← Engelsch woordenboek. Eerste deel: Engelsch-Nederlandsch

Engelsch woordenboek. Eerste deel: Engelsch-Nederlandsch (part 2 of 7)

Part 2 of 7 · Bruggencate, K. ten (Karel) · Public domain text

About this edition

Source: Project Gutenberg e-text #64450, public domain in the United States · text not rewritten or summarized · How RedLectern is built

 

Contents (7)

Continue:

Engelsch woordenboek. Eerste deel: Engelsch-Nederlandsch (part 2 of 7)

Cockney, kokni, subst. (geboren en getogen) Londenaar; verwende en verwijfde jongen; adj. wat een Cockney eigen is; —dom; —fy = tot C. maken; adj. —ish; —ism = aard of uitdrukking van een C.

Cocoa, koukou, cacao; —butter; —-nib = zaadvliesje van de cacaoboon; —-nut = kokosnoot.

Cocoon, kəkûn, cocon; —ery = inrichting voor de zijdewormteelt.

Coctile, kokt(a)il, gebakken; Coction, kokš’n, koking, bakken.

Cod, kod, subst. schil, schaal, buidel, zak; — verb. in eene schil besluiten.

Cod, kod, kabeljauw; —-liver-oil = levertraan; —der = visschersschuit (voor —s); —ling = jonge kabeljauw.

Coda, koudə, coda.

Coddle, kod’l, zacht koken; troetelen, vleien: Don’t — yourself = verwen je zelf niet.

Code, koud, wetboek, reglement: — of morality = zedewet; —-words = afgesproken of telegramwoorden: The telegram was put into the — = in dit schrift overgebracht; Codex = wetboek.

Codger, kodžə, oude vent, vrek.

Codicil, kodisil, aanhangsel van een testament; adj. Codicillary.

Codification, koudifikeiš’n, kodifikeiš’n, codificatie; Codify, koudifai, kodifai, codificeeren.

Codilla, kədilə, ruwe hennep of vlas.

Codille, kədîl, codille (in quadrille of omber).

Codlin(g), kodliŋ, —lin, soort appelboom; Zie Cod.

Codrington, kodriŋt’n.

Coefficient, kouəfiš’nt, medewerkend; subst. coefficient.

Coemption, kouem(p)š’n, het opkoopen of koopen in het groot.

Coequal, kouîkw’l, subst. en adj. gelijk(e); —ity, kouikwoliti, gelijkheid.

Coerce, kouɐ̂s, dwingen; —r; Coercion = dwang; —-act = dwangwet.

Coessential, kouəsenš’l, van hetzelfde wezen.

Coetaneous, kouiteiniəs, even oud.

Coeternal, kouitɐ̂n’l, eeuwig bestaand met; subst. Coeternity.

Coeval, kouîv’l = Coetaneous.

Coexist, kouegzist, gelijktijdig bestaan; subst. Coexistence; adj. Coexistent.

Coffee, kofi, koffie: A cup of black —; To grind, make, roast, take —; —-beans (= —-nibs); —-mill; —-pot; —-room = gelagkamer.

Coffer, kofə, subst. geldkist, kist, koffer, schat; gracht, galerij (vestingb.), sluis (in een kanaal); — verb. in eene kist besluiten; —-dam, kofədam, kistdam; —ed.

Coffin, kofin, subst. doodkist, pasteikorst, peperhuisje, bovenste van een paardehoef, kar van een drukpers; — verb. in eene kist besluiten, insluiten.

Cog, kog, subst. kam of tand (van een rad); kleine boot; — verb. paaien, door mooie praatjes bedriegen: His dice were —ged = zijne dobbelsteenen waren valsch (met lood aan ééne zijde bezwaard); —-wheel = tand- of kamrad.

Cogency, koudž’nsi, overtuigende kracht; Cogent, koudž’nt, krachtig, overtuigend.

Coggle, kog’l, kleine boot; —-stone = afgeronde keisteen.

Cogitate, kodžiteit, denken, overpeinzen; subst. Cogitation; adj. Cogitative.

Cognac, ko(u)njak, cognac.

Cognate, kognit, subst. bloedverwant; adj. verwant (in Schotl. vooral van moederszijde), vermaagschapt, van denzelfden aard; Cognation = bloedverwantschap.

Cognition, kogniš’n, kennis (door eigen ondervinding of onderzoek opgedaan); adj. Cognitive.

Cognizable, ko(g)nizəb’l, kenbaar, vervolgbaar; Cognizance, ko(g)niz’ns, kennis(neming), kenmerk, insigne; competentie, (rechts)gebied: Out of the — of the post; Cognizant, ko(g)niz’nt, kennis dragend of nemend van (of).

Cognomen, kognoum’n, familienaam, bijnaam; benaming.

Cognovit, kognouvit, schriftel. erkenning door den gedaagde, dat de eischer in zijn recht is.

Cogue, kog, nap, vaatje, emmer, slok.

Cohabit, kouhabit, (als man en vrouw) samenwonen; subst. —ation.

Coheir(ess), kouêə(rəs), mede-erfgenaam.

Cohere, kouhîə, samenkleven, logisch samenhangen; subst. —nce = —ncy; adj. —nt; —r = cohaerer, fritter (Draadl. telegr.).

Cohesion, kouhîž’n, cohesie, samenhang, verband; adj. Cohesive; subst. —ness.

Cohort, kouhöt, krijgsbende (oudtijds 500 à 600 man).

Coif, kôif, kwof, subst. kuif, kap, kapsel; — verb. met eene kap bedekken.

Coiffure, kwofûə, kapsel.

Coign(e) kôin. Zie Coin.

Coil, kôil, subst. kronkeling, bocht; vlecht: (False back —s), rumoer, verwarring, menigte; — verb. kronkelen.

Coin, kôin, subst. hoek, buitenhoek, wig, muntstempel (gestempelde munt); — verb. munten, smeden, bedenken, verzinnen: Current — = gangbare munt: To be all over — = een bom duiten hebben; He was paid in his own — = met gelijke munt betaald; He is —ing money = hij verdient geld als water; He —ed new words = smeedde; —age, kôinidž, het munten van geld, muntstukken, het bedenken (van onware of valsche voorstellingen); —er = stempelaar, valsche munter, bedenker (van leugens, enz.).

Coincide, kouinsaid, samenvallen, overeenkomen; Coincidence = samenloop (v. omstand.).

Coir(e), kôiə, kaiə, kokosbast (touw).

Coition, kouiš’n, conjunctie; bijslaap.

Cojuror, koudžûrə, getuige van eens anders geloofwaardigheid of onschuld.

Coke, kouk, subst. coke(s); — verb. in coke(s) veranderen.

Coker-nut, koukənɐt = Cocoa-nut.

Colander, kɐl’ndə, vergiettest; — verb. doorzijgen.

Colchester, koultšəstə.

Cold, kould, adj. koud, huiverig, koel, zonder deelneming of opgewektheid, bedaard: subst. koude, verkoudheid: — comfort = schrale troost; It must be a — day in August ere I ever try it again = het zal lang duren, vóór ik het weer beproef; To be down with a bad —; To have (to catch) a —; She always had the joint in — the second day = als koudvleesch; To leave out in the — = in de kou laten staan; negeeren; afschepen; —-blooded = koudbloedig, koelbloedig; —-cream = zalfje voor barsten; —-served = koud voorgediend; vervelend, saai; —-short = koudbroos, koudbreukig; He gave me the —-shoulder = negeerde mij, zag mij met den nek aan; I am severely —ed = zwaar verkouden; —ish = wat koud; —ness = koude, koelheid.

Coleoptera, kolioptərə, schildvleugelige insecten.

Cole, koul: —mouse = Coal-mouse; —rape, koolraap; —rape-seed = koolzaad; —-wort = Cabbage.

Colic, kolik, subst. koliek, hevige buikpijn: Devonshire —, Painter’s — = loodvergiftiging; —ky = koliek...

Colinderies, kəlindəriz, koloniale producten, enz.; eene tentoonstelling daarvan.

Coliseum, kolisîəm. Zie Colosseum.

Collaborate, kəlabəreit, samenwerken; Collaborator.

Collapse, kəlaps, subst. instorting, invalling, geheele mislukking; — verb. invallen, instorten; Collapsible tubes = samendrukbare.

Collar, kolə, subst. kraag, boord(je), halsband, halsring; — verb. een halsband, enz. aandoen, bij den kraag pakken, de hand leggen op, wegnemen, stelen; eene rollade maken: Against the — = met tegenzin; He slipped the — = streek de halster (af), ging er vandoor; He is out of — = buiten betrekking, heeft geen werk; A — of brawn = eene rollade van varkensvleesch; The beef was —d = het vleesch werd tot den vorm eener rollade gemaakt; —-beam = dwarsbalk; —-bone = sleutelbeen; —-work = zwaar werk; —ed herring = rolmops; Collarette = dameskraagje.

Collate, kəleit, vergelijken (vooral van oude handschriften of boeken), ordenen of rangschikken, schenken, overdragen, met een kerkelijk “benefice” begiftigen; Collation, kəleiš’n, vergelijking; lichte maaltijd, begiftiging, geschenk; Collator, kəleitə, vergelijker, collator, schenker.

Collateral, kəlatər’l, subst. bloedverwant in de zijlinie, adj. zij aan zij, parallel loopend, indirect, zijdelingsch: — security = bij- of nevenborg; subst. —ness.

Colleague, kolîg, subst. ambtgenoot; — verb. (kolîg) zich vereenigen, samenspannen; —ship.

Collect, kolekt, kort gebed, gebed voor een bepaalden tijd of dag; vijver, waterplas (Amer.).

Collect, kəlekt, vereenigen, verzamelen, incasseeren; afhalen; door waarneming of inlichting verkrijgen; gevolgtrekkingen maken: He —ed himself = hij herkreeg zijne zelfbeheersching; He was not —ed = bedaard, zichzelf meester; Collection = verzameling, incasseering (v. coupons), gevolgtrekking, buslichting; — bag (box) = kerkzakje; —s = een soort tentamen (Oxf.); To make a — = collecteeren; Collective = verzamelend, vereenigd, afleidend (uit): The — body of a nation = Body Politic; Collector = verzamelaar, ontvanger (v. belastingen enz.); een der twee B.A.’s met de regeling der Dispuutcolleges belast (Oxf.); Collectorate, Collectorship = ontvangersdistrict of ontvangersbetrekking.

College, kolidž, college, seminarium, universiteit, leerinrichting; verkiezingslichaam (Amer.): —-pudding = pudding van nierenvet, brood, rozijnen en eieren.

Collegiate, kəlîdžiit, subst. lid van een college; adj. tot een college behoorende: — church = collegiale kerk, die door het kapittel en de kanunikken wordt bediend en geen bisschopszetel heeft.

Collet, kolət, halsband, ringkas.

Collide, kəlaid, tegen elkander stooten.

Collie, koli, Schotsche herdershond.

Collier, koljə, kolengraver, kolenhandelaar; kolenschip; —y = kolenmijn, kolenhandel.

Colligate, koligeit, verbinden; Colligation = samenhang.

Collision, kəliž’n, botsing, aanvaring; tegenstand.

Collocate, koləkeit, plaatsen, stationeeren; Collocation = bijeenplaatsing, regeling.

Collodion, kəloudj’n, collodium.

Colloid, kolôid, gelatineachtig, amorph; subst. gelatineachtige stof.

Collogue, kəloug, samenspannen (with).

Collop, koləp, stukje vleesch, lapje.

Colloquial, kəloukwiəl, tot de omgangstaal behoorende, alledaagsch, gemeenzaam: A — command of the language = vertrouwdheid met de omgangstaal; — powers = onderhoudendheid; —ism = alledaagsche uitdrukking; Colloquy, koləkwi, gesprek.

Collude, kəl(j)ûd, onder één hoedje spelen, samenspannen; —r; Collusion = geheime samenspanning.

Colluvies, kəl(j)ûviîz, etterhaard, vuil.

Collyrium, kəliriəm, oogzalf (-water).

Colman, koulm’n; Colnebrook, konbruk.

Colocynth, koləsinth, kolokwint.

Cologne, kəloun, Keulen: —-water = Eau de Cologne.

Colon, koulən, kronkeldarm; dubbele punt; Colon, kəloun, kolən (plaatsn.).

Colonel, kɐ̂n’l, subst. kolonel; — verb. (kolənel) = aanvoeren als —; aanspreken met kolonel; —cy; —ship.

Colonnade, koləneid, zuilenrij.

Colonial, kəlouniəl, koloniaal: The — Dutch (Dutch —s) = Holl. kolonisten; —-office = Min. v. Koloniën; —-produce = koloniale waren; Colonist; Colonization; Colonize.

Colophon, koləfon, koləfoun, colophoon, einde, sluitsteen: From title to — = van ’t begin tot het einde.

Colophony, kəlofəni, koləfouni, colophonium (vioolhars).

Colorado(-beetle), kolərâdou(bît’l), colorado(-kever).

Colorate, kɐlərit, kolərit, gekleurd, geverfd, getint; Coloration; Colorature, kɐləritjə, koləritjə, koloratuur; Colorific, kɐlərifik, kolərifik, kleurgevend, kleur—.

Colossal, kəlos’l, Colossean, koləsîən, kolossaal, reusachtig.

Colosseum, koləsîəm, Colosseum.

Colossus, kəlosəs, colossus.

Colostrum, kəlostr’m, biestmelk.

Colour, kɐlə, subst. kleur, tint, verf, voorkomen, (valsche) schijn, soort, karakter; — verb. verven, kleuren, tinten, doorrooken, blozen, bedekken, bewimpelen, aanneembaar maken, overdrijven: A man of — = kleurling; State — = regimentsvaandel, waarmede alleen voor den koning wordt gesalueerd; —s = kleuren; vlag, standaard, insigne: In —s = opgeschikt; That is off — = niet de ware kleur; I am all off — = flets, onlekker; de kluts kwijt; The off —ed son of an Indian Civilian; Under — of = onder het voorwendsel van; To change, lose — = van kleur verschieten, bleek worden; To nail the —s to the mast = ten teeken dat men zich niet wil overgeven; volhouden; To serve with the —s = als soldaat dienen; To — a pipe = doorrooken; He —ed to the eyes = bloosde tot over de ooren; —-bearer = vaandeldrager; —-box = verfdoos; In the oil and — line = in oliën en verfwaren; —-man = verfbereider, verfverkooper; —-sergeant = onderofficier-vaandeldrager; —ed = gekleurd (niet wit), zwartbruin; —ing = valsche schijn, kleur(sel); —less; —ist.

Colportage, kolpötidž, ook Fr. uitspr. colportage; Colporte(u)r, kolpötɐ̂, kolpötɐ̂, colporteur.

Colquhoun, kəhûn.

Colstaff, kolstaf, draagstok voor watervat of last.

Colt, koult, subst. veulen (ook fig.): —’s foot = klein hoefblad (de bladeren worden wel gerookt tegen asthma); —’s-tooth = melktand; — verb. dartelen, springen (Amer.); afstraffen met een eind touw; —ish = dartel.

Colter, koultə. Zie Coulter.

Colton, koult’n.

Coluber, koljubə = Colubrid(e), adder; Colubrine, koljubr(a)in, slangachtig, listig.

Columbarium, koləmbêriəm, columbarium.

Columbia, kəlɐmbjə.

Columbine, kol’mb(a)in, subst. akelei; Colombine; violette weerschijn; adj. met de kleur van een duivenhals.

Columbus, kəlɐmbəs.

Column, kol’m, zuil, pilaar, kolom, kolonne (troepen), rij: — of companies = compagniescolonne; — of route = marschcolonne; Columnar = zuilvormig, zuil - -.

Colure, kəljûə, kouljuə, (meest mv.) coluren (sterrek.), snijpunt.

Coma, koumə, slaapziekte, diepe slaap; nevelkring van een komeet; zaadpluisje.

Co-mate, koumeit, subst. kameraad.

Comatose, koumətous, koumətous, door slaap bevangen, slaapzuchtig.

Comb, koum, subst. kam, hekel, wolkam, hanekam, honigraat; — verb. kammen, hekelen, rollen en uiteenspatten (der golven): To cut a person’s — = een toontje lager doen zingen; To — some one’s head (hair) = iemand onder den duim houden; He —ed his hair with his hands = streek met de hand door.

Combat, kombət, kɐmbət, subst. strijd, gevecht: Private, single — = duel; — verb. strijden, worstelen, bestrijden; —able = bestrijdbaar; —ant, subst. (ook: —er) strijder; adj. strijdend, strijdlustig; —ive = strijdlustig; —iveness = strijdlustigheid.

Combe, kûm, koum.

Comber, koumə, hij die kamt, wolkam(mer), lange omkrullende golf.

Combinable, kəmbainəb’l, vereenigbaar.

Combination, kombineiš’n, verbinding, vereeniging, komplot; —s = hemdbroek, = —-garment; —-laws = Eng. arbeidswetten van 1824; —-room = gezelschapszaal (aan de universiteit te Cambridge); Combinative, Combinative = verbindend, verbindings...

Combine, k’mbain, nauw verbinden, (zich) vereenigen, samenvoegen; subst. bond, kongsie.

Combings, koumiŋz, kamharen.

Combustibility, k’mbɐstibiliti, brandbaarheid; Combustible, k’mbɐstib’l, subst. brand(bare) stof; adj. verbrandbaar; driftig, opvliegend; Combustion, k’mbɐstj’n, verbranding: Spontaneous — = zelfverbranding.

Come, kɐm, komen, naderen, aankomen, verschijnen, uitbotten, gebeuren, afloopen: —, that’s satisfactory = komaan, dat is plezierig; —, —, hope for the best = kom, kom, laten we ’t beste er van hopen; —, don’t be a fool; — your ways = allo, kom mee; She was trying to — that dodge = die bedriegerij aan te wenden; Will you — the cruise? = tochtje meemaken; You shall not — your ghosts over me = me niet bang maken met je spoken; To — to hand = in goede orde ontvangen; It has — home to me = is me duidelijk geworden; That stab came home = was raak; That word came home = maakte een diepen indruk; To — to light = aan het licht komen; To — to pass = geschieden; To — short = te kort schieten, falen; That is coming it strong = dat is kras gezegd; To — true = uitkomen, waar blijken; To — undone = losgaan; In time to — = in de toekomst; For a long time to — = het zal nog lang duren; First — best served = die ’t eerst komt, ’t eerst maalt; Lightly —, lightly go = zoo gewonnen, zoo geronnen; He’ll be sixty — next Christmas = a.s. Kerstmis; The time has — about, round = is weer daar; How did it — about? = hoe is het gebeurd? To — across = toevallig aantreffen, stooten op; — along, old man = ga nu mee; To — at = bereiken, raken, te pakken krijgen; She was always coming backward and forward = zij was er, of ze kwam er; The soldiers came by = kwamen voorbij; How did you — by that horse? = kwaamt gij aan? To — down = naar beneden komen, vallen, dalen; He came down very soon = hij bakte heel gauw zoete broodjes; They came down handsomely = zij dokten flink op; To — down (up)on = aanpakken (fig.); — in = kom binnen; I just came in for the last act = ik was nog net op tijd voor het laatste bedrijf; He came in for a good scolding = kreeg een flink standje; We came in for a storm = werden overvallen; Chimney-pot hats have — in again = zijn weer in de mode; To — in = te pas komen; He has — into his own = heeft zijn (erf)deel gekregen; He came off scot-free = hij heeft het er zonder kleerscheuren afgebracht; When will the concert — off? = wanneer zal het concert plaats hebben? The trial will soon — off = beginnen; My hair is coming off = ik groei door mijn haar; The soldiers came off duty = kwamen van de wacht; He came out with his guess prematurely = hij raadde te vroeg; Nothing will — out of it = daar zal niets uit voortkomen; She came out on her 18th birthday = kwam in de wereld; kwam uit; The bankrupt has — out again = heeft zich weer (in de maatschappij) vertoond; It came out as I told you = gebeurde; He came out with his secret = hij verklapte zijn geheim; The truth came out; This —s out clearly = blijkt duidelijk, komt duidelijk aan ’t licht; The book came out = verscheen; He has — out strongly = is kranig voor den dag gekomen; To — over to a party = overgaan bij; To — round = komen aanrijden, vóór komen, etc.; He is sure to — round = hij zal wel bijdraaien; The patient will soon — round again = hersteld zijn, tot bewustzijn komen; You shall not — round me = bepraten, inpalmen; He came to (himself) in no time = kwam dadelijk weer bij (uit flauwte); It —s to the same thing = komt op ’t zelfde neer; When all —s to all = alles bijeengenomen; That has — up of late = dat is in den laatsten tijd gebruik geworden; He struck gold, and came up by leaps and bounds = hij vond goud, en werd zeer spoedig rijk; To — up to = beantwoorden aan; He came up to me = naderde mij; To — up to the scratch = iemand staan, een uitdaging aannemen, toebijten; Two travellers came up with me = haalden mij in; He came upon me very suddenly = hij viel mij plotseling op het lijf; —-at-able = genaak(verkrijg)baar; —-down = val, vernedering; —-off, kɐmof, kɐmof, uitvlucht, tot stand koming; —-outer = bekeerde; radicaal (Amer.); He has found his —-uppance = hij heeft zijn meerdere gevonden, hij heeft zijn man gevonden.

Comedian, kəmîdj’n, tooneelspeler, blijspeldichter; Comedietta, komədjetə, klucht; Comedy, komədi, blijspel.

Comely, kɐmli, bevallig, knap, gepast.

Comer, kɐmə, komende, bezoeker: The first — = de eerst komende, de eerste de beste; New— = nieuweling, vreemdeling.

Comestibles, kəmestib’lz, eetwaren.

Comet, komət, komeet, een kaartspel; Cometary = komeet - -; Cometarium = cometarium.

Comfit(ure), kɐmfit(jə), suikergoed, bonbon. Comfit = confijten.

Comfort, kɐmfət, subst. troost, vertroosting, aanmoediging, bijstand; soort sprei (Amer.); — verb. troosten, kracht geven, opwekken, opbeuren: We are in — = kunnen ons goed redden; To take — = zich troosten, moed scheppen; —able = subst. soort sprei of polsmof (Amer.); adj. (= Comfy) aangenaam, gemak gevend: Now I am —able = nu ben ik (voel ik mij) op mijn gemak; —er = trooster; fopspeen; bouffante; de Heilige Geest (Joh. XIV, 26).

Comfy = Comfortable.

Comic(al), komik(’l), grappig; subst. —ality, —alness.

Coming, kɐmiŋ, toekomstig: —! Sir! = aannemen! mijnheer! — in = binnenkomen; inkomsten; — on = nadering, toeneming.

Comitia, kəmišə, volksvergaderingen; adj. —l.

Comity, komiti, (burgerlijke) beleefdheid, hoffelijkheid: — of nations = internationale hoffelijkheid, waardoor b.v. de wetten van het eene land erkend worden binnen de grenzen van een ander.

Comma, komə, komma: Inverted —s = aanhalingsteekens; —-bacillus.

Command, kəmând, subst. bevel, gebod, macht, gezag, commando; — verb. bevelen, bestellen, bedingen, beheerschen, afdwingen: The Boers of De Wet’s — = commando; — of oneself = zelfbeheersching; I am at your — = ben tot uw dienst; To be in — = het bevel voeren; This hill —s (a view of) the surrounding landscape = deze heuvel bestrijkt (geeft het gezicht op); —ant, kom’ndânt, als titel bij een naam; kom’ndânt = commandant; —eer, kom’ndîə, requireeren in den oorlog (Zuid-Afrika): They —eered the caffres for military service; —er = bevelhebber, zeeofficier met rang tusschen Captain en First Lieutenant; stamper; —er of the Faithful = titel van den Sultan van Turkije; —er-in-chief = opperbevelhebber; —(e)ry = kommandeurschap; —ership = bevelhebberschap; —ment = gebod, bevel; —o: The Transvaal —os.

Commeasurable, kəmežər’b’l = Commensurable.

Commemorate, kəmeməreit, herdenken, vieren; subst. Commemoration; adj. Commemorative.

Commence, kəmens, beginnen, worden, een zeker karakter aannemen; —ment = begin, opkomst, oorsprong; de dag waarop vroeger uitsluitend de promotie tot M. A. of Doctor plaats had te Cambridge.

Commend, kəmend, prijzen, aanbevelen, opdragen, toevertrouwen: For a mild winter, — me to the South of France = voor zacht winterweer moet men het Zuiden van Frankrijk hebben; — me to him = doe mijne groeten aan hem; adj. —able = prijzenswaardig; subst. —ableness = prijzenswaardigheid; —er; Commendam = tijdelijk beheer van een kerkelijk ambt of een leen (in 1863 afgeschaft); Commendation = lof; Commendatory = prijzend, aanbevelings- - (— letter); een prebende in commendam hebbend; subst. tijdelijk beheerder van een opengevallen prebende (= Commendam) = Commendator.

Commensurability, kəmenšurəbiliti, commensurabiliteit; Commensurable = commensurabel: A is — with B = Commensurate, kəmenšureit.

Comment(ary), kom’nt(əri), commentaar; Comment = verklarende aanteekeningen maken bij, kritiek uitoefenen (on); Commentator = uitlegger, verklaarder.

Commerce, koməs, handel, verkeer, omgang; een kaartspel: — Union = tolverbond; — of ideas = gedachtenwisseling.

Commercial, kəmɐ̂š’l, handels ...: — college = handelsschool; — education = handelsonderwijs; — relations = handelsbetrekkingen; — room = monsterkamer in een hotel voor handelsreizigers; —-school = handelsschool; — traveller = handelsreiziger.

Commination, komineiš’n: —-service = een deel van de liturgie der Eng. kerk, op Aschwoensdag gelezen, waarbij Gods toorn tegen zondaars wordt uitgesproken; Comminatory = dreigend.

Commingle, kəmiŋg’l, (zich) vermengen.

Comminute, kominjût, tot gruis of poeder maken; inkrimpen; subst. Comminution.

Commiserate, kəmizəreit, beklagen; subst. Commiseration.

Commissariat, komisêriət, subst. de intendance van het leger, de daartoe behoorende officieren; ook adj.: All the — animals had been killed = al het slachtvee (voor het leger) was gedood.

Commissary, komisəri, gemachtigde; officier van het Commissariat: — Court = gerechtshof (van een graafschap) inzake erfenissen; —-general = generaal-intendant.

Commission, kəmiš’n, subst. opdracht, last, lastbrief, commissie(loon); officiers-aanstelling (bij marine of leger): — verb. machtigen, belasten, in commissie bestellen; een commission verleenen: Ships in — = in dienst gestelde schepen; — of (the) peace = aanstelling tot vrederechter; To be put into the — of Peace = benoemd worden tot vrederechter; — of lunacy = commissie van onderzoek naar den toestand der geestvermogens; —-agent = (—-merchant); —al = gevolmachtigd; —ed officer = officier; Non —ed officer = onderofficier; —er = gevolmachtigde, commissaris, lid van een commissie, commissionair = —aire.

Commissure, komišuə, voeg, naad.

Commit, kəmit, toevertrouwen, toewijzen, gevangen nemen, blootstellen, compromitteeren, (zich) verbinden, doen, bedrijven, naar eene commissie verzenden: He rarely —s himself in speaking = hij zegt zelden domme of gekke dingen; I would not — myself to these conclusions without examining the affair myself = ik wou niet instemmen met dergelijke conclusies; He —ted himself to that course = besloot tot die wijze van doen; They stand —ted to that policy = moeten volgen; Parliament has the power of —ting = het recht om wetten enz. in handen eener commissie te stellen, of een bevel tot gevangenneming uit te vaardigen; He —ted these words to memory = leerde van buiten; To — to paper = op papier brengen; —ment = verwijzing, overdracht, inhechtenisneming; —table = te begane; —tal = subst. toewijzing, gevangenneming, bevel daartoe, begaan; adj. I thought of a non-—tal thing to say = ik bedacht mij op iets, dat ik gerust kon zeggen, waardoor ik mij niet bloot gaf; —tee, kəmitî, commissie, comité; —tee, komitî, curator (van een idioot of krankzinnige); —ter = bedrijver, lastgever.

Commode, kəmoud, hoog dameskapsel (van vroeger tijd); latafel; stilletje.

Commodious, kəmoudjəs, geriefelijk; subst. —ness; Commodity, kəmoditi, gerief, gemak, handelsartikel, waar.

Commodore, komədö = Captain of the Fleet = rang tusschen schout-bij-nacht en kapitein ter zee; bevelhebber van een eskader; het voorop zeilend schip van een koopvaardijvloot.

Common, kom’n, subst. gemeenteweide, meente; adj. (al)gemeen, gewoon, gebruikelijk, openbaar, van lagen rang, plat, onrein, gemeenschappelijk, gemeenslachtig (van subst. en werkw.); — verb. gezamenlijke grondrechten hebben; samen eten: We have it in — = gezamenlijk; He is above the — = meer dan gewoon; It is out of the — = buitengewoon, ongewoon; — carrier = vrachtrijder; — divisor = gemeene deeler; — council(man) = gemeenteraad(slid); — crier = stadsomroeper; — gender = van ’t zelfde gramm. geslacht; — hall = raadhuis; aula; — law = gewoonterecht (tegenover het geschreven recht); — noun = gem. zelfst. nmw.; — Pleas = oud gerechtshof; thans opgenomen onder de Queen’s Bench Division van het Hooggerechtshof; Book of — Prayer = ritueel en gebedenboek der Angl. kerk; — sense = gezond verstand: That is a — sense remark = van gezond verstand getuigende; —able = gezamenlijk, gemeenschappelijk; —age = gezamenlijk bezit, gemeenschappelijk recht; —alty = burgerij (wat niet tot den adel behoort); —er = burger; lid van het House of Commons; iemand, die mede recht heeft op gemeenschappelijken grond: Gentleman —er = betalend student, die eerst in later tijd werden toegelaten; —ish = vrij algemeen, alledaagsch; —place, kom’npleis, subst. gewoon onderwerp, gewone uitdrukking, gemeenplaats, memorandum; adj. gewoon, alledaagsch; — verb. in een memorandum of commonplace-book aanteekenen; —s, komənz, het volk; de leden van het Lagerhuis = House of —s; voedsel (aan eene algemeene tafel): His cheeks were hollow; he had been on short —s for four years = hij had het schraal van eten gehad; Doctors’ —s = oud gerechtshof bestaande uit 5 hoven, vervangen door het Probate Court, thans Prob. Division van het Hooggerechtshof; —ty = land, aan twee of meer toebehoorende; gemeenteweide; —weal, kom’nwîl, het algemeen welzijn; —wealth, kom’nwelth, gemeenebest, staatslichaam, statenbond, republiek (in Engeland onder Cromwell: 1649–1660).

Commorance, -cy, komər’ns(i), domicilie; Commorant = wonend.

Commotion, kəmouš’n, beroering, beweging, drukte, tumult.

Communal, komjun’l, kəmjûn’l, communaal; Commune, komjûn, gemeente, commune (Fr.), communie: To hold — (with) = spreken met, raadplegen.

Commune, kəmjûn, komjun, spreken met, raadplegen; deelnemen aan het Avondmaal (Amer.); de communie ontvangen (Kath. kerk).

Communicability, kəmjûnikəbiliti, mededeelbaarheid; Communicable, kəmjûnikəb’l, mededeelbaar; Communicant, kəmjûnikənt, avondmaalsganger, communicant; Communicate, kəmjûnikeit, mededeelen, schenken, openbaren, omgang hebben, in verbinding staan met, deelnemen aan het Avondmaal, communiceeren, ter communie gaan.

Communication, kəmjûnikeiš’n, mededeeling, omgang, communicatie (middel), verbindingsweg: —-cord = noodrem; Evil —s corrupt good manners = kwade samensprekingen bederven goede zeden; Communicative = mededeelzaam; subst. Communicativeness; Communicator = mededeeler, noodlijn; Communion, kəmjûnj’n, verbinding, gemeenschap, omgang; Avondmaal; communie: — cup, table, service = avondmaalsbeker, -tafel, -dienst.

Communism, komjunizm, eigendomsgemeenschap, communisme, socialisme; Communist; adj. Communistic(al).

Community, kəmjûniti, gemeenschap, gemeente(wezen).

Commutability, kəmjûtəbility, vervreemdbaarheid, verwisselbaarheid; adj. Commutable.

Commutation, komjuteiš’n, verwisseling, verandering; abonnement (Amer.); stroomwisseling, aflossing; adj. Commutative; Commutator = stroomwisselaar; Commute, kəmjût, verruilen, ineens betalen in plaats van in termijnen, veranderen, wisselen: The sentence of death was —d into lifelong imprisonment = het doodvonnis werd veranderd in.

Compact, kompakt, verdrag, overeenkomst, verbond; Compact, k’mpakt, adj. aaneengesloten, vast, kort, bondig, bestaand uit (of); — verb. krachtig verbinden, nauw vereenigen, verdichten: A —ly built young fellow = kort en stevig ventje; —ness = beknoptheid, soliditeit, stevigheid.

Companion, k’mpanj’n, subst. gezel, kameraad, makker, compagnon, laagste graad in eene ridderorde, kampanje, kapluik (bij de trap van eene kajuit), koekoek (uitstekend dakvenster); adj. vergezellend; — verb. vergezellen: —-hatch = kap boven de kajuitstrap; —-ladder, —-stairs, —-way = kajuitstrap; —able = gezellig; —less; —ship = gezelschap.

Company, kɐmpəni, subst. gezelschap, maatschappij, gilde, genootschap, compagnie, bemanning: I will bear, keep you — = u gezelschap houden; To be in — with, in the — of = in gezelschap van; Two is —, three is none = twee is gezellig, drie is te veel; He kept — with our servant = had verkeering met onze meid; My friend sees no — = is zéér eenzelvig; She wept for — = schreide mee; — verb. het gezelschap genieten van: I companied with very interesting people.

Comparable, kompərəb’l, vergelijkbaar; Comparative, k’mparətiv, vergelijkend, betrekkelijk; subst. comparatief; A —ly small sum = betrekkelijk geringe som.

Compare, k’mpêə, vergelijken, gelijkstellen, gelijk zijn, in den comparatief zetten; zich laten vergelijken; subst. vergelijking: His eloquence may be —d to a thunderstorm = kan worden vergeleken bij; I cannot — the one statesman with the other = vergelijken met; On our comparing notes, many circumstances tallied with wonderful exactness = toen wij onze bevindingen vergeleken (van gedachten wisselden), kwamen vele omstandigheden merkwaardig juist overeen; You cannot — (You — disadvantageously) with your friend = gij kunt een vergelijking met uw vriend niet doorstaan; Beyond —, past — = onvergelijkelijk.

Comparison, k’mparis’n, vergelijking, trappen van vergelijking: Beyond all —, Out of all —, Without — = onvergelijkelijk; By way of — = vergelijkenderwijze; To bear (stand) — with = de vergelijking doorstaan met.

Compartment, k’mpâtm’nt, afdeeling, coupé, vak.

Compass, kɐmpəs, subst. omtrek, omvang, omweg, ruimte, grens, bestek, bereik, kompas; — verb. omvatten, omringen, bekleeden, verkrijgen, bedenken, beramen, tot stand brengen: We have boxed the — = zijn de rij rond geweest; He fetched a — = hij maakte een omweg, ging niet recht op het doel af; We speak within — in asserting this = wij zeggen niet te veel met dit te beweren; True as a — = echt waar; They — heaven and earth to make one proselyte = doorzoeken hemel en aarde; He —ed his end = bereikte zijn doel; I felt resolved to — revenge = op wraak te peinzen; —-box = kompashuisje; —-card = kompasroos; —-saw = cirkelzaag; —-timber = kromhout; —-window = vooruitspringend boogvenster; —es = passer.

Compassion, k’mpaš’n, subst. medelijden; — verb. beklagen, zich erbarmen; —ate, k’mpašənit, adj. mededoogend, medelijdend; — verb. k’mpašəneit, beklagen, medelijden hebben met.

Compatibility, k’mpatibiliti, vereenigbaarheid, bestaanbaarheid; Compatible, k’mpatib’l, bestaanbaar, passend, vereenigbaar (met with).

Compatriot, k’mpeitriot, k’mpatriot, subst. landgenoot; adj. uit hetzelfde land; subst. —ism.

Compeer, k’mpîə, subst. evenknie, gelijke, makker; — verb. evenaren.

Compel, k’mpel, dwingen, drijven, verplichten: That actor —led tears from his audience = dwong zijn gehoor tranen af; —ler = verzamelaar.

Compend, kompend, —ium, k’mpendj’m, kort begrip, verkorte opgaaf; Compendious = beknopt, bevattelijk; subst. —ness.

Compensate, komp’nseit, k’mpenseit, goed maken, vergoeden, opwegen; Compensation = vergoeding, compensatie, tegenrekening: Workman’s — Act = ongevallenwet; —-balance (pendulum) = compensatieslinger; adj. Compensative = Compensatory; Compensator = compensator.

Compesce, k’mpes, bedwingen, beteugelen.

Compete, k’mpît, wedijveren, strijden om.

Competence, kompitens, Competency, kompitensi, bevoegdheid, welgesteldheid, gepastheid: They led a life of competence = zij konden het goed stellen in de wereld; He has a competency = kan zich goed redden; Competent = bevoegd, toereikend, overeenkomstig.

Competition, kompitiš’n, mededinging, wedijver, concurrentie, kooplust; Competitive, k’mpetitiv, vergelijkend (van een examen b.v.), mededingend; Competitor = mededinger, concurrent; Competitress = Competitrix.

Compilation, kompileiš’n, verzameling.

Compile, k’mpail, samenstellen, samenvoegen, verzamelen; een aantal ‘runs’ maken (cricket); subst. —r.

Complacence, k’mpleis’ns, Complacency, k’mpleis’nsi, welbehagen, voldoening, aangename wijze van optreden, manieren, enz.; beleefdheid; Complacent = behaaglijk, etc.

Complain, k’mplein, subst. klacht; — verb. klagen, morren, aanklagen: He —ed of the boys = klaagde over; To — to = zich beklagen bij; —ant = klager, lijder, eischer; —ing = klagend, onpasselijk; subst. klacht; —t = klacht, aanklacht, kwaal, ongesteldheid.

Complaisance, kompləz’ns, kompləzans, beleefdheid, hoffelijkheid, inschikkelijkheid; adj. Complaisant of Complaisant.

Complement, kompliment, subst. aanvulling, volle getal, volheid, toevoegsel, het bijkomende, complement; — verb. aanvullen: Three meals a day was the Homeric — = de taks, het aantal in de dagen van H.; The — of the squadron = getalsterkte; Complemental, Complementary = aanvullend, complementair.

Complete, k’mplît, adj. volledig, voltooid, af, volkomen; — verb. afmaken, voltooien; subst. —ness; Completion = voltooiing, vervulling; Completive = volkomen makend; Completory, subst. de completen, het deel van het Brevier, dat het officium van den dag afsluit (Kath. Kerk); adj. vervullend, voltooiend.

Complex, kompleks, subst. het geheel; adj. samengesteld, ingewikkeld.

Complexion, k’mplekš’n, gelaatskleur, teint, voorkomen; temperament, lichaamsgesteldheid.

Complexity, k’mpleksiti, samengesteldheid, ingewikkeldheid.

Compliance, k’mplaiəns, toegeving, toestemming, onderwerping: In — with = overeenkomstig; Compliant, toegevend, inschikkelijk.

Complicate, komplikeit, adj. ingewikkeld; — verb. verwikkelen, verwarren; Complication = verwikkeling, complicatie (Med.).

Complicity, k’mplisiti, medeplichtigheid.

Compliment, kompliment, subst. plichtpleging, lof, vleierij: —s of the season = Nieuwjaarswenschen; (Make) my best —s to = mijne hartelijke groeten aan; With the author’s —s = van den schrijver.

Compliment, kompliment, verb. complimenteeren, gelukwenschen, complimenten maken; —al = beleefd, beleefdheids ... = —ary (op boeken) = presentexemplaar.

Complin(e), komplin = Completory, de completen (Kath. kerk): To go to —s.

Comply, k’mplai, voldoen, toegeven aan, toestemmen: I complied with his wishes = voldeed aan; —ing = Complaisant.

Compo, kompou, compositie; mengsel, enz.; het woord is kort voor Composition.

Component, k’mpoun’nt, subst. en adj. samenstellend (deel).

Comport, k’mpöt, overeenkomen, overeenstemmen, zich gedragen; subst. compôte, kompət: She —ed herself with much gravity; The hangings do not — with the furniture = het behangsel past niet bij het ameublement; —ment = gedrag, houding.

Compose, k’mpouz, samenstellen, samenvoegen; bevredigen, tot bedaren brengen, in orde brengen, voorbereiden; zetten (drukkerij), componeeren, dichten, ontwerpen: What was it —d of? = waaruit bestond het?; —d = kalm; rustig; subst. —dness; —r = componist; Composing draught = kalmeerende drank; Composing-frame (-room, -machine, -stick) = zettersraam, etc. zethaak.

Composite, kompəzit, samengesteld, compositie - - (i.e. hout en ijzer); subst. samenstelling, mengsel; — candle = stearinekaars; — carriage = spoorwegrijtuig met verschillende klassen; — number = deelbaar getal; Composition, kompəziš’n, samenstelling, mengsel, geaardheid, opstel, arbeid, werk, schikking, verdrag, afkooping, bevrediging, het aangenomen bedrag, het letterzetten: A — of a shilling in the pound = een accoord van vijf percent; He has no fear in his — = kent geen vrees; Compositor = letterzetter.

Compost, kompo(u)st, subst. mengmest; pleisterkalk, gemengd nieuws; — verb. mesten; bepleisteren.

Composure, k’mpoužə, kalmte, bedaardheid, bezadigdheid: He upset my — = hij bracht mij van mijn stuk.

Compote, kompout, compôte.

Compound, kompaund, subst. samenstelling, mengsel, massa; samengesteld woord; erf, kampong; adj. samengesteld, gecompliceerd: — fracture = dubbele breuk; — interest = interest op interest; — leaf = sameng. blad; — system = stelsel om mijnwerkers in eene afgesloten ruimte te houden.

Compound, k’mpaund, samenstellen, vermengen, vereenigen, bereiden, delgen, schikken, accordeeren: The matter was —ed for = geschikt; He —ed for his escape = maakte een accoord; He —ed the felony = hij trok de aanklacht in na schadeloosstelling; We —ed some hot stuff = bereidden wat warmen drank; —able = aflosbaar, etc; —er = menger, bereider; hij, die een accoord aangaat.

Comprador, komprədö, Chineesch handelsagent voor Europ. handelshuis.

Comprehend, komprihend, omvatten, insluiten; begrijpen; Comprehensibility = begrijpelijkheid; Comprehensible = duidelijk, begrijpelijk; Comprehension = bevatting, begrip; omvang; Comprehensive = veelomvattend, uitgebreid, groot; bondig: subst. —ness.

Compress, kompres, compres, doek.

Compress, k’mpres, samendrukken, verdichten; Compressibility = samendrukbaarheid; Compressible = samendrukbaar; —ion = samendrukking, bondigheid, beknoptheid; —ive = samendrukkend; —or = drukverband, soort machine, kettingstopper.

Comprise, k’mpraiz, bevatten, insluiten.

Compromise, komprəmaiz, subst. minnelijke schikking, overeenkomst; tusschending; — verb. schikken, bijleggen; compromitteeren, op ’t spel zetten: A life of — = van geven en nemen; I will so far — the matter as to accompany you thither = ik zal er mij dan toe laten vinden er met u heen te gaan; To — one’s principles = het met zijne beginselen op een accoordje gooien; Let us — opinions = laten wij het zien eens te worden.

Compromit, komprəmit, in gevaar stellen, compromitteeren.

Comptant, kaunt’nt, contant geld.

Comptoir, koŋtwö, kantoor, toonbank.

Comptroller, k’ntroulə. Zie Controller.

Compulsion, k’mpɐlš’n, dwang: On (By) — = gedwongen; Compulsory = dwingend, gedwongen, dwang - -: — attendance = verplicht schoolbezoek; — military service.

Compunction, k’mpɐŋkš’n, wroeging, gewetensknaging; Compunctious = berouwhebbend.

Compurgation, kompɐ̂geiš’n, vrijspraak van een beschuldigde op de beëedigde verklaring van 12 personen; Compurgator of kəmpɐ̂gətə = iemand die zoo’n verklaring aflegt.

Computable, kəmpjûtəb’l, kompjutəb’l, berekenbaar; Computation = rekenen, berekening, omslag; Compute = (be)rekenen, omslaan, overwegen.

Comrade, komreid, kameraad, “burger”; —ship.

Con, kon, subst. het tegen: Pro and — = het vóór en tegen.

Con, kon, zorgvuldig nagaan, van buiten leeren; een schip sturen door aanwijzingen van den roerganger: He —ned over his lessons = leerde zijne lessen van buiten; He —ned thanks = betuigde zijn dank.

Concatenate, kənkatəneit, aaneenschakelen; subst. Concatenation.

Concave, konkeiv, subst. holte, (hemel), gewelf; adj. hol, concaaf; — verb. uithollen; Concavity, kənkaviti, holheid; Concavo-concave = hol aan de beide oppervlakten; Concavo-convex = hol aan de eene, bol aan de andere zijde.

Conceal, k’nsîl, verbergen, geheim houden, wegstoppen, vermommen; —able = wat verborgen kan worden; A —ed royalist = verkapte; —er = verberger, heler; —ment = geheimhouding: Place of — = schuilhoek.

Concede, k’nsîd, toegeven, opgeven, toestaan, toestemmen: To — attention to = schenken.

Conceit, k’nsît, subst. bevatting, begrip, meening, valsche waan, verwaandheid; eigenaardige, grillige opvatting of denkbeeld, spitsvondige geestigheid; — verb. opvatten, zich verbeelden: He was a little out of — with her = hij mocht haar niet meer zoo graag; A man of a quick — = vlugge bevatting; A —ed fellow = verwaande vent; —edness = inbeelding, geaffecteerdheid.

Conceivable, kənsîvəb’l, denkbaar, begrijpelijk; Conceive, k’nsîv, een denkbeeld vormen, denken, zich voorstellen, begrijpen, bevatten, opvatten, zwanger worden, ontvangen.

Concentrate, kons’ntreit, kənsentreit, in een punt vereenigen, concentreeren, samentrekken op; subst. Concentration; Concentrative = geneigd of dienend tot concentratie; Concentrativeness.

Concentre, k’nsentə, in een middelpunt samenkomen (samenbrengen); Concentric = Concentrical = concentrisch; subst. Concentricity = de eigenschap van of geschiktheid tot concentreeren.

Concept, konsept, begrip; Conceptual: — incongruities = begripsverwarringen, inconsequenties; Conception = voorstelling, begrip, opvatting, gedachte, ontwerp; ontvangenis.

Concern, k’nsɐ̂n, subst. zaak, onderneming, ding; belang, bezorgdheid, angst; — verb. betreffen, aangaan; ontstellen, bezorgd maken: A manufacturing — = fabriekszaak; I have no — with it = niets mee te maken; That is no — of any one’s = dat gaat geen mensch wat aan; I do not care for the whole — = ik geef niets om het heele spul: Common —s = alledaagsche zaken; Forget such worldly —s now = wereldsche zaken; I am —ed for your welfare = stel belang in (maar maak mij ongerust over); He was greatly —ed for the loss, his friend had suffered = hij had erg te doen met; To be —ed in a plot = betrokken bij; I am not —ed with his opinions = - - - gaan mij niet aan; So far as I am —ed = wat mij aangaat; —ing = betreffende; —ment = zaak: He has no —ment for it = hij bekommert er zich niet om.

Concert, konsət, overeenstemming, harmonie, concert: The European —; They acted by — = één van zin; I have acted in — with your wishes = overeenkomstig uwe; —-hall; —ize = concerten geven.

Concert, k’nsɐ̂t, samenwerken, afspreken, een plan maken, meerstemmig arrangeeren: The —ed works were Beethoven’s Seventh Symphony and Schumann’s Quartet in A minor = de uitgevoerde, ten gehoore gebrachte stukken.

Concertante, kontšɐ̂tanti, concertstuk voor solo-instrumenten; Concertina, konsɐ̂tînə, concertina (soort v. harmonica); Concerto = concertstuk (voor solo met begeleiding).

Concession, k’nseš’n, vergunning, concessie; Concession(n)aire, Fr. uitspraak, Concessionary, k’nseš’nəri. Concessioner (Amer.), concessionaris; Concessive = vergunnend, concessief.

Conch, koŋk, zeeschelp; —a, koŋkə, oorschelp; gewelf van een halfkoepel of nis; —ifera, koŋkifərə, schelpdieren met twee schelpen; —iferous, koŋkifərɐs, schelpen voortbrengend of bevattend; —ology, koŋkolədži, kennis van schelpen en hare bewoners.

Conciliar, k’nsiljə, Concilium - - -.

Conciliate, k’nsiljeit, verzoenen, bevredigen, (voor zich) innemen: A conciliating person = innémend mensch; Conciliation = verzoening, etc.; Conciliative, Conciliatory = verzoenend; Conciliator = bemiddelaar.

Concise, k’nsais, beknopt, zaakrijk; subst. —ness.

Concision, k’nsiž’n, besnijdenis; beknoptheid.

Conclave, konkleiv, (geheime) kardinaalsvergadering; de vergaderde kardinalen, hunne vergaderzalen, geheime zitting.

Conclude, k’nklûd, besluiten, beslissen, bepalen, opmaken uit, ten einde brengen, vaststellen, eindigen, sluiten: To — alliances (peace) = sluiten; I — from your words to his guilt = ik maak uit uwe woorden op, dat hij schuldig is; To be —d = slot volgt; Conclusion, k’nklûž’n, besluit, einde, afloop, gevolgtrekking: I will try —s with him = mij met hem meten; Conclusive, k’nklûsiv, afdoende, beslissend: — evidence = afdoend bewijs; subst. Conclusiveness.

Concoct, k’nkokt, samenkoken, bereiden, zuiveren, overlèggen, smeden, beramen, verteren; —ion = bereiding, overleg; beraming; —er = bewerker.

Concomitance, k’nkomit’ns, Concomitancy, co-existentie: In — with = tegelijk met.

Concomitant, k’nkomit’nt, subst. het begeleidende of bijkomende; adj. vergezellend, bijkomend.

Concord, koŋköd, eendracht, overeenstemming, harmonie; —ance, k’nköd’ns, overeenstemming, index, concordans; —ancy = overeenstemming; —ant = overeenstemmend; —at, k’nködat, overeenkomst, concordaat.

Concourse, kon(g)kös, toeloop, samenloop, menigte, vergadering.

Concrete, koŋkrît, kənkrît, subst. concreet begrip; beton; adj. compact, concreet, uit beton bestaande: The floor is — = de vloer is van beton; —-steel = Ferro— = gewapend beton.

Concrete, k’nkrît, een compacte massa vormen (daartoe vereenigen), kristalliseeren, met beton bouwen; —ness = concreetheid, geronnen of bevroren zijn, verdikking; Concretion = vastworden, vaste massa, verharding; Concretionary = door concretion ontstaan.

Concubine, koŋkjubain, bijzit; Concubinage, k’nkjûbinidž, concubinaat.

Concupiscence, kənkjûpisens, wellust, zondige begeerte, ontucht; adj. Concupiscent = Concupiscible.

Concur, k’nkɐ̂, samenkomen, samenvallen, overeenkomen, overeenstemmen, bijdragen tot, medewerken: I — in this opinion, wish = ben het daarmede eens; To — with the views of an author; —rence, k’nkɐr’ns, Concurrency, k’nkɐr’nsi, samenvallen, overeenkomst, vereeniging, goedkeuring, medewerking: Their entire —rence with our plan; We acted in —rency = wij traden gemeenschappelijk op; —rent, k’nkɐr’nt, subst. bijkomende omstandigheid, medewerker, mededinger; adj. samenwerkend, mededingend, gelijktijdig; subst. —rentness.

Concuss, k’nkɐs, schokken, dwingen (into); —ion = schok, botsing; afdreiging: —ion of the brain = hersenschudding; Concussive = schokkend.

Cond, kond, van eene hoogte de richting aanwijzen, waarin een schuit gestuurd moet worden, met ’t oog op een naderende school visschen; —er, kondə, de persoon, die zulks doet.

Condemn, k’ndem, veroordeelen, afkeuren, berispen, onbewoonbaar of ongeschikt verklaren, verbeurd verklaren, dicht spijkeren: Ship and cargo were —ed = verbeurd verklaard; —ed cells, —ed sermon = cellen, preek voor ter dood veroordeelden; —ed dwelling = onbewoonbaar verklaarde; —able, k’ndemnəb’l, verwerpelijk, strafbaar; Condemnation = veroordeeling, verwerping, afkeuring; Condemnatory = veroordeelend, etc.

Condensability, k’ndensəbiliti, verdichtbaarheid; Condensable, k’ndensəb’l, verdichtbaar; Condensation, kondənseiš’n, condensatie, bekorting; Condense, k’ndens, verdikken, bekorten, condenseeren; zich condenseeren; Condenser, k’ndensə, condensor.

Condescend, kondəsend, zich verwaardigen, zich inlaten met, zich vernederen: He did not — to answer (on an answer) = verwaardigde zich niet; Condescending = minzaam, nederbuigend; Condescension: His — struck us all very favourably = zijne minzaamheid deed ons allen aangenaam aan.

Condign, k’ndain, verdiend: — punishment.

Condiment, kondiment, kruiderij.

Condite, k’ndait, inleggen, konfijten.

Condition, k’ndiš’n, subst. toestand, rang, eigenschap, voorwaarde, bepaling; — verb. bepalen, voorwaarden maken, bedingen, in goeden (gezondheids)toestand brengen en houden, keuren: I am not in a — to feast with you = in de stemming, met u feest te vieren; Our horses take months to — in South Africa = om aan ’t klimaat te gewennen; She felt herself growing quiet and —ed again = gezond, flink; —al, subst. voorwaardelijke wijs, beperking; adj. voorwaardelijk; —ality = ’t afhankelijk zijn.

Condolatory, k’ndoulətəri, condoleantie...; Condole, k’ndoul, medetreuren, betreuren: He —d his own misery = hij had medelijden met zichzelf; I — with you on the loss you have suffered = ik condoleer u met; Condolence, k’ndoul’ns: A visit of —; —r = hij die condoleert.

Condonation, kondəneiš’n, vergiffenis, goedvinding, het over het hoofd zien; Condone, k’ndoun, vergeven.

Condor, kondö, Z.-Amer. gier.

Condottiere, köndotjêə, Ital. vrijbuiter of soldaat.

Conduce, k’ndjûs, leiden, strekken, bijdragen tot; Conducive, dienstbaar, strekkend tot: May your measures be — to that noble end! = mogen .... dienstbaar zijn aan ... doel; subst. Conduciveness.

Conduct, kondəkt, gedrag, leiding, houding, geleide: Safe — = vrijgeleide; —-roll = conduitelijst (van ambtenaren en officieren).

Conduct, k’ndɐkt, leiden, aanvoeren, voeren, vergezellen, richten, besturen, geleiden, gedragen: Who —s your correspondence? = voert; —ed: A well —ed boy = fatsoenlijke; Conductibility = geleidbaarheid; Conductible = geleidend; —ing wire = geleiddraad; —ion = geleiding; —ive = geleidend; Conductivity = Conductibility; —or = leider, gids, bevelhebber, kapelmeester, muziekdirecteur, conducteur (van omnibus of tram), bliksemafleider; —-money = reisgeld voor getuigen; —ress = geleidster.

Conduit, kondit, kɐndit, waterleiding, kanaal; —-pipe = buis.

Conduplicate, kondjûplikit, adj. dubbel gevouwen; — verb. (kondjûplikeit), dubbel vouwen; subst. Conduplication.

Condyl(e), kondil, knokkel.

Cone, koun, kegel, denappel: — of sugar = suikerbrood; —-shaped = kegelvormig.

Confab(ulation), kənfab (konfab), kənfabjuleiš’n, gemeenzaam gesprek; Confabulate, Confab of Confab = keuvelen.

Confect, konfekt, bonbon.

Confect, k’nfekt, inmaken, maken; —ion, subst. suikergoed, het maken daarvan; confectie (kleeren); — verb. suikergoed maken; kleederen maken: She is kind enough to —ion for the poor; —ioner = suikerbakker; —ionery = suikerbakkerij; suikergoed, bonbons; kroeg (Amer.).

Confederacy, k’nfedərəsi, verbond, complot; de verbondenen; Confederate, k’nfedərit, subst. bondgenoot; adj. verbonden; — verb. (k’nfedereit), verbinden, een verbond aangaan; Germanic Confederation = de Duitsche Bond (van 1815–66).

Confer, k’nfɐ̂, te rade gaan, beraadslagen; verleenen, overdragen, vergelijken; —ee, konfərî, lid van een conferentie (Amer.); —ence, konfərens, beraadslaging, bijeenkomst, onderhandeling, overdracht, verleening; —rable = overdraagbaar; —rer.

Confess, k’nfes, erkennen, bekennen, toegeven, belijden, biechten: The priest —ed him = nam hem de biecht af; I — to a weakness in his favour = ik beken, dat ik een zwak voor hem heb; She stood —ed, A maid in all her charms (Goldsmith) = bleek te zijn, ontpopte zich als; A —ed culprit = erkend; —edly = openbaar; Confession = bekentenis, erkenning, biecht: The Augsburg — of faith = geloofsbelijdenis; She went to — = ging biechten; —ional = confessioneel; subst. biechtstoel; —ionary, adj. biecht..; —or = biechtvader, belijder.

Confidant(e), konfidant, mann. of vr. vertrouweling, boezemvriend.

Confide, k’nfaid, verb. vertrouwen, toevertrouwen: I will — my experiences in the public ear = aan het publiek toevertrouwen; Confidence = vertrouwen, zelfvertrouwen, driestheid, vertrouwelijke mededeeling: To have (place, put) — in; I took him into —; — men = soort kwartjesvinders, die de — trick toepassen door het slachtoffer over te halen om als token of — zijn kostbaarheden etc. aan hen in bewaring te geven; Confident = vertrouwend, zeker, driest: I am —nt that it is true = overtuigd; Confidential = vertrouwd, vertrouwelijk, geheim: —ntial clerk = procuratiehouder; —ntial position = post van vertrouwen.

Configuration, kənfigjureiš’n, uiterlijke gedaante; Configure, kənfig(j)ə, groepeeren.

Confinable, kənfainəb’l, begrenzend, begrensbaar; Confine, konfain, subst. grens, rand, uiterste.

Confine, k’nfain, begrenzen, opsluiten, beperken, bepalen tot: He is —d to his bed = hij moet het bed houden; To be —d (of) = bevallen (van); —dness, begrensdheid; —ment = opsluiting; bevalling: Solitary — = eenzame opsluiting.

Confirm, k’nfɐ̂m, bevestigen, versterken, bekrachtigen; als lidmaat aannemen, vormen: He is a —ed bachelor = verstokte oude vrijer; —ation = bevestiging; H. vormsel: —ation classes = catechisaties; —ative = —atory = bevestigend, bekrachtigend.

Confiscable, kənfiskəb’l, confisqueerbaar; Confiscate, konfiskeit, kənfiskeit, adj. verbeurd (verklaard); — verb. verbeuren, verbeurd verklaren; subst. Confiscation; Confiscator of Confiscator = verbeurd verklaarder; Confiscatory = verbeurd verklarend.

Confiture, konfitjə, bonbon, suikergoed.

Confix, kənfiks, goed bevestigen.

Conflagration, konfləgreš’n, groote brand.

Conflict, konflikt, botsing, strijd, worsteling.

Conflict, k’nflikt, botsen, strijden, worstelen, in tegenspraak zijn met (with); —ing = tegenstrijdig.

Confluence, konfluens, samenvloeiing, vereeniging, toeloop; Confluent, subst. zijrivier, bijstroom; adj. samenvloeiend; Conflux = Confluence.

Conform, k’nföm, adj. overeenkomstig; — verb. van gelijken vorm maken, passend maken, (zich) schikken of voegen naar, overeenstemmen; zich aan de Staatskerk onderwerpen: You must — yourself to our customs = u schikken naar; —able = overeenkomstig, meegaand: That is not — to the facts = overeenkomstig; Conformation = vorm(ing), bouw, overeenstemming; —ist = lid van de Anglikaansche kerk; —ity = gelijkheid, overeenkomst, overeenstemming (ook: met den ritus der Anglik. kerk): In —ity with; They acted in —ity = dienovereenkomstig.

Confound, k’nfaund, verwarren, dooreenwarren, vernietigen, verbazen, bedremmelen, beschaamd maken: — it! = wat drommel; —ed = verward, verbaasd; verfoeilijk, vervloekt, duivelsch.

Confraternity, konfrətɐ̂niti, broederschap.

Confront, k’nfrɐnt, tegenover staan of plaatsen, het hoofd bieden, confronteeren: I have —ed them together = hen tegenover elkander geplaatst; I —ed him with his guilt = hield hem zijne schuld voor; subst. Confrontation.

Confucius, k’nfjûšiəs, Confusius.

Confuse, k’nfjûz, verwarren, beschaamd of verlegen doen staan, verbijsteren; Confusion = verwarring, verlegenheid, warboel, herrie, onduidelijkheid, ondergang: —! = verduiveld! It was — worse confounded = het was eene onbeschrijfelijke verwarring.

Confutable, k’nfjûtəb’l, weerlegbaar; Confutation = weerlegging; Confute, k’nfjût, weerleggen, verijdelen.

Congeal, k’ndžîl, doen stollen of stremmen; —able = bevriesbaar; —ment = Congelation.

Congee, konži, kɐnžî, subst. ontslag, afscheid; rijstwater (Indië). Zie Conjee.

Congelation, konžileiš’n, bevriezing, stremming.

Congener, konžənə, verwant, gelijksoortig iets; adj. verwant, gelijksoortig = —ous, k’nženərɐs.

Congenial, k’ndžînj’l, verwant, in geest en aard overeenstemmend, sympathiek; subst. Congeniality.

Congenital, k’ndženit’l, aangeboren, natuurlijk.

Conger, koŋgə, zeepaling (-aal); —-eel = (In Calif.) een soort lamprei.

Congeries, k’ndžîriiz, samenhooping, verzameling.

Congest, k’ndžest, ophoopen (van bloed, b.v.); —ion = ophooping (van bloed), congestie: — of the brain.

Conglobate, kongləbeit, kəngloubeit, Conglomerate, k’ngloməreit; adj. bolrond; subst. conglomeraat; — verb. tot een bal of bol verzamelen; Conglomeration = conglomeraat.

Conglutinate, kənglûtineit, samenlijmen, samenkleven, verbinden; subst. Conglutination.

Congo, koŋgou, Congo; ook = Congou.

Congou, koŋgû, zwarte thee.

Congratulate, k’ngratjuleit, gelukwenschen, zich verheugen met (on): Congratulation = gelukwensch; Congratulator = gelukwenscher; Congratulatory = felicitatie - -: — letters.

Congregate, koŋgrigeit, verzamelen, samenkomen; Congregation = vergadering, (kerkelijke) gemeente, broederschap; Congregational = een gemeente der Independenten betreffend; Congregationalism = kerkel. zelf bestuur of leer der Independenten; Congregationalist = lid dier gemeenten.

Congress, koŋgres, vergadering, congres; —-man = lid van het congres (Amer.); Congressional, Congres - -.

Congreve, koŋgrîv: — impression = Congrevische druk; — match = lucifer; — rocket = Congrevische vuurpijl.

Congruence, koŋgruens, Congruency, koŋgruensi, Congruity, k’ŋgrûiti, overeenstemming, gepastheid, congruentie; Congruent (with), Congruous (to, with) = overeenstemmend, samenpassend.

Conic, konik, kegelvormig, kegel - -; subst. kegelsnede = —-section = kegelsnede; —s = leer van de kegelsneden; Conical = Conic (adj.); subst. Conicalness = kegelvorm.

Conifer, kounifə = conifeer (den, etc.); Coniferous = kegelvormige vrucht dragend: — tree = Conifer.

Conjectural, k’ndžektšurəl, vermoedelijk; Conjecture, k’ndžektšə, subst. gissing, onderstelling, conjectuur; — verb. gissen.

Conjee, kondžî, rijstwater.

Conjoin, k’ndžôin, samenvoegen, (zich) vereenigen: This, —ed with his silence = in verband met zijn stilzwijgen; —t = vereenigd, mede - -; subst. Conjointness.

Conjugal, kondžug’l, echtelijk; — knot = huwelijksband.

Conjugate, kondžugit, subst. woord van denzelfden oorsprong als een ander; adj. in paren vereenigd; — verb. (kondžugeit), vervoegen; Conjugation = verbinding, vervoeging; adj. Conjugational: — system.

Conjunct, k’ndžɐŋkt, vereenigd, verbonden; —ion = vereeniging, verbond, voegwoord, conjunctie; —ive = subst. aanvoegende wijs; adj. nauw verbonden, vereenigd, verbindings ...; —ly = vereenigd, gezamenlijk; —ure, k’ndžɐŋktjə, vereeniging, samenloop (van omstandigheden), crisis: —ion (—ure) of circumstances.

Conjuration, kondžureiš’n, bezwering, tooverformule.

Conjure, k’ndžûə, bezweren, verzekeren, onder eede bevestigen.

Conjure, kɐndžə, tooveren, heksen, betooveren: To — up = bezweren, oproepen; You are no —r = gij hebt ook het buskruit niet uitgevonden; I have not got a —r’s cap = ik ben (daarin) geen heksenmeester; —r = goochelaar; Conjuring-trick = goocheltoer.

Connate, koneit, kəneit, aangeboren, verwant, samengegroeid.

Connatural, kənatšərəl, nauw verwant, aangeboren (to).

Connaught, konôt.

Connect, kənekt, verbinden, vereenigen, (zich) aansluiten, in verbinding staan: In a —ed form = vereenigd, saamgevoegd; —ed by marriage = geparenteerd; To be aristocratically —ed = van aristocratische familie zijn; —ing-rod = drijf-, koppelstang; —ion, kənekš’n, verband, verbinding, (bloed)verwantschap, bloedverwant, connectie, aansluiting (van spoorwegen), vereeniging, aantal klanten of clienten: In this —ion = in verband hiermede; I bought a —ion in that part of London = ik nam (voor geld) de practijk van een dokter (met diens patienten) over; —ions = handelsbetrekkingen; —ive = verbindingswoord; adj.: — tissue = bindweefsel.

Connecticut, kənetikɐt.

Connexion, kənekš’n = Connection.

Connivance, kənaivəns = Connivence = oogluikende toelating; Connive, kənaiv, oogluikend toelaten, opzettelijk door de vingers zien (met at); —r = hij, die toelaat.

Connoisseur, konišûə, konisɐ̂, (kunst)kenner; —ship = —schap.

Connotation, konəteiš’n, (bij)beteekenis, kenteeken; Connotative of Connotative, ook beteekenend, bijbeteekenissen hebbend; Connote, kənout, tegelijk beteekenen.

Connubial, kənjûbj’l, huwelijks..., gehuwd: — bliss = huwelijksgeluk; Connubiality = echtelijke staat; Connubialities = echtelijke liefkoozingen.

Conoid, kounôid, conoïde; adj. kegelvormig.

Conquer, koŋkə, veroveren, onderwerpen, overwinnen; —able = overwinnelijk; —or: The —or = Willem de Veroveraar; Conquest, koŋkwəst, verovering, onderwerping, overwinning.

Conrad, konrad; Conrade, konreid.

Consanguineous, konsangwinjəs, verwant in den bloede; Consanguinity = bloedverwantschap.

Conscience, konš’ns, geweten: In — = redelijkerwijs; In all — = voorzeker; — clause (= Cowper-Temple clause) = bepaling in de Education Act (1870), dat ouders hun kinderen kunnen vrijstellen van het godsdienstonderwijs in de Elementary Schools; —-keeper = iemand die als ons ‘uitwendig’ geweten fungeert; zielverzorger; — money = vrijwillig gezonden bedrag als men te weinig belasting heeft betaald; —-proof = verhard; —-smitten (—-stricken) = gekweld door; Conscientious, konšienšəs, nauwgezet, gewetens - -: subst. —ness; Conscionable, konšənəb’l, redelijk, billijk; Conscious, konšəs, bewust, gewaar, schuldbewust, zelfbewust: I am not — of any guilt = ik ben mij niet bewust van; subst. —ness.

Conscript, konskript, subst. iemand, die aangeloot is voor den krijgsdienst; adj. op de dienstrol geplaatst: — fathers = senatoren (van Rome), raadsleden; —ion = verplichte krijgsdienst.

Consecrate, konsəkrit, adj. geheiligd, gewijd; — verb. konsəkreit, heiligen, wijden, inwijden, consacreeren; Consecration = wijding, inzegening; Consecrator = inwijder; Consecratory = heiligend, wijdend.

Consecution, konsikjûš’n, opvolging, reeks, gevolgtrekking; Consecutive, k’nsekjutiv, geregeld, opvolgend, volgend; —ness = ’t op elkaar volgen.

Consensual, k’nsenšuəl, reflex - -; Consensus, k’nsensəs, overeenkomst, -stemming, sympathie.

Consent, k’nsent, subst. overeenstemming, berusting, toestemming; — verb. instemmen, berusten, toegeven: Silence gives — = die zwijgt stemt toe; By (with) one, By common — = éénstemmig; The age of — = 14 jar. leeftijd in Engel.; —aneity, konsentənîiti, onderlinge overeenkomst; —aneous, konsenteinjəs, overeenstemmend, gelijktijdig; subst. —aneousness; —ient, k’nsenšiənt, eenstemmig.

Consequence, konsikwens, gevolg, uitwerking, gewicht: In (By) — of = ten gevolge van, dientengevolge; That is of no — = van geen belang; He gave a bottle to keep up his — = hij schonk eene flesch voor zijn fatsoen; A man of — = van invloed; To play —s = protocollen maken; Consequent = daaruit volgend, consequent; subst. gevolg; Consequential = consequent, gewichtig doende.

Conservancy, k’nsɐ̂v’nsi, behoud, bewaring: Thames Court of — = College ter bescherming van en toezicht op de visscherij en de scheepvaart op de Theems onder presidium van den Lord Mayor.

Conservation, konsəveiš’n, behoud: — of force, energy = behoud van arbeidsvermogen; Conservatism = conservatisme; Conservative = subst. behoudsman; adj. behoudend, behoedzaam.

Conservatoire, konsɐ̂vətwö, muziekschool.

Conservator, konsəveitə, konsəveitə, bewaarder, conservator; Conservatrix, k’nsɐ̂vətriks.

Conservatory, k’nsɐ̂vətəri, broeikas, serre; muziekacademie (Amer.); adj. conserveerend, conservatief.

Conserve, konsɐ̂v, conserf.

Conserve, k’nsɐ̂v, conserveeren, goed houden; —r = inmaker.

Consider, k’nsidə, overwegen, beschouwen, waarnemen, bedenken, beloonen: — the end = let op; He put on his —ing-cap = hij begon te overleggen; Considerable = aanzienlijk, gewichtig; subst. —ness; Considerate = attent, zorgvuldig, kiesch, omzichtig; subst. —ness; Consideration, k’nsidəreiš’n, overweging, aanzien, onderscheiding, achting, beweeggrond, invloed, vergoeding, premie, valuta, welwillendheid: He sold the picture for a — = voor iets meer dan den kostenden prijs; In — of = ter vergoeding van, met het oog op; Out of — for your interests = met het oog op; That is a — to me = een heele som voor mij; He extended his — to me = behandelde mij met consideratie; To take into — = in aanmerking nemen; Considerative = beschouwend, peinzend; Considering = in aanmerking nemende, lettende op, wat betreft.

Consign, k’nsain, overdragen, toevertrouwen, overmaken, consigneeren, toewijzen, onderwerpen: —ed to happiness, to fetters = gewijd aan, verwezen tot; Consignation, konsigneiš’n, endossement, deponeering, consignatie; Consignee, konsainî, factor; geconsigneerde, geadresseerde; Consigner, k’nsainə, consigneerder, vervrachter = Consignor, k’nsainə, konsinô; Consignment, k’nsainm’nt, consignatie; geconsigneerde artikelen.

Consist, k’nsist, bestaan, voortbestaan, bestaanbaar zijn met: Happiness —s in contentment = het geluk is gegrond in de tevredenheid; What does it — of? = waaruit bestaat het? Such things cannot — together = zijn niet met elkander bestaanbaar; —ence = samenstelling, dichtheid; —ency = overeenstemming, volharding, consequentie: His idol was —ency = consequentie; —ent, adj. vast, consequent, zich-gelijk-blijvend.

Consistory, konsistəri, kənsistəri, vergadering, consistorie, kerkeraad.

Consolable, k’nsouləb’l, troostbaar; Consolate = To console; Consolation = troost; Consolatory = troostend, troost...

Console, k’nsoul, troosten, bemoedigen, tot berusting aansporen: I hope she will be —d = dat zij zich zal schikken in haar lot; —r = trooster.

Console, konsoul, console; —-table = consoletafeltje.

Consolidate, k’nsolideit, tot eene vaste en krachtige massa vereenigen, samentrekken, consolideeren; —d fund = de gezamenlijke staatsinkomsten van Engeland en Ierland; —d Stocks = Consols = werkelijke schuld; Consolidation = verdichten, vast worden, combinatie.

Consols, kənsolz, konsolz, Engelsche staatspapieren (Werkelijke Schuld).

Consonance, —cy, konsən’ns(i), overeenstemming, harmonie; Consonant = subst. medeklinker; adj. gelijkluidend; overeenstemmend; Consonantal = medeklinker...

Consort, konsöt, gemaal, makker: Prince — = Prins Gemaal.

Consort, k’nsöt, omgaan met (with), overeenstemmen, passen bij, vergezellen, escorteeren.

Conspectus, kənspektəs, overzicht, synopsis.

Conspicuous, k’nspikjuəs, duidelijk zichtbaar, buitengewoon, opzichtig: To be — by one’s absence = schitteren door afwezigheid; He made (rendered) himself — = maakte, dat de aandacht op hem viel; subst. —ness.

Conspiracy, k’nspirəsi, samenzwering, complot; Conspirator, k’nspirətə, samenzweerder; Conspire, k’nspaiə, samenzweren, beramen.

Constable, kɐnstəb’l, konstabel, slotvoogd, connetable: County — = veldwachter; He has been outrunning the — = heeft te groot geleefd; —ship = ambt van - -; Constabulary, k’nstabjuləri, subst. de gezamenlijke konstabels, de geheele politiemacht; adj. politie - -: — force.

Constance, konst’ns, Constanz; Constantia.

Constancy, konst’nsi, standvastigheid, volharding, trouw; Constant = onveranderlijk, voortdurend, standvastig, trouw.

Constantia, k’nstanšiə, soort wijn; Constantine, konst’ntain, konst’ntain, Constantijn; Constantinople, k’nstantinoup’l, Constantinopel; Constantinopolitan, adj. en subst.

Constellate, konstəleit, kənsteleit: The —d sky = de met sterren bezaaide lucht; To be —d = door zijn geboortester voorbestemd tot; Constellation = gesternte, sterrenbeeld.

Consternate, konstəneit, doen ontstellen; Consternation, konstəneiš’n, ontsteltenis.

Constipate, konstipeit, verstoppen; Constipation = hardlijvigheid.

Constituency, k’nstitjuənsi, de gezamenlijke kiezers; Constituent, subst. wezenlijk bestanddeel, lastgever, afgever, kiezer; adj. vormend, samenstellend, hoofd.., grond.., kies..: — body = kieslichaam; Constitute, konstitjût, samenstellen, vormen, uitmaken, machtigen, benoemen: The —d authorities = gestelde, wettige machten; We —d ourselves the champion of the coloured races = wij wierpen ons op als; Constitution = inrichting, samenstelling, aanstelling, ziels- of lichaamsgesteldheid, regeeringsvorm, grondwet, staatsregeling; Constitutional = lichaams - -, geestes - -, gemoeds - -; constitutioneel; subst. wandeling: — government = grondwettelijke regeering; He went for a — every day = maakte eene wandeling voor de gezondheid; Constitutive = Constituent: — power = wetgevende macht.

Constrain, k’nstrein, dwingen, weerhouden, bedwingen, noodzaken, binden; —able = bedwingbaar; —ed = gedwongen: — demeanour = gedwongen houding; —t = dwang, beperking, verlegenheid.

Constrict, k’nstrikt, samentrekken, samenkrimpen; subst. —ion; —or = sluitspier: Boa —or = reuzenslang.

Constringent, k’nstrinžənt, samentrekkend.

Construct, k’nstrɐkt, bouwen, opbouwen, vormen, plaatsen, construeeren, verklaren; —ion = samenstelling, maaksel, bouw, inrichting, uitlegging, constructie: What —ion shall I put upon your words? = welke uitlegging moet ik - - -? The building was in course of —ion = in aanbouw; —ive = vormend, opbouwend; afgeleid, aangenomen: —ive contempt (trust) = aangenomen smaad (vertrouwen); —or = bouwer, maker.

Construe, k’nstrû, konstrû, verklaren, uitleggen, vertalen, prepareeren.

Consuetudinal, konswitjûdin’l, Consuetudinary, konswitjûdinəri, door de gewoonte geijkt.

Consul, kons’l, consul; —ar, konšulə, consulair; —ate = consulaat = —ship.

Consult, k’nsɐlt, raadplegen, beraadslagen, letten op, overleggen: They —ed together = staken de hoofden bij elkaar; Consultation = beraadslaging, consult: Writ of — = verwijzing weer naar het eerste gerechtshof; —ative = raadplegend; —ing-room = spreekkamer (van een dokter).

Consumable, k’nsiuməb’l, verteerbaar, verbruikbaar; Consume, k’nsiûm, vernietigen, uitroeien, verteren, uitteren, gebruiken, afzetten: —dly = kolossaal, verduiveld; Consumer = verbruiker, afnemer.

Consummate, k’nsɐmit, adj. volkomen, volmaakt: — verb. kənsɐmeit, konsəmeit, voltooien, afmaken: — scoundrel = doortrapte schurk; Consummation = voltooiing, vervulling, dood; huwelijksgemeenschap.

Consumption, k’nsɐmš’n, uittering, vertering, verbruik, tering; consumptie: To be (go) in (into) a — = de tering hebben (krijgen); Far gone in —; Consumptive, teringachtig, tering - -; teringlijder.

Contact, kontakt, aanraking, voeling, contact, vereeniging: To come in — with the law; Angle of — = hoek, gevormd door een kromme lijn en de tangens daarvan; Point of — = raakpunt.

Contagion, k’nteiž’n, besmetting, pest, smetstof, gif; Contagious = besmettelijk, giftig: The — Diseases Acts = Wetten op Besmettelijke Ziekten; subst. —ness; Contagium = smetstof.

Contain, k’ntein, bevatten, omvatten, insluiten, bedwingen, (zich) goed houden: We —ed the enemy until nightfall; I could not — my laughter = inhouden, bedwingen; —able = te bevatten; —er = vat, bak.

Contaminate, k’ntaminit, adj. bevlekt, besmet, bedorven: — verb. k’ntamineit, bevlekken, besmetten, bezoedelen, bederven: —d fish; Contamination = besmetting, bederf; Contaminative = besmettend.

Contango, k’ntaŋgou, opgeld, betaald om de betaling der gekochte stukken tot over 14 dagen (Settlement-day) te mogen uitstellen (het tegengestelde van Backwardation); —-day = afrekeningsdag.

Contemn, k’ntem, verachten, geringschatten.

Contemplate, kont’mpleit, k’ntempleit, beschouwen, overpeinzen, van plan zijn, op het oog hebben, ernstig denken over; Contemplation = beschouwing, nadenken, droomerij: This is in — = overweging; Contemplative = nadenkend, beschouwend, speculatief; subst. —ness; Contemplator, Contemplator = denker, etc.

Contemporaneous, kəntempəreinjəs, gelijktijdig; subst. —ness; Contemporary (with), k’ntemp’rəri, gelijktijdig; subst. tijdgenoot, persoon (blad, tijdschrift) van denzelfden (leef)tijd.

Contempt, k’ntemt, verachting, geringschatting: — of Court = beleediging van het (gerechts)hof; In — of = in weerwil van; To hold in — = verachten; —ible = verachtelijk, nietig; subst. —ibleness; —uous, k’ntemtjuəs, smalend, onbeschaamd; subst. —uousness.

Contend, k’ntend, betwisten, betoogen, beweren, strijden, worstelen, streven (met for); —ing = tegenstrijdig.

Content, k’ntent, subst. voldaanheid, berusting; — verb. tevreden stellen; adj. tevreden, voldaan; vóór (stemmer in het House of Lords): To one’s heart’s — = naar hartelust; I am — = ik stem het toe, ben er voor; Not — = (ik stem) tegen; To — oneself = zich vergenoegen; —ed(ness) = tevreden(heid) = —ment: —ment is above riches = tevredenheid gaat boven rijkdommen.

Content, k’ntent, kontent, inhoud: Table of —s = inhoudsopgave; — bill = inhoudsopgave van sommige couranten.

Contention, k’ntenš’n, strijd, twist, naijver, argument, bewering: My — is, that.... = ik beweer, durf volhouden, dat....; Contentious, twistziek; subst. —ness.

Conterminous, k’ntɐ̂minɐs, dezelfde grenzen hebbend, aangrenzend.

Contest, kontest, strijd, twist, geschil.

Contest, k’ntest, betwisten, strijden om, worstelen, wedijveren: —ed election = verkiezing, waarbij meer dan één candidaat voor ééne plaats is; To — a borough = als candidaat optreden voor; —able = bestrijdbaar, strijdig; —ant = mededinger.

Context, kontekst, samenhang; —ure, k’ntekstjə, samenweefsel, samenstelling, samenhang, bouw.

Contiguity, kontigjûiti, samenhang, nabijheid; Contiguous, k’ntigjuəs, aangrenzend, nabij (met to).

Continence, kontinens, Continency, kontinensi, matigheid, zelfbeheersching, maat, kuischheid.

Continent, kontinent, subst. vastland, Europa (behalve Engeland), stoffelijk omhulsel, aarden vat; adj. kuisch, matig, onafgebroken, bevattend; Continental = continentaal; subst. bewoner van het Continent: The — Powers = de Europeesche mogendheden (behalve Engeland); The — system, van Napoleon I; Continentalize = zich naar vastelandsgewoonten schikken.

Contingency, k’ntinž’nsi, gebeurtelijkheid, toevallige gebeurtenis: In a certain — = onder bepaalde omstandigheden; Contingencies = onvoorziene uitgaven: — of war = krijgskans; Contingent, k’ntinž’nt, subst. toevallige gebeurtenis, aandeel, contingent; adj. voorwaardelijk, toevallig, mogelijk, eventueel: My promise is — on your going away = ik beloof het onder voorwaarde, dat gij weggaat.

Continual, k’ntinjuəl, voortdurend, onophoudelijk, herhaald, voortgezet: — fever = aanhoudende koorts; subst. —ness; Continuance = onafgebroken opeenvolging, volharding, verloop, verblijf: For a — = op den duur; In — of time = in verloop van tijd; Continuation, k’ntinjueiš’n, voortduring, voortzetting, vervolg, prolongatie: — day = beursdag, waarop de interest verrekend wordt; —-schools = M. U. L. O. scholen; Continuations = broek; Continuative = uitdrukking die, of koppelwoord, dat voortduur uitdrukt.

Continue, k’ntinjû, voortduren, voortzetten, blijven, duren, vertoeven: The weather —d fair for several days = het weer hield zich verscheidene dagen goed (bleef droog); To be —d = wordt vervolgd; —d in our next = voortzetting in ’t volgend nommer; —d fever = hardnekkige.

Continuity, kontinjûiti, samenhang, onafgebroken verband, continuiteit; Continuous: — rains = onophoudelijke regens.

Contort, k’ntöt, adj. ineengedraaid; — verb. wringen, draaien; Contortion, k’ntöš’n, verdraaiing, verminking (vooral der ledematen); verrekking: To make —s = zich in alle bochten wringen; —ist = slangenmensch; woordverdraaier.

Contour, k’ntûə, kontûə, subst. omtrek, buitenlinie; — verb. een omtrek of schets maken.

Contra, kontra, contra: Per — = in tegenvordering; Contraband, kontrəband, subst. smokkelhandel, verbod, smokkelgoederen (= —-goods); adj. (wettig) verboden: — trade; — of war; —ist, kontrəbandist = smokkelaar.

Contract, kontrakt, contract, verdrag, acte, overeenkomst; huwelijk; huwelijksacte, aanneming (v. bouwwerken, etc.): —-work = aangenomen werk.

Contract, k’ntrakt, samentrekken, verkorten, inkrimpen, verloven, zich op den hals halen, aangaan, maken, oploopen, aannemen: To — friendship = vriendschap aangaan; —ibility = inkrimpbaarheid, samentrekbaarheid; adj. —ible, —ile; —ing parties = contracteerende partijen; —ing price = leveringsprijs; —ion = samentrekking, afkorting, oploopen, aangaan van; —or = aannemer, leverancier, sluitspier; —or-built houses = bij aanneming gebouwde.

Contra-dance, kontradâns, quadrille.

Contradict, kontradikt, tegenspreken, ontkennen, weerspreken; —ion = tegenstrijdigheid: That is a —ion in terms = tegenstrijdigheid in woorden; Contradictious = tegenstrijdig, twistziek; subst. —ness; Contradictoriness = tegenstrijdigheid; Contradictory = tegenstrijdig, onbestaanbaar met elkander (of one another).

Contradistinction, kontradistiŋkš’n, tegenstelling: In — to (from) = in tegenstelling met; Contradistinctive = tegengesteld; Contradistinguish = door tegenstellingen onderscheiden.

Contralto, kəntraltou, tweede alt.

Contrapuntal, kontrapɐnt’l; Contrapuntist. Zie Counterpoint.

Contrariety, kontrəraiiti, tegenstrijdigheid, moeielijkheid = Contrariness = weerspannigheid; adj. Contrarious; Contrary, kontrəri, subst. tegendeel, tegenstelling; adj. tegengesteld, weersprekend, strijdig, vijandig, weerspannig, knorrig: On the — = integendeel; To the — = niettegenstaande: He will come, all rumours about his health to the —; Unless I hear to the — = tegenbericht krijg; — to equity = in strijd met de billijkheid; — wind = tegenwind.

Contrast, kontrast, tegenstelling.

Contrast, k’ntrast, tegenover elkander staan of stellen (met with), afsteken bij.

Contra-tenor, kontratenö, tweede tenor.

Contravallation, kontravəleiš’n, door belegeraars opgeworpen reeks van borstweringen.

Contravene, kontravîn, in tegenspraak zijn, tegenwerken, overtreden; —r = overtreder; Contravention = tegenwerking, overtreding: He did it in — of that rule = vlak tegen dien regel in.

Contributable, k’ntribjutəb’l, bij te dragen; Contribute, k’ntribjût, bijdragen (voor een gemeenschappelijk doel), bevorderen, medewerken; Contribution = bijdrage, brandschatting, belasting (—-bag = kerkezakje); To levy a — on = brandschatten; Contributive = bijdragend, bevorderend; Contributor = bijdrager, medewerker, bevorderaar; Contributory = bijdragend: — river = zijrivier; subst. = Contributor.

Contrite, kontrait, berouwvol, boetvaardig; Contrition, k’ntriš’n, diep berouw, droefheid.

Contrivance, k’ntraiv’ns, plan, uitvinding, middel, list; zuinig overleg; Contrive, k’ntraiv, beramen, maken, bedenken, het aanleggen, overlèggen; —r = beramer, etc.

Control, k’ntroul, subst. beperking, bestuur, controle, invloed, macht; — verb. controleeren, in bedwang houden, invloed oefenen: He cannot — himself = zich niet beheerschen; —lable = te controleeren; —ler = controleur, stroomregelaar; —ment = Control.

Controversial, kontrəvɐ̂š’l, strijd ..., polemisch; —ist = polemicus; Controversy, kontrəvɐ̂si, dispuut, geschil, strijdpunt; Controvert, kontrəvɐ̂t, betwisten, weerleggen; Controvertible = weerlegbaar.

Contumacious, kontjumeišəs, weerspannig, weerbarstig, zich verzettend, niet verschijnend; subst. —ness; Contumacy, kontjuməsi, (opzettelijke) weerbarstigheid, niet verschijnen; Contumelious = honend, verachtelijk, aanmatigend; Contumely = smaad, hoon.

Contuse, k’ntjûz, kneuzen; subst. Contusion; adj. Contusive.

Conundrum, kənɐndr’m, woordraadsel.

Convalesce, konvəles, beter worden; Convalescence = herstel, genezing; Convalescent = genezend, herstellings - -: — hospital = hospitaal voor herstellende zieken.

Convallaria, konvəlêrjə de plantensoort, waartoe het lelietje van dalen behoort.

Convection, k’nvekš’n, voortplanting; Convective = voortplantings - -.

Convene, k’nvîn, samenkomen, samenroepen, oproepen; convenieeren (Amer.); —r = die oproept, etc.

Convenience(-cy), k’nvînj’ns(i), geschiktheid, gepastheid, gemak, gelegen tijd of plaats, wagen, stoel: Do it at your (earliest) — = zoo(dra) het u voegt; Consult your own — = regel het zooals het u best past; To meet the — of = zich regelen naar; Convenient = geschikt, gemakkelijk (gelegen, te vinden): I will make it — = zal het schikken, dat....

Convent, konv’nt, (nonnen)klooster.

Conventicle, k’nventik’l, subst. conventikel, geheime godsdienstoefening, bidstond of bedehuis (van afvalligen of uitgestootenen eener kerk); — verb. behooren tot (bezoeken van) conv.; —r = bezoeker van een conventicle.

Convention, k’nvenš’n, samenkomst, vereeniging, (voorloopig) verdrag van oorlogvoerende partijen, verbond, afspraak, overeenkomst; —al, —ary = overeengekomen, afgesproken, stilzwijgend gewettigd, gebruikelijk, conventioneel; Conventionalism = conventionalisme, het conventioneele; Conventionalist = aanhanger van het conventioneele; Conventionality = gebruikelijkheid; Conventionalize = convent. voorstellen.

Conventual, k’nventjuəl, klooster - -; subst. kloosterling.

Converge, k’nvɐ̂dž, in één punt samenkomen; —nce, —ncy = convergentie; —nt = convergeerend.

Conversant, konvəs’nt, bekend, bedreven in, vertrouwd, gemeenzaam (with).

Conversable, k’nvɐ̂səb’l, gezellig, onderhoudend; Conversation, konvəseiš’n, verkeer, omgang, gesprek: Criminal — = echtbreuk; We entered into — = wij raakten in gesprek; He joined in the — = hij sprak een woordje mee; Conversational = het gesprek betreffend, in gesprekvorm: — powers = spraakzaamheid; Conversationalism: That is a — = familiare uitdrukking; Conversationalist = Converser.

Conversazione, konvəsatšouni, bijeenkomst ter bespreking van een letterkundig of wetenschappelijk onderwerp.

Converse, k’nvɐ̂s, omgaan (spreken) met, verkeeren; —r = (onderhoudend) prater.

Converse, konvəs, subst. gesprek, gemeenzame omgang: To hold — with.

Converse, konvəs, omgekeerd, wederkeerig; subst. omkeering, tegenstelling.

Conversion, k’nvɐ̂š’n, bekeering, verandering, omkeering, conversie, toeëigening; —ist = bekeerling: A —ist sermon = preek van een bekeerling (waarin hij zijne redding vertelt).

Convert, konvət, bekeerde, geredde; leekenbroeder.

Convert, k’nvɐ̂t, veranderen, bekeeren, redden, omzetten in, converteeren, omkeeren, zich veranderen, aanwenden, in eigen gebruik nemen, doen overgaan: He —ed his property into money, which he —ed to his own use = te gelde maken... aanwenden; —ed India-rubber = gezwavelde; Convertibility = veranderbaarheid, etc.; Convertible = veranderbaar, enz.: — terms = gelijkwaardige uitdrukkingen.

Convex, konveks, subst. en adj. convex; Convexity = convexe vorm; Convexo: —-concave = convex-concaaf; —-convex = bol aan beide zijden; —-plane = plan-convex.

Convey, k’nvei, vervoeren, verschepen (= — by water), overdragen, overbrengen, mededeelen; de gedachte wekken: My words do not mean to — this; —able = overdraagbaar; —ance = vervoer, vervoermiddel, rijtuig, overdracht, voortplanting: Letter of —ance = akte van overdracht; —ancer = —ancing-council = een ambtenaar, die akten v. overdracht maakt; —ancing-law = recht op de overdracht van eigendom; —er = overbrenger.

Convict, konvikt, veroordeelde, galeiboef; —-colony = —-establishment = strafkolonie; —-ship = transportschip van gestraften.

Convict, k’nvikt, adj. schuldig bevonden; — verb. schuldig bevinden, veroordeelen; bewijzen, de onjuistheid aantoonen; —ion = schuldigbevinding, overtuiging, vast geloof; —ive = overtuigend.

Convince, k’nvins, overtuigen; Convincible = te overtuigen; Convincing proof = doorslaand.

Convive, konvaiv, tafelgenoot; — verb. kənvaiv, feestvieren; Convivial, k’nvivj’l, feestelijk, vroolijk, gezellig; Conviviality = feestelijkheid, enz.

Convocate, konvəkeit, bijeenroepen; Convocation = bijeenroeping, vergadering; synode van de 2 kerkelijke provinces (Canterbury en York) waarin Engeland verdeeld is; vergadering der gegradueerden eener universiteit.

Convoke, k’nvouk, samenroepen, oproepen, samenkomen.

Convolute, konvəl(j)ût, —d, konvel(j)ûtid, ineengerold; Convolution = omdraaiing, ineenwikkeling; Convolvulus, k’nvolvjulɐs, winde.

Convoy, konvôi, konvooi, escorte: — of prisoners = transport gevangenen.

Convoy, kənvôi, convoyeeren.

Convulse, k’nvɐls, krampachtig samentrekken, schokken, schudden, hevig ontroeren: To be —d with laughter = zich een stuip lachen; Convulsion = kramp, hevige ontroering, stuip; Convulsionary = krampachtig = Convulsive: — motion = stuiptrekkende beweging.

Con(e)y, kouni, kɐni, konijn; —-burrow = konijnenhol; —-wool = konijnenbont.

Conybeare, kɐnibêə.

Conyza, kənaizə, vlooienkruid.

Coo, kû, kirren, vrijen: They were billing and —ing together = zij zaten te vrijen.

Cooee (Cooey), kûi, signaal der Austral. boschbewoners; ook verb.

Cook, kuk, subst. keukenmeid, kok; — verb. koken, bereiden, een geflatteerde balans maken, vervalschen: Too many —s spoil the broth = te veel koks bederven de brij; To — a person’s goose = iemand geducht beetnemen; To — up = opwarmen; —-shop = gaarkeuken; —ery-book; School of —ery; —ing-box = hooikist; —ing-range (-stove) = fornuis.

Cookie, kuki, koekje; (Am.).

Cooky, kuki, iemand die met Cook (den Engelschen Lissone) reist.

Cool, kûl, subst. koelheid, frischheid; adj. koel, frisch, kalm, onhartstochtelijk, onverschillig, onbeschaamd, brutaal: — verb. afkoelen, bekoelen, koelen, koel (kalm) worden (down): — as a cucumber = zoo brutaal mogelijk; bij zijn neus langs; I call it — = onbeschaamd; It cost me a — hundred = honderd guldentjes; — your brain = kalmeer je wat; He —ed his heels = hij moest lang buiten wachten; —er = koeldrank, koelvat, koelkan: Butter —er; —-headed = onhartstochtelijk, zichzelf meester; subst. —-headedness = bezonnenheid; —ish = wat koel (koud); —ness = koelheid, kalmte, koudbloedigheid, onbeschaamdheid; —th = het koel zijn.

Coolie, kûli, koelie.

Coom, kûm, dik wagensmeer, roet, zaagmeel, stof, vuil.

Coomb, kûm, maat van vier bushels (± 141 L.); ook: Comb, koum.

Coon, kûn, verkorte vorm van Racoon, waschbeer: You are a gone — = je bent erbij, voor de poes (Am.); Old — = slimmerd.

Coop, kûp, subst. kippenhok, konijnenhok, kuip.

Cooper, kûpə, subst. kuiper; mengsel van half stout en half porter; — verb. kuipen; bederven, vervalschen; begrijpen (Am.): —ed up = opgeknapt; —age, kûpəridž, kuiperswerk, kuiperij, kuipersloon = —y.

Co-operant, kou-opər’nt, medewerkend; meewerkende oorzaak; Co-operate, kouopəreit, samen-, medewerken; Co-operation = samenwerking, medewerking; Co-operative: — Society = Vereeniging Eigen Hulp; — Stores = winkel v. E. H.; Co-operator = medewerker.

Co-ordinate, kouödinit, adj. van dezelfde orde of macht; subst. coördinaat; — verb. (kouödineit), doen coördineeren, samenvatten, in overeenstemming brengen; Co-ordination = coördinatie.

Coot, kût, meerkoet.

Cop, kop, pakken, gappen, stelen.

Copaiba, kəpeibə = Balsam of —.

Copal, koup’l, copal.

Copartner, koupâtnə, deelhebber, compagnon; —ship = compagnieschap.

Cope, koup, koorhemd, kap; (blader)dak, uitspansel (= — of heaven); — verb. met een mantel (dak, koepel) bedekken; een kapgewelf vormen; bestrijden, tegemoet treden; handel drijven; wedijveren, meedoen: To — with = voldoen aan; This —s best with women = daarmee komt men bij vrouwen het verst; The doctors could not — with all the wounded = konden al de gewonden niet helpen.

Copenhagen, koup’nheig’n.

Coper, koupə, vaartuig, dat aan de visschers op de Noordzee jenever, etc. verkoopt.

Copernican, kəpɐ̂nik’n, van Copernicus.

Copestone, koupstoun, sluit-, hoek-, of deksteen.

Cophetua, kəfetjuə.

Copier, kopjə, copiïst, naäper, copieermachine.

Coping, koupiŋ, muurkap: —-stone = Copestone.

Copious, koupjəs, overvloedig, volledig, wijdloopig, vrijgevig; subst. —ness.

Copper, kopə, subst. rood koper, ketel, koperen munt; klabak, smeris; adj. van koper; — verb. met koperen platen bedekken; —ed = —-bottomed = gekoperd; —-beech = bruine beuk; —-head = vergiftige slang (Am.); heimelijke vijand; scheldnaam (in den Am. vrijheidsoorlog) voor een Noord-Amerikaan, die het met de Zuidelijken hield (—-headism); —ish = koperachtig; —-plate = koperplaat, kopergravure; —-smith; —-wire; —-worm = paalworm; —y = koperachtig, koper - -; naar koper smakend.

Copperas, kopərəs, koperrood.

Coppice, kopis, onderhout, kreupelboschje.

Coprolite, koprəlait = Coprolith, coprolieten, dreksteen.

Copse, kops, onderhout wegsnoeien, of aanplanten; subst. = Coppice; Copsy = met struikgewas begroeid.

Copt, kopt, Kopt; —ic, subst. en adj. Koptisch(e taal).

Copula, kopjulə, koppelwoord; Copulate, verb. paren; copuleeren; Copulation, verbinding, paring; Copulative, adj. verbindend, parings - - - -; subst. copula, verbindingswoord.

Copy, kopi, subst. afschrift, manuscript, exemplaar, kopie, model; — verb. afschrijven, nabootsen: Foul — = concept, ontwerp; That’s — = dat is een bekende zaak; He made — out of it = maakte er gebruik van voor krant of tijdschrift; He set us copies = hij schreef ons een regel voor om na te schrijven; To take — of = tot voorbeeld nemen; To — fair, To — out = in ’t net schrijven (To write out a fair —); To — from nature; —-book = schrijfboek (voor schoonschrift), copieboek; —hold, kopihould, een soort erfpacht (Het erfpachtsrecht van den Holder of a Copyhold Estate bestaat in een copy van de inschrijving daarvan in the Court Rolls van de Manor waarvan elke copyhold steeds een deel uitmaakt. Voldoet de holder slechts aan zekere Customs of the Manor, dan staat zijn bezit even vast als dat van eenig landeigenaar); —ing-ink (—-paper, —-press) = copieerinkt, etc.; —ist = Copier; —right = copierecht: The paper was duly —righted = het recht op den inhoud van het blad (of artikel) was (werd) volgens de wet verzekerd.

Coquet, kəket, coquetteeren; —ry, koukətri, kəketri, behaagzucht; —te, kəket, behaagziek meisje, coquette; —tish = coquet.

Cor, kö = Coroner; Corinthians.

Coracle, korək’l, visschersboot, bestaande uit een houten geraamte met leer of wasdoek overtrokken (Ierl.).

Coral, kor’l, subst. koraal, kinderrammelaar; adj. van koraal, koraalachtig: —-beads = koralen halssnoer; —-diver; —-fishing; — island; Coralliferous = koraalbevattend; Coralliform, Coralliform = koraalvormig; Coralline, korəl(a)in, koraal...; subst. koraalmos, koraaldier; —lite, korəlait, koraliet.

Corb, köb, kolendragers- of mijnwerkersmand, aalmoezenmand.

Corban, köb’n, offerande als gevolg van eene gelofte (bij de Israelieten); de offerande van schapen (bij de Mahomedanen), die onder de armen verdeeld worden.

Corbeil, köb’l, schanskorf.

Corbel, köb’l, subst. draagsteen of draagijzer, nis, kraagsteen van eene Corinthische zuil; — verb. laten steunen op een corbel; —-steps = geveltrapjes, trapgevel; —-table = aan den muur bevestigde, op een corbel rustend uitsteeksel.

Cord, köd, subst. touw, snoer, band, streng, snaar; vadem hout (128 kub. voeten); — verb. met een touw binden (ook: — up), vamen; —-maker = touwslager; —wood = vademhout; Cordage = touwwerk.

Cordate(d), ködeit(id), hartvormig.

Cordelia, ködîljə.

Cordelier, ködəlîə.

Cordial, ködj’l, subst. hartsterking, opwekkend middel, likeurtje; adj. hartelijk, hartsterkend, opwekkend; Cordiality = hartelijkheid; Cordiform, ködiföm, hartvormig.

Cordilleras, ködiljêrɐz, ködiləraz, Sierra Nevada, Rotsgebergte; de Andes.

Cordite (powder), ködait, cordiet.

Cordon, köd’n, lint, cordon; rand van een muur: —s and decorations = lintjes; — bleu = hoogste onderscheiding; beste kok.

Cordova, ködəvə; Cordovan, ködəv’n, corduaan = — leather.

Corduroy, ködjurôi, ködərôi, geribd katoen, fluweelachtige stof voor broeken (= —s); —-road = weg van dikke stukken hout door venen of moerassen (Amer.).

Core, kö, hart, binnenste, kern, klokhuis; — verb. boren (v. appels), inzouten; —r = appelboor.

Corea, kərîə.

Co-regency, kourîdžənsi, mederegentschap; Co-regent.

Co-religionist, kourilidžənist, geloofsgenoot.

Co-respondent, kourispond’nt, mede-aangeklaagde, medeminnaar of medeplichtige (bij een echtscheidings-proces).

Corf, köf, sleeptrog in mijnen.

Coriaceous, kourieišəs, lederen, taai.

Coriander, kouriandə, koriander.

Corinth, korinth; —ian, kərin-thiən, Corinthisch; subst. fat, aristocratisch amateur (tegenover den professional prize-fighter); Coriolanus, kəraiəleinəs, koriəleinəs.

Co-rival, kouraiv’l, medeminnaar, -dinger; —ship = wedijver; —ry.

Cork, kök, subst. kurk; — verb. kurken, onderdrukken, kniezen, met een kurk zwart maken; —-jacket = zwemvest; —-oak; —screw = kurketrekker; —screw stairs = wenteltrap; —age fee = kurkengeld; To pull the — out of an entertainment = het spel bederven; To draw a — = een bloedneus slaan; To smell the — = drinken; —ed = naar de kurk smakend; —er = kurker; dooddoener; spelbreker; —ing = kolossaal; —ing-machine = toestel om flesschen te kurken; —ing-pin, groote doekspeld, bakerspeld, naald om insecten op te steken; —y = kurkachtig, wankel, schichtig, naar de kurk smakend; —y flavour.

Cormorant, kömər’nt, aalscholver, waterraaf; vraat.

Corn, kön, subst. korrel, koren; maïs (Am.), whisky (Amer.); likdoorn; — verb. pekelen, zulten; met graan of haver voederen; tot korrels maken: There is — in Egypt = er is overvloed; He measures our — by his own bushel = zooals de waard is, vertrouwt hij zijne gasten; —-chandler, köntšandlə, korenhandelaar; —-crake = kwartelkoning (spriet); —-cutter = maaimachine (Amer.); —-exchange = korenbeurs; —-floor = (—-loft) = korenzolder; —-mill; —-plaster = likdoornpleister; —-poppy = gewone klaproos; —-salad = veldsalade; —-stalk = korenhalm; —-violet, könvaiəlit, onechte kantvrucht; —-weevil, könwîv’l, graan- of klanderworm; —ed = gepekeld; aangeschoten; —ing-house = korrelhuis.

Cornac, könək, kornak.

Cornea, könjə, hoornvlies.

Cornel, kön’l, eetbare kornoelje = —-berry, —-cherry.

Cornelia, könîljə.

Cornelian, könîlj’n, cornalijn, corneool.

Cornelius, könîljəs; Cornell, könel.

Corneous, köniəs, hoornachtig.

Corner, könə, subst. hoek, bocht, geheime plaats; kliek, die door opkooping den prijs opjaagt; — verb. in een hoek zetten (fig.); den prijs van iets opjagen, eene schaarschte verwekken door opkooping: To drive into a — = in het nauw brengen; To put (stand) one in the — = in den hoek zetten; To turn the — = het hoekje (crisis) te boven zijn; Atween the four —s of the parish = in de geheele; To be at the four —s for = niet weten waar vandaan te halen; To be within the four —s of = behooren tot; The — = Tattersall’s bij Hydepark Corner; To — a person = in ’t nauw brengen; —-boy = lanterfanter; (—er =) —-man = lid van een corner of kliek; —-stone; —-wise = met vooruitspringenden hoek.

Cornet, könət, hoorn, cornet, ruiterbende onder bevel van een cornet; doctorssjerp, neepjesmuts, peperhuisje; —cy = rang van cornet.

Cornice, könis, kroonlijst; —-pole = stok (van overgordijnen).

Corniculate, kônikjulit, gehoornd, hoornvormig.

Cornish, köniš, van Cornwallis; subst. bewoner en taal v. C.; —-engine = soort van stoompomp.

Cornucopia, könjukoupjə, hoorn des overvloeds.

Cornute(d), kônjût(id), gehoornd.

Cornwall, könwôl; Cornwallis, könwolis.

Corollary, korələri, kəroləri, gevolgtrekking uit het voorafgaande.

Corona, kərounə, krans, kroontje, kroon (van een kies), kring (vooral om de maan); Coronal = kroon - -, krans - -: — bone = voorhoofdsbeen; —-feathers = kuifveeren; Coronary = kroonvormig, kransachtig: — arteries = de twee uit de groote slagader zich vertakkende hoofdaderen; Coronate(d) = eene kroon, krans, kuif dragend; Coronation = kroning: —-oath = kroningseed.

Coroner, korənə, lijkschouwer: —’s inquest = gerechtelijke lijkschouw.

Coronet, korənət, kroontje, krans; —ed = met een kroontje.

Coronule, korənjûl, zaadkroontje.

Corporal, köpər’l, subst. korporaal; adj. lichamelijk, stoffelijk: — punishment = lijfstraf.

Corporal, köpər’l, —e, köpəreili, corporale, een met figuren bestikt lijnwaad waarop de hostieschotel en de kelk worden geplaatst.

Corporate, köpərit, tot één lichaam vereenigd: Body — = rechtspersoon; Corporation, köpəreiš’n, staatkundig of wetgevend lichaam, gilde, gemeentebestuur; dikke buik (scherts.): Municipal — = gemeentebestuur; —-pictures = regentenstukken; — spiritual = bestuur van eene cathedraal; — temporal = bestuur van eene gemeente; Corporator = lid v. eene corporatie.

Corporeal, köpöriəl, lichamelijk, stoffelijk: He is a —ist = materialist; Corporeality, Corporeity = lichamelijkheid; Corporealize, belichamen.

Corposant, köpəz’nt, St. Elmusvuur.

Corps, kö (Meerv. Corps, köz), legerkorps.

Corpse, köps (Meerv. Corpses, köpsiz), lijk; —-candle, —-light = licht bij lijken; dwaallicht.

Corpulence, köpjulens, Corpulency, zwaarlijvigheid; adj. Corpulent.

Corpus, köpəs, lichaam, corpus: — Christi = Sacramentsdag; — delicti, diliktai; Corpuscle, köpɐs’l, köpɐs’l, lichaampje, atoompje; Corpuscular = tot atomen behoorende.

Corral, kəral, subst. omheining (voor vee; ook ter verdediging); — verb. omsluiten, opsluiten.

Correct, kərekt, adj. precies, goed, juist, nauwkeurig; — verb. verbeteren, gelijk of op tijd zetten (v. een klok), straffen, verzachten: To be — = juist zijn, gelijk hebben; Correction, kərekš’n, verbetering, terechtwijzing, tuchtiging: House of — = verbeterhuis, gevangenis; — of the press = correctie der drukproeven; He observed under — = merkte bescheiden op; Correctional = straf..., verbeterings...; She stood corrected = daar stond ze, zich van hare schuld bewust; Corrective, kərektiv, verbeterend, verbeterings..., verzachtend; subst. correctief: We will apply a —; —ness = juistheid; —or = verbeteraar.

Correlate, korilit, subst. correlatief; subst. correlaat; — verb. korileit, in correlatie staan of brengen; Correlation, correlatie; Correlative = Correlate: — conjunctions, zooals either ... or; These words are —s.

Correspond, korəspond, overeenkomen, correspondeeren, aansluiting hebben, bij elkander passen (to): A mutton-chop, with potatoes to — = een schapenboutje, met daarbij behoorende aardappelen; That —s to this = dat stemt hiermede overeen; I — with him = houd briefwisseling; Correspondence = overeenstemming, omgang, briefwisseling: To carry on (keep up) a — with = briefwisseling houden met; Correspondent = subst. correspondent; adj. overeenstemmend.

Corridor, koridö, gang; open galerij om een gebouw; bedekte weg om eene versterking: —-train = D-(harmonica)trein.

Corrie, kori, kloof (Schotl.).

Corrigendum, koridžendəm, verbetering; mv. Corrigenda.

Corrigible, koridžib’l, te verbeteren.

Corroborant, kərobər’nt, subst. en adj. versterkend (middel), bevestigend; Corroborate, kərobəreit, versterken, bevestigen, verzekeren; Corroboration = bevestiging, versterking; Corroborative = versterkend, bevestigend.

Corrode, kəroud, wegvreten, invreten, verteren; —nt = invretend (middel); Corrodible, Corrosible = voor invreting vatbaar; Corrosion = wegvreting, uitbijting; Corrosive = subst. en adj. bijtend (middel); subst. —ness.

Corrugate, korugeit, adj. gerimpeld, gefronst: — verb. fronsen, samentrekken: —d iron, glass = gegolfd plaatijzer, glas; subst. Corrugation.

Corrupt, kərɐpt adj. bedorven, omkoopbaar, onecht, verknoeid; — verb. bederven, verontreinigen, omkoopen; — food; — tinned meats = bedorven; — practices = gemeene verkiezingspraktijken; —er = verleider, omkooper; —ibility, kərɐptibiliti, bederfbaarheid, omkoopbaarheid; —ible = bederfbaar, omkoopbaar; —ibleness = —ibility; —ion = bederf, etter, verdorvenheid, vervalsching, omkooperij; —ive = bedervend, verleidend; —ness = —ion.

Corsage, kösidž, corsage.

Corsair, kösêə, zeeroover, vrijbuiter(schip).

Corse, kös = Corpse.

Corselet, köslət = Corslet.

Corset, kösət, subst. korset (vaak —s).

Corsica, kösikə, —n = Corsikaan(sch).

Corslet, köslət, borstharnas; borstschild.

Cortège, kötêž, stoet, gevolg.

Cortes, kötəs, de Cortes.

Cortex, köteks, schors: Cortical, kötik’l, met schors bedekt, schors..; Corticate(d), kötikeit(id), een schors hebbend.

Coruscate, kərɐskeit, korəskeit, flikkeren; Coruscation = schittering, glans.

Corvette, követ, Corvet, kövət, korvet.

Corvus, kövəs, kraai, enterhaak (bij de Romeinen); Corvine = kraai...

Corybant, koribant, priester van Cybele; —ic, koribantik, dol, woest.

Corydon, köridən.

Corymb, korimb, tros.

Corypheus, korifiəs, koorleider, coryphee.

Cos, koz, kôz = Because.

Cosey, kouzi = Cosy.

Cosher, košə, vertroetelen, liefkoozen; —er = smulpaap (fig.); —ing = Iersch gebruik, waarbij de landheer (Cosherer) van zijn pachter voedsel en onderkomen kon eischen voor zich en zijn gevolg.

Cosine, kousain, co-sinus.

Cosmetic, kozmetik, schoonheids..; subst. cosmetiek.

Cosmic(al), kozmik(’l), het heelal betreffend, wereld..., kolossaal.

Cosmogony, kozmogəni, cosmogenie; Cosmographer = cosmograaf; Cosmographic(al); Cosmography = cosmographie; Cosmology = cosmologie.

Cosmopolitan, kozməpolit’n, cosmopolitisch, onbevooroordeeld; subst. cosmopoliet = Cosmopolite, kozmopəlait, wereldburger; Cosmopolitism, cosmopolitisme.

Cosmos, kozmos, het Heelal, etc.

Coss, kos, onbekende grootheid; lengtemaat tusschen 1,6 en 3,2 K.M. (Brit. Ind.): The rule of — = oude naam voor de algebra.

Cossack, kosək, kozak.

Cosset, kosət, ooilam (ook fig.); — verb. liefkoozen, verwennen.

Cost, kost, subst. prijs, uitgaaf, verlies, boete, nadeel; — verb. kosten, te staan komen op: At any — = tot elken prijs; I have experienced it to my — = tot mijne schade; The court sentenced him to three months and —s = en in de kosten (van het geding); That — him his life; —-price = inkoopsprijs; —less = zonder kosten; —liness = kostbaarheid, pracht; —ly = duur.

Costal, kostəl, nerf.., zij...

Costard, kostəd, groote appel, kop.

Coster(monger), kostə(mɐŋgə), fruitverkooper (langs de straat): A — ditty = soort café-chantantliedje.

Costive, kostiv, hardlijvig; subst. —ness.

Costume, kostjûm, kostjûm, kostuum, kleeding; —r, kostjumə, kostjûmə, costumier = Costumier, kostûmiə.

Co-surety, koušûriti, medeborg.

Cosy, kouzi, adj. gezellig, aangenaam (ook: Cozy); subst. theemuts.

Cot, kot, huisje, hut, bootje, schaapskooi; kamerwiegje, hangmat, krib (ook: Cote); — (Betty) = janhén; —land = akker, tot een cot (arbeiderswoning) behoorende.

Co-temporary, Zie Contemporary.

Cothurn, kəthɐ̂n, kouthɐ̂n, cothurne.

Cotill(i)on, koutiljən, cotillon.

Cotquean, kotkwîn, janhén, manwijf.

Cotswold, kotswould: — Hills, in Gloucestershire; langharig schapenras.

Cottage, kotidž, hut, villatje, klein buitentje: —-allotments = stukken gronds behoorende bij de woningen van boerenarbeiders; — piano = pianino; —r = hutbewoner, eenvoudig landman.

Cotton, kot’n, subst. katoen; — verb. zich nauw aansluiten bij, intiem zijn met, harmonieeren: —-gin = égreneermachine; —-grass = wolgras; —-grower = katoenplanter; —-lord = rijk katoenfabrikant; —-prints = gedrukt katoen; —-wool = ruwe katoen, watten (op wonden): To be in —-wool = zich vertroetelen, verwend worden; To — to a person or thing = op hebben met; inpakken: I do not — to him; Cottonocracy, (polit.) invloed der —-lords; Cottonopolis = Manchester (schertsend); Cottonous = donzig, als katoen.

Cotyledon, kotilîd’n, zaadlob; —ous = van zaadlobben voorzien.

Couch, kautš, subst. rustplaats, canapé; laag, verflaag; leger (ligplaats); — verb. (op de knieën) gaan liggen (b.v. als een kameel), gedekt liggen, in hinderlaag liggen, zich buigen, bukken; te bed leggen; uitspreiden, vellen (van eene speer); van den staar lichten: To — an eye; He —ed it in glowing terms = drukte het uit in hartstochtelijke woorden; —-grass = hondsgras; —-mate = slaapkameraad; A lion —ant = liggende leeuw (heraldiek).

Cougar, kûgâ, poema.

Cough, kof, subst. hoest: That’s a churchyard —; — verb. hoesten, opgeven (= up), door hoesten beletten te spreken (= down); —-drop = hoestbonbon.

Could, kud, Imperf. van can.

Coulisse, kûlis, kulîs, coulisse, gleuf (waarin de c. staan), ruimte tusschen de c.

Coulter, koultə, ploegijzer, kouter.

Council, kaunsil, raad, raadsvergadering, concilie: Common — = gemeenteraad; County — = graafschapsraad; Privy — = Raad van State; geheimraad; —-board = raadstafel, raad; —lor = raadslid, raad; —-man = gemeenteraadslid.

Counsel, kaunsəl, subst. raad, overleg, onderzoek, plan; advocaat, rechtskundige; — verb. raadgeven, aanraden: Good — is never out of date = komt altijd gelegen; Don’t tell her; she cannot keep —, her own — = de zaak niet stil (geheim) houden; He took — with his friends = raadpleegde; To take — of one’s pillow = zich op iets beslapen; —lor = raadsman; —lorship = ambt van C.

Count, kaunt, subst. getal, berekening, waarde, schatting; punt van aanklacht, onderdeel van eene beschuldiging; (niet Engelsche) graaf; — verb. optellen, rekenen, achten, rekenen op: He was beaten on that — = op dat punt verslagen; He keeps no — = telt of controleert niet; I lost the — of the hours = wist van geen uur of tijd meer; You must take no — of it = er geene rekening mee houden, er niet om geven; Without taking it into — = mee te tellen; How many fingers have we got? Five, if you — the thumb in = meetelt; To — out the House = de zitting verdagen wanneer na telling is vastgesteld dat het vereischte aantal leden (40) in ’t Lagerhuis niet aanwezig is (Vergelijk To move a — = zulk eene telling voorstellen); I should — myself a coward = achten, beschouwen als; —-palatine, —palət(a)in, paltsgraaf; titel van den bestuurder van een der in vroegeren tijd met bijzondere privilegiën begiftigde Counties Palatine; —-wheel = tandrad voor het slagwerk; —able: It is — on the fingers of your hands = ge kunt het op uw vingers natellen (fig.); —ess = gravin.

Countenance, kauntən’ns, gelaat, uitzicht, blik, gezicht; gunst, steun, aanmoediging; — verb. steunen, begunstigen: The church gave — to the party = steunde; He kept his — = beheerschte zich, hield zich goed; He got quite out of — = raakte van zijn stuk (in de war, ontmoedigd); That put him out of — = deed hem beschaamd staan; To put in — = kalmeeren; The authorities —d the school-feast = gaven het schoolfeest door hunne tegenwoordigheid zedelijken steun; —r = beschermer, begunstiger.

Counter, kauntə, subst. legpenning, dam-, schaakstuk, fiche (in ’t spel); toonbank, teller; boeg (van een paard), tegenstem, tegenstoot, gat (van een schip), valsch spoor, hielstuk; adj. tegenover; — verb. tegenwerken, pareeren: Across the — = over de toonbank: To sell spirits across the — = in ’t klein drank verkoopen, over de toonbank een borrel schenken; To go — = het spoor verliezen; To run — to = tegenwerken, in strijd zijn met; — to the hearth = tegenover den haard; —-jumper = elleridder.

Counteract, kaunt’rakt, tegenwerken, verijdelen, verhinderen; Counteraction = tegenwerking, reactie; adj. Counteractive; Counter-agent = wat tegenwerkt.

Counterbalance, kauntəbal’ns, tegenwicht, evenwicht; — verb. kauntəbal’ns, opwegen tegen, compenseeren.

Counter-blast, kauntəblâst, tegenwind (stoot); tegenslag.

Counterbond, kauntəbond, revers.

Counterbuff, kauntəbɐf, subst. terugslag; — verb. terugslaan, kauntəbɐf.

Counter-cab, kauntə-kab, taxameter.

Countercharge, kauntətšâdž, tegenaanklacht; — verb. kauntətšâdž, een tegenklacht indienen.

Countercharm, kauntətšâm, ontgoocheling, een tegenovergestelde bekoring; — verb. kauntətšâm, de uitwerking van een betoovering neutraliseeren, een tegenovergestelde bekoring uitoefenen.

Countercheer, kauntətšiə, subst. tegentoejuiching (gew. meerv.): — verb. kauntətšîə, de toejuiching der vijandige partij niet tartend gejuich beantwoorden.

Counterdraw, kauntədrô, op elkaar trekken.

Counterfeit, kauntəfit, subst. bedrog, huichelarij, valsch geld, valsche wissel, nadruk; adj. nagebootst, onecht; — verb. namaken, huichelen, bedriegen: To — notes; —er = huichelaar, valsche munter.

Counterfoil, kauntəfôil, contraregister, coupon, bagagebriefje.

Counterguard, kauntəgâd, kleine wal vóór een bastion.

Countermand, kauntəmând, subst. tegenbevel, herroeping; — verb. kauntəmând, een tegenbevel geven, herroepen; afcommandeeren, afbestellen, afzeggen.

Countermarch, kauntəmâtš, tegenmarsch, — verb. kauntəmâtš, terugmarcheeren.

Countermark, k´a´untəmâk, subst. contramerk; — verb. kauntəmâk, merken.

Countermine, kauntəmain, subst. tegenmijn; krijgslist; — verb. kauntəmain, eene tegenmijn aanleggen, heimelijk tegenwerken of verijdelen.

Counterpane, kauntəpein, sprei, doorstikte deken: A patchwork — = lappendeken.

Counterpart, kauntəpât, tegenhanger, duplikaat, tegenstem.

Counterplea, kauntəplî, tegenpleidooi, repliek; Counterplead, kauntəplîd, tegenpleiten, weerspreken.

Counterplot, kauntəplot, tegenlist; — verb. kauntəplot, eene tegenlist verzinnen of gebruiken.

Counterpoint, kauntəpôint, contrapunt; sprei.

Counterpoise, kauntəpôiz, tegenwicht, evenwicht; — verb. kauntəpôiz, in evenwicht houden, opwegen tegen.

Counterpoison, kauntəpôiz’n, tegengif.

Counterscarp, kauntəskâp, contrescarp, tegenwal.

Countersign, kauntesain, subst. wachtwoord, contrasigne, mede-onderteekening; — verb. kauntəsain, medeonderteekenen.

Counter-signal, kauntəsign’l, contrasein; Counter-signature, kauntəsignətjə, mede-onderteekening.

Counterstroke, kauntəstrouk, tegen-, terugslag.

Countervail, kauntəveil, opwegen tegen, compenseeren: —ing duties = contrarechten.

Countess, kauntəs, gravin. Zie Count.

Counting-house, kauntiŋhaus (kassiers- of bankiers)kantoor.

Countrified, kɐntrifaid, boersch, landelijk; — verb. Countrify, kɐntrifai; Country, kɐntri, grondgebied, streek, staat, de bewoners daarvan, vaderland, platteland (tegenover stad): So many countries, so many customs = ’s lands wijs, ’s lands eer; No one called him — = boerachtig; To go into the — = naar buiten gaan; The ministry will go to the — = de kamer(s) ontbinden en de kiezers laten beslissen; —-cousin = nichtje “van buiten”; —-dance = oude dans, waarbij de heeren en dames in twee rijen tegenover elkander staan; tusschen de rijen worden eenige passen uitgevoerd; —-gentleman = landedelman; —man = landgenoot, landman; (—woman = landgenoote); —-party = de agrariërs; —-seat = buitenplaats, landgoed; —-squire = landjonker; —-town = vlek.

County, kaunti, graafschap, district: —-borough = plaats van meer dan 50,000 inw.; — corporate = steden wier gebied een county vormden; —-court = graafschapsrechtbank; —-town = de hoofdstad van een county.

Coupé, kûpei, eerste afdeeling van een diligence; coupé.

Couple, kɐp’l, subst. paar, echtpaar, koppel; — verb. paren; vereenigen, koppelen: A — of dozen = een paar dozijn; These horses run in —s = zijn een span; To hunt in —s = met z’n beiden iets doen, b.v. jagen, huizen zien, etc; He —d-on his engine to the passenger-train = haakte vast.

Couplet, kɐplət, couplet, vers, rijmpaar.

Coupling, kɐpliŋ: —-chains = koppeling; —-pin, verbindings- of kettingbout.

Courage, kɐridž, moed, dapperheid: He took his — in both hands = raapte zijn moed bijeen, vermande zich; —ous, kəreidžəs = moedig; subst. —ousness.

Courier, kuriə, koerier, renbode.

Courland, kûəland, Koerland.

Course, kös, subst. loop, wedloop, loopbaan, stroom, richting, koers, cursus, kuur, onder-razeil, hazenjacht, (ren)baan, reis; wijze van handelen of doen; opeenvolging, reeks, gerecht; — verb. loopen, rennen, stroomen, vervolgen, jagen met windhonden: In — of construction = in aanbouw; In (the) — of time = met verloop van tijd, mettertijd; In due — = op (behoorlijken) tijd, naar den gewonen gang van zaken; That is a matter of — = spreekt vanzelf; — of exchange = wisselkoers; I attended his — of lectures = volgde zijn cursus; Right must have — = zijn beloop; To finish one’s — at = den cursus afloopen aan; Take your — = ga je gang; The ship shaped a — for Tahiti = wendde den steven naar; To walk over the — = eene gemakkelijke overwinning behalen; —s = “zaken” (menstr.); I will — you to the house = ik wil om het hardst met u naar het huis loopen; The tears were coursing down his face = stroomden hem over; —r = renpaard, oorlogspaard; Coursing, kösiŋ, jacht op hazen met windhonden: —-match = wedstrijd met windhonden.

Court, köt, subst. hof, hofstoet, paleis, opwachting; plein, gerechtshof, gerechtszitting, rechtbank, slop, hofje; — verb. streven naar, het hof maken, vleien: To go to — = aan het hof verschijnen; To go into — = gaan procedeeren; To hold a — = receptie (of zitting) houden; He paid his — to her = hij maakte haar het hof; To put out of — = wegens niet verschijnen van de behandeling uitsluiten; buitensluiten; — of ease = hulphof; To rule out of — = wraken; To — appearances = voor het oog aangenaam zijn; To — death = den dood zoeken; I came to this country, to — forgetfulness of the past = om te trachten, het verledene te vergeten; — of Common Pleas = vroeger gerechtshof; thans vervangen door de Queen’s Bench Division van het Hooggerechtshof; — of Session = onderdeel van het Hooggerechtshof (Schotl.); —-card = heer, vrouw of boer (in het kaartspel); —-chaplain = hofkapelaan; —-day = zittingsdag; —-dress = hofkostuum; —-fool = hofnar; —-lady; —-martial = krijgsraad; —-plaster = (Engelsche) pleister; —-yard = binnenplaats, binnenplein; —eous, kötjəs, kɐ̂tjəs, hoffelijk, beleefd, beschaafd; subst. —eousness; —er = hofmaker; —esan, kötiz’n, lichtekooi; Courtesy, kɐ̂tisi, kötisi, hoffelijkheid, vriendelijkheid, gunstbetoon: By — = uit hoffelijkheid, niet rechtens; — title = de titel, door de zonen van adellijken gedragen, vóór ze hun vader in zijn rang opvolgen (—-lords); Tenure by — = recht op het bezit der goederen van de overleden vrouw tijdens het leven harer kinderen; Courtesy, kɐ̂tsi, subst. buiging (van hoofd en lichaam) door eene dame; — verb. eene buiging maken (ook Curts(e)y gespeld); Courtier, kötjə, hoveling: —ism, kötjerizm, hoofschheid, hoofsche manieren; Courting = hofmaken, vrijerij; Courtliness = hoffelijkheid; adj. Courtly; Courtship = vrijerij.

Courtney, kɐ̂tni; Courtray, kûətrei, Kortrijk.

Cousin, kɐz’n, neef, nicht: — Betty = halfwijze; First — = —-german = volle neef of nicht; —ship = neefschap, verwantschap.

Coutts, kûts.

Cove, kouv, subst. inham, baai, kreek, hol, gewelf; strook prairie-grond; vent; — verb. verwulven; Coving = het vooruitsteken der bovenverdiepingen; adj. overhangend.

Covenant, kɐvən’nt, subst. verdrag, contract, verbond, acte; — verb. zich verbinden, overeenkomen, volgens acte schenken; —ed = door een verdrag gebonden; —er = aanhanger van de Partij der Schotsche Presbyterianen (1638).

Covent Garden, kɐvən(t)gâd’n, groente- en fruitmarkt (Londen).

Coventry, kɐv’ntri: To send to — = doodverklaren, ignoreeren.

Cover, kɐvə, subst. bedekking, deksel, scherm, (boek)omslag, foudraal, band (The book is interesting from — to —); struikgewas, schuilplaats (The fox broke — = kwam uit zijne schuilplaats), beschutting; couvert (bord, vork, mes, lepel); — verb. bedekken, bemantelen, bekleeden, beschermen, dekken, omhullen, inwikkelen; afleggen, broeden, van gelijke uitgestrektheid zijn, bevatten, mikken op, onder schot nemen, insluiten: That —s everything = sluit alles in; We have —ed a mile = eene mijl afgelegd; I knelt down, —ed the tiger, and fired = mikte op; The house is —ed in = onder dak; The balcony has just been —ed in with glass = rondom omsloten; —-side = jachtterrein (eig. plaats bij de schuilplaats van wild of vossen); —ing = bedekking, dek, omhulsel, dekmantel, (lijk)wade; —ing-party = bedekking; —let = sprei, soms —lid; Covert, kɐvət = subst. schuilplaats, lommerrijke plek, leger (van wild); adj. verborgen, geheim, beschermd: Femme — = getrouwde vrouw; —-coating = een bepaalde stof; Coverture = beschutting, lommerrijke plaats; staat der gehuwde vrouw.

Covet, kɐvət, vurig verlangen, begeeren, hunkeren: Thou shalt not — = gij zult niet begeeren; —ous, kɐvətɐs, begeerig, hebzuchtig; subst. —ousness.

Covey, kavi, broedsel, vlucht (patrijzen), troep: kouvi, ventje.

Cow, kau, subst. koe; —bane = waterscheerling, hondspeterselie; —berry = roode boschbes; —-boy = koejongen, bereden koeherder (Amer.); —-bunting = (Amerik.) lijster; —-catcher = toestel vóór aan de locomotief om de baan schoon te maken (Amer.); —-feeder = koehouder (hoeder); —-hide = subst. koehuid, grove rijzweep; — verb. afranselen; —-house = koestal; —-leech = koedokter; —-lick = weerbarstige haarlok; spuuglok; —-pock = koepok; —-pox = koepokken; —-shed = koestal; —slip = sleutelbloem; Milch — = melkkoe: To look upon one as a milch —.

Cow, kau, vrees inboezemen, bang maken.

Coward, kauəd, subst. lafaard; beest met den staart tusschen de pooten (Herald.); adj. lafhartig, verachtelijk; —ice = lafhartigheid = —liness; adj. —ly.

Cower, kauə, neerhurken (down), ineenkrimpen.

Cowes, kauz, Cowes.

Cowl, kaul, monnikskap, gek op een schoorsteen, kap van ijzerdraad op den schoorsteen van een locomotief; watervat, tusschen twee mannen aan een stok gedragen.

Cowley, kauli.

Cowlstaff, kaulstaf. Zie Colstaff.

Cowper, kûpə, kaupə.

Cowry, kauri, porseleinslak, schelp als ruilmiddel gebruikt.

Cox, koks; Zie Coxswain.

Coxcomb, kokskoum, zotskap, fat, pronker; hanekam (plant); Coxcom(b)ical, kokskomik’l, fatterig, ijdel.

Coxswain, kokswein, koks’n, stuurman.

Coy, kôi, adj. bedeesd, zedig, preutsch; — verb. afvleien (from); zich zedig gedragen; subst. —ness.

Coyote, koujout, prairiewolf.

Coz, kɐs, familiaar voor Cousin.

Cozen, kɐs’n, beetnemen; —age = beetnemerij; —er = bedrieger.

Cozy, Zie Cosy.

Crab, krab, subst. krab, kreeft (in den Dierenriem), kaapstander, kraan, gangspil, wilde appel, gemelijk mensch; adj. zuur, gemelijk, norsch; — verb. verbitteren, ontstemmen, bederven: He has caught a — = hij heeft (bij het roeien) een snoek gevangen (fig.); Don’t — the whole thing now = zeg er eens, bederf het spel nu niet; —-louse = platluis; —sidle = in zijwaartsche richting voortbewegen; —-tree = wilde appelboom; —bed = zuur, oneffen, grommig, verward, onleesbaar: — manuscripts; subst. —edness; —ber = krabbenvisscher.

Crack, krak, subst. gekraak, spleet, deuk, barst, (donder)slag, stemverandering (van jongen tot man), verbijstering (van het verstand), oogenblikje; kraan, piet; adj. kranig, uitstekend, chic, keur..; — verb. barsten, breken, knappen, knetteren, scheuren, diep treffen, verbijsteren, bluffen; doen knallen, breken, vernielen, uitdrinken, opkammen: He got it in a — = onmiddellijk; There is a — in your head = je bent niet recht snik; — piano; — surgeons; The premier is a — speaker; To — a crib = inbreken (in een huis); He was not in the habit of —ing jokes = geestigheden te tappen; All the inhabitants —ed up that watering-place (to the skies) = verhieven die badplaats tot in de wolken; —ed = gemalen, fijngedrukt, gescheurd; gek = —-brained; He is a —-hemp (—-rope) = hij verdient de galg, hij komt nog wel eens aan de galg; A —-jaw = niet uit te spreken; —sman = inbreker; —er = knal, knalbonbon (pistache), voetzoeker, iets buitengewoons, blufferij, groote leugen, biscuitje; —ey = drommels; —le = knetteren; —ling = zwoerd van gebraden varkensvleesch; —nel = krakeling, bros beschuitje.

Cracow, kreikou, Krakau.

Cradle, kreid’l, subst. wieg, bakermat, kindsheid, net (of filet) in een spoorwagon, spalk, zwachtel, graveerstift, zeisboog; toestel bij ’t redden van schipbreukelingen; goudwaschmachine; — verb. wiegen, tot bedaren brengen, bakeren, maaien (van koren), in eene wieg liggen, in de wieg leggen: I have known him from the (his) — = van zijne geboorte, van kindsbeen af; —d in innocence = in onschuld; —-clothes = luren; Cradling = ribben van een gewelfde zoldering.

Craft, krâft, kunstvaardigheid, sluwheid; beroep, ambacht, kunstnijverheid; vaartuig: The — = de vrijmetselarij; Small — = kleine vaartuigen van allerlei soort; —-guild = handwerksgilde; —sman = bekwaam handwerksman; —smanship = het werk (beroep) van een —sman; —smaster = meester (in zijn vak); —iness = subst. v. —y = listig, sluw.

Crag, krag, ruwe rotst(punt), klip; —-and-tail = rots, steil aan de eene zijde, en langzaam af hellend aan de andere; —ged (= —gy) = rotsig, oneffen, stroef (van gelaatstrekken b.v.); subst. —gedness = —giness.

Craigenputtock, kreig’npɐtək.

Crake. Zie Corn-crake.

Cram, kram, subst. ingepompte kennis, leugen; — verb. volstoppen, inproppen, inpompen, gretig eten; —-jam = propvol; —mer = leugen.

Crambo, krambou: Dumb — = spel, waarin het te raden rijmwoord slechts door gebaren mag worden aangewezen.

Cramp, kramp, subst. kramp, pijnlijke trekking; kram of klemhaak; dwang, belemmering; adj. moeilijk, lastig; — verb. krampachtig vertrekken; trekken, neerdrukken, beperken, achteruitgaan (van de wielen van een wagen), klampen, krammen: —ed for room = te weinig ruimte hebbende, in enge ruimte besloten; That —ed me for two months = daardoor moest ik krom liggen, mij behelpen; A —ed and scrawling hand = stijve en slordige; They labour —ed up = in kromme houding; The —ing influences of poverty = neerdrukkende; —-fish = sidderoog; —-iron = klemhaak, anker; —on = kanthaak, klimijzer, ijsspoor = —oon, krampûn.

Cranberry, kranberi, soort v. veenbes, roode boschbes.

Cranage, kreinidž, kraangeld; Crane, krein, subst. kraanvogel; kraan; hevel; — verb. den nek uitrekken, voorzichtig uitkijken; —-fly = soort mug; —’s-bill = ooievaarsbek, reigersbek; soort van tang (chirurgie).

Cranial, kreinj’l, schedel..; Craniology, kreiniolədži, schedelleer; Cranioscopy, kreinioskəpi, schedelonderzoek; Cranium, kreinj’m, schedel.

Crank, kraŋk, subst. kruk, slinger, handvat; draai, verdraaiing, gril, dwaas, iemand met een stokpaardje; adj. rank, wrak, verdraaid, zwak, gek, levendig, lustig; — verb. kronkelen, zigzagsgewijze snijden: He was much of a — about his discovery = erg mal, dwaas met; —iness = grilligheid, enz.; —le, subst. kronkel; — verb. draaien, kronkelen; —les = hoekige uitsteeksels; —ness = verdraaidheid, rankheid; —y = dwars; kronkelend; geestig, dol; waggelend, wrak, rank.

Crannied, kranid, gespleten, gebarsten; Cranny, krani, scheur, spleet, geheime verblijfplaats.

Crape, kreip, subst. krip; — verb. krullen.

Crapnel, krapn’l, dreg, haak.

Crapulence, krapjulens, overlading, dronkenschap, katterigheid; adj. Crapulent.

Crash, kraš, gekraak, geraas, gedrang, krach (= algemeen failliet); grof linnen; — verb. krassen, ineenstorten met gekraak, vermorzelen: —es on the doors were heard = geklop en gestomp op de deuren; To go — = failliet gaan.

Crass, kras, grof, dik, lomp: — ignorance = kolossale domheid; subst. —ness.

Crassamentum, krasəment’m, (bloed)klomp, bloedkoek.

Crate, kreit, teenen mand, krat: Cycle —.

Crater, kreitə, krater; —iform, krəteriföm = kratervormig; —let = kleine —.

Craunch, krônš, krânš = Crunch.

Cravat, krəvat, (stijve) das.

Crave, kreiv, smeeken, verzoeken, eischen: I — your indulgence = roep in; A craving after her child = vurig verlangen.

Craven, kreiv’n, subst. lafaard; adj. lafhartig; — verb. bang maken.

Craw, krô, krop.

Crawfish, krôfiš, Crayfish, rivierkreeft; overlooper; — verb. ontrouw worden (Amer.).

Crawl, krôl, subst. schildpadvijver, vischweer; — verb. kruipen (To — on hands and knees), krieuwelen, wemelen (with); —er = vigelante, die langzaam rijdend op een vrachtje wacht; —ers = ongedierte.

Crayfish, kreifiš, rivierkreeft; zeekreeft (langouste).

Crayon, kreiən, subst. teekenkrijt, pastelteekening; — verb. schetsen, met crayon teekenen: Portrait painter in —s.

Craze, kreiz, subst. barst; manie, rage, dwaze hartstocht; — verb. afsplinteren, barsten; breken, kneuzen, het verstand krenken; Craziness = dwaasheid, dolheid; Crazing-mill = molen om tinerts te verbrijzelen = Craze-mill; Crazy = gebroken, oud, zwak, verpletterend; gek.

Creak, krîk, subst. gekras; — verb. kraken, krassen: Creaking doors (hinges) last longest = krakende wagens loopen het langst.

Cream, krîm, subst. room, vlies, bovenste laag, bloem, fine fleur, de crême; — verb. afroomen, room voegen bij, zich met room bedekken; vergruizelen: — and roses = melk en bloed (fig.); —-cake(-tart) = roomtaartje; —-cheese; —-colour(ed); —-faced = bleek, laf; —-laid paper = geel geribd schrijfpapier = —-wove paper; —ery = roomhuis; zuivelfabriek; —y = vol room, vettig; uitgelezen: Soap-suds is a —y mess = een vettig goedje.

Crease, krîs, subst. vouw, ezelsoor, streep; kris; — verb. kreuken, vouwen; Creasy = geplooid, gerimpeld: The child’s — arms = mollige armpjes, met plooien erin.

Create, krieit, adj. voortgebracht; — verb. scheppen, voortbrengen, benoemen, maken; Creation, krieiš’n, het scheppen, de schepping, wereld, heelal, aanstelling, benoeming; Creative, krieitiv, scheppend: A — genius = scheppend genie; subst. —ness; Creator, krieitə, Schepper, voortbrenger; vrouwl. Creatress; Creature, krîtšə, subst. schepsel, beest; kreatuur in ongunstigen zin; hartsterking; paard (Am.); adj. tot het lichaam behoorende: A silly — = een sul; He despises all — comforts = hij geeft niets om de dingen, die den mensch aangenaam zijn; He was filled with — comforts = hij kreeg (had) wat zijn buikje maar begeerde.

Credence, krîd’ns, subst. geloof, vertrouwen; credens-tafel: Letter of — = geloofsbrief; Credent = geloofwaardig, lichtgeloovig; Credential, kridenš’l, geloofs..: —s = geloofsbrieven, aanbevelingen.

Credenda, kridendə, de te gelooven waarheden (tegenover Agenda = de te vervullen plichten).

Credibility, kredibiliti, geloofwaardigheid; adj. Credible, kredib’l.

Credit, kredit, subst. vertrouwen, geloof, goede naam, autoriteit, aanzien, achting, crediet, creditzijde; — verb. gelooven, vertrouwen, tot eer strekken, crediteeren: Bills of — = schatkistbiljetten; Letter of — = credietbrief; That does you — = strekt je tot eer; They gave us — for fighting most gallantly = gaven ons de eer; Give him — for a clever fellow = geloof maar gerust, dat hij is; To grant (lodge, open) a — = (een) krediet geven, openen; I take — for nothing but my books = ik betaal alles contant behalve mijne boeken; He takes — to the liberal party for the reforms during the past fifty years = hij geeft de ... de eer van de hervormingen der laatste 50 jaren: He took great — to himself for it = hij rekende het zich als eene groote verdienste aan; There are a hundred pounds to your — at the bank; I carry that to your — = dat zet ik op uw credit; I am —ed with a good appetite = ik heb den naam van...; —ability = aanzien, soliditeit; —able = eervol, fatsoenlijk, solide; —or = schuldeischer: —or in trust = curator (van een faillieten boedel, die mede-crediteur is); —ress, —rix = schuldeischeres.

Credulity, kridjûliti, lichtgeloovigheid; Credulous, kredjulɐs, lichtgeloovig; subst. —ness.

Creed, krîd, geloof(sbelijdenis).

Creek, krîk, kreek, inham, bocht, riviertje (Am.); —y = bochtig.

Creel, krîl, teenen mand (vooral van visschers).

Creep, krîp, kruipen, krieuwelen, sluipen, zich slaafs gedragen, laag vleien, dreggen (for a drowned man): My flesh began to — = ik kreeg kippenvel = I crept all over = It gave me the —s; —s and horrors = akeligheden; —-hole = sluipgat, uitvlucht; —-mouse = kinderspelletje (soort van verstoppertje); —er = kruiper, kruipend dier, kruipende plant, boomkruiper; dreg, ijsspoor; Creepiness = griezeligheid; adj. —y: A — tale, story.

Creese, krîs, kris.

Creighton, kreit’n.

Cremate, krimeit, krîmeit, verbranden; Cremation, krimeiš’n, lijkverbranding; Cremator = Crematory, kremətori, krîmətori, crematorium.

Cremona, krimounə, (Cremona) viool.

Crenate(d), krîneit(id), gekerfd, getand; Crenature of Crenature = tand; gekerfdheid, getandheid.

Crenel, krenəl, schietgat, kanteel; Crenel(l)ated = van schietgaten voorzien.

Crenulate(d), krenjuleit(id) = fijn getand.

Creole, krîoul, Creool(sche).

Creosote, krîəsout, creosoot; — verb. creosoteeren.

Crepitate, krepiteit, knarsen, knetteren; subst. Crepitation.

Crepon, krep’n, soort van krip.

Crept, krept, Imp. en P.P. van to creep.

Crepuscular, kripɐskjûlə, schemerend, schemer.., avond...

Crescent, kres’nt, subst. wassende maan, Turksche vlag, de Porte; eene halfcirkelvormige rij huizen; adj. toenemend, halvemaanvormig (= Crescentic); — verb. tot een Crescent vormen.

Cress, kres: Garden — = tuinkers; Water-— = witte waterkers.

Cresset, kresət, groot bakenlicht, toorts of flambouw; meteoor.

Crest, krest, subst. kam, kuif, manen, helmpluim of -teeken, wapen, kroon, kruin, trots, hoogmoed; — verb. van een kam of pluim voorzien, kuiven, den top bereiken: —ed = gekuifd, etc: —ed lark = kuifleeuwerik; —ed spoons = met wapen of insigne; He looked —-fallen = hij zag er moedeloos, terneergeslagen uit; —less = zonder kuif (wapen).

Creswick, kresik.

Cretan, krîtən, Cretenzer; ook adj.; Crete, krît, Creta.

Cretin, krîtin, cretin, idioot; —ism.

Cretism, krîtizm, leugen (Vergel. Tit. I, 12).

Crevasse, krəvas, scheur, spleet, doorbraak (Amer.).

Crevet, krevət, smeltkroes (van goudsmeden).

Crevice, krevis, subst. scheur, spleet; —d = gescheurd, enz.

Crew, krû, menigte, troep, scheepsbemanning; gespuis, zootje.

Crewel, krûəl, soort borduurwol.

Crib, krib, subst. etenskribbe, stal (voor ossen), hut, woning, kinderkribbe, plaats, betrekking, zoutvaatje, (letter)dieverij, woordelijke vertaling (van een Latijnsch of Grieksch schrijver); — verb. beperken, opsluiten, (ont)stelen, ter sluiks nemen, letterkundigen diefstal plegen, overpennen, opgesloten worden; —-biter = kribbebijter; grompot; —bed, cabined and confined = in eene enge ruimte opgesloten.

Cribbage, kribidž, een kaartspel; —-board.

Cribble, krib’l, subst. groote zeef; grof meel; adj. grof; — verb. ziften; Cribration, kribreiš’n, het ziften.

Crichton, kraitən, kritən.

Crick, krik, subst. kramp, pijn; — verb. pijn krijgen: — in the back = spit; — in the neck = stijve nek; He —ed his neck with gazing upon the pictures.

Cricket, krikit, subst. cricket; huiskrekel, zwarte veldkrekel, voetbankje; — verb. cricketen; —-ground = —veld; —-match = —wedstrijd; —er = —speler.

Cricoid, kraikôid, ringvormig; subst. = — cartilage = ringvormig kraakbeen.

Crier, kraiə, schreeuwer, omroeper (= Town-—).

Crikey, kraiki, heeremijntijd.

Crim-con., krimkon, overspel (verkorting van Criminal conversation).

Crime, kraim, misdaad; Criminal, krimin’l, subst. misdadiger, schuldige, veroordeelde; adj. misdadig, schuldig, strafrechterlijk: —-lawyer = Criminalist, kriminəlist, criminalist; Criminality, kriminaliti, strafbaarheid, criminaliteit; Criminate, krimineit, van misdaad beschuldigen, in eene misdaad betrekken; Crimination, krimineiš’n, aanklacht, betrekking in een misdaad; Criminatory = aanklagend.

Crimea (The), kraimîə, de Krim; —n: The —n War.

Crimp, krimp, subst. werver, zielverkooper, ronselaar; adj. broos, onstandvastig; — verb. krullen, friseeren, knijpen, grijpen, krimpen (van visch); verlokken, ronselen; —ing-iron = friseertang; —le = samentrekken, doen krimpen of krullen.

Crimson, krimz’n, subst. karmozijn; adj. donkerrood; — verb. donkerrood kleuren, verven, blozen; —-warm = roodgloeiend.

Crincum-crancum, kriŋk’m-kraŋk’m, krom, zigzag; subst. zigzag, dingsigheidje.

Cringe, krinž, subst. onderdanige buiging, lage vleierij; — verb. kruipen, vleien; —r = kruiper.

Cringle, kriŋg’l, kous, (blok)beslag (zeetermen).

Crinkle, kriŋk’l, subst. vouw, kronkel, kronkeling; — verb. kronkelen, frommelen: He —d the news-paper.

Crinkum-Crankum = Crincum-Crancum.

Crinoline, krinəl(a)in, crinoline, paardenhaar: A — hat = hoed van paardenhaar.

Cripple, krip’l, subst. kreupele; adj. kreupel; — verb. kreupel maken, verlammen, verminken, buiten gevecht stellen.

Cripplings, kripliŋz, schoorbalken.

Crisis, kraisis (Meerv. Crises, kraisîz), crisis, beslissend oogenblik.

Crisp, krisp, adj. kroes, knetterend, brokkelig, broos, flink, frisch, helder, levendig, krachtig; — verb. krullen, rimpelen, broos maken: —-almonds = gebrande; — style = levendige; —ing-iron = frizeerijzer.

Crispin, krispin, Crispinus, schoenmaker: St —’s Day = 25 October.

Criss-cross, kriskros, subst. kruisje, gekriskras; adj. en adv. verward, kriskras: — row = het alphabet.

Criterion, kraitîriən, kenmerk, maatstaf.

Critic, kritik, beoordeelaar, criticus, bediller; —al = kritisch, onderscheidend, oordeelkundig, streng, bedillerig, bedenkelijk, hachelijk; subst. —alness; —aster = muggenzifter; —ism = kritiek; Criticize, kritisaiz, recenseeren, beoordeelen, hekelen; Critique, kritîk = —ism.

Croak, krouk, subst. gekras, gekwaak; — verb. krassen, morren, kwaken, kwaad voorspellen, sterven: He —ed forth his lesson = dreunde zijne les op; —er = ongeluksprofeet; —ing-lizard = gecko van Jamaica.

Croat, krouət, Croaat; —ia(n), krəeišə(n), Croatië(r).

Crochet, kroušei, subst. haakwerk; — verb. haken; —-hook = haaknaald.

Crock, krok, subst. aarden kan of pot, roet (daaraan verzameld); vilderspaard; — verb. met roet zwart maken, in een pot doen, zwart of vuil afgeven; Crockery = aardewerk.

Crocodile, krokədail, subst. krokodil; meisjeskostschool op de wandeling, twee aan twee; sophisme; adj. krokodilachtig, huichelachtig: — tears = krokodillentranen; Crocodilian = krokodilachtig, valsch; subst. krokodil; Crocodility = sophisme.

Crocus, kroukəs, krokus; adj. saffraangeel.

Croesus, krîsəs.

Croft, kroft, klein stuk wei- of bouwland by een boerenplaatsje; —er = keuterboertje.

Croma, kroumə, ⅛ noot (muziek).

Cromarty, kroməti; Cromer, kroumə.

Cromlech, kromlek, een groote platte tafelsteen op andere steenen steunend, gevonden in Keltische landen, òf graf òf Druïdenaltaar.

Cromwell, kromwel, krɐmwel.

Crone, kroun, oud wijf; oud schaap.

Cronenburg, kroun’nbɐ̂g; Cronstadt, kronstat, Kroonstad.

Crony, krouni, boezemvriend.

Croodle, krûd’l, neerhurken; huiveren; flikflooien,

Crook, kruk, subst. bocht, kromte, onaangenaamheid (That was the only — in my lot); herdersstaf, bisschopsstaf, hanepoot (in ’t schrijven), ketelhaak, kunstgreep; oplichter, dief; — verb. buigen, krommen, uit den rechten stand brengen, krom zijn: By hook or by — = op de een of andere manier, door eerlijke of oneerlijke middelen; —ed = gebogen, gedraaid, scheef, slecht: To go —ed = den slechten weg opgaan; Cross questions and —ed answers = protocollen; —ed-pated = stijfkoppig; —ed-stick = dwarse kerel, norsche vent; subst. —edness.

Croon, krûn, subst. gekreun, geneurie; — verb. jammeren, kreunen, neuriën.

Crop, krop, subst. krop, oogst, kort afgesneden haar (staart), jachtzweep; erts, een heele huid; — verb. afsnijden, afvreten, maaien, oogsten, (vroegtijdig) plukken, verbouwen, oogst geven, aan de oppervlakte komen, te voorschijn komen (out): Neck and — = geheel en al, volkomen; The cows were —ping the grass = vraten af; I must get —ped = mijn haar laten knippen; It has —ped out = is aan het licht gekomen; Such subjects are —ping up nowadays = doen zich voor; —-ear = paard met korte ooren; —-haired = met kort haar; —-sick = ziek door overvoeren; —per = kropduif, kropper: He came (down) a —per = hij schoot of viel over den kop (van het paard, van een rijwiel, etc.); —py = iemand met afgesneden ooren; gevangene; Iersch oproerling in 1798.

Croquet, kroukei, subst. croquetspel; — verb. croquetten.

Crore, krö, een millioen pond sterling (= honderd lacs = 10.000.000 ropijen).

Crosier, kroužə, bisschopsstaf.

Croslet, kroslət = Crosslet.

Cross, kros, krôs, subst. kruis, in de volgende drie vormen: †, T, ✕ (ook fig.), het lijden van Christus, de Christelijke godsdienst, wederwaardigheid, tusschending, kruising, gekruist ras; adj. en adv. wederkeerig, dwars, verkeerd, tegengesteld, onhandelbaar, knorrig; — verb. kruisen, oversteken, overzetten, een kruis slaan, dwarsboomen, tegengaan, doorhalen, dwars liggen, elkaar kruisen: He is a — between a Scandinavian and a Dutchman; St. Andrew’s — = ✕ (wit op blauw); St. George’s — = + (rood op wit); St. Patrick’s — = ✕ (rood op wit); — and pile = kruis of munt; As — as two sticks = erg uit zijn humeur; On the — = onbillijk; It —ed my mind = het kwam bij mij op; To — swords with = het zwaard kruisen met; When do you — to the continent = wanneer gaat gij de zee over? A —ed cheque = een cheque met twee evenwijdige lijnen op de vóórzijde, alléén verhandelbaar bij een bankier; —-acceptance (-accommodation) = wisselruiterij; —-armed = met de armen over elkander; —-arrow = pijl van een voet- of handboog; —-aisle = zijbeuk; —-bar = dwarshout, dwarslat; —-bar-shot, krosbâšot, stangkogel; —-bones = gekruiste beenderen als zinnebeeld van den dood; —-bow = voet- of handboog; —-bowman; —-bred = gekruist; —-breed = gekruist ras; —-bun = krentenbroodje of gebakje met een kruis erop (op Goeden Vrijdag gegeten); —-circuiting = kortsluiting; —-country = dwars over ’t land, over heg en steg; —-cut, subst. kruishouw, korte weg; — verb. dwars doorsnijden; —-examination = kruisverhoor; —-examine = ondervragen van een getuige door den advocaat der tegenpartij; —-eyed = scheel; —-grained = tegen den draad in, lastig, onhandelbaar, dwars; —-hatching = arceeren, schaduwen; —-head = juk, groot gedrukte beginwoorden van eene annonce; —-legged = met de beenen over elkander; —-over = omslagdoek, waarvan de einden gekruist over elkander loopen; —-patch, —-pate = dwarskop; —-purpose, krospɐ̂pəs, tegenstrijdig doel of plan, streep door de rekening, misverstand: To be at —-purposes = tegen elkander in zijn of werken, elkaar misverstaan; —-question = (—-examine); —-questions = vraag en antwoordspel; —-reference = verwijzing over en weer; —-road = dwarsweg; —-river traffic = ’t verkeer over een rivier; —-row (Zie Criss-cross-row); —-spider = kruisspin; —-tie = dwarsligger (van den spoorweg); —-wind = tegenwind, zijwind; —-wort = kruisbladig walstroo; —ing = kruising, overweg (Level —ing = kruising gelijkvloers), plaats om over te steken; —ings = hindernis, tegenstand, tegenstrubbeling; —ing-sweeper = schoonhouder van den overgang, straatveger; —let = kruisje; —ness = onwilligheid, baloorigheid, humeurigheid; —wise = kruiselings.

Crotch, krotš, haak, gaffel, bifurcatie; Crotchet, krotšət, subst. haakje, kwartnoot, eigenaardigheid, gril, stokpaardje: A — antimacassar = gehaakt; —-monger of —eteer = grillig mensch; —iness = subst. van —y = zonderling, eigenzinnig, nukkig.

Crouch, krautš, zich laag bukken, kruipen, laag vleien; —ed-friars, krautšədfraiəz, kruisbroeders of kruisheeren.

Croup, krûp, kroep, kruis, romp, stuit.

Croapade, krupeid, boogsprong.

Croupier, krûpjə, krupîə, croupier; ondervoorzitter bij een diner (zittende tegenover den voorzitter).

Crout, kraut, ingemaakte kool.

Crow, krou, subst. kraai, gekraai; koevoet; darmscheel; — verb. kraaien, bluffen, snoeven, triumpheeren: To pluck (pull) a — = over kleinigheden twisten; I have a — to pluck with you = een appeltje met u te schillen; The distance is five miles as the — flies = in eene rechte lijn; When the black crows fly, then comes the sick man’s chance = als de dokter het opgeeft; He shall not — it over me = hij zal mij niet overbluffen, de baas zijn; —-bar = koevoet, breekijzer; —-flower = koekoeksbloem; —-foot = ranonkel; hanepoot, voetangel; —-keeper = vogelverschrikker; —-mill = kraaienknip; —’s bill = kogeltang (Chir.); —’s feet = rimpels om de oogen (bij oude menschen; ook Crowsfeet); —’s nest = kraaiennest, een vat (aan den mast van een walvischvaarder), waarin de uitkijk zit.

Crowd, kraud, subst. menigte, troep, gepeupel; — verb. dringen, duwen, overmatig vullen, volproppen, aandringen, wemelen: To — sail (all sails), steam = alle zeilen, alle stoom bijzetten; The room was —ed with people, and I got —ed into a corner = was stampvol ... ik werd gedrongen; My article got —ed out = kon door gebrek aan ruimte niet geplaatst worden.

Crowe, krou; Crowland, krouland.

Crown, kraun, subst. kroon, koningsmacht, toppunt, belooning, eer, pracht, kruin, bol (van een hoed), geldstuk van 5 sh., voltooiing, formaat v. schrijfpapier (15 × 20 inches); — verb. kronen, eeren, sieren, loonen, voltooien, dam maken: — imperial = keizerskroon; —-lands = staatsdomeinen; — office = afdeeling voor crimineele zaken van de Queen’s Bench Division van het Hooggerechtshof; The word glared at me in — posters from every hoarding = het woord staarde mij aan uit groote aanplakbiljetten van elke schutting; —-prince; —ing adj. bekronend, hoogste.

Crucial, krûš’l, kruisgewijze, kruis—, streng, hard, kritiek, beslissend: At the — moment; Cruciate = kruisvormig, kruis—; Cruciation = kruisvorm.

Crucible, krûsib’l, smeltkroes, kritiek oogenblik, vuurproef.

Crucifer, krûsifə, kruisdrager; Cruciferae, krusifərî, kruisbloemigen; Cruciferous = kruisbloemig.

Crucifix, krûsifiks, kruisbeeld; Crucifixion = kruisiging; Crucify, krûsifai, kruisigen, pijnigen.

Crude, krûd, ruw, onbereid, onrijp, slecht harmonieerend (van kleuren); subst. —ness = Crudity = het onverteerde.

Cruel, krûəl, wreed, ongevoelig, hardvochtig, verschrikkelijk, bloedig; subst. —ty.

Cruet, krûət, fleschje voor olie of azijn; ampulla (Kath.); —-stand = olie- en azijnstelletje.

Cruikshank, krukšaŋk.

Cruise, krûz, kruistocht, zwerftocht; — verb. kruisen; —r = kruiser.

Cruller, krɐlə, knijpkoekje (Amer.).

Crumb, krɐm, subst. kruimel, het zachte deel van brood, kruim; — verb. kruimelen, paneeren; —-brush = tafelschuier; —-cloth = morskleed; —le, krɐmb’l, afbrokkelen, paneeren, langzaam achteruitgaan; Crummy = kruimig, vleezig, vuil; sierlijk (Amer.), kruimelig.

Crumpet, krɐmpət, los gebak bij de thee; “bol”: He is balmy on the — = ’t schort hem in den “bol”.

Crumple, krɐmp’l, kreukelen, fronsen, krommen: He looked —d = zag er moedeloos uit; His will was —d within hers = ondergeschikt aan.

Crunch, krɐnš, kraken, knarsen, kauwen; ook subst.

Cruor, krûö, krûə, bloedkoek; —in(e) = roode bloeddeeltjes.

Crupper, krɐpə, subst. kruis, staartriem; — verb. den staartriem aandoen.

Crusade, kruseid, subst. kruistocht (ook fig.); — verb. een kruistocht ondernemen; —r = kruisvaarder.

Cruse, krûs, krûz, kroes: He spilt his mother’s — = hij maakte het spaarpotje (spaarpenningen)... op; Cruset, krûsət, smeltkroes.

Crush, krɐš, subst. (groot) gedrang, schok, verplettering; groote avondpartij; — verb. verpletteren, vernietigen, samendrukken, persen, verfrommelen; samengedrukt worden: We —ed a cup (pot) = knapten eene flesch; He was —ed = verbouwereerd, overdùveld; —-hat = slappe hoed (Amer.); klak; —-room = foyer; —er = kalkmolen, iets vernietigends; prachtexemplaar; politieagent: My fate is a —er = mijn lot is vernietigend hard.

Crusoe, krûsou.

Crust, krɐst, subst. korst, aardkorst, schaal, wijnaanzetsel (in de flesch), ketelsteen; — verb. met eene korst bedekken, een korst vormen; —ed = oud, met eene korst: —ed with prejudice = vol vooroordeelen; —ed manners = stijve manieren; —iness = korstigheid, knorrigheid; adj. —y.

Crustacea, krɐsteišə, schaaldieren; —n = tot de schaaldieren behoorend; subst. schaaldier; Crustaceous = als eene schelp, hard en broos, schaaldier - -; Crustate(d) = omkorst; Crustation = korstvorming.

Crutch, krɐtš, subst. kruk; — verb. steunen (met eene kruk): He was —ing himself slowly about the house; —ed = op krukken steunend.

Crux, krɐks, kruis, harde noot, groote moeilijkheid, niet te verklaren plaats (meerv. Cruces, krûsîz).

Cry, krai, subst. kreet, roep, geschreeuw, geween, gehuil, omroeping, straatroep, gerucht, aanslaan, geblaf, leus; troep; — verb. schreeuwen, huilen, schreien, weenen, roepen, janken, blaffen, aanslaan, gillen, omroepen: It is a far — from the fifteenth to the nineteenth century = een heele sprong; It is more — than wool = A great — and little wool = veel geschreeuw en weinig wol; The dogs were in full — = blaften luide bij de vervolging van het wild; He cried mercy = om genade; To — shame upon = uitvaren over (tegen); They cried down the other party’s merits and cried up their own = zij braken ... af, en verhieven hunne eigene hoog; He cried off in time = hij gaf het bijtijds op, had er genoeg van; To — out against = protesteeren tegen; —ing, subst. geschreeuw, gejammer, gehuil; adj. hemeltergend, grienerig: I am the —ing one of the family = de huilebalk; —ish(ness) = grienerig(heid).

Crypt, kript, onderaardsche gewelfde kapel, grafkelder; —ic(al), kriptik(’l), geheim, verborgen.

Cryptogamia, kriptəgeimjə, kriptəgamjə, cryptogamen; adj. Cryptogamic = Cryptogamous; Cryptogamy = cryptogamie; Cryptography = geheimschrift; Cryptology = geheime taal.

Crystal, krist’l, kristal; adj. kristallen, kristalhelder; Chrystalline, kristəl(a)in, kristalachtig, helder doorschijnend: — lens = kristallens; Chrystallization = kristallisatie; Chrystallize = kristalliseeren (laten); Chrystallography = kristallographie; Chrystalloid = kristalachtig; kristalloide.

Ctenoid, tenôid, kamvormig, scherp gepunt: —-scales.

Cub, kɐb, subst. jong, welp; lobbes, blaag, bengel; — verb. jongen werpen, opsluiten; —-hunting = jacht op jonge vossen.

Cuba, kjûbə, Cuba (sigaar); —n = uit Cuba, bewoner van Cuba.

Cubature, kjûbətjuə, inhoudsmeting.

Cubby, kɐbi, eng, beperkt; —-hole = kleine ruimte, huisje.

Cube, kjûb, subst. kubus, dobbelsteen, teerling, derdemacht; — verb. tot de derdemacht verheffen; —-root = kubiekwortel; Cubic equation = derdemachtsvergelijking.

Cubicle, kjûbik’l, slaapvertrek.

Cubit, kjûbit, voorarm, ellepijp, voorarmslengte (± 46 c.M.); —-arm = arm, bij den elleboog afgesneden; —al = onderarms—; een cubit lang; kussen.

Cucaine, kûkə-in, cocaïne.

Cucking-stool, kɐkiŋstûl, duikstoel (een oud strafwerktuig).

Cuckold, kɐkəld, subst. horendrager; — verb. horens opzetten (fig.).

Cuckoo, kukû, koekoek, domkop; — verb. koekoeken; —-bud = boterbloempje, dotterbloem; —-clock; —-flower = koekoeksbloem, pinksterbloem; —-spit(tle) = koekoeksspog.

Cucullate(d), kjûkəleit(id), kjukɐleit(id), van eene kap voorzien, kapvormig.

Cucumber, kjûkɐmbə, komkommer: —-frame = komkommerbed; —-slicer = komkommerschaaf.

Cucurbit, kjukɐ̂bit, distilleerkolf; laatkop; pompoen.

Cud, kɐd, het ter herkauwing in den mond teruggebrachte voedsel; tabakspruim: To chew the — = over iets peinzen, herkauwen.

Cuddle, kɐd’l, warm, lekker liggen, warm instoppen, omhelzen, liefkoozen, pakken; subst. liefkoozing, omhelzing: I —d the fiddle under my chin = vlijde; —some, Cuddly = aanhalig.

Cuddy, kɐdi, kajuit, roef, kombuis: The cook’s —; —-table = gemeenschappelijke tafel aan boord.

Cudgel, kɐdž’l, subst. knuppel, stok; — verb. knuppelen, afrossen: Let us cross the —s = den strijd eindigen; I’ll take up the —s for you, in your behalf (favour) = het voor u opnemen; I’ll — my brains no more about it = mijne hersens niet langer mee plagen; He is —-proof = hij kan tegen een stootje, is niet gauw bang.

Cue, kjû, einde of staart, slagwoord (tooneel), vingerwijzing, wenk, luim, humeur; queue (biljart): My uncle was not in good — = had geen goede bui; It was not his — to = zijn zaak niet; She found her — in a moment = wist dadelijk te antwoorden; To give a person his — = een wenk geven; To take the — from a person = hem tot richtsnoer nemen.

Cuff, kɐf, subst. vuistslag, slag; opslag (van eene mouw), losse manchet; — verb. met de vuist, de klauwen of de vleugels slaan, vechten.

Cuirass, kwiras, kwîrəs, kjûrəs, kuras, borstharnas; Cuirassier, kwirəsîə, kjûrəsîə, kurassier.

Cuish, Cuisse, kwiš, dijstuk (harnas).

Culdees, kɐldîz, kɐldîz, monniken (van de 9e tot de 15e eeuw) in Schotland, Ierland en Wales.

Culex, kjûleks, steekmug.

Culinary, kjûlinəri, tot keuken of kookkunst behoorende.

Cull, kɐl, plukken, uitzoeken; sukkel, vent; —er = uitzoeker; —ings = uitschot.

Cullender, kɐl’ndə. Zie Colander.

Cullion, kɐlj’n, schurk; —s = standelkruid.

Cullis, kɐlis, bouillon; dakgoot.

Culloden, kəloud’n.

Cully, kɐli, subst. sukkel; kameraad; — verb. foppen, beetnemen.

Culm, kɐlm, halm, stengel; hooi, stroo; kolengruis.

Culminate, kɐlmineit, culmineeren, het toppunt bereiken; Culmination = culminatie, hoogste punt.

Culpability, kɐlpəbiliti, strafbaarheid, schuldigheid; adj. Culpable; Culpableness = Culpability.

Culprit, kɐlprit, schuldige, beschuldigde.

Cult, kɐlt, eeredienst, cultus.

Cultiv(at)able, kɐltiv(eit)əb’l, bebouwbaar; Cultivate, kɐltiveit, verbouwen, bebouwen, koesteren, veredelen, beschaven, aankweeken; zoeken; subst. Cultivation = cultuur, etc.; Cultivator = bebouwer, aankweeker; cultivator (landbouwwerktuig).

Cultrate(d), kɐltreit(id), mesvormig = Cultriform.

Culture, kɐltšə, subst. cultuur, zie Cultivation; —d = beschaafd, ontwikkeld.

Culver, kɐlvə, duif; ook = Culverin; —-tail = zwaluwstaart.

Culverin, kɐlv’rin, veldslang (kanon uit de 16de en 17de eeuw).

Culvert, kɐlvət, verwulfd riool.

Cumber, kɐmbə, kwellen, een last zijn voor, belemmeren; ook subst.; —-world = sta-in-den-weg; —some = lastig, vervelend, hinderlijk, veel plaats innemend; subst. —someness; Cumbrous = zwaar, plomp; subst. —ness.

Cumin, kɐmin, komijn.

Cumulative, kjûmjulətiv, ophoopend, versneld: — voting = stemming, waarbij een stemgerechtigde al zijne stemmen aan één candidaat geeft; dit is een — vote.

Cumulus, kjûmjulɐs, stapelwolk, hoop.

Cunabula, kjunabjulə, incunabelen, vóór 1500 gedrukte boeken.

Cunard, kunâd.

Cuneate(d), kjûnieit(id), wigvormig; Cuneiform writing, kjunîföm of [kjûniiföm raitiŋ], keil- of spijkerschrift.

Cunegond, kjûnəgɐnd, Kunegonde.

Cunning, kɐniŋ, subst. ervaring, vaardigheid, slimheid, loosheid, list, bedrog; adj. listig, loos, sluw, handig: As — as a weasel = zoo slim als eene rot; Too much — undoes = wie te slim wil zijn, komt bedrogen uit; —-man, —-woman = waarzegger, waarzegster.

Cup, kɐp, subst. kop, beker, kroes, kelk, nap, schaal, bowl, drinkgelag; — verb. koppen zetten (om bloed af te tappen); inschenken: He is in his —s = hij is dronken; They were quoting poetry over their —s = zij haalden de dichters aan bij hunne drinkgelagen; There is many a slip Betwixt the — and the lip = Tusschen bekerrand en lippen, Kan u menige kans ontglippen; Claret — (Champagne —) = bowl; —-and-ball = kinderspel, waarbij een bal in een beker wordt opgevangen; —-and-ball joint = kogelgewricht; —-bearer = schenker (aan het hof); —-board, kɐbəd, subst. kast, huishoudkast, vertrekje, kabinetje; — verb. vergaren; —-board-love = egoïstische liefde; —-gall = soort galappel; —rose = gewone klaproos; —ping-glass = laatkop.

Cupel, kjûp’l, kɐp’l, cupel (Essaai); — verb. cupelleeren; subst. Cupellation.

Cupid, kjûpid, Cupido.

Cupidity, kjupiditi, hebzucht.

Cupola, kjûpələ, koepel.

Cupreous, kjûpriəs, koperachtig, koperkleurig, koperen; Cupriferous, koper..., koperhoudend.

Cupula, kjûpjulə, Cupule, kjûpjul, napje; Cupuliferous = napjesdragend.

Cur, kɐ̂, rekel; ploert: —rish = hondsch, norsch; subst. —rishness.

Curability, kjurəbiliti, geneeslijkheid; Curable, kjûrəb’l, geneeslijk; subst. —ness = geneesbaarheid.

Curaçao, kûrasou, Curaçao.

Curacy, kjûrəsi, ambt van een Curate, kjûrit, een door den Rector bezoldigden hulppredikant; zij worden òf levenslang aangesteld (Perpetual) òf “on six months’ notice” (Temporal). In het eerste geval noemt men ze thans Vicars; Curateship = Curacy.

Curative, kjûrətiv, genezend; geneesmiddel.

Curator, kjureitə, kjûrətə, curator; —ship.

Curb, kɐ̂b, subst. trens (aan een paardetoom), kinketting (= —-chain); trottoirband (= —stone); spat (bij paarden); beperking, dwang; — verb. beperken, bedwingen, leiden, een trens aandoen: To put a sharp — upon = streng in toom houden; —-roof = mansarde (dak).

Curd, kɐ̂d, subst. wrongel, geklonterde melk (gew. Meerv.); — verb, klonteren, (doen) stremmen; —le = (doen) stremmen, stollen, klonteren: This novel is a regular —ler = een echte sensatieroman; —y = geklonterd.

Cure, kjûə, subst. genezing, herstel; zielzorg, geneesmiddel; — verb, herstellen, genezen, inmaken, zouten, pekelen, rooken, drogen: He has a — of souls = is de zielverzorger van..; This hamlet is in his — = de zielzorg... is hem toevertrouwd; I will — him of his cheek(iness) = zijne brutaliteit afleeren; My mother —d the servant of followers = leerde af er vrijers op na te houden; What cannot be —d must be endured = men moet zich in het onvermijdelijke schikken; —-guest = badgast; —r = genezer, geneesmiddel; inzouter, rooker; —less = ongeneeslijk.

Curfew, kɐ̂fjû, poortklok; vieravond; avondklok = —-bell.

Curialistic, kjûriəlistik, tot de curie behoorend.

Curing-house, kjûriŋhaus, suikerraffinaderij; zouterij.

Curio, kjûrjou, rariteit; Curiosity, kjûriositi, nieuwsgierigheid, zonderlingheid, rariteit: —-monger = nieuwtjeslooper; —-shop = winkel met antiquiteiten; Curious, kjûriəs, zonderling, zeldzaam, keurig, nieuwsgierig, moeilijk te voldoen; subst. —ness; Curioso, kjûriousou, verzamelaar v. —s; zonderling.

Curl, kɐ̂l, subst. krul, golving, kronkeling; aardappelziekte; — verb. krullen, kronkelen, golven, kabbelen; —er = Curling speler; —iness = krulligheid; —ing = een spel op het ijs waarbij groote gladde steenen met handvat naar een doel, de tee, worden geslingerd (Schotl.); —ing-tongs (—-irons) = frizeerijzer; —y = gekruld, krullig, golvend.

Curlew, kɐ̂ljû, wulp.

Curmudgeon, kɐ̂mɐdž’n, vrek, onaangenaam mensch, vlegel; —ly = vrekachtig.

Currant, kɐr’nt, krent, aalbes (= Red —), zwarte aalbes (= Black —), kruisbes (= Rough —); —-cake.

Currency, kɐr’nsi, stroom, loop, omloop, circulatie, gangbaarheid, waarde, koers, gangbare munt, schatting; Current, kɐr’nt, subst. stroom, loop; adj. stroomend, gangbaar, algemeen verspreid of aangenomen, loopende, tegenwoordige: To pass — = gangbaar zijn; Atmospheric —s = luchtstroomen, winden; The — month = loopende; Of this — = dezer (maand) = instant; He reported it —ly = vertelde het overal.

Curricle, kɐrik’l, subst. een licht 2-wielig rijtuig gewoonlijk met twee paarden; Curriculum, kərikjəlɐm, cursus (aan Schotsche universiteit, etc.).

Currier, kɐriə, leertouwer; —y = ambacht of werkplaats van een currier.

Curry, kɐri, subst. kerrie; — verb. met kerrie (—-powder) kruiden; leer touwen (opmaken na het looien); roskammen, afranselen: He curried favour with the Royalists = hij trachtte bij de R. in de gunst te komen; —-comb, kɐrikoum, roskam.

Curse, kɐ̂s, subst. vloek, vervloeking, verdoeming; — verb. vloeken, vervloeken, bezoeken, teisteren: I do not care a — = ik geef er geen lor om; A —d calumniator = vervloekte lasteraar.

Cursitor, kɐ̂sitə, vroegere griffier in het Court of Chancery.

Cursive, kɐ̂siv, subst. en adj. loopend (schrift); Cursores, kɐ̂sôrîz, loopvogels; Cursoriness = vluchtigheid; Cursory, kɐ̂səri, haastig, vluchtig.

Curt, kɐ̂t, kortaf, barsch; subst. —ness.

Curtail, kɐ̂teil, verkorten, verminderen, beperken; afsnijden, kortstaarten; subst. Curtailment = verkorting, enz.

Curtain, kɐ̂tin, subst. gordijn (van bed, enz.). schuifgordijn of overgordijn (voor het raam), scherm (tooneel); tusschenwal, die twee bastions verbindt; — verb. met gordijnen omsluiten, omhullen: Nothing could — in the tender light of her eyes = verdonkeren; —-lecture = bedsermoen; —-raiser = vóórstukje; —-rings.

Curtal, kɐ̂t’l, subst. hond met korten staart (= —-dog); adj. m. korten staart, beknopt.

Curtilage, kɐ̂tilidž, erf.

Curtle-axe, kɐ̂t’laks = Cutlass.

Curts(e)y, kɐ̂tsi, subst. dienaresse, buiging; — verb. eene buiging maken = To drop (make) a —.

Curule, kjûrûl, adj. curulisch: — seat = curulische stoel, ambtelijke zetel; — triumph = zegetocht.

Curvation, kɐ̂veiš’n, kromming = Curvature, kɐ̂vətšə; Curvate(d), kɐ̂veit(id), gekromd, gebogen; Curve, kɐ̂v, subst. kromme lijn, bocht; adj. gebogen (Curving); — verb. regelmatig buigen of krommen.

Curvet, kɐ̂vet, kɐ̂vət, subst. korte boogsprong; bokkesprong; — verb, springen, dartelen.

Curviform, kɐ̂viföm, boogvormig; Curvilineal, kɐ̂vilinj’l, kromlijnig.

Cushat, kɐšət, kušət, ring- of woudduif.

Cushion, kuš’n, subst. kussen, buffer, samengeperste stoom (lucht), biljartband; — verb, op een kussen plaatsen, van kussens voorzien; een bal bij den band brengen; over de band spelen (Amer.), smoren; —et = kussentje; —y = week; dik en vet.

Cusp, kɐsp, hoorn (van de maan), uitstekende punt, oneffenheid (in het ijs; ook purl genoemd); —idate(d), spits uitloopend.

Cuss, kɐs (= Curse), (baloorige) vent (Amer.); —edness = boosaardigheid, dwarsheid (Am.).

Custard, kɐstəd, vlade; —-cup = vladeglaasje of -kopje.

Custodian, kɐstoudj’n, custos, conservator, voogd; adj. Custodial; Custody, kɐstədi, bewaring, hoede, hechtenis.

Custom, kɐst’m, subst. gewoonte, gebruik, klandizie, nering; inkomend recht; jaarlijksche offerande van menschen (bij de Ashantijnen): He lost her — = klandizie; It was the (a) — with them = was gebruikelijk bij hen; —s = in- en uitgaande rechten en accijnzen (ook Duties); —-free = onbelast; —-house = douanenkantoor; —-house officer = tolbeambte; —-law = tariefwet; —able = belastbaar; —ariness = gebruikelijkheid; —ary = gewoonlijk, gebruikelijk: —ary law = gewoonterecht; —er = klant, kwant: I know my —ers = ik ken mijn volkje; A queer —er = rare klant.

Custos, kɐstos, bewaarder: — brevium = griffier (bij het vroegere Court of Common Pleas. Zie Court); — rotulorum = vrederechter van een graafschap, en bewaarder der akten van de Quarter Sessions.

Cut, kɐt, subst. snede, hak, gapende wonde; houw, zweepslag, schok; kanaal, kortere weg; afgesneden stuk, coupon, prent, plaat, het coupeeren (bij kaartspel); vorm, fatsoen, snit; — verb. snijden, slijpen, afsnijden, verdeelen, hakken, kappen, maaien, diep treffen of aandoen, bijten, grieven, coupeeren (van kaarten), drukken; zich snijden, uitsnijden, een kuitenflikker slaan: Let us draw —s = laten we er om trekken (wie het langste stuk papier, etc. krijgt); He gave me the — = negeerde me; He took a short — = nam den kortsten weg; A —-and-come-again = groot stuk vleesch, overvloed, zoodat de gasten zich naar hartelust kunnen bedienen; A — and dried theory = pasklaar gemaakte; The —-and-thrust hero in a melodrama = de vechtersbaas; He is of the same — with the rest = van het zelfde slag; That was an unkind — indeed = dat was al heel onhartelijk; That’s where it —s = dat is het pijnlijke ervan; Let us — = uitsnijden, er van door gaan; To — an acquaintance = negeeren, niet willen kennen; — your scientific cackle = schei uit met je wetenschappelijk gewauwel; He — a caper = hij maakte een bokkesprong; — your coat according to your cloth = zet de tering naar de nering; He —s a dash = maakt veel vertoon; He — a noble figure = speelde een mooie rol, gedroeg zich kranig; I will — the lecture = ga niet naar ’t college; To — to pieces = in stukken snijden, hakken; To — somersaults = buitelingen maken; He — his stick = schuurde zijn piek; To — one’s wisdom-tooth = zijn verstandskies krijgen; Let us — across here = laten we hier dwars oversteken; To — asunder = scheiden; — away = ga je gang; To — both ways = voor tweeërlei uitlegging vatbaar; To — dead = volkomen negeeren; To — it fat = opsnijden; To — up rough = grof worden; To — short = in de rede vallen en den mond snoeren; The premier was —ting down trees = was bezig met boomen omhakken; — down = afbikken, afhakken, verkleinen, besnoeien; Here the old woman — in = viel in de rede; I tried to — in, but my samples did not please him = trachtte mijn artikel er in te werken; He was — off in the midst of his work = afgeroepen (door den dood); He was — off with a shilling = onterfd = — out of the will; I shall try to — him out = ik zal trachten, hem een beentje te lichten; He — me out with a woman = hij drong zich in mijne plaats bij; He is — out for a teacher = voor onderwijzer geknipt; He could not — out a coat = geen jas knippen; The piece of cloth was — up = doorgesneden; He was — up by his friend’s death = kapot van; The book was — up by all the critics = werd doorgehaald; He has — up well = veel geld nagelaten; Don’t — up rusty about it = word er maar niet boos om; That merchant — under = verkocht de goederen onder de waarde; A —-glass water-bottle = waterkaraf van geslepen glas; A —-away coat = jas met rondgesneden panden; —-grass = galigaan; —purse, kɐtpɐ̂s, gauwdief, zakkenroller; —-throat = moordenaar; adj. moorddadig; —water = bruggehoofd, golfbreker, scheepsneb; —worm = larve van een uiltje; Cutter = hakker, snijder, coupeur, mes; kotter, boot (bij oorlogschepen), lichte slede (Amer.); —s = steenen, gebruikt om de bogen van vensters enz. te maken: To play —s = een pandspel (“Alle vogels vliegen”); Cutting = subst. scheiding, verdeeling, reepje, uitgraving (v. een heuvel, om kanaal of weg te maken); adj. scherp, grievend: He sent me several —s from the London papers = courantenreepjes, uit de bladen geknipt; — sorrow = schrijnende smart.

Cutaneous, kjuteinjəs, tot de huid behoorend, huid...

Cutch, kɐtš = Catechu.

Cute, kjût. Zie Acute.

Cuticle, kjûtik’l, opperhuid, vlies (op dranken); Cuticular = huid..; Cutis, kjûtis, huid.

Cutlass, kɐtləs, breede kromme sabel, hartsvanger.

Cutler, kɐtlə, messenmaker; —y = messenmakerszaak, scherpe werktuigen.

Cutlet, kɐtlət, cotelette.

Cuttle(-fish), kɐt’l(fiš), inktvisch.

Cutty, kɐti: —pipe = neuswarmertje; —-sark = vrouwenhemd; —-stool, kɐtistûl, vrouwelijk zondaarsbankje in Schotsche kerken in vroeger tijd.

Cuvette, kjuvet, lepelvormig chirurgisch instrument; steenen smeltkroes.

Cwt, 112 Eng. ponden (Verkorting van Centum + weight) ± 50,8 K.G. Zie Hundred-weight.

Cyanogen, saianədžen, cyaan; Cyanosis, saiənousis, blauwziekte.

Cybele, sibəli; Cyclades, siklədîz.

Cyclamen, sikləmen, alpenviooltje.

Cycle, saik’l, subst. kringloop, tijdkring, cyclus (van legenden), rijwiel; — verb. ronddraaien, fietsen: — of indiction = tijdperk van 15 jaar; — of the moon, of Metonic — = guldengetal = tijdperk van 19 jaar, waarna nieuwe en volle maan op dezelfde dagen der maand terugkeeren: — of the sun = zonnecirkel (28 jaar); To — over from X.; Cycling-costume (—-tour) = fietskostuum (-tocht); Cyclist = Cycler.

Cyclic(al), siklik(’l), tot een cyclus behoorend: — poets = navolgers van Homerus, die allen den Trojaanschen oorlog tot onderwerp hunner epische poëzie kozen; — chorus = het koor te Athene dat, zingende, om het altaar van Bacchus danste.

Cyclone, saikloun, cycloon, wervelstorm; adj. Cyclonic.

Cyclopaedia, saikləpîdjə, encyclopaedie; adj. Cyclopaedic of Cyclopaedic.

Cyclopean, saikləpîən, tot de Cyclopen behoorend; reusachtig; Cyclops, saiklops; meerv. Cyclopes, saikloupîz.

Cyclorama, saiklərâmə, cyclorama.

Cyclostyle, saikloustail, cyclostile.

Cygnet, signət, jonge zwaan.

Cylinder, silində, cylinder, wals, rol, ziel, kaliber: A green tin — = botaniseerbus; adj. Cylindric(al); Cylindriform.

Cymar, saimə, simâ, licht opperkleed, sjerp.

Cymbal, simb’l, bekken.

Cymbiform, simbiföm, bootvormig.

Cymric, kimrik, Kimbrisch; Cymry, kimri, Kimbren; An old Cymro.

Cynic, sinik, subst. cynisch persoon; adj. hondsch, cynisch; —s = de school der cynische wijsgeeren (door Antisthenes gesticht); adj. —al; —ism = cynisme.

Cynosure, sinəšə, sainəšə, middelpunt v. aantrekking; de kleine Beer; poolster, leidster.

Cynthia, sinthiə.

Cypher, Zie Cipher.

Cypress, saipres, cypres; soort krip; adj. gestreept.

Cyprian, sipriən, van Cyprus; Cypriote, sipriout, bewoner van C.; Cyprus, saiprəs; Cyprus; krip.

Cyrus, sairəs.

Cyst, sist, blaas, beursgezwel; —ic worm = lintworm; Cystitis, sistaitis, ontsteking van de blaas.

Cytherea, sithərîə; adj. Cytherean.

Czar, zâ, keizer, czaar; Czarevna, zârevnə, vrouw van den czarewitz; Czarina, zârînə, keizerin, vrouw van den czaar; Czarowitz, zârəvitš, oudste zoon van den czaar.

Czech, tšek, Czech; Czechisch(e taal).

D.

D. di, D.; 500 (D̄ 5000); doctor; date, day; died; denarius (= penny); damn; (ook verb.): The big D = groote vloek (D. = Damn); ’d = had, would; D.D. = Divinitatis Doctor; M.D. = Medicinae doctor; D.C.L. = Civilis Legis Doctor; L.L.D. = Legum Doctor; Dec(ember); De(l) = Delaware; Deut(eronomy); Div. = Divide, Dividend, Division, Divisor; D.Lit(t) = Litterarum Doctor; D(ead) L(etter) O(ffice); Do. = Ditto; Doz(en); On the D(ead) Q(uiet) = in strikt vertrouwen; D.T. = Delirium Tremens; Du(t). = Dutch; D(eo) V(olente); Dwt. = Pennyweight; D.W.T. = D(eclined) W(ith) T(hanks) = beleefd afgewezen (van een bijdrage).

Dab, dab, subst. klompje, vlak, klad; tik, pik; schar (ook allerlei platvisch); meester, kraan; — verb. zacht kloppen (met een vochtig of zacht werktuig); pikken; bevuilen; clicheeren; adj. knap: He is a — at cricket = knap in; She —bed at her hair with a brush = ging hier en daar even over; —ber = hij die clicheert; tampon; —ster = meester, kraan.

Dabble, dab’l, besprenkelen, bevochtigen, plassen; knoeien, liefhebberen: He —d at his forehead with a pocket-handkerchief; He —s in politics = liefhebbert in; —r = knoeier, stumper.

Dabchick, dabtšik, pas uitgekomen kuiken; kuifduiker = Dipchick.

Da Capo, dâkâpou, Da Capo.

Dace, deis, serpeling of witvisch.

Dacia, deišə, Dacië; —n, Dacisch.

Dacoit, dakôit, bandiet, roover (Brit. Ind.); —age, —y = rooverij door —s.

Dactyl, daktil, dactylus (– ⏑ ⏑); vinger, teen (anatom.); —ar, —ic, daktilik, uit dactylen bestaande; een dactylische versregel; —ioglyph, daktiljəglif, ringgraveur, inschrift; —ology, daktilolədži, vingerspraak.

Daddle, dad’l, waggelen.

Dad(dy), dad(i), paatje; Daddy-long-legs, dadiloŋlegz, langpoot mug; hooiwagen; langbeenig mensch.

Dado, deidou, dâdou, vlakke voorzijde van een voetstuk, soort van lambrizeering.

Daedalus, dedəlɐs.

Daffodil, dafədil, affodil. Zie Asphodel.

Daft, daft, subst. bot van geest, dwaas, gek; subst. —ness.

Dagger, dagə, subst. dolk, kort zwaard, leesteeken (†); — verb. doorsteken: At —s drawn = klaar om te vechten; op hoogst gespannen voet; To look —s at a person = iemand met zijn blikken doorboren; To speak —s to a person = vlijmscherp toespreken; —-plant = Jucca.

Daggle, dag’l, door het slijk sleepen, door den modder loopen; —-tail = slordevos, = —-tailed = slordig, bevuild.

Dago, deigou, scheldnaam voor elk Spaansch of Portugeesch sprekend matroos.

Dagonet, dagənet.

Daguerreotype, dəgerətaip, subst. daguerreotype; — verb. daguerreotypeeren.

Dahabeeyah, Dahabieh, dâhâbîə, Egyptisch vaartuig, voornamelijk voor den Nijl.

Dahlia, dâljə, deiljə, dahlia.

Dahomey, dəhoumi.

Daily, deili, subst. dagblad; adj. dagelijksch: — News = naam van een Eng. dagblad.

Daimio, daimiou, groote leenheer, vazal van den Mikado (Japan).

Daintiness, deintinəs, fijnheid, verweekelijking, kieskeurigheid, lekkerheid; Dainty, deinti, subst. lekkernij; adj. lekker, kieskeurig, sierlijk, fijngevoelig: My — = lieve; ’Don’t be —’ = (opschrift op een) slabbetje; —-mouthed = kieskeurig.

Dairy, dêri, subst. melkhuis, melkwinkel; —-farm = melkboerderij; —-house = melkhuis; —maid = melkmeid; —man = melkboer.

Dais, dei-is, estrade, met een troonhemel overdekte troon.

Daisy, deizi, subst. madeliefje; adj. keurig, prima: Daisied meadow = vol madeliefjes; —-cutter = dravend paard, dat zijne pooten niet hoog oplicht; Cricket-bal, die laag over ’t veld vliegt; —-picker; Zie Gooseberry-picker.

Dak, dak, brievenpost in Brit. Indië.

Daker, deikə, Dakir, tien stuk of paar; —-hen, wachtelkoning.

Dakoit, dakôit = Dacoit.

Dakota, dakoutə; adj. —n.

Dalai Lama, dəlailâmə, opperpriester.

Dale, deil, dal; —sman = dalbewoner, vooral op de grens tusschen Engeland en Schotland.

Dalhousie, dalhûzi; Dalkeith, dalkîth.

Dalliance, daliəns, het dartelen, stoeien; Dally = dartelen, beuzelen, treuzelen, talmen.

Dallop, daləp, bosje (gras).

Dalmatia, dalmeišə, Dalmatië; —n = Dalmatiër, Dalmatisch.

Dalmatic(a), dalmatik(ə), dalmatica.

Dalrymple, dalrimp’l, dalrimp’l; Dalston, dôlst’n.

Daltonian, dôltounj’n, kleurenblinde; Daltonism, dôltənizm, kleurenblindheid.

Dalzel(l), dalzel, deiel; Dalziel, deiel, diel.

Dam, dam, subst. moer, wijfje; dam; sloot (Austr.); — verb. stuiten, afdammen.

Dam, dam. Zie Dawm.

Damage, damidž, subst. schade, nadeel, kosten, averij; — verb. beschadigen, schade lijden, toetakelen: What’s the —? = hoe groot zijn de onkosten, wat ben ik schuldig? —s = schadevergoeding; —able = beschadigbaar; —d = beschadigd, bedorven.

Damascene, daməsîn, damasceeren; subst. damastpruim (ook Damask-plum); adj. v. Damascus; Damascus blade = Damascener zwaard.

Damask, daməsk, subst. damast; adj. lichtrood; — verb. bloemen in stoffen werken (damast weven), staal met goud of zilver inleggen, damasceeren; —-steel = Damascus-staal; Damaskeen, daməskîn, daməskîn, damasceeren; Damassin, daməsin, damast, met bloemen van goud- en zilverdraad doorweven.

Damboard, damböd, dambord.

Dame, deim, deftige dame, vrouwe, matrone; dorpsschoolmaitres; ouderwetsche bewaarschoolhouderes; de Dame, thans de Assistant-Master, by wie(n) de externe leerlingen (The Oppidans) van Eton College in den kost zijn; —’s-violet, —-wort, nachtviooltje.

Damietta, damietə, Damiette.

Damn, dam, verdoemen, veroordeelen, vloeken: It is not worth a — = het is geen lor waard; —able = verdoemelijk, vervloekt, kolossaal; Damnation, damneiš’n, subst. verdoeming, verdoemenis; interj. vervloekt; Damnatory = verdoemend, verdoemings...; Damnific = schadelijk; Damnify = schade veroorzaken, beschadigen (Jur.); Damning = verpletterend (bewijs).

Damoclean, daməklîən, van D.: — sword; Damocles, daməklîz, Damocles.

Damon, deim’n.

Damosel, daməzel. Zie Damsel.

Damp, damp, subst. vochtigheid, nevel, uitwaseming, neerslachtigheid; adj. vochtig, saai, neerslachtig, kil; — verb. vochtig maken, verkillen, verzwakken, ontmoedigen, smoren, dempen, dof maken: His presence threw a — on our joy = was als een emmer koud water; —en = bevochtigen; ontmoedigen; —er = demper, sleutel (in een kachelpijp), toondemper; ongezuurd brood (Austr.); teleurstelling, ontmoediging: He puts a —er on every thing I do or say = hij beneemt me den moed bij; —ish = eenigszins vochtig; subst. —ishness; —ness = vochtigheid.

Dampier, dampî.

Damsel, damz’l, jonge deern, jonkvrouw; —-fly = waterjuffer.

Damson, damz’n, damastpruim: — cheese = conserf van deze pruimen.

Dan, dan, Heer: — Cupid; Daniel, Dan; From — to Beer-sheba (biəšîbə, biɐ̂šibə) = overal, op alle punten.

Danaid, danəid; Danaidean, deinəidiən, danəidiən.

Dance, dâns, subst. dans, bal; — verb. dansen, rondspringen; laten dansen: He —d attendance on (to) the powerful = liep de groote lui na; — of death = doodendans; He led me a jolly — = hield me leelijk aan het lijntje; —r = danser; Dancing: —-girl = Indische danseres; —-master; —-mistress = balletmeesteres; —-room = danszaal; —-school.

Dandelion, dandelaiən, leeuwetand.

Dander, dandə, subst. toorn; roos (= Dandruff); — verb. treuzelen, zeuren, stotteren: He got (had) his — (dandriff) raised = hij werd woedend.

Dandify, dandifai, zich adoniseeren.

Dandiprat, dandiprat, dreumes.

Dandle, dand’l, liefkoozen, spelen met, laten dansen (op de knie): The mother —d him to rest.

Dandriff, dandrif, Dandruff, dandrəf, roos.

Dandy, dandi, fat, pronker; soort vaartuig, jolleman op den Ganges; soort palankijn; iets keurigs; adj. fatterig; —-cock (—-hen) = Bantamsche haan (hen); —-horse = ouderwetsche tweewieler; —-rigged = met Dandy tuig; —ish = fatterig.

Dane, dein, Deen: Great — = Deensche dog; —geld, deingeld, jaarlijksche belasting, in vroeger tijd opgelegd ter verdediging tegen de Denen; —lagh, deinlôg, — law = Deensch recht (9e eeuw), het gebied hiervan.

Dane-wort, deinwɐ̂t, lage vlier, paarsche anemoon.

Danger, deinžə, gevaar; —-signal = onveilig sein (bij spoorwegen); —ous = gevaarlijk; subst. —ousness.

Dangle, daŋg’l, slingeren, bengelen; achterna loopen; —r = vrouwengek; sleepsabel.

Dan(iel), dan(j’l).

Danish, deiniš, Deensch(e taal).

Dank, daŋk, subst. vochtigheid; adj. vochtig.

Dantesque, dantesk, in den stijl van Dante, somber, verheven.

Danube, danjûb, Donau; Danubian, dənjûbj’n, Donau - -.

Dap, dap, het aas voorzichtig in ’t water neerlaten.

Daphne, dafni, Daphne; peperboompje.

Dapper, dapə, netjes, wakker, kregel.

Dapple, dap’l, subst. spikkel; adj. gevlekt; — verb. bespikkelen; —-grey = appelgrauw (paard).

Darby, dâbi: — and Joan = de Eng. Philemon en Baucis.

Darbies, dâbiz, handboeien.

D’Arblay, dâblei.

Darbyites, dâbiaits, godsdienstige sekte, ook Plymouth Brethren genoemd.

Dardanelles (The), dâdənelz, de Dardanellen.

Dardania, dâdeinjə, Dardanië; —n.

Dare, dêə, durven, wagen; tarten, uitdagen; leeuweriken onder schot of in ’t net brengen, door ze met behulp van een houten bord met spiegeltjes (a dare) te verblinden: I — say = ik durf wedden; I —say, dêəsei, voorwaar; I — you to do it = tart u; —-devil = waaghals; roekeloos; Daring, subst. vermetelheid; adj. onverschrokken, moedig; —net, slagnet.

Darg, dâg, subst. dagwerk, dagtaak; — verb. een dagtaak verrichten (Schotl.).

Darius, dəraiəs; Darjeeling, dâdžîliŋ.

Dark, dâk, subst. duisterheid, onwetendheid; adj. duister, donker, somber, heimelijk, ontmoedigend, slecht, blind, onzeker, donker uitziend: — Ages = Middeleeuwen; —blue = de kleur van de studenten van Oxford (Sport); —chamber, —room (phot.); — lantern = dievenlantaarn; After — = na donker; He rides a — horse = hij voert wat in het schild; Then I had my — hour = droevig uur; I fear I shall go — = blind worden; I have kept it — = geheim; He has kept me in the — = hij heeft mij onwetend gehouden; —en = verduisteren, verdonkeren, zwart maken, bezoedelen, blind maken, duister worden: You shall —en my doors no more = komt me nooit weer over den drempel; —ish = vrij duister; —le = duister worden; —ling, adj. somber, droevig; adv. in het donker, blindelings; —ly = in ’t geheim, geheimzinnig; —ness = duisternis, verborgenheid, blindheid, onwetendheid; —some, dâks’m, somber, duister; —y = zwartje, neger; dievenlantaarn.

Darling, dâliŋ, subst. lieveling: My — = lieverd; adj. geliefd.

Darn, dân, subst. stop; adj. vervloekt (Amer.); — verb. stoppen, mazen: The —est fool I ever saw = grootste gek; —er = stopnaald, stopper of stopster; —ing-needle; —ing-yarn.

Darnel, dân’l, dolik.

Dart, dât, subst. pijl, schicht, werpspies; sprong; — verb. (een pijl) schieten, (eene lans) werpen, schieten (v. stralen), wegsnellen, losstormen op (at, on): To — rays.

Darwin, dâwin; adj. Darwinian; —ism = Darwinianism.

Dash, daš, subst. slag, schok, stoot, aanval, vlugge beweging, élan, kranigheid, bezieling, geestkracht, streepje (–), drupje; — verb. stooten, slaan, te pletter slaan, bespatten, met water werpen, besprenkelen, vermengen, bederven, een streep halen door, teleurstellen, snel bewegen: — of the pen = pennestreek; A — of romance = tintje; A — under the word = streep; A morning — through the Park = morgenritje; At first — = op het eerste gezicht; He wanted to cut a — (figure), and lived above his income = wou bluf slaan; I got a — of German = een hap en een snap; I —ed at him = vloog op hem aan; I —ed this paper off in two hours’ time = ik heb dit artikel in twee uur op het papier gegooid; I —ed it out = ik streek het uit; — it = wat duivel! —-board, dašböd, spatbord (vooraan een rijtuig); —er = schepbord, stamper; fat; —ing = kranig, flink, voornaam, zwierig; —y = opzichtig, fijn gekleed.

Dastard, dastəd, bloodaard, lafaard; —liness = lafhartigheid, blooheid; adj. —ly.

Datary, deitəri, hoofd van de Dataria = afdeeling der pauselijke kanselarij voor de uitvaardiging van bullen.

Date, deit, subst. dadel; datum, dagteekening, duur, tijd; — verb. dateeren, vaststellen, rekenen; beginnen (from): That is out of —, up to — = uit den tijd, op de hoogte van den tijd; He wrote to me under — Oct. 2; To — = totnutoe; —less = zonder datum; —-palm.

Dative, deitiv, dativus.

Datum, deit’m (Mv. Data, deitə), het gegevene, een gegeven.

Daub, dôb, subst. gemeene kalk, smeer, kladschilderij; — verb. besmeren, bekladden, kladschilderen, vermommen, smakeloos opsieren, grof vleien; —er = knoeier, kladschilder; grove vleier; —ery = knoeierij (in de kunst); valsch voorwendsel; Dauby, dôbi, kleverig, lijmerig.

Daughter, dôtə, dochter; —-in-law = schoondochter; — of Heth = zedelooze vrouw (Gen. XXVII, 46).

Daunt, dânt, dônt, schrik inboezemen, ontmoedigen; —less = onbevreesd; subst. —lessness.

Dauphin, dôfin, dauphin; —ess; —y = Dauphiné.

Davenant, davən’nt; Davenport, dav’npöt, kleine (dames)schrijftafel; Daventry, dav’ntri; David, deivid; Davis, deivis; Davison, deivis’n.

Davits, deivits, davits (scheepst.).

Davy Jones, deividžounz, de booze geest der zee: To go to —’s Locker of Davy’s Locker = “voor de haaien” zijn.

Davy-lamp, deivilamp, daviaan, veiligheidslamp (mijnwerkers).

Daw, dô, (kerk)kauw; leeghoofd.

Dawdle, dôd’l, beuzelen, verbeuzelen, zeuren: She is a regular —(r) = echte zeur.

Dawk, dôk, subst. inkeping; wisselplaats voor dragers; posthuis (Brit. Ind.); — verb. eene inkeping maken.

Dawm, dôm, Indische munt: 1⁄40 ropij.

Dawn, dôn, subst. dageraad; — verb. licht worden, dagen, aanbreken: At — of day = bij het aanbreken van den dag; It —ed upon me = er ging me een licht op, ’t werd me bewust; —ing = dageraad; flauw idee.

Day, dei, dag, daglicht, strijd, overwinning: — by — = dag aan dag; A — to order = uitgezochte; All — (long) = den geheelen dag; Every — = alle dagen; Every other — = om den anderen dag; One — = op een dag; One of these —s = een dezer dagen; This — fortnight, sennight = vandaag over veertien, acht dagen; For ever and a — = voor eeuwig; To-— = vandaag; These systems have had their — = hun tijd; We lost the — = den slag; The emperor won the — = behaalde de overwinning; A —’s march; A several —’s journey; — of grace = dag der genade; —s of grace = respijtdagen; —-bed = rustbank, sofa; —-blush = dageraad; —-boarder = scholier in den halven kost; —book = journaal; —break = het dagen; —-coal = bovenste kolenlaag; —-dream = mijmering, luchtkasteel; —-fly = eendagsvlieg; —-labourer = daglooner; —light; —-scholar = externe; —-room = zitkamer, huiskamer; —sman = scheidsrechter (Job. IX 33); —spring = dageraad; —-star = morgenster; —-ticket = dagkaart; In the —-time = overdag; —-wearied = vermoeid van het dagwerk; —work = dagwerk; —’s-work = bestek (zeeterm).

Daze, deiz, subst. verdooving, verwarring, verblinding, verstijving; mica; — verb. verblinden, verdooven, verstijven, verwarren; Dazzle, daz’l, subst. schittering; — verb. verblinden, verwarren, verbijsteren.

Deacon, dîk’n, diaken (in de Apostolische kerk); geestelijke (ordained, i.e. in Holy Orders), die van altaardienst en het toedienen der sacramenten is uitgesloten (Engelsche kerk); —ess = diacones; —ry = —ship = ambt van een deacon.

Dead, ded, dood, levenloos, doodsch, dof, mat, ongevoelig, diep, pikdonker, beslist, volstrekt, waardeloos, onbestelbaar, verschaald, blind, somber: He is a — man = een man des doods; Just — = pas gestorven; — and gone = gestorven, al lang begraven; He was — of small-pox = gestorven aan; At — of night = in het holle van den nacht; In the — of winter = in het hartje; The book fell —-born from the press = werd doodgezwegen; To stop — (= To come to a — stop) = plotseling blijven staan (steken); The wind was — against us = vlak tegen; (He is) —-alive = levend dood; uiterst vervelend; dom (Slang); I had it a — bargain = spotgoedkoop; —-beat = doodop; —-broken = geruineerd; The wind fell a — calm = het werd bladstil; — capital = renteloos kapitaal; — certain = beslist zeker; — colour(ing) = doodverf, grondeering; — copper = dof koper; — drunk = stomdronken; It was a — failure = het mislukte totaal; He went off (into) a — faint, fainted — away = viel geheel van zich zelf (in zwijm); — head = bezitter van een vrijbiljet voor een schouwburg (stoomboot) (Amer.); The race was a — heat = kamp; — horse = vooruit betaald werk; The actor was — letter-perfect = volkomen rolvast; — letter = onbestelbare brief; The country is a — level = volkomen vlak; — lift = zware last; —-lights = luiken; phosphorisch lichten van doode visch; We have him at a —-lock = in onze macht, tot staan, vastgezet; Things have come to (are at) a —-lock = de zaken (vooral politieke) zitten vast, ze kunnen niet vooruit; — in love = smoorlijk verliefd; The band played the —-march in Saul = de marche funèbre uit Saulus; How many — men did you count? = ledige flesschen; — on end = in tegengestelden koers; —-reckoning = raming; gegist bestek; The — Sea = de Doode Zee; A — security = waarborg van geen waarde (bijv. stilstaande fabriek); The dog made —-sets at me = venijnige aanvallen; He is a — shot = schiet nooit mis; We were in a — stand = in groote verlegenheid; I made a — stand against him = ik verzette mij krachtdadig tegen hem; — stock = renteloos kapitaal; It came to a — stop = hield in eens op; —-struck = doodelijk getroffen; vervuld van afgrijzen; — wall = blinde muur; —-water = kielwater; —-weight = doode last; zwaar gewicht, ballast; renteloos kapitaal; voorschot van de Engelsche bank aan officieren, die op non-actief, of gepensionneerd zijn; —s = uitgeworpen gesteente bij het graven; —en = verzwakken, verminderen, verstompen, verdooven, doen verschalen, den glans ontnemen; —lihood = de staat der dooden; —liness = doodelijkheid, gevaarlijkheid; —ly = doodelijk, vergiftig, vreeselijk: —ly nightshade = belladonna; —ly sin = doodzonde.

Deaf, def, doof, onoplettend, zonder pit of kern: He is —-and-dumb = doofstom; —-mute = doofstomme; — of an ear = doof aan één oor; — to prayers = doof voor; I am — with the noise = doof van het lawaai; Deafen = verdooven, doof maken: The floor was —ed = ondoordringbaar gemaakt voor geluid.

Deal, dîl, subst. hoeveelheid, handel; het geven (bij het kaarten), deel (hout); — verb. verdeelen, geven (van kaarten), toebrengen, handelen, zich gedragen, behandelen, te doen hebben, bestrijden: White — = vurenhout; Red — = grenenhout; A — = een hoop; A great (good) — of money (slechts voor enkelv. woorden) = zeer veel; The — is with me, I have the —, I have to — = ik moet geven; To make a — = eene overeenkomst aangaan (Amer.); What shop does he deal at? = waar koopt hij zijne waren; — by others as you wish to be —t by = behandel anderen zooals gij wenscht behandeld te worden; He —s in wines and spirits = handelt in; He has troublesome customers to — with = hij heeft met lastige klanten te doen; I — with him = ben bij hem in den winkel; —-box = spanen doos; Dealer = koopman, handelaar; Dealing = omgang, verkeer, handeling.

Dean, dîn, deken, hoofd van een domkapittel (Engelsche kerk); — and chapter = domkapittel; Rural — = geestelijk hoofd van eenige plattelandsgemeenten; —ery = waardigheid, huis- of rechtsgebied van een Deanship = ambt van een Dean.

Dear, dîə, duur, dierbaar, geliefd: Oh —! = hemeltjelief! — me = Goede Genade; There’s a — = dan ben je een beste; My — = lieve (ook mv. —s); M. is such a — = zoo’n snoes; —-bought = duurgekocht; —ly = innig, dolgraag: I should have —ly liked to go there = had er dolgraag heen gewild; —ness = duurte, kostbaarheid; innigheid; —th, dɐ̂th, schaarschte, gebrek, hongersnood, armoede; —y = lieveling, schat.

Death, deth, de dood, sterfgeval, holle of hartje (van winter of nacht): To bore to — = doodelijk vervelen; To do to — = dooden; overdrijven; To drink oneself to — = doodzuipen; Frightened to —, Frozen to — = doodelijk geschrokken, dood gevroren; To put to — = ter dood brengen; To ride a free (willing) horse to — = misbruik maken van iemands goedheid; To be in at the — = tegenwoordig zijn bij het dooden van den vos; ook fig.: bij de tragische ontknooping; You will be the — of me = je zult nog mijn dood zijn, ik zal het besterven (ook van lachen); It was war to the — with Germany = het was oorlog op leven en dood met Duitschland; — when it comes, will have no denial; — is deaf, and hears no denial = tegen den dood is geen kruid gewassen; One man’s breath is another man’s — = den eene zijn dood is den ander zijn brood; — devours lambs as well as sheep = de dood maakt geen onderscheid; — keeps no calendar = de dood komt als een dief in den nacht; —-bed; —-bell; —-blow = doodelijke slag, genadeslag; —-duties = successierechten; —-hurt = doodelijke wonde; —-rates = sterftecijfers; —-rattle = gerochel; I have been at —’s door several times = ben er na “aan toe” geweest; —’s head = doodskop; —sman = beul; —-stroke = doodelijke slag; —-struggle, —-throe = doodstrijd; —trap = valluik voor een gevangene, gevaarlijke plaats; —-warrant = bevelschrift tot terdoodbrenging; —-watch = doodkloppertje (een houtkevertje, welks getik eertijds geacht werd een zeker voorteeken van een sterfgeval te zijn); —ful = doodelijk: —less = onsterfelijk; —like = als dood, doodelijk; —ly sick = doodziek.

Debacle, dibak’l, dibeik’l, ijsgang, moddervloed, algemeene vlucht, ondergang, val.

Debar, dibâ, uitsluiten, den toegang beletten.

Debark, dibâk, ontschepen, aan wal gaan; subst. Debarkation.

Debase, dibeis, vernederen, verlagen; vervalschen; onteeren; subst. —ment; —r.

Debatable, dibeitəb’l, betwistbaar; Debate, dibeit, subst. debat, woordenstrijd; — verb. debatteeren, nadenken over (on, upon), behandelen; Debating-Society = dispuut- of debatteercollege.

Debauch, dibôtš, subst. ongebondenheid, losbandigheid; roes; — verb. bederven, verleiden, demoraliseeren; losbandig zijn; —edness = liederlijkheid; —ee, debôšî, lichtmis; —er = verleider; —ery = losbandigheid, verleiding.

Debenture, dibentjə, obligatie (= — Bond); betalingsmandaat; mandaat door de douane uitgegeven voor in- of uitvoerrechten, die men terugkrijgt: — holder = obligatiehouder; Registered —s = obligatiën op naam; —d goods, goederen waarvoor men de betaalde rechten terugkrijgt.

Debilitate, dibiliteit, verzwakken; Debilitation = verzwakking; Debility = zwakheid.

Debit, debit, subst. debet, debetzijde; — verb. debiteeren: To the — of = ten laste van; No one could be credited or —ed with any knowledge of it = men kon niemand de eer of de schande geven, dat hij er iets van wist.

Debonair, debənêə, beleefd, inschikkelijk.

Deborah, debərə.

Debouch, dibûš, deboucheeren (van een leger), uitloopen: The new street is to — into the Strand = zal op het Strand uitkomen; subst. —ment.

Debris, debrî, deibri, debri, overblijfselen, wrak, overschot.

Debt, det, schuld: An action of — = schuldvordering; — on call = opzegbare schuld; You are in my —, head over ears in — = bij mij in de schuld, tot over de ooren in de schuld; To pay the — of nature = tol der natuur; To run into — = schulden maken: —or, detə, schuldenaar, debiteur; —or-side = debetzijde.

Debut, Fr. uitspr., eerste optreden, begin; Debutant(e) (Fr. uitspr.) = debutant(e).

Decachord, dekəköd, ouderwetsche 10-snarige harp.

Decade, dekəd, tiental (van jaren, etc.).

Decadence, —cy, dekədəns(i), dikeid’ns(i), verval; Decadent = decadent.

Decagon, dekəgon, tienhoek.

Decahedral, dekəhîdr’l, tienvlakkig (-zijdig); Decahedron = tienvlak.

Decalcomania, dikalkəmeinjə, het decalqueeren.

Decalogue, dekəlog, decalogus, de tien geboden.

Decameron, dikaməron, Decamerone.

Decamp, dikamp, opbreken, heengaan; uitsnijden.

Decanal, dekən’l, tot eene Dean(ery) behoorend.

Decangular, dikaŋgjulə, tienhoekig.

Decant, dikant, zacht òvergieten; klaren; subst. Decantation; —er, dikantə, wijnkaraf.

Decapitate, dikapiteit, onthoofden; ontslaan (Amer.); subst. Decapitation.

Decapod, dekəpod, tienpootig: —s = Decapoda, dikapədə, de tienpootigen.

Decarbonization, dikâbən(a)izeiš’n, ontkoling = Decarburization; Decarbonize, dikâbənaiz, ontkolen = Decarburize.

Decastich, dekəstik, tienregelig gedicht.

Decasyllable, dekəsiləb’l, woord van tien lettergrepen; adj. Decasyllabic.

Decay, dikei, subst. verval, vergaan, verwelken; — verb. vervallen; vergaan, verwelken: To fall (go) to (into) — = in verval geraken, te gronde gaan; A —ed tradesman = achteruitgegaan; What’s put away will soon — = rust roest; —edness = toestand van verval.

Decease, disîs, subst. dood, overlijden; — verb. sterven: The —d = de overledene(n).

Deceit, disît, bedrog, begoocheling; —ful = bedriegelijk, listig; subst. —fulness; Deceivable, disîvəb’l, (licht) te bedriegen; subst. —ness; Deceive, disîv, misleiden, bedriegen, teleurstellen; —r = bedrieger.

December, disembə, December; —ly = winterachtig.

Decemvir, disemvɐ̂, Tienman (Rome); Mv. Decemviri, disemvirai; adj. Decemviral; Decemvirate = decemviraat.

Decency, dîs’nsi, welvoegelijkheid.

Decennary, disenəri, decennium; Decennial = decennaal.

Decent, dîsən’t, welvoegelijk, betamelijk; voldoende, behoorlijk.

Decentralization, disentrəlaizeiš’n, decentralisatie; — verb. Decentralize.

Deception, disepš’n, subst. bedrog, misleiding; Deceptive = bedriegelijk; subst. —ness.

Deciare, dešiâ, deciare (= 107,641 square feet).

Decide, disaid, beslissen, bepalen, overhalen, doen besluiten: He —d me to go there = kreeg er mij toe; —dly true = bepaald waar.

Deciduous, disidjuəs, vergankelijk, uit- of afvallend; subst. —ness.

Decigram(me), desigram; Decilitre, desilîtə; Decimal, desim’l, subst. tiendeelige breuk; adj. decimaal: To calculate to five places (points) of —s; — fraction = tiendeelige breuk; — six = nul komma zes = 0,6; Decimate, desimeit, door tien deelen, den tienden man dooden, in grooten getale ombrengen; subst. Decimation; Decimetre, desimîtə.

Decipher, disaifə, ontcijferen, ontwarren; —able = ontcijferbaar; —er.

Decision, disiž’n, beslissing, uitslag, beslistheid; Decisive, disaisiv, beslissend, afdoend: —ness = vastberadenheid.

Deck, dek, subst. dek; kaartspel (Amer.); — verb. tooien, versieren, bedekken, van een dek voorzien: The —s were cleared = alles werd in orde gebracht, tot den strijd voorbereid; Have you swept the —s = hebt gij den inzet (den pot) gewonnen, het dek schoongeveegd (fig.); —ed out = getooid; —-chair = rieten dekstoel; —-passenger.

Declaim, dikleim, voordragen, declameeren; uitvaren: He —ed against such measures = liet krachtig zijne stem hooren tegen; —er = declamator; Declamation = redevoering, voordracht, hoogdravende rede; Declamatory = gezwollen, hoogdravend.

Declaration, dekləreiš’n, verklaring, aangifte, aanklacht; adj. Declarative; To be declaratory of = bevestigen; Declare, diklêə, verklaren, verzekeren, bekend maken, aangeven, constateeren: I — = ik moet zeggen; The result was —d as follows = bekend gemaakt; He —d himself to her = deed haar eene liefdesverklaring; He had not yet —d himself = nog geen partij gekozen; His name was —d at the Exchange = werd aangeslagen op de beurs als failliet; Anything to —? = iets te declareeren; I have —d the contract off = ik heb verklaard, niet te willen voortzetten; —d = openlijk; —r.

Declassed, diklâst, uitgestooten.

Declension, diklenš’n, verval, afdaling, vermindering, afwijking, verbuiging; bedanken (Amer.).

Declinable, diklainəb’l, verbuigbaar; Declinate, deklineit, naar beneden gebogen, met een bocht; Declination = neerbuiging, verval, achteruitgang, helling, declinatie, afwijking: — of the needle (compass); Declinator = afwijkingsmeter; Declinatory = weigerend, afwijzend; Declinature = bestrijding van de competentie van een hof (Schotl.).

Decline, diklain, subst. afneming, verval, vermindering, uittering; — verb. afwijken, verbuigen, neerbuigen, bukken, weigeren, vervallen, uitteren, ten einde loopen, afwijzen: To go into a — = uitteren; He is on the — = gaat achteruit; Prices are declining = gaan achteruit; Declining age = hooge ouderdom.

Declivity, dikliviti, helling, glooiing, schuinte; Declivitous = schuin, hellend = Declivous.

Decoct, dikokt, afkoken, uittrekken; subst. —ion.

Decollate, dikoleit, onthalzen; Decollation of St. John = 29 Aug.

Decolo(u)r(ize), dikɐlə(raiz), bleeken, Decolorant, dikɐlər’nt, bleekmiddel; Decoloration = bleeken, kleurloosheid.

Decompose, dîk’mpouz, ontbinden, oplossen, ontleden; Decomposite, Decomposite, veelvoudig samengesteld; Decomposition = ontbinding.

Decompound, dik’mpaund, veelvoudig samenstellen of verbinden; ook adj.: A — leaf, flower = een dubbel blad, dubbele bloem.

Decorate, dekəreit, versieren, optooien; Decoration, dekəreiš’n, versiering, sieraad, decoratie: — day = 30 Mei (in Amerika), bestemd tot versiering van de graven der in den burgeroorlog gesneuvelden (1861–1865); Decorative = versierend, verfraaiend; Decorator = versierder, (decoratie)schilder.

Decorous, dikôrəs, dekərɐs, gepast, welvoegelijk; subst. —ness; Decorum, dikôr’m, welvoegelijkheid, decorum.

Decoy, dikôi, subst. lokmiddel, aas, krijgslist; lokeend, eendenkooi; — verb. verlokken, verleiden; —-duck; —-man = kooiker.

Decrease, dikrîs, dîkrîs, subst. afneming, vermindering, het vallen (van het water); — verb. dikrîs, verminderen, (langzaam) afnemen.

Decree, dikrî, subst. decreet, verordening, voorschrift; gebod, rechterlijke beslissing; — verb. bepalen, vaststellen, beslissen, decreteeren: — nisi, naisai, voorwaardelijke beslissing (geldig zoolang geen nieuw feit hiermee in strijd blijkt te zijn); To — levies = lichtingen uitschrijven.

Decrement, dekrim’nt, achteruitgang, vermindering.

Decrepit, dikrepit, afgeleefd, gebrekkig.

Decrepitate, dikrepiteit, calcineeren van zouten; subst. Decrepitation.

Decrepitude, dikrepitjûd, afgeleefdheid, gebrekkigheid.

Decrescent, dikres’nt, afnemend; Decrescendo, dikrəšendou, decrescendo (Muz.).

Decretal, dikrît’l, subst. bevel (vooral pauselijk); adj. tot een decreet behoorend.

Decrier, dikraiə, hij die decries; Decry, dikrai, laken, in discrediet brengen.

Decumb, dikɐmb, gaan liggen; Decumbence = liggende houding; Decumbent = liggend, bedlegerig.

Decuple, dekjup’l, subst. tienvoud; adj. tienvoudig; — verb. vertienvoudigen.

Decurrent, dikɐr’nt, afloopend; Decursive, dikɐ̂siv, afloopend.

Decussate, dikɐsit, kruisstandig; — verb. dikɐseit, dekəseit = kruiselings snijden.

Dedicate, dedikit, adj. toegewijd; — verb. dedikeit, toewijden, opdragen, wijden; Dedicatee = wien een werk wordt opgedragen; Dedication = toewijding, opdracht; Dedicator = die opdraagt; Dedicatory = bij wijze van opdracht.

Deduce, didjûs, afleiden, opmaken (uit); —ment = gevolg; Deducible = af te leiden uit (from).

Deduct, didàkt, aftrekken, afnemen, wegleiden: Charges —ed = na aftrek van kosten; —ion = vermindering, afneming, gevolgtrekking; The —ive method = de deductieve methode.

Deed, dîd, subst. daad, feit, handeling, akte; — verb. bij akte overdragen (Amer.): — of gift = schenkingsakte; — of partnership = acte v. vennootschap; — of sale = koopakte; — of trust = volmacht; He was caught in the very — = op heeterdaad; —-poll = hoofdelijke akte (tegenover de dubbele), omdat ééne der partijen ze maakt; —y = ijverig, knap.

Deem, dîm, oordeelen, denken: He —ed it an honour = achtte het eene eer.

Deemster, dîmstə, titel van de 2 justices op het eiland Man.

Deep, dîp, subst. diepte, zee; adj. diep, diepzinnig, verdiept, laag, achteraf, verborgen, geheim, doordringend, ernstig, zwaar, hoog, donker, sluw: He is a — one = een slimmerd; Of a — blue (colour) = donkerblauw; They have drunk — = zwaar gedronken; He lied — = loog schandelijk; To play — = hoog spelen; A —ly-bitten sketch of the city of L. = een scherpe (scherp gelijnde) schets; The —-mouthed thunder = krachtige en holklinkende; —-read in the classics = zeer belezen; The —-sea water = het water der zee op meer dan 200 vademen diepte; —-set = diepliggend; —-toned instruments = zwaar (plechtig) klinkende; —en = verdiepen, donkerder (sterker) worden of maken; —most = diepste, verste; —ness = scherpzinnigheid, sluwheid.

Deer, dîə, hert; goedje: The small — = het kleine grut; —mouse = eekhorentje (Canada); —-neck = dunne, slecht gevormde nek (van een paard); —-stalker = hertenjager; laag hoofddeksel (soms met oorkleppen) door deze jagers gedragen; —-stalking, stôkiŋ, jacht op herten (door ze te besluipen).

Deface, difeis, schenden, misvormen, doorhalen, uit het veld slaan; bekrassen of beschrijven van muren, etc.; subst. —ment.

Defalcate, difalkeit, snoeien (van geld), verminderen, korten; verduisteren; Defalcation = verkorting, verduistering, besnoeiing; Defalcator, Defalcator = verduisteraar.

Defamation, defəmeiš’n, laster, eerrooving; adj. Defamatory; Defame, difeim, lasteren, eerrooven.

Default, difôlt, subst. gebrek, verzuim, verwaarloozing, in gebreke blijven, nietverschijning (voor de rechtbank); — verb. bij verstek veroordeelen, niet voldoen aan (een contract, eene belofte, etc.): Judgment by — = veroordeeling bij verstek; To go by — = bij verstek veroordeelen; door afwezigheid van een der partijen niet doorgaan; He made (a) — = hij verscheen niet; To suffer a — = verstek laten gaan; In — of = bij gebreke van: A fine of £ 3, or seven days’ imprisonment in — = subsidiair 7 dagen gevang.; —er = woordbreker, misdadiger, wanbetaler.

Defeasance, difîz’ns, nietigverklaring, vernietiging, opheffing; —d = vernietigbaar = Defeasible.

Defeat, difît, subst. nederlaag, verijdeling, vernietiging, berooving, ongeldig verklaring; — verb. verslaan, verijdelen, van nul en geener waarde maken; berooven.

Defecate, defikit, adj. gezuiverd; — verb. defikeit, zuiveren, klaren; subst. Defecation.

Defect, difekt, gebrek, onvolkomenheid; —ion = afval, afvalligheid; —ive = gebrekkig; subst. —iveness.

Defence, difens, verdediging, versterking, verdedigingswerk, bescherming: Line of — = verdedigingslinie; —less = weerloos; subst. —lessness.

Defend, difend, verdedigen, beschermen: We —ed ourselves against the enemy = verdedigden ons tegen; To — oneself from reports = tegen praatjes; — me from my enemies = bewaar mij voor; —able = verdedigbaar; —ant = beklaagde, gedaagde; —er = verdediger: — of the Faith = titel van Eng. vorsten sedert Hendrik VIII (1521); Defense = Defence; Defensibility = verdedigbaarheid; Defensible = houdbaar; Defensive = verdedigend, verwerend: To act (be, stand) on the — = een verdedigende houding aannemen; Defensor = verdediger, beschermer; Defensory = verdedigend.

Defer, difɐ̂, uitstellen, talmen; zich onderwerpen aan; verwijzen: I — to your opinion = onderwerp mij aan; I — to the sixth example = verwijs naar; —red bonds = obligaties recht gevend op stijgenden interest (tot bepaalde hoogte) in welk geval ze geconverteerd of tot active bonds worden; —ence, defərens, eerbied, onderwerping, eerbiediging; —ent, defərent, geleidend; subst. geleider, overbrenger: The air is a —ent of sound = klankgeleider; Deferential, eerbiedig; —rer = uitsteller.

Defiance, difai’ns, uitdaging, uittarting: In (flat) — of all rules = trots alle regelen; He bears (bids) — to them all = tart ze allen; He set all the rules at — = hij zondigde tegen al de regels; Defiant = trotseerend, tartend.

Deficience, —cy, difiš’ns(i), gebrek, tekort, deficit, onvolkomenheid: — Bills = voorschot door de Bank of England aan de regeering, ter inlossing der coupons; To make up for (to supply) a — = voorzien in een gebrek; Deficient: He is — in that quality = hem ontbreekt, hij schiet te kort in ...: Mentally — = zwakzinnigen; Deficit, defisit, dîfisit, deficit.

Defile, difail, subst. engte, pas, défilé; — verb. defileeren; bevuilen, verontreinigen, bezoedelen; subst. —ment; —r = ontwijder, schender.

Definable, difainəb’l, te bepalen of begrenzen; Define, difain, bepalen, beperken, uitleggen, beschrijven; Definite, definit, bepaald, begrensd; subst. —ness; Definition = bepaling, omschrijving, beschrijving; Definitive, subst. bepalend woord (b.v. een adjectief); adj. beslissend, afdoend; subst. —ness.

Deflagrate, defləgreit, verbranden; subst. Deflagration.

Deflate, difleit, gas of lucht uitlaten.

Deflect, diflekt, afbuigen, afwijken; —ion = Deflexion, afwijking, afdrijving (v. een schip).

Defloration, dîfloreiš’n, defloreiš’n, verkrachting; Deflour, Deflower, diflauə, onteeren, schenden; —er = verkrachter.

Defluxion, diflɐkš’n, ontsteking, catarrh.

Defoe, dəfou.

Deforest, diforəst, ontwouden.

Deform, diföm, misvormen; Deformation = mismaking; —ed = mismaakt; subst. —edness; Deformity = wanstaltigheid, mismaaktheid.

Defraud, difrôd, onrechtmatig onthouden, bedriegen, beetnemen; —er = bedrieger, smokkelaar.

Defray, difrei, betalen, afbetalen, vereffenen: He —ed our expenses = hield ons vrij; subst. —ment.

Deft, deft, vlug, vaardig, handig; subst. —ness.

Defunct, difɐŋkt, overleden(e).

Defy, difai, uitdagen, tarten, trotseeren: It defies description = gaat alle beschrijving te boven. Zie Defiance.

Degeneracy, didženərəsi, ontaarding; Degenerate, adj. ontaard, laag; subst, gedegenereerde; — verb. ontaarden; Degeneration = ontaarding.

Deglutinate, diglûtineit, losmaken (wat gelijmd is).

Deglutition, deglutitiš’n, dîglutiš’n, slikken.

Degradation, degrədeiš’n, dégradatie, afzetting, vernedering, vermindering;—verb. Degrade, digreid; Degrading = onteerend.

Degree, digrî, subst. graad, rang, waardigheid, verwantschap, stand: He took his — = promoveerde; By —s = trapsgewijze, langzamerhand; Persons in their — = van hun stand; In a — = tot op zekere hoogte, in zekeren zin; In no — = geenszins; In some — = eenigszins; eenigermate; To a — = in hoogen graad, buitenmate; Honorary — = doctorstitel honoris causa; —-day = promotiedag; —-title = academ. graad.

Dehisce, dihis, openspringen; adj. —nt; subst. —nce.

Dehort, dihöt, afraden; adj. —atory.

Deicide, dîisaid, Christusmoord, Christusmoordenaar.

Deific(al), dîifik’(l), vergoddelijkend; Deification = vergoddelijking, apotheose; Deifier = vergoder; Deiform = van goddelijken vorm; Deify, dîifai, vergoden, vergoddelijken.

Deign, dein, zich verwaardigen, toestaan.

Dei gratia, dî-ai greišiə, van Gods genade.

Deil, dîl, dil, duivel (Schotsch).

Deism, dîizm, deïsme; Deist = deïst; adj. Deistic(al); Deity, dîiti, Godheid.

Deject, didžekt, adj. terneergeslagen (= —ed), ontmoedigd; — verb. ontmoedigen, neerslachtig maken; —edness = —ion = neerslachtigheid, moedeloosheid; —ory = ontmoedigend, afdrijvend.

Delactation, dîlakteiš’n, het spenen.

Delany, dileini, deləni.

Delate, dileit, aangeven, aanklagen; subst. Delation: Espionage and —; Delator = verklikker.

Delay, dilei, subst. uitstel, vertraging; — verb. uitstellen, rekken, uitstel geven; zich laten wachten, aarzelen, belemmeren: All is not lost that is —ed = uitstel is geen afstel; —er = uitsteller; reden van uitstel.

Del credere, delkredərə, delcredere.

Dele, dîli, subst. uitschrappingsteeken; — verb. uitschrappen, wegnemen; Deleble, delib’l, uitwischbaar.

Delectable, dilektəb’l, verrukkelijk, lekker; subst. —ness; Delectation = genot.

Delegate, deləgit, subst. gevolmachtigde, afgevaardigde; adj. gevolmachtigd; — verb. (deləgeit) volmacht geven, toevertrouwen, afvaardigen; Delegation = afvaardiging, opdracht, deputatie.

Delete, dilît, uitwisschen, doorhalen.

Deleterious, dîlətîriəs, vergiftig, schadelijk.

Deletion, dilîš’n, subst. Zie Delete.

Delf, delf, Delftsch aardewerk = Delft ware.

Delhi, deli, Delhi.

Delian, dîliən, uit Delos.

Deliberate, dilibərit, adj. bedaard, overleggend, opzettelijk; — verb. (dilibəreit) overwegen, beraadslagen; subst. —ness; It was taken into deliberation = het werd in overweging genomen; Deliberative, dilibərətiv, overleggend.

Delicacy, delikəsi, fijnheid, keurigheid, teerheid; heerlijkheid, lekkernij; zwakheid; Delicate, delikit, fijn, teer, lekker, voorzichtig, kiesch, kieskeurig, fijngevoelig, zwak; subst. —ness; Delicious, dilišəs, heerlijk; subst. —ness.

Delict, dilikt, delict.

Delight, dilait, subst. genot, wellust, verrukking; — verb. verrukken, streelen; behagen scheppen in, verheugd zijn over: To have (take) — in = behagen scheppen in; I am —ed with it = ik ben er verrukt mee, over; —ful = verrukkelijk; subst. —fulness.

Delimit, dilimit, afperken, de grenzen vaststellen; Delimitation = vaststelling (der gr.).

Delineate, dilinieit, schetsen, ontwerpen, beschrijven; subst. Delineation; Delineator = schetser, enz.

Delinquency, diliŋkw’nsi, misdrijf, misdaad, plichtverzuim; Delinquent, diliŋkw’nt, subst. schuldige; adj. schuldig.

Deliquesce, delikwes, smelten of oplossen door vochtopneming; subst. —nce; adj. —nt.

Delirious, diliriəs, ijlhoofdig, dol van (= with): To be — = ijlen; subst. —ness; Delirium = delirium: In a — of drink; — tremens = dronkaardswaanzin.

Delitescence, delites’ns, verborgenheid; plotseling verdwijnen van gezwel of ontsteking; adj. Delitescent.

Deliver, dilivə, verlossen, bevrijden, overbrengen, leveren, in-, op-, uitleveren, bestellen, overgeven, uitspreken: To — a message = overbrengen; To be —ed in 8 days, at B = te leveren; To be —ed immediately = in handen (op brieven); She was -ed of a boy = beviel van een jongen; —ed in my trust = mij toevertrouwd; The fortress was —ed up (over) = overgegeven; He —ed himself up = gaf zich in handen der politie; —able = te leveren; —ance = bevrijding, beslissing, vrijspreking; —er = verlosser, overbrenger; —y, diliv’ri, verlossing, bevrijding, uitspraak, (wijze van) voordracht, levering, bestelling; —y-pipe = afvoerpijp; —y-window = loket.

Dell, del, nauw dal.

Deliac, dîliək, uit Delos; artistieke vaas; Delos, dîlos; Delphian, delfiən, Delphic, delfik, Delphisch, raadselachtig.

Delphin(e), delfin, den dauphin betreffend: — classics = de voor het gebruik van den Dauphin (zoon van Lod. XIV) bestemde uitgaven der klassieken; Delphine, delfin, tot de dolfijnen behoorend.

Delta, deltə, de Grieksche D = Δ; delta; —-leaved = met Δ-vormige bladeren; Deltaic, delteiik, Delta ...; Deltification = deltavorming; Deltoid, deltôid, deltavormig; deltaspier.

Deludable, dil(j)ûdəb’l, licht te misleiden; Delude, dil(j)ûd, bedriegen, misleiden; —r = misleider.

Deluge, deljudž, subst. watervloed, zondvloed, groote menigte, ramp; — verb. overstroomen, overstelpen: After me the —.

Delusion, dil(j)ûž’n, bedrog, bedriegerij, waan, begoocheling; adj. Delusive, dil(j)ûsiv; subst. —ness; Delusory, dil(j)ûsəri = Delusive.

Delve, delv, graven, uitvorschen.

Demagogic(al), deməgodžik(’l); Demagogism, deməgodžizm, de beginselen van een volksleider; Demagogue, deməgog, volksmenner.

Demain, dimein. Zie Demesne.

Demand, dimând, subst. eisch, vraag, behoefte; vordering; — verb. eischen, vorderen: — and supply = vraag en aanbod; In great — = Much in — = zeer gezocht, in trek; On — = op verlangen; Payable on — = op zicht; —ant = eischer; —er = schuldeischer, adressant.

Demarcate, dimâkeit, de grenzen vaststellen; subst. Demarcation, dîmâkeiš’n, afpaling, grenslijn.

Demean, dimîn, (zich) gedragen of houden; (zich) vernederen of verlagen; —our, dimînə, gedrag, houding.

Dementate, dimentit = Demented = waanzinnig, krankzinnig; subst. —ness = Dementia, dimenšə, krankzinnigheid, waanzin, idiotisme.

Demerara, demərârə.

Demerit, dimerit, gebrek, blaam, schuld, wangedrag, onwaardigheid.

Demersed, dimɐ̂st, onder water groeiend.

Demesne, dimîn, domein, grondbezit; gebied: The —s of the school = het gebied.

Demi, demi: —god, halfgod; —-john = groote mandflesch; —-lance = korte lans, licht gewapend ruiter; —-official = officieus; —-rep (= demi-reputation), demi-mondaine; —-repdom; —-semiquaver = 32ste noot.

Demisable, dimaisəb’l overdraagbaar; subst. Demisability; Demise, dimaiz, subst. overlijden; overdracht; — verb. overdragen; nalaten (bij uiterste wilsbeschikking = To — by will).

Demission, dimiš’n, opgeven, laten varen; verlaging; Demit = neerleggen.

Demiurge, demiɐ̂dž, Demiurgos, dimiɐ̂gəs, demiurgos; adj. Demiurgic.

Demobilization, dimobilizeiš’n, dimoubilizeiš’n, demobilisatie; Demobilize, Demobilize = demobiliseeren, ontbinden (van troepen).

Democracy, dimokrəsi, volksregeering; Democrat, deməkrat, democraat; adj. Democratic(al); Democratize = democratiseeren.

Demolish, dimoliš, afbreken, slechten, verwoesten; —er = afbreker, verwoester; Demolition, deməliš’n = het afbreken, verwoesting.

Demon, dîm’n, demon; —ess = duivelin; —iac, dimounjək, bezetene; adj. demonisch = —iacal, dîmənaiək’l = —ian, dimounj’n = —ic, dimonik; —ology, dîmənolədži, demonenleer.

Demonetization, dimonitizeiš’n, subst. van Demonetize, dimonitaiz, buiten omloop stellen van geld.

Demonstrable, dimonstrəb’l, dem’nstrəb’l, bewijsbaar; subst. —ness; Demonstrate, dimonstreit, dem’nstreit, aantoonen, aanwijzen, demonstreeren: Demonstration, dem’nstreiš’n, bewijs, demonstratie; schijnbeweging; Demonstrative, dimonstrətiv, aanschouwelijk, openhartig, overdreven, demonstratief, aanwijzend (voornaamwoord); (brutaal, demənstreitiv); subst. —ness; Demonstrator = demonstrator, prosector, wijsvinger.

Demoralization, dimorəlizeiš’n, dimorəlaizeiš’n, demoralisatie;—verb. Demoralize, dimorəlaiz.

Demosthenes, dimosthənîz; adj. Demosthenic, demosthenik = Demosthenian.

Demotic, dimotik: — character = oud-Egyptisch volksschrift.

Demur, dimɐ̂, subst. aarzeling, weifeling; protest; — verb. aarzelen, weifelen, excepties opwerpen: I cannot subscribe without —(ring) to so sweeping a sentence = ik kan zulk een algemeen oordeel niet zonder protest aanvaarden; I — at that = kom in verzet tegen; He —red to my assertion = was het niet eens met; —rer = weifelaar; exceptie (jur.).

Demure, dimjûə, stemmig, zedig, preutsch; subst. —ness.

Demurrage, dimɐridž, liggeld (v. schepen); korting van 1½ d. per ons goud bij inwisseling van banknoten bij de Bank of England: Days of — = ligdagen.

Demy, dimai, een zeker papierformaat (56 bij 46 c.M. voor drukwerk, 48 bij 38 c.M. voor schrijven); zoogenaamde half-fellow of scholar van het Magdalen College te Oxford; —-ship = beurs van 100 tot 50 £.

Den, den, subst. hol, leger, kuil; hok, gat: Daniel in the lions’ —.

Denarius, dinêriəs, oude zilveren munt (Rome) van ongeveer 8 stuivers; een Engelsche penny: — Dei = Godspenning; — Sancti Petri = St. Pieterspenning.

Denationalize, dinašənəlaiz, van de nationaliteitsrechten berooven.

Denbigh, denbi.

Dendri...., dendri...., Dendro..., dendrə..., in samenst., boom...; Dendritic = boomachtig.

Dendrolite, dendrəlait, dendroliet, versteende boomstam; Dendrology = boomenleer.

Denham, denəm.

Deniable, dinaiəb’l, loochenbaar; Denial, dinai’l, ontkenning, verloochening, weigering: I will take no — = neem geen bedankje aan; Denier = loochenaar.

Denim, denim, grove wollen stof.

Denis, denis.

Denization, denizeiš’n, naturalisatie: Letters of —; Denizen, deniz’n, subst. bewoner, genaturaliseerd burger; — verb. het burgerrecht verleenen; —ship.

Denmark, denmâk: — satin shoes = stoffen laarsjes.

Dennis, denis, Dionysius.

Denominate, dinomineit, benoemen, aanwijzen; Denomination = naam, benaming, sekte; Denominational education = confessioneel onderwijs; Denominative = benoemend of benoemd; Denominator = noemer (van eene breuk).

Denotable, te onderscheiden; Denotation of a term = omvang (ruimte) of beteekenis eener uitdrukking; Denote, dinout, aanwijzen, aanduiden.

Denouement, Fr. uitspr., ontknooping, afloop.

Denounce, dinauns, dreigen met, dreigend verklaren, aanklagen, aanbrengen, opzeggen (a treaty); subst. —ment; —r = aanbrenger.

Dense, dens, dicht, bekrompen, dom; The —ness of the public is something wonderful = domheid; Density = dichtheid.

Dent, dent, indruk, deuk; tand; —al, subst. tandletter; adj. tand...: — formula = tandformule; — surgeon = tandmeester; —ate(d), denteit(id), —ed, getand; —iculate(d), dentikjul(e)it(id), met tandjes; met kalfstanden (bouwk.); subst. —iculation; —iform, dentiföm, tandvormig; Dentifrice, dentifris, tandpoeder; Dentist, dentist, tandmeester; Dentistry = tandheelkunde; Dentition, dentiš’n, het tandenkrijgen; tandstelsel; Dentolingual, dentəliŋgw’l, subst. en adj. (consonant) door tong en tanden gevormd; Denture, dentjə, tandenrij; kunstgebit.

Denudation, denjudeiš’n, ontblooting, berooving:—verb. Denude, dinjûd.

Denunciation, dinɐnšieiš’n, Denunciate, dinɐnšieit; Denunciator. Zie Denounce.

Deny, dinai, ontkennen, tegenspreken, weigeren, (ver)loochenen: To — oneself = belet geven; He denied himself every pleasure = ontzeide zich elk genot; She was denied = zij kreeg “belet”.

Deobstruct, diobstrɐkt, purgeeren; Deobstruent = subst. en adj. zuiverend of purgeerend (middel).

Deodorization, dioudərizeiš’n, dioudəraizeiš’n, ontsmetting, reukeloos maken;—verb. Deodorize, dioudəraiz; —r = ontsmettingsmiddel.

Deontology, diontolədži, Bentham’s leer der zedelijke verplichting.

Deo volente, dîə vəlenti, als God het wil.

Deoxidate, dioksideit, Deoxidize, dioksidaiz, reduceeren; subst. Deoxidation.

Depaint, dipeint, afschilderen, malen.

Depart, dipât, vertrekken, heengaan, sterven, opgeven, afzien van, afwijken, verlaten: The statesman —ed this life on the 20th = scheidde uit het leven, stierf; He —ed from his house = ging heen; Our dear —ed = overledene(n); The —ed = de overledenen; Departure, dipâtšə, vertrek, dood, afwijking, richting, wending: He took his — = vertrok; That is quite a new — = heel wat nieuws, een geheel nieuwe richting; He took a new — at 40 = op 40-j. leeftijd werd hij een ander man.

Department, dipâtm’nt, afdeeling, werkkring, departement; Departmental = afdeelings- -.

Depauperization, dipôpərizeiš’n, subst. v. Depauperize, dipôpəraiz, uit de armoede opheffen.

Depend, dipend, neerhangen, afhangen, vertrouwen op, rekenen op: It (All) —s = dat hangt er vanaf; They are people to be —ed upon = ver- en betrouwbare menschen; — upon it = reken daarop; Every man must — upon himself = zelf is de man; —able = vertrouwd: To employ — tradespeople; —ance, —ence, —ency = afhankelijkheid, verband: —encies = toebehooren; wingewest, kolonie; —ent = afhangend (on), neerhangend (from), afhankelijk, onbeslist, berustend op; subst. dienaar, vazal; —ing, onbeslist of hangende (van eene rechtszaak).

Depict, dipikt, afschilderen, malen = —ure.

Depilate, depileit, ontharen; Depilation, ontharen, uitvallen van haren; Depilatory, ontharend; Depilatories = ontharingsmiddelen.

Deplete, diplît, ledigen, aderlaten, uitputten; subst. Depletion, aderlating, uitputting.

Deplorable, diplôrəb’l, betreurenswaard, jammerlijk; subst. —ness; Deplore, diplö, betreuren, beweenen.

Deploy, diplôi, (doen) ontplooien, ontwikkelen: The troops —ed into line = kwamen in bataille; subst. —ment.

Deplume, diplûm, van vederen berooven.

Depone, dipoun, onder eede bevestigen; —nt, dipoun’nt, subst. getuige; werkwoord met passieven vorm en actieve beteekenis; adj passief van vorm en actief van beteekenis.

Depopulate, dipopjuleit, ontvolken; subst. Depopulation.

Deport, dipöt, deporteeren: To — oneself = zich gedragen; Deportation, deportatie; Deportment = houding, gedrag.

Deposable, dipouzəb’l, afzetbaar; Deposal = afzetting; Depose, dipouz, afzetten; onder eede bevestigen (verklaren, verhooren).

Deposit, dipozit, subst. neerslag, storting, pand, deposito; — verb. leggen, neerleggen, bijzetten, storten, toevertrouwen, in bewaring geven: — at call, — at notice (zonder, met opzegging); In (on) — = in deposito (van gelden, etc.); —ary, dipozitəri, bewaarder; —ion, depəziš’n, dîpəziš’n, neerslag, getuigenisaflegging, verklaring, onttroning, afzetting, deposito; —or, hij die deponeert; —ory, dipozitəri, bewaarplaats.

Depot, dîpou, depou, dipou, depot, bergplaats, stapelplaats; station (Amer.): Coal and Cattle —.

Depravation, deprəveiš’n, verdorvenheid, bederf; Deprave, dipreiv, bederven, demoraliseeren: —dness = Depravity, dipraviti, verdorvenheid.

Deprecate, deprikeit, door smeeken trachten af te wenden, krachtig opkomen tegen, ernstig afkeuren; Deprecation; Deprecatory looks = smeekende blikken.

Depreciate, diprîšieit, de waarde verminderen (Amer.); geringschatten, onderschatten; Depreciation = waardevermindering; onderschatting, geringschatting; Depreciative, diprîšiətiv, Depreciatory, diprîšiətəri, minachtend, gering-, onderschattend.

Depredate, deprideit, (uit)plunderen, verwoesten, verslinden; subst. Depredation; Depredator, plunderaar; Depredatory = verwoestend, plunderend.

Depress, dipres, neerdrukken, neerslaan, buigen, vernederen, matigen, verlagen, lager richten (van geschut), neerslachtig maken, in waarde doen dalen; —ed = gedrukt, flauw; Depression, dipreš’n, (neer)drukking, indruk, depressie, neerslachtigheid, uitputting, slapte (in zaken): — of spirits = melancholie; —ist = pretbederver, vreugdeverstoorder; Depressive = drukkend.

Deprivation, depriveiš’n, berooving, verlies, ontzetting uit een ambt; Deprive, dipraiv, berooven, ontdoen, ontzetten: She was —d of her membership = lidmaatschap.

Deptford, detfəd.

Depth, depth, diepte, hoogte, breedte, donkerheid (bij eene kleur), afgrond, zee, hartje (van den winter), holle (van den nacht), diepzinnigheid, onmetelijkheid: In the —(s) of winter; Ten feet in — = tien voet diep; I am out of (within) my — here = ik voel hier geen (nog) grond, kan hier (niet) staan (ook fig.); —less = ondiep; onpeilbaar.

Depurate, depjureit, reinigen; subst. Depuration; Depurative = bloedzuiverend (middel).

Deputation, depjuteiš’n, afvaardiging, deputatie: In, by — = bij volmacht; Depute, dipjût, subst. gevolmachtigde (Schotsch); — verb. afvaardigen; Deputy, depjuti, subst. afgevaardigde, gevolmachtigde, plaatsvervanger, helper: —-chairman (—-judge) ondervoorzitter (rechter-plaatsvervanger).

Deracinate, dirasineit, uitroeien, verdelgen.

Derail, direil, (laten) derailleeren; uit den trein laden (van troepen): The train got —ed = derailleerde; subst. —ment.

Derange, direinž, verstoren, krenken (van geest of lichaam); —d = gek; —ment = storing, krenking.

Deray, direi, wanorde, tumult.

Derby, dɐ̂bi, dâbi, Derby; stijve, ronde hoed met smallen rand (Amer.): —-day = de dag bestemd voor de — races = wedrennen te Epsom (in Mei).

Derelict, derəlikt, subst. onbeheerd goed, verlaten schip; aangeslibd land; adj. onbeheerd, verlaten (Jur.); Dereliction = verzaking, het onbeheerd laten, landaanwinning door aanslibben: A serious — of duty = een ernstig plichtsverzuim.

Derham, derəm.

Deride, diraid, bespotten, uitlachen; Derision, diriž’n, spot, hoon; Derisive, diraisiv, spottend: subst. —ness; Derisory, diraisəri, spottend, hoonend.

Derivable, diraivəb’l, afleidbaar; Derivation, deriveiš’n, afleiding, afwijking; Derivative, dirivətiv, afgeleid, voortkomend, bijkomend; subst. afgeleid woord, afleiding; Derive, diraiv, afleiden, verkrijgen (door schenking of overdracht), trekken uit, voortkomen uit.

Derm, dɐ̂m, Derma, dɐ̂mə, huid; —al, dɐ̂m’l, huid- -; —atology, —ətolədži, leer der huidziekten.

Dermestes, dɐ̂mestîz, knotssprietigen.

Derogate, derəgeit, afbreuk doen (from one’s honour, dignity = aan), benadeelen, schenden, verkleinen; subst. Derogation; Derogatory = benadeelend, nadeelig, verslappend.

Derrick, derik, laadboom, kraan.

Derringer, derindžə, pistool met korten loop, doch van groot kaliber (Amer.).

Dervis(e), dɐ̂vis, Dervish, dɐ̂viš, derwisch.

Descant, deskn’t, discant, meerstemmig lied; gedachtenwisseling.

Descant, deskant, sopraan zingen, vibreeren; breedvoerig van gedachten wisselen over (on, upon).

Descend, dəsend, neerdalen (-vallen, -stroomen), dalen, afdalen, invallen, neervallen, tendeelvallen, zich vernederen, afstammen, komen aan: He —ed in his price = sloeg af; He —ed into particulars = daalde af tot; —ant = afstammeling; —ent = afstammend, nederdalend; Descension, dəsenš’n, neerdaling, vernedering; Descent, dəsent, neerdaling, helling, val, vernedering, landing, aanval, afstamming: —-theory = afstammingstheorie.

Describable, diskraibəb’l, beschrijfbaar; Describe, diskraib, beschrijven; —r = beschrijver; —nt = beschrijvend: — surface (wisk.); Description, diskripš’n, beschrijving, klasse, soort; Descriptive geometry = beschrijvende meetkunde.

Descry, diskrai, bespieden, ontdekken.

Desecrate, desikreit, ontheiligen, ontwijden, profaneeren; subst. Desecration.

Desert, dezət, subst. woestijn, woestenij; adj. woest, onbewoond; —-bird = pelikaan.

Desert, dizɐ̂t, subst. verdienste, verdiende loon (gew. Meerv.): He got (was brought to) his —s = hij kreeg zijn verdiende loon.

Desert, dizɐ̂t, verlaten, deserteeren, afvallig worden van; —er = deserteur, afvallige; Desertion, dizɐ̂š’n, verlatenheid, wanhoop, desertie.

Deserve, dizɐ̂v, verdienen, waardig zijn: He has deserved well of his country = heeft zich verdienstelijk gemaakt jegens; —dly = terecht; The deserving poor man = fatsoenlijke arme; Deserving of a better cause = eene betere zaak waardig.

Deshabille, dezəbîl = Dishabille.

Desiccant, disik’nt, desik’nt, subst. en adj. opdrogend (geneesmiddel); Desiccate, desikeit, disikeit, opdrogen; subst. Desiccation; Desiccative, disikətiv = Desiccant.

Desiderate, dəsidəreit, wenschen, noodig hebben, missen: I could have —d a fuller treatment of that subject = eene vollediger behandeling ware wenschelijk geweest; A —d reform = gewenscht, maar niet verkregen; Desiderative, dəsidərətiv, subst. en adj. gewenscht(e zaak); Desideratum, desideratum.

Design, dizain, disain, subst. schets, plan, ontwerp, voornemen, bedoeling, aanslag, dessin; — verb. schetsen, ontwerpen, bedoelen, aanwijzen: Industrial — = vakteekenen; A school of — = ambachtsteekenschool; Through — = opzettelijk; —edly = opzettelijk; —er = ontwerper, intrigant; —ing, subst. het ontwerpen van dessins, etc.; adj. intrigeerend, listig.

Designate, designeit, aanwijzen, onderscheiden, noemen, bestemmen voor; subst. Designation.

Desilver(ize), disilvə(raiz), ontzilveren; subst. Desilverization.

Desirable, dizairəb’l, wenschelijk; subst. —ness = Desirability; Desire, dizaiə, subst. begeerte, wensch, verlangen; — verb. verlangen, begeeren, verzoeken: He is not all that can be —d = hij kon wel beter zijn; I —d him to walk upstairs = verzocht hem; Desirous = begeerig: — of praise = begeerig naar lof.

Desist, disist, dizist, ophouden, nalaten, afzien van (from); subst. —ance.

Desk, desk, subst. lessenaar, lezenaar: —-work = schrijfwerk, zittend werk.

Desolate, desəlit, adj. verlaten, droevig, somber, eenzaam, woest; — verb. (desəleit), verwoesten, eenzaam maken, ontvolken, vernietigen; subst. —ness; Desolater, Desolator, deseleitə, verwoester; Desolation = verwoesting, eenzaamheid, troosteloosheid.

Despair, dispêə, subst. wanhoop; — verb. wanhopen: In — = wanhopig; His life was —ed of = er werd gewanhoopt aan.

Despatch, dispatš, subst. verzending, wegzending, afdoening, spoed, bericht; — verb. afzenden, afmaken, volbrengen, afdoen, dooden: Happy — = de Jap. Harakiri; —-box = portefeuille, schrijfmap; —-goods = ijlgoederen; —-money = premie op vlug laden of lossen; —er = dispacheur.

Desperado, despəreidou, dolle waaghals, wanhopige schurk, woesteling.

Desperate, despərit, adj. vertwijfeld, wanhopig, verloren, hopeloos, roekeloos, geweldig: — of = wanhopend aan; subst. —ness = vertwijfeling, razernij; Desperation = vertwijfeling.

Despicable, despikəb’l, verachtelijk, laag, gemeen, waardeloos; subst. —ness; Despise, dispaiz, verachten, versmaden.

Despite, dispait, subst. boosaardigheid, spijt, verachting; He did it (in) — of warning = trots alle; —ful = boosaardig; subst. —fulness.

Despoil, dispôil, berooven, plunderen; Despoliation, despoulieiš’n, dispoulieiš’n, plundering, berooving.

Despond, dispond, moedeloos of hopeloos worden, wanhopen; —ency = moedeloosheid; adj. —ent = —ing.

Despot, despot, alleenheerscher, tiran; adj. Despotic(al); Despotism = despotisme.

Despumation, despjumeiš’n, afschuiming.

Dessert, dəzɐ̂t, dəsɐ̂t, dessert; —-dish; —-spoon.

Destination, destineiš’n, bestemming; Destine, destin, bestemmen (to, for); Destiny, destini, bestemming, lot, noodlot: The Destinies = de drie Parcae of Schikgodinnen.

Destitute, destitjût, ontbloot van, behoeftig, verlaten, hulpeloos; ook subst.; —ness = verlatenheid; Destitution = groote armoede.

Destroy, distrôi, vernietigen, verwoesten, afbreken, dooden, verdelgen: Never — anything = doe nooit iets weg; —ing angel = worgengel.

Destructibility, distrɐktibiliti, vernietigbaarheid; adj. Destructible; Destruction, distrɐkš’n, vernieling, verdelging, verwoesting, ondergang; Destructive, distrɐktiv, subst. radicale hervormer; adj. vernietigend, verderfelijk; subst. —ness.

Desudation, desjudeiš’n, overmatig zweeten.

Desuetude, deswitjûd, (in) onbruik (raken).

Desulphurate, disɐlfjureit, ontzwavelen = Desulphurize.

Desultoriness, desəltərinəs, subst. v. Desultory, des’ltəri, onsamenhangend, vluchtig, oppervlakkig, van den hak op den tak.

Detach, ditatš, scheiden, losmaken, afkeerig maken, detacheeren: The Free Staters will not be —ed from their alliance = zich niet losmaken; —able = scheidbaar; —ed house = vrijstaand; —ment = scheiding, onbevangenheid, detachement.

Detail, diteil, dîteil, subst. omstandig verhaal, omstandigheid, bijzonderheid, afdeeling manschappen (voor speciale diensten): In — = omstandig, stuk voor stuk; He entered into —s = trad in bijzonderheden; Further —s = nadere bijzonderheden, details.

Detail, diteil, omstandig verhalen, in bijzonderheden mededeelen; voor speciale diensten aanwijzen: A —ed account = omstandig verslag.

Detain, ditein, afhouden, ophouden, terughouden, onthouden, gevangen houden: A writ of —er was issued against them = bevel tot verlengde gevangenhouding werd tegen hen uitgevaardigd; Forcible —er = gewelddadige inbezithouding.

Detect, ditekt, ontdekken, betrappen, aan ’t licht brengen; —able of —ible = ontdekbaar; —er (—or) = indicateur; —ion = ontdekking, betrapping; —ive = subst. geheime agent; ook adj.: The —ive force = geheime politie.

Detent, ditent, lichter, drukker, trekker.

Detention, ditenš’n, terughouding, uitstel, opsluiting; het nablijven: —-colony = strafkolonie; —-work = strafwerk; House of — = huis van bewaring.

Deter, ditɐ̂, afschrikken, afhouden; —rent = afschrikkend (middel of voorbeeld).

Deterge, ditɐ̂dž, eene wond zuiveren; —nt = reinigend (middel).

Deteriorate, ditîriəreit, ontaarden, verergeren; subst. Deterioration.

Determinability, ditɐ̂minəbiliti, subst. v. Determinable, ditɐ̂minəb’l, bepaalbaar, beslisbaar; Determinate, ditɐ̂minit, bepaald, beperkt, beslist; Determination, ditɐ̂mineiš’n, einde, beslissing, bepaling, besluit, vaststelling, beslistheid, vastberadenheid; Determinative = bepalend; Determine, ditɐ̂min, bepalen, beperken, besluiten, beslissen, vergewissen; Determinism, ditɐ̂minizm, determinisme.

Detest, ditest, verfoeien; —ability = —ableness = verfoeielijkheid; —ation, dîtəsteiš’n, verfoeiing, walging.

Dethrone, dithroun, onttronen; subst. —ment.

Detinue, detinjû: Action of — = actie tot teruggave van onwettig onthouden goederen.

Detonate, detəneit, (doen) ontploffen: Detonating cap, gas, powder = slaghoedje, knalgas, donderpoeder; Detonation = explosie; Detonator, slaghoedje, knalsignaal (= Detonating fog-signal), donderbus.

Detour, ditûə, kromming, omweg, omhaal, wijking.

Detract, ditrakt, wegnemen, smaden, verkleinen, belasteren: That does not — from my wish to serve you = dit belet niet, dat ik wensch; subst. —ion; adj. —ive = —ory; —or, smaler, lasteraar; aftrekspier.

Detrain, ditrein, uit een spoortrein laden, uitstijgen.

Detriment, detriment, schade, nadeel; Detrimental; adj. nadeelig, schadelijk; subst. jongmensch, dat meisjes het hof maakt, en ernstige aspiranten daardoor afschrikt.

Detroit, ditrôit.

Detruncate, ditrɐŋkeit, knotten, afsnijden; subst. Detruncation.

Deuce, djûs, twee (op dobbelsteenen of kaarten), beide spelers 3 slagen (Lawntennis); duivel, droes, drommel: I had the —’s own trouble with him = drommels veel moeite met; The — is in it = daar speelt de duivel mee; He is the — to talk = hij is een vervelende babbelaar; Deuced difficult = verduiveld moeilijk; —-ace = de één en twéé bij het dobbelen.

Deus ex machina, dîəseksmeikinə.

Deuteronomy, djûteronəmi, Deuteronomium.

Deuxponts, djûpoŋ, Tweebruggen.

Devastate, devəsteit, verwoesten; subst. Devastation; Devastator = verwoester.

Develop, diveləp, (zich) ontwikkelen, verduidelijken, ontvouwen; —er = ontwikkelaar; —ment = ontwikkeling, ontvouwing.

De Vere, də vîə; Devereux, devərû.

Devest, divest, vervreemden (van recht of titel); verloren gaan: Zie Divest. He —ed himself of his power = hij legde af.

Deviate, dîvieit, afwijken, afdwalen; subst. Deviation.

Device, divais, subst. plan, oogmerk, devies, motto, list, vinding; Full of —s = vindingrijk, slim.

Devil, dev’l, subst. duivel, drukkersloopjongen, scheurmachine (in lompenfabrieken); sterk gekruid vleeschgerecht; — verb. aan flarden scheuren (van lompen), sterk kruiden of peperen; handlangen: What comes over the —’s back, goes under his belly = onrechtvaardig verkregen goed gedijt niet; —’s bones = dobbelsteenen; —’s books = speelkaarten; —’s dirt = duivelsdrek; —’s Own = het 88e linie-regiment; —’s tattoo = het trommelen met de vingers op eene tafel, etc.; Between (the) — and (the) deep sea = tusschen Scylla en Charybdis; He must needs go whom the — drives = wie den duivel aan boord heeft moet met hem varen; — take the hindmost = loope wie loopen kan; He gave the — his due = hij heeft hem recht laten wedervaren; The boy plays the — with his teachers = plaagt verschrikkelijk; It is enough to kill the — = je zou er des duivels van worden; That is the — of it = dat is het beroerde van de zaak; What the — do you want? = wat duivel moet je; — a bit I care = het kan me geen zier schelen; A —-may-care fellow = onverschillig, roekeloos; —ish = duivelsch, verduiveld; —ment = schurkerij: There’s — in him = hij heeft leelijke streken; —(t)ry = duivelsche slechtheid, streken.

Devious, dîvjəs, afwijkend, afdwalend: — path (way) = omweg; — step = misstap; subst. —ness.

Devisable, divaizəb’l, bedenkbaar; vermaakbaar; Devise, divaiz, subst. erflating; testament; — verb, verzinnen, overleggen, overwegen, nalaten (by will); Devisee, devizî, wien de grondbezittingen worden vermaakt; —r = plannenmaker; Devisor = erflater.

Devitrification, dəvitrifikeiš’n, subst. v. Devitrify, divitrifai, tot matglas maken.

Devocalize, divoukəlaiz, stemloos maken.

Devoid, divôid, ontbloot (of).

Devoir, Fr. uitspr., plichtpleging.

Devolution, devəl(j)ûš’n, toevallen bij erfenis; verwijzing naar eene commissie (Parl.).

Devolve, divolv, overdragen, overgaan, toevallen, tebeurtvallen, neerkomen op: It —s on you = komt op u neer; subst. —ment.

Devon, dev’n = —shire; Devonian = uit D.; Devonport; Devonshire: — colic = loodkoliek.

Devote, divout, verb. wijden, offeren, doemen; —d = gewijd, gedoemd; innig verknocht; subst. —ness; Devotee, devətî, aanbidder, enthousiast; bekrompen dweper, kwezel; Devotion, divouš’n, toewijding, opoffering, godsvrucht, godsdienstoefening, gebed, gehechtheid, vurige liefde: —s = gebeden, godsdienstige plichten, godsdienstoefening; Devotional = godvruchtig, vroom, stichtelijk.

Devour, divauə, verslinden, verteren, vernietigen.

Devout, divaut, vroom, innig, oprecht; subst. —ness.

Dew, djû, subst. dauw; — verb. bedauwen, bevochtigen; —-beater = dauwtrapper; voet; —-berry = dauwbraam; —-dropping = dauwend, zacht neervallend als dauw; —lap = kossem, halskwabbe; —-point = dauwpunt; —-worm = aardworm, pier; —y = bedauwd.

D’Ewes, djûz.

Dexter, dekstə, rechtsch, ter rechter (Herald.); Dexterity, deksteriti, handigheid, vaardigheid; Dext(e)rous, dekstrəs, (dekstərɐs), handig, vaardig.

Dextrine, dekstrin, dextrine.

Dey, dei, (Turksche titel voor) stadhouder.

Dhobi(e), doubi, Brit. Ind. waschvrouw; Dhole, doul, wilde hond; Dhotee, Dhoti, douti, lendendoek (Brit. Ind.).

Dhow, dau, Arabisch vaartuig.

Dhurra, dɐrə, Indisch en Egypt. gierst.

Diabetes, daiəbîtîz, suikerziekte; adj. Diabetic: — sugar = druivensuiker.

Diablerie, Diablery, diabləri, diâbləri, = Devilry; Diabolic(al), daiəbolik(’l), duivelsch, kwaadaardig; subst. —alness; Diabolism, daiabəlizm, duivelachtigheid, bezetenheid.

Diaconal, daiakən’l, een deacon betreffend; Diaconate = decanaat.

Diacritic, daiəkritik, onderscheidend; subst. onderscheidingsteeken; adj. —al.

Diadem, daiədem, diadeem; — spider = kruisspin.

Di(a)eresis, daiîrisis, daierisis, diaeresis.

Diagnose, daiəgnouz, daiəgnous, de diagnose bepalen; Diagnosis, daiəgnousis, diagnose; Diagnostic = kenmerkend (teeken); Diagnostics = diagnostiek.

Diagonal, daiagən’l, adj. en subst. diagonaal.

Diagram, daiəgram, subst. diagram; adj. Diagrammatic.

Diagraph, daiəgraf, een soort teekenaap; Diagraphic(al) = beschrijvend.

Dial, dai’l, zonnewijzer, wijzerplaat, draaibord: Arabic, Roman —(-plate) = wijzerplaat met Arab. of Romeinsche cijfers.

Dialect, daiəlekt, dialekt, tongval; adj. Dialectal = Dialectical = de dialectiek betreffend = Dialectic; Dialectician, dialecticus; Dialectics, dialectiek; Dialectology = studie en kennis der dialecten.

Dialogic(al), daiəlodžik(’l), dialogisch; Dialogist; Dialogue, daiəlog, subst. tweegesprek, tweespraak; verb. een d. houden.

Diameter, daiamətə, middellijn; Diametric(al) = diametraal.

Diamond, dai(ə)m’nd, subst. diamant, diamantletter, ruit; ook adj.: It is — cut — = ze zijn aan elkaar gewaagd; Nine of —s = ruiten negen; —-cutting = diamantslijpen; The windows were —-pane lattices = in lood gevatte ruiten; A —-shaped figure = ruitvormige figuur; Diamondiferous = diamanten bevattend.

Diana, daianə, daieinə, Diana.

Diapason, daiəpeiz’n, algemeene toonomvang van stem of instrument; algemeen aangenomen toonhoogte, diapason.

Diaper, daiəpə, subst. soort van damast, servet; adj. gebloemd; — verb. figuren of bloemen maken (in eene stof), schakeeren; —-pavement, —-work = mozaïekvloer.

Diaphane, daiəfein, doorschijnende stof, zijden stof met doorschijnende figuren.

Diaphanous, daiafənɐs, diaphaan.

Diaphoretic, daiəfəretik, subst. en adj. zweetverwekkend (middel).

Diaphragm, daiəfram, middenrif; diaphragma (microsc.).

Diarist, daiərist, houder v. een Diary.

Diarrhoea, daiərîə, buikloop; adj. Diarhoetic, daiəretik.

Diary, daiəri, dagboek.

Diastase, daiəsteis, diastase.

Diastole, daiastəlî, uitzetting van het hart na samentrekking; verlenging van eene korte lettergreep.

Diatribe, daiətraib, schimprede, schotschrift.

Dib, dib, subst. bikkel; fiche; — verb. hengelen; —s = bikkelspel; geld; —ber = hengelaar; pootijzer.

Dibble, dib’l, subst. pootijzer; — verb. planten met een pootijzer; hengelen; —r.

Dice, dais, subst. dobbelsteenen, dobbelspel; — verb. dobbelen; —r = dobbelaar; —-box = dobbelkoker; Dicing-house = dobbelhol.

Dicephalous, daisefəlɐs, tweekoppig.

Dick, dik, (verkorting voor) Richard; een soort pudding: —, Tom and Harry = Jan, Piet en Klaas; The children were making —-duck-drakes in the sea with flattish pebbles = keilden platte kiezelsteentjes over de zeeoppervlakte.

Dickens, dik’nz, Dickens; duivel: What the — = wat drommel!

Dicker, dikə, subst. tiental, tien paar; ruilhandel (Amer.); — verb. (ruil)handel drijven (Amer.).

Dick(e)y, diki, achterbok (van een rijtuig), voorhemdje, slabbetje, ezel; adj. twijfelachtig, vreemd, onwel.

Dicotyledon, daikotilîd’n, plant met twee zaadlobben; adj. —ous.

Dictate, diktit, subst. voorschrift, inspraak; — verb. dikteit, voorschrijven, gebieden, dicteeren; Dictation = dictee: voorschrift; Dictator; Dictatorial = gebiedend, dictatoriaal; Dictatorship.

Diction, dikš’n, wijze van zeggen, uitdrukking, stijl; Dictionary, dikš’nəri, woordenboek; Dictum, dikt’m (Meerv. Dicta, diktə), uitspraak, bewering: Obiter Dicta = beweringen “in ’t voorbijgaan”.

Didactic(al), didaktik(’l), didactisch: Didactic poetry = didactische; —s = didactiek.

Didder, didə, rillen (van koude).

Diddle, did’l, zwendel; — verb. bedotten; waggelen: He —d me out of it = zette het mij af; —r = zwendelaar.

Dido, daidou, bokkesprong: He is cutting —s = hij maakt bokke(kromme)sprongen.

Die, dai, subst. dobbelsteen (Meerv. Dice), muntstempel (Mv. Dies, daiz); teerling, kubusvormig voetstuk: As straight as a — = zoo recht als eene kaars; The — is cast = de teerling is geworpen; —-sinker = graveur: Those —s are well sunk = goed gegraveerd.

Die, dai, sterven, vergaan, omkomen, achteruitgaan, verdwijnen, verdorren, verwelken, uitgaan, gaan liggen, wegsterven, smachten naar: To — hard = onbevreesd sterven, een taai leven hebben; Never say — = geef het nooit op; He —d of hunger, for thirst, from poison, with terror = van honger, dorst, aan vergif, van schrik; This man has —d to the world = is der wereld afgestorven; I am dying to see you = brand van verlangen.

Dies irae, daiîzairi, dag des toorns, aanvangswoorden van een ouden boetpsalm; Per diem = per dag.

Diesis, daiisis, dubb. dolk: ‡ of ⌗.

Diet, daiit, subst. voedsel, dieet; rijks- of landdag; — verb. voeden, eten; een dieet volgen of voorschrijven: I think I ought to — you = op dieet zetten; —ary = het dieet betreffend, verplegings..., keuken...; subst. dieet; Dietetic = tot — behoorende; Dietetics, daiətetiks, leer der juiste voeding.

Differ, difə, verschillen, zich onderscheiden van; niet eens zijn, twisten: He —s from you = verschilt van (is anders dan) u; He —ed with me in opinion = was ’t niet met me eens; Difference, subst. verschil, onderscheid; strijd, geschilpunt; — verb. onderscheiden; To arrange a — = een geschil uitmaken; It makes no — = het maakt niet uit; To pay the — = het ontbrekende bijbetalen; With a — = met eenig verschil; Reason —s man from the brutes; Different = verschillend; Differential, difərenš’l, verschil of onderscheid makende; subst. differentiaal: — calculus = differentiaalrekening; — duties = differentiaalrechten; Differentiate, difərenšieit, (zich) onderscheiden, differentieeren; subst. Differentiation.

Difficult, difikɐlt, moeilijk, lastig; —y = moeilijkheid: He is in —ies = in geldelijke verlegenheid.

Diffidence, difidens, gebrek aan zelfvertrouwen, schroom, bedeesdheid; Diffident = beschroomd, bescheiden.

Diffract, difrakt, breken; —ion, breking (van stralen).

Diffranchise, difranšaiz = Disfranchise.

Diffuse, difjûs, adj. verspreid, verstrooid; wijdloopig; subst. —ness.

Diffuse, difjûz, (zich) verspreiden, uitspreiden, uitgieten; —d = verspreid; subst. —dness = wijdloopigheid = —ness; Diffusibility = diffusievermogen; Diffusible = verspreidbaar; Diffusion = verspreiding, verstrooiing, uitstorting, overvloed; Diffusive, difjûsiv, verspreidend, uitstortend, wijdloopig; subst. —ness.

Dig, dig, subst. stomp, duw, blokker, steek (fig.); — verb. graven, spitten, uitgraven, indrukken; blokken: To have a sly — at; To give a — = (stiekum) een steek onder water geven; To — away at = blokken op, aanhoudend werken aan; The wall was dug down = werd ondermijnd; The ground was dug up = uitgehold; —ger = graver, schop; —gings = goudvelden, goudmijnen (in Californië, etc.); woonplaats, district, woning, kast.

Digest, daidžəst, digesten, pandecten, verzameling van Romeinsche wetten.

Digest, didžest, daižest, rangschikken, verteren, slikken (fig.), dulden, rijpelijk overdenken; zacht laten worden (door hitte), tot mest prepareeren; —er = verteringbevorderend middel: Papin’s — = Papiniaansche pot; Digestibility = verteerbaarheid; —ible = verteerbaar; —ion = vertering, het prepareeren van mest; —ive = verteringbevorderend: —ive organs = verteringsorganen.

Dight, dait, tooien, sieren.

Digit, didžit, subst. vinger, vingerbreedte, 1⁄12 van de middellijn van zon of maan; cijfer: Number of three —s = getal van drie cijfers; —al = vinger..., vingervormig; —alis, didžiteilis, vingerhoedskruid; —at(ed) = gevingerd; —igrade = op de teenen gaande; subst. teenganger.

Dignified, dignifaid, waardig, deftig; Dignify, dignifai, met eer bekleeden, onderscheiden, eerbied wekken; Dignitary, dignitəri, waardigheidsbekleeder; kerkvoogd; Dignity, digniti, waardigheid, deftigheid, rang: To stand on one’s — = op zijn point d’honneur staan.

Digraph, daigraf, twee letters met één klank (de ea in head).

Digress, d(a)igres, afdwalen, afwijken; subst. —ion = afwijking, uitweiding, afdwaling; adj. —ive.

Dike, daik, subst. sloot; dijk, grensmuur; ader: — verb. indijken; draineeren; —-grave(-reeve) = dijkgraaf.

Dilapidate, d(a)ilapideit, laten vervallen, neerhalen, afbreken; subst. Dilapidation.

Dilatability, d(a)ileitəbiliti, rekbaarheid; uitzetbaarheid; adj. Dilatable, d(a)ileitib’l; Dilatation, d(a)iləteiš’n, uitzetting; Dilate, d(a)ileit, — verb. uitzetten, verwijden, uitwijden: —d eyes = opengesperde.

Dilatoriness, dilətərinəs, traagheid, nalatigheid, uitstellen; adj. Dilatory = tot uitstellen geneigd.

Dilemma, d(a)ilemə, dilemma: To find oneself on (To place between) the horns of a — = zich bevinden in (iem. plaatsen voor) een dilemma.

Dilettant(e), dilətant, dilettant; Dilettant(e)ism = dilettantisme.

Diligence, dilidž’ns, ijver, naarstigheid; adj. Diligent.

Dilly, dili, diligence (verkorting van Diligence, Fr. uitspr.).

Dilly-Dally, dilidali, (ver)treuzelen.

Diluent, diljûent, met water verdunnend; subst. bloedverdunnend middel.

Dilute, d(a)il(j)ût, adj. verdund, zwak; — verb. verzwakken, verslappen, verdunnen; Dilution = verdunde oplossing (van vloeistoffen).

Diluvial, d(a)il(j)ûv’l; Diluvian, diluviaal; tot den zondvloed behoorend; Diluvium, d(a)il(j)ûvj’m, diluvium.

Dim, dim, adj. donker, dof, onduidelijk, schemerig, suf, mat; — verb. verduisteren, dof maken, dof worden; —-eyed = met zwakke oogen; —-sighted = bijziend; —-twinkling = zwak schijnend.

Dime, daim, zilveren muntstukje, 1⁄10 van een dollar, kwartje: —-novels = goedkoope prulromans; —s = geld.

Dimension, dimenš’n, afmeting, graad, grootte; adj. —al.

Dimeter, dimətə, (versregel) van twee of vier voeten.

Dimidiate, dimidjit, gehalveerd.

Diminish, diminiš, verminderen, verkleinen, verlagen, afvallen, afnemen: Our opponents may well hide their —ed heads = beschaamd afdruipen; Diminution, diminjûš’n, vermindering, verkleining, verlaging; Diminutive, diminjutiv, subst. verkleinwoord; adj. klein, gering; subst. —ness; Diminuendo, diminjuendou, verminderingsteeken: >.

Dimissory, dimisəri, wegzendend, ontslag...

Dimity, dimiti, diemet.

Dimness, dimnəs, duisterheid, dofheid.

Dimple, dimp’l, subst. kuiltje; — verb. (zich) rimpelen, kuiltjes vormen: A pretty, —d face = gezichtje met kuiltjes erin; Dimply = vol kuiltjes, gerimpeld.

Din, din, subst. geraas, gerammel, gekletter, lawaai; — verb. verdooven (door geraas), rammelen, kletteren, aan de ooren schreeuwen of zeuren (into a person’s ears).

Dinah, dainə, Dina.

Dine, dain, middagmalen, middagmaal verschaffen: I have —d with Duke Humphrey = heb geen (warm) eten gehad; You can — a boat’s crew on this piece of meat = aan dit stuk vleesch heeft de bemanning van eene boot genoeg; —r = eter; restauratiewagen (Amer.): He is a —r-out = hij is bijna altijd op diner, eet buitenshuis; Dining: —-car = restauratiewagen; —-rooms = eetzalen, restaurant; —-table.

Ding, diŋ, met kracht stooten, neerslaan, wegwerpen, inscherpen (into), pochen, klinken, luiden; —-dong, diŋdoŋ, bom-bam, gebeier, verdoovend, nadrukkelijk.

Ding(e)y (Dinghy), diŋgi, Indisch bootje; kleinste boot (van een schip).

Dinginess, dinžinəs, donkerbruin, vuil.

Dingle, diŋg’l, klein dal, vallei.

Dingle-dangle, ding’ldang’l, slofslof.

Dingy, dinži, vuil, donker of vuil-zwart.

Dink, diŋk, keurig: — and dainty; — verb. optooien.

Dinner, dinə, middagmaal, feestmaal: Public — = officieel diner, banket; I have made a good (poor) — = heb goed (weinig) gegeten; —-jacket = ‘smoking’; —-party = gezelschap, dischgenooten; —-service = servies; —-time = etenstijd; —-waggon = dienbak op rolletjes; —less = zonder eten.

Dint, dint, subst. slag, stoot, deuk, indruk, striem, kracht; — verb. groeven, indrukken: By (through) — of hard work he succeeded = door hard werken; These are the —s of his fingers = indrukken.

Diocesan, daiosîs’n, daiəsîs’n, subst. bisschop of inwoner van een diocese; adj. diocesaan; Diocese, daiəsîs, diocese.

Diocletian, daiəklîš’n, Diocletianus.

Diogenes, daiodžənîz; Diomedes, daiəmîdîz; Dionysus, daienisəs: Fruit of — = wijn.

Dioptric(al), daioptrik(’l), dioptrisch: —s = dioptrica.

Diorama, daiərâmə, daiəreimə, diorama; adj. Dioramic.

Dip, dip, subst. indooping, bad, helling, glooiing, vetkaars (= —-candle), vette saus, inclinatie (van de kompasnaald); — verb. indoopen, bevochtigen, indompelen, inclineeren, strijken en weer opzetten, op en neer halen, doorslaan (v. balans); uitscheppen, glooien, vluchtig doorlezen, even aanraken, zich inlaten met, op goed geluk kiezen, verpanden: The scale —ped on that side, in favour of him = de schaal sloeg door; He had deeply —ped his estates = had eene zware hypotheek genomen op.

Dipchick, diptšik; Zie Dabchick.

Diphtherea, dif-thîriə, dipthîriə, Diphtheritis, diphtheritis; adj. Diphther(it)ic, diftherik, diptherik, —thəritik.

Diphthong, difthoŋ, dipthoŋ, tweeklank; adj. Dipthongal; —ize = tot een tweeklank maken of worden.

Diphyllous, difəlɐs, daifiləs, tweeblad(er)ig.

Diploma, diploumə, diploma; Diplomacy = diplomatie; —t(e) dipləmat = —tist, diploumətist; —tic, dipləmatik, subst. gezant, diplomaat; adj. diplomatisch; handschrift...; —tics, dipləmatiks, diplomatie; paleografie.

Dipper, dipə, duiker, badknecht; nap; kaarsenmaker; Groote Beer; dompelaar (Amer.), waterspreeuw.

Dipsomania, dipsəmeinjə, periodieke drankzucht; Dipsomaniac = drankzuchtige; adj. Dipsomaniacal.

Diptera, diptərə, tweevleugelige insecten; adj. Dipteral = tweevleugelig = Dipterous.

Dire, daiə, ijselijk, verschrikkelijk, treurig, naar; adj. —ful; subst. —fulness.

Direct, direkt, direct, rechtstreeksch, open, klaar, eenvoudig, oprecht, uitdrukkelijk; — verb. richten, sturen, den weg wijzen, toonen, geleiden, besturen, voorschrijven, adresseeren; —-fire = direct vuur (tegen vrijstaand doel); —-tax = directe belasting; —ion = richting, bestuur, voorschrift, opdracht, aanwijzing, recept, opschrift, adres; —ion-post = wegwijzer; —ly, direct, duidelijk, oogenblikkelijk; —ness = oprechtheid; —or = directeur; —orate = directoraat (= —orship); —ory, direktəri, subst. adresboek; bestuur, directoire (1795); adj. aanwijzend, aanwijzingen bevattend; —ress = directrice = —rix.

Dirge, dɐ̂dž, (verbastering van Dirige), lijkzang (R.K. kerk).

Dirigible, diridžib’l, bestuurbaar; ook subst.

Diriment impediment, dirimentimpediment, storend iets; omstandigheid, die een huwelijk onwettig maakt (R.K. kerk).

Dirk, dɐ̂k, subst. dolk, ponjaard; — verb. doorsteken met een dolk.

Dirt, dɐ̂t, subst. vuil, drek, slijk, vuiligheid, vuil weer; (goud houdende) grond (Amer.); — verb. bevuilen, besmetten: It is as common as — = komt in groote hoeveelheden voor; To eat — = zich vernederen, in zijn schulp kruipen; If you throw enough —, some of it will stick = er blijft van den laster altijd wel wat hangen; —-cheap = spotgoedkoop; To make —-pies = zandtaartjes maken (kinderspel); —iness = vuilheid (ook fig.); —y, adj. bevuild, vuil, laag, gemeen; — verb. bevuilen, bezoedelen.

Disability, disəbiliti, onbekwaamheid, onvermogen, onbevoegdheid; Disable, diseib’l, onbekwaam (onbevoegd, onbruikbaar) maken, buiten gevecht stellen, tot zwijgen brengen: A —d soldier = invalide; A —d state = ontredderde toestand; subst. —ment.

Disabuse, disəbjûz, uit de dwaling of den droom helpen: You must — yourself of such an idea = u losmaken van.

Disaccustom, disəkɐst’m, ontwennen.

Disadvantage, disədvântidž, subst. nadeel, verlies; — verb. benadeelen: To be at a — = achterstaan bij; To place at a — = achterstellen bij; —ous, disadv’nteidžəs = nadeelig; subst. —ousness.

Disaffect, disəfekt, vervreemden, afkeerig of ontrouw maken; —ed = ontevreden, misnoegd; subst. —edness; —ion = afkeer, misnoegdheid.

Disaffirm, disəfɐ̂m, ontkennen, tegenspreken, loochenen, vernietigen; subst. —ance.

Disagree, disəgrî, verschillen, oneens zijn, niet passen bij, slecht bekomen; —able = onaangenaam; subst. —ableness; —ment = meeningsverschil, oneenigheid.

Disallow, disəlau, niet toestaan, weigeren, afkeuren; —able = verwerpelijk; —ance = afkeuring, verbod.

Disannul, disənɐl, vernietigen; subst. —ment.

Disappear, disəpîə, verdwijnen; subst. —ance: He was a nameless —ance = zijn naam stierf geheel uit.

Disappoint, disəpôint, teleurstellen, verijdelen: I am —ed in you = gij valt mij tegen; subst. —ment: — in love = ongelukkige liefde.

Disappreciate, disəprîšieit, onderschatten.

Disapprobation, disaprəbeiš’n, afkeuring, veroordeeling; Disapprobatory = afkeurend.

Disappropriate, disəproupriit, adj. onteigend; — verb. disəprouprieit, ontnemen, onteigenen.

Disapproval, disəprûv’l, afkeuring; Disapprove, disəprûv, afkeuren, verwerpen.

Disarm, disâm, ontwapenen, onschadelijk maken; de wapens neerleggen, subst. —ament.

Disarrange, disəreinž, in de war brengen; subst. —ment = verwarring.

Disarray, disərei, subst. verwarring, wanorde; verwarde kleeding; — verb. in wanorde brengen; de kleeding uittrekken.

Disarticulate, disâtîkjuleit, ontleden; Disarticulator = prosector.

Disassociate, disəsoušieit, ontbinden.

Disaster, dizastə, subst. ramp, tegenspoed, onheil, ongeluk; Disastrous, dizastrəs, rampspoedig, ongelukkig, verwoestend.

Disavow, disəvau, ontkennen, loochenen, verwerpen; subst. —al.

Disband, disband, afdanken (v. troepen), (zich) verspreiden; subst. —ment.

Disbar, disbâ, een Barrister het recht van pleiten ontnemen.

Disbelief, disbəlîf, ongeloof, twijfel; Disbelieve, disbəlîv, niet gelooven; betwijfelen; Disbeliever = ongeloovige.

Disbud, disbɐd, knoppen afbreken.

Disburden, disbɐ̂d’n, ontlasten, zich bevrijden, zijn hart uitstorten.

Disburse, disbɐ̂s, uitbetalen, uitgeven, voorschieten; subst. —ment.

Disc, disk. Zie Disk.

Discard, diskâd, subst. het écarteeren, de weggegooide kaarten; — verb. afdanken, heenzenden, afleggen, verwerpen, verwijderen, laten loopen, écarteeren.

Discern, dizɐ̂n, onderscheiden, bespeuren, beoordeelen, waarnemen; —er = kenner, etc.; —ible = te onderscheiden, duidelijk; subst. —ibleness; —ing = scherpzinnigheid; adj. scherpzinnig, oordeelkundig; —ment = inzicht.

Discharge, distšâdž, subst. ontslag, kwijtschelding, ontlasting, ontheffing; losbranding, salvo, ontlading, lossing, afdoen, vervulling, verrichting; — verb. lossen, uitwerpen, ontladen, afschieten, kwijtschelden, ontslaan, ontheffen, betalen, réhabiliteeren, vrijspreken, uitstroomen, uitstorten, uitstooten, vervullen, dragen (van wonden): Men with satisfactory —s = eervol ontslagen personen; To — one’s duty, from duty = zijn plicht vervullen, van den plicht ontheffen; —-cock = afvoerkraan; —-pipe = afvoerpijp; —r = ontlader, etc.

Dischurch, distšɐ̂tš, doorhalen als lidmaat, berooven van den rang van kerkelijke gemeente (dus: als sekte behandelen).

Disciform, disiföm, schijfvormig.

Disciple, disaip’l, subst. leerling, volgeling; —ship = de jongeren; Disciplinable, disiplinəb’l, voor leering vatbaar; strafbaar; Disciplinarian, disiplinêri’n, subst. tuchtmeester, ordehouder; adj. = Disciplinary, disiplinəri, disciplinair; Discipline, disiplin, subst. tucht, tuchtmiddel, tuchtiging, bestraffing; — verb. onderwijzen, drillen, tuchtigen, bestraffen: To take the — = zichzelf tuchtigen.

Disclaim, diskleim, ontkennen, verwerpen, afstand doen van: He —ed any intention to offend; —er = ontkenning, verwerping, afstand, démenti.

Disclose, disklouz, openbaren, onthullen, blootleggen; Disclosure, diskloužə, openbaring, onthulling.

Discoid, diskôid, schijfvormig; ook subst.

Discoloration, diskɐləreiš’n, verkleuring, verkleurde plek, vlek, smet; Discolour, diskɐlə, ontkleuren, verkleuren, verbleeken.

Discomfit, diskɐmfit, verslaan, verstrooien, ontmoedigen, uit het veld slaan, verijdelen; —ure = nederlaag, verijdeling, teleurstelling.

Discomfort, diskɐmfət, subst. smart, pijn, onrust, droefheid, onbehaaglijkheid; — verb. bedroeven, verontrusten.

Discommend, diskəmend, berispen, misprijzen, kleineeren; Discommendable = berispelijk.

Discommon, diskomən, een meente aan algemeen gebruik onttrekken, van privileges berooven.

Discompose, disk’mpouz, in wanorde of verlegenheid brengen, plagen: He was —d at it = was er geheel van ontdaan; Discomposure, disk’mpoužə, wanorde, verwarring, ontvoering.

Disconcert, disk’nsɐ̂t, in wanorde brengen, in verwarring brengen, verijdelen; subst. —ion.

Disconformity, disk’nfömiti, gebrek aan overeenkomst, ongelijkheid.

Disconnect, diskənekt, afkoppelen, uitschakelen; subst. —ion.

Disconsolate, diskonsəlit, troosteloos, bedroevend; subst. —ness.

Discontent, disk’ntent, subst. ontevredenheid, misnoegen; adj. ontevreden, misnoegd; — verb. ontevreden, misnoegd maken; —ed = ontevreden; subst. —edness = —ment.

Discontinuance, disk’ntinjuəns, staking, onderbreking, afbreking, storing = Discontinuation; Discontinue, disk’ntinjû, onderbreken, afbreken, ophouden, staken, onderbroken zijn of worden: To — (a) business = eene zaak opheffen, likwideeren; Discontinuity = gebrek aan samenhang; Discontinuous = onsamenhangend.

Discord, disköd, tweedracht, strijd, disharmonie, verschil; —ance, disköd’ns, gebrek aan overeenstemming, tegenspraak; Discordant = niet overeenstemmend, wanklinkend, valsch.

Discount, diskaunt, korting, disconto: At a — = beneden pari; niet in trek (aanzien); Reverence (knowledge) is at a — nowadays = staat thans in een slechten reuk; I bought it at a — bookseller’s = bij een boekhandelaar, die netto en à contant verkoopt; —-bank = disconto-bank; —-broker (= —er) = wisselmakelaar; —-day = de vaste dag, waarop de E. bank wissels, enz. disconteert.

Discount, diskaunt, aftrekken, disconteeren, van weinig waarde beschouwen: We do not wish to — the report of the committee = te kort doen aan; Our objections are partly —ed in the preface = onze bezwaren .... ondervangen; The beauty of the book is somewhat —ed by that circumstance = aan de schoonheid wordt afbreuk gedaan; Iron looked up through causes, that everybody had often —ed = de prijs van ’t ijzer ging omhoog door oorzaken, die iedereen dikwijls als van geen invloed had beschouwd; This grand building —s all other structures out of sight = steekt uit boven alle andere gebouwen (fig.); —able = te disconteeren.

Discountenance, diskauntən’ns, subst. koele behandeling, afkeuring; — verb. den moed benemen, afschrikken van, afkeuren, verlegen maken.

Discourage, diskɐridž, ontmoedigen, afschrikken; —ment = ontmoediging, beletsel.

Discourse, diskös, subst. voordracht, redevoering, gesprek, verhandeling, preek; — verb. spreken over, eene redevoering houden, handelen over; onderhouden over: To — music = ten gehoore brengen; He —d the women about their duties = onderhield.

Discourteous, diskɐ̂tšəs, diskötšəs, onbeleefd, lomp: Discourtesy, diskɐ̂təsi, onbeleefdheid, lompheid.

Discover, diskɐvə, ontdekken, openbaren, onderscheiden, toonen: She cannot — hearts from diamonds = zij kent geen harten voor ruiten; He —ed himself as = ontpopte zich als, bleek te zijn; —able = te ontdekken, zichtbaar; —er = ontdekker; —y = ontdekking.

Discoverture, diskɐvətšə, ongehuwde staat (v. vrouwen).

Discredit, diskredit, subst. oneer, schande, discrediet, slechte naam; twijfel, ongeloof; — verb. niet gelooven; in minachting brengen; —able = verkeerd, schandelijk.

Discreet, diskrît, verstandig, oordeelkundig, beleidvol; discreet: He is — = kan een geheim bewaren; subst. —ness.

Discrepance, —cy, diskrep’ns(i), verschil, tegenspraak, inconsequentie; adj. Discrepant.

Discrete, diskrît, afgescheiden, apart; Discretive, diskrîtiv, disjunctief, scheidend.

Discretion, diskreš’n, bezonnenheid, verstand, takt, discretie: Years of — = jaren des onderscheids; The enemies surrendered at — = op genade of ongenade; That is at your — = tot uw dienst, zooals u verkiest; That is in your — = dat moet ge zelf weten; — is the better part of valour = beter een levende hond dan een doode leeuw; Use your own — = handel naar believen; Discretional = Discretionary = naar believen.

Discriminate, diskriminit, adj. onderscheidend; — verb. (diskrimineit) onderscheiden, uitkiezen, kenmerken; Discriminating = karakteristiek; scherpzinnig: — duties = differentiëele rechten; Discrimination, diskrimineiš’n, onderscheiding, onderscheid, onderscheidingsteeken; inzicht; Discriminative = kenmerkend, onderscheidend; oordeelkundig.

Discursive, diskɐ̂siv, logisch; afdwalend; subst. —ness.

Discus, diskəs, schijf.

Discuss, diskɐs, bespreken; (rechterl.) vervolgen; verorberen, opdrinken: To — a bottle of wine; —ion = discussie, debat; vervolging.

Disdain, disdein, subst. versmading, verachting; — verb. versmaden, verachten; adj. —ful = verachtelijk; subst. —fulness.

Disease, dizîz, ziekte, lijden, ziekelijke toestand: —s Prevention Act = Wet op Besmettelijke Ziekten; To die of — of the heart = aan eene hartkwaal sterven; —-bearer = ziektekiem; —d meat = bedorven; —d in mind = zielsziek.

Disembark, disəmbâk, ontschepen, landen; subst. Disembarkation.

Disembarrass, disəmbarəs, bevrijden, uit de verlegenheid helpen; —ment = bevrijding.

Disembellish, disəmbeliš, van versierselen ontdoen.

Disembodiment, disəmbodiment, subst. v. Disembody, disəmbodi, van ’t lichaam bevrijden; afdanken (van soldaten), ontbinden.

Disembogue, disəmboug, uitstorten, uitstroomen; uitvaren.

Disembowel, disəmbau’l, van de ingewanden ontdoen; den buik opensnijden.

Disenchant, disəntšânt, ontgoochelen; subst. —ment.

Disencumber, disənkɐmbə, bevrijden, ontlasten (of, from).

Disenfranchise, disənfrantšaiz, van kiesrecht berooven; subst. —ment.

Disengage, disəngeidž, vrijmaken, zich losmaken, zich lostrekken, ontbinden, ontheffen, ontwarren: I shall be —d to-morrow = vrij zijn; —dness = vrijheid, gebrek aan oplettendheid; —ment = bevrijding, ontslaan.

Disennoble, disənoub’l, van adeldom berooven.

Disentangle, disəntaŋg’l, ontwarren, bevrijden, losmaken; subst. —ment.

Disestablish, disəstabliš, scheiden (v. Kerk en Staat); —ment = scheiding (v. Kerk en Staat).

Disesteem, disəstîm, subst. minachting; geringschatting; — verb. minachten, geringschatten.

Disfavo(u)r, disfeivə, subst. ongenade, minachting; — verb. gunst onttrekken, afkeuren.

Disfiguration, disfigjureiš’n, misvorming, wanstaltigheid; Disfigure, disfigjə, misvormen, bederven.

Disfranchise, disfrantš(a)iz, van privileges of burgerrechten (vooral van het kiesrecht) berooven; subst. —ment.

Disgorge, disgödž, uitbraken, opgeven, teruggeven; subst. —ment.

Disgrace, disgreis, subst. ongenade, schande, schandvlek; — verb. genade of gunst onttrekken, in ongenade brengen, tot schande strekken: That boy is in — = heeft straf; You are —d = in ongenade gevallen, onteerd; —ful, schandelijk; subst. —fulness.

Disguise, disgaiz, subst. vermomming, dekmantel, voorwendsel, veinzerij; roes; — verb. vermommen, verbergen: He did not make the least — of his faults = verbloemde ze niet in ’t minst; He was slightly —d = lichtelijk aangeschoten; —ment = vermomming; —r = schijnheilige.

Disgust, disgɐst, subst. walging, ergernis; — verb. walgen: I am —ed at that = walg ervan; —ful = walgelijk; subst. —fulness; —ing = walgelijk.

Dish, diš, subst. schotel, schaal, gerecht, schoteltje, kop, holte, meetrog; — verb. opdisschen (up), uithollen, verijdelen, uit het zadel lichten, “verlakken”: Meat —; Made —es = fijne schoteltjes; Soap — = zeepbakje; Vegetable —; —-butter = tafelboter; —-cover = deksel; —-cloth = vaatdoek, —-mat = tafelmatje; —-warmer = heetwaterkomfoor; —-washer = bordenwasscher; —-water = schotelwater; —ing = hol.

Dishabille, disəbîl, disəbil, négligé.

Disharmonious, dishâmounjəs; Disharmony, dishâməni, tweedracht.

Dishearten, dishât’n, ontmoedigen.

Dishevel, dišev’l, in wanorde brengen (van haar vooral); —ment = wanorde.

Dishonest, disonəst, oneerlijk, onoprecht, bedriegelijk, schandelijk; subst. —y.

Dishono(u)r, disonə, subst. oneer, schande; — verb. onteeren, te schande maken, niet honoreeren (wissel); —able = onteerend, eerloos.

Dishorse, dishös, van het paard werpen.

Disillusion, disil(j)ûž’n, ontgoocheling; — verb. ontnuchteren, de illusie benemen = —ize.

Disinclination, disinklineiš’n, afkeer, ongenegenheid; Disincline, disinklain, (iemand iets) tegen maken: To be —d = ongenegen zijn.

Disincorporate, disinköpəreit, eene corporatie of vereeniging ontbinden; subst. Disincorporation.

Disinfect, disinfekt, ontsmetten; —ant = ontsmettingsmiddel = —ing agent; —ion = ontsmetting; —or = ontsmetter.

Disingenuity, disinžənjûiti, onoprechtheid; Disingenuous, disindženjuəs, onoprecht, sluw; subst. —ness.

Disinherit, disinherit, onterven; —ance = onterving.

Disintegrable, disintəgrəb’l, scheidbaar, verweerbaar; Disintegrate, disintəgreit, de samenstellende deelen scheiden, (doen) verweeren, (zich) ontbinden; subst. Disintegration.

Disinter, disintɐ̂, opgraven, aan het licht brengen; subst. —ment.

Disinterested, disintərestid, belangeloos, onpartijdig; subst. —ness.

Disinthral(l), disinthrôl, van slavernij bevrijden.

Disjoin, disdžôin, ontbinden, scheiden, losspringen.

Disjoint, disdžôint, ontwrichten, ontleden, uit elkaar nemen: —ed sentences = losse zinnen; —edness = onsamenhangendheid.

Disjunct, disdžɐŋkt, gescheiden; —ion = scheiding; —ive = scheidend.

Disk, disk, schijf, discus.

Dislike, dislaik, subst. afkeer, weerzin; — verb. niet houden van, afkeerig zijn van: Likes and —s = sympathieën en antipathieën; He took a — to me = kreeg een hekel aan mij; I do not — it = ik mag het wel.

Dislocate, disləkeit, ontwrichten, verschuiven; verhuizen (Amer.); Dislocation = ontwrichting, verschuiving, verdeeling (v. troepen).

Dislodge, dislodž, van eene plaats verwijderen, uit eene stelling verdrijven, opjagen, verjagen, opbreken; subst. Dislodgment.

Disloyal, dislôiəl, adj. ontrouw, plichtvergeten; subst. —ty.

Dismal, dizm’l, somber, droevig, treurig, ijselijk: A —ized account of the circumstances = treurig; subst. —ness.

Dismantle, dismant’l, ontdoen van, onttakelen, ontmantelen.

Dismask, dismâsk, ontmaskeren.

Dismast, dismâst, van mast(en) berooven.

Dismay, dismei, subst. verslagenheid, schrik; — verb. verschrikken, moedeloos maken.

Disme, dîm, tiende.

Dismember, dismembə, ontleden, stuk snijden, verscheuren, verbrokkelen; subst. —ment.

Dismiss, dismis, wegzenden, ontslaan, afdanken, verstooten, afwijzen, ontzeggen; uit elkander gaan: I was —ed his house = zijn huis werd mij ontzegd; He was —ed (from) that office = ontslagen uit; The appeal will be —ed = geweigerd; The judge —ed the plaintiff’s suit = wees... af; —al = —ion = ontslag, etc.; A —ive letter = ontslagbrief.

Dismount, dismaunt, afwerpen, uit het zadel lichten, demonteeren, tot zwijgen brengen; uit elkaar nemen; afstijgen.

Disobedience, disəbîdj’ns, ongehoorzaamheid; adj. Disobedient; Disobey, disəbei, niet gehoorzamen: I will not be —ed = ik duld geen ongehoorzaamheid.

Disoblige, disəblaidž, onbeleefd, oninschikkelijk zijn.

Disorder, disödə, subst. wanorde, verwarring, tumult, overtreding, ongesteldheid, kwaal, gekrenktheid (van geest), uitspatting; — verb. verwarren, derangeeren, ziek maken; —ed = gekrenkt, liederlijk, bedorven; —ly = wanordelijk, ongeregeld, oproerig, liederlijk.

Disorganization, disögən(a)izeiš’n, desorganisatie; — verb. Disorganize.

Disown, disoun, verloochenen, niet erkennen, verstooten.

Disparage, disparidž, verkleinen, kwaadspreken van; subst. —ment.

Disparate, disparit, ongelijk, ongerijmd; Disparity, dispariti, verschil, ongelijkheid.

Dispart, dispât, scheiden, deelen, klooven, vizier en as van geschut parallel maken, zich scheiden, splijten; —-sight = vizier (korrel).

Dispassionate, dispašənit, onpartijdig, kalm, leuk.

Dispatch, dispatš. Zie Despatch.

Dispel, dispel, verdrijven, verstrooien, verbannen.

Dispensability, dispensəbiliti, subst. v. Dispensable, dispensəb’l, vatbaar voor dispensatie, toelaatbaar; ontbeerlijk; subst. —ness; Dispensary, dispensəri, armen-apotheek, polikliniek: I hate — stuff = wat uit de apoth. komt; Dispensation = dispenseiš’n, uitdeeling; Godsbeschikking (= — of Providence), ontheffing, vrijstelling, vergunning (tot het hebben van twee betrekkingen, tot het wonen buiten zijn district of gemeente, etc.); Dispensatory, subst. de pharmacopœa; adj. de macht bezittend om vrijstelling te verleenen; Dispense, dispens, uitdeelen, toedienen, recepteeren, toepassen, beschikken, vrijstellen, kunnen ontberen: I can — with that now = ik kan er nu wel buiten, ik kan het missen; —r = uitdeeler, apotheker: He did, as if he were the —r of life and death = beschikker over; Dispensing-power = het koninklijk prerogatief om de wet (b.v. door gratie te schenken) buiten werking te stellen.

Dispeople, dispîp’l, ontvolken.

Dispermous, daispɐ̂məs, tweezadig.

Disperse, dispɐ̂s, verstrooien, verspreiden, uit elkander jagen, uiteengaan; Dispersal = verspreiding; Dispersion, dispɐ̂š’n, verstrooiing, breking (van licht in verschillende kleuren); Dispersive = verspreidend.

Dispirit, dispirit, ontmoedigen, bang maken.

Displace, displeis, verplaatsen, verleggen, verschuiven; afzetten, ontzetten; verdringen, vervangen; subst. —ment = ook waterverplaatsing (v. schepen).

Display, displei, subst. vertooning, vertoon, tentoonstelling; ontvouwing; — verb. ontvouwen, ontwikkelen, tentoonspreiden, vertoon maken: A — of fireworks.

Displease, displîz, onaangenaam zijn, mishagen; —d = boos (with, at); Displeasing, displîziŋ, onaangenaam; subst. —ness; Displeasure, displežə, subst. misnoegen, ongenade.

Disport, dispöt, subst. spel, tijdverdrijf; — verb. spelen, dartelen, zich vermaken.

Disposable, dispouzəb’l, beschikbaar; Disposal, dispouz’l, regeling, schikking, controle, beschikking: I am at your — = tot uw dienst, te uwer beschikking; The — in marriage = uithuwelijking; The — by sale = verkoop; Dispose, dispouz, schikken, regelen, uitdeelen, bestemmen, bewegen, beschikken, disponeeren; verkoopen: Man proposes, God —s = de mensch wikt, God beschikt; It was —d of by will = vermaakt bij testament; This house will be —d of by valuation = is te koop voor de geschatte waarde; He —d of his house for half the value = deed van de hand; How will you — of yourself? = wat ga je uitvoeren? He —d on them for the amount of £ 500, to his own order = trok op hen - - -; —d = geneigd, gezind, gestemd: I am not —d to it = niet voor gedisponeerd; He has a disposing mind for it = neiging; Disposition, dispəziš’n, subst. schikking, indeeling, gesteldheid, beschikking, neiging, gezindheid, aard, aanleg: The house is at your — = te uwer beschikking; I had the worst —ed donkey = kwaadwilligste ezel.

Dispossess, dispəzes, uit het bezit verdrijven, berooven, bevrijden: He was —ed from (of) the throne by his brother; subst. —ion.

Dispraise, dispreiz, subst. blaam, verwijt; — verb. laken, berispen, verwijten.

Disproof, disprûf, weerlegging.

Disproportion, disprəpöš’n, subst. wanverhouding, onevenredigheid; — verb. onevenredig maken; —able = —al = —ate = ongelijk, onevenredig; subst. Disproportionality = Disproportionateness.

Disprovable, disprûvəb’l, weerlegbaar, berispelijk; Disprove, disprûv, weerleggen.

Disputable, dispjutəb’l, dispjûtəb’l, betwistbaar; twistziek; Disputant, dispjut’nt, subst. disputant, opponens; adj. betwistend, strijdig; Disputation, dispjuteiš’n, woordentwist; Disputatious = twistziek, tot opponeeren geneigd; Dispute, dispjût, subst. woordentwist, debat, geschil; — verb. twisten, debatteeren, betwisten, verdedigen: Beyond (Past, Without) — = zonder kwestie; To arrange (settle) a — = bijleggen; He —d for the empire = hij betwistte een ander het bezit van; Disputed = betwist.

Disqualification, diskwolifikeiš’n, onbevoegdverklaring, uitsluiting, onbevoegdheid; Disqualify, diskwolifai, onbevoegd (onbekwaam) verklaren (maken), uitsluiten.

Disquiet, diskwaiit, subst. angst, onrust; — verb. verontrusten, kwellen; —ous = angst- of onrustwekkend; —ude = onrustigheid, ongerustheid.

Disquisition, diskwiziš’n, verhandeling, onderzoek; Disquisitional, onderzoekings....

Disraeli, disreili.

Disregard, disrigâd, subst. minachting, verwaarloozing; — verb. geringschatten, in den wind slaan, negeeren; adj. —ful.

Disrelish, disreliš, subst. afkeer, tegenzin; — verb. geen zin hebben in, een afkeer hebben van; tegen maken.

Disrepair, disripêə, verval, bouwvalligheid.

Disreputable, disrepjutəb’l, berucht, schandelijk; Disrepute, disripjût, subst. slechte naam, oneer, schande: To bring into — = To bring — upon = in discrediet brengen; To fall (sink) into — = in kwaden reuk komen.

Disrespect, disrispekt, subst. geringschatting, minachting, oneerbiedigheid; — verb. geringschatten; Disrespectability = onwaardigheid, onsoliditeit; —able = onwaardig, onsolide; —ful = oneerbiedig, onbeleefd, minachtend.

Disrobe, disroub, uitkleeden, berooven.

Disroot, disrût, ontwortelen.

Disrupt, disrɐpt, adj. verbroken; — verb. scheiden, verbreken; —ion = scheiding, splitsing, verbreking, breuk; —ive discharge = plotselinge ontlading.

Dissatisfaction, disatisfakš’n, ontevredenheid; Dissatisfactory = onbevredigend; Dissatisfy = mishagen, niet voldoen, ontevreden maken, teleurstellen.

Dissect, disekt, ontleden, scherp en kritisch onderzoeken; —ing-room (—-table) = snijkamer (—tafel); —ion = sectie, nauwkeurig onderzoek; —or = anatoom, prosector.

Disseise, disîz, uit het bezit stooten; Disseisee = de onwettig uit zijn bezit gestootene; Disseisin, disîzin, wederrechtelijke inbezitneming; Disseisor, disîzə, onwettig bezitnemer; vr. —ess.

Dissemble, disemb’l, verbergen, veinzen, huichelen; —r = huichelaar; Dissembling, huichelachtig; subst. huichelarij.

Disseminate, disemineit, verspreiden, uitstrooien; subst. Dissemination; Disseminator.

Dissension, disenš’n, tweedracht, oneenigheid.

Dissent, disent, subst. verschil (van gevoelen), afscheiding (van eene kerk, de Dissenters); — verb. verschillen (van gevoelen), zich afscheiden; —er = afgescheidene (van de Staatskerk) = —ient, disenš’nt, adj. afwijkend: With one —ient voice = één stem tegen; —ing views = afwijkende meeningen.

Dissertation, disəteiš’n, verhandeling, dissertatie.

Disservice, disɐ̂vis, ondienst, nadeel, schade.

Dissever, disevə, scheiden, afsnijden, splijten; subst. —ance.

Dissidence, disidens, oneenigheid; scheiding; Dissident, afwijkend.

Dissilient, disilj’nt, openspringend.

Dissimilar, disimilə, ongelijk; Dissimilarity, ongelijkheid = Dissimilitude, disimilitjûd, ook: tegenstelling.

Dissimulate, disimjuleit, veinzen; subst. Dissimulation; Dissimulator = huichelaar.

Dissipate, disipeit, verstrooien, verdrijven, weggooien, verkwisten, uitputten, zich verspreiden: —d = liederlijk; Dissipation = verkwisting, losbandigheid.

Dissociate, disoušieit, scheiden; afzonderen; subst. Dissociation.

Dissolubility, disəl(j)ubiliti, disoljubiliti, oplosbaarheid; Dissoluble, disəl(j)ûb’l, disoljub’l, oplosbaar.

Dissolute, disəl(j)ût, losbandig; subst. —ness; Dissolution, disəl(j)ûš’n, smelting, oplossing, dood; Dissolvable = oplosbaar; Dissolve, dizolv, oplossen, scheiden, ontbinden, ophouden te bestaan, sluiten (van vergaderingen): To — partnership = ontbinden; —d in tears = wegsmeltende; Dissolvent, dizolv’nt, oplossend (middel); Dissolving views = lichtbeelden.

Dissonance, disən’ns, wanklank; Dissonant = wanklinkend, afwijkend.

Dissuade, disweid, afraden; Dissuasion, disweiž’n, afrading, ontrading; Dissuasive, disweisiv, ontradend; ontrading.

Dissyllabic, disilabik, tweelettergrepig; Dissyllable, disiləb’l, woord van twee lettergrepen.

Distaff, distaf, spinrok(ken), vrouw(elijk geslacht); —-side = de vrouwelijke linie.

Distance, dist’ns, subst. afstand (ook fig.), tusschenruimte, verschiet, tijdruimte, interval (muziek), afstand van ± 200 M. van den eindpaal (aangewezen door den —-post); — verb. verwijderen, ver achter zich laten: At a — = op een afstand; In the — = in de verte; Out of — = onafzienbaar ver; He keeps his — = hij weet waar hij staan moet; I know my — = weet waar ik staan moet; The jockey has saved his — = had den —-post (200 M. vóór den Winning-post) bereikt, voor de winner aan het einde der baan was (en mocht daarom verder aan de wedrennen deelnemen); That horse was —d = dit paard viel uit, omdat het den —-post nog niet had bereikt, toen zijn mededinger aan den Winning-post was; He was —d = legde het schandelijk af; Distant, dist’nt, verwijderd, afgelegen, koel: He was — and reserved = erg op een afstand.

Distaste, disteist, subst. afkeer, walging: He took a — at it = walgde ervan; —ful = walgelijk, onaangenaam; subst. —fulness.

Distemper, distempə, subst. ongesteldheid (thans vooral bij hond, paard en rundvee); tempera-schilderwerk, waarbij de kleuren met een bindmiddel zijn vermengd; een zoo bereide kleurstof; — verb. in de war brengen, tempera-schilderen; —ed, ongesteld, getroubleerd, ontevreden.

Distend, distend, uitstrekken, rekken, uitzetten, opzwellen: To — a crush hat = laten uitspringen; The horse —ed its nostrils = spalkte open; Distension, Distention, distenš’n, uitzetting, omvang.

Distich, distik, distichon.

Distil(l), distil, in druppels neervallen, zacht vloeien, distilleeren, laten druppelen: —led damnation = volkskanker; —late = distillaat; —lation = distillatie; —latory, distilleer...; —ler = brander; —lery = branderij, stokerij; —ment = —late.

Distinct, distiŋkt, onderscheiden, duidelijk: As — from = geplaatst tegenover; Distinction, distiŋkš’n, onderscheid, onderscheiding, onderscheidingsteeken, aanzien, rang, voornaamheid: Without —ion = zonder onderscheid; Distinguish, distiŋgwiš, onderscheiden, indeelen, kenmerken, zich onderscheiden; Distinguishable = te onderscheiden, opmerkelijk; Distinguished = onderscheiden, aanzienlijk, uitstekend.

Distingué, distiŋgei = Distinguished, ook: regenmantel.

Distort, distöt, verwringen, verdraaien; trekken (van hout); subst. —ion; —ive = verdraaid, verwrongen.

Distract, distrakt, afleiden, afwenden, verwarren, storen (v. de geestvermogens), verbijsteren: —ed = verward, onthutst, dol, razend; —edness = —ion, ook afleiding: He allowed himself no —ion = hij gunde zich geene ontspanning; —ive = verwarrend, verontrustend.

Distrain, distrein, beslag leggen op: He threatened to — for the money = beslag te zullen leggen (op het goed) om het geld te krijgen; —able = waarop beslag gelegd kan worden; —er = hij die beslag legt; —t = beslaglegging (on).

Distraught, distrôt = Distracted.

Distress, distres, subst. droefheid, smart, benauwdheid, ellende, nood, tegenspoed; beslaglegging; — verb. benauwen, ongelukkig maken, beslag leggen: To levy (make, put in) a — = beslag leggen; He is in — for money = heeft geldgebrek; Flag of — = noodvlag; Warrant of — = bevel tot beslaglegging; A —ed ship = schip in nood; —ful = ellendig, jammerlijk; —ing = rampspoedig, pijnlijk.

Distributable, distribjutəb’l, verdeelbaar; Distribute, distribjut, verdeelen, uitdeelen, verbreiden, toebedeelen, sorteeren of distribueeren (van letters); Distribution, distribjûš’n, verdeeling, toebedeeling, sorteering, verbreiding; Distributive, subst. distributief woord (b.v. ieder); adj. verdeelend.

District, distrikt, subst. gebied, streek, afdeeling, district, provincie; — verb. in districten verdeelen (Amer.); —-court = arrondissementsrechtbank (Amer.); —-visitor = armenbezoek(st)er.

Distrust, distrɐst, subst. wantrouwen, verdenking; — verb. wantrouwen, verdenken; adj. —ful; subst. —fulness.

Disturb, distɐ̂b, verstoren, doen afwijken, in wanorde brengen, verontrusten, belemmeren, in beroering brengen: Do not — the sleeping lion = stoor niet; —ance = rustverstoring, stoornis, verwarring, verhindering.

Disunion, disjûnj’n, scheiding, ophitsing, tweedracht; oneenigheid; Disunite, disjunait, scheiden, gescheiden raken, uit elkaar gaan; Disunity = gescheidenheid.

Disuse, disjûs, onbruik, ongewoonte: To come (fall) into — = in onbruik geraken.

Disuse, disjûz, niet meer gebruiken, ontwennen, afnemen.

Ditch, ditš, subst. greppel, sloot, gracht; — verb. eene sloot graven, draineeren, met een sloot omringen: It is as dull as —water = verschrikkelijk langdradig; To die in the last — = zich tot het uiterste verdedigen; I am in a dry — = heb mijne schaapjes op het droge; —er = slootgraver; schip dat door het Suezkanaal vaart.

Dithyramb, dithiram(b), —us, dithirambəs, dithyrambe; adj. Dithyrambic.

Dittander, ditandə, peperkers.

Ditto, ditou, hetzelfde: A suit of —es (does) = een pak kleeren van ééne stof.

Ditty, diti, subst. liedje, deuntje; — verb. zingen, neuriën; —-bag = naaizak (met naalden, garen, etc.).

Diuresis, dai-jurîsis, sterke urineafscheiding; Diuretic, dai-juretic, urine-afscheidend (middel).

Diurna, daiɐ̂nə, dagvlinders, kapellen; —l, daiɐ̂n’l, dagelijksch, dag...; subst. dagboek.

Divagation, daivəgeiš’n, afwijking, afdwaling, weiding.

Divan, divan, staatsraad (Turkije); raadzaal; rechtszaal; Turksch koffiehuis; rookkamer, sofa; verzameling gedichten.

Divaricate, daivarikeit, adj. gevorkt; — verb. zich vertakken, in twee takken scheiden, zich afwenden van; subst. Divarication.

Dive, daiv, subst. duiking in het water met het hoofd vooruit, plotselinge greep; dievenhol; — verb. duiken, zich verdiepen, doordringen: He made a — for it = hij dook (greep) ernaar; —r = zeeduiker; zakkenroller.

Diverge, d(a)ivɐ̂dž, divergeeren, afwijken; subst. —nce; —nt opinions = afwijkende.

Divers, daivəz, daivəs, verscheidene, ettelijke; Diverse, d(a)ivɐ̂s, daivəs, onderscheidene; Diversification, verscheidenheid, verschil, verandering; Diversiform = van verschillenden vorm; Diversify = varieeren, afwisselen; Diversion, d(a)ivɐ̂š’n, afleiding, uitspanning, vermaak; schijnbeweging, verlegging: To create a — = eene afleiding bezorgen; Diversity, d(a)ivɐ̂siti, verscheidenheid, ongelijkheid.

Divert, d(a)ivɐ̂t, afleiden, afbrengen van, vermaken; eene schijnbeweging maken; —ing = vermakelijk; —isement = amusement; —ive = vermakend.

Dives, daivîz, de rijke man.

Divest, divest, ontdoen, berooven, ontblooten; zich afwennen (= oneself); Dives(ti)ture, dives(ti)tjə, berooving (van bezit of recht); —ment = het beroofd zijn (worden).

Divide, divaid, verdeelen, deelen, verleggen, scheiden, openen, splijten, in tweeën gaan; stemmen; subst. (water)scheiding: To — the House = een stemming houden (in ’t Lagerhuis); Dividend, divid’end, deeltal, dividend: —-warrant = dividendbewijs; Divider = deeler: —s = passer om lijnen in een zeker aantal gelijke deelen te verdeelen.

Divination, divineiš’n, voorspelling, voorgevoel; adj. Divinatory; Divine, divain, subst. godgeleerde, geestelijke; adj. goddelijk, hemelsch, buitengewoon, voortreffelijk; — verb. voorzèggen, gissen, raden: — service = godsdienstoefening; subst. —ness; Divining-rod = tooverroede (om te ontdekken waar water onder den grond wordt gevonden).

Diving: —-bell, daiviŋbel, duikerklok; —-dress = duikerspak.

Divinity, diviniti, god(delijk)heid, godgeleerdheid: A — student; Divinify, divinifai, vergoddelijken.

Divisibility, divizibiliti, deelbaarheid; Divisible = deelbaar; Division = verdeeling, verdeeldheid, deeling, afdeeling, scheiding, schot, aandeel, divisie, stemming; Divisional = afdeelings..; Divisor = deeler.

Divorce, divös, subst. echtscheiding; — verb. scheiden (van den echt): — from bed and board = scheiding van tafel en bed (ook Judicial separation genoemd); Bill of — = vonnis van echtscheiding; He —d her = liet zich van haar scheiden; —r = scheidingsmotief.

Divulge, divɐldž, onthullen, openbaar maken, verspreiden.

Divulsion, divɐlš’n, vaneenscheuring.

Dizen, daiz’n, zich optooien (out).

Dizziness, dizinəs = duizeligheid; Dizzy, dizi, adj. duizelig, duizelingwekkend; onnadenkend; — verb. duizelig maken, ronddraaien, verwarren.

Do, dû, subst. handeling, daad, moeite, drukte, bedrog; maal; — verb. doen, verrichten, volvoeren, gereedmaken, voleindigen, zich gedragen, zich bevinden, voldoende zijn, enz.: I have done my — = het mijne gedaan; It was all a — = bedrog, afzetterij; To make a great to-— = veel drukte maken over; There’s nothing to — but yielding = niets anders aan te doen dan; I will have nothing to — with him = te maken hebben; What’s to — = wat is er aan de hand? That will — = zoo is ’t goed; These will — = zijn goed; That will not — with me = gaat bij mij niet op; How do you —? = hoe gaat het? He did me on a wager = nam mij beet met; Could you — me some fifty pounds? = zoowat 50 l. leenen? We — these at a shilling a piece = verkoopen; He did himself away = beging zelfmoord; We did away with it = schaften het af; — by others as you wish to be done by = doe anderen, zooals gij wenscht, dat men u zal doen; To — for = zorgen voor, voldoende zijn; beetnemen; What can I — for you? wat is er van uw dienst? We have done for him = He was done for by us = wij hebben hem zijn vet gegeven, totaal verslagen; He did me for three thousand pounds = zette mij af; These things will — for fly-catchers = kunnen dienen als; She was done in stone = gebeeldhouwd; Done into English = overgezet; He did off all his array = legde ter zijde; I am not going to be done out of it = laat me niet ontnemen; He has done me out of £ 3000 = armer gemaakt; The house was done up = opgeknapt, gerepareerd; She has done him up = is hem te slim af geweest; To — up a parcel = vastbinden, toebinden; To be done up (knocked up) with the heat = kapot van; I am —ne with you for ever = je hebt voor goed bij mij afgedaan; I have —ne with him = met hem afgerekend; Have you done with the umbrella? = moet je de parapluie nog gebruiken? I can — without it = kan er buiten, wel zonder; To — battle for = strijden voor; To — the beds = doen; To — bills = wissels realiseeren; She did her hair = maakte op; To — Hamlet = spelen voor; Is your sister game to — the housekeeper = is uwe zuster geschikt (heeft ze lust) om de rol van huishoudster te spelen; We did the Isle of Wight in three days = reisden het eiland Wight rond; To — like for like = met gelijke munt betalen; To — paper = effecten, enz. omzetten; To — a room = doen; She was done brown = leelijk beetgenomen; To — the grand = den heer uithangen; To — the polite = zich zeer vriendelijk aanstellen; You — me proud = ik ben trotsch op je; I’ll — you right (reason) = bescheid; They’ve done splendidly = zich kranig gehouden; To — well = er goed aan doen; het goed maken; Done = fiat, afgesproken; klaar; Have done = schei uit; We are done (with it) = klaar; We were done at three o’clock = 3 uur waren wij klaar; To be done to death = ter dood gebracht; The meat was done to a turn = prachtig gebraden; A well-to-— man = welgesteld; A never-—-well = een wildzang; A —-all = duivelstoejager; —-nothing = luilak, doeniet; adj. nietsdoend; subst. —-nothingness = nietsdoen, laissez-faire; Doing: Fine —s these! = een mooie boel! There is not much — aan de hand.

Do, dou, ut of do (toonschaal); verkorting van ditto: Connubial —es = trouwpak.

Doat, dout: Z. Dote.

Dobbie, dobi, nar; een geest of kabouter (Noord Eng.).

Dobbin, dobin, oud werkpaard.

Dobell, dəbel.

Docible, dosib’l, Docile, do(u)s(a)il, leerzaam, handelbaar; subst. Docility.

Dock, dok, subst. dok, stompje, pit (van de paardestaart), afgekorte staart; zuring; bank der beschuldigden; — verb. afsnijden, kortstaarten, verminderen, afschaffen, dokken (van een schip): A (close-)—ed tail; —-charges, —-dues = dok- of havengelden; —-master = havenmeester; —-warrant = geleibiljet, ceel; —yard = scheepswerf; —age = gelegenheid om te dokken; dokgeld; —er = dokwerker.

Docket, dokət, subst. korte inhoud, lijst der aanhangige rechtszaken of uitspraken; adreskaart (aan goederen), etiket; — verb. een korten inhoud maken, briefjes of nummers plakken op, den inhoud van een stuk op de rugzijde vermelden, adresseeren: To strike a — = eene faillietverklaring aanvragen.

Doctor, doktə, subst. doctor, dokter, leeraar; middel om wijn te vervalschen; — verb. promoveeren, medicineeren, beter maken; vervalschen: He —ed us in the cholera days = behandelde ons; I live by —’s rule = op dieet; —s’ Commons, zie Commons; —’s-stuff = medicijnen; —al = doctoraal; —ate, doktərit, subst. doctoraat; —ate, doktəreit, verb. doctoreeren, promoveeren; —ess = doctores; —ship = —ate.

Doctrinaire, doktrinêə, adj. doctrinair; ook subst.; Doctrinal: — theology = dogmatiek; Doctrine, doktrin, leer, leerstuk, dogma.

Document, dokjument, subst. bewijsstuk, document; — verb. documenteeren; Documental = Documentary: — evidence = schriftelijke getuigenis; — proof of one’s election = geloofsbrieven.

Dod, dod, afsnijden, scheren (van wol).

Dodder, dodə, warkruid; —-grass = trilgras.

Dodder, dodə, beven, trillen: To — about = rondstrompelen; —ing fears.

Doddle, dod’l, waggelen: A doddling old dotard = een strompelende oude sufferd.

Dodecagon, dədekəgon, twaalfhoek.

Dodge, dodž, subst. plotselinge zijbeweging, kunstgreep, list, streek; — verb. plotseling opzij springen, ontwijken, uitwijken, uitvluchten bedenken, voorzichtig rondsluipen, slenteren, vermijden, als een schaduw volgen, nagaan, heen en weer bewegen, bedotten: He worked the — singled-handed = voerde de zwendelarij geheel alleen uit; He went dodging about the village = slenterde door; —r = slimmerd, bedrieger, kuiper, zwendelaar; —ry = zwendel, uitvlucht; adj., Dodgy.

Dodipole, dodipoul, sukkel, domkop.

Dodman, dodm’n, tuinslak.

Dodo, doudou, dodaars of basterdstruis (vroeger op Mauritius).

Dodonian, doudounj’n, uit Dodona, beroemd om haar orakel.

Doe, dou, hinde, ree; wijfje; —skin, douskin, hertenleder, soort buckskin.

Doff, dof, afzetten, uittrekken.

Dog, dog, subst. hond, hondevleesch, vent, snaak; de Groote of Kleine Hond (sterrenbeeld); duivelsklauw, mijnkarretje, haardijzer; — verb. als een schaduw volgen, nauwkeurig nagaan: An artful (sly) — = een slimmerd; A sad — = een snaak; Give a — a bad name, and hang him = als men een hond wil slaan, vindt men wel een stok = There are more ways of killing a — than hanging him; To go to the —s = ten onder gaan: Let sleeping —s lie = maak geen - - - wakker; I call this throwing things to the —s = de dingen weggooien; A — and shadow conviction = persoonlijke; He is a — in the manger = hij kan niet zien dat de zon in het water schijnt; The police —ged him = ging hem na; —-bee = hommel (mannetjesbij); —-berry = bes van de roode kornoelje; —-biscuit; —-briar (—-rose) = hondsroos; —-cart = twee- of vierwielig rijtuigje met twee banken (rug aan rug); —-cheap = spotgoedkoop; —-collar = halsband; —-days = hondsdagen; —-fancier = hondenfokker en -koopman; —-fennel = stinkende camille; —fish = o.a. hondshaai; —-fox = mannetjesvos; —-grass = kweek; —-hearted = onbarmhartig; —-hole = hondegat, hondenhok; hok, gat (fig.); —-kennel = hok; —-latin = kramerlatijn; —’s-ear = ezelsoor; ook verb.; —-sleep = hazenslaapje; —’s-meat = afval van vleesch, hondenvleesch; —-star = hondsster, Sirius; —-tooth = oogtand; —-trick = leelijke streek, gemeene behandeling; —-trot = sukkeldrafje; —-vane = waker (scheepst.); —-violet = hondsviooltje; —-watch = hondenwacht (van 4–6 of 6–8 p. m.); —-weary = zoo moe als een hond; —wood = roode kornoelje; —ged; = norsch, hardnekkig: It’s —ged as does it = de aanhouder wint; subst. —gedness; —gish = hondsch; subst. —gishness.

Doge, doudž, doge; Dogate, dougit, Dogeate, doudžit, waardigheid van een Doge.

Dogger, dogə, dogger (vaartuig).

Doggerel, dogərel, subst. rijmelarij = — rhymes.

Dogma, dogmə, leerstuk; adj. Dogmatic(al); —tism = dogmatisme; —tize = dogmatizeeren.

Doily, dôili, tafelmatje, slabbetje, servetje.

Doit, dôit, duit, kleinigheid; 0,135 mGr.

Dolce, doltši, zacht, liefelijk.

Doldrums, doldr’mz, streek der windstilten: To be in the — = lusteloos, gemelijk zijn, zich vervelen.

Dole, doul, subst. portie, aalmoes; smart; marksteen; — verb. uit- of ronddeelen in kleine hoeveelheden (out); Happy man be his — = moge hij gelukkig zijn; —ful = smartelijk, treurig, akelig; subst. —fulness; —some = —ful.

Doll, dol, pop: —’s eyes, dolzaiz, k(o)ralen (voor poppenoogen).

Doll, dol, Doortje = Dolly, doli.

Dollar, dolə, Amerik. munt (van 100 cents = ƒ 2,50).

Dol(l)man, dolm’n, lang Turksch gewaad; dolman.

Dollop, doləp, klonter, klomp.

Dolly, doli, Doortje; bak met geperforeerden bodem, om erts in te wasschen; grisette; blad met bloemen en vruchten; adj. sukkelig; —-shop = stille bank van leening, lompenhandel.

Dolly Varden, dolivâd’n, lichte en gebloemde soort van polonaise gedragen over een licht gekleurden rok; ook schuin gedragen hoed met bloemen.

Dolorous, dolərɐs, pijnlijk, smartelijk; Dolour, doulə, smart, pijn: Our Lady of —s = naam van de H. Maagd Maria.

Dolphin, dolfin, dolfijn; dolfijnvormig oor (van kanon of mortier), ducdalf, meerboei: He felt as much out of his element as a — in a sentry-box = als een visch, die op het droge ligt.

Dolt, doult, domkop, sukkel: —ish = dom, sukkelachtig; subst. —ishness.

Domain, dəmein, macht, gezag, domein, gebied.

Dombey, dombi.

Dom-boc, doumbouk, wetboek uit den tijd van Koning Alfred = Domebook.

Dome, doum, koepel, koepelvormig dak; een tempel, dom; —-shaped = koepelvormig; —d = met een koepel, gewelfd.

Domesday, dûmzdei; Zie Doomsday.

Domesman, dûmzman, vroeger rechter = Doomsman.

Domestic, dəmestik, subst. huisbediende, dienstbode; adj. huiselijk, huishoudelijk, tam, inlandsch; —s = binnenl. producten (Amer.); — animals = huisdieren; — economy = huishoudkunde; — peace = huiselijke vrede; — quarrels = binnenlandsche twisten; —ate, dəmestikeit, aan huiselijk leven gewennen, temmen, beschaven; —ity, doumestisiti, huiselijkheid.

Domett, domət, katoenflanel.

Domicile, domis(a)il, subst. domicilie; — verb. (zijn) domicilie nemen, domicilieeren: A domiciliary visit = bezoek door de rechterlijke macht, met het oog op huiszoeking; Domiciliate (= Domicile): To — a bill of exchange = een wissel domicilieeren; Domiciliation = domicilie.

Dominant, domin’nt, subst. de dominante (Muziek); adj. heerschend, domineerend, ver zichtbaar; Dominate, domineit, heerschen, zich verheffen boven; Domination = heerschappij; Dominator = beheerscher; Dominative = heerschend; Domineer, dominîə, een gebiedenden, onbeschaamden toon voeren, den baas spelen; opspelen, woedend uitvaren.

Dominic, dominik; Dominica, domənîkə, dəminikə.

Dominical, dəminik’l: — letter = Zondagsletter; — prayer = het Onze Vader.

Dominican, dəminik’n, Dominicaner monnik.

Dominie, do(u)mini, schoolmeester (vaak iron.), dominé (Schotl.); predikant van Holl. gemeente (Amer.).

Dominion, dəminj’n, oppermacht, heerschappij, gebied: — Day = nationale feestdag in Canada (1 Juli); The — = Canada.

Domino, dominou, domino; dominosteen: To play at —es = domino spelen; —-box = dominospel, mond vol tanden.

Don, don, subst. heer (vroeger titel, in Spanje), Tutor of Fellow van een College aan een der hoogescholen; banjer; —nish = pedant.

Don, don, aandoen.

Dona, dounja, Donna; meisje.

Donalbain, donəlbein; Donald, don’ld.

Donate, douneit, geven (Am.); Donation, deneiš’n, gave, gift, schenking; Donative, donətiv, subst. gift, schenking, benefice; adj. bij schenking gegeven.

Doncaster, doŋkəstə.

Done, dɐn, part. perf. van to do. Zie Do.

Donee, dounî, begiftigde.

Donegal, donəgôl, donəgôl.

Donga, doŋgə, spleet in eene rivierbedding, droge rivierb. (Z. A.).

Donjon, dɐnž’n, donž’n, slottoren, kerker.

Don Juan, dondžûən.

Donkey, doŋki, ezel; —ess, doŋkiəs, ezelin; —-engine = een kleine hulpmachine aan boord; —-pump = stoompomp (voor den ketel).

Donne, don; Donnybrook, donibruk, ruw, woest, (genoemd naar: — fair = woeste (Iersche) kermisboel); — dance = woest gevecht; — row = hevige ruzie.

Don Quixote, donkwiksət.

Doodle, dûd’l, subst. beuzelaar, sukkel; Yankee — = Amerik. volkslied.

Doob, dûb, gras als voeder gebruikt (Brit. Ind.).

Dood, dûd, kameel: —-wallah (walə) = kameeldrijver (Brit. Ind.).

Doolie, dûli, Brit. Ind. draagstoel.

Doom, dûm, subst. oordeel, veroordeeling, lot, verdoeming; — verb. veroordeelen, straffen, richten: The crack of — = de jongste dag, het einde der wereld; —sday = dag des oordeels; —sday-book = kadaster, register van de landerijen (samengesteld op last van Willem den Veroveraar); —ster = rechter.

Doonga, dûŋgə, cano met vierkant zeil (Brit. Ind.).

Door, dö, deur, ingang: That was laid at his — = hem ten laste gelegd; It lies at his — = het is zijne schuld; It was never proved at his — = hem nooit bewezen; He lives next-— = in het huis (kamer) hiernaast; Next-— to him = naast hem; We had next-— to nothing = zoowat niets; In, within —s = binnenshuis; Out of —s = buitenshuis; Sent out of —s = weggestuurd; He leant against a —-casing (-case) = kozijn = —-frame; —-handle = kruk; —-hinges = hengsels; —-keeper = portier; —-mat = deurmat; voetveeg (fig.); —-nail = plaatje, waarop de klopper neervalt: He is as dead as a —-nail = zoo dood als een pier (ook: As dead as a —-mat); —-plate = naamplaatje; —-post = deurstijl: He is as deaf as a —-post = zoo doof als een kwartel; —-scraper = krabber; —-step = stoep, of = —-sill = drempel: You shall never darken my —(-step) again = jij zet geen voet meer over mijn drempel; —-stone = steenen drempel; —-way = ingang.

Dop, dop, onderduiken; subst. diepe buiging; dop (bij het diamantslijpen).

Dopatta, doupatə, soort sjerp (Br. Ind.).

Dopper, dopə, schimpnaam voor de ouderwetsche en meer bekrompen leden der Geref. kerk in Zuid-Afrika.

Dor, dö, kever (bladsprietig) = —-beetle.

Dorado, dəreidou, dərâdou, Dorada, Zuidelijk sterrenbeeld van zes sterren; goudmakreel.

Dorcas Society, dökəsəsaiiti, Vereeniging (van dames) tot Christelijk Hulpbetoon (Zie Handelingen IX, 36–41).

Dorchester, dötšəstə.

Dorée, derî, dorî, zonnevisch.

Dorian, dôriən, Doric, dorik, Dorisch: — order = Dorische bouwstijl.

Doring, dôriŋ, het leeuwerikenvangen met een slagnet en een spiegel.

Dormancy, döm’nsi, rust; Dormant, döm’nt, subst. slaper (groote dwarsbalk); adj. slapend, liggend; ongebruikt, dood (Jurid.): Let us allow the matter to lie — = laten rusten; — partner = stille vennoot; Dormer, dömə, verticaal venster in hellend dak (= —-window); Dormitive = subst. en adj. slaapwekkend (middel); Dormitory, dömitəri, slaapzaal.

Dormouse, dömaus, hazel-(berg)muis.

Dorn, dön, rog, stekelrog.

Dorothy, dorəthi, Dorothea.

Dorsal, dös’l, dorsaal, rug...

Dorse, dös, jonge kabeljauw; rug.

Dorsel, dös’l, soort wollen stof.

Dorset, dösət; —shire, dösətšə.

Dorsum, dös’m, rug, heuvelrug.

Dort, döt, Dordrecht.

Dory, döri, zonnevisch (= John —); platboomd bootje (Amer.).

Dose, dous, subst. dosis, bittere pil (fig.); — verb. afmeten (van geneesmiddelen), (een bittere pil) toedienen: They have —d him with liquor = veel drank toegediend, suf of dronken gemaakt.

Dosel, dos’l = Dossal = dorsale, geborduurd kleed achter het altaar; rijke draperie.

Doss, dos, kussen, bed; slaapstee = —-house; —er = logé van een slaapstee, landlooper; huisvader.

Dosser, dosə, kleed, wandtapijt; draagkorf.

Dost, dɐst, 2de p.s. Pres. Imp. v. to do.

Dot, dot, subst. stip, punt; kindje; huwelijksgift (Amer.); — verb. stippelen: —ted lines = stippellijnen; — your i’s and cross your t’s = zet de puntjes op de i (ook fig.).

Dotage, doutidž, suffigheid (vooral van ouderdom), overdreven teederheid, apenliefde; Dotard, doutəd, kindsche grijsaard, verliefde oude gek.

Dotation, dəteiš’n, huwelijksgift, schenking.

Dote, dout, suffen, dol verzot zijn op: He —s on her = is dol op haar; Doting = kindsch; dol, gek (on); subst. —ness.

Doth, dɐth = does.

Dottard, dotəd = Dotard.

Dottel, Dottle, dot’l, kluitje, propje (onverbrande) tabak in een pijp.

Dott(e)rel, dot’r’l, Morinel pluvier; sukkel.

Dottyville, dotivil: To be booked for — = naar “Meerenberg” moeten.

Double, dɐb’l, adj. dubbel, in paren, gekromd, dubbelzinnig; subst. tweevoud, duplicaat, dubbelganger, zijsprong, draai, kunstgreep; — verb. vouwen, verdubbelen, herhalen, omzeilen, dichtknijpen, ballen, over elkaar slaan, doubleeren, verdubbelen van rotten (Mil.), zich verdubbelen, op zijn weg terugkeeren, omdraaien, listig ontwijken, bedriegen: They marched off at the —, at —-quick time = met den looppas; The Cape was —d = omgezeild; He —d his fists = balde; All the leaves were —d down = aan alle bladen waren ezelsooren; We —d upon the enemy = brachten hem tusschen twee vuren; —-acting = dubbelwerkend (mechan.); —-action; A —-barrelled rifle = geweer met dubbelen loop; —-bass = contrabas; —-breasted coat = jas met twee rijen knoopen; —-chin = onderkin; A —-dealer = dubbelhartig mensch, bedrieger; —-dealing, subst. en adj. dubbelhartig(heid); —-Dutch = koeterwaalsch; A —-dyed villain = een aartsschurk; —-eagle = goudstuk van twintig dollars (Amer.); —-edged sword = tweesnijdend; —-entry: Book-keeping by — = Italiaansch boekhouden; —-faced = met twee aangezichten, aan beide kanten bruikbaar; onoprecht; —-first = de eerste zoowel in klassieke talen als in mathematische wetenschappen te Oxford; de graad door zoo iemand verkregen; —-ganger = dubbelganger; —-handed = met twee handvatten; —-hearted = verraderlijk, valsch; —-knock = korte dubbele klop (met een deurklopper); —-minded = weifelend, besluiteloos; —-railed = met dubbel spoor; —-shot = dubb. lading; — verb. zwaar laden, aandikken (fig.); —-tide = overuur; —-tongued = uit twee monden sprekende; —-track = dubbelspoor; —ness = dubbel zijn; dubbelzinnigheid.

Doublet, dɐblət, wambuis, buis, vest, doublette (een woord van denzelfden stam als een ander, maar verschillend in vorm en beteek.); —s = dobbelspel (soort van triktrak); hetzelfde getal op beide dobbelsteenen.

Doubloon, dɐblûn, Spaansch en Zuid-Amer. goudstuk (± ƒ 12).

Doubt, daut, subst. twijfel, onzekerheid, aarzeling, vrees; — verb. weifelen, aarzelen, twijfelen, vermoeden, verdenken, vreezen: Beyond a — = boven allen twijfel verheven; I have put it beyond — = buiten allen twijfel geplaatst; No — = ongetwijfeld; —ful = twijfelachtig, weifelend, verdacht, dubbelzinnig, onzeker; subst. —fulness; —less = ongetwijfeld.

Douche, dûš, douche, stortbad.

Dough, dou, deeg: My cake is — = mijn plan is in duigen gevallen; A —-faced fellow = jabroer, polit. weerhaan (Amer.); —-kneaded = zoo zacht als deeg (Amer.); —nut = soort pannekoek; —y = week, bleek.

Doughtiness, dautinəs, manhaftigheid, flinkheid; adj. Doughty = flink.

Douglas, dɐgləs.

Dour, dûə, hard, streng, onbuigzaam (Schotl.).

Douse, daus, adj. ernstig, eerbaar; — verb. plotseling onderdompelen of in ’t water vallen; ineens vieren of neerlaten; uitdooven; ranselen.

Dove, dɐv, duif, duifje (fig.); —-cot(e), —-house = duivenhok, duiventil; —’s-foot = fijnblad ooievaarsbek; —tail, subst. zwaluwstaart; — verb. vast verbinden, samenvoegen met zwaluwstaarten: His own work and the quoted passages —tail into one another = sluiten in elkander.

Dover, douvə: The Straits of — = het Nauw van Calais; — Court = een luidruchtige bijeenkomst.

Dowager, dauidžə, douairière: Queen — = koningin-weduwe (moeder).

Dowden, daud’n.

Dowdy, daudi, subst. ouderwetsch of slordig gekleede vrouw, slons; adj. ouderwetsch, slonzig = —ish.

Dowel, dau’l, subst. houten pen of nagel; — verb. met pennen verbinden.

Dower, dauə, subst. weduwengoed; — verb. een uitzet geven; Dowerless = zonder bruidschat, arm.

Dowlas, dauləs, grof linnen goed.

Dowl(e), daul, pluim, veder.

Down, daun, subst. dons, nestveeren; zaadpluimpje; zacht haar; duin, schapenweide: The —s = een groote reede aan de kust v. Kent; —y = donzig, piekfijn.

Down, daun, beneden, naar beneden, onder; af, van de hoofdstad of van een hoofdstation weg; terneergeslagen, koest (tegen honden), etc.; — verb. neerdrukken, ontmoedigen, neerdalen: — the country = weg van de hoofdstad; — the sound = in de richting van de ebbe zeewaarts; — the stream = stroomafwaarts; — town = naar het centrum (handelswijk) der stad; To be — at heel = afgetrapt; To be — for a club = vóórhangen; To be — in the mouth = neerslachtig = — on one’s luck = in moeielijkheden; — the wind = met den wind mee; I like her — to the ground = dolgraag; That part suits you — to the ground = is geknipt voor je; From the mayor — to the meanest citizen = tot den geringsten burger toe; To be — on = uitvaren tegen; I’ll be — upon you = ’k zal je wel krijgen; To be — with the influenza = aangetast door, te bed liggen met; — with him = weg met hem; To feel — = somber, neerslachtig; To go — into the country = naar buiten gaan; That will not go — with me = dat wil er bij mij niet in; He has gone — = is met vacantie naar huis gegaan (v. studenten); The wind is — = is gaan liggen; To look — upon = neerzien op; To pay — = kontant; To turn upside — = onderste boven keeren; In writing for children, be careful not to write — too much = niet te kinderachtig te schrijven; He is not to be —ed by censure = laat zich niet ontmoedigen; To —bear = drukken, verdrukken; A —cast look = sombere blik; —come = plotselinge val, omverwerping; He is a —-Easter = iemand, in de Oostel. staten wonend (soms New-Eng. of Maine); —fall = instorting, val (van water), plotselinge val, ondergang; —haul = touw om een zeil neer te halen; —hearted = neerslachtig; —hill = bergafwaarts: —hill work = gemakkelijk werk; —-line = spoorlijn (van de hoofdplaats of het middelpunt af); —-passenger = passagier met een —-train; —pour = plasregen; —right = rechtstreeks, rondweg, echt, volslagen, plotseling, dadelijk, loodrecht, openhartig, grondig: A —right fool = gek in folio, echte dwaas; subst. —rightness; —stairs = (naar) beneden, het dienstpersoneel betreffend; She was —-thump on him = pakte hem (te) hard aan; —-stroke = neerhaal, neergaande beweging; —-train = trein (van de hoofdplaats of het middelpunt af); —-trod(den) = platgetreden, overheerscht; —-weed = roerkruid, viltkruid; —y = sluw.

Dowry, dauri, huwelijksgift, uitzet; hoop.

Dowse, daus. Zie Douse.

Doxological, doksəlodžik’l, lofzingend; Doxology, doksolədži, lofzang.

Doxy, doksi, liefje; snol.

Doze, douz, subst. dutje, sluimering; — verb. sluimeren, dutten, suffen.

Dozen, dɐz’n, dozijn: A baker’s — = dertien.

Doziness, douzinəs, slaperigheid; droomerij; adj. Dozy.

Drab, drab, subst. slons; zoutbak; muisvale stof, geelgrauwe kleur (—s = broek van die stof); adj. muisvaal, geelgrauw; saai, kleurloos, conventioneel; vuil, goor; zwak: The republic is too — to last = te zwak; —bish = vuil, geelgrauw; —by = vuil, slonzig.

Drabble, drab’l, bemodderen, vuil maken; naar barbeelen visschen met een grondangel.

Dracaena, drəsînə, drakenbloedboom.

Drachm, dram, Drachma, drakmə, drachma; oud-Grieksche munt; nieuw-Grieksche munt van ± 50 cts.; oud-Grieksch gewicht.

Draco, dreikou, drakenkop, sterrenbeeld; lichtende uitwaseming van den bodem; vliegende draak = — volans, soort van hagedis (Indië en Afrika); —nian, drəkounj’n, —nic(al), drəkonik(’l), Draconisch.

Dracunculus, drəkɐŋk(j)ulɐs, slangenwortel; pitvisch of schelvischduivel.

Draff, drâf, spoeling, draf: Chaff and — = volkomen waardeloos iets.

Draft, drâft, subst. wissel, traite, stille uitslag, goed gewicht, rafactie; detachement, afdeeling; schets, concept, waterdiepte noodig voor een schip; — verb. concipieeren, schetsen, uitzoeken, detacheeren: Finnish battalions will be —ed into the Russian regiments; He was —ed off with others to work in the mines = hij werd aangewezen; — bill = concept. Zie ook Draught.

Drag, drag, subst. dreg, zware eg, rem, remschoen, slede (Amer.), sleepende beweging, laag voertuig of kar, lange hooge wagen doorgaans met vier paarden; — verb. sleepen, trekken, eggen, dreggen, uitbaggeren, met een sleepnet visschen, langzaam vooruitkomen, niet vlotten: The affair —ged = vlotte niet; —-bar = koppelstang; —-chain = remketting; —-hunt, Zie Anise; —man = visscher, die een sleepnet (—-net) gebruikt; —-rope = trektouw.

Draggle, drag’l, door het slijk of den modder sleepen, bevuilen: A —-tail, a —-tailed woman = eene slons, slordige vrouw; —d skirts = vuile rokken.

Dragoman, dragəm’n, Turksche (of Oostersche) tolk (gids).

Dragon, drag’n, draak; pistool (van de dragoons in de 17de eeuw); sterrenbeeld, lichtende uitwaseming; dragon, slangenkruid, keizersalade; —’s-blood = drakenbloed (roode kleurstof); —-fish = pitvisch; —-fly = paardebijter, waterjuffer; —’s-head = drakenkop (plant); klimmende knoop (Astron.); —-tree = drakenbloedboom; —et = kleine draak.

Dragonnade, dragəneid, dragonade (onder Lodewijk XIV en XV); — verb. onderdrukken met behulp van troepen; Dragoon, drəgûn, subst. dragonder; — verb. door dragonades onderwerpen, plagen, négeren, vervolgen: The military vice of —ing is unsuited to civic life = van “donderen”.

Drain, drein, subst. verlaat, sluis, greppel, riool, slokje; — verb. draineeren of droogleggen, rioleeren, laten leegloopen, onttrekken, uitputten, uitdrinken, filtreeren, wegvloeien: That is a heavy — on my purse = dat kost veel geld; —s = korrels uit de brouwerskuip; —able = wat gedraineerd kan worden; —age, dreinidž, drooglegging, waterafvoer, het drooggelegde land; —(age)-pipe = draineerbuis; —er = vergiet, schep; —ing-engine = pompmachine (voor waterafvoer); —(ing)-tiles = draineerpannen; —ing-well = zinkput; afvoerput.

Drake, dreik, woerd: —-stone = steentje, om over het water te keilen.

Dram, dram, subst. drachme (60 greinen of ⅛ van een ounce), kleine hoeveelheid, slokje, borreltje; — verb. zich aan het gebruik van sterken drank overgeven, trakteeren: Not a — = geen zier; —-drinker = borrelaar; —shop = kroeg.

Drama, drâmə, drama; —tic, drəmatik, dramatisch: The — speed of a railway-train = de werkelijke snelheid van een trein; Thrown —tically together = bont doorééngeworpen; Dramatis Personae, dramətis pɐ̂sounî = handelende personen; Dramatist = tooneelschrijver; The dramatization of a novel = het omwerken tot een tooneelstuk (The novel was dramatized); Dramaturgist = dramaturg; Dramaturgy = tooneelschrijfkunst.

Drape, dreip, drapeeren, bekleeden, hullen in; —r = lakenhandelaar: The —rs’ Company = een der twaalf groote Londensche gilden; —ry = lakenfabricage, lakenhandel; lakensche goederen; drapeering, draperie; — verb. drapeeren.

Drastic, drastik, subst. en adj. krachtig werkend(middel).

Drat, drat: — the boys = die “duivelsche” jongens.

Draught, drâft, subst. trek, span, trektouw, slok, vangst, teug, drankje; tocht, zuiging, trek, luchtstroom; schets, eerste ontwerp, klad; het spannen van een boog; detachement, diepgang; wissel; —s = damspel; — verb. ontwerpen, concipieeren: At a — = in één teug; A boat with a light — = met geringen diepgang; Ale on — = bier van het vat; — and bottled ale = bier van ’t vat en op flesschen; —-animals = trekdieren; —-board = dambord; —-dog = trekhond; —-hole = trekgat (voor smeltovens, etc.); —-ox = trekos; —-screen = tochtscherm; —sman = teekenaar; —y = tochtig.

Draw, drô, subst. trek, haal, vangst, successtuk, getrokken lot, beweegbaar deel van eene brug, voelhoren, onbeslist spel; — verb. trekken, uithalen, sleepen; optrekken, terugtrekken, maken, aantrekken, wekken, ontlokken, inzuigen, slaken, aftappen, vergieten, langzaam bewegen, rekken, uittrekken, uitstrekken; teekenen, schetsen, malen; leiden (door zedelijken invloed), overhalen; diepgang hebben: The — of the concerts was immense = trokken ontzaglijk veel menschen; She was a sure — = trok veel menschen; The game ended in a — = bleef onbeslist; To — a bead upon = mikken op; To — blood = een bloedende schram of wonde veroorzaken; To — bridle = stilhouden; To — a covert = het wild opsporen en uit zijn schuilplaats jagen; To — a curtain = dicht trekken; To — a fox = doen ‘uitvaren’; To — a letter = opstellen; To — the long bow = met spek schieten; To — a man = door list (vleierij) aan ’t praten krijgen; — it mild = maak ’t niet te erg; To — money = trekken, opnemen; To — a parallel; He —s a straight furrow = hij is een eerlijke kerel (Amer.); What water do you — = hoe diep ligt gij? The ship —s twenty feet (of water) = heeft een diepgang van; To — along = voorttrekken; To — back = zich terugtrekken, achteruit wijken; To — forth = uittrekken, ontlokken; To — in = intrekken, aantrekken, inkrimpen, invallen, iemand bewegen of verlokken tot iets: The evenings are —ing in = de dagen worden langer; The time —s near = nadert; His negligence drew on much danger = veroorzaakte; Your confidence will be able to — him out = zal hem voor zijne gevoelens doen uitkomen; I led off on that subject to — out my guest = om mijn gast aan ’t praten te krijgen; They don’t — well together = harmoniëeren niet; They were —ing together = er ontstond toenadering; A report was —n up = opgesteld; To — up a scheme = een plan maken; The coachman drew up instantly = hield dadelijk stil; He drew upon me as often as he had a chance = hij trok een wissel op mij, maakte gebruik van mij (mijn geld, mijn tijd, mijne krachten, enz.); The train drew up at the station = hield stil voor; The soldier drew himself up = nam de militaire houding aan, zette zich in postuur; The troops were —n up in array of battle = opgesteld in slagorde; She —s kindly with him = harmoniëert goed; —back, drôbak, schaduwzijde, nadeel, bezwaar; teruggave van betaalde rechten, uitvoerpremie: Being young is a — which disappears in time = een gebrek; The —back is, that - - = er is tegen, dat...; —-bar, drôbâ, koppelstang; —-bridge, drôbridž, ophaalbrug; —-gear, drôgîə, tuig; koppeling; koppelstang; —-net, drônet, vogelnet; —-plate, drôpleit, stalen plaat met conische gaatjes, waardoor metaaldraad wordt getrokken om het te verdunnen of te rekken; —-well, drô-wel, put met ketting; —ee, drô-î, hij op wien een wissel getrokken wordt; —er = trekker, putter, tapper, trekdier, lade: A pair of —s = onderbroek; Bathing-—s = zwembroek; Chest of —s = latafel; Drawing, drôiŋ, trekking, trekken, teekenen, teekening, ontvangst: Out of — = slecht geteekend; —-board = teekenplank; —-book; —-chalk; —-knife = polijststaal; snijmes; —-master = teekenleeraar; —-paper; —-pen = trekpen; —-pin = punaise, stiftje; —-room = salon, ontvangzaal: The Queen’s —-room = de receptie voor dames en heeren in Buckingham-Palace; I feel —n to that conclusion = voel mij getrokken tot: A —n battle (game) = onbeslist; —n butter = gewelde; A —n fowl = schoongemaakte vogel; A —n and wrinkled face = strak.

Drawcansir, drôkansə, bluffer, snoevende grootspreker (genoemd naar een persoon in Buckingham’s Rehearsal).

Drawl, drôl, subst. temerige spraak; — verb. temerig spreken; adj. —y.

Dray(-cart), drei(kât), sleeperswagen; —-horse; —man = sleeper; —age = gebruik en huur van een dray.

Dread, dred, subst. vrees, schrik, ontzag; adj. gevreesd, verschrikkelijk, ontzagwekkend; — verb. vreezen, duchten: —nought, drednôt, durfal, groot pantserschip, dikke duffel(sche jas); —ful = vreeselijk, ontzagwekkend: Penny —s = goedkoope sensatieromans; subst. —fulness; —less = onbevreesd; subst. —lessness.

Dream, drîm, subst. droom; — verb. droomen, in een droom zien, zich verbeelden: —s go by contraries = komen altijd anders uit; He —s away his life = hij verbeuzelt zijn leven; —er = droomer; —y = droomerig.

Drear, drîə, verlaten, woest, somber; akelig, treurig; vervelend; subst. —iness; —y = Drear.

Dredge, dredž, subst. dreg, sleepnet, baggermachine; mengsel van haver en gerst; — verb. met eene dreg of een sleepnet ophalen, uitbaggeren; meel strooien op; —r = dregger, oestervisscher, baggermachine; strooibus; Dredging: —box = strooibus; —-machine = baggermolen.

Dree, drî, dulden: To — one’s weird = zich schikken in zijn lot.

Dregginess, dreginəs, troebelheid, droesem; Dreggish = troebel, onrein; Dregs, dregz, grondsel, droesem, uitschot, janhagel, schuim: To the — = ten bodem toe.

Drench, drenš, doorweeken, doornat maken, verzadigen (met drank of vocht), een drank toedienen; drenken; subst. drank (v. dieren): Christ was —ed with vinegar; —er = plasregen.

Dresden, drezd’n, dreizd’n: — china, —-ware = Meisz(e)ner porselein.

Dress, dres, subst. kleed, kleeding, kleederen, japon; — verb. kleeden, richten, klaar maken, bereiden, verbinden, in orde brengen, appreteeren, besnoeien, braken, garneeren, opstrijken, bekappen, roskammen, kappen, versieren (out), africhten, mores leeren, zich kleeden: Full — = groot tenu, officieel kleed; High (Low) — = hooge (laag uitgesneden) japon; Halt, —! = Sectie halt! Richt u!; The ships were —ed = met vlaggen getooid; The shops were beautifully —ed = waren mooi uitgestald; —ed to death = vreeselijk opgeschikt; To — up = uitdossen, kostumeeren; —-ball = galabal; —-box = loge avant-scène; —-circle = die rangen van den schouwburg waar het publiek in rok, of gedecolleteerd is; —-coat = rok; —-improver = tournure; —-jacket = ‘smoking’; —maker = naaister; —-shield = sousbras; —-stand = costuumpop; —-suit = rok, enz.; —-sword = galadegen; —-vest = ‘smoking’ (Amer.); —er = aanrechtbank of -tafel, dressoir, kast; aankleeder; Dressing = kleeding, verband, mest, opvulsel (van vogels, enz.), appretuur, enz.; —-case = toilet- of kapdoos, verbandkistje; —-gown = kamerjapon, morgenjapon (voor dames), peignoir; —-room = kleedkamer; —-station = plaats om gewonden te verbinden; —-table = toilettafel; Dressy = pronkziek; fraai gekleed, chic.

Drew, drû, P. Imp. v. To draw.

Dribble, drib’l, druppelen, kwijlen, beuzelen, laten druppelen, bekwijlen, zachtjes vooruit schoppen: Driblet = brokje, brokstukje, kleine som, klein troepje.

Drift, drift, wat gedreven (of bijeengedreven) wordt door wind, water, ijs, enz.; hoop (sneeuw, b.v.), drijfkracht, loop, gang, doel, beteekenis, voornemen, strekking, drift (zeeterm), ruimnaald, horizontale mijngang, doorwaadbare plaats; — verb. drijven (uit den koers), saamgedreven of (voort)gedreven worden, zich ophoopen, een doorgang in een mijn maken: The — of a current = richting en snelheid van een stroom; He —ed about = zwierf rond; He —ed into practice = kreeg zachtjes aan praktijk; —-ice = drijfijs; —-sand = stuifzand; —-wood = drijf- of wrakhout; —age, driftidž, afdrijving (van een schip); —less = doelloos.

Drill, dril, subst. (dril)boor, een soort zaaimachine, exercitie, dril (= —ling): — verb. doorboren, boren, drillen, exerceeren, graan in rijen zaaien: To be at — = aan het exerceeren: —-bow = drilboog; —-ground exercitieveld; —-harrow = fijne egge; —-master = drilmeester, gymnastiekleeraar; —-sergeant = sergeant-instructeur.

Drily, draili, droogjes, leuk.

Drink, driŋk, subst. teug, drank, borrel; — verb. drinken, zich goed laten drinken, begeerig in zich opnemen: To be in — (= The worse for —) = dronken; That brute of a fellow is always on the — and gamble = aan ’t zuipen en dobbelen; To — deep = sterk drinken; To — like a fish = als een tempelier; He took to —(ing) = raakte aan den drank; You cannot — him down = onder de tafel drinken; — off your glass = drink eens uit; The guinea was drunk out = verdronken; I — to the bride and bridegroom = drink op; I’ll — (to) your health = (op) uwe gezondheid; —-money = drinkgeld, fooi; —offering = plengoffer; —able, drinkbaar; drank; —er = Hard —er = drinkebroer; —ing-bout = slemp- of zuippartij: —ing-fountain = drinkfontein; —ing-house = kroeg, bierhuis; —ing-song = drinklied.

Drip, drip, subst. neervallen in druppels, dakkant, goot; — verb. druppelen, laten druppelen: The —ping air of the twilight = de met waterdeelen bezwangerde avondlucht; The —ping(s) of the meat = het van aan ’t spit gebraden vleesch afdruppelend vet (dit wordt opgevangen in de —ping-pan); —ping-caves = benedenste dakrand.

Drive, draiv, ritje, oprijlaan, rijweg, drift (vee), opdrijven (v. wild), krachtige slag: (The — Zie Rotten Row); — verb. drijven, voortdrijven, voortstormen, jagen, doelen op, slaan naar, ijverig werken, rijden, mennen, inslaan, aandrijven tot: Let —, boys! = slaat er duchtig op, jongens! To — a good bargain = een voordeeligen koop sluiten; You are driving a hard bargain = gij laat ook niets vallen; To — a trade in = handeldrijven in; They drove the river = zij stuurden het vlot, etc. de rivier af; To — away = wegrijden, verdrijven, er op los gaan; I did not know what he was driving at = waar hij heen wou (fig.); The enemies were driven in = genoodzaakt te retireeren; They were driven off = teruggedreven; The carriages drove off = reden weg; —-way = drijfpad voor vee, rijweg; —r = koetsier, voerman, veedrijver, machinist, rijder, de play-club bij het golf-spel; blankofficier, uitzuiger, drijfrad; Driving: —-band = drijfriem; —-box = bok; —-gear = drijfwerk; —-glove; —-park = renbaan (Am.); —-wheel = drijfrad, voorrad van een fiets; —-whip = zweep.

Drivel, driv’l, subst. speeksel, kwijl, gewauwel; — verb. wauwelen, suffen; kwijlen; —ler = kwijler, suffer, dwaas, halfwijze.

Driven, driv’n, part. perf. van to drive.

Drizzle, driz’l, subst. stof- of motregen; — verb. mot- of stofregenen, in fijne deeltjes neervallen; Drizzly = stof- - -.

Drogheda, drogidə; Droitwich, drôitidž.

Droll, droul, subst. grappenmaker, snaak; adj. snaaksch, grappig; — verb, grappig zijn, grappen maken; —ery = snakerij; —y = grappig.

Dromedary, drɐməd’ri, dromedaris.

Dromio, droumiou.

Drone, droun, subst. hommel, luiaard; gebrom, gegons, geneurie, baspijp (v. een doedelzak); — verb, gonzen, brommen, opdreunen, luieren: The monotonous — of the wheel = gesnor; He —d out a little song = hij neuriede een liedje; —-bee = mannetjesbij; luilak; —-fly = bromvlieg; —-pipe = baspijp; Dronish = lui; subst. —ness.

Drool, drûl, kwijlen; druipen.

Droop, drûp, neerhangen, versmachten, kwijnen, zinken, dalen, laten hangen; —ing-willow = treurwilg.

Drop, drop, subst. droppel, kleine hoeveelheid, oorknopje, bonbon, daling, valluik, valdeur, tooneelscherm of gordijn (ook het vallen daarvan), drupsje; — verb, druppelen, druipen, vallen, ophouden met, zich laten vallen, verliezen, (jongen) werpen, uitlaten, ter zijde leggen, opgeven, enz.: Kendal Black — = laudanum; A library — = het stel schermen, dat een bibliotheek voorstelt; It was a great —, a fall from the stars to the mire = een diepe val; To get the — on = den vinger tijdig (eerder dan een tegenstander) aan den trekker hebben (Amer.); He likes a — = houdt van een borrel; —s = droppels, borreltje, prisma’s aan een luchter; bonbons: He is fond of his —s = houdt van een borrel; The bear fell down some ten feet of — = viel zoowat tien voet naar beneden; To — anchor; To — a bill = een wetsontwerp terugnemen; — me a line = schrijf me een lettertje; Let us — the official = het officieele laten varen; He —ped me a post-card = zond mij eene briefkaart; We shall — Sicily, and return by Marseilles = niet aandoen; He —ped his voice to a whisper = liet dalen: I never —ped a word on the subject = ik heb er nooit over gesproken; The conversation halted, then —ped = stokte, en hield toen op; To — asleep = in slaap vallen; The steamer —ped astern = zakte, bleef achter; We —ped past a steamer = dreven langzaam langs; We —ped down the river = zakten de rivier af; Where did you — from = waar ben je zoo ineens vandaan gekomen; I will — in one of these days = wel eens aanloopen; He —ped into his place = nam zijne plaats in; After dinner I —ped off (to sleep) = viel ik ongemerkt in slaap; To — on = uitvaren tegen, afsnauwen; —-curtain (= —scene), Zie Act-drop; —letter = brief, geadresseerd aan iemand in dezelfde wijk (Amer.); —-shutter = schuif met veer voor phot. instant.; —stone = druipsteen; The —ping of doors = zakken; A —ping fire = ongeregeld aanhoudend geweervuur; Some —ping cases of typhoid = alleenstaande en onverwachte; —ping-bottle (-tube) = druppel-fleschje; —pings = excrementen, mest.

Dropsical, dropsik’l, waterzuchtig, gezwollen = Dropsied; Dropsy, dropsi, waterzucht.

Dros(h)ky, droski, vierwielig rijtuig (Rusl.).

Dross, dros, droesem, slakken of schuim (van metalen), afval: — of iron = hamerslag; Drossiness = onreinheid, vuil; —y = vol droesem of slakken, waardeloos.

Drought, draut, droogte, dorheid; adj. —y; Drouth, drauth = Drought.

Drove, drouv, P. Imp. van to drive; subst. kudde (groot of klein vee); drom, hoop, drijfpad (voor vee, etc.), buis of nauwe greppel voor besproeiing; —r = veedrijver, veekooper.

Drown, draun, (doen) verdrinken (= To be —ed), onder water zetten, uitdooven, onderdrukken, overschreeuwen, overstelpen, smoren: While intending to — his dog, he himself was —ed = verdronk hij zelf; We were in danger of —ing = gevaar te verdrinken.

Drowse, drauz, subst. dutje; — verb. dommelen, slaperig zijn; Drowsiness = slaperigheid; A drowsy-headed fellow = slaapkop, sufkop.

Drub, drɐb, subst. slag, stoot; — verb. slaan, trommelen (met de vingers op), ranselen: You have brought me many —bings = veel ransel bezorgd.

Drudge, drɐdž, subst. werkezel, slaaf, duivelstoejager, groote hark; — verb. slaven, zich afsloven, hard werken, zwoegen; —ry = zware arbeid, verachtelijk werk.

Drug, drɐg, subst. drogerij, kruid, narcotisch middel, onverkoopbaar artikel; — verb. vermengen met kruiden, bedwelmen, (te veel) medicijnen voorschrijven of gebruiken: Such things are a — in the labour market = zijn niets waard, en brengen dus niets op; —gist, drogist; apotheker (Amer.).

Drugget, drɐgət, droget; morskleed, stofkleed (laken), tafelkleed.

Druid, drûid, druïde; vr. —ess; adj. Druidic(al); —ism = dienst of leer der druïden.

Drum, drɐm, trom, trommelvlies, mat (vijgen), trommelvisch; zuilsteen, groote avondpartij; — verb. trommelen, hard kloppen (van het hart), bijeentrommelen, werven; — of the ear = trommelvlies; The soldier was —med out = werd voor het front der troepen weggejaagd; A — and trumpet spirit = oorlogzuchtige geest; —-head = trommelvel; top van een kaapstander; soort v. kool: At a —-head = op staanden voet; —-major = tamboermajoor; —-stick = trommelstok; boutje van een kip of eend; —mer = trommelslager, handelsreiziger.

Drumble, drɐmb’l, luilakken, luilak.

Drunk, drɐŋk, dronken: Ever —, ever dry = hoe meer je drinkt, hoe dorstiger je wordt; To be —; To get — = dronken worden; —ard = dronkaard; —en = dronken, drankzuchtig, dronkemans - -; subst. —enness.

Drupacious, drupeišəs, adj. v. Drupe, drûp, steenvrucht.

Drury, drûri: — Lane.

Druse, drûs, een korst van kristallen in een grot; een grot waarin dat voorkomt.

Druses, drûziz, volk en secte in Syrië.

Dry, drai, adj. droog, dor (ook fig.), droog, niet zoet, dorstig, sarcastisch; — verb. drogen, (laten) verdrogen, verdorren, van dorst versmachten: A — blow = een flinke opstopper; A — old file = droog komiek; —-wine = belegen (niet zoet); Madera — = belegen, niet zoet meer; The conversation dried up = hield op (door gebrek aan stof); He had dried up their souls by his story = opgevroolijkt (Amer.); He dried up again = verviel weer tot stilzwijgen; —-as-dust = droog, saai; droog kamergeleerde; —-beaten = flink afgeranseld; He is a —-bob = jongen te Eton, die niet aan roeien doet maar wel aan andere sport, tegenover wet-bob; —-boned = knokig; —-dock = droogdok; —-eyed = met droge oogen; —-foot = droogvoets; het wild opsporen door de ‘lucht’ van de pooten (vergl. To draw —-foot); hond hierbij gebruikt; —-goods = manufacturen; —-measure = maat voor droge waren; —-nurse = baker, min; inferieur die een superieur officier terecht helpt; — verb. met de flesch grootbrengen, voor dry-nurse spelen; —-point = punteerijzer; —-rot = vermolmde toestand van hout; de zwam, die dit veroorzaakt: He talks a lot of — = hij kletst heel wat af; —-rub = droogschuren; —salt = zouten en drogen; —salter = koopman in drogerijen en verfwaren, soms in comestibles; —-shod = droogvoets; —-stove = broeikas (—ing-stove = droogoven); —ing-lines = drooglijnen; —ly = droog(jes) = Drily.

Dryad, draiad, dryade.

Dual, djûəl, uit twee bestaande; dualis: The — alliance = het tweevoudig verbond; —ism = dualisme; —ist = dualist; adj. Dualistic; Duality = tweevoudigheid.

Duan, djûən, zang (van een gedicht).

Dub, dɐb, subst. tik, trommelslag; — verb. tot ridder slaan, titel of naam geven; zachtmaken, bereiden, beknippen, besnoeien, een kort en dof geluid maken: — a — = rataplan; We —bed him Charlie = noemden; The cock was —bed = de kam en de lellen afgesneden, d.i. voor ’t (hanen)gevecht klaar gemaakt; To — cloth = appreteeren; —bing = mengsel van traan en talk om leer zacht te maken.

Dubash, dûbaš, Indische tolk.

Dubiety, djubaiiti, onzekerheid; Dubious, djûbjəs, twijfelachtig, onzeker, weifelend, dubbelzinnig; subst. —ness; Dubitable = twijfelachtig, onzeker.

Dublin, dɐblin.

Ducal, djûk’l, hertogelijk, hertogs—.

Ducat, dɐkət, dukaat (gouden ± ƒ 5,70; zilveren ± ƒ 2,20); —oon, dɐkətûn, dukaton (ongeveer ƒ 3,20).

Duchess, dɐtšəs, hertogin; Duchy, dɐtši, hertogdom.

Duck, dɐk, subst. eend, grof linnen, dun zeildoek, tentdoek, knik, buiging; lieveling; — verb. duiken, onderduiken, (zich) bukken, buigen, kruipen: A lame — = iemand, die niet aan zijn financieele verplichtingen kan voldoen; —’s egg = 0 (Cricket); The boys were making (playing) —s and drakes = keilden steentjes over het water; He makes —s and drakes of his money = gooit zijn geld weg; —s = grof linnen matrozenbroek of kleeding; A —-billed bird = vogel met eendenbek; —-meat (—’s-meat, —-weed) = eendenkroos; —-pond = eendenvijver, (schertsend) de Atlantische Oceaan (Amer.); —er = kruiper; zeeduiker, waterspreeuw; —ing = onderdanig; eendenjacht, nat pak: —ing-gun = eendenroer; —ing-stool = stoel ter onderdompeling als strafoefening; —ling = jonge eend; —y = snoes.

Duct, dɐkt, leiding, buis; —ile, dɐkt(a)il, leidzaam, handelbaar, toegevend, rekbaar; subst. Ductility.

Dudder, dɐdə, trillen, beven, verdooven, verwarren.

Dude, d(j)ûd, fat, “gigerle” (Amer.).

Dudeen, djudîn, Iersch neuswarmertje (pijp).

Dudgeon, dɐdž’n, korte dolk, dolkgevest; verontwaardiging, toorn: She left in (high) — = ging (zéér) boos weg; She broiled my bacon into — = verknoeide.

Duds, dɐdz, oude kleeren, vodden, spulletjes.

Due, djû, subst. schuld, plicht, recht, eisch, aanspraak, rechten en leges (de laatste twee steeds —s); adj. en adv. schuldig, verschuldigd, vervallen, behoorlijk, gepast, vlak: That is my — = dat komt mij toe; Give every man his — = geef ieder het zijne; I had been — at my office for an hour = had al een uur op het kantoor moeten zijn; The train is — at 7 = moet aankomen; The debt (becomes, falls) — on the twentieth = vervalt op; The post is — out = de post vertrekt; In — course = op zijn tijd; He came in — time = juist op tijd; — east = vlak oost; —-bill = promesse; —ness = gepastheid.

Duel, djû’l, subst. duel; — verb. duelleeren; —list = duellant.

Duen(n)a, djuenə, oudere dame, die eene jonge begeleidt (Spanje); —ship = het ambt van D.

Duet, djuet, Duetto, djuetou, duet: To play —s = quatre-mains; Duet(t)ino, djûətînou, kort duet.

Duff, dɐf, zakkoek.

Duffadar, dɐfadâ, politieagent, onderofficier (Br. Ind.).

Duffel, dɐf’l, duffel.

Duffer, dɐfə, marskramer, bedrieger, sufkop, brekebeen, domoor; valsch geldstuk: He is but a flat — = een echte sufkous.

Duffle, dɐf’l = Duffel.

Dug, dɐg, P. Imp. v. To Dig: —-out = boomkano, uitgegraven woning (Amer.).

Dug, dɐg, tepel of uier.

Duke, djûk, hertog; —dom = hertogdom.

Dulcamara, dɐlkəmârə, bitterzoet.

Dulcet, dɐlsit, zoet, liefelijk; Dulcification = zoetmaking; Dulcifluous = zoetvloeiend; Dulcify, dɐlsifai, zoet maken.

Dulcimer, dɐlsimə, ouderwetsch snaarinstrument, met roedjes bespeeld.

Dulcine, dɐlsin, Dulcose, dɐlkous, gekristall. zoete zelfstand. uit de Dulcit-manna van Madagascar.

Dull, dɐl, adj. dom, suf, bot, slaperig, loom, zeurig, vervelend, stil, saai, dof, stomp, stroef, ongevoelig, bewolkt; — verb. dof (bot, stom, traag, donker, blind) maken, versuffen, stil worden, afstompen, mat worden, bewolken, verdooven: A — market = slappe; — of hearing = hardhoorig; — of sale = traag (van de hand); —-brained = stomp, traag (van hersens); —-browed = somber uitziend; —-disposed = somber gestemd; —-eyed = zwak van gezicht, suf kijkend; —-sighted = slecht van gezicht; —-tempered steel = dof staal; —-witted = dom, sufferig; —ard, dɐləd = domkop, botterik; —ish = sufferig; Dul(l)ness = sufheid, enz., slapte in zaken.

Dulse, dɐls, roodwier.

Dulwich, dɐlidž.

Duly, djûli, behoorlijk, regelrecht, stipt.

Dumb, dɐm, adj. stom, sprakeloos: It has struck me — = het heeft mij de spraak benomen; —-bells = halters (bij de gymnastiek); —-cake, gebak, door meisjes zwijgend gebakken (24 April), om haar toekomstigen man te ontdekken; —-show = pantomime; —-waiter = dientafeltje, stommeknecht.

Dumbarton, dɐmbât’n.

Dumbledore, dɐmb’ldö, hommel, meikever.

Dumbfound, dɐmfound, den mond snoeren, verplet doen staan.

Dumfries, dɐmfrîz.

Dumdum, dɐmdɐm, stad met munitiefabriek bij Calcutta: — bullets.

Dummy, dɐmi, subst. stomme, iets nagemaakts (pop, leege kist of flesch), patroon (bij exercitie), blinde (bij het kaartspel), figurant; persijzer; adj. nagemaakt: Most of these doors are dummies = blinde deuren; He is not a man, he is a — = pop; Double — = whist met twee personen.

Dump, dɐmp, plof, smak, somberheid, slechtgeluimdheid (meest —s: I am in the —s = somber gestemd); — verb. neergooien, ledigen, hydraulisch persen, neerploffen (Amer.); —ing-cart = stortkar; —ing-ground = vuilnisbelt (ook fig.); —ish = verdrietig; subst. —ishness; —(t)y = kort en dik, verdrietig.

Dumpling, dɐmpliŋ, appelbol, knoedel.

Dun, dɐn, subst. lastige schuldeischer, dringende maanbrief, aardwerk; adj. dofbruin, somber; — verb. onophoudelijk manen; visch inzouten op een bijzondere manier zoodat ze een bruine kleur krijgt; —-fish = bruine gezouten kabeljauw; —-fly = kunstvlieg om mede te hengelen.

Dunbar, dɐnbâ; Duncan, dɐŋk’n.

Dunce, dɐns, ezel, domkop.

Dundalk, dɐndôk; Dundas, dɐndas; Dundee, dɐndî.

Dunderhead(ed), dɐndəhed(id), Dunderpate, dɐndəpeit, subst. domkop; adj. dom.

Dundonald, dɐndonəld; Dundreary, dɐndrîri, banjer; Dunedin, dɐned’n.

Dune, djûn, duin.

Dunfermline, dɐnf(ɐ̂m)lin.

Dung, dɐŋ, subst. mest, drek; — verb. bemesten; —-beetle = mestkever; —hill, subst. mesthoop, vuil hok; adj. laag, gemeen.

Dungaree, dɐngərî, grove (blauwe) katoenen stof.

Dungarvan, dɐngâv’n; Dungeness, dɐnžənes.

Dungeon, dɐnž’n, subst. kerker; — verb. inkerkeren.

Dungy, dɐŋgi, drekkig, vuil.

Dunkeld, dɐnkeld; Dunkirk, dɐnkɐ̂k, Duinkerken.

Dunlop, dɐnləp, Dunlop; —-tyre = fietsband (naar den uitvinder genoemd); vette kaas (Schotl.).

Dunmow, dɐnmou: — flitch = zijde spek vroeger te D. vereerd aan paren, die bezwoeren een jaar en een dag na het huwelijk geen ruzie te hebben gehad.

Dunnage, dɐnidž, stuwhout; bagage, kleeren; — verb. stuwen.

Dunnish, dɐniš, dof bruinachtig.

Dunnock, dɐnək, bastaard nachtegaal.

Dunsinane, dɐnsinən, dɐnsinein; Dunwich, dɐnidž.

Duodecimo, djûoudesimou, subst. een boek in duodecimo (formaat); adj. duodecimo (twaalf bladen of 24 bladzijden in een vel).

Duologue, djûəlog, tooneelstukje met zang voor eene dame en een heer.

Dupable, djûpəb’l, lichtgeloovig; Dupe, djûp, subst. bedrogene, iemand die gemakkelijk bedrogen wordt; — verb. bedriegen; —ry = bedriegerij.

Duplicate, djûplikit, subst. afschrift, duplicaat; adj. dubbel, tweevoudig; — verb. (djûplikeit) verdubbelen, een afschrift maken; subst. Duplication; Duplicature = vouw; Duplicity, djuplisiti, bedrog, huichelarij.

Durability, djurəbiliti, duurzaamheid; Durable, djûrəb’l, duurzaam.

Dura mater, dûrəmeitə, buitenste harde hersenvlies.

Duramen, djureim’n, kernhout.

Durance, djûrəns, gevangenschap, ontbering = — vile.

Duration, djureiš’n, duur.

Durban, dɐ̂ban, dɐ̂b’n.

Durbar, dâbâ, audientie-zaal of receptie van een Brit. Ind. vorst; gala-receptie van den Viceroy.

Duress, djures, djûrəs, subst. dwang, gevangenschap, vrijheidsbeneming: To be under —.

Durga, dɐ̂gə, godin (der Hindoes), vrouw van Siva.

Durham, dɐr’m.

Durian, djûriən, durîən, doerian (vruchtenboom).

During, djûriŋ, gedurende.

Durst, dɐ̂st, imperf. van to dare.

Dusk, dɐsk, subst. schemering, duisterheid: At (In) the — of the evening; —iness = donkere kleur; droefheid; —ish = ietwat donker; —y = somber, donker, droevig.

Dust, dɐst, subst. stof, aarde, vuilnis, verwarring, beroering, geld; — verb. afstoffen, bestuiven: In — and ashes = in zak en assche; The enemies bit the — = beten in ’t stof; To kick up (make, raise) a — spektakel maken; The rain has laid the — = het stof neergeslagen; To throw — in (into) a person’s eyes = zand in de oogen strooien; It was turned to — and ashes = werd waardeloos; I will — your jacket = je een pak ransel geven; —-bin = aschvat; —-cloak = stofjas, stofmantel; —-contractor = aannemer van het straatvuilnis; —-hole = aschhok; —man = vuilnisman, aschman: The —man = Klaas Vaak; —-pan = blik; —-sheet = stoflaken; —-speck = stofje; —er = stofdoek, borstel; —iness = stoffigheid; —y = stoffig, stormig: Well it’s not so — = kom, zoo erg is het niet.

Dutch, dɐtš, Hollandsch, Nederlandsch: The — = de Nederlanders; Double — = koeterwaalsch; That beats the — = dat is ongelooflijk (Amer.); — auction = verkooping bij afslag; — blue = lakmoes; — cheese = Edammer kaas; — clinkers = gele klinkersteenen; — clock = Schwarzwalder klok; — concert = waarbij allen tegelijk een verschillend lied zingen; kikkergekwaak; — courage = jenevermoed; — disease = scheurbuik; — drops = terpentijnbalsem; — gold (metal) = klatergoud, bladgoud; —man = Nederlander: If it is not true, I’m a —man = laat ik me hangen; — oven = kleine oven; — stairs = huistrap; — tiles = haardsteentjes; — toys = Neurenberger speelgoed; — treat = partijtje (uitstapje) waarbij ieder voor zich zelf betaalt; — uncle: To talk like a — uncle = een strafpredikatie houden.

Dutiable, djûtiəb’l, aan invoerrechten onderhevig.

Dutiful, djûtiful, eerbiedig, gehoorzaam; subst. —ness; Duty, djûti, plicht, gehoorzaamheid, dienst; belasting, accijnzen, in- en uitvoerrechten: When will he enter upon his duties = zijn ambt aanvaarden? You are in — bound to go there = verplicht; (Up)on —, off — = in dienst (op wacht), vrij; Succession — (duties) = successie-rechten; —-free = vrij van belasting.

Duumvir, djuɐmvə, duümvir (mv. —s of Duumviri, djuɐmvirai); —ate = duümviraat.

Dux, dɐks, leider, primus (op school).

Dwarf, dwöf, subst. dwerg; — verb. den groei belemmeren, klein doen lijken, klein blijven: Famine has —ed the race = in forschheid achteruit doen gaan; —-wall = grondmuur.

Dwell, dwel, wonen, verblijven, (lang) stilstaan bij, hangen aan: I shall not — any longer on this subject = blijven stilstaan; Her eye dwelt on her child = rustte vol teederheid op; —er = bewoner; —ing = woning; —ing-house; —ing-place.

Dwindle, dwind’l, minder worden, achteruitgaan, inkrimpen, afnemen.

Dyak, daiak, Dajakker.

Dye, dai, subst. kleur, tint, verfstof; — verb. verven (van stoffen): A villain of a first-class — = schurk van ’t ergste soort = of the blackest —; Deeply —d criminal = doortrapte; —-house = ververij; —-stuff = verfstof; —-wood = verfhout; Red —-wood = fernambukhout; —r = stoffenverver.

Dying, daiiŋ, stervend, wegstervend, uitgaand, brandend van verlangen; subst. stervenden, sterven: To be in a — condition = op sterven liggen; —-bed = sterfbed. Zie Die.

Dyke, daik = Dike.

Dynamic(al), d(a)inamik(’l), dynamisch; Dynamics, d(a)inamiks, dynamica.

Dynamitard, d(a)inəmitâd, anarchist van de daad (= Dy(n)amiter); Dynamite, d(a)inəmait, subst. dynamiet: — explosions = dynamietontploffingen.

Dynamo, d(a)inəmou, dynamo; Dynamometer, d(a)inəmomətə, dynamometer.

Dynasty, d(a)inəsti, dynastie; adj. Dynastic.

Dysart, daizət, dizât.

Dysenteric, dis’nterik, dysenterisch; Dysentery, dis’ntəri, dysenterie.

Dyspepsia, dispepšə, Dyspepsy, dispepsi, dispepsi, slechte spijsvertering; Dispeptic = dispeptisch.

Dyspnoea, dispnîə, moeilijke ademhaling.

E.

E, î, verkorting voor East (als E. N. E. = Oost Noord Oost); als telwoord = 250; Ea(ch); E. C. = Eastern Central (postdistrict in Londen) of: Established Church; Eccl(esiastes); Ed(itor); E. G. (Exempli gratia) = bij voorbeeld; Edin(burgh); E(ast) I(ndies); E(ast) I(ndia) Co(mpany); Eliz(abeth); Eng(lish); Epis(copal); Equiv(alent); Et Seq(uentia) = en de volgenden; Etym(ology); Ex(ample); E. &. O. E. = Errors and Omissions excepted; Esq. Esqre (Esquire) = WelEdelgeb. Heer; Etc. (Etcaetera) = enzoovoort; Excy (Excellency) = Excellentie; E sharp = Eis (muziek); E flat = Es (muziek).

Each, îtš, subst. en adj. elk: — other = elkander.

Eager, îgə, vurig, ongeduldig, gretig, begeerig, scherp; subst. —ness.

Eagle, îg’l, arend, adelaar, gouden munt van 10 dollars (Amer.), zeker sterrenbeeld, veldteeken (Rom.), zekere lezenaar; —-eyed (= —-sighted) = met arendsoogen; —-flighted = met eene arendsvlucht; —-pinioned = met arendsvlerken = —-winged; Eaglet = jonge arend.

Eagre, îgə, eigə, springvloed.

Ear, îə, oor, gehoorzin, oplettendheid; aar; — verb. aren vormen: No — for music = geen muzikaal gehoor; I am all —, all —s = geheel gehoor; I would not say anything against him in the public — = in het openbaar; He is up to the —s (= over head and —) in debt = tot over de ooren; He has a flea in his — = is niet op zijn gemak; To send one off with a flea in his — = kort en scherp afwijzen; To be together by the —s = elkaar in ’t haar zitten; To come (go, fall) together by the —s = elkaar in ’t haar vliegen; The room fell in about our —s = viel boven ons hoofd in; It goes in at one — and comes out at the other = het ééne oor in, het andere weer uit; They knocked the idols of their youth about their —s = verachtten hen; We have set them by the —s = tegen elkander opgezet, opgehitst; This set the critics by the —s = deed ... opvliegen; He has bitten this man’s — = hem beleedigd, geërgerd; They eat their —s off = ergeren zich dood; Lend me your —s = verleen mij gehoor, luister naar mij; More is meant than meets the — = daar zit meer achter; To turn a deaf (favourable) — to = doof zijn voor (een gunstig oor leenen aan); —-ache, îreik, oorpijn; —-bob = oorknopje; —-cap = oorklep (tegen de koude); —-cockle = ziekte in de tarwe; —-deafening = oorverdoovend; —-drop(per) = oorknopje; —-drum = trommelvlies; —lap = oorlel; —-mark = merk: — verb. schapen merken; —-pick(er) = oorlepeltje; —-piercing = oorverscheurend; —-shot = gehoorsafstand: The man was within — = de man kon ons hooren; —-trumpet = spreekhoren; —-wax = oorvuil, oorsmeer; —wig, subst. oorworm; oorblazer, verklikker; — verb. gehoor verkrijgen door lasterlijk gepraat over anderen; —ed = met ooren of aren; —ing = het aren vormen; steekbout (zeeterm).

Earl, ɐ̂l, graaf; —-marshal = opperceremoniemeester; hoofd van het Court of Chivalry, erfelijk in het geslacht van de hertogen van Norfolk; —dom = rang of waardigheid v. een earl.

Early, ɐ̂li, vroeg, vroegtijdig, eerste, bijtijds, vroeg opstaand: It’s — days = wel wat spoedig; — English = het Engelsch tusschen 1250–1350; An — party = eene partij, waarbij de gasten niet laat blijven; — times = vóórhistorische tijd; — in May = in ’t begin v. Mei; As — as May = reeds in Mei; — to bed and — to rise, makes a man healthy and wealthy and wise = de morgenstond heeft goud in den mond = The — bird catches the worm; Easter fell — that year = het was een vroege Paschen.

Earn, ɐ̂n, verdienen, verkrijgen: To — a living = den kost verdienen; —ings = verdiensten.

Earnest, ɐ̂nist, adj. ernstig, vurig, ijverig, dringend; subst. ernst, vooruitzicht op, pand, onderpand, handgeld: I am in (good) — = ik meen het; This is an — of further honours = wekt gegronde verwachtingen op; I shall be — to know how the matter proceeds = ik verlang vurig om te weten; —-money = geld als borg voor de geldigheid van een gesloten koop, handgeld, godspenning; —ness = ernst, vuur, ijver, enz.

Earth, ɐ̂th, subst. aarde, grond, de wereld, vossehol; — verb. in den grond stoppen, met aarde bedekken, in den grond kruipen: He made his millions right up from the bare — = na met niets begonnen te zijn; How on — could you do it = hoe ter wereld; —-bag = zandzak; —-board = ploegzool (die de aarde omwerkt); —-bob = pier; —-born = aardsch, laaggeboren; —-bound = in de aarde bevestigd; —-bred, (—-fed) = laag, verachtelijk; —-created = uit stof geschapen; —-drake = monster, draak; —-flax = amant (soort asbest); —-hunger = begeerte naar grond- of landbezit; —-light = van de aarde op de maan teruggekaatst licht (= —-shine); —-nut = aardkastanje, aardaker; —quake = aardbeving: Blind force and violence played —quake(s) with peace and order = vernietigden; —-work = aardwerk (Mil.); —-worm = aardworm; —en = aarden; —enware = aardewerk, potten en pannen; —ling = aardbewoner, sterveling; wereldling; —ly = aardsch, stoffelijk; mogelijk, begrijpelijk; —ly-minded = aardschgezind; subst. —ly-mindedness; —y, aardsch, aard—, ruw: They are of the —y = door en door aardschgezind, wereldsch; An —y savour = grondlucht.

Ease, îz, subst. gemak, kalmte, rust, ongedwongenheid; — verb. geruststellen, verlichten, van pijn verlossen, loslaten: At — = op zijn gemak, zonder pijn; Chapel of — = hulpkerk; A lady of — = in goeden doen; To set a person at his — = iemand op zijn gemak zetten; Stand at — = op de plaats, rust! To take one’s — = het zich gemakkelijk maken; He —d my mind = stelde mij gerust: To — a screw = losser draaien; To — the screw = de schroef helpen door zeilen bij te zetten; To — a ship = wat afhouden om het stampen te voorkomen; He was —d of his pain = verlost; The rope was —d away (off) = het touw werd langzaam gevierd; The cyclists —d up = reden langzamer (om stil te houden); —ful = kalm, vreedzaam; —less = ongemakkelijk; —ment = verlichting, verzachting; recht van overgang (bijv. over eens anders land).

Easel, îz’l, schildersezel; —-picture = klein schilderijtje, paneeltje.

Easiness, îzinəs, kalmte, gemakkelijkheid, lichtzinnigheid, welwillendheid: — of belief = lichtgeloovigheid; — of mind = gemoedsrust.

East, îst, subst. Oosten; adj. oost, oostelijk: The — = het Oosten, het morgenland; de Levant; — of North = N.-Oostelijk; Bounded to the — by France = ten oosten door F. begrensd; —-end = oostzijde; armenbuurt in Londen; —-ender = bewoner van die buurt; —-India = Oost Indië (The —-Indies); —-Indiaman = Oostindievaarder; —-Indian = Oost Indisch; Oost Indiër; —erling = Oosterling, handelaar v. de Oostzeekusten; goudstuk (door Richard I in het Oosten geslagen), soort v. zwemvogel; —erly = oostelijk; —ern, adj. en adv. Oostersch, Oostelijk, naar het Oosten: —ern Empire = Oostersch Rom. Rijk; Brit. Ind.; —ern question = Oostersche; —ing = oosterende wind; —erner = bewoner der oostelijke staten (Amer.); —ward = oostelijk, oostwaarts(ch).

Easter, îstə, Paschen: —-eggs = Paascheieren; —-holidays = Paaschvacantie; — Monday = 2de Paaschdag; — Sunday.

Easy, îzi, gemakkelijk, ongedwongen, vrij van zorgen, pijn, etc., gerust, welgesteld, ondoordacht, licht te bepraten: — come, — go = zoo gewonnen, zoo geronnen; — of digestion = licht verteerbaar; — with it = kalmpjes aan! He is in — circumstances = hij is in goeden doen; I fell into — chat with him = begon een gezellig praatje met hem; You may make yourself — on that = daarop kunt gij gerust zijn; Stand —! = op de plaats rust; To take it — = rust; To — = zachter voortbewegen; —-chair = gemakstoel; He is an —-going man = hij neemt de dingen gemakkelijk op = takes things —.

Eat, ît, eten, opeten, smaken, wegvreten: These peas — very well = smaken lekker; To — dirt = zoete broodjes bakken; To — one’s terms = de jurid. colleges loopen en de 3 verplichte gezamenlijke diners bijwonen aan een der Inns of Court; To — one’s words = zijne woorden terugnemen; To — into = uitbijten; They have —en far into the pudding = een heel gat gegeten in; I’ll — my head off, if it isn’t true = mag sterven; The horses are —ing their heads off in the stables = zijn doodeters, voeren niets uit; To — one’s heart out = zich ‘opvreten’ van verveling of verdriet; A sense of his wrongs had —en him up = verteerd; —able = eetbaar: —ables and drinkables = eet- en drinkwaren; —er: A great, a poor — = een groote, kleine eter; —ing: —-house = ordinaris.

Eatanswill, ît’nzwil, opgeblazen (als de inwoners van E. in The Pickwick Papers).

Eau de Cologne, oudəkəloun, Eau de Cologne.

Eaves, îvz, vooruitspringende beneden dakrand: —drop, subst. het v. den dakrand druppelend water; — verb. afluisteren, den luistervink spelen; —dropper = luistervink.

Ebb, eb, subst. ebbe, verval; — verb. ebben, achteruitgaan, in verval geraken: — and flow, — and tide = eb en vloed; To be at an — = at a low — = aan lager wal, gedrukt; To — away = afnemen; —-tide = eb.

Ebenezer, ebənîzə, kerk, vereenigingslokaal voor Dissenters.

Eblis, eblis, duivel der Mahomedanen: Hall of — = hel.

Ebon, eb’n, van ebbenhout, donker, zwart; —ize = ebbenhoutkleurig maken; Ebony = ebbenhout: A bit of — = neger; Dealer in — = slavenhandelaar.

Ebullience, Ebulliency, ibɐlj’ns(i), subst. overkoken, overstroomen; adj. Ebullient; Ebullition, ebəliš’n, het koken, (op)borrelen, uitstorting.

Eburnean, îbɐ̂nj’n, adj. ivoren.

Ecce Homo, eksihoumou, voorstelling van Christus met de doornenkroon.

Eccentric(al), eksentrik(’l), excentrisch, excentriek, zonderling; subst. excentriek; —-rod = excentriekstang; Eccentricity = excentriciteit, zonderlingheid.

Ecclefechan, ekləfek’n.

Ecclesiastes, eklîziastîz, de Prediker (O. Test.); Ecclesiastic, eklîziastik, subst. geestelijke; adj. geestelijk, kerkelijk = Ecclesiastical: The — States = de Kerkelijke Staat.

Echinate(d), ekəneit(id), əkaineit(id), stekelig; Echinus, ikainəs, zeeëgel; egelskop (plant); eivormig ornament.

Echo, ekou, subst. echo; — verb. weerklinken, weergalmen, terugkaatsen, herhalen: The speech was cheered to the — = uitbundig toegejuicht; I —ed his sentiment = deelde zijn gevoelen; —ism = onomatopee; —meter, ekomətə, klankmeter.

Eclectic, eklektik, eclectisch, schiftend, uitkiezend; subst. eclecticus; —ism, eklektisizm = eclecticisme.

Eclipse, iklips, subst. eclips, verduistering; — verb. verduisteren; Ecliptic, ikliptik, subst. ecliptica; adj. tot den zonneweg behoorende.

Eclogue, eklog, herdersdicht.

Economic, îkənomik, ekənomik, economisch; huishoudelijk, spaarzaam; —s, îkənomiks, ekənomiks, (staat)huishoudkunde; —al = spaarzaam; Economist = spaarzaam gebruiker: Political — = economist; Economize = spaarzaam zijn, sparen; Economy = economie (= Political —) = besparing, zuinigheid, (Goddelijke) inrichting, stelsel, bouw; orde v. zaken, regeling.

Ecorché, eiköšei, spierfiguur ter bestudeering (voor kunstenaars).

Ecstasy, ekstəsi, extase, opgetogenheid, geestverrukking of vervoering; ziekelijke overprikkeling; flauwte; Ecstatic(al), ekstatik(’l), verrukt, onbeschrijfelijk genotvol, verrukkelijk.

Ectype, ektaip, copie, afgietsel.

Ecuador, ekwədö, əkwâdö.

Ecumenic(al), îkjumenik(’l), algemeen.

Eczema, eksîmə, eczeem; adj. —tous, əksemətɐs.

Edacious, ideišəs, gulzig, vraatzuchtig; Edacity, idasiti, vraatzucht, gulzigheid.

Eddish, ediš, etgroen, nagras, stoppelveld.

Eddy, edi, draaikolk, dwarrelwind; — verb. dwarrelen, draaien; —-water = zog, kielwater; —-wind = wervelwind.

Eddystone, edist’n.

Eden, îd’n, Eden, Paradijs.

Edentate(d), identeit(id), zonder snijtanden.

Edgar, edgə.

Edge, edž, subst. rand, kant, scherpe kant, snede, zoom, hevigheid, scherpheid; — verb. scherpen, afranden, afsteken, begrenzen, omzoomen, zich zijdelings voortbewegen, scherp bij den wind houden: To — one’s way through a crowd = zich een weg banen; It sets my teeth on — = het doet mij griezelen; It has taken away (off) the — of hunger = het heeft den eersten honger gestild; To turn up the —s of one’s trousers = de broekspijpen omslaan; To — away from the coast = zich van de kust langzaam verwijderen; We —d in with the coast = langzamerhand naderden wij de kust; He —d me on = zette mij aan; —-rail = rechtopstaande spoorstaaf (niet liggende, zooals bij trams); —-tool = snijdend of scherp werktuig; He plays with —-tools = speelt met vuur; —ways, —wise = met den scherpen kant vooruit: I couldn’t get in a word —ways = er geen woord tusschen krijgen.

Edgecombe, edžk’m.

Edging, edžiŋ, boordsel, franje, rand.

Edible, edib’l, eetbaar; subst. —ness.

Edict, îdikt, edict, verordening.

Edification, edifikeiš’n, stichting, opbouwing; Edificatory = stichtend; Edifice, edifis, gebouw; Edify, edifai, stichten, opbouwen: An —ing sermon = stichtelijke preek.

Edile, îdail, aedilis.

Edinburgh, edinbɐrə.

Edison, edis’n.

Edit, edit, uitgeven (d.w.z. voor de pers gereed maken), redigeeren: Dickens’ Letters —ed by his daughter, and published by L.; —ion, idiš’n, uitgave, druk; —or = uitgever, redacteur; —orial, editôriə’l, redactioneel; subst. hoofdartikel: — management = redactie; — staff = redactie (personeel); —orship = redacteurschap; —ress = redactrice.

Edith, îdith.

Edomite, îdəmait.

Educate, edjukeit, opvoeden, onderrichten; Education, edjukeiš’n, opvoeding, onderwijs: Board of — = Raad van Onderwijs; Educational = opvoedings..., paedagogisch: — institutions = opvoedingsgestichten, —inrichtingen; Educationist = voorstander van onderwijs; ervaren paedagoog; Educator = opvoeder.

Educe, idjûs, afleiden, trekken uit; Educible = afleidbaar.

Educt, îdɐkt, wat zich afscheidt of heeft afgescheiden (chem.); conclusie: The —s of an analysis; —ion pipe, valve = afvoerbuis; klep voor afgewerkten stoom.

Edulcorate, idɐlkəreit, verzachten, zoeter maken, zuiveren; subst. Edulcoration.

Edward, edwəd, Eduard; Edwin, edwin.

Eel, îl, aal, paling: —-buck, (—-pot) = aalkorf (om ze te vangen); —-fare = broedsel palingen; —-pout = aalpuit; —-spear = aalgeer, elger.

E’en, în, verkorting van Even, Evening.

E’er, êə, verkorting van Ever.

Eerie, Eery, îri, angstwekkend, huiveringwekkend, geheimzinnig; Eeriness = angst, vooral voor iets bovennatuurlijks.

Efface, efeis, uitwisschen, uitkrabben, in de schaduw stellen; —able = uitwischbaar, enz.; —ment = uitwissching, enz.

Effect, efekt, subst. effect, indruk, uitvoering, uitwerking, gevolg (—s = effecten, waarden, bezittingen); — verb. uitwerken, teweegbrengen, tot stand brengen, effectueeren: For — = om den schijn, om den indruk te verhoogen; In — = werkelijk, inderdaad; Of no(ne) — = van geene kracht; To no —, Without — = vergeefs; His words were to this — = kwamen hier op neer; He gave — to this resolution = voerde uit; The cannon took — = miste zijne uitwerking niet; To carry into — = ten uitvoer brengen; They —ed their escape = bewerkstelligden; —ive = werkzaam, krachtig, werkelijk voorhanden, effectief; ook subst.: An army with an —ive of 80.000 men in time of peace = met een effectief; subst. —iveness; —ual = bindend, dringend, krachtig: The blow —ually pitched him into the water = deed hem pardoes... vallen; —uate = bewerkstelligen; subst. Effectuation.

Effeminacy, efeminəsi, verwijfdheid, verweekelijking; Effeminate, efeminit, subst. en adj. verwijfd (persoon); — verb. (efemineit) verwijfd maken, verweekelijken.

Effendi, əfendi, hooge titel (Turk.).

Effervesce, efəves, opborrelen, zingen (vóór het koken), opbruisen of uitbarsten; subst. —nce, Effervescency; —nt = opbruisend: — powder = bruispoeder.

Effete, efît, afgeleefd, versleten.

Efficacious, efikeišəs, werkzaam, krachtig; subst. —ness = Efficacy, efikəsi, kracht, invloed.

Efficiency, efiš’nsi, werking, kracht, capaciteit; Efficient, efiš’nt, werkzaam, krachtig, afgeëxerceerd; subst, werkende oorzaak; afgeëxerceerd soldaat.

Effigies, efidžîz. Zie Effigy.

Effigy, efidži, beeld, beeltenis, beeldenaar (op eene munt): He was hanged in — = in effigie (beeltenis) gehangen.

Effloresce, efləres, uitbotten, zich ontplooien, bloeien, met een korst van witte kristallen bedekt worden; —nce = bloei, het uitbotten, huiduitslag, vorming van kristallen; adj. —nt = bloeiend.

Effluence, efluens, uitvloeisel; Effluent.

Effluvium, eflûvj’m, uitwaseming, uitdamping.

Efflux, eflɐks, uitvloeiing = Effluxion.

Effort, efət, eföt, poging, krachtsinspanning, worsteling, effectbejag: That is an — to me = kost mij inspanning; —less = werkeloos, zonder inspanning.

Effrontery, efrɐnt’ri, onbeschaamdheid.

Effulge, efɐldž, uitstralen; —nce = glans; —nt = stralend, glanzend.

Effuse, efjûz, uitgieten, storten, uitstroomen; adj. efjûs; Effusion = uitstorting, ontboezeming; adj. Effusive, efjûsiv, verspreid, rijkelijk, demonstratief, overdreven: Polly kissed me —ly = onstuimig.

Eft, eft, watersalamander.

Eftsoon(s), eftsûn(z), in korten tijd, spoedig daarna, opnieuw, dadelijk.

Egad, əgad, goede hemel! Duivekaters!

Egbert, egbət; Egerton, edžət’n; Egeus, idžîəs.

Egg, eg, subst. ei: As sure as —s is (are) —s = zoo zeker als wat; To beat up an — = klutsen; To count one’s —s = zien wat men heeft; To put all one’s —s into one basket = alles op ééne kaart zetten; —-boiler = eierkoker; —-cup = eierdopje; —-flip = warm bier met suiker etc., en daarin geklutste eieren; —-glass = kleine zandlooper; —-nog(g) = advocaat; —-plant = eierplant; —-shell = eierschaal; —-slice = pannekoeksmes; —-whipper = —-whisk = eierklopper; —ery = nest met eieren; eierbergplaats, eierrekje; —ler = eierenhandelaar; eierenverzamelaar.

Egg, eg, aanzetten tot, aanhitsen en opstoken.

Eginhard, edžinhâd.

Egis, îdžis, aegis (schild van Jupiter).

Eglantine, egl’nt(a)in, egelantier, hondsroos.

Ego, egou, îgou, ego; —ism = egoisme; Egoist = egoist; Egoistic(al) = egoistisch; —tism = het te veelvuldig gebruik van “ik”; zelfgenoegzaamheid; zelfzucht; Egotist = persoon, die zich aan Egotism schuldig maakt; adj. Egotistic(al); Egotize = te veel over zichzelf praten of schrijven.

Egregious, igrîdžəs, uitstekend, buitengewoon: — folly = kolossale dwaasheid.

Egress, îgres, subst. uitgang, heengaan.

Egret, egrət, îgrət, kleine witte reiger; reigerveer als versiering; zaadpluimpje; —te, igret, pluim, bos, lintversiersel.

Egria, îgriə, Eger.

Egypt, îdžipt, Egypte; —ian, idžipš’n, subst. Egyptenaar; Zigeuner; groot formaat teekenpapier; adj. Egyptisch, Zigeuner—: —ian type = egyptienne, bijzondere soort van dikke drukletter; —ologist = Egyptoloog; —ology, îdžiptolədži, kennis van Egyptische antiquiteiten, enz.

Eh, ei, ə, He? Wat?

Eidam, aid’m, Edammer kaas.

Eider, aidə: —down = eiderdons, kussen gevuld met —; —-duck.

Eidolon, aidoulən, schim, verschijning.

Eigh, ei, Hé! Och!

Eight, eit, acht: An —-day clock = die acht dagen loopt; —een = achttien; —eenmo, eitînmou, boekvorm, verkregen door het in 18 bladen (of 36 bladzijden) vouwen van een vel (verkort 18mo); —eenth = achttiende; —fold = achtvoudig; Eighth = achtste; —ieth, eitiəth, tachtigste; —-score = 160; —y = tachtig.

Eikon, aikoun, beeltenis, heiligenbeeld.

Eirie, îri = Eerie.

Eisteddfod, aistedhwoud, oorspronkelijk eene vergadering van Keltische zangers tot het ontvangen van prijzen voor hunne werken; thans een jaarlijksche bijeenkomst ter bevordering van Keltische taal en letterkunde.

Either, aidhə, îdhə, een van beiden (onverschillig welke), beide: In — case = in het eene of andere geval.

Ejaculate, idžakjuleit, uitbrengen, uitstooten, uitwerpen; Ejaculation = uitroep; ook = Ejaculatory prayer = schietgebedje.

Eject, idžekt, uitwerpen, uitspuiten, loozen, uitzetten, verdrijven, verbannen, afzetten; subst. —ion; —ment = uitstooting, uitzetting, verdrijving; —or = verdrijver, veer of inrichting waarmee patroonhulzen, asch, etc. worden uitgeworpen.

Eke, îk, toevoegen, verlengen, aanvullen, vermeerderen; adv. ook: The meat was —d out by potatoes and apple-sauce = werd aangevuld door; The lion’s skin was —d (out) with the fox’s = moed en list gingen samen; Parish —-names = bij(scheld)namen (Vergel. Silly Sutton, Sleepy Ingham, etc.).

Elaborate, ilabərit, adj. doorwrocht, uitgewerkt, uitvoerig, uitgebreid; — verb. (ilabəreit) nauwkeurig bewerken, met moeite voortbrengen: To — an idea = uitwerken; —ness = zorgvuldige en uitvoerige bewerking; Elaboration = uitwerking, bewerking; Elaborative faculty = onderscheidingsvermogen.

Elaine, ilein.

Eland, îl’nd, eland.

Elapse, ilaps, verstrijken, verloopen.

Elastic (= —al), ilastik, elastiek, veerkrachtig: An — = A piece of — = een elastiekje; —s = kousebanden; —-sided boots = bottines met elastiek; — stockings; — tissue = veerkrachtig weefsel; Elasticity, îləstisiti, elasticiteit.

Elate, ileit, adj. opgewonden, blijde, opgeblazen; — verb. verheffen (van geest of ziel), opwinden, opgetogen maken, opgeblazen maken; —r = springkever, springtor; Elation = opgetogenheid, enz.

Elbe (The), dhi-elb, Elbe; Elberfeld, elbəfeld: The — system of poor relief = Elberfelder stelsel van armenverzorging.

Elbow, elbou, elleboog, bocht, hoek; — verb. met de ellebogen duwen; bochten: I am at your — = vlak bij u; He is out at —(s) = hij is in slechten doen; hij zit met zijn elleboog(en) door de mouwen; I am up to my —s in work = zit tot over de ooren in het werk; He jogged (nudged) my — = hij gaf mij een duwtje (ter herinnering); To lift (crook) one’s — = onmatig drinken; To shake one’s — = dobbelen, spelen; He —ed people about = duwde op zij; He —ed his way through the crowd = baande zich met geweld een weg door; —-chair = armstoel; —-grease = harde handenarbeid; —-rest = leuning; —-room = ruimte van beweging.

Eld, eld, ouderdom, grijsaard; oude tijden: Like the princesses of —.

Elder, eldə, subst. oudere, ouderling, voorvader; adj. ouder, senior; —-brethren = de regenten van Trinity House; — hand = speler aan de voorhand (kaartspel); My —s = ouderen dan ik; The —s = voorvaderen; ouderlingen; An —ly gentleman = bejaard, oudachtig heer; —ship = de betrekking van ouderling, de ouderlingen; hooge ouderdom; eerstgeboorte; Eldest = oudste: — born = eerstgeborene.

Elder, eldə, vlier: —-gun = proppenschieter.

El Dorado, eldərâdou, eldəreidou, Eldorado.

Eldri(t)ch, eldritš, vreemd, spookachtig, ijzingwekkend.

Eleanor, eliənö, elənö; Eleazer, îlieizə.

Elecampane, elək’mpein, alant.

Elect, ilekt, subst. uitverkorene, gekozene; adj. uitverkoren, gekozen; — verb. uitkiezen, verkiezen, kiezen: The Lord Mayor — = de nieuw gekozen (nog niet zijne functies aanvaard hebbende); The — = de uitverkorenen Gods; —ion = keus, verkiezing, praedestinatie, genadekeus: —ion auditor = iemand belast met het opmaken van de kosten voor eene parlementsverkiezing; —ion cry = verkiezingsleus; —ion judges = twee rechters, die de protesten (Petitions) tegen eene verkiezing onderzoeken; —ioneer, ilekšənîə, stemmen werven bij verkiezingen: —ioneering-agent = verkiezingsagent; —ive = uitkiezend, verkiezend: —ive affinity = chem. verwantschap, affiniteit; —ive franchise = kiesrecht; —or = kiezer, keurvorst; —oral college = kiescollege; —oral law = kieswet; —oral offences = knoeierijen; —orate, ilektərit, de gezamenlijke kiezers; keurvorstendom; —orship = ambt van een keurvorst; —ress = keurvorstin.

Electrepeter, ilektrepətə, stroomwisselaar.

Electric, ilektrik, electrisch, electriseer...: — battery = electr. batterij; — car = electr. tramwagen; — circuit = kringstroom; — clock; — column = kolom van Volta; — current = electr. stroom; — eel = sidderaal; — jar = Leidsche flesch; — launch = motorboot met electr. beweegkracht; — light; — machine = electriseermachine; — plant = electr. installatie; — railway; — ray = sidderrog; — shock = electr. schok; — spark = electr. vonk; — wire = telegraafdraad; —al engineer = electr.-technicus; —al engineering = electrotechniek; —ian, ilektriš’n, elektriš’n = electricien; —ity, ilektrisiti, elektrisiti, electriciteit; Electrification, ilektrifikeiš’n, subst. electriseeren; — verb. Electrify, ilektrifai, electriseeren (ook fig.); Electrization, ilektrizeiš’n, subst. electriseeren; — verb. Electrize, ilektraiz.

Electro, ilektrou, in samenstellingen: electro, electrisch; —cution, ilektrəkjûš’n, terechtstelling door electriciteit (Amer.); —logy, ilektrolədži, de wetenschap der electriciteit; —lyze, ilektrəlaiz, door electriciteit ontleden; —-motion, ilektrəmouš’n, beweging door electriciteit; —phorus, ilektrofərɐs, electrophoor; —-plate, ilektrəpleit, galvanisch verzilverd of verguld; ook subst. en verb.; —scope, ilektrəskoup, electroscoop; Electron = electroon.

Electrum, ilektr’m, barnsteen; mengsel van goud met ⅕ deel zilver, zilverhoudend gouderts.

Electuary, ilektjuəri, electuarium, likkepot.

Eleemosynary, elimosinəri, subst. de van aalmoezen levende, adj. uit liefdadigheid gegeven, weldadigheids—.

Elegance, —cy, eləg’ns(i), sierlijkheid, bevalligheid: —s = beschaafde gebruiken of manieren; Elegant = fijn, smaakvol, voornaam.

Elegiac, elidžaiak, elîdžiak, elegisch; elegie; Elegist, elədžist, dichter van elegieën; Elegize = elegie dichten, weeklagen; Elegy = elegie.

Element, eləment, (hoofd) bestanddeel, element: I am in (out of) my — in this company = voel mij in dit gezelschap (niet) thuis; —s = beginselen; brood en wijn (aan ’t avondmaal); —al, eləment’l, de elementen betreffend, elementair, aanvankelijk, oorspronkelijk: —al spirits = de geesten van vuur, aarde, lucht en water, i.e. salamanders, gnomen, sylphen en undinen; —alism, eləmentəlizm, de theorie volgens welke de goden der oudheid verpersoonlijkte natuurkrachten waren; —ariness, eləmentərinəs, elementaire toestand, eenvoudigheid; —ary, eləmentəri, eenvoudig, elementair: —ary education = lager onderwijs.

Elephant, eləf’nt, olifant: White — = een weinig benijdenswaardig bezit (meer kostbaar dan voordeelig): To buy a white elephant = er in loopen; To see the white — = de merkwaardigheden van eene stad zien (meest in ongunst. zin); To have seen the white — = de nieuwste knepen kennen, slim zijn; —paper = olifantspapier (711 × 534 mM.); —iasis, eləfɐntaiəsis, olifantsziekte; Elephantine, eləfant(a)in, olifants-, olifantachtig, reusachtig, onbeholpen; Elephantoid, eləfantoid, eləfantoid, olifantachtig.

Eleusinian, eljusiniən.

Elevate, eləveit, verb. verheffen, verhoogen, veredelen, opvroolijken, van trots doen zwellen; adj. verheven, hoog = —d: Slightly —d = aangeschoten; —d railway = luchtspoorweg; Elevation, eləveiš’n, verhevenheid, verhooging, opheffing, verheffing, hoogte, verticale opstand (tegeno. platte gr.): To my tallest — = in mijne volle lengte; Elevator = ascenseur, elevator; Elevatory = opheffend.

Eleven, ilev’n, elf, elftal: The — = de Apostelen; At the —th hour.

Elf, elf, subst. elf, kabouter, fee; —-arrow, —-bolt, —-dart = vuursteen (in den vorm van een pijl); —-child = wisselkind (door feeën achtergelaten voor het echte); —-fire = dwaallicht; —-lock = Poolsche vlecht (haarziekte); —in, subst. fee; adj. tot de feeën behoorende; —ish = elfachtig, elven—, kwaadaardig.

Elgin marbles, elginmâb’lz, de beelden uit den tempel van Minerva te Athene, door Earl Elgin tusschen 1801–1802 naar Engeland gebracht.

Elia, îliə, Eliah, ilaiə, Elia (I Kron. VIII, 27).

Elicit, ilisit, uitlokken, krijgen uit, aan het licht brengen.

Elide, ilaid, een klinker of lettergreep weglaten.

Eligibility, elidžibiliti, verkiesbaarheid, enz.; Eligible, elidžib’l, verkiesbaar, bevoegd; begeerlijk, verkieselijk, huwbaar: An — = geschikte partij; subst. —ness.

Elijah, ilaîdžə, Elia (I Kon. XVII, 1).

Eliminant, ilimin’nt, eliminante.

Eliminate, ilimineit, verdrijven, buiten beschouwing laten, terzijde stellen, elimineeren; subst. Elimination.

Elinor, elinö; Eliot, eljət; Elisabeth, ilizəbeth; Elisha, ilaišə.

Elision, iliž’n, elisie, bijv. o’er voor over.

Elite, ilît, élite.

Elixir, iliksə, elixer, bitter, hartsterking: — of life = levenselixer = Life’s —.

Eliza, ilaizə; Elizabeth, ilizəbeth; Elizabethan, ilizəbeth’n, ilizəbeth’n, ilizəbîth’n, uit den tijd van koningin E.

Elk, elk, eland; wapiti (Amer.); wilde zwaan, wilde eend.

Ell, el, lengtemaat (in Engeland ± 114 c.M., in Schotl. ± 94,5 c.M., in Holland 69 c.M.): Give him an inch, he will take an — = als men hem den vinger geeft, neemt hij de geheele hand; —-wand = ellestok, el.

Ellen, el’n; Ellesmere, elzmîə; Ellinor, elinö; Elliot(t), eljət.

Ellipse, ilips, ellips; Ellipsis, ilipsis, uitlating; Elliptic(al), iliptik(’l), elliptisch; subst. Ellipticity.

Elm, elm, iep; —en = iepen; —(en)-tree; —y = met veel iepen.

Elmo’s-fire, elmouzfaiə, St. Elmusvuur.

Elocution, eləkjûš’n, (gekunstelde) voordracht; —ary = de wijze van spreken betreffend; —ist = bekwaam in, of leeraar in voordracht.

Elodes, iloudîz, zweetziekte.

Elohim, ilouhim, eləhim, een der namen voor God in het Oude T.

Elongate, iloŋgeit, îloŋgeit, verlengen, uitrekken; subst. Elongation.

Elope, iloup, wegloopen (met een minnaar), zich laten schaken; subst. —ment.

Eloquence, eləkwens, welsprekendheid; adj. Eloquent.

Else, els, ander, anders, bovendien: What —? = nog iets? —-ways = op eene andere manier; —where = elders, ergens anders; Somewhere — = ergens anders.

Elsinburg, elsinbɐrə; Elsinore, elsinö, Elseneur.

Elucidate, il(j)ûsideit, verduidelijken, ophelderen, verklaren; subst. Elucidation; Elucidative = verklarend; Elucidator = verklaarder; Elucidatory: — notes = verklarende aanteekeningen.

Elude, il(j)ûd, ontduiken, ontwijken, ontsnappen; subst. Elusion; adj. Elusive; Elusory = bedriegelijk.

Elul, îləl, de 6de maand van het Joodsche burgerlijk jaar.

Elvish, elviš = Elfish.

Ely, îli; Elysian, iliž’n, Elyzeesch, hemelsch; Elysium, iliž’m, Elysium, Paradijs.

Elytra, elitrə, schildvleugels; enkelv. Elytrum.

Elzevir, elzəvɐ̂ elzəviə, een van de Elzevier-uitgaven der klassieken gedurende de 16e en de 17e eeuw te Amsterdam en Leiden: — editions.

’Em, əm, samentrekking van them.

Emaciate, imeišieit, vermageren, wegkwijnen; subst. Emaciation.

Emanant, emən’nt, voortkomende uit; Emanate, eməeit, voortkomen uit; The emanations of radium = uitstraling.

Emancipate, imansipeit, vrij maken, emancipeeren; subst. Emancipation; He was an emancipationist = voorstander van de vrijverklaring der slaven; Emancipator = bevrijder; Emancipist = vrijgelaten gedeporteerde (Austral.).

Emarginate, imâdžinit, uitgerand, uitgetand.

Emasculate, imaskjuleit, ontzenuwen, castreeren; subst. Emasculation.

Embale, əmbeil, emballeeren.

Embalm, əmbâm, balsemen, doorgeuren, bewaren; subst. —ment.

Embank, əmbaŋk, indijken, van eene kade voorzien; —ment = indijking, dijk, kade.

Embargo, əmbâgou, subst. beslag (op schepen), verbod, belemmering; — verb. beslag leggen en tegenhouden.

Embark, əmbâk, (zich) inschepen, zich wagen of begeven in: He —ed his fortune in trade = stak ... in; Don’t — in such a trade = laat u niet in met; —ed in litigation = in een proces gewikkeld; subst. —ation, embâkeiš’n.

Embarrass, əmbarəs, beletten, in moeielijkheden brengen, verlegen maken, verwarren; —ment = verwarring, verlegenheid, moeielijkheid.

Embassador. Zie Ambassador.

Embassy, embəsi, gezantschap, zending, gezantschapshotel.

Embattle, əmbat’l, in slagorde scharen; van kanteel en voorzien: —d fields = slagvelden.

Embed, əmbed, als in een bed leggen, bedelven.

Embellish, əmbeliš, verfraaien, versieren; subst. —ment.

Ember, embə: — days = Woensdag, Vrijdag en Zaterdag van een bepaalde week in ieder jaargetijde, waarop vasten en onthouding is voorgeschreven; quatertemper; —-fast; —-tide.

Ember, embə, ijsduiker = —diver, —-goose.

Embers, embəz, gloeiende asch of sintels.

Embezzle, əmbez’l, verduisteren; subst. —ment; —r = verduisteraar.

Embitter, əmbitə, verbitteren.

Emblaze, əmbleiz, in brand zetten, verlichten, doen schitteren; blazoeneeren; Emblazon, əmbleiz’n, blazoeneeren, schitterend versieren, verheerlijken; —ment, —ry, heraldieke versiering.

Emblem, embl’m, subst. zinnebeeld, attribuut; —ata, əmblemətə, losse figuurtjes van goud of zilver, waarmede de ouden hunne gouden en zilveren vaten plachten te versieren; Emblematic(al) = zinnebeeldig; Emblematize, əmblemətaiz, embləmətaiz, zinnebeeldig voorstellen.

Emblements, embləments, opbrengst van bouwland, oogst.

Embodiment, əmbodiment, belichaming; Embody, əmbodi, belichamen, vereenigen, omvatten, organiseeren.

Embolden, əmbould’n, aanmoedigen, verstouten.

Embolism, embəlizm, inlassching van eene maand, embolie, verstopping in een bloedvat; Embolus, embəlɐs, klontertje dat embolie veroorzaakt.

Emboss, əmbos, reliefwerk maken, drijven; —ed = gedreven.

Embouchure, Fr. uitspraak, monding, mondstuk.

Embowed, əmbaud, gewelfd, gebogen.

Embowel, əmbau’l, de ingewanden uitnemen, ontweien; subst. —ment.

Embower, əmbauə, in een lustwarande verblijven of verbergen.

Embrace, əmbreis, subst. omhelzing; — verb. omhelzen, gretig aangrijpen, aannemen, omvatten, bevatten; trachten om te koopen (van jury); —(o)r = omkooper; Embracery = poging om eene jury om te koopen; Embracive = alles omvattend: That is an — title.

Embrangle, əmbraŋg’l, verwarren, dooreenhaspelen: To — messages.

Embrasure, əmbreižə, schietgat of opening; schuinsche verbreeding van deur- of vensteropening.

Embrocate, embrəkeit, een pijnlijk lichaamsdeel met een smeersel wrijven; Embrocation = wrijving, smeersel.

Embroider, əmbrôidə, borduren (ook fig. = fantaseeren); —y = borduurwerk, kunstmatige versiersels (ook fig.): —y frame = borduurraam.

Embroil, əmbrôil, verwarren, verwikkelen: —ed with each other = met elk. gebrouilleerd; subst. —ment.

Embryo, embriou (Embryon, embriən), embryo, kiem: In — = in den eersten en onvolkomen toestand; —nal = kiem- -; Embryonic = embryonaal.

Emend, imend, emendeeren, verbeteren = Emendate, îməndeit, subst. —ation; Emendator, emendeitə, îməndeitə = emendator; adj. Emendatory.

Emerald, emər’ld, smaragd, bep. Eng. drukletter: — green = smaragdgroen; — Isle = Ierland.

Emerge, imɐ̂dž, oprijzen uit, zich verheffen, te voorschijn komen, ontstaan; subst. —nce, ook Emergency = plotselinge verschijning, onverwachte gebeurtenis, moeilijkheid, dringende noodzakelijkheid: In case of — = geval van nood; In an — = desnoods; —-door = nooddeur; —-loan; —-man = noodhulp, ook bij geboycotte Iersche landheeren; Emergent = opduikend, ontstaand, dringend.

Emeritus, imeritɐs, emeritus: Pastor — = emeritus predikant.

Emerods, emərodz, aambeien.

Emersion, imɐ̂š’n, oprijzing; emersie.

Emerson, eməs’n.

Emery, eməri, amaril: —-paper = schuurpapier; —-wheel = slijprad.

Emetic, imetik, subst. en adj. braakwekkend (middel): Tartar — = braakwijnsteen.

Emeu, îmju. Zie Emu.

Emigrant, emigr’nt, subst. landverhuizer; ook adj.; —-ship; Emigrate, emigreit, uit het land verhuizen; subst. Emigration.

Emilia, imîljə; Emily, emili.

Eminence, eminens, verhevenheid, hoogte, hooge rang, beroemdheid, onderscheiding, eminentie; Eminent = verheven, uitstekend; Eminently = in hooge mate.

Emir, imîə, îmə, emir.

Emissary, emisəri, subst. (geheime) gezant, bespieder.

Emission, imiš’n, uitstraling, uitstrooming, emissie, uitgifte, het bedrag in omloop gebracht; Emissive = uitstralend, uitzendend = Emissory.

Emit, imit, uitzenden, uitstralen, (laten) uitstroomen, uiten, uitwerpen, uitgeven, in omloop brengen.

Emma, emə; Emmanuel, əmanjuəl.

Emmet, emət, mier.

Emollient, imolj’nt, subst. en adj. weekmakend, verzachtend (middel).

Emolument, imoljument, emolument, nut, voordeel, salaris.

Emotion, imouš’n, aandoening, ontroering, gisting; —al = ontroerend, gemoeds...

Empale, əmpeil, omheinen, met palen omgeven; spietsen.

Empan(n)el, əmpan’l, subst. lijst van de gezworenen; — verb. zulk een lijst maken, hen oproepen.

Emperil, əmperil = Imperil.

Emperor, empərə, keizer: Purple — = pauwenoog (kapel); — paper = grootst formaat teekenpapier, 165 cM. bij 118 cM.

Emphasis, emfəsis, nadruk, klem: I wish to emphasize this fact = den nadruk te leggen op; Emphatic = nadrukkelijk: — form = de vorm van een bevestigend werkwoord met to do.

Empire, empaiə, keizerrijk, rijk, heerschappij, macht: The — City = (bijnaam van) New-York; — Day = 24 Mei (geboortedag van Koningin Victoria); — gown.

Empiric, əmpirik, empirisch (= —al); subst. empiricus, kwakzalver; —ism, əmpirisizm = empirie; kwakzalverij.

Employ, əmplôi, subst. bezigheid, beroep, dienst; — verb. gebruiken, besteden, aanwenden, bezig zijn met: He has many men in his — = aan ’t werk; To be —ed = in dienst zijn; He —ed himself actively whilst there = werkte hard; —able = bruikbaar; —ee = emplôi-î, employé; —er = werkgever, principaal; —ment = bezigheid, beroep, plaatsing, belegging: Thrown out of —ment = werkloos.

Emporium, əmpôriəm, handelscentrum, stapelplaats, entrepot, bazaar, magazijn.

Empower, əmpauə, machtigen, in staat stellen.

Empress, emprəs, keizerin.

Emptiness, em(p)tinəs, ledigheid, holheid, waardeloosheid.

Empty, em(p)ti, adj. ledig, leeg, hongerig, leegstaand, vergeefsch, ijdel, nutteloos, woest en ledig; — verb. ledigen, uit- of weggieten, leeg worden, zich ontlasten: The room was — of everything but a lamp = er was niets in de kamer dan; The empties = alle ledige dingen (zooals bussen, flesschen, zakken, kisten, enz.); He got (they gave him) the — = den bons; —-handed = met leege handen; —-headed = onwetend; —-hearted = harteloos; Emptyings = droesem van bier, cider, etc.; gist (Amer.).

Empurple, əmpɐ̂p’l, purperrood kleuren.

Empyreal, əmpiriəl, empirîəl, den hemel betreffend; hemelsch, vurig = Empyrean, empirîən, əmpiriən, subst. hoogste hemel, firmament.

Ems, emz.

Emu, îmjû, casuaris (Australië); —-wren = klein Australisch vogeltje.

Emulate, emjuleit, wedijveren met, nastreven: He —d popularity; Emulation = wedijver, naijver, concurrentie; Emulator = wedijveraar.

Emulgent, imɐldž’nt, subst. en adj. afvoerend (middel).

Emulous, emjulɐs, wedijverend, naijverig.

Emulsion, imɐlš’n, emulsie; amandelmelk; Emulsive = geschikt voor emulsie, verzachtend.

Emunctory, imɐŋktəri, afscheidend.

Enable, əneib’l, in staat stellen, machtigen.

Enact, ənakt, vaststellen, bepalen, tot wet verheffen; voorstellen, spelen, volvoeren: To — a part = eene rol spelen; —ment = wetsbekrachtiging, wet, verordening; —or = wetgever; —ure = volbrenging.

Enamel, ənam’l subst. email, glazuur; — verb. emailleeren, glazuren, opsmukken; —lar, adj. op email gelijkend, glad, glanzig; —ler = emailleerder, brandschilder.

Enamour, ənamə, verliefd maken, bekoren: To be —ed of = verliefd op.

Encamp, ənkamp, (laten) kampeeren; subst. —ment.

Encase, ənkeis, in een koker sluiten, omsluiten: —d in black silk = gestoken, gedost.

Encash, ənkaš, in baar geld uitbetalen (ontvangen), incasseeren.

Enceinte, Fr. uitspr., subst. wal, ringmuur; adj. zwanger.

Enchafe, əntšeif, sarren, boos maken.

Enchain, əntšein, ketenen, boeien; —ment = aaneenschakeling.

Enchant, əntšânt, bekoren, verrukken, betooveren: —ed ring = tooverkring; —er = toovenaar, betooveraar; —ment = betoovering; —ress = heks, betooverende vrouw.

Enchase, əntšeis, zetten (b.v. van juweelen in goud), ciseleeren; drijven, sieren; —r = graveur, ciseleur.

Encircle, ənsɐ̂k’l, omringen, omgeven, omarmen, omsluiten.

Enclasp, ənklâsp, omvatten, omsluiten.

Enclitic, ənklitik (= —al), enklitisch, onafscheidelijk verbonden.

Enclose, ənklouz, omgeven, omringen, omheinen, insluiten: The —d = bijgaande (ingesloten) stukken; Enclosure = omheining, afsluiting, insluiting.

Encomiast, ənkoumiast, lofredenaar; Encomiastic = lovend; Encomium, ənkoumj’m, lof, loftuiting.

Encompass, ənkɐmpəs, omringen, omgeven; subst. —ment.

Encore, âŋkö, verb. bisseeren: To give an — = biscouplet geven; —! = bis!

Encounter, ənkauntə, subst. ontmoeting, treffen, gevecht; — verb. (onverwacht) ontmoeten, stooten op, beloopen worden door, het hoofd bieden.

Encourage, ənkɐridž, aanmoedigen, steunen; subst. —ment; —r = begunstiger.

Encroach, ənkroutš, inbreuk maken op (on), benadeelen, indringen, inbreuk maken, misbruiken: He —ed on my kindness = maakte misbruik van; —ment = inbreuk, benadeeling, aanmatiging.

Encrust, ənkrɐst, incrusteeren, (zich) omkorsten.

Encumber, ənkɐmbə, belemmeren, versperren, nauwer maken, met schulden belasten; Encumbrance = hindernis, last, hypotheek: Married people, no — = zonder kinderen tot hun last; Encumbrancer = hypotheekhouder.

Encyclic(al), əns(a)iklik(’l), subst. rondgaand schrijven, encycliek; adj. rondgaand.

Encyclop(a)edia, ənsaikləpîdjə, encyclopedie; —n = Encyclopedic(al), ənsaikləpîdik(’l), ənsaikləpedik(’l), encyclopedisch; Encyclopedist, ənsaikləpîdist, encyclopedist (1750–1770 in Frankrijk).

End, end, subst. einde, eindje, stukje, besluit, uitslag, dood, grens, oogmerk, doel, resultaat, nut; — verb. eindigen, ophouden, een einde maken aan, besluiten, voleindigen: The — justifies the means = het doel heiligt de middelen; The — is not yet = het einde is niet te voorzien; There’s an — of the matter = daar is de zaak mee uit; At an — = ten einde, uit; At the — = ten slotte; At one’s wit’s (wits’) — = ten einde raad; In the — = bij slot van rekening; No — = vreeselijk, erg, enorm: No — of a fool (fun, a row, time) = een groote dwaas (veel, hoogloopend, zeer veel); For a fortnight on — = veertien dagen aan één stuk; This train runs 80 miles on — = zonder stoppen; His hair stood on — = was te berge gerezen; To no — = vergeefs; To this — = met dit doel; World without — = van eeuwigheid tot amen; To come (draw) to an — = afloopen; He cannot make both —s meet = hij kan niet rondkomen (vergel. Joindre les deux bouts); He put an — to it (to himself) = maakte er een einde aan (aan zijn leven); He roamed to the —s of the earth = zwierf tot de uiterste grenzen der aarde; All’s well that —s well = eind goed, al goed; —-all = slot, einde voorgoed; —ing = einde, uitgang; —less = eindeloos; subst. —lessness; —long = rechtuit; —most = laatst, uiterst; —ways, —wise = overeind, rechtop, in de lengte.

Endanger, əndeinžə, in gevaar brengen, aan schade blootstellen.

Endear, əndîə, bemind of dierbaar maken; —ing, dier, lief: —ing terms = lieve namen of woorden; —ment = toegenegenheid, teederheid, bekoring.

Endeavour, əndevə, subst. poging, inspanning; — verb. pogen, trachten.

Endecagon, əndekəgon, elfhoek.

Endemic, əndemik (= —al), subst. endemie, locale ziekte; adj. inheemsch, endemisch.

Endirons, endaiənz, standaards waarin het spit draait, of die dienen om de houtblokken te steunen.

Endive, endiv, andijvie.

Endocardium, endəkâdj’m, binnenste hartvlies; Endocarditis = hartvliesontsteking.

Endogamy, əndogəmi, huwelijk onder de leden van denzelfden stam; adj. Endogamous: — marriage.

Endogastritis, endəgastraitis, maagvliesontsteking.

Endorse, əndös, endosseeren, in omloop brengen, bevestigen, onderschrijven: These typewriters are —d as the best = verklaard de beste te zijn; Endorsee = iemand aan wien een wissel, etc. geëndosseerd is; —ment = endossement, giro, bevestiging; Endorser = endossant.

Endow, əndau, begiftigen, doteeren; —er = schenker; —ment = huwelijksgift, schenking, dotatie; talent, gave.

Endue, əndjû, aantrekken, bekleeden met.

Endurable, əndjûrəb’l, verdraaglijk; Endurance, əndjûr’ns, duur, voortduring; lijden, lijdzaamheid, geduld, uithoudingsvermogen; Endure, əndjûə, duren; verdragen, dulden, uithouden: He was very enduring = kon het lang uithouden.

Endymion, əndimiən; Eneid, îniid, de Eneïde.

Enemy, enəmi, vijand, tegenstander: The — = de Duivel; de tijd; How goes the —? = hoe laat is het; The hands of the — = wijzers v. d. klok.

Energetic (= —al), enədžetik, krachtig; —s, enədžetiks, de leer van het arbeidsvermogen; Energic(al), ənɐ̂dzik(’l) krachtig, werkzaam; Energize, krachtig werken (handelen), energie verleenen; Energy, enədži, energie, nadruk, beweging: Conservation of — = de leer van het behoud van het arbeidsvermogen.

Enervate, ənɐ̂veit, enəveit, verzwakken, ontzenuwen; subst. Enervation.

Enfeeble, ənfîb’l, verzwakken; subst. —ment.

Enfeoff, ənfef, met een leen of eene schenking begiftigen, overdragen; —ment = begiftiging, leenbrief.

Enfilade, enfileid, subst. bestrijking overlangs; — verb. overlangs bestrijken: Enfilading fire = overlangsch vuur; This window —s the park = geeft uitzicht op het park in zijn geheele lengte.

Enfist, ənfist: The book —s the reader = pakt, bindt.

Enforce, ənfös, doorzetten, dwingen, opleggen, opdwingen, doen eerbiedigen: The law was —d = werd streng toegepast; —d absence = gedwongen; subst. —ment.

Enfranchise, ənfranš(a)iz, vrijmaken, vrij laten, het burgerrecht verleenen, het kiesrecht geven; subst. —ment: — of copyhold lands = het veranderen van deze in freeholds.

Engage, əngeidž, verbinden, engageeren, bespreken, in dienst nemen, in dienst treden (— oneself), bewegen tot, verplichten, zich bezig houden met, aan den gang brengen, wikkelen (in een strijd), slaags raken, zich begeven in, op zich nemen, zich verbinden: I am —d = ben bezet, niet te spreken, heb al eene uitnoodiging; They —d in general conversation = het gesprek werd algemeen; Engagement = afspraak, verplichting, verloving, aanstelling, bezigheid; gevecht: A general and close — = algemeen gevecht van man tegen man; I am under an — to him = ik ben jegens hem gebonden; To break, enter into, stand by an — = eene verbintenis verbreken, aangaan, houden; Meet your —s = betaal uwe schulden; Engaged-wheels = in elkander grijpende raderen; het drijvende rad heet engaging, het gedrevene engaged wheel; Engaging = innemend, boeiend.

Engender, əndžendə, voortbrengen, telen, veroorzaken.

Engine, endžin, machine, locomotief (= Fire-—, Locomotive-—); — verb. van machines voorzien: Light — = losse machine; —-driver = machinist; —-hose = brandspuitslang(en); —-house = machineloods, brandspuithuisje; —-man = machinist, spuitgast; —-wright = locomotiefconstructeur.

Engineer, endžinîə, subst. ingenieur, machinist v. een trein (Amer.), officier of soldaat van de genie, technicus, machinist (op een schip); — verb. aanleggen, op touw zetten, klaarspelen: Civil —; Electric —; Practical — = werktuigkundige; Then the Dreyfus case was —ed = op touw gezet; With a little tact it could be —ed = met een beetje tact kon het wel klaargespeeld worden; Civil and Military —ing = burgerlijke en militaire bouwkunde of genie; —ing-drawing = machineteekenen.

Engird, əngɐ̂d, omgorden = Engirdle.

England, iŋlənd; —er = Brit, Engelschman: A Little —er = tegenstander van de uitbreiding van het rijk.

English, iŋgliš, Engelsch, ook subst.; — verb. verengelschen, in het E. overbrengen; She (He) is — = zij (hij) is een(e) Engelsche(-man); The King’s (Queen’s) — = zuiver Engelsch; —man = Engelschman; —woman = eene Engelsche; —ry = bewoners (in een ander land) van Engelschen stam.

Engorge, əngödž, gulzig verslinden; —d = volbloedig; —ment = vraatzucht; congestie.

Engraft, əngrâft, enten, indrukken, inplanten; subst. —ment.

Engrail, əngreil, kartelen, versieren; —ment = gekartelde of uit een kring van puntjes bestaande rand op een geldstuk.

Engrain, əngrein, in de wol verven, drenken in, inwortelen: —ed with filth = door en door vuil.

Engrave, engreiv, graveeren, inprenten, indrukken; —r (on copper, on steel, on stone, on wood); Engraving = gravure, houtsnee.

Engross, əngrous, geheel innemen of bezitten, geheel in beslag nemen, aan zich trekken, in ’t groot opkoopen; in ’t net schrijven; —er = copiïst; subst. —ment.

Engulf, əngɐlf, verzwelgen, verzwolgen worden, zich uitstorten, verdwijnen (onder de aarde).

Enhance, ənhâns, verhoogen, verheffen, vermeerderen, verzwaren; subst. —ment.

Enid, înid.

Enigma, inigmə, raadsel; —tic(al), ook enigmatik(’l), raadselachtig, duister; —tize = in raadselen spreken.

Enisle, ənail, tot eiland maken, isoleeren.

Enjoin, əndžôin, opleggen, bevelen, verbieden, vermanen (met on).

Enjoy, əndžôi, genieten, zich verheugen over, zich laten smaken, bezitten; zich vermaken (= — oneself): Did you — your holiday = hebt ge plezier gehad in de vacantie? —able = genietbaar, genotvol; —er = bezitter, genieter; —ment = genot, vreugde.

Enkindle, ənkind’l, aansteken, doen ontvlammen, opwekken.

Enlace, ənleis, omstrengelen, omgeven.

Enlard, ənlâd, lardeeren.

Enlarge, ənlâdž, grooter maken, verwijden, uitzetten, uitweiden over, in vrijheid stellen, grooter worden: Such an education —s the heart = maakt het hart ontvankelijker; subst. —ment.

Enlighten, ənlait’n, verlichten, beschaven, duidelijk maken, inlichten; subst. —ment.

Enlink, ənliŋk, aaneenschakelen.

Enlist, ənlist, inschrijven, registreeren, in dienst nemen, winnen voor, werven, dienstnemen (into): I got him —ed into my company; I — my pity in your behalf = ik heb medelijden met u; subst. —ment: Voluntary —.

Enliven, ənlaiv’n, verlevendigen, opwekken, opvroolijken; —er = opwekkend middel.

Enmesh, ənmeš, in een net vangen, omstrikken.

Enmity, enmiti, vijandschap, vijandige gezindheid.

Ennea..., eniə (in samenstellingen), negen: —gon, eniəgon, negenhoek; adj. Enneatic(al): — days = iedere negende dag van eene ziekte; — years = ieder negende jaar van een menschenleven.

Enniskillen, eniskilən.

Ennoble, ənoub’l, adelen, veredelen, verheffen; subst. —ment.

Enoch, înok.

Enormity, inömiti, kolossaalheid, buitengewoonheid, gruwelijke misdaad, wreedheid, afschuwelijkheid; adj. Enormous; subst. —ness.

Enough, inɐf, genoeg, voldoende (hoeveelheid): Hold, — = schei uit, ’t is genoeg; That is an easy pillow — = zeer gemakkelijk; That’s right — = volkomen juist; Sure — = voorzeker, inderdaad; It is true — = maar al te waar; Well — = vrij goed, voldoende; — and to spare = meer dan genoeg; — is as good as a feast = de tevredenheid gaat boven alle schatten.

Enow, inau = Enough.

Enquire, əŋkwaiə = Inquire.

Enrage, ənreidž, woedend maken, vertoornen.

Enrapt, ənrapt, verrukt; subst. —ure, ənraptšə.

Enravish, ənraviš, verrukken; subst. —ment.

Enrich, ənritš, verrijken, tooien, vruchtbaar maken; subst. —ment.

Enrobe, ənroub, (be)kleeden, tooien.

Enrockment, ənrokm’nt, steenstorting, hordenwerk voor havenhoofden, wallen, dammen, enz.

Enrol(l), ənroul, inschrijven, registreeren, opnemen, aanmonsteren: They —led themselves members of the university = lieten zich inschrijven als; They were prepared to — themselves = bereid dienst te nemen; —ment = inschrijving, register, oorkonde.

Enroot, ənrût, doen wortel schieten.

Enschedule, ənšedjûl, opteekenen, inschrijven.

Ensconce, ənskons, zich verbergen, zich neerzetten: They —d themselves on one of the sofas = zij doken in; —d in an angle = verscholen, verdekt opgesteld.

Enshrine, ənšrain, wegsluiten (als iets heiligs), koesteren (met heilige liefde).

Enshroud, ənšraud, omhullen, bedekken.

Ensiferous, ensifərɐs, zwaarddragend; Ensiform, ensiföm, zwaardvormig.

Ensign, ensain, vlag, standaard, signaal, vaandrig, (onderscheidings)teeken, insigne, verhuurbordje, uithangbord; —-bearer = vaandeldrager; —cy, —ship = vaandrigrang.

Ensilage, ensilidž, subst. ingekuild voeder, inkuiling van groen veevoeder en vruchten; — verb. inkuilen = Ensile.

Enslave, ənsleiv, tot slaaf maken, onderwerpen; subst. —ment.

Ensnare, ənsnêə, in eene val lokken, verstrikken, verlokken.

Ensphere, ənsfîə, omringen, een bolvorm geven aan.

Ensue, ənsiû, volgen, voortkomen; Ensuing: — ages = het nageslacht.

Ensure, ənšûə. Zie Insure.

Entablature, əntablətjuə, Entablement, ənteib’lm’nt, entablement, architraaf, fries en kroonlijst samen.

Entail, ənteil, subst. = Entailed estate, grondbezit, dat van vader op zoon moet overgaan; de regeling van de overdracht van goederen; — verb. vermaken (zóó, dat het vermaakte onvervreemdbaar is), na zich sleepen, meebrengen, leiden tot: My property has got no — on it = ik kan vrij beschikken over; To cut off the — = The Estate in Tail veranderen in een Estate in Fee Simple, waarover de erflater vrij beschikken mag; subst. —ment.

Entangle, əntaŋg’l, verstrikken, verwarren, verlegen maken; subst. —ment = verwikkeling, verwarring, verlegenheid, valstrik, havenversperring.

Enter, entə, binnengaan, binnenkomen, instroomen, intreden, zich begeven in, lid worden van, toelaten, inschrijven, boeken, aanvangen, beginnen, inklaren (v. goederen), indringen, ingaan (fig.), indrijven: To — the cargo = bij de douane aangeven; To — the church = geestelijke worden; He —ed the lists against a formidable adversary = trad het strijdperk binnen, bond het gevecht aan met; He —ed his office = trad binnen; To — a protest against = aanteekenen tegen; To — into conversation = aanknoopen; I — into your feelings = begrijp volkomen, deel in; To — into the Kingdom of Heaven = binnengaan; To — into (on) one’s rest = de eeuwige rust ingaan; He was —ed of the Inner Temple = werd lid van; A new actor —ed on the scene = trad op; She —ed to him = zij kwam bij hem op het tooneel; —ed to national account = geboekt voor het rijk; To — upon the joys of Heaven = deelachtig worden; He —ed upon his office = aanvaardde zijn ambt.

Enteric, ənterik, darm...: — fever = typheuse koorts; Enteritis, entəraitis, ingewandsontsteking; Entero..., entərou (in samenstellingen), ingewands..., buik...

Enterclose, entəklous, doorgang tusschen twee kamers.

Enterprise, entəpraiz, subst. onderneming, waagstuk, speculatie, energie, ondernemingsgeest; ook verb.; Enterprising = ondernemend, vermetel.

Entertain, entətein, onthalen, zich onderhouden, bezighouden, handhaven, voeden of koesteren, in overweging nemen, vermaken: I do not — the idea of it = ik denk er niet over; To — an offer, an overture = op een aanbod (voorstel) ingaan; To be —ed at (to) dinner = de gast zijn; —er = onderhouder, patroon, gastheer: I am the — = ik betaal; —ing = amusant; —ment = onthaal, gastvrijheid, feestmaal, vermaak, geestesgenot, koesteren (van gedachten).

Enthral, ənthrôl, tot slaaf maken, onderwerpen, betooveren; subst. —ment.

Enthrone, ənthroun (Enthronize, ənthrounaiz), ten troon verheffen, zetelen, wijden (een bisschop); subst. —ment.

Enthuse, ənthjûz, in geestdrift (in vuur) geraken, vol geestdrift zijn (Am.): To — over; Enthusiasm, ənthjûziazm, geestdrift, overdreven ijver; Enthusiast = geestdriftig, vurig bewonderaar of vereerder; adj. Enthusiastic(al).

Entice, əntais, verlokken of verleiden; subst. —ment.

Entire, əntaiə, adj. geheel, volkomen, oprecht, onbetwist, zuiver; subst. bier (direct v. de brouwerij), niet gecastreerd paard; subst. —ness = —ty.

Entitle, əntait’l, aanspraak of recht geven op, betitelen, noemen.

Entity, entiti, zijn, aanwezen, bestaand iets: That remarkable —, the French people = dat merkwaardig geheel.

Entoil, əntôil, verstrikken.

Entomb, əntûm, (levend) begraven; —ment = begrafenis.

Entomologic(al), entəməlodžik(’l), entomologisch; Entomologist = entomoloog; Entomology, entəmolədži, insectenleer.

Entozoön, entəzouən, ingewandsworm.

Entrails, entreilz, ingewanden, binnenste.

Entrain, əntrein, ten gevolge hebben, meesleepen; inladen (in een trein): The troops —ed for Kimberley.

Entrammel, əntram’l, verwarren, verstrikken.

Entrance, entr’ns, binnenkomst, intrede, intocht, optreden, aanvaarding, toelating, ingang, monding, inklaring: His — into his office = het aanvaarden van zijn ambt; —-examination = toelatingsexamen; —-duty = invoerrecht; —-fee = inleggeld, entrée(geld); — money = toegangsprijs; — subscription = entree (bij het lid worden.)

Entrance, əntrâns, verrukken, in geestverrukking brengen; subst. —ment.

Entrant, entr’nt, optredende, deelnemer.

Entrap, əntrap, in eene val vangen, verstrikken.

Entreat, əntrît, smeeken, dringend verzoeken: —ive words = smeekbeden; —y = dringend verzoek, smeekbede.

Entrée, Fr. uitspr., toegang; —s = Entremets, Fr. uitspr., tusschengerechten (in Engel.).

Entrench, əntrenš, verschansen (m. loopgr.); subst. —ment.

Entrepot, Fr. uitspr., hoofdstapelplaats, magazijn, entrepôt.

Entrust, əntrɐst (Zie Intrust): He was —ed with your interests = hem werden toevertrouwd.

Entry, entri, ingang, (binnen)komst, intocht, optreden, steeg, boeking, post, inklaring, declaratie, inbezitneming: To make one’s — = zijn intocht houden; To make an — = declareeren (van goed); Will you make an — of this = dit opschrijven? The entries were six in all = deelnemers; (Book-keeping by) Double, Single — = dubbel, enkel boekhouden; Bill of — = lijst der voor invoer in te klaren goederen; —-money.

Entwine, əntwain, Entwist, əntwist, omwinden, omslingeren.

Enucleate, injûklieit, ontwarren, ophelderen; subst. Enucleation.

Enumerate, ənjûməreit, optellen, opnoemen; Enumeration = optelling, lijst; adj. Enumerative.

Enunciate, inɐnšieit, uiten, uitspreken, verklaren; Enunciation = uitdrukking, bewoordingen, uitspraak, verklaring; adj. Enunciative.

Envelop, ənveləp, omringen, omwikkelen, verbergen; —e, envəloup, omslag, enveloppe; de coma (zie dit woord) van een planeet, omhulsel, versterkte wal: A visiting-card is carried in an open —e for one centime — kan worden verzonden; Envelopment = inwikkeling, omslag.

Envenom, ənvenəm, vergiftigen, verbitteren.

Enviable, enviəb’l, benijdenswaardig; Envied, envid, benijd; Envious, enviəs, afgunstig: The — flood = de boosaardige golven (vloed); subst. —ness.

Environ, ənvair’n, omringen, omgeven, insluiten; —s ook envir’nz, omstreken, omgeving; subst. —ment.

Envisage, ənvizidž, onder de oogen zien, beschouwen.

Envoy, envôi, afgezant, bode; slotstrophe welke een opdracht bevat (ook ənvôi); —ship = ambt v. envoy.

Envy, envi, subst. nijd, afgunst, voorwerp van afgunst; kwaadaardigheid; — verb. benijden, misgunnen: In — = uit jaloerschheid, nijd.

Enwrap, ənrap, omwikkelen, inwikkelen, omhullen.

Enwreathe, ənrîdh, be-, omkransen.

Eolian, ioulj’n, Eolic, iolik, Eolisch.

Eon, îən, eeuw, eeuwigheid.

Eostre, îəstə, Angelsaksische godin.

Epact, îpakt, epakt, epacta.

Eparch, epək, gouverneur, bisschop (Grieksche kerk); —y = provincie; diocees.

Epaule, əpôl, hoek van een bastion; —ment = epaulement, borstwering.

Epaulet(te), epôlet, epaulette.

Epenthesis, ipenthisis, epenthesis.

Ephemera, ifemərə, ééndagsvlieg, ding van één dag; —l, kortstondig, ephemeer; Ephemeris, ifeməris (Meerv. Ephemerides, îfemeridîz), sterrekundige tafel, astronomische almanak; Ephemeron, ifeməron, = Ephemera.

Ephesian, ifîž’n, subst. Ephezer; adj. van Ephesus, efəsɐs.

Ephialtes, efialtîz, nachtmerrie.

Ephod, efod, rijk en kort opperkleed der Joodsche (hooge)priesters.

Ephor, efö, opziener; mv. —s of Ephori, efərai, ephoren (Sparta).

Epic, epik, adj. episch, verhalend; subst. epos, heldendicht.

Epicede, episîd, lijk- of klaagzang.

Epicene, episîn, gemeenslachtig.

Epicure, epikjuə, epicurist, gastronoom; —an, epikjurîən, adj. epicuristisch, weelderig; subst. epicurist, lekkerbek; —anism, epikjurîənizm = Epicurism = epicurisme.

Epidemic, epidemik (Epidemy, epidəmi), epidemie: An — of typhoid was raging; Epidemic(al) = heerschend, epidemisch.

Epidermis, epidɐ̂mis, opperhuid.

Epigastric, epigastrik, tot het bovendeel van den onderbuik (= Epigastrium) behoorende.

Epiglottis, epiglotis, keelklep; adj. Epiglottic.

Epigram, epigram, puntdicht, epigram; adj. Epigrammatic(al); —matist, epigramətist, maker van puntdichten; — verb. Epigrammatize.

Epigraph, epigraf, opschrift, motto.

Epilepsy, pilepsi, vallende ziekte; Epileptic, epileptik, subst. epilepticus; adj. epileptisch (= —al).

Epilogical, epilodžik’l, Epilogistic, epiləžistik, epilogisch, tot een epiloog behoorend; Epilogue, epilog, epiloog.

Epiphany, əpifəni, Driekoningen (6 Jan.).

Epiphyte, epifait, woekerplant.

Epirus, epirəs.

Episcopacy, əpiskəpəsi, bisschoppelijke regeering der kerk; Episcopal, əpiskəp’l, episcopaal; Episcopalian, əpiskəpeilj’n, subst. lid v. de episcop. kerk; adj. bisschoppelijk; Episcopate, əpiskəpit, subst. bisdom, waardigheid van bisschop; het episcopaat.

Episode, episoud, episode, voorval, tusschenverhaal; Episodial, episoudj’l; Episodic(al), episodik(’l), tot eene episode behoorend, toevallig.

Epistle, ipis’l, subst. brief, Zendbrief; gedeelte van de Zendbr., dat bij ’t Avondmaal wordt voorgelezen; — side = rechterzijde van het altaar (als men er vóór staat) waar dit voorgelezen wordt; Epistolary, əpistələri: — style = briefstijl.

Epistyle, epistail, architraaf.

Epitaph, epitaf, grafschrift.

Epithalamium, epithəleimj’m, bruiloftsdicht of lied.

Epithelium, epithîliəm, opperhuid, slijmhuid.

Epithet, epithet, subst. epitheton, toenaam, bijnaam.

Epitome, əpitəmî, korte inhoud, kort begrip; Epitomist = maker van een epitome; — verb. Epitomize = condenseeren.

Epoch, epok, îpok, tijdstip, tijdperk; —-making; —al, epək’l, opzienbarend.

Epode, epoud, epode, slotzang, refrein.

Epopee, epəpî, Epos, epos, heldendicht.

Epsom Salts, eps’msôlts, Engelsch zout.

Equability, îkwəbiliti, ekwəbiliti, gelijkmatigheid; Equable, îkwəb’l, ekwəb’l, gelijkmatig, gelijkvormig.

Equal, îkw’l, subst. gelijke, wederga; adj. gelijk, gelijkvormig, opgewassen tegen; — verb. gelijk zijn (worden, maken), evenaren: His mental (social) —; He is not (does not feel) — to it = hij is er niet tegen opgewassen; — to the occasion = berekend voor zijn taak, slagvaardig; Not to be —led = zijns gelijke niet hebben; —ity, ikwoliti, gelijkheid, enz.; —ization, ikwəl(a)izeiš’n, gelijkmaking; —ize = gelijkmaken.

Equanimity, îkwənimiti, gelijkmoedigheid.

Equate, ikweit, herleiden tot een gemiddelde, in den vorm van een vergelijking brengen; Equation, ikweiš’n, vergelijking, equatie of verevening: — of time = tijdsverevening.

Equator, ikweitə, evenaar, aequator; —ial, îkwətôri’l, adj. aequatoriaal, ook subst. = bepaalde astronomische kijker; —ial current = aequatoriaalstroom; —ial regions = de tropen.

Equer(r)y, ekwəri, ikweri, stalmeester.

Eques, îkwiz = Equites.

Equestrian, ikwestriən, subst. ruiter, kunstrijder; adj. te paard zittend, tot het rijden behoorend: Fair — = amazone; —ism = rijkunst; Esquestrienne, ikwestrien, ikwestrien, kunstrijderes.

Equiangular, îkwiaŋgjulə, gelijkhoekig.

Equibalance, îkwibal’ns, subst. evenwicht; — verb. in evenwicht zijn met.

Equidifferent, îkwidifər’nt, met gelijke verschillen.

Equidistant, îkwidist’nt, op gelijken afstand.

Equilateral, îkwilatər’l, subst. en adj. gelijkzijdige (figuur).

Equilibrate, îkwilaibreit, in evenwicht zijn (houden, brengen), in evenwicht blijven; Equilibration = evenwicht; Equilibrist, ikwilibrist, ikwilaibrist, koorddanser; Equilibrity, îkwilibriti, evenwicht; Equilibrium, îkwilibriəm.

Equimultiple, îkwimɐltip’l, subst. en adj. met hetzelfde getal vermenigvuldigd (getal).

Equine, îkw(a)in, paardachtig, paarde...

Equinoctial, îkwinokš’l, subst. evenachtslijn; adj. tot de e. behoorende: Equinox, îkwinoks, ekwinoks, dag- en nachtevening: Vernal and autumnal — = lente- en herfstnachtevening.

Equip, ikwip, uitrusten; —ment = equipement.

Equipage, ekwipidž, uitrusting, stoet, gevolg, (staatsie)rijtuig.

Equipoise, îkwipôiz, evenwicht.

Equipollence, îkwipol’ns, gelijkheid van macht of kracht, gelijkwaardigheid; Equipollent = gelijkwaardig.

Equiponderance, îkwipondər’ns, gelijk gewicht; Equiponderant, îkwipondər’nt, van gelijk gewicht; Equiponderate, îkwipondəreit, opwegen tegen, in evenwicht brengen.

Equitable, ekwitəb’l, billijk, onpartijdig; subst. —ness.

Equitation, ekwiteiš’n, rijkunst; Equites ekwtîz, de tweede adellijke orde in het oude Rome, die oorspronkelijk de cavalerie vormde.

Equity, ekwiti, billijkheid, rechtvaardigheid; soort van aanvullingsrecht (meer naar den geest dan naar de letter der wet) voor gevallen waarin de oude Common Law niet voorzag: — of redemption = de tijd, iemand toegestaan, om de hypotheek op zijne landerijen af te lossen; het hem toekomende overschot na verkoop; Court of — = rechtbank waar Equity-recht werd gesproken, vroeger ressorteerend onder het oude Court of Chancery; sedert 1878 onder de Chancery Division van het High Court of Justice.

Equivalence, ikwivəlens, gelijkwaardigheid; Equivalent = equivalent, adj. en subst.

Equivocal, ikwivək’l, dubbelzinnig, verdacht, onzeker; subst. —ness; Equivocate, ikwivəkeit, dubbelzinnig spreken, het niet nauw met de waarheid nemen; subst. Equivocation; Equivocator = draaier.

Equus, îkwɐs, paard.

Era, îrə, tijdperk, jaartelling.

Eradicate, iradikeit, met wortel en tak uitroeien, verdelgen; subst. Eradication; Eradicative, iradikətiv, subst. en adj. radicaal uitroeiend (middel).

Erase, ireis, uitschrappen, uitwisschen; —ment = uitkrassing, uitschrapping; —r = radeermesje; radeergomelastiek; Erasure, ireižə, uitkrassing, geradeerd gedeelte.

Erasmus, irazməs.

Erastian, irastj’n, Erastiaan(sch), genoemd naar Erastus, irastəs, die de Kerk wilde ondergeschikt maken aan den Staat.

Ere, êə, eer, vroeger dan, vóór: — ever = voordat; —long = eerlang; —now = vóór dezen; — this = vroeger, te voren; —while = vroeger.

Erebus, eribɐs, Erebus, onderwereld.

Erect, irekt, adj. rechtop, loodrecht, vast, flink; — verb. oprichten, stichten, bouwen, monteeren, verheffen, uitzetten, stijf worden, zich verheffen: To — a perpendicular = eene loodlijn oprichten; —ile, irektil, wat opgericht kan worden; —ing-shop = stelkamer; —ion = oprichting, verheffing, stichting; erectie; gebouw; —ive = oprichtend; —ness = opgerichte stand of houding; oprechtheid; —or = oprichter, spier, die ter oprichting dient.

Eremite, erəmait, (h)eremiet, kluizenaar; adj. Eremitic(al).

Ergo, ɐ̂gou, dus, derhalve.

Ergot, ɐ̂gət, moederkoren; —ism = moederkoren, vergiftiging hierdoor.

Eric, îrik, erik.

Erica, iraikə, heidekruid.

Erie, îri: Lake —; Erin, îrin, Ierland: Son of — = Ier.

Erinnys, irinis, irainis, Erinnyen, wraakgodinnen; furiën; Erlking, ɐ̂lkiŋ, elfenkoning.

Ermin(e), ɐ̂min, hermelijn, hermelijnen mantel; rechterlijke waardigheid: —ed = met rechterl. of pairs-waardigheid bekleed.

Ern(e), ɐ̂n, zee-arend.

Ernest, ɐ̂nəst.

Erode, iroud, wegvreten, invreten: —nt = wegvretend (middel).

Eros, îros.

Erosion, irouž’n, wegvreting, weggevreten plaats; kanker; adj. Erosive, irousiv.

Erotic, irotik, erotisch; minnedicht.

Erotomania, əroutəmeinjə, Erotomany, erətoməni, minnewaanzin, erotomanie.

Err, ɐ̂, dwalen, een fout begaan, zondigen.

Errand, er’nd, boodschap: Bent on an — = op een boodschap uit; To go (on) an —, To run —s = boodschap(pen) doen; To be sent on a fool’s — = voor gek loopen; —-boy = loopjongen.

Errant, er’nt, dolend, dwalend: Knight — = dolende ridder; —ry = zwerftocht, leven van een dolenden ridder.

Errata, əreitə, Meerv. v. Erratum = fout, vergissing; Erratic(al), əratik(’l), dwalend, doelloos, opvallend, excentriek: — block = erratisch rotsblok.

Erroneous, ərouniəs, verkeerd, onjuist; subst. —ness.

Error, erə, dwaling, vergissing, fout, onregelmatigheid, zonde, overtreding: Writ of — = bevel tot revisie van een vonnis wegens een gebrek in den vorm.

Erse, ɐ̂s, subst. en adj. oud-Schotsch of Iersch.

Erskine, ɐ̂skin.

Erst, ɐ̂st, (superl. van ere), vroeger, eerst: —while = vroeger.

Erubescence, erubes’ns, roodworden of blozen; adj. Erubescent.

Eructation, irɐkteiš’n, oprisping; uitbarsting, uitwerpsel.

Erudite, erudait, geleerd; Erudition, erudiš’n, geleerdheid.

Erupt, irɐpt, uitbarsten; Eruption, irɐ̂pš’n, uitbarsting, eruptie, uitval, huiduitslag; Eruptive: — countenance = gezicht vol uitslag; — matter = uitgeworpen stoffen (van een vulkaan b.v.).

Ervalenta, ɐ̂vəlentə, revalenta.

Erysipelas, erisipəlɐs, roos; adj. Erysipelatous.

Esau, îsô.

Escalade, eskəleid, subst. escalade, beklimming met stormladders; — verb. met stormladders beklimmen.

Escalop, əskaləp = Scallop.

Escapade, eskəpeid, moedwillige streek, gekke kuur, kwajongensstreek.

Escape, əskeip, subst. ontsnapping, ontkoming, vlucht, ontwijking, ontduiking, reddingtoestel; — verb. ontsnappen, ontkomen, vrijkomen; ontvallen, uitstroomen, ontgaan: We had a narrow — = ontsnapten ternauwernood; We made our — = wij maakten ons uit de voeten; —-ladder = brandladder; —-pipe = afvoerpijp; —-valve = ventiel; —-warrant = bevel tot inhechtenisneming v. een ontsnapt gevangene; —ment = échappement, schakelrad.

Escarp, əskâp, subst. binnentalud; — verb. tot eene steile helling maken; —ment = steilte.

Eschalot, ešəlot, sjalot.

Eschar, eskâ, korst; Escharotic, korstvormend (middel).

Escheat, əstšit, subst. aan de kroon of aan den leenheer (door ontbreken van erfgenamen) vervallen goed; in Amer. aan den staat; — verb. aan de kroon of den leenheer vervallen; —age = het recht van dit vervallen; —or = vroeger ambtenaar belast met het toezicht op dergelijke goederen.

Eschew, əstšû, schuwen, vlieden, vermijden.

Escort, esköt, gewapend geleide; Escort, əsköt vergezellen of geleiden.

Escritoire, eskritwö, schrijflessenaar, schrijfmap.

Esculapian, eskjuleipj’n, geneeskundig.

Esculent, eskjulent, subst. en adj. eetbaar (iets), voedsel.

Escurial, əskjûriəl, Eskuriaal.

Escutcheon, əskɐtš’n, wapenschild, familiewapen; dekschild; naambord of spiegel van een schip.

Eskimo, eskimou, Eskimo, ook adj.

Esop, îsəp; —ian, isoupj’n, —ic, isopik, Esopisch, van E.

Esophagus, îsofəgɐs, slokdarm.

Esoteric, esəterik, geheim, alléén voor de ingewijden, esoterisch, duister.

Espadon, espəd’n, tweehandig Spaansch zwaard.

Espalier, əspaljə, subst. spalier, latwerk, staketsel; leiboom; — verb. eene reeks van leiboomen maken.

Especial, əspeš’l, onderscheiden, bijzonder, hoofdzakelijk: In — = voornamelijk.

Espial, əspai’l, spionneeren; Espier = spion.

Espinel, espinel, spinel (edelst.).

Espionage, espiənidž, spionnage.

Esplanade, espləneid, glacis, terras, vlakke wandel- of rijweg.

Espousal, əspauz’l, tot het huwelijk of de verloving behoorend; —s = huwelijk, bruiloft, verloving; Espouse, əspauz, huwen, uithuwelijken, aankleven, omhelzen.

Espy, əspai, bespeuren, ontdekken.

Esquimau, eskimou, mv. —x; Zie Eskimo.

Esquire, əskwaiə, subst. schildknaap, Weledelgeb. Heer (op adressen: G. Bell, Esq. = Den Weledelgeb. Heer B.); — verb. vergezellen, dienen.

Essay, esei, poging, proef, verhandeling, vertoog; —ist = schrijver van korte verhandelingen.

Essai, əsei, pogen, beproeven.

Essence, es’ns, subst. bestaan, wezen, essence, het wezenlijke, uittreksel, reukwerk: He is the — of goodness = toonbeeld van; Essential, əsens’l, wezenlijk, werkelijk, bepaald noodzakelijk, gewichtig; subst. hoofdbestanddeel, hoofdzaak, kern: —-oils = etherische oliën; Essentiality = wezenlijkheid.

Essera, esərə, netelroos.

Essoi(g)n, əsôin, subst. (Eertijds) het verontschuldigen (de verontschuldiging) van iem. wegens niet-verschijning voor eene rechtbank; — verb. verontschuldigen wegens niet-verschijning ter terechtzitting; —ee, esoinî, de niet verschenen en verontschuldigde persoon; Essoin-day = de eerste dag van de zitting waarop de essoins in ontvangst werden genomen.

Establish, əstabliš, vaststellen, inrichten, oprichten, stichten, zich vestigen, vaststellen: To — a business = eene zaak oprichten; To — communications (with) = in verbinding stellen; He —ed himself there = vestigde zich; An —ed truth = uitgemaakte waarheid; —ment = vaststelling, bevestiging, regeling, bekrachtiging, vestiging, handelshuis, inrichting, établissement, huishouding, sterkte, staatskerk = The —ed Church.

Estacade, estəkeid, estacades, rivier- of havenversperringen.

Estafet(te), estəfet, renbode.

Estate, əsteit, subst. staat, toestand, rang, stand, bezit, landbezit, bezitting, landgoed, plantage: The British legislature consists of the —s of king (queen), lords and commons = drie (stenden) lichamen: koning, lords en gemeenten; Second — = the Lords; Third — = the Commons; Fourth — = de pers; He has come to man’s — = mannelijken staat; Personal — = roerend goed; Real — = onroerend goed.

Esteem, əstîm, subst. achting, waardeering; — verb. achten, waardeeren, beschouwen als.

Esther, estə.

Esthetic, əs-thetik. Zie Aesthetic.

Estimable, estiməb’l, achtenswaardig; subst. Estimableness; Estimate, estimit, subst. schatting, begrooting, meening; — verb. estimeit, schatten, ramen, begrooten, berekenen: On the extremest — = naar hoogste schatting; The Army —s were voted unanimously = de begrooting van oorlog werd met algemeene stemmen aangenomen; The loss is —d at £ 5000 = wordt begroot; Estimation = schatting, begrooting, hoogachting, meening; Estimator = taxateur.

Estival, estiv’l, istaiv’l, zomersch; Estivate, estiveit, îstiveit, zomerslaap houden; subst. Estivation, estiveiš’n, îstiveiš’n, zomerslaap.

Estop, əstop, belemmeren, afsluiten, uitsluiten (door een voorafgaande handeling of verklaring); subst. —pel.

Estovers, əstouvəz, gerechtel. toegestane onderhoudsmiddelen, alimentatie; gebruik van hout van den landheer door den huurder.

Estrade, əstreid, estrade.

Estrange, əstreinž, vervreemden, verwijderen, onthouden; subst. —ment.

Estrapade, estrəpeid, steigeren en schoppen van een paard, om zijn ruiter af te werpen.

Estray, əstrei, onbeheerd of weggeloopen huisdier (Jur.).

Estreat, əstrît, subst. afschrift, duplicaat; — verb. een afschrift maken.

Estuarine, estjuər(a)in, tot een estuary behoorend; Estuary, estjuəri, wijde monding eener rivier, zeeboezem.

Esurient, isiûriənt, hongerig, begeerig.

Et caetera, etsetərə, enzoovoort; —s = en verdere dingen; extra uitgaven.

Etch, etš, etsen; —er = etser; —ing-needle = etsnaald, etsstift.

Etern(e), itɐ̂n, eeuwig (dichterlijk) = adj. Eternal = eeuwig, onveranderlijk: The — = de Eeuwige, God; — flower = immortelle; Eternalize = eeuwig doen voortduren; Eternity = eeuwigheid, onsterfelijkheid: To all — = tot in eeuwigheid; Eternize = vereeuwigen, onsterfelijk maken.

Etesian, itîž’n, periodiek: — wind = de “mistral” of de “bise” aan de Middell. Zee.

Ethel, ethəl; —bald, —bôld; —bert, —bɐ̂t; —wulf, —wulf.

Ether, îthə, ether; —eal, ithîriəl, vluchtig, etherisch, hemelsch; —eality, onstoffelijkheid; —ealize, vergeestelijken; —ize, met ether verdooven.

Ethic, ethik (= —al), ethisch; zedenleer (= —s): The Christian —.

Ethiop, îthiop, Ethiopiër, Ethiopisch; Ethiopia = Ethiopië; Ethiopian, subst. Ethiopiër; neger, moor; adj. Ethiopisch, zwart; Ethiopic = Ethiopisch, Ethiopiër.

Ethnic, ethnik, subst. heiden; adj. ethnologisch; heidensch = —al.

Ethnographer, əthnogrəfə, ethnograaf; Ethnographic(al), ethnəgrafik(’l), ethnographisch; Ethnography, əthnogrəfi, ethnographie; Ethnologic(al), ethnəlodžik(’l), ethnologisch; Ethnologist, əthnolədžist, ethnoloog; Ethnology, əthnolədži, ethnologie.

Ethyl, ethil, aethyl.

Etiolate, îtiəleit, (doen) verbleeken, bleek worden (door onthouding van licht); subst. Etiolation.

Etiology, etiolədži, îtiolədži, leer der (ziekte) oorzaken.

Etiquette, etiket, etiket, etiquette: It is not — for ladies = contrary to — = tegen de etiquette.

Etna, etnə, Etna; soort snelkoker.

Eton, ît’n; —ian, itounj’n, leerling van de school te Eton; ook adj.

Etruria(n), itrûriə(n), Etrurië(r); Etruscan, itrɐsk’n, Etrurisch, Etruriër.

Etui, ətwî, etui.

Etymologic(al), etiməlodžik(’l), etymologisch; Etymologist, etimolədžist, etymoloog; Etymologize, etimolədžaiz, woorden afleiden, aan woordafleiding doen; Etymology, etimolədži, etymologie; Etymon, etimon, grondwoord, stamwoord.

Eucalyptus, jûkəliptəs, eucalyptus, blauwe gomboom.

Eucharist, jûkərist, Eucharistie, het Sacrament des altaars, de H. Hostie; Eucharistic = avondmaals..., dank...; Eucharistica = overpeinzingen en gebeden bij het Heilig Avondmaal.

Euchre, jûkə, Amer. kaartspel (op Whist gelijkend); — verb. beetnemen.

Euclid, jûklid, Euclides; meetkunde; adj. Euclidean, jûklidîən, Euclidian, juklidiən.

Eudoxia, judokšiə; Eugene, jûdžin, judžîn.

Eugenics, judženiks, rasverbetering.

Eulalia, juleiljə. Eulogist, jûlədžist, lofredenaar; adj. Eulogistic(al); Eulogium, juloudž’m = Eulogy, jûlədži, lofspraak; Eulogize, jûlədžaiz, loven.

Eumenides, jumenidîz, de Furiën.

Eunuch, jûnək, eunuch; —ism, het eunuch wezen, castreeren; — verb. —ize, castreeren.

Eupepsia, jupepšiə = Eupepsy, jupepsi, jûpepsi, normale spijsvertering; Eupeptic = met goede spijsvertering.

Euphemism, jûfimizm, verzachtende uitdrukking; adj. Euphemistic(al).

Euphonic(al), jufonik(’l), Euphonious, jufouniəs, welluidend; Euphonism, jûfənizm, harmonie der klanken; Euphonize, jûfənaiz, welluidend maken; Euphony, jûfəni, welluidendheid.

Euphrasy, jûfrəsi, oogentroost.

Euphrates, jufreitîz.

Euphues, jûfjuîz; Euphuism, jûfjuizm, gemaakte, gezochte, overdreven sierlijke manier van uitdrukken; adj. Euphuistic(al).

Eurasia, jureišə, jureižə, Europa en Azië; —n = Europeesch-Aziatisch; een uit het huwelijk van een Europeaan en Aziate geborene.

Eureka, jurîkə, Eureka: — overcoat = piekfijne.

Europe, jûrəp; —an, jûrəpîən, Europeaan; Europeesch; —anize, jûrəpîənaiz = invoeren van Europeesche zeden, enz.

Eurus, jûrəs, (Zuid)oostenwind.

Eustace, jûstis; Eustachian, justeikj’n: — tube = Eustachiaansche buis; Eustatia, justeišə.

Euston, jûst’n. Euterpe, jutɐ̂pi, Euterpe; palmsoort; kapellensoort; adj. Euterpean.

Euthanasia, jûthəneižə, Euthanasy, juthanəsi, zachte dood; middel daarvoor.

Euxine (The), dhəjûksin, de Zwarte Zee.

Eva, îvə, Eva.

Evacuant, ivakjuənt, subst. en adj. purgeerend (middel); ventiel; Evacuate, ivakjueit, ontruimen, purgeeren, uitwerpen, ledigen; Evacuation = stoelgang, ontruiming.

Evade, iveid, ontduiken, ontwijken, ontgaan, ontglippen, verijdelen, uitvluchten maken: To — the law = ontduiken.

Evan, ev’n; Evans, ev’nz.

Evanesce, evənes, verdwijnen; subst. —nce; —nt = verdwijnend, voorbijgaand, oneindig klein.

Evangel, ivanž’l, evangelie; —ic, îv’ndželik, evangelisch = —ical, ook subst. een aanhanger van de Low Church; —ism, ivanžəlizm, evangelieprediking; Evangelist; Evangelization = evangelisatie; —ize, ivanžəlaiz, het evangelie prediken, evangeliseeren.

Evangeline, ivanžəl(a)in.

Evanish, ivaniš, verdwijnen; subst. —ment = Evanition.

Evaporable, ivapərəb’l, verdampbaar; Evaporate, ivapəreit, verdampen, uitwasemen, drogen, verdwijnen, luchten (van toorn, b.v.); Evaporation, verdamping; Evaporative = verdampings...; Evaporator = verdampingstoestel; Evaporometer, îvapəromətə, verdampingsmeter.

Evasion, iveiž’n, ontduiking, ontwijking, uitvlucht; Evasive, iveisiv, vol uitvluchten, ontwijkend.

Eve, îv, Eva; avond, vóóravond: She was on the — of her marriage = het was onmiddellijk vóór haar huwelijk, aan den vóóravond van.

Evelina, evəlainə; Eveline, Evelyn, evəlin.

Even, îv’n, adj. gelijk, effen, even, kalm, onpartijdig, rond; adv. zelfs, juist, zooeven, ook, bovendien; — verb. effenen, gelijk maken: — and odd = even en oneven; To be — with a person = niets meer schuldig zijn; To come — with = betaald zetten; To meet on — ground = strijden met gelijke kansen; To be — with the times = met zijn tijd meegaan; He told me — as much = precies hetzelfde; — as I said it = juist toen; — now = zoo pas nog; — if = — though he came = al kwam hij ook; I saw him — yesterday = ik heb hem gisteren nog gezien; Their — Christians = mede-christenen; His —-handed dealing with all = onpartijdige handelwijze jegens; —-handedness; On an — keel = achter en voor even diep liggend; —-minded = gelijkmoedig; — money = ronde som; —-tempered = gelijkmatig van humeur (= Of an — temper); —er = gelijkmaker; zwengelhout (Amer.). —ness = vlakheid, gelijkheid, gelijkmoedigheid, onpartijdigheid.

Even, îv’n, avond; —fall = avondstond; —song = vesper, avondlied; —tide = avondtijd.

Evening, îv’niŋ, avond: The — crowns the day = einde goed alles goed; Six in the — = zes uur ’s avonds; —-dress = rok en witte das; —-gun = avondschot; — song = avondlied; —-star.

Event, ivent, gebeurtenis, afloop, gevolg, (sport)nummer: Double — = zevenstoot (bilj.); Treble — = negenstoot; At all —s = in elk geval; In the — of = voor het geval dat; In the — = ten slotte; —ful = belangrijk, gewichtig; Eventual, iventjuəl, gebeurlijk, eindelijk; Eventuality = mogelijkheid.

Ever, evə, ooit, in eenig opzicht, in eenige mate: For — = voor goed; For — and a day = voor eeuwig en altijd = For — and aye; Or — = voordat (verbasterd uit Ere —); Not — = never = nooit: I cannot — repent of it = ik heb er volstrekt geen berouw van; Aren’t you — coming? = kom je haast? As soon as — she comes here = zoodra ze maar hier komt; — and again = telkens weer; — and anon = nu en dan; gedurig; — since that time = van dien tijd af aan; I waited for — so long = een eeuwigen tijd; He may rail — (never) so much = zooveel hij verkiest; Still tremendously hot! It is — so much in the shade = ’k weet wel niet hoeveel graden; With — so slight a foreign accent = een ‘ietsje’, ‘tikje’; It’s ninepence for — such a little tin = voor nog zoo’n klein blikje; He would veto your taking — such a little glass = de geringste hoeveelheid; —glade = moerassige steppe in Oost-Florida; —green = plant, die het geheele jaar door groen blijft; —-lasting, evəlâstiŋ, altijddurend, eeuwig; subst. eeuwigheid; sterke stof voor laarsjes: The —lasting = de (eeuwige) Godheid; —lastings = immortellen; —lasting flower = stroobloem; Life —lasting = het eeuwige leven; —more = altijd door, steeds weer, voor eeuwig.

Ever(h)ard, evərəd; Everett, evərət.

Eversion, ivɐ̂š’n, omkeering, naar buitenkeering; — verb. Evert, ivɐ̂t.

Every, ev’ri, ieder, elk: — bit = volkomen, geheel: Her — gesture = elk harer gebaren; — now and then = van tijd tot tijd, telkens; — other day = om den anderen dag; My — word = elk mijner woorden; —body = iedereen; —thing = alles; —way = in elk opzicht; —where = overal.

Evesham, îvz(h)əm.

Evict, ivikt, uitzetten (uit een huis, b.v.), ontnemen, verdrijven; —ion = uitzetting, ontneming.

Evidence, evidens, subst. bewijs, bewijsmateriaal, klaarblijkelijkheid; — verb. bewijzen; In this novel the clergy are in — = komen veel geestelijken voor; Mr. and Mrs. N. were both in — = tegenwoordig; Circumstantial — = bewijs (Jur.); These circumstances are opposed to the — = druischen tegen alle waarschijnlijkheid in; He gave — = legde getuigenis af; To turn King’s (Queen’s) — = getuigenis afleggen tegen de medeschuldigen; Evident, evid’nt, duidelijk, klaarblijkelijk: Self-— = zonneklaar; Evidential = duidelijk bewijzend; Evidentness = klaarblijkelijkheid.

Evil, îv’l, subst. kwaad, onheil, ellende, zonde, kwaal; adj. kwaad, boos, snood, slecht, zondig: The — one = de duivel; The king’s — = klierziekte; The —s of war, social —s = rampen; Stomach —s = maagkwalen; This bodes — = voorspelt kwaad; —-affected = kwalijk gezind; — case = rampzalige toestand; —-doer = boosdoener, zondaar; —-eye = kwaad oog (dat op bovennatuurl. wijze kwaad berokkent); —-eyed = met evil eye; afgunstig; —-favoured = met een ongunstig uiterlijk; —-minded = boosaardig; subst. —-mindedness; —-smelling = kwalijk riekend; —-speaking = laster(end); —-worker = boosdoener.

Evince, ivins, bewijzen, aan den dag leggen.

Eviscerate, ivisəreit, ontweiden (van wild); verknoeien; subst. Evisceration.

Evocate, evəkeit, oproepen; Evocation = oproeping, bezwering.

Evoke, ivouk, oproepen, uitlokken, voor een andere rechtbank brengen.

Evolution, evəl(j)ûš’n, îvəl(j)ûš’n, evolutie, ontwikkeling, worteltrekking, militaire beweging; —al = ontwikkelings = —ary = evolutie...; —ism = evolutieleer.

Evolve, ivolv, ontvouwen, ontplooien, ontwikkelen, zich ontwikkelen; Evolvulus, ivolvjulɐs, evolvulus, zekere klimplant.

Ewart, jûwət.

Ewe, iû, ooi: — cheese = schapekaas; —-lamb; —-neck = hertenhals (van paarden).

Ewer, jûə, lampetkan, waterkan.

Ewing, jûwiŋ.

Ex, eks, (in samenst.), vroeger, gewezen: The —-king Milan.

Exacerbate, əgzasəbeit, verbitteren, verergeren; subst. Exacerbation.

Exact, əgzakt, adj. nauwkeurig, precies, methodisch, stipt; — verb. eischen, vorderen, afpersen: In —est sort = in de puntjes; —ly so = precies; —ing, veeleischend, streng; —ingness causes much misery = veeleischendheid; —ion = afpersing, buitensporige eisch; —itude = —ness = nauwkeurigheid.

Exaggerate, əgzadžəreit, overdrijven, vergrooten; subst. Exaggeration; adj. Exaggerative.

Exalt, əgzôlt, verheffen, verhoogen, verrukken; —ation, egzolteiš’n, verheffing, verrukking, geestvervoering; —ed = hoog, verheven; —edness = exaltatie.

Examination, əgzamineiš’n, onderzoek, ondervraging, verhoor, examen (ook verk. tot Exam, əgzam): — on paper = Written — = The writing part of an —; Vivâ voce — = vivâ voce; To enter, (to pass, to present oneself for, to retire from) an —; —-paper = examenopgaaf; —-in-chief = ondervraging van de(n) hoofdgetuige; —al: The old —al system = examenstelsel; Examine, əgzamin, onderzoeken, ondervragen, verhooren, examineeren: I —d into the thing = deed onderzoek naar de zaak; Examinee = examinandus; Examiner = examinator, onderzoeker, inspecteur, rechter v. instructie.

Example, əgzâmp’l, voorbeeld, patroon, model, opgave: For — = bij voorbeeld; By way of — = als, bij wijze van; I will set (give) you a good — = u een goed voorbeeld geven; Take — from (by) your brother = neem een voorbeeld aan, uw broeder tot voorbeeld; —r = model, voorbeeld.

Exanthema, eksanthîma, huiduitslag; koorts, die daarmee gepaard gaat; meerv. Exanthemata, eksanthîmətə, eksanthemətə.

Exarch, eksâk, Legaat v. den Patriarch; onderkoning (in Italië) van de Byzantijnsche keizers; —ate, eksâkit, eksâkit, exarchaat.

Exasperate, əgzaspərit, adj. verbitterd, getergd; — verb. (əgzaspəreit) verbitteren, tergen, verergeren; subst. Exasperation.

Excalibur, ekskalibə.

Excavate, ekskəveit, uithollen, uitgraven; Excavation = uitholling, holte, uitgraving, doorgraving; Excavator = graafmachine.

Exceed, əksîd, overtreffen, overschrijden, meer zijn dan, te ver gaan, te buiten gaan: I’ll take good care that you don’t — = u niet te buiten gaat; I have —ed already = ik heb al boven mijn “taks” gedronken (gegeten), etc.; —ing(ly) = buitengewoon.

Excel, əksel, overtreffen, uitmunten; —lence, eksəlens, uitstekendheid, voortreffelijkheid; Excellency, eksəlensi, excellentie: In a degree of — = voortreffelijk; Excellent = voortreffelijk.

Excelsior, əkselsiö, excelsior.

Excentric, eksentrik. Zie Eccentric.

Except, əksept, — verb. uitzonderen, tegenwerpingen maken; prep. buiten, behalve; conj. tenzij, zonder; —ing = uitzonderend, uitgezonderd; Exception, eksepš’n, uitzondering, tegenwerping, ontkenning: I take — to such words = ik keur af, neem kwalijk, werp op een exceptie tegen; Bill of — = lijst van excepties tegen een rechterlijk besluit; —s prove the rule = de uitzonderingen bevestigen den regel; —able = berispelijk, betwistbaar; —al = bij wijze van uitzondering = —ive.

Excerpt, əksɐ̂pt, excerpeeren, een uittreksel maken; subst. (eksɐ̂pt), excerpt.

Excess, əkses, overtolligheid, overdaad, buitensporigheid, onmatigheid: He eats and drinks to — = buitensporig veel; — fare = boete (op spoorwegen): To pay — fare; —ive = overdadig, buitensporig, buitengewoon, onmatig.

Exchange, əkstšeinž, subst. (uit)wisseling, ruiling, beurs; — verb. ruilen, wisselen, uitwisselen: To apply for an — = overplaatsing verzoeken; Arbitration of — = wisselarbitrage; Bill of — = wissel(brief); Course of — = wisselkoers; Foreign and domestic —s = buiten- en binnenlandsche wisselkoersen; List of —s = koersnoteeringen; The — = de Beurs; At to-day’s — = ter beurze van heden; — it for another = vervang het, ruil het; —-broker = wisselmakelaar; —ability = wisselbaarheid; —able = inwisselbaar, uitwisselbaar; —r = wisselaar.

Exchequer, əkstšekə, schatkist, kas: — Bills = schatkistbiljetten; Chancellor of the — = kanselier van de schatkist.

Excisable, əksaizəb’l, belastbaar; Excise, əksaiz, subst. accijns, impost; adj. accijns...; — verb. belasten, veraccijnzen; —-duties = accijnzen; —man = ontvanger der accijnzen; —-office = accijnzenkantoor.

Excise, eksaiz, uitsnijden, uithollen, schrappen; Excision, əksiž’n, uitsnijding, amputatie, uitsluiting; excommunicatie.

Excitability, əksaitəbiliti, prikkelbaarheid; Excitable, əksaitəb’l, prikkelbaar; Excitant, əksait’nt, eksit’nt, subst. en adj. prikkelend, opwekkend (middel); Excitation, eksiteiš’n, opwinding, opgewondenheid; Excitative = prikkelend; Excite, əksait, opwekken, aanzetten, opwinden, prikkelen, aan den gang brengen, gevoelig maken; Excitement = opwinding, opgewondenheid, prikkel.

Exclaim, əkskleim, uitroepen, luide uitvaren (against), luid jammeren (on); —er = ijveraar; Exclamation, ekskləmeiš’n, uitroep, kreet, geschreeuw, het uitvaren (tegen): Note of — = uitroepteeken; adj. Exclamatory, əksklamətəri.

Exclude, əksklûd, uitsluiten, buitensluiten, uitzonderen; Exclusion = uitsluiting; Exclusive, əksklûsiv = uitsluitend, met uitsluiting van (of), exclusief: — dealing = begunstiging van bepaalde personen (om politieke of relig. redenen); He has — sources of information = aparte, bijzondere; His comforter was three yards long, — of the fringe = buiten de franje; subst. Exclusivism.

Excogitate, əkskodžiteit, uitdenken, verzinnen; subst. Excogitation.

Excommunicate, ekskəmjûnikeit, excommuniceeren; subst. ekskəmjûnikit = een geëxcommuniceerde; Excommunication, ekskəmjûnikeiš’n, excommunicatie: The lesser — = uitsluiting van deelneming aan het avondmaal; The greater — = algeheele kerkban; adj. Excommunicative.

Excoriate, əkskôrieit, villen, de huid afschaven; subst. Excoriation.

Excrement, ekskrəment, uitwerpsel(en); adj. Excremental.

Excrescence, əkskres’ns, uitwas, wrat; Excrescent = overtollig.

Excrete, əkskrît, afscheiden; Excretion, əkskrîš’n, afscheiding; Excretory, əkskrîtəri, ekskrətəri, afscheidend: Kidneys are — organs = afscheidingsorganen.

Excruciate, əkskrûšieit, martelen, folteren; Excruciating = ondragelijk, ijsselijk; Excruciation = marteling.

Exculpate, ekskəlpeit, əkskɐlpeit, verschoonen, verontschuldigen, vrijspreken, rechtvaardigen; subst. Exculpation; Exculpatory = verontschuldigend.

Excursion, əkskɐ̂š’n, afwijking, afdwaling, uitstapje: —-ticket = uitstapkaart; —-train = pleiziertrein; —ist = tourist; Excursive, doelloos, afdwalend; subst. —ness; Excursus, əkskɐ̂səs, aanhangsel met nadere uitwerking van een in den tekst genoemd punt.

Excusable, əkskjûzəb’l, verschoonbaar; subst. —ness; Excuse, əkskjûs, verontschuldiging, uitvlucht, ontheffing.

Excuse, əkskûz, vrijpleiten, vergeven, vrijstellen, verontschuldigen: He is —d all the hard work in the house = vrijgesteld van; He —d himself on that score = verontschuldigde zich; — me for doubting it = neem me niet kwalijk, dat ...

Exeat, eksiat, verlof aan een (Engelsch) student tot tijdelijke afwezigheid; afwezigheidsverlof aan een geestelijke.

Execrable, eksikrəb’l, verfoeilijk; subst. —ness; Execrate, eksikreit, verfoeien, vervloeken, verwenschen; subst. Execration; adj. Execrative = Execratory.

Executable, eksəkjûtəb’l, əksekjutəb’l, uitvoerbaar; Execute, eksikjût, uitvoeren, volvoeren, verrichten, passeeren, ten uitvoer leggen, voltrekken, terdoodbrengen: To — a deed = eene acte passeeren; To — a will = een testament uitvoeren; —r = executeur; Execution, eksikjûš’n, uitvoering, volbrenging, voordracht, spel, uitwerking, bevel tot voltrekking (= Writ of —), executie, beslag, voltrekking der doodstraf: To put a thing into — = iets ten uitvoer brengen; An — was put into our house for rent = om de huur werd er beslag gelegd op het meubilair; To take in — = bij executie laten verkoopen; Executioner, eksikjûšənə, beul; Executive, əgzekjutiv, subst. uitvoerende macht; adj. uitvoerend, volvoerend; Executor, egzekjutə, executeur; —ship = ambt van executeur; Executory = executoir; Executrix = executrice.

Exegesis, eksidžîsis, exegese; Exegete, eksidžît, exegeet; Exegetic(al), eksidžetik(’l), exegetisch; Exegetics, eksidžetiks, uitlegkunde.

Exemplar, əgzemplə, model, voorbeeld; Exemplariness, əgzemplərinəs, eksəmplərinəs, voorbeeldigheid; Exemplary, əgzempləri, eksəmpləri, egzəmpləri, voorbeeldig, uitstekend; Exemplification, əgzemplifikeiš’n, verklaring, bewijsplaats; afschrift; Exemplify, əgzemplifai, met een voorbeeld aantoonen, als voorbeeld dienen, een afschrift maken.

Exempt, əgzemt, subst. vrijgestelde; adj. vrij, bevrijd; — verb. vrijstellen, excuseeren; Conscientious —s = v. dienst vrijgestelden wegens gemoeds- of godsdienstbezwaren; —ion, əgzemš’n, vrijstelling, vrij zijn.

Exequatur, eksikweitə, exequatur, officiëele bekrachtiging; erkenning van een consul door de regeering.

Exequies, eksikwiz, begrafenisplechtigheid.

Exercise, eksəsaiz, subst. gebruik, vervulling, beoefening, lichaamsbeweging; oefening, godsdienstoefening, exercitie, opgave; — verb. uitoefenen, gebruiken, aanwenden, oefenen, afrijden, drillen, beweging nemen in de open lucht, beproeven, verontrusten: —-book = schrift; To do one’s —s = schoolwerk maken; To hold closing —s = eindrepetities houden; You can take — every day in that climate = je alle dagen in de open lucht bewegen; To claim and — a right = eischen en uitoefenen; They were much —d on that subject = ze hielden zich ernstig bezig met dat onderwerp; You were —d that we should know her = gij deedt uw best, steldet er belang in; I was painfully —d in my mind at the way in which he ruined his children = had er erg mee te doen; maakte me ongerust; I was seriously —d in my mind as to the possibility of doing it = ik zat er ernstig over in; He —s me strangely = maakt het mij zeer moeielijk; —r.

Exert, əgzɐ̂t, inspannen, (kracht) toonen of gebruiken: It is the privilege of poetry to — such charms = zulke bekoringen uit te oefenen; He —ed himself very much = spande zich zéér in; Exertion, əgzɐ̂š’n, inspanning, krachtige poging.

Exes, eksiz, verkorting van Expenses.

Exeter, eksitə.

Exeunt, eksiɐnt, ‘zij treden af’ (tooneel).

Exfoliate, əksfoulieit, afschilferen; subst. Exfoliation.

Exhalable, əgz(h)eiləb’l, əksheiləb’l, vluchtig; Exhalation, eksəleiš’n, ekshəleiš’n, egzəleiš’n, uitwaseming, damp; Exhale, əgzheil, əksheil, əgzeil, uitademen, uitwasemen, in damp opgaan, doen verdampen.

Exhaust, əgz(h)ôst, uitputten, leegmaken, luchtledig maken: The fifth edition is —ed = uitverkocht; —ed receiver = leeggepompte klok (van eene luchtpomp); —-pipe = afvoerpijp (v. stoom); —-valve = afvoerklep; —er = exhauster, oppomper, opzuiger; —ible = uitputtelijk; —ion, əgz(h)ôstj’n, uitputting, vermoeienis, uitpompen, uitstroomen; —ive = volledig, alleruitvoerigst: He sent me — information about that subject = volledige inlichtingen; —less = onuitputtelijk.

Exhibit, əgz(h)ibit, subst. uitstalling, tentoongesteld voorwerp, bewijsstuk, staat; — verb. tentoonstellen, uitstallen, vertoonen, formeel indienen of overleggen; voorschrijven (van geneesmiddelen); Exhibition, eks(h)ibiš’n, tentoonstelling, vertooning, indiening of overlegging van bewijsstukken, studiebeurs, openbare les met prijsuitdeeling; het voorschrijven (van geneesmiddelen); lijftocht: He made an — of himself = hij stelde zich belachelijk aan; He has an interesting collection on — = heeft ... ingezonden; —-room = tentoonstellingszaal; —er, eksibišənə, iemand, die van eene beurs studeert; —ist = executant; Exhibitive = voorstellend; Exhibitor = vertooner, exposant; adj. —y.

Exhilarant, əgz(h)ilər’nt, subst. en adj. vervroolijkend of opbeurend (middel); Exhilarate, əgz(h)iləreit, opvroolijken, verblijden; subst. Exhilaration = opvroolijking, vroolijkheid.

Exhort, əgz(h)öt, vermanen, waarschuwen, aanzetten, aansporen; subst. Exhortation, eks(h)öteiš’n; —ative; —atory = vermanend; —er = vermaner.

Exhumation, eks(h)jumeiš’n, opgraving; Exhume, əgz(h)jûm, opgraven.

Exigence, eksidžens, Exigency, eksidžensi, noodzakelijkheid, urgentie, behoefte, benoodigd bedrag, vereischte; adj. Exigent.

Exiguity, eksigjûiti, kleinheid, onvoldoendheid; Exiguous, əgzigjuəs, gering, klein, schraal.

Exile, eksail, egzail, subst. balling, verbanning; — verb. verbannen: To pass sentence of — on.

Exist, əgzist, zijn, bestaan, leven; —ence = bestaan, zijn; —ent.

Exit, eksit, het heengaan (v. het tooneel), aftreden, uitgang, verscheiden, dood: He made his — = hij trad af, stierf.

Exmouth, eksmɐth.

Exodus, eksədɐs, Exodus: General — = algemeene uittocht.

Ex officio, eksofišiou, ambtshalve.

Exon, eksən, titel van de 4 officieren der Yeomen of the Guard, in rang onder den Ensign.

Exonerate, əgzonəreit, zuiveren, vrijspreken; ontheffen, ontlasten; subst. Exoneration; adj. Exonerative.

Exorbitance, əgzöbit’ns, overdrijving, buitensporigheid; Exorbitant = buitensporig: — bill = hooge rekening, hooge prijs.

Exorcize, eksösaiz, əgzösaiz, uitdrijven, uitbannen (van booze geesten); Exorcizer of Exorcist = duivelbanner.

Exordium, əgzödj’m, inleidend woord, aanhef; Exordial = inleidend.

Exoteric(al), eksəterik(’l), openbaar, populair.

Exotic, əgzotik, subst. en adj. niet inheemsch, buitenlandsch (product).

Expand, əkspand, uitspreiden, ontplooien, in omvang toenemen, ontluiken, uitzetten; Expanse, əkspans, uitgestrektheid, groote ruimte, uitspansel; Exspansibility = uitzetbaarheid, spankracht; Expansible = uitzetbaar; Expansion, əkspanš’n, uitzetting, spanning, verbreeding, toeneming, vermeerdering, uitgestrektheid, ruimte: — curb = instrument tot het tegengaan van uitzetting of inkrimping (door hitte of koude), zooals bij chronometers; Expansive = uitzettings..., uitzetbaar, uitgestrekt, openhartig, zich licht uitend: — force = spankracht; — power = uitzettingsvermogen; — youths = openhartige, gevoelige jongelui; subst. —ness.

Expatiate, əkspeišieit, uitweiden (on), uitvoerig zijn; subst. Expatiation; Expatiatory = wijdloopig.

Expatriate, əkspeitrieit, verbannen (uit het vaderland): To — oneself = het vaderland verlaten; subst. Expatriation.

Expect, əkspekt, verwachten, rekenen op, vermoeden, denken: He is not —ed to live = de dokters hebben hem opgegeven; She is expecting = in blijde verwachting; —ance = verwachting, hoop, opschorting; —ant = hoopvol, verwachtend; expectant; Expectation, ekspekteiš’n, verwachting, vooruitzicht, belofte: To have —s from an old aunt = wat ‘te wachten’ hebben; — of life = vermoedelijke levensduur; — week = de week tusschen Hemelvaartsdag en Pinkster.

Expectorant, əkspektər’nt, subst. en adj. slijm losmakend (middel); Expectorate, əkspektəreit, opgeven (bij het hoesten); Expectoration, ophoesten, het opgehoeste; Expectoratoon = kwispedoor (Amer.).

Expediency, əkspîdj’nsi, gepastheid, raadzaamheid, geschiktheid; utiliteitsbeginsel, zelfzucht; adj. Expedient, əkspîdj’nt, ook subst. hulpmiddel, redmiddel.

Expedite, ekspidait, bevorderen, verhaasten; afzenden, uitvaardigen, snel afmaken of verrichten: The revolution was —d, instead of delayed = verhaast; Expedition, ekspidiš’n, haast, vlugheid, spoed, vlugge verzending; expeditie, onderneming; Expeditionary = expeditie...: — troops; Expeditious, ekspidišəs, Expeditive, əkspeditiv, Expeditory, əkspeditəri, vaardig, vlug.

Expel, əkspel, uitdrijven, verbannen (from), wegzenden, uitsluiten; —lant, uitdrijvend middel; —ler: Pain-—ler = pijnstillend middel.

Expend, əkspend, uitgeven, besteden (on), verbruiken; —iture, əkspenditjə, uitgaven, kosten, verbruik: That is mere —iture of words (breath) = slechts verlies van woorden.

Expense, əkspens, onkosten, uitgaven: At my — = op mijne kosten; To be at the — of = moeten betalen; I am sorry you were put to such — = dat gij zooveel kosten hebt gehad; He went to great — = hij maakte veel kosten; Expensive = kostbaar; subst. —ness = kostbaarheid, duurte.

Experience, əkspîriəns, subst. ondervinding, ervaring; — verb. ondervinden, ervaren, probeeren, beproeven, ondergaan: Of no — = onervaren; It was outside all our — = zoo iets hadden we nog nooit beleefd; — is the best teacher = — is a good school = de onderv. is de beste leermeesteres; — keeps a dear school = door schade en schande wordt men wijs; — teaches fools = ervaring is de wijsheid der dwazen; He —d religion = werd bekeerd (Amer.); An —d teacher = een ervaren onderwijzer; Experiential science = ervaringswetenschap; Experiment, əksperiment, subst. proef; — verb. proeven nemen, experimenteeren (on); Experimental philosophy = proefondervindelijke wijsbegeerte; Experimentalize = experimenteeren; Experimenter.

Expert, ekspɐ̂t, subst. deskundige, vakman; adj. (əkspɐ̂t) deskundig, bedreven: To get — at = ervaren worden in; subst. —ness.

Expey = Expensive.

Expiable, ekspiəb’l, verzoenbaar; Expiate, ekspieit, boeten, weer goed maken; Expiation = boete, zoenoffer: Feast of — = Groote Verzoendag; adj. Expiatory: — sacrifice = zoenoffer.

Expiration, ekspireiš’n, uitademing, ademtocht, einde, dood, vervaltijd; Expiratory = tot de uitademing behoorend: — execution = terechtstelling door verstikking, etc.; Expire, əkspaiə, uitademen, den laatsten adem uitblazen; afloopen, vervallen: This ticket —d yesterday; Expiry, ekspirə, əkspairi, vervaltijd: The — of the copyright = het vervallen van het copierecht.

Explain, əksplein, uitleggen, verklaren: To — away = door toelichting uit den weg ruimen; —able = verklaarbaar; —er = verklaarder; Explanation, ekspləneiš’n, uitlegging, verklaring: To come to an — with = het eens worden met; Explanatory notes = verklarende aanteekeningen.

Expletive, eksplətiv, subst. stopwoord, verwensching; adj. aanvullend = Expletory.

Explicable, eksplikəb’l, verklaarbaar; Explicate, eksplikeit, uitleggen; subst. Explication; Explicative, eksplikətiv, uitleggend = Explicatory; Explicit, əksplisit, duidelijk, helder, open, uitvoerig; subst. Explicitness.

Explode, əksploud, uiteenbarsten, ontploffen, laten ontploffen, verwerpen: An —d notion = opgegeven denkbeeld; He —d with his grievances to his friend’s ear = hij uitte zijne grieven tegen zijn vriend; —nt = ontploffingsgeluid; —r = ontploffingsmiddel.

Exploit, əksplôit, subst. heldendaad; — verb. exploiteeren, uitbuiten, benutten, gebruiken (tot zijn doel); —ation, eksplôiteiš’n, exploitatie, uitbuiting, verkenning; —er, uitbuiter.

Exploration, ekspləreiš’n, onderzoeking, navorsching; Explorative = Exploratory = onderzoekend, onderzoekings—; Explore, əksplö, zorgvuldig onderzoeken; Explorer = onderzoeker; sonde.

Explosion, əksplouž’n, uitbarsting, losbarsting; ontploffing; Explosive, əksplousiv, subst. ontploffingsstof; klapper, ontploffingsgeluid; adj. ontploffend, knal, schiet—; opvliegend: — cotton = schietkatoen; — signals = knalsignalen; subst. —ness.

Exponent, əkspoun’nt, verklaarder, exponent; adj. Exponential: — equation = vergelijking met den onbekende als exponent; — quantity = exponentiaal grootheid.

Export, ekspöt, uitvoer, uitgevoerde artikelen; —-duties = uitgaande rechten; —-trade = uitvoerhandel.

Export, əkspöt, uitvoeren; —able = uitvoerbaar; —ation, ekspöteiš’n = uitvoer; —er = exporteur.

Exposal, əkspouž’l. Zie Exposure.

Expose, əkspouz, blootstellen, overleveren, aan de kaak stellen, ontblooten, openbaren, blootleggen, tentoonstellen, uitstallen, uiteenzetten: They —d the child = lieten ... aan zijn lot over; Exposition, ekspəziš’n, blootstelling; blootlegging, verklaring; tentoonstelling (Amer.); Expositor, əkspozitə, uitlegger, tolk, woordenlijst; Expositive, Expository = verklarend; Exposure, əkspoužə, blootstelling, blootlegging, ontblooting (= Indecent —), onthulling, uitstalling, het blootgesteld zijn: Death by — = doodvriezing, etc.

Expostulate, əkspostjuleit, ernstig onderhouden, vermanen; Expostulation = vermaning, vertoog, woordenwisseling; Expostulator = afkeurder; adj. Expostulatory.

Expound, əkspaund, verklaren, vertolken.

Express, əkspres, subst. bode, expresse, tijding, sneltrein; adj. duidelijk, helder, uitdrukkelijk, expres, juist; — verb. uitdrukken, betuigen, uitpersen, per expresse verzenden (Amer.); in beeld brengen; —-man = beambte bij een —-office = expeditiekantoor (Amer.); —-train = sneltrein; He —ed himself very distinctly = drukte zich uit; —ible = uitdrukbaar; Expression = uitpersing, uitdrukking, verklaring, voorstelling: He loves you past — = meer dan woorden kunnen zeggen; Expressive = vol uitdrukking, krachtig: — language = krachtige, levendige taal; — of deep interest = groote belangstelling uitdrukkende; subst. —ness.

Expropiate, əksprouprieit, onteigenen, uitsluiten; (Compulsory) expropriation = onteigening (bij de wet).

Expulsion, əkspɐlš’n, uitdrijving, verbanning; Expulsive = verbannend; afdrijvend (middel).

Expunge, əkspɐnž, uitwisschen, uitkrabben.

Expurgate, əkspɐ̂geit, ekspɐ̂geit, zuiveren; subst. Expurgation; Expurgator, əkspɐ̂gətə, ekspɐ̂geitə = zuiveraar; Expurgatory, əkspɐ̂gət’ri, zuiverend: — Index = lijst van boeken, door den Paus verboden, zoolang zij niet van de daarin voorkomende dwalingen zijn gezuiverd.

Exquisite, ekskwizit, uitgezocht, uitgelezen, voortreffelijk, verfijnd, keurig, lekker; hevig, verschrikkelijk, diep; subst. fat; subst. —ness; Exquisitism = fatterigheid.

Exsanguinity, eksaŋgwiniti, bloedarmoede; Exsangui(n)ous, əksaŋgwi(n)ɐs, bloedarm.

Exsect, əksekt, uitsnijden; subst. Exsection.

Exsiccant, əksik’nt, subst. en adj. opdrogend (kruid of middel); Exsiccate, eksikeit, əksikeit, op- of uitdrogen; subst. Exsiccation.

Exsuccous, əksɐkəs, saploos, droog.

Extant, ekst’nt, əkstant, bestaande, voorhanden, aanwezig; uitstekend.

Extasy, ekstəsi. Zie Ecstasy.

Extemporal, əkstempər’l, Extemporaneous, əkstempəreinjəs, onvoorbereid; subst. Extemporaneousness; Extemporary, əkstempərəri, Extempore, əkstemperî, onvoorbereid, voor de vuist; Extemporize, əkstempəraiz, voor de vuist spreken, improviseeren; Extemporizer = improvisator.

Extend, əkstend, uitstrekken, uitbreiden, verspreiden, rekken, verlengen, verwijden, vergrooten, zich uitstrekken, rekken, zich verspreiden, beslag leggen: An invitation was —ed to me = mij ook werd eene uitnoodiging gezonden; I — my best hopes to you = ontvang; A more —ed book = omvangrijker boek; This group requires —ed notice = het is noodig, dat wij deze groep van naderbij bezien; He had the most —ed powers = de meest uitgebreide volmacht; —ible = uitrekbaar; Extensibility = uitrekbaarheid; adj. Extensible, əkstensib’l = Extensile, əkstensil, rekbaar; Extension, əkstenš’n, uitbreiding, uitstrekking, verlenging, rekken, uitgebreidheid; omvang; Extensionist, əkstenšənist, iemand, die vóór extension (d.i. uitbreiding en verspreiding van universitair onderwijs) is; Extensive, əkstensiv, uitgebreid, veelomvattend: — knowledge = uitgebreide kennis; subst. —ness; Extensor, strekspier; Extent, əkstent, uitgebreidheid, omvang, beslaglegging: To a certain — = tot op zekere hoogte; To the — of = ten bedrage van; He laughed at me to such an —, that I got my back up = lachte zóó om mij, dat ik boos werd.

Extenuate, əkstenjueit, verzachten, verminderen: Extenuating circumstances = verzachtende omstandigheden; subst. Extenuation; Extenuator = verzachter; adj. Extenuatory.

Exterior, əkstîriə, subst. buitenzijde, uiterlijk; adj. buitenste, buiten..; uiterlijk, buitenlandsch: — angle = buitenhoek; —ity, əkstîrioriti, uiterlijkheid, buitenzijde, overdreven oplettendheid voor uiterlijke dingen.

Exterminate, əkstɐ̂mineit, uitroeien, verdelgen, elimineeren; subst. Extermination; Exterminator = verdelger; Exterminatory war = verdelgingskrijg.

Extern, əkstɐ̂n, externe (leerling); adj. uiterlijk, uitwendig = —al, subst. uitwendig deel; —als = uitwendige deelen, uitwendige ceremoniën en plechtigheden, zichtbare vorm; Externality = uiterlijkheid.

Exterritorial, əksteritôriə’l, buiten het rechtsgebied van een land.

Extinct, əkstiŋkt, uitgebluscht, uitgestorven, niet meer bestaande, niet meer van kracht; Extincteur, əkstiŋktɐ̂, extincteur; Extinction = blussching, uitroeiing, uitsterving, ondergang.

Extinguish, əkstiŋgwiš, uitblusschen, verstikken, verduisteren, vernietigen, opheffen, delgen; adj. —able; Extinguisher = uitblusscher, dompertje, een dooddoener; subst. Extinguishment.

Extirpate, əkstɐ̂peit, ekstɐ̂peit, verdelgen, uitroeien, geheel wegnemen; subst. Extirpation; Extirpator, əkstɐ̂pətə, ekstɐ̂peitə, uitroeier, soort eg of wieder.

Extol, əksto(u)l, verheffen, prijzen.

Extort, əkstöt, afpersen, ontwringen; subst. —ion; —ionary = afpersings - -; —ionate = onbillijk, buitensporig; —ioner = woekeraar.

Extra, ekstrə, subst. extra, bijgevoegd iets, enz.: An Art — = plaat als premie bij een tijdschrift; I took her on as — = (nood)hulp; adj. daarbuiten, buiten en behalve, buitengewoon: Seven and twenty shillings a week for board and lodging: no —s = zonder meerdere kosten; — pay = toelage; —-postage = strafport; — special = extra tijding; — work = extra werk, strafwerk.

Extract, ekstrakt, uittreksel, extract: — of beef = vleeschextract.

Extract, əkstrakt, uittrekken, trekken: To — a tooth (To have a tooth —ed) = trekken (laten); To — the root of = den wortel trekken uit; —able = (uit)trekbaar; Extraction = uittreksel, afkomst, geboorte: — of roots = worteltrekking; Extractive = uittrekbaar; extract; Extractor = trekker, tang (voor (tand)artsen).

Extraditable, ekstrədaitəb’l, uitleverbaar; Extradite, ekstrədait, uitleveren (van misdadigers, enz.); Extradition, ekstrədiš’n, uitlevering: Law of — = uitleveringswet.

Extrageneous, ekstrədžînjəs, tot eene andere soort behoorend, vreemd.

Extra-judicial, ekstrədž(j)udiš’l, buitengerechtelijk, wederrechtelijk.

Extramundane, ekstrəmɐndein, bovenaardsch.

Extra-mural, ekstrəmjûr’l, buiten de muren van stad (of universiteit).

Extraneous, əkstreinjəs, vreemd, niet behoorende bij.

Extraordinary, əkströd’nəri, buitengewoon, zeldzaam, merkwaardig.

Extravagance, əkstravəg’ns, buitensporigheid, overdrevenheid, verkwisting, overdaad; Extravagant = buitensporig, verkwistend, overdreven, geexalteerd; Extravaganza, əkstravəganzə, een bepaald soort muziekstuk, een geexalteerde rede, tooverballet.

Extravasate, əkstravəseit, uit de aderen dringen of brengen (van bloed); subst. Extravasation.

Extreme, əkstrîm, uiterst, laatste, verste, slot..; zeer groot of hevig, zeer nauwkeurig of gestreng; subst. uiteinde, uiterste grens, hoogste graad: — unction = het Laatste Oliesel; It is ridiculous in the — = het is allerbelachelijkst; To carry to —s = op de spits drijven; —s meet = de uitersten raken elkander; He was in extremis = lag op het uiterste; Extremist, əkstrîmist, ultraradicaal, ultra; Extremity, əkstremiti, uiterste, uiteinde, hoogste graad, uiterste nood, buitengewone gestrengheid of heftigheid: Driven to — = tot het uiterste gedreven; The extremities = de ledematen of extremiteiten: Nether —s = beenen; To push matters to —s = op de spits drijven.

Extricable, ekstrikəb’l, ontwarbaar, vermijdbaar; Extricate, ekstrikeit, (zich) bevrijden, losmaken, ontwarren; subst. Extrication.

Extrinsic(al), əkstrinsik(’l), uiterlijk, van buiten.

Exuberance, Exuberancy, əgzjûbər’ns(i), əksiûbərəns(i), weelderigheid, overvloed, overdrevenheid; adj. Exuberant.

Exudation, egziudeiš’n, eksiudeiš’n, uitzweeting; Exudative = uitzweetings - -; Exude, əgziûd, əksiûd, uitzweeten, afscheiden, afgescheiden worden.

Exult, əgzɐlt, jubelen, juichen; —ant (= —ing) = juichend, jubelend; subst. —ation, egzɐlteiš’n, eksɐlteiš’n.

Exuviae, əgzjûviî, əksiûviî, afgeworpen huiden of schalen; Exuviation, əgzjûvieiš’n, əksiûvieiš’n = afwerping.

Eyas, aiəs, jonge valk.

Eyder, aidə, de Eider.

Eye, ai, subst. oog, blik, gezicht, glans, knop (van planten); — verb. beschouwen, aankijken, monsteren: What the — does not see, the heart does not grieve over; —s front! = Staat! (milit.); —s left (—s right) = richt u! The — of day (of the morning) = de zon; The — of a dome = ronde opening in; The — of an egg = hanetree; The — of a needle; It shows to the — of sense beautiful vistas = opent een schoon verschiet voor het geestesoog; The —s of a ship = kluisgaten; I could find no favour in his —s = ik kon geen genade vinden in zijne oogen; I am getting my — in now = begin er nu kijk op te krijgen; I’ll have an — over her = een waakzaam oog houden over; He has an — to (upon) my sister = hij heeft een oogje op mijne zuster; He had an — to my money = had het gemunt op; I have an — to business = ik let op de zaken, affaire; I will keep an — on him = ik zal hem nauwkeurig gadeslaan; He looked upon me with an evil — = zag mij met een scheel oog aan; He sees a thing with half an — = met een half oog; I see — to — with you = ik ben ’t met u eens, heb er denzelfden kijk op als gij; I never set —s on her = ze is me nooit onder de oogen gekomen; To break the law and turn the blind — = een oogje dicht doen; —-ball = oogappel; —-beam = oogstraal; —-bolt = oogbout (scheepst.); —bright = oogentroost (plant); —brow = wenkbrauw; —-drop = traan; —-flap = oogklep; —glass = monocle, oogglas; —hole = kijkgat; —lash = wimper; —let = oog, vetergaatje, reefgat; —let-hole = vetergaatje; —lid = ooglid; —-opener = iets verbazends; —piece = oculair, oogglas; —-salve = oogzalf; —reach = —shot; —-servant = oogendienaar; —-service = oogendienst; —shot = gezichtsafstand: He was within (out of) —shot = hij was in (uit) het gezicht; —sight = gezicht, gezichtsvermogen: His —sight begins to fail = zijne oogen worden zwak; —sore = gerstekorrel (Med.); doorn in ’t oog: He is an —sore to me; —-string = oogzenuw; —-tooth = oogtand: I’m not going to be cheated out of my —-teeth here (Amer.) = ik laat me hier niet beetnemen; —-wash = oogwater = —-water, dit ook: glasachtig lichaam (van het oog); —witness = ooggetuige.

Eyne, ain, oud Meerv. van Eye.

Eyot, aiət, riviereilandje.

Eyre, êə, vroegere rondgaande rechtbank: Justices in — = rondgaande rechters.

Eyrie, Eyry, êri, airi, îri. Zie Aerie.

Ezekiel, izîkj’l, Ezechiël; Ezra, ezrə.

F.

F. ef, F sharp = fis (muz.); Fahrenheit; fellow; f. = farthing, feet, feminine, folio, foot; F. A. = F(ootball) A(ssociation); f. a. a. = f(ree) of a(ll) a(verage); Fahr. = Fahrenheit; F. A. S. = F(ellow) of the A(ntiquarian) S(ociety); F. A. S. = Fellow of the Society of Arts; F. B. S. = F(ellow) of the B(otanical) S(ociety); F(ree) C(hurch of Scotland); Fcp = foolscap; F(idei) D(efensor) = Verdediger des Geloofs; Feb(ruary); Fem(inine); ff = fortissimo; F(ellow) G(eological) S(ociety) (ook Geographical); Fig(ure); Fl(orin); F(oo)lsc(a)p; F(atho)m; F. M. = F(ield)-M(arshal); F. O. = F(ield)-O(fficer); F. o. b. = f(ree) o(n) b(oard); Fol(io); Fra(ncis); F(ellow) R(oyal) A(cademy); F.R.A.S. = F(ellow) of the R(oyal) A(siatic) (Astronomical) S(ociety); F. R. C. P. = F(ellow) of the R(oyal) S(ociety) of P(hysicians); F. R. C. S. = F(ellow) of the R(oyal) C(ollege) of S(urgeons); F(ellow) S(ociety) A(rts) (of Antiquaries); Ft = fort; ft = foot, feet; F. T. C. D. = F(ellow) of T(rinity) C(ollege), D(ublin); F. W. = F(resh) W(aterline) = een der Plimsoll merken op schepen; F. Z. S. = F(ellow) of the Z(oological) S(ociety).

Fa, fâ, fa.

Fabaceous, fəbeišes, boonachtig, boon - -.

Fabian, feibj’n, Fabisch, talmend, traag: — Society = een soc. pol. vereeniging te Londen, opgericht in 1884, die ook landnationalisatie beoogt.

Fable, feib’l, subst. fabel, verdichtsel, vertelseltje, praatje; — verb. fabelen schrijven, leugens vertellen; —d animals = in fabels besproken, alléén in de verdichting bestaande; —r = fabeldichter.

Fabliau, fâbliou, Oud-Fransche berijmde vertelling (12e en 13e eeuw).

Fabric, fabrik, subst. bouw, structuur, weefsel, maaksel, gebouw, stof, fabrikaat; —ate, fabrikeit, bouwen, maken, vervaardigen, samenstellen, fabriceeren, bedenken, verzinnen, vervalschen; subst. —ation; —ator = hij die vervaardigt, enz.

Fabulist, fabjulist, fabeldichter; verb. Fabulize; Fabulous, fabjulɐs, verdicht, fabelachtig, ongeloofwaardig, rijk aan fabelen: — age = vóórhistorische tijd; subst. —ness = Fabulosity = fabelachtigheid.

Facade, fəsâd, fəseid, vóórgevel, vóórzijde.

Face, feis, subst. gelaat, gezicht, uiterlijk, driestheid, onbeschaamdheid, aangezicht (fig.), redactie, voorkant, wijzerplaat, vlak, façade; — verb. het gezicht toekeeren, staan (zitten, gelegen zijn, zich bevinden) tegenover, te gemoet treden, omkeeren met de voorzijde naar boven, weerstand bieden, aanvaarden, bekleeden aan de voorzijde, omzoomen, omboorden, zich wenden naar: — of a coin = beeldzijde; In the — of day = op klaarlichten dag; The —s of a square = de zijden van een carré; This is unpardonable in — of the facts = met het oog op de feiten; He did it in — of all that is honourable and just = in strijd met al wat eervol en rechtvaardig is; On the — of it = op ’t eerste gezicht; To be — to — = tegenover elkaar staan; To fly in the — of danger = tegemoet snellen; I laughed in his — = in zijn gezicht; I will say so before his —, in his — = waar hij bij is; She said it with a little — = ietwat brutaal; I could not see my hand before my — = geen hand voor oogen; He told it me to the — = vlak in ’t gezicht; The King accepted the poor supplicant’s — = trok zich den armen smeekeling aan, stond zijn verzoek toe; He cut a queer — = trok een raar gezicht; He entreated (sought) the King’s — = ’s konings gunst; He has his — at his command = hij heeft zijn gelaat in zijn macht; Everything has two —s = men kan alles van twee kanten beschouwen; He made (pulled) a long — = trok een lang gezicht (fig.); He made a wry — = trok een zuur gezicht; She can make all kinds of —s = allerlei gezichten trekken; I’ll put a good — on it = het van den besten kant beschouwen; He set his — against his father’s will = hij weerstreefde zijn vader; Left —! Right —! = links-, rechtsom; Right about —! = rechtsomkeert; He —d the card = hij keerde om; He —d the consequences = aanvaardde; To — the enemy = het hoofd bieden; The country-seat —s the high-road = staat met de voorzijde naar; To — the music = de moeielijkheid moedig onder de oogen zien; The room —s South-east = ligt op; It was more than my heart could — = verdragen, weerstaan; To — about = zich omkeeren; He —d his men down = overblufte; He wanted to — me down = hij wou mij door onbeschaamdheid den blik doen neerslaan; He —d it out = hij hield het brutaal vol; —-ache, feiseik, —-ague, feiseigju, aangezichtspijn; — and hood = driekleurig viooltje; —-card = heer, vrouw of boer (in ’t kaartspel); —-cloth = doek (ter bedekking van het gelaat) van een doode; —-guard = masker; —r = slag in ’t gezicht, teleurstelling.

Facet, fasət, facet; — verb. met facetten slijpen.

Facetiae, fəsîši-î, fijne, geestige zetten, humorist. lectuur; Facetious, fəsîšəs, grappig, boertig: subst. —ness.

Facial, feiš’l, tot het gelaat behoorend: — angle = gelaatshoek; — contractions = gelaatsverwringingen.

Facile, fasil, gemakkelijk, gedwee, gewillig, vlug, lichtgeloovig, licht over te halen, meegaande, vriendelijk, minzaam: He wields a — pen = een vlugge pen; Facilitate, fəsiliteit, vergemakkelijken, verlichten; subst. Facilitation; Facilities, fəsilitiz, gemakken, voordeelen; Facility, fəsiliti, gemakkelijkheid, handigheid, meegaandheid, genaakbaarheid, minzaamheid.

Facing, feisiŋ, subst. boordsel, opslag, tressen, bekleeding van talud, wending, zwenking (Mil.): — of tea = thee kleuren ter vervalsching.

Facsimile, faksimili, subst. facsimile; — verb. eene juiste nabootsing geven van.

Fact, fakt, daad, feit, werkelijkheid: In — = inderdaad, feitelijk.

Faction, fakš’n, (politieke) partij, oneenigheid, onrust, tumult, opstand; —ist = raddraaier, oproermaker; Factious, fakšəs, partijzuchtig, oproerig, muitend; subst. —ness.

Factitious, faktišəs, kunstmatig, nagebootst, onecht, conventioneel.

Factitive, faktitiv, causatief: — object, zooals b.v. het woord duke in: The queen made him a duke.

Factor, faktə, agent, facteur, factor; —age, faktəridž, commissieloon; —ship = beroep v. factor; Factory, faktəri, fabriek, faktorij: Factories and Workshops Acts = arbeidswetten; Factory hand = fabrieksarbeider.

Factotum, faktout’m, factotum, duivelstoejager.

Facultative, fakəltətiv, rechtgevend, naar believen, facultatief; Faculty, fak’lti, bekwaamheid, vermogen, gave, talent, zin, bevoegdheid, dispensatierecht, faculteit: The — = medische faculteit, de medici.

Fad, fad, liefhebberij, stokpaardje, gril; —dish = grillig; —dist = iemand, die er allerlei dwaze stokpaardjes en meeningen op nahoudt; —dy = vol fads.

Faddle, fad’l, beuzelen.

Fade, feid, adj. zwak, mat, kleurloos; — verb. verwelken, verkleuren, verschieten, verdwijnen; Fadingness = vergankelijkheid.

F(a)ecal, fîk’l, tot faeces behoorende of die bevattende; F(a)eces, fîsîz, faecaliën, bezinksel.

Fag, fag, subst. werkezel; groen; een “pluk”, een “toer”; — verb. zich afsloven, zich afmatten, groen loopen; afmatten, als werkezel gebruiken: —ged out = doodop; —-end = zelfkant, rafeleind, uitgerafeld stuk, eindje, slot.

Fa(g)got, fagət, subst. takkebos, bundel (of iron, steel), brandstapel; oud gerimpeld vrouwspersoon, lummel; — verb. samenbinden; To smell of the — = naar den mutsaard rieken; —-voting, bestond hierin, dat grondbezitters nominaal stukken land aan pachters overdeden, die dientengevolge als grondbezitters ook mochten stemmen.

Fagin, feigin.

Fagotto, fagotou, fagot.

Fail, feil, achteruitgaan, ontbreken, gebrek hebben aan, ophouden, verloren gaan, uitblijven, uitdrogen, mislukken, niet opkomen, afnemen, verzwakken, in den steek laten, zijn doel missen, misgaan, falen, nalatig zijn, failleeren of bankroet gaan, verlaten, teleurstellen; ook subst.: His heart —ed him = zijn moed begaf hem; He —ed to do it = slaagde niet; They —ed to do him justice = bleven in gebreke; He —ed in his usual alacrity (animation) = het ontbrak hem; He has —ed of his ambitions = zijn illusies (wenschen) zijn niet verwezenlijkt; This work cannot — of popularity = moet wel in den smaak vallen; Without — = zonder mankeeren, zeker; —ing, subst. gebrek, zwak; adj. ontbrekend, achteruitgaand, begevend, etc.; prep. bij gebrek van: A never — topic of conversation = waarover men nooit raakt uitgepraat; Failure = gebrek, slechte uitslag, gemis, mislukking, misgewas, verval, achteruitgang, bankroet.

Fain, fein, gaarne, blij, geneigd, begeerig, genoodzaakt: He was — to eat black bread = hij was blij met (hij moest wel eten) roggebrood; — to gain it = verlangend; He would — = hij wou graag (liefst); — of = blij met.

Faint, feint, adj. zwak, verzwakt, uitgeput, flauw, bedwelmend, zwoel, drukkend, terneergeslagen; subst. flauwte, onmacht; — verb. flauw vallen (away), afnemen, zwakker worden: — heart never won fair lady = die niet waagt, die niet wint; — at heart = bevreesd; I have not the —est idea of it = er geen flauw begrip van; The book was killed with — praise = werd totaal vermoord door zwakke aanprijzing (die met veroordeeling gelijk stond); A — sound = zwak, dof; — with hunger, thirst = flauw, uitgeput van; —hearted = moedeloos, flauwhartig; subst. —-heartedness; —ing = flauwte, bezwijming: In a —ing fit = in een aanval van flauwte; —ish = zwakkelijk; subst. —ishness; —ness = zwakte, moedeloosheid, onduidelijkheid.

Fair, fêə, subst. jaarmarkt, kermis; Fancy — = liefdadigheidsbazaar; —ing = kermisgeschenk.

Fair, fêə, schoon, fraai, rein, vlekkeloos, ongerept, helder, duidelijk, blond, blank, ongehinderd, vrij, gunstig, behoorlijk, billijk, rechtvaardig, eerlijk, oprecht, zacht, vriendelijk: The — (sex) = het schoone geslacht; She has a — knowledge of English = behoorlijke, flinke; — play is a jewel = eerlijk duurt het langst; That is not — play = niet eerlijk en rond; To see — play = zorgen dat iets eerlijk toegaat; — trade = beschermde handel; He is in a — way to succeed = mooi op weg; — words butter no parsnips = praatjes vullen geen gaatjes; — and square = eerlijk, rond, oprecht; — and softly = zoetjes aan; He bids — to get the place = zijne kansen staan goed; He carried it — towards them in public = deed zich mooi voor; —ly = vrijwel; geheel en al, volstrekt, werkelijk: The book is going on —ly, sells —ly well = gaat vrij goed van de hand; —-faced = met mooi gelaat; mooie praatjes makend; —-minded = oprecht; —-spoken = innemend, hoffelijk; His —-weather friends = vr. in voorspoed; —ish = lief, tamelijk goed (mooi, etc.); vrij wel; —ness = schoonheid, ongereptheid, blondheid, oprechtheid, billijkheid, duidelijkheid, etc.

Fairway, fêəwei, vaarwater.

Fairbairn, fêəbən; Fairfax, fêəfaks.

Fairy, fêri, subst. fee, toovenares; adj. feeachtig: — circle (— green, — ring) = kring (groener dan de omgeving) in ’t grasveld, die naar ’t volksgeloof door het dansen der feeën ontstaan is; — fingers, — glove = vingerhoedskruid; —land = feeënland; —-like = als een fee; —-tale = sprookje.

Faith, feith, geloof, vertrouwen, trouw, belofte, eerewoord: (In) —, he did it = eerlijk (waarachtig), hij deed het; In good — = te goeder trouw; The — = de Christel. godsdienst; A breach of — = trouwbreuk; To keep — with = zijn woord houden jegens; To put — in = geloof hechten aan; —ful = geloovig, trouw, eerlijk, geloofwaardig: The —ful = de geloovigen; —fully: Yours —fully = uw dienstwillige; subst. —fulness; —less = ongeloovig, trouweloos; subst. —lessness; —worthy = be- of vertrouwbaar.

Faix, feiks, op mijn woord, waarachtig.

Fake, feik, oplappen, opknappen (met het oog op bedrog), stelen; bedriegen; opschieten (zeeterm); subst. bocht, slag, bedrog: The old horse was —d up for work again = werd weer opgelapt voor ’t werk; —ment = zwendel, diefstal, knoeiwerk; —r = bedrieger, zwendelaar, zakkenroller.

Fakir, fəkîə, feikîə, fakir, Brit. Ind. bedelmonnik.

Falcate(d), falkeit(id), sikkelvormig; subst. Falcation.

Falchion, fôlš’n, kort licht gekromd en breed zwaard.

Falciform, falsiföm, sikkelvormig.

Falcon, fô(l)k’n, falk’n, valk; falkonet (kanonnetje); —er = valkenier; —et = falkonet, smelleken; —ry = valkendressuur, valkenjacht.

Falderals, faldəralz, snuisterijen, snorrepijperijen.

Faldstool, fôldstûl, vouwstoel; bisschopsstoel (bij het altaar), stoel (aan de zuidzijde van het altaar) waarbij de Engelsche vorsten bij de kroning knielen; lezenaar (in de kerk).

Falernian, fəlɐ̂nj’n, subst. en adj. (wijn) van Falernus.

Falkirk, falkɐ̂k, fôlkɐ̂k, fôkɐ̂k; Falkland, fôklənd.

Fall, fôl, subst. val, het vallen, daling, neerdaling, ineenstorting, dood, ondergang, helling, waterval, uitwatering, herfst (Amer.), cadans, val (zeeterm); — verb. vallen, zich uitstorten, instorten, afvallen, sneuvelen, betrekken, zondigen, dalen, verminderen, vervallen, neerkomen, aanvallen, te beurt vallen, gebeuren, geworpen worden, enz.: The — = zondenval; They tried a — (with each other) = worstelden samen; There was a general — of jaws = zij trokken allen lange gezichten; He came here in the — = in den herfst; A — overcoat = demisaison; — aboard = aanvaren, aanklampen, aanpakken; To — astern = achterblijven, zakken (van schepen); To — dead from the press = doodgezwegen worden; The wind fell a dead calm = het werd bladstil; To — flat = mislukken; de uitwerking missen; To — foul of = aanzeilen; aangrijpen, slaags raken met; stooten op; He fell from grace = verviel tot zonde; He fell in love = werd verliefd; To — ill = ziek worden; To — short = te kort schieten, niet voldoende zijn, niet beantwoorden aan (of); To — together = elkaar ontmoeten; To — to pieces = in stukken vallen; To — to the rear = wijken; To — among friends = toevallig raken onder, ontmoeten; To — away = mager worden, tot slechtheid vervallen; To — away from = afvallig worden; He fell along = viel neer zoo lang als hij was; To — back = wijken, terug krabbelen; To — back upon = terugkomen op (eene bewering of argument), steun vinden of zoeken bij, in geval van nood; To — behind = achterblijven, zakken; His face had —en in = ingevallen, mager geworden; To — in = invallen, vervallen, aantreden, aansluiten; The lease will — in on the first = het huurcontract vervalt; To — headlong into the water = voorover, hals over kop; I fell in with his plans = keurde.. goed en deed overeenkomstig; That fell in with my temper = kwam overeen met; We fell in with each other = troffen elkander; To — off = afvallen; verminderen, afnemen; He fell on (to) his knees; To — out = uitvallen, oneenigheid, ruzie krijgen, de gelederen verlaten; It fell out that ... = het gebeurde, dat; To — through = in duigen vallen; I advise you to — to = ik raad u, om toe te tasten, aan te vallen; It fell to me, my lot, my share = viel mij te beurt; The dogs fell to biting = begonnen; The legacy fell to us = viel ons ten deel; To — upon (on) the ear = treffen; To — upon = aanvallen; The war fell within this year = had plaats; —ing-away = wegvallen, uitvallen, vermagering, afvalligheid, ontrouw; —ing-off = vermindering, achteruitgang; —ing-sickness = vallende ziekte; —ing-star = vallende ster; —ing-stone = meteoorsteen; —-trap = valdeur, valluik.

Fallacious, fəleišəs, bedriegelijk, sophistisch; subst. —ness; Fallacy, faləsi, bedrog, vergissing, dwaalbegrip, drogrede.

Fallals, falalz, falalz, prullen, nietigheden.

Fallibility, falibiliti, feilbaarheid; adj. Fallible.

Fallow, falou, vaalrood, vaalgeel, onbebouwd, braak, verwaarloosd; subst. braakland, braak; — verb. braak laten liggen: He had to rest and lie — = en mocht geen werk doen; —-crop = oogst van braakland; —-deer = damhert; —-finch = tapuit.

Falmouth, falməth.

False, fôls, adj. valsch, onwaar, ongegrond, bedriegelijk, onjuist, onecht, vervalscht, blind, ondergeschoven: To play — = valsch spelen, bedriegen; If my memory does not play me — = mij niet bedriegt; He sails under — colours = hij zeilt onder valsche vlag; —-face = masker; —-faced = huichelachtig; — fire = valsch signaalvuur (om den vijand te misleiden); —-hearted = trouweloos; subst. —-heartedness; —hood = valschheid, leugen, bedrog; —ness = valschheid; Falsification = vervalsching, weerlegging; Falsifier = vervalscher, valsche munter; Falsify, fôlsifai, vervalschen, schenden, weerleggen, de onjuistheid bewijzen; Falsity, fôlsiti, valschheid, onjuistheid.

Falsette, fôlset; falsetto, fôlsetou, faucet-stem. Falstaff, fôlstâf.

Falter, fôltə, stamelen, stotteren, weifelen, wankelen: — out = uitstamelen; I —ed from my vow = werd ontrouw aan.

Fame, feim, gerucht, faam, roem, vermaardheid: Houses of ill-— = bordeelen; —d = beroemd.

Familiar, fəmiljə, gemeenzaam, huiselijk, intiem, minzaam, ongedwongen; subst. vertrouwde vriend, goede kennis, huisgeest: “But” is the sceptic’s — = het woordje “But” heeft de twijfelaar steeds in den mond; —ity, familjariti, gemeenzaamheid, nauwkeurige bekendheid, minzaamheid: (Too great) —ity breeds contempt = van (al te groote) gemeenzaamheid komt verachting; —ities = vrijheden; Familiarize = gemeenzaam maken, gewennen; Family, famili, huisgezin, (vrouw en) kinderen, familie, geslacht, groep: Mr. W’s — = de fam. W.; —-man = huisvader; —-medicine = huismiddeltje; —-tree = stamboom; —-way: His wife is in the —-way = in gezegende omstandigheden.

Famine, famin, hongersnood, schaarschte, gebrek; Famish, famiš, uithongeren, verhongeren, versmachten.

Famous, feiməs, beroemd, vermaard, berucht; subst. —ness.

Famulist, famjulist, student van ondergeschikten rang aan de universiteit te Oxford.

Fan, fan, subst. waaier, wan, blaasbalg, prikkel; — verb. koelte toewaaien, wannen, aanzetten, aanwakkeren: He —ned the racial hatred = wakkerde aan; —-light = halfronde lichtschepping boven eene huisdeur; —-tail = duif, met waaiervormigen staart, vleermuis (gasbrander); kap met verlengstuk van kolendragers; —ning-machine, faniŋməšîn, —ning-mill = builmolen, wanmachine.

Fanal, fənal, fənâl, fein’l, lichttoren, lichttoestel.

Fanatic, fənatik, adj. dweepziek; subst. dweper; —al = fanatiek; —ism = fanatisme.

Fancier, fansiə, kweeker, liefhebber (van vogels, enz.). Fanciful, fansiful, hersenschimmig, ingebeeld, grillig, phantastisch; subst. —ness; Fancy, fansi, subst. verbeelding, fantasie, verbeeldingskracht, gril, lust, smaak, voorliefde, liefhebberij; adj. ingebeeld, overdreven, elegant, mode - -, phantasie..; — verb. zich verbeelden, zich voorstellen, eene voorliefde opvatten voor, aangenaam vinden; lusten: The — = in ’t algemeen sportmenschen, vooral worstelaars, hondenliefhebbers, etc.; He took a — to it = hij kreeg er zin in; Only — = stel je voor; If you — the idea, I will act accordingly = als het denkbeeld bijval bij u vindt; Is there nothing, that you can —? = is er niets, dat u bevalt, dat ge lust? —-articles, —-goods = weelde-artikelen; —-ball = gecostumeerd bal = —-dress ball; —-fair = liefdadigheidsbazaar; —-goods = galanterieën; —-man = souteneur; — price = bespottelijk hooge prijs; —-shop = galanteriewinkel; —-sick = eenigszins getroubleerd van geest; —-skater = kunstschaatsenrijder; —-stationer = verkooper van luxepostp., galanterieën, enz.; —-work = handwerkje.

Fandango, f’ndaŋgou, Spaansche dans.

Fane, fein, tempel, heilige plaats; weêrhaan.

Fanfare, fanfêə, fanfêə, fanfare, pocherij.

Fanfaron, fanfəron, snoever; —ade, fanfərəneid, snorkerij, gebluf.

Fang, faŋ, slagtand, gifttand, klauw; —less = zonder klauwen, etc.

Fanion, fanj’n, klein vlaggetje.

Fannel, fan’l. Zie Fanon.

Fanny, fani.

Fanon, fanən, zijden vierkleurige schouderdoek, welke na het cingulum (sjerp) over de alb wordt gelegd, een speciaal pauselijk gewaad bij kerkdiensten; manipel; witgedekte tafel waarop de offeranden voor de mis worden geplaatst.

Fantasia, fəntâzia, fantəzîa; muzikale fantasie; Fantastic (= —al), fəntastik(’l), fantastisch, grillig; subst. phantast; —ness; Fantasy, fantəsi. Z. Fancy.

Fan-tods, fantodz, landerigheid: I got the — = het begon me te vervelen, ik kreeg het land.

Fantoccini, fantoutšîni, marionetten-theater.

Far, fâ, ver, afgelegen, zeer, groot: That does not go very — = daar komen we niet ver mee; This cocoa is best and goes —thest = en is het voordeeligst in het gebruik; We had to go —-about = een heelen omweg maken; —-away = ver weg, verstrooid; To reach — back into antiquity = ver teruggaan; — and away = verreweg; — and near, — and wide = heinde en ver, overal; Few and — between = zelden voorkomend; —-fetched = vergehaald, vergezocht; — forth = heel ver; In the —-gone = in ouden tijd; He is —-gone in that science = heeft het een heel eind gebracht in; — gone in love = tot over de ooren verliefd; — gone in drink, consumption = erg dronken, in een ver stadium van tering; — in with = zeer intiem met; —most = verst; —-off = op een grooten afstand; wezenloos, starend; — other = heel anders; You are — out = hebt het heelemaal mis; —-reaching = ver-reikend; —-sighted = verziende, omzichtig; subst. —-sightedness; — West = het gedeelte der Unie ten W. van den Mississippi; By — = verreweg; So — as I am concerned = wat mij aangaat; So — so good = tot hiertoe is het in orde.

Faradization, farəd(a)izeiš’n, behandeling van ziekten door electrische stroomingen, ook: Faradism, naar Faraday genoemd; Faradize = electriseeren.

Farce, fâs, klucht, kort blijspel; Farcical, fâsik’l, kluchtig, grappig; subst. —ness.

Farcin, fâsin, Farcy, fâsi, ziekel. aandoening der lymphklieren bij paarden.

Fare, fêə, subst. voedsel, kost, gerecht, vracht, passagier; — verb. zich bevinden, varen, gaan, zich voeden: Half —s = halve of kinderkaarten; Regulation — = tarief; Bill of —s = tarief (in omnibus of huurrijtuig); Bill of — = menu, spijskaart; — you well = vaarwel; —-meter (for cabs) = taxometer; Farewell, fêəwel, subst. afscheid, vaarwel: He bade — to his country = zeide vaarwel; adj. afscheids... (fêəwel): A — address = afscheidsrede; interj. (fêəwel) vaarwel! adieu!

Farina, fərainə, fərînə, bloem van meel; zetmeel; Farinaceous, farineišəs, melig, meel bevattend: — food = meelkost; Farinose, farinous, meelhoudend, met meelachtig stof bedekt.

Farm, fâm, subst. boerderij, pachthoeve; — verb. pachten, verpachten, bebouwen, den landbouw uitoefenen, kinderen uitbesteden: This house was let to — = verhuurd; —-bailiff = rentmeester; —-crossing = (spoor)overweg bij een boerderij; —-dog = waakhond; —-hand = arbeider, knecht; —-house = boerenwoning; —-labourer = boerenarbeider; —-produce = landbouwproducten; —-stead(ing) = boerenplaats; —-yard = erf; —er = pachter, landman; —ery = boerenerf met huizen, schuren enz.; —ing, subst. landbouw; adj. landbouw...

Farnborough, fânbərou; Farne Islands, fân ailəndz; Farnham, fânəm.

Faro, fêrou, een hazardspel.

Faroe, fêrou: — Isles; Farquhar, fâkwâ, fâk(w)ə.

Farrago, fəreigou, mengelmoes.

Farrier, fariə, subst. hoefsmid, paardendokter; —y = hoefsmidsbedrijf, smederij.

Farrow, farou, subst. big, worp biggen; adj. gust (niet drachtig) van eene koe (Dial. en Amer.); — verb. biggen werpen.

Farther, fâdhə, Farthest, fâdhist, comp. en superl. van far; —-more = bovendien.

Farthing, fâdhiŋ, ¼ penny; —’s-worth = waarde van een farthing.

Farthingale, fâdhiŋgeil, soort hoepelrok (16de en 17de eeuw).

Fasces, fasîz, bundel, fasces (Oud-Rome): — of flowers.

Fascia, fašiə, band, gordel, vooruitstekende lijst, zwachtel; Fasciation, fašieiš’n, zwachtelen, verband; Fascicle, fasik’l, bundeltje, aflevering; Fascicular, fəsikjulə, Fasciculate(d) = tot een bundeltje vereenigd.

Fascinate, fasineit, betooveren, verrukken, bekoren, boeien; subst. Fascination.

Fascine, fəsîn, fascine, bundel rijshout voor milit. doeleinden.

Fash, faš, hinderen, plagen, lastig zijn (Dial.).

Fashion, faš’n, subst. fatsoen, aard, wijze, vorm, patroon, mode, trant, kleederdracht, chic, voornaamheid; — verb. vormen, fatsoeneeren, gepast maken voor: The — = de groote wereld; —s = de heerschende modedracht; After a —, In a — = tot op zekere hoogte; In the — = in de mode; —able = naar de mode, chic, beschaafd, welopgevoed; subst. —ableness; —ist = modegek; iemand, die aan den vorm hangt; —-monger = fat, modepop; —-sheet = modeplaat.

Fast, fâst, vast, onbewegelijk, bevestigd, gehecht, getrouw; snel, vóórloopend, vlug, los, geëmancipeerd; losbandig: My watch is — = vóór; You are a little — = je horloge gaat wat voor; You go too — = je oordeelt wat haastig; He plays — and loose with his principles = hij is niet beginselvast; He is as — asleep as a church = hij slaapt als een otter; — beside = vlak naast; — by = dichtbij; — colours = “waschecht”; — freight = ijlgoed; — friends = dikke vrienden; — man, woman = roué, wufte, geëmancipeerde vrouw; —-sailing = snelzeilend; — train = sneltrein; Fasten, fâs’n, vastmaken, bevestigen, sluiten, vestigen, opleggen, zich hechten of vastklemmen: He can — an article on any journal = kan ... in ieder tijdschrift geplaatst krijgen; I have —ed a fib on him = ik heb hem wat wijs gemaakt; He —ed a quarrel on his opponent = zocht ruzie met; —er = knijpertje; —ing = slot, grendel, sluiting; Fastness = snelheid; losbandigheid, versterking, fort.

Fast, fâst, vasten; subst. vasten, vastentijd: I hope I shall — my illness off = ik hoop, dat ik door onthouding (vasten) er weer bovenop kom; I am obliged to — from reading = mij van lezen te onthouden, spenen; —-day = vastendag; —er = vaster.

Fasti, fastai, Romeinsche kalender of registers.

Fastidious, fəstidjəs, kieskeurig, moeilijk te voldoen; subst. —ness.

Fastigiate(d), fəstidžit(-eitid), naar boven spits toeloopend.

Fat, fat, vet, dik, vleezig, rijk, voedzaam; subst. vet, room, beste deel; — verb. mesten, vet worden: The — is in the fire = de poppen zijn aan ’t dansen, de heele boel is overhoop, vernield; There is plenty of — in that part = er zit een heele kluif aan die rol; To live on the — of the land = het vette der aarde genieten; —-brained, (—-headed, —-witted) = dom, suf; —-head = domkop; —-guts = dikzak; —ling = jong gemest dier; —ness = vetheid, vruchtbaarheid; —ten, fat’n, vet mesten, mesten, zich mesten, vet worden; —tiness = vetheid; —ty = vettig: —ty degeneration = vetziekte.

Fata Morgana, fâtəmögânə, Fata Morgana.

Fatal, feit’l, noodlottig, rampspoedig, onheilspellend, doodelijk; —ism = fatalisme; —ist = fatalist; adj. —istic; —ity, fətaliti, noodlottige gebeurtenis; Fatalities = ongelukken.

Fate, feit, noodlot, lot, dood: The —s = schikgodinnen; As sure as — = zoo zeker als wat; —d = voorbestemd; —ful = noodlottig.

Father, fâdhə, subst. vader, voorvader; — verb. aannemen (als kind), zich uitgeven voor den maker van, iemand iets op den hals schuiven: Adoptive — = aangenomen vader; Putative — = vermoedelijke vader; —s of the Church = Kerkvaders; Conscript —s = Romeinsche Senatoren; —-in-law = schoonvader, stiefvader; —-long-legs = langbeen (mug); He —s the works of others, and wishes to — his anonymous books on me = hij geeft zich voor den maker van de werken van anderen uit, en tracht mij voor den schrijver van zijne anonieme boeken te doen doorgaan; —hood = vaderschap; —land = vaderland: The —land = Duitschland; —liness = vaderliefde; —ly = vaderlijk; —ship.

Fathom, fadh’m, subst. vadem (1.828 M., of 6.1163 M3); — verb. vademen, omvatten, begrijpen, doorgronden; —-line = loodlijn; —less = ondoorgrondelijk, bodemloos.

Fatigue, fətîg, uitputting, vermoeienis, militaire corvée; — verb. afmatten, vermoeien, kwellen; —-cap = politiemuts; —-dress = corvée-tenue; —-duty = corvée (milit.); —-party = troep voor eene corvée.

Fatuity, fətjûiti, sulligheid, domheid; Fatuitous, fətjûitəs, Fatuous, fatjuəs, zwakhoofdig, ingebeeld: A — smile = idiote.

Faucal, fôk’l, strot - -, keel - -; Fauces, fôsîz, strot, achtergedeelte van den mond, besloten door de pharynx en de larynx.

Faucet, fôsət, tapkraan, tapbuis.

Faugh, fô, bah!

Faulkland, fôkl’nd.

Fault, fôlt, subst. fout, gebrek, feil, schuld, verlies van het spoor (jacht), afbreking (van eene mijnader); — verb. fouten maken: Whose — is it? wiens schuld is het? It is my —; He always finds — with me = hij heeft altijd wat op mij te zeggen; You like to find — = van klagen en pruttelen; The hounds were at — = het spoor bijster; If he is severe, his love of learning is in — = draagt zijne liefde voor de wetenschap de schuld; He is good to a — = hij is overdreven goed, doodgoed; He has —ed in several passages = fouten gemaakt; He is a regular —-finder = echte brompot; pruttelaar; —-finding = bedilziek; —iness = onnauwkeurigheid, gebrekkigheid; —less = onberispelijk; subst. —lessness; —y = gebrekkig, schuldig.

Faun, fôn, faun, boschgod.

Fauna, fônə, fauna.

Faustina, fôstainə; Faustus, fôstəs; Faversham, favəš’m.

Favour, feivə, subst. gunst, begunstiging, steun, beschermeling, vergiffenis, souvenir, roset, strikje, brief, gelaat; — verb. begunstigen, vriendelijk gezind zijn, gemakkelijk maken, vereeren, gelijken op: Orange —s = oranjestrikken; I received your — of the 1st inst. yesterday = uwe geëerde letteren van den eersten dezer; I have lost — in your eyes = ben bij u uit de gratie; By (with) your — = met uw verlof, welnemen; I have done it in your — = te uwen behoeve; To be in — with (out of —) = in (uit) de gunst zijn bij; A challenge to the — = het wraken van een jurylid, wegens veronderstelde partijdigheid; Under — of the night = begunstiging; —able = gunstig, genegen, bevorderlijk; subst. —ableness; —ed = begunstigd, lievelings...: Ill-—ed = met ongunstig uiterlijk; Well-—ed = met knap uiterlijk; —ite, feiv’rit, subst. gunsteling, favoriet (rensport); adj. lievelings...: That is my —ite dish, author = lievelingskost, lievelingsschrijver; —itism = stelsel v. begunstiging.

Favus, feivəs, besmettelijk hoofdzeer.

Fawkes, fôks.

Fawn, fôn, subst. jong hert (van ’t eerste jaar); — verb. jongen werpen; —-coloured = reekleurig.

Fawn, fôn, opspringen bij, likken, kruipen (v. honden), vleien, kruipen voor: He —ed (up)on the mighty.

Fay, fei, subst. fee.

Fay, fei, ten doode opgeschreven (Schot.).

Fay, fei, aan elkaar passen, nauwkeurig passen.

Faze, feiz, plagen, verschrikken (Amer.).

Feal, fîəl, trouw: — and leal = houw en trouw (Schot.); —ty = trouw aan leenheer, vorst of regeering.

Fear, fîə, subst. vrees, angst, ontzag, eerbied; — verb. vreezen, duchten, vermoeden: For — of = uit vrees voor; No — of that = geen vrees daarvoor; —ful (of) = angstig (voor), vreesachtig, vreeswekkend; subst. —fulness; —less = onbevreesd; subst. —lessness; —naught = —nought = dikke en ruige wollen stof, soort fries; —some = angstwekkend.

Feasibility, fîzibiliti, uitvoerbaarheid, mogelijkheid; adj. Feasible.

Feast, fîst, subst. feest, lekkernij, feest- of gastmaal; — verb. feestvieren, smullen, onthalen, zich verlustigen aan (on): Enough is as good as a feast = genoeg is overvloed; —-day = feestdag; —-rite = feestelijk gebruik.

Feat, fît, subst. daad, heldendaad, kunststukje, toer; adj. handig, vlug, bekwaam, netjes: — of juggling, goocheltoer; —ness = vlugheid.

Feather, fedhə, subst. veer, veder, pluim, vogels (sportt.), het door de riemen opgeworpen water; — verb. bevederen, met veeren bedekken of versieren, er als gevederte uitzien: Birds of a — flock together = soort zoekt soort: That’s a — in his cap = dat is een pluim, veer op zijne muts; She was in full — = in gala; had een gespekte beurs; You are in high — to-day = je bent erg in je “hum” vandaag; The ship cut a — = deed het schuim opspatten voor den boeg; To show the (a) white — = zich lafhartig toonen; It is but the turning of a — between you and him = haast geen onderscheid, verschil; His air of superiority inspired me with a desire to tar and — him = om hem eens flink zijn vet te geven (eig.: te teeren, en dan op de teer veeren te strooien); That man is —ing his nest = is bezig zijne schaapjes op het droge te brengen, voor zichzelf te zorgen; To — the oars = de riemen horizontaal over het water laten glijden; —-bed = veeren bed: —-bed conspirators = zoetsappige; —-boarding = planken beschieting (overnaads); —-brain = wuft persoontje; —-broom (—-brush) = plumeau; —-edge = scherpe kant van eene plank; —-flowers = kunstbloemen (vooral voor hoeden); —-grass = espartogras; —-headed = lichtzinnig, wuft; —-weight = kleinst mogelijk (precies) gewicht, lichtste belasting (bij een handicap); boxer van licht gewicht; —y = vederachtig, veeren - - -, met veeren bedekt.

Feature, fîtšə, fîtjə, gelaatstrek, trek, voorkomen, eigenaardig kenmerk, eigenaardigheid; bepaling (van een contract, etc.), rubriek; — verb. gelijken op: This house is the — of the street = het meest opvallende; Ill-(Well-)—d = leelijk (knap).

Feaze, fîz, ontrafelen (van touw).

Febrifugal, fibrifjug’l, febrifjûg’l, koortsverdrijvend; Febrifuge, febrifjûdž, koortsverdrijvend (middel); Febrile, fîbr(a)il, febril, koortsig, koorts - -.

February, februəri, Februari; — Fill-dyke = Febr. de regenmaand.

Feces, fîsîz. Zie Faeces.

Fecit, fîsit, “hij (zij) heeft (het) gemaakt”.

Feck, fek, subst. voornaamste deel, kracht, waarde; adj. flink, krachtig; —less = laf, zwak, waardeloos (Schot.).

Fecula, fekjulə, zetmeel; bladgroen.

Feculant, fekjulent, troebel, modderig, drabbig; subst. Feculence.

Fecund, fek’nd, fîk’nd, fikɐnd, vruchtbaar; —ate, fek’ndeit, fîk’ndeit, fikɐndeit, vruchtbaar maken, bevruchten; subst. Fecundation; —ity, fikɐnditi, vruchtbaarheid.

Federacy, fed’risi; Zie Federation; Federal, fed’rəl, federaal, bonds - -: — City = Washington; — Diet = de Duitsche Bondsdag; — Union = statenbond; Federalism = federalisme; Federalist = federalist; Federalize = tot een bond vormen; Federate = zich tot een federatie verbinden; Federation = federatie, statenbond; Federative = verbonden, bonds - -.

Fee, fî, loon, salaris, honorarium, bijverdiensten (in deze gevallen meest Meervoud); fooi; leengoed, eigendom; — verb. beloonen, betalen, een fooi geven: What with doctors’ and lawyers’ —s we had a hard year of it = door al die kosten van dokter en advocaat; Tuition (University) —s = collegegelden; To hold in — simple = land bezitten waarover men bij zijn dood vrij kan beschikken; Estate in — tail = goed, dat op bepaald aangewezen erfgenamen moet overgaan.

Feeble, fîb’l, zwak, krachteloos; —-minded = zwak van geest, besluiteloos; subst. —ness.

Feed, fîd, voeden, voorzien van, verzorgen, onderhouden, laten weiden, eten, vreten, grazen; subst. een maal, voer, maaltijd, voorraad: His horse must have its four —s a day = moet viermaal per dag gevoerd worden; I am off my — = heb mijn eetlust verloren; He —s like a wolf = eet als een wolf; To — one’s cold = uitvieren; To — the fire = wat in de kachel doen; The operator —s the letters into the stamping-machine = schuift geregeld; He was —ing morsels from his plate into his mouth, as if he was firing up an engine = hij stopte in zijn mond; —-pipe = aanvoerpijp; —-pump = perspomp; aanvoerpomp; —er = iemand, die voert of mest, iemand of iets, die of dat bevordert, zijrivier, voedingskanaal, zijtak: Dainty —er = lekkerbek; Greedy —er = veelvraat; —ing-bottle = zuigflesch.

Feel, fîl, voelen, bevoelen, betasten, ondervinden, gevoelen; subst. voelen, gevoel, gewaarwording: The baby —s his legs = probeert te gaan staan; I — for you, poor fellow = ik heb medelijden met je, arme kerel; He felt his way after the sound = hij zocht tastende zijn weg op het geluid afgaande; She felt her way on the subject with him = zij polste hem over dat onderwerp; I shall try to — him out = te polsen; I — up to much work = voel me geschikt voor; I — offended by your remark = ik acht mij beleedigd; —er = voeler, voelhoorn; To put (throw) out a —er = de publieke meening polsen door een voorloopig bericht; —ing = gevoelend, gevoelvol, medelijdend; subst. gevoel, aandoening, gewaarwording, geest, stemming: He has no —ing against you = niets (= geen wrok) tegen u; To excite bad —ing against = haat opwekken tegen; The —ings = de aandoeningen der ziel, hartstochten, etc.: The —ings are dangerous guides = het gevoel is een gevaarlijk raadsman.

Feet, fît, voeten (Zie Foot): He is certain to fall on his — anywhere = hij komt altijd op zijn pooten terecht; With the world at your — = met de wereld gereed om u te dienen.

Feign, fein, veinzen, voorwenden: A —ed issue = een proces, om eenvoudig de rechtskwestie te beslissen; Feint, feint, subst. voorwendsel, schijnbeweging, schijnaanval, list; — verb. een schijnbeweging maken: A — of flight = voorgewende vlucht; He made a — of writing = deed alsof hij schreef.

Fel(d)spar, fel(d)spâ, feldspaath.

Felicitate, fəlisiteit, feliciteeren (on); subst. Felicitation; Felicitous = gelukkig, voorspoedig, gelukkig gevonden; Felicity, filisiti, geluk, gelukzaligheid, voorspoed, toepasselijkheid, gelukkige manier van: — in the choice of words = eene gelukkige keus.

Feline, fîl(a)in, katachtig, katten ...: — amenities = kattige lievigheden.

Felix, fîliks.

Fell, fel, vel, huid; platte zoom; val of golving (van haar); rotsachtige heuvel; adj. wreed, woest; — verb. vellen, omhakken; zoomen; imperf. van to fall; —-monger = koopman in huiden.

Fellah, fela, (meerv. —een, feləhîn), Egyptische boer of arbeider: The —een forces = de strijdmacht der fellahs.

Felloe, felou, velg.

Fellow, felou, subst. kameraad, maat, wedergade, gelijke, kerel, vent, jongen; lid van een college of genootschap; soort lector of tutor in ’t genot van een —ship: A glove and its — = en de daarbij passende handschoen; He is hail-—-well-met with everybody = goede maatjes; They are —s in office = ambtgenooten, collega’s; adj. (in samenstellingen) mede...; —-citizen = medeburger; —-commoner = student (aan Eng. Universiteiten), die met de fellows van zijn college dineert; —-countryman = landsman; —-craft = vrijmetselaar (tweede graad); —-creature = medemensch; —-feeling = medegevoel; —-lodger = contubernaal; —-ranker = iemand van denzelfden rang; —ship = vereeniging, gemeenschap, omgang, gelijk aandeel in; het ambt van, en de toelage voor de fellows van een universiteit: Good —ship = collegialiteit, kameraadschap; Rule of —ship = gezelschapsrekening; —-soldier = krijgskameraad; —-traveller = medereiziger.

Felly, feli, velg.

Felon, fel’n, subst. misdadiger; fijt; adj. kwaadaardig, verraderlijk, wreed; —’s dock = beschuldigdenbank; —ious, fəlounjəs, snood, boosaardig, misdadig, met voorbedachten rade; —y = zware misdaad.

Felt, felt, subst. vilt(en hoed); — verb. met vilt bedekken, tot vilt maken; imperf. van to feel.

Feltre, feltə, ouderwetsch borstharnas van vilt.

Felucca, fəlɐkə, feloek (schip).

Felwort, felwɐ̂t, swertia, gentiaan, bitterwortel.

Female, fîmeil, subst. vrouwtje, wijfje; vrouwelijke plant, vrouwspersoon; adj. vrouwelijk: — die = holle stempel, waarin de male die geslagen wordt; — rhymes, — rimes = rijmen met ongeaccentueerde lettergreep op het einde, bijv. geven — leven; — screw = moerschroef; — woman = teere, zwakke.

Feme, fem: — covert = gehuwde vrouw; — sole = ongehuwde vrouw.

Feminine, feminin, vrouwelijk, zacht, teeder, verwijfd: — gender = vrouwelijk geslacht; Femininity = vrouwelijkheid, de vrouwen; Feminize = verwijfd maken, verweekelijken.

Femoral, femərəl, dij - -; Femur = dijbeen.

Fen, fen, moeras, moerasland; —-berry = veenbes; — colonies = veenkoloniën; —-duck = soort v. wilde eend; —-fire = dwaallichtje.

Fence, fens, subst. heg, omheining, beschutting, het schermen, handigheid (in ’t debat), heler; — verb. omheinen, beschutten, verdedigen, versterken, schermen, pareeren; uitvluchten maken: To be (ride, sit) on the — = eene afwachtende houding aannemen; She rushed at her —s = zij vloog naar de beschermde plaats, stelde zich te weer; To — a question = pareeren, ontwijken; He studiously —d round the points = hij ontweek opzettelijk de kwestie; —-month = gesloten jachttijd (van 9 Juni–9 Juli); —r = schermer, goed springpaard; Fencible, fensib’l, verdedigbaar: The —s = soort landweer; Fencing, fensiŋ, materiaal voor eene schutting (Amer.); schermkunst, handig debat: —-foil = degen; —-gloves = schermhandschoenen; —-pad = borstleder (van den —-master = schermmeester).

Fend, fend, verdedigen, afweren: Let us leave him to — for himself = laat hij zichzelf verdedigen, zien te redden.

Fender, fendə, hek voorlangs den haard of de daardoor ingesloten ruimte; stootmat, kurkenzak, wrijfworst (scheepst.).

Fenian, fînj’n, lid van een in 1857 te New-York opgericht geheim Iersch verbond voor het bevrijden van Ierland; ook adj.; —ism = Fenianisme.

Fennel, fen’l, venkel.

Fenny, feni, moerassig.

Fent, fent, opening of split.

Feod, fjûd. Zie Feud.

Feof, fef, subst. leengoed; — verb. met een leen begiftigen; —ee, fefî, leenman; —er, —or, fefə, leenheer.

Feral, fîrəl, Ferine, fîr(a)in, wild, ongetemd; kwaadaardig (v. ziekten); subst. —ness.

Fering(h)ee, fəriŋgî, Frank, algemeene naam door de Mahom. aan Europeanen gegeven.

Ferment, fɐ̂m’nt, ferment, gisting (ook fig.).

Ferment, fəment, in gisting brengen (of zijn), beroeren; —ability = gistbaarheid; —able = gistbaar; Fermentation = gisting, beroering; —ative, gistend, gisting veroorzakend, gistings - -, subst. —ativeness.

Fern, fɐ̂n, varenkruid: —-owl = nachtzwaluw; —-seed = (onzichtbaar makend) varenzaad; —y = vol varens.

Ferocious, fəroušəs, woest, wreed, roofgierig; subst. —ness = Ferocity, fərositi.

Ferret, ferət, subst. fret; woekeraar; smal groen lint; — verb. uitdrijven, fretten, uitvisschen: I have —ed it out = ben het op listige wijze te weten gekomen; —-eyes = kleine, slimme oogen; —er = jager met een fret, speurhond (fig.).

Ferriage, feriidž, overvaart, veergeld.

Ferric, ferik, ijzer ...; Ferriferous = ijzerhoudend; Ferrugineous, ferudžiniəs, ijzerhoudend, ijzerroestkleurig = Ferruginous.

Ferrotype, feroutaip, photographie op een gevoelige ijzeren plaat.

Ferrule, ferûl, metalen ring, koperen busje om een stok, muntring.

Ferry, feri, subst. veer, veerrecht, veerboot; — verb. overzetten; —-boat = veerboot; —man = veerman.

Fertile, fɐ̂t(a)il, vruchtbaar, rijk aan, vindingrijk; subst. Fertility; Fertilization = vruchtbaarmaking, bevruchten; Fertilize, fɐ̂tilaiz, vruchtbaar maken, bevruchten; Fertilizer = mest.

Ferule, ferûl, subst. schoolplak; — verb. met de plak geven.

Fervency, fɐ̂vənsi, vuur, gloed, innigheid, ijver; adj. Fervent, fɐ̂v’nt, subst. —ness; Fervid, fɐ̂vid, heet, brandend, vurig, heftig; subst. Fervidness; Fervour, fɐ̂və, gloed, vuur, drift.

Fesse, fes, horizontale dwarsbalk of streep op een schild; —-point = het middelpunt van een wapenschild.

Festal, fest’l, feestelijk, vroolijk.

Fester, festə, subst. zweer, fistel; — verb. zweren, etteren, rotten, woeden.

Festival, festiv’l, subst. feestviering; soms ook adj.; Festive = feestelijk, feest...: — mirth = feestvreugde; In a — disposition = in feestelijke stemming; Festivity, fəstiviti, feestelijkheid, feestvreugde.

Festoon, festûn, subst. guirlande, krans, festoen; — verb. met guirlandes, enz. tooien.

Fetch, fetš, halen, trekken, behalen, opbrengen, maken, doen, geven, bereiken; subst. kunstgreep, list, dubbelganger, strikvraag: I —ed him from behind = greep hem van achteren aan; He was —ed in (out) = gegrepen (weggevoerd); The picture will have to be —ed out = zal wat uitgehaald moeten worden; She was —ed to = bijgebracht; To — up = plotseling blijven staan, ophalen, grootbrengen, inhalen: The flatness of the last act must be —ed up = het trekkerige van het laatste bedrijf moet verholpen worden; To — a compass = een omweg maken; To — a pump = eene pomp aan den gang maken; She —ed a deep sigh = slaakte een diepen zucht; That is rather far-—ed = nogal ver gezocht; —-candle (—-light) = dwaallicht, dat naar het volksgeloof, in Wales, den dood aankondigt; —ing, pakkend, bekoorlijk.

Fetich, fetiš, fîtiš = Fetish.

Fetid, fetid, fîtid, stinkend; subst. —ness.

Fetish, fetiš, fîtiš, fetisch: —-man = fetisch priester of aanbidder; —ism = feticisme; —ist = fetisch aanbidder.

Fetlock, fetlok, vetlok, kootgewricht.

Fetter, fetə, subst. voetboei, keten, belemmering; kluister; — verb. boeien, belemmeren, binden; —less = vrij, ongedwongen.

Fettle, fet’l, in orde brengen, repareeren, schoonmaken, druk werken, voeren, bedekken, vastmaken; subst. conditie (sportt.), drukte.

Fetus, Foetus, fîtəs, ongeboren vrucht.

Feud, fjûd, vete, twist, vijandschap.

Feud, fjûd, leen; —al system = leenstelsel = —alism = feudalisme; —ality, fjudaliti, leenmanschap, feudaal-systeem; —alize = leenroerig maken; —ary = —atory = leenman.

Fever, fîvə, subst. koorts, opgewondenheid; — verb. koortsig maken: In a — of disgust = koortsachtig opgewonden van ergernis; Low — = binnenkoorts; —few = koorts- of moederkruid; —-weakened = door de koorts verzwakt; —ish, fîvəriš, koortsachtig, gloeiend; subst. —ishness.

Few, fjû, weinige(n): The —er the better = hoe minder (menschen) hoe liever; A — = eenige; A good — = aanzienlijk getal; In — = in ’t kort; — and far between = hoogst zeldzaam; —ness = gering aantal.

Fey, fei, (ge)dood, ten doode bestemd; veeg (Schotsch), ongelukkig, vreemd, zonderling, mistroostig: You are —, and I prophesy a headache for you to-morrow = je bent niet gewoon.

Fez, fez, fez, Turksche muts.

Fiasco, fiaskou, fiasco, ongunstige uitslag, slecht figuur.

Fiat, faiət, fiat, “het geschiede”.

Fib, fib, subst. leugen(tje); — verb. jokken, afranselen: Don’t tell —s = jok nu niet; —ber = jokker = —ster.

Fibre, faibə, vezel, kracht; Fibril, faibril, fijne vezel of draad; Fibrilose, faibrilous, faibrilous, met of van vezeltjes; Fibrous, faibrəs, vezelachtig.

Fibula, fibjulə, kram; kuitbeen; hechtnaald.

Fickle, fik’l, wispelturig, grillig; subst. —ness.

Fico, fîkou, vijg; verachtelijk gebaar waarbij men den duim in den mond of tusschen wijs- en middelvinger bracht.

Fictile, fiktil, kneedbaar; aarden: — art = keramiek.

Fiction, fikš’n, verdichting, verdichtsel, prozawerk, roman; Fictitious = verdicht, nagemaakt, onecht; subst. —ness; Fictive = Fictitious.

Fictor, fiktə, modelleur.

Ficus, faikəs, vijgeboom; vijgewrat.

Fidalgo, fidalgou, Portugeesch edelman.

Fiddle, fid’l, subst. viool, slingerlatten (scheepst.); — verb. vioolspelen, beuzelen, spelen, beetnemen: He played first — = hij speelde de eerste viool (ook fig.); To take first — = de leiding nemen; —-bow = strijkstok; —-bridge = kam; —-case = kist; —-de-dee = malligheid; —-faddle, fid’lfad’l, subst. gewauwel, kouwe drukte; adj. wauwelachtig, beuzelend; — verb. drukte maken om niets, beuzelen; —-stick = strijkstok: I don’t care a —-stick = ik geef er geen zier om; —sticks’ ends = geleuter; —-string = vioolsnaar; —r = vioolspeler, zesstuiverstuk.

Fide-jussion, faididžɐš’n, borgstelling; Fide-jussor = borg.

Fidele, faidîlə.

Fidelity, fideliti, getrouwheid, aanhankelijkheid, trouw.

Fidget, fidžət, subst. zenuwachtige gejaagdheid, bewegelijkheid, zenuwachtig persoontje; — verb. zich zenuwachtig bewegen, zenuwachtig maken: Her arm seemed to have got the —s = niet stil te kunnen blijven liggen, bewoog zenuwachtig heen en weer; You — me by your presence = ge maakt me zenuwachtig en gejaagd door uwe tegenwoordigheid; —y = gejaagd, zenuwachtig.

Fiducial, fidjûš’l, vertrouwend, vertrouwelijk: — mark = bewijs van vertrouwen; Fiduciary, fidjûšəri, subst. iemand, wien een pand ter bewaring is toevertrouwd; adj. vol vertrouwen, toevertrouwd: In his — capacity = betrekking van vertrouwen.

Fie, fai, foei!

Fief, fîf, leengoed.

Field, fîld, veld, akker, slagveld, slag, gezichtsveld, uitgestrektheid, al de cricketspelers, de jachtstoet, aantal deelnemende paarden; — verb. voor fielder spelen bij cricket, wedden op het field (i.e. tegen den favourite): He betted (laid) against the — = hij wedde op den favourite; The — was fought, lost, won = slag; The army took the — and kept it during the summer = het leger trok te velde en bleef daar den ganschen zomer; A — of ice = groote (drijvende) ijsmassa; — of view = gezichtsveld; —-allowance = extratoelage aan te velde zijnde soldaten; —-artillery = veldartillerie; —-bed = veldbed; —-book = veldboek (voor het landmeten); —-day = dag voor velddienst, dag van groote drukte, vertoon, etc.; —-duck = kleine trap; —-equipage = velduitrusting; —fare = veldjakker, kramsvogel; —-glass = veldkijker; — marshal = veldmaarschalk; —-mouse = veldmuis; —-officer = stafofficier; —-piece (—-gun) = stuk veldgeschut; —-practice = velddienstoefening; —-sports = jachtvermaak, enz.; —-works = schansen; —er = een bepaald speler bij cricket.

Fiend, fînd, booze geest, duivel; adj. —ish; subst. —ishness; —like = duivelsch, demonisch.

Fierce, fîəs, woest, wreed, meedoogenloos, hevig, onstuimig; subst. —ness.

Fieri facias, fai(ə)raifeišas, dwangbevel tegen een schuldenaar: He has been served with a writ of —.

Fieriness, fai(ə)rinəs, vurigheid, vuur, hevigheid; Fiery, fai(ə)ri, vurig, hartstochtelijk, opvliegend: — substances = licht ontbrandbare stoffen; —-cross = vlammend kruis (in de Hooglanden van Schotland), om de stammen te wapen te roepen.

Fife, faif, subst. fluit, pijp; — verb. pijpen, op eene fluit spelen; —r = pijper.

Fifteen, fiftîn, (maar — boys, fiftîn bôiz), vijftien; —th = vijftiende; Fifth, fifth, subst. en adj. vijfde (deel): — monarchy men = dweepzieke godsdienstsekte, die ongeveer 1659 ontstond en eene vijfde monarchie profeteerde, waarin Christus duizend jaren op aarde zou heerschen; —ly = ten vijfde; Fifty = vijftig: In the fifties = tusschen ’50 en ’60; Fiftieth = vijftigste.

Fig, fig, subst. vijg, vijgeboom, gala, lor, pruimtabak (Amer.): —s! = loop heen, ’klets’; In full — = in groot tenu, poesmooi, goed op dreef; I don’t care a — for what you say = geef geen zier; —-eater (—-pecker) = vijgeneter; —-leaf = vijgeblad: This poet’s works have been subjected to the —-leaf and knife = zijn gecastreerd en besnoeid; —-shell = schelp in den vorm eener vijg of peer.

Fight, fait, subst. gevecht, strijd; — verb. vechten, strijden, bevechten, laten vechten: A hand-to-hand — = man tegen man; A running — = het nazetten van en vuren op een vluchtenden vijand; Single — = tweegevecht; To make a brave — = zich kranig houden; To show — = de tanden laten zien, zich te weer stellen; I will — you = ik daag je uit; To — shy of = uit den weg gaan, vermijden; To — a battle = slag leveren; To — a duel = duelleeren: To — the tiger = dobbelen (Amer.); He fought his way through the crowd = baande zich met geweld een weg; We will — it out together = het samen uitvechten; —er = vechter, vechtersbaas, boxer; —ing-alliance = of- en defensief verbond; —ing-cock = kemphaan; The —ing efficiency of our fleet = vechtvermogen; —ing-top = mars (op een oorlogschip).

Figment, figm’nt, vinding, verdichtsel.

Figuline, figjul(a)in, pottebakkersaarde, vaas van kunstaardewerk.

Figurant(e), figjurânt, figurant (ook fig.).

Figurate, figjureit, gefigureerd; Figuration, figjureiš’n, voorstelling, afbeelding, type; Figurative, figjurətiv, figuurlijk, zinnebeeldig, bloemrijk.

Figure, fig(j)ə figuur, vorm, voorkomen, gedaante, gestalte, beeld, afbeelding, persoonlijkheid, voorbeeld, pracht, prijs, cijfer, de passen (bij het dansen); — verb. vormen, afbeelden, voorstellen, figuurlijk gebruiken, figureeren, figuren vormen, met figuren versieren, becijferen, cijferen: What a — you are = wat zie jij er uit! What is the —? = op hoeveel komt dat? Trustworthy —s = vertrouwbare cijfers; To be bad at —s = een slecht rekenaar zijn; He cuts (makes) a good (poor) — = een goed (treurig) figuur; To go the whole — = al het mogelijke doen; He lives in — = hij voert een grooten staat; To sell at a great — = voor hoogen prijs; I will not sell it under three —s = onder £100 (= 3 cijfers); He —d down several couples with his amiable partner = hij danste (in den country-dance) tusschen de rij der dansers door; We have —d it out = het uitgerekend; It is easy to — these sums up = op te tellen; —-head = vóórsteven- of galjoenbeeld; —-maker = modelleur; —-weaver = damastwever; —d = gebloemd, met figuren; Figurette, figjuret = Figurine, figjurîn, beeldje.

Fiji, fîdži: — Islands; Fijian, fîdžiən, (bewoner, taal) van F.

Filament, filəment, vezel, draad, meeldraad; Filamentous = vezelig, draderig.

Filander, filəndə, filandə, soort van kangoeroe; soort ingewandsworm; —s = ziekte bij valken.

Filbert, filbət, hazelaar, hazelnoot; —-nails = bolle, spits toeloopende, sierlijke nagels.

Filch, filš, stelen, kapen; —er = dief.

File, fail, subst. snoer, draad, rist papieren (met datum, korte inhoud, etc. op de rugzijde), lijst, catalogus, rot (mil.); vijl, geslepen vent; — verb. aanrijgen aan een file, deponeeren in ’t archief, indienen van stukken, in rotten marcheeren, vijlen, afvijlen, glad maken; The rank and — = het kader en de manschappen; On — = stelselmatig gerangschikt; Indian (Single) — = eendenmarsch; The soldiers —d off = marcheerden af in eene rij achter elkaar; —, please = wil de zaak als afgedaan beschouwen; —-cutter = vijlmaker; —-leader = voorste soldaat van een File; Filings = vijlsel.

Filial, filj’l, kinderlijk: Filiation = affiliatie.

Filibeg, filibeg = Kilt.

Filibuster, filibɐstə, subst. vrijbuiter, roover; obstructionist (Amer. = —er); — verb. op roof of buit uitgaan: A —ing expedition = rooftocht.

Filices, filisîz, orde der varens; Filical = tot de varens behoorende; Filiciform = varenvormig; Filicoid = fern-like.

Filiform, filiföm, draadvormig, dun.

Filigree, filigrî, subst. filigraan; ook adj. —d = met filigraan versierd.

Fill, fil, subst. bekomst, hoeveelheid tot vulling; — verb. vullen, volstoppen, verzadigen, bevredigen, bezetten, bekleeden, volbrassen; vol worden: I have eaten and drunk my — = volop gegeten en gedronken; She has fretted her — = is uitgemokt; To gaze one’s — at = zich zat zien aan; Two —s of tobacco = pijpjes tabak; To — the bill = aan alle eischen voldoen; To — an order = een bestelling uitvoeren; To — parts = rollen bezetten; To — sails = zeilen doen zwellen; To — teeth (Amer. voor to stop); To — in = dichtstoppen, dempen, aanvullen: The article was —ed in = het artikel werd geplaatst; His face —ed out = werd dikker; Shall I — you out a glass = vullen? To — up = geheel innemen, vol maken of worden; dempen: To — up a vacancy (a canal); The loan was —ed up = werd volteekend; The ship —ed up with water there = nam daar voldoenden watervoorraad in; —er = vuller, trechter, vulsel, stopwoord; —ing-in pieces = vulstukken.

Fillet, filət, subst. band (om het hoofd of om het haar), filet; lendestuk, vleesch zonder been (als schijf of rollade opgediend), lijst; — verb. met een hoofdband omringen of binden, versieren, tot een schijf of rollade maken, met lijsten versieren.

Fillibeg, zie Filibeg; Fillibuster, zie Filibuster.

Fillip, filip, subst. knip (voor den neus); aansporing; — verb. knippen (met de vingers): To give a — = aanzetten.

Filipeen, filipîn, filipîn, filippine.

Filly, fili, merrieveulen, wildebras.

Film, film, subst. vlies, film (phot.); — verb. met een vlies bedekken: The pools were —ed with frost = er lag een vliesje ijs op; subst. —iness; adj. —y = vliezig, zeer dun, fijn; —y-fern = schildvaren.

Filter, filtə, subst. filter, filtreer, zeef; — verb. filtreeren, ziften; —ing-bag = doorzijgzak; —ing-machine = filtreermachine; —ing-paper = filtreerpapier; —ing-stone = poreuze steen.

Filth, filth, vuiligheid, vuilnis, ook fig. = —iness; adj. —y.

Filtrate, filtreit, subst. filtraat; — verb. filtreeren; subst. Filtration.

Fin, fin, vin: Pectoral and ventral — = borst- en buikvin; —-footed, —-toed = met zwemvliezen aan de pooten.

Finable, fainəb’l, beboet- of bekeurbaar.

Final, fain’l, laatste, eind..., slot..., beslissend, finaal; subst. beslissingswedstrijd: —-cause = einddoel: He does not believe in —-causes = hij ontkent de teleologie; — decision = eindbeslissing; — proof = afdoend bewijs; — success = succes ten slotte; —ity, fainaliti, eindtoestand, volkomenheid; —ly = ten slotte.

Finance, f(a)inans, fainəns, subst. financiewezen: —s = geldmiddelen, fondsen; — verb. de financiën besturen, geldelijk ondernemen of steunen: He —s the paper = hij neemt de geldelijke uitgaven op zich; Many people —d the movement = steunden de beweging geldelijk; He —d his nephew = voorzag van geld; Financial, finanš’l, geldelijk; Financialist = Financier, fa(i)nansîə, finansîə.

Finch, finš, vink: A —-backed cow = (op den rug) gestreepte of wit gevlekte koe.

Find, faind, subst. ontdekking, vondst; — verb. vinden, ontdekken, bevinden, verklaren, uitspraak doen, enz.: Will you — me a pen = voor mij zoeken? She was to — linen = zou zorgen voor; We took furnished apartments, only —ing plate and linen = moesten alléén voor eigen zilver en tafellinnen zorgen; I could not — it in my heart to do it = ik kon het niet over mijn hart verkrijgen; The jury found for the defendant = de gezworenen spraken den aangeklaagde vrij; A bill was found for the case = er werd in de zaak (door de Grand Jury) rechtsingang verleend; She could not — herself in dresses out of that money = zij had niet genoeg kleedgeld; I will — you in pocket-money = ik zal je zakgeld geven; This small sum has to — me in everything = van dit sommetje moet ik alles bekostigen; He is well found in everything = hij zit goed in z’n spulletjes; B. is well found in hotels = goed voorzien van; Our privateers were not so well found as the enemy’s = waren niet zoo goed van alles voorzien; I will try to — it out = ontdekken; Then the young scholar found himself = toen vond de jonge geleerde een hem passenden werkkring; —-fault = bedilal; —-spot = vindplaats; —er = vinder, zoeker (kijker), visiteur, speurhond; —ing = resultaat, uitspraak; —ings = (vooral schoenmakers) benoodigdheden, enz., waarvoor de werkman zelf moet zorgen (Am.); —ing-store = winkel voor schoenmakersbenoodigdheden (Amer.).

Fine, fain, subst. einde; geldboete; — verb. beboeten: In — = kortom, ten slotte.

Fine, fain, fijn, teer, dun; schoon, elegant, uitstekend, sluw, scherp, spits, zuiver; helder, klaar; — verb. klaren (down), zuiveren, frisschen, affineeren: A — whist-player = goed; The — flower of the aristocracy; I have run it very — = ik heb het er precies afgebracht, het was “er aan toe”; — arts = fraaie kunsten; —-draw = een scheur haast onzichtbaar stoppen; dun uitrekken; —-drawn = erg gezocht (fig.); —-spoken = fraaie woorden gebruikend; met gladde tong; —-spun = fijn (uit)gesponnen; —-still = distilleeren uit bijprodukten der suikerraffinaderij; —-stuff = pleisterkalk; —ness = fijnheid, zuiverheid, etc.; —r = frisscher; —ry = mooie kleeren, opschik, opzichtigheid; affinerie; Fining-pot = affineerkroes.

Finesse, fines, subst. sluwheid, handigheid, list; — verb. list gebruiken.

Finger, fiŋgə, subst. vinger, vingerbreedte, (-lengte), vingervaardigheid; — verb. betasten, bevoelen, ontfutselen, met de vingers bespelen: He has his — in it = hij is erbij betrokken; He has his — in every man’s pie = heeft overal de hand in; I have it at my —-ends (fingers’ ends) = ik ken het op mijn duimpje; He shook his — at me = dreigde mij met opgeheven vinger; I won’t stir a — = ik steek geen hand uit; He was —ing his watch-chain = beuzelde met; —-alphabet, —-and-sign-language = vingerspraak; —-board = nek van een snaarinstrument, manuaal (van piano of orgel); —-bowl (—-glass) = vingerglas (om na het diner de vingers in af te spoelen); —-plate = deurplaat; —-post = handwijzer; —-prints = vingerindrukken; —-reading = lezen door blinden; —-stall = vingerling; —ed = gevingerd: The —ed gentry = de Heeren dieven; —ing = aanraken met de vingers, fijn werk voor de vingers, vingerzetting.

Fingerling, fiŋgəliŋ, jonge forel.

Finial, finiəl, kruisbloem, Gothische puntversiering, krullen (bij ’t schrijven).

Finical, finik’l, Finicking (Finikin), finikiŋ(n), gemaakt, overdreven, kieskeurig.

Finis, fainis, einde, slot.

Finish, finiš, eindigen, voltooien, besluiten, de laatste hand leggen aan, afwerken, apprêteeren, opgebruiken, opeten, uitdrinken, zijn bekomst geven, dooden, ophouden; subst. afwerking, voltooiing, einde (van den wedstrijd), laatste hand aan iets; pleisterkalk; It was a fight to the — = tot de beslissing viel = They fought to a —; That —ed him = toen had hij genoeg, was hij dood; —ing-coat = derde of laatste laag (verf of pleister); —ing-school = meisjeskostschool waar de laatste hand aan de opleiding wordt gelegd.

Finite, fainait, subst. persoonsvorm (tegenover den Infinitive) van een werkwoord; adj. eindig; subst. —ness.

Finland, finland; —er = Finn = Fin; Finnic = Finnish = Finsch, Finlandsch.

Finnikin, finikin, soort van gekuifde duif.

Finny, fini, gevind.

Fionia, fiounjə, Funen.

Fions, faiənz, half-mythische krijgslieden in Ossian’s gedichten.

Fiord, fjöd, fjord.

Fir, fɐ̂, den, denneboom, zilverspar; —-apple, —-cone = pijnappel; —-poles = juffers; —-tree.

Fire, faiə, subst. vuur, brand, hitte, licht, gloed, hartstocht, het schieten, hel; — verb. in brand steken, afvuren, afschieten, aanvuren, stoken, bakken (van porselein), ontbranden, ontvlammen, een carillon luiden: The house is on — = in brand; We were under — = aan ’t vuur (des vijands) blootgesteld; To catch — = vuur vatten; The piece hangs — = heeft geen succes; He went off to sleep, but I hung — = maar ik kon den slaap niet vatten; The affair hung — = hokte; My gun missed — = ketste; They opened a raking — = begonnen moorddadig te vuren; To set on — (= To set — to) = in brand steken; He will never set the Thames on — = hij heeft het buskruit niet uitgevonden; To silence the enemy’s — = de batterijen van den vijand tot zwijgen brengen; To take — = vuur vatten, in brand raken; I took — = vatte vuur, stoof op; —! = vuurt; To — a gun, a mine, a shot; This —d my blood = maakte mijn bloed aan ’t koken; — away! vooruit maar, begin maar!; A gun-boat was —d upon = er werd gevuurd op eene kanoneerboot; He is —d up = woedend; St.-Anthony’s — roos; Greek — = Grieksch vuur; Kentish — = een rhythmisch applaus; Running — = snelvuur; —-alarm = brandschel; —-annihilator, ənaihileitə, extincteur; —-arm = vuurwapen; —-ball = brandbom; vuurbol (meteoor); —-balloon = luchtballon (met heete lucht), ballon met vuurwerk, dat boven in de lucht ontvlamt; —-basket = soort komfoor; —-bavin = rijsbundel op branders (schepen); —-blast = brand, ziekte in hop; —-board = schoorsteenscherm; —-box = vuurkast (van een locomotief); —-brand = brandend stuk hout; stokebrand; —-brick = vuurvaste steen; —-brigade = brandweer; —-brush = haardveger; —-bucket = brandemmer; —bug = brandstichter (Amer.); —-clay = vuurvaste klei; —-cock = brandkraan; —-company = assurantiemaatschappij; —-cracker = voetzoeker; —-dog = haardijzer; —-drill = vuurring gebruikt door de Austral. inboorlingen bij ’t maken van vuur door wrijving van twee stukken hout; oefeningen van een brandweercorps; —-eater = vuurvreter; ijzervreter; —-engine = brandspuit; —-escape = reddingstoestel (bij brand); —-extinguisher = extincteur; —-fly = glimworm; —-hook = brandhaak; —-hose = brandspuitslang; —-insurance = brandassurantie; —-irons = schop, tang en pook; —-kiln = vuurvaste oven; —-lighter = vuurmaker; —-lock = geweerslot; snaphaan; —man = brandweerman; stoker (Am.); —master = brandmeester (Amer.); —-new = fonkelnieuw; —-office = brandassurantiekantoor; —-place = haard; —-plug = brandkraan; —-policy = brandpolis; —-proof = tegen het vuur bestand; —-raising = brandstichting (Schot.); —-screen = vuurscherm; —-ship = brander; —-shovel = kolenschop; groote mond; —side = haard; —-station = brandweerkazerne; —-stick = wrijfstokje om vuur te maken; —-tube = kleine vlampijp (stoomketel); —-ward(en) = brandmeester; —-water = naam bij de Roodhuiden voor spiritualiën; —-wood = brandhout, brandstof; —work = vuurwerk: To hold a grand display of —works = een groot vuurwerk afsteken; —works will be let off = er zal vuurwerk afgestoken worden; —-worship = vuuraanbidding: Firing, fairiŋ, het vuren, brandstof, uitbranden (van eene wond): —-iron = brandijzer.

Firkin, fɐ̂kin, (boter)vaatje v. 25,4 K.G.

Firm, fɐ̂m, vast, hard, hecht, standvastig, vastberaden, trouw; subst. firma; subst. —ness.

Firmament, fɐ̂məment, firmament; —al, fɐməment’l, hemelsch, tot het uitspansel behoorende.

Firman, fɐ̂m’n, fɐ̂mân, ferman, verlofbrief, pas, schriftelijk bevel (van Oostersche vorsten).

Spotted a typo or a problem in this chapter? Tell us