Engelsch woordenboek. Eerste deel: Engelsch-Nederlandsch (part 3 of 7)
First, fɐ̂st, eerste, voornaamste: This was the — I had heard of it = de eerste maal dat; To be — with a person = iemand vóór zijn; — come — served = die ’t eerst komt, die ’t eerst maalt; — and foremost = in de allereerste plaats; — and last = gemiddeld, alles bijeengenomen; — or last = vroeg of laat, te eeniger tijd; At (the) — = in den beginne, oorspronkelijk; He had resolved it from the — = van den aanvang af; —-begot(ten), —-born = eerstgeboren(e); —-call = ochtendbeurs; —-chop = eerste kwaliteit; —-class = eerste klasse, uitstekend: He got a —-class = den hoogsten graad (bij examens); —comer = de eerste (de beste); —-cost = inkoopsprijs; —-day = naam voor den Zondag bij de Quakers; —-floor = tweede verdieping (Engeland), eerste verdieping (Am.); —-foot = eerste bezoeker in ’t Nieuwe jaar (Schot.); —-fruits = eerstelingen, eerste vruchten, annaten of jaarrechtgelden (= opbrengsten van een geestelijk ambt gedurende het eerste jaar; vroeger aan den Paus, thans aan de fondsen van het Queen Anne’s Bounty overgedragen); —-hand = stuurman op een visschersvaartuig; eerste hand: To buy (at) —; —-mate = eerste stuurman; —-mover = oorspronkelijke beweegkracht; —-nighter = première, iemand die zulke opvoeringen geregeld bijwoont; —-proof = eerste proef (drukw. en alcohol); —-rate = A. 1. = (schip) van de eerste klasse, eerste rang: He is a —-rate second-rate actor = hij is een uitstekend acteur van den tweeden rang; —-water = (van het) eerste water; —ling, fɐ̂stliŋ, eerstgeborene.
Firth, fɐ̂th, Zie Frith.
Fiscal, fisk’l, adj. fiskaal; subst. fiskaal; ambtenaar van het O.M. (Schot.).
Fish, fiš, subst. visch, fiche, lasch; — verb. visschen, afvisschen, opvisschen, uitvisschen: He’s like a — out of water = niet in zijn element; I have other — to fry = ik heb wel wat anders (en beters) te doen; All is — that comes to net = wij kunnen van alles gebruiken; That is a pretty kettle of — = dat’s een mooie boel! (ironisch); A loose — = pierewaaier; A strange — = rare snaak; —-bladder = vischblaas; —-bone = graat; —-carver = vischmes; —-culture = vischteelt; —-curer = vischzouter, etc.; —-fag = vischwijf; —-flake = zwemblaas; —-fly = kunstvlieg (voor het visschen); —-garth = hekken aan den kant van een rivier om het vangen van visch te vergemakkelijken; —-gig = elger; —-glue = vischlijm; —-hawk = vischarend; —-hook = vischhaak; —-market = vischmarkt; —-maw = zwemblaas; —monger = vischkooper; —-oil = traan; —pond = vischvijver; —-slice = —-sound = zwemblaas van een visch; —-spear = harpoen; —-strainer = vischschotel; —-tackle = vischgerei; —-tail-burner = vleermuis (gasbrander); —-torpedo; —-trowel = —-weir = —garth; —wife (—woman) = vischvrouw; He —ed for a compliment = hij vischte naar; He has —ed it out = het uitgevischt; —er = visscher, ijsvogel, Canadeesche marter; —er-boat = visschersboot; —erman = visscher, visschersschuit; —ery = visscherij: The —eries = de visscherijtentoonstelling; —iness = vischachtigheid, verdachtheid; —ing-boat = visschersschuit; —ing-line = vischsnoer; —ing-net = vischnet; —ing-rod = hengel-roede; —ing-smack = visscherspink; —ing-tackle = vischtuig; —like = vischachtig; —y = vischachtig, vischrijk, dof, ongeloofelijk, verdacht: This looks —y = ziet er verdacht uit.
Fisk, fisk, druk zijn.
Fissile, fis(a)il, splijtbaar; Fission, fiš’n, splijting; Fissiped, fisiped, zoogdier met gespleten teenen (b.v. kat of beer); Fissure, fišə, subst. kloof, spleet, splijting, fistel; — verb. splijten: — needle = hechtnaald.
Fist, fist, vuist; — verb. met de vuist slaan, aanpakken: Close —ed = vrekkig; A —ic fight = vuistgevecht; —icuffs: To be at — = Engaged in — = aan het bakkeleien.
Fistula, fistjulə, fistel: — lachrymalis = ontsteking van de traanklier; —r = hol (als riet); Fistulous = buisvormig; fistelachtig.
Fit, fit, aanval, stuip, gril: By —s and starts = bij buien, met tusschenpoozen; Beaten all to —s = lam geslagen; To frighten into —s = vreeselijk doen schrikken; She went into —s = kreeg het op de zenuwen, viel in onmacht; —ful = grillig; subst. —fulness.
Fit, fit, geschikt, passend, bereid, bevoegd, in goede ‘conditie’; ook subst.; — verb. passend (geschikt, bekwaam) maken, uitrusten, monteeren, passen, zitten, gepast of passend zijn: More than is — = ongepast veel; I am as — as a fiddle = volkomen goed, gezond; To be — for = geschikt; — for service = geschikt voor den dienst; To think — = het geschikt achten; To be a bad — = slecht zitten of passen; To be an exact — = als gegoten zitten; To be a tight — = er net in kunnen; It doesn’t — in with my plans = strookt niet met; A fleet was —ted out = werd uitgerust; The house was —ted up = gemeubileerd, bewoonbaar gemaakt; That —s him like a glove, to a T. = het is hem als aan het lichaam gegoten, dat past precies op hem; It —s it like a plug = het past precies; —ness = geschiktheid, enz.; —-out = uitrusting; —ter = monteur, kolenkoopman, leverancier; —ting = gepast; passen, monteering: —ings = noodzakelijke artikelen voor huis, winkel of schip, monteerbenoodigdheden; —ting-out = uitrusting; —ting-up = inrichting.
Fitch, fitš = Fitchet = bunzingvel; Fitchew, fitšû, bunsing.
Fitz, fits, zoon (slechts in samenstell.); onwettige zoon van een koning of een prins van den bloede.
Five, faiv, vijf; —fold = vijfvoudig; —r = een bankbiljet van vijf pond (of dollar); alles wat voor vijf telt; —s, faivz, een soort v. balspel, de vuist (alle vijf): Bunch of —s = de vuist; —s-ball = bal gebruikt bij het balspel, ‘Fives’ genoemd; —s-court = plaats, baan voor dit spel.
Fix, fiks, subst. moeielijkheid, klem; — verb. bevestigen, vastzetten, vastmaken, vaststellen, fixeeren, monteeren, richten, vestigen; bezorgen, in orde maken (Am.); zich vestigen, vast worden, besluiten tot, kiezen: To — bayonets = opzetten; To — a mast, a pole = overeind zetten; They —ed themselves there = vestigden zich daar; To — in = in passen; We have —ed on Sunday for the meeting = wij hebben bepaald; I must try to — it up with you = in orde te maken, bij te leggen; —able = bevestigbaar, enz.; —ation = bevestiging, fixeering, enz.; —ative = fixeermiddel; —ed = vast, strak, niet vluchtig: —ed bodies = vaste lichamen; —ed oils = niet vluchtige oliën; —ed point = vaste post (van een soldaat of politie-agent); —ed stars = vaste sterren; subst. —edness; —ings = uitrusting, versieringen, inrichtingen, tooi, kleeren; —ity = vastheid, stabiliteit: —ity of purpose = vastheid van doel; —ture = vaste datum (sport), al wat spijkervast is: He is a —ture = is stoelvast, een familiestuk (fig.); The autumn —tures = de voor den herfst vastgestelde wedrennen.
Fiz-gig, fizgig, vuurregen; elger; coquet meisje.
Fizz, fiz, subst. gesis, gezoem, gebruis; champagne; soda-water (Amer.); — verb. sissen, bruisen; —le, subst. gesis, gebruis, gezoem; mislukking (wat met een sisser afloopt), zakken, steken blijven; — verb. sissen, zoemen, bruisen: To —le out = uitgaan, volkomen mislukken.
Flabbergast, flabəgast, verbazen, verbluffen.
Flabbiness, flabinəs, slapheid, weekheid, zwakheid; adj. Flabby: A — face.
Flabbellate, fləbelit, Flabbelliform, fləbeliföm, waaiervormig.
Flaccid, flaksid, slap, zacht; subst. —ity = —ness.
Flag, flag, subst. vlag, vloertegel, gele lisch; — verb. seinen met vlaggen; verslappen, slap neerhangen, met vloertegels bevloeren: — of distress = noodvlag; — of truce = parlementaire vlag; Black — = vlag, dat geen kwartier zal worden gegeven; Red — = oproervlag; To dip the — = met de vlag salueeren; The —s were hung half mast high = de vlaggen waren halfstok geheschen; All the —s were struck, lowered, gathered = gestreken, naar beneden gehaald, opgedoekt; The —s were innocent of carpet = er lag geen kleed op den steenen vloer; —-lieutenant = adjudant van den —-officer = vlagofficier; —man = baanwachter; —ship = admiraalsschip; —-staff = vlaggestok; —stone = vloersteen, soort van zandsteen; —gy = vol gele lischbloemen.
Flag, flag, slap neerhangen, slap worden, verslappen; —giness = slapheid; —ging = verslappend; verslapping.
Flagellant, fladžəl’nt, flagellant; Flagellate, fladžəleit, geeselen; subst. Flagellation.
Flageolet, fladžəlet, flageolet.
Flagitious, flədžišəs, schandelijk, snood; subst. —ness.
Flagon, flag’n, flesch, flacon, schenkkan.
Flagrancy, fleigr’nsi, gloed, openlijk plegen, gruwel, schandelijkheid; Flagrant, fleigr’nt, aan den gang, openlijk, afschuwelijk: A war was — = woedde.
Flail, fleil, dorschvlegel; — verb. dorschen.
Flake, fleik, subst. schilfertje, vlok, schol of schots, gestreepte tuinanjelier, droogrek voor visschen (Amer.); — verb. tot vlokken vormen, met vlokken bedekken, afschilferen: — of ice = ijsschots; —-white = soort v. wit blanketsel; Flakiness = vlokkige of schilferachtige toestand; adj. Flaky.
Flam, flam, subst. valsche voorspiegeling, opsnijderij, leugen; — verb. wijsmaken.
Flambeau, flambou, flambouw.
Flamborough, flambərə.
Flamboyant, flambôiənt, vlammend, gevlamd (bouwkunde); opzichtig.
Flame, fleim, subst. vlam, hitte, vuur, opgewondenheid, drift; liefje; — verb. vlammen, ontvlammen, in woede opvliegen, doen ontvlammen: He is all in a — for the measure = vuur en vlam voor; To set on — = in vlammen zetten; —-colour = helgele kleur; — eyed = met vurige oogen; —-shaped = gegolfd.
Flamen, fleim’n, oud Romeinsch priester.
Flaming, fleimiŋ, vlammend, heftig, overdreven.
Flamingo, fləmiŋgou, flamingo.
Flamy, fleimi, vlamachtig, vlamkleurig.
Flancon(n)ade, flaŋkəneid, zijstoot, zijhouw (bij het schermen).
Flanders, flândəz, Vlaanderen: — brick = poetssteen.
Flane, flein, flaneeren: They lazed and —d about the boulevards = slenterden en flaneerden.
Flange, flanž, flens, opstaande rand; — verb. van flens of rand voorzien: —-rail = spoorstaaf met opstaanden rand.
Flank, flaŋk, subst. zijde, flank, ribstuk; — verb. flankeeren, zich aan de zijde bevinden, grenzen aan, in de flank aanvallen, de flank dekken of bestrijken of omtrekken; —-company = de uiterste rechter- of linker-compagnie van een bataljon; —-files = de eerste twee mannen aan de rechteren de laatste twee aan de linkerzijde van de compagnie; —er = subst. flankeur.
Flannel, flan’l, flanel; —ette = katoenflanel.
Flap, flap, subst. klep, flap, slappe rand, lapèl, lel, pand, beweging met (geluid van) iets plats en breeds, klap, tafelblad; — verb. flappen, kleppen, slaan, neerslaan: The sails —ped in thunder = flapten met donderend geraas; —doodle = geklets, klare onzin; —-dragon = spelletje, om iets uit brandende cognac b.v. te halen; —-eared = met slappe ooren; —-hat = slappe hoed; —-mouthed = met hanglippen; —-table = klaptafel; —-window = opslaand dakraam; —per = breede dikke vin (v. een rob bijv.), lange schoen der Christy Minstrels, jonge wilde eend, bakvischje (fig.).
Flare, flêə, subst. flikkering, helle vlam, bluf; — verb. flikkeren, vlammen, schitteren, opzichtig zijn, overhangen: A —-up = opflikkering, gloeiende fuif, plotselinge woordentwist; He —d up = hij werd woedend, stoof op; Flaring = schitterend, opzichtig.
Flash, flaš, subst. vlam, flikkering, straal, schicht, uitbarsting, mislukte poging, soort sluis, zwarte strik (aan de uniform der Royal Welsh Fusiliers), woest stroomende watermassa, dieventaal; adj. dieven - -, opzichtig, onecht; — verb. flikkeren, schitteren, plotseling ontvlammen, schieten, vliegen: For a — = voor een oogenblikje; A — in the pan = ketsschot, mislukte poging; — of lightning = bliksemflits; — of wit = geestige inval; — language = dieventaal; The thought —ed across my mind = schoot mij te binnen; The news was —ed to America = geseind naar; —-house = helershuis; —man = schurk; To raise the —-point of petroleum = de ontvlammingstemperatuur verhoogen; —iness = opzichtigheid, smakeloosheid; —ing: —-light = flikkervuur (vuurtoren); —y = opzichtig.
Flask, flâsk, flesch, flacon, metalen of lederen kruitflesch.
Flasket, flaskət, spijsmand, kruitflesch.
Flat, flat, plat, vlak, moedeloos, verslagen, smakeloos, flauw, lusteloos, uitdrukkelijk, vierkant, ronduit, een halve toon verlaagd; subst. vlakte, vlak land, ondiepte, zandbank, platte kant, platboomd vaartuig; breedgerande strooien hoed (Amer.), palm van de hand, plat (dak), vertrekken op dezelfde verdieping, bovenhuis, mol (muziek), half achterscherm (tooneel), sul of hals; adv. plat, rechtuit, vlak, volkomen; — verb. vlak maken; mislukken (out) (Amer.): A — affair = een vervelend iets; — candlestick = blaker; — calm = volkomen windstilte; D-— = D-mol; I could not give him a — denial = kon hem niet zoo botweg weigeren; The — infinitive = de inf. zonder to; That is a — lie = een infame leugen; His defence fell — on the assembly = maakte niet den minsten indruk; To lie — on the ground = plat, languit; I won’t go there, and that’s — = ik ga er niet heen, en daarmee uit, dat spreekt vanzelf; — and plain = ronduit; —-bottomed = platboomd; —-cap = formaat v. papier, 35 × 43 c.M. platte muts; burgerman; —-fish = platvisch; domoor; —-footed = met platvoeten; vastberaden (Amer.); —head = groentje (Amer.); —-iron = vlak-, strijkijzer; —-race = wedloop zonder hindernissen; —-roofed = met een plat dak; —ten = plat, smakeloos, neerslachtig maken (of worden), den toon verlagen: To —ten the sail = scherp aanbrassen (halen); —ter = pletter (hamer); —ting-mill = pletmolen; —tish = ietwat plat; —wise = met de platte zijde naar beneden.
Flatter, flatə, vleien, overhalen, afvleien (out of), te gunstig voorstellen; —er = vleier; —y = vleierij.
Flatulence, —cy, flatjulens(i), winderigheid, opgeblazenheid; Flatulent; Flatus, fleitəs = Flatulence.
Flaunt, flônt, flânt, opzichtig gekleed zijn, zich aanstellen, pronken met; wapperen, uitwaaien; ook subst.; —y = pronkerig, opgedrild.
Flautist, flôtist, fluitist.
Flavour, fleivə, subst. geur, smaak; — verb. smakelijk of geurig maken; —ing = geurtje, kruiderij; —less = zonder geur of smaak.
Flaw, flô, scheur, spleet, gebrek, breuk, windvlaag; — verb. barsten, scheuren; —less = zonder gebreken, onberispelijk.
Flax, flaks, subst. vlas; —-comb = vlashekel; —-dressing = vlasbereiding; —-raiser = vlasverbouwer; —-seed = lijnzaad; —en = van vlas, vlaskleurig, goudgeel: —en-headed, —en-haired; —y = vlasachtig, vlaskleurig.
Flay, flei, villen, martelen; —-flint = vrek.
Flea, flî, vloo: He came away from the races with a — in his ear = hij kwam bekaaid van de wedrennen thuis; He put a — in my ear = maakte me ongerust; I sent him off with a flea in his ear = ik wees hem kort en scherp af, scheepte hem af; He skins a — for its hide = ziet op een cent; He sticks to it like a — to a fleece = als eene vloo aan een wollen deken; —-bane = vlooienkruid; —-bite = vlooienpik, onbeduidende verwonding; bagatel; —-bitten = door vlooien gebeten, gespikkeld, met roode vlekken op lichten grond.
Fleam, flîm, vlijm, laatmes, lancet: Case of —s = etui met laatmessen.
Fleance, flîəns. Fleck, flek, subst. vlek, streep; — verb. bespikkelen, met streepen bedekken.
Flection, flekš’n. Zie Flexion.
Fled, fled, imperf. van to flee.
Fledge, fledž, vederen krijgen; —d = bevederd, kunnende vliegen; Fledg(e)ling, fledžliŋ, jonge vogel, die pas kan vliegen, melkmuil.
Flee, flî, vlieden, vluchten, vermijden.
Fleece, flîs, subst. vlies, vacht; — verb. scheren (van schapen), met een vlies of vacht bedekken, plukken, het vel over den neus halen, villen; —-wool = wol van het levende schaap; Fleecy = wollig: — clouds = schapewolkjes.
Fleer, flîə, subst. spot, bespotting; — verb. spotten, grinniken.
Fleet, flît, subst. vloot, inham, baai: The — = oude gevangenis voor gijzelaars (Londen); adj. snel, vlug; — verb. heenvliegen, voorbijsnellen, afroomen; —-dike = kade, dijk; —-footed = snelvoetig; —ing = snel voorbijgaand, vergankelijk; —ness = snelheid, vergankelijkheid.
Fleming, flemiŋ, Vlaming; Flemish, flemiš, subst. en adj. Vlaamsch(e taal), de Vlamingen: — bricks = klinkersteenen.
Flesh, fleš, subst. vleesch, lichaam, de zondige mensch, dierlijke lusten, aardsch bestaan, geslacht, bloedverwanten; — verb. met vleesch voeden, vleesch laten proeven, bevredigen, verzadigen, inwijden, gewennen, harden: I saw him in the animated — = in levenden lijve; An arm of — = menschelijke kracht of hulp; — and blood = de menschelijke natuur; They are one — = zij zijn één; You are gathering — = gij wordt dik; That story made my — creep (crawl) = ik kreeg kippenvel van dat verhaal; —-clogged = log van dikte; —-colour(ed) = vleeschkleur(ig); —-diet = vleeschkost; —-fly = vleeschvlieg; —-meat = vleeschspijzen; —-tint = vleeschkleur; —-worm = made, trichine; —er = slager (Schot.); —iness = vleezigheid; —ings = vleeschkleurig tricot; —ly = vleeschelijk, lichamelijk, zinnelijk, wereldsch: —ly minded = materialistisch; —y = vleezig, dik, zwaar, grof.
Flew, flû, imperf. van to fly.
Flex, fleks, (doen) buigen; —ibility = buigzaamheid; —ible = buigzaam, handelbaar, gedwee; —ile = buigzaam; —ion = (ver)buiging, bocht; —or = buigspier; —uose, fleksjuous, —uous, fleksjuəs, kronkelend, zigzag, flikkerend; —ure, flekšə, buiging, bocht.
Flibbertigibbet, flibətidžibit, babbelaar(ster), booze geest.
Flick, flik, subst. tik; — verb. tikken, wegknippen, afkloppen.
Flicker, flikə, fladderen, kleppen (v. vleugels), flikkeren (v. eene vlam); —-mouse, Zie Flittermouse.
Flier, flaiə, vlieger, vluchteling, snel paard; onrust, vliegwiel, rechte trap.
Flight, flait, vlucht, zwam: — of stairs = reeks van treden = gedeelte van eene hooge trap, die door landings afgebroken wordt; The enemies were put to — = op de vlucht geslagen; —iness = vluchtigheid, enz.; —y = vluchtig, snel, grillig, wispelturig, onbetrouwbaar.
Flim-flam, flimflam, kuur, gril, poets.
Flimsiness, flimzinəs, dunheid, enz. enz.; Flimsy, flimzi, adj. dun, zwak, gering, nietig, onbeduidend, onvast; subst. dun papier, mailpapier, bankbiljet: A — box = een los in elkaar getimmerde kist.
Flinch, flinš, terugdeinzen, aarzelen.
Flinder, flində, flentertje, stukje, splinter: To go to —s = in splinters gaan; —-mouse. Zie Flittermouse.
Fling, fliŋ, slingeren, met kracht werpen, in ’t rond gooien, verspreiden, slaan, ijlen, snellen; subst. worp, gooi, spot, uitval, onbeteugelde pret, Schotsche dans: I want to have a — at him = ik moet er hem eens goed van geven; To have one’s — = fuiven, veel uitgaan, pierewaaien; Young blood will have its — = de jeugd moet uitrazen; He had his — out = is uitgeraasd; We shall — in our swords if necessary = bij in de schaal werpen; The hounds were flung off the scent = van het spoor gebracht, het spoor bijster; He flung out at me = beleedigde mij; We have flung up the business = hebben aan den kant gegooid, laten varen.
Flint, flint, subst. keisteen, vuursteen, iets buitengewoon hards, hardvochtigheid; adj. van steen gemaakt: He (flays) skins a — = hij is buitengewoon gierig; —-age = steenen tijdperk; —-glass = flintglas; —-flake = steenen werktuig; —-lock = vuursteenslot (bij geweren); —-gun = ouderwetsche snaphaan; —-knapper (—-worker) = vuursteenmaker; —-stone = vuursteen; —y = steenachtig, hard, hardvochtig.
Flip, flip, tik; eierpunch; — verb. klappen, wegknippen met de vingers; —-flap, subst. geklepper, geklikklak: The clown turned somersaults and —-flaps = buitelde en deed allerlei sprongen.
Flippant, flip’nt, onbezonnen, lichtzinnig, onbescheiden, achteloos: His wit is —ly dull = hij is een vervelende zwetser; He is — on serious subjects = praat er maar op los als het ernstige onderwerpen betreft; subst. Flippancy.
Flipper, flipə, groote vin, poot (hand).
Flipperty-flopperty, flipətiflopəti, zich samenvouwend (als een slangenmensch of kunstenmaker). Zie Twisty-twirly.
Flirt, flɐ̂t, subst. ruk, zwaai; coquette; hofmaker; — verb. snel heen en weer bewegen, werpen, fladderen, huppelen, ongedurig zijn, coquetteeren, spelen met: She —ed her fan elegantly; He —ed the pellets of bread about = hij gooide de kogeltjes brood in ’t rond; Flirtation = coquetteeren = —ing.
Flit, flit, fladderen, vliegen, heen en weer trekken, verhuizen; —ter-mouse = vleermuis; —ting = verhuizing; —ty = vluchtig, onvast.
Flitch, flitš, zijde spek, gerookte en gezouten zijde van een varken.
Float, flout, subst. vlot, dobber, troffel; — verb. drijven, vlot zijn, vlotten, dobberen; laten drijven, vlot maken, overstroomen, aan den gang brengen (van eene zaak), bepleisteren: Let us — a company = oprichten; The ship was —ed out of dock = werd uit het droogdok gelaten; The ensign —s half-mast high = waait halfstok; —-board = plank van een stoombootrad, schoep; —age = alles, wat drijvende gevonden wordt; —ed work = vlak pleisterwerk; —ing = drijvend, vlottend, loopend, onzeker: —-battery = drijvende batterij; —-bridge = schipbrug: —-capital = vlottend kapitaal; —-debt = vlottende schuld; —-dock = drijvend dok; —-light = lichtschip, lichtboei; —-pier = drijvend havenhoofd; —-rib = valsche (losse) rib; —-terms = koopvoorwaarden voor zeilende (stoomende) lading; —-wick = drijvend nachtpitje.
Floccilation, floksileiš’n, het plukken aan beddedekens door stervenden.
Floccose, flokous, flokous, vlokkig; Flocculent, flokjulent, wollig, aan elkaar hangend; Floccus, flokəs, lange bos haar (aan den staart van koeien, b.v.).
Flock, flok, subst. kudde (schapen), vlucht, troep, vlok (haar of wol); — verb. zich in troepen vereenigen, samenstroomen; —s of chickens; Birds of a feather — together = soort zoekt soort; —-bed = bed gevuld met vlokken grove wol of lappen; —-master = opzichter over kudden schapen; —mel = in kudden; —y = vlokkig.
Floe, flou, ijsveld.
Flog, flog, slaan, afranselen, geeselen: They were —ging a dead horse = trokken aan een dood paard; —ger = zweep.
Flood, flɐd, subst. vloed, zondvloed, overstrooming; — verb. overstroomen, onder water zetten: When thwarted his personality rises in — = komt hij in volle kracht uit; He swam the —ed stream = den hooggaanden stroom; They —ed the market with diamonds; —-gate = sluisdeur; —-mark = hoogwatertij; —-tide will soon make = de vloed komt weldra op.
Flook, flûk. Zie Fluke.
Floor, flö, subst. vloer, verdieping, bodem, vlak, zittingszaal; — verb. bevloeren; neerslaan, tot zwijgen brengen, verslaan: He took the — last = hij nam het laatst het woord; All the rooms are on a — = gelijkvloers; That —ed me = bracht mij tot zwijgen; The child was —ed by the nurse = neergezet (in zedel. zin); To be —ed = zakken; He can — a paper for high-class honours = hij kan een schitterend examen ‘for honours’ doen; He has —ed his problem = goed opgelost; The problem has —ed him = was hem te machtig; —-cloth, subst. wasdoek voor vloerbedekking, linoleum; — verb. een vloer met linoleum bedekken; —-plan = platte grond (van een gebouw; Amer.); —-timbers = onderbalken, waarop eene vloer rust; —ing = het bevloeren, bevloersel, vloer, plaveisel; —less.
Flop, flop, subst. flap, klap; — verb. flappen, kleppen, neerslaan, neerploffen: It came — down = het flapte neer; Their footsteps were very audible: pit-pat, floppety-flop = klep-klep.
Flora, flôrə, naam van de godin der bloemen, plantengroei van een land; —l = bloemen betreffende; Floreated, flôrieitid, van bloemrijke versierselen voorzien; Florescence, flores’ns, bloeitijd of het bloeien (van eene plant); Floret, flôrət, bloempje, bloemdeeltje; Floriculture, flôrikɐltšə, bloemkweeking; Floriculturist; Florid, florid, bloeiend, bloemrijk, blozend, schitterend: —-faced = met frisch gelaat; subst. —ness; Floriform, flôriföm, bloemvormig; Florist, florist, bloemkweeker, bloemenkoopman, bloemenkenner; Floroon, florûn, rand van bloemen.
Florence, flor’ns; Florentine, flor’nt(a)in, subst. een bewoner van Florence, Florentijn; adj. Florentijnsch.
Florida, floridə.
Florin, florin, oud stuk van 2 Sh.
Flory boat, floribout, bootje om passagiers van een stoomschip naar wal te brengen.
Floscule, floskjul, bloempje; Floscular, Flosculose, Flosculous = met pijpvormige bloempjes.
Floss, flos, floretzijde, wollige stof: —-thread = vlokzijde voor borduurwerk.
Flotant, flout’nt, wapperende; Flotation = het drijven, op touw zetten; Flotative = drijfbaar; Flotilla, flətilə, flotille, kleine vloot.
Flotsam, flots’m, Flotson, flots’n, goederen bij eene schipbreuk verloren, en op zee drijvende achtergelaten: The jetsam and — of literature = de niet-klassieke (tijdelijke) producten.
Flounce, flauns, subst. rukkende beweging der ledematen; strook; — verb. spartelen, eene snelle beweging maken; van eene strook voorzien: She —d out of the room = zij ging snel (en boos) de kamer uit; —d = met strooken.
Flounder, flaundə, bot; werktuig om leder te rekken; — verb. worstelen, spartelen, rollen, sukkelen: He —ed in his speech = hakkelde, viel over zijne woorden.
Flour, flauə, subst. bloem (van meel, etc.); — verb. met fijn meel bestrooien, met bloem bedekt worden; —-dredge(r) = geperforeerd tinnen busje om bloem te strooien; —-mill = korenmolen; —y = melig, met bloem v. meel bedekt.
Flourish, flɐriš, subst. praal, vertooning, krul, zwaaien (met een zwaard); overdreven versiering, fanfare; — verb. gedijen, bloeien, toenemen, bloemrijke taal gebruiken, krullen maken, schallen, schetteren, borduren, zwaaien, versieren: — of trumpets = trompetgeschal, praalzieke aankondiging; A —ed letter = krulletter.
Flout, flaut, subst. beleediging, spot; — verb. (be)spotten, beleedigen, verachtelijk behandelen.
Flow, flou, subst. vloed, stroom, overvloed, vaardigheid (van spreken), drijfzand; — verb. vloeien, loopen, stroomen, opkomen, uitstroomen, smelten, overstroomen, fladderen, wijd afhangen: His — of spirits is something wonderful = zijne voortdurende opgewektheid; We stopped the — of his words = zijn woordenvloed; It —s in upon us = het wordt voor ons hoorbaar; —ing = vloeiend, overvloedig, fladderend, wijd.
Flower, flauə, subst. bloem, bloesem, keur, redefiguur, bloei (der jaren); — verb. bloeien, in den bloei der jaren zijn, met bloemen versieren; —-de-lis (luce) = zwaardlelie; —-gentle = amarant; —-head = bloemkroon; —-show = bloemententoonstelling; —-soft = teeder, buitengewoon zacht; —-stalk = bloemstengel; —ed = met bloemen versierd, bloemen dragend; —et = bloempje; —less; —y = bloemrijk, figuurlijk: The —y land = China; —y-kirtled = met guirlandes van bloemen versierd.
Flown, floun, part. perf. van to fly.
Fluctuate, flɐktjueit, golven, weifelen, aarzelen, op en neer gaan; subst. Fluctuation.
Flue, flû, schoorsteenpijp, vlampijp (stoomketel); zacht dons of bont, pluisjes; —-work = orgelpijpen met lippen; verkorting van Influenza (ook Flu).
Fluellen, fluel’n.
Fluency, flûənsi, vloeibaarheid, vaardigheid, welbespraaktheid; Fluent = vloeibaar, welbespraakt, praatziek.
Fluff, flɐf, licht dons, zacht wollig goed; — verb. uitspreiden als veeren: To — out a fringe = uit-, en opkammen; —iness, subst. v. —y = donsachtig, met dons of vederen, in de vederen gedoken, zacht.
Fluid, flûid, subst. vloeistof; adj. vloeibaar, gasvormig; —ness = Fluidity.
Fluke, flûk, zuigworm; bot; soort v. aardappel, ankerklauw, meevallertje, beest (op ’t biljart): I scored one by a — = ik kreeg een punt door een toeval of beest (in het spel); Fluky = gelukkig: A — stroke = een beest.
Flume, flûm, bergbeek, waterloop.
Flummery, flɐməri, meelpap; onzin.
Flummox, Flummux, flɐməks, in de war brengen; mislukken (Amer.).
Flung, flɐŋ, imperf. en part. perf. van to fling.
Flunk, flɐŋk, subst. luilak, slechte uitslag, fout; — verb. missen (in eene les, b.v.), zich terugtrekken, zich er uit draaien.
Flunk(e)y, flɐŋki, lakei, mosterdjongen (scherts.), lage vleier; onervaren beursspeculant (Amer.); He has a —fied pronunciation = als een lakei; —dom; —ism.
Fluor, flûə, Fluorite, fluərait, vloeispaath.
Flurry, flɐri, subst. drukte, verwarring, gejaagdheid, bui (— of wind), lichte bries, doodstrijd (van een walvisch); — verb. in de war brengen, doen ontstellen, verbijsteren.
Flush, flɐš, subst. blos, gloed, aandrift, schok, opgeschrikte vlucht vogels, overvloed, moeras; adj. frisch, krachtig, overvloedig, effen, vlak; — verb. blozen, opwinden, opjagen, doen blozen, kleuren, reinigen (door een waterstroom): He isn’t — of money just now = niet goed by kas; You will hardly get —ed over that work = in extase geraken; —deck = doorloopend dek; —ness = frischheid, overvloed.
Flushing, flɐšiŋ, Vlissingen.
Fluster, flɐstə, subst. opwinding, verwarring; — verb. door drank verhitten en opgezet maken, verwarren; subst. Flustration.
Flute, flût, subst. lang en dun broodje; fluitschip; groef, plooi; fluit; — verb. fluiten, op de fluit spelen, groeven maken, plooien; German — = dwarsfluit; Armed in — = slechts voor een deel bewapend (schip); —d = met groeven; Flutina, flûtînə, soort van harmonica; Flutist = fluitist.
Flutter, flɐtə, subst. trilling, ongeregelde polsslag, opgewondenheid, ongerustheid, ontsteltenis, wanorde; — verb. fladderen, zweven, trillen, druk zijn, weifelen, beuzelen; in verlegenheid of verwarring brengen, snel heen en weer bewegen: It put me in a — = maakte me gejaagd; A —ed bird = gejaagde.
Fluvial, fl(j)ûvj’l, Fluviatic, fl(j)ûviatik, Fluviatile, fl(j)ûvjətil, tot eene rivier behoorend, in de rivier levende.
Flux, flɐks, subst. vloed, stroom, omloop, samenloop, wisseling, samensmelting; — verb. smelten, zuiveren, purgeeren: — and re— = vloed en ebbe; —ibility = veranderlijkheid, smeltbaarheid; —ible = smeltbaar; —ion = vloeiing, samensmelting; fluxie: Method of —ions = integr. en different. rekening; adj. —ional = —ionary.
Fly, flai, subst. vlieg, mug, kunstvlieg, vliegwiel, onrust, schietspoel (bij het weven), breed deel van een windwijzer, vlag, rijtuig voor één paard, huurrijtuig; — verb. vliegen, snellen, opvliegen, heensnellen, zich snel verspreiden, springen, wapperen, verschieten, oplaten, voeren, vliegen over, ontvluchten; adj. glad, bij de hand: As drunk as a — = zoo dronken als een tol; There is a — in the honey = roet in de brij; I don’t care a — = ik geef er geen zier om; When I became — to it, I was disgusted = toen ik het snapte, er lucht van kreeg, walgde ik ervan: To let — = aanvallen, afschieten, slingeren, er op slaan, vieren, losgooien, loslaten; He flew at me suddenly = hij vloog plotseling op mij aan; He flew in the face of everything and everybody = hij beleedigde en trotseerde ieder en alles; To — into a passion = driftig worden; He flew out at me = hij voer tegen mij uit; To — the garter = een soort bokspringen; Shall we — our kite = onzen vlieger oplaten; geld trachten los te krijgen? —-bitten = door muggen gebeten; door vliegendrek bedorven; —-boat = vlieboot, snelle passagiersboot in vaarten, platboomd vaartuig; —-blow, subst. vliegenei; — verb. eieren leggen in (vleesch, b.v.); —-blown = bedorven, stinkend, vuil, schunnig, met vliegendrek; —-catcher = zonnedauw, vliegenvanger; gaper; —-cage = soort vliegenvanger; —-clapper = —-flap; —-clip = blad (reep) uit een —-book; —-fishing = hengelen (met kunstvlieg en als aas); —-flap = vliegendooder; —-leaf = schutblad, strooibiljet; —man = koetsier van een fly; —-powder = insectenpoeder; —-speck = vliegenspatje; —-trap = vliegenvanger (ook de plant): —-wheel = vliegwiel; —er, flaiə (Zie Flier); Flying, subst. het vliegen; adj. vliegend: —-army (squadron, party) = vliegend leger (escader, afdeeling); —-artillery = rijdende artillerie; —-bridge = ponton, gierbrug; — colours: They entered the town with — colours = triomfantelijk (met vliegende vaandels); —-dragon = vliegende draak = —-lizard; —-pinion = onrust van eene klok; —-post-office = postwagen (in een trein).
Foal, foul, subst. veulen; — verb. een veulen werpen: To be in — = drachtig; —-teeth = melktanden (v. een —).
Foam, foum, subst. schuim; — verb. (doen) schuimen: He —ed at the mouth = schuimbekte van woede; —-crested = met schuim bedekt; —y = schuimend.
Fob, fob, horlogezakje (in de broek); — verb. beetnemen: They were —bed off with a front attic = afgescheept; To — off on = aansmeren.
Focal, fouk’l, van een brandpunt: —-distance = brandpuntsafstand.
Focus, foukəs, subst. middelpunt, brandpunt; — verb. naar een brandpunt richten, tot brandpunt maken, samenkomen, stellen (v. een camera): He fixed and —sed the girls = fixeerde erg; He —sed the palace = richtte zijn kijker op; How shall he — all the light of his learning in one work = in één werk samenvatten, vereenigen?
Fodder, fodə, subst. veevoeder (als hooi; onderscheiden van pasture = groen veevoeder); — verb. voederen.
Foe, fou, subst. (persoonlijke) vijand, tegenstander = —man.
Foetid, Zie Fetid.
Fog, fog, subst. zware mist, verwarring, verlegenheid, grof gras, etgroen; adj. dik, mollig; — verb. in verlegenheid (in de war) brengen of zijn; het nagras afweiden: I am all in a — = ik ben er verlegen mee, het is me niet duidelijk; I am —ged = In a —; —-bank = zware mistbank; —-dog = heldere plek in eene —-bank; —-horn = misthoorn; —-ring = zwarte mistkring; —giness = mistigheid; —gy = mistig; vol gras, mosachtig.
Fog(e)y, fougi, ouderwetsch, excentriek persoon.
Foh, fou, bah!
Foible, fôib’l, zwakke zijde, zwak punt.
Foil, fôil, subst. foeliesel (achter een spiegel), dun metaalblad onder juweelen, om deze beter te doen uitkomen; wat iets voordeelig doet uitkomen; loofwerk, onverwachte teleurstelling, schermdegen, spoor van gejaagd wild; — verb. overwinnen, teleurstellen, verijdelen: The one was a — to the other = ze deden elkanders voortreffelijkheid uitkomen = They were set off by a —; —-stone = valsche steen; —er = verijdelaar; —ing = spoor van een hert op gras.
Foison, fôiz’n, overvloed, kracht, hitte, sap, vochtigheid.
Foist, fôist, onderschuiven, voor echt laten doorgaan: A —ed up affair = zwendel.
Fo’ks’le, fouks’l. Zie Forecastle.
Fold, fould, subst. schaapskooi, kudde, de Geloovigen, het vouwen, vouw; -voudig (in samenstellingen); — verb. opsluiten (in eene kooi), vouwen, sluiten (van handen): All the leaves in your book are —ed down = hebben ezelsooren; He was received within the — of the church = in den schoot der kerk opgenomen; —er = vouwbeen, vouwer; A pair of —ers = lorgnet; Folding = het opsluiten, de schaapskooi, het vouwen: —-chair = vouwstoel; —-doors = vleugeldeuren; —-net = slagnet; —-screen = vouwscherm; —-stool = klapstoel; —-table = klaptafel.
Foliaceous, fouljeišəs, bladervormig, bladerig; Foliage, fouljidž, subst. gebladerte, bladerwerk, loofwerk; — verb. met loofwerk versieren; Foliaged = met loofwerk versierd; Foliated, fouljeitid, verfoelied, gebladerd, met loofwerk versierd; Foliation, foulieiš’n, metaalpletting, het verfoeliën, het van loofwerk voorzien; Folio, fouljou, subst. doorloopende pagineering, folio, pagina, copie, 72 woorden in wettelijke stukken, 90 in parlementsstukken; adj. van foliogrootte (4 bladzijden in een vel); — verb. folieeren; Folious, fouliəs, dicht met bladeren bezet, bladeren hebbende, met bloemen vermengd.
Folk, fouk, subst. luitjes, volk: adj. tot het volk behoorend, overgeleverd: How are the old —(s) = hoe gaat het met de oudjes; —lore = het bijgeloof en de overleveringen van een volk, de studie daarvan; —-medicine = huismiddeltjes; —-mote = volksvergadering; —-rede = mondelinge overleveringen (v. bijgeloof etc.); —right = gewoonterecht; —-song = volkslied, populair lied; —-tale = volksmythe; Folklorist, fouklörist, fouklörist, kenner of beoefenaar van folklore.
Follicle, folik’l, zaadhuisje, klier; adj. Follicular, Folliculous.
Follow, folou, volgen, nazetten, tot het gevolg behooren, nagaan, de party kiezen van, voortkomen, opletten, gehoorzamen, een beroep uitoefenen: Something better was to — = het zou nog beter worden; It does not — that he is idle = daaruit volgt niet; We —ed (acted upon) certain lines = gingen volgens een bepaald plan te werk; Do you — me? = begrijpt gij mij? He —s his pleasure = jaagt zijn genoegen na; To — suit = kleur bekennen, navolgen; To — the trade of a blacksmith = uitoefenen; He —ed out his principles = handelde geheel volgens zijne beginselen; If you want to — her up, you must know where she lives = werk maken van; This work —s closely upon history = dit werk volgt de geschiedenis op den voet; —er = volgeling, volger, leerling, dienaar, vrijer: No —ers allowed (in advertenties) = geen vrijers in de keuken; A —ing breeze, sea, wind = van achteren inkomend; He has a —ing of rich friends = hij heeft een aanhang van rijke vrienden.
Folly, foli, dwaasheid, domheid, verdorvenheid.
Foment, fəment, voeden, kweeken, warm betten, aanmoedigen, aanhitsen; subst. —ation; —er = opruier, aanstichter.
Fond, fond, dwaas, onwijs, al te teeder of lief, toegevend, verzot op, gek met: She is — of her children = gek met haar kinderen; —le = liefkoozen, streelen, vertroetelen; lief doen; That is her —ling = hartje, lieveling; —ness = teederheid.
Font, font, doopvont; letterpolis, gietcedel; adj. —al.
Fontanel(le), fontənel, fontənel, open plek in een zuigelingsschedel; seton, etterdracht.
Food, fûd, voedsel, spijs, voeder: One man’s — is another man’s poison = den een z’n dood is den ander z’n brood; A daily — = almanak met teksten voor iederen dag van het jaar; —s = voedingsstoffen = —-stuffs.
Fool, fûl, subst. dwaas, malle vent, zot, zondaar (bijbelsch), kruisbessenvlade, slachtoffer; — verb. voor den gek houden, bedriegen, teleurstellen, bespotten: Abbot of —s = hoofdleider der dwaasheden in de vroegere kerstfeestviering; Feast of —s = oud feest op Nieuwjaarsdag; That’s a — to it = haalt er niet bij; He has made a — of me = hij heeft me voor den gek gehouden, belachelijk gemaakt; Let him play the — = laat hem voor dwaas of grappenmaker spelen; Don’t — away your time = verbeuzel uw tijd niet; —’s-errand = vruchteloos onderzoek: He is out on a —’s-errand = hij jaagt het onverkrijgbare na; —’s-paradise = blijdschap met eene doode musch: He lives in a —’s-paradise = hij leeft gedachteloos voort, belooft zich zelf gouden bergen; —hardiness, subst. v. —hardy = roekeloos, domdriest; —s-cap = narrenkap; soort v. papier, omdat dit formaat oorspronkelijk het watermerk van eene narrenkap had; —ery = dwaasheid, dolheid; —ing, subst. malligheid, grappigheid; adj. voor gek spelend; —ish = dwaas, simpel, mal, belachelijk, beschaamd; zondig (veroud.); subst. —ness.
Foot, fut, subst. voet (12 inches), maat, versvoet, het wandelen, korte afstand, voetvolk; — verb. loopen, dansen, betreden, (be)wandelen, een voet aanbreien, voorschoen aanzetten, opsporen, met den poot of de klauw pakken, optellen en daaronder de som opschrijven: —s = bezinksel; — by —; Sure of —; On — = te voet, gaande, op touw; At a —’s pace = stapvoets; To put one’s best — forward = zijn beste beentje voorzetten; To put one’s — in = zich compromitteeren; zijn mond voorbij praten; To put down one’s — = zich met kracht verzetten tegen; He shook the dust of his country from his feet = verliet zijn land; I never set — in America = heb nooit een voet gezet; Who will set the business on — = aan den gang brengen, op touw zetten? To take the measure of a person’s — = iemand doorgronden; To — it = loopen; These stockings must be —ed = er moeten nieuwe voeten aan deze kousen gebreid worden; The bill was —ed = de rekening werd betaald (Am.); —-and-mouth disease = mond- en klauwzeer; —-band = troep infanterie; —-ball = voetbal, met leer omgeven gummibal, gebruikt bij het spel van dezen naam; —-barracks = infanteriekazerne; —-board = treeplank, voeteneind; —-boy = loopjongen, livreiknechtje; —-bridge = brug voor voetgangers; —fall = (hoorbare) voetstap; —-guard = voetbekleeding (bij paard); —-guards = lijfwacht te voet (Grenadier, Coldstream en Scots guards); —-hold = steun voor den voet, vaste positie, vestiging; —-iron = voetboei, rijtuigtrede; —-licker = lage vleier; —-lights: He was before the —-lights = voor het voetlicht; —man = voetknecht, livreiknecht; —-mark = voetspoor, indruk van den voet; —-muff = voetenzak; —-note = aanteekening onder aan de bladzijde; —pace = wandelpas; verhoogde vloer; —pad = struikroover; —-passenger = reiziger te voet, wandelaar; —-path = voetpad; —-plate = staanplaats op een locomotief; —-post = voetbode; —-pound = voetpond; —-print = indruk van den voet; —-race = wedloop; —-rest = voetbankje; bok; —-rot = rotziekte bij schapen; —-rule = duimstok (30 c.M. lang); —-scraper = voetenkrabber; —-shackles = voetboeien; —-soldier = infanterist; —-sore = met pijnlijke (zeere) voeten; —-stall = vrouwenstijgbeugel; onderstuk van eene zuil; —step = voetstap: Follow his —steps = druk zijne voetstappen, volg zijn voorbeeld; —-stool = voetbankje; —-stove, —-warmer = (warm water)-stoof; —way = voetpad, ladder om in de mijnen af te dalen; —-worn = met pijnlijke (zeere) voeten; —ed = voetig; —er = voetbal: A six-—er = iemand van 6 voet; —ing = steunsel voor den voet, vaste positie, opstelling: He missed his —ing = stapte mis; It is difficult to get a firm —ing there = om daar vasten voet te krijgen; He has to pay his —ing = hij moet zijne entrée betalen (van een werkman, die voor het eerst zijn beroep aanvaardt); First —ing is a New-Year’s custom in Scotland; the person who first enters the house is called its first —; —y = waardeloos, onbeduidend: This sugar is very —y = deze suiker is onzuiver; They are little —y falderals = kleine niets beduidende prullen.
Footle, fût’l, subst. prullewerk; adj. prullerig; — verb. knoeien, onzin doen.
Foozle, fûz’l, vervelende, malle gek; — verb. knoeien; Foozlified = dronken.
Fop, fop, modegek; —pery = kwasterij, ijdelheid (in kleederen of vormen); adj. —pish.
For, fö, prep, voor, gedurende, om, wegens, ten behoeve van, met het oog op, met bestemming naar, vergeleken met, niettegenstaande: I have done it — the best = uit bestwil; You have taken each other — better — worse = elkaar gehuwd, wat er ook mocht gebeuren; — convenience’ sake = gemakshalve; — example (= — instance) = bij voorbeeld; Eye — eye and tooth — tooth = oog om oog en tand om tand; — fear of = uit vrees van; — good and all (Once — all) = eens vooral; A man can live — much less = van veel minder; He won’t sleep — long = lang; Do it — my sake = om mijnentwil; A house — sale = te koop; — shame = schaam je; I shall take this — want of better = bij gebrek aan beter; He is a noble character — all that = hij is toch (niettegenstaande al wat er gezegd is, b.v.) een edele kerel; You must do it — all the world = wat de wereld er ook van zegge; That’s it — all the world = juist, zoo is het; She didn’t listen — all she held her tongue = al hield ze ook haar mond; — all you know = zoo goed (gauw) als je kunt; — as much as I can say = voor zoover ik weet; — the matter of that = wat dat betreft: — one thing, I don’t know your name = in de eerste plaats; — ought I see = voor zoover ik zien kan, als ik het wel heb; He was at home — a wonder = verwonderlijk genoeg was hij thuis; I am to blame — it = ik alléén draag daarvan de schuld; To be sorry — = spijt hebben over; I do not care — him = geef niet om hem; I felt uneasy — him = was ongerust over hem; To go in — an examination, a place = zich aanmelden voor, opgaan voor, dingen naar; We sailed — the Indies = zeilden naar Indië; I have taken you — my model = ik heb u ter navolging gekozen; I waited — him to resume his story = ik wachte er op, dat hij ... zou hervatten; Now — it = nu er op los, nu begint het; Oh — a horse = ach, had ik maar een paard; I — one = wat mij betreft; But — me he would be unhappy = zonder mij; It is not — you to say so = het past u niet zulks te zeggen; I could not — the life of me help saying it = ik moest het wel zeggen.
For, fö, conj. want, daar, in aanmerking nemende dat.
Forage, foridž, subst. voeder, fourage, veevoeder; — verb. fourageeren, uitplunderen door requireeren van fourage; —-cap (Foraging-cap) = politiemuts (van soldaten); —-contractor = aannemer van het voedsel der cavaleriepaarden; —r = fourageur.
Foraminated, fəramin(e)itid, met kleine gaatjes doorboord; Foraminous, fəraminəs, vol kleine gaatjes.
Foray, forei, fərei, subst. rooftocht, buit; — verb. plunderen, verwoesten.
Forbear, föbêə, nalaten, zich onthouden van, dulden, verdragen; —ance = onthouding, geduld, zelfbeheersching, verdraagzaamheid, duldzaamheid: —ance is no acquittance = uitstel is geen afstel; —ingly = lijdzaam.
Forbear(s), föbêə(z), föbîəz, voorouder(s), voorzaten, nazaten.
Forbes, föbz.
Forbid, föbid, verbieden, ontzeggen, weigeren (toegang, b.v.), een verbod uitvaardigen: God, Heaven — = dat verhoede God, de Hemel! —den fruit = verboden vrucht (Bijbel); —ding = onaangenaam, terugstootend: Those are —ding subjects = onaangename onderwerpen.
Forbore, föbö, Forborn, föbön, imperf. en part. perf. van to forbear.
Force, fös, subst. kracht, geweld, dwang, noodzaak, beteekenis, wettigheid, strijdmacht (ook dikwijls —s); — verb. dwingen, noodzaken, overweldigen, verkrachten, forceeren, trekken: By mere — of habit = uit louter kracht der gewoonte; Conservation of — = krachtsbesparing; Correlation of — = krachtsverhouding; External —s = van buiten werkende krachten; Land —s; Marine —s; Moral — = zedelijke kracht; Natural —s = natuurkrachten; Physical — = natuurlijk vermogen; By main — = met geweld; The scouts reported that they had discovered the enemy in — = in grooten getale; To be of — = van kracht; The law will come into — (be enforced) very soon = de wet zal spoedig tot uitvoering komen; That must follow of — = dat moet er noodzakelijk uit voortvloeien; I discovered where his — lay = wat zijn “fort” was; To — along = voortdrijven, meeslepen; To — back = terugdrijven; To — down the throat = doen slikken; His sword was —d from his hand = aan zijne hand ontwrongen; He —d that word into a new meaning = gaf eene gedwongen nieuwe beteekenis aan; He —s a passage of Macaulay into his service = hij sleept er eene passage van M. (als eene bewijsplaats) bij de haren bij; They were —d out = met geweld verjaagd; The ministers —d the queen’s hand = dwongen ... zoo te handelen; —-meat = gehakt (en sterk gekruid) vleesch; —-pump = perspomp; —d = gedwongen, gekunsteld; getrokken; subst. —dness; —ful = krachtig; —less = krachteloos.
Forceps, föseps, tang voor chirurgen (dentisten).
Forcible, fösib’l, krachtig, gewelddadig, hevig, onstuimig, indrukwekkend: — entry and detainer = gewelddadige inbezitneming (Jur.); —-feeble, subst. iemand, die een schijn van kracht ontwikkelt; adj. gemaakt of slechts schijnbaar krachtig; subst. —ness.
Forcing, fösiŋ; —-house = broeikas; —-pump = perspomp.
Forcipitate(d), fösipiteit(id), tang- of schaarvormig.
Ford, föd, subst. doorwaadbare plaats (v. eene rivier), stroom; — verb. doorwaden; —able = doorwaadbaar.
For(e)do, födû, verwoesten, vernietigen, overwinnen, uitputten.
Fordyce, fədais.
Fore, fö, adj. vooraan, voor, vooraf; adv. vooraan: To the — = naar voren toe, gereed, aanwezig, nog levend; He came to the — = kreeg naam; He is well to the — = hij heeft veel naam; — and aft = de geheele lengte v. het schip; —arm, subst. voorarm; —arm, fô-âm, vooraf wapenen; —warned, —armed = eenmaal gewaarschuwd maakt dubbel voorzichtig; —bode, föboud, voorspellen, een voorgevoel hebben van; —boding = voorgevoel; —-brace, —-bits = betingen der fokkebrassen; —-bow = zadelknop; —-cabin = voorkajuit; —cast = voorspelling, voorziening: The weather —cast = weervoorspelling; —cast, fökâst, voorspellen, vooraf berekenen, ontwerpen; —castle, fouks’l, bak (op een schip tusschen den voormast en den boeg); —close, föklouz, tegenhouden: To —close a mortgager = een hypothecair schuldenaar het recht op terugverkrijging van zijne bezittingen ontnemen; —closure = ontneming van dit recht; —doom, födûm, veroordeelen, doemen: The attack was —doomed to failure; —elder = voorouder; —-end = eerste gedeelte; —father = voorvader: —fathers’-Day = 21 December, toen de Pilgrim Fathers in Amerika landden (1620); —fend, föfend, verbieden, afwenden, afweren; —finger = voorvinger; —foot = voorpoot; —front = voorste deel; —go, fögou, afstand doen, afzien van, zich ontzeggen: That is a —gone conclusion = dat is eene uitgemaakte zaak, spreekt vanzelf; —going = voorafgaande; —ground = voorgrond; —gather, fögadhə, samenkomen; —hand, subst. vóórhand, voorkeur; adj. naar voren, anticipeerend; —head, föhed of forəd, voorhoofd; —hold = voorste gedeelte van het scheepsruim; —-horse = voorste paard van een span; —judge, födžɐdž, eene klacht afwijzen wegens niet verschijnen van den klager; —know, fönou, vooraf weten; —knowledge, fönolidž, het vooruitweten; —land = landtong, kaap; ruimte tusschen vestingmuur en gracht; —leg = voorpoot; —lock = voorlok, voorhaar; stift, pin: I will take time by the —lock = ik zal de eerste de beste gelegenheid aangrijpen; —man = eerste, eerstaanwezende, woordvoerder (van eene jury), meesterknecht, hoofdconducteur; —mast = fokkemast; —mast-man = gewoon matroos; —-mentioned, fömenš’nd, voormeld; —most = voorste, eerste, voorop; —name = vóórnaam; —named = voornoemd; —noon, fönûn, fönûn, vóórmiddag; —ordain, fôrödein, voorbeschikken (Bijbel); —ordination, fôrödineiš’n, voorbeschikking; —part = voorste deel; —past, —passed, föpâst, voorbij, verleden; —-peak = hel (scheepst.); —-rank = voorste rij of gelid, voorkant, —reach, förîtš, winnen op (bij het zeilen, etc.); —reading = voorafgaande doorlezing; —run, förɐn, voorafgaan, aankondigen, een voorbode zijn; —runner, förɐnə, förɐnə, voorbode, voorlooper; —sail = fokkezeil; —see, fösî, voorzien, vooraf weten; —seeable consequences = te voorziene gevolgen; —shadow, föšadou, voorbeduiden; subst. voorbeduidsel; —-sheet = fokkeschoot; —-sheets = voorplecht; —shore = het gedeelte kust tusschen eb en vloed; —-shorten, föšöt’n, in de verkorting teekenen (perspectief); —show, föšou, voorspellen, voorzeggen, verkondigen; —side = voorzijde; —sight = het vooruitzien, overleg; —skin = vóórhuid; —sleeve = vóórmouw; —stall, föstôl, vooruitloopen op, berooven, verstoppen: You — life with your talk = gij neemt door uw gepraat al het aangename en belangwekkende van het leven weg; He —ed the market = hij joeg den prijs der goederen op door opkooping en het verspreiden van valsche geruchten, etc. en beheerschte de markt daardoor; They — my wishes = raden vooruit; —taste = subst. voorsmaak; — verb. föteist, een voorsmaak hebben van; —tell, fötel, voorspellen, voorzeggen; —thought = subst. voorbedachtheid, voorzorg; adj. voorbedacht, vooraf beraamd; —-tooth = vóór- of snijtand; —top = vóórmars; —warn, föwön, vooraf waarschuwen of kennis geven (Zie —arm); —wind = gunstige wind; —woman = vrouwelijke opzichter; hoofd van eene modezaak; —word(s) = voorrede, inleiding.
Foreign, forin, buitenlandsch, vreemd, vreemd aan (to, from): — affairs = buitenlandsche zaken; — attachment = beslaglegging op het eigendom van een buitenlander in Engeland: — news = buitenlandsch nieuws; — Office = ministerie van Buitenl. zaken; — Secretary = minister van B.Z.; — trade; This is — to our business = is vreemd aan, staat buiten, heeft niet te maken; —-built = in ’t buitenland gebouwd; —er = vreemdeling.
Forensic(al), fərensik(’l), gerechtelijk; —-medicine = gerechtelijke geneeskunde.
Forest, forəst, subst. woud, bosch, koninklijk jachtveld; — verb. in een bosch veranderen, met boomen beplanten; adj. boschachtig, landelijk; —-fly = luisvlieg (bij paarden); —-laws = boschwetten; —-officer = ambtenaar bij het boschwezen; —-walk = schaduwrijke wandelweg; —er = houtvester, boschbewoner, boschwachter; —ry = boschcultuur, boomkweeking.
Forfeit, föfit, subst. het verbeurde, boete, pand; adj. verbeurd; — verb. verbeuren, verliezen: To cry —s = de panden oproepen; They were playing (at) —s = waren aan het pandje-verbeuren; —ure, föfitjə = verbeuring, verlies, boete.
Forfex, föfeks, schaar.
Forge, födž, subst. smidse, smidsvuur, smederij, werkplaats; — verb. smeden, maken, uitvinden, verdichten, namaken, vervalschen, valschheid in geschrifte plegen, met kracht voortdrijven, langzaam en moeilijk voortbewegen, vooruitwerken: He —d his way home = kwam (ging) met moeite ...; —-man = smids-meesterknecht; —r = smid, vervalscher; —ry = valschheid (in geschrifte), verdichting, verzinsel; —tive = vindingrijk.
Forget, föget, vergeten, verwaarloozen: I — = ik ben vergeten; I shall — my own name next = zal mijn eigen naam nog vergeten; To — oneself = zich vergeten; —-me-not = vergeetmenietje; —ful = vergeetachtig, slordig; subst. —fulness.
Forgivable, fögivəb’l, vergeeflijk; Forgive, fögiv, vergeven, vergiffenis schenken, kwijtschelden, door de vingers zien; subst. —ness; Forgiving = vergevingsgezind; subst. —ness.
Forgo, fögou, opgeven, laten varen, verliezen, inboeten.
Forgot(ten), fögot(’n), imp. en p.p. van forget.
Fork, fök, subst. vork, gaffel, scheiding van een weg, etc., moeilijkheid, lastig geval, stemvork; — verb. met eene vork opheffen en aangeven, omspitten, scherpmaken, zich vertakken, stelen, kapen: You shall — it over (out) first = je zult het eerst overgeven, eerst opdokken; —-head = gevorkte pijlspits; —-tail = naam voor visch met gevorkten staart; —ed = gevorkt, zigzag: —ed lightning = zigzag bliksemstralen; —y = gevorkt.
Forlorn, fölön, verlaten, hulpeloos, ongelukkig, eenzaam; vervallen, vermagerd: —-hope = troep soldaten, die voor een uiterst gevaarlijken post zijn aangewezen; gevaarlijke post, wanhopig geval, laatste redmiddel; subst. —ness.
Form, föm, (uiterlijke) vorm van iets, vorm (drukken), gedaante, stelsel, leest, model, formulier, gelijkheid, plichtpleging, schoolbank (zonder rugleun.), klasse (in school), leger (v. een haas), geschiktheid, goede figuur; — verb. vormen, scheppen, oefenen, zich richten of vormen: To be bad — = onnet, ongepast; To be in good — = netjes, zooals het behoort; The horse was not in — to-day = niet “in conditie”; The prime minister was in splendid oratorical — = des eersten ministers redenaarstalenten kwamen prachtig uit; They went through the — of dining = voor den vorm deden ze, alsof; They —ed for a dance = zij traden aan om te dansen; They —ed in front = zij plaatsten zich in de voorhoede in ’t gelid; —al = vormelijk, precies, stellig, stijf, vol plichtplegingen, naar den vorm: His evidence was of a —al order = zijne getuigenis betrof slechts feiten; —alism = vormendienst; —alist = vormelijk mensch, formalist; —ality, fömaliti, vormelijkheid; uiterlijke schijn; formaliteit; —ation = vorming, samenstelling of afleiding, formatie; —ative = vormend, niet tot den stam behoorend; —er = Schepper, vormer, vorm, model.
Former, fömə, voorafgaand, vroeger, eerste; —ly = vroeger, te voren.
Formic, fömik, van mieren; —-acid = mierenzuur; —ation = jeuking.
Formicant, fömik’nt, zwak en onregelmatig (van den pols).
Formidable, fömidəb’l, geducht, vreeswekkend; subst. —ness.
Formula, fömjulə, formule, recept: —rize = formuleeren; —ry, subst. = formulier, formule; adj. voorgeschreven, vastgesteld naar den ritus; —te = —rize = Formulize.
Fornicate, fönikeit, hoereeren; Fornication, fönikeiš’n, ontucht, bloedschande, overspel, afgodendienst; Fornicator = hoereerder, afgodendienaar.
Fors Clavigera, föz klavigərə (of klavidžərə). Forsake, föseik, verzaken, verlaten, begeven; —n = part. perf.; Forsook, fösuk, imperf. van to forsake.
Forsooth, fösûth, voorwaar, zeker (dikwijls ironisch).
Forspeak, föspîk, beheksen (Schotl.).
Forspend, föspend, verkwisten, afmatten.
Forswear, föswêə, afzweren, bij eede ontkennen: You are forsworn = gij hebt uw eed gebroken; You have forsworn yourself = gij hebt een meineed gedaan.
Forsyth, fösaith.
Fort, föt, subst. sterkte, vesting, kasteel, iemands sterke zijde; adj. sterk, machtig.
Fortalice, fötəlis, klein buitenwerk.
Forte, föt, iemands sterke zijde; forto; bovenkling (schermen).
Forth, föth, vooruit, buiten, uit, voorwaarts, de grenzen te buiten gaande, voort: To be —-coming, föthkɐmiŋ = gereed of op ’t punt te verschijnen, verschijnend; subst. te voorschijn komen: No confirmation of the report was —-coming = het gerucht werd niet bevestigd; —-going, föthgouiŋ, uitgaand, voortzettend; subst. uitgaan; —-issuing = uitkomend; —right = recht vooruit, oprecht; —rightness of phrase = juistheid van uitdrukking; —with, föthwidh, föthwith, föthwith, onmiddellijk, op staanden voet.
Fortieth, fötiəth, subst. en adj. veertigste (deel).
Fortification, fötifikeiš’n, versterking, fort; Fortify, fötifai, versterken, bevestigen; Fortitude, fötitjûd, lichamelijke of zielskracht, vastberadenheid, moed, geduld.
Fortnight, fötnait, veertien dagen; —ly = alle veertien dagen; veertiendaagsch.
Fortress, fötrəs, vesting, kasteel, sterkte.
Fortuitous, fötjûitɐs, toevallig; —ness, toevalligheid; Fortuity, fötjûiti, toeval.
Fortunate, fötšənit, gelukkig, gunstig; subst. —ness; Fortune, fötš’n, subst. geluk, fortuin, lot, groote rijkdom, bezit; — verb. begunstigen, gebeuren: By — = toevallig; — favours the bold = wie waagt, wint; As — would have it = toevallig (’t was of het spel sprak); He came into his — = hij kreeg zijn erfdeel; —-book = voorspellingsboekje; —-hunter = iemand, die bij het trouwen op geld uit is; —-hunting = het zoeken van eene rijke vrouw; —-tell = waarzeggen; —-teller = waarzegger; —-telling = waarzeggerij.
Forty, föti, veertig: In — seconds = in minder dan geen tijd; I’ll take my — winks = een dutje doen; The roaring forties = streek op 40° tot 50° Z.B., met steeds krachtigen W.N.W. wind.
Forum, fôr’m, forum, rechtbank.
Forward, föwəd, subst. een vooraan geplaatst speler bij football; adj. voorste, vroeg, ver gevorderd in, vroegtijdig, niet achterlijk, wijsneuzig, brutaal, vooruit; adv. (—s) vooruit, voorwaarts; — verb. bevorderen, aansporen, verhaasten, overzenden; interj. voorwaarts! The book is in a — state = het boek is een heel eind op weg; I beg to — this letter = ik ben zoo vrij u dezen brief te doen toekomen; From this day — = in het vervolg; —er = verzender, expediteur = —ing agent; —ing firm = expeditiezaak; —ing note = vrachtbrief (Amer.); —ness = vroolijkheid, vroegrijpheid, wijsneuzigheid, brutaliteit.
Fosbroke, fosbruk. Fosse, fos, vestinggracht, halte.
Fossick, fosik, verlaten goudmijnen of waschplaatsen nasnuffelen; lastig en druk zijn, aanhoudend zoeken; —er (Austr.).
Fossil, fosil, subst. delfstof, versteend lichaam; iemand ten achteren bij zijn tijd; adj. opgedolven, verouderd: —iferous = versteeningen bevattend; Fossilization = versteening; —ize, fosilaiz, versteenen, verouderen.
Fossroad, fosroud, een der 4 groote heirbanen door de Romeinen aangelegd, met slooten aan beide kanten, ook Foss(e)way geheeten.
Foster, fostə, voeden, zoogen, kweeken, aanmoedigen, koesteren; —-brother = zoogbroeder; —-child = voedsterkind; —-daughter = pleegdochter; —-father = pleegvader; —-mother = zoogmoeder; —-sister = zoogzuster; —-son = pleegzoon; —er = voedster, zoogster, bevorderaar.
Fother, fodhə, wagenvracht; ook verb.: To — a leak = stoppen.
Fotheringay, fodhəriŋgei. Fotmal, fotmâl, 70 Eng. ponden (31,751 K.G.) lood.
Fought, fôt, imperf. en part. perf. van to fight.
Foul, faul, vuil, onrein, stinkend, heiligschennend, gemeen, zondig, misdadig, onwettig, onbillijk, storm- of regenachtig, bewolkt, belemmerend; subst. aanrijden, aanvaren, ongeoorloofde slag; — verb. bevuilen, besmetten, in botsing komen, vuil worden, verward raken: — means = oneerlijke; A — pipe = vuile; — play = valsch spel, bedrog; I had a — taste in the mouth; — wind = tegenwind; We fell (ran) — of a rock = stieten op eene rots; These two persons fell — of each other = kregen samen twist; He —ed my course and received all my weight = hij kwam mij in den weg, en kreeg mijne geheele zwaarte op zich; —-anchor = onklaar anker; —-proof = vuile proef; —-mouthed, —-spoken, —-tongued = vuile taal sprekend; —ness = vuilheid, etc.
Foulard, fulâd, zijden (hals)doek.
Found, faund, imp. en p.p. van to find.
Found, faund, metaal gieten; stichten, grondvesten, oprichten, begiftigen; —ation, faundeiš’n, grondslag, fundeering, stichting, begiftiging, fundatie (—ationer = alumnus); —ation-muslin = stijf gaas; —ation-school = door corporaties of privaat-personen gestichte school; —ation-stone = eerste steen; —er, subst. metaalgieter; stichter, maker, begiftiger: He is the —er of the feast = aanlegger; vr. —ress; —ry = metaalgieterij; —ry-goods = gietijzeren artikelen.
Founder, faundə, verb. zinken, zakken, vergaan, mislukken; doen zinken, vallen, kreupel worden of maken (van paarden): A —ed copy = slecht uitziend (onderhouden) exemplaar; I am —ed with cold = stijf van koude.
Foundling, faundliŋ, vondeling: —-hospital = vondelingshuis.
Fount, faunt, bron, fontein, put; —ain, fauntin, bron, fontein, waterreservoir; —ain-head = oorsprong of bron v. eene rivier (ook fig.); —ain-pen = vulpen.
Four, fö, vier: To form —s = in vieren opmarcheeren; To be folded in —s = in vieren; We are (run) on all —s = wij zijn (loopen) op handen en voeten; They go on all —s = zij stemmen volkomen overeen; That is on all —s with it = dat komt er geheel mede overeen; To place on all —s with = gelijkstellen; —-ale = goedkoop bier (4d. het quart): —fold, adj. viervoudig; subst. viervoud; — verb. verviervoudigen; —-footed = viervoetig; —-handed = vierhandig; —-horse = door vier paarden getrokken; —-in-hand, subst. rijtuig met vier paarden; adj. door vier paarden getrokken; —-legged = met vier pooten, viervoetig; —penny, —pence = vierstuiverstukje; —-poster = groot ledikant met stijlen aan de vier hoeken; —score = tachtig; —square = vierkant, vast gegrond, vast staand: The Eiffel tower stands —square on feet of solid masonry = staat onwrikbaar vast op; —-wheeler = vigelante; —teen = veertien; —teenth = veertiende; —th = vierde; —th-rate = vierklassig (bij de marine); —thly = ten vierde.
Fourbisseur, fûəbisɐ̂, zwaardveger.
Fourgon, fûəgon, fourgon, ammunitie- of bagagewagen.
Fourierism, fûriərizm, het socialistisch stelsel, aanbev. door Charles Fourier.
Fowl, faul, subst. gevogelte, het vleesch daarvan, gezamenlijke vogels, haan, kip; — verb. vogels vangen of schieten; —er = vogelaar; —ing-piece = ganzenroer; —ing-shot = ganzenhagel.
Fox, foks, subst. vos, sluwe kwant; — verb. zuren (bij ’t gisten), rood of zuur worden, begluren, voorwenden, veinzen, kapen, stelen, voorschoenen aanzetten (Amer.); —-brush = vossestaart; —-chase (—-hunt) = vossenjacht; —-earth = vossenhol; —-evil = kaalheid; —-glove of Folks’-glove = vingerhoedskruid; —-grape = Amerikaansche wijnstok; —-hound = hond voor vossenjacht; —-tail = vossestaart; —-trap = vossenval; —-trot = sukkeldraf (van een paard); —ed, fokst, verkleurd, gevlekt; met gestikt bovenleer versierd (Amer.); —ing, subst. bovenleder; adj. verkleurend; —like; —y = sluw, rossig.
Fracas, freikəs, lawaai, ruzie.
Frack, frak, gretig, vaardig, krachtig.
Fracted, fraktid, gebroken; Fraction, frakš’n, breking (vooral met geweld), gebroken getal, breuk, brok; het breken van het brood bij het H. Avondmaal; —al, frakšən’l, tot eene breuk behoorend, gebroken, klein, nietig: —al certificate = scrip certificaat; Fracture, fraktšə, breuk (met geweld), gebroken deel; — verb. breken: Simple — = eenvoudige been- of armbreuk; Compound — = gecomplic. breuk (beschadiging v. het weefsel).
Fractious, frakšəs, twistziek, kribbig; subst. —ness.
Fragile, fradžil, broos, zwak, teer; —ness = Fragility, frədžiliti, broosheid, zwakheid.
Fragment, fragm’nt, brokstuk; —al, frəgment’l, —ary, fragm’ntəri, uit brokken bestaande, zonder verband.
Fragrance, —cy, freigr’ns(i), geur, welriekendheid; Fragrant, freigr’nt, geurig, welriekend.
Frail, freil, subst. bies (voor manden), biezenmandje of mat (voor vijgen of rozijnen).
Frail, freil, bros, broos, teer, besluiteloos, onvast, zwak, zondig: The — sex; —ness = —ty = zwakheid, broosheid.
Fraise, freiz, subst. frees, halskraag, stormpaal (onder een hoek van 45°); spekpannekoek; drukte; — verb. fraiseeren, met stormpalen beschermen: The battalion was —d = het bataljon stond met gevelde bajonet.
Frame, freim, subst. samenstel, lichaamsgestel, steiger, geraamte, lijst, raam, borduurraam, broeiraam (—bak), etc., gemoedsgesteldheid, gietvorm; — verb. bouwen, samenvoegen, regelen, ordenen, vormen, overlèggen, omlijsten, in elkander zetten: Out of — = in wanorde; His — of mind = gemoedsstemming; Who —d that story = bedacht; —-bridge = brug op jukken; —-building = —-house = houten huis; —-timbers = inhouten van een schip; —work = geraamte, lijstwerk, kader, omlijsting, inrichting.
France, frâns, Frankrijk: Isle of — = Mauritius; The Franco-German war.
Frances, fransəs, Francisca; Francis, fransis, Franciscus, Frans.
Franchise, franš(a)iz, subst. voorrecht, recht, vrijplaats, vrijmoedigheid, edelmoedigheid, stemrecht (= Elective —); — verb. vrijdom verleenen.
Franciscan, fr’nsisk’n, subst. Franciskaner (grijze) monnik; adj. Franciskaansch.
Franconia, fraŋkouniə, Frankenland; —n = Frankisch; Frank.
Frangible, franžib’l, licht breekbaar; bros; Frangibility = broosheid.
Frangipane, franžipein, amandelgebak: — gloves = geparfumeerde.
Frank, fraŋk, openhartig, oprecht, vrij; subst. Frank, franc, brief vrij van port; — verb. zonder vracht of port verzenden (door “Dienst” of “O. H. M. S.” en de handteekening van den verzender); —ing (of letters); —ish = Frankisch; —ly = ronduit; —ness = openhartigheid.
Frankincense, fraŋkinsens, soort v. geurige hars, wierook.
Frantic(al), frantik(’l), dol, krankzinnig, woest, razend; subst. —ness.
Frap, frap, spannen (van eene trom); sjorren.
Fraternal, frətɐ̂n’l, broederlijk; Fraternity, frətɐ̂niti, broederschap; Fraternization, fratənizeiš’n, freitən(a)izeiš’n = verbroedering; Fraternize, fratənaiz, freitənaiz, vertrouwelijk en vriendschappelijk omgaan; Fratricide, fratrisaid, broedermoord(er).
Fraud, frôd, bedrog, bedrieger, list; —ulence, —ulency = bedriegelijkheid, bedriegerij, bedrog; —ulent, frôdjulent, bedriegend, bedriegelijk.
Fraught, frôt, beladen, geladen, overvloedig: — with sorrow = vol smart, van smart overstelpt.
Fray, frei, subst. strijd, gekrakeel, twist, rafel, kale plek (in laken, b.v.); — verb. verslijten, rafelen, afslijten door wrijven (van horens van een jong hert): —ed ropes = uitgerafelde touwen.
Freak, frîk, subst. gril, kuur; — verb. bont maken, streepen of stippels trekken: — of nature = wangedrocht.
Freckle, frek’l, subst. (zomer)sproet, vlekje; — verb. met sproeten bedekken of teekenen; —-faced = met sproeten in ’t gezicht = —d; subst. —dness; Freckly = —d.
Fred, fred, verk. v. Frederick, fredərik, Frederik.
Free, frî, adj. vrij, toegankelijk, onbelemmerd, gratis, vrijwillig, oprecht, mededeelzaam, mild, toegelaten (tot een gilde b.v.), los; — verb. bevrijden, verlossen, uithoozen, lens pompen: —-and-easy, ongedwongen; subst. gezellige familiare bijeenkomst; You are — to jump my claim = moogt gerust ... negeeren; Wine was — to all takers = ieder, die wou, kon vrijelijk wijn drinken; He is — of the goldsmiths’ company = hij is lid van het goudsmidsgilde; You are as — of the house as anybody = gij kunt even vrij het huis binnen gaan als ieder; I am — to admit that = ik erken dit gaarne; To get — = vrij komen; To go — = met gevierde schooten zeilen; He was made — of the City = hem werd het eereburgerschap der City aangeboden; They made — with his wine = dronken ongegeneerd; He did not offer to — me = mij van mijn woord te ontslaan; This ticket will — you over every line of the country = met dit kaartje kunt ge voor niets langs elke spoorlijn in het land reizen; —-bench = weduwengoed; —booter = vrijbuiter; — chase = vrije jacht; — church = kerk zonder Staatscontrole of met vrije zitplaatsen; de in 1843 afgescheiden Schotsche kerk; —-city = vrije Rijksstad; —-fighter = guerilla soldaat, franc-tireur; — grace = Vrije Genade; —-hand = uit de vrije hand; —-handed = edelmoedig, mild, royaal; —-hearted = openhartig, weldadig; —hold, subst. grondbezittingen, waarover men vrijelijk testamentair mag beschikken = —hold estate in land; —-holder = bezitter van een freehold; —-lance = krijgsknecht; “wilde” (Parl.); —-list = lijst van hen, die vrijkaarten krijgen (hebben); —-liver = smulpaap, iemand die groot leeft; — love = vrije liefde; —man = vrije, stemgerechtigd burger, lid van een City Company; —-mason = vrijmetselaar; —-masonry, masonry = vrijmetselarij; —-minded = met onbekommerd gemoed; —-pass = vrijbiljet; —-port = vrijhaven; —-school = kostelooze school; He wanted — and open sittings in church = wenschte, dat ieder vrijelijk de onbezette plaatsen zou mogen innemen; His talents had — space to work = konden zich vrij ontplooien; —-spoken = vrijmoedig; —-stone = zandsteen, arduin; —-states = die Staten van de Unie, waar reeds voor den burgeroorlog geene slavernij meer bestond; —-talk and knowing innuendos = familiare gesprekken en slimme wenkjes; —-thinker = vrijdenker; —-trade = vrijhandel; —-trader = voorstander van vrijhandel; —-wheel; —-will = vrije wil; adj. (meest frîwil) vrijwillig; — wind = gunstige wind; —dman = vrijgemaakte lijfeigene; —dom = vrijheid, vrijdom, al te groote vrijheid, gemakkelijkheid: I shall take the liberty to speak with —dom = ik zal zoo vrij zijn ronduit te spreken; He was offered the —dom of that town = hem werd het eereburgerschap van die stad aangeboden; —r = bevrijder.
Freeze, frîz, subst. vorst, het vriezen; — verb. vriezen, bevriezen, stollen: To — out = wegkijken; To — to = hangen aan, dol zijn op; To — up = koel en strak worden (Amer.); Freezing-point = vriespunt.
Freight, freit, subst. vrachtprijs, goederentrein, vracht of lading (Amer.); — verb. laden, bevrachten: We have sent the trunk by slow — = als vrachtgoed; —-train (Amer.) = goederentrein; —-waggon = goederenwagen; —age = vrachtprijs, vracht; —er = bevrachter; —less = zonder vracht.
French, frenš, subst. en adj. Fransch(e taal), Fransch(e volk): What is the — for William = wat is Willem in het Fransch? Guillaume is — for William; —-bean = snijboon; —-chalk = kleermakerskrijt; —-curve = teekenmal; —-horn = waldhoorn; To take — leave = met de noorderzon vertrekken; —man = Franschman; —-polish, subst. wrijfwas; — verb. frenšpoliš, politoeren; een vernisje geven (fig.); —-roll = broodje; —-window = openslaande glazen deur; —woman = française; —ify, frenšifai, verfranschen; —like = op zijn Fransch; —y = Fransoos.
Frenzy, frenzi, subst. waanzin; — verb. waanzinnig maken.
Frequency, frîkw’nsi, herhaald voorkomen, herhaling; Frequent, frîkw’nt, gedurig, herhaald; subst. —ness.
Frequent, frikwent, dikwijls bezoeken, omgaan met; subst. Frequentation; —ative, frikwentətiv, subst. en adj. frequentatief (werkwoord).
Fresco, freskou, subst. waterverfschildering op versche kalk; — verb. schilderen op die wijze.
Fresh, freš, frisch, versch, verfrischt, zoet, ongezouten, nieuw, onervaren; subst. riviertje of stroompje bij de zee, overstrooming, zoetwaterstroom, die een eind in zee doorloopt, dooi weder: As — as a daisy, As — as paint = zoo frisch als eene roos, als een hoen; We shall have to gather — way = wij zullen wat moeten opstoomen, wat meer spoed moeten bijzetten; —-blown = pas ontloken; —-fish = nieuweling; —man = groen, nieuweling; —-run = in den tijd van het kuitschieten de rivieren opkomen; —-water = zoet water; —en = opfrisschen, verfrisschen, verlevendigen, ontzouten of ontpekelen, aanwakkeren, kracht krijgen; —es, frešiz: het brakke water aan de monding van rivieren; —et = overstrooming (door zwaren regen of het smelten van sneeuw); —ness = frischheid, etc.
Fret, fret, subst. het in- of wegvreten, zweer, gisting, kwelling, schaving (van de huid), lijstwerk, ornamentwerk; — verb. wegvreten, invreten, afwrijven, schoonwrijven, aantasten, beschadigen, kwetsen; kwellen, beroeren, gemelijk zijn, kniezen; versieren (m. snijwerk), beitelen of beeldhouwen, van toetsen voorzien, tokkelen; —-saw = figuurzaag; —-work = snijwerk, netwerk; —ful = gemelijk, knorrig, gerimpeld; subst. —fulness; Pock —ten, fret’n, van de pokken geschonden; —ty, met snijwerk versierd.
Freya, fraiə, eene Godin.
Friability, fraiəbiliti, brokkeligheid, brosheid; Friable, fraiəb’l, bros, brokkelig; subst. —ness.
Friar, fraiə, frater, broeder, monnik; plaatsen in een proef waar de inkt niet geraakt heeft; —’s-balsam = monniksbalsem; —’s-lantern = dwaallicht; —y = klooster.
Fribble, frib’l, subst. beuzelaar, beuzelarij; adj. beuzelachtig; — verb. beuzelen; —r = beuzelaar.
Fricassee, frikəsî, subst. fricassee, schotel v. gehakt vleesch met pikante saus; — verb. eene fricassee maken.
Fricative, frikətiv, subst. schuringsgeluid; adj. schurend.
Friction, frikš’n, subst. wrijving, kleine oneenigheid; adj. wrijvend; —-match = lucifer; —-wheel = wiel, dat door wrijving in beweging brengt of gebracht wordt; —al-electricity = wrijvingselectriciteit; —ize = wrijven.
Friday, fraidi, Vrijdag: Good — = Goede Vrijdag.
Friend, frend, vriend, kennis, bloedverwant, vriendin, beschermer, bevorderaar, Kwaker: A — in need is a — indeed = in den nood leert men zijne vrienden kennen; —s = bloedverwanten; Society of —s = de sekte der Kwakers (17e eeuw gesticht); To have —s in (at) court = vrienden aan het hof, invloedrijke vrienden hebben; I’ll never again make a — = ik sluit nooit weer vriendschap; Let us make —s with him = laten wij ons met hem verzoenen; —less = zonder vrienden; subst. —lessness; —like = als van een vriend, welwillend; —liness, subst. van —ly = vriendschappelijk, goedaardig, gunstig gezind: —ly Societies = (arbeiders) vereenigingen tot wederzijdschen bijstand in ziekte en nood; —ship = vriendschap, goede gezindheid: That’s in —ship = dat blijft onder ons.
Friese, frîz, Fries, Friezin; adj. Friesian, frîž’n; Friesland, frîzlənd.
Frieze, frîz, fries (bouwk.); fries, een grove wollen stof.
Frigate, frigit, fregat; —-bird = fregatvogel; Frigatoon, frigətûn, Venetiaansch fregat.
Fright, frait, vrees, schrik; ook verb. = —en: In a — = verschrikt; You look a —, if you do not do yourself up = ge ziet er uit om van te schrikken, als ge u niet blanket; To put in a — = doen schrikken; He took — = hij schrikte; It is the thunder that —s, and the lightning that smites; —en = schrik aanjagen; ontstellen: I was —ened to death, out of my wits = doodelijk verschrikt; —ful = verschrikkelijk; subst. —fulness.
Frigid, fridžid, koel, koud, kil, vormelijk; vervelend: — zones = de Poolstreken tusschen de Polen en de Poolcirkels; —ness = —ity, frîdžiditi, koelheid, enz.
Frill, fril, subst. geplooide strook, kanten kraag; affectatie, opgedirktheid (Amer.); — verb. plooien, van een frill voorzien; de veeren van koude opzetten.
Fringe, frinž, subst. franje, rand; — verb. met franje versieren: To wear one’s hair in a — = ponnies hebben; Newgate — (— frill) = baard onder de kin.
Fringilla, frindžilə, vink; —ceous, frindžileišəs, tot de vinken behoorend.
Fringing, frinžiŋ, franje, rand: — reef = koraalrif dat een eiland omgeeft.
Frippery, fripəri, subst. oude kleeren, tweedehandsmeubels, oude-kleerwinkel, prulleboel; adj. min, beuzelachtig.
Frisco, friskou = San Francisco.
Frisia, frižə, Friesland; —n, Fries(ch).
Frisk, frisk, subst. dartele sprong, dol, vroolijke bui; adj. levendig, dartel, druk; — verb. rondspringen, dansen, dartelen; —iness, subst. van —y = dartel, vroolijk, uitgelaten.
Frit, frit, subst. frit, gesmolten glasmassa.
Frith, frith, mond eener rivier, vischweer; kreupelhout.
Fritillary, fritiləri, keizerskroon (bloem).
Fritter, fritə, brokje, stuk, reepje, afgesneden stukje vleesch om te bakken; — verb. in kleine stukken snijden of breken, verknoeien: He has —ed away his money, his time = zijn geld verknoeid, zijn tijd verbeuzeld.
Frivolity, frivoliti, beuzelachtigheid, wuftheid; Frivolous, frivəlɐs, beuzelachtig, nietig, wuft; subst. —ness.
Friz(z), friz, krullen, kroezen; subst. krul; —zle = krullen, op heete kolen bakken; —zler = friseur, kapper; —zling-iron = friseertang.
Fro, frou, alléén in: To and — = heen en weer.
Frock, frok, pij, kleed, kiel, jurk; —-coat = gekleede jas; —-dress = in gekleede jas.
Frog, frog, kikker, langwerpige bekleede knoop met lus tot sluiting en versiering; verbindingstuk om op andere rails te komen; straal (aan paardehoeven); —-bit = kikkerkruid; —-eater = Franschman (iron.); —-hopper = schuimcicade; —s’-march = kruipen op handen en voeten, het wegdragen door de politie van een lastigen dronken man (met het gezicht naar beneden); —ged = met ‘frogs’ bevestigd of versierd; —gy = vol kikkers.
Froise, frôiz, spekpannekoek.
Frolic, frolik, subst. dartele sprong, grap; vroolijke partij, pretje; adj. vroolijk, dartel, dol, lustig; — verb. dartelen, rondspringen, pret maken: —some = dartel, vroolijk; subst. —someness.
From, from, van, vandaag, vanuit, sedert, wegens: — forth = vanuit; He had his mission — on high = hij ontving zijne zending van boven, uit den hemel; — my childhood = van kindsbeen af; — the sixth of May = sedert; It’s all — his unwillingness to oblige me = het komt allemaal door zijne ongeneigdheid om mij te helpen; — time to time = van tijd tot tijd; Judging — this = hiernaar te oordeelen; Protected — the rain = beschermd voor; To sift grain — chaff = kaf van koren, waarheid van leugen scheiden; Tell it him — me = namens mij.
Frome, froum. Frond, frond, blad van planten als varens en palmen; —escence, frondes’ns, het ontplooien der bladeren; adj. —escent, frondes’nt; —iferous, frondifərɐs, waaiervormige bladeren dragend; —ose, frondous, frondous, waaiervormig (—dragend).
Frondeur, frondɐ̂, lid der Fronde i.e. tegenstanders van de Regeering bij de minderjarigheid v. Lodewijk XIV.
Front, frɐnt, subst. voorhoofd, gelaat, voorste gedeelte, front, gevel, voorvertrek: brutaalheid, schaamteloosheid, toertje (valsch haar), overhemdje, begin, voorhoede; — verb. het hoofd bieden, staan tegenover, met het voorhoofd gekeerd staan naar, van een front voorzien: He changed — all at once = hij veranderde in eens v. batterij; This man has come to the — of late = neemt in den laatsten tijd eene eerste plaats in; They presented a united — in this emergency = in dezen nood boden ze gezamenlijk weerstand; To stand in — of = staan vóór; My shoes must be new —ed = ik moet laten voorschoenen; —-benchers = (ministers) die op de eerste bank zitten (Lagerhuis); —-box = loge tegenover het tooneel; —-door = voordeur; — opposition bench = eerste bank, links van den Speaker, in het House of Commons waarop de leiders der oppositie zitten; —-rank = eerste rang (klas); —age, frɐntidž, voorzijde of front van een gebouw langs de geheele uitgestrektheid; —al, subst. fronton, hoofdband, deur- of vensterboog; adj. eerste, voorste, vooraan gelegen, tot het voorhoofd of front behoorende; —let, kleine hoofdband; —on, frontən, frɐntən, of Fr. uitspr., fronton.
Frontier, frontjə, frɐntjə, frontîə, subst. grens(lijn); adj. aan de grenzen gelegen.
Frontispiece, frontispîs, frɐntispîs, frontispies, voorgevel, plaat tegenover het titelblad, gelaat; voorzien van een frontispies.
Frost, frost, vorst, ijzel, kilheid, koele ontvangst; — verb. berijpen, glaceeren, scherpen (v. paardehoeven), mat of dof maken: The singer was a fearful — = had niet het minste succes; This piece will run no chance of a — = dit zal ongetwijfeld succes hebben, “gaan”; —-bitten = bevroren: A —-bitten nose = bevroren neus; —-bound = ingevroren; —-flower (Zie —-work); —-nail = ijsnagel (voor paarden); —-work = ijsbloemen op glas, enz.; —ed = geglaceerd, mat: —ed glass = ijsglas; —ed silver = mat zilver; —iness = vorstigheid; —ing = suikerglazuur, matte oppervlakte; —y = vorstig, koel, koud.
Froth, froth, subst. schuim, ijdel gesnap, gewauwel; — verb. met schuim bedekken, (doen) schuimen, ijdele praat houden: — and flummery = gewauwel en nonsens; —-spit, Zie Frog-hopper; —iness, subst. van —y = schuimend, ijdel, onbeteekenend.
Froude, frûd. Frounce, frauns, krul, rimpel: —s of phrase and style = gemaakte zinswendingen en onnatuurlijke stijl.
Frousy, Frouzy, frauzi, vuil, slordig, muf, rans.
Froward, frouwəd, adj. weerspannig, gemelijk, onaangenaam; subst. —ness.
Frown, fraun, subst. gefronst gelaat, ontevreden blik; — verb. fronsen, dreigend staren: He was under the — of power = de machtigen staarden hem dreigend aan; He —ed us into obedience = zijn dreigende blik deed ons gehoorzamen.
Frowzy, frauzi = Frousy.
Froze, frouz, imperf. van to freeze.
Frozen, frouz’n, bevroren, buitengewoon koud, kil; part. perf. v. to freeze: The — Ocean = de IJszee; The — Zones = de Poolstreken.
Fructescence, frɐktes’ns, rijpwording der vruchten, vruchtentijd; Fructiferous = vruchtdragend; Fructification, frɐktifikeiš’n, bevruchting, vruchtvorming; Fructify, frɐktifai, vruchtbaar maken, vrucht dragen; Fructose, frɐktous, frɐktous, vruchtensuiker.
Frugal, frûg’l, matig, zuinig; —ity, frugaliti, matigheid, zuinigheid.
Frugivorous, frudživərɐs, vruchtenetend.
Fruit, frût, vrucht(en), fruit, kroost, gevolgen, voordeel; — verb. vruchten dragen; —-bearing = vruchtdragend; —-bud = vruchtknop; —-dish = vruchtenschaal; —-knife = fruitmesje; —-loft = fruitzolder; —-time = oogsttijd, vruchtentijd; —-tree = vruchtboom; —age = ooft; opbrengst; —erer = fruithandelaar; —ful = vruchtbaar; subst. —fulness; —iness = vruchtensmaak; —ion, frûiš’n, vruchtgebruik, bezit, genot daaruit voortvloeiend; —ive, frûitiv, genietend, gebruikend; —less = vruchteloos; subst. —lessness; —y = met vruchtensmaak.
Frumenty, frûm’nti, tarwepap.
Frump, frɐmp, brommige, ouderwetsch of slordig gekleede vrouw; — verb. bespotten, afsnauwen: Old — = oude soes; —ish = lastig, brommig, ouderwetsch, slonzig; ordinair; —ish ways = ouderwetsche manier van doen; —y = —ish.
Frustrate, frɐstreit, teleurstellen, verijdelen, tenietdoen; adj. frɐstrit, ijdel, nutteloos; subst. Frustration.
Frustum, frɐst’m, brok, stuk: — of a cone (pyramid) = geknotte kegel (zuil).
Frutescent, frûtes’nt, heesterachtig.
Fry, frai, bakken, braden; schoteltje, baksel; lever, longen, hart, enz. van varkens, schapen, kalveren en ossen; school (jonge visschen), jong goedje of volkje, kleinigheden, mindere lui; —ing-pan = bakpan: Out of the frying-pan into the fire = van den regen in den drop, van den wal in de sloot.
Fub, fɐb, bedriegen, stelen: To — off = onder valsche voorwendsels uitstellen.
Fuchsia, fjûšə, foksia.
Fucus, fjûkəs, blaaswier.
Fuddle, fɐd’l, dronken maken, overmatig drinken, zuipen: He —d himself; —r = dronkaard.
Fudge, fɐdž, subst. malligheid, onzin; interj. och loop! onzin!; — verb. vervalschen, verzinnen; opsnijden: He —d his reports from another paper = flanste samen.
Fuel, fjûəl, subst. brandstof; — verb. van brandstof voorzien, voeden: That added (was as) — to the fire = dat was olie in ’t vuur; —-gas = kookgas.
Fuff, fɐf, subst. trekje (aan sigaar of pijp); — verb. trekken, puffen; —y = opgeblazen, buiïg.
Fugacious, fjugeišəs, vluchtig; vroeg afvallend; subst. Fugacity.
Fugh, fjû, Bah! Zie Faugh.
Fugitive, fjûdžitiv, subst. vluchteling, deserteur; adj. vluchtig, voorbijgaand, voortvluchtig, zwervend: — compositions = werken van één dag; —ness = vluchtigheid.
Fugleman, fjûg’lmən, vleugelman, guide; leider, woordvoerder.
Fugue, fjûg, fuga; Fuguist, fjûgist, componist van fuga’s.
Fulcrate, fɐlkrit, van steunorganen voorzien; —-stem = boom, waarvan de takken tot de aarde reiken; Fulcrum, fɐlkr’m, steunpunt (van een hefboom), stut, steun.
Fulfil, fulfil, vervullen, volbrengen, uitvoeren: This short note —s the adage, for it is a merry one = dit korte briefje maakt het bekende gezegde waar, want het is een vroolijk kattebelletje (i.e. Short but merry); He was —led of this pleasure = had er genoeg van; subst. —ment.
Fulgency, fɐldž’nsi, glans, schittering; adj. Fulgent.
Fulgo(u)r, fɐlgə, schittering; Fulguration, fɐlgjureiš’n, weerlicht, fonkeling; Fulgurite, fɐlgjurait, fulguriet, bliksembuizen.
Fulham, fuləm.
Fuliginous, fjulidžinɐs, roetachtig, rookerig, vuil, duister, somber.
Fulk, fɐlk, Folkert.
Full, ful, adj. vol, verzadigd, bezet, dik, gevuld, rijp, volkomen, krachtig; subst. volle maat, grootste uitgebreidheid, hoogste punt: The — of the moon = de tijd, dat de maan vol is; The moon was at the (its) — = was vol; We are — = wij hebben geen plaats meer (in hotel of school, etc.); The dogs were in — cry = blaften alle luide; He knows it — well = hij weet het heel goed; To the —, In — = ten volle, geheel; — and by = met volle zeilen, en scherp bij den wind; — age(d) = meerderjarig(heid); —-armed = in volle wapenrusting; —-bloomed = in vollen bloei, rijp; —-blown = geheel ontwikkeld, volkomen rijp; —-bottom(ed wig) = allonge pruik, lange krulpruik (gedragen door rechters); —-cry = samen blaffend; —-dress = gala; —-drive = in vollen ren, met volle kracht; —-eyed = met groote oogen; —-faced = met groot en dik gelaat; A —-fledged socialist = ten volle ontwikkeld, overtuigd; —-out = geheel, voluit; —-stop = punt, plotseling einde; —-swing = in vollen ren, volkomen vrij, druk bezig: We are in the — swing of stopping managers to play our pieces = wij zijn druk bezig er een stokje voor te steken, dat ...; —ness = volheid: In the —ness of time; —y = ten volle; —y-committed = naar de Assizes verwezen.
Full, ful, vollen; —age = geld voor ’t vollen; —er = voller; —er’s earth = vollersaarde; —ery = —ing-mill = vollersmolen.
Fulminate, fɐlmineit, donderen, losbarsten, ontploffen; Fulminating-powder = donderpoeder; Fulminatory, donderend; Fulminic: — acid = knalzuur.
Fulness = Fullness.
Fulsome, fɐls’m, aanstootelijk, overdreven, grof; subst. —ness.
Fulton, fult’n.
Fulvous, fulvəs, taan- of voskleurig.
Fumble, fɐmb’l, rondtasten, tastend zoeken, onhandig doen, knoeien met, verward zijn, morrelen aan (with), verfrommelen (up).
Fume, fjûm, subst. uitwaseming, damp, reuk, toorn, woede; — verb. damp uitwerpen, in damp opgaan, rooken (van vleesch, etc.), doorgeuren, ontsmetten (door rook en damp), woedend zijn: He was in a — = hij was woedend; To sleep off the —s of a debauch = zijn roes uitslapen; He walked up and down, fretting and fuming = knarsetandend en woedend.
Fumigate, fjûmigeit, doorgeuren, ontsmetten (door rook); Fumigation = berooking; rook, wierook: Fumigator = rook- of damptoestelletje; Fumitory = duivenkervel; Fumous = damp of rook veroorzakend.
Fun, fɐn, subst. pretje, grap, vroolijkheid; — verb. grappen maken: That was the — of it = dat was juist de aardigheid er van; It wouldn’t be much — = niet erg leuk zijn; I did it for (in) —, for the — of the thing = voor de grap, voor de aardigheid; To have good (great) — = veel pleizier hebben; He made — of it = hij maakte er een grapje van; To poke — at = voor de mal houden.
Funambulation, fjûnambjuleiš’n, het koorddansen; Funambulist.
Function, fɐŋkš’n, subst. verrichting, uitvoering, beroep, dienst (van een bepaald orgaan), bijeenkomst, partij, feest, kerkelijk ambt; — verb. een plicht, dienst of beroep vervullen: That railway —s no longer = die baan is buiten dienst; —al-disease = organisch gebrek; Functionary, fɐŋkš’nəri, ambtenaar, beambte.
Fund, fɐnd, subst. fonds, kapitaal, voorraad (—s = nationale schuld, geld, financiën) — verb. beleggen (van geld), een fonds bestemmen voor; —-holder = actiënhouder; —ed debt = staatsschuld, die de regeering niet op een bepaalden tijd behoeft af te lossen; —ing-system = amortisatie-stelsel.
Fundament, fɐndəment, grondslag, benedenste, achterste; —al, fɐndəment’l, adj. den grondslag vormend, voornaamste, oorspronkelijk; subst. basis, grondslag, grondtoon: —al bass = becijferde bas, aanduiding der accoorden door hun grondtoon.
Fundi, fɐndi, Fundungi, f’ndɐnži, West-Afrikaansch koren.
Funen, fjûnən.
Funeral, fjûnər’l, subst. begrafenis, lijkstatie; ook adj.: — pile = brandstapel; —-sacrifice = doodenoffer; —-sermon = lijkrede; —-train = begrafenisstoet; —ize = als geestelijke dienst doen bij eene begrafenis (Amer.); Funereal, fjunîriəl, begrafenis ..., treurig: A — gait = begrafenispas.
Fungacious, fɐŋgeišəs; Fungal, fɐŋg’l, spons- of zwamachtig; Fungi, fɐnžai, zwammen; Fungivorous, fɐndživərɐs, zich met zwammen of paddestoelen voedend; Fungoid, fɐŋgôid; Fungous, fɐŋgəs, zwamachtig; Fungus, fɐŋgəs, zwam, sponsachtige uitwas: — flesh = wild vleesch.
Fungible, fɐnžib’l, vervangbaar.
Funicle, fjûnik’l, dun snoer, vezel, navelstreng; Funicular, fjunikjulə, kabel- of touwvormig: — railway = kabelspoorweg; Funiculus, fjunikjulɐs = Funicle; Funiliform = vezelvormig.
Funk, fɐŋk, subst. stank, vrees, lafhartigheid, lafaard; schop, knorrigheid; — verb. bang maken of zijn, schoppen of trappen (van woede), woedend zijn: He was in a blue — = zat vreeselijk in de rats; You seem to — it = gij schijnt het niet aan te durven; —er = bange, benauwde vent; —y = angstig.
Funnel, fɐn’l, trechter, schoorsteen (van stoomboot of locomotief); —-form (—-shaped) = trechtervormig; —-net = fuik.
Funniments, fɐnimənts = grapjes; Funny, fɐni, grappig, kluchtig; subst. soort van roeiboot; —-bone = elleboogsknokkel: A rap on the — = weduwnaarspijn.
Fur, fɐ̂, subst. bont, kleed met bont gevoerd, beslag op de tong, ketelsteen; adj. van bont, met bont gevoerd of afgezet; — verb. met bont voeren of afzetten, beslaan (van de tong); —below, subst. geplooide rand aan japonnen of rokken; opschik, tooi; — verb. met bont voeren of omzoomen; —-moth = mot; —-trimmed = met bont omzoomd; —red = met bont gevoerd; —ring = pelswerk, beslag op de tong, ketelsteen, spijkerhuid; —ry = met bont gevoerd, uit bont bestaand, bont ...
Furbish, fɐ̂biš, oppoetsen, polijsten, bruineeren; —er = polijster, zwaardveger.
Furcate(d), fɐ̂kit (-eitid), gevorkt, in twee takken gedeeld; Furcation = vertakking.
Furfur, fɐ̂fə, roos (op ’t hoofd); —aceous, fɐ̂fəreišəs, gekorst.
Furiosity, fjûriositi, krankzinnigheid; Furious, fjûriəs, woedend, dol, geweldig, levenmakend; subst. —ness.
Furl, fɐ̂l, samenrollen, vastmaken (van zeilen).
Furlong, fɐ̂loŋ, ⅛ van eene E. mijl of ± 201 M.
Furlough, fɐ̂lou, subst. verlof; — verb. verlof toestaan: He is on — = met verlof.
Furmenty, fɐ̂m’nti. Zie Frumenty.
Furnace, fɐ̂nis, subst. oven, vuurhaard; vuurproef, martelplaats.
Furnish, fɐ̂niš, voorzien, uitrusten, meubileeren, versieren; in betere ‘conditie’ komen (rensport): They —ed him forth with the best they could get = zij rustten hem uit met, voorzagen hem van; —er = leverancier, behanger.
Furniture, fɐ̂nitšə, uitrusting, huisraad; meubilair, tuig, sloten aan deuren en vensters, monteering (van een kanon), masten en tuig: Articles of — = meubelen; —-van = verhuiswagen; The coffin was destitute of — = de kist had geen zilveren hengsels, etc.
Furrier, fɐ̂riə, bontwerker, bonthandelaar; —y = bontwerkerszaak, bontwerken.
Furrow, fɐrou, subst. voor, groef, rimpel; — verb. doorploegen, groeven of rimpels trekken in; —-drain = voor (om water af te voeren); —-faced = met gerimpeld gelaat.
Further, fɐ̂dhə, adj. verder, meer, buitendien, behalve, bijgevoegd; — verb. bevorderen; adv. bovendien, behalve: On the — side = aan den anderen (tegenovergest.) kant; — than this = buiten dit alles; —ance, fɐ̂dhər’ns, bevordering, hulp, bijstand: In —ance of = ter bevordering van; —er = bevorderaar; —more = bovendien; —most = het verst verwijderd; Furthest, fɐ̂dhist, adj. het verst; adv. verst: I shall come to-morrow at the furthest = op zijn laatst.
Furtive, fɐ̂tiv, steelsgewijs, heimelijk, sluw.
Furuncle, fjûrɐŋk’l, bloedvin, zweer.
Fury, fjûri, woede, dolheid, onstuimigheid, razernij: The Furies = de drie wraakgodinnen.
Furze, fɐ̂z, gaspeldoorn, stekelbrem; brem; Furzy = met brem begroeid.
Fuse, fjûz, smelten, vloeibaar maken, samensmelten; Fusion = (samen)smelting, vereeniging.
Fuse, fjûz, (ook Fusee) sisser of lont.
Fusee, fjuzî, lont, windlucifer, spil (in een uurwerk); spoor van wild.
Fusibility, fjûzibiliti, smeltbaarheid; Fusible, fjûzib’l, smeltbaar.
Fusiform, fjûziföm, spilvormig.
Fusil, fjûzil, fuziel(geweer); ruit (in de heraldiek); —eer, —ier, fjûzilîə, fuselier; —(l)ade, fjûzileid, fjûzileid, subst. geweervuur; — verb. neerschieten, fusileeren.
Fuss, fɐs, subst. lawaai; noodelooze, opzienbarende drukte; — verb. woelig en druk zijn, klateren, snel stroomen: — and feathers = veel geschreeuw en weinig wol (Amer.); The river fretted and —ed over its bed = schuurde en klaterde; The tug —ed and fretted, tossing over the green waves = pufte en woelde; The animal was —ing and fuming after it = liep er puffend en woedend achteraan; —iness = drukte, enz.; —y = drukte makend, druk: A —y looking fellow = een opgewonden, druk standje.
Fussock, fɐsək, dikke “moeke”.
Fust, fɐst, subst. vatlucht, muffe reuk; — verb. duf en muf worden; —y = muf, duf, bedorven.
Fusteric, fɐstərik, fustiek, gele verfstof; Fustet = Hongaarsch geel verfhout; Fustin = Fusteric.
Fustian, fɐstj’n, subst. fustein; bombast, gezwollen stijl; adj. van fustein; opgeblazen, gezwollen.
Futhork, fûthök, runenalphabet.
Futile, fjût(a)il, beuzelachtig, nutteloos, waardeloos; Futility = beuzelachtigheid.
Futtock, fɐtək, oplanger: —-shrouds = puttings.
Future, fjûtšə, subst. toekomst, “aanstaande”: To read the — = waarzeggen; In the — = in de toekomst; In — = voortaan; adj. toekomstig: — tense = toekomende tijd; Futurist, fjûtšərist, iemand die gelooft dat de prophetieën der H. S. nog zullen vervuld worden; Futurity, fjutjûriti, toekomst, toekomstige gebeurtenissen.
Fuzz, fɐz, subst. dons, kleine vezeltjes; stuifzwam; — verb. in kleine deeltjes wegvliegen; —-ball = stuifzwam; —-wigged = met krullige pruik; —iness, donzig(vlokkig)heid; —y = vlokkig, donzig, ruig, kroes, aangeschoten, beneveld; ongezond, verrot.
Fy, fai, foei!
Fyke, faik, fuik; —-fisherman; —-net (Amer.).
Fytte, fit, zang, vers.
G.
G, džî, 7e letter van het alphabet, de G-snaar (op eene viool): He possessed no final g’s to his name = was niet vulgair, van lage kom-af; Gael(ic); G(reat) B(ritain); G(rand) C(ross of the) B(ath); G(rand) C(ross of St.) M(ichael and St.) G(eorge) = koloniale orde; G(rand) C(ommander of the) S(tar of) I(ndia); G(rand) D(uke); Gent(leman); Geo(rge); Geol(ogy); Geom(etry); G(rand) L(odge); Gosp(el); Goth(ic); Gov(ernment); Gov(ernor) Gen(eral); G(eneral) P(ost) O(ffice); Gr(ain); Greg(ory); Gtt = druppels.
Gab, gab, subst. gewauwel, gesnap; — verb. praten, snappen, kakelen: He has the gift of the — = hij kan praten als Brugman; —ble, subst. luid gekakel, druk gerammel; — verb. wauwelen, praten, kakelen, rammelen, druk en onduidelijk snappen; —ble-mill = het Congres (Amer.); —by = praatziek.
Gabarage, gabəridž, grof paklinnen.
Gabardine, gabədîn, grof overkleed; kaftan.
Gaberlunzie, gabəlɐnzi, broodzak, rondreizend ketellapper, bedelaar (Schotl.).
Gabion, geibj’n, schanskorf; —ade, geibjəneid, geibjəneid, versterking van schanskorven, krib; —age = schanskorven; —ed = met —s.
Gable, geib’l, driehoekig bovendeel van den voorgevel: Stepped — = trapjesgevel; —-roof = zadeldak; —-window = gevelvenster; —d = van gevels voorzien.
Gabriel, geibriəl.
Gaby, geibi, sukkel, dwaas; gek, fat.
Gad, gad, subst. wig (van staal of ijzer), metalen staaf, stift, boor; horzel; — verb. rondzwerven, uitloopen, zich verspreiden: He did not know what to say on the — = zoo gauw; His imagination was —ding = zijne fantasie was aan het dwalen; —-about = belust op rondzwerven of uitloopen; uitlooper, uitloopster; He has a —-about spirit = hij houdt van doelloos rondzwerven; —-fly = horzel, paardevlieg; —der = —-about; —ling, subst. vagebond; adj. zwervend; —dle = aan het zwerven of in de war brengen: That thought set all their little heads —dling = bracht al hunne hoofdjes op hol.
Gadelle, gədel, roode bes.
Gadhelic, gədelik, gadəlik, Keltische taal of bewoner van Schotland, Ierland en het eiland Man.
Gaekwar, geikwa, titel van den Maharaja van Baroda.
Gael, geil, Kelt; Gaelic, geilik, galik, Keltisch.
Gaff, gaf, subst. ijzeren haak, speer, gaffel, café chantant of theater van de laagste soort; — verb. gevangen visch aan land brengen met een ijzeren haak: To blow the — = verraden; —-topsail = gaftopzeil.
Gaffer, gafə, oude man, opziener, meesterknecht, baas.
Gaffle, gaf’l, ijzeren spoor (voor hanen bij hanengevechten).
Gag, gag, subst. prop (in den mond), de woorden die een speler in zijne rol lascht; — verb. knevelen, eene prop in den mond stoppen, het zwijgen opleggen, woorden inlasschen (in eene rol); —ger = knevelaar.
Gage, geidž, subst. pand, borgtocht, handschoen (als uitdaging), groene pruim; peil (Z. Gauge); — verb. verpanden, op het spel zetten, peilen.
Gaggle, gag’l, snateren, kakelen.
Gaiety, geiəti, vroolijkheid, genot, mooie kleederen, vertoon; Gaily, geili, vroolijk.
Gaikwar, geikwâ, titel van den Maharaja van Baroda.
Gain, gein, subst. winst, aanwinst, voordeel; — verb. winnen, voor zich innemen, verkrijgen, bereiken, verwerven, overhalen: To — the day = de overwinning behalen; They have —ed ground of late = zij hebben in den laatsten tijd veld gewonnen; They —ed the other side = bereikten; That will — us time = daardoor zullen wij tijd winnen; We have —ed the wind of that ship = wij hebben dat schip de loef afgestoken; I have —ed him into that act = er toe overgehaald; My good behaviour —ed on him = nam hem voor mij in; I shall try to — him over to our side = voor onze partij zien te winnen; The enemy —ed upon us = inhalen, voordeel behalen op; —er = winner; —ing = het winnen of verkrijgen; —ings = behaalde winst.
Gainsay, geinsei, geinsei, tegenspreken, weerspreken, loochenen; —er = loochenaar; —ing = tegenspraak, ontkentenis.
Gainst, genst, geinst, verk. van against.
Gairdner, gâdnə: — Lake.
Gait, geit, pad, straat; gang, pas, loop, houding; graanschoof: The pictures went off at a rattling — = gingen grif van de hand; —ed, in samenstell.: Heavy —ed = langzaam.
Gaiter, geitə, subst. slobkous; valsche speler; — verb. van slobkousen voorzien.
Gal, gal = girl.
Gala, geilə, gala, feestelijkheid; —-day = feestelijke dag; —-dress = galakleeding.
Galactometer, galəktomətə, melkmeter; Galactophorous, galəktofərɐs, melkhoudend.
Galage, galidž, klomp, overschoen.
Galantine, galənt(a)in, galantine.
Galatia, gəleišə, Galatië; —n, bewoner v. Galatië.
Galaxy, galəksi, melkweg, schitterende groep.
Gale, geil, subst. stijve bries; gagel; lied; twist, opgewondenheid, periodieke rentebetaling; — verb. snel zeilen: Great events are in the — = in de lucht, op til; —-day = rentedag.
Galenic(al), gəlenik(’l), volgens de geneeswijze van Galen (Grieksch geneesheer, 131–200).
Galicia, gəlišə, Galicië; —n, gəliš’n, subst. Galiciër; adj. Galicisch.
Galilean, galilîən, subst. Galileër; adj. tot Galilea behoorend; tot Galileo (1564–1642) behoorend; Galilee, galilî, Galilea, voorportaal of kapel aan den ingang eener kerk.
Galimatias, galimatiəs, galimeišəs, dwaasheid, onzinnig gezwets.
Gal(l)iot, galiət, galjoot.
Gall, gôl, subst. gal, kwaadaardigheid, toorn, bitterheid; galnoot; schram, schaafwond, vochtige plaats of bron (in een stuk land), kale plek (in den oogst), laag, moerassig land; — verb. met (gal) doen doortrekken; afschaven, schrammen, beschadigen, verslijten, kwellen, vertoornen, kwetsen; —-bladder = galblaas; — of glass (Zie Sandiver); —-fly = galwesp; —-nut = galnoot; —-sickness = galkoorts; —-stone = steen (in de blaas).
Gallant, gəlant, subst. galant heer, hofmaker, verleider; adj. galant, hoofsch, hoffelijk; — verb. het hof maken, hoofsch behandelen; —ly = galant.
Gallant, gal’nt, schoon, schitterend, prachtig, dapper, fier, moedig; —ly = dapper; —ry = dapperheid, uiterlijk vertoon; hoffelijkheid, galanterie.
Galleon, galj’n, galjoen.
Gallery, galəri, galerij, gang, schilderijenverzameling, schilderijenmuseum; tribune, “het schellinkje”, de menschen op tribune of galerij, mijngang, overdekte gang, buitenbetimmering aan den spiegel van een schip; tent: Shooting-— = schiettent; He is playing to the — = hij tracht de toejuichingen van het plebs te winnen.
Galley, gali, galei, strafkolonie, kapiteinsgalei, boot, kombuis; zetraam: The article went straight from the — to the stone = werd ongecorrigeerd gedrukt; —-foist = vroegere staatsiesloep van den Lord Mayor; —-pepper = kolenasch; —-slave = galeislaaf; —-worm = soort. v. duizendpoot; —-west: That knocked the mystery —-west in a second = toen was het in eens met alle geheimzinnigheid gedaan (Amer.).
Gallia, galiə, Gallië; —n, galiən, Gallisch.
Galliard, galjəd, subst. vroolijke kwant; soort dans; adj. vroolijk, vlug, dartel; —ise, galjədîz, vroolijkheid, opgewektheid.
Gallic, galik, Gallisch, Fransch (ook: —an); uit galnoten getrokken; —ism, galisizm, Fransch idioom; —ize = verfranschen.
Galligaskins, galigaskinz, wijde broek.
Gallimaufry, galimôfri, ragout; mengelmoes.
Gallinaceous, galineišəs, hoenderachtig.
Gallipot, galipot, likkepot.
Gallium, galiəm, gallium.
Gallivant, galivant, galivant, het hof maken, coquetteeren, veel uitgaan.
Galliwasp, galiwosp, hagedis (W.-Indië).
Gallomania, galəmeinjə, manie voor alles wat Fransch is.
Gallon, gal’n, Engelsche maat van verschillenden inhoud: Imperial — = ± 4.54 L.
Galloon, gəlûn, lint, band, galon; —ed.
Gallop, galəp, subst. galop; — verb. (doen) galoppeeren, snel rijden, haasten, vluchtig doorloopen; —ing-consumption = vliegende tering; —ade, galəpeid, galəpâd, subst. (dansende, zijdelingsche) galop, de dans “galop”; — verb. galoppeeren, een galop dansen.
Gallow, galou, doen schrikken.
Galloway, galəwei, kleine, sterke hit; een donker Schotsch runderras.
Gallowglass, galouglas, zwaar gewapende Iersche voetknecht (uit ouden tijd).
Gallows, galouz, galg, galgebrok (= —-bird); —es = bretels (Amer.); —-bits = galg (op een schip); —-free = van de galg gered; —-ripe; —-tree = galg; —ness = ondeugendheid, boosheid.
Gally, gôli, verb. doen schrikken; adj. vochtig (van land). Zie Gall.
Galoche = Galosh.
Galoot, gəlût, lummel, kerel.
Galop, galəp, galop (dans).
Galore, gəlö, subst. overvloed; adv. in overvloed: She has jewellery — = zij heeft een rijkdom aan juweelen.
Galosh, gəloš, elastieken overschoen; soort klomp met riemen vastgemaakt.
Galvanic, galvanik, Galvanisch: —-battery = Galvanische batterij; — current; — pile (Zie Voltaic); Galvanism, galvənizm, galvanische electriciteit; Galvanize, galvənaiz, galvaniseeren, electriseeren.
Galveston, gavst’n, galvəst’n; Galway, gôlwei.
Gamba, gambə, gambe, soort violoncel.
Gambade, gambeid, luchtsprong, gril.
Gambado, gambeidou, slobkous; —es = aan het zadel bevestigde rijlaarzen.
Gambeson, gambəz’n, wollen wambuis (onder het harnas).
Gamble, gamb’l, om geld dobbelen: They —d away their lives = verdubbelden, vergooiden hun leven; —r.
Gamboge, gamboudž, gambûdž, guttegom.
Gambol, gamb’l, subst. (kromme) sprong; — verb. springen, huppelen.
Gambrel, gambr’l, knieboog v. h. achterbeen van een paard; kromhout voor ’t ophangen van vleesch; —-roof = tentdak.
Game, geim, subst. spel, vroolijkheid, scherts, pretje, winst bij het spel; wildbraad, wild, toeleg, tijdverdrijf; adj. wild - -; flink, moedig, bereid; lam, onbruikbaar; — verb. spelen: A — at cards, at dice, at (of) chess; A — of chance = hazardspel; Popular —s = volksspelen; Is that your little —? = voer je dat in je schild? That is not my — at present = daarom is ’t mij nu niet te doen; The — is not worth the candle = de sop is de kool niet waard; He made — of us = hield ons voor den gek; I am — to do it = ik ben bereid; He is — to play that part = geschikt; All hoped he would die — = dat hij als een man zou sterven; He went to America much —r than we could have expected = met meer moed (flinker) dan ...; —-bag = weitasch; —-birds (—-fowls) = kempvogels; —-cock = kemphaan; —keeper = jachtopziener, koddebeier; —-laws = jachtwetten; —ful, —some = dartel, vroolijk, speelsch; subst. —someness; —ster = speler, dobbelaar; Gaming: —-debt = speelschuld; —-house = speelhuis; —-table = speeltafel.
Gamin, gamin, straatjongen.
Gamma, gamə, toonladder.
Gammer, gamə, moedertje.
Gammon, gam’n, subst. gerookte ham; spel (= Back—); bedriegerij; — verb. ham zouten en rooken; verslaan (bij het backgammon), bedriegen, bedotten, huichelen; interj. malligheid, loop! No — with me! = ’k laat me niet bedotten!
Gamp, gamp, subst. besteedster (paraplu); adj. bol staande; — verb. bollen of uitzetten.
Gamut, gamət, toonladder, toonschaal, omvang: The — of human feeling.
Gamy, geimi = Game (adj.).
Gander, gandə, gent: Sauce for the goose is sauce for the — = gelijke monniken gelijke kappen.
Gang, gaŋ, troep, bende, kliek, deel van werklui of scheepsvolk voor een bepaald doel aangewezen, ertsader, assortiment: —-board = loopplank, valreepsbord; —-cask = watervat (op een schip); —way = pad, doorgang, gangboord, trap, brug voor passagiers (schip), gangpad in ’t Lagerhuis, dat de banken der regeeringspartij en die der oppositie in twee helften verdeelt; The poor fellow was brought to the —way = de arme kerel werd afgestraft; He sits below the —way = hij behoort tot de onafhankelijke leden (die de achterbanken bezetten o.a. langs de gangway te bereiken); —-week = rondgangweek (Z. Rogation); —er = opzichter van een arbeidersploeg.
Ganges, gandžis, Ganges; Gangetic, gandžetik, tot den Ganges behoorend.
Ganglion, gaŋgliən, (Meerv. Ganglia), peesknobbel, zenuwknoop.
Gangrene, gaŋgrîn, subst. koudvuur; — verb. het koudvuur krijgen; Gangrenous, gaŋgrinɐs, door koudvuur aangetast.
Ganister, ganistə, soort vuurvaste steen.
Gannet, ganət, witte rotspelikaan, Jan-van-Gent.
Gantlet, gôntlət, gântlət (Gantlope, gantloup), spitsroede: He had to run the — = hij moest spitsroeden loopen; A new-comer has to run the — of the whole company = die binnenkomt staat aan de kritiek v. het geheele gezelschap bloot; He took up the — = hij nam den handschoen op.
Ganymede(s), ganimîd, ganimîdîz, Ganymedes.
Gaol; džeil; Zie Jail; —er.
Gap, gap, subst. gat, opening, bres, hiaat; — verb. een gat maken in; He stood in the — for all his friends = hij sprong in de bres voor; We had to stop the — = moesten het gat stoppen (ook fig.); —-toothed = met holten tusschen de tanden.
Gape, geip, subst. geeuw, het geeuwen; — verb. gapen, geeuwen, verbaasd aanstaren, aangapen, openstaan: The chickens have got the —s = hebben de gaapziekte; We were —d at by all = werden aangegaapt; They are gaping for (after) it = zij snakken er naar.
Gar, gâ, geep; — verb. dwingen, veroorzaken.
Garage, garâž, garage.
Garb, gâb, kleeding, gewaad, mode, uiterlijk; schoof (koren): Nature’s —; —ed = gekleed.
Garbage, gâbidž, ingewanden en afval van een dier, waardeloos iets; —d = van ingewanden gereinigd.
Garble, gâb’l, verminken, verknoeien; schiften, ook op zeer partijdige manier; —r = schifter, vervalscher.
Garboard, gâböd, gaarboord (scheepst.).
Garboil, gâbôil, subst. oproer, wanorde; — verb. onderstboven gooien, storen.
Garden, gâd’n, subst. tuin; adj. tot een tuin behoorend; — verb. tuinieren, een tuin aanleggen; — City = Chicago; The — = de markt (= Covent — in Londen); —-glass = tuinspiegel; —-house = tuinhuisje; —-mould = tuin- of teelaarde; —-plot = deel van den tuin met bloemen, enz.; —-stuff = groenten, enz.; —-tools = tuingereedschap; —er = tuinier.
Gardenia, gâdînjə, gardenia.
Gare, gêə, grove wol op schapepooten.
Garfish, gâfiš, geep.
Gargantuan, gâgantjuən, reusachtig, kolossaal.
Gargery, gâdžəri.
Garget, gâgət, keel, gezwel in de keel, uierziekte; varkensziekte.
Gargle, gâg’l, subst. gorgeldrank, dronk; — verb. gorgelen, kweelen.
Gargoyle, gâgôil, gargouille, spuier (Archit.).
Garibaldi, garibaldi, Garibaldi; buis of muts, zooals door Garibaldi en zijne troepen werd gedragen.
Garish, gêriš, glanzend, blinkend, opzichtig, buitensporig.
Garland, gâl’nd, subst. guirlande, bloemenkrans, bloemlezing; provisienet; — verb. met kransen tooien.
Garlic, gâlik, knoflook; —-eater = scheldnaam voor Joden; —ky = knoflook bevattend.
Garment, gâm’nt, kleedingstuk, kleeding: The —age of life = het uiterlijke des levens.
Garner, gânə, subst. graanzolder; — verb. opstapelen (van koren), verzamelen.
Garnet, gânət, granaatsteen.
Garnish, gâniš, subst. versiersel, randversiering (om een schotel); fooi; — verb. versieren, voorzien van, waarschuwen; subst. —ment.
Garniture, gânitšə, versiering, opschik, garnituur, bijbehoorende onderdeelen.
Garret, garət, vliering, zolderkamertje; —-master = meubelmaker, die thuis werkt voor magazijnen of bazen; —eer, garətîə, vlieringbewoner, arme broodschrijver.
Garrison, garis’n, subst. garnizoen, vesting; — verb. in garnizoen leggen, bezetten.
Garron, gar’n, klein Schotsch paard.
Garro(t)te, gərot, gərout, subst. halsijzer tot terdoodbrenging (door worging); — verb. terdoodbrengen; bestelen door de keel van het slachtoffer dicht te drukken, en hem weerloos te maken; —r = straatroover.
Garrulity, gərûliti, praatachtigheid; Garrulous, garəlɐs, praatziek, snapachtig.
Garter, gâtə, subst. kouseband; kouseband-orde; — verb. met een kouseband bevestigen; die orde verleenen; Knight of the — = Ridder van den Kouseband.
Garth, gâth, hof, vischweer.
Garum, gêr’m, Romeinsche vischsaus.
Gas, gas, subst. lichtgas, gas; gewauwel, bluf; — verb. wauwelen, bluffen: How he was —sing = wat was hij aan ’t opsnijden; —-buoy = gasboei; —-bracket = gasarm; —-coal; —-condenser = gascondensator; —-cooker = gasfornuis; —-engine = gasmotor; —-fitter; —-fitting = gasaanleg; —holder = gashouder; —-jet = gasvlam, gaspit; —-lamp = lamp, lantaarn; —-light; —-main = hoofdleiding; —-mantle = gloeikousje; —-meter = meter; —-motor; —-pipe; —-range = gaskookkachel; —-regulator = gasregulateur; —-retort; —-tar = koolteer; —-works = gasfabriek; —alier, —elier, gasəlîə, gaskroon; —eity, gesîiti, gasachtigheid; —eous, geisiəs, geiziəs, gasiəs, gaziəs, gasachtig, vluchtig; —iform = gasvormig; —ify = in gas veranderen; —oline, gasəlîn, gasoline; —ometer, gəsomətə, gəzomətə, gashouder; gasometer; Gasometry = meten van gas; —sy = gasachtig; opgeblazen.
Gascon, gaskən, Gascogner, bluffer; —ade, gaskəneid, subst. blufferij, snoeverij; — verb. snoeven, grootspreken; —ader = bluffer, “opsnijer”; —y, gaskəni, Gascogne.
Gash, gaš, subst. gapende (vleesch)wond, houw, snede; — verb. eene gapende wonde maken: I — myself asunder from the king = ik breek geheel met den koning.
Gasket, gaskət, seizing (scheepst.).
Gaskins, gaskinz = Galligaskins.
Gasp, gâsp, subst. snik; — verb. snakken (naar adem), vurig verlangen, hijgend uitbrengen: At the last — = bij den laatsten snik, op sterven; With a — = verbaasd (als naar adem snakkend); It made me — = ik stond paf.
Gastric, gastrik, tot de maag behoorend; —-abscess; —-catarrh = maagcatarrh; —-fever = gastrische koorts; —-juice = maagsap; Gastriloquy, gastriləkwi, buikspraak; Gastritis, gastraitis, maagontsteking; Gastronomer, gastronəmə, Gastronomist, gastronəmist, lekkerbek; Gastronomy, gastronəmi, kunst en lust om lekker te eten; Gastrotomy, gastrotəmi, maagsnede voor het inbrengen van voedsel.
Gat, gat, nauwe doorvaart.
Gate, geit, subst. poort, deur, ingang, wegsluis, gelegenheid, kans (The — = Billingsgate = Londensche vischmarkt); — verb. binnen de poorten houden: That opened the — for all abuses = zette de deur open voor; — of horn = de poort van hoorn (in het droomhuis), waardoor ware visioenen komen; — of ivory = de poort van ivoor, waardoor de onware visioenen komen (de Aeneïde v. Vergil.); —house = portierswoning; —man = portier, tolgaarder, baanwachter; —way = poort; —d = met poorten.
Gather, gadhə, vereenigen, vergaderen, samenbrengen, plukken, ophoopen, plooien, oogsten, rijp worden, zich verzamelen, samentrekken, grooter worden; afleiden; subst. vouw, plooi: I —ed it from what he said = maakte het uit zijne woorden op; The harvest was —ed in = werd binnengehaald; He was —ed to his fathers = tot zijn vaderen verzameld; He —ed himself up = kwam tot zichzelf; Then we had time to — breath = om op adem te komen; To — flowers; She —ed her powers = verzamelde; —er = verzamelaar, oogster; —ing = verzameling, vereeniging, inzameling, collecte; zweer.
Gatling gun, gatliŋgɐn, revolverkanon, mitrailleuse.
Gaucho, gôkou, Z. Amer. Cowboy.
Gaud, gôd, versiering, snuisterij; —iness, subst. van —y = opzichtig, bont: —-day = —ies = feest(dag).
Gaudeamus, gôdieiməs, drinkgelag, feest.
Gauffer, goufə, fijn plooien.
Gauge, geidž, subst. maat, peil, diepgang, peilstok, peilglas, maatstaf, wijdte tusschen de spoorstaven; — verb. meten, schatten, peilen, ijken: I have your — = ik snap je, doorzie je; I have —d your feelings; —glass = peilglas; —r = roeier of wijnpeiler; kommies; Gauging: —-rod = peilstok = —-rule.
Gaul, gôl, Gallië, Galliër.
Gault, gôlt, subst. een soort van mergel; — verb. klei brengen (op land); —-mill = kleimolen (voor steenbakkerijen).
Gaunt, gônt, gânt, schraal, mager: That’s the —, bare truth = dat is de naakte waarheid.
Gauntlet, gôntlət, gântlət, lange dameshandschoen, strijdhandschoen: He threw down the —, and my friend took it up = hij wierp den handschoen toe, en mijn vriend nam hem op.
Gauntree, gôntrî, stellage voor vaten.
Gauze, gôz, gaas; —-wire = ijzerdraadgaas; Gauzy = gaasachtig.
Gave, geiv, imperf. van to give.
Gavel, gav’l, garf, (presidents)hamer; tol, schatting, garfpacht; —kind = erfrecht, waarbij bij den dood van den pachter het land gelijkelijk onder zijne zoons werd verdeeld; —man = huurder van land onder de bepalingen van gavelkind.
Gavelock, gav’lok, breekijzer, werpspies.
Gaveston, gavəst’n.
Gavial, geiviəl, gavial, snavelkrokodil (Ganges).
Gavot(te) gəvot, gavot, gavotte.
Gawk, gôk, koekoek, zot; —iness, subst. van het adj. —y = lummelig; subst. lummel, slungel, suffer.
Gay, gei, vroolijk, opgewekt, opzichtig, bont, sterk gekleurd, opgewonden (van drank), losbandig; subst. —ness; adj. —some.
Gayal, gaiəl, geiəl, soort rund (Brit. Ind.).
Gaze, geiz, subst. blik, aanblik; — verb. staren: At — = starend, en face; —-hound = windhond; Gazing-stock = voorwerp van afschuw of nieuwsgierigheid.
Gazebo, gazîbou, belvedère.
Gazelle, gəzel, gazelle.
Gazette, gəzet, subst. courant, soort staatsblad, staatscourant; — verb. in de staatscourant (dus: officieel) bekend maken: To be in the — = bankroet zijn; He was —d = aangesteld, bevorderd; Gazetteer, gazətîə, redacteur van een staatsblad, dagbladschrijver; geographisch woordenboek.
Gazogene, gazədžîn, toestel om koolzure dranken te maken.
Gazon, gəzûn, grasperk.
Gean, gîn, Spaansche kers.
Gear, gîə, subst. gareel, tuig, takel, kleed, uitrusting, bezittingen, zaak; de touwen, blokken, enz. van een bepaald zeil of mastdeel, mechaniek, tandrad; — verb. tuigen, aan den gang brengen: It was thrown out of — = de koppeling werd verbroken, de zaak werd bedorven; My ships are out of — = onttakeld; —ing = tuig, harnas, stel tandraderen tot het overbrengen van beweging.
Geck, gek, nar, spot; — verb. bespotten.
Gecko, gekou, gecko.
Gee, dži, een uitroep om het paard naar rechts te doen gaan: — up, — Woo = vooruit! The horse —-up’d = het paard ging vooruit; Gee-gee = paard (in de kindertaal).
Geelong, gîloŋ.
Geese, gîs, ganzen.
Gehenna, gəhenə, Gehenna, Hel.
Geikie, gîki.
Geisha, geiša.
Gelatine, dželətîn, gelatine; Gelatinous, džəlatinɐs, gelatine- of geleiachtig.
Geld, geld, castreeren, verminken, berooven; adj. gust; —er = snijder; —ing = het snijden; ruin, gesneden dier.
Gelid, dželid, ijskoud; subst. Gelidity.
Gem, džem, subst. juweel, kleur, kleinood; knop, oog; — verb. met edelgesteenten tooien, ontbotten; —my = vol edelgesteenten, schitterend, rijk, fijn, net.
Gemara, gəmârə, tweede deel van den Talmud.
Geminate, džeminit, adj. in paren: —-leaves = tweelingbladen; Gemination = verdubbeling.
Gemini, džeminai, Tweelingen (sterrenbeeld).
Gemma, džemə, bladknop; —te, džemit, knoppen hebbende; —tion, džəmeiš’n, het knoppen, voortplanting door knopvorming; Gemmiferous, džəmifərɐs, knoppen dragend, door knoppen vermenigvuldigend = Gemmiparous, džəmipərɐs.
Gemman, džem’n, samentrekking van gentleman; mv. Gemmen.
Gemmule, džemjûl, eitje, knopje, kiemspoor.
Gemote, gəmout, vergadering (van honderd, bij de Angelsaksers).
Gemsbok, gemzbok, Kaapsche gems.
Gendarme, džendâm, gendarme; —ry.
Gender, džendə, subst. soort, klasse, (grammaticaal) geslacht.
Genealogic(al), dženiəlodžik(’l), džîniəlodžik(’l), geslachtrekenkundig; —-tree = stamboom; Genealogist = geslachtkundige; Genealogy = geslachtrekenkunde, stamboom.
Genearch, dženiâk, džîniâk, stamvader.
Genera, dženərə, meervoud van Genus.
General, dženər’l, adj. algemeen, openbaar, uitgebreid, onbepaald, gewoon; subst. het algemeen; generaal, algemeen appèl (voor de infanterie); meid alleen: In — = in of over het algemeen; In a — way = in algemeenen zin, over het algemeen; The — public = het groote publiek; — assembly = wetgevende vergadering (Amer.); — dealer = iemand die in allerlei dagelijksche artikelen handelt; — invitation = uitnoodiging eens voor al; — practitioner = geneeskundige; — servant = meid alleen; — warrant = bevel tot inhechtenisneming van alle verdachte personen; —ism = algemeene conclusie; —issimo, dženər’lisimou, opperbevelhebber; Generality = algemeenheid, meerderheid, groote hoop: The — of people = de menschen in ’t algemeen; Generalization = generalisatie; Generalize = algemeen maken; generaliseeren; Generalship = generaalschap, beleid, handigheid.
Generate, dženəreit, voortbrengen, telen; Generating station = centrale; Generation = voortbrenging, geslacht, nakomelingen: Noah was perfect in his —s (Bijbelsch: Zie Gen. VI, 9); Generative = voortbrengend; vruchtbaar: — power = voortbrengend vermogen; Generator = voortbrenger, voortbrengingsvermogen, stoomketel; Generic(al) = een genus omvattend of betreffend, geslachts ...
Generosity, dženərositi, edelmoedigheid, milddadigheid; Generous, dženərɐs, edel, grootmoedig, milddadig, overvloedig.
Genesis, dženəsis, voortbrenging, Genesis.
Genet, džənet, genetkat, ook: dženət, soort paard.
Genetic(al), džənetik’(l), genetisch; ontstaans...: — affinity = geslachtsverwantschap.
Geneva, džənîvə, jenever; Genève: The Lake of — = Meer v. G.; — bible = bijbel van 1560; — cross = het roode kruis voor ambulances, enz.; — gown = toga (v. Presb. geestelijken); —n, subst. bewoner van Genève; adj. Geneefsch; calvinistisch; Genevese, dženəvîz, dženəvîs; Zie Genevan.
Genial, džînj’l, levendig, sympatiek, hartelijk, vroolijk, zacht; geslachts ...; —ity, džînialiti, opgewektheid.
Geniculate(d), džənikjulit(-eitid), knievormig gebogen; subst. Geniculation.
Genie, džîni, genius; mv. Genii, džîniai.
Genista, džənistə, genista, Duitsche brem.
Genital, dženitəl, geslachts - -; —s = geslachtsdeelen.
Genitival, dženitaiv’l: — relation = eene genitiefverhouding of -betrekking; Genitive, dženitiv, subst. genitief; adj. van den genitief.
Genius, džîniəs, (Meerv. Geniuses, džîniəsiz) genie, talent (for); Genius (Meerv. džîniai); geest, genius.
Genoa, dženouə, Genua; Genoese, dženouîz, dženouîs, subst. Genuees; adj. van Genua.
Gent, džent, heer, snuiter; verkorting van gentleman.
Genteel, džentîl, bevallig, beschaafd, fatsoenlijk, net, behoorlijk; subst. —ness.
Gentian, dženšən, Gentiaan.
Gentile, džentail, subst. heiden, ongeloovige (in den Bijbel); adj. heidensch, ongeloovig; Gentilism, džentilizm, heidendom.
Gentility, džentiliti, hooge of edele geboorte, beschaving, sierlijkheid, bevalligheid.
Gentisin, džentisin, gentianine.
Gentle, džent’l, adj. van hooge geboorte, zacht, teeder, vriendelijk; subst. edelman, gedresseerde valk; — verb. adelen, in rang verheffen, veredelen; verzachten, dresseeren: — birth = voorname (aanzienlijke) ....; — families; —folk(s) = menschen van aanzienlijke geboorte (gewoonlijk meervoud); —man, subst. heer, man van geboorte (beschaving, eer), fatsoenlijk man, man: The Old (Black) —man = de duivel; —man of property = grondbezitter; —men of the shoulderknot = lakeien; —man-at-arms = lid van de door Hendrik VIII opgerichte adellijke lijfwacht; —man-commoner = betalend student, die eerst later tot de eigenlijke colleges werd toegelaten; —man-farmer = heereboer: —man-usher of the Black Rod. Zie Black Rod; —manlike, —manly = beschaafd, fatsoenlijk, beleefd; —woman = edelvrouw, beschaafde dame.
Gentry, džentri, de stand der gentlemen, der beschaafde en bezittende klassen (landadel, geleerden, geestelijken, etc.).
Genuflection, Genuflexion, dženjuflekš’n, džînjuflekš’n, kniebuiging, knieval.
Genuine, dženjuin, echt, onvervalscht, oprecht; subst. —ness.
Genus, džînəs (Meerv. Genera, dženəra), geslacht, klasse.
Geocentric(al), džîəsentrik(’l), met de aarde gelijkmiddelpuntig.
Geodesy, džiodəsi, landmeetkunde; adj. Geodetic(al).
Geoffrey, džefri.
Geogony, džiogəni, leer van het ontstaan der aarde.
Geographer, džiogrəfə, aardrijkskundige; Geographic(al), džîəgrafik(’l), aardrijkskundig; Geography, džiogrəfi, aardrijkskunde.
Geologist, džiolədžist, aardkundige; Geology, džiolədži, aardkunde.
Geometer, džiomətə, Geometrician, džîomətriš’n, meetkundige; Geometric(al), džîəmetrik(’l), meetkundig; —al elevation = geometrische teekening (Archit.); —al progression = meetk. reeks; Geometry = meetkunde.
George, džödž, het beeld van St. George te paard, met den draak strijdend (insigne van de ridders van den kouseband); gouden munt met dat beeld: Brown — = grof aarden waterkan; —-noble = gouden munt (tijd van Hendrik VIII), ter waarde van ongeveer ƒ 4,00; Georgia, džödžə, Georgia; Georgian, džödžən, subst. bewoner van Georgia; adj. behoorend tot de regeering der Georges in Engeland (1714–1830).
Georgic, džödžik, tot den landbouw behoorende: —s of Virgil = landelijk gedicht van Vergilius.
Geranium, džəreinj’m, geranium.
Gerard, džerəd, Gerard, Gerrit.
Gerfalcon, džɐ̂fô(l)k’n, giervalk.
Germ, džɐ̂m, subst. kiem, oorsprong, begin; — verb. ontkiemen: —-theory = leer volgens welke besmettelijke ziekten door bacteriën worden overgebracht; — of disease = ziektekiem.
German, džɐ̂rm’n, subst. en adj. Duitsch, nauw verwant; subst. Duitsche taal, Duitscher: Cousin — = volle neef (nicht); — clock = Schwarzwalder klok; — flute = dwarsfluit; — Ocean = Noordzee; — sausage = Wiener worst; — silver = pleetzilver; — tinder = tonder, zwam; — toys = Nürnberger speelgoed; Germania, džɐ̂meinia, Duitschland; —ic, džɐ̂manik, Germaansch; —ism = germanisme; —ize = germaniseeren; —y = Duitschland.
Germane, džɐ̂mein, džɐ̂mein, subst. en adj. verwant, overeenkomstig, passend: This subject is more — to our circumstances = staat in nauwer verband met.
Germinal, džɐ̂min’l, subst. zevende maand van het republikeinsche jaar (Maart 21–April 20); adj. tot de kiem behoorende; Germinant = ontkiemend; Germinate, džɐ̂mineit, (doen) ontkiemen of ontspruiten; subst. Germination; Germinative, kiem ...
Gerrymander, džerimandə, knoeien, slecht bouwen, verknippen van kiesdistricten uit partijbedoelingen (eig. Amer.).
Gertrude, gɐ̂trûd.
Gerund, džer’nd, gerundium: —-grinder = schoolvos; —ial, džərɐndj’l, tot een gerund behoorende; —ive, džərɐndiv, de vorm op ing met eene prepositie daarvoor: On coming, In crossing, etc.
Gervas, džɐ̂vəs.
Gestation, džesteiš’n, dracht, drachtigheid, passieve beweging (rijden, etc.).
Gesticulate, džestikjuleit, gebaren maken; subst. Gesticulation; Gesticulator, džestikjuleitə, gebarenmaker; Gesticulatory language = gebarentaal; Gesture, džestjə, subst. gebaar, beweging, houding; — verb. gesticuleeren; —-language = gebarentaal = Gestural language.
Get, get, krijgen, verkrijgen, verdienen, bezitten, hebben, voortbrengen, overhalen, brengen (in een toestand), worden, leeren: To — the better of = de overhand krijgen, overwinnen; To — a cold = kou vatten, een verkoudheid oploopen; To — the day = de overwinning behalen; You’ll — no good by it = het berouwen; To — hold of = vastgrijpen; To — it hot = er flink van langs krijgen; To — a mile = een mijl afleggen; To — the sack = de bons krijgen; I must — wind first = ik moet eerst op adem komen; The affair got wind = werd bekend, lekte uit; I have got the wind of you = ik heb je in de gaten; He is so weak that he cannot — about = dat hij niet loopen kan; It has got about, that you are here = het is bekend geworden; They are —ting ahead = zij gaan vooruit, het gaat hun goed; How are you —ting along = hoe staat het met de zaken? — along with you = och, loop! He has got among thieves = is terecht gekomen; I cannot — at him = kan hem niet bereiken, te pakken krijgen; It is easy to — at him = hem te plagen; The jockey was got at = omgekocht; I could not — away from him = niet van hem afkomen, hem niet kwijtraken; The horse got away with him = ging er met hem van door; One of the boats had been got away = neergelaten en afgestooten; They will — before, behind us = zij zullen ons vóór-, achterkomen; I hope to — behind your tricks = dat ik achter uwe streken zal komen; I got behind the scenes = geraakte volkomen ingewijd (in de plannen); To — in the crops = binnenhalen; I’ll try to — in that picture = te koopen, te krijgen; He got into it = raakte er aan gewend; We have got off safely = zijn er goed afgekomen; I hope to see you as soon as I — off = zoodra ik vrij ben; How are you —ting on = hoe maak je het? To — out = raken uit, komen uit, voor den dag halen: I wish I could — out of this business = van dit zaakje af kon komen; I hope I shall — over it = dat ik het zal te boven komen; They got over me = bedrogen mij, werden mij de baas, haalden mij over; At length we have got round him = hebben we hem te pakken; I fear he will not — through = dat hij niet zal slagen; To — up = in orde maken, arrangeeren, opstaan, opstijgen, opsteken, vooruitgaan, bestudeeren: She —s up linen = mangelt en strijkt; He has got up his German = heeft ‘er in’; It was got up for the occasion = afgesproken, klaargemaakt; To — asleep = in slaap geraken; To — clear of = vrijkomen van, afkomen van; I’ll — it done = ik zal het laten doen, maken; — you gone = scheer je weg; You must try to — it by heart = het van buiten te leeren; To — home = thuis komen; To — quit (rid) of = kwijtraken, afkomen van; —-up, subst. = kleeding, enz.; bedriegerij, uitvoering, wijze van voorstelling, tooneelschikking, enz.: The —-up of the book is perfect = The book is nicely got up = de uitvoering van het werk (druk, papier, formaat, enz.) is uitstekend; —ter-up = klaarmaker; The —ters-up of a charade = de personen, die de charade voorstellen; —ting = winst, voordeel, verdienste.
Gewgaw, gjûgô, prul; adj. prullerig.
Geyser, gaizə, geiser, heete bron, verwarmingstoestel.
Gharry, gâri, osse-(pony-)wagen (Brit. Indië).
Ghastliness, gâstlinəs, subst. van Ghastly = doodsbleek, afgrijselijk, ijzingwekkend.
Gha(u)t, gôt, bergpas, gebergte, trap (leidende v. een tempel naar eene rivier; Br. Indië).
Gheber, Ghebre, gîbə, geibə. Zie Gueber.
Ghee, gî, soort boterolie (Br. Ind.).
Ghent, Gent.
Gherkin, gɐ̂kin, ingemaakt augurkje.
Ghetto, getou, Ghetto, Jodenkwartier.
Ghibelline, gibəl(a)in, Ghibellijn.
Ghost, goust, subst. geest, spook, lijk, geestverschijning, schijntje; iemand die b.v. letterkundig werk doet, waarvan een ander de eer krijgt: He has not the — of a chance = niet de geringste kans; He gave up the — = hij gaf den geest; We needed no — to tell us that = dat begrepen we zelf ook wel; The Holy — = de H. Geest; — story = spookvertelling; —liness, subst. v. —ly = spookachtig, akelig, somber: —ly hour = spookuur, middernachtelijk uur.
Ghoorkas, guəkaz, het voornaamste ras in Nepaul.
Ghoul, gûl, (Oostersch) menschenlijken etend monster; reporter (Amer.); —ish = demonisch.
Ghurry, gɐri, wateruurwerk, 1⁄60 dag, gong.
Ghyll, gil, bergkloof, ravijn.
Giant, džaiənt, subst. reus; The — Mountains = het Reuzengebergte; adj. reusachtig, kolossaal; —ess = reuzin; —ship = reusachtigheid.
Giaour, džauə, ongeloovige (naam voor Christenen bij de Turken).
Gib, džib, arm van eene kraan, spie; (oude) kater = —-cat.
Gibber, gibə, brabbelen, brabbeltaal spreken, snateren; —ish = brabbeltaal; adj. zonder beteekenis.
Gibbet, džibət, subst. galg, kraanbalk; — verb. ophangen; aan de kaak stellen.
Gibble-gabble, gib’lgab’l, gesnater, gezwets.
Gibbon, gib’n, Gibbon; langarmige, staartlooze aap.
Gibbose, gibous, Gibbous, gibəs, gebocheld, uitpuilend, bol; Gibbosity, gibositi, bultigheid, bolheid, uitpuiling.
Gibbs, gibz.
Gibe, džaib, subst. spot, smaad; — verb. spotten, hoonen, beschimpen, uitschelden; —r = spotter, schimper.
Gibeon, gibjən: Children of — = proletariërs, armen; Gibeonite, gibjənait, bewoner v. Gibeon (Jozua IX, 23), duivelstoejager, laagste loondienaar.
Giblets, džibləts, inwendige deelen van gevogelte, zooals lever, maag, hart, etc.
Gibraltar, džibrôltə, Gibraltar; — ape (— monkey) = magot (aap).
Gibson, gibs’n.
Gibstaff, džibstâf, peilstok, vaarboom.
Gibus hat, džaibəshat, klak.
Giddiness, gidinəs, subst. van Giddy, gidi, duizelig, zwijmelend, veranderlijk, grillig, opgewonden, onnadenkend, onbezonnen: —-brained = gedachteloos, roekeloos; —-go-round = caroussel.
Gifford, gifəd.
Gift, gift, subst. recht van geven of begeven, gave, begaafdheid; — verb. begiftigen: I would not have it for a — = ik zou het niet voor niemandal willen hebben; That appointment is in the — of the crown = wordt door de kroon vergeven; —ed with many accomplishments = met vele talenten begaafd; —edness = begaafdheid.
Gig, gig, subst. harpoen; tol; sjees, cabriolet; kaardcylinder, kaardmachine; lichte sloep; neus, farthing; — verb. met elger of harpoen steken; —-lamp = rijtuiglamp; —man = harpoenier; geldpatser; —s = bril.
Gigantean, džaigəntîən = Gigantesque, Gigantic, reusachtig, kolossaal.
Giggle, gig’l, gichelen; subst. gegichel; —r.
Gilbert, gilbət; Gilchrist, gilkrist.
Gild, gild, vergulden, verfraaien: —ed youth(s) = jeunesse dorée; —ing = het vergulden, versiering, verguldsel; —ing-metal = verguldstof.
Gilead, giliəd.
Giles, džailz, Gilles: St. — (vroeger beruchte) buurt in het centrum van Londen.
Gilfillan, gilfilən.
Gill, gil, kieuw, kaak, lel, het vleesch om en bij de kin, vadermoorder (boord); —-flap = kieuwklep.
Gill, džil, meisje, liefje, snol; —-flirt = dartele meid.
Gill, džil, ¼ Pint (= 0.14 L.).
Gillet, džilət, Gillian, džilj’n, dartele meid.
Gillie, gili, Hooglandsche dienaar, vooral bij rijden en jagen.
Gilliflower, džiliflauə, tuinanjelier.
Gilmore, gilmö; Gilpin, gilpin; Gilson, gilsən.
Gilpy, gilpi, vroolijke gast(-meid).
Gilravage, gilravidž, subst. opgewonden pret, rumoerig partijtje; plundering; — verb. plunderen, verwoesten; —r = rumoerige, wanordelijke klant, roover, plunderaar.
Gilray, gilrei.
Gilt, gilt, adj. verguld; subst. verguldsel; jong wijfjesvarken: The ominous Three — Balls = lommerd; —-edged = verguld op snede, fijn, chique.
Gim, džim, chique, fijn, net.
Gimbal, džimb’l, beugel, om het kompas aan te hangen.
Gimcrack, džimkrak, prul, speeldingetje; adj. prullerig.
Gimlet, gimlət, subst. (dril)boor; — verb. boren, draaien.
Gimp, gimp, gimp, soort van passement.
Gimp, džimp, net, fijn, keurig, slank, schraal.
Gin, džin, jenever; strik, machinerie, kraan, foltertuig, braak; inboorling, oude vrouw (Austral.); — verb. braken (van vlas), ontkorrelen, vangen; —-horse = molenpaard; inlandsche vrouw (Austral.); —-mill, —-palace, —-shop = kroeg, drankhuis.
Ginger, džinžə, gember, iets pikants; —-beer = gemberbier; —-brandy (—-cordial) = drank, gemaakt van spiritualiën, gember, etc.; —bread = peperkoek; geld: To take the gilt off the —bread = van de aantrekkelijkheid berooven; —bread-nuts = pepernoten; —bread-stall (-booth) = koekkraampje; —bread work = prulsieraden; —ly = voorzichtig, behoedzaam; netjes, keurig, geaffecteerd.
Gingham, giŋ’m, gingang, katoenen stof; groen katoenen paraplu.
Ginglymus, džiŋglimɐs, giŋglimɐs, scharniergewricht.
Gipsy, džipsi, subst. Zigeuner, de taal der Z., donker uitziend persoon; heks, sluwe bedriegster; adj. Zigeuners ..., Zigeunerachtig; — verb. in de open lucht leven, buiten eten; —-cart = reis- en woonwagen; — herb = gemeene wolfsklauw; —fy, džipsifai, zwart of donker maken; —ism = gewoonten en zeden der Zigeuners, bedrog.
Giraffe, džiraf, giraffe.
Girandole, džir’ndoul, kandelaar met armen, vuurrad (stuk vuurwerk).
Girasol, džirəsol, Europeesche heliotroop; girasol (edelgesteente).
Gird, gɐ̂d, subst. kneep, steek, sarcasme, hoonlach; — verb. doorsteken, spotten met of lachen om (at); omgorden, vastbinden, aangorden; —er = spotter; dwarsbalk; —le, subst. gordel, band, omtrek, boog; — verb. omgorden, insnijding om een boomstam maken, omvatten: He had (held) the people under his —le = hij hield het volk er onder.
Girl, gɐ̂l, meisje, dienstmeisje; tweejarige reebok; —-friend = vriendin(netje); —hood = de meisjesjaren; —ish = meisjesachtig, meisjes - -; subst. —ishness.
Girondist, džirondist, Girondijn.
Girt, gɐ̂t, P.P. en P. Imp. van to gird.
Girth, gɐ̂th, buikriem, band, omvang; — verb. omgorden, omgespen.
Gisborne, gisbən, Gislebert, giz’lbət, Gijsbert(us).
Gist, džist, hoofdpunt (v. redeneering of vraag): I told him the — of my errand = doel van mijne boodschap; That is the — of it = dat is de kern der zaak; Here lies the whole — of the matter.
Giusto, džustou, in de maat (muziek).
Give, giv, verb. geven, schenken, verleenen, overhandigen, mededeelen, veroorloven, blootstellen, meegeven, zakken, wijken; subst. het meegeven: The kindly — of the trigger = het zacht meegeven van den trekker; — and take is the only possible rule in marriage = geven en nemen; That is a — and take (exchange) = dat is een billijke ruil; A fight of a —-and-take character = waarin beide partijen veeren laten; The weather (frost) —s = verandert, het begint te dooien; I felt the bar — a little = voelde, dat de stang boog; I’ll — it you = ik zal je wel! To — battle = slag leveren; To — a call = een bezoek brengen; To — chase = nazetten; To — the cold shoulder = met den nek aanzien; To — ear to = het oor leenen aan; To — good day = goeden dag wenschen; To — ground = wijken; To — a guess at = raden naar; To — in charge = in (verzekerde) bewaring geven; I — you joy = ik feliciteer u; To — judgment = uitspraak doen; To — the lie = logenstraffen, heeten liegen; To — a lift = een handje helpen, laten meerijden; To — place to = wijken voor; To — sentence = vonnis vellen; To — the slip = laten zitten, uitknijpen; You ought to — me something = iets vóór geven (bilj.); To — a start = opschrikken; To — suck = zoogen; To — tongue = aanslaan (van honden); To — warning = den dienst opzeggen; To — way to = wijken voor; Here the crew began to — way = begonnen met alle kracht te roeien; To — a yawn = gapen, geeuwen; The bride was —n away by her brother = de bruid werd door haar broeder aan den bruidegom overgegeven; His ears — him away = aan zijn ooren kun je wel zien, wat een ezel hij is; Don’t — yourself away = gooi jezelf niet weg, verklap jezelf niet; I hope you didn’t — me away = mij niet hebt verklapt; That is a dead —-away = dat is enkel geld weggooien; The enemy gave back pell-mell = week in verwarring; It was —n forth by everybody = het werd door iedereen verteld; You must — in to me that you were wrong = mij toegeven; To — on = uitkomen op (tuin of straat); To — out = uitdeelen, aankondigen; uitgeput zijn of raken; To — out a text = voor- of oplezen; He gives himself out for something bigger than he is = zich voordoen als, uitgeven voor; It was given out publicly = publiek aangekondigd, bekend gemaakt; The lamp gave out a flickering light; To — out lessons = opgeven; The ammunition gave out = raakte op; I had —n it over = het opgegeven; He gave himself over to drinking = hij verslaafde zich aan den drank; He was —n up by the doctors = de geneesheeren hadden hem opgegeven; He gave himself up to the police = hij leverde zichzelf in handen der politie; To — up an establishment = eene zaak opheffen, likwideeren; He gave himself up to that delight = gaf zich over aan ...; Quebec gave itself up = gaf zich over; He preferred to — up work before work gave him up; He is —n to study = hij wijdt zich aan, houdt veel van studie; He is not much given to talk = houdt niet van veel praten; A —-name = doopnaam (Amerika).
Gizzard, gizəd, krop: He frets his — = hij ergert zich.
Glabrate, gleibrit, glad, kaal, onbehaard = Glabrous, gleibrəs.
Glacial, gleišəl, bevroren, ijs..., gletscher...; Glaciate, gleišieit, bevriezen, tot ijs worden; subst. Glaciation; Glacier, glasiə, gleišə, gletscher.
Glacis, gleisis, schuinte, glooiing.
Glad, glad, adj. blij, verheugd, vroolijk; schitterend; — verb. blij maken of worden: I am — of it = ik ben er blij om; I shall be — to do it = het zal mij aangenaam zijn; He was — at finding us = dat hij ons vond; —den = verblijden; subst. —ness adj. —-some.
Glade, gleid, open ruimte in een bosch; wak in ’t ijs (Amer.).
Gladiate, gladiit, zwaardvormig; Gladiator, gladieitə, zwaardvechter, strijder; adj. Gladiatorial; Gladiole, gladioul, zwaardlelie = Gladiolus, gladaiəlɐs, gladiouləs.
Gladstone, gladst’n, Gladstone; soort rijtuig; valies = — bag; Gladstonian = aanhanger van G.; ook adj.
Glair, glêə, subst. eiwit, eiwitachtige stof; — verb. vernissen, bestrijken met; adj. —y.
Glaive, gleiv, zwaard.
Glamis, glâms, glamis.
Glamour, glamə, subst. betoovering, oogenbegoocheling, tooverspreuk; — verb. begoochelen, betooverend schilderen: He —ed the mountains with a fascination that none could resist = hij schilderde de bergen onweerstaanbaar betooverend.
Glance, glâns, subst. lichtstraal, flikkering, blik, oogopslag, lichte aanraking, lonk, wenk; — verb. stralen schieten, schieten langs; vluchtig aanzien, kortelijk vermelden, aanblikken: To — an eye on = een blik werpen op; To — off = afschampen; To — over = vluchtig doorzien; He hardly —d upon it = roerde het haast niet aan; —-coal = glanskool, anthraciet.
Gland, gland, klier, cel; —ers, glandəz, droes (paardenziekte); —ered = behept met kwaden droes; —iferous, glandifərɐs, eikels voortbrengend; —iform, glandiföm, eikelvormig; —ula, glandjul(ə), kliertje; —ular, glandjulə, klierachtig, klier ...; —ule = —ula.
Glans, glanz, eikel, nootvormige vrucht.
Glare, glêə, subst. schitterende glans, valsche gloed, schittering, doordringende blik; — verb. met schitterend en verblindend licht schijnen, woest staren, vlammende blikken werpen (at); Glaring = fonkelend, verblindend, openbaar, onbeschaamd, schandelijk, schreeuwend; Glary = fonkelend, schitterend.
Glasgow, glasgou.
Glass, glâs, subst. glas, drinkglas, lens, spiegel, kijker, zandlooper, barometer, thermometer, (sterke) drank; adj. van glas; — verb. (af)spiegelen, met glas omhullen, verglazen: —es = bril; A pair of —es = lorgnet; —-blower = glasblazer: —-blower’s lamp; —coach = staatsiekoets, glazen koets; —-house = glasblazerij; — jar = klok, inmaakflesch; —-metal = gesmolten glas; —-painting = het schilderen of schilderwerk op glas; —-paper = glas-(schuur-)papier; — shade = stolp, glazen lampekap; —-staining = het kleuren van en schilderen op glas; —-ware, —-work = glaswerk; —-works = glasblazerij; —ful; —like; —y = van glas, als glas, glad, spiegelglad: —y eyes = doffe, glazige oogen.
Glastonbury, glâst’nbəri: — chair = een soort leuningstoel; — thorn = tweestijlige meidoorn.
Glaucescence, glôses’ns, zeegroene kleur; Glaucescent, glôses’nt, Glaucous, glôkəs, zeegroen.
Glaucoma, glôkoumə, grauwe staar; adj. —tous.
Glaucus, glôkəs.
Glaze, gleiz, van glazen, vensters of spiegels voorzien, met glas bedekken, in glas zetten, verglazen, satineeren, glaceeren; subst. glazuur: —-kiln = verglaasoven; —-board = soort van pap, waartusschen het papier glanzend gemaakt wordt; gladhout; —d book-cases = van glas voorziene; (Cf. —d windows); With —d eyes = glazige; —d frost = ijzel; —d hat = met geolied linnen overtrokken; —d tiles = verglaasde pannen; —r = verglazer, polijster; poleerschijf; My coat is glazy at the seams = glimmend aan de naden.
Glazier, gleižə, glazenmaker; —’s-diamond.
Gleam, glîm, subst. straal, schittering; — verb. stralen, stralen schieten, schitteren; —y = stralend, fonkelend.
Glean, glîn, subst. nasprokkeling; — verb. nalezen, opzamelen, verzamelen, aren lezen. gappen; —er = sprokkelaar; To go a-—ing = nalezen.
Glebe, glîb, pastorie-landen, bouwland, aarde; —-house = pastorie; —-land = pastorie-landen.
Glede, glîd, wouw of zwaluwstaart.
Glee, glî, vroolijkheid, muziek, zang, lied (soort v. canon): In high — = zeer vroolijk; —-club = (mannen)zangvereeniging; —-maiden = rondreizende liedjeszangster; —man = minstreel; —wood = een ouderwetsch muziekinstrument.
Gleet, glît, etter; — verb. etteren; —y = dun, etterig.
Gleig, gleg.
Glen, glen, nauw dal, bergengte.
Glencoe, glenkou; Glendower, glendauə, glendûə.
Glene, glîn, oogappel, oog; ondiepe gewrichtsvlakte of pan.
Glenlevit, glenlîvit.
Glib, glib, glibberig, vloeiend (van spraak), welbespraakt: A — tongue; subst. —ness.
Glide, glaid, subst. het glijden, overgang (van de eene letter op de andere); — verb. zacht glijden of voortbewegen, zweven; —r.
Gliff, glif, korte tijd, schrik; — verb. schrikken.
Glim, glim, licht, kaars: Douse the — = doe het licht uit; —mer = glimmen, schemeren, zwak, schemerachtig licht verspreiden; subst. zwak, onzeker licht; mica; —mering = schijnsel, zwakke glans, zwakke opflikkering (van bewustheid, kennis enz.), schijntje, flauw begrip.
Glimpse, glimps, subst. zwak licht, glimp, spoor, voorbijgaand genot, kort bestaan, tint; — verb. blikken, voor een oogenblik verschijnen, vluchtig zien of toonen: I caught a — of him = ik zag hem met een glimp.
Glint, glint, subst. lichtstraal, vluchtige blik; — verb. schitteren, flikkeren: I knew him at the first — = dadelijk; The train rushed on over the —ing rails = de glinsterende rails.
Glissade, gliseid, subst. glijpad voor het afdalen van gletschers, de afdaling zelve; een danspas; — verb. naar beneden glijden; glissen.
Glisten, glis’n, flikkeren, schijnen, glanzen; subst. flikkering = Glister, glistə, verb. en subst. glanzen.
Glitter, glitə, flonkeren, flikkeren, schitteren, glansen, blinken; ook subst.: All is not gold that —s = ’t is al geen goud wat er blinkt.
Gloam, gloum, schemeren; terneergeslagen of somber zijn; —ing, subst. avondschemering: —ing of life = levensavond.
Gloat, glout (on), aanstaren vol begeerte of duivelsche vreugde, met een waar tijgergenoegen neerzien op; zich verkneuteren in de pijn van.
Globate, gloubit, bolvormig.
Globe, gloub, subst. bol, bal, aarde, wereld, globe (terrestrial — = aard ... en celestial — = hemel ...), ballon (van de lamp); — verb. (zich) tot een bal vormen; —-daisy = kogelbloem = —-flower; —-trotter = iemand, die de geheele wereld afreist; —-trotting = het afreizen van de wereld; —-valve = balklep; Globose, gləbous, gloubous, Globular, globjulə, bolvormig: — sailing (Zie Circular); Globule, globjûl, bolletje, kleine homoeopatische pil; celletje.
Globulin(e), globjulin, globuline, eiwitachtige stof in de bloed bolletjes.
Glomerate, glomereit, tot een bal of kluwen vormen = Glomerous, glomərɐs.
Gloom, glûm, subst. donkerheid, zware schaduw, somberheid, dofheid, droefgeestigheid, moedeloosheid; — verb. somber of donker worden of schijnen, schemeren, betrekken (met wolken), fronsen, bedroeven; —y = duister, somber, zwaarmoedig, neerslachtig.
Gloria, glôriə, lof, heerlijkheid: — Patri = lof zij den Vader; — in excelcis Deo = lof zij den Heer in den hoogen; Gloried, glôrid, doorluchtig, roemrijk; Glorification = verheerlijking; Glorify = verheffen, verheerlijken; Gloriole, glôrioul, stralenkrans, nimbus.
Glorious, glôriəs, doorluchtig, roemrijk, heerlijk, prachtig; lachwekkend; Glory, glôri, subst. roem, lof, bewondering, heerlijkheid, (hemelsche) zaligheid, roemzucht, trots, snorkerij, nimbus; — verb. roem dragen op: He was the — of his age = de roem van zijn tijd; He glories in his ignorance = draagt roem op.
Glose, glous; Zie Gloze.
Gloss, glos, subst. glans, luister; — verb. glanzend en schitterend maken, verfraaien, verbloemen: To remove the — = ontglanzen; I will — over your shortcomings = vergoelijken, door de vingers zien; —iness = glans, glanzigheid; —y = glanzig.
Gloss, glos, glos, glosse, verklarende kantteekening; — verb. glosseeren, glossen maken; —arial, glosêriəl, glossen betreffend; —arist = verklaarder; —ary = glossarium.
Glossic, glosik, stelsel v. phonetische spelling (v. Ellis).
Glossitis, glosaitis, tongontsteking.
Glossography, glosogrəfi, het maken van een glossarium; verhandeling over de tong.
Glossolalia, glosəleiliə, Glossolaly, glosoləli, het spreken in vreemde talen (Bijb.).
Glossology, glosolədži, uitlegging van woorden; vergelijkende taalwetenschap.
Gloster, glostə, Gloucester (kaas).
Glottal, glot’l, stemspleet...; Glottis, glotis, stemspleet.
Glottology, glotolədži. Zie Glossology.
Gloucester, glostə, Gl. (kaas); —shire, glostəšə.
Glove, glɐv, subst. handschoen, bokshandschoen; — verb. (als) met een handschoen bedekken: Berlin — = wollen handschoen; They are hand and (in) — = koek en ei; He threw down the — and I took it up = hij wierp mij den handschoen toe en ik nam hem op; —-fight = vuistgevecht, bokspartij; —-shop = handschoenenwinkel; —-stretcher = handschoenrekker; —r = handschoenmaker: He got it with the aid of a —r = door kruiwagens (fig.).
Glow, glou, subst. gloed, gloeihitte, helderheid, vuur, hitte, roodheid; — verb. gloeien, fonkelen, schitteren, rood zijn, vol vuur en opgewektheid zijn: He is —ing with patriotic feeling = gloeit van; —-lamp = electr. gloeilamp; —-worm = glimworm.
Glower, glauə, nijdig en dreigend staren (at).
Gloze, glouz, vleitaal, schijn; — verb. een vernisje geven, vergoelijken (over).
Glucic, glûsik: — acid = glucinzuur; Glucose, glûkous, druivensuiker.
Glue, glû, subst. lijm; — verb. lijmen, vasthechten: To move at the rate of a fly in a —-pot; —y = kleverig.
Glum, glɐm, adj. norsch, somber: There is no Sabbath —ness at these meetings = geen uitgestreken gezichten.
Glume, glûm, dop, kaf, bolster.
Glut, glɐt, subst. overkroptheid, groote overvloed, al te groote voorraad; — verb. schrokken, kroppen, overladen, overvoeren, voldoen, verzadigen: He —ted his eyes = hij weidde zijne oogen; To — one’s revenge = zijn wraak koelen; —man = nood- of extra hulp bij veel werk.
Gluten, glût’n, gluten.
Glutin, glûtin, eiwitachtig bestanddeel van gluten.
Glutinous, glûtinɐs, lijmachtig, kleverig; subst. —ness.
Glutton, glɐt’n, subst. gulzigaard; veelvraat (dier); —ous = gulzig; —y = vraatzucht, gulzigheid.
Glycerin(e), glisərin, glycerine.
Glyph, glif, loodrechte holte of gleuf (in zuilen, b.v.); —ic, glifik. Zie Hieroglyphic.
Glyptics, gliptiks, glyptiek, graveerkunst in steen; Glyptograph, gliptəgraf, graveering op edelsteen; Glyptographer.
Gnar, nâ, knorren, brommen.
Gnarl, nâl, subst. knoest; snauw, grauw; — verb. snauwen, grauwen; —ed, nâld, vol knoesten; korzelig, grommig = —y.
Gnash, naš, knarsen: To — one’s teeth.
Gnat, nat, mug: To strain at (beter: out) a — and swallow a camel = eene mug uitzijgen en een kameel doorzwelgen; —-strainer = muggenzifter; —-worm = larve van eene mug.
Gnaw, nô, wegknagen, knabbelen, knagen, voortdurende pijn lijden; —er.
Gneiss, nais, gneis, zeker gesteente; —ic.
Gnome, noum, aardmannetje, kabouter; maxime, zinspreuk; Gnomic(al), noumik(’l), nomik(’l), leerend, vol maximen.
Gnomon, noumon, gnomon, een soort van zonnewijzer; adj. —ic, nəmonik.
Gnosis, nousis, kennis, wetenschap; Gnostic, nostik, gnostisch; sluw, wereldwijs; ook subst.; Gnosticism, nostisizm, gnosticisme.
Gnu, nû, njû, kleine antilope.
Go, gou, gaan, loopen, zich begeven, trekken, reizen, varen, vloeien, in gang zijn, in omloop zijn, beschouwd worden als, leiden tot, zich uitstrekken tot, zich bevinden, gelukken, van plan zijn, op het punt zijn, zijn toevlucht nemen tot, handelen, zich schikken, verkocht worden, waard zijn, voorhanden zijn, verloopen, ten einde loopen, enz.; subst. gang, omstandigheid, zaak, mode, vuur, moed, poging, rondje, dronk, glas, enz.: Goes of whisky = rondjes; I had a second — = werd voor de tweede maal bediend; We had a — at the sherry = dronken eens; I had a — at it = probeerde het eens; He has plenty of — in him = veel energie, “fut”; Here’s a jolly — = dit is een mooie boel; That is no — = dat is mis, gaat niet, geeft niets; That is the extreme of no-—ism = dat kan heelemaal niet; Such hats are all the — now = draagt nu iedereen, zijn erg algemeen; I have given him the —-by = hem gedaan gegeven, hem afgedankt; We gave the fortress the —-by = lieten liggen, trokken haar voorbij; He was our —-between = hij was onze bemiddelaar; Great — = het examen voor den B.A. graad (na 3 jar. studie); Little — (= Responsions, Smalls) = een vóórexamen (na 2 jar. studie); The book will — = zal bijval vinden, “gaan”; She went that fatal voyage = ondernam; Pay as you — = betaal wat ge noodig hebt; She let herself — after marriage = toonde haar waren aard; I made my money — as far as I could = besteedde zoo nuttig mogelijk; It is rather fair, as things — = het is naar omstandigheden nogal gunstig; She is a good child as children — = vergelijkenderwijs is ze een goed kind; I am gone = verloren, “er bij”; Far gone in liquor = erg dronken; Be gone = maak, dat je weg komt, ruk uit; He is gone = weg; Get you gone = ruk uit; — about your business = maak dat je weg komt; We have —ne about a long way = een heel eind omgeloopen; Everything goes against me = alles loopt mij tegen; It goes against the stomach (grain) with me (against my st., gr.) = stuit mij tegen de borst; — along with you = och loop; You will understand it as you — along = als gij maar volgt, voortgaat; I have gone between them = ben als bemiddelaar tusschen hen opgetreden; You have gone beyond me = mij bedrogen, mij overtroffen; You went by me = zijt mij voorbijgegaan, hebt mij genegeerd; I — by my own feelings = volg; The ship has gone down = is vergaan; The manoeuvre which in the language of the prize-ring is known as —ing down to avoid punishment = de manœuvre, die in sporttaal bekend staat als op de knieën vallen om de slagen te ontduiken; That won’t — down with us = dat wil er bij ons niet in, gaat bij ons niet op, dat slikken wij niet; He went down with the public = viel in den smaak bij; The bread has gone down (gone up) = het brood is afgeslagen (opgeslagen); Such things — for nothing with me = tellen bij mij niet; I’ll — for him for slander = zal hem wegens laster aanklagen; We went forth at 12 = wij vertrokken om 12 uur; To — in = binnengaan, er op los gaan, binnenkomen, aanheffen, smaak vinden in, weer aan ’t werk gaan, aanpakken, beginnen met, opgaan voor (een examen), veel werk maken van; I must — in for a new coat = ik moet aan eene nieuwe jas gelooven; I will — in for it = ik zal er aan meedoen; He went in for a quiet country-place = hij vestigde zich in (nam); This door goes into the garden = komt op den tuin uit; The merchant went into the Gazette = ging failliet; To — into particulars = in bijzonderheden afdalen; We did not — into those matters = roerden niet aan; To — off one’s head = verliezen; To — off the rails = derailleeren; He has gone off = hij is heengegaan, gestorven; Things went off at high prices = de artikelen werden voor hoogen prijs opgekocht; It has gone off very well = het is heel goed gegaan; She is —ing off (in her looks) = zij wordt er niet mooier op; The gun went off = geweer ging af; He succeeded at his first —-off = eerste poging, eersten slag; He went on = ging door, voort, “ging aan”, trad op (tooneel); Gone on a girl = verliefd op; Comparisons never — on all fours = vergelijkingen gaan altijd mank; She is —ing on for middle-age = komt al op middelb. leeftijd; Ministers have gone out of office = hebben hunne portefeuilles neergelegd; With her something seems to have gone out from my life = door haar (vertrek, etc.) schijnt er iets aan mijn leven te ontbreken; Her thoughts went out to tea (to him) = hare zinnen zetten zich op thee (op hem); To — over = gaan over, dóórloopen, bezichtigen, overgaan (kathol. worden); We have gone over this book together = dit boek doorgewerkt, nagegaan; To be gone over a thing = zich ergens heel druk over maken; We went through the accounts = rekenden af; We have gone through much suffering = veel leeds geleden; Now that you have begun you must — through with it = moet gij het ook doorzetten; — to = och loop! begin! ga door; He went to law = ging procedeeren; Two things — to this = twee zaken zijn hiervoor noodig; He goes under that title = is bekend onder; We will not — upon such principles = niet volgens die beginselen handelen; What went with her is not known = wat met haar gebeurde; This colour does not — with her bonnet = past niet bij haar hoed; You will have to — without your dinner to-day = het zonder middageten moeten stellen; To — abroad = naar het buitenland gaan; To — ahead = vooruit gaan; To — aloft = naar boven (in het tuig) gaan; To — astray = verdwalen, zondigen, den verkeerden weg opgaan; To — bad = bederven; That does not — far enough = is niet toereikend; To — the whole figure (the whole hog) = consequent doorzetten, volhouden; To — halves = voor de helft staan; It will — hard with you = je zult het hard te verduren hebben: het zal je veel moeite kosten; — it, old boy = raak hem, toe maar; They have been —ing it = zij zijn er van door geweest; I will not — that length = zoover ga ik niet; He went greater lengths than any of you = hij ging verder, durfde meer; To — mad (crazy, white) = gek; —ing strong? = gaat het goed; —-between = tusschenpersoon, bemiddelaar; —-by: To give the —-by = uitsnijden; ignoreeren; negeeren; The child is taught to walk by means of a —-cart = loopwagentje (raamwerk zonder bodem op rolletjes); —-down = pakhuis, stapelplaats; —er: This watch is a good —er = loopt goed; All comers and —ers = de gaande en komende man; Going = gaande, aan den gang, goed loopend, voorhanden, in de mode; gang, weggaan: All the mothers — = alle bestaande moeders; —, —, gone! = eenmaal, andermaal, ten derden male! —-away dress = reistoilet van de bruid; —s = handelingen, levenswandel; —s-on: You never saw such —s-on = zoo iets heb je nooit gezien; To be — = op ’t punt staan; I’m not — to tell him = ik zal wel oppassen; It is — on for twelve = het loopt tegen; To keep — = aan den gang houden; To set — = aan den gang brengen; Gone, gon, gôn, part, perf. van to go: It is six — = over zes; He is a — man, A — beaver, coon, gander, goose, It’s a — case (goose) with him = ’t staat er hopeloos met hem voor, hij is er bij; —ness = gevoel van zwakheid of gedruktheid (Amer.).
Goad, goud, subst. prikkel (van ossendrijvers); — verb. prikkelen, aanzetten, tot prikkel dienen: He was —ed into savageness = hij werd geprikkeld tot hij een woesteling geleek; —sman, —ster = ossendrijver.
Goal, goul, begin- of eindpaal, doel, einde: To get a — = een goal maken.
Goat, gout, geit; —-foot = bokspoot, satyr; —-herd = geitenhoeder; —’s beard = moerasspiraea; —’s marjoram = marjolein; —-carriage = bokkewagen; —skin, subst. en adj. geitenvel, geitenleder; —-sucker = nachtzwaluw, geitenmelker; —ee, goutî, sik; —ish = bok- of geitachtig, vuil riekend, ontuchtig.
Gob, gob, mond(vol), beet, portie; Gobbet, gobət, subst. mondvol, brok, stuk; — verb. met groote slokken of brokken verzwelgen.
Gobbing, gobiŋ, kolen- en steengruis.
Gobble, gob’l, subst. geklok; — verb. gulzig slikken, klokken, kakelen: Such excellent housekeepers are eagerly —d up by bachelors = worden dadelijk ingepikt door; —r = gulzigaard, smulpaap, kalkoen.
Gobelin, gobəlin, gobelin; ook adj.
Goblet, goblət, drinkbeker.
Goblin, goblin, kabouter, spook, booze fee.
God, god, God: Come from — knew where; So help me —! (eedsformulier); Would to — = God gave! The —s = (de lui van) het “schellinkje” (in een schouwburg); —child = petekind; —daughter = peetdochter; —father, subst. peetvader, peetoom; — verb. als peetvader optreden; —-fearing = godvreezend, godsdienstig; In this —-forgotten place; —head, —hood = Godheid, goddelijkheid; —-man = Godmensch; —mother = petemoei; —send = meevallertje, geluk; —son = peetzoon; —’s-acre = godsakker, begraafplaats; —-speed: To bid —-speed = goede reis wenschen; —wit = griet; —dess = godin; —less = goddeloos; subst. —lessness; —like = goddelijk, vroom; subst. —likeness; —ly = godvruchtig, vroom: The —ly = het volk Gods (naam van de parlementsgezinden in den Eng. burgeroorlog van 1629–1640).
Godfrey, godfri, Godfried, Govert; Godiva, gədaivə, Godiva.
Goee-goee, gouî-gouî, luiaard, stumper.
Goffer, gofə. Zie Gauffer; Goffering, gofəriŋ, geplooid kantwerk.
Goggle, gog’l, met de oogen rollen, staren; adj. starend, uitpuilend; subst. bril (tegen stof, scherp licht of scheel zien), oogkleppen (v. paarden); —-eye(d) = (met) uitpuilende oogen; gebrild; —-eyed spectacles = met groote, bolle glazen.
Goglet, goglət, (aarden) koelkan.
Goitre, (Amer.) Goiter, gôitə, kropgezwel; adj. Goitrous.
Golconda, golkondə, goudmijn, geldwinning.
Gold, gould, goud, rijkdom; hart van de schijf bij boogschieten; adj. gouden: These words hit the — with precision = slaan den spijker juist op den kop; —-beater = goudpletter, goudbladmaker; —-beater’s-skin = goudvlies; —-bound = in goud gezet of gevat; —-cloth = goudlaken; —-digging = het graven naar goud; —-dust = stofgoud; —-fever = manie voor goudzoeken; —-field = gouddistrict, goudveld; —-finch = goudvink (ook fig.); —-fish = goudkarper; —-foil = bladgoud; —-flower = vleugelnoot; —-hammer = geelgors; —-lace = goudgalon; —-leaf = bladgoud; —-smith(ry) = goudsmid(swerk); —-stick = hofceremoniemeester (met gouden staf) in Engeland; —-thread = gouddraad (om zijde gewikkeld); —-washer = goudwasscher; —-wire = gouddraad; —en = goudachtig, op goud gelijkend, goudkleurig, van goud, schitterend, van groote waarde, gelukkig; —en age = gouden eeuw; —en cup = boterbloem; —en eagle = steenarend; —en fleece = gulden vlies; —en-mouthed = welsprekend; —en-number = guldengetal; —en-rule = gulden regel, regel van drieën; —en-tressed = met goudgele lokken; —ing = goudrenet; —ney = goudvischje; —y = goudvink; —ylocks, gouldiloks, gulden boterbloem; huidvaren, haarmos, etc.
Golf, go(l)f, een soort van kolfspel; — verb. ’golf’ spelen; —-club = kolf, golfclub; —-link = golfbaan.
Golgotha, golgətha, Golgotha, martelplaats.
Goliath, gəlaiəth, Goliath: — beetle = groote kever (in de Tropen).
Golly, goli, gossie: —, how they shrieked = gossie, wat schreeuwden ze!
Gollywog, goliwog, een potsierlijk opgekleede pop, met opengespalkte oogen, een haarbos en vaak een zwart gezicht.
Goloe-shoe, gəloušû, (elastieken) overschoen = Golosh(e).
Gombeen, gombîn, Iersch woekeraar.
Gomuti, Gomuto, gəmûti, gəmûtou, arengpalm; de zwarte vezels daarvan.
Gondola, gondələ, gondel, platboomde vrachtboot; perronwagen (Amer.); Gondolier, gondəlîə, gondelier.
Goneril, gonəril.
Gonfalon, gonfəlon, Gonfanon = lansvaantje; kerkbanier.
Gong, goŋ, gong (een tambourijnvormig metalen instrument waarop met een omwoelden stok wordt geslagen, en dat in vele Engelsche huizen in plaats van de etensbel wordt gebruikt); heimelijk gemak; —-punch. Zie Bell-punch (Amerik.).
Goniometer, gouniomətə, goniometer; Goniometry, gouniomətri, goniometrie.
Good, gud, goed, zoet, geschikt, vroom, aanzienlijk, juist, getrouw; subst. het goed(e), voordeel, welzijn, genot, nut, goede hoedanigheden: It’s no — = geeft niet(s); What’s the — of it = waartoe dient het? For the — of the house = ten voordeele van den landheer; For — (and all) = voor goed, volkomen; —s = goederen, waren, materiaal: —s and chattels = have en goed; —s shed = goederenloods; —s train = goederentrein; Ill-gotten —s seldom prosper = kwalijk verkregen goed gedijt niet; Five shillings to the — = tegoed, credit, vooruit; He has behaved as — as gold = is erg zoet geweest; She gave her as — as she got = betaalde haar met gelijke munt; He is as — as his word = hij vervult trouw wat hij belooft; His fortune is as — as made = vrij wel; —! = dat is goed, mooi zoo! That is —! = dat is ook mooi! That is a — one! = een goeie grap, wat moois! A — deal, A — many = zeer vele; A — ten miles, A — two months = ruim, een goeie; In — sooth = in waarheid; In — time = tijdig, in gunstige omstandigheden; On (from) — authority = uit goede bron; Well and — = alles goed en wel; Not — for much = niet veel waard; That is —-for-nothing = dat is nietswaardig; A —-for-nothing (fellow) = nietswaardige (kerel); He has made — his name = zijn naam eer aangedaan; To make — damages, a loss = vergoeden; He has seen (thought) — to do it = het heeft hem goed gedacht (behaagd); He (It) stands — = is soliede; — behaviour: He was released on his — behaviour = hij werd ontslagen (uit de gevangenis) onder de verplichting, dat hij zich goed zou houden; — breeding = hoffelijkheid, wellevendheid; —-conditioned = in goeden staat zijnde; —-day = goeden dag (bij komen of heengaan); —-bye = goeden dag (bij heengaan voor geruimen tijd): I will not say —-bye yet = ik zie je nog wel; —-evening = goeden avond; —-faced = met gunstig uiterlijk; —-fellow = gezellige, goedaardige kerel; —-fellowship = kameraadschap; —-folk(s) = feeën; — Friday = Goede Vrijdag; —-graces = gunst; —-humour = opgeruimde aard; — lack = Hemeltjelief! (verbazing); —-looking = knap; —-manners = beschaving; —man = vriendje, huisbaas, echtgenoot, de Duivel; —-morning, —-morrow = goeden morgen; —-nature = goedaardigheid; —-natured = goedaardig; —ness = goedheid: —ness knows = de Hemel weet; I hope to —ness you will not do it = ik hoop waarachtig; —-night = goeden nacht; serenade; — now = Beware me! (verbazing); — sense = gezond verstand; A —-sized box = vrij groote; — speed = succes! —-tempered = goedgehumeurd; — Templar = geheelonthouder; —wife = huisvrouw; moedertje; —will = welwillendheid; gunst; zaak + klandizie, het daarvoor betaalde geld: To buy the —will of a house; —will to man = “in menschen een welbehagen”; —woman. Zie —wife; He is —, almost to —iness = hij is zoo goed, dat hij haast over zich laat loopen; —ies = lekkernijen, bonbons; —ly = knap, edel, aanmerkelijk, aangenaam, piekfijn (ironisch); —y = subst. sul, goeie vent, beste moeke; adj. goedaardig, sullig, sentimenteel: It would look so —y-goody and stupid = zoo sullig en dom lijken; I have talked —y-—y to her = ik heb met haar zitten kwezelen.
Goorkha = Ghoorka.
Goosander, gûsandə, gusandə, duikergans.
Goose, gûs, subst. gans, sul, sukkel, uilskuiken; (kleermakers)persijzer; — verb. uitfluiten: Every man thinks his own geese swans = elk denkt zijn uil een valk te zijn; To cook a person’s — for him = te pakken nemen, ruïneeren, van kant maken; To get the — = uitgefloten worden; He is sound on the — = hij is ouderwetsch in de slavenkwestie (Amer.); trouw aan zijne partij; —-berry = kruisbes, kruisbessenstruik: —-berry time = komkommertijd (ook The silly season); Old —-berry = de duivel; I am not going to play —-berry(picker) to you two = ik wil niet jullie beider “fâcheux troisième” zijn, voor ’t “fatsoen” met jullie meegaan; He plays old —-berry with the British public = houdt voor den gek; —-berry-fool = uitgeperste kruisbessen met room; zotskap; —-flesh (—-skin) = kippenvel; To go all over —-flesh = kippenvel krijgen; —-herd = ganzenhoeder; —-neck = zwaanshals (van giek of boom); —-quill = ganzeveer, pen; —-winged = met de leizeilen bijgezet (voor den wind zeilend).
Gopher, goufə, naam voor verschillende in een gat in den grond levende dieren, als ratten, eekhoorntjes, schildpadden (Amer.); — verb. op goed geluk naar goud graven.
Gorboduc, göbədɐk.
Gorcock, gökok, korhaan; Gorcrow, gökrou, kraai; Gorhen, göhen, korhen.
Gordian, gödj’n: — knot = Gordiaansche knoop: He cut the — knot = hij heeft den knoop doorgebakt.
Gore, gö, subst. geronnen bloed; geer, driehoekig stuk (land); — verb. doorboren, spietsen, met eene wig doorbreken; Goring = prik, steek.
Gorge, gödz, subst. keel, strot, het verzwolgene, zware maaltijd; nauwe bergpas; — verb. gretig verzwelgen, schrokken: The stench turned my — = het hart draaide me in mijn lijf om van; My — rises at it = ik walg er van; He —d himself with it = at veel van.
Gorgeous, gödžəs, schitterend, prachtig; subst. —ness.
Gorget, gödžət, halsstuk (van eene wapenrusting), borstplaat, halskraag of plooisel.
Gorgon, gög’n, subst. Gorgone; iets zeer leelijks; —ean, —ian, gögounj’n, versteenend, afschuwelijk leelijk; —ize = doen versteenen.
Gorilla, gərila, gorilla.
Gormand, göm’nd, gulzigaard; —ize, göm’ndaiz, gulzig eten, schrokken.
Gorse, gös, brem; Gorsy = vol —.
Gory, gôri, met geronnen bloed bedekt.
Goschen, gouš’n.
Goshawk, goshôk, havik, patrijsvalk.
Gosling, gozliŋ, gansje; katje (van wilgen, etc.).
Gospel, gosp’l, subst. evangelie, iets onomstootelijk waars: You must not take his words for — = als de waarheid; That is — truth = de waarachtige waarheid; —ler = evangelist; voorlezer van het evangelie.
Gossamer, gosəmə, herfstdraden, dun gaas, fijne sluier: Old lace, fine as —; adj. —y.
Gosse, gos.
Gossip, gosip, subst. peet, vriend, buur, gebabbel, babbelaar; — verb. babbelen, leuteren; —-monger = wauwelaar; —er; adj. —y = praatziek, prettig keuvelend.
Gossoon, gosûn, jongen, knecht.
Got, got, imp. en part. perf. van to get.
Goth, goth, Goth, barbaar; —ic = Gothisch, onbeschaafd; subst. Gothisch, Gothiek; —icism; —icize = Gothisch maken; —land.
Gothamist, go(u)thəmist, bewoner v. Gotham in Nottinghamshire (ongeveer als Kampen of Bœotië, bekend om de beweerde domheid der bewoners).
Gothard (St.), s’ntgothəd, St-Gothard.
Gouge, gaudž, gûdž, subst. guts (ronde beitel); bedrog, bedrieger (Amer.); — verb. met een beitel of guts uitsteken of uithollen, bedriegen; —-slip = staal om beitels of gutsen te slijpen; —r.
Gough, gof; Gould, gûld.
Gourd, gûəd, waterflesch of karaf, pompoen; —iness = gezwel, stijfheid; —y = gezwollen (van paardepooten).
Gourmand, gûəmand, gulzigaard, lekkerbek.
Gout, gaut, jicht, droppel; —y = jichtig, gezwollen.
Gout, gû, smaak.
Govern, gɐv’n, besturen, regelen, bedwingen, regeeren; —able = bestuurbaar, volgzaam; subst. —ableness; —ess, gɐvənəs, subst. gouvernante; — verb. gouvernante zijn: That pleases me better than —essing = dan voor gouvernante te spelen; —ment = bestuur, regeling, regeering, zelfbeheersching, uitvoerende macht; adj. Governmental; —or = bestuurder, landvoogd, loods, “ouwe heer”, regulateur (in stoommachines); —orship.
Gowan, gauən, madeliefje (Schotl.).
Gower, gauə, gôə.
Gown, gaun, japon, kleed, jurk, tabberd, toga, leden van eene universiteit: Town and — = studenten en professoren tegenover de stedelingen; Band and — = toga en bef; Morning—- = morgenjapon; Night— = nachtjapon; —-boys = leerlingen, die met kost, inwoning en vrije kleeding tot sommige scholen worden toegelaten; —(s)man = getabberde, student; burger.
Gozzard, gosəd, ganzenhoeder, verbastering van Goose-herd.
Grab, grab, subst. greep; soort kustvaarder in Br.-Indië; — verb. grijpen (naar = at), pakken, vatten; —ble = grabbelen, tasten, spartelen.
Grace, greis, subst. gunst, genade, eer, toegestane tijd, bevalligheid, titel van een aartsbisschop of hertog, besluit (v. h. bestuur v. eene Eng. hoogeschool), gebed aan tafel; — verb. begunstigen, versieren, vereeren: They said — = zij baden, dankten; He did it with a bad —, with (a) good — = onvriendelijk, vriendelijk, gepast; You might have the — to offer me something = kon wel eens zoo vriendelijk zijn; Days of — = loopdagen, respijtdagen; We had but ten minutes’ — = ons werd slechts tien minuten tijd toegestaan; He was in her good —s = bij haar in de gunst; The —s = de (drie) Gratiën; In the year of — 1894 = in het jaar onzes Heeren 1894; —ful = bevallig; subst. —fulness; —less = onbevallig, verdorven, brutaal, lomp; subst. —lessness; Gracious, greišəs, genadig, gunstig; Good(ness) — = genadige goedheid, goeie hemel! subst. —ness.
Gracile, gras(a)il, dun, slank.
Gradation, grədeiš’n, geregelde opklimming, trapswijze overgang; adj. Gradational; Gradatories, gradətəriz, subst. trap van uit een klooster naar eene kerk; Gradatory = geregeld opklimmend.
Grade, greid, subst. graad, kwaliteit, ring, stap, helling (van een weg); waterpas maken, ordenen naar grootte of kwaliteit, gelijkmaken: These roads are at grade = waterpas, op dezelfde hoogte; —ly, greidli, gepast, voegzaam.
Gradient, greidj’nt, subst. (mate van) helling (van een weg); adj. trapsgewijze, geleidelijk.
Gradual, gradjuəl, trapsgewijze, langzamerhand; subst. een response gezongen na het epistle, gradueel of graduale.
Graduate, gradjueit, verb. in graden verdeelen, gradueeren, titreeren; promoveeren, trapsgewijze overgaan; subst. gradjuit, iemand met acad. graad; adj. = —d: —d income-tax = progressieve inkomstenbelasting; These lessons are carefully —d to the children’s powers = deze lessen klimmen geregeld op, en zijn berekend voor de krachten der jeugdige leerlingen; Graduation, gradjueiš’n, geregelde opklimming, verdeeling, promotie, terugbrenging van eene vloestof tot eene bepaalde hoeveelheid (door verdamping); Graduator, gradjueitə, graadboog, stroomregelaar.
Gradus, greidəs, woordenboek voor klassieke prosodie (eig. — ad Parnassum).
Graft, grâft, subst. entrijs; harde arbeid; knevelarij (Amer.); — verb. enten; zwoegen; —ing-knife; —ing-wax.
Graham bread, greiəmbred, brood van grof gemalen tarwe; Grahamite = vegetariër.
Grail, greil, (Heilige) Graal.
Grain, grein, graan, koren, korrel, grein, draad (van hout of vleesch), weefsel, roode verfstof (cochenille), hart, gemoed, aard, vork, harpoen; — verb. korrelen; marmeren, aderen (schilderwerk): He has no — of sense = geen greintje verstand; He has a — of allowance = hij krijgt maar een bitter beetje; Against the — = tegen den draad in; It goes against the — with me = het stuit mij tegen de borst; First they rubbed the old man against his —, and then smoothed him down again = eerst maakten zij den ouden man kwaad; That is dyed in — = in de wol geverfd; He is a rogue in — = doortrapte schurk; —s = afgewerkte mout: —s of Paradise Paradijskorrels; — shipments = korenladingen; —ed = ruw, korrelig, in de wol geverfd, gemarmerd (van verven); —er = schilder (die het hout imiteert), ook: zijn borstel of kam; leerlooiersloog, looiersmes; —ing = looien met vogelmest; imitatiehout-schilderwerk; —-staff, stâf, stok met vorkvormige uiteinden; —y = vol graan, korrels of pitten.
Gram, gram, keker; gram.
Gramercy, grəmɐ̂si, Dank u wel! Goddank! Sapperloot!
Graminaceous, gramineišəs, grasachtig; Graminivorous, graminivərɐs, grasetend.
Grammar, gramə, spraakkunst, richtig spraakgebruik; —-school = gymnasium, Latijnsche school; —ian, grəmêriən, taalkundige; Grammatical, grəmatik’l, taalkundig, spraakkunstig.
Gramme, gram, gram (= 15,432 troy grains).
Gramophone, graməfoun, gramophoon.
Grampian, grampiən: The —s = — Hills, Mountains.
Grampus, grampəs, bruinvisch, zwaardvisch, etc.
Granada, granâdə.
Granary, granəri, korenschuur, korenzolder.
Grand, grand, grootsch, voornaam, beroemd, edel, waardig, prachtig: They do the — at our expense = zij hangen den heer uit; — total = algemeen totaal; —-aunt = oud-tante; —child = kleinkind; —daughter = kleindochter; —-duke = groothertog; —father = grootvader; —father’s clock = ouderwetsche staanklok; —-juror = lid van de —-jury = de jury, die onderzoekt of er reden is dat de beschuldigde door de petty jury verhoord word; —-master = grootmeester; —mother = grootmoeder; —-nephew = achterneef; —-niece = achternicht; —-seignior = (oude) titel van den Sultan van Turkije; —-stand = groote tribune (bij een wedstrijd); —sire = grootvader, voorvader; —son = kleinzoon; —-uncle = oudoom; —-vizier = grootvizier of eerste minister in Turkije; —am, grandəm, grootmoeder, oude vrouw; —ee, grandî, grande (Spaansch edelman); —e-garde, grandgâd, het deel der wapenrusting, dat den linkerschouder en de borst beschermt; —eur, grandjə, grootschheid, pracht, verhevenheid; —iloquent, grandiləkwent, —iloquous, grandiləkwɐs, bombastisch, grootsprekend, opgeblazen, snoevend; —iose, grandious, (werkelijk of gemaakt) grootsch en indrukwekkend; subst. Grandiosity = —ness.
Grange, greinž, schuur, boerderij (met bijgebouwen, enz.), buiten, heerenhuis, een Amer. landbouwvereeniging (Amer.); —rs = Polit. Agrariërs (Amer.).
Grangerize, greinžəraiz, illustreeren (van boeken, enz.) met platen uit andere boeken vandaan gehaald.
Graniferous, grənifərɐs, graandragend; Graniform, graniföm, korrelig (als graan); Granivorous, grənivərɐs, graanetend.
Granite, granit, graniet; adj. Granitic.
Granny, grani, grootje; ook: Grannam, gran’m.
Grant, grânt, subst. schenking, toelage, subsidie, gave, toestemming, overdracht; — verb. geven, schenken, toegeven, toestaan, toestemmen, overdragen: There will be a — as prayed = de eisch zal toegewezen worden; I claim a — of letters of administration = ik eisch, dat er een administrateur worde benoemd; God — him success = God geve, dat hij slage; Let us — it for argument’s sake = laten wij het voor een oogenblik aannemen; To — a flavour to = een aangenamen geur (smaak) verleenen aan; I beg your pardon; —ed = ik vraag u excuus; gij hebt het; I take it for —ed = ik houd het voor bewezen, uitgemaakt; —ed you are right = toegegeven, dat; —s-in-aid = hulpkas (eig. schenkingen in nood), vooral bij werkstakingen; —able = inwilligbaar, overdraagbaar; —ee, grântî, iemand, wien iets wordt toegestaan of overgedragen; concessionaris; —er = die toestaat of overdraagt; —or, grântə, grantö, die iets overdraagt of afstaat.
Grantham, grant’m.
Granular, granjulə, korrelachtig, korrelig; Granulate, granjuleit, granuleeren; greineeren; korrelig worden; Granule, granjûl, korreltje; Granulous, granjulɐs, vol korrels.
Granville, granvil.
Grape, greip, druif; —s = gezwel (op paardenhiel); —-shot = schroot; —-sugar = druivensuiker; —-stone = druivenpit; —-vine = wijndruif; —ry = druivenkweekerij (-kas).
Graphic(al), grafik(’l), graphisch, aanschouwelijk; Graphology, grəfolədži, graphologie; Graphometer, grəfomətə, graphometer; Graphophone = klankschrijver.
Graphite, grafait, graphiet.
Grapnel, grapn’l, dreg; klein anker.
Grapple, grap’l, subst. worsteling, omvatting (met de armen in een strijd), gevecht van man tegen man; (enter)haak; — verb. aanklampen, vastgrijpen, vechten; —ment = worsteling van man tegen man; Grappling-iron = enterhaak.
Grapy, greipi, druifachtig, naar druiven smakend, vol druiven, druiven...
Grasp, grâsp, subst. greep, houvast, bereik; — verb. vasthouden, grijpen, vatten, bezit nemen: He did not — the situation = begreep niet; All — all lose = wie het onderste uit de kan wil hebben, krijgt het lid op den neus; —er = grijpijzer; hebzuchtige, inhalig persoon; —ing = inhalig.
Grass, grâs, subst. gras; — verb. met gras of zoden bedekken, bleeken, op het gras werpen, ophalen (bij het hengelen) en op het land werpen: We are at — = vrij, kunnen in de wei loopen, zijn weggestuurd; To go to — = doodgaan; in de wei loopen (fig.); Go to — = ruk uit! The horses were put to (taken (in) to) — = werden in de wei gedaan; To send to — = neerslaan; What made him have his horse up from — = waarom heeft hij het paard uit de weide gedaan? He never lets the — grow under his feet = laat er nooit gras over groeien, pakt flink en dadelijk aan; While the — grows, the steed starves = met hopen en verlangen alleen komt men er niet; —-blade = grassprietje; —-cloth = graslinnen; —-green, subst. graskleur; adj. grasgroen; —-grown = met gras begroeid; —-hand = (nood)letterzetter; —-hopper = sprinkhaan; —-plot = grasveld; —-widow = onbestorven weduwe; ongehuwde moeder; —y = met gras bedekt, groen.
Grate, greit, subst. rooster, haard, traliewerk; — verb. van rooster of traliewerk voorzien, wrijven, schuren, raspen, stuk wrijven, plagen, kwellen, krassen, knarsen: It —s upon my ears = het doet mijne ooren pijn; —r, greitə, rasp; Grating, greitiŋ, subst. traliewerk; het knarsen; adj. knarsend, krassend, hard, irriteerend.
Grateful, greitful, dankbaar, aangenaam, liefelijk; subst. —ness.
Gratian, greiš’n, Gratianus; Gratiano, greišiânou.
Gratification, gratifikeiš’n, belooning, genot, bevrediging; Gratify, gratifai, behagen, beloonen, inwilligen, bevredigen, aangenaam zijn: That must be very gratifying to you = daarmede moet gij wel ingenomen zijn.
Gratis, greitis, gratis.
Gratitude, gratitjûd, dankbaarheid.
Gratuitous, grətjûitɐs, gratis, vrijwillig, zonder reden, ongegrond; subst. —ness; Gratuity, grətjûiti, fooitje, vrije gift, douceurtje.
Gratulate, gratjuleit; Gratulation; Gratulatory. Zie Congratulate.
Gravamen, grəveim’n, hoofdoorzaak, voornaamste punt van aanklacht.
Grave, greiv, subst. graf; — verb. graveeren, beitelen; —-clothes, —-kloudhz, lijkwade; —-digger, —-maker = doodgraver; —-mound = grafheuvel; —-stone = grafsteen; —-yard = kerkhof; —less = onbegraven; —n = gesneden, gegraveerd; —r, greivə, graveur, graveerstift.
Grave, greiv, ernstig, plechtig, gewichtig, somber, diep; subst. —ness.
Grave, greiv, schoonmaken van den bodem van een schip; Graving-dock = droogdok.
Gravel, grav’l, subst. kiezel; graveel; — verb. met kiezel(zand) bestrooien, op het zand laten loopen (van een bootje), verlegen maken: The editor was —led for matter = de redacteur was verlegen om copie; —-pit = kiezelkuil; —-walk = kiezelpad, grintpad.
Gravelin(e), gravəlîn, Grevelingen; Gravesend, greivzend.
Gravid, gravid, zwanger.
Gravitate, graviteit, (aan)getrokken worden, neigen: He is gravitating towards conservatism = helt over, voelt zich aangetrokken tot; Gravitation = zwaartekracht; Gravity, graviti, zwaarte, gewicht, belang, ernst, deftigheid, diepte (van toon), zwaarte- of aantrekkingskracht: Specific — = soortelijk gewicht; Centre of — = zwaartepunt.
Gravy, greivi, jus, vleeschnat; sap (Amer.).
Gray, grei, subst. grijze kleur, grijsaard, schimmel; soort v. bont, das; adj. grijs, aschkleurig, grauw, duister; —beard = grijsaard; steenen kruik (Schotl.); —-fly = paardenvlieg; —-friar = Franciskaner monnik; —-mare = schimmel; bazin, driedekker (eene vrouw, die de broek aan heeft).
Grayling, greiliŋ, vlagzalm.
Graze, greiz, subst. schaafje of schram(metje); — verb. schaven, strijken langs, even aanraken; grazen, (af)weiden, hoeden, zich voeden met; —r = grazend dier; Grazier, greižə, vetweider.
Grease, grîs, subst. vet, smeer, kanen; — verb. grîz, grîs, (be)smeren, olieën, omkoopen: In the — = ongezuiverd; We shall let him stew in his own — = in zijn eigen vet laten gaarkoken: —-box; —-man (= —r, grîzə) = smeerder; smeerlap; scheldn. v. een Mexicaan (Amer.); —-pot = vetpot; smeerpoes; Greasiness, subst. v. Greasy = vettig, besmeerd, vuil, mistig, modderig, zalvend.
Great, greit, groot, bekend, befaamd, berucht, gewichtig, voornaamste, dik, gezwollen, enz.: We bought them by the — = wij kochten ze in de massa; A — deal = zeer veel; A — many = vele; A — while = sedert lang; —-coat = overjas; —-go of —s = examen voor de B.A. graad; —-grand-aunt = overoudtante; —-grandfather = overgrootvader; —-grandson = achterkleinzoon; —-hearted = dapper, grootmoedig; He rides the — horse = hij zit op zijn paardje (fig.); — seal = grootzegel; — Spirit = naam van het Opperwezen bij de Indianen; —ness = grootheid, enz.
Greaves, grîvz, scheen- of beenplaten (wapenrusting); (reuzel)kanen.
Grecian, grîš’n, subst. Griek, Hellenist; jongen der hoogste klasse in Christ’s Hospital (Londen); adj. Grieksch; —ize, grîšənaiz, vergriekschen; Grecism, grîsizm, Grieksch idioom; Grecize, grîsaiz, in het Grieksch vertalen, vergriekschen.
Gre(e)be, grîb, fuut.
Greece, grîs, Griekenland.
Greed, grîd, hebzucht, begeerigheid = —iness; adj. —y = begeerig, schrokkig: —y of honour = eerzuchtig; —y-gut = schrokker, slokop.
Greek, grîk, subst. Griek, Grieksche taal, bedrieger; adj. Grieksch; — met — = twee Joden weten wat een bril kost; — Church = de Grieksche kerk; — cross = kruis met vier gelijke armen; — fire = Grieksch vuur; — orders = de Dorische, Ionische en Korintische bouwstijl.
Green, grîn, groen, bloeiend, frisch, nieuw, versch, onrijp, jong, onervaren, sullig, onnoozel; —s = groenten; — verb. groen maken of worden: Do you see any — in my eye = zie ik er zoo onnoozel uit? On the — side of fifty = onder de 50 jaar; —back = Amer. bankbiljet; — cloth = speeltafel: Board of — cloth = een soort van Hof-Rechtbank onder den Hofmaarschalk; biljart; —-coloured = bleek, ziekelijk; —-crop = groenteoogst; —-eyed = groenoogig; ijverzuchtig, jaloersch, achterdochtig: The —-eyed monster = de jaloerschheid; —hand = nieuweling; —-finch = groenling, vlasvink; —-fly = groene vlieg; bladluis; —foil; zie Foil: — foil smalls = groenkleurige korte broek; —gage = reine claude, groene pruim; —grocer = handelaar in groenten; —horn = nieuweling, sul; —house = oranjerie, broeikas; —land(er) = Groenland(er); —-room = kamer voor de niet optredende acteurs; —sickness = bleekzucht; —-stall = groentenstalletje; —-sward = grasveld; —wood = woud in den zomer; —ery, grînəri, massa groene planten, plaats waar ze gekweekt worden; —hood = onrijpheid, onervarenheid; —ish = groenachtig; groen (fig.); —ness = groenheid, jeugd, onervarenheid; —y = —ish.
Greenwich, grînidž.
Greet, grît, begroeten, toespreken, gelukwenschen; schreien, weeklagen (Schotl.); —ing = groet.
Gregarious, grigêriəs, in kudden of troepen levend, gezellig; subst. —ness.
Gregorian, grigôrian, subst. en adj. Gregoriaansch (lied of muziek); Gregory, gregəri, Gregorius.
Grein, grîn.
Gremial, grîmiəl, subst. gremiale, langwerpige zijden (of linnen) doek (die de Liturgische kleur van den dag moet hebben), die den bisschop, als hij bij den pontificalen dienst op zijn troon heeft plaats genomen, op den schoot wordt gelegd om het misgewaad te sparen; ook adj.
Gremio, grîmiou, gremiou.
Grenada, grəneidə.
Grenade, grəneid, granaat; Grenadier, grenədîə, grenadier.
Grenadine, grenədîn, grenədin, grenadine.
Gresham, grešəm; Greville, grevil.
Grew, grû, imperf. van To grow.
Grewel, grûəl, straffen, verslaan.
Grewsome, grûs’m, ijselijk, leelijk.
Grey, grei, grijs (Zie Gray), rijp; subst. grauw, schemering, schimmel; — verb. grijs maken of worden; The — mare = vrouw, die de broek aan heeft; The —s = Schotsch cavalerieregiment (omdat de paarden alle schimmels zijn = Scots —s); —-bird = lijster; —-hound = hazewind; snelvarende stoomboot (= Ocean —-hound); —ish = grijsachtig; —ness = grijsheid.
Grice, grais, speenvarken, jonge das.
Griddle, grid’l, pannekoekspan, rooster, zeef; —-cake = soort pannekoek (Amer.).
Gride, graid, doorboren, knarsend snijden, knarsen, krassen.
Gridiron, gridaiən, rooster; vlag der U. S.; —-pendulum = compensatieslinger.
Grief, grîf, smart, droefheid, hartzeer, fout, beleediging: The bridge has come to — = is zeer bouwvallig; He came to — = het liep verkeerd voor hem af, hij brandde de vingers, kreeg een ongeluk, het liep slecht met hem af; He came to — over this obstacle = deze hinderpaal brak hem den nek; Grievance, grîv’ns, grief, bezwaar; leed, kommer: —-monger = eeuwige mopperaar, brompot; Grieve, grîv, bedroeven, smarten, krenken, (be)treuren: To be —d at = betreuren, treuren over; Grievous, grîvəs, smartelijk, moeilijk te dragen, betreurenswaardig, hatelijk, wreedaardig; subst. —ness.
Griffe, grif, kind van een neger en eene mulattin.
Griffin, grifin, griffoen; witkoppige gier; baar (iemand, die pas in Indië is gekomen).
Griffith, grifith.
Griffon, grifən, affenpinscher.
Grig, grig, krekeitje; smelt: As merry as a — = zoo vroolijk als een vogeltje, erg gezellig.
Grill, gril, subst. rooster, op een rooster gebraden vleesch; — verb. roosteren, braden (ook fig.); —-room = soort “lunchroom”, restaurant.
Grillage, grilidž, roosterwerk (als fundeering).
Grille, gril, traliewerk.
Grilse, grils, jonge zalm (tweede jaar).
Grim, grim, grimmig, streng, leelijk, wreed, onverbiddelijk; subst. —ness.
Grimace, grimeis, grijns; — verb. grijnzen.
Grimalkin, grimalkin, grimôlkin, oude kat.
Grime, graim, subst. vuil, roet; — verb. bevuilen; Grimy = vuil.
Grimm’s law, grimzlô, Grimm’s wet der klankverschuiving.
Grin, grin, subst. grijns, gedwongen lach, grimlach, val; — verb. grijnzen, de tanden laten zien, grinniken, lachen: To — and bear it = zich goed houden.
Grind, graind, subst. het malen, blokken, ploeteren; — verb. malen, slijpen, afslijten, knarsen, kneuzen, onderdrukken, uitmergelen, drillen (voor een examen), blokken: It is a frightful — = een verschrikkelijke toer; A man cannot be always on the — = kan niet altijd ingespannen wezen; He ground the faces of the poor = onderdrukte de armen (Jesaja III, 15); Do not — your teeth = knars niet met de tanden; The employer ground us down = buitte ons uit; Two numbers have been ground off the wheel = twee nummers (van het tijdschrift) zijn afgewerkt; —stone, graindstoun of grin(d)stən, slijpsteen: He has kept his nose to the —stone = heeft zich afgebeuld; I have been tied to the —stone during the last weeks = door veel werk erg gebonden geweest; —er = onderdrukker, maler, maaltand, kies, repetitor, blokker: He took a —er = bracht zijn linkerduim aan zijn neus, en deed met zijne rechterhand, alsof hij een koffiemolen draaide (als om te zeggen: ik maal er wat om); —ery = slijperij; schoenmakersmateriaal, magazijn daarvan; —ing = nijpend: — poverty.
Grip, grip, subst. greep, houvast, greb, greppel, voor, griep, naam voor influenza in Amerika; — verb. grijpen, goed vasthouden, droogleggen, greppels graven: He had a feeble — of my idea = begreep mij maar half; Take a good — on that = onthoud dat goed; —-sack = reis of knapzak (Amer.) —per = gierigaard; —ple, grip’l, subst. greep, houvast; adj. grijpend, inhalig.
Gripe, graip, subst. greep, houvast, deel waar iets gegrepen wordt, knauw, klauw, druk, smart, verachtelijke vrek; — verb. grijpen, goed vasthouden met gesloten vingers, knijpen, onderdrukken, koliek veroorzaken, erge buikpijnen hebben, afpersen, te kort bij den wind liggen; —s = koliek, snijdingen in den onderbuik; bootstouwen; He felt griping pains in the belly = ondragelijke buikpijn; —r, graipə, afperser, onderdrukker.
Griqualand, grîkwəland, in Zuid-Afrika.
Griselda, griseldə, Grissel, gris’l, Griselda.
Griseous, grisiəs, grauw, grijsachtig.
Grisette, grizet, grisette.
Grisliness, grizlinəs, gruwelijkheid; Grisly, grizli, akelig, vreeselijk, afschuwelijk; Zie Grizzly.
Grison grais’n, kleine veelvraat (soort marter).
Grisons (The), dhəgriz’nz, (bewoners van) Grauwbunderland.
Grist, grist, maalkoren, gemaald koren, voorraad: Such things bring — to his mill = zulke zaken brengen hem voordeel aan; That’s — to his mill = koren op zijn molen; —-mill = korenmolen.
Gristle, gris’l, kraakbeen: In the — = jong en weerloos; Gristly = kraakbeenachtig.
Grit, grit, subst. grof gemalen gort (gewoonlijk meervoud), grof deel van meel, gruis, ruwe deeltjes; vastberadenheid, moed; — verb. knarsen, krassen, wrijven: They had not — enough to do it = geen flink heid; Her father is full of — and go = is een kranige, vooruitstrevende kerel = There is — in him; All Americans of the true — = van de echte (energieke) soort; I —ted my teeth; —-stone = grof soort v. zandsteen; —tiness, subst. van —ty = gruis bevattend, korrelig, hard; flink, kranig (Amer.): A —ty novel = pittige roman.
Grizzle, griz’l, grauwe kleur; — verb. grijs worden (maken); —d = grijs, grauw, geschimmeld.
Grizzly, grizli, grijsachtig; subst. (grijze) beer: I will send you a skin, if I have any luck with the grizzlies = als ik succes heb op mijne berenjacht; —-bear = N. Amer. beer.
Groan, groun, subst. gekreun, gebrom (afkeuring of spot te kennen gevend); — verb. kreunen, diep zuchten, smart lijden, onderdrukt worden, brommen (om afkeuring uit te drukken).
Groat, grout, groot (munt van vier stuivers), kleinigheid: Not worth a —.
Groats, grouts, grutten.
Grocer, grousə, winkelier in koloniale waren, kruidenier; —ies = kruidenierswaren; —y = kruidenierswinkel; drankwinkel (Amer.).
Grog, grog, grog; —-blossom = roode neus of gezicht; —-fight = zuipen; —-shop = kroeg = —gery (Amer.); —giness, subst. v. —gy = dronken; wankelend, stijf, afgejakkerd (van paarden).
Grogram, grogr’m, subst. half zijden stof, adj. van deze gemaakt.
Groin, grôin, lies, (graatrib aan een) kruisgewelf; —ed.
Gromet, gromət, grɐmət, strop: — of an oar = krans (van touwwerk).
Groom, grûm, subst. stalknecht, bruidegom, een titel van sommige hofofficianten; — verb. (de paarden) verzorgen (voeren, roskammen, enz.): — of the stole = opperkamerheer; He was well —ed and trimly clad = zag er zeer verzorgd uit; —sman = bruidsjonker.
Groove, grûv, groef, voor, levensloop, sleur; — verb. groeven of voren maken: He had got into the — of that kind of life = was gewoon geraakt aan; Teaching tends to fall into —s = wordt gemakkelijk sleurwerk; A — in teaching is fatal = sleur bij het onderwijs is noodlottig.
Grope, group, tasten, in het duister zoeken, zijn weg tastende vinden (ook met back), in den blinde rondtasten: She had been walking in —-light towards a precipice = tastende (in het donker).
Gros, grou, zware zijden, stof (— de Naples); oud Fransch muntstukje.
Gross, grous, grof, dik, zwaar, lomp, ruw, dom, suf, laag, plat, gemeen, zinnelijk, onbeschoft, geheel, bruto; subst. gros, massa, geheel, hoofdbestanddeel: In the — = in ’t algemeen, bij de roes, en gros, bruto; —-headed = met een dikkop; dom, stomp; —-weight = brutogewicht; —ness = dikte, grofheid, dichtheid, gemeenheid, ruwheid, domheid, afschuwelijkheid.
Grossulaceous, grosiuleišəs, Grossular, grosiulə, tot de kruisbessen behoorend; subst. groene granaat.
Grosvenor, grouvənə.
Grotesque, grətesk, grillig, vreemd, onregelmatig, belachelijk; subst. grillig gevormde figuur; groot-tekst (typ.); grappenmaker; subst. —ness.
Grotius, groušəs, Hugo de Groot.
Grotto, grotou, subst. grot, hol; —-work = kunstmatig grotwerk.
Ground, graund, subst. grond, bodem, aarde, grondgebied, land, vaste bodem, basis, reden, achtergrond, speelterrein, eenvoudig lied, grondtoon; P. Imperf. en P.P. van to grind; — verb. op of in den grond plaatsen, vellen, grondvesten, grondverf aanbrengen, stichten, onderwijs geven in de beginselen, op den grond leggen (— arms), aan den grond of vast raken (schepen): — glass = matglas; —s = tuin bij een huis; gronden of eerste beginselen; droesem, grondsop, koffiedik, grondkleur: The —s will be cleared at ten = de tuin of het park wordt om 10 uur ontruimd; We have broken — already = wij hebben al een begin gemaakt; He has cut the — from under my feet = hij heeft mij het gras voor de voeten weggemaaid; He changed his — = veranderde van positie, methode, etc.; The plan has fallen to the — = is in duigen gevallen; We have gained — = wij hebben succes gehad, zijn vooruit gekomen; That idea seems to gain — = schijnt veld te winnen, algemeen te worden; They have lost — = zij zijn achteruit gegaan, hebben hun aanzien verloren; Our troops bravely stood their — = hielden moedig stand; —-angling = visschen met grondangel; —-ash = esschescheut(-stek); —-bailiff = mijnopzichter; —-bait = vischaas; —-bridge = brug van houten dwarsliggers door een moeras (Amer.; Zie Corduroy-road); —-floor = benedenverdieping; —-ice = grondijs; —-ivy = hondsdraf; —-oak = eikenloot; —-plan = platte grond; —-plate = raam, grond-(fundatie), plaat, zool; —-plot = bouwterrein, platte grond; —-rent = grondrente; —-sea, —-swell = grondzee; —-tackle = ankertouwen, -kettingen; —-tier = benedenloges (in een theater); —work = grond, grondslag, grondbeginsel, geraamte (van iets); —ed: Well —ed = goed onderlegd; —less = ongegrond: subst. —ness; —ling = kleine modderkruiper, bermpje: The —lings = parterrebezoekers, het plebs.
Groundage, graundidž, liggeld (v. schepen).
Groundsel, graunds’l, gemeen kanariekruid; fundatie = Groundsill, graundsil.
Group, grûp, subst. groep, vereeniging, familie (bij classificatie); — verb. groepeeren.
Grouse, graus, korhoen (Black —); sneeuwhoen (Red —); — verb. schieten op grouse; huiveren, morren.
Grout, graut, gruttenmeel, soort. v. wilde appel, kalk; — ale = soort bier; —s = grutten (brij); droesem; —y, grauti, norsch, verdrietig.
Grove, grouv, boschje; (heilig) woud, (poet.): Image of the —, zie 2 Kon. XXI, 7.
Grovel, grov’l, (op de aarde) kruipen (ook fig.); liederlijk zijn; —ler = kruiper, ploert.
Grow, grou, groeien, wassen, worden, voortkomen, vermeerderen, aankleven, kweeken, voortbrengen: The leaf —s out of the stem = komt voort uit; He grew up to manhood = bereikte den mannelijken leeftijd; The book —s upon the reader = des lezers belangstelling in het boek neemt bij het lezen toe; Drinking will — upon a man = de gewoonte van drinken wordt gewoonlijk sterker; He —s a moustache = laat zijn snor staan; They have —n together = zijn volkomen één geworden; —er = verbouwer: Slow —ers = langzaam groeiende boomen; —ing weather = groeizaam weer; —ing-ups = aankomende jongelui; —n = gegroeid, tot volle rijpheid ontwikkeld: A full-—n man = volwassen man; Over half-—n = meer dan half volwassen; Two thirds —n; When you are —n = groot; The ground was —n over with weeds = bedekt met onkruid; —th = groei, toeneming, gewas, aanwas, voortbrengsel, oorsprong: Wines of good —th; Of one’s own —th = zelf gekweekt.
Growl, graul, subst. geknor, gebrom, geklaag; — verb. brommen, snauwen, knorren; —er = brompot; rammelkast; —ery = studeerkamertje.
Grub, grɐb, subst. pop of larve, kort en dik manneke, dwerg, vuil en slordig persoon, voedsel; — verb. (op)graven, uitgraven, ploeteren; blokken, schransen, voeren: He knelt down a —, and rose a butterfly = toen hij knielde was hij een plebejer, toen hij opstond was hij een ridder; An intermediate — between sycophant and oppressor = een nieteling tusschen vleier en tiran; In — = druk aan ’t werk; He is fond of his — = hij houdt veel van eten; — and bub = eten en drinken; —ber = schranser, blokker, schoffel; —bery = volksgaarkeuken; Money —bing = geldschrapend; —bing-axe (—-hoe) = schoffel; —by = onzindelijk, vuil, versleten, dwergachtig.
Grub Street, grɐbstrît, subst. de tegenwoordige Milton Street (in Londen), waar arme loonschrijvers gewoonlijk woonden; vandaar ook: nietswaardig letterkundig product, of prulschrijver; adj. armzalig, nietswaardig.
Grudge, grɐdž, subst. wrok, haat, afgunst; — verb. wrok koesteren, onwillig zijn, tegenzin hebben, misgunnen, met leede oogen aanzien, aanmerkingen maken op: He bears me a — = heeft een wrok tegen mij; I owe you a — for doing this = ik ben boos op je, datje...; He —s himself nothing = ontzegt zich niets; He —s me the light of my eyes = hij gunt mij ... niet; —r = afgunstige, brompot; Grudgingly = ongaarne.
Gruel, grûəl, gruwel of pap: I have given him his — = ik heb hem zijn vet gegeven; Take your — like a man = houd je taai.
Gruesome, grûs’m. Zie Grewsome.
Gruff, grɐf, norsch, barsch, ruw; —ish; subst. —ness.
Grugru, grûgrû, de larve v. d. palmboomklander.
Grum, grɐm; adj. norsch, barsch, knorrig, grof.
Grumble, grɐmb’l, morren, grommen, rommelen; subst. klacht (—s = ontevreden aard): He had a — to himself = mopperde in zichzelf; —r = knorrepot, brompot = Grumbletonian; Grumbly = knorrig.
Grummet, grɐmət = Gromet.
Grumous, grûməs, geklonterd, geronnen; subst. —ness.
Grumpiness, grɐmpinəs, norschheid, brommerigheid, neerslachtigheid; adj. Grumpish, Grumpy.
Grundel, grɐnd’l, kleine modderkruiper; bermpje.
Grundy, grɐndi: Mrs. — = de kritiseerende kwaadsprekende wereld: What will Mrs. — say? = wat zal de wereld er wel van zeggen?
Grunt, grɐnt, subst. geknor; — verb. knorren, brieschen, klagen, brommen; —er = varken; —ling = jong varken.
Grysbok, graisbok, Zuid-Afr. antilope.
Guaniferous, gwânifərɐs, guano opleverend; Guano, gwânou, gjuanou, subst. guano; — verb. met guano bemesten.
Guarantee, gar’ntî, subst. waarborg, borg, zekerheid; — verb. waarborgen, borgstellen, goed zeggen voor: This —s you in the possession of your property = waarborgt u; Guarantor, gar’ntə, gar’ntö, borg; Guaranty, gar’ntî; Zie Guarantee.
Guard, gâd, subst. bewaking, hoede, wacht, conducteur (van spoor of diligence), stootplaat (van een degen, zwaard, etc.), beschermer (ankle-—), veiligheids (horloge) ketting, rand, zoom, vuurscherm (—s = garde in het leger); — verb. bewaken, behoeden, beschermen, zich hoeden: I am off my — = ben niet op mijn hoede; Be (stand) on your — = wees op uw hoede; He kept — over me = bewaakte mij; The soldiers mounted — = betrokken de wacht; He put me on my — = waarschuwde mij; He threw me off my — = hij wiegde me in slaap, verschalkte me; To relieve the — = de wacht aflossen; The advanced — had to defend the bridge = de voorhoede moest de brug verdedigen; You must — against mistakes = gij moet oppassen voor fouten; —-boat = wachtboot; —-house = wachthuis; —-room = wachtkamer (voor soldaten), arrestantenlokaal; —-ship = wachtschip; —sman, gâdzm’n, bewaker; officier of soldaat van de garde; —ed(ly) = omzichtig; —ian, gâdj’n, voogd, opziener, bewaarder, geleider: —ians of the poor = armvoogden; —ian-angel = beschermengel; —ianship = voogdij.
Guatemala, gwâtəmâla, gôtəmâla; Guayana, gwaiâna.
Gude-wife, gûdwaif, huisvrouw, vrouwtje (Schotl.).
Gudgeon, gɐdž’n, subst. grondel; vingerling van een roer; sukkel, lokaas; adj. dom.
Guebre, Gueber, gîbə, geibə, subst. Perzisch vuuraanbidder; ook adj.
Guelders, geldəz, Guelderland, geldəland, Gelderland.
Guelf, Guelph, gwelf, naam van de hertogen van Beieren, de nationale partij in Italië, die den Paus ondersteunde (Z. Ghibelline); —ic = tot de Guelfen behoorende; —ic-order = ridderorde voor het oude Hannover (in 1815 ingevoerd).
Guerdon, gɐ̂d’n, belooning.
Guer(r)illa, gərilə, guerilla (oorlog); franctireur; beunhaas, knoeier.
Guernsey, gɐ̂nzi, Guernsey; trui; roode patrijs.
Guess, ges, subst. gis, gissing; — verb. gissen, onderstellen, raden: He gave a — at it = hij raadde er naar; I’ll give you a hundred —es, and you won’t be on it = ik zet het je het te raden; I — = ik geloof, ik denk (Amer.); He —ed at it = hij raadde er naar; —-work = gissing, onderstelling.
Guest, gest, gast, logeergast; —-chamber.
Guffaw, gəfô, subst. luide lach; — verb. brullen (van lachen).
Guggle, gɐg’l. Zie Gurgle.
Guiana, giâna.
Guidable, gaidəb’l, leidzaam, bestuurbaar; Guidance, gaid’ns, geleide, richting, bestuur; Guide, gaid, subst. gids, geleider, bestuurder, regulateur, reisgids; — verb. geleiden, besturen, leiden: —-board = wegwijzer; —-book = reisgids; —-post = wijspaal, wegwijzer; Guider = leider (Zie ook: Guidon).
Guidon, gaid’n, ruiterstandaard, richtvaantje, vaandrig.
Guild, gild, gilde, vereeniging: —-brother = gildebroeder; —-hall = gildenhuis; gebouw waar het bestuur van de City vergadert; —er = gulden (Nederl.); —ry = gilde (Schotl.).
Guildenstern, gildənstɐ̂n; Guildford, gilfəd.
Guile, gail, bedrog, list, valschheid; —ful = arglistig; subst. —fulness; —less = argeloos; subst. —lessness.
Guillotine, gilətîn, subst. guillotine; — verb. gilətîn, guillotineeren.
Guills, gilz, gele ganzebloem.
Guilt, gilt, schuld, misdaad; —iness = schuld, strafbaarheid; —less = onschuldig, onschadelijk; subst. —lessness; —y = schuldig: He was —y of that theft = schuldig aan; He looked —y-like = hij zag er uit, alsof hij schuldig was.
Guinea, gini, subst. guinje (= 21 sh.; deze munt bestaat alleen nog als rekenpenning), Guinea; adj. v. Guinea; —-corn = doerrah; panikkoorn; —-fowl = paarlhoen; —-grains = paradijskorrels; —-pepper = Spaansche peper; —-pig = Guineesch biggetje; waterzwijn; iemand, die zijn naam leent voor industrieele ondernemingen en oorspronkelijk een guinea als presentiegeld ontving.
Guinevere, gwinəv(î)ə, Ginevra.
Guise, gaiz, mode, uiterlijk, voorkomen, manier: In the — (light) of = bij wijze van.
Guitar, gitâ, guitaar.
Gulch, gɐlš, diep ravijn (Amer.).
Gulden, guld’n, Oostenrijksche florijn.
Gules, gjûlz, rood, keel (Herald.).
Gulf, gɐlf, subst. afgrond, draaikolk, boezem, groot verschil; laagste nummer op de lijst der geslaagden bij het Mathem. Tripos (Camb.): There is a great — fixed between the two; —-stream = golfstroom.
Gull, gɐl, subst. meeuw; sterentje, Jan van Gent; onnoozele hals; — verb. bedriegen, beetnemen; —-catcher = bedrieger, kwartjesvinder; —ible = gemakkelijk beet te nemen; subst. Gullibility.
Gullet, gɐlət, keel, slokdarm, waterafvoer, geer (in een hemd).
Gully, gɐli, subst. geul, riool, ijzeren rail; — verb. met geraas stroomen; —-hole = rioolgat.
Gulp, gɐlp, subst. het verzwelgen, inslokken, mondvol, braking; — verb. met groote teugen inzwelgen, slokken: He —ed up what he had taken = braakte uit; They are a brace of gulpings = stelletje drinkebroers.
Gum, gɐm, subst. tandvleesch; gom; — verb. met gom bestrijken of vastkleven; lijmen, beetnemen (Amer.): — arabic = Arab. gom; —boil = zweertje op het tandvleesch; — elastic = caoutchouc; —-rash = hittepuistjes; —suck = bedriegen (Amer.); —sucker = jonge Australiër van Europ. afkomst; —-trees = soorten v. Eucalyptus en Acacia; —miness, subst. v. —my = gomachtig, kleverig, gom bevattend; —my! = jeminé! That is —my = bijna ongeloofelijk, en toch waar.
Gump, gɐmp, sul, dwaze kerel.
Gumption, gɐmpš’n, gladheid, scherpzinnigheid; The boys had to write a — paper = opstel, waaruit blijkt of zij goed hebben waargenomen; —less = dom; Gumptious, gumpšəs, glad, vaardig, bij de hand.
Gun, gɐn, subst. geweer, kanon; — verb. schieten, jagen: He is a big — = invloedrijk persoon, groote hans; Son of a — = pierewaaier (humor.), lammeling; It is as sure as a — = zoo zeker als 2 × 2; The —s were brought to bear on the enemy’s ships = werden gericht; To blow great —s = stormen; We spiked their —s = vernagelden; They stood to their —s = bleven standvastig (het geschut bedienen); —-barrel = loop van een kanon of geweer; —-battery = batterij (van kanonnen); —boat = kanonneerboot; —-carriage = affuit; —-cotton = schietkatoen; —-fire = uur van het morgen- en avondschot; —-foundry = gieterij; —-metal = geschutmetaal; —powder = buskruit; fijne groene thee: The —powder Plot = samenzwering, om op 5 Nov. 1605 de Parlementshuizen in de lucht te doen springen; —-rack = geweerrek(-rak); —-reach = kanon- of geweerschotsafstand: He is within —-reach = op kanon- of geweerschotsafstand (ook: —-shot) = hij is onder schot; —-rod = laadstok; —-room = verblijf der cadetten aan boord van een oorlogschip; —-shot = geweer- of kanonschot, de afstand van een kanon of geweer; —smith = geweermaker; —smithery = geweermakerskunst, -vak; —-stock = geweerlade; —-tackle = geschuttalie; —ned: Heavily —ned = met zwaar geschut; —er = artillerist, kanonier; —er’s ladle = laadlepel; —nery = artillerie wetenschap; —nery-lieutenant = luitenant die, na een —nery-course op een —nery-ship te hebben bijgewoond, in het bezit is van een warrant daarvan.
Gunnel, gɐn’l, dolboord; schansnet aan boord van een oorlogschip.
Gunn(e)y, gɐni, grof zaklinnen.
Gunter’s chain, gɐntəztšein, landmetersketen v. ± 20,11 M.
Gunwale, gɐn’l (Zie Gunnel).
Gurgle, gɐ̂g’l, subst. geklok, gorgeldrank, gemurmel; — verb. klokken, gorgelen, murmelen: The delicious gurg-gurgling from our bronze fountain = geklater; A —t of water = waterbron.
Gurgoyle; Zie Gargoyle.
Gurnard, gɐ̂nəd, kleine poon; spinvisch.
Gush, gɐš, subst. krachtige stroom, uitstrooming, uitbarsting, overdreven taal of gevoel; — verb. krachtig (uit)stroomen, snel en mild vloeien, overdreven en sentimenteel zijn: His conversation came in —es = van tijd tot tijd barstte hij eens los; All this is not —, it is the honest truth = dit is volstrekt niet overdreven of onwaar; She —ed about Liszt = sprak (schreef) overdreven bewonderend over L.; I am not a —er, but I must tell you how much I like you = ben geen overdreven gevoelsmensch; She was conceited and —ing = en dwaas sentimenteel (overdreven).
Gusset, gɐsət, geer, inzetsel, inlegsel.
Gust, gɐst, windruk, vlaag, uitbarsting; smaak, lust, neiging; —ation, gəsteiš’n, het proeven of genieten; —ative, —atory, gɐstətori, smaak ..., proef ...: — nerve = smaakzenuw; —o, gɐstou, smaak, genot; —y = stormachtig, winderig, woest.
Gustavus, gɐsteivəs.
Gut, gɐt, subst. darm, snaar, nauwte; — verb. ontweien, uithalen, leegplunderen, uitbranden; —s = ingewanden, buik, maag: Greedy —s = vreetzak; —-scraper = vedelaar; —-string = snaar.
Gutta, gɐtə, druppel (vooral in samenstellingen); —percha = guttapercha.
Guttate(d), gɐtit (—eitid), gespikkeld.
Gutter, gɐtə, subst. goot, geul, riool; — verb. geulen maken, goten vormen, afloopen (van eene kaars), in druppels neervallen; —-press = de vuile, onzedelijke pers; —-snipe, —-snippet = verwaarloosd kind, voddenraper; —-spawned = verachtelijk en onzedelijk.
Guttiferous, gɐtifərɐs, gom opleverend.
Guttiform, gɐtiföm, druppelvormig.
Guttle, gɐt’l, verzwelgen, inslokken (down).
Guttural, gɐtər’l, subst. keelletter, keelklank; adj. tot de keel behoorende; —ize = met keelklank uitspreken; —ness = keelklankachtige aard; Gutturize, gɐtəraiz, in de keel vormen.
Guy, gai, Guy; topreep (scheepst.), vogelverschrikker, leelijke fantastische pop (ter herinnering aan Guy Fawkes en het Gunpowder Plot); voorwendsel; — verb. met een touw (onder het ophijschen) vasthouden; uitsnijden, belachelijk maken: He did a — and bolted = hij wendde iets voor (b.v. dat hij noodzakelijk weg moest); He was —ed unmercifully = hij werd ongenadig uitgelachen; —-rope = topreep, tenttouw.
Guyon, gaiən.
Guzzle, gɐz’l, snel drinken, zuipen; subst. sterke drank; —r = zuiplap.
Gwynn, gwin.
Gymkhana, džimkânə, een soort wedrennen, waarbij aan de deelnemers bovendien allerlei grappige verplichtingen worden opgelegd (een draad door een naald steken, een meegebrachte som eerst uitrekenen, etc.); ook adj.
Gymnasium, džimneiž’m, worstelplaats, gymnastiekschool, gymnasium: — belts = gordels.
Gymnast, džimnast, gymnastiekonderwijzer, gymnast; —ics, džimnastiks, athletische oefening, gymnastiek; —ic apparatus (costume, exercise, hall, society).
Gymnotus, džimnoutəs, sidderaal = — electricus.
Gynaecological, džainikəlodžik’l (dži—), gynaecologisch; Gynaecologist = gynaecoloog; Gynaecology = gynaecologie.
Gyp, džip, oppasser (bij studenten).
Gypseous, džipsiəs, gipsachtig; Gypsum, džips’m, gips.
Gyrate, džaireit, omwentelen, ronddraaien; adj. džairit, kringvormig; subst. Gyration: Centre of — = draaipunt; Gyratory = draaiend; Gyre = kring, omwenteling.
Gyrfalcon, džɐ̂fôk’n, giervalk.
Gyroscope, džairəskoup, gyroscoop.
Gyve, džaiv, ketenen, boeien; subst. —s = (voet)boeien.
H.
H, eitš; Hamps(hire) = Hants; H(is of Her) B(ritannic) M(ajesty); Heb(rews); Hert(ford)s(hire); Hhd = Hogshead(s); Hist(ory); H(er) M(ajesty’s) S(ervice); Hon(ourable); H. P. = halfpay, horse-power; H(is of Her) R(oyal) H(ighness); Hung(ary); Hund(red); Hunt(ingdon)s(hire); Hypoth(esis).
Ha, hâ, subst. ha! uitroep van verbazing of vreugde; — verb. verbazing uitdrukken; blijven steken: He hummed and —’ed, before he replied = stotterde, haperde; He was an enemy to beating about the bush, humming and —’ing = hield niet van er om heen te praten en ‘—’ te zeggen; His manner is very ‘—-—’ = hij doet altijd zeer verbaasd.
Habeas corpus, heibiəsköpəs: Writ of — = bevelschrift om een gevangene ter onderzoeking voor te brengen, met opgave van dag en reden zijner arrestatie en gevangenhouding.
Haberdasher, habədašə, winkelier in garen en band, passement en nouveautés; —y = garen en band, enz.
Haberdine, habədin, habədîn, labberdaan.
Habergeon, həbɐ̂dž’n. Zie Hauberk.
Habiliment, həbiliment, kleeding, kleed (gewoonlijk —s).
Habit, habit, subst. gewoonte, neiging, hebbelijkheid, persoonlijk aanwensel; kleeding, kleedij, rijkleed; habitus, houding, uiterlijk; — verb. kleeden: To be in (To get into) the — of swearing = gewoon zijn (zich aanwennen); By — = uit gewoonte; —-shirt = chemisette (v. amazones); —ed = gekleed.
Habitability, habitəbiliti, bewoonbaarheid; adj. Habitable; Habitant, habit’nt, bewoner; Habitat, habitat, natuurlijke woonplaats (of groeiplaats) voor dier (of plant); Habitation, habiteiš’n, bewoning, woning; loge van de Primrose League (eene staatkundige, conservatieve partij in Engeland).
Habitual, həbitjuəl, gewoonlijk, voortdurend, gewoonte: — drunkard = dronkaard; Habituate, həbitjueit, gewennen; Habitude, habitjûd, gewoonte, hebbelijkheid.
Hacienda, asiendə, hacienda, fabriek, mijn, landgoed.
Hack, hak, subst. houw, snede, kerf; huurpaard, jacht(rij)paard; broodschrijver, rek (om visch te drogen), stapel steenen (om te drogen), mestvork, ruif; — verb. hakken, houwen, radbraken, kuchen, als hack gebruiken, zich weggooien; adj. huur - -, versleten; —-in-chief = hoofdredacteur (spottend); A —ing cough = droge kuchhoest.
Hackee, hakî, gestreept Amerikaansch eekhorentje.
Hackery, hakəri, tweewielige ossenwagen in Brit. Indië.
Hackle, hak’l, subst. hekel, ruwe zijde, nek- of rugveer van een haan, kunstvlieg (als aas); — verb. hekelen, een candidaat aan den tand voelen; vaneenscheuren; —r = hekel.
Hackney, hakni, subst. rijpaard, huurpaard, werkpaard, huurrijtuig, duivelstoejager, huurling; adj. verhuurd, alledaagsch, afgezaagd: To make a — of = verslijten, bederven; —-carriage, —-coach = huurrijtuig, huurkoets; —-coachman = koetsier van een huurrijtuig.
Haddock, hadək, schelvisch.
Hade, heid, subst. steile ingang van eene mijn; — verb. hellen (van mijnaderen).
Hades, heidîz, schimmenrijk.
Hadji, hadžî, hadji.
Haematin, he(hî)mətin, haematine; Haemorrhage, heməridž, bloeding, bloed(uit)storting; Haemorrhoids, hemərôidz, aambeien.
Haffle, haf’l, stamelen, hakkelend en onduidelijk spreken, uitvluchten maken.
Hafiz, hâfiz.
Haft, haft, subst. handvat, hecht, heft, woning (Schotl.); — verb. in een heft zetten, van een heft voorzien; zich vestigen.
Hag, hag, subst. heks, tooverkol, furie; — verb. schrik aanjagen; —-ridden = aan nachtmerrie lijdende; —-seed = heksengebroed; —gish = afschuwelijk, heksen...
Hagar, heigâ.
Haggard, hagəd, wild, ongetemd, verwilderd, bleek en vervallen.
Haggis, hagis, fijn gehakte schapekop met hart, lever en longen; een Schotsche schotel van schapenlongen, hart en lever met uien, en gekookt in eene schapenmaag.
Haggle, hag’l, knibbelen, afdingen; —r.
Hagiographa, hagiogrəfə, heidžiogrəfə, de boeken van het O. Testament met uitzondering van de Mozaische en de Profeten; levensgeschiedenissen der Heiligen; Hagiology, hagiolədži, heidžiolədži, geschiedenis der Hagiographa; werk over de levens van (R.-K.) heiligen.
Hague (The), dhəheig, ’s-Gravenhage.
Hah, hâ, ha!
Ha-ha, hâhâ, hâhâ, opening in een tuinomheining met een droge sloot er voor; ook die sloot zelf.
Haidarabad, haidərəbad; Haidee, haidî; Haigh, hei.
Hail, heil, subst. aanroep, welkomstgroet, bezoek; interj. heil! — verb. begroeten, aanroepen, praaien, geboortig zijn van: He is within (out of) — = hij kan (niet) beroepen worden, is (niet) vlak bij de hand, is binnen (buiten) het bereik van de stem; That man is —-fellow-well-met with all people = hij is een allemansvriend; The ship was —ed by us = gepraaid; Where do you — from = komt gij vandaan (waaien)? This dictionary —s from America = is een Amerikaansch voortbrengsel; They sang a — Mary! = een Ave Maria.
Hail, heil, hagel; — verb. (doen) hagelen; —shot = kartetsvuur; —stone = hagelsteen; —storm.
Hair, hêə, haar; ook adj.: It is my friend to a — = op-en-top, tot op een haar; Within a — of = op een haar na; Let us not split —s = laten wij niet haarkloven, vitten, etc.; Not to turn a — = onbewogen blijven; —breadth = haarbreedte, zéér kleine afstand: It was a —breadth escape = wij brachten er nog net het leven af; —brush = haarborstel; —cloth = (paarde)haren stof; —dresser = kapper; —-dye; —-lace = haarlint; —-line = snoer van paardenhaar, ophaallijn (in ’t schrijven); —-net = haarnetje; —-oil = haarolie; —-pencil = fijn penseel; —-pin = haarspeld; —-pointed = met fijne, teere punt; —-powder = haarpoeder (wit); —-restorer = haargroeimiddel; —-shirt = haren kleed; —-splitting subst. = haarklooverij; ook adj.; —-stroke = ophaallijn (bij ’t schrijven); —-trigger = sneller (aan een pistool); pistool daarvan voorzien; —-wash = haarwaschmiddel; —iness = harigheid, behaardheid; —less; —y = behaard.
Haiti, heiti.
Hake, heik, dorsch (visch); vagebond, babbelkous.
Hakluyt, haklût; Hal, hal.
Halberd, halbəd, hôlbəd, holbəd, hellebaard; —ier, hal(hôl-, hol-)bədîə, hellebaardier.
Halcyon, halsiən, subst. koningsvisscher, ijsvogel; kalmte, rust; adj. kalm, rustig: That was in my —-days = dat was in mijn kalmen, gelukkigen tijd.
Haldane, haldein.
Hale, heil, adj. gezond, flink, kloek: I am — and hearty = frisch en gezond; subst. —ness.
Half, hâf, half; subst. helft: That’s not — bad = dat is lang niet kwaad; He tore the letter in — = in tweeën; —-and-— = subst. mengsel van twee bieren (vooral porter en ale), onoprecht mensch; adj. zonder pit, kwijnend; Halves: I will go you halves in a supper = ik sta je de helft van; He cried halves, when I found the guilder = hij riep “buit half”; Do nothing by halves = ten halve; —-baked = halfgaar, sullig; —-baptism = nooddoop (bij Katholieken): The child was —-baptized = ontving den nooddoop; —-binding = half leeren band; —-blood = verwantschap van personen, die alleen een zelfden vader of eene zelfde moeder hebben (halfbroeder, halfzuster); —-blown = half geopend; —-bound = in halfleder gebonden; —-bred = van gemengd ras, onbeschaafd; —-breed, subst. halfbloed; adj. van gekruist ras; —-brother = halfbroeder; —-caste = halfbloed; —-cock = de stand van den haan, als hij half overgehaald is: To go off at —-cock = iets overijld doen, iets uitflappen; —-crown = Eng. zilveren munt van ƒ 1,50; —-dead = half dood; —-faced = “en profil”; —-hearted = lauw, onverschillig, weifelend; —-holiday = vrije middag; —-length = kniestuk (portret); The ensign floated —-mast high = woei halfstok; —-part = half deel; —-pay, subst. nonactiviteitstractement; adj. op nonactiviteit; —penny, heip’ni, halve stuiver; —pennyworth = waarde van 2½ c.; —-price = halve prijs of verminderde prijs; —-seas-over = half dronken, aangeschoten; —-sister = halfzuster; —-starved = slecht gevoed, half verhongerd; —-sword = op de halve lengte van een zwaard: At —-sword = handgemeen: —-timer = een kind, dat de lagere school slechts de verplichte vijf schooltijden per week bezoekt; fabrieksarbeider, die slechts de helft van de uren werkt; —-way = halverwege: —-way house = herberg; —-witted = zwak van denkvermogen, zielig, sukkelig; —-yearly = zesmaandelijks(ch).
Halford, halfəd.
Halibut, halibɐt, holibɐt, heilbot; —ter = heilbotvisscher (vaartuig).
Halifax, halifaks.
Halitus, halitɐs, adem of damp.
Hall, hôl, groote zaal, vergaderzaal, rechtszaal, eetzaal (universiteiten), maaltijd, gebouw, huis, vestibule: A — = ruimte! uitroep bij de oude gemask. optochten; —-mark = stempel, keur, bewijs van echtheid; ook verb.
Hallam, haləm.
Halleluja, haləl(j)ûjə, subst. lofzang; — lass = vrouwelijke heilsoldaat.
Halley, hali.
Halliard, haljəd. Zie Halyard.
Halliwell, haliwel.
Hallo(a), həlou, Halloo, həlû, Hallow, həlou, Hola! Allo! subst. allogeroep; — verb. luid roepen: Do not — before you are out of the wood = men moet geen ho! roepen vóór men over de brug is.
Hallow, halou, heiligen, wijden; —e’en, halou-în, halou-în, avond voor Allerheiligen; —mas(s) = Allerheiligen.
Hallucination, həl(j)ûsineiš’n, zinsbedrog, zinsbegoocheling; adj. Hallucinatory.
Halm, hôm. Zie Haulm.
Halo, heilou, lichte kring om zon of maan, stralenkrans, heiligenkrans; kring (Med.); — verb. met een krans omgeven.
Halt, hôlt, subst. stilstand (-staan), halt; het kreupel zijn, kreupelheid, ziekte bij schapen; — verb. halt houden, halt roepen, ophouden; kreupelen, mank gaan, aarzelen, dralen, gebrekkig zijn, te kort schieten; adj. kreupel; interj. Halt! To call a — = halt doen houden; To make a short — = even stoppen; They were —ed in the dusk = tot staan gebracht; —ing-place = stopplaats; —ingly = hinkend, langzaam, aarzelend.
Halter, hôltə, subst. halster, touw, strop; — verb. een halster aandoen of er mede vastbinden.
Halve, hâv, (in tweeën) deelen. Zie Half.
Halyard, haljəd, val (scheepst.).
Ham, ham, knieboog of knieholte, dijbeen, schink; ham: —s = billen.
Ham, ham, Cham; Hamite, hamait; Hamitic, həmitik, van de nakomelingen van Cham of hunne taal.
Hamadryad, hamədraiəd, hamədraiəd, boomnimf.
Hame, heim, haam.
Hamiform, hamiföm, heimiföm, haakvormig.
Hamilton, hamilt’n.
Hamlet, hamlət, gehucht, dorpje.
Hammer, hamə, subst. hamer, haan; — verb. hameren, slaan, smeden, met moeite uitwerken, instampen (fig.): — and tongs = met alle kracht, met groot geweld; At — and tongs = op gespannen voet; To bring to the — = onder den hamer brengen, publiek verkoopen; I’ll be —ed if I do it = je mag op mij schieten als ik het doe; He is always —ing at it = hij houdt vol, geeft het niet op; I have —ed it out at last = ten laatste ben ik er achter, eindelijk begrijp ik het; —-axe = werktuig, aan de eene zijde hamer, aan de andere bijl; —-cloth = kleed over den bok van een rijtuig; —fish = hamervisch(-haai) = —-head; —-hard(en) = koud metaal door hameren harden; —-stone = splijthamer.
Hammock, hamək, hangmat; —-chair = stoel met linnen zitting en rug; —-nettings = plaats, waar de hangmatten overdag worden geborgen; vinkennet of enternet.
Hamper, hampə, subst. grove sluitmand, kluister, boei, tuigage; — verb. in eene sluitmand doen, belemmeren, boeien, in de war brengen.
Hampshire, hampšə; Hampstead, hamsted; Hampton, hamt’n.
Hamshackle, hamša’kl, den kop (van os of paard) aan een der voorpooten vastmaken, temmen, beteugelen.
Hamster, hamstə, hamster.
Hamstring, hamstriŋ, subst. kniepees; — verb. verlammen door het doorsnijden der kniepees (of staartspier bij een walvisch).
Hand, hand, subst. hand, handvol, handvat, wijzer, handeling, bekwaamheid, acte; deel, zijde, kant, werkman, fabrieksarbeider, matroos, ingewijde; schrift, spel kaarten, een der spelers, vijf (van een artikel dat verkocht wordt), pak tabak; — verb. overhandigen, aangeven, vastmaken, geleiden, helpen, overleveren: To be a clever — at = knap zijn in; An old — = een ervaren, gewikst persoon; His — was against everybody = hij was in opstand tegen ieder; My —s are clean = ik ben onschuldig; I have come out of this business with clean —s = ik ben eerlijk gebleven; —s across! = handen over elkaar; He won the race —s down = op zijn doode gemak; —s off! = handen thuis! niet aankomen; —s up! = geeft u over! It was a —-to-—-fight = gevecht van man tegen man; They are —-and-glove (= — in glove) with = koek en ei, op intiemen voet; My brother is on the mending — = aan de betere hand; My sword was at — = bij de hand, dicht bij; I have received many kindnesses at your —(s) = van u; The time was at — = op handen; The horse is hot at — (heavy on —) = moeielijk te regeeren; I bought it at first (second) — = uit de eerste (tweede) hand; She came out at the right — = kwam er goed af; The child was brought up by — = met kunstmatig voedsel; He sent his reply by — = met een bode; Take him by the — = aan uwe hand, onder uwe hoede; To go from — to — = van den een tot den ander; — to mouth = armelijk, pover; From — to mouth = voor onmiddellijke behoefte; To live from — to mouth = van de hand in den tand; — over fist = — over — = hand over hand, langzamerhand; snel; They go — in — = zij houden het samen, helpen elkander; Our men are in good heart and thoroughly in — = en onder volkomen discipline; We have the matter in — = hebben ... onder handen; Payment in — = contante betaling; This horse is light in — = gemakkelijk te regeeren; The matter was taken in — by him = aangepakt, ondernomen; He was taken in — by the judge = onder handen genomen; They carried their lives in their —s = stelden hun leven bloot; Each found the life of his — deed het werk, dat zijne hand vond om te doen; We have no stock on — = geen voorraad voorhanden; Case on —; waiting instructions = collie aanwezig; verzoeke verzendingsinstructies; He did it out of — = dadelijk, onmiddellijk; Out of — = klaar, af; He has got out of — = is buiten den band geraakt; He went up the ladder — over — = door telkens de eene hand boven de andere te brengen; You will find everything to your — here = alles klaar, in gereedheid; Your favour (note) came duly to — = uwe geëerde letteren heb ik in orde ontvangen; I saw an instrument under the minister’s — = een door den minister geteekend stuk; He asked (gave) the — of his cousin = vroeg om (schonk) de hand van zijne nicht; Bear a — there = help eens een handje; This house has changed —s five times in three years; They forced the —s of the government = zij zetten ... naar hun hand; He wanted to get his — in = aan slag (aan den gang) komen, zich inwerken; To give a — with = een handje helpen met; I have a free — now = de handen vrij; He had a — in the game = hij had er de hand in; You must have your —s full = volop werk hebben; de handen vol hebben met; He holds —s with the best authors = kan wedijveren met; Let us join —s, Join —s in — = eendrachtig samenwerken; To join —s with = de hand reiken aan; The two armies joined —s = vereenigden zich; One must keep one’s — in = men moet het onderhouden, zich blijven oefenen; The police have laid —s on him = heeft hem te pakken; Lend a (helping) —, old boy = zeg vriend, help eens een handje; I will not put my — to that deed = mijn hand niet zetten onder; He could set his — to every kind of work = hij kon met allerlei werk terecht; Let us shake —s = elkander de hand drukken (= shake each other by the —); You don’t show me your — for nothing = je laat me niet voor niemendal in je spel kijken; To — a sail = vastmaken; To — about = rondgeven; To — down = aangeven, overleveren: This story was —ed down from my ancestors = is van mijne voorouders afkomstig; To — in = helpen (in een rijtuig), inleveren; He —ed it over to me = overhandigde het mij; She was —ed over to her old enemies = overgeleverd aan; —-bag = valies; —-barrow = (draag)berrie; kruiwagen; —-ball = gummibal aan spuit; —-bell = tafelbel; —-bill = snoeimes; affiche, schuldbewijs; —book = handboek; —-brace = drilboor; —breadth = handbreedte; —-cart = handkar; —-clasp = handdruk; —-cuff, subst. handboei; — verb. de handboeien aanleggen; —-dog = Andiron; —-drop = handverlamming; —-gallop = korte galop; —-glass = handspiegel, glas over planten; —grasp = handdruk; —grenade = handgranaat; —grip = greep: To come to —s = handgemeen worden; —kerchief = zakdoek, doek: To drop the — = het teeken geven (oorspronkelijk door den persoon, die gehangen werd); To throw the — to = uitnoodigen; —-language = vingertaal; —-lead = klein peillood; —-loom = weefgetouw; —-maid(en) = vrouwelijke bediende, dienares; —-mill = handmolen; —-organ = draaiorgel; —-paper = papier (met eene hand als watermerk); —-painted = uit de hand geschilderd; —-press = handpers; —-promise = plechtige verloving, die slechts met toestemming van beide partijen ophoudt; —-rail(ing) = leuning; —-sail = klein zeil; —-saw = handzaag: He knows a hawk from a — = hij heeft zijn weetje; —-screw = dommekracht; —-shake = handdruk; —spike = handspaak, koevoet; —spring = sprong, soort salto mortale: To chuck (throw, turn) —springs; —strap = riem (in een tramwagen); In a —-turn = in een ommezientje; —’s turn = hulp; —-writing = schrift; handschrift; —er, handə, aanreiker, overbrenger, klap: No —ers was the motto of the schoolboys on strike = “geen lichamelijke straf” was het motto v. de werkstakende schooljongens; —ful = handvol; —less = zonder handen; onhandig.
Handfast, handfâst, subst. greep, handvat, houvast, handslag, contract, verbintenis; hechtenis; — verb. verbinden, verloven, vereenigen, vasthouden.
Handicap, handikap, subst. vóórgift (in tijd, afstand of gewicht) bij een wedstrijd; (fig.) nadeel; — verb. vóórgeven, (fig.) belemmeren, benadeelen, bezwaren: It is a — to a popular author to have made a great book = het is een nadeel (nl. met het oog op zijne volgende boeken); A — race = wedstrijd met vóórgift; Heavy taxation —s a country = drukken een land (belemmeren het in zijne vrije ontwikkeling); In this way we — our own producers as compared with the foreigner = bezwaren we onze eigen producenten.
Handicraft, handikrâft, handenarbeid, werk van de handen; —(s-man) = handwerksman.
Handiness, handinəs, handigheid, gemakkelijkheid, doelmatigheid.
Handiwork, handiwɐ̂k, handarbeid, kunstwerk, schepping.
Handle, hand’l, subst. handvatsel, “vat”, oor, gevest, enz.; — verb. betasten, bevoelen, hanteeren, behandelen, gebruiken, leiden: He has a — to his name = hij heeft een titel, is van adel; I will give you a — = ik zal u de gelegenheid verschaffen; He flew off (at) the — = hij werd driftig; He knows how to — the matter = weet de zaak aan te pakken; The guns were well —d = goed bediend; Handling = hanteering, behandeling.
Handsel, hands’l, subst. handpenning, handgift, eerste verkoop, geschenk, etc.; — verb. een handpenning geven, handgeld geven.
Handsome, han(d)s’m, mooi, knap, goedgevormd, edel, mild, royaal, ruim: — is, what — does = aan de vruchten kent men den boom; To come down —ly = over de brug komen, zich royaal betoonen.
Handy, handi, handig, vlug, bij de hand, nabij: The book has found a place on the handiest shelf of every student = staat voor het grijpen bij; The children were playing at —-dandy = de kinderen speelden: “Ra, ra, in welke hand?”; —man = helper, handlanger.
Hang, haŋ, subst. helling, verbindingswijze, neiging, richting; — verb. hangen, ophangen, behangen: He has got the — of it (Amer.) = hij is er volkomen mede vertrouwd, heeft er den slag van beet; The general — of the work is disappointing = gang, richting; He —s about her = maakt veel werk van haar, is altijd om en bij haar; Many boys were —ing about the stables = hielden zich op bij de stallen; Do not — back = krabbel niet terug, doe het niet met tegenzin; He hung down his head = liet hangen; All the hearers — on his lips = hangen aan; The thing was hung on by the eyelids = was er slechts even of onvoldoende mee verbonden; He —s on his party as faithfully as may be expected = hij kleeft zijne partij aan; Where do you — out = waar woont gij, hangt gij uit?; All the flags were hung out = uitgestoken; I — over to that opinion = hel naar die meening over; They — together like burs = hangen als klissen aan elkander; The matter was hung up = bleef onbeslist; Be —ed to ’em = laten ze naar den duivel loopen; The suit hung = het proces werd gerekt, uitgesteld; To — fire = niet dadelijk afgaan, besluiteloos zijn, op zich laten wachten, niet willen gelukken; Time —s heavy on my hands, —s heavy to-day = valt mij lang; We have been —ing in doubt = in onzekerheid verkeerd; Men have —ed for less than this = kregen den strop; —-dog = galgebrok, schurk: A —-dog look = een armezondaarsgezicht, -blik; —man = beul; —-nail = nijdnagel; —-nest = hangend nest; —-net = hangnet; —er = hangstuk, haak, ophanger, hartsvanger, korte sabel; woud of boschje (langs eene heuvelhelling); —er-on = aanhanger, afhangeling, klaplooper; —ing, subst. het hangen of ophangen, vertoon; behang, wandtapijt, adj. steil, den dood verdienend, strafbaar met den dood: That is a —ing-affair = eene halszaak; —ing-clause = bepaling, met wier niet-nakoming het leven gemoeid is; —ing-garden = hangende tuin; —ing-guard = verdedigende houding met een sabel; —ing judge = rechter, die het doodvonnis uitspreekt; —ing-shelf = boekenhanger.
Hangar, haŋgâ, hangar.
Hank, haŋk, subst. streng (garen, zijde, etc.); neiging, lust; greep, macht; — verb. tot strengen vormen, krachtig aanhalen: His tales are excellent; the first in the — is the best = het eerste in de verzameling is het beste.
Hanker, haŋkə, hunkeren, verlangen: I felt a —ing after her = een onweerstaanbaar verlangen naar haar bekroop mij.
Hank(e)y-Pank(e)y, haŋkipaŋki, subst. hocus-pocus: — bloke = goochelaar.
Hanley, hanli.
Hanover, hanəvə; —ian, hanəvîriən, subst. en adj. Hannoveraan(sch).
Hansard, hansəd, koopman uit eene hanzestad; officiëel verslag van de handelingen van het Parlement.
Hanse, hans, verbond, vereeniging: — towns = hanzesteden en hun verbond; —atic, hansiatik, van de Hanzesteden: —atic league = hanzeverbond.
Hansom (cab), hans’m (kab), tweewielig huurrijtuig (de koetsier zit achterop en de leidsels gaan over de kap heen).
Ha’n’t, Han’t, hânt, (Amer.) heint = Have not, Has not.
Hants, hants = Hampshire.
Hap, hap, subst. toeval, toevallige gebeurtenis; mantel, hulsel; — verb. toevallig gebeuren; inwikkelen; —hazard = kans, gelukje, toeval: I did it at —hazard = op den bof, op goed geluk af; —less = ongelukkig, rampzalig; —ly = bij toeval, misschien.
Happen, hap’n, gebeuren: I —ed to meet him = ik ontmoette hem toevallig; As it —ed I found him = toevallig vond ik hem; Just — in at my office to-morrow (Amer.) = wip morgen even aan; I —ed on it yesterday = trof (vond) toevallig; I have not seen the —ings with my own eyes (Amer.) = ik heb zelf niet gezien wat er voorgevallen is.
Happiness, hapinəs, subst. v. Happy, hapi, gelukkig, voorspoedig, verheugd, blij, handig, bekwaam: — man be his dole = moge het hem goed gaan! — family = vreedzaam samenlevende menschen of kleine dieren v. verschillenden aard (zooals honden en katten, etc.); —-mean, subst. het ware midden: The —-mean man = de man van ’t ware midden; —-go-lucky = onbezorgd, zorgeloos.
Harakiri, hârəkîri. Zie Harikiri.
Harangue. həraŋ, subst. redevoering, toespraak; — verb. toespreken, eene rede houden; —r.
Harass, harəs, kwellen, vermoeien, uitputten, onophoudelijk verontrusten; subst. —ment.
Harbinger, hâbinžə, subst. voorlooper, voorbode, kwartiermaker, fourier; — verb. voorafgaan als bode, aankondigen.
Harbour, hâbə, subst. schuilplaats, haven, herberg, woning; — verb. herbergen, een schuilplaats verleenen, voeden, koesteren; —-dues = havengeld; —-light; —-master = havenmeester; —-watch = ankerwacht; —age = toevlucht, onderkomen; —less.
Harcourt, hâköt.
Hard, hâd, adj. hard, vast, moeilijk, vermoeiend, streng, wreed, verhard, onbuigzaam, grof, onsmakelijk, wrang, hevig; subst. steiger; meer conserv. democraat (Amer.): No — and fast line can be drawn in this matter = geene scherpe, bepaalde grens kan in deze zaak worden getrokken; As — as the nether millstone = buitengewoon hard; They live — by = zij wonen kort bij, in de buurt; These people were — up = hadden groot geldgebrek; It is — upon seven = dicht bij; Move the rudder — a-starboard = leg het roer zoover mogelijk naar stuurboord; — of hearing = hardhoorig; He died — = hij verdedigde zich tot het laatst toe, stierf onbekeerd; zijn doodstrijd was moeilijk; It will go — with him = het zal hem slecht vergaan; This reward was — won = deze belooning werd met moeite verkregen; —-bake = soort van kokinje; —-believing = ongeloovig; —-beset = eng ingesloten, in ’t nauw gebracht; —-bitted = hard in den bek; —-bound = verstopt, hardlijvig, traag; —-cash = baar geld; —-coal = anthraciet; —-drinker = zuiplap; —-earned = zuur verdiend; —-fish = gedroogde kabeljauw, schelvisch of leng; —-fisted = met harde handen; gierig; —-fought = hardnekkig gestreden; —-grained = grofkorrelig; grof (ook fig.); —-got(ten) = zuur verdiend; —-handed = hardhandig, ruw, streng; —-head = zwart knoopkruid; knorhaan; soort keisteen; —-headed = sluw, helder van hoofd; —-hearted = hardvochtig; subst. —-heartedness; —-labour = dwangarbeid; —-luck = tegenspoed; —-mouthed = hard in den bek (van paarden), ruw, grof (van taal); —-pressed = in moeielijke omstandigheden; — rubber = caoutchouc; —-set = krachtig vervolgd, in het nauw; streng, onbuigzaam; —shell = met harde schaal; streng orthodox of conservatief (Amer.); —-tack = scheepsbeschuit; —-water = hard (wasch)water; —working = zeer arbeidzaam; —-ware = ijzerwaren, vooral potten en pannen, enz.; —en = harden, verharden, hard of gevoelloos maken (worden); —ihood, hâdihud, koenheid, onversaagdheid, onbeschaamdheid; —iness = gehardheid; —ly = nauwelijks, bijna niet, waarschijnlijk niet; hard, moeilijk, streng: —ly .... when = nauwelijks .... of; —ness = hardheid (ook fig.), moeielijkheid; —ship = ontbering; —y = gehard, sterk, stoutmoedig.
Hardicanute, hâdikənjût.
Hare, hêə, haas: As mad as a March — = zoo gek als wat; To hold with the — and run with the hounds = een dubbel spel spelen; He wanted to make a — of me = trachtte mij belachelijk te maken, te foppen, beet te nemen; Jugged — = hazepeper; —-bell = grasklokje, knikkende vogelmelk; —-brained = nietig, onbesuisd, dwaas; —-hound = hazewind; —-lip = hazenlip; —’s-foot = hazepoot (door acteurs gebruikt).
Harem, hêr’m, hâr’m, harem.
Haricot, harikou, harikot, ragout van vleesch met groenten, snijboon.
Harikiri, hârikîri, zelfmoord, door den buik dwars open te snijden (Jap.).
Hark, hâk, luisteren: — ye = luister eens; — away, — forward = vooruit! — back = hier! een uitroep, waarmede de jager de het spoor voorbij hollende honden terugroept; terugloopen als het spoor verloren is: She always —s back to her old grievances = komt altijd terug op.
Harl, hâl, vezels van vlas, haar of wol; koppel van 3 honden, vrij groote hoeveelheid.
Harleian, hâliən, hâlîən, van Harley, naar wien de door hem gevormde, thans in het British Museum aanwezige bibliotheek genoemd is.
Harlem, hâləm.
Harlequin, hâlək(w)in, subst. harlekijn, potsenmaker, grappige vent; — verb. voor harlekijn spelen; —ade, hâlək(w)ineid, harlekinade (dat deel in eene Christmas-pantomime, dat op de transformation-scene volgt).
Harlot, hâlət, hoer; adj. ontuchtig; subst. —ry.
Harm, hâm, subst. nadeel, schade, kwaad; — verb. kwaad doen, schade aanbrengen: — watch — catch = wie een ander een kuil graaft, valt er zelf in; —-doing = het kwaaddoen; —ful = nadeelig, schadelijk; subst. —fulness; —less = onbeschadigd, onschadelijk, argeloos; subst. —lessness.
Harmattan, hâmat’n, harmattan, droge en heete wind, die van December tot Maart v. Midden-Afrika naar het Noorden waait.
Harmonic, hâmonik, harmonisch; —a, hâmonikə, mondharmonica, glasharmonica, collectie verschillend gestemde en met de vingers bespeelde glazen; —al: —al proportion = harmonische verhouding (tusschen vier grootheden): —on, hâmonik’n, orchestrion; —s, hâmoniks, harmonieleer: Grave —s = bijtonen van twee overeenstemmende klanken; Harmonious, hâmouniəs, harmonisch, eensgezind: subst. —ness; Harmoniphon, hâmonifoun, klavierhobo; Harmonist, hâmənist, componist, iemand, die de overeenkomstige plaatsen van verschillende schrijvers, vooral der Evangelisten, opspoort; Harmonists = communistische secte van Gebr. Rapp, in 1803 uit Wurtemburg naar de Vereen. Staten getrokken; Harmonium, hâmounj’m, harmonica, harmonium; Harmonize, hâmənaiz, overeenstemmen, in overeenstemming brengen, in vrede leven, congrueeren; Harmony, hâməni, harmonie, eensgezindheid, overeenstemming: Artificial — = oplossing van dissonanten tot harmonie; — of the spheres = de leer van Pythagoras omtrent de harmonie der tonen, door de planeten in hunne beweging en al naar hare grootte, snelheid en afstand voortgebracht.
Harness, hânəs, subst. harnas, wapenen, paardetuig, gareel; — verb. het tuig aandoen, de wapenrusting aantrekken: He died in — = midden in zijn werk; The thing is well in — = goed bewerkt; —-cask, (—-tub) = vat met pekel vleesch op dek vastgesjord; —-maker = zadelmaker; —-room = tuigkamer.
Harold, harəld, Harold.
Harp, hâp, subst. harp; — verb. op de harp spelen, steeds hetzelfde onderwerp aanroeren: He is still —ing on his first love = hij heeft het nog steeds over; To — on the same string; —er = —ist = harpspeler.
Harpoon, hâpûn, subst. harpoen; — verb. harpoeneeren; —-gun = kanon voor het afschieten van een harpoen; —-rocket = harpoen, die als een raket wordt afgeschoten; —er = harpoenier.
Harpsichord, hâpsiköd, spinet.
Harpy, hâpi, harpij (ook fig.).
Harquebus(s), hâkwəbɐs, haakbus; —ier (—îə) = haakbusschutter.
Harr, hâ, grommen.
Harridan, harid’n, oude feeks, oud wijf.
Harrier, hariə, brak; kuikendief; plunderaar.
Harrow, harou, subst. Harrow; egge; — verb. eggen, kwellen, verontrusten.
Harry, hari, plunderen, verwoesten, kwellen, strooptochten doen.
Harry, hari, subst. andere vorm v. Henry; verpersoonl. v. den echten Londenaar uit de volksklasse = ’Arry: To box — = geen eten krijgen (schooljongens slang); To play Old — with a person = iemand leelijk te pakken nemen.
Harsh, hâš, zuur, wrang, scherp, wreed, streng, ruw; subst. —ness.
Hart, hât, mannetjes hert (na het vijfde jaar): — of ten = hert met een gewei van tien takken; —’s-tongue = hertstong, tongvaren; —(e)beest, hât(ə)bîst, soort van antilope (Z.-Afrika); —-shorn, hâtshön, (geest van) hertshoorn.
Harum-scarum, hêr’mskêr’m, lichtzinnig, roekeloos, wild, slordig; subst. —ness.
Harvard, hâvəd.
Harvest, hâvəst, subst. najaar, oogsttijd, oogst, opbrengst; — verb. inzamelen, oogsten; —-bug = soort van boktor; —-feast = oogstfeest; —-festival = dankdag voor het gewas; —-home = oogsttijd, oogstfeest, oogstlied; —-lady = de tweede maaier van eene rij; —-lord = voormaaier, eerste maaier; —-man = oogster, maaier; —-month = September; —-moon = (bijna) volle maan ten tijde der dag- en nachtevening in den herst; —-mouse = dwergmuis; —-queen = oogstkoningin (pop, Ceres voorstellende, rondgedragen op den laatsten oogstdag); —-spider = hooiwagen (spin); —er = oogster.
Harvey, hâvi; Harwich, haridž.
Hash, haš, subst. gehakt vleesch met groenten; mengsel, poespas; — verb. hakken, fijnmaken, bederven: Trust him for making a — of it = je kunt er op aan, dat hij de boel in de war stuurt, verknoeit; I have settled his — = ik heb een appeltje met hem geschild, hem zijn vet gegeven, afgeranseld, geruïneerd; I have —ed my goose altogether = ik heb mijne zaak totaal bedorven.
Hashish, hašiš, Hasheesh, hašîš, gedroogde bladeren van de hennepplant, die gekauwd worden en waaruit een bedwelmende drank wordt bereid.
Haslemere, heiz’lmîə.
Haslet, hazlət, omloop (v. een varken), lever, hart, ingewanden (v. schapen of kalveren).
Hasp, hâsp, subst. grendel, beugel; — verb. met een klamp of grendel vastmaken.
Hassock, hasək, pluim, een soort van rietgras; dikke mat, dik voetkussen om op te knielen.
Hastate, hastit, speervormig.
Haste, heist, haast, spoed, drift, overhaasting, ijver: Why do you not make — = waarom maakt gij niet voort? In — = haastig, vlug; Hasten, heis’n, haast maken, zich haasten; Hastiness = haast.
Hastings, heistiŋz.
Hasty, heisti, haastig, snel, vlug, driftig, hartstochtelijk; —-pudding = pap (meel in kokende melk geroerd en gekookt).
Hat, hat, hoed, kardinaalshoed, waardigheid v. kardinaal: To do up a — = opmaken; He has hung up his — in my house = hij heeft zijn anker bij mij neergelegd, zijne tenten bij mij opgeslagen; To raise one’s — to a person = afnemen; They have sent (passed) the — round = hebben eene collecte gehouden; To take one’s — off (to) = afnemen (voor); —-band = rouwband (om den hoed); —-maker = hoedenfabrikant; —-rack = hoedenrek, kleerenstander; —-work = werk waar niets in zit; —-writer, die —-work maakt; —ter, hatə, hoedenkoopman of -maker: He is as mad as a —ter = hij is stapelgek; tureluursch.
Hatch, hatš, subst. halve deur, poortje, schuif, traliewerk op een luik, luik; broedsel, gebroed, samenzwering, fijne streep; — verb. met bouten vastmaken, met een deksel sluiten; broeden, uitbroeden, beramen, voortbrengen, arceeren: Under —es = onder de luiken geconsigneerd, beneden opgesloten, zeer verdrukt, er slecht aan toe; welbewaard, gestorven; —-boat = soort van visscherspink met een half dek; —way = luik; muil; —er = uitbroeder; incubator; —ery = inrichting voor kunstmatige vischteelt.
Hatchel, hatš’l; —ler. Zie Hackle.
Hatchet, hatšət, bijl, bijltje; fooi om de kommiezen om te koopen (Amer.): Let us bury the — = laten we vrede sluiten; To sling the — = er uit snijden; They took up the — = zij vatten de wapens op; Do not throw the — = vertel geen leugens; —-face = scherp geteekend gezicht.
Hatchment, hatšm’nt, ruitvormig rouwschild, symbool.
Hate, heit, subst. haat; — verb. haten, verafschuwen; —ful = hatelijk, boosaardig; subst. —fulness; —r; Hatred, heitrəd, haat, kwaadaardigheid, kwaadwilligheid.
Hathaway, hathəwei.
Hatti-sheriff, hatišerîf, door den sultan van Turkije uitgevaardigd onherroepelijk bevel.
Hauberk, hôbɐ̂k, maliënkolder.
Haugh, hô, laag gelegen, vruchtbaar oeverland.
Haughtiness, hôtinəs, subst. v. Haughty, hôti, trotsch, fier, hoogmoedig, aanmatigend.
Haul, hôl, subst. haal, trek; — verb. halen, trekken, sleepen, den koers van een schip veranderen, veranderen van richting, zich terugtrekken, komen, gaan: The sheets were —ed home = de schooten werden aangehaald; — the wind = bras het zeil bij den wind; The ship was enabled to — off from the shore = af te houden van de kust; He was —ed over the coals = kreeg een uitbrander; He —ed out a knuckle-bone of ham = haalde voor den dag; —age = trekkracht; transportkosten; —er = soort hengel.
Haulm, hôm, halm, stroo.
Haunch, hônš, hânš, dij, lendestuk, bout.
Haunt, hônt, hânt, subst. dikwijls bezochte plaats, verblijfplaats; — verb. omgaan, verkeeren, bezoeken of kwellen (v. een geest): This house is —ed = het spookt in dit huis; —er = stamgast; druk bezoeker.
Haut, hôt, weekmarkt; el (Indië).
Hautboy, houbôi, hobo.
Havan(n)a(h), həvana, Havana(sigaar); Havanese, havənîz, havənîs, subst. bewoner(s) van H.; adj. van Havana.
Have, hav, hebben, bezitten, houden, bij zich hebben, genieten, ontvangen, ondervinden, dulden, laten, te pakken hebben, bedriegen, beetnemen: — at him, boys! = pakt hem, raakt hem, jongens! — a care = pas op! To — the ear of the House = tot die sprekers in ’t Huis behooren, naar wie gaarne geluisterd wordt; Let us — lots of room here = maak hier eens flink ruimte; — done = schei uit; I had as lief die as be a slave = zou evenlief sterven; I had rather do that = dat zou ik liever doen; Do well and — well = die wel doet wel ontmoet; You can’t eat your cake and — it = je kunt niet het midden en de beide einden hebben; As Shakespeare has it = zooals S. zegt; As the mood has the reader = al naar de lezer gestemd is; I — no money about me = ik heb geen geld bij mij; — the tea-things away = ruim weg; You — nothing for it but to go = je kunt niet anders doen dan, er zit niets anders op; He had on his best coat = droeg; He had his watch out = haalde voor den dag; I’ll — it out of you = zal je wel krijgen, het je wel inpeperen; I will — it out with you before I go = met je afrekenen.
Havelock, havlok, sluier (tegen zonnesteek in de Tropen); soort mantel.
Haven, heiv’n, subst. haven, veilige ligplaats, schuilplaats; — verb. eene schuilpl. bieden.
Haver, havə, haver; — verb. wauwelen, raaskallen (Schotl.); —sack = knapzak, ransel, reiszak; —s, heivəz = onzin.
Haverhill, heivəhil (Amer.), havəhil.
Havildar, havildâ, Inlandsch sergeant (Brit. Ind.).
Having, haviŋ, bezitting, eigendom; —s = (goed) gedrag (Zie Havers).
Havoc, havək, subst. verwoesting, vernieling; de kreet der krijgslieden wanneer geen kwartier werd gegeven; — verb. verwoesten, vernielen, dooden: To cry —; The boys have played — with my furniture = mijne meubels vernield.
Haw, hô, interj. hu! ö! subst. haag; hof, grasland in een dal; bes van de haagdoorn; aarzeling, hapering; — verb. haperen, ö - - ö zeggen, aarzelen; door hu! te roepen een paard links wenden (Amer.): He spoke in his —-—-style = hij sprak op zijne “ö ö” manier; He was a —-— swell = geaffecteerd, lijmerig sprekend fatje; I felt —, like a fish out of water = ik voelde mij zoo lam en lusteloos; It is — and gee here, instead of woo and gee in the old country = aansporing naar links of rechts te gaan (Zie Gee).
Hawaiian, hawaij’n, bewoner, taal van Hawaii; Hawaii, hawaii.
Hawbuck, hôbɐk, kinkel.
Hawarden, hô-âd’n, hâd’n; Haweis, hôis; Hawes, hôz.
Hawfinch, hôfinš, appelvink.
Haw-haw, hôhô; Zie Ha-ha en Haw.
Hawk, hôk, subst. havik, valk; zwendelaar, bedrieger; schrapende hoest; — verb. met valken jagen, als een valk vliegen, jacht maken op; schrapen; rondventen; —’s-bill = haviksbek; —-eyed = met scherpen blik; —-moth = sfinx, avondvlinder; —-nosed = met arendsneus; —er = marskramer; valkenier.
Hawik, hôik; Hawkesworth, hôkswəth.
Hawse, hôz, kluisgat: Athwart (the) — = dwars voor den boeg; He has crossed my — = hij is mij dwars voor den boeg gekomen; To ride — fallen (— full) = waterscheppen door de kluisgaten bij het op zijn anker rijden van een schip in stormweer; —-hole, (—-pipe) = kluisgat: He came in at the —-holes = hij is van gewoon matroos opgeklommen, van onderop begonnen; —r = kabel, tros.
Hawthorn, hôthön, hagedoorn.
Hawthorne, hôthön.
Hay, hei, hooi, haag, boerendans: To make — = hooien: Make — while the sun shines = smeed het ijzer, terwijl het heet is; He was making — in his papers = gooide zijne papieren door elkaar; This boy is always making — with (of) his hair = maakt altijd zijne haren in de war; —-asthma, (—-fever) = hooiasthma (hooikoorts); —-box = hooikist; —-cock = hooiopper; —-field = hooiland; —-fork = hooivork; —-loft = hooizolder; —-knife = hooisteker; —-maker = hooier; boerendans; —-market; —-mow = hooiberg, hooirook (in eene schuur); —-rick = —stack; —-seed = graszaad; boerenlummel: You didn’t see any — in my hair? = zag ik er zoo lummelachtig uit? —stack = hooiberg; Amer. fighting-top, waarbij de mast door traliewerk is vervangen; That is like looking for a needle in a —stack = onbegonnen (monniken) werk.
Hayes, heiz.
Hazard, hazəd, subst. kans, toeval, gevaar, dobbelspel, stoot om te stoppen (bij ’t biljartspelen), stopbal, waarbij a winning — is, als de bal der tegenpartij, en a losing —, als des spelers bal gestopt wordt; — verb. gevaar loopen, wagen, in gevaar brengen: He did it at the — of his life = met gevaar voor zijn leven; To put to the — = op het spel zetten; I intend to run the — = de kans te wagen; —er = waaghals; —ous = gevaarlijk, gewaagd; subst. —ousness.
Haze, heiz, subst. damp, mist, waas, nevel, duisterheid, onduidelijkheid; — verb. misten; pesten, plagen en straffen met overwerk (matrozentaal), kastijden, berispen; pret maken, rondzwieren; in ’t ootje nemen, groenen.
Hazel, heiz’l, subst. hazelaar; adj. lichtbruin, hazelkleurig; —-earth = mengsel van zand en klei; —-eyed = met lichtbruine oogen; —-nut = hazelnoot; —-tree; —-wood.
Haziness, heizinəs, subst. v. Hazy, mistig, nevelig, duister, aangeslagen, aangeschoten, beneveld.
He, hî, he!
He, hî, subst. man; vn.w. hij; adj. mannelijk, mannetjes....
Head, hed, subst. hoofd, kop, kruin, top, opperhoofd, haar, gewei, persoon; eereplaats, hoofdeind, bron, de zijde v. munt of medaille met den kop erop, verstand, doorzicht; getal, onderwerp, gelaat, pak vlas, rijpe deel van eene zweer of puist, schuim op dranken, watermassa (voor een molen), beschikbare stoom; adj. eerste, voornaamste, hoofdzakelijk, hoofd...; — verb. van den kop berooven, bekappen, van een kop voorzien, den kop vormen, aanvoeren, zich aan het hoofd stellen, aan het hoofd zitten, zich stellen tegenover, tegenwerken, afsnijden, openen, het eerst staan op, met het hoofd wegstooten, een kop vormen, ontspringen (Amer.), een koers hebben, enz.: Five — of cattle = stuks vee; A fine — of hair = kop met haar; The —s of a speech = onderafdeelingen; The —s of an accusation = punten van aanklacht; The army is a serious — of expenditure in Germany = een zware post van uitgaven; He fell —-first, —-foremost into the water = hals over kop; —-on = —-first = recht tegenover; I fell into it — and ears = heelemaal; He is in debt over — and ears = tot over de ooren; He rose — and shoulders above them = stak een heel eind boven uit; He came down — over heels from the tree = viel holderdebolder; To carry a grey — on green shoulders = jong blijven; Give him his — = laat hem zijn gang gaan; Give the horses their —s = vier de teugels; To have a long — = ver vooruit zien; They laid their —s together = overlegden, staken de hoofden bij elkaar; It is easy to make — against that accusation = te weerleggen; He made — against the enemy = hield stand tegen; I cannot make — or tail of it = kan er geen touw aan vast maken; To take the — = de leiding nemen; steigeren, koppig zijn; That seems to have turned your — completely = je hoofd geheel op hol te hebben gebracht; Then things came to a — = bereikten een crisis; The ulcer has come to a — = is rijp geworden; He did it of his own — = uit eigen beweging; He hit the right nail on the — = sloeg den spijker op den kop; It is on your —s to tell it me = ik bezweer jullie; It keeps running in my — = maalt me door het hoofd, is me steeds in de gedachten; The ship was running under a full — of steam = stoomde met volle kracht; I see through the back of your — = ik doorzie u geheel; The wine went into his — = steeg hem naar het hoofd; The hedges and bushes must be —ed down = moeten gesnoeid worden; She tried to — off the spider = te vangen, te pakken (door haar den pas af te snijden); When I approached the subject, he would — me off = placht hij mij er af te brengen; The boat was —ing towards the ship = stuurde in de richting van; —ache = hoofdpijn; —-band = hoofdverband, kapitaalband (boekb.); — verb. kapitalen; —-boy = primus; —-butler = eerste huisbediende; —-cheese = hoofdkaas; —-clerk = chef, boekhouder; —-dress = kapsel; —-fast = boegtouw; —-gear = hoofdtooisel, hoofdstel (v. paarden); —-hunter = koppensneller; —-land = voorgebergte, kaap; braakland; —-light = licht (vooraan de locomotief); —-line = aanvangsregel, titel; horentouw; ratouw (scheepst.); —long = hals over kop, met het hoofd vooruit, plotseling, roekeloos, gedachteloos, steil: I always write —long = zoo maar weg; —man = hoofdman, onderbaas, werkbaas, mandoer; —master = hoofd, directeur, rector; —mastership = de betrekking van hoofd, directoraat, rectoraat; —mistress = directrice; —-money = hoofdgeld; —most = voorste; —-mould = schedel, vorm van het hoofd; —-moulding = lijstwerk (boven deur of venster); —-piece = hoofd, kop, helm, stormhoed; oorijzer; kopstuk, knappe kop; verstand; —-post = paal bij de ruif; —-quarters = hoofdkwartier; —-rest = steun voor het hoofd (bij photographeeren); kussen; —-sail = vóórzeil; —-sea = stortzee; —shake = beteekenisvol schudden met het hoofd; —-ship = hoogste waardigheid; —sman = beul, scherprechter; mijnwerker, die de kolen naar de plaats brengt vanwaar ze vervoerd worden; —-stall = hoofdstel; wollen mutsje (Amer.); —-stone = hoeksteen, sluitsteen, grafsteen (rechtopstaande aan het hoofdeinde van het graf); —strong = koppig, onhandelbaar; —-voice = kopstem; —-waiter = oberkellner; —-water = bovenloop; —-way = vaart, gang, vooruitgang: We have been making —-way of late = wij zijn in den laatsten tijd goed opgeschoten; —-wind = tegenwind; —-word = hoofdwoord; —-work = werk met het hoofd, intellectueele arbeid; ornamenten op steenen; —-workman = vóórman, werkbaas; —er = sprong of onderduiking met het hoofd voorover; steen uit een koplaag, speldeknopmaker, kaker, kaakmachine; —iness = koppigheid; —ing = titel, opschrift, eerste regel als voorbeeld, schuim; —y = koppig (ook v. dranken), overijld.
Heal, hîl, gezond maken, heelen, genezen, van schuld vrijspreken, bijleggen; —-all = geneesmiddel tegen alle kwalen; —able = geneesbaar; The —ing art = geneeskunde.
Heald, hîld, weefhaak.
Health, helth, gezondheid, heil, welzijn: Bill (Certificate) of — = gezondheidspas; Clean bill of — = schoone lei (fig.); Board of — = gezondheidscommissie; Officer of — = inspecteur van de volksgezondheid; The public —; He is out of — = ongesteld; Your — = santé! —-committee = gezondheidscommissie; —-insurance = ziekte-, en invaliditeitsverzekering; —-officer = ambtenaar van den gezondheidsdienst; —-resort = badplaats, kurort; —ful = gezond, heilzaam; subst. —fulness; —iness, subst. v. —y = gezond, krachtig, heilzaam.
Heam, hîm, nageboorte bij vee.
Heap, hîp, subst. hoop, menigte: — verb. ophoopen, opstapelen: All of a (on a) — = allemaal door elkaar; He was struck all of a — = stom van verbazing; —s of = volop, een hoop.
Hear, hîə, hooren, luisteren, letten op; overhooren, verhooren; —, —, cried some members = bravo (of hei, hei!) riepen sommige leden; Shall we never — the last of it = houdt dat praatje dan nooit op? He —d us our lessons = overhoorde; —say = praatjes, geruchten; I have it by (from) —say, on —say evidence = van hooren zeggen; —er = hoorder; Hearing = gehoor, gehoorsafstand, verhoor, onderzoek: Dullness of — = hardhoorigheid; Hard (Thick) of —; Quick of — = fijn van gehoor; Hardness of — = hardhoorigheid; He is within (out of) — = hij kan ons wel (niet) hooren, wij kunnen hem wel (niet) beroepen; I promise you a fair — = dat men u zal laten uitspreken, en billijk zal beoordeelen, wat ge zegt.
Hearken, hâk’n, luisteren, letten op.
Hearne, hɐ̂n.
Hearse, hɐ̂s, subst. lijkwagen; — verb. kisten (van een lijk), naar het graf brengen (in eene lijkkoets); —-cloth = baarkleed.
Heart, hât, hart, wil, moed, vuur, gloed, angst, verlangen, binnenste, harten (in ’t kaartspel): What the — thinks the mouth speaks = waar het hart vol van is, loopt de mond van over; After their own —s = naar hartelust; He is brave at — = in den grond is hij dapper; — alive, how we laughed = goeie hemel! I would not for my — do it = ik deed het om den dood niet; In his — of —s = in het binnenste van zijn hart; The grass was plentiful and in good — = uitstekend; To be — and mind interested in = met hart en ziel; My — failed me = de moed ontzonk mij; Her — leaped to her mouth = ze ontroerde hevig; His — sank low (into his boots) = zonk hem in de schoenen; It broke his mother’s — = zijne moeder het hart; He could not find it in his — to go there = hij kon het niet van zich verkrijgen; Try to get (learn) this lesson by — = van buiten te leeren; To have the — = het hart, den moed hebben; To have a — of gold; To have at — = beoogen; I had it in my — to tell you so = was van plan; On seeing this I had (felt) my — in my mouth = toen ik dat zag, was ik bijna buiten mijzelf van schrik; Keep a good —, man! = houd moed; If it were not so serious I could laugh my — out = me doodlachen; To lay to — = ter harte nemen; He put some — into me = sprak mij moed in; Set your — at rest about that = wees daaromtrent maar gerust; He had set his — on seeing her = hij had er zijne zinnen op gezet; It spoke to my — = het sprak tot mijn hart; To take to — = zich aantrekken, ter harte nemen; Take this lesson to — = neem ter harte; He took (summoned) — of grace, and did it (to do it) = hij vatte moed; That man wears his — on his sleeve = draagt zijn hart op de tong; —-ache = zielesmart; —-blood of —’s-blood = hartebloed (ook fig.); —-break = hartzeer; —-breaker = wat het hart breekt, soort v. krul of lok; —-broken = verpletterd; —-burn, subst. zuur (in de maag); —-burning = ontevredenheid, ergernis, vijandschap; adj. ontevredenheid of jaloerschheid veroorzakend; —-complaint, —-disease = hartziekte; —-failure = hartverlamming; —-felt(ly) = diep, oprecht, innig; —-rending = hartverscheurend; —’s ease = driekleurig viooltje; —-sick = diep bedroefd, zwaarmoedig, hartzeer gevoelend; —-sickening = bedroevend; —-sickness = zwaarmoedigheid; —-sore = hartzeer, groote smart; —-string = hartzenuw; meest. mv. en fig.; —-struck = getroffen; —-thrilling; —-touching = hartroerend; —-whole = met vrij, niet door de liefde getroffen hart; —en = aanmoedigen, bezielen; —iness = hartelijkheid, ijver, vuur, gezondheid; —less = harteloos, laf, flauw; subst. —lessness; —y = hartelijk, oprecht, ijverend (for, in), opgewekt, voedzaam, flink, stevig: Do it, that’s my —y = doe het, dan ben je een bovenstbeste!
Hearth, hâth, haard, haardstede, huiselijke kring, familie; —-broom, —-brush = haardstoffer; —-money = belasting op de stookplaatsen; —-rug = haardkleedje; —-stone = haardplaat; schuursteen.
Heat, hît, subst. hitte, warmte, vuur, gloed, heftigheid, hooge kleur, loop (in een wedstrijd), loopschheid, heete (bijtende) smaak; — verb. verhitten, warm maken, opwekken, warm worden, broeien: You cannot realise the white — of his wrath = zijne groote woede; His nature was at white — = was in gloed; He wrote this novel almost at a — = “aus einem Guss”, uit één stuk; —-wave; —er = verwarmer, verwarmingstoestel, voorwarmer, ijzeren bout (in een strijkijzer).
Heath, hîth, heide, vlakte, Erica of heidebloempje; —-cock = korhaan; —-game = korhoenders; —-hen = korhen; —-pout = korhaan; —en, hîdh’n, subst. heiden, barbaar, afgodendienaar; adj. heidensch, onbeschaafd, barbaarsch; —endom = heidendom; —enish = heidensch, ruw, wreed; —enism, hîdhənizm, heidensche toestand, barbaarschheid, ruwheid.
Heather, hedhɐ, heide(kruid); —-bell = gewone dopheide; —-tuft = heidetrosje; —y.
Heave, hîv, subst. rijzing, zwelling, deining, poging tot braking, zucht, worsteling; — verb, opheffen, verheffen, deinen, slaken, neerwerpen, ophijschen, hijgen, zwoegen, poging doen tot braken: —s = dampigheid; To — the lead = looden (peilen); She —d a sigh = slaakte een zucht; The ship hove in sight = kwam in ’t gezicht; To — about = over stag gaan; To — down = kielhalen; — down the sails = strijk, haal neer de zeilen; — out the sails = gooi de zeilen los; To — to = bijdraaien; — up = vomeeren: Let us — up that design = laten we dat plan laten varen; —r = hefboom; losser: Coal-—r.
Heaven, hev’n, hemel, lucht: To be in the (a) seventh — = in den zevenden hemel; He moved — and earth to get it = wendde alles aan; It smells to — = schreit; The — may fall, and we may have larkpie for supper; Zie Lark; — of —s = de hemel der hemelen; —-born = van den hemel gedaald, hemelsch; —-bred = van goddelijken oorsprong; —-directed = door den hemel bestuurd, ten hemel wijzend; —-gate = hemelpoort; —-gifted = door den hemel geschonken; —high = hemelhoog; —liness, subst. v. —ly = hemelsch, goddelijk, uitstekend, voortreffelijk; van den hemel; —ly-minded = hemelschgezind, vroom; subst. —ly-mindedness; —-sent = door den hemel gezonden; —ward(s) = hemelwaarts.
Heaviness, hevinəs, subst. v. Heavy, hevi, zwaar, gedrukt, droevig, zwaarmoedig, slaperig, suf, vervelend, dreigend, niet behoorlijk gerezen (van brood), vol (van wijnen), hevig, groot, hoogstaand, slecht, dampig: The officers of the heavies = de officieren der zware cavalerie; —-armed = zwaar gewapend; He did the — business, i.e. van den —man = speelde de père noble rollen; — cavalry = zware ruiterij; A — father kind of man = iemand met het gewichtige van een père noble; —-gaited = met moeielijken, langzamen gang; —-handed = lomp, despotisch; —-laden = zwaargeladen; —-lidded = met zware, hangende oogleden; A — loss; —-spar = zwaarspaath; — type = vette letter; —-weight = zwaargebouwd bokser, of renpaard; jockey voor dat paard; gewichtig persoon (fig.); His life hangs — (up)on his hands = valt hem zwaar.
Hebdomadal, hebdoməd’l, wekelijksch; Hebdomadary, hebdoməd’ri, subst. lid van een kapittel of klooster, die den weekdienst in het koor heeft; adj. wekelijksch.
Hebe, hîbî, Hebe.
Hebetude, hebitjûd, stompheid, sufheid.
Hebraic(al), hîbreiik(’l), Hebreeuwsch; Hebraism, hîbrəizm, Hebreeuwsche spreekwijze of gewoonte; Hebrew, hîbrû, subst. en adj. Hebreeër, Hebreeuwsche taal; —-wise = in tegengestelden zin.
Hebridean, Hebridian, hibridj’n, tot de Hebriden behoorende; Hebrides (The), dhəhebridîz.
Hecate, hekətî, Grieksche godin.
Hecatomb, hekətom, hekətûm, offerande van honderd ossen of andere beesten, groote offerande.
Heck, hek, ruif, boven en onderdeur, klink, bocht of kromming in een stroom.
Heckle, hek’l (Zie Hackle), een verkiezingscandidaat scherp ondervragen; Heckling meeting = meeting met debat, waarin een candidaat onder het mes genomen wordt (Schotl.).
Hecla, heklə.
Hectare, hektêə, hectare, ongeveer 2,471 acres.
Hectic, hektik, teringachtig; subst. = —-fever = teringkoorts, teringblos.
Hectogram(me), hektəgram, hectogram.
Hectolitre, Hectoliter, hecktəlîtə, hektolitə, hectoliter.
Hectometre, Hectometer, hektəmîtə, hektomitə, hectometer (328 feet).
Hector, hektə, subst. snoever, vechtersbaas; — verb. snoeven, bluffen, onbeschaamd behandelen: He —ed it out of me = hij kreeg het uit mij door brutaliteit (Vergel. He —ed me out of it = kreeg het van mij door br.); He —ed over me = negerde, donderde mij.
Hectostere, hektəstîə, 100 kubieke meters (ruim 3531,4 cubic feet).
Hecuba, hekjuba.
Hederal, hederel, klimopachtig; Hederiferous, hedərifərɐs, klimopdragend, voortbrengend.
Hedge, hedž, subst. heg; adj. slecht, gemeen, heimelijk; — verb. met een heg omgeven, insluiten, omheinen, op verschillende kansen tegelijk wedden, zich koest houden: Over — and ditch = over heg en steg; You are on the wrong side of the — = gij hebt het mis, zijt verkeerd; —-berry = vogelkers; —-bill = snoeimes; —-born = van lage geboorte; onecht; —-creeper = landlooper; —hog = egel; —hog thistle = nopal; vijgdistel; —-hyssop = genadekruid; —-marriage = geheim huwelijk; —-parson, —-priest = hageprediker; —-row = haag; —-school = hageschool (boerenschool, vroeger in Ierland in de open lucht gehouden); —-schoolmaster = meester van die school; —-sparrow = bastaard-nachtegaal; —-stake = heiningpaal, stut; —-writer = prulschrijver; —r = haagmaker, haagsnoeier.
Hedonism, hîdənizm, hedənizm, de leer, dat genot het levensdoel is: You are right from a hedonistic point of view = als het leven slechts genot is hebt gij gelijk; Hedonist = aanhanger van die leer.
Heed, hîd, verb. zorgvuldig letten op, gadeslaan; subst. zorg, oplettendheid, omzichtigheid: Take — = pas op; He —ed my words = lette op en deed naar; —ful = opmerkzaam, behoedzaam; subst. —fulness; —less = achteloos, onbezonnen, onverschillig; subst. —lessness.
Hee-haw, hî-hô, balken.
Heel, hîl, subst. hiel, hak, knobbel, korst, knop, laatste stuk, overhelling naar eene zijde; — verb. een hak of hiel zetten aan, van een hiel of spoor voorzien, overhellen, op de hielen zitten; van geld voorzien (Amer.); krengen (scheepst.): He went at it —s over head = hals over kop, onbezonnen, roekeloos; Neck and —s = in de volle (lichaams)lengte; The police are at (upon) his —s = zit hem op de hielen; His shoes are down at —s, out at —s = afgetrapt, versleten; To cool one’s —s = lang (moeten) wachten; To fling up one’s —s = achteruit slaan, uit den band springen, dansen; To keep to — = achter zijn meester aanloopen (v. honden); To kick up one’s —s (Zie Fling up); To kick one’s —s = wachten; They were laid by the —s = zij werden geboeid, gevangen genomen; The enemies showed their —s, took to their —s = lieten de hielen zien, zetten het op een loopen; To stick to — = achter blijven loopen; He always treads upon a man’s —s = volgt een mensch gelijk zijne schaduw; To turn up the —s = doodgaan; —-ball = mengsel van harde was en lampzwart, om de hielen glad, of afdrukken van koperen gedenkplaten te maken; —-piece, subst. achterlap, hakstuk; —-tap, subst. staartje (in een glas); een der laagjes leer waaruit de hak bestaat: No —-taps! = uitdrinken!
Heft, heft, gewicht, handvat, poging, grootste deel (Amer.); woning, verblijf (Schotl.); — verb. optillen om het gewicht te bepalen; gewoon worden aan (Schotl.): A Part-—er = acteur, die de beteekenis van zijn rol afmeet naar de lengte; —y = zwaar.
Hegemony, hədžeməni, hedžmoni, hîdzəmoni, hegəmoni, hîgəmoni, hegemonie.
Hegira, hedžərə, Hegira of Hedjra, vlucht van Mahomed uit Mekka (622).
Heifer, hefə, vaars.
Heigh, hei, hai, hei! holà! —-ho = ha, och, o wee!
Height, hait, hoogte, verhevenheid, toppunt, gestalte, lengte: In the — of fashion = naar de laatste mode; We were in London at the — of the season = toen de “season” in vollen gang was; The — of summer = het hartje; Heighten = verhoogen, verheffen, vermeerderen, versterken.
Heinous, heinəs, afschuwelijk, snood, misdadig; subst. —ness.
Heir, êə, subst. erfgenaam, nakomeling; — verb. erven; —-at-law, —-apparent = rechtm. erfgen. of troonopv.; —-general = universeele erfgen.; —-presumptive = vermoedelijke erfgenaam (wiens rechten ophouden, zoo er nog een ander erfgenaam, den bezitter nauwer verwant, geboren wordt); Joint — = mede-erfgenaam; —ess = erfgename; —less = zonder erfgenamen; —loom = erfstuk; —ship = erfrecht.
Held, held, imp. en part. perf. van to hold.
Helen, hel’n, Helena (St.), helənə, həlînə.
Heliac, hîliək, Heliacal, hilaiək’l, met de zon opkomende en ondergaande,
Helianthus, hîlianthəs, zonnebloem.
Helical, helik’l, spiraalvormig; —-spring = spiraalveer.
Helicon, helikon; Heliconian, helikounj’n, tot den Helicon behoorende.
Heligoland, heligəland, Helgoland.
Heliocentric, hîliousentrik, met de zon als middelpunt.
Heliochromy, hîliəkroumi, hîliokrəmi, kleurenphotographie.
Heliograph, hîliəgraf, heliograaf; — verb. heliographeeren; adj. Heliographic(al); Heliography = heliographeeren, heliographie; Heliogravure, hîliəgreivjə, heliəgravûə, heliogravure; Heliometer, hîliomətə, toestel aan kijker om den schijnb. diameter van de zon te bepalen; Helioscope, hîliəskoup, helioscoop.
Heliotrope, hîliətroup, heliotroop (plant, gesteente, astron. instrument).
Helium, hîliəm, helium.
Helix, heliks, hîliks (Meerv. —es, hîliksiz, Helices, helisîz), spiraal, schroeflijn; slakkenhuis of buitenste zoom van het oor; huisjesslak; schelpslak.
Hell, hel, hel, speelhuis: What the — do you want? Where the — are you driving at? To play — and Tommy = de beest spelen; —-cat = feeks = —-hag; —-hated = verfoeid en veracht als de hel; —-hound = helhond, cerberus; —ish.
Hellebore, heləbö, Helleborus, nieskruid.
Hellene, helîn, helîn, Helleen; Hellenian, helînj’n = Hellenic, helînik, Helleensch; Hellenism, helinizm, Hellenisme; Hellenists, helinists, Grieksche joden in Egypte gevestigd, die het Hellenisme tot bloei brachten, Hellenisten; adj. Hellenistic(al); Hellenize, helinaiz, Grieksche gewoonten aannemen, Grieksche idiomen nabootsen.
Hellespont, heləspont.
Helm, helm, subst. roer, helmstok, roer van staat; helm; — verb. besturen: At the — (of) = aan ’t roer (ook fig.); —less = zonder roer of helm; —sman = roerganger.
Helmet, helmət, helm; —ed.
Helminthagogue, həlminthəgog, wormkoekje; Helminthic, həlminthik, wormen verdrijvend (middel).
Helot, helət, hîlət, heloot, slaaf (in het oude Sparta), lijfeigene; —ism = toestand van een heloot; —ry = staat van een heloot; de gezamenlijke heloten.
Help, help, subst. hulp, bijstand, steun, ondersteuning, helper; — verb. helpen, bijstaan, ondersteunen, voorkomen, nalaten, bedienen: There is no — for it = er is niets aan te doen; That is but my second — = ik word pas voor de tweede maal bediend; You give large —(ing)s = groote porties; He couldn’t — himself = kon er niets aan doen; He shan’t go if I can — it = als ik er wat aan doen kan; I couldn’t — attaching myself to him = ik moest me wel aan hem hechten; Thank you for —ing me forward = dat je me zoo vooruit geholpen hebt; He —ed me off with my cloak = hielp mij afdoen; Let me — you off time = laat ik u den tijd helpen verdrijven; He —ed me on with my coat = hielp mij aantrekken; Can’t you — me on = kunt gij mij niet voorthelpen? To — out with = aanvullen met; He —ed me over the stile = hij heeft mij over het hek geholpen; May I — you to a potato = mag ik u geven? He —ed me to my coat = verschafte mij; —mate = helper, helpster, kameraad, echtgenoote = —meet; —er; —ful = hulpvaardig, heilzaam; subst. —fulness; —ing = portie voedsel: I have not yet finished my first —ing of veal = mijne eerste portie kalfsvleesch; —less = hulpeloos, machteloos, radeloos, ongeneeslijk: He was —lessly drunk = stomdronken; subst. —lessness.
Helter-skelter, heltəskeltə, holderdebolder, verward: A — young fellow = onbesuisd.
Helve, helv, steel van een hakmes, bijl, enz.; — verb. van een steel voorzien: That is throwing the — after the hatchet = dat is den steel naar de bijl werpen; —r = handvat.
Helvellyn, helvelin.
Helvetia, helvîšə, Helvetië; —n, helvîš’n, subst. en adj. Zwitser(sch); Helvetic, helvetik, subst. Zwitser; adj. tot Helvetië behoorende.
Hem, hem, subst. “H’m”, korte hoest; zoom, rand, boord; — verb. “h’m” roepen, aarzelen; zoomen, insluiten, omsingelen: —med in with enemies, I knew not what to do = door vijanden van alle kanten ingesloten; My feelings —med in my speech = beletten mij te spreken; —-stitch = zoomsteek.
Hemans, hemənz, hîmənz.
Hematite, hîmətait, hemətait, bloedsteen, rood en bruin ijzererts.
Hemi, hemi, (in samenstellingen) half...: —carp, hemikâp, vrucht (zooals eene perzik) die zich vanzelf in tweeën deelt; —plegia, hemipledža, verlamming aan de eene zijde van het lichaam; —sphere, hemisfîə, halfrond; —tone, hemitoun, halve toon.
Hemlock, hemlok, dolle kervel; —-spruce = Canadeesche (Hemlock) spar.
Hemp, hemp, hennep, werk; —-nettle = hennepnetel; —-seed = hennepzaad: To die of a —en fever = aan de galg sterven.
Hen, hen, kip, hen: Every — must sit on her own nest = ieder moet zijn eigen zaakje opknappen; —-bane = bilzenkruid; —-coop = hoenderhok; —-harm, —-harrier = blauwe kuikendief; —-hawk = kuikendief; —-house = kippenhok; —-peck: He is a —-pecked husband = hij zit onder de plak van zijne vrouw; —-roost = hoenderrek, kippenhok; —nery = kippenloop.
Hence, hens, adv. vanhier, hier vandaan, daardoor komt het dat; interj. weg, ruk uit; A week — = over eene week; — I am sad = dat is de reden mijner droefheid; (From) —forth, hensföth, — forward, hensföwəd, hensföwəd, voortaan.
Henchman, henšm’n, vroeger een bediende of page; betaalde politieke aanhanger, handlanger.
Hendecagon, hendekəgon, elf hoek.
Hendecasyllable, hendəkəsiləb’l (vers)regel van elf lettergrepen; adj. Hendecasyllabic.
Henriette, henrietə. Henry, henri.
Hent, hent, grijpen, pakken.
Hepatic(al), hipatik(’l), lever..; Hepatite, hepətait, hîpətait, leversteen; Hepatitis, leverontsteking; Hepatocele = leverbreuk.
Heptachord, heptəköd, reeks van zeven noten, zevensnarig instrument; Heptagon, heptəgon, zevenhoek; Heptahedral, heptəhîdr’l, zevenzijdig; Heptahedron, heptəhîdr’n, zevenzijdige figuur; Heptangular, heptaŋgjulə, zevenhoekig; Heptarchy, heptâki, heptarchie; Heptastich, heptəstik, zevenregelig vers; Heptateuch, heptətjûk, de eerste zeven boeken van het O. Testament.
Her, hɐ̂, bez. en pers. voorn.w., haar.
Heracl(e)id, herəkl(a)id, Heraclide; Heracl(e)idan, herəklaid’n, subst. afstammeling van Hercules; adj. tot de Heracliden behoorende.
Herald, her’ld, subst. heraut, wapenheraut, bode, voorlooper; — verb. aankondigen, verkondigen: —s’ college = Hooge Raad van Adel, bestaande uit den Earl Marshal, 3 kings-at-arms en 6 heralds; —ic, həraldik, wapenkundig; —ry, her’ldri, wapenkunde, praal; ambt van heraut = —ship.
Herb, hɐ̂b, gras, kruid (éénjarig); —-woman = groentevrouw; —aceous, hɐ̂beišəs, tot de kruiden behoorende, plantenetend; —age, hɐ̂bidž, de gezamenlijke kruiden of grassen, gras, weide, weiderecht; —al = kruiden - -, planten - -; subst. kruidenboek, herbarium; —alist = kruidenkenner, plantenverzamelaar, handelaar in geneeskrachtige kruiden; —arium, hɐ̂bêriəm, plantenverzameling, herbarium; —iferous, hɐ̂bifərɐs, planten voortbrengend; —ivora, hɐ̂bivərə, plantenetende dieren; enkelv. —ivore; —ivorous, hɐ̂bivərɐs, plantenetend; —orize = botaniseeren.
Herculean, hɐ̂kjûlj’n, herculisch, buitengewoon sterk, groot, moeilijk of gevaarlijk; Hercules, hɐ̂kjulîz, Hercules: — beetle = Herculeskever.
Hercynian, hɐ̂siniən: — forest = groot bergwoud.
Herd, hɐ̂d, subst. kudde, troep, zootje herder, hoeder; — verb. in kudden leven zich vereenigen, hoeden, oppassen: To — cattle; —-book = rundveestamboek; —’s-grass = weidegras; —’s-man = veehoeder = —er (Amer.) ook (fig.).
Here, hîə, hier, bij deze gelegenheid: —’s to J.! = daar gaat (= ik drink op) J.; It was Sir P. —, Sir P. there, Sir P. everywhere = vóór en na; It’s Mr. D. —, and Mr. D. there; That is neither — nor there = dat hoort er niet bij, doet niets tot de zaak af; — you are = alstublieft; —about(s) = hieromtrent, hier in de buurt; —after = subst. het hiernamaals; adj. aanstaande, toekomstig; adv. hierna, voortaan; —at = hierbij; —by = dichtbij; —in = hierin; —of, hiervan, hier vandaan; —on = hierop; —to = hiertoe, hierbij; in overeenstemming hiermede; —tofore = eertijds, vóór dezen; —upon = hierop; —with, —widh, hiermede, bij deze(n).
Hereditable, həreditəb’l, erfelijk; Hereditament, herəditəment, həreditəment, erfgoed; Hereditary, həreditəri, erfelijk, overerfbaar (van ziekte), erf..; Heredity, hərediti, erfelijkheid, overerving.
Hereford, herfəd.
Heresiarch, herəsiâk, hərîsiâk, aartsketter, ketterhoofd; Heresy, herəsi, ketterij; Heretic, herətik, ketter; Heretical, həretik’l, kettersch.
Heriot, heriət, schatting, aan den landheer te betalen bij den dood van den pachter.
Herisson, heris’n, Spaansche of Friesche ruiter (Mil.); egel (Herald.).
Heritability, heritəbiliti, erfgerechtigdheid, erfelijkheid; adj. Heritable; Heritage, heritidž, erfenis, erfdeel.
Hermaphrodite, hɐ̂mafrədait, subst. tweeslachtig dier of plant; adj. tweeslachtig; adj. Hermaphroditic(al), hɐ̂mafrəditik(’l), Hermaphroditism, hɐ̂mafrədaitizm.
Hermeneutic(al), hɐ̂mənjûtik(’l), uitleggend, verklarend; Hermeneutics, hɐ̂mənjûtiks, uitlegkunde (vooral van de H. Schrift).
Hermes, hɐ̂mîz, Hermes.
Hermetic(al), hɐ̂metik(’l), hermetisch, luchtdicht.
Hermione, hɐ̂maiənî.
Hermit, hɐ̂mit, kluizenaar; adj. Hermitical; Hermitage, hɐ̂mitidž, kluis, soort Fransche wijn (wit of rood).
Hernehill, hɐ̂nhil.
Hernia, hɐ̂niə, breuk; adj. —l; Herniology, hɐ̂niolədži, leer van —, verhandeling over breuken.
Hern(shaw), hɐ̂n(šô), jonge reiger.
Hero, hîrou, held, halfgod; —-worship = heldenvergoding; —ic, hirouik, heldhaftig, helden...: He goes into —ics = vervalt in bombastische taal; —ic age = de heldentijd; —ic treatment = drastische behandeling (van een ziektegeval); —ic verse = versregel van vijf jamben (bij de modernen), hexameter (bij de ouden); —ine, herouin, heldin; —ism, herouizm, heldenmoed; —-ship = heldendom.
Herodians, həroudj’nz, partij van Herodes (= Herod, herəd: Matth. XXII, 15 en 16).
Heron, her’n, Hern, hɐ̂n, reiger; —ry = reigerhut.
Herpes, hɐ̂pîz, vlecht (huidziekte).
Herpetology, hɐ̂pətolədži, leer van de kruipende dieren.
Herring, heriŋ haring: Fresh — = panharing; Pickled — = pekelharing; Red — = bokking, Zie Aniseed-bag; Such an inquiry should not end in a savour of red — = zulk een onderzoek moet niet eindigen onder de verdenking, dat de jury listig op een dwaalspoor is gebracht; I suppose that line will be your red — with the jury = met die argumentatie zul je de jury het spoor bijster willen maken (hoofdzaak en bijzaak willen doen verwarren); Vinegared — = zure; —-bone = haringgraat, diagonale dwarssteek, diagonaal metselwerk; —-buss = haringbuis; —-fishery = haringvisscherij; —-pond = de (Atlantische) Oceaan (Amer.): To cross the —-pond = oversteken naar Amerika; gedeporteerd worden.
Herrnhuter, hɐ̂nhûtə, Hernhutter.
Hers, hɐ̂z, de of het hare, van haar; She was by herself = alléén.
Herse, hɐ̂s, hekel of hamei.
Hertford, hâfəd; —shire, hâfədšə = Herts, hâts.
Hertha, hɐ̂thə, Oud-Noorsche godin der aarde.
Hervey, hɐ̂vi.
Hesiod, hîsiod, Hesiodus; adj. —ic, hîsiodik.
Hesitate, heziteit, hesiteit, aarzelen, weifelen, stamelen; Hesitation, heziteiš’n, hesiteiš’n, aarzeling, weifeling, hapering; adj. Hesitative.
Hesper(us), hespər(əs), avondster; Hesperia(n), hespîriə(n), subst. (bewoner van) Hesperië of het Avondland; adj. westelijk; Hesperides, hesperidîz, de Hesperiden.
Hesse, hes, Hessen; Hessian, heš’n, subst. bewoner van Hessen; politieke huurling (Amer.); adj. tot Hessen behoorende: — boot = hooge rijlaars met kwastjes van voren; — fly = eene kleine mug, wier larve in plantenuitwassen leeft (Cecidomyia).
Hest, hest, bevel, gebod.
Heter(o), hetə(rou) (in samenstellingen), anders, vreemd, verschillend: —oclite, hetərəklait, subst. en adj. onregelmatig gebogen (woord); —odox, hetərədoks, onrechtzinnig, kettersch; —odoxy, hetərədoksi, ketterij, onrechtzinnigheid; —ogeneous, hetərədžîniəs, ongelijksoortig; —ogenesis, hetərədženəsis, voortbrenging van nakomelingen verschillend van de ouders.
Hetman, hetm’n, hetman.
Hew, hjû, houwen, hakken, vellen.
Hewes, hjûz; Hewitt, hjûwit.
Hex(a), heks(ə), (in samenstellingen), zes; —adactylous, heksədaktiləs, met zes vingers of teenen; —agon, heksəgon, zeszijdige figuur, zeshoek; —ahedral, heksəhîdr’l, zeszijdig; —ahedron, heksəhîdr’n, zeszijdig lichaam, kubus; —ameter, heksamətə, subst. zesvoetige versregel; Hexametric(al), met zes voeten; —angular, heksaŋgjulə, zeshoekig; —apod, heksəpod, zespootig insekt; —astich, heksəstik, zesregelig gedicht; —astyle, heksəstail, tempel of gebouw met zes zuilen in het front.
Hey, hei, ha, hei, hoera! It is — for R. now = Het is nu: vooruit naar R.: —-day, heidei, he! subst. toppunt, storm: — Presto! Change! = Rrrt! iets anders!
Hezekiah, hezəkaiə, Hiskia.
Hi, hai, he!
Hiatus, haieitəs, gaping, leemte, hiaat.
Hiawatha, haiəwâthə, haiəwôthə.
Hibernate, haibɐ̂neit, den winter in slapenden of verstijfden toestand doorbrengen (van dieren); overwinteren; subst. Hibernation.
Hibernia, haibɐ̂njə, Ierland; —n, haibɐ̂nj’n, subst. Ier; adj. Iersch; Hibernicism, haibɐ̂nisizm, Iersch idioom; Hiberno-celt, haibɐ̂nouselt, Iersche Kelt; Hiberno-Celtic = Oud-Iersch.
Hiccough, Hiccup, hikɐp, subst. hik; — verb. den hik hebben.
Hickery pickery, hikəripikəri, mengsel van gestampte kaneelbast en aloe = Hicra picra.
Hickory, hikəri, hickoriehout, witte N. Amer. walnotenboom; adj. taai en sterk (Amer.): — shirt (shorts) = hemd (onderbroek) van gestreept katoen.
Hid(den), hid(’n), imp. en p.p. van to hide: The spaces of the Hid = het onbekende land.
Hidalgo, hidalgou, Hidalgo.
Hidder and shidder, hidəran(d)šidə, hij en zij, mannetje en wijfje.
Hide, haid, subst. huid, zweep, oude landmaat: I have curried his — = I gave him a good hiding = ik heb hem goed afgerost; —-bound = met strakke huid of bast; bekrompen: You cannot fatten a — colt = een veulen met strakke huid; That is — conservatism = star, bekrompen conservatisme.
Hide, haid, verbergen, geheim houden, ranselen, verborgen zijn, zich schuil houden, bedekken: To — one’s face = zijn aanschijn verbergen, zijn gunst onttrekken, niet achtslaan op; zich schamen; I will — my face from it = zal het over het hoofd zien; The children were playing at —-and-seek = de kinderen waren aan het verstoppertje spelen; Hiding, haidiŋ, het verbergen, schuilplaats; pak ransel: He was in — there = hield zich daar schuil; —-place = schuilplaats.
Hideous, hidjəs, leelijk, afzichtelijk; subst. —ness.
Hie, hai, zich haasten.
Hiemal, haiəm’l, winter....
Hierarch, hairâk, opperpriester, kerkvoogd; —al, hairâk’l, hairɐ̂k’l = Hierarchic(al), haiərâkik(’l) = hierarchisch; —y = priesterregeering, kerkheerschappij; Hieratic(al), hairatik(’l), hiëratisch, priesterlijk.
Hieroglyph, hairəglif, subst. hiëroglief; adj. Hieroglyphic(al).
Hierophant, hairəfant, haierəfant, hoogepriester.
Hifalautin, haifəlôtin. Zie High-faluting.
Higgle, hig’l, rondventen, afdingen, zaniken of vallen over kleinigheden, vitten; —r = afdinger, venter.
Higgledy-piggledy, hig’ldipig’ldi, onderstboven, in volkomen verwarring, overhoop; subst. verwarde hoop.
High, hai, hoog, verheven, machtig, edel, aanmatigend, hevig, sterk riekend, pikant, scherp: The Most — = de Allerhoogste; This word must be written with a — M = groote M.; — and dry = hoog en droog; geborgen, in zekerheid; vastgezet, in ’t nauw gebracht: These people are — and dry conservatives = ouderwetsche, onvervalschte; With a — hand = uit de hoogte, brutaal, onbeschaamd; — Bailiff = vroeger voor Sheriff en Mayor gebruikt, baljuw; It is — day = klaar dag; That is all — Dutch to me = volkomen onbegrijpelijk; — German = Hoogduitsch; — jinks = groote jool; —life = de groote wereld; — noon = ’s middags 12 uur; On the — seas = in volle zee; — Sheriff = de voor één jaar door den koning benoemde hoogste ambtenaar van een county; It is — time = hoog tijd; — old time = de goede oude tijd; — treason = hoogverraad; — water = hoog water; — wind = krachtige wind; — wine = sterke cognac (Amer.); On — = omhoog, in de lucht; To carry it — = airs aannemen; —-aimed = met een verheven of groot doel; —-blown pride = opgeblazen trots; —-bred = van zuiver bloed of ras, voornaam; —-born = van edele geboorte; —-caste = van hoogen rang; —-church, subst. Anglikaansche kerk van meer orthodoxe richting, in zooverre in verband met de Oxford of Tractarian Movement (sedert 1833) meer nadruk wordt gelegd op de beteekenis en handhaving van het Ritualism of Anglican Sacerdotalism; adj. tot die kerk behoorende; —-churchism = beginselen der —-church; —-churchman = aanhanger dezer kerk; —-class work = uitstekend; —-cockalorum = bok sta vast (kinderspel); —-coloured = met hooge, sterke kleur; in bloemrijken stijl, sterk gekleurd; — court of Justice = hoog gerechtshof; —-cross = kruis, vroeger op de markten geplaatst; —-day = hoogtij, feestdag; bloeitijd; —-faluting = hoogdravend, bombastisch, gemaakt (Am.); —-fed = volgepropt, gemest, weelderig; —-flier = fantast, wijsneus, zwendelaar: He was a —-flier at fashion = erg op de mode gesteld; —-flown = trotsch; opgeblazen, eerzuchtig; —-handed = aanmatigend, willekeurig; —-heeled: She has her —-heeled shoes on (Amer.) = wat draait zij op haar hakjes, wat steekt ze den neus in den wind; —land = hoogland: The —lands = bergachtig deel van Schotland; —land fling = Schotsche dans, horlepijp; —lander = bewoner van de —lands; —-lived, hailaivd, voornaam; —-living, hailiviŋ, het leven op grooten voet; wonen op een zolderkamer; —-low = bottine, rijglaars; —-mass = hoogmis; —-mettled = vol vuur en opgewektheid; —-minded = grootmoedig, edel; hoogmoedig; subst. —-mindedness; —-pitched = trotsch, eerzuchtig; hooggestemd: —-pitched roof = hoog en spits dak; —-pressure = subst hooge druk; adj. met hoogen druk: —-pressure engine; —-priest = hoogepriester; —-principled = met edele beginselen; —-proof = krachtig, sterk-alcoholisch; welbeproefd; —-reaching = hoogreikend, eerzuchtig; —road = groote weg, straatweg; —-seasoned = sterk gekruid, pikant; —-seated = hoog gezeten; —-souled = edel van ziel; —-sounding = hoogdravend, praalziek, vol vertoon; —-spirited = vol vuur en fierheid, stoutmoedig; —-stepper = paard, dat de pooten hoog optilt, iemand die pedant stapt; —-stepping = hoogdravend, fier; —-strung = hooggespannen, overmoedig, opgeblazen; —-swollen = opgezwollen, opgeblazen; —-tasted = pikant; —-tide = hoog water, vloed; —-toned = hoog van toon, krachtig van klank; met hooge beginselen; —-water = vloed; —-watermark = hoogpeil; —way = straatweg, groote weg: To take the —way = struikroover worden; —wayman = struikroover; —wrought = fijn bewerkt; opgewonden; —ly: To think —ly of = een hoogen dunk hebben van; —ness = hoogheid, verhevenheid: Your — = Uwe Hoogheid.
Highty, haiti; —-flightiness = wuftheid; adj. —-flighty; —-tighty = Hoity-toity: Do not turn me off in that — manner = zend mij niet weg op die hooghartige manier.
Hilarious, h(a)ilêriəs, vroolijk, opgewekt; Hilarity, h(a)ilariti, vroolijkheid, opgewektheid.
Hilary term, hiləritɐ̂m, vroegere zittingstijd (11 Jan.–31 Jan.) in de Eng. gerechtshoven; thans — Sittings van 11 Jan. tot den Woensdag vóór Paschen; cursus van 14 Jan. tot Zaterdag vóór Palmzondag aan de Univ. van Oxford.
Hill, hil, heuvel; — verb. aanaarden; Up — down dale = berg op berg af; As old as the —s = zoo oud als de weg naar Kralingen; To go down the — = achteruitgaan, minder worden; —-folk = bergbewoners; —-side = helling van een heuvel; —-top = heuveltop; —-wort, —wɐ̂t, polei; —iness = heuvelachtigheid; —ock = heuveltje, bergje; —y = heuvelachtig.
Hilt, hilt, hecht, gevest: You can count upon me up to the — = volkomen; Up to the — in debt = tot over de ooren; Mortgaged up to the — = geheel; You have proved it (up) to the — = gij hebt het zonneklaar bewezen.
Him, him, pers. voornw., hem; —self = hemzelf, zichzelf: He was not —self yesterday = zichzelf niet, niet lekker; He was by —self = alleen; He kept —self to —self for some time = hij zonderde zich af.
Himalaya, himâljə, himəleijə, himəlaijə: — Mountains = The —s = het Himalayagebergte.
Hind, haind, subst. hinde; boer, boerenarbeider, knecht.
Hind, haind, achterste: — before = achterstevoren; With their heads turned — foremost = achterstevoren; —-leg = achterpoot; —most = achterste; —er, haində, achterste, laatste = —ermost = laatste.
Hinder, hində, hinderen, verhinderen, beletten, moeielijkheden in den weg leggen: He —ed me from coming = belette mij; Hind(e)rance, hindr’ns, hindernis, nadeel = —er, ook hij die verhindert.
Hindi, hindî, Noord Ind. dialect; Indiër.
Hindoo, Hindu, hindû, hindû, subst. en adj. Hindoe(sch); Hinduism, hindûizm, leer der Hindoes; Hindu Kush, hindukûš; Hindustan, hindustân; Hindustani, hindustânî, Hindostansch(dialect).
Hinge, hinž, subst. hengsel, scharnier, spil; — verb. van hengsels voorzien, draaien, steunen, afhangen: Things are off the —s = de boel is in de war; Everything —s on that fact = om dat feit draait alles.
Hink, hiŋk, sikkel.
Hinny, hini, subst. muildier; — verb. hinniken.
Hint, hint, subst. zinspeling, wenk; — verb. zinspelen, een wenk geven, aan de hand doen, toespelingen maken: Do not — at a present = maak vooral geene toespeling op; The beauties of nature are not only —ed, but brought home = niet slechts aangeduid, maar voelbaar gemaakt; He took the — = begreep den wenk.
Hip, hip, subst. heup; graatspar of hoekkeper van een tentdak; bottel van de hondsroos; —s = zwaarmoedigheid; To catch on the — = in de macht krijgen; To have on the — = in de macht hebben, overwinnen; The government was beaten — and thigh = bleef verschrikkelijk in de minderheid; To smite — and thigh = den schenkel en de heup (Richt. XV, 8); —-bath = zitbad; —-gout = heupjicht; —-joint = heupgewricht; —-roof = tentdak; —-shot = ontheupt, lam; —-tree = hondsroos; —ped = met ontwrichte heup; somber, gedrukt: You are —ped, you want more society = je bent zwaarmoedig (“hiep”); —pish = somber, gedrukt.
Hippocampus, hipəkampəs, zeepaardje; Hippocras, hipəkras, hipokras; Hippocrates, hipokrətîz; Hippocratic, hipəkratik, Hippocratisch: — face = gelaat van een stervende even vóór de dood intreedt. Hippocrene, hipəkrîn, hipəkrînî, Hengstebron; Hippodrome, hipədroum, circus, wedstrijd met vooraf afgesproken resultaat (Amer.); Hippogriff, hipəgrif, gevleugeld paard; Hippolyta, hipolitə, Hippolyta; Hippopathology, hipəpətholədži, leer der paardenziekten; Hippophagist, hipofədžist, eter van paardenvleesch; The man’s hippopotamic manner = ’s mans lompe, onbehouwen manier; Hippopotamus, hipəpotəmɐs, nijlpaard, rivierpaard.
Hircania, hɐ̂keiniə.
Hircine, hɐ̂s(a)in, sterk riekend, als v. een geit, bok, bokachtig: hircine.
Hire, haiə, subst. huur, loon, belooning, steekpenning; — verb. huren van iemand, in dienst nemen voor loon, omkoopen, verhuren: To — oneself to, out = zich verhuren aan, verhuren; —less = gratis; —ling, subst. huurling; ook adj.; —r = huurder; verhuurder (= —r out).
Hirsute, hɐ̂siût, hɐ̂siût, behaard, borstelig, haar - -.
His, hiz, pron. poss. zijn, de of het zijne: He has come by — own = heeft gekregen wat het zijne was; He has come into — own = heeft zijn erfdeel gekregen.
Hish, hiš, aanhitsen; ook interj.
Hisk, hisk, moeielijk ademhalen.
Hispanicism, hispanisizm, Spaansch idioom; The Hispano-Portuguese frontier = Spaansch-Portugeesche.
Hispid, hispid, borstelig.
Hiss, his, subst. sisklank, gesis, gejouw; — verb. sissen, fluiten (van een pijl), uitfluiten.
Hist, hist, aanhitsen; interj. St.!
Histology, histolədži, leer der weefsels.
Historian, histôriən, geschiedschrijver; Historic(al), historik(’l), geschiedkundig: Historical cavalcade = (pageant) = historische optocht; Historic-painting, Historic-picture = geschiedkundig schilderstuk; Historic(al)-sense = historisch inzicht; Historicalness, historik’lnəs, geschiedkundige waarde of waarheid; Historiette, histôriet, verhaal, kleine geschiedenis; Historiographer, histôriogrəfə, geschiedschrijver; Historiography, histôriogrəfi, geschiedschrijving; History, histəri, geschiedenis, verhaal: Ancient (Modern, Natural, Sacred) —; —-piece = historische schilderij.
Histrionic(al), histrionik(’l), tooneelspel..., tooneelspeler...: Our — taste is gone = onze zin voor de tooneelspeelkunst; —s, histrioniks, tooneelkunst; Histrionism = de tooneelspelers, het spelen.
Hit, hit, subst. slag, stoot, steek onder water, aanraking, kans, gelukkige zet, treffer, succes; — verb. raken, treffen, slaan, gissen, raden, passen, gelukken, aantreffen, bedenken, ontdekken: The book is a decided — = heeft veel succes; The singer was a great — in London = maakte grooten opgang; He made an immense — with his song = had kolossaal succes; You must do it, — or miss (hitty missy) = op goed geluk af (eig. luk of raak); To — it off with = opschieten met: I always — it off with dogs and children; You have — it off = ge hebt het juist getroffen, geraden; He — off my likeness very happily = hij heeft mij goed getroffen; He — it out = hij heeft het er goed afgebracht; He — out at me = deed een slag naar mij; Her visit to America was a triumph; she — up all her hearers = zij pakte al hare hoorders in; I could not — upon the right expression = kon niet vinden; These words — the audience in their weakest place = tastten in hun zwak; I — it in his teeth = wreef het hem onder den neus; You have — the mark = het bij ’t rechte eind; You — it very punctually = hebt het precies getroffen; —ting-shot = raakschot.
Hitch, hitš, subst. ruk, kink, steek, beletsel, hapering, tijdelijke hulp in nood; — verb. vastmaken, aanhaken, met een ruk of sprong zich voortbewegen, optrekken, prettig samenwerken, aanslaan (van paarden), wegnemen: The — was due to your carelessness = door uwe zorgeloosheid ontstond het beletsel; Some — had occurred = er was een kink in den kabel gekomen; There the — lies = daar zit de knoop; Upon the least — I will have you write your lesson = als ge even hapert; The extinguisher was —ed to the candlestick = het dompertje was aan den kandelaar gehaakt; Take care, lest he —es you into a story = dat hij je niet in een verhaal ten tooneele voert; He —ed on the battery = haakte aan.
Hither, hidhə, hierheen, aan deze zijde: — and thither = heen en weer; —most = nabij, het meest naar deze zijde; —to = tot hiertoe; —ward = herwaarts.
Hive, haiv, bijenkorf, zwerm bijen, dicht bevolkte buurt; bijenkorfvormige hoed; — verb. in een korf doen of verzamelen, opzamelen, bevatten, samenwonen: I will no longer — with them = met hen onder één dak zijn; —-bee = korfbij; —r = ijmker.
Hives, haivz, keelontsteking; netelroos.
Hizzing, hiziŋ, gesis.
Ho(a), hou, he! ho!
Hoaky: By the — = alleduivels!
Hoar, hö, adj. wit, grijs, beschimmeld; — verb. wit of grijs maken, beschimmelen: —-frost = rijp; —-stone = grenssteen; Hoariness, subst. v. Hoary = grijs, grauw, met grijze haartjes bedekt; —-headed = met grijzen kop.
Hoard, höd, subst. voorraad, hoeveelheid; hoop, geheime schat of voorraad; — verb. vergaren, opzamelen, opleggen: He —ed all savings = zamelde op; —er.
Hoarding, hödiŋ, schutting om een in aanbouw zijnd gebouw.
Hoarse, hös, schor, heesch, krassend: I am as — as a crow; subst. —ness.
Hoax, houks, subst. grap, fopperij, aardigheid, “canard”; — verb. eene grap hebben, foppen: To play a — upon a person = een poets bakken; —er.
Hob, hob, subst. vooruitspringend plaatje aan een haard om iets warm te houden; naaf; houten pin, kinderspel waarbij naar een op een hob geplaatst geldstukje wordt gegooid: To play — with = een speldje steken voor (fig.).
Hob-and-nob, hobən(d)nob, drinken, een lijntje trekken met, vertrouwelijk praten, omgaan met.
Hobbes, hobz, Hobbes; Hobbism, hobizm, wijsgeerig stelsel van Th. Hobbes (1588–1679); Hobbist.
Hobble, hob’l, subst. hinken, strompelen; verlegenheid, moeielijkheid; — verb. strompelen, kluisteren van paarden, knoeien, prutsen: I’ve got into a nice — = ik zit leelijk in de klem; —-skirt = strompelrok; —r = hinkepoot; knoeier, onbevoegd loods, losse arbeider, een man, die een schuit trekt.
Hobbledehoy, hob’ldəhôi, jong mensch, te groot voor een servet en te klein voor een tafellaken; —ish = slungelig.
Hobbly, hobli, hobbelig, oneffen, vol gaten (van een weg).
Hobby, hobi, boomvalk; stokpaardje; domkop, lummel; telganger: Every man rides his —; —-horse = stokpaardje (eig. en fig.), uilskuiken.
Hobgoblin, hobgoblin, hobgoblin, kabouter.
Hobnail, hobneil, hoefnagel, groote schoenspijker, pummel; — verb. met spijkers beslaan.
Hobnob, hobnob, op goed geluk, luk of raak; — verb. Zie Hob-and-nob.
Hobson’s choice, hobs’nztšôis, geene keus, gedwongen keus.
Hock, hok, knieboogspier (bij menschen); hakpees (bij paarden, etc.); Hochheimer, rijnwijn; — verb. een dier de knieboogspier doorsnijden; —-day = een feestdag bij ’t betalen der pacht; — Monday, — Tuesday = 2de Maandag en Dinsdag na Paschen; —-tide = de voorgaande feestdagen.
Hockey, hoki, soort v. kolfspel.
Hockle, hok’l, verb. Zie Hock.
Hocus, houkəs, drank met slaapkruid erin; — verb. bedriegen, iets bedwelmends door den drank mengen; —-pocus = hocus-pocus; ook adj.; — verb. bedriegen.
Hod, hod, kalk- of steenenbak; —-carrier = opperman = —-man, ook fig. = handlanger.
Hodden, hod’n, boersch; ook = —-gray (grey) = stof van ongeverfde wol.
Hodge, hodž, boer, boerenarbeider; —-podge = hutspot, allegaartje; —-pudding = allegaarspudding.
Hodiernal, houdiɐ̂n’l, huidig, van dezen dag.
Hodometer, hədomətə, afstandsmeter (aan de as van een rijtuig, etc.).
Hoe, hou, subst. schoffel; — verb. schoffelen: To — one’s own row = voor eigen stoep vegen (fig.); —-cake = grove maïskoek.
Hog, hog, subst. varken, gesneden beer, schaap tusschen 6 maanden en het eerste scheren, stier van een jaar; zwijn, vuilik; hog of schrobber, shilling; — verb. kort afknippen, schrobben (technisch “hoggen” genoemd), doorbuigen van een schip, met gebogen hoofd gaan (v. paarden); To go the whole — = voor niets terugdeinzen, iets consequent doorzetten, B zeggen als men A heeft gezegd; —-colt = éénjarig veulen; —-cote = varkenskot; —-herd = zwijnenhoeder; —-mane = kortgesneden opstaande manen; —pen = varkenskot; —’s-back = lage heuvelrug; —’s-lard = varkensreuzel; —-shearing = koude drukte; —-steer = wild zwijn in ’t derde (schaap in ’t tweede) jaar; —-sty = varkenskot; —-wash = varkensdraf; —gery = varkenskot; —gish, hogiš, zwijnachtig, vuil, dom, gulzig, zelfzuchtig; subst. —gishness.
Hogarth, hougâth.
Hoggerel, hogər’l, schaap in het tweede jaar.
Hogger-pump, hogəpɐmp, pomp in eene kolenmijn.
Hoggers, hogəz, kousen zonder voeten (door mijnwerkers gedragen).
Hogget, hogət, zwijn, veulen of schaap in ’t tweede jaar.
Hogmanay, hogmənei, hogmənei, Oudejaarsdag; onthaal of geschenk op dien dag in Schotland.
Hogshead, hogzhed, okshoofd, groot vat (= 52 gallons Tinto wijn; 30 gallons Hock; 48 gallons ale en beer).
Hoiden, hôid’n, subst. wilde meid, driedekker; adj. ruw, brutaal; — verb. stoeien, uitgelaten zijn; adj. —ish.
Hoist, hôist, subst. elevator, kraan; hoogte van vlag of zeil; — verb. (op)hijschen: He was —(ed) with his own petard = de mijn is verkeerd voor hem gesprongen.
Hoity-toity, hôititôiti, drommels! tut, tut! adj. opgewonden, druk, uitgelaten, stormachtig; subst. warboel; opgeblazenheid.
Hokey-pokey, houkipouki = Hocus-pocus; ook goedkoop ijs (op straat verkocht).
Holborn, houbən, Holbrook, houlbruk; Holcroft, holkroft.
Hold, hould, subst. houvast, greep, steun, invloed, macht, gevangenschap, gevangenis, schuilplaats, ruim van een schip; — verb. houden, vasthouden, er voor houden, ophouden, behouden, inhouden, aanhouden, bevatten, bewaren, behoeden, beslissen, bezitten, bekleeden, verkrijgen, verdedigen, deelnemen, vieren, voeren (van taal), wedden, standhouden, enz.: I cannot get — of him = hem te pakken krijgen; Nothing has any — on him = heeft vat op hem; To keep firm — of = stevig vasthouden; Do not let go your — = laat niet los; That great shock looses his — on life = brengt hem den dood nader (eig. doet hem zijn houvast aan ’t leven verliezen); To quit one’s — = loslaten; He took (laid) — of my arm = hij greep (pakte, hield) mijn arm vast; The frost will not — = zal niet aanhouden; That rule always —s (good) = gaat altijd door; — fast by my girdle = houd je vast; — hard = houd je goed vast, wacht even, kalm aan, schei uit, stop; Held in reserve = gereserveerd; She held herself properly = kwam netjes voor den dag; I will — a brief for you = de zaak voor u bepleiten; We held the fortress against the enemy = verdedigden (met succes) de vesting; He can hardly — his own = zich nauwelijks bedruipen; To — one’s own against any odds = zich goed (staande, stand) houden tegen; — your peace = houd je mond; The ministry —s its power at the hands of the people = heeft, ontvangt zijn macht uit de handen van het volk; He held our proxy = was onze procuratiehouder; We — our title of (from) the royal favour = ontleenen onzen titel, ons recht; — your tongue = zwijg; I will — that wager = durf die weddenschap aan; Such an excuse would never — water = opgaan, geaccepteerd worden; He held wool for her = hield een streng wol voor haar op; onderwierp zich aan hare nukken; You can’t — back time = tegenhouden; To — back letters = achterhouden; — hard = stop! He held forth his hand = stak zijne hand uit, bood zijne hand aan; We have been —ing forth on all kinds of subjects = hebben het gehad over, er over uitgeweid; He held off his enemies = hield op een afstand; He held on his (headlong) course = zette zijn (onstuimigen) loop voort, ging door op; — on a bit = wacht eventjes; He held (on) by the railings = hield zich vast aan; They held on downwards = gingen verder naar beneden; — on round my waist = houd je vast om mijn middel; He held on pluckily = hield zich kranig; To — out = toesteken, vóórspiegelen, etc.: He was —ing out to a knot of men = stond te oreeren; He held out those favours to me = bood mij aan; I can — out no longer = kan het niet langer uithouden; Many advertisements must be held over till our next issue = wij moeten laten liggen; You must not — him to that opinion = niet als zijne eind-opinie beschouwen; I held him to his promise = hield hem aan; Behave well and — (stick) to the right = en houd u aan ’t goede; He held faithfully to his party = bleef standvastig trouw aan; — up your head, and look like a man = wees flink; To — up one’s head with = niet onderdoen voor; The same speed was held up to the last = werd volgehouden; He was held up for (to) execration, ridicule = werd prijsgegeven aan; To — up as an example = tot voorbeeld stellen; He held me up, until we were both picked out = hield mij boven water; To — up a train = aanhouden (door roovers); We were in the held-up train; — up man! = houd je goed, courage! Why don’t you — up your end of the line (rope) = waarom neemt gij niet deel aan het gesprek (Amer.)? He —s with the royalists = houdt het met; —-all = soort reiszak, nécessaire; —back = verhindering, beletsel; —er = houder, bezitter, huurder, aandeelhouder, bak; —er-forth = schreeuwerig redenaar; —fast = houldfâst, steun, houvast; —ing = houvast, bezit, gehuurde boerderij.
Hole, houl, subst. gat, hol, opening, kuil, hok (van eene woning), moeilijkheid; — verb. een gat maken, stoppen, in een gat kruipen: My shoes are in —s = stuk; To be in a — = in de klem zitten; To make a — in the water = zich verdrinken; We are not going to pick —s in each other’s coats = elkaar geen kwaad doen, niet op elkaar vitten; I tried to pick —s in his story = trachtte fouten te vinden in, aanmerkingen te maken op; I put my foot into a big — = ben er leelijk ingeloopen, heb me leelijk verpraat; The diplomatic —s and corners of our day = de diplomatieke geheimen (wat er achter de schermen gebeurt); The proceedings of the club are —-and-corner = zijn geheim (stiekum); A —-and-corner engagement = stiekum.
Holibut, holibɐt (Zie Halibut).
Holiday, holidei, subst. heiligedag, vacantiedag, vrije dag, feestdag; ook adj. feest —, Zondags —, onecht —: Their — best = Zondagsche pak; — Hall = plaats waar men zich niet behoeft te geneeren (om te rooken, bijv.); To have a — = vrij hebben; She was on — = met vacantie, had vrijaf; —s = vacantie; —-maker = plezierreiziger; — task = vacantiewerk.
Holiness, houlinəs, heiligheid: His — = Zijne Heiligheid, titel voor den Paus.
Holinshed, holinzhed, holinšed.
Holla, holə, subst. luide roep; — verb. luide roepen, toeroepen; interj. helà, hei!
Holland, hol’nd, Holland, ongebleekt linnen: Brown — = weinig gebleekt linnen; — gin = —s = Schiedammer; British —s = in Engeland gestookte jenever; —er.
Hollow, holou, subst. holte, ledige ruimte, hol, groef, voor, dal; adj. hol, niet massief, uitgehold, concaaf, laag, diep, geveinsd, onoprecht, volkomen; — verb. uithollen; ook roepen: She beat all her sisters — = won het royaal van, overtrof verre; —-eyed = met holle oogen; —-hearted = onoprecht, valsch; —-square = carré (mil.); —-ware = (metalen) keukengereedschap; —ness = holheid, leegheid, valschheid.
Holly, holi, hulst; steeneik; —-fern = stekelige schildvaren; —-hock = stokroos; —-rose = cistroos.
Holm, houm, riviereilandje, vlak en vruchtbaar land langs den rivieroever, hulst; —-oak = steeneik.
Holmes, houmz.
Holocaust, holəkôst, brandoffer bij de Joden, algemeene slachting.
Holograph, holəgraf, eigenhandig geschreven document, adj. eigenhandig geschreven; adj. Holographic(al).
Holothurian, holəthiûriən, zeekomkommer.
Holster, houlstə, holster; —ed.
Holt, hoult, hout, boschje, aanleg, gat, schuilplaats (voor dieren).
Holus-Bolus, houləs-bouləs, halsoverkop.
Holy, houli, heilig, rein, goddelijk, gewijd: — of Holies = het Heilige der Heiligen; The — One = Jehova; — day = Heiligedag; — Ghost (— Spirit) = Heilige Geest; — Office = de Inquisitie; In — orders = in Deacon’s of in Priest’s (= full) orders = Ordained als Deacon of Ordained, admitted en instituted als Priest door den Bishop; — Rood = kruis, kruishout, crucifix (in kerken vooral); — Saturday = Zaterdag vóór Paschen; —-stone = schuursteen; ook verb.; — Thursday = Hemelvaartsdag; — Tide (Week) = week voor Paschen; — water = wijwater; — wells = miraculeuze bronnen; — Writ = de H. Schrift.
Holyhead, holihed; Holyrood, holirûd.
Holywell, holiwel: — Street Literature = pornographische literatuur.
Homage, homidž, subst. hulde, eerbied; — verb. huldigen = To do (render) —; —r = vasal, leenman.
Home, houm, subst. tehuis, huis, geboorteplaats, vaderland, woning, verblijf, liefdadige instelling; — verb. naar huis gaan, wonen, zich vestigen; adj. huis - -, binnenlandsch; adv. naar huis, ten volle, toepasselijk, raak, krachtig: — is —, be it never so —ly = Be in East and West, — is best = oost, west, thuis best; He banged the door — = sloeg hard dicht; To bring — (carry —, come —, leave —, return —); To bring — to = bewijzen, duidelijk maken; All our deeds come — at last = worden op den duur op onszelf verhaald; That truth came — to me = drong tot me door, werd me bewust; To go — = naar huis gaan, het doel treffen; To pay — = betaald zetten; He is perfectly at — with what passed = volkomen op de hoogte van; Make yourself at — = doe alsof je thuis was; Mrs. N is at — on Monday = Mevrouw N. ontvangt Maandags; Is he at —? No he will be — to dinner; Charity begins at — = het hemd is nader dan de rok; —-baked = eigengebakken; —-bound = —ward-bound = op de thuisreis; —-bred = inlandsch (van fokvee); natuurlijk, onbeschaafd; —-circle = familiekring; —-circuit = rechtsgebied van de Judges of Assize, dat Londen tot centrum heeft; —-counties = de counties bevattend en Londen omringend; —-department (—-office) = Ministerie van Binnenl. Zaken; —-farm = boerderij verbonden met het verblijf van den eigenaar, —-fed bacon = inlandsch spek; —-felt = innig, innerlijk, geheim; —-freight = retourvracht; —-keeping = thuisblijvend, huiselijk; —-made = eigengemaakt, van inlandsch fabrikaat; —-return = repatrieering; —-rule = plaatselijk zelfbestuur (vooral met het oog op Ierland); To be —-sick = heimwee hebben; —-sickness = heimwee; —-speaking = eenvoudige, oprechte taal; —-spun = subst. en adj. eigengesponnen (stof), van eigen fabrikaat, eenvoudig; een bepaalde stof; —-stall, —-stead = erf, huismansplaats; —-thrust = gevoelige waarheid, raak antwoord, stoot die raak is; —-trade = binnenlandsche handel; —less = dakloos; subst. —lessness; —like = gemoedelijk, gezellig; —liness = eenvoudigheid; —ly = eenvoudig, dood gewoon, ook ordinair (van het gelaat), voor huiselijk gebruik bestemd; —ward = —ward-bound = op weg naar huis, op de thuisreis.
Homer, houmə, Homerus; Homeric, həmerik, Homerisch.
Homicidal, homisaid’l, homisaid’l, moorddadig, bloedig; Homicide = moord, moordenaar.
Homiletic(al), homiletik(’l), homiletisch; Homiletics = homiletiek; Homilist = homileet; Homily = kerkelijke tekstverklaring, kanselrede.
Homing, houmiŋ: — instinct = om het huis weer te vinden.
Hominy, homini, grof gemalen maïs.
Hommock, homək. Zie Hummock.
Homoeopath, ho(u)miəpath, homoeopaat; Homoeopathic(ally) = homoeopathisch; Homoeopathist = homoeopaat; Homoeopathy = homoeopathie.
Homogeneous, houmədžîniəs, homogeen; subst. —ness.
Homologate, homoləgeit, bekrachtigen, goedkeuren; subst. Homologation.
Homologous, homoləgɐs, homoloog; Homology = homologie.
Homonym, ho(u)mənim, homoniem; adj. —ous, həmonimɐs; —y, homonimi, gelijkluidendheid, dubbelzinnigheid; Homophone, ho(u)məfoun, letter of woord van denzelfden klank.
Homunculus, həmɐŋkjuləs, dwerg; langs chem. weg geschapen mensch (v. Paracelsus).
Honduras, hondjuras, hondjûras (mahoniehout uit) Honduras.
Hone, houn, subst. slijpsteen, oliesteen; — verb. slijpen, aanzetten.
Honest, onəst, eerlijk, braaf, oprecht, kuisch, deugdzaam: — Indian? (Injun) = op je woord? —y = braafheid, eerlijkheid: —y is the best policy = eerlijk duurt het langst; In —y of heart = in alle oprechtheid.
Honey, hɐni, subst. honig, zoetheid, liefje, snoesje; adj. honigachtig, zoet; — verb. met honig bedekken, zoet maken of worden; —-badger = honigdas; —-bag = honigzakje (der bijen); —-bear = honigbeer; —-bee = honigbij; —comb = honigraat, honigcel: The nation is —combed with secret societies = doortrokken van geheime genootschappen; Nature is —combed with pain and strife = is vol van pijn en strijd; —-dew = honigdauw; soort van tabak met stroop bevochtigd en in koekjes geperst; —-flower = honigbloem; —-guide = honigkoekoek (Zuid-Afr.); —-harvest = honigoogst; —moon, subst. wittebroodsweken; — verb. in de wittebroodsweken zijn, deze doorbrengen; —-mouthed = vleierig; —-stalk = honigklaver; —-tongued = vleierig; —-suckle = kamperfoelie; —-wort = wasbloem, kruisbladig walstroo; —ed (fig.) = zacht, zoet, vriendelijk, vleiend.
Honied, hɐnid = Honeyed.
Honorarium, onourêriəm, salaris, belooning.
Honorary, onərəri, eervol, eere...: — President = Eere-Voorzitter; — monument = gedenkteeken voor iemand, die ergens anders begraven is; That is a purely honorific distinction = louter een eeretitel.
Honour, onə, subst. eer, eergevoel, aanzien, rechtschapenheid, kuischheid, hoogachting, waardigheid, titel (= edelachtbare), eerewoord, een der vier hoogste troeven; — verb. eeren, eer bewijzen, vereeren, honoreeren (van een wissel); Meerv. —s = eerbewijzen, hoogste graad: Examinations in —s = “cum laude” examens; —s of war = krijgseer; — bright = op mijn (je) woord van eer; Affair (Debt, Guard, Point, Word) of —; You are in — bound to do it = aan uwe eer verplicht; To do the —s = de “honneurs” waarnemen; That does you — = dat strekt u tot eer; To meet with due — = behoorlijk honoreeren; I pledge it on my —, I pledge my — for it = beloof het op mijn woord van eer; —er.
Honourable, onərəb’l, eervol, aanzienlijk, voornaam, edel, achtbaar, titel (aan de jongere zoons van ‘earls’, aan al de zoons en dochters van ‘viscounts’ en ‘barons’, aan opperrechters in Engeland en Ierland en aan de hofdames toegekend; Zie ook Right-—); subst. —ness.
Hood, hud, subst. kap, capuchon, kapvormige plooi van eene universiteitstoga, kap (van een rijtuig); peperhuisje, kap (van een schoorsteen) enz.; — verb. van een kap voorzien, bedekken, omhullen: The — and leathern apron of the carriage = kap; All —s make not monks = ’t zijn allen geen koks, die lange messen dragen; —-cap = soort kaproen; soort zeehond; —man = blindeman (in het spel); —man-blind = blindemannetje; —-moulding = lijst boven deur of venster; —wink = blinddoeken, verschalken; ook subst.
Hoof, hûf, hoef, klauw, poot, stuk vee; — verb. loopen: To beat (pad) the — = te voet (op Apostelpaarden) gaan; —-bound = volhoevig, kreupel.
Hook, huk, subst. haak, vischhaak, sikkel, kram, duim (van eene deur), vooruitspringende landtong; voordeel, meevallertje; — verb. met een hoek vangen, aanhaken, tot een haak buigen, van haken voorzien, vasthaken, stelen: By — or by crook (Zie Crook); Off the —s = in wanorde, ontstemd, ziek, dood: To drop (go) off the —s = het hoekje om (= dood) gaan; I wished him off the —s = wou, dat hij dood was; You must do it on your own — = op eigen gelegenheid, verantwoording; She kept him on the —s = zij hield hem aan het lijntje, To pop off the —s = doodgaan; To take one’s — = uitsnijden; They —ed it = zij zijn er van door; She —s-and-eyes her gown = maakt vast met haken en oogen; —-nose(d) = (met een) haviksneus; —-pin = haakbout; —ed = krom, haakvormig; subst. —edness; adj. —y.
Hookah, hûkə, Oostersche pijp, waarbij de rook door water gaat.
Hooker, hukə, hoeker (visschersvaartuig), zakkenroller.
Hookey Walker, huki wôkə, onzin, maak dat de kat wijs!
Hooligans, hûlig’nz, straatschenders, gespuis; Hooliganism = straatschenderij, woeste, liederlijke jool.
Hoop, hûp, subst. hoepel, crinoline, beugel, riem, — verb. met hoepels, enz. beslaan, omringen (Zie ook Whoop); —-iron = bandijzer; —-petticoat, —-skirt = hoepelrok; —er = kuiper.
Hooping, hûpiŋ: —-cough = kinkhoest.
Hoosier, hûžə, bewoner van — state = Indiana; — cake = soort peperkoek (Amer.).
Hoot, hût, subst. gejouw; — verb. uitjouwen, schreeuwen (van een uil); —er = autohoorn.
Hoove, hûv, koliek bij vee.
Hop, hop, subst. hop; sprong; thé dansant: —-o’-my-thumb = klein duimpje; — verb. hinken, huppelen, springen, dansen, hop oogsten, met hop brouwen: He escorted her at party or — = naar partijen en bals; He has had many girls on the — = het hoofd op hol gemaakt; To catch (take) on the (ground) — = een bal vangen als hij opspringt; iemand onverhoeds overvallen, snappen; He is a — out of kin = hij slaat geheel uit den aard; I can — that lot on one foot = dat eind wel hinkende afleggen; To — the twig = uitsnijden; het hoekje omgaan; op houten beenen loopen; —ped over the twig = over den puthaak getrouwd; —-back = hopzeef; —-bind, —-bine = hopstengel; —-joint = opiumkit; —-picker = hopoogster; —-pole = hopstaak; —scotch = hinkspel; soort balletjes; —-vine = hopstengel; —-yard = hopveld; —per = danser, springer, etc. kaasmijt, sprinkhaan, trechter, zaaikorf, hopoogster; modderschuit = —per barge.
Hope, houp, subst. hoop, vertrouwen, verwachting, wensch; — verb. hopen, verwachten; vertrouwen: Young —ful = veelbelovend jongmensch (ironisch); —fulness; —less = hopeloos; subst. —lessness.
Hopple, hop’l = Hobble = kluisteren; —s = kluisters voor vee in de weide.
Horace, horis.
Horal, hôr’l, Horary, hôrəri, wat een uur duurt of betreft.
Horatian, həreiš’n, Horatiaansch; Horatio, həreišiou.
Horde, höd, subst. horde, bende, troep; — verb. in horden of benden leven of zich vereenigen.
Horehound, höhaund, witte malrove.
Horizon, həraiz’n, horizon, gezichtskring: Apparent, Sensible — = schijnbare horizon; Rational, Real, True — = werkelijke horizon; The plain of literature that is —ed by 1801 = het veld der literatuur tot 1801; Horizontal = horizontaal, waterpas; subst. Horizontalness; Horizontality.
Horn, hön, hoorn, horen, drinkhoorn, voelhoren, de niet-volle maan (bij ’t wassen of afnemen), vleugel (van een leger), zijtak (van eene rivier), punt (van een aambeeld); borrel (Amer.); — verb. van horens voorzien; (fig.) horens doen dragen: A pair of — spectacles; — of Plenty = horen des overvloeds; To come out at the little end of the — = ergens slecht (kaal) af komen; He has drawn, hauled, pulled in his —s = hij is in zijne schulp gekropen; To put to the — = vogelvrij verklaren (Schotl.); I’ll either make a spoon or spoil a — = ik waag het, erop of eronder; To show one’s —s = de tanden laten zien, flink optreden; Take a — = neem een borrel (Amer.); To wear the —s = hoorndrager zijn; —-beak = gewone geep; —beam = hagebeuk; —-bill = neushoornvogel; —-blower = hoornblazer; —-book = oud abéboek bestaande uit een blad papier, waarop het alphabet, de getallen van 0–9, het Onze Vader, beschermd door een doorzichtige plaat van hoorn en bevestigd op een houten raam met handvat; —-distemper = hoornziekte (van vee); —-eel = smelt; —-finch = stormvogeltje; —-fish = zeenaald; —-pipe = oud blaasinstrument; horlepijp; —-work = hoornwerk (vestingbouw); —ed = van horens voorzien; —ed horse (Zie Gnu); —ing = het wassen of afnemen van de maan; door het blazen op een trompet ingeleide openbare afkondiging (Schotl.); ketelmuziek (Amer.); —y = hard, hoornig: —y coat of the eye = hoornvlies; —y hands = vereelte.
Hornet, hönət, horzel; kwelgeest: To bring a nest of —s about one’s ears = zijn hoofd in een wespennest steken.
Horologe, horəlo(u)dž, uurwerk; Horologer = uurwerkmaker; Horology = uurwerkmakerskunst, tijdmetingskunst.
Horoscope, horəskoup, horoscoop; I have cast her — = haar horoscoop getrokken; adj. Horoscopic; Horoscopy, həroskəpi, kunst om de toekomst te voorspellen.
Horrent, hor’nt, borstelig, rechtopstaand, afschuwelijk.
Horrible, horib’l, verschrikkelijk, ijselijk, akelig; subst. —ness.
Horrid, horid, akelig, afschuwelijk; ruw, stekelig, overeindstaand; treurig; subst. —ness.
Horrific, horific, afschuwwekkend; Horrify, horifai, met afschuw vervullen, doen sidderen.
Horripilation, horipileiš’n, een gevoel alsof het hoofdhaar te berge rijst.
Horror, horə, afgrijzen, afschuw, huivering: The —s = delirium tremens; zwaarmoedigheid: To give the —s = afschuw inboezemen; To have the —s = zwaarmoedig, katterig zijn, aan delirium tremens lijden; —-stricken, —-struck = door afgrijzen verpletterd.
Horse, hös, paard (ook zeeterm), hengst, cavalerie, steunbok, droogrek, werk dat vóór het uitgevoerd is betaald wordt (= Dead —), ezelsbrug; — verb. een paard bestijgen, van een paard voorzien, schrijlings plaatsen, dekken, opstijgen; adj. groot, grof: The near — = bij-de-handsche paard; Off — = van-de-handsche; Dark — = nog onbekend renpaard; nieuweling, onbekend candidaat; Master of the — = opperstalmeester; Those who cannot flay the —, flay the saddle = wie het meerdere niet kan doen, doe het mindere; To flog the dead — = aan een dood paard trekken (fig.); To get on (To mount, to ride) the high — = een hoogen toon aanslaan; To look a gift — at (in) the mouth = een gegeven paard in den bek zien; You rode a dark — then = (eig.) gij reedt toen op een onbekend paard, (fig.) gij hieldt u maar dom, voerdet wat in uw schild; To ride a free — to death = een paard den rug stuk rijden, iemand exploiteeren; He sits a — very well = hij rijdt goed; To take — = te paard stijgen; I will win the — or lose the saddle = ik waag het, erop of eronder; I have often been —d in this school myself = ben zelf dikwijls op het “houten paard” geweest, afgeranseld geworden; —-artillery = rijdende artillerie; To be (ride) on —back = te paard; —-bean = paardeboon, tuinboon; —-block = stellage om bij het op- en afstijgen behulpzaam te zijn; —-boat = pont door paarden getrokken, of om paarden over te zetten; —-box = wagon voor paarden; stalafdeeling; —-breaker = pikeur, iemand die paarden dresseert; —-car = tramwagen (Amer.); —-car-track = tramweg (Amer.); —-chanter = opkooper van oude paarden, om ze door knoeierij weer goed aan den man te brengen; —-chestnut = paardekastanje; —-cloth = paardedek; —-coper = paardenkooper; —-courser = koopman in renpaarden; eigenaar van renpaarden; —-cucumber = groote groene komkommer; —-dealer = paardenkooper; —-doctor = paardenarts; —-drench = paardendrank; —-emmet = roode mier; —-faced = met een lang, grof gezicht; —-faker = paardenkooper (Zie Fake); —-flesh = paardevleesch; paarden: The age of —-flesh = de diligencetijd; He knows little of —-flesh = hij heeft geen verstand van paarden; —-fly = paardenvlieg; —-Guards = bereden lijfwacht; bureau van den bevelhebber in Whitehall, de militaire autoriteiten aan het ministerie van oorlog; —-hair = paardenhaar; —-hoe = groote egge; —-jockey = pikeur, paardenkoopman; —-keeper = stalknecht; verhuurder v. paard.; —-knacker = paardenvilder; —-laugh = luide en ruwe lach; —-latitudes = streek der windstilten; —-leech = paardenarts, bloedzuiger; vrek; —-litter = baar door paarden gedragen; —-load = paardenvracht; —-lock = paardenkluister; —man = ruiter; —manship = rijkunst; —marines: Tell that to the — = maak dat je grootje wijs; —-marten = groote hommel, torenzwaluw; —-meat = paardevoer; —-mill = rosmolen; —-milliner = paardetuig- en zadelmaker; —-play = ruwe grap, ruwe wijze van doen; —-pond = paardewed; —-power = paardekracht: —-race = wedren; —-radish = mierik, meerradijs, peperwortel; —-railroad = tramweg (Amer.); —-rake = paardehark, groote egge; —-rider = kunstrijder; —shoe = subst. en adj. hoefijzer(vormig); —-shoeing = beslaan van paarden; —-stinger = paardenbijter; —-tail = paardestaart; Turksche standaard; —-way (Amer.) = rijweg; —-whip, subst. paardezweep; — verb. met de paardezweep slaan, afranselen; —woman = paardrijdster, amazone; —-worm = paardenworm of de larve ervan; Hors(e)y, hösi, paardachtig, gek op paarden, jockeyachtig; Horsing = tuchtiging (met een roede) van een schooljongen, die daartoe op den rug van een anderen jongen hangt.
Hortation, höteiš’n, vermaning; Hortative, hötətiv, Hortatory, hötətori, vermanend.
Horticulture, hötikɐltšə, tuinbouw; A horticultural show = tuinbouwtentoonstelling; Horticulturist = tuinbouwkundige.
Hosanna, həzanə.
Hose, houz, kousen, sportkousen, nauwsluitende kniebroek, brandspuitslang, tuinslang (= —-pipe); — verb. bespuiten: You have got your legs into twisted — there = dat hebt gij glad mis; —-man = spuitgast.
Hosier, houžə, koopman in sajetten en wollen goederen; —y = sajetten en wollen (gebreide) goederen, zaak in die goederen.
Hosea, houzîə, Hosea.
Hospice, hospis, hospitium, kloosterherberg.
Hospitable, hospitəb’l, herbergzaam, gastvrij; subst. —ness; Hospitage, hospitidž, gastvrijheid; Hospital, hospit’l, hospitaal, godshuis: —-ship; Hospitality = gastvrijheid; Hospital(l)er = hospitaal-inspecteur; hospitaal-broeder, -zuster, -ridder.
Host, houst, subst. gastheer, waard; leger, troep, menigte; hostie; — verb. zijn verblijf nemen, onthalen, herbergen: The Lord of —s = de Heer der Heerscharen; —ess = gastvrouw.
Hostage, houstidž, gijzelaar, borgtocht.
Hostel, host’l, herberg, hospitium (voor studenten te Cambridge); Hostelry, host’lri, = herberg, hospitium.
Hostile, host(a)il, vijandig, vijandelijk; Hostility, hostiliti, vijandigheid (Meerv. Hostilities = vijandelijkheden).
Hostler, oslə, stalknecht.
Hot, hot, heet, scherp, brandend, vurig, dol op (on): That horse is — at hand = is vurig en hard in den bek; In — haste = overijld, snel; We found ourselves in — water = we zaten er leelijk in; — water tin = waterstoof; X. is becoming too — for him = hij kan het te X. niet meer uithouden; I’ll make it — for him = ik zal hem mores leeren; Brandy — = warme cognacgrog; —-bed = broeibak; broeinest; —-blast = stroom van heete lucht; —-blooded = vurig, driftig; hartstochtelijk; —-brained = oploopend, heethoofdig; —-cockles = spel, waarbij de geblinddoekte moet raden wie hem geslagen heeft; —-flue = droogkamer (katoenfabr.); —-foot = zoo snel mogelijk; —-head = driftkop, heethoofd; —-headed = heethoofdig, driftig; subst. —-headedness; —-house = broeikast, droogkamer; —-mouthed = hard in den bek, onhandelbaar; —-press = pers (voor het satineeren van papier of het decateeren van laken); —-spirited = vurig van geest, driftig; —-spur, subst. driftkop; vroege doperwt; adj. doldriftig; —-spurred = driftig, onstuimig; —-tempered = opvliegend.
Hotchpot(ch), hotšpot(š), mengelmoes, zootje, hutspot.
Hotel, hətel, logement: —-car = restauratiewagen (Amer.); —-keeper = hotelier.
Hotri, houtri, Brahmaansch priester.
Hottentot, hot’ntot, Hottentot; de taal; ook fig.
Houdah, hauda. Zie Howdah.
Hough, hɐf.
Hough, hok. Zie Hock.
Hougham, hɐfəm; Houghton, hout’n.
Hound, haund, (jacht)hond; — verb. met honden jagen, aanzetten, ophitsen, wegjagen: Master of Fox-—s = jagermeester, hoofd van de Hunt (de jachtvereeniging in een bepaald district): To follow the —s = jagen (op vossen); He rides well to —s = hij is een goed vossenjager; —’s-tongue, = hondstong.
Hounslow, haunzlou.
Hour, auə, uur; —s = uurgebeden, het boek dat ze bevat, de Horae; After —s = na den arbeid of werktijd; He keeps good (bad) —s = hij komt steeds op tijd (te laat) thuis; To keep early —s = vroeg opstaan en vroeg te bed gaan; The house sat far into the small —s = het Lagerhuis zat tot diep in den nacht; I promised him so in an evil — = te kwader ure; What is the — of day = hoe laat is het op den dag? —-angle = uurhoek; —-circle = uurcirkel; —-glass = zandlooper; —-hand = uurwijzer; —-line = uurlijn; —-plate = wijzerplaat; —ly = (van) ieder uur.
Houri, hûri, hauri, houri.
Housage, hauzidž, pakhuishuur.
House, haus, huis, woning, armhuis, geslacht, vorstenhuis, kamer v. afgevaardigden, schouwburg, gehoor of toeschouwers, firma; vierkant (op een schaakbord), plaats van een planeet, één twaalfde v. het firmament; — verb. onder dak brengen, huizen: There is a — = er is zitting van het Parlement; No — = geen zitting; As safe as a — = bepaald zeker, gewis; Like a — on fire = snel als de wind; The — = de Beurs (in ’t City slang); A — of call = arbeidsbeurs, herberg; — of correction = gevangenis, verbeterhuis; — of God = Godshuis, tempel; — of keys = de 24 leden van het Court of Tynwald, een wetgevend lichaam op het eiland Man; Free — = een herberg waarvan de waard vrij is om zijn dranken te koopen bij wie hij wil; tegenover Tied —, een herberg behoorende aan een firma bij wie alle drank gekocht moet worden; His speech brought down the — = werd stormachtig toegejuicht; The piece drew a full — = trok veel publiek; They played at keeping — = zij speelden huishoudentje; He keeps open — = hij ontvangt iedereen, houdt open tafel; Every — has its trial = ieder huisje heeft z’n kruisje; The — was out of windows = het ging er wild langs, het hek was van den dam; —-agent = agent voor het verhuren v. huizen, het ophalen der huur, enz.; —-boat = woonschip (gemeubileerd als zomerverblijf); —-bote = recht om hout te kappen (Jur.); —-breaker = slooper; inbreker; —-breaking = inbraak; —-dog = waakhond; —-duty = —-tax; —-father; —-flag = de bijzondere vlag van een firma; —-flannel = wrijflappen; —-fly = huisvlieg; —hold, subst. huisgezin, huishouding; adj. huiselijk, huishoudelijk, alledaagsch: —hold bread = gewoon brood; —hold brigade = lijfwacht (inf. en cav.); —hold franchise (— suffrage) = huismanskiesrecht; —hold management = bestuur eener huishouding; —hold stuff = huishoudingsartikelen en meubelen; —hold troops = de 3 inf. en 3 cav. reg. van de lijfwacht; —hold words (songs) = bekende of gemeenzame woorden (liederen); —holder = hoofd van een gezin (huurder of eigenaar); —hunting = het zien van huizen als men wenscht te huren; —keep = het huishouden doen (Amer.); —keeper = huishoudster; —keeping = huishouding, adj. huis..., huishoud...: —keeping book = huishoudboek; —keeping money = huishoudgeld; —leek = huislook; —-line = huizing (scheepst.); —maid = dienstmeid, werkmeid; —maid’s closet = meidenkamertje; —maid’s knee = leewater; —-mate = huisgenoot; —-party = de familie met logé(e)s; —-room = ruimte in een huis, logies in een hotel: I can give you —-room till to-morrow = kan u logeeren; —-sparrow = huismusch; —-steward = intendant; —-surgeon = inwonend chirurg (van een hospitaal); —-tax = belasting op huizen van minstens £ 20 huurwaarde; —-warming = inwijdingsfeestje bij het betrekken van een huis; —-wife, hauswaif, huisvrouw, necessaire of naaikistje (in de laatste beteekenis steeds hɐzif uitgesproken); —-wifely gelijk eene huisvrouw, huishoudelijk, spaarzaam; —wifery, hauswaifri, hɐzifri, hɐzwifri, huishouding, huishoudelijkheid; —less = dakloos; subst. —lessness.
Housing, hauziŋ, herberging, onderdak, transportkosten, pakhuishuur: — Bill = Ontwerp Woningwet.
Housing, hauziŋ, dek, schabrak.
Houston, h(j)ûstən.
Houyhnhnm, hwinm, hûinm.
Hove, houv, imperf. van to heave.
Hovel, hov’l, hɐv’l, subst. hut, afdak voor vee; — verb. in eene schuur plaatsen, onderdak brengen, aanbrengen v. een schoorsteenkap; bergen; —(l)er = berger (persoon en vaartuig).
Hover, hovə, hɐvə, zweven, dralen, weifelen, zwerven.
How, hau, hoe, op welke wijze, hoever; You must do it any— and every— = hoe dan ook; I did it some— = ik heb het op de eene of andere wijze gedaan gekregen; I must say —-(de)-do (gemeenz. voor —-do-you-do) to him = hem goedendag zeggen, groeten, bezoeken; — about your friend = hoe staat het met uw vriend? —beit = hoewel, niettegenstaande, echter; —ever = hoe dan ook, in elk geval, nochtans, echter: —ever he manages it, I do not know = hoe drommel hij hem dat levert; —soever = hoedanig ook, hoe ook.
Howard, hauəd.
Howdah, haudə, overdekte tentvormige zitplaats op den rug v. een olifant.
Howe, hau; Howells, hauəlz.
Howel, hauəl, kuipersschaaf, dissel.
Howes, hauz; Howitt, hauit.
Howitzer, hauitsə, houwitser.
Howker, haukə. Zie Hooker.
Howl, haul, subst. gehuil, geschreeuw, kreet, gejank; — verb. huilen, janken, brullen, schreeuwen, gieren (van den wind): All the children were on the full — = al de kinderen waren zoo hard mogelijk aan het gillen, schreeuwen; —er = huiler; brulaap, stommiteit: To go a —er = zwaar verliezen; —ing = akelig, vreeselijk.
Howlet, haulət, uil. Zie Owlet.
Hoy, hôi, subst. soort v. lichter; interj. hei! helà! —man = schuitevaarder.
Hoyden, hôid’n. Zie Hoiden.
Hub, hɐb, uitsteeksel, doelwit, gevest, naaf: The universe is large, and has many —s = dient velerlei bedoelingen, doeleinden.
Hubble-bubble, hɐb’lbɐb’l, gemompel, warboel; pijp; Zie Hookah.
Hubbub, hɐbɐb, verwarring, verward geraas, rumoer; —boo, hɐbəbû, gejank, gegier, gekerm.
Hubby, hɐbi = Husband.
Hubert, hjûbət.
Huck, hɐk, Donauzalm.
Huckaback, hɐkəbak, groflinnen, oogjesgoed.
Huckle, hɐk’l, heup, bult; —-backed = met ronden rug; —berry, hɐk’lberi, blauwe boschbes; —-bone = bikkel.
Huckster, hɐkstə, subst. venter, kramer, bedrieger; — verb. schacheren, venten: To be in —’s hand = bij den duivel te biecht, voor de haaien; —age = kleinhandel, kramerij; —ess.
Huddle, hɐd’l, subst. menigte, gedrang; — verb. haastig doen, door elkaar gooien, slordig bij elkaar pakken, opeendringen, aangooien (on), haastig en verward voortdringen: It is all in a — = ligt alles door elkaar; Peace was —d up with the enemy = er werd een overhaaste vrede met den vijand gesloten; —r = knoeier.
Hudibras, hjûdibras.
Hue, hjû, kleur, tint, schakeering; luid geschreeuw: They raised the — and cry after the thieves = zij zetten de dieven na, schreeuwende: “Houd den dief”; —d = getint; —r, hjûə, persoon op eene verhevenheid, die de bewegingen van eene school haringen nagaat en door roepen bekend maakt.
Huff, hɐf, subst. nijdige bui, geraaktheid; — verb. opzwellen, rijzen, razen, tieren tegen, blazen (in het damspel): She was in a — = had eene booze bui, was geraakt; To take — about a thing = zich geraakt gevoelen; —ish = boos, aanmatigend, opgeblazen; subst. —ishness; —y = —ish.
Hug, hɐg, subst. omhelzing, bepaalde manier van vastpakken (bij het worstelen): — verb. omhelzen, in de armen drukken, pakken, liefkoozen, vleien, dicht houden aan: She —ged herself with the idea of getting rid of him = zij verkneuterde zich in de gedachte; He —ged his constituents (constituency) = praatte zijne kiezers naar den mond; The ship —ged the shore = hield dicht langs de kust.
Huge, hjûdž, zeer groot, kolossaal; subst. —ness.
Hugger-mugger, hɐgəmɐgə, subst. heimelijkheid, geheimhouding; wanorde; adj. geheim, heimelijk; slordig, armzalig.
Huggins, hɐginz; Hugh, hjû; Hughenden, hjûənd’n, hitšənd’n; Hughes, hjûz.
Huguenot, hjûgənot, Hugenoot; —ism.
Hulk, hɐlk, romp v. een afgedankt schip, klomp, plomp mensch: The —s = oude schepen als gevangenis gebruikt voor galeiboeven, enz.; —ing = plomp, log, onbeholpen = —y.
Hull, hɐl, schil, dop, romp (van een schip): The ship is — down = het schip is zoo ver verwijderd, dat alleen de masten nog zichtbaar zijn.
Hullabaloo, hɐləbəlû, lawaai, drukte, geschreeuw.
Hulme, hûm.
Hum, hɐm, subst. gegons, gemompel, gebrom, gesnor (van een wiel), sterk aangezet bier, beetnemerij, mop; — verb. gonzen, snorren, brommen, neuriën, beetnemen: — and ha(w) = stotteren, niet uit zijn woorden komen; interj. h’m, hum! I do not like —ming and ha’ing = ik houd niet van die bedekte, ontwijkende antwoorden; To make things — = leven in de brouwerij brengen; doen floreeren. Zie Humming.
Human, hjûm’n, adj. menschelijk, aardsch; mensch; Humane, hjumein, humaan, menschlievend, vriendelijk, zacht: The Royal — Society = Maatschappij tot Redding van Drenkelingen (gesticht in 1774); Humanism, hjûmənizm, humanisme; menschelijke natuur; Humanist = humanist; adj. Humanistic(al); Humanitarian, hjûmənitêriən, subst. iemand, die gelooft dat Jezus een mensch was; iemand die in de voortgaande volmaking der menschheid gelooft, philanthroop; adj. menschlievend; Humanity, hjumaniti, menschelijkheid, menschheid, menschlievendheid: The Humanities = de klassieke letteren, enz., Humaniora; Humanization, subst. v. Humanize, hjûmən’a’iz, beschaven, veredelen, menschelijk maken; Humankind, hjûmənkaind, hjûmənkaind, de menschheid; Humanly: — speaking = menschelijkerwijs gesproken.
Humble, hɐmb’l, adj. nederig, bescheiden, onderdanig; — verb. vernederen, onderwerpen; —-bee = hommel; —-mouthed = bescheiden, deemoedig; —-pie = pastei van herteningewand (= Humbles) die vroeger het dienstpersoneel kreeg bij jachtmaaltijden: He has eaten —-pie = hij heeft zoete broodjes gebakken; —-plant = kruidjeroermeniet.
Humbug, hɐmbɐg, subst. bedrog, onzin, larie; windmaker, bedrieger; — verb. bedriegen, beetnemen; —ger; —gery = bedotterij, bedriegerij, malligheid.
Humdrum, hɐmdrɐm, subst. eentonigheid, gonzend geluid; vervelend mensch; adj. vervelend, eentonig, alledaagsch.
Hume, hjûm.
Humectation, hjûməkteiš’n, bevochtiging.
Humeral, hjûmər’l, schouder ...; subst. amictus, priesterl. schouderbedekking tusschen alb en soutane.
Humerus, hjûmərɐs, opperarmbeen.
Humhum, hɐmhɐm, grove gladde wollen stof (Indië).
Humic, hjûmik, humus ...: — acid = humuszuur.
Humid, hjûmid, vochtig, nattig; —ity, hjumiditi, vochtigheid = —ness.
Humiliate, hjumiljeit, vernederen, ootmoedig maken; subst. Humiliation; Humility, hjumiliti, nederigheid, ootmoed.
Humming, hɐmiŋ, gonzend, reusachtig, sterk schuimend, koppig (van bier); —-bird = kolibri; —-top = bromtol.
Hummock, hɐmək, heuveltje, hoogte; adj. —y.
Hummum, hɐmɐm, Turksch bad.
Humoral, (h)jûmər’l, tot de vochten (des lichaams) behoorend; —ism = leer, dat de vochten des lichaams de oorzaken der ziekten zijn, ook — pathology genoemd.
Humo(u)rist, (h)jûmərist, luimig mensch, spotvogel, humorist; Humorous = geestig, grillig, luimig; subst. —ness.
Humour, (h)jûmə, subst. vocht, vochtigheid; temperament, stemming, luim, gril, humor; — verb. believen, toegeven: In good — = goed geluimd; I am out of — with myself = ik ben boos op mijzelf; Vitreous — = glaslichaam; Black —s = kwade sappen; Let him have his —s = geef hem zijn zin; Children must be —ed a little = men moet kinderen wat toegeven; —ed = geluimd; —less = zonder sappen; nuchter; —some = grillig, humoristisch.
Hump, hɐmp, bult, uitsteeksel; — verb. krommen, zich inspannen; het land opjagen: To have the — = het land hebben; —-back = bult, bochel; —-backed; Shoulder “—s” = Over ... “huup”; —y = vol bulten; vervelend.
Humphrey, hɐmfri.
Humpty-Dumpty, hɐm(p)ti-dɐm(p)ti, kort en dik; kleine dikkerd.
Humus, hjûməs, teelaarde, humus.
Hun, hɐn, Hun; adj. —nic = —nish.
Hunch, hɐnš, subst. bochel, brok, homp, duw; — verb. krommen, duwen, stooten; —-back = gebochelde; —backed.
Hundred, hɐndrəd, honderd; afdeeling van een county of shire met eigen court; soms dit court zelf = —-court; A — guilders = honderd gulden; Three — and five = driehonderd vijf; Some — = zoowat honderd; Some —s (of) = eenige honderden; —-weight = centenaar (112 lbs.; in Amer. 100 lbs.); —fold = honderdvoudig; —th = honderdste.
Hung, hɐŋ, opgehangen; —-beef = rookvleesch.
Hungarian, hɐŋgêrj’n, subst. en adj. Hongaar(sch); Hungary, hɐŋgəri, Hongarije: —-water = rosmarijn (reuk)water.
Hunger, hɐŋgə, subst. honger, sterk verlangen, dorst (fig.); — verb. hongeren, hunkeren, uithongeren: — is the best sauce = is de beste kok (saus); A pale, —ed woman; —-bit(ten) = door honger gekweld, uitgehongerd; —-rot = soort v. hongerschurft bij schapen; Hungry, hɐŋgri, hongerig, uitgehongerd, hunkerend, schraal, onvruchtbaar: A — belly has no ears = een hongerige buik heeft geen ooren; — evil = geeuwhonger (bij paarden).
Hunk, hɐŋk, homp, groot brok.
Hunker, hɐŋkə, conservatief (Am.).
Hunks, hɐŋks, vrek.
Hunt, hɐnt, subst. (vossen)jacht, troep jagers, jachtgebied; — verb. jagen, afjagen, nazetten, najagen, vervolgen, opzoeken: He is out of the — altogether = kan heelemaal niet mee; To — down (To — to death) = doodjagen; To — high and low = overal zoeken; They were —ing for riches, etc. = jaagden na; I have —ed it out at length = het eindelijk opgesnord; I have not been able to — up that expression = heb niet kunnen vinden; They were playing at — the slipper = speelden “slofje onder”; —-counter = jachthond, die het spoor achteruitloopend volgt; slecht jager; beuzelaar; Hunter = jager, jachtpaard, jagershorloge: I am as hungry as a — = ik heb een honger als een paard; Hunting = het jagen (op vossen), drijfjacht; —-box = jachthuis; —-crop = jachtzweep; —-horn = jachthoorn; —-horse, —-nag = jachtpaard; —-shirt = jachtvest; —-watch = jachthorloge (met openspringend deksel); Huntress; Huntsman = jager; jachtknecht met de zorg en leiding der honden belast.
Hurdle, hɐ̂d’l, subst. horde (waarop vroeger o.a. misdadigers naar de galg werden gesleept), fascine, heining; —-race = wedren met hindernissen, over heggen.
Hurds, hɐ̂dz. Zie Hards.
Hurdy-gurdy, hɐ̂digɐ̂di, lier (draaiorgel).
Hurkaroo, Hurkaru, hɐ̂kərû, loopjongen, koerier (Brit. Indië).
Hurl, hɐ̂l, subst. krachtige worp; — verb. slingeren, werpen, (zich) storten op, uitstooten, het hurley spel spelen; —er = hurley-speler; Hurley = hurley, of hockey-spel.
Hurly-burly, hɐ̂libɐ̂li, verwarring, tumult.
Huron, hjûrən: Lake —.
Hurrah, hurâ, subst. en interj. hoera! — verb. hoera roepen, met hoera’s begroeten = Hurray, hurei.
Hurricane, hɐrikein, orkaan; —-deck = brug-, of bovendek; —-house = Crow’s nest.
Hurry, hɐri, subst. overgroote haast, overijling, verwarring, gewoel; buis voor het lossen van steenkolen uit spoorwagens in schepen; — verb. haasten, drijven, verhaasten, haast maken, overhaasten: There’s no — = er is geen haast bij; What is done in a — is seldom done well = haastige spoed is zelden goed; Don’t be hurried = haast je maar niet; To — away = wegijlen; We were hurried on by fear = voortgejaagd door; To — on one’s things = zich haastig aankleeden; — up there! = maak daar wat voort; —-scurry (—-skurry), subst. verwarde drukte; adv. verward, haastig.
Hurst, hɐ̂st, boschje.
Hurt, hɐ̂t, subst. wonde, beleediging, letsel, nadeel; — verb. wonden, kwetsen, benadeelen; zeer doen; —ful (to) = nadeelig, schadelijk (voor); subst. —fulness; —less = onschadelijk; onbeschadigd.
Hurtle, hɐ̂t’l, krachtig stooten, slingeren; botsen, stooten tegen, kletteren, aanvallen.
Hurtleberry, hɐ̂t’lberi. Zie Whortleberry.
Husband, hɐzb’nd, subst. echtgenoot, man; — verb. zuinig omgaan met; —’s tea = slappe thee; Let us — (out) life (time) as much as possible = laten we zoo zuinig mogelijk omgaan; —man = landman, huisman; —ry = landbouw, spaarzaamheid, landbouwopbrengst.
Hush, hɐš, interj. stil! zwijg!; subst. stilte, rust; — verb. stil maken, tot zwijgen brengen, doen bedaren, doodslaan, stil houden, den kop indrukken, stil zijn of worden: We must try to — it up = moeten trachten het stil te houden, het den kop in te drukken; —-money = steekpenning; Hushaby, hɐšəbi, sussen (van kinderen); Hushmush = behoedz. stilzwijgen, “stiekemig”heid.
Husk, hɐsk, subst. schil, dop; — verb. doppen, wannen, schillen; —er = pelmachine; —ing = het pellen of doppen; —ing-bee, —ing-frolic = partij van vrienden, om een boer maïs te helpen pellen; het feest daarbij gehouden (Amer.); —iness, subst. v. —y = ruw, vol schillen; krassend, schor.
Hussar, huzâ, huzaar.
Hussif, hɐzif, necessaire, naaikistje.
Hussite, hɐsait, husait, volgeling van Huss.
Hussy, hɐzi, meisje, schalk of ondeugd v. eene meid; slechte vrouw.
Husting, hɐstiŋ: —s = tribune der candidaten voor het parlement; vroeger geschiedde daarop de nomination door middel van show of hands; Court of —s = het Kanselarij-Hof van Oud-Londen.
Hustle, hɐs’l, dringen, duwen, door elkaar schudden, zich flink aanpakken: — him = gooi hem er uit.
Hut, hɐt, subst. hut, barak, hok; — verb. in de barak brengen, in hutten liggen of wonen.
Hutch, hɐtš, subst. kist, trog, bak, hok (voor konijnen, etc.), kneedtrog, waschtrog; — verb. in eene kist leggen of bewaren, erts in een trog wasschen.
Hux, hɐks, visschen met aan blazen bevestigde haken.
Huyg(h)ens, haig’nz.
Huzza, huzâ. Zie Hurra(h).
Hyacinth, haiəsinth, hyacint; adj. Hyacinthian = Hyacinthine.
Hyades, haiədîz, Hyads, haiədz, Hyaden, regengesternte.
Hyaena, haiînə; Zie Hyena.
Hyaline, haiəl(a)in, adj. doorschijnend, kristalachtig; subst. glasachtige, doorzichtige stof of oppervlakte; zeespiegel; Hyalite, haiəlait, glasopaal.
Hybrid, h(a)ibrid, subst. bastaard(vorm); bastaardwoord; adj. basterd; —ism, haibridizm, hibridizm = verbastering; —ize, h(a)ibridaiz, verbasteren; adj. —ous, h(a)ibridɐs = Hybrid.
Hydepark, hai(d)pâk; Hyderabad, haidərəbâd.
Hydra, haidrə, hydra, waterslang (myth.), zoetwaterpoliep; —-headed = veelkoppig, zich uitbreidend; —-tainted = vergiftig, doodelijk.
Hydrangea, haidranžiə, hortensia.
Hydrant, haidr’nt, hydrant.
Hydraulic, haidrôlik; —-press = hydraulische pers; —s = hydraulica.
Hydriad, haidriəd, waternimf.
Hydro, haidrou ... (in samenstellingen), water..; inrichting voor watergeneeskunde.
Hydrobarometer, haidrəbəromətə, werktuig om door de drukking van het water de diepte te bepalen.
Hydrocephalus, haidrəsefəlɐs, waterzucht in het hoofd.
Hydrodynamics, haidrədainamiks, hydrodynamica.
Hydrogen, haidrədžen, waterstof; —ize, haidrodžənaiz, met waterstof verbinden; —ous, haidrodžənɐs, waterstof..., waterstof bevattend.
Hydrographer, haidrogrəfə, iemand bekwaam in Hydrography, haidrogrəfi, zeebeschrijving, het maken van zeekaarten, enz.
Hydrometer, haidromətə, areometer; hydrometer; Hydrometry.
Hydropathic, haidrəpathik, hydropathisch; ook subst. = — establishment = inrichting voor waterkuur; Hydropathist = hydropaat; Hydropathy = hydropathie, watergeneeskunde, waterkuur.
Hydrophobia, haidrəfoubjə, watervrees, hondsdolheid.
Hydroplane, haidrəplein, hydroplaan.
Hydrops(y), haidrops(i), waterzucht.
Hydroscope, haidrəskoup, wateruurwerk.
Hydrostatic(al), haidrəstatik(’l), hydrostatisch; Hydrostatics = hydrostatica.
Hydrus, haidrəs, eene soort van waterslang; slang (sterrenbeeld in ’t Z. halfrond).
Hyena, haiînə, hyena.
Hygeia, haidžîə, Hygea.
Hygeist, h(a)idžiist, hygiënist; Hygiene, h(a)idžiîn, gezondheidsleer; adj. Hygienic; Hygienics = gezondheidsleer; Hygienist, h(a)idžiənist, hygiënist.
Hygrometer, haigromətə, hygrometer; Hygrometry, haigromətri, hygrometrie.
Hygroscope, haigrəskoup, hygroscoop.
Hymen, haim’n, god des huwelijks, huwelijk; hymen (anatom.); Hymeneal, haimənîəl, subst. en adj. bruiloft(slied).
Hymn, him, subst. lied, ode, gezang; — verb. loven, bezingen: National — = volkslied; —-book = gezangboek = —al = —ology, himnolədži, verzameling of kennis van kerkliederen; verhandeling over dit onderwerp.
Hyper, haipə (in samenstellingen), over..., bovenmate ..., overdreven ...; —bole, haipɐ̂bəlî, hyperbool; —bolic(al), haipəbolik(’l), hyperbolisch; —bolism, haipɐ̂bəlizm, gebruik van hyperbolische uitdrukkingen; —borean, haipəbôriən, subst. en adj. (iemand) tot het uiterste Noorden behoorende; ijskoud (fig.); —critic, haipəkritik, subst. en adj. letterzifter(ig), overkritisch (mensch); —criticism, haipəkritisizm, haarklooverij, letterzifterij; —criticize = haarklooven, muggenziften.
Hyperion, haipîrj’n, hipəraiən.
Hyphen, haif’n, subst. verbindingsstreepje; — verb. met een streepje verbinden.
Hypnobate, hipnəbeit, slaapwandelaar (Am.); Hypnosis, hipnousis, hypnose; Hypnotic = slaapwekkend (middel), hypnotisch; gehypnotiseerde; Hypnotism = hypnotisme; Hypnotize = hypnotiseeren.
Hypochondria, h(a)ipəkondriə, zwaarmoedigheid; —c, h(a)ipəkondriək, subst. en adj. zwaarmoedig(persoon); —cal, h(a)ipəkondraiək’l, zwaarmoedig.
Hypocrisy, hipokrisi, veinzerij, huichelarij; Hypocrite, hipəkrit, huichelaar; Hypocritical = schijnheilig.
Hypodermic, h(a)ipədɐ̂mik, onderhuidsch; onderhuidsche inspuiting (met morphine) = — injection.
Hypogastric, h(a)ipəgastrik, onderlijfs..: — region = onderlijf.
Hypostasis, h(a)ipostəsis, Hypostasy, haipostəsi, grondslag; Wezen; bezinksel; Hypostatic union, h(a)ipəstatikjûnj’n = vereeniging van God en mensch in Christus.
Hypotenuse, h(a)ipotənjûs, hypotenusa.
Hypothecate, h(a)ipothikeit, verhypothekeeren; Letter of hypothecation = pandbrief.
Hypothesis, h(a)ipothəsis, hypothese; Hypothesize = vooropstellen, aannemen; Hypothetical = onderstellend, voorwaardelijk.
Hyrcania, hɐ̂keinia, Hyrcanië; adj. —n.
Hyson, hais’n, een soort groene Chineesche thee.
Hy-spy, haispai, verstoppertje-spel.
Hyssop, hisəp, hysop.
Hysteria, histîriə, hysterie; Hysteric, histerik, hysterisch: —s = zenuwaanval: To go off (fall) into —s = het op de zenuwen krijgen; Hysterical = hysterisch.
Hysterotomy, histərotəmi, keizersnede.
Hythe, haidh.
I.
I, ai; I(sland); I(d) e(st) = dat is; Ibid(em) = op dezelfde plaats; Icel(andic); Id(em) = hetzelfde; I’d = I would, I had; I(esus) H(ominum) S(alvator) = Jezus de Redder der Menschen; I’ll = I will, I shall; Ill(inois); Illus(trious); I’m = I am; Imp(erator); Imp(ersonal); Imp(erative); Imp(er)f(ect); I(ndian) N(avy); Incog(nito); Indic(ative); Inf(initive); in Ital(ics) = cursief; I(esus) N(azarenus) R(ex) I(udaeorum) = Jezus de Nazarener de Koning der Joden; Inst(ante) = van deze maand; Inst(ant) = oogenblik; Instit(ution) = instelling; Int(erest); Inter(jection); Introd(uction); Io = Iowa; I O(we) U (= you) = ik ben u schuldig, schuldbekentenis; Ir(eland); I(rish) S(ociety); Isl(and).
I, ai, ik: Not I = ik dènk er niet aan; ikke niet.
Iachimo, jakimou; Iago, jâgou.
Iambic, aiambik, subst. en adj. Jambisch(e voet, vers); Iambus, aiambəs, Jambische voet.
Iberia, aibiriə, Iberië: —n = Iberisch; bewoner van Iberië.
Ibex, aibeks, steenbok.
Ibis, aibis, Ibis (Egypte).
Icarian, aikêriən, Icarisch, vermetel; bewoner van Icarië; Icarus, ikərɐs.
Ice, ais, subst. ijs; — verb. met ijs bedekken, in ijs veranderen, laten bevriezen, met ijs afkoelen, met suikerglazuur bedekken: He has broken the — = het ijs gebroken, den weg gebaand; kennis aangeknoopt, ’t gesprek begonnen; He —d his office in the dog-days = maakte kil of koud; —-age = glaciale of ijsperiode; —-bag = ijszak; —-berg = ijsberg; —-bird = ijsvogel; —-blink = ijsblink; —-boat = ijsboot, ijsbreker: —-boat race; —-bound = ingevroren, door het ijs ingesloten; —-box = ijskast; —-breaker = ijsbreker; —-cap = —-bag; —-cellar = ijskelder; —-cream = roomijs; —-drift = ijsgang; —-field = ijsveld; —-floe = ijsschots; —-foot = ijsgordel (om den oever); —-hole = wak; —-house = ijspakhuis; —-needle = ijsnaald (bij het bevriezen); —-pack = pakijs; —-safe = ijskast; —-shove = kruien; —-spar = veldspaath; —-spur = ijsspoor; —-water, —(d) water = ijswater.
Iceland, aisland, IJsland; —-moss = IJslandsch mos; —er; adj. Icelandic.
Ichabod, ikəbod (I Sam. IV, 21).
Ich dien, îk dîn, het motto van den Prince of Wales.
Ichneumon, iknjûm’n, pharao-rat; sluipwesp.
Ichnolite, iknəlait, fossiele voetindruk.
Ichor, (a)ikə, godenbloed, bloed, bloedwater, waterige etter.
Ichthyocolla, ikthiəkolə, vischlijm; Ichthyolite, ikthiəlait, vischsteen; Ichthyology, ikthiolədži, kennis der visschen.
Ichthyosaurus, ikthiəsôrəs, ichthyosaurus, voorwereldlijke vischhagedis.
Icicle, aisik’l, ijskegel.
Iciness, aisinəs, koude, kilheid, koelheid.
Icing, aisiŋ, suikerglazuur; —-machine ijsmachine.
Icon, aikon, aik’n, icon.
Iconoclasm, aikonəklazm, beeldstormerij; Iconoclast, aikonəklast, beeldstormer; Iconoclastic(al), beeldstormerig, radicaal.
Iconolator, aikənolətə, beeldendienaar; Iconolatry = beeldendienst.
Icosahedron, aikəsəhîdr’n, aikəsəhedr’n, twintigzijdige figuur.
Icteric, ikterik, geelzuchtig; middel tegen geelzucht: — disease = geelzucht.
Ictus, iktəs, rhythmus: — solis = zonnesteek.
Icy, aisi, ijsachtig, ijskoud; —-pearled = met pareltjes van ijs bedekt. Zie Ice.
Ida, aidə; Idaho, aidəhou; Iddesleigh, idəsli.
Idea, aidîə, denkbeeld, begrip, meening, thema, plan: The — of such a thing! = ’t idee! Stel je voor! His fixed — = idée fixe; —l = ideaal, denkbeeldig; subst. ideaal; —lism = idealisme; —list = idealist; adj. Idealistic; —lity, aidialiti, ideale toestand; Idealization, subst. v. —lize, aidîəlaiz, idealiseeren, idealen vormen.
Idem, aid’m, idem.
Identic(al), aidentik(’l), hetzelfde, identiek; Identify, aidentifai, vereenzelvigen, de gelijkheid bewijzen of bepalen; subst. Identification; Identity, aidentiti, identiteit.
Ideograph, (a)idiəgraf, zinnebeeldig schriftteeken; Ideographic(al) = ideographisch; —y, (a)idiogrəfi, ideographie.
Ideological, (a)idiəlodžik’l, ideologisch, dweepziek; Ideologist = ideoloog, dweper; Ideology = ideologie, dweperij.
Ides, aidz; de 15e van Maart, Mei, Juli en October, en de 13e der andere maanden.
Id est, id est, dat is.
Idiocy, idjəsi, domheid, onnoozelheid.
Idiograph, idjəgraf, handelsmerk.
Idiom, idj’m, taaleigen, dialect; —atic(al), idjəmatik(’l), idiomatisch, in overeenstemming met het taaleigen.
Idiosyncrasy, idiəsinkrəsi, persoonlijke reactie op bepaalde invloeden (van hooikoortslijders bijv.); adj. Idiosyncratic(al).
Idiot, idjət, idioot; ook adj.: —(’s) fringe = idiotenfranje, ponnies; —ic(al), idiotik(’l), idioot; —ism = idiotisme.
Idle, aid’l, nietsdoende, leegloopend, niet aan ’t werk; traag, lui, ongebruikt, nutteloos, onbeduidend; ijdel; — verb. den tijd in ledigheid doorbrengen, leegloopen, luieren, verlummelen (away): To be kept — = leeg (moeten) loopen; — story = praatje; — talk = beuzelpraat; —-wheel = wiel, dat de beweging van het ééne rad op het andere overbrengt; —ness: Hours of —ness = ledige uren; —r = leeglooper, nietsdoener: He is a busy —r = hij heeft het altijd druk en voert niets uit.
Idol, aid’l, afgod (ook fig.); —ater, aidolətə, afgodendienaar, vergoder, aanbidder; —atress; —atrous, aidolətrɐs, afgodisch; —atry, aidolətri, afgodendienst, vergoding; —ize, aidəlaiz, verafgoden; —izer = vergoder.
Idyl(l), aidil, idylle; adj. Idyllic.
If, if, ingeval, indien, of, al: — not = zoo niet: — he be ever so rich = hoe rijk hij ook zij; He is fifty — he is a day = tenminste vijftig; Not — I know it = niet als ik er wat aan doen kan; He was doing good work, — he had known it = zonder het te weten.
Igneous, igniəs, vurig, gloeiend; door vuur voortgebracht.
Ignis fatuus, ignisfatjuəs (Meerv. Ignes fatui, ignîzfatjuai), subst. dwaallicht, bedriegelijk iets; adj. dwaas, ijdel.
Ignitable, ignaitəb’l, ontbrandbaar; Ignite, ignait, in brand steken, vuurrood worden, doen ontvlammen: The tank became —d and burst = raakte in brand; Ignitible = Ignitable; Ignition, igniš’n, ontbranding; Ignitor, ignaitə, ontbrander, ontsteker.
Ignoble, ignoub’l, laag, verachtelijk, onwaardig; subst. —ness.
Ignominious, ignəminjəs, schandelijk, onteerend; Ignominy, ignəmini, schande, oneer, schandelijkheid.
Ignoramus, ignəreiməs, domkop, weetniet; formule door de grand jury oudtijds op eene aanklacht geschreven als er geen voldoende grond tot vervolging bestond.
Ignorance, ignərəns, onwetendheid, domheid: —s = onbewuste zonden; Ignorant, ignərənt, onwetend, ongeletterd: — of = onbekend met; Not — of = geheel op de hoogte van; Ignore, ignö, niet weten, niet kennen, niet erkennen, voorbijzien, niet tellen: To — a bill = een aanklacht als onbewezen afwijzen.
Iguana, igwânə, igweinə, kamhagedis, leguaan; Iguanodon, igwânədon, fossiele leguaan.
Ihlang-ihlang, ilâŋ-ilâŋ, odeur uit eene Oost-Indische bloem.
Ileum, (a)iliəm, kromdarm; Ileus, iliəs, koliek.
Ilex, aileks, steekpalm.
Ilfracombe, ilfrəkûm.
Iliad, iliəd, de Iliade of Ilias; lang verhaal.
Ilk, ilk, elk, het- of dezelfde: Of that — = uitdrukking om aan te duiden dat de familienaam van een persoon ook die is van zijne bezitting; van dat slag, die soort.
Ill, il, kwaad, slecht, ongelukkig, ziek; subst. kwaad, ramp, kwaal: — at ease = ongerust; — blood = kwaad bloed; — luck = ongeluk, tegenspoed; — weeds grow (thrive) apace = onkruid vergaat niet; It’s an — wind that blows nobody any good = den een zijn dood is den ander zijn brood; geen kwaad zonder baat; To do — = verkeerd doen; To fall — = ziek worden; To fall out — = mislukken; To fare — = slecht vergaan; — got — spent = zoo gewonnen, zoo geronnen; To lie — with diphtheria; Smoking made them — = misselijk; To take — = kwalijk nemen; To be taken — = ziek worden; To think — of; —-advised = onbezonnen; —-assorted = slecht bij elkaar passend; —-boding = kwaad voorspellend; —-breeding = ongemanierdheid; —-bred = ruw, lomp; —-conditioned = slecht geaard; —-concerted (—-contrived) = slecht overlegd; —-considered = onoordeelkundig; —-disposed = slecht gezind; —-fated = ongelukkig, rampspoedig; —-favoured = leelijk, misvormd; ruw; —-feeling = hekel, wrok; —-got(ten) = kwalijk of onrechtvaardig verkregen: —-gotten goods never prosper = kwalijk verkregen goed gedijt niet; —-health = ziekelijkheid; —-humour = slechte luim; —-mannered = lomp, slechtgemanierd; —-matched, —-mated = niet bij elkander passend; —-nature = boosaardigheid, slechte luim; —-natured = boosaardig, knorrig, onhandelbaar; —-omened, —-starred = onheilspellend; —-temper(ed) = (met) slecht en knorrig humeur; —-treat = mishandelen; —-usage = mishandeling; —-used = mishandeld, verguisd; —-will = kwaadwilligheid, norschheid; —ness = ongesteldheid, ziekte, verdorvenheid.
Illegal, ilîg’l, onwettig, onrechtmatig; subst. Illegality; —ize = ongeldig maken.
Illegibility, iledžibiliti, onleesbaarheid; adj. Illegible.
Illegitimacy, ilədžitiməsi, onrechtmatigheid, onwettigheid; Illegitimate, ilədžitimit, onwettig, buitenechtelijk; onlogisch; Illegitim(at)ize, ilədžitim(ət)aiz, onwettig (voor onecht) verklaren of maken.
Illiberal, ilibər’l, laag, onedel, kleingeestig, gierig; subst. Illiberality.
Illicit, ilisit, ongeoorloofd, onwettig; subst. —ness.
Illimitable, ilimitəb’l, onbegrensd.
Illinois, ilinôiz.
Illiteracy, ilitərəsi, ongeletterdheid, onwetendheid: They declared their — = verklaarden dat zij niet konden lezen of schrijven; Illiterate, ilitərit, ongeletterd, onwetend; ook subst.: — voters = kiezers, die niet kunnen lezen of schrijven; subst. Illiterateness.
Illogical, ilodžik’l, onlogisch; subst. —ness = Illogicality.
Illume, il(j)ûm, verlichten, verluchten; Illuminant = verlichtingsmiddel; Illuminate = verlichten, verluchten, illumineeren, verklaren; Illuminati, il(j)ûmineitai, Illuminaten (naam van onderscheidene genootschappen); Illumination = het verlichten of versieren, illuminatie, glans, schittering; adj. Illuminative; Illuminator = verluchter; Illumine = Illuminate.
Illusion, il(j)ûž’n, bedrog, begoocheling; —ist = visionair, toovenaar, illusionist; Illusive = bedriegelijk; subst. —ness; Illusory = Illusive.
Illustrate, ilɐstreit, iləstreit, ophelderen, toelichten, verduidelijken; subst. Illustration; Illustrative, ilɐstrətiv, ophelderend, verduidelijkend; Illustrator, iləstreitə, ilɐstreitə, illustrator.
Illustrious, ilɐstriəs, doorluchtig, beroemd, schitterend: His Most — the Prince = Zijne Doorluchtigheid; subst. —ness.
Illutation, iljuteiš’n, modderbad.
Illyria, iliriə, Illyrië; —n = Illyriër, Illyrisch.
Image, imidž, subst. beeld, afbeeldsel, type, beeltenis, voorstelling; — verb. afbeelden, afspiegelen, een (innerlijk) beeld vormen van: In the — of God = naar het beeld Gods; —-boy = Ital. beeldjeskoopman; —-maker = vervaardiger van gipsbeelden; —-worship = beeldendienst, afgoderij; Imagery, imədžəri, beelden, afbeelding; Imaginable, imadžinəb’l, denkbaar; Imaginariness = onwerkelijkheid; Imaginary, imadžinəri, denkbeeldig, onwerkelijk; Imagination, imadžineiš’n, verbeelding(skracht), voorstelling(svermogen); Imaginative, imadžinətiv, verbeeldings..., rijk aan verbeelding(skracht); subst. —ness; Imagine, imadžin, zich verbeelden, voorstellen: I did not — about these things = daar heb ik niet om gedacht; Imagining = voorstelling, hersenschim.
Imago, imeigou, volkomen ontwikkeld insect.
Imam, imâm, Iman, vorst; Mahomedaansch priester (Turkije).
Imaret, imərət, imâret, Mahom. herberg voor pelgrims.
Imbecile, imbəsîl, imbesil, subst. en adj. zwak(ke naar lichaam of geest), idioot; subst. Imbecility, imbəsiliti.
Imbibe, imbaib, (in)drinken, inzuigen, opslorpen, zuipen, opnemen; subst. Imbibition.
Imbow, imbou, welven.
Imbricate, imbrikeit, elkander bedekken gelijk dakpannen; met dakpanvormige versieringen bedekt (imbrikit) = —d; subst. Imbrication.
Imbroglio, imbrouljou, verwarring, verwikkeling.
Imbrue, imbrû, bezoedelen, baden (in bloed), (bloed) vergieten.
Imbrute, imbrût, verdierlijken.
Imbue, imbjû, doortrekken, drenken, verven, vervullen, doordringen.
Imitability, imitəbiliti, navolgbaarheid; Imitable, imitəb’l, navolgbaar; Imitate, imiteit, nabootsen, navolgen; Imitation, imiteiš’n, navolging, nabootsing; ook adj.: In — of = in navolging van; —-lace = onechte kant; Imitative, nabootsend, nagebootst (of); Imitator = nabootser, naäper.
Immaculate, imakjulit, onbevlekt, onberispelijk: — Conception = Onbevlekte Ontvangenis; subst. —ness.
Immanence, imənens, subst. van Immanent = immanent, onafscheidelijk.
Immanuel, imanjuəl, “God met ons” (naam van Jezus).
Immarginate, imâdžinit, zonder rand.
Immaterial, imətîriəl, onstoffelijk, geestelijk, van geen belang of onverschillig: That is quite — to me = mij totaal onverschillig; —ism = immaterialisme, spiritualisme; —ity, imətîrialiti, onstoffelijkheid, onwezenlijkheid, onbelangrijkheid.
Immature, imətjûə, onrijp, ontijdig; subst. Immaturity.
Immeasurable, imežərəb’l, onmeetbaar; subst. —ness.
Immediate, imîdjit, onmiddellijk, dadelijk, direct, oogenblikkelijk; spoed! (op brieven); subst. —ness.
Immedicable, imedikəb’l, ongeneeslijk.
Immemorial, imimôriəl, onheugelijk: From (For, Since) time(s) — = sedert onheugelijke tijden.
Immense, imens, onmetelijk, oneindig, onbegrensd, uitstekend, kranig; subst. —ness = Immensity.
Immensikoff, imensikof, groote overjas met bont, pelsjas.
Immerse, imɐ̂s, indompelen, onderdompelen, indoopen, verdiepen, verzinken: He was —d in his studies = verzonken in; subst. Immersion.
Immigrant, imigr’nt, gaande naar of komende in een vreemd land; subst. immigrant; Immigrate, imigreit, zich in een vreemd land vestigen; subst. Immigration.
Imminence, iminens, subst. van Imminent = nabij, dreigend, boven het hoofd hangend.
Immobile, imoubil, onbewegelijk; Immobility, iməbility, onbewegelijkheid; Immobilization = onttrekken v. geld aan den omloop.
Immoderate, imodərit, buitensporig; subst. —ness; Immoderation = gebrek aan gematigdheid, buitensporigheid.
Immodest, imodəst, onbescheiden, aanmatigend; onkiesch, onkuisch; subst. —y.
Immolate, iməleit, (op)offeren; Immolation = offeren, offer; Immolator = offeraar.
Immoral, imor’l, onzedelijk; subst. Immorality.
Immortal, imöt’l, subst. en adj. onsterfelijk(e), onvergankelijk(e); Immortality = onsterfelijkheid; —ize = vereeuwigen, onsterfelijk maken; Immortelle, imötel, immortelle.
Immovability, imûvəbiliti, subst. v. Immovable, imûvəb’l, onbewegelijk, onwrikbaar, onveranderlijk, ongevoelig: —s = onroerende goederen, wat “spijkervast” is; —ness = Immovability.
Immune, imjûn, adj. vrij, onvatbaar voor: — horses = “gezouten” paarden (Z. Afr.); To be — from; Immunity = vrijstelling, ontheffing, privilege; onvatbaarheid: — from disease; To purchase — from military service, etc. = zich vrijkoopen; Immunize = immun maken.
Immure, imjûə, opsluiten, als met een muur omringen.
Immutability, imjûtəbiliti, subst. v. Immutable, imjûtəb’l, onveranderlijk; —ness = Immutability.
Imogen, imədžen.
Imp, imp, subst. kabouter, booze geest, deugniet, guit; verlengstuk; — verb. van nieuwe vederen voorzien, verlengen; —ish, duivelachtig.
Impact, impakt, schok, stoot; To impact = samendrukken, indrijven.
Impair, impêə, benadeelen, beschadigen, doen verminderen, verminderen, verzwakken: His health was not seriously —ed = had niet erg geleden, was niet ernstig aangetast; subst. —ment.
Impale, impeil, spietsen, vastnagelen, ompalen; subst. —ment.
Impalpability, impalpəbiliti, subst. v. Impalpable, impalpəb’l, niet voel- of tastbaar, fijn.
Impan(n)el, impan’l, op de lijst der jury plaatsen, uitloten en beëedigen.
Imparisyllabic, imparisilabik, met een ongelijk getal lettergrepen.
Imparity, impariti, ongelijkheid, verschil.
Impark, impâk, tot park maken; in een wildbaan opsluiten.
Impart, impât, verleenen, mededeelen, een deel geven; —er.
Impartial, impâš’l, onpartijdig, billijk, belangeloos; subst. = —ness = Impartiality.
Impassability, impâsəbiliti, subst. v. Impassable, impâsəb’l, onbegaanbaar, ontoegankelijk; —ness = Impassability.
Impassibility, impasibiliti, subst. v. Impassible, impasib’l, ongevoelig, gevoelloos; subst. —ness.
Impassion, impaš’n: —ed = hartstochtelijk, vurig.
Impassive, impasiv, ongevoelig, gevoelloos, onverstoorbaar; subst. —ness.
Impastation, impasteiš’n, samenkneding, marmerimitatie; Impaste, impeist, samenkneden (tot deeg), de kleuren er dik opleggen; Impasto = dikke verflaag.
Impatience, impeiš’ns, ongeduld, afkeer: His — of oppression = zijn afkeer (afschuw) van; An — of poetry = hekel aan poëzie.
Impatient, impeiš’nt, ongeduldig, vurig verlangend; afkeerig: I am — for his arrival = verlang vurig; He was — of slavery = kon niet dulden.
Impawn, impôn, verpanden.
Impeach, impîtš, in twijfel trekken, bestrijden; aanklagen, in staat van beschuldiging stellen; —able = bestrijdbaar, aanklaagbaar, berispelijk; —er; —ment = beschuldiging, aanklacht, etc.
Impearl, impâl, tot paarlen maken, beparelen.
Impeccability, impekəbiliti, subst. v. Impeccable, impekəb’l, onfeilbaar, schuldeloos.
Impecuniosity, impəkjûniositi, geldgebrek, armoede; Impecunious, impəkjûniəs, arm, zonder geld.
Impede, impîd, beletten, verhinderen; Impediment, impediment, beletsel: He has an — in his speech = hij kan sommige letters niet zeggen, stamelt, spreekt onduidelijk, lijdt aan spraakbelemmering; Impeditive = hinderlijk, belemmerend.
Impel, impel, voortdrijven, aanzetten; —ler; —lent, subst. aandrift, drijfkracht; adj. aansporend, voortdrijvend.
Impend, impend, boven het hoofd hangen, voor de deur staan, dreigen (over); subst. —ence; —ent = —ing.
Impenetrability, impenətrəbiliti, subst. v. Impenetrable, impenətrəb’l, ondoordringbaar, ongevoelig, ondoorgrondelijk; Impenetrate = doordringen.
Impenitence, —cy, impenitens(i), verstoktheid; adj. Impenitent, ook subst.
Impennate, impenit, zonder vleugels (veeren), met korte vleugels; Impennes, impenîz, het geslacht der Pinguins.
Imperative, imperətiv, gebiedend, verplicht; subst. gebiedende wijs: The categorical — = de categorische imperatief; This is — on all vessels = wordt geëischt van, is verplichtend voor.
Imperator, impəreitə, impəreitə, imperator, keizer; adj. Imperatorial.
Imperceivable, impəsîvəb’l, Imperceptible, impəseptib’l, onmerkbaar, onwaarneembaar; subst. —ness.
Imperence, impərens = Impudence.
Imperfect, impɐ̂fəkt, onvolkomen of onvolmaakt; onvolmaakt verleden tijd; subst. Imperfection = —ness.
Imperforable, impɐ̂fərəb’l, ondoorboorbaar; Imperforate(d), impɐ̂fərit (—eitid), zonder openingen, niet doorboord.
Imperial, impîriəl, keizerlijk, rijks..., Britsch; vorstelijk, verheven, gebiedend, heerschzuchtig; subst. imperiaal (voor bagage op een rijtuig); plaats buitenop (koets of diligence), imperiaal (papier: 55 bij 80 cM.), haarbosje aan de onderlip; koepeldak, oude gouden munt: — city = Duitsche vrije rijksstad; — federation = plan tot bevestiging van het Britsche rijk, waarbij de rechten der koloniale parlementen onaangetast blijven; — Institute = een museum in Londen (gesticht in 1887); —ism = keizerregeering, federatiepolitiek, streven naar wereldmacht; —ist, aanhanger van het imperialisme; adj. —istic.
Imperil, imperil, in gevaar brengen.
Imperious, impîriəs, gebiedend, aanmatigend; heerschzuchtig, dringend; subst. —ness.
Imperishable, imperišəb’l, onvergankelijk, eeuwig; subst. —ness.
Imperium, impîriəm, oppermacht.
Impermanent, impɐ̂mənent, niet duurzaam of standvastig; subst. Impermanence.
Impermeability, impɐ̂miəbiliti, subst. v. Impermeable, impɐmiəb’l, ondoordringbaar: — to water = waterdicht.
Impersonal, impɐ̂sən’l, subst. en adj. onpersoonlijk (werkwoord); subst. Impersonality.
Impersonate, impɐ̂seneit, verpersoonlijken, voorstellen; Impersonation = vertolking; Impersonator = vertolker.
Impertinence, -cy, impɐ̂tinens(i), wat niet tot de zaak behoort; ongepastheid, onbeschaamdheid, onbehoorlijkheid: Miss — = kleine wijsneus; adj. Impertinent, ook subst.
Imperturbability, impətɐ̂bəbiliti, subst. v. Imperturbable, impətɐ̂bəb’l, onverstoorbaar, leuk.
Impervious, impɐ̂viəs, ondoordringbaar, ontoegankelijk; subst. —ness.
Impetuosity, impetjuositi, subst. v. Impetuous, impetjuəs, ontstuimig, woest, heftig: subst. —ness.
Impetus, impitɐs, beweegkracht, drijfkracht, aandrift.
Impi, impi, troepenafdeeling der Kaffers.
Impiety, impaiəti, goddeloosheid, ongeloof; adj. Impious, impiəs; subst. —ness.
Impinge, impinž, stooten, raken, zondigen tegen: The first circle —s on the second = raakt (snijdt); The song of the skylark —d on her ear = trof haar oor; subst. —ment; adj. —nt.
Implacability, impleikəbiliti, subst. v. Implacable, impleikəb’l, onverzoenlijk, onverbiddelijk; subst. —ness.
Implant, implânt, zaaien, enten, inprenten; subst. —ation.
Implausible, implôzib’l, onwaarschijnlijk.
Implement, impləment, werktuig, gereedschap.
Implicate, implikeit, inwikkelen, verwikkelen: Two others were —d (in it) = er bij betrokken; Implication: By — = erin begrepen, stilzwijgend = Implicative (of).
Implicit, implisit, stilzwijgend of daaronder begrepen, onvoorwaardelijk, blind; ingewikkeld: I have an — faith in you = vertrouw u onvoorwaardelijk; subst. —ness.
Imploration, imploreiš’n, smeeking; Implore, implö, smeeken.
Imply, implai, insluiten, stilzwijgend er onder begrijpen, beteekenen, insinueeren, te verstaan geven: That is implied in it = er in begrepen.
Impolicy, impolisi, gebrek aan overleg.
Impolite, impəlait, onbeleefd, lomp; subst. —ness.
Impolitic, impolitik, onverstandig, onoordeelkundig.
Imponderability, impondərəbiliti, subst. v. Imponderable, impondərəb’l, onweegbaar: —s = imponderabiliën.
Import, impöt, invoer, belang, gewicht, beteekenis, invloed, nut, inhoud: —s and exports = in- en uitvoer; — duties = inkomende rechten; — trade.
Import, impöt, invoeren, beteekenen, van belang zijn; Importable = invoerbaar; subst. Importation, impöteiš’n: —s = import artikelen; Importer = importeur.
Importance, impöt’ns, belang, gewicht, invloed, beteekenis, gewichtigheid; Important = belangrijk, gewichtig doende.
Importunate, impötjunit, lastig, aanhoudend, dringend; subst. —ness.
Importune, impötjûn, impötjûn, aanhoudend aandringen, lastig vallen; Importunity, impötjûniti, overlast, etc.
Impose, impouz, opleggen, opdringen, voorschrijven, bedriegen, in de handen stoppen: I will not be —d upon = mij niet laten bedriegen; He never —d on me on this subject = maakte nooit grooten indruk op mij; Imposing, impouziŋ, indrukwekkend; Imposition, impəziš’n, oplegging, belasting, strafwerk, bedrog: It would be an — on his good nature = misbruik maken van.
Impossibility, imposibiliti, onmogelijkheid; adj. Impossible; At impossibly early hours = onmogelijk vroege.
Impost, impoust, belasting, invoerrecht.
Impostor, impostə, bedrieger; Imposture, impostjə, bedrog.
Impotence, —cy, impətens(i), onmacht, machteloosheid, onvermogen; Impotent, impətent, machteloos, onvermogend, impotent.
Impound, impaund, opsluiten (van verdwaald vee in een pound); opsluiten, beslag leggen op.
Impoverish, impovəriš, verarmen, uitputten, uitzuigen; subst. —ment.
Impracticability, impraktikəbiliti, subst. v. Impracticable, impraktikəb’l, ondoenlijk, onuitvoerbaar, onhandelbaar, koppig; subst. —ness.
Imprecate, imprikeit, vervloeken, verwenschen, een vloek roepen op; subst. Imprecation; adj. Imprecatory, imprikətəri, impreikətəri.
Impregnability, impregnəbiliti, subst. v. Impregnable, impregnəb’l, onneembaar, onverwinlijk, onverstoorbaar.
Impregnate, impregneit, bezwangeren, bevruchten; vruchtbaar maken, doortrekken, verzadigen; adj. impregnit, zwanger; subst. Impregnation.
Impresario, impresâriou, imprezâriou, impressario.
Imprescriptible, impriskriptib’l, onverjaarbaar.
Impress, impres, stempel, afdruksel, merk, motto, indruk; het pressen.
Impress, impres, stempelen, merken, teekenen; drukken, indruk maken, inprenten, op het hart drukken, forsch aandringen; pressen, requireeren: A feeling of impending misfortune —ed me = drukte mij terneer; —-money, handgeld; Impressibility = ontvankelijkheid; Impressible, ontvankelijk; Impression = indruk, meening, stempel, afdruk, uitgave of oplaag, flauwe herinnering, invloed, uitwerking; —able = licht voor indrukken vatbaar, prikkelbaar; —ism, impressionisme; —ist = impressionist; —istic, impressionistisch; Impressive, indrukwekkend; subst. —ness; Impressment: — into military service = gedwongen dienstneming.
Imprest, imprest, voorschot; —-office = departement van de admiraliteit dat voorschotten verleent aan officieren van administratie.
Imprimatur, imprimeitə, verlof (van den censor of corrector) tot het drukken (woordelijk: “dat het gedrukt worde”).
Imprint, imprint, afdruk; naam van drukker of uitgever van een boek, etc., met de plaats en den datum der uitgave.
Imprint, imprint, drukken, stempelen, inprenten.
Imprison, impriz’n, gevangen nemen; subst. —ment: False —ment = wederrechtelijke gevangenzetting.
Improbability, improbəbiliti, subst. v. Improbable, improbəb’l, onwaarschijnlijk.
Improbity, improbiti, oneerlijkheid.
Impromptu, improm(p)tjû, adj. extemporé, geimproviseerd; ook subst.; —ist = improvisator.
Improper, impropə, ongeschikt, ongepast, onjuist: —-fraction = onechte breuk.
Impropriate, improuprieit, zich toeëigenen; kerkelijke inkomsten en bedieningen in handen van leeken stellen; subst. Impropriation = die overdracht, het overgedragene; Impropriator, improuprieitə, die zich rechten toeëigent; leek, die kerkelijke goederen en bedieningen in handen heeft.
Impropriety, imprəpraiiti, ongepastheid, onwelvoegelijkheid, onjuistheid.
Improvable, imprûvəb’l, verbeterbaar; Improve, imprûv, verbeteren, volmaken, voordeel trekken, gebruik maken van, aankweeken, herstellen, vermeerderen, verhoogen, beter worden, stijgen: He has —d the occasion = heeft de gelegenheid waargenomen; He was called upon to — the death of three young fishermen = hij werd gevraagd om eene stichtelijke toespraak te houden bij de begrafenis van drie jonge visschers; To — away = verwijderen, verdrijven; That old gate has been —d off the face of the earth = is gelukkig van den aardbodem verdwenen; Some people — on (upon) acquaintance = vallen hoe langer hoe meer mee bij nadere kennismaking; That cannot possibly be —d upon = laat geen verbetering toe; —ment = verbetering, vordering, nuttig gebruik, stijging; —r = verbeteraar; volontair.
Improvidence, improvidens, zorgeloosheid; Improvident, improvident, zorgeloos.
Improvisation, improvizeiš’n, improvisatie; Improvisator, improvizeitə, Improvisatore, imprəvizatôri, improvisator; Improvise, imprəvaiz, imprəvîz, improviseeren.
Imprudence, imprûd’ns, onvoorzichtigheid; Imprudent, imprûd’nt, onvoorzichtig.
Impudence, impjûdens, onbeschaamdheid; Impudent, impjudent, onbeschaamd; Impudicity = Impudence.
Impugn, impjûn, bestrijden, weerspreken; —able, impjûnəb’l, bestrijdbaar, weerlegbaar; subst. —ation; —er.
Impulse, impɐls, Impulsion, impɐlš’n, aandrang, aandrift, aansporing; stoot; Impulsive, impɐlsiv, aandrijvend, impulsief; subst. —ness.
Impunity, impjûniti, straffeloosheid: With — = straffeloos.
Impure, impjûə, onrein, onzuiver, besmet, vuil, onkuisch; subst. —ness = Impurity, impjûriti.
Imputability, impjûtəbiliti, subst. v. Imputable, impjûtəb’l, toerekenbaar; Imputation, impjûteiš’n, beschuldiging, aantijging, verwijt: I will not suffer an — on my brother’s character; Impute, impjût, toeschrijven, toerekenen, ten laste leggen (to): Don’t — the ill success to me = wijt mij niet; —r.
In, in, prep. en adv. in, op, naar, bij, tehuis; subst. meest mv.; — verb. inbrengen: — the air = in de lucht; The news is — the air = gaat rond; To be — arms = onder de wapenen; — conclusion = tot besluit, om kort te gaan; — the daytime = overdag, des daags; He is not worthy to be mentioned — the same day as his friend = op één dag; — drink = dronken; — fact = inderdaad; — favour of = ten gunste van; He gave me twenty — fifty — billiards = gaf me 20 op de 50 vóór; — fine = ten slotte; — haste = haastig; — love = verliefd; — name of = bij wijze van; — the name of = in naam van; — the night = ’s nachts; — obedience to = ingevolge; — my opinion = naar mijne meening; — order to = ten einde; — for a penny, — for a pound = wie A zegt, moet ook B zeggen; A penny — the pound = een stuiver van of op de ƒ 12; — the reign of = onder de regeering van; — regard, respect to = met betrekking tot, ten opzichte van; My membership — your society = van uwe vereeniging; I spoke these words more — sorrow than — anger = meer uit droefheid dan uit toorn; A great pleasure is — store for you = staatje te wachten; He is one — a thousand = één uit de duizend; — time = op tijd; — due time = op den rechten tijd; If these things be done — the green tree, what will be done — the dry = in de jeugd... op ouden leeftijd; — vain = te vergeefs; — virtue of his office = krachtens zijn ambt; — writing = in geschrifte, schriftelijk; Are you curious — books on London = gesteld op boeken over L.?; I am — for it = ik ben er bij, kan er niet aan ontsnappen; How soon shall we be —? = in de haven, binnen zijn; They are — and out twenty times a day = hebben standjes en worden weer goed twintigmaal per dag; The liberals are — now = zijn nu aan de regeering; Champagne is not — it = haalt er niet bij; You are not — it with your friend = gij haalt niet bij; To be — with = iets uit te staan hebben (connecties hebben) met; Caught — the act = op heeterdaad betrapt; Come — = kom binnen; He had it — him = het lag in zijn aard, hij kon; — that = aangezien, daar, omdat; —-and-—-breeding = fokken met hetzelfde fokmateriaal; — and out running = afwisselend winnen en verliezen (bij rensport); subst. The —s and outs = hoeken en gaten, moeielijkheden; bijzonderheden: The —s and outs of a town = de hoeken en gaten van eene stad; The —s and outs = regeering en oppositie; The —s and the outs of the matter = alle bijzonderheden of het fijne van.
Inability, inəbiliti, onbekwaamheid, onvermogen.
Inaccessibility, inəksesibiliti, subst. v. Inaccessible, inəksesib’l, ontoegankelijk, ongenaakbaar.
Inaccuracy, inakjurəsi, onnauwkeurigheid; Inaccurate(ness), inakjurit(nəs), onnauwkeurig(heid).
Inaction, inakš’n, werkeloosheid, rust, traagheid; Inactive, inaktiv, werkeloos, vadsig, zonder uitwerking, zonder handeling, flauw (handelsterm), bewegingloos, onwerkzaam; subst. Inactivity, inəktiviti.
Inadequacy, inadikwəsi, onevenredigheid, ongelijkheid, onvoldoendheid; Inadequate, inadikwit, onevenredig, ongelijk, onvoldoende (to); Inadequation, inadikweiš’n, gebrek aan overeenkomst.
Inadmissibility, inədmisibiliti, subst. v. Inadmissible, inədmisib’l, onaannemelijk, niet toelaatbaar.
Inadvertence, -cy, inədvɐ̂t’ns(i), zorgeloosheid, onachtzaamheid; Inadvertent = onbewust, zonder er bij te denken.
Inalienability, ineiljənəbiliti, subst. v. Inalienable, ineiljənəb’l, onvervreemdbaar.
Inalterability, inôltərəbiliti, subst. v. Inalterable, inôltərəb’l, onveranderlijk.
Inane, inein, ledig, zinloos, doelloos, waardeloos; subst. (de) ledige ruimte.
Inanimate, inanimit, onbezield, levenloos, flauw (handelsterm): — bird = Clay-pigeon; subst. —ness.
Inanition, inəniš’n, ledigheid, uitputting (Med.).
Inanity, inaniti, zinloosheid, zinlooze opmerking, holheid, ledigheid; Inanities = dwaasheden, zinledige gezegden.
Inappellable, inəpeləb’l, waartegen niet geappelleerd kan worden, laatste.
Inappetence, -cy, inapitens(i), gebrek aan eetlust of verlangen; adj. Inappetent.
Inapplicability, inaplikəbiliti, subst. v. Inapplicable, inaplikəb’l, ontoepasselijk, niet behoorende bij.
Inappreciable, inəprîšəb’l, onschatbaar, onmerkbaar.
Inapproachable, inəproutšəb’l, ongenaakbaar, weergaloos.
Inappropriate, inəproupriit, ongeschikt, ongepast; subst. —ness.
Inapt, inapt, ongeschikt, niet voegzaam, onbekwaam; subst. —itude, inaptitjûd = —ness.
Inarch, inâtš, enten zonder den geënten tak van de moederplant te scheiden.
Inarticulate, inâtikjulit, onduidelijk, onverstaanbaar, sprakeloos, zonder geledingen; —d (—eited); subst. —ness; Inarticulation = onduidelijkheid (in het spreken).
Inasmuch, inəzmɐtš, aangezien, voor zooverre als.
Inattention, inətenš’n, onoplettendheid, achteloosheid; Inattentive, inətentiv, onoplettend, achteloos.
Inaudibility, inôdibiliti, subst. v. Inaudible, inôdib’l, onhoorbaar; subst. —ness.
Inaugural, inôgjur’l, inauguraal; subst. inaugurale rede (Amer.); Inaugurate, inôgjureit, plechtig in een ambt bevestigen, inhuldigen, openen, beginnen met, in ’t leven roepen; subst. Inauguration: The — of the Queen; Inauguratory, inôgjurətəri, inwijdend, huldigend.
Inauspicious, inôspišəs, onheilspellend, ongelukkig, ongunstig.
Inboard, inböd, adj. binnenboordsch; adv. aan boord: — cargo = vracht in ’t ruim.
Inborn, inbön, aangeboren, natuurlijk.
Inbreathe, inbrîdh, inademen, inspireeren.
Inbred, inbred, aangeboren, inlandsch; door inbreeding verkregen.
Inbreed, inbrîd, fokken met steeds hetzelfde materiaal.
Inca, inkə, vorst (van Peru, vóór 1531).
Incalculable, inkalkjuləb’l, onberekenbaar; subst. —ness.
Incandesce, inkandes, gloeien, doen gloeien; subst. —nce = gloeien, gloeihitte; —nt = gloeiend, witgloeiend, gloei—: — lamp = (electrische) gloeilamp; — light = gasgloeilicht.
Incantation, inkanteiš’n, tooverformule, betoovering.
Incapability, inkeipəbiliti, onbekwaamheid, onbevoegdheid; Incapable, inkeipəb’l, onbekwaam, onbevoegd; Incapacitate, inkəpasiteit, onbekwaam of onbevoegd maken; subst. Incapacitation; Incapacity, inkəpasiti, onbekwaamheid, ongeschiktheid (of, for).
Incarcerate, inkâsəreit, gevangen zetten; —d hernia = beklemde breuk; Incarceration = gevangenzetting, beklemming.
Incarnate, inkâneit, vleesch worden: To be —d = vleesch (mensch) geworden; adj. inkânit: God — = Godmensch; A devil —, an — fiend = een duivel in menschengestalte; Incarnation, inkâneiš’n, vleeschwording, verpersoonlijking, vleeschvorming.
Incase, inkeis. Zie Encase.
Incautious, inkôšəs, onvoorzichtig; subst. —ness.
Incendiarism, insendjərizm, brandstichting, ophitsing: Incendiary, insendjəri, subst. brandstichter, oproermaker, aanstoker; adj. brandstichtend, oproer stokend, ophitsend, vuur—, brand—.
Incense, insens, subst. wierook (ook fig.); — verb, insens, insens, bewierooken (ook fig.); —-boat = wierookdoosje.
Incense, insens, woedend maken, vertoornen (against, with).
Incentive, insentiv, aansporend, prikkelend; subst. aansporing, prikkeling.
Inception, insepš’n, begin; Inceptive, beginnend, aanvangs—.
Incessant, inses’nt, onophoudelijk, voortdurend; subst. —ness.
Incest, insest, bloedschande; —uous, insestjuəs, bloedschendig; subst. —uousness.
Inch, inš, 2,54 cM. (twaalfde deel van een foot), kleine hoeveelheid; eilandje (Schotl.): At an — = precies, op een haar; — by — = langzamerhand, voet voor voet: He died by —es = langzaam; Of —es = rijzig; To an — = precies; Within an — = bijna; He is every — a king = in hart en nieren, een echte; He did not bate an — = liet niets vallen; Give him an —, he will take an ell = als men hem een vinger geeft, neemt hij de heele hand; This paper gives the story five —es of praise = twijfelachtigen lof = faint praise; He was dressed within an — of his life = piekfijn uitgedost; I thrashed him within an — of his life = sloeg hem bijna dood; We did it by —-meal = bij stukjes en brokjes; —-rule = duimstok; —-stuff = vuren planken van een inch dikte; —ed (in samenst.): Three-—ed.
Inchoate, inkouit, begonnen, aanvangs - -; subst. Inchoation = aanvang; Inchoative, inkouətiv, inkoueitiv, beginnend, aanvangs...
Incidence, insidens, de inval van een straal; het raken: The — of taxation = het verdeelen; Angle of — = hoek van inval; Area of — = omvang van de beteekenis (woord); Line of — = lijn van inval; Incident, insident, invallend, voorkomend bij, eigen aan, toevallig; subst. bijomstandigheid, voorval: It is — to travellers to get accidents = reizigers zijn aan ongelukken blootgesteld; — on (to) the occasion = die de gelegenheid meebrengt; Paintings of — = genrestukken; Incidental, insident’l, bijkomend, toevallig, ondergeschikt, afhankelijk: It is — to = het behoort tot; — upon = toevallig volgend op.
Incinerate, insinəreit, tot asch verbranden; Incineration, lijkenverbranding (Amer.); Incinerator, oven voor verbranding van straatvuil, etc.
Incipience, -cy, insipj’ns(i), begin; Incipient, insipj’nt, beginnend, eerste: Boys with — beards = met vlas om de kin.
Incise, insaiz, insnijden, graveeren: —d wound = snijwond; Incision, insiž’n, insnijding, kerf, snede, wond; Incisive, insaisiv, insnijdend, scherp, snij - -; — teeth = snijtanden; subst. —ness; Incisor, insaizə, snijtand; Incisory = snijdend, snij - -; Incisure = insnijding.
Incitant, insitənt, insaitənt, prikkelend; subst. prikkel, opwekkingsmiddel; Incitation, insiteiš’n, aansporing, prikkel; Incite, insait, aansporen, prikkelen; subst. —ment; —r.
Incivility, insiviliti, onbeleefdheid, lompheid; Incivilization, gebrek aan beschaving.
Incivism, insivizm, gebrek aan burgerzin.
Inclemency, inklem’nsi, onmeedoogendheid, guurheid; adj. Inclement, inklem’nt.
Inclinable, inklainəb’l, geneigd; Inclination, inklineiš’n, neiging, geneigdheid, helling, schuinte, inclinatie; Incline, inklain, subst. neiging, helling, hellend vlak; — verb. (inklain), neigen, overhellen, geneigd zijn, hellen, richten, bewegen, brengen tot: He —d to conservatism = helde over naar; To — lower = goedkooper worden; —d-plane = hellend vlak; —r.
Inclose, inklouz, insluiten, omringen, omheinen, afrasteren: —d letter = ingesloten brief; Inclosure, inkloužə, insluiting, omheining, het ingeslotene of omheinde.
Include, inklûd, insluiten, omhelzen, bevatten: Costs —d = met kosten; Not —d = er niet onder begrepen; Inclusion, inklûž’n, insluiting, bevatting; Inclusive, inklûsiv, ingesloten, bevattend, insluitend, er in begrepen.
Incog, inkog, (verkorting van): Incognito, incognito; onbekend (man); Incognita = onbekende (vrouw).
Incoherence, -cy, inkouhîr’ns(i), gebrek aan samenhang of consequentie; adj. Incoherent.
Incombustibility, inkəmbɐstibiliti, subst. v. Incombustible, ink’mbɐstib’l, onverbrandbaar.
Income, inkɐm, inkomen, inkomsten; —-tax = inkomstenbelasting; —less = zonder inkomen; —r = inbezitnemer, nieuwe huurder, opvolger; Incoming, inkɐmiŋ, bezit of ambt aanvaardend, inkomend; subst. ingang, winst, inkomsten (gewoonl. meerv.): The — president = de nieuwe president.
Incommensurability, inkəmenšərəbiliti, subst. v. Incommensurable, inkəmenšərəb’l, onderling onmeetbaar; subst. —ness; Incommensurate, inkəmenšərit, onderling onmeetbaar, onevenredig.
Incommode, inkəmoud, lastig vallen, storen, belemmeren; Incommodious, inkəmoudjəs, hinderlijk, lastig; subst. —ness = Incommodity.
Incommunicability, inkəmjunikəbiliti, subst. v. Incommunicable, inkəmjûnikəb’l, niet geschikt om te worden medegedeeld; —ness; Incommunicative = terughoudend, gesloten.
Incomparable, inkompərəb’l, weergaloos, ongeëvenaard; subst. —ness.
Incompatibility, ink’mpatibiliti, onvereenigbaarheid: — of temper = wederzijdsche antipathie; Incompatible, ink’mpatib’l, onvereenigbaar (with); ook subst.
Incompetence, -cy, inkompitens(i), onbevoegdheid, ongeschiktheid, onbekwaamheid; adj. Incompetent, inkompitent.
Incomplete, ink’mplît, onvolkomen, onvolledig; subst. —ness = Incompletion, ink’mplîš’n, onvolledigheid.
Incomprehensibility, inkomprihensibiliti, subst. v. Incomprehensible, inkomprihensib’l, onbegrijpelijk, onbegrensd; subst. —ness; Incomprehension = gebrek aan bevattingsvermogen; Incomprehensive = beperkt.
Incompressibility, ink’mpresibiliti, onsamendrukbaarheid; adj. Incompressible.
Inconceivability, ink’nsîvəbiliti, subst. v. Inconceivable, ink’nsîvəb’l, onbegrijpelijk.
Inconclusive, ink’nklûsiv, niet beslissend, niet overtuigend, niet geëindigd, vergeefsch; subst. —ness.
Incondensability, inkəndensəbiliti, onverdichtbaarheid; adj. Incondensable.
Incongruent, inkoŋgruent = Incongruous; Incongruity, ink’ngrûiti, gebrek aan overeenstemming of samenhang, ongerijmdheid; Incongruous, inkongruəs, niet bij elkaar passend, ongerijmd.
Inconscious, inkonšəs = Unconscious.
Inconsequence, inkonsikwens, valsche gevolgtrekking, inconsequentie; adj. Inconsequent; Inconsequential = inconsequent, onbelangrijk.
Inconsiderable, inkənsiderəb’l, onbelangrijk, gering; subst. —ness.
Inconsiderate, inkənsidərit, onbezonnen, onbedachtzaam, weinig kiesch; subst. —ness = Inconsideration.
Inconsistency, inkənsist’nsi, subst. v. Inconsistent, inkənsist’nt, onbestaanbaar, onlogisch, niet passend, inconsequent.
Inconsolable, ink’nsouləb’l, ontroostbaar; subst. —ness.
Inconspicuous, inkənspikjuəs, onaanzienlijk, niet in ’t oog vallend; subst. —ness.
Inconstancy, inkonst’nsi, onstandvastigheid, veranderlijkheid, verscheidenheid; Inconstant, inkonst’nt, onbestendig, veranderlijk, vluchtig.
Inconsumable, inkənsjûməb’l, onverteerbaar, onvernietigbaar.
Incontestable, inkəntestəb’l, onbetwistbaar; subst. —ness.
Incontinence, —cy, inkontinens(i), onkuischheid, gebrek aan zelfbeheersching: His — of speech, of money = loslippigheid, geld weggooien; Incontinent, inkontinent, subst. en adj. onkuisch(e); Incontinently = onmiddellijk.
Incontrollable, inkəntrouləb’l, onbedwingbaar.
Incontrovertible, inkontrəvɐ̂tib’l, onbetwistbaar.
Inconvenience, ink’nvînj’ns, subst. ongerief, ongelegenheid; — verb. in ongelegenheid brengen, last aandoen; adj. Inconvenient.
Inconvertibility, inkənvɐ̂tibiliti, subst. v. Inconvertible, inkənvɐ̂tib’l, onverwisselbaar, onveranderlijk, niet om te zetten in geld.
Inconvincible, inkənvinsib’l, niet te overtuigen.
Incorporate, inköpərit, adj. nauw verbonden, tot één lichaam gemaakt; niet lichamelijk of als rechtspersoon bestaande; — verb. (inköpəreit) tot één lichaam maken, als gewettigde corporatie, als rechtspersoon erkennen, in eene corporatie opnemen: —d under the Companies Act 1860 = als r. erkend overeenk. de wet van 1860 op de naamlooze vennootschappen; Incorporator, inköpəreitə, soort van flesch voor sla-aanmaaksel; oprichter; Incorporation, inköpəreiš’n, vereeniging tot één lichaam, innige menging, etc.
Incorporeal, inköpôriəl, onlichamelijk, onstoffelijk; subst. Incorporeity.
Incorrect, inkərekt, onjuist, onwaar; subst. —ness.
Incorrigibility, inkoridžibiliti, subst. v. Incorrigible, inkoridžib’l, subst. en adj. onverbeterlijk(e); subst. —ness.
Incorrodible, inkəroudib’l, niet wegroestend.
Incorrupt, inkərɐpt, onbedorven, eerlijk, onomkoopbaar; Incorruptibility, inkərɐptibiliti, subst. v. Incorruptible, inkərɐptib’l, onomkoopbaar, onbederfbaar; Incorruptness, inkərɐptnəs, reinheid, onverdorvenheid.
Incrassate, inkraseit, verdikken, dikker worden; Incrassation = verdikking.
Increase, inkrîs, toename, vermeerdering, aanwas; winst, nut, nakomelingschap: To be on the — = toenemen; The moon is on the — = aan het toenemen of wassen; Increase, inkrîs, toenemen, aanwassen, vermeerderen, vergrooten, versterken: To — the front = opmarcheeren.
Incredibility, inkredibiliti, subst. v. Incredible, inkredib’l, ongeloofelijk; subst. —ness.
Incredulity, inkrədjûliti, ongeloof, twijfelzucht; adj. Incredulous, inkredjulɐs.
Increment, inkriment, aanwas, vermeerdering, het toegevoegde, differentiaal: Unearned — = toevallige waardevermeerdering (van huizen, enz.).
Incriminate, inkrimineit, van eene misdaad beschuldigen; Incrimination; Incriminatory, inkriminətəri, beschuldigend.
Incrust, inkcrɐst, incrusteeren, inleggen; —ate, inkrɐstit, omkorst; —ation, incrustatie, ingelegd werk = —ment.
Incubate, inkjubeit, (uit)broeden; Incubation, (uit)broeding, incubatie; Incubative = broedend, incubatie...; Incubator = incubator, broedmachine.
Incubus, inkjubɐs, nachtmerrie, zwarte last, hindernis: The question rode her mind like an — = werd haar tot een ware nachtmerrie.
Inculcate, inkɐlkeit, inprenten; subst. Inculcation.
Inculpate, inkɐlpeit, inkɐlpeit, beschuldigen, aanklagen; subst. Inculpation; Inculpatory = aanklagend, beschuldigend.
Incumbency, inkɐmb’nsi, prebende; verplichting, last; het liggen op iets; Incumbent, inkɐmb’nt, subst. de met een prebende begiftigde (Rector of Vicar); adj. liggend, rustend, opgelegd als een plicht: I feel it — on me = beschouw het als mijn plicht.
Incumbrance, inkɐmbr’ns, belemmering, bezwaar, hypotheek: Without — = zonder vrouw of kind; A wife and seven —s = ... en zeven kinderen tot zijn last.
Incunabulum, inkjunabjul’m, wiegedruk, boek vóór 1500 gedrukt.
Incur, inkɐ̂, oploopen, zich op den hals halen: To — debts = schulden maken.
Incurability, inkjurəbiliti, subst. v. Incurable, inkjûrəbl, ongeneeslijk, hopeloos; ook subst.: A Home for —s = ongeneeslijke zieken; subst. —ness.
Incuriosity, inkjuriositi, subst. v. Incurious, inkjûriəs, onverschillig, zorgeloos; subst. —ness.
Incursion, inkɐ̂š’n, inval, strooptocht; adj. Incursive.
Incurvate, inkɐ̂vit, adj. gebogen, gekromd; — verb. inkɐ̂veit, inkɐ̂veit, buigen, krommen; subst. Incurvation; Incurve, inkɐ̂v, krommen, zich naar binnen buigen.
Incus, iŋkəs, aambeeldsbeentje.
Indebted, indetid, verplicht, schuldig: He was — to her in a large sum = eene groote som gelds schuldig; I am — to you for it = dank het u; —ness = verschuldigd zijn, schuld.
Indecence, —cy, indîs’ns(i), onwelvoeglijkheid, onbetamelijkheid; Indecent = onwelvoegelijk: — assault = aanranding der eerbaarheid; — exposure = onwelvoeglijke ontblooting.
Indeciduous, indisidjuəs, niet afvallend (van bladeren, enz.), altijd groen.
Indecipherable, indisaifərəb’l, niet te ontcijferen of te ontwarren.
Indecision, indisiž’n, besluiteloosheid; adj. Indecisive, indisaisiv; subst. —ness.
Indeclinable, indiklainəb’l, subst. en adj. onverbuigbaar (woord).
Indecomposable, indîk’mpouzəb’l, onscheidbaar (Chem.).
Indecorous, indikôrəs, indekɐrɐs, onwelvoegelijk; subst. —ness = Indecorum, indikôr’m.
Indeed, indîd, inderdaad, voorwaar, voorzeker; int. wat je zegt! och kom! zoo! ja wel! Kind —! = Vriendelijk? ’t mocht wat!
Indefatigability, indifatigəbiliti, subst. v. Indefatigable, indifatigəb’l, onvermoeid; subst. —ness.
Indefeasibility, indifîzibiliti, subst. v. Indefeasible, indifîzib’l, onvervreemdbaar, onschendbaar, onaantastbaar.
Indefectible, indifektib’l, onfeilbaar, onvergankelijk.
Indefensibility, indifensibiliti, subst. v. Indefensible, indifensib’l, onverdedigbaar.
Indefinable, indifainəbl, onverklaarbaar, niet omschrijfbaar, raadselachtig.
Indefinite, indefinit, onbepaald, onbegrensd, oneindig; subst. —ness; Prorogued —ly = voor onbep. tijd uitgesteld.
Indelible, indelib’l, onuitwischbaar.
Indelicacy, indelikəsi, onkieschheid, grofheid; adj. Indelicate, indelikit.
Indemnification, indemnifikeiš’n, schadeloosstelling; Indemnify, indemnifai, schadeloos stellen (for); Indemnity, indemniti, schadeloosstelling, vergoeding, indemniteit.
Indent, indent, inkerven, uittanden, inkrassen, inspringen (bij het drukken), een contract in duplo maken, in de leer gaan (bij contract), bestellen, requireeren, aanspreken; indrukken, deuken; subst. indent, inkerving, bestelling, requisitie; —ation = inkerving, uittanding = —ion, ook: inspringing; Indenture, indentšə, subst. gezegeld verdrag, uittanding; — verb, inkerven: Apprentice’s — = (leerling)contract; — of mortgage = hypotheekacte; The —s were cancelled = de contracten werden vernietigd; To make —s = slingeren als een dronken man.
Independence, indipend’ns, onafhankelijkheid, onafhankelijk bestaan, vermogen: — Day = 4 Juli (herdenking van de Amerikaansche onafhankelijkheidsverklaring 4 Juli 1776); Independent, indipend’nt, onafhankelijk, onbevooroordeeld, tot de Independenten behoorende; subst. afgescheidene, wilde: — as to means = financ. onafhankelijk; The —s = godsdienstige, van de Staatskerk afgescheiden sekte.
Indescribability, indiskraibəbiliti, subst. v. Indescribable, indiskraibəb’l, onbeschrijfelijk; —s = pantalon, broek.
Indestructibility, indistrɐktibiliti, subst. v. Indestructible, indistrɐktib’l, onvernietigbaar.
Indeterminable, inditɐ̂minəb’l, onbepaalbaar.
Indeterminate, inditɐ̂minit, onbepaald, besluiteloos; subst. —ness.
Index, indeks (Meerv. Indexes of Indices, indisîz; dit laatste in de algebra: exponenten), subst. wijzer, bladwijzer, inhoudsopgaaf, arm van wegwijzer, tong, exponent; — verb. van een index voorzien, op den index plaatsen, aanwijzen (out): — expurgatory = lijst van boeken, die eerst van de dwalingen moeten worden gezuiverd vóór ze door Katholieken mogen worden gelezen; — prohibitory = lijst van de door de R.K. kerk verboden boeken; To be placed on the —; —-finger = wijsvinger.
India, indjə, Voor-Indië: Further — = Achter-Indië; — ink; —man = Oostinjevaarder; — office = ministerie van koloniën; — rubber = —n rubber; Indian = Indisch, Indiaansch; subst. Indiër, Indischman, roodhuid: — anis = steranijs; A retired member of the — Civil Service = gepensioneerd Indisch ambtenaar; Board of — Civil Service Studies = Raad voor de studie voor de Brit. Ind. ambtenaarsexamens; — corn = maïs; — cress = Oostindische kers; — file = achter elkaar; — fire = soort van Bengaalsch vuur als signaalvuur; — ink = Oostindische inkt; An — inky day = sombere; —like = als een Indiër of Indiaan; —-reed, —-shot = Oostindisch riet; — rubber = gomelastiek, caoutchouc; overschoen = — rubber shoe; — summer = warme nazomer; — yellow = Oostindisch geel; The Indies = Indië.
Indiana, indjanə; Indianapolis, indjənapəlis.
Indicant, indik’nt, aanwijzend; subst. symptoom: — days = crisis; Indicate, indikeit, aanwijzen, aanduiden; subst. Indication; Indicative, indikətiv, indikətiv, subst. en adj. aantoonend(e wijs); Indicator, indikeitə, indicateur; adj. Indicatory,
Indict, indait, beschuldigen, aanklagen: —ed for murder; —able offence = een zwaar misdrijf (dat door de ‘Grand Jury’ berecht moet worden); —er (= —or); —ment = aanklacht; beslissing van de Grand Jury, na onderzoek, om rechtsingang te verleenen.
Indifference, indifərens, onverschilligheid, onpartijdigheid, middelmatigheid; Indifferent = onverschillig(e), van geene beteekenis, tamelijk, zoo-zoo: He is in — health = niet recht gezond; — pictures = van geen bijzondere waarde; —ly printed = niet bijzonder fraai gedrukt; To sleep —ly = vrij slecht; These words are used —ly = door elkander; —ism, indifər’ntizm, stelselmatige onverschilligheid, vooral in godsdienst.
Indigence, -cy, indidžens(i), gebrek, nooddruft, armoede.
Indigene, indidžîn, oorspronkelijke bewoner; Indigenous, indidžinɐs, inlandsch, aangeboren, inherent.
Indigent, indidžent, behoeftig, arm.
Indigested, indidžestid, onverwerkt, onrijp, verward, vormloos; Indigestible, indidžestib’l, onverteerbaar, onduldbaar; subst. —ness; Indigestion, indidžestj’n, slechte spijsvertering; Indigestive = dyspeptisch.
Indignant, indign’nt, verontwaardigd; Indignation, indigneiš’n, verontwaardiging: —-meeting = protest meeting (Amer.); Indignity = indigniti, smaad, hoon, beleediging.
Indigo, indigou, indigo; —-bird = Indigo vink; — composition = indigotinctuur; —-plant = indigoplant; —meter, indigomətə, indigometer; Indigotin, indigətin, indigoblauw.
Indirect, indirekt, niet recht, onoprecht, slinksch: — evidence = derivatief bewijs; —-tax = indirecte belasting; —ion, indirekš’n, oneerlijke practijk, list; —ness, scheefheid, omweg, onoprechtheid.
Indiscernible, indizɐ̂nib’l, niet te onderscheiden; subst. —ness.
Indiscoverable, indiskɐvərəb’l, niet te ontdekken, onbegrijpelijk.
Indiscreet, indiskrît, onverstandig, onbezonnen, onbescheiden, indiscreet; subst. Indiscretion, indiskreš’n: Years of — vlegeljaren.
Indiscriminate, indiskriminit, niet te onderscheiden; niet onderscheiden; zonder onderscheid, door elkaar; Indiscriminating = geen onderscheid makend, blind; Indiscrimination, indiskrimineiš’n, gebrek aan onderscheiding(svermogen), verwardheid.
Indispensability, indispensəbiliti, subst. v. Indispensable, indispensəb’l, onvermijdelijk, onmisbaar: subst. —ness.
Indispose, indispouz, ongunstig stemmen, ongeschikt of ongesteld maken; —d; Indisposition, indispəziš’n, afkeer(igheid), ongesteldheid.
Indisputability, indispjutəbiliti, subst. v. Indisputable, indispjutəb’l, indispjûtəb’l, onbetwistbaar; Indisputed, indispjûtid, onbetwist.
Indissolubility, indisəl(j)ubiliti, subst. v. Indissoluble, indisəl(j)ub’l, indisoljub’l, onoplosbaar, onverbreekbaar; Indissolvable, indizolveb’l, onoplosbaar.
Indistinct, indistiŋkt, onduidelijk, verward; subst. —ness.
Indistinguishable, indistiŋgwišəb’l, niet te onderscheiden; subst. —ness.
Indite, indait, schrijven, opstellen; —r.
Individual, individjuəl, individueel, persoonlijk, eigendommelijk; subst. persoon, individu; —ism = individualisme, zelfzucht; —ity, individjualiti, eigenaardig karakter, individualiteit; —ization = subst. v. —ize = onderscheiden, als een individu kenmerken; Individuate, individjueit, individualiseeren; subst. Individuation.
Indivisibility, indivizibiliti, subst. v. Indivisible, indivizib’l, subst. en adj. ondeelbaar (iets).
Indo, indou, (in samenstellingen): —-Briton = iemand met een Engelschen vader en eene Brit. Ind. moeder; —-China; —-Chinese = behoorende tot het Z.O. schiereiland v. Azië; —-English = de in Indië geboren of wonende Engelschen betreffend; —-European = Arisch, Indo-germaansch; —-Germanic = Arisch, Indo-germaansch.
Indocile, indousil, indosil, onleerzaam, onhandelbaar; subst. Indocility, indəsiliti.
Indoctrinate, indoktrineit, onderwijzen, in een stelsel inleiden of er mede vertrouwd maken: I —d him with these notions; subst. Indoctrination.
Indolence, indəlens, vadsigheid, traagheid, pijnloosheid; adj. Indolent, indəlent: — tumour = pijnloos gezwel.
Indomitable, indomitəb’l, ontembaar, onoverwinnelijk.
Indoor, indö, adj. binnen, huiselijk, huis...: —s, indöz, indöz, adv. binnenshuis, thuis.
Indorse, indös, Zie Endorse.
Indraught, Indraft, indrâft, binnenstroomen van water of lucht.
Indubitable, indjûbitəb’l, Indubitate, indjûbitit, ontwijfelbaar.
Induce, indjûs, bewegen, nopen, veroorzaken, induceeren; —ment = aanleiding, beweegreden, drijfveer, prikkel.
Induct, indɐkt, inwijden, installeeren; (into), in een (geestelijk) ambt bevestigen; —ion, indɐkš’n, begin, installatie, bevestiging, inductie (electr.), inleiding, gevolgtrekking uit waargenomen feiten; —ion-coil = inductierol (-klos); —ive = inleidend, door gevolgtrekking uit waargenomen feiten, inductie, inductief..: —ive method; —ive sciences = op waarneming gegronde wetenschappen; —or = hij, die installeert, inductor (Electr.).
Indue, indjû, bekleeden, verschaffen.
Indulge, indɐldž, toegeven, zich overgeven, voeden, koesteren, verwennen, zuipen: She —s her children too much = geeft te veel toe; To — a dream = koesteren; He —s in indolence = geeft zich over aan; This writer —s himself with a trifle of exaggeration = veroorlooft zich eenige overdrijving; We —d ourselves with tickets for the opera = permitteerden ons de weelde; —nce, —ncy = toegevendheid, verdraagzaamheid, uitstel van betaling, uitspatting, aflaat; Indulgent = toegeeflijk, zacht.
Indurate, indjureit, verharden, ongevoelig maken, worden; subst. Induration.
Industrial, indɐstriəl, vlijtig, nijverheids..; subst. industriëel: — exhibition = nijverheidstentoonstelling; — school = ambachtsschool; ook soort tuchtschool; — school-ship = opleidingsschip voor verwaarloosde kinderen; A penal — settlement = strafkolonie; Industrious, indɐstriəs, vlijtig, nijver, arbeidzaam; Industry, indəstri, ijver, vlijt, nijverheid: School of —.
Inebriant, inîbriənt, dronken makend (middel); Inebriate, inîbri-it, subst. en adj. dronken (mensch); — verb. inîbrieit, dronken maken; Inebriation = dronkenschap, roes; Inebriety, inibraiiti, dronkenschap (vooral van een ‘habitual drunkard’).
Inedited, ineditid, onuitgegeven.
Ineffability, inefəbiliti, subst. v. Ineffable, inefəb’l, onuitsprekelijk.
Ineffaceable, inefeisəb’l, onuitwischbaar.
Ineffective, inefektiv, zonder uitwerking, vruchteloos, ondeugdelijk; subst. onbruikbaar mensch; subst. —ness; Ineffectual, inefektjuəl = Ineffective.
Inefficacious, inefikeišəs, zonder uitwerking, vruchteloos; subst. —ness = Inefficancy = Inefficiency, ook onbekwaamheid; adj. Inefficient.
Inelegance, ineləg’ns, smakeloosheid, onbevalligheid; adj. Inelegant, ineləg’nt.
Ineligible, inelidžib’l, onverkieslijk, onverkiesbaar.
Inept, inept, ongerijmd, dwaas; subst. —itude = —ness.
Inequality, inikwoliti, ongelijkheid, oneffenheid, verschil, onbevoegdheid, partijdigheid.
Inequilateral, inîkwilatər’l, ongelijkzijdig.
Inequitable, inekwitəb’l, onbillijk.
Inequity, inekwiti, onbillijkheid.
Ineradicable, iniradikəb’l, onuitroeibaar.
Inert, inɐ̂t, bewegingloos, log, traag; —ia, inɐšə, traagheid (Natuurk.) = Vis —iae (inɐ̂ši-î); —ion = —ness = traagheid.
Inessential, inəsenš’l. Zie Unessential.
Inestimable, inestiməb’l, onschatbaar.
Inevitability, inevitəbiliti, subst. v. Inevitable, inevitəb’l, onvermijdelijk; subst. —ness.
Inexact, inəgzakt, onnauwkeurig; subst. —itude = —ness.
Inexcitable, inəksaitəb’l, loom, lusteloos.
Inexcusable, inəkskjûzəb’l, onvergeeflijk; subst. —ness.
Inexhaustibility, inəgz(h)ôstibiliti, subst. v. Inexhaustible, inəgz(h)ôstib’l, onuitputtelijk, onvermoeid = Inexhaustive, inəgz(h)ôstiv, niet uitputtend.
Inexorability, ineksərəbiliti, subst. v. Inexorable, ineksərəb’l, onverbiddelijk; subst. —ness.
Inexpedience, -cy, inəkspîdj’ns(i), ongeschiktheid, onraadzaamheid; adj. Inexpedient, inəkspîdj’nt.
Inexpensive, inəkspensiv, goedkoop.
Inexperience, inəkspîrj’ns, onervarenheid; —d = onervaren, onbevaren.
Inexpert, inəkspɐ̂t, onbedreven; subst. —ness.
Inexpiable, inekspiəb’l, onverzoenbaar; subst. —ness.
Inexplicability, ineksplikəbiliti, subst. v. Inexplicable, ineksplikəb’l, onverklaarbaar: —s = broek; subst. —ness.
Inexpressible, inəkspresib’l, onuitsprekelijk; —s = broek; Inexpressive, inəkspresiv, zonder uitdrukking.
Inexpugnable, inəkspɐgnəb’l, inəkspjûnəb’l, onoverwinnelijk, onneembaar.
Inextinguishable, inəkstiŋgwišəb’l, onbluschbaar.
Inextricable, inekstrikəb’l, niet ontwarbaar; subst. —ness.
Inez, ainîz.
Infallibilism, infalibilizm, het dogma van, en het geloof aan de pauselijke onfeilbaarheid; Infallibility, infalibiliti, onfeilbaarheid; Infallible, infalib’l, onfeilbaar, zeker; subst. —ness.
Infamous, infəmɐs, schandelijk, verfoeilijk, berucht; Infamy, infəmi, schande, laagheid.
Infancy, inf’nsi, kindsheid, minderjarigheid, aanvang, eerste stadium.
Infant, inf’nt, kind, minderjarige; adj. klein, teeder, kinderlijk; kinder...: — in arms = schootkindje; — games; — mortality; —-school, —s’ school = bewaarschool; His — son = zoontje; —a, infantə, —e, infanti, koninklijke prinses of prins, behalve de troonopvolgster of den troonopvolger (Spanje); —icide, infantisaid, kindermoord(enaar); —ile, inf’nt(a)il, —ine, inf’nt(a)in, kinderachtig; kinderlijk = —like.
Infantry, inf’ntri, infanterie: —man = infanterist.
Infatuate, infatjueit; —d = blind ingenomen met, dwaas verliefd op (with); Infatuation, infatjueiš’n, verdwaasdheid, dwaze verliefdheid.
Infect, infekt, besmetten, aansteken; —ion = besmetting, smetstof: To catch (take) the —ion = besmet, aangestoken worden; —ious, infekšəs, besmettelijk, aanstekelijk; subst. —ness; —ive = —ious.
Infecundity, infikɐnditi, onvruchtbaarheid.
Infelicitous, infilisitɐs, ongelukkig; Infelicity, infilisiti, ongeluk, ellende, rampspoed, ongelukkig gekozen uitdrukking.
Infer, infɐ̂, eene gevolgtrekking maken, een besluit trekken; —able = afleidbaar, volgend; —ence, infərens, gevolgtrekking; —ential, infərenš’l, afleidbaar = By —ence; I could only gather it —entially = slechts uit het medegedeelde opmaken.
Inferior, infîriə, minder, lager, ondergeschikt; ook subst.: I am — to none in love of country = doe voor niemand onder; —ity, infîrioriti, minderheid.
Infernal, infɐ̂n’l, helsch, duivelsch, verfoeilijk, kolossaal, kras: — machine = helsche machine; —-stone = helsche steen.
Inferno, infɐ̂nou, de hel.
Infertile, infɐ̂t(a)il, onvruchtbaar; subst. Infertility.
Infest, infest, aanvallen, overvallen, invallen, verwoesten, onveilig maken, kwellen; wemelen van (= To be —ed with); subst. —ation.
Infidel, infidel, subst. en adj. ongeloovig(e); —ity, infideliti, ongeloof, twijfelzucht, ontrouw, verraad, bedrog.
Infiltrate, infiltreit, insijpelen, langzaam doordringen; subst. Infiltration.
Infinite, infinit, oneindig, grenzeloos; subst. oneindigheid, oneindige ruimte, onbepaalde hoeveelheid, Hoogste Wezen; —simal, infinitesim’l, oneindig klein; Infinitude, infinitjûd, Infinity, infiniti, oneindigheid.
Infinitival, infinitaiv’l, infinitiv’l, tot de onbep. wijs behoorend; Infinitive, infinitiv, onbepaalde wijs.
Infirm, infɐ̂m, zwak, onzeker, weifelend; —arian, infɐ̂mêriən, ziekentrooster; —ary = ziekenhuis; —ity = zwakheid (ook fig.); ziekelijkheid = —ness.
Infix, infiks, inplanten, inprenten.
Inflame, infleim, doen ontvlammen, verbitteren, doen gloeien; gloeiend worden: He —d them against England = zette ze op tegen; Inflammability, inflaməbiliti, ontvlambaarheid, ook fig.; Inflammable, inflaməb’l, ontvlambaar (—s = brandbare lichamen); subst. —ness; Inflammation, infləmeiš’n, ontbranding, opwinding, ontsteking; Inflammatory, inflamətəri, prikkelend, ontsteking veroorzakend, opruiend.
Inflatable, infleitəb’l, opblaasbaar; Inflate, infleit, opblazen, uitzetten, opdrijven, opgeblazen maken; —r = fietspomp; Inflation = opblazing, kunstmatige opdrijving, etc.: The — of (To —) worthless securities with an artificial value; Inflationist, infleišənist, voorstander van de vermeerdering van papieren geld; agioteur (Amer.); Inflator = Inflater; Inflatus = inspiratie.
Inflect, inflekt, buigen, krommen, verbuigen, moduleeren; —ion = (ver)buiging, kromming, buigingsvorm, modulatie; —ional = buigings...; Inflexibility, subst. v. Inflexible, infleksib’l, onbuigzaam, onverbiddelijk; Inflexion(al) = Inflection(al).
Inflict, inflikt, opleggen (van boete of straf), doen gevoelen, toebrengen; —ion, inflikš’n, het toebrengen, opgelegde straf, last, bezoeking.
Inflorescence, inflores’ns, bloeiwijze.
Inflow, inflou. Zie Influx.
Influence, influens, subst. invloed, macht; — verb. invloed hebben op, inwerken op: He has — at Court = invloed aan het hof; These things have no — with me = hebben geen invloed; He bragged of — over his mother = dat hij zijne moeder naar zijne hand kon zetten; Influential, influenš’l, invloedrijk; Influenza, influenzə, griep; besmettelijke paardenziekte.
Influx, inflɐks, instrooming, toevoer, toevloed.
Inform, inföm, onderrichten, mededeelen, aangeven; vorm geven aan, bezielen: He —ed against me = diende een aanklacht in tegen mij; He —ed me of it = berichtte het mij; His book is —ed with intense conviction = is bezield door, gloeit van; —ed with one spirit = bezield; —ant = aanbrenger, zegsman; —ation, infömeiš’n, kennis, bericht, inlichting(en), kennisgeving, geschreven beëedigde aanklacht; —er = aanklager: Common —er = verklikker.
Informal, inföm’l, niet formeel; Informality = informaliteit.
Infra, infrə: — dig = beneden de waardigheid.
Infract, infrakt, schenden; —ion = schending, breuk: —ion of faith = trouwbreuk.
Infrequence, -cy, infrîkw’ns(i), zeldzaamheid; adj. Infrequent, infrîkw’nt.
Infringe, infrinž, inbreuk maken op, schenden, overtreden; subst. —ment; —r.
Infuriate, infjûriit, adj. woedend, razend: — verb. (infjûrieit), woedend of razend maken.
Infuse, infjûz, ingieten, ingeven, inprenten, een infusie maken, drenken: He —d his life into his poetry = legde in, doordrong; —r; Infusibility, subst. v. Infusible, infjûzib’l, onsmeltbaar; Infusion, infjûž’n, ingieting, doordringing, infusie.
Infusoria, infjusôriə, infusiediertjes; adj. —l = tot de infusoria behoorend of die bevattende; —n = infusiediertje.
Ingathering, ingadhəriŋ, inzameling: Feast of — (2 Mos. 23, 16).
Ingelow, indžəlou.
Ingeminate, indžemineit, herhalen.
Ingenious, indžîniəs, vernuftig, talentvol, vindingrijk, geestig; subst. —ness = Ingenuity, indžənjûiti.
Ingenue, Fr. uitspr. naïef, onschuldig, ingenue; ook subst.
Ingenuous, indženjuəs, oprecht, openhartig, ongekunsteld; subst. —ness.
Ingest, indžest, voedsel in de maag brengen; subst. —ion.
Ingle, iŋg’l, vuur, haard (Schotl.): In the — of a window = hoekje; —-nook = hoekje van den haard.
Inglorious, inglôriəs, roemloos, onbekend, schandelijk; subst. —ness.
Ingoing, ingouiŋ, subst. het ingaan, aanvaarden; adj. binnengaand, een ambt aanvaardend.
Ingot, iŋgət, in-got, baar of staaf (goud, zilver, staal).
Ingraft, ingrâft, enten; —er = enter; —ment.
Ingrain, ingrein, (predikatief: ingrein), adj. in de wol geverfd, ingeworteld, doortrapt; — verb. ingrein, ingrein, in de wol verven, doordringen, verzadigen; —(-carpet) = in de wol geverfd vloerkleed.
Ingram, iŋgram.
Ingrate, ingreit, ondankbaar, ondankbare; Ingrateful, ingreitf’l, ondankbaar.
Ingratiate, ingreišieit, (zich) in de gunst dringen bij (with), steeds reflexief.
Ingratitude, ingratitjûd, ondankbaarheid.
Ingredient, ingrîdj’nt, bestanddeel.
Ingress, ingres, toegang, intrede, aanvaarding; Ingression = intrede.
Ingulf, ingɐlf, (als in een afgrond) verzwelgen.
Ingurgitate, ingɐ̂džiteit, verzwelgen; subst. Ingurgitation.
Inhabit, inhabit, wonen, bewonen; —able = bewoonbaar; —ancy = woonplaats, domicilie; —ant = bewoner, inwoner; —ation = bewoning.
Inhalation, inhəleiš’n, subst. v. Inhale, inheil, inademen, inhaleeren: —r = respirateur, inhaleertoestel.
Inharmonic(al), inhâmonik(’l), Inharmonious, inhâmounjəs, onwelluidend.
Inhaul(er), inhôl(ə), inhaler (zeeterm).
Inhere, inhîə, onafscheidelijk verbonden zijn; —nce, —ncy, inhîr’ns(i), onafscheidelijkheid, inhaerentie; —nt = inhaerent: It is —nt in the blood = zit in het bloed.
Inherit, inherit, erven; —ability, erfelijkheid, overerving; —able = erfbaar; —ance = erfenis, erflating; —or = erfgenaam; vr. —ress = —rix.
Inhibit, inhibit, terughouden, beletten, verbieden; subst. —ion, inhibiš’n, verbod tot het uitoefenen van geestelijke bedieningen, aangaan van schulden, geven van crediet; adj. —ory.
Inhospitable, inhospitəb’l, onherbergzaam, ongastvrij; subst. Inhospitality.
Inhuman, inhjûm’n, onmenschelijk, wreed: An — hunger = verschrikkelijke honger; subst. —ity, inhjumaniti.
Inhumation, inhjumeiš’n, begraving; Inhume, inhjûm, begraving.
Inimical, inimik’l, vijandelijk, schadelijk.
Inimitability, inimitəbiliti, subst. v. Inimitable, inimitəb’l, onnavolgbaar; subst. —ness.
Iniquitous, inikwitɐs, zondig, onrechtvaardig; Iniquity, inikwiti, ongerechtigheid, onrechtvaardigheid, zonde, misdaad.
Inirritability, iniritəbiliti, subst v. Inirritable, iniritəb’l, ongevoelig.
Initial, iniš’l, beginnend, eerste, voorste; subst. beginletter, vóórletter; — verb. met zijn initialen teekenen (borduren), parafeeren; Initiate, inišiit, nieuw...; nieuweling, ingewijde; verb. (inišieit), inleiden, in de eerste beginselen onderrichten, inwijden; Negotiations on the lines initiated at Bloemfontein = onderhandelingen in de lijn der voorloopige besprekingen te B; subst. Initiation; Initiative = inleidend; subst. eerste stap, begin, initiatief: To take the — in; Initiatory = inleidend, inwijdend.
Inject, indžekt, inspuiten, inbrengen; subst. Injection: —-cock = injector; —-pipe; —-syringe = injectiespuitje; Injector = injector.
Injudicious, indžudišəs, onoordeelkundig, onverstandig; subst. —ness.
Injunct, indžɐŋkt, uitdrukkelijk verbieden, inscherpen; —ion = opdracht, bevel, rechterlijk verbod: To give strict —s to = To lay strong —s upon a person = iemand op het hart binden.
Injure, inžə, onrecht doen, verongelijken, krenken, benadeelen, kwetsen; —r; Injurious, indžûriəs, nadeelig, schadelijk, krenkend; subst. —ness; Injury, inžəri, onrecht, schade, beleediging, krenking, verwonding: He is detained by an — to his leg = door eene wond aan zijn been.
Injustice, indžɐstis, onrecht(vaardigheid).
Ink, iŋk, subst. inkt; — verb. zwart maken, met inkt besmeren; —-bag = inktblaas (bij visschen); —-blot = vlek; —-bottle = inktflesch; —-eraser = inktgomelastiek; —-fish = inktvisch; —-holder = reservoir; —-lines = gelinieerd blad; —-slinger = broodschrijver, journalist (Amer.); —stand = inktkoker, inktstel; —-stone = inktsteen; —iness = inktachtigheid, zwartheid; —ing: —ing-ball = drukbal; —ing-pad = inktkussen; —y = inktachtig, zwart; —yburn = de Hel: I wished him at —yburn = ik wou, dat hij op de Mookerhei zat.
Inkle, iŋk’l, breed lint, soort sajet.
Inkling, iŋkliŋ, wenk, flauw idee (van): He has an — of it = hij weet er iets van; I gathered an — of their project = kreeg er de lucht van.
Inknit, in-nit, inbreien, vastmaken.
Inknot, in-not, met een knoop vastmaken.
Inland, inland, binnenlandsch: — duty = accijns; — navigation = binnenscheepvaart; — revenue = binnenlandsche rechten; — sea = binnenzee; — town = landstad, binnenl. stad.
Inlay, inlei, inlei, subst. mozaïek, fineerhout; — verb. inlei, inleggen, met mozaïek versieren; Inlaid, inleid; predikatief: inleid: A mother-of-pearl — desk = met paarlemoer ingelegde.
Inlet, inlet, ingang, baai, inham.
Inly, inli, innerlijk: Man’s conscience is an —-written law = innerlijke, in zijn binnenste geschreven; He chuckled — = lachte in zich zelf.
Inmate, inmeit, medebewoner, huisgenoot, bewoner: The carriage was crumbled up, and most of the —s killed = inzittenden.
Inmost, inmoust, binnenste, geheimste.
Inn, in, subst. herberg; college van rechtsgeleerden en studenten: —s of Chancery = opleidingsschool voor de studenten in de rechten (in vroeger tijd); —s of Court = 4 colleges: Inner en Middle Temple, Lincoln’s en Gray’s Inn, waar de aanstaande juristen hunne opleiding tot barrister ontvangen, examens afleggen en later vaak hunne bureau’s (Chambers) hebben; —-keeper = herbergier.
Innate, in-neit, in-neit, ineit, in- of aangeboren: — ideas = aangeboren begrippen; subst. —ness.
Inner, inə, meer naar binnen gelegen, innerlijk, binnen ...: The — man = inwendige mensch, maag; The — office = kantoor van den chef; That’s an — = een mooi schot; He has made an — = hij heeft in de roos (behalve de “witte”) geschoten; —most = binnenste.
Innervate, inɐ̂veit, prikkelen; Innervation = zenuwprikkeling (versterking); Innerve = sterken.
Inning, iniŋ: —s = aangeslibd land; beurt om te spelen (bij het cricket), gelegenheid, kans: To have one’s —s = “aan slag” zijn (fig.); He had a long —s = prachtige gelegenheid.
Innocence, inəsens, onschuld, onnoozelheid; Innocent = onschuldig; Innocentius: You needn’t do the — with me = je van den domme houden; Massacre of the —s = —s’ Day = 28 December (Zie Matth. II, 16).
Innocuous, in-nokjuəs, onschadelijk; subst. —ness.
Innominate, in-nominit, naamloos: — bone = schaambeen.
Innovate, inəveit, nieuwigheden invoeren, veranderingen aanbrengen; subst. Innovation; Innovative = verzot op ’t invoeren van nieuwigheden; Innovator.
Innoxious, in-nokšəs, onschadelijk; subst. —ness.
Innuendo, injuendou, wenk, (hatelijke) toespeling.
Innumerability, in-njumərəbiliti, subst. v. Innumerable, in-njûmərəb’l, ontelbaar, talloos = Innumerous.
Innutritious, injutrišəs, niet voedzaam = Innutrative.
Inobservance, inobzɐ̂v’ns, Inobservancy, subst. v. Inobservant, inobzɐ̂v’nt, achteloos.
Inoccupation, inokjupeiš’n, gebrek aan bezigheid, werkeloosheid.
Inoculate, inokjuleit, enten, inenten; subst. Inocculation.
Inoffensive, inofensiv, onschadelijk, argeloos; subst. —ness.
Inoperative, inopərətiv, zonder uitwerking.
Inopportune, inopətjûn, ongelegen, ontijdig; subst. Inopportunity.
Inordinate, inödinit, ongeregeld, buitensporig: To keep — hours = ongeregeld opstaan en te bed gaan.
Inorganic(al), inöganik(’l), onbewerktuigd.
Inosculate, inos’kjuleit, inmonden van aderen; nauw verbinden; in nauw verband staan.
In-patient, in-peiš’nt, verpleegde (in een hospitaal, etc.).
Inquest, inkwest, onderzoek: Coroner’s — = gerechtelijke lijkschouwing.
Inquietude, inkwaiitjûd, ongerustheid.
Inquire, inkwaiə, vragen, onderzoeken: — after him = informeer naar; He —d into the matter = onderzocht; — within = informatiën hier te verkrijgen; —r; Inquiring look = vorschende, vragende blik; Inquiry, inkwairi, vraag, onderzoek, navraag: Writ of — = rechterlijk bevel ter vaststelling van het bedrag eener schadeloosstelling; To make inquiries = onderzoek doen; —-office = informatiebureau; Inquisition, inkwiziš’n, onderzoek, inquisitie, gerechtelijk onderzoek; Inquisitive, inkwizitiv, onderzoekend, nieuwsgierig; subst. —ness; Inquisitor, inkwizitə, rechter met het onderzoek belast, inquisiteur; Inquisitorial, inkwizitôriəl, streng onderzoekend, tot de inquisitie behoorende.
Inroad, inroud, vijandelijke inval, inbreuk: To make an — upon = inbreuk maken op.
Inrush, inrɐš, inval, binnendringen.
Insalubrious, insəl(j)ûbriəs, ongezond; subst. Insalubrity, insəl(j)ûbriti.
Insane, insein, krankzinnig, dol; subst. —ness = Insanity, insaniti.
Insatiability, inseišəbiliti, subst. v. Insatiable, inseišəb’l, onverzadelijk; Insatiate, inseišit, onverzadelijk, onverzadigd.
Inscribe, inskraib, opschrijven, graveeren, opdragen, wijden, inprenten (— on the memory), beschrijven; —r; Inscription = opschrift, opdracht, onderschrift; Inscriptive = van een opschrift voorzien.
Inscrutability, inskrutəbiliti, subst. v. Inscrutable, inskrûtəb’l, onnaspeurlijk; subst. —ness.
Insect, insekt, subst. insect; adj. als van een insect, klein, verachtelijk: —-powder; —icide, insektisaid, praeparaat om insecten te dooden; —ivora, insektivərə, insecten-etenden; —ivorous, insektivərɐs, insectenetend.
Insecure, insəkjûə, onveilig; subst. Insecurity, insəkjûriti.
Insensate, insensit, gevoelloos, zinneloos, onzinnig.
Insensibility, insensibiliti, subst. v. Insensible, insensib’l, onmerkbaar, ongevoelig, niet bewust, onverschillig, bewusteloos: — of danger, — of pain, — to shame; Insensibly = onmerkbaar, langzamerhand; Insensitive = ongevoelig (to); Insensient = gevoelloos.
Inseparability, insepərəbiliti, subst. v. Inseparable, insepərəb’l, onscheidbaar, onafscheidelijk; subst. —ness; Inseparate = onscheidbaar (from).
Insert, insɐ̂t, opnemen, invoegen; —ion, insɐ̂š’n, plaatsing of opneming (Amer. = Insert), inlassching, tusschenzetsel.
Inset, inset, inzetten, inleggen; Inset = het ingezette, ingezet blad.
Insheathe, inšîdh, in de scheede steken.
Inshore, inšö, nabij of aan de kust, naar de kust toe.
Inside, insaid, insaid, subst. binnenkant, binnenste, inhoud, passagier binnenin; adj. insaid, aan den binnenkant, inwendig, binnen: To turn — out = binnenste buiten; — callipers = bolpasser; Insider, insaidə, ingewijde.
Insidious, insidjəs, verraderlijk, sluw, arglistig; subst. —ness.
Insight, insait, inzicht, begrip.
Insignia, insigniə, onderscheidingsteekenen.
Insignificance, —cy, insignifik’ns(i), onbeteekenendheid; adj. Insignificant.
Insincere, insinsîə, onoprecht, huichelachtig; subst. Insincerity, insinseriti.
Insinuate, insinjueit, zich ongemerkt indringen, ongemerkt voeren of plaatsen tusschen (among), bedekt te kennen geven, kronkelen: They —d the pony among carts and baskets; She —d herself into her mother’s favour; Insinuating, insinjueitiŋ, kronkelend, inpakkend, vleierig; Insinuation = vleiend op- of indringen; insinuatie; Insinuative = insinueerend, inpakkend; Insinuator.
Insipid, insipid, laf, smakeloos; subst. —ity, insipiditi.
Insist, insist, aandringen, staan op, blijven bij: This need hardly be —ed on = hierover behoeven we niet uit te weiden; —ence (—ance) = halstarrigheid, aandrang; adj. —ent.
Insnare, insnêə, verstrikken, verleiden; —r.
Insobriety, insəbraiiti, onmatigheid.
Insociable, insoušəb’l, ongezellig.
Insolence, insəlens, onbeschaamdheid; adj. Insolent.
Insolubility, insoljubiliti, subst. v. Insoluble, insoljub’l, onoplosbaar, onverklaarbaar.
Insolvency, insolv’nsi, staat van onvermogen; Insolvent, insolv’nt, subst. en adj. onvermogend(e), insolvent.
Insomnia, insomniə, slapeloosheid.
Insomuch, insoumɐtš, voor zooverre, zóó dat.
Inspan, inspan, aanspannen (Transvaal).
Inspect, inspekt, inspecteeren, het opzicht houden over; —ion, inspekš’n, nauwkeurig onderzoek, opzicht: For your kind —ion = ter inzage; —or = inspecteur; —orate = —orship = opzienerschap, inspectie (-district).
Inspiration, inspireiš’n, inademing, ingeving, inspiratie; —al = geinspireerd, inspireerend; —ist = iemand die gelooft dat ieder woord van den Bijbel door den H. Geest is ingegeven; Inspiratory, inspairətəri, inspirətəri: — muscle = longspier; Inspire, inspaiə, inademen, ingeven, inboezemen, bezielen.
Inspirit, inspirit, bezielen, geest en leven mededeelen, opwekken, moed geven.
Inspissate, inspisit, adj. verdikt; — verb. (inspiseit, inspiseit), verdikken, indampen; dik worden; subst. Inspissation.
Instability, instəbiliti, onbestendigheid, wankelmoedigheid.
Install, instôl, met een ambt bekleeden, installeeren; —ation = installatie; —ment = installatie, afdoening, termijn (van betaling), gedeelte: They bought a piano on the —ment plan = op afbetaling in termijnen; The article will be inserted in —ments = bij gedeelten.
Instance, inst’ns, subst. aandrang, verzoek, instantie, geval, voorbeeld; — verb. een voorbeeld aanhalen of geven: At the — of = op aandrang van; He resigned at the — of popular clamour = op den krachtigen aandrang der volksstem; For — = bij voorbeeld; It was a kind thought in the first — = in de eerste plaats; Instant, inst’nt, loopend, dadelijk, dringend; subst. oogenblik; The fifth inst(ant) = de 5de dezer; This —, On the — = dadelijk; Instantaneous, inst’nteinjəs, oogenblikkelijk, in een oogenblik, moment - -; subst. —ness; Instanter, instantə, dadelijk, onmiddellijk; Instantly = dadelijk: We expect it — = elk oogenblik.
Instate, insteit, aanstellen, plaatsen.
Instauration, instôreiš’n, hernieuwing, herstelling.
Instead of, instedəv, in plaats van.
Instep, instep, wreef (van den voet): To be (To go) high in the — = den neus in den wind steken.
Instigate, instigeit, aansporen, aanzetten, ophitsen; subst. Instigation: Under the — of = op aansporing van; Instigator, instigeitə, aanzetter, ophitser.
Instil, instil, indruppelen, langzamerhand inprenten; subst. —lation = —ment.
Instinct, instiŋkt, subst. natuurdrift; adj. (instiŋkt), bezield, doordrongen van, vol: — with life; —ive, instiŋktiv, instinctmatig, spontaan.
Institute, institjût, subst. instelling, wet, genootschap(sgebouw), (wets)instituut; — verb. instellen, stichten, vaststellen, beginnen, aanstellen: An inquiry was —d into (as to) his actions = ingesteld; Institution, institjûš’n, instelling, aanstelling, wet, stichting, genootschap(sgebouw); Institutional = instellend, vastgesteld, elementair; Institutor, institjûtə, insteller, oprichter: — of law = wetgever.
Instruct, instrɐkt, onderwijzen, leeren, instrueeren, last geven: To — national opinion = opvoeden; He was —ed out = hij werd op hooger last uit zijn ambt ontslagen (Amer.); —ion = onderwijs, bevel, last; —ional = onderwijs - -, opvoedings; —ive = onderwijzend, leerzaam; subst. —iveness; —or, onderwijzer, instructeur; vr. —ress.
Instrument, instrument, werktuig, instrument (ook fig.), middel, gereedschap, stuk, document, oorkonde; — verb. instrument, instrumenteeren; —al, instrument’l, instrumentaal; dienstbaar, bevorderlijk voor: That will be —al to your welfare = zal strekken tot; —ality = bemiddeling, werktuig, middel: By the —ality of = door middel van; —ary, instrumentəri = —al; —ation = arrangement, instrumenteering; —oon, instrum’ntûn, kwispeldoor (Amer.).
Insubordinate, insəbödinit, weerspannig, oproerig; subst. Insubordination.
Insuccess, insəkses: Methods, received with conspicuous — = waarmee men absoluut geen succes had.
Insufferable, insɐfərəb’l, onverdragelijk.
Insufficiency, insəfiš’nsi, ongenoegzaamheid, onbekwaamheid; adj. Insufficient.
Insufflation, insəfleiš’n, inblazing, opgeblazenheid; Insufflator = inblaasapparaat.
Insular, insiulə, van een eiland, geisoleerd, bekrompen; subst. —ism = —ity, insiulariti.
Insulate, insiuleit, afzonderen, isoleeren (ook in natuurk. zin): Insulating-stool (electr.); The insulation of overhead wires = het isoleeren van; Insulator, insiuleitə, isolator.
Insult, insɐlt, beleediging, hoon.
Insult, insɐlt, beleedigen, honen; —er.
Insuperability, insiupərəbiliti, subst. v. Insuperable, insiûpərəb’l, onoverkomelijk; subst. —ness.
Insupportable, insəpötəb’l, on(ver)dragelijk; subst. —ness.
Insuppressible, insəpresib’l, niet te onderdrukken.
Insurable, inšûrəb’l, verzekerbaar; Insurance, inšûr’ns, verzekering (in ’t algemeen; op het leven ook wel assurance), assurantie: To effect (To make) an — = een verzekering sluiten; Accident — = verzekering tegen ongevallen; Fire, Hailstorm, Life, Live Stock, Marine, Sanitary — = verzek. tegen brand, hagelslag, levensverzek., veeverzek., zeeassurantie, verz. tegen ziekte en invaliditeit; —-agent; —-broker = assuradeur; —-company = verzekeringsmaatschappij; —-money = verzekeringspremie; —-office = assurantiekantoor; —-policy = assurantiepolis; Insure, inšûə, verzekeren: I —d my voyage out and home = heb mij voor de heen- en terugreis verzekerd; —d: The —d party = Party —d = de verzekerde; —r = verzekeraar.
Insurgence, -cy, insɐ̂dž’ns(i), opstand; Insurgent, insɐ̂dž’nt, subst. en adj. oproermaker, oproerig.
Insurmountable, insəmauntəb’l, onoverkomelijk; subst. —ness.
Insurrection, insərekš’n, opstand, muiterij: They rose (were roused) in — against their lawful prince = kwamen in (werden gebracht tot) opstand tegen; adj. —al = —ary; —ist = Insurgent.
Insusceptibility, insəseptibiliti, subst. v. Insusceptible, insəseptib’l, onvatbaar (voor indrukken).
Intact, intakt, onaangeroerd, ongeschonden.
Intaglio, intaljou, intâljou, subst. gegraveerde edelsteen, tegenover Cameo (die in relief is gesneden).
Intake, inteik, inham, vernauwing, insnoering.
Intangibility, intandžibiliti, subst. v. Intangible, intanžib’l, onvoelbaar, ontastbaar.
Integer, intədžə, het geheel, geheel getal; Integral, intəgr’l, subst. geheel getal, integraal; adj. geheel, volledig, ongeschonden, integraal...; Integrant, intəgr’nt, deel van een geheel vormend, integreerend: — parts = samenstellende deelen; Integrate, intəgreit, het geheel aanwijzen, de integraal vinden van; subst. Integration.
Integrity, integriti, oprechtheid, braafheid, onverdorvenheid, volledigheid.
Integument, integjument, vlies, vel, huid; adj. Integumental = Integumentary.
Intellect, intəlekt, verstandelijk vermogen; ontwikkeling, de ontwikkelden: —s = verstand: Disordered in his —s; —ive, intəlektiv, verstandelijk; —ual, intəlektjuəl, verstands..., intellectueel: —ual powers = verstandelijke vermogens; —alism, intəlektjuəlizm, de leer dat alle kennis van de zuivere rede komt, rede-overschatting; —uality = verstandelijk vermogen.
Intelligence, intelidžens, verstand, oordeel, begrip, verkregen kennis, vlugheid v. begrip; bericht, inlichting, nieuws: A wink of — = knipoogje van verstandhouding; — department = informatie-departement (-bureau); —-office = informatiebureau, adreskantoor; Intelligent, intelidžent, verstandig, vlug v. geest, intelligent; Intelligibility, intelidžibiliti, begrijpelijkheid, duidelijkheid; adj. Intelligible.
Intemperance, intempər’ns, onmatigheid, overdaad; Intemperate, intempərit, onmatig, te buiten gaande; guur, ruw.
Intend, intend, zich voornemen, van plan zijn, bedoelen, bestemmen: He is —ed for the church = zal predikant worden; I — to leave (leaving) at four = ben van plan; She is —ed to marry him = zij is voor hem bestemd; He is not —ed to listen = niet van plan; —ed = subst. en adj. verloofd(e).
Intendancy, intend’nsi, intendance; Intendant = intendant.
Intense, intens, krachtig, ingespannen, hevig, geweldig, bovenmate; subst. —ness; Intensification = versterking, verhooging; Intensifier = versterker; Intensify, intensifai, verhoogen, versterken.
Intension, intenš’n, spanning, intensiteit; Intensity, intensiti, intensiteit, kracht, hevigheid; Intensive, intensiv, versterkend, intensief: — cultivation.
Intent, intent, subst. plan, voornemen, bedoeling: He is the right man to all —s and purposes = in alle opzichten, inderdaad; To the — that = opdat (veroud.); He is — on his work = ijverig bij, vervuld van zijn werk; He looked —ly at me = opmerkzaam; Intention = voornemen, doel, bedoeling, einde: By the first — = snel; —al = met een bepaald oogmerk; A well-—ed man = met goede bedoelingen; Intentness = gespannen opmerkzaamheid, ijver.
Inter, intɐ̂, ter aarde bestellen, begraven; —ment = teraardebestelling.
Inter, intə, in samenstellingen: tusschen in: — alia, (intəreiljə) = o.a.
Interact, intərakt, subst. tusschenbedrijf, tusschenwerk; — verb. intərakt, wederzijds werken op; —action = wisselwerking.
Interbreed, intəbrîd, kruisen van dieren of planten.
Intercalate, intɐ̂kəleit, inlasschen, inschuiven (van een dag, b.v.); Intercalary = ingelascht: — day; Intercalation = inlassching.
Intercede, intəsîd, tusschenbeide komen, pleiten, voorspreken; —r.
Intercept, intəsept, onderscheppen, tegenhouden, verbreken, afsnijden, versperren, afbreuk doen aan: To — the trade; subst. Interception.
Intercession, intəseš’n, voorspraak, tusschenkomst, bemiddeling: To make — to a person for; adj. —al: Intercessor, intəsesə, middelaar, tusschenpersoon: —y = bemiddelend.
Interchange, intətšeinž, subst. ruil, wisseling, ruilhandel, afwisseling; — verb. intətšeinž, wisselen, ruilen, ruilhandel drijven, afwisselen; subst. —ability, adj. —able = verwisselbaar, afwisselend.
Intercolonial, intəkəlounj’l, interkoloniaal, tusschen de koloniën onderling.
Intercommunicate, intəkəmjûnikeit, onderling gemeenschap hebben, met elkaar verkeeren, meedeelen; Intercommunication, onderling verkeer = Intercommunion; Intercommunity, wederzijdsche mededeeling, gemeenschappelijkheid.
Intercourse, intəkös, omgang, verkeer.
Intercross, intəkros, onderling kruisen.
Intercurrent, intəkɐr’nt, ongeregeld: — pulse.
Interdependence, intədipend’ns, onderlinge afhankelijkheid; adj. Interdependent.
Interdict, intədikt, verbod: To put an — upon = verbieden; To lay under an —.
Interdict, intədikt, verbieden: To — a person from a thing, To — a person, a thing = iemand uitsluiten van (bijv. kerkelijke gemeenschap), subst. —ion; adj. —ory.
Interest, intərest, belangstelling, belang, voordeel, invloed, aandeel, interest; — verb. belang stellen, belang inboezemen, belang hebben, enz.: I disposed of a third — in the factory = ik verkocht een derde aandeel; To attend to a person’s —s = waken voor de belangen; To excite a person’s — = belangstelling wekken; To have an — in = belang hebben bij; He has little or no — = weinig of geen invloed; Most of them lost on — account, and closed mills = konden hun interest niet goedmaken; To promote a person’s —s = iemand’s belangen bevorderen; Put out at — = op interest gezet; To take an — in = belangstellen in; Compound, simple — = samengestelde, enkelvoudige interest; The cotton (iron, landed, moneyed, shipping) — = de gezamenlijke katoenspinners (ijzerhandelaars, landeigenaren, geldmannen, reeders); —-ticket, —-warrant = coupon; He —ed himself for me = stelde belang in mij, trok zich mijner aan; I am —ed in your fate = stel belang in; He is —ed in the matter = heeft belang bij; —ed marriages (marriages of —) = waarbij andere belangen in het spel zijn dan de liefde; —ing = belangwekkend.
Interfere, intəfîə, tusschenbeide komen, benadeelen, storend werken, interfereeren, aanslaan of strijken (van paarden): Don’t — with me = bemoei u niet; If it does not — with your plan = niet verstoort; —nce, intəfîr’ns, bemiddeling, bemoeiing, botsing, interferentie; —r; Interfering = storend, belemmerend.
Interim, intərim, subst. tusschentijd; adj. tijdelijk: In the — = voorloopig.
Interior, intîriə, binnen, inwendig, binnenlandsch; subst. binnenste, binnenland: Department (Secretary) of the — = Departement (Minister) v. Binnenlandsche Zaken (Amer.); — angle = binnenhoek.
Interjacency, intədžeis’nsi, tusschenligging; adj. Interjacent.
Interjaculate, intədžakjuleit, aanmerkingen (opmerkingen) tusschenin maken = To interject; Interjection = tusschenwerpsel; adj. Interjectional = Interjectionary = Injectory: — remarks = tusschenin gemaakte aanmerkingen.
Interlace, intəleis, tusschenvlechten, doorheen vlechten; doorvlochten of ineengestrengeld zijn: —d arches = kruisbogen; subst. —ment.
Interlaminated, intəlamineitid, tusschen twee platen of vlakken gelegen.
Interlard, intəlâd, doorspekken, vermengen.
Interleaf, intəlîf, doorschoten blad; To interleave, intəlîv, doorschieten met wit papier.
Interline, intəlain, tusschen (de regels) schrijven; —ar, —al, intəlinjə(l), tusschen de regels, interliniair; —ation, intəlinieiš’n, plaatsing tusschen de regels, doorhaling en vervanging van woorden.
Interlock, intəlok, in elkaar sluiten (-haken, -grijpen).
Interlocution, intələkjûš’n, onderhoud; Interlocutor, intəlokjutə, deelnemer aan een gesprek: My — = de persoon met wien ik spreek; —y = uit eene samenspraak bestaande; voorloopig.
Interlope, intəloup, beunhazen, opjagen der prijzen, zich onbevoegd indringen; —r = indringer, beunhaas.
Interlude, intəl(j)ûd, tusschenspel, “entre-acte”, intermezzo (ook fig.).
Interlunar, intəl(j)ûnə, den tijd van de nieuwe maan betreffende: — nights.
Intermarriage, intəmaridž, onderling huwelijk (tusschen families of stammen); Intermarry, intəmari, onder elkander huwen.
Intermaxillary, intəmaksiləri, intəmaksiləri: — bone = tusschenkaaksbeen.
Intermeddle, intəmed’l, zich (ongepast) bemoeien met; —r = bemoeial.
Intermediary, intəmîdjəri, tusschenliggend of komend, verbindings - -; subst. agent, tusschenpersoon.
Intermediate, intəmîdjit, tusschen(komend of liggend), verbindings - -, indirect: — cylinder = middelb. druk cylinder; — education (— schools) = middelbaar onderwijs (hoogere burgerscholen); — person = tusschenpersoon.
Interminable, intɐ̂minəb’l, oneindig, vervelend, gerekt; subst. —ness.
Intermingle, intəmiŋg’l, (zich) onderling vermengen.
Intermission, intəmiš’n, tusschenpoos, onderbreking; Intermissive.
Intermit, intəmit, tijdelijk afbreken, ophouden, verpoozen; —tence, —tency = onderbreking; —tent fever = intermitteerende koorts = —ting fever.
Intermix, intəmiks, onder elkander mengen; —ture = mengsel, dooreenmenging.
Intermural, intəmjûr’l, tusschen de muren.
Intermuscular, intəmɐskjulə, tusschen de spieren.
Intern, intɐ̂n, interneeren, waren naar het binnenland zenden (Amer.); —al = innerlijk, inwendig, inlandsch; —ation = zending naar het binnenland; —ment = interneering.
International, intənašən’l, subst. “de Internationale” Zie: —ist adj, internationaal: — law = volkenrecht; —ism = internationalisme; —ist, subst. lid van de “Internationale”, soc. arbeidersvereenig. opgericht te Londen in 1864; adj. tot de “I” behoorende; —ize = internationaal maken.
Internecine, intənîs(a)in, moorddadig, verdelgings-: — war.
Internodal, intənoud’l, tusschen twee knoopen of geledingen; Internode, intənoud, lid of been tusschen twee knoopen of geledingen.
Internuncius, intənɐnšəs, pauselijk vertegenwoordiger.
Interoceanic, intəroušianik, tusschen twee oceanen.
Interosseal, intərosiəl, tusschen de beenderen gelegen = Interosseous.
Interpellant, intəpel’nt, in de rede vallend; interpellant; Interpellate, intəpeleit, interpelleeren; Interpellation = interpellatie.
Interplead, intəplîd, met iemand over eigendomsrecht procedeeren.
Interpolate, intɐ̂pəleit, inschuiven, tusschenvoegen, interpoleeren; Interpolator; Interpolation = interpolatie.
Interpose, intəpouz, tusschenplaatsen, (zich) opdringen, in de rede vallen, tusschen beide komen, in ’t voorbijgaan opmerken: They didn’t — in her management, or interfere in the choice of servants = zij bemoeiden zich niet met; To — appeal = appèl aanteekenen; —r; Interposition, intəpəziš’n, tusschenkomst, bemiddeling.
Interpret, intɐ̂prət, verklaren, vertalen, vertolken; —er = tolk, uitlegger: Student —er = leerling tolk; —ation, intəpriteiš’n, vertolking, verklaring.
Interregnum, intəregn’m, tusschenregeering.
Interrogate, interəgeit, (onder)vragen; subst. Interrogation; Interrogative, intərogətiv, subst. en adj. vragend (voornaamwoord); Interrogator, interəgeitə, (onder)vrager, interpellant; Interrogatory, intərogətəri, vragend; subst. verhoor, schriftelijke vraag.
Interrupt, intərɐpt, in de rede vallen, afbreken, storen; —er; —ion = onderbreking, storing, pauze; adj. —ive.
Interscapular, intəskapjulə, tusschen de schouderbladen.
Intersect, intəsekt, (door)snijden, (door)kruisen; —ion = doorsnede, snijpunt, kruispunt.
Interspace, intəspeis, tusschenruimte; — verb. intəspeis, tusschenruimte overlaten of aanvullen, innemen.
Intersperse, intəspɐ̂s, overal verspreiden, (rond)strooien.
Interstice, intɐ̂stis, intəstis, tusschenruimte; adj. Interstitial, intəstiš’l.
Intertropical, intətropik’l, tusschen de tropen of keerkringen.
Intertwine, intətwain, dooreenvlechten; subst. —ment.
Intertwist, intətwist = Intertwine.
Interval, intəv’l, tusschenruimte(-tijd), interval, pauze, vlakke grond tusschen heuvels (ook intervale gespeld; Amer.): At —s = van tijd tot tijd.
Interveined, intəveind, geaderd.
Intervene, intəvîn, liggen tusschen, tusschenbeide komen, storen; Intervention, intəvenš’n, tusschenkomst, bemiddeling.
Intervertebral, intəvɐ̂təbr’l, tusschen de wervels.
Interview, intəvjû, subst. samenkomst, gesprek, formeel bezoek van een dagbladcorrespondent aan een bekend persoon om hem op onderscheidene punten te hooren; — verb. formeel bezoeken om ingelicht te worden; —er.
Interweave, intəwîv, dooréénweven.
Intestacy, intestəsi, afwezigheid van een testament; Intestate, intestit, zonder testament overleden, niet bij testament vermaakt; subst. persoon, die zonder testament gestorven is.
Intestinal, intestin’l, tot de ingewanden behoorende; darm...; Intestine, intestin, inwendig, binnenlandsch: — war = burgeroorlog; —s = darmen, ingewanden.
Inthral, inthrôl, tot slavernij brengen, insluiten.
Intimacy, intiməsi, gemeenzaamheid, vertrouwelijkheid; Intimate, intimit, adj. gemeenzaam, vertrouwelijk; subst. boezemvriend(in); — verb. (intimeit) vertrouwelijk mededeelen, te kennen geven; Intimation, intimeiš’n, kennisgeving, wenk: — of death = kennisgeving van overlijden.
Intimidate, intimideit, vrees aanjagen, ontmoedigen, beangst maken; subst. Intimidation; adj. Intimidatory.
Intimity, intimiti, intimiteit.
Intitulation, intitjuleiš’n, subst. v. Intitule, intitjûl, betitelen.
Into, intu, in (drukt “richting” uit): He was laughed — good humour again = door lachen werd zijn goed humeur hersteld; Let me look — it = laat mij het eens onderzoeken, inzien; This room looks — the garden = ziet uit op; He reasoned them — courage = hij wist door zijne woorden hun moed te doen herleven; You are sitting well — the fire = je zit haast bovenop het vuur.
Intolerability, intolərəbiliti, subst. v. Intolerable, intolərəb’l, onduldbaar, onverdragelijk; subst. —ness.
Intolerance, intolər’ns, onverdraagzaamheid, niet in staat zijn te verdragen; adj. Intolerant, intolər’nt, ook subst.
Intonate, intəneit, intoneeren, aanheffen; Intonation, intouneiš’n, aanhef, intonatie, toongeving; Intone = aanheffen, intoneeren, zingen (v. kerkgezangen).
Intoxicant, intoksik’nt, dronken makend, bedwelmend(e drank); Intoxicate, intoksikeit, dronken maken, opwinden, dol maken; Intoxication, dronkenschap.
Intractability, intraktəbiliti, subst. v. Intractable, intraktəb’l, onhandelbaar, weerspannig; subst. —ness.
Intramural, intrəmjûr’l, binnen de muren.
Intranquillity, intraŋkwiliti, ongerustheid.
Intransitive, intransitiv, onovergankelijk.
Intransmissible, intransmisib’l, wat niet overgedragen kan worden.
Intrench, intrenš, met loopgraven omringen, verschansen; —ment = verschansing.
Intrepid, intrepid, onverschrokken, onversaagd; subst. —ity, intrəpiditi.
Intricacy, intrikəsi, ingewikkeldheid, neteligheid; Intricate, intrikit, ingewikkeld, netelig, duister; subst. —ness.
Intrig(u)ant, intrigənt, intrigant; —e, intrigant, intrigant, intrigante.
Intrigue, intrîg, subst. kuiperij, intrigue; — verb. kuipen, intrigeeren: He is an —r, an intriguing fellow = een kuiper of intrigant.
Intrinsic(al), intrinsik(’l), innerlijk, eigen, echt.
Introcession, intrəseš’n, verzakking (Med.).
Introduce, intrədjûs, inleiden, invoeren, inlasschen, bekend maken, voorstellen; subst. Introduction, intrədɐkš’n: Letter of — = aanbevelingsbrief; He made some introductory (introductive) remarks = eenige inleidende opmerkingen.
Introit, introu-it, introïtus, woorden gezongen of opgezegd bij den aanvang der mis.
Intromission, intrəmiš’n, invoeging, toelating;—verb. Intromit, intrəmit.
Introspection, intrəspekš’n, zelfonderzoek; Introspective, intrəspektiv, bespiegelend.
Introversion, intrəvɐ̂š’n, naar binnen wenden of gekeerd zijn; adj. Introversive; Introvert, intrəvɐ̂t, naar binnen wenden: An —ed nature = eenzelvige aard.
Intrude, intrûd, zich indringen, lastig vallen, zich opdringen: I hope I do not — = niet ongelegen kom; He —d himself upon the minister = drong zich op aan; —r; Intrusion, intrûž’n, indringing, het lastig vallen, onrechtmatige bezitneming van onbeheerd goed; Intrusive, intrûsiv, opdringend; subst. —ness.
Intrust, intrɐst, toevertrouwen: He —ed me with his secret, He —ed his secret to me = vertrouwde mij toe.
Intuition, intjuiš’n, intuitie, innerlijke aanschouwing, niet op waargenomen feiten berustend; Intuitive, intjûitiv, innerlijk aanschouwend, intuitief.
Intumesce, intjumes, opzwellen, uitzetten; —nce = opzwelling, gezwel; adj. —nt.
Intussusception, intəsəsepš’n, opneming en inschuiving van het eene stuk of deel in een ander.
Intwine, intwain, Intwist, intwist, samenvlechten, ineenvlechten.
Inundate, inəndeit, inɐndeit, overstroomen; Inundation = overstrooming; overvloed.
Inure, injûə, gewennen, harden, tot eene gewoonte worden; ten goede komen (met to).
Inurn, inɐ̂n, in eene urn verzamelen, bijzetten.
Inutility, injutiliti, nutteloosheid.
Inutterable, inɐtərəb’l, onuitsprekelijk.
Invade, inveid, invallen, inbreuk maken op, schenden; —r.
Invalid, invalid, krachteloos, ongeldig, van geen waarde; Invalid, invəlîd, invəlid, invəlîd, subst. zieke, zwakke, invalide; adj. teer, zwak, ziek; — verb. door ziekte aangetast worden, ongeschikt verklaren voor actieven dienst, buiten gevecht stellen: They were —ed home = als invalide naar huis gezonden; Invalidate, invalideit, krachteloos of van onwaarde maken, omverwerpen, vernietigen; subst. Invalidation; Invalidism, invəlîdizm, invəlîdizm = invaliditeit; Invalidity, invəliditi = ongeldigheid, krachteloosheid, invaliditeit.
Invaluable, invaljuəb’l, onschatbaar.
Invariability, invêriəbiliti, subst. v. Invariable, invêriəb’l, onveranderlijk, standvastig.
Invasion, inveiž’n, inval, inbreuk, schending; adj. Invasive.
Invective, invektiv, subst. smaadrede, scheldwoord, scherpe aanval; adj. stekelig, smadelijk, satirisch.
Inveigh, invei, uitvaren; —er.
Inveigle, invîg’l, verlokken, verleiden, in de val lokken; subst. —ment; —r.
Invent, invent, uitvinden, verdichten, verzinnen; —ion = uitvinding, ontdekking, verzinsel, plannetje: Pure —ion = een grove leugen; The —ions = Tentoonstelling der uitvindingen (1885); —ive = vindingrijk; subst. —iveness; —or = uitvinder, bedenker; vr. —ress.
Inventory, invəntəri, subst. inventaris, lijst; — verb. inventariseeren.
Inveraray, invərêri; Inverness, invənes.
Inverse, invâs, invâs, omgekeerd; subst. omkeering: — proportion = omgekeerde verhouding of reden; The father’s influence varied —ly as the age of the son = in omgekeerde reden tot; Inversion, invɐ̂š’n, omkeering, omzetting (van woorden in een zin); adj. Inversive.
Invert, invât, onderstboven keeren, omzetten: —ed commas = aanhalingsteekens.
Invertebrata, invɐ̂tibreitə, ongewervelde dieren; Invertebrate, invɐ̂tibrit, ongewerveld; slap (fig.); subst. ongewerveld dier, zwakkeling; Invertebrated = ongewerveld.
Invest, invest, bekleeden; beleggen, blokkeeren, omsingelen; —ment = bekleeding; omsingeling, blokkeering, belegd geld, geldbelegging: To make an —ment = geld beleggen; —or = belegger.
Investigate, investigeit, nauwkeurig onderzoeken, navorschen; subst. Investigation; Investigator.
Investiture, investitjuə, investituur, bekleeding (met een ambt), inbezitstelling.
Inveteracy, invetərəsi, het ingeworteld zijn, hardnekkigheid, oude veete; Inveterate, invetərit, diep geworteld, hardnekkig, aarts..., verouderd (van ziekte); gebeten op; subst. —ness.
Invidious, invidjəs, hatelijk, boosaardig; subst. —ness.
Invigorate, invigəreit, kracht geven of bijzetten, versterken; subst. Invigoration; adj. Invigorative; Invigorator = versterkend middel.
Invincibility, invinsibiliti, subst. v. Invincible, invinsib’l, onverwinnelijk, onoverkomelijk; subst. —ness.
Inviolability, invaiələbiliti, subst. v. Inviolable, invaiələb’l, onschendbaar, onverbreekbaar; Inviolate, invaiəlit, ongeschonden, ongebroken.
Invisibility, invizibiliti, subst. v. Invisible, invizib’l, onzichtbaar: The — = de Onzienlijke; — green = donkergroen; subst. —ness.
Invitation, inviteiš’n, uitnoodiging; adj. Invitatory.
Invite, invait, uitnoodigen, verlokken, verleiden, aantrekken, oproepen; subst. uitnoodiging: To — subscriptions = de inschrijving openstellen; Invitee, invitî, genoodigde: —r; Inviting = aanlokkelijk; subst. —ness.
Invocation, invəkeiš’n, in- of aanroeping; adj. Invocatory of Invocatory.
Invoice, invôis, subst. factuur, geleibrief; — verb. in eene factuur opnemen; —-book.
Invoke, invouk, aanroepen, oproepen.
Involuntariness, invol’ntərinəs, subst. v. Involuntary, invol’ntəri, onwillig, onwillekeurig; subst. To play an — = iets à l’improviste spelen, improviseeren.
Involute, invəl(j)ût, ingerold, met de randen naar binnen omgevouwen; Involution, invəl(j)ûš’n, inwikkeling, ingewikkeldheid, machtsverheffing (Wisk.).
Involve, involv, inwikkelen, omringen, ingewikkeld en moeilijk begrijpelijk maken, verwarren: I don’t like roundabout phrases and —d constructions = ingewikkelden zinsbouw; — this quantity to the third power = verhef deze grootheid tot de derde macht; This —d delay = bracht uitstel mee; subst. —ment: — in debt.
Invulnerability, invɐlnərəbiliti, subst. v. Invulnerable, invɐlnərəb’l, onkwetsbaar, onwondbaar; subst. —ness.
Inward, inwəd, innerlijk, inwendig; —s, inwədz, subst. ingewanden; adv. naar binnen, landwaarts in; —ness = natuur, wezen.
Inweave, inwîv, inweven, invlechten.
Inworking, inwɐ̂king, innerlijke werking.
Inwrap, inrap, inwikkelen, verwarren.
Inwreathe, inrîdh, omkransen.
Inwrought, inrôt, ingelegd, doorweven.
Iodic, ai-odik, jood - -: — acid; Iodine, ai-əd(a)in, jood; Iodoform, ai-oudəföm, ai-ədəföm, jodoform.
Ionia(n), ai-ounjə(n), subst. Ionië(r); adj. Ionisch; Ionic, ai-onik, Ionish.
Iota, ai-outə, eene Grieksche letter, stip, tittel, kleine hoeveelheid: He would not yield an —; The tiniest — = het geringste.
I. O. U., aioujû, schuldbekentenis (= I owe you = ik ben u schuldig).
Iowa, aiəwə.
Ipecacuanha, ipəkakjuanə, braakwortel.
Ipswich, ipswitš, ipsidž.
Iranian, aireinj’n, îreinj’n, subst. bewoner v. Iran; adj. Ireensch: — languages = de Arische talen.
Irascibility, (a)irasibiliti, subst. v. Irascible, (a)irasib’l, opvliegend, driftig; subst. —ness.
Irate, aireit, airit, toornig, woedend; Ire, aiə, toorn, gramschap; —ful = toornig.
Ireland, aiəl’nd; Irene, airîni; Iricism, airisizm, Iersch idioom.
Iridescence, irides’ns, kleurenspel of -gloed (als van den regenboog); Iridescent, irides’nt, regenboogachtig, gloedvol; Iridian = regenboog - - -.
Iris (Meerv. Irides), airis (airidîz), regenboog, ring om den oogappel; zwaardlelie; —ed, airist, met kleuren als van den regenboog.
Irish, airiš, Iersch; onbeschaamd, dom; subst. Iersche taal (linnen): — apricots = aardappelen; — assurance = doldriestheid; —man = Ier; — moss = Zie Carrageen; — stew = gestampte aardappelen en uien met schapenvleesch; —woman = Iersche; —ise, airišaiz, in het Iersch dialect overzetten; —ism = Iersch idioom; —ry = de Ieren.
Irksome, ɐ̂ks’m, vervelend, afmattend; subst. —ness.
Iron, aiən, subst. ijzer, strijkijzer; ook adj. — verb, met ijzer beslaan, boeien, kluisteren, strijken: Box — = (bout)strijkijzer; Cast — = gegoten ijzer; Head — = oorijzer; Wrought — = gesmeed ijzer; In —s = in de boeien geslagen; He has many (more —s than one) —s in the fire = hij onderneemt vele dingen te gelijk; Strike the — while it is hot = smeed het ijzer terwijl het heet is; The — entered his soul = een groot leed trof hem; The — age = het ijzeren tijdperk; — crown = ijzeren kroon; —-banded = met ijzer beslagen; —-bound = van ijzeren banden voorzien, door rotsen ingesloten, onbuigzaam; —-clad, subst. pantserschip; adj. gepantserd, met ijzer beslagen; —-filings = ijzervijlsel; —-fisted = hardhandig; begeerig, vrekkig; —-founder = ijzergieter; —-foundry = ijzergieterij; —-gray = grauwzwart(e kleur); ijzerschimmel; —-hearted = hardvochtig, wreed; —-heater = strijkbout; —-liquor = een bijtmiddel (ververij); —-master = chef van ijzergieterij, groothandelaar in ijzer; —-monger = ijzerhandelaar; —-mongery = ijzerwaren; —-mould = ijzersmet; — verb. roestvlekkig maken of worden; —-side = gehard soldaat (oorspr. een van Cromwell’s soldaten); —-smith = grofsmid; —-stone = ijzererts; —-ware = ijzerwaren; —-work = ijzerwerk; —-works = ijzergieterij; —er = strijkster; —ing: To take in —ing = strijkster zijn; —ing-board = strijkplank; —y = ijzerhoudend, ijzerhard.
Ironic(al), aironik(’l), ironisch; Irony, airəni, ironie, scherts: A stroke of — = ironische zet.
Iroquois, irəkwôi.
Irradiance, -cy, ireidj’ns(i), uitstraling, glans; Irradiant = stralend; Irradiate, ireidjeit, stralen, verlichten, ophelderen; adj. ireidjit, stralend; subst. Irradiation.
Irrational, irašən’l, onredelijk, dwaas, ongerijmd; subst. Irrationality.
Irreclaimable, irikleiməb’l, onverbeterlijk, verstokt; subst. —ness.
Irreconcilability, irekənsaibiliti, subst. v. Irreconcilable, irek’nsailəb’l, adj. onverzoenlijk, onbestaanbaar, onvereenigbaar; onverzoenbare; subst. —ness.
Irrecoverable, irikɐvərəb’l, niet terug te krijgen, onafwendbaar, onherstelbaar, onverbeterlijk; subst. —ness.
Irredeemable, iridîməb’l, onafkoopbaar, onaflosbaar, onverbeterlijk; subst. —ness.
Irreducible, iridjûsib’l, onherleidbaar, onverkleinbaar, onoverwinnelijk; subst. —ness.
Irreformable, iriföməb’l, onveranderbaar, onverbeterlijk.
Irrefragability, irifrəgəbiliti, subst. v. Irrefragable, irefrəgəb’l, ontwijfelbaar, onwedersprekelijk, onwederlegbaar.
Irrefutable, irifjûtəb’l, irefjutəb’l, onwederlegbaar; subst. —ness.
Irregular, iregjulə, onregelmatig, afwijkend, ongeregeld, ongewoon: —s = ongeregelde troepen; subst. —ity, iregjulariti.
Irrelative, irelətiv, geen betrekking hebbende op, niet behoorende bij.
Irrelevance, ireləv’ns. Irrelevancy, subst. v. Irrelevant, ireləv’nt, niet toepasselijk, ongepast.
Irreligion, irilidž’n, ongodsdienstigheid, goddeloosheid; adj. Irreligious; subst. —ness.
Irremediable, irimîdjəb’l, ongeneeslijk, onherstelbaar; subst. —ness.
Irremovability, irimûvəbiliti, subst. v. Irremovable, irimûvəb’l, niet verwijderbaar, niet afzetbaar, vast, onwrikbaar.
Irreparability, irepərəbiliti, subst. v. Irreparable, irepərəb’l, onherstelbaar; subst. —ness.
Irrepleviable, iriplevjəb’l, onaflosbaar.
Irrepressible, iripresib’l, niet te onderdrukken, onbedwingbaar.
Irreproachable, iriproutšəb’l, onberispelijk, onschuldig; subst. —ness.
Irresistibility, irizistibiliti, subst. v. Irresistible, irizistib’l, onweerstaanbaar; subst. —ness.
Irresolute, irezəl(j)ût, besluiteloos; subst. —ness = Irresolution.
Irresolvability, irizolvəbiliti, subst. v. Irresolvable, irizolvəb’l, onoplosbaar.
Irrespective, irispektiv, afgezien van, zonder aanzien van: God is — of persons = God kent geen aanzien des persoons.
Irresponsibility, irisponsibiliti, subst. v. Irresponsible, irisponsib’l, onverantwoordelijk, onbetrouwbaar.
Irresponsive, irisponsivə, niet antwoordend of beantwoordend; subst. —ness.
Irretentive, iritentiv, zwak (van geheugen).
Irretrievable, iritrîvəb’l, onherstelbaar; subst. —ness.
Irreverence, irevərens, oneerbiedigheid; adj. Irreverent = Irreverential.
Irreversibility, irivɐ̂sibiliti, subst. v. Irreversible, irivɐ̂sib’l, onherroepelijk, onveranderlijk; subst. —ness.
Irrevocability, irevəkəbiliti, subst. v. Irrevocable, irevəkəb’l, onherroepelijk; subst. —ness.
Irrigate, irigeit, besproeien, bevloeien, irrigeeren; subst. Irrigation; Irrigator = irrigator.
Irritability, iritəbiliti, subst. v. Irritable, iritəb’l, prikkelbaar, lichtgeraakt, knorrig; subst. —ness.
Irritant, irit’nt, subst. en adj. prikkelend (middel); Irritate, iriteit, prikkelen, vertoornen; subst. Irritation; adj. Irritative.
Irruption, irɐpš’n, inval, inbraak (v. water).
Isaac, aizək.
Isabel, izəbel, Isabella (-kleurig paard).
Isaiah, aizeijə; Iseult, isûlt.
Ishmael, išməel: —ite, išməlait, afstammeling van Ismaël (Gen. XVI, 12), verstooteling.
Isidore, isidö, Isidorus.
Isinglass, aiziŋglâs, vischlijm: —-stone = mica.
Isis, aisis, Isis.
Islam, izl’m, isl’m, islâm, Islam; adj. Islamic; Islamism; Islamite; adj. Islamitic.
Island, ail’nd, subst. eiland, vluchtheuvel; — verb. als met eilanden bezaaien, tot een eiland vormen; —er = eilandbewoner; Isle, ail, eiland; — verb. tot eiland maken, op een eiland wonen.
Islay, ailei.
Islet, ailət, eilandje.
Isleworth, aizlwɐ̂th; Islington, izliŋt’n.
Isobar, aisəbâ, isobaar = Isobaric line.
Isochromatic, aisəkrəmatik, van gelijke kleur.
Isochronal, aisokrən’l, Isochronous, aisokrənɐs, isochroon.
Isolate, (a)isəleit, afzonderen, isoleeren; adj. (a)isəlit; subst. Isolation.
Isomeric(al), aisəmerik(’l), isomeer; subst. Isomerism; Isometric = isometrisch.
Isomorphism, aisəmöfizm, vormgelijkheid (bij kristallen); adj. Isomorphous.
Isonomy, aisonəmi, gelijkheid voor de wet.
Isopod, aisəpod, schaaldier met gelijkvormige pooten, pissebed; —ous, aisopədɐs, met pooten van gelijke lengte; tot de Isopods behoorende.
Isosceles, aisosilîz, gelijkbeenig: — triangle.
Isotheres, aisəthîəz, isotheren.
Isotherm, aisəthɐ̂m, isotherm; adj. —al, aisəthɐ̂m’l: — lines = isothermen.
Israel, izrə-el, Israël; Israelite, izrəlait, Israëliet; adj. Israelitish, izraəlaitiš.
Issuance, isjuəns, uitvaardiging, uitgifte.
Issue, išû, isjû, subst. uitstrooming, uitstorting, uitgang, fontanel, nageslacht, kroost, uitslag, resultaat, uitvaardiging, uitgifte, uitgave, nummer, uitspraak, geschilpunt; — verb. uitstroomen, uitstorten, afstammen, voortkomen, eindigen, in omloop brengen, uitgeven, uitvaardigen: Fresh —s are demanding solution now = geheel nieuwe kwesties; The government was in no danger of being defeated on that — = op dat punt; To force an — = met geweld een resultaat bereiken; I will join (take) — with you on that question = ik wil den strijd met u aanbinden; The question at — is too important for me to stay away = het geschilpunt of punt onder discussie (dat aan de orde is); She died without male — = zonder mannelijk oir; To — a probate = de executeurs machtigen het testament uit te voeren; —less = zonder nakomelingen; zonder gevolg; —r = uitgever; emittent.
Isthmian, is(t)miən, tot eene landengte (speciaal die van Corinthe) behoorende: — games = Isthmische spelen; Isthmus, is(t)məs, landengte.
Istria, istriə, Istrië.
It, it, het (3e pers.): There is not much in — = het heeft niet veel om het lijf; Claret is not in — = Bordeaux haalt er niet bij, is bij lange na zoo lekker niet; We had a splendid time of — = een heerlijken tijd; He does not like me as — is = mag mij toch al niet.
Italian, italj’n, subst. en adj. Italiaan(sch): — iron = plooi- of frizeerijzer; — warehouseman = verkooper van delicatessen, zooals: fijne oliën, macaroni, gedroogde vruchten, etc.; —ism; —ize = als een Italiaan spreken, een Italiaanschen aard geven of aannemen.
Italic, italik, subst. cursieve letter; adj. cursief: In —s = cursief (gedrukt); —ize, italisaiz, cursief drukken.
Italy, itəli, Italië.
Itch, itš, subst. jeuking, schurft; hunkering; — verb. jeuken, hunkeren: He has an —ing palm = hij is tuk op een fooi, is licht om te koopen; He has —ing for a drubbing = hij moet noodig een pak slaag hebben; Itchiness = jeuk, schurftigheid; adj. —y.
Item, ait’m, subst. bepaald punt, bijzonderheid, post (v. rekening, etc.), exemplaar, nieuwsbericht, artikeltje, inlichting (Amer.); — verb. afzonderlijk vermelden of noteeren; adv. eveneens: An — of humanity = een stuk mensch; —-man = correspondent (Amer.); —ize = in bijzonderheden vermelden.
Iterate, itərit, adj. herhaald; — verb. (itəreit) herhalen; subst. Iteration; adj. Iterative.
Itinerancy, (a)itinər’nsi, rondreis (ambtelijk of voor zaken); Itinerant, rondreizend of rondzwervend; ook subst. = — preacher; Itinerary = rondtrekkend, reis - -; subst. reisbeschrijving, reisgids, reisplan, route; Itinerate = gebedenboek voor reizende R.K. geestelijken; rondreizen, rondgaan; Itinerating library = rondgaande.
Its, its, zijn of haar (bez. voornw.); Itself, itself, zichzelf: In — = op zichzelf; Of — = vanzelf, uit zichzelf.
Ivan, îvân, îvân; Ivanhoe, aiv’nhou.
Ivied, aivid, met klimop begroeid.
Ivory, aivəri, subst. ivoor, olifantstand; ook adj.: Gate of — = poort der droomen (Zie Gate en Horn); —-black = ivoorzwart; —-carver; —-turner = kunstdraaier; Ivories = tanden, biljartballen, dobbelsteenen.
Ivy, aivi, klimop: To pipe in an —-leaf = zich zoo goed mogelijk troosten; —-mantled = met klimop begroeid; —-tod = klimopboschje.
Izzard, izəd, Ibex, steenbok.
J.
J, džei; J(udge); J(udge) A(dvocate); Jac(ob); Jan(uary); Jav(anese); J(esus) C(hrist); J(uris) C(ivilis) D(octor); Jos(eph); Josh(ua) = Jozua; J. P. = Justice of the Peace = vrederechter; J(unio)r; Jul(y); Jun(e); Juris(prudence); J-pen = soort v. stalen pen.
Jab, džab, steken; steek: He —bed his pen-knife into the table.
Jabber, džabə, subst. gekakel, gebabbel; — verb. kakelen, wauwelen: He was —ing nonsense by the yard = kraamde heel wat onzin uit; —er.
Jabers, džabəz: By —! = alle duivels!
Jabez, džeibəz.
Jacent, džeis’nt, liggende.
Jacinth, džeisinth, džasinth, hyacint.
Jack, džak, verkleinwoord van John; jongmaatje, bediende, lummel, snaak, matroos, boer (in het kaartspel), mannetje, man, (jonge) snoek, halve of vierde pint, bok voor een braadspit, zaagbok, laarzeknecht, lederen bierhouder, dommekracht, doel (in balspel), prikkel, wig, vlaggetje, enz.; — verb. opschroeven, afschaven: Black — = een groote kruik of kan; Cheap —s were bawling their wares = standwerkers (= kooplui op een markt); Every (man) — of them = het heele zoodje, allen zonder uitzondering; Fresh water — = nieuweling, baar; — Ketch = de beul; — Pudding = Jan Klaassen, hansworst; — Sprat = dreumes, wijsneus; — Tar = pekbroek; A good — makes a good Gill = zoo man, zoo vrouw; Before a man can say — Robinson = als de wind; —, Tom and Harry = jan en alleman; —-a-dandy = fatje; —-all-general = factotum; —-at-a-pinch = invaller, behulp, noodhulp; —-by-the-hedge = look zonder look; —-in-the-box = duiveltje in een doosje; —-in-the-green = potsierlijk uitgedoste figuur bij het Meifeest der schoorsteenvegers; —-in-office = belachelijk, gewichtig doend ambtenaartje; —-o’-lantern = dwaallicht; — of all trades is of no trade = twaalf ambachten, dertien ongelukken; —-on-both-sides = weerhaan; —ass = mannetjesezel; —ass-rabbit = groote prairiehaas; —-block = bramreepblok; —-boots = waterlaarzen, rijlaarzen met een bovenstuk voor kniebedekking; —daw = kauw of kerkkauw; —flag = geus, boegsprietvlag; —-knife = groot knipmes; —plane = eerste (en ruwste) schaaf van den schrijnwerker; —-screw = dommekracht; —-staff = geuzestok; —-straw = stroopop (fig.); —s = een geduldspel, de stokjes hiervoor; —-towel = (grove) handdoek op rol; —-tree = Indische broodboom; —y = verkleinw. v. Jack.
Jackal, džakôl, subst. jakhals; handlanger, verklikker; adj. gemeen.
Jackanapes, džakəneips, aap, brutaaltje.
Jackaroo, džakərû, nieuweling, baar (Australië).
Jacket, džakət, subst. buis, jekkertje, omhulsel, mantel, vel, pels, huid; — verb. met een jacket bekleeden, of “wat op ’t jak geven”: Potatoes boiled in their —s = ongeschild gekookt; They are hardly out of —s = hebben pas eene lange broek aan; To dust (thrash, trim) a person’s — = een pak slaag geven; He got a sound —ing = zijn buis werd flink uitgeklopt (fig.).
Jacob, džeikəb, Jacob: —’s ladder, speerkruid; touwladder met houten sporten; —’s membrane = buitenste vlies van de retina; —’s staff = krukstok, pelgrimsstaf, ijzeren voet van een instrument voor het meten van hoogten en afstanden; —ean, džakəbîən, uit den tijd van James I; Jacobin, džakəbin, subst. Dominikaner; Jacobijn; adj. Jacobijnsch; Jacobite, džakəbait, aanhanger van Jacobus II en diens zoon; Jacobus, džəkoubəs, gouden munt van 25 sh. uit den tijd van Jac. II.
Jaconet, džakənet, jaconnet.
Jacquard, džəkâd, džakəd: — loom = Jacquard weefgetouw.
Jacqueline, džak(w)əlin; Jacques, džakwəs, džeikwîz.
Jaculator, džakjuleitə, spuitvisch; —y prayer = schietgebedje.
Jade, džeid, subst. (oude) knol, soort v. stier, oud wijf, wildzang, slet; nephriet, bittersteen; — verb. verachten, voor den gek houden, afjakkeren; Jadish, Jady = weerspannig, slecht, liederlijk.
Jag, džag, subst. kerf, tand, prikkel, uitstekende punt; pak, vracht, hoeveelheid koren, stroo, etc., stuk in den kraag; — verb. kerven, tanden: —ged (= —gy) = getand, met kepen, met schaarden, scherp; subst. —gedness; —ger = getand wieltje of rolletje = —ging-iron.
Jagg(h)e(r)ry, džagəri, soort v. Oost-Ind. palmboom = —-palm.
Jaguar, džagwâ, džagjuâ, džagwâ, jaguar.
Jah, džâh, Jehova.
Jail, džeil, gevangenis, kerker; — verb. kerkeren; —-bird = boef; —-fever = (typheuse) hospitaalkoorts; —er = cipier.
Jake, džeik, Jaap.
Jalap, džaləp, džoləp, jalappe.
Jalouse, džəlûz, verb. verdenken.
Jalousie, Fr. uitspr., jalouzie.
Jam, džam, subst. gelei, iets zoets (liefs), snoes; iets voortreffelijks; gedrang, opstopping; titel van sommige Br.-Ind. hoofden; soort v. mousseline, kinderjurk; — verb. duwen, drukken, neer- of indrukken, fijn maken, klemmen, knellen: The lid —med a little = het deksel knelde; The cartridge is —med = zit vastgekneld.
Jamaica, džəmeikə, Jamaica (rum).
Jamb, džam, stijl van deur of raam, etc.
Jambok, džambok, lange zweep van nijlpaardenhuid (Z.-Afr.).
Jamboree, džambərî, gloeiende fuif.
James, džeimz; Jameson, džeims’n; Jamieson, džeimis’n.
Jampan, džampan, door vier mannen gedragen draagstoel (Japan); —ee, džampənî, draagstoeldrager.
Jane, džein, Janna, Jaantje; Janet, dženət, Jansje.
Jangle, džaŋgl, subst. gekibbel, geharrewar, geratel, wanklank; — verb. kibbelen, onaangenaam klinken, ontstemmen; —r.
Janitor, džanitə, portier, custos.
Janizary, džanizəri, janizəri, Janitschaar (soldaat van een in 1826 ontbonden Turksche garde).
Jansenism, džansənism, Jansenisme; Jansenist = Jansenist; adj. Jansenistisch.
January, džanjuəri, Januari: Not till a hot — = met St. Juttemis.
Janus, džeinəs, Janus; —-cloth = stof aan twee kanten gelijk.
Jap, džap, (verkorting van Japanese), Japanees; jongleur, goochelaar, enz.
Japan, džəpan, subst. Japan; lak, verlakt werk; — verb. lakken, poetsen; —ese, džapənîz, džapənîs, subst. en adj. Japanees(ch); —ner, džəpanə, verlakker; schoenpoetser.
Jape, džeip, subst. scherts, streek, aardigheid; — verb. schertsen, uitlachen, bespotten, bedriegen, eene poets bakken.
Japheth, džeifəth; adj. Japhetic.
Japish, džeipiš, grappig; subst. —ness.
Japonica, džəponikə, Japansche kwee.
Jar, džâ, subst. flesch, kruik, pot; knarsend, ratelend geluid, wanklank, oneenigheid, kier; — verb. knarsen, krassen, onaangenaam treffen, in schelle tegenstelling zijn met, twisten, kijven, doen trillen, verontrusten: The door is on the — = a— = op een kier; It —s on my ears = het doet mijn ooren pijn; That does not — with the surroundings = strijdt niet tegen, harmonieert met.
Jarde, džâd, hazenspat aan den poot van een paard.
Jardiniere, Fr. uitspr., jardinière.
Jargon, džâg’n, subst. brabbeltaal, gewauwel, dieventaal; — verb. koeterwaalsch praten = —ize.
Jargonelle, dzâgənel, soort v. vroege peer.
Jarl, jâl, edele, hoofdman.
Jarv(e)y, džâvi, huurkoetsier, huurrijtuig.
Jasey, džeizi, sajetten pruik, kalotje.
Jashawk, džas-hôk, jonge havik.
Jasmin(e), džasmin, jasmijn.
Jason, džeis’n; Jasper, džaspə, Jasper; jaspis.
Jaundice, džândis, džôndis, geelzucht, nijd; — verb. geelzuchtig maken, met afgunst vervullen; —d = geelzuchtig, afgunstig.
Jaunt, džânt, džônt, subst. zwerftochtje, uitstapje, rijtoertje; — verb. rondzwerven, een uitstapje maken; —iness, subst. v. —y = opgewekt, lustig, zwierig, elegant; Jaunting-car, džântiŋ-kâ, Iersch karretje met twee banken overlangs.
Java, džâvə, Java(koffie); —nese, džavənîz, džavənîs, subst. en adj. Javaan(sch).
Javelin, džavəlin, werpspies; —-man = speerdrager.
Jaw, džô, subst. kaak, mond, gekakel, brutaliteit, grove scherts, scheldwoorden, twist; — verb. kakelen, kletsen, een grooten mond (bek) opzetten, uitschelden: We were rescued from the —s of death = uit de kaken des doods; It is too crack-— a name = een te moeielijk uit te spreken; —-bone; —-breaker = moeielijk uit te spreken woord; —-lever, instrument om den bek van vee voor het inbrengen van medicijn te openen; —-tooth = maaltand.
Jay, džei, Vlaamsche gaai; praatjesmaker, lichtzinnig meisje, domkop.
Jeaffreson, džefəs’n.
Jealous, dželəs, jaloersch, bezorgd, wantrouwend, zeer gesteld op: I am — of any one disturbing my books = bang, dat ...; —y = jaloerschheid, argwaan, bezorgdheid.
Jeames, džîmz, lakei (verbast. van James); Jean, džîn.
Jean, džein, gekeperde katoenen stof.
Jedburgh, džedbərə.
Jeejee, džidžî, “huuthuutpaardje” (kindertaal).
Jeer, džîə, subst. hoon, spot; — verb. bespotten, schimpen op.
Jefferson, džefəs’n; Jeffrey, džefri, Godfried, Govert: Jeffreys, džefriz; Jehovah, džihouvə, Jehova.
Jehu, džîhjû, koetsier (2 Koningen IX, 20).
Jejune, džədžûn, schraal, dor; nuchter; subst. —ness.
Jekyll, džekil, džîkil.
Jell, džel = —ify = tot gelei maken of worden; Jelly, dželi, subst. gelei; — verb. = —ify; I’ll beat you to a — = ik zal je tot mosterd slaan; —-fish = kwal; A tin —-mould = vorm.
Jem, džem, Koos; Jemima, džəmaimə.
Jemadar, Jemidar, džemidâ, inlandsch luitenant; politiebeambte, opzichter (Indië).
Jemmy, džimi.
Jemmy, džemi, džimi, subst. kort breekijzer, gebraden schaapskop; (over)jas; adj. keurig, netjes.
Jennet, dženət, genet, Spaansch paardje.
Jenneting, dženətiŋ, soort v. vroege appel.
Jenny, dženi, džini, spinmachine; stoot waarbij men zijn eigen bal stopt; —-ass = ezelin; —-wren = winterkoninkje.
Jeopard, džepəd, op ’t spel zetten, wagen; —er = waaghals; —ize = To jeopard; —ous = gewaagd, gevaarlijk; —y = gevaar, waagstuk.
Jephthah, džeftə.
Jereed, džərîd = Jerid.
Jeremiad(e), džerəmaiəd, klaaglied, Jeremiade; Jeremiah, džerəmaiə; Jeremy, džerəmi.
Jericho, džerikou: I wished him at — = ik wou dat hij op de Mookerhei zat.
Jerid, džərîd, werpspies.
Jerk, džɐ̂k, subst. ruk, stoot, slag, plotselinge, krampachtige beweging; in reepen gesneden en in de zon gedroogd vleesch; — verb. plotseling rukken, schudden of stooten, krampachtig trekken; vleesch in lange reepen snijden en in de zon drogen; —ed beef; —y = met rukken, krampachtig, ongeduldig.
Jerkin, džɐ̂kin, nauwsluitend buis of jekkertje.
Jeroboam, džerəbouəm, wijnflesch v. 10 à 12 quarts; Jerome, džer’m, džiroum.
Jerry, džeri: —-builder, —-building = revolutiebouw(er): That book is a piece of —-building = is slecht in elkaar gezet, is knoeiwerk; —-shop = kroeg; —-sneak = pantoffelheld; zakkenroller.
Jersey, džɐ̂zi, fijn gesponnen wol; nauwsluitende sporttrui (voor roeiers enz.).
Jerusalem, džərûsəlem; Jervis, džɐ̂vis, džâvis; Jesaiah, džəzeijə.
Jess, džes, leeren riem aan den poot van valken; — verb. vastbinden.
Jessamine, džesəmin. Zie Jasmine.
Jesse, džesə, groote koperen kerkkroon = — candlestick.
Jest, džest, subst. scherts, boert, mikpunt van spotternij; — verb. schertsen, bespotten: It was but said in — = maar schertsend; He can’t take a — = kan geen scherts verdragen; —er = schertser, nar; —ing apart! = alle gekheid op een stokje!
Jesuit, džežuit, Jezuiet; —s’ bark = bruine kinabast; —ic(al), džežuitik(’l), jezuietisch; —ism, džežuitizm = —ry, džežuitri, Jezuietisme.
Jesus, džîžəs, Jezus: —! What a sight!
Jet, džet, subst. straal; git; — verb. uitwerpen, uitstralen, uitspuwen; uitspuiten; —-black = gitzwart; —ty = gitachtig.
Jetsam, Jetsom, džets’m, overboordgeworpen goederen, strandgoed.
Jettison, džetis’n, goederen overboord werpen: To make — = uit nood overboord werpen.
Jetty, džeti, klein havenhoofd, pier (Zie Jet); —-head = kop van een havenhoofd.
Jew, džû, Jood; —-baiting = jodenvervolging; —’s-eye, —ess’-eye = iets van groote waarde; —’s harp, (—’s trump) = mondharp; —’s poker = “sjabbesgojje”, een Christen meisje, dat op Sabbath vuur en licht onderhoudt; —-thrift = het zoeken van eigen grootheid; —ess = jodin; —ish = joodsch; —ry = Judea, jodenbuurt, jodendom.
Jewel, džûəl, subst. juweel (ook fig.), kleinood, steen (in uurwerk); — verb. met juweelen versieren, steenen aanbrengen: A watch —(l)ed in nine holes = op negen steentjes loopend; —-case = juweelkistje; —ler, džûələ, juwelier; —(le)ry, juweelen, juwelierswerk.
Jezebel, džezəbel, booze, brutale, schaamtelooze vrouw.
Jib, džib, subst. kluiver (zeil), kraan, balk, schichtig paard, smoel; — verb. schichtig worden, zijwaarts of achteruit springen (van paarden), achteruit krabbelen; —-boom = kluiverboom; —ber = schichtig paard.
Jibe, džaib. Zie Gibe en Jib (verb.).
Jiffy, džifi: In (half) a — = in een wip.
Jig, džig, subst. levendige dans, hupsasa, danswijsje; poets, streek; kolenwip; — verb. een jig dansen of spelen, vedelen, op en neer bewegen met korte rukjes, ziften, bedriegen; —-a-— = —-a-jog = rukkende of stootende beweging; ook adv. en verb.; —-maker = grappenmaker.
Jigger, džigə, danser, biljartbok, ertszeef, ertszifter, pottebakkerswiel, rijwiel (plat).
Jiggle, džig’l, (doen) wiegelen, heen en weer trekken, spartelen.
Jilt, džilt, subst. coquette; valsche sleutel; — verb. coquetteeren, de bons geven, laten zitten.
Jim, džim, Jaap; — Crow, titel van een negerliedje en dans; in samenst. neger-; — Crow car = wagon voor negers.
Jimcrack(ery), džimkrakəri. Zie Gimcrack(ery).
Jimmy, džimi. Zie Jemmy.
Jimp, džimp. Zie Gimp.
Jingle, džing’l, subst. gerinkink, geklingel, rijmelarij, overdekte Iersche of Australische tweewielige kar; — verb. rinkinken, rinkelen, klingelen, rijmelen: He is a —-brains = warhoofd, lichtzinnig heer; Jingling pianos = rammelkasten; To — glasses = klinken.
Jingo, džingou, chauvinist, oorlogzuchtige Tory (die de partij der Turken wou kiezen in 1877–1878, zoo genoemd naar de in ’t refrein van een café-chantant liedje uit dien tijd voorkomende uitdrukking: By — = bij alle goden, voor den drommel); ook adj.; —ism = de gevoelens der Jingo’s.
Jinks, džiŋks: High — = Oud Schotsch gezelschapsspel; fuif; At high (On the high) — = erg vroolijk zijn; It was high (grand) — = het was een “reuzen-pan”; To cut high —, To hold high — = luidruchtig fuiven.
Jinn(ee), džin(î), booze geesten (Mahomed. mythologie); enkelv. —ee, džinî.
Jinricksha, džinrikšə, jinrikscha (Brit. Ind. wagentje).
Jiujitsu, jûjitsu, Japansch worstelen.
Joachim, džouəkim; Joan, džoun, džə-an, Johanna.
Job, džoub, Job: —’s comfort = schrale troost; —’s news; —’s post = Jobsbode; As poor as — = doodarm; —ation = strafpredikatie.
Job, džob, subst. karwei, baantje, werkje, zaakje (in ongunst. zin), knoeierij; por; ook adj. — verb. karweitjes doen, aannemen of aanbesteden, verhuren, speculeeren, koopen in ’t groot en weer in ’t klein afzetten; scharrelen, in een betrekking schuiven, een por geven, pikken: That’s a good — = gelukje, meevallertje; A bad — = een leelijk geval; beroerde boel; He did the — for the ruffian = hij doodde den schurk; By the — = bij aanneming; —-goods = koopjes, rommel; —master = verhuurder van paarden en rijtuigen; —-printer = drukkersgezel (voor een bepaald werk aangewezen); —ber = iemand die op stuk werkt, detailverkooper, effectenhandelaar, beursspeculant, paard- en rijtuigverhuurder, knoeier; —-bery = knoeierij, wisselruiterij; Jobbing: —-house = drukkerij (van allerhande drukwerk, maar geene couranten of boeken); —-tailor = lapper, versteller.
Jocelyn, džosəlin, Just.
Jock, džok, jockey: Gentleman — = heerrijder; Jockey, džoki, subst. jockey, pikeur; bedrieger; — verb. bedriegen; tegenaan rijden (bij wedrennen); verdringen, zich op oneerlijke wijze bevoordeelen: Lewis XIV —ed his grandson on to the throne of Spain = hielp door allerlei intrigues; —ism = rijkunst; praktijken der jockeys = —ship.
Jocose, džəkous, grappig, boertig, amusant; subst. —ness = Jocosity.
Jocular, džokjulə, snaaksch, grappig; —ity, džokjulariti, snaakschheid, grappigheid.
Jocund, džok’nd, džouk’nd, blijde, vroolijk, opgewekt; —ity, džəkɐnditi = —ness = vroolijkheid.
Joe, džou = Joseph, John; een fourpenny stuk, en = — Miller = oude “mop”, een uit den Enkhuizer; Not for Joe = Not for Joseph.
Jog, džog, subst. stootje, sukkeldraf; — verb. zachtjes aanstooten, vooruitstooten, heen en weer loopen, horten, sukkelen: Shall I — your memory for you? = opfrisschen, wakker schudden; I am —ging = ik ga er van door; —-trot, subst. sukkeldrafje; routine; adj. eentonig, vervelend.
Joggle, džog’l, waggelen, rammelen, tegen elkaar stooten, inkepen.
John, džon, Jan, Johannes; St. — the Baptist = Johannes de Dooper; — Bull = de Engelsche natie; — Company = de Oost-Ind. Compagnie; — Dory, džondôri, zonnevisch, St. Pietersvisch.
Johnny, džoni, verkleinw. van John; vent, enz.: He is a soft — = een groote sul; — cake = maïskoek (Amer.); Amerikaan (Amer.); — Crapaud, džonikrəpou, de Fransche natie; — Raw = recruut, landrot; The Head Johnnies in the Primrose League = kopstukken.
Johnson, džons’n: —ese, džonsənîz, džonsənîs, klassieke, deftige stijl van Dr. Johnson (1709–84); Johnston(e), džonst’n.
Join, džôin, vereenigen, verbinden, samenvoegen, zich aansluiten bij, lid worden van, instemmen, overeenstemmen, grenzen aan, samengaan, enz.; subst. verbinding, verbindingsplaats: Will you join us? = doet (of gaat) ge mee met ons, kom je bij ons zitten? To — battle = slaags raken; To — hands with = de hand reiken, bijstaan; I have —ed interests with him = mijne belangen met de zijne verbonden; He —ed the majority = stierf; To — a ship = aan boord gaan, zich inschepen; Shall we — tables? = de tafels aan elkaar zetten? I did not — with him = was het niet eens; Joinder = vereeniging van twee zaken in een proces (Jur.) = — of action; Joiner = schrijnwerker; —y = schrijnwerkersvak of -beroep.
Joint, džôint, verbinding, aanknoopingspunt, gewricht, knoop, scharnier, dwarsspleet; groot stuk vleesch; adj. vereenigd, verbonden, gezamenlijk, solidair; — verb. vereenigen; in joints verdeelen: Out of — = uit het lid, uit de voegen, in wanorde (Zie Nose); — and several = allen zonder onderscheid; On — account = voor gezamenlijke rekening; —-gout = gewrichtsrheumatiek; —-heir = mede-erfgenaam; —-stock = maatschappelijk kapitaal: —-stock company = maatschappij op aandeelen; —-stock Bank = commandite bank; —-stool = vouwstoel; —-tenancy = medebezit; —-tenant = medebezitter; —er = lange schaaf, reeschaaf; —ing-plane = reeschaaf; —ing-rule = winkelhaak.
Jointure, džôintjə, subst. goederen vastgezet op eene vrouw bij haar trouwen, om de opbrengst ervan na mogelijk overlijden van haar man te genieten; — verb, vastzetten op.
Joist, džôist, subst. dwarsbalk; — verb. van dwarsbalken voorzien.
Joke, džouk, subst. scherts, grap, kwinkslag; — verb. schertsen, plagen: A practical — = ruwe grap, kwajongensstreek; Small —s = flauwe grappen; It was above a — = om je ziek te lachen; In — = uit de grap, schertsend; That’s past a — = dat gaat te ver; To bear (take) a — = scherts verstaan; To pass (put) a — upon = een poets bakken; He can’t realise a — = niet snappen; He would not see the —; You have worn that old — nearly off its legs = die mop is al heel afgezaagd; He —d me good-naturedly = plaagde; —r = grappenmaker; vent; troef kaart; Joking apart = alle gekheid op een stokje.
Jole, džoul. Zie Jowl.
Jollification, džolifikeiš’n, jool, lolletje; Jollify = pret maken; Jollity = pret, jool; Jolly, džoli, dartel, vroolijk, lollig, lichtelijk aangeschoten, verduiveld aardig; subst. marinier; — verb. beetnemen; ophemelen (Amer.): He is — rich = zit er aardig bij; — Roger = zwarte zeerooversvlag.
Jolly-boat, džolibout, jol.
Jolt, džoult, subst. schok, stoot; — verb. schokken, horten, stooten; —(er)-head = domkop, ezel; —er-headed = ezelachtig, dom.
Jonah, džounə: I seem to — everything I touch = te doen mislukken; Jonas, džounəs; Jonathan, džonətən; Jonathan, trouwe vriend: Brother — = de Amerikaansche natie, het type Amerikaan; Jones, džounz.
Jonquil, džonkwil, jonquille.
Jonson, džons’n; Jordan, džöd’n.
Jorum, džôr’m, groote beker of bowl.
Joscelin, džosəlin; Josceline, džosəlain.
Joseph, džouzef, dames rijkleed (18de eeuw); Jozef: I have been no — = geen heilig boontje; Not for — = om den dood niet; Josephine, džouzəfin; Josh(ua), džoš(uə); Josiah, džosiə.
Joss, dšos, Chineesche afgod; —-house = Chineesche tempel; —-house-man = (Chin.) priester, missionaris; —-stick (= Jostick) = wierookstok in Chin. tempels.
Josser, džosə, vent: Old — = ouwe paai.
Jostle, džos’l, stooten, duwen, verdringen, hossen; ook subst.
Jot, džot, subst. jota, kleinigheid, beetje; — verb. even opschrijven, aanteekenen (down); —ting = memorandum, notitie, bericht.
Joule, džaul.
Journal, džɐ̂n’l, dagboek, dagblad, courant, handelingen van een geleerd genootschap of parlement; journaal, scheepsjournaal; —ese = krantentaal; —esia = krantenwereld; —ism = de pers; —ist = dagbladschrijver; adj. —istic; —ize = journaliseeren (= To carry (post) into the journal).
Journey, džɐ̂ni, subst. reis; — verb. reizen, trekken: —s outward and back again = uit en thuis reizen; To go on a —; They made a — = deden een reis(je); —man = werkman, daglooner, knecht; handlanger; —-weight = ongeveer 180 oz. Troy van goud en 720 van zilver; —work = dagwerk, knoeiwerk.
Joust, džûst, džɐst, subst. tournooi, steekspel; — verb. een steekspel of tournooi houden.
Jove, džouv, Jupiter: By —! = sapperloot.
Jovial, džouvj’l, vroolijk, opgewekt; —ity, džouvialiti, vroolijkheid = —ness.
Jowett, džauət.
Jowl, džoul, kop van een visch, bek, kossem, lel, wang, kaak: Cheek by — = met de koppen bij elkaar, vlak naast elkaar, wang aan wang.
Jowler, džoulə, džaulə, soort (jacht)hond.
Joy, džôi, subst. vreugde, blijdschap; — verb. zich verheugen: Kill — = spelbreker; I give (wish) you — = ik feliciteer u; —-bells = vreugdeklokken; —ful, blijde, verheugd; subst. —fulness; —less = treurig, verdrietig; subst. —lessness; —ous = blijde, verheugd; subst. —ousness.
Juan, džûən.
Jubilant, džûbil’nt, juichend, jubelend; Jubilate, jubelen; subst. džûbileitî, psalm 100 bij den morgendienst der Eng. kerk; derde Zondag na Paschen, wanneer Psalm 66 den introïtus vormt; Jubilation, džûbileiš’n, gejuich, gejubel, vreugdebetoon; Jubilee, džûbilî, groot jubelfeest (om de 50 jaar) bij de Israëlieten ter herdenking van de bevrijding uit de Egyptische slavernij; kerkfeest (om de 25 jaar) te Rome; feestgetij; de 50e verjaardag van eene blijde en belangrijke gebeurtenis.
Judaea, džudîə; Judah, džûdə; Judaic, džudeiik, joodsch; Judaism, džûdeiizm, jodendom, joodsche leer; Judaize, džûdeiaiz, in overeenstemming brengen met joodsche leer en gebruiken, joodsche begrippen hebben of leeren.
Judas, džûdəs, Judas, verrader, kijkgat (= —-hole); —-coloured (—-haired) = rood, rossig; —-tree = Judasboom.
Judcock, džɐdkok, watersnip.
Jude, džûd; Judea, džudîə; adj. —n, ook: jood.
Judge, džɐdž, subst. rechter, kenner, scheidsrechter; — verb. oordeelen, vonnissen, beslissen, onderscheiden, achten, beschouwen, beoordeelen (of = over); —-advocate = auditeur militair; Judging from what you say = te oordeelen naar; —ship = rechtersambt.
Judgment, džɐdžm’nt, oordeel, vonnis, onderscheidingsvermogen, verstand, godsoordeel, laatste oordeel, rechtspleging, goddelijk raadsbesluit: — by default was passed on him = er werd vonnis bij verstek tegen hem gewezen; In my — = naar mijn oordeel; To give (pass, pronounce, render) — = vonnis vellen; The court sat in — = het hof had zitting; That plague was considered as a — upon the people = als een godsoordeel; —-day = dag des oordeels; —-debt = door den rechter vastgestelde schuld; —-hall = audientiezaal, gerechtszaal; —-seat = rechterstoel, vierschaar, rechtbank.
Judicable, džûdikəb’l, onderworpen aan de jurisdictie; Judicative, džûdikətiv: — faculty, power = vermogen tot oordeelen.
Judicature, džûdikətjuə, rechtersambt, rechtspleging, rechtspraak, rechtsgebied, gerechtshof.
Judicial, džədiš’l, rechterlijk, gerechtelijk, critisch.
Judiciary, džədišəri, subst. de rechterlijke macht; adj. gerechtelijk, rechtsprekend.
Judicious, džədišəs, oordeelkundig, scherpzinnig, verstandig, weloverlegd; subst. —ness.
Judith, džûdith.
Judy, džûdi, Judithje; de “vrouw” (Trijn) van Punch in de poppenkast; vogelverschrikker (fig.).
Jug, džɐg, kruik, pot; gevangenis; nachtegaalslag; — verb. slaan als een nachtegaal, stoven, opsluiten: Not by a —ful = in geen geval (Amer.).
Jugal, džûg’l, tot het jukbeen behoorende.
Juggernaut, džɐgənôt, de Ind. Godheid Krischna, meer in het bijzonder het beeld van den God te Puri in Orissa; Moloch (fig.); iets waaraan men meedoogenloos wordt opgeofferd of zich blindelings opoffert.
Juggins, džɐginz, sul.
Juggle, džɐg’l, subst. goocheltoer, bedriegerij; — verb. goochelen, bedotten; —r = goochelaar, bedrieger; —ry = goochelarij, bedriegerij.
Jugular, džûgjulə, subst. keelader; adj. tot nek of keel behoorende; Jugulate, džûgjuleit = keelen, den hals afsnijden, smoren (fig.).
Juice, džûs, sap: To stew in one’s own — = in zijn eigen vet gaar smoren; —less; Juiciness = sappigheid; adj. Juicy = sappig.
Ju-ju, džû-džû, fetisch, fetischdienst, daarmee verrichte vervloeking (Afrika).
Jujube, džûdžûb, jujube.
Juke, džûk, buigen; duiken (Schotl.).
Julep, džûlep, koeldrank; soort bowl bestaande uit whisky, ijs, suiker, pepermunt (Amer.).
Julia, džûliə, Julia.
Julian džûliən: — account = Juliaansche (door Julius Caesar ingestelde en tot 1572 in Engeland gebruikelijke) tijdrekening; — Alps; Juliana, džûlianə.
Juliers, džûliəz, Gulik. Juliet, džûliət. Julius, džûliəs.
July, džulai, Juli.
Jumar, džûmâ, (fabel) muilos, osezel, muilpaard.
Jumble, džɐmb’l, subst. verwarring, mengelmoes; soort koekje; — verb. door elkaar gooien, door elkaar raken of geschud worden: — sale = goedkoope bazaar.
Jump, džɐmp, subst. sprong, soort van buis; — verb. springen, snel rijzen, stooten, hotsen, overheen springen, laten dansen, zich werpen op; een claim in bezit nemen tijdens de afwezigheid van den eigenaar (Amer.); wagen: —s = lijfje, zoogcorset; He —ed at my proposal = pakte met beide handen aan; To — at (to) conclusions = voorbarige gevolgtrekkingen maken; My judgment —ed (in) with his = stemde overeen met; He was —ed off at the last fence = afgeworpen; To be —ed on (with both feet) = (ernstig) berispt worden; Great wits — together = stemmen overeen; —-seat = open wagentje met neerklappende zitplaats(en); —er = springer, sprinkhaan, kaasmijt, boorwerktujg, soort trui; The —ers = godsdienstige sekte (die God “huppelend” meent te moeten dienen); —ing-jack = hansworst; A —ing-off place = springplaats; —ing-pole = polsstok; —ing-sheet = springzeil; —y = bewegelijk, zenuwachtig.
Juncaceous, džɐŋkeišəs, biesachtig; Juncous, džɐŋkəs, vol biezen.
Junction, džɐŋkš’n, verbinding, vereeniging, vereenigingspunt; —-railway = verbindingsspoor.
Juncture, džɐŋktšə, verbindingspunt, naad, verbinding; bepaald of kritiek oogenblik, tijdsgewricht: At (in) this —.
Juncus, džɐŋkəs, bloembies.
June, džûn, Juni.
Jungle, džɐŋg’l, tropische wildernis; —-fever = tropische wisselkoorts; —-market = markt van actiën der West.-Afrik. handelsvereenigingen.
Junior, džûnjə, jonger, lager; jongere, lager geplaatste; subst. beginnend advocaat, die, om zich te oefenen, een ouder collega assisteert; —ity, džûnioriti, toestand van een junior.
Juniper, džûnipə, jeneverstruik: — berry.
Junius, džûniəs.
Junk, džɐŋk, jonk (Chineesch vaartuig), brok, homp, oud kabel- en touwwerk, taai pekelvleesch, rommel; —-bottle = dikke porter-flesch (Amer.); —-dealer = scheepstagrijn (Amer.); —-shop; —-wad = prop van pluiswerk tusschen lading en kogel.
Junket, džɐŋkət, subst. dikke room, wrongel; soort lekkernij; fuif, picnic (Amer.); — verb. fuiven; —er; —ing excursion (—ing party).
Juno, džûnou, Juno; Junonian, majestueus.
Junta, džɐntə, Junta.
Junto, džɐntou, geheime raad, complot, kliek.
Jupiter, džûpitə, Jupiter.
Jura, džûrə.
Jurat, džûrət, rechter (op de eilanden in het Eng. kanaal), schepen, onderteekende beëedigde verklaring van getuigen.
Juridical, džuridik’l, gerechtelijk, juridisch.
Jurisconsult, džûriskənsɐlt, dzûriskonsəlt, rechtsgeleerde.
Jurisdiction, džûrisdikš’n, jurisdictie; adj. —al.
Jurisprudence, džûrisprûd’ns, jurisprudentie; adj. Jurisprudential, džûrisprudenš’l.
Jurist, džûrist, rechtsgeleerde.
Juror, džûrə, gezworene, jurylid bij eene tentoonstelling.
Jury, džûri, subst. de gezworenen, jury of commissie van beoordeeling bij tentoonstellingen (= — of award): Grand — = jury, van 12 tot 24 leden (die over het al of niet verleenen van rechtsingang beslist); Petty — = jury van 12 leden (die met algemeene stemmen in strafzaken moet beslissen): —-box = bank der gezworenen; —man = gezworene; —-mast = noodmast; —-process = bevel tot bijeenroeping van eene jury; —-rudder = noodroer.
Just, džɐst, rechtvaardig, onpartijdig, eerlijk, trouw, welverdiend; adv. juist, precies, nagenoeg: But — = net, eventjes, nauwelijks; — give me a light = geef me even; I will — step in = even; I am only a poor girl, — Winifred = W. maar; — like = precies zoo; — now = zooeven, op het oogenblik; He wishes a thing to be — so, and not otherwise; We really are — there = zoo dadelijk, aanstonds zijn we er; You are not going — yet, are you? = je gaat toch nog niet weg? You won’t get it — yet = vooreerst niet; It is — possible = wel mogelijk; That’s — the thing I want; —ness = rechtvaardigheid, billijkheid.
Justice, džɐstis, gerechtigheid, rechtvaardigheid, onpartijdigheid, rechter (Judge is de officieele titel van de rechters in de County Courts): Lord Chief — = opperrechter; — of the peace = vrederechter; Justices’ — = de soms zeer wonderlijke uitspraken der —s of the Peace (dit zijn leeken); To do — to = recht laten wedervaren; Do me the — to admit = wees zoo billijk; You cannot do so in — = van rechtswege, rechtens; There has been a gross miscarriage of — = eene grove rechterl. dwaling; —ship = rechterschap: Justiciable, džɐstišiəb’l, justitiabel; Justiciary, džəstišiəri, gerechtelijk, gerechts - -; subst. rechter, rechtsgebied; High Court of — = hoogste gerechtshof in Schotland voor crimin. zaken; Justicing-room = gerechtszaal.
Justifiable, džɐstifaiəb’l, verdedigbaar, rechtmatig; subst. —ness; Justification = rechtvaardiging, verdediging, redding of rechtvaardigverklaring van zondaren; Justificative = Justificatory, rechtvaardigend, verdedigend; Justifier, džɐstifaiə, rechtvaardiger, verdediger; justeerder; Justify, džɐstifai, rechtvaardigen, vrijspreken, bewijzen, sluiten (bij het drukken).
Justin, džɐstin, Justinius. Justinian, džɐstinj’n, Justinianus; ook adj.
Justle, džɐs’l. Zie Jostle.
Jut, džɐt, subst. uitsteeksel; — verb. uitsteken, vooruitspringen; —-window = uitstekend venster.
Jute, džût, jutte; Jut.
Jutland, džɐtl’nd.
Juvenal, džûvən’l, Juvenalis.
Juvenescence, džûvənes’ns, jeugd, onrijpheid; adj. Juvenescent.
Juvenile, džûvən(a)il, jeugdig, jong, kinder - -; subst. jongeling; ‘jeune amoureux’; Juvenility, džûvəniliti, jeugdigheid.
Juxtaposition, džɐkstəpəziš’n, naast elkander plaatsing, het naast elkander geplaatst zijn: To put in — = tegenover elkaar stellen.
Juzail, džuzeil, zwaar geweer (bij de Afghanen).
K.
K, kei; K(ing); K.B. = Knight of the Bath = ridder van de Bathorde; K(night) C(ommander of the) S(tar of) I(ndia); K.C.B. = Knight Commander of the Bath; K.G. = Knight of the Garter = ridder van den kouseband; K.G.C.B. = Knight Grand Cross of the Bath = ridder grootkruis van de B.-orde; K.G.F. = Knight of the order of the Golden Fleece = ridder van het Gulden Vlies; Ki(ngs); Knt. of Kt. = Knight; Kent. of Ky. = Kentucky.
Kaaba = Caaba.
Kaama, kâmə, kleine vos, ook hartebeest (Z.-Afr.).
Kabul, kâbul; Kabyle, kəbîl, kəbail.
Kaffer, Kaffir (Kafir), kâfə, kafə, ongeloovige; Kaffer(sch); —s = Zuid Afrik. mijn-actiën; adj. kaffer - -.
Kail, keil, (boeren)kool, koolsoep, middagmaal; —-yard, subst. moestuin; adj. in den geest v. de Kail-yard school, van schrijvers als Ian Maclaren, etc.
Kainite, kainait, kainiet.
Kale, keil = Kail.
Kaleidoscope, kəlaidəskoup, kaleidoscoop; adj. Kaleidoscopic(al).
Kalender = Calender.
Kali, kali, keili, potasch; —um, keiliəm, potassium.
Kalmuck, kalmɐk, kalmuk; ruige, grove stof.
Kamptulicon, kamptjûlikon, soort linoleum.
Kamsin, kamsin, heete Zuid-oostewind (Egypte).
Kangaroo, kaŋgərû, kangoeroe; — verb. op kang. jagen, ver springen.
Kansas, kansas.
Kaolin, kâəlin, keiəlin, porseleinaarde.
Kapok, kəpok, kapok.
Kaross, kəros, dierenvel door Afrik. stammen gedragen.
Ka(r)roo, kərû, groote zandvlakte in de Z.-Afrik. hoogvlakten.
Kasan, kəzan; Kashmer, kašmî; Kate, keit; Katharina, kâtharainə; Katherine, kathərin; Kathleen, kathlîn; Katrine, katrin; Kavanagh, kavənâ.
Kavass, kəvas, gewapende konstabel ter bescherming van een officieel persoon (Turkije).
Kayak, kaiək, keijək, kajak.
Kea, kîa, een soort papegaai (N. Zeel.).
Kean, kîn; Kearney, kâni; Keble, kîb’l.
Keckle, kek’l, touwwerk met smarting omwoelen of bekleeden.
Kedge(r), kedž(ə), klein werpanker (= —-anchor); — verb. met behulp van een k. vooruittrekken.
Kee, kî, interj. kiede-kiede!
Keek, kîk, kijken, gluren (Schotl.).
Keel, kîl, subst. kiel, kolenschuit, kolenmaat; — verb. van een kiel voorzien, omslaan (over), met de kiel over den grond schuren (ook: to plough with the —), varen; To float — up = onderste boven: —-boat = kielboot; —er (= —man) = schuitenvoerder; —haul = kielhalen; —son = kolsem (scheepst.).
Keeling, kîliŋ, leng (soort v. kabeljauw).
Keen, kîn, scherp, vinnig, bijtend, bits, doordringend; belust, verzot (on): As — as mustard; —-edged; —-eyed; —witted = scherpzinnig; subst. —ness.
Keep, kîp, subst. bewaring, bewaking, slottoren, redoute, bestaan, onderhoud, voer, kost; — verb. bewaren, behouden, hoeden, bewaken, weerhouden, handhaven, onderhouden, vervullen, houden, etc.: I am —ing you = houd je op; It won’t — (well) = blijft niet goed; To — aloof = zich op een afstand houden; To — at bay = van zich afhouden; To — close = geheim houden; To — silent (silence) = zwijgen; He kept crying = hij schreide maar door; He kept us waiting = liet ons wachten; To — company = gezelschap houden; To — company with = verkeeren met; To — (one’s) counsel = zwijgen, een geheim bewaren; Do you — figs? = hebt gij ook vijgen te koop? To — garrison at = in garnizoen liggen; To — one’s ground = stand houden; To — bad (late), good (early) hours = altijd laat, vroeg thuis zijn; To — house = huishouden; To — pace with = op de hoogte blijven van, meegaan met; Put your trust in God, and — your powder dry; — thy shop and thy shop will — thee = pas op uw zaak en uw zaak zal u onderhouden; To — one’s temper = zich inhouden, kalm blijven; To — terms = college loopen; To — time = in de maat blijven; To — touch of, in touch with = voeling houden met; To — watch = wacht houden; To — one’s silver wedding = vieren; — it back = houd het geheim, bedwing u; He kept down his anger = onderdrukte; — from sin = laat af van; He kept me from my lessons = hield mij af; I kept the knowledge of it from him = onthield hem; I could not — from saying it = niet nalaten; To — in (after school-hours) = nahouden; It’s well to — in with her = op goeden voet te blijven; To — off = afweren, afhouden (van); I could not — myself on my legs = niet op de been blijven; The army was kept on foot = werd onder de wapenen gehouden; He kept on taking the first turning to the right = nam maar steeds; He kept on turning = hij keek maar steeds om; — it on = ga zoo door; — on with your algebra by yourself = ga zelf door; To — out of harm’s way = voor gevaar, ongelukken behoeden; These advertisements must be kept over = tot een volgend nummer uitgesteld; The ship was kept to = bij den wind gehouden; To — to a promise = houden aan; I — to my own people = houd me bij; To — together = bijeen houden, vereenigd blijven; The ship was kept under weigh (way) = gaande gehouden; He could not — up with me = hij kon mij niet bijhouden; — it up, boys! = houd vol; He kept me up to the letter of the contract = hield mij strikt aan; —er = houder, bewaarder, opziener, opzichter, cipier: —er of the Great Seal = Grootzegelbewaarder (in Engeland de Lord Chancellor); —er of the Privy Seal = geheimzegelbewaarder; —ership; —ing = bewaring, opzicht, hoede, hechtenis, voeding; In —ing with = harmonieerend met; You are here in safe —ing = in veilige hoede; —ing-room = huiskamer; —sake = gedachtenis, herinnering, aandenken: By way of (As a) —sake = als gedachtenis.
Keeve, kîv, subst. tobbe, kuip, mand; — verb. in eene kuip zetten te gisten.
Keg, keg, vaatje.
Keighley, kîthli; Keightley, kaitli; Keith, kîth.
Kek, kek, kijk, zie (Z.-Afr.).
Kelp, kelp, kelp, een ruwe soda uit wier of zeegras.
Kelpie, Kelpy, kelpi, soort v. watergeest (Schot.).
Kelson, kels’n, kolsem. Zie Keelson.
Kelt, kelt, kelt; wollen stof van zwarte en witte wol gemaakt.
Kemp, kemp, grove wol, onreinheden in bont.
Ken, ken, subst. gezichtskring, ordinaire kroeg of kosthuis; — verb. waarnemen, bespeuren, onderscheiden, kennen: Beyond one’s — = te hoog (fig.), onbegrijpelijk; Out of — = onzichtbaar, buiten het gezicht; Within — = zichtbaar; —ning = gezichtsgrens op zee (20 miles); —nings = herkenningsteekens, merken op de kust (scheepsterm).
Kench, kenš, kuip, vat (Amer.).
Kendal: — Black Drug, kend’lblakdrɐg, laudanum; — green, kend’lgrîn, groen laken (voor jagers, enz.).
Kenelm, kenelm; Kenilworth, kenilwɐ̂th.
Kennel, ken’l, subst. hondenhok, hok, vossenhol, “meute”, goot, poel; — verb. in een hol wonen, in een hok opsluiten: — coal = gaskool; —-raker = voddenraper.
Kensington, kenziŋt’n.
Kent, kent, Kent; adj. —ish: —-fire = applaus met rhythmisch handgeklap.
Kentucky, kentɐki.
Keogh, kîou, als plaatsnaam; kjou, als persoonsnaam; Keokuk, kîəkɐk.
Kept, kept, P. Imp. en P.P. van To Keep: Badly — up = slecht onderhouden; — mistress, bijzit.
Kerb(stone), kɐ̂b(stoun), trottoirband.
Kerchief, kɐ̂tšif, doek.
Kerf, kɐ̂f, kerf, insnijding (van eene zaag).
Kermes, kɐ̂mîz, kermes, een soort van schildluis: — grains = scharlaken korrels.
Kermess, kɐ̂mes, kermis, gecostumeerd weldadigheidsfeest (Amer.).
Kern, kɐ̂n, Oud Iersche of Hooglandsche voetknecht, landlooper, karn; binnenhalen van den oogst en oogstfeest; —-baby = met korenaren versierde pop bij het oogstfeest.
Kernel, kɐ̂n’l, subst. pit, kern, korrel; — verb. korrelen: He that will eat the —, must crack the nut; To have no — = niet degelijk zijn.
Kernooze, kənûz, kennen, op de hoogte zijn van; —r = kenner, connaisseur.
Kerosene, kerəsîn, gezuiverde petroleum.
Kerrie, keri, werpknots (Z.-Afr.).
Kerse, kɐ̂s, kers, kleinigheid (verouderd, maar nog over in: Not worth a — = geen zier waard; Verg. Not worth a damn).
Kersey, kɐ̂zi, subst. grove, wollen stof; ook adj.: —s = broek van die stof.
Kerseymere, kɐ̂zimîə, casimir.
Kestrel, kestr’l, torenvalk.
Keswick, kezik.
Ket, ket, kreng, vuil.
Ketch, ketš, kits, kaag (vaartuig).
Ketch, ketš = Jack —.
Ketchup, ketšəp, soort v. saus. Ook Catsup en Catchup gespeld.
Kettle, ket’l, ketel: Here is a pretty — of fish = dat ’s een mooie boel; —drum = keteltrom, pauk; theevisite; ook verb. = pauken; —-drummer = paukenslager; —-maker = ketelmaker.
Kevel, kev’l, kruisklamp (scheepst.); steenhouwershamer.
Kew, kjû.
Key, kî, sleutel, toets, klep, toonaard, oplossing, vertaling; — verb. vastpinnen; stemmen, spannen: We have the — of the position = het voornaamste punt der positie; The pope has the power of the —s = de macht over den hemel; That fellow has the — of the street = de stumperd heeft geen thuis, kan niet in huis; To be in — with = in harmonie met; —-basket = sleutelmandje; — bit = (sleutel)baard; —board = klavier (van orgel of piano); —-bone = sleutelbeen; —-bugle = klephoorn; —hole = sleutelgat; —-note = grondtoon; —-pipe = pijp; —-ring = sleutelring; —-screw = schroefsleutel; —-stone = sluitsteen; —-word = slagwoord; All —ed up = klaar voor het gebruik; —less watch = remontoir.
Keziah, kəzaiə.
Khaki, kâki, bruingeel, khaki; subst. khaki stof, soldaat in khaki uniform: Dressed in —.
Khalifa, kalifə, kalifa; —te, kalifeit, keilifeit, kalifaat.
Khan, kan, kân, Aziat. gouverneur, vorst, koning, prins, hoofd; karavanserij; Khanate, kanit, kânit, rechtsgebied van een khan.
Khartoum, kâtûm.
Khedival, kədîvəl, van den Khedive; Khedivate, kədîvit, ambt(sgebied) van den Khedive; Khedive, kədîv, onderkoning (van Egypte).
Khel, kel, een Afghaansche stam.
Khirkah, kɐ̂ka, een gelapt kleedingstuk door dervischen gedragen.
Khoras(s)an, kourasân.
Khubber, kɐbə, bericht.
Khud, kɐd, ravijn.
Kiack, kiak, Boed. tempel.
Kibe, kaib, open winterblaar.
Kibitka, kibitkə, Russisch rijtuig, als slede te gebruiken; Tartaarsche tent.
Kick, kik, subst. schop, terugstoot (van ’t geweer): — verb. schoppen, stooten, achteruitslaan, zich verzetten: He has a good deal of — in him this morning = hij is van morgen slecht in zijn hum; —-off = eerste schop; At the age of 14 she —ed the beam at 180 pounds = haalde ze al 180 pond; He —ed the beam = werd te licht bevonden, verloor het; To — the bucket = dood gaan; To — against kismet = zich tegen het noodlot verzetten; The horse —s at everybody = slaat naar iedereen; His stomach —ed at the medicine = walgde van: I —ed him out to sink or swim = ik liet hem aan zijn lot over; To — over the traces = uit den band slaan; Don’t — up a row here = maak hier geen standje of opstootje; He —ed up his legs (heels) = sprong vroolijk rond; He was —ed upstairs into a splendid post = werd vooruit geschopt, en kreeg; —er = schopper, voetbalspeler, paard dat achteruit slaat, dwarskop; He is alive and kicking = springlevend.
Kickshaws, kikšôz, beuzelarijen, wissewasjes, liflafjes (tegenover “soliede” kost).
Kicksies, kiksiz, broek: —-builder = kleermaker.
Kid, kid, subst. jonge geit, geitenleer, glacé-handschoen, kind, onzin, zwendel, vaatje, platte schotel, takkebos; adj. van geitenleer; — verb. ter wereld brengen, bedotten: There is no —ding about him = men kan op hem aan; Many candidates — to their constituents = houden hunne kiezers voor het lapje; —-gloves = glacé-handschoenen; —dy = ventje; dief; — verb. bedotten; —ling = klein geitje.
Kidderminster, kidəminstə, goedkoop soort vloerkleed.
Kiddle, kid’l, teenen vischweer; speeksel.
Kiddy, kidi. Zie Kid.
Kidnap, kidnap, stelen, met geweld wegvoeren, pressen; —per = steler (van kinderen), zielverkooper.
Kidney, kidni, nier; soort, aard: They are all of the right (same) — = zij zijn allen van ’t goede (zelfde) soort; —-bean = witte boon; —-form = —-shaped = niervormig.
Kiefekil, kifikil, meerschuim.
Kildare, kildêə.
Kilderkin, kildəkin, vaatje van 18 gallons.
Kilkenny, kilkeni.
Kill, kil, dooden, blusschen, dooven, stillen; subst. het dooden, buit: She dances to — = zij is een onvermoeide danseres; To — time = den tijd dooden; It would be a case of — or cure = er op of er onder; —-devil = rum of sterke drank in ’t algemeen; He is a —-joy = een spelbederver, een “saaie Klaas”; —-time = tijdverdrijf; —ing = doodelijk, onweerstaanbaar, vreeselijk: You are too —ing = je laat me nog doodlachen; To look —ing = er onweerstaanbaar uitzien.
Killaloe, kiləlou; Killarney, kilâni.
Killick (= Killock) kilək, klein bootsanker, ankersteen.
Killigrew, kiligrû; Kilmarnock, kilmânək; Kilmore, kilmö.
Kiln, kil(n), oven, eest, kalkoven; —-dry = in een oven of eest drogen; —-hole = mond van een oven.
Kilo, kilou, Kilogram(me), kiləgram, kilogram; Kilolitre, kiləlîtə, kilolitə, kiloliter; Kilometer, kiləmîtə, kilomitə, kilometer; Kilowatt, kiləwot = 1000 Watt (Electr.).
Kilsyth, kilsaith.
Kilt, kilt, subst. korte rok der Bergschotten; — verb. opnemen; —ed = (loodrecht) geplooid.
Kimbo, kimbou, gebogen, gekromd: There he stood, with his arms a— = met zijne armen in de zijde.
Kin, kin, subst. maagschap, bloedverwantschap, bloedverwant, maag; adj. verwant, van dezelfde soort: He is next of — = de naaste bloedverwant; No — no care = geen koeien, geen moeien; I do not care for him and all his kith and — = en zijne geheele familie; —sfolk = verwanten; —sman, —swoman = bloedverwant(e); —ship: My feeling of —ship = mijne gehechtheid aan mijne verwanten.
Kinchin, kinšin, kindje; — cove = jonge dief.
Kind, kaind, subst. soort, kunne, geslacht, wijze; adj. vriendelijk, goedaardig, natuurlijk, weldadig, goedhartig: I will pay you in — = in natura, met dezelfde munt; To hold religious convictions of a — = er nog eenigszins godsdienstige overtuigingen op na houden; He has grown out of — = is uit den aard geslagen; I — of thought you were there = ik dacht soms, (ook wordt — of verbasterd tot —er; Amer.); To send one’s — regards = vriendelijk laten groeten; —-hearted = goedhartig; subst. —-heartedness; —liness = welwillendheid, vriendelijkheid; adj. —ly; To take something —ly of a person = iets goed opnemen; To take —ly to something = met iets op hebben; gesteld zijn op; The pig fattens —ly on this food = zet flink vleesch aan van; —ness = vriendelijkheid, etc.
Kindergarten, kindəgât’n, Fröbelschool; — mistress = Kindergartner, kindəgâtnə, onderwijzeres van eene Fröbelschool.
Kindle, kind’l, ontsteken, aansteken, doen ontvlammen of ontbranden, opwekken, opwinden, vlam vatten, ontbranden: This —d discontent to flame = dit deed de ontevredenheid uitbarsten; The shavings can be used as kindlings = als vuuraanmakers.
Kindred, kindrəd, subst. verwantschap, verwanten; adj. verwant, van denzelfden aard.
Kine, kain, koeien.
Kinematics, k(a)inəmatiks, leer der beweging; Kinematograph, kainîmətəgraf, k(a)inəmatəgraf, kinematograaf; Kinetic, k(a)inetik, bewegend, motorisch; Kinetics = mathem. leer der beweging; Kinetoscope, kainîtəskoup, kinîtəskoup.
King, kiŋ, koning, vorst, heer, dam (in het damspel); — verb. tot koning verheffen; den koning spelen (it); —-at-arms = wapenkoning; —’s-bench = vroeger een gerechtshof; —’s (Queen’s) evidence = medeplichtige, die getuigenis aflegt tegen zijne kameraden; —’s evil = scrofula: To touch for the —’s evil = door handoplegging genezen: —’s-yellow = koningsgeel; —’s coach (cushion): To carry in a — = op saamgevouwen handen dragen (kinderspel); —-craft = regeerkunst, staatkunde; —-cup = scherpe (boldragende) boterbloem; —-fish = soort van makreel; —-fisher = ijsvogel; —-killer = koningsmoorder; —-post = middenstijl van het dak; —-wood = hard Braziliaansch hout; —dom, koninkrijk: The —dom of God; Animal, mineral and vegetable —dom = dieren-, delfstoffen- en plantenrijk; —dom-come = de eeuwigheid: He went to —dom-come = hij is overleden; —let (—ling) = koninkje; —less; —like = —ly = koninklijk; —ship.
Kink, kiŋk, subst. kink, slag in een touw, gril, eigenaardigheid; — verb. kinken: There had not been the slightest — or hitch = geen enkele kink in de kabel; We got the business out of the — = aan den gang, aan het rollen; —y = met bochten.
Kinross, kinros; Kinsale, kinseil.
Kiosk, kiosk, kiosk, paviljoen.
Kip, kip, huid van jonge kalveren; ook: —skin.
Kipper, kipə, subst. zalm gedurende den tijd van kuitschieten; bokking; — verb. zouten en rooken: —ed herring.
Kirk, kɐ̂k, kerk (Schotl.): —-session = kerkeraadsvergadering.
Kirkaldy, kɐ̂kô(l)di.
Kirtle, kɐ̂t’l, subst. soort van opperkleed, hemd, rok, buis.
Kismet, kismet, noodlot (Oostersch).
Kiss, kis, subst. kus, soort suikerboontje; — verb. kussen, even aanraken: To — and be (make) friends = afzoenen; To — the book = bij het eed afleggen het N. testament kussen; To — the dust = in het stof bijten; To — the earth, the ground = zich onderwerpen; The ministers —ed hands yesterday = aanvaardden gisteren hun ambt (door de koningin de hand te kussen); We —ed hands to the wilderness = zeiden vaarwel; She —ed her hand to her uncle = gaf haar oom kushandjes; They —ed the rod = zij onderwierpen zich aan de straf; —-in-the-ring = een zeker gezelschapsspel; —-me-quick = kleine dameshoed (van ± 1850), lok bij ’t oor; —able = om te zoenen; —ing: —ing-crust = dat deel van eene broodkorst, dat een ander brood raakt, zachte zijde van brood; As easy as —ing = doodgemakkelijk.
Kit, kit, vaatje, kastje, mand, gereedschapsbak, uitrusting, de “heele rommel” (= All the —, The whole —), katje; — verb. in een kit verpakken.
Kitcat, kitkat, portret van bepaalde afmeting (71 × 91 cM.); jongensspel: — cannio = kinderspel met lei en griffel.
Kitchen, kitš’n, subst. keuken: —-dresser = aanrechtbank; —-garden = moestuin; —-maid = keukenmeid (in Engeland tot hulp van de cook, die alléén kookt); —-middens = hoopen afval, of schelpen van heel ouden datum; —-range = keukenfornuis; —-stuff = keukengroenten; vet, schuim; —-wench = keukenmeid; Kitchin of Kitchen Zulu = gebroken Zoeloesch.
Kite, kait, koningswauw; roofgierig mensch, vlieger; schoorsteenwissel: To fly a — = een vlieger oplaten; een schoorsteenwissel trekken; —-flyer (ook fig.); —-flying = vlieger oplaten; wisselruiterij; —s’-foot = soort van gele tabak.
Kith, kith, verwanten. Zie Kin.
Kitten, kit’n, subst. jonge kat; — verb. jongen werpen; —ish = speelsch, dartel.
Kittiwake, kitiweik, soort van zeemeeuw = —-gull.
Kittle, kit’l, kiedelen, kietelen: adj. = — cattle = lastig, moeielijk, netelig; Kittlish, kitliš, kietelig, gevaarlijk, gewaagd, bedriegelijk.
Kitt’s (St), s’ntkits, de H. Christoffel; Kitty, kiti, Kaatje.
Kive, kaiv. Zie Keeve.
Kiwi, kîvi, kiwi.
Kleptomania, kleptəmeinjə, kleptomanie; Kleptomaniac = kleptomaan.
Klick, klik, tikken.
Klipspringer, klipspriŋə, antilope (Z. Afr.).
Kloof, klûf, kloof, ravijn (Z. Afr.).
Knack, nak, slag, handigheid, gemakkelijkheid, gewoonte; beuzelarij: There is a — in doing it = men moet er slag van hebben; To have the —, To know the — of it = den slag er van beet hebben; To lose the —; —er = paardenvilder; —er’s yard = paardenvilderij; —ers = notenkraker.
Knag, nag, knoest of kwast (in hout), wrat, ruwe rots- of heuveltop; tak van een gewei; —giness, subst. v. —gy = knoestig, ruw, narrig.
Knap, nap, knappen, breken; —per = soort hamer.
Knapsack, napsak, ransel, knapzak.
Knapweed, napwîd, zwart knoopkruid.
Knar(l), nâ(l), knoest (in hout).
Knave, neiv, schurk, bedrieger, boer (in ’t kaartspel); —ry = schurkerij, bedriegerij; Knavish = schurkachtig: — trick = schurkenstreek; subst. —ness.
Knead, nîd, kneden: —ed in the same trough = van hetzelfde maaksel, met één sop overgoten; —er = kneder, kneedmachine; —ing-trough = bakkerstrog.
Knee, nî, knie, kniestuk, kniebuiging: On the —s of the gods = afhankelijk van omstandigheden, die men niet beheerscht, of afhankelijk van den goeden afloop van andere zaken; To bring one to his —s = iemand doen buigen (fig.); The prize-fighters were given a — after every round = namen na iedere ronde wat rust (nl. elk op de knie van een der secondanten); To go (down) on one’s —s = op de knieën vallen; To take across one’s — = over de knie leggen; To whip a boy over one’s — = voor zijn broek geven; —-breeches = kuitenbroek; —-cap = kniebeschermer, knieschijf; —-deep = tot aan de knieën; —-high = tot aan de knieën; —-haltered = gekniepoot; —-holly, —-holm = ruscus, kleine steekpalm; —-joint = kniegewricht; —-pan = —-cap; —-piece = kromhout.
Kneel, nîl, knielen: —er = knielkussen of bankje.
Knell, nel, subst. gelui, doodsklok; — verb. (de doodsklok) luiden.
Kneller, nelə.
Knelt, nelt, P. Imp. en P.P. van to kneel.
Knew, njû, imperf. van to know.
Knickerbocker, nikəbokə, bewoner van New-York van Oud-Hollandsche afstamming: —s = wijde kniebroek, onderbroek = Knickies.
Knick-knack, niknak, beuzelarij, snuisterij (meest —s).
Knife, naif, subst. mes, ontleedmes, dolk; — verb. snijden, doorsteken, polit. candidaten arglistig doen vallen (Amer.): War to the — = strijd op leven en dood; —-blade = lemmet; —-board = slijpplank; zitbank bovenop een e omnibus; —-cleaner = poetsmachine; —-edge = scherpe kant van het mes; —-grinder = messen- en scharenslijper; —-rest = messenleggertje; —-sharpener = mesaanzetter; —-tray = messenbak; Knifing affrays = gevechten met messen.
Knight, nait, subst. ridder, kampioen, paard (in ’t schaakspel), niet erfelijke titel (met Sir voor den doopnaam); — verb. tot ridder slaan; — of the blade = ijzervreter; — of industry = zwendelaar; — of the needle (shears, thimble) = ridder van de el = kleermaker; — of the road = struikroover; — of the rueful countenance = van de droevige figuur; — of the shire = vertegenwoordiger van een graafschap in het parlement; —-errant = dolende ridder; —-errantry = dolende ridderschap; —age = de ridderschap, al de personen, die den titel knight hebben; boek met hun aller namen; —hood = ridderschap: Order of —hood = ridderorde; —like = ridderlijk; —liness, subst. v. —ly = ridderlijk.
Knit, nit, knoopen, breien, samenbinden, samenvoegen, aaneen hechten, fronsen, vlechten, zich vereenigen: He — his brow (the brows) = fronste het voorhoofd (de wenkbrauwen); —ter = breid(st)er, breimachine; Knitting = breiden, breiwerk: —-cotton = breikatoen; —-machine = breimachine; —-needle, —-pin = breinaald, breipen; —-sheath = breipenscheede; —-work = breiwerk, lichte vrouwelijke arbeid (Amer.); —-yarn = breigaren.
Knittle, nit’l, koord (van eene beurs, of zak), touw voor eene hangmat.
Knob, nob, knobbel, knoest, knop, kwast, brok, alleenstaande heuvel: Electric —s = drukknoppen; —biness, subst. v. —by = knobbelig, knoestig, etc.
Knobkerry, nobkeri, knots met ronden knop.
Knobstick, nobstik, onderkruiper.
Knock, nok, subst. slag, klop, stoot; — verb. slaan, stooten, kloppen: He has been —ing about the whole day = heeft rondgeboemeld; He is —ing himself about = hij vliegt van ’t een op ’t ander; That man was —ed about = leelijk toegetakeld; He —ed his enemy down = velde neer, sloeg tegen den grond; The picture was —ed down to me for 600 guilders = werd mij toegeslagen; I will not — off one penny = geen stuiver afdoen; The workmen have —ed off = hebben opgehouden met werken; (—ing-off time); He was —ed over in the street = neergeveld, overreden; Hastily —ed together = saamgeflanst; Are you going to fight or to — under? = het opgeven, toegeven? I am quite —ed up = ik ben doodop; He —s up easily = is gauw ’op’; You’ll — up = je zult je ziek maken; A —er-up = porder; He has —ed that opinion on the head = den kop ingedrukt; To — out of time = zijn bekomst geven; He was —ed silly = deed zoo’n val (kreeg zoo’n slag), dat hij bewusteloos werd; —-about = luidruchtig, rusteloos; variété (artist); —-down = verpletterend (nieuws), uiterste (prijs); —-kneed = met de knieën binnenwaarts; —-knees = binnenwaarts gebogen knieën; —-out = afspraak om bij eene verkooping niet tegen elkander op te bieden, ten einde alles zoo goedkoop mogelijk te krijgen; —er = klopper: Up to the —er = piekfijn, fameus; —ing-ghost = klopgeest.
Knoll, noul, subst. heuvel(tje), heuveltop; gelui; — verb. luiden (vooral van de doodsklok).
Knollys, noulz.
Knop, nop, knop, knoop, loofwerk aan zuilen; — verb. met knoppen versieren.
Knot, not, subst. knoop, vouw, bocht, groep, bende; verzameling, knoest, moeilijkheid, schouderlap (voor dragers van lasten), schouderbedekking, epaulet, knoop (ongev. 2.025 yards); — verb. knoopen, verbinden, samengroeien, verwarren, knoesten vormen: A hard — = een moeilijk te ontwarren knoop; How many —s is she going now? = hoeveel knoopen loopt het schip nu; The marriage-— = huwelijksband; To cut the — = doorhakken; —-grass = duizendknoop, varkensgras; —ted: The many-—ted waterflags = veelknoopige; —tiness, subst. v. —ty = vol knoopen, moeielijk: That is rather a —ty point = lastig punt.
Knout, naut, nût, subst. knoet; — verb. met de knoet straffen.
Know, nou, kennen, verstaan, weten, begrijpen, vernemen: He knows it like A B C = kent het op zijn duimpje = He knows it from A. to Z.; I do not — how to do this problem = weet niet op te lossen; You — very well what you are about = je weet drommels goed wat je doet; I — him for a clever fellow = ik weet, dat hij is; That man does not — his own mind = weet zelf niet wat hij wil; He —s what is what = heeft z’n weetje, is een gladde kerel; He does not — which is which = kan personen of zaken niet van elkaar onderscheiden; I never knew him do it = ik heb het hem nooit zien doen, van hem bijgewoond; I will make you — better in future = ik zal wel zorgen, dat ge het later beter weet; —-all = weetal; —-nothing = weetniet; —able = kenbaar; subst. —ableness; Knowing = glad, slim: He is a — one = gewikst; There is no — what he may do next = men kan niet weten, wat hij nu weer zal doen; subst. —ness; Knowledge, nolədž, kennis, wetenschap, geleerdheid: He has not gone there, to my — = voor zoover ik weet; — is power = kennis is macht; —-box = kop.
Knowles, noulz; Knox, noks.
Knub(ble), nɐb(’l), knopje; — verb. onhandig omgaan met, slordig inpakken.
Knuckle, nɐk’l, subst. knokkel, kniegewricht (van een kalf), schenkel; — verb. de vingers buigen, met de knokkels slaan: To rap a person’s knuckles = op de vingers tikken; I am not going to — under (down) = wil niet toegeven, mij onderwerpen; —-bone = knokkel, bikkel(spel); —-duster = boksijzer; —-joint.
Knurl, nɐ̂(l), knoest, knobbel, knoop; dwerg; —ed = —ly.
Knutsford, nɐtšfəd.
Kobold, koubould, kabouter.
Koba, kobə, soort van antilope (Midden-Afrika).
Kodak, koudak, klein photographie-toestel; ook verb.
Koff, kof, kofschip.
Koh-i-noor, kouhinûə.
Koodoo, kûdû, Z.-Afr. antiloop.
Kopeck, koupek, kopeke.
Kopje, kopjə, kopje, heuvel (Z.-Afrika).
Koran, kôr’n, kərân, koran.
Kosher, koušə, koscher.
Koul, koul, belofte, contract (Brit. Ind.).
Kourbash (Koorbash), kûəbaš, subst. zweep van hippopotamushuid; — verb. met de kourbash slaan of martelen.
Ko(w)-tow, kətau, Kotoo, kətû, subst. diepe buiging, lage vleierij; — verb. diep neerbuigen, verachtelijk vleien: They —ed to her on account of her reputation.
Kraal, krâl, krôl, kraal (in Z.-Afrika); — verb. vee in de kraal drijven.
Kraken, krâk’n, kreik’n, fabelachtig zeemonster bij de kust van Noorwegen.