← Engelsch woordenboek. Eerste deel: Engelsch-Nederlandsch

Engelsch woordenboek. Eerste deel: Engelsch-Nederlandsch (part 6 of 7)

Part 6 of 7 · Bruggencate, K. ten (Karel) · Public domain text

About this edition

Source: Project Gutenberg e-text #64450, public domain in the United States · text not rewritten or summarized · How RedLectern is built

 

Contents (7)

Continue:

Engelsch woordenboek. Eerste deel: Engelsch-Nederlandsch (part 6 of 7)

Shibboleth, šibəleth, wachtwoord, kenmerk, etc. eener partij.

Shield, šîld, subst. schild, scherm, schut, beukelaar; — verb. beschermen: God — you from your enemies = bescherme u voor; —less = onbeschut; subst. —lessness.

Shieling, šîliŋ, hut in de Hooglanden.

Shift, šift, subst. verandering, vervanging, verwisseling, schoft, (vrouwen)hemd, list, uitvlucht, hulpmiddel; — verb. verschuiven, overbrengen, omleggen, overgieten, verwisselen (v. kleeren), verhuizen: That’s my only and last — = redmiddel; He made — to get there in time = legde het zóó aan; He made — to live = hij redde zich, sloeg er zich door; This is only a make— = behelp, behulp; Within a week we had —ed, bag and baggage = waren we met pak en zak over; You are always —ing about = ge weet niet wat ge wilt; He was —ing about on his chair = bewoog zich zenuwachtig heen en weer; You must — for yourself = uzelf redden; I have —ed it off = de zaak uitgesteld; You — off my arguments = ge ontduikt; The wind —ed to the east = draaide naar; To — one’s berth = van ligplaats veranderen; To — the helm = omleggen; The scene was —ed = werd veranderd; We —ed our shirts = deden een ander hemd aan; —er = rangeermachine, slimmerd; —iness, subst. v. —y; —ing sand = drijfzand; —less = onbeholpen; subst. —lessness; —y = veranderlijk, slim, loos.

Shikar, šikâ, jacht; Shikaree, šikârî, jager, sportsman (Brit. Ind.).

Shillalah, šileila, Shillela(g)h, šəlîlag, šəlîla, dikke eiken stok of knots (Ierland).

Shilling, šiliŋ, Eng. munt (= ƒ 0,60): To take the King’s (Queen’s) — = dienst nemen; —-dreadful, —-shocker = sensatieroman (van één shilling).

Shilly-shally, šilišali, subst. besluiteloosheid, aarzeling; adj. besluiteloos; — verb. aarzelen = To be at —.

Shimmer, šimə, subst. schemering, schittering; — verb. schemeren, gloren: The snow lay —ing brightly in the wintry sun = helder te glanzen.

Shin, šin, subst. scheen(been); — verb. rondloopen om geld los te krijgen (= — about); klimmen (= — up): A — of beef = lendestuk; —-bone = scheenbeen; —-plaster = beenpleister, papiergeld (vooral beneden een dollar, Amer.).

Shindy, šindi, standje, herrie; voorliefde (Amer.): Eat your words or there will be a — = of we krijgen ruzie; To kick up a — = herrie maken.

Shine, šain, subst. zonneschijn, glans; standje, ruzie; — verb. schijnen, schitteren, blinken, krachtig uitkomen (out); glimmend maken: You were true to me through good and evil, storm and —, in — or rain = onder alle omstandigheden des levens; Have a —, Sir? = poetsen, Mijnheer? To take the — off = den glans der nieuwheid ontnemen; He took the — out of him = stelde hem in de schaduw; The busy bee improves each shining hour = gebruikt den dagtijd goed; It shone forth in all its glory = schitterde; —r = goudstuk, schoenpoetser.

Shingle, šiŋg’l, subst. dakspaan, keisteentjes, klein uithangbord (Amer.); — verb. met dakspanen dekken, kort afscheren (—s = gordelroos): To hang out one’s — = een zaak openen; —-beach = strand met keisteentjes.

Shininess, šaininəs, glans; Shining, šainiŋ, glimmend, uitstekend.

Shinny, šini = Shinty, šinti, soort v. kolfspel, kolfstok; — verb. kolven.

Ship, šip, subst. schip; — verb. inschepen, aan boord nemen; verschepen, verzenden, monsteren, innemen, over krijgen: His — has come home = zijn schip met geld is aangekomen; — of the desert = de kameel; — of the line = linieschip; —’s company = bemanning; To burn one’s —s (fig.); To take — = zich inschepen; To — off = verschepen, verzenden; To — the oars = innemen; To — a sea = een stortzee over krijgen; —-biscuit; —-board: To be (To go) on —-board = aan boord zijn (gaan); —-breaker = slooper; —-broker = cargadoor; —-builder = scheepsbouwmeester: —-builder’s yard = werf; —-canal; —-carpenter = scheepstimmerman; —-chandler = handelaar in scheepsbenoodigdheden; —-chandlery; —-load = vracht (ook fig.); —mate = scheepskameraad; —-meter = scheepsmeter; —-money = belasting vroeger in Eng. geheven op havensteden en aan de zee grenzende graafschappen ten behoeve van de landsverdediging; —-owner = reeder; —-shape = netjes, behoorlijk in orde: To put —-shape; —’s-husband = walkapitein; —’s-roll = monsterrol; —-timber = spant; —wreck = schipbreuk; — verb. schipbreuk lijden, te gronde richten: We were —wrecked; —wright = scheepsbouwmeester (-timmerman); —yard = werf; —ment = verscheping, lading; Shipped: — weight = aan boord genomen vracht; Shipper = inscheper, verscheper, exporteur; Shipping, subst. alle schepen te zamen, scheepsmacht, vloot, tonnenmaat; adj. scheeps...: They took — = gingen scheep; —-agent = scheepsbevrachter; —-articles = monsterrol.

Shire, šaiə (in samenst.: šə, als Wiltshire, wiltšə), graafschap; —-mote = vroegere graafschapsrechtb. bestaande uit: Sheriff, Bishop en Ealdorman.

Shirk, šɐ̂k, vermijden, op slinksche wijze ontduiken, zich onttrekken aan, spijbelen: He never —ed his work; subst. —er.

Shirr, šɐ̂, ingeweven elastiek: —ed garters = elastieken kousebanden.

Shirt, šɐ̂t, subst. hemd; — verb. een hemd aandoen, bedekken, bekleeden: — of mail = maliënkolder; He has not a — to (put on) his back = hij is zoo arm als Job; To take one’s — off = uittrekken; —-bosom (= —-front); —-button; —-collar; —-cuff; —-pin = borstspeld; —-sleeve: In one’s —-sleeves; —-stud; Shirting = katoen voor hemden.

Shive, šaiv, schijfje, sneetje.

Shiver, šivə, subst. brok, schaard, schilfer, leirots, rilling; — verb. verbrijzelen, beven, rillen, sidderen, huiveren: The glass fell in —s = in gruzelementen; To put the —s on a person = doen rillen; To send a — through = doen huiveren; —ing; —y = broos, trillend.

Shoal, šoul, subst. groote troep, school, menigte; zandbank, ondiepte; adj. ondiep; — verb. wemelen, samenscholen, ondieper worden; —iness, subst. v. —y = vol ondiepten.

Shoat, šout, speenvarken; luilak (Amer.).

Shock, šok, subst. schok, botsing, hevige aanval, beroerte, hoop graanschoven, dikke haarbos, ruigharige hond; — verb. stooten, botsen, aanstoot geven, kwetsen; adj. ruigharig: A — of earthquake was felt; —s of yellow hair; To be —ed at = getroffen, gekwetst, geërgerd zijn over; —-headed = met een dikken bos haar; —er = wie of wat schokt; een draak v. een roman; —ing = aanstootelijk, stuitend, ijselijk, omgehoord; —ist = schrijver van sensatieromans.

Shod, šod, beslagen, imp. en p.p. van to shoe.

Shoddy, šodi, subst. kunstwol, prullegoed, parvenu; adj. prullerig, leelijk, dom aanmatigend, parvenuachtig: He tried to establish the worship of the god of — = den eeredienst voor de godheid van prulwerk en oppervlakkigheid; New and — people = parvenus; They were deemed the very shoddiest of — = tot zeer parvenuachtige families te behooren; —ism = domme aanmatiging; parvenus; The world seemed to him to go —wards = minder degelijk te worden.

Shodkin, šodkin, huwelijksmakelaar (bij de Joden).

Shoe, šû, subst. schoen, hoefijzer, ijzeren beslag; — verb. beslaan, eene biljartqueue van een pomerans voorzien, schoeien: That is quite another pair of —s = andere thee (fig.); I wish I were in your —s = dat ik in uwe schoenen stond; To die in one’s —s = gehangen worden; To shake in one’s —s = bibberen van angst; She stepped into my —s = nam mijn plaats in; A pair of wooden —s = klompen; —black = schoenpoetser; —-blacking = schoensmeer; —-brush = schoenborstel; —-buckle = schoengesp; —-butt = zoolleer; —-factory; —-horn = schoenhoorn; —-lace = schoenveter; —-latchet = riem; —-leather = schoenleder: To save —-leather = zich een gang besparen; —maker = schoenmaker; —-string; —-tacks = schoenspijkers; —-thread = pikdraad; —-vamp = bovenleer; —ing: —ing-horn = schoenentrekker, hulpmiddel, tusschenpersoon; —less: —less and stockingless children = zonder schoenen of kousen, doodarm; —r = hoefsmid.

Shone, šon, imperf. en part. perf. van to shine.

Shoo, šû, ksh!

Shook, šuk, imperf. van to shake.

Shook, šuk, duigen, duighout.

Shoot, šut, subst. schot, schietwedstrijd, jachtpartij, vuilnisplaats, jonge tak of scheut, spruitje of knop; slede, glijplank, houten glijbaan, stroomversnelling; — verb. schieten, jagen, snel bewegen door, uitbotten, uitspruiten, steken, afvuren, doodschieten, treffen, afjagen, voorschuiven, leegstorten: To — the bolt = den grendel schuiven voor; We shot the bridge = voeren snel onder de brug door; He has shot the moon = is met de noorderzon vertrokken; Don’t — rubbish or soil here = hier geen puin of afval neer te werpen; Rubbish shot here = plaats voor puin, etc.; The light boat shot the water = vloog over; He shot ahead of us = schoot ons voorbij, kwam ons voor; To — flying = in de vlucht; He shot at everything within range = schoot op alles wat onder zijn bereik kwam; Let them — out the lip at me, if they like = de lip verachtelijk tegen mij uitsteken; They were all shot out (of the boat) into the water = in het water geslingerd; They shot out the tongue at this = staken de tong er voor uit; To — over dogs = met honden jagen; He —s a mass of raw materials upon us in these bulky volumes = hij overstelpt ons met; —er = schieter, schutter, vuurwapen: A six-—er = zesloopsrevolver; —esses = jageressen; Shooting = jagen, schieten, het afschieten, het pijnlijk door de leden schieten, jachtterrein: To go out — = uit jagen gaan; —-box = jachthuis; —-gallery = schiettent, jachthuisje; —-iron = jachtgeweer, revolver (Amer.); —-jacket = jachtvest; —-license = akte; —-match = wedstrijd; —-range = schietterrein; —-season; —-seat = jachthuis; —-star = vallende ster.

Shop, šop, subst. winkel, werkplaats; — verb. inkoopen doen, winkelen: No — in company (Cut the —) = niet over het vak praten; Wine-from-the-wood — = bodega; To keep (a) —; To open a —; We shut up — at 8 = sluiten om 8 uur; He has shut up — = heeft zich uit de zaken teruggetrokken; That smells of the — = ruikt naar het vak; To sink the — = niet over het vak praten; He talks the most unlimited — = heeft het eeuwig en altijd over zijn vak; We have been —ping = wij hebben gewinkeld; —-assistant = winkelbediende; —-bill = prijscourant; —-board = werkbank, toonbank; —-book = winkelboek; —-girl; —keeper = winkelier, winkelknecht (fig.); —-lifter = ladelichter; —man = kleinhandelaar, winkelknecht; —-soiled = verkleurd of gevlekt in de étalage; —-walker = winkelchef; —-worn = verlegen; Shopocracy, špokrəsi, rijke winkelmenschen.

Shore, sö, subst. kust, oever, strand, schraag, stut; — verb. aan den wal (in zekerheid) brengen, schragen, schoren, stutten: They went on — = aan wal; To stand in, off — = in, uit den wal liggen (scheepsterm); — it up = stut het; —-battery = strandbatterij; —-ice = pakijs; —less = zonder oever of kust, onbegrensd.

Shorling, šöliŋ, vacht van een levend geschoren schaap, pas geschoren schaap.

Shorn, šön, p.p. van to shear: God tempers the wind to the — lamb = geeft kracht naar kruis.

Short, šöt, subst. korte inhoud, kort begrip, tekort; adj. kort, beperkt, beneden peil, schraal, gebrekkig, onverdund, kortaf, driftig, broos: The long and the — of it is = de hoofdzaak is, om kort te gaan; —s = mengsel van zemelen en meel; korte broek; The baby was put into —s (= short clothes) = kwam uit de lange kleeren; To be — at the sleeves; Called for — = kortweg; He is a fool in — = kortom hij is gek; To be — with = kortaf, bits; To be two shillings — = te kort komen, te weinig ontvangen hebben; The time was very — now = de tijd begon aan te loopen; He is — of sight = bijziende, kortzichtig (fig.); I am — of money just now = slecht bij kas; — of heaven, he could lead his men anywhere = behalve naar den hemel; It fell — of my expectations = beantwoordde niet aan; Nothing — of having my tooth extracted could rid me of that toothache = niets minder dan; This deed is little — of heroic = komt nabij; The translation is — of the original = blijft beneden; A few minutes — of twelve = vóór 12; I am rather — of hands = kom te kort; Let it be — = maak het kort; He cut me — = viel mij in de rede; We have gone — frequently to save up for a dinner = vaak “krom gelegen”; To make — of a long story (= To make a long story —) om kort te gaan; To run — = opraken; To sell — = à la baisse speculeeren; To stop — = plotseling stilhouden, blijven staan, ophouden; To turn — = zich plotseling omkeeren; — allowance = schrale kost: To put on — allowance = op klein rantsoen stellen; — cut = binnenpad, kortere weg; At the time I wore — petticoats = toen ik nog korte rokken aan had; — rib = korte rib; To give — shrift = korte metten maken met; To put on — work = de werkuren inkorten; To make — work of = korte metten maken met; —-bread (—-cake) = broos gebakje; —-breathed, šötbretht, kortademig; —-circuit = kortsluiting; The little one was —-coated = kwam uit de lange kleeren; His —comings are many = tekortkomingen; —-commons = schraal maal; —-dated = van korten duur, op korten termijn; —hand = kortschrift: To take down in —hand = stenographisch opnemen; We are rather —handed for gentlemen = hebben eigenlijk geen heeren genoeg; —horn = beroemd (Durham) veeras (met korte horens); —-lived, —laivd: Ours is a —-lived family = wij worden geen van allen oud; —-sight(edness) = bijziendheid; —-sighted = bijziende, kortzichtig; —-tempered = kort aangebonden (= — of temper); —-waisted = kortlijvig; —-winded = kortademig; —-witted = met weinig oordeel; Shortage = tekort: There was a — of teachers; Shorten = verkorten, verminderen, samentrekken, afsnijden, zacht maken: They —ed sail = minderden zeil; —ed of his prey = beroofd van; —er = wie of wat verkort, enz.; Shortly = (in het) kort, binnenkort: He wrote — = schreef een klein briefje; — before the war; Shortness = kortheid: — of breath; — of memory.

Shot, šot, subst. schot, kogel, schroot, hagel, bereik (van kogel of geweer), schutter; gelag, rekening; adj. changeant, met een weerschijn; — verb. laden (ook imperf. en p.p. van to shoot): Blank — = met los kruit; — with ball = met scherp; — of distress = noodschot; To be received by a volley of — = een hagelbui van kogels; He is not worth powder and — = hij is geen schot kruit waard; As long as there is a — in the locker = nog een kogel in ’t geweer, nog geld in de beurs is; The — came home, fell aboard = was raak; He is a crack, a dead, an excellent, a splendid — = wat hij onder schot krijgt is “er bij”; One of the best —s of the day; To fire random (wild) —s = in ’t wilde schieten; Let me have a — at it = laat mij ’t eens probeeren; He made a — at a French word for “intended” = sloeg een slag naar; I have got to pay the — = ik moet betalen; The photographer took two —s at my face = nam me tweemaal; To be (get) — of = kwijt zijn, raken; He was off like a — = vloog weg; I gave up my promise like a — = dadelijk; Mistaken am I? Not by a long — = volstrekt niet; He is out of (within) — = hij is buiten (onder) schot; — silk = zijde met een weerschijn; —-bag = schrootzak; —-belt = lange lederen riem voor hagel als gordel gedragen; He came off —-free = zonder kleerscheuren; —-gauge = kogelmal; —-gun = gladloops jachtgeweer; —-hole = kogelgat; —-pile = kogelstapel; —-prop = houten prop om een —-hole te stoppen; —-tower = hageltoren; A heavy —ted gun = met kogel van zwaar kaliber geladen kanon; —ted chain = ketting met kogel (voor galeiboeven); The article is too heavily —ted for the ordinary reader = al te zwaar, geleerd; —ten = de kuit geschoten hebbende; ontwricht; gestremd.

Shough, šok, ruige hond.

Should, šud, imperf. van shall: Tell him so if he — come = als hij mocht komen; Not as it — be = niet zoo het hoort; As who — say = alsof iemand zou zeggen; No better than they — be = niet beter dan dat soort gewoonlijk is.

Shoulder, šouldə, subst. schouder, schoft, schouderstuk; — verb. met den schouder duwen, krachtig duwen, op den schouder nemen, òvernemen (van het geweer): One — of mutton draws (drives) down another = hoe meer men heeft, hoe meer men wil hebben; — of mutton sail = driehoekig bootzeil; No sooner was he in the room, than she attacked him straight from the — = in ééns, op den man af; He clapped me on the — saying: You are my prisoner = hij legde de hand op mijn schouder; He gave us the cold — = zag ons met den nek aan; I have a good deal on my —s just now; He has round —s = een ronden rug; He hit out straight from the — = gaf een krachtigen slag; You cannot put old heads upon young —s = jeugd heeft geen deugd; Put (set) your — to it = zet er uw schouder onder; To rub —s = in nauwe aanraking komen; He shrugged his —s = hij haalde de schouders op; To stand — to — = schouder aan schouder staan; You have taken too much on your —s; — arms! = over ’t geweer; I —ed the responsibility = nam... op mij; He —ed me aside = duwde mij op zij; The French were —ed off the direct way to Berlin = werden belet direct op Berlijn aan te rukken; —-belt = draagband; —-blade, —-bone = schouderblad; —-knot = schouderbedekking; —-points = vangsnoeren; —-shotten = lam in de schouders (van paarden); —-slip = schouderontwrichting; —-strap = schouderriem, schouderklep; He is a broad-—ed fellow = breedgeschouderd.

Shout, šaut, subst. gejuich, geroep; — verb. juichen, hard roepen: They —ed like anything = juichten “van je welste”; To — newspapers in the street = luidkeels (met) kranten venten; —er.

Shove, šɐv, subst. duw, stoot; — verb. duwen, stooten, voortduwen: — the animal at the hedge = drijf, duw, jaag naar; The measure was —d by = terzijde gelegd, verworpen; We —d from shore = duwden af.

Shovel, šɐv’l, subst. schop; — verb. scheppen, opscheppen; —-board = trokspel, troktafel; —-hat = platte hoed met breeden rand (door Eng. geestelijken gedragen); —ful = schopvol; —ler.

Show, šou, subst. vertoon, tentoonstelling, voorkomen, schijn, praal, schouwspel, vertooning; — verb. toonen, vertoonen, (aan)wijzen, duidelijk maken, bewijzen, onderrichten, zich vertoonen, pronken (off): Lord Mayor’s — = optocht van den L. M. in Londen (9 Nov.); He hasn’t any — = geen kans; He makes no — of his learning = loopt niet te koop met; Under a — of friendship = onder den schijn van; The meeting expressed their opinion by — of hands = door het opsteken der handen; Even in rebuke his great heart —s = toont zich zijn edel hart; The wood began to — = het hout kwam door de verf kijken; Something —ed on the ground = lag zichtbaar; Gypsy blood will — = verloochent zich niet; You should not — = u niet decolleteeren; To — fight = de tanden laten zien, willen vechten; He —ed his heels = ging aan den haal; To — the way; To — about = overal laten kijken; The heavens — forth the glory of the Lord = verkondigen; Will you — the gentleman in? = mijnheer binnenlaten? His face —ed of a purple hue = nam eene purperen tint aan; He is a clever fellow, but he does not — it off = maar hij loopt er niet mee te koop; He —s off his gold chain = pronkt met; He —ed me over the picture-gallery = liet mij zien; Will you — him up? = hem boven laten komen; He was —n up = ontmaskerd; —-bill = groot aanplakbiljet; —-box = kijkkastje; —-bread = toonbrood (bij de Israëlieten); —-card = reclameplaatje; —-case = uitstalkastje, vitrine; —man = spulleman; —man’s cart = kermiswagen; —-place = uitstalplaats, bezienswaardigheid; —-room = monster-, modelkamer; —-scholar = model v. een leerling; —-window = uitstalvenster; —er of tricks = goochelaar; —iness, subst. v. —y = praalziek, opzichtig.

Shower, šauə, subst. bui, plasregen, drom, vloed; — verb. beregenen, begieten, overstroomen, rijkelijk (doen) nederdalen: — of arrows, stones; He —ed down wealth and honour on his favourites = stortte uit over; —-bath = stortbad; —less = zonder buien; —y = buiïg, regenachtig.

Shown, šoun, p.p. van to show.

Shrank, šraŋk, imperf. van to shrink.

Shrapnel (shell), šrapn’l(šel), granaatkartets.

Shred, šred, subst. reepje, stukje, tittel of iota, lap; — verb. in reepen snijden, knippen: —ded wheat = grof meel; —ding = stuk, lap, brok, reepje; —dy = uit brokken bestaande; —less.

Shrew, šrû, subst. helleveeg, manwijf; spitsmuis; —-mole = Amer. waterrat; —-mouse = spitsmuis; —ish = twistziek, lastig; subst. —ishness.

Shrewd, šrûd, sluw, listig, loos, scherpzinnig, vinnig, lastig, netelig; —ly = buitengewoon, kras; —ness = sluwheid, etc.

Shrewsbury, šrûzbri, šrouzbri.

Shriek, šrîk, subst. gil, schel geluid; — verb. gieren, gillen: To give (utter) a —; —s of laughter; He —ed out: “Murder” = hij gilde: “moord”; —er.

Shrift, šrift, biecht, absolutie.

Shrike, šraik, klauwier, wurger.

Shrill, šril, schel, snerpend; — verb. gillen, piepen, uitkrijschen, een schel geluid geven; —-gorged = met snerpenden klank; —-tongued = met schelle stem; subst. —ness; adj. —y.

Shrimp, šrimp, garnaal; dwerg; — verb. garnalen vangen; —er.

Shrine, šrain, subst. reliquieënkastje, grafteeken, altaar, heilige plaats; verb. in een shrine plaatsen.

Shrink, šriŋk, subst. ineenkrimping (van vrees), samentrekking, plooi; — verb. samentrekken, inkrimpen, rimpelen, terugdeinzen, ineenkrimpen, huiveren: I — at the very thought = huiver bij; He did not — from the task = deinsde niet terug voor; He shrunk into a recess = kroop in; Shrinkage, vermindering, verlies: There were —s as living had become more expensive = men moest zich bekrimpen; To allow a margin for — = (fig.) er om denken, dat iets wel eens wat tegen kan vallen; —er: Cowardly —er = lafaard.

Shrive, šraiv, biechten, absolutie geven: He —d himself = hij biechtte; —r; —n, šriv’n, gebiecht.

Shrivel, šriv’l, krimpen, rimpelen, verschrompelen: —led with age = gerimpeld.

Shroff, šrof, O.I. bankier of wisselaar; ook verb.; —age = onderzoek van munten; commissieloon aan wisselaars.

Shroud, šraud, subst. kleed, kleederen, dekkleed, lijkwa, omhulsel, beschutting (—s = want, scheepst.); — verb. omhullen, verbergen, in een doodskleed wikkelen, zich verschuilen: He —ed himself from danger = beschutte zich tegen; —less.

Shrove, šrouv, imperf. van to shrive.

Shrove, šrouv, vasten: — Sunday; —tide = vastentijd; — Tuesday: Shroving = vasten(avond)feesten.

Shrub, šrɐb, subst. heester, struik; vruchtenlimonade vaak met spiritualiën, bijv. Rum —; —s = zandgoed (tabak); —bery = heesteraanleg, boschje; —by = vol heesters, heesterachtig; —less = kaal, zonder struik of heester.

Shrug, šrɐg, de schouders ophalen; ook subst.: To give a —.

Shrunk, šrɐŋk, imperf. en part. perf. van to shrink; —en = gekrompen, verwelkt, dor.

Shuck, šɐk, schaal, bast, dop, bolster; — verb. doppen; —s = onzin, malligheid.

Shudder, šɐdə, subst. beving, huivering; — verb. huiveren, trillen, sidderen: To give a person (the) —s = doen huiveren.

Shuffle, šɐf’l, subst. geschuifel, schuifelende gang, schudden, uitvlucht; — verb. voortschuiven, schuifelen, voortduwen, dooreenschudden, wassen (van kaarten), mengen, uitvluchten zoeken, sloffen, schuifelend loopen: The usual — of responsibility = ontwijken der verantwoordelijkheid; He —d away my card = heeft weggemoffeld; I am glad I —d him off = dat ik van hem af ben; Everything was —d up = verward en haastig bijeengegooid; —-cap = spel, waarbij geldstukken in eene muts geschud worden; Shuffler = schuifelaar, bedrieger, uitvluchtenzoeker; Shuffling, subst. voorwendsel, uitvlucht; adj. schuifelend loopend, listig, uitvluchten zoekend.

Shun, šɐn, schuwen, vermijden, ontvlieden.

Shunt, šɐnt, subst. zijspoor, zijtak, het op een zijspoor brengen; — verb. op een zijspoor brengen, rangeeren, omleggen, een andere richting geven, wegzenden: He now gives you the — = stuurt je weg; The train was —ed on to a siding = werd op een zijspoor gebracht; He —ed it on to me = schoof het mij op den hals; —er = wisselwachter; —ing-engine = rangeerlocomotief.

Shut, šɐt, sluiten, dichtdoen, dichtgaan: To — the door in a person’s face = voor zijn neus; To — one’s eyes to (fig.); —-down = stilstand van fabriek of werk; — in by enemies = omringd door; He must be — out = buitengesloten; To — up = opsluiten; The umbrella won’t — up properly = wil niet behoorlijk dicht; The road (passage) was — up = versperd, gesloten; — up, Sir = houd je mond, vent; I — him up = snoerde hem den mond; He pushed the door — with his foot = hij duwde de deur dicht; Shutter = sluiter, luik, blind: Let’s have the —s up = zet de blinden of luiken er vóór; To put up (take down) the —s.

Shuttle, šɐt’l, schietspoel (wevers), schuitje in een naaimachine; Shuttle-cock = pluimbal, raket(spel) = Battledore and —: To play at — = raketten.

Shy, šai, subst. worp, mik, tik, steek (fig.), zijsprong; adj. schuw, schichtig, beschroomd, voorzichtig, wantrouwend; — verb. gooien, slingeren, slaan naar, schichtig worden, afschrikken: Cocoa-nut — = spel waarbij men met ballen naar kokosnoten gooit; Shall we have a — at the gambling-table? = een kansje wagen; I had a — at the pheasant = mikte en schoot op; I had two shies at the same exam (əgzam) = heb het tweemaal geprobeerd; To be — of doing (telling) = niet recht durven: To fight — of = angstig vermijden: Novelists should fight — of sensation = zich onthouden van; We looked — upon it = zagen het argwanend aan; The horse shied at a tree = werd schichtig; He shied at the weathercock = gooide naar; — widow = een gezelschapsspel; —ness; —ster = schurk, beunhaas (Amer.).

Siam, saiam, sîâm, Siam; —ese, saiəmîz, saiəmîs, van S., Siamees. Siberia, saibîriə, Siberië; —n = Siberisch; Siberië.

Sibilance, Sibilancy, sibil’ns(i), het hebben van een sissend geluid; Sibilant, sibil’nt, subst. sisklank; adj. sissend; Sibilation, sibileiš’n, het sissen, sisklank.

Sibyl, sibil, Sybille, profetes; Sibylline, sibil(a)in, Sybillijnsch, profetisch: — Books.

Sic, sik, zóó, dus (staat het er).

Siccate, sikeit, drogen; subst. Siccation; Siccative, sikətiv, subst. en adj. opdrogend (middel); Siccity, siksiti, droogte, schraalheid.

Sice, sais, zes: — point = alle zes (dobbelen).

Sicily, sisili, Sicilië; Sicilian, sisilj’n, Siciliaan(sch): — Vespers.

Sick, sik, ziek, misselijk, zwak, moede (fig.), verlangend (for): — at the stomach = misselijk; He feels — at heart = mistroostig, droevig gestemd; I am — of delays = moe; — of life; — of them; — for love; To get — for a strange face = vurig verlangen naar; He is — to death = doodziek; I am as — as a horse = zoo misselijk als eene kat, ziek als een hond; It makes me feel — = ’t walgt me; —-bay = ziekenboeg; —-club = —-fund; —-bed; —-fund; —-headache = migraine; —-leave = verlof voor ziekte; I am on the —-list = ik ben patient; —-nurse; —-room; Sicken = ziek worden, kwijnen, walgen, ziek (misselijk) maken: Charlie is —ing for the measles = heeft onder de leden; All my joy —ed into sorrow = werd vergald tot; This has —ed me of soldiering for life = mij voorgoed doen walgen; —ish = eenigszins ziek of misselijk; subst. —ishness. Zie Sickly.

Sickle, sik’l, sikkel; —-man = maaier, oogster.

Sickly, sikli, zwak, ziekelijk, ongezond, walgelijk: — constitution; A — smell = walgelijke lucht; Sickness = ziekte, ongesteldheid, misselijkheid: — Insurance = ziekteverzekering.

Side, said, subst. zijde, kant, rand, helling, oever, strand, buurt, streek, partij, bluf, effect (biljart); — verb. de partij kiezen van, zich scharen bij, het houden met (with); terzijde leggen: Blind — (Weak —) = zwakke zijde, zwak; Bright — = lichtzijde; Dark — (Shady —); This — up! = dit boven (op kisten); It is always best to err on the safe — = men kan niet te voorzichtig zijn; Wrong — out = buitenste binnen; He looks at the world from the wrong — = van den verkeerden kant; I felt a pain in my — = pijn in de zij; On (At) your — = aan uwen kant; The letters were placed on one —, and passed out of knowledge = ter zijde; The driver walked on the near — of the horse = links van; He is my uncle on (by) the father’s — = van vaderskant; Is my hat on one —? = staat mijn hoed scheef; On both —s, on either — = aan beide zijden, aan weerskanten; — by — = zij aan zij; To choose —s = zich verdeelen; To put on — = zich “airs” geven; To put on too much — = zich te veel airs geven; You have put too much — on = (den bal) te veel effect gegeven; To present the best — to view = de beste brooden voor het venster leggen; To take the, a — (—s) against, for = partij kiezen tegen, vóór; I take no —s = kies geen partij; To thrust on one — = op zijde duwen (ook fig.); They —d against, with the government = kozen partij tegen, voor; —-arm = zijdgeweer; —board = buffet; —-box = zijloge; To hear through a —-channel = van de buitenwacht vernemen; —-cut = zijkanaal, zijweg; steek onder water; —-dish = entremets; —-door; —-glance = blik ter zijde, zijdelingsche blik; —-issue = bijzaak; —-light = zijlantaarn; —-piercing = hartverscheurend; —-saddle = dameszadel; —-show = nevenhandeling; —-slip = het “slippen” van een fiets; —-splitter = iets om je dood te lachen; —-table = schenktafel, wandtafeltje; —-track = zijspoor; — verb. op een zijspoor brengen, terzijde schuiven; —-view = gezicht van ter zijde; —walk = trottoir (Amer.); —-wheeler = raderstoomboot; —-whiskers = bakkebaarden; —-wind = zijwind: To hear by a —-wind = van de buitenwacht; —-wing = coulisse; —d: A many —d man = veelzijdig ontwikkeld; —long, adj. en adv. zijdelings(ch); —sman = beambte die den kerkvoogd terzijde staat; kerkeknecht; —ways, —-wise = van ter zijde, schuin (tegenover).

Sidereal, Sideral, saidîr(i)əl, sterren....: — clock, — day, — hour, — month; — year.

Siderography, saidərogrəfi, staalgraveerkunst.

Siding, saidiŋ, wisselspoor (v. treinen); To sidle = zich zijdelings bewegen: He —d off to the door = ging met zijwaartsche beweging naar de deur.

Sidmouth, sidməth; Sidney, sidni.

Siege, sîdž, subst. beleg(ering), bestorming; — verb. belegeren: To lay — to = het beleg slaan om; To proclaim under a state of — = in staat van beleg verklaren; To raise the — = opbreken; —-guns (-ordnance) = belegeringsgeschut.

Sierra, sierə, bergketen: — Leone (lîounî); — Nevada (nivâdə).

Siesta, siestə, middagslaapje.

Sieve, siv, subst. zeef: To use a — for drawing water = To pour water into a — = nuttelooze moeite doen.

Sift, sift, zeven, ziften, nauwkeurig nagaan, uitvragen: To — grain from husk = To — the chaff from the wheat = het kaf van het koren scheiden (fig.); To — to the bottom = grondig onderzoeken; To — out = uitvorschen; —er.

Sigh, sai, subst. zucht; — verb. zuchten, smachten naar, zuchten om: To draw (fetch, heave) a deep — = een diepen zucht slaken; To — for (after) = smachten naar; —er.

Sight, sait, subst. gezicht, visioen, de oogen, aanblik, schouwspel, merkwaardig iets, korrel (op het geweer), hoop; — verb. zien, in het gezicht krijgen, richten: Impaired — = verzwakt gezichtsvermogen; Short — = bijziendheid; Payable at — = op zicht; To play, to read at — = van ’t blad, voor de vuist weg; At first — = op het eerste gezicht; The steamer is in —; In (the) — of the harbour = in ’t gezicht van; On — = te kijk, op keur; Out of — out of mind = uit het oog, uit het hart; She is a — more sensible than you = oneindig verstandiger; He got through a — of work = deed heel wat; He has a — of money = een “bom” geld; My cheeks and nose are so swollen, I look a perfect — = zie er uit om van te schrikken; That is a — to see = de moeite waard om te zien; To catch — of = in ’t oog krijgen; I gained (lost) — of it = kreeg in (verloor uit) het oog; I hate the — of the fellow = mag niet zien; To know by — = van aanzien; He lost, recovered his (eye-)— = hij is kwijt, hij kreeg terug; These repeaters were —ed up to a thousand yards = tot op duizend yards kan men juist schieten met; We —ed an island, but we did not touch at it = kregen in het gezicht; —-hole = kijkgat; —-seeing = het bezien van merkwaardige dingen; —-seer; —ed = van een vizier voorzien: Long-—ed, Short-—ed = ver-, bijziend; —less = blind; subst. —lessness; —ly = aangenaam voor het oog, vrij.

Sigismund, sidžism’nd.

Sign, sain, subst. teeken, aanwijzing, gedenkteeken, zinnebeeld, voorteeken, uithangbord, sterrenbeeld; — verb. teekenen, een teeken geven: We have put up a new (business) — = nieuw uithangbord opgehangen; Of course, all —s fail in dry weather = natuurlijk, dan kan men er niet op rekenen; We stayed at the — of the ship = hebben gelogeerd in (het logement) “Het Schip”; —-board = uithangbord; —-manual = handteekening; —-post = handwijzer, uithangbord; —er.

Signal, sign’l, subst. sein, teeken; adj. uitstekend, in het oog vallend; — verb. seinen, signalen geven, wenken, aankondigen: — of distress = noodsein; A — victory = een glansrijke overwinning; —-box = seinhuisje; —-code = signaal code; —-flag; —-gun = seinschot; —-lamp, —-light; —-man = seinwachter; The new periodical has long been —led = is al geruimen tijd aangekondigd; —ize = zich onderscheiden.

Signatory, signətəri, subst. onderteekenaar; adj. onderteekenend: The signatories to this protest; Signature, signətjə, onderteekening, teeken, signatuur, kruis of mol (muz.): He affixed his — to the deed = zette zijn naam onder.

Signet, signət, zegel(ring); —-office; —-ring.

Significance, Significancy, signifik’ns(i), beteekenis, nadruk, gewicht; Significant, signifik’nt = beteekenisvol, gewichtig, beteekenend, aanduidend: To be — of = aanduiden; Signification, signifikeiš’n, beteekenis; Significative = aanduidend, beteekenend; Signify, signifai, beteekenen, te verstaan geven, van gewicht zijn: He signified his wishes = gaf te kennen; That doesn’t — = zegt niets, doet er niets toe.

Signor, sî-njə, Mijnheer (Ital.); —a, sî-njôrə, Mevrouw (Ital.); —ina, sî-njərînə, Mejuffrouw.

Sikh, sîk, Sikh, soldaat van een krijgshaftigen stam in Brit. Ind.

Silas, sailəs, Silas.

Silence, sail’ns, subst. stilte, stilzwijgen, geheimhouding, stilzwijgendheid; — verb. tot zwijgen brengen, den mond snoeren, kalmeeren; interj. Stil! Zwijg! To break the —; — gives consent = wie zwijgt stemt toe; To keep (observe) — = bewaren; We pass this over in — = gaan dit met stilzwijgen voorbij; To put (reduce) to — = brengen tot; Silent, sail’nt, zwijgend, stil: To be — of = zwijgen van; William the — = Willem de Zwijger; — partner = stille vennoot; — system = stelsel van eenzame opsluiting; subst. —ness.

Silenus, sailînəs. Silesia, silîšə, Silezië: — lawn = een soort batist; —n = Silezisch; Sileziër.

Silex, saileks = Silica.

Silhouette, siluet, silu-et, silhouet; ook verb.: To take a — = silhouetteeren; The elephant’s form was —d against the rock = teekende zich af op de rots.

Silica, silikə, kiezelaarde; Silicate, silicaat: — cotton = slakkenwol; Siliceous varnish = waterglas.

Silicle, sîlik’l, dopje; Silique, silîk, sîlik, hauw.

Silk, silk, subst. zijde, zijden stof, zijden japon; adj. zijden, zijdeachtig: He wears (has taken) — = hij is King’s (Queen’s) Counsel (geworden); He is a learned — = een knap advocaat; A — dress = zijden japon; — gown = zijden toga van een King’s Counsel; —-man, —-mercer = zijdehandelaar; —-mill = zijdefabriek; —-thrower, —-throwster = zijdetwijnder; —-weaver = zijdewever; —-worm = zijdeworm; —-worm-gut = fijn hengelsnoer; Silken = zijdeachtig, zacht als zijde: — hair = zacht haar; — speech; —iness, subst. v. Silky = van zijde, glanzig, zacht.

Sill, sil, drempel, steunbalk, kozijn.

Sillabub, siləbɐb, gerecht, gemaakt van wijn of cider met room of melk: Mere — = gewoon zwendelarij.

Silliness, silinəs, subst. v. Silly, sili, onnoozel, sullig, dwaas; ook subst.: He had been knocked — for a time = was bewusteloos geslagen; A — notion = dwaas idee; The — season = komkommertijd; — Suffolk (een Parish ekename).

Silo, sailou, kuil voor groen voeder, inkuiling: To put green in —s = inkuilen.

Silt, silt, subst. slik, slib; — verb. verzanden (up), sijpelen, aanslibben.

Silvan, silv’n = Sylvan.

Silver, silvə, subst. zilver(geld), zilverwerk; adj. zilveren, zilverachtig; — verb. verzilveren, foeliën: Hand-beaten — = gedreven; He was born with a — spoon in his mouth = als kind van rijke ouders, als gelukskind; It is only copper —ed over = verzilverd koper; —-fir = zilverspar; — fleet; —-fork School = de school, die slechts ’t leven der hoogere standen in hare romans behandelt; —-fox = zilvervos; —-haired = met witte of zilverachtige haren; —-leaf = bladzilver; —-paper; —-side = de onderkant van een runderbout; —-smith = zilversmid; —-stick = officier (van de lijfwacht), die dienst doet bij hoffeesten; — wire = zilverdraad; Silverite, silvərait, voorstander van den dubbelen muntstandaard; adv. Silverly; Speech is silvern, but silence golden; Silvery = met zilver bedekt, schitterend, rein.

Silvester, silvestə.

Simarre, simâ, vrouwenkleed, wijde japon.

Simeonites, simjənaits, Simeonieten; aanhangers van Charles Simeon, leider der Low Church party (1759–1836).

Simian, simj’n, aapachtig, aap...

Similar, similə, subst. gelijke; adj. gelijk, dergelijk; —ity, similariti, overeenkomst, gelijksoortigheid; Simile, simili, vergelijking; Similitude, similitjûd, gelijkenis, overeenkomst, evenbeeld.

Similor, similö, spinsbek.

Simioid, simiôid, Simious, simiəs = Simian.

Simitar. Z. Scimitar.

Simmer, simə, zacht (laten) pruttelen of koken: The plan is —ing already = het plannetje staat al te vuur.

Simon, saim’n, Simon, sukkel: The real —, Pure — = de ware naam, de ware man.

Simoniac, simouniak, die zich schuldig maakt aan Simony; —al, simənaiək’l, schuldig aan Simony, siməni, simonie, het verkoopen van geestelijke ambten.

Simoom, simûm, Simoon, simûn, samoem, heete verstikkende woestijnwind.

Simper, simpə, subst. gemaakte glimlach; domme lach; — verb. gemaakt lachen, meesmuilen; —er.

Simple, simp’l, eenvoudig, enkel, niet samengesteld, onnoozel, naïef, argeloos; subst. geneeskrachtige plant: Gentle and — = hoog en laag (v. personen): — Simon = onnoozele hals; —-hearted, —-minded = naïef, argeloos; subst. —-mindedness; —ness = Simplicity; Simpleton = sukkel, onnoozele bloed; Simplicity, simplisiti, eenvoud, natuurlijkheid, duidelijkheid, onnoozelheid; Simplify = vereenvoudigen; Simply = eenvoudig, slechts, geheel en al; Simplification, subst. v. Simplify, simplifai, vereenvoudigen.

Simulacrum, simjuleikr’m, schijnbeeld.

Simulate, simjuleit, veinzen, fingeeren, voorwenden, simuleeren, nabootsen; adj. simjulit; subst. Simulation; Simulator.

Simultaneity, sim’ltənîiti, subst. v. Simultaneous, sim’lteiniəs, gelijktijdig; subst. —ness.

Sin, sin, subst. zonde, overtreding; verb. zondigen, overtreden: It is a — and a shame = zonde en schande; Deadly (Mortal) — = doodzonde; Original — = erfzonde; Venial — = vergeeflijke zonde; To commit a —; —-offering = zoenoffer; —ful = zondig, verdorven; subst. —fulness; —less = onschuldig; subst. —lessness; —ner = zondaar.

Sinai, sainiai, sainai, sainei; Sinaitic, sainiitik, Sinaï betreffend.

Sinapis, sineipis, mosterdplant; —m, sinəpizm, mosterdpleister.

Since, sins, adv. en prep. sedert; conj. omdat, dewijl, vermits: Ever — = van toen af; Long — = lang geleden; A short time — = kort geleden; — ever = vanaf ’t oogenblik; — you cannot get there, you had better not complain = aangezien gij daar niet kunt komen.

Sincere, sinsîə, oprecht, zuiver: Yours —ly = je toegenegen; subst. —ness = Sincerity, sinseriti.

Sincipital, sinsipit’l, voorhoofds...; Sinciput, sinsipɐt, kruin, voorhoofd.

Sind, sind; Sindbad, sindbad.

Sine, sain, sinus.

Sine, sainî: To adjourn — die (dai-î) = voor onbepaalden tijd uitstellen.

Sinecure, s(a)inəkjuə, sinecure; Sinecurism; Sinecurist.

Sinew, sinjû, subst. pees, zenuw, spier, ziel; — verb. stalen, sterken: The —s of war = (het noodige) geld; —ed = gespierd, krachtig; —less = zonder kracht; —y = —ed.

Sing, siŋ, zingen, bezingen: He —s out of tune, out of time = hij is van de wijs, is uit de maat; To — small = zoete broodjes bakken; I — the glories of summer = bezing de heerlijkheden; To — another song (tune) = een anderen toon aanslaan (fig.); To — the same song = één lijn trekken; My head is —ing = ik heb suizing in de ooren; To — out = luid zingen (roepen); —-song = deun, vervelend gezang; —er = zinger, zangvogel. Zie Singing.

Singalese, siŋgəlîz, siŋgəlîs; Singapore, siŋgəpö.

Singe, sinž, zengen, schroeien (off); ook subst.

Singing, siŋiŋ: — in the ears = suizen; —-bird = zangvogel; —-book; —-boy = koorknaap; —-club = zanggezelschap; —-festival; —-master = zangonderwijzer; —-mistress; —-school = zangschool.

Single, siŋg’l, adj. enkel, alleen, ongetrouwd; — verb. uitkiezen (out): First — = eerste klasse, enkele reis; He continued — = bleef ongetrouwd (= Stuck to the — ticket); He was killed in — combat (fight) = in een tweegevecht; Book-keeping by — entry = enkel boekhounen; — fare return bookings = kaartjes enkele reis voor heen en terug; In — file = achter elkaar, in ganzenorde; subst. —s = spelen voor één persoon; soort zijde; enkel garen; Some of them had been —d out for destruction = waren ten doode opschreven; —-blessedness = ongetrouwde staat (iron.); A —-breasted coat = met één rij knoopen; —-handed = alleen, zelfstandig; —-hearted = oprecht, eerlijk, rond; —-line = enkel spoor; —-minded = —-hearted; —-stick = baton met gevest; —ness of heart = eenvoudige oprechtheid; With great —ness of purpose = steeds met één doel voor oogen; I undertake to fight you singly = ik neem het tegen ieder van jullie afzonderlijk op.

Singular, siŋgjulə, subst. enkelvoud; adj. apart, zonderling, bijzonder, zeldzaam, enkelvoudig: He is — in his kind = éénig in zijn soort; In this notion he was not — = stond hij niet alléén; Singularity, siŋgjulariti, bijzonderheid, zonderlingheid, zeldzaamheid, eigenaardigheid.

Sinic, sinik, Chineesch.

Sinister, sinistə, linker (Herald.); ongelukkig, onheilspellend, oneerlijk, slecht.

Sinistral, sinistr’l, naar links gewonden (van schelpen).

Sink, siŋk, subst. riool, zinkput, gootsteen, poel; — verb. zinken, zakken, bezwijken, achteruitgaan, vervallen, afnemen, inzakken, ondergaan, vermageren, hol worden, ruineeren, laten zinken; steken, beleggen, afdragen, amortiseeren (van geld), bijleggen, achterhouden, graven: He was —ing fast = ging hard achteruit; Her heart (spirits) sank = de moed begaf haar; I have sunk a capital of £ 400 in this undertaking = gestoken; A mine was sunk there = werd gegraven; He sank much money on his stock in trade = stak veel geld in; They had sunk ships where the river was deepest = laten zinken; He has sunk his personal views for the good of the country = laten varen; He sank down under fatigue = bezweek onder; That has sunk into my mind = is diep doorgedrongen; Let him — into his unhonoured grave = ongeëerd ten grave dalen; This —s into insignificance besides that = verdwijnt daarnaast in ’t niet; To — into oblivion; —-hole = zinkput, riool; —er = zwaar gewicht om te doen zinken; —ing-fund = amortisatiefonds.

Sinologist, sinolədžist; Sinologue, sinəlog, kenner v. China, enz.; Sinology, sinolədži, kennis van Chineesche taal, letterkunde, enz.

Sinuate, sinjuit, adj. gegolfd, ingesneden; — verb. sinjueit, winden, slingeren; Sinuation = slangvormige kromming, kronkeling; Sinuosity, sinjuositi, kromming, kronkeling; Sinuous, sinjuəs, gebogen, bochtig, draaierig.

Sinus, sainəs, baai, bocht, holte, kronkeling, sinus.

Sion, saion; Sioux, s(i)û.

Sip, sip, subst. teugje; verb. met kleine teugen drinken of opslorpen, een teugje nemen: To take a — too much = te diep in ’t glaasje kijken; —per.

Sipe, saip, sijpelen, trekken.

Siphon, saif’n, subst. hevel, siphon; — verb. overhevelen: A — of soda-water; —-bottle.

Sippet, sipət, teugje, geweekt brood.

Sir, sɐ̂, Mijnheer; vóór den doopnaam is het de titel v. een baronet of knight: — to you = tot uw dienst; Dear —s = waarde Heeren (in brieven); You would have to “—” me = met mijnheer moeten aanspreken.

Sirdar, sɐ̂dâ, sɐ̂da, Hindoesch (opper)hoofd; opperbevelhebber.

Sire, saiə, subst. voorvader, vader (bij dieren); Sire; — verb. verwekken (bij dieren).

Siren, sair’n, subst. sirene (ook Sirene, sairîn); misthoorn; adj. betooverend, bekorend: — song.

Sirene, sairîn, meter van geluidstrillingen.

Sirius, siriəs, hondsster.

Sirkar, sɐ̂ka, het gouvernement, chef, Hindoesch ambtenaar.

Sirloin, sɐ̂lôin, lendestuk v. een rund.

Siroc(co), sirok(ou), sirocco, heete Z.O. wind.

Sirrah, sirə, vent, kerel, schavuit, meid.

Sirup, sirəp, stroop. Zie Syrup.

Siskin, siskin, sijsje.

Sister, sistə, zuster: Holy — = non; — of Charity (Mercy) = liefdezuster; —-in-law = schoonzuster; —hood = alle zusters, zusterschap; —ly = zusterlijk.

Sisyphean, sisifîən, Sisyphus - -; Sisyphus, sisifɐs, Sisyphus: Task (Toil) of — = Sisyphus arbeid.

Sit, sit, zitten, zitting hebben, liggen, blijven, wonen, broeden, passen; subst. het zitten: The faultless — of her hat = het onberispelijk zitten; One’s clothes get the — by having them on some time = zitten eerst goed als, etc.; He —s a horse very well = hij rijdt goed; When the House is —ting; — down, Sir = ga zitten, mijnheer; To — down at a meal; The French sat down before the town = legerden zien voor; To — for one’s portrait = poseeren; He sat on me and ordered me about = zat mij op den kop; These fineries — well on you = staan u goed (ook fig.); He sat on and on = bleef maar zitten; We sat out the concert = bleven tot het laatst; They sat out the dance = bleven onder dien dans zitten; They were —ting out = zaten buiten; Did you ever — under that clergyman? = gingt gij geregeld ter kerk bij; To — up = opblijven, opzitten (ook om te vrijen), op (mogen) blijven: He sat up in bed = ging overeind zitten; His productions made his friends “— up” = deden verstomd staan; To — upon a committee = lid zijn van een commissie; That sorrow —s heavily upon him = drukt hem ter neer; They sat in judgment upon life and death = zij beraadslaagden en beslisten over; He did not choose to be sat upon = wou zich niet op den kop laten zitten; Boys always complain of being sat upon = dat ze op den kop worden gezeten; A —-down supper = souper waarbij men aanzit; —-fast = blijvend, stoelvast; —ter = zitter; broedende vogel. Zie Sitting.

Site, sait, ligging, bouwterrein: Plan of — = situatie-teekening.

Sitting, sitiŋ: I read the book at one — = in eens; adj.: —-place; —-room = ruimte; woonkamer.

Situate, sitjuit = —d, sitjueitid, geplaatst, gelegen, vast geplaatst: The palace is — on a height = ligt op; How are you —d? = hoe staat het met u; Situation, sitjueiš’n, ligging, toestand, betrekking, omstandigheden: In this — of things = stand van zaken; She was always in a — = in gezegende omstandigheden; We are in a — to make this offer = in staat; He is out of — = buiten betrekking.

Sitz-bath, sitsbâth, zitbad.

Siva, sîvə; Siward, sîwəd.

Six, siks, zes: Big — = banjer; Saucy — = ondeugende zesjarige(n); Long —es = kaarsen van 6 in een pond; Things are at —es and sevens = liggen overhoop, zijn in de war; It is — of one and half a dozen of the other = lood om oud ijzer; —-chambered = met zes patronen; —fold = zesvoudig; —-footer = persoon van zes voet; —pence = zesstuiverstuk = —penny-piece; —teen = zestien: Boys under —teen and over ten; Sweet —teen = lieve 16 jarige(n); He talks —teen to the dozen = praat honderd uit; —teenth, subst. en adj. zestiende (deel); —th = zesde (deel), hoogste klasse; —thly = ten zesde; —tieth, sikstiəth, subst. en adj. zestigste (deel); —ty = zestig(tal).

Sizar, saizə, student te Cambridge en Dublin, die een beurs had en tot sommige dienstverrichtingen verplicht was.

Sizable, saizəb’l, van aanzienlijke grootte, van redelijken of behoorlijken omvang; Size, saiz, subst. grootte, nummer, formaat, witkalk, pap, planeerwater, lijmwater; — verb. naar de grootte regelen, schatten, taxeeren, sorteeren, ijken, vergrooten, calibreeren, planeeren: That is about the — of it = daar komt het zoowat op neer; Two —s too tight = 2 nummers te nauw (van schoenen bijv.); The book appeared in octavo — = in octavoformaat; He —d up the new arrival = nam den pasgekomene op, taxeerde hem; —able = Sizable; Sized: Large-— = van groote afmeting, formaat; He is a middle-— person = van middelbare grootte; Sizing = planeerwater, lijm; (extra) portie aan spijs, of drank (Universit.): He had his —s stinted = zijn extraatjes werden hem schraal toegemeten.

Sizz(le), siz(’l), sissen.

Sjambo(c)k, šambok, subst. zweep van huidenreepjes (Z. Afr.); — verb. slaan met een —.

Skate, skeit, subst. rog; schaats; — verb. schaatsenrijden: To put on, To take off —s; —r: Are you a —r? = doet gij aan schaatsenrijden? Skating: Figure, Speed —; —-pond (-rink); The roller—-rink = rolschaatsenbaan.

Skean, skîn, dolk of kort zwaard.

Skeat, skît.

Skeary, skîri, schrikachtig, schrikwekkend (Amer.).

Skedaddle, skədad’l, zich uit de voeten maken; subst. overijlde vlucht.

Skee, skî = Ski.

Skeet, skît, schepvat.

Skeg, skeg, sleedoorn; gele lisch.

Skein, skein, streng; vlucht wilde ganzen.

Skeleton, skelət’n, geraamte (ook fig.), scharminkel, schets of eerste ontwerp: There is a — in every house = ieder huis heeft zijn kruis; The — in the closet (cupboard) = het verborgen huiselijk verdriet; To be reduced to a — = broodmager geworden; —-corps (—-crew) = kader, kern, vast gedeelte (mil.); —-key = looper; —-map = schetskaartje; —-skates = ijzeren (schroef)schaatsen; —-suit (= —s) = soort jongenspakje met de broek aan de blouse geknoopt; —ize, skelətənaiz, tot een geraamte maken.

Skellum, skeləm, leelijkerd (Schotl.).

Skelp, skelp, subst. slag; — verb. slaan, voorthollen.

Skerry, skeri, klip (Schotl).

Sketch, sketš, subst. schets, omtrek, schema, begrooting; — verb. schetsen, in ’t algem. aangeven of beschrijven; —-book = schetsboek; —er; —iness, subst. v. —y onafgewerkt, vluchtig.

Skew, skjû, scheef zijn, scheel zien, achterdochtig gluren; verdraaien; subst. verdraaiing, loensche blik; adj. schuin, scheef, met bruine en witte vlekken = —bald.

Skewer, skjûə, subst. ijzeren of houten vleeschpen; — verb. met een vleeschpen vaststeken.

Ski, skî, (in Noorwegen ši), sneeuwschoen; ook verb.; —-runner.

Skid, skid, subst. rem(ketting), schuinliggende planken (= —-ways), wrijfhout, remschoen; — verb. remmen, schuin afglijden.

Skiff, skif, subst. bootje; — verb. in zulk een boot roeien.

Skilful, skilful, bekwaam, handig, ervaren: — at everything = handig in; subst. —ness; Skill, skil, subst. bekwaamheid, ervarenheid, geschiktheid: Game of — = bedrevenheidsspel; —ed labourers = volleerde (in een vak bekwame) arbeiders.

Skillet, skilət, metalen pan met lang handvatsel; scheepskok.

Skilligolee, skiligəlî, gortwater, dunne soep, rats = Skilly.

Skim, skim, subst. schuim; — verb. afschuimen, scheren over, vluchtig doorzien: He was —ming the pages of a missionary report = liep vluchtig door; The swallows — the water = scheren over; —-milk = afgeroomde melk, taptemelk; —mer = schuimspaan, oppervlakkig lezer; schaarbek; —mings = het afgeschuimde of afgeroomde.

Skimp, skimp, beknibbelen; —er = vrek; —ing = schraal, krenterig; —y = mager.

Skin, skin, subst. huid, vel, pels, schaal, schil; — verb. villen, afstroopen, pellen, met een huid of een roofje bedekken: I should not like to be in his — = wou niet graag in zijn vel steken; To be in a bad — = slecht gehumeurd zijn; To come through with a whole — = ergens heelhuids afkomen; To fly (jump) out of one’s — = uit zijn vel springen; He is but — and bones = is niets dan vel en been; He got through by the — of his teeth = hij is er net door en meer ook niet; The whole thing is a damned — = eene vervloekte beetnemerij; To have a thick (thin) — (ook fig.); To wear next to the — = op het bloote lijf; To — a flint = gierig zijn; He has —ned the lamb = alles gewonnen (bij wedden); Keep your eyes —ned = open, pas op; —-deep = oppervlakkig: Beauty is but —-deep = schoonheid is slechts iets uiterlijks; —flint = vrek; —-wool = wol van een dood schaap; —ful = inhoud van een lederen water- of wijnzak: I am —ful = ik kan niet meer eten; —-grafting = het opbrengen van een nieuw stuk huid; —less = zonder huid; —ner = vilder, huidekooper; —niness, subst. v. —ny = erg mager, niets dan vel en been.

Skink, skiŋk, subst. skink of stinkhagedis.

Skip, skip, subst. vlugge sprong; oppasser (Dublin Univers.); — verb. springen, touwtje springen; huppelen, dartelen, overspringen, overslaan, er van door gaan: To give (make) a —; Don’t you know you —ped this passage? = dat je hebt overgeslagen; —-frog = haasjeover; —-jack = parvenu; kniptor; —-rope = springtouw; To play at skipping = touwtje springen.

Skipper, skipə, kapitein, schipper; springer, gedachteloos en vluchtig persoon, kaasmijt: —’s daughters = hooge golven.

Skirmish, skɐ̂miš, subst. schermutseling; — verb. schermutselen; —er = tirailleur.

Skirt, skɐ̂t, subst. pand, rand, zoom, slip, vrouwenrok, middenrif; — verb. omzoomen, begrenzen, langs den zoom loopen: By this time they had reached the —s of the town = de buitenste huizen van de stad; She held on by her mother’s —s = hield hare moeder bij de rokken vast; Divided — = rokbroek; —-dance = serpentine dans; —ing-board = plint langs den vloer.

Skit, skit, scherts, schotschrift, parodie, steek: His performance is a — on the right thing = zijn spel is een parodie op goed spelen; —tish = schuw, schichtig, schalksch, uitgelaten, grillig; subst. —tishness.

Skittle, skit’l, kegel (—s = kegelspel): —-alley = kegelbaan (= —-ground); —-ball; —-pin = kegel; Life is not all beer and —s = het leven is niet enkel rozengeur en maneschijn = (—s and swipes); It is all —s = fopperij; To play at —s.

Skulk, skɐlk, subst. gluiper; — verb. loeren, schuilen, gluipen, sluipen; —er = iemand die zich achteraf houdt om niet te werken.

Skull, skɐl, schedel, hoofd: —-cap = kalotje, kap, mutsje; glidkruid; stormhoed.

Skunk, skɐŋk; N.A. bunzing, vuilik, overlooper; —-bird, —-blackbird = rijstvogeltje; —-skin.

Skurry, skɐri; Zie Scurry.

Sky, skai, subst. uitspansel, hemel, lucht; — verb. in de hoogte gooien, hoog ophangen: To acclaim to the skies = hemelhoog prijzen; Their cries rent the — = verscheurden de lucht; —-blue = hemelsblauw; —-colour = azuur, hemelsblauw; To praise —-high = hemelhoog; —lark = leeuwerik; —larking = grappen uithalen; We have been —larking = wij hebben den boel opgeschept; —light = vallicht; —-line = horizont: Silhouetted against the —-line; —-pilot = hemeldragonder; —-rocket = vuurpijl; —-scape = luchtgezicht: The —-scapes in our country are suggestive to painters = de luchten in ons land; —-scraper = maanreiker (zeil), boonestaak (fig.), zéér hoog gebouw (Am.); —ward(s) = hemelwaarts.

Slab, slab, subst. slik, modder; steen, plaat; adj. modderig, kleverig: A marble —, — of marble = marmeren plaat; — of tin = bloktin; —-line = gording (scheepst.); —-sided = met platte zijden, lang en mager (Am.); —by = dik, kleverig, modderig, vuil.

Slabber, slabə, kwijlen, opslobberen; —er; —ing-bib = slabbetje; —y = bespat, bekwijld.

Slack, slak, subst. loshangend eind van een touw, slaphangend deel van een zeil, slappe tijd, slapte in handel, steenkoolgruis; adj. slap, los, traag, soezerig, niet levendig, stil; ook verb. (= —en): He performed on the — rope (wire) = het slappe koord (draad); Business is — = de zaken gaan slapjes; The ship is — in stays = wendt moeielijk; — season, time = komkommertijd; — water = doodtij; Slacken = slap worden, verslappen, verminderen, vertragen, vieren: He —ed his pace = verminderde; The train —ed speed, —ed up to the station = de vaart van den trein verminderde, hij reed langzaam binnen; Slacker = luibak; Slackness: — of business = slapte in zaken.

Slag, slag, metaalschuim, sintels; adj. —gy.

Slain, slein, part. perf. van to slay: To be — = sneuvelen.

Slake, sleik, lesschen, blusschen, onderdrukken, verminderen, afnemen.

Slam, slam, subst. bons, harde slag, aluinmeel, “slem” (in whist); — verb. hard dichtslaan, slaan, “slem” maken.

Slam(mer)kin, slam(ə)kin = Slattern.

Slander, slandə, subst. smaad, laster(ing); — verb. (be)lasteren; —er; —ous = lasterlijk; subst. —ousness.

Slang, slaŋ, subst. spraakgebruik van een bepaalden stand (van een beroep, een bedrijf), dieventaal, omgangstaal; adj. slang..; — verb. slang gebruiken, zich plat uitdrukken, scheiden: Commercial —, Theatrical —; — expression; John swears at him and —s him = en raast tegen hem; I was —ed = uitgescholden; —ey = —y; —ish = slang-achtig; —y: Your friend is rather —y = uw vriend is vrij plat in zijne taal.

Slant, slant, subst. helling, neiging, gunstige gelegenheid (Austr.); sarcastische opmerking; adj. hellend, schuin; — verb. hellen, schuin zijn, eene schuine richting hebben (geven); —ing(ly), —ly, —wise.

Slap, slap, subst. klap, “schmink”; — verb. een klap geven; adv. plotseling, pats, pardoes: He —ped me in the face, in my face = gaf mij een klap in het gezicht; To — up = gulzig eten of drinken; —-bang = pardoes, plotseling, met geweld: —-bang shop = gaarkeuken; —-dash = zorgeloos, haastig, oppervlakkig, elegant, kranig, eensklaps: —-dash hurry and flurry = overgroote haast en drukte; To pay — down = in contanten; —-jack = soort pannekoek; —-up = uitstekend, piekfijn, forsch: He had made some —-up acquaintances in Paris = heeft met fijne lui kennis gemaakt; She is a —-up girl = een aardige flinke meid.

Slash, slaš, subst. snede, veeg, jaap, split; — verb. snijden, een langen jeep geven, hakken, om zich heen slaan; —ing = scherp, vernietigend, grof, kolossaal: A —ing article = vernietigend scherp.

Slat, slat, lat (van jalouzie); zalm die juist kuit heeft geschoten.

Slatch, slatš, het slappe eind v. een touw; voorbijgaande bries, tijdje van mooi weer.

Slate, sleit, subst. lei; voorloopige lijst van candidaten (Am.); — verb. met leien dekken; scherp hekelen, afranselen: He has a — (tile) loose (off) = is niet recht snik; —-club = onderling ondersteuningsfonds (het voordeelig saldo wordt jaarlijks onder de leden verdeeld); —-pencil = griffel; —-quarry = leigroeve; —r = leidekker; scherp criticus; Slating: He gave the government a sound — = gaf er duchtig van langs; Slaty = leiachtig: He wore a —-grey dressing-gown = een leigrauwe kamerjapon.

Slatter, slatə, slordig zijn, slonzig gekleed gaan; —n, subst. slons; adj. slonzig, slordig = —nly.

Slaughter, slôtə, subst. slachting, bloedbad, slachten; — verb. slachten, vermoorden; —(ing)-house = slachthuis, abattoir; —er: To be led to the —er = naar de slachtbank.

Slav, slâv, slav, subst. een der Slaven; —ic = Slavisch(e taal).

Slave, sleiv, subst. slaaf, slavin, arme ploeteraar; — verb. slaven, hard zwoegen: A — to drink = verslaafd aan; He is a — to his wild passions = de slaaf zijner; —-coast = slavenkust; —-dealer = slavenhandelaar; —-dealing; —-driver = slavendrijver; —-grown = door slavenarbeid voortgebracht; —-holder = slavenhouder; —-owner; —-states = staten waar de slavenhandel bestond (Amer.); —-trade = slavenhandel; —r = slavenhandelaar; —ry = slavernij, afmattende en ploeterende arbeid; —y = dienstmeisje.

Slaver, slavə, subst. speeksel, kwijl; — verb. kwijlen; —er = kwijler, idioot.

Slavish, sleiviš = slaafsch; subst. —ness.

Slavonia, sləvouniə; —n = Slavonisch; Slavoniër = Slavonic.

Slaw, slô, koolsla (Amer.).

Slay, slei, dooden, vernietigen, vermoorden, te gronde richten; —er.

Sleave, slîv, subst. streng vlos- of vlokzijde (= —-silk); — verb. in strengen verdeelen, opwinden.

Sleazy, slîzi, dun, licht.

Sled, sled, subst. slede; — verb. in een slede vervoeren.

Sledge, sledž, subst. slede; vóórhamer; — verb. in eene slede vervoeren of reizen: —-chair = slede; —-coach = sleepkoetsje; —-hammer = vóórhamer.

Sleek, slîk, zacht, glanzend, glad, sluw, slim, handig, vlug; — verb. glad maken (kammen), kalmeeren, vergoelijken (over); sluipen: — hair = glad, glanzend haar; —-headed = met glad gekamd haar; —-stone = polijststeen; —ness = gladheid, etc.; —y = glad, zacht, sluw.

Sleep, slîp, subst. slaap, doodslaap; — verb. slapen, sluimeren, soezen, staan (van tollen): To take a —; Beauty — = slaap vóór middernacht; To — the — of the just; I am dying with — = val om v. slaap; The mother lulled (sang) her child to — = suste (zong) haar kind in slaap; To start from one’s — = wakker schrikken; To — the clock round; I have slept like a top = geslapen als een roos; He has slept himself sober = zijn roes uitgeslapen; He slept away the best part of (the) day = versliep het mooiste deel v. den dag; He slept far into the following day = een gat in den dag; I have got a headache, and must try to — it off = moet er door slapen zien af te komen; To — on (upon) = zich beslapen op; I never — out = ben ’s nachts nooit buitenshuis; I will — over it = zal er mij eens op beslapen; —-drunk; —-headed; —-walker = slaapwandelaar; —-walking; —er = slaper, dwarslegger (spoor); slaapwagon (Amer.); —iness = slaperigheid; Sleeping: — Beauty in the Wood = de Schoone Slaapster; —-car = —-carriage = slaapwagon; —-cup = slaapdrank; —-dropsy (—-evil, —-sickness) = slaapziekte; —-partner = stille vennoot; —-room = slaapkamer; Sleepless; subst. —ness; Sleepy = slaperig: — drink (potion) = slaapdrank; —head = slaapkop.

Sleet, slît, subst. natte sneeuw(bui) met hagel; — verb. sneeuwen (of hagelen) met regen; adj. —y.

Sleeve, slîv, subst. mouw; — verb. van mouwen voorzien: He chuckled (laughed) in his — = lachte in zijn vuistje; To creep up a person’s —s = in de mouw (zak) kruipen, vleien; To have in one’s — = (iets) achter de hand hebben; He had several cards up his — = in de mouw; To wear one’s heart on one’s — = zijn hart op de tong hebben; —-button; —-link = kettingknoopje; —less = zonder mouwen.

Sleigh, slei, slede (Am.); — verb. sledevaren; —-bells = sledebellen; —ing-party = sledevaart.

Sleight, slait, kunstgreep, behendigheid, listige zet: — of hand = handhabiliteit (bij het goochelen).

Slender, slendə, slank, dun, zwak, spichtig, gering, onvoldoende, armzalig, bescheiden: He is a man of — parts = van geringe talenten; subst. —ness.

Slept, slept, imperf. en part. perf. van to sleep.

Sleswick, sleswik, Sleeswijk.

Sleuth, slûth, spoor; —-hound = bloed- of speurhond.

Slew, imperf. van to slay; zie ook Slue.

Slice, slais, subst. sneetje, schijfje; vischlepel (= Fish-—), spatel, vuurschop; — verb. in dunne sneden snijden: A — of bread and butter = boterham; They had their ears —d = hun werden de ooren afgesneden; —r.

Slick, slik, gestampt en gewasschen erts.

Slick = Sleek (Amer.).

Slid, slid, imp. en part. perf. van to slide.

Slidder(y), slidəri = slippery.

Slide, slaid, subst. glijbaan, hellend vlak, schuif, aardverschuiving; — verb. glijden, zacht overgaan, schuiven: He took a — down the street = ging baantje glijden op straat; He slid back the door (slid the door close) = open (dicht)schuiven; We slid down the slope = gleden de helling af; We will let things — a little = een tijdje op hun beloop laten; Sliding = glijdend, glij.., schuif.., onzeker; subst. overtreding: —-case = stoomschuif; —-doors; —-knot = slipknoop; —-seat = glijbank in een giek: I am used to fixed seats and not to —-seats (= Sliders); —-scale = schaal die al naar de omstandigheden verandert; His —s are many = overtredingen.

Slight, slait, subst. minachting, verwaarloozing, geringschatting; adj. gering, onbeteekenend, zwak, dun, tenger, oppervlakkig, vluchtig; — verb. versmaden, verwaarloozen, verachten: To make — of = geringschatten; My letters and advice were —ed (off) = werden versmaad, verachtelijk ter zijde gelegd; You have —ed over your work = afgeroffeld; —-built = tenger gebouwd; —er; Slightness = zwakheid, onbeduidendheid, geringschatting, minachting, vluchtigheid, oppervlakkigheid.

Sligo, slaigou.

Slily, slaili, op listige wijze.

Slim, slim, dun, slank, schraal; subst. —ness.

Slime, slaim, slijk, slik, slijm; — verb. met slijm bedekken, het slijm verwijderen; Sliminess, subst. v. Slimy = slibbig, slijkachtig, kleverig.

Sling, sliŋ, subst, slinger, zwaai, slag, draagband, riem, strop; soort van grog (met geraspte muskaat); — verb. slingeren, werpen, zwaaien, met lange, veerkrachtige stappen loopen: He had his arm in a — = in een doek; He slung his hook = hij schuurde zijne piek (fig.); —er.

Slink, sliŋk, (weg)sluipen, ontijdig werpen; subst. te vroeg geworpen dier; adj. onrijp, lang en dun, waardeloos.

Slip, slip, subst. ontglipping, vergissing, abuis; takje, loot, stekje, reepje, koppel of ketting voor honden, jong ding, saut-de-lit, (scheeps)helling, rij plaatsen in een kerk (Amer.), nauwe gang achter de loges; — verb. glippen, uitglijden, wegsluipen, struikelen (fig.), zondigen, zich verpraten, laten glijden, loslaten, ontijdig werpen, schuiven, heimelijk stoppen in, snel aanschieten, afsnijden (van takken of loten): I saw some rosy little —s in the nursery = blozende snoesjes; A — of a fellow = dreumes; A — of a girl = kleine peuter; A — of the memory, the pen, the tongue = vergissing, verschrijving, etc.; He gave me the — = hij ontglipte mij, liet mij zitten; To get the — = een korf krijgen; My health often makes a — = laat mij vaak in den steek; To make a — = een “misstap” doen; My foot —ped and I fell = ik gleed uit; The cable was —ped = men liet slippen; To — the collar = de halster strijken, vrij komen: To let — the dogs = loslaten; It has —ped my memory = is mij ontgaan; To — one’s foot = uitglijden; To — away = heimelijk weggaan; You must not allow the opportunity to — (by) = niet laten voorbijgaan; My socks will — down = zakken altijd af; Many errors —ped into the first edition = slopen in; I —ped off my mantle = legde af; I —ped on my trousers and —pers = ik schoot aan; To — out = zich handig ergens afmaken; laten vallen; —-bolt = grendel; —-carriage = slipwagon; —-cover = stofkleed; —-knot = schuifknoop; —-rope =- sliplijn (op een kabel); —shod = met afgetrapte hakken, slordig: It is written in —shod English = in slordig E.; He went —shod all over the house = slofte het geheele huis door; —-train = sliptrein; Slipper = pantoffel, remschoen; morsschort (Amer.): They played at hunt the — = speelden “slofje onder”; —iness, subst. v. —y = glibberig, glad, onvast, onzeker, sluw, listig: It’s a —y ground to walk upon = dat is wagen op glad ijs; He is the slipperiest rascal I ever heard of = de gladste schurk; Slipping of the soil = grondverschuiving.

Slipslop, slipslop, subst. slappe drank, prullerig werk, slordig gebruik van een woord voor een ander, als: prodigy voor protégé, etc.; adj. armzalig, prullerig.

Slish, sliš, slag, houw: — and slash = klits klats.

Slit, slit, subst. split, reet, lange snede, sponning; — verb. in de lengte snijden, in lange reepen snijden, verdeelen, splijten, klooven: His mouth was of a reptilian width of — = hij had een mond als een brievenbus; I shot the letter into the — = gleuf; His eyes were like two shining —s = glinsterende streepen; —ter; —ting-mill = machine om hout, metaal of steenen te splijten; —like = als een spleet: —like eyes.

Sliver, sl(a)ivə, subst. afgesneden of afgescheurd stuk, sneetje, tak; — verb. in lange, dunne stukken verdeelen, splijten, spouwen.

Sloam, sloum, leemlaag tusschen zand- en kolenlagen.

Slobber, slobə, kwijlen, kindsch zijn, bekwijlen; subst. kwijl: They will — their gowns without the pinafores = ze bemorsen hare jurken; —er; —y = modderig, vochtig, kwijlend.

Sloe, slou, sleepruim, sleeboom; —-black = blauwzwart.

Slog, slog, ranselen; subst. kloppartij; —ger = bokser, die er op los beukt.

Slogan, sloug’n, oorlogskreet der Hooglanders.

Slojd, slôid, slojd.

Sloop, slûp, sloep: — of war = corvet.

Slop, slop, subst. gestort water, poel, kleermaker (—s = spoelwater, slappe thee, slap soepje voor patienten); goedkoope confectiekleeren; wijde broek, kleeren en beddegoed tegen kostenden prijs aan marinematrozen verstrekt; — verb. morsen, storten: Woodcuts loosely —ped over with watercolours = slordig met waterverf besmeerd; —-basin, —-bowl = spoelkom; —-made = saamgeflanst; —-pail = toilet-emmer; —-seller = houder van een —-shop = winkel voor —s; —-work = prullewerk; goedkoope schoenen (kleeren, meubelen); —piness, subst. v. —py = nat, modderig, morsig, slordig: —py, slithery turf = drassige, glibberige zoden.

Slope, sloup, subst. helling of schuinte; — verb. hellen, schuin afloopen, bedriegen en zich uit de voeten maken, doen hellen, schuin houden: — arms! = over geweer!

Slosh, sloš, natte sneeuw en modder.

Slot, slot, subst. gleuf, sponning, spoor (van een hert); —-machine = automaat; —-meter = muntmeter.

Sloth, slouth, traagheid, luiheid, onverschilligheid; luiaard of ai; —ful = lui, traag; subst. —fulness.

Slouch, slautš, subst. het laten hangen van het hoofd, slappe en boersche gang, lompe en logge vent, sukkel; — verb. slungelig loopen (zitten), slap neerhangen, laten hangen, neerdrukken (van den hoed): No — at a party canvass = hij weet zijn mondje te roeren (bij); —-hat = hoed met breeden, slappen rand.

Slough, slau, poel, moeras; —y = moerassig.

Slough, slɐf, subst. afgeworpen slangevel, korst of roof (van eene wond); — verb. scheiden, afwerpen, afvallen (als een roof, korst of huid); —y = korstig.

Slovak, sləvak, Slavisch bewoner v. Noord-Hongarije = Slovakian.

Sloven, slɐv’n, vuilpoes, morsebel; —liness = slordigheid.

Slow, slou, adj. langzaam, bedachtzaam, traag, achterlijk, saai, vervelend, levenloos; — verb. de snelheid verminderen: Safely and —, they stumble who run fast = hardloopers zijn doodloopers; — and sure (steady) wins the race = langzaam maar zeker; — coach = langzaam, vervelend persoon; A — dinner, person, town = saai; — fever = binnenkoorts; A — train = boemeltrein; My watch is — = is achter; Writing a dictionary is — work = schiet niet op; The ship was —ed down = de vaart werd verminderd; The ascent —ed up the vehicle = deed langzamer gaan; —-gaited = zich langzaam bewegend; —-match = lont; —-paced = met langzamen schred; —-witted = traag van begrip; —-worm = hazelworm; —ness = langzaamheid, etc.

Slub, slɐb, subst. grof gesponnen wol; — verb. voor- of grofspinnen.

Slubber, slɐbə, bezoedelen, bemorsen.

Sludge, slɐdž, modder, modderige sneeuw, ijsmassa; adj. Sludgy.

Slue, slû, omdraaien (om eene spil).

Slug, slɐg, luipaard; (naakte) slak (= —-snail); onregelmatig gevormd stuk metaal als kogel; —-a-bed = langslaper; —gard = luilak; —gish = lui, traag; subst. —gishness.

Sluice, slûs, subst. sluis, sluiswater (inspuit)kraan; — verb. eene sluis openen, laten uitstroomen, bevloeien, spoelen: It is sluicing down = het valt met emmers uit de lucht; —-chamber = kolk; —-door, —-gate = sluisdeur; —-keeper = sluiswachter.

Sluit, slût = Sluice. (Z. Afr.).

Slum, slɐm, subst. slop, achterbuurt, vuil straatje, — verb. de achterbuurten bezoeken: —-born child; The —s of the low London press = de (vuile) kolommen der Londensche vuile kranten; To go —ming = de achterbuurten bezoeken.

Slumber, slɐmbə, subst. sluimering; — verb. sluimeren; —er; —ous = slaapwekkend, slaperig.

Slump, slɐmp, plotseling dalen van prijzen; — verb. zakken door ijs, in sneeuw, plotseling dalen in prijs: Then the — came = toen kwam de “krach”; A — in the sale of Christmas cards = plotselinge vermindering.

Slung, slɐŋ, imperf. en part. perf. van to sling; —-shot = soort ploertendooder (Amer.).

Slunk, slɐŋk, imperf. en p. perf. van to slink.

Slur, slɐ̂, subst. vlek, smet, schandvlek, verwijt, verbindingsteeken (muz.); — verb. bevlekken, besmetten, bezoedelen, losjes overheen loopen, bemantelen, onzuiver uitspreken, slepen (muz.): He cast a — on me = heeft een smet geworpen; She —s her th’s; He —red it over = liep er losjes overheen.

Slush, slɐš, subst. natte half gesmolten sneeuw, weeke modder; smeer; — verb. boenen, smeren; —-lamp = soort vetlamp; —y = slijkerig, modderig, nat.

Slut, slɐt, slons, slet, morsebel; —tery = vuilheid, slordigheid; —tish = slordig, morsig, vuil; subst. —tishness.

Sluys, slôis, Sluis.

Sly, slai, sluw, loos: He did it on (by) the — = in ’t geniep; —-boots = slimmerd, looze kwant; subst. —ness.

Smack, smak, subst. smaak(je), geur, oppervlakkige ondervinding of kennis, harde slag, klap, klapzoen; smak (schip); — verb. een smaak of geurtje hebben van (met of), een harden klap geven, barsten of kraken, laten knallen, smakken; interj. klets; klap!: To — one’s lips; To — a whip = doen knallen; What you say there —s of heresy = riekt naar ketterij.

Small, smôl, subst. het dunne of smalle deel van iets; adj. klein, gering, zwak, fijn, licht, onbeduidend, kleingeestig: — of the back = kruis, lendenstreek; —s eerste examen voor het Bachelorship te Oxf.; (ook = —-clothes); I never felt so — in my life = zoo klein (onbeteekenend, zoo deemoedig); — beer = licht bier: He thinks no — beer of himself = heeft een grooten dunk van; Do you think I will chronicle all the — beer you talk? = uw gewauwel; — card = lage; I was invited to a — and early dinner; how I hate those —s and earlies = familiare en vroege diners; — fry = kleingoed (kinderen); The house sat into the — hours = tot na middernacht; — master = klein baasje; — nuts = hazelnoten; He is a — partner = heeft een aandeeltje in de zaak; He is an autocrat in a — way = een klein autocraatje; — wonder! = geen wonder; — wares = galanterieën, garen en band; They broke their — wits upon him = haalden hunne flauwiteiten tegen hem uit; —-arms = draagbare wapenen; —-clothes = korte broek; —-coal = kolengruis; —-craft = kleine vaartuigen; —-hand = loopend schrift; —pox = kinderpokken; —-talk = gesnap, gepraat; They are literary —-talkers = letterkundige wauwelaars; —ish = vrij klein, peuterig, popperig; subst. —ness.

Smalt, smôlt, smalt, kobaltglas.

Smaragdine, sməragdin, als smaragd.

Smart, smât, subst. vinnige pijn, groote smart; adj. pijnlijk, vinnig, doordringend; krachtig, vlug, levendig, geestig, knap, sluw, bij-de-hand, elegant, fijn, kranig; — verb. scherpe pijn voelen, pijn doen, boeten, smart veroorzaken, lijden: You shall feel the — of it = het zal je bitter berouwen; He laved his — in thoughts of his greatness = verzachtte zijne smart; The characters are clever without being — = knap geteekend zonder “mooidoenerij”; There is a danger in being — = in het “aardig” willen wezen; That kind of society which is known as — = als de groote wereld; He is as — as threepence (sixpence) = zoo keurig alsof hij uit een doosje kwam; As — as a steel trap = zoo glad als een aal; He is —er than anything = iedereen te glad af; Isn’t he a — little boy? = een bij-de-hand jongetje; My eyes — a little; You’ll — for it = er voor “hebben” of boeten; He is still —ing under his loss = lijdt nog onder; —-looking = chic; —-money = rouwgeld, smartegeld, handgeld; —-ticket = bewijsstuk van ontvangen wonden, waardoor de drager aanspraak op —-money = smartegeld, heeft; Smarten = opschikken, mooi maken: I am going to — myself up = mij opknappen; Smartness: His — mars several passages = poging om aardig (geestig) te zijn.

Smash, smaš, subst. bankroet, smeet, botsing, vernieling, ontreddering; — verb. verpletteren, vernielen, stukslaan, verbrijzelen, platdrukken, breken, bankroet gaan, valsche munt in omloop brengen; adj. kapot, verloren: Gone to — = op de flesch; The windows were —ed = werden ingegooid; —-up = vermorzeling, verbrijzeling; —er = meisje, dat veel breekt, grof antwoord, scherp artikel, iets buitengewoons, valsch geld, iemand, die dit uitgeeft: —ers out (of doors) = uitsmijters; The real purpose goes — = gaat verloren; —ing critique = vernietigende.

Smatter, smatə, subst. geringe en oppervlakkige kennis; — verb. geringe kennis hebben van, oppervlakkig spreken: He —s words in several languages = kakelt zoo’n beetje in allerlei talen; He has a —ing of Spanish = weet een beetje van het Spaansch; A —ing musketry was going on yet = hier en daar hoorde men nog een enkel geweerschot; —er = halfweter, oppervlakkig kenner.

Smear, smîə, subst. vlek, smet; — verb. besmeren, insmeren, bezoedelen.

Smell, smel, subst. reuk, geur; — verb. ruiken, rieken, speuren: You retain the — = je ruikt er nog naar; He never smelt powder as yet = is nog nooit in ’t vuur geweest; He smelt it out = heeft het uitgevorscht; The wine —s of the cork = ruikt naar den kurk; —er = baardhaar (v. een kat), (slag op den) neus; Smelling: —-bottle = reukfleschje; —-salts; —-water; Smelly children = viesruikende.

Smelt, smelt, imperf. en part. perf. van to smell.

Smelt, smelt, subst. spiering: He is as dead as a — = zoo dood als een pier.

Smelt, smelt, smelten; —er; —ery = smelterij; Smelting: —-furnace = smeltoven; —-pot; —-works.

Smerk(y), smɐ̂k(i), keurig, netjes, fijn, kranig.

Smew, smjû, nonnetje (vogel).

Smiddy, smidi, Zie Smithy.

Smiffle, smif’l, verk. van Smithfield.

Smile, smail, subst. glimlach, vriendelijk gezicht, gunst, “hapje” of slokje (Amer.); — verb. glimlachen, vriendelijk kijken, een “hapje” nemen: She was all —s (and graces) = poeslief; He gave me a — = hij glimlachte tegen mij; We —d our thanks = drukten uit door een glimlach; He —d at me = glimlachte tegen mij; I have —d away his cares = door een vriendelijken blik zijne zorgen verdreven; We —d him into good humour = door onze vriendelijke blikken brachten we hem weer in zijn humeur; Fate —s upon us = is ons gunstig of genegen; The idea does not — upon me = lacht me niet toe; —r.

Smirch, smɐ̂tš, bekladden, bevuilen, besmeren; subst. klad.

Smirk, smɐ̂k, subst. gemaakte glimlach; adj. fijn, keurig; — verb. gemaakt glimlachen, meesmuilen.

Smite, smait, slaan, treffen (on), dooden, vernietigen, overkomen; —r.

Smith, smith, smid: —’s coal = smeekolen; —work; —y, smithi, smederij.

Smithereens, smidhərînz: The powder blew the house to — = vernietigde het huis geheel; To knock to — = tot gruis slaan.

Smitten, smit’n, p.p. v. to smite: Arctic-— = verzot op Noordpoolreizen; — with astonishment = verbluft; — with her, with love = verliefd.

Smock, smok, (vrouwen)hemd, (boeren)kiel = —-frock; —-mill = Hollandsche windmolen waarbij slechts het bovenstuk draaibaar is.

Smoke, smouk, subst. rook, damp, uitwaseming, iets onbeduidends; — verb. rooken, uitkloppen, afkloppen, uitrooken: There is no — without a fire = men noemt geen koe bont of er is een vlekje aan; Will you have a —? = eens opsteken; I’ll make your back — for it = je een pak ransel geven; Put that in your pipe and — it = steek dat in je zak (fig.); To — off = in een stofwolk wegrennen; —-black = lampzwart; —-consumer = rookverdrijver (werktuig); —-dried = gerookt (van vleesch b.v.); —-jack = toestel om een braadspit door den rook in den schoorsteen te doen draaien; —-room = rookkamer; —-stack = pijp; —d spectacles = bril met zeer donkere glazen; —r = rooker, rookcoupé: A great (heavy) —r; Smokiness = rookerigheid; Smoking: No — allowed = hier mag niet gerookt worden; —-cap = kalotje, mutsje; —-carriage; —-compartment; —-room = rookkamer.

Smollett, smolət.

Smolt, smoult, jonge zalm in ’t 2de jaar.

Smooth, smûdh, subst. grasvlakte (Amer.); adj. glad, vlak, zacht, glanzig, effen, aangenaam, vriendelijk, vleiend; — verb. glad maken of worden, glad strijken, bemantelen, kalmeeren, uit den weg ruimen, gemakkelijk maken: To give a — to one’s hair = zijn haar glad strijken; That song —ed his forehead = streek zijne rimpels weg; He —ed the path for me = effende; The report was —ed down a little = werd verzacht; I shall try to — him down = te kalmeeren; A —-bore gun = gladloop (kanon of geweer); —-chinned = baardeloos; —-faced = met glad, baardeloos, vriendelijk gelaat; —-shaven = glad geschoren; —-speeched, —-spoken; —-tongued = vleierig; —ing: —ing-iron = strijkijzer; —ing-plane = gladschaaf; subst. —ness.

Smote, smout, imperf. van to smite.

Smother, smɐdhə, subst. dichte rook, walm; — verb. smoren, verstikken, stikken, onderdrukken, smeulen; —y = rookerig, walmig, verstikkend.

Smoulder, smouldə, smeulen.

Smudge, smɐdž, subst. vlek, smet, smeer, verstikkende rook, smeulend vuur (tegen muskieten); — verb. zwart maken, door rook bevuilen, knoeien.

Smug, smɐg, subst. poenig, ingebeeld persoon; adj. netjes, keurig, opgesmukt, gemaakt; subst. —ness.

Smuggle, smɐg’l, smokkelen (in, out); —r = smokkelaar (ook het schip).

Smut, smɐt, subst. vlek, roet, roetvlek (—s = roetvlokken), vuile taal; roest in ’t graan; — verb. bevlekken, bevuilen, roestig worden (van koren): His linen had suffered from the —s of a London fog = de roetdeeltjes van een L. mist; —tiness, subst. v. —ty = vuil, door roest aangetast, zedeloos.

Smutch, smɐtš, subst. vuile vlek, smet; — verb. bevuilen met rook, roet, etc.

Snack, snak, lichte, in haast gebruikte maaltijd; deel; — verb. deelen: Shall we go —s? = zullen we samen deelen; To take a hasty — = haastig twaalfuurtje.

Snaffle, snaf’l, trens (= —-bit); — verb. de trens aanleggen, beteugelen.

Snag, snag, afgebroken tak, knoest, uitsteeksel, bult, boomstam (met het eene eind in den bodem der rivier vastgeraakt, Amer.); — verb. knoesten afkappen; tegen —s aanvaren: A bird in the bag is worth two on the —; —ged = vol —s; —gy = knoestig, boos, korzelig.

Snail, sneil, subst. huisjesslak, langzaam persoon: At a —’s gallop (pace, post, trot) = in den slakkengang; —-shell = slakkenhuis; —-trefoil = rupsklaver; —-like = slakachtig, langzaam.

Snake, sneik, subst. slang, adder; — verb. spiraalsgewijs omwinden, kronkelen, uittrekken: There is a — in the grass = er schuilt een adder onder ’t gras; Spectacled — = brilslang; —-fence = zigzagschutting (Amer.); —-root = senegawortel; —-stone = slangensteen; —-weed = adderwortel; Snakish = slangachtig; Snaky = als eene slang, kronkelend, sluw, bedriegelijk; —-headed = met slangen in plaats van haar op het hoofd (zooals de wraakgodinnen).

Snap, snap, subst. plotselinge breuk, hap of beet, geknal, veer of knip, momentopname; plotseling omslaand weer (A cold —), broos gebakje, kinderspelletje (met kaarten), energie, diefstal; adj. vlug, snel, plotseling; — verb. plotseling breken, afknappen, ketsen, dichtknippen, hard dichtklappen, plotseling grijpen of vangen, toesnauwen (— up short), bijten naar, dadelijk toehappen (bij een aanbod), afdrukken: I do not care a — of my fingers = geef er geen lor om; The piece will go with a — = zal “gaan” als een lier (Amer.); She has no go or — about her = d’r zit geen “fut” in haar; Ministers tried to capture a fresh majority by a — dissolution = door eene onverwachte ontbinding; I — my fingers at you = je bent me geen knip voor den neus waard; He —ped at the proposal = hapte dadelijk toe; She —ped at the servants = snauwde af; The chain —ped (off) = knapte plotseling af; I —ped him up severely = maakte hem een hevig standje; The whips —ped = klapten; —-beetle = kniptor; —-dragon = spelletje waarbij rozijnen uit brandenden brandewijn worden gegrepen en opgegeten; groote leeuwenbek; —-shot = schot in ’t wild; momentopname in een kodak; ook verb.: I took two —-shots at the building = nam twee “kiekjes”; —-vote = stemming door opsteken der handen; —per = zweepslag, knalbonbon; —pers = castagnetten; —pish = scherp, bits, vinnig; subst. —pishness.

Snare, snêə, subst. strik, lus; — verb. verstrikken; —-drum = kleine militaire trom; —r = strikkenspanner.

Snarl, snâl, subst. grauw, snauw; verwikkeling, verwarring, klem, moeielijkheid; — verb. grommen, knorren, verwarren, verstrikken: I am —ed at by everybody = iedereen snauwt mij af; —er = brompot; ruziemaker.

Snatch, snatš, subst. greep, ruk; beet, hap, brok, stuk van een lied, deel; — verb. zonder komplimenten pakken, snel en plotseling grijpen, in haast gebruiken, gappen, rooven: We did it by —es = nu en dan eens, bij gedeelten; —es of information = inlichtingen bij stukken en brokken; —es of old melodies, songs; —es of sleep = hazeslaapjes; To make a — at = een greep doen naar; He —ed at my right hand = deed een greep naar; —er; Body —ing = lijkenroof.

Sneak, snîk, subst. gluiper, klikker, kruiper, gauwdief (ook —-thief); — verb. gluipen, sluipen, klikken, gappen: You have —ed of me = me verklapt; —ing: He may be a queer fellow, yet I have a —ing kindness for him = mag ik hem eigenlijk wel.

Sneer, snîə, hoongelach, grijns, spottende blik; — verb. den neus optrekken, spottend lachen, hoonen; —er.

Sneeze, snîz, subst. het niezen; — verb. niezen: Five thousand a year is not to be —d at = is niet te verachten; —-wort = nieskruid; Sneezing-powder = snuif.

Snick, snik, mes, litteeken, teeken: It was a —-a-snee, —ersnee = gevecht met messen.

Snicker, snikə, onderdrukt (in zijn vuistje) lachen.

Sniff, snif, subst. gesnuffel, gesnuif; — verb. snuiven, snuffelen, den neus optrekken voor (at), in den neus krijgen, ruiken: The dog —ed at my trousers.

Sniffle, snif’l, grienen, “snotteren”.

Snig, snig, kleine aal; —gle, aalvangen met het aas op een naald, die vastgemaakt is aan een lijn, en die met een kort stokje in de gaten gestoken wordt, waar men aal denkt te vinden; verstrikken, vangen; —gler.

Snigger, snigə, subst. gegichel; — verb. gichelen; Z. Snicker.

Snip, snip, subst. snipper, stukje; kleermaker; — verb. afknippen: You’ve only to say “—” and my girl will say “snap” = zegt, “kip ik heb je”; —-snap = scherpe woordenstrijd; —per = kleermaker; —per-snapper = kwast, sukkel.

Snipe, snaip, subst. snip; beunhaas (Amer.); — verb. op snippen schieten.

Snippet, snipət, deel, stuk: Knowledge in —s = bij stukjes en beetjes; A short story, a mere —; —y = kort afgebroken: His style, though too —y, is clear and forcible = schoon wat hakkelig.

Snivel, sniv’l, subst. snot; huichelarij; — verb. snuiven, snotteren; grienen, temen; —ler.

Snob, snob, poen, parvenu, onderkruiper; ploert (studententaal); —bery = naäperij der groote lui, poenigheid; adj. —bish; subst. —bishness = —bism; Snobocracy, snobokrəsi, de would-be groote lui.

Snood, snûd, haarlint, dun lijntje waardoor de haak aan het hengelsnoer wordt bevestigd; ook verb.

Snoodle, snûd’l, gezellig of vertrouwelijk samen zitten: The old couple sat —d together, beaming with happiness.

Snook, snuk, op den loer liggen: Never again will I cut a —, Sir = ik zal nooit weer iets in ’t geniep doen.

Snoop, snûp, (Amer.) snuffelen; subst. snuffelaar, bemoeial: He went about —ing (Amer.) = hij bemoeide zich met alles en nog wat.

Snooze, snûz, subst. dutje, slaapje, bed; — verb. dutten: To take a —; —r.

Snore, snö, subst. gesnork; — verb. snorken; —r.

Snort, snöt, subst. het snuiven (paard); — verb. krachtig uitsnuiven; —er.

Snot, snot, snot, snotneus; —tiness, subst. v. —ty = snotterig, vuil, smerig.

Snout, snaut, subst. snuit, neus, mondstuk; — verb. van een mondstuk voorzien.

Snow, snou, subst. sneeuw, snauw (soort vaartuig); — verb. sneeuwen, als sneeuw neervallen; —ed in = ingesneeuwd; —ed under = ondergesneeuwd, gevallen (v. een kandidaat bij verkiezingen, Amer.); —ed up = ingesneeuwd; —ball, subst. sneeuwbal (ook: Geldersche roos); neger (ironisch); — verb. met sneeuwballen gooien = To play at (pitch, throw) —balls; —-blind = sneeuwblind; —-bound = ingesneeuwd; —-broth = sneeuwwater, zeer koude drank; —-bunting = sneeuwvink; —-capt = met sneeuw op den top = —-crowned; —-drift = sneeuwbank, hoop samengejaagde sneeuw; —-drop = sneeuwklokje; —flake = sneeuwvlok; —-limit = —-line = sneeuwgrens; —-plough = sneeuwploeg, sneeuwopruimer; —-shed = reeks van afdaken om eene spoorbaan voor sneeuwstormen te vrijwaren; —-shoe = sneeuwschoen; —-slip = sneeuwstorting, lawine; —-storm = sneeuwjacht met harden wind; —-white = sneeuwwit; —like = sneeuwachtig, sneeuwwit = —y.

Snowdon, snoud’n.

Snub, snɐb, subst. knoest; berisping, afwijzing; stompneus; — verb. afsnauwen, bits antwoorden, afwijzen, knotten: The cable was —bed = de lijn werd plotseling onder het afloopen ingehouden; —-nose = stompneus, platneus; adj. —-nosed.

Snuff, snɐf, subst. opsnuiving, snuif, snuitsel (van eene kaars); — verb. snuiven, opsnuiven, besnuffelen, kwalijk nemen: A candle with a long — = verkoolde pit; A pinch of — = snuifje; He is up to — = glad, laat zich niet beetnemen; To take — = snuiven; To take — at = kwalijk nemen; —-box = snuifdoos, neus (ironisch); —-taker = snuiver; —ers = (kaars)snuiter; —iness, subst. v. —y; Snuffle, snuiven, door den neus spreken; —s = verkoudheid: He has got the —s = hij haalt moeilijk adem en spreekt alsof hij zwaar verkouden is; Snuffy = als snuif, met snuif bemorst, verkouden, verdrietig, dronken.

Snug, snɐg, adj. gezellig, dicht opeengepakt, verscholen, sluw; — verb. zich vlijen tegen: We kept it (nice and) — = hielden het geheim; To lie — = zich verdekt opstellen; Snuggery = gezellig warm vertrek, gelagkamer: This room is the most comfortable — in the house = het aangenaamste vertrek v. het huis; Snuggish = behagelijk; Snuggle = zich vlijen tegen: The child —d close to its mother = vlijde zich tegen zijne moeder aan; Snugness = behagelijkheid, etc.

Snur, snɐ̂, snorken: The sleeping lions made a —ring sound.

So, sou, zoo, dat, zulks, zoodanig, dus, mits: Mr. —-and-— = Meneer “Dinges”; The Baron Thus and —; Do it — as to please your parents = zóó dat gij; Your —-called friends = zoogenaamde; — help me God = zoo waarlijk helpe mij God Almachtig; — far — good (right) = tot hiertoe is ’t in orde, gaat het goed; And — forth (on) = enzoovoort; — long = adieu, tot ziens! — many dinners for — many persons = een zeker aantal; He did not — much as thank me = niet eens; That is — much the better = zooveel te beter; It is but —-—, don’t you think — too? = het is maar zoozoo (lalà) vindt gij dat ook niet? To be —-— = niet lekker, niet dàt; An hour or — afterwards; It’s raining — = het regent zoo; As the master — the man = zoo heer zoo knecht; If it were — = als het zoo ware; — to say = als het ware, om zoo te zeggen; I don’t care why you laugh, — that (— as) you laugh = als ge maar lacht; I told him to go there, and — he went = en daarom (dus) ging hij.

Soak, souk, weeken, in de week zetten (= To put in —), inzuigen, met vocht doortrekken, opslorpen, zuipen: The children —ed their bread in milk = weekten; To — off = losweeken; I am —ed with the rain = doornat; —er = plasregen, zuiplap; It was a —ing rain = het was een tot op de huid doordringende regen; They got a —ing = werden druipnat.

Soap, soup, subst. zeep; vleierij, steekpenning; — verb. zeepen, met zeep wasschen, vleien: Brown, Green — = groene zeep; A cake, tablet of —; They —ed the old man into leaving them his property = met mooie praatjes kregen ze hem er toe; —-boiler = zeepzieder; To blow —-bubbles = bellen blazen; —-dish = zeepbakje; —-maker; —-pan = zeepketel; —-suds = zeepsop; —-work(s) = zeepziederij; —iness, subst. v. —y = zeepachtig, glad, zacht, met zeep besmeerd; vleierig, lievig.

Soar, sö, subst. hooge vlucht; — verb. omhoog vliegen, hoog vliegen, zich hoog verheffen: He —ed above all his contemporaries = stond ver boven.

Sob, sob, subst. snik; verb. snikken.

Sober, soubə, matig, nuchter, verstandig, ernstig, bescheiden, eerbaar; — verb. ontnuchteren, kalm, ernstig worden: The departure of all my friends made me feel — = stemde me ernstig; He has slept himself — = heeft zijn roes uitgeslapen; In — earnest = kalm en ernstig; In — reason = naar de nuchtere rede, het gezond verstand; He —ed down into a sensible man = werd langzamerhand; He —ed his laugh into a smile = verminderde tot; —-headed = bezonnen; —-minded = kalm, bedaard; subst. —-mindedness; —-sides = saaie Piet; —ness = Sobriety, səbraiiti, matigheid, onthouding, gematigdheid, ernst, deftigheid.

Sobriquet, soubrikei, soubrikei, bijnaam, scheldnaam.

Socage, sokidž, bezitting, waarop heerendiensten rusten; —r = pachter v. zulk een bezitting.

Sociability, soušəbiliti, gezelligheid; Sociable, souš(i)b’l, subst. soort brik voor vier personen; driewieler voor twee personen naast elkaar, causeuse, gezellige samenkomst (Amer.); adj. gezellig, vriendelijk: (Dancing-school) —s = gesloten gezelschappen (voor dansen, etc.); —ness = gezelligheid.

Social, souš’l, maatschappelijk, sociaal, gezellig (levend): — democrats = socialisten; — evils = maatschappelijke kwalen; Ants are — insects = vormen eene maatschappij; — intercourse = gezellige omgang; — love = naastenliefde; — science = sociale wetenschap; —ism = het socialisme; —ist, subst. sociaal-democraat; adj. socialistisch: —ist of the chair = kathedersocialist; —ity, soušaliti, gezelligheid; —ize, gezellig maken, inrichten volgens de beginselen der —ists.

Societish, səsaiitiš, veel uitgaand, wereldsch; Society, səsaiiti, maatschappij, genootschap, gemeenschap, vereeniging, compagnie; de groote wereld: She was a — actress = actrice voor de groote wereld; — Islands; — journal = dagblad dat het leven der hoogere standen behelst; — paragraphs = berichten uit en over de groote wereld; — scandals = “chronique scandaleuse”; To go into — = uitgaan.

Socinian, səsinj’n, Sociniaan; —ism = de leer van Socinius.

Sociologic(al), soušəlodžik(’l), sociologisch; Sociologist = socioloog; Sociology, soušolədži, sociologie.

Sock, sok, sok, sandaal; blijspel, ploegschaar, inlegzool.

Socket, sokət, holte, kas, socket: His arm is out of the — = uit het “potje”, is ontwricht; The candles had burned down into the —s = tot in de pijp; His eyes started from their —s = puilden uit hunne kassen; —-joint = kogelscharnier; —-pole = met ijzer beslagen vaarboom (Amer.); —ed = met eene holte.

Socle, souk’l, sokkel.

Socotra, sokətrə, səkoutrə; Socotrine, sokətrin, subst. bewoner van S.; adj. tot S. behoorende.

Socrates, sokrətîz, Socrates; Socratic(al), səkratik(’l), Socratisch; Socratic method; Socratism = leer van Socrates; Socratist = volgeling van Socrates.

Sod, sod, subst. zode; — verb. met zoden bedekken; —-seat = zodenbank; —dy = met zoden bedekt.

Soda, soudə, soda; —-salt = soda-zout; —water = spuitwater.

Sodality, sədaliti, broederschap, gemeenschap.

Sodden, sod’n, adj. gekookt, doorweekt, geweekt, niet doorbakken; — verb. doorweekt worden, bezinken, doorweeken, doortrekken: — with vice = van misdaad doortrokken; A — drunkard = een groote zuiplap; A — sky = met waterdamp bezwangerde lucht; — vegetables = waterige; subst. —ness.

Sodger, soudžə = Soldier.

Sodom, sod’m, Sodom; —ite, sodəmait, bewoner van S., iemand schuldig aan —y, sodəmi.

Sofa, soufə, sofa: —-cushion; —-table.

Sofi, soufi, Mahom. monnik; Sofism = Sufismus, een Mahom. mysticisme.

Soft, soft, zacht, week, vochtig, langzaam, sullig, teeder, verliefd, vreesachtig, zoetsappig: — and fair goes far = haastige spoed is zelden goed; He is a — Johnny (Head) = onnoozele bloed; — money = papieren geld; The — sex = de teedere kunne; You have got on his — side = hij heeft een zwak voor je; — Tommy = week brood (scheepst.); —-hearted = teerhartig; —-roe = hom; —-sawder, soft-sôdə, vleierij; ook verb. = —-soap: We’ll try to —-soap him = te vleien; —-spoken = vriendelijk, zacht; Soften, sof’n, verzachten, verteederen, verweekelijken, bemantelen: He —ed at sight of his victim = kreeg medelijden; He was —ed into forgiving me = bewogen; —ing of the brain = Cerebral —ing = hersenverweeking: Softish = weekachtig; Softness = zachtheid, etc.; Softy = sul.

Soggy, sogi, doorweekt, doornat, drassig.

Soho, souhou, interj. helà! hei daar! zacht wat (jagersroep tegen de honden); Soho (souhou) Square.

Soil, sôil, subst. grond, bodem, land, smet, vlek, vuiligheid, poel; — verb. vuil maken, bezoedelen, besmetten, in den stal met versch gras voeden, purgeeren door groen voedsel: The deer has taken — = is gaan drinken; To take — = toevlucht zoeken; —-pipe = afvoerbuis (vooral voor faecaliën).

Sojourn, soudž’n, subst. tijdelijk verblijf; — verb. vertoeven, tijdelijk verblijven; —er, soudžɐ̂nə, gast, reiziger.

Soko, soukou, soort chimpansé.

Sol, sol, subst. zon, goud (in herald. en alchemie), sol (muz.); — verb. de toonschaal van ut (c) zingen = —-fa, soul-fâ, sol fâ.

Sola, soulâ, hei daar! houd op!

Solace, solis, subst. troost; — verb. troosten, opvroolijken, verlichten: To derive — from = troost scheppen; —ment = vertroosting, etc.

Solan goose, soul’ngûs, Jan v. Gent.

Solanine, solənîn, solanine.

Solano, səlânou, vochtige Oostenwind (Middell. Zee).

Solanum, səlein’m, nachtschade.

Solar, soulə, zonne....: — eclipse; — flowers = zonnebloemen; — microscope = zonnemicroscoop; — myth = zonnemythe; — spectrum; — spots = zonnevlekken; — system = zonnestelsel; — year = zonnejaar; —ization, subst. v. —ize = te lang aan het zonlicht blootstellen.

Solatium, səleišəm, schadeloosstelling.

Sold, sould, imperf. en p. perf. van to sell.

Soldan, sold’n, sultan.

Solder, so(l)də, subst. soldeersel, kleefsel; vleierij; — verb. soldeeren; —er; Soldering: —-bolt, —-iron = soldeerbout; —-lamp.

Soldier, souldžə, subst. soldaat, militair; bootafhouder (fig.); — verb. als soldaat dienen; niet meer werken dan hoog noodig is: You won’t come the old — over me = mij niet beetnemen; To go for a — (= To go (a-)—ing) = onder dienst gaan; —-like, —ly custom, discipline; —ship = krijgswezen, beleid.

Soldo, soldou, Ital. munt van 2½ cent.

Sole, soul, subst. zool, voetzool, grondvlak, tong (visch); adj. enkel, eenig, ongehuwd; — verb. van zolen voorzien: — heir; —-leather = zoolleer; — owner; —ly; —ness.

Solecism, solisizm, taalfout; ongerijmdheid; Solecistic(al) = onjuist, ontaalkundig;—verb. Solecize.

Solemn, sol’m, plechtig, formeel, stijf; statig; —ness = —ity, səlemniti, plechtigheid, statigheid, deftigheid; —ization, soləmnizeiš’n, viering, heiliging; —ize, soləmnaiz, plechtig vieren, heiligen; —ly.

Solen, soulən, zwaardscheede (weekdier).

Solent (The), dhəsoul’nt, zeeëngte tusschen Wight en Hampshire.

Soli, souli, solo’s.

Solicit, səlisit, ernstig vragen, bidden, dingen naar: To — attention; I — your kind protection = beveel me aan in; Solicitant, səlisit’nt, subst. vrager, smeeker, dinger; adj. vragend, verzoekend; Solicitation, solisiteiš’n, verzoek, verlangen, uitnoodiging; Solicitor, səlisitə, procureur die, behalve bij enkele lagere (politie)rechtbanken, nooit als pleiter, doch alleen als raadsman optreedt; —-general = Procureur-Generaal; —ship; Solicitous, səlisitɐs, bekommerd, bezorgd: I am — about (concerning, for) your welfare = bekommerd over; subst. —ness = Solicitude, səlisitjûd, bezorgdheid, angst.

Solid, solid, vast, massief, soliede, stevig, kubiek, krachtig, degelijk, eenstemmig (—s = vaste lichamen): I studied for three — hours = drie volle (dikke) uren; To get — with = tot overeenstemming komen met; Solidarity = gemeenschap in winst en verlies, gemeenschap van belangen, éénheid; Solidification = verdichting; Solidify, səlidifai, vast maken of worden, massief (degelijk) maken, verdichten: Solidified milk = gecondenseerde; Solidity, səliditi, vastheid, hardheid, stevigheid, dichtheid, soliditeit = Solidness.

Soliloquize, səliləkwaiz, eene alléénspraak houden: Soliloquy, səliləkwi, alléénspraak.

Soliped, soliped, —e, solipîd, eenhoevig dier; adj. Solipedous.

Solitaire, solitêə, versiering uit één diamant bestaande (dasspeld, manchetknoop, etc.), een spel dat men alléén kan spelen; Solitariness, subst. v. Solitary, solitəri, eenzaam, afgelegen, eenzelvig: — confinement = eenzame opsluiting; Solitude, solitjûd, eenzaamheid, verlatenheid.

Solo, soulou, (Meerv. —s of Soli), solo: The three — vocalists; —ist = solist.

Solomon, soləm’n, Salomo: —’s seal = salomonszegel; Solomonic; Solon, soul’n.

Solstice, solstis, zonnestilstand; Solstitial, solstiš’l, tot een — behoorende.

Solubility, soljubiliti, oplosbaarheid; Soluble, soljub’l, oplosbaar: — glass = waterglas; subst. —ness; Solute, səl(j)ût, oplossen; Solution, səl(j)ûš’n, oplossing, verklaring, ontbinding; Solutive = laxeerend (middel).

Solvability, solvəbiliti, oplosbaarheid: Solvable, solvəb’l, oplosbaar; subst. —ness; Solve, solv, uitleggen, verklaren, oplossen; Solvency = solvabiliteit; Solvent, subst. oplossende vloeistof; adj. oplossend, solvent: A — estate = goederen waaruit de schulden wel betaald kunnen worden.

Solway, solwei.

Soma, soumə, soort zwaluwwortel; een Indische plant, uit welker sappen een bedwelmende drank werd bereid.

Sombre, sombə, somber, zwaarmoedig, dof, duister, donker v. tint; subst. —ness; Sombrous, sombrəs, donker, zwaarmoedig.

Some, sɐm, eenige, zoowat, ongeveer: — fifty guilders = om en bij de; Let me have — of this = geef mij hier wat van; — of these days = een dezer dagen; Is there any left? Yes, there is — left = is er wat over? ja, er is wat over; Is he —body? I tell you he is a nobody = is hij iemand van beteekenis? — deal = in zekeren graad (mate); You must do it —how = op de een of andere wijze; —-such = zulk een, dergelijke; There is —thing undefinable about him = hij heeft iets “ik en weet niet wat” aan zich; Sixty —thing = een dikke 60; You —thing villain = jij vervloekte schelm; I wouldn’t be you for —thing = niet voor nog zooveel in jou plaats zijn; You will repent of it —time, I said —times to him = er eens (te eeniger tijd) ... soms; —time or other = te een of ander tijd; —time president of = voormalig; That is —time ago = al wat geleden; Let me have —what = geef mij wat; He is —what saucy = vrij brutaal; —what under 400 pages = iets minder dan; He is —where about sixteen = ± 16; I have laid it —where but I cannot find it anywhere = ergens... nergens; —where and —whiles = ergens en somtijds.

Somersault, sɐməsôlt (Somerset, sɐməset), salto mortale, duikeling.

Somers, sɐməz; Somersetshire, sɐməsetšə; Somerville, sɐməvil.

Somnambulism, somnambjulizm, slaapwandelen, somnambulisme; Somnambulist; adj. Somnambulistic(al).

Somniferous, somnifərɐs, Somnific, somnifik, slaapwekkend.

Somnipathy, somnipəthi, magnetische slaap.

Somnolence, Somnolency, somnəlens(i), slaperigheid, slaapdronkenheid, slaapzucht; Somnolent = slaperig, slaapzuchtig.

Son, sɐn, zoon: — of a gun = lammeling; leuke baas; The — of man = de Zoon des Menschen; Every Mother’s — = iedereen; —-in-law = schoonzoon; —ship.

Sonance, Sonancy, soun’ns(i), klank, toon; Sonant, subst. stemhebbende letter; adj. klinkend.

Sonata, sənɐ̂tə, sonate; Sonatina, sounətînə.

Song, soŋ, lied, gezang, zang, poëzie, kleinigheid: — of Solomon = Hooglied; Sacred — = gewijd gezang: Give us a — = zing eens wat; I bought the picture for a (mere) — = voor een appel en een ei; It’s the same — over again = het is altijd het oude liedje; —-bird = zangvogel; —-book = liederenboek; —-writer = liederendichter; —less; The feathered —sters; —stress = zangeres, zangster.

Soniferous, sənifərɐs, klinkend, klank voortbrengend.

Sonnet, sonət, subst. sonnet; — verb. sonnetten dichten; —eer, sonətîə, subst. sonnettendichter.

Sonometer, sənomətə, klankmeter; Sonorific, sounərifik, klank voortbrengend; Sonorous, sənôrəs, welluidend, hel klinkend; subst. —ness.

Sonties, sontiz, alléén in: By God’s — = waarachtig (veroud.).

Soodan, sûdân; Sooloo, sûlû: — Islands.

Soon, sûn, weldra, spoedig, vlug: No —er had he seen me, than = nauwelijks.... of; The —er the better = hoe eer hoe liever; —er or later = vroeg of laat; — got — gone = zoo gewonnen zoo geronnen; I would just as — be hanged = even lief; As — as he came = zoodra; I would —er = wou liever.

Soosoo, sûsû, dolfijn (van den Ganges).

Soot, sut, subst. roet; — verb. met roet besmeren (mesten); —iness = roetachtigheid; —ish = roeterig; —y = roetachtig, vuil.

Sooth, sûth: For, In — = voorwaar; —say = voorzèggen, voorspellen; —sayer = waarzegger; —saying = voorspelling.

Soothe, sûdh, vleien, liefkoozen, verzachten, tevreden stellen: —r.

Sop, sop, subst. iets ingedoopts of geweekts, sop(je), lekkerbeetje, een borrel (om iemand mee om te koopen); iets verzachtends; — verb. doopen, soppen, weeken: It was a — for the rage of the nation = het stilde de woede der natie; I must administer a — to my creditors = moet zien te bevredigen; —s-in-wine = soort anjelier; soort wijnappel; —per; —ping = —py = doorweekt.

Soph, sof, verk. van Sophister = student in zijn tweede jaar (= Junior —) of derde jaar (= Senior —) te Cambridge, en Sophomore = student in zijn tweede jaar (Amer.).

Sophia, səfaiə; səfîə (stad).

Sophism, sofizm, drogrede; Sophist, sofist, sophist; Sophister = drogredenaar; student te Cambridge, Zie Soph: Sophistic(al), sofistik(’l), sophistisch; Sophisticate, sofistikeit, vervalschen, verknoeien; subst. Sophistication; Sophisticator = vervalscher; Sophistry, sofistri, sophisterij.

Sophocles, sofəklîz.

Sophomore, sofəmö. Zie Soph; Sophy, soufi.

Soporiferous, so(u)pərifərɐs, slaapwekkend: — medicine; Soporific, subst. en adj. slaapwekkend (middel); Soporous, soupərɐs, Soporose, soupərous, slaapwekkend, slaperig.

Soprano, səprânou (Meerv. —s, Soprani), sopraan.

Sorb, söb, peer, lijsterbes, sorbenboom; —-apple = vrucht daarvan, sorbepeer.

Sorbet, söbət, sorbet, verkoelende (Oostersche) drank bestaande uit gestampte rozijnen met citroensap, etc.

Sorcerer, sösərə, toovenaar; Sorceress = toovenares; Sorcery, sösəri, toovenarij.

Sordes, södiz, uitwerpselen.

Sordid, södid, vuil, laag, vrekkig; subst. —ness.

Sordine, södîn, sordine.

Sore, sö, subst. pijnlijke plek, rauwe wond, zweer, éénjarige valk, vierjarig hert; adj. pijnlijk, zeer, ontstoken, hevig, gevoelig, scherp; adv. zeer: It opened the old — = reet de oude wonde open (fig.); I have got a — throat = pijn in de keel; — against my will = zeer tegen; The pessimists and —-heads = pessimisten en mopperaars; I am —ly (sadly) in want of money = heb groot geldgebrek; subst. —ness.

Sorel, sor’l = Sorrel.

Sorex, sôrəks, spitsmuis.

Sorn, sön, zijn anker ergens neerleggen of gaan logeeren zonder genoodigd te zijn; Sornar = ongenoode gast.

Sororicide, sərorisaid, sərôrisaid, zustermoord(enaar); We have fraternized or rather sororized = wij hebben ons verbroederd, of liever verzusterd.

Sorrel, sor’l, subst. (klaver)zuring; rossige of roodbruine kleur, vos (paard); adj. rossig.

Sorriness, sorinəs, droefheid, ellendigheid.

Sorrow, sorou, subst. diepe smart, droefheid; — verb. treuren, smart lijden: The —s of Werther; Every — has its twin joy = de tweeling der smart is de vreugde; He drowned his — in liquor = verzette zijne smart door drank; I heard it to my — = tot mijn leedwezen gehoord; Who goes a-borrowing goes a-—ing = borgen baart zorgen: —ful = treurig, ellendig; subst. —fulness.

Sorry, sori, bedroefd, armzalig: I am very — = het spijt me zéér; I am — to say = het spijt mij te moeten zeggen; I am — for what I have done = wat ik gedaan heb, spijt mij; He made a — figure = maakte eene armzalige figuur; To be in a — plight = ellendige toestand; It was a — sight = een treurig gezicht.

Sort, söt, subst. soort, orde, stel, manier, rang, wijze; — verb. sorteeren, samenvoegen, zich vereenigen, overeenstemmen, passen: He is a bad — = hij deugt niet; To be a good — (Too good a — for) = een beste vent (te goed voor); After a —, In a —, In some — = eenigermate, om zoo te zeggen; All —s and conditions of men = menschen van allerlei slag; Gossip of —s = allerlei onbeduidende praatjes: A poet of —s = een “stuk” dichter; I am out of —s = voel me niet lekker, ben niet monter, ben wat korzelig; We are out of —s = hebben niet meer van die letter; We run upon —s = wij moeten kolossaal veel van eene bepaalde lettersoort hebben; He — of dumbfounded me = hij deed me zoowat versteld staan; You two are well —ed = hoort net bij elkaar; I will not — with such rogues = mij niet ophouden; —er = sorteerder.

Sortes, sötîz, voorspellingen door het openslaan van een boek en ’t nemen van den eersten zin waarop het oog viel: He used to dip into the Aeneid, seeking —.

Sortie, sötî, sötî, uitval.

Sortilege, sötiledž, waarzeggen door loten.

Sori, sôrai, vruchthoopje op varenbladeren; Enkelv. Sorus.

Sot, sot, versufte dronkaard; — verb. zijn verstand verzuipen; —tish = zot, verzopen; subst. —tishness.

Sotheby, sɐthbi, southbi.

Soubrette, sûbret, soubrette.

Souchong, sûšoŋ, sûšoŋ, zwarte thee.

Souchy, sûtši, gekruide peterseliesaus bij visch.

Soudan, sudân; Soudanese.

Sough, sɐf, sau, subst. gesuis, zucht; — verb. zuchten, suizen: The — of the bellows = het hijgen der blaasbalgen.

Sought, sôt, imperf. en p. perf. van to seek.

Soul, soul, subst. ziel, hart, geest, verstand, neiging, wezen, moed: He is a good — = een goeie ziel; The — of a party = ziel (fig.); Not a — can hear us = geen schepsel hoort ons; We never see a — here = geen “christenziel”; Cure of —s = zielezorg; I could not for the — of me understand = mij ter wereld niet begrijpen; Upon my — = bij mijne ziel; With all my — = van ganscher harte; He is completely cowed by his wife and dares not (to) call his — his own = hij durft geen boe of ba zeggen: God rest his — = zijne ziel ruste in vrede; To unburden one’s — = zijn gemoed uitstorten; —-seller = zielverkooper; —-sick = zielsziek; —less = zonder hart of ziel.

Sound, saund, subst. geluid, geschal, knal, klank of toon: sond of zeeëngte, luchtblaas (van een visch), inktvisch; sondeernaald (The — = de Sont); adj. gezond, volkomen gaaf, flink, krachtig, solide, sterk, gegrond, rechtmatig, onwrikbaar, vast in de leer; — verb. klinken, weerklinken, doen klinken, schallen, uitbazuinen, bekend maken, peilen, looden, sondeeren, onderzoeken, uithooren: We arrived safe and — = gezond en wel; As — as a (bell, colt) roach = zoo gezond als een visch; As — asleep as a church = zoo vast in slaap als een mol; In — earnest = in vollen ernst; I feel on — ground = op vasten bodem; — health = goede; — horse = zonder gebreken; Yours is — reasoning = gij redeneert gezond; He got a — thrashing = een duchtig pak ransel; To — the charge = blazen tot den aanval; His praise was —ed all over the country = werd uitgebazuind; Have you —ed him on (about, as to) that subject yet = hem daarover al eens gepolst; —-board = klankbord; —-hole = klank- of galmgat; Sounding = klinkend, welluidend; subst. klinken, peilen: —s = peilbare plaats(en) in den oceaan, looding; To get on -s = ankergrond aanlooden; We lost our —s = wij konden geen grond meer vinden, waren uit ons vaarwater (fig.); We struck —s = Got on —s; To take —s = looden; —-board = klankbord; —-line = schietlood, loodlijn; —-post = plankje beneden den kam eener viool; —-rod = peilstok; Soundless = stil, zonder klank, onpeilbaar, diep; Soundness = de gelijkheid, zuiverheid, gaafheid.

Soup, sûp, soep: Portable — = soeptablet; —-kitchen = soepkokerij; —-maigre, sûpmeigə, magere soep; —-plate; —-ticket = soepkaartje; —-tureen = soepterrine.

Sour, sauə, adj. zuur, scherp, bitter, norsch, knorrig; — verb. zuur maken, verzuren, knorrig maken: That has —ed my joy = mijne vreugde vergald; Rye-bread —s on my stomach = van roggebrood krijg ik het zuur; —-crout (—-krout) = zuurkool; —-dock = veldzuring; —-dough = zuurdeeg, gist; —-faced = met een zuur gezicht; —ish = zuurachtig; —ness = zuurheid, etc.

Source, sös, bron, oorzaak, oorsprong.

Souse, saus, subst. pekel, de ooren en pooten van varkens in pekel, onderdompeling, het plotselinge neerschieten op; — verb. pekelen, onderdompelen, neerschieten op (upon) (van roofvogels); adv. plotseling, hevig.

Soutane, sûtein, toog, soutane van Roomsche geestelijken.

South, sauth, subst. zuiden, zuidelijke streken, zuidenwind; adj. zuid; — verb. zich naar het Z. bewegen: — of the island = ten zuiden van het eiland; —-down, subst. en adj. (schaap) uit de duinstreken van Hampshire en Sussex; —-east = subst. zuidoosten; adj. zuidoostelijk; —-easterly, —-eastern = zuidoostelijk; —erly, sɐdhəli, zuidelijk; —ern, sɐdhən, zuidelijk: —ern Cross = zuiderkruis (sterrenbeeld); —ernwood = soort alsem; —erner, sɐdhənə, bewoner van de Z. Staten der Amer. Unie; —ernmost = zuidelijkst; —ing, saudhing, subst. richting of beweging naar het Z.; —ward = sauthwəd, zuidwaarts(ch); —west, subst. zuidwesten; adj. zuidwestelijk; —wester, southwestə, zuidwestenwind; zuidwester; —-westerly, —-western.

Southam, saudh’m; Southampton, sauthamt’n, sɐdh(h)am(p)t’n; Southend, sauthend; Southey, saudhi, sɐdhə.

Southron, sɐdhr’n, subst. bewoner van een zuidelijk gelegen land, naam door de Schotten aan Engelschen gegeven; adj. zuidelijk.

Southwark, sɐdhək; Southwell, sauthwel, sɐdhəl.

Sovereign, sovərin, sɐvərin, subst. heerscher, opperheer, souverein, monarch, E. goudstuk van 20 shillings; adj. oppermachtig, heerschend, onovertroffen, grootste, krachtdadig: —ty = oppermacht.

Sow, sau, zeug; metaalklomp: To have (get, take) the right (wrong) — by the ear = den rechte (verkeerde) te pakken hebben (krijgen); —-backed = met krommen rug; —-bread = varkensbrood (plant); —-thistle = moes, melkdistel.

Sow, sou, zaaien, verspreiden, uitstrooien: —ing-machine.

Sowar, souâ, sauâ, inlandsch cavalerist (Brit. Ind.).

Sowerby, sauəbi; Sowter, sautə.

Soy, sôi, soja.

Spa, spâ, minerale bron, badplaats: To go to a — = naar een badplaats gaan.

Space, speis, subst. ruimte, wijdte, uitgebreidheid, duur, spatie; — verb. spatiëeren (met out): For a — = voor een tijdje; Into — = in ’t niet; In — comes grace = komt tijd, komt raad; Spacious, speišəs, ruim, uitgestrekt: A — hall = ruime, groote zaal; subst. —ness.

Spaddle, spad’l, kleine spade, schopje.

Spade, speid, subst. spade, schop (—s = schoppen in ’t kaartspel), driejarig hert, ruin, gecastreerd dier; — verb. graven, spitten: Ace, King, Queen, Knave of —s = schoppenaas, heer, enz.; He calls a — a — = noemt het kind bij zijn naam; In his speech he called —s something more than —s = droeg hij de waarheid wel wat al te naakt voor; —-bayonet = breede bajonet: —-guinea = schopjesguinje van 1787–1799 (wegens het schopvormig schild op de keerzijde); —-husbandry = bebouwing van ’t veld door diep omgraven; —ful.

Spadiceous, spədišəs, kastanjebruin.

Spadill(e), spədil, schoppenaas in omber en quadrille.

Spahee, Spahi, spâhi, ruiter bij de vroegere Turksche lichte cavalerie; Algerijnsch cavalerist in Franschen dienst.

Spain, spein, Spanje.

Spake, speik, oud imperf. van to speak.

Spalding, spôldiŋ.

Spalt, spôlt, toeslag bij ijzererts.

Span, span, subst. span, korte tijd, span paarden, etc., spanning; — verb. spannen, overspannen, afspannen (met de vingers), goed bij elkaar passen (Amer.): A beautiful — of black oxen = jok zwarte ossen; The Almighty has seen fit to shorten his — = hem vroeg van ons te nemen; Long — = 9 inch.; Short — = 7 inch.; —-long = eene spanne lang; —-roof = zadeldak; —ner = spanner, ratel, schroefsleutel.

Span, span, Imp. van to spin.

Span, span: —-clean = spiegelglad; —-new = Spick-and-—-new = fonkel(splinter)nieuw.

Spancel, spans’l, touw om de achterpooten van koeien of paarden te binden; ook verb.

Spangle, spaŋg’l, subst. loovertje; — verb. met loovertjes tooien of versieren: —d heavens = sterrenhemel; The sky was —d with luminous stars = bezaaid met.

Spaniard, spanjəd, Spanjaard.

Spaniel, spanj’l, subst. patrijshond, Bolognezer (Maltezer) schoothondje; lage vleier; adj. laag vleiend, kruipend.

Spanish, spaniš, Spaansch: — castle = luchtkasteel; — chalk = kleermakerskrijt; — fly; — woman = Spaansche.

Spank, spaŋk, subst. klap met de vlakke hand; — verb. met de open hand slaan, klappen; vlug loopen; —er = bezaan (scheepsterm); snel renpaard, iets buitengewoons, groote leugen, lange kerel; —er-boom = giek; —ing = groot, grof, krachtig, kranig, flink, aanzienlijk, levendig, vlug: A —ing breeze = krachtige bries; The grey went at a —ing pace = liep er vlug over heen.

Spar, spâ, subst. spar, rondhout, spaath, schijnstoot, vuistgevecht; —s = rondhouten; — verb. de armen uitslaan bij het boksen, met de sporen slaan, redetwisten: He was —ring away like clockwork = sloeg er automatisch op los; —ring-match = bokspartij; —ry = spaathachtig.

Sparable, sparəb’l, schoenspijker.

Sparadrap, sparədrap, hechtpleister.

Spare, spêə, adj. schraal, mager, dungezaaid, matig, spaarzaam, waarloos (scheepst.), overtollig, wat over is; — verb. sparen, over hebben, spaarzaam omgaan met, vergunnen, toestaan, kunnen missen, doen zonder, schenken, ontzien, nalaten, etc.: There was room enough and to — = er was overvloed van ruimte; A — anchor, sail = reserve (nood)anker of zeil; I have a — bedroom = nog eene slaapkamer over; — cash = geld over; A — guest-bed-chamber = logeerkamer; He made it in his — time = in zijne snipperuren; Have you any tickets to —? = heb je nog over; Enough and to — = volop; You need not — costs = geene kosten te ontzien; I will — you the trouble = u de moeite sparen; I cannot — this workman = niet missen; Could you — (me) your grammar for half an hour? = uwe grammatica missen; He did not — himself = ontzag zichzelf niet; The teacher did not — for his crying = sloeg maar toe, niettegenstaande zijn schreeuwen; — to speak, and — to speed = een grienende hond krijgt iets, een zwijgende niets; Ever —, ever bare = te veel bewaard is voor de kat bespaard; —rib = ribstuk; —ness = magerheid. Zie Sparing.

Sparge, spâdž, besprenkelen.

Sparing, spêriŋ: — of time = zuinig op; — of words = karig met woorden; — dinners = schrale diners.

Spark, spâk, subst. vonk, sprank; vroolijke Frans, bluffer, minnaar; — verb. het hof maken: He is but a dull — = een echte suffer; No — of feeling = geen greintje gevoel; The stone emitted —s = spatte vonken; His master was —ing within = zijn heer zat daarbinnen te “flirten”, te vrijen; Sparkle, spâk’l, subst. gefonkel, geflikker, glans; — verb. fonkelen, schitteren; Sparkling = fonkelend, schitterend, levendig: — wine = parelende, mousseerende.

Sparling, spâliŋ, spiering, zeezwaluw.

Sparrow, sparou, musch: Hedge — = bastaard nachtegaal; —-bill = snavel van een musch; schoenspijker; —-grass = asperge; —-hawk = sperwer.

Sparse, spâs, dun gezaaid of verspreid: The population is — = woont verspreid; subst. —ness.

Sparta, spâtə, Sparta; —n, subst. en adj. Spartaan(sch): —n broth; —n dog = bloedhond.

Spasm, spazm, kramp, krampachtige poging; —odic, spazmodik, krampachtig.

Spat, spat, imperf. en p.p. perf van to spit.

Spat, spat, subst. zaad (v. oesters), jonge oesters; — verb. zaad schieten.

Spat, spat, slobkous: He was neatly —ted = had keurige —s aan.

Spatch-cock, spatškok, gedoode en onmiddellijk daarop gebraden haan.

Spate, speit, plotseling opkomende overstrooming: Mountain streams in — = bergstroomen die hoog gezwollen zijn.

Spatter, spatə, bespatten, spatten, bekladden, “sputteren” (bij het praten); —dashes = slobkousen: —ing-leather = spatkleed.

Spatula, spatjulə (Spatule, spatjûl) spatel; Spatular, Spatulate = spatelvormig.

Spavin, spavin, spat (bij paarden): —ed.

Spawn, spôn, subst. kuit, broed, gebroed (fig.); — verb. kuitschieten, uitbroeden (fig.): This is the latest — the press has cast = het jongste prul dat de pers heeft geleverd; —er = kuiter; —ing grounds = plaatsen waar de visch kuit schiet.

Speak, spîk, spreken, uitspreken, klinken, praaien, meedeelen: They do not — now = spreken niet meer met elkaar; His life —s him a man of sweet temper = zijn leven bewijst, dat; These two facts — the whole book to the intelligent = lichten den goeden verstaander omtrent het geheele boek in; To — one’s mind = zeggen waar het op staat; This —s volumes = dit zegt meer dan boekdeelen vol; He was worth —ing fair = het was de moeite waard, mooi met hem te praten; He was a chivalrous man and spoke her fair = en sprak vriendelijk tot haar; He spoke off-hand = voor de vuist; They — well of him = gunstig over; To — at a person = iemand (in zijne tegenwoordigheid) bespreken; To — by word of mouth = zich mondeling uiten; The fact —s for itself = is duidelijk genoeg: This wine —s for itself = recommandeert zichzelf; He has no fortune to — of = zijn fortuin is niet noemenswaard; He spoke of it at some length = er uitvoerig over; — out = spreek vrijelijk; He spoke to me under his breath = fluisterde met mij; He wants to be spoken to = moet eens een standje hebben; — up = spreek luid, vrij uit; We have always spoken up for the good qualities in his poetry = hebben het altijd opgenomen voor; We spoke the ship off Dover = praaiden; Speaker = spreker, voorzitter v. het House of Commons: He is an excellent public — = uitstekend redenaar; —ship = voorzitterschap; Speaking: A — likeness = sprekende; — below the mark (within bounds) = ten minste; — on the outside = ten hoogste; — broadly, generally = in ’t algemeen gesproken; —-trumpet = scheepsroeper; —-tube = spreekbuis.

Spear, spîə, subst. speer, lans, spriet; — verb. met lans of speer doorboren of dooden, hoog opschieten; —-grass = struikgras, kweekgras; —-hand = rechterhand van een ruiter; —-head = punt v. lans of speer; —man = lansknecht; —mint = groene munt; —-side = mannelijke lijn v. een geslacht; —-thistle = speervederdistel; —-wigeon = middelste zaagbek; Greater —-wort = groote boterbloem; Lesser —-wort = egelboterbloem.

Spec, spek, verk. v. Speculation; —s = verk. v. Spectacles; ook: oogen (schertsend).

Special, speš’l, subst. persoon of zaak voor een bepaald doel aangewezen, extrablad extratrein; adj. bijzonder, buitengewoon, speciaal, extra, uitdrukkelijk, voortreffelijk: Extra — = extratijding; The newspaper —s are not in it with you = de extratijdingen der couranten halen niet bij u; — constable = burger, die bij bijzondere gelegenheden als politiedienaar wordt beëedigd en in dienst gesteld; — train; — verdict = vonnis der jury omtrent de feiten alleen; Specialist = specialiteit; Speciality, spešialiti, bijzonderheid, bijzonder geval: Chance brought him a — = het toeval speelde hem de gelegenheid in handen; Specialization = toewijding aan een bijzonder vak (van studie, etc.), aanwending of geschiktmaking van een bepaald orgaan voor bepaalde functiën; Specialize = wijden aan een bepaald vak of eene bepaalde functie; Specialty = specialiteit, bijzonder contract.

Specie, spîši, baar geld, klinkende munt.

Species, spîšîz, soort, geslacht: —-monger = peuteraar.

Specific, spəsifik, subst. onfeilbaar middel, middel voor eene bepaalde ziekte of pijn; adj. soortelijk, bepaald, onfeilbaar: A — for the toothache = onfeilbaar middel tegen; — gravity = soortelijk gewicht; — name = de naam van het geslacht of de familie; Specification = specificatie, nauwkeurige opgaaf van bijzonderheden; Specify, spesifai, in bijzonderheden vermelden, specificeeren.

Specimen, spesim’n, proef, staaltje, exemplaar: —-book = staalboek; —-page = proefblad; —-scheme of instruction = ontwerp-leerplan.

Specious, spîšəs, schoonschijnend, plausibel; subst. —ness.

Speck, spek, subst. vlek, smet, blaam, deeltje, stip; spek (v. walvisch); — verb. bespikkelen; Speckle, subst. spikkel; — verb. bespikkelen; —d = gespikkeld; subst. —dness; Speckless = vlekkeloos.

Spectacle, spektək’l, schouwspel, vertoon(ing): A pair of —s = een bril; To look through very roseate —s = door een erg rooskleurigen bril kijken (fig.); He wears —s = draagt een bril; —-case = brillenhuisje; —-frame = montuur; —-glass; —-snake = brilslang.

Spectacular, spektakjulə, bij wijze van schouwspel of vertooning; Spectator, spekteitə, toeschouwer; Spectatress, Spectatrix, spekteitrəs (—triks), toeschouwster.

Spectral, spektr’l, spookachtig, spook...; spectraal: — analysis; Spectre, spektə, spook, geestverschijning: The — of the salt = het spooksel van rang- en standverschil; The — self = de spookgestalte, het visioen.

Spectroscope, spektrəskoup, spectroscoop; Spectrum, spektr’m, spectrum: Solar —; — analysis = spectraal analyse.

Specular, spekjulə, als een spiegel, spiegelend, spiegel...

Speculate, spekjuleit, overpeinzen, bespiegelingen maken; speculeeren; Speculation, spekjuleiš’n, overpeinzing, bespiegeling; speculatie; een kaartspel; Speculative, spekjuleitiv, bespiegelend, theoretisch, speculatief: — beet-market = termijnmarkt v. bietsuiker; subst. —ness = ondernemingsgeest; Speculator, spekjuleitə, theoreticus; speculant.

Speculum, spekjulɐm, metalen spiegel: Ear, Nose —; — oculi = oogspiegel; — oris = mondspiegel.

Sped, sped, imperf. en p.p. van to speed.

Speech, spîtš, taal, spraak, redevoering: The parts of — = rededeelen: He delivered (made) a brilliant — = hield eene schitterende redevoering; No —making, please = houd je redevoeringen voor je, alsjeblieft; —-day = jaarl. prijsuitdeeling in scholen met de van buiten geleerde lesjes der leerlingen; —-maker = redevoeringenhouder; —ify = toespraken houden; —less = sprakeloos, stom; —less with amazement = stom van verbazing; subst. —lessness.

Speed, spîd, subst. spoed, snelheid, bespoediging, voorspoed; — verb. haast maken, snellen, begunstigen, doen bloeien, uitvoeren, goed succes, of: het beste wenschen, varen: We were steaming on at full — = met volle kracht; The horseman was spurring on at the top of his — = spoorslags; Good — = goed succes! How —s life under your roof? = hoe vaar jullie allen; May God so — me as I wish your welfare = moge God zóó met mij zijn als ik u het beste wensch; To — the parting guest = een heilwensch toebrengen; We sped on through the forest = snelden voort; —well = eereprijs (plant); —er; —ily = —y; —iness = spoed; —y = spoedig, haastig, snel.

Spell, spel, subst. tooverformule, betoovering; aflossing, hulp, rust, arbeidsduur, wacht (op het schip), tijdje; — verb. betooveren, beschutten, beteekenen, spellen, ontcijferen; aflossen: — and — = om de beurt; To take — and — = elkaar aflossen; We had a — of rainy weather = een tijd van regenachtig weer; He spoke for some minutes at a — = achtereen; The birdie was under the serpent’s — = kon van angst voor de slang niet weg, was door de slang als behekst; To cast (lay, set) a — on = betooveren, beheksen; He had laid the public mind under a — = den geest van ’t volk betooverd; I can — out this lesson if necessary = dit lesje met wat moeite lezen; How does it —? hoe spelt men dat; It has become a proverb that Shakespeare —s ruin = dat opvoeringen van de stukken van S. zwaar verlies opleveren; —-bound = —-stopped = betooverd; —er: He is a bad —er = kan niet zonder spelfouten schrijven; —ing: —ing-bee = wedstrijd (gew. voor de aardigheid) in het spellen; —ing-book = spelboek; —ing reform faddists = verwoede spellinghervormers.

Spellicans, spelik’nz = staafjes van stroo, hout of ivoor, gebruikt bij het knibbelspel; dit spel zelf.

Spelt, spelt, imperf. en p.p. van to spell.

Spelt, spelt, spelt.

Spelter, speltə, ongezuiverd zink.

Spencer, spensə, spencer.

Spend, spend, uitgeven, verteren, doorbrengen, besteden, afmatten, uitputten, verliezen: To — and be spent = geld en krachten opofferen; To — one’s breath = te vergeefs praten; We were invited to — the evening there, but —ing the evening did not begin until 10 = den avond door te brengen, maar de vroolijkheid begon eerst tegen 10; To — money on a garden = besteden aan; The horse had spent its strength = was doodaf; You — your words in vain = je verspilt je woorden te vergeefs; —er; —thrift = verkwister; adj. verkwistend.

Spenser, spensə, Edm. Spenser; —ian, spensîriən: The —ian stanza = bepaalde versbouw van Spenser’s Faery Queene.

Spent, spent, P. Imp. en P.P. van to spend, uitgegeven, afgemat, doodop: A — rifle-shot = matte kogel; A horse quite — = doodop; — with hunger and fatigue = uitgeput.

Sperm, spɐ̂m, zaad, kuit; —-oil = spermaceti olie; —-whale (—aceti-whale) = spermaceti walvisch, cachelot; Spermaceti, spɐ̂məsîti, spɐ̂məseti, spermaceti; Spermatozoon, spɐ̂mətəzou-on, spermatozoïde.

Spew, spjû, braken.

Spey, spei.

Sphacelate, sfasileit, door koudvuur aangetast worden, versterven, wegvreten; subst. Sphacelation; Sphacelus, sfasilɐs, koudvuur, kanker, beeneter.

Sphagnum, sfagn’m, veenmos.

Sphenodon, sfînədon, hagedis (N.-Zeeland).

Sphenoid, sfînôid, wigvormig: — bone.

Sphere, sfîə, subst. bol, hemellichaam, globe, kring, loopbaan, schijf, omvang, gebied, rang, klasse, lucht, hemelgewelf; — verb. onder de hemellichamen plaatsen, rood maken: — of action; — of influence; To be summoned to a wider — of usefulness (van predikanten); That is out of my —, within my — = ligt buiten (binnen) mijn gebied of (werk)kring; —-melody, —-music = de harmonie der sferen; Spherical, sferik’l, bolvormig: — triangle = boldriehoek; — trigonometry = boldriehoeksmeting; Sphericity, sfərisiti, bolvormigheid; Spheroid, sfîrôid, spheroïde.

Sphinx, sfiŋks, sfinx.

Spicate, spaikit = Spicous.

Spice, spais, subst. specerij, bijsmaak, zweempje; — verb. kruiden: He has a — of the wilful in his character = is wat eigenzinnig; —-bush (—-wood) = benzoëboom; The — Islands = de Molukken; —ry = specerijen in ’t algemeen, specerijbergplaats; Spiciness = kruiderigheid.

Spick, spik, nagel, spijker: —-and-span = spiksplinternieuw.

Spicous, spaikəs, arendragend.

Spicular, spikjulə, met scherpe punten, gebaard; Spiculate, spikjulit, adj. bedekt met fijne punten; Spicule, spikjûl, (ijs)naald.

Spicy, spaisi, geurig, pikant.

Spider, spaidə, spin, driepoot: To step into the parlour of the — = in de val loopen; —-catcher = muurkruiper; —-crab = zeespin; —-web = spinrag; —’s web = spinneweb.

Spigot, spigət, zwikje (in een vat).

Spike, spaik, subst. aar; lange spijker, nagel, pin, stekel, doorn; — verb. vernagelen: This argument —d his battery = bracht hem tot zwijgen; To — guns = vernagelen; —-lavender = smalbladige lavendel; —-nail = lange nagel; —-team = driespan (Amer.); Spiked: — fence = schutting met spijkers erop; — helmet.

Spikenard, spaiknâd, spaiknəd, nardus(olie).

Spiky, spaiki, met scherpe punten.

Spile, spail, pen, spil, staak, paal.

Spill, spil, subst. fidibus; val, tuimeling; “krach”; — verb. storten, vergieten, morsen, doen vallen, omwerpen; bak brassen (scheepst.): He twisted a piece of paper into a —; —s are of common occurrence = ongevallen komen vaak voor; —ing-lines = geilijnen, gordingen. Zie Spilt.

Spillikins. Zie Spellicans.

Spilt, spilt, imp. en p. perf. van to spill: It is no use crying over — milk = gedane zaken nemen geen keer.

Spin, spin, subst. het spinnen of draaien, snelle, onafgebroken beweging, snelle rit of loop; — verb. spinnen, lang rekken, doen draaien, snel ronddraaien, zich snel voortbewegen, voortsnorren, zakken, etc.: Your life is not worth the — of a farthing = is geen duit waard; A — on a bicycle = toertje; He was spun at courting = liep een blauwtje; He was spun at the examination = hij zakte; I’m glad that the prig has got spun = dat die verwaande fat den wind van voren kreeg, zakte; The carriage was seen —ning along the road = zag men voortsnorren; The blow sent him —ning back = deed hem achteruit vliegen; The blood spun from the wound = gutste uit; To — round = ronddraaien; To — a top = zetten; I will — you a yarn = een verhaal doen (gew. uit het zeemansleven); —-drift = nevel van opgewaaid schuim; —-text = langdradig prediker; —ner = spinner, spinmachine, spinnekop: A capital —ner of a yarn = verteller; —neret = spinklier; —nery = spinfabriek; —ning: —ning-jenny = spinmachine; —ning-mill = spinfabriek; —ning-wheel = spinnewiel.

Spinaceous, spineišəs, tot de spinazieplanten behoorende; Spinach, Spinage, spinidž, spinazie: All gammon and — = allemaal bedriegerij.

Spinal, spain’l, tot de ruggegraat behoorende: — column = ruggegraat; — consumption = ruggemergstering; — cord (— marrow) = ruggemerg; — curvature = verkromming; Spine, spain, doorn, stekel, ruggegraat, rug.

Spindle, spind’l, spoel, dunne en puntige as, spille-linie, dunne stengel: Her mouth is a —-edition of her uncle’s = de vrouwelijke pendant van; —-legged, —-shanked = met spillebeenen; —-legs, —-shanks = spillebeenen; —-shaped = spoel- of spilvormig; —-side = vrouwelijke (spille) linie.

Spinescent, sp(a)ines’nt, doornachtig; Spiniferous, spainifərɐs, doornig, doornen hebbend.

Spink, spiŋk, boekvink, schildvink.

Spinnaker, spinəkə, groot bijzeil van yachts.

Spin(n)et, spinət, spinet.

Spinn(e)y, spini, struikgewas, boschje.

Spinose, spainous, spainous, doornig, vol doornen; Spinosity, spainositi, doornigheid, netelige kwestie; Spinous, spainəs = Spinose.

Spinozism, spinouzism, spainəzizm, wijsgeerig stelsel van Spinoza; Spinozist = volgeling van S.

Spinster, spinstə, jonge dochter, ongetrouwde vrouw; ook adj.; —hood = —ship.

Spiny, spaini, doornig, moeielijk, delicaat.

Spiracle, sp(a)irək’l, luchtgat, luchtbuis.

Spiraea, spairîə, spiraea.

Spiral, spair’l, subst. spiraal; adj. puntig, met eene spits, kronkelend, schroefvormig: — spring = spiraalveer; — staircase, stairway = wenteltrap.

Spirant, spair’nt, schuringsgeluid.

Spire, spaiə, subst. sprietje, halm, spits toeloopend voorwerp, top, torenspits, spiraallijn; — verb. zich verheffen als eene piramide of spits, uitspruiten, opschieten.

Spires, spaiəz, Spiers.

Spirit, spirit, subst. geest, leven, levenskracht, geestverschijning, spook, geestkracht, opgewektheid (gew. meervoud), aard, temperament; geestrijke dranken (steeds meerv.); — verb. bezielen, aanvuren, in stilte wegvoeren of doen verdwijnen: The (Holy) — = de H. Geest; Father, Son and —; Evil (Good) — = kwade (goede) geest; Public — = belangstelling in de publieke zaak; — of the age (time) = tijdgeest; — of turpentine; — of wine; Animal —s = opgewektheid; Ardent —s = spiritualiën; Choice —s = buitengewone geesten; To be in —s = opgewekt, vroolijk; dronken; He was in low, in high —s = terneergeslagen, opgewekt; His flow of —s was wonderful = zijne vroolijkheid; You cannot raise a person’s —s = iemand opmonteren; She recovered her —s = kreeg haar bewustzijn terug; It was —ed away = verdween ongemerkt; The servant was —ed out of the country = in alle stilte buiten het land gebracht; —-lamp = spirituslamp; —-level = luchtbelwaterpas; —-license = vergunning; —-rapper = geloover in —-rapping = spiritistische manifestaties, zooals geklop, het bewegen van tafels, enz.: She has gone stark mad on the —-rapping imposition = die spiritistische koolverkooperij heeft haar stapelgek gemaakt; —-trade = handel in spiritualiën; Spirited = bezield, levendig, opgewekt: Dull-— = saai, suf; A high-— man = fier; Low-— = terneergeslagen; Mean-— = laag; Narrow-— = bekrompen; —ism = spiritisme; —ist = spiritist; —less = geesteloos, terneergeslagen, suf; Spiritual, spiritjuəl, geestelijk, onstoffelijk, verstandelijk: — adviser = geestelijk adviseur; — court = geestelijk gerechtshof; — wife = elke volgende vrouw na de eerste, bij de Mormonen; —ism = geestelijke aard, leer dat geest geheel onderscheiden is van stof, spiritisme; —ist = spiritist; —istic, spiritjuəlistik: —istic meetings = spiritistische bijeenkomsten; Spirituality, spiritjualiti, onstoffelijkheid, geestelijke aard; Spiritualities = inkomsten v. een bisschop; Spiritualization, subst. v. Spiritualize, spiritjuəlaiz, geestelijk maken, met geest bezielen, eene geestelijke beteekenis geven; Spirituous, spiritjuəs: — liquor = sterke drank; Spiritus = ademhaling; spiritus: — asper = geaspireerde letter; — lenis = niet geaspireerde letter; Spirometer, spairomətə, spirometer.

Spirt, spɐ̂t. Zie Spurt.

Spiry, spairi, spits.

Spit, spit, subst. (braad)spit, landtong, spadevol (spit), speeksel, koekoeksspog (v. het schuimbeestje), evenbeeld; — verb. aan het spit steken, doorboren, spuwen: That boy is the (dead) very — of his father = evenbeeld zijns vaders; He was spat upon (at) everywhere = men spuwde op (naar) hem; —box = —toon; —fire = driftkop.

Spitalfields, spit’lfîldz.

Spitchcock, spîtškok, subst. speetaal; — verb. aal in de lengte splijten en braden.

Spite, spait, subst. spijt, wrok, wrevel, kwaadaardigheid; — verb. kwaadaardig dwarsboomen, krenken, kwellen: I did it (in) — of warnings = ten spijt van; I bear you a — = koester wrevel (wrok) tegen u; —ful = spijtig, kwaadaardig; subst. —fulness.

Spittle, spit’l, speeksel; Spittoon, spitûn, spuwbak, kwispeldoor.

Splash, splaš, subst. bemoddering, plons, geplas, geklater; — verb. bespatten, beslijken, plassen, klateren: He made a big — = baarde heel wat opzien; The undertaking is sure to make a — in the book world = zal heel wat opzien baren; The — of the great fountain = het klateren; —-board = spatbord; —er = spatbord; —y = modderig, slijkerig; chic.

Splatter, splatə, plassen, klateren; —-dash = spektakel.

Splay, splei, subst. binnenwaartsche verwijding v. eene opening; adj. buitenwaarts gekeerd, lomp, plomp; — verb. naar binnen verwijden; —-foot = buitenwaarts gekeerde voet; —-mouth = groote mond, scheeve mond; —-shouldered = kreupel.

Spleen, splîn, milt, miltzucht, zwaarmoedigheid, wrok, toorn, haat: To vent one’s — on = zijn wrok koelen aan; —-sick = miltzuchtig, zwaarmoedig; —ful = toornig, gemelijk, zwaarmoedig = —ish = —y.

Splendent, splend’nt, schitterend; Splendid, splendid, prachtig, luisterrijk, rijk, weelderig, grootsch: We gained a — victory over the enemy = eene glansrijke overwinning; subst. —ness; Splendour, splendə, pracht, praal, glans: Sun in — = de zon voorgesteld met menschengelaat en door stralen omringd (Herald.); Splendrous, splendrəs, prachtig.

Splenetic, splənetik, gemelijk, slecht geluimd; subst. hypochonder; Splenic, splenik: — fever = miltvuur; Splenitis, splənaitis, ontsteking van de milt.

Splice, splais, subst. splitsing; — verb. splitsen, trouwen: He ran over to England to get —d = om te trouwen; To — the main brace = bezaanschoot aantrekken (een extra oorlam geven).

Splint, splint, splinter, spalk; —er, splintə, subst. splinter; — verb. splinteren; —er-bar = zwengelhout; —er-proof = bomvrij; —ery = uit splinters bestaande, als splinters, schilferig, met schilfers.

Split, split, subst. scheur of barst, scheiding, verdeeling, scheuring, halve flesch; adj. gescheurd, verdeeld, gescheiden; — verb. scheuren, splijten, scheiden, bersten, (ver)klappen, stranden, mislukken: — Infinitive = de door een bijw. gescheiden deelen v. een infinitive, zooals: Allow me to heartily congratulate you; To — a bottle of wine = met zijn tweeën drinken; Two brandies and a soda — = en een fleschje soda-water voor 2 personen; To — the difference = deelen; To — one’s votes = op kandidaten van verschillende partijen stemmen; We — (our sides) with laughing = barstten van lachen; The ship — on a rock = werd tegen eene rots verbrijzeld; He has — on a rock = is niet geslaagd, in zijne verwachtingen bedrogen; To — upon = een medeschuldige verklappen; —-peas(e) = spliterwten; A —ting headache = razende, brekende hoofdpijn.

Splosh, sploš, geld.

Splotch, splotš, vlek, smet; adj. —y.

Splutter, splɐtə, subst. gespat, gesputter, geraas, drukte; — verb. spatten, sputteren: My pen —ed = spatte; —er.

Spoil, spôil, subst. buit, plundering, roof; — verb. rooven, plunderen, bederven, schaden, verijdelen: The soup would have —ed = zou bedorven zijn; A —ed child; He —ed me of the best furniture I had = beroofde mij van; He came in, and was —ing for a fight in a minute = en dadelijk jeukten hem de handen om te vechten; —-sport = spelbederver; —er.

Spoke, spouk, spaak, sport, remketting: I’ll put a — in your wheel = eene spaak in het wiel steken.

Spoke, spouk, —n, spouk’n, imp. en p.p. van to speak: To be well (ill) —n = zich keurig (slecht) uitdrukken: (on)vriendelijke woorden gebruiken; Spokesman = woordvoerder, voorspraak.

Spoliate, spoulieit, (be)rooven, plunderen; subst. Spoliation; Spoliator = roover, plunderaar.

Spondaic, spondeiik, uit een spondeus bestaande; Spondee, spondî, spondeus.

Sponge, spɐnž, subst. spons, gerezen deeg, spoor v. een hoefijzer, klaplooper, tafelschuimer, kanonwisscher; — verb. (af)sponzen, uitwisschen, inzuigen, klaploopen; rijzen (van deeg): He chucked, threw up the — = hij gaf zich gewonnen; Let us pass a — over it = de spons er over halen (fig.); —-cake = een spongieus gebak; —let = sponsje; That fellow is a downright —r = een echte klaplooper; Sponginess = sponsachtigheid; Sponging-house, spɐnžiŋhaus, huis van een gerechtsdienaar waar gijzelaars 24 uur werden gehouden om hun vrienden gelegenheid te geven voor hen te betalen; Spongy = sponsachtig.

Sponsion, sponš’n, borgtocht.

Sponsor, sponsə, borg, peetvader, peetmoeder: The poor child was barely —ed = had zoo te zeggen niemand, die het onder zijne vleugels nam; To stand — = borg (peet) zijn voor; He had stood — for her dramatic talent = had ontwikkeld; —ial, sponsôriəl, tot een sponsor behoorende; —ship.

Spontaneity, spontənîiti, vrijwilligheid, eigen aandrift; Spontaneous, sponteinjəs, vrijwillig, uit eigen beweging, spontaan, in ’t wild groeiend, zelf...: — combustion = zelfont- en zelfverbranding; — generation; subst. —ness.

Spontoon, spontûn, soort kleine piek.

Spoof, spûf, bedrog: To play — = bedriegen.

Spook, spûk, spook; — verb. spoken.

Spool, spûl, spoel, klos.

Spoom, spûm, lenzen (scheepst.).

Spoon, spûn, subst. lepel, kolfstok, sukkel; liefje; — verb. met een lepel eten, vangen (met lepelhaak) “flirten”, vrijen: To be past the — = de kinderschoenen ontwassen; Brought up with a — = met kunstmatig voedsel grootgebracht; Don’t stand staring like a — = sta daar niet zoo ezelachtig te gapen; He is dead —s on the girl = hij is “smoorlijk” op het meisje; He is the wooden — = hij is de laagste op de ranglijst bij het wiskundig Honours Exam. voor den B.A. graad te Cambridge; Dessert-—, Gravy-—, Table-—, Tea-— (in Sport Slang respectievelijk 10, 20, 15 en 5 duizend £); He has —ed her for ever so long = hij heeft naar haar gevrijd; He had all the tackle, necessary for —ing pike = om snoek met een lepelhaak te vangen; —-bill = lepelaar (zwemvogel); —-diet = soep-dieet; —-meat, —-victuals, —vit’lz = lepelkost; —-wort = gewoon lepelblad; —ful; —(e)y, subst. sukkel, hals; adj. sullig, “smoorlijk”: He is —(e)y on her = vol verliefd op haar.

Spoon-drift, spûndrift, opgejaagd, warrelend schuim.

Spoor, spûə, subst. spoor (v. een dier); — verb. een spoor volgen (Z. Afr.).

Sporadic(al), spəradik’l, verspreid, sporadisch voorkomend: — plants, — disease.

Spore, spö, spoor (bij cryptogamen); Sporiferous, spəriferɐs, sporen dragend.

Sporran, spor’n, tasch of beurs der Hooglanders.

Sport, spöt, subst. vermaak, spel, tijdverdrijf, scherts, (voorwerp van) spot, speeltuig (fig.), speling, sport; — verb. zich vermaken of verlustigen, spelen, geuren met, varieeren (biolog.): In (For) — = uit de grap; — of nature = speling; That is — to him = dat doet hij spelend; He made — of (with) me = hield me voor ’t lapje; I won’t spoil — = de spelbreker zijn; To spoil a person’s — = een streep door de rekening halen; He —s a gold watchchain = geurt met een gouden horlogeketting; —ful = vroolijk, dartel, uit de grap; Sporting: —-dog = jachthond; I am not a — man = ben geen sportsman; —-paper = sportblad; Sportive = vroolijk, speelsch, wat op sport betrekking heeft: His — knowledge is very wide = hij is van sport geheel op de hoogte; Sportsman = iemand die aan sport doet, jager: —like = zooals een sportsman past; —ship = bedrevenheid in en liefde voor sport; Sportswoman = vrouw die aan sport doet.

Spot, spot, subst. spat, vlek, smet, klad, plek(je), oog, acquit (bilj.); — verb. besmetten, bevlekken, marmeren, bespikkelen, acquit geven, herkennen, indentificeeren, ontdekken, snappen: Do it on the — = onmiddellijk; That went to the — = die was raak; Dove-colour —s with the rain = vlekt; I —ted it at once = ik snapte het dadelijk; He attacked Mr. “Spots” with his sword = den luipaard; —-ball = de roode bal; —-hazard = stoppen van den rooden bal van ’t acquit in een der bovenzakken; —-price = naaste prijs; —-stroke = een serie van —-hazards: —less = vlekkeloos; subst. —lessness; —ted = gevlekt, bont: —ted fever = vlektyphus; —ter = detective, tramcontroleur (Amer.); —tiness, subst. v. —ty = vol vlekken, gespikkeld.

Spousal, spauz’l, subst. huwelijk, bruiloft (gew. meerv.); adj. huwelijks - - -, echtelijk: — ring = trouwring; Spouse, spauz, gemaal, gade: The — of Christ.

Spout, spaut, subst. tuit, pijp, buis, spuit, waterstraal, soort lift voor goederen (vooral in de pandjeshuizen); — verb. uitgieten, spuiten, met vertoon of hoogdravend spreken (declameeren), verpanden: My watch is up the — = is bij “Oome Jan”; He —ed some poetry of Byron = reciteerde (ironisch); If I had a gold watch, I would — it like a shot = ging het dadelijk naar den lommerd; —er = hoogdravend redenaar of acteur; walvisch.

Sprain, sprein, subst. verrekking, verstuiking; — verb. verrekken, verstuiken: I have —ed my ankle = mijn enkel verstuikt.

Sprang, spraŋ, imperf. van to spring.

Sprat, sprat, sprot: To throw (To fling away) a — to catch a whale = een spiering uitwerpen om een kabeljauw te vangen.

Sprawl, sprôl, languit en nonchalant (gaan) liggen, zich rekken, spartelen; onregelmatig ontplooien (v. cavalerie): To go —ing = languit neervallen.

Spray, sprei, subst. schuim, sproeiregen, irrigator, sproeier; takje, rijsje; verb. (be)sproeien.

Spread, spred, subst. uitgebreidheid, omvang, uitgestrektheid, ontplooiing, disch; — verb. zich uitstrekken, verbreiden, ontplooien, verspreiden, dekken, spreiden, bijzetten, smeren: The pea-cock —s his tail = pronkt; Yours is a good figure for our artist to — himself on = aan uwe taille kan onze coupeur zijne kunst eens toonen (Amer.); You — it thin = gij smeert de boterhammen dun; The report was — abroad everywhere = werd overal bekend gemaakt; The table was — (over) with good cheer = het was een welvoorziene disch; —-eagle, subst. adelaar met uitgespreide vleugels (herald.); gebraden, opengesneden en met truffels opgediende vogel; adj. bombastisch, ijdel: To make a —-eagle of a person = voor de brits geven; —-eaglism = bombast, grootspraak; nationale bluf, chauvinisme (Amer.); —er = spatel.

Spree, sprî, pret, drinkgelag: On the — = aan den boemel: Berlin is a merry town, being always on the —.

Sprig, sprig, subst. takje, rijsje, stift; — verb. m. takjes of bloemen versieren, spijkertjes slaan in; —gy = vol takjes of spruitjes.

Spright, sprait, subst. geest, gesteldheid; — verb. rondwaren, spoken; —liness, subst. v. —ly = levendig; vroolijk, opgewekt, dartel.

Spring, spriŋ, subst. sprong, veerkracht, veer, drijfveer, bron, lente, fontein; — verb. springen, opspringen, ontspringen, voortkomen, opkomen, aanbreken, opschieten, doen springen, boren, opjagen (van wild): The lion took a — = deed in eens een sprong; He sprang at us = sprong naar ons toe; The water —s forth from the earth = borrelt uit den grond; He had sprung from the people = was voortgekomen uit; All his faults — from neglect = komen uit achteloosheid voort; The mountain-goat sprang on from rock to rock = sprong van rots tot rots; Plants — (up) from the earth = komen uit den grond; The diplomat sprang this treaty on the congress = verraste het congres met; The death of the heroine is sprung upon the reader = de schrijver valt den lezer onverhoeds op het lijf met; To — a leak = een lek krijgen; The police sprang their rattles = sloegen hunne ratels op; To — a well = graven, boren; —-bed = springveermatras; —-board = springplank; —bok = antilope (Z. Afr.); —-carriage = rijtuig op veeren; —-cart = karretje op veeren; —-chicken = piepkuiken; —-halt = hanespat (v. een paard); —-head = fontein, bron, oorsprong; —-mattress; —-tide(s) = springtij; —-time = lentetijd; —-wheat = zomertarwe; —al, spriŋg’l, spring-in-’t-veld; —er = springer, opjager van wild, naam voor springbok en jonge dolfijn; —iness = elasticiteit; —ing: —ing-board = springplank: He used his position as a —ing-board to higher flights; —y, spriŋi, elastisch.

Springe, sprinž, subst. strik, lus, valstrik; — verb. strikken, in een strik vangen.

Sprinkle, spriŋk’l, subst. gesprenkel, stofregen (= — of rain); — verb. (be)sprenkelen, sprengen, bestrooien, stofregenen: To — the linen; The floor had been —d with sand = met zand bestrooid; —r = sprengvat (-kwast); Sprinkling = sprenkeling, sprankel: He has got a — of Spanish = weet een hap en een snap van het Spaansch; There was a fair — from the two universities at the meeting = de beide hoogescholen waren op de bijeenkomst vrij goed vertegenwoordigd.

Sprint, sprint, korte, snelle wedloop (= —-race); — verb. er hard van door gaan; —er = deelnemer aan een —-race.

Sprit, sprit, subst. spriet, boegspriet; —sail = sprietzeil.

Sprite, sprait, geest, kabouter.

Sprod, sprod, zalm in het tweede jaar.

Sprout, spraut, subst. spruit, loot; — verb. (uit)spruiten, opschieten: —s = spruitjes.

Spruce, sprûs, subst. gewone spar; adj. netjes, keurig, vlug, piekfijn; — verb. keurigjes opschikken of opflikken; —-beer = jopenbier, bier waarbij de bladen en takjes van de —-fir (soort spar), in plaats van hop worden gebruikt; subst. —ness = keurigheid.

Spruit, sprût, stroompje: A little — or runnel of water (Z. Afrika).

Sprung, sprɐŋ, part. perf. van to spring.

Spry, sprai, levendig, vlug, wakker; bij-de-hand, glad (Am.): As — as a lark = zoo vlug en vroolijk als een leeuwerik.

Spud, spɐd, korte spade om wortels uit te graven, alles wat kort en dik is, dwerg, aardappel.

Spume, spjûm, subst. schuim; — verb. schuimen; Spumescence, spjûmes’ns, het schuimen; Spumescent, spjûmes’nt, schuimend; Spumous, spjûməs, schuimend, sponsig.

Spun, spɐn, imperf. en p. perf. van to spin: — butter = door een zeef geperste boter; — glass; — hay = gesponnen hooi (mil.); — silver; — yarn = schiemansgaren.

Spunge, spɐnž. (Zie Sponge): Her black gown was —d and turned and lengthened into something like decent mourning = werd geperst en gekeerd en verlengd tot ze een fatsoenlijke rouwjapon geleek.

Spunk, spɐŋk, tonder, zwam; vuur, geest; — verb. ontvlammen: Man of — = driftkop; —y = vurig.

Spur, spɐ̂, subst. spoor, prikkel, spoorslag, aansporing; hoofdwortel, uitlooper van een gebergte, sneb, kniestuk, moederkoren; — verb. de sporen geven, aanzetten, van sporen voorzien, zich haasten, snel rijden: To clap (give, put, set) —s to, To strike with the —s = de sporen geven, aansporen; The horse did not obey the rider’s — = luisterde niet naar de sporen; To win one’s —s = zijne sporen verdienen (fig.); He did not know what to say on the — of the moment = zoo gauw zou antwoorden; He acted on the — of the moment = hij volgde zijne ingeving; He was —ring on at the top of his speed = hij reed spoorslags voort; —-gall, subst. spoorwond; —-royal = gouden munt uit den tijd van Eduard VI; —-rowel = spoorraadje; —-way = rijpad; —-wheel = tandrad; —less; —red rye = moederkoren; —rer; —rier = sporenmaker.

Spurge, spɐ̂dž, wolfsmelk; —-laurel = laurierbladig peperboompje.

Spurious, spûriəs, onecht, valsch: Yours is a — edition = is een nadruk; — shillings; subst. —ness.

Spurling, spɐ̂liŋ, spiering, zeezwaluw; —-line = lijn van het stuurrad naar den “verklikker” in de kajuit.

Spurn, spɐ̂n, subst. smadelijke verwerping of behandeling; — verb. verachten, versmaden: I — doing this action = acht het beneden me dit te doen; —er.

Spurry, spɐri.

Spurt, spɐ̂t, subst. krachtige straal, aandrang, korte en plotselinge inspanning; — verb. uitspuiten, zich plotseling tot het uiterste inspannen: I heard the quick — of a match and he lit another cigar = het plotseling knappen (knetteren) van een lucifer; He tried to get a — of work out of me = trachtte gauw wat werk van mij gedaan te krijgen; He made (put on) a — and won = hij zette voor ’t laatst krachtig aan; He was —ing for the goal = deed op het laatste moment krachtig zijn best om den eindpaal te bereiken.

Sputter, spɐtə, subst. gespat, herrie; — verb. sputteren, spatten: He —ed at me = hij voer hevig tegen mij uit = —ed his gall; —er.

Sputum, spjûtəm, speeksel, fluim(en); meerv. Sputa.

Spy, spai, subst. spion; — verb. in ’t oog krijgen, bespeuren, ontdekken, spionneeren, bespieden, navorschen: Don’t — into it = vorsch er niet naar; I Have not been able to — it out = het uit te vorschen; —-boat = adviesjacht; —-glass = kijker; —-hole = kijkgat; —-mirror = spionnetje.

Squab, skwob, subst. jonge duif, jong ding, soort van rustbank, kussen; adj. kort en dik, plomp, nog ongevederd; — verb. plomp neervallen; adv. plomp: He fell — into the pit = viel plompverloren; —-pie = duivenpastei; —bish = log, plomp.

Squabble, skwob’l, subst. ruzie, gekrakeel, geharrewar; — verb. krakeelen, twisten, scheef zetten; —r = ruziemaker.

Squabby, skwobi = Squabbish.

Squad, skwod, escouade, sectie, rot: Awkward — = troep rekruten, nog niet genoeg geoefend om in de compagnieschool mee te doen; Servile — = meiden en knechts (scherts.).

Squadron, skwodr’n, troep soldaten, escadron, eskader; — verb. tot squadrons vormen.

Squalid, skwolid, vuil, erg smerig, armelijk; subst. —ity, skwoliditi = —ness.

Squall, skwôl, subst. bui, windvlaag, gil; — verb. stormen, gillen: You may look out for —s = moogt op uw hoede zijn; —er = giller, gillend kind; —y = stormachtig, buiig, dreigend: —y weather = buiig.

Squalor, skwolə, skweilə, vuilheid.

Squamiferous, skwəmifərɐs, geschubd; Squamiform, skweimiföm, schubvormig; Squamoid = schubbig; Squamose, skweimous, Squamous, skweiməs, met schubben bedekt.

Squander, skwondə, verspillen, verkwisten, weggooien; —er.

Square, skwêə, subst. vierkant, plein (met een tuin in ’t midden), escadron, ruit, kwadraat, quadrille, winkelhaak, (glas)ruit (= — of glass), carré; adj. vierkant, rechthoekig, juistpassend, eerlijk, billijk, quitte; — verb. vierkant maken, in carré opstellen, vierkant brassen, vereffenen, afrekenen met, in orde brengen, voegen, passen, zich in positie zetten, tot de tweede macht verheffen, etc.: A — of carpet = karpet; The — of a = a2; To bring (raise) to a — = in ’t kwadraat verheffen; They are at —s = staan vierkant tegen elkaar over; We met each other on the — = op voet van gelijkheid; He did everything on the — = eerlijk en wel; To play on the — = eerlijk; How do the —s go? = hoe staat het met het spel (dam of schaak); That will break (no) —s = heeft niet veel te beduiden; You moved two —s = hebt eene ruit (bij dammen of schaken) overgesprongen; You will be set all —s to-morrow morning = geheel op streek zijn; Everything is — and above board = is eerlijk en kan het licht lijden; Three-—, five-—, etc. = met drie, vijf, enz. gelijke zijden; The — man in the — hole = de rechte man op de rechte plaats; — meal = stevig; — number = het vierkant van een getal; — party = gezelschap van 4 personen; — root = vierkantswortel; I had a good — talk with him = oprecht, eerlijk gesprek; It is not the — thing to do so = billijk, eerlijk; A — set man = vierkante; I will see if I can come — (= even) with you = het u betaald kan zetten; He tried to — the circle = trachtte de quadratuur van den cirkel, d.i. het onmogelijke, te vinden of te doen; Let us — the constable = zien om te koopen; To — difficulties = uit den weg ruimen; He —ed his enemy = overwon, maakte onschadelijk; I will — these fellows = afrekenen met; The yards were —d = de ra’s werden vierkant gebrast; He —d himself up to more than his usual height = verhief zich, rekte zich; He —d himself = zette zich in postuur; I will — my behaviour by yours = naar het uwe richten; After this I was —d for a start on my own hook = was ik geschikt op eigen hand te beginnen; Though he might be —d to bolt, he could not be —d to do murder = al kon hij tot de vlucht, hij kon niet tot moord overgehaald worden; This does not — with what you told me = dat klopt niet met; How shall we — our duty to the State with our duty to God? = overeenbrengen met; —-built = breedgeschouderd; —-dealing = eerlijkheid, rechtschapenheid; —-face = Hollandsche jenever; —-rigged = met razeilen, fijn gekleed; —sail = razeil; —-set = —-built = —-shouldered; —-toed = pedant, ouderwetsch; —-toes = pedant, ouderwetsch mensch; subst. —ness; Squarish, skwêriš, ongeveer vierkant.

Squarson, skâs’n, Squire, die te gelijk geestelijke der parochie is.

Squash, skwoš, subst. iets zachts dat licht te kneuzen is, iets onrijps, onrijpe peulschil, schok of val van zachte dingen; pompoen; — verb. kneuzen, verpletteren, tot pulp maken of slaan; —y = zacht en week als pulp.

Squat, skwot, subst. gehurkte houding, losse ertsmassa; adj. (neer)hurkend, kort, dik, plomp; — verb. neerhurken, zich zonder recht op land neerzetten: A — volume = dik (naar evenredigheid der lengte en breedte) deel; He was —ting like a frog on the other side of the fire = zat dik en opgeblazen als een kikker; A —-domed tower = met een als ineengedrongen koepel; —ter = kolonist; —ty = kort en dik.

Squaw, skwô, vrouw (N. Amer. Indianen).

Squeak, skwîk, subst. gegil, gepiep; — verb. gillen, piepen: We had a narrow (near) — = ontkwamen ternauwernood; —er = jonge vogel, wie of wat piept.

Squeal, skwîl, subst. gil, geschreeuw (van varkens); — verb. gillen, schreeuwen.

Squeamish, skwîmiš, walgend, overdreven kieskeurig; subst. —ness.

Squeegee, skwîdžî, gummi-zwabber.

Squeezable, skwîzəb’l = wat geperst of samengedrukt kan worden; Squeeze, skwîz, subst. druk, drukking, gedrang, afdruk, omhelzing; — verb. drukken, afdrukken, persen, verpletteren, innig omarmen: He gave my hand a parting — = drukte mij tot afscheid de hand; My friend was —d into, and his place was filled by another = mijn vriend werd er uit gedrongen; To — oneself through a crowded street = zich een weg banen; —r = drukker, harde slag, pers.

Squelch, skwelš, subst. harde slag, smak; — verb. verpletteren, onderdrukken, uitdooven: This —ed animosity = maakte een einde aan; He tried to — his wife and failed = trachtte zijne vrouw tot onderwerping te krijgen.

Squib, skwib, subst. voetzoeker; schotschrift; — verb. schotschriften schrijven, stekelig zijn, laten ontploffen, paffen.

Squid, skwid, pijl-inktvisch.

Squiggle, skwig’l, zich den mond spoelen; zich kronkelen (Amer.).

Squill, skwil, sterhyacint, scilla; garnaalkreeft.

Squint, skwint, subst. het scheel- of loensch zien, loensche blik, trek, zucht; adj. loensch, scheel, scheef; — verb. scheel zien, hellen; —-eyed = scheel, wantrouwend.

Squire, skwaiə, subst. schildknaap, landjonker, chaperon; — verb. als schildknaap dienen, vergezellen, geleiden: — of dames = saletjonker; Squirearchy, skwairâki, de gezamenlijke landjonkers of agrariërs en hun politieke invloed ± 1832 in het Lager Huis; Squireen, skwairîn, landjonkertje.

Squirm, skwɐ̂m, kronkelen, kriewelen, klauteren.

Squirrel, skwir’l, eekhorentje: To hunt the — = kat en muis spelen.

Squirt, skwɐ̂t, subst. spruit, straal, parvenu, fat; — verb. spuiten, uitspuiten: The oil kept —ing up = spoot met een krachtigen straal uit den grond.

Stab, stab, subst. steek, boosaardige aanval of beleediging; — verb. doorsteken, doodsteken, stooten, steken naar, wonden, belasteren: He —bed my good name = gaf mijn goeden naam den doodsteek; He —bed at my heart = stak naar, doorstàk mijn hart; That —bed me to the heart = griefde mij diep; —ber = prikker, sluipmoordenaar.

Stability, stəbiliti, stabiliteit, duurzaamheid, standvastigheid, soliditeit.

Stable, steib’l, stabiel, duurzaam, standvastig; subst. —ness.

Stable, steib’l, subst. stal, renstal; — verb. stallen: They shut the —-door after the steed is stolen = zij dempen den put als het kalf verdronken is; —-boy = staljongen (—-help); —-keeper = stalhouder; —-man = stalknecht; Stabling, steibliŋ, het stallen, stalling.

Stablish, stabliš, verk. van establish.

Stack, stak, subst. korenschoof, houtmijt (= 108 cubic feet), opper, stapel, rot, groep naast elkander staande schoorsteenen, alleenstaande rots (op de Orkney Isl.); — verb. tot een hoop vormen, opstapelen, in rotten zetten: A — of arms = een rot geweren; The soldiers were ordered to — arms = de geweren aan rotten te zetten; To — shot = kogelstapels maken; —-yard = plaats voor hooimijt of graanschoven.

Stadium, steidj’m, stadium, zekere maat (184 M.); één stadium lange renbaan.

Stadtholder, stadhouldə, stadhouder; —ate (—it), —ship.

Staff, stâf, subst. stok, staf, steun, paal, schacht, notenbalk, personeel, bureau: —-of-life = brood; —-appointment = aanstelling bij den staf; —-college = soort krijgsschool (Passed the —-college = de krijgsschool doorloopen); —-map; —-officer = stafofficier; —-wood = hout voor duigen.

Stag, stag, (mannetjes)hert; os; mannetjesvos; woerd, speculant, shilling; — verb. speculeeren; —-beetle = vliegend hert; —-dinner = heerendiner; —hound = hond voor de hertenjacht; —-party = heerenfuif.

Stage, steidž, subst. tooneel, steiger, stellage, tribune, schouwplaats, station of pleisterplaats, phase, stage, etape, trap, graad, stadium, postwagen, dilligence; — verb. ten tooneele brengen, in scene brengen, in ’t openbaar tentoonstellen, met een postwagen reizen: To be on the — = bij (op) het tooneel zijn; To bring (put) upon the — = opvoeren; To get up for the — = bewerken voor; To go on the — = bij het tooneel gaan; To leave (quit) the — = het tooneel verlaten (ook fig.); He was dressing by easy —s = dood op zijn gemak; The illness is in its first — = eerste stadium; He contracted an imprudent passion for horsing long —s = om lange ritten te doen vóór te pleisteren; The piece was well —d = het stuk was goed gemonteerd; —-box = loge avant-scène; —-coach = dilligence; —-driver = koetsier eener dilligence; —-fright = tooneelvrees; —-manager = tooneeldirecteur, regisseur; —-painter = schilder van het decoratief; —-play = tooneelspel; —-player = tooneelspeler; —-right = recht van opvoering; —-struck = verzot op het tooneel; The —-waits never reached two minutes = pauzen tusschen de tooneelen; —-whisper = door een acteur terzijde gesproken woorden; luid gefluister; —r = ervaren tooneelspeler, man van ervaring, slimmerd; postpaard; —ry = tooneelvertooning, het spelen.

Staggard, stagəd, vierjarig hert.

Stagger, stagə, subst. plotseling wankelen, schok; — verb. waggelen, wankelen, suizebollen, verbluffen, verbluft doen staan: It gave me a — = het gaf me een schok; —s = kolder, duizeling, draaiziekte: It gave me the blind —s = deed me suizebollen; Such an assertion —s belief = is ongelooflijk; The price for our independence will — humanity = zal verstomd doen staan; I am fairly —ed at what you say = verbaast mij ten hoogste; That’s a —er = dat is kras.

Staging, steidžiŋ, tribune, stellage, het ondernemen van een diligence-dienst, monteering van een tooneelstuk.

Stagirite, stadžirait, naam voor Aristoteles naar zijne geboorteplaats; Stagira, stədžairə.

Stagnancy, stagn’nsi, stilstand, malaise: The — in the sugar-trade = “malaise”; Stagnant, stagn’nt, stilstaand, flauw, stil; Stagnate, stagneit, stilstaan, flauw worden; Stagnation = stilstand, stremming, malaise.

Stagy, steidži, theatraal.

Staid, steid, kalm, vast, ernstig, solide: A — journal = een ernstig blad; subst. —ness.

Stain, stein, subst. smet, vlek, schande, smaad; — verb. vlekken, tinten, verven, met figuren drukken, besmetten, bezoedelen: A —ed floor = be- of geschilderde vloer; —ed glass windows = beschilderde ramen; —ed paper-hangings = (bont)gekleurd behang; —ed wood = gebeitst hout; —er = verver, bezoedelaar; —less = smetteloos, onbesmet.

Stair, stêə, trap, trede, graad; —s = trap, aanlegplaats: A flight of —s, A pair of —s = trap; A room two pair (of —s) high = kamer op de tweede verdieping; Back-—s = geheim, slinksch; He is down —s, up —s = beneden, boven; A down-— room = eene benedenkamer; —-carpet = traplooper; —case = trap; Grand —case = hoofd- of eeretrap; Private —case = geheime trap; —-rod (—-wire) = traproede; —-way = trap.

Staith(e), steith, spoorlijn, om de kolen uit de wagens in schepen over te laden; kade, werf, pakhuis.

Stake, steik, stok, staak, paal, paalwerk, brandstapel, martelaarschap; inzet, prijs, aandeel, belang; — verb. met palen steunen of stutten, afpalen, met een paal doorsteken, stokken zetten bij, wedden, inzetten, als pand zetten: Your life is at — = staat op het spel; He went to it as a bear goes to the — = met loome schreden; Their father perished at the — = stierf den marteldood op den brandstapel; They played for the —s = speelden om den inzet; To put to the — = op ’t spel zetten; He has swept the —s = hij heeft den pot gewonnen; I — my life on the truth of what I tell = ik verpand mijn leven er onder; —-head = paal in een lijnbaan om de touwen te steunen; —-holder = inzethouder, potbewaarder; —-net = staaknet.

Stalactite, stəlaktait, druipsteen (kegel).

Stalagmite, stəlagmait, druipsteenvorming van den vloer af naar boven.

Stale, steil, subst. ier (van paarden en runderen); adj. verschaald, oud, oudbakken, muf, afgejakkerd, flauw, verzwakt door te sterk trainen (= Gone —); — verb. waardeloos maken, (laten) bederven, verflauwen, wateren (van paarden en runderen): — joke; — news; — wine; To grow — = zich afsloven, oud worden: The public has gone — on party politics = heeft genoeg van; —mate, subst. schaakmat; — verb. mat zetten, in ’t nauw brengen; subst. —ness.

Stalk, stôk, subst. stengel, steel, schacht; trotsche en statige gang; — verb. voorzichtig besluipen; trotsch stappen, schrijden: We —ed the deer = beslopen de herten; —ed plants = stengelplanten; —er = hij die —s; soort van vischnet; trotsche stapper; —ing: —ing-horse = paard of paardevorm, waarachter de jager zich met zijn boog verborg; voorwendsel, masker, dekmantel; —less = stengelloos.

Stall, stôl, subst. stal, stalletje, kraam, afdeeling in een Stable; stoel van een domheer, stalles in een schouwburg; — verb. in een stal plaatsen, in den modder vastrijden (vastzitten); van zich afschuiven: Butcher’s —; To keep a — = met een stalletje staan; She would not be —ed off, and contended that her opinion was right = zich niet laten afschepen; —-feed = in den stal (met droog voeder) voederen; —-keeper = houder van een stalletje; —age = recht om met een kraam te staan, staan- of marktgeld (= —-money).

Stallion, stalj’n, (dek)hengst; —-fees = dekgelden.

Stalwart, stôlwət, stalwət, stolwət, krachtig, flink, stoer, stoutmoedig, geducht; subst. kopstuk, hoofdman; subst. —ness.

Stamboul, stambûl.

Stamen, steim’n, meeldraad.

Stamina, staminə, vaste deelen van een lichaam die dit tot steun dienen, weerstands- en volhardingsvermogen.

Stamin, steimin, etamine.

Staminiferous, staminifərɐs: — flower = mannelijke bloem.

Stammel, stam’l, soort v. wollen stof v. hardroode kleur.

Stammer, stamə, subst. gestamel; — verb. stamelen, stotteren, aarzelend uitbrengen; —er.

Stamp, stamp, subst. stempel, zegel, postzegel, postmerk, merk, karakter, aard, prent (—s = papiergeld, Amer.), het stampen, ertsstamper; — verb. stempelen, zegelen, inprenten, een postzegel doen op; stampen, stampvoeten, onderdrukken: Of the right — = van het rechte soort; They are all of the same — = van dezelfde soort; To have (bear) the — of = den stempel dragen van; To — on the mind = inprenten; The fire was —ed out = werd uitgetrapt; Their nationality was —ed out = vernietigd; We must try to — these abuses out = die misbruiken uit te roeien; — Act = zegelwet; —-album = postzegelalbum; —-collection; —-collector = (post)zegelverzamelaar; —-duty = zegelrecht; —-office = zegelkantoor; —er = stempel(aar).

Stampede, stampîd, subst. plotselinge schrik, wilde vlucht, groote beroering; — verb. plotseling op de vlucht (doen) slaan: There was a regular — of teachers to the sea-side = een ware uittocht.

Stanch, stânš; Zie Staunch.

Stanchion, stanš’n, steun, paal, stut, schoor.

Stand, stand, subst. stand, stilstand, ophouding, halt, weerstand, verlegenheidrang, standertje, statief, onderstel, stomme, knecht, staanplaats (voor rijtuigen), stalletje, kraam, ton, stel, tribune; — verb. staan, gaan staan, stilstaan, standhouden, bestaan, van kracht zijn, vast zijn, berusten op, luiden, koersen, verdragen, dulden, opgewassen zijn tegen, doorstaan, staan voor, van belang of nut zijn, etc.: Then ministers were at a — = zaten met de handen in het haar; To jump at a — = met gesloten voeten springen; Things came to a sudden — = toen stokten plotseling de zaken geheel; The troops made a — against the enemies = hielden stand; I take my — by you and on my right = sta u ter zijde en houd mij aan mijn recht; A — of arms = geweer met toebehooren; Fifty — of colours were taken = standaarden (vaandels); A — for bottles (casks); These towns are one night —s = in deze steden geven wij maar ééne voorstelling; Watch — = horlogestandaard; — there = ga (blijf) daar staan; I take the thing as it —s = zooals het is; I will — you a bottle (a treat) = trakteer; He —s six feet in his boots = hij is 6 voet lang; To — fire = standhouden onder vijandelijk vuur; To — one’s ground = standhouden, volhouden; I will — you halves = sta je half; I stood the flowerpot in the window = zette den bloempot voor het raam; He stood my friend = toonde te zijn; He stood sentence on that count = had zich te verantwoorden wegens die aanklacht; I have stood sentry here for ever so long = sta hier ik weet niet hoe lang al op post; I stood them a supper = onthaalde ze op een souper; I stood a supper for them = betaalde hun souper; To — the test = proef doorstaan; To — the tooth of ages = den tand des tijds weerstaan; To — trial = terecht staan; To — in awe of = ontzag hebben voor; That will — in hand = uwe belangen bevorderen; You — in my light = staat me in den weg, werkt me tegen; This passage —s sorely in need of correction = heeft ernstig verbetering noodig; The money will — me in good stead = zal mij goed te pas komen; His hairs — on end = rijzen te berge; It —s to reason that you cannot go there = het spreekt vanzelf: To — to make a profit on = kans hebben te verdienen op; He stood to win much in that case = hij had kans; To — affected = geneigd zijn; It —s agreed = is uitgemaakt; — aside = ga op zij; — clear = uit den weg! To — corrected = ongelijk bekennen; He —s fair for (getting) that place = heeft veel kans; To — well (ill) with a person = op goeden (slechten) voet staan met; He stood against fearful odds = had een enorme overmacht tegen zich; To — by a person through thick and thin = met iemand meegaan door dik en dun; I will not — by and see you offended = er geen getuige van zijn; You must — by = u gereed houden; The witness was told to — down = naar zijne plaats te gaan, te gaan zitten; He stood for this borough at the election = was candidaat voor dit district; He —s for that place = solliciteert naar; The ship stood for the Atlantic = stak ... in; — forth = kom naar voren; He stood forth against his enemies = bood het hoofd aan; We stood from the shore = hielden van de kust af; The boats stood in from sea = koersten naar binnen; He stood in with the thief = maakte gemeene zaak met; He —s off = houdt zich op een afstand; The ship stood off and on = hield nu eens van den wal af, en dan er weer op aan; You must stand on your defence = je flink verdedigen; Don’t stand on ceremonies = sta niet op; To — out = naar voren treden, uitsteken, uitkomen, in ’t oog springen, volharden, standhouden, staan op, uitstaan, zich terugtrekken: — out of my sight = ga uit mijne oogen; To — out to sea = zee kiezen; He higgles and —s out till the shopman gives in = hij dingt en houdt vol; To — over = blijven staan, blijven liggen, onbetaald blijven; I — to (by) what I said = blijf bij (houd vol); They stood to their guns = wisten van geen wijken; To — towards the shore = aanhouden op; He has stood under many troubles = veel smart geleden; The whole people stood up to a man = stond op als één man; I — up for my right = kom op voor; They stood up (for the dance) = namen hunne plaats in, traden aan; To — up with a lady = eene dame ten dans leiden; To — up to = krachtig weerstand bieden; She always stood upon her dignity = stond op; —-by = toeverlaat; He is awfully —-off = erg op een afstand; —-offish = op een afstand (fig.); —-ups = —-up collars = staande; It was a —-up fight = felle strijd; A —-up supper = loopend souper; —-cask = ligger; —-fast = steunpunt; —-pipe = standpijp; —-point = standpunt; —-still = stilstand: To come to a —-still = tot staan komen, stoppen; —er = wie staat, etc.; Several —ers-by = omstanders. Zie Standing.

Standard, standəd, subst. standaard, vlag, normaal gewicht (sterkte, prijs, maat), gehalte, richtsnoer, graad; adj. vastgesteld, standaard - -: — of beauty = ideaal; The — of length = de lengtestandaard of -éénheid; —-bearer = vaandeldrager; — clock; — works = standaardwerken.

Standing, standiŋ, subst. stand, post, plaats, duur, rang, standplaats (voor rijtuigen, enz.); adj. vast, bepaald, vaststaand, stilstaand: She took him for his — = om zijn hoogen rang, positie; A debt of several years’ — = die al eenige jaren oud is; Cronies of old — = oude kameraden; There’s no — it = dat is niet uit te staan; — army = staand leger; — dish = vaste schotel; He is a — question = hij is een echte vraagal, hij vraagt altijd door; — rigging = staand want: I have no — room = plaats om te staan; —-stones = vóórhistorische, door menschen opgerichte steenen; —-out debts = achterstallige schulden.

Stang, staŋ, lange paal of schacht: To ride the — = op een paal door de plaats gedragen worden (oude straf voor mannen, die hun vrouw hadden geslagen).

Stanhope, stanhoup, stanəp, licht vierwielig wagentje zonder kap; —-press = soort van drukpers.

Stank, staŋk, imperf. van to stink.

Stannary, stanəri, subst. tinmijn; adj. tot tinmijnen behoorende; —-courts = rechtbank voor de tinmijnwerkers in Cornwall; Stannic acid; Stanniferous, stənifərɐs, tinhoudend.

Stanza, stanzə, vers.

Staphyle, stafilî, huig.

Staple, steip’l, subst. stapel, vezel of draad van wol, katoen, of vlas; stapelplaats, markt, voornaamste product of artikel, hoofdbestanddeel; kram; adj. vast, voornaamst; — verb. de verschillende draden of soorten uitzoeken: That is the — amusement of our village = hoofdamusement; — goods = hoofdproducten; —-house; —-town; —-trade; —d = met een draad of vezel.

Star, stâ, subst. ster (ook fig.), sterretje (*); — verb. met sterren versieren, een stervormige breuk maken of vertoonen, gastvoorstellingen geven: Fixed, Falling, Flying, Shooting, Polar — = vaste (vallende, pool) ster; To be born under a lucky —; He is a — of the first magnitude = eene ster van de eerste grootte; If you don’t shut up, you see —s = krijg je er een, dat de vonken je uit de oogen springen; I thank my —(s) for it = de hemel zij gedankt; Oh, my —s (and halters) = O goeie genade! The actor was —ring in the provinces = gaf gastvoorstellingen; —-blind = halfblind; —-Chamber = voormalig gerechtshof te Westminster, dat naar eigen opvatting in plaats van volgens de wet vonniste, afgeschaft in 1640; —-crossed = ongelukkig; —finch = roodstaartje; —fish = zeester; —-flower (= — of Bethlehem) = vogelmelk; —-fort = sterreschans; —-gazer = sterrenwichelaar; —-gazing = sterrenkijken; verstrooidheid; —light = sterrenlicht; —lit = helder, door de sterren verlicht; —-shoot = lichtbol; aardgelei of sterrenspeeksel; —-spangled = met sterren bezaaid: The —-spangled (American) banner; —-stone = variëteit van saffier; —-trap = tooneelluik (waardoor een geest plotseling verschijnt en verdwijnt); —-like; —red = gesternd: His ill (evil)-—red father = zijn ongelukkige vader; —riness, subst. v. —ry = met sterren bezaaid, schitterend, gelijk eene ster.

Starboard, stâböd, subst. stuurboord; adj. aan stuurboordzijde, rechtsch.

Starch, stâtš, subst. stijfsel; adj. stijf, gemaakt, keurigjes; — verb. stijven: Not a bit of — left in him = zoo “mak” mogelijk; — respectability = het fatsoen, dat in stijve boorden, manchetten, enz. zit; —-maker (—-manufacturer); —ed = stijf (fig.); subst. —(ed)ness; (Clear) —er = stijfster; —y = van stijfsel, formeel, precies.

Stare, stêə, subst. starende blik; — verb. aanstaren, aangapen, verschrikt of verbaasd kijken, in ’t oog springen: To give a person a — = aanstaren; To take a long — at; Don’t stand staring at me = sta mij niet aan te gapen; He —d me down = zijn blik deed mij de oogen neerslaan; Don’t — me in the face = kijk me niet zoo strak aan; It —s you in the face = het is zoo klaar als een klontje, ligt vlak bij je; The contract is always staring me in the face = staat mij altijd dreigend voor de oogen; He —d me out of countenance = maakte me verlegen; —r; He looked staringly at me = met opengesperde oogen.

Stark, stâk, streng, stijf, geheel: Stiff and — = stijf en strak; — nonsense = groote onzin; — blind = stekeblind; — mad = stapelgek; He told the —-naked truth = de naakte waarheid; —en = stijf aantrekken.

Starling, stâliŋ, spreeuw; ompaling van een brug, ijsbreker of stroombreker vóór een brug.

Start, stât, subst. plotselinge beweging (als van schrik of ontsteltenis), sprong, voorsprong, (punt van) vertrek, begin; — verb. opschrikken, opspringen, ontstellen, schichtig worden, ineenkrimpen, vertrekken, afrijden, beginnen, oprichten, aan den gang brengen, aanzetten, opjagen, losgaan, losspringen, gapen, losmaken, uitgieten, ledigen: That’s a queer — = een rare manier van doen (van aanpakken); By fits and —s = met horten en stooten, bij buien; He did it with a — = plotseling, met een ruk; He gave a — = sprong ontsteld op; He gave me a — (—ed me) in life = hielp mij aan den gang; To make a new — (in life) = een ander leven beginnen; Don’t — such arguments on Sundays = werp zulke kwesties niet op; We —ed a branch establishment = hebben een filiaal opgericht; He may be dull at —ing game, he is unrivalled in hunting it down = hij mag niet heel sterk zijn in het opjagen van wild; The table was —ed at two guineas = de tafel werd ingezet voor; He fairly —ed = schrok er bepaald van; I —ed at the sight = verschrikte, ontstelde op het gezicht; We are —ing for America = gaan op reis naar A.; He —ed from the hideous dream in time = hij ontwaakte verschrikt, schrok wakker; He often talks and —s in his sleep = en schrikt op in zijn slaap; Tears would — into her eyes = schoten haar in de oogen; To — up steam = stoom opmaken; He was ugly to — with = om te beginnen: hij was leelijk; Starter = opzichter, hij die bij wedrennen, enz. het teeken van vertrek geeft; opdrijvende jachthond; Starting: —-hole = sluipweg, uitvlucht; —-point = punt van vertrek of uitgang, uitgangspunt; —-post = beginpaal (bij een wedren); —ly = met rukken en horten; Startish = schuw, schichtig; Startle, subst. schrik, schok; — verb. schrikken, ontstellen, doen ontstellen, onaangenaam verrassen: He was —d at what he heard there = ontstelde van; Startling = hoogelijk verbazend, schrik aanjagend, ontstellend: — news.

Starvation, stâveiš’n, hongerlijden, verhongering, gebrek: We were reduced to a state of — = we verhongerden ten slotte; Starve, stâv, van gebrek en honger (doen) omkomen, gebrek (doen) lijden: He tried to — the garrison into surrendering = door honger tot overgave te dwingen; (= To — out); They were starving with cold = kwamen om van koude; Starveling, subst. hongerlijder; kwijnende plant; uitgehongerd dier; adj. hongerig, ellendig, mager: His own threadbare and — condition = armoedige en ellendige toestand; Starving system = hongerkuur.

Stash, staš, ophouden: — that grin = schei uit met dat gegrinnik; — the glim! = ’t licht uit.

Statant, steit’nt, staande (herald.).

State, steit, subst. staat, toestand, stemming van de markt; rang, stand, luister, rijk; adj. staats..., officieel, staatsie...; — verb. vaststellen, de bijzonderheden mededeelen, verhalen: The queen appeared in — = verscheen officieel, in allen luister; You need not get into a — over it = je er niet zoo driftig over maken; To lie in — = op het praalbed liggen; To live in (a) great — = op grooten voet; —s General = de Staten-generaal (Frankr. in 1789; Nederland); I wish to — this first of all = wensch te constateeren; Let us — the case lucidly = laat ons het geval duidelijk stellen; —-affairs = staatszaken; —-ball = hofbal; —-cabin = luxe hut; —-carriage = staatsierijtuig; —-craft = staatkunde; —-criminal = politiek misdadiger; —-house = gebouw waarin de Staten vergaderen (Amer.); —-paper = officieel stuk, staatscourant; —-prison = staatsgevangenis; —-prisoner = staatsgevangene; —room = staatsiezaal, kajuit; afdeeling van een slaapwagon; hut (= —-cabin); —-stroke = staatsgreep; —-trial = politiek proces; —sman = staatsman, Amerikaan; —smanlike, —smanly = als een staatsman; —smanship = staatkunde, beleid; —d: You must keep —d hours for your work = bepaalde uren hebben; —less = zonder praal of staatsie; —liness, subst. v. —ly = statig, prachtig, grootsch; —ment = verhaal, stelling, opgave.

Static(al), statik(’l), tot het evenwicht behoorende; Statics = statica, leer van het evenwicht.

Station, steiš’n, subst. stand, het staan, standplaats, post, rang, (politie)bureau, station, fokkerij, fokstation; — verb. plaatsen, stationneeren: His — in life was exalted = rang in de maatschappij; I take (up) my — there = plaats mij daar; Policemen are —ed at streetcorners = staan op post; —-clerk; —-house = politiebureau; station; —-master (-mistress) = stationschef; —ary = stilstaand, vast: —ary engine = vaststaande machine; To remain —ary = op dezelfde hoogte blijven; Stationer = handelaar in schrijf behoeften: Fancy — = handelaar in luxepapier, fantasieartikelen, enz.; Flying — = colporteur; Registered at —s’ Hall = copierecht verzekerd door inschrijving in de registers van deze Hall (gilde); —y = schrijfbehoeften.

Statistical, stətistik(’l), de statistiek betreffende; Statistician, statistiš’n, statisticus; Statistics, statistiek(en).

Statuary, statjuəri, de beeldhouwkunst betreffend; subst. beeldhouwkunst, beeldhouwer, standbeelden; Statue, statju, subst. standbeeld: A — was erected (raised) to him = er werd een standbeeld voor hem opgericht; Equestrian — = ruiterstandbeeld; —-like = Statuesque, statjuesk, standbeeldachtig, onbewegelijk; Statuette, statjuet, beeldje.

Stature, statjə, gestalte, lengte.

Status, steitəs, toestand, stand.

Statutable, statjutəb’l, volgens de wet, wettelijk, normaal: He was not statutably eligible = volgens de wet verkiesbaar; Statute, statjut, wet, keur, instelling: — law = de geschreven wet; — of limitations = wet omtrent schuldverjaring; —-cap = wollen muts, die onder Koningin Eliz. de burgers Zondags moesten dragen; —-labour = verplichte arbeid door het rijk geëischt voor het maken van bruggen, wegen, enz. in Schotl.; Statutory, statjutəri, volgens de wet, wettelijk voorgeschreven: — declaration = schriftelijk gegeven eerewoord in plaats v. een eed.

Staunch, stânš, stônš, adj. sterk, krachtig, hecht, waterdicht; trouw, betrouwbaar: — verb. stelpen, tegenhouden: He is a — Catholic = een oprecht Katholiek; To — a wound; —er = wie of wat stelpt; —less = wat niet te stelpen is; subst. —ness.

Staunton, stânt’n.

Stave, steiv, subst. duig; zang van een gedicht; — verb. in duigen slaan, indrukken, barsten, duwen, afweren, verschuiven: The fore compartment is stove right in = geheel ingedrukt; He contrived to — off actual bankruptcy = faillietverklaring af te wenden; He tried to — off his perplexities = al wat hem hinderde van zich af te zetten; —s = Meerv. van Staff.

Stavesacre, steivzeikə, staverzaad.

Stay, stei, subst. steun, stut, verblijf, stilstand, hinderpaal, uitstel, stag (scheepsterm); (—s = keurslijf, korset, etc.); — verb. blijven, steunen, verhinderen, uitstellen, laten liggen, wachten, logeeren, weerhouden: Will you — (for) supper? = blijven soupeeren; We are —ing at the sign of the Ship = logeeren in het logement “Het Schip”; You are —ed for = men wacht op u; To — in = binnenblijven, nablijven (op school); If you — out beyond eleven, you shall — in to-morrow = uitblijft, blijft ge morgen thuis; To — up at the University = niet met vacantie gaan; I will — up for you = voor je opblijven; The ship was in —s, was hove in —s = lag in de wending; The vessel missed —s = weigerde te wenden; He is a sad —-at-home (man) = een echte huishen; —lace = korsetveter; —-maker = korsetmaker; —-sail = stagzeil; —er = fietser met veel —ing-power (= uithoudingsvermogen).

Stead, sted, subst. plaats, plek, stede, nut, voordeel; — verb. van dienst zijn, te stade komen: It has done me —, stood me in good — = heeft mij dienst gedaan, is me goed te pas gekomen; In — of = in plaats van; Steadfast, stedfast, standvastig, vastberaden, onwrikbaar; subst. —ness.

Steadiness, stedinəs, subst. v. Steady.

Steading, stediŋ, hofstede (Schotl.).

Steady, stedi, vast, onveranderlijk, geregeld, oppassend; — verb. geregeld of bestendig maken (houden, loopen, gaan): A — young man = soliede jonge man; —-going = kalm, bedaard; The prices were —ing = werden vast.

Steak, steik, runder- of varkenslapje, etc.

Steal, stîl, stelen, wegnemen, steelswijze verkrijgen, sluipen: He stole a look at her = wierp een steelschen blik op; We have stolen a march upon you = zijn u vóór geweest, hebben u de loef afgestoken; To — a marriage (match) = (schaken, om) in ’t geheim (te) trouwen; He stole into the house = sloop het huis binnen; He stole upon us = besloop ons; —er; Stealth, stelth: By — = ter sluiks, steelswijze; —iness, subst. v. —y, stelthi, sluipend, heimelijk.

Steam, stîm, subst. stoom, uitwaseming; — verb. stoomen, dampen, door stoom bewegen, aan de werking van stoom blootstellen, razen: Within a day’s — of Madeira = stoomens; At full — = With all the — on = met vollen stoom; To blow off the — = laten vliegen, laten uitrazen; You must try to get — up = stoom zien te maken; op gang zien te komen; I have got (the) — up = ik ben klaar, bereid; To have the — on = stoom op hebben; To put (turn) on — = toelaten; zich inspannen; The potatoes were —ed instead of boiled = werden gaar gestoomd; —-bath; —boat = stoomboot; —-boiler = stoomketel; —-carriage = stoomwagen; —-cylinder; —-dome = stoomhouder; —-engine = stoommachine; —-gauge = manometer; —-hammer = stoomhamer; —-heat = verwarming door stoom: He intends to put in —-heat = zijn huis centraal te verwarmen; —-heating = centrale verwarming; —-launch = stoombarkas; —-navigation = stoomvaart; —-packet = mailboot; —-plough; —-press; —ship = stoomschip; —-tug = sleepboot; —-valve = stoomklep; —-vessel = groot stoomschip; —-whistle = stoomfluit; —er = stoomboot, stoomkoker, stoombrandspuit: Horse (Motor) —er = door paarden getrokken (motor) stoombrandspuit; —y = vol stoom, mistig.

Stearin, stîərin, stearine: — candle.

Steatite, stîətait, speksteen.

Steed, stîd, (strijd)ros: While the grass grows the — starves = al pratende gaat de gelegenheid voorbij; Iron (Steel) — = rijwiel.

Steel, stîl, subst. staal, zwaard, groote hardheid, wetstaal, vuurstaal; adj. stalen, als staal; — verb. stalen, (ver)harden: I am —ed against adversity = gehard tegen; — your heart with courage = staal uw hart met moed; —-clad = gepantserd; — engraving = staalgravure, het graveeren op staal; —-headed = met stalen hoofd (kop); —-pen = stalen pen; rok; —-plated = met platen van staal bedekt; —-spring = stalen veer; —-trap = val met stalen veeren; —-wire = staaldraad; —works = staalfabriek; —-yard = unster; —y = van staal gemaakt, als staal, hard, onbuigzaam.

Steep, stîp, subst. steilte, afgrond; loog, vloeibare mest; adj. steil, moeilijk, onwaarschijnlijk; — verb. indoopen, bevochtigen, doorweken, roten: To put the clothes in — = in de week; That sounds very —; —ed in blood = in bloed gedoopt; met bloed doorweekt; —en = steil(er) worden; —ness = steilheid.

Steeple, stîp’l, toren met spits; —chase = wedren met hindernissen; —chaser = paard of ruiter voor dien wedren; —-jack = iemand die torens of schoorsteenen repareert.

Steer, stîə, subst. jonge os; —s = runderen (Amer.); — verb. castreeren.

Steer, stîə, verb. sturen, richten, naar het roer luisteren: It will be wellnigh impossible to — clear of all these vessels = om al deze schepen vrij te loopen; He —ed his course for Scotland = zette koers naar; Steerage, stîridž, stuurmanskunst, het sturen, tusschendek; —-passenger = tusschendekspassagier; —-way = voldoende snelheid om te kunnen sturen; Steerer = stuurman, stuur, klantenlokker (Amer.); Steering = het sturen: —-chain, —-gear = stuurketting, stuurtoestel; —-handle = stuur; —-wheel = stuurrad; Steersman = roerganger.

Steeve, stîv, hellen (van den boegspriet), stouwen; Steeving = hoek van den boegspriet met den horizon.

Stellar, stelə, vol sterren, met sterren bezaaid, stervormig, sterren.... = —y; Stellate, stelit, stervormig, gestraald: — aniseed = steranijs; Stelliferous = vol sterren; Stelliform = stervormig; Stellular, steljulə, met sterretjes bezet, stervormig.

Stem, stem, subst. stam, stengel, steel, geslacht, tak, loot, buis, boeg, voorsteven; — verb. tegenhouden, zich verzetten, strippen: A stream of moonlight, no thicker than the — of an arrow = de schacht van een pijl; From — to stern = van vóór- tot achtersteven; To — tobacco = strippen; To — the tide = zeilen tegen tij of stroom; —-leaf = stengelblad; —-winder = remontoir-horloge; —less.

Stench, stenš, stank; —y = stinkend.

Stencil, stensil, schabloon; — verb. met behulp van een schabloon merken of verven.

Stenograph, stenəgraf, stenogram, stenograph, teeken; —er, stənogrəfə, stenograaf; —ic, stenəgrafik, stenografisch; —y, stənogrəfi, stenographie.

Stentor, stentö, Stentor; adj. —ian, stentôriən: — voice.

Step, step, subst. stap, trede, trap, sport, tred, pas, graad (—s = stoep, huistrap); — verb. stappen, voortschrijden, uitsnijden (it), afstappen, afleggen, inzetten: To follow (walk) in the —s of a person = iemands voetstappen drukken; To keep — = in den pas blijven; I cannot keep — with him = hem niet bijblijven; With these allies ministers have to keep — in the line of march they have chosen = rekening te houden; To make a false —; To take the necessary —s = stappen doen (fig.); — by — = voetje voor voetje; Flight of —s = bordes, stoep; She could wash —s = de stoep “doen”; I —ped after him = ging hem achterna; Here my brother —ped in = kwam tusschenbeide, sprak een woordje mee; He —ped into his property = aanvaardde; —brother = stiefbroer; —child; —-dance = horlepijp, klompendans; —father; —-girl = dienstmeisje voor ruw werk, om b.v. de stoep schoon te houden; —mother = stiefmoeder; —sister; —son; —ped: —ped gables = trapgevels; —ping: —ping-stone = steenen in beek of moeras om op te stappen; middel ter bereiking v. een doel: This post became a —ping-stone to greater honour = baande den weg tot grootere eer.

Stephano, stefənou. Stephen, stîv’n; Stephenson, stîv’ns’n.

Steppe, step, steppe.

Stercoraceous, stɐ̂kəreišəs, als mest, van mest, mest ...

Stere, stêə, stîə, stère.

Stereo, steriou, stîriou, verk. van Stereotype; Steriometer, steriomətə, stiriomətə, stereometer; adj. Stereometric(al); Stereometry, steriomətri, stîriomətri, stereometrie; Stereoscope, steriəskoup, stîrəskoup, stereoscoop; adj. Stereoscopic; Stereotype, steriətaip, stîriətaip, subst. steriotiepplaat; — verb. stereotiep drukken: Here a man gets soon —d = begint te vegeteeren.

Sterile, ster(a)il, onvruchtbaar, dor, hol, leeg, steriel; Sterility = onvruchtbaarheid, armoede van geest, steriliteit; Sterilization, subst. v. Sterilize, sterilaiz, onvruchtbaar maken, uitputten van land, steriliseeren.

Sterlet, stɐ̂let, kleine steur (Rusland).

Sterling, stɐ̂liŋ, adj. echt, onvervalscht, zuiver, degelijk: A pound — = 20 shillings.

Stern, stɐ̂n, subst. achtersteven, spiegel, hek, achterschip, achterste en staart (van dieren): To sit at the — of state = aan het roer van staat; —-board = achterwaartsche beweging van een schip; —-chase = jacht waarbij twee schepen denzelfden koers volgen; —-chaser = kanon op het achterschip; —-fast = meertouw aan den achtersteven; —-port = spiegelpoort; —-post = achtersteven; —-sheets = stuurstoel; —-way = achterwaartsche beweging van een schip; —-wheel = enkel scheprad aan den achtersteven eener stoomboot; —-wheeler = stoomboot met —-wheel; —most = geheel achteraan, het dichtst bij den achtersteven.

Stern, stɐ̂n, ernstig, streng, onstuimig, hardvochtig: To repress with a — arm = met den sterken arm (fig.); — necessity; subst. —ness.

Sternal, stɐ̂n’l, behoorende tot het Sternum, stɐ̂n’m, borstbeen.

Sternutation, stɐ̂njuteiš’n, het niezen; Sternutatory, stɐ̂njûtətəri, het niezen opwekkend; niesmiddel.

Stethoscope, stethəskoup, stethoscoop; adj. Stethoscopic(al).

Stevens, stîvənz; Stevenson, stîvəns’n.

Steve, stîv, stuwen, stouwen; Stevedore, stîv’dö, stuwadoor: Dockers and —s = dokwerkers en stuwadoors.

Stew, stjû, subst. dampbad, verlegenheid, oesterbank (Amer.), gestoofd vleesch of eten, brouwsel (—s = bordeel); — verb. stoven, braden (het warm hebben), blokken: All that — of calumny and envy = al dat brouwsel van laster en nijd; Everything is in a — = in beroering; You have made a — of it = den boel verknoeid, er een “potje” van gemaakt; —-pan; —-pot.

Steward, stjûəd, rentmeester, opzichter, hofmeester, bottelier, ceremoniemeester: Lord High — of England = hoog ambtenaar voor bijzondere gelegenheden (kroning bijv.) benoemd; —ess = hofmeesteres; —ship = betrekking van —.

Steyne, stain.

Stibium, stibiəm, antimonium, spiesglans.

Stick, stik, subst. stok, pijp, hark (fig.), roede, rijsje, viool(trommel)stok, haak, stoot, stilstand; — verb. doorsteken, steken, vaststeken, prikken, kleven, blijven steken, stokken; plakken, blijven, getrouw blijven: Rather a — of a girl = nogal een houterige meid; A — of sealing-wax = pijp lak; Composing — = zethaak; She was as cross as two —s = zoo boos als een spin; To have hold of the — = het heft in handen hebben; To cut one’s — = er uit snijden; It is easy to find a — to beat a dog; To leave neither — nor stone standing = geen twee steenen op elkaar laten; — no bills = verboden hier iets aan te plakken; He —s the bits together = lijmt de stukken aan elkander; They stuck their heads (wigs) together = staken de koppen bij elkaar; — a pin there! = steek daar een speldje bij, onthoud dat; To — pins upon a person’s sleeves = iemand likken (fig.); To — placards on a wall = biljetten op een muur plakken; We will “— it”, come what may = ten einde toe volhouden; He is as clever as he can — = door en door helder; The window —s a bit = klemt; He —s like a bur = hangt (aan iemand) als een klis; He —s at nothing = hij staat voor niets = He is a —-at-nothing fellow; He —s at no scruples = gewetensbezwaren kent hij niet; He —s by us = hij steunt ons getrouw; To — in the mire = in den modder blijven zitten, in de klem zitten; —-in-the-mud = treuzel; You — it on rather too stiff = overvraagt wel wat erg; He —s out to the last = hij houdt vol, weigert; I have stuck out an excellent plan = ontworpen; He stuck out his legs = stak uit; They — out their stomachs = zetten eene hooge borst op; His ears — out = staan ver van het hoofd; He —s to his work, and —s to his friends = volhardt in zijn werk, en blijft zijnen vrienden getrouw; To — up = rechtop of overeind staan: I will — up for you as long as I possibly can = het voor u opnemen; —-up collar = vadermoorder; — and groove = middel om vuur te maken door een puntigen stok in een gegroefd stuk hout snel op en neer te bewegen; —-fast = soort lijm; plakker, klis; —-jaw = kleverige lekkernijen; —er = incourant artikel (Amer.); Sticking: —-plaster = hechtpleister. Zie Sticky.

Stickle, stik’l, de partij opnemen van, hardnekkig op kleinigheden staan, aarzelen: Why should you — to going to them = waarom zoudt ge bezwaren maken; You should not be stickling about the rights of others = bezwaren opwerpen omtrent; —r = ijveraar, vormelijk mensch: He was a —r for the dignity of the church = hij ijverde voor; She is a —r for old-fashioned gallantry = zij is erg gehecht aan.

Stickleback, stik’lbak, stekelbaarsje.

Sticky, stiki, kleverig: Hints for the — season = wenken voor het natte, vochtige seizoen.

Stiff, stif, stijf, onbuigzaam, vasthoudend, hoog, vast, sterk, flink, moeielijk, zwaar; subst. papier, wissel, geld: That is — at first = valt eerst niet mee; The arithmetic was pretty — = vrij moeilijk; I gave it him pretty — = heb hem duchtig geraakt; He was — in such points = stond hardnekkig op; This is the last glass of grog, but it shall be a — one = maar het zal een sterke grog zijn; They made their — in America = hun geld; — country = taaie, voor paarden zware bodem; — pace = flinke gang; We sold them at — prices = voor hooge prijzen; — and stark = stijf en strak; He is as — as a poker = zoo stijf als een stuk hout; —-necked = eigenzinnig; subst. —-neckedness; Stiffen = verstijven, hard worden; aanwakkeren, vast worden; stijgen, stijf (hardnekkig) maken, stijven: To — cloth with starch = stijven; To — one’s neck = halsstarrig worden; —er = wie of wat stijf maakt; Stiffish = eenigszins stijf; Stiffness = stijfheid, etc.

Stifle, staif’l, subst. kniegewricht van een paard, gal aan de knieschijf van paarden.

Stifle, staif’l, verstikken, smoren, uitblusschen, dooden: The air was stifling = het was om te stikken.

Stigma, stigmə, brandmerk, schandvlek, moedervlek, stigma (bij insecten); adj. —tic, stigmatik; —tization, subst. v. —tize, —taiz, brandmerken, schandvlekken.

Stile, stail, subst. naald (van den zonnewijzer), opstap (om over hekken etc. te klimmen): To help a lame dog over the — = een zetje geven, een handje helpen.

Stiletto, stiletou, kleine dolk, stilet: The man was all — and mask = was in geen enkel opzicht te vertrouwen.

Still, stil, subst. kalmte, stilte; distilleerketel, branderij; adj. stil, zacht, kalm, rustig, niet mousseerend (v. wijnen enz.); — verb. stillen, kalmeeren, inhouden, doen bedaren, distilleeren: To lie (sit, stand) —; I sat as — as — = doodstil; — waters run deep = stille waters hebben diepe gronden; —-born = doodgeboren, ontijdig, zonder succes; —-life = stilleven; —-room = distilleerkamer; provisiekamer, dienkeuken; —iform = druppelvormig; —ness = kalmte, stilte.

Still, stil, nog, steeds; conj. toch, intusschen: Is not he a child —? = is hij niet nog een kind? He was — not coming = hij kwam nog maar niet.

Stillage, stilidž, stellage, schraag: A bar with counter and — = buffet, met toonbank en stellage.

Stilt, stilt, subst. stelt, steltlooper (= —-bird); — verb. op stelten zetten, kunstmatig opheffen: On —s = op stelten; hoogdravend; To go (walk) on —s; —-walker = steltlooper; —edness = hoogdravendheid.

Stilton, stilt’n: It’s not the — = dat past niet; — cheese, een te St. bereide kaassoort.

Stimulant, stimjul’nt, prikkelend; opwekkend; subst. opwekkend middel, prikkel; Stimulate, stimjuleit, aansporen, aanzetten, prikkelen; subst. Stimulation; Stimulative = prikkelend, etc.; subst. prikkel, etc.; Stimulator = aanzetter, aanspoorder; Stimulus, stimjuləs, prikkel, opwekkend middel, stekel: To give a — to = aansporen, opfleuren.

Sting, stiŋ, subst. angel, stekel, prikkel, steek, wroeging of knaging (= —s of conscience); — verb. steken, prikkelen, pijn doen, pijnlijk treffen: Your narrative —s me to the heart = is me een steek door het hart; Stung with remorse = vol gewetenswroeging; Stung with sorrow = smartelijk getroffen; —er = stekel, steek, pijnlijke slag, vorstig weer: He received a —er in his face = een harden slag; —-bull = pieterman; —-fish = kleine pieterman of steekvischje; —ray = —tail = stekelrog = —aree, stiŋgərî; —ing: —ing-nettle = brandnetel; —less.

Stinginess, stindžinəs, subst. v. Stingy, stinži, vrekkig, gierig.

Stink, stiŋk, subst. stank, ruzie; — verb. stinken, in slechten reuk staan: It —s in the people’s nostrils = het is het volk een walg; —-pot = stinkpot; Stinkard = stinkdier.

Stint, stint, subst. grens, perk, maat; zeeleeuwerik, bepaalde hoeveelheid, toebedeelde taak; — verb. beperken, eene bepaalde taak aanwijzen, stukwerk geven; zich bekrimpen: They — themselves = bekrimpen zich; He does not — his confidence = is niet karig met; —ed in growth = in den groei belemmerd; They were —ed to a certain number of dishes = mochten niet gaan boven, waren beperkt tot; —edness = beperking; —less = overvloedig.

Stipe, staip, (Meerv. Stipes, staipîz), stengel, stronk, stam.

Stipend, staip’nd, jaarwedde, bezoldiging; inkomsten van een geestelijk ambt (Schotl.); Stipendiary, staipendjəri, subst. bezoldigd politierechter; bezoldigde, loontrekkende; adj. bezoldigd.

Stipple, stip’l, punteeren, stippelen; ook subst.: A bold sketch without stippling or varnish; —r = punteerpenseel.

Stipulate, stipjuleit, stipuleeren, vaststellen, bedingen; adj. (stipjulit) van steunblaadjes voorzien; subst. Stipulation; Stipulator.

Stir, stɐ̂, subst. beroering, drukte, opwinding, oploop, oproer, leven, geraas; — verb. roeren, omroeren, oprakelen, bewegen, in beweging brengen, zich bewegen, in beweging zijn, verluiden, gebeuren, opstaan, op zijn, bezig zijn, uitgaan, etc.: It made quite a — = baarde veel opzien; Not a breath is —ring = er beweegt zich geen windje; There is no money —ring = er komt geen geld onder de menschen; There is no news —ring = er is niets geen nieuws; Is nobody —ring? = is nog niemand op? My blood was —red = raakte aan ’t koken; You shall not — abroad (from the house, a step out of this house) to-day = je komt vandaag de deur niet uit; Something —red in my memory = kwam op in mijne herinnering; He —red the hot mixture round and round = roerde maar steeds; These measures —red up the nation = schudden de natie wakker; —-about = haverpap, bedrijvig persoon; Stir-up Sunday = de 26e Zondag na Pinkster.

Stirrup, stirəp, stɐ̂rəp, stijgbeugel: He has his foot in the — = zijn voet in den beugel; —-cup = afscheidsglaasje (glaasje op de valreep); —-leather (—-strap) = riem van den stijgbeugel; —-oil = flink pak ransel.

Stitch, stitš, subst. steek (— in the side = steek in de zijde); — verb. naaien, bestikken, innaaien (van boeken), stikken, voren graven: Without a — of clothes = stuk kleeren; A — in time saves nine = werk op tijd maakt welbereid; She made several false —es = verkeerde steken; The surgeon —ed up the wound = naaide de wond dicht; —-wort = sterremuur.

Stive, staiv, smoren.

Stiver, staivə, stuiver, kleinigheid.

Stoat, stout, wezel, hermelijn.

Stock, stok, subst. stam, stengel, stronk, paal, blok, houten klaas; lade van een geweer of pistool, oorsprong, geslacht, voorraad, veestapel, kapitaal, fonds, aandeel (kapitaal), effecten, stropdas, bouillon, voorhanden goederen, gereedschap; adj. voorhanden, lijf - -, vast, stam - -; — verb. opleggen, vullen, verrijken, voorzien, van vee voorzien, bevolken, opslaan: Dead — = werktuigen en producten; Live — = levende have; Rolling — = rollend materieel; Working — = materiëel; —s = blok (strafwerktuig), aandeelen, effecten, stapelblokken: We must get it on the —s soon = op stapel zetten; To put in the —s = in het blok zetten; He cried his — = ventte luide; The clergyman took — of the young fellow = nam op; The notary took — of everything = maakte een inventaris op; He took little — in the Franco-Russian alliance = stelde weinig vertrouwen; To be in — = goed bij kas zijn; To have in (on) — = in voorraad; — of learning = schat van kennis; — in trade = bedrijfskapitaal; — piece = répertoirestuk; His — remarks = vaste, steriotype aanm.; Being over—ed, we cannot insert your paper = aangezien we te veel copie hebben; We are well —ed with everything = ruim van alles voorzien; A garden —ed with raspberries = vol frambozen; —-breeder = veefokker; —-broker = makelaar in effecten; —-dove = kleine boschduif; —-exchange = effectenbeurs; —-farm = boerderij voor veeteelt; —-farmer; —-feeding = mesten; —-fish = stokvisch: Mute as a —-fish = zoo stom als een visch; —-gilliflower = winterviolier; —-holder = aandeelhouder; —-jobber = effectenhandelaar of speculant; —-jobbery; —-list = koerslijst; —-man = veehoeder; —-market = geldmarkt; veemarkt; —-pot = pot waarin bouillon staat te trekken; —-raiser = fokker; —-rider = bereden veehoeder (Austr.); —-rose = stokroos; —-station = fokstation; —-still = bewegingloos; —-taking = inventarisatie; —-ticker = instrument, dat den stand der beurs aangeeft; —-watering = nominale vergrooting van kapitaal; —-yard = omsloten plaats voor vee. Zie Stockish.

Stockade, stokeid, subst. omheining, palisadeering; — verb. omheinen, met palisaden versterken.

Stockinet, stokinet, katoen voor kousen, etc.

Stocking, stokiŋ, kous: He stands six feet in his —s (in his —-feet) = op zijne kousen is hij zes voet lang; He wants to fill his — = hij wenscht een kous te maken (fig.); To hang up a — = (met kerstmis door kinderen); To make a — = een kous maken; —-frame = machine om kousen, enz. te weven; —-yarn = breiwol.

Stockish, stokiš, stijf; Stocky = dik, gezet; eigenzinnig.

Stodge, stodž, volstoppen: Schools should not merely — us with information = volproppen met; Stodgy, stodži, adj. dik, gezet, onverteerbaar.

Stoic, stouik, subst. Stoicijn, adj. stoicijnsch; —al = stoicijnsch; subst. —alness; —ism = leer der Stoicijnen, ongevoeligheid.

Stoke, stouk, stoken: —-hold = —-hole = stookruimte (-gat); Stoker = stoker: Gas —s.

Stole, stoul, lang los gewaad, smalle zijden doek waarvan de uiteinden breed uitloopen, die om den hals gehangen tot aan de knieën reikt; stola: Groom of the — = opperkamerheer (in Engeland).

Stole, stoul, Stolen, stoul’n, imperf. en p.p. van to steal.

Stolid, stolid, dom, ongevoelig, stijf, onbehouwen; subst. —ity, stoliditi = —ness.

Stomach, stɐmək, subst. maag, (gewoonlijk voor) buik, eetlust, neiging, moed, toorn, norschheid, aanmatiging; — verb. slikken, verduwen: To disorder (spoil, upset) one’s — = zijn maag bederven; My — rises = ik word misselijk; It goes against the — with me = stuit me tegen de borst; To have little — for = weinig trek hebben in; Such food sticks in the — = ligt zwaar op de maag; To turn a person’s — = misselijk maken; He —ed that injury = slikte die beleediging; —-ache = maagpijn, buikpijn; —-pump = maagpomp; —-worm: The —-worm gnaws = mijn maag jeukt; Stomacher, stɐməkə, lijfje, borstlap; Stomachic, stəmakik, maagversterkend, maag...; maagmiddel: — fever = gastrische koorts.

Stone, stoun, subst. steen, edelsteen, druksteen, pit, niersteen, hagelkorrel of strontje op het oog; bij de rensport en bij wol en haver, gewicht van 14 lbs = ± 6,360 K.G.; bij vleesch en visch in Londen ± 3,629 K.G.; adj. steenen; — verb. steenigen, met steenen plaveien of omwallen, steenen (pitten) verwijderen uit: The philosopher’s — = de steen der wijzen; — of offence = steen des aanstoots; To break —s = steenen kloppen; I will not cast the first — at him = den eersten steen niet werpen; You cannot get blood out of a — = waar niets is heeft de keizer zijn recht verloren; To kill two birds with a — = twee vliegen in één klap slaan; Not to leave a — standing = geen twee steenen op elkaar laten; To leave no — unturned = niets onbeproefd laten; To mark with a white — = (als iets bijzonders) met een krijtje aan de balk schrijven; To walk upon the —s = rondslenteren; To — plums = de pitten uit pruimen verwijderen; —-age = steenperiode; —-blind = stekeblind; —-bottle = kruik; —-break = knollige steenbreek; —-broke = aan lager wal: Your money came in precious handy, for I was close on —-broke = want ik was “er aan toe”; —-buck = steenbok; —-chat(ter) = roodborst-tapuit; —-coal = anthraciet; —-coral = massief koraal (tegenover getakt); —crop = muurpeper; —-curlew (-plover) = griel; —-cutter = steenhouwer; steensnijder; —-dead = morsdood; —-deaf = stokdoof; —-falcon = steenvalk; —-fruit = steenvrucht; —-hammer = steenhamer; —-hard = zoo hard als steen, ongevoelig; —-hatch = bontbek-pluvier; —-hearted = met een hart van steen; —-horse = hengst; muurpeper; —-mason = steenhouwer; —-pit = steengroeve = —-quarry; —’s-cast, —’s-throw = steenworp: Within a —’s-throw = op den afstand v. een steenworp; —-still = volkomen stil, bewegingloos; —-wall = steenen muur; —-walling tactics = parlementaire obstructie; — ware = aardewerk of steengoed; —work = metselwerk; —-wort = waterhalm; Stoniness, subst. v. Stony = steenachtig, vol steenen, meedoogenloos, verhard, zonder geld; —-hearted = hardvochtig.

Stood, stud, imperf. en p. perf. v. to stand.

Stook, stuk, subst. 12 schoven; — verb. in schoven zetten.

Stool, stûl, kruk; stoel(gang), stomp waaruit takken spruiten (zooals b.v. bij knotwilgen); — verb. uitspruiten: Between two —s we come to the ground = tusschen twee stoelen zit men in de asch; — of repentance = zondaarsbank (Schotl.); —-pigeon = lokduif, lokvogel.

Stoop, stûp, bukken (ook fig.), buiging, kruik of flesch (van 2 quart); stoep, bordes (Amer.); — verb. bukken (ook fig.), zich vernederen of verlagen, buigen, neerschieten (van roofvogels), neervallen, afdalen: His hair is grizzled, and he begins to — = gedoken of gebukt te loopen (= Has a —, Walks with a —); He —ed to the meanest measures = verlaagde zich; —-shouldered = met ronde schouders.

Stop, stop, subst. beletsel, hinderpaal, stoornis, ophouding, einde, leesteeken, toets, klep, register (orgel); — verb. verstoppen, dichtstoppen, stelpen, beletten, verhinderen, belemmeren, weerhouden, onderdrukken, stoppen, stilstaan, pareeren, besnijden, den toon regelen met een stop, etc.: Full — = punt; To come to a — = blijven steken, hokken, plotseling blijven staan; Put a — to his nonsense = maak een einde aan; I found him on the top of the bus, and pressed him to — off = dat hij een tijdje met mij naar huis zou gaan; — thief! = houd den dief; He —ped short = bleef plotseling staan, hield ineens op; Where are you —ping? = logeert gij; To — a neighbour’s light = betimmeren; Will you — (stay) supper? = blijven soupeeren; —-cock = kraan; —gap = noodhulp, bladvulling, stopwoord, nestkuikentje; —-order = opdracht met limitatie; —-watch = subst. horloge dat naar verkiezing kan worden stilgezet; adj. vluchtig, te hooi en te gras: Most of them are —-watch excursionists = het is den meesten om een vluchtig bezoek te doen; Stoppage, stopidž, het stoppen, tegenhouden, inhouden (v. salaris), staken van betalingen, stilstand (in handel, etc.); Stopper = subst. wie of wat stopt of tegenhoudt, stop (van eene flesch), kort eind touw om vast te maken; — verb. een kurk doen op, stoppen, sluiten: A —ed bottle; A —less cruet = olie- en azijnstelletje zonder stop of kurk; Stopping: —-place; —-train = boemeltrein; Stopple, subst. stop, prop; — verb. met een stop sluiten.

Storax, stôraks, soort v. welriekende hars.

Store, stö, subst. voorraad, overvloed, groot aantal, pakhuis, magazijn, proviand; winkel (Am.); adj. opgestapeld, voorhanden; — verb. opstapelen, opleggen, opslaan, in het pakhuis bergen, voorzien: In — = voorhanden; To have (keep) in —; A great pleasure, a scolding is in — for you = staat je te wachten; I lay great — on my introduction by you = stel grooten prijs op; To set great — by = op hoogen prijs stellen; —s = benoodigdheden; coöperatieve winkel of bazaar: The army and navy —s = de coöperat. winkels der ambtenaren van oorlog en marine; Baby —s = magazijnen voor kindergoed; Commissary of —s = intendant; The ship was —d to the last scuttle of coals = was van alles tot het geringste toe voorzien; —house = pakhuis, bergplaats, voorraadschuur, schatkamer: This booklet is a —house of facts = bevat een schat van feiten; —-keeper = magazijnhouder, winkelier (Amer.); —-room = magazijnkamer, bergplaats; —-ship = proviandschip; Storage, stôridž, opberging, bergloon, opstapeling, verzameling; — battery = accumulator.

Storied, stôrid, beroemd, beschreven of versierd met tafereelen uit de geschiedenis, met eene geschiedenis; (in samenst.: met eene verdieping: Four-— = met 4 verdiepingen). Zie Story.

Stork, stök, ooievaar; —’s-bill = reigersbek (plant).

Storm, stöm, storm, onweer, regen, hevige stoornis, ontroering; — verb. bestormen, stormen, woeden: A — of applause = stormachtige toejuichingen; A — of bullets = kogelregen; A — of rain = plasregen; —s of fate = levensstormen; The ship was overtaken by a — = door een storm overvallen; This raised a — of indignation = deed ontstaan; The town was taken by — = stormenderhand; A period of — and stress = tijd van opwinding en onrust; The — and Stress period in German literature = de “Sturm und Drang” periode in de D. letterkunde; They were —ed at with shot and shell = ontvangen met een regen van; —-beat(en) = door stormen geteisterd; —-bird, —-finch = stormzwaluw; —-cock = groene specht; —-cone = kegel als stormsignaal; —-drum = cylinder als stormsignaal; —-jib = stormstagzeil; —-sail = stormzeil; —-signal = stormsignaal; —er = bestormer; —ful = onstuimig; —ing party = stormloopende troep; —iness, subst. v. —y = stormachtig, hevig, hartstochtelijk; —y-petrel = stormzwaluw.

Storthing, stötiŋ, parlement van Noorwegen.

Story, stôri, subst. verhaal, vertelling, geschiedenis; verdieping; — verb. verhalen vertellen, tot onderwerp van een verhaal maken: But that’s another — = heel wat anders; That is but an idle — = een praatje; He is wrong in the upper — = het schort hem in de bovenste verdieping; Here my — ends = nu is mijn verhaal uit; As the — has it, goes = zooals het verhaal of praatje luidt; To make a long — short = om kort te gaan; Don’t tell stories = vertel nu geen leugentjes; —-book = vertelselboek; —-teller = verhaler, verteller; leugenaar; —-telling = het verhalen, of leugens vertellen; —-writer. Zie Storied.

Stot, stot, jonge stier.

Stoughton, stout’n.

Stound, staund, stekende pijn; verwondering; — verb. pijn doen; verdooven.

Stoup, stûp, wijwaterbakje, flesch, kruik.

Stour, stûə, strijd, tumult.

Stourbridge, stɐ̂bridž; Stourford, stûəfəd.

Stout, staut, subst. donker Eng. bier; adj. krachtig, flink, dapper, sterk, gezet, gewichtig: With a — heart = moedig, dapper; —-built = krachtig gebouwd; —-hearted = moedig, dapper, subst. —-heartedness; —ish = vrij gezet; —ness = stevigheid, flinkheid, gezetheid.

Stove, stouv, subst. kachel, fornuis, stoof, broeikas; — verb. warm houden, in een broeikas zetten: Peat — = theestoof; Spirit — = theelichtje; Wooden — = stoof; —pipe hat = kachelpijp, hooge hoed.

Stove, stouv, imp. en p.p. van Stave: Her bows and bulwarks were — in, and her rudder was lost = werden ingeloopen.

Stow, stou, stuwen, bergen, plaatsen, uitscheiden: — that = schei daarmede uit; Stowage = het wegbergen, geborgen zijn, bergplaats, bewaargeld, pakhuisloon: It is safely stowed, In safe — = veilig geborgen of geplaatst; Stowaway = blinde passagier: iemand die zich om vrijen overtocht aan boord te verkrijgen, tijdelijk verscholen houdt.

Stowe, stou; Stowel, stouəl.

Strabism, streibizm, het scheelzien; Strabotomy, strəbotəmi, operatie voor scheelheid.

Strachan, strôn.

Straddle, strad’l, het wijdbeens staan of loopen; afwachtende houding (Amer.); — verb. wijdbeens staan of loopen, schrijlings staan boven of zitten op; een afwachtende houding aannemen: Yonder — cannot be the characteristic of the sublime = gindsche wijdbeensche gestalte; He rode —-legged = schrijlings.

Straggle, strag’l, afdwalen, zwerven, verstrooid zijn of liggen, in ongeregelde orde loopen, ronddwalen, woekeren (van planten); Straggler = zwerver, landlooper, achterblijver, wilde tak of uitlooper: Some —s of the hunting train = eenige achtergeblevenen v. den jachtstoet; Straggling: — houses = verspreid liggende huizen; A — street = onregelm. straat (vooral als de huizen niet op eene lijn staan); A straggly beard = een ongelijke, slordige baard.

Straight, streit, recht, direct, rechtop, oprecht, eerlijk, onvermengd, onmiddellijk: It is as — as you can go = al maar recht uit; To do the — thing = eerlijk handelen; To be in the — for home = huistoe gaan; To act (speak) — from the elbow = ronduit, royaal; To bring matters — = in orde brengen; To contradict — out = vierkant tegenspreken; Do it — = direct; I gave it him — = heb het hem ronduit gezegd; To lie — out = rechtuit; To look — in the face; We shall make it — = in orde brengen, recht maken; To pull — = terecht trekken; To set — = terecht zetten, in orde brengen; He is a — up and down man = door en door eerlijke vent; —-fronted corset = corset “droit devant”; Straighten = recht maken: To — one’s glasses, necktie = terecht zetten, trekken; I unconsciously —ed myself = richtte me op; This mistake ought to be —ed out = verholpen; Straightforward = oprecht, ronduit, eerlijk; subst. —ness; Straightness = rechtheid, etc.; Straightway = onmiddellijk, dadelijk.

Strain, strein, subst. inspanning, spanning, druk, krachtige poging, streven, verstuiking, verdraaiing (fig.), toon, lied, melodie, trant, stijl, afkomst, ras, karaktertrek; — verb. rekken, uitrekken, verrekken, spannen, zich inspannen (afsloven), overspannen, drukken, dwingen, verdraaien, filtreeren: His bulldog — = zijn bulhondenmanier (toon); He read on in the same — = op denzelfden toon; That is rather a — on me = dat vergt vrij wat inspanning van mij; There was a great — on the masts = de masten hadden heel wat te houden; Expectation is still on the — = de verwachting is nog hoog gespannen; To take too high a — = een te hoogen toon aanslaan; You — courtesy = je maakt te veel complimenten; To — one’s eyes = erg inspannen; You — the law and all the rules in your support = verdraait wet en regel om u te dekken; To — every nerve = alle krachten inspannen; To — a point = te ver gaan: That would be —ing a point = dat zou overdrijving wezen; To — one’s voice = uitzetten; —ed interpretation = gewrongen uitlegging; —ed relations = gespannen verhoudingen; To — after novelty by starting paradoxes = uit zijn op iets nieuws; They — at (beter: out) the gnat and swallow the camel = zij zuigen (zijgen) de mug uit en slikken den kemel door; The curtain —ed a restful light into the room = liet doordringen; To — off the water = het water afgieten; All the impurities were —ed out = het werd gezuiverd van; We have —ed the milk through linen = gefiltreerd; —er = zijgdoek, vergiet; —ing = inspanning, etc.; blikgat.

Strait, streit, subst. bergengte, pas, zeestraat (gew. meerv.); moeilijkheid, verlegenheid; adj. nauw, beperkt, streng, moeilijk: The —s of Gibraltar = de straat van G.; We were in a — (in great —s) = zaten “erin”, in de klem; To drive a person (in)to —s = in ’t nauw brengen; The —est advocate of popular rights must acknowledge this = de meest onvervalschte voorstander; — formality = stijve vormelijkheid; In — of money = in geldverlegenheid; —-jacket (—-waistcoat) = dwangbuis; —-laced = stijf of strak geregen, gedwongen, stijf, kleingeestig: We are not so — = wij nemen het niet zoo nauw; Straiten = nauw maken, beperken, strak aanhalen, in verlegenheid brengen: This circumstance has —ed me in money matters = heeft mij in ongelegenheid gebracht; To be in —ed circumstances = bekrompen; Straitness = bekrompenheid, gestrengheid, verlegenheid, moeielijkheid.

Strake, streik, ijzeren hoepel, gangplanken (op een schip), kort zijspoor.

Stramineous, strəminjəs, van stroo, lichtgeel.

Strand, strand, subst. strand; streng, streen, vlecht; — verb. op het strand (zetten) loopen, stranden: I used my skill in smoothing the —s of their lives = om voor hen de kinken uit de kabel te slaan; —ed goods; —-wolf = bruine hyena.

Strange, streinž, vreemd, zonderling, onbekend, ongewoon: — to say, he did not know me = ’t is vreemd; I am — in London = onbekend in (met); subst. —ness; Stranger = vreemdeling, onbekende, nieuweling, oningewijde; adj. vreemd: This foreigner is no — here = deze buitenlander is hier goed bekend; He is a — to this business, our plans = eene nieuweling, niet op de hoogte van; To make a (no) — of a person = als (niet als) een vreemde behandelen.

Strangle, straŋg’l, worgen, onderdrukken, verstikken: To — a bill = een wetsontwerp bij de 1ste of 2de lezing doen vallen; —r = worger, onderdrukker; —s = droes bij paarden; Strangulated, straŋgjuleitid: — hernia = beklemde breuk; Strangulation, straŋgjuleiš’n, worging, beklemming.

Strap, strap, subst. riem, drijfriem, beugel, schouderbedekking, baardschraper; — verb. met een riem vastmaken, ermee afranselen, aanzetten op een riem: Endless — = riem zonder eind; —s = souspieds; —-hanger = passagier, die zich aan een strap vast houdt omdat er geen zitplaats is; Strapper = pootige kerel; manwijf; Strapping = flink, groot en sterk gebouwd: A — young fellow.

Strasburg, strasbɐ̂g.

Stratagem, stratədž’m, krijgslist, sluwe zet, list; Strategic(al), strətedžik(’l), strategisch; Strategics = strategie; Strategist, stratidžist, strateeg; Strategy, stratidži.

Strath, strath, riviervallei (Schotl.); Strathmore, strathmö; Strathspey, strathspei, strathspei = een Schotsche dans.

Stratification, stratifikeiš’n, laagswijze ligging; Stratiform = in lagen; Stratify, stratifai, in lagen op elkaar liggen; Stratum, streit’m, laag.

Stratus, streitəs, laag wolken.

Straw, strô, stroo(halm), stroohoed, lange pijp; adj. van stroo, waardeloos, onecht; — verb. met stroo vullen of omwinden: A — shows how the wind blows = kleinigheden zijn soms sterke aanwijzingen; He is a man of — = stroopop, nietsbeteekenend man, gefingeerde persoon; Women in the — = kraamvrouwen (plat); It is not worth a — = geen lor waard; I do not care a — (two —s) = het kan me geen zier schelen; To condemn to — = voor stapelgek verklaren; A drowning man will catch at a — = zich aan een stroohalm vastklampen; His eyes draw —s = het zandmannetje komt; We got from the bed on the — = wij geraakten van het bed op het stroo; He does not sit here to pick —s = hij zit hier ook niet om vliegen te vangen; You have been picking —s = gij zijt aan het stroodorschen geweest; To split —s = spijkers op laag water zoeken; —-bail = waardelooze borgtocht; —-bid = schijnbod, ook verb.; —-board = strookarton; —-bonnet = stroohoed; —-bottomed = met zitting van stroo; —-built = van stroo gemaakt; —-colour = lichtgele kleur; —-cutter = hakselmachine; —-hat = stroohoed; —-mattress; —-paper = stroopapier; —-rope = strootouw; —-wisp = wisch; —-yard = asyl voor dakloozen; —y = van stroo, als stroo.

Strawberry, strôberi, aardbei; —-leaf = symbool van hertogelijke waardigheid: To work for the —-leaf = naar den hertogstitel streven; —-tree = aardbeziënboom.

Stray, strei, subst. verdwaald dier; adj. verdwaald, toevallig, los; — verb. zwerven, dwalen, afdwalen, kronkelen: — notes on Pronunciation = losse wenken of aanteekeningen; — sheep = verdoold schaap, verdoolde; — visitor = toevallig; He —ed from the right path = raakte van het goede pad af; —er, —ling = verdwaalde, afgedwaalde.

Streak, strîk, subst. streep, ader; — verb. strepen vormen, aderen; uitsnijden (= To — it): I had a — of luck, and followed it up = ik had een kansje, en maakte er gebruik van; —iness, subst. v. —y = gestreept, doorregen; verontrust (Amer.).

Stream, strîm, subst. stroom, strooming; — verb. stroomen, uitstroomen, zwemmen, fladderen, wapperen, overboord gooien, wasschen: — of air (light, words); Tributary —s = zijrivieren; To row against the — = tegen den stroom op roeien (fig.); To go (float) with the —; Up, down the — = stroom op, stroom af; —er = wimpel, lamfer, serpentine; —ers = noorderlicht; —let = stroompje, riviertje; —y = rijk in stroomen of lichtbundels.

Streel, strîl, sleepen: Her train —ed after her like the tail of a comet = sleepte haar na.

Street, strît, straat: In (the middle of) the — = (midden) op straat: The — was blocked, stopped up = de straat was versperd; The man in the — = het groote publiek; To be on the —s = op straat staan (fig.); She is on (walks) the —s, Went upon the —s = is, ging de baan op (fig.); To turn out into the — = op straat zetten; —-arab = verwaarloosd kind; —-car = tramwagen (Amer.); —-door = voordeur; —-orderly = straatveger, vuilnisman; —-sweeper = straatveger; —-walker = prostituée.

Strength, streŋth, kracht, spierkracht, sterkte, taaiheid, weerstandsvermogen, krijgsmacht, aantal: He claimed acquaintance with me on the — of having seen me there = op grond dat; He recovered — very soon = kreeg weldra zijne krachten terug; A “Try-your-—” machine = krachtmeter op kermissen; Strengthen = versterken, bevestigen, doen toenemen; —er = versterker, versterkend middel; Strengthless.

Strenuous, strenjuɐs, ijverig, krachtig, energiek: — exertion = krachtige poging of inspanning; subst. —ness.

Stress, stres, subst. kracht, druk, nadruk, klem, aandrang, hoofdzaak, gewicht; — verb. den nadruk of klem leggen op: Principal, Even — = hoofdklem, zwevende klem; Ill through — of work = door overwèrken; Under the — of circumstances = drang; Under a — of weather = in zwaar weer; He laid — upon it = drong er op aan, legde er nadruk op; The second syllable is —ed = de klem ligt op de tweede lettergreep.

Stretch, stretš, subst. uitgestrektheid, spanning, inspanning, geval van nood (On —), overdrijving, slag (bij ’t laveeren), recht einde van een baan, richting; — verb. uitstrekken, uitsteken, rekken, op de leest slaan, inspannen, overdrijven, met volle zeilen varen, in gestrekten galop rijden: At (On) a — = achtereen, zonder ophouden; You can get this at a — = desnoods, op zijn hoogst; To keep on (put upon, to) the — = in spanning houden, spannen; We —ed south = voeren naar het Z.; Shall I — the gloves for you? = uwe handschoenen even oprekken; I want to — my legs = ik moet mijne beenen eens wat strekken; To — metals = metaal uitsmeden; To — a point = zich bijzonder inspannen, veel moeite doen; You are —ing the truth = doet der waarheid geweld aan; He —ed forth his hands = stak uit; Stretcher = rekker, draagbaar, spoorstok (waar de voet op rust bij het roeien), leugen: —-bearers = de soldaten aangewezen om gewonden weg te dragen; Stretching-course = streksche steenen.

Strew, strû, strou, (be)strooien, verspreiden, bezaaien, uitstrooien: Illustrations — almost every page = bijna iedere bladzijde is rijkelijk geïllustreerd; —n = gestrooid.

Stria, straiə, groef, fijne streep, cannelure; Striate, straiit, gegroefd, met fijne lijnen of strepen gemerkt; subst. Striation, straieiš’n.

Stricken, strik’n, geslagen, vergevorderd: — in age, in years = hoogbejaard; — down in the full bloom of youth = weggenomen, gestorven.

Strickle, strik’l, strijkel (bij het graanmeten), wetsteen voor zeisen.

Strict, strikt, precies, nauwkeurig, streng: He kept a — watch over us = hield streng toezicht; This won’t do in — grammar = dat kan er streng grammatisch niet door; subst. —ness; Stricture, striktjə, kritische opmerking, zinspeling (met upon); strictuur: He passed —s on me = maakte aanmerkingen op mij.

Stride, straid, subst. groote stap, schrede, klein eindje; — verb. schrijden, groote stappen doen, afstappen: It’s only a cock — = het is maar eene haneschree; Giant’s — = zweef (gymn.); To get into one’s — = op streek komen; To take long —s.

Strident, straid’nt, krassend, snijdend; Stridor, straidə, hard krassend geluid; Stridulation = piepend, snorrend geluid; Stridulous, stridjulɐs, krassend, piepend, knarsend.

Strife, straif, strijd, twist: To be at —.

Strike, straik, subst. strijkel (bij het graanmeten), maat van ½ tot 4 bushels; werkstaking; — verb. slaan, stooten, botsen, treffen, strijken, afstrijken (bij het graanmeten), licht aanraken, staken, munten, stooten op, aanheffen, aannemen, (wortel)schieten: To come, to go on — = het werk staken; To declare a — off = opheffen; To — accounts = rekeningen afsluiten, opmaken; To — an attitude = zich in postuur stellen; To — foolish attitudes = dwaze houdingen aannemen; To — a bargain = een koop sluiten; To — a blow = een slag toebrengen; The camp was struck, marching orders having been received = het kamp werd opgebroken; To — coins = munten slaan; To — fire = vuur slaan; To — one’s foot against = stooten met; We struck hands with them = sloten een verdrag; To — a match on one’s sleeve = aanstrijken; To — oil = een petroleumbron ontdekken; fortuin maken; We struck the railway and followed the line = kwamen aan de spoorlijn; The ship struck a hidden rock = stootte op een blinde klip; To — sail = strijken; To — the sands = op ’t strand loopen; We could — no soundings there = konden er geen grond vinden; To — work = het werk staken; Heaven has struck him blind (dumb) = heeft hem met blindheid, stomheid geslagen; It —s cool after these hot rooms = ’t voelt kil, komt kil aan; To — home = raak slaan, gevoelig treffen; An idea —s me = daar valt me in; It —s me that you are pale = het valt mij op; He struck at my heart = richtte een slag op; The moment he comes back, I — for a subscription = zal ik een poging doen om hem te laten inteekenen; Here the cricket struck in = viel mee in, begon mee te doen; He died of small-pox struck in = naar binnen geslagen; I’ll try to — in with your wishes = te doen overeenkomstig; Let us — into that green track = inslaan; — off a shilling = doe er af; He was struck off the roll (list) = geroyeerd; He struck off the heads of all the poppies = sloeg af; Struck on a girl = verliefd op; He struck out forcibly = sloeg krachtig armen en beenen uit (bij het zwemmen); To — out for oneself = zich zelf een weg banen (fig.); Why did you not — out this word? = heb je niet doorgehaald; I have struck out an entirely new plan = bedacht; To — to = zich overgeven, slaan op; The band struck up the national anthem = zette in; I have struck up a friendship (an acquaintance) with him = heb aangeknoopt; —-measure = strijkmaat; —r = wie of wat slaat, treft, enz., handlanger, officiers-oppasser (Amer.); werkstaker, verouderde term voor Batsman; Striking = treffend, opvallend: A —-looking person = met een opvallend uiterlijk; I wind up the —-part, —-work = slagwerk.

String, striŋ, touw of touwtje, snoer, riem, pees, reeks, serie, snaar, koord, nerf, vezel, spier, zweep (Amer.); — verb. aan een touwtje rijgen, spannen, besnaren, afhalen, van een pees voorzien, te pakken nemen: Schubert’s Quartette for —s = voor strijkorkest; Have you got a bit of — for me = een touwtje; He has two —s to his bow = meer dan een pijl op zijn boog; A — of endearing names = eene reeks “lieve” namen; A pretty — of prattling schoolgirls = een snoezig troepje; In a — = op een rijtje, aan een risje; He has all the world in a — = alles danst naar zijn pijpen; I have an other on the — = achter de hand; To have a person on a — = aan ’t lijntje; All his nerves were strung to the utmost = waren ten hoogste gespannen; She felt completely strung up = zeer krachtig en vol leven; To — beads = kralen aanrijgen; To — beans = boonen afhalen; —-band = strijkorkest; —-beans = snijboonen; —ed: —ed instrument; —ed quartet = strijkkwartet. Zie Stringiness.

Stringency, strinž’nsi, strengheid, preciesheid, schaarschte, gedruktheid; Stringent = beperkt, nadrukkelijk, hard, streng, bindend.

Stringiness, striŋinəs, subst. v. Stringy = vezelig, kleverig, vol pezen; —-bark = soort v. eucalyptus (Austral.); —-barker = jong kolonist (omdat ze in huizen woonden van —-bark gemaakt).

Strip, strip, subst. reepje, strookje; vernieling (Amer.): —s = karwats, tuchtiging; — verb. afstroopen, strippen, ontkleeden, ontdoen, onttakelen, uitmelken, berooven, wegnemen, schillen: He was —ped of everything = beroofd; She —ped off her gloves = trok uit; —-leaf = strippeling; —per = die afstroopt; namelker; —pings = de laatste melk uit eene koe.

Stripe, straip, subst. streep, striem, slag, chevron; — verb. strepen, strepen vormen, striemen: He has got (lost) his —s = hij heeft de strepen gekregen (is gedégradeerd); —d = gestreept.

Stripling, stripliŋ, subst. jongmensch, jongmaatje; adj. jong, jeugdig.

Strive, straiv, streven, zich inspannen, pogen, kampen, strijden, wedijveren (with): He strove against his weakness = streed tegen; —r.

Stroke, strouk, subst. slag, streep, trek, haal, zet, stoot, plotselinge ziekteaanval, beroerte, achterste roeier in een boot: With (At) a — = met één slag; This is a good (capital) — = een goede zet, stoot, enz.; I have done a good — of business = een goeden slag geslagen; — of fate = slag van het noodlot; — of the sun = zonnesteek; Not a — of work = geen slag werk; It was on the — of eleven = op slag van; He has had a — = beroerte; He fetched me a back — = gaf mij een slag in ’t geniep, steek onder water; To give (set) the — = den slag aangeven; To keep — = slag houden; He rowed — in our boat = hij roeide slag in onze boot; —-oar = —sman = slagroeier.

Stroke, strouk, streelen, strijken, glad strijken, liefkoozen: You do not know how to — him the right way = gij weet niet met hem om te gaan; You — him the wrong way = irriteert hem, jaagt hem ’t land op.

Stroll, stroul, subst. wandeling; — verb. slenteren, wandelen, ronddwalen: To go for (To take) a —; —er = zwerver, rondreizend acteur; —ing actors = rondreizende tooneelisten; —ing-booth = kermistent.

Strong, stroŋ, sterk, krachtig, zwaar, hevig, vurig, flink, gezond, talrijk, hel, schel: He is a little too — = hij overdrijft wat al te zeer; To come (go) it — = boud spreken, zwetsen, opsnijden; By the — arm = met geweld; To take a — line = flink aanpakken; — box = cassette; — breeze = krachtige bries; — cigar = zware; — faith; — injunctions = nadrukkelijke bevelen; He used — language = hij vloekte; — memory; Grammar is not her — point; — pulse = krachtige; — room = safe, kluis; — verbs; — wall = brandmuur; — waters = spiritualiën; —-bodied = sterk, pittig; —hold = vesting; bolwerk (fig.); —-minded = flink, onvrouwelijk; —-set = krachtig, stevig.

Strontium, stronšiəm, strontium.

Strop, strop, subst. scheerriem, strop voor een blok; — verb. aanzetten, scherpen: The bird —ped his beak upon the tree.

Strophe, stroufî, strophe; Strophic, stroufik, strophisch.

Stroud, straud.

Strouding, straudiŋ, een grove warme stof, ook gebruikt als ruilmiddel met de Roodhuiden.

Strove, strouv, imperf. van to strive.

Strow, strow; Zie Strew. Strown, stroun, p.p. van to strow.

Struck, strɐk, imperf. en p.p. van to strike: —-measure = Strike-measure.

Structural, strɐktšur’l, den bouw betreffend, organisch; Structure, strɐktšə, bouw, structuur, gebouw.

Struggle, strɐg’l, subst. worsteling, strijd, nood; — verb. worstelen, spartelen, zwoegen, strijden (—s = trekkingen): The — for life (existence) = de strijd om het bestaan; The — of life = levensstrijd; He —d hard to get out of it = spande zich zooveel mogelijk in; —r.

Strum, strɐm, hameren, rammelen, tjingelen: I — a little = speel een beetje; I heard the —ming all the evening = dat getjingel; She was —ming her music-lesson = studeerde voor.

Struma, strûmə, kropgezwel, halskliergezwel; Strumose, strûmous, Strumous, strûməs, klierachtig.

Strumpet, strɐmpət, subst. slet.

Strung, strɐŋ, imperf. en p.p. van to string.

Strut, strɐt, subst. trotsche majestueuse gang, gemaakte deftigheid by het loopen; stut; — verb. trotsch en gemaakt deftig stappen, stutten; —ter.

Struthious, strûthiəs, gelijk een struisvogel.

Strychnine, striknin, strychnine.

Stuart, stjûət.

Stub, stɐb, subst. stomp, stompje, eindje; souche; oude hoefnagel; — verb. uitroeien, de wortels uitrukken; stooten tegen (Amer.): To buy at the — = op stam koopen; To — one’s foot (toe) = met den voet stooten tegen (Amer.); —-nail = kopspijker.

Stubbiness, stɐbinəs, subst. v. Stubby.

Stubble, stɐb’l, stoppel: —field; Stubbly = stoppelig.

Stubborn, stɐb’n, hardnekkig, koppig, halsstarrig, weerspannig, volhardend; subst. —ness.

Stubby, stɐbi, vol stubs, kort en dik, stekelig, stijf.

Stucco, stɐkou, subst. gips of gipswerk; — verb. stukadoren: —-ornaments; —er.

Stuck, stɐk, imperf. en p.p. van to stick: He stares like a — pig = hij kijkt of hij het in Keulen heeft hooren donderen; A —-up fellow = een pedant of trotsch kereltje.

Stud, stɐd, subst. stoeterij, dekhengst; knop, paal, zuil, nagel, overhemds- of manchetknoopje; — verb. met knopjes of spijkertjes beslaan of versieren, bezaaien: A high —ded room = eene hooge kamer op pilaren; The entrance of the house was low —ded = laag onder verdieping; The —ding had already given shape to the building = het paal- en balkwerk deed den vorm van het gebouw reeds onderkennen; —ded with quotations = vol; —-bolt = schroefbout; —-book = paarden- of hondenstamboek; —-farm = stoeterij; —-horse = stamboekpaard, dekhengst.

Studding, stɐdiŋ: —-sail = lijzeil.

Student, stjûd’nt, student, beoefenaar, kenner, vorscher: — of nature; We don’t call them —s at Oxford or Cambridge, we call them ‘undergraduates’; —ship = beurs; Studied, stɐdid, bestudeerd, vormelijk, wel overwogen, gestudeerd: He did it —ly = met voordacht; Studio, stjûdjou, atelier; Studious, stjûdiəs, vlijtig, ijverig, leergierig, overlegd, zorgvuldig: He is — of performing your wishes = doet zijn best om; subst. —ness; Study, stɐdi, studie, nadenken, ijver, leergierigheid, onderzoek; studie, étude; studeervertrek; — verb. studeeren, bestudeeren, nadenken; zich beijveren, rekening houden met: He is a quick — = kan vlug leeren; His face was quite a — = het was de moeite waard om te zien wat gezicht hij zette; He was in a brown — = in somber gepeins verzonken; I’ll make it my — to please you = mijn best doen; Her under— = de actrice die voor haar invallen moet in geval van nood; I have studied you in everything = ik heb steeds getracht al uwe wenschen te voorkomen.

Stufa, stûfə, dampwolk die in vulkanische streken uit den grond komt.

Stuff, stɐf, subst. stof, materie, hoofdzaak, het wezenlijke, goederen, rommel, goed(je), dwaasheid; — verb. farceeren, opvullen, volproppen, volstoppen, opzetten (van dieren), overladen, wijsmaken: He had the — of a statesman in him = was geknipt voor; What you say there is — and nonsense = klinkklare onzin; This poetry is — and trash = armzalige rijmelarij; Food —s = levensmiddelen; The — = “duiten”; A —ed tiger = opgezette; — a cold and starve a fever = bij een verkoudheid moet men veel, bij koorts weinig gebruiken; The birds had —fed their nests in all corners = hadden gestopt; —ing = werk, bladvulling, pakking, vulsel; —ing-box = werkbus, pakkingbus; —iness, subst. v. —y = benauwd, benepen, volgepropt; nijdig, eigenzinnig (Amer.): A hot and —y theatre = een heete en benauwde schouwburgzaal.

Stulm, stɐlm, galerij, gang in een mijn.

Stultification, stɐltifikeiš’n, subst. v. Stultify, stɐltifai, verdwazen, zich belachelijk maken; voor ontoerekenbaar verklaren; zich zelf tegenspreken (reflex.); Stultiloquence, stɐltiləkw’ns, ijdel gesnap, zotternij; adj. Stultiloquent.

Stumble, stɐmb’l, subst. struikeling, domheid, vergissing, bok; — verb. struikelen, strompelen, knoeien, met den voet tegen iets stooten, zich stooten aan (fig.), een bok schieten (fig.), toevallig treffen: Many — at a straw and leap over a block = vele menschen zijgen (zuigen) de mug uit en zwelgen den kemel door; It is a good horse that never —s = het beste paard struikelt wel eens; I stumbled on it when looking for something else = trof het toevallig; To — over a thing = struikelen; —r; Stumbling-block (—-stone) = struikelblok, steen des aanstoots.

Stump, stɐmp, subst. stomp, stronk, politieke tribune, doezelaar, paaltje van een wicket bij het cricketspel, (—s = beenen); — verb. knotten, uitroeien, verbluffen, de stumps aanraken (bij cricket), doezelen, opdokken (up), strompelen, eruit snijden (it), politieke redevoeringen houden: I shall make you use your —s = je beenen maken; To bestir one’s —s = beenen maken; To be (go) on the — = het land doorgaan om polit. redevoeringen te houden; He has taken to the — = houdt verkiezingsredevoeringen; Three candidates went —ing = hielden verkiezingsredevoeringen; He —ed the country = reisde al redevoeringen houdende het land af; We have —ed it = zijn er uitgesneden; Now I am —ed = zit ik er in, ben ik verlegen; To — up = opdokken; —-foot = horrelvoet; —-orator = verkiezingsredenaar, bombastisch spreker; —-oratory = verkiezingswelsprekendheid; —-speaker = —-orator; —-speech = verkiezingsrede, bombastische toespraak; —y = vul stompen, knoestig, kort en dik; subst. geld, “centen”.

Stun, stɐn, verdooven, bedwelmen (door een harden slag), verbazen; —ner = harde slag, iets buitengewoons: Isn’t he a —ner? = is hij niet een kranige, bovenste beste vent; That’s a —ner = dat is een kolossale leugen, groote opsnijderij; A —ning thing = iets dat verbazend groot, mooi, enz. is.

Stundist, stɐndist, protestantsch afgescheidene in Rusland.

Stung, stɐŋ, imperf. en p.p. van to sting.

Stunk, stɐŋk, imperf. en p.p. van to stink.

Stunt, stɐnt, subst. belemmering (in den groei), iets dat in den groei achterlijk is; — verb. belemmeren, den groei beletten; —ed = in den groei belemmerd; subst. —edness.

Stupe, stjûp, subst. warme omslag; — verb. zulk een omslag leggen.

Stupefacient, stjûpifeiš’nt, subst. en adj. bedwelmend of verdoovend (middel); Stupefaction, stjûpifakš’n, subst. bedwelming, verdooving, gevoelloosheid, verbluftheid; Stupefactive = verdoovend, Stupefier = verdoovend middel; Stupefy, stjûpifai, bedwelmen, verdooven, gevoelloos maken, verbluffen; Stupendous, stjûpendəs, verbazend groot, kolossaal, machtig; subst. —ness.

Stupid, stjûpid, stom, dom, onzinnig, dwaas; subst. domoor; Stupidity, stjupiditi, domheid, stompheid = —ness.

Stupor, stjûpə, gevoelloosheid, stompzinnigheid: — of a limb = het slapen.

Sturdiness, stɐ̂dinəs, subst. v. Sturdy, stɐ̂di, krachtig, stoer, forsch; brutaal: — beggar.

Sturdy, stɐ̂di, subst. draaiziekte (bij schapen).

Sturgeon, stɐ̂dž’n, steur; adj. Sturionian, stûriounj’n.

Stutter, stɐtə, stamelen, stotteren; ook subst.; —er; He brought it out —ingly = kwam er stotterend mee voor den dag.

Sty, stai, subst. varkenshok (ook fig.); stijgje of strontje (op het oog); — verb. in een kot opsluiten, leven.

Stygian, stidžən, tot den Styx behoorende, helsch: — darkness = helsche duisternis.

Style, stail, subst. stilus, stift, zuil, sonde; stijl, manier, voornaamheid, titel, naam, tijdrekening; — verb. betitelen, noemen, aanwijzen: New — = Gregoriaansche tijdrekening; Old — = Juliaansche tijdrekening; That is the — = zoo hoort het, zoo is het naar den aard; He lives in — = voornaam; In bad — = onbetamelijk; In good — = volgens goeden smaak; Stylet = stilet, stijl, tentijzer; Styliform = stijlvormig; Stylish = naar de mode, fijn, chic: A — dress = een “chique” japon; subst. —ness; Stylist = stylist; Stylite, stailait, styliet, pilaarheilige; Stylograph, stailəgraf, stift, vulpen; Stylography, stailogrəfi, teeken- of graveermethode met de stift; Styloid, stailôid, priemvormig.

Styptic, stiptik, subst. en adj. samentrekkend, (bloed)stelpend (middel).

Styria, stiriə, Stiermarken; —n, subst. en adj. (bewoner) van Stiermarken; Styx, stiks.

Su, s(j)û, Suabia(n) = Swabia(n).

Suability, siûəbiliti, vervolgbaarheid; Suable, siûəb’l, vervolgbaar (in civiele zaken).

Suakin, swâkin.

Suave, sweiv, swâv, vriendelijk, minzaam, goedig; subst. Suavity, swaviti.

Sub, sɐb (= Subaltern, Subordinate, Substitute); in samenst.: eenigszins, zoowat, onder, lager dan, sub; —agent; —beadle = onderpedèl; —committee; —deacon; —dean; —-distinction; —-editor = tweede redacteur; —-genus = onderverdeeling; —governor; —-lieutenant = 2e luitnt. = Second l.; —-order = onderverdeeling; —prior = onderprior; —rector = conrector; —-species = tweede soort; —-title; —-treasury = depart. v. financiën van sommige Amer. steden; —-tutor = ondermeester; —-variety = tweede variëteit; Zie verder de afzonderlijke artikelen.

Subacid, sɐbasid, zuurachtig, bijtend, scherp; ook subst.

Subacrid, sɐbakrid, tamelijk scherp.

Subaerial, sɐbəîriəl, onder de lucht.

Subah, sûbə, provincie (Indië); Subahdar, sûbədâ, sûbədâ, gouverneur eener provincie; inlander met kapiteinsrang.

Subalpine, sɐbalp(a)in, onderaan de Alpen.

Subaltern, sɐb’ltɐ̂n, sɐbôltən, subst. en adj. ondergeschikt (ambtenaar of officier onder den rang van kapitein); —ate, sɐbəltɐ̂nit, ondergeschikt, opvolgend, afwisselend.

Subaquatic, sɐbekwatik, Subaqueous, sɐbeikwiəs, onder het water (gevormd, levend).

Subaxillary, sɐbaksiləri, onder den oksel.

Subclavian, sɐbkleivj’n, onder het sleutelbeen.

Subconscious, sɐbkonšəs, half bewust.

Subcostal, sɐbkost’l, onder de ribben.

Subcutaneous, sɐbkjuteiniəs, onderhuidsch: — syringe = injectiespuitje.

Subdivide, sɐbdivaid, onder verdeelen; Subdivisible, sɐbdivizib’l, onderverdeelbaar; Subdivision, sɐbdiviž’n, onderafdeeling.

Subdue, sɐbdjû, onderwerpen, onderdrukken, ten onder brengen, overwinnen, temmen, kastijden, verzachten, omwerken: —d humour = ingehouden humor; —r = overwinnaar, onderwerper.

Suberic, siuberik: — acid, kurkzuur; Suberose, siûbərous, Suberous, siûbərɐs, kurkachtig, zacht, elastisch.

Subjacent, sɐbdžeis’nt, dieper gelegen.

Subject, sɐbdžəkt, subst. onderdaan, onderwerp, thema, cadaver, patient, medium; adj. onderworpen, blootgesteld, vatbaar, onderhevig, genegen: I approached the — with great predilection = vatte de taak op; To dwell on a — = er bij stilstaan; — to his approval = afhankelijk van zijne goedkeuring; — to fits of anger = opvliegend; — to my order = te mijner beschikking; To hold — to a person = ter beschikking houden; —-matter = onderwerp van gedachte of gesprek, stof.

Subject, səbdžekt, onderwerpen, blootstellen; Subjection = onderwerping, afhankelijkheid: To bring to —; Subjective = subjectief; Subjectivity, sɐbdžəktiviti, subjectiviteit.

Subjoin, səbdžôin, toevoegen, achteraan voegen: I — the following remarks = voeg hier aan toe; —ed = hiernevens.

Subjugate, sɐbdžugeit, onder het juk brengen, gekluisterd houden; subst. Subjugation; Subjugator = onderwerper.

Subjunction, səbdžɐŋkš’n, bijvoeging, toevoeging: In — to = verbonden met; Subjunctive = aanvoegende, onderstellende (wijs).

Sublate, səbleit, wegvoeren, verwijderen.

Sublet, sɐblet, onderverhuren.

Sublimate, sɐblimeit, verb. sublimeeren; veredelen; subst. sɐblimit, sublimaat: Our time tries to — away many dogmas = vele leerstukken, al verfijnend en veredelend, te doen verdwijnen; subst. Sublimation.

Sublime, səblaim, adj. verheven; — verb. sublimeeren, gesublimeerd worden; verheffen, veredelen: The — = het verhevene; — Porte = de Verheven Porte; From the — to the ridiculous there is but one step; Sublimity, səblimiti, verhevenheid: His — = titel van den Sultan.

Sublunary, sɐblûnəri, ondermaansch, aardsch.

Submarine, sɐbmərîn, onderzeesch; subst. zeeplant (—dier); ook — boat.

Submerge, sɐbmɐ̂dž, onderdompelen, onder water zetten, overstroomen: The —d population = de (in den strijd om ’t bestaan) ondergegane bevolking; —nce = Submersion, sɐbmâš’n = onderdompeling, overstrooming.

Submission, səbmiš’n, onderwerping, onderdanigheid, schulderkenning, nederigheid; Submissive = onderdanig, onderworpen, nederig; subst. —ness; Submit, səbmit, (zich) onderwerpen of vernederen, voorleggen, aanbieden, beweren: He had to — to that humiliation = moest zich onderwerpen; I — this matter to your better judgment = onderwerp; The Governor —ted my name for appointment to the place = gaf mij op ter benoeming; To — a testimonial = overleggen; He —ted that it was impossible = gaf te kennen, gaf toe.

Submultiple, sɐbmɐltip’l, factor.

Subocular, sɐbokjulə, onder het oog.

Subordinate, sɐbödinit, ondergeschikt, onderhoorig; subst. ondergeschikte, bijzin; — verb. (sɐbödineit) onderwerpen, ondergeschikt maken; —ness = Subordination = ondergeschiktheid, onderwerping; Breaches of — = insubordinatie.

Suborn, sɐbön, omkoopen, tot meineed verleiden: He was hanged unlawfully, the evidence being —ed = aangezien de getuigen omgekocht waren; —ation = omkooping; gehoorzaamheid: — of perjury = meineed; —er.

Subpoena, sɐbpînə, subst. dagvaarding met strafbedreiging bij niet-verschijning = Writ of —; — verb. dagvaarden.

Subramose, sɐb-reimous, Subramous, sɐbreiməs, met weinig takken.

Subreption, səbrepš’n, verkrijging op slinksche wijze of door misleiding; Subreptitious = op slinksche wijze verkregen.

Subrogation, sɐbrəgeiš’n, in-de-plaats-stelling, onderschuiving.

Subscapular, sɐbskapjulə, onder het schouderblad.

Subscribe, səbskraib, onderteekenen, inwilligen, (zich) abonneeren (for, to): A gold medal had been —d for him by the learned society in acknowledgment of this treatise = was hem vereerd geworden ...; I cannot — to this = kan niet onderschrijven; Shall we — to this monthly together? = samen inteekenen op; Subscriber = onderteekenaar, inteekenaar; Subscript = onderteekend; Subscription, səbskripš’n, inteekening, inschrijving, contributie, onderteekening: —s are invited = inschrijvingen worden ingewacht; —-list = inteekenlijst.

Subsection, sɐbsekš’n, onderafdeeling.

Subsequence, sɐbsikwens, opvolging; Subsequent (to) = later, volgend, opvolgend: She —ly stated this = vervolgens.

Subserve, səbsɐ̂v, dienen, bevorderlijk zijn: The bane of criticism frequently is that it —s interests not its own = dat ze andere belangen dan hare eigene dient; Subservience, Subserviency, səbsɐ̂vj’ns(i), dienstigheid, bevorderlijkheid, nut; Subservient = dienstig, dienstbaar, ondergeschikt: — to your interests = dienstig voor.

Subside, səbsaid, zinken, zakken, bezinken, inzakken; bedaren, ophouden: The children went to bed and so —d = en kwamen zoo tot rust; He —d into silence = had niets meer te zeggen; Subsidence, Subsidency, sɐbsidens(i), səbsaidəns(i), zakken, vermindering: The — must be shored up somehow = in de vermindering (verzakking) moet op de eene of andere manier worden voorzien.

Subsidiary, səbsidjəri, hulp..., bijkomend; subst. helper: — troops = Subsidiaries = hulptroepen; Subsidize, sɐbsidaiz, subsidieeren; Subsidy, sɐbsidi, subsidie; Subsidies = bijdragen in de oorlogskosten.

Subsist, səbsist, bestaan, leven, bestaan van (on, upon), eigen zijn aan: Man exists, and must — on food which should consist of nourishing ingredients = bestaan van ... bestaan uit; Subsistence, Subsistency = bestaan, wezen, onderhoud, middel van onderhoud, inherentie: To have — = bestaan; To gain one’s — = den kost verdienen; Subsistent, bestaande, inherent.

Subsoil, sɐbsôil, ondergrond; — verb. den ondergrond omploegen; —-plough = ondergrondsploeg.

Substance, sɐbst’ns, zelfstandigheid, stof, werkelijkheid, hoofdbestanddeel, vermogen: That is in — what he told me = de korte inhoud: Substantial, səbstanš’l, werkelijk, wezenlijk; stevig, deugdelijk, voedzaam, welgesteld, solied, belangrijk, vrij aanzienlijk (—s = hoofdzaken): Many — citizens maintained order = aanzienlijke burgers; — house = kapitaal huis; — meal = stevig; —ly correct = in hoofdzaak juist; Substantiality = het wezenlijke, hoofdzakelijke; deugdelijkheid, voedzaamheid, bemiddeldheid = Substantialness; Substantiate, səbstanšieit, werkelijk maken, bewijzen, bevestigen: He could not — the charge = de beschuldiging niet bewijzen; Substantival, sɐbst’ntaiv’l, sɐbst’ntaiv’l, zelfstandig; Substantive, sɐbst’ntiv, subst. en adj. zelfstandig (naamwoord), onafhankelijk: The several papers have a — unity = vormen op zichzelf eene éénheid, vormen een onafhankelijk geheel; A — post, rank, work = onafhankelijk, afzonderlijk.

Substitute, sɐbstitjût, subst. plaatsvervanger, surrogaat, remplaçant; — verb. vervangen; Substitution = (plaats)vervanging; adj. Substitutive.

Substratum, səbstreit’m, onderlaag.

Substruction, sɐbstrɐkš’n, Substructure, sɐbstrɐktjə, benedenbouw, fundament.

Subtenant, sɐbten’nt, onderhuurder.

Subterfuge, sàbtəfjûdž, uitvlucht, voorwendsel.

Subterranean, sɐbtəreinj’n, Subterraneous, sɐbtəreiniəs, onderaardsch.

Subtile, sɐ(b)til, fijn, dun, teer, ijl; scherp, sluw, spitsvondig; subst. —ness; Subtilization, subst. v. Subtilize, sɐ(b)tilaiz, fijne onderscheidingen maken, verfijnen, verdunnen, haarklooven; Subtilty, sɐ(b)tilti, dunheid, fijnheid, spitsvondigheid, haarklooverij.

Subtle, sɐt’l, slim, listig; Zie Subtile; —-witted = scherpzinnig; subst. —ness, —ty = fijnheid, slimheid, arglistigheid.

Subtonic, sɐbtonik, stemhebbende medeklinker.

Subtract, səbtrakt, aftrekken, verminderen: That does not — from his merit = vermindert niet; —er; —ion = aftrekking, vermindering, onttrekking; —ive = verminderend, negatief; Subtrahend, sɐbtrəhend, aftrekker.

Suburb, sɐbɐ̂b, voorstad; omtrek (gew. —s); Suburban, səbɐ̂b’n, van de voorstad, plat; subst. bewoner van een voorstad.

Subvene, səbvîn, te hulp komen, bijstaan; Subvention, səbvenš’n, subst. tusschenkomst, rijksbijdrage; — verb. eene (rijks)bijdrage verleenen, steunen.

Subversion, səbvɐ̂š’n, omverwerping; Subversive = omverwerpend: That would be — of every rule = zou omvergooien.

Subvert, səbvɐ̂t, omkeeren, het onderstboven keeren, vernietigen, verwoesten; —ant, —ed = omgekeerd (herald.); —er = omverwerper; —ible = wat omvergeworpen kan worden.

Subway, sɐbwei, onderaardsche (door)gang, tunnel.

Subworker, sɐbwɐ̂kə, sɐbwɐ̂kə, helper.

Succade, səkeid, sukade.

Succedaneous, səksideinjəs, plaatsvervangend; Succedaneum = surrogaat.

Succeed, səksîd, opvolgen, komen na, slagen, verkrijgen, goed afloopen: As darkness —s light = zooals de duisternis komt na het licht: Nothing —s like success = wie heeft, dien wordt gegeven: He did not — in getting the place = slaagde er niet in; He —ed to the title = volgde op in; That will not — with me = gaat niet op bij mij; Nothing —s with him = niets gelukt hem; —er.

Success, səkses, gunstige uitslag, voorspoed: — to trade! = leve de handel; He is a social — = hij is zeer gewild in gezelschapskringen; To meet with bad — = mislukken; —ful = gelukkig, subst. —fulness; Succession = (erf)opvolging, volging op, volgreeks, nakomelingschap; Law (Right) of —; War of — = successieoorlog; By order of — = het rijtje langs; In — = achtereenvolgens; —-duty = successierecht(en); —-sale = verkoop van eene nalatenschap (Amer.); —al = achtereenvolgend, opvolgend; Successive = achtereenvolgend: On three — nights = drie avonden achter elkaar; Successor = opvolger, nazaat.

Succination, sɐksineiš’n, het vasten (schertsend van Succi, den Italiaanschen vaster).

Succinct, sɐksiŋkt, kort, bondig, beknopt; subst. —ness.

Succinic, sɐksinik: — acid = barnsteenzuur.

Succory, sɐkəri, suikerij, cichorei.

Succotash, sɐkətaš, gerecht van jonge maïs en boonen (Amer.).

Succour, sɐkə, subst. hulp, bijstand, steun, ontzet(ter); —s = hulptroepen; — verb. te hulp snellen, steunen, ontzetten: He ran to my — = snelde mij te hulp; —er; —less = zonder hulp; subst. —lessness.

Succulence, Succulency, sɐkjulens(i), sappigheid; adj. Succulent.

Succumb, səkɐm(b), bezwijken.

Succursal, səkɐ̂s’l: — church = hulpkerk.

Succussion, səkɐšən, schok.

Such, sɐtš, zoodanig, zulk, zóó: — a one = zoo een, zoo iemand; — and — = die en die, eenige: Mr. — a one = mijnheer zoo-en-zoo; No — thing = niets daarvan; — is life = zoo gaat het in het leven; — was her virtue, that = zoo groot was; — as won’t believe me = zij, die; Take — measures as will be effective = neem uwe maatregelen zoodanig, dat ze; —like = dergelijke.

Suck, sɐk, subst. het zuigen, sterke drank, parasiet, kokinje; — verb. inzuigen, zuigen, uitzuigen (ook fig.), bedriegen (Amer.), zich vleiend indringen bij (up to): To give — = zoogen; To — at a cigar = zuigen aan; — in = inzuigen, opslorpen, beetnemen: It was a —-in = het was beetnemerij; To — up = opzuigen; —er, subst. zuiger (ook van een plant), zuigleer; — verb. zuigers uitsnoeien; —et = suikerballetje: Sucking: —-bottle; —-bag = dot; zuigflesch; —-calf; —-pig = speenvarken; —-pump; —-valve; Suckle = zoogen; Suckling = zuigeling; Suction, sɐkš’n, zuigen, zuipen, drank: —-pipe = zuigpijp, zuigbuis; —-pump = zuigpomp; Suctorial, sɐktôriəl, zuig - -.

Sudan, sûdân; —ese.

Sudatorium, siudətôriəm, zweetbad; Sudatory, siûdətəri, zweetkamertje, zweetbad; adj. zweetafdrijvend.

Sudden, sɐd’n, plotseling, onverwacht, snel, vlug: On a (the) —, All of a — = plotseling, in eens, onverhoeds; subst. —ness.

Sudermania, siûdəmeinjə, Sudermanland;

Sudetic, siudetik: — Mountains.

Sudor, siûdə, zweet; —iferous, zweetverwekkend; —ific, zweetafdrijvend (middel).

Suds, sɐdz, zeepsop: We are in the — = zitten er leelijk in; To leave in the — = in den steek laten; To make some soap— = wat zeepsop.

Sue, sjû.

Sue, siû, aanzoek doen om of dingen naar (de hand), recht of schadevergoeding zoeken, eischen, in rechten vervolgen, smeeken: The wife —d her husband on the plea of non-support = diende een aanklacht in op grond, dat de man haar niet onderhield of kon onderhouden; He —d us for damages = eischte schadevergoeding van ons; He —d out a pardon for us = verzocht en verkreeg.

Suet, siûət, nierenvet; adj. —y.

Suez, sûəz: — Canal.

Suff, sɐf = Suffragette.

Suffer, sɐfə, lijden, dragen, dulden, uithouden, toestaan, laten, straf ondergaan, boeten: We —ed chains for religion’s sake = we droegen ketenen; To — a change = ondergaan; To — losses = lijden; To — punishment = ondergaan; To — a reverse = tegenspoed hebben; To — wrong = lijden; You will have to — for it = er voor moeten boeten; Don’t — yourself to be fooled = laat je niet versukkelen; —able = draagbaar, toelaatbaar; —ance = smart, ellende, lijden, dulden, toestemming of verlof: He is here on —ance = wordt hier geduld; —er = lijder, dulder, die toelaat: You’ll be the —er = zult er het slachtoffer van worden; To be a —er by = bij iets verliezen, te kort komen; —ing = het lijden, verlies.

Suffice, səfais, səfaiz, genoeg of voldoende zijn, voldoen: — it to say = het zij voldoende te zeggen; Sufficiency, səfiš’nsi, voldoendheid, genoegzaamheid, voldoende voorraad, voldoende geschiktheid; Sufficient = voldoende, genoegzaam, ruim, geschikt, deugdelijk: — in law = rechtsgeldig; — reason = voldoende reden; You have done — to deserve a dinner = genoeg; — unto the day is the evil thereof = elke dag heeft genoeg aan zijn zelfs kwaad (Matth. VI, 34).

Suffix, sɐfiks, achtervoegsel.

Suffix, səfiks, achtervoegen; subst. —ion.

Suffocate, sɐfəkeit, (doen) stikken, smoren: It was suffocatingly hot there = stikkend heet; Suffocation = verstikking: Crammed to — = stikvol; Suffocative = stikkend.

Suffolk, sɐfək.

Suffragan, sɐfrəgan, subst. en adj. suffragaan: — bishop = onderbisschop, wijbisschop.

Suffrage, sɐfridž, stem; kiesrecht, stemming, goedkeuring: Extension of the — = uitbreiding; Female —; Household — = huismanskiesrecht; Universal —; An advocate of woman (women’s) — = voorstander van het vrouwenkiesrecht; Suffragette, sɐfrədžet, (hartstochtelijke) voorstandster v. het kiesrecht v. vrouwen; — verb. manifesteeren; Suffragist = voorstander van vrouwenkiesrecht.

Suffuse, səfjûz, overgièten, spreiden over: She was all —d with blushes = blosjes kleurden hare kaken; Suffusion = verspreiding over, overgièting, blos.

Sugar, šugə, suiker, vleierij, geld; adj. van suiker; — verb. besuikeren, vergulden (fig.): Powdered — = poedersuiker; Refined —; A glass of — and water = suikerwater; — of lead = loodsuiker; I am not made of — (-plums) = niet poeslief; We —ed the trees = bestreken de boomen met een mengsel van rum en stroop (om daardoor de nachtvlinders te lokken en te vangen); —-baker = suikerwerker; raffinadeur; —-basin = suikerpot; —-beet = suikerbiet; —-candy = kandijsuiker; —-cane = suikerriet; —-caster = strooier; —-house = suikerraffinaderij; —-loaf = suikerbrood; —-loaf hat = hoed in den vorm van een suikerbrood; —-loaf waves = korte golven; —-louse = —-mite; —-maple = suikerahorn; —-mill = suikerfabriek, suikermolen; —-mite = suikerworm; —-orchard = aanleg van —-maples; —-planter = suikerplanter; —-plantation = suikerplantage; —-plum = suikerboon; vleierij, lievigheid; —-refiner = suikerraffinadeur; —-refinery = suikerraffinaderij; —-spirit = rum; —-tongs = suikertangetje; —iness, subst. v. —y = zoet, suikerachtig; —less.

Suggest, sədžest, ingeven, aan de hand doen, inblazen, opperen, suggereeren; Suggestion = ingeving, wenk, aansporing, inblazing, suggestie: At this — the man immediately withdrew = toen hij dit hoorde (toen dit geopperd werd); I did it on your — = op uw wenk of raad; Suggestive = opperend, een wenk gevend, wijzend (duidend) op, veelbeteekenend: Yours is a very — present = veelbeteekenend, toepasselijk; To be — of = wijzen op; In a French comedy —ness is expected = kan men gewaagde toespelingen verwachten.

Suicidal, siûisaid’l: — problem = zelfmat (schaakspel); — thoughts = gedachten van (aan) zelfmoord; Suicide, siûisaid, zelfmoord (ook fig.), zelfmoordenaar: To — oneself (= To commit —); To be —d = zelfmoord laten begaan; Suicidism, siûisaidizm, neiging tot zelfmoord.

Suit, siût, subst. rechtsgeding, verzoek, hofmakerij, aanzoek, stel, kleur (in het kaartspel), pak kleeren, kleeding; — verb. passen, voegen, betamen, geschikt zijn, overeenkomen, schikken: Civil — = civiel proces; Criminal — = strafzaak; A — of armour = complete wapenrusting; A — of mourning = rouwpak; The housemaid gave notice, and the cook followed — = en de keukenmeid eveneens; I played diamonds, and he could not follow — = kon niet bekennen; — yourself = zooals je wilt; That will exactly — me, — me down to the boots (ground) = dat is net wat ik hebben moet; He —ed the action to the word = voegde de daad bij het woord; Such a behaviour does not — you = voegt u niet; Suitability, subst. v. Suitable = gepast, voegzaam, geschikt; subst. —ness.

Suite, swît, gevolg, reeks, stel: — of furniture = ameublement; A — of rooms = eene suite.

Suitor, siûtə, verzoeker, vrijer, minnaar, partij in een proces.

Suk(e)y, s(i)ûki, theeketel; ook verk. van Susan.

Sulcate(d), sɐlkit (—eitid), gegroefd, gespleten; Sulcus, sɐlkəs, voor, groef.

Sulk, sɐlk, subst. booze luim: — verb. in kwade luim zijn, pruilen: To be in a — (the —s) = uit zijn humeur; He stood out against her —s and pouts = gaf niet toe aan hare luimen en haar pruilen; Sulkiness, subst. v. Sulky = gemelijk, pruilend.

Sulky, sɐlki, licht tweewielig karretje bij wedrennen: — harrow = eg met zitplaats voor bestuurder.

Sullen, sɐl’n, gemelijk, knorrig, norsch, naargeestig, vijandig, onaangenaam, eigenzinnig, halsstarrig, langzaam, traag, onheilspellend: —s = kwade bui; subst. —ness.

Sully, sɐli, subst. smet, vlek; — verb. besmetten, bemorsen, bezoedelen, bezwalken: That sullies your honour = bezoedelt uwe eer.

Sulphonal, sɐlfən’l, sulfonal.

Sulphur, sɐlfə, zwavel; — verb. met zwavel verbinden (bestrooien), zwavelen; —-springs = heete zwavelbronnen; —ate, sɐlfjureit, met zwavel verbinden, zwavelen; subst. —ation, sɐlfjureiš’n; —eous, sɐlfjûriəs, zwavelig, zwavelhoudend; subst. —eousness; —etted = gezwaveld: —etted-hydrogen = zwavelwaterstof; —ic, sɐlfjûrik, zwavel...: —ic acid = zwavelzuur; —ization, subst. v. —ize, zwavelen, vulcanizeeren.

Sultan, sɐlt’n, Sultan; —a, sɐltânə, sɐlteinə, sultane; —ate, sɐltənit, sultanaat; —ess = —a; —ic, sɐltanik, van een sultan; —ship.

Sultriness, sɐltrinəs, subst. v. Sultry, sɐltri, drukkend, zwoel.

Sum, sɐm, subst. som, geheel, bedrag, inhoud, rekenvoorstel, toppunt; — verb. optellen, opsommen, resumeeren (up): Gross (Round) — = ronde; The civil engineer’s advances are great in the — = de vooruitgang van den civiel-ingenieur is te zamen genomen groot; That is the total — of my experiences = het totaal; The — and substance = korte inhoud; To do (make, work) a — = maken; He is good at —s = kan goed sommen maken; He could not do a — in large divisions, in multiplication = geene groote deelingen en vermenigvuldigsom maken; It can’t be —med up in two words = laat zich niet zeggen; The judge’s —ming-up was lucid and impartial = ’s rechters resumé van het verhoor en de pleidooien.

Sumac(h), siûmak, sumak, pruikenboom.

Sumatra, sumâtrə; —n = (bew.) van S.

Summarily, sɐmərili, in ’t kort, summier; Summarize = resumeeren; Summary, sɐməri, subst. korte inhoud, kort begrip, resumé; adj. beknopt, kort, snel, afgedaan: The judge gave a — of the case = summing-up.

Summation, səmeiš’n, het samentellen.

Summer, sɐmə, subst. zomer; horizontale balk, kalf of bovendrempel, groote steen over zuilen en pilaren, waarop de bovenbouw rust; adj. zomer...., zomersch; — verb. den zomer doorbrengen, den zomer door laten weiden: We went for a brief —ing in the country = voor een kort tijdje in den zomer buiten wonen; To — and winter a person = van haver tot gort kennen; Indian — = nazomer (in N. Amer.); St. Luke’s — = St. Martin’s — = zacht en mooi najaarsweer, voorspoed na ongelukken en rampen; One swallow does not make a —; —-colts = golvende trillingen van heete lucht nabij den grond; —-fallow, subst. braakliggend land in den zomer; — verb. in den zomer braak laten liggen; —-house = tuinhuisje, zomerverblijf; —-lightning = weerlichten; —-time = zomertijd; —-wheat = zomertarwe; —ing = vroege appel of peer; —y = zomersch.

Summerset, sɐməset, Summersault, sɐməsôlt, buiteling.

Summit, sɐmit, top, kam, kruin, hoogste punt; —-level = hoogste punt van eene spoorbaan, een kanaal, etc.

Summon, sɐm’n, oproepen, dagvaarden, opeischen, zenden om; — verb. dagvaarden: —s, subst. dagvaarding; A —s was issued (taken out) against him = hij werd voor het gerecht gedaagd; To serve a —s on = een dagvaarding beteekenen; —s me for that if you like = dagvaard me hiervoor; To — up one’s courage = zich vermannen; —er = deurwaarder.

Sump, sɐmp, poel, mijnput, smeltkroes.

Sumph, sɐmf, domkop; plof.

Sumpter, sɐmptə, subst. pakpaard = —-horse.

Sumptuary, sɐm(p)tjuəri, de uitgaven betreffende: — edict, law = wet tegen te groote weelde; Sumptuous, sɐm(p)tjuəs, kostbaar, duur, weelderig, prachtig; subst. —ness.

Sun, sɐn, subst. zon, zonneschijn, zonsopgang(ondergang); — verb. in de zon warmen, drogen of zitten: The — rises, declines, sets, goes down = de zon gaat op, daalt, gaat onder; He had the — very much in his eyes = was erg dronken; I have got a touch of the — = lichte zonnesteek; There is no new thing under the — = niets nieuws onder de zon; —-beam = zonnestraal; —-bird = zonnevogel; —-blind = zonneblind; —-bonnet = dames zomerhoed; —-bronzed; —-burn = roode vlek van het verbranden door de zon; —-burnt = door de zon verbrand, met sproeten; —-clad = in stralen gehuld; —-dew = zonnedauw; —dial = zonnewijzer; —down = zonsondergang (Amer.) = —set(ting); —-dried = in de zon gedroogd; —fish = zonne(maan)visch; —-flower = zonnebloem; —-glass = brandglas; —-god; —-hat; —-heat; —light = zonnelicht; —lit = verlicht door de zon; —-myth = zonnemythe; —-ray; —rise, —rising = zonsopgang, Oosten; —-rose = zonnekruid; —set gun = het avondschot; —shade = parasol, zeil of scherm; —shine = zonneschijn, voorspoed, opgewektheid: To be in the —shine = beneveld zijn; —shiny = zonnig, schitterend; —-spot = zonnevlek; —stricken, —struck = door een zonnesteek getroffen; —stroke = zonnesteek; —-up = zonsopgang (Amer.); —less = zonder zon, beschaduwd; —like; —niness, subst. v. —ny = zonnig, opgewekt, blijde: —ny eyes = vriendelijke oogen; I am on the —ny side of fifty = ik ben nog geen vijftig.

Sunday, sɐnd(e)i, Zondag: A month of —s = lange en onbepaalde tijd; He was dressed in his — best = in zijne mooie Zondagsche kleeren; — citizen = zondagswandelaar; —-out = uitgaanszondag; —-school = Zondagsschool.

Sunder, sɐndə, verb. scheiden, verdeelen; subst. slechts in de uitdrukking: In — = vanéén, in tweeën.

Sundified, sɐndifaid, op zijn Zondags.

Sundries, sɐndriz, diversen: Dealer in — = in galanterieën; Sundry = verscheidene, verschillende: All and — = alle gezamenlijk.

Sung, sɐŋ, part. perf. van to sing.

Sunk, sɐŋk, part. perf. van to sink; —en battery = verdekt opgestelde; —en face = ingevallen; —en rock = blinde klip.

Sun(n), sɐn, Indische hennepplant; —n-hemp.

Sunna, sɐnə, alle voorschriften van Mohamed die niet in den Koran staan; Sunnites, sɐnaits, orthodoxe Mahomedanen.

Sup, sɐp, subst. slokje; — verb. slurpen, soupeeren, een avondmaal verschaffen: I —ped and dined them for several weeks = ik zorgde voor hun avond- en middagmaal; We —ped on cold beef = wij hadden koud rundvleesch voor het avondeten.

Super, siûpə, verk. van Supernumerary.

Superable, siûpərəb’l, wat te overkomen is, overwinbaar.

Superabound, siûpərəbaund, ruim, overvloedig zijn (met with); Superabundance = groote overvloed; Superabundant = meer dan genoeg.

Superadd, siûpərad, nog eraan toevoegen; —ition = het bijvoegen of bijgevoegde.

Superannuate, siûpəranjueit, door ouderdom en zwakheid ongeschikt maken, zijn of verklaren, pensionneeren; —d = verjaard, uitgediend, gepensionneerd: —d officer; —d spinsters = oude vrijsters; Superannuation, siûpəranjueiš’n, ongeschiktheid, pensionneering, pensioen; — act; — fund; — money (allowance).

Superb, siupɐ̂b, grootsch, prachtig, rijk, voortreffelijk; subst. —ness.

Supercargo, siûpəkâgou, supercargo (scheepsterm).

Superciliary, siûpəsiljəri, boven de wenkbrauw(en); Supercilious, siûpəsiljəs, trotsch, aanmatigend, verwaand; subst. —ness.

Supereminence, siûpəreminens, buitengewone voortreffelijkheid; adj. Supereminent.

Supererogation, siûpərerougeiš’n: Doctrine of — = leer, dat de goede werken van den eenen Christen aan de gezamenlijke Christenen ten goede komen; Works of — = vrijwillige werken (boven hetgeen God van den Christen eischt), die den medechristenen ten goede komen; Supererogatory = meer dan de plicht eischt.

Superexcellence, siûpəreksəlens, buitengewone voortreffelijkheid; adj. Superexcellent.

Superficial, siûpəfiš’l, oppervlakkig, ondiep: — measure = vlaktemaat; —ity, siûpəfišaliti = —ness; Superficies, siûpəfišîz, oppervlakte, buitenkant.

Superfine, siûpəfain, allerfijnst; subst. —ness.

Superfluity, siûpəflûiti, overtolligheid, overdaad; Superfluous, siupɐ̂fluəs, overtollig, overdadig; subst. —ness.

Superfrontal, siûpəfrɐnt’l, altaarlaken dat over het frontaal hangt.

Superheat, siûpəhît, oververhitten.

Superhuman, siûpəhjûm’n, bovenmenschelijk.

Superincumbent, siûpərinkɐmb’nt, liggende op.

Superinduce, siûpərindjûs, bij- of toevoegen; subst. Superinduction.

Superintend, siûpərintend, het toezicht hebben op, controleeren; —ence, —ency = oppertoezicht; Superintendent = opzichter, inspecteur, directeur: Lady — = directrice; —ship.

Superior, siupîriə, subst. meerdere, superieur; adj. hooger, boven, opper, meer, verhevener: — courts = opperste gerechtshoven (Common Pleas, Exchequer en Queen’s Bench); — force (strength) = overmacht; — planets = planeten verder van de zon dan de aarde; To be — to = staan boven; Superiority, siupîrioriti, meerderheid, voorrang, overmacht: Air of —.

Superjacent, siûpədžeis’nt, liggende op (Geol.).

Superlative, siupɐ̂lətiv, overtreffende, ongemeen, zeer voortreffelijk; subst. overtreffende trap; subst. —ness.

Supernacular, siûpənakjulə, heerlijk, lekker; Supernaculum, siûpenakjul’m, voortreffelijke drank, nagelproef: To drink — = een nagelproef doen.

Supernal, siupɐ̂n’l, bovenste, hemelsch: She was — in intelligence = haar geest was superieur.

Supernatural, siûpənatšər’l, bovennatuurlijk, supernaturalistisch; —ism = bovennatuurlijke toestand, supernaturalisme; —ist; —istic; Supernaturality = —ness.

Supernumerary, siûpənjûmərəri, subst. ambtenaar of officier boven de formatie; figurant; adj. boven een bepaald getal.

Superpose, siûpəpouz, leggen op; adj. Superposition.

Superroyal, siûpərôiəl, formaat papier (49 bij 70 cM.; Amer. 56 bij 71 cM.).

Supersaturate, siûpəsatjureit, oververzadigen; subst. Supersaturation.

Superscribe, siûpəskraib, schrijven op of boven, adresseeren; Superscription = opschrift, adres.

Supersede, siûpəsîd, afschaffen, opschorten, ter zijde stellen, vervangen, noodeloos maken: To be —d in the command = van het bevel worden ontheven; Supersedeas, siûpəsîdias, bevel tot opschorting of schorsing; Supersedure, siûpəsîdjə, opschorting, afschaffing, schorsing.

Supersensible, siûpəsensib’l, bovenzinnelijk = Supersensual, siûpəsenšuel.

Supersession, siûpəseš’n = Supersedure.

Superstition, siûpəstiš’n, bijgeloof, bijgeloovigheid, òverpreciesheid; Superstitious = bijgeloovig, overprecies, nauwgezet: — practices, uses = bijgeloovige praktijken; subst. —ness.

Superstratum, siûpəstreit’m, bovenste laag.

Superstructure, siûpəstrɐktjə, bovenbouw.

Superterrestrial, siûpətərestriəl, bovenaardsch.

Supervene, siûpəvîn, bijkomen, onverwacht gebeuren of er tusschen komen, verrassen; Supervenient, siûpəvînj’nt, bijkomend; subst. Supervention.

Supervise, siûpəvaiz, het toezicht hebben of houden op, inspecteeren; Supervision, siûpəviž’n, opzicht, toezicht: Under police — (— of the police) = onder voortdurend politietoezicht; Supervisor, siûpəvaizə, opziener, inspecteur; Supervisory power = bevoegdheid om toezicht te houden.

Supination, siûpineiš’n, achteroverligging, ligging v. de hand met de palm naar boven.

Supine, siûpain, supinum (gramm.).

Supine, siupain, achteroverliggend, hellend; onverschillig, werkeloos; subst. —ness.

Supper, sɐpə, subst. avondeten, avondmaal: We have partaken of the Lord’s — = aan het Avondmaal deelgenomen: —-time = tijd van avondeten; —less: To go —less = geen avondeten krijgen.

Supplant, səplânt, verdringen, verdrijven, den voet lichten; subst. —ation; —er.

Supple, sɐp’l, adj. buigzaam, lenig, meegevend, meegaande, vleierig, kruipend; — verb. buigzaam en lenig maken of worden, buigen (fig.), afrijden, zich schikken; —-jack = gladbladige paulinia; sterke en lenige wandelstok; subst. —ness.

Supplement, sɐpliment, subst. toevoegsel, aanvulling, supplement, toelage; — verb. aanvullen (sɐpliment); —al, —ary, sɐpliment’l, sɐplimentəri, aanvullend, bijvoegend, bijgevoegd.

Suppliant, sɐpliənt, Supplicant, sɐplikn’t, subst. smeeker, nederig verzoeker; adj. smeekend, verzoekend; Supplicate, sɐplikeit, smeeken, vragen, bidden: Supplication = smeeking, smeekgebed; Supplicatory = smeekend.

Supplier, səplaiə, verzorger, leverancier; Supply, səplai, subst. aanvulling, bijdrage, aanbod, voorziening, voorraad, versterking, vervanger; — verb. aanvullen, verschaffen, voorzien, leveren, verzorgen, de plaats vervullen van: Demand and — = vraag en aanbod; Supplies = benoodigdheden, versterking, toevoer, voorraad, de door het parlement aan de regeering toegestane gelden: The supplies were voted = de gelden werden toegestaan; They were supplied with the necessaries of life = voorzien van; Will you — my place for a while? = mij vervangen; To — a (felt) want = in eene (gevoelde) behoefte voorzien.

Support, səpöt, subst. ondersteuning, onderstand, hulp, steun, onderhoud, verzorging, stut, onderstel, statief, voet, begeleiding; — verb. steunen, onderhouden, stutten, helpen, uithouden, volhouden, verdedigen, (goed) spelen, begeleiden, leven, lijden, dulden: He cannot — himself = zichzelf niet onderhouden; Sugar —s itself = is vast; I won’t — such insults = niet verdragen; — arms = schouder ’t geweer; —able = verdraagbaar, steunbaar, houdbaar; subst. —ableness; Supporter = steuner, helper, verdediger, voorspraak, aanhanger, verband, schilddrager (Herald).

Supposable, səpouzəb’l, onderstelbaar, vermoedelijk; subst. —ness.

Suppose, səpouz, onderstellen, vermoeden, voor waar aannemen, onderstellingen maken: Let it be —d that... = laten we aannemen, dat...; Supposing this to be true = aangenomen dat dit waar is; — we go = zouden we niet eens gaan?; That being —d = in deze veronderstelling; They are soldiers, I — = het zullen wel zijn; I — = niet waar?

Supposition, sɐpəziš’n, onderstelling, stelling, gissing, vermoeden: —al, sɐpəzišən’l, vermoedelijk; Supposititious, səpozitišəs, ondergeschoven, onecht, nagemaakt, valsch: — case = aangenomen of ondersteld geval; A — child = ondergeschoven; The — joys of basking in luxury = het twijfelachtig genot; subst. —ness; Suppositive, səpozitiv, subst. onderstellend woord; adj. ondersteld, onderstellend.

Suppository, səpozitəri, zet- of steekpilletje.

Suppress, səpres, onderdrukken, dempen, verhelen, weglaten, stelpen, stoppen, opheffen: The circulation of the letters was —ed = werd verhinderd; —er; —ible = onderdrukbaar; Suppression = onderdrukking, weglating, verheling, stopping: The — of one letter may give an entirely different sense = het weglaten van eene letter; —ist = voorstander van onderdrukking (van den handel in sterke dranken); Suppressive = onderdrukkend, verbergend; Suppressor.

Suppurate, sɐpjureit, zweeren, etteren; Suppuration = het etteren, etter; Suppurative, subst. en adj. ettering bevorderend (middel).

Supra, siûprə, (in samenst.) boven, aan de andere zijde: —-axillary = boven den oksel; —clavicular = boven het sleutelbeen; —costal = boven of op de ribben; —lapsarian = voorstander van een Calvinistische leer die de verkiezing vóór den zondenval stelt; —maxillary = boven de kaken; —mundane = bovenaardsch, hemelsch; —renal = boven de nieren; —scapular(y) = boven het schouderblad.

Supremacy, siupreməsi, oppermacht: Oath of — = eed waarbij de oppermacht van den Engelschen souverein in geestelijke zaken erkend wordt.

Supreme, siuprîm, hoogste, opperste: The — = de Allerhoogste; His will ought to be — = zijn wil moet het hoogste zijn; — command = opperbevel; — Court of Judicature = het in 1875 gevestigde hof, waarin de High Court of Chancery, Courts of Queen’s Bench, Common Pleas, Exchequer en het High Court of Admiralty, Court of Probate for Divorce and Matrimonial Cases en London Court of Bankruptcy werden vereenigd; het bestaat uit twee afdeelingen: het High Court of Justice en het Court of Appeal; — folly = grootste dwaasheid; To rule —ly = de opperheerschappij hebben.

Sura, sûrə, hoofdstuk van den koran.

Surah, s(j)ûrə, soort van zijden stof.

Sural, siûr’l, kuit...

Surat, sûrat, sûrât, grof katoen (Voor-Indië).

Surbase, sɐ̂beis, lijstwerk langs een zuilvoet; —d, sɐ̂beist: —d arch = elliptisch gewelf.

Surcease, sɐ̂sîs, subst. ophouding, dood, staking; — verb. ophouden, een einde maken aan.

Surcharge, sɐ̂tšɐ̂dž, overladen, te veel vragen, oververhitten; subst. overlading, overvraging, strafport, oververhitting, 2de of 3de hypotheek; —r.

Surcingle, sɐ̂siŋg’l, sɐ̂siŋg’l, zadelgordel, riem; — verb. met een gordel(riem) bevestigen.

Surcoat, sɐ̂kout, overjas, wapenrok.

Surd, sɐ̂d, subst. onmeetb. grootheid, zooals √ 2; adj. stemloos (van medeklinkers), onmeetbaar.

Sure, šuə, zeker, ongetwijfeld, onfeilbaar: As — as death and taxes = zoo zeker als 2 × 2; As — as a gun = zoo zeker als wat = As — as can be; He is a good fellow to be — = buiten kijf; I am — I shall not go = ik ga bepaald niet; I am — I don’t know = ik weet het heusch niet; I won’t be — = ik durf het niet zeker zeggen; He is — not to come = hij komt bepaald niet; Be — not to forget = denk er om; That’s — enough = dat is vast en zeker; That’s him, — enough = hij is het waarachtig; I will make — where he is = mij vergewissen; —footed = vast van voet, stevig op de beenen, vertrouwbaar; subst. —footedness; I can do that —ly = dat mag ik toch wel doen, he? —ness = zekerheid; Surety = veiligheid, zekerheid, pand, borgtocht, gerustheid: Of a — = zeer zeker; I’ll be — for you, be your — = voor u instaan, borg voor u zijn; To stand — = borg blijven; —ship = het borg zijn, borgschap.

Surf, sɐ̂f, branding; —-boat = boot om mee door de branding te varen; —-duck (-scoter) = brileend; adj. —y.

Surface, sɐ̂fis, subst. oppervlakte, buitenkant, uiterlijk, vlak; adj. oppervlakkig (= —-deep); — verb. eene zachte oppervlakte geven, glad wrijven: Her information is of the most — kind = is zoo oppervlakkig mogelijk; —-man = wegwerker, lijnopzichter; —-survey = landmeten; —-water = overdag van de oppervlakte der aarde in een mijn dringend water.

Surfeit, sɐ̂fit, subst. overlading, walging; — verb. (zich) de maag overladen; oververzadigd zijn: —ed with too much appetite = overladen (volgepropt) door.

Surge, sɐ̂dž, subst. groote golf, stortzee; — verb. golven, hooge baren vormen, een touw laten schrikken (scheepst.): The audience —d down the corridors = stroomde.

Surgeon, sɐ̂dž’n, heelmeester, chirurg: Royal College of —s = —s’ Hall = Kon. Instituut ter examineering van chirurgen; —cy = betrekking van arts (in leger of vloot); Surgery = heelkunde, operatiekamer, spreekkamer en apotheek van een dokter; Surgical, sɐ̂džik’l, heelkundig: — instruments = chirurgische instrumenten.

Suricate, siurikeit, palm eekhorentje.

Surinam, sûrinâm, Suriname.

Surliness, sɐ̂linəs, subst. v. Surly, sɐ̂li, norsch, knorrig, gemelijk, afsnauwend.

Surmise, sɐ̂maiz, subst. vermoeden, gissing, argwaan; — verb. vermoeden, onderstellen; —r.

Surmount, sɐ̂maunt, te boven komen, overwinnen: A heavy gilt club —ed by a crown = met een kroontje er op; A weathercock-—ed cupola = koepeltje met een weerhaan er op; —able = overkomelijk, verwinbaar; —er.

Surmulot, sɐ̂mjulot, groote woudrat.

Surname, sɐ̂neim, subst. familienaam, bijnaam; — verb. ook sɐ̂neim, een bijnaam geven, bij een bijnaam noemen.

Surpass, sɐ̂pâs, overtreffen, te boven gaan: —able = overtrefbaar; —ing = uitstekend, buitengewoon: A maiden of —ing beauty = van weergalooze schoonheid.

Surplice, sɐ̂plis, koorhemd, stool.

Surplus, sɐ̂pləs, subst. overschot, toegift; adj. overtollig: In — = bovendien; Surplusage, sɐ̂pləsidž, overschot, groot aantal, overtolligheid: He has a — of daughters = eene heele collectie.

Surprise, sɐ̂praiz, subst. verrassing, overrompeling; — verb. overrompelen, verrassen, ontstellen, verlegen maken: By — = bij verrassing; That was a — to me = dat verraste me zeer; I am —d at what you say = ik ben getroffen; The beggars —d Brielle = verrasten; To — oneself = zich betrappen op; —-party (in Amerika) = een troepje personen, dat ongenood in het huis van een gemeenschappelijken vriend komt, en waarvan ieder zijne bijdrage voor een souper levert; —-visit = onverwacht (inspectie)bezoek; —r; Surprising = verbazingwekkend, buitengewoon; subst. —ness.

Surrebut, sɐ̂ribɐt, voor de vijfde maal repliceeren (jur.); —ter = vijfde wederantwoord; Surrejoin, sɐ̂ridžôin, voor de derde maal repliceeren; —der = derde wederantwoord.

Surrender, sərendə, subst. overgave, uitlevering; — verb. overgeven, uitleveren, afstaan, afstand doen, zich overgeven (aan): The town —ed to the enemy at discretion = gaf zich over; To — upon terms = op voorwaarden; —er.

Surreptitious, sɐrəptišəs, op slinksche wijze, bedriegelijk, heimelijk: — edition = nadruk.

Surrey, sɐri.

Surrogate, sɐrəgit, subst. plaatsvervanger; —ship.

Surround, səraund, subst. soort buffeljacht door omsingeling, de keten van jagers die omsingelt; — verb. omringen, omsingelen, insluiten: —ing country = —ings = omgeving: London and its —ings = zijne omgeving.

Sursolid, sɐ̂solid, vijfde macht v. een getal.

Surtax, sɐ̂taks, extra belasting.

Surtax, sɐ̂taks, extra belasten.

Surtout, sɐ̂tût, overjas.

Surveillance, sɐ̂veil(j)’ns, toezicht.

Survey, sɐ̂vei, overzicht, inspectie, taxatie, meting; douanedistrict (Amer.): He took a — of the matter = nam op, onderzocht.

Survey, sɐ̂vei, overzien, het toezicht houden op, nauwkeurig opnemen, scherp onderzoeken, meten (van land), peilen; —ing-chain = meetketting; —or = opziener, opzichter, administrateur, landmeter; verificateur (Amer.); —orship.

Survival, sɐ̂vaiv’l, het overlèven, het blijven bestaan, in leven blijven, laatst overgeblevene, overblijfsel: — of the fittest = het overlèven van de krachtigste individuen.

Survive, sɐ̂vaiv, overlèven, nog leven, in leven blijven: He will — his next birthday = zal nog halen; They are all dead, but he —s = hij is er nog; Those who — = de overlèvenden; Surviver, Survivor = langstlevende: The —s of the wreck = zij die er het leven hebben afgebracht; —ship = voordeel, dat den langstlevende toevalt.

Susan, sûz’n, siûz’n, Suzanne, Suze; Susanna, s(j)uzanə, Susanna.

Susceptibility, səseptibiliti, subst. v. Susceptible, səseptib’l, vatbaar, toegankelijk, gevoelig, teeder; —ness = teergevoeligheid; Susceptive, səseptiv, vatbaar, toegankelijk; subst. —ness.

Suspect, səspekt, vermoeden, verdenken, wantrouwen, achterdocht koesteren, vreezen; subst. een verdacht persoon; —ed = verdacht; subst. —edness; —er.

Suspend, səspend, ophangen, hangen aan, opschorten, schorsen, doen ophouden, staken, suspendeeren, stremmen: The lamp was —ed by a chain to the ceiling = hing; To — hostilities = schorsen; I wish to — my judgment = op te schorten; The officer was —ed = de ambtenaar werd geschorst; The firm —ed payment = staakte hare betalingen; To stand —ed = weifelen, in tweestrijd zijn; Suspenders = kous-ophouders, bretels: — they were called, braces not being a parliamentary word = ze werden suspenders genoemd, aangezien braces niet fatsoenlijk is; Suspense, səspens, onzekerheid, besluiteloosheid, uitstel: He was in a mortal — = in doodelijken angst; To keep in — = in spanning of onzekerheid laten; Suspensible = zwevend; Suspension, səspenš’n, (op)hanging, ophouding, opschorting, uitstel, onzekerheid, schorsing, stremming, staking: — of arms, of hostilities = eene staking der vijandelijkheden, een wapenstilstand; — of pain; — of payment; —-bridge = hang- of kettingbrug; Suspensive = twijfelachtig, onzeker; Suspensor = breukband; suspensoir, zaadstreng; Suspensory = hangend, dragend.

Suspicion, səspiš’n, achterdocht, vermoeden, verdenking, “schijntje” of kleinigheid; Suspicious, səspišəs, achterdochtig, verdacht: A — frame of mind = achterdochtige aard; subst. —ness.

Suspiration, sɐsp(a)ireiš’n, diepe ademhaling; Suspire = diep ademhalen.

Susquehanna, sɐskwəhanə; Sussex, sɐsəks.

Sustain, səstein, dragen, ondersteunen, schragen, volhouden, handhaven, lijden, dragen, helpen, bijstaan, onderhouden, verdedigen, beweren, aanhouden, verdragen: To — authority = het gezag hoog houden; To — a loss = lijden; To — one’s part = zijn rol volhouden; This admirable spirit is —ed throughout the work = wordt het geheele werk door volgehouden; —able = wat volgehouden, enz. kan worden; —er; —ment = ondersteuning, etc. Sustenance, sɐstən’ns, onderhoud, levensmiddelen; Sustentation, sɐst’nteiš’n, steun, onderhoud: — fund = fonds ter verbetering van de traktementen der bedienaren van den godsdienst (vooral in de Free Church of Scotland).

Susurrant, siusɐr’nt, fluisterend, zacht ruischend; Susurration, siûsəreiš’n, gefluister, geritsel; Susurrus, siusɐrəs, geruisch, gefluister.

Sutherland, sɐdhəland.

Sutler, sɐtlə, zoetelaar; —ship; Sut(t)ling, sɐtliŋ: —-wench = marketentster, zoetelaarster.

Suttee, sətî, verbranding der weduwe met haren overleden echtgenoot, weduwe die met haar overleden echtgenoot verbrand wordt; —ism = vrijwillige vuurdood der weduwe.

Suttle, sɐt’l: — weight = netto gewicht.

Sutural, siutjûr’l, naad..; Suture, siûtjuə, het naaien, zoom, naad.

Suzerain(e), siûzərən, subst. leenheer, opperheer; adj. heerschend, machtig; —ty.

Swab, swob, subst. zwabber, wisscher; zuiplap; — verb. dweilen, zwabberen, afwisschen: You drunken — = jij drankorgel; He —bed the perspiration from his face = veegde zich het zweet af; —ber = zwabber (scheepst.).

Swabia, sweibjə, Zwaben; —n = Zwaab(sch).

Swad, swod, kort en dik persoon; pummel; klomp, massa (Amer.).

Swaddle, swod’l, zwachtelen, inbakeren; —r = scheldnaam aan Methodisten gegeven; Swaddling: —-bands = —-clothes = —-clouts = luren, pak (waarin een klein kind gewikkeld wordt).

Swag, swag, subst. ongelijke of hortende beweging, doorzakking, gestolen goed, buit; ransel (Austral.); — verb. los en zwaar hangen, heen en weer slingeren; —-belly = iemand met een hangbuik; swagman = reizend gezel; houder van een —shop = uitdragerij; —sman = heler.

Swagger, swagə, subst. gebluf, ijdel snoeven, zwaaiende gang, rottinkje der Engelsche militairen (= —-cane); — verb. snoeven, met gemaakte gewichtigheid rondstappen, schetteren: — houses = huizen der “groote lui”; —er = bluffer, grootspreker, tiran.

Swain, swein, jonge man, boerenknecht, (landelijk) minnaar.

Swale, sweil, laag gelegen land (Amer.).

Swallow, swolou, subst. zwaluw; keel, afgrond, vraatzucht, groote hap of slok; — verb. verzwelgen, doorslikken, opslorpen, verteren, slikken (ook fig.): At one — = in één slok, hap; I won’t — such insults = zulke beleedigingen slik ik niet; He —ed all this nonsense like gospel-truth = slikte; The poor fellow was —ed by the waves = werd verzwolgen; —-fish = groote zeehaan; —-tail = zwaluwstaart, rok, wimpel, vooruitgeschoven bastion; —-tailed = met een zaluwstaart, gevorkt, met smal uitloopende slippen (als een rok): —-tailed butterfly = koninginnepage; —er = verzwelger, gulzigaard.

Swam, swam, imperf. van to swim.

Swamp, swomp, subst. moerassig of drassig land; — verb. in een moeras zinken, vol water loopen (van eene boot), doen zinken, overstroomen, overtreffen, het overwicht hebben, ruïneeren; in onoverkomelijke moeilijkheden geraken, ondergaan: The Chinaman —s the labour-market of America = overstroomt; We got —ed = wij kwamen er leelijk in te zitten, waren geruïneerd; —-fever = moeraskoorts; —-hickory = Noord-Amerik. hickory-noot; —-honey-suckle = kleverige azalea; —y = moerassig, drassig.

Swan, swon, zwaan: A black — = een witte raaf (fig.); —-down, —’s down = zwanendons; —herd = hoeder; —-hopping (—-upping) = het merken van zwanen; —-shot = ganzenhagel; —skin = soort van gekeperd flanel, zwanevel; —-song = zwanenzang; —wort = soort van orchidee.

Swang, swaŋ, laag gelegen grasland.

Swank, swaŋk, bluf, opsnijderij.

Swansea, swonsî.

Swap, swop, subst. slag; ruil; — verb. neerploffen; ruilen, wisselen: I had a — with him = ruilde; We fell to —ping notes about customs in Germany = onze bevindingen uit te wisselen (te vergelijken); We smoked a final pipe, and —ped a final yarn = vertelden nog een laatst verhaal; To get —ped = de bons krijgen.

Swape, sweip, lang roer (bij een vlot); zwengel eener pomp; —-well = pomp.

Sward, swöd, grasveld; huid, bast; —-cutter = ploeg (voor grasvelden), grasschaar.

Sware, swêə, imperf. van to swear (dichterl.).

Swarm, swöm, subst. zwerm, dichte menigte; — verb. zwermen (van bijen), krioelen, wemelen, zich verdringen; in een boom of mast klimmen (gew. met up): —ing time (van bijen).

Swarry, swori, verbastering van soirée.

Swart(h), swöt(h), zwart, donker; Swarth(i)ness, subst. v. Swarthy = getaand, bruin.

Swash, swoš, subst. gepoch, gezwets, het “geuren” of bluffen; watergeklots of -gekabbel; adj. dronken; overrijp, murw; ovaal; — verb. klotsen, kabbelen; bluffen, zwetsen; —-buckler = schetteraar, bluffer, vechtersbaas = —er; —ing = bluffend, zwaar neerploffend, verpletterend; —y = papperig.

Swath, swôth, zwad, rij gemaaid en bijeengelegd gras of koren, wat eene zeis of maaimachine bereikt: To cut a — = gewichtig doen.

Swathe, sweidh, subst. zwachtel; — verb. zwachtelen, bakeren; Swathing-clothes = luren, pak (zie Swaddle).

Sway, swei, subst. zwaai of slag, overwicht, overmacht, heerschappij, invloed, het doorslaan (van den balans); — verb. zwaaien, slingeren, hanteeren, overhellen, neerdrukken, richten, (be)heerschen, invloed oefenen: He was —ed by my advice = liet zich leiden; — on = vooruit maar; —ed (in the back) = lendenlam (van paarden).

Sweal, swîl, afloopen (van een kaars), walmen, schroeien van een dood varken.

Swear, swêə, subst. eed, vloek; — verb. zweren, vloeken, bezweren, beëedigen, onder eede bevestigen: The jury was sworn = werd beëedigd; To — an oath = een eed doen; To — the peace against a person = iemand bij den vrederechter aanklagen wegens bedreiging; To — false = een meineed doen; He swore by all that is holy = (be)zwoer bij al wat heilig is; I — by you for the best of friends = ik vertrouw u; The new mayor was sworn in = werd beëedigd; I — off lying = ik beloof plechtig niet meer te zullen liegen; They were sworn to silence = moesten onder eede beloven te zullen zwijgen; —er = vloeker, hij die een eed doet.

Sweat, swet, subst. zweet, zware arbeid, het bezweet zijn; — verb. zweeten, uitbuiten, huiden zweeten: In the — of thy face shalt thou eat bread; It gave him (put him in) a cold — = maakte dat hem ’t koude zweet uitbrak; You’ll — for it = er voor bloeden; The —ed carry on their miserable lives = de slachtoffers van hongerloon voor harden arbeid; Sweater, swetə, zweeter, uitbuiter; dikke wollen trui; Sweating: —-bath = zweetbad; —-house = zweethuis; —-iron = roskam; —-room = zweetkamer, droogkamer (kaas); —-sickness = zweetziekte; —-system = hongerloon voor hard werk (vooral bij thuiswerkende arbeiders); Sweatiness, subst. v. Sweaty = zweeterig, bezweet, zwoegend, zwaar.

Swede, swîd, Zweed, Zweedsche raap; —n = Zweden.

Swedenborgian, swîd’nbödžiən, subst. en adj. (volgeling) van Swedenborg; —ism = leer van de —s.

Swedish, swîdiš, subst. en adj. Zweedsch(e taal).

Sweep, swîp, subst. het vegen, veger, veeg, zwaai, draai, omvang, uitgestrektheid, vluchtige blik, sleep, schoorsteenveger, ploert, lang roer, zwengel, half cirkelvormig oprijpad van een buiten; — verb. vegen, wegvegen, even aanraken, voorbij vliegen of schieten, langs schuren, zwaaien, reiken, zich uitstrekken, dreggen, bestrijken, snel overzien: We heard the —s of the oars = de riemslagen; He killed them at one — = met éénen slag; Give this room a — = veeg eens aan; To make a clean — = schoon schip maken, een flinke opruiming houden; Lamp-chimney — = lampeglasveger; — before your own door = veeg uw eigen pad schoon; Our cannon swept the walls = veegde(n) schoon; Everything was swept away = werd weggevaagd; He was swept from our sight = plotseling aan ons oog onttrokken; The waves — (over) the deck = slaan over het dek, vegen het dek schoon; —-net = sleepnet; —-stakes = spelen of wedstrijden waarbij de prijzen hoofdzakelijk bestaan uit de inleggelden; die prijzen zelf: They got up —-stakes = zij zetten samen geld in, dat den winner tebeurt zou vallen; —-washings = afval in goud en zilversmederijen; —er = wie of wat veegt; Sweeping: — assertions = algemeene; The motion was carried by a — majority = met eene verpletterende meerderheid; A — reduction = kolossale prijsvermindering; —s = op- of uitvaagsel, vuilnis: His troops were the —s of the galleys = uitvaagsel der galeien; Sweepy = voorbijsnellend, trotsch stappend, met kleine golven, kronkelend.

Sweet, swît, subst. zoetigheid, liefelijkheid, lieverd; adj. zoet, geurig, welluidend, schoon, lief, aangenaam, frisch, bevallig: A dear little — = lieve snoes = Dearest —; My —; Have a —? = wil je een zoetigheidje; The — of the district = de bekende snoeperij van het district; The —s and bitters of life = het zoet en zuur des levens; —s to the — = het lieve voor de lieve; —s = bonbons, lekkernijen, suikerwerken, enz.; — airs = lieve melodiën; — corn = soort Turksche maïs; — herbs = tijm en marjolein; — manners = zachte, vriendelijke manieren; —mouth = lekkerbek; — oil = olijfolie; — orange = sinaasappel; He has a — tooth = hij is een zoetekauw; — violet = welriekend viooltje; At your — will = naar uw welbehagen; No — without sweat = kermis is een bilslag waard, voor wat hoort wat; He is — on her = verliefd, dol op; —bread = zwezerik; —-briar = eglantier, hondsroos; —-broom = priemkruid; —heart, subst. minnaar, minnares, lieveling; — verb. het hof maken: My master is —-hearting inside = aan het vrijen; —meat = suikerwerken, bonbons, gecandeerde vruchten; —-pea = pronkerwt; —-potato = bataat; —-scented = geurig, welriekend = —-smelling; —-tea = thee, waarbij brood, jams, etc. wordt gepresenteerd; —-william = duizendschoon, ruwe anjer; —wort = elke plant van zoeten smaak; Sweeten = verzoeten, parfumeeren, verzachten, aangenaam maken, zuiveren, reinigen, ontsmetten: She —ed up the apple-sauce = zoette aan; Sweeting = St. Jansappel; lieveling; Sweetish = tamelijk zoet; subst. —ness; Sweetly pretty = snoezig; Sweetness = zoetheid, welluidendheid, geurigheid, wellevendheid; The — of his manners was only equalled by his liberality = de vriendelijkheid zijner manieren; Sweety = ulevelletje, bonbon.

Swell, swel, subst. zwelling, gezwel, aanzwellen, stijging, hoogte, deining; groote heer, “heele piet”, fat, bram; crescendo- of decrescendoteeken; adj. fijn, chique, fatterig; — verb. zwellen, opzwellen, toenemen, zich verheffen, opgeblazen zijn, buiken, vergrooten, vermeerderen: You are quite a — with your new suit = een heele piet; He does the — = hij hangt den fijnen meneer uit; What was called a — 25 years ago is a dude or an effete youth now; He has —ed all expenses = alle uitgaven vermeerderd; The wind had —ed the sails = doen zwellen; My book —s to an unexpected size = groeit aan tot; He was swollen with pride = opgeblazen van trots; —-mob = bende van als heeren gekleede gauwdieven of zakkenrollers; —-mobsman = fortuinzoeker, oplichter; —dom = nageaapte voornaamheid: An ounce of comfort is worth a pound of —dom = zoogenaamde “chic”; Swelling: The — of the sea = het deinen der zee; Swellish = als een fatje.

Swelter, sweltə, smoren of braden van de hitte, in zijn zweet baden, verdorren, verzengen: It was a —ing morning = een smoorheete morgen.

Swept, swept, imp. en p.p. van to sweep.

Swerve, swɐ̂v, subst. beweging naar ééne zijde; — verb. afdwalen, afwijken: He never —d from the path of duty = verliet nooit.

Swift, swift, subst. gierzwaluw; adj. vlug, snel, kort, geneigd tot: — of foot = rap van voet; — to mischief = geneigd tot; subst. —ness.

Swifter, swiftə, boomtouw, zwichtlijn; — verb. sjorren, zwichten.

Swig, swig, subst. groote teug; — verb. met groote teugen (uit)drinken (at), gretig slokken of drinken: He —ged off a great bumper.

Swill, swil, subst. groote teug, overmatig veel drank; spoeling; — verb. gretig en overmatig drinken, dronken maken, zuipen; —er = zuiplap; —ings = varkensdraf.

Swim, swim, subst. zwemmen, zweven; zwemblaas; — verb. zwemmen, vlot zijn, drijven (van), voortglijden, doornat worden, overzwemmen, duizelig zijn: To have (take) a — = zwemmen; He is in (out of) the — = hij is in (niet in) het geheim ingewijd, (niet) medeschuldig; He swam against, with the tide = hij zwom tegen den stroom in, met den stroom mee; We swam down the river = de rivier af; He —s in wealth and luxury = baadt zich in rijkdom en weelde; My head begins to — = het begint mij voor de oogen te draaien, te duizelen; The room began to — with him = begon met hem rond te draaien; The general swam his horse across the river = zwom met zijn paard over de rivier; —(ming)-bladder = zwemblaas; Swimmer = zwemmer, zwemvogel, waterspin, plankje op een vollen emmer die gedragen wordt; Swimming, subst. duizeling, het zwemmen: —-belt = zwemgordel; —-bladder = zwemblaas; —-jacket = zwembuis; —-match; —-school = zwemschool; We are getting on —ly = maken het uitstekend; The work is getting on —ly = vordert vlot.

Swindle, swind’l, subst. oplichterij, zwendelarij; — verb. zwendelen, oplichten: He —d me out of my watch = heeft mij ontfutseld, afgezet; —r = zwendelaar, oplichter.

Swine, swain, varken, zwijn; —-bread = truffel; —herd = zwijnenhoeder; —-pipe = koperwiek; —-pox = waterpokken; —’s snout = paardenbloem; —-sty = varkenskot.

Swing, swiŋ, subst. zwaai, schommeling, schommel, stoot, zet, vrije loop, vrijheid van beweging, neiging, trek, streven, invloed; — verb. schommelen, slingeren, zwaaien, draaien, met lange passen loopen, hangen, ophangen, leiden: The praise of mankind was his — = fort, lust en leven; All the mills are in full — = in volle werking; The party was in full — = in vollen gang; She got into the — of her work = raakte geheel vertrouwd met; To have one’s full — = volle vrijheid hebben, volop krijgen; We played to our full — = naar hartelust; He may — for it = ’t kan hem zijn kraag kosten; To — in a — = schommelen; To — into line = (laten) opmarcheeren; He swung round the corner = reed met korten draai om; —-boats = Russische schommel; —-bridge = draaibrug; —-door(s) = toeslaande (dubbele) deur(en); —-gate; —-glass = draaispiegel; —-lamp = hanglamp; —-wheel = balans- of drijfrad (in een horloge); —er = opsnijderij, groote leugen (fig.).

Swinge, swinž, afranselen, kastijden; Swing(e)ing, swinžiŋ, kolossaal groot, verbazend.

Swingle, swiŋg’l, subst. zwingel, vlegel; — verb. vlas zwingelen, —-bar (-tree) = zwingelhout; —-staff = vlaszwingel, vlegel = Swingling-staff.

Swinish, swainiš, zwijnachtig, vuil; —ness.

Swipe, swaip, subst. lange stok of stang, pompzwengel, harde slag (bij cricket); — verb. met kracht slaan; —r.

Swipes, swaips, dun bier; Swipey = aangeschoten.

Swirl, swɐ̂l, subst. warreling, draai(kolk); — verb. warrelen, draaien: The silent — of bats = geruischloos rondvliegen.

Swish, swiš, zwaaien, slingeren, ranselen, ruischen, suizen; ook subst.: He was —ed several times = afgestraft.

Swiss, swis, subst. Zwitser; adj. Zwitsersch: — cottage = chalet; — guards.

Switch, switš, subst. teentje (takje), roede, karwats, wisselspoor, stroomwisselaar; — verb. slaan, ranselen, op een ander spoor brengen, rangeeren, in- of uitschakelen (bij telefoon of electrisch licht): The telephone-girls have quite enough to do with —ing on and off = met in-, en uitschakelen: I —ed on the electric light = draaide op; The train was —ed on to a side-rail = werd op een zijspoor gebracht; —-back = rutschbaan; —-board = schakelbord; —-man = wisselwachter.

Swithin, swithin; Switzer, switsə, Zwitser; Switzerland; Saxon-Switzerland.

Swivel, swiv’l, subst. schijf, wervel, draaibas (= —-gun); — verb. op eene spil of schijf draaien; —-bridge = draaibrug; —-chair = draaistoel; —-eye = scheel oog; —-eyed = scheel; —-hook = wartelhaak (scheepst.); —-knife.

Swob, swob. Z. Swab.

Swollen, Swoln, swouln, p.p. van to swell.

Swoon, swûn, subst. bezwijming; — verb. bezwijmen: To go off in a — = in zwijm vallen.

Swoop, swûp, subst. het plotseling neerschieten op (van een roofvogel); — verb. neerschieten op, neerstrijken: At a — = met één slag.

Swop, swop, subst. ruil; — verb. ruilen: Don’t — horses in mid river (while crossing the stream) = bepaal u bij ééne zaak in een kritiek geval; Zie Swap.

Sword, söd, zwaard, sabel, degen: He stood on his defence, — in hand = met het zwaard in de hand; At the point of the — = met den blanken sabel; With the flat of the — = het plat; — of State = rijkszwaard; To draw the — = trekken; To put to the — = over de kling jagen; Sheathe your — = steek op; —-arm = rechterarm; —-bayonet = sabelbajonet; —-bearer = zwaarddrager; —-belt = koppel; —-blade = degenkling, lemmet; —-cane = degenstok; —-cut = sabelhouw; —cutler = zwaardveger; —-dance = sabeldans (der Hooglanders); —-fight = gevecht op den sabel; —fish = zwaardvisch; —-grass = honigklaver (Mel. sulcata), rietgras, korenschijnspurrie; —-guard = stootplaat; —-hilt = gevest; —-knot = sabelkwast, dragon; —-lily = zwaardlelie; —-play = gevecht op den degen; —-shaped = zwaardvormig; —sman = soldaat, schermmeester; —smanship = schermkunst; —-stick = degenstok.

Swore, swö, imperf. van to swear.

Sworn, swön, gezworen, onder eede: I’ll be —, that... = er een eed op doen, dat...; — broker = beëedigd makelaar; — enemies = gezworen vijanden; — friends = dikke vrienden; — statement = beëedigde verklaring.

Swot, swot, inpompen; subst. wiskundige, wiskunde, blokker: It’s no use —ting this up, they never set it in exams = het geeft niets of men dat erin pompt.

Swum, swɐm, p. perf. van to swim.

Swung, swɐŋ, imp. en p.p. van to swing.

Sybarite, sibərait, verwijfd persoon, wellusteling, sybariet; adj. Sybaritic(al), sibəritik(’l); Sybaritism, sibər(a)itizm.

Sycamine, sikəmain, zwarte moerbezie.

Sycamore, sikəmö, wilde vijgeboom, gewone eschdoorn; —-fig = wilde vijg.

Syce, sais, Brit. Ind. rijknecht.

Sycomore, sikəmö = Sycamore.

Sycophancy, sikəfansi, lage vleierij, verklikkerij, slaafschheid, pluimstrijkerij; Sycophant, sikəfant, subst. lage vleier, pluimstrijker, sycophant; — verb. den pluimstrijker, etc. spelen; adj. Sycophantic(al), sikəfantik(’l), Sycophantish.

Sycosis, saikousis, baardworm.

Sydenham, sidən’m; Sydney, sidni; Sylla, silə.

Syllabic, silabik, tot de lettergreep behoorende; Syllabicate, tot lettergrepen vormen; Syllabication, Syllabification = verdeeling in of vorming tot lettergrepen; Syllabify = Syllabicate; Syllable, siləb’l, subst. lettergreep; — verb. onder woorden brengen: The warning —d itself in his ear.

Syllabub, siləbɐb; Zie Sillabub.

Syllabus, siləbɐs, korte inhoud, leerplan; Syllabus.

Syllogism, silədžizm, syllogisme; Syllogistic, silədžistik, tot een — behoorende; Syllogization, silədž(a)izeiš’n, het maken v. een syllogisme; Syllogize, silədžaiz, syllogiseeren.

Sylomite, sailəmait, (van) imitatie-ivoor.

Sylph, silf, sylphe; —id = sylphide; —like = bevallig, slank.

Sylvan, silv’n, bosch.., lommerrijk; subst. boschgod, Silvanus.

Sylvestral, silvestr’l, een woud bewonend, woud.., woest.

Sylvia, silviə.

Symbiosis, simbiousis, symbiose.

Symbol, simb’l, subst. zinnebeeld, teeken, kenteeken; adj. —ic, simbolik: To be — of = voorstellen = —ical; subst. —icalness; —ics = symboliek; —ism = symbolisme; —ist; —ization = zinnebeeldige voorstelling, verzinnelijking; —ize, simbəlaiz, symboliseeren.

Symmetric(al), simetrik(’l), symmetrisch; Symmetrize, simətraiz, symmetrisch maken; Symmetry, simətri, symmetrie: Want (Lack) of —.

Sympathetic, simpəthetik, sympathetisch, sympathiek, sympathisch: — cures; — ink = kleurlooze inkt, die eerst na verwarming zichtbaar wordt; ook: —al; Sympathize, simpəthaiz, sympathiseeren: —r; Sympathy, simpəthi, sympathie, harmonie: To feel (express) — for.

Symphonic, simfonik, symphonisch; Symphonist, simfənist, componist van symphonieën; Symphony, simfəni, symphonie.

Symposiac, simpouziak, feest...; Symposiarch, simpouziâk, president van een Symposium, simpouž’m, feestgelag.

Symptom, simt’m, symptoom; —atic(al) = symptomatisch; —atology = leer en studie der ziekteverschijnselen.

Synaeresis, sinîrəsis, samentrekking van twee lettergrepen (of klinkers) tot een(e).

Synagogical, sinəgodžik’l, tot eene Synagogue, sinəgog, synagoge behoorend.

Synchronal, siŋkrən’l, subst. en adj. (het) gelijktijdig(e); Synchronism, siŋkrənizm, synchronisme, synchron. tabel; Synchronistic(al) = synchronistisch; Synchronization, siŋkrənizeiš’n, het gelijktijdig plaats hebben van gebeurtenissen; Synchronize, siŋkrənaiz, terzelfder tijd (doen) plaats hebben, klokken electr. gelijk houden, tegelijk ergens zijn (Amer.); —r; Synchronous, siŋkrənɐs, synchronisch.

Syncopal, siŋkəp’l, syncopisch; Syncopate, siŋkəpeit, syncopeeren; subst. Syncopation; Syncope, siŋkəpî, syncope, flauwte, bezwijming.

Syndic, sindik, syndicus: The Celebrated Five —s = de Staalmeesters (v. Rembr.); Syndicate, sindikit, raad, syndicaat, consortium; — verb. tot syndicaat maken.

Synecdoche, sinekdəkî, synecdoche.

Synergy, sinədži, synergismus.

Synod, sinəd, synode, kerkvergadering; —al, synodaal = —ic(al), sinodik(’l); ook synodisch (astron.).

Synonym, sinənim, zinverwant woord; —ic(al), sinənimik(’l), synoniem; —ity, sinənimiti = Synonymy; —ize, sinonimaiz, door een synoniem of synoniemen uitdrukken of verduidelijken; Synonymous, sinonimɐs, synoniem; Synonymy, sinonimi, het synoniem zijn, synonymie.

Synopsis, sinopsis, synopsis, kort en algemeen overzicht of begrip; Synoptic, subst. en adj. synoptisch bijbelboek (Mattheus, Marcus, Lukas); Synoptical = synoptisch.

Syntactic(al), sintaktik(’l), syntactisch; Syntax = syntaxis.

Synthesis, sinthəsis, synthese; Synthetic(al), sinthetik(’l), synthetisch.

Syphilis, sifilis, syphilis; adj. Syphilitic.

Syphon, saif’n, siphon, spuitwaterflesch, hevel.

Syracusan, sirəkjûs’n, (bewoner) van Syracuse; Syracuse, sirəkjûs; Syracusian = Syracusan.

Syren, sair’n, sirene.

Syria, siriə, Syrië; —c, —n, subst. en adj. Syrisch(e taal), (inwoner) van Syrië.

Syringa, siriŋgə, sering.

Syringe, sirinž, subst. spuit; — verb. uit(in)spuiten, bespuiten: A — for streaming the windows.

Syrinx, siriŋks, Eustachiaansche buis, pansfluit.

Syrtis, sɐ̂tis, drijfzand (aan de noordkust van Afrika).

Syrup, sirəp, stroop; —y = als stroop.

System, sist’m, stelsel, systeem, formatie: Planetary — = planetenstelsel; — of railways = spoorwegnet; Nervous — = zenuwstelsel; It was reduced to a — by a German = gesystematiseerd; —atic(al) = stelselmatig, systematisch, methodisch; —atist = stelselmaker; —atization = systematiseering; —atize = systematiseeren; —atizer; —ic, sistemik, systematisch; —less = stelselloos.

Systole, sistəlî, samentrekking; adj. Systolic.

Systyle, sistail, bouworde waarbij de zuilen slechts 2 zuildikten van elkaar staan.

T.

T, tî; T(un, Tuesday); Tech(nical); Tenn(essee); Teut(onic); Tex(as); Text(us) rec(eptus) = The received text; Th(omas); Theo(dore); Theol(ogy); Thess(alonians); Tho(mas); Thu(rsday); Thurs(day); Tim(othy); Tit(le, Titus); T(urn) O(ver); Topog(raphy); Tr. = Translation, Transpose, Treasurer, Trustee; Trans. = Transactions, Translator; Trav(els); Trig. of Trigon(ometry); Trin(ity); T(exa)s; t.t.l. = to take leave (= p.p.c.); Tu. of Tues(day); Typ(ographer); Typog(raphy); It fits me to a — = past me precies; He is marked with a — = hij heeft gezeten; She rested her foot on a — = op een steuntje, stoeltje; I can tell it you to a — = ik kan het u precies vertellen.

Ta, tâ: I’ll say — for him = ik zal voor hem bedanken; Ta-ta = dá-ag (bij afscheid).

Tab, tab, flapleertje van een schoen, nestel, oorklep, kanten voering in een dameshoed.

Tabard, tabəd, tabbaard; mantel van een heraut; —er = getabberde.

Tabaret, tabəret, dikke gestreepte zijden stof.

Tabby, tabi, subst. moiré zijde, kalk met schelpen en kiezel, oude vrijster, gestreepte kat (= —-cat, —-kitten); adj. gewaterd, gemoireerd; — verb. moireeren.

Tabefaction, tabifakš’n, wegkwijning.

Tabellary, tɐbələri, tabellarisch.

Tabernacle, tabənək’l, subst. tabernakel, hostiekast, tent, tempel, aardsch omhulsel, loofhut, bedehuis (der Methodisten); — verb. tabernakelen, verblijven: The feast of —s = loof huttenfeest; Tabernacular, tabənakjulə, getralied.

Tabes, teibîz, ruggemergstering; Tabetic, təbetik, aan tabes lijdende = Tabid, ook: uitgeteerd: subst. —ness.

Tabitha, tabithə.

Tabitude, tabitjûd, uittering.

Tablature, tablətjə, verdeeling van den schedel in tweeën, tabulatuur.

Table, teib’l, subst. tafel, tablet; — verb. rangschikken, catalogiseeren, tabelleeren, wetsvoorstellen op de tafel van het Lagerhuis leggen, indienen; in den kost zijn: —s = notitieboek, tabel, register, pufspel, triktrak; — of contents = inhoudsopgave; The Lord’s — = het Avondmaal; The Round — = Koning Arthur’s tafelronde; Sliding — = uittrektafel; He keeps a good — = eet lekker, heeft een goede tafel; To keep an open — = open tafel houden; To spread the — = dekken; He took the head (bottom) of the — = ging aan het hoofd (benedeneinde) der tafel zitten; The —s were turned = de bordjes werden verhangen, de kans keerde; I turned the —s on him = ik kaatste hem den bal terug, betaalde hem met gelijke munt; To be at — = aan tafel zitten; The proposal was laid on the — = ter tafel gebracht; To put on the — = opdienen; To sit at —; To wait at — = bedienen; — Bay = Tafelbaai; —-beer; —-bell = tafelschel; —-brush = tafelborstel; —-cloth = tafellaken, tafelkleed; —-companion = tafelgenoot; —-cover = tafelkleed; —-drawer = lade; —-flap = blad; —-knife; —-land = berg- of hoogvlakte; —-leaf = uittrekblad; —-linen = tafellinnen; —-money = tafelgeld; — Mountain = Tafelberg; —-rapping = tafelkloppen (v. geesten); —-salt; —-service = servies; —-spoon = eetlepel; —-steel = messenscherper; —-talk = tafelgesprek(ken); —-turning = tafeldans (door geesten teweeggebracht).

Tablet, tablet, tafeltje, tablet: Memorial — = gedenksteen.

Taboo, təbû, subst. priesterl. heiligverklaring of vervloeking bij de Polynesiërs; adj. uitgesloten, verboden; — verb. in den ban doen = To put under —; That is — = dat mag niet; Let’s — such an unpleasant subject = verder niet aanroeren; It has become the fashion to — sentimentalism = af te keuren.

Tabour, teibə, subst. kleine trom; — verb. trommelen: —er; Tabouret = kleine trommel, tabouret, tambourin; Tabourine, tabərin, kleine trom, tamboerijn.

Tabular, tabjulə, tafelvormig; tabellarisch; Tabulate, tabjuleit, in tabellen brengen, vlak of plat maken of slijpen; subst. Tabulation; Tabulator.

Tache, tâš, vlek, gebrek.

Tachometer, təkomətə; tachometer; Tachygraphy, təkigrəfi, kort- of snelschrift.

Tacit, tasit, stilzwijgend: — consent = stilzwijgende toestemming; Taciturn, tasitɐ̂n, zwijgend, stil: William the — = Willem de Zwijger; Taciturnity = stilzwijgendheid.

Tacitus, tasitɐs.

Tack, tak, subst. spijkertje, stift, hals (van een zeil), koers of gang (van een schip bij het laveeren), richting, weg (fig.): kleverigheid; pachtcontract of pacht (Schotl.); — verb. hechten, vastmaken, rijgen, wenden, over stag gaan, laveeren, het over een anderen boeg wenden (fig.): Tin —, White — = vertind spijkertje; I must change the — = het over een anderen boeg gooien; To get on the wrong — = op ’t verkeerde spoor raken; These ships stand on the same — = liggen over denzelfden boeg; —-block = halsblok (scheepsterm); —sman = pachter, die weer aan kleinere pachters verhuurt (Schotl.); —et = korte spijker met grooten kop; —y = kleverig.

Tackle, tak’l, toestel, tuig, gerei, takel, talie, werktuigen; — verb. bevestigen, aangrijpen; aanpakken (ook fig.), onder handen nemen: Fish(ing) — = vischtuig; Shaving —; He is too good a whist-player to be —d at double dummy = voor een partijtje met twee lummels (“blinden” of slechte spelers); I am not prepared to — a ghost = het op te nemen tegen; —d-stair = touwladder; Tackling = takelage, gereedschap, tuig.

Tact, takt, tact, maat; —less = zonder tact of slag; subst. —lessness.

Tactic, taktik, tactiek; tactisch = —al; Tactician, tacticus; Tactics, tactiek.

Tactile, takt(a)il, voelbaar, gevoels...; — sense = gevoelszin; Tactility = voelbaarheid.

Tactual, taktjuəl, voel- of tastbaar: The material world is a visible and — manifestation of God’s power = is eene zicht- en tastbare openbaring van Gods macht.

Tadpole, tadpoul, donderpad, kikkervischje.

Ta’en, tein, verk. van Taken.

Taenia, tînjə, lintworm; Taenioid = lint(worm)vormig.

Tafferel, tafərel = Taffrail.

Taffeta, tafətə, Taffety, tafəti, taf.

Taffrail, tafreil, hakkebord (scheepst.).

Taff(y), taf(i), schutspatroon in Wales; iemand uit Wales, David.

Tafia, tafiə, rum uit goedkoope melasse.

Tag, tag, subst. stift, nestel, aanhangsel, adreskaart, etiket, uiteinde, slagwoord, gepeupel, vangertje (krijgertje) spel, plaatsen uit vroeger schoolwerk tot nieuwe verzen aaneen gelijmd (schoolslang); — verb. van nestels voorzien, van etiketten of kaartjes met prijzen voorzien, verbinden, vastmaken, op den voet volgen, naloopen: He delivered Latin —s with an English accent; He is always —ging after his elder brother = volgt zijn broer als eene schaduw; Have you no other moral to — to this story = geen andere zedeles om vast te knoopen aan; —-end = uiteinde; —-rag, subst. janhagel: —-rag and bobtail = Jan Rap en z’n maat; —-sore = schapenziekte (in den staart).

Tagus, teigəs, Taag; Tahiti, tâhîti.

Tail, teil, subst. staart, stuit, uiteinde, achterzijde, hoek, keerzijde, katje (plantk.), vlecht, sleep, pand (van eene jas); ook verb.: — of a comet, plough; Head or — = kop of kruis, kruis of munt; He has gone off with his — between his legs; Her hair was braided into two long —s = twee lange vlechten; The dog turned — immediately = ging er van door; Estate in — = landgoed waarvan de overerving beperkt is tot één persoon en zijne kinderen; To — after = op den voet volgen; To — away = achterblijven, afvallen, uitknijpen = To — off; To — out behind = achteraan komen; —-block = staartblok; —-board = achterplank van een wagen (die men bij het afladen kan wegnemen of neerlaten); —-carrier = slippendrager, pluimstrijker; —-coat = jas met panden; —-light = rood licht achter aan een spoortrein; —-piece = vignet (op het eind van hoofdstuk of boek), onderstuk van de viool waaraan de snaren vastzitten; —-pocket = achterzak van eene jas; —-race = geul om het gebruikte water van een molenrad af te voeren; —less.

Taille, teil, taille, figuur.

Tailor, teilə, subst. kleermaker; — verb. kleermaker zijn, kleeren maken: Ladies’ —; —’s goose = persijzer; —ess = kleermaakster; Tailoring: The — department of the army; —-trade.

Tailye, Tailzie, teilji, subst. beperkt bezitrecht. Zie In tail; — verb. onvervreemdbaar maken.

Taint, teint, subst. kleur, smaak, geur, tint, smet, vlek, besmetting, bederf, schande, roodkleurige spin; — verb. besmetten, bevlekken, bederven: The air is —ed with all kinds of smells = is bedorven door; —-worm = schadelijke worm; —less = smetteloos; Tainture, teintjə, besmetting, smet, vlek.

Take, teik, subst. ontvangst, trek, haal, stuk kopij; — verb. nemen, aannemen, grijpen, pakken, betrappen, meevoeren, aanvallen, vatten, gevangen nemen, huren, zich toeëigenen; begrijpen, onderstellen, gelooven, zich wenden tot, uitkiezen, gewoonlijk gebruiken, aanteekenen, verduren, etc.: This is my — = dit moet ik “zetten”; To — advantage of = ge(mis)bruik maken van; To — advice = raad aannemen, inwinnen; To — an affront (a denial) = zich beleedigd gevoelen (eene weigering accepteeren); To — aim = mikken, aanleggen; To — the air = een luchtje scheppen = To — an airing; The thing took air = is ruchtbaar geworden; He —s airs = geeft zich airs; To — (up) arms = de wapenen opnemen; He took a backseat = bakte zoete broodjes; He took me a box of cigars = bracht; To — breath = adem scheppen; — care my boy = pas op jongen; To — good care not to be ensnared = goed oppassen er niet in te loopen; To — care of an ailing child = oppassen; You must — your chance = de kans wagen, afwachten wat de kans je brengt; To — cold = kou vatten; The wound took cold = er kwam koud vuur bij; What course have you —n? = (tot) welke maatregelen hebt gij (uwe toevlucht genomen); To — credit for = zich beroemen op; To — one’s departure = afscheid nemen; To — a dislike to = een afkeer opvatten tegen; To — a drive (a ride) = rijtoer (ritje); To — effect = treffen, uitwerking hebben; To — exception to = protest aanteekenen tegen; To — a fancy to = met iets op krijgen; To — as a great favour = beschouwen als; The horse took the fences = nam de hindernissen; The army took the field = trok te velde; To — fire = in brand vliegen, opvliegen (fig.); Do not — God’s name in vain = gebruik niet ijdellijk; — a good heart = vat moed; — heed = wees op uw hoede; To — hold of = vastgrijpen; To — horse = opstijgen, uitrijden; You took such hours = het duurde zoo lang voor je er mee klaar was; Can’t you — a jest? = verstaat ge geen scherts; To — (a hearty) leave = (hartelijk) afscheid nemen; To — medicine = gebruiken, innemen; To — measure = de maat nemen; To — (no) notice = (geen) notitie nemen, (niet) letten op; To — an (the) oath = een eed afleggen, beëedigd worden; To — offence at = zich beleedigd gevoelen over; To — the (first) opportunity that offers = de (eerste de beste) gelegenheid aangrijpen; To — (great) pains = zich (veel) moeite getroosten; To — part in = deelnemen in; To — part with (= To — a person’s part) = partij kiezen voor; To — pity on = medelijden hebben met; To — place = plaats hebben; To — a person’s place = iemands plaats innemen; To — much pleasure in = iets gaarne doen, behagen scheppen in; They — their pleasures sadly = het zijn droefgeestige pretmakers; To — a pride in = trotsch zijn op; To be —n prisoner = gevangen genomen worden; To — root = wortel schieten; — a seat = neem plaats; To — the shilling = onder dienst gaan; — your own time about it = neem er zooveel tijd voor als ge verkiest; Tom Thumb was —n an English tour = de ondernemer maakte met T. T. een reis door Engeland; To — a turn = een wandeling doen; To — turns in doing = om de beurt iets doen; To — umbrage at = kwalijk nemen, zich beleedigd gevoelen; He will — the voyage shortly after his marriage = aanvaarden; To — the water = afloopen (schip); er van door gaan (Amer.); To — the waters = de baden gebruiken; You have —n us a long way about = ons een omweg laten maken; The bird took wing = vloog heen; I was —n aback = stond versteld; Will you — me across? = naar de overzijde brengen; He —s after his father = aardt naar; I — you at your word = houd u aan; It has —n my breath clean away = deed me perplex staan; — that back = neem uwe woorden terug; I will — down your pride a peg or two = je een toontje lager doen zingen; To — down = opschrijven, noteeren; They took down our names = schreven op; I took you for your brother = hield u voor; To be —n in = beetgenomen worden; To be —n in the very act = op heeterdaad betrapt; To — in hand = aanpakken; He was —n in stone = gehouwen; To — in tow = op sleeptouw nemen; To — in to dinner = naar tafel leiden; To — in a paper = geregeld ontvangen; To — into consideration = in aanmerking nemen; To — into business, partnership = in de zaak opnemen; To — off = afnemen, uittrekken, nadoen, photografeeren; He can — off a person’s peculiarities admirably = wonderlijk goed nadoen; He took himself off = ging heen; — off your glass = drink eens uit; He was —n off his legs in no time = in minder dan geen tijd lag hij op den grond; To — on = aannemen, etc.; To — on oneself = zich vermeten; She has —n on with another chap = heeft een anderen vent aan den haak geslagen; He took on much from the language of his own age = nam veel over ... uit; Don’t — on so = trek het je niet zoo aan, ga niet zoo te keer; He took her out = danste met haar; I will — it out of you = zal het je wel inpeperen, afleeren; His kindliness took me a bit out of myself = verzette mij wat, gaf mij wat afleiding; The boy took out the physic = bracht rond; It rather —s it out of me = pakt me nogal aan; She had teeth that — out and put in again = die je er uit kan nemen en weer inzetten; He took over the business, command = heeft overgenomen; To — to = ophebben met; zich overgeven aan: He took to me very kindly = trok zich mijner vriendelijk aan, kreeg met me op; He took to drinking = raakte aan den drank; Don’t — it too much to heart = trek het u niet te zeer aan; To — up = ter hand nemen, etc.: She took my sister up very strongly, and invited her to spend a few days at her country-seat = zij interesseerde zich zeer voor mijne zuster; We took him up on the road = pikten hem op onderweg; Will you — me up at the station = opvangen, meenemen; Small girls took her up in class = streefden haar voorbij op school; He was —n up by me = werd doorgehaald; He took me up very sharp over that point = maakte mij een erg standje; He took up the word = nam; That will — up all my time, too much room = al mijn tijd kosten, te veel plaats innemen; The public has —n up with a new favourite = heeft een nieuwen lieveling gekozen; You must — up with plain fare = voor lief nemen; She took up with him = bemoeide zich; She was glad to — up with it = ze was er erg blij mee; I am much —n up with your affairs = uwe zaken boezemen mij veel belang in; He took upon himself the right to do this = hij matigde zich het recht aan; His speech took with the House = pakte, maakte indruk; I am —n with that picture = die schilderij valt in mijn smaak; That won’t — = dat gaat niet aan (op); I — it that he will come = ik houd het er voor; Do you — me? = snap je mij? He didn’t — it = hij snapte het niet; The vaccination has —n beautifully = de pokjes hebben mooi “gevat”; I hope you don’t — it ill = het kwalijk neemt; He was —n ill = werd ziek; I was frequently —n like that = ik ben er ook vaak zoo aan toe geweest; The patient was —n much worse = werd veel erger; —-in = misleiding, beetnemerij; bedrieger; —-off = nabootsing: Did you ever see such a —-off = zulk eene caricatuur; —r = nemer, aannemer, etc.; Taking = inneming, ontroering, besmetting, schadelijke invloed, verlegenheid, angst; innemend, boeiend, aantrekkelijk, besmettelijk: He was in a pretty — = vreeselijk ontroerd of geagiteerd, zat er leelijk in; A — weekly = gewild weekblad; —s = recette (aan de kas): The —s of the drama were simply tremendous = de ontvangsten (recette); —-off = uit den weg ruiming, moord; —ness = aantrekkelijkheid.

Talaria, təlêriə, vleugeltjes aan de enkels van Hermes (Mercurius).

Talbot, tôlbət, soort van jachthond.

Talc, talk, talk (min.): Earthy — = talkaarde = —ite, talsait; —ose, talkous, talkous, talkachtig (-houdend).

Tale, teil, subst. verhaal, vertelsel, sprookje; (ge)tal of rekening, aantal, bedrag: To finish one’s — of work = taak; They are all in a — about him = over hem zijn ze het allen eens; They are both in a (one) — = slapen onder één deken (fig.); Thereby hangs a — = daar zit heel wat meer aan vast; I will pay you full — for this = betaald zetten; To tell (To Bear) —s = klikken, uit de school klappen; —-bearer: He stooped to be a —-bearer = verlaagde zich tot de rol van klikspaan, verklikker; —-teller = verteller, leugenaar.

Talent, tal’nt, talent (gewichtseenheid van verschillende zwaarte; rekenpenning van verschillende waarde); gave, vermogen, begaafdheid; —ed = begaafd.

Tales, teilîz, plaatsvervangende juryleden.

Talfourd, tôlfəd.

Talion, teiliən, taliən, wet der vergelding.

Taliped, taliped, horrelvoet.

Talipot, talipot, waspalm.

Talisman, talizm’n, talisman; —ic, talizmanik, met tooverkracht begaafd.

Talk, tôk, subst. gesprek, praatje, gerucht, onderhandeling; — verb. praten, keuvelen, vertellen: Tall — = gesnoef, hoogdravende taal; That is the common — = het algemeene praatje; The series will consist of original —s and sketches = oorspronkelijke “praatjes over allerlei” en schetsen; To have a — with = gesprek; — is —, but money buys land = praatjes vullen geen gaatjes; It made plenty of — = er werd druk over gepraat; He was —ing big = aan het “opsnijden”; To — nonsense; Let us — sense for once = verstandig praten; Don’t — shop = praat niet over het vak, over je zaken; To — turkey = onzin praten; They were —ing horses, law, finance, dinners, billiards, etc. = zij hadden het over...; We —ed about the plan, and he —ed me into taking some shares, though my better half tried to — me out of it = wij praatten over het plan, en hij bepraatte mij eenige aandeelen te nemen, ofschoon mijne wederhelft het mij trachtte te ontraden; She was —ing to her friend at her husband = zij praatte tegen hare vriendin op onaangename wijze over haar (aanwezigen) echtgenoot; We —ed the matter over = bespraken de zaak: To — out = de discussies rekken tot stemming onmogelijk is; He wants a good —ing to = eens onder handen genomen worden; Talkative = babbelziek; subst. —ness; Talkee-Talkee = gewauwel; Talker = prater, babbelkous, bluffer; Talking: — of travelling = van reizen gesproken; Talky = praatziek.

Tall, tôl, lang. slank, groot, hoog, kras; buitengewoon (Amer.); — men = valsche dobbelsteenen (fig.); — talk = bluf; subst. —ness.

Tallow, talou, subst. talk, kaarsvet; — verb. met talk besmeren, mesten; —-candle = vetkaars; —-chandler = vetkaarsenmaker of handelaar; —-chandlery; —-face = bleekneus; —-faced = bleek; —-keech = klomp talk; —ish, —y = talk- of vetachtig.

Tally, tali, subst. kerfstok, inkeping, pendant, tegenhanger; — verb. op den kerfstok zetten of aanstrepen, controleeren, sluiten, passen, overeenstemmen: Your experiences do not — with mine = strooken niet met; The —-keeper tallied one for our opponents = de aanschrijver noteerde er een voor onze tegenpartij; —-man = houder van een —-shop = winkel waar crediet, met wekelijksche afbetaling, gegeven wordt; het stelsel heet —-system; —-woman = vrouw die een —-shop houdt.

Tallyho, talihou, halali; soort rijtuig.

Talmage, ta(l)midž.

Talmud, talməd, Talmud; —ic(al), talmɐdik(’l), talmudisch; —ist = talmudist.

Talon, tal’n, klauw (van roofvogels), kornis; —ed = met klauwen.

Talook, təlûk, een bepaald (belasting)gebied in Br. Ind.; Talookdar, tâlûkdâ, bezitter van een Talook, of Inlandsch belastingambtenaar.

Talpa, talpə, mol.

Talus, teiləs, voetgewricht; talud.

Tamability, teiməbiliti, subst. v. Tamable, teiməb’l, tembaar; subst. —ness.

Tamarack, tamərak, Amer. lorkenboom.

Tamarin, tamərin, grootoorige aap.

Tamarind, tamərind, tamarinde; ingemaakte tamarindevrucht.

Tamarisk, tamərisk, tamariskboom.

Tambour, tambûə, subst. tamboereerraam, borduurwerk daarop vervaardigd; trom; — verb. tamboereeren; —-frame = tamboereerraam; Tambourine, tambərîn, tambourijn.

Tame, teim, adj. tam, getemd, mak, gedwee, suf, vervelend, saai, moedeloos; — verb. temmen, onderwerpen; —less = ontembaar, wild; subst. —lessness; —ness = tamheid, geesteloosheid; —r = temmer, veroveraar.

Tamil, tamil, bewoner en dialect van Madras en Ceylon.

Tamin(e), tamin, Taminy, tamini, étamine.

Tamkin, tamkin = Tampion.

Tammany Hall, taməni-hôl = (Hall van) die leden der democratische partij in New-York, die de verkiezingen trachten te beheerschen in hun eigen belang; ook: — Ring.

Tammy, tami = Tamin(e).

Tam O’Shanter, taməšantə, ronde wollen muts met knoop in ’t midden.

Tamp, tamp, opvullen, dichtstampen.

Tampan, tamp’n, Z. Afr. insect met vergiftigen beet.

Tamper, tampə, zich bemoeien met, ergens aankomen, kwakzalven, intrigeeren, trachten om te koopen; verknoeien: Don’t — with what I have written = blijf af van; He —ed with the enemies = hij heulde met de vijanden; —er.

Tampion, tampiən, prop.

Tamtam, tamtam = Tom-tom.

Tan, tan, subst. run; adj. runkleurig, geelbruin; — verb. looien, bruin maken (worden), tanen, bont en blauw slaan: To — a person’s hide; —-house = runmagazijn; —-pit = looikuip; —-spud = instrument om eikeboomen van de schors te ontdoen; —-vat = looivat; —-yard = looierij; —ner = looier; —nery = looierij; —nic: — acid = —nin = looizuur, tannine.

Tancred, taŋkrəd.

Tandem, tand’m, subst. rijtuig met twee paarden achter elkander, rijwiel voor twee achter elkander zittende rijders; adv. met twee paarden achter elkander: To drive —.

Tang, taŋ, “smaakje”, bijsmaak, eigenaardige lucht of geur; klank, toon; doorn (van mes, beitel, degen, etc.); tong (van eene gesp), angel; — verb. (doen) klinken, weerklinken; van een tang voorzien.

Tangent, tanž’nt, subst. tangens; adj. rakend: — compass = tangenten-boussole; He went (flew) off at a — = hij begon plotseling over wat anders; —ial, təndženš’l, tangens...

Tangerine, tandžərîn, tandžərîn, (bewoner) van Tanger.

Tangibility, tanžəbiliti, subst. v. Tangible, tanžib’l, voel- of tastbaar; subst. —ness.

Tangier, tandžîə, Tanger.

Tangle, taŋg’l, subst. verwikkeling, verwarde knoop, klit, zeewier; — verb. verwarren, verward zijn: My hair is all of a — = geheel in de war; To get —d = in de war raken; —-foot (—-leg) = whisky (Am.); Tangly = verward, met zeewier bedekt.

Tank, taŋk, water- of regenbak, reservoir.

Tankard, taŋkəd, drinkkan, kan (met deksel).

Tansy, tanzi, boerenwormkruid, reinvaren: —-puddings = met reinvaren toebereide.

Tantalization, tantəl(a)izeiš’n, subst. v. Tantalize, tantəlaiz, tantaliseeren; Tantalus, tantəlɐs.

Tantamount, tantəmaunt, gelijkwaardig, equivalent (met to).

Tantivy, tantivi, tantivi, spoorslag; subst. snelle galop: We rode —.

Tantrum, tantr’m, kwade luim of woede: She got into a — about nothing.

Tap, tap, subst. tik; kraan, zwik, tap, drank, gelagkamer, tapperij; — verb. zachtjes slaan of tikken, pikken; opensteken, aanbreken, aftappen, doen vloeien, iets uit iemand zien te krijgen: We have no ale on — just now = aangestoken; That’s the same — you gave me just now = hetzelfde “spul”; —s = taptoe (signaal); I heard a soft —ping on the window = zacht getik; He —ped me on the shoulder = hij klopte mij op den s.; The book is interesting, wherever we — it = waar we het ook opslaan; Let us — a fresh bottle = opentrekken; He tried to — my brains = mij uit te hooren; To — a mine = bewerken; Open the picture-galleries on Sunday, and you’ll — the public-houses = en de kroegen loopen leeg; —-room = gelagkamer; —root = hoofdwortel eener plant; —ster = tapper.

Tape, teip, lint, band, strook papier, telegr. koersbericht: Announcements of large orders for iron appeared on the —s of the thousands of stock-indicators throughout New-York = op de telegrafische koersberichten v. de duizenden beursklikkers (openbare toestellen, die den stand der beurs, zoolang deze open is, aangeven); He is a slave of the stock-— = slaaf van de telegraf. koersberichten (en bouwt daarop speculaties); Betting on the — is going on in New-York in every street; The — was originated to inform the public how securities were going = oorspronkelijk dienden de telegraf. beursberichten; —-line, —-measure = maatlintje; —-worm = lintworm.

Taper, teipə, subst. waskaars, toorts; adj. lang en spits uitloopend; — verb. zachtjes aan smaller of dunner worden, punten, scherpen: — nails, fingers; —ness = spitse vorm.

Tapestry, tapəstri, subst. bepaald soort (wand)tapijt; — verb. met tapestry versieren of behangen; —-carpet = kleed van tapestry; Tapestried chambers = kamers met behangsels van geweven stof.

Tapioca, tapioukə, tapioca.

Tapir, teipə, Z. Am. tapir, waterzwijn.

Tapis, tapis, teipis, of Fr. uitspr., tapijt, tafelkleed: To bring on (upon) the — = op het tapijt brengen (fig.); Tapiser, teipisə, behanger, maker van tapijtwerk.

Tar, tâ, subst. teer, pikbroek; — verb. teren; Mineral — = koolteer; Vegetable — = houtteer; They are —red with the same brush = met hetzelfde sop overgoten; To light —-barrels; —-oil; —-water; —ry, târi, teerachtig, geteerd.

Tarantass, tarantas, Russische reiswagen.

Tarantella, tarəntelə, soort van Napelsche dans.

Tarantula, tərantjulə, tarantula.

Tarboosh, tâbûš, soort fez, vaak het binnenste gedeelte van een tulband vormend.

Tardigrade, tâdigreid, subst. luiaard; adj. zich langzaam bewegend of gaande; Tardiness, subst. v. Tardy, tâdi, traag, langzaam, dralend, laat, weerstrevend; — verb. uitstellen, beletten.

Tare, têə, subst. tarra; voeder-wikke; onkruid; — verb. de tarra bepalen van.

Targe, tâdž, klein rond schild, schietschijf = Target, tâgit: They were practising at the —t = oefenden zich in het schijfschieten; The bull’s eye of the —t = het hart of de roos van de schijf; —t-practice = schijfschieten.

Tariff, tarif, subst. tarief, toltarief; — verb. een tarief opmaken, belasten: Every vehicle is provided with a — of charges = tarief; —-union = tolverbond; —-war.

Tarin, tarin, sijsje.

Tarlatan, tâlətən, tarlatan.

Tarn, tân, klein meer op een berg, poel, moeras (Schotland).

Tarnal, tân’l, verbastering van Eternal (Amer.) = vervloekt.

Tarnish, tâniš, bezoedelen, bevlekken, bezwalken, dof of mat maken of worden.

Tarot, tarət, tarok, een zeker kaartspel.

Tarpaulin(g), tâpôlin, presenning, matrozenhoed, matroos, dekkleed voor wagens.

Tarpeyan Rock, tɐ̂pîənrok, Tarpejische rots; Tarquin, tâkwin.

Tarradiddle, tarədid’l, jokkentje, praatje.

Tarragon, tarəgon, dragon (plant).

Tarriance, tariəns, draling, uitstel; Tarrier, tariə, draler; Tarry, tari, dralen, toeven: I’ll not — to come back = ik kom gauw terug.

Tarsal, tâs’l, tot den voetwortel of tot de kraakbeenderen der oogleden behoorende.

Tarse, tâs, Tarsus, tâsəs, voetwortel, kraakbeenderen der oogleden; laatste segment v. insectenpooten.

Tart, tât, subst. pasteitje, vruchtentaart; —let = taartje.

Tart, tât, wrang, scherp, zuur, bits: A — reply; —ish = eenigszins wrang; —ness = wrangheid, etc.

Tartan, tât’n, subst. Schotsch geruit wollen goed, kleed van deze stof; ook adj.

Tartar, tâtə, Tartaar, driftkop, woesteling; adj. Tartaarsch: I have caught a — = mijn man gevonden, den verkeerde bij den kop.

Tartar, tâtə = Tartarus; Tartarean, tâtêriən, behoorende tot de hel.

Tartar, tâtə, wijnsteen; Tartareous, tatêriəs, wijnsteenachtig; Tartaric, tâtarik, wijnsteen: — acid; Tartarous, tâtərɐs = Tartareous.

Tartarous, tâtərɐs, wreed; Tartarus, tâtərɐs, hel; Tartary, tâtəri, Tartarije.

Tartuffe, tâtuf, tâtûf, tâtɐf, huichelaar; adj. Tartuffish.

Task, tâsk, subst. taak, les, bezigheid, arbeid; — verb. eene taak opgeven, afbeulen, op de proef stellen: He was taken to — for it = werd onder handen genomen; —-master = werkgever, opzichter, onderdrukker: They rose against their —masters = kwamen tegen hunne onderdrukkers in opstand; —-work = opgelegd werk, karwei, werk bij ’t stuk.

Tasmania, tazmeinjə, van Diemensland; —n = bewoner van T.

Tassel, tas’l, kwast, franje, lint, bladwijzer; mannetjesvalk; —led, tasəld, met kwasten of franjes behangen.

Tastable, teistəb’l, smakelijk; Taste, teist, subst. smaak, het proeven, proef, proefje, voorliefde, lust; — verb. proeven, een proefje nemen, keuren, smaken, smaak vinden aan: That’s in good (bad) — = smaakvol, netjes (onnet, smakeloos); The furniture was innocent of — = volkomen smakeloos; I am out of — = kan niet proeven, heb geen smaak; Isn’t this to your —? = naar uw zin; To my — claret is not in it = naar mijn smaak haalt Bordeaux er niet bij; Every one to his —, my boy = ieder z’n smaak, baasje; That’s a matter of — = eene kwestie van smaak; Many readers, many —s; Other times, other —s = de smaak is veranderlijk; There is no accounting for —s = over den smaak valt niet te twisten; I never —d of Champagne but once = heb geproefd; He —d of everything on the table = gebruikte van; The wine —s of the cork = smaakt naar den kurk; These fruits are better —d = smaken beter; Tasteful = smakelijk, smaakvol; subst. —ness; Tasteless = smakeloos; subst. —ness; Taster, teistə, voorproever, proefglas: The literary —s of the day = de letterkundige fijnproevers of toongevers; Tasty = smaakvol, naar de mode, smakelijk, lekker.

Tat, tat, frivolité maken; subst. paatje; peuter: Tiny —s = kleine peuters; To give tit for — = met gelijke munt betalen; —ting = frivolité.

Ta-ta, tâtâ, Zie Ta.

Tatar, tâtâ, Tatarian, Tatary, tâtəri = Tartaar, Tartaarsch, Tartarije.

Tatta, tatə, scherm v. bamboesmat voor deuren en ramen (Indië).

Tatter, tatə, subst. vod, lap, lomp, flard; — verb. in flarden scheuren: All in —s; Tatterdemalion, tatədimeilj’n, tatədimalj’n, havelooze kerel.

Tattersall’s, tatəsôlz, Tattersall’s stallen in Londen met clubgebouw voor ’t afrekenen van weddingschappen.

Tattie, tati = Tatta.

Tattle, tat’l, subst. gebabbel, gesnap; — verb. babbelen, snappen: So runs the — = zoo loopt het praatje; —r = snapper; Tattling = babbelziek.

Tattoo, tətû, subst. taptoe; tatoueering; — verb. tatoueeren: To beat the devil’s — = (van ongeduld) met de vingers op de tafel trommelen (ook trappelen van ongeduld).

Taught, tôt, imperf. en p.p. van to teach.

Taunt, tônt, tânt, subst. schimp, hoon, smaad, schamper gezegde; adj. hoog (van masten); verb. hoonen, beschimpen; —-masted; —er.

Taunton, tônt’n.

Tauriform, tôriföm, als een stier gevormd of gebouwd; Taurine, tôr(a)in, runderachtig, tot een stierengevecht behoorend; Taurus, tôrəs, stier (Dierenriem).

Taut, tôt, strak, gespannen, vol dienstijver, keurig: I hope these lines will find you pretty — = in goeden welstand; — and trim = in vol ornaat (fig.); Tauten = strak worden, aanhalen; mooi maken; Tautness = strakheid, etc.

Tautologic(al), tôtəlodžik(’l), tautologisch; Tautology, tôtolədži, tautologie.

Tavern, tavən, herberg, wijnhuis, kroeg; —-bush = de krans of struik (vroeger als uithangteeken van herbergen): Good wine needs no (—-)bush = goede wijn behoeft geen krans; —-keeper = logementhouder, etc.

Tavistock, tavistok.

Taw, tô, subst. knikker, knikkerspel; — verb. witlooien: To play at —; To — a person’s hide = afranselen; —er, —yer = witlooier.

Tawdriness, tôdrinəs, subst. v. Tawdry, tôdri, smakeloos, bont, opzichtig, waardeloos: The — binding detracts somewhat from the value of the work = de smakelooze en opzichtige band; — dress = opgedirkte kleeding.

Tawniness, tôninəs, subst. van Tawny, tôni, taankleurig, getaand.

Taws(e), tôz, soort karwats: I was thrashed with the eight-tongued — = met de karwats met acht riemen; “Getting the —” means: Thrashing (in een Schotsche school).

Tax, taks, subst. belasting, schatting, tol, requisitie, zware plicht of taak, proef; — verb. belasten, afpersen, beschuldigen, berispen, vragen, op de proef stellen: Graduated income — = progressieve inkomstenbelasting; Inheritance — = successie belasting; Poll — = hoofdelijke omslag; The — on his patience = de proef waarop zijn geduld werd gesteld; A — on profits and incomes = belasting opbedrijfs-, en andere inkomsten; Heavy —es were levied = er werden zware belastingen geheven; I was —ed with having offended him = werd beschuldigd; —-collector = —-gatherer = belastingontvanger; —payer = belastingschuldige; —ability = belastbaarheid; adj. —able; Taxameter, taksamətə, afstandswijzer (for indicating cab fares); Taxation, takseiš’n, belasting, het belasten. Zie Taxer.

Taxel, taks’l, Am. das.

Taxer, taksə, zetter (v. de belastingen), vroeger ambtenaar aan de hoogeschool te Cambridge, die bij de uitdeeling, voor goede maat en juist gewicht zorgde.

Taxicab, taksikab, autotax (atax).

Taxidermist, taksidɐ̂mist, opzetter; Taxidermy = de kunst dieren op te zetten.

Taxin, taksin, harsachtige stof uit taxusbladeren; Taxus, taksəs, taxus.

Tea, tî, thee, aftreksel, een maaltijd, avondeten der kinderen; — verb. de tea gebruiken: Beef — = bouillon; Five o’clock —; High, Meat — = thee, souper met allerlei vleezen; Sweet — = thee met gebak, vruchten, sandwiches; Will you make (the) —? = thee zetten; To take — = drinken; —-board = theeblad; —-caddy = theekistje; —-cake = theekoekje; —-canister = theebus; —-chest = theekist; —-cloth = theekleedje; —-cosy = theemuts; —-cup = theekopje: The —-cup and saucer school in literature and art = de peuterige, burgerlijke methode in letteren en kunst; A storm in a —-cup, (—-pot) = een storm in een glas water; —-dealer = theehandelaar; —-equipage, ekwipidž, theeservies; —-fight = theevisite; —-garden = theetuin; —-gown = japon bij Afternoon Tea; —-kettle = theeketel; —-peg = koude thee met soda water (Br. Ind.); —-pot = trekpot; —-rose; —-service (—-set); —-shrub; —-spoon = theelepeltje; —-taster = theeproever; —-table; —-things = theegoed; —-towels = theedoeken; —-tray = theeblad; —-urn = theeurn; —-water.

Teach, tîtš, onderwijzen, leeren: I’ll — you manners = zal je mores leeren; To — a person wit = door schade en schande leeren; —able = wat te onderwijzen is, leerzaam; subst. —ableness; Teacher = onderwijzer: Assistant — = hulponderwijzer; Pupil — = kweekeling; —ship = onderwijzers- of leeraarsbetrekking; The teaching profession = de onderwijzers (als corps).

Teague, tîg, Ier (spottend) = —lander.

Teak, tîk, teakhout = —-wood.

Teal, tîl, wintertaling.

Team, tîm, span, bespanning, toom, vlucht, groep v. elf personen (cricket of voetbal); —-work = veldarbeid door trekvee (Amer.); —ster = voerman; —wise = als een span.

Tear, tîə, subst. traan: Her —s started unbidden = schoten haar in de oogen; The —s trickled down her cheeks = biggelden langs; To be all in —s (= To be drowned in —s) = in tranen baden; He burst into —s = barstte in schreien uit; To draw —s from = ontlokken; To shed —s = storten; —-drop = traan; —-stained = beschreid; —ful = tranen stortend, treurig.

Tear, têə, subst. scheur, spleet; — verb. scheuren, trekken, losrukken, openrijten, tieren, vliegen: The donkey ran away full — = ging ervan door; To be on a — = aan den rol zijn; The wear and — of the engine = de slijtage; He tore his hair and clothes = rukte zijne haren uit en verscheurde zijne kleederen; He could not — himself away from his wife = kon zich niet losrukken; The flesh was torn from the bones = gescheurd van; All at once the children came —ing in = binnenstormen; He tore through the pages = vloog er doorheen; Don’t — it to pieces, rags = scheur het niet aan stukken of flarden; The cloth was torn up into several pieces = werd gescheurd; He went up and down, —ing and swearing = tierend en vloekend; To be in a —ing passion = woest zijn; A —ing old Tory = vurige, felle.

Tease, tîz, subst. plager, plaaggeest; — verb. plagen, sarren, kwellen, kaarden: What a — you are = wat ben je een plaaggeest; —r = plager, lastig geval: That’s a —r = daar zitten we mee verlegen.

Teat, tît, tepel, uier.

Teazel, Teazle, tîz’l, weverskaarde (plant).

Tebeth, tîbeth, tebeth, tiende maand van het godsdienstige jaar der Joden.

Tec, tek, samentr. van Detective.

Technic, teknik, subst. techniek, kunstvaardigheid; adj. —(al) = technisch: —al education = vakonderwijs; —al classes = cursussen voor vakonderwijs; —al instruction act = wet op het vakonderwijs; —ality, —alness = technische eigenaardigheid of uitdrukking; —s = techniek; Technique, teknîk, de techniek of methode eens kunstenaars; Technological, teknəlodžik’l, technologisch; Technology, teknolədži, technologie.

Techy, tetši, knorrig, gemelijk, lichtgeraakt.

Tectrices, tektrisîz, dekveeren.

Ted, ted, keeren (van gemaaid gras); Tedder = machine om het pas gemaaide gras te keeren.

Teddy, tedi: — Bear = beertje (kinderspeelgoed).

Te Deum, tîdîəm, Te-Deum.

Tedious, tîdjəs, vervelend, saai, verdrietig, lastig; subst. —ness = Tedium, tîdj’m.

Tee, tî, doel, aardhoopje, vanwaar de bal geslagen wordt bij het Golfspel; doel waarnaar quoits of curling-stones worden geworpen; — verb. den bal daar van af slaan.

Teem, tîm, zwanger zijn van, werpen, zich voortplanten, vol zijn, overvloed hebben van: This part of the country —s with gold = bevat veel goud.

Teens, tînz, de jaren v. dertien tot negentien: In her — = beneden twintig (maar minstens twaalf); Out of her — = boven de negentien; Since his middle — = sedert zijn 14de, 15de jaar.

Teeter, tîtə, wippen (Am.).

Teeth, tîth, Meerv. van Tooth = tand; — verb. (tîdh) = tanden krijgen: From one’s — = niet van harte; In the — of the westerly gale = vlak tegen in; He did it in the — of opposition = trots allen tegenstand; In the — of the doctor’s prohibition = geheel in tegen; He cast those reproaches in my — = wierp mij voor de voeten; He escaped by the skin of his — = ontsnapte ternauwernood (Job. XIX, 30); —-drawing (fig.) = bellen moeren; —ing, tîdhiŋ, het tanden krijgen.

Teetotal, tîtout’l, onthoudend: — drinks = alcoholvrije; —ism = geheelonthouding; —ler = geheelonthouder.

Teetotum, tîtout’m, A-al tolletje: To spin a —.

Tegument, tegjument, omhulsel, huid, zaadhuid, vleugeldeksel; adj. Tegumentary.

Tehee, tîhî, subst. gegichel; — verb. gichelen; interj. hihi.

Teheran, tehərân; Teignmouth, teinməth, tînməth.

Teil, tîl, lindeboom (= —-tree).

Teind, tînd = Tithe (Schotl.).

Teith, tîth; Telamon, teləm’n, mannenfiguur als zuil, At as.

Teledu, telədû, Javaansche bunzing.

Telegram, teləgram, telegram; adj. —mic; Telegraph, teləgraf, subst. telegraaf; — verb. telegrafeeren, seinen: —-cable; —-operator = —er, təlegrəfə, teləgrafə, telegrafist; Telegraphic, teləgrafik, telegrafisch: — address = telegramadres; Telegraphist, təlegrəfist, teləgrafist, telegrafist(e); Telegraphy, təlegrefi, teləgrafi, telegraphie.

Telemachus, təleməkɐs.

Teleological, teliəlodžik’l, tîliəlodžik’l, teleologisch; Teleology, teliolədži, tîliolədži, teleologie.

Telepathic, teləpathik, telepathisch: Card-guessing, bank-note-finding and the various other forms of — hide and seek; Telepathy, təlepəthi, teləpathi, telepathie.

Telepheme, teləfîm, telephonisch bericht; Telephone, teləfoun, subst. telephoon; — verb. telephoneeren; Telephonic = telephonisch; Telephonist, təlefənist, teləfounist, telephonist(e); Telephony, təlefəni, teləfouni, telephonie.

Telescope, teləskoup, subst. telescoop, verrekijker; soort van langwerpige spiraalschelp; — verb. in elkander schuiven, zooals een telescoop: The book tries to be an encyclopaedia, —d into a dictionary = in een woordenboek saamgevat; The first and the second carriage were —d (into each other) = werden in elkander geschoven; —-table = uittrektafeltje; Telescopic(al), teləskojpik(’l), telescopisch, in- en uitschuifbaar.

Telesia, təlîžə, varieteit van saffier.

Tell, tell, vertellen, mededeelen, melden, berichten, bevelen, optellen, onderscheiden, uitwerking hebben, indruk maken, klikken: I can — = ik kan je verzekeren; Who can —? = wie weet; Never — me = maak me niet wijs; Can you — the clock yet? = kun je al op de klok kijken; I had my fortune told by an old gipsy = liet me waarzeggen; Don’t — stories (fibs) = jok nu niet; Every shot told = was raak; He never preached “I told you so” = hij zanikte nooit van “Dat heb ik je wel gezegd”; They numbered 100 all told = met hun allen; That —s against you = pleit tegen je; You can — this wine from vinegar only by the label = slechts onderscheiden van; It is difficult to — good paste from diamonds = simili van diamant te onderscheiden; That —s for something = dat is lang niet mis, telt mee; You can — them off by hundreds = aanwijzen bij honderden; One of the clerks was always told off to sleep in the house = werd aangewezen; I shall — the priests on you = u verklappen aan; The heavy work has told on his constitution = zijn gestel aangegrepen; His troubles have told on him = hem erg aangegrepen; The speech told on the hearers = maakte indruk; To — out = uittellen; Told out = op, blut; This told with him = dit hielp (bij hem); —-tale, subst. babbelaar, verklikker, klikspaan; adj. babbelziek, lasterend, verraderlijk; They are —able on the fingers = die kan je op de vingers tellen; —er = verteller, teller, stemopnemer, klerk in een bank die met de klanten rekent; harde slag. Zie Telling.

Tellina, təlainə, platschelpen.

Telling, teliŋ: With — effect = met goed gevolg, krachtige uitwerking; A — phrase = kernachtig; A — speech = een rede, die pakt; That’s —(s) = dat mag ik niet zeggen.

Tellurian, təl(j)ûriən, aardsch —; bewoner der aarde; Telluric = tellurisch; Tellurion, təl(j)ûriən, tellurium; Tellurium, təl(j)ûriəm, tellurium (Chemie).

Telotype, telətaip, druktelegraaf.

Telpher, telfə, subst. inrichting voor electrisch kabelvervoer; adj. behoorende tot —age, telfəridž, vervoer door electriciteit; —-line = electr. kabelspoorlijn.

Temerity, təmeriti, vermetelheid, roekeloosheid.

Temper, tempə, subst. aard, natuur, temperament, humeur, gemoed, prikkelbaarheid, opvliegendheid, hardheid (v. metaal); — verb. matigen, regelen, verzachten, doen bedaren, temperen, harden: Equal, Even — = gelijkmatig humeur; Hot — = drift; The — of the nation = stemming; Your friend is not a good (is a horrid) — = heeft geen gemakkelijk (een vreeselijk) humeur; He kept his — better than we had supposed = bleef bedaarder; He lost his — = raakte uit zijn humeur, verloor zijn geduld; He was in a black — = verschrikkelijk slecht gehumeurd; What a — you are in! = hè, wat ben jij knorrig; You must keep him in — = hem in zijn humeur houden; He was out of — this morning = uit zijn humeur; Temperament = gestel, geaardheid, temperament; Temperance = matigheid, gematigdheid, onthouding: —-bar = koffiehuis voor onthouders; —-meeting; —-society = matigheids- of afschaffersgenootschap; Temperate, tempərit, bedaard, kalm, gematigd: — zone = gematigde luchtstreek; subst. —ness; Temperature, tempərətjə, temperatuur: To take one’s — = opnemen; Tempered: Good-, Ill-—; Even-— = van gelijkmatig humeur; Quick-— = opvliegend; A sweet-— girl = zacht.

Tempest, tempəst, hevige storm, orkaan, zwaar weer: —-beaten = door de stormen gebeukt; —-tossed = door de stormen geslingerd; Tempestuous, tempestjuəs, stormachtig, hevig; subst. —ness.

Templar, templə, tempelier; student in de rechten, advocaat of jurist: Order of “Good —s” = vereeniging tot het verleenen van wederzijdschen steun bij ouderdom, etc.

Temple, temp’l, tempel, godshuis, slaap (van het hoofd): Inner-—, Middle-— (Londensche colleges voor opleiding van juristen).

Templet, templət, schabloon, vormhout.

Tempo, tempou, tempo, maat (Meerv. Tempi).

Temporal, tempər’l, tijdelijk, tijds - -, wereldlijk; slaap - -: — bone = slaapbeen; — Lords = wereldlijke, ter onderscheiding v. geestelijke, pairs van Engeland; Temporality = tijdelijk of wereldlijk bezit; Temporalities = temporaliën, inkomsten der geestelijken uit land, tienden, enz.; Temporariness, subst. v. Temporary = tijdelijk, niet duurzaam; Temporize, tempəraiz, zich naar de omstandigheden schikken, den gunstigen tijd afwachten, trachten tijd te winnen: —r = iemand die met de wolven meehuilt, de huik naar den wind hangt, etc.

Tem(p)se, tems, zeef, vergiet(test); —-bread = brood van fijngebuild meel.

Tempt, tem(p)t, verleiden, verlokken, in verzoeking brengen: He —ed me into giving up my plan = verlokte mij; —able = te verlokken; Temptation, tem(p)teiš’n, verlokking, verzoeking, aanvechting: To lead into —; He yielded to — = bezweek voor; Tempter = verleider: The — = de duivel; Tempting = verleidelijk; subst. —ness; Temptress = verleidster.

Ten, ten, tien: There were — of them = They were — = ze waren met hun tienen; The — Tribes = tien stammen Israëls; Nine in — = negen van de tien; — to one = tien tegen een; —fold = tienvoudig; —-pin = kegel: —-pin alley = kegelbaan (Amer.); —-spot = een tien (kaartspel); He made many —-strikes = gooide dikwijls alle tien; —-seater = fiets voor tien; —ner = bankbiljet van 10 £; —th = tiende (deel).

Tenability, tenəbiliti, subst. v. Tenable, tenəb’l, houdbaar, verdedigbaar: The scholarship is — for one year = de beurs geldt voor; subst. —ness.

Tenace, tenis, de “fourchette” (de hoogste en op twee na de hoogste kaart) in handen van den vierden speler (Whist); —-minor = kleine “fourchette” (de hoogste en op drie na de hoogste kaart).

Tenacious, təneišəs, vasthoudend, sterk, hardnekkig, kleverig, taai: He has got a — memory = sterk geheugen; He is — of whatever he gets = houdt vast; To be — of life = taai zijn; —ness = Tenacity, tənasiti, vasthoudendheid, kleverigheid, getrouwheid.

Tenail(le), təneil, tangwerk ter dekking v. een courtine (Vestingb.); Tenaillon, təneiljon, klein tangwerk.

Tenancy, ten’nsi, subst. huur, pacht; Tenant, subst. huurder, pachter, bewoner; — verb. in pacht of huur hebben, bewonen: — at will = opzegbare huurder; — for life; — in capite, — in chief = huurder direct van de kroon; — in tail = houder van een pachthoeve, die bij versterf op bepaalde erfgenamen (in pacht) overgaat; —able = geschikt om ge- of verhuurd te worden, bewoonbaar; subst. —ableness; —less = onverhuurd, leeg; Tenantry = de gezamenlijke pachters of huurders.

Tench, tenš, muithond, zeelt.

Tend, tend, bewaken, verzorgen, letten op, denken om; strekken, streven, zich richten; bijdragen, om het anker zwaaien: That way instruction ought to — = dien kant moet het onderwijs uit; Tendency = strekking, neiging, aanleg voor.

Tender, tendə, aanbod, offerte, inschrijving; betaalmiddel (Legal —); — verb. aanbieden, inschrijven: He made a — of his friendship, services = bood aan; Private — = onderhandsche inschrijving; To let by public — = publiek uitbesteden; To — cordial thanks = hartelijk dank zeggen; To — for the dredging of a harbour = inschrijven op; To — and contract for = aannemen (v. een werk).

Tender, tendə, teeder, zwak, zacht, malsch, teergevoelig, vriendelijk, zorgvuldig; — verb. zacht maken, hoogschatten: At a — age = op jeugdigen leeftijd; The — passion(s) = de liefde; He was still — of her, though she had betrayed him = hij hield nog van haar; —-foot = gevoelige voet; nieuweling (Australië); —-hearted = teergevoelig; subst. —-heartedness; —-loin = filet; —-minded = teerhartig; —ling = vertroetelde lieveling; een van de eerste hoorns van een hert; —ness = teederheid, vriendelijkheid, bezorgdheid voor (met of).

Tender, tendə, tender (v. een locomotief), (sleep)bootje, oppasser.

Tendon, tend’n, pees: — of Achilles.

Tendril, tendril, rank (van klimplanten).

Tenebrae, tenəbrî, donkere metten, die op Woensd., Donderd. en Vrijdag van de week vóór Paschen tegen den avond gezongen worden; Tenebrosity = duisternis; Tenebrous = duister.

Tenement, tenəment, woning, huis, stel vertrekken door één gezin bewoond, pachthoeve; —-house = huis, dat bij gedeelten aan verschillende gezinnen verhuurd wordt; —al, tenəment’l, verpacht of verhuurbaar, huur ... = —ary, tenəmentəri.

Tenerife, tenərif.

Tenet, tenət, leerstuk, beginsel.

Tennessee, tenəsî.

Tennis, tenis, tennis; —-ball; —-court = tennisbaan; —-net; —-racket.

Tennyson, tenis’n.

Tenon, tenən, subst. pen, pin, tap, neut ter verbinding; — verb. met een tenon verbinden.

Tenor, tenə, subst. gang, loop, richting, inhoud, geest, wezen, afschrift, tenor, altviool: The — of this man’s life = de richting van zijn leven; The — of this work = bedoeling of hoofdgedachte: The even — of the session was never ruffled = de gelijkmatige gang.

Tense, tens, tijd (gramm.).

Tense, tens, streng. strak, gespannen; subst. —ness; Tensibility = rekbaarheid; adj. Tensible; Tensile, tens(a)il, rekbaar, spannings - -: — force = spankracht; Tension, tenš’n, spanning, gespannenheid, spankracht, groote inspanning; Tensive, spannend; Tensor, tensə, spanspier.

Tent, tent, subst. tent, kap, overtrek, wiek (om eene wond open te houden), donkerroode Spaansche wijn; — verb. van tenten voorzien, tenten opslaan, onder tenten wonen; sondeeren, peilen of openhouden van eene wond; —-bed = ledikant met hemel; —-cloth; —-maker = tentenmaker; —-pin; —-pole; —-rope.

Tentacle, tentək’l, zuig- of tastorgaan; Tentacular, tentakjulə, zuig ..., tast ...; Tentaculate(d), tentakjulit(-eitid), van zuigorganen voorzien.

Tentative, tentətiv, subst. proeve, proef, poging; adj. pogend, beproevend.

Tenter, tentə, subst. spanraam, spanhaak, voeldraad; — verb. opspannen, rekken: To be on the —(s) = op heete kolen zitten; To keep on the —(s) = in angstige spanning houden; —-ground = plaats voor het stellen van spanramen; —-hook = spanhaak: We are on (the) —-hooks = on the tenter(s).

Tenuifolius, tenjuifouljəs, met fijne en smalle bladen; Tenuity, tənjûiti, fijnheid, dunheid, ijlheid; Tenuous, tenjuəs, dun, ijl, fijn, klein.

Tenure, tenjə, eigendomsrecht, leendiensten, bezit: — of life = levenstijd; — of office = diensttijd.

Tepefaction, tepifakš’n, matige verwarming; Tepefy = matig verwarmen, lauw worden; Tepid, tepid, lauw; subst. Tepidity = —ness.

Teraph, terəf (mv. Teraphim), huisgod der oude Israëlieten.

Terce, tɐ̂s, ± 190,830 L. (wijn, brandewijn, azijn, olie, etc.) ook ± 158,963 L.; ± 137,892 of ± 152,407 K.G. (vleesch voor schepen); —-major = de drie hoogste kaarten.

Tercel(et), tɐ̂səl(et), mannetjesvalk.

Tercentenary, tɐ̂sentənəri, subst. en adj. driehonderdjarige (gedenkdag).

Tercet, tɐ̂set, drieregelig gedichtje.

Terebinth, terəbinth, terpentijnboom: Oil of — = terpentijnolie; Terebinthine, terəbinthin, terpentijn ....

Teredine, terədin, Teredo, tərîdou, paalworm.

Tergiversate, tɐ̂dživəseit, uitvluchten zoeken, draaien; Tergiversation, draaierij, uitvlucht, afvalligheid.

Term, tɐ̂m, subst. grens, beperking, termijn, vervaldag, betaaldag, collegetijd, berechtingstijd, lid, uitdrukking, bewoording (In plain —s); —s = voorwaarden, condities, honorarium, prijs, schoolgeld; stonden (med.); — verb. noemen, benoemen, uitdrukken: A naval — = zeemansuitdrukking; To bring to —s = tot toegeven noodzaken; Couldn’t you come to —s? = het eens worden; Why don’t you express yourself in more definite —s = niet juister; I got on —s with him = kwam op goeden voet; They married on equal —s = in gemeenschap van goederen; To be on even —s = gelijk staan; To be on good —s = goed met elkaar; They are on intimate —s, —s of intimacy = zeer intiem met elkaar, op intiemen voet; To be on poor —s = niet al te best met elkaar; What are your —s? = wat vraagt u daarvoor? — of life (of a person’s natural life) = levensduur; — of office = diensttijd; — of payment = betalingstermijn.

Termagant, tɐ̂məg’nt, subst. helleveeg; adj. kijfachtig.

Terminable, tɐ̂minəb’l, begrensbaar; subst. —ableness; Terminal, subst. einde, grens, uiterste; adj. eindigend, begrenzend: — station = kopstation; Terminate, tɐ̂minit, begrensd, beperkt; — verb. tɐ̂mineit, begrenzen, eindigen, een einde maken aan: I shall soon be —d with you = tusschen ons beiden zal het gauw uit zijn; Termination = grens, einde, begrenzing: To draw to a — = ten einde loopen; —inative = begrenzend, uitsluitend; Terminology, terminologie; Terminus = grenssteen, eindstation.

Termite, tɐ̂mait, witte mier.

Ternary, tɐ̂nəri, subst. drietal, groep van drie; adj. van of bij drieën, drietallig.

Terpsichore, tɐ̂pksikərî, Terpsichore; —an, tɐ̂psikərîən, dans —.

Terra, terə, de aarde: — del Fuego, terədelfjûgou, Vuurland; — alba = pijpaarde; —-cotta = terracotta; — firma = vaste grond; — incognita = onbekend land.

Terrace, teris, subst. terras, plat dak; — verb. tot terrassen vormen.

Terrapin, terəpin, moerasschildpad (Amer.).

Terraqueous, təreikwiəs, tərakwiəs, uit land en water bestaande.

Terrestrial, tərestriəl, ondermaansch, aard—, land—; subst. aardbewoner: — animal; — globe.

Terret, terət, de ring waar doorheen de leidsels worden gestoken.

Terrible, terib’l, verschrikkelijk, ontzagwekkend, ijselijk, kolossaal; subst. —ness.

Terrier, teriə, terrier.

Terrific, tərifik, schrik- of ontzagwekkend; Terrify, terifai, doen verschrikken, schokken: I was terrified to death = schrikte me dood.

Territorial, teritôriəl, territoriaal; subst. soldaat behoorende bij het — Army (— Force) i e. een corps van vrijwilligers, dat in 1908 de oude Volunteers verving; —ize = vergrooten; tot een territory maken (Amer.); Territoried, teritərid, land in eigendom hebbende; Territory, teritəri, gebied, (ook fig.), landstreek, bereik; gebied met minder dan 60.000 inwoners en zonder vertegenwoordiging in het Congres (Amer.).

Terror, terə, schrik, ontsteltenis: The King of —s = de Dood; The Reign of — = het Schrikbewind; I am struck with —, —-struck, —-stricken = van schrik verpletterd; —ism = schrikbewind; —ist = lid van het schrikbewind, terrorist; Terrorize, terəraiz, schrik aanjagen, door schrik dwingen.

Terry, teri, soort van pluche; —-velvet = soort katoenfluweel.

Terse, tɐ̂s, beknopt, kort en bondig; subst. —ness.

Tertian, tɐ̂š’n, derdedaagsch: — fever; Tertiary, tɐ̂šəri, tertiair: — epoch, formation.

Tertullian, tɐ̂tɐlj’n, Tertulianus.

Terza-rima, tɐ̂tsə-rîmə, tercine; Terzetto, ter-tsətou, terzet (muz.).

Tessellar, tesələ, geruit; Tesselated, tesəleitid, geruit, als mozaïek; Tessellation = ruit- of mozaïekwerk; Tessera, tesərə, klein kubusje van marmer, etc. voor mozaïekwerk; Tesseral = Tessellar.

Test, test, subst. toets, toetssteen, onderzoek, proef, reagens, oordeel, kroes tot zuiveren van metaal; — verb. toetsen, beproeven, keuren, onderzoeken, attesteeren: Crucial — = vuurproef (fig.); That’s a fair — = een geschikte opgaaf (bij een examen, b.v.); To apply a severe — to = aan een streng onderzoek onderwerpen; To put to the — = op de proef stellen; To stand the — = de proef doorstaan; — Act = Eng. wet van 1678–1828, die voor ambtenaren een eed voorschreef waarbij ze betuigden niet Katholiek te zijn; State —ed unadulterated liquor = van rijkswege gekeurde, onvervalschte sterke drank; —-paper = lakmoespapier; —-tube = reageerbuisje; —-types = letters om de gezichtsscherpte te keuren; —able = wat geattesteerd kan worden, in staat een testament te maken of getuigenis af te leggen; —er = toetser. Zie Tester.

Testacea, testeišə, schelpdieren; —n, subst. schelpdier; adj. tot de schelpdieren behoorende; Testaceous, testeišəs, schaal - -; bruingeel: — animals = schaaldieren.

Testament, testəment, testament, verbond: New —; Old —; —al, —ary, testəment’l, testəmentəri, testamenteel; Testamur, təsteimə, testimonium; Testate, testit, subst. die een testament gemaakt heeft; adj. een testament nalatend: To die —; Testator, testeitə, Testatrix, testeitriks, erflater, erflaatster.

Tester, testə, oude shilling (onder Henry VIII); vierkante ledikantshemel, plat klankbord (kansel): —-bed = met een hemel. Zie Test.

Testicle, testik’l, zaadbal; Testiculate, təstikjulit, Testicular, təstikjulə, gelijk een bal.

Testification, testifikeiš’n, getuigenis; Testifier = getuige; Testify, testifai, plechtig verklaren, getuigen, getuigenis afleggen: I shall never — against you = tegen u getuigen; He testified to my good conduct = hij gaf getuige van.

Testimonial, testimounj’l, subst. getuigschrift, verklaring, attestatie, hulde, huldeblijk; ook adj.: — dinner = feestmaaltijd ter eere van; — letter; Testimony, testiməni, getuigenis, betuiging, openbaring, Gods woord: In — whereof = ten bewijze waarvan; To bear — = getuigenis afleggen; To call in — = tot getuige roepen.

Testiness, testinəs, subst. v. Testy, testi, eigenzinnig, knorrig, gemelijk, prikkelbaar.

Tetchiness, tetšinəs, subst. van Tetchy = knorrig, gemelijk.

Tether, tedhə, subst. touw waaraan een grazend dier is gebonden, speelruimte, bevoegdheid; — verb. vastbinden, beperken: He came to the end of his — = zijne middelen waren uitgeput; To go to the end of one’s — = zoo ver gaan als men kan; To — a person by a short rope = iemand kort houden.

Tetra, tetrə, (in samenst.), vier: —chord = halve octaaf (van c tot f of van g tot c); viersnarige lier; —dactyl(e), tetrədaktil, viervingerig; —diapason, tetrədaiəpeiz’n, viervoudige octaaf; —gon, tetrəgon, vierhoek; adj. —gonal, tətragən’l; —hedron, tetrəhîdr’n, tetrəhedr’n, regelmatig viervlak; —meter, tətramətə, viervoetige versregel; —petalous, tetrəpetəlɐs, vierbladig; —pod = vierpootig; —pteran, tətraptər’n, viervleugelig (insect); —pterous, tətraptərɐs, viervleugelig; Tetrarch, tetrâk, tîtrâk, gouverneur van het vierde van een wingewest (Rom.): —ate, tetrâkit, tîtrâkit, —y, tetrâki, grondgebied van een T.; Tetrastich, tetrəstik, tətrastik, vierregelig gedicht.

Tetter, tetə, subst. naam voor verschillende huidziekten (Eating — = lupus); — verb. eene huidziekte bezorgen.

Teuton, tjût’n, iemand v. Teutonischen stam; Teutonic, tjutonik, Teutonisch, Germaansch: — languages = Germaansche talen; Teutonicism, tjutonisizm, Germaansch idioom; Teutonize = germaniseeren.

Teviot, tiviət; Tewk(e)sbury, tjûksb’ri; Texan, teks’n; Texas, teksəs; (The) Texel, dhəteks’l.

Text, tekst, tekst, onderwerp, inhoud; —book = handboek, schoolboek; —-hand = groot loopend schrift; —ual = volgens den tekst; —ualist = schriftgeleerde, iemand die zich streng aan den tekst houdt.

Textile, tekst(a)il, subst. geweven stof; adj. geweven: — industry; Texture, tekstjə, het weefsel, structuur.

Thackeray, thakər(e)i; Thaddeus, thədîəs, thadiəs; Thaisa, theiizə, thəîzə.

Thaler, tâlə, thaler.

Thales, theilîz; Thalia, thəlaiə, Thalia: —n = komisch; Thaliard, thaliəd.

Thames, temz, Theems: He will not set the — on fire. Zie Fire.

T(h)ammuz, t(h)aməz, vierde maand van het Joodsche burgerlijk jaar.

Than, dhan, dan (alléén na comparatieven): He is older — I by seven years.

Thane, thein, Angelsaksische titel der grootere grondbezitters tot de 12de eeuw; —dom; —-lands; —ship.

Thanet, thanət.

Thank, thaŋk, subst. dank (thans steeds meervoud); — verb. danken, bedanken (dikwijls ironisch): —s to thee, I am safe = ik ben veilig, dank zij u; —s = ik dank u; No, —s! = dank u; geen dank; —s to your eagerness = dank zij; —s be to God = God zij dank; To give —s = danken (na den maaltijd); To return —s = dank betuigen; No — you = ik dank u; — you, yes = alstublieft; — you for nothing = ik zou je danken; — God we are rid of him = Goddank; He has only to — himself for = ’t is zijn eigen schuld, dat...; I’ll — you to shut the door = doe alstublieft de deur dicht; I’ll — you not to do it = gij doet me plezier als gij het laat; I’ll — you for the potatoes (for a cup of tea) = mag ik alstublieft; —-offering = dankoffer; —sgiver = bedanker, dankzegger; —sgiving = dankzegging (aan God); —sgiving-day = dankdag; —ee = dank u; —ful = dankbaar; subst. —fulness; —less = ondankbaar: —less task; subst. —lessness; —worthiness, subst. v. —worthy = dankenswaard, verdienstelijk.

That, dhat, gene, die, dat; opdat: — is me (I) = dat ben ik; He is a good fellow for all — = toch een goede vent; And — for this reason = en wel om deze reden; Nothing follows, nothing — is, which is of any real weight = namelijk niets; While his family, his mother — is, were living in D. = zijn moeder namelijk; No human being ever spoke like — = op zoo’n manier; This is horrible, — is = dit is bepaald af grijselijk; Mrs Quilp — is = de tegenwoordige; Mrs Corney — was = de vroegere; He has been here, but what of —? = wat zou dat, bewijst dat; I was the eldest son and not much of a help at — = en trouwens als zoodanig nog geen groote steun; ‘Christmas comes but once a year’, and adds the cynic, ‘once too often at —’ = en dat is trouwens nog één keer te vaak; I send you word — you may be prepared = opdat gij voorbereid zijt; It is not — I believe = niet omdat ik geloof; Do tell me, —’s a good girl = dan ben je eene beste meid; — much is certain = zooveel; I am — sorry = het spijt me zóó! I suppose you are worth all — = wel zóó rijk; I am tougher than — = daar ben ik te taai voor.

Thatch, thatš, subst. dakstroo, dakriet, stroodak, hut; — verb. met stroo of riet dekken; —er = rietdekker.

Thaumatrope, thômətroup, thaumatroop; Thaumaturge, thômətɐ̂dž, wonderdoener = Thaumaturgist; Thaumaturgic(al), thômətɐ̂džik(’l), wonderdadig; Thaumaturgy, thômətɐ̂dži, wonderdoenerij.

Thaw, thô, subst. dooi; — verb. dooien, ontdooien (ook fig.): Silver — = ijzel; The — set in = het begon te dooien; It —s.

The, dhə, dhi (vóór een klinker), dhî (met nadruk), de, het: — more — merrier = hoe meer zieltjes hoe meer vreugde; — sooner — better = hoe eerder hoe beter; — more I see you — better I like you = hoe meer ik u zie, hoe meer ik van u houd; — more so, as I do not know him = des te meer omdat; — rather = temeer; So this — grand-daughter, is it? = je kleindochter; — Lady Grace Eveleigh = Freule G. E. (meer officieel dan zonder ’t lidwoord); — Douglasses’ house = der familie D.

Theatre, thîətə, theater, schouwburg, toeneel, medische gehoorzaal: — of war = oorlogstooneel; —-goers = bezoekers; Theatrical, thiatrik’l, theatraal: —s = tooneelvertooningen: Private —s = liefhebberijtooneel; Theatricality, thîatrikaliti, theatrale manier van doen, vertoon.

Theban, thîb’n, subst. en adj. Thebaan(sch): — year = 365 d. en 6 u; Thebes, thîbz, Thebe; Thecla, theklə.

Thee, dhî, u (object van Thou): They — and thou each other = spreken elkaar aan met je en jou.

Theft, theft, diefstal.

Theina, thiainə, Theine, thî-in, theeïne.

Their, dhêə, hun, haar; —s = van hen, van haar: These books are —s = zijn de hunne.

Theism, thîizm, theïsme; Theist; adj. Theistic(al).

Them, dhem, hen, haar (object van They); —selves, dh’mselvz, zich zelven, zij zelven.

Thematic, thimatik, thematisch; Theme, thîm, onderwerp, thema, stam, (gram.).

Themis, thîmis, Themis.

Then, dhen, adj. toenmalig; adv. en conj. toen, dan, later, alsdan, daarom, diensvolgens, derhalve: The — measures were insufficient = toen genomen; You might have had a bad fall — = daar had je leelijk kunnen vallen; What did he say —? = wat zei hij daar toch; Did he laugh at you? — he ought not = maar dat moest hij niet; I hear his footstep, — he is back = dus is hij terug; I think, — I exist = ik denk, dus besta ik; By — = tegen dien tijd; On —! = vooruit! If he sees us, what —? = wat zou dat, wat hindert dat; Now and — = nu en dan; Every now and — = telkens; Now —, what can you say to the contrary? = welnu; — and there = onmiddellijk, op staanden voet; Till — = tot dien tijd, tot zoolang; Not until — = eerst toen; Thence, vandaar, derhalve: From — = van uit die plaats; —forth, dhensföth, —forward, dhensföwəd, van dien tijd af aan.

Theobald, thîəbôld.

Theocracy, thiokrəsi, theocratie; Theocrat; Theocratic(al) = theocratisch; Theodicy, thiodisi, theodicee.

Theodora, thîədôrə; Theodore, thîədö.

Theogony, thiogəni, theogonie; Theologian, thiəloudž’n, godgeleerde; Theologic(al), thîəlodžik(’l), theologisch: The — virtues are: Faith, Hope and Charity = de goddelijke deugden zijn: Geloof, Hoop en Liefde; Theologize, thiolədžaiz, theologiseeren; Theology, thiolədži, theologie: Natural — = de kennis Gods uit Zijne werken.

Theophilus. thiofilɐs.

Theorbo, thiöbou, theorbe, groote basluit.

Theorem, thîər’m, theorema; adj. —atic(al).

Theoretic(al), thîəretik(’l), theoretisch; Theoretics = het theoretisch gedeelte eener wetenschap; Theorist, thîərist, theoreticus; Theorize = theoretiseeren: —r; Theory, thîəri, theorie: His practice falls short of his — = zijne praktijk haalt niet bij zijne theorie.

Theosophy, thiosəfi, theosophie.

Therapeutic(al), therəpjûtik(’l), therapeutisch; —s = therapie.

There, dhêa, daar, er: When did he leave — = wanneer is hij vandaar vertrokken; You are right (wrong) — = daar hebt ge gelijk (ongelijk) aan; Here and — = hier en daar; Then and — = op dat zelfde oogenblik (= — and then); I am all — = ik weet drommels goed wat ik doe; — you are! = klaar is ’t; alstublieft; — is a horse for you = dat is nog eens een paard! I am no match for you — = in dat opzicht kan ik niet tegen u op; You have got a tile off and are not all — = je bent niet recht bij het hoofd, en weet niet wat je doet; That to me is everything! So —! = nu weet je het; en daarmede basta! Stop, —’s a good fellow = dan ben je een beste; —about(s) = daaromtrent: A guilder or —abouts = een gulden of daaromtrent; —after = daarna, volgens dat, daarnaar; —anent = met betrekking tot dat punt; —at = daar, om die reden, bovendien: He is poor and a fool —at = en een dwaas op den koop toe; —by = daarnevens, daardoor, diensvolgens, daaromtrent; —for = hiervoor; —fore = daarom, daarvoor, met dat doel; —from = daarvan, daaruit; —in = daarin, hierin; —into = daarin; —of, dhêrov, hier- of daarvan; —on = hier- of daarop, er op; —out = daaruit; —to = daar- of hiertoe, buiten en behalve; —under = daaronder; —unto = daartoe; —upon = hier- of daarop, ten gevolge daarvan, dadelijk; —with = daarmede, onmiddellijk; —withal, dhêəwidhôl, daarbij, terzelfdertijd, daarenboven.

Theresa, tərîsə, Therese.

Thermae, thɐ̂mî, heete bronnen of baden; adj. Thermal: — waters, — springs; — unit = warmte-eenheid.

Thermit, thɐ̂mit, thermiet.

Thermometer, thɐ̂mometə, thermometer: A clinical —.

Thermopylae, thɐ̂mopilî, de Thermopylen.

Thermoscope, thɐ̂məskoup, thermoscoop; Thermostat, thɐ̂məstat, thermostaat.

Thersites, thɐ̂saitîz.

Thesaurus, thisôrəs, woordenschat (boek).

These, dhîz (meerv. van This), deze.

Thesis, thîsis, thesis, stelling (Mv. Theses, thîsîz, thesîz): — for the degree of M. D. = medische dissertatie.

Thespian, thespiən, Thespisch; subst. tooneelspeler.

Thessalian, thəseilj’n, Thessaalsch; Thessaliër; Thessaly, thesəli, Thessalië.

Thetis, thîtis.

Thews, thjûz, spierkracht, spieren; Thewy = gespierd.

They, dhei, zij, degenen: — say = men zegt.

Thibet, tibət, tibet.

Thick, thik, subst. dikke gedeelte, heetst (van den strijd), dikte; adj. dik, dicht, troebel, mistig, onduidelijk, opeengedrongen, snel, overvloedig, intiem; — verb. verdikken: He is such a — = zoo’n domkop; He was in the — of the fight; To back through — and thin = meegaan door dik en dun (fig.); This is a bit too — = te kras; They are as — as peas in a shell = zeer overvloedig; zijn vrienden als olifanten; They are as — as thieves together = het zijn twee handen op één buik, zij spelen onder één hoedje; His blows came down as — as hail = zoo snel en hard als hagelsteenen; To be (To become, To get) — with = intiem zijn (worden) met; To lay it on — = overdrijven, er dik op leggen; I am — of hearing = hardhoorig; — of sight = met slecht gezicht; — of speech = slecht bespraakt; A — one = goudstuk; A — pronunciation = onduidelijke; A —-and-thin supporter of the government = iemand die door dik en dun meegaat; —-grown = dicht; —head = dik- of domkop; —-headed = dom, stomp; —-leaved; —-legged; —-lipped; —-nosed; —-planted; —-ribbed = met krachtige ribben; —-set = dicht beplant, rijk aan; kort en sterk (dik); subst. dichte heg, een gestreepte stof; —-side = dikhuid(ig): His —-side patience = olifantachtig geduld; —-skin = ongelikte beer, vlegel, domkop; —-skull = domkop; Thicken = verdikken, vermeerderen, verduisteren: The crowd —s = het gedrang neemt toe; The plot —s = de verwikkeling neemt toe.

Thicket, thikət, boschje.

Thickish, thikiš, ietwat dik.

Thief, thîf, dief: A — was in the candle = er was een dief aan de kaars; Stop —! = houdt den dief; Set a — to catch a —; —-catcher = dievenvanger; Thieves’ Latin = dieventaal.

Thieve, thîv, stelen; —ry = het stelen, dieverij; Thievish = diefachtig, steelswijze, sluiksch; subst. —ness.

Thigh, thai, dij; —-bone = dijbeen.

Thill, thil, lamoen; —-horse = lamoenpaard = —er.

Thimble, thimb’l, vingerhoed, kous (ring); —-berry = soort braambes; —-case = foudraal; —-rig, —-rigger = bedrieger, die laat wedden onder welk van drie bekertjes een balletje door hem is gestopt; ook verb.; —ful = vingerhoedvol.

Thin, thin, dun, licht, slap, zwak, mager, dunnetjes, flauw, gering; ledig, doorzichtig; — verb. verdunnen, ijler maken, dunnen, afnemen, uitverkoopen: His disguise was very — = erg doorzichtig; This month’s number is a little — = is vrij dunnetjes; To get (grow) — = mager worden; — diet = magere kost; — streets = ledige straten; The strata were —ning out and away = werden langzamerhand dunner en verdwenen eindelijk geheel; —-faced = met een smal en schraal gezicht; —-leaved; —-lipped; —-skinned = met fijne huid; overgevoelig, prikkelbaar; —-sown; —-spun; subst. —ness.

Thine, dhain, van u, het of de uwe.

Thing, thiŋ, ding, zaak, iets, persoontje, verhaal, lied (—s = dingen, zaken, goed, spullen): He is a — of nothing = een kerel van niets; That’s a — of naught (nothing) = niets waard; She isn’t quite the — = niet recht wel; That’s the (very) — = moet ik net hebben, zoo is het precies; Neither one — nor another = geen visch en geen vleesch; When —s are the worst they will sometimes mend = als de nood op het hoogst is, is de hulp nabij; —s past may be repented but not recalled = gedane zaken nemen geen keer; As —s stand = zooals de zaken staan; It comes all to the same — = komt alles op hetzelfde neer; You have got the wrong — = het verkeerde; He knows (is up to) a — or two = hij is slim, goed op de hoogte; He made a tidy (good) — of it = hij sloeg er een slaatje uit; I like him above all —s = bovenal; It was quite in the nature of —s = het sprak (volgde) vanzelf, lag in den aard der zaak, in de rede.

Thingummy, thingəmi, Dinges, dingsigheidje, goedje: His name was held up to — = aan de verachting prijs gegeven; Their pink silk thingummies = hunne rose zijden japonnetjes.

Think, thiŋk, denken, vinden, meenen, oordeelen, bedoelen, onderstellen, achten: Only — = denk eens aan; To — = als men bedenkt; I should — not indeed = dat moest er nog bijkomen; I should — so = dat zou ik denken; To — about a thing = ergens over denken; More than you — for = dan ge verwacht; What do you — of him? = wat denkt ge van hem; Now that I come to — of it = nu ik mij eens goed bezin; I have thought better of it = mij bedacht; He —s much of you = schat u hoog, heeft een hoog idee van u; To — on (over) = nadenken over; No, thought I to myself = dacht ik bij mezelf; I — with you there = dat ben ik met u eens; Me—s = mij dunkt (verouderend); —able = denkbaar; —er = denker; Thinking: To my — you might have profited more by it = mijns inziens; He is of my way of — = ’t met mij eens.

Thionville, tîənvil, Diedenhoven.

Third, thɐ̂d, subst. en adj. derde (deel), terts, tertia wissel; (—s = het derde van de bezittingen van den overleden man, waarvan de weduwe het vruchtgebruik heeft): The — Estate = de burgerij; —-class; —-rate = 3de rangs; —ly = ten derde; —sman = scheidsman.

Thirl, thɐ̂l, doorboren, perforeeren.

Thirst, thɐ̂st, subst. dorst (ook fig.); — verb. dorsten, vurig verlangen: His (the) — after wealth and honour = zijn dorst naar; A —(ing) for power = een haken naar; My throat is parched with — = is droog, ik versmacht van dorst; Thirstiness, subst. v. Thirsty = dorstig, droog, versmachtend: I am — = ik heb dorst.

Thirteen, thɐ̂tîn, subst. en adj. dertien(tal); —th, subst. en adj. dertiende (deel); Thirtieth, thɐ̂tiəth, subst. en adj. dertigste (deel); Thirty, thɐ̂ti, subst. en adj. dertig(tal): The — Years’ War = Dertigjarige Oorlog.

This, dhis, deze, dit: — day week = vandaag vóór een week; — is Thursday = ’t Is vandaag; — one and the other = deze en gene; It was Miss Mary — and Miss M. that = vóór en na; Generals — and that = die en die; Just allow it for — once = dezen éénen keer; You must be ready by — (time) = thans; From — to X. = van hier naar X.; — much he told me = zooveel heeft hij mij verteld; Come — way = hiernaartoe; I have not seen him these three months = in geene drie maanden.

Thistle, this’l, distel: Order of the — = Distel- of Andreasorde; —down = distelpluisjes: As light as —down = als een veertje; Thistly = vol distels.

Thither, dhidhə, daarheen; —to = tot daartoe; —ward(s) = derwaarts.

Tho’, dhou = Though.

Thole, thoul, subst. dol = —-pin.

Thomas, toməs: A very — in disbelief = een ongeloovige Thomas; Thomism, tomizm, wijsgeerig-godsdienstig stelsel van Th. Aquinas; Thomist = Thomist; Thompson, tom(p)s’n; Thomson, toms’n.

Thong, thoŋ, riem, snoer.

Thor, thö, Thor: —’s hammers = steenen werktuigen en gereedschap.

Thoracic, thərasik, borst...: — fins = buikvinnen; Thorax, thôrəks, borst(kas), borststuk.

Thorn, thön, doorn(struik), stekel, prikkel: To be a — in a person’s side (flesh) = een doorn in ’t oog zijn; To be (sit) upon —s = op heete kolen zitten; He that handles —s shall prick his fingers = wie met pek omgaat wordt er mede besmet; —-apple = doornappel; —-back = stekelrog; —-bush = doornstruik; —-but = tarbot; —-hedge = doornhaag; —-letter = de oudste A.S. lettervorm voor de tegenwoordige th; —-set = met doornen bezet of beplant; Thorny = doornachtig, scherp, lastig, kwellend, netelig.

Thorough, thɐrə, volkomen, volmaakt, grondig, volledig, doortastend, doordringend: He is a man of — = hij tast door; —-bred = volbloed (— horse), beschaafd, ontwikkeld, grondig, doortastend; —fare = doorgang, (hoofd)straat: No —fare = voor het verkeer gesloten; —going = doortastend, afdoend, radicaal: A military reconstruction of the most —going kind = zoo radicaal mogelijk; The —goingness of a newspaper = de durf van eene courant; —-lighted = met ramen aan tegenovergestelde zijden; —-paced = afgericht, voltooid, volmaakt, aarts...: A —-paced villain = een volleerde schurk; Thoroughness = volkomenheid, grondigheid.

Thorp(e), thöp, dorp, gehucht.

Those, dhouz, (mv. v. That), die: There are — who pretend = er zijn er.

Thou, dhau, gij; verkorting voor thousand; — verb. met thou aanspreken.

Though, dhou, ofschoon, indien al, niettegenstaande: — I say it = al zeg ik het zelf; — it were true = al was het ook waar; He is a good fellow — = hij is tòch een goede kerel; What — the body dies = wat hindert het of het lichaam sterft; You would —, if you had been present = en toch zou je dat wel, als, etc.; He should play more — = overigens moest hij meer spelen.

Thought, thôt, imperf. en p.p. van to think.

Thought, thôt, gedachte, overweging, bepeinzing, oordeel, meening, voornemen, voorstelling, schijntje: He was a — taller than the ordinary run of people = een ietsje langer; I will be back upon a — = in een wip; That — occurred to (struck) me = die gedachte kwam bij mij op; I didn’t give it — = heb er geen oogenblik aan gedacht; I had some —s of going = liep rond met ’t idee; I cannot read your —s = uwe gedachten niet lezen of raden; You had better take — and not be rash = u goed te bedenken; He took no — for to-morrow = bekommerde zich niet om; —-reader = gedachtenlezer; —-reading = het gedachtenlezen; Thoughtful = bepeinzend, vol gedachten, attent, bedachtzaam, bedacht: He is — of his interests = bedacht op; A — book = een boek dat tot nadenken stemt; Very — of you not to forget my birthday = erg attent van u; She talked —ly and sensibly = bedachtzaam; subst. Thoughtfulness; Thoughtless = gedachteloos, zorgeloos; subst. —ness.

Thousand, thauz’nd, subst. en adj. duizend(tal): It is a — pities = het is doodjammer; It is a — nuts to an orange pip = tien tegen één; He is one in a — = één uit de duizend; I have a — things to do = allerlei dingen; They appeared in their —s = in grooten getale; —-legs = duizendpoot; —fold = duizendvoudig; —th, subst. en adj. duizendste (deel).

Thrace, threis, Thracië; Thracian = Thrasisch; Thraciër.

Thraldom, thrôld’m, slavernij, lijfeigenschap; Thrall, thrôl, slaaf, slavernij.

Thrash, thraš, dorschen, afranselen, van alle kanten bekijken of bespreken: To — over old straw = stroo dorschen (fig.), zich afsloven; —el = dorschvlegel; —er = dorscher; zeevos (soort haai); Thrashing: He got a sound — = een duchtig pak slaag; —-floor = dorschvloer; —-machine, —-mill = dorschmachine.

Thread, thred, subst. draad, garen, meeldraad, vezel, ader; — verb. een draad in eene naald steken, zich een doorgang banen, doorheen dringen (= To — one’s way through): The — of a screw = draad van een schroef; To lose the — of one’s discourse; To pick up —s = het gesprek aan den gang krijgen; To take up the — of a tale; Its existence was hanging on (by) a (slender) thin — = hing aan een zijden draadje; I hadn’t a dry — on me = geen drogen draad aan mijn lijf; Air —s = herfstdraden; To — the needle = figuur in een dans, waarbij de paren onder opgeheven en verbonden handen doorgaan; —bare = kaal, versleten, afgezaagd; subst. —bareness; —-bobbin = garenklos; —-paper(s) = dunne reepjes papier, papillotten: I am not going to fret myself into —-paper for her = denk me niet dood te kniezen; —-worm = draadworm; —iness, subst. v. —y = draderig, dun.

Threat, thret, subst. bedreiging: Empty — = ijdele; Threaten = dreigen, bedriegen, schrik aanjagen (door bedreigingen), een dreigend aanzien hebben; —er; —ing: —ing-letter = dreigbrief.

Three, thrî, subst. en adj. drie(tal): In — copies = in triplo; To fold in —s = in drieën; I had round number — with him = ik heb duchtig met hem afgerekend; The rule of — = regel v. drieën; The — F’s = eischen der Iersche Landliga: Free Sale, Fixity of Tenure, Fair rent; I won’t sell it under — figures = onder £ 100; —-figure accidents are almost unknown now = ongelukken, waarbij 100 of meer menschen hun leven verliezen; —-act(ed) = in 3 bedrijven; —-cornered = met 3 hoeken of punten: —-cornered constituency = kiesdistrict dat drie leden afvaardigt, terwijl ieder kiezer slechts op twee van deze mag stemmen; —-decker = driedekker; ouderwetsche kansel met drie verdiepingen of lezenaars; —fold = drievoudig; —-foot stool = driepoot; —-headed = met drie koppen of hoofden; The — Hours’ Agony (Service) = dienst op Goeden Vrijdag van 12–3; —-pence, thrip’ns, driestuiverstukje; —penny, thrip’ni, van drie stuivers; gering, gewoon; —penny bit = — penny piece; It’s a —penny concern = sjofel boeltje; —penny piece = driestuiverstuk; A —-piled Persian carpet = rijk, zwaar Perzisch kleed; —score = zestig; —-square = driehoekig, met drie punten; A bottle of —-star brandy = fijne cognac (etiket met drie sterren erop); —-tailed pasha = met 3 paardestaarten.

Threnody, threnədi, klaagzang.

Thresh, threš; —er. Zie Thrash.

Threshold, threšould, drempel, ingang, begin.

Threw, thrû, imperf. van to throw.

Thrice, thrais, driemaal; —-blest = overgelukkig; —-favoured = buitengewoon begunstigd.

Thrid, thrid, doorsteken. Zie Thread.

Thrift, thrift, zuinigheid, spaarzaamheid, voorspoed; anjelier; —iness = spaarzaamheid, voorspoed; —less = verkwistend; subst. —lessness; —y = spaarzaam, voorspoedig.

Thrill, thril, subst. siddering; drilboor; — verb. doordringen, doorboren, trillen, rillen; kweelen: This sent a — of horror through the world = deed van afgrijzen rillen; It —ed him with a vague dread = eene onbepaalde vrees doortrilde hem; He —ed at hearing this = sidderde; —ers and curdlers = sensatie-romans.

Thrive, thraiv, bloeien, vooruitkomen, gelukkig zijn, gedijen, toenemen: He that will — Must rise at five, He that has —n May lie till seven = Zal het u goedgaan, Wil dan vroeg opstaan, Hebt ge ’t geld verdiend, Lig dan langer, vriend; Ill weeds are sure to — = onkruid vergaat niet; Thriven, thriv’n, p.p. van —; Thriver = voorspoedig man; Thriving = voorspoedig, bloeiend; subst. —ness.

Thro’, thrû = Through.

Throat, throut, keel, strot, stem, ingang, nauwe doorgang: To clear one’s — = schrapen; These two merchants are cutting each other’s —s = werken elkaar er onder; You cut your own — by doing this = benadeelt uzelf; I was down her — in a moment = hield haar onmiddellijk aan haar woord; Don’t jump down my — = stuif niet zoo op tegen me; I felt a ball rising in my — = ik kreeg een prop in de keel; He lied in his — = loog schandalig; It still sticks in my — = zit me nog hoog (fig.); He held a knife to my — = hij zette mij het mes op de keel; I have the exhibition up to my — = de tentoonstelling hangt me de keel uit; —-band = —-latch = keelriem (v. een paard); —-wort = halskruid (soort v. klokje); A full-—ed song = lied uit volle borst; —y = gutturaal, uit de keel; vraatzuchtig.

Throb, throb, subst. klopping; — verb. kloppen: My heart —s.

Throe, throu, subst. hevige pijn; — verb. in barensnood verkeeren, groote pijn lijden; —s = barensweeën: Last —s = doodstrijd.

Throne, throun, subst. troon; — verb. zie Enthrone; Speech from the — = troonrede; To ascend (mount) the — = bestijgen; To come to the —; —-room = troonzaal.

Throng, throŋ, subst. gedrang, groote menigte; — verb. verdringen, opdringen, toestroomen: The people came —ing in = stroomden naar binnen; —ed-out streets = schoongeveegde straten; —ed with = vol.

Throstle, thros’l, zanglijster.

Throttle, throt’l, subst. luchtpijp, keel; — verb. smoren, (ver)stikken: —d to death; —r.

Through, thrû, door, doorheen, geheel, wegens: To be wet — = doornat zijn; — and — = door en door; It’s all — you = ’t komt al door u; — the year = het geheele jaar door; To be — = klaar zijn; My intention will be carried — = doorgezet worden; The plan has fallen — = viel in duigen; To get (go) — = te boven komen, ten einde brengen, komen door (een examen); I read it — from cover to cover = las het heelemaal door; He saw — my intentions = doorzag; —-carriage = doorgaand rijtuig; —-line = doorloopend spoor; —-passenger = doorgaand passagier; —-ticket; —-traffic = transitohandel; —-train = doorgaande; —-waybill = dóorbevrachting v. het continent naar eenig deel van Engeland; Throughout: — the day = den geheelen dag lang; All of a — piece = geheel uit één stuk.

Throve, throuv, imperf. van to thrive.

Throw, throu, subst. gooi, worp; — verb. werpen, smijten, slingeren, in haast aan- of omdoen, afwerpen, slaan, opwerpen, dobbelen, verliezen, etc.: To — light on = licht werpen op; I wrestled with my pride and threw it = en overwon hem; They have —n stones at us = ons met steenen gegooid; She threw herself away on a drunken baronet = verslingerde zich aan; That’s —ing money away = geld in ’t water gooien; Good advice is —n away upon him = is niet aan hem besteed; The reflectors threw back the light = kaatsten terug; To — by = ter zijde werpen, verwerpen; To — down = neergooien, omgooien, tegen den grond gooien; He threw himself down = ging liggen; Allow me to — in a word = mag ik ook een woordje meespreken? I was —n into enthusiasm = gebracht tot; I have —n him off = wil niets meer met hem te maken hebben; I threw on my trousers = schoot mijne broek aan; I — myself on your mercy = geef me over; He threw it out quite suddenly = kwam er in eens mee voor den dag; The bill was —n out = werd verworpen; We find ourselves —n out = teleurgesteld; She has thrown him over = de bons gegeven; To — to the winds = de brui geven van; Her jet ornaments threw up the whiteness of her skin = deden uitkomen; He has —n up the sponge = heeft zich gewonnen gegeven; He was —n with that girl = verkikkerd op; I had never thought I should be —n much with such people = aangehaald worden, veel omgang hebben met; A —-down cracker = voetzoeker; —er = werper, gooier, draaier, twijnder; —ing back = atavisme; —n = getwijnd, gedraaid; —ster = twijnster (v. zijde).

Thrum, thrɐm, subst. zelfkant, kwast, meeldraad (—s = grof garen, garenafval); — verb. (eene mat) spekken; krassen, tjingelen, trommelen (op piano): The —ming of an old guitar = het tjingelen op.

Thrush, thrɐš, zanglijster; spruw.

Thrust, thrɐst, subst. stoot, steek, aanval, horizontale drukking; — verb. stooten, drijven, duwen, steken, indringen: He — (made a —) at me = stiet naar mij; He — himself in(to) our society = drong zich; —er = doorsteker.

Thud, thɐd, slag, plof, bons; — verb. dreunen, kloppen: He fell with a dull — on the path = met een doffen slag; A dull, —ding pain = drukkende, zware pijn.

Thug, thɐg, sluipmoordenaar, lid v. een vroegere moordenaarsbende (Brit. Indië); —gee = mysteriën of bedrijf der thugs = —gery = —gism.

Thule, thjûli: Ultima — = het einde der wereld.

Thumb, thɐm, subst. duim; — verb. beduimelen, betasten, met de vingers trommelen, onhandig doen: Tom — = Klein Duimpje; His fingers are all —s = zijne handen staan hem verkeerd; To have (hold) under one’s — = onder den duim houden; I was left to twirl my —s = ik kon op mijn duim zuigen; —-lock = drukslot; —-mark; —-nail, subst. nagel van den duim, penkras; adj. klein: I dashed off a —-nail on the envelope = gooide een schetsje op de enveloppe; —-nail sketches = penkrassen; —-screw = duimschroef; —-stall = duimeling; —kins = duimschroeven.

Thump, thɐmp, subst. zware slag, bons, plof; — verb. stompen, ploffen, zwaar neerkomen: It is a downright —ing lie = een groote leugen; That —ing rascal = die vervloekte schurk; —er = iets kolossaals, een groote leugen.

Thunder, thɐndə, donder, donderslag, onweer, banbliksem; — verb. donderen, bulderen, slingeren: By — = voor den donder; What in — do you want = wat donder wil je eigenlijk? Rolling peals of — = ratelende donderslagen; It is the — that strikes, but the lightning that smites = de donder ratelt, de bliksem slaat in (= groote woorden zijn maar wind); We shall have — to-day = krijgen onweer; — of applause; — of cannon; — and lightning trousers = broek van donkergrauwe stof met witte spikkels; To — out an excommunication; —bolt = bliksemstraal, donderslag, banbliksem: Like a (—)bolt from the blue = gelijk een donderslag uit onbewolkten hemel; —-clap = donderslag = Clap of —; —-cloud = onweerswolk; —-dart = bliksemschicht; —-peal = slag; —-pick = pijlsteen, dondersteen; —-storm = onweer; —-struck = (als) door den bliksem getroffen; —er = donderaar (naam van “The Times”); —ous: —ous roar = donderend geraas.

Thurible, thjûrib’l, wierookvat; Thurifer, thjûrifɐ̂, wierookvatzwaaier; Thuriferous, thjurifərɐs, wierook bevattend of voortbrengend; Thurification = bewierooking.

Thuringia, thjurinžiə, Thuringen; —n, (bewoner) van Th.; Thuringsch.

Thursday, thɐ̂zdi, Donderdag: Holy — = Hemelvaartsdag; Maundy — = Witte Donderdag.

Thus, dhɐs, subst. wierook.

Thus, dhɐs, aldus, dientengevolge, dus, tot aan: — far = tot hiertoe; As — = als volgt; I told you — much = dit (alles) heb ik u gezegd.

Thwack, thwak, subst. harde slag, stomp; — verb. slaan, stompen; —ing = pak slaag.

Thwart, thwöt, subst. doft; adj. dwars, schuin; adv. dwars; prep. dwarsover; subst. tegenstand, belemmering; — verb. kruisen, dwarsboomen; —ness = dwarsheid, weerbarstigheid; —ships = dwarsscheeps.

Thy, dhai, bez. vnw.: uw; —self = uzelf.

Thylacine, thailəsain, buidelwolf.

Thyme, taim, tijm; Thymy, vol tijm, geurig.

Thyroid, thairôid, schildvormig; —-cartilage = schildvormig kraakbeen.

Thyrse, thɐ̂s (Thyrsus, thɐ̂səs), Bacchusstaf; Thyrsoid, thɐ̂sôid, in den vorm van een B.

Tiara, taiêrə, taiârə, tiara, driedubbele pausenkroon, pausel. waardigheid, soort v. diadeem: —ed, taiêrad met een tiara getooid.

Tib, tib: St —’s Eve = Juttemis; —-cat = kat.

Tib, tib: — out = uitknijpen (Schoolslang).

Tibald, tibəld; Tiber, taibə, Tiber; Tiberius, taibîriəs; Tibet, tibət, tibet.

Tibia, tibiə, scheenbeen, adj. —l.

Tic, tik, neuralgie, aangezichtspijn.

Tichborne, titšbən.

Tick, tik, subst. teek, tijk, tikje, teeken, stip, getik; crediet, rekening; — verb. tikken, borgen, crediet geven of krijgen, ter contrôle aanschrappen op een lijst: He that has no money, needs no purse, but — = heeft crediet en geene beurs noodig; A state of — = toest. v. geldgebrek; He buys everything on — = op den pof, op crediet; To give one no end of —; You cannot — a man off into columns in a parliamentary return = men kan een mensch niet in rubrieken verdeelen in eene regeeringsstatistiek; —-bean = paardeboon; —-tack of the clock; —er = horloge.

Ticken, tik’n, stof voor beddetijk.

Ticket, tikət, kaartje, biljet, lot, toegangsbewijs, plaatskaartje, lommerdbriefje, etiket, mandaat, gedrukte candidatenlijst bij verkiezingen, stembiljet (Am.): That’s the — = dat is je ware; To buy one’s — (Am. voor Eng.: To take one’s —) een kaartje nemen; He was elected on the radical — = op het radicale program; —-collector (-examiner) = controleur; —-day = eerste dag der rescontre; —-of-leave = bewijs van voorwaardelijke invrijheidstelling; —-of-leave-man = voorwaardelijk vrijgelatene; —-night = soort benefice voorstelling; —-office = plaatskaartenbureau; —-porter = gepatenteerd of door eene maatschappij aangestelde kruier; —-window = loket.

Ticking = Ticken.

Tickle, tik’l, kietelen, streelen: That —d them = dat deed hun aangenaam aan; He tried to — my palm = mij duimzalf te geven; —r = netelige vraag, raadsel; stok, pak slaag; Ticklish, wankel(moedig), onvertrouwbaar, netelig, lastig; subst. —ness.

Tidal, taid’l, wat tot ebbe of vloed behoort: — service = stoombootdienst in verband met het getij; — wave = vloedgolf; I leave by the — (train) for France = met den trein, die op het getij rijdt.

Tidbit, tidbit = Titbit.

Tiddler, tidlə: Tom —’s ground = luilekkerland.

Tide, taid, subst. tijd, tij, getij, hooge stand, vloed, stroom, loop der omstandigheden; — verb. met het getij een haven binnenvallen of verlaten, met tij zeilen of drijven: Outgoing — = ebbe; The — of fortune (success) was flowing = was met ons (hem, etc.); The — was going at a strong (great) rate = er liep een zwaar tij; We leave at the shifting of the — = bij het kenteren van het getij; We are sailing with the — = met den stroom; We could hardly stem the — = haast niet doodzeilen; He took fortune at the — = Took the — at the flood = smeedde het ijzer toen het heet was; We —d over those days = zijn gelukkig te boven gekomen; It remains to be seen whether you can — over the difficulties = of gij er u doorheen kunt slaan; —-gate = sluis v. een kanaal dat den invloed v. het tij ondervindt; —-gauge = peilschaal; —sman, —-surveyor = kommies te water; —-table = tafel der hoogwatergetijden; —-waiter = —sman; —-water = water dat den invloed van ebbe en vloed ondervindt; —-wave = vloedgolf; In the —-way = op stroom; —less = zonder tij.

Tidiness, taidinəs, subst. v. Tidy.

Tidings, taidiŋz, tijding, bericht: To bring (receive, send) —.

Tidy, taidi, netjes, proper, zindelijk; subst. gehaakt kleedje, anti-macassar, morsschortje; — verb. opruimen, in orde brengen, opknappen: It cost me a — penny = een mooien duit; I must — away all the memories of yore = moet verdrijven; To — up = zich opknappen.

Tie, tai, subst. band, knoop, haarband, gelijk aantal punten, onbesliste wedstrijd, gelijk aantal stemmen, verbindingsbalk, verbindingsteeken, strikje; — verb. binden, verbinden, onderbinden, knoopen, beperken, precies gelijk zijn (bij een wedstrijd): White evening — = strikje; Final — = eindwedstrijd; The —s of friendship, love, kindred = banden van vriendschap, liefde, bloedverwantschap; He is a — on me = is mij tot last, bindt mij de handen; To do up one’s — = (hals)strikje knoopen; This poet scores a — with Tennyson in the collection = van beiden zijn evenveel stukken opgenomen; To — a knot = een knoop leggen; I am —d down to my work = gebonden aan; — it in a bow = maak er een strik van; I have —d it up = heb het dicht gebonden; She —d up her money that her husband could not get at it = zij zette haar geld vast.

Tier, tîə, reeks, rij, rang; — verb. in rijen rangschikken: The cells were built in —s, one over the other.

Tierce, tîəs, maat, gewicht (Zie Terce); volgkaarten, terts, drielingsbalk (Herald).

Tiercel, tîəs’l, mannetjesvalk.

Tiercet, tîəsət, tɐ̂sət, terzet, drieregelig gedicht.

Tiff, tif, subst. booze bui, kleine ruzie; slokje: She was in a — = had eene kwade bui; The two lovers have had a — = hebben standjes gehad; To take — = zich beleedigd gevoelen; She is a little —ed, and thinks we have treated her ill = boos; —ish = prikkelbaar.

Tiffany, tifəni, dun zijden gaas.

Tiffin, tifin, lunch of kleine maaltijd.

Tig, tig, vangspelletje (met tikjes).

Tiger, taigə, tijger, opsnijer, livreiknecht(je); extra luid applaus (Amer.): Three cheers and a —; They were fighting the — = zij waren aan het dobbelen (Am.); —-cat = tijgerkat; —-lily = tijgerlelie; —-spotted = getijgerd; —-wood = tijgerhout; Tig(e)rish = tijgerachtig; opsnijerig.

Tight, tait, (lucht)dicht, strak, dicht, nauwsluitend, sterk, goedgebouwd, keurig, net, hevig, benauwd, schaarsch, gierig, dronken; (—s = nauwsluitend tricot, zooals van acrobaten, etc.; spanbroek): — as a drum = smoordronken; Money is — = ’t geld is krap; That’s an uncommonly — fit = dat sluit zeer nauw, dat moet er buitengewoon precies ingepakt worden, dat kan er nauwelijks in; I found myself in a very — place = benarde positie; The — and the slack rope = het gespannen en het slappe koord; He keeps his children — = kort; proper; Everything on the deck was set — = vastgezet, vastgesjord; Sit — = houd je vast; Air-— = luchtdicht; —-fisted = gierig; —-fitting = nauwsluitend; —-laced = bekrompen; Tighten = aanhalen, spannen, zich samentrekken; Tightness = dichtheid, etc.

Tigress, taigrəs, tijgerin.

Tigris, taigris, Tiger.

Tigrish, taigriš = Tigerish.

Tilbury, tilbəri, tilbury.

Tile, tail, subst. (dak)pan, aarden deksel, hoed, deur v. eene vrijmetselaarsloge; — verb. met pannen dekken, zorgen dat geene oningewijden binnenkomen: Ridge —s = vorstpannen; He has a — loose (off) = het mankeert hem in zijn bovenste verdieping; We are —d = de loge is gedekt, we zijn onder ons = This is a —d meeting; —-burner = pannenbakker; —-drain = afvoerbuis; —-kiln = pannenbakkersoven; —-work(s) = pannenbakkerij; —r = pannendekker, dekker van de loge (vrijmetselaars); —ry = pannenbakkerij.

Tilia, tiliə, linde(boom); Tiliaceous, tilieišəs, gelijkende op of verwant met de —.

Till, til, lade, winkellade.

Till, til, beploegen, bebouwen; —able = bebouwbaar; —age, tilidž, akkerbouw; —er = akkerman, boer.

Till, til, tot, tot aan (alléén van tijd): It is not more than two hours — dinner time = vóór; He did not come home — five = eerst om vijf uur; — now = tot nu toe; — then = tot dien tijd toe.

Tiller, tilə, subst. handvat, roerpen, helm(stok), schoot, uitlooper, jonge tak; — verb. uitloopen, nieuwe takken krijgen; —-chain = stuurketting; —-rope = stuurtouw, stuurreep. Zie Till.

Tilt, tilt, subst. tent, huif, zonnetent, dekzeil; steekspel (= —s), smeehamer, vooroverhelling (van vaten); — verb. met een tent of een zeil bedekken, met een lans stooten, naar een ring steken, eene lans breken, vechten (voor), overhellen (van vaten), scheef staan, kenteren, hameren, wiegelen of dansen (op de golven): He ran full — at his enemy = liep met alle kracht (pardoes) aan op; He sat —ing his chair = zat te wiegelen met; He —ed himself on tiptoe = ging op de teenen staan; To — at windmills = vechten tegen; The hat was —ed over her ear = stond op haar ééne oor; —-boat = tentboot; —-cart = kipkar; —-hammer = smeehamer; —-roof = koepeldak; —-waggon = met een kap bedekte wagon; —-yard = tournooiveld; —ing-competition = ringsteken.

Tilth, tilth: The land is in good — = goed bebouwd.

Tim, tim, verk. van Timothy.

Timbal, timb’l; Zie Tymbal.

Timber, timbə, subst. timmerhout, boomstam, boomen, bouwmateriaal, hout, spant, barrière, woud (Amer.); adj. houten; — verb. met hout beschieten, van hout bouwen: Shiver my —s = de drommel hale mij; He had a well-—ed frame = goed gebouwd en krachtig lichaam; —-forest = hoogstammig woud; —-lesson = het afranselen en uit de stad jagen van vagebonden (Amer.); —-merchant = houtkooper; —-ship = houtschip; —-trade = houthandel; —-tree = boom die timmerhout oplevert; —-work = houtwerk, timmerwerk; —-yard = houtstek, houtloods; —ed = van hout gemaakt, met hout beschoten, bedekt met boomen voor timmerhout, massief, krachtig.

Timbre, timbə, timbre.

Timbrel, timbr’l, soort van tamboerijn.

Time, taim, subst. tijd, duur, keer, maat, tempo, gelegenheid; — verb. in verband met den tijd inrichten of regelen, op het juiste oogenblik doen, de maat aangeven, den tijd bepalen voor, overeenstemmen, maat houden, etc.: He who gains —, gains everything = tijd gewonnen, alles gewonnen; Take — while — serves = gebruik uw tijd goed; — and straw make medlars ripe = de tijd baart rozen; — is money; — enough always proves little enough = menschen, die den tijd hebben komen altijd tijd te kort; — and the hour runs through the roughest day = aan den zwaarsten dag komt eenmaal een einde; — and tide wait for no man = de tijd schikt zich niet naar ons, wij moeten ons naar den tijd schikken; — was, when ... = er was een tijd, dat; What — is it? = What is the —? = hoe laat is het? Then is the — to show your talents = dan is het tijd; — is up! = het is tijd, de tijd is om; In course of — = mettertijd; That is quite a length of — = dat is een heele tijd; He did it in the right nick of — = te juister tijd; — and again = telkens weer; In —s to come = in de toekomst; From —s immemorial = sedert onheugelijke tijden; I have known him — out of mind = ik ken hem ik weet niet hoe lang al; Apparent, Solar — = zonnetijd; Sidereal — = sterrentijd; Greenwich — = tijd volgens den meridiaan van Gr.; It is close — = gesloten jachttijd; In the day — = over dag; I received your favour in due — = uwe letteren te bestemder tijd; It’s a dull — = een saaie, slappe tijd; We had a good (fine) — = hebben ons uitstekend geamuseerd; He came here in good — = op het juiste oogenblik; Do everything in good — = op zijn tijd; We hope to marry in good — = als de omstandigheden gunstig zijn; Lost — is never found again = verloren tijd keert nimmer weer; Many a — and oft = herhaalde malen; The mean — = middelbare tijd; In the mean — = middelerwijl; There is no — like the present = stel niet uit wat ge heden kunt doen; begin dadelijk; He did it in less than no — = in een ommezien; The good old —s = de goeie oude tijd; I shall do it in proper — = te bekwamer tijd; To march at quick (double quick) — = in versnelden pas (met den looppas); I saw him a short — since = kort geleden; Have you got the true —? = weet je precies hoe laat of het is; — after — = keer op keer; To walk (work, write) against — = op tijd loopen (sport); zoo hard mogelijk loopen, werken, schrijven; To talk against — = zoo snel mogelijk praten om tijd te winnen, of verlegenheid te verbergen; At —s = nu en dan; Two at a — = twee tegelijk; At my — of day = op mijn leeftijd; At the — of his death = ten tijde dat hij stierf; At one — you told me so = eens; I’ll see you at one — or other = kom je te eeniger tijd bezoeken; It is foolish to complain at this — of day = thans nog; A bit behind (before) your — = te laat, (te vroeg); We shall have the sum by that — = tegen dien tijd; You ought to be ready by this — = thans; I stop(ped) for the — being = voor het oogenblik (destijds); I have not seen you for a long — = in lang niet; He lived here for a — = een tijdje; You had better repent in — = bijtijds, voordat het te laat is; Your remark is out of — = te onpas; You are out of — = uit de maat; He was knocked out of — = zoo geslagen, dat hij zijn bekomst had; The train ran to —, arrived to — = was precies op tijd; Up to this — he paid regularly = tot hiertoe; Once upon a — there was = er was er eens; An orchestral conductor has to beat — = moet de maat slaan; He has husbanded (out) his — = zijn tijd zuinig besteed; You must improve the — = zoo goed mogelijk besteden; You don’t keep — = bent uit de maat; I wish to kill (the) —, for — hangs heavy on my hands = den tijd te korten, die mij lang valt; He knows the — of day = weet hoe laat het is (fig.); I shall not lose — to visit you = zal u spoedig komen bezoeken; That will take up a good deal of — = heel wat tijd kosten; He took present — by the top = greep de gelegenheid aan; Will you allow me to — myself? = mag ik eens op mijn horloge kijken (om te zien hoe lang ik noodig heb gehad of hier geweest ben); The train is —d to reach L. at 8 = moet om 8 uur te L. zijn; The visit was —d at an inopportune moment = het bezoek kwam zeer ongelegen; It was an ill-—d thought = eene op dat oogenblik ongelukkige gedachte; —-bargain = tijdhandel, contract op levering; —-bill = dienstregeling; —-cribbing = onwettig overwerk; —-expired = zijn tijd uitgediend; —-freight = ijlgoed; —-glass, Glass of — = tijglas, zandlooper; —-honoured = achtenswaardig: A —-honoured usage = eene eerbiedwaardige gewoonte; —-keeper = chronometer, metronoom; scheidsrechter, iem. die de tijden aangeeft (Sport); controleur; —-lock = slot dat slechts op bepaalde tijden kan worden geopend; —-piece = uurwerk, chronometer; —-pleaser = iemand, die de huik naar den wind hangt = —-server; —-serving, subst. het huilen met de wolven; adj. zich schikkend naar de heerschende opinie; —-table = dienstregeling, spoorboekje, lesrooster, leerplan; —-worn = versleten; —ful = gepast, tijdig, vroeg; —less = ontijdig; eindeloos, eeuwig; —liness, subst. v. —ly = tijdig, vroeg: A —ly remark = eene te juister tijd gemaakte opmerking.

Timid, timid, beschroomd, bedeesd: As — as a hare = zoo bang als een wezel; subst. —ity, timiditi = —ness.

Timocracy, taimokresi, timocratie; adj. Timocratic, t(a)iməkratik.

Timon, taim’n, Timon; Timor, timö.

Timorous, timərɐs, schroomvallig, vreesachtig; adj. —ness.

Timothy grass, timəthigrâs, timotheegras.

Tin, tin, subst. tin, blik, geld, splint; adj. tinnen; — verb. vertinnen, met stanniool beleggen, inmaken: A — case for botanical specimens; Nice girls but not much — = maar geen geld; — roof = zinken dak, plat; —ned meat, fruit = vleesch, vruchten in blik; —-foil = stanniool; —-man = tinnegieter, blikslager; —-mine = tinmijn; —-plate = blik; —-smith = —-man; —-solder = soldeer; —-type = photographie op metaal (Am.); —-worm = duizendpoot; —ny = tin houdend, vol tin.

Tincal, tiŋk’l, ruwe borax.

Tincture, tiŋktjə, subst. tint, kleur, smaak, zweem, tinktuur; — verb. kleuren, verven, tinten.

Tinder, tində, tonder, zwam; —-box = tonderdoos; —like = als tonder = —y.

Tine, tain, tand van eene vork, tak; —d: Twelve —d antlers = met 12 takken.

Tinea, tiniə, mot; schin (Med.).

Ting, tiŋ: —-— = klanknaboots. van een (fiets)bel; — verb. (doen) klinken: To — a bell.

Tinge, tinž, subst. tint, kleur, smaakje, zweem; — verb. tinten, kleuren: She had experienced sharp —s of regret = er nu en dan diep berouw over gehad; Principles, slightly —d with radicalism = iets radicaal getinte beginselen; —r.

Tingle, tiŋg’l, tintelen, prikken, steken, jeuken, tuiten: My ears —d with it = tuitten ervan; Tingling = kriebelen, tuiten: — of the ears.

Tinker, tiŋkə, subst. (ketel)lapper; — verb. (ketel)lappen, lappen, knoeien aan: Political —s = politieke tinnegieters; I must have a — at it = het eens onderhanden nemen; He was always —ing those contracts = zat altijd te knoeien aan die contracten; —ing measures = lapmiddelen.

Tinkle, tiŋk’l, subst. gerinkel, geklingel; — verb. rinkelen, (doen) klinken, tuiten: The tinkling of bells = getjingel; Tinkling his dessert-knife against his wine-glass; Her fingers —d over the spinet = tokkelden.

Tinsel, tins’l, subst. klatergoud (ook fig.), brocaat, valsche schijn; adj. oppervlakkig, schijn..., opgeschikt; — verb. met klatergoud bedekken, mooi maken.

Tint, tint, subst. tint; — verb. tinten: —ed glasses = gekleurde bril; —less.

Tintinnabulation, tintənabjuleiš’n, getjingel; Tintinnabulous, tjingelend; Tintinnabulum of rhyme = rijmgetjingel.

Tiny, taini, klein, teer, zwak.

Tip, tip, subst. punt, tip, topje, helmknopje, tikje, fooi, inlichtingen, inrichting om karren te kippen, kipkar, losplaats; — verb. punten, de punt beslaan met, wippen of kippen (van eene kar), toppen (van ra’s), omvallen, schenken, eene fooi geven, intieme wenken of inlichtingen geven: — of a cigar, the nose, the tail; The pendants shook in the —s of her pretty ears = lellen; She is a lady to the finger —s = op en top; That is a straight — = duidelijke wenk; I don’t know where he gets his —s = waar hij zijne inlichtingen vandaan haalt; He gave me the — = hij waarschuwde mij, gaf mij een wenk; —-car(t) = kipkar; —-cat = timp, tip (ook het spel); —-staff = staf, gerechtsdienaar; —-tilted = opgewipt; He —ped me a guinea = gaf me; To — all nine = alle negen omwerpen; Have you —ped the servant? = heb je een fooi gegeven; He —ped me the wink = gaf me een teeken, een wenk; The minister had been —ped the wink as to the writer of the pamphlet = den minister was heimelijk een wenk gegeven; He —ped the liquor off = gooide “’m” om; The new seats in the theatre — up of their own accord the instant they are vacated = wippen op zoodra men opstaat; —-up seats = klapstoelen; —ping system = fooienstelsel.

Tipperary, tipərêri: — lawyer = korte eiken knuppel.

Tippet, tipət, pelskraag, sjerp, kraag.

Tipple, tip’l subst. drank, geliefkoosde drank; — verb. pimpelen: A place of — = kroeg; This wine is first-rate — = is uitstekend; —r = drinkebroer; Tippling-house = kroeg.

Tipsiness, tipsinəs, subst. v. Tipsy, tipsi, dronken, aangeschoten; —-cake = amandelpudding of gebak met madera of iets dergelijks.

Tiptoe, tiptou, subst. punt van de teen; adj. en adv. op de teenen, tersluiks; — verb. op de teenen loopen: He was (stood) on — = stond op de teenen, was zeer nieuwsgierig, in gespannen verwachting; We are on the — of expectation = in gespannen verwachting.

Tiptop, tiptop, subst. bovenste beste; adj. zeer goed, uitstekend, bovenste beste: A — education = voortreffelijke opvoeding; A —per = banjer, iets heel bijzonders.

Tirade, tireid, tirade; loopje (muz.).

Tirailleur, tiral(j)ɐ̂, scherpschutter.

Tire, taiə, subst. wielband, drijfriem; kleeding, tooi; afmatting; — verb. uitputten, vermoeien, vervelen, afmatten: tooien, (op)kleeden; een band doen om: Cushion (Pneumatic) — = luchtband; This “—d” me = dit verveelde me (Amer.); He soon —d of it = werd het spoedig “beu”; I am —d out = doodop; I am —d to death = doodmoe: He —d me to death = heeft mij doodelijk verveeld; I am —d with (of) listening to your complaints = ben moe (ik heb genoeg) van; Air-—d bicycles = rijwielen met luchtbanden; Dog —d = bekaf; —dness = vermoeidheid, uitputting; —less = onvermoeid; subst. —lessness; —some, taiəs’m, afmattend, vermoeiend, vervelend; subst. —someness; Tiring: —-room = kleedkamer (voor acteurs); —-woman = kamenier (van een actrice).

Tiro, tairou, beginner; Zie Tyro.

Tirra-lirra, tirəlirə, tiereliere, trara, etc.

Tirw(h)it, tɐ̂(h)wit, kievit.

’Tis, tiz, samentr. van It is.

Tisic(k), tisik; Zie Phthisic.

Tisri, tizri, eerste maand van het burgerlijk jaar (Israël.).

Tissue, tišu, subst. fijn weefsel, goud- of zilverlaken, aaneenschakeling, zijdepapier (—-paper); — verb. weven, doorweven, schakeeren: It is a — of lies = weefsel, reeks v. leugens.

Tit, tit, subst. graspieper, meesje; paardje; stukje, brokje, tikje; — verb. tikken, gooien: I gave him — for tat = gaf hem leer om leer; Why should I — up for it? = er om opgooien; —-bit = lekkernij, iets fijns.

Titan, tait’n, zon, Titan; vr. —ess; Titania, t(a)iteinjə, Titania, de feeënkoningin en vrouw van Oberon; Titanic, taitanik, titanisch, reusachtig.

Tith(e)able, taidhəb’l, tiendbaar; Tithe, taidh, tiende; — verb. tienden heffen; Tithing, taidhiŋ, het heffen van tienden; getal van tien huismannen; Tithing-man = hoofd van een Tithing; in Amer. kerkelijk opziener, ambtenaar belast met het toezicht op de Zondagsviering.

Titillate, titileit, kietelen, prikkelen; subst. Titillation.

Titivate, titiveit, opdirken, opzichtig kleeden.

Titlark, titlâk, graspieper = Titling.

Title, tait’l, subst. titel, opschrift, naam, benaming, aanspraak, eigendomsrecht; — verb. betitelen, noemen: To bear a — = titel dragen; To have a — to = gerechtigd zijn tot; He took possession by the clearest — = met de duidelijkste (volste) aanspraken; —-deed = eigendomsacte of -bewijs; —-page = titelblad; —-rôle = titelrol; A —d gentleman = adellijk; —less = zonder titel.

Titmouse, titmaus, mees.

Titrate, t(a)itreit, titreeren; subst. Titration.

Titter, titə, gichelen, wippen; subst. gegichel: Every one around them was in a — = aan het gichelen.

Tittle, tit’l, subst. stip, iota; — verb. wauwelen, babbelen: That is it to a — = precies; —-tattle, subst. gewauwel, gebabbel, wauwelaar; adj. wauwelend; — verb. wauwelen; —-tattler = snapper.

Tittlebat, tit’lbat, stekelbaarsje.

Titty-wagger, titiwagə, leugentje.

Titular, titjulə, titulair, in naam; subst. titularis (die ’t ambt niet zelf uitoefent): — office = eereambt.

Titus (Brown), brauntaitəs, gewone volksetymol. verbastering van Bronchitis.

Tiver, t(a)ivə, subst. roode oker om schapen te merken; — verb. merken.

Tiverton, tivət’n.

Tizzy, tizi, sixpence.

To, tu, adv. en prep. naar, tot, totaan, tegen, toe, in, voor, vergeleken met: As — this question, I am sorry, I can’t act according — your wish = wat betreft..., overeenkomstig; — it again = maar weer opnieuw; The horses are — = zijn voorgespannen; He pulled the door — = trok dicht; They were singing — the strumming of a guitar = zongen bij; They were sitting — breakfast at a little table = ontbeten; He took my sister — wife = nam tot vrouw; To swing — and fro = heen en weer; Don’t come — and fro but wait = kom niet telkens aanloopen; That is death — the patient = de dood van den patient; He took a liking — her = vatte liefde voor haar op; That is nothing — what I saw = haalt niet bij; That’s pleasant — the palate, taste = doet weldadig aan; — the best of my ability (abilities) = zoo goed ik kan; it was war — the death (knife) between them = strijd op leven en dood; I told it him — his face (teeth) = in zijn gezicht; He is kind — a fault = eigenlijk te goed; We were singing — our hearts’ content = naar hartelust; — his eternal honour be it said = tot zijn onvergankelijke eer; Described — the life = getrouw naar het leven; They were — a man in white gloves = droegen allen zonder onderscheid; It is ten — one that he’ll come = het is tien tegen één; A quarter — three = kwart vóór drie; Done — a turn = precies gaar; He exerted his powers — the utmost = spande zijne krachten tot het uiterste in.

Toad, toud, pad(de); —-eater = lage vleier, pluimstrijker; —-eating, subst. lage vleierij; adj. verachtelijk vleiend; —-fish = padvisch; zeeduivel; —-flax = gewone vlasbek; —-spit = kikkerspog; —-stone = paddensteen (= versteende zeewolfstand); basaltporfier; —-stool = paddestoel; —y, subst. lage vleier; — verb. laag vleien: He toadies to the great = loopt achterna; —yism = kruiperij, lage vleierij.

Toast, toust, subst. geroosterd brood, toast, dame (of nog algemeener: iemand) op wie gedronken wordt; — verb. roosteren, warmen, een dronk instellen, bruin of warm worden: She was the — of Bath = zij was de gevierde schoone van B.; On — = prachtig, uitstekend (Amer.): To have a person on — = in ’t nauw brengen; To give (propose) a — = instellen; I — your health = stel een dronk in op; —-master = ceremoniemeester, die bij officieele maaltijden de toasten aankondigt en de glazen laat vullen; —-rack, —-stand = standertje voor geroosterd brood; —er = ijzer of vork om te roosteren; —ing-fork = roostervork; slakkensteker (iron. voor degen).

Tobacco, təbakou, tabak; —-box = kistje; —-pipe = tabakspijp; —-pipe-clay = pijpaarde; —-pouch = tabakszak; —-stopper = instrument om (brandende) tabak in de pijp neer te drukken; —-wrapper = dekblad; Tobacconist = tabaksverkooper (—fabrikant).

Tobias, təbaiəs.

Tobine, toubin, soort taf.

Tobit, toubit.

Tobog(g)an, təbog’n, toboggan, soort slede (Canada); — verb. bergaf glijden in sleden; —-slide = glijbaan; —er, —ist.

Toby, toubi.

Tocher, tokə, subst. bruidsschat (Schot.); — verb. een bruidsschat geven; —less = zonder bruidschat.

Tocqueville, toukvil.

Tocsin, toksin, alarmklok, alarmgelui.

Tod, tod, struik(gewas); oud wolgewicht van 12,7 K.G.; —-stove = houtkacheltje (Amer.).

To-day, tudei, vandaag: — a man, to-morrow a mouse = vandaag rijk, morgen arm; — is the daughter of yesterday = in ’t verleden ligt het heden; — me, to-morrow thee = heden ik, morgen gij; One — is worth two to-morrows = één vogel in de hand is beter dan tien in de lucht.

Toddle, tod’l, subst. waggelende gang; slentergangetje; — verb. waggelen, familiaar omgaan: I’ll pay the bill, and we’ll — = en dan gaan we opstappen; We have not begun to — yet = we gaan nog niet familiaar met elkaar om; He —s on at my side, and dribbles out small talk = hij loopt naast mij voort; —r = klein kind.

Toddy, todi, palmdrank; grog met suiker.

Toe, tou, subst. teen; — verb. met de teenen aanraken, teenen aanbreien: From top to — = van top tot teen; To tread on a person’s —s (ook fig.); He has turned up his —s (to the daisies) = is het hoekje om, is dood; — the line, boys = allen met de teenen aan de streep; Now you are “toeing the line” of the mystery = nadert ge; To — a person = een schop geven; —less.

Toff, tof, fijne mijnheer, banjer; —ish = piekfijn, banjerig; subst. —ishness.

Toffee, Toffy, tofi, kokinje.

Toft, toft, boschje; hofstede; —man.

Tog, tog, (meest —s) plunje; — verb. kleeden: In full — = groot tenue; I have —ged myself out in full rig = mij in m’n beste plunje gestoken.

Toga, tougə, toga, tabberd: To fold one’s — round one = zich in zijn toga hullen (ook fig.).

Together, təgedhə, te zamen, allemaal tegelijk, vereenigd: It has rained for four days — = vier dagen achtereen; By the hour — = een uur lang.

Toggle, tog’l, knoop, knevel (= houten nagel); —-joint = knieverband (bouwk.).

Toil, tôil, subst. zware arbeid, inspanning, net, web of strik (gew. meervoud); — verb. werken, zwoegen, afbeulen: We had the enemy in the —s = in onze macht; He was —ing it up the mountain = bracht het zwoegend den berg op; —-worn = doodaf; —er = zwoeger; —some = zwaar, afmattend; subst. —someness.

Toilet, tôilət, toilet(tafel), servet, linnen kleedje over kaptafels, enz.; nachtzak; retirade (Amer.): She was at her —, making her — = bezig haar toilet te maken; She hurried through her — = maakte haastig toilet; —-paper = closet-papier; —-sponge.

Toison, tôiz’n, schapevacht: — d’or = Gulden Vlies.

Tokay, təkei, Tokayer (wijn).

Token, touk’n, teeken, zinnebeeld, herinnering, gedachtenis, vlek: In — of = ten bewijze; —-money = noodmunt of -penning; —ed = met teekens of vlekken.

Tola, toulə, (Br. Ind.) gewicht van ± 11,6 gram.

Told, tould, imperf. en p.p. van to tell.

Toledan, təlîd’n, (bewoner) van Toledo, təlîdou, (zwaard v.) Toledo.

Tolerable, tolərəb’l, dragelijk, tamelijk, redelijk; subst. —ness; I am tolerably well = vrij goed; Tolerance, tolər’ns, verdraagzaamheid, dragelijkheid, toelating; Tolerant = verdraagzaam, lijdend: To be — of = kunnen verdragen (med.); Tolerate, toləreit, dulden, verdragen, toelaten; Toleration = dulding, verdraagzaamheid: To show — = verdraagzaam zijn.

Toll, toul, subst. tol(geld), marktgeld, staangeld, schatting, maalloon; langzaam en statig klokgelui; — verb. belasten, luiden, slaan, annuleeren, lokken: To exact (take) — = eischen; Thoughts pay no — = zijn tolvrij; To — the funeral bell = de doodsklok luiden; The bell —ed one = sloeg één; —-bar = tol- of slagboom; —booth = tolhuis, gevangenis; —-bridge = tolbrug; —-collector = gaarder; —-corn = maalloon (in den vorm van koren); —-gate = tolhek; —-gatherer = tolgaarder; —-house = tolhuis; —-man = gaarder; —-money; —-union = tolverbond; —able = belastbaar; —age = tol, belasting; —er = tolgaarder, klokluider.

Tom, tom, verk. van Thomas of Tommy, mannetje, kater (= —-cat): I can’t answer every —, Dick and Harry = Jan, Piet en Klaas, Jan en alleman; —boy = wildzang; —fool = kwast, hansworst; — verb. zich gek aanstellen; —foolery: A piece of —foolery = een gekkenstreek; — Tiddler’s ground = luilekkerland; —noddy = ezel, domkop. Zie Tommy.

Tomahawk, toməhôk, subst. Indiaansche strijdbijl; — verb. met een tomahawk dooden: To bury (dig up) the — = vrede sluiten (den strijd beginnen).

Tomato, təmâtou, təmeitou, tomaat, liefdesappel; —-sauce = tomatensaus.

Tomb, tûm, subst. graf, grafgewelf, graftombe; — verb. begraven, in eene graftombe bijzetten; —-stone = grafsteen; —less.

Tombac, tombək, tombak.

Tombola, tombələ, tombola.

Tome, toum, (zwaar) boekdeel.

Tomentose, təmentous, touməntous, Tomentous, təmentəs, wollig, viltig, met dichte haren bedekt; Tomentum, təment’m, korstzwam.

Tomin, toumin, 12 grains (juweliersgewicht).

Tommy, tomi, (= — Atkins) soldaat; brood(je), proviand, gedwongen winkelnering; — verb. uitbuiten door middel daarvan: Let’s go — Dodd for it = er om opgooien; It’s all —-rot = klets; —-shop; —-system = het stelsel van gedwongen winkelnering.

To-morrow, tumorou, morgen: The old prison was blown into — = vloog in de lucht; — morning = morgenvroeg.

Tompion, tompj’n, stop(per), prop.

Tomtit, tomtit, mees, winterkoninkje.

Tomtom, tomtom, trom (O. Ind. en Afrika); — verb. trommelen.

Ton, ton, toŋ, mode.

Ton, tɐn, ton, maat loopende van 40 tot 2000 cb. feet; gewicht loopende van 600 tot 2000 lbs., met nog speciale beteekenissen voor sommige artikelen. Zie Tonnage.

Tonal, toun’l, toon...; —ity, tənaliti, juiste toonhoogte, toon: Our Wilhelmus in the old —ity = in de oude toonzetting; Tone, toun, subst. toon, klank, klem, dreun, kleur, aard, stemming, veerkracht; — verb. een toon geven of hebben: To — down = temperen, verzachten; The colour —s gently from deepest blue to liveliest red = gaat zachtkens over; —-syllable = beklemde lettergreep; —less = toonloos, onwelluidend; subst. —lessness.

Tonga, toŋga, tweewielig karretje. (Brit. Ind.).

Tongres, touŋgə, Tongeren.

Tongs, toŋz, tang; — verb. met de tong den klank wijzigen (bij blaasinstrumenten), in een tong uitloopen; ploegen: A pair of — = eene tang; To marry over the — = over den puthaak trouwen; I wouldn’t touch her with the longest pair of — in all the devil’s kitchen = ik zou haar met geen tang willen aanraken; The — and the bones = ketelmuziek, mopjes: A few people like classical music, but a very much larger majority prefer the — and the bones.

Tongue, tɐŋ, subst. tong, taal, spraak, klepel, tong (van eene gesp), leertje (van een schoen), landtong: That’s a slip of the — = eene vergissing; To bite one’s — = zich bijten op; It fell from my — before I knew it = het ontglipte me; To find one’s — = woorden vinden; To give — = aanslaan; I have it on the tip of my —, at my —’s end = het ligt mij op de tong (maar ik kan het niet zeggen); He has an oily —, a well-oiled — = eene gladde, radde tong; Hold your — = houd je mond; To shoot out one’s — = uitsteken; He thrust his — in his cheek = keek ongeloovig, meesmuilde, lachte ironisch; To wag one’s — = rammelen; —-bone; —-lashing = scheldpartij; —-tied = sprakeloos: He stood —-tied; —-twister = moeilijk uit te spreken woord; —d = met eene tong (in samenst.): —d boards = geploegde planken; —less = zonder tong, sprakeloos; —y = rad van tong, met mooie praatjes.

Tonic, tonik, subst. grondtoon, tonisch middel; adj. tonisch; — solfa = het voorstellen van klanken en tonen door letters, enz.; — spasm = rechtstijvigheid.

To-night, tunait, van avond, van nacht.

Tonnage, tɐnidž, tonnemaat, last, tonnegeld: Bill (Certificate) of — = meetbrief; — and poundage = oude belasting op in- en uitgevoerde koopwaren, wijn, etc.; —-car = goederenwagen (Am.); A 40 Tonner = schip van 40 t.

Tonsil, tonsil, amandel (keelklier); adj. —lary; Tonsillitis, tonsilaitis, ontsteking der amandelen.

Tonsure, tonšə, tonsuur; —d = met eene tonsuur.

Tontine, tontîn, tontine, een naar Tonti genoemd stelsel van verzekering.

Tony, touni, (verk. v. Anthony), onnoozele hals.

Too, tû, al te, tevens, ook: That’s rather — — = dat is wel wat al tè; Jealous — = nu nog mooier, ook nog jaloersch! Quite — = bovenmate.

Toofer, tûfə, slechte cigarette (= Two for a penny).

Took, tuk, imperf. van to take.

Tool, tûl, subst. werktuig (ook fig.), gereedschap, stempel; — verb. vorm geven, een wagen of diligence rijden, van geperste versieringen voorzien: Gold —ing = proces om banden van boeken te versieren met vergulde stempels; —-box (-chest) = gereedschapskist; —-house.

Toom, tûm, adj. ledig; — verb. ledigen.

Toot, tût, toeteren, blazen: The horn was —ing; —er = blazer, toeter.

Tooth, tûth, tand, punt: He cast it in my teeth = gooide het mij voor de voeten; The baby has cut its first — = gekregen; To clench one’s teeth = op elkaar klemmen; He dared me to the teeth = tartte me tot het uiterste (in mijn gezicht); I did it (told it him) in (spite of) his teeth = ik deed het trots zijn verzet, zeide het vlak in zijn gezicht; To have a — drawn (extracted, pulled out, taken out) = laten trekken; He has a sweet — = is een zoetekauw; To get rather long in the — = aftandsch worden; It makes my teeth (mouth) water = het doet mij watertanden; I say it to your teeth = in uw gezicht; It set my teeth on edge = het deed me griezelen, ik werd er akelig van; He set his teeth in grim earnest = zette op elkaar; To show one’s teeth = de tanden laten zien (ook fig.); To defend — and nail = met hand en tand; A set of artificial teeth; Canine, Corner — = hoektand; Cutting — = snijtand; Double, Grinding — = kies; False —; Milk —; Wisdom —; —-ache = tand- of kiespijn; —-brush = tandenborstel; —-drawing = het tandentrekken; —edge = het tintelend gevoel door harde en krassende geluiden veroorzaakt; —-key = sleutel om tanden te trekken; —-paste = pasta; —pick = tandenstoker; —-powder = tandpoeder; —-socket = tandkas; —-wheel = tandrad; —ed = met tanden; —ful = mondje-vol; —ing = het tanden krijgen of wisselen; —less; —let = tandje; —letted = fijn getand; —some = lekker, smakelijk; subst. —someness.

Tootle, tût’l, toeteren, blazen.

Top, top, top(punt), spits, kroon, hoogte, hoofdeinde, hoofd, kap, opslag, mars, hemel, bovenste kant, tol; adj. hoogste, grootste, voornaamste, uiterste; — verb. uitsteken, overtreffen, bedekken, zich verheffen, de toppen of koppen afsnijden of afslaan, toppen (van ra’s), bestijgen, van kappen voorzien, mesten, hoog zijn, vallen, eindigen, voltooien, etc.: He is at the — of his class = nummer één; To be at the — of the tree = op de bovenste sport (fig.); He cried at the — of his voice = zoo hard hij kon; From — to bottom = van onder tot boven; I have slept like a — = als eene roos, als een otter; On the — of = op den top van, daarop, boven en behalve: It is no joke to go tramping to the poll on the — of a day’s work = na eene harde dagtaak; Inside or on the —, sir? = binnenin of bovenop (de omnibus), mijnheer? They are stories without — or tail = verhalen zonder kop of staart; The — of a loaf = bovenste, kapje; The — of the morning to you! = ik wensch je een goeden morgen (Iersch); The — (bottom, lower end) of a hall = vóórin (achterin) de zaal; — value = hoogste prijs of noteering; This trip —s and caps all others = overtreft (bekroont); —-boots = laarzen met gekleurde kappen; —-branch = hoogste tak; —-cloth = vinkennet (zeeterm); —-coat = overjas; —-draining = droogleggen van de oppervlakte van land; —-dress, subst. bovenmest; — verb. de oppervlakte bemesten; —-dressing = bovenmest: To put a fair —-dressing of gentility on a person = een aardig vernisje van beschaving; —gallant, subst. bramsteng, toppunt; adj. van de bramsteng, voornaamste, uitstekend; —-heavy = topzwaar, dronken; —-hole = prima; —-knot = kuif, strik op het hoofd; —-knotted = verwaand, pedant; —-lantern; —-light = toplicht; —-mast = steng; —-sail = marszeil; —-sawyer (-man) = bovenste van twee zagers, bovenste-beste, man van voorname familie (of veel geld); —-soil = bovengrond; —-stone = deksteen; The haystack was —ped off = voltooid; —ped off with gold and silver = versierd met; They —ped up with that work = zij eindigden met; Some cream to — up with = nu nog wat room na; Zie Topper.

Topaz, toupəz, topaas; —olite, təpazəlait, gele granaat.

Tope, toup, subst. boschje of groep boomen; — verb. zuipen, veel drinken; —r = zuiplap.

Topee, təpî, helm(hoed) (Br. Ind.).

Topeka, təpîkə; Tophet, toufət (2 Kon. 23, 10).

Topi, təpî = Topee.

Topiary, toupjəri: — work = kunstmatig en tot bepaalde vormen snoeien v. boomen, heggen, enz.

Topic, topic, onderwerp (van gesprek); plaatselijk geneesmiddel; —al song = gelegenheidsgedicht of -lied; There is no —al interest whatever in the paper = niets actueels.

Topmost, topmoust, hoogste.

Topographer, təpogrəfə, topograaf; Topographic(al), topəgrafik(’l), topographisch; Topography, təpogrəfi, topographie.

Topper, topə, voortreffelijk persoon, uitstekend iets, cylinderhoed: A — for you = dat is een beste, die kun je in je zak steken; Topping, verheven, uitstekend, fijn, voornaam: A — passion = alles beheerschende hartstocht.

Topple, top’l, (voorover) tuimelen, neervallen: My airy castle —d to the earth = viel in.

Topsyturvy, topsitɐ̂vi, onderstboven; subst. chaos; — verb. onderstboven keeren: To turn everything —; Topsyturvyfication = omvergooiing: The book is a regular — of morality = gooit alle moraliteit omver.

Toque, touk, Toquet, təkei, toque.

Tor, tö, steile rots, spitse heuvel.

Torch, tötš, toorts; —-bearer = fakkeldrager; —-dance, fakkeldans; —-light, subst. fakkel- of toortslicht: —-light procession = fakkeloptocht; —-race = fakkelwedloop; —-thistle, fakkeldistel.

Tore, tö, imperf. van to tear.

Toreador, toriədö, toreador.

Torment, töm’nt, kwelling, marteling, plaag.

Torment, töment, martelen, pijnigen; —er, —or = kwelgeest, soort eg, lange vork; —ress = kwelster.

Torminal, tömin’l, Torminous, töminɐs, erge krampen hebbend.

Tormintil, töm’ntil, tormentil, bloedroode ooievaarsbek.

Torn, tön, part. perf. van to tear.

Tornado, töneidou, tornado.

Torose, tôrous, tôrous, Torous, tôrəs, gezwollen, knobbelig.

Torpedist, töpîdist, torpedist; Torpedo, töpidou, torpedo; knalpatroon; sidderrog; — verb. torpedeeren; —-boat = torpedoboot; —-catcher, —(-boat) —-destroyer = torpedojager; —-net = torpedonet.

Torpid, töpid, verstijfd, bewegingloos, langzaam, traag; subst. tweedeklasse giek (Oxford), de bemanning daarvan: —s = roeiwedstrijden in het voorjaar (Oxf.); Torpidity = —ness = verstijfdheid, bewegingloosheid, winterslaap = Torpor, töpə.

Torquay, tökei, töki.

Torrefaction, torifakš’n, uitdroging; Torrefy, torifai, drogen, uitdrogen.

Torrent, tor’nt, subst. hevige stroom, vloed: — of lava; The rain came down in —s = in stroomen; Torrential, tərenš’l, krachtig, stormachtig: — applause, enthusiasm.

Torricellian, toritšelj’n, van Torricelli.

Torrid, torid, verzengd, brandend: — zone; subst. —ness.

Torse, tös, romp; gevlochten krans (herald.); Torsion, töš’n, draaiing, terugdraaiing; adj. —al.

Torsk, tösk, dorsen (visch).

Torso, tösou, romp.

Tort, töt, onrecht, nadeel: The Law of —s, or: a Treatise on the Principles of Obligations arising from Civil Wrongs in the Common Law.

Tortile, töt(a)il, spiraalvormig gewonden; subst. Tortility.

Tortoise, tötəs, (land)schildpad; —-shell, subst. en adj. (van) schildpad; —-shell cat = geelbruine.

Tortuose, tötjuous, gekronkeld, gedraaid; Tortuosity, tötjuositi, kronkeling, kromming, slinkschheid.

Tortuous, tötjuəs, gekronkeld, gedraaid, krom, slinksch; subst. —ness.

Torture, tötjə, subst. marteling, zielsangst, pijniging: — verb. kwellen, martelen, verdraaien: To put to the —; — of animals = dierenmishandeling; —r.

Torulose, tor(j)ulous, Torulous, tor(j)ulɐs, met knoopen.

Tory, tôri, subst. en adj. Tory, conservatief; —ism = de beginselen der conservatieve partij.

Tosh, toš, onzin.

Toss, tos, subst. opgooien, worp, onrust, angst; — verb. werpen, opgooien, slingeren, verontrusten, woelen, dobbelen (door het opgooien v. geldstukjes): In a — = erg gejaagd; To win the — = winnen bij het opgooien; To — the oars = loodrecht opheffen als teeken van begroeting; To — pancakes = bakken en omgooien in de pan; He could not — away the image of his love = van zich afzetten; I —ed it in my mind = overlegde het; We —ed him in a blanket = we hebben hem “gejonast”; — off your glass = sla’m eens om; We will — up for it, head or tail = er om opgooien: kruis of munt: To — up the head = het hoofd in den nek gooien; —-up = risico, onzekerheid: It is a regular —-up = ’t hangt geheel van het toeval af; —-pot = zuiplap; The ship was tempest-—ed, tempest-tost = werd door den storm heen en weer geslingerd; —er; Tossy = trotsch, met het hoofd in den nek.

Tot, tot, subst. kleine peuter; borreltje: I have drunk your health in a — of rum = met een glaasje rum.

Tot, tot, som, post; — verb. optellen: The Highlander knows how to — you up a high bill = weet te rekenen; To — up profits and losses.

Total, tout’l, subst. en adj. (het) geheel, totaal; — verb. gezamenlijk bedragen: Their number —s 20.000; —-abstinence = geheelonthouding; Totalisator, toutəlizeitə, totalisator; Totality, tətaliti, de geheele som, het totaal; Totalize = aanvullen; —r = totalisator.

Tote, tout, het geheel (The whole —); dragen (Amer.): You must — fair = ge moet eerlijk en billijk handelen; —-load = vracht.

Totem, tout’m, totem; —-clan = familiestam, met een gemeenschappelijken totem als familiewapen; —ic, tətemik, tot een totem behoorende; —ism = gebruik om familiën en stammen een zeker symbool te geven.

Tother, t’other, tɐdhə, samentr. van that (the) other.

Totter, totə, waggelen, wankel loopen: The baby is at the —ing and tumbling age = de kleine begint alléén te loopen; —y = bevend, waggelend.

Tottie, toti, kleine of jonge Hottentot.

Totty, toti, subst. kleine “hummel”; adj. waggelend; —-headed = lichtzinnig.

Touch, tɐtš, subst. aanraking, voeling, gevoel, lichte aanval, aanslag (van piano of orgel), streek, toetssteen, proef, trek, smaakje, wenk, toespeling, een ietsje, etc.; — verb. aanraken, raken, reiken tot, bereiken, voelen, betasten, aanroeren, betreffen, roeren, bedroeven, aannemen, innen, schetsen, schilderen, aanslaan, pakken, beleedigen; bedriegen (Austr.), etc.: To be in — with = voeling houden met; He came into — with his century = kreeg voeling met; To establish (Get into) — with = voeling krijgen met; I have found — of my fellows = heb voeling gekregen met; I gave my work the finishing — = heb de laatste hand gelegd; You must keep in — with us = moet voeling met ons houden; To put to the — = op de proef stellen; To stand the — = de proef doorstaan; He has a — of the gout = aanval van jicht; “No,” he said, with a — of temper = eenigszins geraakt; It was —-and-go = het was op het kantje af, er aan toe, het kon weinig lijden; Cold to the — = op het gevoel; He would — no food = niet aanraken; Shall we — glasses = eens klinken; That does not — the question = raakt; To — the (— on the tenderest) spot = den vinger op de wonde plek leggen; We —ed the wind = hielden het schip zoo dicht mogelijk aan den wind; Nobody can — him = bij hem halen; It —ed me to the quick = trof mij diep; It —es you more than any of us = raakt u meer; The ship —ed = stootte; We sighted an island, but did not — at it = deden het niet aan; Two of the characters were excellently —ed in = uitmuntend geschetst; We will — of that next time = behandelen; To — off = vluchtig schetsen, verbeteren, afvuren, geducht raken; Let me just — on it = het even aanroeren; We shall — it up = het wat repareeren, opknappen, opfrisschen, retoucheeren; —-hole = zundgat; —-me-not = kruidje-roer-me-niet; —-needle = toetsnaald, proefnaald; —-pan = kruitpan; —-paper = met salpeter gedrenkt en als lont gebruikt papier; —stone = toetssteen: Irish —stone = basalt van den Giant’s Causeway; —wood = zwam; —able = raak- of voelbaar; subst. —ableness; I can do it in four minutes, as near as a —er = op den kop af; A near —er = op ’t kantje af; Touching, adj. roerend, treffend; prep. betreffende, aangaande; Touchiness, subst. v. Touchy = knorrig, lichtgeraakt.

Tough, tɐf, taai, hard, streng, vasthoudend; subst. verloopen vent, vechtersbaas (Amer.): Oh, say now! This is — = kras; He is a — customer = laat niet los; I had a — time with Pa = had heel wat met Pa te stellen; That is a — piece of work = moeilijk werk; —en = taai worden of maken; —ish = ietwat taai; —ness = taaiheid.

Toupee, tûpî, Toupet, tupei, pruikje.

Tour, tûə, subst. rondreis, uitstapje, toer, volgorde; — verb. een rondreis doen, rondgaan, een uitstapje doen; Tourist = tourist: — ticket = rondreisbiljet.

Tournament, tûənəment. Zie Tourney.

Tournay, tûənei, Doornik.

Tourney, tûəni, tournooi, steekspel.

Tourniquet, tûəniket, draaikruis, haspel.

Tournure, tûənjûə, tournure, houding, omtrek, vorm.

Tousle, tauz’l, in wanorde brengen; adj. Tousy.

Tout, taut, subst. klantenlokker, spion die inlichtingen geeft omtrent voor wedrennen geoefend wordende paarden; — verb. spionneeren, beloeren, klanten lokken: A money-lender’s — = de handlanger van een geldschieter; What can be got by —ing among the critics is not worth the ignominy = wat men bij de critici wint door ze achterna te loopen; To — for applause, custom, orders = bedelen om, zoeken te lokken; —er = Tout.

Tow, tou, sleeptouw; — verb. boegseeren, sleepen: To take in — = op sleeptouw nemen (ook fig.); —boat = sleepboot; —-car = volgwagen (tram); —-line = sleeplijn = —-rope; —age, touidž, het sleepen, sleeploon; —ing-path = jaagpad; —ing-vessel = sleepboot.

Tow, tou, werk, touw; —-cloth = paklinnen; —-head = vlaskop; adj. —-headed.

Toward, touəd, aanstaande, nabij, gewillig, gehoorzaam, leergierig: A battle is — = op til; What is —? = wat is er aan de hand; —(li)ness = bereidwilligheid, leergierigheid; adj. —ly; Towards, touədz, tödz, naar toe, in de richting van, tegenover, ten opzichte, bijna, omtrent.

Towcester, taustə.

Towel, tauəl, handdoek, doek; — verb. afwrijven, ranselen: Oaken — = knuppel; —-horse = rekje; —ling = linnen voor handdoeken, pak ransel.

Tower, tauə, subst. toren zonder spits, burcht, kasteel, hoog kapsel; — verb. zich verheffen, uitsteken boven, hoogvliegen: — of silence = ronde toren, waarin de Perzen (in Indië) hunne dooden (tot aas voor de gieren) leggen; —-bastion = kleine toren in den vorm van een bastion; —ing = zeer hoog of groot, buitengewoon hevig: —ing rage.

Town, taun, subst. stad: — and gown = de stedelingen tegenover professoren en studenten; He is a man about — = roué, viveur, iemand, die veel uitgaat; A man on — = een “city”-man; A girl of the — = prostituée; — clerk = gemeente-secretaris en archivaris; — council = gemeenteraad; — councillor = gemeenteraadslid; —crier = stadsomroeper; —hall = gemeentehuis, raadhuis; —house = raadhuis, huis “in stad”; —land = land nabij eene stad; —-major = plaatscommandant; —-talk = praatje van de stad; — traveller = stadsreiziger; —-wall = stadsmuur; —sfolk = stedelingen; —sman = stadgenoot, stedeling; —speople = stedelingen; —ship = gemeente, stadsgebied.

Townshend, taunz’nd.

Towser, tauzə, groote hond (gew. hondennaam).

Toxic(al), toksik(’l), vergiftig; Toxicological, toksikəlodžik’l, toxicologisch; Toxicology = toxicologie.

Toxophilite, toksofilait, subst. boogschutter; adj. tot de boogschutterskunst behoorende.

Toy, tôi, subst. (stuk) speelgoed, kleinigheid, beuzelarij; — verb. dartelen, stoeien; spelen, beuzelen; —-book = prentenboek; —-box = speelgoeddoos; —-dog = schoothondje; —-drum = kindertrom; —man = speelgoedkoopman; —-pistol = kinderpistooltje; —-shop = speelgoedwinkel; — tea-things = kinderserviesje; —-trade = speelgoedhandel; —-watch.

Trace, treis, subst. spoor, teeken, voetspoor, streng, kleine hoeveelheid; — verb. opsporen, precies nagaan, uitvorschen, trekken, traceeren, doorkruisen, aanspannen (up): All boys are inclined to kick over the —s = uit den band slaan; —ability, subst. v. —able = naspeurbaar, vervolgbaar: —able to temporary conditions = terug te brengen tot; subst. —ableness; —less = spoorloos; Tracery = de ornamenten van den Gothischen bouwstijl.

Trachea, treikjə, luchtpijp; adj. —l; Trachitis, trəkaitis, luchtpijpontsteking.

Tracing, treisiŋ: —-paper = calqueerpapier.

Track, trak, subst. spoor, voetindruk, weg, begaan pad, baan, spoorlijn, zeegat; — verb. het spoor volgen, opsporen, nagaan: Bicycle — = wielerbaan; Double — = dubbel spoor; He followed in your — = drukte uwe voetstappen; The carriage left the — = dérailleerde; The old gentleman has made —s = is er haastig vandoor gegaan; The — and rolling-stock = tractie en rollend materieel; We —ed the deer = wij volgden het spoor van het hert; The tiger was —ed down = werd opgespoord; —-road = jaagpad; —-rope = jaaglijn; —age = het boegseeren of trekken; —er = speurhond; —less = onbetreden, onbegaan, spoorloos; subst. —lessness.

Tract, trakt, verloop, uitgestrektheid, streek, korte verhandeling, tractaatje.

Tractability, traktəbiliti, subst. v. Tractable, traktəb’l, handelbaar, volgzaam, leerzaam; subst. —ness.

Tractarian, traktêriən, subst. lid der High Church beweging (1833–41); adj. tot de High Church-beweging behoorende; —ism = de herleving van den ritueelen eeredienst in de E. kerk.

Traction, trakšn, rekking, (aan)trekking, voorttrekking: Electric — = electr. trek- of beweegkracht; —-engine = niet op rails loopende straatlocomotief; Tractive power = trekkracht; Tractor = wat trekt of tot trekken wordt gebruikt.

Tracy, treisi, Treesje.

Trade, treid, subst. handel, zaken, beroep, bedrijf, ambacht; — verb. handel drijven, verhandelen, verruilen: The — = handel in sterke dranken; Domestic (Inland, Home) —; Foreign —; To do a roaring — = drukke zaken doen; He follows the — of a smith = is smid van zijn ambacht; She practised all the tricks of her — = bracht al de slimme zetten van haar beroep in practijk; Two to a — never agree = concurrenten zijn het nooit eens; I will — this for something better = verruilen, verhandelen; You have —d on me = mij geëxploiteerd; This country —s to Turkey = drijft handel met Turkije; I will — watches with you = met u ruilen; —-card = adreskaart; —-guild = handelsgilde; —-list = prijscourant; —-mark = handelsmerk; —-price = engrosprijs; slijtersprijs; —-winds = passaatwinden; —’s-folk (= —s-people) = neringdoenden; —sman = handelaar, handelsman, neringdoende, winkelier, handwerksman; —(s)-union = vakvereeniging; —(s)-unionism = de beginselen of het stelsel der vakvereenigingen; Trader = koopman, handelaar, koopvaardijschip; Trading: —-vessel; The —-and-Profit-and-Loss account = Inkomsten- en Winst- en Verliesrekening.

Tradition, trədiš’n, overlevering; adj. —al; —alism = gehechtheid aan de overlevering, het stelsel dat alle menschelijke kennis door God geopenbaard en zoo overgeleverd is; —ary = —al.

Traduce, trədjûs, lasteren, smaden; subst. —ment; —r.

Trafalgar, trəfalgə.

Traffic, trafik, subst. (koop)handel, (handels)verkeer; — verb. (ruil)handel drijven, omzetten: Carrying — = goederendienst; Vehicular — = rijtuigverkeer = Wheeled —; — in white slaves = blanke-slavinnenhandel; —-manager = chef van den goederendienst; Trafficker = handelaar.

Tragacanth, tragəkanth, Tragant gom.

Tragedian, trədžîdj’n, treurspelspeler of -dichter; Tragedienne, tradžîdjen, treurspelspeelster; Tragedy, tradžədi, treurspel; adj. Tragic(al); The old French tragics = treurspeldichters; Tragi-comic(al) = tragi-comisch; Tragi-comedy, tradžikomədi, tragi-comisch stuk.

Tragopan, tragəpan, gehoornde fazant.

Trail, treil, subst. sleep, staart, spoor, pad (gemaakt door reizende N.-Amer. Indianen); — verb. langs den grond sleepen, het spoor volgen, opsporen, het geweer met de rechterhand horizontaal dragen, kruipen, rekken: I commanded them to carry their arms at a — = commandeerde: “Omlaag ’t geweer”; She —ed off into a howl = hief een langgerekt gejammer aan; —-net = sleepnet; —er = kruipplant, mandenwagentje achter een fiets; slingerplant = —ing-plant.

Train, trein, subst. trein, reeks, stoet, voortgang, loop, sleep, staart, soort v. slede (Canada), spoortrein, loopvuur (lijn v. buskruit), stel van beweging overbrengende raderen, reeks, lokaas, val, krijgslist; — verb. sle(e)pen, lokken, africhten, oefenen, drillen, richten, leiden, blokken, met den trein reizen: Down-—, Up-— = afgaande, opkomende trein; Freight —; Goods —; — of Artillery = artillerie-trein; The — of his thoughts, of thought = gang; Everything is in — = in gang; He left the town on a regular — = met een gewonen trein (Amer.); The gun was —ed = het kanon werd gericht; He was —ed up for it = er voor opgeleid; —-band (—ed band) = een vroegere schutterij of weerbaarheidskorps; —-bearer = sleepdrager; —-oil = traan(olie); —-road = hulpspoorweg; —-service = spoorweg-postdienst; —able = wie of wat geoefend of opgeleid kan worden; —ed dresses = sleepjaponnen; —ed nurse = ervaren; Trainer = africhter, oefenaar, drilmeester; Training = opvoeding, oefening, exercitie; het leiden van leiboomen; —-course = cursus; —-school = kweekschool; —-ship = oefeningsschip, opleidingsschip.

Traipse, treips; zie Trapes.

Trait, trei(t), eigenaardige en kenmerkende trek, streek, haal, toets.

Traitor, treitə, verrader; —ous = verraderlijk; subst. —ousness; Traitress, treitrəs, verraderes.

Trajan, treidž’n, Trajanus.

Tram, tram, rail van een paardespoor, paardespoor, tramwagen, karretje; ook verb.: To — it = trammen; —-car; —-line = tramweg; —road = tramweg = —way; —way-car = tramwagen.

Tramble, tramb’l, wasschen (v. tinerts).

Trammel, tram’l, subst. (sleep)net, kluister, vuurhaak (in een schoorsteen), hinderpaal, boei, ovaalpasser; — verb. belemmeren, beperken, boeien; —-net = sleepnet.

Tramontane, trəmontein, traməntein, trâmontein: —-wind, noordenwind in de Middellandsche Zee.

Tramp, tramp, subst. gestamp, getrappel, voetreis, landlooper, schip dat “op avontuur” vaart (—-steamer); — verb. (ver)trappen, stappen, treden, zwerven, vagebondeeren: To go on the — = den boer op gaan; —-colony = bedelaarskolonie; —er = landlooper, rondzwerver.

Trample, tramp’l, subst. getrappel, gestap; — verb. vertreden, vertrappen, trappelen: To — under one’s feet (under foot) = met voeten treden (fig.); —r.

Trampoos, trəmpûz, rondzwerven (Amer.).

Trance, trâns, subst. verrukking, geestvervoering, bezwijming, schijndood; — verb. = Entrance; To lie in a —.

Traneen, trənîn, kamgras: It is not worth a — = geen lor waard.

Tranquil, traŋkwil, rustig, kalm, ongestoord; —lity, traŋkwiliti, kalmte, gerustheid, rust = —ness; —lization, subst. v. —lize = tot bedaren brengen, kalmeeren; —lizer.

Transact, transakt, volbrengen, doen, verrichten: To — business with = zaken doen met; He —ed with his political convictions = transigeerde met; Transaction = verrichting, uitvoering, transactie, zaak, handel: —s of the Philological Society = Handelingen van het Philologisch Genootschap; During these —s = middelerwijl; Transactor = volbrenger, handelaar.

Transalpine, transalpain, transalpijnsch.

Transatlantic, transətlantik, transatlantisch.

Transcend, transend, te boven gaan, overtreffen; —ence, —ency = voortreffelijkheid; —ent = zeer voortreffelijk, transcendentaal = —ental, trans’ndent’l; —entalism, trans’ndentəlizm.

Transcribe, transkraib, overschrijven, afschrijven; —r = copiïst; Transcript, transkript, copie; Transcription.

Transept, transept, kruisvleugel.

Transfer, transfɐ̂, overdracht, overbrenging, verplaatsing, overschrijving, overdruk, overstapkaartje; pont; —-paper = overdrukpapier.

Transfer, transfɐ̂, overbrengen, overdragen, verplaatsen, afdrukken; —ability, transfɐ̂rəbiliti, transferəbiliti, subst. v. —able, transfɐ̂rəb’l, transferəb’l = verhandelbaar, overdraagbaar; —ee, transfərî, wien iets overgedragen wordt; —ence, transfərens, overdracht; —rer, transfɐ̂rə, transferə, overdrager.

Transfiguration, transfigjureiš’n, verheerlijking (Matth. XVII, 1–9), feest ter gedachtenis daaraan (6 Aug.); Transfigure, transfigjə, het uiterlijk voorkomen veranderen, verheerlijken.

Transfix, transfiks, doorboren, doorsteken: I stood —ed = als aan den grond genageld.

Transform, transföm, vervormen, hervormen, van vorm veranderen, herleiden; —able = veranderbaar, herleidbaar; —ation, transfömeiš’n, gedaanteverandering of -verwisseling, herleiding, hervorming: —ation-scene = het tooneel in de pantomime, waarbij de voornaamste personen in de personen der harlekinade overgaan; —ative = vervormend; —ator = —er = transformator.

Transfuse, transfjûz, overgieten, overstorten, overbrengen van bloed, zoutoplossingen inspuiten, overdragen; adj. Transfusible; Transfusion, transfjûž’n, overgieting, etc.

Transgress, transgres, te buiten gaan, overtreden, schenden, zondigen; —ion = overtreding, schennis; —ive = zondig; —or = overtreder, zondaar.

Tranship, tranšip, overladen; —ment = overlading.

Transient, tranš’nt, vergankelijk, kortstondig; subst. —ness.

Transit, transit, doorgang, transito, vervoer, overgang, verkeersweg: They went there to observe the — of Venus; — goods; Permit of — = geleibiljet; To pass in — = transiteeren; —-duty = transitorecht; —-instrument = instrument, om den overgang van eene planeet over den meridiaan of de zon waar te nemen; Transition, transiš’n, transiž’n, verandering, overgang(speriode); adj. —al = overgangs...; Transitive = overgaande, overgankelijk; subst. —ness; Transitoriness, subst. v. Transitory = vergankelijk, vluchtig, kortstondig.

Translate, transleit, verplaatsen, overplaatsen, overbrengen, vertalen, ten hemel voeren, uitleggen, oplappen, doorseinen: A —d saint = weggenomen (Hebr. 11, 5); —d with devotion = in aanbidding verzonken; What will the duke say? = The duke be —d = die moge “weggenomen worden”, laat hem stikken; Translation, transleiš’n, overbrenging, overzetting, vertaling, etc.; Translator = vertaler, translator, schoenlapper; adj. Translatory, Translatory.

Transliterate, translitəreit, in andere letters overbrengen (b.v. Grieksch met Latijnsche letters schrijven), herspellen op andere wijze; subst. Transliteration.

Translucence, Translucency, transl(j)ûsəns(i), subst. v. Translucent, transl(j)ûs’nt doorschijnend, duidelijk.

Transmarine, transmərîn, overzeesch.

Transmigrate, transmigreit, verhuizen; Transmigration, transmigreiš’n, (ziels)verhuizing = — of souls.

Transmissibility, transmisibiliti, subst. v. Transmissible, transmisib’l, verzendbaar, overdraagbaar, overerfelijk; Transmission, transmiš’n, overbrenging, overzending, doorlating (van licht door glas), geleiding, overerving: —-business = expeditiezaak; Transmit, transmit, overbrengen, overzenden, doorlaten, voortplanten, etc.; Transmittal = Transmittance; Transmitter = overzender, voortplanter, overbrenger; Transmittible = overzendbaar, etc.

Transmutability, transmjutəbiliti, subst. v. Transmutable, transmjûtəb’l, veranderbaar, verwisselbaar; subst. —ness; Transmutation, transmjûteiš’n, verandering, verwisseling; Transmute, transmjût, veranderen: The sentence of death was transmuted into lifelong imprisonment = werd veranderd in; Transmuter = wie of wat verandert.

Transoceanic, transoušanik, aan de andere zijde van den oceaan.

Transom, trans’m, dwarsbalk: —-window = raam met dwarsbalk.

Transparence, Transparency, transpêr’ns(i), doorzichtigheid, transparant; Transparent = doorzichtig, doorschijnend, klaarblijkelijk; subst. —ness.

Transpirable, transpairəb’l, wat kan uitlekken enz.; Transpiration, transpireiš’n, uitwaseming, zweet; Transpire, transpaiə, uitwasemen, uitdampen, aan het licht komen, uitlekken, gebeuren.

Transplant, transplânt, overplanten, overbrengen; —ation = verplanting, overbrenging; —er = verplanter.

Transport, transpöt, vervoer, transport, transportschip; verrukking, vervoering; —-ship = transportschip; schip waarmee gedeporteerden werden overgebracht.

Transport, transpöt, vervoeren, transporteeren, deporteeren, verzetten, meesleepen, verrukken: Faith —s mountains = het geloof verzet bergen; He was —ed for life = werd gedeporteerd; —ed with joy = vervoerd van vreugde; —ability = vervoerbaarheid, etc.; adj. —able; —ation = vervoer, overbrenging, etc.; —er = wie vervoert; —ing = verrukkend, bekorend.

Transposal, transpouz’l, verschikking, omzetting; Transpose, transpouz, verplaatsen, verschikken, omzetten, transponeeren; Transposition, transpəziš’n, verplaatsing, omzetting; adj. —al.

Transubstantiation, transɐbstanšieiš’n, verandering van brood en wijn in het lichaam van Jezus.

Transudation, transiûdeiš’n, subst. v. Transude, transiûd, doorsijpelen, doorzweeten.

Transvaal, transvâl.

Transversal, transvɐ̂s’l, subst. dwarslijn, snijlijn; adj. dwars(loopend); Transverse, transvɐ̂s, subst. dwarsspier, transversaal; adj. dwars, diagonaal, transversaal.

Transylvania, transilveinjə, Zevenbergen; —n, subst. en adj. (bewoner) van Z.

Trap, trap, subst. val, strik, hinderlaag, klep, valdeur, karretje, soort trap of ladder, soort wagen, schabrak, dek, mond, klabak; — verb. in eene val of strik vangen, verstrikken, versieren: Man-— = klem, voetangel; —s = bagage, goederen, “spullen”; —-door = valdeur; —-door-spider = aardspin (met een door eene deur gesloten nest); —-tufa, —-tuff = vulcanische tufsteen; —-valve = valklep; —per = pelsdierjager, wagenpaard; —piness, subst. v. —py; —pings, trapiŋz, paardentuig, harnachement, sieraad, opschik, versieringen; —py = slim, verraderlijk.

Trapan, trəpan, subst. strik; — verb. verstrikken: —ner of souls = zielverkooper.

Trapes, treips, subst. slons; — verb. rondloopen, vagebondeeren: I won’t be —ing in the mud.

Trapeze, trəpîz, zweefrek of trapezium; Trapeziform, trəpîziföm, als een Trapezium, trəpîž’m, trapezium.

Trappist, trapist, Trappist.

Trash, traš, subst. snoeisel, uitschot, afval, rommel, prullen, geklets, zware halsband (om een jachthond vast te houden); — verb. snoeien; vernederen, onderdrukken, kwellen: Poor white — = naam door negers der Zuidelijke Staten aan de armste blanken gegeven; —iness, subst. v. —y = nietswaardig, prullerig.

Trass, tras, tras.

Traumatic, trômatik, subst. en adj. wondheelend (middel); wond ...

Travail, travəl, subst. arbeid: —s = barensweeën; — verb. zwoegen, in barensnood zijn.

Trave, treiv, hoefslag; dwarsbalk.

Travel, trav’l, subst. het reizen (—s = (ontdekkings)reizen, reisverhalen); — verb. reizen, bereizen, doorreizen, trekken, zwerven, verdwijnen, heen en weer gaan: To — out of the record = afdwalen (fig.); —led = bereisd, ervaren, erratisch: The far —led princess = die een verre reis had gedaan; A much —led man, road; Traveller = reiziger: To tip the — = opsnijden; —’s-joy = clematis, heggeboschdruif; Travelling: — instructors = wandelleeraren.

Traversable, travəsəb’l, betwistbaar; doortrekbaar, doorwaadbaar; Traverse, travəs, subst. dwarshout of -strik, middelschot, dwarsgang, wederwaardigheid, tegenspoed, koppelkoers (scheepst.), het doorreizen, streek, wending, uitvlucht; adj. dwars; — verb. ronddraaien, draaien, dwars loopen (van paarden b.v.), kruisen, doorkruisen, stroomen (loopen) door, doorgaan; adv. dwarsover; —-sailing = koppelkoers; Traverser = beugel, schuifring.

Travesty, travəsti, subst. vermomming, travestie; — verb. parodieeren: The trial degenerated into a — of justice = eene parodie op.

Travis, travis. Zie Trave.

Trawl, trôl, subst. sleepnet (= —net); — verb. met een sleepnet visschen; Trawler = visschersvaartuig dat met een trawl vischt.

Tray, trei, schenkblad, bakje, tobbe, lade; —-cloth = kleedje onder theeblad.

Treacherous, tretšərɐs, verraderlijk; subst. —ness = Treachery, tretšəri, verraad, trouweloosheid.

Treacle, trîk’l, (suiker)stroop, theriakel; —-stick = strooppil; adj. Treacly.

Tread, tred, subst. stap, trede, schrede, hanetrede; — verb. treden (ook van vogels), trappen, drukken, wandelen, volgen, paren: To — grapes = druiven treden; To — (the) water = water treden; To — in a person’s (foot)steps (fig.); He —s on it, —s it under foot = vertrapt het, zet er den voet op; One trod on the heels of the other = de een kwam vlak achter den ander aan; We have trod(den) out the fire = uitgetrapt; —-mill = tredmolen; —er; Treadle, tred’l, trapper (v. naaimachine, etc.), trede, pedaal, hanetrede; — verb. trappen.

Treason, trîz’n, verraad: High — = hoogverraad; —able = verraderlijk; subst. —ableness.

Treasure, trežə, subst. schat; — verb. vergaren, verzamelen, bewaren als een schat: He —d up all these memories = bewaarde zorgvuldig; —-house = schatkamer; —-seeker = schatgraver; —-trove = gevonden schat; Treasurer = schatmeester: —ship.

Treasury, trežəri, schatkamer, schatkist, departement v. financiën (—-department) en de ambtenaren (Het nominale hoofd is the First Lord of the Treasury of Lord High Treasurer, gewoonlijk de Premier. Hem ter zijde staan: The Chancellor of the Exchequer en 3 Lords Commissioners of Junior Lords); —-bill (—-bond, —-note) = schatkistobligatie; —-bench = voorste bank (regeeringsbank), rechts van den Speaker in het House of Commons; —-warrant = schatkistontvangbewijs.

Treat, trît, subst. onthaal, traktatie, genot; — verb. behandelen, handelen over, ontwikkelen, bespreken, onderhandelen, onthalen: It is a — to me = genot, traktatie; It is my — now = nu moet ik een rondje geven; He insisted on standing — = wou trakteeren; You have —ed me well, ill = mij goed, slecht behandeld; He —ed of many subjects = handelde over; He —ed us to a bottle and some excellent cigars = schonk eene flesch en liet ons lekkere sigaren rooken; He —ed me to the theatre; I’ll — myself to a new coat = me de weelde veroorloven; Ambassadors were sent to — with Russia = te onderhandelen; —er = onderhandelaar, verhandelaar, onthaler; Treatise, trîtis, verhandeling; Treatment = behandeling, handelwijze: I am under — = geneesk. behandeling; Treaty = verdrag, tractaat: To break, make, violate a — = verbreken, aangaan, schenden; — of commerce; — of partition = verdeelingsverdrag; They are in — with the Greeks = in onderhandeling met.

Treble, treb’l, subst. het drievoudige; hooge bovenstem, discant, sopraan; adj. drievoudig, hoog (van stem of instrument); — verb. verdrievoudigen, driedubbel worden: The boy —s = jongenssopranen; You are doubly, nay trebly blessed = dubbel, neen driewerf gezegend.

Tree, trî, subst. boom, as, leest, galg (in samenst.); — verb. in een boom jagen of vluchten, in verlegenheid brengen of in de macht krijgen, op de leest zetten: As the — so the fruit = zoo boom zoo vrucht; de appel valt niet ver van den boom; He is at the top of the — = hij heeft het hoogste punt bereikt; I have got you up a — = in mijn macht, je zit er leelijk in; — of knowledge = boom der kennisse des goeds en des kwaads; — of life = boom des levens; Books, bound in —-calf = kalfsleer met boomfiguren; —-deity = afgodsboom; —-frog = boomkikvorsch; —-louse = bladluis; —-nymph = dryade; —-toad = boomkikvorsch; —-worship = boomvereering; —less = zonder boomen; —like = als een boom.

Treenail, trîneil, houten nagel.

Trefoil, trîfôil, klaver(blad).

Trek, trek, trekken (in een ossenwagen); subst. trek, reis (Z. Afr.); —-chain.

Trellis, trelis, latwerk, traliewerk, leilatten; —-fence; —-gate; —-work = kruiselings loopende latten voor veranda’s, priëeltjes, etc.; —ed = met latwerk.

Trelawny, trəlôni.

Tremble, tremb’l, subst. beving, vrees; — verb. beven, rillen, sidderen, schudden, trillen: I am all of (in) a — = beef over mijn geheele lijf; He —d with fear = van angst; To — in every limb, in one’s shoes; —ment = triller (muz.); —r = bever, riller; Trembling: — in the balance = onzeker; —-poplar = ratelpopulier.

Tremendous, trimendəs, geducht, verschrikkelijk; subst. —ness.

Tremolo, treməlou, triller, trilling.

Tremor, tremə, rilling, huivering: In a —; — cordis = hartklopping; Tremulous, tremjulɐs, bevend, trillend, sidderend; subst. —ness.

Trenail = Treenail.

Trench, trenš, subst. gracht, greppel, sloot, afvoersloot, loopgraaf; — verb. eene sloot of greppel graven, loopgraven maken, inbreuk maken op (on, upon), diep graven of ploegen: The enemy opened the —es = begon met de loopgraven; —-plough = diepsnijdende ploeg; Trenchancy = scherpheid; Trenchant, trenš’nt, snijdend, scherp, bits; Trencher = graver, houten schotel, broodplank, tafel: —(-cap) = hoofddeksel (met vierkant bovenstuk) van de E. studenten; —-man = goed en smakelijk eter = —-mate.

Trend, trend, subst. neiging, richting, geer, bocht; — verb. geeren, zich richten, loopen, zich uitstrekken: The — of the sea-shore = de bocht der zeekust; The coast —ed to north = de kust liep noord.

Trennel, tren’l, trɐn’l = Treenail.

Trental, trent’l, Gregoriaansche mis: Dertig missen, één per dag, vooral voor overledenen.

Trepan, trəpan, schedelzaag of -boor, boormachine; — verb. doorboren of trepanneeren; —ner.

Trepidation, trepideiš’n, siddering, trilling, beverigheid, ontsteltenis.

Trespass, trespəs, subst. overtreding, zonde, nadeel; — verb. overtreden, zondigen, schenden, te ver gaan, misbruik maken, zich indringen: Forgive us our —es as we forgive them that — against us = vergeef ons onze schulden gelijk ook wij vergeven onzen schuldenaren; To — on (upon) a law, upon a person’s good nature = overtreden.... misbruik maken van; No —ing on the railway is allowed = de toegang tot den spoorweg is verboden; I hope I have not —ed upon your time = niet te veel van uw tijd geroofd heb; —er.

Tress, tres, (haar)lok, krul, vlecht; —ed.

Trestle, tres’l, stellage, bok, schraag; —-board = teekenbord; A —-bridge = schraagbrug; —-work = steigerwerk of viaduct op palen en schragen (Amer.).

Tret, tret, goed gewicht, vier Eng. ponden toe op elke 100.

Trevelyan, trəvelj’n; Treves, trîvz, Trier.

Trevet, trevet. Zie Trivet.

Trey, trei, drie (op dobbelsteen of kaart).

Triable, traiəb’l, wat beproefd kan worden; subst. —ness; Trial, traiəl, proef, experiment, verhoor, (gerechtelijk) onderzoek, beproeving: By way of —; On — = op proef; On one’s — = in verhoor, in onderzoek; Hour of —; He’s a great — to us = baart ons veel zorgen; A — man = iemand, die “op proef” genomen wordt; The pest and — of the libraries = plaag en beproeving; A — at bar = processen waarbij de 4 rechters v. het oude Superior Court waren betrokken, zoodat aan 3 Courts geen zaken behandeld konden worden; A — by jury = gerechtelijk onderzoek door de jury; He was brought to (put to) his — = werd in verhoor genomen, vervolgd; To commit for — = naar een rechtbank verwijzen; Let him have a — = laat het hem eens probeeren; To make a — of = de proef nemen; To move for a new — = appelleeren; To be put on (committed for) — = in verhoor genomen, vervolgd worden; The steamer gave much satisfaction in her —s = op den proeftocht (= —-trip); —-balloon = proefballon (ook fig.).

Triangle, traiaŋg’l, driehoek, triangel; Triangular, traiaŋgjulə, driehoekig: — compasses = passer met drie beenen; Triangulate, traiaŋgjuleit, trianguleeren; Triangulation = triangulatie.

Trias, traiəs, triasformatie; adj. Triassic.

Tribal, traib’l, v. een stam: The — rules which regulate savage life; Tribe, traib, stam, klasse, geslacht, familie, troep; —s-man, lid van een stam.

Tribrach, traibrak, voet v. drie korte syllaben.

Tribulation, tribjuleiš’n, groot verdriet, zware beproeving.

Tribunal, traibjûn’l, rechtbank, gerechtshof, rechterstoel, biechtstoel; Tribune, tribjûn, tribuun, tribune; —ship.

Tributary, tribjutəri, subst. en adj. schatplichtig(e staat); zijrivier (= — stream); Tribute, tribjut, schatting, cijns, schatplichtigheid: To pay the — of nature = den tol der natuur betalen; —-money = cijns, schatting.

Tricapsular, traikapsiulə, met drie kapsels of cellen.

Trice, trais, ophijschen.

Trice, trais, oogenblikje: In a — = in een wip.

Tricentenary, traisentənəri. Zie Tercentenary; adj. Tricentennial.

Triceps, traiseps, driehoofdig.

Trichina, trikainə, trichine; Trichinosis, trikinousis, trichinenziekte; adj. Trichinous, trikinɐs, trikainəs.

Trichord, traiköd, subst. en adj. driesnarig (instrument).

Trick, trik, subst. streek, kunstgreep, handigheid, poets, grap, trek, slag, “volte”, eigenaardigheid, roergang (scheepst.); — verb. bedriegen, bedotten; versieren, opschikken: Boy’s — = kwajongensstreek; —s of fortune = grillen; Don’t come your —s here = haal hier geen streken uit; He has done the — = is dood, kapot; He always had the bad — of mumbling = de slechte gewoonte; We have the odd — = één slag (trek) meer; I knew every — of his face = iedere uitdrukking; I know a — worth two of that = daar loop ik niet in; He knows a — or two = is uitgeslapen; He played you a bad — = heeft u eene leelijke poets gebakken; To show —s = kunstjes vertoonen; He —ed me out of a considerable sum = bedroog mij voor; I am tired of those dramatic —-changes = die dramatische verrassingen; —er = bedrieger; —ery = bedriegerij, bedotterij; —iness, subst. v. —y; —ish = vol streken, bedriegelijk; subst. —ishness; —siness, subst. v. —sy; —ster = bedrieger, schurk; —sy = schalksch, snaaksch, fijn; —y = vol streken, ondeugend, snaaksch.

Trickle, trik’l, zachtkens vloeien, in droppels neerdalen: The blood —d down my fingers = liep tappelings langs mijne vingers.

Trick-track, triktrak, triktrakspel.

Triclinium, traikliniəm, stel lage divans om drie zijden eener eettafel, elk stel voor drie personen; Rom. feestzaal.

Tricolour, traikɐlə, driekleurig(e vlag); —ed.

Tricot, trîkou, tricot.

Tricycle, traisik’l, subst. driewieler; — verb. op een driewieler rijden; Tricyclist = rijder op een driewieler.

Tridactyl(ous), traidaktil(ɐs), met drie teenen of vingers.

Trident, traid’nt, drietand, oppermacht ter zee; —ate(d), traidentit (—eitid), met drie tanden.

Tridentine, traidentin, subst. en adj. het concilie v. Trente of de stad betreffend.

Tridimensional, traidimenšən’l, met drie afmetingen.

Tried, traid, beproefd: A — friend = trouw; Trier, traiə, vroeger een bepaald rechter.

Triennial, traienj’l, driejarig, driejaarlijksch.

Trifid, traifid, in drieën gespleten.

Trifle, traif’l, subst. kleinigheid, beetje, beuzeling, schoteltje v. een gebak in sherry gedrenkt en met room en geslagen eieren bedekt; — verb. spelen, spotten, beuzelen, verbeuzelen: I don’t stand upon —s = zie niet op die kleinigheden; You are trifling away your time and money = ge vermorst; Don’t — with me = houd me niet voor den gek; —r = beuzelaar; Trifling expenses = niet noemenswaardige uitgaven.

Trifoliate(d), traifouljit (—eitid), driebladig; Trifolium, traifoulj’m, klaver.

Trifurcate(d), traifɐ̂kit (—eitid), met drie takken of vorken.

Trig, trig, keurig, netjes.

Trig, trig, subst. remblok, remschoen; — verb. remmen, vastzetten.

Trigger, trigə, trekker (v. een vuurwapen): To pull the — = afvuren; —-guard = beugel (onder den trekker).

Trigon, traigon, trigoon, driehoek; het samenkomen v. drie teekens van den Dierenriem; —al, trigən’l, driepuntig, driehoekig; Trigonometric(al), trigənəmetrik(’l), tot de driehoeksmeting behoorende; Trigonometry, trigənomətri, driehoeksmeting.

Trigraph, traigrâf, drie klinkers met één klank, b.v. eau in beau.

Trihedral, traihîdr’l, traihedr’l, met drie gelijke zijden.

Trike, traik, verb. van Tricycle: These girls are adepts at triking = rijden goed op driewielers.

Trilateral, trailatər’l, driezijdig.

Trilinear, trailinjə, met drie lijnen.

Trilingual, trailiŋgw’l, in drie talen.

Triliteral, trailitər’l, (woord) v. drie letters.

Trill, tril, subst. trilling, getrilde letter (zooals de Nederl. r), tremblant (muz.); — verb. trillen, vibreeren.

Trillion, trilj’n, trillioen, 1 met 18 nullen (Amer. 1 met 12 nullen).

Trilobite, triləbait, zeker fossiel schelpdier.

Trilogy, trilədži, trilogie.

Trim, trim, subst. toestand, staat, orde, kleeding, gala, opschik, garneersel; adj. netjes, keurig, proper, goed passend; — verb. in orde brengen, netjes maken, versieren, uitrusten, snoeien, bijknippen, garneeren, opmaken, oprakelen, schoonmaken, terechtwijzen, geschikt maken, in goeden staat brengen (van een schip met betrekking tot lading, ballast, masten, enz.): We are in good — = in goeden staat, op alles voorbereid; She was dressed in regulation — = gekleed overeenkomstig de voorschriften (op bals, etc.); Out of — = slecht gestouwd; I —med him = veegde hem den mantel uit; To — a candle = snuiten; Will you — the fire? = vuur oppoken (en den haard aanvegen, etc.); He —med the lamp = maakte de lamp in orde; I have —med this piece in here = dit stuk hier ingepast; The sails were —med = zoo gunstig mogelijk (naar den wind) gezet; To — one’s sails accordingly = de huik naar den wind hangen; Independent members do not — to political demagogues = schikken zich niet naar; —mer = tremmer, politieke weerhaan, terechtwijzer, terechtwijzing; —ming = terechtwijzing, pak slaag; onstandvastigheid, weifelmoedigheid; —mings = oplegsel, garneersel, toespijzen: Tea with —mings; —ness = netheid, etc.

Trimeter, trimətə, drievoetige versregel.

Trinal, train’l, drievoudig: — unity.

Tringle, triŋg’l, gordijnroede, kleine kroonlijst.

Trinidad, trinidad.

Trinitarian, trinitêrj’n, subst. en adj. (belijder) v. de drieéénheidsleer; —ism = het leerstuk der drieéénheid; Trinity, triniti, drieéénheid: —-house = oude corporatie te Londen bij welke o.a. het toezicht op vuurtorens en boeien aan kusten en in rivieren berust; —-Sunday = Zondag na Pinkster; —-term = een der vier termijnen (22 Mei–12 Juni) gedurende welke Londensche rechtscolleges zitting hielden; thans — Sittings van Dinsdag na Pinkster tot 12 Augustus.

Trinket, triŋkət, kleinood, lijfsieraad in ’t algemeen; — verb. intrigueeren.

Trinomial, trainoumj’l, subst. en adj. drienamig(e term) = Trinominal, trainomin’l.

Trio, traiou, trîou, trio, klaverblad (fig.).

Triolet, traiəlet, trîəlet, triolet.

Trior, traiə, ambtenaar, die onderzoekt of eene wraking van juryleden juist is.

Trip, trip, subst. trippelpas, getrippel, uitstapje, gang, slag, beentjelichten, struikeling, misstap, val, kleine fout; — verb. trippelen, vlug loopen, huppelen, een uitstapje doen, struikelen, een mispas doen, dwalen, op eene fout betrappen, beentje lichten: They went on their wedding-— = op hun huwelijksreisje; Her foot —ped = zij struikelde; I —ped him up = heb hem den voet gelicht; They —ped up one another’s heels = volgden elkander onmiddellijk, zaten elkaar achterna; I was —ped up by that branch = struikelde over dien tak. Zie Tripper.

Triparted, traipâtid, in drie stukken verdeeld; Tripartite, tripətait, traipâtait, in drie deelen verdeeld, in triplo; Tripartition, tr(a)ipâtiš’n, verdeeling in drieën.

Tripe, traip, pens, ingewanden, buik.

Tripetalous, traipetəlɐs, driebladig.

Triphthong, tripthoŋ, trifthoŋ, drieklank; adj. —al, tripthoŋg’l, trifthoŋg’l.

Triple, trip’l, adj. drievoudig, driemaal; — verb. verdrievoudigen; —-crown = pauselijke kroon; —-headed = driehoofdig; Triplet, triplət, subst. trio, drieling, drieregelig versje, fiets voor 3 personen; adj. drievoudig; Triplex, traipleks, trippelmaat; Triplicate, triplikit, verdrievoudigd, drievoudig; subst. triplicaat; Triplication = verdrievoudiging, tripliek; Triplicity, triplisiti, drievoudigheid.

Tripod, traipod, drievoet(ige stoel, tafel of ketel).

Tripoli, tripəli, Tripoli; Tripoline, tripəl(a)in; Tripolitan, tripolit’n, (bewoner) van T.

Tripos, traipos, het Honours-Exam. te Cambridge voor den B.A. graad.

Tripper, tripə, trippelaar, danser, pleizierreiziger: Cheap —s = pleizierreizigers; Tripple = korte galop: He put the tired nag into a sort of — or ambling canter much affected by South-African horses.

Triptych, triptik, een uit drie deelen bestaande altaarschilderij; antiek waschtafeltje met 2 bladen, die konden worden dichtgeslagen.

Triradiate(d), traireidjit (-eitid), met drie stralen.

Trireme, trairîm, galei met 3 rijen roeibanken boven elkaar.

Trise, trais, opeischen.

Trisect, traisekt, in drie gelijke deelen verdeelen; subst. —ion, traisekš’n.

Trispermous, traispɐ̂məs, driezadig.

Trisyllabic(al), trisilabik(’l), drielettergrepig; Trisyllable, tr(a)isiləb’l, trisiləb’l, drielettergrepig woord.

Trite, trait, afgezaagd, alledaagsch; subst. —ness.

Triton, trait’n, zeegod, watersalamander: He is a — among the minnows = steekt verre boven zijns gelijken uit.

Triturate, tritjureit, tot fijn poeder malen of stampen; subst. Trituration.

Triumph, traiəmf, subst. triomf, zegepraal; — verb. zegepralen, zegevieren: He has —ed over all difficulties = glansrijk overwonnen; —al, traiɐmf’l, zegevierend: —al arch = eereboog; —al car = zegekar; —ant, traiɐmf’nt, zegevierend, zegepralend: — car (chariot) = zegekar; —er = triumphator.

Triumvir, traiɐmvɐ̂, drieman; —ate, traiɐmvirit, driemanschap.

Triune, traijûn, drieëenig.

Trivalvular, traivalvjulə, driekleppig.

Trivet, trivət, treeft, drievoet: I am (as) right as a — = ik ben zoo gezond als een visch.

Trivial, trivj’l, triviaal, onbeduidend, plat: — name = populaire naam voor dier of plant; —ity, trivialiti, alledaagschheid, onbeduidend iets: — verb. —ize; subst. —ness.

Trivium, trivj’m, naam voor de drie hoofdvakken in de Middeleeuwen: grammatica, rhetorica en logica.

Triweekly, traiwîkli, traiwîkli, driemaal per week (verschijnend blad).

Troat, trout, subst. het schreeuwen van een hert in den bronsttijd; — verb. schreeuwen (van een hert).

Trochaic, trəkeiik, trochaeisch.

Troche, troutš, trouk, troukî, (artsenij)tablet.

Trochee, troukî, trochee.

Trochil(us), trokil(ɐs), soort kolibri; tuinkoning.

Trod, trod, imperf. v. to tread; Trod(den), trod(’n), p. perf. van to tread.

Troglodyte, tro(u)glədait, holbewoner; adj. Troglodytic(al), trogləditik(’l).

Trojan, troudž’n, subst. en adj. Trojaan(sch).

Troll, troul, subst. lied (kànon), rondzang, rolletje aan een hengel, soort kunstaas; aardgeest; — verb. rollen, ronddraaien, rondgeven, neuriën, lokken, aantrekken, hengelen, slenteren, een rondzang aanheffen.

Trollop, troləp, slons, slet; —y = slonzig, vuil, zedeloos.

Trollope, troləp.

Troll(e)y, troli, kar, lorrie, rol- of sledecontact bij electr. trams.

Trombone, tromboun, schuiftrompet.

Troop, trûp, subst. troep, hoop, menigte, escadron; — verb. in een troep loopen, tot troepen of in eene menigte vereenigen, aftrekken (away): To get one’s — = ritmeester worden; He sold out, and the sale of his — gave us a competence = hij kocht zich uit, en de opbrengst van zijne ritmeestersplaats verschafte ons genoeg om van te leven; —s of the line = linietroepen; To levy (raise) —s; —ing the colours = paradeeren; A —-horse = cavaleriepaard; —-ship = transportschip; —er = cavalerist, transportschip: He swears like a —er = vloekt als een dragonder.

Trope, troup, redefiguur, fig. uitdrukking.

Trophy, trofi, zegeteeken, tropee.

Tropic, tropik, subst. keerkring: — of Cancer = kreeftskeerkring; — of Capricorn = steenbokskeerkring; The —s = de Tropen; —al = tropisch, beeldsprakig: —al fruit.

Trossachs, trosaks.

Trot, trot, subst. draf; dribbeltje of hummeltje; — verb. draven, in draf zetten: Little —s of four or five years old = kleine hummels; A jog-— = sukkeldrafje; At (On a) full — = in vollen draf; He brought his horse to a — = bracht zijn paard in draf; He was driving on at full — = in vollen draf; To go for a — = een eindje omstappen; To keep a person on the — all day = in touw houden (fig.); To — out = voorrijden; We’ll have to — you out = wij zullen u moeten examineeren, u zal op de koord moeten. Zie Trotter.

Troth, troth, trouw, geloof, waarheid, trouwbelofte: By my — = op mijn woord; In — = voorwaar, waarachtig; They plighted their — = beloofden elkaar trouw.

Trotter, trotə, draver, (schape-, of varkens)poot; Trotting: —-horse = harddraver; —-match = harddraverij.

Trottoir, trotwâ, plaveisel.

Troubadour, trûbədûə, troubadour.

Trouble, trɐb’l, subst. onrust, zorg, droefheid, verlegenheid, ongeluk, moeite, inspanning; — verb. verontrusten, storen, lastig vallen, hinderen, verdriet doen, moeite veroorzaken, angst aanjagen: To be at the — to = zich de moeite geven om; To be in — = in zorgen zitten; To bring — upon oneself = zich in ’t ongeluk storten; —s like crows seldom come singly = een ongeluk komt zelden alleen; My boy, you’ll get into — = je loopt erin, je krijgt nog straf; There’s no good in meeting — = geen zorg vóór den tijd; I fear I have put you to some — = dat ik u last heb veroorzaakt; Will you take the —? = de moeite doen, u den last getroosten; You might hare saved me that — = dien last kunnen besparen; I will spare no — = geen moeite ontzien; Don’t — (your head) about this = heb daar geene zwarigheid over; I will — myself no more about him = me niet meer druk om hem maken; May I — you for the gravy? = om de jus verzoeken; There the wicked cease from troubling = daar houden de boozen op van beroering (Job. III, 17); To fish in —d water = in troebel water visschen; —r = verontruster, verstoorder; Troublesome = lastig, moeilijk, vervelend: My back is — = ik heb last van (pijn in) mijn rug; subst. —ness; A troublous life = leven vol zorgen; In troublous times = in tijden van beroering.

Trough, trof, trog, bak, etensbak, golfdal = — of the sea.

Trounce, trauns, afrossen, uitschelden; Trouncing = afstraffing.

Troupe, trûp, troep tooneelspelers.

Trousering, trauzəriŋ, broekstof; Trousers = lange broek: A pair of — = eene broek; To go into — = een lange broek aankrijgen; To turn up the end of one’s — = zijn broekspijpen omslaan; Trouser-strip = galon.

Trousseau, trûsou, uitzet van de bruid.

Trout, traut, forel(len); —-coloured = forelkleurig (wit met zwarte spikkels); —-farm = kweekerij; —let = kleine forel.

Trouvère, trûvêə, minnezanger.

Trove, trouv. Zie Treasure; —r = bezitverkrijging door vinden, onrechtmatige toeëigening: Action of —r = aanklacht wegens deze toeëigening.

Trow, trau, trou, trû, gelooven, vertrouwen.

Trowbridge, troubridž.

Trowel, trauəl, subst. troffel; — verb. met een troffel opleggen; You are laying it on with a — = legt het er dik op (fig.).

Troy, trôi, Troje, Troyes (stad Z.O. v. Parijs): —(-weight) = gewicht van 12 ounces in het pound (= ± 373,242 gr.), alléén voor goud, zilver en juweelen; medicijnen.

Truancy, trûənsi, wegblijven, schoolverzuim; Truant, trûənt, plichtverzakend, lui, de school verzuimend; subst. leeglooper, spijbelaar; — verb. omboemelen, spijbelen: He often plays (the) truant = spijbelt dikwijls; To run — = wegloopen; —-school = school voor geregelde verzuimers.

Truce, trûs, wapenstilstand, tijdelijke opschorting: Flag of — = witte (parlementaire) vlag; A — to your doggerel = schei uit met je gerijmel; You have broken (the) — = den wapenstilstand verbroken; To make — with = een wapenstilstand sluiten; —-breaker = verbreker van afspraak of wapenstilstand.

Truck, trɐk, subst. ruilhandel, huishoudelijke artikelen, handel, gedwongen winkelnering, verkeer; groente, afval (Amer.); katrol, handwagen, lage stellage op wielen, lorrie, open goederenwagen, kleine ronde schijf of kloot boven aan vlaggestok of mast; — verb. ruilhandel drijven, schacheren, venten, in trucks overladen of verzenden; —-man = ruilhandelaar, wagenrijder; —-system = gedwongen winkelnering; —age, trɐkidž, ruilhandel, vervoerloon; —ful = wagenvol.

Truckle, trɐk’l, subst. wieltje, rolletje; — verb. voortrollen; zich aan den wil van anderen onderwerpen, slaafsch zijn, kruipen voor (to), voortrollen; —-bed = ledikant op rolletjes; He —s to circumstances = onderwerpt zich aan de omstandigheden; People crawl and — for social success = kruipen en buigen zich; —r = kruiper.

Truculence, trɐkjulens, woestheid, wreedheid, woest uiterlijk; Truculent = ruw, wreed, vreeselijk.

Trudge, trɐdž, voortsukkelen, zich voortslepen: He —d after his father = sukkelde achter zijn vader aan.

True, trû, waar, trouw, standvastig, eerlijk, echt, zeker, regelmatig, recht, rechtmatig, juist: What you say there is — enough = is volkomen waar; He was — to his country and loyal to his king = trouw aan koning en vaderland; — to one’s word; He gave us a — account of it = een nauwkeurig verhaal; — bill = uitspraak v. de Grand Jury, dat na onderzoek van het bewijsmateriaal rechtsingang zal worden verleend met verwijzing naar de Petty Jury (Panel); A perfectly — circle = volkomen; — copy = eensluidend afschrift; To come — = uitkomen (v. droomen); To go — = goed loopen (v. horloges); To hold — = waar blijven; To prove — = waar blijken; —-blue, subst. trouw, oprecht en eerlijk persoon, echte Tory; adj. onwrikbaar, trouw en eerlijk; —-born = echt, van wettige geboorte; —-bred = van echt ras, van goede opvoeding; —-hearted = trouwhartig, eerlijk; subst. —-heartedness; —-love, subst. minnaar, geliefde; —-love(r’s)-knot = soort van dubbele knoop (zinnebeeld v. wederzijdsche trouw en liefde); —penny = eerlijke vent; —ness = trouw, oprechtheid, juistheid, etc.

Truffle, trɐf’l, truffel; —-dog = truffelzoeker (hond); —-hunter.

Trug, trɐg, kalkbak; ⅔ bushel; groentemand.

Truism, trûizm, gemeenplaats, waarheid als eene koe.

Trullization, trɐlizeiš’n, het pleisteren.

Truly, trûli: Yours — = hoogachtend uw, etc.

Trump, trɐmp, subst. troefkaart, goede kerel, kranige vent; — verb. troeven, troef (uit)spelen, verzinnen, opdrijven: To call for —s = vragen; To lead off a — = opkomen met; To play —s; He was put to his —(s) = tot het uiterste gebracht; You always turn up —s = gij boft altijd, u loopt alles mee = All your cards are —s; —ed-up = verzonnen, waardeloos: An accusation was —ed up against us = werd tegen ons verzonnen; —ery, subst. vodden, prulleboel, bedriegerij; adj. waardeloos, prullerig.

Trumpet, trɐmpət, subst. trompet, scheepsroeper, uitbazuiner; — verb. met veel ophef bekend maken, uitbazuinen, uitbundig prijzen, trompetten: The last — = de bazuin van den oordeelsdag; A flourish of —s = fanfare; He blows (sounds) his own — = verkondigt zijn eigen lof; He —ed forth his friend’s praise = stak de loftrompet over zijn vriend; —-call = trompetsignaal; —-fish = trompetvisch; —-fly = schapenhorzel; —er = trompetter, loftuiter, schetteraar, trompetvogel; soort duif.

Truncal, trɐŋk’l, tot den stam of romp behoorende; Truncate, trɐŋkit, adj. afgeknot; — verb. (trɐŋkeit), afknotten, snoeien: —d cone (pyramid) = afgeknotte kegel (piramide); Truncation, trɐŋkeiš’n, afknotting, het afgeknot zijn.

Truncheon, trɐnš’n, subst. stam, stomp, schacht, staf, knuppel, maarschalksstaf; — verb. afrossen.

Trundle, trɐnd’l, subst. rol, wieltje, rolwagen; — verb. rollen, doen rollen, hoepelen: Let them — = laat ze loopen; —-bed = rolbed; —-head = kop v. een kaapstander; —-tail = krulstaart.

Trunk, trɐŋk, romp, stam, snuit (v. olifant), neus, koffer, hoofdlijn (voor spoor of telefoon); bak, koker: —s = —-hose = korte wijde broek boven de knieën ingenomen; —-line = hoofdlijn van spoor, kanaal, etc.; —-maker = koffermaker; —-root = hoofdwortel; —-sleeve = pofmouw.

Trunnel, trɐn’l = Treenail.

Trunnion, trɐnj’n, tap (van een kanon).

Truss, trɐs, subst. bundel, pakje, bosje, stellage of geraamte, pianokast, breukband, console; — verb. stijf binden, opstroopen, terecht trekken van kleeren, versterken, opmaken: He —ed on his rags = hing zijne lompen om; He —ed up his hair = bond op; A —ed fowl = opgemaakte vogel (gereed om te worden gebraden); —-maker = breukbandenmaker.

Trust, trɐst, subst. vertrouwen, geloof, toevertrouwd iets, deposito, crediet, zorg, vereeniging v. personen ten einde het monopolie te verkrijgen of te behouden; — verb. vertrouwen, gelooven, toevertrouwen, crediet geven, lichtgeloovig zijn, zich verlaten op: A distillers’ — = vereeniging van distillateurs; Breach of — = trouwbreuk; Position of — = post van vertrouwen; To give — = crediet geven; You are in my — = mij toevertrouwd, onder mijne hoede; Bonds in — = effecten, etc. in bewaring; The watch was committed to my — = mij ter bewaring toevertrouwd; Don’t put your — in such people = stel geen vertrouwen in; I took it on — = op goed geloof; I will — him no further than I can see; it was —ed to my care = toevertrouwd aan; I will — you with this = u dit toevertrouwen; — me for that = daar kunt ge op aan; — him to do it = hij “lapt net hem” wel; Trustee, trɐstî, beheerder, gevolmachtigde, commissaris, curator; —ship; Trustful = vertrouwend; subst. —ness; Trustless = niet te vertrouwen; subst. —ness; Trustworthiness, subst. van Trustworthy = trouw, vertrouwd, beproefd.

Truth, trûth, waarheid, oprechtheid, getrouwheid, standvastigheid: He did — = hij volgde Gods bevelen; Why don’t you speak the —? = waarom zegt gij de waarheid niet; In — = in waarheid, waarachtig, inderdaad; Of a — = waarlijk; —-ful = waarheidlievend, vertrouwbaar; subst. —fulness.

Truttaceous, trəteišəs, forellen...

Try, trai, subst. proef, poging; — verb. beproeven, onderzoeken, op de proef stellen, verhooren (rechtbank), aanwenden, verleiden, ondervinden, ijken, aangrijpen, veel vergen, uitbraden, raffineeren, inschieten: To have a — at = eens probeeren; I have tried hard to do it = ik heb terdeeg mijn best gedaan; I will — conclusions with him = het tegen hem opnemen; That tries the eyes = vermoeit de oogen; Such work tries a man = pakt je aan; We will — this quarrel hilt to hilt = dezen strijd met de degens uitmaken; To — on = passen; probeeren: I tried on my new coat = paste; To — it on = bedriegen, van bedrog leven; probeeren hoeveel het (met iemand) lijden kan; To — out = doorzetten, uitsmelten: We will — the matter out = wij zetten door tot de zaak beslist is; He was tried and condemned = verhoord en veroordeeld; —-sail = gaffelzeil, bezaan; —-your-weighter = automat. weegmachine. Zie Trying.

Trygon, traigən, pijlstaartrog.

Trying, trai-iŋ, lastig, smartelijk, moeielijk: Such things are — to a man = hard voor; A — climate = ongezond klimaat; He is very — = geeft veel last.

Tryst, trist, (plaats van) afgesproken bijeenkomst; —ing-place = plaats van bijeenkomst.

Tsar, tsâ, Czaar; Tsarevitch, tšârəvitš, tšâreivitš; Tsarina, tšârinə, Tsaritsa, tšaritsə.

Tsetse, tsetsə, tsetsevlieg.

T-square, tîskwêə, teekenhaak = T.

Tub, tɐb, subst. tobbe, klein vat, badtobbe, lompe boot, kansel; — verb. in een tobbe doen, baden, een kuipbad nemen: Tale of a — = bakersprookje; —s = boterkooper; —-fish = knorhaan; —-frock = japon, die gewasschen kan worden; —-man = een der twee bekwaamste advocaten van het vroegere Court of Exchequer (de andere werd Postman genoemd); —-pair = soort v. roeiboot; —-thumping = lawaaierige oratie; —ber = soort v. houweel; —by = tobvormig, tonvormig; dof klinkend.

Tuba, tjûbə, tuba (muziekinstr.).

Tube, tjûb, subst. buis, pijp, tube, kanaal, lampeglas; — verb. van pijpen of buizen voorzien: The — = de ondergrondsche spoorweg in Londen; India-rubber — = gummislang; Test-— = reageerbuisje.

Tuber, tjûbə, vleezig gezwel, knol, aardappel; Tubercle, tjûbək’l, knolletje, kleine tuberkel; Tubercular, tjubɐ̂kjulə, vol knobbels of tuberkels: — consumption; Tuberculous, tjubɐ̂kjulɐs, lijdende aan tuberculose, vol tuberkels; Tuberculosis = tuberculose; Tuberose, tjûbərous, tjûbərous, subst. tuberoos (plant); adj. met knobbels of uitwassen; subst. Tuberosity, tjûbərositi, knobbeligheid, gezwel, zwelling; Tuberous = Tuberose.

Tubular, tjûbjulə, buis-, koker- of cylinder-vormig; — boiler = stoomketel met vlampijpen; — bridge = kokerburg; — post = luchtdrukpost; Tubule, tjûbjûl, pijpje, buisje; Tubuliform = in den vorm van een buisje.

Tuck, tɐk, subst. opnaaisel, omslag, netje, lekkernijen, eetlust; trommelslag, rapier; — verb. opschorten, omslaan, inslaan, optrekken, vouwen, opstroopen, instoppen, zich zat eten (out), vollen (van laken), tokken (van eene kip): — of drum = slag op trom; It was nip and — with us = het kwam er op aan, was een strijd op leven en dood; —-shop = suikerbakkerij; —-in (= —-out) = traktatie; I have —ed them in warmly = heb ze ingestopt; The handkerchief about his neck was —ed in at the bosom = was (nl. de punten er van) in zijn borst gestopt; He —ed up his sleeves = stroopte op; They —ed him up as best they could = pakten hem in; Tucker = kanten halskraag of chemisette; Tuck(ing)-mill = volmolen.

Tucum, tjûk’m, Z.-Amer. palmsoort.

Tudor, tjûdə, subst. en adj. (van) Tudor: — style = Gothisch-Engelsche bouwstijl.

Tuesday, tjûzdi, Dinsdag.

Tufa, tjûfə, tufsteen; —ceous, tjufeišəs, gelijkend op, bestaande uit —.

Tuff, tɐf, tuf(steen).

Tuft, tɐft, subst. bosje (haar), kuif, trosje, hoop, groep, kwast (aan muts, etc.), spitse baard; — verb. in bosjes of hoopjes verdeelen (groeien), met kwastjes of trosjes versieren: Ricquet-with-a-—; —-hunter = klaplooper, flikflooier; —ed = met kwastje of trosjes versierd, met spitsen kinbaard, in trosjes groeiend.

Tug, tɐg, subst. krachtige haal, ruk, sleepboot, rommelwagen of rammelkast; — verb. krachtig trekken of halen, rukken, sleepen: — of war = touwtrekken; The real — of war will come on the electoral question = de ware strijd; I had a hard — of it = het heeft me veel moeite gekost; He was —ged like a dog by fate = door het lot als een hond heen en weer gesleept; We were —ging against wind and tide = roeiden tegen; —boat = sleepboot.

Tuition, tjuiš’n, onderwijs, opzicht; adj. —al = —ary.

Tula, tûlə, stad in Rusland; kookplaats (Indië); —-metal = allooi van zilver, koper, lood en zwavel.

Tulip, tjûlip, tulp; Tulipomania, tjûlipəmeinjə, tulpenmanie (17e eeuw); adj. en subst. Tûlipomaniac.

Tulle, tûl, tule.

Tumble, tɐmb’l, subst. val, buiteling, verwikkeling; — verb. rollen, vallen, buitelen, neervallen, neergooien, opgooien, onderstboven gooien, tuimelen, bewegingen en verdraaiingen met het lichaam maken; —-down = bouwvallig: It would be good to improve those —-down fever-dens off the face of the earth = die bouwvallige koortsholen van den aardbodem te doen verdwijnen; To — in = naar kooi gaan; To — to = bemerken, begrijpen, vatten, snappen, op krijgen met, aanpakken; — up, will you? = allo uit je bed; Tumbler = buitelaar, kunstenmaker, tuimelaar (glas of duif), glas zonder voet; Tumbling tricks = kunsten van acrobaten.

Tumbrel, tɐmbr’l, Tumbril, tɐmbril, mestkar, stortkar, ammunitiekar.

Tumefaction, tjûmifakš’n, zwelling, gezwel, puist;—verb. Tumefy; Tumid, tjûmid, gezwollen, uitgezet, bombastisch; —ity, tjumiditi, gezwollenheid, hoogdravendheid = —ness; Tumour, tjûmə, gezwel, zweer, puist.

Tump, tɐmp, subst. heuveltje; — verb. aanaarden, eene hoogte vormen om eene plant; een gedood dier naar huis sleepen (Amer.).

Tumtum, tɐmtɐm, een W.-Ind. pisangschotel; maag (scherts.); dog-cart (Anglo-Ind.).

Tumult, tjûmɐlt, opschudding, beroering, opwinding, verwarring, oploop; —uariness, tjumɐltjuərinəs, subst. v. —uary, tjumɐltjuəri, verward, opgewonden, oproerig, ontstuimig = —uous, tjumɐltjuəs; subst. —uousness.

Tumulus, tjûmjulɐs, grafheuvel.

Tun, tɐn, vat, ton (van seer verschillende afmetingen voor wijn, bier, etc.); gistvat eener brouwerij, zuiplap; — verb. in ’t vat doen; —-bellied = met ronden, dikken buik.

Tunbridge, tɐnbridž, stad in Kent; —-ware = kastenmakerswerk met ingelegde stukken van verschillend gekleurd hout.

Tundra, tûndrə, tundrə, toendra.

Tune, tjûn, subst. klank, toon, wijsje, melodie, juiste toonhoogte, stemming, harmonie; eendracht, gemoedsgesteldheid, stemming; — verb. stemmen, aanheffen, zingen, doen aanpassen: The — the old cow died of = een echte treurzang; I’ll make you sing another (change your) — = zal je wel anders leeren; To be in — = gestemd, gemutst; My piano is out of — = ontstemd: He was rather out of — to-day = niet erg gestemd; That costs to the — of fifty pounds = dat zal zoowat vijftig p. kosten; —ful = welluidend, zangerig; subst. —fulness; —less = klankloos, stil, onwelluidend; —r = stemmer.

Tungsten, tɐŋst’n, wolfram; Tungstic acid.

Tunic, tjûnik, tunica, militaire rok, vlies; —le = kleine tunica, vliesje.

Tuning, tjûniŋ: —-fork = stemvork; —-hammer, —-key = stemhamer, stemsleutel.

Tunis, tjûnis; Tunisian = (bewoner) v. T.

Tunkers, tɐŋkəz, sekte van Duitsch-Amerikaansche wederdoopers = Dunkers.

Tunnage, tɐnidž, tonnemaat. Zie Tonnage.

Tunnel, tɐn’l, subst. pijp, schoorsteenpijp, tunnel, fuik (= —-net); — verb. (als) een tunnel maken door (onder), doorboren, in een fuik vangen: —s of light = lichtbundels; —-pit, —-shaft = toegang tot het midden van een tunnel van uit den bovengrond.

Tunny, tɐni, tonijn.

Tup, tɐp, subst. ram; — verb. dekken, bokken.

Turan, tjûrân; Turanian, tjûreinj’n.

Turban, tɐ̂b’n, tulband, tulbandvormige hoofdtooi.

Turbid, tɐ̂bid, troebel, modderig, drabbig; verward, onrustig, stormachtig; subst. Turbidity = —ness.

Turbinate, tɐ̂binit, ronddraaiend, spiraalkegelvormig.

Turbine, tɐ̂bin, turbine; —-steamer.

Turbit, tɐ̂bit, meeuwtje (soort duif).

Turbot, tɐ̂bət, tarbot.

Turbulence, Turbulency, tɐ̂bjulens(i), onstuimigheid, beroering, oproerigheid, rumoerigheid; adj. Turbulent.

Turco, tûəkou, tɐ̂kou, Fransch soldaat in ’t Algerijnsche kol. leger.

Turd, tɐ̂d, drek.

Tureen, tjurîn, soepterrine; —-ladle = soeplepel.

Turf, tɐ̂f, subst. zode, grasveld, plag, turf; renbaan; — verb. met zoden of plaggen beleggen: Black heaps of — = stapels turf; A sod of — = zode; He is on the — = leeft van (doet aan) wedrennen en wedden op renpaarden; I have broken with the — and sold my stud off = doe niet meer aan de rensport; —-clad = met zoden bedekt; —-cutter; —-fire; —-hedge = scheiding door eene bank van zoden; —-house = stulp van plaggen; —-moss = veenland; —man = liefhebber van rensport; —-seat = zodenbank; —-spade = spade om zoden te steken; —ing: —ing-iron, —ing-spade = spade voor het steken van zoden; —less = zonder zoden; Turfite, tɐ̂fait = —man; Turfy = vol zoden; tot wedrennen of de renbaan behoorende.

Turgent, tɐ̂dž’nt, gezwollen, opgeblazen: Turgescence, Turgescency, tɐ̂džes’ns(i), opgezwollenheid, opgeblazenheid; Turgescent = zwellend; Turgid, tɐ̂džid, gezwollen, opgeblazen, hoogdravend; subst. —ity, tɐ̂džiditi = —ness.

Turin, tjûrin, Turijn; Turinese, tjûrinîz, tjûrinîs, (bewoner) van T.

Turk, tɐ̂k, Turk: Turk’s head = “kop van Jut” op kermissen; ragebol; —ish, subst. en adj. Turksch(e taal): —ish bath = bad (van 116° tot 165°); —ish delight = soort v. lekkers; —ophile, tɐ̂kəfail, Turkenvriend.

Turkey, tɐ̂ki, Turkije, kalkoen: To talk —; Zie Talk; —-bird (Zie Wry-neck); — carpet = Turksch vloerkleed, Smyrnasch tapijt; —-cock = kalkoensche haan: She turned as red as a —-cock; —-hen = kalkoensche hen.

Turmoil, tɐ̂môil, verwarring, ontsteltenis, herrie, sloven; — verb. in onrust zijn, zich afsloven.

Turn, tɐ̂n, subst. draai, omwenteling, bocht, kromte, hoek, wandelingetje, verandering, wisselvalligheid, gelegenheid, aanleiding, doel, daad, voorval, dienst, mode, strekking, gedaante, aard, neiging, luim, stemming, poets, grap, beurt, karweitje, zenuwschok, woordstelling (in een zin), ophanging, etc.; — verb. wenden, keeren, draaien, vormen, omkeeren, aanwenden, richten, strekken, overhalen, bekeeren, verdraaien, veranderen, vertalen, overbrengen, overpeinzen, doen gisten, schiften, verzuren, walgen, terugkeeren, weerstaan (een vijand), weifelen, etc.: A — of fate = lotswisseling; In the — of a hand = in een oogenblik; At the — of the river, road = bij de bocht; The — of a wager = de kans; His answers are mere —s of wit = geestige zetten, wendingen; A — of work = klein karwei; One good — deserves another = de eene dienst is den anderen waard; I am good for a — at any game = doe gaarne mee aan een spelletje; There is a quaintness of — in his style = zijn stijl heeft een zonderling cachet; The news gave me such a — = deed me erg schrikken; That soldier seems to have a — for desertion = neiging tot desertie te hebben; That will hardly serve your — = dat zal je wel niet kunnen dienen; We must take —s = elkaar afwisselen; Things have taken a favourable — = een gunstigen keer genomen; He does so at every — = bij elke gelegenheid; We must go there by —s, in —(s) = om beurten; You must do it in — = op uwe beurt; Each in his — = ieder op zijne beurt; The tide was on the — = het getij begon te kenteren; Done to a — = goed gaar; — for — = leer om leer; These advantages —ed to real account = leverden inderdaad wat op; My brain (head) —s = ik word duizelig; The leaves — in autumn = worden geel; The mutton has —ed with the hot weather = is bedorven; We were —ed adrift = wij werden aan wind en golven ten prooi gegeven; He —ed aside = keerde zich om; To — loose = loslaten (van honden bijv.); To — pale = bleek worden; To — sour = zuur worden; He —ed his back = hij draaide zich om, hij vluchtte; He —ed his back (up)on us = wendde ons den rug toe (ook fig.); It —ed the balance (scale) = deed de schaal omslaan; He has —ed his coat = is afvallig geworden; She —ed colour = verschoot van kleur; To — the corner = het hoekje (crisis van een ziekte) te boven zijn, beter worden; The railway-shares have —ed the corner and are increasing = hebben zich hersteld en gaan omhoog; To — a couplet = een versje maken; She can — an epigram and point a satire = iets geestig zeggen en satiriek zijn; He shaved twenty men and never —ed a hair = en sneed hen geen enkele maal; To — one’s hand to = zich toeleggen op; He could — his hand to many things = kon van alles maken; The news has —ed his head (brain) completely = heeft zijn hoofd op hol gebracht; He —ed informer on me = hij verklikte mij; Will you — the key? = omdraaien; A merchant must — his money = steeds omzetten; I will try to — a penny = een duit te verdienen; — the points = verzet den wissel; To — the enemy’s position = omtrekken; To — soldier = soldaat worden; The medicine —s my stomach = ik walg van; The tables were —ed = de bordjes werden verhangen; I —ed the tables upon him = sloeg hem met zijn eigen wapens; deed de kans keeren; To — tail = op de vlucht gaan; To — turtle = omslaan: Everything has —ed turtle = alles ligt overhoop; To — about = zich omkeeren; — again = keer terug, om; To — away = zich afwenden: He —ed away from the path of duty = verliet; I have —ed him away = weggezonden, ontslagen; To — money away = opsparen, wegleggen; To — back = omkeeren, terugkeeren; The leaf was —ed down (back) at the top = het blad was bovenaan omgeslagen; Everything was —ed upside down = onderstboven gekeerd; —-down = omgeslagen, dubbelgevouwen; ook subst. liggende boord; — of a letter = omgevouwen rand; I have —ed it in = naar binnen gevouwen; He —ed it in his mind = overlegde het bij zichzelf; To — in = naar kooi gaan; He —ed in with me = ging met mij naar bed; The road —s in and out = kronkelt gedurig; To — into = veranderen in; — this into Dutch = vertaal dat in ’t N.; He —ed German ballads into English verse = bracht ... over; He —ed of a deadly colour = werd doodsbleek; He is —ed (of) fifty = boven de vijftig; The hour was —ed of six = het was over zes; To — off the gas, the steam = uitdraaien, afsluiten; To — off an article = op ’t papier gooien; To — on the gas = de gaskraan open zetten; She —ed on her tears = begon te schreien; Everything —s on your answer = hangt af van; The fate of the country —s on the king’s decision = hangt af; — him out = zet hem de deur uit; We have —ed out the cows = de koeien in de weide gedaan; It —ed out wrong, right = kwam verkeerd, goed uit, liep verkeerd, goed af; He did not — out much = het resultaat van zijn arbeid was gering; I have —ed it inside out = heb het binnenste buiten gekeerd; He will — out trumps after all = toch nog een flinke vent worden; It —ed out to be = bleek te zijn; The book is well —ed out = ziet er keurig uit; A well —ed-out stranger = net gekleed; His clothes had been —ed out by the best tailor = waren geleverd; —-out = pronk, pak, vertooning, mooie equipage, groote menigte, ontvangst, afmarsch, werkstaking, uitsluiting, wisselspoor, opbrengst; He —ed over more than fifty thousand pounds a year = zette om; We have —ed over a new leaf = zijn met een nieuw blad, een heel ander leven begonnen; He —ed over and continued reading = sloeg het blad om; I have —ed it over and over = van alle kanten bekeken; The money was —ed over to the owner = werd overgemaakt aan den eigenaar; The boat was —ed over = werd omgeworpen, sloeg om; I —ed it over in my mind = ik overlegde het bij mijzelf; Let us — over = van plaats veranderen; —over = onderstboven werping, soort gebak, omzet; adj. omgeslagen, ingericht om om te slaan: —over table = klap(speel)tafeltje; He —ed round = veranderde van houding, keerde zich om; She loved him for some time, and then —ed round (to another) = zette toen haar zinnen op een ander; I must have time to — round = tijd om te overleggen of overwegen; His eyes were —ed to the stage = op het tooneel gericht; What shall I — to? = wat zal ik nu doen, nu aanpakken; You must try to — this to profit, advantage, account = trachten te profiteeren van; To — up = omhoogslaan, omslaan, opduiken, te voorschijn komen, gebeuren etc.: I hope something will — up in time = dat er zich nog wat zal voordoen (opdoen); — up page the seventh = sla op; — it up = schei uit daarmee! To — up one’s nose at = den neus optrekken voor; I —ed his arguments upon himself = sloeg hem met zijn eigen woorden; I —ed upon him suddenly = draaide me plotseling naar hem om, viel hem aan; The conversation —ed upon all kinds of topics = liep over allerlei onderwerpen; She will be married —ed Michaelmas = na; —-bench = kleine draaibank; —-cap = schoorsteengek; —-coat = afvallige; —-cock = opzichter v. de waterleiding; —-down collar; —dun = snorder (jongensspeelgoed); —key = cipier; —pike = tolhek, slagboom, wenteltrap; —pike-man = tolgaarder; —pike-road = straatweg met tollen; —-screw = schroevendraaier; —-sick = draaiziek; —sole = kroontjeskruid; heliotroop; —spit = spitomdraaier; —stile = molentje, haspel op voetpaden; —-stone = soort steenlooper; —-table = draaischijf (op spoorwegen); —er = kunstdraaier, varieteit van duif; —ery = kunstdraaierij, draaiwerk; Turning, subst. draai, bocht, afwijking, kronkeling: —-lathe = draaibank; —-platform = draaischijf (voor spoorwagens); —-point = keerpunt.

Turnip, tɐ̂nip, raap, knol, dik horloge; —-radish = knolradijs.

Turpentine, tɐ̂p’ntain, terpentijn; Terpentiny = met terpentijn bedekt, vol terpentijn.

Turpitude, tɐ̂pitjûd, laagheid, verdorvenheid.

Turquoise, tɐ̂kôiz, tɐ̂kîz, tɐ̂koiz, turkoos (edelsteen).

Turret, tɐrət, torentje, draaibare toren op een oorlogschip; —-ship = torenschip; —ed = met torentjes; Turriculate(d), tərikjulit(-eitid), gelijk een torentje, voorzien van torentjes.

Turtle, tɐ̂t’l, subst. tortelduif; zeeschildpad(soep); — verb. schildpadden vangen; —-back = helmslak; —-dove = tortelduif; —-shell = schildpad; —-soup = schildpadsoep.

Tuscan, tɐsk’n, subst. Toskaner; adj. van Toskane: — order = Toskaansche bouwstijl; Tuscany = Toskane.

Tush, tɐ̂š, pst! stil! poe! hoektand.

Tusk, tɐsk, slagtand (v. olifant of wild zwijn): —ed = met slagtanden; —er = olifant of wild zwijn met goed ontwikkelde slagtanden; —y = —ed.

Tussaud, tusou.

Tussle, tɐs’l, subst. worsteling, kloppartij; — verb. worstelen, vechten: We had a sharp — with the enemy = een vinnigen strijd.

Tussock, tɐsək, bosje, lok, bosje gras, heuveltje; adj. —y.

Tut, tɐt, st! pst! stil! poeh! och kom!

Tutelage, tjûtəlidž, voogdij(schap), onmondigheid; Tutelar(y), tjûtələ(ri), beschermend: — angel; — spirits = beschermgeesten; Tutor, tjûtə, subst. voogd, (privaat)onderwijzer, een der professoren aan een college belast met het algemeen toezicht (= College —), of die de studie leidt (Private —); — verb. onderwijzen, berispen; —ial, tjutôriəl, behoorende tot, uitgeoefend door een Tutor; —ship = voogdijschap; onderwijzersbetrekking, tutorschap.

Tutta, tutâ, geheel; Tutti, tuti, allen (muz.).

Twaddle, twod’l subst. beuzelpraat, gewauwel; — verb. wauwelen, kletsen; —r = leuteraar.

Twain, twein: In — = in tweeën.

Twaite, tweit, elft. Z. Thwaite.

Twang, twaŋ, subst. scherp geluid, neusgeluid, neusklank, smaakje, onaangename smaak; — verb. gonzen, klinken, aanslaan, doen klinken, eruit gooien (out): There is a — about it = er is een leelijk smaakje aan; To speak with a — = door den neus spreken; The —ing of a full-toned guitar = het scherpe geluid van eene krachtige guitaar; A —ing sound = scherp, doordringend geluid.

Twankay, twaŋkei, ordinaire groene thee.

’Twas, twoz, samentr. van It was.

Tweak, twîk, subst. kneep, klem (fig.); — verb. knijpen: To — a person by the nose, To — a person’s nose = iemand bij zijn neus trekken.

Tweed, twîd, stof voor manskleeren; adj. van tweed: Heather — = bruine —.

Tweedle, twîd’l, zacht strijken over, vedelen, doedelen, vleien, bepraten: He insisted upon the difference between —dum and —dee = het verschil tusschen een half dozijn en zes.

Tweel, twîl; Zie Twill.

’Tween, twîn, samentr. van Between.

Tweeze, twîz, étui met instrumenten = —r-case; A pair of —rs = haartangetje.

Twelfth, twelfth, subst. en adj. (het) twaalfde; —-cake = driekoningengebak; —-day (—-tide) = Driekoningen; —-night = de avond van (vóór) Driekoningen; Twelve, twelv, twaalf: The — = de twaalf apostelen, de twaalve; Some writers strike — all at once = verschieten hun kruid al dadelijk; —month = een jaar: In a —month, A —month hence, By this time —month, This day —month = over een jaar, in een jaar; —pence = een shilling; —penny = van twaalf stuiver waarde; —score = 240, afstand van 240 yards, boogschotsafstand.

Twentieth, twentiəth, subst. en adj. (het) twintigste; Twenty, twenti, twintig.

Twibill, twaibil, tweesnijdende bijl, hellebaard.

Twice, twais, tweemaal; —-told = tweemaal verteld, welbekend.

Twiddle, twid’l, langzaam ronddraaien; zich snel omdraaien, glinsteren, spelen met: To — one’s thumbs = duimpje draaien, de handen in den schoot leggen.

Twig, twig, subst. takje, wichelroede; — verb. opletten, gadeslaan, “snappen”: Just as the — is bent, the tree is inclined = jong gewend, oud gedaan; In prime — = naar de nieuwste mode; I —ged you there = daar had ik je, snapte ik je; Twiggy = vol takjes.

Twilight, twailait, subst. schemering, flauw idee; adj. schemerend, onduidelijk.

Twill, twil, subst. keper; — verb. keperen.

Twin, twin, subst. tweeling: adj. tweeling—, dubbel, gepaard; — verb. paren, gepaard zijn, tweelingen werpen: The —s = Tweelingen (sterrenbeeld); —-born = tegelijk geboren; —-brother = tweelingbroeder; —-sister = tweelingzuster.

Twine, twain, subst. draai, kronkeling, omarming, twijn, getwijnd garen, touw; — verb. draaien, twijnen, omarmen, samenweven, kronkelen, zich slingeren: The ivy —d about the old tree = slingerde zich.

Twinge, twinž, subst. plotselinge pijn, steek, kneep, wroeging; — verb. knijpen, nijpen, steken, pijn doen: She felt —s of conscience for treachery = had gewetensknaging over haar verraad; A — of the gout, jealousy = aanval; My side —s = ik heb steken in de zijde.

Twinkle, twiŋk’l, subst. schittering, flikkering, fonkeling, oogenblikje; — verb. fonkelen, schitteren, flikkeren: In a — = the twinkling of an eye = in een oogwenk.

Twinter, twintə, koe of schaap van 2 jaar, twenter.

Twirl, twɐ̂l, subst. snelle draai, pirouette; — verb. snel (doen) ronddraaien: To give a thing a — = laten draaien; I —ed the teetotum = zette het A-al-tolletje; To — one’s thumbs = duimpje draaien; She —ed in a polka = danste de polka.

Twist, twist, subst. draai, bocht, kronkel(ing), vlecht, spuuglok, koord, tabak in rollen gedraaid, verrekking, verwikkeling; mengsel van brandewijn en jenever; — verb. draaien, vlechten, twijnen, (zich) wringen, strengelen, kronkelen, winden, verdraaien: I can — him round my (little) finger = hem om mijn vinger winden; To — up one’s mustachios = opdraaien; A —ed note = knijpbriefje; Twister = verdraaiing, moeielijk vraagstuk, leugen; wervelwind (Amer.), met een draai weggeslingerde bal (cricket): He can spin a — = liegen of het gedrukt staat; Twisty = vol kronkels en bochten; A —-twirly imp = een verdraaide, in allerlei bochten verwrongen kabouter.

Twit, twit, plagen, verwijten, honen: I —ted him with his superhuman patience = ik verweet hem.

Twitch, twitš, subst. plotselinge ruk, zenuwtrekking (= Convulsive —); — verb. rukken, grijpen, eene zenuwtrekking hebben.

Twite, twait, ringmusch, boommusch.

Twitter, twitə, subst. gekweel, gesjilp, gepiep, trilling, zenuwachtigheid, schrik; — verb. kweelen, sjilpen, trillen van begeerte: To be (all) in (of) a — = beven van angst.

Twittle-twattle, twit’ltwot’l, gewauwel.

’Twixt, twikst, samentr. van Betwixt: A mere — and between = tusschending.

Two, tû, twee(tal): I will make him do so in — —s = “één, twee, drie”; I could smash him like — —s = kon hem te pletter slaan; To bite, cut, tear in — = in tweeën; He will always put — and — together = zijne gewoonte is te vergelijken, alles in aanmerking te nemen; A —-edged sword = tweesnijdend; —-faced = met twee gezichten, bedriegelijk, onoprecht; —fold = tweevoudig, dubbel; A —-foot ruler = liniaal van twee voet; —-handed = met twee handen (te hanteeren); We made a —-hour stop at the hotel = rustten twee uur; —-masted; —-pair = twee trappen hoog: A —-pair front (back) = voorkamer (achterkamer) twee hoog; —pence, tɐp’ns, dubbeltje: He is not good for —pence = geen lor waard; Not to care —pence for = geen lor geven om; —penny, tɐpəni, van twee stuiver waarde, gering: —penny tube = electr. ondergrond. Londensche spoorweg; —penny-half penny, tɐp’ni-heip’ni, van geringe waarde, onbeteekenend; —tails = olifant.

Tybalt, tibəlt; Tyburn, taibən, vroegere gerechtsplaats (Londen); —-tree = galg.

Tyke, taik, hond; bewoner van Yorkshire.

Tyler, tailə, Zie Tiler.

Tymbal, timb’l, bekken, keteltrom.

Tympan, timp’n, tympaan (boekdrukk.); trom; —ic, timpanik, trommel - -; Tympanites, timpənaitîz, trommelzucht; Tympanum, timpənɐm, trommelvlies, gevelnis; Tympany = trommelzucht; opgeblazenheid.

Tyndale, Tyndall, tind’l; Tynemouth, tinməth, tainməth.

Type, taip, subst. type, zinnebeeld, voorbeeld, stempel, kenteeken, letter, schrift; — verb. schrijven met een —-writer: The first sheet is in — now = is nu gezet; Bold, Crowded — = groote, compresse druk; —-founder = lettergieter; —-foundry = lettergieterij; —-metal = letterspecie; —-setter = letterzetter, zetmachine; To —-write = schrijven met een —-writer = schrijfmachine (ook wie daarmede schrijft); —-written = met een —-writer geschreven; —-work = het gedrukte.

Typhoid, taifôid, typheus; subst. typhus (gewoonlijk Enteric fever).

Typhoon, taifûn, typhoon.

Typhous, taifəs, typheus; Typhus, taifəs, typhus.

Typical, tipik’l, typisch, zinnebeeldig, tot voorbeeld of type dienend: — fever = geregeld verloopende koorts; subst. —ness; Typify, tipifai, door een type of model voorstellen; Typist, taipist, wie met een —-writer werkt of schrijft; Typo, taipou, verk. van Typographer, taipogrəfə, drukker, zetter; adj. Typographical, t(a)ipəgrafik’l; Typography, taipogrəfi, drukkunst.

Tyrannical, tairanik’l, tyranniek, wreed; subst. —ness; Tyrannicide, tairanisaid, tirannenmoord of -moordenaar; Tyrannize, tirənaiz, tyranniseeren; Tyrannous = tiranniek, willekeurig, onderdrukkend; Tyranny, tirəni, tirannie, dwingelandij, wreedheid; Tyrant, tair’nt, tiran.

Tyre, taiə, Tyrus; wielband (Zie Tire); Tyrian, tiriən, (bewoner) v. Tyrus.

Tyro, tairou, beginner, nieuweling.

Tyrol (The), dhətir’l (tiroul); Tirol; —ese, tirəlîz, tirəlîz, tirəlîs, (bewoner) v. Tyrol; —ienne, tirouljen, tiroolsch lied (dans); Tyrone, tiroun; Tyrrhenian, tirîniən: — Sea; Tyris, tairəs; Tyrwhitt, tirət.

Tythe, taidh; Zie Tithe.

Tzar, zâ, tsâ, tzaar. Zie Tsar.

U.

U, jû; U(rbis) C(onditae) = van af de stichting der stad Rome; U(pper) C(anada); U(ta)h; U(triusque) J(uris) D(octor) = doctor in de beide rechten; U(nited) K(ingdom); Ult(imo) = laatste, van de laatste maand; Unit(arian); Univ(ersity); Unm(arried); Up(per); U(nited) S(tates) = U(ncle) S(am); U(t) S(upra) = als boven; U(nited) S(tates of) A(merica); U(nited) S(tates) A(rmy) of N(avy); Usu(al); U(tah) T(erritory).

Ubiquitary, jubikwitəri = Ubiquitous, jubikwitɐs, alomtegenwoordig, overal tegelijk zijnde; Ubiquity = alomtegenwoordigheid.

’Ud, ud = would.

Udal, jûd’l, allodiaal; subst. allodium (op de Orkney en Shetland eilanden); —ler, —man = bezitter van een allodium.

Udder, ɐdə, uier; —ed = met uier(s).

Udometer, judomətə, regenmeter.

Ugh, u, bah!

Ugliness, ɐglinəs, subst. v. Ugly, ɐgli, leelijk, wanstaltig, terugstootend; gevaarlijk; verdrietig (Amer.): As — as sin = zoo leelijk als de nacht.

Uhlan, (j)ûl’n, Ulaan.

Uist, wist.

Ukase, jûkeis, ukase.

Ukraine, jûkrein, ûkrein.

Ulcer, ɐlsə, zweer, gezwel; —ate = zweren: His heart was —ated with hatred = hij droeg een ingekankerden haat in zijn hart; —ation, zweer, verzwering; —ative, —atory = zwerend; —ous = als eene zweer; subst. —ousness.

Ule, jûlə, caoutchoucboom = —-tree.

Ullage, ɐlidž, lekkage: —s = restanten wijn bij een diner.

Ulla-lulla, ɐlə-lɐlə, lijkklacht.

Ulmaceous, ɐlmeišəs, olmachtig; Ulmus, ɐlməs, olm.

Ulna, ɐlnə, ellepijp; adj. —r.

Ulric, ɐlrik; Ulrica, ɐlraikə.

Ulster, ɐlstə, lange getailleerde overjas.

Ulterior, ɐltîriə, verder(af gelegen), aan de andere zijde.

Ultimate, ɐltimit, verste, laagste, uiterste, achterste, slot - -, grond - -; Ultimatum, ɐltimeit’m, ultimatum; Ultimo, ɐltimou, van de laatste maand; Ultimogeniture, ɐltimədženitjə, erfopvolgingsrecht van den jongsten zoon of broeder.

Ultra, ɐltrə, uiterst, buitensporig; subst. ultra, radicaal; —marine, ɐltrəmərîn, ɐltrəmərîn, subst. ultramarijn; adj. ultramarin, overzeesch; —montane, ɐltrəmontein, subst. ultramontaan; adj. aan de andere zijde der bergen gelegen: —montane party; —montanism, ɐltrəmontənizm, ultramontanisme; —montanist.

Ululate, ɐljuleit, ûluleit, huilen, krassen; Ululation, gehuil, gekras, weeklacht.

Ulysses, jûlisîz; adj. Ulyssean.

Umbel, ɐmb’l, scherm; —late(d), ɐmbəlit(—eitid) schermbloemig, schermdragend = —liferous, ɐmbəlifərɐs; Umbellule, ɐmbeljûl, klein scherm.

Umber, ɐmbə, subst. vlagzalm; omber (verfstof); adj. bruin, donker; — verb. met umber verven, donker verven: Burnt — = gebrande; Raw — = ongebrande.

Umbilic(al), ɐmbilik(’l), navel - -: —al cord = navelstreng; —al region = navelstreek; Umbilicate(d) = navelvormig; Umbilicus, ɐmbilaikəs, navel, navelkruid.

Umbles, ɐmb’lz, ingewand van een hert.

Umbo, ɐmbou (Meerv. —nes, ɐmbounîz), knop van een schild, bult; adj. —nal.

Umbra, ɐmbrə, kernschaduw, ombervisch.

Umbrage, ɐmbridž, schaduw, lommer; verdenking, aanstoot: He gave — to the more advanced = ergerde; I am sorry you have taken — at my words = dat gij u geërgerd hebt; Umbrageous, ɐmbreidžəs, schaduwrijk, lommerrijk; subst. —ness.

Umbre, ɐmbə = Umber.

Umbrella, ɐmbrelə, paraplu: To open (To put up), To shut an —; —-case = foudraal; —-maker; —-runner = schuifring; —-stand = paraplustander; —-stick.

Umbria, ɐmbriə, Umbrië.

Umph, ɐmp, interj. H’m!

Umpire, ɐmpaiə, subst. scheidsrechter; — verb. als scheidsrechter optreden; —ship.

’Un, ɐn = one.

Un = on, niet, etc. in samenstellingen. Zie In.

Unabashed, ɐnəbašt, schaamteloos, onbeschaamd.

Unabated, ɐnəbeitid, onverminderd, onverzwakt, onverflauwd.

Unabbreviated, ɐnəbrîvjeitid, onverkort.

Unable, ɐneib’l, onbekwaam, niet in staat; subst. —ness.

Unabolished, ɐnəbolišt, niet afgeschaft, nog van kracht.

Unabridged, ɐnəbridžd, onverkort.

Unabrogated, ɐnabrəgeitid, niet afgeschaft.

Unabsorbable, ɐnəbsöbəb’l, niet absorbeerbaar.

Unacceptable, ɐnəkseptəb’l, onaangenaam, onaannemelijk, niet welkom; subst. —ness.

Unaccommodating, ɐnəkomədeitiŋ, niet inschikkelijk, onbuigzaam.

Unaccompanied, ɐnəkɐmpənid, niet vergezeld, zonder begeleiding.

Unaccomplished, ɐnəkomplišt, onvoltooid, onvolvoerd.

Unaccountability, ɐnəkauntəbiliti, subst. v. Unaccountable, ɐnəkauntəb’l, onverklaarbaar, onverantwoordelijk; subst. —ness; Six of the lost are unaccounted for yet = zijn nog niet terecht gebracht.

Unaccustomed, ɐnəkɐst’md, ongewoon, ongebruikelijk, ongewend (to).

Unachievable, ɐnətšîvəb’l, onuitvoerbaar, onbereikbaar; Unachieved = onuitgevoerd, onvoltooid.

Unacknowledged, ɐnəknolidžd, niet erkend.

Unacquainted, ɐnəkweintid, onbekend (with); subst. —ness.

Unacquired, ɐnəkwaiəd, onverkregen.

Unacquitted, ɐnəkwitid, niet vrijgesproken; niet betaald.

Unactable, ɐnaktəb’l, niet opvoerbaar; Unacted, ɐnaktid, onopgevoerd, ongevoelig voor (by).

Unactuated, ɐnaktjueitid, niet bewerkt of geïnfluenceerd, levenloos: — by such opinions.

Unadapted, ɐnədaptid, ongeschikt; subst. —ness.

Unaddicted, ɐnədiktid, niet overgegeven of verslaafd (to).

Unadjusted, ɐnədžɐstid, niet uitgemaakt of beslist.

Unadorned, ɐnədönd, onversierd.

Unadulterate(d), ɐnədɐltərit (—eitid), onvervalscht, zuiver, echt.

Unadvised, ɐnədvaizd, onverstandig, onvoorzichtig; subst. —ness.

Unaffected, ɐnəfektid, natuurlijk, ongedwongen, ongekunsteld; subst. —ness.

Unaided, ɐneidid, zonder hulp, bloot (oog).

Unallowable, ɐnəlauəb’l, ongeoorloofd, niet toelaatbaar.

Unalloyed, ɐnəlôid, onvermengd, zuiver.

Unalterable, ɐnôltərəb’l, onveranderlijk, onbuigzaam, onverwrikbaar; subst. —ness; Unaltered = onveranderd.

Unambiguous, ɐnəmbigjuəs, niet dubbelzinnig, klaar, helder; subst. —ness.

Unambitious, ɐnəmbišəs, niet eerzuchtig, bescheiden; subst. —ness.

Unamenable, ɐnəmînəb’l, niet verantwoordelijk, onhandelbaar.

Unamended, ɐnəmendid, niet verbeterd.

Unamiable, ɐneimjəb’l, onvriendelijk, onbeminnelijk; subst. —ness.

Unamused, ɐnəmjûzd, niet vermaakt; Unamusing = niet vermakelijk.

Unanimated, ɐnanimeitid, onbezield, vervelend.

Unanimity, jûnənimiti, eenstemmigheid; Unanimous, jûnanimɐs, eenstemmig: With — consent; subst. —ness.

Unanointed, ɐnənôintid, niet gezalfd.

Unanswerability, ɐnânsərəbiliti, subst. v. Unanswerable, ɐnânsərəb’l, onweerlegbaar; subst. —ness; Unanswered, ɐnânsəd, onbeantwoord, niet wederlegd.

Unappalled, ɐnəpôld, onvervaard.

Unappeasable, ɐnəpîzəb’l, onverzoenlijk; Unappeased = onbevredigd, onverzoend.

Unapplied, ɐnəplaid, niet aangewend: — funds = dood kapitaal.

Unappreciated, ɐnəprîšeitid, niet gewaardeerd.

Unapprehended, ɐnaprihendid, niet gearresteerd, niet gevreesd; Unapprehensive = niet begrijpend, zorgeloos: I am not — that = ik weet heel wel, dat; subst. —ness.

Unapprised, ɐnəpraizd, niet onderricht.

Unapproachable, ɐnəproutšəb’l, ongenaakbaar; subst. —ness.

Unappropriated, ɐnəprouprieitid, niet toegeëigend, niet voor een bepaald doel aangewezen of gebruikt: — funds = dood kapitaal.

Unapproved, ɐnəprûvd, niet goedgekeurd.

Unapt, ɐnapt, ongeschikt, ongenegen; subst. —ness.

Unarm, ɐnâm, ontwapenen, de wapenen neerleggen; —ed = ongewapend, bloot.

Unarrested, ɐnərestid, onbelemmerd.

Unartistic, ɐnâtistik, onartistiek.

Unascertainable, ɐnasəteinəb’l, wat niet uitgemaakt of uitgevorscht kan worden; Unascertained = niet zeker bekend.

Unashamed, ɐnəšeimd, zonder schaamte.

Unasked, ɐnâs(k)t, ongevraagd, ongenood.

Unassailable, ɐnəseiləb’l, onaantastbaar, onbetwistbaar; Unassailed = onbetwist.

Unassignable, ɐnəsainəb’l, niet over te dragen of toe te wijzen; Unassigned.

Unassimilable, ɐnəsimiləb’l, niet te assimileeren; Unassimilated.

Unassisted, ɐnəsistid, zonder hulp.

Unassociated, ɐnəsoušeitid, niet vereenigd.

Unassuaged, ɐnəsweidžd, niet bevredigd of gestild.

Unassuming, ɐnəsiûmiŋ, bescheiden, niet aanmatigend.

Unattached, ɐnətatšt, niet verbonden, niet toegedaan, extern, à la suite, niet in beslag genomen of benaderd; los: Colonel — = à la suite; — students = extern, niet in een college wonend.

Unattainable, ɐnəteinəb’l, onbereikbaar; subst. —ness.

Unattempted, ɐnətemtid, onbeproefd.

Unattended, ɐnətendid, onvergezeld, zonder gevolg, verwaarloosd.

Unau, jûnô, junô, tweeteenige luiaard.

Unaudited, ɐnôditid, niet nagezien of verevend.

Unauthenticated, ɐnôthentikeitid, niet bekrachtigd, waarvan de echtheid niet bewezen is.

Unauthorised, ɐnôthəraizd, onbevoegd, onwettig, niet echt.

Unavailable, ɐnəveiləb’l, onbruikbaar, ongeldig; subst. —ness; Unavailing = nutteloos.

Unavenged, ɐnəvenžd, ongewroken, ongestraft.

Unavoidable, ɐnəvôidəb’l, onvermijdelijk; subst. —ness.

Unavowed, ɐnəvaud, niet erkend.

Unaware, ɐnəwêə, adj. onwetend, onwillekeurig, zorgeloos, onattent; —(s), adv. plotseling, onverhoeds, onverwachts.

Unawed, ɐnôd, onbeschroomd.

Unbacked, ɐnbakt, niet gesteund, nog niet gedresseerd om een ruiter te dragen; paard waarop niet gewed is.

Unbag, ɐnbag, (den vos) uit den zak laten; uitbrengen.

Unbaked, ɐnbeikt, niet gebakken, ongaar, onrijp.

Unbalanced, ɐnbal’nst, niet in evenwicht, niet vereffend.

Unballasted, ɐnbaləstid, zonder ballast, onvast.

Unbandaged, ɐnbandidžd, zonder verbanden.

Unbaptized, ɐnbaptaizd, ongedoopt.

Unbar, ɐnbâ, ontgrendelen, ontsluiten.

Unbated, ɐnbeitid, onverzwakt, niet stomp gemaakt.

Unbathed, ɐnbeidhd, niet bevochtigd.

Unbattered, ɐnbatəd, niet gekneusd of gedeukt.

Unbearable, ɐnbêrəb’l, ondragelijk.

Unbearded, ɐnbîədid, baardeloos.

Unbeaten, ɐnbît’n, niet geslagen, ongebaand, niet betreden.

Unbecoming, ɐnbikɐmiŋ, ongepast, onbehoorlijk, onwelvoeglijk, niet kleedend; subst. —ness.

Unbefriended, ɐnbifrendid, zonder vrienden, niet begunstigd.

Unbegot(ten), ɐnbigot(’n), niet geboren, eeuwig.

Unbeheld, ɐnbiheld, niet aanschouwd, onzichtbaar = Unbeholden.

Unbeknowing, ɐnbinouiŋ, niet wetend; Unbeknown(st) = onbekend: — to me = zonder mijn voorkennis; The land of the — = het onbekende land.

Unbelief, ɐnbilîf, ongeloof; Unbelievable = ongelooflijk; Unbeliever = ongeloovige; Unbelieving = ongeloovig.

Unbeloved, ɐnbilɐvd, onbemind.

Unbend, ɐnbend, ontspannen, losmaken, verslappen, gemoedelijk worden, afslaan (van zeilen): To — one’s mind = zich ontspannen; —ing = onbuigzaam, stijf, hardnekkig, aan ontspanning gewijd (—-hour); ook subst.

Unbenefited, ɐnbenəfitid, geen voordeel trekkend uit, niet begunstigd door.

Unbeseeming, ɐnbisîmiŋ, ongepast; subst. —ness.

Unbesought, ɐnbisôt, ongevraagd, vrijwillig.

Unbespeak, ɐnbispîk, afzeggen, herroepen.

Unbewailed, ɐnbiweild, onbetreurd.

Unbias(s)ed, ɐnbaiəst, onpartijdig; subst. —ness.

Unbidden, ɐnbid’n, vanzelf, ongenood: Her tears started — = vloeiden onwillekeurig.

Unbigoted, ɐnbigətid, vrij van dweeperij.

Unbind, ɐnbaind, losbinden, bevrijden.

Unblam(e)able, ɐnbleiməb’l, onschuldig, onberispelijk, onlaakbaar; subst. —ness.

Unbleached, ɐnblîtšt, ongebleekt.

Unblemished, ɐnblemišt, onbevlekt, smetteloos.

Unblended, ɐnblendid, onvermengd.

Unblessed, Unblest, ɐnblest, ongezegend, ellendig, vervloekt.

Unblinkered, ɐnbliŋkəd, zonder oogkleppen, met open oogen: His eyes were — by fees = hij deed geen oogje dicht om een fooi.

Unbloody, ɐnblɐdi, niet bedoeld of bloeddorstig: — sacrifice = bloedlooze offerande.

Unblotted, ɐnblotid, on(uit)gevlekt.

Unblunted, ɐnblɐntid, niet verstompt of versuft.

Unblushing, ɐnblɐšiŋ, schaamteloos.

Unbodied, ɐnbodid, onlichamelijk, van het lichaam bevrijd of ontdaan.

Unboiled, ɐnbôild, ongekookt.

Unbonnet, ɐnbonət, de muts of den hoed afnemen of afzetten, ontblooten.

Unborn, ɐnbön, ongeboren, toekomstig.

Unborrowed, ɐnboroud, niet ontleend, oorspronkelijk, echt.

Unbosom, ɐnbuz’m: He —ed himself = stortte zijn hart uit.

Unbought, ɐnbôt, ongekocht.

Unbound, ɐnbaund, niet gebonden.

Unbounded, ɐnbaundid, onbegrensd, eindeloos; subst. —ness.

Unbrace, ɐnbreis, losmaken (-gespen, -knoopen): —d drums = ontspannen trommen.

Unbred, ɐnbred, ongemanierd, onkundig.

Unbreeched, ɐnbrîtšt, zonder broek.

Unbridle, ɐnbraid’l, aftoomen, loslaten; —d = ongetoomd, losbandig, uitgelaten.

Unbroke(n), ɐnbrouk(’n), on(af)gebroken, regelmatig, ongeschonden, niet afgereden, onverminderd, ongestoord.

Unbrotherly, ɐnbrɐdhəli, onbroederlijk, onvriendelijk, onnatuurlijk.

Unbuckle, ɐnbɐk’l, losgespen.

Unbuilt, ɐnbilt, ongebouwd.

Unburden, ɐnbɐ̂d’n, ontlasten, afwerpen, ontdekken, openbaren: He had something to — = op ’t hart; When I have any —ing to do, there’s always mother = iets op ’t hart heb; To — oneself = zijn hart uitstorten.

Unburied, ɐnberid, onbegraven.

Unburned, ɐnbɐ̂nd, Unburnt, ɐnbɐ̂nt, ongebrand, onverbrand.

Unburthen, ɐnbɐ̂dhən = Unburden.

Unbusinesslike, ɐnbiznəslaik, niet overeenkomstig de handelsusanties, onpractisch.

Unbutton, ɐnbɐt’n, losknoopen.

Uncalled, ɐnkôld, ongeroepen: Your pity is — for = is te onpas, niet noodig; Your jealousy is — for = uwe jaloerschheid is zonder grond, onredelijk.

Uncancel(l)ed, ɐnkânsəld, niet doorgehaald, niet opgeheven.

Spotted a typo or a problem in this chapter? Tell us