.
Rooilijn, V., -lijnen.
Rooimeester, M., -meesters.
Rooipaal, M., -palen.
Rooitijd, M.
Rook (damp), M.
Rook (hooistapel), V., rooken. Rookje, O., -jes.
Rookeloos (- kruit).
Rooken, rookte, heeft gerookt.
Rooker, M., rookers.
Rookerig, rookeriger, rookerigst.
Rookerigheid, V.
Rookerij, V., rookerijen.
Rookgat, O., -gaten.
Rookgerei, O.
Rookhok, O., -hokken.
Rookhol, O., -holen.
Rookkamer, V., -kamers.
Rookkast, V., -kasten.
Rookkolom, V., -kolommen.
Rooklucht, V.
Rookspek, O.
Rookstel, O., -stellen.
Rooktabak, V.
Rooktafeltje, O., -tafeltjes.
Rookvang, V., -vangen.
Rookverdrijver, M., -verdrijvers.
Rookvleesch, O.
Rookvrij.
Rookwagen, M., -wagens.
Rookwalm, M., -walmen.
Rookworst, V., -worsten.
Rookzolder, M., -zolders.
Rookzwak (- kruit).
Room, M.
Roomboter, V.
Roomen, roomde, heeft geroomd.
Roomhorentje, O., -jes.
Roomhuis, O., -huizen.
Roomijs, O.
Roomkaas, V., -kazen; -kaasje, O., -jes.
Roomkleurig.
Roomkom, V., -kommen.
Roomsch.
Roomschgezind.
Roomschgezinde, M. en V., -gezinden.
Roomsch-Katholiek en -Catholiek.
Roomtaart, V., -taarten; -taartje, O., -jes.
Roopaard. Zie Rolpaard.
Roos (bloem), V., rozen. Roosje, O., -jes.
Roos (ontsteking), V.
Roosachtig, -achtiger, -achtigst.
Roosjesslijper, M., -slijpers.
Roosjessnijder, M., -snijders.
Rooskleurig.
Roosten, roostte, heeft geroost.
Rooster, M., roosters. Roostertje, O., -jes.
Roosteren, roosterde, heeft geroosterd.
Roosting, V., roostingen.
Roostoven, M., -ovens.
Roostpan, V., -pannen.
Roosvormig.
Rooven (stelen), roofde, heeft geroofd.
Roover, M., roovers. Roovertje, O., -jes.
Rooverbende, V., -benden.
Rooverhoofdman, M., -mannen.
Rooverij, V., rooverijen.
Roovershol, O., -holen.
Ropij, V., ropijen.
Ros, O., rossen. Rosje, O., -jes.
Ros, rosser, rost.
Rosachtig, -achtiger, -achtigst.
Rosarium, O., rosariums.
Rosbaar, V., -baren.
Rosbeier, M., -beiers.
Rose (rozerood), bnw.
Rosharig.
Roskam, M., -kammen.
Roskammen, roskamde, heeft geroskamd.
Roskammer, M., -kammers.
Rosmarijn en Rozemarijn, M.
Rosmolen, M., -molens.
Rossen, roste, heeft en is gerost.
Rossig, rossiger, rossigst.
Rossigheid, V.
Rossinant, M., rossinanten.
Rot (dier). Zie Rat.
Rot (vereeniging van personen), O., rotten.
Rot, rotter, rotst.
Rotatie-pers, V., -persen.
Roten, rootte, heeft geroot.
Rotgans, V., -ganzen; -gansje, O., -jes.
Rotgezel, M., -gezellen.
Rotheid, V.
Rotkoorts, V., -koortsen.
Rotneus, M.
Rotonde, V., rotonden en rotondes.
Rots, V., rotsen.
Rotsachtig, -achtiger, -achtigst.
Rotsblok, O., -blokken.
Rotsig, rotsiger, rotsigst.
Rotskloof, V., -kloven.
Rotsspelonk, V., -spelonken.
Rotten, rotte, is gerot.
Rottenkruit. Zie Rattenkruit.
Rottig, rottiger, rottigst.
Rottigheid, V.
Rotting (riet en wandelstok), M., rottingen. Rottinkje, O., -jes.
Rotting (het rotten), V.
Rottingolie, V.
Rottingslag, M., -slagen.
Rottingstraf, V.
Rouleeren, rouleerde, heeft gerouleerd.
Roulette, V.
Routine, V.
Rouw, M.
Rouw (bnw.). Zie Ruw.
Rouwartikel, O., -artikelen.
Rouwband, M., -banden.
Rouwbeklag, O.
Rouwbrief, M., -brieven.
Rouwen, rouwde, heeft gerouwd.
Rouwfloers, O.
Rouwgewaad, O., -gewaden.
Rouwgoed, O., -goederen.
Rouwhandschoen, M., -handschoenen.
Rouwig, rouwiger, rouwigst.
Rouwjapon, V., -japonnen.
Rouwklagen, rouwklaagde, heeft gerouwklaagd.
Rouwkleed, O., -kleederen.
Rouwkoets, V., -koetsen.
Rouwkoop, M.
Rouwmantel, M., -mantels.
Rouwpapier, O.
Rouwrand, M., -randen.
Rouwstrik, M., -strikken; -strikje, O., -jes.
Rouwtijd, M.
Roven (de korst afnemen), roofde, heeft geroofd.
Royaal, royaler, royaalst.
Royalist, M., royalisten.
Royaliteit, V., royaliteiten.
Rozeblad, O., -bladen, -bladeren en -blaren; -blaadje, O., -jes.
Rozeboom, M., -boomen; -boompje, O., -jes.
Rozebottel, V., -bottels.
Rozeknop, M., -knoppen; -knopje, O., -jes.
Rozelaar, M., rozelaars en rozelaren. Rozelaartje, O., -jes.
Rozemarijn. Zie Rosmarijn.
Rozenbout, M., -bouten.
Rozengaard, M., -gaarden.
Rozengeur, M.
Rozengeurig.
Rozenhonig en -honing, M.
Rozenhout, O.
Rozenhouten (bnw.).
Rozenkleur, V.
Rozenkleurig.
Rozenkrans, M., -kransen.
Rozenolie, V.
Rozentijd, M.
Rozentint, V.
Rozenwater, O.
Rozerood, -roode.
Rozerood, O.
Rozestek, V., -stekken; -stekje, O., -jes.
Rozestruik, M., -struiken; -struikje, O., -jes.
Rozet, V., rozetten. Rozetje, O., -jes.
Rozetak, M., -takken; -takje, O., -jes.
Rozig, roziger, rozigst.
Rozijn (ook Razijn), V., rozijnen. Rozijntje, O., -jes.
Rozijnenbaard, M.
Rozijnenbaard (persoon), M. en V., -baarden.
Rozijnenbrood, O.
Rubber (stof), V. en O.
Rubbercultuur, V.
Rubbermarkt, V.
Rubberonderneming, V., -ondernemingen.
Rubberstempel, O., -stempels.
Rubriek, V., rubrieken.
Ruchtbaar.
Ruchtbaarheid, V.
Rug, M., ruggen. Rugje en ruggetje, O., -jes.
Ruggegraat, V., -graten.
Ruggelen, ruggelde, heeft en is geruggeld.
Ruggelings (bijw.).
Ruggelingsch (bnw.).
Ruggemerg, O.
Ruggemergstering, V.
Ruggepaard, O., -paarden.
Ruggespraak, V.
Ruggestreng, V.
Rugleuning, V., -leuningen.
Rugpijn, V., -pijnen.
Rugspier, V., -spieren.
Rugstuk, O., -stukken.
Rugtitel, M., -titels.
Rugzaag, V., -zagen.
Rugzak, M., -zakken.
Rugzenuw, V., -zenuwen.
Rui, M.
Ruidig, ruidiger, ruidigst.
Ruien, ruide, heeft geruid.
Ruif, V., ruiven. Ruifje, O., -jes.
Ruifel, V., ruifels.
Ruig, ruiger, ruigst.
Ruigheid, V.
Ruigpootig.
Ruigschaaf, V., -schaven.
Ruigte, V., ruigten.
Ruiing, V., ruiingen.
Ruiken en Rieken, rook, roken, heeft geroken.
Ruiker, M., ruikers. Ruikertje, O., -jes.
Ruil, M., ruilen. Ruiltje, O., -jes.
Ruilbaar, -bare.
Ruilebuiten, ruilebuitte, heeft geruilebuit.
Ruilen, ruilde, heeft geruild.
Ruiler, M. ruilers.
Ruilhandel, M.
Ruiling, V., ruilingen.
Ruilingrekening, V.
Ruilverkeer, O.
Ruim, ruimer, ruimst.
Ruim, O.
Ruimbaan, V.
Ruimbalk, M., -balken.
Ruimen, ruimde, heeft geruimd.
Ruimer, M., ruimers.
Ruimheid, V.
Ruimijzer, O., -ijzers.
Ruiming, V., ruimingen.
Ruimkraan, V., -kranen.
Ruimnaald, V., -naalden.
Ruimpen, V., -pennen.
Ruimschoots (bijw.).
Ruimschootsch (bnw.).
Ruimstank, M.
Ruimte, V., ruimten.
Ruimteparabool, V., -parabolen.
Ruimteuitgebreidheid, V., -uitgebreidheden.
Ruin, M., ruinen. Ruintje, O., -jes.
Ruïne, V., ruïnen en ruïnes.
Ruïneeren, ruïneerde, heeft geruïneerd.
Ruinen, ruinde, heeft geruind.
Ruischen, ruischte, heeft geruischt.
Ruisching, V.
Ruischpijp, V., -pijpen.
Ruisvoren en -voorn, M., -vorens en -voorns; -vorentje en -voorntje, O., -jes.
Ruit, V., ruiten. Ruitje, O., -jes.
Ruit (schurft), V.
Ruit (kruid), V.
Ruiten (mv.), V.
Ruiten, ruitte, heeft geruit.
Ruitenaas, O., -azen.
Ruitenboer, M., -boeren.
Ruitenheer, M., -heeren.
Ruitenvrouw, V., -vrouwen.
Ruiter, M., ruiters. Ruitertje, O., -jes.
Ruiterbende, V., -benden.
Ruiterij, V.
Ruiterliedje, O., -liedjes.
Ruiterlijk, -lijker, -lijkst.
Ruitermantel, M., -mantels.
Ruiterpad, O., -paden.
Ruitersabel, V., -sabels.
Ruiterstandbeeld, O., -standbeelden.
Ruiterwacht, V., -wachten.
Ruiterweg, M., -wegen.
Ruitijd, M.
Ruitswijze en -wijs.
Ruitvormig.
Ruk, M., rukken. Rukje, O., -jes.
Rukken, rukte, heeft gerukt.
Rukking, V., rukkingen.
Rukwind, M., -winden.
Rul, V., rullen. Rulletje, O., -jes.
Rul, ruller, rulst.
Rum, V. Rummetje, O., -jes.
Rumflesch, V., -flesschen.
Rumgelei, V., -geleien.
Rumgrog, M., -grogs; -grogje, O., -jes.
Rumoer, O., rumoeren.
Rumoeren, rumoerde, heeft gerumoerd.
Rumoerig, rumoeriger, rumoerigst.
Rumoerigheid, V.
Rumoermaker, M., -makers.
Rumpudding, M., -puddingen.
Rumtaart, V., -taarten; -taartje, O., -jes.
Run (eikenbast), V.
Rund, O., runderen en runders.
Runderhaas, M., -hazen.
Runderharst, M., -harsten.
Runderlapjes (mv.), O.
Runderpest, V.
Runderrib, V., -ribben.
Runderziekte, V.
Rundvee, O.
Rundveestamboek, O., -boeken.
Rundvet, O.
Rune, V., runen.
Runenschrift, O.
Runmolen, M., -molens.
Runnen, runde, heeft gerund.
Runsel, O.
Rups, V., rupsen. Rupsje, O., -jes.
Rupsendooder, M., -dooders.
Rupsenei, O., -eieren; -eitje, O., -eitjes en -eiertjes.
Rupsennest, O., -nesten.
Rupsenschaar, V., -scharen.
Rupsenvanger, M., -vangers.
Rupsklaver, V.
Rus, M., Russen.
Rusch, M., russchen.
Russchen (bnw.).
Russisch.
Russisch, O.
Rust (het rusten), V.
Rust (scheepsw.), V., rusten.
Rustbank, V., -banken.
Rustbed, O., -bedden.
Rustdag, M., -dagen.
Rusteloos, -loozer.
Rusteloosheid, V.
Rusten, rustte, heeft gerust.
Rustiek.
Rustig, rustiger, rustigst.
Rustigheid, V.
Rustjaar, O., -jaren.
Rustkuur, V.
Rustlijn, V., -lijnen.
Rustoord, O.
Rustplaats, V., -plaatsen; -plaatsje, O., -jes.
Rustpunt, O., -punten.
Rustteeken, O., -teekens.
Rusttijd, M., -tijden.
Rustuur, O., -uren; -uurtje, O., -jes.
Rustverstoorder, M., -verstoorders.
Rustverstoring, V., -verstoringen.
Ruw, ook Rouw, ruwer (rouwer), ruwst (rouwst).
Ruwaard, M., ruwaards en ruwaarden.
Ruwbladig.
Ruwelijk.
Ruwharig.
Ruwheid, V., -heden.
Ruwigheid, V., -heden.
Ruwkruid, O.
Ruwschaven, O.
Ruzie, V., ruzies. Ruzietje, O., -jes.
Ruziemaker, M., -makers.
Ruzietoon, M.
Ruziezoeker, M., -zoekers.
S
S, V., s's.
Sa (tusschenw.).
Saai, O. en V., saaien.
Saai, saaier, saaist.
Saaiem, O., saaiems.
Saaien (bnw.).
Saaihal, V., -hallen.
Saaiheid, V.
Saam. Zie Samen.
Sabbat, M., sabbatten.
Sabbatsdag, M., -dagen.
Sabbatskleed, O., -kleederen en -kleeren.
Sabbatsreis, V., -reizen.
Sabbatsrust, V.
Sabbatsschender, M., -schenders.
Sabbatsschennis, V.
Sabbatsvrouw, V., -vrouwen.
Sabel (dier), M., sabels; (bont), O. Sabeltje, O., -jes.
Sabel (zwaard), V., sabels. Sabeltje, O., -jes.
Sabel (zwart in de wapenkunde), O.
Sabeldier, O., -dieren.
Sabelen, sabelde, heeft gesabeld.
Sabelhouw, M., -houwen.
Sabelkling, V., -klingen.
Sabelkoppel, M., -koppels.
Sabelkorf, M., -korven.
Sabelscheede, V., -scheeden.
Saccharine, V.
Sacrament, O., sacramenten.
Sacramenteel, sacramenteele.
Sacramentsdag, M., -dagen.
Sacristein, M., sacristeinen.
Sacristie en Sacristij, V., sacristieën en sacristijen.
Sadduceër, M., Sadduceërs en Sadduceën.
Sadduceesch.
Saffier (stof), O.; (steen), M., saffieren.
Saffieren (bnw.).
Saffloer en Saffloers, O.
Saffraan, V.
Saffraangeel, -gele.
Sage, V., sagen.
Sago, V.
Sagomelk, V.
Sagopalm, M., -palmen.
Sagosoep, V.
Sajet, V. en O., sajetten.
Sajetfabriek, V., -fabrieken.
Sajetten (bnw.).
Sakerdaanhout, O.
Sakkerloot (tusschenw.).
Saks, M., Saksen.
Saksen, O.
Saksisch.
Salade en Sla, V., saladen. Slaatje, O., -jes.
Salamander, M., salamanders. Salamandertje, O., -jes.
Salarieeren, salarieerde, heeft gesalarieerd.
Salaris, O., salarissen.
Saldo, O., saldo's.
Salep, V.
Salepdrank, M., -dranken.
Salet, O., saletten. Saletje, O., -jes.
Saletjonker, M., -jonkers.
Salicylwatten, V.
Salie, V.
Saliemelk, V.
Salmoniak, V.
Salon, O., salons. Salonnetje, O., -jes.
Salonameublement, O., -ameublementen.
Salonboot, V., -booten.
Salonmuziek, V.
Salonspiegel, M., -spiegels.
Salonwagen, M., -wagens.
Salpeter, O.
Salpeterachtig.
Salpeterig.
Salpeterkokerij, V., -kokerijen.
Salpeterzuur, O.
Salpeterzuur, -zure.
Salueeren, salueerde, heeft gesalueerd.
Saluut, O., saluten.
Saluutschot, O., -schoten.
Salvo, O., salvo's.
Salvovuur, O.
Samaar, V., samaren. Samaartje, O., -jes.
Samen en Te zamen. Als eerste lid van samenstellingen ook Saam.
Samenbinden, bond samen, heeft samengebonden.
Samenbrengen, bracht samen, heeft samengebracht.
Samenbuigen, boog samen, bogen samen, heeft samengebogen.
Samendoen, deed samen, deden samen, heeft samengedaan.
Samendragen, droeg samen, heeft samengedragen.
Samendrijven, dreef samen, dreven samen, heeft samengedreven.
Samendringen, drong samen, heeft samengedrongen.
Samendrukbaar.
Samendrukbaarheid, V.
Samendrukken, drukte samen, heeft samengedrukt.
Samendrukking, V.
Samenflansen, flanste samen, heeft samengeflanst.
Samenflansing, V.
Samengaan, gaat samen, ging samen, heeft en is samengegaan.
Samengesteld.
Samengesteldbloemig.
Samengezworenen (mv.), M.
Samengieten, goot samen, goten samen, heeft samengegoten.
Samengroeien, groeide samen, is samengegroeid.
Samenhang, M.
Samenhangen, hing samen, heeft samengehangen.
Samenhangend.
Samenhechten, hechtte samen, heeft samengehecht.
Samenhechting, V.
Samenknijpen, kneep samen, knepen samen, heeft samengeknepen.
Samenknoopen, knoopte samen, heeft samengeknoopt.
Samenknooping, V.
Samenkomen, komt samen, kwam samen, kwamen samen, is samengekomen.
Samenkomst, V., -komsten.
Samenkoppelen, koppelde samen, heeft samengekoppeld.
Samenkoppeling, V.
Samenleggen, legde samen en leide samen, heeft samengelegd en samengeleid.
Samenleving, V.
Samenloop, M.
Samenloopen, liep samen, is samengeloopen.
Samenmengen, mengde samen, heeft samengemengd.
Samennaaien, naaide samen, heeft samengenaaid.
Samenpakken, pakte samen, heeft en is samengepakt.
Samenpersen, perste samen, heeft samengeperst.
Samenpersing, V.
Samenplakken, plakte samen, heeft samengeplakt.
Samenplakking, V.
Samenraapsel, O., -raapsels.
Samenrapen, raapte samen, heeft samengeraapt.
Samenraping, V.
Samenrijgen, reeg samen, regen samen, heeft samengeregen.
Samenroepen, riep samen, heeft samengeroepen.
Samenroeping, V.
Samenrotten, rotte samen, heeft en is samengerot.
Samenrotting, V., -rottingen.
Samenscharrelen, scharrelde samen, heeft samengescharreld.
Samenschikken, schikte samen, heeft samengeschikt.
Samenschikking, V.
Samenscholen, schoolde samen, heeft en is samengeschoold.
Samenscholing, V., -scholingen.
Samenschroeven, schroefde samen, heeft samengeschroefd.
Samensmelten, smolt samen, heeft en is samengesmolten.
Samensmelting, V., -smeltingen.
Samensnoeren, snoerde samen, heeft samengesnoerd.
Samenspannen, spande samen, heeft en is samengespannen.
Samenspanning, V., -spanningen.
Samenspelden, speldde samen, heeft samengespeld.
Samenspraak, V., -spraken.
Samenspreken, sprak samen, spraken samen, heeft samengesproken.
Samenspreking, V., -sprekingen.
Samenstel, O.
Samenstellen, stelde samen, heeft samengesteld.
Samensteller, M., -stellers.
Samenstelling, V., -stellingen.
Samenstemmen, stemde samen, heeft samengestemd.
Samenstemming, V.
Samentreffen, trof samen, troffen samen, heeft samengetroffen.
Samentrekken, trok samen, trokken samen, heeft en is samengetrokken.
Samentrekkend.
Samentrekking, V., -trekkingen.
Samentrekkingsteeken, O., -teekens.
Samenvatten, vatte samen, heeft samengevat.
Samenvatting, V.
Samenvlechten, vlocht samen, heeft samengevlochten.
Samenvlechting, V.
Samenvloeien, vloeide samen, is samengevloeid.
Samenvloeiing, V., -vloeiingen.
Samenvoegen, voegde samen, heeft samengevoegd.
Samenvoeging, V., -voegingen.
Samenvouwen, vouwde samen, heeft samengevouwen.
Samenvouwing, V., -vouwingen.
Samenweefsel, O., -weefsels.
Samenwerken, werkte samen, heeft samengewerkt.
Samenwerking, V.
Samenweven, weefde samen, heeft samengeweven.
Samenweving, V.
Samenwinden, wond samen, heeft samengewonden.
Samenwonen, woonde samen, heeft samengewoond.
Samenwoning, V.
Samenwringen, wrong samen, heeft samengewrongen.
Samenzweerder, M., -zweerders.
Samenzweren, zwoer samen, heeft samengezworen.
Samenzwering, V., -zweringen.
Sammelaar, M., sammelaars.
Sammelen, sammelde, heeft gesammeld.
Sanatorium, O., sanatoria.
Sanctie, V., sanctiën.
Sanctionneeren, sanctionneerde, heeft gesanctionneerd.
Sandaal, V., sandalen.
Sandelboom, M., -boomen.
Sandelhout, O.
Sandelhouten (bnw.).
Sandrak, O.
Sanguinisch.
Sanhedrin, O.
Sanitair.
Sanskrit, O.
Sanskritist, M., sanskritisten.
Sant, M., santen. Santje, O., -jes.
Santenkraam, V.
Santin, V., santinnen.
Santonine, V.
Santorie, V.
Sap, O., sappen.
Sapanhout, O.
Sapgroen, O.
Sappe (loopgraaf), V., sappen.
Sappeeren, sappeerde, heeft gesappeerd.
Sappeloos en Saploos, -looze.
Sapperloot.
Sappeur, M., sappeurs.
Sappeursbaard, M., -baarden.
Sappig, sappiger, sappigst.
Sappigheid, V.
Saprijk, -rijker, -rijkst.
Saprijkheid, V.
Sapverf, V., -verven.
Sarabande, V., sarabandes.
Saraceen, M., Saracenen.
Saraceensch.
Sarcasme, O., sarcasmen.
Sarcastisch, sarcastischer, meest sarcastisch.
Sarcophaag, V., sarcophagen.
Sardijn en Sardine, V., sardijnen en sardines. Sardijntje en sardientje O., -jes.
Sardijnenvangst, V.
Sardinenblikje, O., -jes.
Sardonyx (stof), O.; (steen), M., sardonyxen.
Sarge. Zie Serge.
Sarong, V., sarongs.
Sarren, sarde, heeft gesard.
Sarrig, sarriger, sarrigst.
Sas (soort van buskruit), V., sassen.
Sas (sluiskolk), O., sassen.
Sassefras, O.
Sasser, M., sassers.
Satan, M., satans.
Satansch.
Satanskind, O., -kinderen.
Satanswerk, O.
Satelliet, M., satellieten.
Sater, M., saters. Satertje, O., -jes.
Satersgezicht, O., -gezichten.
Satijn, O., satijnen.
Satijnachtig, -achtiger, -achtigst.
Satijnen (bnw.).
Satijnweverij, V., -weverijen.
Satineeren, satineerde, heeft gesatineerd.
Satinet, O.
Satire, V., satiren.
Satirendichter, M., -dichters.
Satiriek, satirieker, satiriekst.
Satisfactie, V.
Satraap, M., Satrapen.
Saucijs, V., saucijzen. Saucijsje, O., -jes.
Saucijzebroodje, O., -jes.
Saus, V., sausen. Sausje, O., -jes.
Sausen, sauste, heeft gesaust.
Sauskom, V., -kommen.
Sauslepel, M., -lepels.
Savonet, V., savonetten.
Savoyekool, V., -koolen.
Scalp, M., scalpen.
Scalpeeren, scalpeerde, heeft gescalpeerd.
Scandeeren, scandeerde, heeft gescandeerd.
Scansie, V.
Scaphander, M., scaphanders.
Scapulier, O., scapulieren.
Scepticisme, O.
Scepticus, M., sceptici.
Sceptisch.
Schaaf, V., schaven. Schaafje, O., -jes.
Schaafbank, V., -banken.
Schaafbeitel, M., -beitels.
Schaafmes, O., -messen.
Schaafsel, O.
Schaafstroo, O.
Schaak.
Schaakbord, O., -borden.
Schaakgezelschap, O., -gezelschappen.
Schaakmat.
Schaakpartij, V., -partijen.
Schaakprobleem, O., -problemen.
Schaakspel, O., -spellen.
Schaakspelen, O.
Schaakspeler, M., -spelers.
Schaakwedstrijd, M., -wedstrijden.
Schaal, V., schalen. Schaaltje, O., -jes.
Schaalcollecte, V., -collecten.
Schaaldier, O., -dieren.
Schaalknecht, M., -knechts.
Schaamachtig, -achtiger, -achtigst.
Schaamachtigheid, V.
Schaambeen, O., -beenderen.
Schaamdeel, O., -deelen.
Schaamlid, O., -leden.
Schaamrood, -roode.
Schaamte, V.
Schaamtegevoel, O.
Schaamteloos, -loozer.
Schaamteloosheid, v.
Schaap, O., schapen. Schaapje, O., -jes.
Schaapachtig, -achtiger, -achtigst.
Schaapherder, M., -herders.
Schaapskleederen (mv.), O.
Schaapskooi, V., -kooien.
Schaapsleder en -leer, O. Verg. Schapeleder.
Schaapslederen en -leeren (bnw.).
Schaapsvacht, V., -vachten.
Schaar (menigte), V., scharen.
Schaar (werktuig), V., scharen. Schaartje, O., -jes.
Schaarbosch, O., -bosschen.
Schaard, V., schaarden. Schaardje, O., -jes.
Schaardig, schaardiger, schaardigst.
Schaars (bijw.).
Schaarsch (bnw.), schaarscher, meest schaarsch.
Schaarschheid, V.
Schaarschte, V.
Schaarslijp en -sliep, M., -slijpen en -sliepen.
Schaarstok, M., -stokken.
Schaarstrook, V., -strooken.
Schaats, V., schaatsen. Schaatsje, O., -jes.
Schaatsenband (stof), O.
Schaatsenriem, M., -riemen.
Schaatsenrijden, O.
Schaatsenrijder, M., -rijders.
Schaatsenrijdster, V., -rijdsters.
Schaatshout, O., -houten.
Schaatsijzer, O., -ijzers.
Schaâuw. Zie Schaduw.
Schabberig, schabberiger, schabberigst.
Schabel, V., schabellen. Schabelletje, O., -jes.
Schabouwelijk, schabouwelijker, schabouwelijkst.
Schabouwerig, schabouweriger, schabouwerigst.
Schabrak, V. en O., schabrakken. Schabrakje, O., -jes.
Schacheraar, M., schacheraars.
Schacheren, schacherde, heeft geschacherd.
Schacherij, V., schacherijen.
Schacht en Schaft, V., schachten en schaften. Schachtje en schaftje, O., -jes.
Schachtenleder en -leer, O.
Schade, V.
Schadelijk, -lijker, -lijkst.
Schadelijkheid, V.
Schadeloos (zonder schade).
Schadeloos (beschadigd). Zie Schaloos.
Schadelooshouding, V.
Schadeloosstellen, stelde schadeloos, heeft schadeloosgesteld.
Schadeloosstelling, V.
Schaden, schaadde, heeft geschaad.
Schadevergoeding en Schavergoeding, V., -vergoedingen.
Schadeverhaling en Schaverhaling, V., -verhalingen.
Schaduw (ook Schaâuw), V., schaduwen. Schaduwtje, O., -jes.
Schaduwachtig, -achtiger, -achtigst.
Schaduwbeeld, O., -beelden.
Schaduwen, schaduwde, heeft geschaduwd.
Schaduwloos, -looze.
Schaduwrijk, -rijker, -rijkst.
Schaduwzijde, V., -zijden.
Schaffen, schafte, heeft geschaft.
Schaffer, M., schaffers.
Schaft. Zie Schacht.
Schaften, schafte, heeft geschaft.
Schaftgat, O., -gaten.
Schaftklok, V., -klokken.
Schaftlijst, V., -lijsten.
Schaftmeester, M., -meesters.
Schafttijd, M.
Schaftuur, O., -uren; -uurtje, O., -jes.
Schakeeren, schakeerde, heeft geschakeerd.
Schakeering, V., schakeeringen.
Schakel, V., schakels. Schakeltje, O., -jes.
Schakelbord, O., -borden.
Schakelen, schakelde, heeft geschakeld.
Schakeling, V., schakelingen.
Schakellijm, V.
Schakelnet, O., -netten.
Schaken (ontvoeren), schaakte, heeft geschaakt.
Schaken (spelen), schaakte, heeft geschaakt.
Schaker, M., schakers.
Schaking, V., schakingen.
Schal, M.
Schalen, schaalde, heeft geschaald.
Schalie, schaliën en schalies.
Schaliedak en Schaliëndak, O., -daken.
Schalk, M., schalken. Schalkje, O., -jes.
Schalk, schalker, schalkst.
Schalkachtig, -achtiger, -achtigst.
Schalkachtigheid, V., -heden.
Schalkheid, V., -heden.
Schalks (bijw.), schalkser, schalkst.
Schalksch (bnw.), schalkscher, meest schalksch.
Schalkschheid, V., -heden.
Schallebijter. Zie Scharrebijter.
Schallen, schalde, heeft geschald.
Schalm, M., schalmen. Schalmpje, O., -jes.
Schalmei, V., schalmeien. Schalmeitje, O., -jes.
Schalmen, schalmde, heeft geschalmd.
Schalmgeld, O.
Schalmhout, O.
Schaloos en Schadeloos, -looze.
Schamel, schameler, schamelst.
Schamelheid, V.
Schamen (zich -), schaamde zich, heeft zich geschaamd.
Schamp, M.
Schampdek, O., -dekken.
Schampen, schampte, is geschampt.
Schamper, schamperder, schamperst.
Schamperheid, V., -heden.
Schamppaal, M., -palen.
Schampscheut (schamper gezegde), M., -scheuten.
Schampschot (schot), O., -schoten.
Schandaal, O., schandalen. Schandaaltje, O., -jes.
Schandaleus, schandaleuzer, meest schandaleus.
Schandalig, schandaliger, schandaligst.
Schandaliseeren, schandaliseerde, heeft geschandaliseerd.
Schandbord, O., -borden.
Schanddaad, V., -daden.
Schande, V.
Schandedekker, M., -dekkers; -dekkertje, O., -jes.
Schandek, O., -dekken.
Schandekoop.
Schandelijk, -lijker, -lijkst.
Schandelijkheid, V., -heden.
Schandgewaad, O., -gewaden.
Schandjongen, M., -jongens.
Schandkleed, O., -kleederen.
Schandmerk, O., -merken.
Schandmerken, schandmerkte, heeft geschandmerkt.
Schandpaal, M., -palen.
Schandteeken, O., -teekens en -teekenen.
Schandvlek, V., -vlekken.
Schandvlekken, schandvlekte, heeft geschandvlekt.
Schans, V., schansen. Schansje, O., -jes.
Schansen, schanste, heeft geschanst.
Schansgraver, M., -gravers.
Schanskorf, M., -korven.
Schanslooper, M., -loopers.
Schap, V., schappen.
Schapebout, M., -bouten; -boutje, O., -jes.
Schapekop, M., -koppen.
Schapeleder en -leer, en Schapenleder en -leer, O. Verg. Schaapsleder.
Schapenboter, V.
Schapendief, M., -dieven.
Schapenfokker, M., -fokkers.
Schapenhok, O., -hokken.
Schapenhuid, V., -huiden.
Schapenkaas, V., -kazen; -kaasje, O., -jes.
Schapenlever, V.
Schapenluis, V., -luizen.
Schapenmarkt, V.
Schapenmelk, V.
Schapenstal, M., -stallen.
Schapenwol, V.
Schapenwolkje, O., -jes.
Schapepoot, M., -pooten.
Schapevacht, V., -vachten.
Schapevel, O., -vellen.
Schapevleesch en Schapenvleesch, O.
Schappelijk, -lijker, -lijkst.
Schappelijkheid, V.
Schaprade en Schapraai, V., -raden en -raaien.
Schar, V., scharren. Scharretje, O., -jes.
Scharbier. Zie Scharrebier.
Scharen, schaarde, heeft geschaard.
Scharenslijper, M., -slijpers.
Scharing, V.
Scharlaken, O.
Scharlaken (bnw.).
Scharlakenkoorts, V.
Scharlakenrood, -roode.
Scharlakensch.
Scharlei en Scherlei, V.
Scharluin en Scherluin, M., scharluinen en scherluinen.
Scharminkel en Scherminkel, M., scharminkels en scherminkels.
Scharnier, O., scharnieren. Scharniertje, O., -jes.
Scharrebier en Scharbier, O.
Scharrebijter en Schallebijter, M., -bijters.
Scharrelaar, M., scharrelaars.
Scharrelbeenen, scharrelbeende, heeft gescharrelbeend.
Scharrelen, scharrelde, heeft en is gescharreld.
Schat, M., schatten. Schatje, O., -jes.
Schatbaar, -baarder, -baarst.
Schatbewaarder, M., -bewaarders.
Schateren, schaterde, heeft geschaterd.
Schaterlach, M.
Schaterlachen, schaterlachte, heeft geschaterlacht.
Schatgraver, M., -gravers.
Schatkamer, V., -kamers.
Schatkist, V., -kisten.
Schatkistbiljet, O., -biljetten.
Schatkistbon, M., -bons.
Schatmeester, M., -meesters.
Schatplichtig.
Schatrijk.
Schatten, schatte, heeft geschat.
Schatter, M., schatters.
Schatting, V., schattingen.
Schaveelen en Schavielen, schaveelde (schavielde), heeft en is geschaveeld (geschavield).
Schaveling, M., schavelingen.
Schaven, schaafde, heeft geschaafd.
Schavergoeding. Zie Schadevergoeding.
Schaverhaling. Zie Schadeverhaling.
Schavielen. Zie Schaveelen.
Schaving, V.
Schavot, O., schavotten. Schavotje, O., -jes.
Schavotkleur, V.
Schavotteeren, schavotteerde, heeft geschavotteerd.
Schavotteering, V., schavotteeringen.
Schavuit, M., schavuiten. Schavuitje, O., -jes.
Schavuitenstreek, M., -streken.
Schavuitenstuk, O., -stukken.
Schedel, M., schedels.
Schedelboor, V., -boren.
Schedelbreuk, V., -breuken.
Schedelhuid, V.
Schedelleer, V.
Schedelmeting, V., -metingen.
Scheede, Schee, V., scheeden, scheeën. Scheetje, O., -jes.
Scheef, scheever, scheefst.
Scheefbeen, M. en V., -beenen.
Scheefheid, V.
Scheefhoek, M.-hoeken.
Scheefhoekig.
Scheefnek, M. en V., -nekken.
Scheefneus, M. en V., -neuzen.
Scheefte, V.
Scheel (deksel), O., scheelen. Scheeltje, O., -jes.
Scheel, scheler, scheelst.
Scheelaard, M., scheelaards.
Scheelachtig.
Scheelen (scheiden, schoonmaken), scheelde, heeft gescheeld.
Scheelheid, V.
Scheeloog, M, en V., -oogen.
Scheelzien, O.
Scheen, V., schenen. Scheentje, O., -jes.
Scheenbeen, O., -beenderen.
Scheep (Te -).
Scheepje. Zie Schip.
Scheeprijk, -rijker, -rijkst.
Scheepsbehoeften (mv.), V.
Scheepsbericht, O., -berichten.
Scheepsbeschuit, V., -beschuiten.
Scheepsbestier, O.
Scheepsbewijs, O., -bewijzen.
Scheepsboord, O.
Scheepsbouw, M.
Scheepsbouwer, M.
Scheepsbouwmeester, M., -meesters.
Scheepsch (Geen - verstaan).
Scheepsdek, O., -dekken.
Scheepsdokter, M., -dokters.
Scheepsgebruik, O., -gebruiken.
Scheepsgelegenheid, V., -gelegenheden.
Scheepsgevecht, O., -gevechten.
Scheepsgezel, M., -gezellen.
Scheepsjongen, M., -jongens.
Scheepsjournaal, O., -journalen.
Scheepskameel, O., -kameelen.
Scheepskapitein, M., -kapiteins.
Scheepskist, V., -kisten.
Scheepsklerk, M., -klerken.
Scheepskok, M., -koks.
Scheepskost, M.
Scheepskroon, V., -kronen.
Scheepslading, V., -ladingen.
Scheepslantaren, V., -lantarens.
Scheepslengte, V., -lengten.
Scheepsmaat, M., -maats.
Scheepsmakelaar, M., -makelaars.
Scheepsofficier, M., -officieren.
Scheepspapieren (mv.), O.
Scheepsprovisie, V.
Scheepsraad, M., -raden.
Scheepsrecht, O.
Scheepsruimte, V.
Scheepsstrijd, M., -strijden.
Scheepstagrijn, M., -tagrijnen en -tagrijns.
Scheepsterm, M., -termen.
Scheepstijding, V., -tijdingen.
Scheepstimmerman, M., -lieden en -lui.
Scheepstimmerwerf, V., -werven.
Scheepstocht, M., -tochten.
Scheepstoebehooren, O.
Scheepstoerusting, V., -toerustingen.
Scheepstuig, O.
Scheepsvolk, O.
Scheepsvoogd, M., -voogden.
Scheepsvracht, V., -vrachten.
Scheepswerk, O.
Scheepswoord, O., -woorden.
Scheepvaart, V.
Scheepvaartbelangen (mv.), O.
Scheepvaartrecht, O., -rechten.
Scheer (zandbank), V., scheren.
Scheerbekken, O., -bekkens.
Scheerbout, M., -bouten.
Scheerder, M., scheerders.
Scheerderswinkel, M., -winkels.
Scheerdoek, M., -doeken; -doekje, O., -jes.
Scheerdoos, V., -doozen.
Scheerdraad, M., -draden.
Scheergang, V., -gangen.
Scheergeld, O.
Scheergereedschap, O.
Scheerhaak, M., -haken.
Scheerklant, M., -klanten.
Scheerkwast, M., -kwasten; -kwastje, O., -jes.
Scheerlijn, V., -lijnen.
Scheerling, V.
Scheerloon, O., -loonen.
Scheermes, O., -messen.
Scheerriem, M., -riemen.
Scheersel, O.
Scheerspiegeltje, O., -jes.
Scheerstok, M., -stokken.
Scheertijd, M.
Scheerwater, O.
Scheerwinkel, M., -winkels.
Scheerzeep, V.
Scheet, M., scheten.
Scheg en Schegge, V., scheggen.
Scheggelood, O.
Schei, V., scheien.
Scheiboter, V.
Scheidbaar, -bare.
Scheidbaarheid, V.
Scheidboom, M., -boomen.
Scheidboor, V., -boren.
Scheidbrief, M., -brieven.
Scheiden, scheidde, heeft en is gescheiden.
Scheiding, V., scheidingen. Scheidinkje, O., -jes.
Scheidpaal, M., -palen.
Scheidsman, M., -lieden.
Scheidsmuur, M., -muren.
Scheidsrechter, M., -rechters.
Scheidsvrouw, V., -vrouwen.
Scheikunde, V.
Scheikundig.
Scheikundige, M., -kundigen.
Scheikunst, V.
Scheilijn, V., -lijnen.
Scheimuur, M., -muren.
Scheinagel, M., -nagels.
Scheisel, O., scheisels.
Scheisloot, V., -slooten.
Scheiteeken, O., -teekens.
Scheivocht, O.
Schel (bel), V., schellen. Schelletje, O., -jes.
Schel (schil). Zie Schil.
Schel, scheller, schelst.
Schelden, schold, heeft gescholden.
Scheldnaam, M., -namen.
Scheldwoord, O., -woorden; -woordje, O., -jes.
Schelen (verschillen), scheelde, heeft gescheeld.
Schelf, V., schelven.
Schelheid, V.
Schelklinkend, -klinkender, -klinkendst.
Schelknop, M., -knoppen.
Schelkoord, O., -koorden.
Schelkruid, O.
Schellak, O.
Schellen, schelde, heeft gescheld.
Schelling, M., schellingen. Schellinkje, O., -jes.
Schellinkje (in de komedie), O.
Schelm, M., schelmen. Schelmpje, O., -jes.
Schelmachtig, -achtiger, -achtigst.
Schelmerij, V., schelmerijen.
Schelmsch, schelmscher, meest schelmsch.
Schelmstuk, O., -stukken.
Schelp en Schulp, V., schelpen en schulpen. Schelpje en schulpje, O., -jes.
Schelpaarde, V.
Schelpdier, O., -dieren.
Schelpenpad, O., -paden.
Schelpkalk, V.
Schelpnet, O., -netten.
Schelpweg, M., -wegen.
Schelpzand, O.
Scheluw.
Scheluwte, V.
Schelvisch (een visch), M., -visschen. Als stofnaam, V.
Schelvischlever, V., -levers.
Schelvischoog, O., -oogen.
Schelvischvangst, V.
Schelwortel, V.
Schema, O., schema's.
Schemer, M.
Schemerachtig, -achtiger, -achtigst.
Schemeravond, M., -avonden.
Schemeren, schemerde, heeft geschemerd.
Schemerig, schemeriger, schemerigst.
Schemering, V., schemeringen.
Schemerlampje, O., -jes.
Schemerlicht, O.
Schemertijd, M.
Schemeruur, O.; -uurtje, O., -jes.
Schendbrok, M. en V., -brokken.
Schenden, schond, heeft geschonden.
Schender, M., schenders.
Schenderij, V., schenderijen.
Schendig, schendiger, schendigst.
Schending, V., schendingen.
Schenk, M., schenken. Schenkje, O., -jes.
Schenkage, V., schenkages.
Schenkblad, O., -bladen; -blaadje, O., -jes.
Schenkbord, O., -borden; -bordje, O., -jes.
Schenkel en Schinkel, M., schenkels en schinkels. Schenkeltje en schinkeltje, O., -jes.
Schenkelvleesch, O.
Schenken, schonk, heeft geschonken.
Schenker, M., schenkers.
Schenking, V., schenkingen.
Schenkingsakte, V., -akten.
Schenkkan, V., -kannen; -kannetje, O., -jes.
Schenkketel, M., -ketels; -keteltje, O., -jes.
Schenkster, V., schenksters.
Schennis, V.
Schep, M., scheppen. Schepje, O., -jes.
Schepbord, O., -borden.
Schepel, O., schepels. Schepeltje, O., -jes.
Schepeling, M. en V., schepelingen. V. ook schepelinge.
Schepelsmand, V., -manden.
Schepelszak, M., -zakken.
Schepen, M., schepenen.
Schepen, scheepte, heeft gescheept.
Schepenbank, V., -banken.
Schepenbrief, M., -brieven.
Schependom, O.
Schepenkennis, V., -kennissen.
Schepenschap, O.
Schepgat, O., -gaten.
Scheplepel, M., -lepels.
Schepnet, O., -netten; -netje, O., -jes.
Scheppen (voortbrengen), schiep, heeft geschapen.
Scheppen (putten), schepte, heeft geschept.
Schepper, M., scheppers.
Schepping, V., scheppingen.
Scheppingsboek, O.
Scheppingsgeschiedenis, V.
Scheppingskracht, V.
Scheppingsverhaal, O., -verhalen.
Scheppingsvermogen, O.
Scheppingswerk, O.
Scheprad, O., -raden en -raderen.
Schepsel, O., schepselen en schepsels. Schepseltje, O., -jes.
Schepter, M., schepters.
Schepvat, O., -vaten.
Scheren, schoor, schoren, heeft geschoren.
Scherf, V., scherven. Scherfje, O., -jes.
Schering, V., scheringen.
Scherlei. Zie Scharlei.
Scherluin. Zie Scharluin.
Scherm, O., schermen. Schermpje, O., -jes.
Schermbloemig.
Schermdegen, M., -degens; -degentje, O., -jes.
Schermen, schermde, heeft geschermd.
Schermer (persoon), M., schermers.
Schermer (naam van een polder), V.
Schermhandschoen, M., -handschoenen.
Scherminkel. Zie Scharminkel.
Schermkunst, V.
Schermles, V., -lessen.
Schermmasker, O., -maskers.
Schermmeester, M., -meesters.
Schermutselen, schermutselde, heeft geschermutseld.
Schermutseling, V., schermutselingen.
Schermzaal, V., -zalen.
Scherp, scherper, scherpst.
Scherp, O.
Scherpen, scherpte, heeft en is gescherpt.
Scherpheid, V., -heden.
Scherphoekig.
Scherping, V., scherpingen.
Scherpkort.
Scherplang.
Scherprechter, M., -rechters.
Scherpschutter, M., -schutters.
Scherpschuttersvereeniging, V., -vereenigingen.
Scherpsnijdend.
Scherpte, V., scherpten.
Scherpziend.
Scherpzinnig, -zinniger, -zinnigst.
Scherpzinnigheid, V., -heden.
Scherpzinniglijk.
Scherts, V.
Schertsen, schertste, heeft geschertst.
Schertsenderwijze en -wijs.
Scherven, scherfde, is gescherfd.
Schets, V., schetsen. Schetsje, O., -jes.
Schetsboek, O., -boeken.
Schetsen, schetste, heeft geschetst.
Schetser, M., schetsers.
Schetsteekening, V., -teekeningen.
Schetteraar, M., schetteraars.
Schetterbuik, M., -buiken.
Schetteren, schetterde, heeft geschetterd.
Schettering, V., schetteringen.
Scheur, V., scheuren. Scheurtje, O., -jes.
Scheurbroek (broekscheurder), M., scheurbroeken.
Scheurbuik, V. Verg. Scorbut.
Scheurder, M., scheurders.
Scheurdoek, M., -doeken.
Scheuren, scheurde, heeft en is gescheurd.
Scheuring, V., scheuringen.
Scheurkalender, M., -kalenders.
Scheurlaken, O.
Scheurlinnen, O.
Scheurmaker, M., -makers.
Scheurmakerij, V., -makerijen.
Scheurpapier, O.
Scheursel, O., scheursels.
Scheurziek, -zieker, -ziekst.
Scheut, M., scheuten. Scheutje, O., -jes.
Scheutig, scheutiger, scheutigst.
Scheutigheid, V.
Schicht, M., schichten. Schichtje, O., -jes.
Schichtig, schichtiger, schichtigst.
Schichtigheid, V., -heden.
Schie. Zie Scheede.
Schielijk, -lijker, -lijkst.
Schielijkheid, V.
Schieman, M., -lieden en -lui.
Schiemannen, schiemande, heeft geschiemand.
Schiemansgaren, O.
Schiemansgast, M., -gasten.
Schiemansmaat, M., -maats.
Schier.
Schiereiland, O., -eilanden; -eilandje, O., -jes.
Schieringer, M., Schieringers.
Schietbaan, V., -banen.
Schietbout, M., -bouten.
Schieten, schoot, schoten, heeft en is geschoten.
Schieter, M., schieters.
Schietgat, O., -gaten.
Schietgebedje, O., -jes.
Schietgeweer, O.
Schietkatoen, O.
Schietlood, O., -looden.
Schietoefening, V., -oefeningen.
Schietschijf, V., -schijven.
Schietschool, V., -scholen.
Schietschouw, V., -schouwen.
Schietschuit, V., -schuiten.
Schietsleuf, V., -sleuven.
Schietspel, O., -spellen; -spelletje, O., -jes.
Schietspoel, V., -spoelen.
Schiettuig, O.
Schietwedstrijd, M., -wedstrijden.
Schiften (scheiden), schiftte, heeft geschift.
Schiften (van vochten), schiftte, is geschift.
Schifter, M., schifters.
Schifting, V., schiftingen.
Schijf, V., schijven. Schijfje, O., -jes.
Schijfschieten, O.
Schijn, M. Schijntje, O., -jes.
Schijnaanval, M., -aanvallen.
Schijnbaar, -bare.
Schijnbeeld, O., -beelden.
Schijnbeweging, V., -bewegingen.
Schijnchristen, M., -christenen.
Schijndeugd, V., -deugden.
Schijndood, M.
Schijndood, -doode.
Schijndoode, M. en V., -dooden.
Schijnen, scheen, schenen, heeft geschenen.
Schijngehakt, O.
Schijngeleerde, M., -geleerden.
Schijngeloof, O.
Schijngeluk, O.
Schijnglans, M., -glansen.
Schijngrond, M., -gronden.
Schijnheilig, -heiliger, -heiligst.
Schijnheilige, M. en V., -heiligen.
Schijnheiligheid, V.
Schijnreden, V., -redenen.
Schijnschoon, -schoone.
Schijnsel, O., schijnsels. Schijnseltje, O., -jes.
Schijnvermaak, O., -vermaken.
Schijnvriend, M., -vrienden.
Schijnvroom, -vrome.
Schijnzoet, O.
Schijten, scheet, scheten, heeft gescheten.
Schijtlaars, M., -laarzen.
Schijtvalk, M., -valken.
Schijtwortel, V.
Schijvenschuurder, M., -schuurders.
Schik, M.
Schikgodin, V., -godinnen.
Schikkelijk, -lijker, -lijkst.
Schikkelijkheid, V.
Schikken, schikte, heeft en is geschikt.
Schikker, M., schikkers.
Schikking, V., schikkingen.
Schil en Schel, V., schillen en schellen. Schilletje en schelletje, O., -jes.
Schild, O., schilden. Schildje, O., -jes.
Schilder, M., schilders. Schildertje, O., -jes.
Schilderachtig, -achtiger, -achtigst.
Schilderachtigheid, V.
Schilderen (malen), schilderde, heeft geschilderd.
Schilderen (op schildwacht staan), schilderde, heeft geschilderd.
Schilderes, V., schilderessen.
Schilderhuisje, O., -jes.
Schilderij, V. en O., schilderijen. Schilderijtje, O., -jes.
Schilderijententoonstelling, V., -tentoonstellingen.
Schilderijkoord, O.
Schilderijlijst, V., -lijsten.
Schildering, V., schilderingen.
Schilderkamer, V., -kamers.
Schilderkunst, V.
Schildersbent, V.
Schilderschool, V., -scholen.
Schildersezel, M., -ezels.
Schildersgordijn, O., -gordijnen.
Schilderskwast, M., -kwasten.
Schildersleven, O.
Schilderstok en Schildersstok, M., -stokken.
Schilderstuk, O., -stukken; -stukje, O., -jes.
Schildersvak, O.
Schilderswinkel, M., -winkels.
Schilderswerk, O.
Schilderswerkplaats, V., -werkplaatsen.
Schildhouder, M., -houders.
Schildknaap, M., -knapen.
Schildluis, V., -luizen.
Schildpad (dier en scheepsw.), V., -padden; (stof), O. Schildpadje, O., -jes.
Schildpadden (bnw.).
Schildpadsoep, V.
Schildvleugelig.
Schildwacht (een wachter), M., -wachten.
Schildwacht (het wachthouden), V.
Schildwachthuisje, O., -huisjes.
Schilfer, V., schilfers. Schilfertje, O., -jes.
Schilferachtig, -achtiger, -achtigst.
Schilferen, schilferde, is geschilferd.
Schilferig, schilferiger, schilferigst.
Schilfering, V., schilferingen.
Schillen, schilde, heeft geschild.
Schillenmand, V., -manden.
Schilmesje, O., -jes.
Schim, V., schimmen. Schimmetje, O., -jes.
Schimmel (paard), M., schimmels. Schimmeltje, O., -jes.
Schimmel (uitslag), V.
Schimmelbles, M., -blessen.
Schimmelen, schimmelde, heeft en is geschimmeld.
Schimmelig, schimmeliger, schimmeligst.
Schimmeling, V.
Schimmelkleurig.
Schimmelplant, V., -planten.
Schimmelspel, O.
Schimmenrijk, O.
Schimp, M.
Schimpbrief, M., -brieven.
Schimpdicht, O., -dichten.
Schimpdichter, M., -dichters.
Schimpen, schimpte, heeft geschimpt.
Schimper, M., schimpers.
Schimperij, V., schimperijen.
Schimpig, schimpiger, schimpigst.
Schimping, V., schimpingen.
Schimpkreet, M., -kreten.
Schimplied, O., -liederen.
Schimpnaam, M., -namen.
Schimprede, V., -redenen.
Schimpscheut, M., -scheuten; -scheutje, O., -jes.
Schimpschrift, O., -schriften.
Schimptaal, V.
Schimpvogel, M., -vogels.
Schimpwoord, O., -woorden.
Schink, M., schinken. Schinkje, O., -jes.
Schinkel (lichaamsdeel). Zie Schenkel.
Schinkel en Schenkel (scheepsw.), M., schinkels en schenkels.
Schinkelhaak, M., -haken.
Schip, O., schepen. Scheepje, O., -jes.
Schipbreuk, V., -breuken.
Schipbreukeling, M. en V., -breukelingen. V. ook -breukelinge.
Schipbrug, V., -bruggen.
Schipper, M., schippers. Schippertje, O., -jes.
Schipperen, schipperde, heeft en is geschipperd.
Schipperij, V., schipperijen.
Schippersboek, O., -boeken.
Schippersbroek, V., -broeken
Schippershuis, O., -huizen.
Schippershut, V., -hutten.
Schippersknecht, M., -knechts.
Schippersloon, O., -loonen.
Schippersmuts, V., -mutsen.
Schippond, O., -ponden.
Schisma, O., schisma's.
Schitteren, schitterde, heeft geschitterd.
Schitterend, schitterender, schitterendst.
Schittering, V., schitteringen.
Schitterlicht, O.
Schob. Zie Schub.
Schobbejak, M., -jakken.
Schobben, schobde, heeft geschobd.
Schobberd, M., schobberds.
Schobberdebonk (Op -).
Schoef, V., schoeven.
Schoeien, schoeide, heeft geschoeid.
Schoeiing, V., schoeiingen.
Schoeisel, O., schoeisels. Schoeiseltje, O., -jes.
Schoelje, M., schoeljes.
Schoeljeachtig, -achtiger, -achtigst.
Schoen, M., schoenen. Schoentje, O., -jes.
Schoenenwinkel, M., -winkels.
Schoener, M., schoeners.
Schoengesp, M., -gespen.
Schoenhoorntje, O., -hoorntjes.
Schoenlappen, O.
Schoenlapper (persoon, insect en gebak), M., -lappers; -lappertje, O., -jes.
Schoenleder, O.
Schoenmaken, O.
Schoenmaker, M., -makers; -makertje, O., -jes.
Schoenmakersjongen, M., -jongens.
Schoenpoetser, M., -poetsers.
Schoenpoetsersbak, M., -bakken.
Schoensmeer, O.
Schoenzool, V., -zolen.
Schoep, V., schoepen.
Schoer, M., schoeren.
Schoffeerder, M., schoffeerders.
Schoffeeren, schoffeerde, heeft geschoffeerd.
Schoffeering, V., schoffeeringen.
Schoffel, V., schoffels. Schoffeltje, O., -jes.
Schoffelen, schoffelde, heeft geschoffeld.
Schoft (schavuit), M., schoften.
Schoft (schouder), V., schoften. Schoftje, O., -jes.
Schoft (werktijd), V., schoften.
Schoftachtig, -achtiger, -achtigst.
Schoften, schofte, heeft geschoft.
Schofterig, schofteriger, schofterigst.
Schoftig, schoftiger, schoftigst.
Schofttijd, M.
Schoftuur, O., -uren; -uurtje, O., -jes.
Schok (stoot), M., schokken. Schokje, O., -jes.
Schok (boonenpeul), V., schokken.
Schok (zestigtal), O., schokken.
Schokbuis, V., -buizen.
Schokken, schokte, heeft geschokt.
Schokker, M., Schokkers.
Schoktorpedo, V., -torpedo's.
Schol (ijsschots), V., schollen.
Schol (visch), V., schollen. Scholletje, O., -jes.
Scholarch, M., scholarchen.
Scholastiek, V.
Scholen, schoolde, heeft geschoold.
Scholier, M., scholieren. Scholiertje, O., -jes.
Scholierster, V., scholiersters.
Scholium, O., scholia en scholiën.
Schollevaar. Zie Scholver.
Scholpen, scholpte, heeft gescholpt.
Scholver, ook Scholverd en Schollevaar, M., scholvers, scholverds, schollevaars en schollevaren.
Schommel (schop), M., schommels. Schommeltje, O., -jes.
Schommel (dik vrouwspersoon), V., schommels.
Schommelaar, M., schommelaars.
Schommelen, schommelde, heeft geschommeld.
Schommelig, schommeliger, schommeligst.
Schommeling, V., schommelingen.
Schommelstoel, M., -stoelen.
Schonk, V., schonken. Schonkje, O., -jes.
Schonkig, schonkiger, schonkigst.
Schoof, V., schooven. Schoofje, O., -jes.
Schooien, schooide, heeft geschooid.
Schooier, M., schooiers.
Schooister, V., schooisters.
School (leerschool enz.), V.; (schoolgebouw), V. en O., scholen. Schooltje, O., -jes.
School (menigte visschen), V., scholen.
Schoolbank, V., -banken.
Schoolbezoek, O.
Schoolbibliotheek, V., -bibliotheeken.
Schoolblijven, bleef school, bleven school, is schoolgebleven.
Schoolboek, O., -boeken; -boekje, O., -jes.
Schoolboekhandel, M.
Schoolbord, O., -borden.
Schoolcommissie, V., -commissiën.
Schooldistrict, O., -districten.
Schoolfeest, O., -feesten.
Schoolgaan, ging school, heeft schoolgegaan.
Schoolgebouw, O., -gebouwen.
Schoolgeld, O., -gelden.
Schoolgeldheffing, V., -heffingen.
Schooljaar, O., -jaren.
Schooljeugd, V.
Schooljongen, M., -jongens.
Schooljuffrouw, V., -juffrouwen.
Schoolkaart, V., -kaarten.
Schoolkameraad, M., -kameraden.
Schoolkind, O., -kinderen.
Schoolkindervoeding, V.
Schoolklok, V., -klokken.
Schoolliggen, lag school, lagen school, heeft schoolgelegen.
Schoollokaal, O., -lokalen.
Schoolmakker, M., -makkers.
Schoolmeester, M., -meesters.
Schoolmeesterachtig, -achtiger, -achtigst.
Schoolmeesterswijsheid, V.
Schoolmeisje, O., -meisjes.
Schoolmeubel, O., -meubelen.
Schoolonderwijs, O.
Schoolopziener, M., -opzieners.
Schoolpaard, O., -paarden.
Schoolreglement, O., -reglementen.
Schoolsch, schoolscher, meest schoolsch.
Schoolschheid, V.
Schooltasch, V., -tasschen.
Schooltijd, M., -tijden.
Schooltucht, V.
Schooluur, O., -uren.
Schoolvertrek, O., -vertrekken.
Schoolverzuim, O.
Schoolvos, M., -vossen.
Schoolwerk, O.
Schoolwijsheid, V.
Schoon, schooner, schoonst.
Schoon, O.
Schoon (voegw.).
Schoonbroeder, M., -broeders.
Schoondochter, V., -dochters.
Schoondruk, M.
Schoone (schoone vrouw), V., schoonen.
Schoone (hetgeen schoon is), O.
Schoonheid, V., -heden.
Schoonheidsgevoel, O.
Schoonheidsleer, V.
Schoonheidszin, M.
Schoonhouden, hield schoon, heeft schoongehouden.
Schoonklinkend, -klinkender, -klinkendst.
Schoonmaak, V.
Schoonmaakduivel, M.
Schoonmaakster, V., -maaksters.
Schoonmaaktijd, M.
Schoonmaken, maakte schoon, heeft schoongemaakt.
Schoonmoeder, V., -moeders.
Schoonouders (mv.), M.
Schoonrijden, O.
Schoonschijnend, -schijnender, -schijnendst.
Schoonschrift, O., -schriften.
Schoonschrijven, O.
Schoonschrijver, M., -schrijvers.
Schoontjes (bijw.).
Schoonvader, M., -vaders.
Schoonzicht, O.
Schoonzoon, M., -zoons en -zonen.
Schoonzuster, V., -zusters.
Schoor, M., schoren. Schoortje, O., -jes.
Schoorbalk, M., -balken.
Schoorhoek, M., -hoeken.
Schoorlat, V., -latten.
Schoorpaal, M., -palen.
Schoorpilaar, M., -pilaren.
Schoorpost, M., -posten.
Schoorsteen, M., -steenen; -steentje, O., -jes.
Schoorsteenbrand, M., -branden; -brandje, O., -jes.
Schoorsteenmantel, M., -mantels.
Schoorsteenpijp, V., -pijpen.
Schoorsteenplaat, V., -platen.
Schoorsteenrand, M., -randen.
Schoorsteenroet, O.
Schoorsteenstuk, O., -stukken.
Schoorsteenval, M., -vallen; -valletje, O., -jes.
Schoorsteenveger, M., -vegers.
Schoorstuk, O., -stukken.
Schoorvoeten, schoorvoette, heeft geschoorvoet.
Schoorvoetend.
Schoot (van een kleed), M., schoten. Schootje, O., -jes.
Schoot (touw), M., schooten. Schootje, O., -jes.
Schoot (loot en deel van het slot), V., schoten.
Schoot (bepaalde hoeveelheid), V., schoten. Schootje (ook als naam van zeker brood), O., -jes.
Schootblok, O., -blokken.
Schoothondje, O., -jes.
Schootkind, O., -kinderen; -kindje, O., -jes.
Schootknechten (mv.), M.
Schootsvel, O., -vellen.
Schootsverheid, V.
Schootvrij.
Schooven, schoofde, heeft geschoofd.
Schoovenbinder, M., -binders.
Schoovenbindster, V., -bindsters.
Schooverzeil, O., -zeilen.
Schop (stoot), M., schoppen. Schopje, O., -jes.
Schop (schommel), V., schoppen.
Schop (spade), V., schoppen. Schopje, O., -jes.
Schoppen (mv.), V.
Schoppen, schopte, heeft geschopt.
Schoppenaas, O., -azen.
Schoppenboer, M., -boeren.
Schoppenheer, M., -heeren.
Schoppenvrouw, V., -vrouwen.
Schopstoel, M., -stoelen; -stoeltje, O., -jes.
Schor, schorder, schorst.
Schoren, schoorde, heeft geschoord.
Schorheid, V.
Schoring, V., schoringen.
Schorpioen, M., schorpioenen. Schorpioentje, O., -jes.
Schorre en Schor, V., schorren.
Schorrimorrie, O.
Schors, V., schorsen. Schorsje, O., -jes.
Schorselwoensdag, M., -dagen.
Schorsen, schorste, heeft geschorst.
Schorseneer, V., schorseneeren.
Schorsing, V., schorsingen.
Schort, V. en O., schorten. Schortje, O., -jes.
Schorteldoek, M., -doeken.
Schortelkleed, O., -kleeden.
Schorten, schortte, heeft geschort.
Schorthaak, M., -haken.
Schorting, V.
Schot (Schotlander), M., Schotten.
Schot (voortgang), O.
Schot (schut), O., schotten. Schotje, O., -jes.
Schot (het schieten enz.), O., schoten.
Schot (belasting), O.
Schotbalk, M., -balken.
Schotbout, M., -bouten.
Schotel (vaatwerk), M., schotels en schotelen. Schoteltje, O., -jes.
Schotel (bakkerswerktuig en deel van een slot), M., schotels.
Schotelen, schotelde, heeft geschoteld.
Schots, V., schotsen. Schotsje, O., -jes.
Schots (bijw.), schotser, schotst.
Schotsch (scheef, lomp), schotscher, meest schotsch.
Schotsch (van Schotland).
Schotsch (Schotsche tongval), O.
Schotschbont.
Schotschrift, O., -schriften; -schriftje, O., -jes.
Schotspijker, M., -spijkers.
Schotvaars, V., -vaarzen.
Schotvrij.
Schouder, M., schouders en schouderen. Schoudertje, O., -jes.
Schouderbedekking, V., -bedekkingen.
Schouderblad, O., -bladen.
Schouderbreedte, V.
Schouderen, schouderde, heeft geschouderd.
Schouderhoogte, V.
Schoudermantel, M., -mantels; -manteltje, O., -jes.
Schoudernaad, M., -naden.
Schouderophalen, O.
Schouderstuk, O., -stukken.
Schout, M., schouten.
Schout-bij-nacht, M., schouten-bij-nacht en schout-bij-nachts.
Schout-bij-nachtsschip, O., -schepen.
Schout-bij-nachtsvlag, V., -vlaggen.
Schoutschap, O.
Schouw (schoorsteen), V., schouwen.
Schouw (schuit), schouwen. Schouwtje, O., -jes.
Schouw (toezicht), V., schouwen.
Schouwburg, M., -burgen.
Schouwburgbezoeker, M., -bezoekers.
Schouwburgbrand, M., -branden.
Schouwburgcommissie, V., -commissiën.
Schouwburgpubliek, O.
Schouwburgzaal, V., -zalen.
Schouwen, schouwde, heeft geschouwd.
Schouwer, M., schouwers.
Schouwing, V., schouwingen.
Schouwlustig, -lustiger, -lustigst.
Schouwplaats, V., -plaatsen.
Schouwspel, O., -spelen.
Schouwspeler, M., -spelers.
Schouwtooneel, O., -tooneelen.
Schouwveger, M., -vegers.
Schraag, V., schragen. Schraagje, O., -jes.
Schraag (bijw.)
Schraagbalk, M., -balken.
Schraagbeeld, O., -beelden.
Schraagpijler, M., -pijlers.
Schraagte, V.
Schraal, schraler, schraalst.
Schraalhans, M., -hanzen.
Schraalheid, V.
Schraalte, V.
Schraaltjes.
Schraap, V., schrapen.
Schraapachtig, -achtiger, -achtigst.
Schraapachtigheid, V.
Schraapijzer, O., -ijzers.
Schraapmes, O., -messen.
Schraapsel, O., schraapsels.
Schraapster, V., schraapsters.
Schraapzucht, V.
Schraapzuchtig, -zuchtiger, -zuchtigst.
Schrab, V., schrabben. Schrabje, O., -jes.
Schrabben, schrabde, heeft geschrabd.
Schrabber, M., schrabbers. Schrabbertje, O., -jes.
Schrabijzer, O., -ijzers.
Schrabmes, O., -messen.
Schrabsel, O., schrabsels.
Schrafelaar, M., schrafelaars.
Schrafelen, schrafelde, heeft geschrafeld.
Schragen, schraagde, heeft geschraagd.
Schraging, V.
Schralen, schraalde, is geschraald.
Schram, V., schrammen. Schrammetje en schrampje, O., -jes.
Schrammen, schramde, heeft geschramd.
Schrander, schranderder, schranderst.
Schranderheid, V.
Schrank, V., schranken. Schrankje, O., -jes.
Schrankelbeen, M. en V., -beenen.
Schrankelbeenen, schrankelbeende, heeft geschrankelbeend.
Schrankelen, schrankelde, heeft geschrankeld.
Schranken, schrankte, heeft geschrankt.
Schranking, V., schrankingen.
Schransen, schranste, heeft geschranst.
Schranser, M., schransers.
Schranserij, V.
Schrap, V., schrappen. Schrapje, O., -jes.
Schrap (bijw.).
Schrapen, schraapte, heeft geschraapt.
Schraper, M., schrapers. Schrapertje, O., -jes.
Schraperig, schraperiger, schraperigst.
Schraperigheid, V.
Schrapijzer, O., -ijzers.
Schrappen, schrapte, heeft geschrapt.
Schrapper, M., schrappers. Schrappertje, O., -jes.
Schrapsel, O., schrapsels.
Schrede, V., schreden. Schreetje, O., -jes.
Schreef, V., schreven. Schreefje, O., -jes.
Schreeuw, M., schreeuwen. Schreeuwtje, O., -jes.
Schreeuwen, schreeuwde, heeft geschreeuwd.
Schreeuwer, M., schreeuwers.
Schreeuwerig, schreeuweriger, schreeuwerigst.
Schreeuwerigheid, V.
Schreeuwleelijk, M. en V., -leelijken.
Schreien, schreide, heeft geschreid.
Schreier, M., schreiers.
Schrepel, M., schrepels.
Schriel, schrieler, schrielst.
Schrielheid, V.
Schrieligheid, V., -heden.
Schrift (de bijbelboeken), V.
Schrift (het geschrevene en schrijfboek), O., schriften. Schriftje, O., -jes.
Schriftelijk.
Schriftgeleerde, M., -geleerden.
Schriftmatig, -matiger, -matigst.
Schriftmatigheid, V.
Schriftteeken, O., -teekens.
Schriftuur, V. schrifturen.
Schriftuurlijk.
Schrijbeenen, schrijbeende, heeft geschrijbeend.
Schrijdelings en Schrijlings (bijw).
Schrijdelingsch en Schrijlingsch (bnw).
Schrijden, schreed, schreden, heeft geschreden.
Schrijfbehoeften (mv.), V.
Schrijfboek, O., boeken; -boekje, O., -jes.
Schrijfbureau, O., -bureau's.
Schrijfcassette, V., -cassetten.
Schrijffout, V., -fouten; -foutje, O., -jes.
Schrijfgeld, O.
Schrijfgereedschap, O.
Schrijfgerei, O.
Schrijfinkt, M.
Schrijfjeukte, V.
Schrijfkistje, O., -jes.
Schrijfkramp, V.
Schrijfkunst, V.
Schrijfles, V., -lessen.
Schrijflessenaar, M., -lessenaars.
Schrijfletter, V., -letters.
Schrijfloon, O., -loonen.
Schrijfmachine, V., -machines.
Schrijfmap, V., -mappen.
Schrijfmeester, M., -meesters.
Schrijfoefening, V., -oefeningen.
Schrijfpapier, O.
Schrijfpen, V., -pennen.
Schrijfportefeuille, V., -portefeuilles.
Schrijfster, V., schrijfsters.
Schrijfstift, V., -stiften.
Schrijftaal, V.
Schrijftafel, V., -tafels; -tafeltje, O., -jes.
Schrijftrant, M.
Schrijfuur, O., -uren.
Schrijfvoorbeeld, O., -voorbeelden.
Schrijfwerk, O.
Schrijfwijze en -wijs, V., -wijzen.
Schrijfwoede, V.
Schrijlings. Zie Schrijdelings.
Schrijn, O. en M., schrijnen.
Schrijnen, schrijnde, heeft geschrijnd.
Schrijning, V., schrijningen.
Schrijven, schreef, schreven, heeft geschreven.
Schrijverij, V., schrijverijen.
Schrijversgild, O.
Schrik, M., schrikken. Schrikje, O., -jes.
Schrikachtig, -achtiger, -achtigst.
Schrikachtigheid, V.
Schrikbarend, -barender, -barendst.
Schrikbeeld, O., -beelden.
Schrikbewind, O.
Schrikkeldag, M., -dagen.
Schrikkelijk, -lijker, -lijkst.
Schrikkeljaar, O., -jaren.
Schrikkelmaand, V., -maanden.
Schrikken, schrikte, is en heeft geschrikt.
Schrikmiddel, O., -middelen; -middeltje, O., -jes.
Schrikplank, V., -planken.
Schrikpoeier, V., -poeiers; -poeiertje, O., -jes.
Schrikrol, V., -rollen.
Schrikverwekkend.
Schrikwekkend, -wekkender, -wekkendst.
Schril, schriller, schrilst.
Schrobbeering, V., schrobbeeringen.
Schrobbelmachine, V., -machines.
Schrobben, schrobde, heeft geschrobd.
Schrobber, M., schrobbers. Schrobbertje, O., -jes.
Schrobdag, M., -dagen.
Schrobnet, O., -netten.
Schrobster, V., schrobsters.
Schrobtijd, M.
Schrobvisscherij, V.
Schrobvrouw, V., -vrouwen.
Schrobzaag, V., -zagen.
Schroef, V., schroeven. Schroefje, O., -jes.
Schroefblad, O., -bladen.
Schroefboor, V., -boren.
Schroefboot, V., -booten.
Schroefbout, M., -bouten.
Schroefdraad, M., -draden.
Schroefgang, V., -gangen.
Schroefsleutel, M., -sleutels.
Schroefstoomboot, V., -stoombooten.
Schroefvormig.
Schroeien, schroeide, heeft en is geschroeid.
Schroeier, M., schroeiers.
Schroeiijzer, O., -ijzers.
Schroeiing, V.
Schroeveboom, M., -boomen.
Schroevedraaier, M., -draaiers.
Schroeven, schroefde, heeft geschroefd.
Schrok, M., schrokken. Schrokje, O., -jes.
Schroken, schrookte, heeft geschrookt.
Schrokken, schrokte, heeft geschrokt.
Schrokker, M., schrokkers.
Schrokkig, schrokkiger, schrokkigst.
Schrokkigheid, V.
Schrollen, schrolde, heeft geschrold.
Schromelijk, -lijker, -lijkst.
Schromelijkheid, V., -heden.
Schromen, schroomde, heeft geschroomd.
Schromig, schromiger, schromigst.
Schrompelig, schrompeliger, schrompeligst.
Schroodbeitel, M., -beitels.
Schroodijzer, O., -ijzers.
Schrooien, schrooide, heeft geschrooid.
Schrooimes, O., -messen.
Schrooitouw, O., -touwen.
Schroom, M.
Schroomachtig, -achtiger, -achtigst.
Schroomvallig, -valliger, -valligst.
Schroomvalligheid, V.
Schroot, O.
Schrootvuur, O.
Schub en Schubbe, V., schubben. Schubje en schubbetje, O., -jes.
Schubben, schubde, heeft geschubd.
Schubbig, schubbiger, schubbigst.
Schubdier, O., -dieren.
Schubmes, O., -messen.
Schuchter, schuchterder, schuchterst.
Schuchterheid, V.
Schuddebol, M. en V., -bollen.
Schuddebollen, schuddebolde, heeft geschuddebold.
Schudden, schudde, heeft geschud.
Schudding, V., schuddingen.
Schuier, M., schuiers. Schuiertje, O., -jes.
Schuieraar, M., schuieraars.
Schuieren, schuierde, heeft geschuierd.
Schuif, V., schuiven. Schuifje, O., -jes.
Schuifblad, O., -bladen.
Schuifblind, O., -blinden.
Schuifdeur, V., -deuren.
Schuifelaar, M., schuifelaars en schuifelaren.
Schuifelen, schuifelde, heeft geschuifeld.
Schuifeling, V.
Schuifhout, O., -houten.
Schuifkar, V., -karren.
Schuifkast, V., -kasten.
Schuifknoop, M., -knoopen.
Schuiflade, V., -laden; -laatje, O., -jes.
Schuifluik, O., -luiken; -luikje, O., -jes.
Schuifpaal, M., -palen.
Schuifraam, O., -ramen.
Schuifslot, O., -sloten.
Schuiftang, V., -tangen.
Schuiftrompet, V., -trompetten.
Schuilen, school, scholen, heeft gescholen; ook schuilde, heeft geschuild.
Schuilevinkje, O.
Schuilgaan, gaat schuil, ging schuil, is schuilgegaan.
Schuilhoek, M., -hoeken; -hoekje, O., -jes.
Schuilhouden, (zich -), hield zich schuil, heeft zich schuilgehouden.
Schuilnaam, M., -namen.
Schuilplaats, V., -plaatsen.
Schuim, O.
Schuimbekken, schuimbekte, heeft geschuimbekt.
Schuimblad, O.
Schuimen, schuimde, heeft geschuimd.
Schuimer, M., schuimers.
Schuimig, schuimiger, schuimigst.
Schuimpje (gebakje), O., -jes.
Schuimschop, V., -schoppen.
Schuimspaan, V., -spanen; -spaantje, O., -jes.
Schuin, schuiner, schuinst.
Schuinbalk, M., -balken.
Schuinen, schuinde, heeft geschuind.
Schuinheid, V.
Schuins (bijw)., schuinser, schuinst.
Schuinsch (bnw.), schuinscher, meest schuinsch.
Schuinschheid, V., -heden.
Schuinsmarcheerder, M., -marcheerders.
Schuinte, V., schuinten.
Schuit, V., schuiten. Schuitje, O., -jes.
Schuitenhuis, O., -huizen.
Schuitepraatje, O., -jes.
Schuitevoerder, M., -voerders.
Schuitevracht, V., -vrachten.
Schuithuis en Schuitenhuis, O., -huizen.
Schuitjevaren, O.
Schuiven, schoof, schoven, heeft en is geschoven.
Schuiver, M., schuivers.
Schuld, V., schulden.
Schuldbekentenis, V., -bekentenissen.
Schuldbesef, O.
Schuldbrief, M., -brieven.
Schulddelging, V.
Schuldeischer, M., -eischers.
Schuldeloos, -loozer.
Schuldeloosheid, V.
Schuldenaar, M., schuldenaars en schuldenaren.
Schuldenares, V., schuldenaressen.
Schuldenlast, M., -lasten.
Schuldig, schuldiger, schuldigst.
Schuldigverklaring, V.
Schuldvergeving, V.
Schuldvordering, V., -vorderingen.
Schulp. Zie Schelp.
Schulpen, schulpte, heeft geschulpt.
Schulper, M., schulpers.
Schulplijn, V., -lijnen.
Schulpzaag, V., -zagen.
Schuren (in de schuur brengen), schuurde, heeft geschuurd.
Schuren (wrijven), schuurde, heeft geschuurd.
Schurft, V. en O.
Schurftachtig, -achtiger, -achtigst.
Schurftheid, V.
Schurftig, schurftiger, schurftigst.
Schurftigheid, V.
Schuring, V., schuringen.
Schurk, M., schurken. Schurkje, O., -jes.
Schurkachtig, -achtiger, -achtigst.
Schurkachtigheid, V.
Schurken, schurkte, heeft geschurkt.
Schurkenstreek, M., -streken.
Schurkenwerk, O.
Schurkerij, V., schurkerijen.
Schut (geschut), O.
Schut (scherm), O., schutten. Schutje, O., -jes.
Schutblad, O., -bladen.
Schutkolk, V., -kolken.
Schutmeester, M., -meesters.
Schutsel, O., schutsels. Schutseltje, O., -jes.
Schutsluis, V., -sluizen.
Schutspatroon, M., -patroons.
Schutten, schutte, heeft geschut.
Schutter, M., schutters. Schuttertje, O., -jes.
Schutterig, schutteriger, schutterigst.
Schutterigheid, V.
Schutterij, V., schutterijen.
Schutterijmuziek, V.
Schutterplichtig.
Schuttersdienst, M.
Schuttersdoelen, M., -doelens.
Schuttersgeweer, O., -geweren.
Schuttersmaaltijd, M., -maaltijden.
Schuttersraad, M., -raden.
Schuttersuniform, V., -uniformen.
Schutting, V., schuttingen. Schuttinkje, O., -jes.
Schuur, V., schuren. Schuurtje, O., -jes.
Schuurbak, M., -bakken.
Schuurborstel, M., -borstels.
Schuurdoek, M., -doeken.
Schuurgoed, O.
Schuurhok, O., -hokken.
Schuurlap, M., -lappen.
Schuurlinnen, O.
Schuurmand, V., -manden.
Schuurpapier, O.
Schuurplank, V., -planken.
Schuursel, O.
Schuursteen, M., -steenen.
Schuurster, V., schuursters.
Schuurzand, O.
Schuw, schuwer, schuwst.
Schuwen, schuwde, heeft geschuwd.
Schuwheid, V.
Scorbut, O. Verg. Scheurbuik.
Scorbutiek.
Scribent, M., scribenten.
Scrofuleus.
Scrupel, O., scrupels.
Scrupuleus, scrupuleuzer.
Sculptuur, V.
Secans, V., secanten.
Secondant, M., secondanten.
Secondante, V., secondantes.
Seconde en Secunde, V., seconden en secunden.
Secondenwijzer, M., -wijzers.
Secondeslinger, M., -slingers.
Secreet (geheim), O., secreten.
Secretaire, V., secretaires.
Secretariaat, O., secretariaten.
Secretarie, V., secretariën.
Secretaris, M., secretarissen.
Secretaris-generaal, M., secretarissen-generaal.
Sectaris, M., sectarissen.
Sectie, V., sectiën en secties.
Sector, M., sectoren en sectors.
Secundair.
Secureeren, secureerde, heeft gesecureerd.
Securiteit, V.
Sedert.
Seffens.
Segment, O., segmenten. Segmentje, O., -jes.
Segrijn, O., segrijnen.
Segrijnen (bnw.).
Sein, O., seinen. Seintje, O., -jes.
Seinboek, O., -boeken.
Seinen, seinde, heeft geseind.
Seiner, M., seiners.
Seinfluit, V., -fluiten.
Seingever, M., -gevers.
Seinlantaren, V., -lantarens.
Seinontvanger, M., -ontvangers.
Seinpaal, M., -palen.
Seinschip, O., -schepen.
Seinschot, O., -schoten.
Seinvlag, V., -vlaggen.
Seinvuur, O., -vuren.
Seinwachter, M., -wachters.
Seinwimpel, M., -wimpels.
Seismograaf, M., -grafen.
Seizen, seisde, heeft geseisd.
Seizing, V., seizings.
Seizoen, O., seizoenen.
Sek, V.
Sekreet (gemak), O., sekreten. Sekreetje, O., -jes.
Sekreetpapier, O.
Sekreetruimer, M., -ruimers.
Sekse, V., seksen.
Sekte, V., sekten.
Sektegeest, M.
Sektenhaat, M.
Sekuur, sekuurder, sekuurst.
Selderij, V. Ook Selderie.
Semester, O., semesters.
Semi-arts, M. en V., -artsen.
Seminarist, M., seminaristen.
Seminarium, O., seminariums en seminaria. Ook Seminarie.
Semitisch, O.
Senaat, M., senaten.
Senaatsvergadering, V., -vergaderingen.
Senator, M., senatoren.
Seneblad, O., -bladen.
Senegroen, O.
Seneplant, V., -planten.
Sensatiebericht, O., -berichten.
Sensualisme, O.
Sensualist, M., sensualisten.
Sensualiteit, V.
Sensueel, sensueeler, sensueelst.
Sent (scheepsw.), V., senten.
Sententie, V., sententiën en sententies.
Sententieus.
Sentimentaliteit, V.
Sentimenteel, sentimenteeler, sentimenteelst.
Separatisme, O.
Separatist, M., separatisten.
Separatistisch.
Sepia, V.
September, M.
Septet, O., septetten.
Sequester, O.
Sequestreeren, sequestreerde, heeft gesequestreerd.
Seraf, M., serafs.
Serafijn, M., serafijnen. Serafijntje, O., -jes.
Serafine, V., serafines.
Serafine-orgel, O., -orgels.
Serafsvleugel, M., -vleugels.
Serafsvlucht, V.
Serail, O., serails.
Serenade, V., serenades.
Serenademuziek, V.
Serge en Sarge, V., serges en sarges.
Sergeant, M., sergeanten en sergeants.
Sergeant-majoor, M., sergeant-majoors.
Sergeant-schrijver, M., sergeants-schrijvers.
Sergeantsstrepen (mv.), V.
Serie, V., serieën; ook wel seriën.
Serielot, O., -loten.
Sering en Syring, V., seringen.
Seringebloesem, M.
Seringeboom, M., -boomen; -boompje, O., -jes.
Seringestruik, M., -struiken; -struikje, O., -jes.
Sermoen, O., sermoenen.
Seroen, M., seroenen.
Serpent, O., serpenten.
Serpentig, serpentiger, serpentigst.
Serpentijn (stuk geschut), V., serpentijnen.
Serpentijnsteen, O.
Serpentijnsteenen (bnw.).
Serpentslook, O.
Serpentstong, V., -tongen.
Serum, O., serums en sera.
Serum-inspuiting, V., -inspuitingen.
Servet, O., servetten. Servetje, O., -jes.
Servetgoed, O.
Servetring, M., -ringen.
Serviel, servieler, servielst.
Servies, O., serviezen. Serviesje, O., -jes.
Serviliteit, V.
Serving, V., servings.
Servituut, O., servituten.
Sessie, V., sessies en sessiën.
Sextant, V., sextanten.
Sextet, O., sextetten.
Sexueel, sexueele.
Sfeer, V., sferen.
Sferisch.
Sfinx, V., sfinxen.
Sidderaal, M., -alen.
Sidderen, sidderde, heeft gesidderd.
Siddering, V., sidderingen.
Sideraal, siderale.
Siderisch.
Siepel, V., siepels.
Sier, V.
Sieraad, O., sieraden en sieradiën. Sieraadje, O., -jes.
Sierduif, V., -duiven.
Sieren, sierde, heeft gesierd.
Sierlijk, -lijker, -lijkst.
Sierlijkheid, V., -heden.
Sierplant, V., -planten.
Sigaar, V., sigaren. Sigaartje, O., -jes.
Sigarenasch, V.
Sigarenbeker, M., -bekers.
Sigarendamp, M.
Sigarenfabriek, V., -fabrieken.
Sigarenfabrikant, M., -fabrikanten.
Sigarenkist, V., -kisten; -kistje, O., -jes.
Sigarenkoker, M., -kokers.
Sigarenmagazijn, O., -magazijnen.
Sigarenmaker, M., -makers.
Sigarenpijpje, O., -jes.
Sigarenrook, M.
Sigarenschaartje, O., -jes.
Sigarenstandaard en -standerd, M., -standaards en -standerds.
Sigarenwinkel, M., -winkels.
Sigarenzakje, O., -jes.
Signaal, O., signalen.
Signalement, O., signalementen.
Signatuur, V., signaturen.
Signet, O., signetten. Signetje, O., -jes.
Sijfelen, sijfelde, heeft gesijfeld.
Sijpelen, sijpelde, heeft en is gesijpeld.
Sijs (snaak, kwant), M., sijzen.
Sijsje (vogeltje), O., -jes.
Sik (kinbaard), V., sikken. Sikje, O., -jes.
Sik (geit), V., sikken. Sikje, O., -jes.
Sikkel (munt), M., sikkelen en sikkels.
Sikkel (maaiwerktuig), V., sikkels en sikkelen. Sikkeltje, O., -jes.
Sikkepit, V. Sikkepitje, O.
Sim (aap), V., simmen. Simmetje, O., -jes.
Sim (snoer, touw), V., simmen. Simmetje, O., -jes.
Simonie, V.
Simpel, simpeler, simpelst.
Simpelheid, V.
Sinaasappel en Chinaasappel, M., -appels en -appelen.
Sindel. Zie Sintel.
Sinds.
Sinecure, V., sinecuren.
Singel, M., singels. Singeltje, O., -jes.
Singelbewoner, M., -bewoners.
Singelen, singelde, heeft gesingeld.
Singularis, M.
Singulariteit, V.
Singulier, singulierder, singulierst.
Sinjeur, M., sinjeurs.
Sint- (vóór namen van Heiligen).
Sint-Antonieskruid, O.
Sintel, M., sintels. Sinteltje, O., -jes.
Sinterklaas en Sint-Nicolaas, M.
Sinterklaasavond, M.
Sinterklaasfeest, O.
Sinterklaasgeschenk, O., -geschenken.
Sinterklaasgoed, O.
Sint-Jacobskruid, O.
Sint-Janslot, O.
Sint-Lambertsnoot, V., -noten.
Sint-Nicolaas, enz. Zie Sinterklaas.
Sint-Teunisbloem, V., -bloemen.
Sint-Vitusdans, M.
Sinus, M., sinussen.
Sip (bijw.).
Siphon, M., siphons.
Sire, M.
Sirene, V., sirenen.
Sirenen-zang, M., -zangen.
Sirocco, M.
Siroop. Zie Stroop.
Sisklank, M., -klanken.
Sisletter, V., -letters.
Sissen, siste, heeft gesist.
Sisser, M., sissers. Sissertje, O., -jes.
Sits, O., sitsen. Sitsje, O., -jes.
Sitsen (bnw.).
Sitsenwinkel, M., -winkels.
Situatie, V., situaties.
Situatiekaart, V., -kaarten.
Situatieteekening, V., -teekeningen.
Sjaal (ook Châle), V., sjaals (châles).
Sjacheraar. Zie Schacheraar.
Sjacheren. Zie Schacheren.
Sjako, V., sjako's.
Sjalot, V., sjalotten.
Sjamberloek, M., sjamberloeks.
Sjappen, sjapte, heeft gesjapt.
Sjappetouwen, sjappetouwde, heeft gesjappetouwd.
Sjappetouwer, M., sjappetouwers.
Sjees, V., sjeezen. Sjeesje, O., -jes.
Sjeezen, sjeesde, is gesjeesd.
Sjerp, V., sjerpen. Sjerpje, O., -jes.
Sjofel, sjofeler, sjofelst.
Sjofelheid, V.
Sjofeltjes.
Sjokken, sjokte, heeft en is gesjokt.
Sjor, M.
Sjorklamp, M., -klampen.
Sjorren, sjorde, heeft gesjord.
Sjortouw, O., -touwen.
Sjouw, V., sjouwen. Sjouwtje, O., -jes.
Sjouwbeest, O., -beesten.
Sjouwen, sjouwde, heeft gesjouwd.
Sjouwer, M., sjouwers.
Sjouwerij, V., sjouwerijen.
Sjouwerman, M., -lieden en -lui.
Skelet, O., skeletten. Skeletje, O., -jes.
Skeletteeren, skeletteerde, heeft geskeletteerd.
Sla. Zie Salade.
Slaaf, M., slaven. Slaafje, O., -jes.
Slaafs (bijw.).
Slaafsch, slaafscher, meest slaafsch.
Slaag (- krijgen).
Slaags (- raken).
Slaak, O., slaken.
Slaan, slaat, sloeg, heeft en is geslagen.
Slaap (rust), M. Slaapje, O., -jes.
Slaap (van het hoofd), M., slapen.
Slaapbeen, O., -beenderen.
Slaapbol, M., -bollen.
Slaapbroek, V., -broeken.
Slaapdrank, M., -dranken; -drankje, O., -jes.
Slaapdronken.
Slaaphuis, O., -huizen.
Slaapkamer, V., -kamers; -kamertje, O., -jes.
Slaapkameraad, M. en V., -kameraden en -kameraads.
Slaapkop, M. en V., -koppen.
Slaapmiddel, O., -middelen.
Slaapmuts (voorwerp), V., -mutsen. Als persoonsnaam ook M.
Slaapplaats, V., -plaatsen.
Slaappoeder, V., -poeders.
Slaapstede en -stee, V., -steden en -steeën.
Slaapvertrek, O., -vertrekken; -vertrekje, O., -jes.
Slaapvlooien (mv.), V.
Slaapwandelaar, M., -wandelaars.
Slaapzaal, V., -zalen.
Slaapzucht, V.
Slab en Slabbe, V., slabben. Slabbetje, O., -jes.
Slabak, M., -bakken.
Slabakken, slabakte, heeft geslabakt.
Slabbe. Zie Slab.
Slabben, slabde, heeft geslabd.
Slabber, M., slabbers.
Slabberen, slabberde, heeft geslabberd.
Slabbetje, O., slabbetjes.
Slabed, O., -bedden.
Slaboon, V., -boonen.
Slacht, V.
Slachtbaar, -bare.
Slachtbank, V., -banken.
Slachtbeest, O., -beesten.
Slachtbijl, V., -bijlen.
Slachten (gelijken), slachtte, heeft geslacht.
Slachten (dooden), slachtte, heeft geslacht.
Slachter, M., slachters.
Slachterij, V., slachterijen.
Slachtgeld, O., -gelden.
Slachthamer, M., -hamers.
Slachthuis, O., -huizen.
Slachting, V., slachtingen.
Slachtmaand, V.
Slachtmasker, O., -maskers.
Slachtmes, O., -messen.
Slachtoffer, O., -offers.
Slachtplaats, V., -plaatsen.
Slachttijd, M.
Slachtvee, O.
Sladood (lange -), M. en V.
Slag (klap), M., slagen. Slagje, O., slagjes en slaagjes.
Slag (soort), O. Slagje, O.
Slag (knip), O., slagen.
Slagader, V., -aderen.
Slagaderlijk.
Slagbeitel, M., -beitels.
Slagboeg, M.
Slagboom, M., -boomen.
Slagdeur, V., -deuren.
Slagdrempel, M., -drempels.
Slagen, slaagde, is geslaagd.
Slager, M., slagers. Slagertje, O., -jes.
Slagerij, V., slagerijen.
Slagersbank, V., -banken.
Slagersbijl, V., -bijlen.
Slagersblok, O., -blokken.
Slagersboekje, O., -boekjes.
Slagershond, M., -honden.
Slagersknecht, M., -knechts.
Slagersmes, O., -messen.
Slagersrekening, V., -rekeningen.
Slaghamer, M., -hamers.
Slaghoedje, O., -jes.
Slagkruit, O.
Slagkwik, O.
Slaglijn, V., -lijnen.
Slagnet, O., -netten.
Slagorde, V., -orden.
Slagpen, V., -pennen.
Slagregen, M., -regens.
Slagsas, V., -sassen.
Slagschaduw, V., -schaduwen.
Slagtand, M., -tanden.
Slaguurwerk, O., -uurwerken.
Slagvaardig, -vaardiger, -vaardigst.
Slagveder en -veer, -vederen en -veeren; -veertje, O., -jes.
Slagveld, O., -velden.
Slagverband, O., -verbanden.
Slagwerk, O.
Slagzijde, V., -zijden.
Slagzwaard, O., -zwaarden.
Slak, ook Slek, V., slakken (slekken). Slakje (slekje), O., -jes.
Slaken, slaakte, heeft geslaakt.
Slaking, V.
Slakkengang, M.
Slakkenhuisje, O., -jes.
Slakkenwol, V.
Slalepel, M., -lepels.
Slamand, V., -manden; -mandje, O., -jes.
Slampampen, slampampte, heeft geslampampt.
Slampamper, M., slampampers.
Slampamperij, V., slampamperijen.
Slang, V., slangen. Slangetje, O., -jes.
Slangachtig.
Slangebeet, M., -beten.
Slangekop, M., -koppen.
Slangelijn, V., -lijnen.
Slangenbezweerder, M., -bezweerders.
Slangenbloem, V., -bloemen.
Slangenei, O., -eieren.
Slangenblaas, O.
Slangengesijfel, O.
Slangengif en -gift, O.
Slangenhol, O., -holen.
Slangenhoofd, O., -hoofden.
Slangenkruid, O.
Slangenwagen, M., -wagens.
Slangenwortel, V.
Slangetong, V., -tongen.
Slangevel, O., -vellen.
Slangvormig.
Slank, slanker, slankst.
Slankheid, V.
Slaolie, V.
Slap, slapper, slapst.
Slapachtig, -achtiger, -achtigst.
Slapeloos, -looze.
Slapeloosheid, V.
Slapen, sliep, heeft geslapen.
Slaper, M., slapers.
Slaperdijk, M., -dijken.
Slaperig, slaperiger, slaperigst.
Slaperigheid, V.
Slaphartig, -hartiger, -hartigst.
Slapheid, V.
Slapjes.
Slaplenden, M. en V., -lendens.
Slaplendig.
Slapmoedig, -moediger, -moedigst.
Slappelijk.
Slappen, slapte, is geslapt.
Slappigheid, V.
Slapte, V.
Slatten, slatte, heeft geslat.
Slatting, V., slattingen.
Slatuin, M., -tuinen; -tuintje, O., -jes.
Slaven, slaafde, heeft geslaafd.
Slavenaard, M.
Slavenarbeid, M.
Slavendienst, M., -diensten.
Slavenhaler, M., -halers.
Slavenhandel, M.
Slavenhouder, M., -houders.
Slavenjuk, O.
Slavenketen, V., -ketens en -ketenen.
Slavenleven, O.
Slavenmarkt, V., -markten.
Slavenwerk, O.
Slavenziel, V., -zielen.
Slavernij, V.
Slavin, V., slavinnen. Slavinnetje, O., -jes.
Slavork, V., -vorken.
Slecht, slechter, slechtst.
Slechtbijl, V., -bijlen.
Slechtelijk.
Slechten, slechtte, heeft geslecht.
Slechtheid, V.
Slechthoofd, M. en V., -hoofden.
Slechtigheid, V., -heden.
Slechtijzer, O., -ijzers.
Slechting, V.
Slechtje, O., -jes.
Slechts.
Slechtweg.
Slede en Slee, V., sleden en sleeën. Sleetje, O., -jes.
Sledevaart, V., -vaarten.
Slee (pruim), V., sleeën.
Slee en Sleeuw (bnw.).
Sleedoorn en -doren, M., -doorns en -dorens.
Sleeheid en Sleeuwheid, V.
Sleep, M., slepen. Sleepje, O., -jes.
Sleepberrie, V., -berries.
Sleepboot, V., -booten.
Sleepdienst, M., -diensten.
Sleepen (voorttrekken), sleepte, heeft gesleept.
Sleeper, M., sleepers.
Sleeperij, V., sleeperijen.
Sleepersknecht, M., -knechts.
Sleeperspaard, O., -paarden.
Sleeperswagen, M., -wagens.
Sleeperswerk, O.
Sleepgewaad, O., -gewaden.
Sleephelling, V., -hellingen.
Sleeploon, O., -loonen.
Sleepnet, O., -netten.
Sleepsabel, V., -sabels.
Sleeptouw, O., -touwen.
Sleeptrein, M., -treinen.
Sleeptros, M., -trossen.
Sleepvoet, M. en V., -voeten.
Sleepvoeten, sleepvoette, heeft gesleepvoet.
Sleet, V.
Sleetsch, sleetscher, meest sleetsch.
Sleetschheid, V.
Sleeuw, enz. Zie Slee, enz.
Sleeuwigheid, V.
Slegel, M., slegels.
Slegge, V., sleggen.
Slei (hamer), V., sleien.
Slek. Zie Slak.
Slemp (brasserij), M.
Slemp (drank), V. Slempje, O.
Slempdag, M., -dagen.
Slempen, slempte, heeft geslempt.
Slemper, M., slempers.
Slemperij, V., slemperijen.
Slemphout, O., -houten.
Slemplooper, M., -loopers.
Slempmaal, O., -malen.
Slemppartij, V., -partijen.
Slemppoeder, O.
Slemptijd, M.
Slenk, V., slenken. Slenkje, O., -jes.
Slenter (lap), M., slenters.
Slenter (sleur, streek), M., slenters.
Slenteraar, M., slenteraars.
Slenteren, slenterde, heeft en is geslenterd.
Slentergang, M.
Slepen (gesleept worden), sleepte, heeft gesleept.
Slet, V., sletten. Sletje, O., -jes.
Sleter, M., sleters.
Slettig, slettiger, slettigst.
Sletvink, M. en V., -vinken.
Sleuf, V., sleuven. Sleufje, O., -jes.
Sleur, V.
Sleuren, sleurde, heeft gesleurd.
Sleurwerk, O.
Sleutel, M., sleutels en sleutelen. Sleuteltje, O., -jes.
Sleutelbeen, O., -beenderen.
Sleutelbloem, V., -bloemen.
Sleutelbos, M., -bossen.
Sleutelgat, O., -gaten.
Sleutelmandje, O., -mandjes.
Sleutelring, M., -ringen.
Sleutelstuk, O., -stukken.
Slib, V.
Slibben, slibde, heeft geslibd.
Slibber, V.
Slibberachtig, -achtiger, -achtigst.
Slibberachtigheid, V.
Slibberen, slibberde, heeft geslibberd.
Slibberig, slibberiger, slibberigst.
Slibberigheid, V.
Slier, M., slieren.
Slierasperge. Zie Sliersperge.
Slierbaan, V., -banen.
Slieren, slierde, heeft geslierd.
Sliersperge en Slierasperge, V., -sperges en -asperges.
Sliet, V., slieten.
Slij (zeelt), V., slijen. Slijtje, O., -jes.
Slijk en Slik, O.
Slijkerig en Slikkerig, slijkeriger, slijkerigst.
Slijkerigheid en Slikkerigheid, V.
Slijkgras, O., -grassen.
Slijkspoor, V., -sporen.
Slijm, O., slijmen.
Slijmachtig, -achtiger, -achtigst.
Slijmafdrijvend.
Slijmberoerte, V., -beroerten.
Slijmerig, slijmeriger, slijmerigst.
Slijmerigheid, V.
Slijmhoest, M.
Slijmig, slijmiger, slijmigst.
Slijmigheid, V.
Slijmklier, V., -klieren.
Slijmsuiker, V.
Slijmvlies, O., -vliezen.
Slijp, O.
Slijpbak, M., -bakken.
Slijpbord, O., -borden.
Slijpen, sleep, slepen, heeft geslepen.
Slijper, M., slijpers.
Slijpgeld, O.
Slijping, V.
Slijpmolen, M., -molens.
Slijpplank, V., -planken; -plankje, O., -jes.
Slijppoeder, O.
Slijpsel, O.
Slijpsteen, M., -steenen; -steentje, O., -jes.
Slijtachtig, -achtiger, -achtigst.
Slijtage, V.
Slijten, sleet, sleten, heeft en is gesleten.
Slijter, M., slijters. Slijtertje, O., -jes.
Slijterij, V., slijterijen.
Slijting, V.
Slik, O., slikken (slijkgronden).
Slikgeld, O., -gelden.
Slikken, slikte, heeft geslikt.
Slikkerig. Zie Slijkerig.
Sliknat, -natte.
Slikop, M. en V., slikoppen.
Slim, slimmer, slimst.
Slimheid, V.
Slimmerd, M., slimmerds. Slimmerdje, O., -jes.
Slimmigheid, V., -heden.
Slindkolk, V., -kolken.
Slinger, M., slingers. Slingertje, O., -jes.
Slingeraap, M., -apen.
Slingeraar, M., slingeraars.
Slingerboom, M., -boomen.
Slingerbosch, O., -bosschen.
Slingeren, slingerde, heeft en is geslingerd.
Slingering, V., slingeringen.
Slingerlaan, V., -lanen; -laantje, O., -jes.
Slingerlat, V., -latten.
Slingerpad, O., -paden; -paadje, O., -jes.
Slingerpardoen, V., -pardoens.
Slingerplant, V., -planten.
Slingerslag, M.
Slingersteen, M., -steenen.
Slingertijd, M., -tijden.
Slingeruurwerk, O., -uurwerken.
Slingerwijdte, V., -wijdten.
Slinken, slonk, is geslonken.
Slinkerhand, V.
Slinkerzijde, V.
Slinking, V.
Slinks (bijw.), slinkser, slinkst.
Slinksch (bnw.), slinkscher, meest slinksch.
Slip, V., slippen. Slipje, O., -jes.
Slippedrager, M., -dragers.
Slippen, slipte, is geslipt.
Slipper, M., slippers. Slippertje, O., -jes.
Slipsteek, M., -steken.
Sliptouw, O., -touwen.
Slissen, sliste, heeft geslist.
Slissing, V.
Slobbe, V., slobben. Slobbetje, O., -jes.
Slobberdoes, M. en V., slobberdoezen.
Slobberen, slobberde, heeft geslobberd.
Slobbering, V.
Slobbig, slobbiger, slobbigst.
Slobkous, V., -kousen; -kousje, O., -jes.
Slodder, M., slodders.
Slodderachtig, -achtiger, -achtigst.
Slodderen, slodderde, heeft geslodderd.
Slodderig, slodderiger, slodderigst.
Slodderigheid, V.
Slodderkous, V., -kousen.
Sloddervos, M. en V., -vossen.
Sloep, V., sloepen. Sloepje, O., -jes.
Sloependek, O., -dekken.
Sloeproeier, M., -roeiers.
Sloeren, sloerde, heeft gesloerd.
Sloerie, V., sloeries.
Sloeriemoer, V., -moers.
Slof, V., sloffen. Slofje, O., -jes.
Slof, sloffer, slofst.
Sloffen, slofte, heeft gesloft.
Sloffig, sloffiger, sloffigst.
Sloffigheid, V.
Slofhak, M. en V., -hakken.
Slofheid, V.
Slofstuk, O., -stukken.
Slok, M., slokken. Slokje, O., -jes.
Slokdarm, M., -darmen.
Slokken, slokte, heeft geslokt.
Slokker, M., slokkers. Slokkertje, O., -jes.
Slokop, M. en V., slokoppen.
Slommer, M.
Slomp (warklomp), M., slompen.
Slons (havelooze vrouw), V., slonzen.
Slonsje (dievenlantarentje), O., -jes.
Slonzen, slonsde, heeft geslonsd.
Sloof (sukkelaarster), V., sloven. Sloofje, O., -jes.
Sloof (voorschoot en balk), V., slooven. Sloofje, O., -jes.
Sloofachtig, -achtiger, -achtigst.
Slooien, slooide, is geslooid.
Slooiknie, V., -knieën.
Sloop, V., sloopen. Sloopje, O., -jes.
Sloopen, sloopte, heeft gesloopt.
Slooper, M., sloopers.
Slooping, V., sloopingen.
Sloopnagel, M., -nagels.
Sloot, V., slooten. Slootje, O., -jes.
Slooten, slootte, heeft gesloot.
Slootjespringen, O.
Slootkant, M., -kanten.
Slootwerk, O.
Slop, O., sloppen. Slopje, O., -jes.
Slordevos, M. en V., -vossen.
Slordig, slordiger, slordigst.
Slordigheid, V.
Slorp en Slurp, M., slorpen. Slorpje, O., -jes.
Slorpdrank, M., -dranken.
Slorpei, O., -eieren.
Slorpen en Slurpen, slorpte (slurpte), heeft geslorpt (geslurpt).
Slot (sluitmiddel), O., sloten. Slotje en slootje, O., -jes.
Slot (kasteel), O., sloten.
Slot (einde), O.
Slot (saldo), O., sloten.
Slotakkoord, O., -akkoorden.
Slotbewaarder, M., -bewaarders.
Slotbewoner, M., -bewoners.
Slotenmaker, M., -makers.
Slotgracht, V., -grachten.
Slothout, O., -houten.
Slotklank, M., -klanken.
Slotkoers, M., -koersen.
Slotletter, V., -letters.
Slotplaat, V., -platen.
Slotpoort, V., -poorten.
Slotregel, M., -regels.
Slotsom, V., -sommen.
Slotvast.
Slotvers, O., -verzen.
Slotvoogd, M., -voogden.
Slotwoord, O., -woorden.
Slotzang, M., -zangen.
Sloven (zwoegen), sloofde, heeft gesloofd.
Slover, M., slovers.
Sluier, M., sluiers. Sluiertje, O., -jes.
Sluieren, sluierde, heeft gesluierd.
Sluiergaas, O.
Sluik, V. (Ter -).
Sluik, sluiker, sluikst.
Sluiken, slook, sloken, heeft gesloken.
Sluiker, M., sluikers.
Sluikerij, V., sluikerijen.
Sluikhandel, M.
Sluikharig.
Sluikheid, V.
Sluiking, V., sluikingen.
Sluimer, M.
Sluimeren, sluimerde, heeft gesluimerd.
Sluimering, V.
Sluimerkussen, O., -kussens; -kussentje, O., -jes.
Sluimerrol, V., -rollen.
Sluip, V. (Ter -).
Sluipdeur, V., -deuren.
Sluipen, sloop, slopen, is geslopen.
Sluiper, M., sluipers. Sluipertje, O., -jes.
Sluiphaven, V., -havens.
Sluiphoek, M., -hoeken.
Sluiphol, O., -holen.
Sluipkoorts, V., -koortsen.
Sluipmoord, M., -moorden.
Sluipmoordenaar, M., -moordenaars.
Sluippatrouille, V., -patrouilles.
Sluis, V., sluizen. Sluisje, O., -jes.
Sluisbalk, M., -balken.
Sluisbedding, V., -beddingen.
Sluisdeur, V., -deuren.
Sluisknecht, M., -knechts.
Sluiskolk, V., -kolken.
Sluiswachter, M., -wachters.
Sluiswerken (mv.), O.
Sluitbalk, M., -balken.
Sluitband, M., -banden.
Sluitboom, M., -boomen.
Sluitbout, M., -bouten.
Sluitdoos, V., -doozen.
Sluiten, sloot, sloten, heeft en is gesloten.
Sluiter, M., sluiters.
Sluitgat, O., -gaten.
Sluitgeld, O.
Sluithek, O., -hekken.
Sluithout, O., -houten.
Sluiting, V., sluitingen.
Sluitjas, V., -jassen.
Sluitkool, V., -koolen.
Sluitlaken, O., -lakens.
Sluitletter, V., -letters.
Sluitmand, V., -manden; -mandje, O., -jes.
Sluitplank, V., -planken.
Sluitrede, V., -redenen.
Sluitspier, V., -spieren.
Sluitsteen, M., -steenen.
Sluitstuk, O., -stukken.
Sluittoestel, M. en O., -toestellen.
Sluitveer, V., -veeren.
Sluitwerk, O., -werken.
Slungel, M., slungels.
Slungelen, slungelde, heeft geslungeld.
Slurf, V., slurven. Slurfje, O., -jes.
Slurp. Zie Slorp.
Slurpen. Zie Slorpen.
Sluw, sluwer, sluwst.
Sluwheid, V., -heden.
Sluwigheid, V., -heden.
Smaad, M.
Smaadheid, V., -heden.
Smaadnaam, M., -namen.
Smaadrede, V., -redenen.
Smaadschrift, O., -schriften.
Smaadwoord, O., -woorden.
Smaak, M., smaken. Smaakje, O., -jes.
Smaakloos (in eigenlijken zin), -looze.
Smaakvol, -volle.
Smacht (buik van een haring), V., smachten.
Smachten, smachtte, heeft gesmacht.
Smachtend, smachtender, smachtendst.
Smachterig, smachteriger, smachterigst.
Smadelijk, -lijker, -lijkst.
Smadelijkheid, V., -heden.
Smaden, smaadde, heeft gesmaad.
Smader, M., smaders.
Smak (van smakken), M., smakken. Smakje, O., -jes.
Smak (vaartuig), V., smakken. Smakje, O., -jes.
Smak (gewas). Zie Sumak.
Smakelijk, -lijker, -lijkst.
Smakelijkheid, V.
Smakeloos (overdrachtelijk), -loozer, -loost.
Smakeloosheid, V.
Smaken, smaakte, heeft gesmaakt.
Smakken (werpen), smakte, heeft gesmakt.
Smakken (met den mond), smakte, heeft gesmakt.
Smakker, M., smakkers.
Smakschip, O., -schepen.
Smaktouw, O., -touwen.
Smakwater, O.
Smakzeil, O., -zeilen.
Smal, smaller, smalst.
Smalbladig.
Smaldeel, O., -deelen.
Smaldeelen, smaldeelde, heeft gesmaldeeld.
Smaldeeling, V., -deelingen.
Smaldoek, O.
Smalen, smaalde, heeft gesmaald.
Smaler, M., smalers.
Smalhans, M., -hanzen.
Smalheid, V.
Smalletjes.
Smalligheid, V.
Smalt, V.
Smalte, V.
Smaragd (stof), O.; (steen), M., smaragden.
Smaragden (bnw.).
Smart, ook Smert, V., smarten.
Smartelijk, -lijker, -lijkst.
Smartelijkheid, V.
Smarteloos, -looze.
Smarteloosheid, V.
Smarten, ook Smerten (bedroeven), smartte, heeft gesmart.
Smarten (scheepsw.), smartte, heeft gesmart.
Smarting (ontvelling), V., smartingen.
Smarting (scheepsw.), V., smartings.
Smartkreet, M., -kreten.
Smartoor, O., -ooren.
Smeden, smeedde, heeft gesmeed.
Smeder, M., smeders.
Smederij, V., smederijen.
Smedig. Zie Smijdig.
Smeding, V.
Smeedbaar, -bare.
Smeedbaarheid, V.
Smeedbak, M., -bakken.
Smeedijzer, O.
Smeedkunst, V.
Smeedster, V., smeedsters.
Smeedwerk, O.
Smeegruis, O.
Smeekbede, V., -beden.
Smeekdicht, O., -dichten.
Smeekeling, M. en V., smeekelingen. V. ook smeekelinge.
Smeeken, smeekte, heeft gesmeekt.
Smeeker, M., smeekers.
Smeekerij, V.
Smeekgebed, O., -gebeden.
Smeeking, V., smeekingen.
Smeekolen (mv.), V.
Smeekschrift, O., -schriften.
Smeekster, V., smeeksters.
Smeektaal, V.
Smeer, O.
Smeerder, M., smeerders.
Smeerdoos, V., -doozen.
Smeergoed, O.
Smeergording, V., -gordings.
Smeerkaars, V., -kaarsen.
Smeerkwast, M., -kwasten.
Smeerlap (voorwerp en persoon), M., -lappen.
Smeerlapperij, V., -lapperijen.
Smeerplank, V., -planken.
Smeerpoes, M. en V., -poesen.
Smeerprop, V., -proppen.
Smeerrak, O., -rakken.
Smeersel, O., smeersels. Smeerseltje, O., -jes.
Smeerster, V., smeersters.
Smeerwortel, V.
Smeerzalf, V., -zalven.
Smeet, M., smeten.
Smeetang, V. -tangen.
Smelt, V., smelten. Smeltje, O., -jes.
Smeltbaar, -bare.
Smeltbaarheid, V.
Smeltbak, M., -bakken.
Smelten, smolt, heeft en is gesmolten.
Smelter, M., smelters.
Smelterig, smelteriger, smelterigst.
Smelterij, V., smelterijen.
Smelting, V., smeltingen.
Smeltkroes, M., -kroezen.
Smeltmiddel, O., -middelen.
Smeltoven, M., -ovens.
Smeltpan, V., -pannen.
Smelttijd, M.
Smeltvisscher, M., -visschers.
Smeren, smeerde, heeft gesmeerd.
Smergel, V.
Smerig, smeriger, smerigst.
Smerigheid, V., -heden.
Smering, V., smeringen.
Smert. Zie Smart.
Smerten. Zie Smarten.
Smerthoofd, O., -hoofden.
Smet, V., smetten. Smetje, O., -jes.
Smetachtig, -achtiger, -achtigst.
Smetlijn, V., -lijnen.
Smetstof, V., -stoffen.
Smetteloos, -loozer, -loost.
Smetteloosheid, V.
Smetten, smette, heeft gesmet.
Smeulen, smeulde, heeft gesmeuld.
Smeuling, V.
Smeuren, smeurde, heeft gesmeurd.
Smid, M., smeden. Smidje, O., -jes.
Smidsaanbeeld, O., -aanbeelden.
Smidsbaas, M., -bazen.
Smidse, V., smidsen.
Smidshamer, M., -hamers.
Smidsknecht, M., -knechts.
Smidskolen (mv.), V.
Smidsoven, M., -ovens.
Smidswagen, M., -wagens.
Smidswater, O.
Smidswerk, O.
Smidswinkel, M., -winkels.
Smient, V., smienten. Smientje, O., -jes.
Smijdig, ook Smedig, smijdiger, smijdigst.
Smijdigen, smijdigde, heeft gesmijdigd.
Smijdigheid, V.
Smijt, V., smijten.
Smijten, smeet, smeten, heeft gesmeten.
Smijter, M., smijters.
Smoddervisch, V.
Smoddig, smoddiger, smoddigst.
Smoel, M., smoelen. Smoeltje, O., -jes.
Smoelwerk, O., -werken.
Smoken, smookte, heeft gesmookt.
Smoker, M., smokers.
Smokerig, smokeriger, smokerigst.
Smokerigheid, V.
Smokkel, M.
Smokkelaar, M., smokkelaars.
Smokkelaarster, V., smokkelaarsters.
Smokkelarij, V., smokkelarijen.
Smokkelen, smokkelde, heeft gesmokkeld.
Smokkelgoed, O., -goederen.
Smokkelhandel, M.
Smokkeling, V., smokkelingen.
Smokkelschip, O., -schepen.
Smokkelwaar, V., -waren.
Smook, M.
Smoordronken.
Smoorheet, -heete.
Smoorklep, V., -kleppen.
Smoorlijk.
Smoorpan, V., -pannen.
Smoorpot, M., -potten.
Smoorvol, -volle.
Smoren, smoorde, heeft en is gesmoord.
Smoring, V.
Smots, V., smotsen. Smotsje, O., -jes.
Smotsen, smotste, heeft gesmotst.
Smotsig, smotsiger, smotsigst.
Smous, M., smousen. Smousje, O., -jes.
Smousen, smouste, heeft gesmoust.
Smousentaal, V.
Smousenwinst, V.
Smouserij, V., smouserijen.
Smoushond, M., -honden; -hondje, O., -jes.
Smousjassen, smousjaste, heeft gesmousjast.
Smout, O.
Smoutachtig, -achtiger, -achtigst.
Smouten, smoutte, heeft gesmout.
Smouterig, smouteriger, smouterigst.
Smoutig, smoutiger, smoutigst.
Smoutigheid, V.
Smoutpeer, V., -peren.
Smoutwerk, O.
Smoutzetter, M., -zetters.
Smuigen, smuigde, heeft gesmuigd.
Smuiger, M., smuigers.
Smuik, V. (Ter -).
Smuk, M.
Smukken, smukte, heeft gesmukt.
Smul, V., smullen. Smulletje, O., -jes.
Smulbaard, M., -baarden.
Smulbroer, M., -broers.
Smuldagen (mv.), M.
Smullen, smulde, heeft gesmuld.
Smuller, M., smullers.
Smullig, smulliger, smulligst.
Smulligheid, V.
Smulling, V.
Smulpaap, M., -papen; -paapje, O., -jes.
Smulpapen, smulpaapte, heeft gesmulpaapt.
Smulpaperij, V., -paperijen.
Smulpartij, V., -partijen; -partijtje, O., -jes.
Snaak, M., snaken. Snaakje, O., -jes.
Snaaks (bijw.).
Snaaksch, snaakscher, meest snaaksch.
Snaakschheid, V.
Snaakshoofd, O., -hoofden; -hoofdje, O., -jes.
Snaar (koord, riem), V., snaren. Snaartje, O., -jes.
Snaar (schoonzuster), V., snaren.
Snaarinstrument, O., -instrumenten.
Snak, M., snakken. Snakje, O., -jes.
Snakerig, snakeriger, snakerigst.
Snakerigheid, V.
Snakerij, V., snakerijen.
Snakken, snakte, heeft gesnakt.
Snap, M., Snapje, O.
Snapachtig, -achtiger, -achtigst.
Snapachtigheid, V.
Snaphaan, M., -hanen; -haantje, O., -jes.
Snappen, snapte, heeft en is gesnapt.
Snapper, M., snappers. Snappertje, O., -jes.
Snapperij, V., snapperijen.
Snaps, M., snapsen. Snapsje, O., -jes.
Snapster, V., snapsters. Snapstertje, O., -jes.
Snar, snarder, snarst.
Snarenmaker, M., -makers.
Snarenspeeltuig, O., -speeltuigen.
Snarenspel, O.
Snarentuig, O., -tuigen.
Snarheid, V.
Snarrig, snarriger, snarrigst.
Snarrigheid, V.
Snars en Sners, V., Snarsje, O., -jes.
Snater, M., snaters. Snatertje, O., -jes.
Snateraar, M., snateraars.
Snaterachtig, -achtiger, -achtigst.
Snaterachtigheid, V.
Snateren, snaterde, heeft gesnaterd.
Snauw (het snauwen), M., snauwen. Snauwtje, O., -jes.
Snauw (vaartuig), V., snauwen.
Snauwachtig, -achtiger, -achtigst.
Snauwbrik, V., -brikken.
Snauwen, snauwde, heeft gesnauwd.
Snauwer, M., snauwers.
Snauwerig, snauweriger, snauwerigst.
Snauwerigheid, V.
Snavel, M., snavels. Snaveltje, O., -jes.
Sneb en Snebbe, V., snebben. Snebje en snebbetje, O., -jes.
Snebbig. Zie Snibbig.
Snede en Snee, V., sneden en sneeën. Sneetje, O., -jes.
Snedeling, M. en V., snedelingen.
Snedig, snediger, snedigst.
Snedigheid, V.
Sneeg, sneeger, sneegst.
Snees (schacheraar), M., sneezen. Sneesje, O., -jes.
Snees (twintigtal), O., sneezen.
Sneeuw (stof), V.; (blankheid), O.
Sneeuwachtig, -achtiger, -achtigst.
Sneeuwbal, M., -ballen; -balletje, O., -jes.
Sneeuwballengooien, O.
Sneeuwberg, M., -bergen.
Sneeuwblind.
Sneeuwblindheid, V.
Sneeuwen, sneeuwde, heeft gesneeuwd.
Sneeuwgrens, V.
Sneeuwhoen, O., -hoenders.
Sneeuwig, sneeuwiger, sneeuwigst.
Sneeuwijs, O.
Sneeuwjacht, V.
Sneeuwklokje, O., -klokjes.
Sneeuwklomp, M., -klompen.
Sneeuwlinie, V.
Sneeuwlucht, V., -luchten.
Sneeuwman, M., -mannen.
Sneeuwploeg, M., -ploegen.
Sneeuwpop, V., -poppen.
Sneeuwruimen, O.
Sneeuwruimer, M., -ruimers.
Sneeuwschepper, M., -scheppers.
Sneeuwschoen, M., -schoenen.
Sneeuwstorm, M., -stormen.
Sneeuwvlaag, V., -vlagen.
Sneeuwvogel, M., -vogels.
Sneeuwwater, O.
Sneeuwwit, -witte.
Sneezen, sneesde, heeft gesneesd.
Snek (in een uurwerk), V., snekken.
Snekrad, O., -raderen.
Snel (kan), V., snellen. Snelletje, O., -jes.
Snel, sneller, snelst.
Sneldicht, O., -dichten.
Snelheid, V., -heden.
Snelkoker, M., -kokers.
Snellen, snelde, is gesneld.
Snelpers, V., -persen.
Snelpersdruk, M.
Snelschrijven, O.
Snelschrijver, M., -schrijvers.
Sneltrein, M., -treinen.
Snelvoetig, -voetiger, -voetigst.
Snelvuur, O.
Snelvuurkanon, O., -kanonnen.
Snelzeiler, M., -zeilers.
Snepper, M., sneppers. Sneppertje, O., -jes.
Snerken, snerkte, heeft gesnerkt.
Snerking, V.
Snerpen, snerpte, heeft gesnerpt.
Snerpend, snerpender, snerpendst.
Sners. Zie Snars.
Snert, V.
Snertbalie, V., -balies.
Snertketel, M., -ketels.
Sneukelaar, M., sneukelaars.
Sneukelen, sneukelde, heeft gesneukeld.
Sneukeren, sneukerde, heeft gesneukerd.
Sneuvelen, sneuvelde, is gesneuveld.
Sneven, sneefde, is gesneefd.
Snibbig ook Snebbig, snibbiger, snibbigst.
Snibbigheid, V.
Snijbank, V., -banken.
Snijbiet, V., -bieten.
Snijboon, V., -boonen; -boontje, O., -jes.
Snijboonenmesje, O., -jes.
Snijboonenmolen, M., -molens.
Snijbord, O., -borden.
Snijden, sneed, sneden, heeft gesneden.
Snijdend, snijdender, snijdendst.
Snijder, M., snijders. Snijdertje, O., -jes.
Snijderen, snijderde, heeft gesnijderd.
Snijdersambacht, O.
Snijdersgezel, M., -gezellen.
Snijdersgild, O., -gilden.
Snijderstafel, V., -tafels.
Snijding, V., snijdingen.
Snijdsel, O., snijdsels.
Snijkamer, V., -kamers.
Snijkoek (voorwerpsnaam), M., -koeken; (stofnaam), V.
Snijlijn, V., -lijnen.
Snijmachine, V., -machines.
Snijpers, V., -persen.
Snijpunt, O., -punten.
Snijtafel, V., -tafels.
Snijtand, M., -tanden.
Snijveld, O., -velden.
Snijwater, O.
Snijwerk, O.
Snik (het snikken), M., snikken. Snikje, O., -jes.
Snik (vaartuig), V., snikken.
Snik (bnw.). (Niet -).
Snikheet, -heete.
Snikken, snikte, heeft gesnikt.
Snip, V., snippen. Snipje, O., -jes.
Snippedrek, M.
Snippel. Zie Snipper.
Snippen, snipte, heeft gesnipt.
Snippenei, O., -eieren.
Snippenjacht, V.
Snippennet, O., -netten.
Snippentijd, M.
Snippenvangst, V.
Snipper, V., snippers.
Snipperen, snipperde, heeft gesnipperd.
Snipperkoek, M., -koeken.
Snippermand, V., -manden.
Snipperuur, O., -uren; -uurtje, O., -jes.
Snipperwerk, O.
Snirsen, snirste, heeft gesnirst.
Snirsing, V.
Snit, M., snitten.
Snoefster, V., snoefsters.
Snoeftaal, V.
Snoeien, snoeide, heeft gesnoeid.
Snoeier, M., snoeiers. Snoeiertje, O., -jes.
Snoeihout, O.
Snoeiing, V., snoeiingen.
Snoeikunst, V.
Snoeilust, M.
Snoeimes, O., -messen; -mesje, O., -jes.
Snoeisel, O., snoeisels.
Snoeitijd, M.
Snoeiwagen, M., -wagens.
Snoeiwerk, O.
Snoek (een visch), M., snoeken. Als stofnaam, V. Snoekje, O., -jes.
Snoekachtig.
Snoekenvangst, V.
Snoekestaart, M., -staarten.
Snoekkleurig.
Snoep, M.
Snoepachtig, -achtiger, -achtigst.
Snoepachtigheid, V.
Snoepen, snoepte, heeft gesnoept.
Snoeper, M., snoepers. Snoepertje, O., -jes.
Snoeperig, snoeperiger, snoeperigst.
Snoeperigheid, V.
Snoeperij, V., snoeperijen. Snoeperijtje, O., -jes.
Snoepgoed, O.
Snoepig, snoepiger, snoepigst.
Snoepigheid, V.
Snoeplust, M.
Snoepreisje, O., -jes.
Snoepsch, snoepscher, meest snoepsch.
Snoepschheid, V.
Snoepster, V., snoepsters.
Snoeptafel, V., -tafels; -tafeltje, O., -jes.
Snoepwinkeltje, O., -jes.
Snoepzucht, V.
Snoer, O., snoeren. Snoertje, O., -jes.
Snoeren, snoerde, heeft gesnoerd.
Snoes, M., snoezen. Snoesje, O., -jes.
Snoeshaan, M., -hanen; -haantje, O., -jes.
Snoet, M., snoeten. Snoetje, O., -jes.
Snoeven, snoefde, heeft gesnoefd.
Snoever, M., snoevers.
Snoeverij, V., snoeverijen.
Snoezig, snoeziger, snoezigst.
Snol, V., snollen. Snolletje, O., -jes.
Snood, snooder, snoodst.
Snoodaard, M., snoodaards.
Snoodelijk.
Snoodheid, V., -heden.
Snor (snorrend geluid en roes), M. Snorretje, O., -jes.
Snor (knevelbaard), V., snorren. Snorretje, O., -jes.
Snorbaard, M., -baarden.
Snorder, M., snorders.
Snork, M., snorken. Snorkje, O., -jes.
Snorken en Snurken, snorkte (snurkte), heeft gesnorkt (gesnurkt).
Snorker, M., snorkers.
Snorkerij, V., snorkerijen.
Snorrebot, O., -botten.
Snorren, snorde, heeft en is gesnord.
Snorrepijperij, V., -pijperijen.
Snorwagen, M., -wagens.
Snot, O.
Snotbaard, M., -baarden.
Snotjongen, M., -jongens.
Snotkoker, M., -kokers.
Snotneus, M. en V., -neuzen.
Snotolf, M., -olven; -olfje, O., -jes.
Snottebel, V., -bellen.
Snotteren, snotterde, heeft gesnotterd.
Snotterig, snotteriger, snotterigst.
Snuf, V. Snufje, O., -jes.
Snuffelaar, M., snuffelaars en snuffelaren.
Snuffelen, snuffelde, heeft gesnuffeld.
Snuffen, snufte, heeft gesnuft.
Snugger, snuggerder, snuggerst.
Snuggerheid, V.
Snuif, V., snuiven. Snuifje, O., -jes.
Snuifdoos, V., -doozen.
Snuifmolen, M., -molens.
Snuifneus, M. en V., -neuzen.
Snuifpot, M., -potten.
Snuifrasp, V., -raspen.
Snuifster, V., snuifsters.
Snuiftabak, V.
Snuifwinkel, M., -winkels.
Snuisterij, V., snuisterijen. Snuisterijtje, O., -jes.
Snuit (lichaamsdeel), M., snuiten. Snuitje, O., -jes.
Snuit (grof vlas), V. en O.
Snuiten (den neus, de kaars), snoot, snoten, heeft gesnoten.
Snuiten (een stuk hout), snuitte, heeft gesnuit.
Snuiter (werktuig en persoon), M., snuiters. Snuitertje, O., -jes.
Snuitsel, O.
Snuitspinner, M., -spinners.
Snuiven, snoof, snoven, heeft gesnoven.
Snuiver, M., snuivers. Snuivertje, O., -jes.
Snurken. Zie Snorken.
Sober, soberder, soberst.
Soberheid, V.
Sobertjes.
Sociaal, socialer, sociaalst.
Sociaaldemocraat, M., -democraten.
Sociaaldemocratie, V.
Socialisme, O.
Socialist, M., socialisten.
Socialistencongres, O., -congressen.
Socialistisch.
Sociëteit, V., sociëteiten.
Sociëteitsbal, O., -bals.
Sociëteitsbediende, M., -bedienden.
Sociëteitsleven, O.
Sociologie, V.
Soda, V.
Sodawater, O.
Sodazeep, V.
Soebatten, soebatte, heeft gesoebat.
Soebatter, M., soebatters.
Soep, V., soepen. Soepje, O., -jes.
Soepbord, O., -borden.
Soepcommissie, V., -commissies.
Soepel, soepeler, soepelst.
Soeperig, soeperiger, soeperigst.
Soeperigheid, V.
Soepgroente, V., -groenten.
Soepketel, M., -ketels.
Soepkokerij, V., -kokerijen.
Soeplepel, M., -lepels.
Soepterrine, V., -terrines.
Soepuitdeeling, V., -uitdeelingen.
Soepvleesch, O.
Soes (dommel), M., soezen.
Soes (gebak), V., soezen. Soesje, O., -jes.
Soesa, en ook Soeza, V.
Soezen, soesde, heeft gesoesd.
Soezenmand, V., -manden.
Soezer, M., soezers.
Soezerig, soezeriger, soezerigst.
Soezerigheid, V.
Soezig, soeziger, soezigst.
Soezigheid, V.
Sofa, V., sofa's.
Soirée, V., soirée's. Soireetje, O., -jes.
Soja, V.
Sok, V., sokken. Sokje, O., -jes.
Sokkerig, sokkeriger, sokkerigst.
Soldaat, M., soldaten. Soldaatje, O., -jes.
Soldaatjespelen, O.
Soldatenbrood, O.
Soldatengat (scheepsw.), O.
Soldatenkind, O., -kinderen.
Soldatenkleeding, V.
Soldatenkroeg, V., -kroegen.
Soldatenleven, O.
Soldatenlied, O., -liederen.
Soldaterij, V.
Soldeer, O.
Soldeerbout, M., -bouten.
Soldeerder, M., soldeerders.
Soldeeren, soldeerde, heeft gesoldeerd.
Soldeerijzer, O., -ijzers.
Soldeering, V., soldeeringen.
Soldeerlamp, V., -lampen.
Soldeersel, O.
Soldeerwerk, O.
Soldenier, M., soldeniers.
Soldij, V., soldijen.
Solenneel, -eele.
Solfège-klasse, V., -klassen.
Solfer. Zie Sulfer.
Solidair.
Solidariteit, V.
Solide, solider, soliedst.
Soliditeit, V.
Solist, M., solisten.
Solistenkamer, V., -kamers.
Sollen, solde, heeft gesold.
Sollicitant, M., sollicitanten.
Sollicitante, V., sollicitanten.
Sollicitatie, V., sollicitatiën en sollicitaties.
Sollicitatiebrief, M., -brieven.
Solliciteeren, solliciteerde, heeft gesolliciteerd.
Solo, M., solo's.
Soloecisme, O., soloecismen.
Soloklasse, V., -klassen.
Solospel, O.
Solostem, V., -stemmen.
Solozang, M.
Solozanger, M., -zangers.
Som, V., sommen. Sommetje, O., -jes.
Somber, somberder, somberst.
Somberheid, V.
Sommatie, V., sommatiën en sommaties.
Sommeeren, sommeerde, heeft gesommeerd.
Sommer (scheepsw.), M., sommers.
Sommige.
Sommigen.
Sommiteit, V., sommiteiten.
Somnambule, M. en V., somnambules.
Somnambulisme, O.
Somp, V., sompen.
Sompig, sompiger, sompigst.
Sompschuit, V., -schuiten.
Sompvogel, M., -vogels.
Soms.
Somtijds.
Somwijlen.
Sonate, V., sonaten en sonates.
Sonatine, V., sonatines.
Sonde (werktuig), V., sondes.
Sondeeren, sondeerde, heeft gesondeerd.
Sondeerijzer, O., -ijzers.
Sondeering, V., sondeeringen.
Sonnet, O., sonnetten. Sonnetje, O., -jes.
Sonnettendichter, M., -dichters.
Soort, V. en O., soorten. Soortje, O., -jes.
Soortelijk.
Soortgelijk.
Soortnaam, M., -namen.
Sop, O. en V., soppen. Sopje, O., -jes.
Sopbrood, O.
Sophisme, O., sophismen.
Sophist, M., sophisten.
Sophisterij, V., sophisterijen.
Sophistisch.
Soporifiek.
Soppedoppen, soppedopte, heeft gesoppedopt.
Soppen, sopte, heeft gesopt.
Sopper, M., soppers.
Sopperdegroen, V., -groenen; -groentje, O., -jes.
Sopperig, sopperiger, sopperigst.
Sopperigheid, V.
Soppig, soppiger, soppigst.
Soppigheid, V.
Sopraan, V., sopranen.
Sopraanpartij, V., -partijen.
Sopraansolo, M., -solo's.
Sopraanstem, V., -stemmen.
Sorbe, V., sorben.
Sorbeboom, M., -boomen.
Sorbet, O. Sorbetje, O., -jes.
Sorteerder, M., sorteerders.
Sorteeren, sorteerde, heeft gesorteerd.
Sorteering, V., sorteeringen.
Sortie, V., sorties.
Soudenier, M., soudenieren en soudeniers.
Souffleur, M., souffleurs.
Souffleurshokje, O., -hokjes.
Soupeeren, soupeerde, heeft gesoupeerd.
Souper, O., soupers. Soupertje en soupeetje, O., -jes.
Souspied, M., souspieds.
Souvenir, O., souvenirs. Souvenirtje, O., -jes.
Souverein, M., souvereinen. V., souvereine.
Souvereiniteit, V.
Souvereiniteitsrecht, O., -rechten.
Spa. Zie Spade.
Spaak, V., spaken. Spaakje, O., -jes.
Spaak (bijw.). (- loopen).
Spaan, V., spanen. Spaantje, O., -jes.
Spaander, M., spaanders. Spaandertje, O., -jes.
Spaandershaak, M., -haken.
Spaansch.
Spaansch, O.
Spaansch-groen, O.
Spaarbank, V., -banken.
Spaarbankboekje, O., -boekjes.
Spaarbankkiezer, M., -kiezers.
Spaarbankzegel, O., -zegels.
Spaarder, M., spaarders.
Spaargeld, O.
Spaarhaard, M., -haarden.
Spaarkachel, V., -kachels.
Spaarkas, V., -kassen.
Spaarkiezer (spaarbankkiezer), M., -kiezers.
Spaarlamp, V., -lampen; -lampje, O., -jes.
Spaaroven, M., -ovens.
Spaarpenning, M., -penningen.
Spaarpijp, V., -pijpen.
Spaarpot, M., -potten; -potje, O., -jes.
Spaarzaam, -zamer, -zaamst.
Spaarzaamheid, V.
Spade en Spa, V., spaden.
Spade (bnw.). Als bijw. ook Spa.
Spaden, spaadde, heeft gespaad.
Spadesteel, M., -stelen.
Spadille, V., spadilles.
Spakeren, spakerde.
Spakerig.
Spalier, O., spalieren.
Spalk, V., spalken. Spalkje, O., -jes.
Spalken, spalkte, heeft gespalkt.
Spalkhout, O., -houten.
Spalking, V., spalkingen.
Spalling, M., spallingen.
Span en Spanne (lengtemaat), V., spannen.
Span (gespan), O., spannen. Spannetje, O., -jes.
Spanader, V., -aders.
Spanblok, O., -blokken.
Spanbroek, V., -broeken.
Spandienst, M., -diensten.
Spanen (bnw.).
Spanen, spaande, heeft gespaand.
Spang, V., spangen. Spangetje, O., -jes.
Spangordel, M., -gordels.
Spanjaard, M., Spanjaarden en Spanjaards.
Spankracht, V.
Spanne. Zie Span, V.
Spannen, spande, heeft gespannen.
Spanning, V., spanningen.
Spanraam, O., -ramen.
Spanrib, V., -ribben.
Spanriem, M., -riemen.
Spanrups, V., -rupsen.
Spanseeren, spanseerde, heeft en is gespanseerd.
Spansel, O., spansels.
Spant, O., spanten. Spantje, O., -jes.
Spantvullingen (mv.), V.
Spanwant, O.
Spanzaag, V., -zagen.
Spar (sparreboom), M., sparren. Sparretje, O., -jes.
Spar (tang), V., sparren. Sparretje, O., -jes.
Sparappel, M., -appels.
Sparen, spaarde, heeft gespaard.
Sparing, V.
Sparkelen, sparkelde, heeft gesparkeld.
Sparreboom, M., -boomen; -boompje, O., -jes.
Sparregroen, O.
Spartelbeenen, spartelbeende, heeft gespartelbeend.
Spartelen, spartelde, heeft gesparteld.
Sparteling, V., spartelingen.
Spartorpedo, V., -torpedo's.
Spat (vlekje), V., spatten. Spatje, O., -jes.
Spat (aderspat), V., spatten.
Spatbord, O., -borden.
Spatel, V., spatels. Spateltje, O., -jes.
Spatie, V., spaties.
Spatieeren, spatieerde, heeft gespatieerd.
Spatkleed, O., -kleeden.
Spatpennetje, O., -jes.
Spatten, spatte, heeft en is gespat.
Spatterig, spatteriger, spatterigst.
Spattig, spattiger, spattigst.
Spatting (scheepsw.), V.
Specerij, V., specerijen.
Specerijachtig.
Specerijhandel, M.
Specht, M., spechten. Spechtje, O., -jes.
Spechtmees, V., -meezen.
Speciaal, speciale.
Specialiseeren, specialiseerde, heeft gespecialiseerd.
Specialiteit, V., specialiteiten.
Specie, V., speciën en species.
Speciebriefje, O., -briefjes.
Specificatie, V., specificatiën en specificaties.
Specificeeren, specificeerde, heeft gespecificeerd.
Specifiek, specifieke.
Specimen, O., specimens en specimina.
Spectator, M., spectators.
Spectatoriaal, spectatoriale.
Spectroscoop, M., spectroscopen.
Speculaas en Speculatie (koek), V.
Speculant, M., speculanten.
Speculatie, V., speculatiën en speculaties.
Speculatief, speculatieve.
Speculeeren, speculeerde, heeft gespeculeerd.
Speek, V., speeken.
Speeksel, O.
Speekselklier, V., -klieren.
Speelavond, M., -avonden; -avondje, O., -jes.
Speelbal, M., -ballen.
Speelbank, V., -banken.
Speeldoos, V., -doozen; -doosje, O., -jes.
Speelgeld, O.
Speelgenoot, M., -genooten.
Speelgenoote, V., -genooten.
Speelgoed, O.
Speelgoedwinkel, M., -winkels.
Speelhol, O., -holen.
Speelhuis, O., -huizen.
Speeljacht, O., -jachten.
Speelkaart, V., -kaarten.
Speelkamer, V., -kamers.
Speelkameraad, M. en V., -kameraden en -kameraads; -kameraadje, O., -jes.
Speelkind, O., -kinderen.
Speelklok, V., -klokken.
Speelmakker, M., -makkers; -makkertje, O., -jes.
Speelman, M., -lieden en -lui.
Speelnoot, M., -nooten en -noots.
Speelnoote, V., -nooten.
Speelpartij, V., -partijen; -partijtje, O., -jes.
Speelplaats, V., -plaatsen.
Speelpop, V., -poppen; -popje, O., -jes.
Speelreisje, O., -jes.
Speelruimte, V.
Speelsch, speelscher, meest speelsch.
Speelschheid, V.
Speelschuld, V., -schulden.
Speelster, V., speelsters.
Speeltafel, V., -tafels; -tafeltje, O., -jes.
Speeltijd, M.
Speeltuig, O., -tuigen.
Speeltuin, M., -tuinen.
Speeluur, O., -uren; -uurtje, O., -jes.
Speelwagen, M., -wagens; -wagentje, O., -jes.
Speelwerk, O., -werken.
Speelziek, -zieker, -ziekst.
Speelzucht, V.
Speen, V., spenen. Speentje, O., -jes.
Speenkruid, O.
Speenmaal, O., -malen.
Speenvarken, O., -varkens; -varkentje, O., -jes.
Speer, V., speren. Speertje, O., -jes.
Speerhaak, M., -haken.
Speerwortel (stofnaam), V.
Speetje. Zie Spit.
Speetjesaal, V.
Speetjespaling, V.
Speetwet, V.
Spek, O.
Spekbokking, M., -bokkingen.
Spekhaak, M., -haken.
Spekjan, M., -jannen.
Spekken, spekte, heeft gespekt.
Spekkig, spekkiger, spekkigst.
Spekking, V.
Speknaald, V., -naalden.
Speknek (nek), M., -nekken.
Speknek (persoon), M. en V., -nekken.
Spekpannekoek, M., -pannekoeken.
Spekslager, M., -slagers.
Spekslagerij, V., -slagerijen.
Speksteen, M., als stofnaam, V.
Spektakel, O., spektakels.
Spektakelstuk, O., -stukken.
Spekvet, O.
Spel, O., spelen en spellen. Spelletje, O., -jes.
Spelboek, O., -boeken; -boekje, O., -jes.
Spelbreekster, V., -breeksters.
Spelbreker, M., -brekers.
Speld, V., spelden. Speldje, O., -jes.
Speldeknop, M., -knoppen.
Speldekop, M., -koppen.
Spelden, speldde, heeft gespeld.
Speldenbakje, O., -jes.
Speldendoosje, O., -jes.
Speldenfabriek, V., -fabrieken.
Speldengeld, O.
Speldenkoker, M., -kokers.
Speldenkussen, O., -kussens; -kussentje, O., -jes.
Speldenmaker, M., -makers.
Speldenwerk, O., -werken; -werkje, O., -jes.
Speldenwerkster, V., -werksters.
Speldeprik, M., -prikken; -prikje, O., -jes.
Spelemeien, spelemeide, heeft gespelemeid.
Spelen, speelde, heeft gespeeld.
Speler, M., spelers.
Spelevaren, O.
Speling, V., spelingen.
Spelkunst, V.
Spellen, spelde, heeft gespeld.
Spelling, V., spellingen.
Spelonk, V., spelonken. Spelonkje, O., -jes.
Spelregel, M., -regels.
Spelt, V.
Spencer, M., spencers.
Spendeeren, spendeerde, heeft gespendeerd.
Spenen, speende, heeft gespeend.
Spening, V.
Sperboom, M., -boomen.
Sperfort, O., -forten.
Sperge. Zie Asperge. In samenst. ook Sperzie.
Spergelkruid, O.
Sperketting, M., -kettingen.
Sperren, sperde, heeft gesperd.
Sperwer, M., sperwers. Sperwertje, O., -jes.
Sperwersnest, O., -nesten.
Sperzieboon, V., -boonen.
Speten, speette, heeft gespeet.
Speuren, speurde, heeft gespeurd.
Speurhond, M., -honden.
Spiauter. Zie Piauter.
Spichtig, spichtiger, spichtigst.
Spichtigheid, V.
Spie (spion), M., spieën.
Spie en Spij (bout of wig), V., spieën en spijen. Spietje en spijtje, O., -jes.
Spiebout, M., -bouten.
Spiegat. Zie Spuigat.
Spiegel, M., spiegels. Spiegeltje, O., -jes.
Spiegelbeeld, O., -beelden.
Spiegelboog, M., -bogen.
Spiegelei, O., -eieren.
Spiegelen, spiegelde, heeft gespiegeld.
Spiegelgevecht, O., -gevechten.
Spiegelglad.
Spiegelglas, O., -glazen.
Spiegeling, V., spiegelingen.
Spiegellijst, V., -lijsten.
Spiegelmagazijn, O., -magazijnen.
Spiegelmaker, M., -makers.
Spiegelmees, V., -meezen.
Spiegelruit, V., -ruiten.
Spiegelschrift, O.
Spiegelvisch, M., -visschen.
Spiemouw, V., -mouwen.
Spier (in het lichaam), V., spieren. Spiertje, O., -jes.
Spier (zwaluw), V., spieren.
Spierbeugel, M., -beugels.
Spiering (een visch), M., spieringen. Als stofnaam, V. Spierinkje, O., -jes.
Spieringvangst, V.
Spierkracht, V.
Spiernaakt.
Spierstelsel, O., -stelsels.
Spierverlamming, V.
Spierwit, -witte.
Spiesglans, O.
Spiets en Spies, V., spietsen.
Spietsen, spietste, heeft gespietst.
Spiezak, M., -zakken.
Spij. Zie Spie.
Spijbelen, spijbelde, heeft gespijbeld.
Spijgat. Zie Spuigat.
Spijk, V.
Spijker (nagel), M., spijkers. Spijkertje, O., -jes.
Spijker (pakhuis), M., spijkers.
Spijkerbak, M., -bakken.
Spijkerbalsem, M.
Spijkerboor, V., -boren.
Spijkeren, spijkerde, heeft gespijkerd.
Spijkergat, O., -gaten.
Spijkering, V.
Spijkerkop, M., -koppen.
Spijkerschrift, O.
Spijkervast.
Spijkerwinkel, M., -winkels.
Spijkijzer, O., -ijzers.
Spijl, V., spijlen. Spijltje, O., -jes.
Spijs, V., spijzen.
Spijsbereiding, V.
Spijsbrei, V.
Spijskokerij, V., -kokerijen.
Spijskaart, V., -kaarten.
Spijskelder, M., -kelders.
Spijsuitdeeling, V., -uitdeelingen.
Spijsverteering, V.
Spijt, V.
Spijten, speet, speten, heeft gespeten.
Spijtig, spijtiger, spijtigst.
Spijtigheid, V.
Spijzen, spijsde, heeft gespijsd.
Spijzigen, spijzigde, heeft gespijzigd.
Spijziging, V.
Spikkel, M., spikkels. Spikkeltje, O., -jes.
Spikkelachtig, -achtiger, -achtigst.
Spikkelen, spikkelde, heeft gespikkeld.
Spikkelig, spikkeliger, spikkeligst.
Spikkeling, V.
Spikspeldernieuw.
Spiksplinternieuw.
Spil, V. en O., spillen. Spilletje, O., -jes.
Spilboom, M., -boomen.
Spilboor, V., -boren.
Spilgat, O., -gaten.
Spilgioen, M., spilgioenen.
Spillebeen, M. en V., -beenen.
Spilleleen, O., -leenen.
Spillemaag, M. en V., -magen.
Spillen, spilde, heeft gespild.
Spilpal, M., -pallen.
Spilpan, V., -pannen.
Spilpenning, M. en V., -penningen.
Spilziek, -zieker, -ziekst.
Spilzucht, V.
Spin, V., spinnen. Spinnetje, O., -jes.
Spinaal, O.
Spinachtig.
Spinazie, V.
Spinaziebed, O., -bedden.
Spinaziezaad, O.
Spinde, V., spinden.
Spinet, O., spinetten. Spinetje, O., -jes.
Spinhuis, O., -huizen.
Spinhuisboef, M., -boeven.
Spinloon, O., -loonen.
Spinmachine, V., -machines.
Spinnekop, V., -koppen; -kopje, O., -jes.
Spinnen, spon, sponnen, heeft gesponnen.
Spinner, M., spinners.
Spinnerij, V., spinnerijen.
Spinneweb, O., -webben; -webje, O., -jes.
Spinnewebachtig.
Spinneweefsel, O., -weefsels.
Spinnewiel, O., -wielen; -wieltje, O., -jes.
Spinosisme, O.
Spinrokken, O., -rokkens.
Spinsbek. Zie Pinsbek.
Spinsel, O., spinsels.
Spinster, V., spinsters.
Spint, O.
Spintabak, V.
Spintachtig.
Spintig, spintiger, spintigst.
Spion, M., spionnen en spions. Spionnetje, O., -jes.
Spionneeren, spionneerde, heeft gespionneerd.
Spiraal, V., spiralen. Spiraaltje, O., -jes.
Spiraalvormig.
Spiritisme, O.
Spiritist, M., spiritisten.
Spiritistisch.
Spiritualiën (mv.), V.
Spiritualisme, O.
Spiritueel, spiritueeler, spiritueelst.
Spiritus, M.
Spirituslamp, V., -lampen; -lampje, O., -jes.
Spirituslichtje, O., -lichtjes.
Spiritusvlam, V., -vlammen.
Spit, O., speten en spitten. Speetje en spitje, O., -jes.
Spits (punt), V., spitsen.
Spits, O. (Het - afbijten).
Spits, spitser, spitst.
Spitsbaard, M., -baarden.
Spitsboef, M., -boeven.
Spitsbogenstijl, M.
Spitsboog, M., -bogen.
Spitsbroeder, M., -broeders.
Spitsen, spitste, heeft gespitst.
Spitsheid, V.
Spitshoofd, M. en V., -hoofden.
Spitsig, spitsiger, spitsigst.
Spitskin, M. en V., -kinnen.
Spitsmuis, V., -muizen; -muisje, O., -jes.
Spitsneus, M. en V., -neuzen.
Spitsroeden (mv.), V.
Spitsvondig, -vondiger, -vondigst.
Spitsvondigheid, V.
Spitszinnig, -zinniger, -zinnigst.
Spitten, spitte, heeft gespit.
Spitter, M., spitters.
Spitvarkentje, O., -jes.
Spleet, V., spleten. Spleetje, O., -jes.
Spleetbreuk, V., -breuken.
Spletig, spletiger, spletigst.
Splijten, spleet, spleten, heeft en is gespleten.
Splijting, V.
Splint, O.
Splinter, M., splinters. Splintertje, O., -jes.
Splinterbreuk, V., -breuken.
Splinteren, splinterde, heeft en is gesplinterd.
Splinterig, splinteriger, splinterigst.
Splinternieuw.
Splintertrekker, M., -trekkers.
Split, O., splitten. Splitje, O., -jes.
Splitbout, M., -bouten.
Splits, V., splitsen.
Splitsen, splitste, heeft gesplitst.
Splitser, M., splitsers.
Splitsgang, V., -gangen.
Splitshamer, M., -hamers.
Splitshoorn en Splitshoren, M., -hoorns en -horens.
Splitsing, V., splitsingen.
Splitstong, V., -tongen.
Splitsvaantje, O., -jes.
Splitten, splitte, heeft gesplit.
Splitter, M., splitters.
Splitvruoht, V., -vruchten.
Spoed, M.
Spoedbestelling, V., -bestellingen.
Spoedcertificaat, O., -certificaten.
Spoeden, spoedde, is gespoed; ook spoedde (zich), heeft (zich) gespoed.
Spoedig, spoediger, spoedigst.
Spoedstuk, O., -stukken.
Spoedvereischend.
Spoel, V., spoelen. Spoeltje, O., -jes.
Spoelbak, M., -bakken.
Spoeldrank, M., -dranken; -drankje, O., -jes.
Spoelen, spoelde, heeft en is gespoeld.
Spoelhok, O., -hokken.
Spoeling, V., spoelingen.
Spoelingbak, M., -bakken.
Spoelingdistrict, O.
Spoelingvleesch, O.
Spoelkom, V., -kommen; -kommetje, O., -jes.
Spoelsel, O., spoelsels.
Spoelworm, M., -wormen; -wormpje, O., -jes.
Spog, O.
Spoken, spookte, heeft gespookt.
Spokerij, V., spokerijen.
Spon, V., sponnen. Sponnetje, O., -jes.
Sponde, V., sponden.
Spong, V., spongen.
Sponning, V., sponningen. Sponninkje, O., -jes.
Spons, V., sponsen en sponzen. Sponsje, O., -jes.
Sponsachtig, -achtiger, -achtigst.
Sponsachtigheid, V.
Sponsen, sponste, heeft gesponst. Ook sponzen.
Spontaan, spontane.
Spontaneïteit, V.
Sponturf, V.
Sponzedoos, V., -doozen.
Spook, O., spoken. Spookje, O., -jes.
Spookachtig, -achtiger, -achtigst.
Spookdier, O., -dieren.
Spookgeschiedenis, V., -geschiedenissen; -geschiedenisje, O., -jes.
Spookhuis, O., -huizen.
Spooksel, O., spooksels.
Spookuur, O.
Spookverschijning, V., -verschijningen.
Spoor (prikkel), V., sporen. Spoortje, O., -jes.
Spoor (voetstap en wagenspoor), O., sporen. In den zin van Spoortrein, V.
Spoorbaan, V., -banen.
Spoorbalk, M., -balken.
Spoorboekje, O., -boekjes.
Spoorbrug, V., -bruggen.
Spoordijk, M., -dijken.
Spoorhout, O., -houten.
Spoorkaartje, O., -kaartjes.
Spoorklok, V., -klokken.
Spoorlijn, V., -lijnen.
Spoorloos.
Spoorslags.
Spoorstaaf, V., -staven.
Spoorstok, M., -stokken.
Spoorstudent, M. en V., -studenten.
Spoortijd, M.
Spoortrein, M., -treinen.
Spoorwagen, M., -wagens.
Spoorweg, M., -wegen.
Spoorwegaandeel, O., -aandeelen.
Spoorwegbeambte, M., -beambten.
Spoorwegbrug, V., -bruggen.
Spoorwegdienst, M., -diensten.
Spoorwegfonds, O., -fondsen.
Spoorwegkaart, V., -kaarten.
Spoorwegleening, V., -leeningen.
Spoorwegmaatschappij, V., -maatschappijen.
Spoorwegnet, O., -netten.
Spoorwegpersoneel, O.
Spoorwegpolitiek, V.
Spoorwegrijtuig, O., -rijtuigen.
Spoorwegstation, O., -stations.
Spoorwegverbinding, V., -verbindingen.
Spoorwegverkeer, O.
Spoorwegwagon, M., -wagons.
Spoorwijdte, V.
Sporen (aansporen), spoorde, heeft gespoord.
Sporen (met den spoorwagen rijden), spoorde, heeft en is gespoord.
Sporreling, V., sporrelingen.
Sport, V., sporten. Sportje, O., -jes.
Sport (Engelsch woord), V.
Sport-artikel, O., -artikelen.
Sportblouse, V., -blouses.
Sportflanel, O.
Sporthemd, O., -hemden.
Sportkar, V., -karren.
Sportnieuws, O.
Sportterm, M., -termen.
Sportterrein, O., -terreinen.
Sportwagen, M., -wagens; -wagentje, O., -jes.
Spot, M.
Spotachtig, -achtiger, -achtigst.
Spotachtigheid, V.
Spotboef, M., -boeven.
Spotdicht, O., -dichten.
Spotgeld, O.
Spotlijster, V., -lijsters.
Spotlust, M.
Spotprijs, M., -prijzen; -prijsje, O., -jes.
Spotrede, V., -redenen.
Spotschrift, O., -schriften.
Spotten, spotte, heeft gespot.
Spotter, M., spotters. Spottertje, O., -jes.
Spotternij, V., spotternijen.
Spotvogel, M., -vogels.
Spotziek, -zieker, -ziekst.
Spotzucht, V.
Spouw, V., spouwen.
Spouwen, spouwde, heeft en is gespouwen.
Spouwer, M., spouwers.
Spouwing, V.
Spraak, V.
Spraakgebruik, O.
Spraakgeluid, O., -geluiden.
Spraakkunst, V., -kunsten.
Spraakkunstig.
Spraakleer, V.
Spraakorgaan, O., -organen.
Spraakvermogen, O.
Spraakwater, O.
Spraakwerktuig, O., -werktuigen.
Spraakzaam, -zamer, -zaamst.
Spraakzaamheid, V.
Sprakeloos, -looze.
Sprakeloosheid, V.
Sprank, V., spranken. Sprankje, O., -jes.
Sprankel, V., sprankels. Sprankeltje, O., -jes.
Sprankelvuur, O., -vuren.
Spreekbeurt, V., -beurten.
Spreekbuis, V., -buizen.
Spreekcel.
Spreekgestoelte, O., -gestoelten.
Spreekhoorn en -horen, M., -hoorns en -horens.
Spreekkamer, V., -kamers; -kamertje, O., -jes.
Spreekster, V., spreeksters.
Spreektaal, V.
Spreektrant, M.
Spreektrompet, V., -trompetten.
Spreekuur, O., -uren.
Spreekvertrek, O., -vertrekken.
Spreekwijze en -wijs, V., -wijzen.
Spreekwoord, O., -woorden; -woordje, O., -jes.
Spreekwoordelijk.
Spreekwoordenboek, O., -boeken.
Spreeuw, M., spreeuwen. Spreeuwtje, O., -jes.
Spreeuwebek, M., -bekken.
Spreeuwen, spreeuwde, heeft gespreeuwd.
Spreeuwenei, O., -eieren.
Spreeuwennest, O., -nesten.
Sprei, V., spreien. Spreitje, O., -jes.
Spreiden, spreidde, heeft gespreid.
Spreidsel, O., spreidsels.
Spreken, sprak, spraken, heeft gesproken.
Spreker, M., sprekers.
Sprengbekken, O., -bekkens.
Sprengen, sprengde, heeft gesprengd.
Sprenger, M., sprengers.
Sprenging, V., sprengingen.
Sprengkwast, M., -kwasten.
Sprengvat, O., -vaten.
Sprenkel (rattenknip), M., sprenkels.
Sprenkel (sprank), V., sprenkels. Sprenkeltje, O., -jes.
Sprenkelen, sprenkelde, heeft gesprenkeld.
Sprenkeling, V., sprenkelingen.
Sprenkelpot, M., -potten.
Sprenkelvat, O., -vaten.
Spreuk, V., spreuken. Spreukje, O., -jes.
Spreukachtig.
Spreukenboek, O., -boeken.
Spreukrijk, -rijker, -rijkst.
Spriet, M., sprieten. Sprietje, O., -jes.
Sprietbeugel, M., -beugels.
Sprietoogen, sprietoogde, heeft gesprietoogd.
Spring, M., springen.
Springader, V., -aders.
Springbok, M., -bokken.
Springboog, M., -bogen.
Springbron, V., -bronnen.
Springen, sprong, heeft en is gesprongen.
Springer, M., springers.
Springhengst, M., -hengsten.
Spring-in-'t-veld, M. en V., -velden.
Springkever, M., -kevers.
Springkoorts, V., -koortsen.
Springkruid, O.
Springlading, V., -ladingen.
Springlevend.
Springmatras, V., -matrassen.
Springmiddel, O., -middelen.
Springnet, O., -netten.
Springpaard (scheepsw.), O., -paarden.
Springpoot, M., -pooten.
Springproef, V., -proeven.
Springriem, M., -riemen.
Springslot, O., -sloten.
Springspin, V., -spinnen.
Springster, V., springsters.
Springstier, M., -stieren.
Springstok, M., -stokken.
Springstopper, M., -stoppers.
Springtij, O., -tijen.
Springton, V., -tonnen.
Springveer, V., -veeren.
Springveerenmatras, V., -matrassen.
Springvloed, M., -vloeden.
Springvuur, O.
Sprinkhaan, M., -hanen; -haantje, O., -jes.
Sprits, V., spritsen. Spritsje, O., -jes.
Spritsen, spritste, heeft gespritst.
Sproeien, sproeide, heeft gesproeid.
Sproeiwagen, M., -wagens.
Sproet, V., sproeten. Sproetje, O., -jes.
Sproeterig, sproeteriger, sproeterigst.
Sproetig, sproetiger, sproetigst.
Sproke, V., sproken.
Sprokkel (afgebroken takje), M., sprokkels.
Sprokkel (heester), V.
Sprokkelaar, M., sprokkelaars.
Sprokkelaarster, V., sprokkelaarsters.
Sprokkelen, sprokkelde, heeft gesprokkeld.
Sprokkelhout, O.
Sprokkeling, V., sprokkelingen.
Sprokkelmaand, V.
Sprong, M., sprongen. Sprongetje, O., -jes.
Sprongvariatie, V., -variaties.
Sprookje, O., -jes.
Sprookjesverteller, M., -vertellers.
Sprot, V., sprotten. Sprotje, O., -jes.
Spruit (van een plant), V., spruiten. Spruitje, O., -jes.
Spruit (van een gieter), V., spruiten. Spruitje, O., -jes.
Spruit (touw), O., spruiten.
Spruitblok, O., -blokken en -bloks.
Spruiten, sproot, sproten, is gesproten.
Spruitgewas, O.
Spruiting, V.
Spruitkool, V., -koolen.
Spruitsel, O., spruitsels.
Spruw, V.
Spugen, spoog, spogen, heeft gespogen.
Spui, O., spuien.
Spuidok, O., -dokken.
Spuien, spuide, heeft gespuid.
Spuigat, ook Spiegat en Spijgat, O., -gaten.
Spuiing, V., spuiingen.
Spuisluis, V., -sluizen.
Spuit, V., spuiten. Spuitje, O., -jes.
Spuiten, spoot, spoten, heeft gespoten.
Spuitenhuis, O., -huizen; -huisje, O., -jes.
Spuiter, M., spuiters.
Spuitflesch, V., -flesschen.
Spuitgast, M., -gasten.
Spuiting, V., spuitingen.
Spuitmeester, M., -meesters.
Spuitvisch, M., -visschen; -vischje, O., -jes.
Spuitwater, O.
Spuitworm, M., -wormen; -wormpje, O., -jes.
Spurrie, V.
Spuug, O.
Spuwbak, M., -bakken; -bakje, O., -jes.
Spuwdrank, M., -dranken; -drankje, O., -jes.
Spuwen, spuwde, heeft gespuwd.
Spuwing, V., spuwingen.
St (tusschenw.).
Staaf, V., staven. Staafje, O., -jes.
Staafijzer, O.
Staag.
Staagjes.
Staak, M., staken. Staakje, O., -jes.
Staal (grondslag van een dijk), M., stalen.
Staal (monster), O., stalen. Staaltje, O., -jes.
Staal (metaal), O.
Staal (werktuig), O., stalen.
Staalachtig.
Staalbron, V., -bronnen.
Staaldraad, M., -draden. Als stofnaam, O.
Staaldruppels (mv.), M.
Staalgravure, V., -gravures.
Staalhof, O., -hoven.
Staalkaart, V., -kaarten.
Staalmeester, M., -meesters.
Staalpillen (mv.), V.
Staalplaat, V., -platen.
Staalwater, O.
Staalwaterbron, V., -bronnen.
Staan, staat, stond, heeft gestaan.
Staande.
Staander, M., staanders.
Staandevoets en Staandsvoets.
Staangeld, ook Stageld, O., -gelden.
Staanplaats, V., -plaatsen; -plaatsje, O., -jes.
Staar, V.
Staart, M., staarten. Staartje, O., -jes.
Staartbeen, O., -beenderen.
Staartblok, O., -blokken.
Staarteloos, -looze.
Staartpruik, V., -pruiken.
Staartriem, M., -riemen.
Staartster, V., -sterren.
Staartstuk, O., -stukken.
Staartvin, V., -vinnen.
Staat, M., staten. Staatje, O., -jes.
Staathuishoudkunde, V.
Staathuishoudkundige, M. en V., -kundigen.
Staatkunde, V.
Staatkundig, -kundiger, -kundigst.
Staatkundige, M. en V., -kundigen.
Staatsalmanak, M., -almanakken.
Staatsambt, O., -ambten.
Staatsambtenaar, M., -ambtenaren.
Staatsbankroet, O., -bankroeten.
Staatsbeambte, M., -beambten.
Staatsbediening, V., -bedieningen.
Staatsbegrooting, V., -begrootingen.
Staatsbelang, O., -belangen.
Staatsbesluit, O., -besluiten.
Staatsbestuur, O., -besturen.
Staatsbewind, O.
Staatsblad, O., -bladen.
Staatsburger, M., -burgers.
Staatsburgerschap, O.
Staatschen (mv.), M.
Staatscommissie, V., -commissiën en -commissies.
Staatscourant, V., -couranten.
Staatsdienaar, M., -dienaren.
Staatsdienst, M.
Staatsexamen, O., -examens.
Staatsgeheim, O., -geheimen.
Staatsgeschiedenis, V.
Staatsgevangene, M. en V., -gevangenen.
Staatsgreep, M., -grepen.
Staatshulp, V.
Staatsie, V.
Staatsiedegen, M., -degens.
Staatsiekoets, V., -koetsen.
Staatsiemantel, M., -mantels.
Staatsiesloep, V., -sloepen.
Staatsietrap, V., -trappen.
Staatsinkomsten (mv.), V.
Staatsinrichting, V.
Staatsinstelling, V., -instellingen.
Staatskerk, V.
Staatslichaam, O., -lichamen.
Staatsloterij, V., -loterijen.
Staatsmacht, V.
Staatsman, M., -lieden.
Staatsmisdaad, V., -misdaden.
Staatsomwenteling, V., -omwentelingen.
Staatspapier, O., -papieren.
Staatspartij, V., -partijen.
Staatsraad, M., -raden.
Staatsrecht, O.
Staatsrechtelijk.
Staatsregeling, V., -regelingen.
Staatsschuld, V., -schulden.
Staatsspoorweg, M., -spoorwegen.
Staatstoezicht, O.
Staatsvergadering, V., -vergaderingen.
Staatsvorm, M., -vormen.
Staatswege. (Van -).
Staatswet, V., -wetten.
Staatswetenschap, V., -wetenschappen.
Staatszaak, V., -zaken.
Staatzucht, V.
Stad, V., steden. Stadje, O., -jes.
Stade en Sta. (Te - komen).
Stadgenoot, M., -genooten.
Stadgenoote, V., -genooten.
Stadhouder en Stedehouder, M., -houders.
Stadhouderlijk.
Stadhouderloos, -looze.
Stadhouderschap, O.
Stadhoudersgezind.
Stadhuis (het raadhuis), O., -huizen.
Stadhuisklok, V., -klokken.
Stadhuistoren, M., -torens.
Stadhuiswoord, O., -woorden.
Stadie, V., stadiën.
Stadrecht, O., -rechten.
Stadsadvocaat, M., -advocaten.
Stadsapotheek, V., -apotheken.
Stadsarbeider, M., -arbeiders.
Stadsarchitect, M., -architecten.
Stadsarmenschool, V., -armenscholen.
Stads-bank-van-leening, V.
Stadsbediening, V., -bedieningen.
Stadsbestuur, O.
Stadsbibliotheek, V., -bibliotheken.
Stadsbode, M., -boden.
Stadsdokter, M., -dokters.
Stadsgebouw, O., -gebouwen.
Stadsgeld, O.
Stadsgeneesheer, M., -geneesheeren.
Stadsgezicht, O., -gezichten.
Stadsgracht, V., -grachten.
Stadsgrond, M.
Stadshuis (eigendom der stad), O., -huizen.
Stadskeur, V., -keuren.
Stadskleuren (mv.), V.
Stadslantaren, V., -lantarens.
Stadsmuur, M., -muren.
Stadsnieuws, O.
Stadsomroeper, M., -omroepers.
Stadsontvanger, M., -ontvangers.
Stadsrecht, O., -rechten. Ook Stadrecht.
Stadsregeering, V.
Stadsreiniging, V.
Stadsreinigingsdienst, M.
Stadsschool, V., -scholen.
Stadstimmerwerf, V., -timmerwerven.
Stadsverband, O.
Stadsvest, V., -vesten.
Stadswaag, V.
Stadswal, M., -wallen.
Stadswapen, O., -wapens.
Stadswater, O., -wateren.
Stadszegel, O., -zegels.
Stadwaarts en Stedewaarts.
Staf, M., staven. Stafje, O., -jes.
Stafkaart, V., -kaarten.
Stafmuziek, V.
Stafmuzikant, M., -muzikanten.
Stafofficier, M., -officieren.
Stag, O., stagen.
Stagnatie, V., stagnatiën en stagnaties.
Sta-in-den weg, M.
Staken, staakte, heeft gestaakt.
Staker, M., stakers.
Staket, O., staketten.
Staketsel, O., staketsels. Staketseltje, O., -jes.
Staking, V., stakingen.
Stakker en Stakkerd, M., stakkers en stakkerds. Stakkertje en stakkerdje, O., -jes.
Stal, M., stallen. Stalletje, O., -jes.
Stalbezem, M., -bezems.
Staldienst, M., -diensten.
Stalen (bnw.).
Stalen, staalde, heeft gestaald.
Stalhouder, M., -houders.
Stalhouderij, V., -houderijen.
Staling, V.
Staljongen, M., -jongens.
Stalknecht, M., -knechts.
Stallantaren, V., -lantarens.
Stallen, stalde, heeft gestald.
Stalletje (verkoopplaats), O., -jes.
Stalling, V., stallingen.
Stalmeester, M., -meesters.
Stalmest, M.
Stalvoeder, O.
Stalziek.
Stam, M., stammen. Stammetje, O., -jes.
Stambelang, O., -belangen.
Stamboek, O., -boeken.
Stamboekvee, O.
Stamboeknummer, O., -nummers.
Stamboom, M., -boomen.
Stamelaar, M., stamelaars.
Stamelaarster, V., stamelaarsters.
Stamelen, stamelde, heeft gestameld.
Stameltaal, V.
Stameltong, M. en V., -tongen.
Stamet, O., stametten.
Stametten (bnw.).
Stamgenoot, M., -genooten.
Stamhouder, M., -houders.
Stamhuis, O., -huizen.
Stamijn, V.
Stamijnen (bnw.).
Stammen, stamde, is gestamd.
Stampage, V.
Stampeien, stampeide, heeft gestampeid.
Stampen, stampte, heeft gestampt.
Stamper, M., stampers. Stampertje, O., -jes.
Stamping, V., stampingen.
Stampmolen, M., -molens.
Stampstag, O., -stagen.
Stampstooten, O.
Stampvoeten, stampvoette, heeft gestampvoet.
Stampvol, -volle.
Stampwerk, O.
Stamroos, V., -rozen.
Stamvader, M., -vaders.
Stamverwant, M. en V., -verwanten.
Stamwoord, O., -woorden.
Stand, M., standen.
Standaard en Standerd, M., standaarden, standaards en standerds.
Standaardgehalte, O.
Standaardwerk, O., -werken.
Standbeeld, O., -beelden; -beeldje, O., -jes.
Standblok, O., -blokken en -bloks.
Standelkruid, O.
Stander, M., standers. Standertje, O., -jes.
Standhouden, hield stand, heeft standgehouden.