Engelsch woordenboek. Eerste deel: Engelsch-Nederlandsch (part 4 of 7)
Krakow, kreikou.
Krang, kraŋ, geraamte van een walvisch na wegneming van het spek.
Kransick, kransik, gek, krankzinnig (Transvaal).
Krishna, krišnə, Krischna, achtste incarnatie v. Vischnu.
Kruller, krɐlə, in vet gekookt krulkoekje.
Kudos, kjûdos, roem, eer; — verb. roemen.
Kukri, kukri, gekromd mes (Brit. Ind.).
Kurd, kûəd, —ish; Kurdistan.
Kuril, kûril, pijl-stormvogel.
Kurile, k(j)urîl: — Islands.
Kyley, kaili, boomerang (Austr.).
Kyrie eleison, kairiî elaison, Heer, erbarm u! het kyrie (eerste woorden van dat gedeelte der Mis, dat op den introïtus volgt).
L.
L, el; L = 50; L(iber) = boek; L(ibra) = pond, ook Lb; Lat(in); L(ord) C(hamberlain of Chancellor); L(egis) C(ivilis) D(octor) = Dr. in het burgerl. recht; L(ady) D(ay) = Maria Boodschap; L(ord) C(hief) J(ustice); Lex(icon); Ld = Lord; Lieut(enant) = Luitenant; Lib(rary); Liq(uor); Lit(erarum) D(octor); L. L. D. = Legum Doctor = in de beide rechten; Long(itude) = geograph. lengte; L(ord) L(ieutenant of) I(reland); Lon(don); Loq(uitur) = hij (zij) spreekt; L(ordshi)p; L(ord) P(rovost); L(eft) S(ide); L(ibrae), S(olidi), d(enari) = pounds, shillings, pence.
La, lâ, lô, hè, kijk, zie!
La, lâ, la (noot).
Laager, lâgə, laager; — verb. een laager vormen (Z.-Afr.).
Labarum, labərɐm, labarum, standaard van Konstantijn den Groote, waarop het monogram van den Griekschen naam van Christus; banier, devies.
Labefaction, labifakš’n, achteruitgang, verval.
Label, leib’l, subst. etiket, lijstwerk boven deur of venster, codicil; — verb. een etiket hechten aan, classificeeren: Enamelled —s = naambordjes (v. straten); Silver —s schildjes (op flesschen).
Labial, leibj’l, tot de lippen behoorende of er mede gevormd, lip - -; subst. lipletter; Labiate, leibjit, lipvormig, gelipt; subst. lipbloemige plant; Labio-dental, leibjədent’l, subst. eene door lip en tanden gevormde letter, als f en v; adj. gevormd door lip en tanden.
Laboratory, labərətori, laboratorium, werkplaats; —-man = vuurwerker.
Laborious, ləbôriəs, werkzaam, ijverig, moeilijk, vermoeiend; subst. —ness.
Labour, leibə, subst. arbeid, werk, barensweeën, pijn, arbeidersbevolking van een land; — verb. arbeiden, zich inspannen, zwoegen, werken (van een schip), bewerken: To lose one’s — = zich te vergeefs inspannen; I do not wish to — that point = in ’t bijzonder te behandelen; He —d under difficulties = hij had met moeilijkheden te kampen; They were —ing under an illness (a complaint) = laboreerden aan eene ziekte (kwaal); To — under a mistake = in dwaling verkeeren; A — of love = liefdedienst; —-member = werkman lid van het Parlement; —-pains = weeën; —-party = arbeiderspartij; Independent —-party = de socialistische groep van de —-party; —-registry = arbeidersbeurs; —-saving = (handen)arbeid besparend; —ed = onnatuurlijk, niet vrij, al te veel kunst verradend; zorgvuldig uitgewerkt; —er = arbeider: Skilled and unskilled —ers = bekwame en geen vak verstaande arbeiders; A —ing-man = landbouwer, losse arbeider.
Labrador, labrədö.
Laburnum, ləbɐ̂n’m, gewone goudenregen.
Labyrinth, labirinth, labyrint (ook fig.), doolhof; —al, labirinthəl = —ian, labirinthiən = —ic(al), labirinthik(’l), als een doolhof, verward; —iform, labirinthiföm, labyrintvormig; —ine, labirinth(a)in, als een doolhof, verward.
Lac, lak, lak; honderdduizend ropijen (Eng. Indië): in de laatste bet. ook lakh gespeld; —-dye, —-lake = schilderslak om rood te verven.
Laccadive Islands, lakədaiv ailəndz = Laccadives = de Lakkadiven.
Lace, leis, subst. kant, snoer, rijgveter, galon, strik; — verb. vastmaken, rijgen, met galon versieren; afranselen, sterke dranken voegen bij: Without — = (koffie) zonder cognac, sterken drank of likeur; —-bark = lagette of kantstruik; —-bobbin = kantklos; —-cushion; —-maker = kant- of passementwerker; —-man (—-woman) = kantverkooper(-ster), of -werk(st)er; —-trimming = kanten belegsel; —-winged = netvleugelig; Lacing, leisiŋ, boordsel, veter, rijgen, pak slaag.
Lacedaemon, lasidîm’n, Lacedemonië; —ian, lasidimounj’n, Lacedemoniër, Lacedemonisch.
Lacerate, lasəreit, (ver)scheuren, wonden, folteren; subst. Laceration.
Lacerta, ləsɐ̂tə, gewone of groene hagedis; Lacertian, ləsɐ̂š’n, hagedisachtig, hagedis...; subst. hagedis.
Laches, lašiz, nalatigheid.
Lachesis, lakəsis, eene der drie schikgodinnen; Brazil. ruitslang.
Lac(h)rymal, lakrim’l, traan..: The — glands = de traanklieren; Lachrymose, lakrimous, somber, droevig, tranen stortend.
Lack, lak, subst. gebrek, behoefte; verwijt; — verb, gebrek hebben aan, behoeven; berispen: John —land = Jan Zonder Land; —-all = wien het aan alles ontbreekt; —-lustre = glansloos, somber.
Lack, lak: Good —! = jeminiejoosje; —-a-day! = helaas!
Lackadaisical, lakədeizik’l, sentimenteel, geaffecteerd.
Lackey, laki, subst. lakei; slaafsch volgeling of dienaar; — verb. als lakei dienen, slaafs dienen.
Laconia, ləkounjə; —n.
Laconic(al), ləkonik(’l), laconiek, droog, kort, bondig; Laconicism, ləkonisizm, Laconism, lakənizm, korte en bondige uitdrukking of spreekwijze.
Lacquer, lakə, subst. vernis, lak (vooral Jap. en Chin.); — verb. vernissen, verlakken: Good form, or at all events —ed with the veneer thereof = met beschaafde vormen of in elk geval een vernisje er van.
Lacrosse, lakros, soort balspel (Canada).
Lactation, lakteiš’n, melkvorming, het zoogen, zoogtjjd; Lacteal, laktiəl, melkhoudend, melk - -: — fever; — vessels = lymphvaten = Lacteals, laktiəlz; Lactescent, laktes’nt, melkachtig, melksap voortbrengend; Lactic, laktik, melk..: — acid = melkzuur; — fermentation = het zuurworden der melk; Lactometer = melkweger; Lactose, laktous, melksuiker.
Lacuna, ləkjûnə, gaping, hiaat, kuiltje; —l = met gapingen = —r.
Lad, lad, jongeling, jonge man, kameraad.
Ladder, ladə, ladder, scheepstrap, touwladder: He soon got to the top of the — = hij bereikte spoedig de hoogste sport (fig.); He got his foot into the — = kreeg zijn voet in den stijgbeugel; He can’t see a hole through a — = hij kan geen steek meer zien.
Laddie, Laddy, ladi, jongen.
Lade, leid, laden, scheppen (van water, etc.); Lading = het laden, lading: Bill of — = vrachtbrief.
Ladle, leid’l, subst. pollepel, gietlepel, schepbord, schoep van een molenrad, laadlepel; — verb. met een grooten lepel opscheppen, toedienen (out): Paying — = piklepel; —ful.
Ladrone, lədroun, dief, schurk; —s, lədrounz, Dieveneilanden.
Lady, leidi, (voorname) dame, gemalin, vrouw van een knight of baronet, dochter v. een hoogadelijke, mevrouw, vrouw, liefje, teef; ook adj.; Our — = Onze Lieve Vrouwe; How is your (good) —? = hoe vaart je vrouw? The old — = mijn oudje; Old — of Threadneedle Street = de Bank van Engeland; — author = schrijfster; —-bird = pijlstaart; ook lievenheersbeestje = —-bug; —-chapel = kapel aan de Maagd Maria gewijd; —-day = Maria Boodschap (25 Maart); — friend = vriendin; —-help = hulp der huisvrouw; —-killer = adonis, veroveraar; —-love = geliefde; —’s-companion = werktaschje, necessaire; chaperon; —’s-smock = pinksterbloem; —’s-tresses = draaisteel; We carried her in the fashion they call ladies’ cushion = op onze ineengevouwen handen; —ish = als een dame; —ism = manieren van eene dame; —kin (gew. Lakin, leikin) = Onze Lieve Vrouwe; —like = als eene dame, kiesch, vrouwelijk, verwijfd; —ship = rang of titel van eene —: Your —ship = Mevrouw.
Laertes, ləɐ̂tîz.
Lag, lag, adj. langzaam, dralend, laat, achteraankomend; — verb. dralen, treuzelen, achterblijven (behind); deporteeren, gevangen zetten, pakken; subst. vertraging; gedeporteerde, boef; Laggard = subst. draler, talmer; adj. langzaam, achterlijk, treuzelig.
Lagoon, ləgûn, lagune; —-reef = koraalrif.
Lahore, lahö.
Lagrimando, lagrimandou: Lagrimoso, lagrimousou, plechtig, klagend (muz.).
Laic, leiik, leeken...; subst. leek; Laicization = secularisatie; Laicize = seculariseeren.
Laid, leid, P. Imp. en P.P. van To lay: — paper = papier met waterlijnen.
Lain, lein, part. perf. van to lie = liggen.
Lair, lêə, leger (van een wild dier); bodemvuil.
Laird, lêəd, grondbezitter (Schotl.), landheer.
Laity, lei(i)ti, de leeken.
Lake, leik, meer; soort lak: — Leman (lîm’n) = het Meer van Genève = The — of Geneva; —-dwellers = bewoners van een paalwoning = —-dwelling; — School = de dichterschool van Wordsworth, Coleridge en Southey; —-settlement = verzameling van paalwoningen; —let = meertje; —r = Lakist = dichter uit de Lake School.
Lakh, lak, lâk = Lac.
Lallation, laleiš’n, spraakgebrek, waarbij de r als l wordt uitgesproken.
Lam, lam, ranselen: He went on —ming into his men.
Lama, lâmə, Lama priester; Lamaism, lâməizm; Lamasery, lâməsəri, lamâsəri, Lamaklooster.
Lamb, lam, subst. lam, lamsvleesch; — verb. lammeren werpen; plukken (fig.): To — down = de wacht houden bij schapen in den lammerentijd (Austr.); —-ale = feestelijkheid bij het scheren der schapen; —skin = lamsvel; —’s-wool = lamswol; bier met suiker, notenmuskaat en gebraden appelen; —kin = lammetje, lieveling; —like = zacht als een lam.
Lambency, lamb’nsi, lekken van vlammen, stralen, oppervlakkigheid; Lambent, lamb’nt, spelend, lekkend; stralend, vluchtig.
Lambrequin, lambəkin, helmkleed, dat op wapens helm en schild omfladdert; draperie boven aan een venster.
Lame, leim, adj. kreupel, verminkt, hortend, onvolkomen, gebrekkig; — verb. kreupel maken, verminken, verlammen; —-duck = wanbetalend beursspeculant; To help — dogs over stiles = zwakke broeders een handje helpen; —ness, kreupelheid, verlamming, zwakheid.
Lamella, ləmelə, lamelle, dun blaadje metaal, schilfer; —r, lamələ, ləmelə, schilferig; —te(d), laməlit, laməleitid, uit dunne platen of schilfers bestaande; Lamelliform = schilferachtig.
Lament, ləment, subst. weeklacht; — verb. betreuren, weeklagen; —able, laməntəbl, jammerlijk, betreurenswaardig, treurig; —ation = weeklacht, jammerklacht: The —ations of Jeremiah = Klaagliederen van Jeremia; —ed = zaliger.
Lametta, ləmetə, dun, onecht goud- of zilverdraad.
Lamia, leimjə, booze geest in den vorm eener slang met vrouwenhoofd; heks, toovenares.
Lamina, laminə, dunne plaat, schubje, blaadje; —ble = tot dunne platen pletbaar; —l = —r = uit dunne plaatjes bestaande; Laminate, lamineit, pletten, met dunne plaatjes overtrekken; —d = schilferig = Laminate, laminit.
Lammas, laməs, 1 Augustus: At latter — = met St. Juttemis, als de kalveren op het ijs dansen; —-day (—-tide) = St. Pieter (1 Aug.); — Eve = 31 Juli.
Lamp, lamp, lamp, licht: To smell of the — = naar de lamp rieken; —-black = lampzwart; —-burner = brander; —-light = lamplicht; —-lighter = lantaarnopsteker; fidibus; —-maker = lampenfabrikant; —-mat; —-post = lantarenpaal; —-shade = kap; Lampion, lampj’n = illumineerglaasje.
Lampoon, lampûn, subst. schotschrift; — verb. schotschriften schrijven; —er; —ery.
Lamprey, lampri, lamprei.
Lanark, lanək; —shire.
Lanate(d), leinit(id), wollig, zacht.
Lancashire, laŋkəšə; Lancaster, laŋkəstə; —ian, laŋkəstîriən: — system = stelsel van Joseph Lancaster, waarbij de zwakkere leerlingen door de vluggere (monitors) worden onderwezen; Lancastrian, laŋkastriən, partijganger van Hendrik VI van Lancaster.
Lance, lâns, subst. speer, lans; lansier, wilde; — verb, met eene lans doorsteken, met een lancet openen: With — in rest = met gevelde lans; —-corporal = korporaal titulair; —-flag = vaantje: —-head = spits; —olate(d), lânsiəlit, lânsiəleitid, lancetvormig; —r = lansier; —rs = “quadrille des lanciers”.
Lancelot, lânsəlot.
Lancet, lansət, lancet; —-arch = spitsboog; —-fish = lancetdrager (visch); —-window = Gothisch venster.
Lancinating, lansineitiŋ: — pain = scherpe, snijdende, vlijmende.
Land, land, subst. land, landstreek, grond, natie, landerijen; — verb. landen, aan land brengen, lossen, ophalen: By — = te land; — o’ Cakes = Schotland; — of the leal = verblijf der zaligen; — of Promise = Land der Belofte; To lay the — = het land uit het gezicht verliezen; To make the — = in het gezicht krijgen; To set the — = het land peilen; The cape shut in the — = door de kaap was het land niet te zien; To sight the — = in ’t gezicht krijgen; The — was looming = in de verte doemde land op; I want to see how the — lies = ik wil poolshoogte nemen; I —ed him for ten pounds = kreeg van hem los; He —s himself in all kinds of difficulties = brengt zichzelf; I —ed a splendid fish = haalde op; —-agent = rentmeester; —-bank = hypotheekbank (Amer.); By —-carriage = per as; —-crabs = landkrabben (ook fig.); —fall = grondafschuiving; nadering of in het gezicht krijgen van het land, eerste land, dat men na een zeereis in ’t gezicht krijgt; —-flood = overstrooming; —-force = landmacht; —-grabber = iemand die op onwettige wijze land in bezit neemt; iemand in Ierland, die land huurt, waaruit een ander met geweld gezet werd; —-grave = landgraaf; —-graviate, landgraafschap; —-gravine = vrouw van een landgraaf; —-holder = grondbezitter; —-jobber = landerijenspeculant; —lady = kostjuffrouw, waardin; —-league = in 1879 gevormd en in 1881 door de regeering verboden bondgenootschap van huurders tegen de landeigenaren (Ierland); —-leaguer = lid van de land-league; A —-locked bay = rondom door land ingesloten baai; —-loper = vagebond; landrot (fig.); —lord = huisbaas, waard; —lordism = de maatregelen der landeigenaren (als één lichaam) tegenover hunne huurders; —-lubber = landrot (fig.); —man = landrot; pachter; —mark = grenspaal, baken, gewichtig tijdpunt; —-measuring = het landmeten; —owner = grondbezitter; —-rail = wachtelkoning, spriet; —-rat = landrot; —-rent = landrente; —-reeve = onder-rentmeester; —-roll(er) = zware rol, om aardkluiten te breken; —scape = landschap; —scape-gardening = de kunst van tuinen en parken aanleggen; —-scrip = bewijs van landaankoop van den staat (Amer.); —-shark = straatroover, uitzuiger, advocaat; —-side = de platte zijde van den ploeg; —-slide, —slip = grondafschuiving, de afgeschoven grond; —sman = landkrab, landrot (fig.); —-steward = rentmeester; —-surveying = landmeten; —-surveyor = landmeter; —-tax = grondbelasting; —-warrant = —-scrip; —ed: —ed estate (= —ed property) = grondbezit; The —ed gentry = landadel; —ing = het aanlanden, landingsplaats, pier, werf, perron (Amer.); bordes: —ing-net = klein net om gehengelde visch aan land te krijgen; —ing-place = landingsplaats; —ing-surveyor = opziener over de; —ing-waiters = kommiezen, toezicht houdend bij het lossen van schepen; —ward = landwaarts.
Landau, landô, landauer; —let, landôlet, kleine landauer.
Lane, lein, nauwe weg of pad tusschen heggen, struiken, etc., of twee rijen menschen door, vaargeul tusschen ijsvelden, nauwe straat, steeg: The — = Drury — = een schouwburg in Londen; It is a long — that has no turning = aan alles komt een einde.
Langate, langit, rol verbandlinnen.
Langham, laŋəm; Langholm, laŋəm.
Langrage, laŋgridž, Langrel, laŋgr’l, kartetskogel.
Langsyne, laŋsain, lang geleden (Schotl.); vroegere tijd.
Language, laŋgwidž, taal, spraak, stijl: He used bad — = hij vloekte, etc; —-master = taalonderwijzer.
Languid, laŋgwid, kwijnend, zwak, traag, langzaam; subst. —ness; Languish, laŋgwiš, verb. kwijnen, versmachten, verslappen, achteruitgaan, kwijnend of teeder kijken, smachten naar; subst. —ment; Languor, laŋg(w)ə, matheid, dofheid, slapheid, verlangen, zwoelte; Languorous = Languid.
Laniard, lanjəd = Lanyard.
Laniary, leinjəri, subst. hondstand; adj. verscheurend.
Lanigerous, lənidžərɐs, woldragend, wollig.
Lank, laŋk, adj. dun, schraal en lang, slap, los, sluik; subst. —ness; adj. —y.
Lanner, lanə, worgvalk; —et = het mannetje.
Lansquenet, lanskənet, lansknecht; kaartspel.
Lantern, lantən, subst. lantaren; — verb. van lantarens voorzien, aan een lantaarn ophangen: Chinese — = lampion; Dark — = dievenlantaarn; Magic — = tooverlantaarn; Feast of —s = feest in China op den eersten van iedere maand; He was lynched and —ed; —-fly = lantaarndrager (insect); —-jawed = met lang en mager gezicht; — lecture = lezing met lichtbeelden; —-wheel = lantaarnrad of schijfloop.
Lanyard, lanjəd, taliereep.
Laocoön, laokəon; Laodicean, leiədisîən, tot Laodicea, leiədisîə, (in Phrygië) behoorende; lauw in godsdienstige dingen.
Lap, lap, subst. pand (van een kleed), schoot, overstekende kant, voorsprong, vouw; polijstschijf; ronde (bij een wedstrijd); likken, oplikken, kabbelen; slappe drank; — verb. vouwen, omleggen, wikkelen, “lappen” (sportt.); (op)likken, kabbelen, bespoelen, polijsten: To make a — = een schoot maken; —ped in luxury = badend in weelde; —-dog = schoothondje; —-stone = klopsteen (van een schoenmaker); —-work = werk, waarbij hot eene gedeelte over het andere gelegd is; —ful; —per = vouwer, polijster, likker, zuiper.
Lapel, ləpel, lapel (v. eene jas): A —led coat.
Lapidary, lapidəri, tot het steensnijden behoorend, in steen gesneden, steen - -; bondig; subst. steensnijder: — style = bondige.
Lapidate, lapideit, steenigen; Lapidation = steeniging; Lapidification = versteening; Lapidify = versteenen.
Lapillus, ləpiləs, mv. Lapilli, ləpilai, vulcanische slakkensteen.
Lapis, lapis, leipis, steen: — infernalis = helsche steen; — pumex = puimsteen.
Lapland(er), lapland(ə), Lapland(er), ook kortweg Lap(p); adj. Lappic = Lappish.
Lappet, lapət, slip, pand, loshangend deel van kapsel of muts: Cap — = oorlap (v. eene muts, etc.)
Lapsable, lapsəb’l, wat vervallen kan; Lapse, laps, subst. val, loop, verloop, fout, vergissing, plichtverzuim, afdwaling, afval; zondenval, vervallen; — verb. vallen, glijden, glippen, voortglijden, verloopen, dwalen, den plicht verzuimen, afvallen, vervallen: That is a —d legacy = vervallen legaat; —d proposals; Lapsus = vergissing, fout.
Laputa, ləpjûtə, adj. Laputan.
Lapwing, lapwiŋ, kievit.
Lar, lâ (Mv. Lares, lârîz), huisgod (bij de Romeinen).
Larboard, lâböd, labəd, bakboord (linkerzijde).
Larcener, lâsənə, Larcenist, lâsənist, dief; Larcenous, lâsənɐs, diefachtig; Larceny, lâsəni, diefstal: He was accused of a simple — = van eenvoudigen diefstal.
Larch, lâtš, lorkenboom.
Lard, lâd, subst. varkensreuzel; — verb. lardeeren, met vet bedruppelen, mengen; —aceous, lâdeišəs, spekkig = —y.
Larder, lâdə, provisiekamer (—kast), mondvoorraad.
Lardy-dardy, lâdi-dâdi, blasé, fatterig.
Large, lâdž, ruim, groot, breed, omvangrijk, overvloedig, veelomvattend, edel, pocherig: — conscience = ruim; As — as life = levensgroot; To be in a — way (of business) = groote zaken doen; Christendom at — = in ’t algemeen; A convict at — = ontvlucht gevangene; A gentleman at — = die zijn eigen baas is; The public at — = het groote publiek; The prisoners were (set) at — = waren (werden) vrijgelaten; To talk at — = er maar op los; They are not tolerated at — = mogen zich niet vrijelijk buitenshuis bewegen; The ship went (sailed) — = zeilde voor den wind; —-boned = pootig; —-handed = hebzuchtig; overdreven mild, verkwistend; —-hearted = grootmoedig; —-minded person = met ruimen blik; grootmoedig; subst. —-mindedness; —n = groeien, vergrooten; —ness = grootte, uitgestrektheid, grootheid.
Largess(e), lâdžəs, rijk geschenk, gave: To cry — = om een geschenk vragen (wat door den minstreel werd gedaan).
Larghetto, lâgetou, Largo, lâgou, langzaam (muz.).
Largish, lâdžiš, vrij groot.
Lariat, lariət, subst. pikettouw, lasso; — verb. met een lariat vangen.
Lark, lâk, subst. leeuwerik, pretje, “lolletje”; — verb. leeuweriken vangen; pret maken, streken uithalen, voor den gek houden: A — is better than a kite = iets is beter dan niets; I am up to a — = heb wel zin in een lolletje; If the sky falls we shall catch —s (there will be catching of —s) = als de hemel valt hebben we allen eene blauwe slaapmuts op; Don’t make a — of me = houd me niet voor den gek; —spur = ridderspoor; —er = grappenmaker; —ish = —some = —y = van pret houdend, lustig.
Larrikin, larikin, subst. vagebond, ruwe klant; —ism = herrie, baldadigheid (Australië).
Larrup, larəp, afranselen.
Larva, lâvə, larve of pop; —l = tot eene larve behoorende; —te(d), lâvit(id), verpopt; Larviporous, lâvipərɐs, larven voortbrengend.
Laryngeal, lərindžiəl, larindžîəl, Laryngean, lərindžiən, larinžîən, strottenhoofd..; Laryngitis, larindžaitis, ontsteking van de larynx; Laryngoscope, ləriŋgəskoup, keelspiegel; Laryngoscopy = onderzoek met een keelspiegel; Larynx, lariŋks, luchtpijp, strottenhoofd.
Lascar, laskə, laskâ, Laskaar, Brit.-Ind. matroos op Europeesche schepen.
Lascelles, ləselz.
Lascivious, ləsivjəs, wulpsch; subst. —ness.
Lash, laš, subst. slag (dun eind) van een zweep, zwiepende slag, zweepslag, geeseling, sarcasme, schimprede; wimper; — verb. zweepen, slaan, geeselen, doorhalen, hekelen, schimpen, vastbinden; He is under the — of his wife = onder de plak; The horse gave a sudden — out = begon plotseling achteruit te slaan; To — out = achteruit slaan; uit den band slaan (fig.); —ing = sjorring (scheepst.); —ings = massa’s.
Lass, las, lâs, meisje, deern; —ie = jong meisje.
Lassell, ləsel.
Lassitude, lasitjûd, moeheid, matheid.
Lasso, lasou, subst. lasso; — verb. met een lasso vangen.
Last, lâst, subst. last; leest; volharhardingsvermogen; adj. laatste, uiterste, geringste, jongstleden; — verb. duren, uithouden; To put (set) (up)on the — = leest; Shoemaker, stick to your — = hou je bij je leest; At — = ten laatste, eindelijk; At long — = ten langen leste; At the — = op het einde, laatste oogenblik; He retained his wits to the — = tot het laatste toe; — though not least = het laatste maar niet het minste; The — century = vorige; The — event = de dood; Of the — importance = van het grootste belang; To be on one’s — legs = ten einde raad zijn; The affair is on its — legs = bijna uit, over; — night = gisteren avond; He was in the — straits = lag op het uiterste; The — Supper = l. Avondmaal; He breathed his — = blies den laatsten adem uit; The — I saw of him = de laatste keer, dat ik hem zag; Shall I never hear the — of it? = houdt dat dan nooit op? It will — his time = zijn tijd duren; It would have —ed us out handsomely = we zouden er ruim genoeg aan gehad hebben; —age = lading, laadruimte, vracht; —ing = volhardend, duurzaam; subst. volharding, duur; soort stof; That is to your —ing honour = strekt u eeuwig tot eer; —ingness = duurzaamheid; —ly = ten slotte.
Latch, latš, subst. klink; — verb. met de klink sluiten; —-key = huissleutel, lichter van de klink; For you the string of the — is on the outside = gij zijt ten allen tijde welkom; The —-string is out = de deur staat (voor iedereen) open.
Latchet, latšət, schoenriem.
Latching, latšiŋ, lijn waarmee de bonnet aan het gaffelzeil wordt verbonden.
Late, leit, laat, vergevorderd, wijlen, overleden, ex-—, pas gebeurd: The — Cabinet = het vorige ministerie; My — employer = mijn vroegere patroon; The — king = wijlen de koning; Mr. N. — of her Majesty’s service = eertijds in; You are five minutes — = vijf minuten ná uw tijd; The train is an hour — = te laat; — in the day = (te) laat; Of — days (years) = in den laatsten tijd, onlangs; The — rains have spoiled the crops = de in den laatsten tijd gevallen regens; I have seen much of him of — = in den laatsten tijd; I saw him —ly = onlangs; It did not happen until very —ly = pas (onlangs); So —ly as February = nog in F.; —ness = laatheid; —r on in the day = later op den dag; What’s the —st? = wat is er voor nieuws?
Lateen, lətîn: —sail, driehoekig latijn- of emmerzeil; —yard = de ra hiervoor (Middell. Zee).
Latency, leitənsi, verborgenheid; Latent, leit’nt, latent, verborgen: Their steps awaked the — echoes in the house = de slapende echo’s; — heat = latente warmte.
Lateral, latər’l, zijdelingsch, zijde - -.
Lateran, latər’n, Het Lateraan, het aan de Johanneskerk grenzende paleis van den Paus: — councils = de in de kerk van St. Jan van Lateraan gehouden synoden.
Lath, lâth, subst. lat; — verb, met latten bedekken of bespijkeren: He is as thin as a — = zoo mager als een houtje; —-and-plaster = van bepleisterde latten; —-work; —y = (zoo) dun (als eene lat), van latten gemaakt.
Latham, leith’m.
Lathe, leidh, draaibank.
Lathee, latî, lange, met ijzer beslagen stok (Brit. Ind.).
Lather, ladhə, subst. zeepsop, schuim; — verb. inzeepen, schuimen, met schuim bedekken (bedekt worden), afranselen.
Laticostate, latikostit, met breede ribben.
Latidentate, latidentit, met breede tanden.
Latifoliate, latifouliit, Latifolious, latifouliəs, met breede bladeren.
Latimer, latimə.
Latin, latin, subst. Latijn, Romein, lid der R.K. kerk; adj. Latijnsch, Romeinsch: — Church = Roomsche Kerk; — cross = kruis (symbol); — races = Franschen, Spanjaarden en Italianen; — union = muntconventie tusschen Frankrijk, België, Italië, Zwitserland en Griekenland; —ism = Latinisme; —ist = Latinist; Latinity = zuiver Latijnsch idioom, gelatiniseerde Engelsche uitdrukking; —ization = verlatijnsching; —ize = Latijnsche vormen of uitgangen geven, Latijnsche woorden en spreekwijzen gebruiken; aan den Pauselijken Stoel onderwerpen.
Latitude, latitjûd, breedte, breedtegraad, hemelstreek, ruimte, omvang, onbepaaldheid, onnauwkeurigheid, vrijheid, speelruimte, ruimte van opvatting, afwijking; Latitudinal, latitjûdin’l, breedte..; Latitudinarian, latitjûdinêriən, onbeperkt, vrij, vrijzinnig, verdraagzaam; subst. vrijzinnige; —ism, latitjûdinêriənizm = vrijzinnigheid.
Latrine, lətrîn, privaat.
Latten, lat’n, subst. messing: ook adj.; —-brass = messingblik; —-wire.
Latter, latə, laatste (van twee), nieuw, pas gebeurd: — end = slot, stervensuur; achterste; In his — years = lateren tijd; —-day Saints = geestdrijvers uit Cromwell’s tijd, die zich alléén onderdanen van Jezus noemden, en eene vijfde groote monarchie (na die van Assyrië, Perzië, Griekenland en Rome) onder Jezus verwachtten; de Mormonen; The —-day lights of London = de Londensche sterren (op tooneel- en ander gebied) van den laatsten tijd; —math = nagras, etgroen; —ly = onlangs, in den laatsten tijd.
Lattice, latis, subst. open lat- of traliewerk; — verb. van traliewerk voorzien; —-pew = kerkbank met traliewerk; —-window; —-work.
Laud, lôd, subst. lof, loflied, hymne; —s = de Lauden, het tweede der kerkelijke getijden; — verb. lofzingen, prijzen; —able = lofwaardig, prijzenswaardig; gezond; subst. —ableness; —ation, lôdeiš’n, lof; —atory, lôdətəri, lovend, prijzend; —atories = lofrede.
Laudanum, lôdənɐm, lodənɐm, laudanum.
Laugh, lâf, subst. lach, gelach; — verb. lachen: Till you have had your — out = tot je uitgelachen bent; Those — best, who — last = wie ’t laatst lacht, lacht het best; He —ed his consent = gaf lachend zijn toestemming; He —ed at me = lachte mij uit; He —ed outright in (to) my face = lachte mij royaal in het gezicht uit; He —ed in his sleeve = in zijn vuistje; He —ed on the wrong side of his mouth (face), ook: He —ed on the other side (corner) of his mouth = lachte als een boer, die kiespijn heeft; To — one out of = iemand ergens van afbrengen, door het bespottelijk te maken; He —ed my proposal to scorn = hij versmaadde mijn voorstel: —-and-lie-down = een soort kaartspel; —able = lachwekkend, belachelijk; subst. —ableness; —er = lacher, lachduif; —ing: It is no —ing matter = ’t is geen gekheid; —ing-gas = lachgas; —ing-stock = voorwerp v. bespotting, mikpunt van spotternij; —ter = gelach: To break out into fits of —ter = in lachen uitbarsten; I could not contain my —ter = mijn lachen niet houden; To shake with —ter; She looked at me with —ter-brimming eyes = met stralende oogen.
Launce, lâns, lans; zand-aal.
Launcelot, lansəlot; Launceston, lâns-t’n.
Launch, lônš, lânš, subst. het van stapel (laten) loopen; barkas, motorboot: Electric (Steam-)— = motorboot (stoombarkas); — verb. slingeren, werpen, doorboren, van stapel (laten) loopen, vooruitschieten, in zee steken, uitweiden over, iets nieuws beginnen; I’m —ing out a bit = neem het er eens van; I was —ed upon (into) the world when quite young = de wereld ingezonden; We —d a boat = streken; The ship was —ed = werd te water gelaten; He —ed an ultimatum = zond een ultimatum.
Launder, lôndə, lândə, waschtrog voor erts; Laundress, lôndrəs, lândrəs, waschvrouw; vrouw, die de in de Inns of Court op kamers wonende heeren bedient; Laundry, lôndri, lândri, waschhuis; —-maid = waschmeisje.
Laura, lôrə, Laura; soort monnikendorp onder ’t opzicht van een Overste.
Laureate, lôri-it, gelauwerd; gelauwerde; — verb. (lôrieit) lauweren: Poet — = Eng. hofdichter; —ship = ambt van hofdichter.
Laurel, lôr’l, lor’l, laurier, lauwerkrans: You may sleep on your —s = op je lauweren rusten; To win —s.
Laurence, lôr’ns.
Lauwine, lôwin, lawine.
Lava, lâvə, lava.
Lavation, ləveiš’n, wassching, reiniging; Lavatory, lavətəri, wasschend, wasch - -; subst. waschvertrek, wassching, toiletkamer, retirade: Ladies’ (Men’s) — = toilet; — carriages = rijtuigen met retirade.
Lavender, lav’ndə, subst. lavendel; adj. zacht lila: To lay (up) in — = in lavendel leggen; zorgvuldig bewaren, met lavendel parfumeeren; in de gevangenis werpen, naar den lommerd brengen.
Laver, leivə, eetbaar zeewier; waschbekken.
Laverock, lavərək, leeuwerik.
Lavic, lâvik, lava-achtig, lava - - -.
Lavish, laviš, adj. verkwistend, kwistig; — verb. verkwisten, verspillen: He —ed his bounties on all around him = gaf kwistig aan; To — oneself on = zich verslingeren aan; —er = verkwister; subst. —ness.
Law, lô, subst. wet, recht, proces, rechtswetenschap, voorsprong (jachtterm), tijd, speelruimte: The Rejoicing of the — = Vreugde der Wet: The Scrolls of the — = wetsrollen; He is a student in — = studeert in de rechten; To be at — = in proces liggen; The fox was given a — = liet men een voorsprong nemen; To go to — = gaan procedeeren; I will have the — of you = zal je vervolgen; To take the — into one’s own hands = zich zelf recht verschaffen; You must not sin against the —s of honour = niet zondigen tegen; — of exchanges = wisselrecht; — of insurance against sickness and accident = ongevallenwet; —s of nations = volkenrecht; —-abiding = ordelievend; —-binding = lichtgeel leeren band; —book = wetboek; —-breaker = wettenschender; —-court = gerechtshof; —giver = wetgever; —-latin = advokatenlatijn; —-lord = een Peer, die een hoog rechterlijk ambt bekleedt; —maker = wetgever; —-merchant = handelsrecht; —-monger = beunhaas; —-officer = dienaar der wet; —-stationer = verkooper van schrijfbenood. voor gerechtsh. etc.; copiïst van gerechtelijke acten en documenten; —suit = proces, rechtsgeding; —-writer = copiïst van acten; juridisch auteur; —ful = wettig, rechtmatig; subst. —fulness; —less = wetteloos, onwettig, woest, losbandig; subst. —lessness; —yer = wet- of rechtsgeleerde, advocaat; schriftgeleerde; stok: A Penang —yer weighted with lead; Sea —yer = een matroos, die den mond vol heeft over alles wat hij niet verplicht is te doen.
Law(s), lô(z), goeie genade (verbastering van Lord).
Lawn, lôn, grasveld; fijn kamerdoek, batist; —-mower = tuinmaaimachine; —-sleeves = batisten mouwen der bisschoppen; bisschoppen (iron.); —-tennis = een raketspel; —y = van batist, doorzichtig.
Lax, laks, los, slap, laks, slordig, loslijvig; —ative, laksətiv, laxeerend; laxeermiddel; —ity = losheid, laksheid, slordigheid: — of the bowels = loslijvigheid.
Lay, lei, imp. van to lie = liggen.
Lay, lei, subst. lied, ballade; richting, ligging, bocht; winstaandeel (Amer.), werk; adj. leeken ...; — verb. leggen, dekken, neerwerpen, neertrappen, lesschen, doen liggen, stillen, doen bedaren, bannen, uitspreiden, beleggen, aanleggen, aangaan, richten, enz.: They were on the same — as myself = hadden hetzelfde plan; Anything on the — here? = iets aan de hand? —-by = ligplaats; —-days = (toegestane) ladings- en lossingsdagen; —-brother = leekebroeder; —-clerk = leek, die de “responses” leest in de kerk, of in colleges; —-down = dutje; —-down collar = liggende boord; —-elder = ouderling (in de Presbyteriaansche kerk); —-figure = ledepop; —man = leek, oningewijde; ledepop; —-out = aanleg, uitrusting; They laid the guilt at my door = schoven op mij; To — by the heels = inrekenen; That was laid to my charge = mij ten laste gelegd; To — to heart = ter harte nemen; To — breakfast = klaar zetten voor (dekken); To — a cable; To — the cloth = dekken; The rain has laid the dust = het stof neergeslagen; To — a ghost = een spook voorgoed doen verdwijnen, bezweren; I cannot — my hand upon it = niet vinden; He laid hands upon himself = sloeg de hand aan zich zelf; They laid their heads together = staken de koppen bij elkaar; To — hold of = vastgrijpen, aanpakken; To — a plot against = samenspannen; To — siege to = het beleg slaan voor; To — the table = dekken; To — a wager = een weddingschap aangaan; He was laid low = hij (stierf en) werd begraven; They laid themselves open to chaffing = lokten het uit, om hen voor den gek te houden; To — waste = verwoesten; He laid about him with his cudgel = sloeg om zich heen met; To — aside = ter zij leggen, opsparen; He laid his work before the public = maakte zijn werk publiek; To — by = ter zij leggen, bewaren; I would — down my life for him = zou willen geven; To — down the law to = de wet stellen; To — down a plan = opmaken; To — down reasons = aanvoeren; To — down as a rule = vaststellen; To — down the keel of a ship = de kiel leggen, op stapel zetten; To — in = verzamelen, vergaren; — on = sla toe; To — on gas, water to a house = gas- of waterleiding aanleggen; To — on dogs = op ’t spoor brengen; To — the blame on = de schuld geven; You — it on rather thick = gij overdrijft niet weinig, gij werkt met sterke kleuren; To — out a garden = aanleggen; The expedition was laid out = op touw gezet, voorbereid; I have laid out my pocket-money in a watch = heb voor mijn zakgeld gekocht; They laid out the corpse = legden af; He laid himself out to turn a penny = beulde zich af, spande zich in om; It was laid over with rust = geheel bedekt; The ship was laid to = bijgelegd; To — to heart = ter harte nemen; I hope you will — it to old age = toeschrijven aan; To — under water = onder water zetten; To — a person under an obligation = aan zich verplichten; He was laid up with the rheumatism = lag te bed met; To — up = bijleggen, voor anker gaan liggen, rust nemen, opsparen, opleggen (scheepst.); —er, lêə, laag, bed, aflegger of loot; richter, leghen, bookmaker; — verb. stekken; gaan liggen; —er-out = lijkbezorger, aflegger; —er-up = verzamelaar; —ing = het leggen, de gelegde eieren, oesterbank: A hen past —ing = die niet meer legt; The —ing on of hands = (kerkelijke) bevestiging door handoplegging.
Layard, leiəd.
Lazar, leizə, melaatsche; Lazaret(to) = pesthuis, hospitaalschip, quarantaine-plaats; bergplaats voor provisie op schepen; Lazarus, lazərɐs.
Laze, leiz, lummelen.
Laziness, leizinəs, subst. v. Lazy, leizi, lui, vadsig: A — morning = morgen om niets te doen; He is a —-body (-bones, -boots) = luiwammes; —-tongs = een soort tang, die saamgedrukt zich verlengt.
Lazzaroni, lazərouni.
Lea, lî, vlakte, weide, landouw; adj. braak.
Leach, lîtš, subst. loog, loogvat; — verb. uitloogen; —-tub = loogvat.
Lead, led, subst. lood, metaalplaatje tot het scheiden der regels bij het drukken; plat, met lood bedekt dak (steeds meervoud); plombe (zegellood), peillood, potlood; adj. looden; — verb. met lood bedekken of bekleeden, plombeeren, door metaalplaatjes afscheiden: White — = loodwit; My room is under the —s = het met lood bedekte dak; A widely —ed volume = boek met veel wit op de bladzijden; —-ash(es) = loodasch; —-colic = loodkoliek; —-foil = bladtin; —-glance = loodglans; —-line = loodlijn; —-pencil = potlood; —-poisoning = loodvergiftiging; —sman = matroos die het peillood ophaalt; —works = loodhut; —ed = in lood gevat, ook = separated by leads (= ver uiteen gezet); —en = van lood, loodkleurig, loom, dom, dof: —en pills = “blauwe boonen”, geweerkogels.
Lead, lîd, subst. voorgang, leiding, voorhand, eerste plaats, hoofdrol; — verb. leiden, vooropgaan, den weg wijzen, de leiding hebben, aanvoeren, aan het hoofd staan, dirigeeren, eerste stem of viool spelen, uitspelen, eerst spelen, enz.: They would not follow that statesman’s — = hem niet als leider volgen; He is now playing — at the Savoy = hij speelt nu de hoofdrollen in het S.-theater; To take the — = de leiding nemen, de eerste viool spelen; He led me to expect it = spiegelde me voor; I was led to regard him as a noble fellow = men hield mij altijd voor, dat....; He led my sister to the altar = voerde; You have led us a pretty dance = heel wat last op den hals gehaald; He —s them a dog’s (a pretty sort of) life = zij hebben een hondenleven bij hem; Will you — the way? = voorop gaan? To — along = (voort)leiden; To — astray = op een dwaalspoor of den verkeerden weg (fig.) leiden; To — away = wegleiden; The manager will — off with Hamlet = zal het seizoen openen met; He —s off with some good verses in that periodical = begint het nummer met; I led off on that subject = bracht het gesprek erop; The girl led him on = hield hem aan ’t lijntje; She led the conversation round to her son = bracht het gesprek op; This measure led up to success = leidde tot; —er, subst. (ge)leider, gids, chef, aanvoerder, orkestmeester, eerste viool, voorste paard, hoofdartikel: I stood at the —er’s head, and my groom at the wheeler’s = bij het voorste paard; —er-writer = schrijver van hoofdartikels; —erette, klein hoofdartikel; —ership; —ing article = hoofdartikel; —ing counsel = voornaamste advocaat in een proces; —ing fashion = heerschende mode; —ing lady = de actrice voor hoofdrollen; —ing part = hoofdrol; —ing question = een vraag waarbij men ’t antwoord als ’t ware in den mond legt (Jur.); He is dangling at his wife’s —ing-strings = loopt aan den leiband van; He is in —ing-strings = is de marionet van anderen; —ing word = slagwoord; Men of —ing = toonaangevers, leiders.
Leaf, lîf, subst. blad, vizierklep, helft van eene porte-brisée; — verb. bladeren krijgen: The fall of the — = de herfst; To burst into — = bladeren krijgen; He took a — out of my book = hij heeft mij nagevolgd; Don’t turn down the — = maak geen ezelsooren; You will have to turn over a new — = zult een ander leven moeten beginnen, u moeten beteren; The examples were given over— = op de andere pagina; —-bridge = soort van ophaalbrug; —-bud = bladknop; —-fall = het vallen der bladeren; —-gold = bladgoud; —-green = bladgroen; —-lard = bladreuzel van varkens niervet; —-louse = bladluis; —-metal = klatergoud; —-mould = verrotte bladeren als mest; —-silver = bladzilver; —-table = klaptafel; —age = loof; —ed = bebladerd; —iness; —less = bladerloos; subst. —lessness; —let = klein blad, tractaatje, blaadje; —y = bebladerd.
League, lîg, subst. verbond, verdrag, verbintenis; mijl; — verb. zich verbinden, een verbond aangaan; —r = bondgenoot; legerplaats, belegering; — verb. belegeren.
Leak, lîk, subst. lek; — verb. lek zijn; lekken, doorlaten: To spring a — = een lek krijgen; Nothing has —ed out yet = er is nog niets uitgelekt; —age = lekkage, verlies, vermindering; —iness = lek zijn; —y = lek; praatziek, babbelzuchtig.
Leal, lîl, trouw, loyaal.
Leamington, lemiŋt’n.
Lean, lîn, mager, dun, schraal, onvruchtbaar, onbeteekenend; subst. mager vleesch; —-faced = met mager gezicht; —-witted = flauw, afgezaagd; —ness = magerheid.
Lean, lîn, leunen, scheef staan, overhangen, neigen (ook fig.); subst. schuine stand: On the — = scheef; All his faults — to the side of virtue = hij heeft de gebreken van zijne deugden; —ing = scheef; subst. overhelling, neiging; —-to, adj. leunend tegen of gesteund door: A —-to (building) = gebouw, waarvan de balken weer op een ander gebouw steunen, aanbouw.
Leap, lîp, subst. sprong, sprongwijdte; — verb. springen, springen over, opspringen, dekken, laten springen: A — in the dark = sprong in het duister; The consumption of Lemon Squash went up by —s and bounds = nam kolossaal toe (eig. met groote sprongen); He —s the most difficult passages = springt heen over; Can you — this wall = over dien muur springen? He —ed in the saddle = hij sprong in het zadel; His heart is ready to — into his mouth = hij is buiten zichzelve van vreugde; I’m ready to — out of my skin = dat is om uit je vel te springen; —-frog = haasjeover; springkikker; —-year = schrikkeljaar; —er = springer, springpaard; —ing-pole = polsstok.
Leapt, lept, P. Imp. en P.P. v. to leap.
Learn, lɐ̂n, leeren, vernemen: I will — it by heart = van buiten leeren; He would not — by the lessons of experience = niet van de ondervinding leeren; He is —ed in that matter = knap in; He will never — wit = hij wordt nooit wijzer; A fool may — a wise man wit = een wijze kan van een dwaas nog leeren; —ed = geleerd, ervaren; —er = leerling, scholier, beginneling; —ing = geleerdheid, wetenschap.
Learnt, lɐ̂nt, P. Imp. en P.P. v. to learn.
Leasable, lîsəb’l, verhuur-, of verpachtbaar; Lease, lîs, subst. verhuring, verpachting, pacht, huur, pacht-, of huurcontract, pacht-, of huurtijd, duur; — verb. (ver)huren, (ver)pachten: Building —s = bouwpachtrechten; His — of life = levensduur; We hold this house on a twenty years’ — = wij hebben 20 jaar huur aan dit huis; To let by (out on) — = verhuren, verpachten; To take on — = huren, pachten; You have taken a new — of your life = je hebt weer ingehuurd (kunt weer een tijdje mee); —hold, subst. pachthoeve; adj. gepacht; —holder = pachter.
Lease, lîz, weide, meente; — verb. lezen (van aren).
Leash, lîš, subst. koppel, leeren riem, drietal (bij jacht), band; — verb. aan een koppel leiden, koppelen.
Least, lîst, minst, geringst, kleinst: At — = ten minste; At (the) — = op zijn minst; Not in the — = hoegenaamd niet; — of all = in ’t allerminst; — said soonest mended = hoe minder er van gezegd hoe beter; —ways (wise) = minstens, ten minste.
Leat, lît, molenvliet; kruising van wegen.
Leather, ledhə, subst. leer of leder, huid, (voet)bal; ook adj.; — verb. met leer bekleeden; er op los slaan, ranselen: Nothing like — = niets gaat boven mijn waar (boven wat ik aanprijs); To ride hell-for-— = spoorslags; To lose the — = zich doorrijden of loopen; —s = leeren broek (slobkousen); She may — away till Christmas = er op ranselen zoo lang als ze wil; The drum was —ing away to his heart’s content = sloeg er naar hartelust op los; —-apron = schootsvel; —-belt = drijfriem; —-coat = goudrenet; —-dresser = leerbereider; —-merchant = leerkoopman; —ette = imitatieleer; —n = lederen, taai; —y = leerachtig, taai: —y toast.
Leave, lîv, subst. verlof, vrijheid, afscheid, vaarwel; — verb. nalaten, verlaten, overlaten, heengaan, ophouden: By your — = met uw verlof; To ask — = verlof vragen; I beg — to inform you = heb de eer u te berichten; To give — = verlof geven; I have my — for the evening = den heelen avond vrij; To take French — = met de Noorderzon vertrekken; You may accept my offer or — it = aannemen of afslaan; He left here to-day = vertrok van hier; They left the fortress on their left side = lieten liggen; It (He) was left to look after it (himself) = aan zich zelf overgelaten; There are three bottles left = over; They left the Boers alone = bemoeiden zich niet met; — well alone = het betere is de vijand van het goede; — him alone = laat hem met rust, laat hem maar loopen; — go my hand = laat los; This blow made him — go of me = maakte, dat hij mij los liet; To — open = onbeslist laten; To — about = laten slingeren; Will you — off teasing him = uitscheiden hem te plagen; They left off wearing their overcoats = droegen hunne overjas niet langer; She left off her weeds = ging uit den rouw; Left on hand = overgebleven; They tried to — me out = mij te negeeren, er buiten te laten, enz.; To — over = overlaten; —-taking = het afscheidnemen; Leaving: —s = overblijfsel, afval, droesem; —-age = leeftijd waarop de kinderen de school verlaten; —-certificate = einddiploma; —-shop = stille lommerd.
Leaved, lîvd, bebladerd, met bladen of vleugels.
Leaven, lev’n, subst. zuurdeeg, zuurdeesem (ook fig.); — verb. doen rijzen; be-invloeden, besmetten: To purge out the old —.
Lebanon, lebənən.
Lecher, letšə, lichtmis; — verb. hoereeren; —ous = wellustig; —y = wellust, ontucht.
Lectern, lektən, koorlessenaar, voorzangerslessenaar, lezenaar.
Lection, lekš’n, voorgelezen kapittel; lezing; —ary = verzameling v. stukken uit de H. S. om in de godsdienstoef. te lezen.
Lector, lektə, lector, voorlezer; —ship.
Lecture, lektjə, subst. lezing, verhandeling, redevoering, berisping; — verb. college geven, eene lezing houden, de les lezen, onderhanden nemen: To deliver (To give) a — = een lezing houden; —r = lector, docent, hulpprediker: A University —r in history; —ship; Lecturess = lectrice.
Led, led, imperf. en part. perf. van to lead; — captain = klaplooper; —-horse = pakpaard.
Ledge, ledž, plank, richel, rug, laag, rand, uitstekende kant.
Ledger, ledžə, grootboek; dorpel, dwarsbalk; —-bait = vastliggend aas; —-line = hulplijn (muziek).
Lee, lî, lijzijde, luwe zijde: Under the — = onder de lij; —-board = zwaard (scheepst.); The ship carries —-helm = is lijgierig; —-lurch = hevig rollen naar lij bij hooge zee; —-shore = de kust aan lijzijde; —-side = lijzijde; —-tide = getij naar lijzijde; —-way: To make —-way = vallen (scheepst.); To make up for —-way = het verzuimde inhalen; —ward = lijwaarts, naar lij: —ward Islands = de kleine Antillen.
Leech, lîtš, subst. bloedzuiger, dokter; lijk (v. een zeil); — verb. bloedzuigers aanleggen, genezen; —craft = geneeskunde.
Lee-Enfield, lî-enfîld, het Eng. inf. geweer.
Leek, lîk, knoflook, prei: He had to eat (the) — = hij moest zijne beleedigende woorden terugnemen.
Leer, lîə, subst. jaloersche, verliefde of booze blik; — verb. schuin, jaloersch, verliefd of boos kijken, gluren, lokken; —y = geslepen.
Lees, lîz, droesem, grondsop.
Leetle, lît’l = Little.
Left, left, imperf. en part. perf. van to leave: —-off = afgedragen.
Left, left, subst. linkerkant, oppositie (in het House of Commons); ook adj.: On the — = links; To the — = naar links; — about! = linksom! Nobody can put in her — more neatly than she = niemand kan fijner bedekt hatelijk zijn dan zij is; Each gentleman pointed with his right thumb over his — shoulder; this action is called “over the —”, and expresses light and playful sarcasm; —-hand = linkerzijde; —-handed = linker, linksch, boosaardig; —-handed marriage = morganatisch huwelijk; subst. —-handedness; —-hander = linksch persoon; vuistslag of worp met de linkerhand; onverwachte slag.
Leg, leg, been, beenbedekking, schenkel, poot; gauwdief; — verb. beenen maken (it); He is on his last —s = hij loopt op zijne laatste beenen, is aan den rand des ondergangs; Such a man generally falls on his —s = komt altijd “op zijne pootjes terecht”; To get on one’s —s = opstaan; To get on one’s hind —s = op zijn achterste pooten gaan staan (ook fig.); To give a — (up) = helpen, een zetje geven; To give (free play to one’s) —s = zich uit de voeten maken; A man’s memory goes before his —s = men verliest zijn geheugen sneller dan het gebruik zijner beenen; The ball has not —s enough = geene kracht genoeg (bilj.); He has not a — to stand on = hij kan zich niet verontschuldigen; To kick up one’s —s = een kuitenflikker slaan, kromme sprongen maken; He put his best — foremost = zette zijn beste beentje vóór; At that expression the minister sprang to his —s, and made a sarcastic speech; he was on his —s for more than an hour = sprong op - - en sprak; He stands on his own —s = op eigen beenen; We were literally taken off our —s by the blast = feitelijk opgetild door den storm; To give —-bail = zich uit de voeten maken; —-rest = bankje; —ged: Man is a two —ged animal = tweevoetig dier; —ging = beenbekleeding, slobkous, meest; —gings; —gy = langbeenig: —gy days = de tijd der balletten; —less.
Legacy, legəsi, legaat, erfmaking; —-duty = successierecht; —-hunter = erfenisjager.
Legal, lîg’l, wettig, wettelijk: — fare = tarief; — tender = betaling in rijksmunt; There were several — types in the court = rechtsgeleerden; —ism = wettelijkheid; —ist = iemand, die zich aan de letter van de wet houdt; —ity, ligaliti, wettigheid; —ization = legalisatie; —ize = wettigen, legaliseeren: —ized rates = taxe.
Legate, legit, gezant: Papal — = pauselijk legaat; —ship.
Legatee, legətî, legataris; Legatine, legət(a)in, tot een legaat behoorende.
Legation, ligeiš’n, gezantschap, ambassade.
Legator, ligeitə, legətö, erflater.
Legend, ledž’nd, lîdž’nd, legende, overlevering, fabel, opschrift, randschrift (van munt of medaille): The — ran = het praatje liep; —ary = legendarisch: —ary lore = —ary tales = volksoverleveringen, sprookjes.
Leger (St.), s’ntledžə, silindžə: — races = wedrennen op Doncaster-town-moor.
Legerdemain, ledžədəmein, handhabiliteit, vingervaardigheid, goochelarij.
Legh, li, Leghorn, ləgön, leghön, leghön, Livorno; Italiaansch stroo, hoed daarvan gemaakt.
Legibility, ledžibiliti, subst. v. Legible, ledžib’l, leesbaar; subst. —ness.
Legion, lîdž’n, legioen (2000–6000 man bij de Romeinen), krijgsmacht, legio: Their number (name) is — = getal is legio; Order of the — of honour = Legioen van Eer; —ary, subst. soldaat van een legioen; adj. van een legioen, uit legioenen bestaande, zéér talrijk.
Legislate, ledžisleit, wetten maken; door wetgeving bewerken (Amer.); Legislation = wetgeving; Legislative = wetgevend; Legislator = wetgever; Legislature = wetgevende macht.
Legitimacy, lədžitiməsi, wettigheid, echtheid, juistheid; Legitimate, lədžitimit, adj. wettig, echt, juist, natuurlijk; subst. wettig kind; wettig vorst; — verb. lədžitimeit, wettigen, voor wettig of echt erkennen; Legitimation = wettig- of echtverklaring; Legitimist = legitimist, aanhanger van de partij der Bourbons; Legitimize = wettigen, voor echt verklaren.
Legume, legjum, ləgjûm; —n, legjûm’n, peulvrucht; Leguminose, Leguminous = peulvruchten dragend of betreffend.
Lehigh, lîhai; Leicester, les-tə: —shire, lestəšə; Leigh, lî; Leighlin, lîlin, leklin; Leighton, leit’n; Leila, lîlə; Leinster, lînstə, lenstə; Leipsic, laipsik.
Leisure, ležə, lîžə, subst. ledige tijd, geschikte gelegenheid; adj. niet bezet, vrij: To-morrow I shall be at — = ben ik vrij, onbezet; To attend, stay (upon) a person’s — = wachten tot iemand tijd heeft; —d classes = niets doende (rijke) stand; — hour = vrij uurtje; It was his most — month = gemakkelijkste; —ly = op z’n dooie gemak, langzaam.
Leith, lîth; Leland, lîlənd, lelənd; Lely, lîli; Leman, lîm’n; Zie Lake.
Lem(m)ing, lemiŋ, lemming.
Lemnian, lemniən, van Lemnos.
Lemon, lem’n, subst. limoen, citroen(boom); adj. geel: In her thin invalid tone with a squeeze of — in it = iets zuurs, vinnigs; —-drop = zuurtje; —-juice = citroensap; —-peel = citroenschil; —-squash = (spuit)water met citroensap (en ijs); —-squeezer = citroenpers; —ade, leməneid, limonade; —y = citroenachtig.
Lemuel, lemjuəl.
Lemur, lîmə, vosaap (maki).
Lemures, lemjərîz, geesten d. afgestorvenen.
Lena, lînə, persoonsnaam (leinə, riviernaam).
Lend, lend, leenen, borgen, verleenen; zich leenen tot, passen voor: — a hand there = help daar eens een handje; — thine ear = leen; —er = leener, geldschieter; —ing library.
Length, leŋth, lengte, duur, grootte, ± 42 regels van eene uitgeschreven rol (theatre): He was nibbling a short — of straw = een kort eindje; A — of string = een eindje touw; This — = tot hier toe; At — = eindelijk; At great — = uitvoerig; The tiger was lying at full — = lag in zijne volle lengte; At full — = levensgroot; Ten feet in — = lang; He was unrivalled in the — and breadth of his trade = in alles wat zijn vak betrof; This sum will carry us a great — = een heel eind brengen; I have gone the utmost — = zoover ik maar kon; The pamphlet goes at — into this question = behandelt uitvoerig; He went the — of saying = hij ging zóóver, dat hij zeide; He went all —s with the ministry = ging door dik en dun; I cannot go that — with you = dat kan ik niet allemaal toegeven; To have the — of a person’s foot = weten wat hij waard is; The train was stopped (halted) at its own — = de trein bleef staan op eigen lengte; The horse won by the — of a neck = met één halslengte; —en = verlengen; langer worden; —en it out a little = rek het nog wat; —iness = lengte, gerektheid; —ways = —wise = in de lengte; —y = lang; gerekt, wijdloopig, vervelend.
Lenience, lînj’ns, Leniency, subst. v. Lenient, lînj’nt, toegevend, genadig, zacht; Lenitive, lenitiv, subst. en adj. verzachtend (geneesmiddel): — of pain = pijnstillend middel; Lenity, leniti, zachtheid, goedaardigheid.
Lennox, Lenox, lenəks.
Lens, lenz, lens: Burning — = brandglas; Crystalline — = ooglens.
Lent, lent, imperf. en part. perf. van to lend.
Lent, lent, vastentijd v. 40 dagen, beginnende op Asch-Woensdag; —en = tot Lent behoorende; schraal, mager: We received a —en entertainment = schraal onthaal.
Lenticular, lentikjulə, Lentiform = lensvormig.
Lentiginous, lentidžinɐs, met sproeten; Lentigo, lentaigou, levervlek, zomersproet.
Lentil, lentil, linze.
Leo, lîou, leeuw, de “Leeuw” (in den Dierenriem).
Leominster, lemstə; Leonard, lenəd; Leonardo, liənâdou; Leonato, liənâtou; Leonides, lionidîz.
Leonine, lîən(a)in, leeuwachtig, leeuwen: — verse = Leonisch vers.
Leonora, liənôrə; Leontes, liontîz.
Leopard, lepəd, luipaard; —ess.
Leopold, lîəpould.
Leper, lepə, melaatsche; —-house = leprozenhuis.
Lepidus, lepidɐs.
Lepra, leprə, lepra; Leprose = schubbig, korstig; Leprosy = melaatschheid; Leprous = melaatsch; subst. —ness.
Lepus, lîpəs, het geslacht der hazen.
Lerwick, lerik; Leslie, lezli.
Lese-majesty. Zie Leze.
Lesion, lîž’n, verwonding, ziekelijke verandering; benadeeling.
Less, les, minder, kleiner: Five — three = 5 - 3; —en = verminderen, afnemen, verkleinen; Lesser = kleiner, minder: — Asia = Klein Azië; The — Prophets = de Kleine Profeten.
Lessee, lesî, huurder, pachter.
Lesson, les’n, subst. les, lesuur, onderwijs, oefening, bijbeltekst, voorschrift; Animal, language, plant —s; Object —s = aanschouwingsonderwijs; To give a person his — = iemand de les lezen; To read the —s = de voor dien dag bestemde bijbelteksten lezen; He does little —s with me = krijgt wat les van mij; He took the — to heart = heeft de les ter harte genomen; —-books = leerboeken.
Lest, lest, opdat niet, uit vrees dat: Take care — you fall = pas op, dat ge niet valt.
Let, let, subst. verhindering, beletsel; het nemen van plaatsen (voor concert of komedie); — verb. laten, toestaan; verhuren, verpachten; verhuurd of verpacht worden; verhinderen, beperken: Without — or hindrance = onbelemmerd; The — was immense = er werden kolossaal veel plaatsen genomen; I was sore(ly) — and hindered by this decree; To (be) — blood = aderlaten; A house to — = te huur; — alone = om niet te spreken van; — him alone = laat hem maar loopen; laat hem met rust; — well alone (Zie Leave); To — loose = loslaten; — be = houd op, laat af; — be School = de “Laisser-faire” school; — that penholder be = laat liggen; — drive (fly) = laat maar schieten (los); He — drive (fly) at me = sloeg met alle kracht; — go = loslaten; He — go (his hold) of the rope = liet het touw lus; Guard against —ting go = voor het “laisser faire”; — me have a twopenny cigar = geef mij; — that pass = laten we er niet meer over spreken; — down = neerlaten; To — down easily = verschoonend, zacht behandelen; —-down steps = wagentrede; The Minister received an emphatic —ting down = werd totaal gedésavoueerd; To — in = inlaten, binnenlaten; He was — in for it = liep er in, werd beetgenomen; He was —ting in pretty tightly = sloeg er duchtig op los; To — off = vrijstellen (van straf), ontslaan, afsteken (van vuurwerk); He — on that he was ill = gaf voor, heette; — us on with something else = aan iets anders beginnen; To — out = uitlaten, verklappen; He was — out at us = werd op ons afgestuurd, viel ons aan; He — out on that subject = hij weidde uit over (verklapte); To — out on hire = verhuren; He — the cat out of the bag = verklapte alles (= — out about it); To — out a seam = eene japon, etc. uitleggen; —ter = verhuurder.
Lethal, lîth’l, doodelijk.
Lethargic(al), ləthâdžik(’l), slaperig, sufferig, traag; Lethargy, lethədži, slaapzucht, sufferigheid.
Lethe, lîthî, de Lethe, rivier in de onderwereld; —an, lithîən, vergetelheid veroorzakend; —’d, Lethied = uit de Lethebron gedronken, vergetelheid brengend.
Lett, let, inwoner van Lijfland; —ish = —ic, subst. en adj. (taal) van de Letten.
Letter, letə, subst. letter, brief, patent (Zie Let); — verb. letteren, met letters of titel bedrukken; —s = letterkunde, wetenschap; — of credit = credietbrief; By — = per brief; To the — = letterlijk; Man of —s = letterkundige, geleerde; He knows his —s = hij kan lezen en schrijven; —s patent = octrooi-brieven; —-bag = brievenzak; —-balance = brievenweger; —-board = letterplank; —-book = copieboek; brievenboek; —-box = brievenbus; —-card = correspondentiekaart; —-carrier = bode; —-case = portefeuille; —-folder = vouwbeen; —-founder = lettergieter; —-foundry = gieterij; —-paper = postpapier; —press = druk, tekst, bijschrift; copiëerpers; —-presser = pressepapier; —-rack = brievenrekje; —-sorter = sorteerder; —-stamp = brievenstempel; —-writer = briefschrijver; copiëermachine; —ed = geleerd, geletterd; met letters; —ing = opschrift, titel.
Lettice, letis.
Lettonia, letouniə, Lettenland.
Lettuce, letis, latuw: Garden — = salade.
Levant, ləvant, de Levant; adj. Levantijnsch; —er = levanter, levantijn = sterke Oostenwind in de Middellandsche Zee; —ine = ləvantin, levənt(a)in, Levantijnsch, Levantsch; subst. koupvaarder op de Levant; Levantijn; levantine (soort zijden stof).
Levant, ləvant, er van door gaan (zonder te betalen), uitsnijden; —er.
Levee, levî, of Fr. uitspr. receptie aan het hof alleen voor heeren; rivierdijk (levî; ləvî in Amer.); — verb. indijken.
Level, lev’l, subst. vlak, waterpas, paslood, niveau, hoogte, rechte lijn; adj. horizontaal, vlak, in rechte lijn; — verb. horizontaal maken, effenen, met den grond gelijk maken, richten, aanleggen, mikken, doelen: On a — = op gelijke hoogte; Apparent (Real) — = schijnbare (ware) horizon; — of the sea = zeespiegel; I did my — best = mijn uiterste best; I did my best to keep — with the latest results = op de hoogte te blijven van de jongste resultaten; To make — with the ground = raseeren; A —-headed woman = verstandige, praktische vrouw; (He has his head —, has a — head = hij is een verstandige, practische kerel, Amer.); He —led at my head = legde aan op; The house was —led with (to) the ground = geslecht; All these endings were —led under er = werden (verzwakt) tot er; The subjunctive was —led under the Indicative = gelijk gemaakt aan; The road was —led up = werd opgehoogd; They are trying to — up the music-halls = zedelijk te verheffen, te veredelen; —-screw = stelschroef; Sea-sickness is a terrible —ler = onder zeezieken bestaat geen rang of stand; The —ling system = stelsel waarbij alles over één kam wordt geschoren; —lers = een communistische partij in het Long Parliament (1647).
Leven (Loch), loklev’n, loklîv’n.
Lever, lîvə; levə (Amer.); hefboom; —-watch = ankerhorloge; —age, lîvəridž, hefboomkracht of -werking.
Leveret, levərət, haasje.
Leverock, levərok, leeuwerik.
Leveson, lûs’n; Levi, lîvai.
Leviable, levjəb’l, hefbaar, vorderbaar (van belastingen).
Leviathan, livaiəth’n, leviathan, groot watermonster, iets monsterachtigs; adj. reusachtig.
Levigate, levigeit, tot stof malen of wrijven, poeder met vloeistof mengen; subst. Levigation.
Levin(-bolt), levin(boult), bliksem(schicht).
Levirate, levirit, Joodsche wet, die den broeder van een kinderloos overledene verplichtte diens weduwe te huwen.
Levitate, leviteit, doen zweven, zweven; Levitation, leviteiš’n, lichtheid; zweven.
Levite, lîvait, Leviet, priester; Levitic(al) = tot de Levieten behoorende: — degrees = verwantschapsgraden die het huwelijk verbieden; Leviticus = Leviticus.
Levity, leviti, lichtheid, lichtzinnigheid, wispelturigheid, wuftheid.
Levy, levi, subst. heffing; beslaglegging; lichting (mil.); — verb. heffen, lichten, werven (van legers), beslag leggen: — in mass = het oproepen van alle strijdbare manschappen; To — a distress = beslag leggen; To — taxes; They levied war upon us = begonnen den oorlog, vielen ons aan.
Lewd, l(j)ûd, ontuchtig, wulpsch; subst. —ness.
Lewes, Lewis, l(j)ûis.
Lexical, leksik’l, tot een lexicon behoorende; Lexicographer, leksikogrəfə, woordenboekschrijver; adj. Lexicographic(al); Lexicography = lexicography; Lexicologist = lexicoloog; Lexicology = lexicologie; Lexicon = woordenboek.
Ley, lei = Lea.
Leyden, laid’n, Leiden: —-jar, —-phial, —-vial = Leidsche flesch.
Leyland, lîl’nd; Leyton, leit’n.
Leze-majesty, lîzmadžəsti, majesteitschennis.
Liability, laiəbiliti, aansprakelijkheid, verplichting, verantwoordelijkheid: Limited — Company = commanditaire vennootschap met beperkte aansprakelijkheid; Liabilities = schulden, passief: To meet one’s — = aan zijne geldelijke verplichtingen voldoen; Liable, laiəb’l, verplicht, verantwoordelijk, onderworpen, onderhevig: He is — to fainting fits = heeft last van flauwten; subst. —ness.
Liana, liânə, lianə, liane.
Liar, laiə, leugenaar: Show me a — and I’ll show you a thief = wie liegt, steelt ook.
Liard, liâ, oud Fransche munt (¼ sou).
Lias, laiəs, lias; Liassic = lias - - -.
Libate, laibeit, een plengoffer brengen; Libation, laibeiš’n, plengoffer; adj. Libatory.
Libel, laib’l, subst. schotschrift, smaadschrift, spotprent, aanklacht (bij ’t Admiraliteitshof, een Schotsch of Geestelijk gerechtshof); — verb. bovengenoemde aanklacht indienen, belasteren (in woord of geschrifte): Action for — = aanklacht wegens hoon of laster; —(l)er = schotschriftschrijver; —(l)ous = lasterlijk.
Libella, laibelə, libel, waterjuffer.
Liber, laibə, bast.
Liberal, libər’l, liberaal, royaal, overvloedig, mild, onpartijdig, vrijzinnig; subst. liberaal: — arts = vrije kunsten; — education = alzijdige opvoeding; —-minded = vrijzinnig; — party; — studies = vrije studies (tegenover beroeps-); —ism = liberalisme; —ist = liberaal; —istic = liberaal; Liberality = vrijgevigheid, milddadigheid, vrijzinnigheid, breedte van blik; —ization, subst. v. —ize = liberaal maken.
Liberate, libəreit, bevrijden, vrijmaken, vrijlaten; subst. Liberation: War of — = vrijheidsoorlog; Liberationist = (Eng.) voorstander van de scheiding van Kerk en Staat; Liberator = bevrijder.
Liberia, laibîriə.
Libertarian, libətêriən, de leer v. d. vrijen wil betreffend; subst. voorstander dier leer; —ism = de leer van den vrijen wil.
Liberticide, libɐ̂tisaid, libətisaid, vrijheidsmoorder; ook adj. = Liberticidal.
Libertine, libət(a)in, subst. lichtmis; adj. ongebonden, losbandig; vrijzinnig; Libertinage = Libertinism = bandeloos gedrag, losbandigheid; vrijgeesterij.
Liberty, libəti, vrijheid, verlof, privilege, vrijplaats: I shall be at — in an hour = vrij, onbezet; To set at — = in vrijheid stellen; Within the liberties of the City of London = het rechtsgebied; He allowed himself many liberties = allerlei vrijheden; I take the — to speak with freedom = ik veroorloof mij vrijmoedig te spreken; To take liberties = zich (ongepaste) vrijheden veroorloven; The cap of — = phrygische muts (= —-cap); Civil, Political and Religious — = burgerlijke, staatkundige en godsdienstige vrijheid; — of the press = vrijheid van drukpers; —-man = passagierend matroos; —-pole = vrijheidsboom.
Libidinous, libidinɐs, wellustig; subst. —ness.
Libra, laibrə, de Weegschaal (Dierenriem); oud Romeinsch pond.
Librarian, laibrêriən, bibliothecaris; —ship; Library, laibrəri, bibliotheek: Free — = kostelooze.
Librate, laibreit, zich in evenwicht houden, schommelen; Libration, laibreiš’n, evenwicht, schommelen, libratie; Libratory = schommelend, op en neer gaande als een balans.
Librettist, libretist, schrijver van het Libretto, libretou, libretto, tekstboekje.
Libya, libjə, Lybië: —n = Lybisch; Lybiër.
Lice, lais, luizen (Meerv. v. Louse).
Licence, License, lais’ns, subst. verlof, vergunning, vrijheid, patent, privilege; losbandigheid: Game — = jachtakte; Grocer’s off-— = ‘vergunning’ aan kruideniers; Extension of — for the night = nachtpermissie; License, lais’ns, — verb. veroorloven, verlof geven, patenteeren; —d victualler, lais’nstvitələ, handelaar in sterke dranken (met “vergunning”); Licensee = vergunninghouder; —r = vergunner, patentgever: —r of plays, of the press = censor; Licensing Law = drankwet.
Licentiate, laisenšiit, subst. licenciaat, iemand die een bepaald beroep mag uitoefenen: — of the Apothecaries’ Company; — of Dental Surgery; — of Theology; — verb. laisenšieit, vergunning verleenen.
Licentious, laisensšəs, losbandig, los, toomeloos; subst. —ness.
Lich, litš, —-gate = overdekte kerkhofingang waarin de baar werd neergezet tot de komst van den geestelijke; —owl = kerkuil.
Lichen, laik’n, litš’n, boommos; vlecht (huiduitslag); —-blotted = met mos bedekt; Lichenous, laikənɐs, vlechtachtig, vol uitslag.
Lichfield, litšfîld.
Licit, lisit, wettig, geoorloofd; subst. —ness.
Lick, lik, subst. lik, dunne laag; inspanning, poging; — verb. likken, belikken, afranselen, overwinnen, overtreffen, slaan: To give a — = belikken; To give a — and a promise (of better) = iets half doen, om het later over te doen; Lend me a — = laat me’s likken; That artist —s creation = overtreft ver de natuur (plat); To — the dust = in ’t stof bijten, sterven, kruipen; The work was —ed into shape by the present editor = de tegenwoordige bewerker heeft het werk vorm en methode gegeven; They —ed it up = ze verslonden het; —-platter = smulpaap, likker = —-spittle; —er = likker: That’s a —er to me = dat gaat mijn verstand te boven; —erish = lekkerbekkig, fel op, geil; —ing = pak slaag.
Licorice, likəris. Zie Liquorice.
Lictor, liktə, bijldrager (bij de Romeinen).
Lid, lid, deksel, klep, ooglid; —less = zonder leden, slapeloos, rusteloos.
Lie, lai, subst. leugen; — verb. liegen: A big (black) — = grove leugen; A white — = “mennisten” leugentje, leugen om bestwil; —s have no legs = al is de leugen nog zoo snel, de waarheid achterhaalt haar wel; To give the — = heeten liegen, logenstraffen; To tell a — = liegen; To — in one’s teeth (throat) = liegen, dat men zwart ziet; To — like truth = liegen of het gedrukt staat.
Lie, lai, ligging; — verb. liggen, rusten, leunen, blijven, logeeren: Life —s heavy (hard) on my hands = is mij tot last; To — low = ziek, dood liggen; zich verbergen, zich koest houden; To — open to = bloot staan aan; To — waste = braak liggen; It —s at your door = wordt u toegerekend; It —s at my heart = ligt mij aan ’t hart, is een voorwerp van mijne zorg of begeerte; I — at your mercy = hang af van uwe genade; That place —s in your gift = hebt gij te vergeven; To — in wait for = op de loer liggen; It —s in my way = in den weg; Many articles are lying on hand still = zijn nog onverkocht; That guilt —s on his head = hij wordt er van beschuldigd; They were lying under difficulties = hadden te kampen met; The occasion —s under our hands = biedt zich aan, is er; — about = in ’t rond liggen; — along = languit liggen; To — by = rusten, ongebruikt liggen; That —s by (with) you = staat aan u; The sum lay by at compound interest = stond uit tegen; To — down = gaan liggen; The woman is lying in = is in ’t kraambed; I can — out of that sum for some days yet = kan het nog buiten die som stellen; To — out in the open air = slapen; Many advertisements must — over till next week = moeten tot de volgende week blijven liggen; The ship lay to = lag bijgedraaid; To — under a mistake = in dwaling verkeeren; To — under the necessity = in de noodzakelijkheid verkeeren; To — under an obligation = de verplichting hebben; To — up = (uit)rusten; Let the little boy — with me = maar bij mij slapen; The future —s with the young = de jeugd heeft de toekomst in handen; He is a —-a-bed = luilak.
Lief, lîf, geliefd, lief, gaarne: I had as — not go there = ik zou er even graag niet heen gaan.
Liege, lîdž, subst. leenman, leenheer; adj. leenplichtig; — lord = leenheer; —man = vasal.
Liège, lîdz, Luik.
Lien, lîən, lîn, laiən, pandrecht, retentierecht: These bonds are prior — and take precedence of all others = eerste verband en gaan vóór; —-holder.
Lientery, laiənteri, spijsloop.
Lieu, l(i)û: In — of = in plaats van.
Lieutenancy, leften’nsi, levten’nsi; l(j)uten’nsi (Amer.), stadhouderschap, luitenantsrang; Lieutenant, leften’nt, levten’nt; l(j)uten’nt (Amer.), luitenant: —-colonel; —-general; —-governor = plaatsvervangend gouverneur.
Life, laif, leven, levenswijze, levensbeschrijving; —-and-death = op leven en dood, vertwijfeld, kritiek; He had been the — (and soul) of the Hague = de ziel van den Haag geweest; For — = levenslang; Studies from — = naar het leven; I cannot for the — of me understand = met den besten wil ter wereld; My — long; Long — to him! = lang zal hij leven! Whole in — and limb = gezond van lijf en leden; At his time of — = leeftijd; As large as — = levensgroot; Such officers carry their lives in their hands = zulke ambtenaren zijn hun leven geen oogenblik zeker; He departed this — on the 20th = overleed; We had not enough to keep — (body) and soul together = om ons te voeden; They ran for their lives = zij zochten veiligheid in de vlucht; liepen zoo hard ze konden; To draw (To paint) from (the) — = naar de natuur; Taken from the — = naar het leven genomen; Taken from — = uit het leven gegrepen; To bring to — = bijbrengen; To come to — = ter wereld komen; To come to — again = weer opleven; —-annuity, lijfrente; —-assurance = levensverzekering; —-belt = zwemgordel; —-blood = hartebloed, het wezenlijke; —-boat = reddingboot; —-buoy = reddingboei; —-giving = bezielend, krachtgevend; —-guard = lijfwacht; —-insurance = levensverzekering; —-interest = lijfrente, vruchtgebruik: A —-interest in a sum of 5000 £ = vruchtgebruik van; —-long = levenslang; —-office = levensverzekeringsbureau; —-peer = peer, wiens titel niet erfelijk is; —-preserver = reddingstoestel, zwemgordel, etc.; “ploertendooder”; —rent = lijfrente, levenslang vruchtgebruik; —renter = iemand in het bezit van lijfrente of vruchtgebruik; —-table = sterftetafel; —time = levensduur; —-tired (-weary) = levensmoede; —less = levenloos, krachteloos; subst. —lessness; —-like = alsof het leeft, levensgetrouw; —r = gevangene voor zijn leven.
Lift, lift, subst. opheffen, optillen, verheffing, last, hulp, hijschtoestel, “ascenseur”; — verb. opheffen, optillen, verheffen, verhoogen, stelen, optrekken (van mist, etc.); I’ll give you a — in coming back = ik zal u op mijn terugweg laten meerijden; Give us a — = help een handje; The woman was a dead — (weight) = de vrouw gaf niets mee (bij het tillen of dragen); The darkness would not — = bleef hangen; He —ed his eye-brows in remonstrance = trok op; When the fog of admiration —s from the biography, we see that the hero had his faults = optrekt; We — up our eyes to Thee, O Lord = heffen de oogen op; — up your face, and look like a man = het hoofd omhoog; — up your hand(s) = hef uwe hand(en) op; He —ed up his hand against me = verzette zich; — up your head = het hoofd omhoog! They —ed up their heels against the measure = zij hieven hunne verzenen op tegen (Joh. XIII, 18); — up your voices = verheft uwe stemmen; —er = lichter, opheffer; gauwdief (in samenst. als: Shop— = ladelichter); —-bridge = ophaalbrug; —-lock = soort sluis; —-van = meubelwagen, die per trein wordt verzonden; The —ing of potatoes = rooien.
Ligament, ligəment, band, verbinding, ligament; adj. Ligamentous.
Ligan, laig’n, in zee geworpen goederen aan een boei vastgemaakt om ze zoo terug te kunnen vinden.
Ligate, laigeit, verbinden, afbinden; subst. Ligation; Ligature, ligətjuə, verband, band, draad (tot afbinden van aderen), ligament.
Light, lait, subst. licht, helderheid, lichtschepping, opheldering, belichting, lucifer; adj. licht, blond; licht van gewicht, licht te verteren, los, ledig, lichtgewapend, onbeduidend, gering, zwak, gemakkelijk, luchthartig, duizelig, vluchtig, lichtzinnig; — verb. aansteken, verlichten, bijlichten, licht zijn of worden, schitteren, ontvlammen; opheffen, oplichten; aantreffen, toevallig vinden, neerstrijken (on): He’s no great — = geen groot licht; The —s of our days = de groote mannen; He was honest according to his —s, so far as his —s extended = voor zoover zijn inzicht ging; —s = longen; Between the —s = in de schemering; —s out = taptoe; The Northern —(s) = het Noorderlicht; — of the countenance (Bijb.) — het lichten of de vriendelijkheid van het aanschijn; The deed was brought to — = werd aan ’t licht gebracht; To come to — = aan ’t licht komen; To lay on —s = licht en schaduw aanbrengen (in een schilderij); He let in — upon his business = gaf eenig licht omtrent; To see the — = het licht zien; He stood in his own light = hij stond zichzelf in het licht, in den weg; He stood to me in the — of a father = was voor mij een vader; His eyes —ed pleasantly = schitterden; May no harm — on you = u treffen; To — out = er uit snijden (Amer.); To — (up) = aansteken; —ing-up time for cyclists = tijd waarop de fietslantaarn opgestoken moet worden; —-ball = lichtkogel; —-bearer = fakkeldrager; —-dues = rechten geheven ten behoeve der kustverlichting; —-house = vuurtoren; —-(house-)keeper = vuurtorenwachter; —-ship = vuurschip; — in hand = gemakkelijk te regeeren; He made — of my warnings = sloeg in den wind; He sets — by this circumstance = onderschat, veracht; —ly said, —ly answered = zoo vraag, zoo antwoord; —ly come, —ly go = zoo gewonnen, zoo geronnen; —-armed; — blue = lichtblauw, kleur van de Stud. v. Cambridge in de boat-race; jenever; —-bob = lichte infanterist; — cavalry, (— horse) = lichte cavalerie; —-fingered = met vlugge en lange vingers; The —-fingered gentry (folk) = de heeren gauwdieven, zakkenrollers, etc.; —-footed = vlug van voet; I am rather —-handed at present = ik heb gebrek aan werkvolk; —-headed = luchthartig; —-hearted = luchthartig; — horsemen = lichte cavalerie; bestelers van op stroom liggende schepen; — infantry = licht voetvolk; A —-legged person = rap van voet; —-minded = vluchtig, onbezonnen; subst. —-mindedness; —-spirited fellow = opgewekte; —-timbered = zwak gebouwd, ziekelijk; —-weight = bokser met weinig gewicht of jockey (niet meer dan 69,85 K.G.); paard voor zoo’n jockey, onbeduidend mensch; —-winged = met snelle wieken, vluchtig; —en en —er, Zie afzond. artik.; —less = donker; subst. —lessness; —ness = helderheid; lichtheid, luchtigheid, vlugheid; —some = helder, klaar; onbezorgd; subst. —someness.
Lighten, lait’n, verlichten, verhelderen, opklaren, weerlichten, flikkeren; in gewicht afnemen, verlichten, opbeuren, lichten: To — the ship; A light(e)ning sense of relief = verlicht gevoel.
Lighter, laitə, verlichter, opsteker; lichter (boot of schuit): —age, —ridž, het overladen in lichters, lichtergeld; The heavier part of the cargo was —ed over the sand = met lichters gebracht; —man = schuitenvoerder.
Lightning, laitniŋ, bliksem: ook adj. bliksemsnel: A flash of — = bliksemschicht, -straal; — cartoon = teekening met een paar krassen of streken; —-conductor = bliksemafleider; —-proof = beveiligd tegen: —-rod = bliksemafleider; subst. —-swiftness; —-train = bliksemtrein.
Ligneous, ligniəs, van hout, houtachtig;
Lignite, lignait, bruinkool; Lignitiferous = bruinkoolhoudend; bruinkool...; Lignum vitae, lign’mvaitî = guajakboom; pokhout.
Ligulate(d), ligjulit, ligjuleitid, band of riemvormig.
Liguria, ligjûriə, Ligurië; —n = Ligurisch.
Like, laik, subst. gelijke, wedergade; voorliefde; adj. en adv. gelijksoortig, geneigd, waarschijnlijk, bijna; verb. houden van, behagen scheppen in, gaarne willen: Every — is not the same = er is meer gelijk dan eigen; — may, indeed, draw to — = soort zoekt soort; — produces — = gelijke oorzaken hebben gelijke gevolgen; The elder son was his father’s favourite and — = evenbeeld; It is good enough for the —s of them = voor lui van hun slag; I never saw the — = zoo iets; —s and dis—s = sympathieën en antipathieën; And the — = en dergelijke: Do it — a good boy = dan ben je een beste jongen; — master, — man = zoo heer zoo knecht; Those evils are nothing — as injurious in other cases = het lijkt er niet op, dat de nadeelen zoo schadelijk zijn in andere gevallen; He did not feel — seeing any friends that day = hij was niet gestemd om, had geen lust; What is it —? = hoe ziet het er uit; Of a — character = denzelfden aard; That photo is — you = dat portret lijkt goed: That action is — you = die daad kon men van u verwachten; How — a man to make such a fuss = net wat voor een man; He had — to have lost the wager = had bijna verloren; As —(ly) as not = hoogstwaarschijnlijk; It is — enough = het is heel waarschijnlijk; He was swearing away — blazes = vloekte dat het een aard had; He seemed disappointed — = eenigszins, wel wat; Just as you — my dear = zoo je verkiest, lieve; The sort that —s him = hem past, lijkt; —able = aangenaam, beminnenswaardig; subst. —ableness; —lihood, —liness = waarschijnlijkheid; —ly = waarschijnlijk: He is not —ly to go there = gaat er waarschijnlijk niet heen; A —ly man = knap van uiterlijk; A —ly customer = goed, aardig; —n = vergelijken: To whom shall we —n him? —ness = gelijkenis: To take a person’s —ness = afbeelden, photographeeren; I had my —ness taken; —wise = eveneens, evenzoo; Liking, welgevallen, lust: She has no — for him = geen zin in hem; It is not to my — = niet naar mijn zin; To take a — to = lust krijgen in, ingenomen zijn met.
Lilac, lailək, subst. sering; adj. lila.
Liliaceous, lilieišəs, tot de leliën behoorende.
Lilliput, lilipɐt, Lilliput; Lilliputian, lilipjûš’n, Lilliputter; adj. lilliputachtig, klein.
Lille, lîl, Rijssel.
Lilt, lilt, subst. vroolijk wijsje of dans; rhythmische beweging; — verb. lustig zingen; huppelen: A —ing tune = een vlug wijsje.
Lily, lilî, lelie: — of the valley = lelietje van dalen; —-livered = laf; —-pad = blad van de waterroos (Amer.).
Lima, lîmə, Lima, vijl (schelp); —-wood = fernambuk-hout.
Limaceous, laimeišəs, slakachtig.
Limb, lim, lid, been, tak, arm, uitlooper; rand, graadboog: — of the devil (of Satan) = satanskind; — of the law = advokaat (iron.); —less = zonder ledematen.
Limber, limbə, buigzaam, meegaand; — verb. buigzaam maken; subst. —ness.
Limber, limbə, dissel- of affuitboom; voorwagen; — verb. voorwagen en affuit verbinden; —-axle = affuitboom; —-chest = affuitkist.
Limbo, limbou, vagevuur, hel, gevangenis = Limbus = — fatuorum = het gekkenparadijs.
Lime, laim, subst. vogellijm; kalk; lindeboom (—-tree); citroen(boom); — verb. met vogellijm bestrijken, lijmen, beetnemen; met kalk mesten of verbinden: Quick — = ongebluschte kalk; Slaked — = gebluschte; —-burner = kalkbrander; —-flower = lindebloesem: —-juice = citroensap; —-kiln = kalkoven; —light = kalklicht; —-pit = kalkput; —-slaking = blusschen; —stone = kalksteen; —-twig = lijmstang, lijmtak, lijmroede; —-wash = witkalk; — verb. witten; —-water = kalkwater.
Limerick, limərik, Limerick; rijmelarijtje; een prijsrijmpje voor reclame doeleinden, waarvan 4 regels zijn gegeven en waaraan een vijfde moet worden toegevoegd. De inzender, die hierin ’t best slaagt, ontvangt een prijs van uitgever of firma.
Limit, limit, subst. grens, uiterste punt, beperking; — verb. begrenzen, vaststellen: There is a — to everything = alles heeft zijn grenzen; To (Within) the — of = hoogstens tot; To give more — = meer speelruimte; To set a — to = een grens bepalen; —able = begrensbaar, beperkbaar; —arian = begrenzend, beperkend; —ary = grens..; —ation = beperking, begrenzing, verjaring(stermijn); —ed = begrensd, beperkt: London Omnibus Company, lim. = Londensche Omnibus Maatschappij met —ed liability; —ed train = sneltrein met beperkt aantal wagons (Amer.); —edness = begrensdheid; beperktheid; —er = beperker, grens; —less = grenzenloos, onbegrensd.
Limmer, limə, bastaardhond; deugniet; lichtekooi, brutale meid; oud wijf.
Limn, lim, schilderen, teekenen, illustreeren, afschilderen; —er, limnə, schilder, artiest (veroud.).
Limoges, limouž, stad: — enamel = — porcelain-ware = geemailleerd aardewerk van Limoges.
Limp, limp, slap, buigzaam; subst. —ness.
Limp, limp, kreupel loopen; ook subst.: He has a — in his walk = hij loopt kreupel; —er = kreupele; —ing = kreupel, mank (ook fig.).
Limpet, limpət, napslak: He stuck on like a — = hij hing aan als een klis (klit).
Limpid, limpid, helder, klaar, doorschijnend; subst. Limpidity = —ness.
Limpsy, lim(p)si, slap, onbeduidend (Am.).
Limy, laimi, kleverig, kalkachtig, kalk - -.
Lin, lin, bron, plas, waterval, afgrond.
Linch-pin, linšpin, lunspen.
Lincoln, link’n, stad en graafschap; —-green = groen laken, vroeger vooral door boogschutters gedragen; —shire = Lincs.
Linden, lind’n, linde.
Line, lain, subst. lijn, snoer, richtsnoer, spoorlijn, linie, tak, geslacht, stuurreep, streep, rij, reeks, regel, vak, briefje of lettertje, waren of goederen, streep = 1⁄12 van een inch; — verb. linieeren, door lijnen verdeelen, doorhalen, teekenen, schetsen, in een lijn opstellen, loopen langs, grenzen aan; voeren, bekleeden, beschieten, vullen, spekken: Ascending (Descending —) = opgaande (neergaande) linie; Collateral (Female, Male) — = zijdelingsche (vrouwelijke, mannelijke) linie; — of battle = slagorde; — of business = branche; — of conduct = gedragslijn; — of kings = dynastie; — of mountains = bergketen; — of print = regel druks; All along the — = langs de geheele linie; He was irreconcilable all along the — = onverzoenlijk op alle punten, in alle opzichten; Ships of the — = linieschepen; The picture was on the — = hing ter hoogte van het oog; On this — = op deze wijze, volgens dit beginsel; You will be the biggest — in the whole show = gij zult op de tentoonstelling het grootste succes zijn; A shop in the general — = waar van alles te krijgen is, koomenijswinkel; My friend is in the railway — = bij het spoor; White — = regel wit, enz.; To bring a person (a thing) into — = iemand (iets) weer laten meedoen, naast de anderen plaatsen; The country was brought into — with the other countries = kreeg hetzelfde stelsel; To cross the — = de linie passeeren; To draw the — = een grens trekken; The — must be drawn somewhere = alles heeft zijn grenzen; To drop a — = een lettertje schrijven; He follows the — his father initiated = treedt in de voetstappen; It is rather hard —s on them = nog al hard voor hen; To read between the —s = tusschen de regels lezen; To stand in — = queue maken; To stick to the old —s = blijven bij het oude; Marlborough turned the celebrated —s of Villars = brak door de liniën; A soft —d face = met zachte trekken; The street was —d with bayonets = afgezet (in de lengte); His purse was well —d with money = was goed gespekt; The room was —d with books = langs alle wanden stonden boeken; —-about dialogue = tweegesprek, waarbij om de andere regel de andere persoon spreekt; —r = linieschip, stoomboot (van eene bepaalde lijn), linieerder, broodschrijver; pakking: A Transatlantic —r = stoomschip; His picture got a place among the —rs = kreeg eene plaats onder de aangenomen werken op de tentoonstelling.
Lineage, liniidž, geslacht, afstamming, stamboom.
Lineal, liniəl, lijnrecht, direct; lengte...: — measure; My — race = direkte afstammelingen.
Lineament, liniəment, gelaatstrek; —s = uiterlijk.
Linear, liniə, lengte..., draadvormig, lijnrecht: — perspective = lijnperspektief; Lineate = gelijnd, overlangs geribd; Lineation = linieering.
Linen, linən, subst. linnen, ondergoed; ook adj.: To change one’s — = zich verschoonen; Soiled — should be washed at home (fig.); —-draper = koopman in witte goederen; —-drapery; —-merchant = groothandelaar in linnen; —-press = linnenkast; —-weaver = linnenwever.
Ling, liŋ, leng; struikheide, Chineesche waterkastanje; —y = met heidekruid begroeid.
Linger, liŋgə, talmen, dralen, toeven, weifelen, voortkwijnen; —er; —ing = langzaam, wijdloopig, sleepend; ook subst.
Linget, liŋgət. Zie Ingot.
Lin(g)hay, liŋhei, linhei, afdak, open schuur.
Lingo, liŋgou, bargoensch.
Lingot, liŋgət, Zie Linget.
Lingual, liŋgwəl, subst. tongletter; adj. tong...; Lingualize = als tongletter uitspreken; Linguist, liŋgwist, taalkenner, taalkundige; Linguister = tolk (Amer.); adj. Linguistic(al); Linguistics = taalwetenschap; Lingulate = tongvormig.
Liniment, linim’nt, smeersel.
Lining, lainiŋ, voering, bekleeding: The darkest cloud has a silver — = geen ongeluk zoo groot, of er is een geluk bij.
Link, liŋk, subst. schakel, bocht (in eene rivier); schakel van ± 20 cM.; toorts; — verb. verbinden, schakelen; verbonden zijn; —s = vlakke zandige bodem aan de zeekust, “golf”-baan; manchetknoopen met kettinkjes (= —-buttons); —-boy, —-man = toorts- of fakkeldrager (bij avond of zwaren mist); With —ed arms = arm in arm.
Linlithgow, linlithgou.
Linn, lin, waterval, vijver, steile rotsspleet.
Linnaean, linîən, van Linnaeus (1707–1778): — system.
Linnet, linət, vlasvink.
Linoleum, linoulj’m, linoleum.
Linotype, lainətaip, soort v. zetmachine.
Linseed, linsîd, lijnzaad; —-cake manufacturer = fabrikant van lijnkoeken; —-meal = lijnmeel; —-oil = lijnolie; —-tea = aftreksel van lijnzaad.
Linsey-woolsey, linziwulzi, subst. halfwollen stof; goedkoope stof, gebrabbel; adj. halfwollen, slecht.
Linstock, linstok, lontstok.
Lint, lint, pluksel.
Lintel, lint’l, kalf of bovendrempel van deur of venster.
Lintwhite, lint(h)wait. Zie Linnet.
Lion, laiən, leeuw, ‘lion’, modeheld, beroemdheid: There is a — in the street = “de wolf komt”; To show the —s (and tombs) = een vreemdeling de bezienswaardigheden rondleiden; —-dog = leeuwtje (hond); —-heart = moedig man; —-hearted = manmoedig: Richard the —-hearted; —-hunter = leeuwenjager, iemand, die de beroemdheden van den dag dolgraag op zijne partijen ziet: The modern sport of —-hunting; —’s-den = leeuwenkuil; —’s-provider = jakhals; lage vleier; —’s-share = leeuwendeel; —’s-tooth = leeuwentand; —ize = als een beroemdheid behandelen of vereeren; de merkw. van eene plaats bezien of rondleiden; den “Lion” spelen: I hate being —ized = ik houd niet van die belangstelling in mij, en dat geloop achter mij aan; —ess = leeuwin.
Lip, lip, subst. lip, rand, mond, taal; — verb. kussen, uiten: He bit his —(s) = beet zich op de lippen; To cross one’s —s = over de lippen komen; Don’t give me any of your — = geen praatjes; He gave me a lot of — = gaf me een grooten mond; To hang the — (To make a —) = de lip laten hangen; Prattle from the —s outwards = maar wat zeggen waar men niets van meent; —-deep = onoprecht; —-devotion = schijnvroomheid; —-labour = ijdele woorden; —reading = van de lippen lezen (van doofstommen); —salve = lippenpommade, vleierij; —less; —let = lipje; —ped = lipvormig.
Liquate, laikweit, smelten, verloopen; Liquation, laikweiš’n, smelting, smeltbaarheid; Liquefacient, likwifeiš’nt, middel om te smelten of tot vermeerdering van afscheiding; Liquefaction, likwifakš’n, smelten, gesmolten zijn; Liquefiable = smeltbaar; Liquefier = smeltmiddel; Liquefy, likwifai, smelten oplossen; vloeibaar worden, zich oplossen.
Liqueur, likɐ̂, likjûə, likeurtje.
Liquid, likwid, subst. vloeistof, vloeiletter; adj. vloeiend, vloeibaar, zacht, los, beschikbaar, waterig, helder, doorzichtig.
Liquidate, likwideit, liquideeren, vereffenen, verzachten, afrekenen; subst. Liquidation; Liquidator.
Liquidity, likwiditi, vloeibare toestand, vloeiendheid; Liquidize = vloeibaar maken.
Liquor, likə, subst. vocht, drank, alcoholische drank, bouillon, braadvet; — verb. bevochtigen, besmeren, dronken maken, zich bedrinken (up): Addicted to — = aan den drank; In — = dronken.
Liquorice, likəris, zoethout: Sticks of — = pijpen zoethout.
Lira, lîrə, (Ital.) franc.
Lisbon, lisb’n, Lissabon; een witte Portugeesche wijn.
Lisle, lîl, lail, Rijssel; Lismore, lizmö.
Lisp, lisp, lispelen, gemaakt spreken, gebrekkig spreken; ook subst. —er.
Lissom(e), lis’m; Zie Lithesome.
List, list, lijst, catalogus, rand of zelfkant van laken, slagzijde (van een schip), verzakking, verlangen; — verb. op eene lijst plaatsen, werven, een rand of zelfkant maken aan, krengen (scheepst.), slagzij hebben, verzakken; behagen, lust hebben: (—s = tournooiveld: He entered the —s = hij trad in het strijdperk); He made a black — of them = zij stonden slecht bij hem aangeschreven; I am on your black — = ik kan geen goed bij u doen; To put on the retired — = pensionneeren; — of trains = spoorlijst; — of wines = wijnkaart; — shoes (slippers) = lakensche schoenen (pantoffels); The securities will be —ed on the Stock Exchange = in de officieele noteering worden opgenomen; The ship —ed to one side (There was a — to one side) = helde over naar; It —s me = Me —s = het lust mij; —less zorgeloos, onverschillig, lusteloos; subst. —lessness.
List, list, hooren, luisteren.
Listen, lis’n, luisteren; ook subst. (Up)on the — = luisterend; —er = luisteraar.
Lit, lit, imperf. en part. perf. van to light.
Litany, litəni, litanie.
Literacy, litərəsi, geletterdheid.
Literal, litər’l, letterlijk, door letters uitgedrukt, nauwkeurig, prozaïsch, nuchter; subst. drukfout; —ism = letterlijke uitleg; letterknechterij; —ist; Literality = —ness = —ism.
Literary, litərəri, letterkundig, geletterd.
Literate, litərit, geletterd, beschaafd; subst. geletterde, proponent zonder universitaire opleiding; Literati, litəreitai, de geleerden of geletterden; Literatum = letterlijk; Literature, litərətjə, de letteren, letterkunde: Polite — = fraaie letteren.
Lithe, laidh, buigzaam, lenig: subst. —ness; —some = buigzaam, lenig; subst. —someness.
Lithiasis, lithaiəsis, steenziekte.
Lithograph, lithəgraf, subst. steendrukplaat; — verb. op steen graveeren, drukken of schrijven; —er, lithogrəfə, steendrukker; adj. Lithographic(al); Lithography = lithographie, steendrukkunst.
Lithuania, lithjûeinjə, Littauen: —n = Littauer; Littausch.
Lithy, laidhi, lidhi = Lithe.
Litigant, litigənt, twistend, twistziek, procedeerend; subst. partij; Litigate, litigeit, procedeeren, twisten; Litigation = proces: Embarked in — = in proces gewikkeld; Litigator = partij; Litigious, litidžəs, procesziek, ruzieachtig: subst. —ness.
Litmus, litməs: — paper = lakmoespapier.
Litotes, laitətîz, litətîz, litotes (een stijlfiguur).
Litre, lîtə, liter.
Litter, litə, subst. draagbaar, stroo(bed), stroobedekking (voor planten), wanorde, rommel, worp (van varkens, honden, katten, enz.); — verb. van stroo voorzien, met stroo bedekken, als stroo gebruiken; rondstrooien, overhoop liggen of halen, op stroo liggen; jongen werpen: Quite a — of children = een nest vol; To be in — = drachtig zijn; To be in a — = overhoop liggen; To make a — = overhoop gooien; I kicked aside the objects that —ed the floor = die over de vloer lagen verspreid; A room untidy and —ed = eene rommelige kamer, waarin alles overhoop ligt; —y = rommelig.
Little, lit’l, subst. kleine hoeveelheid, kleinigheid; adj. en adv. klein, gering, weinig, kort: A — money = eenig (nog al wat) geld; — money = weinig (haast geen) geld; By — and — = langzamerhand = — by — (soms: By —s); — one(s) = kleintje(s), jong(en): Sleep, my — one = slaap, lieve kleine; I forgot my sorrow for a — = voor een poosje, tijdje; Upon a — = met weinig, met geringe middelen; He had been within a very — of falling in love with her = was bijna verliefd geworden; When you were — = toen je klein waart; He caught the whip by the — end = dunne eind; Is that your — game? = is datje plannetje, bedoeling? —-go; Zie Responsions; —-minded = kleinzielig; —ness = kleinheid: His —ness of mind = kleinzieligheid; Littlish = vrij klein.
Littoral, litər’l, oever - -, kust - -, strand - -; subst. kustland.
Liturgic(al), litɐ̂džik(’l), liturgisch; Liturgist, litədžist, voorstander van het gebruik eener liturgie; Liturgy, litədži, liturgie.
Livadia, livədîə, Livadië.
Live, liv, leven, wonen, bestaan, uithouden: They could not go on living at this rate = op dezen voet konden zij niet blijven leven; There is no living with him = het is niet met hem uit te houden; No boat could — in such a sea = kon het uithouden; To — in clover = een lekker leventje leiden; — and learn = al doende leert men; — and let —; To — to see = beleven, dat; As I — = zoowaar ik leef; If I — I shall do it = als ik het beleef ...; To — away = er op los leven; To — by oneself = op zich zelf, alleen; Lawyers — by our quarrels = leven van; It is almost impossible to — such a sorrow down = te vergeten, te boven te komen; He —d that calumny down = door zijn verder leven logenstrafte hij dien laster; A toy-merchant —s on children = leeft van; He —s on his wife = van haar geld; I cannot — on 50 £ a year = leven van; She —d out = diende als dagmeisje; To — to a great age = bereiken; To — up to = in overeenstemming met; He —d up to his promise = voldeed aan; The servant has —d with us for six years = diende bij ons; —able = bewoonbaar, dragelijk; —d, laivd: Long-lived = langlevend; —-long day, livloŋ-dei = lievelange, godgansche dag; —r = levende, bewoner (Amer.): The longest —r = de langstlevende; —lihood, laivlihud, levensonderhoud: To earn one’s (gain, make a) —lihood = den kost verdienen. Zie Living.
Live, laiv, levend, brandend, gloeiend, glimmend, in leven; levendig, druk (Amer.), frisch, nieuw, nog ongebruikt, scherp (van patronen), geladen (electr.): The —st-looking street I ever saw = de levendigste, vroolijkste; — coals = gloeiende kolen; — cartridge = scherpe patroon; — cattle = levend vee; — feathers = veeren uit een levenden vogel gerukt; — hair = haar van een levend dier genomen; — shell = niet ontplofte granaat; —stock = levende have; —liness, subst. v. —ly = levendig, opgewekt, natuurgetrouw, treffend, frisch, schuimend.
Liver, livə, lever: —-coloured = leverkleurig; —-oil = levertraan; —-spot = levervlek; —wort = leverkruid; The Mounted — Brigade = degenen, die voor hun leverkwaal in Hydepark wandelritten maken.
Liverpolitan, livəpolitən, Liverpoolsch; inwoner van Liverpool; Liverpool, livəpûl.
Livery, livəri, livrei, ambtskleeding, onderhoud van paarden (meest van vreemde eigenaren), acte van inbezitstelling; al de —men van Londen: To receive in — = in bezit overnemen; —man = lid van een der —-Companies of City gilden, dat bij feestel. gelegenheden de liveries (= furs and gowns) van zijn gilde mag dragen; —-servant = livreibediende (= Liveried —); —-stable = stal waar paarden (—-horses) verhuurd en voor andere eigenaars gestald worden.
Livid, livid, loodkleurig, lijkkleurig, doodsbleek; subst. Lividity = —ness.
Living, liviŋ, levend, stroomend, gloeiend; subst. leven, levenswijze, levensonderhoud, woonplaats; prebende, ambt van den Anglik. geestelijke, inkomsten van dat ambt: Within — memory = bij menschenheugenis; — wage = loon waarvan men fatsoenlijk kan leven; High — = weelderige levenswijze; No man — = geen mensch ter wereld; In the land of the — = in het land der levenden; To earn (get) one’s — = zijn kost verdienen; To make a — = zijn brood hebben, de kost verdienen met (at). Zie To live.
Livingstone, liviŋst’n; Livonia(n), livounjə(n), Lijfland(er), Lijfland(sch); Livy, livi, Livius.
Lixiviate, liksivieit, loogen; subst. Lixiviation; Lixivium = loog.
Lizard, lizəd, hagedis; Lizard Point = Kaap L.
Lizzy, lizi, verk. van Elisabeth.
Llama, lâmə, ljâmə, lama, lamawol.
Llandaff, landaf; Llanelly, lanethli; Llangollen, langothlən.
Llanos, l(j)ânouz, steppen in het N. van Z.-Amerika.
Llanrwst, lan-rust; Llewelyn, luelin.
Lloyd’s, lôidz = — offices (rooms) = de kantoren en het instituut voor zee-assurantie, classificatie van schepen, etc.; de dagelijks verschijnende scheepstijdingen (= — list); de jaarlijks gepubliceerde internationale lijst van schepen (= — Register for British and Foreign Shipping).
Lo, lou, zie, aanschouw!
Loach, loutž, bermpje; kwabaal; meun.
Load, loud, subst. last, lading, vracht, belasting (van een veiligheidsklep), draagkracht, capaciteit; — verb. laden, beladen, belasten, bezwaren, dik opleggen; sterk koopen: It would be —s of fun = dat zou ijselijk grappig zijn: To take a — off = verlichten, opluchten; —-draught = diepgang van een geladen schip; —-water-line = ladinglijn (Plimsoll-merk); —ed: —ed cane = stok met looden knop; —ed dice = valsche dobbelsteenen; —ed tongue = beslagen; —ed wine = vervalschte, aangezette wijn; —er = lader; —ing = het laden, lading, vracht; aandeel der premie in de bedrijfsonkosten.
Loadstar, loudstɐ̂, leidster, poolster; Loadstone, loudstoun, magneet(steen).
Loaf, louf, subst. brood: To look after the loaves and fishes = op eigen belang bedacht zijn (Mark. VI. 38); —-sugar, broodsuiker (Vergel. Sugar-— = suikerbrood).
Loaf, louf, omloopen, rondboemelen; verboemelen (away): —ing on Mondays = Maandag houden; —er = leeglooper, luilak, landlooper.
Loam, loum, subst. leem; — verb. met leem bedekken; —y = leemig, leem ...
Loan, loun, subst. het leenen, leening, geleend geld; — verb. uitleenen (out): I begged him for a — of five pounds = vroeg hem ter leen; To lend the — of = uitleenen; I put it out to — = heb het uitgeleend; —-office = leenbank, bank van leening; —word = ontleend woord.
Loath, louth, ongeneigd, afkeerig, onwillig: To be — to do a thing = ongeneigd zijn; Nothing — = gansch niet ongeneigd.
Loathe, loudh, walgen, verfoeien: Even hunger —d such bad food = ofschoon hongerlijdend walgde men van zulk slecht voedsel; Loathing, subst. walging, afkeer = —ness; Loathsome, loudhs’m, walgelijk: subst. —ness.
Lob, lob, subst. iets diks en zwaars, lobbes, lummel, domkop; geldlade; bovenslag bij Lawn-Tennis; — verb. gooien, rollen, een bovenslag maken; zich log bewegen; —-cock = botterik, lomperd.
Lobate, loubit, Lobed, loubd, in lobben verdeeld, uit lobben bestaande; Lobation = lobbenvorming.
Lobby, lobi, subst. kleine voorzaal; wachtkamer, couloir (in ’t Parlementsgebouw); foyer; — verb. de lobby herhaald bezoeken om steun te vragen van de leden; —-member, —ist = couloirlooper (om invloed op de leden van het Congres (Parlement) uit te oefenen).
Lobe, loub, lob, lel (van het oor).
Loblolly, lobloli, haver (grutten)pap, soep, geneesmiddelen, lekkerbek; adj. vertroeteld; —-boy = adsistent van den scheepsdokter.
Lobscouse, lobskcaus, gerecht bestaande uit pekelvleesch, scheepsbeschuit, uien en aardappelen.
Lobster, lobstə, zeekreeft: He has boiled his — = is van geestelijke soldaat geworden (omdat de donkere kreeft bij het koken rood wordt, dus eene roode soldatenjas aan krijgt); Raw (Unboiled) — = politieagent; —-box = kazerne.
Lobular, lobjulə, gelobd; Lobule, lobjûl, kleine lob.
Local, louk’l, plaatselijk; subst. plaatselijk nieuwtje, lokaaltrein, inwoner: — colour = lokale kleur, waarheid en juistheid van beschrijving; — option = het stelsel waarbij over “vergunningen” door stemgerechtigde inwoners wordt beslist; — organ = plaatselijk blad; — time = plaatselijke tijd; —ism = eigenaardigheid van (voorliefde voor) een plaats; Locality = ligging, localiteit (Amer.), plaatselijkheid; Localization = localisatie; —ize = de plaats bepalen, localiseeren.
Locate, loukeit, op eene bepaalde plaats zetten of leggen, opstellen, naar een plaats verleggen, (doel) vinden, toewijzen; mijnen (gronden) in bezit nemen, thuisbrengen, een plaats aanwijzen, gelegen zijn, wonen (Amer.); zich vestigen; Location = plaats, woonplaats; veefokkerij, boerderij (Austr.); verhuring, verpachting; aangewezen terrein; Locative of Locative, (woord of naamval) plaats aanduidende; Locator = iemand, die bezit neemt van een location, rechtmatig bezitter (Amer.).
Loch, lok, meer, zeearm; Lochaber, lokabə, lokâbə, district in het graafschap Inverness: —-axe = strijdbijl der Hooglanders; Lochleven, loklev’n, loklîv’n; Lochmaben, lokmeibən; Lochnagar, loknəgâ.
Lock, lok, subst. slot, haak, kluister, rem, belemmering, versperring, omknelling (bij het kampvechten), slot (van een geweer), sluis (in een kanaal); lok, krul, bosje, handvol; — verb. sluiten (met een sleutel), omsluiten, dicht in de armen sluiten, remmen, stijf maken, bevestigen, vastzetten (up), koppelen, stijf worden, zich (laten) sluiten, grijpen in: He is under — and key = achter slot en grendel; —, stock and barrel = in zijn geheel; The ships were passed through the — = werden doorgeschut; The door was closed but not —ed = de deur was dicht maar niet op slot; —ed from without = van buiten gesl.; —ed water = stilstaand water (eig. tusschen sluisdeuren); To — away = wegsluiten; To — in = opsluiten; To — out = buitensluiten; gedaan geven; uitsluiten; ook subst.; To — up = opsluiten (milit.); vastzetten, steken in; subst. huis van bewaring; —-box = partic. brievenbus aan een postkantoor; —-chain = remketting; —-chamber = sluiskolk; —-dues = sluisgeld; —-gate = sluisdeur; —-jaw = klem (in den mond); —-keeper = sluiswachter; —-paddle = schuif (in een sluisdeur); —-smith = slotenmaker; —-step = marcheeren in dicht gesloten gelederen; —-stitch = kettingsteek; —age = sluiswerken; schutgeld; —er = lade, kist; Not a shot in the —er = geen geld in den buidel; Zie Davy Jones.
Locket, lokət, medaillon.
Lockian, lokiən, adj. van Locke, lok.
Locofoco, loukəfoukou, subst. zwavelstok, ultraradicaal; adj. zeer radicaal (Amer.).
Locomotion, loukəmouš’n, beweging, plaatsverandering; Locomotive, loukəmoutiv, plaatsveranderend, bewegings - -; subst. locomotief (Amer.): — engine = locomotief; — organs = bewegingsorganen.
Locust, loukəst, sprinkhaan; krekel, cicade (Amer.).
Locution, ləkjûš’n, spreekwijze, uitdrukking.
Lode, loud, sloot of waterafvoerkanaal; metaalader.
Lodestar, Lodestone, Zie Loadstar, etc.
Lodge, lodž, subst. portiershuis (bij een buiten), hut, optrekje, hol, schuilplaats, loge, de leden eener loge, Indianenfamilie in één wigwam; — verb. plaatsen, leggen, tijdelijk huisvesten, herbergen, plaats verschaffen, indienen, ingraven, zich nestelen, deponeeren, bevatten, blijven zitten (steken), logeeren: The —s of the beaver = holen; To — a complaint (at, against, with) = een aanklacht indienen (te, tegen, bij); To — information (against) = aangeven; Certificates must be —d with the committee = ingeleverd bij; I have —d it in my memory = opgenomen; —-keeper = portier bij een landgoed; —able = bewoonbaar; —r = bewoner (vooral van gehuurde kamers); Lodging = logies: —s = gehuurde kamer: Furnished —s; Unfurnished —s; To live in (To stay at), To take —s; —-allowance = toelage voor huishuur; A —-bill was stuck up in the window = verhuurbiljet; —-house = huis waar men kamers verhuurt, hotel garni; Lodgement = huisvesting, deponeering, ophooping: The enemies secured a — = kregen vasten voet.
Loft, loft, zolder, galerij of kraak, koor, verdieping, duiventil.
Loftiness, loftinəs, hoogte, verhevenheid, hoogmoed; Lofty = hoog, verheven, voornaam, trotsch.
Log, log, subst. blok hout; log, scheepsjournaal; — verb. in blokken zagen (Amer.); opschrijven in het —-book = scheepsjournaal; schoolregister; —-cabin = blokhuis; —-canoe = boot van een uitgeholden boomstam gemaakt; —-headed = dom; —-hut (—-house) = blokhuis; —-line = loglijn; —man = houthakker, knecht op een zagerij; —-reel = logrol; —-roller = machine voor het laden van hout op de schabels; iemand, die, in vereeniging met anderen, de politiek tot bevordering der gemeenschappelijke belangen aanwendt; Influential —-rollers tried to impose that nobody upon the public = invloedrijke voorspraak trachtte het publiek dien “nul” op te dringen; —-rolling = wederzijdsche hulp (in de politiek), wederzijdsche bewondering en aanprijzing (van letterkundigen en kunstenaars); —wood = campèche-hout; —ged = met blokken bevestigd; vol water; stilstaand (van water); —ger = houthakker.
Logarithm, logərithm, logəridhm, logarithme; adj. —ic(al), logərithmik(’l).
Loggerhead, logəhed, domkop: They are at —s = zij hebben standjes; To come (get, fall) to —s together = elkaar bij den kop krijgen.
Loggia, lodžiə, loggia, soort vóórgalerij.
Logic, lodžik, redeneerkunde, logica; —-chopper = pedante disputant; —al = logisch; Logician = logicus.
Logography, ləgogrəfi, wijze van drukken, waarbij korte woorden of lettergrepen uit één type (logotype) bestaan en dus niet als afzonderlijke letters gezet worden.
Logomachist, ləgoməkist, haarkloover; Logomachy = haarklooverij.
Logos, logos, “Het Woord”, Christus.
Loin, lôin, lende(stuk): To gird up the —s = de lendenen omgorden; —-cloth = lendendoek; —-steak = lendestuk.
Loiter, lôitə, dralen, treuzelen, talmen: To — about = rondslenteren; He —ed away his time = verbeuzelde; —er = treuzelaar.
Loll, lol, lusteloos (lui, gemakkelijk) liggen, lummelen, (laten) hangen uit (den bek): They —ed back in the carriage.
Lollard, loləd, lid eener sekte (14e eeuw); spotnaam van de volgelingen van Wiclif; ketter.
Lollipop, lolipop, een snoeperij; lekkerbek.
Lollop, loləp, lui liggen; zich log bewegen, heen en weer geslingerd worden.
Lombard, lombəd, lɐmbəd, Lombarde; adj. Lombardisch: It’s all — street to a China orange = tien tegen één; Lombardic = Lombardisch; Lombardy = Lombardije.
Lomond, loumənd: Lake —.
London, lɐnd’n, Londen; ook adj.: To carry to — = op handen dragen (kinderspel); —-pride = porseleinbloempje; —er = Londenaar; —ese = Cockney dialect; —ism = typisch Londensche uitdrukking; —ize = de eigenaardigheden van Londen navolgen, Londensch maken.
Lone, loun, eenzaam, verlaten; —liness, subst. v. —ly = alléén, eenzaam, akelig, somber; —some = eenzaam; subst. —someness.
Long, loŋ, adj. lang, gerekt, langdurig, vervelend: He is cleverer than you by a — chalk = heel wat knapper; He cannot work a sum in — division = kan geen lange deelsom maken; — dozen = dertien; — figure = lang getal; — firm = flesschentrekkersfirma; — hand = gewoon schrift; — hundred = 120 stuks (haringen); I will accept — odds against him = durf veel op hem wedden; It is — odds = het is honderd tegen één; — premium = hooge premie; — price = brutoprijs; hooge prijs; — primer = klein romein (drukletter); You got a — pull = meer bier dan je besteld of betaald hebt; He will have to give it up in the — run = eindelijk, op den duur, ten lange leste; To dress, to travel by — stages = op z’n dooie gemak; It is a — way = een heel eind; I shan’t be — = ik blijf niet lang weg; He is — saying what he intends = het duurt lang voor hij zegt; The opportunity was not — in coming = liet zich niet lang wachten; To take — = langen tijd noodig hebben; The — and short of it is, that he went away = om kort te gaan; —-boat = pinas; —-bow: He draws (pulls) the —-bow = schiet met spek; —-breathed, —bretht = lang van adem; —-headed = vooruitziend, uitgeslapen; —legged = langbeenig; —-lived, —laivd, langdurig: Ours is not a —-lived family = onze familie wordt niet oud; —-necked; —-nosed; —-shoreman = baliekluiver; The —-shore fraternity = baliekluivers; —-sighted = vèrziend, sluw, slim: —-sighted bill = wissel op langen tijd; subst. —-sightedness; —-staple = langdradig katoen; —-suffering, subst. lankmoedigheid, geduld; adj. lankmoedig, geduldig; —-tail, subst. langstaart (van jachthonden); —s, fijne of adellijke lui; Chineezen, fazanten; adj. met ongekorten staart; —-tongued = praatziek, babbelachtig; —-winded: A —-winded speech = lange, vervelend gerekte redevoering; —ish = wat lang: —ish bills = al lang staande rekeningen.
Long, loŋ, verlangen, hunkeren; —ing = verlangend, hunkerend; ook subst.
Longevity, londževiti, lange levensduur, hooge ouderdom.
Longfellow, loŋfelou.
Longipennate, lonžipenit, met lange vleugels (zwemvogels).
Longirostral, lonžirostr’l, met langen snavel.
Long Island, loŋail’nd.
Longitude, lonžitjûd, geographische lengte; Longitudinal, lonžitjûdin’l, lengte...
Loo, lû, subst. gezelschapskaartspel; — verb. elken trek winnen bij dit spel: I am —ed = ik heb geen enkelen trek; —-table = speeltafel, elegante ronde tafel.
Looby, lûbi, lummel.
Loof, lûf, loef (van een schip).
Look, luk, subst. blik, gelaat, uitdrukking; — verb. zien, kijken, zoeken, toezien, zorgen, er uit zien, ’t uitzicht hebben, verwachten, etc.: I don’t like the — of him = ik mag zijn oogopslag niet; He does not belie his —s = hij is zooals hij er uit ziet; No one can help his —s = kan het helpen, dat hij niet mooi is; Judging from his —s = te oordeelen naar zijn uiterlijk; It —s like you = dat is net wat voor u, ’k had niet anders van u verwacht; het lijkt sprekend; — alive! = vlug wat; — at home = bemoei je met je eigen zaken; To — one’s best = op zijn voordeeligst; He —ed black as thunder = zeer dreigend; Things —ed black against her = het zag er donker voor haar uit; You — pale = ziet er bleek uit; — sharp = maak wat voort; He —ed daggers at me = doorboorde mij met zijne blikken; He —ed his wish = men kon op zijn gezicht lezen wat hij wou; To — all wonder = een en al verbazing zijn; You must — about you = gij moet goed om u heen zien, uw oogen den kost geven; Will you — after the children = letten op, zorgen voor; I — at it in that light = beschouw het als zoodanig; To — back = terugzien, omzien; To — beyond = verder zien (dan), overheen zien; To — down = naar beneden kijken, de oogen neerslaan; To — down on a person = neerzien op; He —ed me down = hij deed mij door zijn blik de oogen neerslaan; To — downwards = achteruitgaan in prijs; To — for = wachten op, verwachten; zoeken naar: Not —ed for = onverwacht; I — forward to a pleasant evening = ik verwacht (hoop op) een prettig avondje; To — in at = even gaan kijken; To — in upon a person = even bezoeken, aanloopen bij; I —ed him in the face = flink onder de oogen; To have a —-in = kans hebben; Let me — into it = eens onderzoeken; I — on him with a kind eye = zie hem met gunstig oog aan; I merely —ed on = ik heb niets gedaan dan toekijken; To — out = uitkijken; To — out at (of) the window; My rooms — out upon a beautiful landscape = zien uit op; You may — out for a thorough scolding = kunt verwachten; I have —ed it out = ontdekt, gevonden, uitgezocht; Is that your —-out = zoo! dat is jou plan? That’s your —-out = dat moet jij weten, is jou zaak, belang; He was on the —-out = stond op den uitkijk; On the —-out for a job = uitziende naar; He established a sharp —-out all round the bed = met scherpen blik keek hij om het geheele bed heen; — out there = pas op! voorzichtig! I will just — over it = doorloopen, nagaan; We will — over (= over—) your neglect = uw verzuim over het hoofd zien; My room —s over a pretty meadow = geeft uitzicht op; He —ed over my book = hij keek bij mij in; To — round = To take a —-round; He seems to — through things = geheel te doorzien, grondig te kennen; I — to you for support = reken op uw steun; I — to your prudence = vertrouw op; You should — to a rich woman = uitzien naar; I have not been able to — it up = het niet kunnen vinden; The weather is —ing up = knapt op; Things are —ing up = beginnen er beter uit te zien; I will — you up to-morrow = ik kom morgen eens aan, ik kom eens zien waar je woont; Eggs have —ed up 3 d. per dozen = zijn in prijs gerezen; I was a mere —er-on = slechts toeschouwer; —ing: Good-—ing = knap; —ing-glass = spiegel; nachtspiegel.
Loom, lûm, subst. weefgetouw; gedeelte van een roeiriem binnen de dollen, handvat; roodhalzige zeeduiker, groote zeekoet; —ery = broedplaats van looms.
Loom, lûm, schijnen, zichtbaar worden, boven den horizon of de oppervlakte verschijnen, opdoemen (als in een mist): It —ed upon my mind = doemde op voor mijn geest; —ing = zichtbaar worden, luchtspiegeling.
Loon, lûn, lummel, domkop, vent, kerel, deugniet; ijsduiker, fuut, dodaars: He is a lazy — = luie vlegel; As crazy as a —, As wild as a — = zoo gek als eene windvaan, zoo wild als een springhaas; —y = dwaas, krankzinnig.
Loop, lûp, subst. lus, lis, strop, bocht, hengsel, kijkgat; — verb. eene lus maken, met lussen vastmaken, opnemen, opschorten, bochten: To form an ‘h’ without a —; The curtains were —ed back = met een embrasse opgenomen; —hole = kijkgat, sluipgat, uitvlucht; —-line = zij- of verbindingslijn (bij spoorwegen); —y = vol bochten.
Loose, lûs, los, vrij, wijd, ruim, onsamenhangend, slordig, loszinnig, dartel, loslijvig; ook subst.; — verb. losmaken, loslaten, ’t anker lichten, wegzeilen, losdrukken, afgaan, enz.: — cash (change, money) = kleingeld; — definition = onvolledige; Every — farthing = losse cent; — fish = pierewaaier; — gown = peignoir; At — ends, At a — end = verwaarloosd, zonder regelmatige bezigheid; To be on the — = aan den rol; To be on the — for a job = werk zoeken; To break —; To come — = losgaan; To give a — to = den teugel vieren; To let — = loslaten; He was set — = in vrijheid gesteld; Afternoon church was just loosing = ging juist uit; —-box = stalafdeeling, waarin het paard zich vrij bewegen kan; —n = losmaken, loslaten, loslijvig maken; losgaan, los worden; —ness = losheid, slapheid, liederlijkheid; loslijvigheid (= —ness of the bowels); —ly = losjes: A —ly-hung boy of sixteen = lange slappe lijs van een jongen; A loosish mouth = slap, flabberig.
Loot, lût, subst. buit, roof; — verb. rooven, buitmaken, plunderen: The waggon had been —ed of its provisions.
Lop, lop, subst. afgesnoeide takken of hout; — verb. snoeien, afsnijden, knotten; laten vallen, neerhangen, rondboemelen (about); A —-eared dog = met hangende ooren; —-sided = scheef, eenzijdig; The —-sidedness of such societies = de éénzijdigheid van zulke genootschappen; —ping-shears = snoeischaar.
Lope, loup, subst. sukkeldraf, lange stap; — verb. lange stappen maken, draven.
Loquacious, ləkweišəs, babbelziek, druk; subst. —ness = Loquacity, ləkwasiti.
Lor, lö, heerejé.
Lord, löd, heer, meester, hoogste Wezen, echtgenoot, pair van het rijk, zoon van hertog of markies, oudste zoon van een earl, eeretitel (als in — Mayor); — verb. met macht bekleeden; heerschen over, bestrijken: The — = de Heere, Jezus Christus; The Day of the — = dag des oordeels; —’s = Lord’s Cricket Ground in Londen; The —’s Day = dag des Heeren; The —’s Prayer = het Onze Vader; The —’s Supper = het Avondmaal; The — Harry = de duivel; The House of —s = het Hoogerhuis (der Lords) in Engeland; —-Advocate = Advocaat-Generaal (Schotl.); —-lieutenant = Commissaris der Koningin (des Konings), Onderkoning (Ierland); — Mayor = titel van sommige burgemeesters, bijv. v. Londen, Dublin en York (de andere heeten eenvoudig Mayor); — of Misrule = leider der Kerstmispret in vroegere dagen; —s spiritual = de geestelijke leden (aartsbisschoppen en bisschoppen) van het House of Lords (tegenover de wereldlijke leden, die —s temporal heeten); —s of (the) creation = heeren der schepping, de mannen; First — of the Treasury, — High Treasurer = hoofd van den Board of Treasury, bestaande uit dien First Lord (doorgaans de premier), den Chancellor of the Exchequer en 3 Lords Commissioners of Junior Lords; I won’t allow him to — it over me = om mij te commandeeren; The hill —s it over the surrounding landscape = steekt hoog uit boven; —like = —ly; —liness = hooge rang, trots, aanmatiging; —ling = jonge lord, pseudo lord; —ly = voornaam, heerschzuchtig, hoogmoedig; —olatry = lordvereering; —ship = heerschappij, macht, heerschap, grondgebied van een lord, titel: His (your) —ship.
Lore, lö, kennis, wetenschap, leer.
Lorenzo, lərentsou.
Lorgnette, lönjet, tooneelkijker, lorgnon.
Lorica, ləraikə, pantserhemd; schild.
Lorikeet, lorikît, soort papegaai.
Loriot, loriot, wielewaal (vogel).
Lorn, lön, verlaten, ongelukkig.
Lorraine, lorein: —r = bewoner van L.
Lorrie, Lorry, lori, lorrie (dienstwagentje).
Lory, lôri, soort van papegaai.
Lose, lûz, verliezen, verbeuren, verspelen, verkwisten, doen verliezen, achterloopen; verdwalen (oneself): I — my debts = men betaalt mij niet; You have lost flesh since = zijt mager geworden; You seem to have lost your head = het hoofd verloren te hebben, schijnt de kluts kwijt te zijn; I frequently lost heart in those days = verloor dikwijls den moed; To — one’s heart = verliefd worden; I lost my legs = raakte van de been; To — sight of = uit het oog verliezen; They had lost their soundings = zij konden geen grond meer peilen; To — one’s way = verdwalen; He was lost to all sense of honour = alle eergevoel was er uit; Good words are lost upon him = hebben geen vat op hem; —r: You always were a bad —r = je hebt nooit tegen verlies gekund; He shall be no —r by it = zal er geen schade bij hebben; To come off a —r = aan ’t kortste eindje trekken; We are fighting a losing battle, playing a losing game = vergeefs, zonder hoop.
Loss, los, verlies, het verlorene, nadeel: He bears his — well = kan goed tegen; This world with its —es and crosses = moeiten en bezwaren; I was at a — how to do it = verlegen hoe ik het zou aanpakken; At a — for money = in geldverlegenheid.
Lost, lost, imperf. en part. perf. van to lose.
Lot, lot, lot, aandeel, post, partij, portie, stuk lands, bouwterrein, hoop, boel; — verb. in porties of stukken verdeelen: He bought about a hundred —s = honderd nummers (uit den catalogus); Let us cast —s = er om opgooien of loten; I have cast (thrown) (in) my — with yours = heb mijn lot aan het uwe verbonden; To come quite a — = druk komen; They have drawn —s = geloot; It fell to my — = mij ten deel; To like quite a — = een “boel” houden van; They made a — of him = ze haalden hem erg aan, fêteerden hem zeer; He has —s of money = een ‘schep’ geld; Let us have —s of room here = zorg, dat we hier veel ruimte krijgen; He thinks a — of himself = hij denkt dat hij heel wat is; Can you walk a —? = een heel eind?
Loth, louth. Zie Loath.
Lothario, ləthêriou, verleider (naar een rol in Rowe’s The Fair Penitent): A gay — = een Don Juan.
Lotion, louš’n, wassching, waschmiddeltje, schoonheidswatertje; sterke drank.
Lottery, lotəri, loterij, het loten: To hold a —; —-ticket.
Lotos, loutəs, lotus(boom), lotusvrucht, Indische waterlelie, rolklaver; —-eater = lotuseter, iemand, die zich aan droomerige gemakzucht overgeeft.
Lotto, lotou, Lotto- of kienspel.
Loud, laud, luid, luidruchtig; sterk, onwelriekend; opvallend, opzichtig: Those that laugh last, laugh —est = die het laatst lacht, lacht het best; A — dress = opzichtige, drukke japon; She dresses — = opzichtig; He said it out — = luide; —-voiced = met luider stem; subst. —ness.
Lough, lok, meer; Loughborough, lɐfbərou; Louis, lûis, St. —; Louisa, luîzə; Louisiana, lûižânɐ; Louisville, lûisvil.
Lounge, launž, subst. slentergang, soort sofa; zaal of veranda in een hotel; — verb. lummelen, rondslenteren, lui liggen, lanterfanten; —r.
Louse, laus, luis; Lousiness, subst. v. Lousy, lauzi, vol luizen, gemeen.
Lout, laut, subst. lummel, pummel, kinkel; — verb. buigen, bukken, (zich) vernederen; —ish = lummelachtig, onhandig; subst. —ishness.
Louth, laudh, lauth; Louvain, luvein.
Louver, Louvre, lûvə, lantaren (archit.); —-window = klankgat.
Lovable, beminnenswaardig; subst. —ness.
Love, lɐv, subst. liefde, genegenheid, vriendschap, teederheid, lieverd; — verb. beminnen, liefhebben, aanhalen, behagen scheppen in: — God = Amor; —-all! = beide partijen niets; Yes, my — = ja, lieve; First — never lasts = is niet bestendig van duur; — laughs at blacksmiths = liefde zoekt list; — in a cottage, — in a hut with water and a crust = in een hutje op de heide, huwelijk zonder geld; To be in — with = verliefd zijn op; To be out of — with = iets moede (zat) zijn; I did it out of — for you = uit liefde voor; To fall in — with = verliefd worden op; Give my — to your sister = groet ... hartelijk; It cannot be got for — or money = voor geen geld of goede woorden; There is no — lost between them = zij mogen elkaar niet; To make — to = het hof maken; I made — to the gardener to let me gather the flowers myself = coquetteerde met; We play for — = spelen om ’s keizers baard; To send one’s — = zijn complimenten doen; That work is a labour of — = uit liefde tot stand gekomen; A — of a book = een allerliefst boek; —s of girls = snoezige meisjes; I — to go there = ik ga er graag heen; — me, — my little dog = wie mij lief heeft, moet alles van mij lief hebben; —-affair = liefdezaak; —-apple = tomaat; —-charm = liefdesdrank; —-child = onecht kind; —-crossed = ongelukkig in de liefde; —-feast = liefdemaal; —-in-idleness = driekleurig viooltje; —-in-a-mist = juffertje in ’t groen; —-knot = liefdeknoop; —-letter = minnebrief; —-lies-a-bleeding = kattestaart; —-lights: The —-lights were shining in her blue eyes = hare blauwe oogen straalden van liefde; —-lock = haarlok of krul bij het oor (oudtijds in de mode); —-lorn = verlaten door de(n) geliefde, doodelijk verliefd; —-making, hofmakerij, vrijerij; —-match = huwelijk uit liefde; —-potion = liefdesdrank; —-shaft = minnepijl; —-sick = sentimenteel (smachtend) verliefd; subst. —-sickness; —-song = minnelied; —-token = minnepand, liefdegeschenk; —able = Lovable; —less = liefdeloos; —liness = lief(elijk)heid; —ly = lief, beminnelijk, mooi, snoeperig; —r = minnaar: A pair of —rs = een paar geliefden; —worthiness = beminnenswaardigheid; adj. —worthy; Loving: —-cup = vriendschapsbeker (moest om zijne grootte met twee handen worden aangevat); —-kindness = goedertierenheid (Bijb.), liefde, toewijding; —ness = liefde, teederheid.
Low, lou, laag, klein, diep, goedkoop, karig, somber, droefgeestig, zwak, gering, nederig, ordinair, gemeen, verachtelijk, plat; — Church = de meer Puriteinsche of Evangelische richting in de Angl. Kerk; The — Countries = de Nederlanden; — dress = laag uitgesneden japon; — fever = binnenkoorts; — German = Nederduitsch; — Latin = Middeleeuwsch Latijn; — life = leven der lagere standen; — mass = stille Mis; — Sunday = eerste Zondag na Paschen; — tide = laag tij; To be — = laag staan (van koersen), terneergeslagen zijn, er slecht aan toe zijn; I feel very — to-day = ben niet monter; He lies — = is dood; houdt zich schuil; My story is running — = raakt op; To speak — = zacht; —-born = van lage afkomst; —-bred = van lage komaf; onbeschaafd; —-caste = van een lage kaste, stand of ras; —-class = van mindere kwaliteit; —-crowned = met lagen bol; —-laid = begraven; —land = laag gelegen (land); —lands = de lagere landen van Schotland; de Nederlanden; —-minded = van verachtelijke beginselen; —-necked = (japon) met laag uitgesneden hals; —-pitched roof = laag dak; —-pressure = lage drukking, laagdruk; —-priced = goedkoop; —-rated = geminacht; goedkoop; —-spirited = somber, neerslachtig; subst. —-spiritedness; An easy, —-tread staircase = met lage treden; —-voiced = met zachte, vriendelijke stem; Lower = lager, onder - -; — verb. laten zakken, verlagen, lager draaien, vernederen, strijken: To — the colours = de vlag strijken (ook fig.); To — the gas; Prices were —ed = de prijzen werden verminderd; I will — his pride = ik zal zijn trotsch wel breken; —most = laagst; At lowest = op z’n laagst, minst; Lowliness = subst. v. Lowly = laag, nederig, bescheiden; deemoedig; Lowness = laagheid, diepte, ontoereikendheid, gemeenheid, enz.
Low, lou, subst. geloei; — verb. loeien, bulken; —-bell = bel aan den hals van vee; een bel gebruikt bij het bat-fowling.
Lowe, lou; Lowell, louəl; Lowestoft, loustoft.
Lower, lauə, dreigend, somber en norsch zien: —ing thunder-clouds = dreigende onweerswolken.
Lowndes, laundz; Lowth, lauth.
Loyal, lôiəl, trouw, oprecht, eerlijk; —ist; —ty = trouw.
Lozenge, loz’nž, ruit (Herald.); ruitvormige tablet of pastille; ruitvormige vensterruit; —-moulding = versiering met ruitvormige paneelen; —-shaped = ruitvormig = —d.
Lubber, lɐbə, lomperd, lummel; onbevaren matroos.
Lubricant, l(j)ûbrik’nt, glad of smeuig makend; subst. smeersel; Lubricate, l(j)ûbrikeit, smeren, olieën; subst. Lubrication; Lubricator = smeertoestel.
Lucan, l(j)ûk’n, Lucanus.
Luce, l(j)ûs, volwassen snoek.
Lucernal, lusɐ̂n’l, lamp ...: — microscope = lampmicroscoop.
Lucern(e), l(j)usɐ̂n, l(j)ûsən, honigklaver.
Lucern, l(j)usɐ̂n, l(j)ûsən, Lucia, l(j)ûšə; Lucian, l(j)ûš’n.
Lucid, l(j)ûsid, schitterend, stralend, helder, duidelijk, begrijpelijk: — interval = helder oogenblik; subst. Lucidity = —ness.
Lucifer, l(j)ûsifə, de Satan; Venus (ster); lucifer = — match; —ian, l(j)ûsifîriən, satansch.
Lucilius, l(j)usiliəs; Lucina, l(j)usainə.
Luck, lɐk, toeval, geluk, fortuin: Good —, Ill — = geluk, ongeluk; Worse — = jammer genoeg! He was down on his — = er slecht aan toe, in geldverlegenheid; You are in — = gij boft; He has a run of good — = het loopt hem voortdurend mee; — for the fools, and chance for the ugly = gekken krijgen de kaart; —-penny = gelukspenning, kleine som, die de verkooper aan den kooper teruggeeft als gelukspenning; —iness = geluk; —y = gelukkig: He is a —y dog; Un—y in love, —y at play = gelukkig in het spel, ongelukkig in de liefde; A —y hit = treffer, gelukje; —less = ongelukkig, zonder resultaat, ongunstig: It was a —less boast = onzalige blufferij.
Lucknow, lɐknau.
Lucrative, l(j)ûkrətiv, winstgevend, voordeelig; Lucre, l(j)ûkə, winst, voordeel, hebzucht.
Lucrece, l(j)ûkrîs = Lucretia.
Lucubrate, l(j)ûkjubreit, bij nacht werken, ernstig bepeinzen, in nachtelijke studie bewerken; subst. Lucubration; Lucubrator.
Lucy, l(j)ûsi.
Ludicrous, l(j)ûdikrəs, grappig, koddig, lachwekkend, belachelijk; subst. —ness.
Lues, l(j)ûîz, pest: — venerea = syphilis.
Luff, lɐf, subst. loefzijde; — verb. loeven: Keep and —! = loeven! The ship was —ing up to the wind = was aan het oploeven.
Lug, lɐg, subst. oor; breefok; — verb. trekken, sleepen; betalen (out): In two shakes of a cat’s — = in een ommezientje; He —ged off his hat with a bend = rukte af; —-mark = merk in het oor v. varken of schaap, enz.; —-sail = breefok; —-worm = soort van regenworm (als aas gebruikt).
Luggage, lɐgidž, bagage, passagiersgoed, pakkage; —-office = bagagebureau; —-porter = witkiel; —-ticket = bagagereçu; —-train = goederentrein; —-van, —-waggon = goederenwagen.
Lugger, lɐgə, logger.
Lugubrious, l(j)ugjûbriəs, treurig, somber; subst. —ness.
Luke, l(j)ûk, Lucas.
Lukewarm, l(j)ûkwöm, lauw, onverschillig, koel; subst. —ness.
Lull, lɐl, subst. tijdelijke stilte of kalmte; — verb. in slaap maken, kalmeeren, gaan liggen: A sudden — in the conversation = plotselinge stilstand; The — before the storm; The — of August = de Augustusstilte (wanneer de vogels gedurende een tijd zich niet laten hooren).
Lullaby, lɐləbi, wiegeliedje; — verb. in slaap zingen.
Lumbaginous, lɐmbadžinɐs, spit - -; Lumbago, lɐmbeigou, lendepijn, spit in den rug.
Lumbar, lɐmbə, lende - -: — region = lendestreek.
Lumber, lɐmbə, subst. rommel, prullen, afval, ruw bekapt timmerhout (Amer.); — verb. verward opstapelen, met rommel vullen; boomen vellen en ruw bekappen (Am.), zich lomp (zwaar) bewegen, rammelen: A —ing carriage; The deck was —ed up = het dek stond vol rommel; —man = houthakker, houthandelaar (Amer.); —-room = rommelkamer, pakkamer; —er = —man.
Lumbrical, lɐmbrik’l, wormachtig, wormvormig.
Luminary, l(j)ûminəri, lichtgevend (hemel)lichaam; lichtende ster op eenig gebied (fig.): — of the criminal law; Luminiferous = lichtgevend; Luminosity = glans, helderheid; Luminous = stralend, schitterend, licht - -, helder; subst. —ness.
Lummy, lɐmi, uitstekend; sluw.
Lump, lɐmp, subst. klomp, (vormelooze) massa, hoop, buil; plomp persoon; — verb. in één massa vereenigen, bij elkaar gooien: I knocked my head against the wall, and had a — above my eye = buil; I felt a — in my throat = een prop; I bought them in the — = zooals ze daar waren, den geheelen hoop; I sold them by the — = in massa, bij den roes; His — of benevolence = welwillendheidsknobbel; A — of fuel = brok; A — of sugar = klontje; Whether you like or — him, he is your master = of ge hem moogt of niet; —-sugar = suiker in blokjes of klontjes; A — sum = ronde; —er = dokwerker; —iness = bulterigheid; A —ing lot = kolossaal stuk; —ish = lomp, dom; subst. —ishness; —y = vol dikten of knobbels, onstuimig, dronken: Who has made my bed? It is awfully —y.
Lunacy, l(j)ûnəsi, krankzinnigheid.
Lunar, l(j)ûnə, van de maan, maans...: — cycle = maancirkel; — eclipse = maansverduistering; — month = 29½ dag; — year = maanjaar; Lunate(d) = sikkelvormig.
Lunatic, l(j)ûnətik, krankzinnig; subst. krankzinnige: — asylum (əsail’m) = krankzinnigengesticht.
Lunch, lɐnš, subst. tweede ontbijt, noenmaal; — verb. het tweede ontbijt gebruiken; —-bar = lunch-room; ook: Luncheon.
Lunette, l(j)unet, lunette; concaaf-convex glas, patentglas, oogklep.
Lung, lɐŋ, long: Those of feeble —s; There was no disease of the —s; —-chill = bekleuming; —-sick = longziek; subst. —-sickness.
Lunge, lɐnž, subst. stoot, uitval bij ’t schermen, ruk, plotselinge beweging; — verb. een uitval doen, zich met een ruk bewegen: He made a — at my uncle, on his heart.
Lunt, lɐnt, subst. lont; rook en vlam (Schotl.); — verb. vlammen, rook uitwerpen.
Lunular, l(j)ûnulə, sikkelvormig; Lunulate(d) = met sikkelvormige vlekken.
Lupercal, l(j)ûpək’l, l(j)ûpɐ̂k’l (Mv. Lupercalia, l(j)ûpəkeiljə), het feest van Lupercus; Lupercalian = daartoe behoorende.
Lupine, l(j)ûp(a)in, lupine, wolfsboon.
Lupulin, l(j)ûpjulin, lupuline, hopbitter.
Lupus, l(j)ûpəs, lupus.
Lurch, lɐ̂tš, subst. een plotselinge zijwaartsche beweging, overhalen (scheepst.); — verb. gieren, overhalen, slingeren; op de loer liggen; ontfutselen: The coach gave a sudden — to = helde plotseling over naar; He left me in the — = in den steek; We lay on the — = lagen op de loer; —er = strooper; soort van jachthond (uit wolfshond en hazewind).
Lure, l(j)ûə, subst. lokaas; — verb. lokken, verlokken, roepen.
Lurid, l(j)ûrid, vuilbruin, duister; spookachtig, doodsbleek, somber; schril.
Lurk, lɐ̂k, op de loer liggen, loeren, schuilen, zich schuil houden, verscholen zijn; —er; —ing-hole, —ing-place = schuilplaats; —ing rocks = blinde klippen.
Lurry, lɐri, Zie Lorry.
Luscious, lɐšəs, zeer zoet, heerlijk, lekker; overdreven; subst. —ness.
Lush, lɐš, weelderig, sappig.
Lush, lɐš, drank, bier; — verb. drinken, zuipen: To — and feed = volop (laten) eten en drinken; —y = aangeschoten, dronken.
Lusiad, l(j)ûsiad, Lusiade.
Lusitania, l(j)ûsiteinjə.
Luskish, lɐskiš, vadsig; subst. —ness.
Lust, lɐst, subst. zucht, begeerte, zinnelijke lust, wellust; — verb. begeerte voeden, haken (met after): The — of the chase = begeerte naar jagen; The — of conquest; —ful = onkuisch, zinnelijk; krachtig; subst. —fulness; —ihood = —iness, subst. v. —y = krachtig, flink, kloek.
Lustral, lɐstr’l, reinigings - -, wij - -; Lustrate, door offers reinigen; Lustration = reiniging, wijoffer.
Lustre, lɐstə, glans, luister, schittering, lichtkroon met hangers van geslepen glas; lustre (stof); lustrum; —less = glansloos, mat; Lustrous = vol glans, schitterend.
Lustring, lɐstriŋ. Zie Lute-string.
Lustrum, lɐstr’m, lustrum; zoenoffer.
Lutation, l(j)uteiš’n, luteering; Lute, l(j)ût, subst. luit; kleefdeeg, kit; gummiring; — verb. op de luit spelen; met kleefdeeg dicht maken, luteeren: A rift in the — = een wanklank; —-string = snaar.
Lutestring, l(j)ûtstriŋ, lustrine, glanstaf.
Luther, l(j)ûthə = Luther; —an = Luthersch; ook subst.; —anism = leerstellingen van L.
Luthern, lûthən, dakvenster.
Luxuriance, -cy, lɐgžûriəns(i), lɐkšûriəns(i), weelderigheid; Luxuriant = weelderig, overvloedig; Luxuriate = weelderig voortwoekeren, zwelgen in; Luxuriation = weelderige groei; Luxurious = weelderig, overmatig; subst. —ness.
Luxury, lɐkšəri, weelde, weelderige leefwijze, luxe, prachtlievendheid, kostbaarheid, lekkernij.
Lyall, laiəl.
Lycanthrope, laikənthroup, laikanthroup, weerwolf; Lycanthropy = weerwolfsziekte.
Lyceum, laisîəm, lyceum.
Lycopodium, laikəpoudiəm, lycopodium: — powder.
Lycurgus, laikɐ̂gəs.
Lyddite, lidait, lyddiet.
Lydia, lidjə, Lydië, Lydia: —n = Lydiër; Lydisch; —n stone = toetssteen.
Lye, lai, loog.
Lying, laiiŋ, Pres. Part. van To lie = liggen: —-in = kraambed; —-in hospital = hospitaal voor kraamvrouwen; —-in woman = kraamvrouw; —-to = bijgedraaid liggen.
Lying, laiŋ, Pres. Part. van To lie = liegen; leugenachtig; leugen.
Lyly, lili; Lyme Regis, laimrîdžis.
Lymph, limf, lymphe; —atic = lymphatisch, lymph...; subst. lymphvat; —y = lymphachtig.
Lynch, linš, lynchen (Amer.); —-law = lynchwet, eigenmachtige handhaving van het recht door het volk zelf; —er.
Lynx, liŋks, los; —-eyed = met scherpen blik.
Lyon, laiən: The — King-at-(of) arms = Schotsche wapenheraut = — Herald, — King.
Lyons, laiənz, Lyon; Lyra, lairə.
Lyre, laiə, lier: To play (touch) the — = de lier bespelen, dichten, zingen; Lyric = lyrisch; lyrisch gedicht: — poetry, lyrische poëzie.
Lysander, laisandə; Lysimachus, laisiməkɐs; Lytham, lithəm.
Lythe, laidh, koolvisch (Schotl.).
M.
M, em, verk. voor Marquis, Masculine, Meridian, Middle, Mile(s), Mille (Thousand), Minute, Monday, Morning; M(agister) A(rtium) of M(ilitary) A(cademy); Macc(abees); Mach(ine); Mad(am), Mag(azine); Maj(or) Gen(eral); Mal(ayan); Mar(ch) of Mar(itime); Marq(uis); Masc(uline); Mass(achusetts); Math(ematics); Matt(hew); M(edicinae) B(accalaureus); M(ember of) C(ongress) of M(aster of) C(eremonies); M(edicinae) D(octor); Mdlle = Mademoiselle; M(ost) E(xcellent); M(ilitary) E(ngineer); Mech(anics); Med(icine); Med(iaeval) Lat(in); Mem(orandum); Messrs = Messieurs; Met(aphysics); Metaph(ysics); Meteor(ology); Meth(odist); M(aster of) F(ox) H(ounds); M(ost) H(onourable); M(iddle) H(igh) G(erman); Miss(issippi); M(ember of the) I(nstitute of) C(ivil) E(ngineers); Min(eralogy); Minn(esota); Min(ister) Plen(ipotentiary; M(ember of the) K(ing’s and) Q(ueen’s) C(ollege of) P(hysicians); M(ember of the) L(ondon) S(chool) B(oard); M.M. = Their Majesties, of: Gentlemen; Mn. = Michigan; Mo. = Missouri of Month; Mod(ern); Mon(day); Mons(ieur); M(ember of) P(arliament); M(ember of the) P(hilological) S(ociety); Mr. = Master, Mister; M(ember of the) R(oyal) C(ollege of) P(hysicians); M(ember of the) R(oyal) G(eographical) S(ociety); M(ember of the) R(oyal) A(cademy); Mrs. = Mistress, misiz; M(ember of the) R(oyal) S(ociety of) L(iterature); M(aster of) S(urgery); Ms. = Manuscript; Mss. = Manuscripts; Mt. = Mount; Mts. = Mountains; Mus(eum) of Mus(ical); M(ost) W(orthy) G(rand) M(aster); Myth(ology).
Ma, mâ, Mama (kindertaal).
Ma’am, mam of mâm, verk. van Madam: —-school = Dame-school (Amer.).
Mab, mab, feeënkoningin; slons; huurrijtuig.
Mabel, meib’l.
Mabys, mabis, jonge dienstbode, eig. verk. van M(etropolitan) A(ssociation for) B(efriending) Y(oung) S(ervants).
Mac, mak, zoon (vóór Schotsche en Iersche namen).
Macaco, məkeikou, vosaap of maki.
Macacus, məkeikəs, Turksche aap of magot.
Macadam, makadəm: — pavement(road) = macadam (steenpuin of granietkiezel) weg; Macadamization, subst. v. Macadamize, macadamiseeren, een straatweg aanleggen naar het stelsel van Mac-Adam.
Macaroni, makərouni, macaroni, mengelmoes; iets uitstekends; fat; Macaronic = dwaas, ijdel, hansworsterig; uit bont dooreengemengde woorden van verschillende talen gevormd (vers).
Macaroon, makərûn, macrone (koekje).
Macassar, məkasə, Macassar: — oil.
Macaulay, məkôli.
Macaw, makô, roode ara (soort v. papegaai).
Macbeth, məkbeth; Maccabean, makəbîən, Maccabeesch; Maccabee, makəbî, Maccabeër; Mac Carthy, məkâthi; Mac Donald, məkdonəld, Macdougal, məkdɐg’l; Macduff, məkdɐf.
Mace, meis, staf, scepter; vroegere lange billartqueue, vroegere knots; zwendel, geleend geld; — verb. bedriegen, leenen: On — = op “de pof”; —-bearer = pedel, stafdrager.
Macedon, masidon; Macedonia, masidounjə, Macedonië; —n, subst. Macedoniër; adj. Macedonisch.
Macerate, masəreit, afmatten, kastijden; laten weeken, macereeren; subst. Maceration.
Machiavel, makiəvel; —ian, makiəveliən, subst. en adj. (volgeling) van Machiavelli (1469–1527); sluw, dubbelhartig, trouweloos (mensch); —ism = de beginselen van M., staatkundige dubbelhartigheid.
Machinate, makineit, kuipen; Machination = kuiperij; Machinator = intrigant.
Machine, məšîn, subst. werktuig, toestel, machine, machinerie, naaimachine, badkoets, fiets, wagen, brandspuit (Amer.); de deus ex machina in drama (= machining God); — verb. machinaal, met behulp eener machine vervaardigen of uitvoeren, op de naaimachine werken: —-gun = soort v. mitrailleuse; —-made = machinaal: —-made manners; —-ruler = linieermachine; —-work = fabriekswerk; —ry = machinerie, mecanisme; het bovennatuurlijk ingrijpen ter ontwikkeling der catastrophe.
Machinist, məšînist, machinist, constructeur van machines; machinenaaister; fietser: Coventry — = rijwielfabrikant.
Mackay, məkai, məkei; Mackenzie, məkenzi.
Mackerel, makerel, makreel: —-sky = lucht met kleine schapenwolkjes.
M(a)cKinley, məkinli: — Bill = de in 1890 aangenomen Amer. beschermende rechten.
Mackintosh, makintoš, waterdichte stof, jas of mantel daarvan; adj. waterdicht; — verb, waterdicht maken.
Macleod, məklaud; Maclise, məklîs; Macmillan, məkmil’n; Mac Neill, məknîl; Macomb, məkûm, məkoum; Macpherson, məkfɐ̂s’n; Macready, məkrîdi.
Macrocosm, makrəkozm, het heelal.
Macron, makron, meikron, lengteteeken (ā).
Macropod, makrəpod, langbeenig; Macropus, makrəpɐs, kangoeroe.
Macroscopic(al), makrəskopik(’l), voor het bloote oog zichtbaar.
Macula, makjulə, vlek; —te, adj. bevlekt (ook fig.); — verb. bevlekken; Maculation = bevlekking, vlek; Maculose, makjulous = gevlekt.
Mad, mad, krankzinnig, dolzinnig, razend, woedend, overmoedig; — verb, dol maken (Amer.): To be — with joy = dolblij zijn; He has driven me — = gek gemaakt; He is sure to go (run) — = wordt bepaald gek; — as a hatter, as a march-hare = stapelgek; — on (upon, for, of) = dol op; —-brained = dol, razend, dwaas; —cap, subst. dolhoofd, dolleman; adj. dol, dwaas; —-headed = dol; —house = gekkenhuis; —man = krankzinnige, dolleman; —wort = schildzaad, steenkruid; —den = dol of woedend maken, razend worden; The madding crowd = de woeste, woelige (dwaze) menigte; —ness = krankzinnigheid, waanzin, dolheid.
Madam, mad’m, Mevrouw, Juffrouw; Madame, madâm, mevrouw, “madam”: At — Jeff’s = bij “Madam” J.; To-morrow — returns to the kitchen = morgen kan men de mooie “madam” weer in de keuken vinden; He always addresses her as “—”, and treats her as a princess.
Madder, madə, meekrap; — verb, met meekrap verven.
Made, meid, imperf. en part. van to make; gemaakt, kunstig vervaardigd, (toebereid), afgeëxerceerd, afgericht, verzonnen (up): — gravy = bouillon; — land = ingedijkt land (Amer.); You are a — man = uw fortuin is gemaakt; — mast = gekuipte mast; — word = nieuw woord; — (up) dishes = fijne schoteltjes; I have seen them — that way = van dat soort heb ik wel gekend; As slangy as sporting-papers are — = maar kunnen zijn. Zie Make.
Madeira, mədîrə, mədêrə, Madera(wijn): — mahogany(-wood) = echt mahoniehout.
Madge, madž, verkorting van Margaret.
Madonna, mədonə, Madonna; soort alpaca.
Madox, madəks; Madras, mədras, Madras; halfzijden stof.
Madrepore, madripö, sterkoraal.
Madrid, mədrid.
Madrier, madriə, madrîə, sterke balk, plank.
Madrigal, madrig’l, madrigal.
Madrilenian, madrilînj’n, uit Madrid, bewoner v. M.
Madura, madjûrə; Maecenas, məsînas.
Maelstrom, meilstrom, mâlstrom, maalstroom; ook fig.
Maenad, mînad, Bacchante; dol wijf.
Maestro, ma-estrou, meester, beroemd componist.
Maffick, mafik: —ing = dol en ruw feestbetoon op straat (oorspronkelijk naar aanleiding van het ontzet van Mafeking 17 Mei 1900); -er.
Mag, mag, babbelen, plagen; subst. snater, babbelkous; halfpenny.
Magazine, magəzîn, magazijn, tijdschrift; kruitkamer (magazijn): — rifle.
Magdalen, magdəlen, Magdalena: — asylum = huis voor gevallen vrouwen; —(e) môdlin: — College te Oxford.
Magdeburg, magdəbɐ̂g, Maagdenburg: — hemispheres, Maagdenburger halve bollen.
Mage, meidž = Magician.
Magellan, məgel’n, mədžel’n, Magellaan: Strait of — = Straat van Magellaan; —ic, magəlanik, madžəlanik, v. Magellaan: —ic clouds = Magellaansche vlekken, kaapwolken.
Maggot, magət, made; gril; —y = vol mijten of maden; grillig, prikkelbaar; subst. —iness.
Magi, meidžai, mv. van Magus; —an = de Magiërs betreffende; Magiër.
Magic, madžik, tooverkunst, hekserij, tooverkracht; adj. —(al) = tooverachtig, betooverend; — circle = tooverkring; — flute = tooverfluit; — lantern = tooverlantaarn; — square = vierkant van zoodanige cijfers, dat deze loodrecht, of horizontaal of diagonaal opgesteld, steeds dezelfde som leveren; Magician, mədžiš’n, toovenaar.
Magister, mədžistə, magister; Magisterial = heerschend, gebiedend, trotsch; subst. —ness.
Magistracy, madžistrəsi, de magistraat, magistratuur; Magistral, madžistr’l, gebiedend; volgens bepaald recept (pharm.); Magistrate, madžistreit, overheidspersoon, vrederechter.
Magna C(h)arta, magnəkâtə, de Magna Charta v. Jan Zonder Land (1215).
Magnanimity, magnənimiti, grootmoedigheid; adj. Magnanimous.
Magnate, magnit, voornaam persoon.
Magnesia, magnîšə, magnîžə, magnesia: Sulphate of — = Epsom salts; —n = magnesium bevattend; Magnesium: —-light.
Magnet, magnət, magneet, magneetstaaf; —ic, magnetik, magnetisch, magneet - -, miswijzend, aantrekkend: —ic field; —ic needle; —ic poles; —ism = magnetisme; aantrekkingskracht: Terrestrial —ism = aardmagnetisme; —ization, subst. v. —ize = magnetiseeren; —izer = magnetiseur; Magneto-electric(al) of Magneto-electric(al); Magneto-ignition = magneetontsteking; Magnetometer = magnetische krachtmeter; Magneto-motor of Magneto-motor; Magneto-telegraph.
Magnific(al), magnifik(’l), prachtig, heerlijk.
Magnificat, magnifikat, lofzang ter eere van Maria (Lukas I, 46–55); Magnification = vergrooting.
Magnificence, magnifisens, grootschheid, luister; Magnificent = grootsch, prachtig, prachtlievend.
Magnifico, magnifikou, vroeger Venetiaansch edelman; rector eener Duitsche Hoogeschool; groot heer.
Magnifier, magnifaiə, vergrooter, vergrootglas; Magnify, magnifai, vergrooten, verheerlijken: —ing-glass = vergrootglas.
Magniloquence, magniləkwens, grootsprekerij, bombast; adj. Magniloquent, magniləkwent.
Magnitude, magnitjûd, grootte, omvang, belangrijkheid.
Magnolia, magnouljə, magnolia.
Magnum, magn’m, dubbele flesch (± 2 L.): — bonum, magn’mboun’m, soort van groote pen, pruim of aardappel.
Magog, meigog, groote reus (1 Mos. X, 2).
Magot, magot, məgou, magot (aap, Chineesch poppetje).
Magpie, magpai, ekster, babbelkous, halfpenny, schot in den buitensten ring.
Magus, meigəs, Magiër, Wijze uit het Oosten.
Magyar, madjâ, mədžâ, Magyaar(sch).
Mahabharata, mahâbârətə, een Indisch epos.
Maharajah, maharâdžâ, Maharadsja (titel).
Mahatma, mahatma, Boeddhistisch priester, theosoof.
Mahdi, mâdi, Madhi; Madhist, aanhanger van den Madhi; —sm = zijne leer.
Mahlstick, mâlstik = Maulstick.
Mahogany, məhogəni, mahoniehout; (eet)tafel: To be under the — = onder de tafel liggen (dronken); To have one’s feet under another man’s — = aan een andermans tafel zitten, over eens anders hulpbronnen beschikken.
Mahomet, məhomət, Mahomed; —an = Mohammedan.
Mahon, məhoun, məhûn.
Mahori, mâhəri, Maori.
Mahout, məhaut, məhût, olifantdrijver (Brit. Indië).
Maid, meid, maagd, meid, meisje: Children’s —; House— = tweede meid; Ladies’ — = kamenier; Parlour — = binnenmeid; Thorough — = flink; — of honour = hofdame; — of all work = meid alléén; —-servant = dienstmeid; Maiden, subst. maagd, meisje, waschmachine; adj. maagdelijk, rein: — assizes = zittingen zonder crimineele zaken; — aunt = ongetrouwde tante; — auntish: The book is irreproachable to a — auntish extent = eene ongetrouwde tante kan er zelfs niets op aanmerken; — effort = eerste poging; — name = de eigen naam van eene getrouwde vrouw; — speech = eerste redevoering van een nieuw parlementslid; — stakes = wedstrijd of de prijzen voor paarden, die voor ’t eerst uitkomen; —hair = venushaar; —head = —hood = maagdelijkheid; —liness, subst. v. —ly = jonkvrouwelijk, zedig.
Maieutic, mei-jûtik, geboorte bevorderend, ontwikkelend.
Mail, meil, subst. maliënkolder; brievenzak, brievenpost; — verb, bepantseren; met de post verzenden, op de post doen (Amer.): Coat of — = pantserhemd; —-bag = brievenzak; —-boat = pakketboot; —-cart = postkar; sportkar; —-clad = bepantserd; —-coach = postwagen; Eng. koets, met zitplaatsen boven op en met 4 paarden bespannen; —-day; —-horse = postpaard; —-line = —-route; —-stage = postwagen (Amer.); —-steamer = postboot; —-train = posttrein; —-van = postwagen; —able = wat per post kan worden verzonden (Am.); —ed = gepantserd, geschubd, met schilden, gevlekt.
Maim, meim, subst. verminking; — verb. verminken, schenden.
Main, mein, voornaamste; subst. geweld; voornaamste deel, hoofdbuis, hoofdkabel, oceaan, wedstrijd tusschen hanen, (hooge) worp, inzet, het gemiddelde der te werpen oogen: By — force = met kracht en geweld; The — body of an army = de hoofdtroep; He has an eye to the — chance = hij let op No. 1, hij is een egoist; In (on) the — = in hoofdzaak; He is honest in the — = over ’t geheel genomen; With might and — = met alle macht; —s and service-pipes = hoofd- en zijgeleidingen; To turn off the gas at the — = de hoofdkraan dichtdraaien; To turn on the — = beginnen te schreien (iron.); —-boom = giek, zeilboom; —-deck = opperdek; —land = vaste land; — lines and branch lines of a railway = hoofd- en zijlijnen van een spoorweg; —mast = groote mast; —-pipe = hoofdbuis; —-road = hoofdweg; —sail (meins’l) = grootzeil; —-sheet = groote schoot; —-shroud = groot want; —spring = groote veer, hoofdader, hoofdmotief, hoofdbron, etc.; —-stay = groot stag; voornaamste steun; —-street = hoofdstraat; —-top = groote mars; —-topgallant = grootbram - -; —-topsail = grootmarszeil; —-yard = groote ra; —ly = voornamelijk, krachtig.
Mainprize, meinpraiz, borgtocht, loslating onder borgtocht; het bevel hiertoe.
Maintain, m’ntein, meintein, handhaven, verdedigen, rechtvaardigen, onderhouden, houden, beweren, volhouden; —able = houdbaar; —er = behouder, verzorger, behoeder, verdediger; Maintenance, meintən’ns, handhaving, onderhoud, verdediging: Cap of — = staatsiemuts of -baret, vóór den koning of hooge ambtenaren uitgedragen als teeken van waardigheid.
Mainwaring, manəriŋ.
Maize, meiz, maïs; Maizena, meizînə, maïsmeel.
Majestic, mədžestik, majestueus: Majesty, madžəsti, majesteit, grootschheid, verhevenheid: His (Your) —.
Majolica, mədžolikə, majolica.
Major, meidžə, subst. majoor, meerderjarige, oudere, eerste term van een syllogisme; adj. grooter, meerder, meerderjarig: —-domo = opper-hofmeester; bestuurder; oppasser; —-general = generaal-majoor; —-premiss, hoofdpræmisse; —-term = major (d.i. de term, die het prædicaat der conclusie vormt); —ship = majoorsrang; Majority, mədžoriti, meerderheid, majoorschap, meerderjarigheid: To carry the —, To have a — = de meerderheid hebben; To have the — on one’s side; The Army Estimates were voted by a sweeping — = de Begrooting van Oorlog werd met eene verpletterende meerderheid aangenomen; To go (pass) over to the great — = sterven = To join the —.
Majorca, mədzökə.
Majuscule, mədžɐskjûl, hoofdletter.
Make, meik, subst. vorm, gedaante, maaksel, snit; — verb. maken, vervaardigen, scheppen, voortbrengen, bereiden, aanleggen, benoemen, bedragen, noodzaken, dwingen, doen, verdienen, africhten, nabijkomen, naderen, etc.: That is painful to my natural — = doet mijne natuur geweld aan; A heart of his — = v. zijne soort; To — no account of = geringschatten; He will never — a good actor = worden; To — amends = excuus maken; To — a bed = opmaken; To — one’s bread = zijn brood verdienen; Milk —s both butter and cheese = levert; To — a call = een visite maken; To — a contract = sluiten; Wool —s warm clothing = vormt; That does not — the least difference = kan niets schelen; I have made a good dinner = flink gegeten; To — no doubt of = niet twijfelen aan; To — an end of = een eind maken aan; To — a long (wry) face = een lang (zuur) gezicht trekken; To — a fool of = voor den gek houden; To — a guess at = raden naar; To — haste = zich haasten; To — headway = vooruitkomen; I will — you a good husband = een goede man voor je zijn; To — an island = naderen, komen in het gezicht van; To — a fair living = behoorlijk veel geld verdienen; To — love to = het hof maken; To — a mess of = bederven, verknoeien; To — misschief = onheil stichten, intrigeeren; To — the ocean = in zee steken; To — peace = sluiten; Will you — a pen for me? = vermaken; He has made his pile = een ‘bom’ geld verdiend; To — the port = in het gezicht krijgen, binnenloopen; To — a promise = doen; To — provisions for = voorzorgen treffen; To — sail = bijzetten; To — a speech = houden; To — a stand = halt houden, standhouden; I have just made the steamer = nog net gepakt, gehaald; To — a stranger of = als een vreemde behandelen; To — one’s toilet = maken; To — war against = oorlog voeren; To — water = lekken; — way there! = uit den weg daar! I made the best of my way home = begaf mij zoo gauw mogelijk; He made the weight 17 pounds = schatte op; I will not — any more words about it = er geen woord meer over verliezen, niet langer over kibbelen; I — bold to observe = ben zoo vrij; He —s free with my wine = doet alsof het zijn wijn is; To — good = vergoeden, houden, handhaven, rechtvaardigen, verdedigen, verantwoorden; To — good a promise = houden; To — good one’s reputation = handhaven; I — the sum larger than you do = houd voor grooter; To — light of a thing = licht opvatten; We have made rather merry to-day = vrijwat pret gehad; You — merry with me = houdt me voor ’t lapje; He made no more of the dog than if he had been a lamb = gaf niet meer om; To — much of = veel ophebben met; The riders made much of their horses after the charge = liefkoosden; He —s sure of it = hij acht het zeker; I will — sure of it = er mij van vergewissen; To — believe = doen gelooven, doen alsof; A —-believe = voorwendsel; It made me laugh = deed me lachen; That will — against your plan = benadeelen; They made after the deer = vervolgden het hert; The king made away with his enemies = ruimde uit den weg; It was made away with = verloren, gestolen, etc.; They made away with the soup = aten de soep op; To — down a dress = vermaken; The ship —s for the harbour = zet koers naar; That —s for peace = leidt tot; What has he to — in the matter? = te maken; He made the warehouse into a ball-room = veranderde; I do not know what to — of it = kan er geen touw aan vastmaken; I cannot — that man out = ik begrijp, “snap”, dien man niet; He made out on me for £ 8 = trok een wissel op mij van; You can — out the steeples here = duidelijk onderscheiden; A skilful defender might perhaps — out a case for him = kon hem misschien vrijpleiten; He made out the account = schreef; He made over his property to his cousin = schonk, droeg over; A made-over black silk = vermaakte; —-up = grimeeren; subst. grime, verkleeding, uitdenksel; I say, you must — it up = zeg er eens, jullie moet elkaar de hand (der verzoening) geven; You are making up to her = tracht u aangenaam te maken, maakt haar het hof; All your money does not — up a guilder = bedraagt nog geen; To — up one’s books = opmaken; To — up medicine = klaarmaken; I have made it up for you = in orde gemaakt; He could not — up lost ground = het verlorene niet herwinnen; He made up to me = kwam op mij toe; The actor was made up beautifully = goed gegrimeerd; We shall have to — up for lost time = moeten inhalen; To — up a loss = een verlies vergoeden; I have made up my mind = ik ben besloten; The proofsheet was not made up as yet = nog niet opgemaakt; A made-up story = gefingeerd verhaal; He made as if he consented = veinsde; —-peace = vredestichter; —-shift = behulp, stoplap: A —-shift contrivance = iets om tijdelijk mee te behelpen; —-weight = aanvulling, toegift, stoplap, noodhulp; —r = maker, vervaardiger, dichter, Schepper; Making = vervaardiging: Of your own — = je eigen schuld (fig.); That was the — of him = dat heeft er hem bovenop geholpen; He has the —s of an excellent teacher = er schuilt (zit) in hem; The —s of a small sweetstuff shop = opbrengst, verdienste. Zie ook: Made.
Malabar, maləbâ, maləbâ; Malacca, məlakə; Malachi, maləkai, Maleachi.
Malachite, maləkait, malachiet.
Maladdress, malədres, onhandigheid, gebrek aan tact.
Maladjustment, malədžɐstm’nt, slechte regeling of inrichting.
Maladministration, malədministreiš’n, wanbeheer, wanbestuur.
Maladroit, malədroit, malədrôit, onhandig; subst. —ness.
Malady, malədi, (slepende) ziekte, moreel gebrek, kwaal.
Malaga, maləgə, Malaga(wijn).
Malahack, maləhak, kneuzen (Amer.).
Malapert, maləpɐ̂t, adj. onbeschaamd, brutaal; subst. wijsneus, brutaaltje.
Malapropism, maləpropizm, verkeerde toepassing van “stadhuiswoorden”, een verkeerd toegepast “stadhuiswoord”; Malapropos, maləprəpou, te onpas, ongeschikt.
Malar, meilə, subst. kaak; adj. tot de kaak toebehoorende; kaak ...
Malaria, məlêriə, moeraskoorts, schadelijke moerasdamp; —l fever; —n = Malarious = met schadelijke dampen bezwangerd, malaria veroorzakend.
Malay, məlei, Maleier; ook Maleisch = —an; Malcolm, malkəm.
Malconformation, malkonfəmeiš’n, wanverhouding, misvorming.
Malcontent, malkəntent, subst. en adj. ontevreden(e); —ed, malk’ntentid.
Malden, mold’n; Maldesen, môlds’n; Maldives, maldaivz, maldaivz, Maladiven; Maldon, môld’n.
Male, meil, subst. mannetje; adj. mannelijk: — issue = mannelijk oir; — rime = mannelijk of staand rijm; — screw = vaarschroef.
Malediction, malidikš’n, vervloeking; adj. Maledictory.
Malefactor, malifaktə, malifaktə, boosdoener; Malefic = kwaadaardig, schadelijk; Maleficence = boosaardigheid; Maleficent = boosaardig.
Malevolence, məlevəlens, kwaadwilligheid; adj. Malevolent.
Malfeasance, malfîz’ns, onwettige handeling, kwade praktijken.
Malformation, malfəmeiš’n, misvormdheid; adj. Malformed.
Malice, malis, boosaardigheid, haat, vijandigheid: He did it of — prepense (— aforethought) = met voorbedachten rade; He bears no — = is niet haatdragend; To bear — to = een wrok koesteren tegen; Malicious, məlišəs, kwaadwillig, boosaardig; subst. —ness.
Malign, məlain, adj. nadeelig, kwaadaardig, onheilspellend, ongunstig; — verb. benadeelen, gemeen behandelen, kwaad spreken van; —ance, məlign’ns = —ancy, məlign’nsi, vijandigheid, kwaadaardigheid; Malignant = kwaad-, boosaardig; ook subst. kwaadwillige; —er, məlainə, lasteraar; Malignity = boosaardigheid, kwaadaardigheid.
Malinger, məliŋgə, ziekte voorwenden; —er = simulant.
Malkin, mô(l)kin: The kitchen — = keukenmeid.
Mall, môl, malie, malieklik, maliekolf, vroegere strijdhamer, maliespel; — verb. maliën, in de maliebaan spelen.
Mall, mal, mel, openbare, beschaduwde wandelplaats.
Mallard, maləd, wilde eend.
Malleability, maljəbiliti, smeedbaarheid, rekbaarheid; adj. Malleable, maljəb’l, ook fig.; subst. —ness; Malleation = het pletten, hamerslag.
Mallet, malət, houten hamer; Malleus, maliəs, hamer (in het oor).
Mallow(s), malou(z), malva, kaasjeskruid.
Mallory, maləri; Malmesbury, mâmzb’ri.
Malmsey, mâmzi, malvezij.
Malodorous, maloudərɐs, stinkend; Malodo(u)r, maloudə, stank.
Malone, məloun.
Malpractice, malpraktis, kwade praktijk, overtreding; verkeerde med. behandeling.
Malt, môlt, subst. mout, bier; ook adj.; — verb. mouten, tot mout worden, bier drinken; —-drier = mouteest; —-floor = mouterij; —-horse = paard van een moutmolen; suffer, domkop; —-house = mouterij; —-kiln = (mout)eest; —-spirits = moutwijn; —ster = moutmaker; —y = moutachtig, mout...
Malta, môltə: Knight of — = Johannesridder; Maltese, môltîz, môltis, subst. Maltezer(s), hunne taal; adj. Maltezer: — cross = maltezerkruis; — dog = kleine patrijshond met lang zijdeachtig haar.
Malthus, malthəs; —ian, malthjûš’n, malthjûž’n, subst. en adj. Malthusiaan(sch).
Maltreat, maltrît, ruw of slecht behandelen; subst. —ment.
Malvern Hills, malvənhilz, de heuvels van M.
Malversation, malvəseiš’n, malversatie, kwade praktijk, verduistering.
Mameluke, maməl(j)ûk, Mameluk.
Mam(m)a, məmâ, mâmə (Amer.), mama: —’s headache = ma’s geheimzinnige ziekte bij zekere gelegenheid.
Mammal, maməl, met borsten; subst. zoogdier; —ia, məmeiljə, zoogdieren; adj. —ian, zoogdier...; Mammalogy = leer der zoogdieren; Mammifer = zoogdier; Mammiferous = met tepels, zoogend.
Mammodis, mamədis, Brit.-Ind. sits; fijn lijnwaad.
Mammon, mam’n, Mammon: — worship.
Mammoth, maməth, subst. mammoet; adj. reusachtig.
Mammy, mami, maatje; min (kleurlinge).
Man, man, subst. mensch, man, echtgenoot, manschap, knecht, vazal, stuk (bij dam- of schaakspel); — verb. bemannen, bezetten; zich vermannen (oneself): A — ought to do his duty = men moet; The Old — = de oude Adam; de pipa, den “Ouwe”; I am my own — = ben mijn eigen baas; To a — = éénparig, zonder uitzondering; The social relation of — and wife; To become — and wife = worden; To come between — and wife; A — or a mouse = alles of niets; He came to —’s estate = tot mannelijken leeftijd; It is not in a — = dat kan een man niet; A — about town = (aristocratische) losbol, “bon vivant”, iemand, die veel uitgaat; A —-at-arms = gewapend krijger (ruiter); — in the moon = het mannetje in de maan; — in the street = de eerste de beste persoon; A — of peace = vreedzaam mensch; He is a — of men = voortreffelijk mensch; A — of straw = strooman; A —-of-war = oorlogschip; An East-India-— = Oostinjevaarder; He —ned himself, and did it = vermande zich; The sailors —ned the ship, the shrouds, the yards = paradeerden op de ra’s, in het want, op de ra’s; —-child = jongen; —-eater = menscheneter; tijger, leeuw, soort haai, bijtend paard; —-engine = machine tot het ophalen en neerlaten van mijnwerkers; —-hater = menschenhater, mannenhaatster; —-hole = mangat; —-milliner = handelaar in damesconfectie; —-monster = half menschelijk monster; —-rope = valreep; —-servant = bediende; —slaughter = manslag; —slayer = moordenaar; —-trap = voetangel; gevaarlijke plaats (bijv. een open luik); weduwe (Amer.); —ful = manhaftig; subst. —fulness; —hood = de menschelijke natuur, mannelijkheid, manhaftigheid, mannelijke leeftijd; —like = menschelijk, manhaftig; —liness, subst. v. —ly = mannelijk, manhaftig, kloek; —nish = mannig, d.i. mannelijk in ongunstigen zin: —nish airs = mannelijke airs (van New Women).
Manacle, manək’l (gewoonlijk meerv.), subst. handboei; — verb. de handboeien aandoen.
Manage, manidž, besturen, behandelen, beheerschen, richten, klaarspelen, zich redden: I hope I can — it = dat ik het klaar speel; He cannot — the boys = geen orde houden; —able = handelbaar, leerzaam (van dieren), goed (weêr); subst. —ableness; —ment = bestuur, leiding, administratie, verstandig (slim) optreden of handelen: Good —ment = handigheid, flinkheid; —r = bestuurder, leider, gérant, zetbaas, theaterdirecteur, chef van tractie (bij de spoorwegen), curator; vr. —ress; —rship; Managing = bestuur; adj. besturend, bedrijfs - -, zuinig, overleggend, slim: — clerk = procuratiehouder; — director = bestuurder; — partner = besturend firmant; A — woman = flinke, zuinige.
Manakin, manəkin. Zie Man(n)i-kin.
Manby, manbi: —’s apparatus = vuurpijl (reddings)toestel.
Manchester, mantšəstə: — School = partij van den vrijhandel; Manchu, mɐntšû; Manchuria, mantšûriə.
Manciple, mansip’l, hofmeester, huisbestuurder.
Mandalay, mandəlei.
Mandamus, mandeiməs, bevelschrift van de Crown Side (= kamer v. strafzaken) van de King’s Bench division of the High Court of Justice inhoudend een bepaalde opdracht; ook verb.
Mandarine, mandərin, mandərîn, subst. Mandarijn, mandarijntje; adj. edel, voornaam.
Mandatary, mandətəri, gevolmachtigde; Mandate = mandaat, bevel(schrift), opdracht; Mandator = volmachtgever; Mandatory = bevelend, voorschrijvend; subst. gevolmachtigde.
Mandible, mandib’l, (onder)kaak; Mandibular = onderkaaks...
Mandolin(e), mandəlin, mandoline.
Mandragora, mandragərə, Mandrake, mandreik, alruin, mandragora.
Mandrel, mandr’l, Mandril, mandril, spil, vormijzer, doorslag; (het laatste woord) ook: mandril.
Manducatory, mandjukətəri = kauw...: — organs.
Mane, mein, manen: — of a helmet = pluim; —-comb = roskam; —-sheet = bedekking voor het bovenste van een paardekop.
Manege, məneiž, rijschool, rijkunst.
Manequin, manəkin. Zie Manakin.
Manes, meinîz, schimmen der afgestorvenen; de onderwereld.
Manganese, maŋgənîz, maŋgənîs, maŋgənîz, maŋgənîs, mangaan.
Mange, meinž, schurft.
Mangelwurzel, maŋg’lwɐ̂z’l, mangelwortel.
Manger, meinžə, voerbak (trog); kribbe: He is a dog in the — = hij kan niet zien dat de zon in het water schijnt.
Manginess, meindžinəs, schurftigheid.
Mangle, maŋg’l, subst. mangel; — verb. mangelen, klanderen; verminken, havenen, verscheuren: His mother keeps a — = is mangelvrouw; —r = mangelvrouw; hak-, schaafmachine.
Mango, maŋgou, mangoboom (vrucht).
Mangrove, mangrouv, mangliet of wortelboom.
Mangy, meindži, schurftig, schunnig.
Mania, meinjə, waanzin, manie; —c = waanzinnig, dol; ook subst.; adj. Maniacal.
Manich(a)ean, manikîən, Manicheeër; Manicheism = de leer der M.; Manichees, manikîz, Manicheeën.
Manicure, manikjûə, manicure; ook verb.
Manifest, manifest, openbaar, duidelijk; subst. manifest, vrachtlijst (= Captain’s —, Ship’s —); — verb. openbaar maken, manifesteeren, betuigen, de vrachtlijst vertoonen: To — goods: —able = bewijsbaar; —ation = openbaring, manifestatie; —ness = duidelijkheid: —o, manifestou, manifesto, publieke verklaring.
Manifold, manifould, adj. menigvuldig, talrijk, veelvuldig; hectografische afdruk; — verb. vermenigvuldigen, hectografeeren; —-writer = hectograaf; subst. —ness.
Man(n)ikin, manikin, mannetje, ledepop, phantoom (Med.); adj. dwergachtig, dwerg...
Manilla, manilə, Manilla; arm-(been-)ring: — cigar, — fibre, — hemp.
Maniple, manip’l, ⅓ eener cohorte (in het Rom. leger 60 man + twee officieren en een vaandeldrager); manipel, band om den linkerarm van een priester bij het misoffer; Manipular = tot een Romeinsch vendel behoorend; Manipulate, mənipjuleit (met overleg, slim) behandelen; telegrafeeren; Manipulation = manipulatie, handbeweging; Manipulative = manipuleerend, behandelings - -; Manipulator; Manipulatory = Manipulative.
Manitoba, manitəbâ.
Manitou, manitû, Indiaansche god, geest.
Mankind, mankaind, het menschelijk geslacht; (mankaind) alle mannen (tegenover Womankind); de mannen (tegenover wife, bij de lagere klassen).
Manna, manə, manna.
Manner, manə, manier, wijze, methode, gewoonte, stijl, mode: After his sour — = op zijn norsche manier; By no (Not by any) — of means = op geenerlei wijze, in geen geval; In this — = op deze wijze; In a (certain) — = in zekere mate; In like — = evenzoo; No — of = in ’t geheel geen; No — of doubt = niet de minste twijfel; —s = gedrag, manieren, “mores”; It is not —s to ask = past niet; I’ll teach him —s = ik zal hem manieren leeren; —ed = geaffecteerd; An ill-—ed young fellow = slecht gemanierd; Some of his least —ed work = minst gemaniëreerd; There is a —ism about him = gemaaktheid; This writer’s —ism = gemaniëreerdheid; —ist = gemaniëreerd schrijver of persoon; —liness = welgemanierdheid: adj. —ly.
Mannite, manait, mannasuiker.
Manoeuver, Amer. voor Manoeuvre, mən(j)ûvə, subst. manoeuvre (ook fig.); — verb. manoeuvreeren, klaar spelen: He’ll — it somehow; —er = slimmerd.
Manometer, mənomətə, manometer; adj. Manometric(al).
Manor, manə, ambtsheerlijkheid, riddergoed: —-house, —-seat = heerenhuis, slot; Manorial, mənôriəl, tot een riddergoed behoorende.
Mansard roof, mansədrûf, gebroken dak, waarvan het onderste gedeelte het steilst helt.
Manse, mans, boerenwoning; pastorie (Schotl.).
Mansion, manš’n, groot heerenhuis, woning, huurkazerne: The —-house = het officieele verblijf van den Lord Mayor in Londen.
Mansuetude, manswitjûd, zachtheid, onderworpenheid.
Mantel, mant’l, mantel (Archit.); ook = —piece = schoorsteenmantel = —shelf; Over— = étagèrespiegel.
Mant(e)let, mant(ə)lət, manteltje; stormscherm, beweegbare borstwering; Mantilla, mantilə, mantille.
Mantle, mant’l, subst. mantel, dekmantel, gloeikousje; — verb. bedekken, koken, gisten, schuimen, blozen, de vleugels uitspreiden (v. valken).
Mantua, mantjûə, Mantua; wijde mantel (van ± 1850); —-gown = wijde japon; —-maker = modiste; —n = (inwoner) van Mantua; The —n Swan = Vergilius.
Manual, manjuəl, subst. handboek, manuaal (van orgel of piano), handspuit; adj. hand..., coulant: — alphabet (voor doofstommen); — exercise = oefening in de handgrepen van het geweer; — sign = handteekening.
Manufactory, manjufaktəri, fabriek: adj. Manufactural; Manufacture, subst. fabrikaat, vervaardiging; — verb. vervaardigen, fabriceeren; Manufacturer = fabrikant; Manufacturing = fabricatie; adj. fabrieks...
Manumission, manjumiš’n, manumissie, het vrijlaten van een slaaf; Manumit = slaven vrijlaten.
Manumotor, manjumoutə, wagen door den inzittende mechanisch voortbewogen.
Manure, mənjûə, subst. mest; — verb. bemesten; —-cart; —-distributor = meststrooier; —-fork; —r.
Manuscript, manjuskript, subst. handschrift, adj. met de hand geschreven.
Manx, maŋks, van het eiland Man; subst. de taal, de bewoners; —man = bewoner van Man.
Many, meni, veel, vele(n); subst. menigte, groot aantal: So — countries, so — customs = ’s lands wijs ’s lands eer; — men, — minds = zooveel hoofden, zooveel zinnen; — a man = menigeen; — a time and oft = herhaaldelijk; This — a day = For — a day = reeds lang; As — again = eens zooveel; Twice as — = tweemaal zooveel; We were packed like so — herrings = zaten opeen als haringen in een ton; I am one too — for you = ik ben je de baas af; She made one too — in the omnibus = was te veel; The — = de groote hoop; A good (great) — = zeer vele; —-headed: The —-headed monster = de Hydra; het gepeupel; —-sided = veelzijdig; subst. —-sidedness.
Maori, mauri, mâəri, subst. Maori; hunne taal; adj. tot de Maoris of hunne taal behoorend.
Map, map, subst. landkaart, hemelkaart, nauwk. voorstelling; — verb. teekenen, afbeelden, nauwkeurig beschrijven, ontwerpen (out); —-maker = landkaartmaker.
Maple, meip’l, ahorn.
Mar, mâ, beschadigen, bederven, ontsieren, verijdelen.
Marabou(t), marəbû, marəbû, marabout (veêr, zijde); —-feathers.
Marabout, marəbût, marəbût, Mahomedaansch priester en toovenaar (N. Afr.).
Maracan, marəkan, ara-papegaai (Brazilië).
Maraschino, marəskînou, marasquin.
Marasmus, mərasməs: — senilis = senile aftakeling.
Maraud, mərôd, stroopen, plunderen; —er.
Marble, mâb’l, subst. marmer, marmeren beeld; knikker; adj. marmeren, als marmer geaderd; — verb. marmeren: — Arch = een der toegangen van het Hydepark; The children were playing at —s = waren aan het knikkeren; —-edged = gemarmerd op snede; —-hearted = hardvochtig; —-quarry = groeve; —d = gemarmerd: Marbling = marmeren; het doorgroeid zijn van vleesch; Marbly = marmerachtig, gemarmerd.
Marcescent, mâses’nt, verwelkend; verschrompelend.
March, mâtš, subst. Maart; grens, markegrond; marsch, marche, tocht, loop, geleidelijke ontwikkeling; — verb. grenzen; marcheeren, doen marcheeren, wegvoeren (off): Order of — = marschroute; I have gained (got, stolen) a — upon you = ben u vóór gekomen, u te slim af geweest; To ride the —es = de grenzen omrijden (Schotl.); (Forward) —! The general —ed the army to the enemy = rukte met het leger op tegen; We —ed down upon the enemy = rukten aan op; To — off = afmarcheeren; To — on = voortmarcheeren; oprukken tegen; To — past = voorbijmarcheeren, defileeren; The soldiers were —ed up from the barracks = men liet hen uit de kazerne rukken; —-chick = brutaaltje; —-land = grensland; —man = grensbewoner; —ing-order = marschbevel: To be (To put) under —ing-orders; —ing-past = défilé.
Marchioness, mâšənəs, markiezin.
Marconigram, mâkounigram, draadloos telegram.
Mare, mêə, merrie: Brood — = fokmerrie; A face as long as any —’s = een gezicht als een oorworm; On Shank’s — = op Apostelpaarden; He has found a —’s nest (and is laughing over the eggs) = hij dacht heel wat bijzonders gevonden te hebben, doch blijkt zich geducht te hebben vergist; Some experience will save you from —’s nests = zal u voor teleurstellingen bewaren; —’s-tail = lange vederwolk: Waterdogs (= regenwolkjes) and —’s tails, Make lofty ships have low sails.
Margaret, mâgərət, mâgrət.
Margarine, mâgərin, margarine.
Margate, mâgit.
Margay, mâgei, tijgerkat.
Marge, mâdž, rand, marge.
Margin, mâdžin, subst. rand, grens, speelruimte, verschil tusschen inkoops- en verkoopsprijs, overschot, waarborgsom; — verb. van een rand voorzien, van kantteekeningen voorzien; zich dekken: In such a work a — of error should be allowed = kan men een zeker getal vergissingen verwachten; A small — of profit = een klein voordeeltje; He is so devoted to his work, that he has not a — for social life = dat er geen tijd overschiet voor ’t gezellige leven; I sold out so as to have a larger — with which to operate = om wat meer geld in handen te hebben; He has but a narrow — on which to subsist = hij kan maar even rondkomen; Eleven to four is a sufficient — for me = van 11 tot 4 heb ik tijd genoeg; Named in the — = terzijde vermeld; To operate on a — = alléén verkoopen (b.v. van effecten) als men erop kan winnen; —al: —al notes, glosses (—alia, mâdžineiljə) kantteekeningen; —ate(d) = met een rand, gerand.
Margravate, mâgrəvit, Margraviate, mâgreivi-it, markgraafschap; Margrave, mâgreiv, markgraaf; Margravine, mâgrəvin, markgravin.
Maria, məraiə: Black — = dievenwagen; Marian, mêriən, Maria - -; The Mariana Islands, mêrianə ail’ndz, de Dieveneilanden; Marianne, mêrian.
Marigold, marigould, goudsbloem; een millioen £; — window = radvenster.
Marinate, marineit, marineeren.
Marine, mərîn, adj. zee - -, scheeps - -, marine - -; subst. marine, marinier, zeestuk: Tell that to the —s = maak dat je grootje wijs; — blue: — drive = rijweg langs het strand; — insurance = zeeassurantie; — law = zeerecht; — store dealer = soort scheepstagrijn; Blue —s = matrozen artillerie; Red —s = marine infanterie; Mercantile (Naval) — = koopvaardijvloot (de marine); Mariner, marinə, zeeman, matroos: Master — = kapitein.
Mariolatry, mêriolətri, Maria-vereering.
Marionette, mariənet, marionet (ook fig.).
Marish, mariš, subst. moeras; adj. drassig.
Marital, marit’l, echtgenoots - -, echtelijk: I have no sympathy with — wrongs = voel niets voor mannengrieven.
Maritime, marit(a)im, zee - -, marine - -, maritime - -, strand - -: — Alps = de Zee-alpen; — commerce (— trade) = zeehandel; — insurance = zeeassurantie; — power = zeemacht.
Marjoram, mâdžər’m, marjolein.
Marjoribanks, mâtšbaŋks; Mark, mâk, Marcus.
Mark, mâk, subst. merk, teeken, blijk, baak, striem, nerf, stempel, spoor, doelwit, kruisje (van iemand, die niet kan schrijven), aanzien, gewicht, handelsmerk, nummer, prijs, cijfer; — verb. merken, noteeren, opschrijven, stempelen, punten geven, markeeren, maat slaan, onderscheiden, letten op, scherp onderzoeken, uitpikken, etc.: Above, below the — = te hoog, te laag; You are beside the — = gij zijt de plank mis; Near the — = het doel nabij; A man (names) of — = van beteekenis; That (He) is not up to the — = beneden peil, kan er niet door; Wide of the — = geheel mis; — of the beast (Zie Openbaring XIX, 19); High-(Low-)water — = hoog (laag) waterpeil; Load — = lastlijn, diepgang; He left his — on the country = de invloed van zijne persoonlijkheid doet zich nog gevoelen; That man will make his — = zal van zich doen spreken; God bless (save) the — = God betere het (iron.); — my words (= — me) = let op mijne woorden; To — time = den pas markeeren; They were —ed out for destruction = ten doode opgeschreven; To — with a hot iron = brandmerken; One of the —ed men of his age = groote mannen van zijn tijd; It would look —ed if you stayed away = het zou erg in ’t oog vallen; —er = aanschrijver, teller, marqueur, vleugelman, fiche; —ing-ink = merkinkt: —ing-iron = brandijzer; —ing-list = cijferlijst (School); —sman = scherpschutter.
Market, mâkit, markt, marktplaats (bezoek), navraag, aftrek, marktprijs, voordeel; — verb. de markt bezoeken, op de markt koopen of verkoopen: In the — = voorhanden, aanwezig; Clerk of the — = marktmeester; There is no — for = wordt niet gevraagd; To find (meet with) a ready — = gereeden aftrek vinden; To make — out of = profijt trekken van; Good wares make quick —s = goede waar is half verkocht; It was put upon the — = openbaar ten verkoop aangeboden; They looked like devils who were —ing a corpse = die om een lijk dobbelden; —-bell; —-cross = kruis op een markt (vroeger symbool van het marktrecht); —-day; —-dues = marktgelden; —-garden = moestuin; —-gardener = hovenier, gaardenier; —-hall = hal; —-merry = licht aangeschoten na de markt; —-place = marktplein; —-porter = marktbediende; —-price (—-rate) = marktprijs; —-report = marktbericht; —-rigging = beursmanoeuvre; —-stall = stalletje; —-town = stad met het recht eene weekmarkt te houden; —able = verkoopbaar; —ing = marktbezoek, marktvoorraad.
Marl, mâl, subst. mergel; stof, aarde; — verb, bemesten; marlen (scheepst.); —-pit = mergelgroeve; Marlaceous = mergelachtig.
Marlborough, môlbrə; mâlbərə (als plaatsn.).
Marline, mâlin, marlijn; —-spike of Marling-spike = marlpriem.
Marlow(e), mâlou.
Marly, mâli, mergelachtig, mergel ...
Marmalade, mâmeleid, marmelade.
Marmoratum, mâməreit’m, marmercement; Marmoreal, Marmorean, mâmôriəl, mâmôriən, marmerachtig, marmer...
Marmot, mâmət, marmot.
Maronites, marənaits, Maronieten (godsd. sekte aan den Libanon).
Maroon, mərûn, kastanjebruin.
Maroon, məûn, weggeloopen slaaf (West-Ind.); — verb. iemand op een onbewoond eiland opzettelijk achterlaten; wegloopen, rondboemelen: A —ing party = een gezelschap, dat een uitstapje maakt van eenige dagen en kampeert in de open lucht.
Marplot, mâplot, spelbreker; zie Mar.
Marque, mâk: Letters of — = kaperbrieven.
Marquee, mâkî, groote tent.
Marquet(e)ry, mâkətri, ingelegd werk.
Marquis, mâkwis, markies; —ate, mâkwisit, markisaat.
Marriage, maridž, huwelijk(splechtigheid): By — = aangetrouwd; One — makes a-many = van bruiloft komt bruiloft; To ask in — = ten huwelijk vragen; —-articles = huwelijksvoorwaarden; —-certificate = trouwakte; —-contract = huwelijkscontract; —-favours = witte strikken of linten, bouquet witte bloemen bij een bruiloft gedragen; —-licence = huwelijksvolmacht; —-lines = huwelijksbewijs; —-portion = huwelijksgift; —-ring = trouwring: —-service = de liturgie bij het kerkelijk huwelijk; —-vow = huwelijksgelofte; —able = huwbaar; —ables = huwbaren; Married: Newly — couple = jonggehuwden; — life (state).
Marrow, marou, merg, kern, pit: Vegetable — = mergpompoen; To go by the — stage = te voet gaan; —bone = mergpijp; —bones = knieën (Zie Cleaver): Down on your —s = op je knieën! —fat = mergvet; —fat pea = groote erwt; —less; —y.
Marry, mari, trouwen, huwen, uithuwen: — in haste, repent at leisure = snel getrouwd, lang berouwd; He married below his station = beneden zijn stand; Is your brother a married man? No, he is not a —ing man = is uw broer getrouwd? Neen, dat is geen man om te trouwen.
Marry, mari, verbastering van Mary: —, you are right = waarachtig je hebt gelijk.
Mars, mâz, Mars (oorlogsgod, planeet).
Marsala, mâsâlə, Siciliaansche wijn.
Marseilles, mâseilz.
Marsh, mâš, drassig land, moeras: —-fever = malaria; —-fire = dwaallicht; —-gas = moerasgas; —-mallow = gewone heemst; —-marigold = dotterbloem; —-parsley = selderie; —iness, subst. v. —y = drassig, dras ...
Marshal, mâšəl, subst. maarschalk; ceremoniemeester; schout, i.e. hoofd van een Amerikaansch Judicial District, overeenkomend met een Sheriff in Engeland; — verb. rangschikken, scharen, ordenen, rangeeren (Amer.): Earl — = opperceremoniemeester aan het Eng. hof (erfelijke waardigheid in het geslacht Norfolk); —ship.
Marshalsea, mâšəlsî, vroegere gevangenis voor gijzelaars in Londen (Southwark).
Marsupial, mâsiûpiəl (Mv. Marsupialia, mâsiupieiljə), subst. buideldier; adj. buideldragend, beursvormig; Marsupium = buidel van de Marsupialia.
Mart, mât, subst. markt, marktplaats; — verb. verhandelen, schacheren.
Martello(tower), mâtelou(tauə), gewelfde, ronde kusttoren, kustfort.
Marten, mât’n, marter(-vel).
Martial, mâš’l, krijgshaftig, krijgs....: Court — = krijgsraad; — law was proclaimed in the country = de krijgswet werd afgekondigd; — music.
Martin, mâtin, zwaluw: Bank — = oeverzwaluw; House — = huiszwaluw; St. —’s Day = 11 Nov.; (St.) —’s Summer = Martinmas summer.
Martinet, mâtinet, dienstklopper: He gives himself — airs; He has a touch of the — = is een echte dienstdoener; —ism = dienstklopperij.
Martingal, mâtiŋgal, Martingale, mâtiŋgeil, springteugel; doove Jut (Scheepst.); voortdurende verdubbeling van den inzet: He played the — on fate = bond een wanhopigen strijd aan tegen.
Martinmas, mâtinmas, St. Maarten (Nov. 11): — summer = mooie dagen laat in den herfst.
Martyr, mâtə, subst. martelaar; — verb. den marteldood doen sterven, martelen: I’m quite a — to the gout = lijd verschrikkelijk aan; —dom = martelaarschap; —ology, mâtirolədži, geschiedenis of lijst van martelaren.
Marvel, mâv’l, subst. wonder; — verb. zich verbazen, benieuwd zijn: It is a — of cheapness = wondergoedkoop; — of Peru = bonte wonderbloem; I — where he can be = ik wou wel eens weten waar hij is; —lous = wonderbaar; subst. —lousness.
Mary, mêri, Marie: — Janes = dienstboden; A Hail — = Ave Maria; —land, mêrilənd, merilənd; Marylebone, maribən, maribən; Marymas, mêrimas, Maria Boodschap (25 Maart).
Mascle, mask’l, ruitvormig stuk op een geschubd pantser; open ruit (Herald.); —d.
Mascot(te), maskot, mascotte.
Masculine, maskjulin, mannelijk, krachtig, flink, onvrouwelijk, brutaal; subst. —ness = Masculinity.
Mash, maš, subst. mengelmoes, mengvoer, brouwsel; liefje, minnaar, vlam; — verb. vermengen, fijn stampen, mout verdunnen, verliefd worden op, het hoofd op hol maken; gek zijn op; den fat uithangen: Mary is —ed on you = verkikkerd op je; —er = damesgek, fat; soort boord; —y = papperig.
Mashie, maši, een ijzeren kolf bij het golfspel.
Mashonaland, məšounəland.
Mask, mâsk, subst. masker, maskerade(pak), gemaskerde, dekmantel, scherm, vossekop, voorwendsel, draai; — verb. (zich) maskeeren, vermommen, bedekken: —(ed)-balls; —er = gemaskerde.
Maslin, mazlin, subst. messing: — kettle = ketel daarvan gemaakt.
Mason, meis’n, steenhouwer, vrijmetselaar; — verb. metselen, steenhouwen; —ic, məsonik, maçonniek: —ic emblems, jewels = vrijmetselaars-insignes; —ic hall (lodge) = loge; —ry = metselaarswerk, vrijmetselarij.
Masque, mâsk, Masquerade, maskəreid, Zie Mask.; —r.
Mass, mâs, massa, troep, hoop, gesloten formatie van cavalerie, brigade kolonne van infanterie; — verb. (zich) tot een massa verzamelen: The —es and the classes = het volk en de aristocraten; A — of information = groote hoeveelheid kennis; The Boers are —ing in entrenched positions; —-meeting = algemeene bijeenkomst; —iness, subst. v. —y = omvangrijk, zwaar, in massa.
Mass, mas, mis: To attend (the) —, To go to —; To say — = de mis lezen; High (Low, Morning) — = hoogmis (stille —, vroeg—); —-book.
Massachusetts, masətšûsəts.
Massacre, masəkə, subst. moord, bloedbad; — verb. in het wilde moorden.
Massage, masidž, masâž, massage: Massagist, masâdžist, masseur.
Masseter, masîtə, kauwspier.
Masseur, Masseuse, beide Fr. uitspr.
Massinger, masinžə.
Massive, masiv, massief; subst. —ness.
Mast, mâst, subst. mast; vrucht van eik of beuk, eikels, beukenoten; — verb. van masten voorzien; mesten: He has served before the — = als gewoon matroos gediend; The flag floated at half—-high = woei halfstok; —-beam = zeilbalk; —-head = subst. top van den mast; — verb. in top hijschen; voor straf naar boven in den mast zenden; —-hoop = band of hoepel om den mast; —ed: Four —ed vessel = schip met 4 masten = Four-—er; —less = zonder masten.
Master, mâstə, subst. meester, vader (v. armhuis, etc.), heer, baas, “vrind”, eigenaar, jongeheer, magister, kapitein of gezagvoerder; adj. voornaamste, hoofd - -, meester - -; — verb. vermeesteren, meester worden, overwinnen, temmen: The — and matron of a workhouse = vader en moeder; Under-— = ondermeester; He is a — at it = hij is het meester; — of the horse = stalmeester; — of (the) (Fox)hounds = jagermeester van een vossenjachtclub; —-at-arms = provoostgeweldiger; —-builder = bouwmeester; —-hand = meesterhand; —-key = looper; —-man = opzichter, baas; —-mariner = gezagvoerder: —-mason = meestersteenhouwer; —mind = buitengewone geest, supérieur mensch; —piece = meesterstuk; —-spring = hoofdveer; —-stroke = meestertrek, meesterstuk; — theme = hoofdthema; —work = meesterstuk; —dom = heerschappij; —ful = bazig, despotisch; —hood = meesterschap; —less = zonder meester; —liness, subst. v. —ly = meesterlijk, meesterachtig; —ship = meesterschap, meerderheid; leeraarschap: The French —ship = betrekking van leeraar in het Fransch; —y = heerschappij, grootere voortreffelijkheid, meerderheid, voorrang: To gain (get, obtain) the —y = de overhand winnen, heerschappij verkrijgen, onderwerpen.
Mastic, mastik, mastik, mastikboom (= —-tree); —-cement.
Masticate, mastikeit, kauwen, fijn snijden; subst. Mastication; Masticator = hakmachine; Masticatory = kauw - -.
Mastiff, mastif, bulhond, kettinghond.
Mastodon, mastədon, mastodont.
Mat, mat, subst. mat, grof vlechtwerk; — verb. met matten beleggen, dooreen vlechten, verwarren, in de war zijn of raken: She rubbed her boots on the — = veegde af; His —ted hair = verward haar; He was —tedly unkempt = ongekamd, met verwarde haren; —-grass = borstelgras; —ting = matten, matwerk, stof voor matten.
Mat, mat, dof, mat; subst. wit metaal, matbijtel; — verb. matteeren; —-gold = matgoud.
Matabele, matəbîl.
Matador(e), matədö, matədö, matador.
Match, matš, subst. zwavelstok, lucifer, lont; weddenschap, wedstrijd, partij, partuur, gelijke, paar, span; huwelijk; adj. bij elkaar passend; — verb. paarsgewijze vereenigen, verbinden, iets passends uitkiezen, evenaren, opgewassen zijn tegen, zich meten, passen bij: Is it a —? = wedden? It is a —! = top! The — will not come off = de wedstrijd gaat niet door; I am no — for him = ben niet tegen hem opgewassen; He is a — for them all = hij staat ze allemaal; He is more than a — for you = je de baas; To light (strike) a — = een lucifer aanstrijken; You two are well —ed = jullie beiden hoort net bij elkaar; This —es it nicely = komt er mooi bij; To — pennies = pennies opgooien (dobbelen); Not to be —ed (Vergel.: — to none) = onvergelijkelijk; To be ill-(well-)—ed = slecht (goed) bij elkaar passen; —-box = lucifersdoosje; —-girl = meisje dat lucifers verkoopt; —lock = snaphaan; —-maker = lucifersfabrikant; koppelaar(ster): She is a —-making woman = zij mag graag zoo’n beetje koppelen; —-wood = hout voor zwavelstokken, splinters: The carriage collapsed like —-wood = viel in elkaar als tonder; —able = vergelijkbaar; —less = onvergelijkelijk; subst. —lessness.
Mate, meit, subst. maat, kameraad, helper, echtgenoot(e), mannetje, wijfje; — verb. vereenigen, trouwen, paren: Chief — = eerste stuurman; Cook’s — = koksmaat; Mating-season = paartijd.
Mate, meit, mat (schaakspel); — verb. mat zetten.
Mater, meitə, moeder, “ouwe vrouw”.
Material, mətîriəl, subst. (bouw)stof, materiaal; adj. stoffelijk, lichamelijk, gewichtig, belangrijk, materialistisch: He bought the house for its —s = voor afbraak; That is — to your welfare = van ’t hoogste belang voor uw welzijn; His health improves —ly = gaat hard vooruit; They were left —ly undisturbed = in hoofdzaak met rust gelaten; —ism = materialisme; —ist; —istic = materialistisch; —ity, matirialiti = stoffelijkheid; —ization = verstoffelijking; —ize = verstoffelijken, realiseeren, stoffelijk voordeel (of resultaat) opleveren; een stoffelijken vorm aannemen: All our announcements and posters have failed to —ize = al onze advertenties en aanplakbiljetten hebben niets gegeven; —ness = Materiality.
Maternal, mətɐ̂n’l, moederlijk, moeder.., van moederszijde; Maternity = moederschap: —-hospital = kraaminrichting.
Mathematic(al), mathimatik(’l), wiskundig: —al master = leeraar in de wiskunde; —ian, mathimətiš’n, wiskundige; —s = wiskunde: The higher —s.
Mather(s), madhə(z), Mathew, mathjû.
Matie, meiti, maatjesharing.
Matins, matinz, vroegdienst, metten; Matinee, matinei, matinée; morgenjapon.
Matricidal, meitrisaid’l, matrisaid’l, moedermoord betreffend; Matricide, meitrisaid, matrisaid, moedermoord(er).
Matriculate, mətrikjuleit, immatriculeeren, (zich laten) inschrijven in de matricula (= naamlijst); subst. Matriculation.
Matrimonial, matrimounj’l, huwelijks...: — agents; — duties = huwelijksplichten; He is —ly inclined towards her = wenscht haar tot zijne vrouw; Matrimony = huwelijk, huwelijke staat.
Matrix, meitriks, matriks, baarmoeder, matrijs, de vijf eenvoudige kleuren bij het wolverven (zwart, wit, blauw, rood en geel).
Matron, meitr’n, matrən, matrone, deftige dame, directrice van eene instelling of inrichting; —age, meitrənidž, matrənidž, de gezamenlijke matrons, moederlijke zorg; —al = matroneachtig; adj. bejaard; —hood = —age; —ize = als oudere dame (of moeder) eene jonge vergezellen; —like = —al = —ly; —ship.
Matter, matə, subst. stof, zelfstandigheid, onderwerp, voorwerp, zaak, gewicht, etter, kopij (drukkerij), enz.; — verb. van belang zijn: What is the — = wat is er, scheelt er aan? There is always something or other the — with him = hij heeft ook altijd wat; It is a — of five pounds = zoo wat 60 gld.; That is a — of course = dàt spreekt vanzelf; — of fact = daadzaak: As a — of fact = feitelijk; He is a —-of-fact person = door-en-door practisch, nuchter; That is a great — = dat is van groot gewicht; It is not a — of pence but principle = niet om de knikkers, maar om ’t recht van ’t spel; I might go there for that —, for the — of that = wat dat aangaat; No — = het kan niet schelen; It is no — of mine = ’t gaat mij niet aan; No such — = niets daarvan; The subject — = stof, inhoud; It does not — = het kan niet schelen; It —s to us all = is van belang voor ons allen; It cannot greatly — = het doet er niet veel toe; —ful = van gewicht, kracht of beteekenis.
Matthew, mathjû; Matthias, məthaiəs.
Mattock, matək, houweel.
Mattress, matrəs, matras; fascine: Hair —, Wire —.
Maturate, matjureit, rijp worden; subst. Maturation; Maturative = rijpend, ettering bevorderend (middel).
Mature, mətjûə, adj. rijp, gerijpt, geheel ontwikkeld, voorbereid, vervallen (van wissels): A —d plan = wel overlegd, goed doordacht; —d wine = belegen wijn; —ness = Maturity = rijpheid, vervaltijd (van wissels): At (On) maturity = op den vervaldag.
Matutinal, matjutain’l, mətjûtin’l, vroeg, morgen...: — bath; — habits = gewoonte vroeg op te staan.
Maud, môd, Maud; wollen plaid (Schotl.).
Maudlin, môdlin, sentimenteel, schreierig als een dronken mensch; subst. —ism.
Maugre, môgə, niettegenstaande.
Maul, môl, subst. groote houten hamer, moker; — verb. ranselen, verpletteren, beschadigen, mishandelen: They were severely —ed = leelijk toegetakeld, scherp gecritiseerd.
Maulstick, môlstik, schildersstok.
Maunder, môndə, mândə, op huilerigen toon spreken, mompelen, bazelen; subst. gebazel; —er = brompot.
Maundy-Thursday, môndi-thɐ̂zdi, Witte Donderdag, waarop; — money wordt uitgedeeld door den Royal Almoner in Whitehall (gewoonlijk een penny voor elk levensjaar van den vorst).
Maurice, môris, moris; Mauritania, môriteinjə; Mauritius, môrišəs.
Mausoleum, môsəlîəm, praalgraf.
Mauve, mouv, subst. purperkleur; adj. purperkleurig.
Mavis, meivis, zanglijster.
Maw, mô, pens, krop, maag; bek: Hold your —; —-seed = papaverzaad; —-worm = spoelworm; huichelaar.
Mawkish, môkiš, walgelijk; overgevoelig, kieskeurig; subst. —ness.
Maxilla, maksilə, kaakbeen, bovenkaak; —ry, maksiləri, maksiləri, tot de kaak behoorende, kaak....
Maxim, maksim, grondstelling, leerspreuk.
Maxim, maksim: — gun = soort van repeteerkanon.
Maximal, maksim’l, maximaal.
Maximilian, maksimilj’n.
Maximum, maksimɐm, subst. maximum; adj. grootst.
May, mei, Mei, lente, meidoorn, Meifeest; — verb. het Meifeest vieren; —-bloom = meidoorn; —-bug, —-chafer = meikever; —-day = eerste Mei; —-duke = meikers; —-flower = meidoorn, dotterbloem, pinksterbloem, koekoeksbloem; —-fly = soort watervlieg (Sialis lutaria); —-lady, —-queen = meikoningin; —-lily = lelietje v. dalen; —-meeting = Mei-bijeenkomst (van godsdienstige sekten en staatkundige partijen); —-pole = meiboom, boonestaak (fig.), “kip op hooge pooten”; To go a-—ing = naar het Meifeest gaan; —er = iemand, die aan het Meifeest deelneemt.
May, mei, mogen, kunnen, misschien kunnen: Be this as it — = laat dit zijn zoo het wil; As one — say = om zoo te zeggen; He that will not when he —, When he will he shall have nay = Wie niet wil wanneer hij mag, Krijgt een “neen” op later dag; Come what come — = laat er gebeuren wat er wil; It — be fine to-morrow = het is morgen misschien wel mooi weer; —be = kan zijn, misschien; —hap = misschien, toevallig.
Mayence, Fr. uitspr. Mainz; Mayfair, meifêə; Mayhew, meihjû; Maynooth, meinûth, meinûth; Mainwaring, manəriŋ.
Mayor, meijə, mêə, burgemeester (in Engeland); adj. —al; —alty = burgemeestersambt; —ess = burgemeestersvrouw; —ship.
Mazard, mazəd, schedel, kop; soort kers.
Maze, meiz, subst. doolhof; verlegenheid; — verb. verbijsteren, in verlegenheid brengen; subst. —ment = Maziness.
Maz(o)urka, məzɐ̂kə, məzûəkə, mazurka.
Mazy, meizi, verward, verlegen.
Me, mî, mij: That’s — = dat ben ik.
Mead, mîd, mee (drank); weide (dichterl.).
Meadow, medou, weide, weiland: —-land = weiland; —-mouse = veldmuis; —sweet = moeras-spiraea; theeboompje (Amer.); —y = uit weiden bestaande.
Meager, Meagre, mîgə, adj. mager, schraal, onvruchtbaar: A — correspondent = die weinig schrijft; subst. —ness.
Meal, mîl, maal, maaltijd; meel; maismeel (Amer.); — verb. tot meel of poeder wrijven, met meel bestrooien: You shall be paid in — or malt = in elk geval, hoe dan ook; He made a — of it = at er zijn bekomst van; —-brimstone = fijne zwavel; —-man = meelhandelaar; —-meat = meelspijs; —-time = etenstijd; —-worm; —ies, mîliz, maïs (Z.-Afr.); —iness = meligheid; —y = melig, droog, als met meel bestoven; —y-mouthed = schuchter, zoetsappig.
Mean, mîn, laag, gering, armelijk, gemeen, onbeteekenend, slaafsch, krenterig: No — foe = een tegenstander, dien men niet moet onderschatten; There was nothing — about the party = het was eene royale partij; He has a — look about him = de krenterigheid ziet hem de oogen uit; You are too — for anything = je bent al heel min; —-born = van lage geboorte; —-spirited = kruiperig; subst. —-spiritedness; To think —ly of = geringschatten; —ness = nederige stand, gemeenheid, krenterigheid.
Mean, mîn, middelmatig, gemiddeld; subst. middelweg, middelmaat, middenterm, middel: — distance = gemiddelde; The — Englishman = gewone; A golden — = middelweg; To adopt a happy — = middelweg kiezen; In the —time = ondertusschen; In the —while = middelerwijl; —s = middel, middelen, inkomsten, oorzaak: He lives beyond his —s = boven zijn vermogen; By —s of = door middel van; You must go there by all —s (= vooral); You must try to do it by any —s = hoe dan ook; By no —s = vooral niet; By no manner of —s = in geen geval.
Mean, mîn, meenen, bedoelen, beteekenen, van plan zijn, voornemens zijn: He meant no harm = bedoelde het goed; To — mischief = wat in het schild voeren; I do not — to say = ik wil niet zeggen; You —t (it) well = hebt het goed bedoeld; —ing = beteekenis, meening; —ingless = zonder zin.
Meander, miandə, subst. kronkeling, doolhof; — verb. kronkelen, zich slingeren, drentelen: You tell him my very words, and no —ing of your own = zonder verdraaiing.
Meandrina, mîəndrainə, hersenkoraal.
Meandrous, miandrəs, kronkelend.
Meant, ment, imp. en p.p. van to mean.
Mease, mîz, mîs: — of herrings = ± 500 haringen.
Measles, mîz’lz, mazelen, puisten (bij varkens): To have —; Measly, mîzli, aan de mazelen lijdend; puisterig, gevlekt, vuil, jammerlijk, armzalig: I will break every bone in your — skin = ik zal je fijn wrijven, vuile kerel!
Measurable, mežurəb’l meetbaar; subst. —ness; Measure, mežə, subst. maat, maatstaf, verhouding, aandeel, versmaat, (tijd)maat, maatregel, gematigdheid, statige dans; — verb. meten, afmeten, toemeten, opmeten, afleggen: Lineal, Square — = lengtemaat, vlaktemaat; — of capacity = inhoudsmaat; Beyond (Out of) all — = buitenmate; In a (In some) — = in zekere mate; In a great — = grootendeels; Made to — = naar maat; — for — = leer om leer; I had soon taken his — = begrepen wat hij waard was; To take —s = maatregelen nemen; To — one’s length = languit vallen; Before daybreak we —d twenty miles = legden wij twintig mijlen af; To — one’s words = wikken en wegen; To — swords = de degens kruisen; He —d me for a coat = nam mij de maat voor eene jas; As you — so it will be —d unto you = met de mate waarmede gij meet, met die mate zal u gemeten worden; —d = gelijkmatig, rhythmisch, gematigd, afgemeten; —less = mateloos; subst. —lessness; —ment = meting, maat, tonneninhoud: I have taken your —ments and laid down the chart of your genius = ik heb u gewogen en uitgemaakt wat ge waard zijt; —ment-goods = goederen waarvoor vracht wordt betaald naar maat of grootte; —r = (land)meter, meetinstrument; Measuring-chain (—-cord, —-tape) = maatstok, etc.
Meat, mît, voedsel, kost, spijs, vleesch: Spoon— = lepelkost; Sweet— = bonbons; I am as full of business as an egg is full of — = ik ben naar alle kanten bezet; One man’s — is another man’s poison = den een zijn dood is den ander zijn brood; je kunt niet alle menschen over den zelfden kam scheren; The — is done = goed gaar, op; — and drink: That is — and drink to me = dat is een kolfje naar mijne hand; —ball = balletje; —-biscuit = vleeschbeschuitje; —-extract; —-hook = vleeschhaak; spuuglok; —-jack = spit; —-offering = Joodsch spijsoffer; —-safe = vliegenkast; —-salesman = groothandelaar in vleesch; —-tea = thee met vleesch (visch, etc.); —iness, subst. v. —y = vleezig, stevig.
Mebbe, mebi, verk. van maybe = misschien.
Mechanic, mikanik, subst. mechaniker, handwerksman; adj. = —al, werktuigelijk, machinaal (ook fig.), handwerks.., werktuigkundig: —al drawing = lijnteekenen; —al engineer = werktuigkundige; —al powers = werktuigelijke krachten; —al science = werktuigkunde; —ality = —alness = werktuigelijkheid; —ian, mekəniš’n, werktuigkundige; —s = werktuigkunde; Mechanism, mekənizm, mechaniek, machinerie, mechanismus, techniek; Mechanist, mekənist = technicus, machinist.
Mechlin, meklin, Mechelen, Mechelsche kant = — lace.
Meconium, mikouniəm, kinderpek; papaversap.
Medal, med’l, medaille; — verb. een medaille verleenen; —lic, mədalik, medaille..; —lion, mədalj’n, penning, medaillon; —list = penningkundige, met eene medaille bekroonde, stempelsnijder.
Meddle, med’l, zich bemoeien: Do not — with my affairs = steek je neus niet in; Do not — with him = bemoei je niet met hem; I will neither — nor make with it = ik wil er niets mee te maken hebben; —r = bemoeial; —some = bemoeiziek; subst. —someness = Meddling, ook subst.
Mede, mîd, Mediër; Medea, midîə; Media, mîdjə, Medië.
Medieaeval, mediîv’l, mîdiîv’l, middeleeuwsch, ouderwetsch; —ism = de geest der middeleeuwen in kunst en godsd.; —ist = kenner, vereerder der middeleeuwen; —ize = middeleeuwsch maken.
Medial, mîdj’l, gemiddeld, middel..: An initial, —, final consonant = begin-, tusschen- en eindmedeklinker.
Median, mîdj’n, midden-, mediaan; van Medië, Mediër.
Mediate, mîdi-it, adj. in het midden liggend, bemiddelend; — verb. (mîdieit) bemiddelen, als bemiddelaar optreden: —d water = suikerwater; Mediation = bemiddeling, voorspraak.
Mediatization, mîdiətizeiš’n, subst. v. Mediatize, mîdiətaiz, aan de staatsoverheid onderwerpen.
Mediator, mîdieitə, bemiddelaar; adj. Mediatorial; Mediatorship; Mediatory = bemiddelend; Mediatrix of Mediatrix.
Medical, medik’l, geneeskundig, medisch: — man = medicus; — Officer and Public Vaccinator for a district = districts armendokter; — profession = beroep van geneesheer; — student; Medicament, mədikəment, medikəment, geneesmiddel; Medicamental = geneeskrachtig, heilzaam; Medicaster, medikastə, kwakzalver; Medicate, medikeit, geneeskundig bereiden of behandelen: —d coffee = geneeskrachtige koffie; Medication = geneeskundige behandeling of bereiding; Medicinal = genezend; Medicine, medsin of medisin, geneesmiddel, geneeskunde: —-bag = amulet; —-chest = medicijnkist; —-man = dokter en bezweerder bij de indianen; Medico, medikou, subst. esculaap (schertsend voor geneesheer); adj. tot de geneeskunde behoorende: —-legal = tot de gerechtelijke geneeskunde behoorende; Medicus.
Medina, midînə, Medina; midainə, rivier op Wight, stad in Amerika.
Mediocre, mîdioukə, middelmatig: Mediocrity, mîdiokriti, middelmatigheid; middelmatig persoon.
Meditate, mediteit, peinzen, overdenken, voornemens zijn; subst. Meditation; Meditative = peinzend, zinnend; subst. —ness; Meditator.
Mediterranean, meditəreinj’n, subst. Middellandsche Zee; adj. middellandsch.
Medium, mîdj’m, subst. midden, middensoort, middenterm, middenstof, middel, hulpmiddel, Engl. mediaanpapier (18 × 28 inches), medium; adj. middelmatig, gemiddeld, doorsnee - -: Through the — of = door bemiddeling (middel) van; At a —; Of (Less than, Over the) — height; —-sized.
Medlar, medlə, mispel(boom): —-tree.
Medley, medli, verwarde massa, potpourri; ook adj.
Medulla, midɐlə, merg; —ry, midɐləri, medələri = mergachtig, merg..; Medullin = mergstof (Chem.).
Medusa, mədjûsə, Medusa; kwal; mv. Medusae, mədjûsî.
Meed, mîd, belooning, prijs, gift.
Meek, mîk, zachtzinnig, gedwee, nederig: —-eyed; —-spirited = deemoedig; subst. —ness.
Meerschaum, mîəšôm, mîəšəm, meerschuim(en pijp): — pipe.
Meet, mît, subst. bijeenkomst (van sportlui); rendez-vous voor sportlui, de gezamenlijke sportlui; adj. geschikt, gepast; — verb. ontmoeten, tegenkomen, tegemoet komen, bijeenkomen, nakomen, voldoen aan, bevredigen, enz.: A — of the Coaching Club = het samenkomen van de leden dier club, die coaches bezitten en zelf rijden; It is not — that he should go there = gepast; Mere inquiry will not — the case = is in dit geval niet voldoende; More is meant than —s the ear (the eyes) = daar schuilt meer achter dan men hoort (ziet); That —s the needs of the people = voorziet in; To — due protection = behoorlijk gehonoreerd worden; I will — you on equal terms = durf je staan onder gelijke voorwaarden; The carriage is to — the 10,5 train = moet zijn aan; To — a person halfway = tegemoet komen (fig.); Have I met you? = Is dit wat u verlangt, is dit voldoende? I met with a kind reception = vond eene vriendelijke ontvangst; I met with an accident, a bad fall, a loss = mij trof, ik kreeg; He is met with = heeft zijn man gevonden; He tried to — all my wants = te voorzien in; I cannot make both ends — = ik kan niet rondkomen; I sent to — them at the 10,5 train = liet ze afhalen; It was Greek — Greek, diamond cut diamond = twee Joden weten wat een bril kost; —ing = ontmoeting, bijeenkomst, vergadering, zitting, dag van een wedren, samenvloeiing: The —ing was called for half-past seven = bijeengeroepen tegen; —ing-house = bedehuis; —ing-place = plaats van samenkomst; —ly = gepast, geschikt; —ness = gepast-, geschiktheid.
Meg(a), in samenst.: groot, reusachtig; Megaphone, megəfoun, soort roeper; Megascope, megəskoup, megascoop.
Megass(e), məgas, uitgeperst suikerriet.
Megrim, mîgrim, schele hoofdpijn, gril, luim: —s = zwaarmoedigheid; koliek bij paarden.
Melancholia, mel’nkouljə, zwaarmoedigheid; —c = melancholicus; Melancholy, mel’nkoli, subst. zwaarmoedigheid, droefgeestigheid; ook adj.: He is in a — mood = in eene sombere stemming.
Melanesia, melənîsiə; —n, adj. en bewoner van M.
Melanite, melənait, melaniet.
Mêlée, Fr. uitspr. handgemeen.
Melib(o)ean, melibîən: — song = beurtzang.
Melilot, melilot, honigklaver.
Melinite, melinait, meliniet.
Meliorate, mîljəreit, verbeteren, beter worden; subst. Melioration; Meliorism, mîljərizm, de leer dat verbetering mogelijk is; het streven hiernaar.
Meliphagous, məlifəgɐs, honigetend; Melliferous = honig voortbrengend; Mellifluence, məlifluens, zoetvloeiendheid; Mellifluent, Mellifluous = zoetvloeiend; Mellite, melait, honigsteen.
Mellay, melei = Mêlée.
Mellow, melou, adj. overrijp, beursch, zacht, aangenaam, vol, gerijpt, lichtelijk aangeschoten; — verb, rijp of zacht worden (maken), rijpen, benevelen; subst. —ness; —y = zacht, zoet.
Melodious, miloudiəs, welluidend; subst. —ness; Melodist = componist of zanger v. melodiën; verzameling van melodiën; Melody, melədi, melodie, zangwijze.
Melodrama, melədrâmə, melədrâmə, melodrama; —tic, melədrəmatik, melodramatisch; —tist, melədramətist, schrijver van melodramas.
Melon, mel’n, meloen: —-juice.
Melpomene, melpominî; Melrose, melrouz.
Melt, melt, smelten, wegsmelten, week worden, verteederen, roeren; ook subst.: All the spoons were —ed down = gesmolten; To — into tears; —er = metaalsmelter, smeltoven; —ing heat = zwoele hitte; —ing sorrow = zielsroerende smart; —ing-furnace; —ing-point; —ing-pot = smeltkroes; —ingness = weekheid (fig.).
Member, membə, lid, deel, lidmaat, afgevaardigde: — of Parliament (= M. P.) = lid van het House of Commons; —ed = geleed; —ship = lidmaatschap, ledental.
Membrane, membrein, vlies, perkament: Mucous — = slijmvlies; Membranous, membrənɐs, vliezig.
Memento, mimentou, herinnering, gedenkteeken: — mori (môrai) = gedenk te sterven.
Memoir, memwö, gedenkschrift, verhandeling: —s = Memorabilia.
Memorability, memərəbiliti, subst. v. Memorable, memərəb’l, merkwaardig, gedenkwaardig; subst. —ness.
Memorandum, memərand’m, memorandum, aanteekening, memorie; —-book = memoriaal.
Memorial, məmôriəl, gedenk..., gedachtenis...; subst. nota, memorie, necrologie, gedenkteeken (-feest): — Day = gedenkdag ter eere der in den burgeroorlog (1861–65) gevallen strijders (Amer.); —ist = schrijver van mémoires, indiener van een nota; —ize, məmôriəlaiz, een memorie indienen; herdenken: The municipalities —ized to the queen = dienden een verzoekschrift in bij.
Memorize, meməraiz, in het geheugen bewaren, uit het hoofd leeren; Memory, meməri, geheugen, gedachtenis, gedenkteeken: Her — fails her a bit now and then = laat haar wat in den steek; In — of = ter gedachtenis aan; Within the — of man = Within living — = sedert menschenheugenis; To call to — = zich herinneren; To quote from —.
Memphis, memfis; Memphian: — darkness = Egyptische duisternis.
Men, men, mv. v. Man: —-folk = manvolk; —-pleaser = oogendienaar.
Menace, menis, subst. bedreiging; — verb. (be)dreigen; —r.
Menad, mînad, Bacchante.
Menagerie, Menagery, mənadžəri, beestenspel.
Mend, mend, subst. verbetering, reparatie; — verb. beter worden, verbeteren, repareeren, verhoogen, vermeerderen: On the — = aan de beterhand; To — one’s efforts = verdubbelen; To — the fire = wat bij het vuur doen; To — one’s life (ways) = zich beteren; To — one’s pace = aanstappen; To — stockings = kousen stoppen; The prices have —ed = zijn omhoog gegaan; —er; —ing: A card of —ing = kaart stopgaren; A lapful of —ing = verstelwerk; —ing-basket; My boots want —ing = moeten gerepareerd worden.
Mendacious, mendeišəs, leugenachtig, valsch; Mendacity, mendasiti, leugen, leugenachtigheid.
Mendicancy, mendik’nsi, bedelarij, armoede; Mendicant = bedelend, bedel - -; bedelaar; bedelmonnik = — friar; Mendicity = armoede, bedelarij, bedelstaf.
Menial, mînj’l, dienst - -, huis - -, slaafsch, vuil, gemeen; subst. huisbediende, asschepoester.
Meningitis, menindžaitis, hersenvlies ontsteking.
Mennonist, menənist, Mennonite, menənait, Doopsgezinde.
Menses, mensîz, menstruatie; Menstrual = maandelijksch: — flow, — flux; Menstruate = menstrueeren; subst. Menstruation.
Mensurability, mensiurəbiliti, meetbaarheid; adj. Mensurable; subst. —ness; Mensuration = meting.
Mental, ment’l, ziels..., geestes...: — arithmetic = hoofdrekenen; — defectives = achterlijken; — deficiency = achterlijkheid; — faculties = geestesgaven; — power = geestvermogen; — reservation = heimelijk voorbehoud.
Menteith, mentîth.
Menthol, menthol, menthol: — cone (— pencil) = migrainestift.
Mention, menš’n, subst. (ver)melding; — verb. vermelden, noemen, gewagen: At a — of = bij vermelding van; To make (no) — of = (geen) melding maken van; “Don’t — it” = It is not worth —ing = “’t Is de moeite niet”; Not to — = om niet te spreken van; To be —ed in dispatches = eervol vermeld worden (mil.); Just — some = noem er eens een paar; —able: It is hardly — = het is haast niet noemenswaard.
Mentor, mentə, mentor, adj. Mentorial.
Mentz, ments, Mainz.
Menu, mənû, spijslijst.
Mephistophelean, mefistəfəlîən, adj. v. Mephistopheles, mefistofilîz, Mephistopheles.
Mephitic, mifitik, stinkend, verpestend; Mephitis, mifaitis, —m, mifaitizm, mefətizm, verpestende uitwasemingen of dampen.
Mercantile, mɐ̂k’nt(a)il, handels..., handeldrijvend; baatzuchtig: — code = wetboek van koophandel; The — marine = handelsvloot; — and trade schools = handels-, en vakscholen; — town = handelsstad.
Mercator’s Chart, mɐ̂keitəztšât, zeekaart volgens de projectie van Mercator.
Mercenariness, mɐ̂sənərinəs, veilheid; Mercenary, mɐ̂sənəri, loon - -, baatzuchtig, inhalig, veil; subst. huurling: — marriage = huwelijk om geld; — troops = huurtroepen.
Mercer, mɐ̂sə, zijdekoopman, manufacturier; —y = manufactuurzaak, (handel in) manufacturen of zijde.
Merchandise, mɐ̂tš’ndaiz, koopwaar.
Merchant, mɐ̂tš’nt, subst. koopman, groothandelaar; adj. handels - -, koopmans - -: —-fleet = koopvaardijvloot; —man = koopvaardijschip; —-service = handelsvloot, zeehandel; —-tailor = marchandtailleur; —able = gangbaar, willig.
Merciful, mɐ̂siful, genadig; barmhartig; subst. —ness; Merciless = meedoogenloos; subst. —ness.
Mercurial, məkjûriəl, Mercurius - -; vluchtig, levendig, wispelturig, kwikzilverachtig; subst. Mercuriality; Mercury, mɐ̂kjəri, Mercurius, kwikzilver.
Mercy, mɐ̂si, genade, barmhartigheid, vergeving: To be at the — of = overgeleverd aan de genade van; It was a —, he did not prosecute him = hij mocht van geluk spreken, dat..; Vergel. Lord, have — upon us = Heer, wees ons genadig; To beg (cry) for — = om genade smeeken; To throw oneself on the — of = zich op genade of ongenade aan iemand overgeven; We are thankful for small mercies = voor gering gunstbetoon; —-seat = troon der genade; verzoendeksel.
Mere, mîə, subst. grens, grenssteen; meertje.
Mere, mîə, louter, bloot: He is your — tool = slechts uw werktuig; —ly = enkel, alléén.
Meredith, merədith.
Meretricious, meritrišəs, ontuchtig; verlokkend, bedriegelijk: — courage = voorgewende moed; subst. —ness.
Merganser, məgansə, duikergans.
Merge, mɐ̂dž, verb. indompelen, verzinken, opgaan in (into): To be —d in = geheel opgaan in; —r = het opgaan van eene bezitting of een recht in een ander, van eene zaak in een andere.
Meridian, məridj’n, subst. middag, hoogste punt, meridiaan; adj. middag..., hoogte..., hoogste: — altitude = middaghoogte; — of the globe = koperen meridiaan; Meridional = meridiaan..., middag, zuidelijk: — distance = lengteverschil; Meridionality = zuidelijke of zuidwaartsche ligging of richting.
Merino, mərînou, subst. merinoswol, merinos, merinosschaap (= — sheep); adj. merinos...
Merit, merit, subst. uitstekendheid, waarde, voortreffelijkheid, verdienste (meest meervoud) (—s = hoofdzaken (Jur.)); — verb. verdienen, aanspraak hebben op, zich verdienstelijk maken: To make a — of necessity = van den nood een deugd maken; The matter must rest (stand) on its own —s = moet op zich zelf worden beschouwd; You have —ed well of the country = u verdienstelijk gemaakt jegens; —orious, meritôriəs, verdienstelijk; subst. —oriousness.
Merivale, meriveil.
Merkin, mɐ̂kin, pruik, toer; haarverf (Amer.); pompstok (van een kanon).
Merle, mɐ̂l, meerle.
Merlin, mɐ̂lin, steenvalk.
Mermaid(en), mɐ̂meid(’n), (zee)meermin; Merman, mɐ̂m’n, triton.
Merovingian, merəvindžən, Merovingisch; subst. Merovinger; Merrimac = merimak.
Merriment, meriment, vroolijkheid, pret; Merry, meri, vroolijk, luidruchtig, prettig, gunstig, aangeschoten: A — Christmas to you = ik wensch u een prettig kerstfeest; He was rather — = lichtelijk aangeschoten; They live there as — as the day is long = leven ... als vroolijk Fransje; To make — = pretmaken; To make — with a person = in ’t ootje nemen; —-andrew = grappenmaker, Jan Klaassen, hansworst; —-dancers = het Noorderlicht (Schotl.); —-go-round = mallemolen; —-making = subst. pret, vermaken; adj. vroolijk; —-meeting = pret, fuif; —thought = borstbeen (van eene kip).
Mersey, mɐ̂si, mɐ̂zi.
Mesenteric, mesənterik, tot het darmscheel behoorende; Mesenteritis, mesəntəraitis, darmscheelontsteking; Mesentery, mesəntəri, mezəntəri, darmscheel.
Mesh, meš, subst. maas; —es = netwerk, net (fig.), strik; — verb. verstrikken, verstrikt raken; —-work = netwerk; adj. —y.
Mesjid, mezdžid, moskee.
Mesmerism, mezmərizm, mesmerisme; Mesmerist = magnetiseur; Mesmerize = magnetiseeren; —r.
Mesne, mîn, tusschenkomend: — process = nevenproces; — profits = de winsten van een landgoed, in den tijd dat den rechtmatigen eigenaar onwettig het bezit daarvan is onthouden.
Mesopotamia, mesəpəteimjə.
Mess, mes, subst. gerecht, spijs, voer, viertal, gemeenschappelijke tafel, bak (van militairen en matrozen); wanorde, verwarring, vuile boel; — verb. gezamenlijk eten, voeren; dooreenwarren, bevuilen, bevlekken: A — of pottage = linzenschotel: To sell for a — of pottage = voor een linzenkooksel (Genesis XXV, 29); Captain of a — = bakmeester; We are four of a — = we eten met ons vieren; To be in a pretty — = er mooi uit zien (iron.); mooi in de klem zitten; He got himself into a — with the suds = maakte zich vuil met het zeepsop; To get into —es with feminines = intriguetjes hebben met; To make a — of = morsen, vuil maken, in wanorde brengen; I don’t like to be —ed about = dat er zooveel drukte om me (mijne ziekte) gemaakt wordt; To — about after other women = scharrelen met; —-beef = pekelvleesch; —-kit = eetgerei (mil.); —-mate = tafelgenoot, bakgast; —-room = kajuit voor gezamenlijke maaltijden; —-table; —y = vuil, verward: A —y toy = speelgoed, dat aanleiding geeft tot vuil maken van kleeren of tafel.
Message, mesidž, boodschap: To bear (carry, deliver) a — = overbrengen; To go on a — = een boodschap doen; To go —s for; Messenger, mes’ndžə, boodschapper, courier, bode, voorbode; kabelaring (scheepst.).
Messiah, məsaiə; Messias, məsaiəs; Messianic, mesianik, Messiaansch.
Messidor, mesidö, tiende maand van het republikeinsche jaar.
Messieurs, mešɐ̂z, Heeren = Messrs.
Mestee, mestî, kind van blanke en quadrone.
Mestino, mestînou, Mestizo, mestîzou, mesties, kind van Spanjaard (of Creool) en Indiaansche vrouw.
Met, met, imperf. en part. perf. van to meet.
Metal, met’l, subst. metaal, brons, compositie, spoorstaaf, grint of steengruis (voor wegen), gesmolten glas; aantal, kaliber (v. kanonnen); — verb. een weg met metal bedekken: The train went off the —s = derailleerde; —lic, mətalik, metalen: —lic pen = stalen pen; —lic vein = metaalader; —liferous = metaal bevattend; —liform, məteliföm, metaalachtig; —line, metəl(a)in: — water = mineraalwater; —list = metaalwerker: Gold —list = voorstander van den gouden standaard; —lography = wetenschap en beschrijving der metalen; —loid, metəlôid, metalloïde; —lurgy, metəlɐ̂dži, metallurgie.
Metamorphic, metəmöfik, metamorphisch; subst. Metamorphism; — verb. Metamorphize = Metamorphose, metəmöfous, metəmöfouz, metamorphoseeren; Metamorphosis = gedaanteverwisseling.
Metaphor, metəfö, metaphoor; —ic(al), metəforik(’l), overdrachtelijk, figuurlijk.
Metaphysical, metəfizik’l, metaphysisch; Metaphysician, Metaphysicist = bespiegelend wijsgeer; Metaphysics, metəfiziks, bespiegelende wijsbegeerte.
Metathesis, mətathəsis, metathesis.
Metayer, məteiə, landbouwer die de helft der opbrengst als pacht betaalt.
Mete, mît, subst. maat; grens (= —s); — verb. meten, toemeten: Full justice was —d out to him = hij kreeg geheel wat hem toekwam; The treatment, —d out to him = hem ten deel gevallen; To apply the vulgar —-yard to = een nuchteren maatstaf aanleggen.
Metempsychosis, mətempsikousis, zielsverhuizing.
Meteor, mîtjə, verheveling, meteoor; —ic, mîtiorik, meteoor...: —ic shower = groote menigte vallende sterren; —ic stone = —ite, mîtiərait = —olite, mîtiərəlait; —ologic(al), mîtiərəlodžik(’l), meteorologisch; —ologist = weerkundige; —ology = weerkunde.
Meter, mîtə, meter: Dry —, Wet — = drooge, natte meter; To examine the — = gasmeter opnemen; —age, mîtəridž, meting, meetloon.
Metheglin, mətheglin, mede (drank).
Methinks, mithiŋks, mij dunkt.
Method, methəd, methode, stelsel, proces; —ical, məthodik’l, methodisch; —ics, məthodiks, methodiek; —ism = de leer der —ists = aanhangers van de door John Wesley in Oxford gestichte secte (1729): —istic(al), methodistisch; streng methodisch; —ize = stelselmatig behandelen, methodisch rangschikken; —izer; —ology = (verhandeling over) methodiek.
Methought, mithôt, mij docht.
Methuen, məth(j)ûən, methuən; Methuselah, məthjûzələ.
Methyl, methil, methyl.
Meticulous, mətîkjuləs, bang, vreesachtig.
Metonic-Cycle, mitoniksailk’l, maancirkel (19 jaar).
Metonymic(al), metənimik(’l), metonymisch; Metonymy, mətonimi, metonymia.
Metre, mîtə, dichtmaat, versregel; meter (= 39.37 inches); Metric, metrik, metriek; metrisch = Metrical, metrik’l.
Metrograph, metrəgraf, instrument aan een locomotief, dat de snelheid van den trein, met den duur en het aantal malen “stoppen” aanwijst.
Metronome, metrənoum, metronoom; Metronomy = het meten der maat (muz.).
Metropolis, mətropəlis, zetel van een aartsbisschop, hoofdstad; Londen; Metropolitan, metrəpolit’n, subst. aartsbisschop; adj. aartsbisschoppelijk, tot een metropolis (tot Londen) behoorend: — Board of Works = Londensche bouwraad.
Mettle, met’l, (grond)stof, wezen, natuur, geest, vuur, ijver, moed: A man of — = voortvarend, van stavast; A horse of much — = vurig paard; — of youth = jeugdig vuur; To put a person on (to) his — = iemand aanzetten (aanleiding geven) al zijne krachten in te spannen; To try a person’s — = alles vergen van iemands krachten; —d = —some = vurig; subst. —someness.
Meuse, mjûz, Maas.
Mew, mjû, subst. zeemeeuw; ruikooi (vooral voor valken); schuilplaats; gemiauw: —s = stal(len); nauwe straat achter groote huizen waarop de stallen uitkomen; — verb. opsluiten; ruien, verharen; vernieuwen; miauwen: To — the feathers.
Mewl, mjûl, schreeuwen, drenzen (van kinderen); —er = schreeuwleelijk.
Mexican, meksik’n, subst. en adj. Mexicaan(sch); Mexico, meksikou.
Mezzo, medzə; — soprano = tweede sopraan; —tint(o) = mezzotint.
Mho, mou, Ohm (electr.).
Miaow, miau, miaauw!
Miasm(a), maiazm(a), (Meerv. —ata), miasma; —atic(al) = miasmen bevattend: — fever = malaria.
Miaul, miôl, miaul, miauwen.
Mica, maikə, mica; —ceous, maikeišəs, van of als mica, mica...
Micah, maika; Micawber, mikôbə.
Mice, mais, meervoud van mouse.
Michael, maik’l; Michaelmas, mik’lmas, St. Michiel (29 Sept.); herfst: —-term = zittingstermijn (vroeger van 2–25 Nov.; thans van 24 Oct.–21 Dec. = — Sittings); cursus van 1 Oct.–16 Dec. (Cambr.); 10 Oct.–17 Dec. (Oxf.).
Mich(e), mitš, zich verbergen, rondsluipen, de school verzuimen; —er.
Michigan, mišigən.
Mickle, mik’l, veel, groot; ook subst.: Many a little makes a — = veel kleintjes maken een groote.
Microbe, maikroub, microbe; adj. Microbic.
Microcosm, maikrəkozm, de wereld in ’t klein, de mensch; adj. —ic(al), maikrəkozmik(’l).
Micrometer, maikromətə, micrometer; adj. Micrometric(al); subst. Micrometry.
Micron, maikron, micron.
Micronesia, maikrənîziə, Micronesië.
Microphone, maikrəfoun, microphoon.
Microscope, maikrəskoup, microscoop; adj. Microscopic(al); Microscopist, maikrəskoupist, maikroskəpist = iemand, die met den microscoop werkt; Microscopy, maikrəskoupi, maikroskəpi = microscopie.
Mid, mid, subst. midden...; en verk. v. midshipman: —-air = tusschen hemel en aarde; —day = middag, subst. en adj.; —land = (in het) binnenland: The —lands = midden Engeland; The —land railway = de centraalspoor; — Lent = het midden van de vasten; —most = middelste; —night, subst. middernacht(elijk): He burns the —night oil = werkt tot diep in den nacht; —riff = middenrif; —shipman of —shipmite (schertsend) = adelborst (v. het oudste jaar); —-ships = midscheeps; —stream = midden van de stroom; —summer = hartje v. d. zomer (21 Juni): —summer-day = St. Jan (24 Juni); —summer-eve = 23 Juni; —way, subst. middenweg; adj. midden op den weg, halverwege; —winter = het hartje van den winter (21 December); —dy = —shipman; —st = midden: In the —st of.
Midden, mid’n, mesthoop.
Middle, mid’l, subst. het midden, middel (van het lichaam), tusschentijd, tijdschriftartikel; adj. midden, middelst, tusschen beiden, middelmatig: A clever — for an evening paper; — Ages = Middeleeuwen; — course = middenweg; — English = ’t Engelsch van ± 1150–1500; — finger; Above, Under (the) — height; — life = middenstand; — term = middenterm; Barely in —-age = van middelbaren leeftijd; —-aged people = menschen van middelbaren leeftijd; —-class = burgerklasse; Upper —-classes = deftige burgerstand; —-class school = Burgerschool; —man = agent, tusschenpersoon; —most = middenste; —-sized.
Middleburgh, mid’lbɐ̂g.
Middling, midliŋ, middelmatig, redelijk; —s = met zemelen vermengd meel (veevoeder).
Midge, midž, mug; dwerg = —t.
Midwife, midwaif, subst. vroedvrouw; — verb. verlosk. bijstand verleenen; —ry, midw(a)ifri, verloskunde: Professor of —ry.
Mien, mîn, uitzicht, gelaat, voorkomen, houding.
Miff, mif, verdrietig, droevig; — verb. verdrietig zijn.
Might, mait, imperf. van may: As best he — = zoo goed en zoo kwaad hij kon; He wept and well he — = en daar had hij wel reden voor.
Might, mait, macht, kracht: With — and main = uit alle macht; — is above right (— overcomes right) = macht gaat boven recht; —iness = grootheid, vermogen; hoogheid: Their High —inesses = Hunne Hoogmogenden; —y = machtig, groot, sterk: A —y swell = een groote banjer.
Mignonette, minjənet, reseda.
Migrant, maigr’nt, subst. zwerver, trekvogel; adj. trekkend, verhuizend, nomadisch = Migratory: — birds = trekvogels; — life; Migrate, maigreit, verhuizen of trekken naar een ander land; subst. Migration.
Mikado, mikâdou, keizer van Japan.
Mike, maik.
Milan, milən, milan, Milaan; —ese, milənîz, milənîs, Milanees, Milaneesch.
Milch, milš, melkgevend: — cow = melkkoe (ook fig.); —y = melkgevend.
Mild, maild, zacht, zachtaardig, vriendelijk; licht: — ale = licht bier; A — answer = vriendelijk antwoord; — and strong cigars; With — pique = eenigszins gepiqueerd; A — pun = flauwe; The dog is as — as milk = doodgoed; —-spirited (—-tempered) = zachtaardig; —-spoken = vriendelijk; To put it —ly = om het zacht te zeggen; subst. —ness.
Mildew, mildjû, subst. meeldauw, schimmel; — verb. beschimmelen, met meeldauw bedekt worden; —y = bedorven, beschimmeld.
Mile, mail, mijl (1609 meter); —-mark (—-post) = mijlpaal; —stone = mijlsteen: I have passed some black —stones = heb het vaak hard te verduren gehad; —age, mailidž, afstand in —s; uitgaven per mijl; reiskosten per mijl; A ten —r = een marsch van 10 mijl.
Miles, mailz; Milesian, m(a)ilîž’n, inwoner van Milete; Ier; adj. van Milete, Iersch.
Milfoil, milfôil, gemeen duizendblad.
Miliary, miliəri, gierst, gierstvormig, korrelig.
Militancy, milit’nsi, oorlog(stoestand); Militant = vechtend, strijdlustig: The Church —.
Militarism, militərizm, oorlogsgeest, oorlogspolitiek, militairisme.
Military, militəri, adj. krijgs ..., krijgshaftig; subst. mv. militairen: — Academy; — chest = oorlogskas; — code; He is a — man = militair; I am not a — man = anti-militair; — officer = officier van de landmacht; — school; — service; — stores = krijgsvoorraad.
Militate, militeit, (met against, from) = vijandig staan tegenover, strijden tegen.
Militia, milišə, militie, die zonder eigen toestemming niet buitenslands diende (nu vervangen door de “Special Reserve”): The land and the marine —; To serve in the —; —man.
Milk, milk, subst. melk, zog, sap; — verb. melken, melk geven: There’s no help for (It’s no use crying over) spilt — = gedane zaken nemen geen keer; To take in with the mother’s —; To — the pigeon = monnikenwerk doen; To — the wires = onrechtmatig vreemde telegrammen aflezen; zich een deel van een electr. stroom toeeigenen; —-and-water(y) = melk en water ..., flauw, sentimenteel; —-can; —-cure; —-farm; —-fever = zogkoorts; —-gauge = galactometer; —-glass = melkglas; —-jug; —-livered = laf; —maid; —man = melkboer; —-pail; —-punch = rum met melk, suiker en muskaat; —-sop = in melk geweekt brood; verwijfd persoontje; — Standard Act = wet tegen melkvervalsching; —-strainer = zeef; —-sugar; —-tooth = melktand; —-walk = wijk van één melkboer; —-woman; —er = melker; melkkoe = —ing-cow; —ing-time; —y = melkachtig: The —y Way = melkweg.
Mill, mil, molen, fabriek, spinnerij, tredmolen; vuistgevecht, rekenpenning (1⁄10 v. een Am. cent); — verb. malen, kartelen, vollen, walken, pletten, afranselen, doen schuimen: That brings grist to your — = dat zet zoden aan den dijk, geeft je voordeel; To go through the — = door ervaring leeren; He has been through the — = hij weet er alles van; Oil —; Saw —; St. Stephen’s — = het Parlement; Wind —; —-brook = molenbeek; —-clack, —-clapper = molenklapper; —-cog = tand (molenrad); —-dam = molendam; —-hand = molenaarsknecht; fabrieksarbeider; —-head = water vóór den molen; —-owner = fabrikant; —-pond = molenvijver: As quiet as a —-pond; —-race = molentocht; —-sail = molenzeil; —-stone = molensteen; To get between the upper and the nether —-stone = tusschen hamer en aambeeld geraken; He can see through (into) a —-stone = hij is scherpzinnig; —-tail = waterstroom uit een molen; —wright = molenmaker; —er = molenaar: There are many cases of drowning the —er in our annotated editions of standard authors = herhaaldelijk vinden we gevallen van te veel commentaar in de verklarende uitgaven van onze classieken; —er’s fee (toll) = maalgeld; —ing = het malen, kartelen (van muntranden).
Millenarian, milənêriən, duizendjarig, wat tot het duizendjarig rijk behoort; subst. geloover in de komst van het duizendjarig rijk; —ism = de leer der Millenarians; Millenary, milənəri, duizendjarig; subst. millennium: The — of King Alfred = de duizendste jaardag; Millennial, milenj’l, duizendjarig; Millennium, milenj’m, het duizendjarig rijk, de tijd van den Wereldvrede.
Milleped, miliped, Millipede, milipîd, duizendpoot, pissebed (oproller, varkentje).
Millerism, milərizm, leer v. William Miller (1782–1849); Millerist, Millerite, milərait, volgeling van Miller, die de onmiddellijke komst en heerschappij van Jezus verwachtte.
Millesimal, milesiməl, duizendste deel.
Millet, milət, gierst.
Milliard, miljəd, duizend millioen.
Milligram(me), miligram; Millimetre, Millimeter, milimîtə, milimitə.
Milliner, milinə, modemaakster, dameskleermaker; —y = (zaak in) modeartikelen; kostuumnaaien.
Million, milj’n, millioen: Two thousand —s of money; The — = de groote hoop, het groote publiek; —aire, milj’nêə, millionair; —ary = uit millioenen bestaande; —th = millioenste.
Millocrats, miləkrats, rijke fabrikanten.
Milnes, milz; Milo, mailou.
Milreis, milrîs, Portug. munt (± ƒ 2,70).
Milsey, milsi, melkzeef.
Milt, milt, subst. milt, horn (van visschen); — verb. bevruchten, kuit schieten; —er = hommer.
Miltiades, miltaiədîz; Milwaukee, milwôki.
Mime, maim, subst. mime, gebarenspel (bij Grieken en Romeinen), gebarenspeler; — verb. spelen; We cannot bedeck our inner selves, and make them — as the occasion pleases = kunnen ons innerlijk niet optooien, en het, al naar de gelegenheid het verlangt, eene rol doen spelen; —tic(al), m(a)imetik(’l), nabootsend; Mimic, mimik, nabootsend, nagebootst; subst. nabootser, mime; — verb. nabootsen: — warfare = spiegelgevecht, manoeuvres; Mimicker = nabootser; Mimicry = grappige nabootsing, aanpassing aan de omgeving ter eigen beveiliging (van dieren).
Mimosa, m(a)imousə, mimosa.
Mimsey, mimzi, maatje.
Minaret, minəret, minaret.
Minatory, minətəri, dreigend.
Mince, mins, fijn hakken, bewimpelen, gemaakt spreken of loopen (met kleine pasjes): He doesn’t — matters = neemt geen blaadje voor zijn mond; She —s her words = spreekt erg gemaakt; To — one’s steps = trippelen; —-meat = fijngehakt, met rozijnen, appelmoes, citroensap, vet, rum, etc., dooreengemengd vleesch voor pasteitjes: To cut into — (To make — of) = in de pan hakken (milit.); —-pie = eene met —-meat gevulde pastei; —r = hakmachine; geaffecteerd persoon; Mincingly = geaffecteerd, vergoelijkend.
Mind, maind, subst. gemoed, geest, ziel, neiging, herinnering, zorg, meening; — verb. letten op, behartigen, bezwaren hebben, bedenken, van zins zijn: Absence of — = verstrooidheid; Presence of — = tegenwoordigheid van geest; To be in one’s right — = bij zijn volle verstand zijn; To be of one — = eenstemmig zijn; To be in two (several) —s = weifelen; To be out of one’s — (of unsettled —) = niet recht bij zijn verstand zijn; To bear in — = bedenken; To bring (call) to — = te binnen roepen, zich herinneren; It came into my — = de gedachte kwam bij mij op; To cross (enter) one’s — = te binnen schieten; To feel in half a — = half van plan (geneigd) zijn; To have a great — = veel lust hebben; To have no — = geen lust hebben; To have all the — in the world = allemachtig veel trek hebben; To keep in — of = herinneren aan; He does not know his own — = weet zelf niet wat hij wil; To make up one’s — = besluiten; Make up your — for it = bereid er je op voor; I will put you in — of it = je er aan herinneren; He has set his — upon it = zijn zinnen er opgezet; Speak your — = zeg wat je op het hart ligt, spreek ronduit; Out of sight, out of — = uit het oog, uit het hart; The house has stood there time out of — = sedert onheugelijke tijden; To my — = naar mijn meening; So many men so many —s = zooveel hoofden, zooveel zinnen; — you! = denk er om! Never — = het kan niet schelen; — your own business = bemoei je met je eigen zaken; To — a child = passen op; To — the door = om de deur denken, op het huis passen; — your head-ache = denk om je hoofdpijn; I should not — going there now = zou er nu wel heen willen; — your P’s and Q’s = pas op je tellen; —-reading = gedachtenlezen; —-wandering = ijlen; —ed = geneigd, gezind: He was —ed to end the matter = van plan; If you are (so) —ed = als ge er zin in hebt; —ful = opmerkzaam, voorzichtig, gedachtig: Be —ful of your health = denk om; subst. —fulness; —less of everything = op (om) niets lettende (denkende).
Mine, main, van mij: This book is —; A friend of — = een mijner vrienden; — host = de waard.
Mine, main, subst. mijn, rijke bron; — verb. ondermijnen (ook fig.); uitgraven, graven naar: A gold —; —-captain = mijnopzichter; —r = mijnwerker, mineur.
Mineral, minər’l, subst. delfstof; adj. delfstoffelijk, mineraal: — kingdom = delfstoffenrijk; — oil; — salt = mineraalzout; — spring; — waters = minerale bronnen of wateren; —ization, subst. v. —ize = versteenen, mineraliseeren; —ogic, minərəlodžik; mineralogisch; —ogist, minəralədžist, delfstofkundige; —ogy, minəralədži, mineralogie.
Minerva, minɐ̂və, Minerva: — press = een vroegere drukkerij in Londen; de sentimenteele romans daar gedrukt.
Minever, Miniver, minivə, Siberisch eekhorentje, het bont daarvan.
Mingle, miŋg’l, vermengen, zich vermengen (onder), versmelten.
Miniature, minitj(u)ə, subst. miniatuur(portret); adj. verkleind, op kleine schaal: — painter.
Minibus, minibɐs, een soort wagen voor 4 personen.
Minify, minifai, verkleinen; geringschatten.
Minikin, minikin, zeer klein, geaffecteerd; subst. kleine speld; lieveling.
Minim, minim, zeer klein; subst. dwerg, kort gedicht; ± 65 m.Gram; halve noot; —s = de strenge orde der Miniemen; Minimal, minimaal; —ization, subst. v. —ize = verkleinen, verbloemen: Let us not —ize the danger of our situation; —um = minimum.
Mining, mainiŋ, subst. mijnbouw; adj. mijn ...: —-academy; —-shares (—-stocks) = mijn waarden.
Minion, minj’n, subst. slaafsch volgeling, gunsteling, lichtekooi: —s of the moon = roovers, dieven.
Minister, ministə, subst. (staats)dienaar, minister, gezant; werktuig (fig.); predikant (bij de dissenters); — verb. voorzien van, verschaffen, toedienen, besturen, ministreeren, oppassen, behulpzaam zijn, geneesmiddelen geven: — of the Colonies; — of Finance; — of Foreign Affairs; — of the Interior = M. van Binn. Zaken; — of War; Prime — = minister-president; He —ed to me in those days = verzorgde mij; —ial, ministîriəl, dienend, gehoorzamend; ministerieel; —ialist = regeeringsgezinde; Ministrant, dienend; subst. dienaar; Ministration = dienstverrichting, bestuur, geestelijke bijstand of ambt: The prisoner was offered his — = den gevangene bood men geestelijken bijstand aan; Ministry = ministerie, dienst, geestelijke functiën.
Minium, minj’m, roode menie.
Mink, miŋk, vison, soort v. Amer. wezel; pels daarvan.
Minnow, minou, soort witvisch, voorntje, stekelbaarsje.
Minor, mainə, kleiner, geringer, jonger, klein, gering; subst. minderjarige, mineur, minor, (term van een syllogisme): — key = mineur (muz.); — poets; — premiss, deze bevat den — term = het subject v. de conclusie; — third = kleine terts; Asia — = Klein-Azië; —ite, mainərait, Franciskaner; —ity, m(a)inoriti, minderheid, minderjarigheid.
Minorca, minökə; Minos, mainəs; Minotaur, minətö.
Minster, minstə, hoofdkerk, kloosterkerk.
Minstrel, minstr’l, minstreel; negerzanger (= Negro —); —sy = de kunst v. d. minstreel, balladenverzameling.
Mint, mint, munt, groote hoeveelheid; munt (plant); — verb. munten, slaan, smeden: Master of the — = muntmeester; A — of money = een “bom” duiten; The — and cummin of literature = de nietige dingen of kleinigheden in de letteren (Zie Matth. XXIII, 23); —-drops = pepermuntjes; —-julep = Amer. drank van suiker, spiritualiën en kruizemunt in gestampt ijs; —-sauce = kruizemuntsaus; —age, mintidž, het gemunte, muntrecht.
Minuend, minjuənd, aftrektal.
Minuet, minjuət, menuet: To step (walk) a — = een menuet dansen.
Minus, mainəs, minder dan, onder nul, met uitzondering van, waardeloos.
Minuscule, minɐskjûl, klein, gering; subst. kleine letter.
Minute, minit, subst. minuut, memorandum, concept, notulen, protocol (= —s); ook adj.; — verb. aanteekeningen maken, do minuten of notulen schrijven van: To keep the —s; —-book = klad- of notulenboek; —-glass = zandglas (van ééne minuut duur); —-gun = minuutschot; —-hand = minuutwijzer.
Minute, minjût, zeer klein, gering, precies, omstandig; subst. —ness; Minutiae, minjûšiî, kleinigheden, bijzonderheden.
Minx, miŋks, brutale meid.
Miracle, mirək’l, wonder, mirakel: To a — = wonderbaarlijk; To work —s = doen; Faith works —s; —-play = mysteriespel; Miraculous, mirakjəlɐs, wonderdadig, wonderbaarlijk, wonder..; subst. —ness.
Mirage, mirâž, luchtspiegeling, waan.
Mire, maiə, subst. slijk, modder; — verb. bemodderen, in den modder zakken of zitten, in ongelegenheid brengen: To be in the — = in den klem zitten; To drag into the — = door het slijk halen (fig.); —-crow = kap- of kokmeeuw; Miriness = modderigheid.
Mirror, mirə, subst. spiegel, toonbeeld; — verb. terugkaatsen: Dutch —s = spionnetjes; Halls of —s = spiegelzalen.
Mirth, mɐ̂th, vroolijkheid, opgewektheid; adj. —ful; subst. —fulness.
Miry, mairi, modderig.
Mirza, mɐ̂zə, Perzische eeretitel; vorst.
Misadventure, misədventjə, ongeluk, tegenspoed; adj. Misadventurous.
Misalliance, miselaiəns, huwelijk beneden iemands stand; Misallied, misəlaid, verkeerd vereenigd.
Misanthrope, misənthroup, menschenhater; adj. Misanthropic(al), misənthropik(’l); Misanthropist, misanthrəpist, menschenhater; Misanthropy, misanthrəpi, menschenhaat.
Misapplication, misaplikeiš’n, subst. v. Misapply, misəplai, verkeerd toepassen.
Misappreciate, misəprîšieit, onderschatten; subst. Misappreciation.
Misapprehend, misaprihend, misverstaan, verkeerd begrijpen; subst. Misapprehension.
Misappropriate, misəprouprieit, zich onwettig toeëigenen; subst. Misappropriation.
Misarrange, misəreinž, verkeerd rangschikken; subst. —ment.
Misbecome, misbikɐm, ongepast zijn voor, slecht passen bij; Misbecoming = ongepast, onvoegzaam.
Misbefitting, misbifitiŋ, onvoegzaam.
Misbegotten, misbigot’n, onecht, slecht.
Misbehave, misbiheiv, zich misdragen (oneself); Misbehaviour, misbiheivjə, wangedrag.
Misbelief, misbilîf, ongeloof, dwaalleer; Misbelieve = dwalen, ten onrechte gelooven; Misbeliever = ongeloovige.
Miscalculate, miskalkjuleit, misrekenen; verkeerd uitrekenen; subst. Miscalculation.
Miscall, miskôl, verkeerdelijk noemen.
Miscarriage, miskaridž, mislukking, verloren gaan, wangedrag, miskraam: A gross — of justice = grove rechterl. dwaling; Miscarry, miskari, verloren gaan (v. brieven), mislukken, een miskraam krijgen: He miscarries of puns every minute = hij zegt om den haverklap te onrechter tijd woordspelingen.
Miscast, miskâst, subst. misrekening; — verb. misrekenen, verkeerd berekenen.
Miscegenation, misədžəneiš’n, rassenvermenging.
Miscellanea, misəleinjə, allerlei; Miscellaneous = gemengd, door elkaar, verscheiden; subst. —ness; Miscellanist, misələnist, schrijver van mengelwerk; Miscellany, miseləni, mengeling, mengelwerk.
Mischance, mistšâns, subst. ongeluk, ramp; — verb. ongelukkig gebeuren.
Mischief, mistšif, onheil, ongeluk, kwaad, ondeugendheid, onrecht, schade, nadeel: The boys are never out of — = voeren altijd wat uit; He is bent on — = hij voert wat in zijn schild; Out of pure — = uit moedwil; To do — = ondeugend zijn; To get into — = kattekwaad uitvoeren; To lead into — = verleiden tot kwaad doen; To make — = onheil stichten; He means — = voert wat in het schild; There will be the — to pay = dan heb je de poppen aan ’t dansen; What the — is your little game = wat duivel voer jij in ’t schild? Like the very — = als dol; He is a —-maker = onheilstoker, tweedrachtstichter; A —-making fellow = kwaadstichter, onheilstoker; Mischievous, mistšivɐs, boos(aardig), schadelijk, moedwillig, noodlottig, ondeugend; subst. —ness.
Miscible, misib’l, vermengbaar.
Miscite, mis-sait, verkeerdelijk aanvoeren of aanhalen.
Miscomprehend, miskomprəhend, Misconceive, misk’nsîv, verkeerd begrijpen of beoordeelen; Misconception = verkeerde opvatting, wanbegrip, dwaling.
Misconduct, miskondəkt, wangedrag, verkeerde behandeling.
Misconduct, misk’ndɐkt, slecht besturen of behandelen: To — oneself = zich slecht gedragen.
Misconjecture, misk’ndžektjə, subst. valsche gissing; — verb. verkeerdelijk gissen of berekenen, misrekenen.
Misconstruction, misk’nstrɐkš’n, misvatting, verkeerde uitlegging; Misconstrue, miskonstrû, verkeerd opvatten of uitleggen.
Miscount, miskaunt, subst. misrekening; — verb. verkeerd tellen of rekenen.
Miscreant, miskriənt, afschuwelijk, gemeen; subst. ellendeling, schurk.
Miscue, miskjû, subst. misstoot (bilj.); — verb. misstooten.
Misdate, misdeit, subst. verkeerde dagteekening; — verb. verkeerd dateeren.
Misdeal, misdîl, subst. het verkeerd geven (van kaarten); — verb. verkeerd geven: To make a —.
Misdeed, misdîd, misdaad.
Misdeem, misdîm, verkeerd beoordeelen.
Misdemean, misdimîn: To — oneself = zich slecht gedragen; —ant = misdadiger; —our, wangedrag, misdrijf.
Misdirect, misdirekt, verkeerd adresseeren, verkeerd leiden; subst. —ion.
Misdo, misdû, misdû, verkeerd doen, een vergrijp begaan; —er; —ing = vergrijp, misdaad.
Misemploy, misəmplôi, verkeerdelijk toepassen, misbruiken; subst. —ment.
Misenter, misentə, valschelijk boeken; Misentry = verkeerde boeking.
Miser, maizə, vrek.
Miserable, mizərəb’l, ellendig, verachtelijk, waardeloos, ongelukkig: The —s = katterigheid; subst. —ness.
Miserere, mizərîri, boetpsalm (51), miserere, weeklacht; — verb. drek braken: — Day = Aschwoensdag.
Misery, mizəri, ellende, ramp, ongeluk.
Misfeasance, misfîz’ns, overtreding, misbruik van ambtelijke bevoegdheid.
Misfit, misfit, (iets) wat slecht past; — verb. niet passen: This coat is a —; A — suit.
Misform, misföm, misvormen; subst. Misformation, misvorming.
Misfortune, misfötjən, ongeluk, ongelukje (= misstap): —s never come singly = een ongeluk komt nooit alléén.
Misgive, misgiv, met twijfel of argwaan vervullen: My heart (mind) misgave me = ik vreesde het ergste; Misgiving = angstig voorgevoel, twijfel.
Misgovern, misgɐvən, slecht besturen; subst. —ment = wanbeheer, wanbestuur.
Misguidance, misgaid’ns, verkeerde leiding; Misguide, misgaid, verkeerd leiden, op een dwaalspoor brengen.
Mishap, mishap, ongeluk, ongeval, misstap; To have a —.
Mishmash, mišmaš, mengelmoes, hutspot.
Mishna(h), mišnə, een afdeeling van den Talmud; Mishnic = tot de M. behoorende.
Misinfer, misinfɐ̂, verkeerdelijk opmaken.
Misinform, misinföm, verkeerd inlichten; subst. —ation; —er.
Misintelligence, misintelidžens, verkeerde inlichting, valsch bericht.
Misinterpret, misintɐ̂prət, verkeerd uitleggen; subst. —ation; —er.
Misjoin, misdžôin, slecht of verkeerd verbinden.
Misjudge, misdžɐdž, verkeerd (be)oordeelen; subst. —ment.
Mislay, mislei, verliezen, te zoek maken: She lost her temper, or, rather, mislaid it = zij raakte uit haar humeur, tenminste eventjes; —er.
Mislead, mislîd, misleiden, verleiden; —er.
Mislike, mislaik, subst. afkeer, weerzin; — verb. een afkeer hebben, mishagen.
Mismanage, mismanidž, verkeerd besturen; subst. —ment; —r.
Mismatch, mismatš, verkeerd samenvoegen of paren.
Mismetre, mismîtə, het metrum bederven.
Misname, misneim, verkeerd noemen.
Misnia, mizniə, Meiszen; adj. —n.
Misnomer, misnoumə, verkeerde benaming.
Misogamist, misogəmist, tegenstander van het huwelijk; Misogamy = weerzin tegen het huwelijk; Misogynist, misodžinist, vrouwenhater; Misogyny, misodžini, vrouwenhaat.
Misplace, mispleis, misplaatsen, verkeerd gebruiken; subst. —ment.
Misprint, misprint, drukfout; — verb. verkeerd drukken.
Misprision, mispriž’n, ambtsverzuim: — of felony = verzuim de misdaad te vervolgen; — of treason = verzuim het hoogverraad te vervolgen.
Misprize, mispraiz, onderschatten, verachten.
Mispronounce, misprənauns, verkeerd uitspreken; subst. Mispronunciation.
Misproportion, misprəpöš’n, eene slechte verhouding of schikking maken.
Misquotation, miskwəteiš’n, onjuiste aanhaling; Misquote = onjuist aanhalen.
Misremember, misrimembə, zich niet juist herinneren: If I — not = als mijn geheugen mij niet bedriegt.
Misreport, misripöt, subst. onjuist of valsch rapport; — verb. onjuist berichten.
Misrepresent, misreprizent, onjuist of verkeerd voorstellen; subst. —ation; —er.
Misrule, misrûl, wanorde, wanbestuur, oproer; — verb. verkeerd besturen.
Miss, mis, (me)juffrouw (voor ongehuwde vrouwen): The —es Brown, The — Browns = de (jonge)dames B.; —ie = juffertje; —ish = gemaakt, juffertjesachtig, preutsch; subst. —ishness.
Miss, mis, subst. een misschot, misstoot, misworp; — verb. missen, niet raken, misloopen, overslaan, vermijden; ontberen, ontbreken, ketsen, mislukken: A — is as good as a mile = haast is nog niet half; She feels the — of her children = het gemis; He made a — in balk (a — for safety) = hij gaf een mispunt om goedaf te spelen (bilj.); You have —ed the aim (the mark) = mis geschoten, het doel niet geraakt; The gun —ed fire = ketste; To — a train; To — one’s step (footing) = uitglijden; To be (go) a-missing = weg zijn, weg raken; The book is —ing = is er niet, is weg; Several are killed or —ing = worden vermist; —ing-link = ontbrekende schakel.
Missal, mis’l, misboek.
Missel (thrush), mis’l (thrɐš), groote lijster.
Missend, misend, aan het verkeerde adres zenden.
Misshape, mis-šeip, subst. wanstaltigheid; — verb. wanstaltig maken, verkeerd vormen; —n = wanstaltig, misvormd; subst. —nness.
Missile, misil, werp..; subst. werptuig, projectiel; — dart = werpspies.
Mission, miš’n, subst. zending, opdracht, missie, gezantschap, zendelingenstation; —ary, zendelings..; subst. zendeling; —er = bode, zendeling.
Missive, misiv, gezonden; subst. brief, officiëel bericht.
Missouri, misûri.
Misspell, misspel, onjuist spellen; —ing = verkeerde spelling.
Misspend, misspend, slecht besteden, weggooien.
Misstate, missteit, verkeerd voorstellen of uitdrukken; subst. —ment.
Misstep, misstep, misstap (eigenl. en fig.); — verb. mis-stappen, struikelen.
Mist, mist, subst. nevel, motregen, sluier (fig.); — verb. misten, motregenen, met nevel bedekken: I had a — before my eyes = mijne oogen waren beneveld = A — was over my eyes; They were in a — = zij waren beneveld, de kluts kwijt; The leaden — = grauwe; A Scotch — = zware, natte nevel; —iness, subst. v. —y; —like = nevelachtig; —y = mistig, duister.
Mistakable, misteikəb’l, wat gemakkelijk verkeerd wordt opgevat, of met elkaar verward; Mistake, misteik, subst. vergissing, fout; — verb. verkeerd opvatten of verstaan, verkeerdelijk houden voor, misverstaan, dwalen, zich bedriegen: To make a profound — = zich deerlijk vergissen; He is a good fellow, and no — (about it) = ..., en daar kun je op aan; I mistook you for your brother = ik zag u aan voor; You are —n = ge vergist u; A —n notion = dwaalbegrip; —nly = bij vergissing; —r.
Mister, mistə, mijnheer (vóór den naam, en dan steeds geschreven Mr.).
Misterm, mistɐ̂m, verkeerd noemen.
Mistimed, mistaimd, ontijdig, misplaatst.
Mistitle, mistait’l, een verkeerden titel geven.
Mistletoe, miz’ltou, marentak, vogellijm.
Mistranslate, mistr’nsleit, verkeerd vertalen; subst. Mistranslation.
Mistress, mistrəs, meesteres, gebiedster, huisvrouw, hoofd (van een school), juffrouw voor de huishouding (in aanzienlijke families), mevrouw (voor getrouwde vrouwen verkort tot Mrs., misiz), liefje, minnares: Head — = directrice, hoofd.
Mistrust, mistrɐst, wantrouwen; ook verb.; adj. —ful; subst. —fulness: —fulness of oneself = gebrek aan zelfvertrouwen.
Misunderstand, misɐndəstand, verkeerd begrijpen, misverstaan; —ing = misverstand, onaangenaamheid, verschil.
Misusage, misjûzidž, misbruik, slechte behandeling; Misuse, misjûs, misbruik, slechte behandeling; Misuse, misjûz, misbruiken, slecht behandelen, beetnemen.
Miswrite, misrait, onjuist schrijven.
Mite, mait, mijt; penning, ziertje, dreumes: My contributory — = penninkske; The widow’s — = het penninkske der weduwe; Our Mary was a toddling — of two years old = een waggelend dreumesje.
Mithridate, mithridit, tegengif; Mithridates, mithrideitîz, Mithridates.
Mitigate, mitigeit, verzachten, verlichten, matigen, lenigen; subst. Mitigation; adj. Mitigative; Mitigator = alles wat lenigt en verzacht.
Mitral, maitrəl, als een mijter: — valve = hartklep; Mitre, maitə, subst. (bisschops)mijter, waardigheid van een bisschop, hoek van 45°, schoorsteenkap; — verb. met een mijter tooien, onder een hoek van 45° samenvoegen of bijeenkomen; Mitriform, mitriföm, mijtervormig.
Mitt(en), mit(’n), handschoen (zonder vingers), want: Handle your tools without —s = pak flink aan; To give (get) the — = een blauwtje geven (krijgen).
Mittimus, mitimɐs, bevel aan de autoriteiten tot opname in een gevangenis; bevelschrift tot het zenden van stukken van het ééne hof naar het andere.
Mity, maiti, vol mijten.
Mitylene, mitilîn.
Mix, miks, (ver)mengen, vereenigen, zich mengen, zich bewegen in: I advise you never to — your wines = wijn door elkaar te drinken; He got —ed in his wrath = hij wist in zijn toorn niet meer wat hij zeide; Don’t — up my silks = maak niet in de war; —max = allegaartje, verwarde hoop; —ed affair = dolle boel; —ed marriage = gemengd huwelijk; —ed pickles = groenten in mosterdzuur; —tilineal, —tilinear = uit rechte en kromme lijnen bestaande; —ture, mikstjə, mengsel.
Miz(z)en, miz’n, bezaan; adj. bezaans-: — mast = bezaansmast; —-rigging = bezaanswant; —-sail = bezaan; —-shrouds = bezaanswant; —-top = kruismars.
Mizzle, miz’l, subst. motregen; — verb. motregenen; er van “doorgaan” (out); Mizzly = druilig, mistig.
Mizzy, mizi, poel, moeras.
Mnemonic, nimonik, geheugen..: —s = geheugenleer.
Moabite, mouəbait.
Moan, moun, subst. gekerm, gejammer; — verb. kermen, kreunen, betreuren, bejammeren: To make one’s — = zijn leed klagen.
Moat, mout, subst. gracht; — verb. met eene gracht omgeven.
Mob, mob, subst. Janhagel, gepeupel, gespuis, bende; muts(je) met banden (= —-cap); — verb. samenrotten, samen aanvallen, achterna loopen: He found himself —bed by the hangers-on, who invariably worship the rising sun = het werd hem lastig gemaakt door; —-law = wet van het ruwe geweld (Zie Lynch-law); —ocracy, mobokrəsi, de tirannie van het gepeupel.
Mobile, məbîl.
Mobile, moubil, mobil, bewegelijk, levendig, vlug; subst. Mobility.
Mobilization, mobilizeiš’n, mobilisatie; Mobilize, mobilaiz, moubilaiz, mobiliseeren.
Mobus, moubəs = motor-omnibus; Mocab, moukab = motor-cab; Mocar, moukâ = motor-car.
Moccasin, mokəsin, Indiaansche sandaal.
Mocha, moukə, Mokka; —-coffee.
Mock, mok, subst. bespotting, voorwerp van spot; adj. nagemaakt, onecht; — verb. bespotten, uitlachen, tarten, negeeren, nadoen, nabootsen: To make — at = To make a — of = bespotten; — combat (—fight) = spiegelgevecht; —-heroic poem = komisch-heroisch vers; — moon = bijmaan; —-nightingale = zwartkop; —-orange = (boeren)jasmijn; — sun = bijzon; —-turtle = nagemaakte schildpadsoep; —-velvet = katoenfluweel; —er; —ery = spotternij, bespotting, bedriegelijke nabootsing; —ing: —-bird = spotlijster.
Modal, moud’l, modaal; Modality, mədaliti, modaliteit, wijze van zijn, wijze van voorstellen met betrekk. tot de werkelijkh.; Mode, moud, wijze, manier, vorm, gewoonte, gebruik, mode, schaal (muz.): All the — = naar de nieuwste mode; —-book = modejournaal.
Model, mod’l, subst. model (ook van kunstenaars), patroon, model arbeiderswoning, toonbeeld, evenbeeld; adj. model..; — verb. naar een bepaald model vormen, modelleeren: — dwelling; — gown; To — oneself upon; —ler = modelleur; —ling: —-board = modelleerplank, schabloon; —-clay = boetseerklei.
Modena, modənə, Modena; modənə, modînə, karmozijnachtige kleur.
Moderate, modərit, gematigd, zacht, middelmatig, matig, bezadigd; subst. gematigde; — verb. (modəreit), matigen, doen bedaren, stillen; voorzitten; subst. —ness; Moderation, modəreiš’n, matiging, matigheid, gematigdheid, zelfbeheersching: —s, verkort tot Mods: He took a first in Mods = hij kreeg “summa cum laude” in M. i.e. het 2de examen aan de hoogeschool te Oxford; Moderato, modərâtou, matig snel (muz.); Moderator, modəreitə, iemand die of iets dat matigt; voorzitter (vooral van eene vergadering der Presbyteriaansche kerk); examinator bij het Mods-examen (Oxf.); dwarskijker bij examens (Camb.): —-lamp = moderateurlamp; —ship.
Modern, modən, nieuw, modern; ook subst: — authors (English, history); A poet of the — = van onzen tijd; A —; The —s = de modernen; —ism = nieuwe uitdrukking; zucht tot het moderne; —ization, subst. v. —ize = moderniseeren; —izer; —ness = nieuwheid, nieuwerwetschheid.
Modest, modəst, bescheiden, zedig, ingetogen, kuisch, fatsoenlijk; subst. —y.
Modicum, modikɐm, kleinigheid, beetje.
Modification, modifikeiš’n, wijziging; — verb. Modify, modifai.
Modish, moudiš, naar de mode, fatterig; subst. —ness; Modist = fat.
Modiste, mədîst, modiste.
Mods, modž; Zie Moderate.
Modulate, modjuleit, moduleeren (muz.); subst. Modulation.
Modwall, modwôl, bijenvreter (vogel).
Moe, mou, oude dichterl. vorm voor more.
Moesogothic, mîsəgothik, subst. en adj. Moesogothisch(e taal).
Mogul, məgɐl, Mongool: The Great (Grand) — = de groote Mogol (1526–1857).
Mohair, mouhêə, haar van de geit van Angora.
Mohammed, məhaməd, Mahomed; Mohammedan, subst. en adj. Mahomedaan(sch); —ism; —ize = tot de leer van Mahomed bekeeren.
Mohawks, mouhôks, stam van Indianen; 18-eeuwsche nachtelijke straatschenders.
Mohican, məhîk’n.
Mohocks = Mohawks.
Mohur, mouhə, Brit.-Ind. munt van 15 zilver ropijen.
Moidore, môidö, Portug. munt (ƒ 16,20).
Moiety, môiəti, helft, aandeel.
Moil, môil, subst. vlek, smet; — verb. bekladden, afbeulen, zwoegen: To — and toil = zwoegen en sloven.
Moist, môist, vochtig, nattig; —en, môis’n, vochtig worden, bevochtigen: To — one’s throat = er eentje pakken; —ness, —ure, môistjə, vochtigheid.
Moither, môidhə, zwoegen, sloven.
Moke, mouk, ezel (ook fig.), clown, neger.
Molar, moulə, malend; maal(tand) = —-tooth.
Molasses, məlasiz, melasse.
Moldavia, moldeiviə.
Moldwarp, mouldwöp, mol.
Mole, moul, moedervlek; havendam; mol, maankalf; —-catcher; —-cricket = molkever; —-eyed = bijziende, blind; —-hill = molshoop: To make a mountain out of a —-hill; —-rat = blindmuis; —skin = mollevel; soort fustein, broek hiervan gemaakt; —-track = molsgang; —warp = mol.
Molecular, məlekjulə, moleculair; subst. Molecularity; Molecule, moləkjûl.
Molest, məlest, lastig vallen, plagen, kwellen; subst. —ation, moləsteiš’n; —er.
Molinism, moulinizm, leer van den Jezuït Molina; Molinist.
Molla(h), molə, eeretitel van Turksche priesters of geleerden, opperrechter.
Moll, mol, meid (naam voor alle vrouwen in vulgair Londensch), Mietje.
Mollient, moliənt, verzachtend, verteederend; Mollification = verzachting, verteedering; Mollifier = verzachter, verzachtend middel; Mollify, molifai, verzachten, verteederen.
Mollusc, moləsk, weekdier; —a, molɐskə, klassen der weekdieren; —an, molɐsk’n, tot de weekd. behoorende; weekdier.
Molly-coddle, molikod’l, Mollycuddle, molikɐd’l, verwijfd persoon; — verb. verweekelijken; — little lads = moederskindjes.
Moloch, moulok, Moloch.
Molten, moult’n, part. perf. van to melt.
Moluccas, molɐkəz, de Molukken.
Moly, mouli, soort look.
Moment, moum’nt, oogenblik, belang; statisch moment: Enterprises of great — = van groot gewicht; At a —’s notice = in minder dan geen tijd; In a — = On the — = oogenblikkelijk; —ariness, subst. v. —ary = voor een oogenblik, vluchtig; —ous, məmentəs, gewichtig; subst. —ousness; —um, məment’m, aandrang, prikkel, moment (= product v. massa en snelheid).
Momma, momə, Amer. voor Mama.
Momus, mouməs.
Monachal, monəkal, monniks—; Monachism, monnikengeest (-staat, -stand).
Monaco, monəkou, Monaco.
Monad, monad, monade, ééncellig organisme; soort infusiediertje.
Monagasque, monəgask, van Monaco.
Monarch, monək, subst. monarch; —al, = —ic(al), mənâkik(’l), monarchaal; —ism = éénhoofdige regeering; —ist; —y = monarchie.
Monasterial, monəstîriəl, kloosterachtig, klooster..; Monastery (monniken)klooster; Monastic(al) = klooster..; monnik; Monasticism = kloosterleven, monnikenstand.
Moncrieff, monkrîf.
Monday, mɐnd(e)i, Maandag: Black — Zie Black.
Monetary, mɐnətəri, geld betreffend, geldelijk: — difficulties; Monətization, subst. v. Monetize, mɐnətaiz, munten, tot betaalmiddel maken, eene standaard waarde geven.
Money, mɐni, munt, geld, betaalmiddel, rijkdom: — down, — out of hand = baar geld, contant; — of account = rekenpenning (niet in werkelijkheid bestaande, zooals onze daalder van ƒ 1,50); Current — = gangbare munt; Earnest — = godspenning; Ready — = baar geld, contant; Small — = kleingeld; Spare — = geld dat over is; I am out of — at present = niet bij kas; — makes the man; — makes the mare (to) go = geld is de ziel v. de negotie; To convert (turn) into — = te gelde maken, verzilveren; It is like eating — = het verslindt geld; To fling good — after bad; To keep a person in — = van geld voorzien; To keep a person out of his — = laten wachten op; I laid out my — in a necklace = besteedde aan; It looks like — = het is peperduur; To make — = geld verdienen; He made my — spin = liet rollen; To roll in — = zich baden in; What’s the —? = wat kost het; That’s not my — = dat is niets voor mij; That is the man for my — = dàt is m’n man: —-agent = geldwisselaar; —-bag; —-bill = wetsontwerp tot het toestaan van gelden: —-box = spaarpot; —-broker, —-changer = geldwisselaar; —-dropper = kwartjesvinder; —-grabber = —-grubber = geldwolf; —-lender = geldschieter; He has a —-making business = verdient geld als water; —-market = fondsen-, geldmarkt; —-matters = geldzaken; —-order = postbewijs (ook Post-office —-order genaamd en waarbij de naam van den geadresseerde per letter of advice afzonderlijk door het eene postkantoor naar het andere wordt verzonden); He is —-proof = laat zich niet omkoopen; —-spider = geluksspinnetje; —-spinner = geluksspinnetje; iemand, die geld als water verdient; —-wort = penningkruid; —’s-worth = volle waarde, geldswaarde: He wanted his —’s worth = eischte waar voor zijn geld; —ed = rijk, vermogend; gemunt; —er = geldmunter; —less.
Monger, mɐŋgə, koopman (in samenst.).
Mongolia, moŋgouliə, —n, mongoulj’n, subst. en adj. Mongool(sch).
Mongoose, moŋgûs, mɐŋgûs, Brit.-Ind. ichneumon of spoorwezel.
Mongrel, mɐŋgrəl, subst. en adj. bastaard; —ize = tot een mongrəl maken.
Monition, məniš’n, vermaning, waarschuwing, dagvaarding; Monitive = vermanend; Monitor, monitə, vermaner, monitor of klassevoogd (oudere leerling in scholen, die op de jongeren toeziet); monitor (oorlogsschip); Monitorial, monitôriəl, waarschuwend, gedaan door monitors; Monitory, monitəri, vermanend; Monitress = vrouwelijke monitor.
Monk, mɐŋk, monnik; vlek (bij het drukken); —’s-hood = monnikskap; —’s Latin = middeleeuwsch Latijn; —ery = monnikenstaat; —hood = monnikschap; —ish = monnikachtig.
Monkey, mɐŋki, aap, heiblok, rumkan, som van £500 (in Amer. 500 dollar): To have (get) one’s — up = den duivel in krijgen, nijdig worden; To suck the — = met behulp van een strootje drank opzuigen uit een vat waarin men een gaatje heeft geboord; —-bread = apenbrood(boom); —-jacket = dik jekkertje.
Monmouth, mɐnməth.
Monochord, monəköd, monochordium.
Monochromatic, monəkrəmatik, in één kleur; Monochrome, monəkroum, in één kleur geschilderde schilderij.
Monocle, monok’l, monocle; éénoogig dier; Monocular, Monoculous = éénoogig.
Monodrama, monədrâmə, dramatische alleenspraak; adj. Monodramatic.
Monody, monədi, éénstemmig (klaag)lied, eentonigheid.
Monogamist, mənogəmist, monogamist; Monogamous = monogamistisch; Monogamy = monogamie.
Monogram, monəgram, naamcijfer.
Monograph, monəgraf, verhandeling over één onderwerp; —er, mənogrəfə; adj. —ic(al), monəgrafik(’l).
Monologue, monəlog, alléénspraak; Monologuize, monəlogaiz, eene alléénspraak houden; Monologuizer.
Monomania, monəmeinjə, idée fixe, monomanie; Monomaniac = monomaan.
Monometalism, monəmetəlizm, het gebruik van den enkelen (gouden of zilveren) standaard; Monometalist = voorstander daarvan.
Monopetalous, monəpetəlɐs, met vergroeidbladige bloemkroon.
Monophthong, monofthoŋ, monopthoŋ, monopthoŋ, monofthoŋ, éénklank; adj. Monophthongal.
Monoplane, monəplein, ééndekker.
Monopolist, mənopəlist, hij die zich van het monopolie heeft verzekerd; Monopolize, mənopəlaiz, monopoliseeren; —r; Monopoly = monopolie.
Monospermal, monəspɐ̂m’l, Monospermous, monəspɐ̂məs, éénzadig.
Monosyllabic, monəsilabic, éénlettergrepig.
Monosyllable, monəsiləb’l, éénlettergrepig woord.
Monotheism, monəthîizm, monotheïsme; Monotheist; adj. Monotheistic.
Monotone, monətoun, eentonigheid; Monotonous, mənotənɐs, eentonig, vervelend, saai; Monotony, mənotəni, eentonigheid.
Monroe doctrine, mɐnroudoktrin, de leer van Pres. James Monroe (1758–1831) dat geen Europ. mogendheid zich met Amer. aangelegenheden mag bemoeien.
Monsoon, monsûn, moesson.
Monster, monstə, subst. monster, gedrocht; adj. buitengewoon groot, monsterachtig; — verb. monsterachtig maken; Monstrosity, monstrositi, monster(achtigheid), wangedrocht; Monstrous = monsterachtig, tegennatuurlijk; subst. —ness.
Monstrance, monstr’ns, monstrans, toonvat, dat dient om kleine reliquieën of het Hoogheilig Sacrament ter vereering zichtbaar uit te stellen.
Montacute, montəkjût; Montague, montəgjû; Montana, montânə; Montano, monteinou; Montcalm, montkâm; Montefiore, montifiö; Monteith, montîth; Montenegrine, montənegrin; Montenegro, montəneigrou; Montgomery, məntgɐməri; Montevideo, montəvidjou.
Month, mɐnth, maand: Lunar — = maanmaand; This day — = vandaag over eene maand; This last — = For this — past = sedert vier weken; At three —s’ date = 3 maanden na dato; —ly, subst. maandelijksch tijdschrift; adj. en adv. maandelijks(ch): —ly-nurse = baker; —ly-periods.
Montpellier, monpîljə; Montmorency, montmərensi; Montreal, montriôl; Montrose, məntrouz.
Monument, monjument, monument, gedenkteeken: The — = zuil (200 voet) ter herinnering aan den brand in Londen (1666); —al, monjument’l, tot gedenkteeken dienende, indrukwekkend, reusachtig.
Moo, mû, loeien.
Moocher, mûtšə, spijbelaar.
Mood, mûd, (gemoeds)stemming, luim, humeur; wijze, manier: To be in one’s —s = uit zijn humeur zijn, verstrooid zijn; To be in the — = in de stemming zijn, lust hebben aan; —iness, subst. v. —y = gemelijk, knorrig, humeurig, ontstemd, zwaarmoedig.
Moon, mûn, subst. maan; — verb, doelloos rondzwerven, droomen, droomerig rondkijken: The — was at the full (near her full, within two nights of the full, in its first quarter); At (Till) the blue — = met St. Jutmis; To cry for the — = het onmogelijke begeeren; I wished him over the — = op de Mookerhei; —-beam = manestraal; —-calf = maankalf, misgeboorte; —-eye = maanoog (bij paard.); —-eyed = maanoogig; —-face = vollemaansgezicht; —-fish = maanvisch; —-glade = maneschijn op het water; —light, subst. maanlicht; —lighter = bedrijver van nachtelijke wandaden tegen landheeren, of pachters, die de hoeven van uitgezette boeren hebben ingenomen (Ierl.); —-lit = door de maan beschenen; —-raker = uilskuiken; —-shine = maneschijn; gesmokkelde drank (Amer.); onzin; ook adj.: It is the merest —shine; It’s all —shine = niets dan onzin, vertoon; —shiner = stille brouwer, dranksmokkelaar (Amer.); —shiny = door de maan beschenen; onzinnig; —stricken, —struck = maanziek, sentimenteel, halfwijs; —-year = maanjaar; —less; —y = maan - -, (halve)maanvormig, maanziek; aangeschoten; sukkel.
Moor, mûə, Moor; —ish, Moorsch.
Moor, mûə, vastmeeren; —age = ankerplaats; —ing; —ing-buoy = meerboei; —ing-ring; She is at her —ings = ligt vastgemeerd, vertuid; She was driven from her —ings = sloeg los.
Moor, mûə, veengrond, heide, moeras; —-cock = mannetje, en —-hen = vrouwtje van —-fowl, —-game = Schotsche korhoenders; —land = heide, veengrond; —ish = drassig.
Moore, mö, muə; Moorfields, mûəfîldz; Moorgate, mûəgit, mögit.
Moose-(deer), mûs(dîə), eland.
Moot, mût, subst. vergadering, debat, discussie; adj. betwistbaar; — verb, debatteeren, bediscussieeren; ter sprake brengen: The project was first —ed in 1880 = voor het eerst ter sprake gebracht; —-case, (—-point) = open vraag, geschilpunt; —-court = soort van debatingclub voor juristen; —er = iemand, die aan een —-court een geschilpunt inleidt.
Mop, mop, subst. stokdweil, bos; grimas, zuiplap; — verb. gezichten trekken (To — and mow), dweilen, afvegen: A — of waving hair = golvende haardos; He —ped up the ink with blotting-paper = nam op; —-headed = met een ragebol (haar); —stick = steel van een mop.
Mope, moup, suffen, gemelijk, droomerig of moedeloos zijn; subst. droomer: To — away one’s time = versuffen; He is in the —s = knorrig, gemelijk: —-eyed = bijziende, dom; Moping: To sit — = zitten suffen; Mopish = sufferig, verdrietig; subst. —ness.
Moppet, mopət, lappenpop; kleine meid; soort langharig schoothondje; Mopsey, mopsi, kleine meid.
Moquette, məket, trijpfluweel.
Moraine, mərein, moraine, gruiswal; adj. Morainic.
Moral, mor’l, subst. moraal, toepassing, bedoeling, evenbeeld, zekerheid; adj. zedelijk, moraal..: It was what bookmakers call a — that I should fall in love with her = vast en zeker; She is quite the — of Auntie = het evenbeeld; The story points a — = bevat eene zedeles; —s = zedelijk gedrag, levensgedrag, ethiek; — law = zedenwet; — philosophy = zedenkunde; — sense = zedelijkheidsgevoel; —e, mərâl, moed en volharding in vermoeienissen en gevaar: The enemy’s — (—e) is much shaken = het moreel van den vijand heeft er zeer onder geleden; —ist = bloot zedelijk (tegenover geloovig) mensch, zedenmeester; —ity, məraliti, zedelijkheid, zedenleer, zedelijke eigenschappen, deugd; Spel van “Sinne”; —ization, subst. v. —ize = moraliseeren; —izer.
Morass, məras, moeras: — ore = oer; adj. —y.
Moravia, məreivjə, Moravië; —n, subst. Moraviër; adj. Moravisch: The —ns = The —n Brethren = Hernhutters; —nism.
Morbid, möbid, ziekelijk, ziekte..: — anatomy = pathologische anatomie; Morbidity = sterfte; ziekelijkheid = —ness; Morbific(al) = ziekte veroorzakend: — matter = ziektestof.
Mordant, möd’nt, bijtend, sarcastisch; subst. bijtmiddel.
Mordaunt, möd’nt; More, mö.
More, mö, meer, toegevoegd, verder, bovendien, opnieuw: — and — = steeds meer; And — than that = en wat meer zegt; He never did it any — = nooit weer; Much — = veel meer; No — = niet meer bestaande, dood, evenmin; Not — = evenzeer; Once — = nogmaals; So much the — = des te meer; The — the better (merrier) = hoe meer zieltjes hoe meer vreugde; — or less = min of meer; — to the purpose = doelmatiger; —over = bovendien.
Moreen, mərîn, moiré woldamast.
Morel, mor’l, mərel, donkerkleurig; subst. zwarte nachtschade; morielje.
Morelle, mərel, zwarte nachtschade.
Morello, mərelou, morel.
Moresque, məresk, Moorsch; subst. arabesk.
Morganatic, mögənatik, morganatisch: — marriage = huwelijk met de linkerhand.
Morglay, möglei, slagzwaard.
Moribund, moribɐnd, zieltogend(e).
Moril, moril, morielje.
Morion, môri[en], lichte helm.
Morish, möriš: It tastes — = smaakt naar meer.
Mormon, mömən, Mormoon; —ism; —ite, mömənait, Mormoon.
Morn, mön, morgen (dichterlijk).
Morning, möniŋ, ochtend, vóórmiddag; ook adj.: In the — = ’s morgens, den volgenden morgen; Of a — = op een morgen; —-coat = jacket; —-gown = ochtendjapon, kamerjapon; —-paper, —-print = ochtendblad; —-star = morgenster.
Moroccan, mərok’n, Marokkaan; Morocco, mərokou, Marocco, marokijnleder.
Morose, mərous, gemelijk, knorrig; subst. —ness.
Morpheus, möfiɐs, möfjûz, Morpheus: In the arms of — = in Morpheus armen.
Morphia, möfjə, Morphine, möfin, morphine: He is a confirmed morphinomaniac = hij is aan de morphine verslaafd; Morphinism.
Morphologic(al), möfəlodžik(’l), adj. v. Morphology, möfolədži, morphologie.
Morris(-dance), moris(dâns), oude (Moorsche) dans bij de Meifeesten: My clown and his dog have morrised = zijn met de Noorderzon vertrokken.
Morrow, morou, de volgende dag: He takes no thought for the — = He troubles himself about no —s = hij is niet bezorgd voor den dag van morgen; To-— = morgen; To-— morning = morgenochtend; On the — = morgen, den volgenden dag.
Morse, mös, walrus; zeeleeuw (Herald.): — alphabet (Telegr.).
Morsel, mös’l, bete, stukje, beetje: To be brought to a — of bread = tot den bedelstaf gebracht worden.
Mort, möt, Hallali! (jachtsignaal als het wild gedood is); menigte, hoop; zalm in het derde jaar; vrouw, meisje.
Mortal, möt’l, sterfelijk, dood(s)..., doodelijk, menschelijk, doodvervelend; subst. sterveling; adv. doodelijk, diep: — enemy, foe = doodvijand; — fright = doodsangst; — hour = stervensuur; Four — hours = vier eeuwiglange uren; There is no — power that can release you = geene macht ter wereld; — sin = doodzonde; You may wish any — thing = al wat ge maar wilt; —ity, mötaliti, sterfelijkheid, sterfte, menschelijke natuur; —ly offended = diep beleedigd; —ly wounded = doodelijk gewond.
Mortar, mötə, vijzel, mortier; mortel (kalk): —-apparatus for life-saving = mortier waaruit reddingsvuurpijlen worden geschoten; —-board = platte vierhoekige barret (Iron.).
Mortgage, mögidž, subst. hypotheek; — verb. hypothekeeren, verpanden: I gave it him in — = heb het hem verpand; To foreclose a — = opzeggen; To lend on —s; He took up money on —; —-bank = hypotheekbank; —-bonds = pandbrieven; —-deed = hypothecaire acte: To prepare a —-deed = opmaken; —e, mögidžî, hypotheekhouder; —r, mögidžə, hypothecair schuldenaar.
Mortification, mötifikeiš’n, bittere vernedering, verdriet, zelfkwelling, zelfkastijding, koudvuur; Mortify, mötifai, tuchtigen, dooden, kwellen, kastijden, vernederen; afsterven.
Mortise, mötis, subst. tapgat, vaste verbinding; — verb. met pen en gat verbinden: To hold the — = weerstand bieden.
Mortmain, mötmein, doode hand (Jur.).
Mortuary, mötjuəri, graf.., begrafenis.., lijk..; subst. begraafplaats, lijkenhuis.
Mosaic, məzeiik, subst. mozaïekwerk; adj. mozaïek, Mozaïsch: — law; Mosaism, mouzəizm, de Mozaïsche leer.
Moscovy, moskəvi, Moscow, moskou.
Moselle, məzel, Moezel(wijn); Moses, mouziz.
Mo-sleigh = Motor-sleigh.
Moslem, mozl’m, mosl’m, subst. en adj. Mohammedaan(sch); —ism.
Mosque, mosk, Moskee.
Mosquito, moskîtou, muskiet: —-net.
Moss, mos, mos, zachte veengrond, turf; geld: —-clad, —-grown = met mos bedekt of begroeid; —-land = veenbodem, veengrond; —-rose = mosroos; —-trooper = bereden strooper of bandiet (op de grenzen van Engeland en Schotland); —iness, subst. v. —y = met mos bedekt, mosachtig, donzig.
Most, moust, subst. meeste, grootste; adj. meest, grootst; adv. zeer: At (the) — = op zijn meest, hoogstens; The — High = de Allerhoogste; For the — part = meerendeels; To be as good as — people = nog zoo kwaad niet zijn; To make the — of = zooveel mogelijk profiteeren van; I am — happy to see you = erg blij; —ly = hoofdzakelijk, voornamelijk, meestal, doorgaans.
Mot, mot, hallali; snol.
Mote, mout, stofje, vlekje, spikkel, kleinigheid: Dust —s dancing in a sunbeam.
Mote, mout = may, might, must: So — it be! = zoo zij het! (formule bij de Free-masons).
Mote, mout = To motor.
Moth, moth, mot; vlinder; kanker (fig.); ook verb.: She is a — = ze hengelt, geeft zich veel moeite (voor een man); The cloth is —-eaten = de mot is er in; To go —ing = op de vlindervangst gaan; —y = vol motten.
Mother, mɐdhə, subst. moeder, moedertje, abdis; moer, droesem; — verb. de moederplaats innemen, als kind aannemen: Where will you and the — sit? = en moeder; —’s son = verwend kindje; — Carey’s Chicken(s) = stormzwaluw(en); — Carey is plucking her goose = het sneeuwt; — Shipton = eene beroemde waarzegster; —-church; —-country = moederland, geboorteland; —-in-law = schoonmoeder (stiefmoeder); —-earth = moederaarde; —-of-pearl = parelmoer; —-spot = moedervlek; —-tongue = moedertaal; —-wit = gezond verstand, natuurlijke gevatheid; —hood = moederschap; —less; —liness = moederlijkheid; —ly = als eene moeder, zorgzaam.
Motion, mouš’n, subst. beweging, handbeweging, wenk, neiging, aandrift, motie, voorstel; stoelgang; — verb. gebaren maken, door een beweging te kennen geven: Of one’s own — = uit eigen beweging; Equable — = gelijkmatige beweging; Laws of — = de drie bewegingswetten van Newton; The — was agreed to unanimously = de motie werd met algemeene stemmen aangenomen; The — was carried by 70 votes to 20 = aangenomen met; The — was lost = verworpen; To make a — to a person = iemand wenken; To put a — = een motie stellen; To second a — = ondersteunen; He —ed me to a chair = wenkte mij te gaan zitten; —less = onbewegelijk.
Motivate, moutiveit, motiveeren, gronden; Motive, moutiv, subst. beweegreden, oorzaak; adj. bewegend, beweeg...; — verb. motiveeren; —-force = beweegkracht; —less = doelloos, zonder reden; Motivity = beweegkracht.
Motley, motli, bont; subst. narrenpak, nar, bonte mengeling.
Motor, moutə, subst. motor, beweger, beweegkracht; adj. bewegend, motorisch; — verb. met een motorrijtuig rijden; —-(bi)cycle; —-boat; —-cab = autotax, taxi; —-car = automobiel; —-cycle = motorfiets; —-cyclist; —-launch = motorboot; —-man = bestuurder van een electr. tram; chauffeur; —-omnibus; —-sleigh = motorslede; He —ed over to A.; —ist = automobilist.
Mottle, mot’l, stippelen, vlekken, schakeeren; ook subst.; —-faced = met rood gevlekt gezicht; —d with wrath = rood van woede.
Motto, motou, motto, zinspreuk: —-kisses = ulevellen met deviezen.
Mouch, mautš, rondzwerven; —er = vagebond.
Mould, mould, subst. aarde, teelaarde, stof, schimmel, roestvlek, gietvorm, mal; vorm, karakter; — verb. met teelaarde bedekken of ophoogen; beschimmelen, schimmelig worden; vormen, modelleeren, gieten, kneden: To contract — = beschimmelen; I am not fit for society at present, I am covered with blue — = verboerd; —ed cheese; —-board = strijkbord van een ploeg; —-candle = gegoten kaars; —-loft, mallenzolder (scheepsb.); —warp = mol; —er, subst. (metaal)gieter; — verb. tot stof vergaan, vermolmen, verrotten; —iness = beschimmeldheid; —ing = vormen, enz.; lijst, fries; —y = beschimmeld, oud: —y cheese.
Mouline(t), mûlin(et), haspel, draaikruis.
Moult, moult, subst. het ruien, verharen, vervellen; de tijd daarvoor; — verb. ruien, verharen, vervellen; —er = ruiende vogel.
Moultrie, mûtri.
Mound, maund, subst. aardverhooging, wal, graf, heuvel; rijksappel; — verb. een wal opwerpen: A — of papers = een heele hoop papieren.
Mount, maunt, berg, bolwerk, blok (bij het bestijgen van een paard), rijpaard, fiets, karton of monteering (voor teekeningen), signaal om op te stijgen; — verb. opstijgen, opklimmen, zich verheffen, oploopen, monteeren, versieren, een paard verschaffen, voeren: — Aetna; The sermon on the — = de Bergrede; I will go out hunting with you, if you give me a — = als ge een paard voor mij hebt; All the —s were strong and serviceable = alle “karren”; I should like to see a little more picture, and a little less — = en minder lijst; —! = opstijgen! (een commando bij de cavalerie); He —ed the breach first = hij was het eerst in de bres; To — a diamond = zetten; To — a drawing = opplakken, omlijsten; The soldiers —ed guard = betrokken; The ship —s twenty guns = voert twintig stukken; To — a horse = bestijgen; To — a piece = een tooneelstuk monteeren; To — the trenches = bezetten; The fare to X. and back —s up = loopt aan; —ed police = bereden politie; To be miserably —ed = slechte paarden hebben; —able = beklimbaar; —ing = monteering, montuur, affuit.
Mountain, mauntin, berg (ook fig.), soort Malagawijn: —s = gebergte; The — = de Bergpartij (Fransche Revol.); The — has produced a mouse = A — in labour; If the — will not come to Mahomet, M. must go to the —; To make —s of molehills = van eene mug een olifant maken; A — is raised off my spirits = er is me een steen van ’t hart gevallen; The waves were —s high = bergen hoog; —-ash = gewone lijsterbes; —-chain = bergketen; —-crystal = bergkristal; —-dew = Schotsche whiskey; —-pass = pas; —-range = keten; —-soap = bergzeep; —eer, mauntənîə, bergbewoner, bergbeklimmer; —eering = het beklimmen van bergen; —ous = bergachtig, berg..., buitengewoon groot.
Mountebank, mountəbaŋk, subst. kwakzalver, marktschreeuwer, bluffer; — verb. bedriegen.
Mourn, mön, rouwen, treuren, betreuren; —er = rouwdrager; —ful = treurig, droevig; subst. —fulness; —ing, subst. smart, klacht, rouw; They went into (were in, put on, took to; went out of, left off) —ing = gingen (waren) in; gingen uit den rouw; First (deep), court, second —ing = zware, hof, lichte rouw; —ing-brooch = gitten doekspeld; —ing-coach = rouwkoets; —ing-establishment = magazijn voor rouwkleeren; —ing-ring = ring ter herinnering aan een afgestorvene; —ing-suit = rouwpak.
Mouse, maus, muis: —-colour; —-dung = muizenkeutels; —-hole; —-hunt = muizen-jacht; —-trap = muizenval; souverein (ƒ 12): Parson’s —-trap = huwelijk (ironisch).
Mouse, mauz, muizen vangen, aan stukken scheuren; Our cat is a good —r.
M(o)ustache, məstâš, snor, knevel.
Mouth, mauth, mond, muil, opening, monding, woordvoerder, grimas, geblaf (aanslaan): An examination by word of — = mondeling examen; He was down in the — = neerslachtig; To lead a life from hand to — = van de hand in den tand leven; To run from — to — = rondgaan; Your success is in everybody’s — = ieder heeft den mond vol van; To give — = aanslaan; To keep one’s — shut = zwijgen: He laughed on the wrong side of his —: Zie Laugh; To make a — (—s) at = gezichten trekken; It makes my — water = het doet mij watertanden; I will stop that — of his = hem den mond snoeren; —-made = onoprecht, niet van harte; —-organ = mondharmonica; —-piece = sigarenpijpje, mondstuk; woordvoerder, orgaan: Tennyson has become the —-piece of our century; —-wash = mondspoeling; —ful; —less.
Mouth, maudh, met den mond grijpen, kauwen, eten; met vollen mond of gemaakt spreken, gezichten trekken, schreeuwen: Deep-—ed = met zware stem, dof; —y = babbelziek, gezwollen.
Movability, mûvəbiliti, subst. v. Movable, mûvəb’l, beweegbaar, veranderlijk: —s and im—s = roerende en onroerende goederen; subst. —ness.
Move, mûv, subst. zet (bij schaken, dammen, etc.), maatregel, handeling, daad, beweging; — verb. bewegen, opwekken, roeren, ontroeren, zetten, aanzetten, overhalen, voorstellen, verhuizen, trekken, vervoeren, gaan naar of naderen: Whose — is it? = wie moet spelen? To know a — or two = To be up to a — or two, To know all the —s on the board = uitgeslapen zijn; The train is on the — = in beweging; The minister —d the Army Estimates = stelde voor de behandeling der; To — into = betrekken; To — off = heengaan, opbreken, aftrekken; — on, Keep moving! = doorloopen! —able = Movable; —less = bewegingloos; —ment = beweging, aandoening; omzet; tempo; mechaniek (van uurwerken), stoelgang: —ment cure = heilgymnastiek; —ments = maatregelen; —r = beweger, voorsteller, oorzaak, bron, drijfveer; Moving = roerend, treffend, aandoenlijk, bewegend: —-day = verhuisdag; — force (spring); —ness = roerendheid.
Mow, mou, subst. het in de schuur opgehoopte hooi; ’t koren in schooven; — verb. aan hoopen zetten, opstapelen, maaien, hooien: The troops were —ed down by the enemy’s breechloaders = werden weggemaaid; —er.
Mow, mau, mou, subst. scheef of zuur gezicht; — verb. gezichten (een zuur gezicht) trekken.
Mowat(t), mauət, Mowbray, moubri.
Moxa, moksə, moxa of bijvoetwol, een brandmiddel ter genezing van jicht.
Moya, môiə, vulkaanmodder of slib (Zuid-Amer.).
Much, mɐtš, subst. groote hoeveelheid; adj. en adv. veel, zeer: As — = evenveel; He said as — = zoo iets zei hij; I thought as — = dat dacht ik al; As — again = nog eens zooveel; As — as to say = alsof hij zeggen wou; In as — as = voor zooverre; By — taller = veel langer, grooter; He is not — of a soldier = niet veel bijzonders als soldaat; It is not — of a thing = niet veel zaaks; That is too — of a good thing = overdreven veel, al té; Too — of a good thing is good for nothing = overdaad schaadt; — good may it do you = wel bekome het u (vaak iron.); That is — the same = vrijwel ’t zelfde; His words were — to this effect = kwamen vrijwel hierop neer; He was made — of = hij werd hoogelijk gewaardeerd, erg gevleid of aangehaald; He made — of himself = deed zich erg te goed, gooide zichzelf niet weg; They are — of a —ness = zij hebben vrij veel van elkaar; Our —-beloved friend = veelgeliefde.
Mucific, mjusifik, slijm afscheidend.
Mucilage, mjûsilidž, plantenslijm, slijmerige stof, (vloeibare) gom; Mucilaginous, mjûsiladžinɐs, slijmerig.
Muck, mɐk, mest, drek; iets vuils of verachtelijks; — verb. bemesten: It is all — = het is louter dwaasheid; —-cheap = dolgoedkoop; —-heap, —-hill = mesthoop; —-rake = mestvork; —-worm = mestworm, vrek; —er: To go a —er = druipen, failliet gaan, mislukken; —iness, subst. v. —y = vuil.
Mucor, mjûkə, slijm; Mucosity, mjukositi, slijmerigheid; Mucous, mjûkəs, slijmig, slijm...: — membranes = slijmvliezen; Mucus, mjûkəs, slijm.
Mud, mɐd, modder, slijk; — verb. (zich) bemodderen, bevuilen: To stick fast in the — = vast zitten (ook fig.); To throw — at = met modder gooien (ook fig.); —-bath = modderbad; —-cart = vuilniskar; —-cottage = leemen hut; —-dredger = baggermachine; —-guards = spatborden; —-hole = modderpoel; slijkgat in een stoomketel; —-lands = wadden; —-lark = vuilnisman. rioolkeerder; jongen die centen, opzettelijk daarin gegooid, uit den modderigen (Theems)oever ophaalt, ook wel: —-scraper; —-scow = modderpraam; —sill = drempel (onderste balk); de arbeidende klasse (Amer.); —-wall = leemen muur; —diness, subst. v. —dy, adj. modderig, bemodderd; aardsch, onduidelijk, verward, verdrietig; — verb. troebel maken, bevuilen, verwarren.
Muddie, mɐdi, moesje (voor Mother).
Muddle, mɐd’l, subst. verwarring, poespas, “beroerde” boel; — verb. troebel maken, omroeren, in de war brengen, dronken maken, verknoeien, weggooien, vuil worden, in de war zijn: I will straighten out this — = ik zal die (war)boel in orde brengen; He —d away his property in speculations = verspilde; Let them — it out among themselves = laat ze dat onder elkander uit- en goedmaken; He was rather —d = vrijwat “aangeschoten”; A —-headed fellow = sufferig, verward, beneveld.
Mudie, mjûdi: —’s Library.
Muezzin, mjuezin, uitroeper der uren voor het gebed (bij de Mahomedanen).
Muff, mɐf, subst. mof; huls, rol, wals; geknoei, sul; — verb. bederven, verknoeien: You —ed it at starting = je bedierf den boel van het begin af; To — a ball (bilj.); —-cap = berenmuts.
Muffetee, mɐfətî, polsmofje.
Muffin, mɐfin, een plat wit rond koekje, dat geroosterd en geboterd wordt; —-cap = platte ronde muts (Mil.); —-faced = met bleek gezicht; —eer, mɐfinîə, schotel om de geroosterde —s warm te houden; zout- of suikerstrooier.
Muffle, mɐf’l, subst. handschoen (bij ’t boksen), moffel, sourdine; snoet; — verb. warmpjes instoppen, den klank dempen, omfloersen, omwinden (bel of riem), verbergen, blinddoeken, tot zwijgen brengen, mompelen; —-furnace = moffeloven; —r (= Muffle), sluier, doek, bokshandschoen, sourdine.
Mufti, mɐfti, Mahom. geleerde, die godsdienstige en jurid. kwesties beslist: Officers in — = officieren in politiek; She is a saint in — = eene heilige in menschengedaante.
Mug, mɐg, kroes, kopje; smoel; — verb. ploeteren, blokken; grimeeren, gezichten trekken: To cut —s = gezichten trekken; I have got to — uncommonly hard = buitengewoon veel te ploeteren.
Muggins, mɐginz, een kinderkaartspel, soort dominospel.
Muggy, mɐgi, nat, vochtig; schimmelig; aangeschoten.
Mugwump, mɐgwɐmp, subst. hoofdman; gewichtigdoend persoon; onafhankelijk republikeinschgezinde; adj. gewichtig, onafhankelijk; — verb. zich onafhank. gedragen, gewichtig doen (Amer.).
Mulatto, mjulatou, mulat; Mulattress.
Mulberry, mɐlb’ri, moerbezie(boom); donker purper.
Mulch, mɐltš, subst. bladaarde (tuinb.); — verb. bedekken met bladaarde.
Mulct, mɐlkt, subst. geldboete; — verb. (met geldboete) straffen: He was —ed of (in) 10 shillings = beboet voor; —uary, mɐlktjuəri: — punishment = geldboete.
Mule, mjûl, muilezel; bastaardvorm, dwarskop; Jennymachine (= Spinning —); —-driver = —teer, mjûlətîə, muilezeldrijver; Mulish = koppig, bastaard; subst. —ness.
Mull, mɐl, subst. stof, molm; verwarring, mislukking; fijne mousseline; kaap; soort snuifdoos; — verb. verwarren, verknoeien, warmen, zoetmaken en kruiden (van wijn); verkruimelen: He made a — of his affairs = bracht in de war; —ed wine = soort van bisschop, warme wijn; —er = ketel voor warmen wijn; wrijfsteen.
Mullagatawny, mɐləgətôni, een met kerrie gekruide soep.
Mulle(i)n, mɐlin, grootbloemige toorts.
Mullet, mɐlət, harder; poon; spoorradje, 5 hoekige ster.
Mulligatawny, mɐligətôni = Mullagatawny.
Mulleygrubs, Mulligrubs, mɐligrɐbz, buikpijn; knorrepot, slecht humeur.
Mullion, mɐlj’n, versierde middenpost in een raam; — verb. verdeelen door —s.
Mullock, mɐlək, puin, verwarring, vuil.
Mulready, mɐlredi.
Mulse, mɐls, honigwijn.
Multangular, mɐltangjulə, veelhoekig; subst. —ness.
Multifarious, mɐltifêriəs, verscheiden, veelvuldig; subst. —ness.
Multiflorous, mɐltiflôrəs, veelbloemig.
Multiform, mɐltiföm, met veel vormen; subst —ity.
Multilateral, mɐltilatər’l, veelzijdig.
Multi-millionaire, mɐltimiljənêə, mɐltimiljənêə, iemand die vele millioenen bezit.
Multinomial, mɐltinoumj’l, uit meer dan drie termen bestaande.
Multiped, mɐltiped, Multipede, mɐltipîd, duizendpoot; adj. veelvoetig.
Multiple, mɐltip’l, adj. veelvoudig; veelvoud: (Least) common — = (kleinste) gemeene veelvoud; Multiplex = veelvoudig.
Multiplicand, mɐltiplikand, vermenigvuldigtal; Multiplicate, mɐltiplikit, mɐltiplikit, veelvoudig; Multiplication, mɐltiplikeiš’n, vermenigvuldiging: —-table = tafel van vermenigvuldiging; Multiplicative = vermenigvuldigend; Multiplicity = menigvuldigheid; Multiplier, mɐltiplaiə, vermenigvuldiger; Multiply, mɐltiplai, (zich) vermenigvuldigen: —ing glass, — lens = glas met tal van facetten, die het voorwerp verveelvoudigen.
Multitude, mɐltitjûd, menigte, groot aantal: The — = “de groote hoop”; Multitudinous = talrijk, veelvuldig.
Multum-in-parvo, mɐlt’minpâvou, veel in een klein bestek.
Mum, mɐm, stil; — verb. zwijgen; zich vermommen; subst. zoet, dik bier: As — as a mouse; To be (keep) — = zijn mond houden; — then! = St.! —’s the word! = mondje dicht! —-chance = lummel; een kaart of dobbelspel: Am I to sit —-chance? = moet ik er voor niet (Piet Lut) bijzitten?
Mumble, mɐmb’l, mompelen, prevelen, mummelend kauwen; ook subst. = —r.
Mumbo Jumbo, mɐmboudžɐmbou, boeman; hocus pocus.
Mum(m), mɐm, zich vermommen of maskeeren, komedie spelen; —mer = gemaskeerde, rondreizende acteur; —mer worship = overdreven vereering van acteurs; —mery = pret, maskerade, misleiding; —ming = maskeradepret, komediespelen.
Mummy, mɐmi, subst. mummie, entwas; maatje; — verb. balsemen: I’ll beat you to a — = ik zal je tot mosterd slaan; Mummification, subst. v. Mummify = balsemen, tot mummie maken.
Mump, mɐmp, mompelen, grijnzen, klagend bedelen, bedriegen; —er = bedelaar.
Mumpish, mɐmpiš, verdrietig, gemelijk; subst. —ness; Mumps, mɐmps, gemelijkheid; bof (Med.): To be in one’s — = uit zijn humeur.
Mumsy, mɐmzi, maatje.
Munch, mɐnš, hoorbaar, voorzichtig kauwen, smakkend eten; —er.
Mundane, mɐndein, wereldlijk, aardsch: — pleasures.
Mungo, mɐŋgou, grove wollen stof; slangenwortel.
Mungoose, mɐŋgûs = Mongoose.
Munich, mjûnik, München.
Municipal, mjunisip’l, gemeentelijk: — Corporations Act = Eng. gemeentewet van 1835; — elections = verkiezingen voor den gemeenteraad; — schools; —ity, mjûnisipaliti, (burgerlijke) gemeente.
Munificence, mjunifisens, mild(dadig)heid; Munificent = milddadig, grootmoedig.
Muniment, mjûniment, versterking, bolwerk (ook fig.); acte, oorkonde; —-room = archief.
Munition, mjuniš’n, krijgsvoorraad: —-bread = kommiesbrood.
Munshi, mûnši, tolk, taalgeleerde, secretaris.
Murad, mûrâd.
Mural, mjûr’l, wand..., muur...: — crown = gouden kroon voor den Romeinschen soldaat die het eerst den muur beklom.
Murcia, mɐ̂šə.
Murder, mɐ̂də, subst. moord; — verb. vermoorden, vernielen, verknoeien: To commit (a) — = bedrijven; — will out = komt altijd aan het licht; The — is out = het geheim is verklapt, nu weet ge de waarheid; —er = moordenaar; —ess = moordenares, moordenaarster; —ous = moorddadig, bloedig.
Murex, mjûreks, stekelhorenslak.
Muriatic, mjûriatik, adj. zout...: — acid = zoutzuur; Muriate: — of ammonia = salmiak; — of soda = keukenzout.
Muricate(d), mjûrikit, —eitid, stekelig.
Murk, mɐ̂k, subst. duisternis; adj. duister, dreigend, zwart; subst. —iness; —y = donker, duister.
Murmur, mɐ̂mə, subst. gemurmel, gemompel, gemor, gebrom, gesuis, geruisch; — verb. murmelen, mompelen, onduidelijk spreken, in den baard brommen, morren; —er = knorrepot.
Murrain, mɐrən, subst. veepest; mond- en klauwzeer; adj. aan veepest lijdend: A — on (to) you, — take you! = krijg de pest!
Murza, mɐ̂zə, erfelijke Tartaarsche adeltitel.
Muscadel, mɐskədel, Muscadine, mɐskəd(a)in, Muscat, mɐskət, Muscatel, mɐskətel, Muscaatwijn, muscaatdruiven, muscadelpeer.
Muscle, mɐs’l, spier, (spier)kracht: —d = gespierd.
Muscovado, mɐskəveidou, ongeraffineerde suiker = — sugar.
Muscovite, mɐskəvait, bewoner van Moskou, Rus; Moscovisch glas; ook adj.; Muscovy.
Muscular, mɐskjulə, gespierd, spier...: — strength = spierkracht; Muscularity = gespierdheid; Musculature, mɐskjələtjə, spierstelsel.
Muse, mjûz, subst. muze, dichtergave, dichtkunst.
Muse, mjûz, subst. gepeins etc; — verb. peinzen, nadenken, overwegen, afgetrokken zijn, peinzend kijken naar: To be at (in) a — = in gepeins verzonken; —d = beneveld; —r.
Musette, mjuzet, soort hobo of doedelzak; eenvoudige melodie met begeleiding daarvan.
Museum, mjuzîəm, museum.
Mush, mɐš, gekookte (maïs)meelpap (Amer.).
Mushroom, mɐšrum, subst. (eetbare) paddenstoel; parvenu; parapluie; adj. van paddenstoel..., parvenuachtig; nieuwbakken: — aristocracy = nieuwbakken adel; —-ketchup = champignonsaus.
Mushy, mɐši, brijig, week, slap.
Music, mjûzik, muziek, melodie, toonkunst, partituur, harmonie; twist, pret (Amer.): To discourse (to make, to perform) — = maken; To face the — = aan den dans gaan (fig.), gevaar of moeielijkheid trotseeren; To snore like a military — = als een muziekkorps; To set to — = op muziek zetten; Rough — = ketelmuziek; —-book; —-desk; —-governess = leerares in muziek en zang; —-hall = Specialiteiten Theater, café-chantant; —-lover; He is —-mad = dol op muziek; —-master; —-mistress; —-paper; —-seller; —-shop; —-stand = muziekstander; muziektent; —-stool = pianostoeltje; —al = muzikaal, welluidend, muziek...; —(al) box = speeldoos; —al composer = componist; —al chairs = een bepaald gezelschapsspel; —al clock = speelklok; —al glasses = glasharmonica; subst. —alness; Musician, mjuziš’n, musicus, toonkunstenaar, muzikant.
Musk, mɐsk, muskus, muskusgeur, muskusdier, muskusplant; — verb. met muskus parfumeeren; —-apple (—-pear) muskadelappel (—peer); —-beaver = bisam of beverrat (= —-rat); —-deer = muskusdier; —-rose = muskusroos; —-wood = muskushout; —iness, subst. v. —y = muskusachtig.
Musket, mɐskət, (oude) snaphaan: Flintlock —; —-proof = kogelvrij; —-rest = bok voor een geweer; —eer, mɐskətîə, musketier; —ry = geweervuur.
Muslin, mɐzlin, subst. mousseline, neteldoek; ook adj.: — de laine = wollen mousseline; Muslinet = grof neteldoek; —y.
Musnud, mɐsnɐd, eereplaats (Brit. Ind.).
Musquash, mɐskwoš = Muskrat.
Musrol(e), mɐzroul, neusriem v. een paard.
Muss, mɐs, subst. verwarde toestand; kloppartij; — verb. in verwarring brengen (Amer.): They got into a — over that girl = raakten aan het bakkeleien.
Mussel, mɐs’l, mossel: —-bed.
Mussulman, mɐs’lman, muzelman; adj. Mussulmanish.
Must, mɐst, moet, moest, moeten, moesten.
Must, mɐst, subst. most; kaam; — verb. (be)schimmelen, muf worden; —iness, subst. v. —y = schimmelig, muf, afgezaagd, zouteloos: A —y smelling study = muffe studeerkamer.
Mustache, mɐstâš, mustâš; Mustachio, mɐstâšou, mustâšou. Zie Moustache.
Mustang, mustaŋ, wild prairiepaard; —er, mustaŋə, vanger van prairiepaarden.
Mustard, mɐstəd, mosterd: —-blister (—-cataplasm, —-plaster) = mosterdpleister; —-pot; —-seed.
Musteline, mɐstəl(a)in, tot de wezels behoorende; roodbruin.
Muster, mɐstə, subst. wapenschouwing, monstering, stamboek, appèl, verzameling; — verb. monsteren, oproepen, revue houden, samenkomen: That can(not) pass — = dat kan er (niet) door, is (niet) voldoende; He could not — a shilling = kon geen 60 cent bij elkaar krijgen; To — into (out of) service = aanmonsteren (afmonsteren); He could not — up courage enough = hij kon er niet toe komen, bleek geen moed genoeg te bezitten; —-book = stamboek (milit.); —-roll = monsterrol.
Mutability, mjutəbiliti, subst. v. Mutable, mjûtəb’l, veranderlijk, ongedurig, wispelturig, wankelmoedig: — sands = drijfzand; —ness = veranderlijkheid, wankelmoedigheid; Mutate = veranderen; Mutation = verandering, mutatie, stemwisseling.
Mutchkin, mɐtškin, ¼ (Schot.) pint.
Mute, mjût, stom, sprakeloos, zwijgend; subst. stomme, stomme letter, stemlooze medeklinker, bidder, figurant, demper (muz.); meute; kooi, vogeldrek; — verb. ruien; subst. —ness.
Mutilate, mjûtileit, verminken; subst. Mutilation; Mutilator.
Mutineer, mjûtinîə, muiter, oproermaker; Mutinous, mjûtinɐs, muitziek, oproerig; subst. —ness; Mutiny = opstand, oproer, muiterij; — verb. aan het muiten slaan: To foment — = tot muiterij aanzetten; — Act = (van 1689 tot 1879) een krijgswet, die jaarlijks verlengd werd om den koning te machtigen een staand leger te houden.
Mutter, mɐtə, mompelen, brommen, rommelen; —er.
Mutton, mɐt’n, schapenvleesch, schaap, vrouwspersoon, lichtekooi: We must return to our —s = weer op ons onderwerp terugkomen; As dead as — = zoo dood als een pier; —-chop = schaapscotelette: Whiskers of the —-chop formation; —-head = schaapskop.
Mutual, mjûtjuəl, onderling, wederkeerig, wederzijdsch: Our — friend = gemeenschappelijke; On — terms = op gelijke voorwaarden van weerszijden; Mutuality = wederkeerigheid.
Muzzle, mɐz’l, subst. muil, bek, snuit, muilband, prop, mond of tromp (van vuurwapenen); — verb. muilbanden, knevelen: To put the — on = niet eten; —-loader = voorlaadgeweer(-kanon) = —-loading gun; —-velocity = aanvangssnelheid.
Muzzy, mɐzi, verstrooid, beneveld.
My, mai, mijn (pron. poss.): (Oh) — = goeie genade = (Oh) — eye; — word! There’s pluck in you = waarachtig, je durft!
Myelitis, maiilaitis, ruggemergsontsteking.
Mynheer, minhîə, mainhêə, Hollander (schertsend).
Myography, maiogrəfi, spierbeschrijving.
Myology, maiolədži, leer der spieren.
Myope, maioup, bijziend persoon; Myopia, maioupjə, bijziendheid = Myopy, maiəpi.
Myosotis, maiəsoutis, vergeetmenietje.
Myotomy, maiotəmi, anatomie der spieren, spierdoorsnijding.
Myriad, miriad, tienduizend(tal), zeer groot aantal; ook adj. ontelbaar: Those — interests.
Myriapod, miriəpod, miriapod, duizendpoot.
Myrmidon, mɐ̂midon, subst. (slaafsch) volgeling, handlanger: — of the law = gerechtsdienaar, beulsknecht.
Myrrh, mɐ̂, mirre; —ic = uit m. getrokken.
Myrrha, mɐ̂rə.
Myrtle, mɐ̂t’l, mirt; —-berry = mirtbes.
Myself, maiself, zelf, ikzelf: I am not exactly — = niet recht lekker; I was by — the whole evening = was alléén.
Mysore, maisö.
Mystagogue, mistəgog, verklaarder van goddelijke geheimenissen; Mystagogy, mistəgoudži, verklaring van mystieke leerstellingen; sacramenten.
Mysterious, mistîriəs, geheimzinnig, verborgen; subst. —ness; Mystery, mistəri, mysteriespel (= — play), geheim, raadsel, sacrament; Mystic, subst. mysticus; adj. geheim, mystisch, raadselachtig, zinnebeeldig = Mystical; subst. —ness; Mysticism = mysticisme; Mystification, mystificatie, opzettelijke misleiding; Mystify, mistifai, misleiden, bedriegen.
Myth, mith, mythe, fabel; —ic(al) = fabelachtig, mythisch; —ographer, mithogrəfə, schrijver van mythen, fabelen en legenden; —ologic(al) = mythologisch; —ology, mitholədži, mythologie, godenleer.
Mytilene, mitilînə.
N.
N, en; N(orth) A(merica); Nap(oleon); Nat(ural) Hist(ory); Nat(ural) Phil(osophy); Naut(ical); N(ota) B(ene); N(ew) E(ngland); N(orth) E(ast); Neg(ative); Nem(ine) Con(tradicente) = éénparig, éénstemmig = Nem(ine) Diss(entiente); Neth(erlands); Neut(er); N(ew) J(ersey); N(orth) N(orth) E(ast); Nom(inative); Non con(tent) = tegen (bij eene stemming in het House of Lords); Non seq(uitur) = daaruit volgt niet; Norm(an); Norw(ay); Norw(egian); Nos. = nummers = Num(bers); N(orth) W(est); N(ew) Y(ork); N(ew) Z(ealand).
Nab, nab, snappen, gappen; subst. kop, bergspits, haan, fat (Amer.).
Nabob, neibob, Nabob; vr. —ess.
Nacarat, nakərat, helderroode kleur; stof van die kleur.
Naches River, nâtšəs rivə.
Nacre, neikə, paarlemoer; —ous, neikriəs, paarlemoerachtig: — shells = schelpen met eene laag paarlemoer.
Nadir, neidə, nadir, voetpunt.
Nag, nag, subst. knol, hit; — verb. plagen, zeuren, kwellen, vitten, aanmerkingen maken: I can’t bear to be —ged at = ik kan dat geplaag en geneger niet velen; —ger; —gy = vitterig, plagerig.
Naga, nâgə, de heilige slang in Ind. Myth.; een lid van de Nagastammen, lid van een klasse Hindoebedelaars; ook adj.
Nagpur, nâgpûə.
Naiad, naiəd, neiəd, waternimf; nymphkruid.
Nail, neil, subst. nagel, klauw, spijker, maat van 0,057 M.; — verb. vastspijkeren: Hard as —s = gezond en sterk, geslepen, ongevoelig; Your comments are more down on the — than his = meer raak; To bite one’s —s = bijten op; To cut (pare, trim) one’s —s = knippen; To drive (knock) in a — = inslaan; One — drives (out) another = het eene verdringt het andere, den een zijn dood is den ander zijn brood; Drive a — where it will go = wees practisch; It would mean the last — driven into the coffin of domestic life = zou de genadeslag zijn voor; You have hit the — on the head = den spijker op den kop geslagen; I have laboured tooth and — = met alle macht; I’ll pare your —s = ik zal je kortwieken (fig.); Goods brought to the hammer must be paid on the — = contant betaald worden; He was never —ed at being drunk = betrapt op; To — down = vastspijkeren; To — up = dichtspijkeren; To — to the counter = valsch geld tegen de toonbank spijkeren; de waarheid van een bewering aantoonen; Jesus was —ed to the cross = genageld aan; To — one’s colours to the mast = hardnekkig weigeren zich over te geven; —-brush = nagelborstel; —-file = nagelvijltje; —-head = kop; —-headed characters = spijkerschrift; —-trimmer = nagelschaartje; —er = spijkermaker; kraan, goed renpaard.
Naïve, nâîv, nâiv, ongekunsteld, oprecht; —té, —ty.
Naked, neikid, naakt, bloot, openlijk, ontbloot, kaal, eenvoudig, oprecht, weerloos: With the — eye = met het bloote oog; The — truth; Stark — = spiernaakt; He was stripped — = geheel uitgekleed, uitgeschud, van alles beroofd; subst. —ness.
Namaycush, namikɐš, soort zalm (der Amer. meren).
Namby-pamby, nambipambi, subst. sentimentaliteit, zoetelijkheid; ook adj.: There is nothing — in him.
Name, neim, subst. naam, benaming, roem, aanzien, naamwoord; — verb. noemen, benoemen, vaststellen, tot de orde roepen: As in — so in aim = de naam is een voorteeken; A nice — to go to bed with = ’t is me ook ’n naampje! He called me all kinds of —s = schold me voor alles uit; As good be hanged as have an ill — = wee den wolf, die in een kwaad gerucht staat; Give my — = dien mij aan; To go (pass) by the — of X. = doorgaan onder; They left their —s = gaven hunne kaartjes af; To appear below one’s — = onder iemands naam verschijnen; To print over one’s — = drukken onder; I know him, but I cannot put a — to him = kan hem niet thuis brengen; Do not take the — of God in vain = gebruik Gods naam niet ijdellijk; Take up my — = dien mij aan; To write under a —; Christian — = doopnaam, voornaam; Family — = geslachtsnaam; Maiden — = eigen naam van getrouwde vrouwen; Proper — = eigennaam; A man, Williams by —, of the — of W. = genaamd W.; In — of = in plaats van; In the — of = namens; — the child! = spreek op! laat hooren! To — the day = den dag van het huwelijk bepalen; He was —d after me = naar mij genoemd; —-board = naambord; Station —-boards = de borden met namen op de perrons; —-day = naamdag; —-part = titelrol; —-plate = naamplaatje; —sake = naamgenoot; —less = nameloos, onbekend, onnoemelijk, anoniem; —ly = namelijk.
Namur, neimə, Namen.
Nancy, nansi, Nancy: Sweet — = witte narcis.
Nankeen, Nankin, nankîn, nankîn, Nanking, nanking (gele katoenen stof): —s = nanking broek.
Nanny, nani: — goat = geit.
Nantucket, nantɐkət.
Nap, nap, subst. slaapje, dutje; nop, zijden vezel voor hoeden; soort kaartspel; — verb. dutten; noppen, snappen: His hat was not — but felt; To go — = alles wagen (er op of er onder), grof speculeeren; To take a — = een uiltje knappen; You have been —ping = je hebt gesoesd; I caught him —ping = ik heb hem op heeterdaad betrapt, gesnapt; —less = kaal, zonder haar of noppen; —py = met noppen, wollig, kroes; koppig (van dranken), schuimend.
Nape, neip, nek = — of the neck.
Naphtha, naftə, nap-thə, naphtha: — launch = petroleum-motorboot; —lene of —line = naphtaline.
Napier, neipjə.
Napiform, neipiföm, knol- of raapvormig.
Napkin, napkin, servet, handdoek, vaatdoek: Don’t hide your gifts in a — = zet uw licht niet onder de korenmaat; —-ring.
Naples, neip’lz, Napels: — yellow = Napelsch geel.
Napoleon, nəpoulj’n, Napoleon, gouden 20-frankstuk, soort kaartspel; The Napoleonic period; Napoleonite = soort veldspaath.
Narciss(us), nâsis(əs), narcis.
Narcosis, nâkousis, narcose; Narcotic, nâkotik, verdoovend, slaapwekkend (middel); Narcotine, nâkətin, narcotine; Narcotism, nâkətizm, narcose, slaapzucht; Narcotization, subst. v. Narcotize = narcotiseeren.
Nard, nâd, nardus (olie); —ine = nardus...
Nardoo, nâdû, nâdû, watervaren.
Narghile, nâgilei, Nargile, nâgil, Narghileh, nâgilei, nargileh.
Narrate, nəreit, nareit, verhalen, beschrijven; subst. Narration; Narrative, narətiv, subst. verhaal, verslag; adj. verhalend; spraakzaam; Narrator, nəreitə, verhaler; adj. Narratory, narətəri = Narrative.
Narrow, narou, nauw, eng, klein, bekrompen, gierig, vrekkig, nauwkeurig, precies; subst. (meest mv.) engte, zeeëngte; — verb. vernauwen, verengen, beperken, begrenzen, minderen (bij het breien), nauwer worden: — circumstances = bekrompen; A — compass = beknopte omvang, ruimte; We made (had) a — escape = ontkwamen ternauwernood; A — majority = kleine; — means = bekrompen middelen; He has a — mind, is —-minded = bekrompen van geest; —-brimmed = met smallen rand; —-chested = met smalle borst; —-cloth = laken minder dan 80 c.M. breed; —-gauge = spoorwijdte tusschen de rails van minder dan 1,44 M. (tegenover de vroegere algemeene Broad-gauge van 2,13 M.); —-minded = kleingeestig, bekrompen; —-mindedness; To look —ly into = nauwkeurig onderzoeken; —ness = nauwheid, etc.
Narw(h)al, nâ(h)wəl, narwal.
Nasal, neiz’l, nasaal, neus...; subst. neusklank, neusbeen; —is, nəzeilis, neusaap; —ity, nəzaliti, neizaliti, eigenschap van door den neus te worden gesproken; Nasalization = nasaleering; —ize = tot een neusklank maken.
Nascency, nas’nsi, ontstaan, oorsprong; Nascent, nas’nt, ontstaande: — state.
Naseby, neizbi; Nasmyth, neismith.
Nasturtium, nastɐ̂šəm, O.I. kers; waterkers.
Nastiness, nâstinəs, subst. v. Nasty, nɐ̂sti, vuil, vies, akelig, onaardig; leelijk: A — attack of hay-fever = een leelijke aanval van hooikoorts.
Natal, neit’l, geboorte...: — day (hour); Natality = geboortecijfer.
Natal, natâl, Natal.
Natant, neit’nt, drijvend, zwemmend; Natation = zwemkunst, het zwemmen; Natatores, neitətôrîs, zwemvogels = Natatorial birds; Natatory = zwem...: — bladder = zwemblaas.
Natchez, natšiz; Nathan, neith’n; Nathaniel, nəthaniəl.
Natheless, neithləs, niettemin; Nathemore, neidhəmö, niet te meer.
Nation, neiš’n, subst. natie, volk, gemeenschap, hoop; adj. en adv. (verkorting v. Damnation) kolossaal, verduiveld.
National, našən’l, nationaal: — air (anthem) = volkslied; — debt = staatsschuld; — Ledger = Grootboek; — school = Church of England school, uitgaande van de National Society, opgericht in 1811 (in Ierland = volkschool); —ism = vaderlandsliefde; program der Iersche nationale partij; —ist, aanhanger van die partij; Nationality = volkskarakter, volkseenheid, vaderlandsliefde; —ize = nationaliseeren, naturaliseeren, onteigenen door den staat.
Native, neitiv, subst. inboorling, inlander, inheemsch(e) dier (plant); pummel; adj. geboorte - -, aangeboren, inheemsch, natuurlijk: A — of Germany, of Rotterdam = een geboren Duitscher, Rotterdammer; Eminent, Famous —s = beroemde mannen in een stad of streek geboren; He is — to the soil = daar geboren; — is a disparaging word for rustic; — country (land) = vaderland; — forest = oerwoud; — heat = natuurlijke warmte; — language = moedertaal; — oyster = gekweekte oester; — wit = natuurlijke gevatheid; Nativism, neitivizm, polit. program der Nativists, die de geboren Amerikanen boven de emigranten wenschen te begunstigen; Nativity, nətiviti, nativiteit (ook in de Astrologie); (schilderij van de) geboorte van Christus: He had his — cast = hij liet zijn horoscoop trekken.
Natolia, nətouljə, Anatolië.
Natron, neitr’n, natr’n, natron.
Nattiness, natinəs, subst. v. Natty, nati, keurig, netjes, chique: Everything belonging to Nancy was of delicate nattiness = alles om en aan haar was even fijn en keurig.
Natural, natšər’l, natuurlijk, inheemsch, aangeboren, wildgroeiend, natuurgetrouw, onecht (v. geboorte); subst. idioot; naturel (muz.): Why was not he — in his life-time? = waarom was hij bij zijn leven niet als andere menschen? — death = natuurlijke dood; — history; — philosophy, — science = natuurkunde, natuurwetenschappen; — son; — selection = natuurlijke teeltkeus; —ism = natuurstaat, naturalisme (in godsdienst en kunst); —ist = natuurphilosoof, naturalist; —istic = naturalistisch, realistisch, natuurwetenschappelijk; —ization, subst. v. —ize = natuurlijk maken, naturaliseeren, inburgeren, acclimatiseeren, zich laten naturaliseeren, inburgeren; —ly = natuurlijk, van nature; —ness = natuurlijkheid; Nature, neitšə, natuur, (natuurlijke) aard, karakter: By — = van nature; From — = naar de natuur; In a state of — = in den natuurtoestand, naakt, zondig; In the — of = krachtens; In —’s garb = in Adamscostuum; He has gone the way of —, paid the debt of — = hij is den weg van alle vleesch gegaan; Good — = goedigheid; Ill — = boosaardigheid; —-worship = natuuraanbidding.
Naught, nôt, subst. niets, nul: To call to — = geducht uitschelden; To come to — = mislukken; To set at — = in den wind slaan.
Naughtiness, nôtinəs, ondeugendheid; adj. Naughty, nôti.
Nausea, nôšə, walging, misselijkheid (ook fig.): To create — = misselijkheid teweeg brengen; —te, nôšeit, misselijk zijn, worden of maken, walgen; Nauseous, nôšəs, walgelijk; subst. —ness.
Nautch, nôtš, Indische dans; —-girl = bajadère.
Nautic(al), nôtik(’l), zee..., scheeps...: —al almanac = zeemansalmanak; —al chart = zeekaart.
Nautilus, nôtilɐs, nautilus.
Naval, neiv’l, zee..., scheeps..., marine...: — affairs; — architect = scheepsbouwmeester; — architecture; — battle (combat) = zeeslag; — cadet = adelborst (voor hij na 4 jaar en 8 maanden tot Midshipman wordt bevorderd); — college = marine instituut; — officers; — service; — station = marinestation; — term = scheepsterm.
Nave, neiv, naaf (v. wiel); schip (v. kerk).
Navel, neiv’l, navel; —-string = navelstreng; —-wort = waternavel.
Navicular, nəvikjulə, bootvormig: — bone = scheepvormig beentje uit den hand- of voetwortel.
Navigability, navigəbiliti, subst. v. Navigable, navigəb’l, bevaarbaar; subst. —ness; Navigate, navigeit, varen, bevaren, besturen; Navigation, navigeiš’n, het varen, scheepvaart, stuurmanskunst: Aerial — = luchtscheepvaart; Inland — = binnenvaart; Navigator, navigeitə, zeevaarder.
Navvy, navi; polderjongen, grondwerker.
Navy, neivi, scheepsmacht, marine, zeemacht: — League = de Eng. vereeniging “Onze Vloot”, opgericht in 1895; His son is in the — = bij de marine; —-blue = marineblauw; —-yard = marinewerf; arsenaal (Amer.).
Nawab, nəwôb, Ind. onderkoning, nabob.
Nay, nei, subst. weigering; adv. neen, ja, jazelfs, wat meer is: Not only the navy, — the army was discouraged = ja zelfs; To say — = ontkennen, afslaan: If you invite me, I will not say you — = niet bedanken; If I invite you I will have no — = mag je niet bedanken.
Nazarenean, nazərîniən, Nazareensch; Nazarene, nazərîn, Nazarener, de Heiland; Nazareth, nazəreth; Nazarite, nazərait, Nazarener (Num. IV).
Naze, neiz, landtong, voorgebergte.
Nead-end, nîdend, toonstuk (van eene rol goed).
Neagh, nei: Loch —; Neale, nîl.
Neap, nîp, laag, vallend; ook subst. = Dead — = doodtij; —-tide = laag water; —ed = bij eb aan den grond zittend (van schepen): The tides are —ed = het is doodtij.
Neapolitan, nîəpolit’n, subst. en adj. Napolitaan(sch), Napelsch.
Near, nîə, adj. en adv. nabij, nauw verwant, dierbaar, letterlijk, getrouw, kort, recht, aan de linkerhand, uiterst zuinig; nabij, dicht aan; — verb. naderen: — at hand = op handen; Far and — = wijd en zijd; — is my coat, but —er is my skin = het hemd is nader dan de rok; I had a — chance of not seeing him again = ’t was er bij af, of ik...; — escape = hachelijke ontsnapping; The — horse = het bijdehandsche of linksche paard; You are — the mark = gij zijt er haast, hebt ’t bijna geraden; It was a — thing = het spande er om, ’t kon maar net; It will go — to ruin him = het zal bijna zijn ondergang zijn; It won’t seem — so hard = niet half zoo moeielijk; —-sighted(ness) = bijziend(heid); —ly = bijna, na, innig: Not —ly (so) = op verre na niet; —ness = nabijheid, schraapzucht, etc.
Neat, nît, netjes, zuiver, rein, smakelijk, keurig, onvermengd, handig: Brandy — = klare cognac; A little — = een kleintje cognac pur; To put — = opredderen; —-handed = handig; subst. —ness = netheid, etc.
Neat, nît, rund: —’s hide; —’s leather.
Neb, neb, snavel, snoet, spits, tuit.
Nebula, nebjulə, nevelvlek; vlekje op het hoornvlies; —r = nevelvlek - -, troebel; Nebulosity, nebjulositi, nevelachtigheid (ook fig.); Nebulous = nevelachtig, schemerig: subst. —ness; Nebuly = golvend; golvende lijn (Herald.).
Necessary, nesəs’ri, noodzakelijk, noodig, onvermijdelijk, gedwongen; subst. het noodzakelijke; privaat: Necessaries of life = levensbehoeften; Necessitate, nəsesiteit, noodzakelijk maken, noodzaken; Necessitous, nisesitɐs, behoeftig, nooddruftig; subst. —ness; Necessity, nisesiti, noodzakelijkheid, nood, nooddruft, noodstand: From sheer — = enkel uit nood; Of — = noodwendig; There is no — for = het is niet noodig; — is the mother of invention = de nood maakt vindingrijk; — has no law = nood breekt wet; To consult with (To make a virtue of) — = van den nood eene deugd maken; This will put me under a — of doing it myself = mij noodzaken.
Neck, nek, hals, nek, halslengte, nauwste punt van pas of kanaal, landengte (= — of land): That has broken the — of him = dat heeft hem vernietigd, geknakt; To break the — of an affair = het moeilijkste van een werk afdoen; iets verijdelen; This came in the — of your tidings = kwam onmiddellijk na; He narrowly escaped with his — = bracht er net het leven af; I have got my — out of it = ik ben er van af, bevrijd; He has a stiff — = is een stijfkop; He has laid the guilt on my — = heeft mij de schuld op den hals geschoven; One misfortune rides on the — of another = een ongeluk komt zelden alleen; To tread on the — of a person = iemand den voet op den nek zetten; He won by a — = met eene halslengte; It was a —-and-— race = zeer harde strijd, was kamp; The horses ran —-and-— = bleven elkander prachtig bij; —-and-crop = volslagen, geheel: He chucked him, —-and-crop, out of the room = hij gooide hem vierkant de kamer uit; He tumbled down —-and-heels = halsoverkop; Away they went, — or nothing (naught) = in dolle vaart; —-band = hemd- of halsboord; —-beef = halsstuk; —-chain = halsketting; —cloth = halsdoek; —erchief = halsdoek; —lace = halssnoer, halsband, strop; —-tie = dasje, colletje; —-verse = aanvangswoorden van Psalm 51, door het oplezen waarvan een misdadiger het Benefit of Clergy deelachtig kon worden; —-wear = das, dasje, colletje; —ed = met een nek (in samenst. zooals: Stiff-—ed); —let = halssnoer.
Necrological, nekrəlodžik’l, tot eene necrologie behoorende; Necrologist = schrijver van eene necrologie; Necrology, nekrolədži, sterftelijst; levensbeschrijving van een overledene.
Necromancer, nekrəmansə, toovenaar; Necromancy = zwarte- of tooverkunst; Necromantic of Necromantic = toover - -.
Necropolis, nikropəlis, doodenstad, begraafplaats; Necroscopic = de lijkschouwing betreffend; Necroscopy = lijkschouwing.
Necrose, nekrous, nekrous, door beeneter of koudvuur aangetast worden of zijn; Necrosis, nikrousis = beeneter, koudvuur.
Nectar, nektə, nectar; honigsap; —eal, —ean, nəktêriəl, —ən, —eous, nəktêriəs, nectarachtig, heerlijk als nectar; —iferous = honigsaphoudend; —ine, nektərin, soort v. West-Ind. pruim; —ous, nektərəs = —eous; —y, nektəri, honigkelk (v. eene bloem).
Ned(dy), ned(i) = Edward.
Neddy, nedi, ezel; ploertendooder.
Need, nîd, subst. nood, behoefte, ellende, nooddruft; — verb. behoeven, noodig hebben, noodig zijn: At the hour of —; In time of —; A friend in — is a friend in deed; He has — (stands in —) of a good scolding = moet eens hebben; There is no — for crying = ge behoeft niet; About as gay a thing as — be = als mogelijk is; If — be = zoo het noodig is; You — not do it = gij behoeft het niet te doen; He —ed to go there = moest er noodzakelijk naar toe; —ful = noodig, vereischt; ook subst.; We do the —ful with these bills to your credit; = wij brengen deze wissels op uw credit; —fulness = noodzakelijkheid; —iness = nooddruft, ellende; —less(ness) = noodeloos(heid); It is —less to discuss the point; —s = noodzakelijk, noodwendig, onvermijdelijk: He must —s go whom the devil drives = wie den duivel aan boord heeft moet met hem varen; —y = behoeftig, armoedig.
Needle, nîd’l, subst. naald, magneetnaald, wijzer, spits, obelisk; ergernis, zenuwachtigheid; — verb. doorboren; prikkelen, ergeren; naaldvormige kristallen schieten: As sharp as a — = zeer slim; zoo scherp als een vlijm; Dip of the — = helling van de magneetnaald; To get, have the — = geprikkeld, zenuwachtig worden (zijn); —-book = naaldenboekje; —-case = naaldenkoker; —-furze = kattendoorn; —-gun = naaldgeweer; —-leaved trees = naaldboomen; —-point = punt, prik (fig.); —-woman = naaister; —-work = naaldwerk, naaiwerk, handwerken, borduurwerk (Fancy —-work = fraaie handwerken); —ful = een draad naaigaren.
Ne’er, nêə, verk. v. never: He is a —-do-good (—well) = hij is een onverbeterlijke deugniet.
Nefarious, nifêriəs, afschuwelijk, schandelijk: — practices, means; subst. —ness.
Negation, nigeiš’n, ontkenning; leegte; Negative, negətiv, ontkennend, negatief; subst. ontkenning, weigering, negatief (photogr.), negatieve pool; — verb. ontkennen, verwerpen, weerleggen: —-electricity; He answered in the — = ontkennend; I —d his arguments = ik bewees de onjuistheid van; To — a motion = verwerpen; Negatory = ontkennend.
Neglect, niglekt, subst. verzuim, verwaarloozing, zorgeloosheid; — verb. verzuimen, verwaarloozen, over het hoofd zien: I did it in — = uit achteloosheid; He studied literature, to the — of his other work = met veronachtzaming van; To — one’s duty, an opportunity; —edness = verwaarloozing; —ful = achteloos, nalatig, onverschillig; subst. —fulness.
Negligée, negližî, ochtendjapon, négligé; negližei, halssnoer v. ongeslepen koralen.
Negligence, neglidžens, nalatigheid, verzuim, achteloosheid, geringschatting; adj. Negligent.
Negotiability, nigoušəbiliti, subst. v. Negotiable, nigoušəb’l, verhandelbaar; Negotiate, nigoušieit, handelen, verhandelen, onderhandelen, in omloop brengen, sluiten (v. leeningen); subst. Negotiation: To carry on (To enter into) —s with = onderhandelingen voeren (treden in); Negotiator = onderhandelaar; makelaar; Negotiatory = handelend, onderhandelend.
Negress, nîgrəs, negerin; Negrillo, nigrilou, dwergneger (Midden-Afrika); Negrito, nigrîtou, Negrito (op de Philippijnen); Negro, nîgrou, neger: — minstrels = (meest nagebootste) negerzangers; —-driver = blankofficier; —-head = pruimtabak in reepen geperst; —land = Afrika ten Z. van de Sahara; Negroid, nîgrôid, negerachtig.
Negus, nîgəs, Negus; warme gekruide wijn.
Nehemiah, nîhimaiə, Nehemia.
Neigh, nei, hinniken; subst. gehinnik.
Neighbour, neibə, subst. buur(man), concurrent, naaste; adj. aangrenzend, naast; — verb. nabij wonen, vriendschappelijk verkeeren, aangrenzen; —hood = nabijheid, nabuurschap, omtrek: It was somewhere in the —hood of 50 dollars = het was zoowat om en bij de 50 d. (Am.); —liness, subst. v. —ly = als goede buren, gezellig, vriendelijk.
Neill, nîl; Neilson, nîls’n.
Neither, naidhə, nîdhə, geen van beiden, noch, en ... ook niet: — ... nor = noch ... noch; He does not like her, — do I = en ik ook niet; He is not so bad — (in plaats van either) = nog niet zoo kwaad.
Nell(y), nel(i); Nelson, nels’n; Nemean, nimîən, nîmiən; Nemesis, neməsis, Nemesis, ook fig.; Nenagh, neinə.
Nenuphar, nenjufâ.
Neolithic, nîəlithik, tot de latere steenperiode behoorende.
Neologian, nîəloudž’n, neologisch; neoloog; Neological = neologisch; nieuw gevormd; Neologism, niolədžizm, nieuw woord, nieuwe beteekenis, nieuwe leerstelling; Neologist = neoloog; Neologize = nieuwe woorden, beteekenissen of leerstellingen invoeren; Neology = neologie, invoering van nieuwe woorden of moderne godsdienstbegrippen.
Neophyte, nîəfait, subst. novice, nieuweling, beginner; adj. pas toegelaten.
Neoplatonic, nîəplətonik, Nieuw-Platonisch; Neoplatonism = Nieuw-Platonische wijsbegeerte; Neoplatonist.
Neoteric, nîəterik, nieuw, modern; ook subst.
Nepaul, nəpôl, stad: — paper = sterk ongelijmd schrijfpapier: —ese, nepôlîz, subst. en adj. (bewoner) van N.
Nepenthe, nipenthî, tooverdrank, die alle leed doet vergeten = —s; dit ook = kannekenskruid.
Nephew, nevjû, neef (oomzegger).
Nephralgia, nifraldžə, nierpijn; Nephritic = nier - -; subst. middel tegen nierziekte; Nephritis, nifraitis, nierontsteking; Nephrotomy, nifrotəmi, nieroperatie.
Nepotic, nipotik, adj. van Nepotism, nepətizm, nîpətizm, nepotisme.
Neptune, neptjûn, Neptunus; Neptunian, nəptjûnj’n, tot N. of de zee behoorende.
Nereid, nîri-id, zeenimf; borstelworm.
Nero, nîrou; adj. Neronian.
Neroli, Neroly, nerəli, nîrəli, oranjebloesemolie.
Nerve, nɐ̂v, subst. zenuw, nerf, pees, spierkracht, geestkracht, moed, durf; — verb. versterken, bemoedigen; zijn moed bijeenrapen, moed vatten (oneself, one’s mind): He has not got the — to do it = durft niet; She was —s and nothing else = door en door zenuwachtig; To be (to get) on one’s —s = zenuwachtig zijn; zenuwachtig maken; He recovered his — = herkreeg zijne zelfbeheersching, kracht: He —d himself = vatte moed, vermande zich; —d = met nerven; —less = zwak, zonder kracht; subst. —lessness; Nervine, nɐ̂v(a)in, zenuw ..., kalmeerend middel; Nervose, nɐ̂vous, nɐ̂vous, zenuw ...; geribd, geaderd; Nervosity = zenuwachtigheid; Nervous, nɐ̂vəs, zenuwachtig, zenuw ...; gespierd, krachtig: — English = gespierd Engelsch; — fever = zenuwziekte; — force = innerlijke kracht, spierkracht; subst. —ness; Nervure, nâvjə, vertakking d. nerven (in een blad), ribben in de vleugels der insecten; Nervy, nɐ̂vi, krachtig, moedig, driest, moed vereischend.
Nescience, nešiəns, nîšiəns, onwetendheid.
Ness, nes, voorgebergte, landtong.
Nest, nest, nest, verblijf(plaats), schuilhoek, haard (pathol.), bende; — verb. nestelen, een nest bouwen of uithalen, in een nest leggen, of liggen: — of boxes; To build (make) a —; He has feathered his — = is binnen; —-chicken; —-egg = nestei, potpenning(-geld); —ling = nestvogel; adj. jong.
Nestle, nes’l, zich nestelen, (zich) verschuilen, aankruipen, verborgen liggen: The little girl —d close to her mother = kroop dicht aan; He —d himself to her = vlijde zich tegen haar aan; His head —d itself on my shoulder = hij lei zijn hoofd op mijn schouder.
Nestor, nestə, Nestor.
Net, net, subst. net (val)strik (fig.), soort mousseline, netwerk; — verb, tot een net maken, haken; in een net vangen, verstrikken: —maker; —-work = netwerk; —-work of railway-lines = spoorwegnet; —ting = het netten maken, netwerk (op schepen, enz.); —ting-needle = haaknaald, haakpen; —ting-pin.
Net, net, netto; — verb. netto opbrengen: — amount, — gain, — profits, — price, — proceeds, — weight.
Nether, nedhə, lager, beneden: — lip = onderlip; — millstone (Job.); —most = laagste, onderste; —land = Nederlandsch; The —lands = Nederland(sch); —lander, —landish.
Nettle, net’l, subst. brandnetel (= Common —, Stinging —); — verb. boos maken, prikkelen: — in, dock out (In dock, out —) van den hak op den tak; To be —d at = geprikkeld, geërgerd; —-cloth = neteldoek; —-rash = netelroos.
Neufchatel, nɐ̂šatel.
Neural, njûr’l, de zenuwen betreffend; —gia, njuraldžə, zenuwpijn; Neuralgic = neuralgisch; Neurasthenia, njurasthənaiə, neurastenie; Neurasthenic = neurastenisch; neurastenicus; Neuritis, njuraitis, zenuwontsteking; Neurology = zenuwleer; Neuropathy, Neurosis, njurousis, zenuwlijden; Neurotic, njurotik, zenuw- -, zenuwlijdend, zenuwsterkend; subst. zenuwlijder, zenuwmiddel.
Neuter, njûtə, adj. onzijdig, onovergankelijk; geslachtloos; subst. onzijdig geslacht, geslachtloos dier (plant); Neutral, njûtr’l, adj. onzijdig, onverschillig, neutraal, onpartijdig; subst. onzijdig persoon; Neutrality = onzijdigheid; Neutralization, subst. v. Neutralize = neutraliseeren, neutraal verklaren, onschadelijk maken: To — each other = tegen elkaar opwegen.
Nevada, nəvâdə.
Never, nevə, nooit, geenszins, nimmer, volstrekt niet, toch niet: He’s — the one to pay = hij betaalt nooit; He is — the better for it = hij is er daarom niet beter aan toe; — a word = geen stom woord; Well, I —! = heb ik ooit van mijn leven; — so much as = niet eens, zelfs niet; Be he — so rich = al is hij nog zoo rijk; That problem is — so simple = vraagstuk is doodeenvoudig; —-do-well lad = deugniet; —-dying = onsterfelijk; —-failing = onfeilbaar; — fear = heb geen zorg; — mind = dat doet er niet toe, dat behoef jij niet te weten; — say die = je moet nooit den moed opgeven; —more = nimmermeer; —theless, nevədhəles, niettemin, niettegenstaande.
Nevil(le), nevil.
New, njû, adj. nieuw, onbekend, onervaren, versch, frisch: — bread = versch; — man = parvenu; — moon; The — woman = de geëmancipeerde, de moderne vrouw; The — World = de Nieuwe Wereld; That’s nothing — to me = dat is niet nieuw voor mij; He is — to the business = er nog niet mede op de hoogte; —-birth = wedergeboorte; —-born = pasgeboren; —-comer = pas(aan)gekomene; —fangled, njûfaŋgld, njûfaŋgld, nieuwerwetsch; subst. —fangledness; —-fashioned = nieuwmodisch; —-laid eggs = versche eieren; —(ly) married = pasgetrouwd; —-model = nieuw modelleeren; —-painted = pas geverfd; —-year = Nieuwjaar; —-year’s Eve = Oudejaarsdag; —ish = eenigszins nieuw; —ly = kortgeleden, op nieuwe wijze, opnieuw: —ness = nieuwheid, onervarenheid.
New Britain (—brit’n); New Brunswick; Newbury, njûbəri; New Caledonia; Newcastle, njûkâs’l; Newcomen, njûkom’n; New England (= Maine, New Hampshire, Vermont, Massachusetts, Rhode Island, Connecticut); Newfoundland, njûfaundland, njûfôndland, njûfôndland, het eiland en de N. hond; Newfoundlander, bewoner, vaartuig, hond; New France, oude naam voor Canada; New Guinea (—gini); Newhaven, njûheiv’n; New Hebrides (— hebridîz); New Holland; Newmarket, njûmâkit; New Orleans, njû öliənz, njû ölînz; New South Wales; New York, njûjök; New Zealand.
Newel, njûəl, stijl van eene wenteltrap.
Newgate, njûgit, gevangenis in Londen: A — fringe beard = baard onder de kin.
News, njûz, nieuws, tijding, bericht: An item (A piece) of — = nieuwtje; No — is good —; I had news that = ik hoorde; What’s the —? = wat voor nieuws is er? —-agent = agent voor dagbladen, etc.; —-boy = courantenjongen = —-man; —-monger = nieuwtjesverspreider; —-paper = courant: Some of these essays are too obviously —paperish = dragen al te zeer den stempel couranten-artikelen te zijn: —-room = tijdingzaal, leeszaal: —-vender, —-vendor = courantenverkooper; —-walk = buurt of wijk van een —-boy.
Newt, njût, watersalamander.
Newton, njût’n, Newton: —ian, njûtounj’n, subst. en adj. (volgeling) van N.
Next, nekst, naastbij, naast, volgende op, daarna: Wear flannel — your skin = op je bloote lijf; This — Thursday = den eerstvolgenden; — time = de volgende keer: — after you = dadelijk na u; I am the — in blood, — of kin = ik volg in graad van bloedverwantschap; He has — to nothing = zoo goed als niets; —-door to poverty = de armoede nabij; He is —-door to an idiot = driekwart idioot; He lives —-door = hiernaast; — eldest to = in leeftijd volgende op; — M. in age = volgt op M.: What —? = wat zullen we nu nog hebben? dat is àl te gek; Nog iets?
Nexus, neksəs, band, verbinding.
Niagara, naiagərə: Falls of —.
Nib, nib, snavel, mand, spits, punt, pen, koffieboon, cacaoboon; — verb. van een nib voorzien, spitsen: A soft — = zachte pen; Hard —bed = met harde punt.
Nibble, nib’l, — verb. knabbelen, bijten, visschen, vitten, gappen; ook subst.: A glorious day for a — = prachtige dag om te hengelen; To — bare = kaal vreten; To — off; —r = vitter.
Niblick, niblik, een zware ijzeren kolf met kleinen voet, gebruikt wanneer de bal in wagensporen, struiken, etc. ligt (Golfspel).
Nicaea, naisîə: —n councils; Nicaragua, nîkarâguə, nikərâguə; Nice, nîs, Nizza; nais, Nicea.
Nice, nais, stipt, nauwkeurig, keurig, zedig, kieskeurig, preutsch, teer, lastig, lekker, aangenaam, lief: That’s rather a — question = lastige vraag; You must not be — about accepting it = u niet geneeren om het aan te nemen; —ish, naisiš, lief, aardig: A —ish girl; —ness = liefheid, keurigheid, aangenaamheid, enz.; Nicety = fijnheid (van waarneming), nauwkeurigheid, kieschheid, kieskeurigheid; lekkernij: The coat fits to a — = zit keurig; One must not stand upon niceties = men moet de dingen niet al te nauw nemen; I can’t weigh niceties = rekening houden met zulke bagatellen; Niceties of words = spitsvondigheden.
Niche, nitš, nis, plaats, schuilhoek; — verb. in een nis plaatsen, verbergen.
Nicholas, nikəlas: The Festival of St. —: Nichol(l)s, nikəlz.
Nick, nik, kabouter, demon; kerf, kerfstok, rekening; juist oogenblik, hooge worp (bij het dobbelen), centstuk (Amer.); — verb. kerven, eene inkerving maken; op het juiste oogenblik treffen, overeenstemmen, passen: gappen, zich vlug bewegen: Old — = de duivel; Speak of the Old — and you’ll get an odour of brimstone = als je van den duivel spreekt, trap je hem op zijn staart; In the very —, just in the — of time = te juister tijd; That is out of all — = gaat buiten de schreef.
Nickel, nik’l, nikkel, 5 centstuk (Amer.): They spun a — = gooiden op; —-plated = vernikkeld; —-silver; Nickelic, nikəlik, nikelik = nikkelachtig, nikkel... = —iferous = nikkelhoudend.
Nicker, nikə, hinniken (N. E. en Schot.).
Nick-nack, niknak = knick-knack.
Nickname, nikneim, subst. bijnaam, scheldnaam: — verb. een bijnaam geven.
Nicobar, nikəbâ: — Islands; Nicodemus, nikədîməs.
Nicotin(e), nikətin, nikətîn, nicotine; Nicotinism = nicotinevergiftiging.
Niddle-noddle, nid’lnod’l, knikkend; — verb. knikkebollen, op en neer gaan; The plumes —d on the horses’ heads.
Nidification, nidifikeiš’n, het maken van nesten: Nidify, nesten bouwen.
Nidnod, nidnod, knikkebollen; —y = sukkel.
Nidus, naidəs, nest, broedplaats; infectiehaard.
Niece, nîs, nicht (oom- of tantezegster).
Niemen, nîm’n.
Nifty, nifti, goed, voldoende (Amer.).
Niger, naidžə.
Niggard, nigəd, subst. vrek; adj. vrekkig, gierig; —liness = vrekkigheid; adj. —ly.
Nigger, nigə, nikker: He works like a — = als een ezel.
Niggle, nig’l, beuzelen, beknibbelen, kleingeestige aan- of opmerkingen maken over (about), peuterig uit- of afwerken; ook subst.; Niggling = peuterig, krenterig.
Nigh, nai, nabij, nauw verwant, bijna (poët.): Well — = bijna; To be — at hand = nabij zijn; To draw — = naderen; subst. —ness.
Night, nait, nacht, avond, duisternis, onwetendheid, dood, tijd van rouw en smart: At (By) — = ’s nachts = In the —; At dead of — = in ’t holst van; Last — = gisteravond; (Late) at — = (laat) in den avond (nacht); To-— = van avond; Taking — = avond waarop de jongens een kermisvrijster kozen; A first —(er) = eerste opvoering; To bid (wish) good —; We have made a — of it = wij hebben den geheelen nacht doorgezwierd; To pass (spend) the —, To stay all — = overnachten; —-bell = nachtbel; —-brawler = (nacht)rustverstoorder; —-cap = slaapmuts, slaapmutsje(fig.); —-cart = kar van den reinigingsdienst; —-clothes (—-dress) = nachtgoed; —fall = het vallen van den avond; —-fly = avondvlinder, mot; —-gear = nachtgoed; —-gown = nachtjapon: —-gown case = nachtzak; —-jar = geitenmelker (= —-hawk); —-light; —-man = nachtwerker, man van den reinigingsdienst; —mare = nachtmerrie; —-pan = ondersteek; —-piece = nachtstuk; —-porter = nachtportier; —-school = avondschool; —shade = nachtschade (plant); —shirt = nachthemd; —-soil = fæcaliën; —-stand = nachtkastje; —-stool = stilletje; —-train; —-walker = slaapwandelaar, nachtelijk vagebond, prostituée; —-watch = nachtwacht; wekker; —-watchman; —ly = nachtelijk, elken nacht; —y = nachtpon.
Nightingale, naitingeil, nachtegaal.
Nigritia, nigrišə; adj. —n, ook subst. neger.
Nihilism, naihilizm, nihilisme; Nihilist = nihilist; adj. Nihilistic.
Nil, nil, niets, leeg: — desperandum! = ende désespereert niet!
Nile, nail, de Nijl; Nilgiri, nilgîrî: — Hills.
Nilly-willy, niliwili, goed- of kwaadschiks.
Nimble, nimb’l, vlug, lenig: The —-fingered gentry = de heeren met lange vingers (dieven); —-footed = vlug ter been, rap v. voet; subst. —ness.
Nimbus, nimbəs, stralenkrans.
Nimeguen, nimeig’n, Nijmegen.
Niminy-piminy, niminipimini, geaffecteerd, gekunsteld; ook subst.
Nincompoop, niŋk’mpûp, stommerik, sul = Nincom.
Nine, nain, negen: The (sacred) — = de muzen; Dressed up to the —s = keurig, netjes, piekfijn gekleed; That’s a — days’ wonder = verbaast de wereld eene week lang; — corns = een pijp vol; — winks = knippertje (dutje); —pin = kegel: They were playing at —pins = zij waren aan het kegelen; —fold = negenvoudig; —teen = negentien; She would chatter —teen to the dozen = praatte honderd uit; —teenth = negentiende; —tieth, naintiəth, negentigste; —ty = negentig; Ninth, nainth, negende; —ly = ten negende,
Ninny, nini, sukkel.
Niobe, naiəbî, Niobe.
Nip, nip, verb. nijpen, knijpen, omsluiten, afknijpen, door vorst beschadigen of vernielen, snijden (van koude), prikken, kwellen, pijnigen, ergeren; subst. kneep(je), beschadiging (door vorst en koude), slag, wippertje (borrel): —ped in the bud = in den knop gedood; in de kiem gesmoord; —ped by the ice = ingesloten door; I’ll first take my — and then my nap = eerst mijn wippertje en dan mijn knippertje; He takes two —s a-day = hij gebruikt zijne twee borrels per dag; There was an exhilarating — in the air = de vorstige lucht had iets opwekkends; —per = knijper, voortand van een paard, schaar (van een kreeft), vorstige dag, peuter, jongmaatje; —pers = (kleine) nijptang, schaar, knijper(s), soort handboeien; —ping = knijpend, scherp, snijdend, sarcastisch, stekelig; geaffecteerd (Amer.); —py = krachtig; scherp, bijtend: You had to look very —py to see him = scherp en vlug kijken.
Nipple, nip’l, tepel.
Nirvana, nirvâna, Nirwana; Nisan, naisan, nîsân.
Nisi Prius, naisai praiəs, (= unless previously), bevelschrift den Sheriff gelastend voor een Jury te zorgen aan het Court of Westminster, tenzij de Judges of Assize eerder naar zijn County komen; bevoegdheid aan deze writ ontleend; behandeling van een zaak krachtens dit bevel; civiele zaken door de Judges of Assize behandeld.
Nit, nit, neet (van ongedierte).
Nitre, naitə, salpeter; Nitric: — acid; Nitrification = salpetervorming; Nitrify = tot salpeter vormen (worden); Nitrogen, stikstof; Nitro-glycerine; Nitrous: — acid = salpeterig zuur; Nitry = salpeter...
Nix(ie), niks(i), watergeest.
Nizam, nizâm, nizam, titel van den vorst van Hyderabad.
No, nou, neen, niet; geen; subst. ontkenning, weigering, tegenstemmer, stem tegen: — cards = algemeene kennisgeving; — such matter = geenszins; It is — matter = het kan niets schelen; By — means = in geen geval; Of — use = nutteloos; —! (als uitroep) = och kom! wat je zegt! There is — avoiding it = dat is niet te vermijden; The —es have it = het voorstel is verworpen; Twenty —es and five ayes = twintig stemmen tegen en vijf vóór; The everlasting — = ontkenning van het bovenzinnelijke, de sceptische geest.
Noah, nouə, Noach.
Nob, nob, knop, kop, hoofd; hooge (oome): Old —s = de oude heer; —by = prachtig, piekfijn.
Nobble, nob’l, beetnemen, bepraten, gappen: To — the favourite = de favourite door eenig gift ongeschikt maken om mee te loopen; —r = slag op het hoofd; diefjesmaat.
Nobiliary, nəbiljəri, adellijk, adel...; subst. adelboek.
Nobility, nəbiliti, adel tot en met de Barons; grootheid: — of soul; Noble, noub’l, edel, grootmoedig, doorluchtig, adellijk, prachtig, statig; subst. edelman; rozenobel (oude munt van 6s.8p.): —man (—woman) = adellijke (man, vrouw); — metals = edele metalen; —-minded; subst. —-mindedness; —ness = edelheid, adel (fig.), grootschheid; Nobly-born = van adellijke geboorte.
Nobody, noubədi, niemand, nul, proleet: He is a — = een nul; They are — particular = zij zijn van gewone “kom-af”.
Nocake, noukeik, geroosterd maïpoeder.
Noctilionid, noktiljənid, Z.-Amer. vleermuis; Noctule, noktjul, spekmuis of rosse vledermuis.
Noctograph, noktəgraf, schrijfraam voor blinden; contrôle-instrument voor nachtwachten.
Nocturnal, noktɐ̂n’l, nachtelijk; Nocturne, noktɐ̂n, noktɐ̂n, nocturne (muz.).
Nocuous, nokjuəs, schadelijk, giftig.
Nod, nod, knikken, knikkebollen, slapen, droomen, suffen, toeknikken; subst. knik, wenk: A — is as good as a wink to a blind horse = een goed verstaander heeft maar een half woord noodig; To give one a — = toeknikken; He was a man to — to, not to speak with = hij was iemand om op een afstand te kennen en te houden; He —ded approbation, an affirmative, his assent = hij knikte goedkeurend, toestemmend; I had a —ding acquaintance with him = kende hem eenigszins; —dy = wankel.
Noddy, nodi, domkop; ijseend; soort van zeezwaluw; zie Nod.
Noddle, nod’l, subst. kop: Cracked in the — = niet recht snik.
Nodal, noud’l, knoop...; Nodated, nouditid, geknoopt; Node, noud, knoop, knoest, knobbel, spierverharding; verwikkeling, intrigue; Nodose, nədous, noudous, met knoopen of knoesten; Nodosity, nədositi, knoestigheid, knoop; Nodular, nodjulə, knoestig; Nodule, nodjûl, klompje, knoestje, knobbeltje.
Nog, nog, houten nagel; — verb. met nagels bevestigen.
Noggin, nogin, kroes, maat (¼ pint), kop.
Nogoism, nougouizm, onmogelijkheid, wat niet gaat.
Nohow, nouhau, in geen geval: To look — = er verloopen, slordig uitzien; —ish = onlekker.
Noise, nôiz, subst. geraas, getier, leven; — verb. tieren; verspreiden, uitbazuinen: There is a — abroad = er loopt een gerucht; — in the ear = oorsuizen; Hold your — = schei uit met je lawaai; He made a great — in his time = deed veel van zich spreken; It was —d about = rondgebazuind; —less = stil, zonder geraas of geluid; subst. —lessness; Noisiness, subst. v. Noisy = druk, lawaaiig, luidruchtig.
Noisome, nôisəm, nadeelig, ongezond, walgelijk, stinkend; subst. —ness.
Noli me tangere, noulaimîtanžərə, kruidje-roermeniet, gewoon springzaad, ezelskomkommer; een bepaalde huidziekte.
Noll, nol.
Nomad, nomad, noumad, subst. nomade; adj. nomadisch = Nomadic; —ism = zwervend leven; —ize = een zwervend leven leiden.
Nombril, nombril, navel (Herald.).
Nomenclature, noum’nkleitjə, nomenclatuur, naamlijst.
Nominal, nomin’l, nominaal: — price; — rank = titulaire rang; To pay a — rent = een zeer geringe huur; —ism = de leer, dat aan onze begrippen geene werkelijkheid beantwoordt, en zij slechts als namen bestaan; —ist = aanhanger van deze leer; Nominate, nomineit, benoemen, candidaat stellen, op de voordracht zetten; Nomination = benoeming, candidaatstelling: To be in — for = voorgedragen worden; Nominative, nominətiv, subst. eerste naamval = — case; adj. daarop betrekkelijk; Nominator = noemer, benoemer; Nominee, nominî, benoemde.
Non, non (in samenst.) niet, b.v. —-ability = onbekwaamheid; —-acceptance = non-acceptatie; —-appearance = niet verschijning; —-arrival = uitblijven (van een trein b.v.); —-attendance = niet verschijning; —com = non compos mentis, non-commissioned officer; A —-commissioned officer (zie Warrant-officer); A —-committal answer = antwoord, waarbij men zich tot niets verbindt, zich niet bloot geeft; —con, verkort voor —conformist = Dissenter, of voor —-content (= tegenstemmer of stem tegen in het Huis der Lords); —-conformist = afgescheidene; —-conformity = afgescheidenheid van de Anglikaansche kerk; —-delivery = niet bestelling, onbestelbaarheid; —descript = abnormaal, onmogelijk, vreemd, zonderling; ook subst.; —entity = nul; —intoxicants = niet alcoholische dranken; —juring, nondžûriŋ, tot de Nonjurors behoorende; —juror, nondžûrə, Jacobite, die bij de revolutie van 1688 niet trouw wilde zweren aan de nieuwe regeering; —-pareil, nonpərel, nonpərel, weergaloos; subst. iets weergaloos; nonpareille drukletter; soort zijden lint, soort appel; —-payment = niet betaling; That is a — sequitur (sekwitə) = eene onjuiste gevolgtrekking; —-sexual = geslachtloos; —-stop = doorgaand; —suit, nonsiût, subst. het opgeven of royeeren v. eene aanklacht wegens een gepleegd verzuim; — verb. aanleiding geven tot het opgeven of royeeren.
Nonage, noneidž, minderjarigheid; —d.
Nonagenarian, nonədžənêriən, 90-jarig(e).
Nonagon, nonəgon, negenhoek.
Nonce, nons, alléén in: For the — = voor dezen keer; —-word = gelegenheidswoord.
None, nɐn, subst. en pron. niemand, niets; adj. geen: — of your cheek here = hou je brutalen mond thuis; — the less = niettemin; He is — so young either = ook zoo jong niet meer; — too soon = geen oogenblik te vroeg; I am — the wiser = geen haar wijzer.
Nones, nounz, negende dag vóór de Ides.
Nonplus, nonplɐs, subst. verlegenheid; moeilijkheid; — verb. overbluffen, verlegen maken: To be at a —; To catch on the — = verrassen.
Nonsense, nons’ns, onzin, dwaasheid: I will stand no — = oppassen asjeblieft! Nonsensical(ness) = ongerijmd(heid), onzinnig(heid).
Non(e)such, nɐnsɐtš, subst. weergaloos persoon of zaak; soort van appel.
Noodle, nûd’l, uilskuiken, dwaas; —s = deeg van tarwemeel, dun gerold en aan reepen gesneden (Amer.).
Nook, nuk, hoek, gezellig plekje.
Noon, nûn, subst. middag, toppunt; adj. middag..: —day = middag; —house = herberg; —tide = middag; hoogtepunt; middag..; —ing = namiddagslaapje, -rust, -maal.
Noose, nûs, nûz, subst. lus, strik, schuifknoop; — verb. knoopen, in een strik vangen, verstrikken: To run oneself into a — = in de val loopen.
Nopal, noup’l, vijgendistel.
Nor, nö, noch, en ook niet: — I either = en ik ook niet; — is this all = en dat is nog niet alles; Much better — I = dan ik (plat).
Nora(h), norə; The Nore, dhə nö; Norfolk, nöfək.
Norm, nöm, norm; —al, nöm’l, naar den regel, normaal, loodrecht; subst. loodlijn: —al school = normaalschool; —ality, nömaliti = normaliteit, etc.; —alize, normaliseeren.
Norman, nöm’n, Normandiër: — architecture; —dy = Normandië.
Norn(a), nön(ə), Norne, Noorsche schikgodin.
Norse, nös, subst. en adj. (Oud-)Noorsch(e taal); —man = Noorman.
North, Nöth, subst. Noorden; adj. noordelijk; —-east = noordoosten, noordoostelijk; —-eastern = noordoostelijk; — by East = noord ten oosten; — America; — Pole; —-star = noord(pool)ster; —-west = noordwesten, noordwestelijk; —-western = noordwestelijk, noordwestelijke wind; —er, nödhə, harde, ijzige noordenwind; —erly, nödhəli, noordelijk; —ern, nödhən, noordelijk, uit het noorden: —ern-lights = Noorderlicht; —erner, nödhənə, bewoner van het noorden, van de Noord. Staten van Amer.; —ernmost, nödhənmoust, het meest noordelijk gelegen; —ing, nöthiŋ, noordelijke declinatie, afstand naar het noorden; —man = Noorman; —ward = naar het noorden: To the —ward = benoorden.
Northampton, nöthamt’n; Northumberland, nöthɐmbəland; Norway, nöwei, Noorwegen; Norwegian, nöwîdž’n, Noorsch; subst. (bewoner of taal) van Noorwegen; Norwich, noridž.
Nose, nouz, neus, reuk, snavel; spion; — verb. ruiken, in den neus krijgen, beruiken, trotseeren, door den neus spreken: Bridge (Point) of the —; — of wax = meegaand persoon; You had best follow your — = rechtuit te gaan; As plain as the — on one’s face = zoo klaar als een klontje; To cut the — off one’s own face = zijn aangezicht schenden (fig.); All my life my — was kept to the grindstone = heb ik hard moeten werken; You can lead them by the — = blindelings leiden of doen volgen; To pay through the — = duur betalen, duur te staan komen; That has put his — out of joint = hem den voet gelicht; When the baby came the little boy’s — was put out of joint = was de kleine jongen “Benjamin-af”; To snap a person’s — off = afsnauwen; He speaks in the — = spreekt door den neus; He thrusts (puts, shoves) his — into everything = steekt zijn neus in alles, bemoeit zich met alles; He turned up his — at it = hij trok er zijn neus voor op; He put his thumb to his — = bracht ... aan (ook als teeken van minachting); He did it under my very — = hij deed het waar ik bij was; —-bag = voederzak (van een paard); in kellner’s slang: bezoeker die zijn eigen mondvoorraad meebrengt: The British Museum reading-room is made a —-bag of by many = velen gaan naar de leeszaal van het B. M. om warm onder dak te zijn; —-band = neusriem; —-bleed = gemeen duizendblad; —-gay = ruiker; —hole = neusgat; —-piece = neusriem; mondstuk; objectief uiteinde van een microsc.; —-ring = ring door den neus; —d: Flat —d = met een platten neus; —less = zonder neus; Nosing = vooruitstekende rand van lijstwerk.
Nostalgia, nostaldžə, heimwee (naar = for); Nostalgic = heimwee hebbend.
Nostril, nostril, neusgat.
Nostrum, nostr’m, kwakzalversmiddel.
Nosy, nouzi, met grooten neus.
Not, not, niet: — at all = geenszins, integendeel; — by a very long way = geenszins; — in the least = in het minst niet; — if I know it = ik denk er niet aan, het komt niet bij mij op; Will they do it? — they = ’t mocht wat, dat kun je begrijpen.
Notabene, nouta bînî.
Notability, noutəbiliti, merkwaardigheid, gewichtigheid; notabele; Notable, noutəb’l, merkwaardig, aanzienlijk, groot, uitstekend, bekend, berucht, flink (v. huisvr. = notable); subst. kopstuk, notabele: Assembly of —s = afgevaardigden van Frankrijk (1787); subst. —ness.
Notalgia, nətaldžə, pijn in den rug.
Notarial, nətêriəl, notariëel; Notary, noutəri, notaris = — public = Public —.
Notation, nouteiš’n, aanteekening, opschrijving, notatie.
Notch, notš, subst. kerf, inkeping, keep, gergel; bergpas (Amer.); — verb. kerven, inkepen, opschrijven: The stick was —ed across at regular distances = over den stok waren op gelijken afstand inkepingen gemaakt; —-board = wang van een trap.
Note, nout, subst. opmerking, bekendheid, beteekenis, belang, (verklarende) aanteekening, uitlegging, briefje, mededeeling, nota, rekening, orderbriefje, promesse (ook: — of hand), toon, noot; — verb. aanteekenen, letten op, nota of notitie nemen van, aanteekeningen maken, laten protesteeren: — of charges = onkosten-nota; — of exclamation (interrogation); A thing worthy of — = merkwaardig iets; He is a man of — = man van aanzien en gewicht; As per — = volgens nota; We compared —s together = wij vergeleken onze bevindingen; To make a — of = aanteekenen; To take —s = aanteekeningen maken; To take no — (of it) = geen nota nemen van, niet letten op; —-book = aanteekenboek; —-paper = klein formaat schrijfpapier; —-shaver = iemand, die tegen buitensporige rente wissels disconteert, enz.; maker van valsche bankbiljetten; —worthiness, subst. v. —worthy, noutwɐ̂dhi, merkwaardig; He is a —d general = vermaard; —dness = vermaardheid.
Nothing, nɐthiŋ, subst. niets, kleinigheid, nul, prul: For — = te vergeefs; Next to — = zoo goed als niets; — at all = in ’t geheel niets; The piece was — like so witty as I expected = het leek er niet op, dat; There was — for it but to get out = er zat niets anders op dan; To have — on = niets aan hebben; That’s — to me = dat kan mij niet schelen; He is — to us = we hebben niets met hem te maken; There’s — in it = dat beteekent niets, is van geen belang; I will have — to say to you = niets met u te maken hebben; It is — to be inquired into = het is de moeite niet waard, er onderzoek naar te doen; Things have come to — = er is niets van gekomen; I can make — of it = kan er niet uit wijs worden; — venture, — have = wie niet waagt, die niet wint; —ness = waardeloosheid.
Notice, noutis, subst. opmerking, aandacht, acht, hoede, kennisgeving, waarschuwing, aankondiging, recensie; — verb. opmerken, waarnemen, notitie nemen van, vermelden, bespreken, recenseeren, eerbied bewijzen: To escape — = onbekend (onopgemerkt) blijven; He gave me — (to leave, to quit) = hij heeft me de huur (den dienst) opgezegd; Have you given — as yet? = hebt ge u al (voor ’t examen) aangegeven; The child takes — in a wonderful way = krijgt al merkwaardig veel “weet”; At a moment’s — = onmiddellijk; At (a) short — = op korten termijn; We —d the work in last week’s issue = hebben in ons nummer van de vorige week besproken; Do not — me = doe maar alsof ik er niet ben, let niet op mij; I had no opportunity of noticing this to you = u hierop opmerkzaam te maken; —-board = aanplakbord; —-paper = agenda; —able = opvallend, opmerkenswaard: Actresses generally go about with —able dress = zijn nogal dikwijls opzichtig gekleed.
Notification, noutifikeiš’n, kennisgeving, verwittiging, mededeeling, het beteekenen (van een vonnis); Notify, noutifai, bekend maken, verwittigen, kond doen.
Notion, nouš’n, begrip, denkbeeld, neiging (—s = kleinigheden, snuisterijen) (Amer.): He hasn’t a — of doing it = denkt er niet aan; I had no — of it = ik had er geen flauw idee van; —al = denkbeeldig, droomerig, begrips...: —al words = begripsnamen.
Notoriety, noutəraiiti, algemeene bekendheid, beruchtheid, onloochenbare zekerheid; bekende persoonlijkheid; Notorious, nətôriəs, bekend, berucht: A — burglar = berucht inbreker; subst. —ness.
Notturno, notɐ̂nou, nocturne (muz.).
Notus, noutəs, Zuiden (of Z. W.) wind.
Not-wheat, notwît, ongebaarde tarwe.
Notwithstanding, notwidhstandiŋ, niettegenstaande: — that = ofschoon.
Nougat, nûgâ, noga.
Nought, nôt. Zie Naught.
Noun, naun, zelfstandig naamwoord: Proper — = eigennaam.
Nourish, nɐriš, voeden, grootbrengen, koesteren; —able = wat gekweekt of gevoed kan worden; —er; —ing = voedzaam; —ment = voeding, voedsel.
Nous, naus, nûs, verstand; helderheid: You need all your — for that = daar mag je “de vijf” wel goed voor bij elkaar hebben; —-box = “kop”, kersepit.
Nova Scotia, nouvəskoušə, Nieuw Schotland; Nova Zembla, nouvəzemblə.
Novel, nov’l, subst. roman, novelle (Jur.); adj. nieuw, ongewoon: The purpose — = tendenzroman; A — point = een nieuw gezichtspunt; A —-writer = romanschrijver; —ette, novəlet, novelle; —ist = romanschrijver; —istic = roman..; —ty = nieuwigheid, nieuw artikel: That is quite a —ty = dat is wat nieuws.
November, nəvembə, November.
Novice, novis, nieuweling, beginner, novice (klooster); Noviciate, Novitiate, nəvišieit, leertijd, proeftijd (in een klooster), novitiaat.
Now, nau, nu, thans: — ... — ... = nu eens ... dan weer ...; — and again = telkens; — and then = nu en dan; Every — and then = telkens; Before — = reeds vroeger; By — = op dit oogenblik; But (Even) — = net nog; Just — = zooeven; Till — = tot nu toe; Don’t spill oil on my dress, — = zeg er eens, mors nu geen olie op mijne japon; —, the weather being nice = aangezien het weer mooi was; He said so. Did he —? = och kom! I shan’t tell you, So —! = basta! Sure —? = Heusch? (Iersch); — for it! = nu moet het maar wezen; — for them! = laten ze nu maar komen! — that = daar nu, omdat; —adays, nauədeiz, heden ten dage.
Noway(s), nouwei(z), geenszins.
Nowhere, nouwêə, nergens: Now that he has lost his property, he is — = beteekent hij niets meer; My horse was — = verloor het royaal, viel geheel uit; His new play is — = trekt geen publiek; It is — by comparison = haalt er niet bij; Nowhither, nouwidhə, nergensheen; Nowise, nouwaiz, op geenerlei wijze.
Noxious, nokšəs, schadelijk, verderfelijk, ongezond; subst. —ness.
Noyau, Fr. uitspr. persico.
Nozzle, noz’l, pijp, mondstuk, snuit; neus.
Nub, nɐb, knobbel; adj. —bly.
Nubia, njûbjə, Nubië; wollen netje (hoofdbedekking voor Amer. dames); —n = Nubiër, negerslaaf.
Nubile, njûbil, huwbaar.
Nucleus, njûkliəs, kern, grondslag.
Nude, njûd, naakt, bloot, kaal; ongeldig: The — = het naakte (lichaam); —ness = Nudity.
Nudge, nɐdž, subst. duwtje; — verb. eventjes aanstooten: He —d me (with his elbow) = hij gaf me een duwtje (met den elleboog), stootte mij aan.
Nudity, njûditi, naaktheid.
Nugatory, njûgətəri, beuzelachtig, waardeloos.
Nugget, nɐgət, klomp edel metaal.
Nuisance, njûs’ns, plaag, last, burengerucht: What a — = dat is vervelend; Don’t be a — = hinder me zoo niet; Commit no —! = verontreiniging van deze plaats is verboden.
Null, nɐl, krachteloos, nietig, ongeldig; subst. nul: Some voting-papers were — = van onwaarde; —ification = vernietiging, nietigverklaring; -ify, nɐlifai, van nul en geener waarde maken; —ity = ongeldigheid.
Nullah, nɐla, kanaal, droge stroom, bedding (Brit. Ind.).
Numb, nɐm, adj. verstijfd, verkleumd, verdoofd; — verb. verdooven, verstijven; subst. —ness.
Number, nɐmbə, subst. getal, nummer, menigte, (vers)maat; — verb. rekenen, nummeren, (op)tellen, bedragen: —s = verzen, poëzie; Numeri; To look well after — one = voor zichzelf zorgen; Out of (Without) — = talloos; To the — of 40 = ten getale; In great —s = in gr. getale; It’s the —s that pay = slechts bij grooten omzet is winst te behalen; — off = nummert u! (mil.); They can be —ed on the fingers of one hand = zij zijn op de vingers te tellen; —er; —less = talloos.
Numbles, nɐmb’lz, ingewand van een hert.
Numerable, njûmərəb’l, telbaar; Numeral, subst. telwoord, getalteeken; adj. tot een telwoord behoorende, een getal aanduidend; Numerary = in een zeker getal begrepen; Numeration = het tellen; Numerate, njûməreit, tellen, rekenen; Numerator, njûməreitə, teller; Numerical, njumerik’l: — difference = verschil in getal; — frame = rekenmachine; Numero = nummer; Numerous = talrijk; subst. —ness.
Numidia, njumidjə, Numidië; —n = Numidiër, Numidisch.
Numismatic, njûmizmatik, penning - -, munt - -; —s = penningkunde; Numismatist, njûmizmətist, penningkundige.
Numskull, nɐmskɐl, uilskuiken; —ed = dom.
Nun, nɐn, non; nonnetje (een zaagbek-eend): —’s veiling = soort voile-stof; —nery = nonnenklooster.
Nuncheon, nɐnš’n; Zie Luncheon.
Nunciature, nɐnšiətjuə, ambt of woning van een Nuncio, nɐnšiou, pauselijk gezant, nuntius.
Nuncle, nɐŋk’l = Uncle.
Nuncupative, nɐŋkjupətiv, Nuncupatory, nɐŋkjupətəri, mondeling: A — will = mondeling gemaakt testament.
Nundinal, nɐndin’l, Nundinary, nɐndin’ri, jaarmarkt - -: — laws.
Nuneaton, nɐnîtən, nɐnətən.
Nuphar, njûfə, njûfâ, gele waterlelie of plomp.
Nuptial, nɐpš’l huwelijks....: — benediction = huwelijksinzegening; — tie = huwelijksband; —s = huwelijk, bruiloft.
Nuremberg, njûr’mbɐ̂g, Neurenberg.
Nurse, nɐ̂s, subst. pleegzuster; baker (= Dry —, of Monthly —); min (= Wet —); kindermeid, “juffrouw”; kweeker, verzorger; — verb. zoogen, grootbrengen, oppassen, koesteren, streelen, strijken, sparen, dicht blijven bij: The child was at —, was put out to — = het kind was, werd bij eene min uitbesteed; He put out his income to — and accumulate = zette op rente; He understands the art of nursing = om ze warm te houden (bilj.); He —d his capital = was spaarzaam, leefde zuinig; You must — your cold = wat doen tegen; To — one’s face = de handen voor het gezicht houden; He —d his leg = hij zat met over elkaar geslagen of hoog opgetrokken knieën; —-girl = kindermeisje; —-maid; —-pond = vijver voor vischcultuur; —ry = kinderkamer; kweekerij (van planten); wedstrijd voor 2 jarige paarden; —ry-cannon = kanonnetje uit de speelgoeddoos; —ry-gardener = gardenier, kweeker; —ry-governess = kinderjuffrouw; —ry-man = kweeker, gardenier; —ry-plant = stekje; —ry-rhyme = kinderversje; —ry-tale = sprookje; Nursing-bottle = zuigflesch; Nursling = voedsterling, lieveling.
Nurture, nɐ̂tšə, subst. het voeden of grootbrengen, voeding, voedsel, opvoeding; — verb. voeden, grootbrengen, opvoeden.
Nustle, nɐs’l = Nuzzle.
Nut, nɐt, subst. noot, hazelnoot, moer, neut (van een anker), fat, dandy, nootjeskool, kop; — verb. noten plukken: He is as close as a — = zoo dicht als een pot; As sweet as a — = als uit een doosje; Hard —s to crack (tackle); I have a — to crack with you = appeltje met je te schillen; That is —s to me = een kolfje naar mijn hand; It is —s to read that letter = het is een genot; She is dead —s on him = smoorlijk verliefd op; Juggles, the policeman, is dead —s on poachers = is fel op; You are always dead —s on that school = je geeft altijd af op die inrichting; He is off his — = gek; —-brown = licht bruin; —-cracker(s) = notenkraker; ingevallen mond; —-gall = galappel; —-hatch = boomklever; —-hook = notenhaak; dievenvanger; —-key = schroevensleutel; —meg = notenmuskaat; —meg-grater = notenmuskaat-raspje; —meg-oil = muskaatolie; —shell = notedop (ook fig.): The world in a —shell = de wereld in een doosje; The whole matter lies in a —shell = is doodeenvoudig; —-tree; —-wood = notenboomhout; —ter = notenplukker; —ting: To go a-—ting = gaan noten plukken; —ty = vol noten, als noten smakende; lief.
Nutrient, njûtriənt, voedend; subst. voedende stof; Nutriment, njûtriment, voedsel: —al, njûtriment’l, voedend; Nutrition = voeding, voedsel, voedingswaarde; Nutritious = voedzaam; subst. —ness; Nutritive = voedzaam; subst. —ness.
Nuzzer, nɐzə, een geschenk aan een superieur (Brit. Ind.).
Nuzzle, nɐz’l, met den neus omwroeten (zooals een varken), met den neus wrijven tegen, een ring door den neus trekken, liefkoozen, het hoofd verbergen in moeders schoot (als een kind); met het hoofd voorover loopen.
Nymph, nimf, nimf; jonge schoone; —-like of —ly = als eene nimf; —aea, nimfîə, witte plomp; —ean, nimfîən, nimfachtig = —ical = —ish.
O.
O, ou; O(hio); O(fficial) A(ssignee); o/a = on account of = voor rekening van; Ob(iit) = hij (of zij) is gestorven; Obad(iah); Obj(ective); Obs(olete); Oct(ober); O(dd) F(ellows); O(ld) H(igh) Ger(man); O(n) H(er) M(ajesty’s) S(ervice) = “Dienst” (op brieven); O. K. = (Orl krekt) = allright; O. P. = Old pale = oude cognac;
Oakum, ouk’m, werk (om te breeuwen): To pick — = touw pluizen; He has been picking — these three years = hij zit al drie jaar in ’t tuchthuis.
Oar, ö, subst. (lange) roeiriem; — verb. roeien: To boat the —s = de riemen innemen; To have an — in every man’s boat (barge) = zich overal mee bemoeien; To lie on one’s —s = rusten op de horizontaal liggende, uit het water opgeheven riemen, rusten van den arbeid; To put (shove) in one’s —, To put one’s — in = zijn neus steken in, een woordje meepraten; To rest (up)on one’s —s = op zijn lauweren rusten; To ship (unship) the —s = inleggen (uitleggen); —ed: Four-—ed = vierriems...; —sman, —swoman = roeier, roeister; —y = met riemen, riemvormig.
Oasis, oueisis, ouəsis, (Meerv. Oases, oueisîz), oase.
Oast, oust, mouteest.
Oat, out, haver (meest —s): He has sown his wild —s = zijne wilde haren zijn uitgevallen, hij is uitgeraasd; —-cake = haverkoek; —-meal = havermeel; —-malt = havermout; —en: —en pipe = herdersfluit; —en straws = haverhalmen.
Oates, outs.
Oath, outh, eed, verwensching, vloek: By (Upon an) — = onder eede; Upon my — = ik zweer het; False — = meineed; You are on — = onder eede; To administer (To tender) an — to a person, To put a person to (on) his — = iemand een eed afnemen; He took — on entering upon his office = werd beëedigd; I have sworn an — = ik heb een eed gedaan; — of abjuration = afzweringseed (waarbij de Stuarts na 1688 van den troon werden uitgesloten); — of allegiance (— of fealty) = eed van trouw; — of office = ambtseed; —-breaking = eedbreuk.
Obadiah, oubədaiə, obədaiə, Obadja, Kwaker.
Obduracy, obdjurəsi, obdjûrəsi, verstoktheid; Obdurate, obdjurit, obdjûrit, verstokt; subst. —ness.
Obea(h), oubiə, toovermiddel.
Obedience, əbîdj’ns, gehoorzaamheid: Passive — = onvoorwaardelijke gehoorzaamheid; To reduce to — = tot gehoorzaamheid dwingen; Obedient = gehoorzaam: I am, —ly yours = hoogachtend, Uw dw. dr.
Obeisance, əbeis’ns, əbîs’ns, diepe buiging: To make an — (to).
Obelisk, obəlisk, obelisk, teeken (†); Obelize = van een verwijzingsteeken: +, † (= Obelus, obəlɐs) voorzien.
Oberon, oubəron, obəron, Oberon.
Obese, əbîs, dik, vet, vleezig; subst. —ness = Obesity, əbesiti, zwaarlijvigheid.
Obey, əbei, (onderdanig) gehoorzamen; —er.
Obfuscate, obfɐskeit, obfəskeit, verduisteren, verwarren, benevelen; —d = beneveld; verbluft; subst. Obfuscation.
Obit, obit, oubit, dood, zielmis, lijkdienst: Post — = na den dood; Obitual = dood(en)..., begrafenis...; —uary, əbitjuəri, subst. zielmissenboek; ook adj.: —uary notice = doodbericht.
Obiter, obitə, in het voorbijgaan, toevallig: — dicta = in het voorbijgaan gemaakte opmerkingen.
Object, obdžəkt, voorwerp, doel, hoofdzaak: Salary no — = op salaris zal minder worden gelet; To look an — = er uit zien als een vogelverschrikker; To make oneself an — = zich bespottelijk optooien; —-glass = objectief; —-lesson = illustratie, aanschouwelijke les; —-matter = hoofdzaak, inhoud; —-teaching = aanschouwingsonderwijs; —less = doelloos.
Object, əbdžekt, tegenwerpen, bezwaar maken: I — to your going there = heb er bezwaar tegen; —ion = tegenwerping, bezwaar; —ionable = laakbaar, onaangenaam: —ionable pictures = aanstootelijke; —ional = —ionable; —or = opponent.
Objective, əbdžektiv, objectief, voorwerps..; subst. voorwerpsnv., einddoel: — case = 4de nv.; — point = doel; —ness = Objectivity.
Objurgate, əbdžɐ̂geit, obdžəgeit, berispen, verwijten; subst. Objurgation.
Objurgatory, əbdžɐ̂gətəri, verwijtend, berispend.
Oblate, obleit, oblit, afgeplat aan de polen; subst. —ness.
Oblation, obleiš’n, offerande, avondmaal, gave.
Obligate, obligeit, verbinden, verplichten; Obligation, obligeiš’n, verplichting, verbintenis, obligatie: To be (To lie) under an — = verplicht zijn; To incur an — = een verplichting op zich nemen; Obligatory, obligətəri, (ver)bindend: — personal military service = persoonlijke dienstplicht.
Oblige, əblaidž, verplichten, een dienst of genoegen doen, eene gunst bewijzen, vriendelijk zijn; bindende kracht hebben, wat voordragen: Will you — me so far? = mij dat pleizier doen; Miss Jane will — = zal het gezelschap het genoegen doen, iets te zingen, spelen, etc.; Anything to — you = als ik je daar een pleizier mee kan doen; Full particulars will — = nadere inlichtingen verzocht; An immediate reply will — = er wordt om spoedig antwoord verzocht; Obligee, oblidžî, obligatiehouder, schuldeischer; Obliger; Obliging, əblaidžiŋ, beleefd, voorkomend; Obligor, obligö, obligö, schuldenaar.
Oblique, əblîk, əblaik, scheef, schuin, indirect, slinksch, onoprecht; — verb. schuin of scheef staan; schuin afmarcheeren: — angle = scheeve (stompe of scherpe) hoek; — case = verbogen naamval; — dealings = indirecte of slinksche manier van doen; — plane = hellend vlak; — speech = indirecte rede; —ness = Obliquity (əblikwiti) = scheeve richting, afwijking, onregelmatigheid, onoprechtheid, verkeerdheid.
Obliterate, əblitəreit, uitwisschen, doorhalen, onbruikbaar maken (postzegels), vernietigen: —d pulse = uiterst zwakke pols; Obliteriation = uitwissching, etc. onduidelijkheid; adj. Obliterative.
Oblivion, əblivj’n, vergetelheid, achteloosheid: Act of — = amnestie; To bury in —; To pass into —; Oblivious: — of a thing = iets vergetend; subst. —ness.
Oblong, obloŋ, langwerpig; subst. rechthoek.
Obloquy, obləkwi, verwijt, laster, smaad: To cast — upon = belasteren; To fall into — = in kwaad gerucht komen; To lie under — = in kwaad gerucht staan.
Obnoxious, obnokšəs, onderhevig, blootgesteld; aanstootelijk, hatelijk, afkeurenswaardig, onbemind: He is — to me = ik mag hem niet zien; subst. —ness.
Oboe, oubôi, hobo; Oboist = hoboïst.
Obolus, obəlɐs, obolus (⅙ Drachma); penninkske.
Obreption, obrepš’n, insluiping, verschalking; Obreptitiously, obreptišəsli, tersluiks, op slinksche wijze.
O’Brien, əbraiən.
Obscene, obsîn, vuil, onkiesch, ontuchtig; subst. —ness = Obscenity, əbseniti, vuile woorden of daden, ontucht, onkieschheid.
Obscurant, əbskjûr’nt, duisterling, domper; Obscurantism = domperzucht; Obscurantist, dompersch; subst. domper.
Obscuration, obskjureiš’n, verduistering, etc; Obscure, əbskjûə, adj. duister, somber, nachtelijk, onbekend; nederig, onduidelijk; — verb. verduisteren, bewolken, verkleinen, verbergen, verlagen: He lives very —ly = teruggetrokken; —ness = Obscurity = duisternis, donkerheid, onduidelijkheid, onleesbaarheid, onbekendheid: To retire into — = zich uit het openbare leven terugtrekken; Obscurities = onbekende personen.
Obsecrate, obsikreit, smeeken, bidden; Obsecration = smeeking.
Obsequial, əbsîkwiəl, lijk...; Obsequies, obsikwiz, lijkstaatsie, plechtige begrafenis.
Obsequious, əbsîkwiəs, kruipend, onderdanig; subst. —ness.
Observable, əbzɐ̂vəb’l, waarneembaar, opmerkenswaardig; subst. —ness; Observance, əbzɐ̂vəns, waarneming, viering, inachtneming; regel, voorschrift, gebruik; Observant, əbzɐ̂v’nt, oplettend, gehoorzaam: He was — of his mother’s slightest wishes = lette op; To be — of forms = gesteld op vormen; Observation, obzəveiš’n, waarneming, opmerking, ervaring: To fall under a person’s — = onder iemands aandacht vallen; adj. —al; Observatory, əbzɐ̂vətəri, sterrenwacht; Observe, əbzɐ̂v, waarnemen, gadeslaan, opmerken, vieren, letten op, opnemen: They —d the sun’s altitude = zij waren bezig de zon te schieten; —r = waarnemer, etc.
Obsess, əbses, bezoeken, kwellen, drukken; —ion, obseš’n, het bezeten (bezocht, gekweld) zijn, obsessie.
Obsolescence, obsəles’ns, veroudering, atropie; Obsolescent = verouderend, in onbruik gerakend, rudimentair; Obsolete, obsəlît, verouderd, onontwikkeld; subst. —ness.
Obstacle, obstək’l, hindernis, beletsel: To put —s in the way.
Obstetric(al), əbstetrik(’l), verloskundig; Obstetrician, obstitriš’n, verloskundige, vroedvrouw; Obstetrics, əbstetriks, verloskunde.
Obstinacy, obstinəsi, koppigheid, hardnekkigheid; Obstinate, obstinit, hardnekkig, stijfhoofdig; subst. —ness.
Obstipation, obstipeiš’n, verstopping.
Obstreperous, obstrepərɐs, luidruchtig, woelig, rumoerig; subst. —ness.
Obstruct, əbstrɐkt, versperren, verstoppen, belemmeren, verhinderen; —er; —ion = belemmering, beletsel, verstopping; taktiek eener Parlementaire minderheid om door lange discussies of tallooze amendementen, etc. de behandeling van een wetsontwerp te vertragen; —ionist = iemand, die den voortgang op die wijze belemmert; —ive, adj. belemmerend, hinderlijk, verstoppend; ook subst. —ness = streven om te belemmeren, enz.; —or; Obstruent = hinderend, stoppend (middel).
Obtain, əbtein, verkrijgen, verwerven, behalen, nemen; bestaan, voortduren, heerschen, algemeen in gebruik (regel) zijn, behelzen: This custom —s in some of our cities = heerscht; In complexion, as the common reports —, she surpassed the lily and rose = naar luid van de algemeene berichten; This —s with most people = geldt voor; —able = verkrijgbaar, enz.; —er; —ment = verkrijging.
Obtrude, əbtrûd, (zich) opdringen, indringen, opdringerig zijn: He —d himself upon the company = drong zich op aan; —r; Obtrusion, əbtrûž’n, opdringing; Obtrusive, əbtrûsiv, opdringend, hinderlijk, opvallend; subst. —ness.
Obtund, əbtɐnd, stomp maken, verdooven; —ent = verdoovend middel.
Obtuse, əbtjûs, stomp, dom, dof: — angle = stompe hoek; subst. —ness; Obtusion, əbtjûž’n, verstomping, dof- of sufheid.
Obverse, obvɐ̂s, əbvɐ̂s, toegekeerd, de andere zijde betreffend; obvɐ̂s, subst. vóórzijde, keerzijde: The — and the reverse of a medal; There is an — to the coin = de penning heeft zijn keerzijde (fig.); Obversion = omkeering; Obvert = omkeeren.
Obviate, obvieit, voorkómen, verhoeden, uit den weg ruimen: The difficulty was —d = weggenomen; subst. Obviation.
Obvious, obviəs, duidelijk, klaarblijkelijk, in ’t oog springend: To be — (to the eye); To be — to all the world = voor iedereen duidelijk; subst. —ness.
O’Callaghan, əkaləh’n.
Occasion, okeiž’n, subst. gelegenheid, gunstig oogenblik, aanleiding, reden, behoefte, noodzakelijkheid; — verb. veroorzaken, aanleiding geven: By, Upon — = bij gelegenheid; On that — = bij die gelegenheid; On — = van tijd tot tijd, desnoods; To have — for = noodig hebben; You have no —! = geen dank! He has no — to be told such a thing = zoo iets behoeft men hem niet te zeggen; I had — to look the passage up = het was noodig, dat; There is no — for you = geen aanleiding; To give — = aanleiding geven; He improved the — = maakte zich de gelegenheid ten nutte; sprak een stichtelijk woord; He rode the — to death = hij maakte misbruik van; He rose to the — = hij bleek berekend voor zijn taak, hield zich flink = He was equal to the —; He took (the) — by the forelock = hij greep de gelegenheid aan; —al = toevallig, als de gelegenheid zich voordoet, gelegenheids..; subst. los arbeider: —al chair (—al table) = fantasie stoeltje (tafeltje); I see him —ally = zoo nu en dan ontmoet ik hem wel eens.
Occident, oksident, Westen; —al, oksident’l, westersch, westelijk; van mindere voortreffelijkheid (van edelgesteenten).
Occipital, oksipit’l, achterhoofds...; Occiput, oksipɐt, achterhoofd.
Occlude, oklûd, sluiten, stoppen, absorbeeren; subst. Occlusion, oklûž’n.
Occult, okɐlt, verborgen, geheim; — verb. verbergen, verduisteren; —ism = occultisme; —ness = verborgenheid.
Occupancy, okjupənsi, bezitneming, bezit; Occupant = bezitnemer, bezitter, bewoner, aanwezige; inzittende; Occupation, okjupeiš’n, bezetting, bezigheid, beroep, ambacht: By — = van beroep; Army of — = bezettingsleger; —-bridge = verbindingsbrug tusschen 2 door een spoorlijn gescheiden stukken land; —-road = particuliere weg; Occupier, okjupaiə = Occupant; Occupy, okjupai, bezetten, bezitten, innemen, vullen, bezighouden, aanstellen, gebruiken, bewonen, handelen.
Occur, okɐ̂, voorkomen, gebeuren, aantreffen, invallen, opkomen: It —s to me that more might have been done = het wil mij voorkomen; It didn’t — to me until it was too late = kwam eerst bij mij op; Occurrence, okɐr’ns, gebeurtenis, voorval.
Ocean, ouš’n, Oceaan; —ic, oušianik, oceaan.., buitengewoon groot; —ia, ousianiə, ousieiniə = de eil. v. de Stille Zuidzee; —ides, oušianidîz, Oceaniden; —us, ousîənɐs, Oceanus.
Ocellated, əselətid, osəleitid, met oogvormige punten of vlekken.
Ochlocracy, oklokrəsi, bestuur door het gepeupel; adj. Ochlocratic, okləkratik.
Ochre, oukə, oker, geeltje (gouden munt); — verb. met oker verven; —ous, oukriəs, okerachtig, oker bevattend = Ochrey, oukri.
O’clock, əklok: Five — = vijf uur; He knows what’s — = hij weet hoe laat het is, hij weet bescheid, is op de hoogte; The thing went off like one — = het ging van een leien dakje.
Octagon, oktəgon, achthoek; Octagonal = achthoekig.
Octahedral, oktəhîdr’l, oktəhedr’l, achtvlakkig.
Octangular, oktaŋgjulə, achthoekig.
Octant, okt’nt, octant; cirkelboog van 45o.
Octave, okteiv, oktəv, octaaf.
Octavia, okteiviə; Octavius, okteiviəs.
Octavo, okteivou, octavo: Large —.
October, oktoubə, October; soort sterk bier.
Octodecimo, oktoudesimou, 18o (18 bladen of 36 bladzijden in een vel).
Octogenarian, oktədžənêrj’n, subst. en adj. 80-jarig(e).
Octopod, oktəpod, achtpootig, ook subst. = Octopodan.
Octopus, oktoupəs, oktəpɐs, poliep met 8 armen.
Octosyllabic, oktəsilabik, achtlettergrepig; Octosyllable, oktəsiləb’l, oktəsiləb’l, woord van acht lettergrepen.
Octroi, oktrôi, octrooi, octrooibureau.
Octuple, oktjup’l, achtvoudig.
Ocular, okjulə, oog..., zichtbaar; subst. oculair: — witness = ooggetuige; Oculist, okjulist, oogarts.
Odalisk, Odalisque, oudəlisk, odalisk.
Odd, od, oneven, overblijvend, ongeveer, waaraan de (het) tweede ontbreekt, eenzaam, afgelegen, vreemd, raar: — boy = jongmaatje; The Independent Order of —-fellows = een genootschap tot aankweeking van onderlinge vriendschap en het verschaffen v. onderlinge hulp, opgericht in de 18de eeuw; — gloves = linker en rechter handschoen, die geen paar vormen; — hand = los werkman; — job = (los) karweitje; An — lot = rommeltje, zootje; — man = los werkman, invaller; An — kind of man = vreemde snuiter; The — man of the family = de eenige ongetrouwde; At — times = zoo nu en dan eens; The — trick (bij het whistspel) = trek boven de zes; I have an — volume of Chambers’ Cyclopaedia = ik heb een enkel deel (v. het geheele werk); A fortnight and — days = een dikke veertien dagen; Fifty — guilders = zoowat vijftig gulden; — or even = even of oneven; —s = ongelijkheid, verschil, ongelijke weddenschap of partij, voorgift, waarschijnlijkheid, voordeel, meerdere bekwaamheid, twist, strijd: —s and ends = afval, lappen, stukken en brokken; What is the —s? = wat zou het? It’s no —s = het heeft niets te beduiden; They are at —s = zij zijn het niet eens, hebben standjes; It is within the —s = er is kans op; The —s are that he will come = er bestaat veel kans; The —s are on his side (for him, in his favour) = het voordeel is aan zijn kant; It was long —s in point of strength = de krachten stonden lang niet gelijk; To face fearful —s = het hoofd bieden aan een groote overmacht; To give a person —s = iemand iets voorgeven; I have the —s of you = ik ben je de baas; They had all the —s of number and time on their side = alle voordeel van getal en tijd; To lay the long —s = een ongelijke weddenschap aangaan; To set at —s = tegen elkaar opstoken; To take the —s = de ongelijke weddenschap aannemen; —-conceited = grillig, fantastisch; —-looking = zonderling uitziend; —ity = zonderlingheid, grappigheid, vreemde sijs; —ments = overgebleven stukken en brokken; —ness = zonderlingheid.
Ode, oud, ode.
Odeon, Odeum, ədîon, ədîəm, Odeon, schouwburg-, of concertzaal.
Odious, oudjəs, hatelijk, afschuwelijk, leelijk; subst. —ness; Odium, oudj’m, haat, blaam, verdenking.
Odoacer, odəeisə.
Odometer, ədomətə, afstandsmeter (aan een rijtuig).
O’Donoghue, ədonəgjû.
Odontalgia, oudontaldžiə, tandpijn; Odontalgic = tandpijn - -; tandpijnmiddel; Odontic = tand...; tandmiddel; Odontology, oudontolədži, tandkunde.
Odoriferous, oudərifərɐs, geurig, welriekend; subst. —ness; Odorous, oudərɐs, geurig; subst. —ness; Odour, oudə, geur, reuk, roep, naam: In bad — = te slechter naam bekend; —less.
Odysseus, ədisiəs, ədisiûz; Odyssey, odisî, Odyssee; Oedipus, îdipɐs, edipɐs.
O’er, Zie Over.
Oesophageal, îsəfadžiəl, slokdarm...; Oesophagus, isofəgɐs, slokdarm.
Of, ov, van: He is — age = meerderjarig; Ten years — age = tien jaar oud; — an afternoon = op zekeren namiddag; Be — good cheer = wees vroolijk en hoopvol; He worked at this paper within a fortnight — his death = nog veertien dagen voor zijn dood; He went — himself = ging uit zich zelf; I have not seen much — you — late = je den laatsten tijd niet veel ontmoet; A time — all others = bovenal een tijd; He went there — a Sunday = op een Zondag; I like it — all things = ben er dol op; A man — ten thousand = uit duizenden; Blind — an eye = blind aan ’t ééne oog; Beware — the dog = wacht u voor; All — a heap = alles te zamen, op één hoop.
Off, of, adj., adv. en prep. weg, vandaan, ver, rechtsch; — verb. er uit snijden: Hands —! = afblijven! — with your hat! = je hoed af! — his bedroom = naast; — Dover = op de hoogte van; — duty = vrij van dienst; — the latch = niet in de klink; — the road = van den weg af; — the stage = achter de coulissen; How far is it —? = hoe ver is het? —-and-on = af en aan, op en neer; Neither — nor on = besluiteloos; I am —, gentlemen = Heeren, ik ga weg; To be badly (well) — = het slecht (goed) hebben; To be — one’s head = krankzinnig zijn; To be — one’s legs = vermoeid, slecht ter been zijn, van de been zijn; He came — with a slight wound = ontkwam met; When will the concert come —? = plaatshebben; To dine — the joint = een eenvoudig maal gebruiken met een stuk vleesch waar men zelf afsnijdt; To go — = weggaan, zich in beweging zetten, verdwijnen, sterven: My ball went in — the red = verliep op (Bilj.); He would not let me — sixpence = geen schelling minder geven; I’ll let you — if it’s Van Houten’s Cocoa = je krijgt geen straf als het is; To put — = uitstellen, uittrekken, afzetten; To take — = wegnemen, afzetten (amputeeren), uittrekken (van kleeren): You have taken — his features admirably = merkwaardig goed uitgedrukt; He has a talent for taking — a person’s peculiarities = iemands eigenaardigheden na te bootsen; He took himself — = ging er vandoor; — with you! = maak dat je weg komt; We have a day —, an —-day to-morrow = een vrijen dag; The governor allowed me four days — = vrije dagen; —-chance = kans, uitzicht; —-colour = verbleekt, niet in orde: The diamonds were a little yellow, —-coloured as they say at Kimberley = met gele tint; I do not like his —-hand manner = korte, hooghartige manier; An —-hand shot = een schot uit de vrije hand; To sell —-hand = uit de hand; I killed the animal —-hand = op slag; He recited the poem —-hand = voor de vuist weg; —-handed = —-hand; —-horse = vandehandsche paard; —-licence = “vergunning”, mits de drank niet in het lokaal gedronken wordt; —-load = afladen; —-print = overdrukje; —-reckoning = op het traktement (van militairen) gekort geld; We journeyed for several hours without —-saddling = zonder uit den zadel te komen; —-scouring = afschraapsel, uitvaagsel; —-scum = schuim of uitvaagsel, droesem; London in the —-Season = als het Season over is (Zie Season); —-set, subst. tegenrekening; uitlooper (van bergen), spruit (uit den wortel); — verb. met een tegenrekening voldoen, voorzien in, opwegen tegen: The decrease was —-set by such means; —-shoot = tak (uit den stam); —-spring = kroost, kinderen, spruit, voortbrengsel; —-street = zijstraat; —-time = vrije tijd; —-white = met gelige tint; —ing = deel der zee meer dan halfweg van kust tot horizon; We gained (took) the —ing = wij kwamen in (kozen) volle zee; The steamer stood to the —ing = hield zeewaarts aan; —ish = op een afstand (fig.): On and —ish = nu eens wat beter, dan weer minder; —ward = van de kust afhoudend.
Offal, ofəl, afval, uitschot; adj. waardeloos.
Offence, əfens, beleediging, ergernis, aanval, overtreding: No — = neem me niet kwalijk; You gave — last night = gij gaaft aanstoot, waart beleedigend; To take — at = aanstoot nemen, kwalijk nemen; He takes — very easily = is zeer licht geraakt; Offend, əfend, beleedigen, aanstoot geven, overtreden, schenden, zondigen: He has —ed against the laws of the country = heeft geschonden; He was —ed at it = hij was er over geraakt; —er = beleediger, overtreder, zondaar; Offensive, əfensiv, aanvallend, beleedigend, aanstootelijk, onaangenaam, walgelijk: — and defensive alliance = offensief en defensief verbond; An — smell = walgelijke lucht; He stood on the — = ging aanvallend te werk; subst. —ness.
Offer, ofə, subst. aanbod, aanbieding, voorstel, bod, poging; — verb. aanbieden, offeren, opofferen, bieden, bereid zijn, toevoegen, aandoen, opperen, beproeven, trachten: On — = verkrijgbaar; He made no — to break prison = deed geene poging om uit te breken; To — a stubborn resistance to = hardnekkig weerstand bieden; To — violence = aanvallen; I’ll — to do it if you go me halves = ik ben bereid het te doen als gij half meebetaalt; He never —ed to pay = maakte volstrekt geen aanstalten, mine; He did not — to run away from us = trachtte niet; Many of the prisoners were —ed up by the savages = als offers gedood; —er; —ing = aanbieding, offer(ande); Offertory, ofətəri, offertorium (deel der Mis); offerbus = —-box (—-plate).
Office, ofis, subst. ambt, dienst, bezigheid, functie, plicht, eeredienst, kantoor, bureau, dienstbodenkamer; —s = bijgebouwen; liefdediensten, voorgeschreven gebeden; To be in — = aan het bestuur zijn; To come (get) into an — = een ambt aanvaarden; He gave (tipped) me the — = gaf me een heimelijken wenk, gaf me een tip (sport); To fulfil (perform) the last mournful — = den laatsten droevigen plicht; To leave (retire from) — = aftreden; To take — = een portefeuille, een hoog staatsambt aanvaarden; The Colonial — = het Min. van Koloniën; Holy — = Inquisitie; The Home — = Min. van Binnenl. Zaken; —-badge = insigne; —-bearer = bedienaar van een ambt; —-boy = loopjongen; —-clerk = bediende; —-hour = kantooruur; —-hunter = baantjesjager = —-seeker.
Officer, ofisə, subst. officier (= Military —); dienaar, ambtenaar, beambte, politieagent; — verb. van officieren voorzien, aanvoeren: The —s of the court = griffier en klerken; Custom-house —s = kommiezen; A commissioned — = officier door den koning by Commission (= officierspatent) aangesteld; Non-Commissioned — = onderofficier; Superior — = vlagofficier; Warrant — = uit het korps onderofficieren by Warrant aangestelde officier, als kapelmeester, etc. ongeveer overeenkomend met onze Indische onderluitenants; The army was well —ed = werd goed aangevoerd.
Official, əfiš’l, subst. ambtenaar; adj. ambtelijk, officiëel, ambts...; — duties = ambtsbezigheden; — Gazette = staatscourant; — receiver = curator in een faillissement; The —s = beambten; officiëele berichten; —dom = bureaucratie: The Language of —dom; Officiate, əfišeit, een ambt bekleeden; de godsdienstoefening leiden, officiëeren; Officious, əfišəs, officieus; gedienstig, Úvergedienstig, bemoeiziek; subst.; —ness.
Officinal, əfisin’l, ofisain’l: — plants = geneeskrachtige planten.
Oft, oft, dikwijls: Many a time and — = herhaaldelijk; Often, of’n, vaak, oftən, dikwijls; —ness = herhaaldelijkheid; —times = dikwijls = Ofttimes.
Ogee, ədžî, ojief.
Ogilvie, oug’lvi.
Ogive, oudžaiv, ədžaiv, oudživ, spitsboog.
Ogle, oug’l, subst. wenk, lonk; — verb. toelonken; —r.
Ogre, ougə, weerwolf, boeman; Ogr(e)ish, oug(ə)riš, boemanachtig; vr. Ogress, ougrəs.
Oh, ou, Och! Ach!
Ohio, əhaiou; —an = (bewoner) van O.
Ohm, oum, Ohm (electr.).
Oil, ôil, subst. olie; — verb. olieën, smeren, olieachtig worden: Boiled — = lijnolie; Salad (Table) —; Sweet — = olijfolie; — of roses; To burn the midnight — = tot laat in den nacht studeeren; To go to — = smelten; To pour — on troubled waters = olie op de golven gieten (fig.); To strike — = eene petroleumbron ontdekken; een gelukje hebben; That is like throwing — into the fire = dat is olie in het vuur (fig.); —-bag = vetklier; —-cake = lijnkoek, raapkoek; —-cloth = wasdoek; zeil; —-colour = olieverf (dikwijls —-colours of —s: A good portrait in —s = een goed portret in olieverf); —-cooking (—-heating) stove = petroleumstel (kachel); —-crusher = olieslager; —-lamp; He is in the — and colour line = hij doet in olieën en verfwaren; —man = oliehandelaar = —-merchant; —-mill = oliemolen; —-painting = het schilderen (of eene schilderij) in olieverf; —-press; —-seed; — shale = laag; —-skin = gewaste taf; oliejas; —stone = oliesteen; —-well = olie- of petroleumbron; To — (the hand of) a person = de handen smeren (fig.); She has a well —ed tongue = een gladde tong; —er = smeerder, oliekan; oliejas; —iness, subst. v. —y = als olie, goed gesmeerd, zalvend, glad.
Oillet(te), ôilət, oog (plantk.); schietgat.
Ointment, ôintm’nt, zalf.
O.K., oukei, in orde, klaar, flink: He is — and you had better give him no sauce = een flinke vent (verkorting van Ol Krekt, verbasterd uit all correct), en je moet maar niet brutaal tegen hem wezen.
Okapi, oukâpi, okapi.
Old, ould, oud, vroeger, gewoon, glad, slim: From — = van ouds; From — time = van oudsher; As in days of — = als in vroeger dagen; We have had a gay — time of it = ouderwets plezier gehad; Let’s talk over Boniface and — times = de dagen van weleer; — age = oude dag, hooge leeftijd; The — Country = Engeland; — file = gierigaard; — gentleman (— gooseberry, — Harry, — Nick) = de duivel; He is an — hand = slimme rot; ex-boef; — maid = oude vrijster; — man = ouwe heer, oude jongen, oudje; “den Ouwe” = kapitein; — rye = whiskey; — salt = bevaren matroos; — Tom = sterke jenever; —-beaten = beproefd; —-clothes-man = oudskleer; —-established = oud; —-fangled, —-fashioned = ouderwetsch; subst. —-fashionedness; —-maid = maagdepalm; His —-world ideas = zijne ouderwetsche denkbeelden; —en, adj. voormalig; — verb. verouderen, oud maken; In —en time = in vroeger dagen; —ish = oudachtig; —ness = oudheid; —ster = bejaard heer, ouder lid, midshipman van ’t vierde jaar.
Oldham, ould’m; Oldys, ouldis, ouldz.
Oleaginous, ouliadžinɐs, olieachtig; zalvend.
Oleander, ouliandə, oleander.
Oleograph, ouliəgraf, oleographie.
Oleomargarine, ouliəmâgərîn, kunstboter.
Oleraceous, oləreišəs: — plants = groenten.
Olfactory, olfaktəri, reuk...: — nerves = reukzenuwen; Olfactories = reukorganen, neus.
Oligarch, oligâk, lid van eene oligarchie; —ic(al), oligâkik(’l), oligarchisch; Oligarchy = oligarchie.
Olio, ouliou, ouljou, mengelmoes, potpourri, soort haché.
Oliphant, olif’nt.
Olivaceous, oliveišəs, olijfkleurig; Olivary, oliv’ri, olijfvormig; Olive, oliv, subst. olijf, olijfgroen; adj. olijf...: The Mount of —s = De Olijfberg; —-branch = olijftak (ook fig.), kind (Ps. CXXVIII, 3); —-oil = olijfolie; —-tree; —-yard = olijfberg.
Oliver, olivə: To give a Ro(w)land for an — = met gelijke munt betalen; Olivia, əlivjə.
Olivet, olivət, oliviënkorrel.
Olla, olə, aarden kruik, poreuze kruik: — podrida, pədrîdə, Spaansche schotel (fijn gehakt vleesch in groenten gestoofd). Zie Olio.
Olmsted, omstəd, ɐmstəd.
Olympia, əlimpiə; Olympiad = Olympiade; Olympian = Olympisch, hemelsch; Olympiër; Olympic = Olympisch: — games = O. spelen = —s.
Omasum, əmeis’m, boekpens, bladmaag.
Omber, Ombre, ombə, omberspel.
Ombrometer, ombromətə, regenmeter.
Omega, əmegə, əmîgə, ouməgə, omega, einde.
Omelet(te), oməlet, eierstruif: One cannot make —s without breaking eggs = zonder moeite (opoffering) heeft men niets.
Omen, oum’n, subst. voorteeken; — verb. vóórbeteekenen, aankondigen; Ominous, ominɐs, onheilspellend; subst. —ness.
Omissible, əmisib’l, weglaatbaar; Omission, əmiš’n, weglating, verzuim: This is a fault of — rather than of commission = de fout bestaat meer in de weglating dan in een bepaalde onjuistheid; Omissive = verzuimend, weglatend; Omit = nalaten, weglaten, verzuimen; Omittance: — is no quittance = uitstel is geen afstel.
Omnibus, omnibɐs, omnibus; hulpkellner; —-bill = wetsvoorstel omtrent allerlei verschillende zaken (Am.); —-box = loge avant-scène; —-conductor; —-driver.
Omnipotence, omnipətens, almacht; adj. Omnipotent.
Omniprescence, omniprez’ns, alomtegenwoordigheid; adj. Omnipresent.
Omniscience, omnišəns; alwetendheid; adj. Omniscient.
Omnium-gatherum, omniəmgadhərɐm, allegaartje.
Omnivorous, omnivərɐs, allesetend, alverslindend.
Omoplate, ouməpleit, oməpleit, schouderblad.
Omphalocele, omfələsîl, navelbreuk.
On, on, op, van, naar, tot, te: To be — = in behandeling (rechtszaak) zijn, aan den gang zijn, aan beurt zijn; dronken zijn; To get — = aantrekken; To go — one’s way = voortgaan, zijns weegs gaan; To have — = aanhebben; We left cards — them = gaven onze kaartjes af; The policeman’s “Move —, please” = “doorloopen asjeblieft”; To place — one side = links laten liggen; — account of = wegens; — an average = gemiddeld; — condition = onder voorwaarde; — the contrary = integendeel; — fire = in brand; — foot = te voet; — the one hand, the other hand = eenerzijds, anderzijds; — all hands = van alle kanten; — high = omhoog; — horseback = te paard; — pain of death = op straffe des doods; — purpose = opzettelijk; — the quiet (— the sly) = in stilte, (stiekum); — this side = aan dezen kant; — a sudden = plotseling; Swallows — the wing = vliegende zwaluwen; And so — = enzoovoort; —-come = aanval; —-comer = naderend persoon; —-coming, onkɐmiŋ, naderend, aanstaand; subst. nadering; —-going, on-gouiŋ, voortgang; —-goings = Goings-on; —-looker = toeschouwer.
Onager, onəgə, onədžə, wilde ezel.
Onanism, ounənizm, zelfbevlekking; Onanist.
Once, wɐns, eenmaal, eens: When the war is — over = goed en wel over is; Do it at — = dadelijk; He was at — my friend and colleague = tegelijk; — again = nog eenmaal; — and again = nu en dan (zelden); — for all = eens en voor al; — more = nog eens; — in a while = nu en dan, zelden; — upon a time there was = er was er eens; For this — = voor dezen enkelen keer; For — (in a way) = bij uitzondering, wel eens enkel; Never — = niet eenmaal; That — = voor dien keer; (When) — = zoodra, toen eenmaal; — a freemason, always a freemason = eens maçon altijd maçon; — is no custom = eenmaal is geenmaal.
One, wɐn, subst. zeker iemand, éénheid; adj. een, enkel, ongedeeld, men, zekere: — and none is all — = eenmaal is geenmaal; — day = op zekeren dag; — Williams = een zekere W.; — more = nog een; He is the — person who hates it = juist de man; — with another = door elkaar genomen; — way and another = alles te zamen genomen, wel beschouwd; — in a hundred = uit; I for — = ik voor mij; — and all = allen te zamen; All in — = uit één stuk; It’s all — to me = ’t is mij hetzelfde; To be at — = verzoend zijn; To be at — (with) = het eens zijn; I was within — of missing the scene = het was er “an toe”, of ik had het tooneel gemist, niet gezien; To be — and — = één zijn; We shall have to place this on — side = ter zijde moeten zetten, links moeten laten liggen; My little —(s) = kleintje (kindertjes); The great —s of this world = de grooten; The duck and her young —s = de eend en hare jongen; —-armed = éénarmig; —-eyed; That is a —-horse affair (show) = dat is een onbeteekend zaakje, armoedig spulletje; —-legged; Your —-sided views = eenzijdige, partijdige, bekrompen beschouwingen; —-sidedness = eenzijdigheid; —-storied = van één verdieping; —r = een echte, je ware, een kraan; shilling; —ness = éénheid, identiteit.
O’Neary, ənîri; Oneida, ənaidə.
Onerous, onərɐs, zwaar drukkend.
Onion, ɐnj’n, ui; kop; — verb. inwrijven met een ui: To weep with an — = krokodillentranen schreien; —-peel, —-sauce; adj. —y.
Only, ounli, alleen, éénig, enkel, behalve: — bill = solawissel; — for = zonder; — see = kijk eens; — think = denk eens aan; — yesterday = gister nog, pas (eerst) gisteren.
Onomatopoeia, onomətəpîjə, onəmatəpîjə, klanknabootsend woord, klanknabootsing door woorden; Onomatopoeic(al); Onomatopoetic(al) = klanknabootsend.
Onrush, onrɐš, hevige aanval.
Onset, onset, aanval, storm: To give (make) the — = aangrijpen, aanvallen.
Onslaught, onslôt, woedende aanval.
Onslow, onzlou; Ontario, ontêriou: Lake —.
Ontology, ontolədži, ontologie, leer van de algemeene eigenschappen der dingen.
Onus, ounəs, bewijslast = — probandi, — prəbandai.
Onward, onwəd, vooruit, naar voren; voorwaartsch = —s.
Onyx, oniks, ouniks, onyx.
Oof, ûf, geld, “duiten” of centen = —tish.
Ooze, ûz, subst. zachte modder, slijk; — verb. (uit)sijpelen, zacht vloeien, (uit)lekken (out); Oozy = modderig: To be — with = druipen van.
Opacity, əpasiti, ondoorschijnendheid, onduidelijkheid, domheid; ondoorschijnend iets.
Opal, oup’l opaal; —esce, oupəles, kleuren spelen of verspreiden (als een opaal); —escence = schittering van kleuren; adj. —escent; —ine, oupəl(a)in, opaalachtig.
Opaque, əpeik, ondoorzichtig, onduidelijk, dom.
Open, oupən, open, blootgesteld, openbaar, bekend, vrij, onbezet, duidelijk, royaal, openhartig, edelmoedig, ontvankelijk; — subst. open ruimte, vrije veld, open lucht, open zee; — verb. openen, openslaan, uitspreiden, bekend maken, ontdekken, uitleggen, ontvankelijk maken, bevrijden, opengaan, uitkomen op, open staan, beginnen, aanslaan (van jachthonden) op het zien of ruiken van wild: It is — to criticism = onderhevig; He is — to entreaties = toegankelijk voor; It is — to him = staat hem vrij; An — carriage; — field = vrij; — place = niet versterkte; — river = ijsvrije; — sea; To cut — = opensnijden; To lay — = openleggen, blootleggen; To lie — = blootgesteld zijn; To set (throw) —; To sleep in the — = onder den blooten hemel; To — the ball = het bal openen, beginnen, voorop zijn, den strijd beginnen; To — a battle; To — a business, a house = eene zaak oprichten; They —ed their fire upon the town; To — one’s mind (oneself) to = zich uitstorten voor; To — a railway = in exploitatie brengen; To — an umbrella over a person; The door —s into a passage = komt uit op; The street —s out of Regent Circus = gaat uit van R. C.; —-air meetings; —-eyed = waakzaam; —-handed = royaal; subst. —-handedness; —-hearted; subst. —-heartedness; —-mouthed = met open mond (ook fig.); vraatzuchtig, schreeuwerig; —-work = opengewerkt iets; —er; —ing = opening, begin, kans, gelegenheid; ook adj.: Men become Tories or Whigs, partly by principle, partly as —ings come = afhankelijk van de voordeelen of kansen, die zich aanbieden; Mr. M. has an —ing for an apprentice = kan plaatsen; —ing ceremony = openingsplechtigheid; —ly = openlijk; —ness = het open zijn, openhartigheid, mildheid.
Opera, opərə, opera: —-bouffe = opera comique; —-cloak = sortie; —-dancer = balletdanser(es) = —-girl; —-glass = tooneelkijker; —-hat = klak; —-house = opera(gebouw); —-singer; Operatic = tot eene opera behoorende, opera...
Operate, opereit, bewerken, teweegbrengen, uitwerken, opereeren, drijven, uitvoeren, exploiteeren: To — upon = bewerken, opereeren; Operating: — expenses = bedrijfskosten; —-room = operatiezaal; —-table = operatietafel; Operation, opəreiš’n, werking, uitwerking, handeling, operatie (in de verschillende beteekenissen), reeks v. militaire bewegingen (mv.): To perform an — = een operatie doen; Line of —s = operatielinie; First year’s —s = resultaten; Operative, opərətiv, subst. werkman, handwerker; adj. werkdadig, werkend, in exploitatie, operatief; Operator, opəreitə, werker, operateur, tandarts, telegrafist, beursspeculant.
Operculum, əpɐ̂kjəl’m, deksel.
Operetta, opəreta, operette.
Operose, opərous, bedrijvig, vermoeiend, zwaar: subst. —ness.
Ophelia, əfîljə.
Ophidian, əfidiən, slangachtig; subst. slang; Ophidium, əfidj’m, slangevisch; Ophites, ofaits, slangendienaars, een godsd. secte.
Ophthalmia, of-thalmiə, oogontsteking; Ophthalmic, oog...; subst. oogmiddel: — hospital, — infirmary; Ophthalmology = oogheelkunde; Ophthalmoscope, of-thalməskoup, oogspiegel; Ophthalmoscopy, of-thəlmoskəpi, of-thalməskoupi = onderzoek met den oogspiegel.
Opiate, oupiit, subst. en adj. slaapwekkend, pijnstillend, verdoovend (middel); — verb. (oupieit) in slaap maken, met opium vermengen.
Opine, əpain, denken, onderstellen.
Opinion, əpinj’n, meening, oordeel, gevoelen: — of counsel = rechtskundig advies; Public — = publieke meening; In my humble — = naar mijne bescheiden meening; To be of — = van meening zijn; I have no — of it = heb er geen hoogen dunk van; To injure a person in another person’s — = een ander een slecht idee geven van; Opinionated, əpinjəneitid, eigenzinnig, koppig = Opinionative, əpinjənətiv; Opinionist = stijfkop.
Opium, oupj’m, opium: —-eater = ‘pen-name’ van Thomas De Quincey; —-smoker = opiumschuiver; —-smoking den = opiumkit.
Opossum, əposəm, opossum.
Oppidan, opidən, uitwonend leerling (van Eton College).
Opponent, əpoun’nt, subst. tegenstander, tegenstrever; adj. tegenstrijdend, tegenwerkend, opponeerend.
Opportune, opətjûn, gelegen, geschikt, juist van pas, tijdig: He has proved it —ly = te juister tijd; subst. —ness; Opportunism, opətjûnizm, opətjunizm, opportunisme; Opportunist.
Opportunity, opətjûniti, gelegenheid, geschiktheid van tijd en omstandigheden: — makes the thief; To embrace (improve, seize, take) the — = aangrijpen; The book is a monument of exceptional opportunities = buitengewoon gunstige omstandigheden; He did not rise to the height of his opportunities = heeft er niet alles van gemaakt wat hij kon, is beneden zijn onderwerp gebleven; I will take an early — = de eerste gelegenheid aangrijpen.
Opposable, əpouzəb’l, weerlegbaar, bestrijdbaar; Oppose, əpouz, tegenstellen, weerstaan, opponeeren, bestrijden, dwarsboomen: They —d a stubborn resistance = boden hardnekkig weerstand; As —d to = tegenover; —r = mededinger, opponent; Opposite, opəzit, tegenover, tegengesteld, omgekeerd, vijandig, tegenstandig; subst. het tegenovergestelde, tegendeel: — the post-office, on the — side = tegenover het postkantoor, aan de overzijde; soms verb.: He declined either to support or to — the measure; subst. —ness; Opposition, opəziš’n, tegenstand, hindernis, oppositie: To act in — to = handelen in strijd met, weerstreven; To make — to = protesteeren; In spite of — = trots tegenstand; —ist = lid van de oppositie.
Oppress, əpres, (onder)drukken, zwaar liggen op; —ion, əpreš’n, onderdrukking, ellende, (afge)matheid, gevoel v. beklemming; —ive = onderdrukkend, zwaar drukkend; subst. —iveness; —or = tyran.
Opprobrious, əproubriəs, verachtelijk, schandelijk; subst. —ness; Opprobrium, əproubriəm, schande, smaad, eerloosheid.
Oppugn, əpjûn, bestrijden, weerstaan; —ancy, əpɐgn’nsi, tegenstand, strijd.
Optative, optətiv, opteitiv, wenschend; subst. optatief; — mood = de wijze (v. een werkw.), die een wensch uitdrukt.
Optic, optik, gezichts...: — nerves = gezichtszenuwen; Optical delusion = gezichtsbedrog; Optician, optiš’n, gezichtkundige, optisch instrumentmaker; Optics = optica, oogen.
Optimates, optimeitîz, de aanzienlijken; Optime, optimî, een kandidaat, die bij de Triposes of Honours Examinations voor den B.A. graad te Cambridge, onmiddellijk volgt op den Wrangler.
Optimism, optimizm, optimisme; Optimist, subst. optimist; adj. optimistisch = Optimistic.
Option, opš’n, recht of vrijheid van kiezen, keus, voorkeur: At — = naar verkiezing; To leave a thing to (in) a person’s — = aan iemands keus laten; —al = van de keus afhangend, vrij in de keuze, facultatief: It is —al with you = het staat u vrij.
Opulence, opjulens, rijkdom, weelde, overvloed; adj. Opulent.
Opus, o(u)pəs (Mv. Opera, opərə), werk (muziek); Opuscule, əpɐskjul, klein werk of geschrift.
Or, ö, eer, of: Either this — the other.
Orach(e), oratš, melde (plant).
Oracle, orək’l, subst. orakel, godsspraak: He has worked the — = hij heeft door list en bedrog zijne zaak gewonnen, het zaakje listig overlegd; Oracular, ərakjulə, orakeltaal sprekend, duister, dubbelzinnig, gewichtig; subst. Oracularity = —ness.
Oral, ôr’l, mondeling, mond...: — examination; —ly.
Orale, əreilî, pauselijke hoofdsluier.
Oran, ərân.
Orange, orinž, subst. en adj. sinaasappel, oranje(kleurig); —-blossom = oranjebloesem; —-man = koopman in sinaasappelen; —man = spotnaam voor Iersche protestanten (17de eeuw); Orangist, d.i. lid van eene geheime polit. protest, vereeniging in Ierland (1795); —-musk = muskaatpeer; —-peel = oranjeschil: Candied —-peel = snippers; —-woman; The — Free State = The — River Sovereignty; —ade, orəndžeid, orangeade; —ry, orənž’ri, oranjerie.
Orang-outang, əraŋûtaŋ, orang-oetang.
Oration, əreišn, redevoering; Orator, orətə, redenaar; Oratoric(al) = welsprekend, rhetorisch; Oratorio, orətôriou, oratorium (muz.); huiskapel; Oratorize, orətəraiz, eene redevoering houden; Oratory, orətəri, welsprekendheid; huiskapel: Priests of the — = leden van het Oratorium, een geestel. congregatie.
Orb, öb, bol, oog(appel), omloop, kringloop, rad, bol; — verb. omringen, een kring vormen, zich in een kring bewegen; —ed = rond, cirkelvormig, volkomen = —icular, öbikjulə = —iculate, öbikjulit; Orbit, öbit, oogkas; baan (van een hemellichaam); —al = tot een baan of oogkas behoorende.
Orcades, ökədîz, Orcaden = Orkney Islands; adj. Orcadian, ökeidj’n.
Orchanet, ökənet, ossetong (plant).
Orchard, ötšəd, boomgaard; —ing = ooftbouw; —ist.
Orchestra, ökəstrə, orkest: String — = strijkorkest; Orchestral, əkestr’l, ökəstrəl: The — score = orkestpartituur; Orchestrate, ökəstreit, arrangeeren voor orkest; Orchestration, ökəstreiš’n, het arrangeeren v. muziek voor orkest.
Orchid, ökid, orchidee; —aceous, ökideišəs, tot de orde der orchideeën behoorende; Orchis, ökis, orchis.
Ordain, ödein, instellen, voorschrijven, beschikken, ordineeren, bevestigen of wijden (in kerkelijke ambten); —er; —ment.
Ordeal, ödiəl, ödîl, ödîəl, godsgericht, vuurproef (fig.): — by fire, by water = vuur-, waterproef.
Order, ödə, subst. orde, schikking, methode, toegangsbewijs, reglement, rang, bouworde; — verb. ordenen, regelen, inrichten, leiden, verordenen, voorschrijven, bestellen, bevelen: Standing —s = reglement van orde; By — = volgens verordening, op bevel; By — of = op bevel van; In — = volgens ’t reglement van orde; In — that = opdat; In — to = om, ten einde; Not in — = buiten de orde = Out of — = in wanorde; Per — = volgens bestelling; To — = op bevel, op bestelling, naar maat; — of battle = slagorde; — of the day = agenda, dagorder, orde van den dag; I move to proceed with the — of the day = stel voor tot de orde van den dag over te gaan; Drunkenness was the — of the day = aan de orde van den dag; — in Council = Kon. Besl. na advies van de Privy Council; To be in good —; In holy —s, Zie Holy; The men were in full marching — = marschtenu; Everything was in working — = alles was klaar (zoodat men beginnen kon); The children were kept in — = stil gehouden; He cannot keep the boys in — = geen orde houden (Vergelijk: To impose good — on a class); To give an — = bevel geven; To give —s for = bestellingen; To be mentioned in general —s = eervol vermeld; He has taken —s with a view to restore — = hij heeft maatregelen genomen om de orde te herstellen; He took priest’s —s = hij werd gewijd als geestelijke; Take Mr. A’s — = vraag wat mijnheer A. zal gebruiken; I won’t be —ed about like that = laat me zoo niet commandeeren; The quack was —ed off by the police = werd gelast heen te gaan; To — out = wegsturen; To — up = boven laten komen; —-book = boek voor de bestellingen, orderboek (milit.); —-form = bestelbriefje; —-word = parool; —er; —ing = regeling, schikking; —ly, subst. ordonnans (Mounted —), hospitaalsoldaat, opzichter in eene ziekenafdeeling; straatveger (= Street—ly); adj. ordelijk, rustig, geregeld, kalm, in dienst; —ly-book = orderboek (mil.); —ly-man = ordonnans; —ly-officer = ordonnansofficier; —ly-room = bureau; —ly-sergeant = oudste onderofficier van eene compagnie.
Ordinal, ödin’l, rangschikkend; subst. rangsch. telwoord (= — number); missaal = Ordinale, ödineili.
Ordinance, ödin’ns, verordening, ritus.
Ordinary, ödinəri, gewoon, gevestigd, geijkt, middelmatig, alledaagsch, actief dienend, hof...; lijf...; buiten dienst gesteld; subst. gaarkeuken, table d’hôte in eene ouderwetsche herberg, maaltijd; rechter (vooral in geestelijke zaken): — debts = boekschulden; — seaman = licht matroos; In — = actief dienend, lijf..., hof...; buiten dienst gesteld (van schepen): Ambassador, professor in — = gewoon gezant, hoogleeraar; Chaplain in — to the Queen = hofkapelaan; Physician in — to the Queen = hofarts.
Ordinate, ödinit, geregeld, regelmatig; subst. ordinaat; — verb. ödineit, wijden (door den Bisschop); Ordination, ödineiš’n, wijding, bevestiging; verordening, raadsbesluit (fig.).
Ordnance, ödnəns, (groot) geschut: Piece of — = stuk geschut; (Army) — Department (tot 1855 Board of —) = departement voor artillerie en intendance; Director-General of (the) — = generaal-intendant; —-factory = geschutgieterij; —-map = stafkaart; — Survey = officieele triangulatie van Groot-Brit. en Ierland.
Ordure, ödjə, drek, vuil (ook fig.).
Ore, ö, erts; goud.
Oread, ôriəd, bergnimf.
Oregon, orəg’n; O’Reilly, əraili; O’Rell, ərel.
Organ, ög’n, orgaan, werktuig, orgel; — verb. op het orgel spelen: He thinks his owls are —s = hij denkt, dat zijne uilen valken zijn; To blow the —-bellows = orgeltrappen; To play the —; To preside at the — = het kerkorgel bespelen; —-blower = orgeltrapper; —-builder = orgelmaker; —-grinder = orgeldraaier; —-loft = orgelkoor; —-pipe; —-point; —-treader.
Organic, öganik, organisch, organiek, bewerktuigd: — bodies = dieren en planten; — chemistry; — disease = organisch gebrek of ziekte; — remains = organische overblijfselen; Organism, ögənizm, organisme; Organization, ögənizeiš’n, organisatie, bewerktuiging; Organize, ögənaiz, organiseeren, van organen voorzien.
Organzine, ög’nzîn, ketting(organsijn)-zijde.
Orgasm, ögəzm, geprikkelde toestand.
Orgiastic, ödziastik, als een orgie = Orgie, ödži, Bacchusfeest, drinkgelag, braspartij.
Orgy, ödži. Zie Orgie.
Oriana, örianə.
Oriel, ôriəl, erker, arkel (= — window); oudtijds een soort gallerij.
Orient, ôriənt, subst. Oosten; adj. opgaande, Oostersch, oostelijk, schitterend; — verb. ook ôrient, de ligging bepalen, zich orienteeren (= To — oneself): Pearl of — = van het schoonste water = — pearl; —al, örient’l, subst. Oosterling; adj. oostelijk, weelderig, kostbaar; —alism = Oostersche gewoonte of taal, kennis daarvan; —alist = Oosterling; kenner v. Oostersche talen, gewoonten, enz.; Orientalize = Oostersch maken (worden); Orientate = (zich) naar het Oosten wenden; Orientation = bepaling van het Oosten, oostelijke ligging, orienteering.
Orifice, orifis, opening, mond, gaatje: — of the stomach.
Origan, origən, marjolein.
Oriflamme, oriflam, oriflamme.
Origen, oridžen, Origenes, oridžinîz.
Origin, oridžin, begin, oorsprong, oorzaak; —al, əridžin’l, oorspronkelijk, eerst, nieuw, erf...; subst. oer-type, eerste exemplaar, oorspronkelijk stuk, excentriek persoon; —al sin (= eerste of) erfzonde; —ality = oorspronkelijkheid, etc.; —ate, əridžineit, voortbrengen, voortspruiten, voortkomen; —ation = oorsprong, begin, wijze van voortbrenging; —ator, oridžineitə, oorzaak, bewerker.
Orinoco, ourinoukou.
Oriole, ourioul, wielewaal.
Orion, əraiən, Orion.
Orison, oriz’n, oris’n, gebed.
Orizaba, ourithâbə.
Orkneys (The), dhiökniz, Orkadische eilanden; Orleans, öliənz, Orleans; soort van katoen, ook ölînz.
Orlop, ölop, overloop, verdek.
Ormolu, öməlu, öməlû, goudbrons.
Ornament, önəment, subst. sieraad, versiersel; — verb. önəment, tooien, versieren; —al, önəment’l, tot versiering dienend: —al art = ornementiek; —al painter = decoratieschilder; —ation = versiering; Ornate, önit, öneit, versierd, sierlijk; subst. —ness.
Ornithologist, önitholədžist vogelkenner; Ornithology, önitholədži, leer der vogels; Ornithomancy, ön(a)ithəmansi, önithəmɐnsi, vogelwichelarij.
Orographic(al), orəgrafik(’l), orographisch; Orography, ərogrəfi, orographie.
Orphan, öf’n, wees; adj. verweesd, ouderloos: —-boy; —-girl; Infant —-Asylum = —-hospital; —age, öfənidž, de staat van wees; weeshuis; —ed = ouderloos.
Orphean, öfîən, öfiən, v. Orpheus = Orpheus, öfjûs, öfiəs; Orphic, öfik, verweesd, mystiek, v. Orpheus; mysticus.
Orphrey, öfri, een rand v. goudborduursel, ook een rijk vergulde rand in metselwerk.
Orpiment, öpiment, operment, koningsgeel.
Orpin(e), öpin, smeerwortel, gele verfstof.
Orris, oris, Florentijnsche lisch; goud- of zilvergalon.
Ort, öt, brokje, afval; meest m.v.
Orthodox, öthədoks, rechtzinnig, Grieksch Katholiek, rechtgeaard, echt, ouderwetsch, soliede: — arm-chairs = soliede (ouderwetsche) leuningstoelen; An — pair of lovers = geliefden van den ouden stempel; — three-volume novels = ouderwetsche romans in 3 deelen; —y = rechtzinnigheid, rechtgeaardheid, echtheid.
Orthoepic(al), öthəepik(’l) tot de Orthoepy, (öthouəpi of öthə-ipi) of (de leer der) juiste uitspraak behoorende; Orthoepist, öthouəpist of öthə-ipist, uitspraakkundige.
Orthogon, öthəgon, rechthoek; adj. Orthogonal.
Orthographic(al), öthəgrafik(’l), orthographisch; Orthography, öthogrəfi, spellingsleer, juiste spelling.
Orthopaedic(al), öthəpîdik(’l), öthəpedik(’l), orthopaedisch; Orthopaedist, öthəpîdist, öthopidist, orthopaedisch dokter; Orthopaedy, öthəpidi, öthopədi, orthopaedie.
Ortolan, ötələn, ortolaan, tuinmeerle.
Osage, ousidž, əseidž; Osborne, ozbən.
Oscan, osk’n, Osker (oude Ital. volksstam).
Oscillate, osileit, slingeren, weifelen; subst. Oscillation; adj. Oscillatory.
Osculate, oskjuleit, osculeeren (mathem.); kussen; Osculation, osculatie; kus; Osculatory, oskjulətəri, subst. Christus of heiligenbeeltenis, die vroeger met de woorden “Vrede zij met u” te kussen werd gegeven; adj. kussend, aanrakend: — ceremony = ceremonie v. voet- of handkus; Oscule = kleine opening, zuigspriet.
O’Shaughnessy, əšônəsi; O’Shea, əšei.
Osier, oužə, kat-(bind)wilg; rijsje; witte kornoelje (Amer.): —-ait = klein eilandje; —-bed (—-holt) = wilgenboschje; —-bottle = mandflesch; —-twig; —-work = mandewerk.
Osiris, əsairis.
Osmium, ozmiəm; osmiəm, osmium.
Osmose, osmous, ozmous, osmose; adj. Osmotic.
Osmund, ozmənd, osmunda: — royal = koningsvaren.
Osnaburg, oznəbɐ̂g, osnəbɐ̂g, Osnabr¸ck; grof linnen.
Osprey, ospri, vischarend; aigrette.
Ossein, osi-in, beenderenweefsel.
Osselet, osəlet, beentje, sepia; Osseous = beenachtig, been..; Ossicle = beentje; Ossiferous, osifərɐs, beenderen bevattend; Ossification = beenvorming; Ossify = tot been worden, versteenen: Ossified system = verouderd, zéér oud; Ossuary = knekelhuis; urn.
Ostend, ostend.
Ostensibility, ostensibiliti, subst. v. Ostensible, ostensib’l, schijnbaar, oogenschijnlijk, duidelijk; Ostension = uitstelling van het allerheiligste; Ostensive = (duidelijk aantoonend; aanstellerig.
Ostent, ostent, aanblik, teeken, voorteeken; bluf; —ation = (praal)vertooning, vertoon, pracht; —atious, ost’nteišəs, praalziek, ijdel, opzichtig: subst. —ness.
Osteogenesy, ostiədženəsi, beenvorming; Osteography = beschrijving der beenderen; Osteology = leer der beenderen.
Ostler, oslə, stalknecht.
Ostracean, ostreiš’n, oesterachtig; subst. tweeschelpig weekdier, oester; Ostreaculture, ostriəkɐltjə, kunstmatige oesterteelt.
Ostracism, ostrəsizm, schervengerecht; verbanning, doodverklaring; Ostracize, ostrəsaiz, verbannen, doodverklaren.
Ostrich, ostritš, struisvogel: —-feather.
Ostrogoth, ostrəgoth, Oostgoot; Oswald, ozwəld; Oswego, oswîgou; Otaheite, outəhîti, Tahiti.
Otalgia, ətaldžiə, Otalgy, ətaldži, out’ldži, oorpijn.
Other, ɐdhə, ander(s), nog een: Each —, One an— = elkander; Have an— cigar = neem nog eene sigaar; The — day = onlangs; Every — day = om den anderen dag; The — morning = onlangs op een morgen; The — side = de linkerkant; —where = ergens anders; —wise = anders, op andere wijze: Much was said, both wise and —wise = zoowel verstandige als domme dingen; I am not —wise engaged = ik heb geene andere plannen, ben niet bezet; Not —wise than most welcome; It is —(wise) with him = met hem is ’t een ander geval: Rather than —wise = ’t liefst: I can do no — = niet anders; On that afternoon of all —s = nog wel op dien namiddag; Some person or — = de een of andere; —ness = verschil, het anders zijn.
Othman, othm’n; Otho, othou.
Otic, outik, oor...; subst. middel tegen oorpijn; Otitis, ətaitis, oorontsteking; Otology = leer van het oor; Otoscope, outəskoup, oorspiegel.
Ottar, otə. Zie Otto.
Ottava rima, otâvarîmə, couplet van acht regels, waarvan de zes eerste beurtelings en de twee laatste met elkander rijmen.
Otter, otə, otter; zeeotter; gele verfstof; —-dog.
Ottewa, otəwə.
Otto, otou, aromatische olie uit bloemen = Attar (of roses).
Ottoman, otəm’n, subst. Turk, ottomane (lage sofa); adj. Turksch: The — empire.
Otway, otwei.
Oubliette, ûbliet, subst. kerkerhol, valdeur.
Ouch, autš, in goud gevatte edelsteen.
Oudh, aud.
Ought, ôt, subst. iets: For — I know = voor zoover ik weet.
Ought, ôt, behooren: You — to know that = dat moest ge weten; You laughed at him? Then you — not = maar dat mocht je niet.
Ounce, auns, ons (12e van een pound Troy, en 16e van een pound avoirdupois): An — of help is better than a pound of preaching = de kleinste daad is beter dan veel gemoraliseer.
Ounce, auns, Amer. jaguar.
Our, auə, ons (bez. voorn. w.): A friend of —s = vriend van ons; He was of —s = hij behoorde tot ons regiment; —self = ons, mij, onszelf, mijzelf; —selves = ons, onszelven, mijzelf.
Ouse (The), dhîûz; Ousel(e)y, ûzli.
Ousel, ûz’l, meerle; beflijster.
Oust, aust, uit het bezit stooten; den voet lichten; —er = uitzetting, berooving.
Out, aut, uit, buiten, op de uitreis, bekend, publiek, ambteloos, buiten dienst, op, verbruikt, ledig, zonder werk, ten einde, boos, twistend, enz.; subst. afgetreden minister, partij, die niet meer aan ’t roer is; speler, die af is (meest meerv.); — verb. uitdrijven, een uitstapje maken, uiten: He is — and away the stronger of the two = verreweg; An — and excellent portrait = buitengewoon, uitstekend; —-and-— = door en door, voortreffelijk, onbegrensd, aarts - -; An —-and-— support of the government = steun door dik en dun; —-and-—er = kraan, iets buitengewoons, een opzichtig kleedingstuk; From this — I am a reformed man = van nu af aan; He said such things in season and — = te pas en te onpas; I am on my way — = op weg naar Indië; We are well — to sea now = zijn nu in (volle) zee; — there = daar ginder, in ’t buitenland; —-at-elbows (-heels) = met gaten in; An —-at-elbow place = vervallen; I am — of breath = buiten adem; He put me — of countenance = bracht me van mijn stuk; —-of-date = bij zijn tijd ten achter; —-of-door(s): —-of-door amusements = openluchtspel; — of favour = uit de gunst; —-of-fashion = uit de mode; — of the frying-pan into the fire = van den wal in de sloot; He died — of hand = onmiddellijk; — of harm’s way = in veiligheid; buiten schot; He is — of his head = krankzinnig; — of heart = moedeloos; I am — of all hope = ik heb volstrekt geene hoop meer; I never sleep — of hours = buiten de voor den slaap bestemde uren; — of sight, — of mind = uit het oog, uit het hart; Since time — of mind = sedert onheugelijken tijd; I am — of money = slecht bij kas; — of office = buiten betrekking; —-of-pocket expenses (fees) = noodzakelijke uitgaven (voorschotten); The book is — of print = uitverkocht; The rope was — of my reach = buiten mijn bereik; — of sorts = onwel, brommig; You are — of temper this morning = uit uw humeur, boos, landerig; I am — of my time = heb mijne leerjaren achter den rug; — of trim = onordelijk, niet in den haak; That is rather —-of-the-way = ongewoon; An —-of-the-way place = eene afgelegen plaats; — upon that fellow! = weg met; I am — = ik heb niet meer; ik ben in de war, boos; The jug (wine) is — = leeg (op); The murder, secret is — = ontdekt; Then the murder was — = toen had je de poppen aan het dansen; The time is — = om; You are completely — (of it) = ge hebt het glad mis; That is — of it = haalt er niet bij; He came — in the eighties = ging naar Indië tusschen 1880–1890; Hear me — = hoor mij ten einde toe; I paid him — of your money = van jou geld; I will sit — the concert = ik blijf zitten tot het concert uit is; With these words he ups and —s = na die woorden vliegt hij op en de deur uit; I hardly ever get an —ing = ik maak haast nooit een uitstapje; It was her last —ing = dat was de laatste maal, dat zij uitging; Summer-—ings = zomer-reisjes; —board = buiten boord; —bound = op de uitreis; —break = uitbarsting, oproer; —burst = uitbarsting; —cast = verworpeling; —come = resultaat; —crop = het voor den dag komen of gekomene; — verb. autkrop; —cry = geschreeuw; —door = buitendeur; —doors = buiten(deur); —fit = uitrusting; —fitter = leverancier van outfits; —growth = spruit, resultaat; —house = schuur, bijgebouw; —lander = vreemdeling; adj. —landish; —law = vogelvrij verklaarde, bandiet; — verb. vogelvrij verklaren; —lawry; —lay = onkosten; — verb. autlei, uitbreiden, uitgeven; —let = uitgang, uitweg, afvoerkanaal, -buis; —line = omtrek; — verb. schetsen, ontwerpen, zich afteekenen; —look = uitkijk, uitzicht, vooruitzicht: To be on the —look for = uitzien naar; —-parish = buitenparochie; —-patient = uitwonend patient (van hospitalen); —-poor = bedeelde; —-porch = portaal; —port = buitenhaven; —post = voorpost; —put = bedrag, opbrengst, productie; —putter = producent; —relief = bedeeling; —rider = voorrijder; —rigger = papegaaistok, loefhouder, buitenboord aangebrachte roeiklamp; boot daarvan voorzien; —right = open, zonder voorbehoud, dadelijk; —set = begin, aanvang; —-settlement = buitenkolonie; —skirt = zoom, buitenste grens; —span (ook autspan) = uitspannen, kampeeren (Z. Afr.); —spoken (ook autspouk’n) = ronduit, oprecht; subst. —spokenness; —work = buitenwerk (mil.); —er = buiten..; subst. —er garment; —er world; —(er)most = uiterste, buitenste; —ness = uiterlijkheid.
Out, aut (in samenst.) drukt dikwijls uit: overtreffen in de door het andere deel uitgedrukte handeling, b.v. —act = krachtiger handelen; —balance = zwaarder wegen; —bid = hooger bieden, overtreffen; — brag = overtreffen (in pochen); —brave = overtreffen (in glans of dapperheid); —-classed = totaal verslagen; —cry = overschreeuwen; —dare = trotseeren; —distance = achter zich laten; —do = overtreffen; —face = brutaliseeren, trotseeren, de oogen doen neerslaan; —farm = zich bekwamer boer toonen; —flank = overvleugelen; —fly = sneller vliegen dan; —frown = de oogen doen neerslaan; —general = overtreffen in veldheerschap; —-Gilfillan G. himself = zelfs in zijn soort G. overtreffen; —go = overtreffen, te buiten gaan; —grow = sneller groeien dan, te groot worden voor; —-Herod = in woestheid en wreedheid H. overtreffen; —last = langer duren dan; —leap = verder springen dan; —live = langer leven dan, overleven; —look = de oogen doen neerslaan; —manoeuvre, autmən(j)ûvə, verschalken; — march = harder marcheeren, vóórkomen; —number = in aantal overtreffen; —pace = voorbijstreven; —pray = in het smeeken overtreffen; —range = verder schieten, achter zich laten; —rank = hooger zijn in rang; —reach = verder reiken dan, overtreffen; —reign = langer regeeren dan: His queen —reigned him by five years; —ride = harder rijden, uitrijden (zeeterm); —roar = luider brullen dan; —royal = den koning of het hof in pracht overtreffen; —run = sneller loopen, ontloopen: To —run the constable = To —run one’s income = te groot leven; —sail = harder zeilen; —scold = harder schelden of tieren dan; —sell = meer verkoopen, of duurder verkoopen, dan; —shine = in luister en glans overtreffen; —sleep = langer slapen dan; —soar = hooger stijgen, overvleugelen; —speak = beter (langer) spreken dan; —speed = in snelheid overtreffen; —stand = uitsteken boven, uitstaan: —standing debts = uitstaande; —standing fact = in ’t oog springend, belangrijk feit; To leave —standing = laten staan; —stare = brutaliseeren, de oogen doen neerslaan; —stay = te lang blijven: He —stayed his welcome = wij waren blij, dat hij wegging; —step = overschrijden; —strip = voorbijloopen, overtreffen; —swear = in het vloeken overtreffen; —talk = in het praten winnen van, om verpraten: —top = uitsteken boven; —vie = overtreffen; —vote = bij stemming winnen van, overstemmen; —walk = in het wandelen overtreffen; —wear = langer duren dan, verslijten; —weigh = zwaarder wegen dan, te zwaar zijn voor; —wing = in het vliegen de baas zijn; —wit = verschalken, in slimheid overtreffen; —worth = in waarde te boven gaan.
Outrage, autreidž, gewelddaad, misdaad, vergrijp, aanranding, grove beleediging; Outrageous = gewelddadig, afschuwelijk, overdreven; subst. —ness.
Outram, ûtrəm.
Outside, autsaid, autsaid, subst. buitenkant, uiterlijk, plaats buiten op (een diligence), buitenpassagier, uiterste, dekblad; adj. buitenste, van buiten, buitenop; adv. buiten(op), aan den buitenkant, buitenboord, behalve: Twenty guilders at the (very) — = op zijn hoogst; Four —s (—-passengers) = vier passagiers buitenop; The — public = het buitenstaand (fig.) publiek; —r = oningewijde, iemand die er buiten staat, renpaard van onbekende herkomst, of dat oogenschijnlijk geen kans heeft; iemand, die tegen den bookmaker wedt.
Outward, autwəd, adv. en adj. uitwendig, (van) buiten: To clear — = een schip uitklaren; — angle = buitenhoek; —-bound = op de uitreis; — passage = heenreis; — trade = uitvoerhandel; I have never been —ly a worshipper = ben nooit een kerkganger geweest; —ness = uiterlijkheid, objectiviteit, oppervlakkigheid; —s = buitenwaarts.
Ouzel, ûz’l, Zie Ousel.
Oval, ouv’l, ovaal, eirond; subst. ovaal: The — = een bekend cricket-veld in Kennington (London); — compasses.
Ovarian, əvêriən, tot den eierstok behoorende, eierstok...; Ovariotomy; Ovary = eierstok, vruchtbeginsel.
Ovate, ouvit, eivormig; —-oblong = langwerpig ovaal.
Ovation, əveiš’n, hulde, ovatie.
Oven, ɐv’n, oven, kooktoestel; —-fork = ovengaffel.
Over, ouvə, prep. en adv. over, boven, voorbij; subst. overschot; — verb. springen over: The concert is — = uit; The flowers were — = bloeiden niet meer; The rain is —; When school is — the children go home; — and above what I have told you = buiten en behalve; I told him so — and — = herhaaldelijk; — and — again = tot vervelens toe; — against = tegenover; — there = daar ginds; I told you so ten times — = tienmaal achter elkander; He is a gentleman all — = een volmaakt gentleman; It is all — (up) with me = met mij gedaan; It’s well — = goed afgeloopen; I went all — the town = ik ben overal in de stad geweest; — the walnuts and the wine = aan het dessert; I live — the way = hier tegenover; He is — head and ears in debt = tot over de ooren; He fell head — ears into the water = hals over kop; The pot boils — = kookt over; We discussed our affairs — a glass of wine = bij; I have given — doing it = opgegeven, gestaakt; I lost it — a bet = bij een weddenschap; Many advertisements must be kept — = tot een volgend nummer uitgesteld; Published — my name = onder; What remains — = overblijft; To sit — the fire = bij den haard; I will sleep — it = mij er op beslapen; She will not stay — the week = blijft niet langer dan een week; He took (showed) me — his picture-gallery = liet mij zien; We talked — the matter = bepraatten de zaak; — difficult = te moeielijk; She is not — particular = zij neemt het niet zoo nauw; — young = wat al te jong; —abound = buitengewoon of al te overvloedig zijn, overvloed hebben; adj. —abundant; —act = overdrijven; —alls, ouvərôlz, dunne, waterdichte broek ter besparing van de andere bij werken of rijden; morskiel (—jurk); —arch = overwelven, verwulven, omvatten; —awe = ontzag inboezemen, in ontzag houden; —balance, ouvəbal’ns, subst. overwicht, meer dan het gewicht; — verb. (ouvəbal’ns) meer wegen, overtreffen, het evenwicht verliezen (= To — oneself); —bear = onderdrukken, onderwerpen; —bearing = aanmatigend, heerschzuchtig, uit de hoogte; —bid = meer bieden dan; —blow = overwaaien, uitrazen; —blown = verwelkt: An —blown fellow = overdreven, dwaze; —board, ouvəböd, overboord; —bold = al te stout of vrijmoedig; —brim = over (den rand) loopen; —build = te veel bouwen: This part of the town is —built = men heeft hier te veel gebouwd; —burden = overladen, te veel laden op; —buy = te duur betalen, te veel koopen; —canopy = met een troonhemel bedekken; —careful = al te zorgvuldig of sekuur; —carry = te ver rijden (een passagier); —cast, ouvəkâst, bewolkt; verb. (ouvəkâst), te hoog schatten; bewolken, verduisteren; overnaaien: The sky is —cast = de hemel is bewolkt; —charge, ouvətšâdž, subst. te hooge berekening, te groote lading, te veel betaalde vracht; — verb. (ouvətšâdž), overdrijven, te zwaar beladen, overvragen, al te zeer vullen; —cloud = bewolken; —coat = overjas; —come = overwinnen: He was very much —come = zenuwachtig, aangedaan; —-credulous = al te lichtgeloovig; —crowded = overvol van; —do = overdrijven, te gaar koken, overwerken: We are —done with newspapers nowadays = worden overstelpt; I am —done = op, heb mij overwèrkt; The meat is —done = al te gaar; —dose, ouvədous, al te groote hoeveelheid of dosis; — verb. (ouvədous), een te groote dosis geven; —draw = overdrijven, een wissel trekken voor meer geld dan het credit is: To —draw one’s account; —drive = te ver of te snel jagen of drijven: I am —driven = ik ben op, afgemat, heb mij overwèrkt; —due = vervallen, te laat: The train is —due = de trein is over zijn tijd; —due letters = te laat bestelde of bezorgde brieven; —due rates = die al betaald hadden moesten zijn; —earnest = al te ernstig; subst. —earnestness; To —eat oneself; —estimate = overschatten, overschatting; —-exposure = te lange belichting (photog.); —feed = te sterk voeden, volstoppen; —flow, ouvəflou, subst. overstrooming, groote overvloed; — verb. (ouvəflou) overvloeien, overstroomen; —flowing = overstrooming; —-fond, ouvəfond, al te teeder, dol; —freight, ouvəfreit, overvracht; —-freight = overladen; —full = al te vol; —-greedy = al te gulzig; —grow = met plantengroei bedekken, te groot worden; —grown = uit de kracht gegroeid, lang opgeschoten, hooggaand; —growth, ouvəgrouth, te weelderige groei, overvloed; —hand, bovenhandsch; —hang = overhangen, hangen over, bedreigen; —haul, ouvəhôl, subst. streng onderzoek of examen, inspectie, herstelling; — verb. (ouvəhôl), streng onderzoeken of inspecteeren, winnen op, herstellen, nazoeken, opzoeken: We —hauled the steamer = wij haalden in; —head = boven, boven het hoofd: —head (ouvəhed) conductor, wires = bovengrondsche geleiding; —hear = toevallig hooren, afluisteren; —hours = óveruren; —-indulge = al te veel toegeven aan: She —-indulged her children; —-issue, ouvərišû, te veel in omloop brengen (van bankbiljetten, enz.); subst. ouvərišû; —joy, = verrukking; He was —joyed, (ouvədžôid) to find me = verrukt dat hij mij vond; —-labour = met te veel werk plagen, al te “peuterig” uitvoeren; —land, ouvəland, overlánd: The —land mail; adv. ouvəland; —lap = overdekken, gedeeltelijk bedekken: History and geography —lap here and there = geschiedenis en aardrijkskunde raken elkaar hier en daar; Their lives —lap in the last years of our century = hunne levens vallen gelijktijdig; —-lavish = al te kwistig; —lay, ouvəlei, subst. stuk bedekkend papier, bekleeding; — verb. (ouvəlei), bedekken, drukken op, liggen op, doodliggen: Your performance was —laid by his = werd in de schaduw gesteld; Such books do not preserve, but —lay the old-world stories = zij verknoeien ze; —leaf = op de andere zijde van het blad; —leap = springen over, overtreffen, overslaan: You —leapt yourself = gij hebt te ver of te hoog gesprongen; —lie = liggen op, doen stikken; —live = overléven, te boven komen; —liver; —load = te zwaar beladen; —look = overzien, het opzicht houden over, over het hoofd of door de vingers zien: My room —looks the Thames = ziet uit op; —looker, opzichter, opziener; —manned = met te groote equipage; —mantel = étagère-spiegel; —masted = met te hooge of zware masten; —master = vermeesteren, overwinnen; —match = de meerdere zijn, overtreffen, overwinnen; —measure = toegift (bij wegen of meten); —much = te veel; —night, ouvənait, den nacht (avond) te voren, van den laatsten nacht of avond; adv. —night, ouvənait, gedurende den nacht, den laatsten nacht, gisterenavond; —pay = te veel betalen; —peer = uitsteken boven; —pitch = te ver gooien, overdrijven; —plus, ouvəplɐs, overschot, overmaat; —power = overstelpen, overweldigen; —pressure, al te zware druk; —-produce = te veel produceeren; —-production = overproductie; —proof = boven de normale sterkte; sterke brandewijn; —rake = overheen harken; spoelen over; —rate = overschatten; —reach = verder reiken dan, de achterpooten te veel vooruitslaan (van paarden), het evenwicht verliezen; beetnemen, bedriegen, de baas worden; —ride = vermoeien of afmatten (door rijden), zich niet storen aan, ter zijde zetten: To —ride one’s commission = zijne ambstbevoegdheid te buiten gaan; —ripe(n) = al te rijp (worden); —roast = te sterk braden; —rule = beheerschen, overheerschen, verwerpen, overstémmen: He was —d = bleef in de minderheid; —ruling = oppermachtig, alles beheerschend; —run = overloopen, verspreiden over, invallen doen en teisteren, onderdrukken, uit elkaar loopen (bij het drukken), overstroomen, voorbijrijden (van het perron): We are —run with mice = ’t leeft bij ons van muizen; —sea, ouvəsî, vreemd, van over de zee; —seas edition = editie van een courant voor de koloniën bestemd; —see. Zie —look; —seer, ouvəsîə, inspecteur, opzichter, armvoogd: —seer of the line (— of the poor); —seership; —sell = meer verkoopen dan men kan leveren: An oversold market = eene markt, waar zooveel effecten verhandeld zijn, dat zij niet geleverd kunnen worden; —set, ouvəset, subst. omverwerping: An article standing in the —set = koopwaar of artikel, dat over is; — verb. (ouvəset), omslaan, onderstboven werpen; —shadow = overschaduwen, beschutten; —shoe = overschoen; —shoot = over het doel heenschieten: I have —shot myself = mijn neus voorbijgepraat, te veel gezegd of beweerd; An overshot wheel = waterrad, in beweging gebracht door het er overheen stroomende water; —shotted = al te zwaar geladen (van vuurwapens), overdreven (uitdrukking); —side, adv. ouvəsaid, adj. ouvəsaid, over de zijde, over de verschansing; —sight = opzicht, toezicht, vergissing; —slaugh, ouvəslô, ontslaan; passeeren bij bevordering; subst. ouvəslô, ontslag; zandbank (Amer.); —sleep = te lang slapen: I have overslept myself = ik heb mij verslapen; —sman, ouvəzman, opzichter; scheidsrechter (Schotl.); —spread = bedekken, verspreiden of uitgespreid zijn; —state = overdrijven, te veel bewijzen: To —state one’s case = te veel willen beweren; subst. —statement; —stay = langer blijven dan: To —stay one’s time; —step = te buiten gaan, overtréden; —stock, ouvəstok, subst. al te groote voorraad; — verb. ouvəstok al te zeer vullen, overvoeren: Being —-stocked with copy, we can find no room for your article = daar we een overvloed van copie hebben; —strain = zich al te zeer inspannen, te veel vergen van, zich verrekken (= To — oneself): An —strained nervous system = overspannen zenuwgestel; —strung = kruissnarig; —subscribe = voor een te groot bedrag inschrijven; —take = inhalen, verrassen, overvallen; —task = met werk overladen: I am sorely —tasked = ik heb het veel te druk; —tax = te zwaar belasten, overschatten; —throw, ouvəthrou, subst. nederlaag, ondergang, omverwerping: To give the —; — verb. (ouvəthrou) omverwerpen, onderstboven gooien, veroveren; —thwart, koppig, dwars: —thwart, ouvəthwöt, and endlong = in de dwarste en de lengte; —time = overuren: To do (make, work) —time; —tone = boventoon (muz.); —top = te boven gaan, overtreffen, uitsteken boven; —turn, ouvətɐ̂n, omkeering, omverwerping; — verb. ouvətɐ̂n, omverwerpen, omgooien; —weening, subst. groote verwaandheid; adj. aanmatigend, verwaand; —weight = overmacht, over(ge)wicht; —whelm = verpletteren, overstelpen; —work, ouvəwɐ̂k, subst. óverwerk; — verb. (ouvəwɐ̂k) al te veel werken, (doen) overwérken, uitputten; —worn, uitgeput, afgemat, afgezaagd; —wrought = overspannen.
Overt, ouvət, open(lijk), met uitgespreide vleugels (herald.); —ly.
Overture, ouvətjə, subst. voorstel, aanbod, ouverture (muz.); — verb. aanbiedingen doen: The —s to intimacy should always come from the higher to the lower = de aanbiedingen van vriendschap; It was difficult to refuse her —s, she was so kind and hospitable = aanbiedingen, uitnoodigingen.
Ovid, ovid, Ovidius; Ovidian, əvidiən; Ovidius, əvidiəs.
Oviduct, ouvidɐkt, eileider; Oviform, eivormig.
Ovine, ouv(a)in, schaapachtig, schaap ...; subst. schaap.
Oviparous, əvipərɐs, eierleggend; Oviposit, ouvipozit, eieren leggen; —ion, ouvipəziš’n, het eieren leggen, vooral door middel van de legboor; Ovisac = eierzak; Ovoid = eivormig; Ovulite, ouvjulait, fossiel ei; Ovum = ei.
Owe, ou, schuldig zijn, moeten betalen, verschuldigd zijn, te danken hebben: To — a person a grudge (a spite) = wrok koesteren tegen; Money was owing to him = men was hem schuldig; To have money owing = gelden hebben uitstaan; It was still —d to her = het kwam haar nog toe; Owing to = tengevolge: It is all — to your negligence = ’t komt al door uwe onachtzaamheid.
Owl, aul, uil; — verb. smokkelen: As drunk as an owl = zoo dronken als eene snip; —ery = uilennest; uilachtige hoedanigheden; —et = uiltje, ook = —-moth; —ish = als een uil, dom.
Own, oun, adj. eigen; — verb. bezitten: Every one for his — = ieder voor zich; He has a house of his — = een eigen huis; A dear little clock of my very — = heelemaal van mij alleen; To have a reason of one’s — = eene bijzondere reden hebben; To hold one’s — (with) = zijn recht handhaven, stand houden: Of one’s — accord (motion) = uit eigen beweging; He did it on his — hook, account = op eigen houtje, verantwoording; Name your — day = bepaal zelf den dag; To be one’s — master = zijn eigen baas zijn; He does not know his — mind = weet zelf niet wat hij wil; To be — niece to = een volle nicht zijn van; He will have it all his — way = geheel zooals hij het wenscht; —er = eigenaar; —erless = onbeheerd; —ership = eigendom(srecht).
Own, oun, erkennen, toegeven, zijn hart uitstorten: To — to a fault = bekennen; It must be —ed that = erkend worden; I — to your reproach = ik erken dat uw verwijt verdiend is: I — to much less affection for him than for his brother = ik erken, dat ik zijn broer veel liever mag dan hem; — up like a man! = beken, biecht op; Why don’t you — up about him? = waarom ontken je niet je ongelijk jegens hem?
Ox, oks, (Meerv. —en, oks’n), os: —-bow = ossenjuk; bocht van eene rivier (Amer.); —-eye = bijmees; blauwmeesje; runderoog (plant); —-eyed = met groote oogen; —-fly = koeienhorzel; —-heart = soort groote kers; —-hide = runderhuid; —lip = hoogstengelige sleutelbloem; —-stall = ossenstal; —-tail = ossestaart: —-tail soup; —-team = span ossen.
Oxalic, oksalik: — acid = oxaalzuur.
Oxford, oksfəd.
Oxidation, oksideiš’n, oxydatie; Oxide, oks(a)id, oxyde; Oxidizable = oxydeerbaar; Oxidize = oxydeeren.
Oxonian, oksounj’n, student, gepromoveerde van de universiteit te Oxford; knoopschoen; ook adj.
Oxygen, oksidžen, zuurstof; bleekpoeder; —ate, oksidžəneit, oksidženeit, met zuurstof verbinden; subst. Oxygenation; Oxygenizable = oxydeerbaar; Oxygenize, oksidžənaiz, oksidžənaiz, oxydeeren.
Oxyhydrogen, oksihaidrədžen, knalgas.
Oxytone, oksitoun, met den klem op de laatste lettergreep.
Oyer, oujə, ôiə, verhoor.
Oyes, Oyez, oujes, oujez, hoort! Met dit woord, driemaal herhaald, worden de openbare afkondigingen begonnen, en zittingen geopend; proclamatie, omroeper.
Oyster, ôistə, oester: —-bed = oesterbed; —-culture = oesterkultuur; —-ground (= —-bed); —-knife; —man; —-patty = oesterpasteitje; —-shell = schelp; — verb. afzonderen, verbannen: He —-shelled himself quite out of humanity’s reach = zonderde zich geheel af van de menschen; —-wife (—-woman).
Ozone, ouzoun, əzoun, ozon; Ozonize = in ozon omzetten, met ozon vervullen; Ozonizer = apparaat hiervoor.
P.
P, pî: He is on his P’s and Q’s = op zijn “qui vive”; Mind your P’s and Q’s, for she is very black (= knorrig) this morning = pas op uw tellen; P. staat verkort voor page, participle, past, pole en port; Pa = Pennsylvania; Paint(ing); Pa(st) Part(iciple); Par(agraph); Parl(iament); Particip(ial); Pass(ive); Pat(rick); Pathol(ogical); P(atres) C(onscripti) = de beschreven vaderen; P(olice) C(onstable); P(rivy) C(ouncil); P(ai)d; Penn(sylvania); Pers(onal); Percent(um) = percent; Perf(ect); Pet(er); Pharm(acy); Ph(ilosophiae) B(accalaureus); Ph(ilosophiae) D(octor); Phil(osophy); Phil. Trans. = Transactions of the Philosophical Society = Handelingen van het Wijsgeerig Genootschap; Philol(ogy); Philos(ophy); Photog(raphy); Phren(ology); Phys(ics); Physiol(ogy); Pinx(it) = hij (zij) heeft het geschilderd; P(oet) L(aureate); P(oor) L(aw) C(ommissioners); Plu(ral); Plup(erfect); P(ost) M(eridiem) = na den middag; P(ost) M(aster) G(eneral); P(ost) O(ffice); P(eninsular &) O(riental Steam Navigation) Co(mpany); Poet(ry); Pol(ish); Polit(ical) Econ(omy); P(ost) O(ffice) M(oney) O(rder); Pop(ulation); Port(ugal); Poss(essive); Pph = Pamphlet; Pr(esent, Prince of Priest); Pr(esent) Par(ticiple); P(resident of the) R(oyal) A(cademy); Pref(ix of Preface); Prep(osition); Pres(ent); Pret(erite); Prim(ary); Print(ing); Prob(lem); Prof(essor); Prop(osition); Pro temp(ore) = voor het oogenblik; Prov(erb); Prox(imo = volgende maand); P(resident of the) R(oyal) S(ociety); Prus(sia); P. S. = Postscript; P(rompter’s) S(ide) = de rechterzijde van het tooneel, waar de souffleur staat; P(rivy) S(eal); Ps(alm); Psychol(ogy); P(articulars) t(o) f(ollow) = nadere bijzonderheden volgen; P(lease) T(urn) O(ver); Pub(lic); Pxt = Pinx(it).
Pa, pâ, Pa.
Pabulary, pabjuləri, voedzaam, voedsel - -; Pabulum, pabjulɐm, voedsel: To offer literary —.
Paca, pakə, peikə, gevlekt zeevarkentje (Z. Amer.).
Pace, peis, subst. stap, pas, gang, schrede, tempo, elasticiteit der banden van een biljart (= — of the table): — verb. gaan, stappen, afpassen; afstappen, gangmaken: Double-time — = looppas; Ordinary — = marsch tempo; Quick — = versnelde pas; To go at a great — = flink doorstappen; To go the — = voortsnellen; een vroolijk (losbandig) leven leiden; To keep — with = met iemand in den pas blijven, iemand bijblijven; You had better mend your — = je deed beter wat aan te stappen; To set the — = het tempo aangeven; We walked twelve miles at a — = twaalf mijlen achtereen; The horse (He) was put through its (his) paces = men liet het paard vóórdraven, hij werd op de proef gesteld, moest toonen wat hij kon; To work a horse within his — = zich niet te veel laten inspannen; —-maker = gangmaker; Thorough-—d = flink geoefend, geschoold, onvervalscht, doortrapt; —r = renpaard.
Pace, peisi: — Mr. W. = met verlof van.
Pacha, pəšô, pacha.
Pachyderm, pakidɐ̂m, dikhuidig dier; —atous, pakidɐ̂mətɐs, dikhuidig; ongevoelig.
Pacific, pəsifik, subst. Stille Zuidzee; adj. —(al) = vredelievend, verzoenend, rustig, vreedzaam; —ation = verzoening, verdrag, bevrediging; —ator = vredestichter; Pacifier, pasifaiə, vredestichter; Pacify = bevredigen, stillen, tot bedaren brengen.
Pack, pak, subst. pak, last, menigte, troep, spel (kaarten), troep (jachthonden); — verb. pakken, inpakken, laden, bergen, wegzenden, de kaarten valsch leggen, eene jury zóódanig samenstellen dat ze partijdig is; zich laten pakken, pakken, zich wegpakken; —-cloth = paklinnen; —-horse = lastpaard; —-ice = pakijs; —man = marskramer; —-saddle = pakzadel; —-staff = stok (van een marskramer); —thread = pakgaren; I sent him —ing = ik heb hem de laan uitgestuurd; He was found guilty by a —ed jury = een partijdige jury; The hall was —ed in every part = vol aan alle kanten; With such people they — their audiences = vullen zij hun gehoor; —age, pakidž, pakje, pak, emballage, pakloon: Number of —ages = getal colli; —er = pakker; lastdier, leider van een lastdier; —et, subst. pakje, pakketboot; — verb. inpakken, verzenden per —et-boat; —et-line; —et-ship; —ing = vulling, pakking, pakloon; —ing-awl = paknaald; —ing-bath = natte omslagen; —ing-case = pakkist, enz.; —ing-needle = paknaald; —ing-paper; —ing-room = pakkamer; —ing-sheet = paklinnen, natte omslag (laken).
Paco, pâkou, peikou, alpaca.
Pact, pakt, verbond, verdrag; —ional = afgesproken.
Pad, pad, subst. zacht kussen, stootkussen, onderlegger, spoor (voetindrukken); klepper, telganger (= —-nag); — verb. te voet reizen, opvullen, watteeren: A — of straw = een bos stroo; She wears —s = stopt zich op; To go upon the — = op roof uitgaan; —ding = (op)vulsel, iets ter vulling of bladvulling: There is much —ding in the book.
Paddle, pad’l, subst. pagaai, blad (van een roeiriem), schoep (van een scheprad), zwemvoet; — verb. in het water plassen, pagaaien; waggelen; uitsnijden; streelen; afranselen (Amer.): He —s his own canoe = hij redt zichzelf; —-board = schoep; —-boat = raderboot; —-box = raderkast; —-wheel = scheprad.
Paddock, padək, besloten perk of veld naast een stal (of op een renbaan); stoeterij; padde: As cold as a — = ijskoud; —-stool = paddestoel.
Paddy, padi, (verk. v. Patrick) bijnaam voor een Ier; rijst in de aar.
Padella, pədelə, Padelle, pədel, illumineerschaaltje.
Padisha(h), pâdîšâ, pâdišâ, padišô, Groote Heer, titel van den sultan of shah.
Padlock, padlok, subst. hangslot, slot (fig.): — verb. met een hangslot vastmaken.
Padra, pâdra, soort van zwarte thee.
Padua, padjuə; Paduan = Paduaansch; bewoner v. P.; Paduasoy, padjuəsôi, padjuəsôi, Paduazijde, kleed daarvan vervaardigd.
Paean, pîən, triomfzang, danklied.
Paedobaptism, pîdəbaptizm, kinderdoop.
Paeony, pîəni, pioen.
Pagan, peig’n, subst. heiden; adj. heidensch = —ish; —ism = heidendom; —ize = heidensch maken, als heidenen doen.
Page, peidš, subst. page, livreijongen, bode; bladzijde, geschrift, episode; — verb. als page dienen; pagineeren; —hood = pageschap.
Pageant, padž’nt, peidž’nt, vertooning, praal, pracht, optocht; —ry = praalvertooning.
Paget, padžət.
Paginal, padžin’l, uit bladz. bestaande; subst. Pagination.
Pagoda, pəgoudə, afgodentempel; vroegere gouden (soms zilveren) munt van ± 7 s. (Br. Ind.): To shake the —-tree = spoedig fortuin maken in Indië.
Pah, pâ, subst. versterkt kamp bij de Maori’s; interj. bah!
Paid, peid, imperf. en part. perf. van to pay.
Pail, peil, emmer; —ful: By —fuls = met emmers.
Pain, pein, pijn, zorg, kommer, straf; (—s = moeite, inspanning; weeën); — verb. pijnigen, kwellen, smarten, bedroeven, beangstigen: To be in —; To have much —; To give — = pijn doen; On — of death, — of a fine = op straffe des doods, van boete; It —s me to see = doet me leed; We are —ed at the death of a friend; No gains without —s = zonder moeite heeft men niets; I have been at the (infinite) —s to help him = heb (veel) moeite gedaan; He has spared no —s, has taken many —s = heeft geene moeite ontzien, veel moeite gedaan; —staker; —staking = onverdroten; nauwgezet; ook subst.; —ful = pijnlijk, subst. —fulness; —less = pijnloos; licht; subst. —lessness.
Painim, peinim, heiden; adj. heidensch = Paynim.
Paint, peint, subst. verf, blanketsel, tinctuur; — verb. schilderen, blanketten, verven, tinten, afbeelden, beschrijven: Wet —! = pas geverfd! She —s = blanket zich; Her letters — in her autobiography = vullen aan; To — the city red = de blommetjes buiten zetten; —ed of a deep red = donkerrood gekleurd; —ed in oils = olieverf; — flirtation = groote behaagzucht (door blanketten); —-box = kleurdoos, verfdoos, schildersdoos; (House) —er = (huis)schilder, vuist: To let go the —er = er op los slaan; —er’s colic = loodvergiftiging; —ing = schilderkunst, schilderij, blanketsel: —ing-room = atelier; —ress = schilderes; —y = met verf bevuild.
Painter, peintə, vanglijn: To cut a person’s — = iemand wegzenden; hem verhinderen kwaad te doen; To cut the — = uitsnijden.
Pair, pêə, subst. paar; — verb. in paren vereenigd zijn of vereenigen, bij elkaar passen, paren: — and — = paarsgewijze; A carriage and — = een rijtuig met 2 paarden; There’s a — of them = zij zijn aan elkaar gewaagd, een paar besten; That’s (quite) another — of boots = dat is andere thee (fig.); Two — of spectacles = twee brillen; A — of steps = huistrap; He rang the two—-bell = de bel van twee hoog; A two—-front = voorkamer twee hoog; He struck up a — with another member, Vergel. To — off; To — off = in paren heengaan of komen: In the House of Commons they have adopted the system of —ing off, by which an equal number of members of opposite parties have agreed not to partake of the division, so that the chances remain equal by their non-appearance = in het Huis der Gemeenten bestaat het stelsel van samen wegblijven, waarbij een gelijk aantal leden van tegenovergestelde partijen zijn overeengekomen niet aan de stemming deel te nemen, zoodat de kansen dezelfde blijven bij hunne nietverschijning; —ing-season (—-time) = paartijd.
Paixshansgun, peiks’nzgɐn, soort houwitser.
Pal, pal, kameraad (Slang): To — on = maatjes worden.
Palace, palis, paleis: The — = het kristallen paleis; —-car = salonwagen (Amer.); —-Court = een in 1849 opgeheven gerechtshof; —-yard = slotplein.
Paladin, palədin, (dolende) ridder, paladijn.
Palaeontology, peiləontolədži, paləontolədži, palaeontologie.
Palaeography, peiləogrəfi, palaeographie.
Palampore, paləmpö, sprei van gebloemd sits.
Palankeen, Palankin, Palanquin, palənkîn, draagkoets.
Palatability, palətəbiliti, smakelijkheid; Palatable = smakelijk, aangenaam; subst. —ness; Palatal, subst. verhemeltebeen; verhemelteletter; adj. verhemelte...; Palatalize = in een palatal veranderen; Palate, palit, verhemelte, smaak.
Palatial, pəleiš’l, paleis..; vorstelijk.
Palatinate, pəlatinit, palətinit, paltsgraafschap: The — = de Palts; Palatine, palət(a)in, tot het keizerlijk hof of paleis behoorend, paltsgrafelijk; subst. palantijn, bewoner van een County —, of de Palts; een soort pelskraag (= — tippet): Count — = paltsgraaf, titel van de oudtijds met bijzondere privilegiën begiftigde stedehouders van Chester, Durham en Lancaster; County — = paltsgraafschap.
Palaver, pəlâvə, pəlavə, subst. discussie, samenspreking, gewauwel; — verb. bepraten, wauwelen; —er.
Pale, peil, subst. paal, spietspaal, omsloten ruimte, district, gebied, grenzen: Within the — of the law = binnen de perken...; The English — = deel v. Ierland, waarin het Engelsche gezag werd erkend (1172–1602); — verb. met palen omsluiten.
Pale, peil, bleek, mat, flauw, dof; — verb. bleek worden, verbleeken: A — smile = flauwe; She alternately —d and flushed with anger = werd beurtelings bleek en rood; —face = bleek gezicht; —-faced = met een bleek gelaat; —-hearted = moedeloos; —ness = bleekheid.
Palestine, paləstain, Palestina; adj. Palestinian, Palestinean.
Paletot, palətou, paletot.
Palette, palət, palet: To set the — = kleuren op het palet brengen; —-knife = = tempermes.
Paley, peili.
Palfrey, pôlfri, damesrijpaard, telganger.
Palgrave, pôlgreiv, palgreiv.
Pali, pâli, Pali, taal der Zuidelijke Boeddhisten.
Palimpsest, palimpsest, palimpsest, perkamentrol, die na afkrabbing van het oorspronkelijk geschrevene, opnieuw beschreven is; ook adj. en verb.
Palindrome, palindroum, woord of zin, evengoed naar voren als naar achteren te lezen, b.v. lepel, madam.
Paling, peiliŋ, paalwerk, staketsel.
Palingenesis, palindženəsis, wedergeboorte; palingenesie.
Palisade, paliseid, subst. palissade, paalwerk, staketsel; — verb. ompalen, palissadeeren.
Palisander, palisandə, palisanderhout.
Palish, peiliš, eenigszins bleek.
Pall, pôl, subst. mantel; doodskleed (over de lijkkist) = Funeral —; — verb. met een lijkkleed bedekken; —-bearer = iemand, die (de slippen van) het lijkkleed draagt.
Pall, pôl, verschalen, kracht of aantrekkelijkheid verliezen, vervelen, tegenstaan: It —s upon the reader = begint den lezer te vervelen; Beauty alone soon —s upon the sense.
Palladium, pəleidj’m, beeld van Pallas Athene in Troje, dat de onneembaarheid der stad waarborgde, palladium, schild, heiligst kleinood.
Pallet, palət, palet, in verschillende beteekenissen; stroozak, veldbed.
Palliasse, paljas, stroomatras.
Palliate, palieit, verzachten, verlichten, bemantelen; subst. Palliation; Palliative, subst. en adj. verzachtend(middel); Palliator.
Pallid, palid, bleek; subst. Pallidity = —ness.
Pallium, paliəm, opperkleed der oude Grieken; schoudermantel van een aartsbisschop; mantel (weekdieren).
Pallmall, pelmel, maliespel; straat van dien naam in Londen, het daarin gelegen Ministerie van Oorlog.
Pallor, palə, bleekheid, ongezonde kleur.
Palm, pâm, palm (van de hand), lengtemaat, blad van een roer, klauw van een anker, tak van een gewei, palmtak, palmboom, zegepalm; — verb. betasten, streelen, in de palm der hand verbergen, aansmeren, bedriegen: He bears (wins) the — = draagt den palm weg; That carries the — = spant de kroon; To yield the — = het veld ruimen; He —ed himself off as an artist = deed zich voor als; He would — off his butterine on me as best dairy-fresh = mij zijne kunstboter als beste natuurboter aansmeren; —-butter = palmboter; —-greasing = omkooperij; —-house = palmenhuis; —-leaf = palmblad (waaier, hoed); —-oil = palmolie; steekpenning; —-Sunday = Palmzondag; —-tree; —ar, palmə, tot de hand behoorende, van eene handbreed; —arian, palmêriən, uitstekend = —ary: His —arian emendation of that passage = schitterende tekstverbetering; —ate, palmit, handvormig; met zwemvliezen; —er, pâmə, pelgrim, die als bewijsstuk een palmtak uit het Heilige Land meebracht; soort kunstvlieg (hengelsport); —er-worm = soort harige rups; —ist(er), palmist(ə), pâmist(ə), handkijker; —istry = voorspelling uit de palm van de hand; —y, pâmi, vol palmen, zegevierend, bloeiend, gelukkig.
Palmerston, pâməst’n.
Palmetto, palmetou, buks, dwergpalm.
Palmiped, palmiped, adj. met zwemvliezen; subst. zwemvogel.
Palp, palp, voelhoren; Palpi, palpai = voelhorens; Palpiform, palpiföm, in den vorm van voelhorens; Palpigerous, palpidžərɐs, voelhorens dragende.
Palpability, palpəbiliti, subst. v. Palpable, palpəb’l, voelbaar, tastbaar, duidelijk; subst. —ness; Palpation, palpeiš’n, onderzoek door voelen.
Palpitate, palpiteit, snel kloppen (van het hart); Palpitation of the heart = hartklopping.
Palsgrave, pôlsgreiv, palzgreiv, paltsgraaf; Palsgravine, pôlzgrəvîn, paltsgravin.
Palsied, pôlzid, door verlamming of beroerte getroffen; Palsy, pôlzi, verlamming, beroerte: Writer’s — = schrijfkramp.
Palter, pôltə, uitvluchten zoeken, niet oprecht handelen, spelen met; —er = bedrieger, knoeier.
Paltriness, pôltrinəs, subst. v. Paltry, pôltri, onbeteekenend, treurig, klein, laag, verachtelijk.
Paludal, pəl(j)ûd’l, paljədəl, Paludinous, pəl(j)ûdinəs, moerassig, moeras....
Paly, peili, bleek; gepaald, door evenwijdige verticale lijnen in gelijke deelen verdeeld (Herald.).
Pamela, pəmîla, pamila.
Pampas, pampəs, pampa’s (Z.-Amerika); Pampero, pampêrou, koude (Zuid)westen wind in de Pampas.
Pamper, pampə, dikvoeren, volproppen, overvoeren, vertroetelen: Prosperity —ed his recklessness into cruelty = verergerde tot; —ed from a darling into a despot = door te verwennen veranderd van ... tot.
Pamphlet, pamflət, pamflet; —eer, pamflətîə, subst. pamflettist; — verb. vlugschriften schrijven.
Pan, pan, subst. pan, holte, ondergrond, plas, hoofd, kop, de god Pan; — verb. To — out = goudwasschen; toestaan; zich meester maken van; goud vertoonen, uitvallen, uitpakken: —ned out = bankroet; —-ice = los kustijs.
Panacea, panəsîə, panacee, algemeen middel.
Panache, pənaš, vederbos.
Panada, pəneidə, pənâdə, broodsoep.
Panama, panəmâ, pânamâ.
Pancake, pankeik, pannekoek.
Panch, panš, stootmat (scheepst.).
Pancreas, paŋkrias, alvleeschklier; Pancreatic: — juice = alvleeschsap.
Pandarus, pandərɐs; Pandean, pandîən: — pipes = fluit van Pan = Pan-pipes.
Pandects, pandekts, pandecten, verzameling van wetten betreffende het Oud-Romeinsche recht (wetten van Justinianus).
Pandemonium, pandimounj’m, pandemonium, hel, oproerige vergadering; helsch lawaai.
Pander, pandə, subst. koppelaar; likker (fig.); — verb. koppelen, iemands lage lusten terwille zijn, begunstigen: He —ed to all their desires; —age, pandəridž, koppelarij; —ism = het koppelen.
Pandit, pandit. Zie Pundit.
Pandoor, pandûə. Zie Pandour.
Pandora, pandôrə, Pandora; —’s-box = doos van P.
Pandour, pandûə, pandoer.
Pandy, pandi, scheldnaam voor de Sepoys.
Pandy, pandi, klap op de vlakke hand; ook verb.
Pane, pein, glasruit = — of glass; —less = zonder ruiten.
Panegyric, panədžirik, lofrede; adj. = —al = lovend; Panegyrist, Panegyrist = lofredenaar; Panegyrize, panədžiraiz, hoogelijk prijzen, eene lofrede houden.
Panel, pan’l, subst. paneel(vormig), zadelkussen, (naamrol der) jury; — verb. met paneelen maken; —-gardening = mozaïekwerk (in tuinen); —-picture = paneeltje.
Pang, paŋ, subst. plotselinge folterende pijn, steek, angst, doodsbenauwdheid: —s of death = doodsangst.
Panic, panik, subst. paniek; vingergras (= — grass); adj. panisch: — fear (— fright); —-struck (—-stricken) = door plotselinge vrees bevangen.
Panicum, panik’m, vingergras.
Panjandrum, pandžandrəm, Groot-Mogol (iron.).
Pannade, pəneid, korte boogsprong (paard).
Pannage, panidž, belasting op het laten loopen van varkens in eikenbosschen; eikelvoer.
Pannel, pan’l, soort v. zadel. Z. Panel.
Pannier, panjə, draagmand; soort rok (wijduitstaand in ’t midden).
Pannikin, panikin, pannetje, schaaltje.
Panoply, panəpli, volledige wapenrusting; wapentrophee.
Panopticon, panoptikon, een gevangenis zoodanig gebouwd dat de bewaarders steeds, zonder zelf gezien te worden, alle gevangenen kunnen zien; tentoonstellingsgebouw voor allerlei nieuwigheden, etc.
Panorama, panərâmə, panəramə, panəreimə, panorama; adj. Panoramic.
Panslavic, pansleivik, Panslavisch; Panslavism, panslâvizm, panslavizm, Panslavisme.
Pansy, panzi, driekleurig viooltje.
Pant, pant, pânt, hijgen, snuiven, snakken, verlangen, snakken naar (— for); ook subst. —s = pantaloons; To — for breath.
Pantalet(te)s, pantəlets, vrouwen- of kinderbroek met strooken.
Pantaloon, pantəlûn, subst. hansworst, de “pantalon” in eene pantomime; —s = nauwsluitende (onder)broek.
Pantechnicon, panteknikon, magazijn van alle soorten v. artikelen; bewaarplaats voor huisraad; verhuiswagen = — van.
Pantheism, panthiizm, pantheïsme; Pantheist = pantheïst; adj. Pantheistic(al).
Pantheon, panthiən, panthîən, Pantheon.
Panther, panthə, panter; —ess.
Pantile, pantail, dakpan van S-vorm; hooge hoed of “kachelpijp”; scheepsbeschuit.
Pantisocracy, pantisokrəsi, pantisocratie.
Pantograph, pantəgraf, pantograaf, teekenaap; Pantəgraphic(al).
Pantomime, pantəmaim, pantomime; ook adj. en verb.; Pantomimic, pantəmimik, pantomimisch; Pantomimist, pantəmaimist, pantomimist.
Pantry, pantri, provisiekast of -kamer.
Pants, pants, Zie Pant.
Pap, pap, pap, vruchtvleesch, pulp; bijverdiensten; tepel: As easy as — = doodmakkelijk; —piness, subst. v. —py = papachtig, zacht, sappig.
Papa, pəpâ; (Amer.), pâpə, popə, vader; —ship.
Papacy, peipəsi, pauselijke waardigheid en macht, de pausen gezamenlijk, R.K. kerk; Papal, peip’l, pauselijk: The Dogma of — Infallibility.
Papaver, pəpeivə, papaver: adj. Papaverous.
Papaw, pəpô, pôpô, meloenboom (of vrucht).
Paper, peipə, subst. papier, blad, zak(je), verhandeling, opstel, document, courant, geldswaardig papier, papillottenpapier, behangselpapier, (personen met) vrijbiljetten; ook adj.; — verb. met papier bedekken, in papier wikkelen, behangen, met vrijbiljetten vullen: To commit to (Put on) — = op papier zetten; It will get into the —s = couranten; To perform to houses filled with — = voor theaters vol van personen met vrijbiljetten; Reflect, before you put pen to — = vóór gij schrijft; To read a — on Folk Lore = een lezing houden; To send in one’s —s = stukken; To set a — in English grammar = een gram. oefening opgeven; A — of cigars = zakje; — of direction = adreskaart; A — of needles = brief naalden; — of patterns = staalkaart; He is three down the — = staat No. 3 op lijst of voordracht; On — = op papier; Blotting-— and letter-— = vloei- en postpapier; It is nothing but waste — = het is louter scheurpapier; I will have this room —ed = zal laten behangen; —-bag = zak; —-chase = snipperjacht; —-collar = papieren boord; —-cornet = peperhuisje; —-cover = omslag; —-credit = wisselcrediet; —-cutter = papiersnijder, vouwbeen; —-fastener = klemmer; —-folder = vouwbeen; —-hanger = behanger; —-hangings = behangsel; —-knife = papiersnijder; —-mill = papiermolen; —-money = papiergeld, bankbiljetten; —-shop = courantenrondbrengerswinkel; —-stainer = fabrikant van behangselpapieren; —-weight = “presse-papier”; —y = als papîer.
Paphian, peifiən, van Paphos, tot Venus of haar dienst behoorende, ontuchtig: subst. boeleerster; Paphos, peifos, stad in Cyprus met Venustempel.
Papilio, pəpiliou, koninginnepage (kapel); —naceous, pəpiljəneišəs, vlindervormig; kapelachtig.
Papilla, pəpilə, papil, tepel; —ry, papələri, pəpiləri; —te, papilit, pəpilit, tepelvormig, met wratjes bedekt.
Papillote, papilout, papillot.
Papist, peipist, Roomsch-Katholieke; adj. Papistic(al); —ry = R. Katholicisme.
Papoose, pəpûz, pəpûs, jong kind (Indianen).
Pappose, papous, van zaadpluis voorzien; Pappus = zaadpluis, fijne haarbedekking.
Papua, papuə, pâpuə; adj. Papuan, papuən, papjuən, ook = Papoea.
Papula, papjulə, puistje.
Papyrus, pəpairəs, papyrusplant (rol).
Par, pâ, pari(koers), gelijkheid, normaalstand; verkorting voor Paragraph: Above, below — = boven, beneden pari: They are on a — (with) = staan op gelijke lijn, op gelijke hoogte (als); There is a — about him in to-day’s paper = er staat wat over hem in de courant.
Parable, parəb’l, parabel: He took up his — = begon te spreken (hief zijn spreuk op).
Parabola, pərabələ, parabool, kegelsnede; Parabole, pərabəlî, vergelijking, parabool; Parabolic(al) = parabolisch; bij wijze van gelijkenis of vergelijking.
Paracelsian, parəselš’n, van Paracelsus = Paracelsus.
Parachute, parəšût, subst. valscherm, parachute; — verb. zich met eene parachute laten vallen; Parachutist = iemand, die zich van een valscherm bedient.
Paraclete, parəklît, voorspraak, Trooster (H. Geest).
Para-coat, pârəkout, gummi-overjas.
Parade, pəreid, subst. parade, vertoon, optocht, paradeplein, exercitieplaats (= —-ground), openbare wandelplaats; — verb. vertoon maken, pronken, pralen, (laten) paradeeren: At three o’clock the troops were —d = liet men de troepen parade maken.
Paradigm, parəd(a)im, paradigma, voorbeeld; adj. Paradigmatic.
Paradisaic(al), parədiseiik(’l), paradijsachtig; Paradise, parədais, paradijs, schellinkje (Theater): Bird of — = paradijsvogel; Paradisiac(al), parədisiək(’l), parədisaiək(’l), paradijsachtig.
Paradox, parədoks, paradox; —er = maker van paradoxen; —ical, parədoksik’l: A —ical cynic or a cynical —er = een van paradoxen houdend cynicus of een cynisch paradoxenmaker.
Paraffin(e), parəfin, paraffine, petroleum; —-oil, parəfinôil, gezuiverde petroleum; paraffine olie.
Paragoge, parəgoudž, paragoge.
Paragon, parəgon, subst. toonbeeld van volmaaktheid; — verb. evenaren, vergelijken.
Paragraph, parəgraf, paragraaf, beknopt artikel; — verb. paragrafeeren, een artikeltje schrijven; —er = —ist = reporter.
Paraguay, parəgwei, parəgwai, parəgwai, parəgwei.
Parakeet, parəkît, parkiet.
Parallax, parəlaks, parallax (Astron.).
Parallel, parəlel, parallel, evenwijdig; subst. parallel, breedtecirkel, loopgraaf evenwijdig aan de vuurlinie; — verb. evenwijdig maken (loopen), gelijkstellen, evenaren, overeenkomen met: To draw a — between; To find one’s — = zijn gelijke; To put oneself on a — (with) = zich vergelijken; —s of latitude = breedtecirkels; Such passages can be easily —ed from the best authors = zulke overeenkomende passages vindt men bij; — motion = evenwijdige beweging (van zuigers, enz. bij stoommachines); — ruler = parallelograaf; —ism = evenwijdige toestand of ligging, overeenkomst; Parallelogram, parəleləgram, parallelogram; Parallelopiped, parəleləp(a)ipəd, parallelopipedum.
Paralogism, pəralədžizm, drogreden.
Paralysis, pəralisis, verlamming; Paralytic, parəlitik, subst. lamme; adj. aan verlamming lijdende, met aanleg voor verlamming, verlamd; Paralyse = Paralyze, parəlaiz, verlammen.
Paramo, pərâmou, Paramo, hoogvlakte (Andes).
Paramount, parəmaunt, hoogst, voornaamst, onbeperkt, souverein; subst. hoogste; —cy = eerste plaats, enz.
Paramour, parəmûə, minnaar, minnares (steeds in slechten zin).
Parapet, parəpet, borstwering, verhoogde rand of muurtje, trottoir; —ed.
Paraph, parəf, paraaf; — verb. parafeeren.
Paraphernalia, parəfəneiljə, eigendom der bruid buiten den bruidschat, zooals lijfgoederen, sieradiën, etc.; toebehooren, uitrusting, versiering: Warlike — = uitrusting.
Paraphrase, parəfreiz, subst. paraphrase; — verb. paraphraseeren; adj. Paraphrastic(al).
Parasite, parəsait, parasiet; Parasitic(al), parəsitik(’l), woekerend; Parasitism, parəsaitizm, woekering; Parasitize = woekeren.
Parasol, parəsol, parəsol, parasol; —ette, parəsəlet, kleine parasol.
Parboil, pâbôil, ten deele koken, opkoken, warmtepuistjes veroorzaken.
Parbuckle, pâbɐk’l, subst. schrooitouw; — verb. met een schrooitouw hijschen.
Parcae, pâsî, de schikgodinnen.
Parcel, pâs’l, subst. deel, stuk, pakje, pakket, hoeveelheid; adj. gedeeltelijk, half; — verb. verdeelen; smarten (zeeterm): Bill of —s = factuur; By —s = bij gedeelten; That is part and — of our contract = dat is een voornaam deel van ons contract; It was —led out to us = toebedeeld; —-express = pakketpost; —-office = bestelkantoor, goederenbureau; A —s-delivery man (—van) = besteller (wagen van den besteldienst); —(’s)-post = pakketpost; —s-service = bestelgoederendienst.
Parcenary, pâsənəri, mede-erfgenaamschap; Parcener, pâsənə, mede-erfgenaam.
Parch, pâtš, opdrogen, verdorren, verzengen, schroeien, roosteren: I am —ed with thirst = versmacht van.
Parchment, pâtšm’nt, subst. perkament; perkament(en): The — of a drum; —-paper = Vegetable — = perkamentpapier; —ize = in perkament veranderen.
Pard, pâd, panter, luipaard; ook = Partner, (Amer.).
Pardie, pâdî, Zie Pardy.
Pardon, pâd’n, subst. vergiffenis, aflaat, amnestie; — verb. vergeven, vergiffenis schenken: (I beg your) —! = neem me niet kwalijk; (I) beg your —? = wat blieft u? —able = vergeeflijk; subst. —ableness; —er = verkooper van aflaten.
Pardy, pâdî, par Dieu, waarachtig.
Pare, pêə, afsnijden, schillen, besnijden, besnoeien (ook fig.): He —d his nails to the quick = hij sneed zijne nagels tot op het vleesch af; —r = schilmachine, enz.
Paregoric, parəgorik, subst. en adj. pijnstillend (middel), opiumtinctuur.
Parenchyma, pəreŋkimə, celweefsel, parenchiem; adj. Parenchymatous.
Parent, pêr’nt, vader of moeder, oorzaak, bron; —s = ouders: You are not a — = hebt geen kinderen; —age, pêr’ntidž, geboorte, afkomst, ouders, oorzaak; —al, pərent’l, ouderlijk; —hood = ouderschap; —less = ouderloos.
Parenthesis, pərenthəsis, parenthese: By way of — = tusschen twee haakjes (fig.); Parentheses, pərenthəsîz, haakjes: In —, Within marks of — = tusschen haakjes; Parenthesize; Parenthetic(al) = tusschen haakjes geplaatst; He said it parenthetically = bij zijn neus langs.
Parget, pâdžət, subst. ruw pleisterwerk; — verb. bepleisteren; grimeeren.
Parhelion, pâhîlj’n, bijzon.
Pariah, pâriə, pêriə, paria, uitgeworpene: — dog = onbeheerde hond.
Parian, pêriən, van Paros; subst. soort van porselein.
Parietal, pəraiət’l, tot een muur (buikwand) behoorende, wandstandig; universiteits... (Amer.); Parietary = glaskruid, muurkruid.
Paring, pêriŋ: —s = krullen, schillen.
Paris, paris, Parijs: He knows his — = hij kent z’n Fransch; — doll = kostuumpop; — garden = oude berebijt in Londen; Parisian, pəri’ž’n, subst. Parijzenaar; adj. Parijsch.
Parish, pariš, kerspel, parochie; district (Amer.); adj. gemeente..., parochie...: To be on (To come (up)on, To throw oneself on) the — = armlastig zijn (worden); — clerk = leider der responses in de Anglik. kerk; — priest = geestelijke met eigen gemeente; — register; — work = herderlijke werkzaamheid; Parishioner, pərišənə, lid van eene parochie of gemeente.
Parisina, parisînə.
Parisyllabic, parisilabik, met het zelfde aantal lettergrepen.
Parity, pariti, gelijkheid, overeenkomst.
Park, pâk, subst. park, artilleriepark, de batterijen behoorende bij een afd. artill.; oesterbank; — verb. in een park besluiten, samenbrengen; —-keeper; —-paling.
Parker, pâkə; Parkes, pâks; Parkhurst, pâkhɐ̂st; Parkinson, pâkins’n.
Parlance, pâl’ns, gesprek; — verb. onderhandelen, spreken met: In common — = in de taal van het dagelijksch leven.
Parley, pâli, onderhoud, onderhandeling: To beat (To sound) a —; To desire, To hold a —.
Parliament, pâliment, parlement: To dissolve (To prorogue) a —; To convene (To summon) a —; —arian. pâlimentêriən, aanhanger van het Long Parliament (onder Karel I en Karel II); —ary, pâlimentəri, parlements...; subst. volgens parlementsbesluit voorgeschreven trein voor de 3de klasse reizigers, minstens eens per dag tegen hoogstens 1 penny per Eng. mijl: — agent = een solicitor optredend als verkiezingsagent; — borough = een borough, die een lid afvaardigt; A —ary carriage = wagon 3de klasse.
Parlour, pâlə, huis- of woonkamer; ontvangkamer (Amer.), spreekkamer, gelagkamer; —-boarder = kostjongen, die met de familie aan tafel zit, en als huisgenoot behandeld wordt; —-maid = kamermeisje.
Parlous, pâləs, gevaarlijk, vreeselijk.
Parmesan, pâməzan, Parmezaansch: — cheese.
Parnassian, pânaš’n, van den Parnassus; Parnassus, pânasəs, Parnassus.
Parnell, pânel, pânel.
Parochial, pəroukj’l, parochiaal; bekrompen, kleingeestig: — board = armbestuur, armvoogden; — relief = armenzorg; —ism = bekrompenheid; —ize = in parochies verdeelen.
Parodist, parədist, parodieënmaker; Parody, parədi, subst. parodie; — verb. parodieeren.
Parole, pəroul, eerewoord, wachtwoord: The officers were admitted to their — (released on —) = werden op hun eerewoord vrijgelaten.
Paronomasia, parənəmeisiə, parənəmeižə, woordspeling.
Paronym, parənim, gelijkluidend of verwant woord; adj. —ous, pəronimɐs; subst. —y, pəronimi.
Paroquet, parəket, parkiet.
Paroxysm, parəksizm, krampachtige aanval; —al, parəksizm’l, krampachtig.
Parquet, pâket, parketvloer; parket in een schouwburg (Am.); parket (Jur.); — verb. met paneelen inleggen; —ry = parketvloer.
Parr, pâ, jonge zalm (kabeljauw, haas).
Par(r)akeet, parəkît, parkiet.
Parricidal, parisaid’l, adj. v. Parricide, parisaid, vadermoord(er).
Parrot, parət, papegaai (ook fig.); — verb. napraten, nadoen; —-coal = soort v. bitumineuse kool; —-fish = papegaaivisch; lipvisch; —ry = naäperij.
Parrott, parət: — gun, een naar den uitvinder P. genoemd kanon.
Parry, pari, afweren, pareeren: — and thrust = pareeren en uitvallen.
Parse, pâs, pâz, (taalkundig) ontleden.
Parsee, pâsî, pâsî, aanhanger. v. d. Oud-Perzischen godsdienst, afstammeling der oude Perzen (in Indië); —ism = de leer (van Zoroaster) der Parsees.
Parsimonious, pâsimounjəs, karig, gierig, knijperig; subst. —ness = Parsimony, pâsiməni.
Parsley, pâsli, peterselie.
Parsnip, pâsnip, pastinaak of witte peen: Fair (Fine) words butter no —s = praatjes vullen geen gaatjes.
Parson, pâs’n, dominé, geestelijke (dikwijls in smalenden zin): —’s nose = stuit van een gebraden gans; —age, pâsənidž, predikantsplaats, pastorie.
Part, pât, subst. deel, zijde, gedeelte, aflevering, aandeel, lid, stuk, rol, partij, plicht; — verb, verdeelen, uitdeelen, scheiden, van de hand doen, breken, uit elkaar gaan, opgeven; adv. deels: Silence would have been the better — = verstandiger zijn geweest; The best — of a foot long = ruim een halve; Of the first —, of the second — = ter eenre.. ter andere zijde; For my — = wat mij aangaat; In — = gedeeltelijk: To make a payment in — = een deel afbetalen; On our — = onzerzijds; Do you come on his —? No I come on my own — = van zijnentwege;.... voor mijzelf; To do one’s — = zijn plicht doen; To take a person’s — = iemands partij opnemen; He took — in the conspiracy = nam deel aan; He took my remarks in good — = nam goed of vriendelijk op; I hope you will not take it in ill — = ongunstig of euvel opnemen; —s = talenten; streek: A man of —s = begaafd; I am a stranger in these —s = hier; The ten —s of speech = de tien rededeelen; To come out in —s = afleveringen; Divided into —s = in stukken verdeeld; To be (To have) art and — in = deel hebben aan; To have no — nor lot in = part noch deel hebben aan; To become — and parcel of = een wezenlijk deel worden van; He was — and parcel of the procession = maakte een wezenlijk deel uit van; They had better — = zij moesten liever scheiden; To — company = scheiden, uiteengaan, zich van het eskader afzonderen; To — the hair = een scheiding maken; I intend to — with my dog, though I feel it will be hard to — from such a faithful friend = van de hand te doen, schoon ik voel dat ik moeilijk van zulk een trouw vriend zal kunnen scheiden; I —ed with her at the station = verliet, nam afscheid van; With —ed mouth = met open mond; —-music = meerstemmig; —-owner = mede-eigenaar (reeder); —-payment: In —-payment = op afbetaling; Parting = scheiding, deeling, vertrek; adj. scheidend, afscheid - -: At — = bij het vertrek; At the — of the ways = bij de scheiding; Speed the — guests and welcome the coming = wensch den vertrekkenden Gods zegen; —-cup = afscheidsdronk; —-kiss; —-song = afscheidslied; —-word = afscheidswoord; Partly = gedeeltelijk, soms ook Part.
Partake, pâteik, deelnemen, deelhebben: We partook of a nice little dinner = gebruikten; It —s of the nature of a crime = het heeft iets van; —r.
Parterre, pâtêə, bloemperk(en); parterre.
Parthenon, pâthənon, Parthia, pâthiə, Parthië: —n, Parthisch; subst. bewoner van Parthië: —n arrow (shot) = scherp antwoord van den vertrekkende.
Partial, pâš’l, gedeeltelijk, partijdig, vooringenomen, eenzijdig: Every mother is — to her children = zal het beste van hare kinderen denken; I am — to such food = van zulk eten houd ik veel; — board = pension zonder middageten; —ism = partijdigheid; —ist; Partiality, pâšaliti, partijdigheid, voorliefde.
Participant, pâtisip’nt, deelhebbend; subst. deelhebber: To be — of = deelnemen aan.
Participate, pâtisipeit, deelnemen aan, deel hebben in: I — in (of) your happiness = deel in uw geluk; subst. Participation; Participator = deelnemer.
Participial, pâtisipiəl, deelwoordelijk; Participle, pâtisip’l, deelwoord.
Particle, pâtik’l, deeltje, greintje, partikel: He has not a — of sound sense = geen greintje gezond verstand; I don’t care a — = ik geef er geen zier om.
Parti-coloured, pâtikɐləd, bont.
Particular, pâtikjulə, subst. bijzonderheid; adj. bijzonder, omstandig, persoonlijk, merkwaardig, zorgvuldig, kieskeurig: London — = echt Londensche mist; bijzonder soort Madeira; In — = in ’t bijzonder; He did not enter into —s = hij trad niet in bijzonderheden; For further —s apply to him = nadere inlichtingen zijn bij hem te verkrijgen; —s to follow = bijzonderheden volgen; — friend = intieme vriend; I am not — about it = het steekt me niet zoo nauw; I am — in (about) my eating and drinking = ben erg kieskeurig op; He is not — in this = in dit opzicht heeft hij niets bijzonders; He is not — to a guilder = het komt hem op een gulden niet aan; —ism = particularisme; —ist = afgevaardigde die slechts de belangen v. zijn eigen district voorstaat; aanhanger v. de leer der Bijzondere Genade; —ity, pâtikjulariti, bijzonderheid, omstandigheid; —ization, subst. v. —ize = in bijzonderheden treden, op kleinigheden en bijzonderheden letten.
Partisan, pâtiz’n, subst. partijganger, partijgenoot; aanvoerder van een korps partijgangers; partisaan; adj. partijdig; —ship.
Partition, pâtiš’n, subst. verdeeling, afdeeling, tusschenschot, scheidingspunt; — verb, in stukken of afdeelingen verdeelen (off); —-wall = scheidsmuur (ook fig.).
Partitive, pâtitiv, subst. deelend woord; adj. een deel aanwijzend.
Partner, pâtnə, compagnon, firmant, vennoot, danser(es), echtgenoot(e), medespeler: He is a — in this business = compagnon in deze zaak; Acting (Active), Sleeping (Dormant) —; —ship = vennootschap: To enter (go) into —ship, To contract a —ship with.
Partridge, pâtridž, patrijs: —-wood = patrijshout.
Parturient, pâtjûriənt, barend, vruchtbaar; Parturition, pâtjuriš’n, baring.
Party, pâti, subst. partij, troep, gezelschap, “avondje”, zaak, bepaald persoon: The parties = die “lui”; The People’s — = Volkspartij; A queer — = een rare kerel; I will be no — to this affair = wil er niet mee te maken hebben; To give a — = een partij geven; —-coloured = v. verschillende kleuren, bont; —-jury = jury, deels uit Engelschen, deels uit niet-Engelschen bestaande; —-spirit = partijgeest; —-wall = scheidsmuur, tusschenmuur.
Parvenu, pâvənjû, parvenu: The — aristocracy.
Pas, pâ, schrede, stap, voorrang: He takes (has) the — of dukes and earls = gaat in rang vóór; I yielded him the — = liet hem vóórgaan.
Pasch, pask: —-egg = Paaschei; —(al) flower = paarsche anemoon, Paaschbloem; Paschal, paskəl, tot het Pascha behoorende: — lamb.
Pascha(w), pašə, pâšə, pəšâ, pəšô, pacha; —lic, pašəlik, pəšâlik, pâšəlik, pəšôlik = gebied of waardigheid van een Pacha.
Pasque-flower = Paschal-flower.
Pasquil, paskwil, Pasquinade, paskwineid, paskwil, schotschrift.
Pass, pâs, subst. pas, gang, enge weg, bergpas, staat van zaken, doorgangs- of toegangsbewijs, slagen bij examen, toestand, uitval, verlegenheid, etc.; — verb. gaan, overbrengen, gebeuren, verdwijnen, langzaam veranderen, van de eene hand in de andere gaan; verloopen, weglaten, overslaan, slapen, er door komen, uitvallen, toelaten, vaststellen, aannemen (van eene wet), etc.: Things had come to such a — that a change was desirable = het was nu zoover gekomen, dat; The world is coming to a pretty — = het wordt eene mooie boel tegenwoordig; I gave them —es to the theatre = ik gaf hun biljetten voor de comedie (op zulke biljetten staat b.v.: — Mr. So and So to the stalls); To make a — at = een uitval doen; 375 candidates, 154 —es = 154 toegelaten; He may — = kan slagen; That may — = kan er door; Let that — = laten we daar niet meer over spreken = Let us — that; That —es belief = is ongelooflijk; To — a bill = een wetsontwerp aannemen; We —ed the candidate = hebben toegelaten; To — base coin = in omloop brengen; To — muster = den toets doorstaan; Don’t — remarks on your betters = maak geen aanmerkingen op; To — a river = oversteken; To — sentence on a criminal = het vonnis uitspreken over; Who brought it to —? = wie heeft dat veroorzaakt, gedaan; It came to — = het gebeurde; — along that hedge = ga langs; He —ed peacefully away = stierf; — away, please = ga daar uit den weg; His life was —ed away in the country = werd doorgebracht; What has —ed between you? = is er voorgevallen; You cannot — this for a good coin = als goed geld uitgeven; He —es for a clever man = gaat door voor; — on, please = doorloopen, alsjeblieft; I —ed that over = dat heb ik over het hoofd gezien, overgeslagen; He was —ed over in favour of another man = werd gepasseerd; It will be —ed to the credit of your account = op uw credit worden geboekt; The property —ed under the will, was very large = bij testamentaire beschikking vermaakt; He —ed up coppers to the conductor = gaf door; This judgment was —ed upon him = werd over hem uitgesproken; —-bill = geleibiljet; —-book = bestelboekje, kassiersboekje; —-check = vrijbiljet; contremarque; — examination = gewoon examen, tegenover Honours exam.; —-holder = houder van een vrijbiljet of abonnementskaart; —-key = looper, huissleutel; —man = geslaagde (tegenover Classman = de met grooten lof geslaagde); —-paper = schriftelijke examenopgaaf; —port = paspoort; —word = parool, wachtwoord; —able = gangbaar, dragelijk, begaanbaar; —er = die passeert; —er-by = voorbijganger; Passing = voorbijgang, verloop, aanneming; adj. voortreffelijk, uitstekend, in hooge mate, voorbijgaand, terloopsch: —-bell = doodsklok; —-note = overgangstoon (muz.); He said it in — = in ’t voorbijgaan; We don’t see a bit of — = zien (hier) niemand voorbijgaan.
Passage, pasidž, doorgang, uitgang, binnenkomst, gang, weg, reis, passage, doorvaart, aanneming (v. een wet), stoelgang, voorval, gebeurtenis, etc.: Had you a good —? = hebt ge een goede overtocht gehad; To take a — for = biljet nemen; Birds of — = trekvogels; They indulged in frequent —s of words = hielden herhaalde woordenwisselingen; —-money = passagiersvracht.
Passant, pas’nt, gaande: Lion — = gaande leeuw (Herald.).
Passenger, pas’ndžə, passagier, reiziger, passagierstrein: Cabin —; Deck —; Effects of —s = passagiersgoed; Through-—s = doorgaande reizigers; —-carriage = personenwagen; —-pigeon = postduif; —-traffic = personenvervoer; —-train = personentrein.
Passerine, pasər(a)in, tot de musschensoort behoorende.
Passiflora, pasiflôrə, passiebloem.
Passim, pasim, hier en daar.
Passion, paš’n, het lijden (vooral het laatste lijden des Heeren), hartstocht, liefde, toorn, smart, geestdrift, vuur: To be in a towering — = in hevigen toorn ontstoken; He fell (flew) into a — = werd woedend; Don’t give way to — = laat u niet door drift medesleepen; To have a — for = voorliefde hebben; To put a person into a — = iemand in drift doen ontsteken; —-flower = passiebloem; —-play = passiespel; —-Sunday = Zondag vóór Paschen; — tide = lijdensweken; — week = lijdensweek; —ate = hartstochtelijk, driftig, oploopend; subst. —ateness; —ists = een bepaalde godsdienstige orde der R. Katholieken, die behalve de gewone 3 beloften nog een vierde afleggen, nl. tot voortdurende overweging van het lijden Onzes Heeren (vandaar de naam); —less.
Passive, pasiv, lijdend, passief, indifferent: — obedience = lijdelijke gehoorzaamheid; — resistance; — verb = lijdend werkwoord; subst. —ness.
Passover, pasouvə, Joodsch paaschfeest, feest ter herinnering aan de verlossing uit Egypte; paaschlam; —-bread, —-cake = Paaschbrood.
Past, pâst, subst. verleden; adj. voorbij(gegaan), verleden, doorgebracht; onovertroffen; adv. en prep, over, overheen, te boven, voorbij: She has a — = iets op haar kerfstok (een “verleden”); He is a —-master in villainy = een aartsschelm; He came — our house = langs; He was — that now = er nu overheen; — comprehension (all common sense) = alle begrip (gezond verstand) te boven gaande; The patient is — cure = onherstelbaar, ongeneeslijk; Half — four = half vijf; — hope = hopeloos; I am — marrying = te oud om te trouwen; For many years — = vele jaren geleden.
Paste, peist, subst. deeg, pasta, glasdeeg, valsche diamant; adj. uit pasta gemaakt, onecht; — verb. vastplakken, beplakken; in pasta werken; afranselen: A pair of ear-drops of glittering — = een paar simili oorknopjes; —board = bordpapier, visitekaartje, speelkaart, biljet; —-pot = lijmpot.
Pastel, past’l, weede (plant); pastel; —list = pastelteekenaar.
Pastern, pastən, koot van een paard; —-joint = kootgewricht.
Pasteurize, pastɐ̂raiz, pastɐ̂raiz, pasteuriseeren.
Pastil, pastil; Pastille, pastîl, pastille.
Pastime, pâstaim, tijdverdrijf, genoegen.
Pastor, pâstə, (geestelijk) herder; —al, subst. idylle, landelijk gedicht, herdersdicht, herderlijk schrijven, pastorale (muziek); adj. landelijk, herderlijk: —al visitation = huisbezoek; —alism = herderlijke omgeving of natuur; —ate = herderlijk ambt = —ship.
Pastorale, pastərâli, pastorale (muz.).
Pastry, peistri, gebak, pastei: —-cook = pastei- of banketbakker.
Pasturable, pâstjurəb’l, voor beweiding geschikt; Pasturage, pâstjuridž, weiden, weiland; Pasture, pâstjə, subst. weide, gras; — verb, weiden, grazen: —-ground (—-land); —less.
Pasty, peisti, subst. pastei(tje); adj. als deeg: A —-faced youth = bleeke jonge man.
Pat, pat, verk. van Patrick; Ier.
Pat, pat, subst. tikje, klapje, opgemaakt stuk boter; adj. geschikt, net van pas, toepasselijk; — verb. zachtjes tikken of kloppen: — to the time = te rechter tijd; He said the words — on = glad achter elkaar op; He had rhymes — about all the persons present = juist van toepassing; It came — to the purpose = net van pas; He —ted little children on the back, head = tikte (goedkeurend) op den rug, op het hoofd; —ness = juistheid, gepastheid.
Patagonia, patəgounjə.
Patch, patš, subst. lap, stuk, moesje, stuk of lapje grond; — verb. lappen, oplappen, samenflansen: This comedian is not a — upon his fellow-artist = haalt in de verte niet bij; She laid on —es and made herself ridiculous = zij zag er belachelijk uit met hare schoonheidsmoesjes; To put a — on = lap opzetten; The plaster is —ing off the walls = valt bij stukken van den muur af; The dress was —ed up = in haast en slordig opgelapt; Peace was —ed up with them = een overhaaste vrede werd gesloten; —work quilt = lappendeken; —er = lapper, knoeier; —y = gelapt, saamgeflanst; knorrig.
Patchouly, patšəli, patšûli, patchoeli plant, parfum daaruit bereid.
Pate, peit, kop: He broke his — = kreeg een gat in zijn kop; —d (in samenst., zooals: Curly-—d).
Patella, pətelə, schoteltje, knieschijf; Patelliform.
Paten, pat’n, pateen, vlakke gouden of vergulde schaal waarop de H. Hostie ligt.
Patent, peit’nt, subst. octrooi, vergunning, patent; adj. openbaar, duidelijk, gepatenteerd, uitstekend; — verb. octrooi verleenen, door een octrooi zich verzekeren: To take out a — for = patent nemen op; Dissensions were becoming — to the household = hunne geschillen werden duidelijk voor de huisgenooten; —-law; —-leather = verlakt leder; —-office = bureau der octrooien; —-right = patent(recht); —-rolls = register der ingeschreven octrooien; —able = waarvoor octrooi kan worden genomen; —ee, peit’ntî, pat’ntî, patenthouder.
Pater, peitə, “ouwe heer”: My —; —-familias, peitəfəmiljəs, huisvader; —noster, patənostə, peitənostə, het “Onze Vader”, rozenkrans; Paternal, pətɐ̂n’l, vaderlijk, erfelijk; Paternity, pətɐ̂niti, vaderschap: Inquiry into the — of an illegitimate child = onderzoek naar het vaderschap; — law = wet op het vaderschap.
Paterson, patəs’n; Patey, peiti.
Path, pɐ̂th, subst. pad: To break (open) a — = een weg banen; To leave the — to = iemand uit den weg gaan; —-breakers = baanbrekers; —way = voetpad; —less = ongebaand.
Pathetic, pəthetik, gevoelvol, aandoenlijk.
Pathogeny, pəthodžəni, leer van het ontstaan der ziekten.
Pathologic(al), pathəlodžik(’l), pathologisch; Pathologist = patholoog; Pathology = ziektenleer.
Pathos, peithos, pathos.
Patience, peiš’ns, geduld, volharding, lijdzaamheid: I am out of — = mijn geduld is op; I have come to the end of my — = mijn geduld is ten einde; To lose one’s —; Possess your soul in — = bezit je ziel in lijdzaamheid; Take — = heb geduld; Patient, peiš’nt, lijder, patient; adj. geduldig, lijdzaam, kalm, toegevend, volhardend, taai: What is death to the — is profit to the physician = den een zijn dood is den ander zijn brood; To be — of = geduldig dragen.
Patina, patinə, vlakke schaal; groene roest op brons.
Patriarch, peitriâk, patriarch; —al, peitriâk’l, aartsvaderlijk; —ate = patriarchaat = —ship.
Patrician, pətriš’n, patricisch; subst. patriciër.
Patrick, patrik, Patricius.
Patrimonial, patrimounj’l, tot het vaderlijk erfdeel of de nalatenschap behoorende; Patrimony, patriməni, vaderlijk erfdeel.
Patriot, peitriət, patriət, subst. vaderlander, patriot; adj. vaderlandslievend; —ic, peitriotic, patriotic = vaderlandslievend; —ism, peitriətizm, patriətizm, vaderlandsliefde.
Patrol, pətroul, subst. patrouille, ronde; — verb. patrouilleeren, de ronde doen.
Patron, peitr’n, patr’n, subst. beschermer, beschermheer, beschermheilige, geregeld bezoeker, begunstiger; adj. beschermend, bescherm ...; —age, peitrənidž, patrənidž, bescherming, patronaat, recht van begeving; —ess = beschermvrouw; —ize, peitrənaiz, patrənaiz, beschermen, begunstigen; —izer; —izing = beschermend, nederbuigend: —izing air.
Patronymic, patrənimik, subst. geslachts- of familienaam; adj. v. een voorvader verkregen (naam); —al.
Patroon, pətrûn, grondbezitter aan wien, oorspronkelijk door de Ned. W.-Ind. Comp., eenige heerlijke rechten waren toegekend.
Patten, pat’n, soort klomp, oudtijds soort stelt(schoen), patijn; onderlaag v. een muur, voetstuk v. eene zuil.
Patter, patə, kletteren, trappelen, ratelen, klateren, snateren; subst. gekletter, etc., tusschengevoegde en snel uitgesproken woorden in een —song; They all —ed French more or less = praatten, snapten.
Pattern, patən, subst. model, patroon, voorbeeld, staal, schabloon; — verb. copieeren, bespikkelen: A French —bonnet = modelhoed; The streets were starred and —ed with lights.
Patty, pati, pasteitje; —-pan.
Patulous, patjulɐs, afstaand, uitstaand.
Paucity, pôsiti, geringheid, schaarschte, gebrek: — of labour = gebrek aan werkkrachten.
Paul, pôl, Paulus; Pauline, pôlin, Paulina; pôl(a)in, Paulinisch.
Paunch, pônš, pânš, buik, pens, balg; —-mat = stootmat (scheepst.); Bow-—ed = met ronden buik; —iness.
Pauper, pôpə, arme, bedeelde: — children, — school; —ism = de bedeelden, armoede; —ization, subst. v. —ize = tot diepe armoede brengen.
Pause, pôz, subst. rust, afbreking, twijfel, besluiteloosheid, gedachtestreep: — verb. pauseeren, rusten, weifelen, aarzelen: Such things must give a sensible man — = brengen tot nadenken; He stood in — = twijfelde, weifelde.
Pave, peiv, bevloeren, plaveien: To — the way for = den weg banen; —ment = bestrating, plaveisel; Foot-, Side-—ment = trottoir, kleine steentjes; —r = straatmaker, wegbereider, straatsteen, stamper.
Pavilion, pəvilj’n, paviljoen, vlag, standaard, verhemelte (Herald.); oude munt.
Pavior, peivjə, straatmaker, stamper.
Pavo, peivou, pauw, sterrenb. de pauw; —nine, pavən(a)in, met vele kleuren schitterend (als een pauwestaart).
Paw, pô, subst. poot met klauw; hand; — verb. (met den voorpoot) krabben (v. paarden); ruw aanpakken, flikflooien.
Pawem, pôəm, aangenaam gedeelte, in een boek tusschen zwaardere kost ingelascht.
Pawky, pôki, slim, schalks(ch): He takes a — view of things.
Pawl, pôl, pal.
Pawn, pôn, subst. pion (schaakspel), pand; — verb. verpanden: I have given my watch in (at) — = als pand gegeven; —broker = lombardhouder; —broking = het houden v. een lommerd; —er; —-house = —shop; —-tickets with the equity of redemption = lommerdbriefjes met het recht van wederinkoop.
Pawnee, pônî: Brandy — = cognacgroc (Brit Ind.).
Pawnee, pônî; Pawtucket, pôtɐkət.
Pax, paks. Zie Osculatory: To cry — = roepen dat het ‘genoeg’ is (Schoolslang).
Pax(y)-wax(y), paks(i)waks(i), sterke, dikke nekspier (bij slachtvee).
Pay, pei, subst. betaling, loon, soldij; — verb. betalen, vergoeden, vergelden, kwijten; teeren, smeren: No — no play = zonder geld heb je niets; In the — of = in dienst van; Officer on half— = op wachtgeld; To — one’s addresses to = het hof maken; To — attention = opletten; You paid him a bad compliment = maakte; When he came home there was the devil to — = waren de poppen aan het dansen; He robs Peter to — Paul = hij maakt een gat om een ander gat te stoppen; To — the piper = het gelag betalen; I will — him full tale for this = het hem dubbel en dwars betaald zetten; To — a visit = brengen; If you don’t wish to get into debt, you must — your way = moet ge uwe verplichtingen nakomen; You will have to — down = gij zult moeten opdokken, contant betalen; You shall — for this = zult boeten; Will you — for the book? = het boek betalen; He paid for his treachery with his life = boette zijn verraad; The sum was paid in to your account = gestort, afbetaald op uw debet-rekening; To — into a bank, the hands of a banker = deponeeren bij; I have paid him off = het volle bedrag uitbetaald; het hem betaald gezet; The loan will be paid off at the price of £ 106 for every £ 100 = is aflosbaar; — him on = sla er op, raak hem; I have paid him out (for it) = paid him home = het hem betaald gezet; — out more cable = vier; We had to — through the nose = ons werd het vel over de ooren getrokken; I want to — up my arrears = wensch te betalen; The business does not — = rendeert niet; Paid-up shares = volgestorte aandeelen; He got well paid = kreeg het goed betaald; —-bill = betaalsrol; —-box = loket, plaatsbureau (theaters); —-day = traktementsdag; —master = betaalmeester, kwartiermeester, officier van administratie; —-office = betaalkantoor; —-sheet = betaalsrol; —able = betaalbaar: —able at sight to Mr. X. or order = betaalbaar op zicht aan den heer X. of order; —ee, peiî, wien betaald wordt; —er = betaler; —ing = loonend; —ment = betaling, loon: He has stopped (suspended) —ment = zijne betalingen gestaakt.
Payne, pein.
Paynim, peinim, heiden.
Paynize, peinaiz, hout voor bederf bewaren door eene injectie van zekere oplossing.
Pea, pî, erwt: They are as much alike as two —s (in a pod) = zij lijken als twee droppels water op elkaar; —(s)-cod (-pod, -shell) = erwtenpeul; —-gun (—-shooter) = proppenschieter; —-nut = aardnoot; —-soup = erwtensoep.
Peabody, pîbodi.
Peace, pîs, vrede, rust, kalmte, harmonie: — to his ashes = hij ruste in vrede; — there! = stilte! At — = verzoend; dood; I am not at — with myself = het met mijzelf niet eens; Hold your — = houd je stil; They kept the — better than I had expected = zij hielden zich rustiger dan ik verwacht had; He promised to keep the king’s (queen’s) — = om de orde niet meer te verstoren; He was sent to — = werd gedood; —-breaker = rustverstoorder; —maker = vredestichter; —-offering = zoenoffer; —-officer = politieagent; sheriff; —-party = vredepartij; The —-society = vredebond; In their —-strength = sterkte in tijd van vrede; —able = vreedzaam, vredelievend; subst. —ableness; —ful = vredig, kalm, stil; subst. —fulness; —less = rusteloos, woelig.
Peach, pîtš, subst. perzik: He is no small —es of an artist = als kunstenaar is hij geen kwajongen; —-brandy = persico; —-coloured = perzikkleurig; —-down = dons; —-tree.
Peach, pîtš, aanklagen, verklappen: Speak, or I’ll — = spreek, of ik getuig tegen je, verklik je, geef je aan.
Peachick, pîtšik, jonge pauw; Peacock, pîkok, (mannetjes)pauw; ook verb., stappen als een pauw; —-butterfly = pauwoog; —-fish = pauwoog (visch); —-hangings = behangsel met pauwenpatroon; Peafowl = pauw; Peahen = pauwin.
Pea-jacket, pîdžakət, pijjekker.
Peak, pîk, subst. piek, spits, punt, klep (van pet of hoed); — verb. kwijnen, er ziekelijk uitzien, (eene ra) optoppen: A —ed cap = met klep; —ed beard = puntbaard; A —ed look = kwijnend; —ed-up persons = stijve, opgeprikte personen; —ing = ziekelijk; geniepig; —ish = ziekelijk; —y = spits, ziekelijk uitziend.
Peal, pîl, subst. knal, slag, salvo, geratel, donderslag, klokgelui, aantal klokken; — verb. luide weerklinken of weergalmen: The —s were rung = er werd op de klokken gespeeld, klokkenspel weerklonk; —s of laughter, of thunder = schaterend gelach, ratelende donderslagen; The bells —ed forth their merriest sounds = de klokken deden hare vroolijkste klanken hooren.
Pear, pêə, peer; —-tree.
Pearce, pîəs.
Pearl, pɐ̂l, parel, paarlemoer; pil; staar, (ook —-eye), diamantletter; ook adj.; — verb. met parelen bezetten, beperelen, parelen: Mother of — = paarlemoer; That’s casting —s to (before) the swine = dat is paarlen voor de zwijnen gooien; The girl strung her beads and —s = reeg hare kralen en paarlen; —-ash = parelasch; —-barley = geparelde gerst; —-disease = parelziekte; —-diver = parelvisscher; —-eye(d) = (met) een vlek (staar) op het oog; —-fishery = parelvisscherij, de plaats hiervoor; —-oyster = pareloester; —-sago; —-shell = parelschelp; —-studded = met paarlen bezet; —-white = parelwit; —y = parelachtig, vol paarlen.
Pears, pîəz; Pearson, pîəs’n.
Peasant, pez’nt, subst. en adj. boer(sch); —ry = boerenstand, landvolk.
Pease, pîz, erwten.
Peat, pît, turf; ook = A lump of — = een turf; —-bog = laag veen; —-cutter = turfsteker; —-drag = bagger; —-moor = hoog veen; —-moss = veenmos; —-stacks; —ery = veenderij; —y = uit turf bestaande, turf bevattende.
Pebble, peb’l, kiezelsteen (= —-stone), agaat, bergkristal (= —-crystal); —d, Pebbly = vol kiezelsteenen.
Peccability, pekəbiliti, zondigheid; Peccable, pekəb’l, zondig; Peccadillo, pekədilou, kleine zonde, pekelzonde; Peccancy, pek’nsi, zondige staat; Peccant = zondig, bedorven, slecht; Peccavi, pekeivai, “ik heb gezondigd”, schuldbelijding: To cry — = schuld bekennen, om vergiffenis vragen.
Peck, pek, subst. maat van ± 9 L.; pik, hap, kus, voer, kost; groote hoeveelheid; — verb. pikken, vitten, eten: There are —s and —s of = hoopen; It gave me a — of trouble = een heele portie last; We had to keep them — and perch, all the year round = we moesten hen onderhouden; She —ed at her chop = knabbelde aan, at met kleine beetjes van; She —ed up all the crumbs = raapte (pikte) op; —-alley = keel(gat); —er = specht; snavel: To keep up one’s —er = den moed (of eetlust) niet verliezen; To go to Peckham = gaan eten; All holiday at Peckham = Schraalhans is keukenmeester; Peckish = hongerig.
Pectin, pektin, pectine.
Pectinate, pektənit, kamvormig.
Pectoral, pektər’l, borst - -; subst. borstmiddel, borstlap, borstschild of kruis van priesters, borstspier; borstvin = — fin.
Peculate, pekjuleit, (geld) verduisteren; Peculation: — was rife, and abuses were rampant = verduistering was algemeen; Peculator.
Peculiar, pəkjûliə, eigenaardig, bijzonder, origineel; ook subst.: This wine has a — flavour = een gansch bijzonderen smaak (en geur); —ity, pəkjûliariti, eigenaardigheid, bijzonderheid.
Pecuniary, pəkjûniəri, geldelijk, geld(s) ...: In — difficulties, troubles = in geldelijke moeilijkheden.
Ped, ped, pedaal; voetganger; groote mand.
Pedagogue, pedəgog, pedagoog, schoolvos; Pedagogical, pedəgodžik(’l), pedagogisch; Pedagogics, pedəgodžiks, pedagogiek.
Pedal, ped’l, pîd’l, voet - -; subst. pedaal; — verb. het pedaal gebruiken; peddelen, fietsen; —-note = aangehouden toon; —-pipes (of an organ); —(l)er = fietser.
Pedant, ped’nt, schoolvos; —ic(al), pədantik(’l), pedant; —ry = muggenzifterij, pedanterie.
Peddle, ped’l, venten, met eene mars loopen; zich met beuzelarijen ophouden: —r = marskramer (Z. Pedlar); Peddling = beuzelachtig, onbeteekenend.
Pedestal, pedəst’l, voetstuk: — writing-table = “bureau ministre”; To put on a — (fig.).
Pedestrian, pədestriən, voet - -; gewoon, alledaagsch, prozaïsch; subst. voetganger: — journey, — tour = voetreis; —ism = het wandelen, wandelwedstrijd, hardloopwedstrijd; alledaagschheid.
Pedicel, pedisel, bloemsteel; —late, pediselit, gesteeld.
Pedigree, pedigrî, stam- of geslachtsboom, afkomst: — cattle = stamboekvee.
Pediment, pediment, pediment, gevelveld.
Pedipalp, pedipalp, schorpioenspin; taster (van een spin).
Pedireme, pedirîm, waterwants.
Pedlar, Pedler, pedlə, marskramer; —y = marskramerij; bedriegerij.
Pedlington, pedliŋt’n: This is the Little — view of the matter = kleingeestige, bekrompen kijk op.
Pedometer, pədomətə, pedometer.
Peduncle, pədɐŋk’l, (bloem)steel; Peduncular, pədɐŋkjulə, bloemsteel ...; steel ...; Pedunculate, pədɐ̂nkjulit, gesteeld.
Peek, pîk, verb. gluren: —-a-boo = Peep-bo: —-a-boo blouse = blouse met transparant halsstuk; —er.
Peel, pîl, subst. schil; schieter (van bakkers), versterkte toren (op de grens van Eng. en Schotl.); — verb. schillen, afschillen, afschilferen, ontkleeden, plunderen: Candied — = sukade; Orange —; To keep one’s eyes —ed = zijne oogen open houden (fig.); —ings = schillen.
Peel, pîl: —er = klabak.
Peep, pîp, subst. gepiep; het eerste dagen of verschijnen, gluren, sluwe blik; — verb. piepen; gluren (naar = at), gloren, aanbreken, sluw kijken: At the — of dawn = bij het gloren van den dag; To take a — at = gluren naar; —-bo = kiekeboe! —-hole = kijkgaatje; —-o’-day boys = Iersche (Protest.) opstandelingen (1784); —-show = kijkkast; —er = pas geboren kuiken; loervogel (fig.); oog: Painted —ers = blauwe (geslagen) oogen; Single —er = éénoog; —ing Tom = loervogel.
Peer, pîə, gluren, kijken, te voorschijn komen.
Peer, pîə, subst. pair, gelijke; —age = pairschap, de hooge adel; adelboek; —ess = adellijke dame, vrouw van een peer; —less(ness) weergaloos(heid).
Peevish, pîviš, gemelijk, knorrig; subst. —ness.
Peewit, pîwit, kievit.
Peg, peg, subst. pen of pin, nagel, klemhoutje, schroef; tand, voet, bepaalde slag; cognac met spuitwater; — verb. met pinnen vastmaken of merken, afranselen (into), geducht werken of eten (away), met pennen uitzetten (out), uitknijpen (out), hard loopen: —s = broek van boven zeer wijd en van onderen erg nauw; He is a square (round) — in a round (square) hole = niet op zijne plaats; To come down a — or two = een toontje lager zingen; I’ll take (pull) him down a — or two = ik zal hem een toon of wat lager doen zingen; I have —ged two for you = twee voor u aangezet; He was —ging away at his translation = werkte hard aan; —-top = priktol; —-tops = broek, wijd van boven en nauw om de enkels.
Pegasus, pegəsɐs, Pegasus; Peggoty, pegəti; Pegram, pîgrəm; Peile, pîl; Peirce, pîəs, pɐ̂s; Pekin, pəkin; Pekin(g), pikin(g).
Pekoe, pekou, pîkou, Pecco-thee.
Pelagic, piladžik, zee...
Pelargonium, peləgounj’m, pelargonium.
Pelerine, pelərîn, pelərîn, pelerine.
Pelf, pelf, vuil; “duiten”: It was the — that got her a husband = zij kreeg een man om haar “moppen”.
Pelican, pelik’n, pelikaan; tang, haak; distilleerkolf.
Pelion, pîliən: To pile Ossa on — = zich bovenmenschelijk inspannen.
Pelisse, pəlîs, soort mantel, pelsmantel.
Pellet, pelət, balletje, propje, kogel(tje), grove hagelkorrel; — verb. met balletjes (hagelkorrels) schieten op.
Pellicle, pelik’l, huidje, vliesje.
Pellitory, pelitəri, glaskruid.
Pell-mell, pelmel, in groote verwarring, blindelings; subst. verwarring, handgemeen.
Pellucid, pəl(j)ûsid, helder; doorschijnend; subst. —ity, pel(j)usiditi = —ness.
Peloponnesian, peləpənîsiən; subst. Peloponnesus.
Pelt, pelt, gooien, werpen, kletterend neerkomen; subst. werpen enz.; vel, vacht, ruwe huid: To — along = voortjakkeren (snellen); —-monger = handelaar in huiden en vellen; —-wool = wol (van doode schapen); —er = hagel (fig.), plasregen; geweer, pistool, klein oorlogschip; —erer = handelaar in vellen; —ry = pelterij, huiden.
Pelvic, pelvik, bekken...; Pelvis, pelvis, bekken.
Pembroke, pembruk: — table = kleptafel.
Pem(m)ican, pemik’n, gedroogd gemalen en met vet tot koeken geperst vleesch: This booklet is historical — = droog maar degelijk.
Pen, pen, subst. schaapskooi, hok, perk; pen, veder, stijl; — verb. opsluiten, stuwen; schrijven, neerpennen: Slip of the — = schrijffout, vergissing; The last stories from her — = van hare hand; These —s have hard, soft nibs = dit zijn pennen met harde, zachte punten; I want this — mended = ik wou deze pen vermaakt hebben; To put the — through = de pen halen door; To set — to paper: —-case = pennenkoker; —-driver = pennelikker; —-fish = pijl-inktvisch; —holder = pennehouder: —knife = pennemes; —-man = schoonschrijver; —manship = schrijfkunst, manier van schrijven; —-name = pseudoniem; —wiper = pennenwisscher.
Penal, pîn’l, straf..., strafbaar: — code = wetboek van strafrecht; — colony = strafkolonie; — laws = strafwetten; — servitude = dwangarbeid; — settlement = strafkolonie; —ty, pen’lti, wettige straf of boete; extra gewicht op een renpaard; bij een handicap; — kick = strafschop; —ize = strafbaar stellen: Abstention of voting ought to be —ized = onthouding van stemming moest strafbaar gesteld worden; Penance, pen’ns, boetedoening, zoenstraf, boetekleed; ook verb.: To do —.
Penang, pinaŋ: —-lawyer (Zie Lawyer); —-nut = betelnoot.
Penarth, pînəth.
Penates, pəneitîz, Penaten of huisgoden.
Pence, pens, stuivers (als verzamelwoord): St. Peter’s — = Pieterspenning; Bad six— always turns up = onkruid vergaat niet.
Pencil, pensil, subst. penseel, potlood, bundel; — verb. schilderen, teekenen, met een potlood opschrijven: A — of rays = stralenbundel; —-case = potloodhouder; —-colo(u)rs = crayon; —-compass = —-pointer = potloodscherper of -punter.
Pendant, pend’nt, oorhanger, hanger, wimpel, pendant, luster.
Pendency, pend’nsi, het hangen, onzekerheid, aanhangig zijn; Pendent = hangend; vrij zwevend; — bridge.
Pendennis, pendenis.
Pending, pendiŋ, adj. hangende, onbeslist, prep. gedurende: — affairs = loopende zaken; He smiled, with life and death — = zwevende tusschen dood en leven; — the inquiry = gedurende het onderzoek.
Pendragon, pendrag’n, opperste veldheer bij de Oude Britten; —ship.
Pendulous, pendjulɐs, hangend, schommelend, trillend: He had a — excrescence on his nose = een slingerend uitwas; subst. —ness; Pendulum, pendjulɐm, slinger; —-clock.
Penelope, pəneləpî.
Penetrability, penətrəbiliti, subst. v. Penetrable, penətrəb’l, doordringbaar, ontvankelijk; subst. —ness; Penetralia, penətreiljə, binnenste van huis of tempel; geheimen; Penetrant = doordringend; Penetrate, penətreit, doordringen, doorgronden; Penetrating = doordringend, fijn onderscheidend, scherp; Penetration, penətreiš’n, het doordringen of doorgronden, doordringingsvermogen, scherpte, scherpzinnigheid; Penetrative, penətrətiv, doordringend: — effect (van een schot); subst. —ness.
Penguin, pengwin, Penguin, vetgans.
Peninsula, pəninsiulə, schiereiland; adj. —r: The — War = de oorlog in Spanje en Portugal tegen Napoleon I (1808–1814).
Penitence, penitens, berouw, boete; Penitent, boetvaardig, boete doende; subst. boetvaardige, boeteling; Penitential, penitenšl, subst. boeteboek (ten behoeve van biechtvaders); adj. berouwhebbend, boetvaardig: — Psalm = boetpsalm; Penitentiary, penitenšəri, boete..., boetvaardig; subst. verbeteringsgesticht; tuchthuis; penitentiaris (hoofd van het pauselijk college dat over dispensaties en vrijspraak beslist).
Pennant, pen’nt, vlaggetje, wimpel.
Pennate(d), penit(id), gevleugeld = Pennigerous.
Penniless, peniles, arm; subst. —ness.
Pennon, pen’n, wimpel, vaantje; wiek.
Pennsylvania, pensilveinjə; adj. en subst. —n.
Penny, peni, 1⁄12 van een shilling, stuiver, geld: A — saved is a — gained = een stuiver gespaard is een stuiver gewonnen; In for a —, in for a pound = komt men over den hond, dan komt men over den staart; A — at a time = zachtjes aan, geleidelijk; To make a — = geld verdienen; To turn an honest — = een eerlijk stuk brood verdienen; —-a-liner = loon-, broodschrijver; —-a-lining = broodschrijverij; Two— people = proleten; Two— half— godliness (picnic) — goedkoope; —-in-the-slot machine = automaat; —-gaff = tjingeltangel; — royal = polei; —-wedding = bruiloftsfeest, waar de gasten bijdragen tot de onkosten; —-weight = ± 1.55 gram; —-wise = krenterig: Their —-wise precautions = prullerige voorzorgsmaatregelen; To be —-wise and pound-foolish = de zuinigheid de wijsheid laten bedriegen; —worth, penəth, peniwɐ̂th, voor de waarde van een stuiver, iets ge- of verkochts, koop, kleinigheid: You have got there a poor —worth = ge hebt u daar leelijk in den nek laten zien.
Pensile, pens(a)il, hangend; subst. —ness.
Pension, penš’n, subst. pensioen, jaargeld, geld betaald in plaats van tienden; met Fr. uitspr. pension; — verb. pensionneeren; in pension zijn: Old Age —s Act = wet op ouderdomspensioen; Not for a — = voor geen geld ter wereld; To return home on a —; He was —ed off on another post = kreeg pensioen en werd in eene andere betrekking geplaatst; —able = gerechtigd tot (rechtgevend op) het verkrijgen van een pensioen; —ary, subst. gepensionneerde, pensionaris; adj. pensioen(s)...; pensioen trekkend: Grand —ary; —er = gepensionneerde, iemand die jaargeld geniet: Chelsea —er = invalide uit het Chelsea Hospital; Greenwich —er = invalide (matroos) uit het Hospital te Greenwich; Gentleman —er = een lid van het corps der Gentlemen-at-Arms, een oude paleis-eerewacht.
Pensive, pensiv, peinzend, somber, zwaarmoedig; subst. —ness.
Penstock, penstok, verlaat; hydrant.
Pent, pent, opgesloten; ook = —house.
Pentachord, pentəköd, vijfsnarige lier.
Pentacle, pentək’l, soort tooverzegel tegen heksen.
Pentadactyl(ous), pentədaktil(əs), met vijf vingers of teenen.
Pentagon, pentəgon, vijfhoek, fort met vijf bastions; —al, pentagən’l, vijfhoekig.
Pentagraph, pentəgraf, teekenaap.
Pentahedral, pentəhîdr’l, pentəhedr’l, met vijf gelijke zijden; Pentahedron, pentəhîdr’n, pentəhedr’n, regelmatige vijfhoek.
Pentameter, pentamətə, vijfvoetige versregel.
Pentarchy, pentəki, vijfmanschap.
Pentastich, pentəstik, vijfregelig gedicht.
Pentateuch, pentətjûk, vijf boeken van Moses.
Pentecost, pentəkost, pinkster(feest); —al, pentəkost’l, Pinkster...
Penthouse, penthaus, afdak; ook verb.
Penult, pînɐlt, pinɐlt, Penultimate, tweede lettergreep van achter.
Penumbra, pinɐmbrə, bijschaduw.
Penurious, pənjûriəs, vrekkig, gierig; schraal, karig, behoeftig; subst. —ness; Penury, penjuri, diepe armoede, volslagen gebrek.
Penzance, penzâns.
Peon, pîən, Indisch soldaat (bode, politieagent); Mexicaansche slaaf of arbeider; pion (schaaksp.); Peonage = Peonism = dienstbaarheid.
Peony, pîəni, pioen.
People, pîp’l, subst. natie, volk. geslacht, ras, menschen, bedienden; — verb. (zich) bevolken: The — = de groote hoop. gepeupel; The —s of antiquity = volkeren; My — = mijne familie; One’s own — = iemands bloedverwanten.
Pepin, pepin.
Pepper, pepə, subst. peper; — verb. peperen; bombardeeren, er op los schieten of ranselen (away): Ground — = gemalen peper; Whole (Round) —; — and salt = zwart en wit, gemengd-kleurig; I’ll give you — = ik zal het je inpeperen; —-box = peperbus, driftkop; —-caster = peperbus; revolver; —-cake = peperkoek; —-corn = peperkorrel; iets van zeer geringe waarde: —-corn rent = nominale pacht, waardoor een eigenlijke lease-hold feitelijk tot een freehold wordt; —-mill; —mint = pepermunt (—-drop, —-lozenge); —-wort = peperkruid; —er = driftkop; —y = gepeperd; scherp; driftig, heet gebakerd.
Pepsin(e), pepsin, pepsine.
Peptic, peptik, de spijsvertering bevorderend; middel ter bevordering der spijsvertering: —s = spijsverteringsorganen; Peptone, peptoun, pepton.
Pepys, peps, pips, pepis.
Per, pɐ̂, per, door: — advance = vooruit; — advice = volgens bericht; — annum = per jaar; — cent. = percent; As — margin = volgens aanteekening op den rand.
Peradventure, peradventšə, misschien, toevallig; subst. twijfel, onzekerheid.
Perambulate, pərambjuleit, door-, rondwandelen; Perambulation = doorwandeling, rondgang, inspectie, schouw; Perambulator = kinderwagen, melkwagentje.
Perceivable, Perceive, pəsîv, waarnemen, bemerken, inzien, onderscheiden.
Percentage, pəsentidž, percentage.
Percept, pɐ̂sept, waarneembaar iets, iets reëels: Snow is a —, the white of snow a concept = sneeuw is iets reëels, de witte kleur ervan bestaat niet op zichzelf, maar wordt er aan waargenomen; —ibility = waarneembaarheid; —ible, pəseptib’l waarneembaar (voor = to); —ion, pəsepš’n, waarneming, gewaarwording, begrip: Range of —ion = gezichtskring (fig.); —ive = vatbaar voor waarneming of gewaarwording: —ive faculty = —iveness = —ivity = waarnemings-, gewaarwordingsvermogen.
Perch, pɐ̂tš, subst. baars; stok, prik, hooge bok of zitplaats; maat van 5,029 M.; ook 1⁄160 acre; — verb. als een vogel zitten of gaan zitten, hoog zitten, zetten op: I am off to — = ik ga op stok (naar kooi); The bird was —ed there; I was —ed on the roof = zat; —er = vogel, die op takken pleegt te zitten; groote altaarkaars; —ing-stick = prik.
Perchance, pətšans, misschien, bijgeval.
Percipience, pəsipj’ns, Percipiency, gewaarwording, waarneming; Percipient, waarnemend, bespeurend; ook subst.
Percolate, pɐ̂kəleit, doorzijgen, filtreeren, zuiveren; subst. Percolation; Percolator = filter; filtreerkoffiekan.
Percuss, pəkɐs, stooten; percuteeren; Percussion, pəkɐš’n, schok, slag; percussie (Med.): —-cap = slaghoedje; —-lock = slot met slaghoedje; Percussive = schokkend, slaand, slag- -, schok- -.
Percy, pɐ̂si; Perdita, pɐ̂ditə.
Perdie, pɐ̂dî = par Dieu.
Perdition, pədiš’n, vernietiging, ondergang; verdoemenis: Go to — = loop naar den duivel.
Peregrinate, perəgrineit, zwerven, rondtrekken; Peregrination, perəgrineiš’n, rondzwerving, verblijf buitenslands; Peregrinator.
Peregrine, perəgrin.
Peregrine(-falcon), perəgrin(fôk’n), edelvalk.
Peremptoriness, perəm(p)tərinəs, subst. v. Peremptory, per’m(p)təri, volstrekt, beslissend, afdoende, meesterachtig, vasthoudend: His commands are — = dulden geene tegenspraak; To take a — pipe = nog een laatste pijpje stoppen.
Perennial, pərenj’l, subst. vaste, overblijvende plant; adj. een vol jaar durend; overblijvend, onafgebroken.
Perfect, pɐ̂fəkt, volmaakt, zuiver, zonder gebreken, rolvast; subst. Perfectum; — verb. pɐ̂fəkt, pəfekt, volmaken, voleindigen, volledig onderrichten: To be — in = goed kennen = To have a thing —; Practice makes — = al doende leert men; —er; Perfectibility = volmaakbaarheid; —ible, pəfektib’l, volmaakbaar; —ion, pəfekš’n, volmaaktheid, uitstekendheid: That approaches —ion = komt de volmaaktheid nabij; To bring to —ion; He performed to —ion = hij speelde uitstekend; —ionist = die op zedelijke volmaaktheid boogt, of zedelijke volmaaktheid bereikbaar acht; lid eener Amer. sekte; —ness = volmaaktheid, volkomenheid.
Perfervid, pəfɐ̂vid, gloedvol, vurig; subst. —ness.
Perfidious, pəfidjəs, verraderlijk, trouweloos, bedriegelijk; subst. —ness; Perfidy, pɐ̂fidi, trouweloosheid, trouwbreuk.
Perforate, pɐ̂fərit, adj. doorboord, geperforeerd; — verb. (pɐ̂fəreit) doorboren; Perforation = doorboring, gaatje; Perforator = perforeermachine, schedelboor.
Perforce, pəfös, met geweld, gedwongen.
Perform, pəföm, volvoeren, uitvoeren, volbrengen, vervullen, nakomen, spelen, opvoeren; —able = uitvoerbaar; —ance = uitvoering, vervulling, opvoering, verrichting, daad: No —ance to-day = heden geene uitvoering (voorstelling); Morning-—ance = morgenvoorstelling; Promises without —ances = onvervulde beloften; —er = uitvoerder, volbrenger, acteur, zanger, speler, gymnast, etc.: A good promiser but a bad —er.
Perfume, pɐ̂fjûm, pəfjûm, subst. geur, reukwerk; — verb. geuren, met geuren doortrekken: —-fountain = spuitje; —r, pəfjûmə, parfumeur; —ry, pəfjûməri, reukwerk(en), parfumerie.
Perfunctoriness, pəfɐŋktərinəs, subst. v. Perfunctory, pəfɐŋktəri, zorgeloos, oppervlakkig, nonchalant, slordig: He held — receptions = maakte niet veel werk van het houden van recepties.
Perfuse, pəfjûz, besprenkelen, overgieten, vervullen; subst. Perfusion, pəfjûž’n.
Perhaps, pəhaps, pəraps, misschien.
Peri, pîri, gevallen engel.
Perianth, perianth, bloembekleedselen.
Periapt, periapt, amulet, behoedmiddel.
Pericardiac, perikâdiək, Pericardial, Pericardian, Pericardic = tot het hartzakje behoorende; Pericarditis, perikâdaitis, ontsteking van het hartzakje; Pericardium = hartzakje.
Pericarp, perikâp, zaadhuisje.
Pericles, periklîz.
Pericranium, perikreinj’m, schedel; schedelhuid.
Peridot, peridot, chrysoliet (goudsteen).
Perigee, peridžî, perigeum.
Perihelion, perihîlj’n, perihelium.
Peril, peril, subst. gevaar, risico; — verb. in gevaar brengen, wagen: You do it at your own — = op eigen verantwoording en risico; He —led his happiness upon it = waagde zijn geluk er aan; —ous = gevaarlijk; subst. —ousness.
Period, pîriəd, periode, tijdkring, omloopstijd, grens, slot, zin, punt: Girl of the — = modern meisje; Poets of the — = dichters van onzen tijd; That put a — to our labours = maakte een einde aan = brought them to a —; —ic, pîriodik, periodiek, kring...; —ical, subst. tijdschrift; adj. periodiek; Periodicity = het periodiek zijn of terugkeeren.
Perioeci, periîsai, omwoners = Perioecians.
Peripatetic, peripətetik, rondwandelend, peripatetisch; subst. wandelaar; volgeling van Aristoteles; —ism = wijsbegeerte van A.
Periphery, pərifəri, omtrek, oppervlakte.
Periphrase, perifreiz, omschrijving; — verb. omschrijven; Periphrasis, pərifrəsis, omschrijving; Periphrastic(al) conjugation = omschrijvende vervoeging (gramm.).
Periscii, pərišiai, bewoners der Poolstreken.
Periscope, periskoup, soort objectief; reflector in een onderzeesch vaartuig.
Perish, periš, omkomen, sterven, vervallen, vergaan, doen omkomen; —able = vergankelijk, aan bederf onderhevig; ook subst. —ableness = vergankelijkheid, enz.; —er = drank, proleet.
Peristaltic, peristaltik, gekronkeld.
Peristyle, peristail, peristyl.
Peritoneum, peritənîəm, buikvlies; Peritonitis, peritənaitis, buikvliesontsteking.
Periwig, periwig, pruik; ook verb.; —-maker.
Periwinkle, periwiŋk’l, alikruik; maagdepalm.
Perjure, pɐ̂d[szə], een valschen eed doen: He —d himself = was meineedig; You are —d = gij hebt een meineed gedaan; —r = meineedige; Perjurious = meineedig; Perjury, pɐ̂džəri, meineed, meineedigheid, eedschennis: Subornation of — = omkoopen (of overhalen) der getuigen om een valschen eed te doen.
Perk, pɐ̂k, mooi, net, verwaand, brutaal; — verb. den neus in den wind steken, zich uitrekken, uitsteken, mooi maken: She —ed up her cap = maakte zich mooi om te behagen; Perkiness = brutaliteit; —y = Perk.
Perkin, pɐ̂kin, lichte ciderwijn.
Perlustration, pɐ̂lɐstreiš’n, bezichtiging, monstering.
Permanence, pɐ̂mənens, duurzaamheid, bestendigheid; Permanent, pɐ̂mənent, duurzaam, bestendig: — colours = vaste kleuren; The — way was broken up = viaduct (Amer.).
Permeability, pɐ̂miəbiliti, subst. v. Permeable, pɐ̂miəb’l, doordringbaar; Permeate, pɐ̂mieit, doordringen, indringen; subst. Permeation.
Permissible, pəmisib’l, toelaatbaar; Permission, pəmiš’n, vergunning, verlof: By (with) your — = met uw verlof; Permissive = toestaand, veroorloovend: — Bill = wetsontwerp, waarbij twee derden van de belastingschuldigen eener gemeente het vergunningsrecht binnen haar grondgebied kunnen weigeren.
Permit, pɐ̂mit, verlof, vergunning, toegangsbewijs; geleibiljet, consent (voor uitvoer) ter terugverkrijging v. d. accijns.
Permit, pəmit, veroorloven, toelaten: I may be —ted to say = het zij mij vergund te zeggen; The medical man would not — of any noise in the sickroom = wilde niet hebben.
Permutable, pəmjûtəb’l, verwisselbaar; subst. —ness; Permutation, pɐ̂mjuteiš’n, verwisseling, omzetting, permutatie: —-lock = letterslot.
Pernambuco, pernambûkou.
Pernicious, pənišəs, schadelijk, verderfelijk; subst. —ness.
Pernickety, pənikəti, peuterig.
Perorate, perəreit, zijne redevoering eindigen; doordraven; subst. Peroration.
Peroxide, pəroks(a)id, peroxyde; Peroxidize, pəroksidaiz, tot den hoogsten graad oxideeren.
Perpendicular, pɐ̂p’ndikjulə, loodrecht, steil, rechtop, staande; subst. loodlijn, enz., staande boterham: To erect, To let fall a — = eene loodlijn oprichten, neerlaten; Out of the — = uit het lood; To preserve one’s —; —ity, pɐ̂p’ndikjulariti, loodrechte stand.
Perpetrate, pɐ̂pitreit, bedrijven, uithalen: He —d a bad (huge) joke; subst. Perpetration; Perpetrator = bedrijver, schuldige.
Perpetual, pəpetjuəl, eeuwigdurend, levenslang, vast: — imprisonment; — motion = perpetuum mobile; — screw = schroef zonder eind; Perpetuate, pəpetjueit, laten voortbestaan, vereeuwigen; subst. Perpetuation; Perpetuity, pɐ̂pətjûiti, eeuwigheid, eeuwige duur, levenslang bezit, levenslange rente: For (In, To) — = in eeuwigheid.
Perplex, pəpleks, verwarren, verlegen maken, bemoeielijken; adj. —ed; subst. —edness = —ity = verlegenheid, verwarring, moeielijkheid.
Perquisite, pɐ̂kwizit, fooi, emolument, bijkomende voordeelen: The nurse takes her evenings and Sundays, which is her lawful — and due = waarop ze wettig recht heeft.
Perroquet, perəket = Parakeet.
Perry, peri, perewijn.
Persecute, pɐ̂sikjût, vervolgen, lastig vallen; subst. Persecution: — of Christians; Persecutor, p1ɐ̂sikjutə, Persecutrix.
Perseus, pɐ̂siûz, Perseus.
Perseverance, pɐ̂səvîrəns, subst. v. Persevere, pɐ̂səvîə, volharden.
Persia, pɐ̂šə, Perzië; —n, subst. en adj. Pers, Perzisch(e taal); soort v. dunne zijde: —n blinds = persiennes, soort zonneblind; —n cat = cypersche kat; —n powder = insectenpoeder; —n wheel = rad met aangehechte emmers om water te putten.
Persico, pɐ̂sikou, persico.
Persimmon, pəsim’n, dadelpruim.
Persist, pəsist, krachtig volharden, volhouden: He —ed with that subject = hield zich hardnekkig aan; —ence, —ency = groote volharding, koppigheid; —ent = volhardend, hardnekkig, herhaald, niet afvallend (v. bladeren).
Person, pɐ̂s’n, persoon, persoonlijkheid, iemand, vrouwspersoon, meisje: Artificial — = zedelijk lichaam; For our —s = wat ons aangaat; He came in — = in eigen persoon; There is no respect of —s with God = God kent geen aanzien des persoons: Without respect of —s = zonder aanzien des persoons; —able = flink, knap van uiterlijk; —age, pɐ̂sənidž, gewichtig of voornaam persoon; persoon (theater): Though a head-waiter, he is a —age = een heel heer; —al, persoonlijk; subst. roerend goed: —al estate = roerend goed; —ality = persoonlijkheid; —ization = verpersoonlijking; —alize = verpersoonlijken; —alty: The new duty will be charged on both realty and —alty = zoowel van vast als van roerend goed; —ate, pɐ̂səneit, voorstellen, de rol spelen van, in eens anders plaats optreden, zich uitgeven voor: There are no actresses, women being always —ated = vrouwenrollen worden altijd door jongens of mannen vervuld; False —ation = het optreden in eens anders plaats met bedriegelijke oogmerken; —ator, pɐ̂s’neitə, iemand die in eens anders rol of plaats optreedt; —ification, subst. v. —ify, pəsonifai, verpersoonlijken.
Perspective, pəspektiv, pɐ̂spektiv, perspectivisch; subst. verschiet, perspectief, perspectivische voorstelling; verrekijker.
Perspicacious, pɐ̂spikeišəs, schrander, scherpziend; subst. —ness = Perspicacity, pɐ̂spikasiti, helderheid, duidelijkheid, doorzichtigheid; Perspicuity = duidelijkheid; Perspicuous, pəspikjuəs, duidelijk; subst. —ness.
Perspirability, pəspairəbiliti, subst. v. Perspirable, pəspairəb’l, wat uitgewasemd kan worden; Perspiration, pɐ̂spireiš’n, uitwaseming, zweet; Perspirative = uitwasemend; Perspiratory, uitwaseming bevorderend, zweet - -; Perspire = uitwasemen, zweeten.
Persuadable, pəsweidəb’l, (licht) te overreden; Persuade, pəsweid, overreden, bepraten, brengen tot: I am —d that I am lost = ik ben zeker; He could — himself of almost everything = zich haast alles wijsmaken; —r = overreder, zweepslag; Persuasibility, pəsweisibiliti, pəsweizibiliti, overreedbaarheid; Persuasible, pəsweisib’l, pəsweizib’l, overreedbaar; subst. —ness; Persuasion, pəsweiž’n, overreding(skracht), geloof, vaste overtuiging; Persuasive, pəsweisiv, subst. beweeggrond, beweegreden; adj. overredend; subst. —ness.
Pert, pɐ̂t, brutaal, vrijpostig; gezond, monter (Amer.); subst. —ness.
Pertain, pətein, behooren, betrekking hebben: “Social” is a word, —ing to society = in verband staande met.
Pertinacious, pɐ̂tineišəs, hardnekkig, eigenzinnig, vastbesloten; subst. Pertinacity, pɐ̂tinasiti.
Pertinence, pɐ̂tin’ns, gepastheid, geschiktheid, voegzaamheid; Pertinent = voegzaam, passend bij: That is not — to the matter under discussion = heeft niets te maken.
Perturb, pətɐ̂b, verstoren, verwarren, verontrusten; subst. —ation; Perturbative, Perturbative = storend; —er.
Pertussis, pətɐsis, kinkhoest.
Peru, pərû, Peru.
Peruvian, pərûvj’n, subst. en adj. Peruviaan(sch): — bark = kinabast.
Peruke, pərûk, pruik.
Perusal, pərûz’l, nauwkeurige kennisneming of lezing; Peruse, pərûz, nauwkeurig doorlezen of nagaan; —r.
Pervade, pəveid, doordringen, zich uitstrekken tot: His all pervading goodness = zijne zich tot alles uitstrekkende goedheid; subst. Pervasion; adj. Pervasive.
Perverse, pəvɐ̂s, verkeerd, slecht, verdorven, onhandelbaar, afschuwelijk, pervers; spiegelbeeld; subst. —ness = Perversity; Perversion, pəvɐ̂š’n, verdraaiing, afwijking, halsstarrigheid; spiegelbeeld; Perversive = verderfelijk.
Pervert, pɐ̂vət, afvallige, goddelooze.
Pervert, pəvɐ̂t, verdraaien, in ’t verderf storten, verleiden; slecht worden, afvallig worden: It all came from love —ed = uit verdwaalde, in verkeerde richting geleide liefde; —er; —ible = (licht) te verdraaien of te bederven.
Pervious, pɐ̂vjəs, doordringbaar, toegankelijk: — to the eye = zichtbaar; subst. —ness.
Pesade, pəzeid, pəseid, steigeren.
Peshawar, Peschawur, pəšauə.
Pesky, peski, verduiveld; bovenmate (Am.).
Pessimism, pesimizm, pessimisme; Pessimist, subst. pessimist; adj. pessimistisch = Pessimistic.
Pest, pest, plaag, onkruid; pest(ilentie): He’s a regular —; —-house = pesthuis, lazaret; —er = kwellen, lastig vallen; —erer = kwelgeest, plager; —iferous, pestifərɐs = verpestend, besmettelijk, schadelijk, pest - -; —ilence = pest; besmetting; —ilent = verpestend, schadelijk; lastig; —ilential, pestilenš’l = —iferous.
Pestle, pes’l, subst. stamper; — verb. stampen.
Pet, pet, subst. lievelingsdier, lieveling, snoes; aanval van booze luim of gemelijkheid; adj. lievelings - -, geliefd, vertroeteld; — verb. vertroetelen; uit zijn humeur zijn: Of course Maggie is the — = lieveling; He invariably got in a — at that juncture = werd altijd boos op dat moment; —-name = lievelingsnaam; —sie-tootsie-wootsie = lief diertje.
Petal, pet’l, bloemblad; —ine, petəl(a)in, bloembladvormig; —led = met bloembladen; —oid = bloembladachtig.
Petar(d), pətâ(d), springbus: He was hoist(ed) with his own — = viel in den kuil dien hij voor anderen had gedolven.
Peter, pîtə, subst. Petrus; patrijs, geldkist; cel; valies; — verb. ophouden; uitputten: — Grievous = kniesoor; His claim —ed out and came to nothing = verviel langzamerhand tot er niets overbleef; —-boat = soort visschersboot; —man = vroeger visscher (op de Theems); —-pence, —’s-pence = St. Pieterspenning(en).
Peterborough, pîtəbərə; Peterhead, pîtəhed.
Petiole, petioul, bladstengel.
Petit, Fr. uitspr. (Zie Petty).
Petition, pitiš’n, subst. verzoek, smeekschrift, petitie; — verb. petitionneeren, smeeken: Right of — = recht van petitie; To make (send in, up, put up) a — = een verzoekschrift indienen; — against a return = protest tegen een verkiezing; —ary = smeekend, een verzoek bevattend: —ary letter = verzoekschrift; —er = smeeker, requestrant.
Petrarca, pətrâkə; Petrarch, pîtrâk.
Petrel, petr’l: Stormy — = stormzwaluw.
Petrifaction, petrifakš’n, versteening; Petrify, petrifai, versteenen, verharden.
Petrol, petrəl, pətroul, petroleum (voor automobielen); Petroleum, pitroulj’m, petroleum: Refined —, Raw —; The incandescent —-burner = petroleum gloeilichtbrander; — lamp.
Petruchio, pətrûtšou, pətrûkiou.
Pettichaps, petišaps, tuinfluiter.
Petticoat, petikout, (onder)rok; vrouw: While he was in —s = nog geen broek aan had (kind); —-affair = amourette; —-government = vrouwenregeering; —-ridden = onder de pantoffel.
Pettifog, petifog, beunhazen; —ger = beunhaas; —gery = beunhazerij.
Pettiness, petinəs, kleinheid, nietigheid, onbeduidendheid.
Pettish, petiš, verdrietig, nukkig, humeurig; subst. —ness.
Pettitoes, petitouz, varkenspootjes.
Petto, petou: To keep in — = in reserve houden, reserveeren.
Petty, peti, klein, gering, onbeteekenend; —-beg office = een (opgeheven) bureau aan het vroegere High Court of Chancery; — jury = de jury (12 leden) waarnaar de zaak verwezen wordt als de Grand Jury rechtsingang verleent; — larceny = gauwdieverij; — officer = onderofficier bij de marine; — sessions, zittingen van den Justice of the Peace, een soort politierechter (geen jurist).
Petulance, petjul’ns, Petulancy, petjul’nsi, subst. v. Petulant, petjul’nt, lastig (van humeur), gemelijk, verdrietig.
Petunia, pətjûniə, petunia.
Peveril, pevəril.
Pew, pjû, subst. kerkbank; — verb. van pews voorzien; —-holder = bezitter van een pew; —-opener = banksluiter.
Pewit, pîwit, pjûit, kievit.
Pewter, pjûtə, subst. mengsel van tin en lood, antimonium; tinnen kan, tinnen (keuken)gereedschap; beker, zilver, geld; adj. tinnen; —er = tinnegieter; —y = op tin gelijkend.
Phaeton, feiət’n, Phaeton, naam van een rijtuigje en van een vogel; voerman.
Phalange, fal’nž, fəlanž. Zie Phalanx.
Phalanger, fəlanžə, soort buidelrat, die op boomen leeft (Australië).
Phalanstery, falənstəri, gemeenschappelijk woonhuis (volgens het stelsel Fourier).
Phalanx, fal’ŋks, feil’ŋks, slagorde bij de Macedoniërs; beentje van vingers en teenen, bundel meeldraden (in de 2 laatste beteekenissen is het meerv. meest Phalanges).
Phantasm, fantəzm, hersenschim, gezichtsbedrog, geestverschijning; —agoria, fantazməgôriə, droombeeld, optisch tooverapparaat; de beelden daarmede voortgebracht; eene voorstelling daarmede = Phantasmagory; adj. Phantasmal; Phantasy = Fantasy.
Phantom, fant’m, spooksel, droombeeld: — ship = (de) Vliegende Hollander.
Pharaoh, fêrou; adj. Pharaonic.
Phare, fêə, vuurtoren.
Pharisaic(al), farisei-ik(’l), schijnheilig; Pharisaism, fariseiizm, schijnheiligheid, leer der Pharizeeërs; Pharisee, farisî, Farizeeër, schijnheilige.
Pharmaceutic(al), fâməsiûtik(’l), artsenijkundig; Pharmaceutics, fâməsiûtiks, artsenijbereidkunde; Pharmacist, fâməsist, pharmaceut; Pharmacology, fâməkolədži, artsenijleer, artsenijbereidkunst of verhandeling daarover; Pharmacopoeia, fâməkəpîə, pharmacopoea; Pharmacy, fâməsi, artsenijbereidkunde, apotheek, drogistwinkel.
Pharos, fêros, Pharos; vuurtoren.
Pharyngeal, fərinžiəl, behoorende tot de Pharynx, fariŋks = keelholte.
Phase, feiz, Phasis, feisis (Meerv. Phases, feisîz), voorkomen, aanzien, toestand, phase, stadium.
Pheasant, fez’nt, fazant: Common (Golden, Silver) —; —ry = fazantentuin.
Phebe, fîbi; Phenix, fîniks. Zie Phoenix.
Phenol, fîno(u)l, carbolzuur, phenol.
Phenomenal, finomən’l, buitengewoon; Phenomenon, finomənon (Meerv. Phenomena, finomənə), (buitengewoon) verschijnsel; wonderkind (= Infant —).
Pheon, fîon, pijlspits (Herald.).
Phew, fjû, (p)oef! foef! Foei! Oho!
Phial, faiəl, subst. fleschje; — verb. in een fleschje doen of bewaren: Leyden —; Philosophical — = Bologneezerflesch.
Phidias, fidias, faidias; Philadelphia, filədelfjə: —n = Philadelphisch; bewoner van Ph.
Philaloo, filəlû, gewauwel.
Philander, filandə, den sentimenteelen minnaar spelen met (with, after).
Philanthropic, filənthropik, menschlievend; Philanthropist = menschenvriend; Philanthropy = menschenliefde.
Philatelic, filətelik: — Society = vereeniging van postzegelverzamelaars; Philatelist, filatilist, postzegelverzamelaar.
Philemon, failîmon.
Philharmonic, filhâmonik, muzieklievend, philharmonisch concert.
Philhellene, filhelîn, filhelin, vriend der Grieken; adj. Philhellenic of Philhellenic; Philhellenist of Philhellenist = Philhellene.