Woordenlijst voor de spelling der Nederlandsche Taal Met aanwijzing van de geslachten der naamwoorden en de vervoeging der werkwoorden (part 5 of 6)
Standje (ruzie en persoon), O., -jes.
Standolie, V.
Standpenning, M., -penningen.
Standpijp, V., -pijpen.
Standplaats, V., -plaatsen.
Standpunt, O., -punten.
Standverwisseling, V.
Standvastig, -vastiger, -vastigst.
Standvastigheid, V.
Standvastiglijk.
Standvink, M., -vinken.
Standvizier, O., -vizieren.
Stang, V., stangen. Stangetje, O., -jes.
Stangenstelsel, O., -stelsels.
Stank, M., stanken. Stankje, O., -jes.
Stanza, V., stanza's.
Stap, M., stappen. Stapje, O., -jes.
Stapel, M., stapels. Stapeltje, O., -jes.
Stapelaar, M., stapelaars.
Stapelbaar, -bare.
Stapelblok, O., -blokken.
Stapelen, stapelde, heeft gestapeld.
Stapelgek, -gekke.
Stapelgoed, O., -goederen.
Stapelhuis, O., -huizen.
Stapeling, V., stapelingen.
Stapelmarkt, V., -markten.
Stapelplaats, V., -plaatsen.
Stapelrecht, O.
Stapelwaar, V., -waren.
Stapelzot, -zotte.
Stappen, stapte, heeft en is gestapt.
Stapper, M., stappers.
Stapvoets.
Star. Zie Ster.
Staren, staarde, heeft gestaard.
Staroogen, staroogde, heeft gestaroogd.
Statelijk, -lijker, -lijkst.
Statelijkheid, V.
Statenbijbel, M., -bijbels.
Statenbode, M., -boden.
Statencollege, O.
Staten-Generaal (mv.), M.
Statenkamer, V., -kamers.
Statenvertaling, V.
Statica, V.
Statie, V., statiën.
Statiedegen enz. Zie Staatsiedegen enz.
Statiegeld, O.
Statig, statiger, statigst.
Statigheid, V.
Station, O., stations. Stationnetje, O., -jes.
Stationnair.
Stationneeren, stationneerde, heeft gestationneerd.
Stationschef en Stationchef, M., -chefs en -chefs.
Stationsgebouw, O., -gebouwen.
Stationsklok, V., -klokken.
Stationskoffiehuis, O., -koffiehuizen.
Stationsplein, O., -pleinen.
Stationsstraat, V., -straten. Ook Stationstraat.
Stationsweg, M., -wegen.
Statistiek, V.
Statistisch.
Statu-quo, O.
Statuur, V.
Statuut, O., statuten.
Stavast. (Van -).
Staven, staafde, heeft gestaafd.
Staverzaad, O.
Staving, V.
Stearine, V.
Stearinekaars, V., -kaarsen.
Stede en Stee. (In - van).
Stedehouder. Zie Stadhouder.
Stedehouderschap, O.
Stedekroon, V., -kronen.
Stedelijk.
Stedeling, M. en V., stedelingen. V. ook stedelinge.
Stedewaarts. Zie Stadwaarts.
Stee. Zie Stede.
Stee (plekje), V., steeën. Steetje, O., -jes.
Steeds.
Steedsch (bnw.).
Steeg, V., stegen. Steegje, O., -jes.
Steeg, steeger, steegst.
Steegheid, V.
Steek, M., steken. Steekje, O., -jes.
Steekbeitel, M., -beitels.
Steekbekken, O., -bekkens.
Steekbes, V., -bessen.
Steekblad, O., -bladen.
Steekboor, V., -boren.
Steekdicht, O., -dichten.
Steekgaren, O.
Steekhevel, M., -hevels.
Steekhoudend.
Steekijzer, O., -ijzers.
Steekind, O., -kinderen.
Steekkan, V., -kannen.
Steeklijn, V., -lijnen.
Steekpalm, V.
Steekpenning, M., -penningen; -penninkje, O., -jes.
Steekpil, V., -pillen; -pilletje, O., -jes.
Steekpomp, V., -pompen.
Steekpriem, M., -priemen.
Steekspel, O., -spelen.
Steekte, V., steekten.
Steekturf (voorwerpsnaam), M., -turven; (stofnaam), V.
Steekwiek, V., -wieken.
Steekwulf, O., -wulven.
Steel, M., stelen. Steeltje, O., -jes.
Steelieden en Steelui (mv.), M.
Steelswijze en -wijs.
Steen (voorwerp), M., steenen. Als collectieve stofnaam, V. Als abstracte stofnaam, O. Steentje, O., -jes.
Steenachtig, -achtiger, -achtigst.
Steenarend, M., -arenden.
Steenbakker, M., -bakkers.
Steenbakkerij, V., -bakkerijen.
Steenbikker, M., -bikkers.
Steenbok, M., -bokken.
Steenbokskeerkring, M.
Steenbolk, M., -bolken.
Steenbreek, V.
Steendruk, M.
Steendrukken, steendrukte, heeft gesteendrukt.
Steendrukker, M., -drukkers.
Steendrukkerij, V., -drukkerijen.
Steendrukpers, V., -persen.
Steendrukplaat, V., -platen.
Steendrukwerk, O.
Steeneik, M., -eiken.
Steenen (bnw.).
Steenglooiing, V., -glooiingen.
Steengoed, O.
Steengroeve, V., -groeven.
Steenhard.
Steenhouwen, O.
Steenhouwer, M., -houwers.
Steenhouwerij, V., -houwerijen.
Steenhouwerswet, V.
Steenig, steeniger, steenigst.
Steenigen, steenigde, heeft gesteenigd.
Steenigheid, V.
Steeniging, V.
Steenklaver, V.
Steenkolenbedding, V., -beddingen.
Steenkolengas, O.
Steenkolengruis, O.
Steenkolenlaag, V., -lagen.
Steenkolenloods, V., -loodsen.
Steenkolenmijn, V., -mijnen.
Steenkolenverbruik, O.
Steenkolenwagen, M., -wagens.
Steenkool, V., -kolen.
Steenkoud.
Steenoven, M., -ovens.
Steenperiode, V.
Steenpuist, V., -puisten.
Steenrots, V., -rotsen.
Steenslag (geklopte steenen), O.
Steenslijper, M., -slijpers.
Steensoort, V., -soorten.
Steenuil, M., -uilen.
Steenvalk, M., -valken.
Steenvorming, V.
Steenvrucht, V., -vruchten.
Steenworp, M., -worpen.
Steenzager, M., -zagers.
Steevoogd, M., -voogden.
Steevoogdij, V., -voogdijen.
Steg, M. (Weg noch - weten).
Stegel, M., stegels. Stegeltje, O., -jes.
Stegelreep, M., -reepen.
Steiger, M., steigers. Steigertje, O., -jes.
Steigeren, steigerde, heeft gesteigerd.
Steigering, V., steigeringen.
Steigerwerk, O.
Steil, steiler, steilst.
Steilheid, V.
Steiloor, M. en V., -ooren; -oortje, O., -jes.
Steiloorig, -ooriger, -oorigst.
Steiloorigheid, V.
Steilschrift, O.
Steilte, V., steilten.
Stek (spruit), V., stekken. Stekje, O., -jes.
Stek (bergplaats), O., stekken. Stekje, O., -jes.
Stekeblind.
Stekel, M., stekels. Stekeltje, O., -jes.
Stekelachtig, -achtiger, -achtigst.
Stekelachtigheid, V., -heden.
Stekelbaars, M., -baarzen; -baarsje, O., -jes.
Stekelig, stekeliger, stekeligst.
Stekeligheid, V., -heden.
Stekeling, M., stekelingen. Stekelingetje, O., -jes.
Stekelvarken, O., -varkens.
Steken, stak, staken, heeft gestoken.
Steker, M., stekers. Stekertje, O., -jes.
Stekken, stekte, heeft gestekt.
Stel (stand), M.
Stel (stelling, verzameling), O., stellen. Stelletje, O., -jes.
Stelen, stal, stalen, heeft gestolen.
Steler, M., stelers.
Stelhout, O., -houten.
Stelkalf, O., -kalven.
Stelkunde, V.
Stelkunst, V.
Stelkunstig.
Stellage, V., stellages.
Stellen, stelde, heeft gesteld.
Steller, M., stellers.
Stellig, stelliger, stelligst.
Stelligheid, V.
Stelling, V., stellingen. Stellinkje, O., -jes.
Stelpen, stelpte, heeft gestelpt.
Stelping, V., stelpingen.
Stelpnet, O., -netten.
Stelregel, M., -regels.
Stelschroef, V., -schroeven.
Stelsel, O., stelsels. Stelseltje, O., -jes.
Stelselloos, -loozer.
Stelselloosheid, V.
Stelselmatig, -matiger, -matigst.
Stelselmatigheid, V.
Stelselzucht, V.
Stelstok (persoon), M. en V., -stokken.
Stelt, V., stelten.
Steltenlooper (persoon), M., -loopers.
Steltlooper (vogel), M., -loopers.
Stelwig, V., -wiggen.
Stem, V., stemmen. Stemmetje, O., -jes.
Stemband, M., -banden.
Stembiljet, O., -biljetten.
Stembriefje, O., -jes.
Stembuiging, V.
Stembureau, O., -bureau's.
Stembus, V., -bussen.
Stemdistrict, O., -districten.
Stemgeluid, O.
Stemgerechtigd.
Stemgerechtigde, M. en V., -gerechtigden.
Stemhamer, M., -hamers.
Stemhebbend.
Stemkaart, V., -kaarten.
Stemkamer, V., -kamers.
Stemlijst, V., -lijsten.
Stemmachine, V., -machines.
Stemmen, stemde, heeft gestemd.
Stemmer, M., stemmers.
Stemmig, stemmiger, stemmigst.
Stemmigheid, V.
Stemmigjes.
Stemming, V., stemmingen.
Stemopnemer, M., -opnemers.
Stemopneming, V.
Stempel (voorwerp), M.; (afdruk), M. en O.; stempels. Stempeltje, O., -jes.
Stempelaar, M., stempelaars.
Stempelband, M., -banden.
Stempelbout, M., -bouten.
Stempelen, stempelde, heeft gestempeld.
Stempeling, V., stempelingen.
Stempelinkt, M., -inkten.
Stempelpers, V., -persen; -persje, O., -jes.
Stempelsnijder, M., -snijders.
Stempen, stempte, heeft gestempt.
Stemping, O.
Stemrecht, O.
Stemspleet, V., -spleten.
Stemtoon, M.
Stemverheffing, V.
Stemvork, V., -vorken.
Stemvorming, V.
Stemwijze en -wijs, V., -wijzen.
Stenen (zuchten), steende, heeft gesteend.
Steng, V., stengen. Stengetje, O., -jes.
Stengel, M., stengels. Stengeltje, O., -jes.
Stenograaf, M., stenografen.
Stenographie, V.
Stenographisch.
Stentorstem, V., -stemmen.
Steppe, V., steppen.
Steppenbewoner, M., -bewoners.
Ster en Star, V., sterren en starren. Sterretje en starretje, O., -jes.
Steranijs, M.
Stere (kubieke el), V., steren en steres.
Stereometrie, V.
Stereoscoop, M., stereoscopen.
Stereotiep, stereotiepe.
Stereotypeeren, stereotypeerde, heeft gestereotypeerd.
Stereotypeur, M., stereotypeurs.
Stereotypie, V.
Sterfbed, O., -bedden.
Sterfdag, M., -dagen.
Sterfelijk.
Sterfelijkheid, V.
Sterfgeval, O., -gevallen.
Sterfhuis, O., -huizen.
Sterfjaar, O., -jaren.
Sterflijst, V., -lijsten.
Sterfte, V.
Sterftecijfer, O., -cijfers.
Sterftetafel, V., -tafels.
Sterftijd, M.
Sterfuur, O., -uren.
Steriliseeren, steriliseerde, heeft gesteriliseerd.
Sterk, sterker, sterkst.
Sterkbeenig.
Sterken, sterkte, heeft gesterkt.
Sterkgespierd.
Sterkgezenuwd.
Sterking, V.
Sterkstroom, M.
Sterkte, V., sterkten.
Sterktestaat, M., -staten.
Sterkwater, O.
Sterrebloem, V.
Sterrebosch, O.
Sterrekers, V.
Sterrekerszaad, O.
Sterrekruid, O.
Sterrenbeeld, O., -beelden.
Sterrendak, O.
Sterrengewelf, O.
Sterrenhemel, M.
Sterrenkaart, V., -kaarten.
Sterrenkijker, M., -kijkers.
Sterrenkijkerij, V., -kijkerijen.
Sterrenkunde, V.
Sterrenkundig.
Sterrenkundige, M., -kundigen.
Sterrenlicht, O.
Sterrenregen, M., -regens.
Sterrentoren, M., -torens.
Sterrenwacht, V., -wachten.
Sterrenwichelaar, M., -wichelaars.
Sterrenwichelarij, V., -wichelarijen.
Sterreschot, O.
Sterveling, M. en V., stervelingen. V. ook stervelinge.
Sterven, stierf, stierven, is gestorven.
Stervensnood, M.
Stervensuur, O., -uren.
Stervormig.
Stethoscoop, M., stethoscopen.
Steun, M., steunen. Steuntje, O., -jes.
Steunbalk, M., -balken.
Steunbladen (mv.), O.
Steunder, M., steunders.
Steunen (rusten, stutten), steunde, heeft gesteund.
Steunen (stenen), steunde, heeft gesteund.
Steuning, V.
Steunmiddel, O., -middelen.
Steunpilaar, M., -pilaren.
Steunpunt, O., -punten.
Steunsel, O., steunsels. Steunseltje, O., -jes.
Steunstuk, O., -stukken.
Steunweger, M., -wegers.
Steur, M., steuren. Steurtje, O., -jes.
Stevel, M., stevels. Steveltje, O., -jes.
Steven, M., stevens. Steventje, O., -jes.
Stevenen, stevende, is gestevend.
Stevig, steviger, stevigst.
Stevigen, stevigde, heeft gestevigd.
Stevigheid, V.
Sticht, ook Stift, O.
Stichtelijk, -lijker, -lijkst.
Stichtelijkheid, V.
Stichten, stichtte, heeft gesticht.
Stichtenaar, M., Stichtenaars en Stichtenaren.
Stichter, M., stichters en stichteren.
Stichting, V., stichtingen.
Stichtingsfeest, O., -feesten.
Stichtingsoorkonde, V., -oorkonden.
Stichtsch.
Stichtster, V., stichtsters.
Stiefbroeder, M., -broeders.
Stiefdochter, V., -dochters.
Stiefkind, O., -kinderen.
Stiefmoeder, V., -moeders.
Stiefmoederlijk, -lijker, -lijkst.
Stiefvader, M., -vaders.
Stiefzoon, M., -zonen en -zoons.
Stiefzuster, V., -zusters.
Stier, M., stieren. Stiertje, O., -jes.
Stierachtig, -achtiger, -achtigst.
Stierekop, M., -koppen.
Stieren. Zie Sturen.
Stierengevecht, O., -gevechten.
Stierenhuid, V., -huiden.
Stierenoffer, O., -offers.
Stierevleesch en Stierenvleesch, O.
Stierkalf, O., -kalveren.
Stift (puntig voorwerp), V., stiften. Stiftje, O., -jes.
Stift (kerkwoord). Zie Sticht.
Stigma, O., stigma's en stigmata.
Stijf, stijver, stijfst.
Stijfheid, V., -heden.
Stijfhoofd, M. en V., -hoofden; -hoofdje, O., -jes.
Stijfhoofdig, -hoofdiger, -hoofdigst.
Stijfhoofdigheid, V.
Stijfkop, M. en V., -koppen; -kopje, O., -jes.
Stijfkoppig, -koppiger, -koppigst.
Stijfkoppigheid, V.
Stijfsel, V.
Stijfselen, stijfselde, heeft gestijfseld.
Stijfselglans, O.
Stijfselhuis, O., -huizen.
Stijfselkwast, M., -kwasten.
Stijfselmaker, M., -makers.
Stijfselpodding, M., -poddingen.
Stijfselpot, M., -potten.
Stijfselverband, O., -verbanden.
Stijfselwater, O.
Stijfster, V., stijfsters.
Stijfte, V.
Stijfzinnig, -zinniger, -zinnigst.
Stijfzinnigheid, V.
Stijg, V. en O., stijgen.
Stijgbeugel, M., -beugels; -beugeltje, O., -jes.
Stijgen, steeg, stegen, is gestegen.
Stijging, V., stijgingen.
Stijl (schrijf-, schilder-, bouwtrant enz.), M., stijlen. Stijltje, O., -jes.
Stijl (stut), M., stijlen. Stijltje, O., -jes.
Stijlleer, V.
Stijloefening, V., -oefeningen.
Stijven (stijf maken), steef, steven, heeft gesteven.
Stijven (sterken), stijfde, heeft gestijfd.
Stijvigheid, V.
Stijving, V.
Stikdonker.
Stikgaren, O.
Stikgrond, M., -gronden.
Stikhoest, M.
Stikken (verstikken), stikte, heeft en is gestikt.
Stikken (steken, borduren), stikte, heeft gestikt.
Stikker, M., stikkers.
Stiklucht, V.
Stiknaad, M., -naden.
Stiknaald, V., -naalden.
Stiksel, O., stiksels. Stikseltje, O., -jes.
Stiksteek, M.
Stikster, V., stiksters.
Stikstof, V.
Stikstofverbinding, V., -verbindingen.
Stikvol, -volle.
Stikwerk, O.
Stikziend.
Stikziendheid, V.
Stikzijde, V.
Stikzinking, V., -zinkingen en -zinkings.
Stil, stiller, stilst.
Stileeren, stileerde, heeft gestileerd.
Stilet, O., stiletten. Stiletje, O., -jes.
Stilheid, V.
Stilhouden, hield stil, heeft stilgehouden.
Stilist, M., stilisten.
Stillekens.
Stillen, stilde, heeft en is gestild.
Stilletje, O., -jes.
Stilletjes.
Stilleven, O., -levens.
Stilliggen, lag stil, lagen stil, heeft stilgelegen.
Stilligheid, V.
Stilling, V.
Stilstaan, staat stil, stond stil, heeft stilgestaan.
Stilstaand.
Stilstand, M.
Stilte, V.
Stilzitten, zat stil, zaten stil, heeft stilgezeten.
Stilzwijgen, zweeg stil, zwegen stil, heeft stilgezwegen.
Stilzwijgen, O.
Stilzwijgend, -zwijgender, -zwijgendst.
Stilzwijgendheid, V.
Stinkbok, M., -bokken.
Stinkboom, M., -boomen.
Stinkdier, O., -dieren.
Stinken, stonk, heeft gestonken.
Stinkerd, M., stinkerds.
Stinkhout, O.
Stinkkever, M., -kevers.
Stinkpoel, M., -poelen.
Stinkpot, M., -potten.
Stinksloot, V., -slooten.
Stinkstok (slechte sigaar), M., -stokken.
Stinkvlieg, V., -vliegen; -vliegje, O., -jes.
Stip, V., stippen. Stipje, O., -jes.
Stippel, V., stippels. Stippeltje, O., -jes.
Stippelen, stippelde, heeft gestippeld.
Stippeling, V.
Stippellijn, V., -lijnen.
Stippen, stipte, heeft gestipt.
Stipt, stipter, stiptst.
Stiptelijk.
Stiptheid, V.
Stoeien, stoeide, heeft gestoeid.
Stoeierij, V., stoeierijen.
Stoeiig, stoeiiger, stoeiigst.
Stoeiziek, -zieker, -ziekst.
Stoeizucht, V.
Stoel, M., stoelen. Stoeltje, O., -jes.
Stoeldraaier en Stoelendraaier, M., -draaiers.
Stoelenbies, V., -biezen.
Stoelengeld, O., -gelden.
Stoelenmaker, M., -makers.
Stoelenmatten, O.
Stoelenmatter, M., -matters.
Stoelenzetster, V., -zetsters.
Stoelgang, M.
Stoelkussen, O., -kussens.
Stoelvast, -vaster.
Stoelvastheid, V.
Stoep, V., stoepen. Stoepje, O., -jes.
Stoepen, stoepte, heeft gestoept.
Stoepje (stadssoldaat), O., -jes.
Stoer, stoerder, stoerst.
Stoerheid, V.
Stoet (gevolg, optocht), M.
Stoet (brood), V., stoeten.
Stoeterij, V., stoeterijen.
Stoethaspel, M., -haspels.
Stof (stoffage en onderwerp), V., stoffen. Stofje, O., -jes.
Stof (stuifzand, enz.), O. Stofje, O., -jes.
Stofaanbidding, V.
Stofbril, M., -brillen.
Stofdeeltje, O., -deeltjes.
Stofdoek, M., -doeken.
Stofdoekenmandje, O., -mandjes.
Stoffage, V., stoffages.
Stoffeerder, M., stoffeerders.
Stoffeeren, stoffeerde, heeft gestoffeerd.
Stoffeering, V., stoffeeringen.
Stoffeersel, O., stoffeersels.
Stoffeerster, V., stoffeersters.
Stoffel, M., stoffels.
Stoffelachtig, -achtiger, -achtigst.
Stoffelijk.
Stoffelijkheid, V.
Stoffeloos en Stofloos, -looze.
Stoffen (bnw.).
Stoffen (pochen), stofte, heeft gestoft.
Stoffen (van stof reinigen), stofte, heeft gestoft.
Stoffer, M., stoffers. Stoffertje, O., -jes.
Stofferig, stofferiger, stofferigst.
Stoffig, stoffiger, stoffigst.
Stoffigheid, V.
Stofgoud, O.
Stofhagelen, stofhagelde, heeft gestofhageld.
Stofjas, V., -jassen.
Stoflaken, O., -lakens.
Stofloos. Zie Stoffeloos.
Stofmantel, M., -mantels.
Stofnaam, M., -namen.
Stofregen, M.
Stofregenen, stofregende, heeft gestofregend.
Stofwisseling, V.
Stofwolk, V., -wolken.
Stofzuiger, M., -zuigers.
Stoïcijn, M., stoïcijnen.
Stoïcijnsch.
Stoïcisme, O.
Stok, M., stokken. Stokje, O., -jes.
Stokdoof.
Stokebrand, M. en V., -branden; -brandje, O., -jes.
Stokebranden, O.
Stoken, stookte, heeft gestookt.
Stoker, M., stokers.
Stokerij, V., stokerijen. Stokerijtje, O., -jes.
Stoking, V.
Stokken (van bijen en ankers), stokte, heeft gestokt.
Stokken (blijven steken), stokte, is gestokt.
Stokkerig, stokkeriger, stokkerigst.
Stokkerigheid, V.
Stokloos en Stokkeloos, -looze.
Stokoud.
Stokpaard, O., -paarden; -paardje, O., -jes.
Stokroos, V., -rozen.
Stokslag, M., -slagen.
Stokstijf, -stijve.
Stokvisch, als voorwerpsnaam, M., -visschen. Als stofnaam, V.
Stollen, stolde, is gestold.
Stolling, V.
Stolp, V., stolpen. Stolpje, O., -jes.
Stolpen, stolpte, heeft gestolpt.
Stom, stommer, stomst.
Stomdronken.
Stomheid, V., -heden.
Stomme, M. en V., stommen. Stommetje, O., -jes.
Stommeknecht, M., -knechts; -knechtje, O., -jes.
Stommelen, stommelde, heeft gestommeld.
Stommeling (domoor), M. en V., stommelingen.
Stommeling (van stommelen), V., stommelingen.
Stommen, stomde, heeft gestomd.
Stommerik, M., stommeriken.
Stommigheid, V., -heden.
Stommiteit, V., stommiteiten.
Stomp (stoot), M., stompen. Stompje, O., -jes.
Stomp (overblijfsel, romp), V., stompen. Stompje, O., -jes.
Stomp, stomper, stompst.
Stompen, stompte, heeft gestompt.
Stompheid, V.
Stomphoekig.
Stompneus, M. en V., -neuzen; -neusje, O., -jes.
Stompzinnig, -zinniger, -zinnigst.
Stompzinnigheid, V.
Stond, M., stonden.
Stonde, V. (Te dezer -).
Stoof, V., stoven. Stoofje, O., -jes.
Stoofketel, M., -ketels.
Stoofpan, V., -pannen.
Stoofpeer, V., -peren.
Stoofpot, M., -potten.
Stoofsel, O., stoofsels. Stoofseltje, O., -jes.
Stookapparaat, O., -apparaten.
Stookgat, O., -gaten.
Stookkast, V., -kasten.
Stookoven, M., -ovens.
Stookplaats, V., -plaatsen.
Stool, V., stolen.
Stoom, M.
Stoombarkas, V., -barkassen.
Stoomboot, V., -booten; -bootje, O., -jes.
Stoombootdienst, M., -diensten.
Stoombootmaatschappij, V., -maatschappijen.
Stoombootreederij, V., -reederijen.
Stoombrandspuit, V., -brandspuiten.
Stoomen, stoomde, heeft en is gestoomd.
Stoomfabriek, V., -fabrieken.
Stoomfluit, V., -fluiten; -fluitje, O., -jes.
Stoomgemaal, O., -gemalen.
Stoomjacht, O., -jachten.
Stoomketel, M., -ketels.
Stoomkracht, V.
Stoomlier, V., -lieren.
Stoommachine, V., -machines.
Stoompers, V., -persen.
Stoompijp, V., -pijpen.
Stoompomp, V., -pompen.
Stoompont, V., -ponten.
Stoomrijstpellerij, V., -pellerijen.
Stoomschip, O., -schepen.
Stoomschuif, V., -schuiven.
Stoomsleeper, M., -sleepers.
Stoomsloep, V., -sloepen.
Stoomspuit, V., -spuiten.
Stoomtram, V., -trams.
Stoomtramverbinding, V., -verbindingen.
Stoomvaart, V.
Stoomvaartlijn, V., -lijnen.
Stoomvaartmaatschappij, V., -maatschappijen.
Stoomvaartuig, O., -vaartuigen.
Stoomvermogen, O.
Stoomwerktuig, O., -werktuigen.
Stoomwezen, O.
Stoomzagerij, V., -zagerijen.
Stoop, V., stoopen. Stoopje, O., -jes.
Stoorloos en Storeloos, -looze.
Stoornis, V., stoornissen.
Stoot, M., stooten. Stootje, O., -jes.
Stootbalk, M., -balken.
Stootbodem, M., -bodems.
Stootbok, M., -bokken.
Stootbord, O., -borden.
Stootdegen, M., -degens.
Stooten, stiet, heeft gestooten; ook stootte.
Stootend, stootender, stootendst.
Stooter, M., stooters.
Stooterig, stooteriger, stooterigst.
Stootgaren, O.
Stootig, stootiger, stootigst.
Stootijzer, O., -ijzers.
Stootkant, M., -kanten; -kantje, O., -jes.
Stootkeg, V., -keggen.
Stootklamp, M., -klampen.
Stootkussen, O., -kussens.
Stootlap, M., -lappen.
Stootmat, V., -matten.
Stootplaat, V., -platen.
Stootsch, stootscher, meest stootsch.
Stootschaal, V., -schalen.
Stootschheid, V.
Stoottalie, V., -talies.
Stootvrij, -vrije.
Stop, V., stoppen. Stopje, O., -jes.
Stopcontact, O., -contacten.
Stopdoek, M., -doeken.
Stopflesch, V., -flesschen.
Stopgaren, O.
Stophamer, M., -hamers.
Stophars, V. en O.
Stophout, O., -houten.
Stopkatoen, O.
Stoplap, M., -lappen; -lapje, O., -jes.
Stoploon, O., -loonen.
Stopmes, O., -messen.
Stopnaald, V., -naalden.
Stoppage, V.
Stoppegeld, O.
Stoppel, M., stoppels en stoppelen. Stoppeltje, O., -jes.
Stoppelbaard, M., -baarden.
Stoppelbrand, M., -branden.
Stoppelen, stoppelde, heeft gestoppeld.
Stoppelig, stoppeliger, stoppeligst.
Stoppelland, O., -landen.
Stoppelveld, O., -velden.
Stoppen, stopte, heeft gestopt.
Stoppend.
Stopper, M., stoppers. Stoppertje, O., -jes.
Stopperbout, M., -bouten.
Stopping, V., stoppingen.
Stopplaats, V., -plaatsen.
Stoprad, O., -raderen.
Stopsajet, O.
Stopsel, O., stopsels. Stopseltje, O., -jes.
Stopsteen, M., -steenen.
Stopster, V., stopsters.
Stopstuk, O., -stukken.
Stopverf, V.
Stopwas, O.
Stopwerk, O.
Stopwoord, O., -woorden; -woordje, O., -jes.
Stopzijde, V.
Storeloos. Zie Stoorloos.
Storen, stoorde, heeft gestoord.
Storing, V., storingen.
Storm, M., stormen. Stormpje, O., -jes.
Stormachtig, -achtiger, -achtigst.
Stormachtigheid, V.
Stormbal, M.
Stormband, M., -banden.
Stormen, stormde, heeft gestormd.
Stormenderhand.
Stormhoek, M., -hoeken.
Stormig, stormiger, stormigst.
Stormkat, V., -katten.
Stormklok, V., -klokken.
Stormladder, V., -ladders.
Stormloopen, liep storm, heeft stormgeloopen.
Stormlooper, M., -loopers.
Stormpaal, M., -palen.
Stormram, M., -rammen.
Stormring, M., -ringen.
Stormschade, V.
Stormtuig, O., -tuigen.
Stormvloed, M., -vloeden.
Stormvogel, M., -vogels.
Stormvrij, -vrije.
Stormweder en -weer, O.
Stormwind, M., -winden.
Stortbad, O., -baden.
Stortbui, V., -buien.
Stortebed, O., -bedden.
Storten, stortte, heeft en is gestort.
Stortgoed, O., -goederen.
Storting, V., stortingen.
Stortkar, V., -karren.
Stortkoker, M., -kokers.
Stortregen, M., -regens.
Stortregenen, stortregende, heeft gestortregend.
Stortvloed, M., -vloeden.
Stortzee, V., -zeeën.
Stotteraar, M., stotteraars.
Stotteraarster, V., stotteraarsters.
Stotteren, stotterde, heeft gestotterd.
Stout, stouter, stoutst.
Stouterd, M., stouterds. Stouterdje, O., -jes.
Stoutheid, V.
Stoutigheid, V., -heden.
Stoutmoedig, -moediger, -moedigst.
Stoutmoedigheid, V.
Stoutmoediglijk.
Stouwen, stouwde, heeft gestouwd.
Stoven, stoofde, heeft gestoofd.
Stovengeld, O.
Stovenhok, O., -hokken.
Stovenzetster, V., -zetsters.
Stoving, V.
Straal, M., stralen. Straaltje, O., -jes.
Straalbreking, V., -brekingen.
Straalbundel, M., -bundels.
Straalpijp, V., -pijpen.
Straalsgewijze.
Straat, V., straten. Straatje, O., -jes.
Straatarm.
Straatbelasting, V., -belastingen.
Straatdeun, M., -deunen; -deuntje, O., -jes.
Straatgeld, O.
Straatgevecht, O., -gevechten.
Straatjeugd, V.
Straatjongen, M., -jongens.
Straatlantaren, V., -lantarens.
Straatliedje, O., -liedjes.
Straatmaker en Stratenmaker, M., -makers.
Straatmeid, V., -meiden.
Straatmuzikant, M., -muzikanten.
Straatprediker, M., -predikers.
Straatreiniging, V.
Straatroover, M., -roovers.
Straatrumoer, O.
Straatschender, M., -schenders.
Straatschenderij, V., -schenderijen.
Straatslijpen, O.
Straatslijper, M., -slijpers.
Straatsteen, M., -steenen.
Straattaal, V.
Straatvaarder, M., -vaarders.
Straatveger, M., -vegers.
Straatverlichting, V.
Straatvuil, O.
Straatweg, M., -wegen.
Straatwerker, M., -werkers.
Straf en Straffe, V., straffen. Strafje, O., -jes.
Straf, straffer, strafst.
Strafbaar, -baarder, -baarst.
Strafbaarheid, V.
Strafbaarstelling, V.
Strafbepaling, V., -bepalingen.
Strafblad, O., -bladen.
Straffeloos, -looze.
Straffeloosheid, V.
Straffen, strafte, heeft gestraft.
Straffer, M., straffers.
Strafgevangenis, V., -gevangenissen.
Strafheid, V.
Strafkolonie, V., -kolonies.
Strafoefening, V., -oefeningen.
Strafplaats, V., -plaatsen.
Strafport, O.
Strafrecht, O.
Strafrechter, M., -rechters.
Strafschop, M., -schoppen.
Strafschuldig, -schuldiger, -schuldigst.
Strafschuldigheid, V.
Straftijd, M., -tijden.
Strafverordening, V., -verordeningen.
Strafvordering, V.
Strafwaardig, -waardiger, -waardigst, of meer en meest strafwaardig.
Strafwaardigheid, V.
Strafwerk, O.
Strafwet, V., -wetten.
Strafwetboek, O., -boeken.
Strafwetgeving, V.
Strafzaak, V., -zaken.
Strak, strakker, strakst.
Strakheid, V.
Strakjes.
Straks.
Stralen, straalde, heeft gestraald.
Stralenkrans, M., -kransen.
Stralenkroon, V., -kronen.
Straling, V.
Stram, strammer, stramst.
Stramheid, V.
Stramien, V. en O.
Strammigheid, V.
Strand, O., stranden.
Strandbericht, O., -berichten.
Strandbewoner, M., -bewoners.
Stranden, strandde, is gestrand.
Strandgoed, O., -goederen.
Stranding, V., strandingen.
Strandjut, M., -jutten.
Strandjutter, M., -jutters.
Strandlooper, M., -loopers.
Strandmuur, M., -muren.
Strandstoel, M., -stoelen.
Strandvogel, M., -vogels.
Strandvond, M., -vonden.
Strandvonder, M., -vonders.
Strandvonderij, V.
Strategie, V.
Strategisch.
Straten, straatte, heeft gestraat.
Stratenplan, O.
Strater, M., straters.
Streek (list), M., streken. Streekje, O., -jes.
Streek (strijking, landstreek, enz.), V. streken. Streekje, O., -jes.
Streektafel, V., -tafels.
Streelen, streelde, heeft gestreeld.
Streeling, V., streelingen.
Streep, V., strepen. Streepje, O., -jes.
Streepjesgoed, O.
Strekel, M., strekels.
Strekken, strekte, heeft gestrekt.
Strekking, V.
Streksch.
Strekzaam, -zamer, -zaamst.
Stremmen, stremde, heeft en is gestremd.
Stremming, V., stremmingen.
Stremsel, O.
Streng, V., strengen. Strengetje, O., -jes.
Streng, strenger, strengst.
Strengelen, strengelde, heeft gestrengeld.
Strengelijk.
Strengeling, V., strengelingen.
Strengen, strengde, heeft gestrengd.
Strengheid, V., -heden.
Strepen, streepte, heeft gestreept.
Streven, streefde, heeft gestreefd.
Stribbelaar, M., stribbelaars.
Stribbelen, stribbelde, heeft gestribbeld.
Stribbelig, stribbeliger, stribbeligst.
Stribbeling, V., stribbelingen.
Striem, V., striemen. Striempje, O., -jes.
Strijd, M., strijden.
Strijdbaar, -baarder, -baarst.
Strijdbaarheid, V.
Strijdbijl, V., -bijlen.
Strijden, streed, streden, heeft gestreden.
Strijder, M., strijders.
Strijdgenoot, M., -genooten.
Strijdhamer, M., -hamers.
Strijdhengst, M., -hengsten.
Strijdig, strijdiger, strijdigst.
Strijdigheid, V., -heden.
Strijdknots, V., -knotsen.
Strijdkrachten (mv.), V.
Strijdleus en -leuze, V., -leuzen.
Strijdlust, M.
Strijdlustig, -lustiger, -lustigst.
Strijdmacht, V., -machten.
Strijdmakker, M., -makkers.
Strijdperk, O., -perken.
Strijdros, O., -rossen.
Strijdschrift, O., -schriften.
Strijdvaardig, -vaardiger, -vaardigst.
Strijdvaardigheid, V.
Strijdvlag, V., -vlaggen.
Strijdvraag, V., -vragen.
Strijdwagen, M., -wagens.
Strijkage, V., strijkages.
Strijkbalk, M., -balken.
Strijkband, M., -banden.
Strijkbloem, V., -bloemen.
Strijkblok, O., -blokken en -bloks.
Strijkbord, O., -borden.
Strijkbout, M., -bouten.
Strijkdeken, V., -dekens.
Strijkdroog.
Strijkel, M., strijkels.
Strijkelings.
Strijken, streek, streken, heeft gestreken.
Strijker, M., strijkers.
Strijkgeld, O.
Strijkgoed, O.
Strijkhoek, M., -hoeken.
Strijkhout, O., -houten.
Strijkijzer, O., -ijzers.
Strijkinstrument, O., -instrumenten.
Strijkkachel, V., -kachels.
Strijkkalk, V.
Strijkkwartet, O., -kwartetten.
Strijklaken, O., -lakens.
Strijklap, M., -lappen.
Strijklijn, V., -lijnen.
Strijkmuziek, V.
Strijkorkest, O.
Strijkplank, V., -planken.
Strijkriem, M., -riemen.
Strijksteen, M., -steenen.
Strijkster, V., strijksters.
Strijkstok, M., -stokken.
Strijkvoeten, strijkvoette, heeft gestrijkvoet.
Strijkvrouw, V., -vrouwen.
Strijkweer, V., -weren.
Strik, M., strikken. Strikje, O., -jes.
Strikken, strikte, heeft gestrikt.
Striklis, V., -lissen; -lisje, O., -jes.
Strikt, strikter, striktst.
Striktelijk.
Striktheid, V.
Strikvraag, V., -vragen.
Stripmeid, V., -meiden.
Strippeling (gestripte tabak), V.
Strippen, stripte, heeft gestript.
Strips (- krijgen).
Stripster, V., stripsters.
Stripzolder, M., -zolders.
Stroef, stroever, stroefst.
Stroefheid, V.
Strompelen, strompelde, heeft en is gestrompeld.
Strompelig, strompeliger, strompeligst.
Stronk, M., stronken. Stronkje, O., -jes.
Stront, V. Strontje, O., -jes.
Stronterig, stronteriger, stronterigst.
Strontig, strontiger, strontigst.
Strontjongen, M., -jongens.
Stroo, O. Strootje, O., -jes.
Stroobos, M., -bossen.
Stroodak, O., -daken.
Stroodok, V., -dokken.
Stroogeel, -gele.
Stroohalm, M., -halmen.
Stroohoed, M., -hoeden.
Stroohut, V., -hutten.
Strooiavond, M.
Strooibiljet, O., -biljetten.
Strooien, strooide, heeft gestrooid.
Strooien (bnw.).
Strooier, M., strooiers.
Strooiing, V., strooiingen.
Strooijonker, M., -jonkers.
Strooimandje, O., -jes.
Strooimeisje, O., -jes.
Strooipenning, M., -penningen.
Strooisel, O.
Strooister, V., strooisters.
Strooisuiker, V.
Strook, V., strooken. Strookje, O., -jes.
Strooken (streelen), strookte, heeft gestrookt.
Strooken (overeenstemmen), strookte, heeft gestrookt.
Strooking (scheepsw.), V.
Strookleurig.
Strooleger, O., -legers.
Stroom, M., stroomen. Stroompje, O., -jes.
Stroomafwaarts.
Stroomatras, V., -matrassen.
Stroomen, stroomde, heeft en is gestroomd.
Stroomgebied, O.
Stroomgod, M., -goden.
Strooming, V., stroomingen.
Stroomkaart, V., -kaarten.
Stroomlevering, V.
Stroomling en Stroomeling, M., stroomlingen en stroomelingen,
Stroomopwaarts.
Stroomrijk, -rijker, -rijkst.
Stroomsnelheid, V., -snelheden.
Stroomsterkte, V.
Stroomverbruik, O.
Stroomversnelling, V., -versnellingen.
Stroomwisselaar, M., -wisselaars.
Stroop (het stroopen), M., stroopen.
Stroop en Siroop, V., stropen en siropen. Stroopje, O., -jes.
Stroopachtig, -achtiger, -achtigst.
Stroopapier, O.
Stroopen, stroopte, heeft gestroopt.
Strooper, M., stroopers.
Strooperij, V., strooperijen.
Stroopkan, V., -kannen.
Strooplepel, M., -lepels.
Stroopmond, M. en V., -monden.
Stroopnagel, M., -nagels.
Stroopop, V., -poppen.
Strooppot, M., -potten.
Strooptocht, M., -tochten.
Stroosnijder, M., -snijders.
Stroovuur, O.; -vuurtje, O.
Stroowisch, V., -wisschen.
Stroozak, M., -zakken.
Strop, M., stroppen. Stropje, O., -jes.
Stropdas, V., -dassen.
Stroperig, stroperiger, stroperigst.
Stroperigheid, V.
Strophe, V., strophen.
Strophisch.
Stroppen, stropte, heeft gestropt.
Stroptouw, O., -touwen.
Strot, M., strotten. Strotje, O., -jes.
Strotklep, V., -kleppen.
Strottenhoofd, O.
Strubbeling, V., strubbelingen.
Structuur, V., structuren.
Struif, V., struiven. Struifje, O., -jes.
Struik, M., struiken. Struikje, O., -jes.
Struikachtig.
Struikelblok, O., -blokken; -blokje, O., -jes.
Struikelen, struikelde, heeft en is gestruikeld.
Struikeling, V., struikelingen.
Struikgewas, O., -gewassen.
Struikroover, M., -roovers.
Struikrooverij, V., -rooverijen.
Struikwinde, V., -winden.
Struis (vogel), M., struisen. Struisje, O., -jes.
Struis (loodwit), V.
Struisch (bnw.).
Struisen, struiste, heeft gestruist.
Struishoen, O., -hoenders.
Struisveder en -veer, V., -vederen en -veeren.
Struisvogel, M., -vogels.
Struisvogelpolitiek, V.
Struweel, O., struweelen.
Stuc, O.
Studeeren, studeerde, heeft gestudeerd.
Studeerkamer, V., -kamers; -kamertje, O., -jes.
Studeerlamp, V., -lampen; -lampje, O., -jes.
Studeerstoel, M., -stoelen.
Studeervertrek, O., -vertrekken; -vertrekje, O., -jes.
Student, M., studenten. Studentje, O., -jes.
Studenten-almanak, M., -almanakken.
Studentenbank, V., -banken.
Studentencorps, O., -corpsen en -corps.
Studentenfeest, O., -feesten.
Studentengrap, V., -grappen.
Studentenhaver, V.
Studentenkamer, V., -kamers.
Studentenleven, O.
Studentenlied, O., -liederen; -liedje, O., -jes.
Studentenoppasser, M., -oppassers.
Studentenpartij, V., -partijen.
Studentensociëteit, V., -sociëteiten.
Studententaal, V.
Studententafel, V., -tafels.
Studententijd, M.
Studentenvereeniging, V., -vereenigingen.
Studentikoos.
Studie, V., studiën en studies.
Studiebeurs, V., -beurzen.
Studieboek, O., -boeken.
Studiegeest, M.
Studiejaar, O., -jaren.
Studiekop, M., -koppen.
Studiekosten (mv.), M.
Studietijd, M.
Studieus.
Stug, stugger, stugst.
Stugheid, V.
Stuifaarde, V.
Stuifmeel, O.
Stuifwol, V.
Stuifzand, O.
Stuifzwam, V.
Stuik, M., stuiken.
Stuiken, stuikte, heeft gestuikt.
Stuikmand, V., -manden.
Stuinder, M., stuinders.
Stuip, V., stuipen. Stuipje, O., -jes.
Stuipachtig, -achtiger, -achtigst.
Stuiptrekking, V., -trekkingen.
Stuit (het stuiten), M., stuiten. Stuitje, O., -jes.
Stuit (lichaamsdeel), V., stuiten. Stuitje, O., -jes.
Stuitbalk, M., -balken.
Stuitbeen, O., -beenderen.
Stuiten, stuitte, heeft en is gestuit.
Stuitend, stuitender, stuitendst.
Stuiter, M., stuiters. Stuitertje, O., -jes.
Stuiteren, stuiterde, heeft gestuiterd.
Stuiting, V.
Stuitklamp, M., -klampen.
Stuitknikker, M., -knikkers.
Stuitwind, M., -winden.
Stuiveling (turf), V.
Stuiven, stoof, stoven, heeft en is gestoven.
Stuiver, M., stuivers. Stuivertje, O., -jes.
Stuiversblad, O., -bladen.
Stuiversmagazijn, O., -magazijnen.
Stuiverspostzegel, M., -postzegels.
Stuivertjewisselen, O.
Stuk, O., stukken en stuks. Stukje, O., -jes.
Stuk (bijw.).
Stukadoor, M., stukadoors.
Stukadooren, stukadoorde, heeft gestukadoord.
Stukadoorskwast, M., -kwasten.
Stukadoorswerk, O.
Stukbreken, brak stuk, braken stuk, heeft stukgebroken.
Stukeeren, stukeerde, heeft gestukeerd.
Stukgaan, ging stuk, is stukgegaan.
Stukgoed, O., -goederen.
Stukgooien, gooide stuk, heeft stukgegooid.
Stukhout, O.
Stukkend.
Stukmaken, maakte stuk, heeft stukgemaakt.
Stuksgewijze en -gewijs.
Stukslaan, sloeg stuk, heeft stukgeslagen.
Stuksmijten, smeet stuk, smeten stuk, heeft stukgesmeten.
Stukvallen, viel stuk, is stukgevallen.
Stukwerk, O.
Stulp, V., stulpen. Stulpje, O., -jes.
Stulpluik, O., -luiken.
Stumper en Stumperd, M., stumpers en stumperds. Stumpertje en stumperdje, O., -jes.
Stumperachtig, -achtiger, -achtigst.
Stumperachtigheid, V.
Stumperig, stumperiger, stumperigst.
Stumperigheid, V.
Sturen en Stieren, stuurde (stierde), heeft gestuurd (gestierd).
Stut, M., stutten. Stutje, O., -jes.
Stutbalk, M., -balken.
Stutsel, O., stutsels.
Stutten, stutte, heeft gestut.
Stutting, V.
Stuur, O.
Stuurboom, M., -boomen.
Stuurboord, O.
Stuurboordsboeg, M.
Stuurboordswacht, V., -wachten.
Stuurboordszijde, V. (Aan -).
Stuurhuis, O., -huizen.
Stuurlast, M.
Stuurlastig.
Stuurman, M., -lieden en -lui.
Stuurmanschap, O.
Stuurmanskunst, V.
Stuurrad, O., -raderen.
Stuurreep, M., -reepen.
Stuurriem, M., -riemen.
Stuursch, stuurscher, meest stuursch.
Stuurschheid, V., -heden.
Stuurstoel, M., -stoelen.
Stuurstok, M., -stokken.
Stuw, V., stuwen.
Stuwadoor, M., stuwadoors.
Stuwadoorswet, V.
Stuwage, V.
Stuwen, stuwde, heeft gestuwd.
Stuwer, M., stuwers.
Stuwing, V.
Styx, M.
Subaltern.
Subcommissie, V., -commissiën en -commissies.
Subiet.
Subject, O., subjecten.
Subjectief, subjectiever, subjectiefst.
Subjectiviteit, V.
Subjunctief en Subjunctivus, M., subjunctieven.
Subliem, subliemer, subliemst.
Sublimaat, O., sublimaten.
Sublimaat-oplossing, V.
Sublimaat-tablet, O., -tabletten.
Sublimeeren, sublimeerde, heeft gesublimeerd.
Subsidiair.
Subsidie, O., subsidiën en subsidies.
Subsidieeren, subsidieerde, heeft gesubsidieerd.
Subsistentenkader, O.
Substantie, V., substantiën en substanties.
Substantieel, -eele.
Substantief, O., substantieven.
Substantiveeren, substantiveerde, heeft gesubstantiveerd.
Substituut-griffier, M., -griffiers.
Substituut-officier, M., -officiers.
Subtiel, subtieler, subtielst.
Subtiliteit, V., subtiliteiten.
Succes, O.
Successie, V.
Successie-oorlog, M., -oorlogen.
Successierecht, O., -rechten.
Successievelijk.
Succursale, V., succursalen.
Suf, suffer, sufst.
Suffen, sufte, heeft gesuft.
Suffer, M., suffers.
Sufferij, V., sufferijen.
Suffisant, suffisanter, suffisantst.
Suffisantie, V.
Suffragaan, M., suffraganen.
Suffragette, V., suffragettes.
Sufheid, V.
Suggereeren, suggereerde, heeft gesuggereerd.
Suggestie, V., suggesties.
Suiker, V., suikers.
Suikeraccijns, M.
Suikerachtig, -achtiger, -achtigst.
Suikeramandel, V., -amandels.
Suikerbakker, M., -bakkers.
Suikerbiet, V., -bieten.
Suikerboon, V., -boonen; -boontje, O., -jes.
Suikerbrood, O., -brooden.
Suikercampagne, V., -campagnes.
Suikercontract, O., -contracten.
Suikeren, suikerde, heeft gesuikerd.
Suikererwt, V., -erwten; -erwtje, O., -jes.
Suikerfabriek, V., -fabrieken.
Suikergast (dier), M., -gasten.
Suikergoed, O.
Suikerig, suikeriger, suikerigst.
Suikerij (ook Cichorei), V.
Suikerkristallen (mv.), O.
Suikerlord, M., -lords.
Suikermarkt, V.
Suikermuisjes (mv.), O.
Suikeroom, M.; -oompje, O.
Suikerpan, V., -pannen.
Suikerpeer, V., -peren.
Suikerplantage, V., -plantages.
Suikerpot, M., -potten; -potje, O., -jes.
Suikerpremie, V., -premiën.
Suikerraffinaderij, V., -raffinaderijen.
Suikerraffinadeur, M., -raffinadeurs.
Suikerrasp, V., -raspen.
Suikerriet, O.
Suikerstrooier, M., -strooiers.
Suikertang, V., -tangen; -tangetje, O., -jes.
Suikerwater, O.
Suikerwerk, O., -werken.
Suikerziekte, V.
Suikerzoet.
Suilen, suilde, heeft gesuild.
Suizebollen, suizebolde, heeft gesuizebold.
Suizelen, suizelde, heeft gesuizeld.
Suizelig, suizeliger, suizeligst.
Suizeling, V., suizelingen.
Suizen, suisde, heeft gesuisd.
Suizing, V., suizingen.
Sujet, O., sujetten.
Sukade, V.
Sukadekoek, M., -koeken.
Sukkel (het sukkelen), M.
Sukkel (sukkelaar), M., sukkels. Sukkeltje, O., -jes.
Sukkelaar, M., sukkelaars. Sukkelaartje, O., -jes.
Sukkelachtig, -achtiger, -achtigst.
Sukkelarij, V.
Sukkeldraf, M.; -drafje, O.
Sukkelen, sukkelde, heeft en is gesukkeld.
Sukkelgang, M.; -gangetje, o.
Sukkeling, V., sukkelingen.
Sukkelpartij, V.
Sukkeltrein, M., -treinen.
Sul, M., sullen. Sulletje, O., -jes.
Sulfer en Solfer, O. en V.
Sulferstank, M.
Sullebaan, V., -banen; -baantje, O., -jes.
Sullen, sulde, heeft gesuld.
Sullig, sulliger, sulligst.
Sulligheid, V.
Sultan, M., sultans.
Sultanaat, O., sultanaten.
Sultana-rozijnen (mv.), V.
Sultane, V., sultanes.
Sultansregeering, V., -regeeringen.
Sumak en Smak, V.
Supercarga, M., supercarga's.
Superieur (bnw.).
Superieur, M., superieuren.
Superioriteit, V.
Superlatief en Superlativus, M., superlatieven.
Suppediteeren, suppediteerde, heeft gesuppediteerd.
Suppleeren, suppleerde, heeft gesuppleerd.
Supplement, O., supplementen. Supplementje, O., -jes.
Suppletie, V.
Suppletietroepen (mv.), M.
Suppletoir.
Suppoost, M., suppoosten.
Supranaturalisme, O.
Suprematie, V.
Surnumerair, M., surnumerairs.
Surplus, O.
Surprise, V., surprises.
Surrogaat, O., surrogaten.
Surséance, V.
Sus (tusschenw.).
Suspect, suspecter, suspectst.
Sussen, suste, heeft gesust.
Sustenu, O., sustenu's.
Suzerein, M., suzereinen.
Suzereiniteit, V.
Syllabe, V., syllaben.
Syllabus, M.
Syllogisme, O., syllogismen.
Symboliek, V.
Symbolisch.
Symbolisme, O.
Symbool, O., symbolen.
Symmetrie, V.
Symmetrisch.
Sympathie, V., sympathieën.
Sympathiek.
Sympathiseeren, sympathiseerde, heeft gesympathiseerd.
Symphonie, V., symphonieën.
Symptoom, O., symptomen.
Synagoge, V., synagogen.
Syndicaat, O., syndicaten.
Synodaal, synodale.
Synode, V., synoden.
Synoniem.
Synoniem, O., synoniemen.
Synonymiek, V.
Syntactisch.
Syntaxis, V.
Syphilis, V.
Syphilitisch.
Syring, enz. Zie Sering, enz.
Systeem, O., systemen.
Systematisch.
Systematiseeren, systematiseerde, heeft gesystematiseerd.
T
T, V., t's.
Taai, taaier, taaist.
Taaiheid, V.
Taaiigheid, V.
Taai-taai, O.
Taak, V., taken. Taakje, O., -jes.
Taal, V., talen. Taaltje, O.
Taalcongres, O., -congressen.
Taaleigen, O.
Taalfonds, O.
Taalfout, V., -fouten.
Taalgeleerde, M. en V., -geleerden.
Taalkenner, M., -kenners.
Taalkennis, V.
Taalkunde, V.
Taalkundig.
Taalkundige, M. en V., -kundigen.
Taalman, M., -mannen en -lieden.
Taalmeester, M., -meesters.
Taalonderwijs, O.
Taalregel, M., -regels.
Taalschat, M.
Taalstam, M., -stammen.
Taalstudie, V.
Taalwet, V., -wetten.
Taalwetenschap, V.
Taalzonde, V., -zonden.
Taan, V.
Taanhuis, O., -huizen.
Taankleurig, -kleuriger, -kleurigst.
Taankuip, V., -kuipen.
Taart, V., taarten. Taartje, O., -jes.
Taartenbakker, M., -bakkers.
Taartendeeg, O.
Taartepan, V., -pannen.
Taarteschotel, M., -schotels.
Taarts en Teerts, V., taartsen en teertsen.
Taats, V., taatsen. Taatsje, O., -jes.
Taatstol, M., -tollen.
Tabak, V., tabakken.
Tabakker, M., tabakkers.
Tabaksasch, V.
Tabaksblad, O., -bladen.
Tabaksbouw, M.
Tabakscultuur, V.
Tabaksdoos, V., -doozen.
Tabaksfabrikant, M., -fabrikanten.
Tabakshandel, M.
Tabakshandelaar, M., -handelaars.
Tabakskerver, M., -kervers.
Tabakskerverij, V., -kerverijen.
Tabakskistje, O., -jes.
Tabakskomfoor, O., -komforen; -komfoortje, O., -jes.
Tabakskooper, M., -koopers.
Tabakslucht, V.
Tabaksmarkt, V., -markten.
Tabakspijp, V., -pijpen.
Tabaksplant, V., -planten.
Tabaksplantage, V., -plantages.
Tabakspot, M., -potten.
Tabaksrol, V., -rollen.
Tabaksrook, M.
Tabaksschuur, V., -schuren.
Tabaksstank, M.
Tabakssteel, M., -stelen.
Tabaksteelt, V.
Tabaksvat, O., -vaten.
Tabaksveld, O., -velden.
Tabaksverkooper, M., -verkoopers.
Tabakswalm, M.
Tabakswater, O.
Tabakswinkel, M., -winkels.
Tabakszak, M., -zakken.
Tabbaard en Tabberd, M., tabbaarden, tabbaards, tabberden en tabberds.
Tabel, V., tabellen. Tabelletje, O., -jes.
Tabellarisch.
Tabernakel, M. en O., tabernakelen en tabernakels.
Tabernakelen, tabernakelde, heeft getabernakeld.
Tabijn, O., tabijnen.
Tabijnen (bnw.).
Tableau, O., tableau's.
Tabletje, O., -jes.
Tabouret, V., tabouretten. Tabouretje, O., -jes.
Tachtig, tachtigen.
Tachtiger, M., tachtigers.
Tachtigjarig.
Tachtigmaal.
Tachtigste.
Tachtigvoud, O.
Tachtigvoudig.
Tachtigwerf.
Tachygraaf, M., tachygrafen.
Tachygraphie, V.
Tachygraphisch.
Tact, M.
Tacticus, M., tactici.
Tactiek, V.
Tactisch.
Taf, V., taffen.
Tafel, V., tafels en tafelen. Tafeltje, O., -jes.
Tafelbel, V., -bellen.
Tafelbord, O., -borden.
Tafeldans, M.
Tafeldekken, O.
Tafeldienen, O.
Tafeldrank, M., -dranken.
Tafelen, tafelde, heeft getafeld.
Tafelgeld, O., -gelden.
Tafelgenoot, M., -genooten.
Tafelgenoote, V., -genooten.
Tafelgereedschap, O.
Tafelgesprek, O., -gesprekken.
Tafelgoed, O.
Tafelkleed, O., -kleeden.
Tafelkout, M.
Tafellade, V., -laden.
Tafellaken, O., -lakens.
Tafellinnen, O.
Tafelmatje, O., -jes.
Tafelmes, O., -messen.
Tafelmuziek, V.
Tafelolie, V.
Tafelschel, V., -schellen.
Tafelschuier, M., -schuiers.
Tafelschuimer, M., -schuimers.
Tafelservies, O., -serviezen.
Tafelstoel, M., -stoelen.
Tafelwater, O.
Tafelwet, V., -wetten.
Tafelwijn, M., -wijnen.
Tafereel, O., tafereelen. Tafereeltje, O., -jes.
Taffen (bnw.).
Tagrijn, M., tagrijnen en tagrijns.
Taille, V., tailles.
Tak, M., takken. Takje, O., -jes.
Takbout, M., -bouten.
Takel, M., takels. Takeltje, O., -jes.
Takelaar, M., takelaars.
Takelage, V.
Takelen, takelde, heeft getakeld.
Takeling, V.
Takelloods, V., -loodsen.
Takelzolder, M., -zolders.
Takkeling (jonge vogel), M., takkelingen.
Takkenbos, O., -bossen; -bosje, O., -jes.
Takkig, takkiger, takkigst.
Taks (hond), M., taksen. Taksje, O., -jes.
Taks (taak), V., taksen.
Tal, O.
Talen, taalde, heeft getaald.
Talent, O., talenten. Talentje, O., -jes.
Talentrijk, -rijker, -rijkst.
Talentvol, -volle.
Talhout, O., -houten.
Talie, V., talies.
Taliehaak, M., -haken.
Taliën, taliede, heeft getalied.
Taliereep, M., -reepen.
Taling, M., talingen. Talinkje, O., -jes.
Talisman, M., talismans.
Talk, V.
Talkpoeder, O.
Talloos, -looze.
Talm, M. en V., talmen. Talmpje, O., -jes.
Talmachtig, -achtiger, -achtigst.
Talmachtigheid, V.
Talmen, talmde, heeft getalmd.
Talmer, M., talmers.
Talmerij, V.
Talmster, V., talmsters.
Talmud, M.
Talmudisch.
Talmudist, M., talmudisten.
Talon, M., talons.
Talrijk, -rijker, -rijkst.
Talrijkheid, V.
Talstelsel, O., -stelsels.
Talud, O.
Tam, tammer, tamst.
Tamarinde, V., tamarinden.
Tamarindeboom, M., -boomen.
Tamarindenkoekje, O., -jes.
Tamarindenstroop, V.
Tamarisk, V., tamarisken.
Tamboer (trommelslager), M., tamboers. Tamboertje, O., -jes.
Tamboer (trommel), V., tamboeren.
Tamboereeren, tamboereerde, heeft getamboereerd.
Tamboeren, tamboerde, heeft getamboerd.
Tamboerijn, V., tamboerijnen.
Tamboer-majoor, M., -majoors.
Tamelijk.
Tamheid, V.
Tampon, V., tampons.
Tamtam, V., tamtams.
Tand, M., tanden. Tandje, O., -jes.
Tandarts, M., -artsen.
Tandeloos, -looze.
Tandenborstel, M., -borstels; -borsteltje, O., -jes.
Tandendokter, M., -dokters.
Tandenstoker, M., -stokers; -stokertje, O., -jes.
Tandentrekker, M., -trekkers.
Tandheelkunde, V.
Tandheelkundige, M. en V., -kundigen.
Tandletter, V., -letters.
Tandmeester, M., -meesters.
Tandpijn, V., -pijnen.
Tandpoeder, O.
Tandrad, O., -raderen.
Tandvleesch, O.
Tandwerk, O.
Tandzeep, V.
Tanen (met taan bereiden), taande, heeft getaand.
Tanen (verduisteren), taande, is getaand.
Tang, V., tangen. Tangetje, O., -jes.
Tangens (raaklijn), V., tangenten.
Tangent (klavierpennetje), V., tangenten.
Tanig, taniger, tanigst.
Taning, V.
Tantaliseeren, tantaliseerde, heeft getantaliseerd.
Tante, V., tantes.
Tantième, O., tantièmes.
Tap, M., tappen. Tapje, O., -jes.
Tapeet. Zie Tapijt.
Tapijt en Tapeet, O., tapijten en tapeten. Tapijtje, O., -jes.
Tapijtfabriek, V., -fabrieken.
Tapijtwerk, O.
Tapijtwever, M., -wevers.
Tapisserie, V., tapisserieën.
Tapisseriepatroon, O., -patronen.
Tapisseriewerk, O.
Tapisseriewinkel, M., -winkels.
Tapkan, V., -kannen.
Tapkast, V., -kasten.
Tappelen, tappelde, heeft getappeld.
Tappelings.
Tappen, tapte, heeft getapt.
Tappenstuk, O.
Tapper, M., tappers.
Tapperij, V., tapperijen. Tapperijtje, O., -jes.
Tappersnering, V.
Tapsch.
Tapster, V., tapsters.
Taptoe, V., taptoes.
Tapvormig.
Tarantula, V., tarantula's.
Tarbot, V., tarbotten. Tarbotje, O., -jes.
Tarief, O., tarieven. Tariefje, O., -jes.
Tarievenoorlog, M., -oorlogen.
Tarm, M., tarmen.
Tarn. Zie Torn, V.
Tarnen, tarnde, heeft getarnd.
Tarra, V.
Tartaan, V., tartanen.
Tarten, tartte, heeft getart.
Tarwe, V.
Tarwebloem, V.
Tarwebrood, O., -brooden; -broodje, O., -jes.
Tarwemeel, O.
Tarwenoogst, M.
Tarwestijfsel, V.
Tarwestroo, O.
Tas (stapel), M., tassen. Tasje, O., -jes.
Tas (vrouwspersoon), V., tassen.
Tasch, V., tasschen. Taschje, O., -jes.
Taschkruid en Taschjeskruid, O.
Tassen, taste, heeft getast.
Tast, M.
Tastbaar, -baarder, -baarst.
Tastbaarheid, V.
Tastelijk, -lijker, -lijkst.
Tasten, tastte, heeft getast.
Taster, M., tasters.
Tateren, taterde, heeft getaterd.
Tatewalen, tatewaalde, heeft getatewaald.
Tautologie, V., tautologieën.
Tautologisch.
Taxateur, M., taxateurs.
Taxatie, V., taxatiën en taxaties.
Taxeeren, taxeerde, heeft getaxeerd.
Taxis, M., taxissen.
Te.
Teakhout, O.
Technicus, M., technici.
Techniek, V.
Technisch.
Technoloog, M., -logen.
Technologie, V.
Te-deum, O., Te-deums.
Teeder en Teer, teederder, teederst, en teerder, teerst.
Teedergevoelig en Teergevoelig, -gevoeliger, -gevoeligst.
Teedergevoeligheid en Teergevoeligheid, V.
Teederhartig en Teerhartig, -hartiger, -hartigst.
Teederhartigheid en Teerhartigheid, V.
Teederheid en Teerheid, V., -heden.
Teef, V., teven. Teefje, O., -jes.
Teek en Tiek, V., teken en tieken.
Teeken, O., teekenen en teekens. Teekentje, O., -jes.
Teekenaap, M., -apen.
Teekenaar, M., teekenaars.
Teekenacademie, V., -academiën.
Teekenachtig, -achtiger, -achtigst.
Teekenbehoeften (mv.), V.
Teekenboek, O., -boeken; -boekje, O., -jes.
Teekenbord, O., -borden.
Teekendoos, V., -doozen.
Teekenen, teekende, heeft geteekend.
Teekengereedschap, O.
Teekenhaak, M., -haken.
Teekening, V., teekeningen. Teekeningetje, O., -jes.
Teekenkrijt, O.
Teekenkunst, V.
Teekenles, V., -lessen.
Teekenmeester, M., -meesters.
Teekenmethode, V., -methoden en -methodes.
Teekenonderwijs, O.
Teekenpapier, O.
Teekenpen, V., -pennen.
Teekenplank, V., -planken.
Teekenportefeuille, V., -portefeuilles.
Teekenschool, V., -scholen.
Teekenschrift, O.
Teekenstift, V., -stiften.
Teekenvoorbeeld, O., -voorbeelden.
Teekenwerk, O.
Teelaarde, V.
Teelbal, M., -ballen.
Teeldeel, O., -deelen.
Teeldrift, V.
Teelgewas, O., -gewassen.
Teelland, O., -landen.
Teellid, O., -leden.
Teelt, V.
Teeltijd, M.
Teem, M.
Teems, V., teemsen. Teemsje, O., -jes.
Teemsen, teemste, heeft geteemst.
Teemster, V., teemsters.
Teen (toon), M., teenen. Teentje, O., -jes.
Teen (twijg), V., teenen. Teentje, O., -jes.
Teenen (bnw.).
Teer, O., ook V.
Teer, enz. Zie Teeder, enz.
Teercapsule, V., -capsules.
Teergeld, O.
Teergevoelig. Zie Teedergevoelig.
Teerkleed, O., -kleeden.
Teerkost, M.
Teerkwast, M., -kwasten.
Teerling, M., teerlingen. Teerlinkje, O., -jes.
Teerpenning, M., -penningen.
Teerpil, V., -pillen.
Teerspijze, V.
Teerton, V., -tonnen.
Teerts. Zie Taarts.
Teerzeep, V.
Teffens.
Tegel, M., tegels. Tegeltje, O., -jes.
Tegelbakker, M., -bakkers.
Tegelbakkerij, V., -bakkerijen.
Tegeltableau, O., -tableau's.
Tegelvloer, M., -vloeren.
Tegemoetkoming, V., -komingen.
Tegen.
Tegenaan.
Tegenademen, ademde tegen, heeft tegengeademd.
Tegenartikel, O., -artikelen en -artikels; -artikeltje, O., -jes.
Tegenbedenking, V., -bedenkingen.
Tegenbeeld, O., -beelden; -beeldje, O., -jes.
Tegenbeleid, O.
Tegenbericht, O., -berichten; -berichtje, O., -jes.
Tegenbeschikking, V., -beschikkingen.
Tegenbeschuldiging, V., -beschuldigingen.
Tegenbetoog, O., -betoogen.
Tegenbevel, O., -bevelen.
Tegenbeweging, V., -bewegingen.
Tegenbewijs, O., -bewijzen.
Tegenbezending, V., -bezendingen.
Tegenbezoek, O., -bezoeken.
Tegenbezwaar, O., -bezwaren.
Tegenbieden, bood tegen, boden tegen, heeft tegengeboden.
Tegenblaffen, blafte tegen, heeft tegengeblaft.
Tegenblinken, blonk tegen, heeft tegengeblonken.
Tegenbod, O.
Tegenbrassen, braste tegen, heeft tegengebrast.
Tegencandidaat, M., -candidaten.
Tegendeel, O.
Tegendienst, M., -diensten.
Tegendraads (bijw.).
Tegendraadsch (bnw.).
Tegendraven, draafde tegen, is tegengedraafd.
Tegendrijven, dreef tegen, dreven tegen, heeft en is tegengedreven.
Tegendringen, drong tegen, heeft tegengedrongen.
Tegendruk, M., -drukken; -drukje, O., -jes.
Tegendrukking, V., -drukkingen.
Tegenebbe, V.
Tegeneisch, M., -eischen.
Tegeneten, at tegen, aten tegen, heeft tegengegeten.
Tegenflank, V., -flanken.
Tegengaan, gaat tegen, ging tegen, is en heeft tegengegaan.
Tegengalerij, V., -galerijen.
Tegengalm, M., -galmen.
Tegengalmen, galmde tegen, heeft tegengegalmd.
Tegengeschenk, O., -geschenken; -geschenkje, O., -jes.
Tegengesteld.
Tegengeuren, geurde tegen, heeft tegengegeurd.
Tegengif en -gift (tegenvergif), O., -giften.
Tegengift (tegengeschenk), V., -giften; -giftje, O., -jes.
Tegenglimmen, glom tegen, glommen tegen, heeft tegengeglommen.
Tegenglinsteren, glinsterde tegen, heeft tegengeglinsterd.
Tegengraven, groef tegen, groeven tegen, heeft tegengegraven.
Tegengroet, M., -groeten.
Tegengrond, M., -gronden.
Tegengunst, V., -gunsten.
Tegenhanger, M., -hangers; -hangertje, O., -jes.
Tegenheid, V., -heden.
Tegenhouden, hield tegen, heeft tegengehouden.
Tegenhouding, V.
Tegenjuichen, juichte tegen, heeft tegengejuicht.
Tegenkaart, V., -kaarten.
Tegenkamping, V., -kampingen.
Tegenkans, V., -kansen; -kansje, O., -jes.
Tegenkant, M., -kanten.
Tegenkanten, kantte tegen, heeft tegengekant.
Tegenkanting, V., -kantingen.
Tegenklinken, klonk tegen, heeft tegengeklonken.
Tegenkomen, komt tegen, kwam tegen, kwamen tegen, is tegengekomen.
Tegenlachen, lachte tegen, heeft tegengelachen.
Tegenlast, M., -lasten.
Tegenliggen, lag tegen, lagen tegen, heeft tegengelegen.
Tegenligger, M., -liggers.
Tegenlist, V., -listen; -listje, O., -jes.
Tegenloop, M.
Tegenloopen, liep tegen, is tegengeloopen.
Tegenloopgraaf, V., -loopgraven.
Tegenmerk, O., -merken.
Tegenmiddel, O., -middelen; -middeltje, O., -jes.
Tegenmijn, V., -mijnen.
Tegenmuur, M., -muren; -muurtje, O., -jes.
Tegennatuurlijk.
Tegenomwenteling, V., -omwentelingen.
Tegenontwerp, O., -ontwerpen.
Tegenover.
Tegenovergelegen.
Tegenovergesteld.
Tegenoverliggend.
Tegenoverstaand.
Tegenoverstellen, stelde tegenover, heeft tegenovergesteld.
Tegenoverstelling, V.
Tegenpartij, V.
Tegenpartijder, M., -partijders.
Tegenpleiter, M., -pleiters.
Tegenpraat, M.
Tegenpraten, praatte tegen, heeft tegengepraat.
Tegenpruttelen, pruttelde tegen, heeft tegengeprutteld.
Tegenrail, V., -rails.
Tegenrennen, rende tegen, is tegengerend.
Tegenruischen, ruischte tegen, heeft tegengeruischt.
Tegenrukken, rukte tegen, heeft en is tegengerukt.
Tegenschreeuwen, schreeuwde tegen, heeft tegengeschreeuwd.
Tegenschreeuwer, M., -schreeuwers.
Tegenschrift, O., -schriften; -schriftje, O., -jes.
Tegenschrijven, schreef tegen, schreven tegen, heeft tegengeschreven.
Tegenstaan, sloeg tegen, is tegengeslagen.
Tegensnellen, snelde tegen, is tegengesneld.
Tegenspartelen, spartelde tegen, heeft tegengesparteld.
Tegensparteling, V., -spartelingen.
Tegenspel, O., -spellen.
Tegenspelen, speelde tegen, heeft tegengespeeld.
Tegenspeler, M., -spelers.
Tegenspoed, M., -spoeden.
Tegenspoeden, spoedde tegen, is tegengespoed.
Tegenspraak, V.
Tegenspreken, sprak tegen, spraken tegen, heeft tegengesproken.
Tegenspreker, M., -sprekers.
Tegenspreking, V., -sprekingen.
Tegenstaan, staat tegen, stond tegen, heeft tegengestaan.
Tegenstand, M.
Tegenstander, M., -standers.
Tegenstellen, stelde tegen, heeft tegengesteld.
Tegenstelling, V., -stellingen.
Tegenstemmen, stemde tegen, heeft tegengestemd.
Tegenstemmer, M., -stemmers.
Tegenstreven, streefde tegen, heeft tegengestreefd.
Tegenstrever, M., -strevers.
Tegenstreving, V., -strevingen.
Tegenstribbelen, stribbelde tegen, heeft tegengestribbeld.
Tegenstribbeling, V., -stribbelingen.
Tegenstrijdig, -strijdiger, -strijdigst.
Tegenstrijdigheid, V., -heden.
Tegenstroom, M., -stroomen.
Tegentij, O., -tijen.
Tegentrekken, trok tegen, trokken tegen, is tegengetrokken.
Tegenval, M.
Tegenvallen, viel tegen, is tegengevallen.
Tegenvaller, M., -vallers; -vallertje, O., -jes.
Tegenvergif en -vergift, O., -vergiften.
Tegenverklaring, V., -verklaringen.
Tegenverzekering, V., -verzekeringen.
Tegenvloed, M.
Tegenvoeter, M., -voeters.
Tegenwaaien, waaide tegen, heeft en is tegengewaaid; ook woei tegen, woeien tegen.
Tegenweer, V.
Tegenwerken, werkte tegen, heeft tegengewerkt.
Tegenwerker, M., -werkers.
Tegenwerking, V., -werkingen.
Tegenwerpen, wierp tegen, heeft tegengeworpen.
Tegenwerping, V., -werpingen.
Tegenwicht, O., -wichten; -wichtje, O., -jes.
Tegenwil, M.
Tegenwind, M., -winden; -windje, O., -jes.
Tegenwoordig.
Tegenwoordigheid, V.
Tegenworstelen, worstelde tegen, heeft tegengeworsteld.
Tegenworsteling, V., -worstelingen.
Tegenzang, M., -zangen.
Tegenzee, V., -zeeën.
Tegenzegel, O., -zegels.
Tegenzijde, V., -zijden.
Tegenzin, M.
Tegoeds en Te goed (bijw.).
Tehuis en Thuis, O.
Tehuiskomen, O.
Tehuiskomst, V.
Tehuisreis, V., -reizen.
Teil, V., teilen. Teiltje, O., -jes.
Teint, O.
Teisteraar, M., teisteraars.
Teisteren, teisterde, heeft geteisterd.
Teistering, V., teisteringen.
Tekort, O., tekorten.
Tekortdoening, V., -doeningen.
Tekortkoming, V., -komingen.
Tekst, M., teksten. Tekstje, O., -jes.
Tekstboekje, O., -boekjes.
Teksthaak, M., -haken.
Tekstuitgave, V., -uitgaven.
Tekstverbetering, V., -verbeteringen.
Tekstverklaring, V., -verklaringen.
Tekstwoord, O., -woorden.
Tel (telgang), M.
Tel (het tellen), M.
Tel en Telle (paard), V., tellen.
Telastlegging, V., -leggingen.
Telbaar, -bare.
Telbaarheid, V.
Telegraaf, V., telegrafen.
Telegraafdienst, M.
Telegraafdraad, M., -draden.
Telegraafkabel, M., -kabels.
Telegraafkantoor, O., -kantoren.
Telegraaflijn, V., -lijnen.
Telegraafnet, O., -netten.
Telegraafpaal, M., -palen.
Telegrafist, M., telegrafisten.
Telegram, O., telegrammen.
Telegram-adres, O., -adressen.
Telegrapheeren, telegrapheerde, heeft getelegrapheerd.
Telegraphie, V.
Telegraphisch.
Telen, teelde, heeft geteeld.
Telephoneeren, telephoneerde, heeft getelephoneerd.
Telephonisch.
Telephoon, V., telephonen.
Telephoondienst, M.
Telephoondraad, M., -draden.
Telephoonkabel, M., -kabels.
Telephoonlijn, V., -lijnen.
Telephoonnet, O., -netten.
Telephoonnummer, O., -nummers.
Telephoonpaal, M., -palen.
Telephoonverbinding, V., -verbindingen.
Teler, M., telers.
Telescoop, M., telescopen.
Telescopisch.
Teleurstellen, stelde teleur, heeft teleurgesteld.
Teleurstelling, V., -stellingen.
Telg (spruit), V., telgen. Telgje, O., -jes.
Telg (afstammeling), M. en V., telgen. Telgje, O., -jes.
Telgang, M.
Telganger, M., -gangers.
Teling, V.
Telkaart, V., -kaarten.
Telkenmale of Telkenmaal.
Telkenreize.
Telkens.
Tellen, telde, heeft geteld.
Teller, M., tellers.
Telling, V., tellingen.
Teloorgaan, gaat teloor, ging teloor, is teloorgegaan.
Telpas, M.
Telsel, M., telsels.
Telwoord, O., -woorden.
Tembaar, -bare.
Temen, teemde, heeft geteemd.
Temer, M., temers.
Temerig, temeriger, temerigst.
Temet.
Temmen, temde, heeft getemd.
Temmer, M., temmers.
Temming, V.
Tempeest, O., tempeesten.
Tempel, M., tempels en tempelen. Tempeltje, O., -jes.
Tempelbouw, M.
Tempelier, M., Tempelieren en Tempeliers.
Tempelridder, M., -ridders.
Temper, M.
Temperament, O., temperamenten.
Temperatuur, V., temperaturen.
Temperatuurverschil, O., -verschillen.
Temperen, temperde, heeft getemperd.
Tempering, V., temperingen.
Tempermes, O., -messen.
Temperoven, M., -ovens.
Tempo, O., tempo's.
Temporair.
Temporiseeren, temporiseerde, heeft getemporiseerd.
Temptatie, V., temptaties en temptatiën.
Tempteeren (kwellen), tempteerde, heeft getempteerd.
Ten.
Tender, M., tenders.
Tengel, M., tengels.
Tenger, tengerder, tengerst.
Tengerheid, V.
Tenietdoening, V., -doeningen.
Tennisbaan, V., -banen.
Tennisbal, M., -ballen.
Tennisclub, V., -clubs.
Tennisnet, O., -netten.
Tennissen, tenniste, heeft getennist.
Tennisspel, O.
Tenor, M., tenors en tenoren.
Tenorstem, V., -stemmen.
Tenorzanger, M., -zangers.
Tent, V., tenten. Tentje, O., -jes.
Tentamen, O., tentamens en tentamina.
Tenteeren (ondervragen), tenteerde, heeft getenteerd.
Tenten, tentte, heeft getent.
Tentenmaker, M., -makers.
Tentijzer, O., -ijzers.
Tentoonspreiding, V.
Tentoonstelling, V., -stellingen.
Tentoonstellingscommissie, V.
Tentoonstellingsgebouw, O., -gebouwen.
Tentwagen, M., -wagens; -wagentje, O., -jes.
Tenue, V., tenuen.
Tenuitvoerbrenging, V., -brengingen.
Tenuitvoerlegging, V., -leggingen.
Tenware.
Tenzelfden.
Tenzij.
Teorbe, V., teorben.
Tepel, M., tepels. Tepeltje, O., -jes.
Tepronkstelling, V., -stellingen.
Ter.
Teraardebestelling, V., -bestellingen.
Terdege en Terdeeg.
Terdoodbrenging, V., -brengingen.
Terechtbrengen, bracht terecht, heeft terechtgebracht.
Terechthelpen, hielp terecht, heeft terechtgeholpen.
Terechtkomen, komt terecht, kwam terecht, kwamen terecht, is terechtgekomen.
Terechtstaan, staat terecht, stond terecht, heeft terechtgestaan.
Terechtstellen, stelde terecht, heeft terechtgesteld.
Terechtstelling, V., -stellingen.
Terechtwijzen, wees terecht, wezen terecht, heeft terechtgewezen.
Terechtwijzing, V., -wijzingen.
Terechtzitting, V., -zittingen.
Teren (verteren), teerde, heeft geteerd.
Teren (met teer bestrijken), teerde, heeft geteerd.
Tergen, tergde, heeft getergd.
Tergend, tergender, tergendst.
Terger, M., tergers.
Terging, V., tergingen.
Terhandstelling, V.
Terig, teriger, terigst.
Tering, V.
Teringachtig, -achtiger, -achtigst.
Teringachtigheid, V.
Teringlijder, M., -lijders.
Teringlijderes, V., -lijderessen.
Terleengeving, V., -gevingen.
Terloops.
Term, M., termen.
Termijn, M., termijnen. Termijntje, O., -jes.
Termijnhandel, M.
Termijnmarkt, V., -markten.
Terminatie, V., terminaties.
Termineeren, termineerde, heeft getermineerd.
Terminologie, V., terminologieën.
Ternauwernood.
Ternederliggen, lag terneder, lagen terneder, heeft ternedergelegen.
Ternederslaan, sloeg terneder, heeft ternedergeslagen.
Ternederwerpen, wierp terneder, heeft ternedergeworpen.
Ternederzetten, zette terneder, heeft ternedergezet.
Ternederzinken, zonk terneder, is ternedergezonken.
Ternederzitten, zat terneder, zaten terneder, heeft ternedergezeten.
Terp, V., terpen.
Terpentijn, V.
Terpentijnboom, M., -boomen.
Terpentijnolie, V.
Terra-cotta, V.
Terras, O., terrassen. Terrasje, O., -jes.
Terrasseeren, terrasseerde, heeft geterrasseerd.
Terrasvormig.
Terrein, O., terreinen.
Terreinkaart, V., -kaarten.
Terreinkennis, V.
Terrine, V., terrines.
Territoor, O., territoren.
Territoriaal, territoriale.
Tersluiks en Ter sluik.
Terstond.
Terts, V., tertsen.
Terug.
Terugbekomen, bekomt terug, bekwam terug, bekwamen terug, heeft terugbekomen.
Terugbetalen, betaalde terug, heeft terugbetaald.
Terugbezorgen, bezorgde terug, heeft terugbezorgd.
Terugbrengen, bracht terug, heeft teruggebracht.
Terugbrenging, V.
Terugdeinzen, deinsde terug, is teruggedeinsd.
Terugdenken, dacht terug, heeft teruggedacht.
Terugdrijven, dreef terug, dreven terug, heeft en is teruggedreven.
Terugeischen, eischte terug, heeft teruggeëischt.
Terugeisching, V., -eischingen.
Teruggaan, gaat terug, ging terug, is teruggegaan.
Teruggang, M.
Teruggave en -gaaf, V.
Teruggeven, gaf terug, gaven terug, heeft teruggegeven.
Terughalen, haalde terug, heeft teruggehaald.
Terughouden, hield terug, heeft teruggehouden.
Terughoudend, -houdender, -houdendst.
Terughoudendheid, V.
Terughouding, V.
Terugjagen, jaagde terug, heeft teruggejaagd; ook joeg terug.
Terugkaatsen, kaatste terug, heeft teruggekaatst.
Terugkaatsing, V., -kaatsingen.
Terugkeer, M.
Terugkeeren, keerde terug, is teruggekeerd.
Terugkomen, komt terug, kwam terug, kwamen terug, is teruggekomen.
Terugkomst, V.
Terugkrijgen, kreeg terug, kregen terug, heeft teruggekregen.
Terugloopen, liep terug, heeft en is teruggeloopen.
Terugmarcheeren, marcheerde terug, is teruggemarcheerd.
Terugmarsch, M.
Terugnemen, nam terug, namen terug, heeft teruggenomen.
Terugneming, V.
Terugreis, V.
Terugreizen, reisde terug, is teruggereisd.
Terugrijden, reed terug, reden terug, is teruggereden.
Terugroepen, riep terug, heeft teruggeroepen.
Terugroeping, V.
Terugschelden, schold terug, heeft teruggescholden.
Terugslaan, sloeg terug, heeft teruggeslagen.
Terugslag, M.
Terugspringen, sprong terug, is teruggesprongen.
Terugstoot, M.
Terugstooten, stiet terug, heeft teruggestooten; ook stootte terug.
Terugtocht, M.
Terugtred, M.
Terugtreden, trad terug, traden terug, is teruggetreden.
Terugtrekken, trok terug, trokken terug, heeft en is teruggetrokken.
Terugvaren, voer terug, is teruggevaren.
Terugvloeien, vloeide terug, is teruggevloeid.
Terugvoeren, voerde terug, heeft teruggevoerd.
Terugvragen, vraagde terug, heeft teruggevraagd; ook vroeg terug.
Terugwerken, werkte terug, heeft teruggewerkt.
Terugwerkend.
Terugwerking, V.
Terugwerpen, wierp terug, heeft teruggeworpen.
Terugwijken, week terug, weken terug, is teruggeweken.
Terugwijking, V.
Terugwijzen, wees terug, wezen terug, heeft teruggewezen.
Terugwijzing, V.
Terugwinnen, won terug, wonnen terug, heeft teruggewonnen.
Terugzenden, zond terug, heeft teruggezonden.
Terugzending, V.
Terugzien, zag terug, zagen terug, heeft teruggezien.
Terwijl.
Terzelfder.
Terzijdelating, V.
Terzijdestelling, V.
Test, V., testen. Testje, O., -jes.
Testament, O., testamenten. Testamentje, O., -jes.
Testamentair.
Testateur, M., testateurs en testateuren.
Testatrice, V., testatrices.
Testeeren, testeerde, heeft getesteerd.
Testimonium, O., testimoniums en testimonia.
Tets, tetser, tetst.
Tetsheid, V.
Tetsig, tetsiger, tetsigst.
Tetsigheid, V.
Tetterig, tetteriger, tetterigst.
Tettig, tettiger, tettigst.
Teug, V., teugen. Teugje, O., -jes.
Teugel, M., teugels. Teugeltje, O., -jes.
Teugelen, teugelde, heeft geteugeld.
Teugeling, V.
Teugelloos, -loozer.
Teugelloosheid, V.
Teut, M. en V., teuten.
Teutachtig, -achtiger, -achtigst.
Teutachtigheid, V.
Teuten, teutte, heeft geteut.
Teuterig, teuteriger, teuterigst.
Teuterigheid, V.
Teutig, teutiger, teutigst.
Teutkous, M. en V., -kousen; -kousje, O., -jes.
Tevens.
Tevergeefs (en Vergeefs).
Tevoren.
Tevreden, tevredener, tevredenst.
Tevredenheid, V.
Tevredenstellen, stelde tevreden, heeft tevredengesteld.
Tevredenstelling, V.
Teweegbrengen, bracht teweeg, heeft teweeggebracht.
Textueel, -eele.
Thaler, M., thalers. Thalertje, O., -jes.
Thans.
Theater, O., theaters. Theatertje, O., -jes.
Theatercoup, M.
Theaterheld, M., -helden.
Theatraal, theatrale.
Thee, V., theeën.
Theebanket, O.
Theeblad, O., -bladen.
Theebus, V., -bussen.
Theedepot, O., -depots.
Theedoek, M., -doeken.
Theegerei, O.
Theegoed, O.
Theehandel, M.
Theehuis, O., -huizen.
Theeketel, M., -ketels.
Theekopje, O., -kopjes.
Theelepeltje, O., -lepeltjes.
Theelood, O.
Theemakelaar, M., -makelaars.
Theeonderneming, V., -ondernemingen.
Theeoogst, M.
Theepot, M., -potten.
Theerandje, O., -jes.
Theeschoteltje, O., -schoteltjes.
Theeservies, O., -serviezen.
Theestoof, V., -stoven.
Theestruik, M., -struiken.
Theetafel, V., -tafels.
Theetuin, M., -tuinen.
Theeuur, O.; -uurtje, O.
Theevisite, V., -visites.
Theewater, O.
Theewinkel, M., -winkels.
Thema (onderwerp, grondgedachte), O., thema's; (opstel), V., thema's.
Themaboek, O., -boeken.
Theocratie, V.
Theocratisch.
Theologie, V.
Theologisch.
Theologiseeren, theologiseerde, heeft getheologiseerd.
Theoloog, M., theologen.
Theorema, O., theorema's.
Theoretisch.
Theorie, V., theorieën.
Theosoof, M., theosofen.
Theosophie, V.
Thermometer, M., thermometers.
Thermometerstand, M., -standen.
Thesaurie, V., thesaurieën.
Thesaurier, M., thesauriers.
Thesis, V., theses.
Thuis en Te Huis (bijw.).
Thuiskomen, kwam thuis, is thuisgekomen.
Thuiskomst, V.
Thuisreis, V.
Tichel, M., tichels en tichelen.
Tichelaar, M., tichelaars.
Tiek. Zie Teek.
Tien, tienen.
Tiend, O., tienden.
Tiendaagsch.
Tiendblok, O., -blokken.
Tiendboek, O., -boeken.
Tiende.
Tiendeelig.
Tiendehalf, -halve.
Tiendeischer, M., -eischers.
Tienderhande.
Tienderlei.
Tiendheffer, M., -heffers.
Tiendheffing, V., -heffingen.
Tiendplichtig.
Tiendrecht, O.
Tiendubbel.
Tienduizendste.
Tiendverpachting, V., -verpachtingen.
Tiendwet, V.
Tienguldenstuk, O., -stukken.
Tienhoek, M., -hoeken.
Tienhoekig.
Tienjarig.
Tienmaal.
Tienmaandsch.
Tienman, M., -mannen.
Tienmanschap, O.
Tienponder, M., -ponders.
Tienregelig.
Tienrittenboekje, O., -boekjes.
Tienstuiverstuk, O., -stukken; -stukje, O., -jes.
Tiental, O., -tallen.
Tientallig.
Tientje, O., -jes.
Tienvoud, O., -vouden.
Tienvoudig.
Tienwerf.
Tienzijdig.
Tier, V.
Tiërceeren, tiërceerde, heeft getiërceerd.
Tiërceering, V., tiërceeringen.
Tierelantijntje en Tierlantijntje, O., -jes.
Tierelieren, tierelierde, heeft getierelierd.
Tieren (razen), tierde, heeft getierd.
Tieren (groeien), tierde, heeft getierd.
Tierig, tieriger, tierigst.
Tierigheid, V.
Tiersje, O., -jes.
Tij, O., tijen.
Tijd, M., tijden. Tijdje, O.
Tijdaanwijzing, V.
Tijdbal, M., -ballen.
Tijdbepaling en Tijdsbepaling, V., -bepalingen.
Tijdbesparing, V.
Tijdelijk.
Tijdeloos. Zie Tijloos.
Tijdens.
Tijdgenoot, M., -genooten.
Tijdgenoote, V., -genooten.
Tijdig, tijdiger, tijdigst.
Tijdigheid, V.
Tijding, V., tijdingen. Tijdinkje, O., -jes.
Tijdingzaal, V., -zalen.
Tijdkorter, M., -korters.
Tijdkorting, V., -kortingen.
Tijdlang (Een -).
Tijdmeter, M., -meters.
Tijdpasseering, V.
Tijdregeling, V., -regelingen.
Tijdrekenkunde, V.
Tijdroovend.
Tijdruimte en Tijdsruimte, V., -ruimten.
Tijdsbepaling, V.
Tijdsbestek, O.
Tijdschrift, O., -schriften.
Tijdsomstandigheid, V., -heden.
Tijdsorde, V.
Tijdstip, O., -stippen.
Tijdsverloop, O.
Tijdsverschil, O., -verschillen.
Tijdvak, O., -vakken.
Tijdverdrijf, O.; -verdrijfje, O.
Tijdverlies, O.
Tijdverspilling, V.
Tijgen, toog, togen, is getogen.
Tijger, M., tijgers en tijgeren. Tijgertje, O., -jes.
Tijgerin, V., tijgerinnen.
Tijgerjacht, V., -jachten.
Tijgerkat, V., -katten.
Tijgervel, O., -vellen.
Tijk (overtrek), V., tijken; (stof), O.
Tijloos en Tijdeloos, V., -loozen. Tijloosje, O., -jes.
Tijm, M.
Tik, M., tikken. Tikje, O., -jes.
Tikken, tikte, heeft getikt.
Tikker, M., tikkers. Tikkertje, O., -jes.
Tiktak, O.
Tiktakken, tiktakte, heeft getiktakt.
Tiktakker, M., tiktakkers.
Tiktakschijf, V., -schijven.
Tiktakspeler, M., -spelers.
Til (het tillen), M.
Til en Tille (ophaalbrug, duivenhok, enz.), V., tillen.
Tilbaar, -bare.
Tilbury, V., tilbury's.
Tillen, tilde, heeft getild.
Timber, M., timbers.
Timide.
Timiditeit, V.
Timmerage, V., timmerages.
Timmerbijl, V., -bijlen.
Timmeren, timmerde, heeft getimmerd.
Timmergereedschap, O., -schappen.
Timmerhout, O.
Timmering, V., timmeringen.
Timmerloods, V., -loodsen.
Timmerman, M., -lieden en -lui.
Timmermansbaas, M., -bazen.
Timmermansgereedschap, O.
Timmermansjongen, M., -jongens.
Timmermansvak, O.
Timmermanswerk, O.
Timmermanswinkel, M., -winkels.
Timmerwerf, V., -werven.
Timmerwerk, O.
Timpaan, O., timpanen.
Timpje, O., -jes.
Tin, O.
Tinctuur, V., tincturen.
Tingelingeling.
Tinhandel, M.
Tinkelen, tinkelde, heeft getinkeld.
Tinmijn, V., -mijnen.
Tinne, V., tinnen.
Tinnegieter, M., -gieters.
Tinnegieterij, V., -gieterijen.
Tinnegoed, O.
Tinnekast, V., -kasten.
Tinnen (bnw.).
Tint (kleur), V., tinten. Tintje, O., -jes.
Tintel, V.
Tintelen, tintelde, heeft getinteld.
Tinteling, V., tintelingen.
Tinteloogen, tinteloogde, heeft getinteloogd.
Tinten, tintte, heeft getint.
Tinveiling, V., -veilingen.
Tinwerk, O.
Tinwinning, V.
Tip, M., tippen. Tipje, O., -jes.
Tippen, tipte, heeft getipt.
Tirade, V., tirades.
Tirailleeren, tirailleerde, heeft getirailleerd.
Tirailleur, M., tirailleurs.
Tirailleursvuur, O.
Tiran en Tyran, M., tirannen en tyrannen. Tirannetje, O., -jes.
Tirannie en Tirannij, V., tirannieën en tirannijen.
Tiranniek.
Tiranniseeren, tiranniseerde, heeft getiranniseerd.
Tiras (net), V., tirassen. Tirasje, O., -jes.
Tiras (soort van cement). Zie Tras.
Tiretein, O.
Tireteinen (bnw.).
Titel, M., titels. Titeltje, O., -jes.
Titelblad, O., -bladen.
Titelen, titelde, heeft getiteld.
Titelplaat, V., -platen.
Titelprent, V., -prenten.
Titelrol, V., -rollen.
Titeluitgave, V., -uitgaven.
Titelvignet, O., -vignetten.
Titrage, V.
Titreeren, titreerde, heeft getitreerd.
Tittel, M., tittels. Titteltje, O., -jes.
Titulair.
Titulatuur, V., titulaturen.
Tituleeren, tituleerde, heeft getituleerd.
Tjalk, V., tjalken. Tjalkje, O., -jes.
Tjanken, tjankte, heeft getjankt.
Tjerk, V., tjerken. Tjerkje, O., -jes.
Tjilpen, tjilpte, heeft getjilpt.
Tjingelen, tjingelde, heeft getjingeld.
Tjotter, V., tjotters.
Tobbe, V., tobben. Tobbetje, O., -jes.
Tobben, tobde, heeft getobd.
Tobber en Tobberd, M., tobbers en tobberds.
Tobberig, tobberiger, tobberigst.
Tobberij, V., tobberijen.
Tobster, V., tobsters.
Toch.
Tocht, M., tochten. Tochtje, O., -jes.
Tochtdeken, V., -dekens.
Tochtdeur, V., -deuren.
Tochten, tochtte, heeft getocht.
Tochtgat, O., -gaten.
Tochtgenoot, M., -genooten.
Tochtgenoote, V., -genooten.
Tochtig, tochtiger, tochtigst.
Tochtigheid, V.
Tochtlat, V., -latten.
Tochtscherm, O., -schermen.
Tochtschut, O., -schutten.
Tochtsloot, V., -slooten.
Tod en Todde, V., todden. Todje en toddetje, O., -jes.
Toe.
Toebedeelen, bedeelde toe, heeft toebedeeld.
Toebehooren, behoorde toe, heeft toebehoord.
Toebehooren, O.
Toebereiden, bereidde toe, heeft toebereid.
Toebereiding, V., -bereidingen.
Toebeschikken, beschikte toe, heeft toebeschikt.
Toebeschikking, V.
Toebetrouwen, betrouwde toe, heeft toebetrouwd.
Toebeurs, V., -beurzen. (Met - betalen).
Toebidden, bad toe, baden toe, heeft toegebeden.
Toebidding, V.
Toebijten, beet toe, beten toe, heeft toegebeten.
Toebinden, bond toe, heeft toegebonden.
Toeblazen, blies toe, bliezen toe, heeft toegeblazen.
Toeblinken, blonk toe, heeft toegeblonken.
Toebrengen, bracht toe, heeft toegebracht.
Toebrommen, bromde toe, heeft toegebromd.
Toebuigen, boog toe, bogen toe, heeft en is toegebogen.
Toedammen, damde toe, heeft toegedamd.
Toedeelen, deelde toe, heeft toegedeeld.
Toedeeling, V.
Toedekken, dekte toe, heeft toegedekt.
Toedenken, dacht toe, heeft toegedacht.
Toedichten, dichtte toe, heeft toegedicht.
Toedienen, diende toe, heeft toegediend.
Toedijken, dijkte toe, heeft toegedijkt.
Toedoen, deed toe, deden toe, heeft toegedaan.
Toedoen, O.
Toedraaien, draaide toe, heeft toegedraaid.
Toedracht, V.
Toedragen, droeg toe, heeft toegedragen.
Toedrijven, dreef toe, dreven toe, heeft en is toegedreven.
Toedrinken, dronk toe, heeft toegedronken.
Toedrukken, drukte toe, heeft toegedrukt.
Toeduwen, duwde toe, heeft toegeduwd.
Toeëigenen, eigende toe, heeft toegeëigend.
Toeflappen, flapte toe, heeft en is toegeflapt.
Toefluisteren, fluisterde toe, heeft toegefluisterd.
Toegang, M., -gangen.
Toegangsbewijs, O., -bewijzen.
Toegangsbiljet, O., -biljetten.
Toegangskaart, V., -kaarten; -kaartje, O., -jes.
Toegankelijk, -lijker, -lijkst.
Toegankelijkheid, V.
Toegeeflijk en Toegefelijk, -lijker, -lijkst.
Toegeeflijkheid, V., -heden.
Toegenegen, -genegener, -genegenst.
Toegenegenheid, V.
Toegespen, gespte toe, heeft toegegespt.
Toegeven, gaf toe, gaven toe, heeft toegegeven.
Toegevend, -gevender, -gevendst.
Toegevendheid, V.
Toegeving, V.
Toegieten, goot toe, goten toe, heeft toegegoten.
Toegift, V., -giften. Toegiftje, O., -jes.
Toegooien, gooide toe, heeft toegegooid.
Toegrendelen, grendelde toe, heeft toegegrendeld.
Toegrijnzen, grijnsde toe, heeft toegegrijnsd.
Toegrijpen, greep toe, grepen toe, heeft toegegrepen.
Toehaken, haakte toe, heeft toegehaakt.
Toehalen, haalde toe, heeft toegehaald.
Toehappen, hapte toe, heeft toegehapt.
Toehoorder, M., -hoorders.
Toehoorderes, V., -hoorderessen.
Toehooren, hoorde toe, heeft toegehoord.
Toehouden, hield toe, heeft toegehouden.
Toehuis, O., -huizen.
Toeijlen, ijlde toe, is toegeijld.
Toejuichen, juichte toe, heeft toegejuicht.
Toejuiching, V., -juichingen.
Toekaatsen, kaatste toe, heeft toegekaatst.
Toekeeren, keerde toe, heeft toegekeerd.
Toekennen, kende toe, heeft toegekend.
Toekenning, V.
Toekijken, keek toe, keken toe, heeft toegekeken.
Toekijker, M., -kijkers.
Toekijkster, V., -kijksters.
Toeklinken, klonk toe, heeft toegeklonken.
Toeknellen, knelde toe, heeft toegekneld.
Toeknijpen, kneep toe, knepen toe, heeft toegeknepen.
Toeknikken, knikte toe, heeft toegeknikt.
Toeknippen, knipte toe, heeft toegeknipt.
Toeknoopen, knoopte toe, heeft toegeknoopt.
Toekomen, komt toe, kwam toe, kwamen toe, is en heeft toegekomen.
Toekomend.
Toekomst, V.
Toekomstig.
Toekrijgen, kreeg toe, kregen toe, heeft toegekregen.
Toekruid, O., -kruiden.
Toekuipen, kuipte toe, heeft toegekuipt.
Toekurken, kurkte toe, heeft toegekurkt.
Toelaag en -lage, V., -lagen.
Toelachen, lachte toe, heeft toegelachen.
Toelakken, lakte toe, heeft toegelakt.
Toelast, M., -lasten.
Toelaten, liet toe, heeft toegelaten.
Toelating, V.
Toelatingsexamen, O., -examens.
Toeleg, M.
Toeleggen, legde toe en leide toe, heeft toegelegd en toegeleid.
Toelichten, lichtte toe, heeft toegelicht.
Toelichting, V., -lichtingen.
Toeliggen, lag toe, lagen toe, heeft toegelegen.
Toelijmen, lijmde toe, heeft toegelijmd.
Toelonken, lonkte toe, heeft toegelonkt.
Toeloop, M.
Toeloopen, liep toe, is toegeloopen.
Toeluisteren, luisterde toe, heeft toegeluisterd.
Toemaat, V., -maten. Toemaatje, O., -jes.
Toemaken, maakte toe, heeft toegemaakt.
Toemand, V., -manden. Toemandje, O., -jes.
Toemeten, mat toe, maten toe, heeft toegemeten.
Toemeting, V.
Toemetselen, metselde toe, heeft toegemetseld.
Toemoffelen, moffelde toe, heeft toegemoffeld.
Toemuren, muurde toe, heeft toegemuurd.
Toen.
Toenaaien, naaide toe, heeft toegenaaid.
Toenaam, M., -namen.
Toenaderen, naderde toe, is toegenaderd.
Toenadering, V.
Toenagelen, nagelde toe, heeft toegenageld.
Toenemen, nam toe, namen toe, heeft en is toegenomen.
Toeneming, V.
Toenmaals.
Toenmalig.
Toepad, O., -paden; -paadje, O., -jes.
Toepasselijk, -lijker, -lijkst.
Toepasselijkheid, V.
Toepassen, paste toe, heeft toegepast.
Toepassing, V., -passingen.
Toepersen, perste toe, heeft toegeperst.
Toeplakken, plakte toe, heeft toegeplakt.
Toepleisteren, pleisterde toe, heeft toegepleisterd.
Toeproppen, propte toe, heeft toegepropt.
Toer, M., toeren. Toertje, O., -jes.
Toeraken, raakte toe, is toegeraakt.
Toerechten, rechtte toe, heeft toegerecht.
Toereeden, reedde toe, heeft toegereed.
Toereeding, V.
Toeregenen, regende toe, is toegeregend.
Toereiken, reikte toe, heeft toegereikt.
Toereikend.
Toereiking, V.
Toerekenbaar, -bare.
Toerekenbaarheid, V.
Toerekenen, rekende toe, heeft toegerekend.
Toerekening, V.
Toerekeningsvatbaar, -bare.
Toerekeningsvatbaarheid, V.
Toeren, toerde, heeft getoerd.
Toerijden, reed toe, reden toe, heeft en is toegereden.
Toerijgen, reeg toe, regen toe, heeft toegeregen.
Toerijtuig, O., -rijtuigen.
Toerisme, O.
Toerist, M., toeristen.
Toeristenbond, M.
Toerit, M., -ritten.
Toeroepen, riep toe, heeft toegeroepen.
Toerollen, rolde toe, heeft en is toegerold.
Toeruischen, ruischte toe, heeft toegeruischt.
Toerusten, rustte toe, heeft toegerust.
Toerusting, V., -rustingen.
Toeschietelijk, -lijker, -lijkst.
Toeschietelijkheid, V.
Toeschieten, schoot toe, schoten toe, heeft en is toegeschoten.
Toeschijnen, scheen toe, schenen toe, heeft toegeschenen.
Toeschikken, schikte toe, heeft toegeschikt.
Toeschouwen, schouwde toe, heeft toegeschouwd.
Toeschouwer, M., -schouwers.
Toeschouwster, V., -schouwsters.
Toeschreeuwen, schreeuwde toe, heeft toegeschreeuwd.
Toeschrijven, schreef toe, schreven toe, heeft toegeschreven.
Toeschroeien, schroeide toe, heeft toegeschroeid.
Toeschroeven, schroefde toe, heeft toegeschroefd.
Toeschuiven, schoof toe, schoven toe, heeft toegeschoven.
Toeseinen, seinde toe, heeft toegeseind.
Toesjorren, sjorde toe, heeft toegesjord.
Toeslaan, slaat toe, sloeg toe, heeft en is toegeslagen.
Toeslag, M.
Toeslede, V., -sleden. Toesleetje, O., -jes.
Toeslingeren, slingerde toe, heeft toegeslingerd.
Toesluiten, sloot toe, sloten toe, heeft toegesloten.
Toesluiting, V.
Toesmakken, smakte toe, heeft toegesmakt.
Toesmeden, smeedde toe, heeft toegesmeed.
Toesmijten, smeet toe, smeten toe, heeft toegesmeten.
Toesnauwen, snauwde toe, heeft toegesnauwd.
Toesnellen, snelde toe, is toegesneld.
Toesnoeren, snoerde toe, heeft toegesnoerd.
Toesoldeeren, soldeerde toe, heeft toegesoldeerd.
Toespelden, speldde toe, heeft toegespeld.
Toespeling, V., -spelingen.
Toespijkeren, spijkerde toe, heeft toegespijkerd.
Toespijs, V., -spijzen.
Toespraak, V., -spraken. Toespraakje, O., -jes.
Toespreken, sprak toe, spraken toe, heeft toegesproken.
Toespringen, sprong toe, is toegesprongen.
Toestaan, staat toe, stond toe, heeft toegestaan.
Toestand, M., -standen.
Toesteken, stak toe, staken toe, heeft toegestoken.
Toestel, M. en O., -stellen. Toestelletje, O., -jes.
Toestellen, stelde toe, heeft toegesteld.
Toestemmen, stemde toe, heeft toegestemd.
Toestemming, V.
Toestooten, stiet toe, heeft toegestooten; ook stootte toe.
Toestoppen, stopte toe, heeft toegestopt.
Toestralen, straalde toe, heeft toegestraald.
Toestrikken, strikte toe, heeft toegestrikt.
Toestroomen, stroomde toe, is toegestroomd.
Toestuiven, stoof toe, stoven toe, is toegestoven.
Toesturen, stuurde toe, heeft toegestuurd.
Toetakelen, takelde toe, heeft toegetakeld.
Toetakeling, V.
Toetasten, tastte toe, heeft toegetast.
Toetellen, telde toe, heeft toegeteld.
Toeten, toette, heeft getoet.
Toeter, M., toeters. Toetertje, O., -jes.
Toeteren, toeterde, heeft getoeterd.
Toethoorn en -horen, M., -hoorns en -horens.
Toetje (toespijsje), O., toetjes.
Toetreden, trad toe, traden toe, is toegetreden.
Toetreding, V., -tredingen.
Toetrekken, trok toe, trokken toe, heeft en is toegetrokken.
Toets, M., toetsen. Toetsje, O., -jes.
Toetsen, toetste, heeft getoetst.
Toetser, M., toetsers.
Toetsing, V.
Toetssteen (een steen), M., -steenen; (stof), O.
Toetuigen, tuigde toe, heeft toegetuigd.
Toeval, O., -vallen.
Toevallen, viel toe, is toegevallen.
Toevallig, -valliger, -valligst.
Toevalligerwijze en -wijs.
Toevalligheid, V., -heden.
Toeven, toefde, heeft getoefd.
Toeverlaat, M.
Toevertrouwen, vertrouwde toe, heeft toevertrouwd.
Toevliegen, vloog toe, vlogen toe, is toegevlogen.
Toevloed, M.
Toevloeien, vloeide toe, is toegevloeid.
Toevlucht, V.
Toevluchtsoord, O., -oorden.
Toevoegen, voegde toe, heeft toegevoegd.
Toevoeging, V., -voegingen.
Toevoegsel, O., -voegsels.
Toevoer, M., -voeren.
Toevoerbuis, V., -buizen.
Toevoeren, voerde toe, heeft toegevoerd.
Toevoorzicht, O.
Toevouwen, vouwde toe, heeft toegevouwen.
Toevriezen, vroor toe, vroren toe, is toegevroren en toegevrozen.
Toewaaien, waaide toe, heeft en is toegewaaid; ook woei toe, woeien toe.
Toewagen, M., -wagens. Toewagentje, O., -jes.
Toewallen, walde toe, heeft toegewald.
Toewas, M.
Toewassen, wies toe, wiesen toe, is toegewassen.
Toewater, O.
Toewegen, woog toe, wogen toe, heeft toegewogen.
Toewenden, wendde toe, heeft toegewend.
Toewenken, wenkte toe, heeft toegewenkt.
Toewenschen, wenschte toe, heeft toegewenscht.
Toewensching, V.
Toewerpen, wierp toe, heeft toegeworpen.
Toewicht, O.
Toewijden, wijdde toe, heeft toegewijd.
Toewijding, V.
Toewijzen, wees toe, wezen toe, heeft toegewezen.
Toewijzing, V.
Toewinden, wond toe, heeft toegewonden.
Toewringen, wrong toe, heeft toegewrongen.
Toewuiven, wuifde toe, heeft toegewuifd.
Toezang, M., -zangen.
Toezeggen, zeide toe, heeft toegezegd en toegezeid.
Toezegging, V., -zeggingen.
Toezenden, zond toe, heeft toegezonden.
Toezender, M., -zenders.
Toezending, V., -zendingen.
Toezicht, O.
Toezien, zag toe, zagen toe, heeft toegezien.
Toeziener, M., -zieners.
Toezingen, zong toe, heeft toegezongen.
Toezuigen, zoog toe, zogen toe, heeft en is toegezogen.
Toezwaaien, zwaaide toe, heeft toegezwaaid.
Toezweren (met een eed), zwoer toe, heeft toegezworen.
Toezweren (door verzwering), zwoor toe, zworen toe, is toegezworen.
Toffel, V., toffels. Toffeltje, O., -jes.
Toga, V., toga's.
Togen (onvolm. verl. tijd, mv.).
Toilet, O., toiletten. Toiletje, O., -jes.
Toiletartikel, O., -artikelen.
Toiletspiegel, M., -spiegels.
Toiletspons, V., -sponsen; -sponsje, O., -jes.
Toilettafel, V., -tafels.
Toiletteeren, toiletteerde, heeft getoiletteerd.
Toiletzeep, V., -zeepen.
Tokkelaar, M., tokkelaars.
Tokkelen, tokkelde, heeft getokkeld.
Tokkeling, V., tokkelingen.
Toko, M., toko's.
Tokohouder, M., -houders.
Tol (schatting), M., tollen.
Tol (speeltuig), M., tollen. Tolletje, O., -jes.
Tolbaas, M., -bazen.
Tolboom, M., -boomen.
Toldeur, V., -deuren.
Tolerant, toleranter, tolerantst.
Tolerantie, V.
Tolereeren, tolereerde, heeft getolereerd.
Tolgaarder, M., -gaarders.
Tolgeld, O., -gelden.
Tolhek, O., -hekken.
Tolhuis, O., -huizen; -huisje, O., -jes.
Tolk (vertaler), M., tolken.
Tolk (scheepsw.), M., tolken.
Tollen, tolde, heeft getold.
Tollenaar, M., tollenaars en tollenaren.
Toltarief, O., -tarieven.
Tolverbond, O., -verbonden.
Tolvrij.
Tomaat, V., tomaten.
Tomatensaus, V., -sausen.
Tomatensoep, V.
Tombak, O.
Tombe, V., tombes.
Tombola, V., tombola's.
Ton, V., tonnen. Tonnetje, O., -jes.
Tondel en Tonder, O.
Tondeldoos, V., -doozen.
Tong (lichaamsdeel), V., tongen. Tongetje, O., -jes.
Tong (visch), V., tongen. Tongetje, O., -jes.
Tongbeen, O., -beenderen.
Tongblaar, V.
Tongkijker, M., -kijkers.
Tongriem, M.
Tongschraper, M., -schrapers.
Tongval, M., -vallen.
Tongwerk, O.
Tonijn, M., tonijnen. Tonijntje, O., -jes.
Tonijnenvangst, V.
Tonmolen, M., -molens.
Tonneboei, V., -boeien.
Tonneboeier, M., -boeiers.
Tonnen, tonde, heeft getond.
Tonnengeld, O.
Tonnenmaat, ook Tonnemaat, V.
Tonnenmeester, M., -meesters.
Tonnenstelsel, O.
Tonner, M., tonners.
Tonrond.
Tonrondte, V.
Tonster, V., tonsters.
Tonsuur, V.
Tontine, V., tontines.
Toog, M., togen. Toogje, O., -jes.
Toog (toga), V., togen.
Toog (onvolm. verl. tijd).
Tooi, M.
Tooien, tooide, heeft getooid.
Tooisel, O., tooisels.
Toom, M., toomen. Toompje, O., -jes.
Toomeloos, -loozer.
Toomeloosheid, V.
Toomen, toomde, heeft getoomd.
Tooming, V.
Toon (teen), M., toonen. Toontje, O., -jes.
Toon (klank), M., tonen. Toontje, O., -jes.
Toon. (Ten -).
Toonbaar, -bare.
Toonbank, V., -banken.
Toonbeeld, O., -beelden.
Toonbrood, O., -brooden.
Toonder, M., toonders.
Toondichter, M., -dichters.
Tooneel, O., tooneelen. Tooneeltje, O., -jes.
Tooneelcriticus, M., -critici.
Tooneelcritiek, V.
Tooneelgezelschap, O., -gezelschappen.
Tooneelheld, M., -helden.
Tooneelist, O., tooneelisten.
Tooneelkijker, M., -kijkers.
Tooneelkunstenaar, M., -kunstenaars.
Tooneelpoëzie, V.
Tooneelschool, V., -scholen.
Tooneelschrijver, M., -schrijvers.
Tooneelspel, O., -spelen.
Tooneelspeler, M., -spelers.
Tooneelstuk, O., -stukken.
Tooneelverbond, O.
Tooneelverslag, O., -verslagen.
Tooneelvertooning, V., -vertooningen.
Tooneelwoede, V.
Toonen, toonde, heeft getoond.
Toongevend.
Toongever, M., -gevers.
Toonhoogte, V., -hoogten.
Toonkunst, V.
Toonkunstenaar, M., -kunstenaars.
Toonladder, V., -ladders.
Toonloos, -looze.
Toonloosheid, V.
Toonschaal, V., -schalen.
Toonsoort, V., -soorten.
Toonteeken, O., -teekens.
Toonvast, -vaster, meest -vast.
Toorn, M.
Toornen, toornde, heeft getoornd.
Toornig, toorniger, toornigst.
Toornigheid, V.
Toorts, V., toortsen.
Toortslicht, O.
Toost, M., toosten. Toostje, O., -jes.
Toosten, toostte, heeft getoost.
Tooster, M., toosters.
Toot, V., toten. Tootje, O., -jes.
Toovenaar, M., toovenaars en toovenaren.
Toovenaarster, V., toovenaarsters.
Toovenares, V., toovenaressen.
Tooverachtig, -achtiger, -achtigst.
Tooverbeeld, O., -beelden.
Tooverblik, M., -blikken.
Tooverboek, O., -boeken.
Toovercirkel, M., -cirkels.
Tooverdrank, M., -dranken.
Tooveren, tooverde, heeft getooverd.
Tooveres, V., tooveressen.
Tooverfiguur, V. en O., -figuren.
Tooverfluit, V., -fluiten.
Tooverformulier, O., -formulieren.
Toovergeschiedenis, V., -geschiedenissen.
Toovergodin, V., -godinnen.
Tooverheks, V., -heksen.
Tooverij, V., tooverijen.
Tooverkaart, V., -kaarten.
Tooverklank, M., -klanken.
Tooverkol, V., -kollen.
Tooverkracht, V.
Tooverkring, M., -kringen.
Tooverkunst, V., -kunsten; -kunstje, O., -jes.
Tooverlantaren en -lantaarn, V., -lantarens en -lantaarns.
Toovermiddel, O., -middelen.
Tooverpaleis, O., -paleizen.
Tooverslag, M.
Tooverspiegel, M., -spiegels.
Tooverstaf, M., -staven.
Toovervierkant, O., -vierkanten.
Tooverwerk, O.
Tooverzalf, V.
Top, M., toppen. Topje, O., -jes.
Top (tusschenw.).
Topaas (steen), M., topazen; (stof), O. Topaasje, O., -jes.
Topazen (bnw.).
Tophoek, M., -hoeken.
Topograaf, M., topografen.
Topographie, V.
Topographisch.
Toppen, topte, heeft getopt.
Toppenant, V., toppenanten; ook Toppenend, O., -enden.
Toppenantsblok, O., -blokken en -bloks.
Topper, M., toppers. Toppertje, O., -jes.
Toppershoed, M., -hoeden.
Topstander, M., -standers.
Topzeil, O., -zeilen.
Topzeilskoelte, V.
Topzwaar, -zware.
Tor, V., torren. Torretje, O., -jes.
Torbok, M., -bokken.
Toren, M., torens. Torentje, O., -jes.
Torenblazer, M., -blazers.
Torenbouw, M.
Torenbrand, M., -branden.
Torenhoog, -hooge.
Torenklok, V., -klokken.
Torenspits, V., -spitsen.
Torenuil, M., -uilen.
Torenvalk, M., -valken.
Torenwacht (een wachter), M., -wachten; (de gezamenlijke wachters), V.
Torenwachter, M., -wachters.
Torment, O., tormenten.
Tormenteeren, tormenteerde, heeft getormenteerd.
Torn (het tornen), M., tornen.
Torn (in een kleed), V., tornen. Torntje, O., -jes.
Tornen, tornde, heeft getornd.
Tornmesje, O., -jes.
Tornooi, O., tornooien.
Tornooien, tornooide, heeft getornooid.
Torntouw, O., -touwen.
Torpedist, M., torpedisten.
Torpedo, V., torpedo's.
Torpedoboot, V., -booten.
Torpedodienst, M.
Torpedojager, M., -jagers.
Torsen, torste, heeft getorst.
Tortel, M. en V., tortels. Torteltje, O., -jes.
Tortelduif, V., -duiven.
Tot.
Totaal, O., totalen.
Totaal, totale.
Totdat.
Totebel, V., totebellen.
Totstandbrenging, V.
Totstandkoming, V.
Tournure, V., tournures.
Touter, M., touters. Toutertje, O., -jes.
Touteren, touterde, heeft getouterd.
Touw, O., touwen. Touwtje, O., -jes.
Touwbaan, V., -banen.
Touwen (bnw.).
Touwen, touwde, heeft getouwd.
Touwer, M., touwers.
Touwerij, V., touwerijen.
Touwladder, V., -ladders.
Touwpluizen, O.
Touwslager, M., -slagers.
Touwslagerij, V., -slagerijen.
Touwstopper, M., -stoppers.
Touwtjespringen, O.
Touwwerk, O.
Traag, trager, traagst.
Traagheid, V.
Traaglooper, M., -loopers.
Traan (oogvocht), M., tranen. Traantje, O., -jes.
Traan (vischolie), V.
Traanachtig, -achtiger, -achtigst.
Traanbuis, V., -buizen; -buisje, O., -jes.
Traanklier, V., -klieren.
Traankoker, M., -kokers.
Traankokerij, V., -kokerijen.
Traanoog, O., -oogen.
Traanoogen, traanoogde, heeft getraanoogd.
Tracasserie, V., tracasserieën.
Trachten, trachtte, heeft getracht.
Tractaat (verdrag), O., tractaten.
Tracteeren (behandelen), tracteerde, heeft getracteerd.
Traditie, V., traditiën en tradities.
Traditioneel, traditioneele.
Trafiek, V., trafieken.
Tragedie, V., tragediën en tragedies.
Tragisch.
Traject, O., trajecten.
Traktaatje (vertoogje), O., -jes.
Traktant, M., traktanten.
Traktatie, V., traktaties.
Trakteeren (onthalen), trakteerde, heeft getrakteerd.
Traktement, O., traktementen. Traktementje, O., -jes.
Traktementsdag, M., -dagen.
Traktementsverhooging, V., -verhoogingen.
Tralie, V., tralies en traliën. Tralietje, O., -jes.
Traliedeur, V., -deuren.
Tralieluik, O., -luiken.
Traliën, traliede, heeft getralied.
Tralievenster, O., -vensters.
Traliewerk, O.
Tram, V., trammen en trams.
Tramboekje, O., -boekjes.
Tramconducteur, M., -conducteurs.
Tramdienst, M., -diensten.
Tramhalte, V., -halten.
Tramkaartje, O., -kaartjes.
Tramkilometer, M., -kilometers.
Tramkoetsier, M., -koetsiers.
Tramlijn, V., -lijnen.
Trammen, tramde, heeft en is getramd.
Tramontane, V.
Trampaard, O., -paarden.
Tramreiziger, M., -reizigers.
Tramverbinding, V., -verbindingen.
Tramverkeer, O.
Tramwagen, M., -wagens.
Tramweg, M., -wegen.
Tranen, traande, heeft getraand.
Tranendal, O.
Tranenlach, M.
Tranenvloed, M.
Tranig, traniger, tranigst.
Tranigheid, V.
Trans, M., transen.
Transactie, V., transactiën en transacties.
Transcendentaal, -ale.
Transigeeren, transigeerde, heeft getransigeerd.
Transitief, transitieve.
Transito, O.
Transito-handel, M.
Transitoir.
Translaat, O., translaten.
Translateeren, translateerde, heeft getranslateerd.
Translateur, M., translateurs.
Transparant.
Transparant, O., transparanten. Transparantje, O., -jes.
Transpiratie, V.
Transpireeren, transpireerde, heeft getranspireerd.
Transport, O., transporten. Transportje, O., -jes.
Transportarbeider, M., -arbeiders.
Transporteeren, transporteerde, heeft getransporteerd.
Transporteur, M., transporteurs.
Transportkosten (mv.), M.
Transportschip, O., -schepen.
Transportwagen, M., -wagens.
Transsubstantiatie, V.
Trant, M.
Trap (schop), M., trappen.
Trap (trede), M., trappen. Trapje, O., -jes.
Trap (al de treden te zamen), V., trappen. Trapje, O., -jes.
Trapezium, O., trapeziums.
Trapezoïde, V., trapezoïdes.
Trapgans, V., -ganzen; -gansje, O., -jes.
Trapgat, O., -gaten.
Trapladder, V., -ladders.
Trapleuning, V., -leuningen.
Traplooper, M., -loopers.
Trapmachine, V., -machines.
Trappelen, trappelde, heeft getrappeld.
Trappen, trapte, heeft getrapt.
Trappist, M., trappisten.
Trappistenbier, O.
Trapportaal, O., -portalen.
Trapsgewijze en -gewijs.
Trapswijze en -wijs.
Tras, O.
Trasmolen, M., -molens.
Trasraam, O., -ramen.
Trasrok, M., -rokken.
Trassen, traste, heeft getrast.
Travaat, M., travaten.
Travalje, V., travaljes.
Traven, traafde, heeft getraafd.
Traverse en Travers, V., traversen.
Traverseeren, traverseerde, heeft getraverseerd.
Trawant, M., trawanten.
Trechter, M., trechters. Trechtertje, O., -jes.
Trechtervormig.
Tred, M., treden. Tredje, O., -jes.
Trede en Tree, V., treden en treeën. Treetje, O., -jes.
Treden, trad, traden, heeft en is getreden.
Treder, M., treders.
Treedsel, O., treedsels.
Treeft, V., treeften. Treeftje, O., -jes.
Treek, M., treken. Treekje, O., -jes.
Treemolen, M., -molens.
Treerad, O., -raderen.
Tref, M.
Treffelijk, -lijker, -lijkst.
Treffen, trof, troffen, heeft getroffen.
Treffen, O.
Treffend, treffender, treffendst.
Trefkans, V.
Trefpunt, O., -punten.
Treil, M., treilen.
Treilen, treilde, heeft getreild.
Treiler, M., treilers.
Trein, M., treinen. Treintje, O., -jes.
Treinbeambte, M., -beambten.
Treincompagnie, V., -compagnieën.
Treinenloop, M.
Treinpersoneel, O.
Treinsmid, M., -smeden.
Treinsoldaat, M., -soldaten.
Treiteraar, M., treiteraars.
Treiteraarster, V., treiteraarsters.
Treiteren, treiterde, heeft getreiterd.
Treitering, V., treiteringen.
Trek, M., trekken. Trekje, O., -jes.
Trekband, M., -banden.
Trekbank, V., -banken.
Trekbeest, O., -beesten.
Trekbeugel, M., -beugels.
Trekdag, M., -dagen.
Trekdier, O., -dieren.
Trekezel, M., -ezels.
Trekgat, O., -gaten.
Trekgeld, O.
Trekgordijn, O., -gordijnen.
Trekhaak, M., -haken.
Trekhond, M., -honden.
Trekkar, V., -karren.
Trekkast, V., -kasten.
Trekkebeenen, trekkebeende, heeft getrekkebeend.
Trekkebekken, trekkebekte, heeft getrekkebekt.
Trekken, trok, trokken, heeft en is getrokken.
Trekker, M., trekkers.
Trekking, V., trekkingen.
Trekkingslijst, V., -lijsten.
Trekklep, V., -kleppen.
Trekkoord, O., -koorden.
Trekletter, V., -letters.
Treklijn, V., -lijnen.
Trekmuts, V., -mutsen.
Treknet, O., -netten.
Trekos, M., -ossen.
Trekpaard, O., -paarden.
Trekpad, O., -paden.
Trekpen, V., -pennen.
Trekpleister, V., -pleisters.
Trekpot, M., -potten.
Trekschuit, V., -schuiten.
Treksel, O., treksels.
Trekslede, V., -sleden.
Trekstang, V., -stangen.
Trekster, V., treksters.
Trektafel, V., -tafels.
Trektouw, O., -touwen.
Trekvaart, V., -vaarten.
Trekvogel, M., -vogels.
Trekweg, M., -wegen.
Trekzaag, V., -zagen.
Trema, O., trema's.
Tremel, M., tremels.
Trens, V., trenzen. Trensje, O., -jes.
Trenzen, trensde, heeft getrensd.
Trenzing, V.
Trepaan, M., trepanen.
Trepaneerboor, V., -boren.
Trepaneeren, trepaneerde, heeft getrepaneerd.
Trepaneering, V., trepaneeringen.
Tres, V., tressen.
Treurberk, M., -berken.
Treurbeuk, M., -beuken.
Treurdicht, O., -dichten.
Treuren, treurde, heeft getreurd.
Treuresch, M., -esschen.
Treurgewaad, O., -gewaden.
Treurig, treuriger, treurigst.
Treurigheid, V.
Treurmare, V., -maren.
Treurmarsch, M., -marschen.
Treurmuziek, V.
Treurroos, V., -rozen.
Treurspel, O., -spelen.
Treurspeldichter, M., -dichters.
Treurtooneel, O., -tooneelen.
Treurwilg, M., -wilgen.
Treurzang, M., -zangen.
Treuzel, M. en V., treuzels. Treuzeltje, O., -jes.
Treuzelaar, M., treuzelaars.
Treuzelaarster, V., treuzelaarsters.
Treuzelachtig, -achtiger, -achtigst.
Treuzelen, treuzelde, heeft getreuzeld.
Treuzelig, treuzeliger, treuzeligst.
Treuzelwerk, O.; -werkje, O., -jes.
Trezoor, O., trezoren.
Trezorie, V., trezorieën.
Trezorier, M., trezoriers.
Trezorierschap, O.
Triangel, M., triangels. Triangeltje, O., -jes.
Triangulatie, V., triangulatiën.
Tribulatie, V., tribulatiën en tribulaties.
Tribunaal, O., tribunalen.
Tribunaat, O.
Tribune, V., tribunes.
Tribuun, M., tribunen.
Trichine, V., trichinen.
Tricot, O., tricots. Tricootje, O., -jes.
Trielje, V., trieljes.
Trieljen (bnw.).
Triest, triester.
Trigonometrie, V.
Trigonometrisch.
Trijp, O., trijpen.
Trijpen (bnw.).
Trijs, M., trijsen.
Trijsblok, O., -blokken en -bloks.
Trijsen, trijste, heeft getrijst.
Triktrak, O.
Triktrakbord, O., -borden.
Triktrakken, triktrakte, heeft getriktrakt.
Tril, M.
Trilborstel, M., -borstels.
Trilgras, O.
Trilhaar, O., -haren; -haartje, O., -jes.
Trillen, trilde, heeft getrild.
Triller, M., trillers.
Trilling, V., trillingen.
Trillingsgetal, O., -getallen.
Trillioen, O., trillioenen.
Trimester, O., trimesters.
Trio, O., trio's.
Triomf en Triumf, M., triomfen.
Triomfant.
Triomfantelijk.
Triomfboog, M., -bogen.
Triomfeeren, triomfeerde, heeft getriomfeerd.
Triomflied, O., -liederen.
Triomftocht, M., -tochten.
Trip, V., trippen. Tripje, O., -jes.
Tripel, O.
Trippelen, trippelde, heeft en is getrippeld.
Trippen, tripte, heeft getript.
Trits, V., tritsen.
Triumf, enz. Zie Triomf, enz.
Triviaal, trivialer, triviaalst.
Trivialiteit, V., trivialiteiten.
Troebel, troebeler, troebelst.
Troebelheid, V.
Troef, V., troeven. Troefje, O., -jes.
Troefkaart, V., -kaarten.
Troep, M., troepen. Troepje, O., -jes.
Troepenmacht, V.
Troepenpaard, O., -paarden.
Troepsgewijze en -wijs.
Troetel, M., troetels.
Troetelen, troetelde, heeft getroeteld.
Troeteling, V., troetelingen.
Troetelkind, O., -kinderen; -kindje, O., -jes.
Troeven, troefde, heeft getroefd.
Troffel, M., troffels. Troffeltje, O., -jes.
Trog, M., troggen. Trogje, O., -jes.
Troggelaar, M., troggelaars.
Troggelarij, V., troggelarijen.
Troggelen, troggelde, heeft getroggeld.
Troggelwinst, V., -winsten.
Troggelzak, M., -zakken.
Trom, V., trommen.
Trombone, V., trombones.
Trombonist, M., -isten.
Trommel, V., trommels en trommelen. Trommeltje, O., -jes.
Trommelen, trommelde, heeft getrommeld.
Trommelslag, M., -slagen.
Trommelslager, M., -slagers.
Trommelstok, M., -stokken.
Trommelvlies, O., -vliezen.
Trommelzucht, V.
Trommen, tromde, heeft getromd.
Trommer, M., trommers.
Tromp, V., trompen.
Trompet, V., trompetten. Trompetje, O., -jes.
Trompetten, trompette, heeft getrompet.
Trompetter, M., trompetters.
Tronen (zetelen), troonde, heeft getroond.
Tronie, V., tronies. Tronietje, O., -jes.
Tronk, M., tronken. Tronkje, O., -jes.
Troon, M., tronen.
Troonen (lokken), troonde, heeft getroond.
Troonhemel, M., -hemels.
Troonopvolger, M., -opvolgers.
Troonopvolging, V.
Troonrede, V., -redenen.
Troonsbeklimming, V.
Troonzaal, V., -zalen.
Troop, M., tropen.
Troost, M.
Troostbrief, M., -brieven.
Troostelijk, -lijker, -lijkst.
Troosteloos, -loozer.
Troosteloosheid, V.
Troosten, troostte, heeft getroost.
Trooster, M., troosters.
Troosteres, V., troosteressen.
Troostgrond, M., -gronden.
Troostlied, O., -liederen.
Troostrede, V., -redenen.
Troostrijk, -rijker, -rijkst.
Troostvol, -volle.
Troostwoord, O., -woorden.
Tropee, V., tropeeën. Ook Trophee.
Tropisch.
Tros, M., trossen. Trosje, O., -jes.
Trossen, troste, heeft getrost.
Trots, M.
Trots (bijw.).
Trots (voorz.).
Trotsch, trotscher, meest trotsch.
Trotschaard, M., trotschaards.
Trotschheid, V., -heden.
Trotseerder, M., trotseerders.
Trotseeren, trotseerde, heeft getrotseerd.
Trotseering, V.
Trotsen, trotste, heeft getrotst.
Trottoir, O., trottoirs.
Trottoirband, M., -banden.
Troubadour, M., troubadours.
Trouw, V.
Trouw, trouwer, trouwst.
Trouwbelofte, V., -beloften.
Trouwbreuk, V.
Trouwdag, M.
Trouwelijk.
Trouweloos, -loozer.
Trouweloosheid, V.
Trouwen, trouwde, heeft en is getrouwd.
Trouwens.
Trouwhartig, -hartiger, -hartigst.
Trouwhartigheid, V.
Trouwheid, V.
Trouwjapon, V., -japonnen.
Trouwkamer, V., -kamers.
Trouwlustig, -lustiger, -lustigst.
Trouwpak, O., -pakken.
Trouwpartij, V., -partijen.
Trouwplechtigheid, V.
Trouwring, M., -ringen.
Trouwrok, M., -rokken.
Trouwzaal, V., -zalen.
Truffeeren, truffeerde, heeft getruffeerd.
Truffel, V., truffels.
Truffelsaus, V., -sausen.
Truffelworst, V., -worsten.
Trui, V., truien. Truitje, O., -jes.
Truweel, O., truweelen. Truweeltje, O., -jes.
Tsaar, M., tsaren.
Tsarewitsj, M.
Tsaritsa, V., tsaritsa's.
Tuberculeus, tuberculeuze.
Tuberculose, V.
Tuberkel, M., tuberkels.
Tuberoos, V., tuberoozen. Tuberoosje, O., -jes.
Tucht, V.
Tuchteloos, -loozer.
Tuchteloosheid, V.
Tuchthuis, O., -huizen.
Tuchthuisboef, M., -boeven.
Tuchthuisstraf, V.
Tuchtigen, tuchtigde, heeft getuchtigd.
Tuchtiging, V., tuchtigingen.
Tuchtroede, V., -roeden.
Tuchtschool, V., -scholen.
Tufsteen, ook Dufsteen, (een steen), M., -steenen; (als stofnaam) O.
Tui, V., tuien.
Tuianker, O., -ankers.
Tuier, M., tuiers.
Tuiertouw, O., -touwen.
Tuig, O., tuigen. Tuigje, O., -jes.
Tuigage, V.
Tuigen, tuigde, heeft getuigd.
Tuighuis, O., -huizen.
Tuiging, V., tuigingen.
Tuil, M., tuilen. Tuiltje, O., -jes.
Tuimelaar, M., tuimelaars. Tuimelaartje, O., -jes.
Tuimelbank, V., -banken.
Tuimelen, tuimelde, is getuimeld.
Tuimelgeest, M.
Tuimeling, V., tuimelingen. Tuimelingetje, O., -jes.
Tuimelraam, O., -ramen; -raampje, O., -jes.
Tuimelvischje, O., -jes.
Tuin, M., tuinen. Tuintje, O., -jes.
Tuinanjelier, V., -anjelieren.
Tuinbaas, M., -bazen.
Tuinbank, V., -banken.
Tuinboon, V., -boonen; -boontje, O., -jes.
Tuinbouw, M.
Tuinbouwschool, V., -scholen.
Tuinder, M., tuinders.
Tuindeur, V., -deuren.
Tuinen, tuinde, heeft getuind.
Tuinfeest, O., -feesten.
Tuingereedschap, O., -gereedschappen.
Tuingewas, O., -gewassen.
Tuinhoed, M., -hoeden.
Tuinhuis, O., -huizen; -huisje, O., -jes.
Tuinier, M., tuiniers.
Tuinieren, tuinierde, heeft getuinierd.
Tuiniersalmanak, M., -almanakken.
Tuiniersbedrijf, O.
Tuinierswerk, O.
Tuinkamer, V., -kamers.
Tuinknecht, M., -knechts.
Tuinman, M., -lieden en -lui.
Tuinmanswoning, V., -woningen.
Tuinpad, O., -paden.
Tuinschaar, V., -scharen.
Tuinsieraden (mv.), O.
Tuinstaak, M., -staken.
Tuinstoel, M., -stoelen; -stoeltje, O., -jes.
Tuintafel, V., -tafels; -tafeltje, O., -jes.
Tuinwerk, O., -werken.
Tuinzaad, O., -zaden.
Tuischen, tuischte, heeft getuischt.
Tuischer, M., tuischers.
Tuit, V., tuiten. Tuitje, O., -jes.
Tuitelachtig, -achtiger, -achtigst.
Tuitelen, tuitelde, heeft getuiteld.
Tuitelig, tuiteliger, tuiteligst.
Tuiten, tuitte, heeft getuit.
Tuitkan, V., -kannen.
Tuitpot, M., -potten.
Tuk, M.
Tuk (bnw.).
Tukje, O., -jes.
Tul, V., tullen. Tulletje, O., -jes.
Tulband (Turksch hoofddeksel en gebak), M., tulbanden. Tulbandje, O., -jes.
Tulbandsvorm, M., -vormen.
Tule, V.
Tulen (bnw.).
Tulp, V., tulpen. Tulpje, O., -jes.
Tulpebol, M., -bollen.
Tulpeboom, M., -boomen.
Tulpenbed, O., -bedden.
Tulpenhandel, M.
Tulpenkweeker, M., -kweekers.
Tulpenzaad, O.
Tulpestengel, M., -stengels.
Tult, V., tulten.
Tumbler, M., tumblers.
Tumult, O., tumulten.
Tunica, V., tunica's.
Tuniek, V., tunieken.
Tunnel, V., tunnels.
Turbine, V., turbines.
Tureluur, M., tureluren en tureluurs. Tureluurtje, O., -jes.
Tureluursch.
Turen, tuurde, heeft getuurd.
Turf (een enkele turf), M., turven; (collectief), V. Turfje, O., -jes.
Turfbak, M., -bakken.
Turfboer, M., -boeren.
Turfdrager, M., -dragers.
Turfgraven, O.
Turfhok, O., -hokken.
Turfkoker, M., -kokers.
Turfmand, V., -manden.
Turfmeter, M., -meters.
Turfmolm, M. en O.
Turfschip, O., -schepen.
Turfschipper, M., -schippers.
Turfsteken, O.
Turfstrooisel, O.
Turftijd, M.
Turfton, V., -tonnen.
Turftonnen, O.
Turftonster, V., -tonsters.
Turftrapper, M., -trappers.
Turfvuur, O., -vuren.
Turfzolder, M., -zolders.
Turk, M., Turken.
Turken, turkte, heeft geturkt.
Turkoois (steen), M., turkooizen; (stof), O.
Turkooizen (bnw.).
Turksch.
Turksch, O.
Turven, turfde, heeft geturfd.
Tusschen.
Tusschenbedrijf, O., -bedrijven.
Tusschenbeide (bijw.).
Tusschendek, O., -dekken.
Tusschendeks.
Tusschendeks, O.
Tusschendeksbatterij, V., -batterijen.
Tusschendekspassagier, M., -passagiers.
Tusschendeur, V., -deuren.
Tusschendijk, M., -dijken.
Tusschendijks.
Tusschendoor.
Tusschenerf, O., -erven; -erfje, O., -jes.
Tusschengelegen.
Tusschenhandel, M.
Tusschenhandelaar, M., -handelaars.
Tusschenin.
Tusschenkleur, V., -kleuren; -kleurtje, O., -jes.
Tusschenkomend.
Tusschenkomst, V.
Tusschenkwartier, O., -kwartieren; -kwartiertje, O., -jes.
Tusschenlaag, V., -lagen; -laagje, O., -jes.
Tusschenliggend.
Tusschenmuur, M., -muren; -muurtje, O., -jes.
Tusschenpersoon, M. en V., -personen.
Tusschenpoos, V., -poozen; -poosje, O., -jes.
Tusschenregeering, V., -regeeringen.
Tusschenruimte, V., -ruimten.
Tusschenschot, O., -schotten; -schotje, O., -jes.
Tusschensluis, V., -sluizen; -sluisje, O., -jes.
Tusschenspel, O., -spelen.
Tusschenspraak, V.
Tusschenspreken, O.
Tusschenspreker, M., -sprekers.
Tusschenstaat, M.
Tusschenstand, M., -standen.
Tusschentijd, M., -tijden.
Tusschentijds (bijw.).
Tusschentoon, M., -tonen.
Tusschenuit.
Tusschenuur, O., -uren; -uurtje, O., -jes.
Tusschenvak, O., -vakken; -vakje, O., -jes.
Tusschenvlaag, V., -vlagen; -vlaagje, O., -jes.
Tusschenvoeging, V.
Tusschenvoegsel, O., -voegsels en -voegselen; -voegseltje, O., -jes.
Tusschenwal, M., -wallen.
Tusschenwand, M., -wanden.
Tusschenweg, M., -wegen.
Tusschenwerpsel, O., -werpsels.
Tusschenzang, M., -zangen.
Tusschenzee, V., -zeeën.
Tusschenzin, M., -zinnen.
Twaalf, twaalven.
Twaalfdaagsch.
Twaalfde.
Twaalfdehalf, -halve.
Twaalfderhande.
Twaalfderlei.
Twaalfdoornig.
Twaalfduizendste.
Twaalfhoek, M., -hoeken.
Twaalfhoekig.
Twaalfhonderd.
Twaalfhonderdste.
Twaalfjarig.
Twaalfmaal.
Twaalfponder, M., -ponders.
Twaalftal, O., -tallen.
Twaalftallig.
Twaalfvingerig.
Twaalfvlak, O., -vlakken.
Twaalfvoud, O., -vouden.
Twaalfvoudig.
Twee (telw.). Als znw. V., tweeën. Tweetje, O., -jes.
Tweearmig.
Tweeblad, O.
Tweede.
Tweedraadsch.
Tweedracht, V.
Tweedrachtig, -drachtiger, -drachtigst.
Tweedrachtsappel, M., -appels.
Tweeduizendste.
Tweeërhande.
Tweeërlei.
Tweegevecht, O., -gevechten.
Tweehandig.
Tweehonderd.
Tweehonderdste.
Tweehoofdig.
Tweehoornig.
Tweehuizig.
Tweejarig.
Tweeklank, M., -klanken.
Tweekleurig.
Tweeledig.
Tweelettergrepig.
Tweeling, M. en V., tweelingen.
Tweelingbroeder, M., -broeders.
Tweelingzuster, V., -zusters.
Tweelippig.
Tweelobbig.
Tweeloopsch.
Tweemaal.
Tweemaster, M., -masters.
Tweeregelig.
Tweeriemsgiek, V., -gieken.
Tweern, M.
Tweernen, tweernde, heeft getweernd.
Tweeschijfsblok, O., -blokken en -bloks.
Tweeslachtig.
Tweesnijdend.
Tweesoortig.
Tweespalt, V.
Tweespan, O., -spannen.
Tweespans.
Tweespraak, V., -spraken.
Tweesprong, M., -sprongen.
Tweestemmig.
Tweestrijd, M.
Tweetal, O., -tallen.
Tweetallig.
Tweestandig.
Tweetongig.
Tweevleugelig.
Tweevoetig.
Tweevormig.
Tweevoud, O., -vouden.
Tweevoudig.
Tweewerf.
Twente (gewest), O.
Twentenaar, M., Twentenaars en Twentenaren.
Twentsch.
Twijfel, M.
Twijfelaar, M., twijfelaars.
Twijfelachtig, -achtiger, -achtigst.
Twijfelachtigheid, V.
Twijfelarij, V.
Twijfelen, twijfelde, heeft getwijfeld.
Twijfeling, V., twijfelingen.
Twijfelmoedig, -moediger, -moedigst.
Twijfelmoedigheid, V.
Twijfelstuk, O., -stukken.
Twijfelzucht, V.
Twijfelzuchtig, -zuchtiger, -zuchtigst.
Twijg, V., twijgen. Twijgje, O., -jes.
Twijn, M.
Twijnder, M., twijnders.
Twijnderij, V., twijnderijen.
Twijndraad (voorwerpsnaam), M., -draden; (stofnaam), O.
Twijnen, twijnde, heeft getwijnd.
Twijngaren, O.
Twijnmolen, M., -molens.
Twijnster, V., twijnsters.
Twijnwiel, O., -wielen.
Twil, M., twillen.
Twintig, twintigen.
Twintiger, M., twintigers.
Twintigerhande.
Twintigerlei.
Twintigjarig.
Twintigmaal.
Twintigponder, M., -ponders.
Twintigste.
Twintigtal, O., -tallen.
Twintigvlak, O., -vlakken.
Twintigvoud, O., -vouden.
Twintigvoudig.
Twintigwerf.
Twist, M., twisten.
Twistappel, M., -appels.
Twisten, twistte, heeft getwist.
Twister, M., twisters.
Twistgeschrijf, O.
Twistig, twistiger, twistigst.
Twistrede, V., -redenen.
Twistredenaar, M., -redenaars.
Twistschrift, O., -schriften.
Twistziek, -zieker, -ziekst.
Twistzucht, V.
Type (drukletter), V., typen.
Type (uitgedrukt beeld), O., typen.
Typheus, typheuze.
Typhus, M.
Typisch.
Typograaf, M., typografen.
Typographie, V.
Typographisch.
Tyran, enz. Zie Tiran, enz.
U
U, V., u's.
Uchtend. Zie Ochtend.
Ui, M., uien. Uitje, O., -jes.
Uienbed, O., -bedden.
Uienloof, O.
Uienreuk, M.
Uiensalade en Uiensla, V.
Uiensaus, V., -sausen.
Uiensmaak, M.
Uiensoep, V., -soepen.
Uienzaad, O.
Uieplant, V., -planten.
Uier, M., uiers. Uiertje, O., -jes.
Uieschil, V., -schillen.
Uiig, uiiger, uiigst.
Uil, M., uilen. Uiltje, O., -jes.
Uilebek, M., -bekken.
Uileklauw, M., -klauwen.
Uilekop (kop van een uil), M., -koppen.
Uilennest, O., -nesten.
Uilenoog, O., -oogen.
Uilenvlucht, V.
Uilenspiegel, M., -spiegels.
Uileveer, V., -veeren.
Uilig, uiliger, uiligst.
Uiloogen, O.
Uilskop (stommeling), M., -koppen.
Uilskuiken, O., -kuikens.
Uit.
Uitademen, ademde uit, heeft uitgeademd.
Uitademing, V., -ademingen.
Uitbaggeren, baggerde uit, heeft uitgebaggerd.
Uitbaggering, V.
Uitbakenen, bakende uit, heeft uitgebakend.
Uitbaliën, baliede uit, heeft uitgebalied.
Uitbannen, bande uit, heeft uitgebannen.
Uitbanning, V., -banningen.
Uitbarsten, barstte uit, is uitgebarsten; ook borst uit, is uitgeborsten.
Uitbarsting, V., -barstingen.
Uitbazuinen, bazuinde uit, heeft uitgebazuind.
Uitbeelden, beeldde uit, heeft uitgebeeld.
Uitbeelding, V., -beeldingen.
Uitbeitelen, beitelde uit, heeft uitgebeiteld.
Uitbersten. Zie Uitbarsten.
Uitbesteden, besteedde uit, heeft uitbesteed.
Uitbesteding, V., -bestedingen.
Uitbetalen, betaalde uit, heeft uitbetaald.
Uitbetaler, M., -betalers.
Uitbetaling, V., -betalingen.
Uitbijten (van tanden, scherpe vochten, enz.), beet uit, beten uit, heeft en is uitgebeten.
Uitbijten (door 't hakken van bijten), bijtte uit, heeft uitgebijt.
Uitbijter, M., -bijters.
Uitbikken, bikte uit, heeft uitgebikt.
Uitblakeren, blakerde uit, heeft uitgeblakerd.
Uitblazen, blies uit, bliezen uit, heeft uitgeblazen.
Uitbleeken, bleekte uit, heeft en is uitgebleekt.
Uitblijven, bleef uit, bleven uit, is uitgebleven.
Uitblijver, M., -blijvers.
Uitbliksemen, bliksemde uit, heeft uitgebliksemd.
Uitblinken, blonk uit, heeft uitgeblonken.
Uitbloeden, bloedde uit, heeft en is uitgebloed.
Uitbloeien, bloeide uit, heeft en is uitgebloeid.
Uitblusschen, bluschte uit, heeft uitgebluscht.
Uitboegseeren, boegseerde uit, heeft uitgeboegseerd.
Uitboeken, boekte uit, heeft uitgeboekt.
Uitboeking, V.
Uitboenen, boende uit, heeft uitgeboend.
Uitboezemen, boezemde uit, heeft uitgeboezemd.
Uitboezeming, V., -boezemingen.
Uitboomen, boomde uit, heeft uitgeboomd.
Uitboren, boorde uit, heeft uitgeboord.
Uitborrelen, borrelde uit, is uitgeborreld.
Uitborreling, V.
Uitborstelen, borstelde uit, heeft uitgeborsteld.
Uitborsteling, V.
Uitbotten, botte uit, is uitgebot.
Uitbotting, V.
Uitbouwen, bouwde uit, heeft uitgebouwd.
Uitbouwing, V.
Uitbouwsel, O., -bouwsels. Uitbouwseltje, O., -jes.
Uitbraak, V.
Uitbraaksel, O., -braaksels.
Uitbraden, braadde uit, heeft uitgebraden.
Uitbraken, braakte uit, heeft uitgebraakt.
Uitbraking, V.
Uitbranden, brandde uit, heeft en is uitgebrand.
Uitbrander, M., -branders.
Uitbranding, V., -brandingen.
Uitbreiden, breidde uit, heeft uitgebreid.
Uitbreider, M., -breiders.
Uitbreiding, V., -breidingen.
Uitbreidingsplan, O.
Uitbreken, brak uit, braken uit, heeft en is uitgebroken.
Uitbreking, V.
Uitbrengen, bracht uit, heeft uitgebracht.
Uitbrenger, M., -brengers.
Uitbrenging, V.
Uitbroeden, broedde uit, heeft uitgebroed.
Uitbroeding, V., -broedingen.
Uitbroedsel, O., -broedsels.
Uitbrullen, brulde uit, heeft uitgebruld.
Uitbuien, buide uit, heeft uitgebuid.
Uitbuigen, boog uit, bogen uit, heeft en is uitgebogen.
Uitbuiging, V.
Uitbuilen, builde uit, heeft uitgebuild.
Uitbulderen, bulderde uit, heeft uitgebulderd.
Uitbundig, -bundiger, -bundigst.
Uitbundigheid, V.
Uitbuurt, V., -buurten. Uitbuurtje, O., -jes.
Uitcijferen, cijferde uit, heeft uitgecijferd.
Uitcijfering, V., -cijferingen.
Uitdagen, daagde uit, heeft uitgedaagd.
Uitdager, M., -dagers.
Uitdaging, V., -dagingen.
Uitdagingsbrief, M., -brieven.
Uitdampen, dampte uit, heeft en is uitgedampt.
Uitdamping, V., -dampingen.
Uitdeelen, deelde uit, heeft uitgedeeld.
Uitdeeler, M., -deelers.
Uitdeeling, V., -deelingen.
Uitdeelingslijst, V., -lijsten.
Uitdeelster, V., -deelsters.
Uitdelgen, delgde uit, heeft uitgedelgd.
Uitdelger, M., -delgers.
Uitdelging, V.
Uitdelven, dolf uit, dolven uit, heeft uitgedolven.
Uitdelving, V., -delvingen.
Uitdenken, dacht uit, heeft uitgedacht.
Uitdenker, M., -denkers.
Uitdienen, diende uit, heeft uitgediend.
Uitdiepen, diepte uit, heeft uitgediept.
Uitdieping, V., -diepingen.
Uitdijen, dijde uit, is uitgedijd.
Uitdijing, V.
Uitdoen, doet uit, deed uit, deden uit, heeft uitgedaan.
Uitdonderen, donderde uit, heeft uitgedonderd.
Uitdooven, doofde uit, heeft en is uitgedoofd.
Uitdooving, V.
Uitdorschen, dorschte uit, heeft uitgedorscht.
Uitdossen, doste uit, heeft uitgedost.
Uitdossing, V., -dossingen.
Uitdraagster, V., -draagsters.
Uitdraaien, draaide uit, heeft en is uitgedraaid.
Uitdragen, droeg uit, heeft uitgedragen.
Uitdrager, M., -dragers.
Uitdragerij, V., -dragerijen.
Uitdragerswinkel, M., -winkels.
Uitdrijven, dreef uit, dreven uit, heeft uitgedreven.
Uitdrijver, M., -drijvers.
Uitdrijving, V., -drijvingen.
Uitdringen, drong uit, heeft en is uitgedrongen.
Uitdrinken, dronk uit, heeft uitgedronken.
Uitdrogen, droogde uit, heeft en is uitgedroogd.
Uitdroging, V., -drogingen.
Uitdruipen, droop uit, dropen uit, heeft en is uitgedropen.
Uitdrukkelijk, -lijker, -lijkst.
Uitdrukken, drukte uit, heeft uitgedrukt.
Uitdrukking, V., -drukkingen.
Uitdruppelen, druppelde uit, is uitgedruppeld.
Uitduiden, duidde uit, heeft uitgeduid.
Uitduiding, V., -duidingen.
Uitduwen, duwde uit, heeft uitgeduwd.
Uitdweilen, dweilde uit, heeft uitgedweild.
Uiteen.
Uiteenbarsten, barstte uiteen, is uiteengebarsten; ook borst uiteen, is uiteengeborsten.
Uiteenbersten. Zie Uiteenbarsten.
Uiteendrijven, dreef uiteen, dreven uiteen, heeft uiteengedreven.
Uiteengaan, gaat uiteen, ging uiteen, is uiteengegaan.
Uiteengooien, gooide uiteen, heeft uiteengegooid.
Uiteengroeien, groeide uiteen, is uiteengegroeid.
Uiteenjagen, jaagde uiteen, heeft uiteengejaagd; ook joeg uiteen.
Uiteenloopen, liep uiteen, is uiteengeloopen.
Uiteenloopend, -loopender, -loopendst.
Uiteenrollen, rolde uiteen, heeft en is uiteengerold.
Uiteenslaan, slaat uiteen, sloeg uiteen, heeft en is uiteengeslagen.
Uiteensmijten, smeet uiteen, smeten uiteen, heeft uiteengesmeten.
Uiteenspatten, spatte uiteen, is uiteengespat.
Uiteenspringen, sprong uiteen, is uiteengesprongen.
Uiteenstuiven, stoof uiteen, stoven uiteen, is uiteengestoven.
Uiteentrappen, trapte uiteen, heeft uiteengetrapt.
Uiteenvallen, viel uiteen, is uiteengevallen.
Uiteenvliegen, vloog uiteen, vlogen uiteen, is uiteengevlogen.
Uiteenwerpen, wierp uiteen, heeft uiteengeworpen.
Uiteenzetten, zette uiteen, heeft uiteengezet.
Uiteenzetting, V., -zettingen.
Uiteinde, O., -einden.
Uiten, uitte, heeft geuit.
Uitenten, entte uit, heeft uitgeënt.
Uitenteren, enterde uit, heeft uitgeënterd.
Uitentreuren (bijw.).
Uiteraard.
Uiterlijk.
Uiterlijk, O.
Uiterlijkheid, V., -heden.
Uitermate.
Uiterst.
Uiterste, O.
Uiterton, V., -tonnen.
Uiterwaard, V., -waarden.
Uiteten, at uit, aten uit, heeft uitgegeten.
Uiteter, M., -eters.
Uitetteren, etterde uit, is uitgeëtterd.
Uitflappen, flapte uit, heeft uitgeflapt.
Uitflapper, M., -flappers.
Uitfluiten, floot uit, floten uit, heeft uitgefloten.
Uitfluiter, M., -fluiters.
Uitfluiting, V.
Uitfreezen, freesde uit, heeft uitgefreesd.
Uitgaaf en Uitgave, V., uitgaven. Uitgaafje, O., -jes.
Uitgaan, gaat uit, ging uit, is uitgegaan.
Uitgaand.
Uitgaansdag, M., -dagen.
Uitgaanskas, V., -kassen.
Uitgalmen, galmde uit, heeft uitgegalmd.
Uitgalming, V., -galmingen.
Uitgang, M., -gangen. Uitgangetje, O., -jes.
Uitgangspunt, O., -punten.
Uitgave. Zie Uitgaaf.
Uitgebreid, -gebreider, -gebreidst.
Uitgebreidheid, V., -heden.
Uitgediend.
Uitgeefster, V., -geefsters.
Uitgelaten, -gelatener, -gelatenst.
Uitgelatenheid, V.
Uitgeleefd.
Uitgeleerd.
Uitgeleide, O.
Uitgelezen, -gelezener, -gelezenst.
Uitgelezenheid, V.
Uitgemaakt.
Uitgenomen.
Uitgestreken, -gestrekener, -gestrekenst.
Uitgestrekt, -gestrekter, -gestrektst.
Uitgestrektheid, V., -heden.
Uitgestudeerd.
Uitgetogen (verl. deelw.).
Uitgeven, gaf uit, gaven uit, heeft uitgegeven.
Uitgever, M., -gevers.
Uitgeversfirma, V., -firma's.
Uitgeverszaak, V., -zaken.
Uitgewekene, M. en V., -gewekenen.
Uitgewerkt, -gewerkter, -gewerktst.
Uitgezocht, -gezochter, -gezochtst.
Uitgezonderd.
Uitgieren, gierde uit, heeft uitgegierd.
Uitgieten, goot uit, goten uit, heeft uitgegoten.
Uitgieting, V.
Uitgifte en Uitgift, V.
Uitgillen, gilde uit, heeft uitgegild.
Uitgilling (scheepsw.), V.
Uitgisten, gistte uit, heeft en is uitgegist.
Uitglijden, gleed uit, gleden uit, is uitgegleden.
Uitglijding, V.
Uitglinsteren, glinsterde uit, heeft uitgeglinsterd.
Uitglippen, glipte uit, is uitgeglipt.
Uitgooien, gooide uit, heeft uitgegooid.
Uitgorden, gordde uit, heeft uitgegord.
Uitgraven, groef uit, groeven uit, heeft uitgegraven.
Uitgraving, V., -gravingen.
Uitgroeien, groeide uit, is uitgegroeid.
Uitgroeisel, O., -groeisels.
Uitgroeven, groefde uit, heeft uitgegroefd.
Uitgulpen, gulpte uit, heeft uitgegulpt.
Uithaal, M., -halen.
Uithaaltafel, V., -tafels.
Uithaken, haakte uit, heeft uitgehaakt.
Uithakken, hakte uit, heeft uitgehakt.
Uithakking, V., -hakkingen.
Uithaksel, O., -haksels.
Uithalen, haalde uit, heeft uitgehaald.
Uithaler, M., -halers.
Uithaling, V., -halingen.
Uitham, M., -hammen.
Uithangbord, O., -borden; -bordje, O., -jes.
Uithangen, hing uit, heeft uitgehangen.
Uithangteeken, O., -teekens.
Uithebben, heeft uit, had uit, hadden uit, heeft uitgehad.
Uitheemsch.
Uitheemschheid, V.
Uithelpen, hielp uit, heeft uitgeholpen.
Uithelper, M., -helpers.
Uithijschen, heesch uit, heschen uit, heeft uitgeheschen.
Uithijsching, V.
Uithoek, M., -hoeken. Uithoekje, O., -jes.
Uithoesten, hoestte uit, heeft uitgehoest.
Uithollen, holde uit, heeft uitgehold.
Uithongeren, hongerde uit, heeft uitgehongerd.
Uithongering, V.
Uithooren, hoorde uit, heeft uitgehoord.
Uithoozen, hoosde uit, heeft uitgehoosd.
Uithouden, hield uit, heeft uitgehouden.
Uithouder, M., -houders.
Uithouwen, hieuw uit, heeft uitgehouwen.
Uithuilen, huilde uit, heeft uitgehuild.
Uithuizig, -huiziger, -huizigst.
Uithuizigheid, V.
Uithuwelijken, huwelijkte uit, heeft uitgehuwelijkt.
Uithuwelijking, V.
Uithuwen, huwde uit, heeft uitgehuwd.
Uithuwing, V., -huwingen.
Uitijzen, ijsde uit, heeft uitgeijsd.
Uiting, V., uitingen.
Uitjagen, jaagde uit, heeft en is uitgejaagd; ook joeg uit.
Uitjammeren, jammerde uit, heeft uitgejammerd.
Uitjanken, jankte uit, heeft uitgejankt.
Uitjouwen, jouwde uit, heeft uitgejouwd.
Uitjouwer, M., -jouwers.
Uitjouwing, V., -jouwingen.
Uitkaarden, kaardde uit, heeft uitgekaard.
Uitkaatsen, kaatste uit, heeft uitgekaatst.
Uitkaatser, M., -kaatsers.
Uitkakelen, kakelde uit, heeft uitgekakeld.
Uitkallen, kalde uit, heeft uitgekald.
Uitkammen, kamde uit, heeft uitgekamd.
Uitkankeren, kankerde uit, is uitgekankerd.
Uitkankering, V.
Uitkappen, kapte uit, heeft uitgekapt.
Uitkarnen, karnde uit, heeft uitgekarnd.
Uitkauwen, kauwde uit, heeft uitgekauwd.
Uitkauwing, V.
Uitkauwsel, O., -kauwsels.
Uitkavelen, kavelde uit, heeft uitgekaveld.
Uitkeeren, keerde uit, heeft uitgekeerd.
Uitkeering, V., -keeringen.
Uitkeeringsfonds, O., -fondsen.
Uitkepen, keepte uit, heeft uitgekeept.
Uitkermen, kermde uit, heeft uitgekermd.
Uitkerven, korf uit, korven uit, heeft uitgekorven.
Uitkiemen, kiemde uit, is uitgekiemd.
Uitkieming, V.
Uitkiezen, koos uit, kozen uit, heeft uitgekozen.
Uitkijk (uitzicht), M. Uitkijkje, O., -jes.
Uitkijk (uitkijker), M., -kijken.
Uitkijken, keek uit, keken uit, heeft uitgekeken.
Uitkijker, M., -kijkers.
Uitkippen, kipte uit, heeft uitgekipt.
Uitklagen, klaagde uit, heeft uitgeklaagd.
Uitklappen, klapte uit, heeft uitgeklapt.
Uitklaren, klaarde uit, heeft uitgeklaard.
Uitklaring, V., -klaringen.
Uitkleeden, kleedde uit, heeft uitgekleed.
Uitkleeding, V.
Uitkleien, kleide uit, heeft uitgekleid.
Uitkleiing, V., -kleiingen.
Uitkleinzen, kleinsde uit, heeft uitgekleinsd.
Uitklimmen, klom uit, klommen uit, is uitgeklommen.
Uitklinken, klonk uit, heeft uitgeklonken.
Uitklinker, M., -klinkers.
Uitkloppen, klopte uit, heeft uitgeklopt.
Uitklopper, M., -kloppers.
Uitknagen, knaagde uit, heeft uitgeknaagd.
Uitknijpen, kneep uit, knepen uit, heeft en is uitgeknepen.
Uitknippen, knipte uit, heeft uitgeknipt.
Uitknipsel, O., -knipsels.
Uitknoppen, knopte uit, is uitgeknopt.
Uitkoken, kookte uit, heeft en is uitgekookt.
Uitkomen, komt uit, kwam uit, kwamen uit, is uitgekomen.
Uitkomst, V., -komsten. Uitkomstje, O., -jes.
Uitkooksel, O., -kooksels.
Uitkoop, M., -koopen.
Uitkoopen, kocht uit, heeft uitgekocht.
Uitkoteren, koterde uit, heeft uitgekoterd.
Uitkotsen, kotste uit, heeft uitgekotst.
Uitkraaien, kraaide uit, heeft uitgekraaid.
Uitkrabben, krabde uit, heeft uitgekrabd.
Uitkramen, kraamde uit, heeft uitgekraamd.
Uitkrassen, kraste uit, heeft uitgekrast.
Uitkrijgen, kreeg uit, kregen uit, heeft uitgekregen.
Uitkrijten, kreet uit, kreten uit, heeft uitgekreten.
Uitkruipen, kroop uit, kropen uit, is uitgekropen.
Uitkruipsel, O., -kruipsels. Uitkruipseltje, O., -jes.
Uitkunnen, kan uit, kunnen uit, konde of kon uit, gij kondt uit, konden uit, heeft uitgekund.
Uitlachen, lachte uit, heeft uitgelachen.
Uitlacher, M., -lachers.
Uitladen, laadde uit, heeft uitgeladen.
Uitlading, V.
Uitlander, M., -landers.
Uitlandig.
Uitlandigheid, V.
Uitlandsch.
Uitlaten, liet uit, heeft uitgelaten.
Uitlating, V., -latingen.
Uitlatingsteeken, O., -teekens.
Uitleenen, leende uit, heeft uitgeleend.
Uitleener, M., -leeners.
Uitleeren, leerde uit, heeft uitgeleerd.
Uitleg, M.
Uitleggen, legde uit en leide uit, heeft uitgelegd en uitgeleid.
Uitlegger (persoon), M., -leggers.
Uitlegger (wachtschip), M., -leggers.
Uitleggershoofd, O.
Uitlegging, V., -leggingen.
Uitlegkunde, V.
Uitlegkundig.
Uitlegkundige, M., -kundigen.
Uitlegster, V., -legsters.
Uitleiden, leidde uit, heeft uitgeleid.
Uitleiding, V.
Uitlekken, lekte uit, is uitgelekt.
Uitleppen, lepte uit, heeft uitgelept.
Uitleven, leefde uit, heeft uitgeleefd.
Uitleveren, leverde uit, heeft uitgeleverd.
Uitlevering, V., -leveringen.
Uitleveringstractaat, O., -tractaten.
Uitlezen (doorlezen en uitzoeken), las uit, lazen uit, heeft uitgelezen.
Uitlichten, lichtte uit, heeft uitgelicht.
Uitliggen, lag uit, lagen uit, heeft uitgelegen.
Uitlikken, likte uit, heeft uitgelikt.
Uitlokken, lokte uit, heeft uitgelokt.
Uitlokking, V., -lokkingen.
Uitloodsen, loodste uit, heeft uitgeloodst.
Uitloogen, loogde uit, heeft uitgeloogd.
Uitloop, M., -loopen.
Uitloopen, liep uit, is en heeft uitgeloopen.
Uitlooper, M., -loopers. Uitloopertje, O., -jes.
Uitlooperij, V., -looperijen.
Uitloopster, V., -loopsters.
Uitloozen, loosde uit, heeft uitgeloosd.
Uitloozing, V., -loozingen.
Uitlossen, loste uit, heeft uitgelost.
Uitlossing, V.
Uitloten, lootte uit, heeft uitgeloot.
Uitloting, V., -lotingen.
Uitloven, loofde uit, heeft uitgeloofd.
Uitloving, V., -lovingen.
Uitluchten, luchtte uit, heeft uitgelucht.
Uitluiden en Uitluien, luidde en luide uit, heeft uitgeluid.
Uitluiding, V.
Uitmaken, maakte uit, heeft uitgemaakt.
Uitmalen, maalde uit, heeft uitgemalen.
Uitmaling, V., -malingen.
Uitmelken, molk uit, heeft uitgemolken.
Uitmelker, M., -melkers.
Uitmergelen, mergelde uit, heeft uitgemergeld.
Uitmergeling, V.
Uitmeten, mat uit, maten uit, heeft uitgemeten.
Uitmiddelpuntig.
Uitmiddelpuntigheid, V.
Uitmoeten, moet uit, moest uit, heeft uitgemoeten.
Uitmogen, mag uit, mogen uit, mocht uit.
Uitmonding, V., -mondingen.
Uitmonsteren, monsterde uit, heeft uitgemonsterd.
Uitmonstering, V.
Uitmoorden, moordde uit, heeft uitgemoord.
Uitmunten, muntte uit, heeft uitgemunt.
Uitmuntend, -muntender, -muntendst.
Uitmuntendheid, V.
Uitnemen, nam uit, namen uit, heeft uitgenomen.
Uitnemend, -nemender, -nemendst.
Uitnemendheid, V.
Uitnijpen, neep uit, nepen uit, heeft uitgenepen.
Uitnooden, noodde uit, heeft uitgenood.
Uitnoodigen, noodigde uit, heeft uitgenoodigd.
Uitnoodiger, M., -noodigers.
Uitnoodiging, V., -noodigingen.
Uitoefenen, oefende uit, heeft uitgeoefend.
Uitoefening, V.
Uitpakkamer, V., -kamers.
Uitpakken, pakte uit, heeft uitgepakt.
Uitpakker, M., -pakkers.
Uitpakking, V.
Uitpalmen, palmde uit, heeft uitgepalmd.
Uitpellen, pelde uit, heeft uitgepeld.
Uitpennen, pende uit, heeft uitgepend.
Uitpersen, perste uit, heeft uitgeperst.
Uitpersing, V., -persingen.
Uitpeuteren, peuterde uit, heeft uitgepeuterd.
Uitpeuzelen, peuzelde uit, heeft uitgepeuzeld.
Uitpikken, pikte uit, heeft uitgepikt.
Uitploegen, ploegde uit, heeft uitgeploegd.
Uitpluizen, ploos uit, plozen uit, heeft uitgeplozen.
Uitpluizer, M., -pluizers.
Uitpluizing, V., -pluizingen.
Uitplukken, plukte uit, heeft uitgeplukt.
Uitplunderen, plunderde uit, heeft uitgeplunderd.
Uitplundering, V.
Uitpoepen, poepte uit, heeft uitgepoept.
Uitpoetsen, poetste uit, heeft uitgepoetst.
Uitpoken, pookte uit, heeft uitgepookt.
Uitpompen, pompte uit, heeft uitgepompt.
Uitpooien, pooide uit, heeft uitgepooid.
Uitpoten, pootte uit, heeft uitgepoot.
Uitpraten, praatte uit, heeft en is uitgepraat.
Uitproesten, proestte uit, heeft uitgeproest.
Uitpuilen, puilde uit, heeft en is uitgepuild.
Uitpuiling, V., -puilingen.
Uitputten, putte uit, heeft uitgeput.
Uitputting, V.
Uitrafelen, rafelde uit, heeft en is uitgerafeld.
Uitrafeling, V.
Uitraken, raakte uit, is uitgeraakt.
Uitrammelen, rammelde uit, heeft uitgerammeld.
Uitrazen, raasde uit, heeft uitgeraasd.
Uitredden, redde uit, heeft uitgered.
Uitredder, M., -redders.
Uitredding, V., -reddingen.
Uitreeden, reedde uit, heeft uitgereed.
Uitreeder, M., -reeders.
Uitreeding, V., -reedingen.
Uitregenen, regende uit, heeft en is uitgeregend.
Uitreiken, reikte uit, heeft uitgereikt.
Uitreiker, M., -reikers.
Uitreiking, V., -reikingen.
Uitreis, V., -reizen.
Uitreizen, reisde uit, is uitgereisd.
Uitrekenen, rekende uit, heeft uitgerekend.
Uitrekening, V., -rekeningen.
Uitrekken, rekte uit, heeft en is uitgerekt.
Uitrekking, V., -rekkingen.
Uitrennen, rende uit, is uitgerend.
Uitrichten, richtte uit, heeft uitgericht.
Uitrijden, reed uit, reden uit, is en heeft uitgereden.
Uitrijzen, rees uit, rezen uit, is uitgerezen.
Uitroeien (verdelgen), roeide uit, heeft uitgeroeid.
Uitroeien (met een vaartuig), roeide uit, is en heeft uitgeroeid.
Uitroeier, M., -roeiers.
Uitroeiing, V.
Uitroep, M., -roepen.
Uitroepen, riep uit, heeft uitgeroepen.
Uitroeper, M., -roepers.
Uitroeping, V., -roepingen.
Uitroepingsteeken, O., -teekens.
Uitroepteeken, O., -teekens.
Uitrollen, rolde uit, heeft en is uitgerold.
Uitronken, ronkte uit, heeft uitgeronkt.
Uitrooken, rookte uit, heeft uitgerookt.
Uitrotten, rotte uit, is uitgerot.
Uitrukken, rukte uit, heeft en is uitgerukt.
Uitrukking, V.
Uitrusten (zijne rust nemen), rustte uit, heeft en is uitgerust.
Uitrusten (van 't noodige voorzien). rustte uit, heeft uitgerust.
Uitrusting, V., -rustingen.
Uitschakelen, schakelde uit, heeft uitgeschakeld.
Uitschateren, schaterde uit, heeft en is uitgeschaterd.
Uitschaven, schaafde uit, heeft uitgeschaafd.
Uitscheiden, scheidde uit, is uitgescheiden.
Uitschelden, schold uit, heeft uitgescholden.
Uitschenken, schonk uit, heeft uitgeschonken.
Uitscheppen, schepte uit, heeft uitgeschept.
Uitschepping, V.
Uitscheren, schoor uit, schoren uit, heeft uitgeschoren.
Uitschetteren, schetterde uit, heeft uitgeschetterd.
Uitscheuren, scheurde uit, heeft en is uitgescheurd.
Uitschieten, schoot uit, schoten uit, heeft en is uitgeschoten.
Uitschiften, schifte uit, heeft uitgeschift.
Uitschijnen, scheen uit, schenen uit, heeft uitgeschenen.
Uitschijnsel, O., -schijnsels.
Uitschilderen, schilderde uit, heeft uitgeschilderd.
Uitschitteren, schitterde uit, heeft uitgeschitterd.
Uitschoppen, schopte uit, heeft uitgeschopt.
Uitschot, O., -schotten. Uitschotje, O., -jes.
Uitschraapsel, O., -schraapsels.
Uitschrabben, schrabde uit, heeft uitgeschrabd.
Uitschrabbing, V., -schrabbingen.
Uitschrabsel, O., -schrabsels.
Uitschrapen, schraapte uit, heeft uitgeschraapt.
Uitschrappen, schrapte uit, heeft uitgeschrapt.
Uitschrapping, V., -schrappingen.
Uitschrapsel, O., -schrapsels.
Uitschreeuwen, schreeuwde uit, heeft uitgeschreeuwd.
Uitschreien, schreide uit, heeft uitgeschreid.
Uitschrijven, schreef uit, schreven uit, heeft uitgeschreven.
Uitschrijver, M., -schrijvers.
Uitschrijving, V., -schrijvingen.
Uitschrobben, schrobde uit, heeft uitgeschrobd.
Uitschudden, schudde uit, heeft uitgeschud.
Uitschudding, V.
Uitschuieren, schuierde uit, heeft uitgeschuierd.
Uitschuiven, schoof uit, schoven uit, heeft en is uitgeschoven.
Uitschuiving, V.
Uitschuld, V., -schulden.
Uitschulpen, schulpte uit, heeft uitgeschulpt.
Uitschulping, V., -schulpingen.
Uitschutten, schutte uit, heeft uitgeschut.
Uitsijpelen, sijpelde uit, heeft en is uitgesijpeld.
Uitslaan, slaat uit, sloeg uit, heeft en is uitgeslagen.
Uitslag, M.
Uitslapen, sliep uit, heeft en is uitgeslapen.
Uitslijpen, sleep uit, slepen uit, heeft uitgeslepen.
Uitslijten, sleet uit, sleten uit, heeft en is uitgesleten.
Uitslijter, M., -slijters.
Uitslijting, V.
Uitslobberen, slobberde uit, heeft uitgeslobberd.
Uitsloopen, sloopte uit, heeft uitgesloopt.
Uitslorpen en Uitslurpen, slorpte (slurpte) uit, heeft uitgeslorpt (uitgeslurpt).
Uitsloven (zich -), sloofde zich uit, heeft zich uitgesloofd.
Uitsluipen, sloop uit, slopen uit, is uitgeslopen.
Uitsluiten, sloot uit, sloten uit, heeft uitgesloten.
Uitsluitend.
Uitsluiting, V.
Uitsluitsel, O.
Uitslurpen. Zie Uitslorpen.
Uitsmeden, smeedde uit, heeft uitgesmeed.
Uitsmelten, smolt uit, heeft uitgesmolten.
Uitsmelting, V.
Uitsmijten, smeet uit, smeten uit, heeft uitgesmeten.
Uitsnappen, snapte uit, heeft uitgesnapt.
Uitsnellen, snelde uit, is uitgesneld.
Uitsnijden, sneed uit, sneden uit, heeft en is uitgesneden.
Uitsnijding, V., -snijdingen.
Uitsnijdsel, O., -snijdsels.
Uitsnorken, snorkte uit, heeft uitgesnorkt.
Uitsnuiten, snoot uit, snoten uit, heeft uitgesnoten.
Uitsnuiven, snoof uit, snoven uit, heeft en is uitgesnoven.
Uitsoppen, sopte uit, heeft uitgesopt.
Uitspanen, spaande uit, heeft uitgespaand.
Uitspannen, spande uit, heeft uitgespannen.
Uitspanning, V., -spanningen. Uitspanninkje, O., -jes.
Uitspanningsplaats, V., -plaatsen.
Uitspansel, O.
Uitsparen, spaarde uit, heeft uitgespaard.
Uitsparing, V., -sparingen.
Uitspatten, spatte uit, heeft en is uitgespat.
Uitspatting, V., -spattingen.
Uitspelen, speelde uit, heeft uitgespeeld.
Uitspellen, spelde uit, heeft uitgespeld.
Uitspinnen, spon uit, sponnen uit, heeft en is uitgesponnen.
Uitspitten, spitte uit, heeft uitgespit.
Uitspoelen, spoelde uit, heeft en is uitgespoeld.
Uitspoeling, V., -spoelingen.
Uitspoelsel, O., -spoelsels.
Uitspoken, spookte uit, heeft uitgespookt.
Uitsporig, -sporiger, -sporigst.
Uitsporigheid, V., -heden.
Uitspraak, V., -spraken.
Uitspreiden, spreidde uit, heeft uitgespreid.
Uitspreiding, V.
Uitspreken, sprak uit, spraken uit, heeft uitgesproken.
Uitspringen, sprong uit, heeft en is uitgesprongen.
Uitspruiten, sproot uit, sproten uit, is uitgesproten.
Uitspruiting, V.
Uitspruitsel, O., -spruitsels.
Uitspugen, spoog uit, spogen uit, heeft uitgespogen.
Uitspuien, spuide uit, heeft uitgespuid.
Uitspuiten, spoot uit, spoten uit, heeft uitgespoten.
Uitspuwen, spuwde uit, heeft uitgespuwd.
Uitspuwing, V.
Uitspuwsel, O., -spuwsels.
Uitstaan, staat uit, stond uit, heeft uitgestaan.
Uitstallen, stalde uit, heeft uitgestald.
Uitstalling, V., -stallingen.
Uitstamelen, stamelde uit, heeft uitgestameld.
Uitstampen, stampte uit, heeft uitgestampt.
Uitstap, M., -stappen. Uitstapje, O., -jes.
Uitstappen, stapte uit, is uitgestapt.
Uitsteeksel, O., -steeksels.
Uitstek, O., -stekken. Uitstekje, O., -jes.
Uitsteken, stak uit, staken uit, heeft uitgestoken.
Uitstekend, -stekender, -stekendst.
Uitstekendheid, V.
Uitstel, O.
Uitstellen, stelde uit, heeft uitgesteld.
Uitsterven, stierf uit, stierven uit, is uitgestorven.
Uitsterving, V.
Uitstoelen, stoelde uit, heeft uitgestoeld.
Uitstoffen, stofte uit, heeft uitgestoft.
Uitstooten, stiet uit, heeft uitgestooten; ook stootte uit.
Uitstooting, V.
Uitstorten, stortte uit, heeft uitgestort.
Uitstorting, V., -stortingen.
Uitstoven, stoofde uit, heeft en is uitgestoofd.
Uitstralen, straalde uit, heeft en is uitgestraald.
Uitstraling, V.
Uitstralingsvermogen, O.
Uitstrekken, strekte uit, heeft uitgestrekt.
Uitstrekking, V.
Uitstrepen, streepte uit, heeft uitgestreept.
Uitstrijken, streek uit, streken uit, heeft uitgestreken.
Uitstrooien, strooide uit, heeft uitgestrooid.
Uitstrooier, M., -strooiers.
Uitstrooiing, V.
Uitstrooisel, O., -strooisels.
Uitstrooister, V., -strooisters.
Uitstroomen, stroomde uit, heeft en is uitgestroomd.
Uitstrooming, V.
Uitstroopen, stroopte uit, heeft uitgestroopt.
Uitstudeeren, studeerde uit, heeft en is uitgestudeerd.
Uitstuiven, stoof uit, stoven uit, is uitgestoven.
Uitsturen, stuurde uit, heeft uitgestuurd.
Uitsullen, sulde uit, is uitgesuld.
Uittakelen, takelde uit, heeft uitgetakeld.
Uittanden, tandde uit, heeft uitgetand.
Uittanding, V., -tandingen.
Uittappen, tapte uit, heeft uitgetapt.
Uittarten, tartte uit, heeft uitgetart.
Uittarting, V., -tartingen.
Uitteekenen, teekende uit, heeft uitgeteekend.
Uitteezen, teesde uit, heeft uitgeteesd.
Uittellen, telde uit, heeft uitgeteld.
Uitteren, teerde uit, heeft en is uitgeteerd.
Uittering, V.
Uittieren, tierde uit, heeft uitgetierd.
Uittocht, M., -tochten.
Uittoeten, toette uit, heeft uitgetoet.
Uittrappen, trapte uit, heeft uitgetrapt.
Uittreden, trad uit, traden uit, heeft en is uitgetreden.
Uittrekken, trok uit, trokken uit, heeft en is uitgetrokken.
Uittrekking, V.
Uittreksel, O., -treksels. Uittrekseltje, O., -jes.
Uittrektafel, V., -tafels.
Uittrommelen, trommelde uit, heeft uitgetrommeld.
Uittrompetten, trompette uit, heeft uitgetrompet.
Uittrouwen, trouwde uit, heeft uitgetrouwd.
Uitvaagsel, O., -vaagsels.
Uitvaardigen, vaardigde uit, heeft uitgevaardigd.
Uitvaardiging, V.
Uitvaart, V., -vaarten.
Uitval, M., -vallen.
Uitvallen, viel uit, is uitgevallen.
Uitvalpoort, V., -poorten.
Uitvaren, voer uit, is en heeft uitgevaren.
Uitvasten, vastte uit, heeft uitgevast.
Uitveegsel, O., -veegsels.
Uitvegen, veegde uit, heeft uitgeveegd.
Uitveilen (verkoopen), veilde uit, heeft uitgeveild.
Uitveiling, V.
Uitvenen, veende uit, heeft uitgeveend.
Uitvening, V., -veningen.
Uitventen, ventte uit, heeft uitgevent.
Uitventer, M., -venters.
Uitventing, V.
Uitverkiezing, V.
Uitverkoop, M.
Uitverkoopen, verkocht uit, heeft uitverkocht.
Uitverkooper, M., -verkoopers.
Uitverkoren (bnw.).
Uitverkorene, M. en V., -verkorenen.
Uitvertellen, vertelde uit, heeft uitverteld.
Uitverzoeken, verzocht uit, heeft uitverzocht.
Uitveteren, veterde uit, heeft uitgeveterd.
Uitvetering, V., -veteringen.
Uitvezelen, vezelde uit, is uitgevezeld.
Uitvieren, vierde uit, heeft uitgevierd.
Uitviering, V.
Uitvijlen (met een vijl), vijlde uit, heeft uitgevijld.
Uitvijling, V.
Uitvinden, vond uit, heeft uitgevonden.
Uitvinder, M., -vinders.
Uitvinding, V., -vindingen.
Uitvindsel, O., -vindsels en -vindselen.
Uitvindster, V., -vindsters.
Uitvisschen, vischte uit, heeft uitgevischt.
Uitvlakken, vlakte uit, heeft uitgevlakt.
Uitvliegen, vloog uit, vlogen uit, is uitgevlogen.
Uitvlieger, M., -vliegers.
Uitvloeien, vloeide uit, is uitgevloeid.
Uitvloeiing, V.
Uitvloeisel, O., -vloeisels en -vloeiselen.
Uitvloeken, vloekte uit, heeft uitgevloekt.
Uitvlucht, V., -vluchten. Uitvluchtje, O., -jes.
Uitvoer, M., -voeren.
Uitvoerartikel, O., -artikelen.
Uitvoerbaar, -bare.
Uitvoerbaarheid, V.
Uitvoerder, M., -voerders.
Uitvoeren, voerde uit, heeft uitgevoerd.
Uitvoerhandel, M.
Uitvoerig, -voeriger, -voerigst.
Uitvoerigheid, V.
Uitvoering, V., -voeringen.
Uitvoerlijk.
Uitvoerlijkheid, V.
Uitvoerrecht, O., -rechten.
Uitvoerster, V., -voersters.
Uitvorschen, vorschte uit, heeft uitgevorscht.
Uitvorsching, V.
Uitvouwen, vouwde uit, heeft uitgevouwen.
Uitvraagster, V., -vraagsters.
Uitvragen, vraagde uit, heeft uitgevraagd; ook vroeg uit.
Uitvrager, M., -vragers.
Uitvraging, V., -vragingen.
Uitvreten, vrat uit, vraten uit, heeft uitgevreten.
Uitvreting, V.
Uitvriezen, vroor uit, vroren uit, heeft en is uitgevroren.
Uitwaaien, waaide uit, heeft en is uitgewaaid; ook woei uit, woeien uit.
Uitwaarts.
Uitwaken, waakte uit, heeft en is uitgewaakt.
Uitwandelen, wandelde uit, heeft en is uitgewandeld.
Uitwannen, wande uit, heeft uitgewand.
Uitwas, O., -wassen. Uitwasje, O., -jes.
Uitwasemen, wasemde uit, heeft uitgewasemd.
Uitwaseming, V., -wasemingen.
Uitwasschen, wiesch uit, wieschen uit, heeft uitgewasschen.
Uitwassching, V., -wasschingen.
Uitwassen, wies uit, wiesen uit, is uitgewassen.
Uitwateren, waterde uit, heeft en is uitgewaterd.
Uitwatering, V., -wateringen.
Uitwateringskanaal, O., -kanalen.
Uitwateringssluis, V., -sluizen.
Uitweeken, weekte uit, heeft en is uitgeweekt.
Uitweeking, V., -weekingen.
Uitweenen, weende uit, heeft uitgeweend.
Uitweg, M., -wegen. Uitwegje, O., -jes.
Uitwegen, woog uit, wogen uit, heeft uitgewogen.
Uitweiden, weidde uit, heeft uitgeweid.
Uitweiding, V., -weidingen.
Uitwendig.
Uitwendigheid, V., -heden.
Uitwerken, werkte uit, heeft uitgewerkt.
Uitwerker, M., -werkers.
Uitwerking, V., -werkingen.
Uitwerksel, O., -werksels en -werkselen.
Uitwerpen, wierp uit, heeft uitgeworpen.
Uitwerping, V.
Uitwerpsel, O., -werpsels en -werpselen.
Uitwieden, wiedde uit, heeft uitgewied.
Uitwijkeling, M. en V., -wijkelingen. V. ook -wijkelinge.
Uitwijken, week uit, weken uit, is uitgeweken.
Uitwijking, V.
Uitwijzen, wees uit, wezen uit, heeft uitgewezen.
Uitwijzing, V.
Uitwinden, wond uit, heeft uitgewonden.
Uitwinnen, won uit, wonnen uit, heeft uitgewonnen.
Uitwinning, V., -winningen.
Uitwippen, wipte uit, heeft en is uitgewipt.
Uitwisschen, wischte uit, heeft uitgewischt.
Uitwissching, V.
Uitwisselen, wisselde uit, heeft uitgewisseld.
Uitwisseling, V., -wisselingen.
Uitwoeden, woedde uit, heeft uitgewoed.
Uitwoekeren, woekerde uit, heeft uitgewoekerd.
Uitwonen, woonde uit, heeft uitgewoond.
Uitwrijven, wreef uit, wreven uit, heeft uitgewreven.
Uitwringen, wrong uit, heeft uitgewrongen.
Uitzaaien, zaaide uit, heeft uitgezaaid.
Uitzaaiing, V.
Uitzagen, zaagde uit, heeft uitgezaagd.
Uitzakken, zakte uit, is uitgezakt.
Uitzakking, V., -zakkingen.
Uitzeemen, zeemde uit, heeft uitgezeemd.
Uitzeilen, zeilde uit, heeft en is uitgezeild.
Uitzeiling, V.
Uitzenden, zond uit, heeft uitgezonden.
Uitzending, V., -zendingen.
Uitzet, O., -zetten. Uitzetje, O., -jes.
Uitzetijzer, O., -ijzers.
Uitzetten, zette uit, heeft en is uitgezet.
Uitzetting, V., -zettingen.
Uitzettingscoëfficiënt, M., -coëfficiënten.
Uitzettingsdecreet, O., -decreten.
Uitzicht, O., -zichten.
Uitzieden, zood uit, zoden uit, heeft uitgezoden.
Uitzieken, ziekte uit, heeft en is uitgeziekt.
Uitzien, zag uit, zagen uit, heeft uitgezien.
Uitziften, ziftte uit, heeft uitgezift.
Uitzifter, M., -zifters.
Uitzifting, V.
Uitzijgen, zeeg uit, zegen uit, heeft en is uitgezogen.
Uitzingen, zong uit, heeft uitgezongen.
Uitzinnig, -zinniger, -zinnigst.
Uitzinnigheid, V.
Uitzitten, zat uit, zaten uit, heeft uitgezeten.
Uitzoeken, zocht uit, heeft uitgezocht.
Uitzoeking, V., -zoekingen.
Uitzonderen, zonderde uit, heeft uitgezonderd.
Uitzondering, V., -zonderingen.
Uitzuigen, zoog uit, zogen uit, heeft uitgezogen.
Uitzuiger, M., -zuigers.
Uitzuiging, V.
Uitzuigster, V., -zuigsters.
Uitzuinigen, zuinigde uit, heeft uitgezuinigd.
Uitzuiniging, V., -zuinigingen.
Uitzuipen, zoop uit, zopen uit, heeft uitgezopen.
Uitzuren, zuurde uit, heeft en is uitgezuurd.
Uitzwavelen, zwavelde uit, heeft uitgezwaveld.
Uitzweepen, zweepte uit, heeft uitgezweept.
Uitzweeten, zweette uit, heeft uitgezweet.
Uitzwemmen, zwom uit, zwommen uit, is en heeft uitgezwommen.
Uitzweren, zwoor uit, zworen uit, heeft en is uitgezworen.
Ulaan, M., ulanen.
Ulevel, V., ulevellen. Ulevelletje, O., -jes.
Ulevellepapiertje, O., -jes.
Ulster, M., ulsters.
Ultimatum, O., ultimatums.
Ultra, M., ultra's.
Ultramarijn, O.
Ultramontaan, M., ultramontanen.
Ultramontaansch.
Unaniem, unanieme.
Unanimiteit, V.
Unie, V., unies.
Uniek, unieke.
Uniform, V., uniformen.
Uniformiteit, V.
Uniformpet, V.
Universeel, universeele.
Universitair.
Universiteit, V., universiteiten.
Universiteitsbibliotheek, V., -bibliotheken.
Universiteitsfonds, O., -fondsen.
Universiteitsgebouw, O., -gebouwen.
Unjer (plant), V.
Unster, V., unsters. Unstertje, O., -jes.
Ure. Zie Uur.
Urgent, urgenter, urgentst.
Urgentie, V.
Urine, V.
Urineeren, urineerde, heeft geurineerd.
Urinoir, O., urinoirs.
Urmen, urmde, heeft geürmd.
Urne en Urn, V., urnen.
Usantie en Usance, V., usantiën, usanties en usances.
Uso, O.
Usurpatie, V., usurpatiën en usurpaties.
Usurpeeren, usurpeerde, heeft geüsurpeerd.
Utiliseeren, utiliseerde, heeft geütiliseerd.
Utiliteitsbeginsel, O.
Utopie, V., utopieën.
Utopist, M., utopisten.
Uur, O., en Ure, V., uren. Uurtje, O., -jes.
Uuraanwijzer, M., -aanwijzers.
Uurbord, O., -borden.
Uurglas, O., -glazen.
Uurwerk, O., -werken.
Uurwerkmaker, M., -makers.
Uurwijzer, M., -wijzers.
Uw.
Uwent (Te -).
Uwenthalve.
Uwentwege.
Uwentwil (Om -).
V
V, V., v's.
Vaag, V.
Vaag, vager, vaagst.
Vaagheid, V.
Vaak, M.
Vaak, vaker, vaakst.
Vaal, valer, vaalst.
Vaalbont.
Vaalbruin.
Vaalgeel, -gele.
Vaalgroen.
Vaalheid, V.
Vaalt, V., vaalten.
Vaam (vadem, als houtmaat), M., vamen.
Vaamhout, O.
Vaan, V., vanen. Vaantje, O., -jes.
Vaandel, O., vaandels en vaandelen.
Vaandeldrager, M., -dragers.
Vaandrig, M., vaandrigs.
Vaandrigplaats, V., -plaatsen.
Vaanstaart, M., -staarten.
Vaaraal, M., -alen.
Vaarbaar, -bare.
Vaardig, vaardiger, vaardigst.
Vaardigheid, V.
Vaargeul, V., -geulen.
Vaarkoe, V., -koeien; -koetje, O., -jes.
Vaarploeg, V., -ploegen.
Vaars, V., vaarzen. Vaarsje, O., -jes.
Vaarschroef, V., -schroeven.
Vaart, V., vaarten. Vaartje, O., -jes.
Vaartuig, O., -tuigen; -tuigje, O., -jes.
Vaarwater, O., -waters en -wateren.
Vaarwel, tusschenw. Als znw., O.
Vaarwelzeggen, zeide vaarwel, heeft vaarwelgezegd en -gezeid.
Vaas, V., vazen. Vaasje, O., -jes.
Vaat (de vaten, het vaatwerk), mv., O.
Vaatbundel, M., -bundels.
Vaatdoek, M., -doeken; -doekje, O., -jes.
Vaatgeld, O.
Vaatgestel, O., -gestellen.
Vaathout, O.
Vaatje. Zie Vat.
Vaatkwast en Vatenkwast, M., -kwasten.
Vaatsch.
Vaatschheid, V.
Vaatwater, O.
Vaatwerk, O.
Vacant.
Vacantie, V., vacantiën en vacanties.
Vacantiedag, M., -dagen.
Vacantiekamer, V., -kamers.
Vacantiekolonie, V., -koloniën -kolonies.
Vacantietijd, M.
Vacantiewerk, O.
Vacatie, V., vacatiën en vacaties.
Vacatiegelden (mv.), O.
Vacatuur en Vacature, V., vacaturen en vacatures.
Vaccinatie, V.
Vaccinatiebewijs, O., -bewijzen.
Vaccine, V.
Vaccineeren, vaccineerde, heeft gevaccineerd.
Vaceeren, vaceerde, heeft gevaceerd.
Vacht, V., vachten. Vachtje, O., -jes.
Vadem, M., vademen. (Verg. Vaam).
Vademecum, O., vademecums.
Vademen, vademde, heeft gevademd.
Vader, M., vaders en vaderen. Vadertje, O., -jes.
Vaderachtig.
Vaderhuis, O.
Vaderland, O.
Vaderlander, M., -landers.
Vaderlandlievend.
Vaderlandsch.
Vaderlandschgezind.
Vaderlandsliefde, V.
Vaderlief (lieve vader).
Vaderlief (slaapmuts), M., -liefs; -liefje, O., -jes.
Vaderlijk, -lijker, -lijkst.
Vaderlijkheid, V.
Vaderloos, -looze.
Vadermoord, M.
Vadermoorder, M., -moorders.
Vaderschap, O.
Vaderstad, V.
Vadervreugde, V.
Vadsig, vadsiger, vadsigst.
Vadsigheid, V.
Vagebond, M., vagebonden.
Vagevuur, O.
Vak, O., vakken. Vakje, O., -jes.
Vakerig, vakeriger, vakerigst.
Vakgenoot, M. en V., -genooten.
Vakleerling, M. en V., -leerlingen.
Vakschool, V., -scholen.
Vakstudie, V.
Vaktijdschrift, O., -tijdschriften.
Vakvereeniging, V., -vereenigingen.
Val (het vallen), M., vallen. Valletje, O., -jes.
Val (vangknip), V., vallen. Valletje, O., -jes.
Val (talie, lijn), O., vallen.
Valabel.
Valbijl, V., -bijlen.
Valblok, O., -blokken en -bloks.
Valbrug, V., -bruggen.
Valdeur, V., -deuren.
Valeriaan, V. en O.
Valeriaanzuur, O.
Valgordijn, O., -gordijnen.
Valhoed, M., -hoeden; -hoedje, O., -jes.
Valideeren, valideerde, heeft gevalideerd.
Validiteit, V.
Valies, O., valiezen. Valiesje, O., -jes.
Valk, M., valken. Valkje, O., -jes.
Valkenei, O., -eieren.
Valkenier, M., valkenieren en valkeniers.
Valkeniershandschoen, M., -handschoenen.
Valkenierstasch, V., -tasschen.
Valkenjacht, V., -jachten.
Valkenoog, O., -oogen.
Valkenvlucht, V.
Valkerij, V.
Valkeveer, V., -veeren.
Valkruid, O.
Vallei, V., valleien. Valleitje, O., -jes.
Vallen, viel, is gevallen.
Vallicht, O., -lichten.
Valling, V.
Valluik, O., -luiken; -luikje, O., -jes.
Valmuur, M., -muren.
Valnet, O., -netten.
Valpoort, V., -poorten.
Valreep, M., -reepen.
Valreepsbord, O., -borden.
Valreepsgast, M., -gasten.
Valreepsklamp, M., -klampen.
Valreepsknoop, M., -knoopen.
Valreepstrap, V.
Valsch, valscher, meest valsch.
Valschaard, M., valschaards.
Valschelijk.
Valscherm, O., -schermen.
Valschheid, V., -heden.
Valschut, O., -schutten.
Valstrik, M., -strikken; -strikje, O., -jes.
Valwind, M., -winden.
Vampier, M., vampiers.
Van.
Van (geslachtsnaam), M., vannen.
Vandaag.
Vandaal, M., Vandalen.
Vandaan.
Vandaar.
Vandalisme, O.
Vandehandsch en Vanderhandsch (bnw.).
Vaneen.
Vaneenbarsten, barstte vaneen, is vaneengebarsten; ook borst vaneen, is vaneengeborsten.
Vaneenbersten. Zie Vaneenbarsten.
Vaneenrijten, reet vaneen, reten vaneen, heeft vaneengereten.
Vaneenrukken, rukte vaneen, heeft vaneengerukt.
Vaneenscheiden, scheidde vaneen, heeft en is vaneengescheiden.
Vaneenscheuren, scheurde vaneen, heeft en is vaneengescheurd.
Vaneensplijten, spleet vaneen, spleten vaneen, heeft en is vaneengespleten.
Vaneenspringen, sprong vaneen, is vaneengesprongen.
Vang, V., vangen.
Vangarm, M., -armen.
Vangbal, M., -ballen; -balletje, O., -jes.
Vangband, M., -banden.
Vangboom, M., -boomen.
Vangbord, O., -borden.
Vangdam, M., -dammen.
Vangdraad, M., -draden.
Vangen, ving, heeft gevangen.
Vanger, M., vangers. Vangertje, O., -jes.
Vanghaak, M., -haken.
Vangijzer, O., -ijzers.
Vanglijn, V., -lijnen.
Vangrad, O., -raderen.
Vangst, V., vangsten. Vangstje, O., -jes.
Vangster, V., vangsters.
Vangstok, M., -stokken.
Vangtouw, O., -touwen.
Vangwater, O.
Vangwiel, O., -wielen.
Vanhier.
Vanielje, V. Ook Vanille.
Vanieljeboom, M., -boomen.
Vanielje-ijs, O.
Vanieljelikeur, V.
Vanieljestokje, O., -jes.
Vannieuws.
Vanouds.
Vanwaar.
Vanwege.
Vanzelf en Vanzelve.
Var, M., varren.
Varen, V., varens.
Varen, voer, heeft en is gevaren.
Varenbed, O., -bedden; -bedje, O., -jes.
Varenkussen, O., -kussens; -kussentje, O., -jes.
Varensgezel, M., -gezellen.
Varensman, M., -lieden en -lui.
Varenstijd, M.
Varensvolk, O.
Variant, V., varianten.
Variatie, V., variaties en variatiën.
Varieeren, varieerde, heeft gevarieerd.
Variëteit, V., variëteiten.
Varinas, V.
Varken, O., varkens. Varkentje, O., -jes.
Varkenachtig, -achtiger, -achtigst.
Varkenen, varkende, heeft gevarkend.
Varkensblaas, V., -blazen.
Varkensborstel, M., -borstels.
Varkensbrood, O.
Varkensdarm, M., -darmen.
Varkensdistel, V., -distels.
Varkensdraf, M.
Varkensdrijver, M., -drijvers.
Varkensfokker, M., -fokkers.
Varkensfokkerij, V., -fokkerijen.
Varkensgras, O.
Varkenshaar, O.
Varkenshok, O., -hokken.
Varkenshoofd, O., -hoofden.
Varkenskarbonade, V., -karbonaden.
Varkenskers, V.
Varkensklaver, V.
Varkenskluifje, O., -kluifjes.
Varkenskooper, M., -koopers.
Varkenskop, M., -koppen.
Varkenskost, M.
Varkenskot, O., -kotten.
Varkenskrap, V., -krappen; -krapje, O., -jes.
Varkensleder en -leer, O.
Varkenslever, V., -levers.
Varkensmaag, V., -magen.
Varkensmarkt, V., -markten.
Varkensmest, M.
Varkensnier, V., -nieren.
Varkensoog, O., -oogen.
Varkensoor, O., -ooren.
Varkenspoot, M., -pooten.
Varkensreuzel, V.
Varkensrib, V., -ribben; -ribje en -ribbetje, O., -jes.
Varkensrug, M., -ruggen.
Varkensschijf, V., -schijven; -schijfje, O., -jes.
Varkensschot, O., -schotten.
Varkensslachter, M., -slachters.
Varkensslager, M., -slagers.
Varkenssnuit, M., -snuiten.
Varkensspek, O.
Varkensspoeling, V.
Varkensstaart, M., -staarten.
Varkensstal, M., -stallen.
Varkenstrog, M., -troggen.
Varkensvet, O.
Varkensvleesch, O.
Varkensvoer, O.
Varkensworst, V., -worsten.
Varkensziekte, V.
Varschebalie. Zie Verschebalie.
Vast, vaster.
Vast (bijw.).
Vastbakken, bakte vast, is vastgebakken.
Vastberaden, -beradener, -beradenst.
Vastberadenheid, V.
Vastbinden, bond vast, heeft vastgebonden.
Vastblijven, bleef vast, bleven vast, is vastgebleven.
Vastboeien, boeide vast, heeft vastgeboeid.
Vastdraaien, draaide vast, heeft vastgedraaid.
Vastdrukken, drukte vast, heeft vastgedrukt.
Vasteland, O.
Vastelandsklimaat, O.
Vastelijk.
Vasten, V.
Vasten, vastte, heeft gevast.
Vastenavond, M., -avonden.
Vastenavondgek, M., -gekken.
Vastenavondvreugd, V.
Vastenbrief, M., -brieven.
Vastendag (dag van kerkelijke vasten), M., -dagen.
Vastenpreek, V., -preeken.
Vastentijd, M.
Vastgespen, gespte vast, heeft vastgegespt.
Vastgrijpen, greep vast, grepen vast, heeft vastgegrepen.
Vastgroeien, groeide vast, is vastgegroeid.
Vasthaken, haakte vast, heeft vastgehaakt.
Vasthebben, heeft vast, had vast, hadden vast, heeft vastgehad.
Vasthechten, hechtte vast, heeft vastgehecht.
Vastheid, V.
Vasthouden, hield vast, heeft vastgehouden.
Vasthoudend, -houdender, -houdendst.
Vasthoudendheid, V.
Vastigheid, V., -heden.
Vastkeggen, kegde vast, heeft vastgekegd.
Vastketenen, ketende vast, heeft vastgeketend.
Vastklampen, klampte vast, heeft vastgeklampt.
Vastklemmen, klemde vast, heeft vastgeklemd.
Vastkleven, kleefde vast, is vastgekleefd.
Vastklinken, klonk vast, heeft vastgeklonken.
Vastkloppen, klopte vast, heeft vastgeklopt.
Vastkluisteren, kluisterde vast, heeft vastgekluisterd.
Vastknoopen, knoopte vast, heeft vastgeknoopt.
Vastkoppelen, koppelde vast, heeft vastgekoppeld.
Vastkruien, krooi vast, krooien vast, is vastgekrooien; ook kruide vast, is vastgekruid.
Vastlakken, lakte vast, heeft vastgelakt.
Vastleggen, legde vast en leide vast, heeft vastgelegd en vastgeleid.
Vastliggen, lag vast, lagen vast, heeft vastgelegen.
Vastlijmen, lijmde vast, heeft vastgelijmd.
Vastloopen, liep vast, is vastgeloopen.
Vastmaken, maakte vast, heeft vastgemaakt.
Vastmetselen, metselde vast, heeft vastgemetseld.
Vastnaaien, naaide vast, heeft vastgenaaid.
Vastnagelen, nagelde vast, heeft vastgenageld.
Vastnestelen (zich -), nestelde zich vast, heeft zich vastgenesteld.
Vastplakken, plakte vast, heeft en is vastgeplakt.
Vastpluggen, plugde vast, heeft vastgeplugd.
Vastpraten, praatte vast, heeft vastgepraat.
Vastprikken, prikte vast, heeft vastgeprikt.
Vastraken, raakte vast, is vastgeraakt.
Vastredeneeren, redeneerde vast, heeft vastgeredeneerd.
Vastrijgen, reeg vast, regen vast, heeft vastgeregen.
Vastroeien, roeide vast, heeft en is vastgeroeid.
Vastschroeien, schroeide vast, heeft en is vastgeschroeid.
Vastschroeven, schroefde vast, heeft vastgeschroefd.
Vastslaan, slaat vast, sloeg vast, heeft vastgeslagen.
Vastsmeden, smeedde vast, heeft vastgesmeed.
Vastsnoeren, snoerde vast, heeft vastgesnoerd.
Vastsoldeeren, soldeerde vast, heeft vastgesoldeerd.
Vastspelden, speldde vast, heeft vastgespeld.
Vastspijkeren, spijkerde vast, heeft vastgespijkerd.
Vaststaan, staat vast, stond vast, heeft vastgestaan.
Vaststeken, stak vast, staken vast, heeft vastgestoken.
Vaststellen, stelde vast, heeft vastgesteld.
Vaststelling, V.
Vaststrikken, strikte vast, heeft vastgestrikt.
Vaststuren, stuurde vast, heeft vastgestuurd.
Vaststuwen, stuwde vast, heeft vastgestuwd.
Vasttimmeren, timmerde vast, heeft vastgetimmerd.
Vasttrappen, trapte vast, heeft vastgetrapt.
Vastvaren, voer vast, heeft en is vastgevaren.
Vastvlechten, vlocht vast, heeft vastgevlochten.
Vastvriezen, vroor vast, vroren vast, is vastgevroren en vastgevrozen.
Vastwerken, werkte vast, heeft vastgewerkt.
Vastwoelen, woelde vast, heeft vastgewoeld.
Vastwortelen, wortelde vast, is vastgeworteld.
Vastzeilen, zeilde vast, heeft en is vastgezeild.
Vastzetten, zette vast, heeft vastgezet.
Vastzitten, zat vast, zaten vast, heeft vastgezeten.
Vat (greep), M.
Vat (ton, enz.), O., vaten. Vaatje, O., -jes.
Vatbaar, -baarder, -baarst.
Vatbaarheid, V.
Vatboter, V.
Vaten, vaatte, heeft gevaat.
Vatenkwast. Zie Vaatkwast.
Vatenwasschen, O.
Vaticaan, O.
Vatsel, O., vatsels.
Vatten, vatte, heeft gevat.
Vatvuil.
Vaudeville, V., vaudevilles.
Vazal, M., vazallen.
Vechtachtig, -achtiger, -achtigst.
Vechten, vocht, heeft gevochten.
Vechtenderhand.
Vechter, M., vechters.
Vechterij, V., vechterijen. Vechterijtje, O., -jes.
Vechtersbaas, M., -bazen; -baasje, O., -jes.
Vechtlust, M.
Vechtpartij, V., -partijen; -partijtje, O., -jes.
Vedel en Veel, V., vedels, vedelen en veelen. Vedeltje, O., -jes.
Vedelaar, M., vedelaars.
Vedelen, vedelde, heeft gevedeld.
Veder en Veer, vederen, veders en veeren. Vedertje en veertje, O., -jes.
Vederachtig.
Vederbos, M., -bossen.
Vederloos, -looze.
Vedervormig.
Vedette, V., vedetten en vedettes.
Vee, O.
Veearts, M., -artsen.
Veeartsenijkunde, V.
Veeartsenijschool, V., -scholen.
Veeboot, V., -booten.
Veefokker, M., -fokkers.
Veeg (het vegen), M., vegen.
Veeg (feeks), V., vegen.
Veeg, veeger, veegst.
Veegheid, V.
Veegkruid, O.
Veegmachine, V., -machines.
Veegmes, O., -messen.
Veegsel, O.
Veehandel, M.
Veehoeder, M., -hoeders.
Veekeuring, V.
Veekoek (stofnaam), V.
Veekooper, M., -koopers.
Veel. Zie Vedel.
Veel, vele, meer, meest.
Veelal.
Veelbemind.
Veelbeteekenend.
Veelbladig.
Veelbloemig.
Veeleer.
Veelgeliefd.
Veelgodendom, O.
Veelgoderij, V.
Veelhalmig.
Veelheid, V.
Veelhoek, M., -hoeken.
Veelhoekig.
Veelhoofdig.
Veeljarig.
Veelkleurig.
Veelkleurigheid, V.
Veellettergrepig.
Veelmaal en Veelmaals.
Veelmeer.
Veelmin.
Veelnamig.
Veelpootig.
Veelregelig.
Veelschrijver, M., -schrijvers.
Veelschrijverij, V.
Veelslachtig.
Veelsoortig.
Veelstemmig.
Veelszins.
Veelte, V.
Veelterm, M., -termen.
Veeltijds.
Veeltongig.
Veelvervig.
Veelvlak, O., -vlakken.
Veelvlakkig.
Veelvoet, M., -voeten.
Veelvoetig.
Veelvormig.
Veelvoud, O., -vouden.
Veelvoudig.
Veelvraat, M., -vraten.
Veelvuldig.
Veelvuldigheid, V.
Veelwaardig.
Veelweter, M., -weters.
Veelweterij, V.
Veelwijverij, V.
Veelzijdig, -zijdiger, -zijdigst.
Veelzijdigheid, V.
Veem, O., veemen.
Veemarkt, V., -markten.
Veemgericht, O., -gerichten.
Veen, O., venen.
Veenachtig, -achtiger, -achtigst.
Veenbaas, M., -bazen.
Veenboer, M., -boeren.
Veenboor, V., -boren.
Veenbrand, M., -branden.
Veendamp, M.
Veenderij, V., veenderijen.
Veengraver, M., -gravers.
Veengrond, M., -gronden.
Veenland, O., -landen.
Veenmol, M., -mollen.
Veenplas, M., -plassen.
Veenrook, M.
Veenwerker, M., -werkers.
Veenwortel, V.
Veepest, V.
Veepestkordon, O., -kordons.
Veer (van een vogel). Zie Veder.
Veer (springveer, enz.), V., veeren.
Veer (overvaart), O., veren.
Veerboot, V., -booten.
Veerbout, M., -bouten.
Veeren, veerde, heeft geveerd.
Veerenbed, O., -bedden; -bedje, O., -jes.
Veergeld, O.
Veerhuis, O., -huizen.
Veering, V., veeringen.
Veerknecht, M., -knechts.
Veerkracht, V.
Veerkrachtig, -krachtiger, -krachtigst.
Veerloon, O.
Veerman, M., -lieden en -lui.
Veerpasser, M., -passers.
Veerploeg, V., -ploegen.
Veerpont, V., -ponten.
Veerschip, O., -schepen.
Veerschipper, M., -schippers.
Veerschuit, V., -schuiten.
Veertien, veertienen.
Veertiendaagsch.
Veertiende.
Veertienderhande.
Veertienderlei.
Veertienhonderd.
Veertienjarig.
Veertienmaal.
Veertienvoud, O., -vouden.
Veertienvoudig.
Veertig, veertigen.
Veertigdaagsch.
Veertiger, M., veertigers.
Veertigerhande.
Veertigerlei.
Veertigjarig.
Veertigmaal.
Veertigponder, M., -ponders.
Veertigste.
Veertigtal, O., -tallen.
Veertigvoud, O., -vouden.
Veertigvoudig.
Veeslag, O.
Veest, M., veesten.
Veestal, M., -stallen.
Veestapel, M.
Veesten, veestte, heeft geveest.
Veete, V., veeten.
Veeteelt, V.
Veetentoonstelling, V., -tentoonstellingen.
Veevoeder, O.
Veevoederketel, M., -ketels.
Veeziekte, V., -ziekten.
Vegen, veegde, heeft geveegd.
Veger, M., vegers. Vegertje, O., -jes.
Vegetariër, M., vegetariërs.
Vegetarisch.
Vegetatie, V.
Vegeteeren, vegeteerde, heeft gevegeteerd.
Veil, O.
Veil, veiler, veilst.
Veilconditiën (mv.), V.
Veildag, M., -dagen.
Veilen (verkoopen), veilde, heeft geveild.
Veiler, M., veilers.
Veilheid, V.
Veilig, veiliger, veiligst.
Veiligen, veiligde, heeft geveiligd.
Veiligheid, V.
Veiligheidsdienst, M.
Veiligheidshalve.
Veiligheidskaart, V., -kaarten.
Veiligheidskettinkje, O., -jes.
Veiligheidsklep, V., -kleppen.
Veiligheidslamp, V., -lampen.
Veiligheidslucifers (mv.), M.
Veiligheidsmaatregel, M., -maatregelen.
Veiligheidspolitie, V.
Veiligheidsspeld, V., -spelden.
Veiling, V., veilingen.
Veinzaard, M., veinzaards.
Veinzen, veinsde, heeft geveinsd.
Veinzer, M., veinzers.
Veinzeres, V., veinzeressen.
Veinzerij, V., veinzerijen.
Vel, O., vellen. Velletje, O., -jes.
Veld, O., velden. Veldje, O., -jes.
Veldanjelier, V., -anjelieren.
Veldarbeid, M.
Veldartillerie, V.
Veldbatterij, V., -batterijen.
Veldbed, O., -bedden.
Veldbloem, V., -bloemen; -bloempje, O., -jes.
Velddienst, M.
Velddistel, V., -distels.
Veldflesch, V., -flesschen.
Veldfluit, V., -fluiten.
Veldgeschrei, O.
Veldgeschut, O.
Veldgod, M., -goden.
Veldhaas, M., -hazen.
Veldheer, M., -heeren.
Veldheersbekwaamheid, V., -bekwaamheden.
Veldheersstaf, M., -staven.
Veldheerstalent, O., -talenten.
Veldhoen, O., -hoenders.
Veldijs, O.
Veldlazaret, O., -lazaretten.
Veldleger, O., -legers.
Veldmaarschalk, M., -maarschalken.
Veldmuis, V., -muizen.
Veldnimf, V., -nimfen.
Veldoverste, M., -oversten.
Veldpost, V., -posten.
Veldprediker, M., -predikers.
Veldpriester, M., -priesters.
Veldsla, V.
Veldslag, M., -slagen.
Veldsnip, V., -snippen.
Veldspaath, O.
Veldstuk, O., -stukken; -stukje, O., -jes.
Veldteeken, O., -teekens.
Veldtocht, M., -tochten.
Veldvrucht, V., -vruchten.
Veldwacht, V., -wachten.
Veldwachter, M., -wachters.
Velen (werkw.).
Velerhande.
Velerlei.
Velg, V., velgen. Velgje, O., -jes.
Velijn, O.
Velijnpapier, O.
Vellen, velde, heeft geveld.
Vellenkooper, M., -koopers.
Vellenploten, O.
Vellenploter, M., -ploters.
Vellig, velliger, velligst.
Velling, V.
Velocipède, V., velocipèdes.
Velocipedist, M., -isten.
Ven, V., vennen. Vennetje, O., -jes.
Vendel, O., vendelen en vendels.
Vendetta, V.
Venduhuis, O., -huizen.
Vendumeester, M., -meesters.
Vendutie, V., venduties.
Venen, veende, heeft geveend.
Venerisch.
Venig, veniger, venigst.
Venijn, O.
Venijnig, venijniger, venijnigst.
Venijnigheid, V.
Venkel, V.
Venkelwater, O.
Venkelzaad, O.
Vennoot, M., vennooten.
Vennootschap, V., -schappen.
Venster, O., vensters en vensteren. Venstertje, O., -jes.
Vensterbank, V., -banken.
Vensterbeslag, O.
Vensterblind, O., -blinden.
Venstergeld, O.
Vensterglas, O., -glazen.
Venstergordijn, O., -gordijnen.
Vensterluik, O., -luiken.
Vensterraam, O., -ramen.
Vensterruit, V., -ruiten.
Vent, M., venten. Ventje, O., -jes.
Venten, ventte, heeft gevent.
Venter, M., venters.
Ventilatie, V.
Ventilator, M., ventilators.
Ventileeren, ventileerde, heeft geventileerd.
Ventjagen, O.
Ventjager, M., -jagers.
Ventjagerij, V.
Ventjelief, O.
Ventster, V., ventsters.
Ver en Verre, verder, verst.
Veraangenamen, veraangenaamde, heeft veraangenaamd.
Veraangenaming, V.
Veraanschouwelijken, veraanschouwelijkte, heeft veraanschouwelijkt.
Veraanschouwelijking, V.
Veraccijnzen, veraccijnsde, heeft veraccijnsd.
Veraccijnzing, V., veraccijnzingen.
Verachtelijk, -lijker, -lijkst.
Verachtelijkheid, V., -heden.
Verachteloozen, verachteloosde, heeft verachteloosd.
Verachteloozing, V.
Verachten, verachtte, heeft veracht.
Verachter, M., verachters.
Verachteren, verachterde, is en heeft verachterd.
Verachting, V.
Verachtster, V., verachtsters.
Verademen, verademde, heeft verademd.
Verademing, V.
Veraf.
Verafgelegen.
Verafschuwen, verafschuwde, heeft verafschuwd.
Veranda, V., veranda's.
Veranderen, veranderde, heeft en is veranderd.
Verandering, V., veranderingen. Veranderingetje, O., -jes.
Veranderlijk, -lijker, -lijkst.
Veranderlijkheid, V.
Veranderzucht, V.
Verankeren, verankerde, heeft verankerd.
Verantwoordelijk, -lijker, -lijkst.
Verantwoordelijkheid, V.
Verantwoorden, verantwoordde, heeft verantwoord.
Verantwoorder, M., verantwoorders.
Verantwoording, V., verantwoordingen.
Verarmen, verarmde, heeft en is verarmd.
Verarming, V.
Verbaal, verbale.
Verbaasd.
Verbaasdheid, V.
Verbabbelen, verbabbelde, heeft verbabbeld.
Verbakken, verbakte, heeft verbakken.
Verbaliseeren, verbaliseerde, heeft geverbaliseerd.
Verband, O., verbanden. Verbandje, O., -jes.
Verbandbrief, M., -brieven.
Verbandkist, V., -kisten.
Verbandleer, V.
Verbandmateriaal, O., -materialen.
Verbandstoffen (mv.), V.
Verbannen, verbande, heeft verbannen.
Verbanning, V., verbanningen.
Verbanningsdecreet, O., -decreten.
Verbasteren, verbasterde, is verbasterd.
Verbastering, V., verbasteringen.
Verbazen, verbaasde, heeft verbaasd.
Verbazend, verbazender, verbazendst.
Verbazing, V.
Verbedden, verbedde, heeft verbed.
Verbedding, V., verbeddingen.
Verbeelden, verbeeldde, heeft verbeeld.
Verbeelding, V.
Verbeeldingskracht, V.
Verbeenen, verbeende, is verbeend.
Verbeestelijken, verbeestelijkte, is verbeestelijkt.
Verbeiden, verbeidde, heeft verbeid.
Verbeiding, V.
Verbergen, verborg, heeft verborgen.
Verberger, M., verbergers.
Verberging, V.
Verbeteraar, M., verbeteraars.
Verbeterblad, O., -bladen; -blaadje, O., -jes.
Verbeteren, verbeterde, heeft en is verbeterd.
Verbeterhuis, O., -huizen.
Verbetering, V., verbeteringen.
Verbeteringsgesticht, O., -gestichten.
Verbeurbaar, -bare.
Verbeurdverklaren, verklaarde verbeurd, heeft verbeurdverklaard.
Verbeurdverklaring, V., -verklaringen.
Verbeuren, verbeurde, heeft verbeurd.
Verbeurte, V.
Verbeuzelen, verbeuzelde, heeft verbeuzeld.
Verbidden, verbad, verbaden, heeft verbeden.
Verbieden, verbood, verboden, heeft verboden.
Verbijsteren, verbijsterde, heeft verbijsterd.
Verbijstering, V.
Verbijten, verbeet, verbeten, heeft verbeten.
Verbiljarten, verbiljartte, heeft verbiljart.
Verbinden, verbond, heeft verbonden.
Verbinding, V., verbindingen.
Verbindingsklos, M., -klossen.
Verbindingsroede, V., -roeden.
Verbindingsspoorweg, M., -spoorwegen.
Verbindingsteeken, O., -teekens.
Verbintenis, V., verbintenissen.
Verbitterd, verbitterder, verbitterdst.
Verbitterdheid, V.
Verbitteren, verbitterde, heeft verbitterd.
Verbittering, V.
Verbleeken, verbleekte, heeft en is verbleekt.
Verbleeking, V.
Verblijden, verblijdde, heeft verblijd.
Verblijdend, verblijdender, verblijdendst.
Verblijding, V.
Verblijf, O., verblijven. Verblijfje, O., -jes.
Verblijfkosten (mv.), M.
Verblijfplaats, V., -plaatsen.
Verblijven, verbleef, verbleven, heeft en is verbleven.
Verblind, verblinder, verblindst.
Verblinden, verblindde, heeft verblind.
Verblindheid, V., -heden.
Verblinding, V.
Verbloemd.
Verbloemen, verbloemde, heeft verbloemd.
Verbloeming, V., verbloemingen.
Verbod, O., verboden.
Verbodemen, verbodemde, heeft verbodemd.
Verbodeming, V.
Verbodsbepaling, V., -bepalingen.
Verbodsdag, M., -dagen.
Verbodsstelsel, O., -stelsels.
Verbodswet, V., -wetten.
Verboeken, verboekte, heeft verboekt.
Verboeking, V.
Verboeren, verboerde, heeft verboerd.
Verbolgen, verbolgener, verbolgenst.
Verbolgenheid, V., -heden.
Verbond, O., verbonden.
Verbondsark, V.
Verbondsbeker, M., -bekers.
Verbondsboek, O., -boeken.
Verbondsbreuk, V.
Verbondsbrief, M., -brieven.
Verbondseed, M., -eeden.
Verbondsgod, M.
Verbondskist, V.
Verbondsmaal, O., -malen.
Verbondsoffer, O., -offers.
Verbondstafel, V.
Verboorden, verboordde, heeft verboord.
Verborgen, verborgener, verborgenst.
Verborgenheid, V., -heden.
Verbouw, M.
Verbouwen, verbouwde, heeft verbouwd.
Verbouwereerd.
Verbouwereerdheid, V.
Verbouwing, V., verbouwingen.
Verbrabbelen, verbrabbelde, heeft verbrabbeld.
Verbrandbaar, -bare.
Verbranden, verbrandde, heeft en is verbrand.
Verbranding, V.
Verbrandingsproces, O., -processen.
Verbrandingsproduct, O., -producten.
Verbrassen, verbraste, heeft verbrast.
Verbreeden, verbreedde, heeft verbreed.
Verbreeding, V., verbreedingen.
Verbreedingsstuk, O., -stukken.
Verbreedsel, O., verbreedsels.
Verbreekbaar, -bare.
Verbreekster, V., verbreeksters.
Verbreiden, verbreidde, heeft verbreid.
Verbreider, M., verbreiders.
Verbreiding, V.
Verbreidster, V., verbreidsters.
Verbreken, verbrak, verbraken, heeft verbroken.
Verbreker, M., verbrekers.
Verbreking, V.
Verbrijzelen, verbrijzelde, heeft verbrijzeld.
Verbrijzeling, V.
Verbroddelen, verbroddelde, heeft verbroddeld.
Verbrodden, verbrodde, heeft verbrod.
Verbroederen, verbroederde, heeft verbroederd.
Verbroedering, V., verbroederingen.
Verbroederingsfeest, O., -feesten.
Verbroeien, verbroeide, heeft en is verbroeid.
Verbrokkelen, verbrokkelde, heeft verbrokkeld.
Verbrokkeling, V.
Verbruid.
Verbruien, verbruide, heeft verbruid.
Verbruik, O.
Verbruiken, verbruikte, heeft verbruikt.
Verbruiker, M., verbruikers.
Verbruikersbond, M., -bonden.
Verbruikleen, O., -leenen.
Verbruiksartikel, O., -artikelen.
Verbruiksbelasting, V., -belastingen.
Verbuigbaar, -bare.
Verbuigbaarheid, V.
Verbuigen, verboog, verbogen, heeft verbogen.
Verbuiging, V., verbuigingen.
Verbussen, verbuste, heeft verbust.
Vercijferen (zich -), vercijferde zich, heeft zich vercijferd.
Verdacht.
Verdachtmaking, V., -makingen.
Verdagen, verdaagde, heeft en is verdaagd.
Verdaging, V., verdagingen.
Verdampen, verdampte, is verdampt.
Verdamping, V., verdampingen.
Verdedigbaar, -bare.
Verdedigbaarheid, V.
Verdedigen, verdedigde, heeft verdedigd.
Verdediger, M., verdedigers.
Verdediging, V., verdedigingen.
Verdedigingslinie, V., -liniën.
Verdedigingsmiddel, O., -middelen.
Verdedigingswapen, O., -wapenen.
Verdedigster, V., verdedigsters.
Verdeeldheid, V., -heden.
Verdeelen, verdeelde, heeft verdeeld.
Verdeeler, M., verdeelers.
Verdeeling, V., verdeelingen.
Verdeelpunt, O., -punten.
Verdeelster, V., verdeelsters.
Verdek, O., verdekken.
Verdeksbalk, M., -balken.
Verdelgen, verdelgde, heeft verdelgd.
Verdelger, M., verdelgers.
Verdelging, V., verdelgingen.
Verdelgingsoorlog, M., -oorlogen.
Verdenken, verdacht, heeft verdacht.
Verdenking, V., verdenkingen.
Verder.
Verderf, O.
Verderfelijk, -lijker, -lijkst.
Verderfelijkheid, V.
Verderven, verdierf, verdierven, heeft en is verdorven.
Verderver, M., verdervers.
Verderving, V., verdervingen.
Verdichten (dichter maken), verdichtte, heeft verdicht.
Verdichten (uitdenken), verdichtte, heeft verdicht.
Verdichter, M., verdichters.
Verdichting, V., verdichtingen.
Verdichtsel, O., verdichtselen en verdichtsels. Verdichtseltje, O., -jes.
Verdict, O., verdicten.
Verdienen, verdiende, heeft verdiend.
Verdienste, V., verdiensten.
Verdienstelijk, -lijker, -lijkst.
Verdienstelijkheid, V.
Verdiepen, verdiepte, heeft verdiept.
Verdieping, V., verdiepingen.
Verdiepschaaf, V., -schaven.
Verdierlijken, verdierlijkte, heeft en is verdierlijkt.
Verdierlijking, V.
Verdietschen, verdietschte, heeft verdietscht.
Verdietsching, V., verdietschingen.
Verdijd.
Verdijen, verdijde, heeft verdijd.
Verdikken, verdikte, heeft en is verdikt.
Verdikking, V., verdikkingen.
Verdobbelen, verdobbelde, heeft verdobbeld.
Verdoeken, verdoekte, heeft verdoekt.
Verdoeking, V., verdoekingen.
Verdoemd.
Verdoemde, M. en V., verdoemden.
Verdoemelijk, -lijker, -lijkst.
Verdoemeling, M. en V., verdoemelingen.
Verdoemen, verdoemde, heeft verdoemd.
Verdoemenis, V.
Verdoemer, M., verdoemers.
Verdoeming, V.
Verdoen, verdeed, verdeden, heeft verdaan.
Verdoener, M., verdoeners.
Verdoffen, verdofte, is verdoft.
Verdokteren, verdokterde, heeft verdokterd.
Verdolen, verdoolde, is verdoold.
Verdoling, V., verdolingen.
Verdonkeremanen, verdonkeremaande, heeft verdonkeremaand.
Verdonkeren, verdonkerde, heeft en is verdonkerd.
Verdonkering, V., verdonkeringen.
Verdooldheid, V.
Verdoopen, verdoopte, heeft verdoopt.
Verdooping, V., verdoopingen.
Verdooven, verdoofde, heeft en is verdoofd.
Verdooving, V., verdoovingen.
Verdord (tusschenw.).
Verdordheid, V.
Verdorren, verdorde, is verdord.
Verdorring, V.
Verdorven, verdorvener, verdorvenst.
Verdorvenheid, V.
Verdraaglijk, -lijker, -lijkst.
Verdraagzaam, -zamer, -zaamst.
Verdraagzaamheid, V.
Verdraaid.
Verdraaidheid, V.
Verdraaien, verdraaide, heeft en is verdraaid.
Verdraaier, M., verdraaiers.
Verdraaiing, V., verdraaiingen.
Verdrag, O., verdragen.
Verdragen, verdroeg, heeft verdragen.
Verdraging, V.
Verdriedubbelen, verdriedubbelde, heeft verdriedubbeld.
Verdriet, O. Verdrietje, O., -jes.
Verdrietelijk, -lijker, -lijkst.
Verdrietelijkheid, V., -heden.
Verdrieten, verdroot, verdroten, heeft verdroten.
Verdrietig, verdrietiger, verdrietigst.
Verdrievoudigen, verdrievoudigde, heeft verdrievoudigd.
Verdrijven, verdreef, verdreven, heeft verdreven.
Verdrijving, V.
Verdringen, verdrong, heeft verdrongen.
Verdringer, M., verdringers.
Verdringing, V.
Verdrinken, verdronk, heeft en is verdronken.
Verdrogen, verdroogde, heeft en is verdroogd.
Verdroging, V.
Verdrukken, verdrukte, heeft verdrukt.
Verdrukker, M., verdrukkers en verdrukkeren.
Verdrukking, V., verdrukkingen.
Verdubbelen, verdubbelde, heeft en is verdubbeld.
Verdubbeling, V., verdubbelingen.
Verdubbelingsstelsel, O.
Verduidelijken, verduidelijkte, heeft verduidelijkt.
Verduidelijking, V.
Verduisteren, verduisterde, heeft en is verduisterd.
Verduistering, V., verduisteringen.
Verduitschen, verduitschte, heeft verduitscht.
Verduitscher, M., verduitschers.
Verduitsching, V., verduitschingen.
Verduiveld.
Verduizendvoudigen, verduizendvoudigde, heeft verduizendvoudigd.
Verdunnen, verdunde, heeft en is verdund.
Verdunning, V., verdunningen.
Verduren, verduurde, heeft verduurd.
Verduring, V.
Verdutten, verdutte, heeft verdut.
Verduwen, verduwde, heeft verduwd.
Verduwing, V.
Verdwaasd.
Verdwalen, verdwaalde, is verdwaald.
Verdwijnen, verdween, verdwenen, is verdwenen.
Verdwijning, V.
Veredelen, veredelde, heeft veredeld.
Veredeling, V.
Vereelten, vereeltte, heeft en is vereelt.
Vereelting, V.
Vereenen, vereende, heeft vereend.
Vereenigbaar, -bare.
Vereenigbaarheid, V.
Vereenigen, vereenigde, heeft vereenigd.
Vereeniger, M., vereenigers.
Vereeniging, V., vereenigingen.
Vereenigingsbout, M., -bouten.
Vereenigingsleven, O.
Vereenigingspunt, O., -punten.
Vereenigingsteeken, O., -teekens.
Vereenigster, V., vereenigsters.
Vereenvoudigen, vereenvoudigde, heeft vereenvoudigd.
Vereenvoudiging, V., vereenvoudigingen.
Vereenzelvigen, vereenzelvigde, heeft vereenzelvigd.
Vereenzelviging, V.
Vereerder, M., vereerders.
Vereeren, vereerde, heeft vereerd.
Vereerenswaardig, -waardiger, -waardigst, of meer en meest -waardig.
Vereering, V., vereeringen. Vereerinkje, O., -jes.
Vereerster, V., vereersters.
Vereeuwigen, vereeuwigde, heeft vereeuwigd.
Vereeuwiging, V.
Vereffenen, vereffende, heeft vereffend.
Vereffening, V., vereffeningen.
Vereisch (Naar - van).
Vereischen, vereischte, heeft vereischt.
Vereischte, O., vereischten.
Verengen, verengde, heeft verengd.
Verenging, V., verengingen.
Verenkelen, verenkelde, heeft verenkeld.
Verenkeling, V.
Verergeren, verergerde, heeft en is verergerd.
Verergering, V., verergeringen.
Vereten, verat, veraten, heeft vereten.
Veretteren, veretterde, is veretterd.
Verettering, V.
Verf, V., verven. Verfje, O., -jes.
Verfdoos, V., -doozen; -doosje, O., -jes.
Verfijnen, verfijnde, heeft verfijnd.
Verfijning, V., verfijningen.
Verfkooper, M., -koopers.
Verfkuip, V., -kuipen.
Verfkwast, M., -kwasten.
Verflaag, V., -lagen.
Verflauwen, verflauwde, is verflauwd.
Verflauwing, V.
Verflensen, verflenste, is verflenst.
Verflensing, V.
Verfmolen, M., -molens.
Verfoeien, verfoeide, heeft verfoeid.
Verfoeienswaardig, -waardiger, -waardigst, of meer en meest -waardig.
Verfoeiing, V., verfoeiingen.
Verfoeilijk, -lijker, -lijkst.
Verfoeilijkheid, V., -heden.
Verfoeisel, O., verfoeisels.
Verfoeliën, verfoeliede, heeft verfoelied.
Verfoeliesel, O.
Verfomfaaien en Verfomfooien, verfomfaaide, heeft verfomfaaid.
Verfommelen, verfommelde, heeft verfommeld.
Verfpot, M., -potten.
Verfraaien, verfraaide, heeft en is verfraaid.
Verfraaiing, V., verfraaiingen.
Verfranschen, verfranschte, heeft verfranscht.
Verfransching, V.
Verfrisschen, verfrischte, heeft verfrischt.
Verfrissching, V., verfrisschingen. Verfrisschinkje, O., -jes.
Verfrommelen, verfrommelde, heeft verfrommeld.
Verfronselen, verfronselde, heeft verfronseld.
Verfstof, V., -stoffen.
Verfwaren (mv.), V.
Verfwinkel, M., -winkels.
Vergaan, verging, is vergaan.
Vergaarbak, M., -bakken.
Vergaarder, M., vergaarders.
Vergaarsel, O., vergaarsels.
Vergaderen, vergaderde, heeft en is vergaderd.
Vergadering, V., vergaderingen. Vergaderingetje, O., -jes.
Vergaderkosten (mv.), M.
Vergaderplaats, V., -plaatsen.
Vergadertijd, M.
Vergaderzaal, V., -zalen.
Vergallen, vergalde, heeft vergald.
Vergalling, V., vergallingen.
Vergaloppeeren (zich -), vergaloppeerde zich, heeft zich vergaloppeerd.
Vergankelijk, -lijker, -lijkst.
Vergankelijkheid, V.
Vergapen, vergaapte, heeft vergaapt.
Vergaren, vergaarde, heeft vergaard.
Vergasten, vergastte, heeft vergast.
Vergeeflijk en Vergefelijk, -lijker, -lijkst.
Vergeeflijkheid, V.
Vergeefs (bijw.).
Vergeefsch (bnw.).
Vergeestelijken, vergeestelijkte, heeft vergeestelijkt.
Vergeetachtig, -achtiger, -achtigst.
Vergeetachtigheid, V.
Vergeetal, M. en V., vergeetallen.
Vergeetboek, O.
Vergeet-mij-niet en Vergeet-me-niet, V., vergeet-mij-nieten. Vergeet-mij-nietje, O., -jes.
Vergelden, vergold, heeft vergolden.
Vergelder, M., vergelders.
Vergelding, V., vergeldingen.
Vergelijk, O., vergelijken.
Vergelijkbaar, -bare.
Vergelijken, vergeleek, vergeleken, heeft vergeleken.
Vergelijkenderwijze en -wijs.
Vergelijking, V., vergelijkingen.
Vergemakkelijken, vergemakkelijkte, heeft vergemakkelijkt.
Vergen, vergde, heeft gevergd.
Vergenoegd, vergenoegder, vergenoegdst.
Vergenoegdheid, V.
Vergenoegen, vergenoegde, heeft vergenoegd.
Vergenoeging, V.
Vergetelheid, V.
Vergetelijk, -lijker, -lijkst.
Vergetelijkheid, V.
Vergeten, vergat, vergaten, heeft en is vergeten.
Vergetenheid, V.
Vergeven, vergaf, vergaven, heeft vergeven.
Vergevensgezind, -gezinder, meest -gezind.
Vergevensgezindheid, V.
Vergever, M., vergevers.
Vergeving, V.
Vergevorderd.
Vergewissen, vergewiste, heeft vergewist.
Vergezellen, vergezelde, heeft vergezeld.
Vergezelschappen, vergezelschapte, heeft vergezelschapt.
Vergezicht, O., -gezichten.
Vergiet, O. en V., vergieten. Vergietje, O., -jes.
Vergieten, vergoot, vergoten, heeft vergoten.
Vergieter, M., vergieters.
Vergieting, V., vergietingen.
Vergiettest, V., -testen.
Vergif en Vergift, O., vergiften.
Vergiffenis, V.
Vergiften, vergiftte, heeft vergift.
Vergiftenleer, V.
Vergiftig, vergiftiger, vergiftigst.
Vergiftigen, vergiftigde, heeft vergiftigd.
Vergiftiger, M., vergiftigers.
Vergiftiging, V., vergiftigingen.
Vergiftigingsproces, O., -processen.
Vergissen (zich -), vergiste zich, heeft zich vergist.
Vergissing, V., vergissingen. Vergissinkje, O., -jes.
Vergisten, vergistte, is vergist.
Vergisting, V.
Verglaassel, O.
Verglazen, verglaasde, heeft verglaasd.
Verglimmen, verglom, verglommen, is verglommen.
Vergoddelijken, vergoddelijkte, heeft vergoddelijkt.
Vergoddelijking, V.
Vergoden, vergoodde, heeft vergood.
Vergoder, M., vergoders.
Vergoding, V.
Vergoeden, vergoedde, heeft vergoed.
Vergoeding, V., vergoedingen.
Vergoelijken, vergoelijkte, heeft vergoelijkt.
Vergoelijking, V., vergoelijkingen.
Vergooien, vergooide, heeft vergooid.
Vergramd, vergramder, vergramdst.
Vergramdheid, V.
Vergrammen, vergramde, heeft en is vergramd.
Vergraven, vergroef, vergroeven, heeft vergraven.
Vergraving, V., vergravingen.
Vergrazen, vergraasde, heeft vergraasd.
Vergrijp, O., vergrijpen. Vergrijpje, O., -jes.
Vergrijpen, vergreep, vergrepen, heeft vergrepen.
Vergrijzen, vergrijsde, is vergrijsd.
Vergroeien, vergroeide, is vergroeid.
Vergroeiing, V., vergroeiingen.
Vergrooten, vergrootte, heeft vergroot.
Vergrooter, M., vergrooters.
Vergrootglas, O., -glazen; -glaasje, O., -jes.
Vergrooting, V., vergrootingen.
Vergroven, vergroofde, heeft vergroofd.
Vergruizelen, vergruizelde, heeft vergruizeld.
Vergruizeling, V.
Vergruizen, vergruisde, heeft vergruisd.
Vergruizing, V.
Verguizen, verguisde, heeft verguisd.
Verguizing, V., verguizingen.
Vergulden, verguldde, heeft verguld.
Vergulder, M., vergulders.
Vergulding, V.
Verguldmes, O., -messen.
Verguldpenseel, O., -penseelen.
Verguldsel, O., verguldsels.
Verguldwerk, O.
Vergunnen, vergunde, heeft vergund.
Vergunning, V., vergunningen.
Vergunninghouder, M., -houders.
Vergunningsrecht, O.
Verhaal (bericht), O., verhalen. Verhaaltje, O., -jes.
Verhaal (herstel), O.
Verhaalreep, M., -reepen.
Verhaalster, V., verhaalsters.
Verhaaltrant, M.
Verhaasten, verhaastte, heeft verhaast.
Verhaken, verhaakte, heeft verhaakt.
Verhakken, verhakte, heeft verhakt.
Verhakking, V., verhakkingen.
Verhakstukken, verhakstukte, heeft verhakstukt.
Verhalen, verhaalde, heeft en is verhaald.
Verhalenderwijze en -wijs.
Verhaler, M., verhalers.
Verhalvezolen, verhalvezoolde, heeft verhalvezoold.
Verhandelaar, M., verhandelaars.
Verhandelaarsstijl, M.
Verhandelbaar, -bare.
Verhandelen, verhandelde, heeft verhandeld.
Verhandeling, V., verhandelingen. Verhandelingetje, O., -jes.
Verhang, O.
Verhangen, verhing, heeft verhangen.
Verhanging, V.
Verhanselen, verhanselde, heeft verhanseld.
Verhard, verharder, verhardst.
Verharden, verhardde, heeft en is verhard.
Verhardheid, V.
Verharding, V., verhardingen.
Verharen, verhaarde, is verhaard.
Verhaspelen, verhaspelde, heeft verhaspeld.
Verhaspeling, V., verhaspelingen.
Verheelen (verbinden), verheelde, heeft verheeld.
Verheeren, verheerde, heeft verheerd.
Verheering, V.
Verheerlijken, verheerlijkte, heeft verheerlijkt.
Verheerlijking, V.
Verheffen, verhief, verhieven, heeft verheven.
Verheffing, V., verheffingen.
Verhelderen, verhelderde, heeft en is verhelderd.
Verheldering, V.
Verhelen (verbergen), verheelde, heeft verheeld.
Verhelpen, verhielp, heeft verholpen.
Verhelping, V.
Verhemelte, O., verhemelten.
Verhemelteletter, V., -letters.
Verheugd, verheugder, verheugdst.
Verheugen, verheugde, heeft verheugd.
Verheuging, V., verheugingen. Verheuginkje, O., -jes.
Verheveling, V., verhevelingen.
Verheven, verhevener, verhevenst.
Verhevenheid, V., -heden.
Verhinderen, verhinderde, heeft verhinderd.
Verhindering, V., verhinderingen.
Verhit, verhitter, verhitst.
Verhitheid, V.
Verhitten, verhitte, heeft verhit.
Verhitting, V., verhittingen.
Verhoeden, verhoedde, heeft verhoed.
Verhoeding, V.
Verhoefslagen, verhoefslaagde, heeft verhoefslaagd.
Verhoefslaging, V., verhoefslagingen.
Verholen, verholener, verholenst.
Verholenheid, V.
Verhollandschen, verhollandschte, heeft verhollandscht.
Verhollandsching, V.
Verhonderdvoudigen, verhonderdvoudigde, heeft verhonderdvoudigd.
Verhongeren, verhongerde, heeft en is verhongerd.
Verhongering, V.
Verhoogen, verhoogde, heeft verhoogd.
Verhooger, M., verhoogers.
Verhooging, V., verhoogingen.
Verhoogsel, O., verhoogsels.
Verhoogstuk, O., -stukken.
Verhoor, O., verhooren.
Verhoorder, M., verhoorders.
Verhooren, verhoorde, heeft verhoord.
Verhooring, V., verhooringen.
Verhoovaardigen (zich -), verhoovaardigde zich, heeft zich verhoovaardigd.
Verhouding, V., verhoudingen.
Verhuisdag, M., -dagen.
Verhuisdrukte, V.
Verhuiskosten (mv.), M.
Verhuiswagen, M., -wagens.
Verhuizen, verhuisde, is verhuisd.
Verhuizer, M., verhuizers.
Verhuizing, V., verhuizingen.
Verhuren, verhuurde, heeft verhuurd.
Verhuring, V., verhuringen.
Verhutselen, verhutselde, heeft verhutseld.
Verhuurder, M., verhuurders.
Verhuurkantoor, O., -kantoren.
Verhuurster, V., verhuursters.
Verhuurtijd, M.
Verhypothekeeren, verhypothekeerde, heeft verhypothekeerd.
Verificateur, M., verificateurs.
Verificatie, V., verificatiën en verificaties.
Verifieeren, verifieerde, heeft geverifieerd.
Verijdelen, verijdelde, heeft verijdeld.
Verijdeling, V.
Verjaardag, M., -dagen.
Verjaarfeest, O., -feesten.
Verjaargeschenk, O., -geschenken.
Verjaarmaal, O., -malen.
Verjagen, verjaagde, heeft verjaagd; ook verjoeg.
Verjaging, V.
Verjaren, verjaarde, is verjaard.
Verjaring, V., verjaringen.
Verjaringsfeest, O., -feesten.
Verjaringsgeschenk, O., -geschenken.
Verjaringsrecht, O.
Verjaringstermijn, M., -termijnen.
Verjongen, verjongde, heeft en is verjongd.
Verjonging, V.
Verjongingskuur, V., -kuren.
Verkaarten, verkaartte, heeft verkaart.
Verkabbelen, verkabbelde, heeft verkabbeld.
Verkakelen, verkakelde, heeft verkakeld.
Verkalken, verkalkte, heeft en is verkalkt.
Verkalking, V.
Verkankeren, verkankerde, is verkankerd.
Verkankering, V.
Verkappen, verkapte, heeft verkapt.
Verkapping, V., verkappingen.
Verkassen, verkaste, is verkast.
Verkavelen, verkavelde, heeft verkaveld.
Verkaveling, V., verkavelingen.
Verkeer, O.
Verkeerbord, O., -borden; -bordje, O., -jes.
Verkeerd, verkeerder, verkeerdst.
Verkeerdelijk.
Verkeerdheid, V., -heden.
Verkeeren, verkeerde, heeft en is verkeerd.
Verkeering, V., verkeeringen.
Verkeerspel, O., -spelen.
Verkeerswezen, O.
Verkeertje (verkeerspel), O.
Verkegelen, verkegelde, heeft verkegeld.
Verkenbaar, -bare.
Verkennen, verkende, heeft verkend.
Verkenner, M., verkenners.
Verkenning, V., verkenningen.
Verkenningstocht, M., -tochten.
Verkerven, verkorf, verkorven, heeft verkorven.
Verketteren, verketterde, heeft verketterd.
Verkettering, V., verketteringen.
Verkeuren, verkeurde, heeft verkeurd.
Verkielen, verkielde, heeft verkield.
Verkiesbaar, -bare.
Verkiesbaarheid, V.
Verkieslijk en Verkieselijk, -lijker, -lijkst.
Verkiezen, verkoos, verkozen, heeft verkozen.
Verkiezing, V., verkiezingen.
Verkiezingsagent, M., -agenten.
Verkiezingsdag, M., -dagen.
Verkiezingsleer, V.
Verkiezingsmanoeuvre, V., -manoeuvres.
Verkiezingsstrijd, M.
Verkiezingswerk, O.
Verkijken, verkeek, verkeken, heeft verkeken.
Verklaarbaar, -baarder, -baarst.
Verklaarder, M., verklaarders.
Verkladden, verkladde, heeft verklad.
Verklappen, verklapte, heeft verklapt.
Verklapper, M., verklappers.
Verklapping, V., verklappingen.
Verklaren, verklaarde, heeft verklaard.
Verklaring, V., verklaringen.
Verkleeden, verkleedde, heeft verkleed.
Verkleeding, V., verkleedingen.
Verkleedpartij, V., -partijen.
Verkleefd, verkleefder, verkleefdst.
Verkleefdheid, V.
Verkleinaap, M., -apen.
Verkleinbaar, -bare.
Verkleinen, verkleinde, heeft verkleind.
Verkleinglas, O., -glazen; -glaasje, O., -jes.
Verkleining, V., verkleiningen.
Verkleiningsuitgang, M., -uitgangen.
Verkleinwoord, O., -woorden; -woordje, O., -jes.
Verkleumd, verkleumder, verkleumdst.
Verkleumdheid, V.
Verkleumen, verkleumde, is verkleumd.
Verkleuming, V.
Verkleuren, verkleurde, heeft en is verkleurd.
Verkleuring, V.
Verklikken, verklikte, heeft verklikt.
Verklikker, M., verklikkers.
Verklikking, V., verklikkingen.
Verkloeken, verkloekte, heeft verkloekt.
Verklungelen, verklungelde, heeft verklungeld.
Verkneukelen (zich -), verkneukelde zich, heeft zich verkneukeld.
Verkneuteren (zich -), verkneuterde zich, heeft zich verkneuterd.
Verkneuzen, verkneusde, heeft verkneusd.
Verkniezen en Verknijzen (zich -), verkniesde zich, heeft zich verkniesd.
Verknijpen (zich -), verkneep zich, verknepen zich, heeft zich verknepen.
Verknijping, V.
Verknijzen. Zie Verkniezen.
Verknippen, verknipte, heeft verknipt.
Verknocht.
Verknochtheid, V.
Verknoeien, verknoeide, heeft verknoeid.
Verknoeiing, V., verknoeiingen.
Verknollen, verknolde, heeft verknold.
Verknoopen, verknoopte, heeft verknoopt.
Verknutselen, verknutselde, heeft verknutseld.
Verkoelen, verkoelde, heeft en is verkoeld.
Verkoelend, verkoelender, verkoelendst.
Verkoeling, V., verkoelingen.
Verkoelingsmiddel, O., -middelen.
Verkoken, verkookte, heeft en is verkookt.
Verkolen, verkoolde, is verkoold.
Verkoling, V.
Verkomen, verkomt, verkwam, verkwamen, is verkomen.
Verkonden, verkondde, heeft verkond.
Verkonder, M., verkonders.
Verkondigen, verkondigde, heeft verkondigd.
Verkondiger, M., verkondigers.
Verkondiging, V.
Verkonding, V.
Verkonkelen, verkonkelde, heeft verkonkeld.
Verkonkeling, V.
Verkoop, M., verkoopen.
Verkoopbaar, -bare.
Verkoopdag, M., -dagen.
Verkoopen, verkocht, heeft verkocht.
Verkooper, M., verkoopers.
Verkoophuis, O., -huizen.
Verkooping, V., verkoopingen. Verkoopinkje, O., -jes.
Verkooplokaal, O., -lokalen.
Verkoopprijs, M., -prijzen.
Verkoopster, V., verkoopsters.
Verkooptijd, M.
Verkoperen, verkoperde, heeft verkoperd.
Verkopering, V.
Verkoren.
Verkorsten, verkorstte, is verkorst.
Verkorten, verkortte, heeft verkort.
Verkorter, M., verkorters.
Verkorting, V., verkortingen.
Verkortingsteeken, O., -teekens.
Verkouden.
Verkoudheid, V., -heden.
Verkrachten, verkrachtte, heeft verkracht.
Verkrachter, M., verkrachters.
Verkrachting, V., verkrachtingen.
Verkreukelen, verkreukelde, heeft verkreukeld.
Verkreukeling, V., verkreukelingen.
Verkrijgbaar, -bare.
Verkrijgen, verkreeg, verkregen, heeft verkregen.
Verkrijging, V.
Verkrimpen, verkromp, is verkrompen.
Verkrimping, V.
Verkrommen, verkromde, heeft verkromd.
Verkromming, V., verkrommingen.
Verkroppen, verkropte, heeft verkropt.
Verkruimelen, verkruimelde, heeft en is verkruimeld.
Verkuilen, verkuilde, heeft verkuild.
Verkuiling, V.
Verkuipen, verkuipte, heeft verkuipt.
Verkwakkelen, verkwakkelde, heeft verkwakkeld.
Verkwanselen, verkwanselde, heeft verkwanseld.
Verkwanseling, V.
Verkwijnen, verkwijnde, is verkwijnd.
Verkwijning, V.
Verkwikkelijk, -lijker, -lijkst.
Verkwikkelijkheid, V.
Verkwikken, verkwikte, heeft verkwikt.
Verkwikkend, verkwikkender, verkwikkendst.
Verkwikking, V., verkwikkingen.
Verkwisten, verkwistte, heeft verkwist.
Verkwistend, verkwistender, verkwistendst.
Verkwister, M., verkwisters.
Verkwisting, V., verkwistingen.
Verlaat, O., verlaten.
Verladen, verlaadde, heeft verladen.
Verlading, V.
Verlagen, verlaagde, heeft en is verlaagd.
Verlaging, V.
Verlak, O.
Verlakken (met verlak bekleeden), verlakte, heeft verlakt.
Verlakken (bedriegen), verlakte, heeft verlakt.
Verlakker, M., verlakkers.
Verlakking, V., verlakkingen.
Verlaksel, O.
Verlakt, O.
Verlammen, verlamde, heeft en is verlamd.
Verlamming, V., verlammingen.
Verlangen, verlangde, heeft verlangd.
Verlangen, O., verlangens.
Verlanglijst, V., -lijsten; -lijstje, O., -jes.
Verlangst, V.
Verlanterfanten, verlanterfantte, heeft verlanterfant.
Verlappen, verlapte, heeft verlapt.
Verlapping, V., verlappingen.
Verlaten (begeven), verliet, heeft verlaten.
Verlaten (zich -), (vertrouwen), verliet zich, heeft zich verlaten.
Verlaten (zich -), (niet op zijn tijd passen), verlaatte zich, heeft zich verlaat.
Verlaten, verlatener, verlatenst.
Verlatenheid, V.
Verlater, M., verlaters.
Verlating, V.
Verleden.
Verleden, O.
Verledigen (zich -), verledigde zich, heeft zich verledigd.
Verleenen, verleende, heeft verleend.
Verleening, V.
Verleeren, verleerde, heeft verleerd.
Verlegen, verlegener, verlegenst.
Verlegenheid, V.
Verleggen, verlegde en verleide, heeft verlegd en verleid.
Verlegging, V.
Verlei (beleening), O.
Verleidelijk, -lijker, -lijkst.
Verleidelijkheid, V., -heden.
Verleiden, verleidde, heeft verleid.
Verleider, M., verleiders.
Verleiding, V., verleidingen.
Verleidster, V., verleidsters.
Verleien (beleenen), verleide, heeft verleid.
Verlekkeren, verlekkerde, heeft en is verlekkerd.
Verlengbaar, -bare.
Verlengde, O.
Verlengen, verlengde, heeft verlengd.
Verlenging, V.
Verlengstuk, O., -stukken.
Verleppen, verlepte, is verlept.
Verlet, O.
Verletsel, O., verletsels.
Verletten, verlette, heeft verlet.
Verleuteren, verleuterde, heeft verleuterd.
Verlevendigen, verlevendigde, heeft verlevendigd.
Verlevendiging, V.
Verlezen (uitlezen, uitzoeken), verlas, verlazen, heeft verlezen.
Verlezen (zich -), (verkeerd lezen), verlas zich, verlazen zich, heeft zich verlezen.
Verlicht, verlichter, verlichtst.
Verlichten (verhelderen), verlichtte, heeft verlicht.
Verlichten (minder zwaar maken), verlichtte, heeft verlicht.
Verlichter, M., verlichters.
Verlichting, V.
Verliederlijken (zich -), verliederlijkte zich, heeft zich verliederlijkt.
Verliefd, verliefder, verliefdst.
Verliefde, M. en V., verliefden.
Verliefdheid, V., -heden.
Verlies, O., verliezen. Verliesje, O., -jes.
Verlieven, verliefde, is verliefd.
Verliezen, verloor, verloren, heeft verloren.
Verliezer, M., verliezers.
Verliggen, verlag, verlagen, is en heeft verlegen.
Verlijden, verleed, verleden, heeft verleden.
Verlof, O., verloven.
Verlofganger, M., -gangers.
Verlofhouder, M., -houders.
Verlofpas, M., -passen.
Verlofstraktement, O., -traktementen. Ook Verloftraktement.
Verloftijd, M.
Verlokkelijk, -lijker, -lijkst.
Verlokkelijkheid, V., -heden.
Verlokken, verlokte, heeft verlokt.
Verlokker, M., verlokkers.
Verlokking, V., verlokkingen.
Verloksel, O., verlokselen en verloksels.
Verlokster, V., verloksters.
Verloochenaar, M., verloochenaars.
Verloochenares, V., verloochenaressen.
Verloochenen, verloochende, heeft verloochend.
Verloochening, V.
Verlooden, verloodde, heeft verlood.
Verlooding, V.
Verloofde, M. en V., verloofden.
Verloop, O.
Verloopen, verliep, heeft en is verloopen.
Verlootdag, M., -dagen.
Verloren.
Verloskunde, V.
Verloskundig.
Verloskundige, M. en V., -kundigen.
Verlossen, verloste, heeft en is verlost.
Verlosser, M., verlossers.
Verlossing, V., verlossingen.
Verlossingswerk, O.
Verlosster, V., verlossters.
Verloten, verlootte, heeft verloot.
Verloter, M., verloters.
Verloting, V., verlotingen.
Verloven, verloofde, heeft verloofd.
Verloving, V., verlovingen.
Verlovingsdag, M., -dagen.
Verlovingsfeest, O., -feesten.
Verlovingsring, M., -ringen.
Verluchten, verluchtte, heeft verlucht.
Verluchtigen, verluchtigde, heeft verluchtigd.
Verluchtiging, V.
Verluchting, V.
Verluiden (Zich laten -).
Verluieren, verluierde, heeft verluierd.
Verlustigen, verlustigde, heeft verlustigd.
Verlustiging, V., verlustigingen.
Vermaagschappen, vermaagschapte, heeft vermaagschapt.
Vermaagschapping, V., vermaagschappingen.
Vermaak, O., vermaken.
Vermaakshalve.
Vermaan, O.
Vermaanbrief, M., -brieven.
Vermaanster, V., vermaansters.
Vermaard, vermaarder, vermaardst.
Vermaardheid, V., -heden.
Vermageren, vermagerde, heeft en is vermagerd.
Vermagering, V.
Vermakelijk, -lijker, -lijkst.
Vermakelijkheid, V., -heden.
Vermaken, vermaakte, heeft vermaakt.
Vermaking, V., vermakingen.
Vermaledijd.
Vermalen, vermaalde, heeft vermalen.
Vermaling, V.
Vermallen, vermalde, heeft vermald.
Vermanen, vermaande, heeft vermaand.
Vermaner, M., vermaners.
Vermaning, V., vermaningen. Vermaninkje, O., -jes.
Vermannen, vermande, heeft vermand.
Vermeend.
Vermeenen, vermeende, heeft vermeend.
Vermeerderaar, M., vermeerderaars.
Vermeerderen, vermeerderde, heeft en is vermeerderd.
Vermeerdering, V., vermeerderingen.
Vermeesteren, vermeesterde, heeft vermeesterd.
Vermeestering, V.
Vermeien (zich -), vermeide zich, heeft zich vermeid.
Vermelden, vermeldde, heeft vermeld.
Vermeldenswaard.
Vermelder, M., vermelders.
Vermelding, V., vermeldingen.
Vermengen, vermengde, heeft vermengd.
Vermenger, M., vermengers.
Vermenging, V., vermengingen.
Vermengster, V., vermengsters.
Vermenigvuldigen, vermenigvuldigde, heeft en is vermenigvuldigd.
Vermenigvuldiger, M., vermenigvuldigers.
Vermenigvuldiging, V., vermenigvuldigingen.
Vermenigvuldigtal, O., -tallen.
Vermetel, vermeteler, vermetelst.
Vermetelheid, V.
Vermeten, vermat, vermaten, heeft vermeten.
Vermeten (zich -), vermat zich, vermaten zich, heeft zich vermeten.
Vermetselen, vermetselde, heeft vermetseld.
Vermetseling, V.
Vermicelli, V.
Vermicellipodding, M., -poddingen.
Vermicellisoep, V.
Vermijdbaar, -bare.
Vermijden, vermeed, vermeden, heeft vermeden.
Vermijding, V.
Vermijmeren, vermijmerde, heeft vermijmerd.
Vermijten, vermijtte, is vermijt.
Vermiljoen, O.
Verminderen, verminderde, heeft en is verminderd.
Vermindering, V., verminderingen.
Verminken, verminkte, heeft verminkt.
Verminking, V., verminkingen.
Vermissen, vermiste, heeft vermist.
Vermissing, V.
Vermits.
Vermodderen, vermodderde, heeft vermodderd.
Vermoedelijk.
Vermoeden, vermoedde, heeft vermoed.
Vermoeden, O., vermoedens.
Vermoeid, vermoeider, vermoeidst.
Vermoeidheid, V.
Vermoeien, vermoeide, heeft vermoeid.
Vermoeiend, vermoeiender, vermoeiendst.
Vermoeienis, V., vermoeienissen.
Vermoeiing, V.
Vermoffen, vermofte, heeft en is vermoft.
Vermoffing, V.
Vermogen, vermag, vermogen, vermocht.
Vermogen, O., vermogens.
Vermogend, vermogender, vermogendst.
Vermogensbelasting, V., -belastingen.
Vermolmen, vermolmde, is vermolmd.
Vermolming, V.
Vermomde, M. en V., vermomden.
Vermommen, vermomde, heeft vermomd.
Vermomming, V., vermommingen.
Vermooien, vermooide, heeft en is vermooid.
Vermoorden, vermoordde, heeft vermoord.
Vermoording, V., vermoordingen.
Vermorsen, vermorste, heeft vermorst.
Vermorsing, V.
Vermorzelen, vermorzelde, heeft vermorzeld.
Vermorzeling, V.
Vermuffen, vermufte, is vermuft.
Vermuffing, V.
Vermunten, vermuntte, heeft vermunt.
Vermunting, V., vermuntingen.
Vermurwen, vermurwde, heeft en is vermurwd.
Vermurwing, V.
Vernaaien, vernaaide, heeft vernaaid.
Vernachten, vernachtte, heeft vernacht.
Vernagelen, vernagelde, heeft vernageld.
Vernageling, V.
Vernauwen, vernauwde, heeft en is vernauwd.
Vernauwing, V., vernauwingen.
Vernederen, vernederde, heeft vernederd.
Vernederend, vernederender, vernederendst.
Vernedering, V., vernederingen.
Verneembaar, -bare.
Vernemen, vernam, vernamen, heeft vernomen.
Vernestelen, vernestelde, heeft vernesteld.
Vernielachtig, -achtiger, -achtigst.
Vernielachtigheid, V.
Vernielal, M. en V., vernielallen.
Vernielen, vernielde, heeft vernield.
Vernielend, vernielender, vernielendst.
Vernieler, M., vernielers.
Vernieling, V.
Vernielster, V., vernielsters.
Vernielzucht, V.
Vernietigbaar, -bare.
Vernietigen, vernietigde, heeft vernietigd.
Vernietiger, M., vernietigers.
Vernietiging, V.
Vernieuwen, vernieuwde, heeft vernieuwd.
Vernieuwer, M., vernieuwers.
Vernieuwing, V., vernieuwingen.
Vernikkelen, vernikkelde, heeft vernikkeld.
Vernis, O., vernissen. Vernisje, O., -jes.
Vernissen, verniste, heeft vernist.
Vernoegd, vernoegder, vernoegdst.
Vernoegdheid, V.
Vernoegen (zich -), vernoegde zich, heeft zich vernoegd.
Vernoeging, V.
Vernoemen, vernoemde, heeft vernoemd.
Vernoeming, V., vernoemingen.
Vernuft, O., vernuften. Vernuftje, O., -jes.
Vernuftig, vernuftiger, vernuftigst.
Veronaangenamen, veronaangenaamde, heeft veronaangenaamd.
Veronaangenaming, V.
Veronachtzamen, veronachtzaamde, heeft veronachtzaamd.
Veronachtzaming, V.
Veronderstellen, veronderstelde, heeft verondersteld.
Veronderstelling, V., veronderstellingen.
Verongelijken, verongelijkte, heeft verongelijkt.
Verongelijking, V., verongelijkingen.
Verongelukken, verongelukte, is verongelukt.
Verontheiligen, verontheiligde, heeft verontheiligd.
Verontheiliger, M., verontheiligers.
Verontheiliging, V., verontheiligingen.
Verontreinigen, verontreinigde, heeft verontreinigd.
Verontreiniger, M., verontreinigers.
Verontreiniging, V., verontreinigingen.
Verontrusten, verontrustte, heeft verontrust.
Verontrusting, V.
Verontschuldigen, verontschuldigde, heeft verontschuldigd.
Verontschuldiging, V., verontschuldigingen.
Verontwaardigen, verontwaardigde, heeft verontwaardigd.
Verontwaardiging, V.
Veroordeelaar, M., veroordeelaars.
Veroordeelen, veroordeelde, heeft veroordeeld.
Veroordeeling, V., veroordeelingen.
Veroorloven, veroorloofde, heeft veroorloofd.
Veroorloving, V.
Veroorzaken, veroorzaakte, heeft veroorzaakt.
Veroorzaker, M., veroorzakers.
Veroorzaking, V.
Verootmoedigen, verootmoedigde, heeft verootmoedigd.
Verootmoediging, V., verootmoedigingen.
Verorberen, verorberde, heeft verorberd.
Verordenen, verordende, heeft verordend.
Verordening, V., verordeningen.
Verordineeren, verordineerde, heeft verordineerd.
Verouderen, verouderde, is en heeft verouderd.
Veroudering, V.
Verouwelijken, verouwelijkte, is en heeft verouwelijkt.
Veroveraar, M., veroveraars.
Veroveren, veroverde, heeft veroverd.
Verovering, V., veroveringen.
Veroveringsoorlog, M., -oorlogen.
Veroveringszucht, V.
Verpachten, verpachtte, heeft verpacht.
Verpachter, M., verpachters.
Verpachting, V., verpachtingen.
Verpakken, verpakte, heeft verpakt.
Verpakking, V., verpakkingen.
Verpanden, verpandde, heeft verpand.
Verpanding, V., verpandingen.
Verpappen, verpapte, heeft verpapt.
Verpassen, verpaste, heeft verpast.
Verpatsen, verpatste, heeft verpatst.
Verpekelen, verpekelde, heeft en is verpekeld.
Verpekken, verpekte, heeft verpekt.
Verpersoonlijken, verpersoonlijkte, heeft verpersoonlijkt.
Verpersoonlijking, V.
Verpesten, verpestte, heeft verpest.
Verpestend, verpestender, verpestendst.
Verpesting, V.
Verpieterd, verpieterder, verpieterdst.
Verpijnen (zich -), verpijnde zich, heeft zich verpijnd.
Verplaatsbaar, -bare.
Verplaatsen, verplaatste, heeft verplaatst.
Verplaatsing, V., verplaatsingen.
Verplakken, verplakte, heeft verplakt.
Verplanten, verplantte, heeft verplant.
Verplanting, V., verplantingen.
Verplassen, verplaste, heeft verplast.
Verpleegster, V., verpleegsters.
Verpleegsterskostuum, O., -kostumen.
Verpleegstersschort, O., -schorten.
Verplegen, verpleegde, heeft verpleegd.
Verpleger, M., verplegers.
Verpleging, V.
Verplegingskosten (mv.), M.
Verpleisteren, verpleisterde, heeft verpleisterd.
Verpletten, verplette, heeft verplet.
Verpletteren, verpletterde, heeft verpletterd.
Verplettering, V.
Verplichten, verplichtte, heeft verplicht.
Verplichtend, verplichtender, verplichtendst.
Verplichting, V., verplichtingen.
Verplooien, verplooide, heeft verplooid.
Verponding, V., verpondingen.
Verpoozen, verpoosde, heeft verpoosd.
Verpoozing, V., verpoozingen.
Verpoten, verpootte, heeft verpoot.
Verpoting, V., verpotingen.
Verpotten, verpotte, heeft verpot.
Verpotting, V.
Verpraten, verpraatte, heeft verpraat.
Verpronken, verpronkte, heeft verpronkt.
Verpruilen, verpruilde, heeft verpruild.
Verraad, O.
Verraadster, V., verraadsters.
Verraden, verried, heeft verraden.
Verrader, M., verraders en verraderen.
Verraderlijk, -lijker, -lijkst.
Verrafelen, verrafelde, heeft en is verrafeld.
Verrammelen, verrammelde, heeft verrammeld.
Verrassen, verraste, heeft verrast.
Verrassing, V., verrassingen. Verrassinkje, O., -jes.
Verre. Zie Ver.
Verregaand, -gaander, -gaandst.
Verreiken (zich -), (te ver reiken), verreikte zich, heeft zich verreikt.
Verreizen, verreisde, heeft verreisd.
Verrekenen, verrekende, heeft verrekend.
Verrekening, V., verrekeningen.
Verrekijker, M., -kijkers; -kijkertje, O., -jes.
Verrekken, verrekte, heeft en is verrekt.
Verrekking, V., verrekkingen.
Verrel, O., verrels. Verreltje, O., -jes.
Verreweg.
Verreziend en Verziend.
Verrichten, verrichtte, heeft verricht.
Verrichting, V., verrichtingen.
Verrijken (rijker maken), verrijkte, heeft verrijkt.
Verrijking, V.
Verrijzen, verrees, verrezen, is verrezen.
Verrijzenis, V.
Verrijzing, V.
Verrimpelen, verrimpelde, heeft en is verrimpeld.
Verroeien, verroeide, heeft en is verroeid.
Verroekeloozen, verroekeloosde, heeft verroekeloosd.
Verroekeloozing, V.
Verroeren, verroerde, heeft verroerd.
Verroesten, verroestte, is verroest.
Verroesting, V.
Verrollen, verrolde, heeft verrold.
Verronselen, verronselde, heeft verronseld.
Verrooken, verrookte, heeft verrookt.
Verrot, verrotter, verrotst.
Verrotten, verrotte, is verrot.
Verrotting, V.
Verrottingsproces, O., -processen.
Verruilen, verruilde, heeft verruild.
Verruiling, V., verruilingen.
Verruimen, verruimde, heeft verruimd.
Verruiming, V.
Verrukkelijk, -lijker, -lijkst.
Verrukkelijkheid, V.
Verrukken, verrukte, heeft verrukt.
Verrukking, V., verrukkingen.
Vers, O., verzen. Versje, O., -jes.
Versaagd, versaagder, versaagdst.
Versaagdheid, V.
Versagen, versaagde, is versaagd.
Versbouw, M.
Versch, verscher.
Verschacheren, verschacherde, heeft verschacherd.
Verschaffen, verschafte, heeft verschaft.
Verschaffing, V.
Verschalen, verschaalde, is verschaald.
Verschaling, V.
Verschalken, verschalkte, heeft verschalkt,
Verschalking, V., verschalkingen.
Verschansen, verschanste, heeft verschanst.
Verschansing, V., verschansingen.
Verschebalie en Varschebalie, M., -balies.
Verscheiden, verscheidde, is verscheiden.
Verscheiden, O.
Verscheiden (bnw. en telw.).
Verscheidenheid, V., -heden.
Verschelen, verscheelde, heeft verscheeld.
Verschelijk.
Verschen, verschte, heeft geverscht.
Verschenken, verschonk, heeft verschonken.
Verschepen, verscheepte, heeft verscheept.
Verscheping, V., verschepingen.
Verscherpen, verscherpte, heeft verscherpt.
Verscherping, V., verscherpingen.
Verschertsen, verschertste, heeft verschertst.
Verscherven, verscherfde, heeft verscherfd.
Verschet. Zie Frisket.
Verscheuren, verscheurde, heeft verscheurd.
Verscheuring, V.
Verschheid, V.
Verschiet, O., verschieten. Verschietje, O., -jes.
Verschieten, verschoot, verschoten, heeft en is verschoten.
Verschijndag, M., -dagen.
Verschijnen, verscheen, verschenen, is verschenen.
Verschijning, V., verschijningen.
Verschijnsel, O., verschijnselen en verschijnsels.
Verschikken, verschikte, heeft en is verschikt.
Verschikking, V., verschikkingen.
Verschil, O., verschillen. Verschilletje, O., -jes.
Verschilferen, verschilferde, is verschilferd.
Verschillen, verschilde, heeft verschild.
Verschillend.
Verschilpunt, O., -punten.
Verschimmelen, verschimmelde, is verschimmeld.
Verschimmeling, V.
Versching, V.
Verschoffelen, verschoffelde, heeft verschoffeld.
Verschokken, verschokte, heeft en is verschokt.
Verschommelen, verschommelde, heeft en is verschommeld.
Verschoonbaar, -baarder, -baarst.
Verschoonbaarheid, V.
Verschoonen, verschoonde, heeft verschoond.
Verschooning, V., verschooningen.
Verschoonlijk, -lijker, -lijkst.
Verschoppeling, M. en V., verschoppelingen. V. ook verschoppelinge.
Verschoppen, verschopte, heeft verschopt.
Verschopping, V.
Verschot, O., verschotten. Verschotje, O., -jes.
Verschotlijstje, O., -lijstjes.
Verschoveling, M. en V., verschovelingen. V. ook verschovelinge.
Verschreeuwen (zich -), verschreeuwde zich, heeft zich verschreeuwd.
Verschrijven, verschreef, verschreven, heeft verschreven.
Verschrijving, V., verschrijvingen.
Verschrikkelijk, -lijker, -lijkst.
Verschrikkelijkheid, V., -heden.
Verschrikken, verschrikte, heeft en is verschrikt.
Verschrikker, M., verschrikkers.
Verschrikking, V., verschrikkingen.
Verschroeien, verschroeide, heeft en is verschroeid.
Verschroeiing, V.
Verschrompelen, verschrompelde, is verschrompeld.
Verschrompeling, V.
Verschronkelen, verschronkelde, is verschronkeld.
Verschudden, verschudde, heeft verschud.
Verschudding, V.
Verschuilen (zich -), verschool zich, verscholen zich, heeft zich verscholen.
Verschuimen, verschuimde, heeft verschuimd.
Verschuinen, verschuinde, heeft verschuind.
Verschuiven, verschoof, verschoven, heeft en is verschoven.
Verschuiving, V., verschuivingen.
Verschuldigd.
Verschuren, verschuurde, heeft en is verschuurd.
Versierder, M., versierders.
Versieren, versierde, heeft versierd.
Versiering, V., versieringen.
Versieringskunst, V.
Versieringsmotief, O., -motieven.
Versiersel, O., versiersels en versierselen.
Versierster, V., versiersters.
Versificatie, V.
Versjouwen, versjouwde, heeft versjouwd.
Verslaafd.
Verslaafdheid, V.
Verslaan, verslaat, versloeg, heeft en is verslagen.
Verslag, O., verslagen. Verslagje, O., -jes.
Verslagen, verslagener, verslagenst.
Verslagenheid, V.
Verslaggever, M., -gevers.
Verslampampen, verslampampte, heeft verslampampt.
Verslapen, versliep, heeft verslapen.
Verslappen, verslapte, heeft en is verslapt.
Verslapping, V., verslappingen.
Verslaven (zich -), verslaafde zich, heeft zich verslaafd.
Verslaving, V.
Verslechten, verslechtte, heeft en is verslecht.
Versleepen, versleepte, heeft versleept.
Verslempen, verslempte, heeft verslempt.
Verslensen, verslenste, is verslenst.
Verslenteren, verslenterde, heeft verslenterd.
Versleten, versletener, meest versleten.
Versleuren, versleurde, heeft versleurd.
Verslibben, verslibde, is verslibd.
Verslibbing, V., verslibbingen.
Verslijken, verslijkte, is verslijkt.
Verslijking, V., verslijkingen.
Verslijmen, verslijmde, is verslijmd.
Verslijming, V., verslijmingen.
Verslijtbaar, -bare.
Verslijten, versleet, versleten, heeft en is versleten.
Verslijting, V.
Verslikken, verslikte, heeft verslikt.
Verslikking, V., verslikkingen.
Verslinden, verslond, heeft verslonden.
Verslinder, M., verslinders.
Verslinding, V.
Verslindster, V., verslindsters.
Verslingerd.
Verslingerdheid, V.
Verslingeren, verslingerde, heeft en is verslingerd.
Verslodderen, verslodderde, heeft verslodderd.
Versloffen, verslofte, heeft versloft.
Verslonzen, verslonsde, heeft verslonsd.
Versloven, versloofde, heeft versloofd.
Versluizen, versluisde, heeft versluisd.
Versmaadheid, V.
Versmaadster, V., versmaadsters.
Versmachten, versmachtte, is versmacht.
Versmachting, V.
Versmaden, versmaadde, heeft versmaad.
Versmader, M., versmaders.
Versmading, V.
Versmakken, versmakte, heeft versmakt.
Versmallen, versmalde, heeft versmald.
Versmalling, V., versmallingen.
Versmeden, versmeedde, heeft versmeed.
Versmeding, V., versmedingen.
Versmelten, versmolt, heeft en is versmolten.
Versmelting, V.
Versmeren, versmeerde, heeft versmeerd.
Versmeulen, versmeulde, is versmeuld.
Versmijten, versmeet, versmeten, heeft versmeten.
Versmoren, versmoorde, heeft en is versmoord.
Versmoring, V., versmoringen.
Versnapering, V., versnaperingen. Versnaperingetje, O., -jes.
Versnellen, versnelde, heeft versneld.
Versnelling, V., versnellingen.
Versnijden, versneed, versneden, heeft versneden.
Versnijding, V., versnijdingen.
Versnipperen, versnipperde, heeft versnipperd.
Versnippering, V.
Versnoepen, versnoepte, heeft versnoept.
Versollen, versolde, heeft versold.
Verspannen, verspande, heeft verspannen.
Verspanning, V., verspanningen.
Verspelden, verspeldde, heeft verspeld.
Verspelen, verspeelde, heeft verspeeld.
Versperren, versperde, heeft versperd.
Versperring, V., versperringen.
Verspieden, verspiedde, heeft verspied.
Verspieder, M., verspieders.
Verspieding, V., verspiedingen.
Verspiedster, V., verspiedsters.
Verspiejacht, O., -jachten.
Verspillen, verspilde, heeft verspild.
Verspiller, M., verspillers.
Verspilling, V., verspillingen.
Verspilster, V., verspilsters.
Verspinnen, verspon, versponnen, heeft versponnen.
Verspitten, verspitte, heeft verspit.
Verspitting, V.
Versplinteren, versplinterde, is versplinterd.
Versplintering, V.
Versplitsen, versplitste, heeft verplitst.
Versplitsing, V.
Verspoelen, verspoelde, is verspoeld.
Verspoeling, V.
Verspreiden, verspreidde, heeft verspreid.
Verspreider, M., verspreiders.
Verspreiding, V.
Verspreidster, V., verspreidsters.
Verspreken (zich -), versprak zich, verspraken zich, heeft zich versproken.
Verspringen, versprong, is en heeft versprongen.
Verspringing, V.
Verstaald, verstaalder, verstaaldst,
Verstaaldheid, V.
Verstaan (te lang staan), verstaat, verstond, is verstaan.
Verstaan (begrijpen), verstaat, verstond, heeft verstaan.
Verstaanbaar, -baarder, -baarst.
Verstaanbaarheid, V.
Verstaander, M., verstaanders.
Verstalen, verstaalde, heeft verstaald.
Verstaling, V.
Verstallen, verstalde, heeft verstald.
Verstalling, V., verstallingen.
Verstand, O., verstanden.
Verstandelijk.
Verstandelijkheid, V.
Verstandeloos, -loozer.
Verstandeloosheid, V.
Verstandhouding, V.
Verstandig, verstandiger, verstandigst.
Verstandskies, V., -kiezen.
Verstandsontwikkeling, V.
Verstandsverbijstering, V.
Verstapelen, verstapelde, heeft verstapeld.
Verstappen (zich -), verstapte zich, heeft zich verstapt.
Versteend, versteender, versteendst.
Versteendheid, V.
Versteenen, versteende, heeft en is versteend.
Versteening, V., versteeningen.
Verstek, O.
Versteken, verstak, verstaken, heeft verstoken.
Verstekhaak, M., -haken.
Verstekwerk, O.
Verstelbaar.
Versteld (- staan).
Verstelgoed, O.
Verstellen, verstelde, heeft versteld.
Versteller, M., verstellers.
Verstelling, V., verstellingen.
Verstelnaaister, V., -naaisters.
Verstelster, V., verstelsters.
Verstelwerk, O.
Verstempelen, verstempelde, heeft verstempeld.
Verstempeling, V., verstempelingen.
Versterf, O.
Versterfbaar, -bare.
Versterfrecht, O.
Versterken, versterkte, heeft versterkt.
Versterkend, versterkender, versterkendst.
Versterking, V., versterkingen.
Versterkingskunst, V.
Versterven, verstierf, verstierven, is verstorven.
Versterving, V.
Verstijfd, verstijfder, verstijfdst.
Verstijfdheid, V.
Verstijven, verstijfde, heeft en is verstijfd.
Verstijving, V., verstijvingen.
Verstikken, verstikte, heeft en is verstikt.
Verstikking, V.
Verstoelen, verstoelde, heeft verstoeld.
Verstoeling, V., verstoelingen.
Verstoken, verstookte, heeft verstookt.
Verstokken, verstokte, heeft en is verstokt.
Verstokt, verstokter, verstoktst.
Verstoktheid, V.
Verstommen, verstomde, heeft en is verstomd.
Verstomming, V.
Verstompen, verstompte, heeft en is verstompt.
Verstomping, V.
Verstoomen, verstoomde, heeft en is verstoomd.
Verstoorbaar, -bare.
Verstoord, verstoorder, verstoordst.
Verstoorder, M., verstoorders.
Verstoordheid, V.
Verstoorster, V., verstoorsters.
Verstooteling, M. en V., verstootelingen. V. ook verstootelinge.
Verstooten, verstiet, heeft verstooten; ook verstootte.
Verstoppen, verstopte, heeft en is verstopt.
Verstoppertje, O.
Verstopping, V., verstoppingen. Verstoppinkje, O., -jes.
Verstoptheid, V.
Verstoren, verstoorde, heeft verstoord.
Verstoring, V., verstoringen.
Verstorten, verstortte, heeft verstort.
Verstouten, verstoutte, heeft verstout.
Verstouwen, verstouwde, heeft verstouwd.
Verstrammen, verstramde, heeft en is verstramd.
Verstramming, V.
Verstraten, verstraatte, heeft verstraat.
Verstrekken, verstrekte, heeft verstrekt.
Verstrekking, V., verstrekkingen.
Verstrijken, verstreek, verstreken, is verstreken.
Verstrikken, verstrikte, heeft verstrikt.
Verstrikking, V., verstrikkingen.
Verstrooid, verstrooider, verstrooidst.
Verstrooidheid, V.
Verstrooien, verstrooide, heeft verstrooid.
Verstrooiing, V., verstrooiingen.
Verstuiken, verstuikte, heeft verstuikt.
Verstuiking, V., verstuikingen.
Verstuiven, verstoof, verstoven, is verstoven.
Verstuiving, V., verstuivingen.
Verstuwen, verstuwde, heeft verstuwd.
Versuffen, versufte, heeft en is versuft.
Versuft, versufter, versuftst.
Versuftheid, V.
Versukkelen, versukkelde, heeft en is versukkeld.
Vertaalbaar, -bare.
Vertaalloon, O., -loonen.
Vertaalrecht, O.
Vertaalster, V., vertaalsters.
Vertaalwerk, O.
Vertaalwoede, V.
Vertakelen, vertakelde, heeft vertakeld.
Vertakeling, V.
Vertakking, V., vertakkingen.
Vertalen, vertaalde, heeft vertaald.
Vertaler, M., vertalers.
Vertaling, V., vertalingen.
Vertalmen, vertalmde, heeft vertalmd.
Vertappen, vertapte, heeft vertapt.
Vertapping, V.
Vertasten (zich -), vertastte zich, heeft zich vertast.
Verte, V.
Verteederen, verteederde, heeft en is verteederd.
Verteedering, V.
Verteerbaar, -bare.
Verteerder, M., verteerders.
Verteerster, V., verteersters.
Vertegenwoordigen, vertegenwoordigde, heeft vertegenwoordigd.
Vertegenwoordiger, M., vertegenwoordigers.
Vertegenwoordiging, V.
Vertegenwoordigster, V., vertegenwoordigsters.
Vertellen (verhalen), vertelde, heeft verteld.
Vertellen (zich -), (verkeerd tellen), vertelde zich, heeft zich verteld.
Vertellenswaardig, -waardiger, -waardigst, of meer en meest -waardig.
Verteller, M., vertellers.
Vertelling, V., vertellingen. Vertellinkje, O., -jes.
Vertelsel, O., vertelsels. Vertelseltje, O., -jes.
Vertelster, V., vertelsters.
Verteren, verteerde, heeft en is verteerd.
Vertering, V., verteringen.
Verteringsbelasting, V., -belastingen.
Verteuten, verteutte, heeft verteut.
Verticaal, verticale.
Vertienden, vertiendde, heeft vertiend.
Vertiender, M., vertienders.
Vertiending, V., vertiendingen.
Vertienvoudigen, vertienvoudigde, heeft vertienvoudigd.
Vertier, O.
Vertikken, vertikte, heeft vertikt.
Vertillen, vertilde, heeft vertild.
Vertimmeren, vertimmerde, heeft vertimmerd.
Vertimmering, V., vertimmeringen.
Vertinnen, vertinde, heeft vertind.
Vertinner, M., vertinners.
Vertinning, V.
Vertinsel, O.
Vertoef, O.
Vertoefplaats, V., -plaatsen.
Vertoeven, vertoefde, heeft vertoefd.
Vertolken, vertolkte, heeft vertolkt.
Vertolker, M., vertolkers.
Vertolking, V., vertolkingen.
Vertonnen, vertonde, heeft vertond.
Vertonning, V.
Vertoog, O., vertoogen. Vertoogje, O., -jes.
Vertoon, O.
Vertoonbaar, -bare.
Vertoondag, M., -dagen.
Vertoonen, vertoonde, heeft vertoond.
Vertooner, M., vertooners.
Vertooning, V., vertooningen. Vertooninkje, O., -jes.
Vertoonplaats, V., -plaatsen.
Vertoonster, V., vertoonsters.
Vertoornen, vertoornde, heeft vertoornd.
Vertooveren, vertooverde, heeft vertooverd.
Vertorsen, vertorste, heeft vertorst.
Vertragen, vertraagde, heeft en is vertraagd.
Vertraging, V., vertragingen.
Vertrappelen, vertrappelde, heeft vertrappeld.
Vertrappeling, M. en V., vertrappelingen.
Vertrappen, vertrapte, heeft vertrapt.
Vertrapper, M., vertrappers.
Vertrapping, V.
Vertreden, vertrad, vertraden, heeft vertreden.
Vertreder, M., vertreders.
Vertreding, V.
Vertreedster, V., vertreedsters.
Vertrek (kamer), O., vertrekken. Vertrekje, O., -jes.
Vertrek (afreis), O.
Vertrekken, vertrok, vertrokken, heeft en is vertrokken.
Vertrekking, V., vertrekkingen.
Vertreuren, vertreurde, heeft vertreurd.
Vertreuzelen, vertreuzelde, heeft vertreuzeld.
Vertroetelen, vertroetelde, heeft vertroeteld.
Vertroeteling, V.
Vertroostbaar, -bare.
Vertroosten, vertroostte, heeft vertroost.
Vertroostend, vertroostender, vertroostendst.
Vertrooster, M., vertroosters.
Vertroosteres, V., vertroosteressen.
Vertroosting, V., vertroostingen.
Vertrouwd, vertrouwder, vertrouwdst.
Vertrouwde, M. en V., vertrouwden.
Vertrouwdheid, V.
Vertrouwelijk, -lijker, -lijkst.
Vertrouwelijkheid, V.
Vertrouweling, M. en V., vertrouwelingen. V. ook vertrouwelinge.
Vertrouwen, O.
Vertrouwen, vertrouwde, heeft vertrouwd.
Vertuianker, O., -ankers.
Vertuien, vertuide, heeft vertuid.
Vertuiing, V.
Vertuind.
Vertuining, V., vertuiningen.
Veruitziend.
Vervaard, vervaarder, vervaardst.
Vervaardheid, V.
Vervaardigen, vervaardigde, heeft vervaardigd.
Vervaardiger, M., vervaardigers.
Vervaardiging, V.
Vervaardigster, V., vervaardigsters.
Vervaarlijk, -lijker, -lijkst.
Vervaarlijkheid, V.
Verval (vermindering), O.
Verval (voordeel), O., vervallen. Vervalletje, O., -jes.
Vervaldag, M., -dagen.
Vervallen, verviel, is vervallen.
Vervallen, vervallener, vervallenst.
Vervallenheid, V.
Vervalschen, vervalschte, heeft vervalscht.
Vervalscher, M., vervalschers.
Vervalsching, V., vervalschingen.
Vervaltijd, M.
Vervangen, verving, heeft vervangen.
Vervanging, V.
Vervaren (vervaard maken), vervaarde, heeft vervaard.
Vervaren (vervoeren enz.), vervoer, heeft en is vervaren.
Vervaten, vervaatte, heeft vervaat.
Vervatten, vervatte, heeft vervat.
Vervelen, verveelde, heeft verveeld.
Vervelend, vervelender, vervelendst.
Vervelendheid, V.
Verveling, V.
Vervellen, vervelde, is verveld.
Vervelling, V., vervellingen.
Verveloos, -loozer.
Verveloosheid, V.
Verven, verfde, heeft geverfd.
Vervenen, verveende, heeft verveend.
Vervening, V., verveningen.
Verver, M., ververs.
Ververij, V., ververijen.
Ververschen, ververschte, heeft ververscht.
Verversching, V., ververschingen. Ververschinkje, O., -jes.
Ververschingskanaal, O., -kanalen.
Ververschingsplaats, V., -plaatsen.
Verversknecht, M., -knechts.
Ververskuip, V., -kuipen.
Ververswinkel, M., -winkels.
Vervetten, vervette, is vervet.
Vervetting, V.
Vervierdubbelen, vervierdubbelde, heeft vervierdubbeld.
Vervlechten, vervlocht, heeft vervlochten.
Vervlechting, V.
Vervliegen, vervloog, vervlogen, is vervlogen.
Vervlieging, V.
Vervlieten, vervloot, vervloten, is vervloten.
Vervloeien, vervloeide, is vervloeid.
Vervloeiing, V.
Vervloeken, vervloekte, heeft vervloekt.
Vervloeking, V., vervloekingen.
Vervloekt.
Vervloeren, vervloerde, heeft vervloerd.
Vervluchtigen, vervluchtigde, heeft vervluchtigd.
Vervluchtiging, V.
Vervoederen, vervoederde, heeft vervoederd.
Vervoegbaar, -bare.
Vervoegbaarheid, V.
Vervoegen, vervoegde, heeft vervoegd.
Vervoeging, V., vervoegingen.
Vervoer, O.
Vervoerbaar, -bare.
Vervoerder, M., vervoerders.
Vervoeren, vervoerde, heeft vervoerd.
Vervoering, V., vervoeringen.
Vervoermiddel, O., -middelen.
Vervoerprijs, M., -prijzen.
Vervolg, O., vervolgen. Vervolgje, O., -jes.
Vervolgbaar, -bare.
Vervolgbaarheid, V.
Vervolgbundel, M., -bundels.
Vervolgdeel, O., -deelen.
Vervolgen, vervolgde, heeft vervolgd.
Vervolgens.
Vervolger, M., vervolgers.
Vervolging, V., vervolgingen.
Vervolgingsgeest, M.
Vervolgingswaanzin, M.
Vervolglijst, V., -lijsten; -lijstje, O., -jes.
Vervolgster, V., vervolgsters.
Vervolgwerk, O., -werken.
Vervolgzucht, V.
Vervolgzuchtig, -zuchtiger, -zuchtigst.
Vervoogden, vervoogdde, heeft vervoogd.
Vervorderen, vervorderde, heeft vervorderd.
Vervormen, vervormde, heeft vervormd.
Vervormer, M., vervormers.
Vervorming, V., vervormingen.
Vervouwen, vervouwde, heeft vervouwen.
Vervrachten, vervrachtte, heeft vervracht.
Vervrachter, M., vervrachters.
Vervrachting, V., vervrachtingen.
Vervreemdbaar, -bare.
Vervreemden, vervreemdde, heeft en is vervreemd.
Vervreemdheid, V.
Vervreemding, V., vervreemdingen.
Vervreten, vervrat, vervraten, heeft vervreten.
Vervriezen, vervroor, vervroren, is vervroren en vervrozen.
Vervriezing, V.
Vervroegen, vervroegde, heeft en is vervroegd.
Vervroeging, V., vervroegingen.
Vervroolijken, vervroolijkte, heeft vervroolijkt.
Vervroolijking, V.
Vervuilen, vervuilde, is vervuild.
Vervuiling, V.
Vervullen, vervulde, heeft vervuld.
Vervulling, V.
Vervuren, vervuurde, is vervuurd.
Verwaaid, verwaaider, verwaaidst.
Verwaaien, verwaaide, heeft en is verwaaid; ook verwoei, verwoeien.
Verwaaiing, V.
Verwaand, verwaander, verwaandst.
Verwaandheid, V., -heden.
Verwaardigen, verwaardigde, heeft verwaardigd.
Verwaarloosster, V., verwaarloossters.
Verwaarloozen, verwaarloosde, heeft verwaarloosd.
Verwaarloozer, M., verwaarloozers.
Verwaarloozing, V.
Verwachten, verwachtte, heeft verwacht.
Verwachter, M., verwachters.
Verwachting, V., verwachtingen.
Verwant.
Verwant, M., verwanten.
Verwante, V., verwanten.
Verwantschap, V.
Verwantschapt.
Verward, verwarder, verwardst.
Verwardheid, V.
Verwaren, verwaarde, heeft verwaard.
Verwaring, V., verwaringen.
Verwarmen, verwarmde, heeft verwarmd.
Verwarming, V.
Verwarmingsbuis, V., -buizen.
Verwarmingskosten (mv.), M.
Verwarmingstoestel, M. en O., -toestellen.
Verwarren, verwarde, heeft verward.
Verwarring, V., verwarringen.
Verwasemen, verwasemde, is verwasemd.
Verwassen, verwies, verwiesen, is verwassen.
Verwassing, V.
Verwaten, verwatener, verwatenst.
Verwatenheid, V.
Verwateren, verwaterde, heeft verwaterd.
Verwatering, V.
Verwedden, verwedde, heeft verwed.
Verweekelijken, verweekelijkte, heeft verweekelijkt.
Verweekelijking, V.
Verweeken, verweekte, heeft en is verweekt.
Verweeking, V.
Verweerbaar, -bare.
Verweerd.
Verweerder, M., verweerders.
Verweeren (bederven), verweerde, is verweerd.
Verweering, V.
Verweerschrift, O., -schriften.
Verweerster, V., verweersters.
Verwegen (ww.).
Verweiden, verweidde, heeft verweid.
Verweiding, V.
Verwekken, verwekte, heeft verwekt.
Verwekker, M., verwekkers.
Verwekking, V.
Verwekster, V., verweksters.
Verweldigen, verweldigde, heeft verweldigd.
Verwelf en Verwulf, O., verwelven en verwulven.
Verwelfsel en Verwulfsel, O., verwelfsels en verwulfsels.
Verwelkbaar, -bare.
Verwelkbaarheid, V.
Verwelkelijk.
Verwelken, verwelkte, is verwelkt.
Verwelking, V.
Verwelkomen, verwelkomde, heeft verwelkomd.
Verwelkoming, V., verwelkomingen.
Verwelven en Verwulven, verwelfde en verwulfde, heeft verwelfd en en verwulfd.
Verwennen, verwende, heeft verwend.
Verwenning, V.
Verwenschen, verwenschte, heeft verwenscht.
Verwensching, V., verwenschingen.
Verweren (zich -), (verdedigen), verweerde zich, heeft zich verweerd.
Verwering, V.
Verwerkelijken, verwerkelijkte, heeft verwerkelijkt.
Verwerkelijking, V.
Verwerken, verwerkte, heeft verwerkt.
Verwerking, V.
Verwerpelijk, -lijker, -lijkst.
Verwerpelijkheid, V.
Verwerpen, verwierp, heeft verworpen.
Verwerping, V.
Verwerven, verwierf, verwierven, heeft verworven.
Verwerving, V.
Verwezenlijken, verwezenlijkte, heeft verwezenlijkt.
Verwezenlijking, V.
Verwiggelen, verwiggelde, heeft verwiggeld.
Verwijden, verwijdde, heeft en is verwijd.
Verwijderd, verwijderder, verwijderdst.
Verwijderen, verwijderde, heeft verwijderd.
Verwijdering, V., verwijderingen.
Verwijfd, verwijfder, verwijfdst.
Verwijfdheid, V., -heden.
Verwijl, O.
Verwijlen, verwijlde, heeft verwijld.
Verwijt, O., verwijten.
Verwijten, verweet, verweten, heeft verweten.
Verwijting, V., verwijtingen.
Verwijven, verwijfde, heeft en is verwijfd.
Verwijzen, verwees, verwezen, heeft verwezen.
Verwijzing, V., verwijzingen.
Verwikkelen, verwikkelde, heeft verwikkeld.
Verwikkeling, V., verwikkelingen.
Verwikken (ww.).
Verwilderd, verwilderder, verwilderdst.
Verwilderdheid, V.
Verwilderen, verwilderde, heeft en is verwilderd.
Verwildering, V.
Verwilligen, verwilligde, heeft verwilligd.
Verwilliging, V.
Verwinbaar, -bare.
Verwinden, verwond, heeft verwonden.
Verwinnaar, M., verwinnaars en verwinnaren.
Verwinnares, V., verwinnaressen.
Verwinnen, verwon, verwonnen, heeft verwonnen.
Verwinning, V., verwinningen.
Verwinteren, verwinterde, is verwinterd.
Verwintering, V.
Verwisselaar, M., verwisselaars.
Verwisselbaar, -bare.
Verwisselen, verwisselde, heeft en is verwisseld.
Verwisseling, V., verwisselingen.
Verwittigen, verwittigde, heeft verwittigd.
Verwittiging, V.
Verwoed, verwoeder, verwoedst.
Verwoedheid, V.
Verwoesten, verwoestte, heeft verwoest.
Verwoester, M., verwoesters.
Verwoesting, V., verwoestingen.
Verwonden, verwondde, heeft verwond.
Verwonderen, verwonderde, heeft verwonderd.
Verwondering, V.
Verwonderlijk, -lijker, -lijkst.
Verwonding, V., verwondingen.
Verwonen, verwoonde, heeft verwoond.
Verwonneling, M. en V., verwonnelingen. V. ook verwonnelinge.
Verworden, verwerd, is verworden.
Verwording, V.
Verworgen, ook Verwurgen, verworgde (verwurgde), heeft verworgd (verwurgd).
Verworging, ook Verwurging, V., verworgingen (verwurgingen).
Verwormen, verwormde, is verwormd.
Verworpeling, M. en V., verworpelingen. V. ook verworpelinge.
Verworpen, verworpener, verworpenst.
Verworpenheid, V.
Verwrikken, verwrikte, heeft verwrikt.
Verwrikking, V.
Verwringen, verwrong, heeft verwrongen.
Verwringing, V.
Verwulf, Verwulfsel, Verwulven. Zie Verwelf enz.
Verwurgen. Zie Verworgen.
Verzaadbaar, -bare.
Verzachten, verzachtte, heeft en is verzacht.
Verzachtend, verzachtender, verzachtendst.
Verzachting, V., verzachtingen.
Verzaden, verzaadde, heeft verzaad.
Verzadigbaar, -bare.
Verzadigdheid, V.
Verzadigen, verzadigde, heeft verzadigd.
Verzadiging, V.
Verzading, V.
Verzagen, verzaagde, heeft verzaagd.
Verzaken, verzaakte, heeft verzaakt.
Verzaker, M., verzakers.
Verzaking, V.
Verzakken, verzakte, is verzakt.
Verzakking, V., verzakkingen. Verzakkinkje, O., -jes.
Verzamelaar, M., verzamelaars.
Verzamelaarster, V., verzamelaarsters.
Verzamelen, verzamelde, heeft verzameld.
Verzameling, V., verzamelingen. Verzamelingetje, O., -jes.
Verzamelplaats, V., -plaatsen.
Verzamelwoord, O., -woorden.
Verzamen, verzaamde, heeft en is verzaamd.
Verzanden, verzandde, is verzand.
Verzanding, V., verzandingen.
Verzeepen, verzeepte, is verzeept.
Verzeeuwd.
Verzegelaar, M., verzegelaars.
Verzegelen, verzegelde, heeft verzegeld.
Verzegeling, V., verzegelingen.
Verzeggen, verzeide, heeft verzegd en verzeid.
Verzeilen, verzeilde, heeft en is verzeild.
Verzeiling, V.
Verzekeraar, M., verzekeraars.
Verzekerbrief, M., -brieven.
Verzekerdheid, V.
Verzekeren, verzekerde, heeft verzekerd.
Verzekergeld, O.
Verzekering, V., verzekeringen.
Verzekeringsbank, V., -banken.
Verzekeringsfonds, O., -fondsen.
Verzekeringsmaatschappij, V., -maatschappijen.
Verzekeringsplichtig.
Verzekeringspremie, V., -premiën.
Verzekerkantoor, O., -kantoren.
Verzellen, verzelde, heeft verzeld.
Verzelschappen, verzelschapte, heeft verzelschapt.
Verzenboek, O., -boeken; -boekje, O., -jes.
Verzenden, verzond, heeft verzonden.
Verzender, M., verzenders.
Verzending, V., verzendingen.
Verzendlijst, V., -lijsten.
Verzendster, V., verzendsters.
Verzenen (mv.), V.
Verzengen, verzengde, heeft verzengd.
Verzenging, V.
Verzenmaker, M., -makers.
Verzenmakerij, V.
Verzet, O.
Verzetje, O., -jes.
Verzetten, verzette, heeft verzet.
Verzetting, V.
Verzieden, verzood, verzoden, is verzoden.
Verzien, verzag, verzagen, heeft verzien.
Verziend.
Verziendheid, V.
Verzilverbaar.
Verzilveren, verzilverde, heeft verzilverd.
Verzilvering, V.
Verzingen, verzong, heeft verzongen.
Verzinkboor, V., -boren.
Verzinken, verzonk, is verzonken.
Verzinking, V.
Verzinlijken, verzinlijkte, heeft verzinlijkt.
Verzinlijking, V., verzinlijkingen.
Verzinnen, verzon, verzonnen, heeft verzonnen.
Verzinner, M., verzinners.
Verzinsel, O., verzinsels en verzinselen. Verzinseltje, O., -jes.
Verzitten, verzat, verzaten, heeft verzeten.
Verzoek, O., verzoeken. Verzoekje, O., -jes.
Verzoeken, verzocht, heeft verzocht.
Verzoeker, M., verzoekers.
Verzoeking, V., verzoekingen.
Verzoekschrift, O., -schriften.
Verzoekster, V., verzoeksters.
Verzoenbaar, -bare.
Verzoenbaarheid, V.
Verzoendag, M., -dagen.
Verzoendeksel, O., -deksels.
Verzoenen, verzoende, heeft verzoend.
Verzoenend, verzoenender, verzoenendst.
Verzoener, M., verzoeners.
Verzoening, V., verzoeningen.
Verzoeningswerk, O.
Verzoeten, verzoette, heeft verzoet.
Verzoeting, V.
Verzolen, verzoolde, heeft verzoold.
Verzorgen, verzorgde, heeft verzorgd.
Verzorger, M., verzorgers.
Verzorging, V.
Verzorgster, V., verzorgsters.
Verzot.
Verzotheid, V.
Verzotten, verzotte, is verzot.
Verzouten, verzoutte, heeft verzouten.
Verzuchten, verzuchtte, heeft verzucht.
Verzuchting, V., verzuchtingen.
Verzuim, O., verzuimen. Verzuimpje, O., -jes.
Verzuimen, verzuimde, heeft verzuimd.
Verzuiming, V.
Verzuipen, verzoop, verzopen, heeft en is verzopen.
Verzuren, verzuurde, heeft en is verzuurd.
Verzuring, V.
Verzusteren, verzusterde, heeft verzusterd.
Verzustering, V., verzusteringen.
Verzwageren, verzwagerde, heeft verzwagerd.
Verzwagering, V.
Verzwakken, verzwakte, heeft en is verzwakt.
Verzwakking, V., verzwakkingen.
Verzwaren, verzwaarde, heeft en is verzwaard.
Verzwarend, verzwarender, verzwarendst.
Verzwaring, V.
Verzwelgen, verzwolg, heeft verzwolgen.
Verzwelger, M., verzwelgers.
Verzwelging, V.
Verzwendelen, verzwendelde, heeft verzwendeld.
Verzweren (met een eed), verzwoer, heeft verzworen.
Verzweren (veretteren), verzwoor, verzworen, is verzworen.
Verzwering, V., verzweringen.
Verzwieren, verzwierde, heeft verzwierd.
Verzwijgen, verzweeg, verzwegen, heeft verzwegen.
Verzwijging, V.
Verzwijnen, verzwijnde, heeft verzwijnd.
Verzwikken, verzwikte, heeft verzwikt.
Verzwikking, V., verzwikkingen.
Vesper, V., vespers.
Vesperboek, O., -boeken.
Vesperklok, V.
Vesperpsalm, M., -psalmen.
Vespertijd, M.
Vest (wal), V., vesten.
Vest (kleedingstuk), O., vesten. Vestje, O., -jes.
Vesten, vestte, heeft gevest.
Vestengoed, O.
Vestenstof, V., -stoffen.
Vestibule, V., vestibules.
Vestigen, vestigde, heeft gevestigd.
Vestiging, V., vestigingen.
Vesting, V., vestingen. Vestinkje, O., -jes.
Vestingartillerie, V.
Vestingbouw, M.
Vestinggeschut, O.
Vestingstelsel, O., -stelsels.
Vestingstraf, V.
Vestingwerk, O., -werken.
Vestingwet, V., -wetten.
Vestzak, M., -zakken; -zakje, O., -jes.
Vet, O., vetten.
Vet, vetter, vetst.
Vetachtig.
Veter, M., veters. Vetertje, O., -jes.
Veteraan, M., veteranen.
Veterband, O.
Veteren, veterde, heeft geveterd.
Vetergat, O., -gaten.
Veterinair.
Vetheid, V.
Vetkaars, V., -kaarsen.
Vetklomp, M., -klompen.
Vetlaars, V., -laarzen.
Vetleder, O.
Vetlederen en Vetleeren.
Vetmesten, mestte vet, heeft vetgemest.
Vetmesting, V.
Veto, O., veto's.
Vetpotje, O., -jes.
Vetstaart, M., -staarten.
Vettewarier, M., vettewariers.
Vettig, vettiger, vettigst.
Vettigheid, V.
Vettik (veldsla), V.
Vetvorming, V.
Vetweiden, vetweidde, heeft gevetweid.
Vetweider, M., -weiders.
Vetweiderij, V., -weiderijen.
Vetzak, M. en V., -zakken.
Vetzuur, O., -zuren.
Veulen, O., veulens. Veulentje, O., -jes.
Vexatie, V., vexatiën en vexaties.
Vexeeren, vexeerde, heeft gevexeerd.
Vezel, V., vezelen en vezels. Vezeltje, O., -jes.
Vezelachtig, -achtiger, -achtigst.
Vezelachtigheid, V.
Vezelig, vezeliger, vezeligst.
Vezeligheid, V.
Viaduct, V., viaducten.
Vicariaat, O., vicariaten.
Vicaris, M., vicarissen.
Vice-admiraal, M., -admiraals.
Vice-consul, M., -consuls.
Vice-president, M., -presidenten.
Vicieus, vicieuzer, vicieust.
Victorie, V., victoriën en victories.
Victorieus.
Victualie en Victalie, V., victualiën en victaliën.
Victualiemeester, M., -meesters.
Vier (telw.). Als znw. V., vieren. Viertje, O., -jes.
Vieravond, M., -avonden.
Vierbeenig.
Vierbladig.
Vierdaagsch.
Vierdag, M., -dagen.
Vierde.
Vierdehalf, -halve.
Vierdendaagsch.
Vierdepart, O., -parten; -partje, O., -jes.
Vierderhande.
Vierderlei.
Vierdraadsch.
Vierdubbel.
Vierduitsbroodje, O., -jes.
Vierduizendste.
Vierel, O., vierels.
Vieren, vierde, heeft gevierd.
Vierendeel, O., -deelen; -deeltje, O., -jes.
Vierendeelen, vierendeelde, heeft gevierendeeld.
Vierhandig.
Vierhoek, M., -hoeken.
Vierhoekig.
Vierhonderd.
Vierhonderdste.
Viering, V.
Vierjarig.
Vierkant (bnw.).
Vierkant, O., -kanten; -kantje, O., -jes.
Vierkantig.
Vierkleur, V.
Vierkleurig.
Vierledig.
Vierlettergrepig.
Vierling, M. en V., vierlingen.
Vierlooper, M., -loopers.
Viermaal.
Viermaandelijksch.
Vierponder, M., -ponders.
Vierpootig.
Vierpuntig.
Vierregelig.
Vierschaar, V., -scharen.
Viersnarig.
Vierspan, O., -spannen.
Viersprong, M., -sprongen.
Vierstemmig.
Vierstoot, M., -stooten.
Viertal, O., -tallen.
Viertallig.
Viertandig.
Viertijd, M.
Viervakkig.
Viervingerig.
Viervlak, O., -vlakken.
Viervlakkig.
Viervleugelig.
Viervoet, M. (Te -).
Viervoeter, M., -voeters.
Viervoetig.
Viervorst, M., -vorsten.
Viervoud, O., -vouden.
Viervoudig.
Vierwekig.
Vierwerf.
Vierwielig.
Vierzijdig.
Vies, viezer, viest.
Viesheid, V., -heden.
Viezevazen (mv.), V.
Viezigheid, V., -heden.
Vigeeren, vigeerde, heeft gevigeerd.
Vigilante, V., vigilantes.
Vigileeren, vigileerde, heeft gevigileerd.
Vignet, O., vignetten. Vignetje, O., -jes.
Vijand, M., vijanden.
Vijandelijk.
Vijandelijkheid, V., -heden.
Vijandig, vijandiger, vijandigst.
Vijandigheid, V., -heden.
Vijandin, V., vijandinnen.
Vijandschap, V., -schappen.
Vijf (telw.). Als znw. V., vijven. Vijfje, O., -jes.
Vijfdaagsch.
Vijfde.
Vijfdehalf, -halve.
Vijfdepart, O., -parten; -partje, O., -jes.
Vijfderhande.
Vijfderlei.
Vijfduizendste.
Vijfhoek, M., -hoeken.
Vijfhoekig.
Vijfhonderd.
Vijfhonderden (smousjassen), vijfhonderdde, heeft gevijfhonderd.
Vijfhonderdje, O., -jes.
Vijfhonderdste.
Vijfjarig.
Vijfje (geldstuk), O., -jes.
Vijfkantig.
Vijfmaal.
Vijfponder, M., -ponders.
Vijfstoot, M., -stooten.
Vijftal, O., -tallen.
Vijftallig.
Vijftien, vijftienen.
Vijftiende.
Vijftiendehalf, -halve.
Vijftienderhande.
Vijftienderlei.
Vijftienhonderd.
Vijftienjarig.
Vijftienmaal.
Vijftienvoud, O., -vouden.
Vijftienvoudig.
Vijftig, vijftigen.
Vijftiger, M., vijftigers.
Vijftigjarig.
Vijftigmaal.
Vijftigponder, M., -ponders.
Vijftigste.
Vijftigtal, O., -tallen.
Vijftigvoud, O., -vouden.
Vijfvingerig.
Vijfvoetig.
Vijfvoud, O., -vouden.
Vijfvoudig.
Vijfwouter, ook Wiewouter, M., vijfwouters en wiewouters.
Vijfzijdig.
Vijg, V., vijgen. Vijgje, O., -jes.
Vijgeblad, O., -bladeren.
Vijgeboom, M., -boomen; -boompje, O., -jes.
Vijgenkorf, M., -korven.
Vijgenmand, V., -manden.
Vijgenmat, V., -matten; -matje, O., -jes.
Vijgepeer, V., -peren.
Vijgetouw. O., -touwen.
Vijl, V., vijlen. Vijltje, O., -jes.
Vijlen (met eene vijl), vijlde, heeft gevijld.
Vijlenkapper, M., -kappers.
Vijling, V., vijlingen.
Vijlsel, O.
Vijver, M., vijvers. Vijvertje, O., -jes.
Vijzel (stampvat), M., vijzels. Vijzeltje, O., -jes.
Vijzel (schroef), V., vijzels.
Vijzelen, vijzelde, heeft gevijzeld.
Vijzelmolen, M., -molens.
Vilder, M., vilders.
Vilderij, V., vilderijen.
Vildersbedrijf, O.
Vilderskar, V., -karren.
Vilderspaard, O., -paarden.
Vilderswerk, O.
Vilhout, O., -houten.
Villa, V., villa's. Villatje, O., -jes.
Villapark, O., -parken.
Villen, vilde, heeft gevild.
Vilmes, O., -messen.
Vilt, O., vilten.
Viltachtig.
Vilten (bnw.).
Viltig.
Viltpapier, O.
Vilveld, O., -velden.
Vim, V., vimmen. Vimmetje, O., -jes.
Vin, V., vinnen. Vinnetje, O., -jes.
Vinden, vond, heeft gevonden.
Vinder, M., vinders.
Vinding, V.
Vindingrijk, -rijker, -rijkst.
Vindingrijkheid, V.
Vindingskracht, V.
Vindster, V., vindsters.
Vinger, M., vingers en vingeren. Vingertje, O., -jes.
Vingerbreed, O.
Vingerdik, -dikke.
Vingerdoekje, O., -doekjes.
Vingerhoed, M., -hoeden; -hoedje, O., -jes.
Vingerhoedskruid, O.
Vingerkom, V., -kommen; -kommetje, O., -jes.
Vingerlid, O., -leden.
Vingerling, M., vingerlingen. Vingerlingetje, O., -jes.
Vingerring, M., -ringen.
Vingertop, M., -toppen.
Vingerzetting, V., -zettingen.
Vink, M., vinken. Vinkje, O., -jes.
Vinkekooi, V., -kooien.
Vinken, vinkte, heeft gevinkt.
Vinkenbaan, V., -banen.
Vinkenei, O., -eieren.
Vinkenhuisje, O., -jes.
Vinkennet, O., -netten.
Vinkenslag (knip), O., -slagen.
Vinkentijd, M.
Vinkentouw, O.
Vinkenvangst, V.
Vinker, M., vinkers.
Vinkeslag (zang), M.
Vinnig, vinniger, vinnigst.
Vinnigheid, V., -heden.
Violeeren, violeerde, heeft gevioleerd.
Violenbed, O., -bedden.
Violenstroop, V.
Violet, violette.
Violet (bloem), V., violetten. Violetje, O., -jes.
Violetbruin.
Violetkleurig.
Violier, V., violieren. Violiertje, O., -jes.
Violist, M., violisten.
Violoncel, V., violoncels.
Violoncellist, M., violoncellisten.
Viool (bloem), V., violen. Viooltje, O. -jes.
Viool (instrument), V., violen. Viooltje, O., -jes.
Vioolblok, O., -blokken.
Vioolconcert, O., -concerten.
Vioolhars, O. en V.
Vioolkast, V., -kasten.
Vioollessenaar, M., -lessenaars.
Vioolsleutel, M.
Vioolsnaar, V., -snaren.
Vioolsonate, V., -sonaten.
Vioolspel, O.
Vioolspeler, M., -spelers.
Virtuoos, M., virtuozen.
Virtuositeit, V.
Visch (als voorwerpsnaam), M., visschen; (als stofnaam), V. Vischje, O., -jes.
Vischachtig.
Vischakte, V., -akten.
Vischangel, M., -angels.
Vischarend, M., -arenden.
Vischbank, V., -banken.
Vischben, V., -bennen.
Vischboer, M., -boeren.
Vischgaren, O.
Vischgraat, V., -graten.
Vischgrommer, M., -grommers.
Vischgrond, M., -gronden.
Vischhaak, M., -haken.
Vischhandelaar, M., -handelaars.
Vischhoek, M., -hoeken.
Vischhoeker, M., -hoekers.
Vischhouder, M., -houders.
Vischkar, V., -karren.
Vischkooper, M., -koopers.
Vischlepel, M., -lepels.
Vischlijm, V.
Vischlucht, V.
Vischmarkt, V.
Vischnet, O., -netten.
Vischotter, M., -otters.
Vischpastei, V., -pasteien; -pasteitje, O., -jes.
Vischplaats, V., -plaatsen.
Vischrecht, O.
Vischrijk, -rijker, -rijkst.
Vischrijkheid, V.
Vischschub, V., -schubben.
Vischsloep, V., -sloepen.
Vischsoep, V.
Vischtorpedo, V., -torpedo's.
Vischtuig, O., -tuigen.
Vischvangst, V.
Vischvrouw, V., -vrouwen.
Vischwater, O., -waters en -wateren.
Vischweer, V., -weren.
Vischwijf, O., -wijven.
Vischwijventaal, O.
Vischwinkel, M., -winkels.
Viseeren, viseerde, heeft geviseerd.
Visie, V.
Visioen, O., visioenen.
Visitatie, V., visitatiën en visitaties.
Visite, V., visites.
Visiteboekje, O., -boekjes.
Visiteeren, visiteerde, heeft gevisiteerd.
Visitekaartje, O., -kaartjes.
Visiteur, M., visiteurs.
Visite-uur, O., -uren.
Visschen, vischte, heeft gevischt.
Visschenbloed, O.
Visschengeslacht, O.
Visscher, M., visschers en visscheren. Visschertje, O., -jes.
Visscherij, V., visscherijen.
Visscherijtentoonstelling, V.
Visscherijwet, V.
Visscherman, M., -lui.
Visschersbedrijf, O.
Visschersboot, V., -booten.
Visschersdorp, O., -dorpen.
Visschershut, V., -hutten.
Visscherslied, O., -liederen; -liedje, O., -jes.
Visscherspink, V., -pinken.
Visschersring, M.
Visschersschuit, V., -schuiten.
Visschig, visschiger, visschigst.
Vissing (scheepsw.), V., vissings.
Visum, O.
Vitachtig, -achtiger, -achtigst.
Vitachtigheid, V.
Vitaliteit, V.
Vitlust, M.
Vitrine, V., vitrines.
Vitriool, V. en O.
Vitse, V., vitsen.
Vitten, vitte, heeft gevit.
Vitter, M., vitters. Vittertje, O., -jes.
Vitterig, vitteriger, vitterigst.
Vitterigheid, V.
Vitterij, V., vitterijen.
Vitzucht, V.
Vivaciteit, V.
Vivat, O., vivats.
Vivisectie, V.
Vizier (Turksch minister), M., viziers en vizieren.
Vizier (van een geweer en helm), O., vizieren.
Vizierklep, V., -kleppen.
Vizierkorrel, V., -korrels.
Vizierlijn, V., -lijnen.
Vla. Zie Vlade.
Vlaag, V., vlagen. Vlaagje, O., -jes.
Vlaak, V., vlaken.
Vlaamsch.
Vlaamsch, O.
Vlade en Vla, V., vladen en vlaas. Vlaatje, O., -jes.
Vlag, V., vlaggen. Vlagje en vlaggetje, O., -jes.
Vlag (plant), O.
Vlaggejongen, M., -jongens.
Vlaggejonker, M., -jonkers.
Vlaggekapitein, M., -kapiteins.
Vlaggekoord, O., -koorden.
Vlaggelijn, V., -lijnen.
Vlaggen, vlagde, heeft gevlagd.
Vlaggendoek, O.
Vlaggenkaart, V., -kaarten.
Vlaggenkist, V., -kisten.
Vlaggeschip en Vlagschip, O., -schepen.
Vlaggestok, M., -stokken.
Vlaggetouw, O., -touwen.
Vlagofficier, M., -officieren.
Vlagvertoon, O.
Vlak (vlek, smet), V., vlakken. Vlakje, O., -jes.
Vlak (vlakte), O., vlakken.
Vlak, vlakker, vlakst.
Vlak (bijw.).
Vlaken, vlaakte, heeft gevlaakt.
Vlakgang, V., -gangen.
Vlakheid, V.
Vlakken (vlekken), vlakte, heeft en is gevlakt.
Vlakken (effen maken), vlakte, heeft gevlakt.
Vlakkerig, vlakkeriger, vlakkerigst.
Vlakkig, vlakkiger, vlakkigst.
Vlakte, V., vlakten.
Vlaktemaat, V., -maten.
Vlakteuitgebreidheid, V., -heden.
Vlam, V., vlammen. Vlammetje, O., -jes.
Vlammen, vlamde, heeft gevlamd.
Vlammig.
Vlamoven, M., -ovens.
Vlampijp, V., -pijpen.
Vlamvormig.
Vlas, O., vlassen.
Vlasachtig, -achtiger, -achtigst.
Vlasbaard, M., -baarden.
Vlasboer, M., -boeren.
Vlasbouw, M.
Vlasdotter, V.
Vlashekelaar, M., -hekelaars.
Vlaskop, M. en V., -koppen; -kopje, O., -jes.
Vlasland, O., -landen.
Vlassen (bnw.).
Vlassen, vlaste, heeft gevlast.
Vlasser, M., vlassers.
Vlassig, vlassiger, vlassigst.
Vlasspinner, M., -spinners.
Vlasstengel, M., -stengels.
Vlasvink, M., -vinken.
Vlaswiek, V., -wieken.
Vlaszaad, O.
Vlecht, V., vlechten. Vlechtje, O., -jes.
Vlechten, vlocht, heeft gevlochten.
Vlechter, M., vlechters.
Vlechting, V., vlechtingen.
Vlechtriet, O.
Vlechtsel, O., vlechtsels.
Vlechtster, V., vlechtsters.
Vlechtwerk, O.
Vledermuis en Vleermuis, V., -muizen; -muisje, O., -jes.
Vleesch, O., vleezen.
Vleeschbank, V., -banken.
Vleeschblok, O., -blokken.
Vleeschdag, M., -dagen.
Vleeschelijk.
Vleeschetend.
Vleeschextract, O.
Vleeschhal, V., -hallen.
Vleeschhouwer, M., -houwers.
Vleeschkeuring, V.
Vleeschkleur, V.
Vleeschklomp, M., -klompen.
Vleeschmaatschappij, V., -maatschappijen.
Vleeschmes, O., -messen.
Vleeschnat, O.
Vleeschpastei, V., -pasteien; -pasteitje, O., -jes.
Vleeschpin, V., -pinnen.
Vleeschpot, M., -potten.
Vleeschschotel, M., -schotels.
Vleeschspijzen (mv.), V.
Vleeschuitdeeling, V.
Vleeschvoeding, V.
Vleeschvork, V., -vorken.
Vleeschwonde, V., -wonden.
Vleet, V., vleten.
Vleezen (bnw.).
Vleezig, vleeziger, vleezigst.
Vleezigheid, V.
Vlegel, M., vlegels. Vlegeltje, O., -jes.
Vlegelachtigheid, V.
Vleien (mooi praten), vleide, heeft gevleid.
Vleiend, vleiender, vleiendst.
Vleier, M., vleiers. Vleiertje, O., -jes.
Vleierij, V., vleierijen.
Vleister, V., vleisters. Vleistertje, O., -jes.
Vleitaal, V.
Vleiwoord, O., -woorden; -woordje, O., -jes.
Vleizucht, V.
Vlek (vlak), V., vlekken. Vlekje, O., -jes.
Vlek (gehucht), O., vlekken. Vlekje, O., -jes.
Vlekkeloos, -looze.
Vlekkeloosheid, V.
Vlekken, vlekte, heeft en is gevlekt.
Vlekkenwater, O.
Vlektyphus, M.
Vlerk, V., vlerken. Vlerkje, O., -jes.
Vlerken, vlerkte, heeft gevlerkt.
Vlerkprauw, V., -prauwen.
Vlet, V., vletten. Vletje, O., -jes.
Vletten, vlette, heeft gevlet.
Vletter, M., vletters.
Vletterman, M., -lieden.
Vleug, V., vleugen. Vleugje, O., -jes.
Vleugel, M., vleugels en vleugelen. Vleugeltje, O., -jes.
Vleugeladjudant, M., -adjudanten.
Vleugelen (de armen binden), vleugelde, heeft gevleugeld.
Vleugelman, M., -mannen.
Vleugelpiano, V., -piano's.
Vlieboot, V., -booten.
Vlieden, vlood, vloden, is gevloden.
Vlieg, V., vliegen. Vliegje, O., -jes.
Vliegekop, M., -koppen.
Vliegen, vloog, vlogen, heeft en is gevlogen.
Vliegenaas, O.
Vliegend.
Vliegenei, O., -eieren; -eitje, O., -eitjes en -eiertjes.
Vliegeneter, M., -eters.
Vliegenkampernoelie, V.
Vliegenkap, V., -kappen.
Vliegenkast, V., -kasten.
Vliegenklap, M., -klappen.
Vliegenkleed, O., -kleeden.
Vliegenlijm, V.
Vliegenmasker, O., -maskers.
Vliegennet, O., -netten.
Vliegenpapier, O.
Vliegens.
Vliegensvlug (bijw.).
Vliegenvanger, M., -vangers.
Vliegenvangertje (plant), O., -jes.
Vliegenvergif, O.
Vliegenwaaier, M., -waaiers.
Vliegepoot, M., -pooten.
Vlieger, M., vliegers. Vliegertje, O., -jes.
Vliegertouw, O., -touwen.
Vliegkamp, O., -kampen.
Vliegluis, V., -luizen.
Vliegmachine, V., -machines.
Vliegpartij, V., -partijen; -partijtje, O., -jes.
Vliegveld, O., -velden.
Vliegwerk, O.
Vliegwiel, O., -wielen.
Vlier, V., vlieren.
Vliering, V., vlieringen. Vlierinkje, O., -jes.
Vlierpit, V., -pitten.
Vlies, O., vliezen. Vliesje, O., -jes.
Vliesachtig, -achtiger, -achtigst.
Vliesvleugelig.
Vliet, M., vlieten. Vlietje, O., -jes.
Vlieten, vloot, vloten, is gevloten.
Vliezig, vlieziger, vliezigst.
Vlij, V., vlijen.
Vlijen (voegen, schikken), vlijde, heeft gevlijd.
Vlijing, V.
Vlijm, V., vlijmen. Vlijmpje, O., -jes.
Vlijmen, vlijmde, heeft gevlijmd.
Vlijt, V.
Vlijtig, vlijtiger, vlijtigst.
Vlinder, M., vlinders. Vlindertje, O., -jes.
Vlinderbloemig.
Vloed, M., vloeden.
Vloedanker, O., -ankers.
Vloeddeur, V., -deuren.
Vloedgolf, V., -golven.
Vloeibaar, -baarder, -baarst.
Vloeibaarheid, V.
Vloeibaarmaking, V.
Vloeibaarwording, V.
Vloeiboek, O., -boeken.
Vloeiblok, O., -blokken.
Vloeien, vloeide, is en heeft gevloeid.
Vloeiend, vloeiender, vloeiendst.
Vloeiendheid, V.
Vloeimiddel, O., -middelen.
Vloeipapier, O.; -papiertje, O., -jes.
Vloeipijp, V., -pijpen.
Vloeiplank, V., -planken.
Vloeirol, V., -rollen.
Vloeistof, V., -stoffen.
Vloek, M., vloeken. Vloekje, O., -jes.
Vloekbeest, O., -beesten.
Vloeken, vloekte, heeft gevloekt.
Vloeker, M., vloekers.
Vloekgenoot, M., -genooten.
Vloekgespan, O.
Vloekwaardig, -waardiger, -waardigst, of meer en meest -waardig.
Vloekwaardigheid, V.
Vloekwoord, O., -woorden.
Vloer, M., vloeren. Vloertje, O., -jes.
Vloerbalk, M., -balken.
Vloerdweil, V., -dweilen.
Vloeren, vloerde, heeft gevloerd.
Vloering, V., vloeringen.
Vloerkleed, O., -kleeden.
Vloermat, V., -matten.
Vloerplank, V., -planken.
Vloertapijt, O., -tapijten.
Vloerzand, O.
Vloerzeil, O., -zeilen.
Vloghaver, V.
Vlok, V., vlokken. Vlokje, O., -jes.
Vlokachtig.
Vlokken, vlokte, is en heeft gevlokt.
Vlokkig, vlokkiger, vlokkigst.
Vlonder, M., vlonders. Vlondertje, O., -jes.
Vloo, V., vlooien. Vlooitje, O., -jes.
Vlooiebeet, M., -beten.
Vlooien, vlooide, heeft gevlooid.
Vlooienkruid, O.
Vloot, V., vloten. Vlootje, O., -jes.
Vlootrevue, V., -revues.
Vlootschouw, V., -schouwen.
Vlootvoogd, M., -voogden.
Vlos, O.
Vlossen (bnw.).
Vlossig, vlossiger, vlossigst.
Vlossigheid, V.
Vloszijde, V.
Vlot, O., vlotten. Vlotje, O., -jes.
Vlot, vlotter, vlotst.
Vloteling, M., vlotelingen.
Vlotgaand.
Vlotgras, O.
Vlotten, vlotte, heeft en is gevlot.
Vlotter, M., vlotters.
Vlouw, V., vlouwen.
Vlucht, V., vluchten.
Vluchteling, M. en V., vluchtelingen. V. ook vluchtelinge.
Vluchten, vluchtte, is gevlucht.
Vluchthaven, V., -havens.
Vluchtheuvel, M., -heuvels.
Vluchtig, vluchtiger, vluchtigst.
Vluchtigheid, V.
Vluchtigjes.
Vlug, vlugger, vlugst.
Vlugheid, V.
Vlugschrift, O., -schriften; -schriftje, O., -jes.
Vlugzout, O.
Vocaal, V., vocalen.
Vocaal, vocale.
Vocaalspelling, V., -spellingen.
Vocatief en Vocativus, M., vocatieven.
Vocht, O., vochten.
Vochten, vochtte, heeft gevocht.
Vochtig, vochtiger, vochtigst.
Vochtigheid, V.
Vod, O., en Vodde, V., vodden. Vodje, O., -jes.
Voddenkooper, M., -koopers.
Voddenkoopster, V., -koopsters.
Voddenkraam, V., -kramen.
Voddenkrabber, M., -krabbers.
Voddenmand, V., -manden.
Voddenmarkt, V., -markten.
Voddenraapster, V., -raapsters.
Voddenraper, M., -rapers.
Vodderij, V., vodderijen. Vodderijtje, O., -jes.
Voddewerk, O.
Voddig, voddiger, voddigst.
Voddigheid, V.
Voeden, voedde, heeft gevoed.
Voeder (persoon), M., voeders.
Voeder en Voer (voedsel), O. Voertje, O., -jes.
Voederen en Voeren, voederde en voerde, heeft gevoederd en gevoerd.
Voeding, V.
Voedingscommissie, V., -commissies en -commissiën.
Voedingskabel, M., -kabels.
Voedingsmiddel, O., -middelen.
Voedingsproces, O., -processen.
Voedingsstof, V., -stoffen.
Voedsel, O.
Voedster, V., voedsters. Voedstertje, O., -jes.
Voedsteren, voedsterde, heeft gevoedsterd.
Voedsterkind, O., -kinderen.
Voedsterling, M. en V., voedsterlingen. V. ook voedsterlinge.
Voedzaam, -zamer, -zaamst.
Voedzaamheid, V.
Voeg, V., voegen. Voegje. O., -jes.
Voegblok, O., -blokken.
Voege, V. (In dier -).
Voegen, voegde, heeft gevoegd.
Voeghout, O., -houten.
Voegijzer, O., -ijzers.
Voeglijk, -lijker, -lijkst.
Voeglijkheid, V.
Voegpasser, M., -passers.
Voegwerk, O.
Voegwoord, O., -woorden.
Voegzaam, -zamer, -zaamst.
Voegzaamheid, V.
Voelbaar, -bare.
Voeldraad, M., -draden.
Voelen, voelde, heeft gevoeld.
Voeler, M., voelers.
Voelhoorn en Voelhoren, M., -hoorns en -horens.
Voeling, V.
Voelspriet, M., -sprieten.
Voer (wagenvracht), O., voeren. Voertje, O., -jes.
Voer (voedsel). Zie Voeder.
Voerder, M., voerders.
Voeren (vervoeren, brengen enz.), voerde, heeft gevoerd.
Voeren (van binnen bekleeden), voerde, heeft gevoerd.
Voering, V., voeringen. Voerinkje, O., -jes.
Voerkatoen, O.
Voerlaken, O.
Voerloon, O., -loonen.
Voerman, M., -lieden en -lui.
Voerstraal, M., -stralen.
Voertuig, O., -tuigen.
Voerwiel, O., -wielen.
Voet, M., voeten. Voetje, O., -jes.
Voetangel, M., -angels.
Voetbad, O., -baden.
Voetbal, O. (naam van een spel).
Voetballen, voetbalde, heeft gevoetbald.
Voetbalveld, O., -velden.
Voetboei, V., -boeien.
Voetbreed, O.
Voeteeren, voeteerde, heeft en is gevoeteerd.
Voetenbankje, O., -bankjes.
Voeteneinde en -eind, O.
Voetenkussen, O., -kussens.
Voetenschrabber, M., -schrabbers; -schrabbertje, O., -jes.
Voetenzak, M., -zakken.
Voeteuvel, O.
Voetganger, M., -gangers.
Voetgangster, V., -gangsters.
Voetkus, M.
Voetlicht, O.
Voetmaat, V., -maten.
Voetpad, O., -paden.
Voetreis, V., -reizen; -reisje, O., -jes.
Voetspoor, O.
Voetstoots.
Voetstuk, O., -stukken.
Voetval, M.
Voetveeg, M., -vegen.
Voetvolk, O.
Voetwassching, V.
Voetzand, O.
Voetzoeker, M., -zoekers.
Voetzool, V., -zolen.
Vogel, M., vogels en vogelen. Vogeltje, O., -jes.
Vogelaar, M., vogelaars en vogelaren.
Vogelbekdier, O., -dieren.
Vogelen, vogelde, heeft gevogeld.
Vogelknip, V., -knippen.
Vogelkooi, V., -kooien.
Vogellijm, V.
Vogelmarkt, V.
Vogelnest, O., -nesten; -nestje, O., -jes.
Vogelperspectief, O.
Vogelroer, O., -roers.
Vogelschieten, O.
Vogelschrik, M., -schrikken.
Vogelslag, O., -slagen.
Vogelverschrikker, M., -verschrikkers.
Vogelvlucht, V.
Vogelvrij.
Vogelvrijverklaring, V.
Vogelzaad, O.
Voile, V., voiles.
Vol, voller, volst.
Volaarde, V.
Volbloed (bnw.).
Volbloedig, -bloediger, -bloedigst.
Volbloedigheid, V.
Volbouwen, volbouwde, heeft volbouwd; ook bouwde vol, heeft volgebouwd.
Volbrassen, braste vol, heeft volgebrast.
Volbrengen, volbracht, heeft volbracht.
Volbrenger, M., -brengers.
Volbrenging, V.
Voldaan.
Voldaanheid, V.
Voldingen, voldong, heeft voldongen.
Voldingend, -dingender, -dingendst.
Voldoen, voldeed, voldeden, heeft voldaan.
Voldoend, -doender, -doendst.
Voldoendheid, V.
Voldoener, M., -doeners.
Voldoening, V.
Voldoeningsleer, V.
Voldragen.
Vole, V., voles.
Voleinden, voleindde, heeft voleind.
Voleinder, M., -einders.
Voleindigen, voleindigde, heeft voleindigd.
Voleindiger, M., -eindigers.
Voleindiging, V.
Voleinding, V.
Volgbriefje, O., -jes.
Volgeestig.
Volgeling, M. en V., volgelingen. V. ook volgelinge.
Volgen, volgde, heeft en is gevolgd.
Volgenderwijze en -wijs.
Volgens.
Volger, M., volgers en volgeren.
Volgieten, goot vol, goten vol, heeft volgegoten.
Volgkoets, V., -koetsen.
Volgnummer, O., -nummers.
Volgooien, gooide vol, heeft volgegooid.
Volgorde, V.
Volgreeks, V., -reeksen.
Volgroeid.
Volgtrein, M., -treinen.
Volgzaam, -zamer, -zaamst.
Volgzaamheid, V.
Volhandig.
Volhandigheid, V.
Volharden, volhardde, heeft volhard.
Volharder, M., -harders.
Volharding, V.
Volhardingsvermogen, O.
Volheid, V.
Volhouden, hield vol, heeft volgehouden.
Volhouder, M., -houders.
Volhouding, V.
Volhoudster, V., -houdsters.
Volière, V., volières.
Volière-gaas, O.
Volijverig, -ijveriger, -ijverigst.
Voljarig.
Volk, O., volkeren en volken. Volkje, O., -jes.
Volkenkunde, V.
Volkenrecht, O.
Volkenrechtelijk.
Volkomen, -komener, -komenst.
Volkomenheid, V.
Volkplanter, M., -planters.
Volkplanting, V., -plantingen.
Volkrijk, -rijker, -rijkst.
Volkrijkheid, V.
Volksaard, M.
Volksbadhuis, O., -badhuizen.
Volksbelang, O., -belangen.
Volksbestaan, O.
Volksbeweging, V., -bewegingen.
Volksbibliotheek, V., -bibliotheken.
Volksbijeenkomst, V., -bijeenkomsten.
Volksblad, O., -bladen; -blaadje, O., -jes.
Volksboek, O., -boeken; -boekje, O., -jes.
Volksbond, M., -bonden.
Volksconcert, O., -concerten.
Volksdichter, M., -dichters.
Volksdracht, V., -drachten.
Volksdrank, M., -dranken.
Volkseditie, V., -edities.
Volksfeest, O., -feesten.
Volksgaarkeuken, V., -keukens.
Volksgebruik, O., -gebruiken.
Volksgeest, M.
Volksgeloof, O.
Volksgeluk, O.
Volksgewoonte, V., -gewoonten.
Volksgezang, O.
Volksgodsdienst, M., -godsdiensten.
Volksgunst, V.
Volkshaat, M.
Volkshuis, O., -huizen.
Volkskarakter, O.
Volkskerk, V.
Volksklasse, V., -klassen.
Volkskleeding, V.
Volkskunde, V.
Volksleeraar, M., -leeraars.
Volksleeszaal, V., -leeszalen.
Volksleger, O., -legers.
Volksleider, M., -leiders.
Volkslied, O., -liederen; -liedje, O., -jes.
Volksman, M., -mannen.
Volksmeening, V., -meeningen.
Volksmenigte, V.
Volksmenner, M., -menners.
Volksnaam, M., -namen.
Volksonderwijs, O.
Volksoploop, M., -oploopen.
Volksopstand, M., -opstanden.
Volksoverlevering, V., -overleveringen.
Volkspark, O., -parken.
Volksredenaar, M., -redenaars.
Volkregeering, V., -regeeringen.
Volksroman, M., -romans.
Volkssanatorium, O., -sanatoria.
Volksschool, V., -scholen.
Volkssouvereiniteit, V.
Volksspel, O., -spelen.
Volksspraak, V.
Volkssprookje, O., -jes.
Volksstam, M., -stammen.
Volksstem, V.
Volkstaal, V.
Volkstrots, M.
Volksuitgave, V., -uitgaven.
Volksvergadering, V., -vergaderingen.
Volksverhaal, O., -verhalen.
Volksverhuizing, V., -verhuizingen.
Volksvermaak, O., -vermaken.
Volksvertegenwoordiger, M., -vertegenwoordigers.
Volksvertegenwoordiging, V., -vertegenwoordigingen.
Volksvlijt, V.
Volksvoordracht, V., -voordrachten.
Volksvoorlezing, V., -voorlezingen.
Volksvooroordeel, O., -vooroordeelen.
Volksvriend, M., -vrienden.
Volkswil, M.
Volkswoede, V.
Volkszaak, V., -zaken.
Volkuip, V., -kuipen.
Volledig, -lediger, -ledigst.
Volledigheid, V.
Volleerd.
Vollemaan, V.
Vollemaansgezicht, O., -gezichten.
Vollen, volde, heeft gevold.
Voller, M., vollers.
Vollerij, V., vollerijen.
Vollersaarde, V.
Vollerskuip, V., -kuipen.
Vollersmolen, M., -molens.
Vollerswerk, O.
Volling, V., vollingen.
Volloopen, liep vol, is volgeloopen.
Volmaakt, -maakter, -maakst.
Volmaaktheid, V., -heden.
Volmacht, V., -machten.
Volmachtigen, volmachtigde, heeft gevolmachtigd.
Volmaken, volmaakte, heeft volmaakt.
Volmaking, V.
Volmolen, M., -molens.
Volmondig, -mondiger, -mondigst.
Volontair, M., volontairs.
Volop.
Volprijzen, volprees, volprezen, heeft volprezen.
Volschenken, schonk vol, heeft volgeschonken.
Volslagen, -slagener, -slagenst.
Volsmijten, smeet vol, smeten vol, heeft volgesmeten.
Volstaan, volstaat, volstond, heeft volstaan.
Volstandig, -standiger, -standigst.
Volstrekt, -strekter, -strektst.
Volstrekt (bijw.).
Volstrektelijk.
Volstrektheid, V.
Volstroomen, stroomde vol, is volgestroomd.
Voltallig, -talliger, -talligst.
Voltalligheid, V.
Volte (volheid), V.
Volte (in de rijkunst), V., voltes.
Volteekend.
Voltigeeren, voltigeerde, heeft gevoltigeerd.
Voltigeur, M., voltigeurs.
Voltobbe, V., -tobben.
Voltooien, voltooide, heeft voltooid.
Voltooier, M., -tooiers.
Voltooiing, V., -tooiingen.
Voltooister, V., -tooisters.
Voltrekken, voltrok, voltrokken, heeft voltrokken.
Voltrekker, M., -trekkers.
Voltrekking, V., -trekkingen.
Voluit.
Volume, O.
Volumineus, volumineuzer, volumineust.
Voluptueus, voluptueuze.
Volvaardig, -vaardiger, -vaardigst.
Volvaardigheid, V.
Volvet, volvette.
Volvoerder, M., -voerders.
Volvoeren, volvoerde, heeft volvoerd.
Volvoering, V.
Volwassen.
Volwerpen, wierp vol, heeft volgeworpen.
Volwichtig.
Volzalig.
Volzee.
Volzin, M., -zinnen; -zinnetje, O., -jes.
Vomeeren, vomeerde, heeft gevomeerd.
Vomitief, O., vomitieven.
Vond, M., vonden. Vondje, O., -jes.
Vondel, M., vondels.
Vondeling, M. en V., vondelingen. V. ook vondelinge. Vondelingetje, O., -jes.
Vondelingshuis, O., -huizen.
Vonder, M., vonders.
Vondst, V., vondsten.
Vonk, V., vonken. Vonkje, O., -jes.
Vonkelen (eigenlijk), vonkelde, heeft gevonkeld. Verg. Fonkelen.
Vonkeling, V.
Vonken, vonkte, heeft en is gevonkt.
Vonnis, O., vonnissen.
Vonnissen, vonniste, heeft gevonnist.
Vonnissing, V.
Vont, V., vonten.
Voogd, M., voogden.
Voogdes, V., voogdessen.
Voogdij, V., voogdijen.
Voogdijkind, O., -kinderen.
Voogdijraad, M., -raden.
Voogdijschap, V., -schappen.
Voois (zangwijs), V., vooizen.
Voor en Vore, V., voren.
Voor en Vóór.
Vooraan.
Vooraanzitting, V.
Vooraf.
Voorafgaand.
Voorafspraak, V., -spraken; -spraakje, O., -jes.
Vooral.
Vooralsnog.
Voorarbeid, M.
Voorarm, M., -armen.
Vooravond, M., -avonden.
Voorbaan, V., -banen.
Voorbaat, V.
Voorbabbelen, babbelde voor, heeft voorgebabbeld.
Voorband, M., -banden.
Voorbank, V., -banken; -bankje, O., -jes.
Voorbarig, -bariger, -barigst.
Voorbarigheid, V., -heden.
Voorbedacht.
Voorbedachtelijk.
Voorbedachtheid, V.
Voorbede, V., -beden.
Voorbeding, O., -bedingen.
Voorbedingen, bedong voor, heeft voorbedongen.
Voorbeeld, O., -beelden; -beeldje, O., -jes.
Voorbeeldeloos, -loozer.
Voorbeeldig, -beeldiger, -beeldigst.
Voorbeeldigheid, V.
Voorbehoedmiddel, O., -middelen.
Voorbehoud, V.
Voorbehouden, behield voor, heeft voorbehouden.
Voorbereiden, bereidde voor, heeft voorbereid.
Voorbereider, M., -bereiders.
Voorbereiding, V., -bereidingen.
Voorbericht, O., -berichten; -berichtje, O., -jes.
Voorbeschikken, beschikte voor, heeft voorbeschikt.
Voorbeschikking, V., -beschikkingen.
Voorbestaan, O.
Voorbestemmen, bestemde voor, heeft voorbestemd.
Voorbestemming, V.
Voorbezit, O.
Voorbidden, bad voor, baden voor, heeft voorgebeden.
Voorbidder, M., -bidders.
Voorbidding, V., -biddingen.
Voorbiecht, V.
Voorbij.
Voorbijdragen, droeg voorbij, heeft voorbijgedragen.
Voorbijdraven, draafde voorbij, heeft en is voorbijgedraafd.
Voorbijdringen, drong voorbij, is voorbijgedrongen.
Voorbijgaan, gaat voorbij, ging voorbij, heeft en is voorbijgegaan.
Voorbijgaand.
Voorbijgang, M.
Voorbijganger, M., -gangers.
Voorbijijlen, ijlde voorbij, is voorbijgeijld.
Voorbijkomen, komt voorbij, kwam voorbij, kwamen voorbij, is voorbijgekomen.
Voorbijlaten, liet voorbij, heeft voorbijgelaten.
Voorbijleeren, leerde voorbij, heeft en is voorbijgeleerd.
Voorbijloopen, liep voorbij, heeft en is voorbijgeloopen.
Voorbijrijden, reed voorbij, reden voorbij, heeft en is voorbijgereden.
Voorbijstreven, streefde voorbij, is voorbijgestreefd.
Voorbijtrekken, trok voorbij, trokken voorbij, is voorbijgetrokken.
Voorbijvliegen, vloog voorbij, vlogen voorbij, is voorbijgevlogen.
Voorbijzeilen, zeilde voorbij, heeft en is voorbijgezeild.
Voorbinden, bond voor, heeft voorgebonden.
Voorbode, M. en V., -boden.
Voorboezem, M., -boezems.
Voorbout, M., -bouten; -boutje, O., -jes.
Voorbramra, V., -raas.
Voorbramsteng, V., -stengen.
Voorbramzeil, O., -zeilen.
Voorbrengen, bracht voor, heeft voorgebracht.
Voorburg, M., -burgen.
Voorbuur, M., -buren.
Voorcijferen, cijferde voor, heeft voorgecijferd.
Voorcijfering, V.
Voordacht, V.
Voordans, M., -dansen; -dansje, O., -jes.
Voordansen, danste voor, heeft voorgedanst.
Voordanser, M., -dansers.
Voordat.
Voorde en Voord, V., voorden.
Voordeel, O., -deelen; -deeltje, O., -jes.
Voordeelig, -deeliger, -deeligst.
Voordeeligheid, V.
Voordeur, V., -deuren.
Voordewind, M.
Voordewind (bijw.).
Voordezen.
Voordienen, diende voor, heeft voorgediend.
Voordiener, M., -dieners.
Voordiening, V.
Voordochter, V., -dochters; -dochtertje, O., -jes.
Voordoen, deed voor, deden voor, heeft voorgedaan.
Voordraaien, draaide voor, heeft voorgedraaid.
Voordracht, V., -drachten.
Voordragen, droeg voor, heeft voorgedragen.
Voordwarstouw, O., -touwen.
Vooreb en Voorebbe, V.
Vooreergisteren.
Vooreerst.
Vooreinde, O., -einden.
Voorgaan, gaat voor, ging voor, is voorgegaan.
Voorgaats.
Voorgalerij, V., -galerijen.
Voorgang, M.
Voorganger, M., -gangers.
Voorgangster, V., -gangsters.
Voorgebed, O., -gebeden.
Voorgebergte, O., -gebergten.
Voorgemeld.
Voorgenoemd.
Voorgerecht, O., -gerechten.
Voorgestoelte, O., -gestoelten.
Voorgevel, M., -gevels; -geveltje, O., -jes.
Voorgeven, gaf voor, gaven voor, heeft voorgegeven.
Voorgeven, O.
Voorgeving, V.
Voorgevoel, O.
Voorgezang, O., -gezangen.
Voorgoed (bijw.).
Voorgoochelen, goochelde voor, heeft voorgegoocheld.
Voorgooi, V.
Voorgooien, gooide voor, heeft voorgegooid.
Voorgracht, V., -grachten.
Voorgrond, M., -gronden.
Voorhaar, O.
Voorhamer, M., -hamers.
Voorhand, V., -handen.
Voorhanden (bijw.).
Voorhang, M., -hangen.
Voorhangen, hing voor, heeft voorgehangen.
Voorhangsel, O., -hangsels en -hangselen.
Voorhaven, V., -havens.
Voorhebben, heeft voor, had voor, hadden voor, heeft voorgehad.
Voorheen.
Voorhistorisch.
Voorhoede, V., -hoeden.
Voorhoef, M., -hoeven.
Voorhof, O. en M., -hoven.
Voorhoofd, O., -hoofden; -hoofdje, O., -jes.
Voorhoofdsbeen, O., -beenderen.
Voorhouden, hield voor, heeft voorgehouden.
Voorhuid, V., -huiden.
Voorhuis, O., -huizen; -huisje, O., -jes.
Voorijzer, O., -ijzers.
Voorin.
Voor-Indië, O.
Vooringenomen, -genomener, -genomenst.
Vooringenomenheid, V.
Voorinnemen, nam voorin, namen voorin, heeft vooringenomen.
Voorjaar, O., -jaren; -jaartje, O., -jes.
Voorjaarsbloem, V., -bloemen; -bloempje, O., -jes.
Voorjaarskoorts, V., -koortsen.
Voorjaarsnachtevening, V., -eveningen.
Voorjaarsopruiming, V., -en.
Voorjaarsregen, M., -regens; -regentje, O., -jes.
Voorjaarsreis, V., -reizen.
Voorjaarsveiling, V., -veilingen.
Voorjaarsvergadering, V., -vergaderingen.
Voorjaarsweder, en -weer, O.
Voorkamer, V., -kamers; -kamertje, O., -jes.
Voorkasteel, O., -kasteelen.
Voorkauwen, kauwde voor, heeft voorgekauwd.
Voorkennis, V.
Voorkeuken, V., -keukens; -keukentje, O., -jes.
Voorkeur, V.
Voorkind, O., -kinderen.
Voorklimmen, klom voor, klommen voor, heeft en is voorgeklommen.
Voorkomen, komt voor, kwam voor, kwamen voor, is voorgekomen; ook voorkomt, voorkwam, voorkwamen, heeft voorkomen.
Voorkomen, O.
Voorkomend, -komender, -komendst.
Voorkomendheid, V.
Voorkoming, V.
Voorkoop, M., -koopen.
Voorkooper, M., -koopers.
Voorkoopster, V., -koopsters.
Voorkrijgen, kreeg voor, kregen voor, heeft voorgekregen.
Voorkwartier, O., -kwartieren.
Voorlaatst.
Voorland, O.
Voorlang.
Voorlast, M.
Voorlastig.
Voorlaten, liet voor, heeft voorgelaten.
Voorleden. Zie Verleden.
Voorleder en Voorleer, O.
Voorleggen, legde voor en leide voor, heeft voorgelegd en voorgeleid.
Voorlegging, V.
Voorlezen, las voor, lazen voor, heeft voorgelezen.
Voorlezer, M., -lezers.
Voorlezersbankje, O., -bankjes.
Voorlezing, V., -lezingen.
Voorlichten, lichtte voor, heeft voorgelicht.
Voorlichter, M., -lichters.
Voorlichting, V.
Voorliefde, V.
Voorliegen, loog voor, logen voor, heeft voorgelogen.
Voorliggen, lag voor, lagen voor, heeft voorgelegen.
Voorlijf, O., -lijven; -lijfje, O., -jes.
Voorlijk (scheepsw.), O., -lijken.
Voorlijk, -lijker, -lijkst.
Voorlijkheid, V.
Voorloop (geestrijk vocht), V.
Voorloopen, liep voor, heeft en is voorgeloopen.
Voorlooper, M., -loopers.
Voorloopig.
Voorluik, O., -luiken.
Voormaals.
Voormaand, V., -maanden.
Voormaken, maakte voor, heeft voorgemaakt.
Voormalig.
Voorman, M., -mannen.
Voormars, V., -marsen.
Voormarszeil, O., -zeilen.
Voormast, M., -masten.
Voormeten, mat voor, maten voor, heeft voorgemeten.
Voormiddag, M., -middagen: -middagje, O., -jes.
Voormiddagwacht, V.
Voormouw, V., -mouwen.
Voormuur, M., -muren.
Voorn. Zie Voren.
Voornaald, V., -naalden.
Voornaam, M., -namen.
Voornaam, -namer, -naamst.
Voornaamwoord, O., -woorden.
Voornacht, M., -nachten.
Voornamelijk.
Voornemen, O., -nemens.
Voornemen, nam voor, namen voor, heeft voorgenomen.
Voornoemd.
Voornoen, M.
Vooroever, M., -oevers.
Vooronder, O., -onders; -ondertje, O. -jes.
Vooronderstellen, vooronderstelde, heeft voorondersteld.
Vooronderstelling, V., -stellingen.
Vooroordeel, O., -oordeelen.
Voorop.
Vooropstellen, stelde voorop, heeft vooropgesteld.
Vooropzetten, zette voorop, heeft vooropgezet.
Voorouderlijk.
Voorouders en Voorouderen (mv.), M.
Voorover.
Vooroverlijden (het vroeger sterven), O.
Vooroverloopen, liep voorover, heeft voorovergeloopen.
Voorovervallen, viel voorover, is voorovergevallen.
Voorpaard, O., -paarden.
Voorpand, O., -panden; -pandje, O., -jes.
Voorplaats, V., -plaatsen; -plaatsje, O., -jes.
Voorplecht, V., -plechten.
Voorplein, O., -pleinen.
Voorpoort, V., -poorten.
Voorpoot, M., -pooten; -pootje, O. -jes.
Voorportaal, O., -portalen.
Voorpost, M., -posten.
Voorpostengevecht, O., -gevechten.
Voorpostenlinie, V., -liniën.
Voorpraten, praatte voor, heeft voorgepraat.
Voorprediken en Voorpreeken, predikte voor en preekte voor, heeft voorgepredikt en voorgepreekt.
Voorproef, V.; -proefje, O., -jes.
Voorproeven, proefde voor, heeft voorgeproefd.
Voorproever, M., -proevers.
Voorraad, M.
Voorraadkamer, V., -kamers.
Voorraadschuur, V., -schuren.
Voorraam, O., -ramen.
Voorrad, O., -raderen.
Voorrang, M.
Voorrecht, O., -rechten.
Voorrede, V., -redenen; -redetje, O., -jes.
Voorrekenen, rekende voor, heeft voorgerekend.
Voorriem, M., -riemen.
Voorrijden, reed voor, reden voor, heeft en is voorgereden.
Voorrijder, M., -rijders.
Voorroepen, riep voor, heeft voorgeroepen.
Voorschans, V., -schansen.
Voorschenken, schonk voor, heeft voorgeschonken.
Voorschenker, M., -schenkers.
Voorschieten, schoot voor, schoten voor, heeft voorgeschoten.
Voorschieter, M., -schieters.
Voorschijn (Te -).
Voorschilderen, schilderde voor, heeft voorgeschilderd.
Voorschip, O.
Voorschoen, M., -schoenen.
Voorschoenen, voorschoende, heeft gevoorschoend.
Voorschoot, O., -schooten; -schootje, O., -jes.
Voorschot, O., -schotten; -schotje, O., -jes.
Voorschotbank, V., -banken.
Voorschreven.
Voorschrift, O., -schriften.
Voorschrijven, schreef voor, schreven voor, heeft voorgeschreven.
Voorschrijving, V.
Voorschuiven, schoof voor, schoven voor, heeft voorgeschoven.
Voorschutting, V.
Voorshands.
Voorslaan, slaat voor, sloeg voor, heeft voorgeslagen.
Voorslag (voorstel), M., -slagen.
Voorslag (van een klokkenspel en in de muziek), O.
Voorslemphout, O., -houten.
Voorsmaak, M.; -smaakje, O.
Voorsmijten, smeet voor, smeten voor, heeft voorgesmeten.
Voorsnijden, sneed voor, sneden voor, heeft voorgesneden.
Voorsnijder, M., -snijders.
Voorsnijmes, O., -messen.
Voorspan, O., -spannen.
Voorspannen, spande voor, heeft voorgespannen.
Voorspel, O., -spelen; -spelletje, O., -jes.
Voorspelden, speldde voor, heeft voorgespeld.
Voorspelder, M., -spelders; -speldertje, O., -jes.
Voorspelen, speelde voor, heeft voorgespeeld.
Voorspeler, M., -spelers.
Voorspellen (de letters voorzeggen), spelde voor, heeft voorgespeld.
Voorspellen (voorzeggen), voorspelde, heeft voorspeld.
Voorspeller, M., -spellers.
Voorspelling, V., -spellingen.
Voorspelster, V., -spelsters.
Voorspiegelen, spiegelde voor, heeft voorgespiegeld.
Voorspiegeling, V., -spiegelingen.
Voorspijs, V., -spijzen.
Voorspoed, M.
Voorspoedig, -spoediger, -spoedigst.
Voorspoediglijk.
Voorspraak (persoon), M. en V., -spraken; (het voorspreken), V.
Voorspreken, sprak voor, spraken voor, heeft voorgesproken.
Voorspreker, M., -sprekers.
Voorstaan, staat voor, stond voor, heeft voorgestaan.
Voorstad, V., -steden.
Voorstand, M.
Voorstander, M., -standers.
Voorstandster, V., -standsters.
Voorstappen, stapte voor, heeft en is voorgestapt.
Voorste.
Voorsteek, M., -steken.
Voorsteken, stak voor, staken voor, heeft voorgestoken.
Voorstel, O., -stellen; -stelletje, O., -jes.
Voorstellen, stelde voor, heeft voorgesteld.
Voorsteller, M., -stellers.
Voorstelling, V., -stellingen.
Voorstellingsgave, V.
Voorstellingsvermogen, O.
Voorstelster, V., -stelsters.
Voorstemmen, stemde voor, heeft voorgestemd.
Voorstemmer, M., -stemmers.
Voorsteng, V., -stengen.
Voorsteven, M., -stevens.
Voorstoot, M.
Voorstooten, stiet voor, heeft voorgestooten; ook stootte voor.
Voorstraat, V., -straten.
Voorstuk, O., -stukken; -stukje, O., -jes.
Voort.
Voortaan.
Voortand, M., -tanden; -tandje, O., -jes.
Voortarbeiden, arbeidde voort, heeft voortgearbeid.
Voortbabbelen, babbelde voort, heeft voortgebabbeld.
Voortblazen, blies voort, bliezen voort, heeft voortgeblazen.
Voortbouwen, bouwde voort, heeft voortgebouwd.
Voortbrengen, bracht voort, heeft voortgebracht.
Voortbrenger, M., -brengers.
Voortbrenging, V.
Voortbrengingskracht, V.
Voortbrengingsvermogen, O.
Voortbrengsel, O., -brengsels en -brengselen.
Voortbrengster, V., -brengsters.
Voortdommelen, dommelde voort, heeft voortgedommeld.
Voortdragen, droeg voort, heeft voortgedragen.
Voortdraven, draafde voort, is voortgedraafd.
Voortdrijven, dreef voort, dreven voort, heeft en is voortgedreven.
Voortdrijver, M., -drijvers.
Voortdrijving, V.
Voortduren, duurde voort, heeft voortgeduurd.
Voortdurend.
Voortduring, V.
Voortduur, M.
Voortduwen, duwde voort, heeft voortgeduwd.
Voorteeken, O., -teekenen en -teekens.
Voorteekenen, teekende voor, heeft voorgeteekend.
Voorteekening, V.
Voortellen, telde voor, heeft voorgeteld.
Voortelling, V.
Voortent, V.
Voorteten, at voort, aten voort, heeft voortgegeten.
Voortfladderen, fladderde voort, is voortgefladderd.
Voortgaan, gaat voort, ging voort, is voortgegaan.
Voortgang, M., -gangen.
Voortgetogen (verl. deelw.).
Voortgeven, gaf voort, gaven voort, heeft voortgegeven.
Voortglijden, gleed voort, gleden voort, is voortgegleden.
Voorthelpen, hielp voort, heeft voortgeholpen.
Voorthollen, holde voort, heeft en is voortgehold.
Voorthuppelen, huppelde voort, heeft en is voortgehuppeld.
Voortijd, M., -tijden.
Voortijds.
Voortijlen (voortsnellen), ijlde voort, is voortgeijld.
Voortjagen, jaagde voort, heeft en is voortgejaagd; ook joeg voort.
Voortkomen, komt voort, kwam voort, kwamen voort, is voortgekomen.
Voortkrijgen, kreeg voort, kregen voort, heeft voortgekregen.
Voortkruien, krooi voort, krooien voort, heeft en is voortgekrooien; ook kruide voort, heeft en is voortgekruid.
Voortkruipen, kroop voort, kropen voort, is voortgekropen.
Voortkuieren, kuierde voort, is voortgekuierd.
Voortleiden, leidde voort, heeft voortgeleid.
Voortloopen, liep voort, is en heeft voortgeloopen.
Voortmaken, maakte voort, heeft voortgemaakt.
Voortmalen, maalde voort, heeft voortgemalen.
Voortocht, M., -tochten.
Voortooveren, tooverde voor, heeft voorgetooverd.
Voortop, M., -toppen.
Voortpakken (zich -), pakte zich voort, heeft zich voortgepakt.
Voortplanten, plantte voort, heeft voortgeplant.
Voortplanting, V.
Voortplantingsorgaan, O., -organen.
Voortpraten, praatte voort, heeft voortgepraat.
Voortraken, raakte voort, is voortgeraakt.
Voortrap, V.
Voortreden, trad voor, traden voor, is voorgetreden.
Voortredeneeren, redeneerde voort, heeft voortgeredeneerd.
Voortreffelijk, -lijker, -lijkst.
Voortreffelijkheid, V., -heden.
Voortrein, M., -treinen.
Voortreizen, reisde voort, is voortgereisd.
Voortrekken (voor-trekken), trok voor, trokken voor, heeft voorgetrokken.
Voortrekken (voort-rekken), rekte voort, heeft voortgerekt.
Voortrennen, rende voort, is en heeft voortgerend.
Voortrijden, reed voort, reden voort, heeft en is voortgereden.
Voortroeien, roeide voort, heeft en is voortgeroeid.
Voortrollen, rolde voort, heeft en is voortgerold.
Voortrukken, rukte voort, heeft en is voortgerukt.
Voorts.
Voortscharrelen, scharrelde voort, is voortgescharreld.
Voortschieten, schoot voort, schoten voort, heeft en is voortgeschoten.
Voortschoppen, schopte voort, heeft voortgeschopt.
Voortschuiven, schoof voort, schoven voort, heeft en is voortgeschoven.
Voortslaan, sloeg voort, heeft en is voortgeslagen.
Voortsleepen, sleepte voort, heeft voortgesleept.
Voortslenteren, slenterde voort, is voortgeslenterd.
Voortsleuren, sleurde voort, heeft voortgesleurd.
Voortsluipen, sloop voort, slopen voort, is voortgeslopen.
Voortsnellen, snelde voort, is voortgesneld.
Voortspoeden, spoedde voort, is voortgespoed; ook spoedde zich voort, heeft zich voortgespoed.
Voortspruiten, sproot voort, sproten voort, is voortgesproten.
Voortstappen, stapte voort, is en heeft voortgestapt.
Voortstoomen, stoomde voort, is voortgestoomd.
Voortstreven, streefde voort, is voortgestreefd.
Voortstrompelen, strompelde voort, is voortgestrompeld.
Voortstroomen, stroomde voort, is en heeft voortgestroomd.
Voortstudeeren, studeerde voort, heeft voortgestudeerd.
Voortstuiven, stoof voort, stoven voort, heeft en is voortgestoven.
Voortsturen, stuurde voort, heeft voortgestuurd.
Voortstuwen, stuwde voort, heeft voortgestuwd.
Voortsukkelen, sukkelde voort, heeft en is voortgesukkeld.
Voorttelen, teelde voort, heeft voortgeteeld.
Voortteling, V.
Voorttellen, telde voort, heeft voortgeteld.
Voorttrekken, trok voort, trokken voort, heeft en is voortgetrokken.
Voortvarend, -varender, -varendst.
Voortvarendheid, V.
Voortvertellen, vertelde voort, heeft voortverteld.
Voortvlieden, vlood voort, vloden voort, is voortgevloden.
Voortvliegen, vloog voort, vlogen voort, heeft en is voortgevlogen.
Voortvloeien, vloeide voort, is voortgevloeid.
Voortvluchtig.
Voortvragen, vraagde voort, heeft voortgevraagd; ook vroeg voort.
Voortwaaien, waaide voort, heeft en is voortgewaaid; ook woei voort, woeien voort.
Voortwaggelen, waggelde voort, is voortgewaggeld.
Voortwandelen, wandelde voort, heeft en is voortgewandeld.
Voortwerpen, wierp voort, heeft voortgeworpen.
Voortwillen, wilde voort, heeft voortgewild.
Voortwoekeren, woekerde voort, heeft en is voortgewoekerd.
Voortzeggen, zeide voort, heeft voortgezegd en voortgezeid.
Voortzeilen, zeilde voort, heeft en is voortgezeild.
Voortzenden, zond voort, heeft voortgezonden.
Voortzetten, zette voort, heeft voortgezet.
Voortzetter, M., -zetters.
Voortzetting, V.
Voortzondigen, zondigde voort, heeft voortgezondigd.
Voortzweepen, zweepte voort, heeft voortgezweept.
Vooruit.
Vooruitbestellen, bestelde vooruit, heeft vooruitbesteld.
Vooruitbestelling, V., -bestellingen.
Vooruitbetalen, betaalde vooruit, heeft vooruitbetaald.
Vooruitbetaling, V., -betalingen.
Vooruitbrengen, bracht vooruit, heeft vooruitgebracht.
Vooruitdraven, draafde vooruit, is vooruitgedraafd.
Vooruitdrijven, dreef vooruit, dreven vooruit, heeft en is vooruitgedreven.
Vooruitdringen, drong vooruit, heeft en is vooruitgedrongen.
Vooruitduwen, duwde vooruit, heeft vooruitgeduwd.
Vooruitgaan, gaat vooruit, ging vooruit, is vooruitgegaan.
Vooruitgang, M.
Vooruithebben, heeft vooruit, had vooruit, hadden vooruit, heeft vooruitgehad.
Vooruithelpen, hielp vooruit, heeft vooruitgeholpen.
Vooruitijlen, ijlde vooruit, is vooruitgeijld.
Vooruitjagen, jaagde vooruit, heeft en is vooruitgejaagd; ook joeg vooruit.
Vooruitkomen, komt vooruit, kwam vooruit, kwamen vooruit, is vooruitgekomen.
Vooruitloopen, liep vooruit, is vooruitgeloopen.
Vooruitmaking, V., -makingen.
Vooruitnemen, nam vooruit, namen vooruit, heeft vooruitgenomen.
Vooruitraken, raakte vooruit, is vooruitgeraakt.
Vooruitreizen, reisde vooruit, is vooruitgereisd.
Vooruitrennen, rende vooruit, is vooruitgerend.
Vooruitrijden, reed vooruit, reden vooruit, is en heeft vooruitgereden.
Vooruitsnellen, snelde vooruit, is vooruitgesneld.
Vooruitsteken, stak vooruit, staken vooruit, heeft vooruitgestoken.
Vooruitstreven, streefde vooruit, is vooruitgestreefd.
Vooruitstrevend.
Vooruitvliegen, vloog vooruit, vlogen vooruit, is vooruitgevlogen.
Vooruitzeilen, zeilde vooruit, is vooruitgezeild.
Vooruitzenden, zond vooruit, heeft vooruitgezonden.
Vooruitzicht, O., -zichten.
Vooruitzien, zag vooruit, zagen vooruit, heeft vooruitgezien.
Vooruitziend.
Voorvader, M., -vaderen en -vaders.
Voorvaderlijk.
Voorval, O., -vallen; -valletje, O., -jes.
Voorvallen, viel voor, is voorgevallen.
Voorvechter, M., -vechters.
Voorvenster, O., -vensters.
Voorvertrek, O., -vertrekken; -vertrekje, O., -jes.
Voorvijl, V., -vijlen.
Voorvinger, M., -vingers.
Voorvlak, O., -vlakken.
Voorvliegen, vloog voor, vlogen voor, heeft en is voorgevlogen.
Voorvloed, M.
Voorvoegen, voegde voor, heeft voorgevoegd.
Voorvoeging, V.
Voorvoegsel, O., -voegsels.
Voorvoet, M., -voeten.
Voorvork, V., -vorken.
Voorwaar.
Voorwaarde, V., voorwaarden.
Voorwaardelijk.
Voorwaarts (bijw.).
Voorwaartsch (bnw.).
Voorwacht, V., -wachten.
Voorwagen, M., -wagens.
Voorwal, M., -wallen.
Voorwand, M., -wanden.
Voorwegen, woog voor, wogen voor heeft voorgewogen.
Voorwenden, wendde voor, heeft voorgewend.
Voorwending, V.
Voorwendsel, O., -wendsels en -wendselen; -wendseltje, O., -jes.
Voorwereld, V.
Voorwereldlijk.
Voorwerk, O.
Voorwerken, werkte voor, heeft voorgewerkt.
Voorwerker, M., -werkers.
Voorwerp, O., -werpen; -werpje, O., -jes.
Voorwerpen, wierp voor, heeft voorgeworpen.
Voorwerping, V.
Voorwerpsnaam, M., -namen.
Voorwerpszin, M., -zinnen.
Voorweten, O.
Voorwetend.
Voorwetendheid, V.
Voorwetenschap, V.
Voorwiel, O., -wielen.
Voorwimpel, M., -wimpels.
Voorwind, M.
Voorwinter, M., -winters; -wintertje, O., -jes.
Voorworp, M.
Voorzaal, V., -zalen.
Voorzaat, M., -zaten.
Voorzang, M., -zangen.
Voorzanger, M., -zangers en -zangeren.
Voorzangersambt, O.
Voorzangerschap, O.
Voorzeggen, zeide voor, heeft voorgezegd en voorgezeid; ook voorzeide, heeft voorzegd en voorzeid.
Voorzegger, M., -zeggers.
Voorzegging, V., -zeggingen.
Voorzegster, V., -zegsters.
Voorzeil, O., -zeilen.
Voorzeiler, M., -zeilers.
Voorzeker.
Voorzet, M.
Voorzetsel, O., -zetsels.
Voorzetten, zette voor, heeft voorgezet.
Voorzichtig, -zichtiger, -zichtigst.
Voorzichtigheid, V.
Voorzichtigheidshalve.
Voorzien, voorzag, voorzagen, heeft voorzien.
Voorzienig.
Voorzienigheid, V.
Voorziening, V., -zieningen.
Voorzijde, V., -zijden.
Voorzingen, zong voor, heeft voorgezongen.
Voorzingen, O.
Voorzinger, M., -zingers.
Voorzitten, zat voor, zaten voor, heeft voorgezeten.
Voorzitter, M., -zitters en -zitteren.
Voorzitterschap, O.
Voorzittershamer, M., -hamers.
Voorzittersplaats, V., -plaatsen.
Voorzittersstoel, M., -stoelen.
Voorzitting, V.
Voorzolder, M., -zolders.
Voorzomer, M., -zomers.
Voorzoom, M., -zoomen.
Voorzoon, M., -zonen en -zoons.
Voorzorg, V., -zorgen.
Voorzorgsmaatregel, M., -maatregelen.
Voorzwemmen, zwom voor, zwommen voor, heeft en is voorgezwommen.
Voos, voozer.
Voosheid, V.
Vorderen (eischen), vorderde, heeft gevorderd.
Vorderen (voortkomen), vorderde, is gevorderd.
Vordering, V., vorderingen.
Vore. Zie Voor.
Voren en Voorn, M., vorens en voorns. Vorentje en voorntje, O., -jes.
Voren (Te -).
Vorenstaand.
Vorig.
Vork, V., vorken. Vorkje, O., -jes.
Vorm, M., vormen. Vormpje, O., -jes.
Vormbak, M., -bakken.
Vormbank, V., -banken.
Vormelijk, -lijker, -lijkst.
Vormelijkheid, V.
Vormeling, M. en V., vormelingen.
Vormen (den vorm geven), vormde, heeft gevormd.
Vormen (het vormsel toedienen), vormde, heeft gevormd.
Vormer, M., vormers.
Vorming, V., vormingen.
Vormkracht, V.
Vormleer, V.
Vormloos en Vormeloos, -looze.
Vormloosheid, V.
Vormnaad, M., -naden.
Vormoog, O., -oogen.
Vormraam, O., -ramen.
Vormschool, V., -scholen.
Vormsel, O.
Vormzand, O.
Vormzijde, V., -zijden.
Vorsch, M., vorschen. Vorschje, O., -jes.
Vorschen, vorschte, heeft gevorscht.
Vorst (heerscher), M., vorsten. Vorstje, O., -jes.
Vorst (van het dak), V., vorsten.
Vorst (koude), V. Vorstje, O., -jes.
Vorstelijk, -lijker, -lijkst.
Vorstendeugd, V., -deugden.
Vorstendom, O., vorstendommen.
Vorstengunst, V.
Vorstenhuis, O., -huizen.
Vorstenkroon, V., -kronen.
Vorstenlanden (mv.), O.
Vorstentelg, M. en V., -telgen.
Vorstenzoon, M., -zonen en -zoons.
Vorstin, V., vorstinnen.
Vorstvrij.
Vos, M., vossen. Vosje, O., -jes.
Voskleurig.
Vossekop, M., -koppen.
Vossengat, O., -gaten.
Vossenhaar, O.
Vossenhol, O., -holen.
Vossenjacht, V., -jachten.
Vossenjager, M., -jagers.
Vossenkuil, M., -kuilen.
Vossenval, V., -vallen.
Vossestaart, M., -staarten.
Vossevel, O., -vellen.
Votiefmis, V., -missen.
Votum, O., votums.
Vouw, V., vouwen. Vouwtje, O., -jes.
Vouwbeen, O., -beenen; -beentje, O., -jes.
Vouwblind, O., -blinden.
Vouwdeur, V., -deuren.
Vouwdoos, V., -doozen.
Vouwen, vouwde, heeft gevouwen.
Vouwer, M., vouwers.
Vouwing, V., vouwingen.
Vouwmachine, V., -machines.
Vouwster, V., vouwsters.
Vouwstoel, M., -stoelen; -stoeltje, O., -jes.
Vouwtafel, V., -tafels; -tafeltje, O., -jes.
Vraag, V., vragen. Vraagje, O., -jes.
Vraagachtig, -achtiger, -achtigst.
Vraagal, M. en V., vraagallen.
Vraagbaak, V., -baken.
Vraagpunt, O., -punten.
Vraagspel (vragen opgeven), O., -spelen.
Vraagspel (van kaartspelers), O., -spellen.
Vraagster, V., vraagsters.
Vraagstuk, O., -stukken; -stukje, O., -jes.
Vraagteeken, O., -teekens.
Vraagwoord, O., -woorden.
Vraat, M., vraten. Vraatje, O., -jes.
Vraatachtig, -achtiger, -achtigst.
Vraatzucht, V.
Vraatzuchtig, -zuchtiger, -zuchtigst.
Vracht, V., vrachten. Vrachtje, O. -jes.
Vrachtboot, V., -booten.
Vrachtbrief, M., -brieven.
Vrachtgeld, O.
Vrachtkar, V., -karren.
Vrachtloon, O., -loonen.
Vrachtpaard, O., -paarden.
Vrachtrijder, M., -rijders.
Vrachtschip, O., -schepen.
Vrachtschuit, V., -schuiten.
Vrachtslede, V., -sleden.
Vrachtvaarder, M., -vaarders.
Vrachtvaart, V.
Vrachtvrij.
Vrachtwagen, M., -wagens.
Vragen, vraagde, heeft gevraagd; ook vroeg.
Vragenboek, O., -boeken; -boekje, O., -jes.
Vragenderwijze en -wijs.
Vrager, M., vragers.
Vrank, ook Frank (bnw.).
Vratig, vratiger, vratigst.
Vratigheid, V.
Vrede, M.
Vredebond, M., -bonden.
Vredebreuk, V.
Vredehandel, M.
Vredelievend, -lievender, -lievendst.
Vredelievendheid, V.
Vrederechter, M., -rechters.
Vredesconferentie, V., -conferenties.
Vredescongres, O., -congressen.
Vredesnaam (In -).
Vredesonderhandeling, V., -onderhandelingen.
Vredespaleis, O.
Vredespijp, V.
Vredestichter, M., -stichters.
Vredestijd, M.
Vredesverdrag, O., -verdragen.
Vredesvoorslag, M., -voorslagen.
Vredesvoorwaarde, V., -voorwaarden.
Vredig, vrediger, vredigst.
Vreedzaam, -zamer, -zaamst.
Vreedzaamheid, V.
Vreemd, vreemder, vreemdst.
Vreemde (In den -).
Vreemdelijk.
Vreemdeling, M. en V., vreemdelingen; V. ook vreemdelinge.
Vreemdelingenboek, O., -boeken.
Vreemdelingenverkeer, O.
Vreemdelingschap, O.
Vreemdelingsrecht, O.
Vreemdenlegioen, O., -legioenen.
Vreemdheid, V.
Vreemdigheid, V., -heden.
Vreemdsoortig, -soortiger, -soortigst.
Vreemdsoortigheid, V.
Vrees en Vreeze, V., vreezen.
Vreesachtig, -achtiger, -achtigst.
Vreesachtigheid, V., -heden.
Vreeselijk en Vreeslijk, -lijker, -lijkst.
Vreeselijkheid, V., -heden.
Vreetster, V., vreetsters.
Vreetwolf, M., -wolven.
Vreevuur, O., -vuren.
Vreezen, vreesde, heeft gevreesd.
Vrek, vrekker, vrekst.
Vrek, M., vrekken. Vrekje, O., -jes.
Vrekachtig, -achtiger, -achtigst.
Vrekachtigheid, V.
Vrekheid, V.
Vrekkig, vrekkiger, vrekkigst.
Vrekkigheid, V.
Vreten, vrat, vraten, heeft gevreten.
Vreter, M., vreters.
Vreterij, V.
Vreugde en Vreugd, V.
Vreugdebedrijf, O., -bedrijven.
Vreugdebetoon, O.
Vreugdedag, M., -dagen.
Vreugdeloos, -loozer.
Vreugdetraan, M., -tranen.
Vreugdevol, -volle.
Vreugdevuur, O., -vuren.
Vriend, ook Vrind, M., vrienden en vrinden. Vriendje en vrindje, O., -jes.
Vriendelijk, -lijker, -lijkst.
Vriendelijkheid, V., -heden.
Vriendendienst, M., -diensten.
Vriendenfeest, O., -feesten.
Vriendengroet, M., -groeten.
Vriendenkring, M., -kringen.
Vriendenmaal, O., -malen.
Vriendhoudend, -houdender, -houdendst.
Vriendhoudendheid, V.
Vriendin, V., vriendinnen. Vriendinnetje, O., -jes.
Vriendinnenkring, M., -kringen.
Vriendlief, M.; -liefje, O.
Vriendschap, V., -schappen.
Vriendschappelijk, -lijker, -lijkst.
Vriendschappelijkheid, V.
Vriendschapsband, M., -banden.
Vriendschapsbeker, M., -bekers.
Vriendschapsbetoon, O.
Vriendschapsbetrekking, V., -betrekkingen.
Vriendschapsbetuiging, V., -betuigingen.
Vriendschapsdienst, M., -diensten.
Vriendschapsplicht, M., -plichten.
Vriendschapsverbond, O., -verbonden.
Vriespunt, O.
Vriesweder, en -weer, O.
Vriezen, vroor, heeft gevroren en gevrozen.
Vrij, vrijer, vrijst.
Vrijaf.
Vrijage, V., vrijages.
Vrijblijven, bleef vrij, bleven vrij, is vrijgebleven.
Vrijbrief, M., -brieven.
Vrijbuiten, vrijbuitte, heeft gevrijbuit.
Vrijbuiter, M., -buiters.
Vrijbuiterij, V., -buiterijen.
Vrijburg, M, -burgen.
Vrijdag, M., -dagen.
Vrijdagsch.
Vrijden en Vrijen (bevrijden), vrijdde en vrijde, heeft gevrijd.
Vrijdenker, M., vrijdenkers.
Vrijdenkerij, V.
Vrijdingen, dong vrij, heeft vrijgedongen.
Vrijdobbelen, dobbelde vrij, heeft en is vrijgedobbeld.
Vrijdom, M., vrijdommen.
Vrijelijk.
Vrijen (liefde betoonen), vrijde, heeft gevrijd; ook vree, vreeën, heeft gevreeën.
Vrijen (bevrijden). Zie Vrijden.
Vrijer, M., vrijers. Vrijertje, O., -jes.
Vrijerij, V., vrijerijen. Vrijerijtje, O., -jes.
Vrijerschap, O.
Vrijgeboren.
Vrijgeest, M., -geesten.
Vrijgeesterij, V.
Vrijgelatene, M. en V., -gelatenen.
Vrijgeleibrief, M., -brieven.
Vrijgeleide, O.
Vrijgeven, gaf vrij, gaven vrij, heeft vrijgegeven.
Vrijgevig (mild), -geviger, -gevigst.
Vrijgevigheid, V.
Vrijgezel, M., -gezellen.
Vrijhandelstelsel, O.
Vrijhaven, V., -havens.
Vrijheer, M., -heeren.
Vrijheerlijk.
Vrijheerschap, O.
Vrijheid, V., -heden.
Vrijheidlievend.
Vrijheidminnend.
Vrijheidsboom, M., -boomen.
Vrijheidsgeest, M.
Vrijheidshoed, M., -hoeden.
Vrijheidsliefde, V.
Vrijheidsmaagd, V.
Vrijheidsmin, V.
Vrijheidsmuts, V., -mutsen.
Vrijheidszin, M.
Vrijheidszucht, V.
Vrijhouden, hield vrij, heeft vrijgehouden.
Vrijhuis, O., -huizen.
Vrijjaar, O., -jaren.
Vrijkaart, V., -kaarten; -kaartje, O., -jes.
Vrijkennen, kende vrij, heeft vrijgekend.
Vrijkenning, V.
Vrijkomen, komt vrij, kwam vrij kwamen vrij, is vrijgekomen.
Vrijkoop, M.
Vrijkoopen, kocht vrij, heeft vrijgekocht.
Vrijkooping, V., -koopingen.
Vrijkorps, O., -korpsen.
Vrijlaten, liet vrij, heeft vrijgelaten.
Vrijlating, V., -latingen.
Vrijleen, O., -leenen.
Vrijloopen, liep vrij, is vrijgeloopen.
Vrijlot, O., -loten; -lootje, O., -jes.
Vrijloten, lootte vrij, heeft en is vrijgeloot.
Vrijmachtig, -machtiger, -machtigst.
Vrijmachtigheid, V.
Vrijmaken, maakte vrij, heeft vrijgemaakt.
Vrijmaker, M., -makers.
Vrijmaking, V., -makingen.
Vrijmarkt, V., -markten.
Vrijmetselaar, M., vrijmetselaars en vrijmetselaren.
Vrijmetselaarsloge, V., -loges.
Vrijmetselarij, V.
Vrijmoedig, -moediger, -moedigst.
Vrijmoedigheid, V., -heden.
Vrijmoediglijk.
Vrijplaats, V., -plaatsen.
Vrijpleiten, pleitte vrij, heeft vrijgepleit.
Vrijpostig, -postiger, -postigst.
Vrijpostigheid, V.
Vrijspraak, V., -spraken.
Vrijspreken, sprak vrij, spraken vrij heeft vrijgesproken.
Vrijspreker, M., -sprekers.
Vrijspreking, V., -sprekingen.
Vrijstaan, staat vrij, stond vrij, heeft vrijgestaan.
Vrijstaat, M., -staten.
Vrijstad, V., -steden.
Vrijstellen, stelde vrij, heeft vrijgesteld.
Vrijstelling, V., -stellingen.
Vrijster, V., vrijsters. Vrijstertje, O., -jes.
Vrijsterschap, O.
Vrijuit.
Vrijvallen, viel vrij, is vrijgevallen.
Vrijvaren, voer vrij, heeft vrijgevaren.
Vrijvechten, vocht vrij, heeft vrijgevochten.
Vrijverklaren, verklaarde vrij, heeft vrijverklaard.
Vrijverklaring, V., -verklaringen.
Vrijvrouw, V., -vrouwen.
Vrijwaarder, M., -waarders.
Vrijwaren, vrijwaarde, heeft gevrijwaard.
Vrijwaring, V., -waringen.
Vrijwillig, -williger, -willigst.
Vrijwilliger, M., -willigers.
Vrijwilligerskorps, O., -korpsen.
Vrijwilligheid, V.
Vrijzinnig, -zinniger, -zinnigst.
Vrijzinnigheid, V.
Vrind. Zie Vriend.
Vroed, vroeder, vroedst.
Vroedheid, V.
Vroedkunde, V.
Vroedkundig.
Vroedkundige, M. en V., -kundigen.
Vroedmeester, M., -meesters.
Vroedschap (vergadering), V.; (een lid daarvan), M., -schappen.
Vroedschapsvergadering, V., -vergaderingen.
Vroedvrouw, V., -vrouwen.
Vroeg, vroeger, vroegst.
Vroegbeurt, V., -beurten.
Vroegdienst, M.
Vroegkerk, V.
Vroegmis, V., -missen.
Vroegpreek, V., -preeken.
Vroegrijp.
Vroegte, V.
Vroegtijdig, -tijdiger, -tijdigst.
Vroegtijdigheid, V.
Vromelijk.
Vromigheid, V.
Vroolijk, -lijker, -lijkst.
Vroolijkheid, V., -heden.
Vroom, vromer, vroomst.
Vroomheid, V.
Vroon, O., vroonen.
Vroongoed, O., -goederen.
Vroonheer, M., -heeren.
Vroonland, O., -landen.
Vroonrecht, O., -rechten.
Vroonvisscherij, V., -visscherijen.
Vroonwater, O., -wateren.
Vrouw, V., vrouwen. Vrouwtje, O., -jes.
Vrouwachtig, -achtiger, -achtigst.
Vrouwelijk.
Vrouwelijkheid, V.
Vrouwenaard, M.
Vrouwenarbeid, M.
Vrouwenbeul, M., -beulen.
Vrouwenbeweging, V.
Vrouwendag, M.
Vrouwendeugd, V.
Vrouwendienst, M.
Vrouwengek, M., -gekken.
Vrouwengestalte, V., -gestalten.
Vrouwenhaar, O.
Vrouwenhand, V., -handen.
Vrouwenhater, M., -haters.
Vrouwenhemd, O., -hemden.
Vrouwenhoed, M., -hoeden.
Vrouwenkiesrecht, O.
Vrouwenkleed, O., -kleederen.
Vrouwenkleeding, V.
Vrouwenklooster, O., -kloosters.
Vrouwenkracht, V.
Vrouwenliefde, V.
Vrouwenlist, V., -listen.
Vrouwenmelk, V.
Vrouwennaam, M., -namen.
Vrouwenregeering, V.
Vrouwenrok, M., -rokken.
Vrouwenroof, M.
Vrouwenschender, M., -schenders.
Vrouwenschennis, V.
Vrouwenschoen, M., -schoenen.
Vrouwenstem, V., -stemmen.
Vrouwenvertrek, O., -vertrekken.
Vrouwenwerk, O.
Vrouwenziekte, V., -ziekten.
Vrouwlief.
Vrouwmensch, O., -lieden en -lui.
Vrouwspersoon, O., -personen.
Vrouwtjelief, O.
Vrouwtjesappel, M., -appels.
Vrucht, V., vruchten. Vruchtje, O., -jes.
Vruchtbaar, -baarder, -baarst.
Vruchtbaarheid, V.
Vruchtbeginsel, O., -beginsels.
Vruchtboom, M., -boomen.
Vruchtdragend.
Vruchteloos, -loozer.
Vruchteloosheid, V.
Vruchtenmesje, O., -mesjes.
Vruchtenschaal, V., -schalen.
Vruchtenwijn, M.
Vruchtgebruik, O.
Vruchtgebruiker, M., -gebruikers.
Vuig, vuiger, vuigst.
Vuigheid, V.
Vuil, vuiler, vuilst.
Vuil, O.
Vuilaardig, -aardiger, -aardigst.
Vuilaardigheid, V., -heden.
Vuilbek, M. en V., -bekken.
Vuilbekken, vuilbekte, heeft gevuilbekt.
Vuilbekkerij, V.
Vuilegoedskist, V., -kisten.
Vuilegoedsmand, V., -manden.
Vuilheid, V., -heden.
Vuiligheid, V., -heden.
Vuilik, M., vuiliken. Vuilikje, O., -jes.
Vuilmaken, maakte vuil, heeft vuilgemaakt.
Vuilnis, V. (Verg. Vullis).
Vuilnisbak, M., -bakken.
Vuilnishoop, M., -hoopen.
Vuilniskar, V., -karren.
Vuilnisman, M., -mannen.
Vuilte, V.
Vuilverbranding, V.
Vuist, V., vuisten. Vuistje, O., -jes.
Vuistgevecht, O., -gevechten.
Vuistrecht, O.
Vuistslag, M., -slagen.
Vuistvechter, M., -vechters.
Vulgair.
Vulgariteit, V.
Vulgata, V.
Vulgus, O.
Vulhaar, O.
Vulhaard, M., -haarden.
Vulhout, O., -houten.
Vulkaan, M., vulkanen.
Vulkachel, V., -kachels.
Vulkanisch.
Vullen, vulde, heeft gevuld.
Vulling (het vullen), V.
Vulling (scheepsw.), V., vullings.
Vullingsgat, O., -gaten.
Vullingsplank, V., -planken.
Vullingsstuk, O., -stukken.
Vullis, O. (Verg. Vuilnis).
Vullisblik, O., -blikken.
Vullisvat, O., -vaten; -vaatje, O., -jes.
Vulpen, V., -pennen. Zie Vulpenhouder.
Vulpenhouder, M., -houders. Ook Vulpen.
Vulpomp, V., -pompen.
Vulsel, O., vulsels.
Vuns, vunzer.
Vunsheid, V.
Vunzig, vunziger, vunzigst.
Vunzigheid, V.
Vuren, vuurde, heeft gevuurd.
Vuren (bnw.).
Vurenhout, O.
Vurenhouten (bnw.).
Vurig, vuriger, vurigst.
Vurigheid, V., -heden.
Vuriglijk.
Vuring, V., vuringen.
Vuur, O., vuren. Vuurtje, O., -jes.
Vuuraanbidder, M., -aanbidders.
Vuurbaak, V., -baken.
Vuurdood, M.
Vuurdoop, M.
Vuurgevecht, O.
Vuurgloed, M.
Vuurhaard, M., -haarden.
Vuurhoudend.
Vuurkast, V., -kasten.
Vuurlak, O.
Vuurlander, M., -landers.
Vuurlijn, V.
Vuurmaker, M., -makers.
Vuurmand, V., -manden.
Vuurmond, M., -monden.
Vuurpijl, M., -pijlen.
Vuurpijlaffuit, V., -affuiten.
Vuurpijltoestel, M. en O., -toestellen.
Vuurplaat, V., -platen.
Vuurpoel, M.
Vuurproef, V., -proeven.
Vuurroer, O., -roers en -roeren.
Vuurrood, -roode.
Vuurscherm, O., -schermen.
Vuurschip, O., -schepen.
Vuurslag, O., -slagen.
Vuurspuwend.
Vuurstroom, M., -stroomen.
Vuurtest, V., -testen.
Vuurtoren, M., -torens.
Vuurvast.
Vuurvreter, M., -vreters.
Vuurwapen, O., -wapenen.
Vuurwerk, O., -werken.
Vuurwerker, M., -werkers.
Vuurwerkerij, V.
Vuurwerkmaker, M., -makers.
Vuurzee, V.
W
W., V., w's.
Waadbaar, -baarder, -baarst.
Waag (het wagen, waagstuk), M. (Een heele -).
Waag (weegtoestel), V., wagen.
Waaghals, M. en V., -halzen; -halsje, O., -jes.
Waaghalzerij, V., -halzerijen.
Waagmeester, M., -meesters.
Waagschaal, V.
Waagspel, O., -spelen.
Waagstuk, O., -stukken; -stukje, O., -jes.
Waaien, waaide, heeft gewaaid; ook woei, woeien.
Waaier, M., waaiers. Waaiertje, O., -jes.
Waaierpalm, M., -palmen.
Waaiersluis, V., -sluizen.
Waaiervormig.
Waak, V., waken.
Waakhond, M., -honden.
Waakloon, O., -loonen.
Waaksch, waakscher, meest waaksch.
Waakster, V., waaksters.
Waakzaam, -zamer, -zaamst.
Waakzaamheid, V.
Waal (Luikerwaal), M., Walen.
Waal (rivier), V.
Waal (scheepsw.), V., walen.
Waalsch.
Waalsch, O.
Waalsteen (stofnaam), M.
Waalwortel, V.
Waan, M.
Waanwijs, -wijzer.
Waanwijsheid, V.
Waanzin, M.
Waanzinnig, -zinniger, -zinnigst.
Waar, V., waren.
Waar, ware.
Waar (bijw.).
Waaraan.
Waarachter.
Waarachtig, -achtiger, -achtigst.
Waarachtigheid, V.
Waarbij.
Waarborg, M., -borgen.
Waarborgen, waarborgde, heeft gewaarborgd.
Waarborgfonds, O., -fondsen.
Waarborging, V., -borgingen.
Waarborgkapitaal, O., -kapitalen.
Waarborgsom, V., -sommen.
Waarboven.
Waard, ook Woord en Woerd (mannetjeseend), M., waarden (woorden, woerden). Waardje (woordje, woerdje), O., -jes.
Waard (kastelein), M., waarden.
Waard (ingedijkt land), V., waarden.
Waard, waarder, waardst.
Waarde, V., waarden.
Waardebepaling, V., -bepalingen.
Waardeerbaar, -bare.
Waardeerder, M., waardeerders.
Waardeeren, waardeerde, heeft gewaardeerd.
Waardeering, V., waardeeringen.
Waardeerster, V., waardeersters.
Waardeleer, V.
Waardeloos.
Waardeloosheid, V.
Waardevermindering, V.
Waardgelder, M., -gelders.
Waardig, waardiger, waardigst.
Waardigheid, V., -heden.
Waardiglijk.
Waardij, V.
Waardijn, M., waardijnen en waardijns.
Waardin, V., waardinnen. Waardinnetje, O., -jes.
Waardoor.
Waardschap, O., -schappen.
Waargeest, M., -geesten.
Waargoed, O.
Waarheen.
Waarheid, V., -heden.
Waarheidlievend.
Waarheidsliefde, V.
Waarheidszin, M.
Waarheidszucht, V.
Waarin.
Waarlangs.
Waarlijk.
Waarloos, -looze.
Waarmaken, maakte waar, heeft waargemaakt.
Waarmaking, V., -makingen.
Waarmede.
Waarmerk, O., -merken.
Waarmerken, waarmerkte, heeft gewaarmerkt.
Waarmerking, V.
Waarna.
Waarnaar.
Waarnaast.
Waarneembaar, -bare.
Waarneembaarheid, V.
Waarnemen, nam waar, namen waar, heeft waargenomen.
Waarnemer, M., -nemers.
Waarneming, V., -nemingen.
Waarnemingsvermogen, O.
Waarnevens.
Waarom.
Waaromheen.
Waaromstreeks.
Waaromtrent.
Waaronder.
Waarop.
Waarover.
Waarschap, M., -schappen.
Waarschijnlijk, -lijker, -lijkst.
Waarschijnlijkheid, V., -heden.
Waarschijnlijkheidsrekening, V.
Waarschuwen, waarschuwde, heeft gewaarschuwd.
Waarschuwer, M., -schuwers.
Waarschuwing, V., -schuwingen.
Waarschuwingsbord, O., -borden.
Waarteeken, O., -teekens.
Waarteekenen, waarteekende, heeft gewaarteekend.
Waartegen.
Waartegenover.
Waartoe.
Waaruit.
Waarvan.
Waarvoor.
Waarzeggen, zeide waar, heeft waargezegd en waargezeid.
Waarzegger, M., -zeggers.
Waarzeggerij, V., -zeggerijen.
Waarzegging, V., -zeggingen.
Waarzegster, V., -zegsters.
Waarzeil, O., -zeilen.
Waarzonder.
Waas, O. Waasje, O.
Wacht (een wachter), M., wachten.
Wacht (het wachthouden en de gezamenlijke wachters), V., wachten.
Wachtel, M., wachtels. Wachteltje, O., -jes.
Wachten, wachtte, heeft gewacht.
Wachter, M., wachters.
Wachtgeld, O., -gelden.
Wachthond, M., -honden.
Wachtkamer, V., -kamers.
Wachtmeester, M., -meesters.
Wachtplaats, V., -plaatsen.
Wachtpost, M., -posten.
Wachtsch, wachtscher, meest wachtsch.
Wachtschip, O., -schepen.
Wachttoren, M., -torens.
Wachtvuur, O., -vuren.
Wachtwoord, O., -woorden.
Wad, O., wadden.
Wade, V., waden.
Waden (door het water gaan), waadde, heeft en is gewaad.
Waden (lijkgewaad aandoen), waadde, heeft gewaad.
Wafel, V., wafels en wafelen. Wafeltje, O., -jes.
Wafelbakker, M., -bakkers.
Wafelijzer, O., -ijzers.
Wafelkraam, V., -kramen.
Wafelmeisje, O., -meisjes.
Wafelvormig.
Wagen, M., wagens. Wagentje, O., -jes.
Wagen, waagde, heeft gewaagd.
Wagenaar, M., wagenaars.
Wagenas, V., -assen.
Wagenhuis, O., -huizen.
Wagenhuur, V.
Wagenmaker, M., -makers.
Wagenmeester, M., -meesters.
Wagenmenner, M., -menners.
Wagenschot, O.
Wagenschotten (bnw.).
Wagensmeer, O.
Wagenspoor, O., -sporen.
Wagenvracht, V., -vrachten.
Wagenweg, M., -wegen.
Wagenwijd.
Wagenziek.
Waggelbeenen, waggelbeende, heeft gewaggelbeend.
Waggelen, waggelde, heeft en is gewaggeld.
Wagon, M., wagons.
Wagonlading, V., -ladingen.
Wak, O., wakken.
Wak, wakker, wakst.
Waken, waakte, heeft gewaakt.
Waker, M., wakers.
Wakersloon, O., -loonen.
Wakheid, V.
Wakker, wakkerder, wakkerst.
Wakkeren, wakkerde, is gewakkerd.
Wakkerheid, V.
Wal, M., wallen. Walletje, O., -jes.
Waldhoorn en Waldhoren, M., -hoorns en -horens.
Waldhoornist, M., -hoornisten.
Walen, waalde, heeft gewaald.
Walendistel, V., -distels.
Walengang, V.
Walg, V.
Walgang, V.
Walgen, walgde, heeft gewalgd.
Walging, V., walgingen.
Walglijk, -lijker, -lijkst.
Walglijkheid, V., -heden.
Walhalla, O.
Waling, V., walingen.
Walkant, M., -kanten.
Walken, walkte, heeft gewalkt.
Walker, M., walkers.
Walkhamer, M., -hamers.
Walking, V.
Walkmolen, M., -molens.
Walkplaats, V., -plaatsen.
Walkstok, M., -stokken.
Walm, M., walmen. Walmpje, O., -jes.
Walmen, walmde, heeft gewalmd.
Walmgat, O., -gaten.
Walmte, V.
Walnoot (boom), M.; (vrucht). V., -noten.
Walnotenboom, M., -boomen.
Walpoort, V., -poorten.
Walros en Walrus, M., -rossen en -russen.
Walrossenvangst, V.
Wals, V., walsen. Walsje, O., -jes.
Walschot, O.
Walsen, walste, heeft gewalst.
Walser, M., walsers.
Walseres, V., walseressen.
Walstempo, O.
Walstroo, O.
Walvisch, M., -visschen.
Walvischbaard, M., -baarden.
Walvischvaarder, M., -vaarders.
Walvischvangst, V.
Wam, V., wammen. Wammetje, O., -jes.
Wambuis, O., wambuizen. Wambuisje, O., -jes.
Wamen, waamde, heeft gewaamd.
Wammen, wamde, heeft gewamd.
Wammes, O.
Wan (wanmand), V., wannen.
Wan (scheepsw.), O., wannen.
Wanbedrijf, O., wanbedrijven.
Wanbegrip, O., wanbegrippen.
Wanbeheer, O.
Wanbeleid, O.
Wanbesef, O.
Wanbesluit, O., wanbesluiten.
Wanbestuur, O.
Wanbetaler, M., wanbetalers.
Wanbetaling, V., wanbetalingen.
Wanbof, M.
Wanboffen, wanbofte, heeft gewanboft.
Wanboffer, M., -boffers.
Wand, M., wanden.
Wandaad, V., wandaden.
Wandalmanak, M., -almanakken.
Wandel, M.
Wandelaar, M., wandelaars en wandelaren.
Wandelaarster, V., wandelaarsters.
Wandelbrug, V., -bruggen.
Wandeldek, O., -dekken.
Wandeldreef, V., -dreven.
Wandelen, wandelde, heeft en is gewandeld.
Wandelhoofd, O., -hoofden.
Wandeling, V., wandelingen. Wandelingetje, O., -jes.
Wandelkaart, V., -kaarten.
Wandelkostuum, O., -kostumen.
Wandelpad, O., -paden; -paadje, O., -jes.
Wandelplaats, V., -plaatsen.
Wandelrit, M., -ritten; -ritje, O., -jes.
Wandelstaf, M., -staven.
Wandelstok, M., -stokken; -stokje, O., -jes.
Wandeltoilet, O., -toiletten.
Wandelweder en Wandelweer, O.
Wandelweg, M., -wegen; -wegje, O., -jes.
Wandgedierte, O.
Wandkalender, M., -kalenders.
Wandklok, V., -klokken.
Wandluis, V., -luizen.
Wandplaat, V., -platen.
Wandversiering, V., -versieringen.
Wanen, waande, heeft gewaand.
Wang, V., wangen. Wangetje, O., -jes.
Wangedrag, O., wangedragingen, V.
Wangedrocht, O., wangedrochten.
Wangeloof, O.
Wangeluid, O., wangeluiden.
Wangen, wangde, heeft gewangd.
Wangunst, V.
Wangunstig, wangunstiger, wangunstigst.
Wanhoop, V.
Wanhoopskreet, M., -kreten.
Wanhopen, wanhoopte, heeft gewanhoopt.
Wanhopend, wanhopender, wanhopendst.
Wanhopig, wanhopiger, wanhopigst.
Wanhout, O.
Wankant, M., wankanten.
Wankantig.
Wankel, wankeler, wankelst.
Wankelbaar, -baarder, -baarst.
Wankelbaarheid, V.
Wankelen, wankelde, heeft gewankeld.
Wankelheid, V.
Wankeling, V., wankelingen.
Wankelmoedig, -moediger, -moedigst.
Wankelmoedigheid, V.
Wanklank, M., wanklanken. Wanklankje, O., -jes.
Wanklinkend, wanklinkender, wanklinkendst.
Wankoers, M., wankoersen.
Wanluidend, wanluidender, wanluidendst.
Wanluidendheid, V.
Wanlust, M., wanlusten.
Wanlustig, wanlustiger, wanlustigst.
Wanmolen, M., -molens.
Wanneer.
Wannen, wande, heeft gewand.
Wanner, M., wanners.
Wanorde, V.
Wanordelijk, -lijker, -lijkst.
Wanschapen, wanschapener, wanschapenst.
Wanschapenheid, V.
Wanschepsel, O., wanschepsels.
Wansmaak, M., wansmaken. Wansmaakje, O., -jes.
Wansmakelijk, -lijker, -lijkst.
Wanspelling, V., wanspellingen.
Wanspraak, V.
Wanstaltig, wanstaltiger, wanstaltigst.
Wanstaltigheid, V.
Want (handschoen), V., wanten.
Wantje, O., -jes.
Want (visch- en scheepstuig), O.
Want (voegw.).
Wantaal, V.
Wanten (ww).
Wantij, O., wantijen.
Wantrouwen, O.
Wantrouwen, wantrouwde, heeft gewantrouwd.
Wantrouwig, wantrouwiger, wantrouwigst.
Wantrouwigheid, V.
Wantstrop, M., -stroppen.
Wanttalie, V., -talies.
Wanvangst, V.
Wanverhouding, V., -verhoudingen.
Wanvoeglijk, -lijker, -lijkst.
Wanvoeglijkheid, V., -heden.
Wanzijde, V., wanzijden.
Wapen (strijdtuig), O., wapenen en wapens.
Wapen (familieteeken), O., wapens.
Wapenboek, O., -boeken.
Wapenbord, O., -borden.
Wapenbroeder, M., -broeders.
Wapenen, wapende, heeft gewapend.
Wapenfabriek, V., -fabrieken.
Wapenfeit, O., -feiten.
Wapengekletter, O.
Wapenhandel, M.
Wapening, V., wapeningen.
Wapenkamer, V., -kamers.
Wapenkoning, M., -koningen.
Wapenkreet, M., -kreten.
Wapenkunde, V.
Wapenkundige, M., -kundigen.
Wapenmagazijn, O., -magazijnen.
Wapenoefening, V., -oefeningen.
Wapenplaats, V., -plaatsen.
Wapenpracht, V.
Wapenrok, M., -rokken.
Wapenrusting, V., -rustingen.
Wapenschild, O., -schilden.
Wapenschilder, M., -schilders.
Wapenschorsing, V., -schorsingen.
Wapenschouwing, V., -schouwingen.
Wapenstilstand, M.
Wapenstok, M., -stokken.
Wapentuig, O.
Wapper, M., wappers.
Wapperen, wapperde, heeft gewapperd.
War, V. (In de -).
Warande, V., waranden.
Warboel, M.
Warempel.
Waren, waarde, heeft gewaard.
Warenkennis, V.
Wargaren, O., -garens.
Wargeest, M., -geesten.
Warhoofd, M., en V., -hoofden.
Warhoop, M., -hoopen.
Waring, V., waringen.
Warklomp, M., -klompen.
Warkop, M., -koppen.
Warkruid, O.
Warm, warmer, warmst.
Warmbloedig.
Warmen, warmde, heeft gewarmd.
Warming, V.
Warmoes, O.
Warmoezenier, M., warmoezeniers en warmoezenieren.
Warmoezenierster, V., warmoezeniersters.
Warmoezier, M., warmoeziers en warmoezieren.
Warmpjes.
Warmte, V.
Warmtegeleider, M., -geleiders.
Warmtegraad, M., -graden.
Warmwaterbuis, V., -buizen.
Warmwaterkraan, V., -kranen.
Warnest, O., -nesten.
Warnet, O., -netten.
Warrel, M.
Warrelen, warrelde, heeft gewarreld.
Warreling, V., warrelingen.
Warrelklomp, M., -klompen.
Warrelwind, M., -winden.
Warren, warde, heeft geward.
Wars.
Warstruik, M., -struiken.
Wartaal, V.
Wartel, M., wartels.
Wartelblok, O., -blokken.
Wartelhaak, M., -haken.
Warziek, -zieker, -ziekst.
Was (groei), M.
Was (van bijen), O.
Wasachtig.
Wasbal, M., -ballen.
Wasch, V., wasschen. Waschje, O., -jes.
Waschbank, V., -banken.
Waschbeer, M., -beren.
Waschbekken, O., -bekkens.
Waschdag, M., -dagen.
Waschgeld, O.
Waschgoed, O.
Waschhok, O., -hokken.
Waschhuis, O., -huizen.
Waschinrichting, V., -inrichtingen.
Waschketel, M., -ketels.
Waschkom, V., -kommen.
Waschkuip, V., -kuipen.
Waschlijst, V., -lijsten.
Waschloon, O., -loonen.
Waschmachine, V., -machines.
Waschmand, V., -manden.
Waschster, V., waschsters.
Waschtafel, V., -tafels; -tafeltje, O., -jes.
Waschtobbe, V., -tobben.
Waschvat, O., -vaten.
Waschvrouw, V., -vrouwen.
Waschwater, O.
Waschzak, M., -zakken.
Wasdoek, O.
Wasdom, M.
Wasem, M., wasems.
Wasemen, wasemde, heeft gewasemd.
Waseming, V.
Wasgeel, -gele.
Waskaars, V., -kaarsen.
Waskleurig.
Waslicht, O., -lichten.
Wasschen, wiesch, wieschen, heeft gewasschen; ook waschte.
Wasscher, M., wasschers.
Wasscherij, V., wasscherijen.
Wassching, V., wasschingen.
Wassen (bnw.).
Wassen (met was bestrijken), waste, heeft gewast.
Wassen (groeien), wies, wiesen, is gewassen.
Wassenaar, M., wassenaars.
Wassenbeeldenspel, O., -spellen.
Wat.
Water, O., wateren en waters. Watertje, O., -jes.
Waterachtig, -achtiger, -achtigst.
Waterafvoer, M.
Waterbaars (als stofnaam), V.
Waterbak, M., -bakken.
Waterbed, O., -bedden.
Waterbloem, V., -bloemen.
Waterbouw, M.
Waterbouwkunde, V.
Waterbouwkundig.
Waterbouwkundige, M., -kundigen.
Waterbroodje, O., -jes.
Waterchocolade, V.
Waterdamp, M.
Waterdicht.
Waterdier, O., -dieren.
Waterdrager, M., -dragers.
Waterdruppel, M., -druppels.
Wateren, waterde, heeft gewaterd.
Water-en-vuurnering, V., -neringen.
Waterflesch, V., -flesschen.
Watergeus, M., -geuzen.
Watergezwel, O., -gezwellen.
Waterglas, O., -glazen.
Waterheld, M., -helden.
Waterhoen, O., -hoenders.
Waterhoofd, O., -hoofden.
Waterig, wateriger, waterigst.
Waterigheid, V.
Watering. Zie Wetering.
Waterkan, V., -kannen.
Waterkaraf, V., -karaffen.
Waterkeering, V., -keeringen.
Waterketel, M., -ketels.
Waterkoud.
Waterkraan, V., -kranen.
Waterkruik, V., -kruiken.
Waterkussen, O., -kussens.
Waterlaag, V., -lagen.
Waterlaars, V., -laarzen.
Waterlanders (mv.), M.
Waterlegger, M., -leggers.
Waterleiding, V., -leidingen.
Waterlelie, V., -leliën.
Waterlijn (niveau), V.
Waterlijn (in papier), V., -lijnen; -lijntje, O., -jes.
Waterlinie, V.
Waterloos, -looze.
Waterloozing, V.
Watermerk, O., -merken.
Watermolen, M., -molens.
Waterpartij, V., -partijen.
Waterpas, O., -passen.
Waterpas (bijw.).
Waterpassen, waterpaste, heeft gewaterpast.
Waterpassing, V., -passingen.
Waterplaats, V., -plaatsen.
Waterplant, V., -planten.
Waterplas, M., -plassen.
Waterpokken (mv.), V.
Waterpolitie, V.
Waterpoort, V., -poorten.
Waterpot, M., -potten.
Waterrat en -rot (dier), V.; (persoon), M.; -ratten en -rotten.
Waterrijk, -rijker, -rijkst.
Waterschaarschte, V.
Waterschap, O., -schappen.
Waterschapsbestuur, O., -besturen.
Waterschapsreglement, O., -reglementen.
Waterschoenen (mv.), M.
Waterschout, M., -schouten.
Waterschouw, V.
Watersnood, M.
Watersnoodpoëet, M., -poëten.
Waterspiegel, M.
Waterstaat, M.
Waterstaatsbelang, O., -belangen.
Waterstaatswerken (mv.), O.
Waterstand, M., -standen.
Waterstof, V.
Waterstoof, V., -stoven.
Waterstraal, M., -stralen.
Waterstroom, M., -stroomen.
Watertanden, watertandde, heeft gewatertand.
Watertocht, M., -tochten; -tochtje, O., -jes.
Waterton, V., -tonnen.
Watertoren, M., -torens.
Wateruurwerk, O., -uurwerken.
Waterval, M., -vallen.
Waterverf, V., -verven.
Waterverval, O.
Waterverversching, V.
Watervlak, O.
Watervlek, V., -vlekken.
Watervogel, M., -vogels.
Watervoorraad, M.
Watervrees, V.
Watervrij.
Waterweegkundige, M., -kundigen.
Waterweg, M., -wegen.
Waterwerken (mv.), O.
Waterwild, O.
Waterzak, M., -zakken.
Waterzeil, O., -zeilen.
Waterzonnetje, O.
Waterzucht, V.
Waterzuchtig, -zuchtiger, -zuchtigst.
Watteeren, watteerde, heeft gewatteerd.
Watten (mv.), V. Watje, O., -jes.
Watten (bnw.).
Wattenfabriek, V., -fabrieken.
Wauw, wauwer, wauwst.
Wauwelaar, M., wauwelaars.
Wauwelaarster, V., wauwelaarsters.
Wauwelen, wauwelde, heeft gewauweld.
Web, O., webben.
Webbe, V. en O., webben. Webbetje, O. -jes.
Wed, O., wedden.
Wedde, V., wedden.
Wedden, wedde, heeft gewed.
Weddenschap, V., -schappen. Weddenschapje, O., -jes.
Wedder, M., wedders.
Weder en Weer (ram), M., weders en weeren.
Weder en Weer (luchtgesteldbeid), O. Weertje, O.
Weder en Weer, bijw. (Zoo ook in de meeste samenstellingen).
Wederantwoord, O., -antwoorden.
Wederantwoorden, antwoordde weder, heeft wedergeantwoord.
Wederbegeeren, begeerde weder, heeft wederbegeerd.
Wederbrengen, bracht weder, heeft wedergebracht.
Wederbrenger, M., -brengers.
Wederbrenging, V.
Wederdienst, M., -diensten.
Wederdoop, M.
Wederdooper, M., -doopers.
Wederdooperij, V.
Wederdoopster, V., -doopsters.
Wedereisch, M.
Wedereischen, eischte weder, heeft wedergeëischt.
Wedererlangen, erlangde weder, heeft wedererlangd.
Wederga. Zie Wedergade.
Wedergaaf en Wedergave, V.
Wedergade, ook Wederga en Weerga, V.
Wedergeboorte, V.
Wedergeboren.
Wedergeven, gaf weder, gaven weder, heeft wedergegeven.
Wedergroet, M.
Wedergroeten, groette weder, heeft wedergegroet.
Wedergunst, V.
Wederhalen, haalde weder, heeft wedergehaald.
Wederhelft, V., -helften.
Wederhouden, wederhield, heeft wederhouden.
Wederinstorting, V.
Wederkaatsen. Zie Weerkaatsen.
Wederkant. Zie Weerkant.
Wederkeer, M.
Wederkeeren, keerde weder, is wedergekeerd.
Wederkeerig.
Wederkeerigheid, V.
Wederkomen, komt weder, kwam weder, kwamen weder, is wedergekomen.
Wederkomst, V.
Wederkoopen, kocht weder, heeft wedergekocht.
Wederkrijgen, kreeg weder, kregen weder, heeft wedergekregen.
Wederlegbaar, -bare.
Wederlegbaarheid, V.
Wederleggen, wederlegde en wederleide, heeft wederlegd en wederleid.
Wederlegger, M., -leggers.
Wederlegging, V., -leggingen.
Wederleveren, leverde weder, heeft wedergeleverd.
Wederliefde, V.
Wedermin, V.
Wedernemen, nam weder, namen weder, heeft wedergenomen.
Wederom.
Wederontmoeting, V., -ontmoetingen.
Wederopbouw, M.
Wederopbouwing, V.
Wederoprichter, M., -oprichters.
Wederoprichting, V.
Wederopstanding, V.
Wederpartij, V., -partijen.
Wederpartijder, M., -partijders.
Wederrechtelijk, -lijker, -lijkst.
Wederrechtelijk (bijw.).
Wederrechtelijkheid, V.
Wederroepelijk.
Wederroepen, wederriep, heeft wederroepen.
Wederroeping, V.
Wederschelden, schold weder, heeft wedergescholden.
Wederspanneling, M. en V., -spannelingen. V. ook -spannelinge.
Wederspannig, -spanniger, -spannigst.
Wederspannigheid, V.
Wederspoed, M.
Wederspraak, V.
Wederspreken, wedersprak, wederspraken, heeft wedersproken.
Wederstaan, wederstaat, wederstond, heeft wederstaan.
Wederstand en Weerstand, M.
Wederstreven, wederstreefde, heeft wederstreefd.
Wederstrever, M., -strevers.
Wederstrevig, -streviger, -strevigst.
Wederstreving, V., -strevingen.
Wedersturen, stuurde weder, heeft wedergestuurd.
Wedervaren, wedervoer, is wedervaren.
Wedervaren, O.
Wedervergelden, vergold weder, heeft wedervergolden.
Wedervergelding, V.
Wederverkooper, M., -verkoopers.
Wederverschijning, V.
Wedervinden, vond weder, heeft wedergevonden.
Wedervraag, V.
Wederwaardigheid, V., -heden.
Wederwoord, O., -woorden.
Wederwraak, V.
Wederzenden, zond weder, heeft wedergezonden.
Wederzien, ziet weder, zag weder, zagen weder, heeft wedergezien.
Wederzijde, V.
Wederzijds (bijw.).
Wederzijdsch (bnw.).
Wedijver, M.
Wedijveren, wedijverde, heeft gewedijverd.
Wedloop, M., -loopen.
Wedloopen, O.
Wedlooper, M., -loopers.
Wedprijs, M., -prijzen.
Wedren, M., -rennen.
Wedster, V., wedsters.
Wedstrijd, M., -strijden.
Weduwe, ook Weduw en Weeuw, V., weduwen. Weeuwtje, O., -jes.
Weduwendracht, V.
Weduwenfonds en Weduwfonds, O., -fondsen.
Weduwenkas, V., -kassen.
Weduwgeld, O., -gelden.
Weduwgift, V., -giften.
Weduwjaar, O.
Weduwlijk.
Weduwnaar en Weeuwenaar, M., weduwnaars en weeuwenaars.
Weduwschap, O.
Weduwstaat, M.
Weduwvrouw, V., -vrouwen.
Wee, O., weeën.
Wee (bnw.).
Wee (tusschenw.).
Weedasch, V.
Weede, V.
Weedom, M.,
Weefgetouw, O., -getouwen.
Weefkunst, V.
Weefloon, O., -loonen.
Weefsel, O., weefsels en weefselen.
Weefster, V., weefsters.
Weefstoel, M., -stoelen.
Weegblad, O.
Weegbree, V.
Weegbrug, V., -bruggen.
Weegglas, O., -glazen.
Weegkunde, V.
Weegloon, O., -loonen.
Weegluis, V., -luizen; -luisje, O., -jes.
Weegschaal, V., -schalen; -schaaltje, O., -jes.
Weegsteen, M., -steenen.
Weegstempel, M., -stempels.
Weeheid, V.
Week (het weeken), V.
Week (zeven dagen), V., weken. Weekje, O., -jes.
Week (week gedeelte), O.
Week, weeker, weekst.
Weekbak, M., -bakken; -bakje, O., -jes.
Weekbakken.
Weekbericht, O., -berichten.
Weekbeurt, V., -beurten.
Weekblad, O., -bladen; -blaadje, O., -jes.
Weekboekje, O., -boekjes.
Weekbriefje, O., -briefjes.
Weekdarm, M., -darmen.
Weekdier, O., -dieren.
Weekelijk, -lijker, -lijkst.
Weekelijkheid, V.
Weekeling, M. en V., weekelingen. V. ook weekelinge.
Weeken, weekte, heeft en is geweekt.
Weekgeld, O., -gelden.
Weekhartig, -hartiger, -hartigst.
Weekhartigheid, V.
Weekheid, V.
Weekhoevig.
Weeklacht, V., -klachten.
Weeklagen, weeklaagde, heeft geweeklaagd.
Weekloon, O., -loonen.
Weekmaken, maakte week, heeft weekgemaakt.
Weekmarkt, V., -markten.
Weekstaat, M., -staten.
Weelde, V., weelden.
Weelderig, weelderiger, weelderigst.
Weelderigheid, V.
Weeldig, weeldiger, weeldigst.
Weemoed, M.
Weemoedig, -moediger, -moedigst.
Weemoedigheid, V.
Weenen, weende, heeft geweend.
Weening, V.
Weepsch, weepscher, meest weepsch.
Weepschheid, V.
Weer (ram). Zie Weder.
Weer (wering), V.
Weer (luchtsgesteldheid). Zie Weder.
Weer (bijw.). Zie Weder.
Weerbaar, -baarder, -baarst.
Weerbaarheid, V.
Weerbaarheidsbond, O.
Weerbarstig, -barstiger, -barstigst.
Weerbarstigheid, V.
Weerbericht, O., -berichten.
Weerdruk, M.
Weerga, V.
Weergaasch, weergasche.
Weergal, V., -gallen.
Weergalm, M.
Weergalmen, weergalmde, heeft weergalmd.
Weergaloos, -looze.
Weergeld, O.
Weerglans, M.
Weerglas, O., -glazen.
Weerhaak, M., -haken; -haakje, O., -jes.
Weerhaan, M., -hanen; -haantje, O., -jes.
Weerhanerij, V.
Weerhuisje, O., -jes.
Weerkaatsen, weerkaatste, heeft weerkaatst.
Weerkaatsing, V.
Weerkant en Wederkant, M.
Weerkauwen, weerkauwde, heeft weerkauwd.
Weerklank, M.
Weerklinken, weerklonk, heeft weerklonken.
Weerkunde, V.
Weerkundig.
Weerkundige, M. en V., -kundigen.
Weerlicht (natuurverschijnsel), O.
Weerlicht, V. (Naar de - en Als de -).
Weerlichten, weerlichtte, heeft geweerlicht.
Weerlichts (bijw.).
Weerlichtsch (bnw.).
Weerloos, -loozer.
Weerloosheid, V.
Weeromreis, V., -reizen.
Weeromstuit, M.
Weerpijn, V., -pijnen.
Weerplicht, M.
Weerplichtig.
Weerplichtigheid, V.
Weerprofeet, M., -profeten.
Weerschijn, M. Weerschijntje, O., -jes.
Weerschijnen, weerscheen, weerschenen, heeft weerschenen.
Weerschijnsel, O., -schijnsels.
Weersgesteldheid, V., -heden.
Weerskanten (Van - of Aan -).
Weerslag, M., -slagen.
Weersmaak, M.
Weerspannig, -spanniger, -spannigst.