← Engelsch woordenboek. Eerste deel: Engelsch-Nederlandsch

Engelsch woordenboek. Eerste deel: Engelsch-Nederlandsch (part 7 of 7)

Part 7 of 7 · Bruggencate, K. ten (Karel) · Public domain text

About this edition

Source: Project Gutenberg e-text #64450, public domain in the United States · text not rewritten or summarized · How RedLectern is built

 

Contents (7)

Continue:

Engelsch woordenboek. Eerste deel: Engelsch-Nederlandsch (part 7 of 7)

Uncanny, ɐnkani, onvoorzichtig, roekeloos, onzeker, hevig, sterk, geheimzinnig: — legal documents = geheimzinnige, duistere documenten; The contrast between the shining eyes and the impassive face was so extraordinary as to be almost — = dat het haast iets spookachtigs had; The faces of our departed youth have an — trick of rising up suddenly = duiken op onverklaarbare wijze op.

Uncanonical, ɐnkənonik’l, niet kanoniek: — hours = uren waarop geene huwelijksinzegening mag plaats hebben (in Engeland tusschen 8 a.m. en 3 p.m.); subst. —ness.

Uncap, ɐnkap, openen, de bedekking afnemen: —ped = met ongedekt hoofd.

Uncape, ɐnkeip, het kapje (van den valk) afnemen; de honden loslaten; den vos uit den zak laten.

Uncared, ɐnkêəd, zonder dat er op gelet wordt: There he lay — for = verwaarloosd.

Uncarpeted, ɐnkâpətid, zonder vloerkleed.

Uncase, ɐnkeis, uit de bedekking of étui nemen, openbaren, ontplooien (v. h. vaandel), ontkleeden.

Unceasing, ɐnsîsiŋ, onophoudelijk.

Unceremonious, ɐnserəmounjəs, zonder complimenten, familiaar.

Uncertain, ɐnsɐ̂tin, onzeker, grillig, onvast, dubbelzinnig, weifelend, wispelturig: — on one’s legs = onvast; —ty = onzekerheid, twijfelachtigheid, gebeurlijkheid.

Uncertificated, ɐnsətifikeitid, niet gediplomeerd.

Unchain, ɐntšein, ontketenen, loslaten.

Unchallengeable, ɐntšal’nžəb’l, ontwijfelbaar, onwraakbaar, zonder eenige kwestie; Unchallenged = niet betwijfeld.

Unchangeable, ɐntšeinžəb’l, onveranderlijk: — of purpose = vastbesloten; subst. —ness; Unchanged; Unchanging.

Uncharged, ɐntšâdžd, ongeladen, niet aangevallen; van normale sterkte.

Uncharitable, ɐntšaritəb’l, liefdeloos, onbarmhartig; subst. —ness.

Unchary, ɐntšêri, onvoorzichtig, verspillend.

Unchaste, ɐntšeist, onkuisch; Unchastity, ɐntšastiti, onkuischheid.

Unchecked, ɐntšekt, ongehinderd.

Unchivalric, ɐnšiv’lrik, Unchivalrous, ɐnšiv’lrɐs, onridderlijk.

Unchristened, ɐnkris’nd, ongedoopt.

Unchristian, ɐnkristj’n, onchristelijk.

Unchronicled, ɐnkronik’ld, onvermeld.

Uncial, ɐnš’l, subst en adj. (met) unciaal (letters).

Unciform, ɐnsiföm, haakvormig = Uncinate, ɐnsinit.

Uncircumcised, ɐnsɐ̂k’msaizd, onbesneden; subst. Uncircumcision, ook: alle niet-Joden.

Uncircumscribed, ɐnsɐ̂k’mskraibd, onbeperkt.

Uncircumspect, ɐnsɐ̂k’mspekt, onbedachtzaam.

Uncivil, ɐnsivil, onbeleefd, lomp; —ized = barbaarsch, onbeschaafd.

Unclaimed, ɐnkleimd, niet opgevraagd of opgeëischt, onbestelbaar.

Unclasp, ɐnklâsp, loshaken, openen.

Uncle, ɐŋk’l, oom; pandjeshuishouder; —-in-law = aangehuwde oom; My watch is at my —’s = bij “Oome Jan”; — Sam = de Vereenigde Staten (v. N. Amer.).

Unclean, ɐnklîn, adj. onrein, vuil, onkuisch; subst. —liness, ɐnklenlinəs; —ly, ɐnklenli, onrein, vuil, onkuisch; adv. ɐnklînli; —ness, ɐnklînnəs = —liness; Uncleansed, ɐnklenzd, ongereinigd.

Uncleared, ɐnklîəd, onontgonnen, niet opgeruimd, niet afgesloten.

Unclerical, ɐnklerik’l, niet strookende met den geestelijken stand.

Unclipped, ɐnklipt, ongesnoeid.

Uncloak, ɐnklouk, den mantel afleggen, afnemen.

Unclog, ɐnklog, de belemmering wegnemen, vrijmaken.

Unclose, ɐnklouz, openen, opslaan, openbaren: —d = open, onvoltooid.

Unclothe, ɐnkloudh, ontkleeden, ontblooten.

Unclouded, ɐnklaudid, onbewolkt, helder; subst. —ness; Uncloudy = helder.

Unco, ɐŋkou, Schotsch voor Uncouth, ongemeen, buitengewoon; subst. rare snuiter, vreemd iets.

Uncock, ɐnkok, in rust zetten (den haan v. een geweer), neerslaan (van den rand van een hoed), uitspreiden (van hooi).

Uncockneyfied, ɐnkoknifaid, natuurlijk, ongemaakt.

Uncoffined, ɐnkofind, niet in eene kist gelegd.

Uncoil, ɐnkôil, afrollen.

Uncoined, ɐnkôind, ongemunt, echt.

Uncoloured, ɐnkɐləd, ongekleurd, onopgesmukt.

Uncombed, ɐnkoumd, ongekamd.

Uncombinable, ɐnk’mbainəb’l, onvereenigbaar; Uncombined = niet verbonden.

Uncomeatable, ɐnkəmatəb’l, ongenaakbaar, onbereikbaar.

Uncomeliness, ɐnkɐmlinəs, subst. v. Uncomely, ɐnkɐmli, onbevallig, onwelvoegelijk.

Uncomfortable, ɐnkɐmfətəb’l, ongemakkelijk, onbehagelijk, troosteloos, droevig; subst. —ness; Uncomforted = troosteloos, ongetroost.

Uncommanded, ɐnkəmândid, niet bevolen, niet bestreken.

Uncommemorated, ɐnkəmeməreitid, niet herdacht.

Uncommended, ɐnkəmendid, roemloos.

Uncommercial, ɐnkəmɐ̂š’l, tegen de handelsusanties.

Uncommiserated, ɐnkəmizəreitid, onbetreurd.

Uncommitted, ɐnkəmitid, niet bedreven, niet toevertrouwd, niet commissoriaal gemaakt, niet gearresteerd.

Uncommon, ɐnkom’n, ongewoon, ongemeen; subst. —ness.

Uncommunicated, ɐnkəmjûnikeitid, niet medegedeeld; An uncommunicative man = zwijgend, gereserveerd persoon.

Uncompelled, ɐnk’mpeld, ongedwongen.

Uncomplaining, ɐnk’mpleiniŋ, gelaten.

Uncompleted, ɐnk’mplîtid, niet voltooid.

Uncomplimentary, ɐnkomplimentəri, zonder complimenten, ruw, lomp.

Uncomplying, ɐnk’mplaiiŋ, oninschikkelijk, onhandelbaar.

Uncompounded, ɐnk’mpaundid, niet samengesteld, eenvoudig; subst. —ness.

Uncompromising, ɐnkomprəmaiziŋ, onbuigzaam, star, onhandelbaar.

Unconcealed, ɐnk’nsîld, onverholen.

Unconceived, ɐnk’nsîvd, onbegrepen, onvoorzien.

Unconcern, ɐnk’nsɐ̂n, zorgeloosheid, onverschilligheid, kalmte: With great — = volkomen kalm; —ed = onverschillig, etc.

Unconciliatory, ɐnk’nsiljətəri, onverzoenlijk.

Uncondensable, ɐnk’ndensəb’l, wat niet verdicht kan worden; Uncondensed.

Unconditional, ɐnk’ndišən’l, onvoorwaardelijk, absoluut; Unconditioned = absoluut.

Unconfessed, ɐnk’nfest, niet beleden, ontkend, zonder gebiecht te hebben.

Unconfined, ɐnk’nfaind, onbeperkt.

Unconfirmed, ɐnk’nfɐ̂md, niet bevestigd, zwak, wankelmoedig, onervaren, niet geconfirmeerd.

Unconformable, ɐnk’nföməb’l, niet bestaanbaar of overeenkomstig, niet parallel (van lagen).

Uncongenial, ɐnk’ndžînj’l, ongelijksoortig, onsympathiek.

Unconnected, ɐnkənektid, onsamenhangend, niet verwant.

Unconquerable, ɐnkoŋkərəb’l, onverwinbaar; Unconquered, ɐnkoŋkəd, onoverwonnen.

Unconscionable, ɐnkonšənəb’l, gewetenloos, onredelijk, overdreven, enorm, kolossaal: Such an — time = onmogelijk lange tijd; subst. —ness; At an unconscionably early hour = onmogelijk vroeg.

Unconscious, ɐnkonšəs, onbewust, niet lettend op, bewusteloos: I am — of it = mij daarvan niet bewust; subst. —ness.

Unconsecrated, ɐnkonsikreitid, ongewijd.

Unconsidered, ɐnk’nsidəd, ondoordacht.

Unconsolidated, ɐnk’nsolideitid, niet geconsolideerd.

Unconstitutional, ɐnkonstitjûšən’l, ongrondwettig; —ity, ɐnkonstitjûšənaliti, ongrondwettigheid.

Unconstrained, ɐnk’nstreind, ongedwongen.

Unconsumed, ɐnk’nsiûmd, onverteerd.

Uncontemplated, ɐnkont’mpleitid, ɐnk’ntempleitid, niet overdacht.

Uncontestable, ɐnk’ntestib’l, onbetwistbaar; Uncontested, ɐnk’ntestid, onbetwist.

Uncontradictable, ɐnkontrədiktəb’l, onbetwistbaar; Uncontradicted, ɐnkontrədiktid, niet tegengesproken.

Uncontrollable, ɐnk’ntrouləb’l, onhandelbaar, teugelloos, wat niet nagegaan kan worden; Uncontrolled, ɐnk’ntrould, niet nagegaan, bandeloos, onbuigzaam.

Uncontroverted, ɐnkontrəvɐ̂tid, onbetwist.

Unconverted, ɐnk’nvɐ̂tid, onbekeerd; Unconvertible, ɐnk’nvɐ̂tib’l, onveranderbaar.

Unconvinced, ɐnk’nvinst, onovertuigd.

Uncork, ɐnkök, ontkurken, lucht geven aan.

Uncoroneted, ɐnkorənetid, niet gekroond.

Uncorrected, ɐnkərektid, onverbeterd.

Uncorroborated, ɐnkərobəreitid, niet bevestigd of gestaafd.

Uncorrupt(ed), ɐnkərɐpt(id), onbedorven, onvervalscht; subst. —(ed)ness.

Uncountable, ɐnkauntəb’l, ontelbaar; Uncounted, ɐnkauntid, ongeteld.

Uncouple, ɐnkɐp’l, loskoppelen.

Uncourteous, ɐnkötjəs, ɐnkɐ̂tjəs, onhoffelijk; —ness = Uncourtliness, ɐnkötlinəs = onbeleefdheid, lompheid; Uncourtly = lomp, onbeschaafd.

Uncouth, ɐnkûth, vreemd, zonderling, onhandig, ruw; subst. —ness.

Uncovenanted, ɐnkɐvənantid, niet volgens contract beloofd, onverdiend, onafgesproken: — civil service = tak van den burgerlijken dienst (Indië), waarvan de leden geen examen doen en geen pensioen krijgen.

Uncover, ɐnkɐvə, openen, (zich) ontblooten, zonder bedekking laten, groeten; —ed = ontbloot, blootgelegd, ongedekt: To leave —ed.

Uncritical, ɐnkritik’l, niet kritisch.

Unction, ɐŋkš’n, oliesel, zalf, zalving, verzachting: Extreme — = laatste oliesel; subst. Unctuosity, ɐŋktjuositi, subst. v. Unctuous, ɐŋjktuəs, vettig, olieachtig, verzachtend, zalvend; subst. —ness.

Uncultivable, ɐnkɐltivəb’l, onbebouwbaar, niet te beschaven; Uncultivated = onbebouwd, onbeschaafd, ruw: A waste of — heath.

Uncurbed, ɐnkɐ̂bd, ongetemd, teugelloos.

Uncurl, ɐnkɐ̂l, glad maken, de krul verliezen.

Uncurtailed, ɐnkəteild, onverkort.

Uncustomary, ɐnkɐstəməri, ongewoon, ongebruikelijk; Uncustomed = zonder klanten.

Uncut, ɐnkɐt, niet bekapt, onopengesneden, niet geschoren, onbeschadigd.

Undamaged, ɐndamidžd, onbeschadigd.

Undamped, ɐndampt, niet ingevocht of bevochtigd, niet ontmoedigd.

Undated, ɐndeitid, ongedateerd.

Undated, ɐndeitid, golvend.

Undaunted, ɐndôntid, ɐndântid, onversaagd, onverschrokken; subst. —ness.

Undazzled, ɐndaz’ld, niet verblind.

Undebased, ɐndibeist, onverbasterd.

Undebauched, ɐndibôtšt, onbedorven.

Undecayed, ɐndikeid, niet vervallen, onverzwakt; Undecaying = onveranderlijk, onsterfelijk.

Undeceive, ɐndisîv, ontgoochelen, uit den droom helpen, de oogen openen: At last I was —d = vielen mij de schellen van de oogen; I have —d his error = hem van zijne dwaling genezen.

Undecided, ɐndisaidid, onbeslist, weifelend.

Undecipherable, ɐndisaifərəb’l, niet te ontcijferen; Undeciphered, ɐndisaifəd, niet ontcijferd.

Undecked, ɐndekt, niet versierd; zonder dek, open.

Undeclared, ɐndiklêəd, niet verklaard.

Undeclinable, ɐndiklainəb’l, onverbuigbaar; Undeclined = onverbogen.

Undecorated, ɐndekəreitid, onversierd.

Undedicated, ɐndedikeitid, niet opgedragen.

Undefaceable, ɐndifeisəb’l, onuitwischbaar; Undefaced = onuitgewischt, niet misvormd.

Undefended, ɐndifendid, onverdedigd, onbeschermd.

Undefiled, ɐndifaild, onbesmet, rein.

Undefinable, ɐndifainəb’l, niet bepaalbaar, onbegrensd; subst. —ness; Undefined = onbepaald, vaag.

Undefrayed, ɐndifreid, niet betaald of gedekt.

Undeliverable, ɐndilivərəb’l, onbestelbaar; Undelivered, ɐndilivəd, niet verlost, niet afgeleverd, niet besteld.

Undemolished, ɐndimolišt, niet gesloopt.

Undeniable, ɐndinaiəb’l, onloochenbaar.

Undenominational, ɐndinomineišən’l, niet van een sekte: — school = neutrale school.

Undeplored, ɐndiplöd, onbetreurd.

Undeposable, ɐndipouzəb’l, onafzetbaar.

Undepraved, ɐndipreivd, onbedorven.

Undeprived, ɐndipraivd, niet beroofd.

Under, ɐndə, onder, lager dan, beneden, minder: — this act = krachtens deze wet; To be — age = minderjarig; To be — arms = onder de wapenen; To speak — one’s breath = zeer zacht; — these circumstances; He was — a cloud = terneergedrukt, melancholiek, had geldgebrek, in ’t ongeluk; He did it — colour of taking an interest in me = onder den schijn van; — command of; — consideration = in overweging; The bill was — discussion = in behandeling; — your favour = met uw verlof; The troops were — the enemy’s fire = blootgesteld aan het vuur; — the firm of = onder de firma; She wears the —garments of men = heeft de broek aan; — God = naast God; — his own hand = eigenhandig; To be — oath = onder eede; — pain of death = op straffe van; — pretence = onder voorwendsel; — the rose = “onder de roos”, in ’t geheim; He was disqualified — another rule = hij mocht niet meedoen (geen lid worden) volgens een andere bepaling; — sail = onder zeil; — the royal seal = met het koninklijk zegel; He was — sentence of death = ter dood veroordeeld; I won’t sell it — three figures = voor minder dan 100 pond sterling; — treatment = in (onder) behandeling; — water; To get — weigh = anker op gaan; Her beauty was a glittering mantle with no soul — = daaronder; Keep him — = houd hem onder de plak; To labour — a severe cold = lijden aan; To trample — foot = vertrappen; —bid = minder bieden dan, te weinig bieden; —bred = slecht opgevoed; —brush = hak of kreupelhout; An over-estimate of expenditure or an —-calculation of income; —clay = laag klei onder een kolenlaag; —clothes, onderkleeren = —clothing; —current, subst. benedenstroom, neveninvloed; —ditch, ɐndəditš, draineeren; —do, ɐndədû, minder doen (dan men kan); The meat was —done = niet gaar; —dose, ɐndədous, te kleine hoeveelheden geven of nemen; ɐndədous, onvoldoende hoeveelheid of dosis; —drain, ɐndədrein, subst. onderaardsch afvoerkanaal; — verb. (ɐndədrein) rioleeren; —-estimate, ɐndərestimeit, onderschatten; ɐndərestimit, onderschatting; —faction = nevenpartij; —feed, ɐndəfîd, onvoldoende voeden; —foot, ɐndəfut, onder den voet, beneden; —furrow, ɐndəfɐrou, onderploegen; —gird, ɐndəgɐ̂d, beneden steunen; —go = ondergaan, doorstaan, ondervinden, lijden; —grad(uate), ɐndəgrad(ju-it), student (Oxford en Cambridge, anders Student); —ground = onder den grond, onderaardsch, heimelijk: —ground (railway) = ondergrondsche spoor; —grown, ɐndəgroun, niet uitgegroeid, te klein; —growth, ɐndəgrouth, onderhout, hakhout; —hand = heimelijk, onderhands geslagen: His sneaking, —handed ways = heimelijke manier van doen; He is treacherous and —handed = achterbaksch; —hung = met vooruitstekende benedenkaak; —insured = te laag verzekerd; —-jaw = onderkaak; —lay, verb. iets onderleggen, steunen: Sand underlaid with clay = op klei rustend zand; subst. (ɐndəlei) onderlegger; —-lease = onderpacht, onderhuur; —let = onderverhuren; onder de waarde verhuren; —letter = onderhuurder, die onder de waarde verhuurt; —lie = liggen onder, ten grondslag liggen, gebonden zijn aan: He —lay the accusation contained in those words = had de hand in; —line = onderstrèpen; —linen; —ling = ondergeschikte; —lip; —lock = wol onder den buik van een schaap; —manned, ɐndəmand, niet voldoende van manschappen voorzien; —masted, ɐndəmâstid, niet voldoende van masten voorzien; —mentioned = nagenoemde; —mine = ondermijnen, benadeelen; —miner = ondermijner, geheime of stille vijand; —most = onderste; —neath, [andənîth], ɐndənîdh, beneden, onder; —part = ondergeschikte rol, minder belangrijk deel; —pay = onvoldoend bezoldigen of betalen: The poor seamstresses are shamefully —paid = worden schandelijk slecht betaald; —payment; —peopled, ɐndəpîp’ld, ɐndəpîp’ld, te schaars bevolkt; —pin = ondersteunen, stutten; —plot = episode, nevenintrige; —-policed, ɐndepəlîst, niet voldoende van politie voorzien: London is very much —-policed = heeft veel te weinig politie; —price = spotprijs; —proof = beneden normale sterkte; —prop = ondersteunen, stutten; —rate = onderschàtten, te laag waardeeren; —run = onderdoorloopen of varen; —score, ɐndəskö, onderschrappen; —sell = verkoopen onder de waarde en goedkooper dan; —set = benedenstroom (tegen den bovenstroom in); —shot = bewogen door onderdoorstroomend water: —shot wheel; —shrub = kreupelhout; —sign, ɐndəsain, onderteekenen: The —signed = de ondergeteekende(n); —sized = onder de middelbare grootte; —soil = ondergrond; The schools are —staffed = hebben te weinig personeel; —stand = begrijpen, verstaan, vernemen, overtuigd zijn, meenen, aannemen, opmaken: He could not make himself —stood = kon zich niet verstaanbaar maken, werd niet begrepen; Such things are —stood = spreken vanzelf; We —stand that many are expected = wij vernemen; I was given to —stand = mij werd te kennen gegeven; He will have me —stand = wil dat ik begrijpe; I —stand from what you say = maak op uit hetgeen ge zegt; You’ll have to —stand yourself with him = zult u met hem moeten verstaan; —standable = begrijpelijk; Not —standed of the people = niet door het volk begrepen; —standing, subst. verstand, begrip, kennis, verstandhouding, oordeel; adj. bekwaam, verstandig, ervaren: We could not come to an —standing with him = tot een schikking komen; I will do it on the (with this) —standing that you help me = mits, met dien verstande dat; —state = niet de volle waarheid mededeelen; —statement = onderschatting, te lage opgaaf; —strapper = ondergeschikte; —strapping = ondergeschikt, dienend; —study, subst. plaatsvervanger van een acteur (die de rol heeft geleerd om ze desnoods te kunnen vervullen); — verb. ɐndəstɐdi, in geval van nood vervangen; —take = ondernemen, wagen, op zich nemen, behandelen, zich belasten met, borgstaan voor: You have —taken to be here at seven = op u genomen, beloofd; —taker = aannemer, speculant, ondernemer (vooral van begrafenissen); —taking = onderneming, plechtige belofte; —taxed = te laag getaxeerd of belast; —-tenant, onderpachter; —-tenancy = ònderhuur, onderpacht; —things = onderkleeren; —-timed = te kort belicht; —tone = lage of zwakke toon: He spoke to me in an —tone = met gedempte stem; —took, imperf. van to —take; —-tow = —-current; —valuation, valjueiš’n, onderschàtting, te lage waardeering; —value, verb. onder de waarde schatten, minachten; subst. ɐndəvaljû, ɐndəvaljû, te geringe prijs; —-wear = onderkleeren; —went, imperf. van to —go; —-wood = laag hout, kreupelhout; —work, ɐndəwɐ̂k, te weinig (slecht) werken, goedkooper werken; —worked = niet genoeg werk hebbend; —-world = de tegenvoeters, onderwereld, hel; —write = onderschrijven, onderteekenen, zich onderwerpen aan; assureeren (van schepen); —writer ɐndəraitə, assuradeur.

Underived, ɐndiraivd, niet ontleend.

Undescribed, ɐndiskraibd, niet beschreven.

Undescried, ɐndiskraid, onontdekt.

Undeserved, ɐndizɐ̂vd, onverdiend; Undeserving = niet verdienend, onwaardig.

Undesigned, ɐndizaind, ɐndisaind, onopzettelijk; subst. —ness; Undesigning = oprecht, zonder bedrog, argeloos.

Undesirable, ɐndizairəb’l, ongewenscht; subst. een ongewenscht persoon; Undesired = niet gewenscht of begeerd; Undesiring = niet verlangend, onverschillig; Undesirous = niet begeerlijk of verlangend.

Undetected, ɐnditektid, onontdekt.

Undetermined, ɐnditɐ̂mind, onbeslist, onzeker, niet beperkt.

Undeveloped, ɐndiveləpt, onontwikkeld.

Undeviating, ɐndîvjeitiŋ, niet afwijkend, geregeld, vast.

Undid, ɐndid, imperf. van to undo.

Undignified, ɐndignifaid, onwaardig.

Undiluted, ɐndil(j)ûtid, niet verdund.

Undiminished, ɐndiminišt, onverminderd.

Undimmed, ɐndimd, niet verduisterd.

Undine, undin, ɐndîn, Undine, waternimf.

Undiscerned, ɐndizɐ̂nd, onopgemerkt; Undiscernible = niet te onderscheiden, onzichtbaar, onmerkbaar; Undiscerning = kortzichtig, niet onderscheidend.

Undisciplined, ɐndisiplind, niet geoefend, ongeregeld, zonder tucht.

Undiscouraged, ɐndiskɐridžd, niet ontmoedigd.

Undiscoverable, ɐndiskɐvərəb’l, niet te ontdekken; Undiscovered = niet gezien, niet opgehelderd, verborgen.

Undiscriminating, ɐndiskrimineitiŋ, niet onderscheidend, niet scherpzinnig.

Undisguised, ɐndisgaizd, onvermomd, openlijk.

Undismayed, ɐndizmeid, onverschrokken, onvervaard.

Undisposed, ɐndispouzd, niet geordend, niet verkocht (of).

Undisputed, ɐndispjûtid, onbetwist.

Undissolved, ɐndizolvd, niet opgelost of gesmolten, niet verbroken.

Undistorted, ɐndistötid, onverwrongen.

Undistracted, ɐndistraktid, niet verstrooid of afgeleid.

Undisturbed, ɐndistɐ̂bd, ongestoord, kalm.

Undividable, ɐndivaidəb’l, on(ver)deelbaar; Undivided = onverdeeld, geheel.

Undivorced, ɐndivöst, niet gescheiden.

Undivulged, ɐndivɐldžd, niet bekend, niet openbaar of ruchtbaar gemaakt.

Undo, ɐndû, te niet doen, vernietigen, opheffen, oplossen, losmaken, te gronde richten, ongelukkig maken: Don’t — what I taught him = bederf niet; To — a fault = weer goed maken; —er, ɐndûə, tenietdoener, bederver, verwoester; —ing = ondergang, vernietiging. Zie Undone.

Undomestic, ɐndəmestik, niet huiselijk; —ated = niet getemd of aan den mensch onderworpen.

Undone, ɐndɐn, p.p. van to undo: I am — = geruïneerd; To come — = losgaan; He left the thing — = onafgedaan; What is done can’t be — = gedane zaken nemen geen keer.

Undoubted, ɐndautid, ongetwijfeld, ontwijfelbaar, onbevreesd, niet verdacht.

Undowered, ɐndauəd, zonder bruidschat.

Undrainable, ɐndreinəb’l, onuitputtelijk; Undrained = niet droog gelegd.

Undramatic(al), ɐndrəmatik(’l), ondramatisch.

Undraped, ɐndreipt, niet gedrapeerd, naakt.

Undrawn, ɐndrôn, niet geteekend, niet weggetrokken, niet getrokken.

Undreaded, ɐndredid, ongevreesd.

Undreamed, ɐndrîmd, Undreamt, ɐndremt, niet gedroomd: Dangers — of before = gevaren die men zich vroeger niet had voorgesteld.

Undress, ɐndres, ɐndres, négligé, klein tenue; alledaagsch, eenvoudig.

Undress, ɐndres, ontkleeden, ontzwachtelen, ontdoen van: —ed = ongekleed, niet toebereid of gekookt, niet opgemaakt, ruw.

Undried, ɐndraid, opgedroogd, groen.

Undrilled, ɐndrild, ongeoefend.

Undrinkable, ɐndriŋkəb’l, ondrinkbaar.

Undue, ɐndjû, ongepast, onwettig, overmatig.

Undulate, ɐndjulit, adj. golvend; — verb. (ɐndjuleit) golven, doen golven; Undulation, ɐndjuleiš’n, golving, golf; vibreeren (muz.); Undulatory, ɐndjulətəri, golvend: — theory = golvingstheorie (licht).

Undutiful, ɐndjûtiful, ongehoorzaam; subst. —ness.

Undying, ɐndaiiŋ, onsterfelijk, onvergankelijk, eeuwig: It reflects — honour on you = het strekt u eeuwig tot eer.

Unearned, ɐnɐ̂nd, onverdiend: — increment = vermeerdering van de waarde van den bodem, etc. door toevalligen aanleg van spoorwegen of anderszins.

Unearth, ɐnɐ̂th, opdelven, opgraven, rooien, aan het licht brengen: Shall we ever succeed in —ing him? = hem ooit opsporen; I —ed this from an old newspaper = heb dit opgediept; —ly = bovennatuurlijk, ijselijk.

Uneasiness, ɐnîzinəs, ongerustheid, angst: You have given me much —; Uneasy = niet op zijn gemak, ongerust, angstig, stijf, moeielijk, knorrig: Don’t be — about him = maak u niet ongerust.

Uneatable, ɐnîtəb’l, oneetbaar; Uneaten = niet gegeten, niet vermetigd.

Unedified, ɐnedifaid, niet gesticht; Unedifying = onstichtelijk.

Uneducated, ɐnedjukeitid, onopgevoed, onwetend, ongeletterd.

Uneffaced, ɐnəfeist, onuitgewischt.

Unembarrassed, ɐnəmbarəst, niet verlegen, onbelemmerd, onbezwaard.

Unemotional, ɐnimoušən’l, zonder aandoening of gevoel.

Unemphatic(al), ɐnəmfatik(’l), zonder klem.

Unemployed, ɐnəmplôid, niet gebruikt, zonder werk: The — = de werkloozen; Unemployment = werkloosheid.

Unemptied, ɐnem(p)tid, niet geledigd.

Unenclosed, ɐnənklouzd, niet ingesloten.

Unencumbered, ɐnənkɐmbəd, onbezwaard.

Unending, ɐnendiŋ, eindeloos.

Unendorsed, ɐnəndöst, niet geëndosseerd.

Unendowed, ɐnəndaud, niet begiftigd of begaafd; zonder subsidie: — schools.

Unendurable, ɐnəndjûrəb’l, onduldbaar.

Unengaged, ɐnəngeidžd, vrij, niet gebonden.

Un-english, ɐniŋgliš, onengelsch.

Unenjoyed, ɐnəndžôid, niet genoten.

Unentered, ɐnentəd, niet opgeschreven, niet aangegeven.

Unenterprising, ɐnentəpraiziŋ, niet ondernemend.

Unentertaining, ɐnentəteiniŋ, niet onderhoudend, vervelend; subst. —ness.

Unenthralled, ɐnənthrôld, niet onderworpen.

Unentombed, ɐnəntûmd, onbegraven.

Unenviable, ɐnenvjəb’l, niet benijdbaar; Unenvied, ɐnenvid, onbenijd.

Unequable, ɐnîkwəb’l, ɐnekwəb’l, ongelijk; Unequal, ɐnîkw’l, ongelijk, onvoldoende, niet opgewassen, onbillijk, partijdig, onregelmatig; ook subst.: He is — to that task = niet berekend voor; —led = ongeëvenaard; subst. —ness.

Unequipped, ɐnikwipt, niet toegerust.

Unequivocal, ɐnikwivək’l, ondubbelzinnig, duidelijk; subst. —ness.

Unerring, ɐnɐ̂riŋ, onfeilbaar.

Unessayed, ɐnəseid, onbeproefd.

Unessential, ɐnəsenš’l, niet wezenlijk of absoluut noodig; ook subst.

Uneven, ɐnîv’n, ongelijk, oneffen, ongestadig; subst. Unevenness: — of style, — of temper = ongelijkmatigheid.

Uneventful, ɐniventful, onbelangrijk.

Unexamined, ɐnəgzamind, onbeproefd, niet onderzocht.

Unexampled, ɐnəgzâmp’ld, voorbeeldeloos.

Unexcelled, ɐnəkseld, onovertroffen.

Unexceptionable, ɐnəksepšənəb’l, zonder fout of aanmerking, onberispelijk; subst. —ness.

Unexcited, ɐnəksaitid, niet opgewonden.

Unexecuted, ɐneksikjûtid, niet uitgevoerd.

Unexhausted, ɐnəgzhôstid, onuitgeput.

Unexpected, ɐnəkspektid, onverwacht; subst. —ness.

Unexperienced, ɐnəkspîriənst, onervaren.

Unexpired, ɐnəkspaiəd, niet afgeloopen.

Unexplained, ɐnəkspleind, onverklaard.

Unexplored, ɐnəksplöd, niet doorzocht.

Unexposed, ɐnəkspouzd, niet blootgesteld, beschut.

Unexpounded, ɐnəkspaundid, onverklaard.

Unexpressed, ɐnəksprest, niet uitgesproken.

Unexpurgated, ɐnəkspɐ̂geitid, ɐnekspəgeitid, ongezuiverd, niet gecastreerd of gecastigeerd (van letterk. werken).

Unextinguishable, ɐnəkstiŋgwišəb’l, onuitbluschbaar; Unextinguished = onuitgebluscht.

Unextracted, ɐnəkstraktid, niet (uit)getrokken.

Unfaded, ɐnfeidid, onverwelkt; Unfading = onverwelkelijk, vast; subst. —ness.

Unfailing, ɐnfeliŋ, onfeilbaar, zeker, onuitputtelijk.

Unfair, ɐnfêə, partijdig, onbillijk; subst. —ness.

Unfaithful, ɐnfeithful, ontrouw, trouweloos; subst. —ness.

Unfaltering, ɐnfôltəriŋ, niet aarzelend, vast.

Unfamiliar, ɐnfəmiljə, onbekend, vreemd; —ity, ɐnfəmiljariti, ongemeenzaamheid.

Unfashionable, ɐnfašənəb’l, niet naar de mode of in den vorm; subst. —ness; Unfashioned, ɐnfaš’nd, vormloos, ruw, lomp.

Unfasten, ɐnfâs’n, losmaken, openmaken: This new collar is always —ing itself = gaat altijd van zelf los.

Unfatherly, ɐnfâdhəli, onnatuurlijk.

Unfathomable, ɐnfadhəməb’l, onpeilbaar, ondoorgrondelijk; subst. —ness; Unfathomed = ongepeild, onmetelijk.

Unfavourable, ɐnfeivərəb’l, ongunstig; subst. —ness.

Unfeared, ɐnfîəd, ongevreesd; Unfearing = onbevreesd.

Unfeeling, ɐnfîliŋ, ongevoelig, wreed; subst. —ness.

Unfeigned, ɐnfeind, ongeveinsd, oprecht; subst. —ness; Unfeigning = oprecht, echt.

Unfelt, ɐnfelt, niet gevoeld.

Unfeminine, ɐnfeminin, onvrouwelijk.

Unfermented, ɐnfəmentid, ongegist, ongezuurd.

Unfertile, ɐnfɐ̂til, onvruchtbaar.

Unfetter, ɐnfetə, ontketenen, bevrijden.

Unfilial, ɐnfilj’l, onkinderlijk.

Unfinished, ɐnfiništ, onvoltooid.

Unfit, ɐnfit, ongeschikt, onbekwaam, onbetamelijk, ongepast; — verb. ongeschikt maken: It is — for a man = past een man niet; subst. —ness; —ting: It is —ting a man = past een man niet.

Unfix, ɐnfiks, losmaken, doen weifelen: — bayonets! = bajonet af: —ed = los, zwervend, onzeker.

Unflagging, ɐnflagiŋ, onverflauwd.

Unflattering, ɐnflatəriŋ, oprecht: — weather = weinig uitlokkend.

Unfledged, ɐnfledžd, zonder veeren, nog niet in staat te vliegen, onrijp, jong.

Unflinching, ɐnflinšiŋ, onvermoeid, onverschrokken.

Unfold, ɐnfould, ontvouwen, uitspreiden, openbaren, déployeeren, bijzetten, uit de (schaaps)kooi laten; —ing = mededeeling, openbaring.

Unforbearing, ɐnfəbêriŋ, niet toegevend.

Unforced, ɐnföst, ongedwongen, natuurlijk, gemakkelijk.

Unfordable, ɐnfödəb’l, niet doorwaadbaar.

Unforeknown, ɐnfönoun, onvoorzien = Unforeseen.

Unforewarned, ɐnföwönd, niet gewaarschuwd.

Unforfeited, ɐnföfitid, niet verbeurd.

Unforgetful, ɐnfəgetful, niet vergeetachtig.

Unforgiven, ɐnfəgiv’n, niet vergeven; Unforgiving = niet vergevend, onverzoenlijk.

Unformed, ɐnfömd, ongevormd, ruw: — stars = niet gegroepeerde sterren.

Unforsaken, ɐnfəseik’n, niet verlaten.

Unfortified, ɐnfötifaid, onversterkt, zwak.

Unfortunate, ɐnfötjunit, ongelukkig(e).

Unfostered, ɐnfostəd, niet beschermd of gekoesterd.

Unfounded, ɐnfaundid, ongegrond.

Unfranchised, ɐnfrantš(a)izd, niet vrijgemaakt.

Unfree(d), ɐnfrî(d), onvrij, (onbevrijd).

Unfrequented, ɐnfrikwentid, onbezocht, eenzaam, verlaten.

Unfriendly, ɐnfrendli, onvriend(schapp)elijk, ongunstig.

Unfrock, ɐnfrok, ontzetten uit priesterlijke betrekking en rechten.

Unfruitful, ɐnfrûtful, onvruchtbaar, ijdel, nutteloos; subst. —ness.

Unfulfilled, ɐnfulfild, niet vervuld.

Unfunded, ɐnfɐndid, zonder (waarborg)fonds.

Unfurl, ɐnfɐ̂l, ontplooien, losgooien: To — a flag, the sails.

Unfurnished, ɐnfɐ̂ništ, ongemeubileerd, ledig.

Ungainly, ɐngeinli, lomp, linksch.

Ungallant, ɐngəlant, onhoffelijk; niet dapper (ɐngalənt).

Ungear, ɐngîə, uitspannen, uitschakelen, los maken.

Ungenerous, ɐndženərɐs, onedelmoedig, onedel, gierig.

Ungenial, ɐndžînj’l, ongunstig, onvriendelijk.

Ungenteel, ɐndž’ntîl, onbeleefd, lomp.

Ungentlemanlike, ɐndžent’lm’nlaik, onwellevend, plat = Ungentlemanly.

Ungird, ɐngɐ̂d, losgorden, losmaken.

Unglazed, ɐngleizd, zonder glas of ruiten; zonder glazuur.

Unglove, ɐnglɐv, de handschoenen uitdoen: —d = zonder handschoenen, bloot.

Unglue, ɐnglû, losmaken (v. iets gelijmds).

Ungodliness, ɐngodlinəs, subst. v. Ungodly, ɐngodli, goddeloos, zondig, onheilig.

Ungovernable, ɐngɐvənəb’l, niet te besturen, teugelloos, uitgelaten, ontembaar; subst. —ness.

Ungraced, ɐngreist, niet getooid (begunstigd, geëerd).

Ungraceful, ɐngreisful, onbevallig, lomp; subst. —ness; Ungracious, ɐngreišəs, onvriendelijk, onaangenaam, ruw; subst. —ness.

Ungrammatical, ɐngrəmatik’l, niet grammatisch.

Ungrateful, ɐngreitful, ondankbaar: — soil = onvruchtbaar; subst. —ness.

Ungratified, ɐngratifaid, onvoldaan.

Ungrounded, ɐngraundid, ongegrond.

Ungrudged, ɐngrɐdžd, gegund; Ungrudging = zonder morren, gaarne.

Ungual, ɐŋgw’l, nagel..., klauw...

Unguarded, ɐngâdid, onbewaakt, onbezonnen, zorgeloos: In an — moment.

Unguent, ɐŋgw’nt, zalf, smeersel.

Unguessed, ɐngest, niet geraden of vermoed.

Unguicular, ɐŋgwikjulə, nagel..., klauw...; ± 1,3 cM.; Unguiculate(d), ɐŋgwikjulit(-eitid), met klauwen, klauwvormig.

Unguided, ɐngaidid, niet geleid of geregeld.

Unguis, ɐŋgwis, klauw, hoef, nagel; Ungula, ɐŋgjulə, (paarde)hoef, kegelsnede; Ungulate, ɐŋgjulit, hoefvormig, met hoeven.

Unhackneyed, ɐnhaknid, niet afgezaagd, frisch.

Unhailed, ɐnheild, niet gepraaid.

Unhair, ɐnhêə, ontharen.

Unhallowed, ɐnhaloud, onheilig, goddeloos.

Unhand, ɐnhand, loslaten.

Unhang, ɐnhaŋ, afhangen (van deuren of vensters, roer), van behang of draperie ontdoen.

Unhappiness, ɐnhapinəs, subst. v. Unhappy, ɐnhapi, ongelukkig, rampzalig: He is — in his children = ongelukkig met.

Unharassed, ɐnharəst, ongekweld.

Unharbour, ɐnhâbə, opjagen.

Unhardened, ɐnhâd’nd, niet gehard of verhard.

Unharmed, ɐnhâmd, onbeschadigd, ongedeerd.

Unharmonic, ɐnhâmonik = Unharmonious, ɐnhâmouniəs, onwelluidend, onharmonisch.

Unharness, ɐnhânəs, uitspannen.

Unhatched, ɐnhatšt, onuitgebroed.

Unhealable, ɐnhîləb’l, ongeneeslijk; Unhealed, ɐnhîld, niet genezen.

Unhealthiness, ɐnhelthinəs, subst. v. Unhealthy, ɐnhelthi, ongezond, schadelijk, ziekelijk.

Unheard, ɐnhɐ̂d, niet gehoord: — (-)of cruelties = ongehoorde wreedheden.

Unheeded, ɐnhîdid, verwaarloosd; Unheeding, ɐnhîdiŋ, zorgeloos, achteloos.

Unhelped, ɐnhelpt, niet geholpen.

Unhesitating, ɐnheziteitiŋ, ɐnhesiteitiŋ, vaardig, niet aarzelend.

Unhewn, ɐnjûn, ongehouwen, ruw.

Unhindered, ɐnhindəd, onbelemmerd.

Unhinge, ɐnhinž, uit de hengsels lichten, overhoop gooien, in wanorde brengen: She was nervous and —d = zenuwachtig en van streek; His mind is —d = zijne geestvermogens zijn gekrenkt.

Unhistoric(al), ɐnhistorik(’l), niet geschiedkundig, fabelachtig.

Unhitch, ɐnhitš, loshaken, vrijmaken.

Unholiness, ɐnhoulinəs, subst. v. Unholy, ɐnhouli, onheilig, goddeloos, onrein.

Unhonoured, ɐnonəd, ongeëerd.

Unhood, ɐnhud, (valken) de kap afnemen.

Unhook, ɐnhuk, loshaken, losmaken.

Unhoped, ɐnhoupt, ongehoopt: — for accidents = onverhoopte gebeurtenissen.

Unhorned, ɐnhönd, ongehoornd.

Unhorse, ɐnhös, van het paard werpen.

Unhung, ɐnhɐŋ, imp. en pp. van to unhang.

Unhurt, ɐnhɐ̂t, ongedeerd, ongekwetst.

Uniax(i)al, jûniakš(i)əl, éénassig.

Unicellular, jûniseljulə, ééncellig.

Unicorn, jûnikön, éénhoorn, narwal, driespan (één paard vóór de twee anderen): Sea — = narwal; —ous, jûnikönəs, éénhoornig.

Unifacial, jûnifeiš’l, met ééne voorzijde.

Unification, junifikeiš’n, unificatie.

Uniflorous, juniflörəs, éénbloemig.

Unifoliar, junifouljə, éénbladig.

Uniform, jûniföm, subst. uniform; adj. éénvormig, onveranderlijk, homogeen; — verb. van een uniform voorzien: In full —; Out of — = in civiel; Uniformity, junifömiti, éénvormigheid, éénparigheid, overeenstemming, gelijkheid.

Unify, jûnifai, veréénen, tot één maken.

Unilabiate, jûnileibjit, éénlippig.

Unimaginable, ɐnimadžinəb’l, ondenkbaar; Unimaginative, nuchter, zonder fantasie; Unimagined = ongedacht, ondenkbaar.

Unimpaired, ɐnimpêəd, ongeschonden, onverzwakt.

Unimpeachable, ɐnimpîtšəb’l, zonder blaam, onberispelijk; subst. —ness = vlekkeloosheid; Unimpeached = onbeschuldigd, niet bestreden, onberispelijk.

Unimpeded, ɐnimpîdid, ongehinderd, open.

Unimplied, ɐnimplaid, niet besloten, niet volgende uit.

Unimportant, ɐnimpöt’nt, onbelangrijk.

Unimpressionable, ɐnimprešənəb’l, niet voor indrukken vatbaar; Unimpressive = weinig indruk makend, voor indrukken onvatbaar.

Unimprovable, ɐnimprûvəb’l, onverbeterlijk; Unimproved = onverbeterd, niet bebouwd, ruw, onwetend.

Uninfected, ɐninfektid, onbesmet, onverdorven; Uninfectious, ɐninfekšəs, onbesmettelijk.

Uninfluenced, ɐninfluənst, onbevooroordeeld, onbevangen: — by passion = zonder hartstocht.

Uninformed, ɐninfömd, niet onderricht.

Uninhabitable, ɐninhabitəb’l, onbewoonbaar; subst. —ness; Uninhabited = onbewoond.

Uninitiated, ɐninišeitid, oningewijd.

Uninjured, ɐninžəd, onbeschadigd; Uninjurious, ɐindžûriəs, onschadelijk.

Uninsured, ɐninšûəd, niet verzekerd.

Unintellectual, ɐnintəlektjuəl, niet verstandelijk; Unintelligent, ɐnintelidžent, dom, onkundig.

Unintelligibility, ɐnintelidžibiliti, subst. v. Unintelligible, ɐnintelidžib’l, onverstaanbaar, onbegrijpelijk; subst. —ness.

Unintended, ɐnintendid, niet bedoeld, zonder opzet; Unintentional, ɐnintenšən’l, onopzettelijk.

Uninterested, ɐnintərestid, geen belang hebbend bij, onbaatzuchtig; Uninteresting = niet belangwekkend, saai.

Unintermitted, ɐnintəmitid, onafgebroken.

Uninterred, ɐnintɐ̂d, onbegraven.

Uninterrupted, ɐnintərɐptid, onafgebroken, voortdurend.

Unintroduced, ɐnintrədjûst, niet voorgesteld.

Uninvested, ɐninvestid, niet geïnstalleerd, niet bekleed, niet belegd (v. geld).

Uninvited, ɐninvaitid, ongenood; Uninviting = niet aanlokkelijk.

Unio, jûniou, stroommossel.

Union, jûnj’n, vereeniging, verbond, eenheid, eendracht, twee of meer kerspelen tot één vereenigd ter uitvoering van de armenwet, arbeiders- of werkmansvereeniging, werkhuis van eene Union; vierhoekig veld aan den binnen-bovenhoek van de Engelsche vlag met de kruisen v. St. George, St. Andrew en St. Patrick, vlag met deze kruisen = —-jack; —-workhouse; Unionism = vereenigingsstelsel (van werklieden, etc.), stelsel tot instandhouding der unie v. Groot-Britanje en Ierland; Unionist = lid van eene Union, voorstander van de Unie van Groot-Brit. en Ierland.

Uniparous, junipərɐs, één jong barend.

Unique, junîk, éénig, ongeëvenaard; subst. unicum; subst. —ness.

Unisexual, jûnisekšuəl, éénslachtig.

Unison, jûnis’n, jûniz’n, overeenstemming, harmonie, accoord: In —; To exclaim in — = eenstemmig.

Unit, jûnit, éénheid.

Unitarian, junitêriən, subst. belijder van de leer dat de Godheid slechts uit één persoon bestaat; adj. met dit geloof verbonden; —ism = leer der Unitarians.

Unite, junait, vereenigen, samensmelten, één worden: —d = verbonden, vereenigd (to = met): The —d Brethren = Hernhutters; The —d Provinces = de Vereenigde Provinciën; The —d States of America; —r; Unity, jûniti, éénheid, overeenstemming; The three unities = de drie (dramatische) eenheden = — of time, place and action.

Univalve, jûnivalv, éénkleppig, éénschelpig; ook subst.; adj. Univalvular.

Universal, junivɐ̂s’l, algemeen, universeel, gezamenlijk: The general, though not — opinion = de meening v. velen, schoon niet van allen; — suffrage = algemeen kiesrecht; —ity, junivəsaliti = algemeenheid; Universalize = algemeen maken; Universe, jûnivɐ̂s, heelal; University, junivɐ̂siti, hoogeschool: He is at the —; He is a — man.

Unjaundiced, ɐndžôndist, niet afgunstig.

Unjoint, ɐndžôint, ontwrichten: —ed = uit de voegen, ongeleed.

Unjudged, ɐndžɐdžd, niet beslist.

Unjust, ɐndžɐst, onrechtvaardig, onbillijk; subst. —ness.

Unjustifiable, ɐndžɐstifaiəb’l, onverdedigbaar, niet te rechtvaardigen; subst. —ness; Unjustified, ɐndžɐstifaid, ongerechtvaardigd.

Unkempt, ɐnkemt, ongekamd, ongelikt.

Unkennel, ɐnken’l, opjagen, loslaten, onthullen.

Unkept, ɐnkept, niet onderhouden, niet gehoorzaamd, niet gevierd, niet uitgevoerd.

Unkind, ɐnkaind, onvriendelijk, liefdeloos; subst. —liness = —ness.

Unkink, ɐnkiŋk, losmaken, rekken (— one’s muscles).

Unknightly, ɐnnaitli, onridderlijk.

Unknit, ɐnnit, uithalen (v. breiwerk), gladstrijken (v. voorhoofd b.v.), scheiden.

Unknowable, ɐnnouəb’l, onnaspeurlijk: The — = de Ondoorgrondelijke; Unknowing = onwetend, onkundig; Unknown = onbekend, onberekenbaar, onmetelijk: A man — to fame = waarvan de wereld weinig weet; It was done — to me = buiten mijn weten.

Unlaboured, ɐnleibəd, onbewerkt, natuurlijk, ongedwongen.

Unlace, ɐnleis, losrijgen.

Unlade, ɐnleid, ontladen, lossen.

Unlamented, ɐnləmentid, onbetreurd.

Unlatch, ɐnlatš, openen (door de klink op te lichten); losgespen.

Unlawful, ɐnlôful, onwettig; subst. —ness.

Unlearn, ɐnlɐ̂n, verleeren, afleeren.

Unleash, ɐnlîš, loslaten (tegen = upon).

Unleavened, ɐnlev’nd, ongezuurd: Feast of — bread = feest der ongezuurde brooden.

Unless, ɐnles, tenzij, indien niet.

Unlessened, ɐnles’nd, onverminderd.

Unlettered, ɐnletəd, ongeletterd.

Unlevel(l)ed, ɐnlev’ld, niet glad of gelijk.

Unlicensed, ɐnlais’nst, zonder patent of vergunning.

Unlicked (cub), ɐnlikt, ongelikt(e beer).

Unlighted, ɐnlaitid, niet aangestoken of verlicht.

Unlike, ɐnlaik, ongelijk, anders dan: That’s so — him = dat is in ’t geheel niet iets voor hem; —lihood = onwaarschijnlijkheid = —liness; —ly = onwaarschijnlijk.

Unlimited, ɐnlimitid, onbegrensd, onbeperkt, vrij, niet gelimiteerd: An — concern = onderneming, welker aandeelhouders niet alléén voor hunne aandeelen, maar voor alle verplichtingen aansprakelijk zijn; subst. —ness.

Unlink, ɐnliŋk, ontschakelen, losmaken: The snake —s itself = ontrolt zich.

Unliquidated, ɐnlikwideitid, onvereffend.

Unload, ɐnloud, ontladen, ontlasten, lossen, uitstorten, in groote hoeveelheid op de markt brengen.

Unlock, ɐnlok, ontsluiten, de rem wegnemen, onthullen.

Unlooked for, ɐnluktfö, onverwacht, ongezocht, ongewenscht.

Unloose(n), ɐnlûs(’n), losmaken, vrijlaten.

Unloveliness, ɐnlɐvlinəs, subst. v. Unlovely, ɐnlɐvli, onbeminnelijk, niet aantrekkelijk.

Unluckiness, ɐnlɐkinəs, subst. v. Unlucky, ɐnlɐki, ongelukkig, onvoorspoedig, onzalig: It was an — party = “parti manqué”.

Unmade, ɐnmeid, ongemaakt, niet klaar, vernietigd: — robes.

Unmaidenly, ɐnmeid’nli, onmaagdelijk.

Unmaimed, ɐnmeimd, onverminkt.

Unmakable, ɐnmeikəb’l, onmaakbaar, onuitvoerbaar; Unmake, ɐnmeik, bederven, vernietigen, afzetten.

Unmalleable, ɐnmaljəb’l, onsmeedbaar.

Unman, ɐnman, ontmannen, ontmoedigen, week maken, van manschappen of troepen ontblooten.

Unmanageable, ɐnmanidžib’l, onhandelbaar, moeielijk, lastig.

Unmanliness, ɐnmanlinəs, subst. v. Unmanly, ɐnmanli, onmannelijk, lafhartig.

Unmannerly, ɐnmanəli, ongemanierd, lomp.

Unmantle, ɐnmant’l, ontmantelen, onttakelen (a fortress, a room).

Unmanured, ɐnmənjûəd, onbemest, onbebouwd.

Unmarketable, ɐnmâkətəb’l, onverkoopbaar, incourant.

Unmarred, ɐnmâd, onbedorven.

Unmarriable, ɐnmarjəb’l, niet huwbaar; Unmarried, ɐnmarid, ongetrouwd.

Unmask, ɐnmâsk, het masker afleggen, ontmaskeren.

Unmastered, ɐnmâstəd, onbedwongen, teugelloos.

Unmatched, ɐnmatšt, ongeëvenaard.

Unmeaning, ɐnmîniŋ, niets beteekenend, zonder uitdrukking; subst. —ness; Unmeant, ɐnment, onbedoeld.

Unmeasurable, ɐnmežərəb’l, onbegrensd, onmetelijk; Unmeasured = onbegrensd, ongemeten.

Unmeditated, ɐnmediteitid, onoverdacht.

Unmeet, ɐnmît, niet geschikt.

Unmellowed, ɐnmeloud, niet geheel rijp.

Unmelodious, ɐnmiloudjəs, wanklinkend.

Unmentionable, ɐnmenšənəb’l, niet noembaar: —s = broek; Unmentioned = onvermeld.

Unmercantile, ɐnmɐ̂k’nt(a)il, niet overeenkomstig de handelsusantiën.

Unmerciful, ɐnmɐ̂siful, onbarmhartig, wreed, buitensporig; subst. —ness.

Unmerited, ɐnmeritid, onverdiend.

Unmilitary, ɐnmilitəri, niet militair.

Unmilled, ɐnmild, niet gevold; zonder kartelrand (van munten).

Unmindful, ɐnmaindful: — of his promise = niet denkende om; — of my health = zonder te letten op.

Unmistak(e)able, ɐnmisteikəb’l, onmiskenbaar; Unmistaken = zeker, bepaald.

Unmitigated, ɐnmitigeitid, niet verzacht of verminderd, doortrapt: An — scoundrel.

Unmixed, ɐnmikst, onvermengd.

Unmodifiable, ɐnmodifaiəb’l, niet voor wijziging vatbaar; Unmodified = ongewijzigd, niet “umgelautet.”

Unmolested, ɐnməlestid, ongestoord.

Unmoor, ɐnmûə, voor één anker laten liggen; de ankers lichten.

Unmortgaged, ɐnmögidžd, onbezwaard.

Unmotherly, ɐnmɐdhəli, niet moederlijk.

Unmounted, ɐnmauntid, onbereden, niet gemonteerd.

Unmourned, ɐnmönd, onbetreurd.

Unmov(e)able, ɐnmûvəb’l, onbeweeglijk; Unmoved = onbewogen, ongeschokt, ongeroerd, koel, standvastig; Unmoving = bewegingloos, niet roerend.

Unmuffle, ɐnmɐf’l, ontblooten, zichtbaar worden: —d = niet omfloerst.

Unmurmuring, ɐnmɐ̂məriŋ, zonder morren.

Unmusical, ɐnmjûzik’l, onwelluidend, niet muzikaal.

Unmutilated, ɐnmjûtileitid, onverminkt.

Unmuzzle, ɐnmɐz’l, van muilkorf ontdoen, van dwang bevrijden, den vrijen loop laten.

Unnamed, ɐnneimd, ongenoemd, zonder naam.

Unnatural, ɐnnatjər’l, onnatuurlijk, gemaakt, onmenschelijk; subst. —ness.

Unnecessary, ɐnnesəs’ri, noodeloos = Unneeded; Unnecessitated, ɐnnisesiteitid, niet geboden door de omstandigheden.

Unnegotiable, ɐnnigoušəb’l, onverhandelbaar.

Unneighbourly, ɐnneibəli, onbuurschappelijk.

Unnerve, ɐnnɐ̂v, ontzenuwen, verzwakken.

Unnoted, ɐnnoutid, onopgemerkt; Unnoticed, ɐnnoutist, onopgemerkt, verwaarloosd.

Unnumbered, ɐnnɐmbəd, talloos, ongeteld.

Unobjectionable, ɐnəbdžekšənəb’l, onberispelijk.

Unobscured, ɐnəbskjûəd, onverduisterd.

Unobservable, ɐnəbzɐ̂vəb’l, niet waarneembaar; Unobservant = niet betrachtend, niet lettend op: To be — of; Unobserved = niet waargenomen of betracht; Unobserving = achteloos, onoplettend.

Unobstructed, ɐnəbstrɐktid, onbelemmerd.

Unobtainable, ɐnəbteinəb’l, onverkrijgbaar.

Unobtrusive, ɐnəbtrûsiv, bescheiden.

Unoccupied, ɐnokjupaid, onbezet, onbebouwd, niet bezig.

Unoffending, ɐnəfendiŋ, niet beleedigend, niet aanstootelijk; onschadelijk = Unoffensive, ɐnəfensiv.

Unofficial, ɐnəfiš’l, niet ambtelijk.

Unopened, ɐnoup’nd, ongeopend, dicht; Unopening = gesloten blijvend.

Unopposed, ɐnəpouzd, niet betwist.

Unorganized, ɐnögənaizd, onbewerktuigd, niet georganiseerd.

Unoriginal, ɐnəridžin’l, niet oorspronkelijk, afgeleid.

Unornamental, ɐnönəment’l, eenvoudig; Unornamented, ɐnönəmentid, onversierd.

Unorthodox, ɐnöthədoks, kettersch.

Unostentatious, ɐnost’nteišəs, zonder praal of vertoon, eenvoudig, bescheiden, niet schril of schel.

Unowed, ɐnoud, zonder eigenaar, niet schuldig; Unowned, ɐnound, zonder eigenaar; niet erkend.

Unpacified, ɐnpasifaid, onbevredigd.

Unpack, ɐnpak, ontlasten, uitpakken.

Unpaid, ɐnpeid, onbetaald, ongefrankeerd, onvergolden, onvervuld: The great — = de niet bezoldigde magistraatspersonen, enz.

Unpaired, ɐnpêəd, ongepaard.

Unpalatable, ɐnpaləteb’l, onsmakelijk, onaangenaam: An — truth.

Unparalleled, ɐnparəleld, weergaloos.

Unpardonable, ɐnpâdənəb’l, onvergeeflijk.

Unparliamentary, ɐnpâlimentəri, niet parlementair.

Unpatented, ɐnpeit’ntid, ɐnpat’ntid, ongepatenteerd.

Unpatriotic, ɐnpeitriotik, ɐnpatriotik, niet vaderlandslievend.

Unpaved, ɐnpeivd, ongeplaveid.

Unpen, ɐnpen, (schapen) uit de pen, (water) uit een kanaal laten.

Unpenetrable, ɐnpenətrəb’l, ondoordringbaar.

Unpensioned, ɐnpenš’nd, zonder jaargeld.

Unpeopled, ɐnpîp’ld, onbevolkt, ontvolkt.

Unperceivable, ɐnpəsîvəb’l, onbemerkbaar; Unperceived = ongemerkt, onbemerkt.

Unperformed, ɐnpəfömd, niet gedaan, niet opgevoerd, onverricht.

Unpermitted, ɐnpəmitid, ongeoorloofd.

Unperused, ɐnpərûzd, niet doorgezien.

Unphilosophic(al), ɐnfiləsofik(’l), niet wijsgeerig.

Unpicked, ɐnpikt, niet geplukt, niet uitgelezen: — samples.

Unpin, ɐnpin, losspelden.

Unpitied, ɐnpitid, onbeweend, onbetreurd.

Unplaced, ɐnpleist, ongeplaatst, verward, dooreengegooid, niet onder de 3 eersten (wedren).

Unplanted, ɐnplântid, ongeplant, vanzelf groeiend, niet bebouwd of aangelegd.

Unpleasant, ɐnplez’nt, onaangenaam, onplezierig, misnoegd; subst. —ness.

Unploughed, ɐnplaud, ongeploegd.

Unpoetic(al), ɐnpouetik(’l), niet dichterlijk.

Unpolished, ɐnpolišt, ongepolijst, mat, onbeschaafd, lomp; Unpolite, ɐnpəlait, onbeleefd.

Unpolled, ɐnpould, niet bekapt, ongeschoren, niet als kiezer ingeschreven, nog niet gekozen hebbend.

Unpolluted, ɐnpəl(j)ûtid, onbevlekt.

Unpopular, ɐnpopjulə, niet bij het volk geliefd; subst. —ity, ɐnpopjulariti.

Unpractical, ɐnpraktik’l, onpraktisch; —ity, ɐnpraktikaliti, het onpraktisch zijn; Unpracticed, Unpractised, ɐnpraktist, onervaren.

Unprecedented, ɐnpresidentid, zonder voorbeeld.

Unprejudiced, ɐnpredžədist, onbevooroordeeld, onpartijdig, niet benadeeld.

Unpremeditated, ɐnprimediteitid, niet expresselijk, niet overdacht, onvoorbereid.

Unprepared, ɐnpripêəd, onvoorbereid; subst. —ness.

Unprepossessed, ɐnprîpəzest, onbevooroordeeld; Unprepossessing = niet innemend.

Unpresuming, ɐnprižûmiŋ, niet verwaand, bescheiden.

Unpretending, ɐnpritendiŋ, niet aanmatigend; subst. —ness; Unpretentious = onaanzienlijk.

Unprevailing, ɐnpriveiliŋ, krachteloos, onnut.

Unprincipled, ɐnprinsip’ld, beginselloos, onzedelijk.

Unprinted, ɐnprintid, niet be- of gedrukt, wit.

Unprivileged, ɐnprivilidžd, zonder voorrechten.

Unproductive, ɐnprədɐktiv, onvruchtbaar, geene winst afwerpend; subst. —ness = Unproductivity.

Unprofessional, ɐnprəfešən’l, niet tot een beroep behoorende, leeken..., niet overeenkomstig de eischen van een beroep.

Unprofitable, ɐnprofitəb’l, niet voordeelig, zonder vrucht; subst. —ness.

Unprogressive, ɐnprəgresiv, niet vooruitkomend.

Unprohibited, ɐnprəhibitid, niet verboden, wettig.

Unprolific, ɐnprəlifik, onvruchtbaar.

Unpromising, ɐnpromisiŋ, niet veel belovend, onvruchtbaar: That’s an — subject = ondankbaar; — of success = niet veel belovend.

Unpronounceable, ɐnprənaunsib’l, niet uit te spreken; Unpronounced = stom, onbeslist.

Unprophetic(al), ɐnprəfetik(’l), niet prophetisch: — of a thing = iets niet vermoedend.

Unpropitious, ɐnprəpišəs, ongunstig.

Unprotected, ɐnprətektid, onbeschermd.

Unproved, Unproven, ɐnprûvd, ɐnprûv’n, niet bewezen.

Unprovided, ɐnprəvaidid, niet verzorgd, onvoorzien.

Unprovoked, ɐnprəvoukt, niet geprikkeld (tot) of uitgelokt, zonder aanleiding.

Unpublished, ɐnpɐblišt, onuitgegeven.

Unpunctual, ɐnpɐŋktjuəl, onnauwkeurig, niet op tijd.

Unpunished, ɐnpɐništ, ongestraft.

Unpurged, ɐnpɐ̂džd, ongezuiverd, niet gelouterd = Unpurified, ɐnpjûrifaid.

Unpursued, ɐnpəsiûd, onvervolgd, niet voortgezet.

Unqualified, ɐnkwolifaid, ongeschikt, onbevoegd, onvermengd.

Unquenchable, ɐnkwenšəb’l, onbluschbaar, onverzadelijk; subst. —ness; Unquenched, ɐnkwenšt, ongebluscht.

Unquestionable, ɐnkwestjənəb’l, ontwijfelbaar; Unquestioned, ɐnkwestj’nd, ongetwijfeld: To go — = van zelf spreken.

Unquickened, ɐnkwik’nd, onbezield.

Unquiet, ɐnkwaiit, onrustig, rusteloos, onbevredigd; subst. —ness.

Unracked, ɐnrakt, ongeklaard.

Unraked, ɐnreikt, ongeharkt, niet opgerakeld.

Unravel, ɐnrav’l, ontwarren, ontwikkelen, afwikkelen; subst. —ment = ontknooping.

Unreached, ɐnrîtšt, onbereikt.

Unread, ɐnred, ongelezen, ongeletterd; Unreadable, ɐnrîdəb’l, onleesbaar.

Unreadiness, ɐnredinəs, subst. v. Unready, ɐnredi, niet gereed, niet bereid, ongeneigd.

Unreal, ɐnrîəl, onwerkelijk, denkbeeldig; —ity, ɐnrialiti, onwerkelijkheid.

Unreaped, ɐnrîpt, ongeoogst.

Unreason, ɐnrîz’n, onzinnigheid; Unreasonable, ɐnrîzənəb’l, onredelijk, dwaas, buitensporig; subst. —ness.

Unrebuked, ɐnribjûkt, onberispt.

Unrecanted, ɐnrikantid, niet herroepen.

Unreckoned, ɐnrek’nd, ongerekend, niet geteld.

Unreclaimed, ɐnrikleimd, niet opgeëischt, niet getemd, niet op den goeden weg teruggebracht, onontgonnen.

Unrecognized, ɐnrekəgnaizd, niet (h)erkend.

Unreconciled, ɐnrek’nsaild, onverzoend, onvereenigbaar, niet in overeenstemming (gebracht).

Unrecorded, ɐnriködid, onvermeld, vergeten.

Unrecovered, ɐnrikɐvəd, niet herkregen of hersteld.

Unrectified, ɐnrektifaid, niet verbeterd.

Unredeemable, ɐnridîməb’l, wat niet vrijgekocht of gelost kan worden; Unredeemed, ɐnridîmd, niet vrijgekocht, niet verlost, niet gedelgd, niet verzacht.

Unredressed, ɐnridrest, niet hersteld.

Unrefined, ɐnrifaind, onbeschaafd, ongezuiverd: — sugar.

Unreflecting, ɐnriflektiŋ, niet terugkaatsend; gedachteloos.

Unreformed, ɐnrifömd, onverbeterd.

Unrefreshed, ɐnrifrešt, onverkwikt; Unrefreshing = niet verkwikkend.

Unrefuted, ɐnrifjûtid, onweerlegd.

Unregarded, ɐnrigâdid, verwaarloosd, veronachtzaamd; Unregardful = achteloos.

Unregenerate(d), ɐnridženərit (—eitid), niet wedergeboren tot nieuw leven.

Unregistered, ɐnredžistəd, niet aangeteekend of ingeschreven.

Unregretted, ɐnrigretid, onbetreurd.

Unrehearsed, ɐnrihɐ̂st, onvoorbereid; zonder voorafgaande repetities.

Unrelaxing, ɐnrilaksiŋ, niet toegevend.

Unrelenting, ɐnrilentiŋ, streng, hardvochtig, onverbiddelijk, onophoudelijk.

Unreliable, ɐnrilaiəb’l, onbetrouwbaar.

Unrelieved, ɐnrilîvd, niet verlicht, ongesteund, ongeholpen, niet afgelost, niet ontzet: The monotony is — by brilliant touches = wordt niet afgewisseld door.

Unremedied, ɐnremədid, onverholpen.

Unremembered, ɐnrimembəd, vergeten.

Unremitted, ɐnrimitid, niet vergeven, onverzwakt, aanhoudend; Unremitting = niet vergevend, onophoudelijk.

Unremovable, ɐnrimûvəb’l, vast, onafzetbaar; Unremoved = niet weggenomen, vast, niet afgezet.

Unremunerative, ɐnrimjûnərətiv, niet voordeelig.

Unrenewed, ɐnrinjûd, niet ver- of hernieuwd, niet wedergeboren.

Unrepaid, ɐnripeid, niet vergoed.

Unrepaired, ɐnripêəd, onhersteld.

Unrepealed, ɐnripîld, onherroepen.

Unrepentant, ɐnripent’nt; Unrepented = onberouwd; Unrepenting, ɐnripentiŋ, verstokt.

Unrepining, ɐnripainiŋ, niet klagend, geduldig, gelaten.

Unreplenished, ɐnripleništ, onaangevuld.

Unrepresented, ɐnreprizentid, niet vertegenwoordigd, onopgevoerd.

Unreprovable, ɐnriprûvəb’l, onberispelijk: Unreproved = onberispt.

Unrequested, ɐnrikwestid, ongevraagd.

Unrequitable, ɐnrikwaitəb’l, niet te vergelden; Unrequited = onvergolden, onbeantwoord.

Unresented, ɐnrizentid, niet kwalijk genomen, ongewroken.

Unreserve, ɐnrizɐ̂v, vrijmoedigheid, ongedwongenheid: —d = openhartig, vrijmoedig, onbeperkt, volledig; subst. —dness.

Unresigned, ɐnrizaind, niet gelaten.

Unresisted, ɐnrizistid, niet weerstaan; Unresisting = zonder weerstand te bieden.

Unresolved, ɐnrizolvd, onopgelost; Unresolving, besluiteloos.

Unresponsive, ɐnrisponsiv, onhartelijk.

Unrest, ɐnrest, onrust, ongerustheid; —ing = rusteloos, onophoudelijk.

Unrestored, ɐnristöd, niet hersteld.

Unrestrained, ɐnristreind, onbeteugeld, bandeloos; Unrestricted = onbeperkt.

Unretracted, ɐnritraktid, onherroepen.

Unrevealed, ɐnrivîld, ongeopenbaard.

Unreversed, ɐnrivɐ̂st, onherroepen = Unrevoked, ɐnrivoukt.

Unriddle, ɐnrid’l, oplossen, verklaren.

Unrideable, ɐnraidəb’l, onberijdbaar.

Unrig, ɐnrig, aftakelen, uitkleeden.

Unrighteous, ɐnraitjəs, onrechtvaardig, zondig; subst. —ness.

Unrip, ɐnrip, opensnijden.

Unripe, ɐnraip, onrijp; —ned = niet gerijpt; subst. —ness.

Unrival(l)ed, ɐnraiv’ld, ongeëvenaard.

Unrobe, ɐnroub, (zich) uitkleeden.

Unroll, ɐnroul, afrollen, ontplooien, loskronkelen.

Unromantic, ɐnrəmantik, niet romantisch.

Unroof, ɐnrûf, het dak wegnemen.

Unroot, ɐnrût, ontwortelen.

Unround, ɐnraund, verb. ontronden (van vokalen): —ed = niet gerond.

Unruffled, ɐnrɐf’ld, kalm, bedaard.

Unruliness, ɐnrûlinəs, subst. v. Unruly, ɐnrûli, toomeloos, bandeloos, uitgelaten, lastig.

Unsaddle, ɐnsad’l, ontzadelen.

Unsafe, ɐnseif, onveilig, gewaagd; subst. —ness.

Unsaid, ɐnsed, ongesproken, niet gezegd.

Unsal(e)able, ɐnseiləb’l, onverkoopbaar.

Unsalted, ɐnsôltid, ongezouten, versch.

Unsanctified, ɐnsaŋktifaid, onheilig, ongewijd.

Unsanctioned, ɐnsaŋkš’nd, niet bekrachtigd.

Unsatiable, ɐnseišəb’l, onverzadelijk; Unsatiating, ɐnseišeitiŋ, niet te verzadigen.

Unsatisfactoriness, ɐnsatisfaktərinəs, subst. v. Unsatisfactory, ɐnsatisfaktəri, onvoldoende, onbevredigend; Unsatisfied = onvoldaan, ontevreden, niet overtuigd, onbevredigd; Unsatisfying = onvoldoende.

Unsaturated, ɐnsatjureitid, niet verzadigd.

Unsavouriness, ɐnseivərinəs, subst. v. Unsavoury, ɐnseivəri, onsmakelijk, walgelijk, smakeloos.

Unsay, ɐnsei, herroepen, intrekken: To say and — = nu eens ja, dan weer neen zeggen.

Unscalable, ɐnskeiləb’l, onbeklimbaar.

Unscared, ɐnskêəd, niet verschrikt.

Unscarred, ɐnskâd, zonder litteeken(s).

Unscathed, ɐnskeidhd, ɐnskeitht, ongedeerd.

Unschooled, ɐnskûld, ongeletterd, ongeoefend.

Unscientific, ɐnsaiəntifik, onwetenschappelijk.

Unscorched, ɐnskötšt, niet geschroeid.

Unscreened, ɐnskrînd, onbeschut, niet gezeefd.

Unscrew, ɐnskrû, losschroeven.

Unscriptural, ɐnskriptjur’l, niet naar de Schrift.

Unscrupulous, ɐnskrûpjulɐs, gewetenloos; subst. —ness.

Unseal, ɐnsîl, ontzegelen, openen: —ed = ongezegeld, ontzegeld.

Unsearchable, ɐnsɐ̂tšəb’l, onnaspeurlijk; subst. —ness; Unsearched = niet onderzocht.

Unseasonable, ɐnsîzənəb’l, ontijdig, niet van pas, ongelegen, ongeschikt: At an — time of night = laat in den nacht; subst. —ness; Unseasoned = niet toebereid, niet gekruid, niet geacclimatiseerd, onervaren, ongewend: — deal = niet uitgedroogd vuren(grenen)hout.

Unseat, ɐnsît, van het paard werpen, van eene plaats (in het Lagerhuis) berooven.

Unseaworthiness, ɐnsîwɐ̂dhinəs, subst. v. Unseaworthy, ɐnsîwɐ̂dhi, niet zeewaardig.

Unseconded, ɐnsek’ndid, niet ondersteund.

Unsectarian, ɐnsektêriən, neutraal.

Unseemliness, ɐnsîmlinəs, subst. v. Unseemly, ɐnsîmli, onbetamelijk, ongepast.

Unseen, ɐnsîn, ongezien, onzichtbaar: The — = geestenwereld, hiernamaals; Latin —s = à vue vertalingen.

Unselfish, ɐnselfiš, onbaatzuchtig; subst. —ness.

Unsent, ɐnsent, ongezonden: — for = ongenood, ongevraagd.

Unsepulch(e)red, ɐnsep’lkəd, onbegraven.

Unserved, ɐnsɐ̂vd, niet (op)gediend; Unserviceable, ɐnsɐ̂visəb’l, ondienstig, onbruikbaar.

Unset, ɐnset, niet geplaatst (gezet, geplant, ondergegaan).

Unsettle, ɐnset’l, doen weifelen, uit de voegen of uit het verband rukken, schokken: Your tidings have —d me = mij van streek gebracht; —d = niet geregeld, onzeker, troebel, veranderlijk, weifelend, onbetaald.

Unsex, ɐnseks: Ambition has —d her = haar het (zacht-)vrouwelijke ontnomen; To — oneself = zich emancipeeren.

Unshackle, ɐnšak’l, ontkluisteren.

Unshaded, ɐnšeidid, onbeschaduwd, zonder schaduw = Unshadowed, ɐnšadoud.

Unshak(e)able, ɐnšeikəb’l, onwrikbaar; Unshaken, ɐnšeik’n, onverwrikt.

Unshapely, ɐnšeipli, wanstaltig.

Unsheath(e), ɐnšîdh, uit de scheede halen: To — the sword = het zwaard trekken.

Unsheltered, ɐnšeltəd, onbeschut.

Unshielded, ɐnšîldid, niet verdedigd.

Unship, ɐnšip, ontschepen, lossen, over boord werpen, losmaken: We —ped the oars = wij namen de riemen uit de dollen.

Unshocked, ɐnšokt, ongeschokt.

Unshot, ɐnšot, adj. niet afgeschoten, niet getroffen; — verb. een kanon of geweer ontladen.

Unshrinkable, ɐnšrinkəb’l, krimpvrij.

Unshrinking, ɐnšriŋkiŋ, onvervaard.

Unsifted, ɐnsiftid, ongezift, onervaren.

Unsight, ɐnsait, ongezien: To buy a thing —.

Unsightliness, ɐnsaitlinəs, subst. v. Unsightly, ɐnsaitli, afzichtelijk, leelijk, wanstaltig.

Unsilvered, ɐnsilvəd, niet met (kwik)zilver bedekt.

Unsisterly, ɐnsistəli, niet zusterlijk.

Unsized, ɐnsaizd, ongesteven, niet geplaneerd of gegrondeerd.

Unskilful, ɐnskilful, onbekwaam, onbedreven; subst. —ness; Unskilled, ɐnskild, onbedreven: — labour = eenvoudige handenarbeid; — labourers = werklui die geen vak verstaan.

Unslacked, ɐnslakt, Unslackened, ɐnslak’nd, onverminderd.

Unslaked, ɐnsleikt, niet gelescht of gebluscht.

Unsmoked, ɐnsmoukt, niet (uit)gerookt.

Unsoaped, ɐnsoupt, niet gezeept, ongewasschen: The — = het janhagel.

Unsociability, ɐnsoušəbiliti, subst. v. Unsociable, ɐnsoušəb’l, ongezellig; subst. —ness; Unsocial, ɐnsouš’l, eenzelvig.

Unsocket, ɐnsokət, uit eene holte of kas nemen: The storm has —ed the oak = den eik ontworteld.

Unsoiled, ɐnsôild, onbezoedeld.

Unsold, ɐnsould, niet verkocht.

Unsolder, ɐnso(l)də, lossoldeeren, scheiden.

Unsoldierlike, ɐnsouldžəlaik, een soldaat onwaardig = Unsoldierly.

Unsolicited, ɐnsəlisitid, ongevraagd.

Unsolicitous, ɐnsəlisitɐs, onbezorgd.

Unsolved, ɐnsolvd, niet opgelost.

Unsophisticated, ɐnsəfistikeitid, onbedorven, echt, kunsteloos.

Unsought, ɐnsôt, ongezocht: To come — = onverwacht.

Unsound, ɐnsaund, ongezond, zwak, ziekelijk, niet gaaf, wormstekig, wrak, onwaar, ijdel, valsch, onbetrouwbaar, onrustig: — doctrine, ice; A man of — mind = met gekrenkte geestvermogens; — pleasures, sleep; subst. —ness.

Unsoured, ɐnsauəd, ongezuurd, niet verbitterd.

Unsown, ɐnsoun, ongezaaid: — flowers = wilde.

Unsparing, ɐnspêriŋ, ongenadig; mild, royaal; subst. —ness.

Unspeakable, ɐnspîkəb’l, onuitsprekelijk, jammerlijk, afschuwelijk: An — kind of person = onmogelijke vent.

Unspecified, ɐnspesifaid, niet afzonderlijk vermeld.

Unspent, ɐnspent, onverbruikt, nog niet uitgeput: — ball = nog niet matte.

Unspilt, ɐnspilt, ongestort.

Unsplit, ɐnsplit, ongespleten.

Unspoiled, ɐnspôild, onbedolven.

Unspoken, ɐnspouk’n, niet geuit: — of = onvermeld.

Unspotted, ɐnspotid, ongevlekt, zonder blaam, volmaakt, zonder gebreken; subst. —ness.

Unsquared, ɐnskwêəd, niet vierkant bekapt, onregelmatig, ongeschikt.

Unstable, ɐnsteib’l, onvast, wankelend, labiel.

Unstaid, ɐnsteid, onstandvastig, vluchtig.

Unstained, ɐnsteind, onbesmet, onbezoedeld, ongeverfd.

Unstamped, ɐnstampt, ongestempeld, zonder zegel.

Unstanched, ɐnstânšt, ongestelpt, niet dicht.

Unstatesmanlike, ɐnsteitsm’nlaik, een staatsman niet passend of waardig.

Unsteadiness, ɐnstedinəs, subst. v. Unsteady, ɐnstedi, ongestadig, flikkerend, onvast, wispelturig, lichtzinnig.

Unstep, ɐnstep, (een mast) uitnemen.

Unstilled, ɐnstild, ongestild.

Unstinted, ɐnstintid, onbegrensd, onbekrompen.

Unstirred, ɐnstɐ̂d, niet be- of geroerd.

Unstitch, ɐnstitš, lostornen.

Unstop, ɐnstop, openen, de belemmering wegnemen, ontkurken.

Unstrained, ɐnstreind, ongefiltreerd, niet gespannen, ongedwongen, natuurlijk.

Unstraitened, ɐnstreit’nd, onbekrompen.

Unstrengthened, ɐnstreŋth’nd, niet versterkt of gesteund.

Unstring, ɐnstriŋ, losmaken, ontspannen, de snaar of snaren afnemen: She was quite unstrung = van streek.

Unstudied, ɐnstɐdid, onbestudeerd, natuurlijk, onkundig, onervaren.

Unstuffed, ɐnstɐft, niet volgestopt, niet gefarceerd.

Unsubdued, ɐnsəbdjûd, onverwonnen.

Unsubstantial, ɐnsəbstanš’l, onwerkelijk, ingebeeld, slap, niet voedzaam of degelijk.

Unsuccessful, ɐnsəksesful, niet gelukkig, zonder resultaat: He has been — = hij is niet geslaagd; subst. —ness.

Unsufferable, ɐnsɐfərəb’l, on(ver)dragelijk.

Unsuitable, ɐnsiûtəb’l, ongepast, ongeschikt, onvoegzaam, onbekwaam; subst. —ness; Unsuited = ongeschikt, etc.; —ness.

Unsullied, ɐnsɐlid, onbevlekt.

Unsupported, ɐnsəpötid, niet gesteund.

Unsurmountable, ɐnsɐ̂mauntəb’l, onoverkomelijk.

Unsurpassable, ɐnsɐpâsəb’l, onovertreffelijk; Unsurpassed = onovertroffen.

Unsusceptible, ɐnsəseptib’l, niet vatbaar (voor = of).

Unsuspected, ɐnsəspektid, onverdacht; Unsuspecting = niet achterdochtig; Unsuspicious, ɐnsəspišəs, niet wantrouwend, argeloos; subst. —ness.

Unsustainable, ɐnsəsteinəb’l, onhoudbaar; Unsustained = niet gesteund.

Unswayable, ɐnsweiəb’l, niet te beheerschen; Unswayed, ɐnsweid, niet bewerkt of door invloeden beheerscht.

Unswept, ɐnswept, ongeveegd.

Unswerving, ɐnswɐ̂viŋ, niet afwijkend.

Unsworn, ɐnswön, niet beëedigd.

Unsymmetric(al), ɐnsimetrik(’l), niet met goede verhoudingen.

Unsystematic(al), ɐnsistəmatik(’l), stelselloos.

Untack, ɐntak, losmaken.

Untainted, ɐnteintid, onbesmet, niet bedorven.

Untalked, ɐntôkt, onvermeld, niet besproken (met of).

Untam(e)able, ɐnteiməb’l, ontembaar; Untamed, ɐnteimd, ongetemd, woest, wild: — beauty = woeste schoonheid.

Untarnished, ɐntâništ, zonder smet of blaam.

Untasked, ɐntâskt, zonder taak.

Untasted, ɐnteistid, onaangeroerd.

Untaught, ɐntôt, onwetend, onervaren, ongeletterd.

Untaxed, ɐntakst, onbelast, niet beschuldigd.

Unteachable, ɐntîtšəb’l, onleerzaam; niet te leeren.

Untempered, ɐntempəd, niet toebereid, niet gehard, niet gematigd.

Untempted, ɐntem(p)tid, niet verleid of verlokt.

Untenable, ɐntenəb’l, onhoudbaar.

Untenantable, ɐnten’ntəb’l, niet (ver)huurbaar, onbewoonbaar; Untenanted = onverhuurd, onbewoond.

Untended, ɐntendid, onverzorgd.

Unterrified, ɐnterifaid, onverschrokken.

Untested, ɐntestid, onbeproefd.

Unthanked, ɐnthaŋkt, zonder dank; Unthankful = ondankbaar; subst. —ness.

Unthinkable, ɐnthiŋkəb’l, ondenkbaar; Unthinking = onnadenkend, onbezonnen; Unthought, ɐnthôt, niet gedacht, onverwacht (met of).

Untidiness, ɐntaidinəs, subst. v. Untidy, ɐntaidi, slordig, onordelijk.

Untie, ɐntai, losbinden, losknoopen, losmaken.

Until, ɐntil, tot: He did not write — yesterday = gister pas.

Untilled, ɐntild, onbebouwd.

Untimbered, ɐntimbəd, zonder boomen of timmerhout.

Untimely, ɐntaimli, ontijdig, ongelegen: — merriment = ongepaste vroolijkheid; He died — = vroeg, jong; Untim(e)ous, ɐntaiməs, al te vroeg: It reached an — end = het kwam vóór zijn tijd aan een eind.

Untinged, ɐntinžd, ongeverfd, ongetint, rein.

Untirable, ɐntairəb’l, onvermoeibaar, onvermoeid = Untired, Untiring.

Unto, ɐntû, tot (aan).

Untold, ɐntould, ongeteld, niet verhaald, onbeschrijfelijk.

Untouched, ɐntɐtšt, on(aan)geroerd, niet geretoucheerd.

Untoward, ɐntouəd, stijfhoofdig, weerbarstig, eigenzinnig, onaangenaam, ongunstig; —(li)ness.

Untraced, ɐntreist, ongebaand, ook = Untracked, ɐntrakt, niet opgespoord.

Untractable, ɐntraktəb’l, onhandelbaar.

Untrained, ɐntreind, niet geoefend of gedrild.

Untrammelled, ɐntram’ld, onbelemmerd.

Untransferable, ɐntransfərəb’l, niet over te dragen.

Untranslatable, ɐntr’nsleitəb’l, onvertaalbaar.

Untravelled, ɐntrav’ld, onbereisd.

Untraversed, ɐntravəst, niet doorsneden of betreden, niet doorreisd.

Untried, ɐntraid, onbeproefd, onervaren.

Untrimmed, ɐntrimd, niet gesnoeid, niet in orde gebracht of opgemaakt.

Untrod(den), ɐntrod(’n), onbetreden.

Untroubled, ɐntrɐb’ld, ongestoord, onbewogen (van de zee).

Untrue, ɐntrû, onwaar, trouweloos, wispelturig; adv. Untruly; Untruth, ɐntrûth, ɐntrûth, onwaarheid, trouweloosheid, leugen: To tell an —; —ful = onoprecht.

Untuck, ɐntɐk, losvouwen, een vouw nemen uit.

Unturned, ɐntɐ̂nd, ongekeerd: He left no stone — to get it = heeft hemel en aarde bewogen.

Untutored, ɐntjûtəd, niet onderwezen, onbeschaafd, ruw.

Untwine, ɐntwain, losdraaien, losgaan, uit de war maken, uitrafelen = Untwist.

Unused, ɐnjûzd, (ɐnjûst), ongebruikt, ongewoon (to); Unusual, ɐnjûžuəl, ongewoon, niet veelvuldig.

Unutterable, ɐnɐtərəb’l, onuitsprekelijk: —s = broek; Unuttered = niet geuit.

Unvaccinated, ɐnvaksineitid, oningeënt.

Unvanquished, ɐnvaŋkwišt, onoverwonnen.

Unvaried, ɐnvêrid, onveranderd, zonder afwisseling; Unvarying = onveranderlijk.

Unvarnished, ɐnvâništ, ongevernist, onverbloemd, onopgesmukt, eenvoudig.

Unveil, ɐnveil, ontsluieren, onthullen.

Unvendible, ɐnvendib’l, onverkoopbaar.

Unventilated, ɐnventileitid, niet van frissche lucht voorzien.

Unversed, ɐnvɐ̂st, onbedreven (in).

Unvindicated, ɐnvindikeitid, niet verdedigd.

Unviolated, ɐnvaiəleitid, ongeschonden.

Unvisited, ɐnvizitid, onbezocht.

Unvoiced, ɐnvôist, zonder stemtoon.

Unvowelled, ɐnvauəld, zonder klinkers.

Unwalled, ɐnwöld, zonder muren.

Unwarlike, ɐnwölaik, onkrijgshaftig.

Unwarned, ɐnwönd, ongewaarschuwd.

Unwarped, ɐnwöpt, niet getrokken; onbevooroordeeld; Unwarping = onbuigzaam.

Unwarrantable, ɐnwor’ntəb’l, onwettig, onverantwoordelijk, onverdedigbaar; subst. —ness; Unwarranted, ɐnwor’ntid, ongewettigd, onverantwoordelijk, ongewaarborgd.

Unwariness, ɐnwêrinəs, subst. v. Unwary, ɐnwêri, onbezonnen, overijld.

Unwashed, ɐnwošt, ongewasschen, vuil: The (great) — = het janhagel.

Unwatched, ɐnwotšt, niet bewaakt.

Unwatered, ɐnwötəd, onbesproeid, droog.

Unwavering, ɐnweiv’riŋ, standvastig.

Unweaned, ɐnwînd, niet gespeend, niet ontwend.

Unwearied, ɐnwîrid, onvermoeid.

Unwebbed, ɐnwebd, zonder zwemvlies.

Unwed(ded), ɐnwed(id), ongetrouwd.

Unweeded, ɐnwîdid, ongewied.

Unwelcome, ɐnwelk’m, niet welkom, onaangenaam: He has made me — = heeft mij onhartelijk ontvangen.

Unwell, ɐnwel, niet wel, ongesteld.

Unwept, ɐnwept, onbeweend.

Unwhipped, ɐnwipt, ongestraft.

Unwholesome, ɐnhouls’m, ongezond, verderfelijk; subst. —ness.

Unwieldiness, ɐnwîldinəs, subst. v. Unwieldy, ɐnwîldi, onhandelbaar, niet te hanteeren, zwaar, lomp.

Unwilling, ɐnwiliŋ, onwillig, ongenegen: I am (feel) — to go there = heb geen zin; Willing or — = willens of onwillens; —ness = ongeneigdheid.

Unwind, ɐnwaind, loswinden.

Unwise, ɐnwaiz, onwijs, dwaas.

Unwished, ɐnwišt, niet gewenscht: — for circumstances = ongewenschte.

Unwithered, ɐnwidhəd, onverwelkt; Unwithering = onverwelkbaar.

Unwitnessed, ɐnwitnəst, ongezien, niet door getuigen gestaafd, nooit beleefd.

Unwitting(ly), ɐnwitiŋ(li), zonder te weten: With unwitting irony = onbewuste.

Unwomanly, ɐnwum’nli, onvrouwelijk.

Unwonted, ɐnwɐntid, ɐnwountid, ongewoon, ongewend; subst. —ness.

Unworkable, ɐnwɐ̂kəb’l, onpraktisch, onuitvoerbaar.

Unworkmanlike, ɐnwɐ̂km’nlaik, niet goed afgewerkt, prullerig.

Unworldliness, ɐnwɐ̂ldlinəs, subst. v. Unworldly, ɐnwɐ̂ldli, niet wereldsch, onbaatzuchtig.

Unworn, ɐnwön, niet gedragen: — out = niet versleten.

Unworried, ɐnwɐrid, niet gekweld.

Unworthiness, ɐnwɐ̂dhinəs, subst. v. Unworthy, ɐnwɐ̂dhi, onwaardig, ongepast, verachtelijk.

Unwound, ɐnwaund, imp. en p.p. van to unwind.

Unwounded, ɐnwûndid, ongewond.

Unwrap, ɐnrap, loswikkelen, openmaken.

Unwritten, ɐnrit’n, ongeschreven: — law = gewoonterecht, ongeschreven wet.

Unwrought, ɐnrôt, onbewerkt, ruw: — goods, iron.

Unyielded, ɐnjîldid, onovergegeven; Unyielding = niet toegevend, halsstarrig.

Unyoke, ɐnjouk, uitspannen, het juk afnemen.

Up, ɐp, verb. opspringen, aanleggen; adv. op, omhoog, op de been, in het zadel, etc.: He —ped gun, and let drive at a young hare = legde aan en schoot op; His blood is — = hij kookt van woede; Shall we play fifty —? = vijftig uit (bilj.); The game is — = het spel is uit, verloren; The House is — = het Parlement is gesloten; The quarter is — = het kwartaal is verschenen; The street is — = is opgebroken; The sun is — = is op; Time is — = de tijd is om; All the town is — = in rep en roer, opstand; To be — at seven = op(gestaan); It is all — with him = hij is totaal geruïneerd; We shall be — with another covey in five minutes = binnen 5 minuten treffen we weer aan; What’s —? = wat is er aan de hand; He came — to me = kwam naar mij toe; He came — with me = hij haalde mij in; The river is frozen — = dichtgevroren; The emigrants went — (the) country = trokken verder het land in (Amer.); We went — to the hub = tot het uiterste punt; He will not go — for his examination = zal zich niet onderwerpen; The students go — to-morrow = keeren naar de academie terug; To sail — a river, stream = de rivier op, tegen den stroom op; — and down = op en neer; The —s and downs of life = de wisselvalligheden des levens; I have been attached to him from my youth — = van mijne jeugd af; He is well — in English = kent goed Engelsch; Hold your tongue — there = daar ginder, daar boven; To go — to town = naar stad; He agreed with me — to a certain point = tot op zekere hoogte; That fellow is — to snuff (to a thing or two, a trick or two) = dat is een gladde kerel, slimme kwant; — to this time = tot dezen tijd toe; We waded — to our knees through the snow = tot aan de knieën; What are you — to? = wat voert gij uit (in ’t schild); He is — to mischief = voert kattekwaad uit; I am — to what you mean = begrijp; Do you think he is — to the task? = berekend voor die taak; The candidate is not — to the mark = is onvoldoende.

Upas(-tree), jûpəs(trî), upas(boom).

Upbear, ɐpbêə, ondersteunen, schragen, opheffen: His firm faith upbore him = zijn onwankelbaar geloof schraagde hem.

Upbraid, ɐpbreid, verwijten, berispen: He —ed me for having been there = nam mij onder handen; —ing; —er.

Upbringing, ɐpbriŋiŋ, grootbrengen, opvoeding.

Upham, ɐpəm.

Upheaval, əphîv’l, verheffing, opheffing, omwenteling; Upheave, əphîv, opheffen, zich verheffen.

Upheld, ɐpheld, imp. en p.p. van to uphold.

Uphill, ɐphil, bergopwaarts(ch), moeilijk: That’s — work = dat werk valt niet mee.

Uphold, ɐphould, omhoog houden, steunen, schragen, handhaven, verdedigen: Their Lordships upheld the judge’s finding = bevestigden de uitspraak; —er = verdediger, steuner.

Upholster, əphoulstə, bekleeden, stoffeeren; —er = stoffeerder; —y, bedden, gordijnen, karpetten, kleeden, kussens, enz. enz. om de huizen te meubileeren; stoffeerderij: Mere — = louter schijn.

Upkeep, ɐpkîp, onderhoud.

Upland, ɐpl’nd, subst. hoogland, binnenland; adj. hooglandsch, binnenlandsch.

Uplift, ɐplift, subst. verheffing; adj. opgeheven; — verb. opheffen, optillen: Her victory had —ed her = vroolijk (trotsch) gestemd.

Up-line, ɐplain, lijn naar het hoofdstation.

Upmost, ɐpmoust, bovenste.

Upon, əpon, op, bovenop, omtrent, bij, etc.: — his arm = aan zijn arm; — my arrival (arriving) = bij mijne aankomst; — bread and water; You do it — your own danger = op eigen risico; — duty = in dienst, op post; I learned this — inquiry = bij onderzoek; It was just — midnight = tegen; — the whole = over het geheel; I call — this assembly to do away with such an abuse = doe een beroep op deze vergadering; I called — (on) him = ik ben bij hem aangeloopen; I do not want to be imposed — = bedrogen te worden; This town lies — a river = ligt aan; He lives — his mother = op kosten van; To live — vegetables = van groenten; Look — me = zie mij aan; To make war — a people = den oorlog aandoen; I don’t wish to be played — = voor den gek te worden gehouden; Don’t rely — such people = vertrouw niet op; To stand — ceremonies = staan op complimenten; To stand — one’s dignity = op zijn waardigheid gesteld zijn; I will think — it = zal me er eens op bedenken; He took — himself to arrange the matter = nam op zich.

Upper, ɐpə, adj. hooger, bovenste, boven; subst.: —s = bovenleer: To be on one’s —s = in armzalige toestand zijn; — crust = de hoogere kringen, aristocratie = The — ten (thousand); — deck; — guard = hoofdconducteur; — hand = overhand, bovenhand; — House = het Huis der Lords, Senaat, Eerste Kamer; — leather = bovenleer; — lip = bovenlip; — Rhine; — story = bovenverdieping: He is not right in his — story = het scheelt hem in zijn bovenste verdieping; — teeth = boventanden; — works = het gedeelte van het schip, dat boven water is; bol (kop); — world = bovenwereld; Uppermost = bovenste, hoogste, heerschend, beste: That fellow says whatever comes — = zegt maar wat hem voor den mond komt; To float belly — (van visch).

Uppish, ɐpiš, trotsch, aanmatigend; subst. —ness.

Upraise, ɐpreiz, opheffen.

Uprear, ɐprîə, oprichten.

Upright, ɐprait, subst. opstand van een gebouw, gevel, paal, pilaar; adj. rechtop, oprecht: His hair stands — = zijne haren rijzen te berge; subst. —ness (ɐpraitnəs), opgerichte stand, rechtschapenheid, oprechtheid.

Uprising, ɐpraiziŋ, verheffing, opgang, glooiing, opstand.

Uproar, ɐprö, oproer, verwarring, drukte, lawaai: To make an — = herrie maken; To set in(to) — = in opstand brengen; Unproarious, əprôriəs, oproerig, lawaaierig; subst. —ness.

Uproot, ɐprût, ontwortelen, verdelgen.

Uprouse, ɐprauz, opwekken.

Upsaddle, ɐpsad’l, opzadelen.

Upsala, ɐpsâlə.

Upset, ɐpsət, ɐpset, subst. het omvallen of omgevallen zijn, het mislukken, schrik, ontroering; adj. vast: —-price = inzet (van goederen op verkoopingen).

Upset, ɐpset, omverwerpen, onderstboven gooien, van zijn stuk brengen, overstuur maken, teleurstellen, omvallen, omslaan: To be — = omslaan; kapot zijn (fig.).

Upshot, ɐpšot, resultaat, uitkomst, einde: That’s the — of the rumour = daar komt het gerucht op neer; When it comes to the — = van naderbij beschouwd.

Upside, ɐpsaid, bovenzijde; —-down = onderstboven, in volkomen verwarring.

Upstairs, ɐpstêəz, ɐpstêəz, boven: He was kicked — = hij werd vooruitgeschopt, voortgeholpen.

Upstart, ɐpstât, opspringen, opschieten.

Upstart, ɐpstât, subst. parvenu; adj. plotseling tot groote macht gebracht; parvenuachtig: — pride.

Up-stroke, ɐpstrouk, ophaal, opwaartsche beweging.

Uptake, ɐpteik, opneming, begrip, begrijpen.

Uptear, ɐptêə, opscheuren.

Up-to-date, ɐptudeit, volgens de nieuwste mode, (hyper)modern.

Up-town, ɐptaun, in de bovenstad (het beste gedeelte) gelegen (Amer.).

Up-train, ɐptrein, opkomende trein.

Upturn, ɐptɐ̂n, omwerpen, omslaan, opslaan.

Upward, ɐpwəd, adj. bovenwaartsch, stijgend, naar boven; —s = naar boven, opwaarts: —s of = meer dan; It costs —s of a hundred guilders = over de honderd gulden; Ten guilders and —s = meer dan; From five guilders —s = van af vijf gulden en hooger.

Upwhirl, ɐpwɐ̂l, opwarrelen.

Upwind, ɐpwaind, oprollen.

Ural, (j)ûr’l, Ural(isch), adj. Uralian, Uralic.

Urania, jureinjə, Urania; Uranography, jûrənogrəfi, uranographie; Uranology, jûrənolədži, uranologie; Uranus, jûrənɐs, Uranus.

Urban, ɐ̂b’n, subst. Urbanus.

Urban, ɐ̂b’n, stedelijk, stads - -; Urbane, ɐ̂bein, hoffelijk, beschaafd, wellevend.

Urbanist, ɐ̂bənist, soort Franciscaner non.

Urbaniste, ɐ̂bənist, soort peer.

Urbanity, ɐ̂baniti, hoffelijkheid, wellevendheid.

Urchin, ɐ̂tšin, schalk, rakkertje, deugniet.

Urdu, ûədû, taal van Hindostan.

Ureter, jurîtə, jûritə, urineleider.

Urge, ɐ̂dž, voortdrijven, aandringen, ernstig verzoeken, aansporen, nadruk leggen op, bewijzen bijbrengen: Allow me to — the necessity of the inquiry = op de noodzakelijkheid v. het onderzoek aan te dringen; He —d it on me = drukte het mij op het hart; He was —d into doing it = aangezet om het te doen; He —d me to this act = spoorde me aan; Urgency, ɐ̂dž’nsi, drang, aandrang, ernstig verzoek, noodzakelijkheid: — was declared = de urgentverklaring werd aangenomen; Urgent = dringend noodzakelijk: To be in — need of = dringend behoefte hebben aan; To be — for a thing = sterk aandringen op.

Uriah, juraiə, Uria; Uriel, jûriəl.

Urim, jûrim: — and Thummim, thɐmim, zie Exodus 28, 30.

Urinal, jûrin’l, waterplaats, urinaal; Urinary, jûrinəri, subst. ierbak; adj. urine - -: — bladder; Urinate, jûrineit, urineeren; subst. Urination; Urine, jûrin, subst. urine.

Urn, ɐ̂n, subst. urn, theeketel.

Uroscopy, jûrəskoupi, juroskəpi, onderzoek van urine.

Urquhart, ɐ̂kət.

Ursa, ɐ̂sə, de Beer: — Major = Groote Beer; — Minor = Kleine Beer; Ursiform, ɐ̂siföm, beerachtig, als een beer; Ursine, ɐ̂s(a)in, beer - -; Urson, ɐ̂s’n, Canad. stekelvarken.

Ursula, ɐ̂siulə, Ursala; Ursuline, ɐ̂siul(a)in, ursuline.

Urubu, ûrûbû, zwarte gier (Midden-Amer.).

Uruguay, ûrugwai, (j)ûrugwei.

Us, ɐs, ons: All of — = wij allen; Both of — = wij beiden.

Usage, jûzidž, gebruik, gewoonte, behandeling, spraakgebruik.

Usance, jûz’ns, gebruik, uso, usance: According to — = volgens usance.

Use, jûz, gebruiken, behandelen, uitputten, gewennen, gewoon zijn: To — force = geweld gebruiken; To — one’s endeavour = moeite doen; — legs, and have legs = willen is kunnen; To — a person ill = slecht behandelen; I —d (jûst) to go there = placht daarheen te gaan; They are —d (jûst) to hardships = aan ontberingen gewoon; To get —d (jûst) to = gewoon raken aan; I am —d (jûzd) up = op, uitgeput; —r = gebruiker, etc.

Use, jûs, gebruik, toepassing, nut, gewoonte, behoefte, vruchtgebruik: —s of great men = gewoonten, eigenschappen; It is much in — = het wordt veel gebruikt of toegepast; — and wont = — and custom = gewone en veelvuldige praktijk; I have no — for it = ik kan het niet gebruiken, weet niet wat ik er mede zal doen; It is of great — = van veel nut; It is of no — = het is van geen nut; It is no —, little — = het helpt niets, haalt niets uit; Of what — is it? = waartoe zou het dienen; What is the — of going there? = waarom zou ik er heen gaan; There is no — in doing it = het geeft niets of; That is out of — now = het is thans in onbruik: To get out of — = in onbruik raken; I’ll make a good — of it = ik zal er een goed gebruik van maken = Put it to good —; — makes perfect = oefening baart kunst; Useful = nuttig, dienstig; subst. —ness; Useless = nutteloos, doelloos; subst. —ness.

Usher, ɐšə, subst. portier, ceremoniemeester, deurwaarder, ondermeester; — verb. inleiden, aanmelden, aankondigen: He —ed me into the room = liet of bracht mij in de kamer; We were —ed into the rudiments of Latin by you = gij hebt ons geleerd; —ism = schoolvosserij; —ship.

Usquebaugh, ɐskwəbô, (Iersche) wiskey.

Usual, jûžuəl, gewoonlijk, veelvuldig: Just as — = net als gewoonlijk; —ly; subst. —ness.

Usucaption, jûz(j)ukapš’n, rechtverkrijging op eigendom door lang gebruik.

Usufruct, jûz(j)ufrɐkt, vruchtgebruik; —uary, jûz(j)ufrɐktjuəri, subst. vruchtgebruiker; adj. in of als vruchtgebruik.

Usurer, jûžurə, woekeraar; Usurious, južûriəs, woekerend, woeker ...; subst. —ness.

Usurp, juzɐ̂p, overweldigen, ten onrechte aannemen; —ation, jûzɐ̂peiš’n, overweldiging, usurpatie; —er = overweldiger, usurpator.

Usury, jûžuri, woeker: To lend upon — = tegen woekerrente.

Ut, ɐt, ût, ut of do (muz.).

Utah, jûtâ, jûtô.

Utensil, jutensil, werktuig, (keuken) gereedschap: Kitchen —s; Sacred —s = heilige vaten.

Uterine, jûtər(a)in, uterus ...: — brother, sister = broeder (zuster) v. dezelfde moeder; Uterus, jûtərɐs, uterus.

Utilitarian, jutilitêriən, nuttigheids ..., utiliteits; subst. voorstander van —ism—nuttigheidsleer; Utility, jutiliti, nut, nuttigheid: It is of no — = van geen nut; A man of instance and — = een voorbeeldig en nuttig man; Utilization, jûtil(a)izeiš’n, gebruikmaking, benuttiging; Utilize, jûtilaiz, benuttigen, nuttig aanwenden.

Utmost, ɐtmoust, uiterste, grootste: I will use my — endeavours = mijne uiterste pogingen; The — = het uiterste, hoogste: Twenty guilders at the — = op zijn hoogst; To the — of my power = zoo goed ik kan; He did his — to succeed = zijn uiterste best.

Utopia, jutoupjə, Utopia, ideaalstaat, luilekkerland; Utopian = utopisch; subst. utopist; —ism = utopisme.

Utrecht, jûtrekt.

Utricle, jûtrik’l, blaasvormig uitgegroeide bladslip met een door een klepje gesloten opening, blaaskruid; Utricular, jutrikjulə, blaasvormig, blaas....

Utter, ɐtə, adj. volkomen, volstrekt, volslagen: — poverty = volslagen armoede; — refusal = besliste weigering; To be an — stranger to = geheel onbekend met; To (At) the —ance = tot het uiterste; You have —ly neglected my advice = volkomen in den wind geslagen; —most uiterste, verste: He oppressed them to the —most = op ondragelijke wijze.

Utter, ɐtə, uiten, uitdrukken, uitspreken, (valsch geld) in omloop brengen: The false coiners —ed several false banknotes = brachten in omloop; He did not — another word = zei geen woord meer; —able = uit te spreken, wat geuit kan worden; Utterance = uiting, uitspraak, voordracht, rede; uiterste: He gave — to the wish = uitte den wensch; His — was very indistinct = manier van spreken was zeer onduidelijk. Zie Utter 1.; Utterer = wie spreekt, of in omloop brengt.

Uttoxeter, ɐksətə, ətoksətə.

Uvea, jûviə, druifvlies (van het oog); Uveous, jûviəs: — coat = druifvlies.

Uvula, jûvjulə, huig; —r = van de huig: All his r’s are —r = hij brouwt al zijn r’s.

Uxoricide, ɐgzôrisaid, ɐksôrisaid, vrouwenmoorder; Uxorious, ɐgzôriəs, ɐksôriəs, dwaas verzot zijn op zijne (op eene) vrouw; subst. —ness.

V.

V, vî; V. = Verb, Verse, Victoria, Violin; V(ersus) = tegen; V(ide) = zie; V(icar) A(postolic); V(irgini)a; Var(iety); Vat(ican); V(erb) Aux(iliary); V(ice) C(hancellor), of: V(ictoria) C(ross); V(erbi) D(ei) M(inister) = bedienaar van Gods Woord; Ven(erable); Ver(mont = een van de Staten der Unie); V(icar) G(eneral); V(erbi) g(ratia) = bij wijze van voorbeeld; V(erb) i(ntransitive); Vice-pres(ident); V(erb) irr(egular); Visc(ount); Viz = videlicet (videliset) = namelijk; Voc(ative); Vol(ume); Vol(ume)s; V(ictoria) R(egina); V(ery) Rev(erend); V(eterinary) S(urgeon); Vulg(ar); Vulg(ate); Vv. ll. = variae lectiones = verschillende lezingen.

Va, vâ, ga voort (muz.).

Vacancy, veik’nsi, ledigheid, ledige ruimte, gaping, vrije tijd, vacature: The — has been filled up = is vervuld; He stared into (at) — = keek in het wild rond; Vacant, veik’nt, ledig, leegstaand, onbeduidend, vrij, onbezet, vacant: To be, fall, remain — = vacant zijn, etc.; Made — by the death of X = open gekomen; A — stare = een onwijze, nietszeggende blik; Such nations are — of our glorious civilization = hebben niet.

Vacate, vəkeit, ledig maken, ontruimen, neerleggen, afstand doen van, vernietigen: He —d the throne = hij deed afstand van den troon; Vacation, vəkeiš’n, afstand, vernietiging, openzijn of openvalling (v. plaats of betrekking), vacantie, rusttijd: —-days.

Vaccinal, vaksin’l, vaccine...; Vaccinate, vaksineit, vaccineeren, inenten; Vaccination = koepokinenting: Compulsory —; Anti — Society; Vaccinationist = voorstander der vaccinatie; Vaccinator = inenter; Vaccine, vaksin, v. koeien verkregen, tot koeien behoorende: — lymph = — matter = koepokstof; — pox = koepokken; Vaccinia, vəksinjə, koepokken; Vaccinist = Vaccinationist.

Vachery, vašəri, omheinde weide; melkhuis.

Vacillate, vasileit, weifelen, wankelen, flikkeren; adj. Vacillating; Vacillation = weifeling, flikkering.

Vacuity, vəkjûiti, ledige ruimte, ledigheid, afwezigheid van begrip; Vacuous, vakjuəs, ledig, zonder uitdrukking; subst. —ness; Vacuum, vakjuəm, (lucht)ledige ruimte: —-brake = luchtrem; —-cleaner = stofzuiger; —-tubes = luchtledige buizen.

Vade, veid, verwelken, verdwijnen.

Vade-mecum, veidîmîk’m, vademecum, leiddraad, gids.

Vagabond, vagəbond, subst. landlooper, zwerver, luie vent; adj. rondzwervend, vagebondeerend, doelloos; —age, vagəbondidž, landlooperij: To live in —age = vagebondeeren; —ism = —age; —ize = rondloopen, rondzwerven.

Vagary, vəgêri, subst. kuur, gril.

Vagina, vədžainə, vagina, bladscheede; Vaginal, vadžin’l, vədžain’l, scheedeachtig, scheede ...; Vaginate(d), vədžainit (—eitid), met een scheede, scheedevormig.

Vagrancy, veigr’nsi, landlooperij; Vagrant, subst. landlooper; adj. zwervend, zonder vaste woonplaats.

Vague, veig, vaag, onbepaald, onduidelijk; subst. —ness.

Vails, veilz, fooi(en).

Vain, vein, ijdel, nutteloos, waardeloos, vergeefsch, bedriegelijk, lichtzinnig, dwaas: — hope = ijdele hoop; It was all in — = vergeefsch; Don’t take God’s name in — = gebruik Gods naam niet ijdellijk; Vainglorious, veinglôriəs, opgeblazen, verwaand, blufferig; subst. —ness = Vainglory.

Vakeel, Vakil, vəkîl, speciaal gezant, (inlandsch) advocaat (Brit. Ind.).

Val, val, Valentijn.

Valance, val’ns, subst. soort damast, valletje of franje om bedgordijnen, enz.; — verb. met franje of draperie versieren.

Vale, veil, vallei.

Valediction, validikš’n, afscheid, vaarwel; Valedictory, validiktəri, afscheids ...: — address = een gewoonlijk Latijnsche afscheidsrede in Amer. colleges; de houder dier rede wordt Valedictorian, valədiktôriən, genoemd.

Valence, valəns, persoonsn.; valentie (= veil’ns).

Valencia, vəlenšiə = Valance.

Valentia, vəlenšiə; Valentine, val’ntain, Valentijn, liefje op St. Valentine’s day (14 Febr.) gekozen, briefje of cadeautje door jongelieden van beide seksen op dien dag elkander gezonden; Valentinus, valəntainəs; Valentio, vəlenšiou; Valeria, vəlîriə.

Valerian, vəlîriən, valeriaan (plant).

Valet, valət, valei, subst. bediende; — verb. als kamerdienaar dienen of begeleiden.

Valetudinarian, valitjûdinêriən, ziekelijk of zwak; ook subst.; —ism = zwakke gezondheid, ziekelijkheid.

Valhalla, valhalə, Walhalla.

Valiant, valj’nt, moedig, dapper, heldhaftig, onverschrokken; subst. —ness.

Valid, valid, krachtig, sterk, geldig, deugdelijk, bindend; —ate, valideit, geldig maken, legaliseeren; —ity, vəliditi, kracht, geldigheid = —ness.

Valinch(e), vəlinš, (zuig)hevel.

Valise, vəlîs, reistasch, mantelzak.

Valkyr, valkə, walkure; adj. —ian, valkîriən; —ie, valkîriə, walkure.

Vallancy, val’nsi, vəlansi, soort pruik uit de 17 eeuw = — wig.

Valley, vali, dal: — of a roof = dakhoek; — of tears = tranendal.

Valorous, valərɐs, dapper, moedig, onverschrokken; Valour, valə, dapperheid, moed, onverschrokkenheid.

Valparaiso, valpəraizou.

Valuable, valjuəb’l, adj. kostbaar, dierbaar; ook subst.: All the —s were saved = de kostbaarheden; A — friend; —ness = kostbaarheid; Valuation, valjueiš’n, schatting, waardeering; Valuator, valjueitə, schatter, taxateur; Value, valju, subst. waarde, prijs, valuta, gewicht, beteekenis; — verb. waard zijn, achten, schatten, waardeeren: For — received = waarde ontvangen, genoten; To the — of = ter waarde van; The — was depreciated = de waarde werd gedrukt of verminderd; To get (have) — (a good —) = waar voor zijn geld krijgen; To rate at its true — = schatten op (ook fig.); To set much — upon = veel waarde hechten aan; To — dearly (highly) = op hoogen prijs stellen; The goods were —d at half the original cost = geschat op; You may — on us two months after date of invoice = disponeeren op twee maanden dato der factuur; —less shares = waardelooze aandeelen, effecten; Valuer = schatter, taxateur: Eminent —s = bekende taxateurs.

Valvate, valvit, met eene klep, klepvormig; Valve, valv, vleugel, ventiel, klep: Safety-— = veiligheidsklep; —d, valvd, v. kleppen voorzien; Valvelet = klepje; Valvular, valvjulə, met kleppen, kleppen betreffend: He died of — disease of the heart = aan eene hartziekte; Valvule, valvjul, klepje.

Vambrace, vambreis, armscheen (v. een wapenrusting).

Vamose, vəmous, vâmous, er van doorgaan, afzien van: He —d the claim = deed afstand van zijn recht (eisch) (Amer.).

Vamp, vamp, subst. bovenleer, nieuwe lap op iets ouds om dit schoon te doen schijnen; geimproviseerd accompagnement; — verb. oplappen, een lied accompagneeren op ’t gehoor af: To — up an excuse = verzinnen; He has a knack of —ing up forgotten operettas = weer op te lappen; —er = (schoen)lapper; —ers = kousen.

Vampire, vampaiə, vampier (ook een soort vleermuis = —-bat), uitzuiger; adj. Vampiric; Vampirism = geloof in —s; het bloedzuigen of afpersen.

Vamplate, vampleit, vroeger metalen plaatje aan eene lans ter bescherming van de hand.

Van, van, voorhoede, wan, reiswagen, goederen- of conducteurswagen, baard (van een veer); — verb. vooropgaan, in een van vervoeren, wasschen, zuiveren: Furniture-(Removing-)— = verhuiswagen; Luggage-— = goederenwagon; To lead the — = vooropgaan.

Vanbrugh, vanbrû, vanbrû; Vancouver, vankûvə.

Vandal, vand’l, vandaal (ook fig.); Vandalic, v’ndalik, ruw, barbaarsch; Vandalism = vandalisme.

Vandyke, vandaik, subst. kanten puntkraag (= — collar); adj. als in de portretten v. Van Dijck (1599–1641) gekleed; — verb. den rand schulpen of punten.

Vane, vein, weerhaan, windvaan, wiek (v. een windmolen), baard (van een veer), diopter.

Vanellus, vəneləs, kievit.

Vanguard, vangâd, voorhoede.

Vanilla, vənilə, vanille.

Vanish, vaniš, verdwijnen, wegsterven: He —ed from the sight = verdween uit het gezicht.

Vanity, vaniti, ijdelheid, ijdel genot; vruchtelooze poging, schijn.

Vanquish, vɐŋkwiš, overwinnen, weerleggen: Though —ed he could argue still = al had hij het afgelegd, hij redeneerde toch maar door; —er = overwinnaar.

Vansire, vansaiə, manguste.

Vantage, vântidž, voordeel, gunstige, schoone gelegenheid: He got — of me = behaalde een voordeel op mij; I spied him from a coin of — = van eene geschikte plaats; So much to the — = zooveel te goed, daarenboven; —-ground = gunstige plaats of ligging.

Vapid, vapid, flauw, verschaald, geesteloos; subst. —ity, vəpiditi = —ness.

Vaporability, veipərəbiliti, verdampbaarheid; Vaporable of Vaporable, verdampbaar; Vaporific, veipərifik, vapərifik, verdampend; Vaporizable, veipəraizəb’l, vapəraizəb’l, in damp veranderbaar; Vaporization, veipər(a)izeiš’n, vapər(a)izeiš’n, verdamping; Vaporize of Vaporize, verdampen, in damp verdwijnen; Vaporous, veipərɐs, dampvormig, opgeblazen, winderig, vol dampen of uitwasemingen; subst. —ness; Vapour, veipə, subst. damp, wasem, ijdele waan; — verb. verdampen, “geuren” of bluffen, droevig stemmen: —s = vapeurs, luimen, grillen; —-bath = damp- of stoombad; —ing = blufferig, snoevend: —ish = dampig, nevelig, winderig, mistroostig, melancholiek = —y.

Vaquero, vəkêrou, veehoeder (Mexico).

Variability, vêriəbiliti, subst. v. Variable, vêriəb’l, veranderlijk, ongedurig; subst. veranderlijke grootheid of wind; subst. —ness.

Variance, vêriəns, subst. verandering, verschil, geschil, twist: To be at — = het oneens zijn; They were set at — = tegen elkaar opgezet; Variant, subst. variant; adj. verschillend, veranderlijk, ongedurig; Variate, vêrieit, varieeren; Variation, vêrieiš’n, verandering, wijziging, afwijking, variatie; Varicoloured (tinted) = van verschillende kleuren of tinten; Variformed = van verschillende vormen.

Varicella, variselə, waterpokken.

Varicose, varikous, Varicous, varikɐs: — stocking = kous voor lijders aan — veins = aderspatten.

Varied, vêrid, afgewisseld, gevarieerd; Variegate, vêri(ə)geit, schakeeren, bespikkelen, afwisselen; Variegation, vêriəgeiš’n, schakeering, bontheid; Variety, vəraiiti, verscheidenheid, veelzijdigheid, verschil, varieteit: —-entertainment = varieteitenvoorstelling; —-hall = zaal voor dergelijke voorstellingen.

Variola, vəraiələ, kinderpokken; —r = Variolous, vəraiəlɐs, tot de kinderpokken behoorende.

Variorum, vêriôrəm, van de aanteekeningen van verschillende uitgevers voorzien, b.v. — edition of Shakespeare’s works.

Various, vêriəs, verschillend, verscheiden; subst. —ness.

Varix, vêriks, aderspat, krampader.

Varlet, vâlit, page, bediende; schurk; —ry = het grauw of gespuis.

Varmin(t), vâmin(t) = Vermin.

Varnish, vâniš, subst. vernis (ook fig.), verlak, glazuur; koolteer (= Black —); — verb. vernissen, verlakken, verglazen, verschoonen: A — of civilisation = vernisje; —er.

Varsal, vâs’l (= universal), erg groot, sterk, etc.

Varsity, vâsiti = University (Oxf. en Cambr.).

Vary, vêri, veranderen, wijzigen, verschillen, afwijken, veranderlijk zijn, varieeren.

Vascular, vaskjulə, vaat - -, vaatrijk; Vascularity, vaskjulariti, toestand der vaten, rijkheid aan vaten.

Vase, vâz, veiz, veis, vaas, kelk.

Vaseline, vasəlin, vasəlîn, vaseline.

Vassal, vas’l, subst. vazal, onderdaan, slaaf; adj. slaafsch; —age, vasəlidž, leenmanschap, de leenmannen, dienstbaarheid; —ed = geknecht.

Vast, vâst, groot, uitgestrekt, veelomvattend, veelzijdig, grenzenloos, onmetelijk; subst. grenzenlooze vlakte of ruimte: Watery — = de oceaan; That is a — project = veelomvattend, grootsch plan; He squandered away — sums of money = onmetelijke geldsommen; subst. —ness.

Vat, vat, vat, kuip; — verb. in een kuip doen.

Vatican, vatik’n, vaticaan, pauselijke regeering of macht: The thunders of the — = de pauselijke banbliksems.

Vaticinate, vətisineit, voorspellen; Vaticination = voorspelling; Vaticinator = profeet.

Vaud (Pays de), (peiîdə)vou, Waadland; —ois = Waldenser(s).

Vaudeville, voudvîl, vaudeville.

Vaughan, vôn, vôən.

Vault, vôlt, subst. (graf)gewelf, hol, kerker, kelder, hemelgewelf, gewelfd vertrek; sprong, volte; — verb. verwulven, overwelven; voltigeeren: He —ed into the saddle = sprong in den zadel; —er = springer, voltigeur; —ing-horse = paard (gymn.).

Vaunt, vânt, vônt, subst. gebluf, pocherij; — verb. bluffen, snoeven op, zich beroemen: To make a — of; —er.

Vauntlay, vôntlei, vooroploopende troep honden.

Vaux, vôks; Vauxhall, vôkshôl: — Gardens.

’Ve = have.

Veal, vîl, kalfsvleesch (—s = kalfsvellen); —-cutlet; —-tea = kalfsbouillon; adj. —y = jong, kalverachtig.

Veda, veidə, vîdə, Veda, heilig boek (Hindoes).

Vedette, vədet, ruiterwacht.

Vedic, veidik, vîdik, adj. Zie Veda.

Veer, vîə, draaien, wenden, vieren, van koers veranderen, laten vallen (scheepst.): The wind —ed to the north = liep om naar het N.; — and haul = beurtelings vieren en aanhalen; — away = — out = vieren; —ing, subst. het veranderen of draaien; adj. veranderend, veranderlijk.

Vegetable, vedžitəb’l, subst. plant (—s = groente); adj. plantaardig, planten....: — earth (— mould, — soil) = plantenaarde, humus; — kingdom = plantenrijk; — marrow (cucurbita pepo) = mergpompoen; Vegetal, vedžit’l, subst. plant; adj. plantaardig; Vegetarian, vedžitêriən, vegetarisch; subst. vegetariër: — diet = plantaardige voeding of voedsel; Vegetarianism, vegetarisme; Vegetate, vedžiteit, vegeteeren; Vegetation = plantengroei, de plantenwereld; Vegetative = als planten groeiend, den plantengroei bevorderend.

Vehemence, Vehemency, vîhimens(i), hevigheid, vuur, drift, onstuimigheid; Vehement = hevig, geweldig, vurig, onstuimig.

Vehicle, vîhik’l, voertuig (ook fig.), geleimiddel (om geneesmiddelen in te nemen): The printing-press has become the — of ideas = het voertuig der denkbeelden; Vehicular(y), vîhikjulə(ri), voertuig....

Vehmic, feimik, vîmik, veimik: — court = Veemgericht.

Veil, veil, subst. sluier, dekmantel, masker; — verb. sluieren, verbergen, vermommen, bewimpelen: We don’t wish to raise the —, which was cast over this scene = den sluier op te lichten; To take the — = den sluier aannemen: You have —ed your looks from your friends = u aan het oog uwer vrienden onttrokken; —ed voice = gedempte stem.

Vein, vein, subst. ader, eigenaardige neiging of aanleg, stemming, luim; — verb. aderen, marmeren: In the giving — = in goedgeefsche stemming; There is a grating — in him = hij heeft iets onaangenaams over zich; He was in a rattling — = zat op zijn praatstoel; I am not in the — for it = voel er thans geen trek of neiging toe; I hope it will put you in the — to do it = u aanleiding zal geven; — of thinking = gedachtengang; —let = kleine ader; —y = vol aderen, aderrijk.

Velar, vîlə, met behulp van de huig voortgebracht (phonet.); Velarium, vilêriəm, groot zeil boven Romeinsche (amphi)theaters.

Veld, felt, boomlooze streek (Z.-Afr.).

Vellicate, velikeit, krampachtig samentrekken, prikkelen; subst. Vellication; adj. Vellicative.

Vellum, vel’m, perkament (uit kalfsvel); —-paper, —-post = velijnpapier; adj. —y.

Velocimeter, veləsimətə, snelheidsmeter; Velocipede, vəlosipîd, rijwiel; Velocipedist, vəlosipîdist, wielrijder; Velocity, vəlositi, snelheid, vlugheid: Accelerated, decreasing, final, initial, mean, retarded, uniform, virtual — = toenemende, afnemende, eind-, begin-, gemiddelde, vertraagde, gelijkmatige, virtueele snelheid.

Velutinous, vəl(j)ûtinɐs, fluweelig.

Velvet, velvət, fluweel; ook adj.: You have been on — all your life = hebt altijd een leven op een bordje gehad; To be (stand) upon (the) — = een voordeelige weddenschap aangegaan hebben; Velveteen, velvətîn, katoenfluweel = Cotton —; —s = jachtopziener (naar zijne kleeding); Velveting = de fijne nopjes van fluweel: —s = fluweelen stoffen; Velvety = fluweelachtig.

Venal, vîn’l, aderlijk; omkoopbaar, veil; Venality, vinaliti = omkoopbaarheid, veilheid.

Vend, vend, verkoopen, te koop bieden; —ee, vendî, kooper; —er = verkooper; —ible = verkoopbaar; —ibles = verkoopbare goederen; —ibleness = verkoopbaarheid; Street —ors = venters.

Vendace, vendeis, soort v. houting (zalmvisch).

Vendetta, vəndetə, bloedwraak.

Veneer, vənîə, subst. fineer(bladen), vernis (fig.); — verb. opleggen, een vernisje geven (fig.): If they are not good form, they are at least lacquered with the — of it = hebben ze toch allemaal het uiterlijk voorkomen ervan; —-moth = snuitmot.

Venerable, venərəb’l, eerwaardig (titel van archdeacons); subst. —ness; Venerate, venəreit, vereeren; Veneration, ontzag, vereering: Venerator = vereerder.

Venereal, vinîriəl: — desire = geslachtsdrift; — disease = venerische ziekte.

Venery, venəri, jacht(vermaak).

Venetian, vinîš’n, Venetiaansch; subst. Venetiaan, jaloezie (= — blind); — boat = gondel; — chalk = talkpoeder; — door = deur met langwerpige ruiten op zijde (om b.v. een ingang te verlichten); There were — masts along the route, from which streamers of bunting were festooned = kokanjemasten welke door guirlandes van vlaggedoek verbonden waren; — weight = “presse-papier” van glas.

Venezuela, venəzuelə, venəzuîlə.

Vengeance, venž’ns, wraak: With a — = met buitengewone kracht of hevigheid; To cry for —; They wreaked their — on me = koelden hun wraak; Vengeful = wraakgierig.

Venial, vîniəl, vergeeflijk: — sin = vergeeflijke zonde; Veniality = —ness.

Venice, venis, Venetië.

Venison, ven(i)z’n, wildbraad.

Venom, ven’m, subst. vergif, venijn (ook fig.); —-mouthed = giftig, kwaadaardig; —-tooth; Venomous, venəmɐs, vergiftig, venijnig; subst. —ness.

Venose, vînous, vinous = Venous, vînəs, geaderd, aderlijk.

Vent, vent, subst. opening, luchtgat, zundgat, uitweg, uiting, bekendmaking, vrije loop; — verb. een opening maken, uitlaten, lucht geven, uiting geven, slaken: To find — = een uitweg vinden; He gave — to his anger = gaf lucht aan; It has taken — = is ruchtbaar geworden, uitgelekt; To — oneself = zijn hart lucht geven; To — one’s wrath upon = lucht geven aan zijn toorn; —-hole = luchtgat; —-peg, —-pin = zwikje; —-plug = prop of plug voor het laadgat; Ventage, ventidž, luchtgaatje; Ventilate, ventileit, ventileeren, luchten, opperen, vrijelijk bespreken: Several questions were —d = werden geopperd en behandeld; subst. Ventilation = luchtverversching, etc.; Ventilator = luchtververscher, ventilator.

Ventral, ventr’l, buik..: — fins = buikvinnen; Ventricle, ventrik’l, holte, hartkamer, hersenkamers = —s of the heart (brain); Ventriloquism, ventriləkwizm, buikspreekkunst; Ventriloquist = buikspreker; Ventriloquize, ventriləkwaiz, buikspreken.

Venture, ventjə, subst. waagstuk, waaghalzerij, risico, speculatie, inzet, kans; — verb. wagen, ondernemen, op het spel zetten: I did it at (for) a — = op goed geluk af; To put a thing to a (the) — = iets op goed geluk wagen; I advise you not to run the — = de kans niet te loopen, het niet te wagen; I do not like to — at (upon) it = er mij in te begeven; To — out = zich buiten wagen; Nothing — nothing have = die niet waagt die niet wint; Venturesome, Venturous = stoutmoedig, onverschrokken, gevaarvol, gewaagd.

Venue, venjû, plaats der handeling, plaats waar iets plaats vindt of berecht moet worden (Jur.): To change (transfer) the — = naar een ander (rechts)college overbrengen.

Venus, vînəs, Venus; —-hair = venushaar; —-shell = venusschelp.

Veracious, vəreišəs, waarheidlievend, geloofwaardig; Veracity, vərasiti, waarheid, waarheidsliefde: Unquestioned veracities = onbetwijfelde waarheden.

Veranda(h), vərandə, veranda.

Veratrine, vəreitrin, verətrain = Veratrum, vəreitr’m, nieswortel.

Verb, vɐ̂b, werkwoord; Verbal = woordelijk, mondeling, letterlijk, van een werkwoord afgeleid: — agreement, message; — quibbling = ijdel woordenspel; A — translation = mondelinge; Verbalism = iets mondeling uitgedrukt, letterzifterij; Verbalization, vɐ̂bəl(a)izeiš’n, verandering tot een werkwoord; Verbalize = in een werkwoord veranderen; Verbatim, vɐ̂beitim, woordelijk: — report.

Verbena, vɐ̂bînə, ijzerkruid.

Verbiage, vɐ̂biidž, woordenvloed, bombast; Verbose, vɐ̂bous, woordenrijk, wijdloopig, bombastisch; subst. Verbosity.

Verdancy, vɐ̂d’nsi, groenheid; onervarenheid; Verdant = groen, bloeiend, onervaren; Verd-antique, vɐ̂dəntîk, patina, groene roest op oud koper; slangenmarmer.

Verderer, vɐ̂dərə, houtvester, jachtopziener.

Verdict, vɐ̂dikt, uitspraak, vonnis, beslissing, oordeel: To bring in (deliver, give, return) a — = uitspraak doen; To pass one’s — upon = zijn oordeel uitspreken over.

Verdigris, vɐ̂digrîs, kopergroen.

Verdure, vɐ̂djə, groen(heid), frissche plantengroei.

Verge, vɐ̂dž, subst. roede, staf, spil, rand, zoom, omvang, gezichtskring; — verb. naderen, nabij komen, grenzen, neigen, overgaan in: He is on the — of ruin, of madness = aan den rand des ondergangs, op de grens van den waanzin; Such a deed —s on madness = grenst aan waanzin; We stood upon a hill which —d to the south = die naar het zuiden afhelde.

Verger, vɐ̂džə, stafdrager, kerkdienaar.

Veriest, veriəst, Zie Very.

Verifiable, verifaiəb’l, wat bewezen, gestaafd of bevestigd kan worden; Verification = bevestiging, staving, verificatie: In — of = ten bewijze waarvan; Verifier; Verify, verifai, bewijzen, verifieeren, vervullen, waar maken.

Verily, verili, waarlijk, waarachtig; Verisimilitude, verisimilitjûd, waarschijnlijkheid; Veritably, veritəbli, waarlijk; Verity, veriti, waarheid, werkelijkheid, feit: Their despatches do not come up to the standard of — = beantwoorden niet aan den eisch van waarheid.

Verjuice, vɐ̂džûs, sap van onrijpe appels, druiven enz.: Every word and look of his smacks of — = heeft iets zuurs (onaangenaams).

Vermeil, vɐ̂mil, vermiljoen.

Vermicelli, vɐ̂miseli, vermitšeli, vermicelli.

Vermicide, vɐ̂misaid, wormkoekje, wormmiddel; Vermicular, vɐ̂mikjulə, wormachtig, wormvormig: —-work = kronkelende versiering in mozaïekwerk; Vermiculate, vɐ̂mîkjuleit, kronkelend of wormvormig inleggen, kronkelen, zich in alle bochten wringen (fig.); vɐ̂mikjulit, kronkelend, wormstekig; subst. Vermiculation; Vermiculose, vɐ̂mikjulous, Vermiculous, vɐ̂mikjulɐs, vol wormen of maden, gelijk wormen; Vermiform, vɐ̂miföm, wormvormig; Vermifugal = wormafdrijvend; Vermifuge, vɐ̂mifjûdž, wormmiddel.

Vermilion, vɐ̂milj’n, subst. en adj. vermiljoen: The — Sea = Golf van Californië; —ed = vermiljoen-rood geverfd.

Vermin, vɐ̂min, schadelijke dieren, ongedierte; gebroed, tuig: —-destroyer = —-killer = vergift voor het dooden van ongedierte; —ous = wat ongedierte voortbrengt, door wormen veroorzaakt.

Vermont, vɐ̂mont.

Verm(o)uth, vɐ̂mûth, vermouth.

Vernacular, vɐ̂nakjulə, inheemsch, eigen, vaderlandsch; subst. taaleigen, moedertaal: — disease, idiom, language, tongue; —ism = idioom, dialect; —ize = inburgeren.

Vernal, vɐ̂n’l, lente - -, jeugd - -: — equinox = dag- en nachtevening; — signs = lenteteekens (Dierenriem); Vernation = bloeiwijze.

Vernon, vɐ̂n’n; Veroles, vəroul; Verona, vərounə, Verona; Veronese, verənîz, verənîs, subst. en adj. (bewoner) van Verona; Veronica, vəronikə, Veronica.

Verruca, vərûkə, wrat; Verrucose, verukous, Verrucous, verukɐs, vol wratten.

Versailles, vɐ̂seilz.

Versatile, vɐ̂sət(a)il, veranderlijk, onvast, handig, veelzijdig: A — talent; subst. —ness = Versatility, vɐ̂sətiliti.

Verse, vɐ̂s, subst. vers, poëzie, versregel, strofe: A poem in six stanzas, each of eight —s = in zes verzen, elk van acht regels; Blank — = rijmlooze vijfvoetige jamben; —-maker, —-monger = rijmelaar.

Versed, vɐ̂st, bedreven, ervaren (met in); omgekeerd.

Verset, vɐ̂sət, bijbelvers; Versicle, vɐ̂sik’l, klein vers door den priester opgezegd met een antwoord van de gemeente; klein dichterlijk produkt; Versification, vɐ̂sifikeiš’n, verskunst, versbouw; Versifier, vɐ̂sifaiə, verzenmaker; Versify, vɐ̂sifai, berijmen, bezingen, verzen maken.

Version, vɐ̂š’n, vertaling, overzetting, voorstellingswijze, lezing, redactie.

Verst, vɐ̂st, werst (1,066 KM.).

Versus, vɐ̂səs, tegen, tegenover.

Vert, vɐ̂t, (verkorting van convert), subst. iemand die van de Anglik. naar de R. Kath. kerk is overgegaan; — verb. overgaan.

Vert, vɐ̂t, alles wat groeit en groene bladeren draagt in een woud; recht om groen hout te snijden; groen (herald.).

Vertebra, vɐ̂tibrə, rugwervel; adj. —l: —l animals = gewervelde dieren; —l column = wervelkolom; Vertebrata, vɐ̂tibreitə, gewervelde dieren; Vertebrate, vɐ̂tibrit, gewerveld dier; adj. gewerveld = —d, vɐ̂tibreitid.

Vertex, vɐ̂teks, (Meerv. —es, of Vertices, vɐ̂tisîz), hoogste punt, toppunt, zenith.

Vertical, vɐ̂tik’l, loodrecht, verticaal, staande; Verticality = loodrechte stand = —ness.

Vertiginous, vɐ̂tidžinɐs, ronddraaiend, omwentelend, duizelig(makend); Vertigo, vɐ̂tigou, vɐ̂taigou, vɐ̂tîgou, duizeligheid, duizeling.

Vertu, vɐ̂tu, kunstsmaak, kunstliefhebberij: A boudoir filled with articles of — = kunstvoorwerpen, antiquiteiten, curiosa.

Verulam, verul’m.

Vervain, vɐ̂vein, ijzerhard, verbena.

Verve, vɐ̂v, geestdrift, vuur.

Very, veri, adj. werkelijk, waar, enkel, zelfs, echt; adv. zeer, in hooge mate: He is a — baby = echt “kuiken”; The — man came on the — day of the funeral = dezelfde man kwam op den dag zelf; The — thought of it makes me shudder = de bloote gedachte er aan; That’s the — best you could do = het allerbeste; It is — possible = zéér wel mogelijk; The veriest baby would do it = het kleinste kind kan het doen; It was the veriest old building I ever saw = het alleroudste gebouw.

Vesica, vəsaikə, (de) blaas; —l, vesik’l, tot de blaas behoorende; —nt, vesik’nt, blaren trekkend; subst. trekpleister; Vesicate, vesikeit, blaren trekken; subst. Vesication; Vesicle, vesik’l, blaar, blaasje; Vesicular, Vesiculate, Vesiculose, Vesiculous = als een blaasje of eene blaar, blaas- of celachtig.

Vespa, vespə, wesp.

Vespasian, vespeiž’n, Vespasianus.

Vesper, vespə, subst. avondster, avond; ook adj.; —s = vesper, laatste getijde van het brevier; —-bell; Vespertine, vespət(a)in, tot den avond behoorende of daarin gebeurende.

Vespiary, vespjəri, wespennest.

Vessel, ves’l, vat, bloedvat, kan; schip, vaartuig, vaatwerk, gereedschap, mensch: Consecrated —s = gewijde vaten; The weaker — = de vrouw.

Vest, vest, subst. vest, jacket zonder mouwen, onderlijfje; — verb. bekleeden, omringen, begiftigen, beleggen, overdragen, overgaan op, komen op, gevestigd zijn in: His money is —ed in lands = belegd in; The right to the estate —s in you = is op u vastgezet; He was —ed with that power = bekleed met; —ed interests = verworven, verkregen rechten; —ed legacy = legaat dat iemand bijv. uitgekeerd wordt als hij 23 jaar oud is geworden.

Vesta, vestə, Vesta; waslucifer = Wax —; Vestal, subst. Vestaalsche maagd, kuische vrouw, non; adj. vestaalsch, rein, maagdelijk, kuisch: — Virgins = Vestaalsche Maagden.

Vestiary, vestjəri, subst. kleedkamer, garderobe.

Vestibule, vestibjûl, vestibule, voorhof; —-train = D-trein.

Vestige, vestidž, spoor, overblijfsel; Vestigial, vestidž’l, rudimentair.

Vesting, vestiŋ, stof voor vests; Vestment = kleeding, (mis)gewaad.

Vestry, vestri, consistoriekamer, kerkekamer, parochiebestuur, dat een wereldlijk, administratief karakter heeft: Common (General, Open) — = de gezamenlijke belastingbetalende leden, die de Churchwardens, Vestry Clerk en Beadle kiezen; Select — = de gezamenlijke Pew-Owners, i.e. de rijkere Church of England leden. Zij bepalen de Church rates; —-clerk = secretaris van de parochie; —-hall = gemeentehuis (in deze tweeslachtige beteekenis); —man = kerkeraadslid, lid van den parochie-raad; —-meeting.

Vesture, vestjə, (be)kleeding; — verb. bekleeden.

Vesuvian, vəs(j)ûvj’n, subst. soort v. windlucifer; adj. tot den Vesuvius behoorende; Vesuvius, vəs(j)ûvjəs, Vesuvius.

Vet, vet, verkort v. Veterinary (Surgeon), of Veteran.

Vetch, vetš, wikke (plant); Vetchling = (ongebladerde) lathyrus.

Veteran, vetər’n, vergrijsd in den dienst, beproefd, ervaren; subst. veteraan; —ize = opnieuw dienst nemen (Amer.).

Veterinarian, vetərinêriən, veearts; Veterinary, vetərinəri, subst. veearts (= Veterinary surgeon); adj. veeartsenijkundig: — college, school.

Veto, vîtou, subst. (recht van) veto, verwerping, weigering, verbod; — verb. verbieden, afstemmen, weigeren: To put one’s — on.

Vetturino, veturînou, Italiaansch huurkoets(ier).

Vex, veks, verontrusten, kwellen, plagen, bedroeven, ergeren: To be (feel) —ed at = zich ergeren over; Slightly —ed at my words = eenigszins geërgerd; —ed questions = lastige, niet uitgemaakte vraagpunten; —ation = ergernis, kwelling, plaag; —atious, vekseišəs, kwellend, verdrietig, hinderlijk, ergerend; —er = plager, sarder, kweller; —ing = kwellend, etc.; subst. —ingness.

Vexil, veksil, baard; —lar(y) = tot een baard behoorend.

Via, vaiə, weg; adv. over: — lactea = melkweg; He went to Italy — Paris and Lyons = over P. en Lyon.

Viability, vaiəbiliti, subst. v. Viable, vaiəb’l, levensvatbaar.

Viaduct, vaiədɐkt, viaduct.

Vial, vaiəl, subst. fleschje, fiool; — verb. in een fleschje doen: He poured out —s of wrath upon his enemies = hij goot de fiolen des toorns over zijne vijanden uit (Openb. XVI, I).

Viands, vaiəndz, levensmiddelen, voedsel.

Viaticum, vaiatikɐm, teerpenning; teerspijs = de H. communie een stervende toegediend; Viator, vaieitə, reiziger.

Vibrant, vaibr’nt, trillend, bevend; Vibrate, vaibreit, slingeren, schommelen, golven, trillen, klinken, weifelen; Vibration, vaibreiš’n, trilling; schommeling, slingering; adj. Vibratory; Vibroscope = trillingmeter.

Vicar, vikə, plaatsvervanger, vicaris, eigenlijk de plaatsvervanger van den Rector (die zelf geen dienst behoeft te doen. De Vicar geniet slechts de Small Tithes i.e. de tienden van koren, soms hooi): — of (Jesus) Christ = de Paus; —age, vikəridž, ambt, pastorie van een Vicar; —ship.

Vicarial, vikêriəl = Vicarious; Vicariate, vikêriit, subst. vicarisschap, plaatsvervanging; adj. plaatsvervangend; Vicarious, vikêriəs, plaatsvervangend; voor anderen geleden: — punishment (atonement) = straf ondergaan (verzoening verkregen) ten behoeve van een ander; Your experience is — = uit de tweede hand; subst. —ness.

Vice, vais, ondeugd, gebrek, verdorvenheid, kuur (van een paard), spil, loodtrekker, bankschroef: He grasped me as in a — = had mij als in eene schroef gekneld.

Vice, vais, (in samenst.), onder, plaatsvervangend: — versa, vaisi vɐ̂sə, vice versa; —-admiral = vice-admiraal; —-admiralty = vice-admiraalschap; —-chairman = vice-president; —-chancellor = vice-kanselier; —-consul = vice-consul; —gerency = plaatsvervangerschap; —gerent, vaisdžîr’nt, subst. plaatsvervanger, stadhouder; adj. plaatsvervangend; —-president; —regal, vaisrîg’l, tot een onderkoning of onderkoningschap behoorende; —reine, vaisrein, gemalin van een —roy = onderkoning; —royalty = onderkoningschap.

Vicinity, visiniti, nabuurschap, omstreken.

Vicious, višəs, onvolmaakt, gebrekkig, bedorven, slecht, verkeerd, boosaardig, venijnig; subst. —ness.

Vicissitude, visisitjûd, verandering of afwisseling, wisselvalligheid: The —s of life, of fortune; Life has blessed him with — = hij heeft tot zijn geluk velerlei ondervonden.

Victim, viktim, slachtoffer, dupe: He was (fell) a — to his ambition = was (viel als) slachtoffer van zijne eerzucht; Victimize = tot slachtoffer maken, beetnemen, bedriegen.

Victor, viktə, overwinnaar; Victoria, viktôriə, Victoria, soort rijtuig: — Cross = mil. decoratie (overeenkomende met onze Militaire Willemsorde); adj. —n; Victorine, viktərîn, bonten kraag; soort v. perzik; Victorious, viktôriəs, overwinnings..., overwinnend: “Send her —” = maak, dat zij overwinnend zij; —ness = zegeviering; Victory, viktəri, overwinning, behaald voordeel: To gain (carry, get, obtain) a — over; Victress = overwinnares.

Victual, vit’l, proviandeeren, van leeftocht voorzien; —s, vit’lz, levensmiddelen: Broken —s = kliekjes; Victualler, vitələ, proviandmeester; slijter, victualieschip: Licensed — = grossier met “vergunning”; Victualling = wat levensmiddelen verschaft: —-office = victualiebureau.

Vide, vaidî, zie; Videlicet, videliset, te weten, dat is.

Vie, vai, wedijveren, mededingen.

Vienna, vjenə, Weenen; Viennese, vjenîz, vjenîs, subst. en adj. (bewoner of bewoners) van W.

View, vjû, subst. gezicht, uitzicht, inzicht, overzicht, bezichtiging, onderzoek, schets, kijk, oordeel, meening, voornemen; — verb. zien, aanschouwen, onderzoeken, nagaan, beschouwen: To be on — = te bezichtigen zijn; To command a — of = het uitzicht hebben over; To have in — = op het oog hebben; You must keep this in — = in het oog houden; Let us take a good — of it = laten we het goed bezien; In — of what you have to offer = met betrekking tot (met het oog op); In my — = mijns erachtens; I did it with a — to ascertain whether he was safe = met de bedoeling; Our points of — are different = wij staan op een verschillend standpunt; I never looked at it from this point of — = uit dit oogpunt; —s on the war = meeningen over; A bird’s-eye — of Cologne = Keulen in vogelvlucht; —er = opzichter, onderzoeker, deskundige; —less = onzichtbaar, niet te zien; He is viewy = hij heeft altijd onmogelijke plannen; is opzichtig; ziet er aardig uit.

Vigil, vidžil, het waken, vigilie, vigiliedag; —s = nachtwake; Vigilance = waakzaamheid: — Committee (Society) = een vereeniging overeenkomend met onze Middernachtzending; veiligheidscomité; Vigilant = waakzaam, omzichtig.

Vignette, vinjet, vinjət, vinet, subst. vignet (portret); — verb. zoo verlichten dat de randen of lijnen onmerkbaar verdwijnen (photogr.).

Vigorous, vigərɐs, krachtig, sterk, flink; subst. —ness; Vigour, vigə, kracht, sterkte.

Viking, vîkiŋ, v(a)ikiŋ, Viking (Oud-Noorsche zeeroover).

Vile, vail, laag, verachtelijk, waardeloos, gering, snood, afschuwelijk: A — smell; subst. —ness.

Vilification, vilifikeiš’n, smaad, etc.; Vilifier; Vilify, vilifai, lasteren, honen, smaden.

Vilipend, vilipend, minachten, geringschatten, zich ongunstig uitlaten over.

Vill, vil, gehucht, kerspel.

Villa, vilə, buitenplaats, buiten; —dom = de gezamenlijke villa’s, villabewoners.

Village, vilidž, dorp; —r = dorpsbewoner.

Villain, vilin, schurk, lijfeigene, boer, lummel; —age, vilinidz, lijfeigenschap; —ous = schurkachtig, laag, gemeen; subst. —ousness; —y = schurkerij, slechtheid, eerloosheid.

Villein, vilin = Villain.

Villi, vilai, dicht opeenstaande haartjes (als bij fluweel); Villose, vilous, Villous, viləs, harig, ruig; Villosity, vilositi, behaardheid, ruigheid.

Villiers, vil(j)əz.

Vim, vim, kracht, energie, wilskracht.

Vinaceous, v(a)ineišəs, tot den wijnstok behoorend, wijn...; wijnkleurig.

Vinaigrette, vinəgret, lodderein-doosje.

Vinaigrous, vinəgrɐs, vineigrəs, zuur; zuurmuilig, brommerig.

Vincent, vins’nt, Vincentius; —ian, vinsenš’n, van den H. Vincentius.

Vincibility, vinsibiliti, subst. v. Vincible, vinsib’l, verwinlijk, verwinbaar; subst. —ness.

Vinculum, viŋkjulɐm, band, verbinding.

Vindicability, vindikəbiliti, subst. van Vindicable, vindikəb’l, rechtvaardigbaar, verdedigbaar; Vindicate, vindikeit, handhaven, verdedigen, rechtvaardigen: I will — my right = mijne rechten verdedigen; Vindication = rechtvaardiging, verdediging: I did it in — of my liberty = ter verdediging; Vindicator = verdediger, beschermer; Vindicatory = verdedigend, rechtvaardigend, wrekend, straffend.

Vindictive, vindiktiv, wraakgierig; subst. —ness.

Vine, vain, wijnstok, wingerd, wijnrank; —-clad = met wijngaardranken begroeid; —-culture = wijnbouw; —-disease = druifluisziekte; —-dresser = wijngaardenier; —-fretter = druifluis; —-grower = eigenaar van een wijnberg; —-grub = —-fretter; —-shoot = wijngaardrank; —-yard, vinjəd, wijngaard; —ry = broeikas voor druiven.

Vinegar, vinəgə, subst. azijn; adj. zuur, — verb. zuur maken, met azijn wrijven: His temples were —ed = zijne slapen werden met azijn gewreven; —-bottle, —-cruet = azijnfleschje; —-sauce = zure saus; —-works = azijnmakerij; —y = zuur, gemelijk.

Vinose, vainous, vainous, wijnachtig: subst. Vinosity; Vinous, vainəs: — flavour = wijnsmaak; — loquacity = spraakzaamheid door den drank; Vintage, vintidž, wijnoogst, wijn van een bepaalden oogst; Vintner, vintnə, wijnhandelaar, wijnhuishouder; Vintry = wijnkelder, wijnhuis.

Viol, vaiəl: —-de-gamboys = een vroegere groote viool; Viola, vaiələ, altviool; viooltje.

Viola, vaiələ.

Violable, vaiələb’l, schendbaar; Violate, vaiəleit, schenden, onteeren, verkrachten, ontheiligen, verbreken, ontwijden; Violation, vaiəleiš’n, schending, verkrachting, inbreuk, ontwijding; Violative = schendend, onteerend; Violator, vaiəleitə, schender, verkrachter, verbreker: — of repose = rustverstoorder.

Violence, vaiəlens, geweld, hevigheid, geweldadigheid, verkrachting, ontheiliging, inbreuk: It was done by — = met geweld, gewelddadig; He was done — to = hem werd geweld aangedaan; To offer — = verkrachten; He put a — on himself = deed zichzelf geweld aan, sloeg de hand aan zichzelf; To use personal — to = (iemand) persoonlijk geweld aandoen; Violent, vaiəlent, adj. geweldig, hevig, driftig, schril, buitengewoon, gewelddadig: To die a — death.

Violescent, vaiəles’nt, paarsachtig: Violet, vaiəlit, subst. viooltje; adj. paars, violetkleurig.

Violin, vaiəlin, vaiəlin, viool: He played (on) the — = speelde viool; —-bow = strijkstok; —-case = vioolkist; Violinist, vaiəlinist = vioolspeler; Violoncellist, vaiəlontšelist, viəlonšelist, violoncellist; Violoncello = violoncel.

Viparious, vaipêriəs, levenwekkend; taai: A cat is — = heeft een taai leven.

Viper, vaipə, adder (ook fig.): I have nurtured a — in my bosom = een adder aan mijn borst gekoesterd; —’s bugloss = slangenkruid; —’s grass = schorseneer; Viperine, vaipər(a)in, adderachtig, vergiftig, kwaadaardig = Viperous, vaipərɐs.

Virago, v(a)ireigou, manwijf, helleveeg.

Virescent, vaires’nt, groen (wordend).

Virgate, vɐ̂git, roedevormig.

Virgil, vɐ̂džil, Vergilius; —ian, vədžilj’n, van V.

Virgin, vɐ̂džin, maagd, kuische man; adj. maagdelijk, rein, onbevlekt, ongerept, ongeploegd: The (Blessed) — = de Maagd Maria, de H. Maagd; —-born = uit eene maagd geboren; — metal = gedegen, zuiver; —’s-bower = boschdruif; —al = maagdelijk, rein: (Pair of) —als = spinet; —hood = Virginity.

Virginia, vɐ̂džinjə, Virginia (tabak): — creeper = wilde wingerd; —n = (bewoner) van V.

Virginity, vɐ̂džiniti, maagdelijke staat, kuischheid, etc.; Virgo, vɐ̂gou, Maagd (Dierenriem).

Viridness, viridnəs, Viridity, viriditi, groenheid, groen, frisch groene kleur.

Virile, vir(a)il, vairil, mannelijk, manbaar: — age; Virility, viriliti, mannelijkheid, manbaarheid.

Virtu, vət(j)û, vɐ̂t(j)u = Vertu.

Virtual, vɐ̂tjuəl, krachtig, werkzaam, wezenlijk: — focus = virtueel brandpunt; — velocity = onderstelde snelheid; —ity, vɐ̂tjualiti, vermogen, kracht; That is —ly the same thing = feitelijk of practisch hetzelfde.

Virtue, vɐ̂tju, deugd, kracht, werkzaamheid, wezen, kern, vermogen, reinheid, kuischheid, voortreffelijkheid: He did it in (by) — of his office = krachtens zijn ambt; Cardinal —s, zie Cardinal; —less = zonder deugd of uitwerking, waardeloos.

Virtuosity, vɐ̂t(j)uositi, meesterschap in de kunst; de gezamenlijke virtuozen; Virtuoso, vɐ̂t(j)uousou (Meerv. Virtuosi, vɐ̂t(j)uousai), virtuoos, kenner van oudheden, etc.

Virtuous, vɐ̂tjuəs, deugdzaam, krachtig, deugdelijk; subst. —ness.

Virulence, vir(j)ulens, venijnigheid, kwaadaardigheid, bitterheid; adj. Virulent.

Virus, vairəs, vergif, giftigheid (fig.).

Vis, vis, kracht, macht, energie.

Visage, vizidž, gelaat, gezicht: An honest, strongly marked, scoundrelly, wan, —; adj. —d.

Viscera, visərə, ingewanden: —l = tot de ingew. behoorende, de ingew. bevattende, ingewands...; innerlijk, inwendig.

Viscid, visid, kleverig, lijmerig; subst. —ity, visiditi = Viscosity, viskositi.

Viscount, vaikaunt, adellijke titel tusschen earl en baron in; —ess = echtgenoote van een viscount; —ship.

Viscous, viskəs, kleverig, taai; subst. —ness.

Viscum, visk’m, marentak, vogellijm.

Visibility, vizibiliti, subst. v. Visible, vizib’l, zichtbaar, duidelijk; subst. —ness.

Visigoth, visigoth, West Goth; adj. Visigothic.

Vision, viž’n, het zien, gezicht, visioen, verschijning; —al = ingebeeld, hersenschimmig; —ariness, subst. v. —ary = hersenschimmig, droomerig, fantastisch; subst. dweper, droomer, fantastisch mensch.

Visit, vizit, subst. bezoek, visitatie; — verb. bezoeken, inspecteeren, straffen, betaald zetten: A domiciliary — = huiszoeking; I was on a — there = op bezoek; He made a — to his birthplace = bracht; He paid me a — and I returned it = bracht mij een bezoek en ik bracht hem een tegenbezoek; A — from his Majesty = door; I never — at his house = maak nooit visites bij hem; We should not — those measures with a return in kind = die maatregelen niet met gelijke munt betalen; His offences against decorum were —ed with rigour = werden gestreng gestraft; We do not — = zien elkaar niet; He —s there = komt er vaak; —ant = bezoeker; Visitation, viziteiš’n = bezoek, visitatie, (periodieke) inspectie, bezoeking Gods: — of the sick = ziekentroost; — of the Virgin Mary = Maria Boodschap; Visitatorial, vizitətôriəl: — power = recht van visitatie; Visite, vizît, visite (manteltje); Visiting: —-card = visitekaartje; —-commissioner = maandcommissaris, commissielid dat dienst heeft; —-governess = onderwijzeres (extern); Visitor = bezoeker, inspecteur, visiteur: —’s room = logeerkamer.

Visor, vizə, masker, vizier; —ed = met een vizier, gemaskerd, vermomd.

Vista, vistə, uitzicht of verschiet door eene laan of rij boomen, laan, rij boomen: This book opens splendid —s to the intelligent reader = opent een heerlijk verschiet.

Vistula, vistjulə, Weichsel.

Visual, vižuəl, gezichts - -: — angle = ooghoek; — nerves = gezichtszenuwen; — point = oogpunt; — signalling = optische telegraphie; —ization, subst. v. —ize = verzinnelijken voor het oog, zichtbaar maken.

Vital, vait’l, levens..., onmisbaar, onheilspellend: —s = — organs; His — forces ebbed = zijne levenskracht begaf hem; — organs, — parts = edele deelen; — power = levenskracht; We tried to revive this — question = levensvraag; — spirits = levensgeesten; — thread = levensdraad; — statistics = statistiek over levensduur; That is — to our cause = eene levenskwestie voor; —ity, v(a)italiti, leven, levenskracht, duur, levensvatbaarheid; —ization = bezieling, etc; —ize = bezielen, leven geven.

Vitellus, v(a)iteləs, dooier.

Vitiate, višieit, bederven, ontwijden, schenden, vernietigen; subst. Vitiation.

Viticulture, vitikɐltjə, wijnbouw; Viticulturist = wijnbouwer; Vitis, vaitis, wijnstok.

Vitreo, vitriou: —-electric = positief-electrisch; Vitreous, vitriəs, van glas, glasachtig, glazen: — electricity = glas-electriciteit; subst. —ness; Vitrifaction, vitrifakš’n, verglazing; Vitrifiable, vitrifaiəb’l, verglaasbaar; Vitrification, subst. v. Vitrify, vitrifai, verglazen.

Vitriol, vitriəl, vitriool: Oil of — = zwavelzuur; — of copper = kopervitriool; —-throwing = het gooien van vitriool in iemands gezicht; —ate, vitriəleit, in vitriool veranderen; —ic, vitriolik, vitrioolachtig, scherp, kwaadaardig.

Vituperate, v(a)itjûpəreit, berispen, laken, uitschelden; subst. Vituperation; adj. Vituperative.

Vitus, vaitəs: St. — dance.

Vivacious, v(a)iveišəs, levendig, opgewekt, overblijvend, vast; subst. —ness; Vivacity, v(a)ivasiti, levendigheid, vlugheid, opgewektheid.

Vivarium, vaivêriəm, plaats waar dieren in zoo mogelijk natuurlijken toestand in leven worden gehouden.

Vivat, vaivət, dat hij (zij) leve!

Viva Voce, vaivə vousi, mondeling; subst. mondeling examen.

Vive, vîv, leve!

Vivian, vivj’n.

Vivid, vivid, levendig, helder, treffend, realistisch; subst. —ness; Vivification, vivifikeiš’n, verlevendiging, weder-opleving; Vivify, vivifai, leven wekken, bezielen: The air was vivifying = de frissche lucht schonk nieuw leven.

Viviparous, vaivipərɐs, levende jongen ter wereld brengend.

Vivisect, vivisekt, levend ontleden; —ion, vivisekš’n, vivisectie; —ionist, vivisekšənist, = —or = ontleder van levende dieren of voorstander dier methode.

Vixen, viks’n, wijfjesvos, helleveeg; —ish = twistziek, kijfachtig.

Viz. (= Videlicet), uitgespr. neimli.

Vizard, vizəd: A — mask = masker voor ’t gelaat.

Vizi(e)r, vizîə, vizier; —ate = vizierschap.

Vocable, voukəb’l, woord; Vocabulary, vəkabjuləri, woordenlijst, woordenboek, woordenschat, spraakgebruik; Vocal, vouk’l, stem - -, vocaal, mondeling, hardop, stemhebbend: — c(h)ords, — ligaments = stembanden; — music = gezang; Vocalic, vəkalik, uit klinkers bestaande; Vocalism = gebruik der stemorganen; Vocalist = zanger(es); Vocalization, voukəl(a)izeiš’n, het uitspreken, het vormen van klanken; Vocalize = uitspreken, stemhebbend maken; Vocalness = stemvermogen, het uitgesproken kunnen worden.

Vocation, vəkeiš’n, roeping, neiging, aanleg, beroep: Reading is not much in my — = tot lezen voel ik mij niet zeer aangetrokken.

Vocative, vokətiv, subst. vocatief; adj. vocatief.

Vociferate, vəsifəreit, luide schreeuwen, uitroepen: Vociferation = geschreeuw, luid geroep; Vociferous, vəsifərɐs, schreeuwend, uitbundig juichend.

Vocule, vokjûl, zwakke aspiratie achter p, t, k.

Voe, vou, baai, kreek.

Vogue, voug, zwang, mode, algemeene roep: Writers of lesser — = minder populaire; That is much in — now = erg in zwang; To bring into — = in zwang brengen.

Voice, vôis, subst. stem, geluid, taal, vorm (v. een werkw.); — verb. uitdrukking geven aan, uiten, stemhebbend maken: (Not) in — = (niet) bij stem; He was elected without a single dissentient — = zonder ééne stem tegen; He was chosen with one — = eenstemmig gekozen; She has not much of a — = niet veel stem; He lifted up his — = hief zijne stem op; To raise one’s — = verheffen; Active, Passive — = bedrijvende, lijdende vorm; To — a grievance = uiten; This article —s the public sentiment = geeft de openbare meening weer; The organ-pipes were —d = het orgel werd gestemd; —d = met stem gesproken: This is a —d s = deze s wordt met stemtoon gesproken; —ful = luid klinkend, bruisend; —less = zonder stemtoon: A —less consonant = stemlooze medeklinker.

Void, vôid, subst. ledig(e ruimte); adj. ledig, vacant, ontbloot, nutteloos, nietig; — verb. ledigen, ontruimen, ruimen, leeggooien, ontlasten, opheffen, vernietigen: That loss made a — in my life, which can never be filled up = bracht eene leemte; It is null and — = van nul en geener waarde; — of learning = zonder geleerdheid; — of pity; That sentence is — of reason, of sense = heeft geen zin; The law was made — = werd terzijde gesteld; — space = ledige ruimte; —able = wat ontruimd, geledigd of vernietigd kan worden; —ance = lediging, ontzetting, verwijdering; —ness = ledigheid, nietigheid.

Volant, voul’nt, vol’nt, vliegend (herald.), vlug, snel.

Volapuk, vouləpuk, voləpuk, Volapuk; —ist = beoefenaar of voorstander van —.

Volatile, volət(a)il, vluchtig, vervliegend, grillig, ongedurig, dartel: — oils = vluchtige oliën; — salt = vlugzout; —ness = Volatility, volətiliti, vluchtigheid, wispelturigheid, wuftheid; Volatilizable = geschikt om vluchtig te worden gemaakt; Volatilization = vervluchtiging; Volatilize, volətilaiz, vluchtig maken.

Volcanic, volkanik, vulkanisch: — rock = vulkanisch gesteente; — soil = vulkanische bodem; subst. Volcanism; Volcanist; Volcanization, subst. v. Volcanize = vulkaniseeren; Volcano, volkeinou, vulkaan.

Vole, voul, veldmuis.

Vole, voul, vole: To go the — = vole spelen.

Volition, vəliš’n, wil, het willen, wilsdaad, wilskracht; adj. —al; Volitive, volitiv: — faculty = wilskracht.

Volksraad, foulksrât, volksraad (Z.-Afr.).

Volley, voli, subst. salvo, losbarsting; — verb. losbarsten, een salvo losbranden, terugslaan: Give them a — = geef hun een salvo; A — of words = een woordenstroom.

Vol plane, vol plân, vol plane.

Volt, voult, volte, snelle zwenking, plotselinge zijsprong bij het schermen.

Volt, voult, volt (electr.); —-ampère; —-meter = voltameter; Volta, voltə, Volta; Voltaic, volteiik, galvanisch: — battery = galvanische batterij; — electricity = galvanisme; — pile = batterij van V.; Voltaism = galvanisme.

Volubilate, vəl(j)ûbilit, Volubile, vol(j)ubil, kronkelend, klimmend, slingerend.

Volubility, vol(j)ubiliti, bewegelijkheid, draaibaarheid, praatzucht, groote woordenrijkheid; Voluble, vol(j)ub’l, bewegelijk, draaiend, woordenrijk, praatziek, rad van taal.

Volume, vol(j)ûm, schriftrol, winding, boek(deel), grootte, omvang, massa, volumen; — verb. zich verzamelen, ophoopen: The — of foreign trade is increasing = de omvang van buitenlandschen handel; Her anger was gathering — = nam steeds in hevigheid toe; Such figures speak —s = zeggen meer dan geheele boekdeelen vol; Voluminous, vəl(j)ûminɐs, omvangrijk, uitgebreid, uit vele deelen bestaande, groot: He is a — writer = hij heeft veel geschreven, hij is een vruchtbaar schrijver; subst. —ness.

Voluntariness, vol’ntərinəs, subst. v. Voluntary, vol’ntəri, vrijwillig, vrij, opzettelijk, spontaan, bereidwillig, willekeurig; subst. vrijwilliger, preludium, fantasie (op orgel of piano): — schools = vrije scholen (meestal van kerkelijke richting) waarvan de kosten gedeeltelijk door vrijwillige bijdragen (= — contributions) gevonden worden.

Volunteer, vol’ntîə, subst. vrijwilliger, volontair; adj. vrijwillig dienst nemend, uit vrijwilligers bestaande, in ’t wild groeiend; — verb. vrijwillig geven of aanbieden, als vrijwilliger dienen: The —s = een vrijwilligerscorps opgericht in 1859 (Zie Territorials); He did not — an explanation = gaf niet ten beste, opperde geen; Shall we —? = zullen wij vrijwillig gaan, ons aanbieden?

Voluptuary, vəlɐptjuəri, subst. wellusteling; adj. wellustig, zinnelijk = Voluptuous, vəlɐptjuəs; subst. Voluptuousness.

Voluta, vəl(j)ûtə, rolslak; Volute, vəl(j)ût, subst. spiraalvormige krul in Grieksche kapiteelen; rolslak; —d = met een spiraalvormige krul, spiraalvormig.

Volvulus, volvjulɐs, darmjicht, darmkronkel.

Vomic, vomik: —-nut = braaknoot.

Vomit, vomit, subst. braaksel, braakmiddel; — verb. braken, uitbraken: A mass of scoriae was —ed forth from the bowels of the earth = werd uitgebraakt; —ive = braak - - -; —ory = braak(middel).

Voracious, vəreišəs, gulzig, roofgierig; subst. —ness, Voracity, vərasiti, gulzigheid; vraatzucht, roofgierigheid; Vorant, vôr’nt, verslindend (Herald.).

Vortex, vöteks, (Meerv. —es, Vortices, vötisîz), dwarrelwind, draaikolk; —-wheel = turbine; Vortical = dwarrelend, draaiend = Vortiginous, vötidžinɐs.

Vosges, vouž, Vogezen.

Votaress, voutərəs, ordezuster, vereerster, aanhangster; Votary, voutəri, subst. ordebroeder, aanbidder, vereerder, aanhanger; adj. gewijd, eene gelofte afgelegd hebbende.

Vote, vout, subst. stem, stemrecht, stemming, votum, stembriefje (kogeltje); — verb. stemmen, voteeren, kiezen, verklaren: One man one — = ieder man een stem; The chairman has a casting — = beslissende stem; The remaining —s of the army estimates were considered and agreed to = de nog overblijvende artikelen van de oorlogsbegrooting; The ministry had a close escape, and carried the motion by fourteen —s = kreeg de motie met een meerderheid van veertien stemmen aangenomen; He was within a — of losing his situation = met één stem meerderheid behield hij zijne betrekking; The motion came to the — = werd in stemming gebracht; The —s cast, given = de uitgebrachte stemmen = The —s polled; To put to the — = in stemming brengen; To take a — on a question = laten stemmen over; — of confidence = votum van vertrouwen; Want-of-confidence — = votum van wantrouwen; A motion of thanks was —d to the chairman = den president werd de dank der vergadering gebracht; He spoke for the government and —d against it = en stemde er tegen; He —d himself into the chair = benoemde zichzelf tot voorzitter; Voter = kiezer, stemgerechtigde; Voting: — by ballot = ballotage; —-paper = stembiljet: To fill up a —-paper, To mark a —-paper = invullen, merken.

Votive, voutiv: — medal = herinneringsmedaille; — offering = dankoffer; — tablet = gedenksteen.

Vouch, vautš, subst. verzekering, getuigenis; — verb. waarborgen, instaan voor, betuigen, verzekeren, getuigenis afleggen: Will you — for the truth of it? = staat gij voor de waarheid in? Vouchee, vautšî, iemand, die als borg of zegsman wordt opgeroepen; Voucher = getuige, bon(netje), toegangskaart, borg, getuigenis, declaratie (voor uitgegeven en onvergolden gelden): My — has left the audit-office = mijne declaratie is al bij de Rekenkamer geweest; A — for a drink = bon; Vouchor, vautšə, vautšö, die een ander daagt (als —ee); Vouchsafe, vautšseif, toestaan, waarborgen, de goedheid hebben, zich verwaardigen: He did not — any reply = verwaardigde zich niet te antwoorden.

Vow, vau, subst. gelofte, eed; — verb. beloven, eene gelofte doen, bezweren, plechtig betuigen, wijden: To make a — = een gelofte doen; She has received (taken) the —s = heeft de kloostergeloften afgelegd.

Vowel, vauəl, subst. klinker; adj. vocaal.

Voyage, vôi-idž, subst. verre (zee)reis; — verb. reizen, bereizen, bevaren: Our — in, Our homeward — = onze terugreis; I met him on my — = op reis; On our — out = On our outward — = heen-, uitreis; He went on a — = op reis; —r = (zee)reiziger; Voyageur, Fr. uitspr., Canadeesch schuitevoerder.

Vulcan, vɐlk’n, Vulcanus; —ian, vɐlkeinj’n, —ic, vɐlkanik, vulkanisch; —ite = eboniet; —ization = vulkanisatie; —ize = vulkaniseeren.

Vulgar, vɐlgə, adj. gewoon, gemeen, ordinair, grof, lomp, laag, volks...: The — = het gewone volk, groote hoop, het gemeen; — fraction = gewone breuk; — speech (talk, tongue) = volkstaal; —ian, vɐlgêriən, proleet; —ism = platheid, platte uitdrukking; —ity, vɐlgariti, laagheid, platheid, grofheid; —ization, subst. v. —ize = plat of laag maken, vulgariseeren.

Vulgate, vɐlgit, vulgata of Latijnsche bijbelvertaling van den H. Jeronymus (329–420).

Vulnerability, vɐlnərəbiliti, subst. v. Vulnerable, vɐlnərəb’l, kwetsbaar, wondbaar; subst. —ness; Vulnerary, vɐlnərəri, subst. heel- of wondmiddel; adj. heelend: — balsam (herb, plant).

Vulpecide, Vulpicide, vɐlpisaid, iemand, die een vos doodt; wederrechtelijk dooden van een vos; Vulpine, vɐlp(a)in, vosachtig, listig, slim; Vulpinism, vɐlpinizm, sluw- of slimheid.

Vulture, vɐltjə, gier: Bearded — = lammergier; Vulturine, vɐltjur(a)in, gierachtig, roofgierig = Vulturish = Vulturous.

Vying, vai-iŋ, mededingend.

Vyrnwy, vîənwi: — Lake.

W.

W, dɐb’ljû; W. = Wednesday, Weak, Welsh, Western (postal district, London), Winterline (Plimsoll-merk op schepen); Wallach(ian), Walt(er); W(ater) C(loset); W(estern) C(entral postal district); Wed(nesday); Wel(sh); Whf. = Wharf; W(est) I(ndies); W(est) I(ndian); Wisc(onsin); Wk. = Week; W. N. A. = Winter line North Atlantic (Plimsoll-merk); W(est) Long(itude); Wm. = William; W(orshipful) M(aster) = achtbare meester; W(est) N(orth) W(est); Wp. = Worship; Wpful = Worshipful; W(riter to the) S(ignet); W(est) S(outh) W(est); W(ashington) T(erritory); Wt. = Weight.

Wabash, wôbaš.

Wabble, wob’l, subst. schommeling; — verb. schommelen, waggelen, weifelen; —r; Wabbly = schommelend, waggelend.

Wad, wod, subst. bundel, bos, vulsel, prop watten, enz., geweerprop, pak banknoten, geld; — verb. tot eene prop maken, een prop zetten op, opvullen, watteeren: A —ded box = een gewatteerd doosje, bekleede kist; —-hook = krasser (om proppen uit een geweer te halen); Wadding = opvulsel, watten, prop: The paper had served as — for the gun.

Waddington, wodiŋt’n.

Waddle, wod’l, subst. waggelende, schommelende gang; — verb. waggelen; —r.

Waddy, wadi, wodi, knots, stok; — verb. met een knots doodslaan.

Wade, weid, waden, doorwaden, met moeite gaan door: We were wading up to our knees through the mud = waadden tot onze knieën door den modder; —r = die waadt, hooge waterlaars, steltlooper = Wading-bird.

Wadi, wodi, rivierbedding, die in den zomer droog is.

Wadsetter, wodsetə, de crediteur, die bezittingen in Wadset (= in pand) heeft, en de inkomsten in afbetaling der schuld geniet (Schotl.).

Wae, wei, wee (Schotl.). Zie Woe.

Wafer, weifə, subst. ouwel, wafel, oblaat; — verb. ouwelen, dichtplakken: Beetle — = papier of ouwel om torren te dooden; Holy (Sacramental) — = hostie; —-cake = knijpkoekje, ijzerkoekje.

Waffle, wof’l, wafel; —-iron = wafelijzer.

Waft, wâft, subst. wenk, sein, ademtocht sjouw (scheepst.); — verb. voeren of dragen, overbrengen, drijven, seinen: To hoist the flag with a — = de vlag in sjouw hijschen; —age, wâftidž, vervoer, overbrenging; —ure = wenken, ademtocht.

Wag, wag, subst. het heen en weer schudden; — verb. schudden, schommelen, wiebelen, er van door gaan, spijbelen, kwispelstaarten: He played the — from school = spijbelde; To — the finger = den vinger (dreigend) opsteken; There was much —ging of heads at his insolence = men schudde algemeen het hoofd over; The dog —ged its tail = kwispelstaartte; That will set the tongues —ging = daar zal wat over gepraat worden; Thus the world —s = zoo is ’s werelds beloop; The boy —ged from school = spijbelde; Thus I — through the world = scharrel ik door den tijd; ’t Is merry in hall, when beards — all = onder mannen alleen, gaat het lustig toe; —tail = kwikstaartje; lichtekooi.

Wag, wag, grappenmaker, spotvogel, snaak; —gery = snakerij, ondeugende aardigheid: He is full of —gery = hij zit vol looze streken; —gish = grappig, ondeugend, schalksch; subst. —gishness.

Wage, weidž, subst. (meestal —s) = loon, huur, soldij; vacatiegelden (Amer.); — verb. wagen, wedden, ondernemen, kneden, gelijk staan met: The advance of — = verhooging; Living — = het loon dat een menschwaardig bestaan verzekert; The —s of sin is death = de bezoldiging der zonde is de dood (Rom. 6, 23); —-earners; —-fund = loonfonds; —-rate = loon(standaard); —-work = loonarbeid; He —d war on mankind = voerde strijd tegen.

Wager, weidžə, subst. weddingschap; aanbod van een beklaagde om op een bepaalden dag onder eede te zullen verklaren dat hij een bedrag niet schuldig was en elf getuigen mee zal brengen ter bevestiging; — verb. wedden, verwedden: I will lay you a — = wed met u; What is your —? = hoe hoog hebt gij gewed; Name your — = waar wed je om? — of battle = beslissing door een tweegevecht; I — you are wrong.

Waggle, wag’l, subst. waggelende gang; — verb. waggelen, heen en weer bewegen, wippen: To — one’s tail = wippen met den staart (v. vogels).

Wag(g)on, wag’n, vracht- of goederenwagen: Dinner — = dienbak op rollen; He is on the water— now = afschaffer; —-master = wagenmeester; —-shed = remise; —-vault = tongewelf; —age, —idž, vracht(loon), wagenpark; —er = vrachtrijder; —ette, wagənet, wagentje, soort brik; —ing = vervoer per wagon.

Wahabee, Wahabi, wəhâbî, aanhanger eener Mahomedaansche secte; —ism = beginselen der —s.

Waif, weif, onbeheerd goed, strandgoed, weggeloopen vee, door de dieven bij de vervolging weggeworpen goederen, zwerver, vagebond, sjouw (noodvlag): —s and strays of society = verlaten kinderen, zwervers.

Wail, weil, subst. weeklacht; — verb. weeklagen, beweenen.

Wain, wein, wagen, vrachtwagen: Arthur’s of Charles’s — = Groote Beer; Lesser — = Kleine Beer.

Wainscot, weinskot, subst. wagenschot; lambriseering; — verb. met hout beschieten of bekleeden.

Waist, weist, middel (v. het lichaam), keursje, kuil (Scheepst.): He tightened his coat to give himself a —; —band = broeksband, roksband; —-belt = gordel, koppel; —cloth = (Ind.) lendendoek; schans- of dekkleed; —coat, weskət, weistkout, vest, wambuis: Strait —coat = dwangbuis; —er = kuilgast.

Wait, weit, subst. wachttijd, hinderlaag, oponthoud, pauze (—s = muzikanten, die met Kerstmis en Nieuwjaar serenades plachtten te brengen bij notabelen); — verb. wachten, afwachten, wachten op; bedienen, vergezellen: To lay — = een hinderlaag leggen; To lie in — = op de loer liggen; He may — a little longer = dan kan hij lang wachten; Dinner —s = het eten is klaar; The paper may — till to-morrow = kan wachten tot, blijven liggen; Something that will not — = iets dat niet kan wachten; To — dinner for a person = met het eten wachten op; I will — your return = wachten op; Am I to — you there? = moet ik daar wachten, tot gij komt? You have kept me —ing = mij laten wachten; To — at table = bedienen; I have been —ing for you (for) ever so long = heb ik weet niet hoe lang op u gewacht; Who —s on you? = past u op, bedient u; We herewith — on you with the abstract of your account = hierbij hebben we de eer, u te zenden; He —ed (up)on the mayor = maakte zijne opwachting bij; We — on you, o Lord! = wij wachten op u, o Heer; Who is going to — up for me = wie zal opblijven tot ik thuis kom; Waiter = kellner, bediende, stommeknecht, presenteerblad; Waiting: To play a — game = de kat uit den boom kijken; The boats are in — on the little pier = liggen klaar aan; The cabs in — = de klaar staande; Ladies in — = (gehuwde) hofdames; Lords in — = kamerheeren; —-gentleman = kamerheer, kamerdienaar; —-maid, —-woman = kamenier; —-room = wachtkamer; Waitress = kellnerin.

Waive, weiv, verlaten, afzien van: I — my claims = zie af van mijne rechten; —r.

Wake, weik, subst. waken of wakker zijn, wijdingsfeest van eene kerk, feest, waken bij een lijk; zog, kielwater, spoor; — verb. wakker zijn, wakker worden, wekken, opzitten, opblijven, opwekken, opvlammen: We followed in the — of the steamer = in het kielwater; They followed in your — = zij kwamen onmiddellijk achter u aan; He left a — of victory behind him = behaalde overwinningen waar hij ook kwam; A laugh woke about the corners of his mouth = een lachende trek kwam om zijn mond; —-robin = gevlekte aronskelk; —ful = wakend, waakzaam; subst. —fulness; Waken = wekken, oproepen, aansporen: —er = wekker, prikkel; Waker = wekker, waker; Waking: —-hours = de uren dat men niet slaapt.

Wakley, wakli; Walcott, wolkət; Waldenses, woldensîz, Waldensers; adj. Waldensian.

Wale, weil, zelfkant; berghout (scheepst.). Zie Weal = striem.

Wales, weilz; Walhalla, walhalə, wolhalə.

Walk, wôk, subst. wandeling, gang, pas, wandelplaats, laan, weg, baan, kring, tak, branche; — verb. gaan, loopen, wandelen, betreden, slaapwandelen, spoken, doen wandelen of loopen: A milkman’s — = ronde, klanten; Humble — of life = nederige stand, beroep; In all —s of life = levenssferen; In this walk he is without a competitor = in deze afdeeling (vak); To go for (To take) a — = uit wandelen gaan; Carriages have to — here = moeten stapvoets rijden; Does your friend —? = is uw vriend een slaapwandelaar (= Does he — in his sleep?); To — the chalk = langs een krijtlijntje loopen om te toonen, dat men niet dronken is; To — the hospitals (wards) = kliniek loopen; Will you — the little three-year-old? = den kleine van drie jaar bij het handje nemen; To — a minuet = een menuet dansen; The pirates made their victims — the plank = spoelden .... de voeten (fig.); He had to — the plank = ontslag nemen; The watchman had just —ed his round = de ronde gedaan; They —ed the streets = liepen ’s avonds langs de straten, leidden een zedeloos leven; They —ed into the eatables = spraken geducht aan; To — off = (hoofdpijn) door wandelen verdrijven; To — one’s legs off = zich te schande loopen; He —ed over us = deed ons zijne macht gevoelen; To — over (the course) = geen partij hebben, een gemakkelijke overwinning (= A —-over) hebben; The Tories were allowed to — over = de conservatieven wonnen den zetel (terwijl de liberalen geen candidaat stelden); Somebody is —ing over my grave = er loopt een hondje over mijn graf; He —ed up to me = kwam naar mij toe; Walker, subst. wandelaar, lanterfanter: Hookey — = Loop! “Mot je mijn hebben?” Walking: —-gentleman = figurant; —-lady = figurante; At a —-pace; —-stick = wandelstok; —-ticket = ontslag(briefje) (= —-papers, Amer.); Walkist = wandelaar van beroep.

Wall, wôl, muur, wand, wal, verdediging; — verb. ommuren, versterken, als een muur oprijzen (up): To drive (push, thrust) to the — = in ’t nauw drijven, verpletteren; Give him the — = laat hem aan den hoogen kant loopen (tusschen den muur en u zelf); To go to the — = het onderspit delven, geruïneerd zijn; What with her painting, what with her music the household affairs went a little to the — = leed de huishouding er eenigszins onder; His health went to the — = nam af; He was weak and went to the — = en bezweek, stierf; Every one went to the — to make room for him = ging op zij; To have one’s back to the — = vastberaden weerstand bieden; I have taken the — of him = ik heb het van hem gewonnen; The enemies were within the —s = binnen de muren der vesting; He is a fool and ever shall (be), that writes his name upon a — = gekken en dwazen schrijven hun namen op deuren en glazen; —s (may) have ears = de muren hebben ook ooren; The opening was —ed up = werd dichtgemetseld; —-creeper = muurkruiper (soort v. specht); —-eye = glasoog (ziekte bij paarden); adj. —-eyed: Because you are —-eyed you think we have the same blank outlook = omdat gij blind zijt denkt gij dat dit met ons ook het geval moet zijn; —-flower = muurbloem (ook fig.); —-fruit = vrucht(en) van leiboomen = —-fruit trees; —-moss = soort v. korstmos; —paper = behangsel; —-pepper = muurpeper; —-piece = soort v. haakbus; —-plate = onderlaag voor balken op een muur; —-sided = met rechtopstaande zijden boven de waterlijn; —-spring = rotsbron; —-Street = straat waar de effectenbeurs staat (N.-York): He lost his money on —-Street = met speculeeren; —-tree = leiboom; —wort = lage vlier.

Wallaby, woləbi, soort kangeroe.

Wallace, wolis; Wallachia, woleikjə, Wallachije; —n, subst. en adj. (bewoner) van —: —n sheep.

Wallah, wola, koopman, bediende: Competition — = iemand, die na een vergelijkend examen bij de Indian Civil Service is gekomen.

Wallet, wolət, knapzak, geldbuidel, portefeuille, leeren taschje.

Wallis, wolis.

Walloon, wolûn, subst. Waal, Waalsche taal; adj. Waalsch.

Wallop, woləp, koken, borrelen, opborrelen, duchtig ranselen: This is only a tickling to the —ing you’ll get to-morrow = nog maar kietelen bij het pak slaag dat je morgen krijgt; —ing = reusachtig.

Wallow, wolou, subst. plas; — verb. wentelen, plassen, rollen, woelen: The — of the sea = het rollen; To — in pleasure = zwelgen in genot.

Walmer, wômə; Walmsley, wômzli.

Walnut, wôlnɐt, wolnɐt, walnoot.

Walpole, wolpoul.

Walrus, wolrɐs, walrus.

Walsh, wolš; Walsingham, wolsiŋ’m; Walter, wôltə; Waltham, wolth’m; Walton, wôlt’n.

Walt(y), wolt(i), rank (v. schepen).

Waltz, wôlts, subst. wals(muziek); — verb. walsen; —er.

Walworth, wolwəth.

Wamble, womb’l, misselijk zijn: My stomach —s = het breekt me op.

Wampee, wompî, wampiboom (China).

Wampum, womp’m, schelpkoralen, schelpgordel door de Roodhuiden als geld of versiering gebruikt.

Wan, won, adj. bleek, ziekelijk, flets; subst. —ness.

Wand, wond, roede, tooverstaf, staf: Charming (Magic) —; —ed basket = teenen mand; —like.

Wander, wondə, zwerven, ronddolen, malen of ijlen, afdwalen (van het onderwerp), op een dwaalspoor brengen: Your wits are —ing = ge hebt er een paar op den loop; You are —ing from the subject = dwaalt van uw onderwerp af; He —ed in his mind = ijlde; —er = zwerver; Wandering, subst. afdwaling, rondzwerving, ijlen of malen; adj. zwervend, onvast: They lead a — life = een zwervend leven; The — Jew = de Wandelende Jood; — kidney = wandelnier; — tribe = nomadenstam.

Wanderoo, wondərû, een gebaarde zwarte aap.

Wandsworth, wonzwəth.

Wane, wein, subst. afneming, vermindering, verval; — verb. afnemen, verminderen: On the — = aan het afnemen, aan het afsterven; Waning strength = verminderende krachten.

Wanghee, waŋhî, bamboes (wandelstok).

Wanley, wonli.

Want, wont, subst. gebrek, behoefte, gemis, armoede, nood; — verb. ontberen, missen, ontbreken, noodig hebben, wenschen, verlangen: —-of-confidence-vote = motie van wantrouwen; I do it for (through) — of better employment = uit gebrek aan; They are in — of everything = lijden aan alles gebrek; He is greatly in — (is in great —) of = heeft hoog noodig; He died of — = kwam van gebrek om; She felt the — of it = gemis er van; To supply a much needed — = in eene lang gevoelde behoefte voorzien; First supply the —s of the poor, and then give way to luxury = voorzie eerst in de behoeften der armen; — one = op één na; What do you —? = wat moet je? I — mamma = ik zoek naar ma’tje; I — you to go there = ik wensch dat gij daarheen gaat; You are —ed = men zoekt je; The piano —s tuning = moet gestemd worden; I — for nothing that money can procure = ik heb alles wat voor geld is te krijgen; It —s ten minutes to (of) five = het is 5 min. vóór vijf; — to know! = Och, kom! (Amer.); Volunteers were not —ing = er was geen gebrek aan; Three more are —ing = er mankeeren nog drie; Nothing is —ing to my happiness = er ontbreekt niets aan mijn geluk; I shall not be —ing to send you word = zal u zeer zeker zenden; He was never found —ing = mankeerde nooit, liet iemand nooit in den steek.

Wanton, wont’n, subst. lichtmis, boeleerder, boeleerster, malloot; adj. losbandig, wulpsch, dartel, speelsch, brooddronken, lichtzinnig, moedwillig, fladderend; — verb. dartelen, stoeien, mallen: In — sport = in overmoed; subst. —ness.

Wapentake, wop’nteik, wap’nteik, weip’nteik, district (in Yorkshire).

Wapiti, wapiti, wopiti, N.-Am. hert of eland.

Wapping, wopiŋ.

War, wö, subst. oorlog, strijd, vijandschap, vijandelijkheid; — verb. beoorlogen, strijdvoeren: A — was carried on between these powers = er werd oorlog gevoerd tusschen; To declare — against = den oorlog verklaren aan; We are engaged in a — = in een oorlog gewikkeld; To make — on = oorlog voeren tegen; To be at — = in oorlog zijn; He was at — with his own hands and feet = wist geen weg met; The spirit is at — with the flesh = voert strijd tegen; To go to — with = oorlog aangaan met; It was — to the knife (to the death) between them = het was een strijd op leven en dood; Holy — = heilige oorlog, kruistocht; — of independence; A council of — (—-council) was held = krijgsraad werd gehouden; Several men-of-— = onderscheidene oorlogschepen; Many prisoners of — were made = krijgsgevangenen; —ring against his better self = strijd voerende tegen zijn beter ik; —-chest = krijgskas; —-council = krijgsraad; —-cry = oorlogskreet, oorlogsleuze; —-dance = oorlogsdans; — Department = Ministerie van Oorlog (Amer.); —-drum = krijgstrom; —fare, subst. strijd, (wijze van) oorlog (voeren), vijandelijkheden; — verb. oorlog voeren, kampen, strijden; —farer = krijgsman; —-horse = strijdros; —-insurance = assurantie tegen krijgsgevaar; — Office = Ministerie van Oorlog; —-paint = oorlogsverf (Indianen); gala, groot tenue; —-path = oorlogspad: We are on the —-path = op expeditie; —-ship = oorlogsschip; —-song = krijgslied; —-steed = krijgsros, strijdhengst; —-torch = oorlogstoorts; —-wasted = verwoest; —-whoop = oorlogskreet, krijgsgeschreeuw; —-worn = in den dienst versleten; —like = krijgshaftig, strijdbaar, oorlogs...: —like paraphernalia (parəfəneiljə) = oorlogstoebereidselen.

Warble, wöb’l, subst. gekweel, lied; gezwel op den rug van een paard; — verb. kweelen, zingen, trillers slaan; —r = kweeler, zangvogel.

Ward, wöd, subst. bewaking, wacht, verdediging, bescherming, afweer, het pareeren, hechtenis, kerker, voogdijschap, minderjarigheid, pupil, wijk, stedelijk (kies)district, afdeeling of zaal in een hospitaal, werk (van een slot), buitenplein; — verb. bewaken, verdedigen, beschermen, terugdrijven, afweren: To be held in — = in verzekerde bewaring gehouden; To keep watch and — = streng de wacht houden; To put in — = gevangen zetten; The thrust was —ed off by me = gepareerd; —-mote = vergadering van het bestuur v. een ward; —-penny = bewakingsgeld, waakgeld; —robe = kleerkast, garderobe: —robe keeper = —rober = bediende bij de —robe; —-room = officierskajuit aan boord van een oorlogsschip; —ship = voogdijschap, minderjarigheid; Warden = bewaker, bewaarder, custos, rector van sommige colleges; vrederechter (Amer.); soort peer: Lord — of the Cinqueports = ambtenaar oorspronkelijk belast met de (kust)verdediging der Cinque-ports; thans bezoldigd eereambt, onvereenigbaar met het lidmaatschap van het Parlement; —-pie = perenpastei; —ship = bewaarderschap; Warder = bewaker, wacht; commandostaf: —s of the Tower = ambtenaren ter bewaking v. staatsgevangenen in den Tower.

Ware, wêə, waren, goederen; soort zeewier; — = Aware, Beware: — oars! = pas op de riemen! (bij het passeeren van een andere boot); — wire, Sir! = pas op het prikkeldraad (jachtterm); China — = porselein; Earthen— = aardewerk; Hard— = ijzerwaren; —house = pakhuis, magazijn, entrepôt = Bonded —house; —house-keeper = —house-man = pakhuishouder, pakhuismeester; —house-warrant = cedel; —housing = het opslaan van goederen in pakhuis of entrepôt; —-housing-system = het entrepôt-stelsel; —-room = pakkamer, uitstalkamer.

Warham, wor’m.

Wariness, wêrinəs, subst. v. Wary.

Warlock, wölok, toovenaar, geestenbezweerder; —ry = toovenarij.

Warm, wöm, adj. warm, heet, vurig, ijverig, enthusiast, hartstochtelijk, intiem, versch, hartelijk, gegoed, rijk; ook subst.; — verb. verwarmen, afranselen, warm worden, zich opwinden: — contest = heete strijd; — colour; To give one’s hands a — = z’n handen warmen; Have a — = warm je eens goed; He is — = zit er warmpjes in; You are getting — = je brandt je (bij het blindemanspel); This place is too — for me = ik ben hier niet op mijn gemak; They made the town — for him = hij kreeg het te benauwd; To sit pretty — = er warm inzitten; He —ed to his subject = zijn onderwerp sleepte hem mede; —ed up remains of the evening meal; —-blooded = warmbloedig; —-hearted = hartelijk, oprecht; —er = wie of wat verwarmt; Warming, subst. pak slaag; adj. verwarmend: —-pan = beddepan, iemand die eene betrekking vervult om deze open te houden tot de bedoelde persoon ze vervullen kan; groot ouderwetsch horloge; Warmth = warmte, vuur, gloed, hartelijkheid.

Warn, wön, waarschuwen, aanzeggen, oproepen: I — you against such a behaviour = waarschuw u voor; He —ed us of the coming of the general = kondigde aan; They were —ed off the hunt, being unfit to ride = nun werd aangezegd, niet mee te gaan op jacht; The infirm and aged are —ed off = worden hier niet toegelaten (worden gewaarschuwd weg te blijven); —er; Warning = waarschuwing, aankondiging, dienstopzegging: My mistress has given me — = heeft mij den dienst opgezegd; I gave you proper — of it = heb u behoorlijk er voor gewaarschuwd; Take — of his example = spiegel u aan; — notice-boards = waarschuwingsborden.

Warp, wöp, subst. schering (— and woof), kromming, boegseerlijn, werptros; slib; — verb. kromtrekken, krimpen, verdraaien, een verkeerde richting geven, scheren, kunstmatig besproeien of inundeeren, boegseeren, verhalen, bevloeien; —ed = krom, verdraaid, vertrokken: A —ed, unframed photo stood on his desk = een kromgetrokken; His conclusions are occasionally —ed by sympathy = zijne voorliefde maakt dat zijne conclusies wel eens wat verdraaid zijn; —er = werkman, die de schering aanzet; Warping: —-bank = dam om het water op een stuk land te houden; —-machine, —-mill = handmolen tot het maken der schering.

Warrant, worn’t, subst. volmacht, machtiging, proces-verbaal, bevel tot inhechtenisneming, borgstelling, garantie, cedel, aanstelling door den korpskommandant; — verb. waarborgen, garandeeren, machtigen, toestaan, bekrachtigen, verzekeren, instaan voor, betuigen, verdedigen: — to appear = dagvaarding; The death-— was signed by the king = doodvonnis; A search-— = bevel tot huiszoeking, opsporing, enz.; — of apprehension, arrest = bevel tot aanhouding of arrestatie; — of attorney = procuratie of notarieele volmacht; — of caption = steekbrief; — of distress = bevel tot beslaglegging; —s were issued = bevelschriften werden uitgevaardigd; Without a — = ongemotiveerd; — officer = officier met rang tusschen luitenant en sergeant, dek-officier (te vergelijken met onze onder-luitenants en adjudant-onderofficieren) bij warrant aangesteld; I — you that he is a clever fellow = verzeker u, sta er voor in; I — it good = sta er voor in, dat het goed is; —able = verdedigbaar, wettig (= — by law), oud genoeg voor de jacht er op (v. herten); —ee, wor’ntî, die gewaarborgd wordt; —er = volmachtgever, waarborger = —or, wor’ntə, wor’ntö; —y, subst. belofte, waarborg.

Warren, wor’n, konijnenpark, fazantenpark, vischweer, krot; —er = opzichter.

Warrior, worjə, krijgsman.

Warsaw, wösô.

Wart, wöt, wrat: —-hog = soort van Amer. wild zwijn; —-wort = kroontjeskruid; —less = zonder wratten; —y = vol wratten, wratachtig.

Warwick, worik; —shire, worikšə.

Wary, wêri, omzichtig, behoedzaam.

Was, woz, imperf. (enkelv.) van to be.

Wase, weiz, weis, kussen door sjouwers op het hoofd gedragen.

Wash, woš, subst. wassching, de wasch, slappe thee, spoeling, kabbeling, golfslag, kielwater, aanslibbing, moeras, watertje voor de toilettafel, dunne metaallaag, vernisje, dun verflaagje, schijnkoop; — verb. wasschen, afwasschen, afspoelen, bespoelen, uitwisschen, met eene dunne verflaag bedekken, met een metaallaagje bedekken, reinigen (van erts): The — and turmoil of the water = het klotsen en de beroering; I’ll do the — = ga de wasch aan kant maken; To give one’s face a — = zich het gezicht wasschen; We must have a — = ons eens wasschen; I have sent them to the — = heb ze in de wasch gedaan; This soap won’t — clothes = met deze zeep kunnen geen kleeren gewasschen worden; It don’t — = kan niet gewasschen; That won’t — = dat gaat niet (op); To — dishes = borden wasschen; To — one’s hands of = zijne handen in onschuld wasschen; zijne handen aftrekken van; All their sins were —ed away = zij werden van al hunne zonden gereinigd; Those spots cannot be —ed out = gaan er in de wasch niet uit; A —ed out creature = bleek; To — out an affront; She —ed up the tea-things = waschte af; Copper —ed with silver = verzilverd koper; —-ball = zeepbal; —-board = waschplank, zetboord (op boot of sloep); —-gilding = nat vergulden; —-hand-basin = waschkom; —-hand-stand (—-stand) = waschtafel; —-house = waschhuis; —-leather = zeemleer; —-pot = waschkom, waschbak; —-tub = waschtobbe; —able = goed blijvend in de wasch; Washer = waschvrouw, waschmachine, ringplaat (onder de moerschroef); —-man = waschbaas, waschman, bleeker; —-woman = waschvrouw; Washiness, subst. v. Washy; Washing: —-day; —-dress, —-fabrics = japon, stoffen, die tegen de wasch kunnen; —-glove; —-machine = waschmachine; —-powder = waschpoeder.

Washington, wošiŋt’n, Washington; —ian, wošiŋtounj’n, subst. inwoner v. W.; afschaffer; adj. afschaffers ...; v. Washington: The —ian movement = —ianism = afschaffersbeweging, hunne beginselen.

Washy, woši, waterig, zwak, dun, krachteloos: —-looking wine = dunne, krachtelooze wijn.

Wasp, wosp, wesp: He has his head full of —s = hij heeft allerlei kuren; —-waisted = met wespentaille; —ish = met eene wespentaille, prikkelbaar, giftig; —ish-headed = prikkelbaar, opvliegend; subst. —ishness.

Wassail, wosil, wasil, subst. drinkgelag; gekruid bier met wijn met Kerstmis of Nieuwjaar en opgediend in den —-bowl; — verb. drinken (op het welzijn van); —-cup = beker waaruit wassail werd gedronken; —er = drinkebroer; —ers = lieden, die met Kerstmis zingend rondgaan.

Waste, weist, verwoesting, vernieling, afneming, achteruitgang, verspilling, verlies, woestenij, wildernis, onbebouwde grond, gruis, afval, onheil, vlak; adj. woest, onbruikbaar, overvloedig, waardeloos, onnut; — verb. verwoesten, vernielen, verminderen, afnemen, verspillen, weggooien, uitteren, verteren, kwijnen, laten vervallen: In mere — = onnut; To lay — = verwoesten; Your candle is running to — = loopt af; To let a garden run to — = laten verwilderen; To — (away) one’s money, time = verkwisten; His illness had —d him to skin and bones = had hem geheel uitgeteerd; — not want not = die wat spaart, die wat heeft; The ticket would be —ed = zou ongebruikt blijven liggen; —-basket = papiermand = —-paper-basket = prullenmand; —-book = memoriaal; —-gate = afvoersluis; —-paper = scheurpapier; —-pipe = afvoerbuis; —-sheet = vel misdruk; —-water = condensatiewater; —-weir = afvoerweer; —r = doorbrenger, dief aan de kaars, elger; Wastrel = afval, woestenij; verwaarloosd kind, kind zonder thuis of onderkomen, doorbrenger.

Wat, wot, fam. voor Walter.

Watch, wotš, subst. wacht, waakzaamheid, het waken, oplettendheid, schildwacht, wachtpost, horloge, uurwerk; — verb. waken, bewaken, gadeslaan, de wacht houden, acht geven: Alarum — = wekker; Keyless — = remontoir; Repeating — = repetitie-horloge; Stem-winding — = remontoir; I am on the — = sta op den uitkijk, lig op de loer; To keep good — = goed oppassen, waken; The — was relieved = de wacht werd afgelost; My — has run down = mijn horloge is afgeloopen; I set a — over them = ik liet hen bewaken; He set his — to the city-clock = regelde zijn horloge naar; Many eminent lawyers were —ing the case = woonden het proces bij; I —ed the thunderstorm from this elevated position = ik sloeg het onweer gade; He —ed over my childhood = hij waakte over mijne kindsheid; He —ed through the long night = waakte den ganschen nacht; To — home = nakijken tot iemand thuis is; —-box = schilderhuis, wachthuisje, horlogekast = —-case = horlogekast; —-chain = horlogeketting; —-dog = waakhond; —-fire = wachtvuur; —-glass = horlogeglas; —-guard = horlogeketting of -lintje; —-hand = horlogewijzer; —-house = wachthuis; —-key = horlogesleutel; —-light = nachtlicht; —-maker = horlogemaker; —man = nachtwaker, nachtwacht, baanwachter; —man’s rattle = ratel van een nachtwacht: To spring a —man’s rattle = een ratel slaan; —-night = laatste nacht van het jaar: I attended a —-night service in the Wesleyan chapel = woonde den kerkdienst van het oude jaar in het nieuwe bij; —-stand = horlogestander; —-tower = wachttoren; —word = wachtwoord, leus, motto; —er = waker, wacht, waarnemer, bespieder; Watchful = waakzaam: I have always been — of your interests = altijd nauwlettend behartigd; subst. —ness.

Water, wôtə, subst. water, watervlak (= Piece of —), bronwater, regen, urine, zee, rivier, glans van diamant of parel, effecten uitgegeven zonder gewaarborgden interest; — verb. besproeien, bespoelen, nat maken, van water voorzien, drenken, water innemen, verwateren, roten, moireeren, watertanden: A great deal of — had flowed under the bridge (Much — had flowed from the rivers to the sea) since that time = er was heel wat water door den Rijn gestroomd; Diamonds of the first — = van het zuiverste water; Gentlemen of the first — = hoogsten rang; He is a prig of the first — = een verschrikkelijke kwibus; Bilge — = water onder in een schip, dat niet uitgepompt kan worden; Low — = laag water: To be at at low — = in geldverlegenheid zijn; Slack — = dood tij; He has — on the brain = hersenvliesontsteking; That will not hold — = dat is lek; Your reasoning won’t hold — = uwe redeneering houdt geen steek; To make — = lekken, wateren, urineeren; Our ship made foul — = raakte met de kiel den bodem; To take the —s = de baden gebruiken; He threw cold — over my enthusiasm = gooide een emmer koud water over; To tread — = watertreden; This kept my head above — = deed mij in ’t leven blijven, redde mij; You must put on plenty of pace when riding at — = als je over een sloot moet springen To go by — = over zee gaan; To convey by — = per scheepsgelegenheid vervoeren; For all —s = van alle markten thuis; We were in deep —(s) = in een moeilijke positie; You have got into hot — = gij zit er leelijk in; Champagne flowed like —; To spend money like —; My mouth —s = het water loopt me om de tanden; The flowers were —d = werden begoten; To — horses = water geven; It made my mouth — = het deed me watertanden; To set a person’s mouth —ing = doen watertanden; After —ing we sailed away = nadat wij versch water ingenomen hadden; —-back = warmwaterbak of reservoir in een fornuis; —-bailiff = soort kommies, vroeger opzichter der visscherij: —-bath = waterbad; —-bearer = Waterman (Dierenriem); —-bed = waterbed; —-bottle = karaf; —-buck = waterbok (Z.-Afr.); —-bug = watertor; —-butt = water- of regenton; —-carriage = vervoer te water; —-cart = sproeiwagen; —-closet = closet, W.C.; —-cock = waterkraan; waterhoen; —-colour = waterverf, schilderij in waterverf = Painting in —-colours; —-colourist = waterverfschilder; —course = stroompje, stroom, waterloop; —-craft = schepen, booten, enz.; —-crane = waterpomp (voor een locomotief); —-cress = waterkers; —-crowfoot = water-boterbloem; —-cure = waterkuur: —-cure establishment; —-deck = waterdicht dek voor een huzarenpaard; —-dog = waterhond; —-drain = draineerbuis; —-drainage = draineering; —-dray = soort zolderschuit; —-dressing = koudwatercompres; —-drop = droppel water, traan; —-engine = schepmolen; —fall = waterval; —-flag = gele lisch; —-flea = watervloo; —-flood = overstrooming; —-fly = oevervlieg; —-fowl = watervogel; —-furrow, subst. voor of greppel om water af te voeren; — verb. draineeren door greppels; —-gall = gat in den grond door hevigen regen; bijregenboog; —-gas = watergas; —-gate = sluis, vloeddeur, waterpoort; —-gauge = peilglas; —-gilder = iemand die de kunst verstaat van —-gilding = watervergulding; —-gruel = watergruwel; —-gruelish, flauw, smakeloos; —-hen = waterhoen (-hennetje); —-kelpie = watergeest; —-level = waterstand, waterpas-instrument; —-level-line = waterpeil; —-lily = waterlelie, plomp; —-line = waterlijn (diepgang van een schip); —-logged = vol water geloopen door een lek en daardoor ten prooi aan golven en stroom; —-lot = onder water staand bouwterrein (Amer.); —-man = schuiten voerder, jolleman, waterman (die de huurpaarden op hun standplaats van water voorziet); blauw zijden halsdoek; —-mark = watermerk, waterhoogte, waterpeil; —-meadow = weide die door irrigatie besproeid kan worden; —-melon = watermeloen; —-meter = watermeter; —-mill = watermolen; —-nymph = najade; —-omnibus = trekschuit; —-ordeal = waterproef; —-parsnip = breedbladige watereppe; —-pitcher = waterkan; —-plant = waterplant; —-poise = hydrometer, waterpas; —-pot = waterpot, waterkan; —-power = waterkracht; —-pox = waterpokken; —proof, subst. voor water ondoordringbare stof of jas; adj. tegen water bestand; — verb. ondoordringbaar maken voor water; —-ram = hydraulische ram; —-rat = waterrat; —-rate = waterbelasting; —-ret = —-rot; —-rocket = waterrot (vuurwerk); —-rot = roten; —-scape = rivier- of zeegezicht (schilderij); —shed = waterscheiding; —side = waterkant; —-snake = waterslang; —souchy. Zie Zoutch; —-spaniel = waterhond; —-spout = waterpijp, spuwertje, waterstraal, waterhoos; —-supply = wateraanvoer; —-tank = reservoir; —-tap = waterkraan; —-tight = waterdicht; —-vole = waterrat; —-wagtail = gele kwikstaart; —way = waterloop, waterweg, vaarwater; —-weed = waterpest; —-wheel = scheprad; —-works = de waterleiding (ook met fonteinen, etc.); —-worn = door het water gerond of afgesleten; —age, wôtəridž, loon voor vervoer te water; —ed = gewaterd, moiré: A —ed-down belief = verwaterd; Watering: —-can = gieter; —-call = hoornsignaal om de paarden te drenken; —-cart = sproeiwagen; —-place = wed, plaats om water in te nemen, badplaats; —-pot = gieter; —-trough = drinkbak (voor paarden); Waterish = waterig, vochtig, verwaterd; subst. —ness; Waterless = droog, zonder water. Zie Watery.

Waterloo, wôtelû.

Watery, wotəri, waterachtig, waterig, smakeloos, flauw: — eye = vochtig oog; — kingdom = de zee.

Watson, wots’n; Watt(s), wot(s).

Wattle, wot’l, subst. horde van twijg of teen, deklat, takje, teenen twijgje, lel van haan of kalkoen, baarddraad van visschen, soort v. acacia (Australië); — verb. met teenen twijgjes binden of vlechten, met eene horde omringen; —-bark = bast der Austral. acacia; —-bird = soort bijenwolf; —-work = werk van gevlochten teen; —d; Wattling and daubing = het bouwen van hutten van gevlochten twijgen en leem.

Waugh, wô.

Waul, wôl, krollen, janken, gillen.

Wave, weiv, subst. golf, baar, golvende lijn op stoffen, moiré-zijde, enz., golving, sein (door wuiven); — verb. golven, wapperen, wenken, wuiven, wateren, moireeren: The ship was tossed on (by) the —s = op (door) de golven geslingerd; He —d his hand and motioned me to a chair = hij wuifde met zijne hand; —-length = afstand tusschen twee golven; —-motion = golvende beweging; —-offering = beweegoffer (Levit. VIII, 27); —-shell = golving (bij aardbevingen); —-worn = door de golven afgesleten of gerond; —d = gegolfd, gewaterd; —less = kalm, rustig, onbewogen, zonder golfslag; —let = golfje, rimpel; —like = golvend.

Waver, weivə, weifelen, aarzelen, waggelen, flikkeren: I — in my conviction = mijne overtuiging raakt aan het wankelen; —er = weifelaar, besluitelooze; —ous, —y = weifelend.

Waverley, weivəli.

Waveson, weivs’n, wrakhout, strandgoed.

Waviness, weivinəs, subst. v. Wavy = golvend, op en neer gaand, gegolfd.

Wax, waks, was, lak; woede; wasachtige afscheiding, oorsmeer, pik; — verb. met was bestrijken, wrijven, lakken; wassen, toenemen, grooter worden: As close (tight) as — = zoo dicht als een pot; He sticks to me like — = hij hangt aan me als een klit; There is a man of — = jij bent een beste kerel; A stick of sealing-— = pijp lak; His eyes are —ing dim = worden dof; —-candle = waskaars; —-chandler = waskaarsenmaker; —-cloth = wasdoek; —-doll = wassen pop; —(ed)-end = met was bestreken naai- en schoenmakersgaren, pikdraad; —-flower = kunstbloem (van was); —-light = waskaars; —-light coil = ineengedraaide waslont (om lichten aan te steken); —-match = waslucifer; —-model(l)ing = het maken van figuren of beelden (in was); —-taper = waskaars; —-tree = pruikenboom; —-vesta = waslucifer; —-wick = waspit; —work = wassenbeelden, anatomische preparaten v. was: Madame Tussaud’s —works (familiaar: —ers) = Mevr. T.’s wassenbeeldengalerij; The —work room = wassenbeeldenzaal; —worker = die in was werkt, bij; —ed = gewast; —en = van was, wasachtig, week als was; —iness, subst. v. —y = als was, met was, wasachtig, toornig, meegaand; stijf.

Way, wei, subst. weg, voortgang, reis, levensloop, afstand, plan, manier, wijze, opzicht, kijk, spoed of beweegkracht, gebruik, gewoonte, aanloop, middel, vak: He has a — with him = hij heeft zoo iets over zich; Where there is a will there is a — = willen is kunnen; That’s the — = zóó moet het, zoo gaat ie goed; It’s that —, is it? = ah! zit de vork zóó in den steel; That’s the — of wives = zoo doen onze vrouwtjes; It is the other — about (round) = het is juist andersom, omgekeerd; — in, — out = ingang, uitgang (opschrift op een bordje of plank); He told me so by the — = in ’t voorbijgaan, tusschen haakjes; I send you my photo by — of apology = bij wijze van excuus; That is by — of learning a trade = het is met het doel om; We went there by — of Cologne = via Keulen; It is not the first time by a long — = op lange na de eerste maal niet; For once in a — = bij uitzondering, voor een enkelen keer; You are very much in my — = ge hindert me erg, staat me leelijk in den weg; Take the old home in your — for a wedding-trip = maak uwe huwelijksreis zóó, dat ge ’t oude huis kunt bezoeken; In a general — = over ’t algemeen; The picture is, in a —, finished = in zekeren zin; Have you nothing for me in the — of a parcel? = geen enkel pakje; That is rather out of the — here = dat komt hier niet te pas, hoort hier niet; Will you get out of the —? = wil je maken, dat je weg komt; An out-of-the-— place = afgelegen plaats; I shall be glad to put myself out of the — on your account = mij om uwentwil wat last te getroosten; Such work is out of my — = ligt niet op mijn weg; He was put (got) out of the — = uit den weg geruimd; Keep out of harm’s — = zorg dat u niets kwaads overkomt; He went out of his — to inform me of it = gaf zich heel veel moeite; I won’t go out of my — to benefit you = wil geen moeite doen te uwen behoeve; He lives over the — = hier tegenover; The ship got under — (weigh) = ging anker op; We have enjoyed this right of — for ever so long = het recht om over dit pad te gaan; —s and means = bronnen van inkomsten: The committee of —s and means has granted the supply = de financieele commissie heeft het crediet toegestaan; Any — he didn’t know what to answer = in elk geval; He is in a bad — = er slecht aan toe; He has got into bad —s (fallen in evil —s) = op ’t verkeerde pad geraakt; You are wrong every — = in alle opzichten; She is in the family — = ze moet bevallen; The village lies half — between the towns = halverwege tusschen; He went London — = den weg naar Londen op; He begged his — back to his native village = ging al bedelende; Clear the —, there! = maak ruim baan; Come this —, sir = kom eens hier, baas(je); Come your —(s) = allo! ga mee; He elbowed his — through the crowd = baande zich een weg door; He got his own — = kreeg zijn zin; He went his —(s) = ging heen, vertrok; He has gone the — of all flesh (of all the earth) = hij is gestorven; His influence goes a long — with the minister = hij heeft veel invloed bij; He will always have his (own) — = zijn zin hebben; Will you lead the —? = vooropgaan; I had lost my — = ik was verdwaald; He is sure to make his — in the world = zal zijn weg wel vinden; At your age you must make (a) — for another = moet ge plaats maken, wijken; We made the best of our — home = maakten dat we zoo gauw mogelijk thuis kwamen; You must take your own — = gij moet zelf weten wat ge doet; He took his — to Antwerp = vertrok naar; interj. (= Away) weg: — back! = terug; Go (your) — = ga weg! Oh, do — John = Och toe, Jan, houd stil! (Launching) —s = stapelblokken (Scheepst.); —-bill = geleibrief, factuur, soort van vrachtbrief; lijst van de passagiers (in een diligence) of der goederen (in een vrachtwagen): Express, ordinary, parcel —-bill = lijst van de ijl-, vracht-, bestelgoederen; —-board = leemader; —-bread = groote weegbree; —farer = reiziger; —faring = het reizen; —faring-tree = wollige sneeuwbal; —going = vertrekkend, reis—: —going crop = oogst van het land die aan den opvolgenden pachter behoort; —(z)goose = jaarlijksche maaltijd aan de knechts eener drukkerij in Engel.; —lay, weilei, weilei, belagen, opwachten (om te bestelen, etc.); —layer = belager; —-leave = recht van overweg of vergoeding voor ’t gebruik; —-maker = baanbreker, voorlooper; —-mark = wegwijzer; —-passenger = onderweg opgenomen passagier (Amer.); —side, subst. weg, kant van den weg: Tales of a —side inn = verhalen in eene herberg aan den weg; —-station = tusschenstation (Amer.); —-warden = wegopzichter; —sore = —-worn = moe van het reizen.

Wayward = dwars, grillig, eigenzinnig; subst. —ness.

Waywode, weiwoud, gouverneur v. stad of provincie (Rusland); —-ship.

We, wî, wij: It is — = wij zijn het.

Weak, wîk, zwak, uitgeput, ziekelijk, niet sterk, broos, onvoldoende, gebrekkig: This coffee is as — as ditch-water = zoo slap als spoelwater; He is as — as water in his wife’s hands = als was in de handen van zijne vrouw; That is his — side and it is there you must take him = dat is zijne zwakke zijde; The — spot in the scheme = het zwakke punt; In the struggle for life the —est go to the wall = bezwijken de zwaksten; — verbs = zwakke werkwoorden; —-eyed = met zwakke oogen; —-headed = met gering verstand; —-hearted = flauwhartig; —-kneed = gemakkelijk bezwijkend, niet vastberaden; —-made = zwak gebouwd, onsterk; —-minded = zwak, besluiteloos; —-sighted = met een zwak gezicht; —-spirited = lafhartig, beschroomd; Weaken = verzwakken, verslappen, verdunnen; —er; Weakling = zwakkeling, bloed, stumperd, ook adj.; Weakly, adj. en adv. zwak, slapjes; Weakness = zwakheid, slapheid: To have a — for = zwak hebben voor.

Weal, wîl, subst. welzijn, geluk, gemeenebest; striem of streep, teeken van striemen; — verb. striemen: — and woe = wel en wee; The common, general, public — = het algemeene welzijn of nut.

Wealth, welth, rijkdom, overvloed = —iness; adj. —y = rijk.

Weald, wîld, open boschland: The — = zich door Kent en Surrey uitstrekkende vlakte.

Wean, wîn, spenen, afwennen, vervreemden, onttroggelen: She had no desire to — him from Bessie = aan B. te onttroggelen; —ling, subst. gespeend kind of jong; adj. pas gespeend.

Weapon, wep’n, wapen, doorn, prikkel: I had no — handy but a poker = een pook was het eenige wapen dat ik bij de hand had; “Hands up, —s down” = handen omhoog, wapens neerleggen! —ed = gewapend, toegerust; —less = ongewapend.

Wear, wîə.

Wear, wêə, subst. het dragen of gedragen zijn, dracht, slijtage, mode; — verb. dragen, slijten, afslijten, doorbrengen, vernielen, uitputten, wenden of ophalzen (van een schip): The building and its ornaments had suffered much from the — and tear of time = door den tand des tijds; There is yet a good year’s — in that coat = die jas kan nog best een jaar gedragen worden; To be very little the worse for — = nog niet veel versleten; To be all the — = algemeen gedragen worden; She —s the breeches = heeft de broek aan, is de baas; He wore a look of amazement = keek verbaasd; She carried a mantle to — it in the night-time = zij had een mantel over den arm, om dien ’s avonds te dragen; You — your sweet smile to day = hebt uw vriendelijken glimlach; To — the willow = om de(n) geliefde treuren; Time has worn away most of the inscription = afgesleten; The night wore itself away = ging langzaam voorbij; One way and another the day —s away = op de een of andere manier komen we den dag door; These marks will never — away = zullen nooit weer uitslijten; The water has worn off the stone = rond gesleten; All his wild pranks will — off with time = al zijne wilde streken zullen er met den tijd wel uitgaan; Time wore on = ging voorbij; To — out = afdragen, uitputten, uitmergelen, afmatten, doorbrengen: I was worn (out) with fatigue = kapot van, uitgeput; To — ill = zich slecht houden; His patience is wearing thin = raakt op; This cloth —s well = houdt zich goed in het dragen; You — (your age) well = gij houdt u goed voor uw leeftijd; —able = geschikt om te dragen; —er = drager, wat uitslijt; —ing: —ing-apparel = lijfdracht, kleederen.

Weariness, wîrinəs, vermoeidheid; Wearisome = vermoeiend, vervelend; subst. —ness; Weary, wîri, adj. vermoeid, moede, vermoeiend, bezwaarlijk; — verb. vermoeien, moe worden, afmatten, vervelen, hinderen, hunkeren naar (for): I am — of working = het werken moe; I am — with working = moe van het werken; I soon wearied of (zelden with) the same succession of fields and houses = spoedig verveelde mij; The soldiers were wearied out = geheel uitgeput; To be wearied out of patience = zijn geduld verliezen.

Weasand, wîz’nd, luchtpijp.

Weasel, wîz’l, wezel: Catch a — asleep! = jij zult mij te pakken nemen! —-faced = met een scherp en mager gezicht.

Weather, wedhə, subst. weder of weer; — verb. zich goed houden, weerstaan, doorstaan, (laten) verweeren, overwinnen, te loever omzeilen: Fair, fine, settled — = mooi, bestendig; Foul, Wild — = slecht, onstuimig; How is the —? = What is the — like? = wat voor weer is het; The ship was under a stress of — = had met hevige stormen te kampen; The — has been very settled these three weeks = wij hebben de laatste drie weken vast weer; The cold — at last breaks = ten slotte slaat het weer om; The ship makes good (bad) — = houdt zich goed (slecht) in een storm; To sing and dance all —s = de huik naar den wind hangen; — and wind permitting = wind en weder dienende; To — a cape = bovenlangs zeilen; To — a point = bovenlangs zeilen; winnen trots tegenstand of moeilijkheden; To — a ship = de loef afsteken; This ship is sure to — (out) the storm = dit schip zal bepaald den storm doorkomen, zich goed houden in; —-anchor = anker aan de windzijde; —-beaten = door stormen geteisterd, verweerd: A —-beaten coast, face = eene door stormen geteisterde kust, verweerd gelaat; —-bitten = verweerd; —-board, subst. windzijde, plank gespijkerd over de stukpoorten v. een opgelegd schip; rand aan een raam voor het afvloeien v. water (= —-boarding); — verb. planken over elkander spijkeren tegen het doordringen van regen, sneeuw, etc.; —-bound = door het weer teruggehouden of opgehouden; —-box = weerhuisje; —-breeder = een mooie dag waarop zich een onweder schijnt samen te pakken; —-cloth = verschansingskleed, presenning; —cock = weerhaan, wispelturig persoon: She is rather —cocky = wispelturig; —-eye: He keeps his —-eye open = hij is op zijn hoede, hij weet drommels goed wat hij doet; —-fish = modderkruiper; —-ga(u)ge, loef, voordeel: To get the —-gauge of a person = iemand de loef afsteken; —-glass = weerglas; —-house = weerhuisje; —-mo(u)ldings = overhangende lijst (boven deur of venster); —-proof = tegen het weer bestand; —-prophet = weervoorspeller; —-quarter = loefzijde, windkant; —-report = weerbericht; —-roll = het overhalen van het schip naar loefzijde; —-side = loefzijde; —-strip = tochtlat; —-tide = stroom of tij van uit de lijzijde; —-vane = windwijzer; —-wise = weerkundig; —-worn = verweerd; —ed = door het weer geteisterd, verweerd; —ing = verweering; glooiing, afwatering; —ly = loefgierig.

Weave, wîv, weven, samenweven, verzinnen, smeden: To — all pieces on the same loom = alles over één kam scheren; Weaver = wever; —-bird = wever(vogel); draaikever; —-fish = pieterman; —’s shuttle = weversspoeltje; Weaving: —-loom = weefgetouw.

Weazen, wîz’n, verwelkt, verdroogd, mager: A —, piping, shrill Hurrah! = een scherp, pieperig, schel Hoera! —-faced = met mager, uitgedroogd gelaat; zie Wizen.

Web, web, subst. weefsel, (spinne)web, baard, groote rol papier, vlies voor het oog, zwemvlies; — verb. als met een weefsel bedekken; —-eye = nagelvlies op het oog; —-foot = zwempoot; —-footed = met zwempooten; Webbed = met zwemvliezen: — feet; Webbing = geweven banden voor gordels, etc.

Wed, wed, huwen, trouwen, vereenigen, nauw verbinden, samensnoeren: He has been —ded to truth from his infancy = de waarheid is zijne leidsvrouw geweest; Wedding = huwelijksfeest, trouwfeest, bruiloft: It was only a marriage and no —, there was no breakfast and no feasting = het was slechts eene huwelijksplechtigheid zonder feestelijkheden, etc.; Silver, golden, diamond — = 25-, 50-, 60-jarige bruiloft; Paper, wooden, tin, crystal, china — = 1-, 5-, 10-, 15-, 20-jarige bruiloft; —-breakfast = lunch na de huwelijksvoltrekking; —-cake = bruiloftstaart; —-card = huwelijkscommunicatie; —-day = trouwdag; —-dower = huwelijksgift; —-favours = rozetten door de bedienden gedragen; —-feast = huwelijksfeest; —-garment; —-gown; —-ring = trouwring; —-tour, —-trip = huwelijksreis(je).

Wedge, wedž, subst. wig, keg, klomp, staaf; de laatste op de lijst bij het Classical Tripos (het B.A. examen for honours in classieke talen te Cambridge); — verb. met geweld indrijven of inbrengen, met eene wig of wiggen bevestigen, splijten, spouwen: Take care (beware) of the thin (small) end of the — = hoed u voor den eersten stap; To — one’s way = dringen door; —-bone = wiggebeen; —-inscription = opschrift in spijkerschrift; —-shaped = wigvormig = —wise.

Wedgwood ware, wedžwudwêə, soort aardewerk, genoemd naar den uitvinder Josiah Wedgwood (1730–95).

Wedlock wedlok, huwelijk: Born out of — = buiten huwelijk geboren; To enter upon — = in ’t huwelijk treden.

Wednesbury, wenzb’ri.

Wednesday, wenzdi, Woensdag.

Wee, wî, klein: A — bit = een klein beetje.

Weed, wîd, subst. onkruid (ook fig.); tabak, sigaar; voor de fokkerij ongeschikt dier, paard dat “volbloed” lijkt, doch niet is; kleed(ing); kleed (meest —s); — verb. wieden, uitroeien, uitrukken: Are you a lover of the —? = rookt gij graag; Ill —s grow apace (never wither) = onkruid vergaat niet; She was dressed in her (mourning) —s = in haar weduwenrouw; Many defects will have to be —ed out first = uitgeroeid; —-grown = met onkruid begroeid; —(ing)-hook = wiedijzer; —-prairie = prairieland met veel wilde bloemen en struiken; —er = wieder, werktuig of ijzer om mee te wieden; Weeding: —-shears = wiedschaar; —-tongs (—-forceps) = wiedtang; Weediness, subst. v. Weedy = vol onkruid; lang opgeschoten, slap, waardeloos als fok- en renpaard; sjofel.

Week, wîk, week: Will you come a — from Sunday = Zondag over eene week; Next —, Last — = aanstaande, verleden week; The last — = de laatste week; The next — = de volgende week; Next — or — after = de volgende week of de week daarna; To-day (This day) — = vandaag over acht dagen; — and — about = om de andere week; — in, — out = week in, week uit; I’ll call again a — or ten days after this = ik kom over een dag of acht, negen nog wel eens weer aan; A prophetic — = zeven jaren; —day = werkdag; —-end = van Zaterdag tot Maandagmorgen; Weekly, subst. en adj. wekelijksch (tijdschrift); adv. elke week, wekelijks.

Ween, wîn, denken, wanen, meenen.

Weep, wîp, subst. het schreien; — verb. schreien, weenen, beweenen, beklagen, druppelen, vochtig zijn: She had a private — = schreide in haar ééntje; He wept for joy = hij schreide van vreugde; They wept over their losses = schreiden bij (om) hun verlies; Weeper = weener, klager, witte rouwband om den arm, lang rouwfloers aan den hoed, rouwsluier, lange baard (= —ers); Amer. bruine aap: Drooping whiskers of the kind that used to be called Piccadilly —ers; Weeping: —-ash = treuresch; —-birch = treurberk; —-elm; —-rock = dropsteen; —-spring = sijpelende bron; —-tree = treurboom; —-willow = treurwilg.

Weet, wît, watersnip, riethoen.

Weever, wîvə, pieterman (visch).

Weevil, wîvil, soort snuitkever, kalander, koornworm; —led —(l)y = vol wormen.

Weft, weft, inslag, weefsel.

Weigh, wei, subst. zeker gewicht (van wol ± 82,554 K.G.; van koren ± 1453,946 L.; Zie Wey); — verb. wegen, opheffen, opwegen, toewegen, overwegen, neerbuigen, van gewicht zijn, gelden, schatten, hoogachten: We are getting under — at last = eindelijk gaan we anker op, op weg; He was —ed and found wanting = gewogen en te licht bevonden; I have been —ing it carefully = zorgvuldig overwogen; They —ed anchor = zij lichtten het anker; His great responsibility —ed him down = drukte hem; The flour was —ed out to the poor women = toegewogen; That does not — (with him) = dat beteekent niets (bij hem); —-bridge = brugbalans; —able = weegbaar; —age, weiidž = weegloon; waaggeld; —er = weger; Weighing: —-house = waag; —-machine = bascule; Weight, subst. gewicht, zwaarte, druk, last, belangrijkheid, invloed; — verb. gewicht of zwaarte toevoegen aan, bezwaren: Brute, Gross — = bruto gewicht; Dead — = zware last, onnutte last, eigen gewicht (van vat, etc.); Net — = netto gewicht; Set of —s = stel; He is a person of some — = beteekent vrij wat, heeft invloed of aanzien; The jovial light — became a serious man = het vroolijke zieltje-zonder-zorg; You have given me short — = gij hebt mij te weinig gewicht gegeven; That has no — with me = weegt niet bij mij; It has a special — just now = is thans van bijzonder gewicht; This book is worth its — in gold = is zijn gewicht in goud waard; To carry great — = van veel gewicht zijn; This I give you only to make — = om het gewicht vol te maken; To pull up the —s of the clock; His mind must not be —ed with all that stuff = niet bezwaard worden; His words were —ed with the sorrow of parting = waren droevig door; Weightiness, subst. v. Weighty = gewichtig, zwaar, belangrijk, overtuigend, drukkend.

Weir, wîə, waterkeering of dam, omheining van palen of netten in eene rivier om visch te vangen.

Weird, wîəd, onheilspellend, akelig, somber, bovenaardsch; subst. noodlot, voorspelling, betoovering: — Sisters = schikgodinnen; (= —s); To dree one’s — = zich in zijn lot schikken (Schotl.).

Welch, welš, bedriegen, er van door gaan met de ingezette weddingschappen; —er.

Welcome, welk’m, subst. welkom, vriendelijke ontvangst; adj. welkom; — verb. verwelkomen: Most — home = hartelijk welkom thuis; And — = en van harte; You are quite — to it = het is tot je dienst, je moogt het gerust aannemen; You are — to go = gij kunt om mij wel gaan; He might have died and — = om mijn part was hij doodgegaan; To bid — = welkom heeten; He made us — = hij bereidde ons eene vriendelijke ontvangst; To outstay one’s — = langer blijven dan den gastheer aangenaam is; —r = die verwelkomt of vriendelijk ontvangt.

Weld, weld, subst. wouw of verf-reseda; het wellen (v. metalen); — verb. wellen, nauw verbinden: His statements are not thrown together, but properly —ed = maar zitten behoorlijk in elkaar; —able = wat geweld kan worden; —er = wie welt; A —ing heat came from the furnace = eene verschrikkelijke hitte; —ing-furnace.

Welfare, welfêə, welvaart, voorspoed.

Welkin, welkin, hemelgewelf, zwerk.

Well, wel, subst. wel, put, bron, ijskelder (fig.), trappenhuis, advocatenbank in de rechtszaal, wagenbak, bun of vischkaar; — verb. opwellen, ontspringen, vloeien: The — of a carriage = flesschenkeldertje van een wagen; The — of an orchestra = zitplaats (in een theater) voor het orkest; She is at the —s = gebruikt de wateren; Tears would — (up) into her eyes = welden dan op in hare oogen; The —ing tears suffused her eyes = de opwellende tranen; —-boat = visschersschuit met bun; —-deck = deel van het dek tusschen bak en groote hut; —-drain = draineerbuis; — verb. draineeren; —-head = bron, oorsprong, bronwel; —-hole = ruimte voor ascenseur of wenteltrap; —-room = drinkvertrek (van geneeskrachtige wateren), hoosgat; —-sinker = putgraver, -boorder; —-spring = bron; —-staircase = wenteltrap; —-sweep = lange stok om water te putten; —-water = wel- of bronwater.

Well, wel, adj. wel, juist, goed, gezond; adv. goed, wel, gezond, gelukkig, geheel en al, ten volle: I am very — = ik ben heel goed; I am — with that family = op goeden voet; It is — with = staat goed met; Where it is — with me, there is my country = waar het mij goed gaat; That’s — = in orde; It is all very — for B. to talk of burning the books = B. kan wel zeggen, dat..; It is always — to look ahead = het is altijd goed om; When the old die, it is —, they have had their time = is het maar goed; Ah, life is delicious; — to live long! hoe heerlijk is het; The — and the ailing = gezonden; —, I never = heb ik ooit van m’n leven! —! = welnu! Hoe staat het? etc.; — done = Bravo! All’s — that ends — = eind goed al goed; Leave — alone = het betere is de vijand van het goede, begeer niet het onderste uit de kan; You had as — stay at home = ge deedt net zoo goed; He is virtuous as — as rich = zoowel... als; You may — say so = dat zegt gij wél; All — and good = alles goed en wel; If you have some better engagement — and good = enfin, dan is het niet anders; He was sitting — back in his arm-chair = flink, ver achterover; The servant is — enough, but = vrij goed; The clergy are — to the fore in this novel = spelen eene eerste rol; He is — nigh sixty = welhaast; To be —-off = goed “af” zijn, het goed hebben; To be —-off for = goed voorzien van; At six we were — on our way = een heel eind op weg; We are — on in July = een groot deel van Juli is al om; To be — out of = gelukkig af zijn van; Before he was — out of the room = goed en wel de kamer uit was; —-a-day = helaas! —-advised = goed geraden, welonderricht; —-affected = genegen, welgezind; —-appointed = volledig uitgerust, keurig ingericht; —-authenticated = door goede autoriteit gestaafd; —-balanced = evenredig, gelijkmatig; —-behaved = van goed gedrag, fatsoenlijk; —-being = welzijn; —-beloved = veelgeliefd, dierbaar; —-born = van goede geboorte; —-bred = beschaafd, welopgevoed, van goede afstamming; —-chosen = juist gekozen; —-conditioned = in goeden staat; —-content(ed) = gelukkig, tevreden; —-derived = van goede afkomst; —-deserving = verdienstelijk; —-disposed = welgezind; —-doing = plichtsbetrachting, rechtschapenheid; —-dressed; —-educated; —-favoured = knap uitziend; —-fed; —-founded = op goede gronden steunend; —-informed = goed op de hoogte; —-knit = krachtig gebouwd, wat goed in elkaar zit; —-known = (wel)bekend; —-lined = goed gevoed, flink gespekt (fig.); —-mannered = van goede manieren, welgemanierd; —-meaning = welmeenend, goedig; ook subst.; —-meant = oprecht, hartelijk; —-met = heil, welkom; —nigh = bijna; —-paid = goed betaald; —-proportioned = goed geëvenredigd; —-read = belezen; —-refined = hoogst beschaafd; —-remembered = welbekend; —-reputed = te goeder naam bekend, beroemd; —-seasoned = goed gekruid, goed gedroogd (hout): An army of —-seasoned soldiers = beproefde soldaten; —-set = goed geplaatst, gespierd, krachtig gebouwd; —-spoken = vriendelijk; —-thumbed = beduimeld, veel gelezen; —-timed = tijdig; —-to-do = welgesteld: The —-to-do = de gegoede burgerstand; —-wisher = wie een ander het goede toewenscht of het goed met hem meent; —-won = eerlijk verdiend; —-worn = afgedragen, versleten, druk betreden.

Wellesley, welzli; Wellington, weliŋt’n: — (boot) = laars met lange schacht.

Welsh, welš, subst. en adj. (taal of bewoners) van Wales: —-flannel = fijne soort v. flanel; —man = inwoner van Wallis; —-rabbit, —-rarebit, Zie Rabbit; —-wig = kalotje (van wol of sajet); —woman.

Welsh, welš, zie Welch(er).

Welt, welt, subst. boordsel, reepje leer tusschen bovenleer en zool; striem, buil, houw, slag; — verb. boorden, afzetten, ranselen, verwelken, slap (kleverig) worden: Shoes worn to the — = totaal afgedragen.

Welter, weltə, subst. rollen (der golven), verwarring, poel; — verb. zich wentelen, rollen, baden; —-race = rennen met de zwaarste belasting; —-weight = zware belasting, zwaar gewicht (worstelen).

Wemyss, wîmz.

Wen, wen, wen, uitwas.

Wench, wenš, jong meisje of jonge vrouw, negerin (Amer.); meid, boel; — verb. boeleeren; —er = boeleerder.

Wend, wend, gaan, zich begeven naar: We —ed our way to the town = begaven ons.

Wend, wend; —ic; —ish, subst. en adj. (taal) van de Wenden.

Went, went, imperf. van to go.

Wentletrap, went’ltrap, wenteltrap (slak).

Wept, wept, imperf. en p.p. van to weep.

Were, wɐ̂, wêə, imperf. van to be.

We’re, wîə = we are.

Wer(e)gild, wɐ̂gild, weergeld.

Wer(e)wolf, wɐ̂wulf, weerwolf.

Wert, wɐ̂t, 2e pers. sing. imp. van to be.

Wesley, wezli, Wesley: Wesleyan, subst. en adj. (lid van de secte) door W. gesticht; —ism.

West, west, subst. Westen; adj westelijk; adv. ten westen, naar het westen: The — End = Westeinde, aristocratische wijk in Londen; A —-ender = bewoner van ’t Westeinde; — India; — Indian; The — Indies; To the — of the city = ten westen van de stad; —ering = afstand naar het westen, westelijke koers; —erly = westelijk; Western = westersch, westelijk: The — Empire = het Westersch-Romeinsche rijk; —most = het meest naar het Westen gelegen. Zie Westward.

Westmeath, westmîdh; Westminster, wes(t)minstə; Westmor(e)land, wes(t)möland; Westphalia, westfeiljə, Westfalen; Westphalian, subst. en adj. (bewoner) van W.

Westward, westwəd, naar het Westen, westwaartsch; —s = ten westen, westwaarts.

Wet, wet, subst. vocht, nat, vochtig weer, regen, slokje, “hapje”; adj. nat, vochtig, regenachtig, miezerig, beneveld; — verb. bevochtigen, nat maken, weeken, doorweeken, dronken maken: Have a — = neem een “hapje”; Something to keep the — out = een hapje tegen de vochtigheid van ’t weer; I am — through = doornat; Her face was — with tears = nat van tranen; A very — jew = een echte “spekjood”; To have a — night of it = flink drinken; At eleven o’clock sharp, — or fine = bij regen of mooi weer; — the other eye! = op één been kan men niet loopen; He is a —-blanket = hij is een spelbederver; He is a —-bob = jongen (te Eton) die aan watersport doet; —-dock = drijvend dok; —-nurse = min; —-pack = natte omslag; —-shod = met lekke schoenen; —ness = natheid; To get a —ting = nat regenen; —tish = nattig, eenigszins vochtig.

Wether, wedhə, hamel: Bell-— = belhamel (ook fig.).

Wetteravia, wetəreivjə, Wetterau.

Wey, wei, zekere maat (zie Weigh).

Weymouth, weiməth.

Whack, wak, subst. slag, opstopper, handslag, aandeel in den buit, poging; — verb. ranselen, verdeelen, betalen; interj. pats! To go —s = gelijk op deelen; He has had his — = zijn deel gehad, genoten; Say the word and it is a — = en de koop is gesloten; To take a — at = eens probeeren; Out of — = in wanorde; Justice was not fairly —ed out = toebedeeld; Whacker = infame leugen; Whacking = kolossaal.

Whale, weil, walvisch: Your story is very like a — = uw verhaal is heel onwaarschijnlijk, niet te gelooven; —-bird = soort stormvogel; —-boat = walvischsloep; —-bone = balein; —-fin = balein; —-fishery = walvischvangst; —-hunting = walvischvaart; —-louse = parasiet van den walvisch; —-man = walvischvaarder; —-oil = walvischtraan; —-ship = Groenlandsvaarder; —r = walvischvaarder; iets groots of plomps; Whaling: —-master, kapitein van een —-ship.

Whall, wôl, glasoog (Z. Wall).

Whalley, woli.

Whame, weim, horsel = —-fly.

Whang, waŋ, subst. leeren riem, geesel, slag, bons, stuk of snede; — verb. ranselen, geeselen.

Whap, wop; Zie Whop.

Wharf, wöf, subst. werf, kaai; — verb. lossen, vertuien; —age, wöfidž, kaaigeld, (= —-charges), werven, ankerplaats; —-porter = sjouwerman; —ing = werven in ’t algemeen, los- of ligplaats; Wharfinger, wöfinžə, kaaimeester.

Wharton, wöt’n.

What, wot, wat, wat voor, welk, hetgeen, hoe, zulks, deels: — day of the month is to-day? = de hoeveelste is het vandaag; — is the game? = hoe staat de partij; — is your name? = hoe heet ge; — is the (best) news = wat voor nieuws is er; — is the time (of day), — time is it? = hoe laat is het; — is up there? = wat is daar aan de hand; — do you call that? = hoe noemt ge dat? Mr. —-do-you-call-him = Meneer van der Hummes; — money have you got? = hoeveel geld heb je; He gave away — money he had = al het geld; I will tell you — = ik zal je eens wat zeggen; — ho! = hei daar! — next? = en dan; — of that = wat doet dat er toe; — then? = wat zou dat; — matter if they are = en wat doet het er toe of ...; — nonsense = wat een onzin; It won’t do to get into a groove, —? = niet waar? — about him? = hoe gaat het hem; He got — for = kreeg er van; — if he comes = wat zullen we doen zoo hij komt, als hij nu eens komt; — (care) though I am but poor? = wat hindert het; — though he comes = aangenomen (wat hindert het); — between ... and = deels door ... deels door = — with ... — with; He called me fool and — not = en wat al niet; He knows — is — = hij heeft zijn weetje wel; —e’er, —ever, —soever = al wat, wat ook, hoedanig ook: —ever is that on your head? = wat drommel heb je toch op je hoofd; Nobody —ever = niemand wie ook; —like = van welken aard.

Whatnot, wotnot, étagère.

Whaup, wôp, wulp.

Wheal, wîl, puistje, striem; mijn.

Wheat, wît, tarwe: Bearded — = spelt; —ear = tapuit (vogel); —-ear = tarweaar; —-moth, (—-worm) = korenworm; —en = van tarwe: —en bread = tarwebrood.

Wheedle, wîd’l, flikflooien, vleien, bepraten: He —d me out of 5 pounds, —d me into lending him that sum = hij kreeg er mij door mooie praatjes toe, hem vijf pond te geven, leenen; He could — the tire off a cart-wheel (He could — a horse’s hind leg off) = hij kon je het hemd van ’t lijf bedelen; —r = vleier, flikflooier.

Wheel, wîl, subst. wiel, rad, stuurrad, rijwiel, vuurrad, rad van fortuin, cirkelgang, zwenking, schijf; — verb. wentelen, ronddraaien, op raderen vervoeren, in een cirkel bewegen, van raderen voorzien, om eene as draaien, wenden, kruien, zwenken, (wiel)rijden: He was broken upon the — = werd geradbraakt; To grease the —s (fig.) = de hand stoppen; To help the — over = over het doode punt heen helpen; To put one’s shoulder to the — = flink aanpakken; He put a spoke in your — = hij heeft u een spaak in ’t wiel gestoken, in de wielen gereden; I feel myself to be a fifth — to the coach = dat ik het vijfde rad aan den wagen ben; —s within —s = gecompliceerd plan, onduidelijke motieven; We were —ing along at a fast rate = snorden voort; — it back = rol het achteruit; —-animals, —-animalcules = raderdiertjes; —barrow = kruiwagen; —-boat = raderboot; —-carriage = voertuig op wielen; —-chair = rolstoel; —-cutter = radsnijder; —-drag = remschoen; —-horse = Wheeler; —man = roerganger, wielrijder; —-shaped = radvormig; —-steamer = raderboot; —-window = rozet; —woman = wielrijdster; —work = raderwerk; —wright = wagenmaker; —ed = op of met wielen, per as; Wheeler = wieldraaier, radermaker, wielrijder, disselpaard: The leaders and the —s = de voorste en de achterste paarden van een vierspan.

Wheeze, wîz, snuiven, zwaar ademhalen, hijgen; subst. snuiven; aardigheid; snufje: To crack a — = een mop tappen; A new — = een nieuw snufje; Wheezy = snuivend, hijgend, aamborstig.

Whelk, welk, puistje, striem; wulk (schelpd.).

Whelm, welm, overstelpen, indompelen, bedekken, verpletteren, vernietigen.

Whelp, welp, subst. jonge hond, welp, zoon, jonge man, guit; — verb. jongen werpen: Bitch in — = drachtige; —less.

When, wen, wanneer, toen, als: At the very time — he told me this = juist toen hij; Even — you told me so = juist toen; Since —? = sedert wanneer; Since — = sedert welken tijd; — due = op vervaltijd; — received = na ontvangst; — young = in mijn jeugd; —as = wanneer, terwijl; Whence = vanwaar, waaruit; —soever = waar ook vandaan; Whenever (—e’er) = wanneer ook, telkens wanneer = Whensoever.

Where, wêə, waar, waarheen, alwaar: — are you going? = waar gaat ge naar toe; I don’t know —all he is going = waar hij al ... heengaat; —-about(s), adv. nabij welke plaats, waar ongeveer; subst. verblijfplaats, woonplaats, adres: We discovered the —-abouts of the missing lady = waar de vermiste dame was; I sent him to the —-about(s) = heb hem de laan uitgestuurd; —as = terwijl, daarentegen, aangezien, nademaal; —at = waarop; —by = waardoor, waarbij; —fore = waarom, met welk doel, zoodat; —in = waarin; —into = waarin; —ness = plaats waar zich iets bevindt; —of = waarvan; —on = waarop (= —upon); —soever = waar dan ook; —to, —unto = waarheen, waartoe, met welk doel; —ver, wêrevə, waar ook; —with = waarmede; —withal = waarmee; subst. middel (v. bestaan): He has not got the —withal to live = heeft geen middel van bestaan.

Wherry, weri, soort roeiboot, veerboot; soort cider; —-man = veerman.

Whet, wet, scherp maken, wetten, prikkelen, opwekken (v. eetlust, etc.); —-slate = oliesteen = —-stone-slate; —-stone = wetsteen, slijpsteen; —ter = slijper, slijpsteen.

Whether, wedhə, pron. welke van twee; coni. hetzij, of: — he come or go = hetzij hij kome of ga; — or no(t) = al of niet.

Whew, wjû, Poeh! Bah! Foei!

Whewell, wjû’l.

Whey, wei: —-cure; —-tub = weivat; —ey = —ish = weiachtig.

Which, witš, welk, hetwelk, die of dat, welke: — is yours? = welke (van deze) is van u; He knows — is — = kent ze uit elkaar, hij weet er alles van; Added to — = waar nog bij komt; —ever, —soever = welke ook.

Whiff, wif, subst. haal, trekje, ademtocht, haastige blik, soort van lichte roeiboot, soort scharretong; — verb. dampen, uitblazen v. rook: He got a — of the nice dish = kreeg in den neus; I will take a — or two = een paar trekjes doen.

Whiffle, wif’l, subst. fluitje; — verb. met rukken waaien, fluiten, telkens veranderen, uitvluchten maken, wegblazen, doen weifelen; —-tree = zwengelhout.

Whig, wig, subst. Whig, liberaal (van de oude school); adj. van de partij der Whigs; —gery = beginselen der Whigs = —gism; adj. —gish: subst. —gishness.

Whigging, wigiŋ: To give a person a — = afranselen, een schrobbeering geven.

While, wail, subst. tijd, tijdruimte, wijl, poos; — verb. verdrijven, korten; coni. terwijl, zoolang; —s = soms; The — = ondertusschen; In the mean— = middelerwijl; Quite a — = een tijd lang; A good (little) — ago = een heele poos (een poosje) geleden; It is hardly worth (your) — to look at = haast de moeite niet waard (dat gij ...); He visits us between —s = zoo nu en dan; Listen for a — = een oogenblikje; I see your name in the papers once in a — = zoo nu en dan; She has got money to invest every once in a — (Am.) = telkens; Not yet a — = vooreerst niet; I have —d away my time in reading this book = mijn tijd gezellig doorgebracht met; Whilere, wailêə = Whilom, wail’m, wailoum, voorheen, vroeger; Whilst = terwijl: The — = ondertusschen.

Whim, wim, gril, kuur; windas, soort kaapstander, mijn: She is full of —s = vol kuren.

Whimbrel, wimbr’l, regenwulp of kleine wulp.

Whimper, wimpə, subst. gegrien, geteem; — verb. grienen, teemen: Without a — = zonder een kik te geven.

Whimsical, wimzik’l, grillig; Whimsicality = grilligheid = —ness; Whimsy = gril; adj. grillig.

Whin, win, gaspeldoorn; basalt (= —-stone); —-berry = blauwe boschbes; Red —-berry = roode boschbes; —chat = kleine walduiker; —ny = vol gaspeldoorns; vol basalt, basaltachtig. Zie Whinny.

Whine, wain, subst. gejammer, gekerm, geteem; — verb. jammeren, kermen, teemen; —r; In a whiney-piney voice = jankerig.

Whinny, wini, subst. gehinnik, gebriesch; — verb. brieschen, hinniken. Zie Whin.

Whip, wip, subst. zweep, geesel, koetsier, wipper (talie), lijn, wiek van een molen; overhandsche naad, soort stroomsluiter (electr.), schuim, pikeur, agenda door den Whip (= Whipper-in) gezonden; — verb. snel bewegen, snellen, wippen, springen, het snoer uitwerpen, hengelen in, afvisschen, overhands naaien, wikkelen, gappen, knuppelen, takelen, geeselen (ook fig.), zweepen, tot schuim slaan of kloppen: He is a passable — = vrij goed voerman; He rode to it — and spur = spoorslags; Crack (Smack) went the —s = de zweepen klapten; To crack (smack) a — = doen knallen; To — a custard = vlade klaarmaken, kloppen; Do you want me to help you to — the devil round the stump? = dat ik u zou helpen knoeien en bedriegen; We have —ped this part of the stream = afgevischt; It was —ped about (around) with brown paper = gewikkeld in; He —ped it from us = gapte het van ons; He —ped his head into the window = stak plotseling zijn hoofd naar binnen; The tooth was —ped out in less than no time = werd er uitgewipt; They —ped up the cherries = gapten weg; —ped cream = slagroom; —ped eggs = tot schuim geklopt eiwit; —-cord = zweepkoord, snaar; —-hand = rechterhand, voordeel, meerderheid: He did not frequently venture to take the —-hand of her = haar den boel uit de hand te nemen; As you have the —-hand of me, you may be as humorous as you please = daar je me in je macht hebt; —-handle: To have (keep) the —-handle = het heft in handen hebben (houden); —-lash = het slag v. eene zweep; —-saw = trekzaag; —-staff = helmhout; —-stitch = overhands naaien, innaaien, ondiep ploegen; subst. overhandsche steek; —-stock = zweepstok; Whipper (—ster) = geeselaar, zweeper, werkman, die de wipper bedient; —-in = pikeur, leider der honden bij een vossenjacht; invloedrijk parlementslid, dat o.a. zorgt dat zijne partij bij eene belangrijke stemming tegenwoordig is en aan wien in ’t algemeen de partijdiscipline is toevertrouwd; —-snapper = kereltje, nietig ventje; Whipping: —-post = geeselpaal; —-top = drijftol.

Whipple-tree, wip’ltrî = Whiffle-tree.

Whip-poor-will, wipûwil, soort geitenmelker.

Whir, wɐ̂, subst. gesnor, gegons (v. opvliegende vogels); — verb. snorren, gonzend of ruischend opvliegen; interj. rrrr!

Whirl, wɐ̂l, subst. warreling, draaikolk, snorren, kronkeling, krans; — verb. snel ronddraaien, in snellen draai medevoeren, dwarrelen, snorren: They were —ed away = snorden weg; We were quickly —ed back to D. = snorden terug; —pool = maalstroom, draaikolk; —wind = wervelwind: She was in a —wind of passion = werd voortgesleurd door haren hartstocht; —windish activity = onstuimige; —er = wie of wat ronddraait; Whirligig, wɐ̂ligig, draaitol, warreling, draaimolen, draaikever: The — of time = het snelle vlieden van den tijd; —-ventilator = ventilatierad.

Whish, wiš, sissen, suizen, suizend voortsnellen; interj. Sst.

Whisk, wisk, subst. boschje gras (stroo of haar), kleine borstel of bezem, eierklopper, veeg, slag (van een zweepkoord), windstoot; — verb. snel vegen of borstelen, kloppen, rondsnorren, zich snel bewegen: To — along = voortsnellen; To — away = wegvegen, snel afdoen, snel wegnemen, wegwippen; To — down = snel afrukken; To — off = snel wegvegen, afrukken; He —ed with his pocket-handkerchief at a fly = sloeg met.

Whisker(s), wiskə(z), bakkebaard(en), snor (van katten, enz.); —ed = met bakkebaarden.

Whisket, wiskət, mand, korf; kleine draaibank.

Whisk(e)y, wiski, korenbrandewijn of whisky; sjees voor één paard.

Whisp, wisp. Zie Wisp.

Whisper, wispə, subst. gefluister, geruisch, wenk; — verb. fluisteren, ruischen, suizen, influisteren: To give the — = een wenk (tip) geven (sport.); In a — = fluisterend; In a pig’s —, Zie Pig; The elder boy —ed the girl = fluisterde het meisje iets in; He —ed it in my ear = fluisterde het mij in ’t oor; —er = fluisteraar, oorblazer; Whispering: —-gallery (—-dome) = fluistergaanderij of -gewelf.

Whist, wist, subst. zeker kaartspel; interj. St! Stil: Hold your —, Sir! = je mond; —-drive = whistpartij (vaak om prijzen).

Whistle, wis’l, subst. gefluit, fluitje, keel; — verb. fluiten, gieren, schel geluid voortbrengen: It is not worth the — = niet noemenswaard; Not to care a penny — for = geen lor geven om; You pay (too) dear for your — = betaalt uwe liefhebberijen duur; I’ll wet my — first = ik moet eerst mijn keel eens smeren; He can — back the parrot’s call = precies nadoen; She —d her lover down the wind = wou niet meer van hem weten; With this experience everything he had ever cared for was —d down the wind = voor goed voorbij, verdwenen; You may — for it = ge kunt ernaar fluiten; He has been whistling for a wind = hij heeft door fluiten eene bries trachten te krijgen (matrozenbijgeloof); The train was —d off = op het fluitje werd het sein tot vertrek gegeven; —r = fluiter, aamborstig paard; houder van een geheimen drankwinkel = Whistling-shop.

Whit, wit, zier, jota, weinigje: Not a — = in geenen deele; Every — = in elk opzicht.

Whitaker, witəkə.

White, wait, subst. het wit, witte kleur, blanke, mikpunt, eiwit, oogwit; adj. wit, rein, lief, zuiver, blank, vlekkeloos; — verb. pleisteren: She was dressed in — = in het wit; To hit the — = in de roos schieten; He showed the —s of his eyes = het wit; If eggs are boiled too lightly the — does not set = stolt het eiwit niet; —s = fijn tarwemeel, witte goederen; witte vloed; — ant = termiet; — bear = ijsbeer; — clover = witte klaver; — corn (crop) = tarwe, rogge, gerst of haver; It was a — day for you (a day to be marked with a — stone) = geluksdag voor u; He showed the — feather = hij gaf blijk van lafhartigheid; — Friars = Karmelieten; — frost = rijm; — gold = platina; — goods = witte goederen; At a — heat = witgloeiend (ook fig.); — herring = groene haring, pekelharing; — iron = ruw ijzer, blik; —land = leembodem; It was the —st of — lies = het onschuldigste van alle noodleugentjes; — money = zilvergeld; — nights = slapelooze; — rent = belasting van acht stuiver (aan den Hertog van Cornwall) in Devon en Cornwall; belasting in zilver; — rope = ongeteerd touw; — sale = verkoop v. — goods; — Sea; You are as — as a sheet = als een doek; To get (turn) — = bleek worden; —d sepulchres = gepleisterde graven; —bait = witvisch; — beam = witte lijsterbes; —-beard = oude man; —-blaze = bles; —boy = lid van een geheim genootschap tegen de landheeren (Ierland 1761); —-ear = tapuit, witstaart; —-face = bles (paard); —fish = houting, adelvisch; —-foot = (paard met) witte plek (op den poot); —-handed = met blanke, reine (onbezoedelde) handen; —-headed = met grijze haren; —-lead = loodwit; —-limed = gewit; —-livered = lafhartig; —-meat = melkspijzen; wit vleesch; —-paint = loodwitverf; —-pot = pudding van melk, brood, eieren, suiker, enz.; —-smith = tinsmid; —-stocking = groote witte vlek op den poot v. een paard; —tail = —-ear; —-thorn = hagedoorn, meidoorn; —-throat = grasmusch; —wash, subst. witkalk, witsel; — verb. witten, reinigen, den goeden naam teruggeven, homologeeren: To give a room a —wash; To —wash a man’s misconducts = misdragingen vergoelijken; —washer = witter; —wood = boomen met wit hout; —n = wit maken, bleeken, bleek of wit worden; —ner = bleeker, bleekwater; —ness = witheid, bleekheid, reinheid, onschuld.

Whitechapel, wait-tšap’l; Whitefield, waitfîld; Whitehall, waithôl.

Whitey, waiti, witachtig.

Whither, widher, werwaarts, waarheen: —soever he goes = waarheen hij ook gaat.

Whiting, waitiŋ, fijngemalen kalk, witkalk; wijting (soort v. visch).

Whitleather, witledhə, wit leder.

Whitlow, witlou, fijt; klauwzeer (schapen).

Whitmonday, witm’ndei, witmɐndi, Pinkstermaandag; Whitsunday, wits’ndei, witsɐndi, Pinksterzondag; Whittuesday = Pinkster drie; Whitsun, wits’n = pinkster - -, Pinksteren; Whitsuntide, wits’ntaid, (de drie) Pinkster(dagen); Whitsunweek = Pinksterweek.

Whittle, wit’l, subst. mes; wollen mantel; — verb. snijden, scherp maken, bestrijden, besnoeien, verkorten: The radicals want to — down Parliament till nothing remains but the House of Commons = het Parlement te besnoeien.

Whiz, wiz, subst. snorrend of gonzend geluid; — verb. snorren (van kogel of pijl): —zing temples = bonzende (kloppende) slapen.

Who, hû, wie, die: “She is Miss le Marchant.” Miss le —? = juffrouw le “wàt”? — goes there? = werda! —ever = alwie = —soever.

Whoa, wou(ə) ho! (tegen paarden).

Whole, houl, subst. het geheel; adj. geheel, gezond, ongeschonden: (Up)on the — = alles wel beschouwd, over het geheel; Take the — of it = neem alles maar; — and sound = frisch en gezond; My — duty = volle, volledige; — milk = volle melk; The — town = de geheele stad; The — truth = de volle waarheid; To make — = repareeren; —-blood = afstammend in rechte lijn; —-hogger = iemand, die niet van halve maatregelen houdt; —-hoofed = éénhoevig; —-length = van het eene einde naar het andere in de volle lengte: —-length picture = ten voeten uit; —-note = heele noot; Wholeness = ongeschondenheid; Wholesale = groothandel, engros zaak: By — = engros; zonder onderscheid, in ’t algemeen; adj. in ’t groot handelend, goedkoop, zonder onderscheid te maken; — business = engros zaak; — cost (price), — merchant; Wines — and retail = in ’t groot en klein; They were killed — = bij massa’s; To sell —; Wholesaler; Wholesome = gezond, heilzaam: — morals = gezonde zedelijkheid of zeden; — teeth = gave tanden; subst. —ness = gezondheid, heilzaamheid; Wholly, houli, geheel en al, volkomen.

Whom, hûm, wien, dien, dat: —soever = wien ook.

Whoop, hûp, luid schreeuwen, naschreeuwen, uitjouwen; subst. geschreeuw, gekras; interj. hu! — of battle = krijgsgeschreeuw; —ing-cough, hûpiŋkof, kinkhoest.

Whoot, hût; Zie Hoot.

Whop, wop, slaan, ranselen; subst. slag; —per = iets kolossaals, groote leugen: That’s a —per = dat is een leugen alsof het gedrukt was; —ping, subst. pak ransel; adj. kolossaal: A —ping lie.

Whore, hö, hoer; — verb. hoereeren, afgoderij bedrijven; —-master = —-monger = hoereerder; Whoredom = hoerdom, afgoderij; adj. Whorish: subst. —ness.

Whorl, wɐ̂l, haspel, winding van eene schelp: —ed = gedraaid of gekronkeld.

Whortle, wɐ̂t’l, blauwe boschbes = Whortleberry.

Whose, hûz, wiens, welker, welks, wier; Whosesoever = van wien ook; Whoso = al wie = Whosoever.

Whur, wɐ̂, subst. gonzend of snorrend geluid, draai, haast; — verb. gonzen, snorren, knorren, de letter r ratelend uitspreken.

Why, wai, subst. het waarom; adv. waartoe, waarom? interj. wel! That is — = deswege; I wish to know the — and the wherefore = het waarom en waartoe; It’s not yours to reason — = de reden te vragen; —so = waarom? —, I never saw such a fool = wel, wel! ik heb nooit zoo’n dwaas gezien; —, there is enough left = daar is toch genoeg over, niet waar?

Whydah, widə.

Wick, wik, pit (v. lamp of kaars); bocht, baai: To turn up the —; —-yarn = lampenkatoen; —ing = los katoen voor het maken van —s.

Wicked, wikid, slecht, zondig, goddeloos, onzedelijk, ondeugend, snaaksch; subst. —ness.

Wicken(-tree), wik’n(trî), gewone lijsterbes.

Wicker, wikə, subst. rijs, teen, wilgentakje, mandewerk; adj. van teenen of twijgjes (= —ed); —-basket = teenenmand; —-bottle = mandflesch; —-chair = rieten stoel; —-cradle = mandewieg; —work.

Wicket, wikət, deurtje, poortje, kijkgat, schuif, de drie in den grond geslagen paaltjes met een dwarspaaltje er op (v. cricket); —-keeper.

Wiclif(fe), wiklif.

Wide, waid, breed, wijd, ruim, uitgestrekt, veelomvattend, ver van (met of): A — answer = verkeerd; His glory resounded far and — = heinde en ver; Your answer is (not) — of the mark = geheel en al mis (niet zoo ver mis); — of the truth = geheel bezijden; The door is — open; —-awake, subst. slappe, lage vilten hoed met breeden rand; rand; adj. goed of klaar wakker, bij-de-hand, klaar, gevat; —-quoted = waarvan de noteeringen sterk uiteenloopen; —-skirted = met breede randen, uitgestrekt; —-spread = heinde en ver verspreid; The agreement was very —ly drawn = omvatte, zoo te zeggen, alles; To differ —ly = hemelsbreed verschillen; —n = verwijden, verbreeden, wijder worden; —ness = grootte, uitgestrektheid.

Widgeon, widž’n, smient, fluiteend.

Widow, widou, subst. weduwe; — verb. tot weduwe maken, berooven: Being a —, she had no bridesmaids; her train was held up by a boy; —’s bounty = (officiers)weduwpensioen; —’s cap = mutsje door weduwen gedragen; —’s weeds = weduwenrouw; —-hunter = wie op een rijke weduwe uit is; A —-lady (—-woman); —-wail = cnoorum tricoccum; —ed = beroofd, verlaten, eenzaam: He was —ed of his power = beroofd of verstoken; —er = weduwnaar; —(er)hood = weduw(naar)staat.

Width, width, wijdte, uitgestrektheid; —wise = in de breedte.

Wield, wîld, hanteeren, zwaaien: To — authority = uitoefenen; He —ed the sceptre = zwaaide den scepter; It is impossible to — such a sword = te hanteeren; —able = hanteerbaar; —less = niet te hanteeren.

Wife, waif, (getrouwde) vrouw, huisvrouw, gade: The — = vrouwlief; To give (To take) to —; —-beater = vrouwenbeul; —hood = staat eener getr. vrouw; —less = zonder vrouw, ongetrouwd; —like = eene vrouw betamend, vrouwelijk; Wifie = vrouwtje.

Wig, wig, pruik; — verb. een uitbrander geven: Big — = groote hans; —-bag = haarzak; —-block = pruikebol; —-maker; —ged = met eene pruik.

Wigan, wig’n: Here is to the mayor of —, i.e. to ourselves = wij ledigen dit glas op onszelf.

Wigeon = Widgeon.

Wigging, wigiŋ, uitbrander, standje: I gave him a good —.

Wiggle, wig’l. Zie Wriggle.

Wight, wait, subst. persoon, wezen; adj. vlug, dapper.

Wigwam, wigwam, wigwôm, wigwom, Indiaansche hut.

Wild, waild, subst. wildernis; adj. wild, woest, verwilderd, onbebouwd, onstuimig, onredelijk, loszinnig, roekeloos, buitensporig, onordelijk, fel op, ver mis: To drive — = woest maken; She got — = werd “woest”, boos; To go — over = dwepen met; To feel — = woest zijn (fig.); Our flowers have run — = zijn verwilderd, wild opgeschoten; To talk — = overdrijven; — beast; — boar = everzwijn; — look; — project = dol, avontuurlijk; — mare = nachtmerrie; wip: They were riding the — mare = aan het wippen; — oats (Zie Oats); The —est rubbish = de grootste onzin; —-born = in wilden staat geboren; —cat = wilde kat; —cat bank = zwendelfirma; —cat speculation = onsoliede, dolle speculatie; —cat train = trein buiten de dienstregeling; —catter = iemand die grondboringen doet in de hoop petroleum te vinden (Amer.); —-fire = Grieksch vuur, weerlicht, roos (ziekte): The report spread like —-fire = als een vuurtje; —-fowl = wild gevogelte (vooral watervogels); —-fowling = het jagen op —-fowls; —-goose, subst. wilde gans; adj. dolzinnig, dwaas: A —-goose chase = dwaze onderneming, dol plan; —erness, wildənəs, wildernis, woestenij; —ing, subst. in ’t wild groeiende plant, of vrucht daarvan; adj. in ’t wild groeiend; —ness = wildheid.

Wilde, waild.

Wile, wail, slimme streek of zet, list.

Wilful, wilful, opzettelijk, moedwillig, eigenzinnig, halsstarrig; subst. —ness.

Wilhelmina, wilhelmînə.

Wiliness, wailinəs, subst. v. Wily.

Wilk, wilk = Whelk.

Wilkes, wilks.

Will, wil, subst. wil, wilskracht, willekeur, verlangen, testament; — verb. zullen, willen, plegen, wenschen, begeeren, bevelen, vermaken: You may change it at — = naar welgevallen; To have all things at — = alles naar wensch hebben; He holds his power at the people’s — = ontleent zijne macht aan den wil des volks; Of your own free — = geheel vrijwillig; He fell (set) to work with a — = met lust en ijver; With good — = met goeden wil; She would have her — = haar zin; He had a — of his own = was eigenzinnig; To make one’s — = zijn laatsten wil (testament) maken; To work one’s — = zijn wil doorzetten; Good— = welwillendheid, klandizie: Good— to man = in menschen een welbehagen; He bears me a good (an ill) — = is mij welgezind (draagt mij een kwaad hart toe; Zie ook Way); He — get angry = is wel eens boos, wordt gauw boos; Boys — be boys = jongens zijn jongens; He — have me dine with him to-morrow = hij wil mij morgen te eten hebben; — he nill he = of hij wil of niet, willens of onwillens; The Lord —s me to go = de Heer wil, dat ik ga; His cousin —s the estate to his sister = vermaakt; You are free to — your property away to anybody = vrij uwe bezittingen aan wien ge wilt te vermaken; —-power = wilskracht; You are a self-—ed character = eigenzinnig, koppig. Zie Willing.

Will, wil, verk. van William, wilj’m; Willie Winkle = Klaas Vaak.

Willing, wiliŋ: I am — = ik ben bereid, wil wel; God — = indien God het wil; — or not — = — or unwilling = hij mag willen of niet; —ness = gewilligheid, genegenheid.

Will-o’-the-wisp, wilədhəwisp, dwaallichtje.

Willoughby, wiləbi.

Willow, wilou, wilg, wilgentak(-hout), bat: He (she) is wearing the — = treurt of rouwt over een verloren lief; To wield the — = cricketen; —-garland = wilgenkrans; —-tree = wilgenboom; —-warbler = —-wren = fitis, hofzanger; —ed = vol wilgen, met wilgen beplant; —y = vol wilgen, als wilgen, als eene wilg.

Willy-nilly = of hij wil of niet, weifelend, onbetrouwbaar.

Willy, wili, Wim.

Wilt, wilt, verwelken, slap worden, ontzenuwen.

Wilton, wilt’n: — carpet, soort. v. pluche of velours tapijt; Wiltshire, wiltšə.

Wily, waili, sluw, slim.

Wimble, wimb’l, subst. drilboor; — verb. boren, drillen.

Wimbrel, wimbr’l. Zie Whimbrel.

Wimple, wimp’l, subst. kap waarmede de priesters worden bekleed bij de aflegging der geloften; zwarte kap der nonnen; — verb. met een kap bedekken, omsluieren, rimpelen, kronkelen: The wimpling waves = gerimpelde golven.

Win, win, subst. overwinning, gewonnen partij, succes; — verb. winnen, verkrijgen, behalen, overwinnen, zegevieren, bewegen, overreden: — her and wear her = win haar en koester haar; Who —s loses = qui perd gagne; He could not — the ear of the audience = zijn gehoor niet boeien; To — one’s way = (langzaam) vorderingen maken; He has won me over = mij overgehaald; We have won through this dreary time by the help of illusions = zijn dezen naren tijd te boven gekomen; That has won upon the hearts of the people = het hart der menschen ingepakt; We have won upon the enemy = een voordeel behaald op; He so won upon me that .... = kreeg me zoover; —ner = winner; —ning = bekoorlijk, innemend (—s = winst): To have a —ning way with a person = zich bemind maken bij; —ning-post = eindpaal (bij wedrennen).

Wince, wins, terugdeinzen (at), ineenkrimpen, uitvluchten zoeken: He —d from the very thought of death = ijsde bij; He —d under the blow = kromp ineen; Without wincing = zonder een spier te vertrekken.

Winch, winš, subst. haspel, lier; — verb. ophijschen met een lier.

Winchelsea, wintšəlsî; Winchester, wintšəstə: — rifle = soort geweer.

Wind, wind, wind, tocht, lucht(druk), adem, opgeblazenheid, blaasinstrument; — verb. luchten, laten doorwaaien, achter adem brengen, afjakkeren, op adem laten komen: Wood-—s = houten blaasinstrumenten; The delicacy of the — in the prelude = het fijn opgevatte gedeelte voor de blaasinstrumenten; —s and strings = blaasen strijkinstrumenten; The four —s = streken van het kompas; Short — = korte adem; Sound of — and limb = gezond van lijf en leden; Before the — = vóór; Close to the — = scherp bij den wind; Down the — = vóór, met den wind mee; Everything here is going down the — = alles gaat te niet, naar de maan; We were steaming in the teeth of the — (= in the —’s eye) = vlak in den wind; There is something in the — = aan de hand, er broeit wat; To have a thing in the — = lucht van iets hebben; He was three sheets in the — = aangeschoten; Near the — = scherp bij: To sail near the — = iets zeggen, dat “bij ’t kantje af” is; You must go as near the — as you possibly can = het zoo zuinig mogelijk aanleggen; To preach to the —s = te vergeefs; To throw to the —s = zich niet bekommeren om; He sails with the — = hij waait met alle winden; With the — aft, ahead = met den wind van achteren, van voren in; I wish to ascertain how the — blows = uit welken hoek de wind waait; Sits the — in that corner? = waait de wind uit dien hoek; To break — = een boer laten; The horse carries (the) — = draagt zijn kop (neus) hoog; To change the — = van koers veranderen; He got his second — = kwam op adem; I got — of it = kreeg er lucht van; The affair got — = de zaak werd ruchtbaar; I have (take) the — of you = ik ben je de baas; To raise the — = geld los krijgen; I will take the — out of his sails = de loef afsteken; (The part of a ship) between — and water = het deel dat door het rollen van het vaartuig of den golfslag dikwijls boven het water uit komt; gevaarlijke plaats; — and weather permitting = wind en weder dienende; Trade —s (= Trades) = passaatwinden; —bag = windzak, bluffer, praatjesmaker; —bag sleeves = pofmouwen; —bound = door tegenwind opgehouden; —-break = heining of hek om den wind te breken; —-broken = dampig (= Broken-—ed); —-dropsy = trommelzucht (Med.); —-egg = windei; —fall = wat door den wind af- of neergewaaid is, meevallertje, buitenkansje; —fallen = door den wind afgewaaid; —-flower = gentiaan, paarsche anemoon; —-furnace = windoven; —-gall = gezwel onder aan de pooten van een paard; —-gauge = windmeter; —-gun = windroer; —-guard = vóórruit (van auto); —-hatch = mijnschacht waaruit het erts naar boven wordt gebracht; —-instrument = blaas- of windinstrument; —mill = windmolen: You are tilting at —mills = vecht tegen windmolens; —pipe = luchtpijp; —-rode = door den wind tegen den stroom in gedraaid (van een geankerd schip); —-row = zwad gras of een hoop turf (om te drogen); — verb. in regels leggen; —-sail = koelzeil (als ventilator beneden in het schip); —-side = windzijde; —-tight = ondoordringbaar voor den wind; —age = luchtdruk, zuiging, speelruimte (kanon), invloed van den wind op de afwijking van een kogel; —ed: achter adem; vooral gebruikt in samenst.: Long-—ed = van langen adem; Short-—ed = kortademig; —less = zonder wind of adem, glad, vlak; —ward, subst. loefzijde; adj. naar den wind: To —ward = te loever; I have laid my anchor to the —ward = heb tijdig mijne maatregelen genomen; I have got (to) the —ward of him = hem de loef afgestoken; —iness, subst. v. —y = winderig, wind... (— side), opgeblazen.

Wind, waind, winden, draaien, rollen, kronkelen, krom trekken, wikkelen, telkens veranderen; blazen: To — a call = een commando geven met het bootsmansfluitje; The horn was wound = er werd op den hoorn geblazen; To — a ball of worsted = opwinden; He cleverly wound it into his speech = vlocht dat in; The skein was wound off = werd afgewonden; He wound himself out of it = redde er zich uit, draaide er zich uit; He wound his way through all the intricacies of the debate = hij kwam goed en wel door het ingewikkelde debat heen; To — up a letter = besluiten; The thread was wound up = werd opgewonden; — (up) your watch = wind uw horloge op; The band wound up with the national anthem = het orkest speelde het volkslied tot besluit; The business was wound up = werd gelikwideerd; If this sort of thing goes on any longer, I shall be wound up in the bankruptcy court = zal het einde van het liedje een failliet zijn; —-up = likwidatie: —-up sale = finale uitverkoop; —ing-up = slot (van een rede), uitverkoop, faillissement; —er, subst. wie of wat windt, enz., haspel, slingerplant. Zie Winding.

Windhover, windhɐvə, windhovə, torenvalk.

Winding, waindiŋ, subst. bocht, kronkeling, draai; adj. draaiend, kronkelend, krom, draai...: —-engine = kraan; —-horn = waldhoorn; —-sheet = lijkwa; dief (aan een kaars); —-staircase = —-stairs = wenteltrap; —-tackle = hijschtakel.

Windlass, windləs, lier, gangspil; — verb. opwinden met een lier of gangspil.

Windle-straw, wind’lstrô, boender-(struik-, kam-)gras.

Window, windou, venster, loket; Have you got French —s or sash-—s in your room? = openslaande (ramen) deuren of schuiframen; The book was in the — at Green’s = lag voor het raam bij; He broke all the —s = sloeg alle ruiten in; He came in at the door and got out at the — = en ging weg door het raam; He looked out at the — = hij keek door het raam naar buiten; He looked out of the — = hij keek uit het raam naar buiten; —-blind = zonneblind, jalouzie, (rol) venstergordijn = —-curtain = gordijn; —-cleaning company = glazenwasscherij; —-dresser = étaleur; —-dressing; —-duty = belasting op vensters; —-frame = vensterkozijn; —-glass = vensterglas; —-pane = ruit; —-sash = het op- en neergaande deel van een raam; —-seat = vensterbank; —-slot = venstergleuf; —-tapper = porder; —-tax = belasting op de vensters; —ed = met (veel) vensters.

Windsor, winzə, stad: —-chair = met hoogen rug; —-soap = soort toiletzeep.

Wine, wain, wijn, dronkenschap, wijnfuif: Still — = niet parelende wijn; Sparkling —s = parelende wijnen; — and water = grog van wijn; Spirit of — = wijngeest, alcohol; It is a pity to dilute this — = te verdunnen; He never mixes his —s = drinkt nooit door elkaar; Good — needs no bush = behoeft geen krans; When — is in, wit is out = als de wijn is in den man, is de wijsheid in de kan; When the — is drawn it must be drunk = men moet het ijzer smeden als het heet is; —-bag = wijnzak; —-bibber = pimpelaar; —-bin = wijnkist; —-biscuit = wijnbeschuitje; —-bottle; —-cask = wijnvat; —-cellar = wijnkelder; —-cooler = koelvat (voor wijnen); —-decanter = karaf; —-glass = wijnglas; —-grower = wijnbouwer; —-growing; —-lees = wijnmoer; —-merchant = wijnkooper; —-press = wijnpers; —-shop = wijnhuis; —-skin = wijnzak; —-stone = wijnsteen; —-vault = groote wijnkelder; —-vaults = proeflokaal; —-vinegar = wijnazijn.

Winfred, winfred, Winfried.

Wing, wiŋ, subst. vleugel, wiek, vlerk, vlucht, coulisse, épaulet, molenwiek; — verb. van vleugels voorzien, bevleugelen, vliegen, doorvliegen, onschadelijk maken (in den vleugel, arm of been treffen): Swallows on the — = vliegende zwaluwen; We are on the — = aan den arbeid; The general was on the left — = aan den linker vleugel; She went there under the —(s) of her mother = onder moeders vleugels; We went there upon the —s of the wind = op de vleugelen des winds; The bird beat its —s against its prison = sloeg met; To clip a person’s —s = iemand kortwieken; His soul has taken — = is (het lichaam) ontvloden; They took — = gingen aan den haal; The angel —ed his flight (way) to the earth = richtte zijne vlucht naar de aarde; I doubt if I can — the ruffian = onschadelijk kan maken; —-case = vleugelschild; —-shell = vleugelhoren; —-shot = schot op een vliegenden vogel; —-stroke = vleugelslag; —ed = ge- of bevleugeld, vlug: —ed words = gevleugelde woorden; —less = zonder vleugels, met rudimentaire vleugels; —let = vleugeltje.

Wink, wiŋk, subst. knipoogje, wenk, oogenblikje, blink; — verb. knipoogen, wenken: I did not get a — of sleep last night, I never slept a — = heb geen oog dichtgedaan; To give (tip) a — to a person = To tip a person the — = een wenk geven; I will just take forty —s = ga even dutten; He —ed at my shortcomings = zag door de vingers; —-a-peep = guichelheil; —er = wimper, oog, oogklep; It was done like —ey, like —ing = zeer snel en flink.

Winkle, wiŋk’l, alikruik.

Winkle-hawk, wiŋk’lhôk, winkelhaak, scheur (Amer.).

Winnipeg, winəpeg; Winipiseogee, winipisôkî.

Winnow, winou, wannen, ziften, schiften; —er; Winnowing: —-basket (-machine, -sieve).

Winslow, winzlou.

Winter, wintə, subst. winter; ook adj.; — verb. overwinteren, de winterkwartieren betrekken, gedurende den winter bewaren (vertoeven), overhouden (van planten, etc.): It happened at (the) death of —, in the depth of — = in het hartje van den winter; — apple = winterappel; — barley = wintergerst; — citron = soort v. winterpeer; — cough = chronische bronchitis; — crop = winteroogst, wintervrucht; — moth = wintervlinder; — pear = winterpeer; — quarters = winterkwartieren; They went into — quarters = betrokken de winterkwartieren; — solstice = winterzonnestilstand; — suit = winterpak; —-garden = wintertuin; —green = wintergroen; —-ground = eene plant tegen de koude met stroo bedekken; —-kill = door strenge koude dooden (Amer.); —-service = winterdienst; —-time = wintertijd; —-weather = winterweer; —ly = wintersch, winterachtig, koud, somber = Wint(e)ry.

Winy, waini, naar wijn smakend; dronken.

Wipe, waip, subst. veeg, het vegen, slag; lik (fig.); — verb. vegen, afvegen, afwisschen, uitwisschen, ranselen: To give a thing a — = afvegen; He gave me a — = gaf me een lik; I —d his eye = stak hem de loef af; To — one’s feet (shoes) = voeten vegen; The past cannot be —d away as we — writing from a slate; Everything was —d off = afgeveegd, weggevaagd; To — off a score = een rekening vereffenen; To — out = het levenslicht uitblazen; He was —d (out) of his watch = zijn horloge werd hem ontfutseld; — it out = veeg of wisch het uit; I have —d up the floor with him = ik heb hem tegen den grond gesmakt; —r = veger, stoffer, wisscher; Wiping-cloth (—-clout) = doek.

Wire, waiə, subst. draad, ijzerdraad, telegraafdraad, telegram; — verb. met een metalen draad vastmaken, aan een draad rijgen, in een strik (van metaal) vangen, telegrapheeren, met ijzerdraad omringen: He replied by — = per draad, telegrafisch; To manipulate (pull, work) the —s = de draden in handen hebben, in ’t geheim besturen; To send a — = telegram; That boy seems to be all on —s = kan niet stil zitten, heeft kwik in zijn lijf; He has —d away (in) = is met kracht aan den arbeid gegaan; — back, please = antwoord per draad verzocht; —-blind = horretje; —-bridge = hangbrug; —-brush; —draw = trekken of rekken van metaaldraden, uitspinnen, muggenziften; —drawer = draadtrekker; —drawing (fig.) = zaniken; —-edge = draad (van een pas geslepen mes, schaats, etc.); —-entanglement = draadversperring; —-grate = chassinet; —-gauze = fijn metaalgaas; —-puller = die de draden in handen heeft, (politieke) intrigant; —-pulling = geheime invloed, intrige(s); —-stitching = het hechten van de bladen met ijzerdraad; Wireless telegraphy (— station); Wiriness, subst. v. Wiry = van of sterk als ijzerdraad, borstelig, mager en gespierd, taai, scherp: His — chin = zijn scherpe, puntige kin; I am rather —, and can stand a good deal of fatigue = ik ben nogal taai.

Wisconsin, wiskonsin.

Wisdom, wizd’m, wijsheid, wetenschap; —-tooth = verstandskies: Has he cut his —-tooth yet? = heeft hij zijn verstandskies al.

Wise, waiz, wijs, verstandig, vroom (Bijb.), ernstig, ervaren, bekwaam: The three — men of the East = de Wijzen uit het Oosten; — woman = waarzegster; vroedvrouw; It is easy to be — after the event = wie wist, die won; Why, man, take it, who is the —r? = wie weet er wat van, wordt er wat van gewaar; A word to the — is enough = een goed verstaander heeft maar een half woord noodig, —acre, waizeikə, waanwijze, wijsneus; —-hearted = wijs, bekwaam; —ness = Wisdom.

Wise, waiz, wijze: In any — = op de een of andere manier; In no — = op geenerlei manier, geenszins; On this — = op deze manier.

Wish, wiš, subst. wensch, verlangen, begeerte; — verb. wenschen, verlangen, hopen: To give a person his — = iemands wensch vervullen; To have one’s — = zijn wensch vervuld krijgen; I — he may do it = ik wou dat ....; I — you joy (of it) = ik feliciteer u (er mee); I — you well = ik mag u graag, ben u goed gezind; To — a person at the devil (Jericho); I —ed for your return = verlangde naar; I —ed him over the moon = wou dat hij op de Mookerhei zat; —(ing)-bone = borstbeen van een vogel: To divide a —(ing)-bone, (gezegd van een jongen en een meisje, die ieder aan een eind trekken; die het langste stuk in de hand houdt, zal het eerst trouwen of een wensch vervuld zien); —ing-cap (-rod) = tooverhoedje (roede); —er; —ful = wenschend, verlangend, smachtend: To be —ful of; subst. —fulness.

Wishart, wišət.

Wish-wash, wišwoš, slap, waterig; ook subst.; Wishy-washy = slap, onbeduidend, sentimenteel.

Wisp, wisp, wisch, bosje of bundeltje, vegertje, dwaallicht; — verb. afvegen: A — of a girl = een nietig, schraal meisje, klein ding; — of hair; adj. —y.

Wist, wist, oud imperf. van to wit.

Wistful, wistful, peinzend, ernstig, droefgeestig, vol droef verlangen; subst. —ness.

Wistiti, wistiti, soort v. Z. Am. aap.

Wistonwish, wist’nwiš, prairiehond.

Wit, subst. kennis, verstand, vernuft, rede, scherpzinnigheid, grappigheid of geest(igheid), geestig man, humorist; ook verb. in: To — = namelijk, te weten: Mother — = natuurlijk gezond verstand; Ready — = gevatheid; He is at his —’s end, at his —s’ end = ten einde raad; Are you in your —s? = hebt gij “de vijf” bij elkander; He is out of his —s = is de kluts kwijt, gek; He has all his —s about him = al zijne zinnen goed bij elkaar; To come to one’s —s again = weer tot bezinning komen; To drive a person out of his —s = dol maken; You have frightened them out of their —s = ze vreeselijk doen schrikken; To live by one’s —s only = op de een of andere manier zonder werken door de wereld komen; That will set your —s to work = u alle overleg doen gebruiken; Use your —s = gebruik uw verstand; —less = dom, onverstandig, dwaas; subst. —lessness; —ted: Dull-—ed, Quick-—ted = suf, scherpzinnig; —tingly = voorbedachtelijk.

Witch, witš, subst. heks; — verb. beheksen, betooveren: He is no — = geen heksenmeester; —craft = —ery; —-elm = bergiep; —-hazel = hamamelis; —-meal = groote wolfsklauw; —ery = betoovering, bekorting.

Witenagemot(e), witənagəmout, nationale vergadering (bij de Angel-Saksers).

With, widh, met, mede, door, bij, van, etc.: Blind — fear; Frantic — despair = gek van wanhoop; Stiff — cold; Thirsty — walking; I have no power — him = invloed op hem; One year — another = het eene jaar door het andere; I am — you there = met u eens; Withal, widhôl, daarbij, bovendien, verder.

Withdraw, widhdrô, terugtrekken, weggaan, onttrekken, terugnemen, inhouden (bij verkoop): He withdrew his support = onthield ons zijn steun; He —drew from business = trad uit; —al = terugroeping, terugtrekking, terugneming, opvraging van inleg; —er; —ing: —ing-room = Drawing-room; —ment = —al; —n, p.p. van Withdraw.

Withe, w(a)idh, with, subst. wilgentwijgje, rijsje. Zie Withy.

Wither, widhə, verwelken, verdorren, vernietigen: One of those mornings when it is hot and cold, wet and dry, bright and lowering, sad and cheerful, withering and genial, in the compass of an hour = akelig (guur) en lekker; —ed = verdord, uitgedroogd; —ing = vernietigend (fig.).

Wither, widhə: —-lock = boschje haar, waaraan de ruiter bij het opstijgen zich vast grijpt; —-wrung = aan de schoft bezeerd of geschaafd; Withers = schoft van een paard: The — are wrung = de schoft is stuk geschuurd; mijn geduld is ten einde; To press on the wrung — = de gevoelige snaar aanroeren; My — are unwrung = ik ben van alle werk ontslagen, vrij.

Withheld, widhheld, imp. en p.p. van Withhold, widhhould, weerhouden, onthouden, onttrekken: The permission was withheld from him = werd hem geweigerd; —er; —ment = onthouding, etc.

Within, widhin, adv. en prep, binnen, in, van binnen, inwendig, niet te buiten gaande: His room is — mine = men komt in zijne kamer door de mijne; — call = te beroepen; — doors = binnenshuis; — my memory = voor zoolang ik mij kan herinneren; — a mile of = nog geen mijl; It is not — my power = in mijne macht; — my price = in mijn prijs; — a month’s time = binnen eene maand; The deer was — range = onder schot; — sight; He was — a little of being killed = het scheelde maar weinig of; Who’s — = wie is daar? To live — one’s income = niet meer uitgeven dan men te verteren heeft; To think — oneself = by zich zelf.

Without, widhaut, adv. en prep. zonder, buiten, van buiten, uitwendig, vrij, beroofd van, onafhankelijk van: — day = zonder een dag te bepalen voor samenkomst of behandeling; geheel van de baan; — doors = buitenshuis; — funds in hand = zonder dekking; — one’s reach = buiten bereik; The station is — the town = buiten de stad; I can get ready — you = zonder u; I can do — it = ik kan het missen, heb het niet noodig.

Withsay, widhsei, tegenspreken, ontkennen.

Withstand, widhstand, weerstaan, zich verzetten; —er = tegenstander, die zich verzet; Withstood, widstud, imp. en p.p. van to withstand.

Withwind, widhwaind, akkerwinde, haagwinde.

Withy, withi, w(a)idhi, uit wilgentwijgen, taai, buigzaam.

Witness, witnəs, subst. getuigenis, getuige, ooggetuige (= Ocular —); — verb. getuige zijn van, als getuige teekenen, ondervinden, beleven: In — whereof = ten bewijze waarvan; — for the crown, for the prosecution = getuige à charge; — for the defence, defendant (prisoner) = getuige à décharge; To bear — to = getuigenis afleggen, betuigen; To call to — = tot getuige roepen; When we turn to the art of education, the English educationist does not leave himself without — = laat zich niet onbetuigd; I took him to — = nam hem tot getuige; You have been romping, — your hot face = getuige je vuurroode gezicht; The most violent storm I ever —ed = dien ik ooit beleefd heb; Did you ever — such a thing? = ooit zóó wat gezien; The signatures were —ed = door getuigen gestaafd; —-box = getuigenbank.

Witticism, witisizm, geestige zet; Wittiness, subst. v. Witty = geestig, scherp, snedig.

Witwal, witwôl, groene specht.

Wive, waiv, trouwen, tot vrouw nemen: Hanging and wiving goes by destiny = hangen en trouwen is eene loterij; This Hottentot chief is the most —d man (scherts.) = heeft de meeste vrouwen.

Wiveliscombe, wilsk’m.

Wivern, waivən; Zie Wyvern.

Wizard, wizəd, subst. waarzegger, toovenaar.

Wizen, wiz’n, adj. dor, droog, verschrompeld; — verb. verwelken, verschrompelen; —-faced = met verschrompeld gelaat.

Woad, woud, weede (plant); —ed = met weede, blauw gekleurd.

Wobble, wob’l, waggelen(d loopen); op en neer gaan (van effecten): “Quawk”, said the pig, and —d off; These pictures are wobbly = onzeker in prijs. Zie Wabble.

Woburn, wubən, woubən.

Woe, wou, subst. smart, verdriet, wee: — is me = wee mij; — worth the chase = wee zij de jacht; — worth the day = wee den dag; —begone = naargeestig, in smart gedompeld; —ful = treurig, ellendig, naargeestig, droevig; subst. —fulness; —-worn = door smart verteerd; Woful = Woeful.

Wolcot(t), wulkət.

Wold, would, woud, bosch, heuvelland.

Wolf, wulf, subst. wolf, harde wanklank, lupus; — verb. op de wolvenjacht gaan, gulzig verslinden: A — in sheep’s clothing = een wolf in een schapevacht; He always cries — = maakt altijd valsch alarm; I have a — by the ears = ik heb mijn man gevonden; To have a — in the stomach = een razenden honger hebben; We could hardly keep the — from our door = nauwelijks den mond open houden; —-dog = wolfshond; —-fish = zeewolf; —-net = wonderkuil (soort v. net); —’s bane = gele monnikskap; —’s-claw, —’s foot = wolfsklauw; —’s-peach = tomaat; —ish = wolfachtig, wreed, vraatzuchtig; —kin, —ling = jonge wolf.

Wolfe, wulf; Wolfram, wulfram, Wolfram; wolframium; Wollaston, woləst’n; Wolstonecraft, wulst’nkrâft; Wolseley, wulzli; Wolsey, wulzi; Wolton, wult’n; Wolverhampton, wulvəramt’n.

Wolverine, wulvərin, veelvraat.

Wolves, wulvz, mv. v. Wolf.

Woman, wum’n, vrouw, vrouwelijke bediende: — of the town = prostituée; — of the world = vrouw van de wereld; My good — = vrouwtje; Kept women = maîtressen; Lady’s — = kamenier; The New — = de (ultra) moderne vrouw; The Scarlet — = de moeder van alle ontucht en onheiligheid (Openb. XXII, 4); That frivolous Winsley — = dat wijf (die meid) van die W.’s; He played (acted) the — = speelde de rol der zwakke vrouw; There is a — in the wind = daar zit eene vrouw achter; —-born = uit eene vrouw geboren; —-built = door vrouwen gebouwd; —-doctor = doctores; —-hater = vrouwenhater; —-saint; —-servant; —hood = vrouwelijke staat, vrouwelijkheid; —ish = vrouwelijk, vrouwen...; (— tears), verwijfd; subst. —ishness; —kind = het vrouwelijk geslacht, de vrouwen, het vrouwvolk; —like = vrouwelijk, zacht; —liness, subst. v. —ly = —like; Women, wim’n, vrouwen; —-folk = vrouwvolk; —’s rights = rechten der vrouw; —’s (Woman’s, Woman-) suffrage = vrouwen-stemrecht; —kind = Womankind.

Womb, wûm, subst. baarmoeder, schoot: Falling and displacement of the — = uitzakken; —-fury (med.); —-passage = (hals der) scheede.

Won, wɐn, imp. en p.p. van to win.

Wonder, wɐndə, subst. wonder, verbazing, bewondering; — verb. verbaasd staan, zich verwonderen, nieuwsgierig zijn, benieuwd zijn: —s will never cease = de wonderen zijn de wereld nog niet uit; To do (perform, work) —s = wonderen doen; To look all — = groote oogen opzetten; It caused considerable scandal, and remained a nine days’ — = en bleef een korten tijd de aandacht trekken; No article in a review is a nine days’ — = baart ooit lang opzien; In the name of — = om ’s hemels wil; It is no — he refused = het is heel natuurlijk; He is here, for a — = zoowaar (vreemd genoeg); The seven —s of the world = de zeven wonderen der wereld; I — where he can have been = ik ben benieuwd; I — how much he left me = ik ben toch nieuwsgierig, ben benieuwd; —land = land der wonderen; —-stricken = —-struck = verbaasd, door verwondering getroffen; —-working = wonderdadig; —er = wie zich verbaast, etc.; Wonderful = verwonderlijk, vreemd, verbazend; subst. —ness; Wonderment = verwondering, verbazing; Wondrous = verwonderlijk, vreemd.

Won’t, wount, samentr. v. Will not: It — do = dat gaat niet.

Wont, wount, wɐnt, gewend; subst. gewoonte, gebruik; — verb. gewend zijn, plegen; zich gewennen (— oneself): —ed = gewoon, gewend; —less = ongewoon, niet gewend.

Woo, wû, vrijen naar, dingen naar, het hof maken, trachten te winnen: They — the battle = zoeken den strijd; —er; —ing: To go a-—ing = uit vrijen gaan.

Wood, wud, subst. woud, bosch, hout, vat, houtinstrument; — verb. met bosch bedekken, in bosch veranderen, hout innemen: It was drawn from the — = van het vat getapt; In a — = verward, verlegen; The ale is in the — = in het vat: The Palace in The — = Het Huis ten Bosch; I shall soon be out of the — = buiten gevaar of de moeilijkheid te boven zijn; She is out of the — again = is weer bij (kennis); Have you taken in your stock of — yet? = al hout opgedaan; He doesn’t see the — for trees = hij ziet wegens de boomen het bosch niet; —-ant = boschmier; —-ashes = houtasch; —-band = houtorkest, de blaasinstrumenten, “het hout”; —bine = wilde kamperfoelie; —-bird = boschvogel; —-bound = ingesloten door hooge en zware heggen; —-carver = houtsnijder; —-carving = houtsnijwerk; —chuck = soort v. marmot; — coal = bruinkool; —cock = houtsnip; sukkel; —craft = bedrevenheid in boschcultuur of jacht; jachtvermaak; —cut = houtsnee(plaat); —-cutter = houthakker, maker van houtsneden; —-drink = afkooksel van medicinale planten; —-engraver = houtgraveur; —-engraving = houtgraveerkunst, houtgravure; —-fretter = houtworm; —-gear = raderwerk van hout; —-grouse = auerhaan; —-hole = —-house = houtloods; —-knife = hertsvanger; —land, subst. boschland, adj. bosch.., woud.., boschachtig; —lark = boomleeuwerik; —-lot = stuk land waarop brandhout wordt verbouwd (Amer.); —-louse = houtluis; —man = boschwachter, boschbewoner, houthakker; —-mite = houtworm; —-mouse = boschmuis; —-nymph = boschnimf; —-paper = papier uit hout vervaardigd; —-pavement = houten bestrating; —pecker = specht; —-pigeon = houtduif; —-pile = houtmijt; —reeve = houtvester; —-rick = —-pile; —-rock = bergvlas, soort v. asbest; —-ruff = Lieve Vrouwe Bedstroo; —-sare = koekoekspog; —-screw = houtschroef; —shed = houtloods; —-skin = boot of kano van boombast (Guyana); —-soot = houtroet (bemesting); —-sorrel = boschklaverzuring; —-spite = groene specht; —-tar = houtteer; —-vetch = soort lathyrus; —-wale = —pecker; —-wax(en) = verfbrem; —work = houtwerk; —-worm = —-mite; —ed = bedekt met bosch; Wooden = van hout, houterig, dom, suf: What are you so — about? = hoe ben je zoo suf; — horse = paard (gymn.); ook strafmiddel (To ride the — horse); — shoes = klompen, armoede, oude spotnaam voor de Fransche natie; —ness = houterigheid, stijfheid: That particular —ness which has in all ages been characteristic of mere philologists; Woodiness, subst. v. Woody = houtachtig, boschrijk: — fibre (tissue) = houtvezels (weefsel).

Woof, wûf, inslag, weefsel.

Wool, wul, wol, bont: Great (Much) cry and little — = veel geschreeuw en weinig wol = More squeak than —; To draw (pull) the — over a person’s eyes = iemand zand in de oogen strooien; —-ball = wolbal (in magen van dieren); —-bearing = woldragend; —-comber, wolkammer; —-combing = het wolkammen; —-cotton = boomwol; —-dyed = in de wol geverfd; —-gathering, subst. het vergaren van pluisjes wol; verstrooidheid; adj. verstrooid: His wits are a-—-gathering = zijn verstand is op den loop, hij suft; —-grower = schapenfokker; —-man = wolkooper; —-market; —-merchant; —-mill = wolspinnerij; —pack = baal wol (± 108,826 K.G.); —sack = zitplaats van den Lord Chancellor in het House of Lords; —sorter = wolsorteerder = —-stapler, dit laatste ook wolhandelaar; —-staple = wolmarkt; lengte der wolharen; —-trade = wolhandel; Woollen = van wol, grof, lomp, boersch: —s = wollen stoffen, wollen goederen = — articles of — goods; — trade = wolhandel; —-draper = lakenkooper, handelaar in wollen goederen; —-printer = woldrukker; —-scribbler = machine om wol te kaarden; Woolliness = wolligheid; Woolly = wollig, wolachtig, gedempt, dof, onduidelijk, prikkelbaar, knorrig; —-haired; —-head = neger; —-minded men = suffers.

Woolwich, wulidž.

Woom, wûm, beverbont.

Wootz, wûts, fijn Indisch gietstaal.

Worcester, wustə.

Word, wɐ̂d, subst. woord, uitdrukking, mededeeling, bericht, bevel, wachtwoord, parool, motto; — verb. onder woorden brengen: The — = de H. Schrift; Money is the — = geld is de boodschap; He is as good as his — = houdt zijn woord = He has not been worse than his —; There were angry —s between us = we hadden hooge woorden; At a — = met één woord; By good — = met goedheid; He communicated it to me by — of mouth = mondeling; I repeated it to him — for — = woord voor woord; In a (one) — = in één woord, kort en goed; There you have it in a — = met dat ééne woord is alles gezegd; He is a hero in —(s) = een held met den mond; To a — = woordelijk; Upon my — = op mijn woord; To come to —s = woorden krijgen; He tried to get away from his — = van zijne belofte af te komen; I could not get in a — edgeways = er geen woord tusschen krijgen; To stick to one’s — = zijn woord houden; I take you at your — = houd je aan; To take up the — again = weer opvatten; To understand at half a — = met een half woord verstaan; To bring — = bericht brengen; You shall eat your —s = terugnemen; He gave me many kind —s = sprak zeer vriendelijk; I must have a — with you = u even spreken; To have a few —s = woorden (ruzie) hebben; To have the final — = het laatste woord hebben; I have your — = uw woord, verzekering; I won’t have any —s about it = ik wil er niet van hooren; She hasn’t a good — to say of (for) anybody = zij heeft op iedereen wat te zeggen; To keep one’s — = houden; To leave — with the servant = boodschap achterlaten; I should like a — with you = je gaarne even spreken; To put in a good — for = een goed woordje doen voor = To say a good — for; He has not said his last — = zijn laatste woord nog niet gezegd (fig.); I’ll send you — = ik zal u eene boodschap zenden; To speak a good — for, Zie Put in; You may take my — for it = gij kunt erop aan; To take the — = het woord nemen; To write — = bericht zenden; —-book = woordenlijst; —-building = woordvorming; —-catcher = woordenzifter, woordenvitter; —-catching; —-painter = woordkunstenaar; —-painting = woordkunst; —-picture = beeld of beschrijving; —-spin = met woorden schermen: Journalists can —-spin on occasion = verstaan de kunst om met veel woorden niets te zeggen; —-spinner = redekunstenaar; —-square = reeks v. woorden (in een vierkant) die hetzelfde woord opleveren hetzij naar beneden of van rechts naar links gelezen; Cautiously —ed = voorzichtig gesteld; A well-—ed letter = een goed gestelde brief; —ing = redactie, bewoordingen; —iness, subst. v. —y; —less = sprakeloos, niet uitgesproken; —y = woordenrijk, langdradig: —y warfare = woordentwist.

Wordsworth, wɐ̂dzwəth.

Wore, wö, imperf. van to wear.

Work, wɐ̂k, subst. werk, arbeid, bezigheid, bewerking, behandeling, etc.; —s = industrieele inrichting, fabriek, (uur)werk; goede werken, zedelijke plichten (tegenover “genade”), muren, loopgraven, versterkingen, vestingwerken; — verb. werken, arbeiden, zich inspannen, gisten, stampen (v. een schip), werken op, zich laten bewerken, laten werken, afbeulen, sturen, leiden, oplossen, bedienen, afvisschen, dresseeren, etc.: That is a good day’s — = eene flinke dagtaak; It’s hard and slow — = moeilijk en langzaam vorderend werk; Bicycling is warm — = warm werk; At —! = aan het werk! They were at — on the map = aan het werk; A maid of all — = meid alléén; To be out of — = zonder werk, stilstaand; You’ll have all your — cut out for you = er de handen vol aan hebben; To find a person — = werk verschaffen; I must try to get through all this — to-day = al dit werk zien af te krijgen; You are going the right (wrong) way to — = legt het goed (verkeerd) aan; To go (fall) to — with a will = met ijver aan het werk gaan; To go out to — = uit werken gaan; To make sad — of = verknoeien; To make short — of = korte metten maken met; To set to — = aan het werk gaan, aan het werk zetten; Take up the — you dropped last week = vat het werk weer op; To be thrown out of — = buiten werk (geraakt) zijn; Gas-—s = gasfabriek; An iron-—s = ijzergieterij; The Board of —s = een lichaam, dat de secular functions van de Vestries in de meeste parishes heeft overgenomen (Zie Vestry); To — guns = bedienen; He —ed his men fewer hours = liet werken; To — a mill = aan den gang brengen, drijven; To — arithmetical problems = oplossen; To — a railway = exploiteeren; If I could — my will = mijn zin kon doorzetten (Vergel. To — with a will = flink aanpakken); —ed in iron, gold, etc. = van ijzer, goud bewerkt; He is a hard —ed man = hij moet hard werken; Stocks are —ing down = de effecten gaan naar beneden; The ship is —ing to windward = kruist naar loevert op; I have been —ing at my grammar = heb gewerkt; He —ed himself into the king’s favour = drong zich in; I had a headache but I have —ed it off = maar ze is met werken overgegaan; That did not — on him = had geen invloed; It has —ed out something good = heeft uitgewerkt; I left these things to — out their own problems = om vanzelf tot oplossing te komen; To — out one’s dinner, passage = zijn middagmaal, overtocht verdienen met daarvoor te werken; We have steadily —ed through all the exhibits = hebben alle uitstallingen geregeld nagegaan; He —ed up his rage = hij werd al woedender; It was —ed up into something quite different = er kwam geheel iets anders van; He —ed himself up into a passion = maakte zich driftig; —aday = —-a-day = daagsch, alledaagsch; —-bag = werktaschje; —-basket = mandje; —-box = werkdoos, naaikistje; —-day = werkdag; —-folk(s) = werklui; —-girl = fabriekarbeidster; —house = werkhuis (waarin de armen worden opgenomen, en de voor werk geschikten tot arbeid gedwongen worden); soort tuchtschool of werkinrichting; —man = arbeider, werkman; —manlike = knap, handig, vaardig; —manship = wijze van uitvoering, bewerking, arbeid, bekwaamheid, handigheid: This is a box of excellent —manship = een fraai bewerkte; —-people; —-room = werkkamer (voor vrouwen) in huis of fabriek; —-season = campagne; —shop = werkplaats; —-shy = afkeerig van werken; subst. leeglooper; —-table = werktafel(tje); —woman = werkvrouw, werkster; —able = wat bewerkt, in beweging of gang gebracht, geëxploiteerd kan worden, uitvoerbaar, praktisch: That is not a —able theory, proposal = practisch; —er = werker, werkman, arbeider; werkbij (-mier): He was my fellow —er for a time = wij hebben een tijdlang samengewerkt; Working, subst. werk, gisting, beweging, gang, bedrijf, exploitatie; adj. werkend, arbeidzaam, werkzaam, bruikbaar: —-account = exploitatierekening; —-beam = drijfstang; —-class(es) = arbeidende klasse; —-day, subst. werkdag; adj. als v. een werkdag, zwoegend, gewoon; —-drawing = plan of teekening, constructieteekening; —-expenses = exploitatiekosten; —-man = werkman, arbeider; —-party = troep soldaten voor eene korvee bestemd; —-point = deel der machine waarop het vereischte effect wordt teweeggebracht; Workless = zonder werk, werk(e)loos: The —, the Thriftless and the Worthless, a book by Francis Peek.

World, wɐ̂ld, wereld (ook fig.), aardsch bestaan, levensloop, de menschen, het publiek, maatschappij, menigte: A — of pains = ontzettend veel moeite; — without end = eeuwig; The next (other, future) — = The — to be (— to come) = het hiernamaals; The fashionable (great) — = de groote wereld; It’s him, for all the — = hij is het waarachtig; I wouldn’t part with you for (all) the — = voor niets ter wereld; What in the — do you mean by it? = wat ter wereld; History (Knowledge) of the —; He is a man of the — = een man van de wereld; He is of the — worldly = een echte wereldling, wereldschgezinde; We have travelled all over the —, all the — over = de geheele wereld door- of rondgereisd; All the — say so = alle menschen; All the — and his wife go(es) there = Jan en alleman; She was beginning the — = trad de wereld in; I wish I could begin the — over again = dat ik nog eens weer van voren af aan kon beginnen: I would have given —s = alles; He has renounced the — = heeft van de wereld afstand gedaan; He thinks (all) the — of his nephew = heeft een hoog idée van; As the — goes = zooals het gaat in de wereld; That is how the — wags (Such is the —, This is the way of the —) = is ’s werelds beloop; —-English = phonetisch internationaal spelstelsel v. Melville Bell; —-famous; —-pain = wereldsmart (“Weltschmerz”); —-wearied = de wereld moede, levensmoede; —-wide = oneindig, zeer groot; —-wise = ervaren; Worldliness = wereldsch-gezindheid; Worldling = wereldling; Worldly = wereldsch, menschelijk, aardsch, verachtelijk; —-minded = wereldsgezind; subst. —-mindedness; —-wise = wijs naar de wereld (gew. in afkeurenden zin).

Worm, wɐ̂m, subst. worm, made, larve, stumper, klabak, gewetenswroeging, schroefdraad, krasser op den laadstok, koelslang; — verb. kruipende vooruitkomen, in het geheim en langzaam werken, op slinksche wijze bewerkstelligen, de lading uit geweer of kanon halen, touw spiraalsgewijs omwikkelen, van wormen zuiveren: Even the trodden — will turn = zelfs het wormpje laat zich niet zoo maar trappen; He —ed himself into the king’s confidence = drong zich kruiperig in; He tried to — that secret out of me = van mij los te krijgen; —-cake = wormkoekje; —-eaten = wormstekig; subst. —-eatenness; —-fever = wormkoorts; —-grass = muurpeper; —-hole = wormgaatje; —-powder = wormpoeder, wormkruid; —-seed = alsem, welriekende ganzevoet, boerenkers; —-shaped = wormvormig; —’s meat = voedsel voor wormen, lijk; —-wheel = schroefrad, snek; —y = vol wormen, wormstekig, aardsch, kruipend.

Wormwood, wɐ̂mwud, bittere alsem: It is (gall and) — to him = hij wormt er over, het grieft hem.

Worn, wön, p.p. van to wear, versleten, uitgeput, verweerd, uitgeteerd.

Worrier, wɐriə: He is a — = een kwelgeest, onaangenaam mensch; It has caused me much worriment = me veel last en verdriet veroorzaakt; Worrit, wɐrit (= Worry): Don’t — yourself = plaag jezelf toch niet, zit toch niet (zoo) te kniezen.

Worry, wɐri, subst. kwelling, angst, zorg, drukte, “soesa”; — verb. kwellen, tobben, plagen, afworgen (zooals de honden doen), rukken, uitputten: You have no worries = niets dat u hindert; Don’t be uneasy, my dear old — = lieve tobber (bezorgde moeder); The dog worried the old gentleman’s gaiters = rukte en scheurde aan de slobkousen van den ouden heer; To be worried at = zich ergeren over, verdrietig zijn over; The chief had been —ing for her for two hours = naar haar gevraagd, overal gezocht.

Worse, wɐ̂s, erger, slechter; ook subst.: From bad to — = van kwaad tot erger; — luck = ongelukkigerwijze; To be — = erger, zieker zijn; To be ¼ — = ¼ procent lager staan; I am no — = I am none the — for it = dat heeft me niets gehinderd; To be the — for = minder waard zijn, schade lijden, er slecht aan toe zijn; To be the — for drink = aangeschoten zijn; The — for wear = versleten; To change for the — = minder worden; To get — and — = al erger worden; He is — off than his brother = slechter af; And, to make things —, one of the horses fell down dead = en tot overmaat van ramp; Worsen = verergeren, ontaarden; een voordeel behalen op; His betters or his worsers = zijne meerderen of zijne minderen (schertsend).

Worship, wɐ̂šip, subst. waardigheid, aanzien, eerbied, eerbewijzen, aanbidding, godsdienst, eeredienst, titel (vooral van magistraatspersonen); — verb. aanbidden, vol eerbied behandelen, vereeren, hoogachten, zich toewijden: Yes, your — = ja, edelachtbare; —ful = grootachtbaar (titel): —ful Master; subst. —fulness; —per = aanbidder: —per of idols = afgodendienaar.

Worst, wɐ̂st, subst. en adj. slechtst(e), ergst(e), minst(e), snoodst(e); — verb. verslaan, overwinnen: At the — = op zijn minst, in ’t ergste geval; In the event of the — = If the — comes to the — = als het op het ergst loopt; The — of the thing was = het ergste van de zaak was; Let him do his — = het ergste doen wat hij kan; He had (got) the — of it = hij verloor het, trok aan het kortste eind; Why should you suppose the —? = het ergste onderstellen; They were —ed in the battle = zij werden in den strijd totaal verslagen.

Worsted, wustid, subst. en adj. (van) sajet: A ball of — = een kluwen sajet.

Wort, wɐ̂t, kruid (in samenstellingen).

Worth, wɐ̂th, worden of zijn (alléén) in: “Woe —” met volgenden datief: Woe — the chase, woe — the day, That costs thy life, my gallant grey = wee de jacht en wee den dag.

Worth, wɐ̂th, subst. waarde, waardij, verdienste, uitstekendheid; adj. waard: To be — = gelden, waard zijn; What’s that man —? = hoeveel bezit die man; Take all I’m — = neem alles wat ik bezit; It is hardly — looking at = haast geen aankijken waard; It is as much as my place is — to let him see it = het zou me mijn betrekking kunnen kosten, als hij het zag; He gave the last shilling he was — = dien hij bezat; He liked to think that he was — his salt = dat hij den kost waard was; You are not — a two-penny rope = je bent het ophangen niet waard; He danced for all he was — = zooveel en zoo goed hij kon; —iness, wɐ̂dhinəs, waardigheid, deugd, uitstekendheid; —less = waardeloos, verachtelijk; subst. —lessness; Worthy, wɐ̂dhi, subst. held, beroemdheid, persoon; adj. waardig, edel, verdienstelijk: The Nine —ies = de negen helden der Oudheid (Hector, Alexander, Julius Caesar, Jozua, David, Judas Maccabaeus, Arthur, Karel de Groote, Godfried v. Bouillon); I am — to be scorned = verdien veracht te worden; This work is not — of your talents = is uwe talenten en gaven onwaardig; The labourer is — of his hire = zijn loon waard.

Would, wud, imperf. van will: — to God = God gave; He — often go there = placht te gaan; — you have me go there? = woudt ge, dat ik daarheen ging? What — you have me do? = wat woudt ge (dan) dat ik deed; I — have you know = ik moet je zeggen; Would-be, subst. bluffer; adj. zoogenaamd: A — friend = valsche, zoogenaamde vriend; A — sportsman = Zondagsjager.

Wound, wûnd, subst. wonde, smart; — verb. wonden, kwetsen: To give (inflict) a — = eene wonde toebrengen; To — to death; To — to the quick = pijnlijk verwonden of grieven; —-fever; —-wort = andoorn.

Wound, waund, imp. en p.p. van to wind.

Wove, wouv, Woven, wouv’n, imperf. en p.p. van to weave: —(n) paper = velijnpapier.

Wow-wow, wauwau, woef (= hond in de kindertaal); langarmige apensoort (Sumatra).

Wrack, rak, zeewier; wrak; lichte, dunne wolk (Zie Rack): Let the world go to — = ten onder gaan.

Wrain-bolt, reinboult; Zie Wring-bolt.

Wraith, reith, geest(verschijning) van iemand vóór zijn dood of even na zijn dood, schim, spook: His friendship for me was henceforth a hollow — = niets dan eene schim, eene holle klank.

Wrangle, raŋg’l, subst. gekijf, ruzie; — verb. kijven, rumoerig twisten: The birds were wrangling for the seed = vochten om; Wrangler = twister, ruziemaker; aan de universiteit te Cambridge een van hen, die in het Honours examen voor B.A. in de wiskunde hooge punten hebben behaald; de beste heette Senior — (afgeschaft in 1909); —ship; Wrangling = twist, ruzie.

Wrap, rap, subst. omhulsel, overtrek, omslagdoek, sjaal, mantel, morgenjapon; — verb. samenwikkelen, bedekken, inwikkelen, oprollen, hullen, opgaan in: The world was —ped in silence, darkness = in stilte duisternis gehuld; I don’t understand why you are so —ped up in your country = hoe gij zoo geheel in uw land opgaat, er zoo mee zijt ingenomen; —page = omhulsel; Wrapper = emballage, sjaal, morgenjapon, doek, dekblad, kruisband: Sumatra —s = sigaren met S. dekblad; Wrapping-paper = pakpapier; Wrapt = P. Imp. en P.P. v. To wrap.

Wrasse, ras, lipvisch.

Wrath, rôth, râth, woede, gramschap; —ful = vol toorn en gramschap; subst. —fulness; —y = toornig, gramstorig.

Wreak, rîk, subst. wraak, woede; — verb. wreken, koelen: To — one’s anger (rage) upon = zijn toorn (woede) koelen aan; I’ll — my vengeance on you = zal mijne wraak aan u koelen.

Wreath, rîth, krans, ring, winding, kring: —s of smoke; Wreath(e), ridh, omkransen, bekransen, kronkelen, strengelen; Wreathy, rîthi, gewonden, etc.

Wreck, rek, subst. wrak, wrakhout, vergaan, verval, ondergang, vernietiging; — verb. vernietigen, te gronde richten, stranden, schipbreuk (doen) lijden, te gronde gaan: —s = overblijfselen, wrakhout: Receiver of —s = strandvonder; Everything went to — and ruin = ging te gronde; The ship was —ed off Kijkduin = verging; To — a train = een spoorwegongeluk veroorzaken; The rebels —ed the bakers’ shops = vernielden en plunderden; —-commissioner = strandvonder (Amer.); —-free = niet onderworpen aan het strandrecht, zooals b.v. de Cinque Ports; —-master = strandvonder (Engl.); Wreckage, rekidž, schipbreuk, wrakhout, overblijfselen; Wrecker = stranddief, strandjutter, strandwacht, bergingsschip; Wrecking-car = spoorwagen met materiaal om na een spoorwegongeluk den weg vrij te maken (Amer.).

Wren, ren, tuinkoning: A — in the hand is better than a crane to be caught = één vogel in de hand is beter dan tien in de lucht; —ning = jacht op —s; de 26e Dec. heet in ’t Z. van Ierland —ning-day, omdat oudtijds de —s op dien dag gevangen, en in triomf van huis tot huis gedragen werden om geld voor een pretje op te halen; de deelnemers aan de jacht heetten —-boys.

Wrench, renš, subst. ruk, verdraaiing, draaiing, verstuiking, schroefsleutel; — verb. draaien, wringen, verdraaien, verrekken, verstuiken: It was a hard (shocking) — to part with her = het was een zeer hard gelag; Students have a fancy for —ing off knockers = mogen graag kloppers (bellen) “moeren”; To — open = openbreken.

Wrest, rest, subst. draaiing, winding, list, verrekking; stemhamer; — verb. verdraaien, verwringen, ontrukken.

Wrestle, res’l, subst. worsteling, worstelwedstrijd; — verb. worstelen, strijden; —r = worstelaar, athleet; Wrestling-place = worstelplaats.

Wretch, retš, ellendeling, schelm: ongelukkige: Poor — = arme stakker: That young — of a girl = dat nest; Wretched, retšid, ellendig, ongelukkig, betreurenswaardig, armzalig; subst. —edness.

Wrexham, reks’m.

Wriggle, rig’l, subst. wriemelende beweging, draaiing; — verb. wriemelen, zich kronkelend bewegen, draaien, wrikken (v. een boot): To — oneself into a person’s favour = zich vleierig indringen; —r = draaier, knoeier.

Wright, rait, bijna alléén in samenstellingen, als Cart— = wagenmaker; Ship— = scheepstimmerman.

Wring, riŋ, wringen, draaien, persen, afpersen, uitknijpen, omdraaien, buigen, martelen, pijnigen: He wrung the confession from me = perste mij de bekentenis af; To — out clothes; These shrieks — my heart = knijpen mij het hart toe; We listened with wrung hearts; —-bolt = ringbout; —er = wringmachine; Wringing: —s of conscience = gewetenswroeging; — of the guts = krampen (plat); —-machine = wringmachine; —-wet = zóó nat dat men het kan wringen.

Wrinkle, riŋk’l, subst. rimpel, plooi, vouw, oneffenheid, gelukkige gedachte of inval, wenk; — verb. rimpelen, plooien, vouwen; liegen, opsnijden: I’ll put you up to a — (or two) = ik zal je eens op de hoogte brengen; Shopping —s = kneepjes bij ’t koopen in acht te nemen; He —d up his face, nose; —d = Wrinkly.

Wriothesley, rot(ə)sli.

Wrist, rist, handgewricht; —band = vaste manchet, boord van de (over)hemdsmouw; —-drop = verlamming der hand; Wristlet = soort polsmof, armband, handboei.

Writ, rit, geschrift, bevelschrift, oproeping, dagvaarding, aanklacht: Holy — = de H. Schrift; —s were issued = bevelschriften werden uitgevaardigd; A — was served upon him = er werd hem eene dagvaarding beteekend.

Write, rait, schrijven, beschrijven, zich schrijven (teekenen): I have written him word = hem geschreven, schriftelijk kennis gegeven; Will you — this fair? = dit in ’t net schrijven; They wrote down what I dictated = zij schreven op; She writes down too much in her books for children = zij schrijft al te kinderachtig; The critic’s objections were written down = werden afdoende weerlegd; The debt was written off = werd doorgehaald, afgeschreven; The ship was written off as wrecked = als vergaan van de lijst gevoerd; Will you — it out? = het copieeren; He has written himself out = zijn schrijversvermogen uitgeput; To — up = bijschrijven, bijhouden: The novel was written up = werd gunstig gerecenseerd, in de hoogte gestoken (afgemaakt) door de critiek; He has written to say that = heeft geschreven, dat; Writer = schrijver, klerk: —’s cramp = schrijfkramp; — to the Signet = een Schotsch solicitor; —ship = schrijversambt.

Writhe, raidh, verwringen, verdraaien, ineenkrimpen: He —d his features as in pain = verwrong zijne gelaatstrekken.

Writing, raitiŋ, geschrift, handschrift, tekst, oorkonde: To commit one’s thoughts to — = op schrift brengen = To draw up (put down, take down in) — = op schrift zetten; In his own — = eigenhandig geschreven; —-book = schrijfboek; —-case = map; —-desk = schrijflessenaar, schrijf map; —-master = schrijfmeester; —-pad = sous-main; —-paper = schrijfpapier; —-part = schriftelijk gedeelte van een examen; —-school = schrijfschool; —-table = schrijftafel; Written = geschreven: It is — = er staat geschreven (in de H. Schrift); — examination; — Law = geschreven wet = Statute Law.

Wrong, roŋ, subst. onrecht, onrechtmatige daad, overtreding, beleediging, nadeel, misvatting; adj. verkeerd, onbillijk, onrechtmatig; — verb. verongelijken, onrecht aandoen, krenken, beleedigen: Private (public) — = onrecht een persoon (de maatschappij) aangedaan, inbreuk op de rechten van een persoon (v. de maatschappij); To be — = verkeerd zijn, ongelijk hebben; That is altogether (decidedly) — = heelemaal (bepaald) verkeerd; There is something — somewhere = er is ergens iets niet in den haak; To do a person — = To do — to a person = verongelijken, onrecht doen; He has done — = verkeerd gedaan, slecht gehandeld; He has had — = is verongelijkt; To get to —s = in de war raken; To get on (to) the — tack = op het verkeerde spoor; To go — = verkeerd gaan, den verkeerden weg opgaan; My watch goes — = loopt niet goed; To go the — way = in ’t verkeerde keelgat komen; To rub the — way = boos maken, prikkelen; To swallow a crumb the — way = in ’t verkeerde keelgat krijgen; To get hold of the — end of the stick = iets bij het verkeerde eind hebben; He got out of bed the — foot (leg) foremost = hij is met het verkeerde been uit het bed gestapt; I am on the — side of sixty = over de zestig; The — side uppermost (outward) = den verkeerden kant boven (buiten), ondersteboven (binnenstebuiten); He —ed her by two years = dacht ten onrechte dat ze twee jaar ouder was; He never —ed me of a penny = heeft mij nooit een cent te kort gedaan; —-doer = overtreder; —-doing = onrecht, overtreding; —-headed = verkeerd, eigenzinnig; subst. —-headedness; —er = verongelijker; —ful = onbillijk, benadeelend, verkeerd; subst. —fulness; —ly = verkeerdelijk, onrechtmatig; —ous = onwettig (Schotl.).

Wrote, rout, imperf. van to write.

Wroth, rôth, roth, verbitterd, toornig.

Wrought, rôt, gewrocht, bewerkt, gevormd, gesmeed, geslagen: He was — on by his relations = werd bewerkt door zijne familie; — up to great fury = tot groote woede gebracht; — upon = bewerkt (fig.); High-— expectations = hooggespannen verwachtingen; —-iron = gesmeed ijzer, staafijzer.

Wroxeter, roksitə.

Wrung, rɐŋ, imp. en p.p. van to wring; — heads = kim (scheepst.).

Wry, rai, scheef, verdraaid, verkeerd: To make a — face = een leelijk gezicht trekken; To make — faces = gezichten trekken; —-neck = scheeve nek (hals); draaihals (vogel); —ness = scheefheid, verdraaidheid.

Wunner, wɐnə, kranige vent = Oner.

Wuther, wɐdhə, huilen, bulderen: —ing heights = onherbergzame hoogten.

Wyandotte, waiəndot, waiəndot.

Wyat(t), waiət.

Wych-elm, witšelm = bergiep; Wych-hazel (Z. Witch).

Wycherley, witšəli; Wyclif(fe), wiklif; Wyclif(f)ite, wiklifait, volgeling van W. (1324–1384); Wycombe, wikəm; Wye, wai; Wykeham, wikəm; Wykehamist, wikəmist, naam van de leerlingen van Winchester College, door Wykeham, Bisschop van Winchester, te Oxford gesticht; Wyndham, wind’m; Wyoming, waioumiŋ.

Wyvern, waiv’n, gevleugelde draak (Herald.).

X.

X, eks; X. = Christ; Xm., Xmas = Christmas; Xn. = Christian; Xnty. = Christianity; Xpher, Xr. = Christopher; Xt = Christ; Xtian = Christian; X-legged = met x-beenen; X-rays = x-stralen.

Xanthian, zanthiən, van Xanthus: —-marbles = marmeren beeldhouwwerken nabij Xanthus, zanthəs, in 1838 ontdekt (thans in het British Museum).

Xanthic, zanthik: — acid; Xanthin, zanth(a)in, zanthin, xanthine.

Xanthippe, zanthipî.

Xanthium, zanthiəm, stekelnoot.

Xanthophyl(l), zanthəfil, bladgeel.

Xanthous, zanthəs, geel; Xanthoxylum, geelhout.

Xebec, zîbek, kleine driemaster (Middell. Zee).

Xenophon, zenəfon.

Xeres, zerəs, zerîz, soort v. wijn.

Xerophagy, zirofədži, dieet van droge spijzen.

Xerxes, zɐ̂ksîz.

Xiphias, zifias, zwaardvisch, zuidelijk sterrenbeeld, zwaardvormige komeet; Xiphoid, z(a)ifôid, zwaardvormig.

Xylograph, zailəgraf, houtsnede; —er, zailogrəfə, houtgraveur; adj. —ic(al), zailəgrafik(’l); —y, zailogrəfi, houtsnijkunst.

Xylonite, zailənait, een soort kunstivoor.

Xylophagan, zailofəg’n, houtkever.

Xylophone, zailəfoun, houten blaasinstrument.

Xyst(os), zist(os), lange overdekte zuilengang voor athletische spelen.

Xystarch, zistâk, leider der athletische oefeningen.

Y.

Y, oeai; Y(ear); Y(ar)d; Y(ar)ds; Ye = The of Thee; Y(oung) M(en’s) C(hristian) A(ssociation) = Christelijke Jongelingsvereeniging; Yr. = Year, Younger, Your; Ys. = Years, Yours; Y(oung) W(omen’s) C(hristian) A(ssociation) = Christelijke Jonge-dochtersvereeniging; Y-level = waterpas; Y-moth = gamma-uil (insect).

Yacca, jakə, podocarpus, kostbare houtsoort (W.-Indië).

Yacht, jot, subst. jacht; — verb. met een jacht zeilen; —er; —ing = het varen met een jacht, hardzeilen; —(s)man = bezitter van (zeiler met) een jacht; —(s)manship = de kunst een jacht te besturen; —swoman.

Yah, jâ, interj. Och kom! Bah!

Yahoo, jahû, naam door Swift (in Gulliver’s Travels) aan een aapachtig menschenras gegeven; ruwe kerel, gemeen sujet; groen of sukkel (Amer.).

Yahveh, jawei, Jehova.

Yak, jak, buffel met paardestaart (Thibet).

Yaksha, jakšə, Hindoesche halfgod.

Yakut, jakût; Yale, jeil: — University (te New Haven).

Yam, jam, yamwortel, broodwortel, broodplant.

Yangtze-Kiang, jaŋtsə-kiaŋ.

Yank, jaŋk, subst. ruk, draai, stoot; — verb. rukken, gappen, snateren, ratelen.

Yank(ee), jaŋk(î), subst. Amerikaan; glas whiskey met stroop (Amer.); ook adj. —-clock = koekoeksklok; —ee-doodle = Amerikaansch volkslied; —eefied, jaŋkifaid, veramerikaanscht; —eeism = idioom of gewoonte der —ees.

Yap, jap, subst. geblaf, gekef; — verb. keffen.

Yard, jɐ̂d, subst. Engelsche en Amer. lengtestandaard (3 feet of 36 inches = ± 91,44 cM.); ra, plaats, rangeerterrein, erf; werf (= Ship-building —); — verb. vee op het erf opsluiten: Government —; Private —; Naval —; He writes by the — = is een veelschrijver; —-arm = nok der ra; —-arm and —-arm = nok aan nok; —-man = spoorwegarbeider; —-measure, —-stick, —-wand = (Engelsche-)ellestok of ellemaat; —-tackle = noktakel.

Yarkand, jâkand; Yarmouth, jârməth.

Yarn, jân, subst. garen, draad; matrozenverhaal, lang (ongelooflijk) verhaal; — verb. een (langdradig) verhaal vertellen: Shall I (pitch) spin you a —? = zal ik jullie een verhaal vertellen?

Yarrow, jarou, gemeen duizendblad.

Yataghan, jatəgan, kromme Turksche dolk.

Yates, jeits; Yaughan, jôn.

Yaup, jôp = Yelp.

Yaw, jô, subst. het gieren van een schip; — verb. gieren; schuimen: To make —s = gieren.

Yawl, jôl, subst. jol; — verb. Zie Yowl.

Yawn, jôn, subst. wijde opening, gaping; — verb. gapen, geeuwen, wijd openen: —ing is catching = geeuwen is aanstekelijk.

Yaw-yaw, jôjô, geaffecteerd, lijmerig spreken.

Ycleped, Yclept, iklept, genaamd.

Ye, jî, gijlieden.

Yea, jei, jî, subst. vóórstemmer; adv. jazelfs, zeker, voorwaar: — and more = ja zelfs; The —s have it = de meerderheid is er voor.

Yeames, jeimz.

Yean, jîn, lammeren werpen; — kid = geitje, bokje; Yeanling, subst. lam.

Year, jîə, jaar: Civil, Solar, Tropical — = het burgerlijk jaar of het zonnejaar; The — of Grace = het jaar onzes Heeren = The — of our Lord; New —’s day = Nieuwjaarsdag: New —’s Eve = Oudejaarsavond(dag); Next — = aanstaande jaar; Last — = verleden jaar; — by — = jaar op jaar; In —s = op jaren; — in — out; One — with another = het eene jaar door het andere; It may be —s first before that happens = daar kunnen nog jaren over verloopen; You bear your —s well = houdt u goed voor uw leeftijd; To come to (the) —s of discretion = tot (de) jaren des onderscheids komen; To get into (grow in) —s = op jaren komen; He has a good thirty —s before him = kan nog wel een dikke 30 jaar leven; —-book = jaarboek; —ling, subst. dier van één jaar; adj. éénjarig; —ly = jaarlijks(ch), een jaar durend.

Yearn, jɐ̂n, vurig verlangen, reikhalzen; bedroeven, diep medelijden voelen met (upon, towards, Bijb.).

Yeast, jîst, gist, schuim; —-bitten = naar de gist smakend (v. bier); —-powder = zelfrijzend bakmeel; —iness, subst. v. —y = gistend, schuimend, luchtig.

Yeat(e)s, jeits.

Yelk, jelk; Zie Yolk.

Yell, jel, subst. gil, krijgskreet; — verb. gillen, huilen.

Yellow, jelou, subst. het geel, geel van een ei; adj. geel, gouden, ijverzuchtig, jaloersch; — verb. geel maken of worden (—s = geelzucht; ijverzucht): He has a — streak in him = hij is in zijn hart een lafaard; — bachelor’s buttons = scherpe boterbloem; — boy = goudstuk; — earth = aardgeel, oker; He opened the — envelope = telegram; — fever = gele koorts; — Jack = gele quarantainevlag; gele koorts; — peril = het gele gevaar; — press = de Jingo bladen; — River; — Sea; —-ammer = geelgors, haverkneu (= —hammer); —-bird = wielewaal; distelvink (Amer.); —-golds = goudsbloem; —-rocket = barbarakruid; —-seed = veld-kruidkers; —stone National Park = een in 1872 tot Nationaal Park bestemd gebied van 5500 □ Mijl in Wyoming, Montana en Idaho; —ish = geelachtig; subst. —ishness; —ness = geelheid; —y = geelachtig.

Yelp, jelp, subst. gekef, geblaf; — verb. keffen, blaffen; —er = keffer.

Yen, jen, Japansche munt (± ƒ 1,25).

Yenisei, jenisei-î.

Yeoman, joum’n, vroegere eigengeërfde (een kleine grondbezitter, volgend op de Gentry), thans ook huurboer, bootsmans-, kanonniers-, timmermansmaat aan boord van een schip, bereden vrijwilliger: —’s service = krachtige steun, goede dienst; He has done his party —-service; — of the wine-cellar = keldermeester; Yeomen of the guard = lijfwacht der E. koningen in 16de eeuwsche uniformen, die aan het hof en bij plechtige gelegenheden dienst doen; hun hoofdkwartier is in den Tower of London; —ry = alle Yeomen; ook een bereden landmilitie (met eigen paarden en uniformen, terwijl het gouvernement de wapens en de munitie verschaft; ze kunnen niet zonder eigen toestemming buitenslands worden gezonden, doch wel opgeroepen worden voor het dempen van oproer).

Yeovil, jouvil.

Yerk, jɐ̂k, subst. ruk, stoot, slag; — verb. rukken, stooten, aanhalen, slaan met beide achterpooten.

Yes, jes, ja.

Yest, jest, gist = Yeast.

Yester, jestə, gister of vorige (alléén nog in samenstellingen, als: —day; —eve, —even, —evening; —morn; —night; —noon; —week; —year): The day before —day = eergister; I was not born —day = ik ben niet van gisteren; —n = van gisteren.

Yet, jet, nog, bovendien, verder, thans, reeds, vooralsnog, nochtans, al, echter: — again = nog eens; — a moment = nog een oogenblik; I have not seen him as — = ik heb hem tot nu toe nog niet gezien; Never — = nog nooit; Shall I go now? Not — = nog niet; Do you know your lesson —? = kent ge uwe les al? I do not mean to die — awhile = vooreerst; The Parliament that will — sit on College Green = toch nog ééns; He is — only 20 = nu nog maar; — time serves = nog is het tijd.

Yew, jû, taxis, taxishout, boog (van dit hout gemaakt); —-tree; adj. —en.

Yew, jû, komen (v. schuim op kokend zout).

Yid, jid, jood, jodin (mv. —den); Yiddish = Joodsch(e taal); Yiddism.

Yield, jîld, subst. opbrengst, productie, winst, oogst; — verb. voortbrengen, opbrengen, afwerpen, opleveren, vieren, loslaten, overgeven, toegeven, zwichten, zich onderwerpen (overgeven), wijken: His courage never —s = hij verliest den moed nooit; Such days would — much pleasure = plachten veel genot te schenken; To — to conditions = genoegen nemen met; To — to despair = zich overgeven aan; To — to superior force = wijken voor; I will not — to such sentimental reasonings = ik luister niet naar, bezwijk niet voor; You must — to the times = je schikken in; To — up the ghost (the breath of life) = den geest geven; —ance = toestemming, concessie; —ing = tot toegeven geneigd, buigzaam, meegaande; subst. —ingness.

Yodel, Yodle, joud’l, subst. gejoedel; — verb. joedelen; Jodeller = iemand die joedelt.

Yoga, jouga, een vorm van Hindoesch ascetisme; Yogi, Hindoesch asceet.

Yo-ho, jouhou, hola!

Yoick(s), jôik(s), subst. oude jachtkreet bij de vossenjacht.

Yoke, jouk, subst. juk, jok, span, band, stuk lands dat twee ossen in één dag kunnen omploegen, juk van het roer, stuurtalie; — verb. onder het juk brengen, het juk aandoen, aanspannen, zich verbinden: To bring under the — = To put to the — = het juk opleggen; To shake (To throw) off the —; These two are ill —d together = passen niet bij elkaar; —-fellow = mede-lijder, levensgezel(lin); —-line, —-rope = stuurtouw; —-toed birds = klimvogels.

Yokel, jouk’l, boerenkinkel, pummel.

Yolk, jouk, dooier; zweet of afscheiding der schapenhuid; —-bag, —-sack = dooiervlies; —y = vettig.

Yon(der), jondə, ginds(ch), ginder.

Yonge, jɐŋg.

Yoop, jûp, interj. huup! subst. schreeuw.

Yore, jö, alléén in: In days (times) of — = in vroeger dagen, lang geleden.

Yorick, jorik; York, jök: —ist = aanhanger van het Huis York.

Yorker, jökə: Een yorker gooien, i.e. den bal bij ’t Cricketspel zoodanig gooien, dat hij zonder den grond te raken den Batsman bereikt.

Yorkshire, jökšə, Yorkshire; ook adj. uit Y.; sluw: I am — too = ben ook niet van gisteren; He came — over me = nam me beet; — man = iemand uit Yorkshire geboortig, slimmerd; — pudding = soort van vleeschpudding; — relish = eene bekende pikante saus; — woman.

You, jû, gij, u, gijlieden, ulieden.

Young, jɐŋ, subst. jong (van een dier); adj. jong, jeugdig, krachtig, frisch, groen, onervaren: — man = jongmensch, bediende, vrijer; — Mr. Smith = Smith, junior; He is a — one = nog niet droog achter de ooren; The — ones cackle as the old cock crows = zooals de ouden zongen, piepen de jongen; Your — hopeful = veelbelovend zoontje (Iron.); With — = drachtig; —-eyed = met frisch, jeugdig uitzicht; —er, jɐŋgə, jonger; —est, jɐŋgist, jongst; —ish, jɐŋgiš, vrij jong, jeugdig; —ling, subst. jonge man, jong meisje; jong dier, nieuweling; adj. jong; —ness = jonkheid, het jongzijn; Youngster = jongeling, jongen, knaap; Younker, jɐŋkə, jonge man; lichtmatroos.

Your, jûə, uw(e): — man of business = je (ware) koopman; Yours, jûəz, de of het uwe: — truly = hoogachtend; You and —s = gij en de uwen; This servant of —s = van u; Yourself = gijzelf, uzelf, gijzelven, uzelven: “Poor boy!” “Poor —” = loop heen met je Poor; Be — = kalmeer je; Tell me —, whether that was right = zeg mij zelf; mv. Yourselves.

Youth, jûth, jeugd, jongeling, jonge man, de jongelui; Youthful = jeugdig: A —-looking girl = een jeugdig uitziend meisje; subst. —ness.

Yowl, jaul, subst. gehuil; — verb. huilen.

Yucatan, jukətân; adj. Yucatecan.

Yucca, jɐkə, jucca, Adam’s naald.

Yuck, jɐk, subst. jeuk; — verb. jeuken, krabben.

Yuft(s), jɐft(s), juchtleder.

Yukon, jûkon.

Yule, jûl, kersttijd; —-block, —-log = groot blok hout voor het kerstvuur; —tide = kersttijd.

Z.

Z, zed; Zach(ary), Zach(ariah); Zeph(aniah); Z(oological) G(ardens); Zoochem(istry); Zoogeog(raphy); Zool(ogy).

Zach, zak; Zachariah, zakəraiə; Zachary, zakəri.

Zaim, zaim, zâ-im, Turksch leenman; —et = district van een Z.

Zain, zein, geheel zwart of bruin paard.

Zambezi, zambeizi.

Zambo, zambou, kind van een mulattin en een neger.

Zamouse, zəmûz, W. Afrikaansche buffel.

Zante, zanti: —-wood = Hongaarsch geelhout, fiset- of fustiekhout.

Zany, zeini, grappenmaker, hansworst; —ism.

Zare(e)ba, zərîbə, omheining, versterkt kamp.

Zayat, zeijat, zâjat, karavansera in Burmah.

Zea, zîə, maïs.

Zeal, zîl, vurige ijver, geestdrift, vuur, gloed; —less = lauw.

Zealand, zîland.

Zealot, zelət, ijveraar, drijver, dweper; —ism, —ry = zelotisme, fanatisme; Zealous, zeləs, vurig, ijverig; —ness.

Zebec(k), zîbek; Zie Xebec.

Zebedee, zebədî, Zebedeus.

Zebra, zîbrə, zebra; —-wolf = buidelwolf; Zebrine, zîbr(a)in, zebra-achtig.

Zebu, zîbjû, zeboe, Indische bultos.

Zechariah, zekəraiə; Zedekiah, zedəkaiə, Zedekia.

Zemindar, zemindâ, zemindâ, zəmindâ, Brit. Ind. erfelijk grondbezitter, die belastingen kan heffen; —y, zemindəri, zemindəri, ambt of district van een Z.

Zenana, zənânə, vrouwenverblijf, harem.

Zend, zend, oude taal v. Zoroaster; —-Avesta = de heilige boeken aan Zoroaster toegeschreven.

Zenith, zenith, zînith, zenith, toppunt: He was in the — of his glory = had het toppunt van zijn roem bereikt.

Zephaniah, zefənaiə, Zephanja.

Zephyr, zefə, zachte zuidwestenwind, zefier; —us, zefirɐs, de w. wind als god.

Zero, zîrou, nul, nulpunt: To be (down) at —; Below —.

Zest, zest, stuk sinaasappel- of citroenschil (of het sap dezer schillen) om geur aan dranken te geven, noteschil, lekkere smaak of geur, genot, welgevallen: Kindness gives a — to intercourse = hartelijkheid is de ziel van den omgang; Not worth a — = geen cent waard.

Zetetic, zətetik, adj. heuristisch; subst. onderzoeker.

Zeus, zjûs.

Zibeline, zibəl(a)in, sabelbont.

Zigzag, zigzag, subst. zigzag; — verb. zigzagvormig maken, zigzagsgewijs loopen of afleggen: The path wound in —s up a steep, rocky slope; adj. met scherpe hoeken en bochten; —gy = met scherpe hoeken en bochten.

Zillah, zila, district (Brit. Ind.).

Zinc, ziŋk, subst. zink; — verb. met zink bedekken: Flowers of — = zinkbloem; —-white = zinkwit; —-worker = zinkwerker; —ky = zinkachtig, zink...; —ode, ziŋkoud, positieve pool eener galvanische batterij; —ograph, ziŋkəgraf, zinkgravure; —ographer, ziŋkogrəfə, zinkgraveur; —ography, ziŋkogrəfi, zincographie; —oid = zinkachtig; —ous = zink....

Zingaro, ziŋgərou, Zigeuner; mv. Zingari.

Zinky, ziŋki, zinkachtig, zink....

Zion, zaiən, Zion.

Zither(n), zithə(n), cither.

Zodiac, zoudiak, Dierenriem; Zodiacal, zədaiək’l: — light; — signs = de twaalf teekenen van den Dierenriem.

Zoedone, zouədoun, een mousseerende alkoholvrije drank.

Zola, zoulə, Zola; —ism = naturalisme, realisme; —istic.

Zonal, zoun’l, als eene zone; Zonar, zounâ, gordel, die voorheen door Christenen en Joden in Turkije moest worden gedragen, ter onderscheiding van de Mahomedanen; Zone, zoun, subst. gordel, luchtstreek, gebied: Frigid, Temperate, Torrid — = koude, gematigde, heete luchtstreek; Zonule, zounjûl, kleine gordel = Zonulet, zounjulet.

Zoo, zû, verk. van Zoological Garden(s).

Zoochemistry, zouəkemistri, scheikunde der dierlijke stoffen.

Zoographer, zəogrəfə, dierenbeschrijver; adj. Zoographic(al); Zoography = dierenbeschrijving.

Zooks, zuks, sapperloot!

Zoolatry, zəolətri, dieraanbidding.

Zoologer, zəolədžə, dierkundige: Zoological, zouəlodžik’l, dierkundig: — Garden(s) = dierentuin; Zoologist, zəoledžist, dierkundige; Zoology, zəolədži, dierkunde.

Zoomorphic, zouəmöfik, met of in dierenvorm; Zoomorphism = voorstellen van een god in diervorm.

Zoons, zûnz = Zounds.

Zoophyte, zouəfait, plantdier.

Zoril, Zorille, zoril, Zorilla, zourilə, een soort bunzing.

Zoroaster, zourəastə; Zoroastrian, zourəastriən.

Zoster, zostə, gordelroos.

Zouave, zwâv, zuâv, zouaaf.

Zounds, zaundz, interj. donders, duivels!

Zoutch, zautš, zûtš, smoren van aal in weinig water.

Zuider Zee, zaidəzî.

Zuleika, siûlîkə.

Zulu, zûlû, Zoeloe; Zurich, zûrik.

Zuyder Zee, Zie Zuider Zee.

Zygodactyle, z(a)igədaktail, Zygodactylic, z(a)igədaktilik, met klimpooten; Zygodactylous, z(a)igədaktilɐs.

Zymology, zaimolədži, leer der gisting; Zymometer, zaimomətə = gistingsmeter.

Zymosis, z(a)imousis, gisting; infectieziekte; Zymotic, zaimotik, gistings - -, infectie - -: — diseases = besmettelijke ziekten.

Spotted a typo or a problem in this chapter? Tell us