Geschiedenis van Arthur Pendennis (part 4 of 4)
„Ja, kind, ik heb u verongelijkt, – Goddank, ik heb u verongelijkt!” fluisterde Helena. „Kom mee, Arthur, – niet hier, –ik wil mijn kind en – en – mijn God om vergiffenis smeeken, en u zegenen en liefkoozen, mijn zoon.”
Hij leidde haar met wankelende schreden hare kamer binnen en sloot de deur, hetgeen de drie ontroerde toeschouwers van deze verzoening met genoegen en in stilte aanzagen. Voor altijd, voor altijd herinnerde de jonkman zich den teederen toon van die zwakke stem, die zacht zijn oor trof – den blik van die vrome oogen, die hem met onuitsprekelijke liefde tegenstraalden, – de trilling dier tot een smartelijken glimlach vertrokken lippen. En in zijne gelukkigste oogenblikken, en in zijn uren van beproeving en smart, en in zijne tijdperken van voorspoed en fortuin, zag het gelaat zijner moeder op hem neer en zegende het hem met dien innigen en reinen blik, zooals hij haar op dien avond zag, toen zij nog bij hem vertoefde, en toen zij, eer zij hem voorgoed verliet, een engel scheen, door de liefde herschapen en verheerlijkt. Laten wij knielen en onzen Vader danken voor die liefde, als voor de grootste gave, het grootste wonder van Gods zorg voor ons!
Ondertusschen was de maan opgegaan, en Arthur herinnerde zich later levendig, hoe zij het zachtzinnige en bleeke gelaat zijner moeder bescheen. Hun spreken – of liever het zijne, want zij kon ternauwernood een woord uiten – was teerder en vertrouwelijker dan het sinds jaren geweest was. Hij was weer de ronde en edelgezinde knaap van hare vroegere dagen en hare vroegere liefde. Hij verhaalde haar de geschiedenis, welker verkeerde opvatting haar zooveel verdriet berokkend had, – zijn strijd om de verzoeking te ontvlieden, en zijne dankbaarheid, dat hij die had kunnen overwinnen. Hij zou het meisje nooit leed berokkenen, nooit, – noch zijn eigen eer benadeelen, of het reine hart zijner moeder grieven. Hij had de bedreiging, dat hij tot het meisje zou terugkeeren, in een oogenblik van verbittering geuit en nu berouwde het hem. Hij zou haar nooit weerzien. Maar zijne moeder zeide, dat hij dit wel moest doen; dat zij het was, die trotsch en schuldig was geweest, zoodat zij aan Fanny Bolton gaarne iets zou geven. Zij vroeg haar lieven zoon vergiffenis, dat zij den brief had geopend, – en zij zou aan het jonge meisje schrijven, indien – indien zij er den tijd toe had. Arme vrouw! was het niet natuurlijk, dat zij haar Arthur liefhad? En andermaal kuste en zegende zij hem.
Terwijl zij zoo spraken, sloeg de klok negen uur en herinnerde Helena hem, hoe zij, toen hij nog een kleine jongen was, op dat uur naar zijne slaapkamer placht te gaan, om hem het Onze Vader te laten opzeggen. En wederom – ach ja, wederom – viel de jonkman aan zijn moeders heilige knieën neer en stamelde snikkend het gebed, dat de Goddelijke Genade ons heeft voorgezegd, en dat sinds twintig eeuwen door millioenen zondige en verslagen menschen als een echo wordt herhaald. En toen de knaap de laatste woorden dezer smeekbede uitsprak, liet de moeder haar hoofd tegen het zijne zinken, haar armen omstrengelden hem en gezamenlijk herhaalden zij de woorden „in eeuwigheid, Amen.”
Eene korte poos, misschien een kwartieruurs later, hoorde Laura de stem van Arthur, die daar binnen riep: „Laura Laura!!” Zij ijlde er dadelijk heen en vond den jonkman nog altijd op zijne knieën liggen, met zijn moeders hand in de zijne. Helena’s hoofd was achterovergezonken en scheen in het maanlicht zoo wit als linnen. Vol ontzetting zag Pen rond. „Hulp, Laura, hulp!” zeide hij: „zij ligt in flauwte, – zij is –”
Laura gilde en zonk aan Helena’s zijde neer. Die kreet bracht Warrington, majoor Pendennis en de dienstboden in de kamer. De vrome vrouw was ontslapen. De laatste gewaarwording harer ziel hier op aarde was vreugde, die voortaan ongestoord en eindeloos wezen zou. Dat teedere hart klopte niet meer; het zou geen kwellingen, geen onzekerheden, geen smarten en beproevingen meer te verduren hebben. Zijn laatste aderslag getuigde van liefde, en Helena’s laatste ademtocht was eene zegenbede.
Het treurende gezelschap keerde spoedig huiswaarts, en Helena werd aan de zijde van haar echtgenoot in de oude kerk te Clavering, waar zij zoo dikwijls gebeden had, ter aarde besteld. Laura ging eenigen tijd bij doctor Portman logeeren, die, onder het snikken en de tranen der kleine vergadering rondom Helena’s graf, den lijkdienst voor zijne lieve afgestorvene zuster las. Er waren er niet velen, die zich om haar bekommerden of die, na haar verscheiden, nog over haar spraken. De menschen in het algemeen wisten van de vrome en zachtmoedige vrouw weinig meer dan van een non in het klooster. Eenige woorden onder de hutbewoners, die hare milddadigheid ondersteund had, eenige praatjes in de verschillende huizen te Clavering, waar de eene dame verhaalde dat hare buurvrouw aan eene hartziekte overleden was, en de andere narekende hoeveel de weduwe wel nagelaten had, en de derde benieuwd was, of Arthur Fairoaks zou verhuren of zelf betrekken, en daarbij voorspelde, dat het niet lang duren zou eer hij de erfenis had doorgebracht, – dit was alles, en met uitzondering van een paar personen, die de goede ziel hadden liefgehad, was zij den volgenden marktdag reeds vergeten. Zoudt gij begeeren, dat de smart over uw verscheiden eenige weken langer duurde? en schijnt het „namaals” u minder eenzaam toe, wanneer onze namen, als wij tot de ruste zijn ingegaan, nog eene korte poos aan deze zijde des grafs blijven weerklinken en menschenstemmen nog altijd voor ons spreken? Die reine ziel, slechts door twee of drietal menschen bemind en gekend, was van hier gegaan.
De grootste leegte, die zij naliet, bestond in het hart van Laura, voor wie hare liefde alles geweest was en die nu alleen hare nagedachtenis had om te vereeren. „Ik ben verblijd, dat zij mij vóór haar verscheiden haar zegen gegeven heeft,” zeide Warrington tegen Pen; en wat Arthur betreft, met ootmoed erkende en bewonderde hij hare groote liefde en ternauwernood durfde hij den hemel bidden hem die waardig te maken, ofschoon hij gevoelde, dat eene heilige daar zijne voorspraak was.
Men vond al de zaken der overledene dame in volmaakte orde; hare kleine bezittingen waren gereed om overgedragen te worden aan haar zoon, voor wien zij die in bewaring had gehouden. Uit de papieren, die men in haar lessenaar vond, bleek, dat zij sinds lang kennis had gedragen van de kwaal, die haar ondermijnde, eene hartkwaal, die zij wist dat haar plotseling zou wegrukken; en men vond een geschreven gebed van hare hand, waarin zij de hoop uitdrukte, dat haar einde in de armen van haar zoon mocht zijn, gelijk dan ook geschied was.
Laura en Arthur riepen elkander hare woorden voor den geest, die het meisje zich alle met hartelijkheid herinnerde, wel eenigszins tot beschaming van den jonkman, wien het duidelijk was hoeveel grooter liefde zij Helena had toegedragen dan hij zelf. Hij verliet zich geheel op Laura ten aanzien van hetgeen Helena gewenscht zou hebben dat gedaan wierd, voor de armen die zij zou hebben willen ondersteunen en voor de legaten, of gedachtenissen, die zij zou gewenscht hebben uit te reiken. Zij pakten de vaas in, welke Helena in hare dankbaarheid aan Dr. Goodenough had toegedacht, en zonden die naar behooren aan den vriendelijken dokter; eene zilveren koffiekan, die zij gewoon was geweest te gebruiken, werd aan Portman aangeboden, en een diamanten ring met haar haar werd met een hartelijk woord aan Warrington geschonken.
Het moet een droevige dag voor de arme Laura geweest zijn, toen zij voor het eerst weer op Fairoaks kwam, en het kamertje betrad, dat zij bewoond had en hetgeen nu het hare niet meer was, en de ledige kamer der weduwe zelve, waar beiden zoo vele genoeglijke uren hadden doorgebracht. Daar hingen natuurlijk de kleederen nog in de kast, daar lag het kussen, waarop zij knielde om te bidden, daar hing de spiegel, die haar geliefd en weemoedig gelaat niet meer zou weerkaatsen. Toen zij daar eene poos vertoefd had, klopte Pen aan en leidde haar de trap weer af naar de voorkamer, waar hij haar een teugje wijn deed drinken. „God zegen’ u,” sprak hij, toen zij het glas aanraakte. „Er zal in uwe kamer niets veranderd worden,” liet hij er op volgen; „het is voor altijd uwe kamer – het is altijd de kamer mijner zuster. Mag dit niet zoo wezen, Laura?” en Laura zeide: „Ja!”
Onder de papieren der weduwe vond men een pakje, waarop zij geschreven had: Brieven van Laura’s vader, en dat Arthur aan Laura overhandigde. Het waren de brieven, die neef en nicht in vroegere dagen, eer een van beiden getrouwd was, met elkander gewisseld hadden. De inkt, waarmee zij geschreven waren, was verbleekt; de tranen, die beiden er wellicht over gestort hadden, waren opgedroogd; de smart, welker bitterheid daar geboekstaafd stond, was nu gestild; de vrienden, wier scheiding op aarde aan beiden zooveel bitter verdriet had berokkend, waren nu ongetwijfeld vereenigd. En Laura leerde thans eerst ten volle den band kennen, die haar zoo teeder aan Helena hechtte; zij vernam eerst nu hoe trouw degene, die voor haar meer dan eene moeder was geweest, de nagedachtenis haars vaders in eere had gehouden, hoe waarachtig zij hem had liefgehad, hoe onderworpen zij afstand van hem had gedaan.
Pen herinnerde zich een legaat van zijne moeder, waarvan Laura geen kennis kon dragen, namelijk Helena’s wensch om Fanny Bolton een geschenk aan te bieden. Pen schreef haar dus en deed dien brief in een enveloppe aan Bows, met verzoek aan dien heer, om dat schrijven te lezen alvorens hij het aan Fanny gaf. „Waarde Fanny,” schreef Pen, „ik moet u de ontvangst van twee brieven van uwe hand berichten, van welke de eene gedurende mijne ziekte was zoek geraakt,” (Pen vond den eersten brief na het overlijden zijner moeder in haar lessenaar, en een zonderling gevoel beklemde hem toen hij dien las), „en daarbij moet ik u, lieve oppasster en vriendin, danken, dat gij mij gedurende mijn koortslijden zoo teeder verpleegd hebt. Ik moet er bijvoegen, dat de laatste woorden mijner lieve moeder, die niet meer tot de levenden behoort, getuigden van hare genegenheid en dankbaarheid jegens u, dat gij mij hebt opgepast. Zij zeide, dat zij u zou geschreven hebben, indien zij daartoe den tijd had gehad, dat zij u vergiffenis had willen vragen, indien zij u hard had behandeld, en dat zij u verzoeken wilde uwe vergevensgezindheid te toonen door een bewijs van vriendschap en achting van haar aan te nemen.” Pen eindigde met te zeggen, „dat eene kleine som onder het beheer gesteld was van zijn vriend den weledelgeboren heer George Warrington, van Lamb Court in den Temple, waarvan de interest haar zou uitbetaald worden tot zij meerderjarig werd of een anderen naam aannam in plaats van den haren, die altijd in toegenegene herinnering zou blijven bij haar dankbaren vriend A. Pendennis.” De som was werkelijk slechts gering, doch voldoende om Fanny Bolton tot eene erfdochter in het klein te maken; hare ouders werden er door tevreden gesteld, en haar vader verklaarde, dat mijnheer P. zich als een volmaakt gentleman gedroeg, – ofschoon Bows gromde, dat het gemakkelijk was sympathie te toonen door een bankbiljet bij wijze van pleister op een gewond hart te leggen, en de arme Fanny gevoelde maar al te duidelijk, dat Pen’s brief een afscheidsbrief was.
„Het zenden van bankbiljetten van honderd pond aan portiersdochters is drommels aardig,” zeide de oude majoor Pendennis tegen zijn neef (dien hij nu als eigenaar van Fairoaks en hoofd der familie met blijkbaar ontzag en beleefdheid behandelde), „en daar er wat geld in de bank stond en uw arme moeder het begeerde, kan het misschien ook geen kwaad. Doch houd altijd voor oogen, beste jongen, dat gij niet meer dan vijfhonderd pond ’s jaars bezit, ofschoon de wereld, hetgeen gij aan mij te danken hebt, gelooft, dat gij verduiveld veel rijker zijt, en nu smeek ik u, op mijne knieën, mijn jongen: spreek uw kapitaal niet aan. Zorg dat het bij elkander blijft, speculeer er niet mee, houd uw land goed bijeen en neem er geen hypotheek op. Tatham zegt mij, dat de Chatteries-zijtak van den spoorweg misschien, ja bijna zeker, door Chatteries zal loopen, en zoo men dien aan deze zijde van den Brawl kan krijgen, neefje, en door uwe landerijen heen, dan zullen die een heelen schep geld waard worden, en zullen uwe vijfhonderd ’s jaars, met één slag tot acht- of negenhonderd stijgen. Maar hoeveel het ook zij, bezweer ik u het bijeen te houden. En mij dunkt, Pen, dat gij die slordige kamers in den Temple moest verlaten en omzien naar eene fatsoenlijke woning. Als ik u was, neef, zou ik een knecht nemen, om mij te bedienen; en een paar paarden voor stadsgebruik, als het Londensche seizoen aan den gang is. Dit alles zal echter nagenoeg uw gansche inkomen vereischen en ik weet dus, dat gij zuinig moet leven. Maar herinner u, dat gij eene zekere plaats in de maatschappij bekleedt en dus niet al te schraal voor den dag moogt komen. Wat zult gij in den wintertijd doen? Gij zijt toch zeker niet voornemens dan hier te blijven, of voort te gaan met schrijven voor dat – wat is het ook? – dat blad?”
„Ik ga met Warrington nog een poosje buitenslands, oom, en dan zullen wij zien wat er gedaan moet worden,” gaf Arthur ten antwoord.
„En Fairoaks zult gij natuurlijk verhuren? Er is eene goede school in den omtrek, het is eene goedkoope streek, en het is dus een drommels aardig plekje voor Indische kolonels, of familiën die stil willen leven. Ik zal er in de club eens over spreken; er zijn vele menschen in de club, die naar zulk een plaatsje uitzien.”
„Ik hoop, dat Laura er den winter zal doorbrengen en het als haar eigen huis zal beschouwen,” hernam Arthur; waarop de majoor begon te snuiven en te brieschen en uitriep, dat er voor den drommel kloosters voor Engelsche dames behoorden te wezen, en de hoop te kennen gaf, dat jufvrouw Bell zich niet met de beschikking der familie-aangelegenheden ingelaten had en dat zij zich in de eenzaamheid van die woning zou dood niezen.
Het zou dan ook inderdaad een zeer somber verblijf zijn geweest voor de arme Laura, die zich ook niet bijzonder gelukkig gevoelde in het huisgezin van doctor Portman, noch in de stad, waar maar al te veel omstandigheden haar aan de dierbare moeder herinnerden, die zij verloren had. Maar zoodra de oude Lady Rockminster, die met hare jonge vriendin Laura dweepte, uit de bladen het verlies vernam, door het meisje geleden, en tevens zag dat zij zich op het platteland bevond, kwam de oude dame haastig van Baymouth over, waar zij zich ophield, en drong er op aan, dat Laura zes maanden, twaalf maanden, haar leven lang bij haar zou blijven; en Martha van Fairoaks ging als kamenier met hare jonge meesteres naar de woning der lady mee.
Pen en Warrington zagen haar vertrekken. Men had moeielijk kunnen zeggen, wie van beiden haar het teerst scheen aan te zien. „Uw neef is verwaand en vrij onbeschaafd, liefje, maar hij schijnt een goed hart te bezitten,” zeide de kleine Lady Rockminster, die haar gevoelen over iedereen onbewimpeld te kennen gaf; „doch Blauwbaard bevalt mij het best. Zeg eens, is hij touché au coeur?”
„Mijnheer Warrington is sedert lang – geëngageerd geweest,” zeide Laura en sloeg de oogen neer.
„Onzin, kind! En goede hemel, liefje, wat een mooi diamanten kruis! Waarom draagt gij dat bij uw ochtendgewaad?”
„Arthur – mijn broeder heeft het mij pas gegeven. Het was – het was –” zij was niet bij machte, den zin te voltooien. Het rijtuig rolde over de brug en door de lieve, lieve poort van Fairoaks – dat voor haar geen thuis meer zou zijn.
NEGEN EN VIJFTIGSTE HOOFDSTUK.
OUDE VRIENDEN.
Het geval wilde, dat een aantal personen, die wij in den loop van dit verhaal hebben leeren kennen, bij gelegenheid van groote Engelsche feesten, waarvoor geheel Londen een vrijen dag neemt en zich naar Epsom begeeft, vergaderd waren om de Derby-wedrennen te zien. In een gemakkelijk open rijtuig, door twee paarden naar de algemeene verzamelplaats getrokken, kon men mevrouw Bungay van Paternoster Row zien, evenals Salomo in al zijne heerlijkheid, met de stille mevrouw Shandon naast haar, voor wie de vrouw van den uitgever, sedert beider kennismaking, eene standvastige vriendschap was blijven koesteren. Bungay, die zich met een rijkelijk ontbijt had gesterkt, liep als een dolleman rond onder de spellen en in de nabijheid, tot hem het zweet van de kale kruin droop. Shandon drentelde tusschen de ververschingstenten en de heidenen rond, en Finucane stond onvermoeid de beide dames ten dienste, aan wie de heeren van hare kennis, die met de uitgevers-firma in betrekking stonden, hunne opwachting kwamen maken.
Onder anderen maakte Archer haar zijn compliment en verhaalde aan mevrouw Bungay wie er al zoo aanwezig waren. Die daar ginds was de eerste minister; zijne lordschap had hem zoo even geraden op Borax te wedden, maar Archer beschouwde Muffineer als het beste paard. Hij wees der verrukte mevrouw Bungay ontelbare hertogen en groote heeren aan. „Zie eens, ginds in de groote tribune,” zeide hij; „daar zit de Chineesche ambassadeur, met de mandarijnen van zijn gevolg. Fou-choo-foo kwam bij mij met introductiebrieven van mijn boezemvriend, den gouverneur-generaal van Indië, zoodat ik hem een tijdlang zeer vriendelijk bejegende, en zijn eetstokjes altijd op mijne tafel lagen voor het geval dat hij bij mij opliep tegen etenstijd. Maar hij bracht zijn eigen kok mee, en – zoudt ge het wel willen gelooven mevrouw Bungay? – op zekeren dag toen ik uit was en de gezant met mijne vrouw in den tuin aalbessen zat te eten, waar de Chineezen dol op zijn, maakte zijn schelm van een kok, die het lieve schoothondje van mijne vrouw zag (wij hadden het van den hertog van Marlborough zelven gekregen, wiens stamvader in den slag van Malplaquet zijn leven te danken had aan mevrouw Archer’s oud-overgrootvader), zich van het arme diertje meester, sneed het den hals af, vilde het en diende het met vulsel voor, bij den second service.”
„Heere mijn tijd!” zeide mevrouw Bungay.
„Gij kunt u de wanhoop mijner vrouw verbeelden, toen zij vernam wat er gebeurd was! De keukenmeid kwam gillende naar boven, om ons, juist toen wij allen van het gerecht gegeten hadden, te vertellen dat zij het vel van den armen Fido op de plaats gevonden had! Mijne vrouw wilde geen woord meer tegen den ambassadeur spreken, neen, nooit, en hij is dan ook niet meer bij ons te dineeren geweest. De lord-mayor, die mij de eer had bewezen mijn gast te zijn, vond het gerecht zeer lekker, en, met doperwten gegeten, heeft het ook zeer veel van eendvogel.”
„Och kom, dat meent ge niet!” riep de verbaasde uitgeversvrouw uit.
„Wezenlijk, op mijn woord! Ziet ge die dame in het blauw, die bij den ambassadeur zit! Dat is Lady Flamingo, die, naar men zegt, met hem gaat trouwen en met zijn excellentie naar Pekin zal terugkeeren. Zij laat zich daarom hare voeten nu reeds in elkander persen. Maar zij zal zich alleen kreupel maken, zonder ooit een Chineeschen voet te krijgen; dat is zeker! Mijne vrouw heeft den kleinsten voet in gansch Engeland en draagt schoenen van een kind van zes jaar; maar wat is dat in vergelijking met den voet eener Chineesche dame, mevrouw Bungay?”
„Van wie is dat rijtuig, waarbij mijnheer Pendennis staat, mijnheer Archer?” vroeg mevrouw Bungay na een oogenblik. „Straks is hij met mijnheer Warrington hier geweest. Hij is trotsch in zijne manieren, die mijnheer Pendennis, maar dat mag ook wel, want naar men mij gezegd heeft, gaat hij altijd met de groote lui om. Heeft hij een groot vermogen geërfd, mijnheer Archer? Ik zie, dat hij nog in den rouw is.”
„Achttienhonderd pond ’s jaars in land, en twee en twintig duizend vijfhonderd in de drie en een half percents; dat is het zoo ongeveer,” antwoordde mijnheer Archer.
„Heere mijn tijd! Gij weet toch alles, mijnheer Archer,” riep de dame van Paternoster Row uit.
„Ik weet het, omdat ik werd geraadpleegd over het testament van de arme mevrouw Pendennis,” hernam Archer. „De majoor, Pendennis’ oom, doet zelden iets zonder mij; en daar hij misschien wel wat verkwistend zou zijn, hebben wij het geld vastgezet, zoodat hij er niet mee doen kan wat hij wil. – Hoe vaart ge, mylord? – Kent ge dien heer, dames? Gij hebt de redevoering toch wel gelezen, die hij in het parlement houdt; het is Lord Rochester.”
„Lord Takkebos,” riep Finucane van den bok af. „Dat is immers Tom Staples van den Morning Advertiser, Archer?”
„Zoo?” zeide Archer op de onnoozelste wijze. „Nu, ik ben zeer bijziende, en ik dacht, op mijn woord, dat het Lord Rochester was. Die heer met dien dubbelen tooneelkijker” (weer een knikje) „is Lord John Russell, en die lange man, dien hij bij zich heeft – kent gij hem – is Sir James Graham.”
„Die kent gij, omdat gij hem in het parlement ziet,” merkte Finucane aan.
„Ik ken hen, omdat zij zoo vriendelijk zijn mij te veroorloven hen mijne boezemvrienden te noemen,” ging Archer voort. „Daar hebt ge den hertog van Hampshire; wat een model van een echt oud Engelsch gentleman! Hij zal de Derby-wedrennen nooit verzuimen. „Archer,” zeide hij nog gisteren tegen mij, „ik heb vijf en zestig Derby’s bijgewoond! toen ik pas zeven jaar was, kwam ik op een bonte hit met mijn vader, den prins van Wallis en kolonel Hanger voor het eerst op de baan; en ik heb slechts twee wedrennen sedert verzuimd, den een toen ik te Eton de mazelen had, en den anderen in het jaar van Waterloo, toen ik met mijn vriend Wellington in Vlaanderen was.”
„En van wien is dat gele rijtuig, met die paarsche en gele parasols, waar mijnheer Pendennis en zulk een aantal andere heeren staan te praten?” vroeg mevrouw Bungay.
„Dat is Lady Clavering van Clavering Park, het landgoed naast dat van mijn vriend Pendennis. Dat kind op den bok is de jeugdige zoon en erfgenaam; de kleine schelm is zoo dronken als een tempelier; en de jonge dame is jufvrouw Amory, Lady Claverings voordochter, een meisje, dat een buitengewoon goed oog op mijn vriend Pendennis heeft, wiens genegenheid ik echter meen te weten dat elders gevestigd is. Ge hebt toch wel van den jongen mijnheer Foker gehoord (van dien grooten brouwer, Foker, weet u?); die heeft zich opgehangen ten gevolge van eene vervaarlijke liefde voor jufvrouw Amory, die hem echter afgewezen had; zijn kamerdienaar sneed hem nog juist bijtijds af en nu reist hij in het buitenland, onder toezicht van een bewaker.”
„Wat is die jonge heer gelukkig!” zuchtte mevrouw Bungay. „Wie zou gedacht hebben, toen hij voor een jaar of drie vier zoo stil en lijdelijk bij ons kwam dineeren, dat hij zulk een voornaam heer zou worden. Ik heb zelf onlangs gelezen, dat hij aan het hof is voorgesteld door den markies van Steyne; en bij elke partij van den adel vindt men zijn naam vermeld, zoo zeker als de zon aan den hemel staat.”
„Ik heb hem veel vooruitgeholpen toen hij voor het eerst te Londen kwam,” zeide mijnheer Archer, „en zijn oom, majoor Pendennis, deed het overige. Hola! wel wie had ooit gedacht, dat Cobden hier zou zijn! Ik moet hem eens spreken. Vaarwel, mevrouw Bungay. Uw dienaar, mevrouw Shandon.”
Een uur te voren had men aan een ander gedeelte der renbaan een oude diligence kunnen zien, waarop boven een aantal kale heeren zaten te stampen en te juichen, toen de paarden, die aan den Derby-wedren, de groote plechtigheid van den dag, deel namen, over het groene veld vlogen, onder het getier van de honderdduizenden, vergaderd om dit treffende schouwspel bij te wonen. Dit voertuig was van Wheeler, den kastelein uit het Harlequin’s Head, en had een uitgezocht gezelschap uit Bow Street overgebracht, die een stevig ontbijt in het kastje onder de bank meevoerden. Toen de paarden als een stormwind voorbijschoten, riep elk lid van dat uitgezocht gezelschap den naam van het paard of van de kleuren, die hij meende of hoopte, dat de eerste zouden zijn. „De Cornet!” „Het is Muffineer!” „Het is die met de blauwe mouwen!” „Gele pet! gele pet! gele pet!” en meer van dien aard gilden deze heeren liefhebbers gedurende die heerlijke minuut vol gespannen verwachting voordat de strijd beslist was; en toen de seinwimpel geheschen werd en het nommer daarvan verkondigde, dat het vermaarde paard Podasokus den prijs gewonnen had, sprong een der heeren van het Harlequin’s Head op het dak der diligence omhoog, alsof hij eene postduif was, die dadelijk met het nieuws naar Londen of York wilde vliegen.
Maar zijn opgetogenheid verhief hem niet veel duimen boven zijne plaats, op welke hij dadelijk weer met zooveel kracht neerkwam, dat de planken van het wrakke oude rijtuig onder het gewicht zijner blijdschap kraakten. „Hoera! hoera!” schreeuwde hij uit. „Het is Podasokus! Wheeler, beste jongen, een souper voor tien personen. Natuurlijk vraag ik u allen, want het kan mij niet schelen wat het kost.”
Hierop zeiden al de heeren op het rijtuig, al die kale kwasten, die nagemaakte dandy’s: „Asjeblieft, – wij wenschen u van harte geluk, kolonel; wij zullen gaarne met u soupeeren,” en de een fluisterde den ander toe: „De kolonel wint vijftienhonderd pond, en degeen, van wien hij ze wint, is er goed voor!”
Ieder van de kale heeren en verloopen dandy’s begon zijn buurman met achterdochtige blikken gade te slaan, uit vrees dat die buurman gebruik zou maken van de gelegenheid om den kolonel afzonderlijk te spreken en geld van hem te leenen. En de man, die door Podasokus geld gewonnen had, kon zich dien ganschen namiddag geen oogenblik afzonderen, zoo nauwkeurig hielden zijne vrienden hem en elkander in het oog.
Op een ander gedeelte der baan had men een rijtuig kunnen zien, dat voorzeker minder in het oog loopend, zoo niet nog meer gehavend was dan de ontredderde koets, die het uitgezochte gezelschap van het Harlequin’s Head vervoerd had; dit was de vigilante No. 2002, waarmede een heer en twee dames van de standplaats der vigilantes herwaarts gereden waren. Eene dier dames, die, op den bok gezeten, zich met hare mama en beider geleider aan kreeften-salade en bittere ale had te goed gedaan, zag er zoo frisch en lief uit, dat vele der opzichtige jonge dandy’s, die bij de renbaan drentelden en zich met het edele balwerpen vermaakten, of met de prachtig gekleede dames in de fraaie rijtuigen op den heuvel spraken, zich aan die verlokselen onttrokken om op het lachende meisje met de rozenwangen op den bok der vigilante een blik te werpen. De blos van jeugd en vroolijkheid overtoog de wangen van het kind en dreef over dat blanke gelaat, gelijk de aardige lichte wolkjes aan den helderen hemel boven hun hoofd. Ook de wang der oudere dame was rood; maar het was daar eene blijvende roos, die alleen donkerder werd na elke teug bier en brandewijngrog, tot haar gezicht eindelijk met de hooggekleurde schaal van den kreeft, dien zij met gretigheid zat te nuttigen, wedijverde.
De heer, die deze beide dames geleidde, was onuitputtelijk in zijn oplettendheden, zoowel hier op de renbaan, als hij het was geweest op de reis herwaarts. Gedurende dien ganschen vroolijken en heerlijken tocht van Londen, was er geen eind geweest aan zijne grappen. Onbeschroomd richtte hij het woord zoowel tot ontzagwekkende rijtuigen vol van de grootste en deftigste officieren der garde, als tot de geringste ezelskar, waarmede Bob de vuilnisman zijne Molly naar den wedren reed. Hij had verbazende hoeveelheden aardigheden afgevuurd naar de ontelbare vensters, die zij voorbijkwamen; naar de reeksen van giggelende jonge jufvrouwen van de scholen; naar de regimenten juichende bengels, die achter het hek hunner instituten hoera stonden te roepen; naar de ramen, waar lachende dienstmeisjes of minnen met zuigelingen op den arm, of stijve oude jufvrouwen met afkeurende gezichten uitkeken. En het mooie meisje met dien strooien hoed met paarsch lint en hare mama, de kreeftenverslindster, waren het eens, dat niemand in de schaduw van mijnheer Sam kon staan, wanneer hij „op zijn dreef” was. Hij had het rijtuig volgepropt met voorwerpen, die hij gewonnen had op de draaiborden hier in den omtrek, en met een onnoemelijk aantal speldenkussens, houten appelen, tabaksdoozen, springduiveltjes en kindersoldaatjes. Hij had eene heidin met een bruin kind op haar arm er bij gehaald, om voor de dames te waarzeggen; en de eenige wolk, die den zonneschijn van dit gelukkige gezelschapje een oogenblik verduisterde, vertoonde zich toen de waarzegster aan de jonge dame toevoegde, dat zij zich in acht moest nemen voor een blond man, die haar valsch was, dat zij eene zware ziekte had doorgestaan, en dat zij ondervinden zou dat een donker man haar trouw zou wezen.
Het jonge meisje keek op het vernemen van dit nieuws zeer verslagen, terwijl hare moeder en de jonkman teekenen van verwondering en verstandhouding wisselden. Waarschijnlijk had de waarzegster dien dag hetzelfde reeds bij honderd andere rijtuigen verteld.
Een jeugdig vriend van ons, die onverzeld tusschen de volksmenigte en de rijtuigen doorwandelde en volgens zijne gewoonte de verschillende toestanden en karakters, die het levendige tooneel opleverde waarnam, ontwaarde plotseling de vigilante No. 2002 en het groepje dat buiten op het rijtuig zat. Toen hij de jonge dame op den bok in het oog kreeg, ontstelde en verbleekte zij; hare moeder werd rooder dan ooit; de tot nog toe zoo vroolijke en zegepralende mijnheer Sam zette dadelijk een barsch en achterdochtig gezicht en liet zijn oogen verbolgen van Fanny Bolton (die de lezer ongetwijfeld wel in de jonge dame op het rijtuig herkend zal hebben) naar Arthur Pendennis gaan, die naar haar toekwam.
Ook Arthur keek somber en achterdochtig, toen hij mijnheer Samuel Huxter in gezelschap van zijn oude bekenden zag; maar zijn achterdocht ontsproot uit onthutste moraliteit, en was in mijnheer Arthur natuurlijk zeer loffelijk, evenals de achterdocht van mevrouw Lynx, wanneer zij mijnheer Brown en mevrouw Jones met elkander ziet praten, of mevrouw Lamb een paar maal in eene mooie operaloge ontdekt. Er is misschien geen kwaad in dat gesprek van mijnheer B. met mevrouw J., en mevrouw Lamb kan misschien heel eerlijk aan hare loge gekomen zijn (ofschoon iedereen weet, dat zij die niet betalen kan), maar desniettemin heeft iemand, die een oogje in het zeil houdt, zooals mevrouw Lynx, het recht om wat voorbarig bevreesd te zijn; en Arthur was dus zonder twijfel bevoegd om zulk een zuur gezicht te zetten.
Fanny’s hart begon hevig te kloppen; Huxter’s handen, in de zakken zijner paletot gedompeld, balden zich tot vuisten en legden zich als het ware in hinderlaag; jufvrouw Bolton begon uit alle macht en met verbazende radheid te praten, en „Heere, zij was zoo blij dat ze meneer Pendennis nog eens sprak, en wat zag hij er goed uit, en we spraken net zooeven nog over meneer P., niet waar, Fanny? en als dit nu de beroemde Hepsom wedrennen waren, waar zulk een groote roep van uitging, dan kon het haar niets schelen, voor haar part, indien zij ze nimmer weer zag. En hoe voer majoor Pendennis, en die vriendelijke meneer Warrington, die meneer Pendennis’ hartelijke groeten aan Fanny had overgebracht? en dat zou zij nooit, nooit vergeten; en meneer Warrington was zoo lang, dat hij zich het hoofd stootte aan den ingang der portierswoning. Weet ge nog wel, Fanny, hoe meneer Warrington zich het hoofd stootte?”
Ik zou wel eens willen weten hoeveel duizenden gedachten door Fanny’s brein schoten terwijl jufvrouw Bolton aldus voortratelde, en welke dierbare oogenblikken, droevige tweestrijden, eenzame smarten en latere vertroostingen, over welke zij zich schaamde, weer in haar geheugen oprezen. Welke kwellingen doorstond het arme meisje, toen zij bedacht dat zij hem zoozeer had liefgehad en hem nu niet meer beminde? Dáár stond hij, voor wien zij tien maanden geleden had willen sterven, verwaand en laatdunkend, met een rouwband om zijn witten hoed en zwarte knoopjes in zijn overhemd, met een anjelier, die een andere hem waarschijnlijk geschonken had, in zijn knoopsgat; met de engst sluitende lavendelkleurige handschoenen met zwarte naden en het kleinst mogelijke wandelstokje. Huxter droeg geen handschoenen, maar groote rijglaarzen, en rook erg naar tabak; en hij zag er uit – ja, het was niet te ontkennen alsof een emmer water hem veel goed zou gedaan hebben. Al die gedachten, en nog duizenden andere, vlogen door Fanny’s hoofdje terwijl hare moeder zich ontboezemde, en toen het meisje met een steelschen blik Pendennis opnam – en zij nam hem van top tot teen op, den kring op zijn blank voorhoofd, dien zijn hoed naliet als hij dezen oplichtte (zijn heerlijk, heerlijk haar was weer aangegroeid), de snuisterijen aan zijn horlogeketting, den ring aan zijn vinger onder zijn handschoen, zijne nette glimmende laarzen, die zoozeer afstaken bij die van Sam! – en toen hare hand een kleinen schuchteren druk had gegeven aan de lavendelkleurige glacé-hand die haar werd toegereikt, en toen hare moeder haar ontboezeming had geëindigd toen, was het eenige wat Fanny wist te zeggen: „Dit is mijnheer Samuel Huxter, dien ik geloof dat gij vroeger gekend heb, mijnheer; mijnheer Samuel, gij hebt mijnheer Pendennis vroeger gekend – en – en zult ge niet iets gebruiken?”
Hoewel deze weinige woorden, bevende uitgesproken, niet bijzonder veel beteekenden, vatte Pendennis die echter in zulk een zin op, dat zij een zwaren last van verdenking van zijne ziel – en misschien van wroeging van zijn hart – afnamen. De barschheid verdween van het gelaat van den prins van Fairoaks, en een welwillende glimlach en eene veelbeteekenende flikkering in zijn oogen luisterden het gezicht van zijne hoogheid op. „Ik heb grooten dorst,” gaf hij ten antwoord, „en zal gaarne op uwe gezondheid drinken, Fanny; en ik hoop, dat mijnheer Huxter het mij zal willen vergeven, dat ik de laatste maal, toen wij elkander zagen, zeer onbeleefd tegen hem ben geweest, want ik was zoo ongesteld en mismoedig, dat ik waarlijk bijna niet wist wat ik zeide.” En bij die woorden werd de lavendelkleurige glacé handschoen ten teeken van vriendschap aan Huxter toegestoken.
De onzindelijke vuist in den zak van den jongen chirurgijn was nu genoodzaakt zich te openen en ontwapend uit hare hinderlaag te voorschijn te komen. De arme kerel voelde hoe zijne hand gloeide, toen hij haar in die van Pen legde, en hoe vuil zij was, want zij liet donkere plekken op Pen’s handschoenen na; hij zag ze, en gaarne zou hij zijne vuist weer gebald en in het opgeruimde gelaat van den ander geplant hebben, om hier op deze zelfde plek, met Fanny en gansch Engeland tot toeschouwers, te zien wie van beiden de sterkste was – hij, Sam Huxter van het Bartholomeus-Hospitaal, of die grinnikende kwast.
Met onverstoorbare gelijkmoedigheid nam Pen een glas aan – het was hem onverschillig wat het bevatte; het was hem maar te doen, om op de gezondheid der dames te drinken; en hij schonk het vol met lauw bier, hetgeen hij voor heerlijk verklaarde en waarmee hij op den hartelijksten toon op het welzijn van het gezelschap dronk.
Terwijl hij nu op eene bevallige wijze stond te drinken en te praten, ging eene jonge dame in een duivenkleurig gewaad met weerschijn, eene witte parasol met paarsche voering, en de alleraardigste duivenkleurige laarsjes die ooit gezien zijn, Pen voorbij aan den arm van een rijzig heer met een krijgshaftigen knevel.
De jonge dame kneep haar vuistje samen en sloeg ter zijde een ondeugenden blik op Pen, toen zij hem voorbijging. De heer met de knevels barstte in een gullen lach uit. Hij had den hoed afgenomen voor de dames in de vigilante No. 2002. Men had eens moeten zien, met welke oogen Fanny Bolton de duivenkleurige jonge dame nazag. Zoodra Huxter op de richting van die oogen lette, staakten zij het nakijken van de duivenkleurige nimf, en keken zij met de argelooste en vroolijkste uitdrukking in Sam Huxter’s oogen.
„Wat een lief meisje!” zeide Fanny. „Wat een beelderig kleedje! Hebt gij wel gezien, mijnheer Sam, welke kleine handjes zij heeft?”
„Dat was kapitein Strong, zeide jufvrouw Bolton; „maar ik zou wel eens willen weten, wie dat meisje is?”
„Een buurmeisje van mij op het land – jufvrouw Amory,” zeide Arthur, „de dochter van Lady Clavering. Gij hebt Sir Francis dikwijls in Shepherd’s Inn gezien, jufvrouw Bolton.”
En terwijl hij dit zeide, bouwde Fanny een volslagen roman in drie deelen op liefde, trouweloosheid, eene prachtige trouwpartij in de St.-Georgekerk in Hanover Square, een meisje met een gebroken hart, – en Sam Huxter was de held niet van die geschiedenis, de arme Sam, die in den tusschentijd eene ijselijk stinkende Cuba-sigaar te voorschijn had gehaald en deze onder Fanny’s neusje rookte.
Nadat die verwenschte kwast van een Pendennis het gezelschap ontmoet en weer verlaten had, was de zon minder helder voor Sam Huxter, de lucht minder blauw, de spellen hadden hunne bekoorlijkheid voor hem verloren, het bitterbier was warm en ondrinkbaar, de wereld had een ander voorkomen gekregen. Hij had wat erwten en een tinnen blaaspijp in het kastje der vigilante tot uitspanning op de terugreis meegenomen; doch hij haalde die niet te voorschijn, en vergat geheel, dat hij er zich van voorzien had, totdat een andere snaak, op hun terugweg, eene volle lading erwten tegen Sam’s bedroefd gelaat schoot, eene begroeting, die hem, na eenige vloeken van verbazing, in een woesten en sardonischen lach deed uitbarsten.
Maar Fanny was op die geheele terugreis betooverend. Zij sprak vleiend en innemend, met een glimlachje op de lippen. Zij schoot in de alleraardigste lachjes; zij was vol bewondering over alles: zij haalde dat hondje van een springduiveltje voor den dag, en was er Sam zóó dankbaar voor! En toen zij thuis kwamen en mijnheer Huxter, nog altijd met een donker gezicht, op koele wijze afscheid van haar nam, barstte zij in tranen uit en verklaarde dat hij een, ondeugend norsch mensch was.
En daarop klemde de jeugdige chirurgijn met bijna even groote ontroering als die van Fanny, het meisje in zijn armen; hij zwoer, dat zij een engel en hij zelf een jaloersche rekel was; hij bekende, dat hij haar onwaardig was en geen recht had Pendennis een kwaad hart toe te dragen, en hij verzocht en bezwoer haar, hem nog ééns te zeggen, dat zij –.
Dat zij wat? Het laatste gedeelte der vraag en het antwoord werden uitgesproken door lippen, die zoo dicht bij elkander waren, dat geen der omstanders er iets van kon hooren. Jufvrouw Bolton zeide alleen: „Kom, kom, mijnheer H., geen gekheid, als het u belieft. Ik vind dat gij u heel onaangenaam gedragen en Fanny wreedaardig behandeld hebt, dat is waar!”
Toen Arthur de vigilante No. 2002 verliet, ging hij zijn compliment maken bij het rijtuig, waarin de duivenkleurig gekleede schrijfster van Mes Larmes thans weer plaats had genomen naast hare mama. De onvermoeibare oude majoor Pendennis wijdde zijne diensten aan Lady Clavering en zat op de achterbank van het rijtuig, terwijl de jonge veelbelovende erfgenaam van het huis Clavering, onder toezicht van kapitein Strong, den bok in bezit had genomen.
Een aantal dandy’s en heeren van zekere soort (militairen en fatterige jonge ambtenaren, van die personen, die meer ophebben met heeren dan met dames) hadden zich rondom het rijtuig geschaard, terwijl het op den heuvel stond, een paar woorden met Lady Clavering gewisseld en met jufvrouw Amory een praatje gemaakt (of „gekletst”, zooals de elegantste dier heeren hun gesprek noemden). Zij hadden schertsend met haar willen wedden, en praatten zeer vrij en met veelbeteekenende zinspelingen over allerlei onderwerpen. Zij wezen haar aan wie al zoo bij de wedrennen tegenwoordig waren, en dat waren niet altijd personen, die eene jonge dame behoorde te kennen.
Toen Pen bij Lady Clavering’s rijtuig kwam, moest hij door een aantal dezer jonge fatten, die hun hof aan jufvrouw Amory maakten, heendringen, om even dicht bij haar te komen, daar zij hem met een aantal lieve wenken tot zich riep.
„Je l’ai vue,” sprak zij: „elle a de bien beaux yeux; vous êtes un monstre!”
„Waarom een monster?” vroeg Pen lachend. „Honi soit qui mal y pense. Mijne jonge vriendin daar ginds is zoo goed beschermd als eenige jonge dame in de gansche Christenheid het kan. Zij heeft hare mama aan den eenen en haar aanstaande aan den anderen kant. Welk leed zou tusschen die beiden een meisje kunnen treffen?”
„Men weet niet wat er al gebeuren kan,” zeide jufvrouw Blanche in het Fransch, „wanneer een meisje er toe genegen is en vervolgd wordt door een ondeugend monster zooals gij. Verbeeld u, majoor, dat ik, voorbijkomende, monsieur uw neef bij eene vigilante aantrof, waarin twee dames zaten, en een man – o zoo’n kluchtigen man! – en die kreeften aten, en lachten, lachten!”
„Ik heb niet kunnen merken, dat de man lachte,” zeide Pen. „En wat de kreeften betreft, het was alsof hij mij zelven na die kreeften wel had willen opeten. Hij gaf mij de hand en kneep mij zoo sterk, dat de mijne bont en blauw werd onder den handschoen. Het is een jonge chirurgijn, uit Clavering afkomstig. Herinnert ge u daar niet de Gouden vijzel en stamper in de High Street?”
„Als hij over u praktizeert wanneer gij ziek zijt,” hernam jufvrouw Amory, „zal hij u vermoorden. En dat zal ook uw verdiende loon zijn, want gij zijt een monster.”
Dat herhaalde gebruik van het woord „monster” kwetste Pen’s ooren. „Zij spreekt veel te lichtvaardig over deze zaken,” dacht hij. „Indien ik een monster ware geweest, gelijk zij het noemt, zou zij mij op juist dezelfde wijze ontvangen hebben. Geen Engelsche dame behoorde aldus te spreken of te denken. Laura zou zich althans, Goddank, zóó niet uitlaten,” en bij die gedachte betrok zijn eigen gelaat.
„Waaraan denkt gij? Wilt gij boos op mij worden?” vroeg Blanche. „Majoor, bestraf uw méchanten neef eens. Hij amuseert mij in het geheel niet. Hij is even bête als kapitein Crackenbury.”
„Wat zegt gij van mij, jufvrouw Amory?” vroeg de garde-officier met een grijns. „Als het wat goeds is, zeg het dan in het Engelsch, want ik versta geen Fransch als het zoo verduiveld snel gesproken wordt.”
„Het is niets goeds, Crack,” zeide diens vriend kapitein Clinker. „Kom, laten wij heengaan en het spel niet bederven. Men zegt, dat Pendennis een oogje op haar heeft.”
„Ik heb gehoord, dat hij een verduiveld knappe kerel is,” zuchtte kapitein Crackenbury. „Lady Violet Lebas zegt, dat hij een verduiveld knappe kerel is. Hij heeft een werk, of een gedicht of zoo iets geschreven; en hij schrijft die verduiveld mooie dingen in de – in de couranten, weet je. Wat drommel Clinker, ik wenschte, dat ik een knappe kerel was!”
„Daar helpt geen wenschen meer aan, Crack, beste jongen,” zeide de ander. „Ik kan geen mooi boek schrijven, maar ik geloof, dat ik een vrij goed boek met weddenschappen bij de wedrennen vullen kan. Wat is die Clavering een ezel! En die begum! ik houd wel van die oude begum! Zij kan tegen tien van de soort harer dochter opwegen. Wat was die oude vrouw blij toen zij wat in de loterij won!”
„Clavering is er toch goed voor, dat hij betalen zal, hoop ik?” zeide Crackenbury.
„Dat wil ik ook hopen,” antwoordde zijn vriend, waarop beiden zich verwijderden, om de volksvermaken weer te gaan bijwonen.
Voordat de genoegens van den dag ten einde liepen, kwamen nog vele andere heeren van Lady Clavering’s kennis bij haar rijtuig en maakten een praatje met het gezelschap. De achtenswaardige dame was zeer vroolijk en opgeruimd, lachte en snapte als naar gewoonte en bood al hare vrienden ververschingen aan, totdat hare goed gevulde manden en flesschen geledigd en hare bedienden en postiljons zoo opgewonden waren, als bedienden en postiljons dit op den dag der wedrennen doorgaans zijn.
Het viel den majoor in het oog, dat sommige der heeren, die bij het rijtuig gekomen waren, de eigenares daarvan met vrij zonderlinge en veelbeteekenende blikken aanzagen. „Wat houdt zij er zich bedaard onder!” fluisterde er een tegen een ander. „De begum bulkt van het geld,” gaf de vriend ten antwoord. „Wááronder houdt zij zich zoo bedaard?” dacht de oude Pendennis. „Heeft haar man weer geld verloren?” Lady Clavering had hem verteld, dat zij zich dien morgen zoo gelukkig had gevoeld, want dat Sir Francis haar beloofd had niet te zullen wedden.
De heer Welbore, de buurman der Clavering’s op het land, werd, toen hij het rijtuig voorbijging, door de begum aangeroepen, die hem schertsend verweet dat hij haar niet wilde kennen. „Waarom was hij niet vroeger gekomen? Waarom was hij het ontbijt niet komen gebruiken?” Mylady was zeer opgetogen en vertelde hem, gelijk zij ieder ander gedaan had, dat zij in eene loterij vijf pond had gewonnen.
Toen zij den heer Welbore dat nieuws meedeelde, keek hij zoo vreemd op en te gelijk zoo bedenkelijk, dat majoor Pendennis een akelig voorgevoel kreeg. Hij zou eens gaan kijken naar de paarden, zeide de majoor, en naar die schelmen van postiljons, die zoo lang talmden met te komen. Toen hij weer bij het rijtuig terugkwam, vertoonde zijn gewoonlijk zoo goedaardig en glimlachend gelaat eene zekere verdrietige uitdrukking. „Wat deert u?” vroeg de meewarige begum, waarop de majoor antwoordde, dat de vermoeienis en de zonneschijn hem hoofdpijn hadden bezorgd. Het rijtuig keerde nu en sloeg den weg naar Londen in, en het was waarlijk niet de minst schitterende equipage in dien langen en schilderachtigen optocht. De beschonken koetsiers vlogen als dol over het grasland, onder de kreten van verbazing der voetgangers, het ironisch gejuich uit de ezelwagens en karren, en de luide vloeken der bestuurders van de rijtuigen, tegen welke de onbesuisde postiljons aanbonsden. De opgeruimde begum scheen het genoegen in persoon, terwijl zij in de prachtige kussens achteroverlag; en de lieftallige sylphide glimlachte met een elegante lusteloosheid. Menig eerzaam burger, die er met zijn gezin eens een vrijen dag van genomen had en nu in een gering rijtuig zat gepakt, menige schrale dandy, die op zijn afgemat huurpaard weer naar huis sukkelde, bewonderde die schitterende equipage en stelde zich zonder twijfel voor, hoe gelukkig die groote lui toch moesten zijn. Strong zat nog altijd op den bok en riep den postiljons en de volksmassa met eene gebiedende stem toe. De jonge heer Frans was binnen het rijtuig geplaatst en zat daar naast den majoor den invloed van het aanhoudend eten en van den champagne, waarvan hij ruim zijn deel genoten had, uit te slapen.
De majoor ging onderwijl bij zich zelven de nieuwstijding na, die hem zoo bedrukt had gemaakt. „Indien Sir Francis Clavering op dien voet voortgaat,” dacht Pendennis senior, „zal die kleine dronken schavuit een even kale heer worden als zijn vader en grootvader vóór hem waren. Het fortuin der begum kan dergelijke aderlatingen niet doorstaan; niemands fortuin is daartegen bestand; en zij heeft zijne schulden reeds een half dozijn maal betaald. Nog eenige jaren wedrennen en nog eenige slagen gelijk deze laatste, en zij is geruïneerd.”
„Zouden wij geene wedrennen te Clavering kunnen invoeren, mama?” vroeg jufvrouw Amory. „Ja, wij moeten ze daar weer doen herleven. In den ouden tijd, den goeden ouden tijd, werden daar wedrennen gehouden. Ge weet, het is eene nationale uitspanning, en wij zouden te Clavering een bal kunnen hebben, en ook aan de boeren zou in het park gelegenheid kunnen gegeven worden, om de dansen en landelijke vermaken te genieten. O, wat zou dat heerlijk zijn!”
„Het zou eene heele pret zijn,” antwoordde mama, „niet waar, majoor?”
„Wedrennen zijn een zeer kostbaar genoegen, waarde mevrouw,” gaf majoor Pendennis met zulk een droevig gelaat ten antwoord, dat de begum hem er mee plaagde en hem lachend vroeg, of hij misschien geld bij de wedrennen verloren had.
Na omtrent anderhalf uur geslapen te hebben, begon de stamhouder van het huis Clavering teekenen van ontwaken te geven, want hij sloeg zijne jeugdige armpjes in des majoors gezicht en schopte zijne zuster, die aan de overzijde zat, tegen de knieën. Toen de lieve jongen weer geheel tot zich zelven was gekomen, ving hij een levendig gesprek aan.
„Zeg eens, ma,” begon hij, „dezen keer heb ik het toch gedaan?”
„Wat hebt gij gedaan, Frans-lief?” vroeg mama.
„Hoeveel is zeventien halve kronen? Twee pond en eene halve kroon, niet waar? Ik heb Borax in onze loterij getrokken, maar Podasokus en Man-milliner van Leggat junior voor twee confituurtaartjes en eene flesch gemberbier gekocht.”
„Ondeugende kleine dobbelaar! Durft gij al zoo vroeg beginnen?” kreet jufvrouw Amory.
„Hou jij je mond maar, asjeblieft! Ik heb uw permissie niet noodig!” antwoordde haar broeder. „Zeg eens, ma....”
„Wat dan, Frans-lief?”
„Gij zult mij toch wel wat zakgeld geven, als ik weer naar school ga?” zeide de knaap en barstte in lachen uit. „Wil ik u nu eens een nieuwtje vertellen?”
De begum gaf haar verlangen te kennen, om dat nieuwtje te hooren, waarop de zoon en erfgenaam van het huis Clavering vervolgde:
„Toen ik met Strong na den wedren achter de groote tribune stond en met Leggat junior praatte, die daar met zijn ouwe was, zag ik pa, die er uitzag alsof hij iedereen wou opeten. En hoor nu eens, ma: Leggat junior vertelde mij, dat hij zijn ouwe had hooren zeggen, dat pa zeven duizend pond had verloren door te wedden op het paard, dat men dacht dat den prijs zou behalen. Nu, als ik meerderjarig ben, zal ik nooit op zoo’n paard wedden. Neen, neen, ik mag – wezen als ik het doe. Kom, Strong, schei er uit!”
„Kapitein Strong! kapitein Strong! Is dat waar?” riep de beklagenswaardige begum uit. „Heeft Sir Francis weer gewed? Hij had mij beloofd, dat hij het niet doen zou. Hij had mij zijn woord van eer verpand, dat hij er zich van zou onthouden!”
Strong had van den bok af het slot der mededeeling van den jongen heer Clavering gehoord en tevergeefs getracht diens mond te snoeren.
„Ik vrees dat het maar al te waar is, mevrouw,” gaf hij, zich omkeerende, ten antwoord. „Het verlies grieft mij even sterk als u. Hij had het mij evenzeer als u beloofd; maar het spel is hem altijd te machtig; hij kan er zich niet van onthouden.”
Op deze smartelijke tijding barstte Lady Clavering in tranen los en beklaagde haar rampzalig lot zoo bitter als de ongelukkigste vrouw ter wereld had kunnen doen. Zij verklaarde, dat zij van dien ondankbaren man wilde scheiden en geen zijner schulden meer zou betalen. Onder een stroom van tranen en met de grootste radheid van tong verhaalde zij eene reeks van maar al te ware geschiedenissen, waaruit bleek hoezeer haar man haar misleid, maar hoe onophoudelijk zij hem uit de klem geholpen had, en onder deze treurige omstandigheden, terwijl de veelbelovende jonge heer aan de twee guinjes dacht, die hij gewonnen had, en de majoor in zijn geschokt gemoed overwoog of het niet raadzaam ware zekere plannen, die hij gevormd had, te laten varen, hield het prachtige rijtuig eindelijk voor het huis der begum op Grosvenor Place stil, terwijl de leegloopers en de straatjongens, die als naar gewoonte samengeschoold waren om den afloop van den Derby-dag te zien, een gejuich deden opgaan toen het rijtuig stilstond en de gelukkige menschen benijdden, die er uit stapten.
„En voor den zoon van dien man is het, dat ik tot eene bedelares word gemaakt!” zeide Blanche, die van verontwaardiging trilde, toen zij aan den arm van den majoor de trap opging, – „voor dien bedrieger, dien bandiet, dien leugenaar, dien roover!”
„Bedaar, lieve jufvrouw Blanche,” zeide de oude heer; „ik smeek u, wees bedaard. Gij zijt hard en zeer onrechtvaardig behandeld. Maar bedenk, dat ik altijd uw vriend ben geweest, en vertrouw op een oud man, die trachten zal u van dienst te zijn.”
En toen de jonge dame en de stamhouder van het veelbelovende huis Clavering zich ter rust hadden begeven, bleven de drie overige deelnemers aan het uitstapje naar Epsom nog een tijdlang onder gewichtige beraadslagingen bijeen.
ZESTIGSTE HOOFDSTUK.
OPHELDERING.
Er is, gelijk de lezer zal opmerken, bijna een jaar heengegaan over eene gebeurtenis, die wij slechts weinige bladzijden geleden beschreven hebben. Arthur staat op het punt om zijn zwarten rok met een blauwen te verwisselen. Hij heeft in zijn persoon nog andere meer verblijdende en opmerkelijke veranderingen ondergaan. Hij heeft zijne pruik ter zijde gelegd en zijn haar, ofschoon wat dunner dan vroeger, is weer voor het publiek zichtbaar. Hij heeft de eer gehad ten hove te verschijnen in de uniform van tweeden luitenant van het Claveringsche eskadron der –shire schutterij te paard, waarbij hij aan den koning werd voorgesteld door den markies van Steyne.
Arthur’s oom had sterk, en als het ware met tranen in de oogen, op het doen van dien stap aangedrongen. De majoor had er niet van willen hooren, dat er nog een jaar zou voorbijgaan, eer zijn neef die voor ieder gentleman zoo noodzakelijke plechtigheid doorgestaan had. De oude heer oordeelde nu ook, dat zijn neef in eene voornamer club dan het Megatherium lid moest zijn, en had overal in de groote wereld zijne spijt te kennen gegeven, dat de erfenis van den jonkman niet zoo voordeelig was uitgevallen als hij reden had gehad te verwachten en nog beneden de vijftienhonderd pond ’s jaars bleef.
Dit was de som, waarop Pen’s fortuin door de wereld geschat werd, – de som, krachtens welke zijn uitgevers veel meer eerbied voor hem begonnen te koesteren dan vroeger, en zelfs mama’s hem gansch niet ongenegen waren. Want, zoo de mooie dochters natuurlijk heeren van heel wat grooter fortuin moesten trouwen, was hij toch zeer geschikt voor de leelijke, en terwijl de geestige en bekoorlijke Myra bestemd is een graaf aan te klampen, moet de arme kleine Beatrice, die een scheeven schouder heeft, voor haar leven aan een of anderen sukkel gekoppeld worden, en waarom zou dan mijnheer Pendennis haar steun niet zijn? Den allereersten winter nadat Pen het fortuin zijner moeder verkregen had, zorgde mevrouw Hawxby, dat bare Beatrice het biljartspel van hem leerde, en door niemand anders dan hem in den hittenwagen gereden werd, omdat hij aan de letterkunde deed en hare Beatrice ook, en zij verklaarde, dat de jonkman, op aanhitsing van zijn verfoeielijken ouden oom, op de schandelijkste wijze met het hart van hare Beatrice gespeeld had. Het ware van de zaak is, dat de oude heer, die wist welk karakter mevrouw Hawxby had en welke snoode lagen zij aan argelooze jonge heeren legde, naar de bedoelde buitenplaats overgekomen was en Arthur buiten bereik van hare hinderlagen, doch niet van hare tong weggevoerd had. De oude Pendennis, had gewenscht, dat zijn neef een gedeelte van den Kersttijd te Clavering had doorgebracht, waarheen de familie teruggekeerd was; doch daartoe bezat Arthur den moed niet. Clavering lag te dicht bij het oude lieve Fairoaks, en daaraan waren te vele droevige herinneringen voor den jonkman verbonden.
Ook wij hadden de Clavering’s uit het gezicht verloren totdat zij bij de wedrennen te Epsom weder te voorschijn kwamen en moeten nu een kort verslag doen, hoe het hun in den tusschentijd gegaan was. Gedurende het afgeloopen jaar heeft de wereld geen enkel lid van de familie Clavering met bijzondere toegenegenheid behandeld. Lady Clavering, eene der goedhartigste vrouwen die ooit aan een goed diner eer bewezen, of fouten tegen de taal heeft gemaakt, zag haar eetlust en haar opgeruimdheid op eene zware proef stellen door familierampen en twisten van zulk een aard, dat de meesterstukken van den besten Franschen kok onsmakelijk en de zachtst gevulde sofa-kussens hard werden. „Ik zou liever, Strong, eene raap voor dessert hebben dan die ananas en al die muscadel-druiven van Clavering,” zegt de arme Lady Clavering, een blik op haar eettafel slaande, terwijl zij hare grieven aan haar trouwen vriend ontboezemt, „indien ik maar een weinigje rust had onder het eten. O, hoeveel gelukkiger was ik in mijn weduwstaat, eer al dat geld mij ten deel viel!”
De familie Clavering was inderdaad op eene verkeerde wijze in de wereld opgetreden, en had noch genoegen, noch aanzien, noch dank geoogst voor de gastvrijheid die zij bewees, noch zich op denzelfden vriendschappelijken voet zien behandelen door de menschen, die zij onthaald hadden. Het was twijfelachtig of zij eenigen opgang gemaakt hadden gedurende hun eerste Londensche seizoen, en hun latere val was onmiskenbaar. „Geen mensch bezat geduld genoeg, om Sir Francis Clavering uit te staan,” zeide de wereld. „Hij was al te gemeen vervelend, en laag. Men kon niet zeggen waarin het gelegen was, maar er was iets terugstootends in dat huis en al wat er toe behoorde. Wie was die begum, met haar geld en zonder hare h’s, en waar kwam zij vandaan? Wat een onverdraaglijke nuf was hare dochter, met hare Fransche manieren en hare in het oog loopende gemaaktheid, het was in het geheel geen gezelschap voor fatsoenlijke Engelsche meisjes. En welke zonderlinge menschen behoorden er tot hunne omgeving! Sir Francis Clavering was een dobbelaar, die openlijk met oplichters en losbollen omging. Hely Clinker, die met hem in hetzelfde regiment gediend had, zeide, dat hij niet alleen een valsche speler, maar bovendien een lafaard was. Welke reden kon Lady Rockminster hebben, om zich die familie aan te trekken?” Maar na het eerste seizoen liet Lady Rockminster, die zich Lady Clavering aangetrokken had, haar weder varen; de groote dames wilden hare dochters niet naar de partijen, die de Claverings’s gaven, meenemen; de jonge heeren, die daar verschenen, gedroegen zich met de onbeschaamdste vrijheid en de meest minachtende familiariteit; en de arme Lady Clavering moest zelve bekennen, dat zij genoodzaakt was het „canaille” te ontvangen, omdat de grooten niet komen wilden.
De arme goede lady droeg aan het „canaille” volstrekt geen kwaad hart toe; zij was van nature in het geheel niet trotsch en koesterde geen denkbeeld hoegenaamd, dat zij beter dan haar naaste was; maar zij had blindelings de voorschriften gevolgd, die haar bij haar intrede in de wereld door hare maatschappelijke petemoei gegeven waren: zij wilde gaarne degenen kennen, die zij vraagde. Het „canaille” was inderdaad veel pleizieriger dan de zoogenaamde „groote wereld”; maar gelijk wij hiervoren reeds zeiden, dat het gemakkelijk valt eene geliefde te verlaten, hoewel het omgekeerd zeer pijnlijk is door haar verlaten te worden, zoo kan men de wereld laten varen zonder noemenswaardige smart, ja zelfs met een gevoel van verlichting bij het scheiden; terwijl, indien de wereld van ons afziet, de vernedering en de pijn zwaar te dragen zijn.
Wij hebben echter één jongmensch uit de voorname wereld genoemd van wien men mocht verwachten, dat hij onder al die trouweloozen getrouw zou zijn, en de weledelgeboren heer Henry Foker was inderdaad die man. Maar hij had de zaak niet voorzichtig aangelegd, en de ongelukkige liefde, die hij aanvankelijk aan Pen had geopenbaard, werd door de gansche stad bekend en bespot, en kwam zijne zwakke maar liefhebbende moeder ter oore, terwijl zij ook eindelijk ter kennis van den kaalhoofdigen en onbuigzamen Foker senior werd gebracht.
Toen de heer Foker deze onaangename tijding vernam, viel er tusschen hem en zijn zoon een hevig en verdrietig tooneel voor, hetgeen daarmee eindigde, dat het arme heertje voor den tijd van een jaar uit Engeland verbannen werd, met stellig bevel om daarna terug te keeren en zijne nicht te trouwen, of zich met driehonderd pond ’s jaars te vergenoegen en nooit meer een oog op zijn vader of op de brouwerij te slaan. Mijnheer Henry Foker vertrok dus en voerde die smart en zorg mee, die aan de strengste grenskantoren tolvrij doorgaat en, luidens het spreekwoord, den balling overal vergezelt; en met dat rouwfloers voor zijn oogen, scheen zelfs de Parijsche boulevard hem somber toe en de hemel van Italië zwart.
Voor Sir Francis Clavering was dit jaar allerongelukkigst. De gebeurtenissen, die wij in het vorige hoofdstuk beschreven, zetten de kroon op de rampen van dien jaarkring. Het was het jaar des Heeren, toen – onze lezers, die aan de wedrennen deel nemen, zullen het zich wel herinneren – het paard van Lord Harrowhill, die een klassiek jong edelman was en zijn ros dus een naam uit de Ilias gegeven had, – toen Podasokus den Derby-prijs won, tot ontzetting van de ingewijden, die den naam van het winnende paard op de wonderlijkste wijzen uitspraken, en gewed hadden op Borax, die bij den wedren geheel achteraangebleven was. Sir Francis Clavering, die met verscheidene der grootste schurken van de renbaan bekend was en natuurlijk berichten had, die hij goed vertrouwen kon, had zwaar gewed tegen het winnende paard en vóór het paard hetgeen men onderstelde dat den prijs zou wegdragen, en de uitkomst zijner berekeningen was, gelijk zijn zoon zeer juist aan de arme Lady Clavering had opgegeven, dat hij de ronde som van zeven duizend pond verloren had.
Het was een zware slag voor de lady, die reeds vele malen de schulden van haar man vereffend had; die even dikwijls eeden en beloften van hem had ontvangen, dat hij zich verbeteren zou; die zijne geldschieters en paardenkoopers had betaald; die zijne huizen in de stad en op het land had gemeubeld, en die nu weer op staanden voet werd aangezocht om die ontzaglijke som, de straf voor de spilzucht van haar lafhartigen echtgenoot, te betalen.
Wij hebben reeds vroeger vermeld, dat de oude Pendennis de raadsman der familie Clavering was geworden en, in zijne hoedanigheid van vriend des huizes, elk vertrek daarvan gezien had, tot zelfs dat akelige kabinetje, hetgeen wij allen hebben en waarin, volgens het spreekwoord, het geraamte, dat de familie beangstigt, opgesloten is. Van de geldzaken van den baronet wist de majoor echter niets, omdat Clavering zelf er niets van wist en ze onder zulk een onoverkomelijken hoop van leugens voor zich zelven en anderen verborg, dat geen raadsman of rechtsgeleerde een juist inzicht in zijne zaken kon krijgen. Ten aanzien van Lady Clavering wist de majoor echter meer; en toen dat onzalige geval bij de wedrennen had plaats gehad, besloot hij zich nu volkomen en grondig met al hare middelen, van welken aard ook, bekend te maken. Hij werd dan nu in de bijzonderheden ingelicht van de groote en talrijke opofferingen, die de weduwe Amory zich voor haar tegenwoordigen echtgenoot getroost had.
Hij ontveinsde zijn gevoelen niet (waardoor hij niet weinig in de gunst van jufvrouw Blanche was gestegen), dat de dochter van Lady Clavering hard behandeld was, ten voordeele van haar zoon uit haar tweede huwelijk, en gaf in zijne gesprekken met mylady duidelijk te kennen, dat er, naar zijn gevoelen, voor Blanche gunstiger beschikkingen moesten gemaakt worden. Gelijk wij hebben meegedeeld, had hij der weduwe reeds te verstaan gegeven, dat hij al de bijzonderheden van hare vroegere ongelukkige geschiedenis kende, daar hij in Indië was op het tijdstip toen toen de smartelijke voorvallen hadden plaats gehad, die met hare scheiding van haar echtgenoot eindigden. Hij kon haar opgeven in welk nommer van het nieuwsblad van Calcutta het verslag van Amory’s proces stond, en hij verklaarde aan de begum (voor welke inschikkelijkheid zij niet weinig dankbaar was), dat, ofschoon hij alles wist van den rampspoed, die haar getroffen had, hij dit altijd voor zich had gehouden en de bestendige vriend van hare familie was geweest.
„Natuurlijk heb ik daarbij mijn eigen belang op het oog gehad, waarde Lady Clavering,” zeide hij. „Wij worden allen door eigenbelang geleid, en het mijne (ik wil het u niet verbergen) strekte, om een huwelijk tusschen mijn neef en uwe dochter tot stand te brengen.” En hierop zeide Lady Clavering, misschien wel eenigszins verwonderd, dat indien de majoor hare familie tot eene verbintenis met de zijne uitkoos, zij daartoe zeer gaarne hare „toestemming” zou geven.
„Maar, waarde mevrouw,” liet hij er rondborstig op volgen, „mijn jongen bezit slechts vijfhonderd pond ’s jaars, en eene vrouw met tien duizend pond tot gansche fortuin zou zijn omstandigheden niet noemenswaardig verbeteren. Hij kan, met uw verlof, eene betere partij doen, want hij is een verstandig en voorzichtig jongmensch, die thans zijne wilde haver heeft uitgezaaid, die zeer veel talent en eerzucht bezit, en die, als hij trouwt, daardoor tot een beter standpunt in de wereld wil geraken. Indien gij en Sir Francis het verkozen (en Sir Francis, dat verzeker ik u op mijn woord, zal u niets weigeren), zoudt gij Arthur op weg kunnen helpen om het in de wereld zeer ver te brengen en te toonen wat hij kan. Wat heeft Clavering aan dat lidmaatschap van het parlement, waar hij zich ternauwernood vertoont of den mond opendoet? Ik heb van heeren, die mijn jongen te Oxbridge hebben gehoord, vernomen, dat hij daar een uitstekend redenaar was. Zet maar ééns zijn voet in den stijgbeugel en help hem te paard, en ik houd mij overtuigd, mevrouw, dat hij geen achterblijver zal wezen. Ik heb den knaap op den tand gevoeld en geloof dat ik hem vrij goed ken. Hij is een te gemakkelijke, zorgelooze en loszinnige kerel om een sukkeldrafje aan te nemen en, evenals de rechtsgeleerden, eerst op het laatst van zijn leven het gewenschte doel te bereiken! Maar help hem een handje en verschaf hem goede vrienden en de gewenschte gelegenheid, en ik geef u mijn woord, dat hij een naam zal maken waarop zijne zonen trotsch zullen mogen zijn. Ik zie voor iemand als hij is, geen ander middel om het tot iets te brengen dan het aangaan van een verstandig huwelijk, – niet met een ongelukkige erfdochter, waarmee hij zijn leven lang op een ellendige vijftienhonderd pond ’s jaars zou moeten blijven teren, – maar met iemand, die hij in de wereld kan vooruithelpen en die het hèm kan doen en aan welke hij een goeden naam en eene goede plaats in de maatschappij kan verschaffen, in ruil voor de voordeelen die zij hem aanbrengt. Het zou voor u beter zijn een geachten schoonzoon te bezitten, dan uw echtgenoot in het parlement te laten blijven, waar hij evenmin zich zelven als iemand anders tot nut is. Dit, ik herhaal het, zijn de redenen waarom ik mij uwe belangen heb aangetrokken en u iets voorstel wat ik geloof dat tot wederzijdsch voordeel zou kunnen strekken.”
„Gij weet, dat ik Arthur tegenwoordig bijna als een lid van de familie beschouw,” antwoordde de goedhartige begum; „hij komt en gaat naar goedvinden, en hoe meer ik aan zijne lieve moeder denk, des te meer zie ik in, dat weinige menschen zoo goed zijn en niemand is zoo goed voor mij. Ik heb geschreid toen ik haar overlijden vernam, en ik zou zelfs over haar in den rouw zijn gegaan, als het zwart mij niet zoo slecht stond. Ik weet wel wie zijne moeder wenschte dat hij trouwen zou. Laura namelijk, waarmee de oude Lady Rockminster zooveel opheeft. En geen wonder, want Laura is een liever meisje dan mijne dochter. Ik ken ze allebei; en mijne Betsy – ik meen Blanche – doet mij niet veel pleizier aan, majoor! Pen moest Laura maar trouwen.”
„Trouwen op vijfhonderd pond ’s jaars! Goede lieve mevrouw, dat kunt ge niet meenen!” zeide majoor Pendennis. „Overleg maar eens wat ik u gezegd heb. Doe ten opzichte van uwe zaken niets met uw ongelukkigen man zonder mij te raadplegen, en herinner u, dat de oude Pendennis altijd uw vriend is.”
Sedert eenigen tijd had Pen’s oom zich in denzelfden geest tegen jufvrouw Amory uitgelaten. Hij had haar aandacht gevestigd op de aanbevelenswaardige zijde van het huwelijk, dat hem zoozeer ter harte ging, en achtte zich verplicht er bij te voegen, dat weinig, neen niets, zoo goed was om op te trouwen als wederkeerig belang. „Let maar eens op die huwelijken uit liefde, mijn schatje. De lieden, die enkel uit liefde trouwen, staan bekend wegens het oneenige leven dat zij later leiden, en een meisje, dat met Jan naar Gretna Green vlucht, neemt altijd in het vervolg met Piet de vlucht naar Zwitserland. Het voorname punt bij een huwelijk is, dat de beide partijen overeenkomen elkander zooveel mogelijk van nut te zijn. De dame brengt de middelen aan en de heer doet ze vruchten dragen. De vrouw van mijn jongen verschaft hem het paard, en Pen neemt daarmede deel aan den wedren en wint den prijs. Dat is wat ik een verstandig huwelijk noem. Zulk een paar heeft wat te behandelen als zij bij elkander zitten. Al hadden zij Cupido zelf om mee te praten – gesteld dat Blanche en Pen Cupido en Psyche waren – dan zouden zij al na weinige avonden beginnen te geeuwen wanneer, zij geen andere onderwerpen dan sentimentaliteiten hadden.”
Jufvrouw Amory van haar kant was vrij wel met Pen tevreden, zoolang zij niemand beters had. Hoeveel andere jonge dames gelijken haar wel? en hoeveel huwelijken uit liefde houden het tot het eind vol? en hoeveel sentimenteele firma’s gaan niet ten slotte bankroet? en hoeveel gloeiend liefdevuur verflauwt niet tot ergerlijke onverschilligheid of dooft niet geheel en al uit?
Volgens zijne gewoonte, prentte de majoor deze levensbeschouwingen en wijsgeerige opvattingen voortdurend aan Pen in, wiens doorzicht hem in staat stelde het voor en tegen van menig vraagstuk te zien; en terwijl hij begreep, dat een sentimenteel leven verre boven de bevatting van den braven majoor ging, kon hij het practische leven ook zeer goed begrijpen, en er zich in werkelijkheid of althans volgens zijne meening, naar schikken. Vandaar, dat de raadgevingen van zijn oom gedurende het voorjaar, dat op zijn moeders dood volgde, zeer veel invloed op hem hadden en hij in Lady Clavering’s huis als het ware zijn hoofdkwartier had opgeslagen; hij was in zekeren zin door jufvrouw Amory aangenomen zonder haar verklaarde minnaar te zijn en werd toegelaten zonder met haar geëngageerd te wezen. De jongelui waren uiterst vertrouwelijk, zonder bijzonder sentimenteel te zijn, en kwamen met elkander in gezelschap of scheidden met de meeste kalmte. „En dat ben ik nu,” dacht Pendennis, „die acht jaar geleden smoorlijk verliefd was, en nog verleden jaar in mijne koortsvlagen om Briseïs riep!”
En echter was het nog altijd dezelfde Pendennis, voor wien de tijd, gelijk voor ons allen, de gewone gevolgen en vertroostingen, en de gewone ontwikkeling had meegebracht. Wanneer wij zeggen, dat een man of eene vrouw niet meer zóó zijn als wij ons hen uit onze jeugd herinneren, en wij bij onze vrienden veranderingen waarnemen (natuurlijk om die te betreuren), dan nemen wij misschien niet genoeg in aanmerking, dat de omstandigheden sommige sluimerende gebreken of deugden alleen te voorschijn, maar niet in het leven roepen. De zelfzuchtige kalmte en onverschilligheid, die men heden aan den dag legt, nu men in het bezit is, zijn slechts gevolgen van den zelfzuchtigen ijver waarmee men gisteren naar dat bezit streefde; – de minachting en lusteloosheid, die uitroept „ijdelheid der ijdelheden,” is slechts de afmatting van een verflauwden smaak, die verzadigd is van vermaak; de overmoed van den gelukkigen parvenu is slechts de noodwendige voortzetting der loopbaan van den behoeftigen sukkelaar; de veranderingen van ons gemoed zijn, evenals onze grijze haren of rimpels, niets anders dan de vervulling der wet van den aanwas en het verval des lichaams; wat nu sneeuwwit is, was eenmaal glanzig zwart; wat heden trage zwaarlijvigheid is, was slechts weinige jaren geleden levende en frissche gezondheid; die kalme, welwillende, onderworpene en teleurgestelde berusting was voor weinige jaren brandende en hevige eerzucht, en is slechts na menigen strijd en nederlaag tot lijdzame rust gekomen. Welzalig degeen, die zijne teleurstelling zoo dapper doorstaat en zijn gebroken zwaard met een onversaagd en nederig hart aan het Fatum, dat de overwinning behaalt, overgeeft! O welwillende lezer, die dit boek misschien opgenomen hebt om u een oogenblik te ontspannen, en het weer neerlegt om u aan ernstige gedachten over te geven! Zijt gij niet met ontzetting vervuld als gij overdenkt dat gij, die geslaagd zijt, of wel uw ondernemingen hebt zien mislukken, die misschien een aanzienlijken rang bekleedt, of wel eene hopelooze en onbekende plaats (aan u zelven alleen bekend) inneemt onder de duizenden, die van zooveel tegenspoed, geluk, misdaad of berouw kunnen getuigen; gij, die wellicht hebt liefgehad en koel zijt geworden, die, wie weet hoe dikwijls, geweend en wederom gelachen hebt, – wanneer gij overdenkt, herzeg ik, dat gij dezelfde zijt, dien gij u uit den tijd der kindsheid herinnert, voordat de levensreis een aanvang nam? Zij is voorspoedig geweest en gij loopt de haven binnen, terwijl de bemanning hoera roept en de kanonnen het saluut losbranden, en de gelukkige kapitein zijn groet brengt, zonder dat iemand weet van de zorg, die onder de ster op zijne borst huisvest; – of gij hebt schipbreuk geleden en zijt hopeloos, op een enkele plank vastgebonden, de zee ingedreven; de wegzinkende schepeling en de gelukkig geslaagde man denken waarschijnlijk ieder aan hun ouderlijk huis en herinneren zich den tijd toen zij kinderen waren; doch gij gevoelt u alleen, terwijl gij op de plank drijft, die geene redding aanbiedt, en buiten het gezicht van allen wegzinkt, evenals gij u alleen gevoelt te midden der menigte die u toejuicht.
EEN EN ZESTIGSTE HOOFDSTUK.
GESPREKKEN.
Onze goedaardige begum was aanvankelijk zoo vertoornd over het laatste bewijs van haar mans dubbelhartigheid en dwaasheid, dat zij Sir Francis Clavering volstrekt niet in staat wilde stellen om zijn eereschulden af te doen, maar de verklaring aflegde, dat zij van hem zou scheiden en hem aan zijn lot, het gevolg van zijn onverbeterlijke zwakheid en spilzucht, overlaten. Na de gebeurtenissen van dien noodlottigen dag der wedrennen verkeerde de rampzalige dobbelaar in zulk een gemoedstoestand, dat hij iedereen trachtte te ontloopen, zoowel zijne kameraden van de renbaan jegens, wie hij schulden had aangegaan die hij vreesde niet te zullen kunnen betalen, als zijne vrouw, zijne bankierster, die zooveel voor hem geleden had, dat hij te recht twijfelde, of zij nog langer zou dulden, dat hij de hand in hare beurs stak. Toen Lady Clavering den volgenden morgen vroeg of Sir Francis thuis was, ontving zij ten antwoord, dat hij den vorigen avond niet was teruggekomen, maar eene boodschap aan zijn kamerdienaar gezonden had, met last om aan den brenger zijne kleeren en brieven mee te geven. Strong begreep, dat hij in den loop van dien dag, of den volgenden, wel een bezoek of een uitnoodiging van den baronet zou ontvangen, en werkelijk kreeg hij dan ook een briefje, waarin hij verzocht werd zich bij zijn radeloozen vriend F. C. in Short’s Hotel te Blackfriars te vervoegen en naar mijnheer Francis te vragen. Want de baronet was een heer van zulk een bijzonderen stempel, dat hij liever loog dan de waarheid sprak, en een strijd tegen de Fortuin altijd aanving met de vlucht te nemen en zich ergens te verschuilen. De bode van het hotel des heeren Short, die Clavering’s boodschap op Grosvenor Place bezorgde en van daar zijn reiszak meebracht, begreep dadelijk wie de eigenaar van dien zak was, en deelde zijn overtuiging aan den lakei mede, terwijl deze het ontbijt gereed zette, die het nieuws in de dienstbodenkamer vertelde, die het verhaalde aan jufvrouw Bonner, mylady’s huishoudster en vertrouwde kamenier, die het aan mylady overbracht. Op die wijze wist ieder lid van het huisgezin op Grosvenor Place, dat Sir Francis zich, onder den naam van Francis, in een logement op de Blackfriars Road verscholen had. De koetsier van Sir Francis vertelde het aan de koetsiers van andere heeren, die het verhaalden aan hunne meesters en in het naburige etablissement van Tattersall, alwaar men een somber voorgevoel had, dat Sir Francis met de noorderzon vertrekken zou.
Het aantal brieven aan den baronet Sir Francis Clavering, die in den loop van den dag den weg naar de tafel in zijne vestibule vonden, was inderdaad verbazend. De Fransche kok zond zijne rekening bij mylady in; ook de leveranciers, die mylady’s tafel voorzagen, en de heeren Finer en Gimcrack, de galanteriehandelaars, en madame Crinoline, de voorname modemaakster, zonden hunne kleine notaatjes aan mylady, te gelijk met de afzonderlijke en gansch niet onbeduidende rekeningen van jufvrouw Amory bij elk dier winkeliers.
Toen Strong des namiddags van den dag na de wedrennen (na in Short’s Hotel met zijn principaal, dien hij bezig vond met huilen en curaçao-drinken, een onderhoud te hebben gehad), zich volgens gewoonte op Grosvenor Place vervoegde om daar de zaken te behandelen, vond hij al die verdachte documenten in de kamer van den baronet, waarop hij ze met een bedenkelijk gelaat begon open te breken en in te zien.
Terwijl hij zich hiermede onledig hield, kwam jufvrouw Bonner, mylady’s kamenier en huishoudster, hem storen. Jufvrouw Bonner, die als een lid van de familie kon beschouwd worden en voor hare meesteres even onmisbaar was als de chevalier voor Sir Francis, was in het geschil tusschen Lady Clavering en haar echtgenoot natuurlijk op de hand der lady en, volgens plicht, zelfs nog boozer dan deze laatste.
„Als zij mijn raad volgt, zal zij niet betalen,” zeide jufvrouw Bonner. „Ga maar weer naar Sir Francis, kapitein, – die zich nu in eene gemeene herberg verschuilt en zijne vrouw niet als man onder de oogen durft komen! – en zeg hem, dat wij zijne schulden niet langer willen betalen. Wij hebben hem gemaakt tot wat hij is; – wij hebben hem (en misschien wel anderen ook) uit de gevangenis verlost, wij hebben telkens zijne schulden betaald, wij hebben hem eene plaats in het parlement verschaft en hem een huis in de stad en op het land geschonken, waar de kale lafaard zijn gezicht niet durft vertoonen! Wij hebben hem het paard gegeven dat hij berijdt en het eten dat hij krijgt, ja, de kleeren die hij aanheeft; en nu willen wij hem niets meer geven. Onze fortuin, zooveel er van overgebleven is, komt ons toe, en wij willen er niets meer van verspillen aan dien ondankbaren man. Wij zullen hem genoeg toeleggen om van te leven en hem verder aan zijn lot overlaten, dat zullen wij; en dat moogt gij hem nu vertellen uit naam van Suze Bonner.”
Op dit oogenblik liet Suze Bonner’s meesteres, die van de komst van Strong gehoord had, dezen roepen, waarop de chevalier zich naar mylady begaf, niet zonder hoop haar handelbaarder te vinden dan jufvrouw Bonner, hare gemachtigde. Reeds vele malen had hij de zaak van zijn client bij Lady Clavering bepleit en haar goed hart weten te vermurwen. Dit beproefde hij thans nogmaals. Met sombere kleuren schilderde hij den toestand af, waarin hij Sir Francis had aangetroffen, zoodat hij niet wilde instaan voor de gevolgen, als hij de middelen niet kon verkrijgen om aan zijne verplichtingen te voldoen.
„Zou hij zich van kant maken?” vroeg jufvrouw Bonner lachend. „Zou hij zich van kant maken? ei! Nu, hij kan niets beter doen dan dood gaan.” Strong zwoer, dat hij een scheermes op de tafel had zien liggen, maar daarover begon Lady Clavering op hare beurt met bitterheid te lachen. „Hij zal zich zelven geen kwaad doen, zoolang een arme vrouw nog een stuiver bezit waarvan hij haar berooven kan. Zijn leven is veilig, kapitein, daarop kunt gij u verlaten. Ach, het was wel een ongeluksdag toen ik hem voor het eerst zag!”
„Hij is erger dan haar eerste man,” riep mylady’s adjudant uit. „Dat was ten minste een man, dat was hij, – een woeste duivel, maar hij bezat den moed van een man, – terwijl deze kerel.... wat helpt het, dat mylady zijne rekeningen betaalt, hare diamanten verkoopt en hem vergiffenis schenkt? Het volgende jaar maakt hij het weer even erg. Zoodra hij er kans toe ziet, bedriegt hij en besteelt hij haar, en gaat met haar geld naar eene bende schelmen en gauwdieven – u bedoel ik niet, kapitein – gij hebt ons altijd veel vriendschap betoond; wij wenschten echter u nooit gezien te hebben.”
De chevalier begreep uit hetgeen jufvrouw Bonner zich aangaande de diamanten had laten ontvallen, dat de zachtmoedige begum zich ten minste nog ééns zou laten bepraten en er voor zijn principaal nog altijd hoop bestond.
„Op mijn woord, mevrouw,” zeide hij met oprecht medelijden voor de beproevingen van Lady Clavering en bewondering voor haar onuitputtelijke goedhartigheid, en met een betoon van geestdrift, hetwelk de zaak van zijn nietswaardigen patroon niet weinig bevoordeelde: „wat gij tegen Clavering zegt, of wat jufvrouw Bonner mij in het gezicht werpt, is niet meer dan wij beiden verdienen, en de dag, toen gij ons voor het eerst zaagt, was wel ongelukkig. Hij heeft u wreedaardig behandeld, en indien gij niet de edelmoedigste en de meest vergevensgezinde vrouw ter wereld waart, weet ik dat hem geene hoop zou overblijven. Doch gij kunt den vader van uw zoon niet te schande maken; gij kunt den kleinen Frans de wereld niet laten ingaan met zulk eene smet op hem klevende. Zet hem vast; bind hem door welke beloften gij goedvindt; ik sta er u borg voor, dat hij ze zal doen.”
„En niet houden,” liet jufvrouw Bonner er op volgen.
„En ditmaal houden,” riep Strong uit. „Hij moet ze houden. Als ge eens hadt kunnen zien, mevrouw, hoe hij schreide! „O, Strong,” zeide hij tegen mij, „niet voor mij zelven doet het me leed, maar voor mijn jongen, voor de beste vrouw in Engeland, die ik slecht behandeld heb, – dat weet ik.” Hij was niet voornemens bij het rennen te wedden, mevrouw, wezenlijk niet! Hij is er toe verleid, en al de kenners zijn bij den neus genomen. Hij meende dat hij gerust kon wedden, zonder het minste gevaar te loopen. Maar het zal hem zijn leven lang eene les zijn. Een man te zien schreien, – o, dat is verschrikkelijk!”
„Hij geeft er niet veel om, of hij mijne lieve mevrouw aan het schreien maakt,” zeide jufvrouw Bonner, „die arme ziel! Let maar eens op, kapitein, of hij er zich veel om bekreunen zal.”
„Als gij een hart in uw lijf hebt, Clavering,” zeide Strong tegen zijn principaal, toen hij hem dit tooneel verhaalde, „dan moet gij ditmaal uwe belofte houden, en ik neem den hemel tot getuige, dat, als gij thans uw gegeven woord verbreekt, ik partij tegen u zal kiezen en alles vertellen.”
„Hoe? alles?” riep mijnheer Francis uit, toen zijn afgezant hem dat nieuws bracht in Short’s Hotel, waar Strong den baronet bezig vond met huilen en curaçao-drinken.
„Bah! Ziet gij mij voor gek aan?” barstte Strong uit. „Denkt gij, Frans Clavering, dat ik zoo lang in de wereld geleefd heb, zonder mijn oogen te leeren gebruiken? Gij weet, dat ik maar behoef te spreken, en morgen zijt gij een bedelaar. En ik ben niet de eenige, die uw geheim kent.”
„Wie kent het dan nog meer?” bracht Clavering met moeite uit.
„De oude Pendennis, als ik mij niet vergis. Hij herkende den man den eersten avond dat hij hem onder de oogen kreeg, toen hij dronken bij u aan huis kwam.”
„Weet hij het inderdaad!” schreeuwde Clavering. „Wel verd–! Vermoord hem!”
„Gij zoudt ons wel allemaal willen vermoorden, niet waar, ouwe jongen?” zeide Strong spottend en blies eene rookwolk van zijne sigaar weg.
De baronet sloeg zich met machtelooze hand tegen het voorhoofd, want niet onwaarschijnlijk had de ander zijn innerlijken wensch geraden. „O Strong!” riep hij uit; „als ik er den moed toe had, zou ik een einde aan mijn leven maken, want ik ben de verd–ste, ellendigste hond in gansch Engeland. Dat is het wat mij zoo woest en onbesuisd maakt, wat mij aan den drank brengt.” (en met bevende hand zond hij een glas curaçao naar binnen), „wat mij doet omgaan met die dieven. Ik weet dat het dieven zijn, man voor man, verd– dieven! En – en hoe kan ik het helpen? – en ik wist het niet, dat weet ge – en, bij den hemel, ik ben onschuldig – en ik wist er, totdat ik dien verwenschten schurk voor het eerst zag, even weinig van als van het uur van mijn dood – en ik zal wegloopen, en mij buitenslands begeven, buiten het bereik van die verwenschte speelholen, en ik zal mij, voor den duivel, in een bosch verbergen en mij aan een boom ophangen, en – o – ik ben de ellendigste bedelaar in gansch Engeland!” Aldus gaf het machtelooze ongelukskind onder tranen, kreten en vloeken lucht aan zijn verdriet, beklaagde zich over zijn rampzalig lot en drukte in zuchten, wanhoop en godslastering zijn berouw uit.
Het geliefkoosde spreekwoord, dat des eenen dood des anderen brood is, werd bewaarheid in het geval van Sir Francis Clavering en een medebewoner van de kamers van mijnheer Strong in Shepherd’s Inn. Bij toeval was de man, met wien kolonel Altamont gewed had, er „goed” voor; en op den afrekeningsdag der wedrennen, toen kapitein Clinker, die uitgenoodigd was de zaken van Sir Francis Clavering te regelen (want op raad van majoor Pendennis had Lady Clavering geweigerd den baronet zijne eigene schulden te laten vereffener), de bankbiljetten aan de talrijke schuldeischers van den baronet uitbetaalde, op dien zelfden dag had kolonel Altamont het genoegen de sommen, die hij gewonnen had door dertig tegen één te wedden op het paard, dat den prijs had behaald, in bankbiljetten van vijftig pond te ontvangen.
Er waren bij die gelegenheid een aantal van des kolonels vrienden tegenwoordig, om hem met zijn voorspoed geluk te wenschen; – al de kameraden van Altamont en de heeren waarmee hij omging in de prettige gelagkamer van den gastvrijen Wheeler, den kastelein van het Harlequin’s Head, kwamen het fortuintje van hun vriend bijwonen, en zouden er, met hunne edele sympathie voor alles wat voordeelig uitviel, wel in hebben willen deelen. „Nu was er gelegenheid,” gaf Tom Driver aan den kolonel te verstaan, „om het zilvergaljoen, dat in de Golf van Mexico gezonken was met 380,000 dollars, behalve de staven edele metalen en dubloenen, te lichten.” „De aandeelen in de Tredyddlummijnen stonden nu bijzonder laag en waren voor een appel en een ei te krijgen,” gaf mijnheer Keightley te kennen; „er had zich nooit eene betere gelegenheid voorgedaan om aandeelen te koopen”; en Jan Holt bracht zijn plan om tabak te smokkelen, welks vermetelheid den kolonel meer aanlachte dan eenige andere der hem voorgestelde speculatiën, weer op het tapijt. Onder de gasten uit het Harlequin’s Head kende Jakob Rackstraw een paar paarden, die de kolonel noodzakelijk moest koopen; Tom Fleet, wiens satiriek blad de Bram slechts tweehonderd pond kapitaal noodig had om aan dengeen, die dit verschafte, duizend pond ’s jaars op te brengen, bracht den kolonel aan het verstand, dat hij daardoor groote macht en invloed zou verwerven, benevens toegang tot de foyers van al de Londensche schouwburgen; en daarentegen bezwoer de kleine Moss Abrams den kolonel, niet te luisteren naar die dwaze kerels met hunne windspeculatiën, maar zijn geld te beleggen in eenige solide wissels, die Moss voor hem kon koopen en waaraan vijftig percent te verdienen viel, zoo goed alsof men die in de Bank van Engeland had staan.
Gezamenlijk en afzonderlijk kwamen deze heeren den kolonel met hunne verschillende verlokselen aan boord; maar hij bezat geestkracht genoeg om hun het hoofd te bieden, zijne bankbiljetten in zijn toegeknoopten rok weg te bergen, met Strong naar huis te gaan, en de buitendeur hunner kamers te sluiten. De eerlijke Strong had zijn huisgenoot goed ingelicht omtrent al die kennissen, en ofschoon hij, toen de kolonel sterk bij hem aandrong, er geen gewetensbezwaar in vond zelf twintig pond uit diens winst aan te nemen, was hij echter met te veel vriendschappelijk gevoel vervuld, om hem door anderen te laten oplichten.
Als Altamont geld had, was hij geen kwade kerel. Hij bestelde eene sierlijke livrei voor Grady en ontlokte den armen ouden Costigan een stroom tranen van snel vervliegende dankbaarheid, door hem, na een lekker diner in de Achterkeuken, een bankbiljet van vijf pond ten geschenke te geven. Voorts kocht hij een groenen shawl voor jufvrouw Bolton en een gelen voor Fanny, de fraaiste artikelen van een „uitverkoop beneden fabrieksprijzen” in een kleerenwinkel van Regent Street. En korten tijd hierop ontving jufvrouw Amory op haar verjaardag, die in Juni viel, een pak, dat een ontzaglijk grooten met koper ingelegden schrijflessenaar bevatte, waarin een stel amethysten besloten was, de leelijkste die men met oogen zien kon, eene speeldoos, en twee Jaarboekjes van het jaar te voren, alles vergezeld van een paar stukken goed voor kleedjes van de ongeloofelijkste kleuren. De sylphide kon bij de ontvangst dier schatten niet tot bedaren komen van lachen en verwondering. Nu is het maar al te waar, dat kolonel Altamont omstreeks dezen tijd een aankoop van sigaren en Fransche zijden stoffen bij eenige uitdragers in Fleet Street gedaan had; en Strong vond hem in de zaal der openbare verkoopingen in Cheapside, waar hij wat geld besteedde aan twee lessenaars, verscheidene paren pleten kandelaars, een middenstuk voor de tafel en een bagatelle-bord. Het middenstuk bleef op zijne kamer en prijkte daar bij de feestmalen, die de kolonel nog al dikwijls gaf. Hij beschouwde het als een waar prachtstuk, totdat Jan Holt zeide, dat het er uitzag, alsof men het in betaling voor eene kwade schuld had moeten overnemen, en Jan Holt was een man die het wel weten moest.
Er werd menig diner op de kamers gegeven, waaraan Sir Francis Clavering zich aanhoudend verwaardigde deel te nemen. Zijn eigen huis was gesloten; de opvolger van Mirobolant, die zijne rekeningen zoo voorbarig had ingezonden, was door de verontwaardigde Lady Clavering weggezonden; de weelde in huis werd zeer besnoeid en verminderd. Een der groote lakeien was ontslagen, waarop de andere zijn dienst had opgezegd, daar hij niet verkoos te blijven zonder zijn kameraad, of in eene familie waar slechts één knecht werd gehouden. De begum had algemeene en strenge bezuinigingen in hare huishouding ingevoerd, ten gevolge van de buitensporigheden, waaraan haar nietswaardige echtgenoot zich had schuldig gemaakt. Deze hervormingen werden vlug en met vaste hand doorgezet door den majoor, als raadsman van mylady, door Strong uit naam van den armen Clavering, door den zaakwaarnemer der lady, en door de eerzame begum zelve. Na de schulden van den baronet betaald te hebben, wier regeling heel wat opspraak onder het publiek verwekte en den baronet nog dieper in de schatting der wereld deed dalen dan reeds te voren het geval was geweest, vertrok Lady Clavering in grooten toorn van Londen naar Tunbridge-Wells, zonder haar snooden gemaal te willen zien, met wien niemand medelijden had. Clavering, die volstrekt geen lust had om zijne te recht verontwaardigde vrouw onder de oogen te komen, bleef bedaard in Londen, en sloop het Lagerhuis in en uit, van waar hij met kapitein Raff en den heer Marker ging biljarten en sigaren rooken; hij verscheen in de huizen waar boksers, liefhebbers van jacht of wedrennen enz. bijeenkwamen, of men zag hem nabij Lincoln’s Inn en het kantoor zijner procureurs drentelen, waar de patroons hem uren lieten wachten en de klerken elkander knipoogjes gaven terwijl hij op het kantoor zat. Geen wonder dat hij met genoegen de diners in Shepherd’s Inn bijwoonde, en daaronder zeer gelaten was; wat zeg ik, – gelaten? hij was nergens zoo gelukkig als daar; hij gevoelde zich ongelukkig onder zijne gelijken, die hem verachtten, maar hier was hij de hoofdpersoon aan tafel, waar men aanhoudend „Ja, Sir Francis”, en „Neen, Sir Francis” tegen hem zeide, en waar hij zijne flauwe grappen vertelde en met bevende stem zijn eentonige Fransche liedjes zong, nadat Strong zijne vroolijke refreinen opgedreund en de brave Costigan zijn Iersche balladen voorgedragen had. Zoo’n gezellig huishouden als dat van Strong, met Grady’s Iersche schotels en de door den chevalier aangemaakte punch na het diner, zou een genoegen zijn geweest voor menig beter man dan Clavering, die bang was voor de eenzaamheid van zijn groot huis, waar hij alleen bediend werd door de oude vrouw, die het bewaarde, en door zijn kamerdienaar, die hem bespotte.
„Ja, voor den duivel,” zeide hij tegen zijne vrienden in Shepherd’s Inn; „ik zou mijn knecht wegjagen, als ik hem niet twee jaar loon schuldig was, dien schavuit, en ik kan er mijne vrouw niet om vragen. Hij brengt mij des morgens mijne thee koud, met een verd– tinnen lepeltje, want hij zegt, dat mijne vrouw al het zilver naar den bankier gezonden heeft, omdat het bij mij niet veilig was. Is het niet hard, dat zij mij zelfs geen theelepeltje toevertrouwt? is dat niet onbetamelijk, Altamont? Ge weet, mijne vrouw is van lagen stand dat wil zeggen – ik vraag verschooning – hm – dat wil zeggen, het is barbaarsch van haar, dat zij mij zoo weinig vertrouwen schenkt. Zelfs de bedienden beginnen te lachen – die verwenschte schavuiten! Ik zal hun de beenderen in hunne groote luie lichamen stuk slaan; ik mag verd– wezen als ik het niet doe! Zij komen niet als ik schel; en – en mijn knecht was gisterenavond in den Vauxhall met een van mijne fijne overhemden en mijn fluweelen vest aan – ik weet dat het van mij was, – die verwenschte onbeschaamde schelm – en hij bleef dansen in mijn bijzijn! Hij zal nog eens aan de galg komen – hij verdient opgehangen te worden, en dat verdienen al die helsche schavuiten van knechts.”
Hij was tegenwoordig zeer voorkomend jegens Altamont; hij luisterde naar de pochende verhalen van den kolonel, wanneer Altamont beschreef hoe, toen hij eens van Nieuw Zeeland (waar hij op de walvischvangst was geweest) en naar het vaderland wilde terugkeeren, hij genoodzaakt was geweest met zijne kameraden bij nacht naar boord te sluipen, om, voor den drommel, aan hunne vrouwen te ontsnappen, – en hoe die arme schepsels, toen zij zagen dat het schip onder zeil ging, zich in hare kanoe’s wierpen en het als bezetenen naroeiden; hoe hij eenmaal drie maanden lang in de wildernissen van Nieuw-Zuid-Wallis verdwaald was geweest, toen hij zich voor handelszaken in dat land bevond; hoe hij Bonaparte op St Helena had gezien, en met de overige officieren van den Oostindievaarder, waarop hij stuurman was, aan hem was voorgesteld. Al deze verhalen (en onder het drinken vertelde Altamont veel, waarbij hij, wij moeten het bekennen, heel wat loog en zwetste) hoorde Sir Francis thans met groote oplettendheid aan, terwijl hij steeds aan tafel met Altamont klonk en hem met de meeste onderscheiding behandelde.
„Laat hem maar begaan, ik weet waar hij heen wil,” zeide Altamont lachend tegen Strong, die hem raad wilde geven, „en laat mij ook maar begaan; ik weet zeer goed wat ik zeg. Ik was officier aan boord van een Oostindievaarder, dat was ik; ik heb handel gedreven op Nieuw-Zuid-Wallis, dat heb ik gedaan, met een schip, dat mijn eigendom was, maar hetwelk ik verloren heb. Ik ben officier van den nabob geworden, dat ben ik; doch ik heb met mijn vorstelijken meester oneenigheid gehad, Strong, dat is waar! Wie wint of verliest iets bij hetgeen ik vertel? of wie weet wat van mij? Die andere knaap is dood; hij is in de wildernis doodgeschoten en te Sydney heeft men zijn lijk herkend. Als ik vooronderstelde dat iemand zou klappen, geloof ik, dat ik hem den hals zou omdraaien. Ik heb dat wel meer gedaan, Strong; –ik heb u verteld hoe ik met den opzichter heb afgerekend, voordat ik mij uit de voeten maakte – doch in een eerlijk gevecht, bedoel ik – in een eerlijk gevecht; of liever, hij was er het best aan toe. Hij had zijn geweer en bajonet, en ik slechts eene bijl. Er waren er wel vijftig die het aanzagen, – ja, en zij juichten mij toe, toen ik het deed, – en ik zou het andermaal doen, daar kunt gij staat op maken. Ik ben voor niemand bang; en het zou den man, die iets van mij verklapte, het leven kosten. Dat is mijn stelregel; geef mij nu de cognac nog eens aan. Gij zoudt toch de man niet zijn, om iemand te verraden? Ik ken u. Gij zit een brave kerel, en zult een vriend bijstaan, en gij hebt al den dood onder de oogen gezien, als een man. Maar wat dien bangen gluiper betreft, – dien akeligen leugenaar, dien bedrieger, dien kruipenden hond van een Clavering, – die in mijne schoenen staat – in mijne schoenen – laat hij naar den duivel loopen! Ik zal hem noodzaken mijne laarzen uit te trekken en ze te poetsen, dat zal ik. Ha, ha!” Bij deze woorden barstte hij in een woesten lach uit, waarop Strong opstond en de flesch wegzette. De ander bleef voortlachen, maar nu op eene vroolijke wijze. „Gij hebt gelijk, ouwejongen,” zeide hij; „gij houdt altijd uwe hersens bij elkander, dat is waar – en als ik te veel zou gaan praten – ik bedoel als ik zou gaan klappen, dan geef ik u verlof, ja verzoek en gelast ik u, de flesch weg te zetten.”
„Neem een raad van mij aan, Altamont,” zeide Strong ernstig, „en zie wel toe hoe gij met dien man omgaat. Zorg, dat hij er niet te veel belang bij krijge, u uit den weg te ruimen, want wie weet waartoe hij in staat is?”
Zeer spoedig deed zich het geval voor, waarnaar Altamont met een cyniek genot reeds had uitgezien. Op zekeren dag, toen Strong eene boodschap voor zijn patroon was gaan doen, kwam Sir Francis op de kamers en vond daar den afgezant van den nabob alleen. Hij verwenschte de wereld in het algemeen, omdat zij hardvochtig en onvriendelijk jegens hem was; hij verwenschte zijne vrouw, omdat zij hem niet genoeg geld gaf; hij verwenschte Strong, omdat hij ondankbaar was – honderden ponden had hij Strong gegeven; hij was zijn boezemvriend geweest en had hem, bij den hemel, uit de gevangenis verlost, – en nu trok de kapitein partij voor mylady tegen hem en steunde haar in hare vervloekt onaangename handelwijze jegens hem. „Zij hebben samengespannen om mij zonder een duit te laten zitten, Altamont,” zeide de baronet; „zij geven mij niet zooveel zakgeld al Frans op school heeft.”
„Waarom gaat gij niet naar Richmond om wat van hem te leenen, Clavering?” viel Altamont hier met een woesten lach in. „Hij zou het toch niet kunnen aanzien, dat zijn arme oude bedelaar van een vader zonder zakgeld liep, niet waar?”
„Ik verzeker u, dat ik genoodzaakt ben geweest mij jammerlijk te vernederen,” ging Clavering voort. „Zie eens, mijnheer; kijk deze beleenbriefjes eens aan! Verbeeld u een lid van het parlement en een oud-Engelsch baronet, voor den drommel, verplicht om eene pendule en een ingelegden inktkoker in den lommerd te brengen, en een pressepapier met een gouden eendekop, die mijne vrouw zeker vijf pond gekost heeft, en waarvoor men mij niet meer dan vijftien en een halven shilling wilde geven! O mijnheer, armoede is voor iemand van mijne levenswijze iets heel vernederends; ik heb er tranen om gestort, mijnheer, tranen; en die verwenschte knecht van mij – ik wou dat ik hem zag hangen! – had de verd– onbeschaamdheid mij te dreigen, dat hij het aan mylady zou vertellen; alsof de voorwerpen in mijn eigen huis, niet mijn eigendom waren, die ik kan verkoopen of behouden, of het venster uitwerpen als ik het verkies, – die verwenschte schavuit!”
„Huil maar een beetje; geneer je voor mij niet; het zal je goeddoen, Clavering,” zeide de ander. „Wel, ouwe jongen, wat hield ik je eenmaal voor een gelukkigen kerel, en wat zijt ge in wezenlijkheid een ongelukkig sujet.”
„Het is schande, dat zij mij zoo behandelen, niet waar?” vervolgde Clavering, want ofschoon de baronet gewoonlijk stilzwijgend en lusteloos was, kon hij over zijn eigen ongelukken een uur achtereen jammeren. „En – en, bij den hemel, mijnheer, ik heb niet eens geld genoeg om zelfs de vigilante te betalen, die aan de deur op mij staat te wachten; jufvrouw Bolton, de portierster, heeft mij reeds drie shillings geleend, en ik zou haar niet gaarne om meer vragen; ik heb er dien verd– ouden Costigan, dien verwenschten ouden kalen Ierschen schelm om gevraagd, en die bedelaar was geen shilling rijk; en Campion is uit de stad, anders zou hij wel een wisseltje van mij aannemen.”
„Ik dacht, dat gij op uw woord van eer aan uwe vrouw beloofd hadt, dat gij uw naam niet meer onder wissels zoudt zetten,” zeide Altamont, aan zijne sigaar trekkende.
„Waarom laat zij mij dan zonder zakgeld? Voor den duivel, ik moet geld hebben!” riep de baronet uit. „O Am– O Altamont, ik ben de beklagenswaardigste bedelaar die er loopt.”
„Gij zoudt zeker wel gaarne willen, dat iemand u een bankje van twintig pond leende?” vroeg de ander.
„Ik zou u voor eeuwig dankbaar zijn als gij dat wildet doen, – voor eeuwig dierbaarste vriend,” riep Clavering uit.
„Hoeveel zoudt ge er voor geven? Zoudt ge een wissel op zes maanden voor vijftig pond willen teekenen, wanneer ge de helft in geld en de andere helft in zilverwerk ontvingt?” vroeg Altamont.
„Ja, dat zou ik, zoo waarlijk helpe mij –, en stipt op den dag betalen,” kreet Clavering. „Ik zal den wissel betaalbaar stellen bij mijn bankier. Ik zal alles doen wat gij verkiest.”
„Nu, ik wilde u maar wat plagen. Ik zal u twintig pond geven.”
„Gij hebt vijf en twintig gezegd,” viel Clavering hem in de rede; „beste vriend, gij hebt vijf en twintig gezegd, en ik zal u eeuwig verplicht zijn. Ik wil het niet present hebben, – enkel maar ter leen, en ik zal het u over zes maanden terugbetalen. Ik zweer u, dat ik dat doen zal.”
„Nu, nu, daar is het geld, Sir Francis Clavering. Ik ben geen kwade kerel. Als ik geld op zak heb, voor den drommel, dan verteer ik het als een heer. Daar zijn vijf en twintig pond voor u. Verlies ze nu niet in de speelhellen. Ga naar Clavering Park, dan kunt ge er ik weet niet hoelang van leven. Gij hebt geen vleesch van den slachter noodig; er zullen op uw landgoed zeker wel varkens zijn; en gij kunt elken dag, tot het wild zich vertoont, konijnen schieten voor uw diner. Bovendien zullen de buren u van tijd tot tijd ten eten vragen, want gij zijt toch een wezenlijke baronet, al kost het u ook moeite uit de handen der justitie te blijven. En gij hebt den troost, dat ik voor langen tijd u van den hals zal zijn – misschien wel voor een paar jaar – als ik niet speel, en ik ben ook voornemens dat verwenschte rouge et noir niet meer aan te raken. Tegen dien tijd zal mylady – in mijn tijd placht ik Jimmy tegen haar te zeggen – wel weer bijgedraaid zijn; en dan zult gij zeker mij wel te hulp komen en u mild betoonen jegens uw boezemvriend.”
Op dit oogenblik kwam Strong terug en de baronet stelde, nu hij het geld was machtig geworden, niet veel belang in de voortzetting van het gesprek. Hij verliet dus Shepherd’s Inn, keerde naar huis terug, en veegde zijn knecht op eene zoo ongemeen heftige en brutale wijze den mantel uit, dat de man er uit opmaakte, dat zijn meester nog meer van het meubilair verpand had, of in ieder geval in het bezit van wat gereed geld was gekomen.
„En echter heb ik in huis rondgekeken, Morgan, zonder te kunnen ontdekken, dat hij iets meer weggenomen heeft,” zeide Sir Francis’ knecht tegen den kamerdienaar van majoor Pendennis, toen zij elkander kort daarna in hunne club spraken. „Mylady heeft vóór haar vertrek bijna al de buffetten afgesloten; de schilderijen en spiegels kon hij niet in eene vigilante wegvoeren, en de haardstellen zou hij toch niet verpanden – zoo gemeen is hij nog niet. Maar hij heeft op de een of andere wijze geld weten te bekomen, want hij is verduiveld onbeschoft zoodra hij bij kas is. Eenige avonden geleden zag ik hem in den Vauxhall, waar ik met de meisjes van Lady Hemly Babewood polkeerde (het is daar een heel pleizierig huis en het zijn er alle buitengewoon aardige meisjes, behalve de huishoudster, en die behoort tot de methodisten) – ik was dan aan het polkeeren – gij zijt een veel te ouwe vogel om te polkeeren, mijnheer Morgan – en dit gaat op uwe gezondheid – en ik had bij toeval wat van Clavering’s kleeren aan, en dat zag hij ook, maar hij durfde er geen woord van zeggen.”
„Hoe staat het met het huis in St. John’s Wood?” vroeg mijnheer Morgan.
„Daar is gerechtelijke verkooping. Alles wordt verkocht: de paarden, de piano, het rijtuig, in één woord alles. Mevrouw Montague Rivers is weg naar Boulogne. Zij is weg, Morgan. Ik voor mij geloof, dat zij zelve den gerechtelijken verkoop uitgelokt heeft en van hem af wilde zijn.”
„Speelt hij veel?” vroeg Morgan.
„Niet sedert de boel in duigen is gevallen. Toen uw ouwe en de procureurs en mylady die geweldige ruzie met hem hadden, viel hij op de knieën (zooals mylady aan jufvrouw Bonner heeft verteld, die het mij weer heeft overgebracht) en zwoer dat hij nooit meer eene kaart of een dobbelsteen zou aanraken, noch zijn naam op een stuk papier zou zetten, en mylady stond op het punt om hem de banknoten te geven om de schuld, die hij bij de wedrennen gemaakt had, af te doen; maar uw ouwe zeide (dat wil zeggen hij schreef het op een papiertje en schoof dit over de tafel naar de procureurs en mylady), dat het beter was, dat iemand anders de uitbetaling deed, want dat hij wat van het geld zou achterhouden. Het is een leepe ouwe vogel, jou ouwe!”
Die uitdrukking van „ouwe vogel”, door den jongen heer zou lichtvaardig op hem zelven en zijn meester toegepast, mishaagde mijnheer Morgan in de hoogste mate. Toen mijnheer Lightfoot die ergerlijke woorden voor de eerste maal gebruikte, bleek de boosheid van zijn kameraad slechts uit een zwijgend wenkbrauwfronsen; maar bij de tweede overtreding nam Morgan, die op sierlijke wijze eene sigaar rookte, welke hij op de punt van zijn pennemes gestoken had, die sigaar uit zijn mond en begon zijn jongen vriend te berispen.
„Wees zoo goed, Lightfoot, majoor Pendennis geen ouwe vogel te noemen, en mij evenmin dien naam te geven. Dergelijke woorden worden in fatsoenlijk gezelschap niet gebruikt, en wij hebben zoowel hier als in het buitenland in de eerste kringen verkeerd. Wij hebben met de eerste staatslieden van Europa op den vertrouwelijksten voet gestaan. Als wij buitenslands zijn, dineeren wij altijd bij prins Metternich en Louis Philippe. Wij komen hier in de eerste huizen, de allereerste, dat verzeker ik u. Wij gaan uit rijden met Lord John Russell en met burggraaf Palmerston, die aan het hoofd van het departement van buitenlandsche zaken staat. Wij dineeren bij den graaf van Burgrave en worden door den markies van Steyne over alles geraadpleegd. Wij behooren dus wel het een en ander te weten, mijnheer Lightfoot. Gij zijt een jongmensch, ik ben een ouwe vogel, zooals gij het noemt. Wij hebben beiden de wereld gezien, en wij weten beiden, dat alles niet afhangt van geld, noch van een baronetstitel, noch van een huis in de stad en een landgoed, noch van een miserabele vijf of zes duizend pond ’s jaars.”
„Het zijn er tien, mijnheer Morgan!” riep mijnheer Lightfoot met groote levendigheid uit.
„Die kunnen er geweest zijn, mijnheer,” antwoordde Morgan met kalme gestrengheid; „die kunnen er geweest zijn, mijnheer Lightfoot; maar thans zijn er geen zes meer, mijnheer, en misschien geen vijf. Er is drommels diep in het kapitaal gehakt, mijnheer, door de verwenschte verkwisting van uw meester met zijn dobbelen en zijne schuldbekentenissen en zijn huisje in Regents Park en zijne vele euveldaden. Het is een slecht mensch, mijnheer Lightfoot, – een slecht mensch, mijnheer, gelijk gij ook wel weet. En het is het geld niet, mijnheer – in elk geval zulk geld niet, dat van een Calcuttaasch procureur komt en zeker wel aan de arme hongerlijdende zwarten afgeperst is – dat aan een persoon aanzien in de maatschappij verschaft, zooals gij zeer goed weet. Wij hebben geen geld, maar wij komen overal; er is geene huishoudsterskamer van eenig belang in deze stad, mijnheer, waar James Morgan niet welkom is. En ik ben het geweest, Lightfoot, die u den toegang tot deze club heb verschaft, gelijk u bekend is, al ben ik maar een ouwe kraai, en zonder mijne ondersteuning zouden zij u gedeballoteerd hebben, zoo waar ik leef!”
„Ik weet het best, mijnheer Morgan,” zeide de ander met de meeste onderdanigheid.
„Welnu, mijnheer, noem mij dan niet meer ouwe kraai. Het staat niet fatsoenlijk, Frederik Lightfoot; ik heb u gekend toen gij als jongen den kost verdiendet met de portieren der vigilantes te openen en toen uw vader in moeielijkheden zat, en ik was het, die u de betrekking bezorgde toen die Franschman heenging. En al zijt gij voornemens met jufvrouw Bonner te trouwen, die wel een paar duizend pond kan hebben overgespaard (dat zal zij wel in de vijf en twintig jaar, dat zij de vertrouwde kamenier van Lady Clavering is geweest), zoo moet gij echter altijd in gedachte houden, mijnheer, wie u dien dienst bezorgd heeft, en wie het is, die weet wat gij te voren waart, mijnheer; en dus past het u niet, Frederik Lightfoot, mij een ouwe kraai te noemen.”
„Ik vraag u vergiffenis, mijnheer Morgan – ik kan toch niet méér doen dan schuld bekennen. Mag ik u een glaasje aanbieden en op uwe gezondheid drinken, mijnheer?”
„Gij weet, dat ik geen sterken drank gebruik, Lightfoot,” gaf Morgan bevredigd ten antwoord. „En dus gaat gij met jufvrouw Bonner trouwen, inderdaad?”
„Zij is oud, maar twee duizend pond is geen onbelangrijke som – begrijpt ge, mijnheer Morgan? Wij kunnen het Wapen van Clavering voor eene kleinigheid krijgen, en dat zal geen slechte speculatie zijn wanneer de spoorweg door Clavering loopt. En als wij er gevestigd zijn, hopen wij, mijnheer Morgan, dat gij er ons eens zult komen opzoeken.”
„Het is eene doodsche plaats, zonder goed gezelschap,” zeide mijnheer Morgan. „Ik ken ze zeer goed. In den tijd van mevrouw Pendennis plachten wij geregeld daarheen te gaan, en de buitenlucht frischte mij geheel op na de vermoeienissen van het Londensche leven.”
„De spoorweg zal mijnheer Arthur’s eigendommen in waarde doen stijgen,” merkte Lightfoot aan. „Hoeveel zoudt gij wel denken, mijnheer, dat zij jaarlijks opbrengen?”
„Iets minder dan vijftienhonderd pond, mijnheer,” gaf Morgan ten antwoord, waarop de ander, die de uitgebreidheid der landerijen van den armen Arthur kende, zijne tong tegen de wang duwde, maar wijselijk het stilzwijgen bewaarde.
„Is zijn knecht een aardig mensch, mijnheer Morgan?” hervatte Lightfoot.
„Pidgeon is nog niet aan goed gezelschap gewend; maar hij is nog jong, hij bezit goeden aanleg en heeft vrij veel gelezen, en ik geloof, dat hij zeer goed zal voldoen,” gaf Morgan ten antwoord. „Hij zou voor onze betrekkingen niet passen, Lightfoot, – hij heeft de wereld nog niet gezien.”
Toen de halve flesch sherry, die mijnheer Lightfoot, na mijnheer Morgan’s verklaring dat hij geen sterken drank gebruikte, besteld had, door de beide heeren gedronken was, waarbij zij den wijn tegen het licht hielden en met hunne lippen smakten en er knipoogjes tegen maakten, en den kastelein over de qualiteit plaagden, op de wijze van doorknede kenners, was Morgan’s gestoorde kalmte geheel hersteld en geraakte hij in eene stemming om zijn jongen vriend met de meeste welwillendheid te behandelen.
„Wat denkt gij van jufvrouw Amory, Lightfoot – vertel het mij eens in vertrouwen. Zoudt gij gelooven, dat wij verstandig zouden handelen – ge begrijpt mij wel – indien wij jufvrouw A. tot mevrouw A. P. maakten, comprenez vous?”
„Zij ligt altijd met hare mama overhoop,” zeide mijnheer Lightfoot. „Bonner is meer dan opgewassen tegen de oude dame, en behandelt Sir Francis als – als dit overschotje, dat ik in den aschbak werp. Maar zij durft geen woord tegen jufvrouw Amory zeggen, en dat durft niemand van ons. Wanneer er een bezoeker komt, dan lacht zij en kijkt zij zoo smachtend, dat men haar zijn zondagsgeld te bewaren zou geven; en nauwelijks heeft hij zijne hielen gelicht, of zij gaat als eene kleine duivelin te werk en zegt dingen, die een mensch dol maken. Als mijnheer Arthur komt, dan is het: „Och, laten wij dat heerlijke liedje nog eens zingen!” of: „Kom, schrijf die lieve versjes eens in mijn album,” ofschoon zij pas een oogenblik te voren hare moeder geplaagd, of hare kamenier speldeprikken gegeven heeft. Zij steekt haar werkelijk met spelden en knijpt haar. Marie Ann liet mij zien, dat een harer armen bont en blauw was, en ik herinner mij nog, dat jufvrouw Bonner, die zoo jaloersch op mij is als een oude kat, haar een oorveeg gaf, omdat zij mij haar arm toonde. En dan moest ge het juffertje eens aan de ontbijttafel zien, als er geen vreemden bij zijn! Zij zou de menschen wel willen wijs maken, dat zij nooit eet; maar o, ge moest het eens zien! Marie Ann moet haar poddingen en crêmes op hare slaapkamer brengen, en de kok is de eenige man in huis, dien zij beleefd behandelt. Bonner zegt, dat, toen zij het tweede seizoen in Londen waren, mijnheer Soppington hare hand wilde vragen en ook werkelijk op zekeren dag kwam om het te doen, maar hij zag haar een boek in het vuur werpen en hare moeder zoo erg uitschelden, dat hij ongemerkt de deur weer uitging, zooals hij gekomen was; en heel spoedig daarop vernamen wij, dat hij jufvrouw Rider getrouwd had. O, het is een echte feeks, die kleine Blanche, dat is mijn opienje over haar, mijnheer Morgan.”
„Ompinie, niet opienje, Lightfoot, beste jongen,” zeide mijnheer Morgan met vaderlijke goedheid, en vroeg toen zich zelven met een zucht af, waarom ter wereld zijn ouwe toch begeerde, dat mijnheer Arthur zulk een meisje zou huwen? Het vertrouwelijk gesprek der beide heeren werd daarop gestoord door het binnenkomen van andere heeren, die leden der club waren; de nieuwtjes uit de voorname wereld, de politiek, het smousjassen en andere vermaken kwamen nu te berde en het onderhoud werd algemeen.
De Gentleman’s Club vergaderde in eene vrije kamer der herberg the Wheel of Fortune, in een gezellig zijstraatje van de groote straten van Mayfair, en werd door eenige der meest voorname „heeren” bezocht. Hunner meesters zaken, schulden, intrigues en avonturen, de goede en slechte hoedanigheden hunner meesteressen en hare geschillen met haar echtgenooten, kortom alle familiegeheimen werden hier met volkomen vrijmoedigheid en vertrouwelijkheid besproken; en wanneer een „heer.” in een nieuwen dienst zou gaan, kon hij hier alle vereischte inlichtingen krijgen over de familie, waarvan hij lid zou worden. Men kan wel begrijpen, dat er in dezen fijnen kring geene livreien werden toegelaten; en de gepoeierde hoofden der langste Londensche lakeien zouden zich tevergeefs gebogen hebben, om toegang tot de Gentleman’s Club te verzoeken. Deze uitgebannen reuzen in livrei gebruikten hun bier in een andere kamer van the Wheel of Fortune en konden evenmin lid van deze club worden, als een winkelier uit de Pall Mall, of een procureur uit Lincoln’s Inn, lid der clubs van Bays of Spratt. Alleen dan ook omdat het gesprek, hetwelk wij hebben mogen afluisteren, een zeker licht over de personen en de gebeurtenissen van ons verhaal verspreidt, hebben wij het gewaagd den lezer in zulk voornaam gezelschap binnen te leiden.
TWEE EN ZESTIGSTE HOOFDSTUK.
ZOOALS HET IN DE WERELD GAAT.
Korten tijd na het bijzondere geluk, hetwelk kolonel Altamont te Epsom weervaren was, ondernam die heer zijne voorgenomen buitenlandsche reis, en de dagblad-correspondent, die het nieuws uit de groote wereld opzamelt en zich naar de London Bridge begeeft om van de voorname lui, die dit land verlaten, afscheid te nemen, meldde, dat onder de passagiers, die verleden Zaterdag met de stoomboot Soho naar Antwerpen vertrokken waren, zich bevonden hadden „Sir Robert Hodge met zijne gemalin en zijne dochters, de beroemde advocaat Kews met echtgenoote en dochter, kolonel Altamont, majoor Coddy, enz.” De kolonel reisde met de staatsie, die een gentleman betaamt, vertoonde zich in een opzichtig reiscostuum, dronk gedurende den overtocht eene groote hoeveelheid grog, en was niet zeeziek, gelijk verscheiden andere passagiers. Hij werd bediend door zijn lijfknecht, den trouwen Ierschen soldaat, die reeds sinds eenigen tijd hem zelven en kapitein Strong op hunne kamers in Shepherd’s Inn gediend had.
De chevalier gebruikte een lekker afscheidsdiner te Blackwall met zijn vriend den kolonel en een paar anderen, die vele toasten op Altamont instelden, op kosten van dien vrijgevigen heer. „Strong, ouwe jongen,” zeide des chevaliers waardige kameraad, „als ge wat geld noodig hebt, dan moet ge er nu bij zijn. Ik ben uw man. Gij zijt een goede kerel en hebt mij goed behandeld en een bankje van twintig pond meer of minder kan mij niet schelen.” Doch Strong gaf ten antwoord, dat hij geen geld noodig had; hij had geld genoeg, – „dat wil zeggen, niet genoeg, Altamont, om u terug te betalen wat gij mij onlangs geleend hebt, maar genoeg om het nog eenigen tijd uit te houden,” – en in dier voege scheidden zij van elkander op vrij hartelijke wijze. Had het bezit van geld Altamont wezenlijk eerlijker en beminnelijker gemaakt dan hij tot nog toe geweest was, of was hij alleen daardoor beminnelijk in Strong’s oogen geworden? Het is wel mogelijk, dat hij wezenlijk verbeterd was en dat het geld hem beter had gemaakt. Misschien was het de schoonheid van den rijkdom, die Strong in de oogen blonk en hem ontzag inboezemde, maar in ieder geval dacht hij bij zich zelven: „Die arme drommel, die ongelukkige teruggekeerde gedeporteerde, is een tienmaal betere kerel dan mijn vriend, de baronet, Sir Francis Clavering. Op zijne manier, is hij moedig en eerlijk. Hij zal een vriend getrouw blijven en een vijand onder de oogen durven zien. Clavering heeft nooit voor het eene noch het andere moed gehad. En wat is nu de misdaad, die zoo zwaar op den armen drommel drukt? Hij is een beetje onbesuisd geweest en heeft den naam van zijn schoonvader nagemaakt. Menigeen heeft veel erger dingen gedaan; maar is er desniettemin goed afgekomen, en houdt zijn hoofd fier omhoog. Dat is het geval met Clavering. Maar neen, die houdt het hoofd niet omhoog; dat heeft hij zelfs in zijne beste dagen niet gedaan.” En het berouwde Strong misschien wel, dat hij gelogen en den milden kolonel verzekerd had geen geld noodig te hebben; maar dat was dan toch eene leugen aan den eerlijken kant, en de chevalier kon zich niet vermannen om nu voor de tweede maal iets van zijn gebannen vriend te leenen. Bovendien, hij kon rondkomen. Clavering had hem wat geld beloofd; diens beloften waren wel niet veel te vertrouwen, doch de chevalier was altijd vol hoop en rekende op menige kans om zijn patroon aan zijn woord te houden en zich eenige van de remises en toevoeren toe te eigenen, die het zijn voornaamste werk was voor zijn principaal op te loopen.
Hij had er over gebromd, dat Altamont de kamers in Shepherd’s Inn met hem moest bewonen; maar hij vond die vertrekken thans somberder zonder zijn kameraad dan toen deze er nog was De eenzaamheid strookte niet met zijn gezelligen aard, en bovendien had hij kostbare en weelderige gewoonten aangenomen, daar hij een knecht ter beschikking had gehad om zijne boodschappen te doen, zijne kleeren in orde te houden en zijn maaltijd te bereiden. Het was thans een grootsch en aandoenlijk tooneel, dezen statigen en voornamen heer zijn eigen laarzen te zien poetsen, zijn eigen lamscôtelet te zien braden. Wij hebben reeds vroeger vermeld, dat de chevalier eene vrouw had; eene Spaansche dame uit Vittoria, die weer naar hare familie was teruggekeerd na eene echtverbintenis van weinige maanden met den kapitein, dien zij met een schotel een gat in zijn hoofd had gegooid. De chevalier werd na het vertrek van zijn vriend den kolonel melancholisch, of was, om zijn eigen beeldspraak te bezigen, „landerig.” Dergelijke oogenblikken van neerslachtigheid en tijden van tegenspoed komen aanhoudend in het leven van helden voor, getuige Marius te Minturnae, Charles Edward in de Schotsche Hooglanden en Napoleon vóór Elba. Welk groot man is niet genoodzaakt geweest aan kwade kansen het hoofd te bieden?
Van Clavering was een tijdlang geen ondersteuning te wachten. De vijf en twintig pond, die de voorbeeldige baronet van mijnheer Altamont ontvangen had, waren even snel door zijne vingers gedropen als alle vroegere gelden. Hij was de rivier afgezakt met een uitgezocht gezelschap van liefhebbers der edele bokskunst, die de politie misleidden en in het graafschap Essex aan wal stapten, waar zij Billy Bluck lieten vechten tegen Dick den koetsier, op wien de baronet wedde en die ook de overhand behield dertien achtereenvolgende malen dat de bokspartij hernieuwd werd, totdat Billy hem, door een ongelukkigen slag op de keel, dood ter aarde velde. „Het loopt mij altijd tegen, Strong,” zeide Sir Francis; „de weddenschappen stonden drie tegen één voor den koetsier, en ik achtte mij zoo zeker van dertig pond, alsof ik ze reeds op het zak had. En nu ben ik, voor den duivel, veertien pond aan mijn knecht Lightfoot schuldig, die hij mij geleend en voor mij betaald heeft; en hij maant mij er om, die verwenschte, onbeschaamde rekel; en ik wenschte dat ik maar middel wist om een wisseltje te disconteeren of mijne vrouw over de brug te doen komen! Ik zal u de helft geven, Ned; bij mijn ziel en mijn eer, ik zal u de helft geven als gij een wisseltje van vijftig pond kunt plaatsen.”
Maar Ned antwoordde stuursch, dat hij zijn woord als gentleman aan Lady Clavering gegeven had, dat hij zich niet meer leenen zou tot verdere wisselzaken van haar man (die daartoe ook zijn woord van eer gegeven had), en de chevalier verklaarde, dat hij althans woord zou houden en liever zijn gansche leven zijn eigen laarzen zou poetsen dan zijne belofte ontrouw worden. En wat meer is, hij dreigde dat hij bij het eerste blijk, dat Sir Francis het aan mylady gegeven woord wilde breken, haar daarvan zou verwittigen.
Op die mededeeling begon Sir Francis Clavering volgens zijne gewoonte hevig te tieren en te vloeken. Hij zeide, dat de dood zijn eenige uitkomst was. Hij bezwoer en smeekte zijn lieven Strong, zijn besten vriend, zijn goeden ouden Ned, hem niet te verloochenen; doch toen hij zijn liefsten Ned verlaten had en de trap van Shepherd’s Inn afging, vloekte en schold hij hem als den gemeensten schurk, verrader, deugniet en lafaard onder de zon; hij wenschte Ned in het graf en in eene nog erger plaats, maar aan den anderen kant verlangde hij, dat die gemeene schelm in het leven zou blijven, totdat Frans Clavering zich op hem had kunnen wreken.
Op de kamer van Strong ontmoette de baronet een heer, die tegenwoordig, gelijk wij reeds hebben aangestipt, zeer drukke bezoeken in Shepherd’s Inn aflegde, namelijk mijnheer Samuel Huxter, van Clavering. Die jonge heer, die in zijne jeugd in Clavering Park okkernoten gekaapt had en den baronet met vier paarden door de straten van het landstadje had zien rijden en met steigerende paarden en gepoeierde lakeien voor de kerk stilhouden, koesterde een onbeschrijfelijken eerbied voor het parlementslid zijner stad en was verbazend opgetogen, dat hij kennis met hem mocht maken. Hij stelde zich zelven, erg blozende en bevende, aan hem voor als een inboorling van Clavering, – den zoon van mijnheer Huxter op de markt, – zijn vader had den boschwachter van Sir Francis, met name Coxwood, behandeld, toen deze door het springen van zijn geweer drie vingers had verloren; hij was bijzonder vereerd, kennis met Sir Francis te mogen maken. Deze geheele eigen voorstelling liet Sir Francis zich zeer minzaam welgevallen. De eerzame Huxter had vervolgens tegen zijne kameraden in het Bartholomeus-hospitaal den mond vol over Sir Francis en verzekerde aan Fanny, in de portiersloge, dat er toch niets boven zoo’n voornaam heer, zoo’n echt oud-Engelsch gentleman uit den ouden tijd ging! Fanny antwoordde daarop echter, dat zij Sir Francis een akeligen vent vond, – zij wist niet waarom, – maar zij kon hem niet uitstaan; zij hield zich overtuigd, dat hij slecht, gemeen en laag was, zij gevoelde dat hij dit was; en toen Sam daarop hernam, dat Sir Francis zeer vriendelijk was en op de minzaamste wijze een halven sovereign van hem geleend had, barstte Fanny in het lachen uit, trok Sam bij zijn lang haar (dat nog niet van onberispelijke zindelijkheid was), tikte hem op de kin, noemde hem een malloot, een ouwe malloot, en zeide, dat Sir Francis altijd geld van iedereen leende, dat ma het hem tweemaal had geweigerd en dat zij drie maanden had moeten wachten om zeven shillings terug te krijgen, die hij van ’aar had geleend.
„Gij moet niet zeggen van ’aar, maar van haar,” zeide Huxter, niet om aanmerking te maken op haar betoog, maar om eene taalfout te verbeteren.
„Nu dan: van haar, ouwe malloot,” hernam het meisje, en de leerlinge zette zulk een aardig gezichtje, dat de taalmeester dadelijk tevreden was gesteld, en met genoegen op staanden voet nog honderd lessen zou hebben gegeven tegen den prijs, dien hij voor die ééne nam.
Natuurlijk was jufvrouw Bolton er bij, en ik denk dat Fanny en mijnheer Sam toen op een zeer gemeenzamen en vertrouwelijken voet stonden, en dat de tijd voor de eerstgenoemde troost had opgeleverd en zekere smarten gelenigd, die op het oogenblik, wanneer zij zich doen gevoelen, drommels bitter, maar, evenmin als kiespijn, of eenig ander leed, eeuwigdurend zijn.
Als ge u neerzet, omringd door eerbied en genegenheid; in uw ouden dag gelukkig, geëerd en gevleid; als men geduld heeft met uwe zwakheden, uwe laatste woorden welwillend ter harte neemt, uwe vervelende oude verhalen voor de honderdste maal met plichtmatig geduld en nimmer uitblijvende geveinsde lachjes aanhoort; als de vrouwen des huizes onvermoeid zijn in hare vleierijen, de jonge mannen stil en aandachtig zoodra gij begint te spreken, de dienstboden vol ontzag; wanneer de pachters, met de pet in de hand, gereed staan de plaats van mijnheers paarden in te nemen, als uwe genade verkiest te gaan rijden, – dan heeft het dikwijls bij u moeten opkomen, o nadenkende Rijkaard! dat al die eerbied, al dat eerbetoon voor het grootste gedeelte met het bezit van uw geld wordt overgedragen op uw opvolger, – dat de dienstboden uw zoon zullen bedienen en uwe pachters hem zullen toejuichen evenals u; dat de hofmeester hem den (door het liggen verbeterden) wijn zal brengen, die zich nu in uw kelder bevindt; en dat de zon van voorspoed en vleierij (even zeker als de morgen na en zonder u aanbreekt) op uw erfgenaam zal schijnen, wanneer uw nacht gekomen en het licht des levens voor u uitgebluscht is. De menschen komen zich koesteren in den gloed der effecten en landerijen, die allerwege van hem uitstraalt; de eerbied gaat te gelijk met het landgoed over, waarvan hij op zijne beurt de levenslange huurder wordt met al de voordeelen, de genoegens, de vereering en de klandizie. Hoe lang wenscht of verwacht gij, dat de menschen u zullen betreuren? Hoeveel tijd besteedt een mensch aan de droefenis, eer hij tot het genot overgaat? Een groot man moest zijn erfgenaam eene plaats bij zijne feesten geven als een levend memento mori. Indien hij zeer veel aan het leven hecht, moet de aanwezigheid van den ander hem een aanhoudende prikkel en vermaning zijn. „Maak u gereed om heen te gaan,” zegt de opvolger tegen uwe genade; „ik wacht; en ik kan het evengoed besturen als gij.”
Wat heeft deze toespraak tot een denkbeeldigen lezer met de personen uit deze geschiedenis te maken? Zouden wij het willen vergoelijken, dat Pen een witten hoed draagt en dat de rouw over zijne moeder lichter is geworden? De loop der jaren, de wisseling van het fortuin, de gebeurtenissen des levens, hoe sterk zij hem mogen bewegen of hoe krachtig ze hem opwinden, kunnen dat heilige beeld nimmer uit zijn hart verdrijven, noch die gewijde liefde uit haar heiligdom verbannen. Indien hij voor het kwade bezwijkt, zullen die dierbare oogen droevig op hem staren; indien hij goed doet, smart lijdt of de verzoeking overwint, zal die altijd tegenwoordige liefde, gelijk hij weet, hem goedkeuring schenken of met hem lijden; als hij valt, zal zij voor hem pleiten, als hij treurt, hem opbeuren; zij zal bij hem zijn en hem vergezellen totdat de dood voorbij is en smart en zonde niet meer bestaan. Zijn dit droomerijen, of zijn het nuttelooze zedepreeken van een luien romanschrijver? Mag ook niet de man van de wereld wel eens ernstig en nadenkend zijn? Vraag het aan uw eigen hart en uw eigen herinnering, broeder en zuster, of wij niet in de dooden leven, en (met eerbied gezegd) het bestaan van God bewijzen uit de liefde?
Pen en Warrington spraken over deze onderwerpen in latere dagen in menig plechtig en vriendschappelijk onderhoud, en Pen vereerde zijne moeder in de herinnering en aanbad haar bijna, gelijk zulk eene heilige verdiende. Gelukkig degeen, die in zijn leven eenige weinige vrouwen van dien stempel leert kennen! Het was eene vriendelijke beschikking van den hemel, dat Hij er ons zoodanige toegezonden, en ons dat aandoenlijke en indrukwekkende tafereel van onschuld, liefde en schoonheid te bewonderen gegeven heeft.
Maar daar het zeker is, dat Arthur en Warrington, indien een vreemde, bij voorbeeld majoor Pendennis, in den loop dezer sentimenteele gesprekken Pen’s kamer ware binnengekomen, hun onderhoud gestaakt en een ander onderwerp gekozen zouden hebben, om te spreken over de opera, of de laatste debatten in het parlement, of het huwelijk van jufvrouw Jones met kapitein Smith, en zoo meer, – zoo zullen wij ons voorstellen, dat het publiek op dit oogenblik binnentreedt, aan het vertrouwelijk onderhoud tusschen den schrijver en den lezer een einde maakt, en ons verzoekt voort te gaan met onze opmerkingen over deze wereld, met welke wij beiden voorzeker beter bekend zijn dan met die andere, waarin wij zoo even een blik hebben geslagen.
In den eersten tijd toen Arthur Pendennis in het bezit van zijn erfdeel was gekomen, gedroeg hij zich zoo ingetogen en bedaard, dat zijn vriend Warrington hem prees, ofschoon Arthur’s oom zich eenigszins ergerde, dat zijn neef de kleingeestigheid had om geen grooter staat te voeren en geen meer vertoon te maken, nu hij in de heerschappij over zijn koninkrijk was opgevolgd. Hij had gewenscht, dat Arthur fraaie kamers zou nemen, en dagelijks met schoone paarden in het park of in een sierlijk rijtuig door de stad rijden. „Ik ben te onoplettend om zelf te mennen door Londen.” gaf Arthur lachend ten antwoord; „de omnibussen zouden mij overrijden, of ik zou met den kop van mijn paard de glazen der rijtuigen, waarin de dames zaten, verbrijzelen; en gij zoudt toch niet verlangen, oom, dat ik door mijn knecht gereden werd, gelijk een apotheker?” Neen, majoor Pendennis wilde, om geen geld ter wereld, dat zijn neef een apotheker zou schijnen; zoo diep moest de doorluchtige vertegenwoordiger van het huis Pendennis zich niet vernederen. En toen Arthur schertsende voortging: „En toch geloof ik, oom, dat vader heel blij was toen hij voor het eerst een sjeesje kon houden,” kuchte de oude majoor, en er kwam een blos op zijn gerimpeld gelaat toen hij antwoordde: „Herinner u, neef, dat Bonaparte zeide: il faut laver son linge sale en famille. Gij behoeft er niet op te pochen, dat uw vader een – een geneesheer was. Hij stamde uit een overoud hoewel verachterd geslacht, en was verplicht het fortuin der familie weer op te richten, zooals menig man van goede familie vóór hem heeft gedaan. Gij zijt gelijk aan dien man van wien Sterne spreekt, neef, – den markies, die zijn degen kwam terugvragen. Uw vader heeft den uwen voor u teruggekregen. Gij zijt, voor den drommel, een grondbezitter en een gentleman, neef, – vergeet nooit, dat gij gentleman zijt!”
Maar daarop keerde Arthur het argument, dat hij den ouden heer dikwijls ten opzichte van hem zelven had hooren bezigen, zeer behendig tegen zijn oom. „Wie bekommert zich, in de kringen, die ik ten gevolge van uwe introductie de eer heb te bezoeken, om mijn onbeduidende middelen of mijn gering aanzien, oom?” vroeg hij. „Het zou dwaas van mij zijn met de groote lui te willen wedijveren, en al wat zij van ons kunnen vergen, is, dat wij fatsoenlijk praten en goede manieren hebben.”
„Maar desniettemin, mijnheer, zou ik zorgen lid te worden van een paar betere clubs,” hernam zijn oom; „ik zou nu en dan eens een diner geven en mijne vrienden met zorg kiezen; en ik zou van dien akeligen zolder in den Temple af komen, mijnheer.” Daarop gaf Arthur van zijn kant wat toe, door naar de tweede verdieping in Lamb Court af te dalen, ofschoon Warrington zijn oude vertrekken bleef bewonen, en de beiden vrienden vast besloten waren niet van elkander te scheiden. Houd die vriendschapsbanden uwer jeugd zorgvuldig in stand, waarde lezer; het is alleen in dien edelaardigen leeftijd, dat zij aangeknoopt worden. Hoe geheel anders is de vriendschap van latere jaren! en wat is de druk van uw eigen hand minder krachtig nadat zij gedurende twintig jaren omgangs met de wereld geschud is en duizend even onverschillige handen heeft gedrukt en losgelaten! Evenals gij, na uw twintigste jaar, er zelden in zult slagen uw mond een andere taal te leeren spreken, zoo begint het hart zeer spoedig te weigeren eene nieuwe vriendschap te sluiten: het wordt te hard, om indruk op zich te laten maken.
Pen dan bezat vele kennissen, en daar hij van vroolijken en inschikkelijken aard was, kreeg hij er nog dagelijks nieuwe bij; maar hij vond geen vriend meer gelijk Warrington: en beiden waren bijna even veel in elkanders gezelschap als de Tempelridders; zij reden op een zelfde paard (want dat van Pen stond ter beschikking van Warrington) en hadden hunne kamers en hun bediende gemeen.
Mijnheer Warrington had kennis gemaakt met Pen’s vrienden in Grosvenor Place gedurende hun laatste rampspoedige seizoen in Londen, en was even weinig als het groote publiek over Sir Francis Clavering en de dochter van mylady gesticht. „Ten aanzien van die menschen heeft de wereld gelijk,” zeide George. „De jonge heeren lachen en spreken bij en over die dames met de meeste vrijmoedigheid. Dat meisje gaat om met menschen, die zij niet moest kennen, en spreekt met mannen, met welke geen meisje zich behoorde op te houden. Hebt gij die twee losbollen, die onlangs in het park over Lady Clavering’s rijtuig heen leunden, wel onder jufvrouw Blanche’s hoed zien gluren? Geen goede moeder zou veroorloven dat hare dochter die twee mannen kende, noch hen in haar huis toelaten.”
„De begum is de onschuldigste en goedhartigste ziel die er leeft,” viel Pen hem in de rede. „Zij heeft nooit iets kwaads van kapitein Blackball gehoord en het verslag van dat proces, waarin Charley Lovelace eene rol gespeeld heeft, nooit gelezen. Denkt gij, dat fatsoenlijke dames de chronique scandaleuse zoo goed lezen en zich herinneren als gij, oude knorrepot?”
„Zoudt gij goedvinden, dat Laura Bell die kerels kende?” vroeg Warrington, terwijl hij een weinigje bloosde. „Zoudt gij dulden, dat de vrouw, die gij liefhadt, door hun gezelschap beleedigd wierd? Ik twijfel er niet aan, dat die arme begum onkundig is van hunne levensgeschiedenis; ik geloof dat zij nog zeer vele betere dingen ook niet weet. Het komt mij voor, Pen, dat uw eerzame begum geen lady is. Het is buiten twijfel hare schuld niet, dat zij de opvoeding eener dame niet gehad en de fijne beschaving eener dame niet geleerd heeft.”
„Zij is even fatsoenlijk als Lady Portsea, die jan en alleman op hare bals ontvangt, en even beschaafd als mevrouw Bull, die zeer plat spreekt en een half dozijn hertogen bij zich aan het diner ziet,” gaf Pen vrij bits ten antwoord. „Waarom zouden gij en ik nuffiger zijn dan de geheele wereld? Waarom zouden wij de zonden der vaderen aan dit welwillende schepsel, dat niemand kwaad doet, bezoeken? Zij heeft noch u noch eenig ander sterveling iets anders dan vriendschap bewezen. Zij doet haar best, zooveel in haar vermogen staat. Zij geeft zich niet uit voor iets meer dan zij is. Zij verschaft u de beste diners, die zij koopen kan, en het beste gezelschap, dat zij krijgen kan. Zij betaalt de schulden van haar schavuit van een echtgenoot. Zij bederft haar zoon, gelijk de deugdzaamste moeder in Engeland. Haar oordeel over letterkundige zaken, dat beken ik, heeft niet veel te beteekenen; en ik ben zeker, dat zij nooit een regel van Wordsworth gelezen en nooit in haar leven van Tennyson gehoord heeft.”
„Dat heeft vrouw Flanagan de waschvrouw ook niet,” bromde Pen’s Mentor, „en Betty de werkmeid evenmin, en het zal niet in mij opkomen, haar dat kwalijk te nemen. Maar een man van fijn gevoel kiest dezulken niet tot zijne vriendinnen; een gentleman kiest ze niet tot zijne gezellinnen, en indien hij het doet, berouwt het hem in later tijd bitter. Zoudt gij, die voor een man van de wereld en een wijsgeer wilt doorgaan, mij diets willen maken, dat het verzwelgen van drie services en het dineeren op zilver het doel des levens is? Durft gij u zelven bekennen, dat goede wijn het toppunt uwer eerzucht is, en dat gij met iedereen wilt dineeren, onverschillig wien, indien gij maar van een vetten os te eten krijgt? Gij noemt mij cyniek, – doch wat is het een monsterachtig cynicisme, hetwelk gij en de overige mannen van de wereld verkondigt. Ik zou liever rauwe rapen eten en in de woestenij gaan leven, of een wildeman worden, dan mij tot dit peil van beschaving te verlagen, en te bekennen, dat een Fransche kok het hoogste is waarvoor men leven kan.”
„Omdat gij van rauwe biefstuk en daarna van een pijpje houdt,” viel Pen uit, „neemt gij eene meerderheid aan boven menschen, die een fijneren smaak bezitten en zich niet schamen over de wereld in welke wij leven. Wie is er, die bijzondere bewondering, achting, vriendschap of dankbaarheid aan den dag legt, zelfs voor de menschen welke men iederen dag ontmoet? Indien A. mij ten zijnent noodigt en mij het beste voorzet wat hij bezit, neem ik zijne goede gaven aan voor hetgeen zij waard zijn en voor niets meer. Ik beweer niet, dat ik het hem terug zal betalen in vriendschap, maar wel in de conventioneele munt der maatschappij. Als wij van elkander gaan, scheiden wij zonder smart. Wanneer wij elkander weer ontmoeten, zijn wij matig verheugd elkander weer te zien. Indien ik enkel met mijne vrienden moest omgaan, zou uw zwarte snuit, ouwe George, het eenige gezicht wezen, dat ik zien zou.
„Gij zijt de waardige pupil van uw oom en spreekt als een wereldling,” zeide Warrington min of meer weemoedig.
„En waarom niet?” vroeg Pendennis, „waarom zou ik niet meedoen met de wereld, op welke ik rondwandel, en geen vrede hebben met de inrichting der maatschappij in en door welke wij leven? Ik ben ouder dan gij, George, ondanks uwe grijzende bakkebaarden, en heb veel meer van de wereld gezien dan gij hier op uw zolder, waar gij met uwe boeken, uwe mijmeringen en uwe denkbeelden van een een-en-twintigjarig jongeling ingemetseld hebt gezeten. Ik zeg nogmaals, dat ik de wereld neem gelijk zij is, en, daar ik tot haar behoor, mij niet over haar zal schamen. Ben ik geroepen of sterk genoeg om de wereld, als zij in de war is, weer in orde te brengen?”
„Neen, waarlijk, ik geloof niet dat een van beide het geval met u is,” bromde Pen’s vriend.
„Al betwijfel ik, of ik beter ben dan mijn naaste,” ging Arthur voort, „al erken ik, dat ik niets beter ben, zoo twijfel ik evenzeer of hij beter is dan ik. Ik zie, dat menschen, die met voornemens van een algeheele hervorming de wereld intraden en, reeds voordat hunne baarden uitgebot waren, zich grootsche plannen voor de herschepping der menschheid hadden voorgesteld, hunne ontwerpen na eenige jaren van vruchteloos gepraat en van ijdele pogingen om hunne medemenschen te leiden, opgeven, en, wanneer zij bevonden hebben, dat de menschen niet meer naar hen willen luisteren (gelijk zij dan ook nooit waard waren dat men naar hen luisterde), stilletjes weer in den grooten hoop wegzinken en erkennen dat hunne oogmerken onbereikbaar waren, of dankbaar zijn dat die nooit in toepassing zijn gebracht. De vurigste hervormers bedaren en schikken zich eindelijk in de dingen gelijk zij zijn; de luidste schreeuwende radicale redenaars worden stomme, onderworpen ambtenaren, de gloeiendste liberalen worden alledaagsche conservatieven wanneer zij buiten het bewind zijn, of onuitstaanbare tirannen of despoten zoodra zij de teugels der regeering in handen hebben. Let maar een op Thiers en Guizot, wanneer zij òf in de oppositie zijn, òf op het kussen zitten! Let maar op de Whig’s wanneer zij het volkophitsen, en op de Whig’s wanneer zij het bewind voeren! Zoudt gij willen beweren, dat die mannen zich verraderlijk gedragen, zooals de radicalen bazelen, die op hunne beurt eveneens zouden handelen, indien hunne beurt ooit kwam? Neen, zij plooien zich slechts naar omstandigheden, die sterker zijn dan zij, – zij streven naar hervorming, gelijk de wereld daarnaar streeft, maar met den stap, die aan de wereld eigen is (en de bewegingen van zulk een ontzaglijk lichaam als de wereld moeten noodwendig langzaam zijn); zij laten het eene plan varen als onuitvoerbaar, uithoofde van de oppositie, – het andere als ontijdig, omdat het strijdt met de inzichten der meerderheid! zij zijn genoodzaakt zoowel de nadeelen en de bezwaren te berekenen, als aan hervorming en vooruitgang te denken, en ten slotte zien zij zich gedwongen te wijken, te wachten en te modderen.”
„Zijn excellentie de heer Arthur Pendennis zou niet beter kunnen spreken, niet méér over zich zelven voldaan kunnen zijn, indien hij kanselier der schatkist ware,” zeide Warrington.
„Over mij zelven voldaan? Waarom dat?” ging Pen voort. „Het schijnt mij toe, dat mijne twijfelzucht eerbiediger en bescheidener is dan het revolutionaire vuur van andere menschen. Menig patriot van achttien jaar, menig redenaar in eene volksclub zou morgen de bisschoppen uit het Hoogerhuis willen verdrijven en de lords na de bisschoppen, om eindelijk, na de pairs en de rechterlijke macht, den troon in den Theems te werpen. Is zulk een man bescheidener dan ik, die deze instellingen aanneem gelijk ik ze vind, en die afwacht dat de tijd en de waarheid ze zullen ontwikkelen, versterken of (zoo gij wilt) vernietigen? Een academisch onderwijzer of een gouverneur van een adellijk jong heer, die op een fraaien dag te voorschijn komt als de hoogeerwaarde heer bisschop in een zijden gewaad en met een breedgeranden hoed en die dan een zalvenden toon tegen mij aanneemt, is nog altijd dezelfde man dien wij ons uit Oxbridge herinneren, toen hij de voorname jongelui naar de oogen keek, of de arme groenen in de collegezaal kwelde. Een erfelijk wetgever, die zijn tijd met stalknechts en oplichters en danseressen doorbrengt en gerechtigd is mij en zijn andere meerderen te regeeren, omdat zijn grootvader gelukkig in de fondsen gespeculeerd, of eene kolen- of tinmijn op zijne goederen gevonden heeft, of omdat zijn domme voorvader toevallig het bevel voerde over tien duizend manschappen even dapper als hij zelf, die twaalf duizend Franschen of vijftig duizend Indianen versloegen, – zulk een man boezemt mij niet meer eerbied in dan de verbitterdste democraat voor hem kan koesteren. Doch zooals hij is, maakt hij een deel uit van de oude maatschappij tot welke wij behooren; en ik onderwerp mij met kalmte aan zijne lordschap, die aan alle diners de plaats boven ons inneemt, en daar zijn tijd verbeidt. Ik verlang zijn hoofd niet onder de guillotine af te houwen, noch hem op straat met modder te werpen. Wanneer men zulk een man eene schandvlek van zijn stand noemt, en den eeretitel van sieraad van zijn stand schenkt aan een ander, die vriendelijk en zachtzinnig, beschaafd en edelmoedig is, die zijn rijkdom bezigt om al wat goed en weldadig is, al wat tot de verfijning en veraangenaming des levens kan bijdragen, op de voorkomendste en hulpvaardigste wijze te ondersteunen, – dan wordt in beide gevallen het nut en de wenschelijkheid van den stand zelven niet ter sprake gebracht. Hij bestaat onder ons als een bestanddeel onzer volkszeden, als de afgod van velen onder ons, als een werk der eeuwen en het zinnebeeld van een zeer ingewikkelden voormaligen toestand, – daar staan mylord de bisschop en mylord de erfelijke wetgever, beiden des transactions, zooals de Franschen zeggen; zij vertegenwoordigen in hunne hedendaagsche gedaante geharnaste baronnen en kampvaardige aanvoerders (van welke hunne erfelijke lordschappen voor het meerendeel niet afstammen), en priesters, die voorgaven in het bezit te zijn van de volstrekte waarheid en van eene macht, die op goddelijke wijze op hen overgedragen was, welke absolute waarheid onze voorouders op den mutserd verbrandden en daar loochenden, en welke goddelijke, erfelijke macht nog altijd gedrukt staat – en naar verkiezing geloofd, of niet geloofd kan worden. Van dit alles zeg ik, dat ik er in berust, omdat het bestaat, en meer niet. Indien men zegt, dat deze instellingen, die in het leven getreden waren eer de boekdrukkunst uitgevonden, of de kracht van den stoom ontdekt was; toen de gedachte als een kind behandeld, bang gemaakt en afgestraft werd en de waarheid door haar opzieners werd gesmoord, onderdrukt en geblinddoekt en hare stem niet mocht verheffen, niet mocht opzien en zich niet in het openbaar vertoonen mocht; voordat de menschen met elkander mochten vergaderen, of handelen, of spreken; – ik herhaal, indien iemand zegt (en verscheidene trouwhartige zielen doen dat,) dat die inrichtingen bestemd zijn om eeuwig te duren, en, ofschoon zij aanhoudend veranderd en gewijzigd zijn, nu niet meer aan ontwikkeling of verval zijn onderworpen, dan lach ik en laat dien man praten. Maar ik wensch, dat men die meeningen eerbiedige, evenals ik het voor mijn eigen gevoelens verlang; en indien die instellingen moeten uitsterven, dan zou ik liever zien, dat zij een voegzamen en natuurlijken, dan een plotselingen en gewelddadigen dood ondergingen.”
„Gij zoudt aan Jupiter geofferd hebben,” zeide Warrington, „indien gij tijdens de vervolging der Christenen geleefd hadt.”
„Misschien wel,” zeide Pen met zekere droefgeestigheid. „Misschien ben ik een bloodaard, misschien wankelt mijn geloof; maar dit gaat mij zelven aan. Wat ik hier zeggen wilde, is, dat ik een afkeer van vervolging heb. Zoodra men een geloof of een leerstuk als de volstrekte waarheid voorstelt, vloeit daar logisch vervolging uit voort, en verbrandt Dominicus een jood, of Calvijn een Ariaan, of Nero een Christen, of Elizabeth of Maria een papist of een protestant; of haar vader verbrandt van beide soorten, naar de ingeving van zijne luim en niet alleen zonder het minste gewetensbezwaar, maar zelfs met de innige overtuiging van zijn plicht vervuld te hebben. Maakt men een leerstuk tot de volstrekte waarheid, dan wordt het aandoen of ondergaan van den dood gemakkelijk en noodzakelijk, en zijn de soldaten van Mohammed, die met den kreet: „Het paradijs! het paradijs!” op de lippen, onder de lanssteken der Christenen sterven, niet meer of minder prijzenswaardig dan wanneer die zelfde mannen eene stad vol joden uitmoorden, of de hoofden van alle gevangenen afhouwen, die niet erkennen willen dat er slechts één profeet van God is geweest.”
„Slechts kort geleden, jonge heer,” zeide Warrington, nadat hij de ontboezemingen van zijn vriend zonder goed- of afkeuring had aangehoord, want hij helde tot beide over, „hebt gij mij gevraagd, waarom ik mij buiten den strijd des levens hield, en den zwaren arbeid mijner medemenschen aanzag, zonder zelf eenig deel aan het gevecht te nemen? Wel, erkent gij niet zelf, bij deze belijdenis van twijfel aan alles, een bloot dilettant en een onverschillig toeschouwer te zijn! Gij zijt zes en twintig jaar oud en zoo blasé als een losbol van zestig. Gij hoopt niet veel, gij bekommert u niet om veel, gij gelooft niet veel. Gij twijfelt evenzeer aan anderen als aan u zelven. De wereld zou onuitstaanbaar zijn, indien zij bestond uit zulke onverschilligen als gij; en ik zou liever in eene wildernis met apen leven en mij hun gesnater getroosten, dan in eene maatschappij van menschen, die alles loochenden.
„Indien de wereld uit St. Bernards of St. Dominicus’en bestond, zou zij even akelig zijn,” merkte Pen aan, „en na eenige dozijnen jaren zelfs geheel uitsterven. Zoudt gij willen, dat ieder man zijn hoofd kaal schoor, dat iedere vrouw in een klooster ging, en dat zij de voorschriften van het kluizenaarsleven in den volsten omvang opvolgden? Zoudt gij willen, dat elke straat van elke stad der wereld van psalmen weergalmde? Zoudt gij willen, dat alle vogelen des wouds op éénen toon zongen en een zelfde gevederte hadden? Gij noemt mij een twijfelaar, omdat ik aanneem hetgeen bestaat; en als ik dat aanneem, hetzij een sijsje of een leeuwerik, een priester of een dominé, kortom een der onnoemelijk vele verscheidenheden onder de schepselen van God (wiens blooten naam ik met eerbied uitspreek en nooit zonder een heilig ontzag op de lippen neem), dan zeg ik, dat de studie en het inzicht van die verscheidenheid onder de menschen inzonderheid onzen eerbied en onze bewondering verhoogt voor den Schepper, den Beheerscher en den Ordenaar van al deze zoo verschillende en toch zoo overeenstemmende gemoederen, die in eene gemeenschappelijke aanbidding samenstemmen en elk, volgens zijn ontwikkeling en zijne middelen, om tot het Goddelijke middelpunt van alles te naderen, Hem lof en eere toebrengen; en wel (om het beeld van den vogel nog eens te gebruiken) ieder op den hem aangeboren toon.”
„Zoodat, Arthur, het loflied van een heilige, of de ode van een dichter, of het liedje van een dief in Newgate, in het oog uwer wijsbegeerte alle nagenoeg op hetzelfde neerkomen,” zeide George.
„Zelfs die spot zou weerlegd kunnen worden, indien hij iets ter zake deed,” antwoordde Pendennis, „maar dat doet hij niet. Ik zou u kunnen antwoorden, dat de meest wijze en verhevenste van alle leermeesters die wij ooit gekend hebben, de onvermoeide Versterker en Vertrooster, zelfs den beklagenswaardigen moordenaar aan het kruis eene barmhartige verhooring en eene vaste hoop toezeide. Lofzangen van heiligen! oden van dichters! Wie zijn wij, dat wij de kansen en gelegenheden, de middelen om goed of kwaad te doen, of zelfs te beoordeelen, die aan de menschen geschonken zijn, zouden kennen, en een regel zouden stellen om hun straffen of belooningen toe te deelen? Wij zijn even voorbarig en onnadenkend in het beoordeelen van de zedelijkheid der menschen als van hun verstand. Wij bewonderen den een als een groot wijsgeer en verklaren den ander voor een domkop, zonder te weten hoeveel waarheid er bij ieder hunner huist, of zeker te wezen dat de waarheid ergens te vinden is. Wij zingen een Te Deum voor dezen held, die een slag heeft gewonnen, en een De Profundis voor dien andere, die uit zijne gevangenis gebroken, maar door de dienders weer bij den kraag gevat is. Onze maatstaf van belooningen en straffen is zeer partijdig en onvolledig, bespottelijk onevenredig en ten eenemale wereldsch, en wij zouden dien ook in de wereld hier namaals wenschen toegepast te zien. Wij trachten de menschen ook in die aanstaande en ontzagwekkende wereld te vervolgen en hun onze machtelooze en partijdige vonnissen van veroordeeling of vrijspraak na te zenden. Wij nemen onze nietswaardige maatstokjes op, om die aan den onmetelijken hemel te leggen, alsof, wanneer wij daarmede in vergelijking treden, de geest van Newton, of Pascal, of Shakespeare verhevener ware dan de mijne; alsof de straal, die van de zon uitgaat, spoediger tot mij kwame, dan tot den man die mijne laarzen poetst. Bij die hoogte vergeleken, zijn de grootste en de kleinste onder ons zoo gering en zoo jammerlijk onbeduidend, dat wij er maar geen berekening van moeten maken en het belachelijk is, het verschil na te rekenen.”
„Op dit punt gaat uw betoog mank, Arthur,” zeide de ander, die nu beter in zijn humeur kwam: „indien wij zelfs met onze gewone rekenkunst bijna tot in het oneindige kunnen vermenigvuldigen evenzeer als deelen, moet de Groote Rekenaar op allen acht slaan, en tegenover Zijn oneindigheid is het kleine niet klein en het groote niet groot.”
„Ik trek die berekeningen niet in twijfel,” hernam Arthur: „alleen zeg ik maar, dat de uwe onvolledig en voorbarig zijn, en daardoor valsch in de gevolgen, zoodat de fout, bij elken stap verder, grooter wordt. Ik veroordeel den man niet, die Socrates vermoordde, of over Galileo het vonnis uitsprak. Ik zeg alleen, dat Galileo veroordeeld en Socrates vermoord is.”
„En echter hebt gij slechts een oogenblik geleden gezegd, dat men in het bestaande en, naar ik dus vooronderstel, ook in alle andere tirannieën moet berusten.”
„Neen, maar ik heb gezegd, dat, indien ik door een tegenstander bedreigd word, van wien ik mij zonder bloedstorting of geweld ontdoen kan, ik hem liever door talmen en uithongeren dan door vechten tot de overgave wil dwingen. Fabius bestreed Hannibal op sceptische wijze. Wie was zijn Romeinsche medeveldheer, van wien wij als jongens in Plutarchus lazen, die met het talmen van den ander spotte, diens moed in twijfel trok, den vijand aantastte en, gelijk hij verdiende, geslagen werd?”
In deze beschouwingen en ontboezemingen van Arthur zal de lezer wellicht toespelingen zien op vraagstukken, die zonder twijfel hem zelf hebben beziggehouden en verontrust, en die hij op geheel andere wijze beantwoord heeft dan door de slotsommen, waartoe onze jeugdige vriend geraakt was. Wij staan niet in voor de juistheid zijner meeningen, die de lezer zich gelieve te herinneren dat in dramatischen vorm gegoten zijn, daar de schrijver hiervoor evenmin verantwoordelijk is als voor de meeningen, die de andere personen dezer geschiedenis uiten. Wij hebben ons alleen ten doel gesteld de voortgaande ontwikkeling te volgen in het gemoed van een wereldsch en zelfzuchtig, maar niet onedel, gevoelloos noch waarheidschuwend man. En men zal zien, dat het beklagenswaardige standpunt, waartoe zijne logica hem tot dusverre gebracht heeft, dat is van een algemeen scepticisme en van spottende berusting in de wereld gelijk zij is; of, indien men het liever zoo noemen wil, een geloof, getemperd door twijfel aan al het bestaande. De smaak en de gewoonte van zoodanig iemand beletten hem een luidruchtig demagoog te zijn, en zijne liefde tot de waarheid en zijn afkeer van huichelarij weerhouden hem van het opperen van de dwaze stellingen, waarmee vele opgewonden hervormers dadelijk gereed staan, en nog veel meer van het uiten van rechtstreeksche onwaarheden in het aanvoeren van bewijsgronden of het weerleggen van zijne tegenstanders; want hij zou liever sterven dan daarvan gebruik maken. De aard van onzen vriend maakte hem onbekwaam om zekere soorten van leugens te vertellen, en evenmin bezat hij kracht genoeg om anders dan met een beleefd, doch ongeloovig glimlachje tegen zekere andere te protesteeren, daar het zijn stelregel was, dat hij alle wetten moest gehoorzamen, zoolang zij niet waren ingetrokken.
En waartoe wordt een man door dit inschikkelijke en sceptische leven gebracht? Onze vriend Arthur was een Sadduceër. De Dooper mocht in de wildernis de armen aanroepen, die met alle macht en kracht naar de donderende toespraken van den prediker en zijne verkondiging van toorn, of wee, of verlossing luisterden; maar onze vriend de Sadduceër zou schouderophalend en glimlachend zijne ranke ezelin van de volksmenigte afwenden en huiswaarts keeren, om onder het lommer op zijn terras na te denken over den prediker en diens gehoor, en zijne boekrol van Plato ter hand te nemen, of zijn onderhoudend Grieksch liederenboek, dat van honig en Hybla en nimfen en fonteinen en liefde beuzelde. Waartoe, vragen wij dus, leidt dit scepticisme? Het leidt den mensch tot eene schandelijke eenzaamheid en zelfzucht – des te schandelijker omdat zij zoo tevreden is, zoo zonder geweten, zoo onbewolkt. Het geweten wat is het geweten? Waarom zou men zich om wroeging bekreunen? Wat is algemeen of bijzonder geloof? Altemaal verdichtselen, in een oceaan van overleveringen gedompeld. Wanneer gij, Arthur, de leugens der wereld ziende en herkennende – gelijk gij ze met eene maar al te noodlottige duidelijkheid zien kunt, – u daaraan zonder eenig ander protest dan een lachje onderwerpt; indien gij, zelf aan zinnelijk genoegen overgegeven, de gansche rampzalige wereld kermende langs u heen laat trekken zonder er door geroerd te zijn; indien er voor de waarheid gestreden wordt en alle mannen van eer gewapend op het slagveld staan geschaard aan de eene of de andere zijde, en gij alleen over uw balkon uwe pijp ligt te rooken, ver van alle gedruis en gevaar, – dan zou het beter zijn, dat gij gestorven waart, of nooit bestaan hadt, dan zulk een aan het genot verslaafd lafaard te wezen.
„De waarheid, beste vriend!” zeide Arthur met onverstoorbare kalmte: „waar is de waarheid? Toon mij die eens aan. Dat is hier de vraag. Ik zie de waarheid aan beide zijden: ik zie haar aan de conservatieve zijde van het parlement, en onder de radicalen, en zelfs op de ministerieele zetels. Ik zie haar in dien man, die, volgens de voorschriften der wetten, aanbidt en daarvoor beloond wordt met een zijden gewaad en vijf duizend pond ’s jaars, in dien man, die, door de onbarmhartige logica van zijn geloof onweerstaanbaar voortgedreven, van alles afstand doet, van vrienden, van roem, van de dierbaarste banden, van het eerzuchtigste streven, van den eerbied van een gansch leger van kerkelijke personen en den erkenden rang van aanvoerder, en door de waarheid gedreven, overloopt naar den vijand, in wiens gelederen hij voortaan als gewoon en onbekend soldaat zal dienen. Ik zie de waarheid in dien man, gelijk ik haar zie in zijn broeder, wiens logica hem tot eene geheel verschillende slotsom brengt en die, na zijn gansch leven besteed te hebben aan ijdele pogingen om een boek, dat voor geen overeenstemming vatbaar is, met zich zelven in overeenstemming te brengen, het eindelijk wanhopig neersmijt en met tranen in de oogen en de handen omhoog geheven verklaart, dat hij er zich niet mee vereenigen kan en er afstand van doet. Indien de waarheid bij deze allen berust, waarom zou ik dan partij kiezen voor een van hen? Sommigen gevoelen zich geroepen om te preeken: laat hen dan preeken. Onder die preekers zijn er mijns inziens wat te veel, die zich verbeelden dat zij de gave ontvangen hebben. Maar wij kunnen niet allen dominé’s zijn in de kerk; dat is duidelijk. Sommigen moeten stilzitten en luisteren, en dutten misschien in. Hebben wij niet ieder onze plichten? De oudste weeshuisjongen trapt het orgel, de meester ranselt de andere jongens op de orgelgalerij, de koster zegt Amen voor den lessenaar, en de kerkbode met zijn staf doet de deur open voor zijn weleerwaarde, die in ruischende zijde naar den kansel treedt. Ik zal de jongens niet ranselen, noch altijd Amen zeggen, noch als kampioen der kerk optreden onder de gedaante van den kerkbode met zijn staf, maar ik zal in de kerk mijn hoed afnemen en daar ook bidden en den dominé de hand geven als hij daar buiten over het gras stapt. Ik weet immers, dat zijn aanwezigheid aldaar een compromis is en dat het eigenlijk eene rijkswet is die voor mij staat? Dat de kerk, waarin hij optreedt, voor een ander soort van eeredienst gebouwd was? Dat de methodistische kapel in de nabijheid is, en dat Bunyan de ketellapper daar ginds op het weiland over de verdoemenis staat te redekavelen? Ja, ik ben een Sadduceër, en neem de dingen zooals ik ze vind, en de wereld en de wetten der wereld voor hetgeen zij zijn, en gelijk ik voornemens ben eene vrouw te nemen indien ik er eene vind, – niet om smoorlijk op haar verliefd te zijn en als een dwaas aan hare voeten te liggen, – niet om haar te vereeren als een engel, of te verwachten dat zij er een zijn zal, – maar om welwillend en beleefd jegens haar te zijn en daartegen welwillendheid en een aangenamen omgang van haar te genieten. En zoo gij dus ooit verneemt, George, dat ik getrouwd ben, verlaat er u dan maar op, dat het geen romaneske liefde van mijn kant zal zijn; en als gij eens van een goed baantje hoort, dat de regeering te begeven heeft, dan heb ik, voor zoover ik weet, geen bijzondere bedenkingen, die mij zouden beletten van uw aanbod gebruik te maken.”
„O schelm van een Pen! ik weet wat gij zeggen wilt,” barstte Warrington hier los. „Dat is nu de zin van uw scepticismus, uw quietismus en uw atheismus, jongetje! Gij wilt u zelven verkoopen. De hemel sta u bij! Gij wilt een koop sluiten, die u zal verlagen en voor uw leven ongelukkig maken, en alle praten daarover is nutteloos. Indien gij uw zin op iets gezet hebt, kan de duivel het u niet beletten.”
„Integendeel, hij is op mijne hand; vindt ge het ook niet, George?” zeide Pen lachend. „Wat zijn dat lekkere sigaren! Ga mee dineeren in de club; de chef is weer in de stad en zal wel wat lekkers voor mij klaarmaken. Niet? gaat ge niet mee? Wees niet boos ouwe jongen, ik ga morgen naar – naar buiten!”
DRIE EN ZESTIGSTE HOOFDSTUK.
HETWELK MISSCHIEN TOT OPHELDERING VAN HOOFDSTUK LXII KAN STREKKEN.
Het inzicht, dat majoor Pendennis, zoo door middel van Strong als door eigene persoonlijke bemoeiing als vriend des huizes, in de zaken der familie Clavering gekregen had, was van dien aard, dat de oude heer bijna terugkwam van de plannen, die hij eenmaal ten voordeele van zijn neef beraamd had. Eene vrouw, met twee zulke schoonvaders als de beide achtenswaardige heeren, die de onschuldige en beklagenswaardige Lady Clavering in hunne huwelijksondernemingen betrokken hadden, kon Arthur geen voordeel aanbrengen. En ofschoon de een tot zekere hoogte den ander onschadelijk maakte en de optreding van Amory of Altamont in het publiek het sein zou zijn geweest tot zijn onmiddellijke verdwijning en strenge bestraffing (want de ontvluchte veroordeelde had den beambte, die met zijne bewaking belast was, overhoop gestoken) en een strop zijn onvermijdelijk einde zou zijn, indien hij weer in handen van de Britsche justitie viel, zoo kon echter geen voogd er op gesteld zijn, voor zijn pupil eene vrouw te kiezen, wier vader op zulk eene wijze uit den weg moest geruimd worden; en de oude heer was altijd van gedachte geweest, dat Altamont, met de galg voor oogen, wel zou zorgen niet herkend te worden; terwijl te gelijker tijd Clavering, die alles zou verliezen zoodra Amory voor den dag kwam, ingeval men de bedreiging van de ontdekking boven zijn hoofd hield, de slaaf zou zijn van dengeen, die zulk een ontzettend geheim kende.
Maar indien de begum Clavering’s schulden nog meermalen betaalde, zou haar rijkdom geheel aan dezen reddeloozen verkwister verspild worden, en hare erven, wie dit dan ook waren, zouden niets anders dan eene ledige kas vinden, terwijl jufvrouw Amory, in plaats van haar gemaal een goed inkomen en eene plaats in het parlement ten huwelijk te brengen, hem alleen haar persoon zou kunnen aanbieden, benevens haar stamboom, met de noodlottige aanteekening: „opgehangen dat er de dood na volgde” naast den naam van den laatsten mannelijken afstammeling van haar geslacht.
Er stond echter voor den ouden plannenmaker, toen hij al deze dingen overdacht, nog een andere weg open, gelijk zal blijken aan den lezer, die de moeite wil nemen het onderhoud te volgen, dat kort daarop tusschen majoor Pendennis en den hoogwelgeboren baronet, het parlementslid voor Clavering, plaats had.
Wanneer een man, die in geldverlegenheid verkeert, uit den kring zijner gelijken en dagelijksche vrienden verdwijnt, wanneer hij als het ware wegduikt uit den zwerm vogels, waarmee hij gewoon was uit te vliegen, dan is het verwonderlijk in welke vreemde en afgelegen hoeken hij weer boven komt om adem te scheppen. Ik heb het bijgewoond, dat een niet onaanzienlijk persoon, een slenteraar door Pall Mall en een groot heer in Rotten Row, uit den kring zijner kameraden in de clubs en parken verdween en zeer tevreden en genoeglijk teruggevonden werd in eene restauratie in Billingsgate, waar men voor achttien stuivers eten kan; een ander zeer geleerd en geestig heer, die uit de handen der deurwaarders moest trachten te blijven (indien ik zeide, dat hij een letterkundige was, zouden sommige recensenten beweren, dat ik eene blaam had willen werpen op de letterkundigen in het algemeen), zond mij eens zijn adres in een klein kroegje, geheeten „de Vos in ’t Kuiltje,” aan het eind van een donkeren en spelonkachtigen gang in het Strand. Iemand, die in dergelijke benarde omstandigheden verkeert, heeft misschien een huis, maar is er nooit in; hij heeft een adres, waar men brieven voor hem kan afgeven; doch alleen de dwazen gaan er heen, in de hoop hem daar in persoon te zullen aantreffen. Slechts weinige zijner getrouwen weten waar hij te vinden is en bezitten een leiddraad tot zijne schuilplaats. Zoo was het dan ook onmogelijk Sir Francis Clavering, na de oneenigheden met zijne vrouw en de daaruit gevolgde tegenspoeden, thuis te treffen. „Sedert ik hem om mijn achterstallig loon gevraagd heb, dat veertien pond bedraagt, komt hij ’s nachts pas ten drie uur thuis, houdt zich des morgens, als ik hem zijn water breng, alsof hij ligt te slapen en sluipt het huis uit zoodra ik beneden ben,” deelde mijnheer Lightfoot aan zijn vriend Morgan mede, en voegde er bij, dat hij naar mylady zou gaan, om haar hofmeester te worden en jufvrouw Bonner te trouwen. In gelijker voege bleef de baronet, na zijn geschil met Strong, uit diens nabijheid en nam de vlucht naar andere schuilhoeken, waar hij buiten het bereik der verwijten van den chevalier was, – buiten het bereik, zoo mogelijk, van het geweten, hetwelk zoo menigeen door verandering van tooneel en andere ijdele listen tracht te misleiden en achter te laten.
Aldus kostte het den ouden Pendennis, die, ter bereiking van zijne bijzondere oogmerken, zeer gaarne Pen’s landelijken nabuur en vertegenwoordiger in het parlement wilde spreken, niet weinig tijd en moeite eer hij hem tot die vertrouwelijke stemming en dat onderhoud kon krijgen, noodig voor des majoors bedoelingen. Want sedert de majoor als vriend des huizes in den arm genomen en van al de huwelijks- en geldelijke zaken van Clavering ingelicht was, ontweek hem de baronet, gelijk hij gewoon was zijne procureurs en zijn agenten te ontwijken wanneer hij hun rekenschap moest afleggen, of eenige zaak met hen behandelen; nooit hield hij zich stipt aan een afspraak, dan wanneer hij geld zou opnemen. Eer de majoor derhalve dezen schuwen en vreesachtigen vogel kon vangen, deed hij meer dan ééne vruchtelooze poging om hem te grijpen; – den eenen keer was het eene schijnbaar alleronschuldigste uitnoodiging om te Greenwich in gezelschap van eenige vrienden te komen dineeren; de baronet nam dit aan, doch begon lont te ruiken en kwam niet, en liet den majoor (die in inderdaad voornemens was geweest in zijn eigen persoon al de vrienden voor te stellen) alleen voor het vischmaal zitten; – bij een andere gelegenheid vroeg de majoor schriftelijk een onderhoud van tien minuten, waarop de baronet dadelijk evenzeer schriftelijk antwoordde en de bijeenkomst bepaalde op den volgenden dag in de club van Bays, ten vier uur precies (dit laatste woord had hij zorgvuldig onderschrapt); maar ofschoon vier ure kwam, gelijk het naar den loop van den tijd en het lot wel niet anders kon, verscheen er geen Clavering. Indien hij twintig pond van Pendennis had geleend, had hij niet banger kunnen zijn, niet verlangender om den majoor te ontloopen, en deze laatste ondervond, dat het heel wat moeielijker is iemand te vinden dan hem te zoeken.
Vóór den afloop van den dag, waarop Strong’s patroon den chevalier zoo zeer in zijne tegenwoordigheid had gevleid en achter zijn rug vervloekt, had Sir Francis Clavering, die aan de raadslieden zijner vrouw zijn woord gegeven en met eede bevestigd had, dat hij geen wissels meer trekken of accepteeren, maar zich vergenoegen zou met de toelage, die zijne miskende vrouw hem nog altijd bleef verleenen, weer middel gevonden om zijn geachten naam op een blad gezegeld papier te schrijven hetwelk Clavering’s vriend, mijnheer Moss Abrams, meegenomen had, met belofte het wisseltje te zullen doen disconteeren door iemand, met wiens vriendschap mijnheer Moss vereerd was. En het toeval wilde, dat Strong het voorgevallene vernam op de plaats waar het geschrift opgesteld was, namelijk in de achterkamer van den sigarenwinkel van den heer Santiago, waar de chevalier gewoon was des avonds een uurtje door te brengen.
„Hij is weer aan den gang,” zeide de heer Santiago tegen zijn klant. „Hij is met Moss Abrams hier geweest. Moss stuurde mijn jongen om een zegeltje uit. Het moet een wissel van vijftig pond geweest zijn. Ik hoorde den baronet tegen Moss zeggen, dat hij het van twee maanden geleden moest dateeren. Hij zal het doen voorkomen als een ouden wissel, dien hij vergeten had, toen hij onlangs met zijne vrouw de zaken geregeld heeft. Ik geloof, dat zij hem nog wel meer geld zullen geven, nu hij weer alles afbetaald heeft.” Iemand, die gewoon is zijn ongelukkigen naam onder acceptatiën op zes maanden te zetten, kan zich bovendien overtuigd houden, dat zijne zaken bekend gemaakt en besproken worden en zijne handteekeningen rondgaan onder de allerergste bedriegers en schelmen van Londen.
De winkel van den heer Santiago lag dicht bij St. James Street, waar wij de eer hebben gehad onzen vriend majoor Pendennis op zijne kamers te bezoeken. De majoor wandelde op zijn gemak naar zijne woning, toen Strong, ziedende van toorn en riekende naar Havana, langs denzelfden kant hem te gemoet kwam.
„Ik wou, dat die jongelui ik weet niet waar zaten; zij verpesten alles met hun tabaksrook,” dacht de majoor. „Daar komt een kerel met snorren en eene sigaar aan. Ieder, die rookt en snorren draagt, is een gemeene kerel. O, het is mijnheer Strong! Hoe vaart ge, mijnheer Strong?” en de oude heer stond op het punt zijn huis binnen te gaan en wilde met eene bevende hand zijn blinkenden huissleutel in het slot der deur steken.
Wij hebben reeds vermeld, dat Strong en Pendennis als vrienden en raadslieden van de beklagenswaardige familie van den baronet tegenwoordig waren geweest bij de lange en vervelende twisten en conferentiën over de betaling der laatste schulden van Sir Francis Clavering. Strong bleef staan en stak de hand aan zijn medeonderhandelaar toe, waarop de oude Pendennis hem tamelijk onwillig een paar vingers reikte.
„Hebt ge goed nieuws?” vroeg majoor Pendennis, den ander nog genadiger behandelende en zich verwaardigende het woord tot hem te richten, want de oude Pendennis had zijn gansch leven met zulk goed gezelschap omgegaan, dat hij in het denkbeeld verkeerde dat hij gewone menschen bepaaldelijk vereerde door hun toe te spreken. „Nog altijd in de stad, mijnheer Strong? Hoe vaart ge?”
„Ik heb slecht nieuws, mijnheer,” gaf Strong ten antwoord, „betreffende onze vrienden te Tunbridge Wells, en ik zou u daarover wel eens willen spreken. Clavering is weer op zijn oude wijze aan den gang, majoor Pendennis.”
„Wezenlijk! Doe mij dan het genoegen boven te komen,” zeide de majoor met opgewekte belangstelling, waarop beiden binnentraden en zich in de voorkamer neerzetten. Hier ontboezemde Strong zijne verontwaardiging aan den majoor en weidde lang en breed over Clavering’s roekeloosheid en verraderlijkheid uit. „Geen beloften zijn in staat hem te binden, mijnheer,” sprak hij. „Gij herinnert u nog wel, mijnheer, dat hij, toen wij met hem en mylady’s procureur die bijeenkomst hadden, niet wilde volstaan met zijn woord van eer te geven, maar om een Bijbel schelde en bij ziel en zaligheid zwoer, dat hij geen wissels meer zou afgeven. En nu heeft hij er heden toch een geteekend, mijnheer, en hij zal er voor contant geld nog zooveel teekenen als men verkiest, en iedereen bedriegen, zijne vrouw en zijn kind of zijn ouden vriend, die honderdmaal voor hem in de bres is gesprongen. Daar is nu nog een wissel van hem en van mij, die de volgende week vervalt –”
„Ik dacht dat wij alles betaald hadden –”
„Dien niet,” antwoordde Strong met een blos. „Hij verzocht mij er niet van te spreken, en en ik heb voor dien dienst er de helft van gekregen, majoor. En nu zal men mij er om gaan aanspreken. Maar ik bekommer mij om mij zelven niet, want ik ben er gewoon aan. Het is om Lady Clavering, dat het mij ergert. Het zou schande zijn, indien die goedhartige vrouw, die hem een dozijn keeren uit de gevangenis verlost heeft, door zijne lafhartigheid geruïneerd wierd. Wisseljoden, boksers, schelmen van allerlei aard zetten hem zijn geld af, en hij ontziet zich niet een eerlijken kerel in den steek te laten. Zoudt ge het kunnen gelooven, mijnheer, dat hij geld heeft aangenomen van Altamont – gij weet wel wien ik meen?”
„Wezenlijk? van dien zonderlingen man, die eens dronken aan huis kwam bij Sir Francis?” vroeg majoor Pendennis met een ondoorgrondelijk gezicht. „Wie is die Altamont, mijnheer Strong?”
„Ik weet het waarlijk niet, als gij het niet weet,” gaf de chevalier met een verrasten en wantrouwenden blik ten antwoord.
„Om u de waarheid te zeggen, heb ik er mijn eigen gedachten over,” zeide de majoor. „Ik vooronderstel – let wel dat ik alleen vooronderstel – dat er in het leven van onzen vriend Clavering, die, onder ons gezegd, zulk een rare snaak is als ik er ooit een gekend heb, zeker eenige onpleizierige geheimen en geschiedenissen bestaan, die hij niet gaarne zou willen dat bekend wierden, evenmin als iemand onzer het zou wenschen. Waarschijnlijk weet die kerel, die zich Altamont noemt, iets ten nadeele van Clavering en heeft hij vat op hem, waardoor hij hem geld kan afpersen. Ik ken eenige der beste mannen uit de beste familiën in Engeland, die men op die wijze geld afperst! Maar, mijnheer Strong, hunne bijzondere zaken gaan mij niet aan, en al ga ik bij iemand dineeren, dan bespied ik daarom zijne geheimen nog niet en ik ben ook niet verantwoordelijk voor zijn vroeger leven. Zoo ook, ten opzichte van onzen vriend Clavering, stel ik het meest belang in hem om der wille van zijne vrouw en hare dochter, die een allerbekoorlijkst meisje is; toen mylady het mij vroeg, nam ik inzage van hare zaken en trachtte die op effen voet te brengen; en dit zal ik, begrijpt ge, naar mijn best vermogen weer doen, als ik daardoor van nut kan zijn. En indien ik uitgenoodigd word – weet ge, indien ik uitgenoodigd word – dan – à propos, mijnheer Strong, wat mijnheer Altamont betreft, wie is mijnheer Altamont toch? Ik geloof, dat gij met hem bekend zijt. Is hij in de stad?”
„Ik geloof niet, dat ik verplicht ben te weten waar hij is, majoor Pendennis,” zeide Strong, opstaande en driftig zijn hoed grijpende, want des majoors beschermende manieren en koele omzichtigheid beleedigden den eerzamen heer.
Onmiddellijk verliet Pendennis zijn hoogen toon en sprak met zekere welwillendheid: „Ah, kapitein Strong, ik zie dat gij ook op uwe woorden weet te passen, en gij hebt gelijk. De muren hebben ooren, en men weet niet altijd met wien men spreekt; maar als man van de wereld en oud soldaat (een oud en verdienstelijk soldaat, naar men mij bericht heeft, kapitein Strong) weet gij zeer goed, dat men zijn vuur niet nutteloos moet verspillen; gij kunt uwe gedachten koesteren, en ik kan de zaken met elkander in verband brengen en de mijne hebben. Maar er zijn vele dingen, die een mensch niet aangaan en die het dan ook maar best is dat hij niet weet; – niet waar, kapitein? en die ik, wat mij betreft, ook niet wensch te weten voordat ik er bij betrokken word; en dat is waarschijnlijk evenzeer uw stelregel. Wat onzen vriend den baronet aangaat, geloof ik met u, dat het wenschelijk zou zijn, dat hij in zijn onvoorzichtige handeling gestuit wierd. Ik keur het in iedereen sterk af, dat hij zijn woord schendt, of iets doet wat zijne familie verdriet kan berokkenen, of in eenig opzicht onaangenaam kan wezen. Dit is mijne rondborstige meening en, naar ik mij overtuigd houd, ook de uwe.”
„Zeer zeker,” antwoordde mijnheer Strong droogjes.
„Het verheugt mij, dat ik dit van u mag hooren, en dat een oud wapenbroeder zoo geheel met mij instemt. Ik ben bijzonder verblijd over onze gelukkige ontmoeting, die mij de eer van uw bezoek verschaft heeft. Goedenavond. Ik dank u. Morgan, laat kapitein Strong eens uit.”
Voorafgegaan door Morgan verliet Strong den majoor Pendennis. De chevalier stond verwonderd over de sluwheid van den ouden heer en de kamerdienaar was, om de waarheid te zeggen, evenzeer verbaasd over de terughoudendheid van zijn meester. Want in zijne hoedanigheid van ervaren knecht zwierf mijnheer Morgan met even weinig gerucht als eene schaduw door het huis, en had toevallig, gedurende het laatste gedeelte van het gesprek van zijn meester met diens bezoeker, zeer dicht bij de deur gestaan en dus een goed gedeelte van het onderhoud der beide heeren gehoord, veel meer dan hij begrijpen kon.
„Wie is die Altamont? Weet ge iets van hem en Strong?” vroeg mijnheer Morgan aan mijnheer Lightfoot, bij de eerste geschikte gelegenheid toen zij elkander in de club zagen.
„Strong is zijn zaakwaarnemer; hij trekt en endosseert de wissels voor den ouwe en doet zijne boodschappen; en ik denk, dat Altamont ook daarbij betrokken is,” gaf mijnheer Lightfoot ten antwoord. „Die wisselzaken, dat weet ge wel, mijnheer Morgan, vereischen altijd twee of drie personen, om het papier in omloop te brengen. Altamont heeft bij de wedrennen een goeden slag gedaan en eene groote som gewonnen. Ik wenschte, dat de ouwe ook ergens wat geld opdeed en mijn loon betaalde.”
„Denkt gij, dat mylady zijne schulden nog eens zal betalen?” vroeg Morgan. „Tracht dat eens voor mij te ontdekken, Lightfoot; het zal u niet tot nadeel zijn, mijn jongen.”
Majoor Pendennis had dikwijls lachend gezegd, dat zijn knecht Morgan veel rijker was dan hij zelf, en werkelijk had die slimme en bedaarde dienaar, door herhaalde voorzichtige speculatiën, een aanzienlijk kapitaal verzameld gedurende de jaren, dat hij bij den majoor in dienst was geweest, waar hij vele andere aanzienlijke bedienden had leeren kennen, van welke hij de zaken hunner patroons vernam. Toen mijnheer Arthur zijne goederen geërfd had, doch niet eerder, had Morgan den jongen heer verbaasd doen staan door de mededeeling, dat hij een klein sommetje gelds bezat, een vijftig of een honderd pond, die hij gaarne goed wilde beleggen: misschien zouden de heeren in den Temple, die verstand van zaken hadden, een eenvoudig man wel willen helpen, om dat goed uit te zetten? Morgan zou zich aan mijnheer Arthur zeer verplicht gevoelen, wezenlijk hoogst dankbaar en verplicht, indien Arthur hem daartoe den weg wilde wijze. Toen Arthur daarop lachend antwoordde, dat hij volstrekt geen verstand van geldzaken had en geen middel ter wereld wist om Morgan te helpen, betuigde deze laatste met de meeste oprechtheid, dat hij mijnheer Arthur zeer dankbaar, wezenlijk zeer dankbaar was, terwijl hij verzocht, dat mijnheer, indien hij misschien eenig geld noodig had voordat zijne renten binnen gekomen waren, zoo goed zou willen zijn zich te herinneren, dat de oude en trouwe dienaar van zijn oom eenig geld had, dat hij wilde uitzetten, en hij zou er wezenlijk trotsch op wezen, indien hij de familie in eenig opzicht van nut zou kunnen zijn.
De prins van Fairoaks, die vrij goed op zijne zaken paste en geen contanten noodig had, zou er evenmin ooit aan gedacht hebben om geld van zijn ooms bediende te leenen als om den zakdoek van dien knecht te stelen, en stond op het punt Morgan’s aanbod op hoogen toon te beantwoorden, doch weerhield zich, uithoofde van het kluchtige van het geval. Morgan een kapitalist! Morgan hem geld ter leen aanbiedende! Het was om zich dood te lachen. Aan den anderen kant, kon de man geheel onschuldig zijn en zijn aanbieding alleen uit goedhartigheid gedaan hebben. Arthur hield dus de spotternij binnen, die op zijne lippen zweefde, en vergenoegde zich met voor mijnheer Morgan’s vriendelijk aanbod te bedanken. Hij vertelde het voorgevallene echter aan zijn oom, dien hij met het bezit van zulk een rijken bediende geluk wenschte.
Bij die gelegenheid was het, dat de majoor zeide te gelooven, dat Morgan sinds langen tijd al verduiveld rijk was. Hij had dan ook het huis in Bury Street gekocht, waarin zijn meester kamers bewoonde; en door zijne bekendheid met de familie Clavering en ten gevolge van de inlichtingen, die hij van zijn meester ontvangen had, dat de begum al de schulden van haar man zou betalen, heel veel geld verdiend door zooveel acceptatiën van den baronet op te koopen als hij geld bijeen kon brengen om daaraan te besteden. Van deze operatiën wist de majoor echter even weinig als de meeste heeren van hunne bedienden weten, die den ganschen dag in onze tegenwoordigheid doorbrengen en echter vreemdelingen voor ons zijn; zoo sterk is de gewoonte en zoo onverbiddelijk de afscheiding tusschen de verschillende standen.
„En dus bood hij u geld ter leen, ei?” zeide de oude Pendennis tegen zijn neef. „Het is een verduiveld sluwe kerel en een verduiveld rijke kerel, en menig edelman zou zulk een knecht in zijn dienst willen hebben, om wat van hem te leenen. En die monsieur Morgan is geen zier veranderd. Hij doet zijn werk evengoed als te voren, komt altijd dadelijk als ik schel, en maakt niet de minste drukte op de kamer – hij is verduiveld sterk aan mij gehecht, die Morgan!”
Op den dag van Strong’s bezoek herinnerde de majoor zich Pen’s verhaal en bedacht zich dat Morgan hem zou kunnen helpen, waarop hij zijn knecht over diens rijkdom plaagde op die vrijmoedige en onbeschroomde wijze, welke van zulk een hooggeplaatst heer tegenover zulk een verachtelijk wezen te verwachten was.
„Ik hoor, dat gij wat geld te beleggen hebt, Morgan,” zeide de majoor.
„Dat heeft mijnheer Arthur verteld; ik wou dat hij gehangen was,” dacht de kamerdienaar.
„Ik ben blij, dat mijn dienst zoo voordeelig is,” vervolgde de majoor.
„Gij zijt wel goed, mijnheer; ik heb geen reden om over mijn dienst of mijn meester te klagen,” antwoordde Morgan onderdanig.
„Nu, gij zijt een goede kerel; ik geloof, dat gij aan mij gehecht zijt, en het doet mij genoegen, dat het u wel gaat. Ik hoop maar, dat gij voorzichtig zult wezen en geen herberg of zoo iets opzetten.”
„Eene herberg,” dacht Morgan: „ik in eene herberg! – die ouwe gek! – Wel verduiveld, als ik tien jaar jonger was, zou ik vóór mijn dood zitting in het parlement hebben!” „Neen, mijnheer, ik ben u wel verplicht. Ik denk aan geen herberg, mijnheer. En ik heb mijne geringe spaarpenningen vrij goed uitgezet, mijnheer.”
„Gij doet ook een weinig aan het geldschieten, hè, Morgan?”
„Ja, mijnheer, een beetje – ik – ik vraag verschooning, mijnheer – zou ik zoo vrij mogen zijn eene vraag te doen?”
„Spreek op, vriendje,” zeide de oude heer zeer genadig.
„Het is aangaande de wissels van Sir Francis Clavering, mijnheer? Zoudt gij denken, mijnheer, dat hij er nog langer goed voor was? Zou mylady ze nogmaals betalen?”
„Wat hebt ge hem ook al geld geleend?”
„Ja, mijnheer, een beetje,” antwoordde Morgan, terwijl hij de oogen neersloeg. „En ik wil wel bekennen, mijnheer, als u het mij niet kwalijk neemt, mijnheer, dat nog een beetje meer mij zeer voordeelig zou zijn, indien het evengoed uitviel als de laatste maal.”
„Wat! Hoeveel hebt gij, voor den drommel, wel aan hem geprofiteerd?” vroeg de majoor.
„Ik heb er een aardig voordeeltje aan gehad, mijnheer, daar wil ik wel voor uitkomen, mijnheer. Daar ik zekere inlichtingen gekregen had, en door uwe vriendelijkheid kennis met de familie had gemaakt, zette ik den pot op het vuur, mijnheer.”
„Wat deedt gij?”
„Ik belegde mijn geld, mijnheer – ik zamelde alles bijeen wat ik kon, en leende overal, en kocht de wissels van Sir Francis op; vele droegen zijn naam en dien van den heer, die daar juist is heengegaan, van mijnheer Edward Strong, mijnheer; en natuurlijk weet ik, mijnheer, van het bankroet en het standje, dat op Grosvenor Place plaats had; en daar ik evengoed geld mag verdienen als ieder ander, zou ik u zeer verplicht zijn, als gij mij wildet meedeelen, of Lady Clavering nog eens over de brug zal komen?”
Ofschoon majoor Pendennis even verwonderd stond over hetgeen hij van zijn knecht hoorde, alsof hij vernomen had dat Morgan een vermomde markies was, die besloten had zijn masker af te werpen en in het Hoogerhuis zitting te nemen, en ofschoon hij natuurlijk verontwaardigd was over de vermetelheid van den kerel, die zich onderstaan had onder zijn oogen en zonder zijne voorkennis rijk te worden, zoo koesterde hij echter een aangeboren bewondering voor iedereen, die geld bezat en fortuin had gemaakt, zoodat hij, toen hij den waren staat van zaken begon te doorzien, gevoelde, dat hij Morgan eerbied en zelfs wel wat ontzag toedroeg.
„Nu, Morgan,” zeide hij, „ik zal u maar niet vragen, hoe rijk gij wel zijt; en hoe rijker, des te beter voor u. Kon ik u inlichtingen verschaffen, die u van dienst konden zijn, ik zou u spoedig helpen. Doch openhartig gesproken: indien Lady Clavering mij vraagt of zij verder de schulden van Sir Francis moet betalen, zal ik haar raden het niet te doen, ofschoon ik vrees dat zij het wèl zal doen; en meer weet ik er niet van. En dus hebt gij gemerkt, dat Sir Francis zijn – hè – zijn roekeloozen en onvoorzichtigen weg weer opnieuw bewandelt?”
„Hij is weer aan den gang, mijnheer; ik kan het hem niet beletten. Hij kan het niet laten.”
„Mijnheer Strong zeide mij, dat zekere heer Moss Abrams de houder van een van Sir Francis Clavering’s wissels was. Weet gij iets van dien heer Abrams, of van het bedrag van den wissel?”
„Ik weet niets van den wissel, mijnheer, maar ik ken Abrams zeer goed.”
„Ik wenschte, Morgan, dat gij dit eens voor mij kondt ontdekken, en ook waar ik Sir Francis Clavering zou kunnen spreken.”
En daarop zeide Morgan: „Ja wel, mijnheer, ik zal het doen, mijnheer,” en verliet de kamer, gelijk hij die binnengetreden was, op zijne gewone eerbiedige, sluipende en onderdanige wijze, terwijl hij den majoor in mijmering en verwondering over hetgeen hij zoo pas gehoord had, verzonken liet.
Den volgenden morgen gaf de knecht aan den majoor kennis, dat hij mijnheer Abrams had gesproken, en deelde hen mede hoe groot de wissel was, welke die heer wilde negotieeren, en dat de baronet stellig dien middag ten één uur in de achterkamer van „Fortuna’s rad” zou te vinden zijn.
Ditmaal hield Sir Francis Clavering zich trouw aan zijn afspraak, en toen hij ten één uur in de achterkamer van genoemde herberg zat, omringd door zandbakjes, matten stoelen, mooie prenten van boksers, renpaarden en hardloopers, en bedolven in de tabakslucht van den vorigen avond, die nog in het vertrek was blijven hangen, – terwijl, zeggen wij, deze afstammeling van een oud geslacht op die verrukkelijke plaats zat, met een oud en zwaar met bier bevlekt nommer van Bell’s Life in London in de hand, trad de wellevende majoor Pendennis de kamer binnen.
„Zoo! ben je daar, ouwe jongen?” vroeg de baronet, in de meening dat het mijnheer Moss Abrams was, die het geld kwam brengen.
„Hoe maakt ge het, Sir Francis Clavering? Ik moest u noodzakelijk spreken en ben u dus hierheen gevolgd,” antwoordde de majoor, op wiens verschijning de ander een zeer lang gezicht zette.
Nu de majoor zijne tegenpartij tegenover zich had, besloot hij een krachtigen en onverwachten aanval op hem te doen en opende dus dadelijk het vuur. „Ik weet voor welken allergemeensten kerel gij mij aanzaagt, Clavering,” ging hij daarom voort, „en om welke reden gij u hier bevindt.”
„Dat gaat u niet aan, niet waar?” vroeg de baronet met een onthutsten en smeekenden blik. „Waarom gaat gij mijne gangen na; waarom matigt gij u gezag aan en bemoeit gij u met mijne zaken, majoor Pendennis? Ik heb u nooit benadeeld, niet waar? Ik heb nooit geld van u geleend. En ik verkies niet op die manier bespied en onder de plak gehouden te worden. Ik verkies het niet, en ik zal het niet dulden. Laat Lady Clavering, als zij mij eenig voorstel te doen heeft, het mij langs den behoorlijken weg en door tusschenkomst van de zaakwaarnemers doen toekomen. Ik heb met u liever niet te maken.”
„Ik kom niet vanwege Lady Clavering,” zeide de majoor, „maar uit eigen beweging, Clavering, om u te waarschuwen en pogingen te doen, om u van den ondergang te redden. Het is pas eene maand geleden, dat gij gezworen hebt en uw eed op den Bijbel wildet herhalen, dat gij geen andere wissels meer teekenen, maar u met de toelage, welke Lady Clavering u verleent, vergenoegen zoudt. Al uwe schulden zijn betaald onder die voorwaarde, en die hebt gij geschonden; die mijnheer Abrams heeft een wissel van zestig pond van u in handen.”
„Het is een oude wissel; ik zweer u plechtig dat het een oude wissel is,” bracht de baronet krijschend uit.
„Gij hebt hem gisteren pas getrokken, maar hem opzettelijk van drie maanden geleden gedateerd. Waarachtig, Clavering, ik walg van uwe leugens; ik kan het niet laten u dit te verklaren. Ik kan u, voor den drommel, niet uitstaan; gij bedriegt iedereen, en u zelven daarbij. Ik heb nog al veel in de wereld gezien, maar nooit uw gelijken in draaierijen. Ik geloof, dat gij altijd liever eene leugen vertelt dan ooit de waarheid te spreken.”
„Zijt gij hier gekomen, gij ouwe schelm, om mij te sarren om u – u aan te vliegen en – en u de oude hersens in te slaan?” riep de baronet met een blik van den doodelijksten haat op den majoor.
„Hoe, mijnheer!” schreeuwde de oude majoor, terwijl hij opsprong en zijn rotting greep, en daarbij zoo woedend keek, dat de baronet onmiddellijk van toon veranderde.
„Neen, neen,” hernam Clavering, met eene klagende stem. „Ik vraag verschooning. Ik had mij niet boos willen maken of u iets onaangenaams zeggen, majoor Pendennis, maar gij valt mij ook zoo verduiveld bar op het lijf. Wat wilt gij eigenlijk van mij hebben? Waarom vervolgt gij mij zoo? Wilt gij óók geld van mij hebben? Gij weet, bij den hemel, dat ik geen duit bezit,” en aldus ging Clavering, volgens zijne gewoonte, van vloeken tot huilen over.
Majoor Pendennis begreep aan Clavering’s toon, dat deze wist, dat de majoor zijn geheim kende.
„Ik breng van iemand eene boodschap, en ik heb jegens u niets anders in den zin,” hervatte Pendennis, „dan eene poging te doen, indien het nog niet te laat is, om u en uwe familie van den geheelen ondergang ten gevolge van uw verwenscht roekeloos gedrag, te redden. Ik kende uw geheim –”
„Ik was er geheel onkundig van, toen ik met haar trouwde; ik kan er een eed op doen, dat ik er niets van wist voordat die verd– schurk terugkwam en het mij zelf vertelde; en het is het verdriet daarover, Pendennis, dat mij zoo roekeloos maakt, dat is wezenlijk waar!” riep de baronet handenwringende uit.
„Ik kende uw geheim van het oogenblik af, dat ik Amory dronken in de eetzaal op Grosvenor Place zag komen. Ik vergeet nimmer een gezicht, dat ik eenmaal aanschouwd heb. Ik herinner mij dien kerel te Sydney als strafgevangene gezien te hebben, en hij heeft mij ook herkend. Ik weet van zijn proces, van den datum van zijn huwelijk en van zijn gewaanden dood in de wildernis. Ik kan er op zweren, dat hij die persoon is. En ik weet dus, dat gij evenmin wettig met Lady Clavering getrouwd zijt als ik. Ik heb uw geheim goed bewaard, want ik heb er aan geen sterveling iets van gezegd, – aan uwe vrouw niet en aan u zelven niet, tot op dit oogenblik.”
„Die arme Lady Clavering, het zou haar vreeselijk schokken,” snikte Sir Francis, „en mijne schuld is het niet; dat weet gij wel, majoor.”
„Liever dan u te laten voortgaan met haar te ruïneeren, zal ik het aan haar, en bovendien aan de gansche wereld, vertellen; dit zweer ik u, dat ik zal doen, tenzij ik tot eene schikking met u komen en uwe helsche dwaasheid breidelen kan. Gij hebt door spelen en schuldenmaken en uitspattingen van allerlei aard, de helft van het fortuin uwer vrouw en van hare wettige erfgenamen – let wel, van hare wettige erfgenamen – opgemaakt. Hierbij moet het blijven. Gij kunt niet met elkander leven. Gij zijt niet geschikt om in zulk een groot huis als Clavering te wonen, en eer wij drie jaar verder zijn, zoudt gij geen duit meer bezitten. Ik heb overlegd wat er gedaan moet worden. Gij zult zeshonderd pond ’s jaars ontvangen, u buitenslands begeven en van dat inkomen leven. Gij moet uw ontslag als lid van het parlement nemen, en trachten rond te komen zoo goed gij kunt. Als gij dit afslaat, geef ik u mijn woord, dat ik morgen den waren toestand van zaken zal bekend maken; ik zal zweren, dat het Amory is, zoodra hij herkend is, zal hij teruggebracht worden naar het land van waar hij gekomen is, zoodat de weduwe te gelijk van u en van hem ontslagen zal zijn. Uw zoontje verliest dan alle aanspraak op Snell’s nalatenschap, en deze gaat over op de dochter uwer vrouw. Heb ik de zaak niet vrij duidelijk uiteengezet?”
„Zoo wreedaardig zoudt gij toch jegens dien armen jongen niet zijn, Pendennis, niet waar?” vroeg de vader op klagenden toon. „Och, denk toch aan hem! Het is zoo’n aardige jongen, ofschoon hij verduiveld ondeugend is, dat moet ik bekennen, – verduiveld ondeugend.”
„Gij zijt het, die wreedaardig jegens hem handelt,” zeide de oude zedemeester. „Wel, mijnheer, gij zult u zelven onvermijdelijk binnen drie jaren ruïneeren!”
„Ja maar, weet je, misschien zal ik zoo’n verduivelden tegenspoed niet meer hebben; de kans moet keeren, en ik zal mij, bij den hemel, verbeteren, dat zal ik. En als gij de zaak bekend maakt, zou het mijne vrouw zoo schokken; – gij weet best, dat het haar vreeselijk zou aandoen.”
„Ja, de scheiding van u zou haar zeker bitter vallen,” hernam de oude majoor spottend. „Maar gij weet, dat zij niet langer met u leven wil.”
„Maar waarom kan mylady niet buitenslands, of te Bath of te Tunbridge, of de hemel weet waar gaan wonen, en ik hier blijven?” ging Clavering voort. „Ik ben liever hier dan in het buitenland, en ik blijf gaarne in het parlement. Lid van het parlement te zijn, kan zoo voordeelig wezen. Er zijn nog slechts weinige plaatsen gelijk de mijne over; en als ik die verkocht aan het ministerie, twijfel ik niet of men zou mij tot gouverneur van een eiland benoemen, of mij iets verduiveld goeds geven; want ge weet, dat ik een man van drommels aanzienlijke geboorte ben en een titel heb – en zoo meer, majoor Pendennis. Wel, ziet gij dat niet in? Gelooft gij niet, dat zij mij iets zeer aannemelijks zouden geven, als ik mijne kans goed waarnam? En dan, weet ge, zou ik geld overleggen en mij buiten die verwenschte speelholen en het rouge et noir houden – en – en ik zou dus, met uw welnemen, het parlement liefst niet verlaten.” Want het was voor onzen weifelmoedigen baronet niets ongewoons het eene oogenblik iemand te haten en het hoofd te bieden, het volgende in zijne tegenwoordigheid te schreien, en ten laatste volkomen vertrouwelijk en vriendschappelijk met hem om te gaan.
„Wat uwe plaats in het parlement betreft,” zeide de majoor met een blosje op de wang en eene zekere ontroering, welke de baronet niet opmerkte, „die moet gij afstaan, Sir Francis Clavering, aan – aan mij.”
„Hoe, wilt gij lid van het Lagerhuis worden, majoor Pendennis?”
„Neen, ik niet; maar mijn neef Arthur is een zeer talentvol jonkman en zou daar een goed figuur maken: toen er twee leden voor Clavering werden afgevaardigd, had zijn vader er licht één van kunnen zijn, en – en ik zou gaarne zien, dat Arthur er zitting nam,” besloot de majoor.
„Wel verduiveld! weet die het ook al!” riep Clavering uit.
„Niemand buiten deze kamer weet er iets van,” antwoordde Pendennis, „en als gij mij die gunst wilt bewijzen, houd ik mijn mond. Zoo niet, dan zal ik, als man van mijn woord, doen wat ik gezegd heb.”
„Zeg eens, majoor,” zeide Sir Francis met een buitengewoon nederig lachje: „zoudt ge mij niet, als een goede kerel, mijn eerste kwartaal vooruit kunnen bezorgen? Gij kunt alles met Lady Clavering doen wat gij wilt, en ik zal, dat zweer ik u, dien wissel van Abrams terugnemen. Die verwenschte kleine schelm zal mij, dat weet ik, met deze zaak bedriegen; hij bedriegt mij altijd: en als gij dit voor mij kondt uitwerken, majoor, zou ik eens zien.”
„En ik geloof, dat het beste voor u zou zijn in September naar Clavering te gaan om te jagen, en mijn neef mee te nemen, om hem bij de kiezers bekend te maken. Ja, dat zal inderdaad de beste tijd zijn. En dan zullen wij de zaak van dat voorschot wel in orde trachten te brengen.” (Dat kan Arthur wel leenen, dacht de oude Pendennis. Wat drommel, eene plaats in het parlement is wel honderd vijftig pond waard.) „En gij zult natuurlijk wel in gedachte houden, Clavering, dat mijn neef niets van deze zaak weet. Gij geeft uw wensch te kennen om af te treden hij is een inboorling van Clavering en een goed vertegenwoordiger voor die plaats: gij stelt hem voor en uwe kiezers stemmen voor hem. Begrepen?”
„Wanneer zoudt gij mij honderd vijftig pond kunnen bezorgen, majoor? Wanneer zal ik bij u komen? Zijt gij van avond of morgenochtend thuis? Wilt gij niets gebruiken? Zij hebben aan het buffet verduiveld goed bitter; ik neem dikwijls een bittertje, want dat knapt een mensch heelemaal op.”
De majoor wilde echter geen verversching gebruiken, maar stond op en nam afscheid van den baronet, die hem tot aan de deur van de herberg uitgeleide deed, en toen naar het buffet ging, waar hij bij de kasteleines een bittertje dronk; en daar er juist een heer binnentrad, die in betrekking stond tot het boksersvak en in „Fortuna’s rad” in den kost was, ontstond er tusschen hem en Sir Francis Clavering en den kastelein een gesprek over het boksen en andere vermaken; en eindelijk verscheen mijnheer Moss Abrams met het bedrag van des baronets wissel, waarvan hij zijn eigen aanzienlijk commissieloon had afgetrokken, waarna Sir Francis uit het overschot een diner te Greenwich aan zijn achtbaren vriend gaf en den avond verder vroolijk in den Vauxhall doorbracht.
Onderwijl had majoor Pendennis eene vigilante in Piccadilly genomen en zich naar Lamb Court in den Temple laten rijden, waar hij spoedig met zijn neef in druk gesprek gewikkeld was.
Na dat onderhoud scheidden zij op zeer vriendschappelijken voet van elkander en het was ten gevolge van dit gesprek, hetwelk niet in schrift bewaard is gebleven, maar waarvan de lezer desniettemin de strekking zeer wel zal kunnen gissen, dat Arthur zich uitliet op de wijze als wij in zijn onderhoud met Warrington, in het vorige hoofdstuk vermeld, gehoord hebben.
Wanneer iemand gedrongen wordt iets te doen, dat hem zelven behaagt, kan hij honderderlei vernuftige redenen vinden, om zijn zin te volgen; en Arthur overlegde onophoudelijk bij zich zelven, dat hij gaarne in het parlement zou zijn, dat hij zoo trachten zich daar te onderscheiden, en dat het er niet op aankwam bij welke partij hij zich voegde, daar er bij elke partij waarheid en onwaarheid werd aangetroffen. Op deze en andere punten meende hij, dat hij zijn geweten wel zou kunnen gerust stellen, en dat de Sadduceesche leer toch een makkelijk en vroolijk geloof was.
VIER EN ZESTIGSTE HOOFDSTUK.
PHILLIS EN CORYDON.
Lady Clavering had op eene schilderachtige heidevlakte in de nabijheid van Tunbridge Wells eene lieve villa gevonden, die zij na hare huwelijksrampen op het einde van dat ongelukkige Londensche seizoen betrok. Jufvrouw Amory vergezelde hare moeder natuurlijk, en de jonge heer Clavering kwam met de vacantie thuis. Met hem te vechten en te krakeelen was Blanche’s voornaamste bezigheid. Maar dit was slechts eene huiselijke uitspanning, en de jeugdige schoolknaap was geen vriend van spelen binnenshuis. Hij kon te Tunbridge cricket spelen en vond er paarden en een aantal kameraden. Het huis van de goedhartige begum was bestendig vol met jonge heeren van dertien jaar, die veel te veel taartjes aten en champagne dronken, die wedrennen op het grasperk hielden en de liefhebbende moeder telkens deden schrikken, die rookten en er onpasselijk van werden en de eetzaal onbruikbaar maakten voor jufvrouw Blanche, die bovendien van het gezelschap van jonge heeren van dertien jaar niet hield.
Aan dat lieve jeugdige schepseltje was iedere verandering welgevallig, als het maar verandering was; en een paar weken lang zou zij zelfs behagen geschept hebben in armoede en een hutje en in een korstje brood met kaas, en een enkelen nacht misschien in een kerker op brood en water, en derhalve was de verhuizing naar Tunbridge haar in geenen deele onwelkom. Zij wandelde in de bosschen en teekende boomen en boerderijen uit; zij las geregeld Fransche romans; zij reed vrij dikwijls naar Tunbridge Wells, om elke tooneelvoorstelling of bal, of goochelavond of concert bij te wonen, dat daar plaats had; zij sliep veel; des morgens twistte zij met mama en Frans; zij vroeg naar de dorpsschool en legde daar een bezoek af; eerst liefkoosde zij de meisjes en plaagde de onderwijzeres, en vervolgens beknorde zij de meisjes en lachte om de jufvrouw, en natuurlijk kwam zij trouw ter kerk. Het was een aardig kerkje, eene heerlijke antiquiteit – een klein Anglo-Normandisch juweeltje, eergisteren gebouwd en versierd met allerlei geschilderde vensters, gebeeldhouwde heiligenkoppen, bijbelteksten in vergulde letters en vrije banken. Blanche begon dadelijk, volgens hoogkerkelijk gebruik, een altaarkleed voor dat kerkje te werken. Een tijdlang was zij eene heilige in het oog van den dominé, dien zij geheel verblindde en zoo kunstig vleide en prees en in de hoogte stak, dat de arme mevrouw Smirke, die haar eerst heel lief vond, haar vervolgens slechts duldde en eindelijk haast niet meer woord wilde staan, en bijna dol was van jaloerschheid. Mevrouw Smirke was de echtgenoote van onzen ouden vriend Smirke, den leermeester van Pen en den aanbidder van de arme Helena. Hij had zich over haar afwijzing getroost met eene jonge dame van Clapham, welke zijne moeder voor hem gezocht had. Na het overlijden van deze laatste, werden de begrippen van onzen vriend van dag tot dag strenger. Hij sneed den kraag van zijn rok af en liet zijn haar tot in den hals groeien. Met zelfverloochening deed hij afstand van de kuif, die hij vroeger droeg, en van den knoop zijner das, waarop hij tamelijk trotsch was geweest. Hij liep nu geheel zonder das, vastte elken Vrijdag, las de Roomsche gebeden en gaf te verstaan dat hij bereid was in de consistoriekamer de biecht af te nemen. Ofschoon hij het onschuldigste schepsel ter wereld was, werd hij door Muffin, in de afgescheiden kerk, en door mijnheer Simeon Knight, in de oude kerk, voor een zwarten en allergevaarlijksten Jezuïet en papist uitgekreten. Mijnheer Smirke had van het geld, dat zijne moeder te Clapham hem had nagelaten, zijne Kapel der Ruste gebouwd. Heere! heere! wat zou zij wel gezegd hebben, als zij eene tafel een altaar had hooren noemen! als zij er kaarsen op gezien had! als zij brieven ontvangen had, gedagteekend van het feest van Sint Dinges, of van Sint Die- en Die! Al die dingen bracht de jonge geestelijke van Clapham in practijk, en zijne getrouwe vrouw ging daarin met hem mee. Maar toen Blanche een onderhoud van bijna twee uren met mijnheer Smirke in de consistoriekamer had, liep Belinda het grasperkje op en neer, waar tot nog toe slechts twee grafzerkjes lagen, en zou gewenscht hebben dat er nog een derde lag, ware het niet te vreezen geweest, dat hij dan waarschijnlijk zijne hand aan dat schepsel zou aanbieden, hetwelke hem in minder dan veertien dagen betooverd had. Neen, zij zou de plaats ruimen, zij zou in een klooster gaan, de gelofte afleggen en hem verlaten. In zulk een slechten reuk stond Smirke bij zijne vrouw en zijne buren; deze laatsten hielden het er voor, dat hij in rechtstreeksche briefwisseling met den bisschop van Rome stond; de eerste betreurde afdwalingen, die in haar oog nog hatelijker en noodlottiger waren, en echter had onze vriend niet het minste kwaad ter wereld in den zin. De post bracht hem nooit een brief van den paus, en zeker is het, dat hij Blanche wel in den beginne als het vroomste, begaafdste, rechtzinnigste en innemendste meisje beschouwde, dat hij ooit ontmoet had, terwijl hare manier van zingen in de kerk hem geheel wegsleepte; – maar na eenigen tijd begon jufvrouw Amory hem te vervelen; hare manieren en lieftalligheden stonden, waardoor dan ook, hem tegen; vervolgens begon hij aan jufvrouw Amory te twijfelen; eindelijk verwekte zij een opschudding op de school, maakte zich boos en tikte de kinderen op de vingers. Blanche wekte eerst bewondering en bracht later tegenzin bij vele mannen teweeg. Zij trachtte hun te behagen, spreidde al hare bekoorlijkheden op eenmaal ten toon, en overlaadde hen met hare liefste lachjes, vleierijen, aardigheden en lonkjes. Maar weldra begonnen zij haar te vervelen en verveelden haar tevens die kunstgrepen om hen te behagen, en daar zij nooit iets om hen gegeven had, liet zij hen varen; en zoo begon zij ook de mannen te vervelen, die zich van hun kant terugtrokken. Het was een zalige avond voor Belinda toen Blanche heenging, en haar man meteen blosje en een zuchtje bekende, „dat hij zich in haar bedrogen had; hij had gemeend, dat zij met vele kostbare begaafdheden was toegerust, en nu vreesde hij, dat dit alles maar klatergoud was; hij dacht, dat zij rechtzinnig was, en hij vreesde nu dat zij den godsdienst slechts tot een tijdverdrijf had gebezigd; in ieder geval had zij zich boos gemaakt tegen de onderwijzeres en Polly Rucker barbaarsch op de kneukels geslagen.” Belinda vloog in zijn armen en er was geen sprake meer van graf of sluier. Teeder kuste hij haar op het voorhoofd. „Er is niemand u gelijk, mijne Belinda,” zeide hij, terwijl hij zijne mooie oogen naar de zoldering opsloeg, „gij gezegende onder de vrouwen!” En wat Blanche betrof, zoodra Smirke en Belinda buiten haar gezicht waren, dacht zij aan beiden geen oogenblik meer en bekommerde zich in het minst niet over hen.
Maar tot dit punt van onverschilligheid was het met jufvrouw Blanche of den eenvoudigen dominé nog niet gekomen, toen Arthur naar Tunbridge Wells overkwam, om eenige dagen bij de begum door te brengen. Smirke beschouwde haar nog als een engelin en een wonder onder de vrouwen. Zulk een toppunt van volmaaktheid had hij nog nooit gezien, en als zij op de zomeravonden muziek maakte, zat hij, in bewondering opgetogen en zijne thee en boterhammen vergetende, met open mond naar haar te luisteren. Hoe wegslepend hij ook had gehoord dat de muziek in de opera was – hij had maar eens eene voorstelling van dien aard bijgewoond (waarvan hij slechts blozende en zuchtende sprak – het was op dien avond toen hij Helena en haar zoon naar den schouwburg te Chatteries vergezeld had) – zoo kon hij zich toch niets liefelijker, niets hemelscher, zou hij bijna gezegd hebben, dan jufvrouw Amory’s muziek voorstellen. Zij was een hoogbegaafd wezen; zij had een allerverhevenste ziel; zij bezat alleropmerkelijkste talenten en, voor zoover men oordeelen kon, een engelachtig humeur, enz., enz. In dezen geest liet Smirke, die toen op het toppunt van opgewondenheid en bewondering voor Blanche stond, zich tegen Arthur over haar uit.
Het weerzien der beide oude bekenden was zeer hartelijk geweest. Arthur hield van iedereen, die van zijne moeder gehouden had, en Smirke kon met ongeveinsd gevoel en aandoening over haar spreken. Zij hadden elkander honderd dingen te vertellen, die hun reeds in hun leven overkomen waren. „Arthur zou wel opmerken,” zeide Smirke, „dat zijne – zijne begrippen over kerkelijke zaken sedert hun vriendschappelijken omgang eene hoogere vlucht genomen hadden.” Mevrouw Smirke, eene dame van voorbeeldigen levenswandel, bevorderde die naar vermogen. Hij had zijn kerkje gebouwd na het afsterven zijner moeder, die hem genoegzame middelen had nagelaten. Ofschoon hij zelf, als het ware, in een klooster leefde, was Arthur’s reputatie toch tot hem doorgedrongen. Hij zeide dit alles op zijn vriendelijksten en weemoedigsten toon; daarbij sloeg hij de oogen neer en liet zijn blond hoofd op zijde hangen. Arthur vermaakte zich onbeschrijfelijk met hem, met zijne manieren, zijn eigenaardigheden en zijn onnoozelheid, met zijne witte das en zijn lang haar, met zijne wezenlijke goedheid, zachtmoedigheid en vriendschappelijkheid. En zijne loftuitingen over Blanche behaagden en verrasten onzen vriend niet weinig en waren oorzaak, dat hij haar met bijzonder gunstige oogen aanzag.
Blanche was inderdaad zeer verheugd Arthur te zien, gelijk men zich verblijdt over de aankomst van een onderhoudend man op het land, die het laatste nieuws en de laatste anekdotes uit de hoofdstad meebrengt, die beter kan praten dan de meeste landbewoners en ten minste die liefelijke Londensche brabbeltaal kan spreken, die voor de bewoners der hoofdstad zoo aangenaam en onmisbaar is, en door personen, die buiten de wereld leven, zoo weinig verstaan wordt. Den eersten dag van Pen’s overkomst hield hij Blanche na het diner uren lang aan het lachen. Zij zong hare liedjes met dubbele opgewektheid. Zij keef niet met hare moeder, maar vertroetelde en kuste haar, tot verbazing van de eerzame begum. Toen het tijd werd om zich ter rust te begeven, riep zij met een allerliefst spijtig gezichje: „Déjà!” Zij was wezenlijk wanhopig, dat zij reeds naar bed moest gaan, en klemde Arthur’s hand op de innigste wijze in de hare, terwijl hij van zijn kant aan dat lieve handje een zeer hartelijken druk gaf. Onze jonge heer was van zulk eene natuur, dat oogen, die slechts middelmatig schitterden, hem spoedig van zijn stuk brachten.
„Zij is aanmerkelijk verbeterd,” dacht Pen, in de stilte van den nacht naar buiten ziende: „aanmerkelijk. Ik vooronderstel, dat de begum er niets tegen zal hebben, dat ik uit het open venster rook. Het is een opgeruimde, goede oude vrouw, en Blanche is ontzaglijk verbeterd! Haar omgang met hare moeder heden avond beviel mij zeer. Wat lachte zij aardig om dien mallen hokkeling van een jongen, dien men niet moest toestaan zich te bedrinken. Zij zong die versjes alleraardigst, en het waren ook verduiveld aardige versjes, ofschoon ik misschien de laatste ben, die dat moest zeggen.” En daarop neuriede hij een wijsje, dat Blanche op eenige zijner eigen verzen gemaakt had. „O, wat een heerlijke nacht! Wat is eene sigaar bij avond toch aangenaam! Wat ziet dat Saksische kerkje er in het maanlicht lief uit! Wat zou die ouwe Warrington nu wel op het oogenblik doen? Ja, het is een verduiveld aardig kopje, zooals oom zegt.”
„O, hoe hemelsch!” liet zich thans eene stem uit een met clematis begroeid venster hooren – eene meisjesstem: het was die der schrijfster van Mes Larmes.
Hier barstte Pen in het lachen uit. „Vertel niet, dat ik gerookt heb,” zeide hij, zich uit zijn eigen venster vooroverbuigende.
„O, ga maar voort! Ik vind het heerlijk,” riep de dame van Mes Larmes. „O, wat een hemelsche nacht! Hemelsche, hemelsche maan! Maar ik moet mijn venster sluiten en niet met u praten, vanwege les moeurs. Wat zijn die toch kluchtig, les moeurs. Adieu.” En Pen begon den „goeden nacht aan Don Basile” te zingen.
Den volgenden dag wandelden zij lachend en snappend, als het vroolijkste paar bekenden dat men zien kon, door het veld. Zij spraken over de dagen hunner jeugd en Blanche was alleraardigst sentimenteel. Zij babbelden over Laura, die allerliefste Laura, die Blanche als eene zuster bemind had; gevoelde zij zich gelukkig bij die oude Lady Rockminster? Zou zij niet te Tunbridge bij hen willen komen logeeren? O, wat zouden zij samen heerlijke wandelingen doen! Wat zouden zij liederen zingen – die oude, oude liederen! Laura bezat eene heerlijke stem. Wist Arthur – zij kon hem niet anders dan Arthur noemen – wist Arthur, nu hij zulk een groot man was geworden en zulk een succès had verworven, nog wel welke liederen zij zongen in die gelukkige vroegere dagen? enz., enz.
En den daaropvolgenden dag, door een lief uitstapje in het bosch naar Penshurst en de bezichtiging van dat mooie park met het heerenhuis verlevendigd, had het gesprek met den dominé plaats, waarvan wij reeds melding hebben gemaakt, en hetgeen onzen vriend heel veel te denken gaf.
„Is zij wezenlijk zoo voortreffelijk geworden?” vroeg hij zich af. „Is zij nu ernstig en godsdienstig? Bemoeit zij zich met de school en bezoekt zij de armen? Is zij jegens hare moeder en haar broeder zoo vriendelijk? Ja, ik ben er van overtuigd, want ik heb dat zelf gezien.” En toen Pen met zijn gewezen leermeester diens kleine gemeente doorwandelde en zijne school bezocht, zag hij met onuitsprekelijk genoegen, dat Blanche de kinderen zat te onderwijzen, en daarbij stelde hij zich voor, hoe geduldig en goedhartig en onschuldig, hoe wezenlijk eenvoudig en onbedorven zij was.
„En houdt gij inderdaad van het verblijf op het land?” vroeg hij haar, toen hij met haar wandelde.
„Ik zou wenschen, die akelige stad nooit weer te zien. O, Arthur – ik wil zeggen mijnheer – nu, Arthur dan – de goede gedachten ontkiemen bij den mensch in deze liefelijke bosschen en in deze kalme eenzaamheid, gelijk die bloemen, die gij wel weet, dat in Londen niet willen bloeien. De tuinier komt eenmaal ’s weeks de bloemen op ons balkon vernieuwen. Ik geloof, dat ik Londen niet meer in het gezicht zal kunnen zien – in dat leelijke, berookte, ijzeren gezicht. Maar och!”
„Waarom die zucht, Blanche?”
„Och, dat komt er niet op aan.”
„Ja, het komt er voor mij wel op aan. Vertel mij alles, alles!”
„Ik wenschte, dat gij niet waart overgekomen,” en er verscheen eene tweede uitgave van Mes Soupirs.
„Hebt gij dan niet gaarne, dat ik hier ben, Blanche?”
„Ik heb niet gaarne, dat gij weggaat. Ik geloof niet, dat het hier heel genoeglijk zal zijn als gij weg zijt, en dit is de reden waarom ik wenschte, dat gij niet gekomen waart.”
Bij deze woorden werden Mes Soupirs ter zijde gelegd en Mes Larmes voor den dag gebracht.
Ach, welk antwoord volgt er op deze, wanneer zij zich in de oogen eener jonge vrouw vertoonen? Welk middel wordt er aangewend, om ze weg te wisschen? Wat gebeurde er? O, tortelduifjes en rozen! o, dauwdroppels en wilde bloemen! o, golvende boschjes en balsemgeurende zomerluchtjes! Hier had men twee afgesloofde Londensche pretmakers, die zich zelven voor een oogenblik bij den neus namen en meenden dat zij op elkander verliefd waren, gelijk Phillis en Corydon!
Wanneer men aan het leven op het land en de wandelingen in de boschjes denkt, verwondert men zich, dat er nog één man bestaat, die ongetrouwd is gebleven.
VIJF EN ZESTIGSTE HOOFDSTUK.
VERZOEKING.
Vanwaar, dat Arthur, die altijd zoozeer op zijn gemak en zoo openhartig was met Warrington, deze vriend en vertrouwde van al zijne geheimen niet onderrichtte van de kleine voorvallen, die op de villa nabij Tunbridge Wells hadden plaats gehad? Hij sprak zonder omwegen over het weerzien van zijn ouden leermeester Smirke, over diens vrouw, over zijn Anglo-Normandische kerk en over zijne reis van Clapham naar Rome; maar als hij over Blanche ondervraagd werd, gaf hij ontwijkende of algemeene antwoorden; hij verklaarde, dat zij een goedhartig en geestig schepseltje was en onder goede leiding misschien nog zoo’n slechte vrouw niet zou zijn, maar dat hij voor het oogenblik geen trouwlustige plannen koesterde, dat zijne romaneske dagen voorbij waren, dat hij met zijn tegenwoordigen toestand tevreden was, en meer van dien aard.
In den tusschentijd kwamen er nu en dan op Lamb Court in den Temple aardige kleine gesatineerde enveloppen, voorzien van een zeer net geschreven adres en verzegeld met een van die verbazende naamcijfers, waaruit Warrington, indien hij nieuwsgierigheid genoeg had bezeten om op de brieven van zijn vriend te letten, of indien dat naamcijfer maar ontcijferbaar ware geweest, zou gezien hebben, dat mijnheer Pen briefwisseling voerde met eene jonge dame wier voorletters B. A. waren. Mijnheer Pen beantwoordde die lieve opstelletjes op zijne beste en galantste manier, met grappen, stadsnieuwtjes, geestigheden, ja, waarschijnlijk wel met aardige versjes, in antwoord op de gedichtjes der muze van Mes Larmes. Wij weten dat Blanche rijmt op „avalanche” en „revanche”, en een heer van Pen’s vernuft heeft zeker deze gelegenheden niet laten voorbijgaan, maar het zijne gezegd bij die lieve woordjes. Wij gelooven dan ook inderdaad, dat die minnedichtjes van Pen, welke zooveel opgang maakten in de Rozebladeren, dat mooie jaarboekje, hetwelk onder redactie van Lady Violet Lebas uitkwam en door den beroemden teekenaar Pinkney met de portretten der voornaamste adellijke dames opgeluisterd werd, in dit tijdperk des levens van onzen held zijn vervaardigd en eerst per post aan Blanche waren gezonden, eer zij in druk verschenen als bloempjes aan Pinkney’s kunstguirlande.
„Versjes zijn heel aardig.” zeide de oude Pendennis, toen hij Pen eenmaal in de club bezig vond met het opschrijven van een dezer ongekunstelde ontboezemingen, terwijl hij op zijn diner zat te wachten, „en het schrijven van brieven is ook goed, als mama het toestaat, en tusschen zulke oude vrienden, die elkander kennen sedert den tijd dat zij ten platten lande woonden, mag natuurlijk wel eenige briefwisseling en meer van dien aard plaats hebben, – maar pas op, Pen, dat gij u niet vastwerkt, beste jongen. Want wie weet, voor den drommel, wat er gebeuren kan? Het best is, te zorgen dat er in uwe brieven niets van belang staat. Ik heb nooit van mijn leven een brief geschreven, die vat op mij gaf, en toch, voor den drommel, neef, heb ik heel wat ondervinding van vrouwen gehad.” En daarop verhaalde deze achtenswaardige heer, die, naarmate hij in jaren vorderde, ook spraakzamer en vertrouwelijker met zijn neef werd, een aantal treffende voorbeelden van de slechte gevolgen, welke dit gebrek aan voorzichtigheid voor verscheidene voorname lui had gehad; – hij vertelde, hoe de jonge Spoony, door te vurige uitdrukkingen in eenige verzen aan de weduwe Naylor te bezigen, zich had blootgesteld aan een bezoek van haar broeder, kolonel Flint, die daarover opheldering kwam vragen, waardoor Spoony gedwongen was geworden eene vrouw te trouwen, oud genoeg om zijne moeder te zijn, – dat Hopwood, van de Garde, nadat het Louisa Salter eindelijk gelukt was den jongen Sir John Bird tot eene declaratie te brengen, met eenige brieven voor den dag was gekomen, die jufvrouw S. hem geschreven had, waarop Bird van haar afzag en later metjufvrouw Stickney van Lyme Regis trouwde, enz. Zoo de majoor niet veel had gelezen, had hij daarentegen veel opgemerkt en kon hij zijne betoogen met een aantal voorbeelden toelichten, die hij door langdurige en zorgvuldige studie van het groote boek der wereldkennis opgezameld had.
Pen lachte om die voorbeelden en zeide, met een blosje over de raadgevingen van zijn oom, dat hij die in gedachte houden en voorzichtig wezen zou. Misschien sproot zijn blos daaruit voort, dat hij ze in gedachte had gehouden, dat hij voorzichtig was, dat hij zich, hetzij onwillekeurig, hetzij uit een gevoel van eerlijkheid, in zijn geschrijf aan jufvrouw Blanche van alle verklaringen onthouden had, die hem konden binden. „Herinnert gij u de les niet, oom, die ik in die zaak met Lady Mirabel – met jufvrouw Fotheringay, gekregen heb? Ik zal mij niet meer laten vangen,” zeide Arthur, met schijnbare openhartigheid en onderdanigheid. De oude Pendennis wenschte zich zelven en zijn neef van harte geluk met de behoedzaamheid en de vorderingen van dezen laatste en verheugde zich over het juiste standpunt, dat Arthur als man van de wereld gekozen had.
Ware Warrington geraadpleegd, diens oordeel had ongetwijfeld anders geluid; voorzeker zou hij verklaard hebben, dat de dwaze brieven van den knaap beter waren dan de behendige complimenten en sluwe vleierijen van den man; en dat slechts een schelm, of een lafaard, bedekt en langs zijpaden en met een veiligen aftochtsweg achter zich er op uittrekt om de vrouw te verwerven, die hij bemint. Doch Pen sprak over dit onderwerp niet met Warrington, daar hij zeer goed wist èn dat hij schuldig was èn in welken zin het vonnis van zijn vriend zou luiden.
Kolonel Altamont was nog slechts sinds weinige weken op zijne buitenlandsche reis en Sir Francis Clavering had zich ten gevolge zijner overeenkomst met majoor Pendennis onderwijl naar buiten begeven, toen de slagen des lots onverwacht en zwaar op den eenigen overgebleven compagnon der kleine firma in Shepherd’s Inn begonnen neer te dalen. Toen Strong, bij zijn afscheid van Altamont, in de volheid zijner beurze en de edelmoedigheid zijns harten het geld had afgewezen, dat laatstgenoemde hem ter leen aanbood, bracht hij een offer aan zijn geweten en zijne kieschheid, dat hem later menigmaal berouw en spijt veroorzaakte, en hij gevoelde (wat hem niet dikwijls in zijn leven gebeurd was), dat hij in dit geval te kiesch en te schroomvallig was geweest. Waarom zou iemand, die in verlegenheid verkeerde, een vriendelijk aanbod van de hand wijzen? Waarom zou een dorstig mensch eene kan water uit eene welwillende hand weigeren, al was die een weinig onzindelijk? Strong gevoelde gewetensknagingen, dat hij iets had afgewezen, hetwelk de ander eerlijk gewonnen en gul aangeboden had; en hij bedacht met smart, nu het te laat was, dat Altamont’s geld even veilig in zijn zak zou zijn bewaard geweest als in dien van de speeltafelhouders te Baden of te Ems, aan wien zijn excellentie onvermijdelijk zijne winst van de wedrennen verliezen zou. Onder de winkeliers, de geldschieters en anderen, die in geldelijke betrekking tot kapitein Strong stonden, liep het praatje, dat zijne compagnieschap met den baronet ontbonden en het „papier” van den kapitein dus voortaan waardeloos was. De winkeliers, die hem tot nog toe een onbeperkt vertrouwen hadden geschonken – want wie was tegen Strong’s prettig gezicht en ronde manieren bestand? – begonnen thans met beleedigend wantrouwen hunne rekeningen in te zenden. Er werd zonder ophouden aan de deur der kamers in Shepherd’s Inn geklopt, en de kleermakers, laarzenmakers, en koks, die diners geleverd hadden, maakten in persoon, of vertegenwoordigd door hunne knechts, hunne opwachting bij Strong. Hierbij kwamen nog een paar personen van minder luidruchtigen, maar veel slimmer en gevaarlijker aard, – de jonge deurwaardersklerken namelijk, die rondom de Inn zwierven, of zich met den klerk van den heer Campion op diens kantoor in de nabijheid in verband stelden en in hunne onheilspellende portefeuilles dagvaardingen hadden, waarbij Edward Strong gelast werd op dien en dien dag te verschijnen voor de rechtbank, ten einde zich te hooren veroordeelen, enz., enz.
De arme Strong, die geen guinje op zak had, wist zich natuurlijk tegen dien aanval van schuldeischers nergens beter te beveiligen dan in des Engelschmans kasteel, waarin hij dan ook de wijk nam en de binnen- en buitendeur voor den neus van den vijand sloot, terwijl hij zijne sterkte eerst na het vallen van den avond verliet. De vijand kwam en rameide en vloekte tegen de buitenwerken, en onder de hand begluurde de chevalier hen door het gordijntje, dat hij over de opening van zijne brievenbus gehangen had, en had de treurige zelfvoldoening de lange gezichten van woedende klerken en brullende schuldeischers te zien, die met hun hoofd door den muur wilden en weder moesten terugdeinzen. Daar echter de vijanden van den chevalier niet altijd vóór zijne deur konden staan, noch op zijne trap overnachten, lieten zij hem tusschenbeide met rust.
Terwijl Strong aldus door zijne neringdoende vijanden in het nauw werd gebracht, stond hij niet alleen tegenover hen, maar hij had zich een paar bondgenooten weten te verzekeren. Zijne vrienden hielden, volgens afspraak, gemeenschap met hem door middel van bijzondere signalen; op die wijze bewaarden zij het garnizoen tegen den hongerdood door de vereischte toevoeren binnen te brengen en schraagden zij den moed van Strong, dien zij, door hem in zijne schuilplaats te bezoeken en op te beuren, van de overgave weerhielden. Huxter en jufvrouw Fanny Bolton waren twee van Ned’s trouwste bondgenooten; wanneer er vijanden rondom de Inn loerden, hadden Fanny’s zusjes geleerd een bijzonderen kreet aan te heffen, welken zij met het onschuldigste gezicht op het plein uitkraaiden; wanneer Fanny en Huxter Strong kwamen bezoeken, zongen zij met voorbedacht die zelfde tonen vóór zijne deur, waarop de slagboom dadelijk werd opgeheven, het dappere garnizoen lachend naar buiten kwam, de mondbehoeften en de kan porter werden binnengebracht en de belegerde een genoeglijken avond in het gezelschap zijner beproefde vrienden doorbracht. Sommigen zouden zulk een staat van spanning niet kunnen uithouden, maar Strong was, gelijk wij reeds zeiden, een dapper man, die in den oorlog was geweest en in het gevaar nooit den moed verloor.
Doch onze generaal had zich niet alleen bondgenooten verzekerd, maar voor iets nog noodzakelijkers in geval van uitersten, namelijk voor den aftocht, gezorgd. Op vroegere bladzijden hebben wij verhaald, dat de heeren Costigan en Bows in het huis naast Strong woonden, en dat het venster van een hunner kamers niet ver verwijderd was van het keukenvenster op de bovenverdieping van Strong’s verblijf. Eene looden waterpijp en goot liep langs die beide vensters, en toen Strong op zekeren dag uit zijn keukenraam keek, zag hij, dat hij zeer gemakkelijk op het kozijn van zijn buurmans venster kon springen en opklauteren tegen de pijp, die van het eene huis naar het andere liep. Lachend had hij zijn kameraad Altamont op dien uitweg gewezen, en beiden waren overeengekomen, dat het best was er kapitein Costigan niet mede bekend te maken, daar diens schuldeischers talrijk waren en de kapitein dus onophoudelijk langs die pijp hunne vertrekken zou binnendringen, als hij dit redmiddel eenmaal kende.
Doch nu de kwade dagen voor Strong aangebroken waren, maakte deze zelf van dien weg gebruik, en stond op zekeren middag plotseling met zijn prettig gezicht voor Bows en Costigan, aan wie hij vertelde, dat de vijand op zijne trap zat te wachten en hij nu dit middel bedacht had om hem bij den neus te nemen. Terwijl dus de adjudanten van mijnheer Marks in den gang van No. 3 stonden te wachten, ging Strong de trap van No. 4 af, dineerde in de Albion Tavern, begaf zich naar den schouwburg en kwam te middernacht weer thuis, tot verbazing van jufvrouw Bolton en Fanny, die hem niet hadden zien uitgaan en niet konden begrijpen hoe het hem gelukt was de reeks van schildwachten te verschalken.
Strong doorstond dat beleg eenige weken met bewonderenswaardige geestkracht en standvastigheid, gelijk ook alleen van zulk een oud en dapper soldaat te verwachten was, want de onaangenaamheden en ontberingen, die hij te doorstaan had, zouden voldoende zijn geweest, om iemand van alledaagschen moed neerslachtig te maken; maar wat hem het meest hinderde en ergerde, was de helsche onverschilligheid en snoode ondankbaarheid van Clavering, dien hij den eenen brief na den anderen schreef, welken de baronet met geen enkelen regel noch met het geringste geldsommetje beantwoordde, ofschoon een bankje van vijf pond, gelijk Strong zeide, op dat tijdstip een schat voor hem zou geweest zijn.
Doch er waren voor den chevalier betere dagen in aantocht, en te midden van zijn wanhopigen en radeloozen toestand deed zich de meest gewenschte hulp voor hem op. „Ja, zonder dezen goeden kerel,” zeide Strong, „– want ge zijt een goede kerel, Altamont, mijn jongen, en ik mag dit en dat zijn, als ik u niet mijn leven lang de hand boven het hoofd houd, – geloof ik, Pendennis, dat het met Ned Strong slecht afgeloopen zou zijn. Het was reeds de vijfde week dat ik opgesloten werd gehouden, want ik kon niet altijd langs die waterpijp den hals er aan wagen en mijn weg door het venster van den armen ouden Cos nemen, zoodat de moed mij geheel ontzonk, mijnheer, geheel ontzonk, en ik begon te overleggen hoe een einde aan mijn leven te maken, hetgeen ik ook de volgende week zou gedaan hebben, toen Altamont plotseling als uit den hemel kwam vallen!”
„De hemel was juist de plaats niet, Ned,” zeide Altamont; „ik kwam uit Baden-Baden, waar ik eene verduiveld gelukkige maand had gehad. Dat is de eenvoudige loop der zaak.”
„Nu, mijnheer, hij voldeed de rekening van Marks, en betaalde al die andere kerels, die mij op de hielen zaten, – dat deed hij, als een ferme kerel,” zeide Strong vol geestdrift.
„En het zal mij genoegen doen eene flesch aan het gezelschap te schenken, of zooveel meer als men verkiest,” zeide Altamont met een blos. „Hola, Jan, breng eens eene flesch van den besten, – van den allerbesten, hoor! Dan zullen wij elkanders gezondheid drinken, mijnheer, en ik hoop, dat ieder goede kerel als Strong een anderen goeden kerel moge vinden, die hem helpt als hij in den nood zit. Zoo denk ik er over, mijnheer Pendennis, ofschoon uw naam mij niet aangenaam in de ooren klinkt.”
„En waarom niet?” vroeg Arthur.
Strong trapte onder tafel den kolonel op den voet, waarop Altamont, in een min of meer opgewonden toestand, nog een glas vulde, Pen toeknikte, het glas uitdronk en toen liet volgen, dat hij een gentleman was, en dit was voldoende, en alle aanwezigen waren ook gentlemen.
De bijeenkomst van al deze gentlemen had te Richmond plaats, waar Pendennis was gaan dineeren en den chevalier en diens vriend in de koffiekamer aan tafel vond. De beide laatsten waren buitengewoon vroolijk, spraakzaam en door den wijn opgewonden, en Strong, die een uitmuntend verteller was, verhaalde de geschiedenis van zijn eigen beleg, zijn avonturen en zijn uitreddingen, zeer levendig en luimig en bootste de gesprekken, die de deurwaarders op zijne trap gehouden hadden, de aardige seintjes van Fanny, de potsierlijke verbazing van Costigan toen de chevalier door diens venster binnenkwam, en eindelijk zijne redding door Altamont, op zulk eene sprekende wijze na, dat zijne toehoorders aan zijne lippen hingen.
„Wat mij betreft, heeft het niets te beteekenen,” zeide Altamont. „Zoodra de bemanning van een schip is afgemonsterd, gaan de matrozen hun geld verteren, weet je. Het zijn eigenlijk die kerels van het zwart en rood te Baden-Baden, wien er de eer van toekomt. Ik heb daar eene fiksche som gewonnen, en ben van plan er nog vrij wat meer te winnen, niet waar, Strong? Ik neem hem mee, want ik heb nu een vast systeem en zal zijn fortuin maken, dat verzeker ik u. Ik zal uw fortuin ook maken, als ge er lust in hebt, – voor den drommel, ieders fortuin! Maar, jongens, één ding beloof ik u, namelijk dat ik ook voor de kleine Fanny zal spelen. Wat drommel, mijnheer, wat denkt gij wel, dat zij deed? Zij bezat twee pond, en waarachtig zij ging naar Ned Strong om hem dat sommetje ter leen aan te bieden, niet waar, Ned? Laten wij eens op hare gezondheid drinken.”
„Zeer gaarne,” antwoordde Arthur en dronk dien toast uit den grond zijns harten mee.
Vervolgens begon mijnheer Altamont met de grootste vlugheid en de meeste uitvoerigheid zijn stelsel uiteen te zetten. Hij beweerde dat het, met bedaardheid toegepast, onfeilbaar was. Hij had het van een kameraad te Baden geleerd, die er wel is waar mee verloren had, maar alleen omdat hij geen kapitaal genoeg bezat; had hij het nog ééne wenteling van het rad kunnen volhouden, hij zou al zijn geld hebben teruggekregen. Die liefhebber zou nu met verscheidene kameraden geld bijeenbrengen en het geluk nog eens beproeven. Hij zelf, Altamont, zou elken duit, dien hij bezat, in die zaak steken, en was nu teruggekomen om zijn geld los te maken en kapitein Strong af te halen. Strong zou voor hem spelen, want hij kon Strong en diens bedaardheid beter vertrouwen dan zijn eigene, en veel beter dan Bloundell Bloundell, of dien Italiaan, die borg wilde blijven voor den goeden uitslag. Onder het ledigen zijner flesch, beschreef de kolonel al zijne plannen en vooruitzichten tot in de kleinste bijzonderheden aan Pen, die met belangstelling naar deze verhalen en bekentenissen van zijn vermetelen doch goedhartigen tafelvriend luisterde.
„Kort geleden ben ik met dien zonderlingen Altamont in gezelschap geweest,” zeide Pen een paar dagen later tegen zijn oom.
„Altamont? Welke Altamont? Zoo heet Lord Westport’s zoon,” antwoordde de majoor.
„Neen, neen; die kerel, die op zekeren dag dronken bij de Clavering’s binnenkwam, toen wij daar aten,” hernam de neef lachend; „hij zeide, dat de naam Pendennis hem niet beviel, ofschoon hij mij de eer bewees, mij voor een fatsoenlijk man te houden.”
„Ik geef u mijn woord, dat ik niemand van den naam van Altamont ken,” zeide de ondoorgrondelijke majoor, „en wat uwe kennismaking betreft, geloof ik, Arthur, dat, hoe minder gij u met hem inlaat, hoe beter.”
Arthur moest nogmaals lachen en antwoordde: „Hij wil ons land verlaten en zijn fortuin gaan maken door middel van een speelsysteem. Hij is compagnon van mijn lieven academievriend Bloundell, en neemt Strong als adjudant mee. Ik wilde wel eens weten, wat de band is, die den chevalier met Clavering verbindt.”
„Ik zou denken, – let wel, Pen, ik zou denken (doch natuurlijk is het slechts een onderstelling) dat er in Clavering’s vroeger leven iets is voorgevallen, hetgeen aan die menschen, en eenige anderen, zekere macht over hem geeft; en indien er zulk een geheim bestaat, hetgeen, mijn beste jongen, ons niet aangaat, dan is dit eene les, dat een man het rechte pad door het leven moet bewandelen en zich in niemands macht stellen.”
„Nu, het komt mij voor, oom, dat ook gij zekeren invloed op Clavering bezit; waarom zou hij mij anders zijne plaats in het parlement afstaan?”
„Clavering acht zich niet geschikt voor het parlementaire leven,” gaf de majoor ten antwoord. „En dat is hij ook niet. Wat zou hem beletten u, of ieder ander op zijn zetel te plaatsen, als hij dat verkiest? Denkt gij, dat het gouvernement of de oppositie eenig bezwaar zou maken, om de beschikking over die plaats aan te nemen, als hij hun die aanbood? Waarom zoudt gij schroomvalliger zijn dan de voornaamste en achtenswaardigste mannen, mannen van de hoogste geboorte en het meeste aanzien in het land, voor den drommel?” De majoor beantwoordde de meeste opmerkingen van Pen in dezen zin en Pen vereenigde zich met die antwoorden van zijn oom, niet zoozeer omdat hij ze geloofde, maar omdat hij ze wilde gelooven. Wij doen het een of ander – wien onzer is dit niet gebeurd? – niet omdat „iedereen het doet”, maar omdat het ons behaagt; en onze instemming bewijst, helaas! niet, dat iedereen gelijk heeft, maar dat wij en al onze medemenschen zwakke schepselen zijn.
Mijnheer Pen verzuimde niet, bij zijn eerstvolgend bezoek te Tunbridge, jufvrouw Blanche te doen lachen over de door hem te Richmond vernomen historie van de belegering van den chevalier en het ontzet, dat deze aan den dapperen Altamont te danken had gehad. En nadat hij dit verhaal op zijne gewone satirieke wijze had gedaan, vermeldde hij, met lof en aandoening, hoe edelmoedig de kleine Fanny zich jegens den chevalier had gedragen en hoeveel geestdrift Altamont daardoor voor haar had opgevat.
Jufvrouw Blanche was een beetje jaloersch en gevoelde vrij wat spanning en nieuwsgierigheid ten aanzien van Fanny. Men kan wel aannemen, dat onze held, onder de vele vertrouwelijke praatjes, die hij met jufvrouw Amory gedurende hunne heerlijke ritjes op het land en hunne liefelijke avondwandelingen hield, niet zal hebben nagelaten haar eene voor hem zelven zoo gewichtige en waarschijnlijk ook voor haar zoo belangwekkende geschiedenis als die van de liefde en het leed der arme Ariadne in Shepherd’s Inn mee te deelen. Om hem recht te laten weervaren, moeten wij erkennen, dat hij de rol, die hij zelf in dat drama vervuld had, met gepaste zedigheid beschreef, daar de moraal, die hij uit deze historie wenschte te trekken, met zijn gewonen satirieken geest strookte, namelijk dat de vrouwen haar eerste liefde even gemakkelijk te boven komen als de mannen (want in hunne vertrouwelijke gesprekken plaagde de schoone Blanche mijnheer Pen onophoudelijk over zijne geduchte nederlaag bij zijn eigene maagdelijke liefde tot jufvrouw Fotheringay) en, wanneer nommer één van de baan is, zich zonder veel bedenking aan nommer twee overgeven. En de arme kleine Fanny moest het voorbeeld zijn, om die theorie toe te lichten. Welke smart zij doorstaan en overwonnen had, welke bittere rampen eener hopelooze liefde zij had verduurd, hoeveel tijd er noodig was geweest om de wonden van dit teere, bloedende hartje te heelen, wist mijnheer Pen niet, of verkoos hij misschien niet te weten; want hij koesterde een bescheiden twijfel omtrent zijne gaven als hartenveroveraar, en wilde ongaarne gelooven, dat hij in dat hart in het bijzonder eenige betreurenswaardige verwoestingen had aangericht, ofschoon het voorbeeld en het argument, dat hij in dit geval bezigde, tegen hem getuigde; want indien jufvrouw Fanny, gelijk hij zeide, thans verliefd was op haar medischen aanbidder, die noch voorkomen, noch manieren, noch geest, noch iets anders dan liefde en getrouwheid tot zijn aanbeveling had, moest zij dan niet, bij den eersten aanval der liefdekwaal, ernstig en zwaar geleden hebben om der wille van een man, die ongetwijfeld een aantal dier in het oog loopende bekoorlijkheden bezat, welke mijnheer Huxter miste?
„Ondeugend, akelig schepsel!” zeide jufvrouw Blanche, „ik geloof dat het u ergert, dat Fanny u heeft durven vergeten, en dat gij werkelijk op mijnheer Huxter jaloersch zijt.” Misschien trof jufvrouw Amory den spijker wel op den kop, daar er zijns ondanks een blos op zijne wang begon te komen (een van die oorvegen, welke men telkens van de ijdelheid ontvangt), een bewijs dat Pen zich boos maakte bij de gedachte, dat hij door zulk een mededinger verdrongen was. Door zulk een kerel, zonder eenige denkbare goede eigenschap! O, mijnheer Pendennis! (ofschoon deze opmerking niet toepasselijk is op zulk een uitstekend jongmensch als gij zijt) indien de natuur niet aan ieder geslacht een steun geschonken had in de lichtgeloovigheid van het andere, waardoor men voortreffelijkheden ziet waar er geene bestaan, waardoor men sierlijkheid ontdekt in ezelsooren, geest in ezelskoppen en muziek in het ezelbalken, dan zou er op verre na zooveel trouwen en ten huwelijk geven niet geweest zijn als nu het geval is en ook vereischt wordt voor de behoorlijke voortplanting en instandhouding van het edele ras, waartoe wij gerekend worden!
„Jaloersch of niet – en ik wil het niet tegenspreken, Blanche –,” zeide Pen, „ik had wel gewenscht, dat Fanny beter af ware gekomen dan op die wijze. Ik houd er niet van, dat geschiedenissen op die koele wijze afloopen en dat wij, als wij aan het einde der liefdeshistorie van een mooi meisje komen, zulk eene figuur als dien Huxter op de laatste bladzijde van den roman ontmoeten. Is het gansche leven dan slechts een compromis, schoone dame, en is eene lafhartige overgave het einde van den liefdestrijd? Moet het zoeken naar den Minnegod, dien mijn arme kleine Psyche in de duisternis najaagde, – den god, waarnaar hare ziel smachtte, den god met de rozenwangen en de regenboogkleurige vleugeltjes, – uitloopen op Huxter, riekende naar tabak en likpotten? Ik wenschte, ofschoon ik het in het leven niet zie gebeuren, dat de menschen op Jenny en Jessamy, of op mylord en Lady Clementina in de verhalen en deftige romans geleken en, als de trouwplechtigheid voltrokken wordt, ja, als het ware op het oogenblik dat de predikant de inzegening uitspreekt, te gelijk mooi en braaf wierden, om daarna voor altijd gelukkig en goed te zijn.”
„En zijt gij niet voornemens goed en gelukkig te zijn, Monsieur le Misanthrope, – en zijt gij zoo ontevreden met uw lot, en zal uw huwelijk een compromis zijn?” vroeg de schrijfster van Mes Larmes met eene betooverende moue, „en is uwe Psyche een leelijk, gemeen meisje? Ondeugend, satiriek schepsel, ik kan u niet uitstaan! Gij steelt de harten van jonge meisjes, speelt er mee en werpt ze verachtelijk weg. Gij vraagt om liefde en vertrapt die! Gij – gij maakt mij aan het schreien, dat doet gij, Arthur, en – och neen, laat dat! – ik wil niet op die manier getroost worden – en ik ben overtuigd dat Fanny volkomen gelijk had, toen zij van zulk een schepsel zonder hart afzag.”
„Ik zal het weer niet tegenspreken,” zeide Pen, terwijl hij Blanche zeer somber aanzag en de poging om haar te vertroosten niet herhaalde, die haar de lieftallige waarschuwing, „och neen, laat dat!” ontlokt had. „Ik geloof niet, dat ik veel bezit van hetgeen de menschen hart noemen; maar ik maak er ook geen aanspraak op. Op mijn achttiende jaar ontstak ik mijne lamp en toog uit om Cupido te zoeken. En wat ontdekte ik op mijne liefdereis? een alledaagsche danseres. Ik heb mij vergist, zooals ieder, of bijna ieder doet; doch het is gelukkiger zich vóór dan na het huwelijk te vergissen.”
„Merci du choix, monsieur!” zeide de sylphide met eene nijging.
„Zie, kleine Blanche,” zeide Pen, hare handgrijpende, met eene stem vol weemoedige vriendelijkheid, „ik verlaag mij ten minste tot geen vleierijen.”
„Juist het tegendeel,” zeide jufvrouw Blanche.
„En vertel u geen dwaze onwaarheden, zooals alledaagsche mannen doen. Waarom zouden gij en ik met onze ondervinding romaneskheid trachten voor te wenden en liefde te veinzen? Ik geloof niet, dat jufvrouw Blanche Amory de schoonste der schoonen, noch de grootste dichteres, noch de uitstekendste musicienne is, evenmin als ik geloof, dat gij de rijzigste vrouw zijt van de gansche wereld, gelijk de reuzin, die wij gisteren afgebeeld zagen, toen wij de kermis over reden. Maar zoo ik u niet als heldin beschouw, stel ik ook uw onderdanigsten dienaar niet als held voor. En ik vind, dat gij – nu dan, dat gij er zeer goed uitziet.”
„Merci!” zeide jufvrouw Blanche met eene tweede nijging.
„Ik geloof, dat gij heerlijk zingt. Ik weet, dat gij verstandig zijt. Ik hoop en geloof, dat gij een goed hart en een gezelligen aard bezit.”
„En derhalve, mits ik u eene zekere som gelds en eene plaats in het parlement aanbreng, wilt gij u wel verwaardigen mij tot uwe Sultane te verheffen, zeide Blanche. „Que d’honneur! Wij plachten uwe hoogheid den prins van Fairoaks te noemen. Welk een eer, te mogen denken dat ik tot den troon verheven zal worden en den sultan eene plaats in het parlement als geschenk mag aanbieden! Het verheugt mij, dat ik verstandig ben en zoo spelen en zingen kan, dat het uwe goedkeuring wegdraagt; mijne liedjes zullen mylord’s ledigen tijd korten!”
„En indien er dieven rondom het huis zwerven,” zeide Pen, de vergelijking met bijtenden spot voortzettende, „veertig lastige dieven in de gedaante van dreigende zorgen en vijanden, die in hinderlaag liggen, en hartstochten, die onder de wapenen staan, dan zal mijne Morgiana met eene tamboerijn voor mij dansen en de schelmen en dieven met een lachje verslaan. Dat zal zij immers?” Maar Pen zag er uit alsof hij niet geloofde, dat zij het doen zou. „Och, Blanche,” ging hij na een oogenblik stilzwijgens voort, „wees niet boos; trek het u niet aan, dat ik zoo rond voor de waarheid uitkom. Voelt gij niet, dat ik u altijd bij uw woord neem? Gij zegt, dat gij eene slavin zult zijn en dansen, en ik zeg: dans! Gij zegt, dat ik u neem met hetgeen gij aanbrengt, en ik herhaal: „Ik neem u met hetgeen gij aanbrengt.” Waarom zouden wij bij de noodzakelijke misleidingen en huichelarijen des levens er nog nuttelooze en onnoodige bijvoegen? Indien ik mij u aanbied, omdat ik geloof dat wij een goeden kans hebben om samen gelukkig te zijn en ik met uw behulp voor ons beiden een goeden stand en een niet onaanzienlijken naam kan verwerven, waarom zoudt gij dan van mij eischen, dat ik eene verrukking zou voorwenden en eene romaneskheid veinzen, waaraan wij geen van beiden gelooven? Wenscht gij, dat ik zou komen vrijen in het costuum van een prins uit een tooverballet, gehuurd bij een costumier, om u complimentjes op te disschen gelijk een Sir Charles Grandison? Zoudt gij willen, dat ik verzen maakte, zooals in de dagen toen wij – toen wij kinderen waren? Dat zal ik doen, als gij het verkiest, om ze daarna aan Bacon en Bungay te verkoopen. Moet ik mijn prinsesje bonbons te eten geven?”
„Mais j’adore les bonbons, moi,” zeide de kleine Sylphide met een kluchtig pruilend gezichtje.
„Ik kan er bij Fortnum en Mason een hoed vol koopen voor een guinje. En het kindje zal zijne bonbons hebben, zijne hondjes van bruidsuikertjes, dat zal het,” zeide Pen met een bitteren glimlach. „Nu, lieve, liefste kleine Blanche, schrei niet. Droog uwe mooie oogjes af, dat kan ik niet aanzien;” en daarop bood hij haar die vertroosting aan, welke door de omstandigheden vereischt en door de tranen, de echte tranen van spijt, die nu aan de vertoornde oogen der schrijfster van Mes Larmes ontsprongen, gevorderd werd.
De spottende en sarcastische toon van Pendennis verschrikte en overblufte het meisje. „Ik – ik wil uw troost niet! Nie – niemand heeft nog ooit te vo – te voren zoo tegen mij gesproken,” snikte zij op de ongekunsteldste wijze.
„Niemand?” kreet Pen, in een woesten lach uitbarstende, waarop Blanche een der echtste blosjes kreeg, die zich ooit op hare wang vertoond hadden, en uitriep: „O, Arthur, vous êtes un homme terrible!” De wufte kleine coquette, die gedurende de laatste twaalf jaren haars levens de verliefde gespeeld had, was verbijsterd, onthutst en in het nauw gedreven en toch mishaagde het haar niet, dat zij eindelijk haar meester vond.
„Zeg eens, Arthur,” sprak zij, na een oogenblik van pauze in deze vreemdsoortige minnarij, „waarom geeft Sir Francis Clavering zijne plaats in het parlement op?”
„En kom maar ter zake, – waarom staat bij die aan mij af?” vroeg Arthur, die nu op zijne beurt bloosde.
„Gij drijft altijd den spot met mij, mijnheer,” hernam zij. „Als het lidmaatschap van het parlement ergens toe dient, waarom legt Sir Francis het dan neer?”
„Mijn oom heeft hem daartoe overgehaald. Hij zeide altijd, dat er voor u niet toereikend gezorgd was. Bij de – de familietwisten is er, toen uwe mama zijne schulden met zoo milde hand vereffende, waarschijnlijk bepaald, dat gij – ik bedoel, dat ik – dat wil zeggen, op mijn woord ik weet niet waarom hij aftreedt,” zeide Pen met een tamelijk gedwongen lach. „Gij ziet, Blanche, dat gij en ik twee zoete kindertjes moeten zijn, dat dit huwelijk voor ons beraamd is door onze mama’s en ooms en dat wij moeten gehoorzamen, gelijk een zoeten jongen en een zoet meisje betaamt.”
Toen Pen dus weer naar Londen ging, zond hij Blanche eene doos bonbons, van welke elk stukje in Fransche deviezen van den teedersten aard gewikkeld was, en daarenboven vaardigde hij eenige gedichten van zijn eigen maaksel naar haar af, die even ongekunsteld en oprecht gemeend waren; geen wonder dus, dat hij niet aan Warrington vertelde welke gesprekken hij met jufvrouw Amory had gehad, zoo teer waren zij geweest en natuurlijk van zulk een vertrouwelijken aard.
Doch zoo Arthur Pendennis, de zoon der weduwe, het voornemen koesterde om afvallig te worden, gelijk menig beter en slechter man vóór hem gedaan heeft, en zich te verkoopen, wij weten wel aan wien, zoo wendde de renegaat ten minste niet voor, dat hij de nieuwe leer geloofde, die hij gereed stond te omhelzen. En indien slechts ieder man en iedere vrouw in dit koninkrijk, die zich verkocht heeft voor geld of rang, gelijk mijnheer Pendennis op het punt stond te doen, een exemplaar van zijne Gedenkschriften wilde koopen, hoeveel duizenden ponden boeken zouden de uitgevers Bradbury en Evans af te leveren hebben!
ZES EN ZESTIGSTE HOOFDSTUK.
WAARIN PEN ZIJNE VERKIEZING VOORBEREIDT.
Het groote huis in Clavering Park, waar het zoo melancholisch was geweest vóór het huwelijk van Sir Francis Clavering, toen de verarmde eigenaar nog genoodzaakt was in vreemde landen eene schuilplaats te zoeken, zag er niet veel vroolijker uit toen de baronet er kwam wonen. De meeste vertrekken waren afgesloten en de baronet nam slechts eenige kamers van de benedenverdieping in gebruik, waar de huishoudster en hare handlangster uit het portiershuisje bij het groote hek der buitenplaats, den rampspoedigen heer in zijne gedwongen afzondering bedienden en een gedeelte van het wild toebereidden, met welks jacht hij de vervelende morgens doorbracht. Zijn kamerdienaar Lightfoot was in mylady’s dienst overgegaan en had, gelijk Pen uit een brief van mijnheer Smirke vernam, die de plechtigheid had voltrokken, gevolg gegeven aan zijn verstandig besluit om mylady’s kamenier, jufvrouw Bonner, te trouwen, die in hare gevorderde jaren door de bekoorlijkheden van een jonkman betooverd was en hem met hare spaarpenningen en hare meer dan rijpe persone begiftigd had. Beider hoogste eerzucht was kastelein en kasteleines van het Wapen van Clavering te worden, en er was overeengekomen, dat zij tot het volgende kwartaal in dienst van Lady Clavering zouden blijven, om daarna bezit te nemen van hun hotel. Pen had welwillend beloofd dáár zijn verkiezingsdiner te zullen geven, als de baronet zijn lidmaatschap ten gunste van den jonkman neerlegde; en gelijk met zijn oom was afgesproken, aan wien de baronet niets scheen te kunnen weigeren, kwam Arthur in September ten bezoek op Clavering Park, welks eigenaar zeer verheugd was over een metgezel, die afwisseling in zijn eenzaamheid zou brengen en hem misschien wat klinkende specie leenen kon.
Pen voorzag, een paar dagen na zijne komst op Clavering, zijn gastheer van dien gewenschten toevoer; en nauwelijks had Sir Francis dit geringe bedrag op zak of hij herinnerde zich, dat hij te Chatteries en in de omliggende badplaatsen moest zijn, van welke het graafschap er vele telt. Hij ging daarheen voor zijne zaken, die, gelijk te verwachten was, op de renbanen en in de biljartkamers afgedaan werden. Arthur kon zich zeer wel alleen vermaken, daar hij vele uitwegen en genoegens op verstandelijk gebied kende, waarbij hij geen gezelschap van anderen noodig had; des morgens zwierf hij met den jager rond, en voor de avonden was er een overvloed van boeken en werk voor een letterkundig genie gelijk mijnheer Arthur, die niet meer dan eene sigaar en een paar vellen papier noodig had, om den avond aangenaam door te brengen. Om de waarheid te zeggen, hij vond Sir Francis Clavering’s gezelschap reeds in een paar dagen onuitstaanbaar, zoodat hij met ondeugende voorkomendheid aan Clavering den geringen geldelijken bijstand aanbood, dien deze, volgens zijne gewoonte, verzocht, en hem de middelen verschafte om zijn eigen huis te ontvluchten.
Bovendien moest onze slimme vriend de gunst der inwoners van Clavering en der kiezers van het district, dat hij wenschte te vertegenwoordigen, trachten te verwerven; en hij wijdde zich met te meer ernst aan die taak, daar hij zich herinnerde hoe impopulair hij vroeger in Clavering geweest was en zich voorgenomen had den afkeer te overwinnen, welken hij aan die eenvoudige lieden had ingeboezemd. Zijn gevoel voor humor deed hem behagen scheppen in die taak. Van nature teruggetrokken en stil, zoodra hij zich in het publiek bevond, werd hij plotseling zoo spraakzaam en handelbaar en prettig als kapitein Strong. Hij lachte met iedereen, die tegen hem wilde lachen, gaf handjes rechts en links, met hetgeen men eene behendige hartelijkheid had kunnen noemen, verscheen op de markt en aan de boerentafel, en gedroeg zich kortom als een volleerd schijnheilige en zooals heeren van de hoogste geboorte en de onberispelijkste braafheid zich gedragen wanneer zij zich bij hunne kiezers aangenaam willen maken, of het een of ander van de landbewoners wenschen te verkrijgen. Hoe komt het, dat wij ons door eene gladde tong, een gullen lach en ronde manieren zoo spoedig niet laten misleiden, maar innemen? Wij weten meerendeels, dat het valsche munt is, en desniettemin nemen wij die aan; wij weten, dat het vleierijen zijn, die niets kosten, al deelt men ze aan iedereen uit, en evenwel willen wij die liever ontvangen dan missen. Onze vriend Pen gaf zich op zijne wandelingen door Clavering alle moeite om zich heel natuurlijk voor te doen en met alles ingenomen te zijn, en was een geheel ander wezen dan de hooghartige en tamelijk stuursche jonge dandy, dien de inwoners zich van tien jaar vroeger herinnerden.
De pastorie was gesloten, want doctor Portman had zich met zijne jicht en zijne familie naar Harrowgate begeven, – een omstandigheid, door Pen diep betreurd in zijn brief aan den doctor, in welken hij met eenige weinige innemende en ongekunstelde woorden zijn leedwezen betuigde, dat hij zijn ouden vriend niet had mogen aantreffen, wiens raad hij zoo gaarne had ingewonnen en wiens hulp hij wel te eeniger tijd kon noodig hebben; maar Pen troostte zich over de afwezigheid van den doctor door kennis te maken met mijnheer Simcoe, den predikant der tegenpartij, en met de beide deelgenooten in de lakenfabriek te Chatteries, en met den dominé van de vrije gemeente aldaar, die hij allen ontmoette in het Athenæum van Clavering, door de liberale partij opgericht naar de eischen van den verlichten geest der eeuw en misschien ook als tegenwicht voor het oude leesmuseum, waar de Edinburgh Review vroeger slechts met moeite onder de tijdschriften opgenomen was en geen winkelier tot lid werd aangenomen. Hij kreeg den jongsten compagnon der lakenfabriek op zijne hand, door hem familiaar ten eten te vragen op het Park; hij vereerde mevrouw Simcoe (de freule) met hazen en patrijzen uit die zelfde plaats en met een verzoek om de laatste preek van haar man ter lezing, en toen de schavuit op zekeren dag zich een weinig ongesteld gevoelde, maakte hij van die gelegenheid gebruik om zijne tong aan mijnheer Huxter te laten zien, die hem daarop eenige geneesmiddelen zond en den volgenden morgen een bezoek bij hem kwam afleggen. Wat zou de oude Pendennis zich over zijn leerling verheugd hebben! Pen zelf had pleizier in het spel dat hij dreef, en de opgang, dien hij maakte, vervulde hem met een soort van ondeugend vermaak.
En toch, als hij des avonds Clavering verliet, na eene vergadering van het Athenæum gepresideerd te hebben, of den namiddag te hebben doorgebracht bij mevrouw Simcoe, die evenals haar man onder den indruk der reputatie van den jongen Londenaar gebukt ging en gehoord had van den opgang, dien hij in de wereld had gemaakt; en wanneer hij de oude welbekende brug over den klaterenden Brawl overging en het gedruis der wateren daarbeneden hoorde, hetgeen hij zich nog zoo goed herinnerde, en zijn eigen huisje Fairoaks tusschen het geboomte zag liggen, welks donkere omtrekken zoo duidelijk tegen den met sterren bezaaiden hemel afstaken, – dan rezen er ongetwijfeld wel andere gedachten in den geest van den jonkman op en verwekten daar gevoelens van smart en schaamte. Er placht nog altijd een licht te schijnen uit de vensters der kamer, die hem zoo helder voor den geest stond en waarin de heilige, die hem zoo had liefgehad, zoo menig uur in zorg en verlangen en gebed had doorgebracht. Hij wendde zijn oog van het flauwe licht af, dat hem met verwijtenden glans scheen te volgen, alsof het de geest zijner moeder was, die op hem lette en hem waarschuwde. Wat was de nacht helder! wat flikkerden de sterren! wat schoot het water rusteloos voort! de oude bekende boomen ruischten, en wuifden zachtkens met de donkere kruinen en takken boven het dak van het huisje. Ginds, onder den flauwen sterrenglans, lag het terras waar hij in zijne jongensjaren, vol vuur en goed vertrouwen, onbevlekt, onbeproefd, onbekend met twijfelzucht en hartstocht, tot nog toe aan den reinen en zorgenden boezem zijner liefhebbende moeder tegen de besmetting der wereld beveiligd, op de zomeravonden rondwandelde ... De klok der naburige stad, wier krachtige slagen het middernachtsuur verkondigen, stoort de mijmeringen van onzen reiziger en doet hem met versnelde schreden door de portierswoning aan den ingang van Clavering Park en onder de donkere booggewelven der ruischende lindeboomen naar de plaats, waar hij overnachten zal, voortspoeden.
De volgende maal dat hij zijn ouderlijk huis weerziet, prijkt het in den gloed der ondergaande zon: de vensters der slaapkamers, waar den vorigen avond licht brandde, staan open; en Pen’s huurder, kapitein Stokes van de Indische artillerie (wiens moeder, de oude mevrouw Stokes, te Clavering woont) ontvangt zijn huisheer zeer hartelijk ten bezoek. Hij laat hem den tuin zien en den vijver, dien hij in het achterste gedeelte bij den stal heeft aangelegd; hij spreekt vertrouwelijk met hem over het dak en de schoorsteenen, en verzoekt mijnheer Pendennis zelf maar een dag te willen bepalen wanneer hij den kapitein en mevrouw Stokes het genoegen zal willen doen, enz. Pen, die zich reeds sinds veertien dagen op het land bevindt, vraagt verschooning den kapitein niet eerder bezocht te hebben, en komt er rond voor uit, dat hij daartoe den moed niet bezat. „Ik begrijp u volkomen mijnheer,” zegt de kapitein, en nu op dit oogenblik komt mevrouw Stokes, die weggeslopen was toen er gescheld werd (wat kwam het Pen zonderling voor, zelf hier aan te schellen!), in haar beste gewaad en door hare kinderen omringd, naar beneden. De kleintjes klauteren tegen Stokes op; de jongen springt op een armstoel. Het was de armstoel van Pen’s vader, en Arthur herinnerde zich den tijd zeer goed, toen hij het evenmin in de gedachte zou hebben gekregen op dien stoel te gaan zitten, als den troon des konings te gaan beklimmen. Hij vraagt aan de jonge jufvrouw Stokes, die het evenbeeld harer moeder is, of zij spelen kan? dan zou hij wel iets op die piano willen hooren. Daarop speelt zij. Hij hoort de door ouderdom verzwakte tonen der piano nu weder, maar luistert niet naar de speelster. Hij luistert naar Laura, zooals zij in de dagen hunner jeugd zat te zingen, en ziet hoe zijne moeder, onder het slaan van de maat, zich over den schouder van het meisje heenbuigt.
Het diner, dat ter eere van Pen door zijn huurder op Fairoaks gegeven en door de oude mevrouw Stokes, kapitein Glanders, jonker Hobnell en den dominé van Tinckleton met diens vrouw bijgewoond werd, was voor Pen zeer vervelend en melancholisch, tot de dienstknecht uit Clavering (die den stalknecht van den kapitein en den bottelier van mevrouw Stokes hielp), dien Pen nog als straatjongen gekend had en die nu barbier in het genoemde plaatsje was, een schotel over Pen’s schouder liet vallen, waarop mijnheer Hobnell (die hem nu en dan ook in dienst had) uitriep: „Zeg eens, Hodson! uwe handen zijn zeker glibberig van de pommade. Hij smijt altijd het aardewerk aan stukken, die Hodson – ha, ha!” Hodson begon te blozen en zag er zoo verlegen uit, dat Pen begon te schateren, en van nu af waren genoegen en vroolijkheid aan de orde van den avond. Als second service kreeg men een haas en patrijzen aan het boven- en benedeneinde van de tafel, en toen Pen, nadat de bedienden zich verwijderd hadden, tegen den predikant van Tinckleton zeide: „Mij dunkt, mijnheer Stooks, gij hadt Hodson maar moeten verzoeken (op den haas wijzende) haar te snijden,” werd de woordspeling dadelijk met gelach beantwoord door den dominé, waarop de kapiteins Stokes en Glanders binnen weinige minuten volgden, en eindelijk mijnheer Hobnell, heel wat later, met een daverenden schaterlach er ook mee instemde.
Terwijl mijnheer Pen zich ten platten lande op de bovengenoemde wijze bezig hield, kwam de dame van zijne keuze, zoo niet van zijn hart, van de villa te Tunbridge naar Londen, om aankoopen in winkels te doen, of andere belangrijke zaken te verrichten. Zij was vergezeld van de oude jufvrouw Bonner, haar moeders kamenier, die sedert Blanche’s kindsheid aanhoudend met haar geleefd en gekrakeeld had, en die, nu zij op het punt stond den dienst van Lady Clavering met den huwelijksstaat te verwisselen, als eene hartelijke ziel gaarne een bewijs van eerbiedige genegenheid aan haar oude en jonge meesteres wilde aanbieden, alvorens die beiden geheel te verlaten en haar post als vrouw van Lightfoot en kasteleines van het Wapen van Clavering te gaan bekleeden.
De brave vrouw riep de hulp van jufvrouw Amory’s smaak in, bij de keuze van het souvenir, dat zij mylady wilde schenken, terwijl zij de schoone Blanche uitnoodigde zelve iets naar haar eigen zin uit te kiezen, hetgeen haar kon blijven herinneren aan haar oude min, die in menigen onrustigen nacht, bij het krijgen van menig gevaarlijk tandje, bij menigen aanval van koorts in de kinderjaren, bij haar gewaakt en haar bijna als haar eigen kind bemind had. De aankoopen werden gedaan, en daar de min volstrekt een kolossalen bijbel voor Blanche wilde koopen, gaf de jonge dame in overweging of Bonner niet het groote Woordenboek van Johnson voor hare mama zou aanschaffen. Elk der beide dames had voorzeker heel wat nut kunnen trekken uit het geschenk.
Vervolgens kocht jufvrouw Bonner eenig linnen, dat zij in het Wapen van Clavering kon noodig hebben, en eene roode en gele das, zooals Blanche dadelijk begreep, voor mijnheer Lightfoot bestemd. Jufvrouw Bonner beschouwde dien jonkman, die ten minste vijf en twintig jaar jonger was dan zij zelve, met zoowel moederlijke als echtelijke teederheid en schikte hem gaarne met allerlei sieraden op, zoodat hij steeds schitterde van spelden, ringen, hemdsknoopjes, kettingen en snuisterijen, alle op kosten van het goede schepsel aangeschaft.
Jufvrouw Bonner deed hare aankoopen in het Strand, met behulp van jufvrouw Blanche, die dit heel aardig vond, en toen de oude jufvrouw alles gekocht had wat zij begeerde en den winkel verliet, vroeg Blanche met een innemend lachje en eene vriendelijke buiging aan een der winkelbedienden: „Zoudt ge zoo goed willen zijn, mijnheer, ons eens te zeggen, welken weg wij naar Shepherd’s Inn moeten inslaan?”
Daar Shepherd’s Inn slechts weinige ellen ver en Old Castle Street dichtbij was, wees de elegante jeugdige winkelbediende den hoek aan, welken de jonge dame moest omslaan, waarop deze met hare gezellin den tocht voortzette.
„Shepherd’s Inn! Wat hebt gij in Shepherd’s Inn te doen, Blanche?” vroeg jufvrouw Bonner. „Daar woont mijnheer Strong. Moet gij den kapitein spreken?”
„Ik zou den kapitein zeer gaarne eens zien. Ik houd wel van den kapitein. Maar ik ga hèm niet opzoeken. Ik moet een lief goed meisje gaan zien, dat heel vriendelijk is geweest voor – voor mijnheer Arthur, toen hij verleden jaar zoo ziek was, en die als het ware zijn leven heeft gered. Ik wil haar daarvoor bedanken en vragen of ik haar met iets helpen kan. Ik heb heden morgen opzettelijk verscheidene mijner kleedjes uitgezocht, Bonner!” en daarbij keek zij Bonner aan op eene wijze, alsof zij aanspraak op bewondering mocht maken en eene buitengewoon deugdzame daad verricht had. Blanche hield zeer veel van bonbons; zij zou die aan de armen te eten hebben gegeven, als zij er genoeg had gehad, en eene boerenmeid eene harer baljaponnen hebben geschonken, wanneer zij die had afgedragen en er niet meer van gediend beliefde.
„Een lief meisje – eene lieve jonge vrouw!” mompelde jufvrouw Bonner. „Ik weet wel, dat ik geene lieve jonge vrouwen in de nabijheid van Lightfoot zal laten komen;” en te gelijk bevolkte zij in hare verbeelding het Wapen van Clavering met een harem van de afschuwelijkste werkmeiden en buffetjufvrouwen.
Blanche was met haar paarsch en blauw, hare veeren en snuisterijen (de châtelaine, die verbazende uitvinding, was nog niet bekend, anders kan men zeker zijn, dat zij er een zou gedragen hebben), met haar zijden kleed met weerschijn, een prachtigen mantel en een beeldje van een parasol, zulk eene sierlijke en schoone verschijning, dat zij de oogen van jufvrouw Bolton verblindde, die den vloer der portierswoning van Shepherd’s Inn schrobde, terwijl Betsy-Jane en Amalia-Anna verrukt opkeken.
Blanche zag met een lachje van onbeschrijfelijke lieftalligheid en hoogheid op allen neer, gelijk Rowena, die Ivanhoe ging bezoeken, gelijk Marie Antoinette, toen zij gedurende den hongersnood de armen opzocht, gelijk de markiezin van Carabas, toen zij met haar rijtuig met vier paarden aan de deur van den armen boer stilhield en van Jan No. 2 het pakje Engelsch zout ten behoeve van den zieke overnam, om het met haar eigene vorstelijke hand in de ziekenkamer te brengen. Blanche achtte zich eene koningin, die van haar troon afdaalt om een onderdaan te bezoeken, en verkeerde in de volle overtuiging, dat zij eene goede daad verrichtte.
„Vrouwtje? Ik zou Fanny wel eens willen spreken, – Fanny Bolton. Is die hier?”
Blanche’s prachtig voorkomen deed plotseling de verdenking bij jufvrouw Bolton oprijzen, dat zij eene tooneelspeelster of nog iets ergers moest zijn.
„En wat moet gij van Fanny hebben, hè?” vroeg zij dus.
„Ik ben de dochter van Lady Clavering – gij hebt Sir Francis Clavering toch wel hooren noemen? En ik zou Fanny Bolton heel gaarne spreken.”
„O, kom dan als het u belieft binnen, jufvrouw. Betsy-Jane, waar is Fanny?”
Betsy-Jane antwoordde, dat Fanny de trap van No. 3 opgegaan was, waarop jufvrouw Bolton verklaarde, dat zij zich dan waarschijnlijk op de kamers van Strong zou bevinden, en het kind gelastte te gaan zien, of zij inderdaad dáár was.
„Op de kamer van kapitein Strong! O, laten wij naar kapitein Strong’s kamer gaan!” riep jufvrouw Blanche uit. „Ik ken hem heel goed. Kom, kindlief, wijs ons den weg eens naar kapitein Strong!” vervolgde jufvrouw Blanche; want de vloer rook naar het schrobben, en de godin hield niet van reuk van groene zeep.
Toen zij de trap opgingen, maakte een heer met name Costigan, die over het plein drentelde en een schelmschen blik onder Blanche’s hoed sloeg, bij zich zelven de opmerking: „Dat is eene verduiveld mooie meid, voor den drommel, die daar naar Strong en Altamont gaat; die twee hebben altijd mooie meisjes op hunne trap.”
„Hola – wat is dat?” riep hij een oogenblik later uit, naar de vensters opkijkende, door welke een schel gegil naar buiten drong.
Op het geluid der stem van eene vrouw, die in nood verkeerde, rende de onversaagde Cos de trap op, zoo snel als zijn oude beenen hem dragen konden, maar hij werd bijna omvergeloopen door Strong’s bediende, die de trap afsnelde. Cos vond de buitendeur van Strong’s apartementen dicht en begon donderende slagen met den klopper te geven. Na een aantal van die krachtige slagen werd de binnendeur gedeeltelijk opengedaan en keek Strong eventjes om den hoek.
„Ik ben het, beste jongen. Wat beteekent dat leven, Strong?” vroeg Costigan.
„Loop naar den duivel!” was het antwoord, waarop de deur weer voor Costigan’s eerbiedwaardigen rooden neus werd dichtgesmeten. Onder het mompelen van bedreigingen van wraak over de beleediging, die hem was aangedaan, en zwerende dat hij voldoening zou moeten hebben, ging hij de trap af. Ondertusschen zal de lezer, gelukkiger dan kapitein Costigan, het voorrecht genieten, bekend te worden gemaakt met het geheim, dat voor dien officier verborgen werd gehouden.
Wij hebben reeds vermeld van welk een vrijgevig karakter mijnheer Altamont was, en met welk eene milde hand hij zijn geld besteedde, zoodra hij er van voorzien was. Daar hij ook een gastvrijen aard bezat, kende hij geen grooter genoegen dan met anderen te drinken, zoodat te Greenwich en te Richmond niemand méér welkom was dan de afgezant van den nabob van Lucknow.
Nu wilde het toeval dat de kolonel, op den dag toen Blanche en jufvrouw Bonner de trap naar de kamer van Strong in Shepherd’s Inn beklommen, jufvrouw Delaval van den koninklijken schouwburg van – en hare moeder, mevrouw Hodge, uitgenoodigd had tot een tochtje op de rivier met bepaling, dat zij op zijne kamers zouden bijeenkomen, om dan gezamenlijk op een aanlegplaats in het naburige Strand aan boord eener stoomboot te gaan. Toen derhalve jufvrouw Bonner en Mes Larmes aan de deur kwamen, zeide Grady, Altamont’s bediende, die daar op post stond, met de meeste voorkomendheid: „Gaat binnen, dames,” en leidde haar het vertrek in, dat versierd was alsof zij verwacht werden. Wezenlijk stonden twee ruikers, dien morgen in Covent Garden gekocht, als bewijzen van Altamont’s kiesche galanterie, zijne gasten op de tafel te wachten. Blanche rook aan een der bouquetten, stak er haar aardig nuffig neusje in, trippelde de kamer rond, en keek achter de gordijnen, en naar de boeken en prenten, en naar den plattengrond van het landgoed Clavering, die aan den muur hing; zij had den knecht naar kapitein Strong gevraagd, maar diens bestaan bijna weer vergeten, evenals het doel waarmee zij hier gekomen was, namelijk Fanny Bolton te bezoeken, – zoo ingenomen was zij met dit nieuwe avontuur en het malle, zonderlinge, aardige, kluchtige ideetje van zich op de kamers van een ongehuwd heer in zulk een wonderlijk oud hoekje van de stad te bevinden!
Intusschen was Grady met een paar groote verlakte laarzen in zijn meesters kamer verdwenen. Blanche had ternauwernood opgemerkt hoe groot die laarzen waren en hoe weinig zij op die van Strong geleken.
„De vrouwen zijn gekomen,” zeide Grady, toen hij de laarzen aan zijn meester overhandigde.
„Vraag haar, of zij niet een glaasje van het een of ander willen gebruiken,” zeide Altamont.
Grady kwam nu buiten en zeide tegen de dames: „Hij vraagt of gij een borreltje wilt hebben?” waarop Blanche, die deze vraag heel aardig vond, in een lachje uitbrak en aan jufvrouw Bonner vroeg: „Willen wij een glaasje nemen?”
„Nu, gij kunt het nemen of niet, naar keuze,” zeide Grady, die zijn aanbod geminacht waande en wien de hooge manieren der nieuw aangekomenen niet bevielen, zoodat hij haar alleen liet.
„Zullen wij een glaasje nemen?” vroeg Blanche andermaal en brak wederom in lachen uit.
„Grady!” riep eene stem uit de andere kamer, eene stem, die jufvrouw Bonner verschrikt deed opzien.
Grady gaf geen antwoord. Men hoorde hem veraf zingen in de keuken op de bovenverdieping, waar hij zijn werk met zijne muziek begeleidde.
„Grady, mijn rok!” schreeuwde de stem uit de belendende kamer.
„Dat is de stem van mijnheer Strong niet?” zeide de sylphide, nog altijd half lachende. „Grady, mijn rok! – Bonner, wie is „Grady mijn rok?” Ik geloof, dat het beter zou zijn als wij heengingen.”
Bonner keek nog altijd zeer ontsteld over het geluid der stem, die zij gehoord had.
Op dit oogenblik ging de deur der slaapkamer open en kwam de persoon, die: „Grady, mijn rok!” geroepen had, zonder dat kleedingstuk te voorschijn.
Hij knikte de dames toe en ging de kamer door met de woorden: „Ik vraag excuus, dames. Grady, breng me mijn rok! Een mooie dag, dames, en wij zullen een prettig tochtje maken –”
Maar verder kwam hij niet, want op dit oogenblik riep jufvrouw Bonner, die hem met verschrikte oogen had aangestaard, plotseling uit: „Amory! Amory!” en zonk gillende en in zwijm op haar stoel neer.
De man, die aldus aangesproken werd, keek de vrouw een oogenblik aan, en snelde toen naar Blanche, die hij omhelsde en kuste „Ja, Betsy,” sprak hij, „bij den hemel, ik ben het. Mary Bonner heeft mij herkend. Wat zijt ge een mooi meisje geworden! Maar onthoud wel, dat het een geheim is. Ik ben dood, al ben ik uw vader. Uw arme moeder weet niets van mij. Wat zijt ge lief opgegroeid! Geef mij een kus – een stevigen kus, Betsy. Voor den drommel, ik heb u lief; ik ben uw ouwe vader!”
Betsy – of Blanche scheen ten eenemale verbijsterd en begon ook te gillen – eenmaal, tweemaal, driemaal; en het waren hare doordringende kreten, die kapitein Costigan hoorde, toen hij beneden op het plein wandelde.
Toen de ontstelde vader dat gillen hoorde, wrong hij zijne handen (zijne manchetten hingen open, en daardoor zag men op zijn eenen gebruinden arm zekere blauwe letters, die er in geprikt waren), snelde zijne kamer binnen, kwam weer terug met een eau-de-cologne-flesch uit zijne groote zilveren toiletdoos en begon jufvrouw Bonner en Blanche overvloedig met den inhoud te besprenkelen.
Het gillen der vrouwen lokte de andere bewoners van het apartement naar de kamer; Grady uit zijne keuken en Strong uit zijn vertrek op de bovenverdieping. De laatste zag aan het voorkomen der beide vrouwen dadelijk wat er gebeurd was.
„Grady, ga naar beneden op het plein wachten,” zeide hij, „en als er iemand komt – ge begrijpt mij?”
„Ja, ook de actrice met hare moeder?” vroeg Grady.
„Ja – loop naar den drommel – zeg dat er niemand thuis is en dat de partij wordt uitgesteld.”
„Moet ik dat zeggen, mijnheer? nadat ik die bouquetten gekocht heb?” vroeg Grady aan zijn meester.
„Ja,” zeide Amory, op den grond stampende, en toen Strong zich naar de deur begaf, kwam hij er juist bijtijds om kapitein Costigan, die de trap opgeklommen was, buiten te houden.
Dien dag werden de dames van het tooneel niet te Greenwich onthaald en legde Blanche haar bezoek bij Fanny Bolton niet af; en Cos, die de gelegenheid waarnam om op eene majestueuse wijze aan Grady te vragen wat voor ongeluk er gebeurd was en wie daar gilde, kreeg ten antwoord, dat het eene vrouw en nog een andere vrouw was, en dat de vrouwen, naar Grady’s oordeel, de oorzaak waren van bijna al het onheil, dat op aarde plaats had.
ZEVEN EN ZESTIGSTE HOOFDSTUK.
WAARIN PEN AAN ZIJNE VERKIEZING BEGINT TE TWIJFELEN.
Terwijl Pen aldus in zijn eigen graafschap zijne zelfzuchtige plannen en parlementaire vooruitzichten trachtte te verwezenlijken, ontving hij de tijding, dat Lady Rockminster te Baymouth was aangekomen en onze vriendin Laura had meegebracht. Toen Pen vernam, dat zijne zuster Laura zich in zijne nabijheid bevond, beving hem een gevoel van schuld. Hij wenschte wellicht in haar achting hooger te staan dan in die van iemand anders ter wereld. Zij was hem, als het ware, door zijne moeder gelegateerd. Hij moest in zekeren zin haar bestuurder en beschermer zijn. Hoe zou zij het nieuws opnemen, dat hij haar had mee te deelen, en hoe zou hij haar de plannen uiteenzetten, die hij koesterde? Hij nam een gevoel bij zich waar, alsof noch hij noch Blanche Laura’s schitterenden en kalm onderzoekenden blik zou kunnen uithouden, en alsof hij zijne wereldsche verwachtingen en vooruitzichten niet aan die reine ziel zou durven bekennen. Zoodra zij te Baymouth was aangekomen, schreef hij haar een brief vol mooie uitdrukkingen en betuigingen van genegenheid en met eene goede hoeveelheid luchtigen spot en scherts; doch onder dat alles kon mijnheer Pen zich niet ontveinzen, dat hij zeer beducht was voor hetgeen komen zou en dat hij zich als een schelm en schijnheilige gedroeg.
Hoe kan een eenvoudig landmeisje bij zulk een voorbeeldig gentleman als mijnheer Pen, vrees en siddering verwekken? Hij gevoelde, dat zijne wereldsche berekeningen en plannen, zijne satirieke levensbeschouwing en zijne wereldkennis den toets van hare reinheid niet konden doorstaan. En hij moest bekennen, dat zijne voornemens van dien aard waren, dat hij aan dat brave meisje de waarheid niet openbaren kon. Toen hij van Clavering naar Baymouth reed, gevoelde hij zich zoo schuldig als een schooljongen die zijne les niet kent en straks tegenover den gevreesden meester zal staan. Want de waarheid is immers altijd de meesteres, die de macht bezit en het boek in de hand houdt?
Laura had, onder de hoede van Lady Rockminster, hare welgezinde doch eenigszins willekeurige en gebiedende beschermster, in het afgeloopen jaar het een en ander gezien, zich eenige nieuwe bekwaamheden eigen gemaakt en uit de lessen der wereld veel nut getrokken. Menig meisje, gewoon aan de al te groote vertroeteling, aan Laura vroeger ten deel gevallen, zou ongeschikt zijn geworden voor het leven, dat zij thans moest leiden. Helena aanbad hare beide kinderen en dacht, gelijk vrouwen, die nooit iets van de wereld gezien hebben, doorgaans doen, dat het heelal voor hen geschapen was, of eerst na hen in aanmerking kwam. Zij verzorgde Laura met eene waakzaamheid en eene liefde, die haar nooit verliet. Had het meisje hoofdpijn, de weduwe was zoo ontsteld, alsof nooit iemand anders ter wereld hoofdpijn had gehad. Zij sliep en ontwaakte en leerde en bewoog zich onder haar moeders liefderijk oppertoezicht, waarvan zij nu beroofd was, evenzeer als van die teedere vrouw zelve, wier zorgvolle hart niet meer kloppen zou. En Laura zal ongetwijfeld smartelijke oogenblikken van verdriet en neerslachtigheid hebben gekend, toen zij zich alleen in de groote onverschillige wereld bevond. Niemand sloeg acht op hare smart of haar eenzaamheid. Zij stond in maatschappelijken rang geenszins gelijk met de dame tot wier gezelschap zij strekte, of met de vrienden en betrekkingen der heerschzuchtige, doch welgezinde oude douairière. Er waren er waarschijnlijk wel, die haar geen goed hart toedroegen; sommigen behandelden haar misschien wel eens met mindere achting; de bedienden bejegenden haar somtijds en de vrouw des huizes dikwijls met zekere ruwheid. Laura woonde niet zelden familiebijeenkomsten bij, waar zij gevoelde dat het vertrouwen en de gemeenzaamheid door haar aanwezigheid verstoord werd, en hare gevoeligheid werd natuurlijk gekwetst door de gedachte, dat zij hinder zou geven of ondervinden. Hoe vele gouvernantes zijn er in de wereld, dacht de opgeruimde Laura – hoevele dames, die, door de omstandigheden gedwongen, slavinnen en gezelschapsjufvrouwen van beroep zijn! Hoeveel kwade humeuren en grove bejegeningen moeten deze niet verduren! Hoe oneindig gelukkiger is mijn lot bij deze wezenlijk vriendelijke en hartelijke menschen, dan dat van duizenden meisjes, die in de wereld alleen staan! Met dezen gewilligen geest schikte zich onze jonge dame in hare nieuwe positie en bood met een vertrouwelijk lachje aan de Fortuin het hoofd.
Hebt ge ooit iemand gekend, die de Fortuin aldus te gemoet ging en op wien die godin niet vriendelijk neerzag? Worden zelfs slechte menschen niet eindelijk gewonnen door een onverstoorbare goede luim en een rein en toegenegen hart? Toen de kinderen in het bosch, waarvan de ballade spreekt, zoo lief en vertrouwelijk opzagen naar de verfoeilijke schelmen, die hun oom gehuurd had om de kleinen van kant te maken, weten wij allen, dat een dier schavuiten vermurwd werd en den ander uit den weg ruimde, daar hij den moed niet bezat om zooveel onschuld en schoonheid wreed te behandelen. O, zalig degenen, die deze onverstoorbare goede gedachte van de wereld en dit zoete en opgeruimde vertrouwen op haar bezitten, en geen kwaad vreezen, omdat zij geen kwaad denken! Jufvrouw Laura Bell was een van die bevoorrechte wezens, en droeg buiten het diamanten kruisje van de liefderijke weduwe, hetwelk Pen, gelijk wij gezien hebben, haar geschonken had, een flikkerenden en schitterenden kohinoor in haar hart, nog kostbaarder dan die beroemde steen; want voor den eigenaar is die niet slechts een schat hier op aarde, maar hij behoudt dat kleinood ook in eene betere wereld, waar men zegt dat diamanten niets meer waard zijn, en het is en blijft een talisman tegen het kwade en verlicht de duisternis des levens, gelijk de vermaarde steen van Copia Hassan.
Dientengevolge was er, eer jufvrouw Bell een jaar ten huize van Lady Rockminster had vertoefd, geen enkel persoon onder dat dak, wiens genegenheid zij niet door het gebruik van dien talisman had gewonnen. Laura had de welwillendheid en vriendelijke gezindheid van iedereen, van de oude dame tot de geringste persoon in haar dienst, verworven. Met eene meesteres van zulk een humeur kon men niet verwachten, dat mylady’s kamenier (die hare mevrouw veertig jaren verdragen had en gedurende al dien tijd dag en nacht was gehavend, uitgescholden en beleedigd) zelve een goed humeur zou hebben, en dus was zij in den beginne boos tegen jufvrouw Laura, gelijk zij het tegen de vijftien vroegere gezelschapsjufvrouwen van mylady geweest was. Doch toen Laura te Parijs ziek lag, wilde deze oude vrouw haar oppassen in spijt van hare meesteres, die bang was de koorts te krijgen, en vocht letterlijk met Martha van Fairoaks, die nu tot kamenier van jufvrouw Laura bevorderd was, om de eer van de geneesmiddelen aan de patiënte te mogen toedienen. Toen zij aan de beterhand was, scheelde het weinig of Grandjean, de chef, had haar vermoord met de vele lekkernijen, die hij voor haar gereedmaakte, en toen zij haar eerste stukje kip at, weende hij van vreugde. De Zwitsersche majordomo der huishouding bezong jufvrouw Bell’s lof in bijna alle Europeesche talen, die hij alle even slecht sprak; de koetsier was verheugd haar te mogen rijden; de page schreide toen hij hoorde dat zij ziek lag; en Calverley en Coldstream (die twee lakeien, die zoo lang, doorgaans zoo kalm en altijd zoo moeielijk te roeren waren) braken op de tijding van hare beterschap in een ongehoorde vroolijkheid los, en maakten den page in een wijnhuis beschonken, om haar herstel te vieren. Zelfs Lady Diana Pynsent (onze oude kennis, mijnheer Pynsent, was in den tusschentijd getrouwd), die een tijdlang veel afkeer van Laura had gekoesterd, geraakte zoo zeer in geestdrift, dat zij verklaarde, dat zij jufvrouw Bell een heel aardig meisje vond en dat grootmama eene groote trouvaille in haar had gedaan. Al die welwillendheid en vriendschap had zich Laura noch door list of vleierij verworven, maar enkel door de kracht van haar goed humeur en door de kostbare gave om te behagen en zich behaaglijk te gevoelen.
Bij de twee of drie gelegenheden toen onze jonge vriend Lady Rockminster had ontmoet, was de oude dame, die niet met hem was ingenomen, zeer hoog en kortaf tegen hem geweest, en misschien verwachtte Pen, toen hij te Baymouth kwam, dat hij Laura in mylady’s huis zou aantreffen in de hoedanigheid van eene geringe gezelschapsjufvrouw, die niet beter behandeld werd dan hij zelf. Toen zij hoorde, dat hij er was, kwam zij de trap afsnellen, en ik zou niet durven verzekeren, dat zij hem niet ten aanschouwe van Calverley en Coldstream omhelsde, hoewel die heeren het niet ruchtbaar hebben gemaakt; indien de fractus orbis ware ineengestort, indien Laura, in plaats van Pen te kussen, hare schaar had uitgetrokken en zijn hoofd afgeknipt had, zouden Calverley en Coldstream het bedaard hebben aangezien, zonder te dulden dat een enkel korreltje poeier door het ongeval van hunne pruiken wierd opgejaagd.
Laura zag er zooveel gezonder en beter uit dan vroeger, dat Pen niet nalaten kon haar met bewondering te aanschouwen. Uit de oprechte en vriendelijke oogen, die de zijne ontmoetten, straalde de gezondheid, en de wang, op welke hij zijn kus drukte, prijkte met den schoonsten blos. Terwijl hij haar zoo eenvoudig en bevallig, zoo rein en oprecht voor zich zag, meende hij haar nog nooit in zulk een bloei der schoonheid gezien te hebben. Waarom merkte hij die schoonheid thans zoo duidelijk op, en verwonderde hij zich, dat hij die niet vroeger waargenomen had? Hij greep hare blanke, vertrouwelijke hand en kuste die met innigheid; hij zag haar in de schitterend heldere oogen en las er dien vriendelijken welkomstgroet in, dien hij altijd zeker was er in te vinden. Hij gevoelde zich aangedaan en getroffen door haar teederen toon en haar reinen blik, welks onschuldige uitdrukking hem beschaamd maakte en ontroerde.
„Wat zijt gij goed voor mij, Laura, mijne zuster!” zeide Pen. „Ik verdien niet, dat gij – dat gij zoo lief voor mij zijt.”
„Mama heeft u aan mij achtergelaten,” sprak zij, voorovergebogen en snel met hare lippen zijn voorhoofd rakende. „Gij weet wel, dat gij tot mij zoudt komen als gij in ongelegenheid waart, of wel het mij zoudt meedeelen als gij u zeer gelukkig gevoeldet; dat was de afspraak, Arthur, van verleden jaar, toen wij scheidden. Zijt gij nu zeer gelukkig, of zit gij in den nood? wat van beide?” en daarbij zag zij hem met een schalkschen, vriendelijken blik aan. „Verlangt gij naar de plaats in het parlement? Zijt gij voornemens u daar te onderscheiden? Wat zal ik ongerust zijn, als gij uw eerste redevoering moet houden!”
„Weet gij dan iets van dat plan ten aanzien van het parlement?” vroeg Pen.
„Weten! De heele wereld weet het! Ik heb er reeds dikwijls over hooren spreken. De dokter van Lady Rockminster bracht het vandaag nog op het tapijt. Ik ben zeker, dat het morgen in het blad van Chatteries zal staan. Het geheele graafschap spreekt er van, dat Sir Francis Clavering, van Clavering, zal aftreden ten behoeve van mijnheer Arthur Pendennis van Fairoaks; en dat de jonge en schoone jufvrouw Blanche Amory zal –”
„Wat? Dat óók al?” vroeg Pendennis.
„Dat óók, waarde Arthur. Tout se sait, zooals zeker iemand zou zeggen, van wie ik voornemens ben heel veel te houden, en die ik weet dat zeer geestig en lief is. Ik heb een brief van Blanche gehad, een allerliefsten brief. Zij spreekt met zooveel vuur over u, Arthur! Ik hoop, of liever ik weet, dat zij inderdaad gevoelt wat zij schrijft. Wanneer moet het plaats hebben, Arthur. Waarom hebt gij er mij niets van verteld? Ik mag toch immers bij u beiden komen wonen, niet waar?”
„Mijn huis en al wat ik bezit is het uwe, lieve Laura,” gaf Pen ten antwoord. „Ik had het u niet verteld, omdat – omdat – ik weet eigenlijk niet waarom; maar voor het oogenblik is er nog niets vast bepaald. Er zijn geen geloften tusschen ons gewisseld. Maar gelooft gij niet, dat Blanche gelukkig met mij zou kunnen zijn? Het is geen romaneske liefde, dat begrijpt gij wel. Ik geloof, dat ik geen hart meer bezit, en dat heb ik haar verklaard; het is eene heel kalme verbintenis; ik wensch mijne vrouw aan de eene en mijne zuster aan de andere zijde van mijn haard te zien; ik wensch het parlement in den tijd van de zittingen waar te nemen en Fairoaks gedurende de vacantie te bewonen en mijne Laura altijd bij mij te zien, tot er iemand komt, die het recht heeft haar weg te voeren.”
Iemand die het recht heeft! Waarom begon Pen, terwijl hij het meisje aanzag en die woorden langzaam uitsprak, boos en jaloersch te worden op dien onzichtbaren iemand, die het recht zou hebben haar weg te voeren? Pen, die nog pas eene minuut geleden bevreesd was hoe zij de tijding van zijne waarschijnlijke verbintenis met Blanche zou opnemen, gevoelde zich in zekere mate gekwetst, dat zij het nieuws zoo kalm vernam en overtuigd was dat hij gelukkig zou zijn.
„Tot er iemand komt,” zeide Laura lachend, „zal ik bij u blijven wonen en tante Laura heeten, en op de kinderen passen wanneer Blanche in gezelschap is. Ik heb alles reeds overlegd. Ik ben een uitmuntende huishoudster. Weet gij wel, dat ik te Parijs met jufvrouw Beck naar de markt ben geweest, en les bij Monsieur Grandjean heb genomen? En ik heb mij te Parijs ook eenige lessen in het zingen laten geven, van het geld dat gij mij, beste jongen, gezonden hebt; ik kan dus nu veel beter zingen, en ik heb ook leeren dansen, ofschoon niet zoo goed als Blanche, en wanneer gij minister wordt, moet Blanche mij ten hove voorstellen,” en daarop maakte zij, met een ondeugende vroolijkheid, de laatste Parijsche nijging voor hem.
Juist onder die nijging kwam Lady Rockminster binnen en reikte Arthur een vinger toe, welken hij aannam, en waarover hij heenboog, zoo goed het ging, wat inderdaad niet best gelukte.
„En dus gaat gij trouwen, mijnheer!” zeide de oude dame.
„Beknor hem maar eens, Lady Rockminster, dat hij er niets van verteld heeft,” zeide Laura, terwijl zij zich verwijderde, waarop de oude lady ook dadelijk daartoe overging.
„En dus gaat gij trouwen, en de plaats van dien deugniet Sir Francis Clavering in het parlement bekleeden? Ik had gewenscht, dat hij die plaats aan mijn kleinzoon afgestaan had; waarom gaf hij zijne plaats niet aan mijn kleinzoon? Ik hoop, dat gij eene flinke som met jufvrouw Amory zult krijgen; ik zou haar niet zonder een belangrijk kapitaal willen nemen.”
„Sir Francis Clavering heeft genoeg van het parlementaire leven,” zeide Pen geprikkeld, „en – en ik zou wel lust hebben die loopbaan te beproeven. Het overige der geschiedenis is minst genomen voorbarig.”
„Ik verwonder mij, dat gij, terwijl gij Laura thuis hadt, u verslingeren kondt aan zulk een gemaakt en onnatuurlijk schepsel als dat,” vervolgde de oude dame.
„Het spijt mij zeer, mevrouw, dat jufvrouw Amory de eer niet heeft, u te behagen,” zeide Pen met een glimlach.
„Gij wilt eigenlijk zeggen, dat het mij niet aangaat en ik het niet ben die haar trouwen moet. Neen, dat moet ik ook niet, en daarom ben ik zeer blij. Dat akelige nufje! Als ik bedenk, dat iemand haar boven mijne Laura verkiezen kon, dan maak ik mij boos, en dat zeg ik u ronduit, mijnheer Arthur Pendennis.”
„Het verheugt mij, dat gij Laura met zulk een gunstig oog beschouwt,” zeide Pen.
„Het verheugt u, en het spijt u. Wat komt het er op aan, mijnheer, of gij blij of verdrietig zijt? Een jonkman, die aan jufvrouw Amory de voorkeur geeft boven jufvrouw Bell, heeft geen recht om spijtig of verheugd te zijn. Een jonkman, die, na mijne Laura gezien te hebben, zich aan zulk een krom, verwaand schepsel als die kleine Amory verbindt (want krom is zij, dat verzeker ik u), heeft geen recht, ooit zijn hoofd weer op te steken. Waar is uw vriend Blauwbaard, die lange man, – Warrington geloof ik, dat hij heet? Waarom komt hij niet over, om Laura te trouwen? Wat is de reden, waarom de jongelieden zulk een meisje niet huwen? Allen trouwen zij tegenwoordig om het geld. Gij zijt allen egoïsten en lafaards. In mijn tijd gingen wij met elkander op den loop en sloten dwaze huwelijken. Ik erger mij over de tegenwoordige jongelui! Toen ik dezen winter te Parijs was, vroeg ik al de drie attaché’s der Engelsche ambassade, waarom zij niet op jufvrouw Bell verliefden? Zij begonnen te lachen en zeiden, dat zij geld noodig hadden. Gij zijt allemaal egoïsten – allemaal lafaards!”
„Ik hoop,” zeide Pen met zekere warmte, „dat gij, alvorens jufvrouw Bell aan de attaché’s aan te bieden, haar de eer hebt bewezen haar gevoelen daarover in te winnen?”
„Jufvrouw Bell bezit maar een klein kapitaal. Jufvrouw Bell moet spoedig trouwen. De een of de ander moet haar aan een man helpen, mijnheer, en een meisje kan zich zelve niet aanbieden,” zeide de oude douairière met groote deftigheid. „Laura-lief, ik heb aan uw neef verklaard, dat al de jongelui egoïsten zijn, en dat er geen greintje romaneskheid meer onder hen te vinden is. Hij is even slecht als de rest.”
„Hebt gij Arthur gevraagd waarom hij mij niet wil trouwen?” zeide Laura met een schalkschen glimlach, toen zij terugkwam, en greep de hand van haar neef. (Het kan wel zijn, dat zij zich verwijderd had om eenige sporen van ontroering te verbergen, die zij niet door anderen wilde opgemerkt hebben). „Hij gaat iemand anders trouwen, en ik neem mij voor, heel veel van haar te houden, en bij hen te gaan wonen, mits hij dan maar niet aan ieder ongehuwd heer, die hem komt bezoeken, vraagt waarom hij mij niet trouwt?”
Daar Pen’s gewetensknaging aldus gestild en zijn verhoor voor Laura zonder verwijten van hare zijde afgeloopen was, begon hij te gevoelen, dat plicht en neiging hem aanhoudend naar Baymouth dreven, waar Lady Rockminster hem meedeelde, dat er altijd eene plaats voor hem aan hare tafel zou opengehouden worden. „En ik geef u den raad, dikwijls te komen,” zeide de oude dame, „want Grandjean is een uitmuntende kok, en de omgang met Laura en mij zal u manieren leeren. Men ziet duidelijk, dat gij altijd aan u zelven denkt. Bloos en stamel maar niet, – bijna alle jongelieden denken altijd aan zich zelven. Met mijne zonen en kleinzonen was dit altijd het geval, totdat ik het hen afleerde. Kom maar hier; dan zullen wij u leeren, u fatsoenlijk te gedragen. Gij zult niet behoeven voor te snijden; dat wordt aan het buffet gedaan. Hecker zal u zooveel wijn schenken als goed voor u is; en op de dagen dat gij heel gezeglijk en onderhoudend zijt zult gij ook een glaasje champagne krijgen. Hecker, onthoud wat ik u zeg. Mijnheer Pendennis is mejufvrouw Laura’s broeder; maak het hem aangenaam, maar zorg, dat hij niet te veel wijn drinkt, noch mij komt storen als ik mijn middagslaapje doe. Gij zijt egoïstisch, en ik ben voornemens u daarvan te genezen. Gij kunt hier komen dineeren als gij nergens elders genoodigd zijt, en als het regent, doet gij het best met in het hotel te overnachten.” Wanneer de goede dame maar heerschen kon over allen, die haar omringden, was zij niet ongemakkelijk, en al de slaven en onderdanen van haar kleine hof beefden voor haar, maar hadden haar te gelijk lief.
Zij zag niet veel, noch zeer schitterend gezelschap. De dokter was natuurlijk een bestendig en trouw bezoeker. Op hare partijen ontving de oude dame den dominé en diens hulpprediker en bij plechtige gelegenheden ook de vrouw en de dochters van den dominé, alsmede eenige der badgasten van Baymouth; doch meestal was het gezelschap slechts klein, en dronk mijnheer Arthur zijn wijn in eenzaamheid, wanneer Lady Rockminster zich verwijderd had om haar dutje te gaan doen en zich na het diner door Laura in slaap te doen zingen en spelen.
„Moet ik niet blij wezen,” sprak het goedhartig meisje, „indien ik haar met mijne muziek een oogenblikje rust kan bezorgen, dat ik daardoor van dienst kan zijn? Lady Rockminster slaapt ’s nachts zeer weinig, en ik was gewoon haar ’s avonds voor te lezen, tot ik te Parijs ziek werd, en sedert dien tijd wil zij er niet meer van hooren, dat ik laat zou opblijven.”
„Waarom hebt gij mij niet geschreven toen gij ziek waart?” vroeg Pen blozende.
„Waarin hadt gij mij van nut kunnen zijn? Ik had Martha tot mijn oppassing, en elken dag den dokter. Gij hebt het te druk, om aan vrouwen te schrijven of te denken. Gij hebt uwe boeken en nieuwsbladen, uwe politiek en uwe spoorwegen om u bezig te houden. Ik heb geschreven zoodra ik weer beter was.”
Pen zag haar aan en bloosde weer, bij de herinnering, dat hij, gedurende hare gansche ziekte, haar geen enkele maal geschreven en ternauwernood aan haar gedacht had.
Uit hoofde van de familiebetrekking had Pen de vrijheid aanhoudend met zijne nicht te gaan wandelen en rijden, en in den loop van die uitstapjes en ritjes had hij de beste gelegenheid om de beminnelijke oprechtheid van haar karakter en de trouw, de eenvoudigheid en de minzaamheid van haar rein en vlekkeloos hart te leeren waardeeren. Tijdens het leven hunner moeder hadden zij nooit zoo vrij en hartelijk gesproken als thans. Ten gevolge van de begeerte der arme Helena, om eene verbintenis tusschen hare beide kinderen tot stand te brengen, had Laura zekere terughouding jegens Pen in acht genomen waarvoor, nu, in de veranderde omstandigheden, geen noodzakelijkheid meer bestond. Hij was met een ander meisje verloofd, en Laura werd nu dadelijk zijne zuster, – die de bedenkingen, welke zij tegen zijne keuze mocht hebben, verborg of uit haar hart verbande. Zij trachtte de toekomst met opgeruimdheid te gemoet te zien en koesterde de beste wenschen voor zijn voorspoed, terwijl zij zich voornam alles te doen wat de genegenheid vermocht, om haar moeders troetelkind gelukkig te maken.
Dikwijls spraken zij over hunne ontslapen moeder. En uit de duizend verhalen, die Laura deed, vernam Arthur hoe onvermoeid en alles omvattend die stille moederlijke toewijding was geweest, die hem in zijn bijzijn of afzijn door het leven gevolgd en pas met den laatsten ademtocht der lief hebbende moeder opgehouden had. Op zekeren dag zagen de bewoners van Clavering een jongen een paar rijpaarden bij het kerkhof vasthouden, en het gerucht verspreidde zich door het plaatsje, dat Pen en Laura te zamen Helena’s graf hadden bezocht. Arthur had er zich een paar maal heen begeven, sedert hij ten platten lande vertoefde; maar het aanschouwen van den gewijden lijksteen verschafte hem geen troost. Welk recht op deze heilige plek had een schuldig man, die eene slechte daad verrichtte, een bloot speculant, die trouw en eer tegen een fortuin en eene wereldsche loopbaan verruilde, en die bekende, dat zijn leven niets anders dan eene smadelijke nederlaag was? Wat baatte het hem in de wereld, in welke hij leefde, dat anderen niet beter waren dan hij zelf? Arthur en Laura reden de poort van Fairoaks voorbij, waar hij de boerenkinderen, die op het gras en op het terras speelden, de hand drukte, terwijl Laura onafgewend staarde naar den muur van het huis en het klimop boven den ingang en de magnolia, die tot aan haar venster groeide. „Mijnheer Pendennis is vandaag met eene dame voorbijgereden,” vertelde een der jongens aan zijne moeder, „en heeft stilgehouden, om met ons te spreken. Hij vroeg om een takje kamperfoelie van de poort, en gaf het aan de dame. Ik kon niet zien of zij mooi was, want haar sluier hing neer. Zij reed op een paard van Cramp te Baymouth.”
Terwijl zij de duinen tusschen het ouderlijk huis en Baymouth overtrokken, sprak Pen niet veel, hoewel zij dicht naast elkander reden. Hij overdacht welk eene begoocheling het leven toch is en hoe de menschen het geluk weigeren wanneer zij het zouden kunnen genieten; of, wanneer zij het bezitten, het van zich stooten; of het, met open oogen, tegen wat verachtelijk geld of nietswaardige eer verruilen. En daarop volgde de gedachte, wat het er voor het korte levensbestek op aankwam? Het leven van de besten en braafsten onder ons wordt verteerd met ijdele wenschen en eindigt in teleurstelling, gelijk het geval is geweest met de lieve vrouw, die in haar graf daar ginds sluimert. Zij had evenzeer haar eerzuchtige bedoelingen als Cesar, en stierf zonder de vurige begeerte van haar gansche leven verwezenlijkt te zien. De grafzerk overdekt al onze hoop en onze nagedachtenis. In onze woonplaats kent men ons niet meer. „De kinderen van andere menschen spelen op het gras,” barstte hij eensklaps met luider stemme uit, „waar gij en ik plachten te spelen, Laura. En gij ziet hoe hoog die magnolia, welke ik geplant heb, sedert onzen tijd opgegroeid is. Ik ben een paar van die hutten langs gegaan, waar mijne moeder bezoeken aflegde. Zij is weinig meer dan een jaar van ons heengegaan, en de menschen, aan welke zij hare weldaden besteedde, bekommeren zich weinig meer om haar dood dan om dien van koningin Anna. Wij zijn allen zelfzuchtig; de wereld is zelfzuchtig en er bestaan maar weinig uitzonderingen zooals gij, mijne waardste, die door goede daden in eene booze wereld uitblinken en de duisternis daardoor nog dieper maken.”
„Ik hoor u niet gaarne op die wijze spreken, Arthur,” zeide Laura terwijl zij de oogen neersloeg en haar hoofd over het takje kamperfoelie op hare borst boog. „Toen gij dien kleinen jongen verzocht mij dit te geven, waart gij niet zelfzuchtig.”
„Ik offerde veel op, om het voor u te krijgen!” zeide hij spottend.
„Uw hart was toch vriendelijk en liefderijk gezind toen gij het deedt. Men kan niet meer dan liefde en vriendelijkheid verlangen, en al denkt gij nederig over u zelven, Arthur, wordt daardoor die liefde en vriendelijkheid niet verminderd, – niet waar? Ik heb mij dikwijls verbeeld, dat onze dierbare moeder u thuis bedierf, door u zoo steeds naar de oogen te zien; en dat hare te groote teederheid – indien gij zijt wat gij zegt te zijn, want ik spreek het woord ongaarne uit – heeft medegewerkt om u dat te maken. En wat de wereld betreft in welke de mannen uitgaan, ik vooronderstel, dat die niet anders dan zelfzuchtig wezen kan. Gij moet voor u zelven strijden en zelf zien vooruit te komen en een naam te maken. Mama en uw oom moedigden beiden die eerzucht bij u aan. Indien het eene ijdele zaak is, waarom staat gij er dan naar? Ik verbeeld me, dat zulk een knap man als gij, voornemens is zeer nuttig te zijn voor zijn vaderland, door plaats te nemen in het parlement; anders zoudt ge er niet naar verlangen. Wat zijt gij voornemens te doen, als gij zitting hebt in het Lagerhuis?”
„Vrouwen hebben geen verstand van de politiek, mijne waardste,” zeide Pen, met zich zelven onder het spreken den gek scherende.
„Maar waarom helpt gij ons dan niet aan dat verstand? Ik heb nooit kunnen begrijpen waarom mijnheer Pynsent er zoo gaarne in wilde zijn. Hij is niet knap –”
„Zeker is hij geen genie, die Pynsent,” zeide Pen.
„Lady Diana zegt, dat hij den ganschen dag in commissiën zit, dat hij dan weer den ganschen avond naar het parlement gaat; dat hij altijd stemt zooals hem voorgeschreven wordt; dat hij er nooit zijn mond opendoet; dat hij nooit iets anders dan een ondergeschikt ambt zal vervullen, en dat hij, zooals zijne grootmoeder van hem zegt, een dor routinemensch is. Zijt gij voornemens die zelfde loopbaan te volgen, Arthur? Wat voor bekoorlijks toch is daaraan, dat gij er zoo begeerig naar zijt? Ik zou liever zien, dat gij thuis bleeft om boeken te schrijven – goede boeken, lieve boeken, met zachte en liefelijke denkbeelden, zooals gij er hebt, lieve Arthur, en die de menschen met genoegen zouden lezen. En indien gij geen roem behaalt, wat dan? Gij bekent, dat het ijdelheid is en dat gij, zonder dat, zeer gelukkig kunt leven. Ik moet mij niet aanmatigen raad te geven; maar ik houd u aan uw eigen woord wat de wereld betreft; en daar gij bekent, dat zij boos is en u verveelt, vraag ik u waarom gij haar niet verlaat?”
„En wat zoudt gij dan willen dat ik deed?” vroeg Arthur.
„Ik zou willen, dat gij met uwe vrouw op Fairoaks gingt wonen, om daar te studeeren en zooveel mogelijk goeds te doen. Ik zou willen, Arthur, dat uw eigen kinderen daar op het grasperk speelden, en dat wij nog eens te zamen in de kerk onzer moeder mochten bidden, waarde broeder. Zoo de wereld eene verzoeking is, hebben wij immers leeren bidden niet daarin geleid te worden?”
„Zoudt gij denken, dat Blanche eene goede vrouw voor een onbeduidend landjonker zou zijn? of dat ik bijzonder geschikt zou wezen voor die loopbaan, Laura?” vroeg Pen. „Vergeet niet, dat de verzoeking zoowel langs de heggen als door de straten sluipt, en dat lediggang de grootste van alle verleiders is.”
„Wat zegt mijnheer – mijnheer Warrington er van?” vroeg Laura, wier wang gekleurd werd door een blos, waarvan Pen den gloed zag, hoewel Laura haar sluier liet vallen om dien te verbergen.
Een tijdlang reed Pen stilzwijgend aan Laura’s zijde voort. Door de vermelding van George’s naam was hij in het verledene teruggevoerd en herinnerde hij zich de gedachten weer, die hij eenmaal ten opzichte van George en Laura had gekoesterd. Waarom ontroerden hem die weer opkomende gedachten, terwijl hij toch wist, dat hunne verbintenis onmogelijk was? Waarom was hij er nieuwsgierig naar, of Laura, gedurende den tijd hunner kennismaking, genegenheid voor Warrington gekoesterd had? George had van dien tijd af tot op het tegenwoordige oogenblik nooit op zijne geschiedenis gezinspeeld, en thans schoot het Arthur ook te binnen, dat George sedert dien tijd Laura’s naam bijna geen enkele maal op de lippen had genomen.
Eindelijk naderde hij zeer dicht tot haar en sprak: „Zeg mij eens iets, Laura?”
Zij sloeg den sluier weer op en zag hem aan. „Wat dan, Arthur?” vroeg zij, ofschoon zij het, naar het beven harer stem te oordeelen, zeer goed kon gissen.
„Zeg mij eens: zoudt gij, als George dat ongeluk niet had gehad – ofschoon ik er hem voor of na dien dag nooit over heb hooren spreken – zoudt gij hem hebben toegestaan, wat gij mij hebt geweigerd?”
„Ja, Pen,” gaf zij ten antwoord en barstte in tranen uit.
„Hij was u meer waardig dan ik,” kermde de arme Arthur met onbeschrijfelijke smart. „Ik ben niets dan een ongelukkig egoïst, en George is beter, edeler en trouwhartiger dan ik. God zegene hem!”
„Ja, Pen,” hernam Laura en reikte haar neef de hand toe, waarop hij zijn arm om haar middel sloeg en zij een oogenblik op zijn schouder lag te snikken.
Het lieve meisje had een geheim gehad en het nu geopenbaard. Tijdens de laatste reis der weduwe van Fairoaks en toen zij zich met hare moeder naar Arthur’s ziekbed spoedde, had zij een andere verklaring afgelegd, en eerst toen Warrington zijn eigene geschiedenis verteld en zijn eigen hopeloos leven beschreven had, ontdekte zij welk eene verandering hare gevoelens ondergaan hadden en met welke teedere sympathie, eerbied, genoegen en bewondering zij begonnen was den vriend van haar neef te beschouwen. Vóór het oogenblik dat zij inzag, dat zekere plannen, over welke zij wellicht gemijmerd had, onmogelijk te verwezenlijken waren en dat Warrington misschien in haar hart gelezen en zijn treurig verhaal medegedeeld had om haar te waarschuwen, had zij zich zelve niet afgevraagd of het mogelijk was, dat hare genegenheid wijziging kon ondergaan, zoodat zij onthutst en verschrikt stond toen zij de waarheid ontdekte. Hoe had zij die aan Helena kunnen mededeelen en hare schande bekennen? De arme Laura gevoelde zich tegenover hare vriendin schuldig aan het geheim, dat zij haar niet durfde toevertrouwen, het was haar alsof zij zich afschuwelijk trouweloos jegens Pen gedragen had, door hem die liefde te ontnemen, die het hem zelfs de moeite niet waard was te aanvaarden; en ook ten aanzien van Warrington gevoelde zij zich beschaamd en vol berouw, bij de gedachte, dat zij hem wellicht door overmaat van sympathie aangemoedigd, of hem de voorkeur getoond had, die zij ten zijnen opzichte begon te koesteren.
De ramp, die Laura uit hare woning verdreef, en de smart en zielskwellingen, die de dood harer moeder haar veroorzaakte, liet haar weinig tijd voor meer zelfzuchtige gedachten, en toen zij eindelijk dat zware verdriet te boven kwam, was de kleinere wond bijna geheeld.
Slechts een kort oogenblik had zij eenige hoop op Warrington gekoesterd. De bewondering en de eerbied, die zij hem toedroeg, bleven even sterk als ooit bij haar; doch het teedere gevoel, hetwelk zij wist dat zij voor hem had opgevat, was tot zulk eene kalme berusting teruggebracht, dat het als het ware dood was en voorbij. Het nablijvende gevoel was verootmoediging en berouw. „O, wat was ik slecht en hoogmoedig tegenover Arthur,” dacht zij; „wat was ik vol van zelfvertrouwen, maar ontbloot van vergevensgezindheid! Nooit heb ik uit den grond mijns harten vergiffenis geschonken aan dat arme meisje, dat zooveel van hem hield, of aan hem, omdat hij hare liefde aanmoedigde; en ik ben nog veel schuldiger geweest dan zij, dat arme, eenvoudige schepseltje! Ik, die beweerde één man lief te hebben, luisterde maar al te gretig naar een anderen, en terwijl ik zelve wispelturig was en ontrouw, kon ik die verandering in Arthur’s gevoelens niet vergeven.” En het arme meisje, dat zich zoo vernederde en hare zwakheid erkende, zocht sterkte en troost op de wijze zooals zij gewoon was die te zoeken.
Zij had geen kwaad gedaan, maar er zijn menschen, die wegens den geringsten misstap evenzeer lijden, als anderen, wier krachtig geweten zich onder misdaden van de grootste zwaarte kan staande houden, en de arme Laura vond goed, zich te verbeelden, dat zij in deze kiesche omstandigheden als eene groote misdadigster gehandeld had. Zij maakte zich diets, dat zij jegens Pen een groot onrecht had bedreven door hem die liefde te onttrekken, welke zij, onder vier oogen met hare moeder, hem toegewijd had; dat zij ondankbaar was geweest jegens haar overledene weldoenster door ooit aan een ander te denken of hare gelofte te willen schenden; en dat, wanneer zij haar eigene enorme misdaden in aanmerking nam, zij zeer zachtmoedig moest zijn in haar oordeel over anderen, die waarschijnlijk in veel grooter verzoeking verkeerden en wier beweegredenen zij niet begrijpen kon.
Een jaar geleden zou Laura met verontwaardiging vernomen hebben, dat Arthur voornemens was Blanche te trouwen, en haar fiere geest zou in opstand zijn gekomen bij de gedachte, dat hij, om wereldsche belangen, zich tot zulk een onwaardige zou neerbuigen. Thans, nu haar bericht werd, dat zoo iets tot de mogelijkheden behoorde (zij vernam het van de oude Lady Rockminster, wier mededeelingen altijd recht op den man af geschiedden en zoo onverwacht kwamen als een slag in het aangezicht), sidderde het vernederde meisje wel een weinig bij dien schok, maar zij droeg hem kalm en met wanhopige berusting. „Hij heeft het recht om te trouwen; hij weet veel meer van de wereld dan ik,” overlegde zij bij zich zelve. „Blanche is wellicht zoo wuft niet meer als zij scheen, en op welken grond zou ik haar mogen vonnissen? Het zal zeker heel goed zijn, dat Arthur lid wordt van het parlement en zich onderscheidt, en mijn plicht is het, alles wat ik vermag, te doen om hem en Blanche bij te staan en zijn huis tot een gelukkig huis te maken. Ik zal voorzeker wel bij hen mogen wonen. Als ik peettante word over een van hunne kinderen, zal ik het mijne drie duizend pond vermaken!” En dadelijk daarop begon zij te bedenken wat zij Blanche uit haar kleinen schat zou geven en hoe zij het best hare genegenheid zou kunnen winnen. Terstond schreef zij haar een vriendelijken brief, waarin natuurlijk geen melding werd gemaakt van de ontworpen plannen, maar waarin Laura aan den ouden tijd herinnerde en hare goede gezindheid betuigde; en daarop ontving zij een onverwijld antwoord van Blanche, waarin geen enkele lettergreep van een huwelijk gerept werd, doch mijnheer Pendennis werd twee of driemaal genoemd, en zij zouden altijd zijn de liefste Laura en de liefste Blanche, hartelijk liefhebbende zusters, enz.
Toen Pen en Laura, na de bekentenis van deze laaste, weer thuis kwamen (het hart van het meisje klopte, toen Pen zoo oprecht zijn eigene minderheid verklaarde en zoo edelmoedig zijne genegenheid voor Warrington betuigde, wat de tranen, die zij op zijn schouder weende, dubbel bitter maakte), toen lag er in de vestibule een klein dun briefje op jufvrouw Bell te wachten; zij beefde alsof zij zich schuld bewust was toen zij het lak verbrak, en Pen bloosde toen hij het herkende, want hij zag dadelijk dat het van Blanche kwam.
Laura deed het haastig open en liet er snel haar oogen over gaan, terwijl Pen de zijne op de blozende Laura liet rusten.
„Zij schrijft uit Londen,” zeide Laura. „Zij is daar met de oude Bonner, Lady Clavering’s kamenier geweest. Bonner gaat met Lightfoot den bottelier trouwen. Waar denkt ge, dat Blanche geweest is?” riep zij levendig uit.
„Naar Parijs, naar Schotland, naar het Casino?”
„Naar Shepherd’s Inn, om Fanny te bezoeken; maar Fanny was niet thuis en Blanche wil een geschenk voor haar achterlaten. Is dat niet vriendelijk van haar bedacht?” En bij die woorden reikte zij het briefje aan Pen over, die het volgende las:
„Ik zag Madame mère, die den vloer schrobde en mij aankeek met oogen alsof zij mij ook wilde schrobben; doch la belle Fanny was niet au logis, en daar ik vernam, dat zij zich op de kamers van kapitein Strong bevond, klom ik met Bonner au troisième, om die beroemde schoonheid te zien. Weer eene teleurstelling; alleen de chevalier Strong en een vriend waren op die kamer, en wij moesten dus na al die moeite heengaan zonder de betooverende Fanny gezien te hebben.
„Je l’envois mille et mille baisers. Wanneer zal er toch een einde aan die akelige bemoeiingen met de kiezers komen? Men draagt tegenwoordig lange mouwen enz., enz., enz.”
Na het diner zat de dokter de Times te lezen. „Een jongmensch, dien ik acht of negen jaar geleden, toen hij zich hier bevond, behandelde, heeft een mooi fortuin geërfd,” zeide hij. „Ik zie hier, dat de heer John Henry Foker, van Logwood Hall, den 15den van verleden maand te Pau in de Pyreneën overleden is.”
ACHT EN ZESTIGSTE HOOFDSTUK.
WAARIN MEN DEN MAJOOR OM DE BEURS OF HET LEVEN VRAAGT.
Iedereen, die de herberg Fortuna’s rad bezocht heeft, waar men zich herinneren zal dat de club van mijnheer James Morgan vergaderde en waar Sir Francis Clavering een onderhoud met majoor Pendennis had, weet, dat er gelijkvloers drie kamers voor bezoekers zijn, behalve het buffet, waarin de kasteleines gezeten is. De eene is de gelagkamer voor het publiek; de andere strekt tot plaats van bijeenkomst voor de heeren in livrei, en de derde, op welker deur het woord Societeit geschilderd staat, is afgehuurd door de club der Vertrouwden, van welke de heeren Morgan en Lightfoot leden waren.
De stille Morgan had het gesprek tusschen Strong en majoor Pendennis op de kamer van dezen laatste afgeluisterd en daardoor veel vernomen dat hem stof tot denken gaf. Uit weetgierigheid volgde hij dus zijn meester, toen de majoor naar Fortuna’s rad ging, en nam bedaard plaats in de societeitskamer, terwijl Pendennis en Clavering hun gesprek in het belendende vertrek hielden. Nu was er een hoekje in de societeitskamer waar men bijna alles kon hooren wat er in de andere kamer gesproken werd, en daar het onderhoud der beide heeren vrij scherp was en op luiden toon gevoerd werd, had Morgan het genoegen het bijna geheel te hooren, en wat hij hoorde, versterkte hem in de meening, die hij reeds vroeger had opgevat.
„Ei, ei! hij herkende dus Altamont dadelijk, toen hij hem te Sidney zag? En Clavering is dus evenmin met mylady getrouwd als ik! Altamont is haar man; Altamont is een veroordeelde; de jonge Arthur komt in het parlement, en dan belooft de ouwe, dat hij niet klappen zal. Verduiveld, wat is die ouwe toch slim! Geen wonder, dat hij zoo gaarne een huwelijk tusschen Arthur en Blanche wil tot stand brengen. Wel! zij zal honderd duizend pond krijgen, voor het minst, en haar man, op den koop toe, nog eene plaats in het parlement aanbrengen.” Niemand zag het gezicht van mijnheer Morgan, maar een gelaatskenner zou pleizier gehad hebben het te aanschouwen, toen dit verbazende nieuws hem duidelijk werd. „Ware het niet om mijn leeftijd en die verwenschte maatschappelijke vooroordeelen,” zeide hij, terwijl hij zich in den spiegel bezag, „dan zou ik, James Morgan, voor den drommel haar zelf wel kunnen trouwen.” Doch zoo Morgan jufvrouw Blanche en haar fortuin niet krijgen kon, begreep hij toch, dat hij zijn vermogen kon vermeerderen door middel van de kennis, die hij nu verkregen had, en dat hem hierdoor uit zeer vele bronnen voordeelen konden toevloeien. De meeste personen, die in het geheim betrokken waren, zouden niet gaarne willen, dat het ruchtbaar wierd. Sir Francis Clavering, bij voorbeeld, wiens fortuin op het spel stond, zou liefst wenschen dat het wierd stilgehouden; kolonel Altamont, wiens hals er gevaar door liep, zou het natuurlijk gaarne willen smoren; en die jonge verwaande rekel van een Arthur, die door middel van dat geheim in het parlement wilde komen en zoo trotsch was als een hertog met een half millioen ’s jaars (het spijt ons te moeten zeggen, dat dit Morgan’s gevoelen, omtrent zijn meesters neef was), zou liever elken prijs willen betalen dan bekend te zien worden, dat hij met de dochter van een veroordeelden misdadiger getrouwd en lid van het parlement was geworden door op diens geheim te speculeeren. En Lady Clavering, dacht Morgan, zal, als Clavering haar ergert en zij van hem ontslagen wil zijn, zeker wel betalen; als zij bang is voor de toekomst van haar zoon en dien kleinen schavuit liefheeft, zal zij ook betalen; en jufvrouw Blanche zal zich zeker niet ondankbaar betoonen jegens den man, die haar in haar recht herstelt, waarvan zij, zonder twijfel, onbillijk beroofd is. „Wel verduiveld,” zoo eindigde de knecht, toen hij nadacht over de voordeelige kansen, die het geluk hem geschonken had: „met zulke kaarten in de hand, James Morgan, is uw fortuin gemaakt. Het is voor mij zoogoed als eene lijfrente. Ieder hunner moet zich voor zijn aandeel verbinden. En met hetgeen ik reeds overgelegd heb, kan ik mijn beroep laten varen, mijn ouwe den dienst opzeggen, een heer worden en zelf een bediende houden, voor den drommel!” Ofschoon mijnheer Morgan zich met dergelijke berekeningen bezig hield, die wel in staat waren iemand de kalmte van geest te benemen, legde hij eene zeer groote mate van zelfbeheersching aan den dag door bedaard te schijnen en te zijn, en zich in de vervulling zijner plichten niet door zijne vooruitzichten te laten belemmeren.
Een der meest bij deze zaak betrokken personen, kolonel Altamont, had Londen verlaten op het tijdstip toen Morgan op de door ons vermelde wijze diens geschiedenis had leeren kennen. De kamerdienaar kende de schuilhoek van Sir Francis Clavering in Shepherd’s Inn en begaf zich, een paar uren na het gesprek van den baronet met Pendennis, derwaarts op weg. Doch de vogel was gevlogen; kolonel Altamont had geïnd wat hij bij de wedrennen gewonnen had en was naar het vasteland overgestoken. Het ergerde mijnheer Morgan ontzettend, dat hij er niet meer was. „Hij zal al dat geld aan de speelbanken aan den Rijn verliezen,” dacht hij, „en ik had een goed deel daarvan kunnen hebben. Het is verduiveld onaangenaam, dat hij weg is; had hij niet eenige dagen kunnen wachten?” Triomf of uitstel van verwachtingen, eerzucht of teleurstelling, overwinning of geduldig uitzien, Morgan droeg alles met hetzelfde kalme gelaat. Tot op den beslissenden dag werden des majoors laarzen gepoetst en de lokken zijner pruik gekruld, werd ’s morgens vroeg zijn kop thee aan zijn bed gebracht, werden zijne vloeken, verwijtingen en knorrige buien door Morgan altijd met dezelfde stilzwijgendheid, gedienstigheid en getrouwheid verduurd. Wie zou gedacht hebben, als hij Morgan zijn meester zag verzorgen, diens koffers en pakken vervoeren, hem nu en dan aan tafel bedienen op de buitenplaatsen waar de majoor logeerde, dat Morgan rijker dan zijn heer was en de geheimen van dezen en anderen kende? Onder zijn ambtgenooten werd mijnheer Morgan zeer vereerd en bewonderd; zijn naam van rijkdom en verstand verschafte hem grooten invloed aan de meeste bediendentafels de jonge heeren zeiden, dat hij een domkop, een kerel zonder pit, in één woord een ouwe pruik was; maar geen van allen zou niet Amen gezegd hebben op het vurige gebed van sommige der ernstigst gestemde heeren van die klasse: „Moge mijn boedel, als ik sterf, er zoo goed uitzien als die van Morgan Pendennis!”
Majoor Pendennis sleet, gelijk een man van de wereld betaamde, het najaar achtereenvolgens bij diegenen zijner vrienden ten platten lande, die zich op hunne buitenplaatsen ophielden en hem konden ontvangen, en indien de hertog naar het buitenland was, of de markies zich in Schotland bevond, verwaardigde hij zich wel tot een bezoek bij Sir John, of bij den eenvoudigen landjonker. Om de waarheid te zeggen, de glorie van den ouden heer was eenigszins aan het tanen; velen van zijn leeftijd waren allengs gestorven, en de tegenwoordigen bewoners van hunne kasteelen en bezitters van hunne titels kenden majoor Pendennis niet, en gaven weinig om zijn overleveringen aangaande den „lossen prins en Poyns” en de helden der voorname wereld, die er niet meer waren. Als de goede man menige deur in Londen voorbijging, moet de herinnering hem smartelijk getroffen hebben, hoe zelden zij zich tegenwoordig voor hem opende, en hoe dikwijls hij daar vroeger had aangeklopt, hoeveel feestmalen hij er twintig jaren geleden had bijgewoond. Hij begon te gevoelen, dat hij niet meer tot den tegenwoordigen tijd behoorde, en een flauw vermoeden te koesteren, dat de jongelui hem uitlachten. Bij menigen Pall Mall philosoof moeten zulke melancholische overdenkingen zijn opgerezen. De menschen, denkt hij, zijn niet meer wat zij in zijn tijd waren; de oude deftige manieren en hoffelijkheid van den omgang zijn verloren gegaan; wat zijn Castlewood House en de tegenwoordige Lord Castlewood in vergelijking met het oude kasteel en zijn vroegeren eigenaar? De vorige lord reisde naar Londen met vier reiskoetsen en zestien paarden; aan den grooten weg liepen allen uit, om dien optocht te zien, en zelfs op de Londensche straten bleven de menschen staan als de stoet voorbijtrok. De tegenwoordige lord reist met vijf bedienden, die op zijne bagage passen, in een spoorweg-rijtuig, sluipt weg van het station en zit in een brougham eene sigaar te rooken. De vorige lord zorgde, dat Castlewood in het najaar vol gasten was, die tot middernacht aan den wijn zaten; de tegenwoordige verbergt zich in eene hut op een berg in Schotland, en brengt de Novembermaand op twee of drie kamertjes in een entresol te Parijs door, waar zijn uitspanningen in een diner in een koffiehuis en eene loge in een der kleine schouwburgen bestaan. Welk een contrast tusschen zijne Lady Lorraine, de Lady Lorraine uit den tijd van den regent, en de kleine Lady van den tegenwoordigen tijd! Hij herinnert zich de eerste, hoe schoon zij was, hoe indrukwekkend, hoe prachtig met hare diamanten en haar fluweel, hoe sterk geblanket, terwijl de geestigste heeren ter wereld (die oude geestige heeren, die oude fijne gentlemen – niet het canaille van tegenwoordig met zijne straattaal en zijn tabaksrook, die van de kleeren uitwasemt) aan hare voeten geknield lagen; en denkt dan aan de Lady Lorraine van heden – een klein vrouwtje in eene zwart zijden japon als eene gouvernante, die over de sterrekunde, de arbeidende klassen, de landverhuizing en de drommel weet wat niet al meer spreekt, en die ’s morgens ten acht ure naar de kerk sluipt. Abbot’s Lorraine, hetwelk de voornaamste buitenplaats in het graafschap was, is in een klooster herschapen, letterlijk een la Trappe. Men drinkt er ternauwernood een paar glazen wijn na het diner, en om den anderen is elke gast aan tafel een dorpsdominé met eene witte das, die over niets weet te praten dan de vorderingen, die Polly Higson op school maakt, en de rheumatiek van de weduwe Watkins. „En de andere jongelui, die luierende garde-officieren en groote vadsige dandy’s – die over sofa’s en biljarten hangen, en wegkruipen om pijpen te rooken op elkanders slaapkamers, die om niets geven, die voor niets eerbied koesteren, zelfs voor een oud gentleman, die hunne vaders en hunne meerderen gekend heeft, zelfs niet voor eene schoone vrouw, – wat een verschil tusschen deze mannen, die zelfs het open veld met hun tabak verpesten, en de gentlemen van onzen tijd!” denkt de majoor; „dat ras is uitgestorven en kan geen goed meer doen; het is vervangen door een troep van die verwenschte katoenspinners en zoogenaamde practische menschen, en jonge dominé’s met sluik haar. Ik word oud; zij wassen mij boven het hoofd en lachen ons oude knapen uit,” dacht de oude Pendennis. En hij was niet ver bezijden de waarheid; de tijden en manieren, voor welke hij met bewondering vervuld was, waren nagenoeg voorbij; de vroolijke jongelui bekeken hem oneerbiedig, terwijl de godsdienstige jongelieden hem beklaagden en zich over hem verwonderden, hetgeen den ouden heer, indien hij dit ten volle geweten had, nog zwaarder te verduren zou zijn gevallen. Maar hij was tamelijk onwetend; zedelijke vraagstukken had hij nooit zeer diep ingezien; tot misschien in den allerlaatsten tijd, was nooit het denkbeeld bij hem opgerezen, dat hij iets anders dan een zeer aanzienlijk en vrij gelukkig man was. Is er geen andere ouderdom dan de zijne, die oneerbiedig bejegend wordt? Heeft de dwaze jeugd nooit andere kale kruinen bespot? Gedurende de laatste twee, drie jaren was hij begonnen te bemerken, dat zijn tijd zoo wat voorbij was en dat de mannen van het nieuwe geslacht de teugels des bewinds hadden aanvaard.
Na een tamelijk ongenoeglijk najaar, gedurende hetwelk hij door mijnheer Morgan trouw bediend was, en terwijl zijn neef Arthur zich gelijk wij gezien hebben, te Clavering ophield, kwam majoor Pendennis in de sombere laatste dagen van October, wanneer de mist en de advocaten naar de hoofdstad wederkeeren, voor eene poos te Londen terug. Wie heeft niet met belangstelling naar die hoog beladen cabs met opgestapelde koffers en samengepakte kinderen gezien, die op de mistige October-avonden door de straten rolden en aan donkere huizen stilhouden, waar zij min en kind, dochters, moeder en vader, wier vacantie afgeloopen is, ontladen? Gisteren nog had men Frankrijk en den zonneschijn, of Broadstairs en de vrijheid; heden komt het werk en de gele mist; en o goden! wat een hoop rekeningen ligt er op mijnheers kamer! De klerk heeft de papieren van den procureur gebracht; de letterkundige weet, dat de drukkersjongen over een half uur bij hem in den gang zal staan; en mijnheer Smith, die een voorgevoel had, dat gij komen zoudt, is er reeds met zijn rekeningetje geweest (dat heel kleine rekeningetje) en heeft de boodschap achtergelaten, dat hij morgenochtend om tien uur zal terugkomen. Wie onzer heeft niet vaarwelgezegd aan zijne vacantie, zich weer naar Londen en zijn levenslot teruggespoed, den blik over zijn werk en zijne schulden laten weiden, en gevoeld, dat hij dat onvermijdelijke kleine rekeningetje vereffenen moet? Smith met zijne kleine rekening op den volgenden morgen is het zinnebeeld van plichten, bezwaren en strijd, die wij hopen, vriend, dat gij moedig en eerlijk het hoofd zult bieden. En gij denkt nog aan hem, als de kinderen weer in hunne eigen bedjes liggen te sluimeren en uwe wakker liggende vrouw zich uit meewarigheid houdt alsof zij slaapt.
De oude Pendennis had den volgenden morgen geen bijzondere werkzaamheden of rekeningen te wachten, evenmin als er thuis iemand, die hem genegenheid toedroeg, op hem zat te wachten om hem te troosten. Hij had in zijn lessenaar altijd geld genoeg voor zijne behoeften, en daar hij van aard en door de gewoonte vrij onverschillig was voor de behoeften van anderen, liep hij niet veel gevaar, dat deze laatste zijne rust zouden verstoren. Doch een gentleman kan zeer wel uit zijn humeur zijn, al is hij niemand een duit schuldig; en al is hij nog zoo’n egoïst, moet hij zich toch nu en dan wel eens neerslachtig en eenzaam gevoelen. Hij had op de buitenplaats, waar hij logeerde, twee of drie aanvallen van jicht doorgestaan; de vogels waren wild en schuw en het loopen over de omgeploegde velden had hem verbazend vermoeid; de jongelui hadden hem uitgelachen, zoodat hij een paar maal knorrig was geworden; er was ’s avonds geen gelegenheid geweest voor zijn partijtje whist; kortom, hij had zich verheugd toen hij vertrekken kon. Telkens wanneer hij met zijn knecht Morgan in aanraking kwam, was hij vreeselijk barsch en ontevreden geweest. Hij had sinds geruimen tijd tegen hem gevloekt en hem uitgescholden. Morgan had te Swindon zijn meesters mond verschroeid met soep, die te heet was, en diens paraplu in den spoortrein vergeten, over welke laatste onachtzaamheid de majoor zoo woedend werd, dat hij erger dan ooit tegen Morgan raasde en tierde. De beide schoorsteenen op zijne kamers rookten als keten, en toen hij de vensters liet openzetten, vloekte hij weer zoo onuitstaanbaar, dat Morgan lust begon te gevoelen hem uit het geopend venster te werpen en hem verwenschte, toen Pendennis de straat opging om zich naar zijne club te begeven.
Bij Bays was het in het geheel niet aangenaam. Het gebouw was pas geverfd en rook naar vernis en terpentijn en de oude heer kreeg eene breede streep witte verf op den rug zijner overjas met den kraag van bont. Het diner deugde niet en hij werd gekweld met het gezelschap der drie onuitstaanbaarste wezens van gansch Londen: den ouden Hawkshaw, wiens hoest, met de bijkomende omstandigheden, iedereen met afkeer vervulde; den ouden kolonel Gripley, die zich van al de couranten meester maakte; en dien onbeschrijfelijk vervelenden ouden Jawkins, die aan tafel naast Pendennis kwam dineeren en hem al de logementsrekeningen, die hij op zijne buitenlandsche reis betaald had, opsomde. Ieder van deze onaangename personen en voorvallen in het bijzonder en alle gezamenlijk hadden medegewerkt om majoor Pendennis in eene misnoegde stemming te brengen, waarbij nog kwam, dat de knecht, die hem de koffie bracht, op zijne teenen trapte. De Onsterfelijken verschijnen nimmer alléén; de Furiën houden altijd gezamenlijk hare jacht, en vervolgden Pendennis van zijn huis naar de club en van de club naar zijn huis.
Terwijl de majoor uit was, zat Morgan in de kamer der hospita rijkelijk brandewijngrog te drinken en over jufvrouw Brixham’s hoofd een gedeelte van de scheldwoorden uit te storten, die hij op de bovenkamers van zijn meester ontvangen had. Jufvrouw Brixham was Morgan’s slavin; hij was de huisheer zijner huisjufvrouw. Hij had het huis gekocht, dat zij gehuurd had, en haar en haar zoon genoodzaakt acceptatiën en eene akte van verkoop te onderteekenen, die hem tot eigenaar van de meubelen der rampzalige weduwe verklaarde. De jonge Brixham was klerk op een assurantie-kantoor en Morgan kon hem elk oogenblik, als hij maar wilde, in moeielijkheden wikkelen. Jufvrouw Brixham was de weduwe van een dominé en wanneer mijnheer Morgan zijne plichten op de eerste verdieping vervuld had, schepte hij er behagen in, zich door de oude jufvrouw den laarzentrekker en zijne pantoffels te doen brengen. Zij was zijne slavin. De kleine silhouetten van haar zoon en hare dochter, zelfs de afbeelding van het kerkje te Tiddlecot, waar zij getrouwd was en waar haar arme lieve Brixham geleefd en den adem uitgeblazen had, dit alles was nu, gelijk het daar boven den schoorsteenmantel in de achterkamer hing, Morgan’s eigendom. Morgan zat in die achterkamer der weduwe, in den ouden paardenharen studeerstoel van den voormaligen dominé, en liet door jufvrouw Brixham zijn avondeten gereedmaken en zijn glas herhaaldelijk vullen.
De arme weduwe had den drank met haar eigen penningen moeten koopen, en daarom gebruikte Morgan er des te rijkelijker van. Juist had hij zijn avondmaal genuttigd en ledigde hij zijn derde glas, toen de oude Pendennis uit zijne club terugkwam en de trap opging naar zijne kamers. Mijnheer Morgan vloekte als een razende Roeland over Pendennis en diens schel, toen hij deze laatste hoorde klinken, en dronk bedaard zijn glas grog uit, eer hij op die aanmaning naar boven ging.
Stilzwijgend verdroeg hij de vloeken, die hij weer over zijne trage komst ontving, en het was beneden de waardigheid van den majoor, de woede, die den man bezielde, in diens gloeiend gelaat en vlammende oogen te lezen. Het voetbad voor den ouden heer stond bij den haard en zijne kamerjapon en pantoffels lagen hem te wachten. Morgan knielde neer, om met passende ondergeschiktheid Pendennis’ laarzen uit te trekken, en terwijl de majoor hem van boven vervloekte, bromde Morgan eene reeks van verwenschingen aan zijne voeten. Toen dus Pendennis uitriep: „Voor den duivel, kerel, let op die souspieds: – wel vervl–, trek mij den voet niet af!” toen drukte Morgan sotto voce den wensch uit, om hem te worgen, te verdrinken, of hem de hersens in te slaan.
Nadat de laarzen waren uitgetrokken, was het noodig den heer Pendennis van zijn rok te ontdoen, en daarvoor moest de bediende natuurlijk zeer dicht bij zijn meester komen, zoo dicht, dat Pendennis wel moest opmerken waarmee mijnheer Morgan zich het laatst had beziggehouden, hetgeen de majoor in die eenvoudige en krachtige taal te kennen gaf, waarmee heeren soms gewoon zijn hunne bedienden te bejegenen, door Morgan te verwijten, dat hij een dronken zwijn was en naar den brandewijn rook.
Nu echter verloor de knecht zijn geduld, sloeg alle ondergeschiktheid in den wind, en brak los: „Ei! ben ik dronken? Ei! ben ik een zwijn? Ei! ben ik verd–? jou gemeene ouwe schelm! Wat let mij, jou de hersens in te slaan of je in een emmer water te verdrinken. Denk je, dat ik nog langer je verwenschte brutaliteit zal verduren, ouwe Pruikenburg? Knars maar niet de tanden, grijzende ouwe baviaan! Kom maar op, als ge een man zijt en een man staan durft! Ha, lafaard een mes! een mes!”
„Als ge een stap nader komt, steek ik het je tusschen de ribben,” zeide de majoor terwijl, hij een mes opnam, dat in zijne nabijheid op tafel lag. „Ga naar beneden, dronken beest, en verlaat het huis; stuur morgenochtend om uw boekje en uw loon, en kom mij met uw brutale gezicht nooit meer onder de oogen. Uw verd– onbeschaamdheid is in de laatste maanden aanhoudend toegenomen. Gij zijt te rijk geworden en niet meer geschikt om mij te dienen. De kamer uit en het huis uit!”
„En waar zou ik dan buitenshuis heen moeten?” vroeg de knecht. „Zou het morgenochtend niet evengoed gaan? – toetafée meme sjose, siveplée, mesjeu.”
„Zwijg, ellendeling, en ga heen!” schreeuwde de majoor.
Morgan begon op onheilspellende wijze te lachen. „Luister eens, Pendennis,” zeide hij en ging daarbij zitten, „sedert ik op de kamer ben gekomen, hebt ge mij zwijn, beest en hond genoemd, en mij verd–, niet waar? Hoe denkt gij, dat zulke taal den eenen man van den anderen smaakt? Hoeveel jaren heb ik u gediend, en hoeveel vervloekingen hebt gij mij nevens mijn loon geschonken? Houdt gij een mensch voor een hond, dien gij op deze manier kunt toespreken? Waarom zou ik niet een weinigje drinken, als ik daartoe lust gevoel? Ik heb in mijn tijd menig gentleman dronken gezien en het misschien van hen geleerd. Ik ben niet van plan dit huis te verlaten, ouwe jongen; en wil ik je eens vertellen waarom niet? Het huis is mijn huis, elk meubelstuk behoort mij toe, behalve uwe oude lorren en uw stortbad en uwe pruikedoos. Ik zeg u nog ééns, dat ik door eigen vlijt en spaarzaamheid dit huis heb kunnen koopen. Voor elke vijftig pond, die gij of uw verwenschte verwaande neef kan toonen, kan ik er u honderd laten zien. Ik heb u eerlijk gediend en de nu verloopen twaalf jaren alles voor u gedaan; en moet ik nu een hond zijn? Moet ik nu een zwijn wezen? Dat is taal voor gentlemen, maar niet voor menschen van onzen stand. Ik wil het nu niet langer verdragen. Ik zeg u den dienst op, want ik heb er genoeg van; ik verzeker u, dat ik lang genoeg uw oude pruik gekamd en uw oude lendebanden aangegespt heb. Kijk mij maar zoo woest niet aan! op mijn eigen stoel, in mijn eigen kamer, zit ik u de waarheid te zeggen. Ik wil niet langer uw zwijn en uw beest en uw hond zijn, gepensioneerd majoor Pendennis!”
Toen de woede van den ouden heer op het plotselinge verzet van zijn bediende stuitte, werd zij door dien schok getemperd en bekoeld, zoo goed alsof er een stortbad of een emmer koud water onverwacht over hem ware uitgestort. Toen die uitwerking teweeggebracht en zijne drift gestild was, had Morgan’s toespraak hem belangstelling ingeboezemd en begon hij zelfs een zeker ontzag voor zijn tegenstander en diens moed om hem het hoofd te bieden, te koesteren, gelijk hij in vroegere dagen in de schermzaal de tegenpartij zou bewonderd hebben, die hem geraakt had.
„Gij zijt niet langer in mijn dienst,” zeide de majoor, „en het huis kan u toebehooren; maar deze kamers heb ik gehuurd en gij zult wel zoo goed zijn die te verlaten. Morgenochtend zal ik, zoodra wij onze rekening vereffend hebben, andere kamers betrekken. In den tusschentijd wensch ik te slapen en heb ik niet de minste begeerte naar uw verder gezelschap.”
„Wij zullen tot eene vereffening komen, wees daarover maar niet bezorgd,” zeide Morgan en stond op; „want ik heb nog niet afgedaan met u, noch met uwe familie, noch met de familie Clavering, majoor Pendennis, en dat zult gij gewaar worden.”
„Wees zoo goed de kamer te verlaten, mijnheer, ik ben vermoeid,” zeide de majoor.
„Ha, gij zult nog wel vermoeider worden eer gij van mij af zijt,” antwoordde de man met een spottenden grijns en ging de kamer uit, terwijl hij den majoor alleen liet om na dit buitengewone tooneel weer zoo goed hij kon tot bedaren te komen.
Hij ging in het hoekje van den haard over de vroegere gebeurtenissen en over de verwenschte onbeschaamdheid en ondankbaarheid der bedienden zitten mijmeren en overlegde hoe hij een nieuwen knecht zou krijgen; hoe drommels onpleizierig het was voor een man op zijn leeftijd en met zijne gewoonten, van een kerel te moeten scheiden aan wien hij gewend was; hoe Morgan een recept voor schoensmeer bezat, dat onvergelijkelijk beter en gemakkelijker was, dan eenig mengsel, dat hij ooit beproefd had; hoe goed hij bouillon kon maken, en hoe trouw hij hem bij ziekte oppaste. „Het is drommels hard zulk een kerel te verliezen, maar hij moet weg,” dacht de majoor. „Hij is rijk en sedert dien tijd onbeschaamd geworden. Wat was hij van avond vreeselijk dronken en brutaal! Wij moeten scheiden en ik moet deze kamers verlaten. Het spijt mij wel, want zij bevallen mij en ik ben er aan gewoon. Op mijn leeftijd te moeten verhuizen is zeer onpleizierig.” In dier voege peinsde de oude heer voort. Het stortbad had hem goedgedaan; zijne korzeligheid was overgegaan, en hij had het verlies der paraplu en den verfreuk in de club vergeten door de later gevolgde grootere spanning. „Die brutale rekel!” dacht de oude heer. „Hij wist juist wat ik behoefde en was de beste knecht in geheel Engeland.” Hij dacht over zijn bediende zooals iemand over een paard denkt, dat hem lang en goed gedragen heeft, maar nu met hem gestort is en niet langer te vertrouwen is. Hoe drommel zal hij het vervangen? Waar zal hij een tweede dier van dien aard vinden?
De majoor zat naast zijn vuur in dit somber gepeins verdiept, na zelf zijne kamerjapon aangetrokken, zijn zakdoek om zijn hoofd gewonden en zijne pruik afgezet te hebben (waarin mijnheer Truefitt onlangs wat grijs had gebracht, hetgeen den majoor een zeer natuurlijk en achtbaar voorkomen bijzette), toen er bedeesd aan zijne deur geklopt en deze onmiddellijk daarop door zijne huisjufvrouw geopend werd.
„Heere bewaar me! jufvrouw Brixham!” riep de majoor uit, vol schrik dat eene dame hem in het simple appareil van zijn nachtgewaad zag. „Het is – het is al zeer laat, jufvrouw Brixham.”
„Zou ik u een oogenblik mogen spreken, mijnheer?” vroeg de jufvrouw op zeer klaaglijken toon.
„Zeker over Morgan? Heeft hij zich onder de pomp bekoeld? Ik kan hem niet weer in mijn dienst nemen, jufvrouw Brixham. Onmogelijk. Ik had reeds vroeger besloten hem te ontslaan, toen ik vernam dat hij zich met geldschieten ophield. Daarvan hebt ge toch zeker ook wel gehoord, jufvrouw Brixham? Mijn knecht is een kapitalist, voor den drommel!”
„O, mijnheer,” antwoordde jufvrouw Brixham, „dat weet ik tot mijn ongeluk. Vijf jaren geleden leende ik een sommetje van hem, en ofschoon ik hem dat reeds vele malen terugbetaald heb, ben ik geheel in zijne macht. Hij heeft mij geruïneerd, mijnheer. Al wat ik bezat, behoort hem toe. Het is een verschrikkelijk mensch.”
„Ei, ei, jufvrouw Brixham? Tant pis, – het spijt mij, dat gij er zoo bij staat, en dat ik, na hier zoo lang gewoond te hebben, uw huis moet verlaten. Maar er is niets aan te doen; ik moet vertrekken.”
„Hij zegt, dat wij er allen uit moeten, mijnheer,” snikte de rampzalige weduwe. „Hij kwam zoo even naar beneden – hij had gedronken en dan is hij altijd zeer kwaadaardig – en zeide, dat gij hem beleedigd en voor een hond uitgescholden en hard behandeld hadt; en hij zwoer dat hij wraak zou nemen, en – en ik ben hem honderd twintig pond schuldig, mijnheer – en hij heeft een bewijs van eigendom van al mijne meubelen – en zegt, dat hij mij uit het huis zal zetten en mijn armen George in de gevangenis werpen. Die man is de ruïne van mijne familie geweest.”
„Het spijt mij verduiveld, jufvrouw Brixham. Ga zitten. Wat kan ik voor u doen?”
„Zoudt gij onze voorspraak niet bij hem willen wezen? George zal de helft van zijn salaris afstaan en mijne dochter kan ook iets zenden. Als gij maar wildet blijven, mijnheer, en een vierendeel jaars huur vooruitbetalen –”
„Lieve jufvrouw, daartegen zou ik volstrekt geen bezwaar hebben, indien ik hier bleef wonen. Maar dat kan ik niet doen, en ik ben niet rijk genoeg om twintig pond weg te werpen, jufvrouw-lief. Ik ben een arm gepensioneerd officier, en heb elken duit noodig, dien ik bezit, waarlijk. Als eene kleine som helpen kan – een pond of vijf bij voorbeeld – dan wil ik er mij niet aan onttrekken en zal het mij genoegen doen als ik u van dienst kan zijn. Ik zal het u morgenochtend gaarne geven; maar – het wordt laat en ik heb eene reis met den spoortrein achter den rug.”
„Gods wil geschiede, mijnheer,” zeide de arme vrouw, hare tranen drogende, „ik moet mijn lot dragen.”
„En het is verduiveld hard. Ik beklaag u van harte, jufvrouw Brixham. Nu, als ge er niets tegen hebt, zal ik – zal ik er tien pond van maken. Goedennacht!”
„Toen Morgan beneden kwam, mijnheer, en ik hem verzocht medelijden met mij te hebben en hem verweet dat hij mijn gezin geruïneerd had, zeide hij iets, dat ik niet volkomen begreep, namelijk, dat hij iedereen hier in huis zou ruïneeren, dat hij iets wist hetgeen u ook te gronde zou richten, – en dat hij u uwe brutaliteit zou betaald zetten. Ik moet u bekennen, mijnheer, dat ik mij voor hem op de knieën heb geworpen, en toen zeide hij mij, met een zwaren vloek tegen u, dat hij u ook nog voor hem op de knieën zou doen vallen.”
„Mij? – Bij den hemel, dat is al te kluchtig! Waar is de gemeene fielt?”
„Hij is uitgegaan, mijnheer, en zeide, dat hij u morgenochtend wel zou spreken. O, tracht hem toch tot bedaren te brengen, en mij en mijn armen jongen te redden!” En met die bede ging de weduwe heen om den nacht door te brengen zoo goed het gaan wilde en met schrik den morgen te gemoet te zien.
De laatste woorden, die majoor Pendennis betroffen hadden, ergerden hem zoo zeer, dat hij door het nadenken over zijn eigene omstandigheden geheel en al de rampen van jufvrouw Brixham vergat.
„Mij op de knieën doen vallen?” dacht hij, toen hij in bed stapte: „die onbeschaamde vlegel! Wie heeft mij ooit op mijne knieën zien liggen? Wat duivel weet de kerel? Ik heb in de laatste twintig jaren geen enkele affaire gehad. Ik tart hem.” En daarop keerde de oude krijgsman zich om en viel in een zeer gezonden slaap. De voorvallen van den dag – den laatsten, zoo besloot hij, dien hij in Bury Street zou hebben doorgebracht – hadden hem geprikkeld en vermaakt. „Het is onmogelijk te blijven wonen met een knecht, die den baas wil spelen, en eene hospita, die bankroet is. Wat kan ik ten voordeele van die arme vrouw doen? Ik zal haar twintig pond geven – daar zijn de twintig pond van Warrington, die hij juist betaald heeft; maar waartoe zal het dienen? Zij zal aanhoudend meer noodig hebben, en die roofvogel van een Morgan zal alles opzwelgen. Neen, voor den drommel, ik ben niet rijk genoeg om arme lui te kennen; en morgen zeg ik allen, zoowel jufvrouw Brixham als mijnheer Morgan, vaarwel.”
NEGEN EN ZESTIGSTE HOOFDSTUK.
WAARIN DE MAJOOR NOCH ZIJNE BEURS NOCH ZIJN LEVEN AFSTAAT.
Den volgenden morgen vroeg werden Pendennis’ vensterluiken door Morgan opengezet, die, naar gewoonte, met een ernstig en eerbiedig gezicht verscheen en de kleeren, de kannen water en de omslachtige toiletbehoeften van den ouden heer meebracht.
„Zoo! zijt gij het?” riep de oude man van zijn bed. „Ik kan u niet terugnemen; dat begrijpt ge toch wel.”
„Ik heb niet de minste begeerte om teruggenomen te worden, majoor Pendennis,” antwoordde mijnheer Morgan met kalme waardigheid, „noch om u of iemand anders te dienen. Maar daar ik wensch, dat gij op uw gemak zult zijn zoolang gij u in mijn huis bevindt, ben ik boven gekomen om het noodige te verrichten.” En nogmaals, en thans voor de laatste maal, plaatste mijnheer James Morgan de zilveren toiletdoos op tafel en zette het blinkende scheermes aan.
Na deze diensten bewezen te hebben, richtte hij zich met onbeschrijfelijke deftigheid tot den majoor en voegde hem toe: „Daar ik dacht, dat gij waarschijnlijk een fatsoenlijk man zoudt noodig hebben tot gij met een bediende slagen kunt, heb ik er gisterenavond een jonkman over gesproken, die nu hier is.”
„Wezenlijk?” riep de krijgsman uit zijne tent.
„Hij heeft bij de eerste familiën gediend en ik kan voor zijne fatsoenlijkheid instaan.”
„Gij zijt verbazend beleefd,” grinnikte de oude majoor. Om de waarheid te zeggen, had Morgan, na het gebeurde van den vorigen avond, zich naar zijne club begeven, en toen hij daar Frosch aantrof, een koerier en kamerdienaar, die juist van eene buitenlandsche reis met den jongen Lord Cubley teruggekeerd en voor het oogenblik buiten dienst was, aan Frosch verteld, dat hij „een verduiveld standje met zijn ouwe had gehad” en het vak nu geheel liet varen, zoodat Frosch, indien hij een noodhulpdienst verlangde, dezen waarschijnlijk zou kunnen bekomen door zich in Bury Street aan te melden.
„Gij zijt zeer beleefd en uw aanbeveling is natuurlijk van veel gewicht,” zeide de majoor.
Morgan bloosde, want hij gevoelde, dat zijn meester hem voor den gek hield. „Die man heeft u reeds vroeger bediend, mijnheer,” zeide hij zeer deftig. „Lord de la Pole, mijnheer, heeft hem aan zijn neef den jongen Lord Cubley meegegeven en met hem heeft hij buitenslands gereisd: doch daar Frosch niet wilde meegaan naar Fitzurse Castle, omdat hij eene zwakke borst heeft en de kille lucht van Schotland niet verdragen kan, is hij in de gelegenheid al dan niet in uw dienst te treden, naar uwe verkiezing.”
„Ik zeg nog eens, mijnheer, dat gij uitstekend beleefd zijt,” hernam de majoor. „Kom binnen, Frosch – gij staat mij nog al aan. Mijnheer Morgan, zoudt gij de bijzondere goedheid willen hebben –”
„Ik zal hem zeggen wat hij doen moet, mijnheer, en hoe gij het gewoon zijt. Verkiest gij hier te ontbijten, of in de club, majoor Pendennis?”
„Als gij het mij veroorlooft, zal ik hier ontbijten, en daarna zullen wij onze kleine rekening vereffenen.”
„Als het u belieft, mijnheer.”
„Wilt ge mij nu het genoegen doen, mijne kamer te verlaten?”
Morgan verwijderde zich. De bovenmatige beleefdheid van zijn gewezen meester kwetste hem bijna even diep als diens bitterste scheldwoorden hadden gedaan. En terwijl de oude heer zijn geheimzinnig toilet maakt, zullen ook wij ons bescheiden verwijderen.
Na het ontbijt hield majoor Pendennis zich, met zijn nieuwen adjudant, met toebereidselen tot het vertrek bezig. De boedel van den ouden vrijgezel was niet zeer omslachtig. Hij belastte zich met geen nuttelooze kleeren. Zijne letterkundige en kunstverzamelingen bestonden uit een Bijbel (dien van zijne moeder), een reisgids, Pen’s roman (sierlijk in leder gebonden) en de Depèches van den hertog van Wellington, benevens eenige prenten, kaarten en portretten van dien beroemden veldheer, van verschillende vorsten en vorstinnen van dit land, en van den generaal onder wien majoor Pendennis in Indië gediend had. Hij kon dus altijd binnen weinige uren marschvaardig zijn, en de kisten, waarmee hij vijftien jaar geleden zijne goederen naar deze kamer vervoerd had en die nu op zolder stonden, waren nog altijd ruim genoeg om zijn geheelen inboedel te bergen. Die kisten bracht het meisje, dat het huiswerk verrichtte en door hare meesteres Betty, maar door Morgan Slaafje genoemd werd, uit hare bergplaats te voorschijn en stofte en reinigde die onder het oog van den verschrikkelijken Morgan. Hij gedroeg zich bedaard en deftig; vooralsnog had hij tegen jufvrouw Brixham geen woord verder over zijne bedreigingen van den vorigen avond gesproken, maar hij zag er wel naar uit alsof hij die zou vervullen, en sidderend wachtte de arme weduwe haar lot af.
Met zijn rotting in de hand hield de oude Pendennis het toezicht over het inpakken zijner goederen en voorwerpen door mijnheer Frosch, terwijl Slaafje de papieren verbrandde, die hij niet wilde bewaren; hij wierp de deuren en kastjes open, om te zien of alles ledig was; en thans waren alle kisten en koffers gesloten, met uitzondering van zijn lessenaar, die gereed stond om de laatste rekeningen van mijnheer Morgan te ontvangen.
Deze verscheen daarop, bracht zijne boekjes mede, en zeide bij het binnentreden: „Daar ik u afzonderlijk wensch te spreken, zult gij misschien wel zoo goed willen zijn, Frosch naar beneden te zenden.”
„Haal als het u belieft een paar vigilanten, Frosch – en blijf beneden wachten tot ik om u schel,” zeide de majoor. Morgan wachtte tot Frosch beneden was, keek hem langs de straat na toen hij zijne boodschap ging doen en bracht zijne boekjes en rekeningen ter tafel, die van zeer eenvoudigen aard en dus spoedig vereffend waren.
„En thans, mijnheer,” zeide hij, na het wisseltje, dat zijn gewezen meester hem gaf, op zak gestoken en met mooie krulletters gequiteerd te hebben, „nu de rekening tusschen ons afgesloten is, mijnheer,” vervolgde hij, „wil ik eens tot u spreken als de eene man tot den anderen” (Morgan hoorde gaarne zijn eigen stem en voerde dus, hetzij in de club, hetzij in de huishoudsterskamer het woord, telkens als er maar gelegenheid toe was) „en moet ik u zeggen, dat ik van goederhand ingelicht ben.”
„En mag ik vragen waarover gij ingelicht zijt?” zeide de majoor.
„Het zijn inlichtingen van groot belang, majoor Pendennis, zooals gij zeer goed weet. Ik weet van een huwelijk, dat geen huwelijk is – van een baronet, die evenmin getrouwd is als ik, en wiens vrouw met een ander gehuwd is, gelijk gij evenzeer weet, mijnheer.”
Pendennis doorzag oogenblikkelijk alles. „Ha! dit is dan de sleutel van uw gedrag. Gij hebt zeker aan de deur staan luisteren, mijnheer,” zeide de majoor, zeer uit de hoogte; „ik vergat naar het sleutelgat te kijken in die herberg; anders had ik wel kunnen vermoeden wie er achter stond.”
„Ik mag toch zeker wel mijne bedoelingen hebben, gelijk gij de uwe?” antwoordde Morgan. „Ik mag evengoed als iemand anders berichten inwinnen, en mij daarnaar regelen en er partij van trekken? Een arme knecht mag immers toch ook wel eens een buitenkansje hebben, evenals een gentleman? Trek maar zulk een voornaam gezicht niet, mijnheer, en tracht niet tegen mij den aristocraat te spelen. Dat is met mij altemaal verloren moeite. Ik ben een Engelschman, dat ben ik, evengoed als gij.”
„Waar wilt gij voor den duivel heen? Ik zou wel willen weten in welk opzicht het geheim, dat gij ontdekt hebt, mij aangaat,” zeide majoor Pendennis met groote majesteit.
„In welk opzicht het mij aangaat! Men zou zeggen! Wat houden wij ons onnoozel! In welk opzicht gaat het onzen neef misschien aan? en zijne plaats in het parlement? en de medeplichtigheid aan bigamie? Wat gaat u dit alles aan? Zoudt gij de eenige man zijn, die een geheim bezat en er gebruik van maakte? Waarom zouden wij niet deelen, majoor Pendennis? Ik heb het ook ontdekt. Luister eens! ik wil niet onredelijk zijn. Beloon mij goed en ik houd het voor mij. Laat Arthur zijn lidmaatschap en zijne rijke vrouw hebben, als gij dat goedvindt; ik heb geen lust haar te trouwen. Doch ik wil mijn deel; zoo zeker als mijn naam James Morgan is. En als ik het niet krijg –”
„En als gij het niet krijgt, mijnheer, – wat dan?” vroeg majoor Pendennis.
„Als ik het niet krijg, dan klap ik en vertel alles. Ik zal Clavering te gronde richten en hem met zijne vrouw wegens dubbel huwelijk te recht doen staan, – dat zal ik doen, zoo waarlijk helpe mij – ! Ik werp het huwelijk van den jongen windbuil in duigen, en stel u en hem ten toon, dat gij van dit geheim gebruik hebt gemaakt, om Sir Francis eene plaats in het parlement en zijne vrouw een fortuin te ontfutselen.”
„Mijnheer Pendennis weet even weinig van deze zaak als een pasgeboren kind.” riep de majoor met ontzetting uit, „evenmin als Lady Clavering en jufvrouw Amory.”
„Maak dat de poes wijs, majoor,” antwoordde de knecht; „die vlieger gaat bij mij niet op.”
„Twijfelt gij aan mijn woord, fielt?”
„Geen schelden, als het u belieft. Het is mij glad onverschillig, of gij al dan niet de waarheid spreekt. Ik zeg u, dat ik mij voorgenomen heb, majoor, dat dit geval mij een aardige lijfrente zal opbrengen, want ik heb u allen in de knip en zal niet zoo dwaas zijn u te laten ontsnappen. Het komt mij voor, dat gij onder elkander gemakkelijk vijfhonderd pond ’s jaars kunt bijeenbrengen. Pas mij het eerste kwartaal op staanden voet neer en ik ben stom als een visch. Geef mij maar een papiertje voor honderd vijf en twintig pond; uw bankiersboek ligt daar nog op uw lessenaar.”
„En dit ligt er ook nog, schelm,” riep de oude heer uit. In den lessenaar namelijk, waarop de knecht wees, lag een klein pistool met dubbelen loop, dat aan Pendennis’ ouden chef, den Indischen opperbevelhebber, toebehoord en hem gedurende menigen veldtocht vergezeld had. „Als gij nog een woord spreekt, schurk, schiet ik u als een dollen hond neer. Wacht – bij den hemel, ik zal het nu maar dadelijk doen! Zoudt gij mij durven aanranden? Zoudt gij, leugenachtige lafaard, een oud man willen slaan? Kniel neer en doe uw gebed, mijnheer, want bij God, gij zult sterven!”
De majoor keek met woedende blikken zijne tegenpartij aan, die hem een oogenblik ontzet aanzag en toen onder het geroep van: „Moord!” naar het open venster sprong, onder hetwelk juist een agent van politie heen en weer liep. „Moord! Diender!” bulderde mijnheer Morgan.
Tot zijne verbazing schoof majoor Pendennis de tafel op zijde, ging naar het andere raam, dat ook openstond, en wenkte den agent. „Kom eens boven, agent,” riep hij en plaatste zich vervolgens voor de deur.
„Ellendige huichelaar,” voegde hij Morgan toe: „dit pistool is in geen vijftien jaar geladen geweest, zooals gij zeer wel hadt kunnen weten, als gij niet zulk een lafaard waart. De politieagent komt daar aan, en ik zal hem naar boven laten gaan om uwe koffers te doorzoeken, want ik heb reden om u voor een dief te houden, mijnheer. Ik weet, dat gij een dief zijt, en ik zal zweren, dat de voorwerpen mij toebehooren.”
„Gij hebt ze mij gegeven – gij hebt ze mij gegeven!” riep Morgan.
De majoor begon te lachen en zeide: „Wij zullen zien,” en de schuldige knecht herinnerde zich eenige fraaie overhemden met linnen borsten, zekeren rotting met een gouden knop en een tooneelkijker, dien hij vergeten had weer naar beneden te brengen, en dien hij zich had toegeëigend met en benevens zekere kleedingstukken van zijn meester, die de oude dandy niet meer gebruikte en waarnaar hij ook niet vroeg.
Diender X. trad binnen, gevolgd door de ontstelde jufvrouw Brixham en hare dienstmeid, die aan de deur had gestaan en deze slechts met moeite had kunnen sluiten voor den neus der straatslijpers, die gaarne wilden zien wat er gaande was. De majoor nam dadelijk het woord op.
„Ik heb dezen dronken schelm uit mijn dienst moeten ontslaan,” zeide hij. „Gisterenavond en heden morgen heeft hij mij beleedigd en aangerand. Ik ben een oud man en heb een pistool opgenomen. Gij ziet, dat het niet geladen is, en deze lafaard schreeuwde voordat hij geslagen werd. Het verheugt mij, dat gij gekomen zijt. Ik beschuldigde hem, dat hij zich goederen van mij toegeëigend heeft, en wilde zijne koffers en zijne kamer doorzoeken.”
„Den fluweelen mantel hebt gij in drie jaar niet gedragen, en de vesten ook niet, en ik dacht, dat ik de hemden wel hebben mocht, en – en ik kan zweren, dat ik den tooneelkijker weer wilde terugbrengen,” schreeuwde Morgan, van woede en vrees krimpende.
„De man erkent, dat hij een dief is,” zeide de majoor kalm. „Hij is vele jaren in mijn dienst geweest en ik heb hem op de vriendelijkste en vertrouwelijkste wijze behandeld. Wij zullen naar boven gaan, om zijne koffers na te zien.”
Mijnheer Morgan bewaarde dingen in die koffers, welke hij liefst aan het algemeen oog wilde onttrekken. Morgan, de geldschieter, leverde zoowel goederen als geld aan zijne klanten. Hij voorzag jonge verkwisters van snuifdoozen, spelden, juweelen, prenten en sigaren, en die sigaren, juweelen en prenten waren van zeer dubbelzinnige hoedanigheid. Hunne overbrenging op een politiebureau, de bekendwording van zijne geheime zaken en de vertooning der goederen van den majoor, die hij eer tot zich genomen dan wel gestolen had, zou niet hebben bijgedragen tot verhooging van mijnheer Morgan’s reputatie. Hij was dus het beklagenswaardigste toonbeeld van ontzetting en teleurstelling.
„Hij zou mij te gronde richten? Ei?” dacht de majoor. „Ik zal hem verbrijzelen en voorgoed met hem afrekenen.”
Doch hier bedacht hij zich even. Hij zag jufvrouw Brixham’s ontstelde gezicht en overwoog tevens, dat die man, als hij tot het uiterste gebracht en in de gevangenis geworpen werd, zaken kon openbaren, die het beter was geheim te houden, zoodat het raadzaam was een kerel, die niets ontzag, niet te hard aan te tasten.
„Wacht eens, agent,” zeide hij. „Ik zal nog even met dezen mensch spreken.”
„Levert gij mijnheer Morgan aan mij over?” vroeg de politieagent.
„Ik heb nog geene bepaalde beschuldiging tegen hem ingebracht,” antwoordde de majoor, met een veelbeteekenenden blik op zijn knecht.
„Ik dank u, mijnheer,” fluisterde Morgan zeer zacht.
„Wilt ge even naar buiten gaan, agent, en daar wachten? – Nu, Morgan, gij hebt een spelletje met mij gespeeld, en zijt er niet goed afgekomen, vriendje. Neen, voor den drommel, gij zijt er niet goed afgekomen, ofschoon gij veel op mij vóór hadt; en nu moet gij ook betalen, schelm.”
„Ja, mijnheer,” zeide de man.
„Ik heb eerst verleden week de zaken leeren kennen, die gij drijft, schurk. De jonge De Boots, van het Blauwe regiment, herkende u als den man, die in de kazerne zaken is komen doen, een derde in geld, een derde in Eau de Cologne en een derde in Fransche prenten, verwenschte schijnheilige oude zondaar! Ik had niets gemist noch mij bekommerd om hetgeen gij tot u genomen hadt, aap; ik schoot maar in den wilde, maar ik raakte toch – ik raakte het wit, voor den drommel. Verduiveld, mijnheer, ik ben een oude vos!”
„Wat wilt gij van mij, mijnheer?”
„Dat zal ik u zeggen. Ik vooronderstel, dat gij uwe papieren in dat groote zakboek bij u draagt; is het zoo niet? Wilt gij het stuk van jufvrouw Brixham verbranden?”
„Mijnheer, ik ben niet voornemens mijn eigendom te vernietigen,” snauwde Morgan.
„Vijf jaar geleden hebt gij haar zestig pond geleend. Zij en die arme duivel van een klerk, haar zoon, hebben u sedert dien tijd elk jaar vijftig pond betaald; en gij hebt nog een akte van overdracht van hare meubelen en een acceptatie van honderd vijftig pond van haar gekregen. Dat heeft zij mij gisterenavond verteld. Bij den hemel, mijnheer, gij hebt die arme vrouw genoeg uitgezogen.”
„Ik geef het niet over,” zeide Morgan. „Als ik het doe, mag ik –”
„Agent!” riep de majoor.
„Gij zult het stuk hebben,” zeide Morgan. „Gij zult toch geen geld van mij eischen, – gij, een gentleman?”
„Ik zal u over eenige oogenblikken noodig hebben,” zeide de majoor tegen X., die binnenkwam, maar zich daarop weer verwijderde.
„Neen, waarde heer,” vervolgde de oude gentleman; ik wensch geen verdere geldzaken met u te hebben; maar wij zullen een klein papiertje opstellen, dat gij de goedheid zult hebben te teekenen. Neen, wacht! – gij moet het zelf schrijven; gij zijt in den laatsten tijd ontzaglijk vooruitgegaan in de schrijfkunst en hebt nu eene zeer goede hand. Ga zitten, en schrijf, als het u belieft – daar, aan die tafel – zoo – laat eens zien – wij moeten er den juisten datum bij zetten. Schrijf: „Bury Street, St. James, 21 October 18–.”
En Morgan schreef, gelijk hem bevolen was en hetgeen de onbarmhartige oude majoor hem verder voorzeide:
„Ik ondergeteekende, James Morgan, die doodarm ben gekomen in den dienst van den weledelgeboren heer Arthur Pendennis, van Bury Street in St. James’s, majoor in harer majesteits dienst, beken, dat ik vijftien jaren lang een ruim loon en kostgeld van mijn meester ontvangen heb. – Hiertegen zult gij wel niets in te brengen hebben,” zeide de majoor.
„Ontvangen heb,” schreef Morgan.
„Gedurende welken tijd ik, door mijn eigen beleid en spaarzaamheid,” dicteerde de ander voort, „genoeg geld heb weten bijeen te brengen, om het huis te koopen, waarin mijn meester woont, en bovendien nog nadere spaarpenningen over te leggen. Onder andere personen, van welke ik geld ontvangen heb mag ik mijne tegenwoordige huurster, jufvrouw Brixham, noemen, die, voor zestig pond, welke ik haar vijf jaar geleden geleend heb, mij de som van tweehonderd vijftig pond sterling heeft terugbetaald en mij bovendien een acceptatie van honderd twintig pond gegeven, die ik haar op verlangen van mijn gewezen meester majoor Arthur Pendennis teruggeef, terwijl ik te gelijk hare meubelen, van welke ik een akte van overdracht bezat, van het verband onthef. – Hebt gij dat geschreven?”
„Ik geloof dat ik jou, als dat pistool geladen was, voor den kop zou schieten,” zeide Morgan.
„Neen, dat zoudt gij niet. Gij stelt veel te veel prijs op uw eigen kostbaar leven, vriendje,” antwoordde de majoor. „Laten wij voortgaan en een nieuwen zin beginnen.
„„En daar ik mijn meesters welwillendheid vergolden heb door goederen van hem te stelen, die ik beken, dat boven op mijne kamer in mijne koffers liggen, en lasteringen ten opzichte van hem en andere geachte familiën heb verspreid, betuig ik bij deze, uit erkentelijkheid voor zijne goedertierenheid jegens mij, mijn leedwezen, dat ik die leugens verspreid en zijne goederen gestolen heb, en verklaar ik, dat ik geen geloof verdien en dat ik hoop – ja, voor den drommel, dat moet er in – „dat ik hoop mij in het vervolg te beteren.” Onderteeken dat nu, James Morgan.””
„Ik mag verd– worden als ik dat onderteeken,” zeide Morgan.
„Goede vriend, dat zal u toch weervaren, of gij het teekent of niet,” zeide de oude heer, zeer opgetogen over zijn eigen geestigheid. „Ik beloof u, ik zal dat stuk niet gebruiken dan wanneer ik, dat begrijpt ge, daartoe genoodzaakt word. Ik houd mij overtuigd, dat jufvrouw Brixham en onze vriend de diender tot getuigen zullen willen strekken, zonder het te lezen; en ik zal de oude jufvrouw haar acceptatie teruggeven en er bijvoegen, hetgeen gij bevestigen zult, dat ge quitte met elkander zijt. Ik zie daar, dat Frosch met de vigilante voor mijne koffers teruggekomen is: ik zal naar een logement gaan. – Kom maar binnen, agent; ik heb met mijnheer Morgan onzen kleinen twist geschikt. Als jufvrouw Brixham dit papier wilde teekenen, en gij, agent, dit ook wildet doen, zou ik u beiden zeer verplicht zijn. Jufvrouw Brixham, gij zijt niets meer schuldig aan uw achtenswaardigen huisheer, mijnheer Morgan. Ik wensch u toe, dat gij veel pleizier van hem moogt hebben. Laat Frosch binnenkomen en het overige van den boedel bijeenpakken.”
Onder het kalme toezicht van mijnheer Morgan droeg Frosch, door Slaafje bijgestaan, de koffers van majoor Pendennis naar de rijtuigen, die stonden te wachten; en jufvrouw Brixham kwam, toen haar vervolger niet in de nabijheid was, nogmaals binnen en bad ’s hemels zegen af op den majoor, haar redder en te gelijk den stilsten en vriendelijksten van alle heeren op kamers. Na haar een vinger gereikt te hebben, voor welken de nederige vrouw eene nijging maakte en boven welken zij eene met tranen afgewisselde toespraak wilde houden, sneed de majoor die afscheidsrede af en verliet het huis, om zich naar het hotel in Jermyn Street te begeven, dat niet ver van Morgan’s woning lag.
De laatstgenoemde keek onderwijl het venster uit en zond zijn vertrekkenden huisgenoot alles behalve zegenbeden na; doch de onversaagde oude heer was voor Morgan niet bang en wierp hem een blik van de grootste verachting en spotzucht toe, terwijl hij, op zijn rotting steunende, wegstrompelde.
Majoor Pendennis had zijne woning in Bury Street nog slechts weinige uren verlaten en mijnheer Morgan genoot zijn otium op deftige wijze en bekeek den avondmist onder het rooken eener sigaar op zijne stoep, toen de weledelgeboren heer Arthur Pendennis, de held dezer geschiedenis, zich aan die welbekende deur vertoonde.
„Oom is zeker uit, Morgan?” vroeg hij aan den knecht, daar hij zeer goed wist, dat het rooken in de nabijheid van den majoor met verraad gelijk stond.
„Majoor Pendennis is uit, mijnheer,” antwoordde Morgan met eene statige buiging, maar zonder het sierlijke mutsje aan te raken, dat hij ophad. „Majoor Pendennis heeft vandaag dit huis verlaten, mijnheer, en ik heb de eer niet meer in zijn dienst te zijn, mijnheer.”
„Wezenlijk? En waar is hij dan nu?”
„Ik geloof, dat hij voor het oogenblik kamers genomen heeft in het hotel van Cox in Jermyn Street,” zeide mijnheer Morgan en liet er, na een oogenblik zwijgens, op volgen: „Blijft gij eenigen tijd in de stad, mijnheer? Woont gij nog in den Temple? Ik zou gaarne de eer hebben u daar een bezoek te brengen, en ik zou u zeer dankbaar zijn indien gij mij een kwartiertje te woord wildet staan.”
„Wenscht gij, dat oom u weer zou terugnemen?” vroeg Arthur op den man af, maar alleen uit goedhartigheid.
„Neen, dat verlang ik in het geheel niet; ik zou hem liever –,” en bij die woorden keek de man hem eenige oogenblikken woest aan, doch hield zich in. „Neen, mijnheer, ik dank u,” zeide hij op zachter toon; „ik wenschte u alleen te spreken over zekere zaken, die u betreffen, en misschien zoudt gij mij het genoegen willen doen van binnen te komen.”
„Als het niet te lang duurt, wil ik u wel aanhooren, Morgan,” zeide Arthur en dacht bij zich zelven: „Ik denk, dat de kerel zich in mijne gunst wil aanbevelen,” waarop hij het huis binnentrad. Er stond reeds een papier voor het venster aan de straat, met het bericht dat er kamers te huur waren, en na mijnheer Pendennis in de eetkamer gelaten en hem een stoel aangeboden te hebben, nam Morgan er zelf een en begon hem zekere zaken mede te deelen, die de lezer reeds vernomen heeft.
ZEVENTIGSTE HOOFDSTUK.
WAARIN PENDENNIS ZIJNE REKENING OPMAAKT.
Onze vriend was pas dien dag te Londen aangekomen en wel slechts voor een kort bezoek, en na eenige zijner medereizigers te hebben achtergelaten in een hotel, waarheen hij hen uit het westen van Engeland begeleid had, haastte bij zich naar zijne kamers op Lamb Court, die zich in zooveel zonlicht bakerde als in dat sombere, doch niet geheel onherbergzame gebouw verkoos door te dringen. In den Temple vervangt de vrijheid den zonneschijn, en de Tempeliers grommen wel, maar maken het zich gemakkelijk. Pen’s bediende berichtte hem, dat Warrington zich ook weer op de kamers bevond, en natuurlijk begaf Arthur zich rechtstreeks naar het vertrek van zijn vriend, dat hij als vanouds, doortrokken vond van tabaksrook, terwijl George weer voor zijne couranten en tijdschriften zat te werken. Beiden groetten elkander met die ruwe hartelijkheid, waarmee jonge Engelschen elkander behandelen en waarbij eene groote mate van warmte en welwillendheid onder eene harde schors verborgen is. Warrington glimlachte en nam de pijp uit zijn mond met de woorden: „Zoo, jongetje!” Pen trad voorwaarts, strekte de hand uit en vroeg: „Hoe gaat het, ouwe jongen?” Aldus liep de ontmoeting af tusschen twee vrienden, die elkander in maanden niet gezien hadden. Alphonse en Frédéric zouden in elkanders armen zijn gevlogen en over elkanders schouders uitgegild hebben: „Ce bon coeur! ce cher Alphonse!” Max en Wilhelm zouden een half dozijn kussen, die naar Havana roken, op elkanders snorren gedrukt hebben. „Zoo, jongetje!” „Hoe gaat het, oude jongen?” is hetgeen twee Britten tegen elkander zeggen, nadat zij wellicht den vorigen dag elkander het leven hebben gered. Morgen zullen zij elkander zelfs de hand niet meer drukken en elkander slechts toeknikken wanneer zij aan het ontbijt komen. Zij stellen het volste vertrouwen in elkaar en dragen elkander de grootste achting toe; de een zou zijne beurs ter beschikking van den ander stellen en, wanneer hij zijn vriend hoorde gispen, in luide loftuitingen over hem losbarsten; doch zij verlaten elkander met een bloot „Goedendag!” en zien elkander terug met een eenvoudig „Hoe vaar je?” en in den tusschentijd schreven zij elkander in het geheel niet. Merkwaardige terughouding zonderlinge, stoïcijnsche deftigheid der Engelsche vriendschap! „Ja, wij zijn zoo hartstochtelijk niet als die verwenschte buitenlanders,” zegt Hardman, die niet alleen geen vriendschap aan den dag legt, maar die ook zijn leven lang niet gevoeld heeft.
„In Zwitserland geweest?” vraagt Pen. „Ja,” zegt Warrington, „ik kon geen tabak vinden die rookbaar was, voordat wij te Straatsburg kwamen, waar ik wat caporal machtig werd.” Het gemoed van den man is hoogst waarschijnlijk vervuld met de grootsche tafereelen, die hij gezien heeft, met de innige aandoeningen, waarmee de groote werken der natuur het hebben vervuld. Doch zijne geestdrift is te schuchter om zich, zelfs aan zijn vertrouwdsten vriend, uit te laten, en hij hult haar dus in eene wolk tabaksrook Hij zal echter openhartiger spreken op avonden waarop zij vertrouwelijk bij elkander zitten, en met vuur en geestdrift schrijven over hetgeen hij te schuw is om te vertellen. De denkbeelden en ervaringen, die hij op zijne reis heeft opgedaan, zullen uit zijne geschriften blijken, evenals de geleerdheid, die hij nooit in zijn spreken toont, zijn stijl doet uitblinken door treffende toespelingen en schitterende toelichtingen, zijn edele welsprekendheid bezielt en puntigheid bijzet aan zijn geest.
De oudste geeft een vluchtig verslag van de plaatsen, die hij op zijne reis bezocht heeft. Hij heeft Zwitserland, Noord-Italië en Tirol gezien, en is over Weenen, Dresden en den Rijn huiswaarts gekeerd. Hij spreekt over die plaatsen met eene gesmoorde, onwillige stem, alsof hij er liever in het geheel geen gewag van maakte en het zien daarvan hem zeer onaangenaam had aangedaan. Nadat de oudste van beiden op die bedrukte wijze eene schets van zijne reis heeft gegeven, begint de jongste te spreken. Hij heeft op het land vertoefd – zich geweldig verveeld – toebereidselen gemaakt voor de verkiezing – alles ging heel saai toe – hij is hier voor een paar dagen en gaat naar – naar de omstreken van Tunbridge Wells, naar eenige vrienden – dat zal ook heel saai wezen.
„En hoe staat het met de plaats in het parlement, Pen? Hebt gij alles in orde?” vraagt Warrington.
„Alles in orde,” geeft Pen ten antwoord; „zoodra het parlement bijeenkomt en eene nieuwe verkiezing kan worden uitgeschreven, legt Clavering zijn mandaat neer en treed ik in zijne plaats op.”
„En onder welk vaandel zult gij strijden?” vroeg Warrington. „Zullen wij ons doen kennen als een conservatief liberaal, of als een ministerieel, of als een onafhankelijke?”
„Hm! Er bestaat tegenwoordig eigenlijk geen politiek meer; of liever, allen hebben nagenoeg dezelfde politiek. Ik bezit geen landerijen genoeg om een protectionist te zijn, en ik geloof ook, dat ik, al bezat ik al het land van het gansche graafschap, er geen zou kunnen zijn. Ik zal doorgaans het gouvernement ondersteunen en in sommige quaestiën, die ik gedurende de vacantie bestudeerd heb, verder gaan dan de regeering. Grinnik maar niet, oude cyniker; ik heb inderdaad de parlementsstukken doorgelezen, en mij voorgenomen, bij de vraagstukken over den publieken gezondheidstoestand en over de kolonisatie, goed beslagen ten ijs te komen.”
„Wij behouden ons voor, desnoods tegen het gouvernement te stemmen, ofschoon wij het over het algemeen gunstig gezind zijn. Wij zijn echter vrienden van het volk avant tout. Wij houden voordrachten in de leeszaal te Clavering en drukken knappe werklieden hartelijk de hand. Wij zijn van oordeel, dat het stemrecht aanzienlijk moet uitgebreid worden, maar te gelijker tijd zien wij er geen bezwaar in een postje aan te nemen, zoodra de Kamer eenige puntige redevoeringen van ons aangehoord en de regeering onze talenten opgemerkt heeft.”
„Ik ben geen Mozes,” zeide Pen, als naar gewoonte op eenigszins weemoedigen toon. „Ik heb geen wetten uit den hemel ontvangen, om die van den berg aan het volk te verkondigen. Ik behoor in het geheel niet tot de bergpartij, noch werp mij op tot een leider en hervormer der menschheid. Daarvoor is mijn geloof niet sterk, en mijne ijdelheid of schijnheiligheid niet groot genoeg. Ik zal geen onwaarheden vertellen, dat beloof ik u, George, en met geen meerdere leugens instemmen dan onvermijdelijk en algemeen aangenomen zijn, als muntstukken, die niet afgeschaft kunnen worden zonder ze alle buiten cours te brengen. Laat mij ten minste voordeel trekken van mijne twijfelzucht. Als ik bespeur, dat ik in het parlement iets goeds weet te zeggen, dan zal ik het zeggen; wordt er een goede maatregel voorgesteld, ik zal dien ondersteunen; komt er eene goede betrekking voor, ik zal ze aannemen en mij over mijn geluk verblijden. Maar ik zal evenmin de grooten als het volk vleien; en nu weet gij ongeveer zooveel van mijne politiek als ik zelf. Welke roeping heb ik, om een Whig te zijn? De beginselen der Whig’s zijn geen goddelijke instelling. Waarom zou ik niet stemmen met de liberale conservatieven? Deze hebben voor de natie gedaan hetgeen de Whig’s nooit zonder hunne hulp zouden hebben kunnen tot stand brengen. Wie zijn het, die hen beiden hebben bekeerd? De radicalen en de natie als geheel. Ik geloof, dat de Morning Post dikwijls gelijk en Punch dikwijls ongelijk heeft. Ik beweer niet, dat ik eene roeping heb, maar ik maak gebruik van de gelegenheid. Parlons d’autre chose.”
„Wat u, na de eerzucht, het naast aan het hart ligt, is waarschijnlijk de liefde?” zeide Warrington. „Hoe is het met onze jeugdige minnarijen gegaan? Hebben wij besloten van levenswijze te veranderen en onze kamers op te zeggen? Gaat gij van mij scheiden, Arthur, en eene vrouw nemen?”
„Waarschijnlijk. Zij is zeer goedhartig en levendig. Zij zingt, en heeft niets tegen het rooken. Zij zal een aardig fortuintje hebben – ik weet nog niet hoeveel – maar mijn oom verwacht alles van de mildheid der begum en zegt, dat zij diep in de beurs zal tasten. En ik geloof, dat Blanche verduiveld veel van mij houd,” zeide Arthur met een zucht.
„Hetgeen wil zeggen, dat wij ons hare liefkoozingen en haar geld laten welgevallen.”
„Hebben wij niet reeds vroeger gezegd, dat het leven eene minnelijke schikking was?” merkte Pendennis aan. „Mij zal het hart niet om haar breken. Ik heb haar vrij rondborstig verklaard wat mijne gevoelens waren en – en – ik heb mij met haar geëngageerd. En sedert ik haar het laatst gezien heb, en inzonderheid de beide laatste maanden, die ik op het land heb doorgebracht, geloof ik dat zij meer en meer van mij is gaan houden. Dit schijnt wel te blijken uit hare brieven aan mij en vooral aan Laura. De mijne zijn hoogst eenvoudig geweest; gij begrijpt, dat er niets van verrukking of beloften in voorkwam, maar dat ik de zaak als een affaire faite beschouwde, en geen bijzondere begeerte aan den dag legde om de voltrekking er van te bespoedigen of uit te stellen.”
„En Laura? hoe gaat het haar?” vroeg Warrington heel ongedwongen.
„Laura, George,” zeide Pen, zijn vriend in de oogen ziende, – „bij den hemel, Laura is het beste, edelste en liefste meisje onder de zon.” Zijne stem begon zelve bij die woorden te haperen; het was alsof hij ze ternauwernood kon uitbrengen; en hij strekte zijne hand naar zijn metgezel uit, die ze aannam en hem toeknikte.
„Hebt ge dat nu pas ontdekt, jongetje?” zeide Warrington na een oogenblik zwijgens.
„Wie is er, die niet te laat heeft geleerd, George?” riep Arthur op zijne driftige wijze uit en vond woorden en aandoeningen onder het verder spreken. „Wiens leven is niet eene teleurstelling? Wie is er, die zijn hart geheel onverminkt in het graf meeneemt? Ik heb nog nooit iemand gezien, die volmaakt gelukkig was. Wie heeft zich niet ten koste van den eenen of anderen dierbaren schat uit de handen van het Noodlot moeten loskoopen? Gelukkig indien wij, na onze boete betaald te hebben, met rust worden gelaten en de tiran ons niet meer komt opzoeken. Neem eens aan, dat ik ontdekt had dat ik den kostbaarsten prijs ter wereld had verloren, nu die niet meer de mijne kan zijn, – dat ik jaren lang een engel onder mijne tent had geherbergd en die heb laten heengaan, – ben ik dan de eenige, och, beste vriend, ben ik de eenige, die dat gedaan heeft? En zoudt gij denken, dat mijn lot gemakkelijker te dragen is omdat ik beken, dat ik het verdien? Zij heeft ons verlaten. Gods zegen over haar! Zij had kunnen blijven en ik heb haar laten gaan; het is als met Ondine, niet waar, George?”
„Eenmaal is zij in deze kamer geweest,” zeide George.
Hij zag haar daar – hij hoorde hare lieve, zachte stem – hij zag haar zoeten glimlach en die oogen, welke zoo vriendelijk straalden – haar gelaat, dat hij zich met zooveel aandoening herinnerde, waaraan hij in zoovele doorwaakte nachtelijke uren gedacht had, dat hij altijd had gezegend en bemind, en dat nu verdwenen was! Een glas, waarin een ruiker gestaan, een Bijbel met een woordje van Helena’s hand er in, – dit was alles wat hem van dien korten bloeitijd zijns levens overbleef. Men zegge, dat het een droom was en dat die vervliegt: de herinnering aan een droom is beter dan het nutteloos ontwaken uit eene stomme verdooving.
De beide vrienden zaten eene wijle zwijgend bij elkander, ieder met zijn eigen gedachten bezig en bewust van die van den ander. Pen verbrak de stilte eindelijk door te verklaren, dat hij zijn oom moest gaan bezoeken, om den ouden heer verslag te doen van den stand der zaak. De majoor had in eene zeer kwade luim geschreven. Hij gevoelde, dat hij oud begon te worden. „Ik zou, voordat ik aftreed, u gaarne opgenomen zien in het parlement en op uw gemak gevestigd in een deftig huis en met een erfgenaam van den familienaam. Laat mij dit alles beleven,” schreef de majoor, „en dan zal de oude Arthur Pendennis gaarne plaats maken voor het jongere geslacht; hij heeft lang genoeg het plaveisel van Pall Mall bewandeld.”
„Er klopt toch een liefderijk hart in de borst van dien ouden heiden,” zeide Warrington. „Hij stelt nog belang in iemand anders dan zich zelven, ten minste in een ander deel van hem zelven dan het deel, dat achter de knoopen van zijn eigen rok zit, – in u namelijk en uw geslacht. Hij zou het nakroost der Pendennis’en willen zien vermeerderen en toenemen en hoopt dat zij het land zullen beërven. De oude patriarch zegent u uit het groote venster der club van Bays en zal begraven worden onder de zerken der St.-Jameskerk, in het gezicht van Piccadilly en van de standplaats der vigilantes, en van de rijtuigen, die naar de receptie ten hove gaan. Het is een stichtelijk uiteinde!”
„Het nieuwe bloed, dat ik in de familie breng,” zeide Pen peinzende, „is min of meer bezoedeld. Indien ik had mogen kiezen, geloof ik, dat mijn schoonvader Amory niet de man zou geweest zijn, dien ik tot stamvader voor mijn geslacht zou begeerd hebben, noch mijn vrouws grootvader Snell, noch onze oostersche voorouders. A propos, wie was die Amory? Hij moet stuurman op een Oostindievaarder zijn geweest. Blanche heeft eenige verzen op hem geschreven, waarin zij spreekt van den storm, de hemelhooge golven, het graf des zeemans, haar roemrijken vader en meer van dien aard. Amory verdronk tijdens hij het bevel voerde over een Indisch schip, dat tusschen Calcutta en Sidney voer. Amory en de begum leefden niet gelukkig met elkander. Die goede oude dame is niet voorspoedig geweest in de keus harer mannen, want, onder ons, ik durf zeggen, dat geen verachtelijker voorwerp dan die baronet Sir Francis Clavering, van Clavering Park, ooit –” „Ooit wetten hielp maken voor zijn land,” viel Warrington hem hier in de rede, hetgeen Pen min of meer deed blozen.
„A propos,” zeide Warrington, „te Baden trof ik onzen vriend den chevalier Strong in groote pracht en met zijne ridderorden op de borst aan. Hij verhaalde mij, dat hij twist had gehad met Clavering, over wien hij bijna even ongunstig scheen te denken als gij; kortom, ik meen mij te herinneren, hoewel ik er niet voor wil instaan, dat hij mij als zijn gevoelen te kennen gaf, dat Clavering een eervergeten schurk was. Die Blondell, die u te Oxbridge leerde kaartspelen, bevond zich in gezelschap van Strong, en het kwam mij voor, dat zijne kostbare talenten zich ondertusschen nog meer ontwikkeld hadden en hem een nog uitgeleerder schelm hadden doen worden dan hij reeds in zijn studententijd was. Maar de koning daar ter plaatse was de vermaarde kolonel Altamont, die allen overschaduwde, partijen aan al de aanwezigen gaf en, naar men zeide, de bank deed springen.”
„Mijn oom weet het een en ander betreffende dien kerel en Clavering ook. Er is iets met hem, dat niet recht in den haak is. Maar kom aan, ik moet als getrouwe neef naar Bury Street.” En bij die woorden zijn hoed opnemende, maakte zich Pen gereed om heen te gaan.
„Ik wil ook wel eens wandelen,” zeide Warrington en beiden gingen dus de trap af, doch vertoefden een oogenblik op Pen’s kamers, die nu, gelijk wij den lezer hebben meegedeeld, eene verdieping lager waren.
Hier begon Pen zich met Eau de Cologne te besprenkelen en zorgvuldig zijn haar en zijne bakkebaarden met dat reukwater te bevochtigen.
„Wat is er gaande? Gij hebt toch niet gerookt. Heeft mijne pijp u verpest?” bromde Warrington.
„Ik moet dames gaan bezoeken,” antwoordde Pen. „Ik – ik moet met haar dineeren. Zij reizen hier door en houden zich in een hotel in Jermyn Street op.”
Warrington keek met welwillende belangstelling den jongen dandy aan, die zich in een volmaakten Adonis herschiep en ten slotte met een prachtig overhemd en das, nieuwe handschoenen en glimmende laarzen verscheen. George had een paar zware halve laarzen aan, terwijl zijn oud overhemd aan de borst gescheurd, en aan het halsboord, hetwelk zijn borstelige baard had doen slijten, uitgerafeld was.
„Wel, jongetje,” zeide hij eenvoudig, „ik weet niet hoe het komt, maar ik mag u wel wat fatterig zien. Als ik met u ga, is het mij alsof ik eene roos in mijn knoopsgat droeg. En echter zijt gij altijd minzaam jegens mij. Ik geloof niet, dat er een jonkman in den Temple is, die zich zoo goed kleedt als gij, en ik heb niet kunnen bemerken, dat gij u ooit geschaamd hebt met mij over straat te gaan.”
„Neem geen loopje met mij, George,” zeide Pen.
„Zeg eens, Pen,” hernam de ander op droevigen toon, „als gij – als gij aan Laura schrijft, doe mij dan het genoegen haar uit mijn naam Gods besten zegen toe te wenschen.”
Eerst bloosde Pen, vervolgens zag hij Warrington aan en eindelijk – eindelijk barstte hij in een onweerhoudbaren lach uit.
„Ik ga met haar dineeren,” gaf hij ten antwoord. „Ik heb haar en Lady Rockminster vandaag van buiten naar de stad begeleid – wij deden er twee dagen over – gisterennacht sliepen wij te Bath. Kom mee, George, en ga er ook dineeren. Ik mag vragen wien ik wil, en de oude dame spreekt altijd over u.”
Maar George wees dit van de hand. Hij moest nog een artikel schrijven. Hij aarzelde echter en, zonderling! eindelijk gaf hij zijne toestemming om mee te gaan. Zij spraken af, dat zij met hun beiden de dames zouden gaan bezoeken, en daarop sloegen zij zeer opgeruimd den weg naar het hotel in Jermyn Street in. Wederom straalde dat dierbare gelaat hem te gemoet, wederom sprak die lieftallige stem hem toe en drukte die teedere hand de zijne ten welkomstgroet.
Er zou nog een half uur vóór het diner verloopen. „Nu kunt gij uw oom nog opzoeken, mijnheer Pendennis,” zeide de oude Lady Rockminster. „Maar breng hem niet mee te dineeren, want zijn oude geschiedenissen zijn onverdraaglijk, en ik moet met mijnheer Warrington spreken; ik weet zeker, dat hij ons zal vermaken. Uwe verhalen hebben wij allemaal gehoord. Wij zijn twee volle dagen in elkanders gezelschap geweest en zullen alzoo wel genoeg van elkander hebben.”
En dus aan de bevelen van mylady gehoorzamende, ging Arthur naar beneden en begaf zich naar de woonplaats van zijn oom.
EEN EN ZEVENTIGSTE HOOFDSTUK.
FIAT JUSTITIA.
Het diner was reeds opgedragen toen Arthur terugkeerde, en Lady Rockminster begon hem te beknorren, dat hij zoo laat kwam. Maar Laura bemerkte, toen zij haar neef aanzag, dat zijn gelaat zoo bleek en ongesteld was, dat zij hare heerschzuchtige beschermster in de rede viel en met teedere bezorgdheid vroeg wat er gebeurd was, en of Arthur zich ongesteld gevoelde.
Na een glas sherry gedronken te hebben, antwoordde deze, met een blik op de bedienden: „Ik heb het wonderbaarlijkste nieuws gehoord, dat men zich kan voorstellen; ik zal het u later wel meedeelen.” Gedurende het diner was hij zeer zenuwachtig en onrustig. „Trap zoo niet met de voeten onder tafel,” zeide Lady Rockminster. „Gij hebt op Fido getrapt en zijn etensbakje omgeworpen. Gij ziet wel, dat mijnheer Warrington de voeten stilhoudt.”
Aan het dessert – nadat het geschenen had alsof dit onzalige maal nooit zou afloopen – zeide Lady Rockminster: „Dit diner is verbazend vervelend geweest. Ik geloof, dat er iets gebeurd is en dat gij Laura wilt spreken. Ik ga mijn slaapje doen. Ik weet niet of ik wel thee zal gebruiken – neen! Goedenavond, mijnheer Warrington. Gij moet weerkomen, als er geen zaken te bespreken zijn.” En daarbij verliet de oude dame, haar hoofd in den nek werpende, met groote deftigheid de kamer.
George en de anderen waren met haar opgestaan en Warrington stond op het punt te vertrekken en nam afscheid van Laura, die er natuurlijk zeer ontroerd uitzag over haar neef, toen Arthur zeide: „Blijf toch, George. Gij moet mijn nieuws ook vernemen en mij in dit geval met uw raad bijstaan. Ik weet bijna niet hoe ik handelen moet.”
„Het is zeker iets betreffende Blanche, Arthur?” zeide Laura, wier hart klopte en wier wangen bloosden, zooals zij geloofde, dat zij nog nooit in haar leven gebloosd hadden.
„Ja – en wel de meest vreemde geschiedenis,” antwoordde Pen. „Toen ik u straks verliet, om mij naar ooms woning te begeven, vond ik zijn knecht Morgan, die zoo lang in zijn dienst is geweest, aan de deur staan. Hij verhaalde mij, dat hij dien morgen den dienst van zijn meester verlaten had, dat mijn oom uit het huis was gegaan en zich naar een hotel had begeven – dit zelfde hotel waar wij ons thans bevinden. Morgan zeide vervolgens, dat hij mij iets van groot gewicht had mee te deelen, en verzocht mij even binnen te komen in dat huis, hetwelk nu zijn eigendom is. De schelm schijnt heel wat geld overgelegd te hebben, en is nu een kapitalist, misschien wel een millionair. Ik ging dan binnen, en wat denkt gij wel dat hij vertelde? Het moet een geheim onder ons blijven, – indien wij het althans geheim kunnen houden, nu het in de macht is van dien schavuit. Blanche’s vader is niet dood; hij is weer onder de levenden verschenen, en Clavering’s huwelijk met de begum is geen huwelijk.”
„En Blanche is dus waarschijnlijk de erfgename van haar grootvader?” merkte Warrington op.
„Wel mogelijk, – maar de dochter van welk een vader! Amory is een ontvlucht misdadiger. Dat weet Clavering, dat weet mijn oom; en met deze wetenschap, die hij als een zwaard boven Clavering’s hoofd hield, dwong hem die rampzalige oude man, zijne plaats in het parlement aan mij af te staan.”
„Blanche weet dat toch immers niet, evenmin als die arme Lady Clavering?” vroeg Laura.
„Neen,” gaf Pen ten antwoord: „Blanche kent zelfs haar vader levensloop niet. Zij wist, dat haar vader en hare moeder van elkaar gescheiden waren, en als kind had zij van Bonner gehoord, dat mijnheer Amory in Nieuw Zuid-Wallis verdronken was. Doch hij bevond zich daar als strafgevangene, en niet in de hoedanigheid van scheepskapitein, gelijk het arme meisje dacht. Lady Clavering heeft mij verhaald, dat zij met haar man niet gelukkig was en dat hij zeer slechte eigenschappen bezat. Zij beloofde mij eenmaal alles te zullen vertellen, en ik herinner mij, dat zij eens met tranen in de oogen tegen mij zeide, dat het voor eene vrouw zeer pijnlijk was, te moeten bekennen, dat zij zich verheugde dat haar man dood was, en dat zij tweemaal in haar leven eene slechte keus had gedaan. Wat staat er nu te doen? De man kan zich niet vertoonen en zijne vrouw terugeischen; als hij zich bekend maakt, is het waarschijnlijk, dat hij ter dood veroordeeld, en althans zeker, dat hij weer gedeporteerd zal worden. Maar de schelm heeft reeds sinds eenigen tijd Clavering met die ontdekking gedreigd en hem daarmee van tijd tot tijd geld afgeperst.”
„Dat is natuurlijk onze vriend kolonel Altamont,” zeide Warrington; „alles wordt mij nu duidelijk.”
„Als de schelm terugkeert,” ging Arthur voort, „zal Morgan, die zijn geheim kent, er tot zijn nadeel gebruik van maken, en daar hij het nu in zijne macht heeft, ons allen geld trachten af te zetten. De verd– schavuit dacht, dat ik er van wist,” zeide Pen, bleek van verontwaardiging; „hij vroeg mij of ik hem een jaargeld wilde verzekeren, om het stil te houden, en bedreigde mij, mij, alsof ik met het ongeluk dier arme oude begum mijn voordeel deed en dien ellendigen Clavering eene plaats in het parlement wilde afdwingen. Gerechte hemel was mijn oom waanzinnig, toen hij zich met zulke kuiperijen inliet? Verbeeld u eens, Laura, dat de zoon onzer moeder met zulk een verraad speculeerde!”
„Ik kan mij dat niet voorstellen, lieve Arthur,” zeide Laura, terwijl zij zijne hand vatte en die kuste.
„Neen,” kwam Warrington hier met zijn zware stem, die een weinig trilde, tusschen en sloeg den blik met een onbeschrijfelijke uitdrukking van toegenegenheid en smart op de beide edele en liefhebbende jongelieden. „Neen. Onze jonge vriend mag aan zulk een ellendige intrigue geen deel nemen. Arthur Pendennis kan niet trouwen met een dochter van een misdadiger en in het parlement zitting nemen als afgevaardigde van de galeien. Gij moet uwe handen van die gansche zaak wasschen, Pen, en de betrekking afbreken. Gij moet geen uitleg van het hoe en waarom geven, maar eenvoudig verklaren, dat familieredenen het huwelijk onmogelijk maken. Het is beter, dat die arme vrouwen u voor trouweloos houden, dan dat zij de ware toedracht der zaak leeren kennen. Bovendien kunt gij van dien rekel van een Clavering – ik kan daarvoor desnoods wel zorgen – gemakkelijk eene verklaring krijgen, dat de redenen, die gij hem als hoofd der familie hebt blootgelegd, meer dan voldoende zijn, om de voorgenomen verbintenis onmogelijk te maken. Gelooft gij dat ook niet, Laura?” vroeg hij; maar bij die woorden durfde hij haar ternauwernood aanzien. Hij wist, dat hij de flauwe hoop, die hij wellicht nog koesterde, de laatste plank van de schipbreuk van zijn geluk, waaraan hij zich nog had vastgeklemd, van zich stiet en de golven zijner ellende boven zijn hoofd liet samenvloeien. Pen was, terwijl hij zoo sprak, opgesprongen en zag hem met belangstelling aan. Hij wendde zijn hoofd af. Hij zag ook Laura opstaan en zich naar Pen begeven, wiens hand zij andermaal greep en kuste. „Zij gelooft het ook – God zegene haar!” zeide George.
„Haar vaders schande is Blanche’s schuld niet, lieve Arthur, niet waar?” zeide Laura, zeer bleek en zeer snel sprekende. „Zoudt gij, indien gij met haar getrouwd waart, haar verlaten, ofschoon zij geen kwaad heeft gedaan? Zijt gij niet aan haar verloofd? Zoudt gij nu van haar willen afzien, omdat tegenspoed haar treft? En zoudt gij haar niet troosten, nu zij ongelukkig is? Onze moeder zou het doen, als zij nog hier ware.” En bij die woorden omstrengelde het lieve meisje hem met haar armen en verborg haar gelaat aan zijne borst.
„Onze moeder is een engel bij God,” snikte Pen. „En gij zijt de liefste en beste der vrouwen – de liefste, de liefste en de beste! Leer mij mijn plicht, en bid, gij reine ziel, dat ik dien vervullen moge. God zegene u, God zegene u, zuster!”
„Amen,” zuchtte Warrington, wiens hoofd op zijne handen rustte. „Zij heeft gelijk,” sprak hij bij zich zelven. „Dat meisje kan, geloof ik, geen kwaad doen.” En inderdaad toonde zij een gelaat en een lachje als een engel. Nog dikwijls na dien dag zag hij dien lach – zag hij het stralende gelaat, waarmee zij naar Pen opkeek, – en zag hij hoe zij blozend en lachend hare lokken achterwaarts streek en hem nog altijd met een teederen blik aanstaarde.
Een oogenblik liet zij haar blanke handje op de tafel rusten en spelen. „En nu – en nu –,” sprak zij, de beide heeren aanziende.
„En nu dan?” vroeg George.
„Nu zullen wij thee gaan drinken,” antwoordde jufvrouw Laura met dat zelfde lachje.
Doch eer dit onromantische slot van een vrij sentimenteel tooneel kon plaats hebben, bracht een bediende de boodschap, dat majoor Pendennis in het hotel teruggekeerd was en zijn neef verwachtte. Laura sloeg bij deze tijding niet zonder bezorgdheid een smeekenden blik op Pen, die scheen te zeggen: „Houd u goed, blijf het rechte pad bewandelen en doe uw plicht; gedraag u bedaard, doch standvastig tegenover uw oom,” en nam, met deze waarschuwing als op haar gelaat geteekend, van de beide heeren afscheid en begaf zich naar hare slaapkamer. Warrington, die over het geheel niet veel van thee hield, had nu sterk verlangd naar een kopje. Waarom had de oude Pendennis niet een uur later kunnen thuis komen? Maar wat kwam het ook op een uur vroeger of later aan? Eindelijk slaat toch het uur. Het onvermijdelijke oogenblik breekt aan, waarop men „vaarwel” moet zeggen. Men drukt elkander de hand, de deur wordt gesloten, de vriend is vertrokken, de korte vreugde voorbij, en men is alleen. „Uit welk venster onder die vele van het hotel schittert haar licht?” vraagt hij zich misschien af, terwijl hij de straat opgaat. Hij stapt naar de rookkamer eener naburige club en zoekt daar zijn gewonen troost bij eene sigaar. De heeren spreken druk en luid over de politiek, de balletdanseressen, de wedrennen, de schandelijke willekeur van het bestuur der club; en hij begeeft zich met het gewijde geheim in zijn hart te midden van dat rumoer. Spreek maar op, luider dan iemand anders. Snater maar voort en snijd aardigheden op. Schater het maar uit en vertel uwe wonderbare geschiedenissen. Het is eene zonderlinge gewaarwording, wanneer men plaats neemt midden in dien rook en dat gedruis, en bedenkt, dat iedereen hier in deze omgeving hoogst waarschijnlijk zijn geheime ego heeft, die eenzaam en afgezonderd in zijn eigen kluisje zit, verre van de luide pret, waaraan wij anderen deel nemen!
Arthur voelde, toen hij door de gangen van het hotel ging, dat zijn bloed begon te koken. Hij gloeide van verontwaardiging bij de gedachte, dat die oude heer, dien hij binnen weinige oogenblikken zou zien, hem tot een werktuig en een speelpop gebruikt en zijn eer en goeden naam op het spel gezet had. De hand van den ouden man was zeer kil en beverig, toen Arthur haar aanvatte. Hij zat te kuchen, en gromde bij het vuur, en beklaagde zich, dat Frosch zijne kamerjapon niet bracht en zijne papieren niet rangschikte, zooals die verd–, onbeschaamde schurk van een Morgan dat verstond. Kregel en bits klaagde de oude heer over zijn lot en vervloekte Morgan’s ondankbaarheid.
„Die verwenschte, onbeschaamde schurk! Hij was gisterenavond dronken en daagde mij uit om met hem te vechten, Pen; en waarachtig, er kwam een oogenblik dat ik zoo opgewonden was, dat ik bijna een mes had opgenomen om hem dood te steken; en die duivelsche schelm heeft, geloof ik, wel tien duizend pond bij elkander geschraapt; hij verdient gehangen te worden en dat zal hem ook wel gebeuren; maar, voor den drommel, ik wenschte dat hij het mijn tijd had uitgehouden. Hij kende al mijne gewoonten, en waarachtig, zoodra ik schelde, bracht de verwenschte dief juist wat ik noodig had – heel anders dan die domme Duitsche lummel. En hoe is het u op het land gegaan? Veel bij Lady Rockminster geweest? Gij kunt niet beter doen. Zij is nog van de oude school – vieille école, bonne école, niet waar? Voor den drommel, er worden tegenwoordig geen heeren en dames meer gevormd, en over vijftig jaar zal men den een niet van den ander kunnen onderscheiden. Maar het zal mijn tijd wel duren. Ik zal niet lang meer hier zijn; ik begin heel oud te worden, Pen, beste jongen; en toen ik vandaag mijne weinige boeken bijeenpakte, was er een Bijbel onder, die aan mijne moeder toebehoord heeft en dien ik wenschte, Pen, dat gij bewaren zult. Ik bedacht, dat gij waarschijnlijk de kist zoudt openen als zij uw eigendom was geworden en de oude knaap onder de zoden was gelegd, neef,” zeide de majoor, terwijl hij kuchte en zijn oud hoofd bij het vuur schudde.
Pen gevoelde zijn toorn eenigszins ontwapend door den ouderdom en de welwillendheid van den majoor, en was een weinig verlegen met den stap, dien hij op het punt stond te doen. Hij wist, dat, hetgeen hij zeggen zou, de streelendste verwachtingen van den ouden heer in duigen werpen en hem vreeselijk grieven en schokken zou.
„Ja, ja, ik ga heen, neef,” zeide de oude; „maar voordat ik het hoofd neerleg, zou ik nog wel eene redevoering van u in de Times wenschen te lezen, bijv.: De heer Pendennis zeide: „Met schroom vat ik het woord op,” enz. Hè, Arthur? Nu, gij ziet er drommels goed en gezond uit, mijnheer. Ik heb het altijd wel gezegd, dat mijn broeder Jack de familie weer op de been zou helpen. Gij moet naar het westen van Engeland gaan en ons oud erfgoed terugkoopen, mijnheer. Nec tenui pennâ, hè? Wij zullen weer stijgen, mijnheer – de vleugelen weer ontplooien – en het zou mij, voor den drommel, niet verwonderen, indien gij nog vóór mijn dood tot baronet verheven wierdt.”
Zijne woorden deden Pen zeer. „En ik zelf,” dacht hij, „moet het luchtkasteel van dien ouden man in duigen werpen. Maar het moet gebeuren; daar gaat het! Ik – ik ben naar uwe kamers in Bury Street geweest, oom, maar ik vond u daar niet,” begon Pen langzaam, „en heb toen met Morgan gesproken.”
„Wezenlijk?” zeide de oude heer, wiens wangen onwillekeurig begonnen te gloeien terwijl hij mompelde: „Nu is de kogel door de kerk!”
„Hij vertelde mij eene geschiedenis, die mij ten hoogste verbaasde en smartte,” vervolgde Pen.
De majoor trachtte een onverschillig gezicht te zetten. „Wat – die geschiedenis van – van – hoe heet hij ook weer hè?”
„Van jufvrouw Amory’s vader, van Lady Clavering’s eersten man, en wie en wat die is.”
„Hm! een verduiveld onaangenaam geval!” zeide de oude heer, zich den neus wrijvende. „Ik heb die – die verwenschte geschiedenis kort geleden vernomen.”
„Ik wenschte, dat ik ze vroeger of in het geheel niet vernomen had,” hernam Arthur somber.
„Het is in orde,” dacht de oude heer en gevoelde zich zeer verlicht. „Waarachtig, ik had het geheel en al voor u willen verbergen – en voor die beide arme vrouwen, die aan de gansche zaak zoo onschuldig zijn als pasgeboren kinderen.”
„Gij hebt gelijk. Er bestaat geen reden, waarom die beide vrouwen het zouden vernemen, en ik zal het haar nooit vertellen – ofschoon die schurk van een Morgan het misschien wel doen zal,” zeide Arthur somber. „Hij schijnt voornemens met zijn geheim te speculeeren, en heeft mij reeds eene schikking voorgesteld. Ik wenschte, dat ik die zaak vroeger geweten had, oom. Het is voor mij geen aangename gedachte, dat ik verloofd ben met de dochter van een veroordeeld misdadiger.”
„Dat is juist de reden, waarom ik er u niet over gesproken heb, beste jongen. Doch jufvrouw Amory is niet de dochter van een misdadiger, begrijpt ge? maar de dochter van Lady Clavering met een bruidschat van vijftig of zestig duizend pond; en haar stiefvader, een baronet, een landedelman van aanzien, keurt het huwelijk goed en staat zijn lidmaatschap van het parlement aan zijn schoonzoon af. Wat zou eenvoudiger kunnen zijn?”
„Is het waar, mijnheer?”
„Waarachtig is het waar; natuurlijk is het waar. Amory is dood. Ik verzeker u, dat hij dood is. Bij het eerste teeken van leven, dat hij geeft, is hij een lijk. Hij kan zich niet vertoonen. Wij hebben hem in de klem, net als dien kerel in dat tooneelstuk – de Criticus, hé? – een verduiveld aardig stuk, die Criticus. Te drommel, neef, ik herinner mij, toen ik aan de Kaap was –”
De spraakzaamheid van den ouden heer en zijne begeerte om Arthur naar de Kaap te verplaatsen vloeide misschien voort uit zijn wensch om het onderwerp te ontwijken, dat zijn neef het naast aan het hart lag; doch Arthur kon zich niet bedwingen en viel hem in de rede met de woorden: „Indien gij mij deze geschiedenis eerder verteld hadt, geloof ik dat gij mij en u zelven veel verdriet en teleurstelling zoudt bespaard hebben, en ik niet gebonden zou zijn aan een engagement, waarvan ik mij niet met eere kan losmaken.”
„Neen, wij hebben u vastgezet – en een man, die genoodzaakt is eene plaats in het parlement en een mooi meisje met een paar duizend pond ’s jaars te aanvaarden, is er niet slecht aan toe, dat verzeker ik u,” zeide de oude man.
„Maar, gerechte hemel!” riep Arthur uit, „zijt gij dan blind? Kunt gij niet zien?”
„Wat zien, jonge heer?” vroeg de ander.
„Kunt gij niet inzien, dat ik, liever dan partij te trekken van dat geheim van Amory, mijn schoonvader op de galeien zou gaan vergezellen?” hernam Arthur. „Kunt gij niet inzien, dat ik evengoed het zilverwerk van Clavering’s tafel zou kunnen stelen als eene plaats in het parlement van hem aan te nemen tot loon voor mijn stilzwijgen? Kunt gij niet inzien, dat gij mij de dochter van een misdadiger tot vrouw gegeven, mij tot armoede en schande gedoemd, mijne loopbaan bedorven hebt, die – die, zonder uwe tusschenkomst, zoo geheel anders had kunnen zijn? Ziet gij niet in, dat wij een eerloos spel hebben gespeeld, maar dat anderen ons de loef hebben afgestoken; en dat, toen ik aanbood dat arme meisje te trouwen, omdat zij geld had en mij in de wereld kon vooruithelpen, ik mij verlaagde en mijn eer schandvlekte?”
„Wat bedoelt gij in ’s hemels naam met dat alles, mijnheer?” riep de oude man uit.
„Ik bedoel, dat er eene mate van laagheid is, die ik niet kan overschrijden,” gaf Arthur ten antwoord. „Ik kan er geen anderen naam aan geven, al doet het mij leed indien het u grieft. Ik heb reeds maanden lang gevoeld, dat ik mij in deze zaak slecht, inhalig en wereldsch gedragen heb. Het is nu ten laatste mijn verdiend loon, dat ik, na mij voor geld en eene plaats in het parlement verkocht te hebben, beide verlies.”
„Hoe bedoelt gij, dat gij beide verliest?” gilde de oude heer. „Wie duivel zou u uw fortuin of uwe plaats in het parlement kunnen ontnemen? Bij den Hemel! Clavering moet ze u beide geven. Gij zult tachtig duizend pond tot den laatsten duit toe hebben.”
„Ik zal mijn woord aan jufvrouw Amory houden, mijnheer,” zeide Arthur.
„En, voor den drommel, haar ouders zullen het hunne aan u houden.”
„Neen, dat verhoede God!” antwoordde Arthur. „Ik heb gezondigd, maar met ’s hemels hulp zal ik niet verder zondigen. Ik zal Clavering ontslaan van de verbintenis, die hij, zonder mijn medeweten, heeft aangegaan. Ik zal met Blanche geen ander geld nemen, dan hetgeen haar in den aanvang toegekend was, en ik zal trachten haar gelukkig te maken. Gij hebt dit gedaan, mijnheer; gij hebt dit over mijn hoofd gebracht. Maar gij wist niet beter, en ik vergeef –”
„Arthur – in Gods naam – in naam van uw vader, die, bij den hemel, de hoogmoedigste man ter aarde was en altijd de eer der familie ter harte nam – in mijn eigen naam – om den wille van een arm, verbrijzeld oud man, die u altijd zoo teer heeft liefgehad – smeek ik u, die kans niet weg te werpen. Ik smeek, ik bid, ik bezweer u, lieve, lieve jongen, werp deze kans niet weg! Uwe toekomst staat daarbij op het spel. Gij zult zeker vooruitkomen. Gij zult zeker baronet worden; het geldt hier drie duizend pond ’s jaars. Verduiveld – dáár – op mijne knieën bezweer ik u, doe dat niet.”
En de oude man zonk werkelijk op de knieën, greep een van Arthur’s handen en zag met een jammerenden blik naar hem op. Het was pijnlijk die sidderende handen, dat gerimpelde en trillende gelaat, die schreiende en trekkende oogen te zien en die haperende stem te hooren. „Ach, oom,” riep Arthur steunende, „gij hebt mij verdriet genoeg berokkend; bespaar mij dit tooneel. Gij hebt gewenscht, dat ik Blanche zou trouwen; ik zal haar trouwen. Om Gods wil, oom, sta op; dit kan ik niet aanzien.”
„Wilt gij zeggen, dat gij haar als bedelares zult nemen, en zelf bedelaar zijn?” vroeg de oude heer, terwijl hij opstond en in eene hevige hoestbui schoot.
„Ik beschouw haar als een meisje, dat door een grooten rampspoed is getroffen en aan hetwelk ik verloofd ben. Zij heeft geen schuld aan dat ongeluk, en daar ik haar mijn woord gegeven had toen zij in voorspoed verkeerde, zal ik het niet terugnemen nu zij arm is. Ik zal Clavering’s plaats in het parlement niet innemen, tenzij hij mij die later uit eigen beweging overdraagt. Ik wil geen stuiver méér hebben dan haar oorspronkelijk fortuin.”
„Wees zoo goed te schellen,” zeide de oude heer. „Ik heb mijn best gedaan en gezegd wat ik te zeggen had; en ik word verduiveld oud. En – en – het komt er niet op aan. En – en Shakespeare had gelijk – en kardinaal Wolsey – waarachtig – „had ik mijn God maar gediend gelijk ik u gediend heb” – ja, bij den hemel, op mijne knieën voor mijn eigen neef – het had niet zoo behoeven te zijn. Goedenavond, mijnheer; gij behoeft u de moeite niet te geven mij andermaal te bezoeken.”
Arthur greep de hand van den ouden man, die deze hem liet behouden; zij was geheel lijdelijk en klam. Hij zag er zeer verouderd uit, en het was alsof de strijd en de nederlaag hem geheel verbrijzeld hadden.
Den volgenden dag hield hij het bed en wilde zijn neef niet ontvangen.
TWEE EN ZEVENTIGSTE HOOFDSTUK.
WAARIN MEN BEGINT OP TE RUIMEN.
Toen Pen den volgenden morgen in zijne kamerjapon als gewoonlijk naar boven ging op Warrington’s kamers om zijn vriend verslag te doen van het onderhoud, dat hij den vorigen avond met zijn oom had gehad, en op de gebruikelijke wijze George’s raad en gevoelen te vragen, was vrouw Flanagan, de schoonmaakster, de eenige persoon, welke hij in die oude, hem lief geworden kamers aantrof. George had zijn valies gepakt en was vertrokken. Zijn adres was ten huize van zijn broeder in Suffolk. Op de tafel lagen pakjes voor de courant en het tijdschrift, aan welke hij medewerkte, op verzending te wachten.
„Toen ik hier kwam, vond ik den goeden heer aan de tafel zitten schrijven,” zeide vrouw Flanagan, „en een van zijne kaarsen was in de pijp gebrand, en hoe hard zijn bed ook is, mijnheer, is hij er den ganschen nacht niet in geweest.”
George was werkelijk, na in de club vertoefd te hebben totdat het rumoer hem daar onuitstaanbaar werd, naar huis gegaan, en had den nacht besteed om eenig werk af te maken waaraan hij bezig was en dat hij met alle macht trachtte te voltooien. Dat werk was verricht, de nacht was ongemerkt voorbijgegaan, en het trage licht van den Novembermorgen brak aan en bescheen den jongen man, terwijl hij aan zijn lessenaar zat. In de courant van den volgenden dag, of het tijdschrift van het volgende vierendeeljaars, hebben ongetwijfeld velen onzer de kracht van zijn genie, het veelzijdige zijner kennis, de scherpte zijner satire, de diepte van zijn betoog bewonderd. Er was in zijn artikelen geen spoor van de andere gedachten, die zijn geest vervulden en hem gedurende zijn arbeid altijd bijbleven; alleen is er wellicht een toon, wat weemoediger dan gewoonlijk, een hekelgeest, wat bitterder en vlijmender dan hij later aan den dag legde, in zijne geschriften uit dit tijdperk zijns levens aan de weinigen, die zijn stijl of zijn naam kenden, in het oog gevallen. Wij hebben reeds vroeger gezegd hoe belangwekkend de meeste boeken zijn zouden, indien men daaruit zoowel de gevoelens van den mensch als de denkbeelden van den schrijver kon leeren kennen – meer belangwekkend dan opbeurend. Ik houd het er voor, dat Arlekijn’s gezicht achter het masker altijd ernstig, zoo niet droefgeestig staat, en voorzeker zal ieder, die van de pen leeft, zich zijn eigen ervaringen herinneren, indien hij dat verkiest, en zich vele ernstige uren van eenzaamheid en arbeid voor den geest kunnen brengen. Blijvende zorg zat naast zijn lessenaar en hield hem gezelschap. Wellicht was de naaste kamer getuige van koortshitte of ziekte; misschien lag daar een kind ziek en zat eene verslagene vrouw er bij te bidden; of mogelijk drukte de smart den schrijver neer en maakte de nevel voor zijn oogen het papier onzichtbaar terwijl hij schreef en de onverbiddelijke noodzakelijkheid er de pen overheen deed vliegen. Wie onzer heeft niet dergelijke avonden en uren beleefd? Maar voor het moedige hart zijn deze kwellingen, hoe fel ook, te verduren, hoe lang de nacht ook schijne, eindelijk breekt de morgen aan; de wonden genezen, de koorts neemt af, de rust vangt aan, en men kan op het geleden leed terugzien met gewaarwordingen, die niets bitters meer bevatten.
Een paar boeken, die geraadpleegd waren, stukjes van verscheurde papieren, openstaande laden, pennen en een inktkoker, regels, die nog half leesbaar op het vloeipapier, een krom geworden pijpje lak, dat in verscheidene stukken versplinterd en gebroken was – dit waren de overblijfselen op en bij de tafel, en toen Pen zich op George’s ledigen stoel liet vallen, merkte hij dat alles, volgens zijne gewoonte, of ondanks hem zelven op. Er was een open plek in de boekenkast (naast dien ouden Plato van de academie, met het wapen van het Bonifacius-Collegie), daar waar Helena’s Bijbel placht te staan. „Dien heeft hij meegenomen,” dacht Pen. Hij wist nu waarom zijn vriend vertrokken was. Die goede, goede oude George!
Pen hield de hand voor zijn oogen. „O,” dacht hij, „hoeveel wijzer, beter, edelmoediger is hij dan ik! Waar kan men nóg zulk een vriend of zulk een manhaftig hart aantreffen? Waar zal ik ooit zulk een oprechte stem en zulk een vriendelijken lach hooren? Waar zal ik ooit zulk een echt gentleman aanschouwen? Geen wonder, dat zij hem liefhad! God zegen’ hem. Wat was ik in vergelijking met hem? Wat kon zij anders doen dan hem liefhebben? Tot onzen laatsten dag zullen wij broeders voor haar zijn, daar het lot bepaald heeft, dat wij niet méér kunnen wezen. Wij zullen hare ridders zijn, om haar te dienen en te beschermen; en als wij oud zijn geworden, zullen wij haar verhalen hoe innig wij haar hebben liefgehad. O goede, goede oude George!”
Toen Pen naar beneden ging om zijn eigen kamers weer op te zoeken, viel zijn oog op de brievenbus aan zijne buitendeur, waarop hij vroeger niet gelet had en in welke hij nu een briefje van George’s welbekende hand vond, geadresseerd aan den weledelgeboren heer A. P., hetgeen George vermoedelijk vóór zijn vertrek in Pen’s bus gestoken had:
„Waarde Pen, op het oogenblik van uw ontbijt zal ik reeds halverwege naar huis zijn. Ik ben voornemens den Kersttijd in Norfolk, of elders door te brengen.
„Ik heb mijn eigen inzichten omtrent den afloop der zaak, die wij gisteren in J– Street bespraken, en acht dus mijn bijzijn de trop.
„Breng mijne beste heilwenschen en mijn afscheidsgroet aan uwe nicht over.
„Vale. G. W.”
En aldus was George vertrokken, en vrouw Flanagan, de schoonmaakster, voerde het gebied over zijne ledige kamers.
Pen moest natuurlijk zijn oom, den dag na het gesprek dat hij met den ouden heer had gehad, gaan opzoeken, en daar hij niet bij hem toegelaten werd, sprak het van zelf, dat hij zich naar de vertrekken van Lady Rockminster begaf, die dadelijk naar Blauwbaard vroeg en verlangde dat hij zou komen dineeren.
„Blauwbaard is weg,” zeide Pen, en bij die woorden haalde hij dat snippertje papier van George te voorschijn en overhandigde het aan Laura, die het inzag, doch het, zonder Pen aan te zien, teruggaf en zich verwijderde. Pen begon dadelijk eene welsprekende lofrede op zijn goeden ouden George tegen Lady Rockminster te houden, die verbaasd stond over zijne geestdrift. Zij had hem nog nooit met zooveel warmte iemand hooren prijzen, en verklaarde hem dus met hare gewone rondborstigheid, dat zij niet gedacht had, dat het in zijn aard lag zooveel om iemand anders dan hem zelven te geven.
Eens toen mijnheer Pendennis, op eene zijner talrijke wandelingen naar het hotel waar Laura woonde en waar zijn plicht hem dagelijks bij zijn oom riep, Waterloo-Place overging, zag hij uit den gerenommeerden winkel der heeren Gimcrack een oud vriend komen, die door een onderdanigen winkelbediende, met verscheidene pakjes in de hand, naar zijn rijtuig gevolgd werd. De heer was in den zwaarsten rouw, en de brougham, de koetsier en het paard waren evenzeer in den rouw.
De equipage en haar eigenaar, het kleine heertje, waren toonbeelden van eene smart, die door rijkdom getemperd en door de gemakkelijkste veeren en de weekste kussens verzacht werd.
„Hoe? Foker! Hoe gaat het, Foker?” riep Pen uit – de lezer heeft ongetwijfeld Arthur’s ouden schoolkameraad ook herkend – en reikte zijne hand aan den erfgenaam van nu wijlen den diep betreurden heer John Henry Foker, den bezitter van Logwood en andere buitenplaatsen, den voornaamsten deelhebber in de groote brouwerij van Foker en Co., en den hoofdeigenaar van Foker’s Bier.
Een klein handje, overtrokken met een handschoen van het diepste gitzwart en afgezet met een sneeuwwit manchet ter breedte van een drietal duimen, werd uitgestoken om Arthur’s begroeting te beantwoorden. Het andere kleine handje hield een marokijnen doosje vast, hetgeen zeker een of andere kostbaarheid bevatte, die mijnheer Foker zoo even in den winkel der heeren Gimcrack gekocht had. Pen’s scherpe oogen en satirieke aard deden hem dadelijk begrijpen op welke boodschap mijnheer Foker uit was geweest, en hij herinnerde zich, dat Horatius van een erfgenaam spreekt, die den wijn schonk, welken zijn vader zorgvuldig bewaard had, en dat het menschelijk karakter tamelijk hetzelfde is in Regent Street en op de Via Sacra.
„Le roi est mort. Vive le roi!” zeide Arthur.
„Ah!” antwoordde de ander. „Ja. Dank je – zeer verplicht. Hoe vaar je, Pen? – Weinig tijd – goedendag!” en daarop sprong hij in den zwarten brougham en zette zich, als eene kleine zwarte zorg, achter den zwarten koetsier. Hij had gebloosd toen hij Pen in het oog kreeg en nog andere teekenen van schuldbesef en ontroering gegeven. Pen schreef dit echter toe aan het nieuwe van zijn tegenwoordigen toestand en begon er op zijne gewone spottende wijze bespiegelingen over te maken.
„Ja, dat is de loop der wereld,” dacht Pen. „Het graf is boven Hendrik IV gesloten en Hendrik V regeert in zijne plaats. De oude ministers in de brouwerij knielen met hunne boeken voor hem neer; de brouwersknechts, zijn onderdanen, werpen hunne roode mutsen in de lucht en roepen hoera. Welk eerbiedig ontzag en sympathie leggen de bankiers en de zaakwaarnemers aan den dag! Er stond tusschen die beiden een te groot belang op het spel, dan dat zij elkander hartelijk konden liefhebben. Zoolang de een den ander een inkomen van twintig duizend pond ’s jaars onthoudt, moet de jongere altijd naar de kroon hunkeren, en die begeerte moet den wensch naar bezitneming baren. Goddank, Laura, dat er tusschen mij en onze lieve moeder geene gedachte aan geld bestond.”
„Dat had ook nooit het geval kunnen zijn! Gij zoudt het verfoeid hebben!” riep Laura uit. „Waarom stelt gij u zelfzuchtiger voor dan gij zijt, Pen, en wilt gij doen gelooven, dat gij zelfs een oogenblik zulk – zulk eene ijselijke laagheid begaan zoudt hebben? Gij doet mij om u blozen, Arthur; gij doet mij –” Haar oogen voltooiden den volzin en zij moest ze met haar zakdoek afwisschen.
„Er zijn sommige waarheden, die de vrouwen nooit willen erkennen,” zeide Pen, „en voor welke uwe zedigheid altijd terugdeinst. Ik zeg niet, dat ik die gewaarwording ooit ondervonden heb; maar het verheugt mij, dat ik nooit in de verzoeking ben geweest. Welk kwaad ligt er in die bekentenis van zwakheid?”
„Wij hebben allen leeren bidden, verlost te worden van het kwade, Arthur,” zeide Laura op zachten toon. „Ik ben blij dat gij bewaard zijt gebleven voor die groote misdaad, en de mogelijkheid alleen spijt mij, dat gij er toe hadt kunnen vervallen. Maar neen – dat zou nooit gebeurd zijn, en gij kunt het zelf niet gelooven. Gij handelt altijd edelmoedig en vriendelijk en veracht alle laagheden. Gij neemt Blanche zonder geld en zonder u te laten omkoopen. Ja, daarvoor dank ik den Hemel, lieve broeder. Gij hadt u niet kunnen verkoopen; ik wist, dat gij het niet kondt, toen de zaak geopenbaard werd, en gij hebt het ook niet gedaan. Dank zij gebracht – dáár waar hij behoort. Waarom laat gij u door die akelige twijfelzucht vervolgen, Arthur? Waarom betwijfelt en bespot gij uw eigen hart – ieders hart? O, indien gij eens wist hoeveel verdriet gij mij veroorzaakt – hoe ik ’s nachts wakker lig en over die harde woorden peins, lieve broeder, die ik wenschte dat gij niet gesproken, niet gedacht hadt!”
„Kost ik u veel gedachten en tranen, Laura?” vroeg Arthur. Een stralende blik, vol van de onschuldigste liefde, was haar antwoord. Een lachje van hemelsche reinheid, een uitdrukking van onuitsprekelijke teederheid, sympathie en gevoel verhelderde haar gelaat, en al die kenteekenen van genegenheid en schuldeloosheid zag en vereerde Arthur in haar, gelijk men die bespiedt bij een kind, en zooals men meent, dat men ze in een engel zou waarnemen.
„Ik – ik weet niet wat ik gedaan heb,” zeide hij eenvoudig, „om zooveel toegenegenheid van twee zulke vrouwen te verdienen. Het is iets, dat gelijkt op onverdienden lof, Laura, – of op te veel voorspoed, die ons schrik aanjaagt, – of op een hoogen post, waarvoor men zich niet berekend gevoelt. Ach, zuster, wat zijn wij zwak en bedorven, en wat heeft daarentegen de hemel ulieden rein gemaakt en vervuld met liefde en waarheid! Ik geloof, dat er voor sommigen onder u geen val bestaan heeft,” vervolgde hij, terwijl hij het bekoorlijke meisje met een bijna vaderlijken blik van bewondering aanzag. „Van nature hebt gij vriendelijke gedachten en verricht gij goede daden. Dat zijn de bloemen, meisje-lief, die u tooien.”
„En wat verder, mijnheer?” vroeg Laura. „Ik zie een spottenden trek op uw gezicht verschijnen. Wat beteekent die? Waarom komt die nu weer alle goede gedachten verdrijven?”
„Een spottenden trek? Wezenlijk? Nu, ik dacht zoo, mijne waardste, dat de natuur zeer juist gehandeld heeft door u zoo goed en zoo liefderijk te maken; maar –”
„Maar wat? Wat beteekent dat ondeugende Maar? en waarom brengt gij het altijd te pas?”
„Maar komt onzes ondanks bij ons op. Maar vloeit voort uit overdenking. Maar is de geleigeest, met welken de twijfelaar een verdrag heeft aangegaan; en indien hij dit vergeet en zich aan zalige mijmeringen overgeeft of luchtkasteelen bouwt, of bij voorbeeld naar liefelijke muziek of naar den toon der kerkklok luistert, klopt Maar aan de deur en zegt: „Hier ben ik, meester. Gij zijt mijn meester, maar ik ben de uwe. Waar gij ook heengaat, ik vergezel u overal. Ik zal u in het oor fluisteren, wanneer gij in de kerk geknield ligt. Ik zal aan uw bruidsbed staan. Ik zal mij aan uwe tafel zetten bij uwe kinderen. Ik zal achter de gordijnen van uw doodsbed staan. Dat is Maar,” zeide Pen.
„Pen, gij maakt mij bang,” riep Laura uit.
„Wil ik u eens vertellen, wat Maar zoo even tegen mij sprak, toen ik u aanzag? Maar zeide: „indien dat meisje evenzeer haar verstand als haar liefderijk hart raadpleegde, zou zij u niet meer liefhebben. Indien zij u in uwe kleuren kende – indien zij wist, gelijk gij zelf het weet, welk een slecht en zelfzuchtig wezen gij zijt, zou zij zich van u moeten verwijderen en u geene liefde of sympathie meer kunnen toedragen.” „Heb ik niet naar waarheid gezegd,” liet hij er met teederheid op volgen, dat sommigen uwer geen deel schijnen te hebben aan den val? De liefde kent gij, maar de kennisse des kwaads is u onthouden.”
„Waarover praten die jongelui toch?” vroeg Lady Rockminster, die op dit oogenblik de kamer binnentrad, na in de verborgenheid harer eigene vertrekken en met bijstand van hare kamenier die ingewikkelde toilet-plechtigheden verricht te hebben, zonder welke de achtenswaardige oude dame zich nooit in het publiek vertoonde. „Mijnheer Pendennis, gij komt hier te veel.”
„Het is hier zoo aangenaam,” antwoordde Arthur, „en wij spraken juist, toen gij binnenkwaamt, over mijn vriend Foker, dien ik zoo even ontmoet heb, en die, gelijk gij weet, in zijn vaders rijk is opgevolgd.”
„Hij heeft een belangrijk vermogen gekregen: vijftien duizend pond ’s jaars. Hij is een neef van mij, een zeer aardig jongmensch. Hij moet mij eens komen bezoeken,” zeide Lady Rockminster, met een blik op Laura.
„Hij is sinds vele jaren geëngageerd met zijne nicht, Lady –”
„Lady Anna is een ondeugend klein nest,” zeide Lady Rockminster met groote deftigheid, „en ik kan haar niet meer uitstaan. Zij heeft alle maatschappelijke vormen met voeten getreden, haar vaders hart gebroken en vijftien duizend pond ’s jaars weggeworpen.”
„Weggeworpen?” vroeg Pen. „Wat is er dan gebeurd?”
„Over een paar dagen zal de gansche stad er den mond vol van hebben, en ik behoef het dus niet langer geheim te houden,” zeide Lady Rockminster, die een dozijn brieven over de zaak had geschreven en ontvangen. „Ik kreeg gisteren een brief van mijne dochter, die te Drummington logeerde tot al de gasten genoodzaakt waren te vertrekken, uit hoofde van het verschrikkelijke ongeluk, dat daar gebeurd is. Toen mijnheer Foker uit Nizza was teruggekomen en de lijkplechtigheden waren afgeloopen, wierp Lady Anna zich voor haar vader op de knieën, verklaarde hem, dat zij haar neef nooit zou kunnen trouwen, dat zij liefde voor een ander had opgevat en dat zij liever wilde sterven dan haar engagement nakomen. De arme Lord Rosherville, wiens financiën vreeselijk verward zijn, zette den staat zijner zaken aan zijne dochter uiteen en toonde haar aan hoe noodzakelijk het was, dat de aangegane verbintenis wierd nagekomen. Kortom, wij onderstelden allen, dat zij naar rede geluisterd had en de wenschen van hare familie zou opvolgen. Maar wat gebeurde er? Verleden Donderdag ging zij na het ontbijt met hare kamenier uit, en liet zich, in de kerk van Drummington Park zelf, met mijnheer Hobson, den eigen huispredikant van haar vader en onderwijzer van haar broeder, een roodharig weduwnaar met twee kinderen, in het huwelijk verbinden. Die arme goede Rosherville weet geen raad; hij zou gaarne zien, dat Henry Foker nu Alice of Barbara trouwde; maar Alice is door de pokken geschonden en Babara is tien jaar ouder dan hij. En nu de jongen zijn eigen meester is, zal hij natuurlijk zelf willen kiezen. Het is een zeer zware slag voor Lady Agnes, en zij is dan ook ontroostbaar. Het huis in Grosvenor Street is haar voor haar leven vermaakt en zij heeft haar weduwgeld, dat vrij aanzienlijk is. Hebt gij haar niet ontmoet? O ja, zij dineerde op zekeren dag bij Lady Clavering – het was de eerste maal dat ik u zag en ik hield u toen voor een zeer onaangenaam jongmensch. Maar wij hebben u beschaafd, – niet waar, Laura? Waar is Blauwbaard? Laat hem hier komen. Die akelige Grindley, de tandmeester, houdt mij nog eene week in de stad.”
Naar het laatste gedeelte van mylady’s rede luisterde Arthur niet. Hij overdacht voor wie Foker die kleinoodiën kon gekocht hebben, die hij van den juwelier meenam? Waarom scheen Henry hem te willen ontwijken? Zou hij misschien nog altijd de liefde koesteren, die hem zoozeer vervuld en anderhalf jaar geleden uit het land verdreven had? Och kom! Die armbanden en geschenken zouden wel bestemd zijn voor eenige vriendinnen uit de opera en den Franschen schouwburg. Geruchten uit Napels en Rome, van die geruchten zooals er naar de rookzalen der clubs overwaaien, hadden gemeld, dat de jonge heer afleiding had gevonden en dat hij, in zijne deugdzame liefde gedwarsboomd, weer tot zijn oude vriendinnen en vermaken was teruggekeerd, – niet de eenige man, of vrouw, die door de maatschappij in het kwade gestort, of van het goede teruggehouden wordt; niet het eenige slachtoffer van de egoïstische en booze wetten der wereld.
Daar eene goede zaak, als zij gebeuren moet, niet te spoedig verricht kan worden, was Laura zeer begeerig, dat Pen’s huwelijksplannen zoo snel mogelijk ten uitvoer zouden gebracht worden, en zette zij hem met eene bijna koortsachtige gejaagdheid tot het bespoedigen zijner maatregelen aan. Waarom kon zij geen geduld hebben? Pen kon met onverstoorbare bedaardheid wachten; maar Laura wilde van geen uitstel hooren. Zij schreef aan Pen; zij bezwoer hem; zij stelde alle middelen in het werk om de zaak te bevorderen. Zij scheen niet tot rust te kunnen geraken, voordat Arthur’s geluk bevestigd was.
Zij bood zelve aan, om bij die liefste Blanche te Tunbridge te komen logeeren, wanneer Lady Rockminster haar voorgenomen bezoek bij het regeerende huis Rockminster zou gaan afleggen; en ofschoon de oude douairière knorde en gelastte en kommandeerde, bleef Laura doof en onverzettelijk; zij moest naar Tunbridge en zij zou naar Tunbridge; en het meisje, hetwelk anders geen eigen wil scheen te hebben en zich met een lachje naar ieders luimen en grillen voegde, legde in dit geval de zelfzuchtigste en hardnekkigste eigenzinnigheid aan den dag. De douairière moest zich zelve maar verplegen als zij de rheumatiek had; zij moest zich zelve maar in slaap lezen, als zij hare kamenier niet wilde aanhooren, die eene krijschende stem had en op de sentimenteele gedeelten der romans volstrekt geen nadruk legde. Laura moest weg en naar hare nieuwe zuster. Met vele complimenten aan de lieve Lady Clavering, stelde zij voor in de volgende week eenige dagen bij de liefste Blanche te komen doorbrengen.
De liefste Blanche antwoordde dadelijk op No. 1 van de liefste Laura, dat zij hare zuster met het grootste genoegen zou afwachten. Wat zou dat heerlijk zijn, haar oude duetten nog eens te zingen en over het gras en door de in najaarsdos gehulde bosschen van Penshurst en Southborough te wandelen! Blanche telde de uren, die er nog verloopen moesten, alvorens zij hare dierbare vriendin zou omhelzen.
Laura, No. 2, verklaarde zich opgetogen over het hartelijke antwoord van hare liefste Blanche. Zij hoopte, dat beider vriendschap nooit zou verflauwen; dat haar vertrouwelijke omgang met de jaren zou toenemen; dat zij geen geheimen voor elkander zouden hebben; en dat het beider levensdoel zou zijn, zekeren persoon gelukkig te maken.
Blanche, No. 2, volgde twee dagen later. „Hoe spijtig! Hun huis was zeer klein en de beide beschikbare slaapkamers waren nu in gebruik genomen door die nare mevrouw Planter en hare dochter, die goedgevonden hadden ziek te worden (zij werden op buitenplaatsen altijd ziek), en nu in eenige dagen niet konden of wilden vervoerd worden.”
Laura, No. 3. „Het was inderdaad allerspijtigst. Laura had gehoopt, Vrijdag een van hare liefste Blanche’s lieve liedjes te hooren; maar zij kon zich het wachten nu beter getroosten, daar Lady Rockminster eenigszins ongesteld was en gaarne door haar verpleegd werd. De arme majoor Pendennis lag in hetzelfde hotel ook ziek – te ziek zelfs om Arthur te ontvangen, die onvermoeid was in het vernemen naar den toestand van zijn oom. Arthur’s hart was vervuld met teedere en liefderijke gevoelens. Zij had Arthur haar gansche leven gekend. Zij durfde borg blijven,” – ja, zelfs in cursief durfde zij dat – „voor zijne vriendelijkheid, goedheid en zachtheid.”
Blanche, No. 3. „Wat beteekent die allervreemdste, allerongewoonste brief van A. P.? Weet liefste Laura daarvan iets? Wat is er gebeurd? Welk mysterie ligt er onder zijne beangstigende geheimzinnigheid verborgen?”
Blanche, No. 3, verzoekt opheldering, en wij kunnen die niet beter geven dan door den vreemden en geheimzinnigen brief van Arthur Pendennis zelf mede te deelen.
DRIE EN ZEVENTIGSTE HOOFDSTUK.
MIJNHEER EN MEJUFVROUW SAM HUXTER.
„Lieve Blanche,” schreef Arthur, „zijt gij, die altijd kleine dramaatjes en boeiende romannetjes in het werkelijke leven leest en droomt, nu bereid in één daarvan eene rol te spelen? En niet de aangenaamste rol, lieve Blanche, niet die der heldin, die haar vaders paleis en schatten in bezit neemt en, wanneer zij haar echtgenoot aan de trouwe volgelingen en verkleefde vasallen voorstelt,” hem toespreekt met de woorden: „Dit alles is het mijne en het uwe,” – maar dat andere karakter, dat der rampspoedige vrouw, die plotseling gewaar wordt dat zij niet de echtgenoote van den prins, maar die van Claude Melnotte den bedelaar is; dat van Alnaschar’s vrouw, die juist binnenkomt op het oogenblik dat haar man het porselein omgeschopt heeft, hetwelk zijn fortuin zou gemaakt hebben. – Maar wacht even: Alnaschar, die het porselein omschopte, was niet getrouwd, maar had zijn oog op de dochter van den vizier laten vallen, en deze hoop ging met de verbrijzelde kommen en kopjes te gronde.
„Wilt gij de dochter van den vizier wezen en Alnaschar afwijzen en uitlachen, dan wel de dame van Lyon zijn en den doodarmen Claude Melnotte liefhebben? Verkiest gij het, dan zal ik die rol spelen. Ik zal u wederkeerig naar mijn best vermogen liefhebben. Ik zal alles inspannen om uw stil leven gelukkig te maken; want stil zal het zijn: er bestaat althans weinig kans op een anderen afloop; wij zullen op een armoedige, prozaïsche, alledaagsche wijze leven en sterven. De held onzer geschiedenis heeft geene ridderorden en epauletten te wachten. Ik zal nog een paar romans schrijven, die spoedig zullen vergeten zijn. Ik zal tot advocaat gepromoveerd worden en in dat beroep trachten vooruit te komen; en als ik zeer gelukkig ben en zeer hard werk (hetgeen te dwaas is om te verwachten), zal ik misschien eenmaal een ambt in de koloniën bekomen en zult gij wellicht de echtgenoote van een Indisch rechter zijn. In den tusschentijd zal ik de Pall Mall Gazette koopen; sedert den dood van den armen Shandon zouden de uitgevers er zich gaarne van willen ontdoen en het blad zal dus voor een geringen prijs te krijgen zijn. Warrington zal mijne rechterhand wezen en ten gevolge van zijn artikelen zullen wij een goed getal abonné’s vinden. Ik zal u in kennis brengen met den onderredacteur Finucane, en ik weet wel wie ten slotte mevrouw Finucane zal worden – een allerliefst zacht schepseltje, dat met lijdzaamheid een ongelukkig leven heeft doorgeworsteld, – en zoo zullen wij voortsukkelen, op betere tijden wachten en op eene fatsoenlijke wijze ons brood verdienen. Gij zult de vrijbiljetten voor de opera hebben, en het toezicht houden over het nieuws uit de groote wereld, en uw hartje kunnen breken in de kolommen, die het blad beschikbaar stelt voor verzen. Willen wij boven het bureau der courant gaan wonen? – daar zijn vier zeer goede kamers, eene keuken, en een zolderkamertje voor Laura, alles in Catherine Street in het Strand; of zoudt gij liever op Waterloo Road wonen? het is daar heel pleizierig, behalve dat men aan de Waterloo-Brug een halven stuiver tol moet betalen als men er over gaat. De jongens kunnen naar het King’s-College gaan, niet waar? Heeft dit alles in uw oogen niet het aanzien van eene grap?
„Ach, Blanche-lief, het is geen grap, en ik ben nuchter en spreek de eenvoudige waarheid. Onze heerlijke verwachtingen zijn in rook vervlogen. Ons rijtuig is, gelijk dat van Asschepoetster, uit het gezicht verdwenen! ons huis in Belgravia is door een boozen genius weggegoocheld, en ik ben evenmin lid van het parlement als bisschop in het Hoogerhuis, of een hertog met den Kouseband om de knie. Gij weet tamelijk goed hoeveel mijn vermogen en uw eigen klein fortuin bedraagt; wij hebben waarschijnlijk genoeg om er met ons beiden fatsoenlijk en aangenaam van te leven, somtijds eene vigilante te nemen als wij vrienden gaan bezoeken, en ons het genoegen van een plaatsje in den omnibus niet te ontzeggen wanneer wij vermoeid zijn. Maar dat is alles: is dat genoeg voor u, mijn kieskeurig dametje? Ik twijfel er soms aan of gij het leven zult kunnen uithouden, dat ik u aanbied; ten minste is het billijk, dat gij weet wat het zijn zal. Als gij zegt: „Ja, Arthur, ik wil uw lot met u deelen, waarheen gij ook gaat, en eene trouwe en liefhebbende vrouw voor u zijn, om u bij te staan en op te beuren,” – kom dan tot mij, lieve, Blanche, en God zal mij helpen mijn plicht jegens u te vervullen. In het tegenovergestelde geval en wanneer gij naar een hooger standpunt in de maatschappij uitziet, dan mag ik uw fortuin niet in den weg staan; ik zal mij onder de menigte mengen en mylady ten hove zien gaan als zij voorgesteld wordt, en gij zult mij dan wel een lachje uit uw rijtuig schenken. Het vorige seizoen zag ik Lady Mirabel naar de receptie ten hove rijden; haar gelukkige gemaal aan hare zijde schitterde van sterren en ordelinten. Al de bloemen uit den tuin bloeiden op de borst van den koetsier. Wilt gij deze en het rijtuig hebben, dan wel te voet gaan en de kousen van uw man stoppen?
„Ik kan u thans niet meedeelen – ofschoon het later zou kunnen geschieden, indien de dag mocht komen dat wij geen geheimen voor elkander zullen hebben – wat er in de laatste uren is voorgevallen, dat aan al mijne vooruitzichten in het leven een andere wending heeft gegeven; doch het is zóó met de zaak gelegen: ik heb iets vernomen, hetwelk mij noodzaakt af te zien van de plannen, die ik beraamd, en de vele ijdele en eerzuchtige verwachtingen, aan welke ik toegegeven had. Ik heb een brief aan Sir Francis Clavering gezonden, om hem te melden, dat ik zijne plaats in het parlement eerst na mijn huwelijk kan innemen. Eveneens kan en wil ik met u geen grooter fortuin ontvangen dan dat u steeds heeft toebehoord sedert den dood van uw grootvader en de geboorte van uw halven broeder. Uwe goede moeder is onkundig van de redenen, die mij tot dit zonderlinge besluit noodzaken, en ik hoop, dat zij ze nimmer zal leeren kennen. Zij zijn het gevolg van smartelijke omstandigheden, aan welke niemand onzer schuld heeft; doch nu zij eenmaal bestaan, zijn zij zoo onoverkomelijk en onherstelbaar als die schok, die het porselein van den eerzamen Alnaschar in scherven deed vallen en zijne gansche hoop reddeloos in duigen wierp. Ik schrijf opgeruimd, omdat het beweenen van zulk een hopeloozen tegenspoed tot niets dient. Wij hebben niet den hoogsten prijs uit de loterij getrokken, lieve Blanche; maar ik zal er tevreden onder zijn, indien gij het ook kunt wezen; en ik herhaal het uit den grond mijns harten, dat ik mijn best zal doen om u gelukkig te maken.
„En welke nieuwtjes zal ik u nu meedeelen? Mijn oom is zwaar ziek en neemt het mij zeer kwalijk, dat ik de plaats in het parlement weiger; de oude heer had dat op touw gezet en betreurt nu natuurlijk het mislukken van zijn plan. Maar ik heb met Warrington en Laura een krijgsraad belegd; zij kennen het vreeselijke geheim en steunen mij in het genomen besluit. Gij moet George lief hebben, gelijk gij alles wat edelmoedig, oprecht en braaf is liefhebt; en wat Laura betreft, – die moet onze zuster zijn, Blanche, onze beschermheilige en onze beschermengel. Wat behoeven wij, als wij twee zulke vrienden binnen onze muren hebben, te vragen hoe het in de buitenwereld gaat, of wie de afgevaardigde van Clavering is, of wie op de groote bals van het seizoen genoodigd of thuis gelaten is?”
Op deze openhartige mededeeling volgde de brief van Blanche aan Laura en een brief aan Pen zelven, die wellicht door zijn eigen schrijven gerechtvaardigd werd. „Gij zijt door de wereld bedorven,” schreef Blanche; „gij bemint uwe arme Blanche niet zooals zij bemind zou willen worden, of gij zoudt niet zoo lichtvaardig hebben aangeboden haar te nemen, of haar te laten varen. Neen, Arthur, gij hebt mij niet lief; als een man van de wereld hebt gij mij uw woord gegeven en zijt gij bereid het na te komen; maar die onverdeelde genegenheid, die volkomene en duurzame liefde, waar – waar is die hersenschim mijner jeugd? Ik zal slechts uw tijdverdrijf zijn, en ik wenschte uw Alles te wezen – slechts eene voorbijgaande gedachte, in plaats van uwe gansche ziel. Ik wenschte, dat onze beide harten één waren; maar ach, mijn Arthur, wat is het uwe eenzelvig! wat geeft gij er mij weinig van! Gij spreekt van onze scheiding met een glimlach op uwe lippen, – van ons wederzien, en echter legt gij geene begeerte aan den dag om dit te bespoedigen! Is het leven dan niets meer dan een ontgoocheling, en zijn de bloemen uit onzen tuin verwelkt? Ik heb geweend – ik heb gebeden ik heb slapelooze uren doorgebracht – ik heb bittere, bittere tranen over uw brief geschreid! Voor u stort ik de overstroomende poëzie van mijn leven uit – de begeerte mijner ziel, die zucht om bemind te worden – die naar liefde, liefde, liefde boven alles haakt! – die zich aan uwe voeten werpt en uitroept: „Heb mij lief, Arthur!” Uw hart klopt niet sneller, als ik op mijne knieën u om liefde smeek! – uw trotsch oog wordt door geen traan van deelneming verduisterd! – gij neemt de schatten mijner ziel aan, alsof ze slijk en niet de paarlen uit de onpeilbare diepte mijner genegenheid, de diamanten uit de mijngroeven van mijn hart waren! Gij behandelt mij als eene slavin en gebiedt mij voor mijn meester te knielen! Is dit een geschenk voor eene fiere maagd, het loon voor de liefde van een gansch leven? Ai mij! is het ooit anders gegaan? Wanneer heeft ooit de liefde iets anders dan teleurstelling geoogst? Kon ik – minnend, maar verdwaasd meisje – verwachten een uitzondering op het lot van mijn geslacht te maken, en mijn kloppend hoofd te mogen doen rusten aan een hart, dat het mijne begreep? Dwaas meisje als ik was! Eén voor één zijn al de bloemen van mijn jeugdig leven verdord; en deze laatste, zoetste, liefste, die ik zoo innig, zoo buitensporig liefhad, zoo hartstochtelijk beminde – waar is zij nu? Doch niets meer hiervan. Sla geen acht meer op mijn bloedend hart. Wees gezegend, altijd gezegend, Arthur!
„Ik zal nader schrijven, als ik bedaarder ben. Mijn gloeiend hoofd maakt mij het denken bijna onmogelijk. Ik smacht naar Laura. Zij zal toch dadelijk bij ons komen, als wij van het land terugkeeren, niet waar? En gij, koel schepsel?
„B.”
De bewoordingen van dezen brief waren volkomen duidelijk en met Blanche’s netste hand op geparfumeerd papier geschreven; en echter was de zin van dit opstel voor Pen zeer duister. Nam Blanche beleefd zijn aanbod aan, of wees zij het van de hand? Haar uitdrukkingen konden zoowel beteekenen, dat Pen haar niet meer liefhad en zij nu ook niet meer van hem wilde weten, als dat zij hem aannam en zich, hoewel hij zoo koel was, aan hem opofferde. Hij lachte spottend om den brief en om de zaak, die er aanleiding toe had gegeven. Hij lachte bij de gedachte hoe de Fortuin hem in den steek had gelaten en hoezeer hij het verdiende, dat zij hem ontglipte. Hij keerde het op snee vergulde en van muskus doortrokken raadsel om en om. Het maakte zijn humor gaande en hij had er pleizier van, alsof het een grap ware.
Terwijl hij aldus neerzat en, inwendig bitter spottend, het zonderlinge geschrift door zijne handen liet gaan, kwam zijn bediende binnen met het kaartje van een heer, die hem bijzonder gaarne wilde spreken. Ware Pen buiten in den gang gegaan, hij zou daar zijn ouden bekende mijnheer Samuel Huxter gevonden hebben, die met rollende oogen en alle kenteekenen van gejaagdheid aan den knop van zijn rotting stond te zuigen.
„Mijnheer Huxter – over eene zaak van bijzonder belang! Wel, verzoek mijnheer Huxter binnen te komen,” zeide Pen, die er zich mee vermaakte, vooral toen de arme Sam in zijne tegenwoordigheid verscheen.
„Neem een stoel, mijnheer Huxter,” zeide Pen op zijn neerbuigendste manier. „In welk opzicht kan ik u van dienst zijn?”
„Ik zou liever niet in het bijzijn van dien ke– dien man vertellen, mijnheer Pendennis,” op welk sein mijnheer Arthur’s bediende de kamer verliet.
„Ik zit in den brand,” zeide mijnheer Huxter somber.
„Wezenlijk?”
„Zij heeft mij tot u gezonden,” vervolgde de jonge chirurgijn.
„Hoe? Fanny? gaat het goed met haar? Ik was voornemens geweest haar eens te bezoeken, maar ik heb het sedert mijne terugkomst te Londen zeer druk gehad.”
„Ik heb door mijn ouwe en door Jack Hobnell het nieuws omtrent u vernomen,” viel Huxter hem in de rede. „Ik wensch u veel geluk, mijnheer Pendennis, zoowel met het lidmaatschap van het parlement als met de dame, mijnheer. Ook Fanny laat u hare gelukwenschen aanbieden,” liet hij er met een flauw blosje op volgen.
„De zaak is nog niet beklonken! Wie weet, mijnheer Huxter, wat er nog gebeuren kan, of wie in het volgend jaar als afgevaardigde van Clavering in het parlement zal optreden!”
„Gij kunt alles van mijn ouwe gedaan krijgen,” ging mijnheer Huxter voort. „Gij zijt het, die hem de klandizie op Clavering Park hebt bezorgd. De ouwe heer was zeer opgetogen, mijnheer, dat gij hem liet roepen. Zoudt gij den ouwe niet eens voor mij willen spreken, mijnheer Pendennis?”
„En wat moet ik hem vertellen?”
„Ik ben er eindelijk toe gekomen, mijnheer,” antwoordde Huxter met een zeer bijzonderen blik.
„Gij – gij wilt toch niet zeggen, dat gij – dat gij dat lieve schepseltje eenig leed berokkend hebt, mijnheer?” riep Pen uit en vloog in de hoogste verbolgenheid op.
„Dat hoop ik niet,” zeide Huxter met een benauwden blik; „maar ik heb haar getrouwd. En ik weet, dat er daarover thuis een ongemakkelijk standje wezen zal. Er was afgesproken dat ik, na voltooiing van mijne studiën, compagnon zou worden en dat de firma „Huxter en Zoon” zou wezen. Maar ik wilde mijn eigen zin volgen. De kogel is nu door de kerk en de ouwe heeft mij geschreven, dat hij naar Londen komt, om een voorraad geneesmiddelen op te doen; hij zal morgen hier zijn en dan moet alles uitkomen.”
„En wanneer is het gebeurd?” vroeg Pen, waarschijnlijk niet bijzonder gestreeld, dat een meisje, hetwelk eenmaal eenigszins met zijne koninklijke gunst vereerd was geworden, hare trouw aan een ander had durven verpanden en zich over zijn verlies getroost had.
„Verleden Donderdag is het vijf weken geweest; het was twee dagen na een bezoek, dat jufvrouw Amory in Shepherd’s Inn had afgelegd,” gaf Huxter ten antwoord.
Pen herinnerde zich, dat Blanche geschreven en van dat bezoek melding gemaakt had. „Ik werd geroepen,” zeide Huxter. „Ik was in de Inn, om naar het been van den ouden Cos te zien, en ook wel naar nog iets anders; en toen ontmoette ik Strong, die mij verhaalde, dat er op de kamers eene vrouw onpasselijk was geworden, waarop ik naar boven ging, om haar met mijne wetenschap van dienst te zijn. – Het was de oude jufvrouw, die bij jufvrouw Amory dient – hare huishoudster of iets dergelijks. Zij had een toeval en ik vond haar geweldig slaande en gillende op Strong’s kamer, in het bijzijn van Strong en van kolonel Altamont, en jufvrouw Amory stond te schreien en was zoo wit als een doek; en Altamont was aan het razen – kortom, het was een spektakel. Zij bleven twee uren op die kamers, en eindelijk werd de oude vrouw schreiende met eene vigilante weggebracht. Zij was er veel erger aan toe dan de jonge dame. Den volgenden dag ging ik naar Grosvenor Place, om te zien of ik nog van nut kon zijn; maar zij waren vertrokken, zonder mij zelfs te bedanken; en den dag daarna had ik eigen zaken – zaken, waarmee ik nu in het nauw zit,” zeide mijnheer Huxter op neerslachtigen toon. „Maar dat is eenmaal geschied en kan niet ongedaan gemaakt worden, en wij moeten nu trachten er zoo goed mogelijk uit te komen.”
„Zij heeft de geschiedenis sinds eene maand geweten,” dacht Pendennis, met eene zeer pijnlijke gewaarwording en eene sombere sympathie; „dit heldert haar brief van heden op. Zij wil er haar vader niet in betrekken en zijn geheim niet openbaren; zij wenscht mij van het huwelijk te ontslaan en heeft daartoe een voorwendsel gevonden – dat edelaardige meisje!”
„Weet gij wie die Altamont is, mijnheer?” vroeg Huxter, na eene poos stilzwijgens, gedurende welke Pen zijn eigen aangelegenheden overdacht had. „Ik heb er met Fanny dikwijls over gesproken, en wij houden het er voor, dat hij jufvrouw Lightfoot’s eerste man is, die weer te voorschijn is gekomen nu zij juist een tweeden getrouwd heeft. Misschien zal Lightfoot er niet zeer verdrietig over zijn,” zuchtte Huxter en keek Arthur woest aan, want de duivel der jaloerschheid heerschte nog altijd in zijne ziel; en thans, meer dan ooit, verbeeldde zich de arme kerel, dat Fanny’s hart aan zijn mededinger behoorde.
„Laten wij over uwe zaken spreken,” zeide Pen. „Leg mij maar eens uit, Huxter, op welke wijze ik u van dienst kan zijn. Ik wensch u geluk met uw huwelijk. Het verheugt mij, dat Fanny, die zulk een goed, bekoorlijk, vriendelijk schepseltje is, een braaf man en een gentleman heeft aangetroffen, die haar gelukkig zal maken. Zeg mij nu wat ik doen kan om u te helpen.”
„Zij zegt, dat gij dat kunt, mijnheer,” zeide Huxter en nam de hand aan, die Pen hem toereikte, „en ik ben u zeer verplicht voor uwe welwillendheid. Ik wenschte, dat gij met mijn vader wildet spreken, om hem en mijne moeder, die altijd zulk eene hooge borst zet, omdat zij de dochter van een dominé is, het gebeurde mee te deelen; Fanny is van geen deftige familie, dat erken ik, en staat in opvoeding en dergelijke zaken niet met ons gelijk – maar zij is nu eene Huxter.”
„De vrouw krijgt natuurlijk den rang van haar man,” zeide Pen.
„En als zij een weinig aan den maatschappelijken omgang gewend is,” ging Huxter voort, zijn stok in den mond houdende, „zal zij zich zoo goed kunnen voordoen als het beste meisje uit Clavering. Gij moest haar eens hooren zingen en pianospelen! Dat heeft de oude Bows haar geleerd. En zij zou op het tooneel ook goed voldoen, als de ouwe zijne hand van mij aftrok; maar daar zou ik haar toch niet gaarne zien. Zij is van nature coquet, mijnheer Pendennis; dat kan zij niet helpen. Te drommel, mijnheer, ik zou durven wedden, dat er op dit oogenblik twee of drie kameraden uit het Bartholomeus-hospitaal, die ik zelf bij ons gebracht heb, bij haar zitten; zelfs Jack Linton, dien ik voor den besten hield, is even slecht als de overigen, en zij blijft maar voor hem zingen en hem lonkjes geven. Het is juist zooals Bows zegt: als er, onder twintig mannen in een vertrek, één was die geen acht op haar sloeg, zou zij niet rusten eer ook die twintigste haar het hof maakte.”
„Gij moest hare moeder bij haar nemen,” zeide Pen lachend.
„Die moet op de portiersloge passen. Zij kan ook zooveel niet met hare familie blijven omgaan als vroeger. Gij begrijpt, mijnheer, dat ik, mijn stand in aanmerking genomen, met die menschen niet verkeeren kan,” en bij die woorden bracht Huxter eene zeer onzindelijke hand aan zijne kin.
„Au fait,” zeide mijnheer Pen, die zich ontzaglijk vermaakte, en van wien (natuurlijk van niemand anders ter wereld) mutato nomine dezelfde fabel verteld had kunnen worden.
Terwijl de beide heeren in het midden van dit onderhoud waren, werd er wederom aan de deur geklopt en diende zijn knecht onmiddellijk daarop mijnheer Bows aan. De oude man, wiens bleek gelaat een blos vertoonde, kwam langzaam binnen, en zijne hand beefde een weinig, toen hij die van Pen vatte. Hij hoestte en wischte zich het gelaat met zijn geruiten katoenen zakdoek af en zat daar met zijne handen op de knieën, terwijl de zon zijn kale hoofd bescheen. Pen beschouwde die eenvoudige gestalte met veel sympathie en welwillendheid. „Ook deze man heeft zijne smarten en zijne wonden,” dacht Arthur. „Ook deze man heeft zijn genie en zijn hart aan de voeten eener vrouw gelegd, die ze verachtte. De kans is hem tegengeloopen en dat wezen ginds heeft den prijs gewonnen.” Fanny’s man, tot wien aldus stilzwijgend het woord gericht werd, had ondertusschen geknipoogd tegen den ouden Bows en boorde met zijn geliefkoosden stok gaten in den vloer.
„En dus hebben wij het spel verloren, mijnheer Bows, en daar zit de gelukkige overwinnaar,” zeide Pen, den ouden man sterk aanziende.
„Daar zit de gelukkige overwinnaar, mijnheer – gelijk gij zeer juist aanmerkt.”
„Gij komt zeker van mijn huis?” vroeg Huxter, die, na Bows met het ééne oog toegewenkt te hebben, Pen met een knipoogje van het andere vereerde – een wenk, waarmee hij scheen te willen zeggen: „Ingebeelde oude man – begrijp je – tot over de ooren op haar verliefd – arme oude dwaas!”
„Ja, ik ben daar geweest zoolang gij weg waart. Uwe vrouw is het, die mij u heeft nagezonden, dewijl ze zeide te vreezen, dat gij weer wat doms zoudt uitrichten – zoo iets als gij gewoon zijt, Huxter.
„Er zijn even groote gekken als ik,” bromde de jonge chirurgijn.
„Misschien wel eenigen, maar, laten wij hopen, niet veel,” zeide de oude man. „Ja, zij heeft mij u nagezonden, uit vrees, dat gij mijnheer Pendennis zoudt beleedigen en ik ben overtuigd dat zij het er voor hield, dat gij hem hare boodschap niet zoudt overbrengen, namelijk haar uitnoodiging om haar eens te komen bezoeken, en daarentegen wist zij, dat ik die opdracht zou nakomen. Heeft hij u die boodschap overgebracht, mijnheer?”
Huxter werd gloeiend rood en ontveinsde zijne verlegenheid met een vloek. Pen lachte er om, want dit tooneel begon meer en meer met zijne bittere gemoedsstemming te strooken.
„Ik ben overtuigd, dat mijnheer Huxter op het punt stond het mij mee te deelen,” zeide Arthur, „en het zal mij veel eer zijn, mijn opwachting bij zijne vrouw te maken.”
„Het is in Charterhouse Lane, boven den bakker, rechts als gij van St. John’s Street komt,” vervolgde Bows zonder het minste mededoogen. „Gij weet wel waar Smithfield is, mijnheer Pendennis? St. John’s Street loopt op Smithfield uit. Doctor Johnson is die straat menigmaal opgegaan met een pakje kopij voor het Gentleman’s Magazine. Gij letterkundige heeren zijt tegenwoordig vrij wat beter af, niet waar? Gij rijdt thans en draagt gele glacéleeren handschoenen.”
„Ik heb zooveel lofwaardige en brave menschen schipbreuk zien lijden en zooveel kwakzalvers en bedriegers zien slagen, dat gij u vergist, als gij denkt dat ik door mijn eigen geluk opgeblazen ben, oude vriend,” zeide Pen op droefgeestigen toon. „Denkt gij, dat de prijzen in het leven door de meest verdienstelijken worden weggedragen? en gelooft gij, dat de verdienste met den lagen maatstaf van den voorspoed moet worden gemeten? Gij moet de overtuiging koesteren, dat gij zoo goed zijt als ik. Ik, voor mij, heb daaraan nooit getwijfeld. Maar gij verzet u korzelig tegen de grillen der Fortuin en misgunt anderen het geluk, dat hun ten deel valt. Het is niet de eerste maal, Bows, dat gij mij onrechtvaardig beschuldigd hebt.”
„Misschien hebt gij niet geheel ongelijk, mijnheer,” zeide de oude man en wischte zijn kaal voorhoofd af. „Ik denk over mij zelven en grom; de meeste mannen doen het, wanneer zij dit onderwerp behandelen. Dit is de man, die den prijs uit de loterij gewonnen heeft; dit is de gelukkige jonge heer.”
„Ik weet niet waar gij naar toe wilt,” zeide Huxter, die niet veel van de opmerkingen, door de beide anderen gewisseld, begrepen had.
„Dat is wel mogelijk,” antwoordde Bows droogjes. „Jufvrouw Huxter heeft mij hierheen gezonden om op u te passen en te zorgen dat gij die boodschap aan mijnheer Pendennis overbracht, hetgeen gij niet gedaan hebt, zoodat ge ziet dat zij gelijk had. Dat hebben de vrouwen altijd; zij hebben steeds voor alles eene reden. Ja mijnheer,” vervolgde hij en wendde zich met een ironisch gelaat tot Pen, „zij had zelfs eene reden om mij die boodschap op te dragen! Ik zat rustig en op mijn gemak bij haar, Huxter, toen gij vertrokken waart; ik van mijn kant praatte en zij zat uw overhemden te herstellen, toen onze beide jonge vrienden, Jack Linton en Bob Blades, van het Bartholomeus-hospitaal komende, binnentraden, en toen herinnerde zij zich, dat deze boodschap moest overgebracht worden. Gij behoeft u niet te haasten, want zij heeft u thuis nog niet noodig; ik weet zeker, dat die beiden nog wel twee uren zullen blijven.”
Op die tijding stond Huxter zeer ontroerd op, stak zijn stok in den zak zijner paletot en nam zijn hoed.
„Gij komt ons dus eens bezoeken, niet waar?” zeide hij tegen Pen.
„En gij zult den ouwe trachten over te halen, niet waar, mijnheer, dat ik van hier mag vertrekken en naar Clavering komen?”
„En dan belooft gij van uw kant, dat gij mij kosteloos behandelen zult, als ik ooit de Clavering ziek word, niet waar, Huxter?” antwoordde Pen goedhartig. „Ik zal alles voor u doen wat ik kan. Ik zal mejufvrouw Huxter zonder verwijl komen bezoeken, en dan zullen wij gezamenlijk overleggen wat er te doen is.”
„Ik dacht wel, dat dit hem zou wegjagen,” zeide Bows, die zich weer op zijn stoel liet neerzakken zoodra de jonge chirurgijn het vertrek verlaten had. „En het is alles waar, mijnheer – letterlijk waar. Zij wenscht, dat gij weer zult terugkomen en zendt dus haar man naar u uit. Die kleine heks weet iedereen in te nemen. Zij beproeft dat op u, op mij, op den armen Costigan, op de studenten uit het Bartholomeus-hospitaal. En indien er niemand van dien aard bij de hand is, dan past zij het toe op den ouden Duitschen bakker, die beneden woont, of coquetteert met den smerigen straatvegersjongen aan den hoek.”
„Houdt zij veel van haar man?” vroeg Pen.
„Over den smaak is niet te oordeelen,” gaf Bows ten antwoord. „Ja, zij houdt van hem, en toen zij zich dit eenmaal in het hoofd had gezet, rustte zij niet voordat zij met hem getrouwd was. Hunne geboden werden in de St.-Clementskerk afgekondigd en niemand hoorde of wist van eenig rechtmatig beletsel tegen het huwelijk. En op zekeren dag sloop zij de portiersloge uit en de knoop werd gelegd, en zij deed met haar Lothario een uitstapje naar Gravesend, terwijl zij een briefje voor mij achterliet, met verzoek om de geheele zaak eens aan hare ma uit te leggen. Heere! bewaar me! de oude vrouw wist het even goed als ik, ofschoon zij zich hield, alsof zij er geheel onkundig van was. En aldus is zij heengegaan en ben ik weer alleen. Ik mis haar, mijnheer, zooals zij over het pleintje trippelde en zangles bij mij kwam nemen; en ik heb tegenwoordig het hart niet om aan de portiersloge naar binnen te zien, die nu zonder dat kleine coquette schepseltje er zoo verlaten uitziet. Doch als een oude dwaas zit en dwaal ik rondom hare woning. Zij houdt echter alles goed in orde, herstelt Huxter’s overhemden en kleederen, bereidt zijn bescheiden maal, en zingt onder al dat werk als eene lijster. Waartoe zou het dienen, dat ik boos ware? Ik leende hun drie pond, om voor het oogenblik te kunnen rondkomen, want zij krijgen geen duit zoolang zij het niet eens zijn met den ouden heer, die morgen verwacht wordt.”
Nadat Bows vertrokken was, begaf Pen zich met den brief van Blanche en het nieuws, dat hij zoo even vernomen had, naar zijne gewone raadgeefster Laura. Het was verwonderlijk in hoeveel opzichten mijnheer Arthur, die doorgaans zijn eigen zin volgde, nu den raad van iemand anders noodig had. Hij kon ternauwernood een vest bestellen, zonder eerst het gevoelen van jufvrouw Bell in te winnen; als hij een paard wilde koopen, moest hij weten hoe jufvrouw Bell er over dacht; al welke blijken van achting de slimme oude dame, bij welke jufvrouw Bell inwoonde en wier plannen met hare beschermelinge wij reeds hebben aangeduid, ten hoogste vermaakten
Arthur legde dus Blanche’s brief aan Laura over en verzocht haar, dien te verklaren. Laura was zeer ontroerd en stond met den inhoud verlegen.
„Het schijnt mij toe,” sprak zij, „alsof Blanche niet oprecht te werk ging.”
„En aan de zaak zulk eene wending tracht te geven, dat zij mij kan nemen of laten varen. Vindt ge het ook niet?”
„Ik vrees, dat wij hier met eene soort van dubbelhartigheid te doen hebben, die voor uw toekomstig geluk niet veel goeds voorspelt; en die eene slechte vergelding is, Arthur, voor uw eigene rondborstigheid en rechtschapenheid. Ik geloof, dat – neen, ik durf haast niet zeggen wat ik geloof,” zeide Laura met een hoogen blos, doch natuurlijk gaf de blozende jonge dame aan den aandrang van haar neef toe en openbaarde wat zij dacht. „Het maakt den indruk op mij, Arthur, alsof er – alsof er iemand anders in het spel ware,” zeide Laura en bloosde andermaal.
„En indien dat zoo is,” riep Arthur uit, „en ik wederom vrij ben, wil dan de beste en liefste der vrouwen –”
„Gij zijt niet vrij, waarde broeder,” zeide Laura kalm. „Gij behoort een andere toe, van wie het mij spijt, dat ik kwaad moet denken. Maar ik kan niet anders. Het is zeer vreemd, dat zij in dezen brief niet bij u aandringt haar de reden mee te deelen, waarom gij eene schikking verbroken hebt, die voor u zoo voordeelig zou zijn geweest, en dat zij de behandeling van dat onderwerp ontwijkt. Zij schijnt te schrijven alsof zij haar vaders geheim kent.”
„Ja, zij moet het kennen,” zeide Pen, en deed verslag van het gebeurde in Shepherd’s Inn, dat hij zoo even van Huxter vernomen had.
„Zij heeft de ontmoeting niet op die wijze beschreven,” zeide Laura en haalde uit haar lessenaar den brief te voorschijn, in welken Blanche haar bezoek in Shepherd’s Inn verhaalde: „Weer eene teleurstelling; alleen de chevalier Strong en een vriend waren op die kamer.” Meer had Blanche niet meegedeeld. „Maar zij was verplicht haar vaders geheim te bewaren. Pen,” liet Laura er op volgen. „En toch – toch is het zeer raadselachtig.”
Het raadsel bestond hierin, dat Blanche drie weken lang na deze gewichtige ontdekking maar al te veel belangstelling voor haar dierbaarsten Arthur had aan den dag gelegd; en dat zij, zoo sterk als de zedigheid toeliet, had aangedrongen op het voltrekken der plechtigheid, die haar voor altijd tot de zijne zou maken; terwijl het thans scheen alsof er iets tusschen gekomen was, dat die plannen verstoorde, alsof Arthur in armoede niet zoo aangenaam aan Blanche was als Arthur in rijkdom en gezeteld in het parlement, – kortom alsof hieronder eenig geheim school. Eindelijk zeide Laura:
„Tunbridge Wells ligt niet ver, niet waar, Arthur? Zoudt gij niet wel doen met haar zelf eens te gaan bezoeken?”
Zij waren eene gansche week in de stad geweest, en echter had geen van beiden tot nog toe aan dien eenvoudigen maatregel gedacht!
VIER EN ZEVENTIGSTE HOOFDSTUK.
WAARIN MEN ZIEN ZAL, DAT ARTHUR LIEVER EEN RETOURBILJET HAD MOETEN NEMEN.
De trein voerde Arthur maar al te snel naar Tunbridge over, ofschoon hij tijd had op dien korten tocht al de voorvallen zijns levens te herdenken en in te zien welke smartelijke gevolgen zijne zelfzucht en eigenzinnigheid hem berokkend hadden. „Nu is het uit met verwachtingen en wenschen, met romaneskheid en eerzucht!” dacht hij. „Of ik toegeef, dan of ik mij verzet, altijd ben ik even ongelukkig. Mijne moeder smeekt mij een engel te nemen, en ik weiger. Maar gesteld, ik had haar genomen, dan zou Laura, mij aldus opgedrongen, toch nooit een engel voor mij geweest zijn. Ik zou haar mijn hart niet op aansporing van een ander hebben kunnen schenken; nooit zou ik haar hebben leeren kennen zooals zij is, indien iemand anders mij hare goede eigenschappen had moeten verklaren, of op hare deugden opmerkzaam maken. Ik geef toe aan de vermaningen van mijn oom, en aanvaard, op zijne verzekeringen, Blanche, eene plaats in het parlement, rijkdom, eer en eene schitterende loopbaan; en zie, daar komt de Fortuin en berooft mijne vrouw van den bruidschat, dien ik mij in plaats van een hart had laten welgevallen. Waarom was ik niet eerlijker, of waarom ben ik niet minder eerlijk? Mijn arme oude oom zou geen bedenking gemaakt hebben Blanche’s fortuin aan te nemen, van waar dat ook afkomstig ware; hij kan de gemoedsbezwaren, die mij doen weigeren, zelfs niet begrijpen en is bitter verontwaardigd en bijna verpletterd door dien slag. Ik neem iedereen tegen mij in. Ik schijn een hulpeloos, zwak, weifelmoedig wezen, dat nergens tegen opgewassen is. Ik maak mij zelven niet gelukkig en niemand die met mij in betrekking staat. Welke zijn de vooruitzichten voor dit arme wufte meisje, dat mijn onbekenden naam zal aannemen en mijn lot deelen? Ik bezit zelfs geen eerzucht die mij kan prikkelen, geen genoegzaam gevoel van eigenwaarde om mij, en nog veel minder haar, over mijn val te troosten. Als ik een boek schreef, dat twintig drukken beleefde, zou ik zelf de eerste zijn, om met mijne reputatie den draak te steken. Al maakte ik opgang als advocaat en verzamelde ik een fortuin door getuigen af te snauwen en getuigenissen te verdraaien, is dat dan de roem, die mijne vurige begeerte zou bevredigen, of een beroep, waarin mijn leven welbesteed zou mogen heeten? Ik wenschte, dat ik die priester daar tegenover mij ware, die de oogen niet van zijn brevier heeft opgeslagen, behalve in de tunnel van Reigate, waar hij niet zien kon; of die oude heer naast hem, die over zijne courant heen hem met boosaardige oogen zit te begluren. De priester houdt zijn oogen voor de wereld gesloten, maar vestigt al zijne gedachten op het boek, dat zijn wegwijzer naar eene betere wereld is. Zijn buurman haat hem als een monster, een tiran, een vervolger, en stelt zich voor, dat er martelaars verbrand worden, en dat dit bleeke gelaat het staat te aanschouwen en door de vlammen beschenen wordt. Deze beiden koesteren geen twijfel, maar stappen, met de vracht hunner logica op de schouders, recht vooruit.
„Wilt gij het blad niet eens inzien, mijnheer?” vroeg de dikke heer op dit oogenblik (de courant bevatte juist een gloeiend artikel tegen de orde, waartoe de zwartgerokte heer, die met hen in het spoorwegrijtuig zat, behoorde). Pen nam het in dank aan en zette zijne mijmeringen voort, zonder twee volzinnen van het blad te lezen.
„En zoudt gij, echter het geloof van een dier beiden, met al zijne gevolgen, willen aannemen?” dacht hij. „Ach, gij moet uw eigen last dragen, uw eigen geloof vestigen, uw eigen gedachten koesteren en uw eigen gebed opzeggen. Aan welk sterfelijk oor zou ik alles kunnen toevertrouwen, als ik dit voornemens was? of wie zou alles kunnen begrijpen? Wie kan de tekortkomingen van een ander, de gelegenheden, die hij heeft laten voorbijgaan, opsommen, wie kan de hartstochten beoordeelen, die de rede overmeesteren, de gebreken, die haar machteloos maken? – welke mate van waarheid en rechtvaardigheid is in staat zijn buurmans geest te doorgronden en zich dien duidelijk voor te stellen? – welk onbekend en vergeten voorval, welke jeugdige schrik, welke gunst of ongunst der Fortuin kan niet den geheelen loop van een leven veranderd hebben? Eene zandkorrel kan er een andere richting aan geven, eveneens als een steen er een einde aan kan maken. Wie is er, die de omstandigheden, de driften, de verzoekingen kan wegen, die voor ons te goeder of te kwader rekening zullen geschreven worden, uitgenomen Eén voor wiens ontzagwekkende wijsheid wij de knie buigen en van wiens barmhartigheid wij vrijspraak van zonden smeeken? Hiermee is het uit,” dacht Pen; „heden morgen zal de rekening mijner jeugd afgesloten worden; een ontmoedigende terugblik, helaas! eene droevige geschiedenis, waarvan ik menige bladzijde liefst niet zou herlezen! Maar wie is niet moede geworden of gevallen, wie is zonder wonden uit dien strijd gekomen?” Het hoofd van den jongeling zonk op zijne borst, en hij stortte zijn hart ootmoedig en verslagen voor dien Troon uit, op welken wijsheid en liefde en barmhartigheid voor allen zetelen, en legde er zijne bekentenis af. „Wat komt er roem of armoede op aan!” dacht hij. „Moge ik, indien ik die vrouw huw, welke ik gekozen heb, de kracht en den wil hebben om haar trouw te zijn en haar gelukkig te maken. Indien ik kinderen krijg, moge God mij leeren naar waarheid in hun midden te handelen en te spreken, en hun een eerlijken naam na te laten. Luister zal er bij mijn huwelijk niet zijn. Verdient mijn leven dien ook wel? Ik vang een nieuw tijdperk aan; de hemel geve, dat het beter moge zijn dan het afgeloopene!”
De trein hield te Tunbridge stil, terwijl Arthur zich met deze overdenkingen bezig hield. Hij gaf de courant aan zijn reisgenoot terug, van wien hij afscheid nam, terwijl de vreemde geestelijke in den tegenoverliggenden hoek nog altijd de oogen op zijn boek gevestigd hield. Pen sprong vervolgens met zijn valies in de hand het rijtuig uit, vast besloten zijne Fortuin onder de oogen te zien.
Eene vigilante bracht hem snel van het station naar Lady Clavering’s huis, en onder het rijden ontwierp Pen eene kleine toespraak aan Blanche, eene rede zoo deugdzaam, oprecht en welwillend als ooit iemand van zijn karakter en in zijn omstandigheden zou hebben kunnen houden. Zij was in hoofdzaak van den volgenden inhoud: „Blanche, ik kan uit uw laatsten brief niet opmaken wat gij bedoelt, en of mijn oprecht en eerlijk voorstel door u aangenomen wordt of niet. Ik houd het er voor, dat gij de reden kent, die mij van de wereldsche voordeelen doet afzien, welke eene verbintenis met u mij zou opleveren, en die ik geloof niet te kunnen aannemen zonder mij te onteeren. Indien gij aan mijne genegenheid twijfelt, sta ik gereed die te bewijzen. Laat Smirke ontboden worden en ons hier op staanden voet in den echt verbinden, en dan neem ik mij van ganscher harte voor, mijne gelofte te houden en u mijn leven lang lief te hebben en een trouw en liefhebbend echtgenoot voor u te zijn.”
Arthur steeg uit het rijtuig en ging naar de huisdeur, waar hij een bediende ontmoette, dien hij niet kende. Deze man scheen verwonderd over de verschijning van den heer met het valies en maakte geene beweging om hem dit af te nemen. „Mylady is niet thuis, mijnheer,” zeide de knecht.
„Ik ben mijnheer Pendennis,” antwoordde Arthur. „Waar is Lightfoot?”
„Lightfoot is weg.” hernam de man. „Mylady is uit, en ik had order –”
„Ik hoor de stem van jufvrouw Amory in de zaal,” zeide Arthur. „Daar, bezorg dat valies ergens, als het u belieft,” en den knecht voorbijgaande, stapte hij rechtdoor naar het genoemde vertrek, waaruit, toen hij de deur opende, het liefelijk geluid eener melodieuse stem naar buiten drong.
Onze kleine sirene zat uit alle macht en met al hare tooverkunstjes aan de piano te zingen. De jonge heer Clavering lag, ongevoelig voor de muziek, op de sofa te slapen; doch in Blanche’s nabijheid zat een heer, in verrukking verzonken over haar zang, die van een hartstochtelijk en weemoedig karakter was.
Toen de deur openging, sprong die heer met een „hola!” op; de zangeres staakte hare muziek met een klein gilletje; Frans Clavering werd op de sofa wakker, en Arthur trad vooruit met de woorden: „Hoe? Foker hier? Hoe gaat het, Foker?” Toen hij zijn blik op de piano liet vallen, zag hij dáárop, naast jufvrouw Amory, juist zulk een purper marokijnen doosje staan als hij drie dagen geleden in Henry’s hand had gezien, toen de erfgenaam van Logwood uit een juwelierswinkel op Waterloo Place kwam. Het stond open en daarbinnen kronkelde zich, rondom een wit satijnen kussentje, o zulk een prachtige armband in de gedaante van eene slang, met een schitterenden robijnen kop en een diamanten staart!
„Hoe gaat het. Pendennis?” vroeg Foker. Blanche trok aanhoudend de schouders op en neer en gaf teekenen van nieuwsgierigheid en ontroering. Zij wierp haar zakdoek over den armband en trad toen vooruit om Pen eene hand, die sterk beefde, toe te reiken.
„Hoe vaart mijne liefste Laura?” vroeg zij. Het gelaat, dat Foker in zijn diepen rouw vertoonde – dat erg ontstelde en zoo verlegen gelaat, moet de lezer zelf zich in zijne verbeelding trachten af te schilderen, en evenzeer dat van den jongen heer Frans Clavering, die, na een uiterst veelbeteekenenden blik op de drie belangwekkende personen, slechts tijd had om schielijk uit te roepen: „Dat zal een ongemakkelijk standje geven!” en zich giggelend uit de voeten maakte.
Pen had zich tot op dat oogenblik ingehouden; doch toen hij Foker bleef aanzien, die tot achter de ooren bloosde, schoot hij in zulk een woesten en luiden lach, dat hij er Blanche meer schrik mee aanjoeg dan hij door de ernstigste houding zou gedaan hebben.
„En dus was dit het geheim? Bloos maar niet en wend u niet af, Foker, mijn beste jongen. Wel man, gij zijt een toonbeeld van getrouwheid. Zou ik mij tusschen Blanche en zulk eene standvastigheid, tusschen jufvrouw Amory en vijftien duizend pond ’s jaars kunnen plaatsen?”
„Dat is het niet, mijnheer Pendennis,” zeide Blanche met groote deftigheid. „Geld, rang, goud is het niet, dat invloed op mij heeft; maar het is inderdaad standvastigheid, getrouwheid, een geheel en oprecht liefhebbend hart, hetwelk ik op prijs stel – ja, op prijs stel!” En bij die woorden wilde zij haar zakdoek gaan halen, maar herinnerde zich wat daaronder lag en bleef stilstaan. „Ik ontken niet, ik ontveins niet – mijn leven is boven veinzerij verheven – dat mijn hart voor dengeen, aan wien ik het schenk, geheel moet blootliggen, – dat ik eenmaal meende u te beminnen, – ja, meende dat ik ook door u bemind werd. Dat erken ik. Wat klemde ik mij vast aan die gedachte! Wat streed en bad en smachtte ik, om dat te gelooven. Maar uw dagelijksch gedrag, uw eigen koele, hardvochtige, onvriendelijke woorden hebben mij de oogen geopend. Gij hebt het hart van een arm meisje tot uw speelbal gebruikt! Gij hebt mij minachtend het woord teruggeworpen, dat ik u verpand had! Ik heb alles, alles verhaald aan – mijnheer Foker.”
„Dat hebt gij,” zeide mijnheer Foker, met oogen waarin men zijne toewijding en overtuiging lezen kon.
„Hoe? alles?” vroeg Pen, met een veelbeteekenenden blik op Blanche. „Ik ben het zeker, die de schuld draag? Welnu, Blanche, dat zij zoo. Ik zal van uw vonnis niet in beroep komen, maar het stilzwijgend dragen. De hemel is mij tot getuige, dat ik hier kwam met geheel andere verwachtingen en met een hart, dat oprecht en vriendelijk gezind was. Ik wensch, dat gij zoo gelukkig moogt zijn met een ander, als het, op mijn woord, mijn wensch was u te maken; en ik hoop, dat mijn brave oude vriend hier eene vrouw zal hebben, zooals zijne rechtschapenheid, standvastigheid en verliefdheid die verdienen. Inderdaad, zij verdienen de achting van elke vrouw – zelfs van jufvrouw Blanche Amory. Geef mij de hand, Henry, en kijk mij zoo schuins niet aan! Heeft iemand u verteld, dat ik valsch en hardvochtig was?”
„Ik houd u voor een, –” begon Foker in zijne gramschap, maar Blanche stuitte hem.
„Geen woord, Henry! – Laten wij elkander vergiffenis schenken.”
„Gij zijt een engel; bij den hemel, gij zijt een engel!” zeide Foker, waarop Blanche als een engel haar oogen naar de kamerkroon opsloeg.
„In weerwil van het gebeurde en om den wille van het gebeurde, moet ik Arthur altijd als een broeder beschouwen,” ging de engel voort; „wij hebben elkander vele jaren gekend, dezelfde beemden betreden, te zamen dezelfde bloemen geplukt. Arthur! Henry! Ik bezweer u, geeft elkander de hand en zijt vrienden! Vergeeft elkander! – Ik vergeef u, Arthur, van ganscher harte. Zou ik dat niet doen, nu gij mij zoo gelukkig maakt?”
„Er is slechts één van ons drieën, dien ik beklaag, Blanche,” zeide Arthur ernstig, „en ik zeg nogmaals, dat ik hoop, dat gij dezen goeden, braven en loyalen jongen gelukkig zult maken.”
„Gelukkig! O hemel!” zeide Henry. Meer kon hij niet uitbrengen. Zijn geluk straalde hem uit de oogen. „Zij weet niet – zij kan niet weten hoeveel ik van haar houd, en – en wie ben ik? een ellendig ventje, en zij neemt zich mijner aan, en zegt, dat zij zal trachten mij l-l-lief te hebben! Zooveel zaligheid ben ik niet waardig. Geef mij uwe hand, ouwe jongen, daar zij u uw hardvochtig gedrag vergeeft en zegt, dat zij u nog liefheeft. Ik heet u welkom, want ik heb iedereen lief, die haar liefheeft. Bij den hemel, indien zij mij beval den grond te kussen, ik zou het doen. Zeg maar, dat ik den grond moet kussen! Ik smeek u, beveel het mij maar. O, ik heb u zoo lief Gij ziet hoe lief ik u heb!”
Blanche sloeg andermaal een engelenblik omhoog. Haar teedere boezem zwoegde. Zij strekte eene hand uit, als om Henry te zegenen, en veroorloofde hem toen, als eene vorstin, die te kussen. Vervolgens nam zij haar zakdoek op en hield dien voor haar oogen, terwijl de andere blanke hand aan den armen Henry werd overgelaten, die ze schreiende drukte.
„Het moet een schelm zijn, die zulk een aanminnig schepseltje misleidt,” zeide Pen.
Blanche legde den zakdoek neer, en plaatste hand No. 2 zachtkens op Foker’s hoofd, dat over hand No. 1 gebogen was, die hij weenend kuste. „Malle jongen!” sprak zij. „Hij zal bemind worden zooals hij het verdient; wie zou zulk een onnoozel ventje niet liefhebben?”
Op dit oogenblik kwam Frans Clavering het sentimenteele trio storen.
„Zeg eens, Pendennis!”
„Wel, Frans?”
„De koetsier wil zijn geld hebben en wegrijden. Hij heeft een glas bier gehad.”
„Ik ga weer met hem mee,” zeide Pen „Vaarwel, Blanche. God zegen je, Foker, ouwe vriend! Gij zult mij toestemmen, dat geen van u beiden bijzonder op mijn gezelschap gesteld is.” Inderdaad haakte Arthur zelf naar een onverwijld vertrek.
„Wacht eens, ik moet u nog even spreken. Een enkel woordje onder vier oogen, als het u belieft,” zeide Blanche. „Gij vertrouwt ons toch te zamen wel, niet waar, Henry?” De toon, waarop zij dien naam Henry uitsprak, en die vertrouwelijke toespraak vervulde Foker met verrukking. „U vertrouwen!” zeide hij. „O, wie zou u niet vertrouwen! Ga mee, Frans, beste jongen.”
„Laten wij eene sigaar opsteken,” zeide Frans, toen zij in de vestibule waren.
„Zij heeft het niet gaarne,” zeide Foker nederig.
„Kom, gekheid! zij kan er wel tegen Pendennis rookte hier altijd,” zeide de rondborstige jonge heer.
„Ik heb maar een enkel woord te zeggen,” voegde Blanche met groote kalmte aan Pen toe, zoodra zij alleen waren. „Gij hebt mij nooit bemind, mijnheer Pendennis.”
„Ik heb u gezegd in hoeverre,” zeide Arthur. „Ik heb u nooit misleid.”
„Nu zult gij zeker wel dadelijk terugkeeren en Laura trouwen?” vervolgde Blanche.
„Is het dit, wat gij te zeggen hadt?” vroeg Pen.
„Ik weet zeker, dat gij nog dezen zelfden avond naar haar toe gaat. Dat kunt gij niet tegenspreken. Gij hebt nooit iets om mij gegeven.”
„Et vous?”
„Et moi, c’est different. Ik ben reeds vroeg bedorven. Ik kan niet buiten de wereld, niet buiten opwekking leven. Het zou vroeger mogelijk geweest zijn, maar thans is het te laat. Indien ik geen aandoeningen kan genieten, moet ik in de wereld genieten. Gij wildet mij noch het eene, noch het andere schenken. Gij zijt blasé ten aanzien van alles, zelfs van de eerzucht. Er lag eene loopbaan voor u open, en gij hebt die niet willen betreden. Gij ziet er van af – waarom? – om eene bêtise, een dwaas gemoedsbezwaar. Waarom wildet gij die plaats in het parlement niet hebben, maar liever den puritein uithangen? Waarom weigerdet gij wat mij rechtmatig – entendez-vouz? rechtmatig – toekomt?”
„Gij weet dus alles?” vroeg Pen.
„Pas sedert eene maand. Maar ik heb het vermoed sedert dat geval te Baymouth – n’importe sedert wanneer. Het is zoogoed alsof hij nooit bestaan had, en nog kunt gij een aanzienlijke plaats in de wereld verkrijgen. Waarom zoudt gij geen zitting nemen in het parlement, van uwe talenten partij trekken, en aan u zelven en uwe vrouw eene plaats in de maatschappij verschaffen? Ik neem celui-là. Il est bon. Il est riche. Il est – vous le connaissez autant que moi enfin. Denkt gij, dat ik niet liever un homme qui fera parler de moi zou hebben? Als het geheim uitlekt, ben ik riche à millions. Wat verandert dit aan mij? Het is mijne schuld niet. Het zal nooit uitkomen.”
„Gij zult Henry toch alles vertellen, niet waar?”
„Je comprends. Vous refusez,” zeide Blanche gramstorig. „Ik zal het Henry ter gelegener tijd vertellen, als wij getrouwd zijn. Gij zult mij toch immers niet verraden? Gij, die het geheim van een hulpeloos meisje in uwe macht hebt, zult u niet tegen mij keeren en er gebruik van maken? S’il me plaît de le cacher, mon secret, pourquoi le donnerai-je? Je l’aime, mon pauvre père, voyez-vous. Ik zou liever met dien man, dan met ulieden, flauwe intriganten der groote wereld, leven. Ik heb behoefte aan aandoeningen – il m’en donne. Il m’écrit. Il écrit très bien, voyez-vous – comme un pirate – comme un Bohémien, – comme un homme. Ware dat niet het geval geweest, ik zou tegen mijne moeder gezegd hebben: Ma mère! quittons ce lâche mari, cette lâche société – retournons à mon père.”
„De zeeschuimer zou u even spoedig als al de overigen verveeld hebben,” zeide Pen.
„Eh! Il me faut des émotions,” zeide Blanche. Pen had, in al de jaren zijner bekendheid met haar, nooit zooveel gezien en geweten als hij nu zag en vernam, ofschoon, hij meer zag dan er in werkelijkheid bestond. Want deze jonge dame was niet bij machte eenige aandoening werkelijk te ondervinden, maar had eene voorgewende geestdrift, een voorgewenden haat, eene voorgewende liefde, een voorgewend verdriet, die allen voor een oogenblik allerhevigst gloeiden en flikkerden, maar spoedig verflauwden en voor eene volgende geveinsde aandoening plaats maakten.
VIJF EN ZEVENTIGSTE HOOFDSTUK.
HANDELT OVER HUWELIJKEN.
Aan het station te Tunbridge stond Pen zich te ergeren en te verbijten tot de aankomst van den avondtrein naar Londen, een vol half uur, dat hem wel zes uren scheen te duren; maar zelfs die oneindige tijd ging voorbij, de trein kwam aan en zette zich weer in beweging, de lichten van Londen kwamen in het gezicht, en een heer, die zijn valies in het spoorwegrijtuig vergat, snelde naar eene vigilante en zeide tegen den koetsier: „Rijd zoo hard als uwe paarden loopen kunnen naar Jermyn Street.” De koetsier, ofschoon de voerman van een „hansom,” betuigde zijn dank voor de fooi, die hem in de hand werd gestopt, en Pen vloog in het hotel de trap naar de vertrekken van Lady Rockminster op. Laura zat in de gezelschapskamer alleen en met een bleek gelaat bij het lamplicht te lezen. Dat bleeke gezicht keek op, toen Pen de deur opendeed. Mogen wij hem volgen? De groote oogenblikken in het leven zijn toch slechts oogenblikken gelijk alle andere. Uw vonnis is in één, twee woorden geveld. Een enkele blik der oogen, een bloote druk der hand – of der lippen, ofschoon deze niet kunnen spreken – kan beslissend zijn.
Nu Lady Rockminster na haar middagslaapje opstaat en zich naar haar zitvertrek begeeft, mogen wij toch wel met mylady binnentreden.
„Wel heb ik ooit – jongelui!” zijn de eerste woorden die zij spreekt, en hare kamenier kijkt nieuwsgierig over haar schouder. En wel mag zij dien uitroep doen, wel mag de kamenier groote oogen opzetten, want de jongelui „poseeren”, en Pen vertoont zich in eene houding, waarvan elke jonge dame, die dit leest, heeft hooren spreken, of die zij gezien heeft, en hoopt, of in ieder geval verdient te zien.
Kortom, zoodra Pen binnentrad, ging hij naar Laura met het bleeke gezichtje, die zelfs den tijd niet had, om uit te roepen: „Hoe? reeds zoo spoedig terug?” greep haar uitgestrekte en bevende hand juist toen zij opstond, wierp zich voor haar op de knieën en riep uit: „Ik heb haar gezien. Zij heeft zich met Henry Foker geëngageerd – en – en nu, Laura?”
De hand beantwoordt den druk der zijne, uit de oogen straalt een antwoord – op de trillende lippen zweeft een woord, maar zij blijven sprakeloos. Pen’s hoofd zinkt op den schoot van het meisje neer, en hij snikt. „Kom dierbare moeder, zegen ons,” en wederom omstrengelen hem armen, zoo teer als die van Helena.
Het is op dit oogenblik, dat Lady Rockminster binnentreedt en zegt: „Wel heb, ik ooit, – jongelui! Beck, ga de kamer uit. Wat behoeft gij uw neus hierin te steken?”
Pen springt met een zegevierenden blik op en zegt, nog altijd Laura’s hand vasthoudende: „Zij troost mij in mijn ongeluk, mevrouw.”
„Wat beteekent het, dat gij haar de hand kust? Wie weet wat gij nog meer doen zult!”
Daarop kuste Pen ook de hand van mylady en zeide op tragischen toon: „Ik ben naar Tunbridge geweest, om jufvrouw Amory te zien, en heb daar bevonden, dat – een schelm mij haar hart ontstolen heeft.”
„Is dat alles? Laagt gij daarover op uwe knieën te schreien?” vroeg de oude dame, boos wordende. „Dat nieuws hadt gij wel tot morgen kunnen bewaren.”
„Ja, een ander heeft mij den voet gelicht,” vervolgde Pen; „maar waarom zou ik hem een schelm noemen? Hij is braaf, standvastig, jong, rijk en mooi.”
„Wat praat gij toch voor onzin?” riep de oude dame uit. „Wat is er gebeurd?”
„Jufvrouw Amory heeft mij mijn ontslag gegeven en den weledelgeboren heer Henry Foker haar jawoord gegeven. Zij zat liedjes voor hem te kweelen, terwijl hij aan hare voeten lag; en sedert de laatste tien dagen waren er geschenken en geloften gewisseld. Henry was de rheumatiek der oude mevrouw Planter, die hare liefste Laura buiten het huis hield. Hij is de standvastigste en edelmoedigste man, die men zien kan. Hij heeft de predikantsplaats te Logwood aan den echtgenoot van Lady Anna beloofd en haar een prachtig huwelijksgeschenk gegeven, en daarop is hij, zoodra hij wist dat hij vrij was, naar Blanche geijld en heeft zich aan hare voeten geworpen.”
„En daar gij nu Blanche niet kunt krijgen, zult gij u met Laura vergenoegen; is het zoo niet, mijnheer?” vroeg de oude dame.
„Hij heeft edel gehandeld,” zeide Laura.
„Ik heb gehandeld zooals zij mij beval te doen,” hernam Pen; „vraag er niet naar op welke wijze, Lady Rockminster, maar ik heb het naar mijn beste weten en vermogen gedaan. Bedoelt gij, dat ik Laura niet waardig ben? Dat weet ik ook en ik bid den hemel mij te verbeteren; en indien de liefde en het bijzijn van het beste en reinste wezen ter wereld dit kan doen, zal mij ten minste die hulp niet ontbreken.”
„Hm! hm!” gaf de oude dame daarop ten antwoord en zag met een tamelijk tevreden blik de jongelieden aan. „Het is alles heel wel, maar ik zou de voorkeur aan Blauwbaard gegeven hebben.”
En thans herinnerde zich Pen, ten einde het gesprek van een onderwerp af te leiden, hetwelk voor eenige der aanwezigen pijnlijk begon te worden, zijn onderhoud met Huxter dien morgen en Fanny Bolton’s aangelegenheden, die hij onder den aandrang zijner eigen zaken vergeten had. En hij vertelde aan de dames, dat Huxter Fanny tot den rang zijner vrouw verheven had en nu in doodelijken angst zat voor de komst van zijn vader. Hij beschreef dat tooneel zeer humoristisch en zorgde vooral wel te drukken op dat gedeelte van het verhaal, hetwelk Fanny’s coquetterie en onweerstaanbare begeerte om de mannen te bekoren, betrof, waarmede hij eigenlijk wilde zeggen: „Ge ziet wel, Laura, dat ik in dat vroegere geval zoo heel schuldig niet was; het meisje legde het op mij toe en ik was het, die weerstand bood. Nu ik er niet langer bij ben, wendt die kleine sirene hare kunstgrepen en verlokkingen op anderen aan. Wees dus zoo goed die gansche zaak maar uit uw hoofd te zetten, of mij zoo zacht mogelijk voor mijn afdwaling te straffen.”
Laura doorzag zeer goed in zijne levendige uiteenzetting wat hij bedoelde. „Indien gij kwaad gedaan hebt, lieve Pen, dan hebt gij er berouw over gehad, sprak zij, en gij weet,” voegde zij er met veelbeteekenende blikken en blosjes bij, „dat ik geen recht heb u daarover hard te vallen.”
„Hm!” bromde de oude lady, „ik zou toch liever Blauwbaard gehad hebben.”
„Het verledene is vergeten; de dag van morgen ligt voor ons. Ik zal mijn best doen, dien voor u gelukkig te maken, lieve Laura,” zeide Pen. Zijn hart was door het vooruitzicht van zijn geluk verootmoedigd; het werd met ontzag vervuld bij de aanschouwing van hare zachtmoedigheid en reinheid. Hij had er zijn aanstaande des te liever om, dat zij dat voorbijgaande gevoel voor Warrington bekend en haar edel hart voor hem blootgelegd had. En zij, van haar kant, dacht waarschijnlijk: „Hoe zonderling toch, dat ik ooit voor een ander man iets gevoeld heb; het ergert mij bijna, dat ik zoo weinig om hem geef en zoo weinig bedroefd ben, dat hij weg is. O, wat heb ik Arthur in deze beide laatste maanden leeren liefhebben! Ik bekommer mij om niets dan om hem; wakend en slapend denk ik aan hem: hij is altijd bij mij. En te mogen gelooven, dat hij de mijne, de mijne zal zijn en dat ik hem trouwen zal en niet zijne dienstmaagd zal behoeven te wezen, zooals ik nog heden morgen verwachtte; want ik zou Blanche op mijne knieën gesmeekt hebben, mij bij hem te laten wonen. En nu – O, het is te veel! O moeder, moeder, waart gij nu hier!” En werkelijk was het haar, alsof Helena tegenwoordig was – inderdaad bij haar, ofschoon onzichtbaar: Een lichtgloed van zaligheid straalde van haar uit. Zij ging met een anderen tred en prijkte met nieuwe schoonheid. Arthur zag die verandering in haar en de scherpe oogen der oude Lady Rockminster merkten het ook op.
„Wat zijt gij toch een sluw klein nest geweest,” fluisterde zij Laura toe, terwijl Pen opgewonden en lachende van Huxter vertelde, „en wat hebt gij uw geheim goed bewaard!”.
„Hoe kunnen wij het jonge paar helpen?” zeide Laura, want natuurlijk stelde zij belang in alle jonge paren, gelijk edelaardige minnaars altijd andere minnaars liefhebben.
„Wij moeten hen gaan bezoeken,” zeide Pen.
„Natuurlijk moeten wij hen gaan bezoeken,” antwoordde Laura. „Ik zal nog heel veel van die Fanny gaan houden. Laten wij dadelijk gaan. Mag ik het rijtuig hebben, Lady Rockminster?”
„Zoudt gij nu willen gaan, kindlief? Het is al elf uur. Ik houd het er voor, dat mijnheer en jufvrouw Huxter hunne slaapmuts ophebben. En het is voor u ook tijd om naar bed te gaan. Goedennacht, mijnheer Pendennis.”
Arthur en Laura verzochten nog tien minuten uitstel.
„Dan zullen wij morgenochtend gaan Ik zal u met Martha komen afhalen.”
„Eene gravenkroon op den wagen,” zeide Pen, die er zeker zelf mee ingenomen was, „zal in Lamb Court en Smithfield groot opzien baren. Wacht even wilt gij ons helpen in eene kleine samenzwering, Lady Rockminster?”
„Wat bedoelt gij met eene samenzwering, jonge heer?”
„Zoudt gij zoo goed willen zijn, morgen een weinigje ongesteld te wezen en mij te vergunnen den ouden heer Huxter bij u te roepen, zoodra hij in de stad komt? Als hij reeds opgetogen is wanneer hij op het land bij een baronet geroepen wordt, hoeveel indruk zal dan niet eene gravin op hem maken! Wanneer hij vermurwd, wanneer hij geheel week is, zullen wij hem het geheim openbaren, het jonge paar binnenbrengen, hem zijn vaderzegen afpersen en een einde aan het kluchtspel maken.”
„Allemaal gekheid,” zeide de oude dame. „Neem uw hoed, mijnheer. Kom mee, juffer. Daar – ik kijk een anderen kant uit. Goedennacht, jongelui.” En wie weet of de oude lady, toen zij hoofdschuddende en meesmuilende aan Laura’s arm heenging, niet aan haar eigen jeugd dacht.
Vroeg in den morgen verschenen Laura en Martha volgens de gemaakte afspraak, en wij willen hopen, dat de gewenschte indruk in Lamb Court werd teweeggebracht, van waar het drietal zich naar de woning van mijnheer en mejufvrouw Samuel Huxter in Charter House Lane begaf.
De beide dames bekeken elkander met groote belangstelling en niet geringe ontroering van Fanny’s zijde. Zij had haar „voogd”, gelijk het haar behaagde Pen naar aanleiding van zijn geldgeschenk te noemen, niet gezien sedert de gebeurtenis, die haar met mijnheer Huxter vereenigd had.
„Samuel heeft mij verteld hoe vriendelijk gij geweest zijt,” sprak zij. „Gij waart altijd zeer vriendelijk, mijnheer Pendennis. En – en ik hoop dat uwe vriendin, die in Shepherd’s Inn zoo ongesteld werd, weer beter is, mevrouw.”
„Ik heet Laura,” gaf de aangesprokene blozend ten antwoord. „Ik ben – dat wil zeggen, ik was – ik meen, ik ben Arthur’s zuster; en wij zullen u altijd liefhebben, omdat gij zoo goed voor hem geweest zijt, toen hij ziek was. En wanneer wij ons op het land bevinden, hoop ik dat wij elkander zien zullen. En het zal mij altijd verheugen, Fanny, als ik hoor, dat gij gelukkig zijt.”
„Wij zijn voornemens te gaan doen, wat gij en Huxter gedaan hebt, Fanny. – Waar is Huxter? Wat woont ge hier lief! Wat eene mooie kat!”
Terwijl Fanny op deze vragen antwoordt, zegt Laura bij zich zelve: „Wel, kom aan! is dat nu het meisje, waarvoor wij allen zoo bang waren? Wat heeft hij toch in haar kunnen zien? Het is geen onaardig kind, maar welke manieren! Nu, zij is zeer vriendelijk voor hem geweest; de hemel zegene haar daarvoor!”
Mijnheer Samuel was uitgegaan, om zijn vader af te wachten. Mejufvrouw Huxter verhaalde, dat de oude heer dien dag aan het Somerset-koffiehuis in het Strand zou afstappen, en bekende, dat zij van die bijeenkomst het ergste vreesde. „Wat moeten wij beginnen als zijn ouders zich aan hem onttrekken?” sprak zij. „Ik zal het mij nooit kunnen vergeven, als ik het ben, die mijn man ongelukkig maak. Wees gij onze voorspraak, mijnheer Arthur. Is iemand in staat den ouden heer Huxter te vermurwen en invloed op hem uit te oefenen, dan zijt gij het.” Blijkbaar beschouwde Fanny Pen nog altijd als een soort van hooger wezen. Toen Arthur de tragische manieren en blikken, de kleine listen, de angstvalligheid en de nuffigheden van het jonge vrouwtje opmerkte, dacht hij ongetwijfeld aan vroegere dagen. Zoodra de vreemden vertrokken waren traden de heeren Linton en Blades binnen, die natuurlijk Huxter kwamen opzoeken en eene lekkere tabakslucht uitstraalden. Zij hadden het rijtuig voor de deur van den bakker zien staan en het kroontje met eerbied aanschouwd. Zij vroegen Fanny nu wie die erge fat was, die daar juist was weggereden, en verklaarden, dat de gravin van den echten stempel was. En toen zij vernamen, dat het mijnheer Pendennis met zijne zuster was geweest, maakten zij de opmerking, dat Pen ook maar een beenafzetter tot vader had gehad en zich heel verwaand gedroeg; want zij hadden op dien avond van den kleinen twist tusschen Huxter en Pen, in de Achterkeuken, tot het gezelschap behoord.
Toen Laura en Pen door de Fleet Street naar huis reden, en Laura juist tot onuitsprekelijk vermaak van Pen verklaarde, dat Fanny er heel aardig uitzag, maar volstrekt niet mooi was – misschien was zij het, maar zij kon het niet zien – zagen zij, toen zij ten gevolge van het drukke verkeer bij Temple Bar een oogenblik moesten stilhouden, den jongen Huxter op weg naar huis. „De ouwe was gekomen en zat in het Somerset-koffiehuis; hij was in een vrij goed humeur, want hij had goede tijdingen omtrent den spoorweg; maar Huxter had niet durven spreken over – over dat geval. Zou mijnheer Pendennis het niet eens willen doen?”
Pen antwoordde, dat hij zich dadelijk naar mijnheer Huxter zou begeven, om te zien wat er gedaan kon worden. Huxter junior zou buiten blijven ronddrentelen, terwijl dat ijzingwekkende gesprek plaats had. De kroon op het rijtuig vervulde hem ook met bewondering, en zelfs de oude heer Huxter beschouwde ze met verrukking, toen hij door het venster van het koffiehuis het Strand stond te overzien, hetgeen voor hem altijd eene ware uitspanning was.
„En ik kan er nu een uitstapje afnemen, mijnheer,” zeide de oude Huxter, terwijl hij Pen de hand gaf. „Zeker weet gij het nieuws al? Onze wet is doorgegaan, mijnheer. Wij krijgen onzen zijtak, – onze aandeelen zijn gestegen, mijnheer – en wij koopen uwe drie stukken lands aan den Brawl en jagen u een aardig duitje in den zak, mijnheer Pendennis.”
„Wezenlijk? Dat is een verblijdend nieuws.” Pen herinnerde zich nu, dat er sedert drie dagen op zijne kamers in den Temple een brief van mijnheer Tatham lag, welken hij niet had geopend, daar hij het te druk had met andere zaken.
„Ik hoop niet, dat gij te rijk wordt en de praktijk neerlegt,” zeide Pen. „Wij kunnen u te Clavering niet missen, mijnheer Huxter, ofschoon ik zeer goede berichten omtrent uw zoon hoor. Mijn vriend, dokter Goodenough, laat zich ten gunstigste over zijne talenten uit. Het is jammer, dat een man van uwe verdiensten in een landstadje opgesloten zit.”
„De hoofdstad zou de ware plaats voor mij geweest zijn, mijnheer,” zeide Huxter, terwijl hij zijn blik over het Strand liet weiden. „Doch men moet de gelegenheid aangrijpen, waar zij zich voordoet, en ik ben in het beroep van mijn vader opgevolgd.”
„Hetgeen ook dat van mijn vader was,” zeide Pen; „en soms wenschte ik, dat ik het ook had gekozen.”
„Gij hebt eene verhevener loopbaan betreden, mijnheer,” zeide de oude heelmeester. „Gij staat naar eene plaats in den senaat en naar letterroem. Gij voert de dichterpen, mijnheer, en verkeert in de groote wereld. Wij te Clavering houden u in het oog. Wij lezen uw naam altijd onder de gasten op de partijen van den adel. Pas dezer dagen nog maakte mijne vrouw de opmerking, hoe zonderling het was, dat gij bij zekere partij van den graaf van Kidderminster niet genoemd werdt. Aan welk lid der aristocratie mag ik vragen behoort dat rijtuig, waaruit ik u zag stijgen? Aan de gravin-douairière van Rockminster? Hoe vaart mylady?”
„Mylady is ongesteld, en toen ik hoorde, dat gij in de stad zoudt komen, heb ik haar sterk aangeraden u te laten roepen, mijnheer Huxter,” zeide Pen, en de oude Huxter gevoelde, dat, indien hij honderd stemmen voor den afgevaardigde van Clavering had mogen uitbrengen, hij ze alle aan Pen zou geschonken hebben.
„Er zit een oude vriendin van u in het rijtuig – ook eene dame van Clavering – wilt gij niet even naar buiten komen en haar spreken?” vroeg Pen. De oude chirurgijn was verrukt, dat hij midden in het volle Strand met iemand in een rijtuig, dat met eene kroon prijkte, mocht spreken, en dus kwam hij buigend en lachend naar buiten. Huxter junior, die in den omtrek zwierf en dus getuige was van het onderhoud tusschen zijn vader en Laura, zag deze laatste hare hand uitsteken, en een oogenblik later aanschouwde hij hoe zijn vader, na het wisselen van eenige weinige woorden met Pen, zelf in het rijtuig sprong en met jufvrouw Bell wegreed.
Er was geen plaats voor Arthur over, die lachend bij den jongen chirurgijn terugkwam en hem vertelde waar zijn vader heenging. Gedurende het gansche ritje prees en vleide en streelde de listige Laura den ouden heer zoo behendig, dat hij haar alles toegestaan zou hebben wat zij had willen vragen, en Lady Rockminster voltooide de overwinning door zijne bekwaamheid te prijzen en te verklaren, dat zij dringend begeerd had hem te raadplegen. Welke verschijnselen had mylady waargenomen? Zou hij consult houden met mylady’s gewonen geneesheer? Was mijnheer Jones uit de stad? Het zou hem een eer wezen, mylady naar zijn beste vermogen en ondervinding van dienst te zijn.
Hij was met zijne patiënte zoo hooglijk ingenomen, dat hij er aan zijne vrouw en familie over schreef; hij sprak tegen Samuel, toen die jonge heer zich vertoonde om een biefstuk met oestersaus te gebruiken en met zijn vader naar den schouwburg te gaan, over niets anders dan Lady Rockminster. Mylady bezat een eenvoudige deftigheid, eene voorkomende beleefdheid, eene voorname bevalligheid, die hij nog nooit bij eene andere vrouw had aangetroffen. De verschijnselen waren niet onrustbarend; hij had Spir. ammon. aromat, met een weinigje Sp. menth. pip. en oranjebloesem voorgeschreven, en meer zou er niet noodig zijn.
„Jufvrouw Bell scheen op den vertrouwelijksten en vriendschappelijksten voet met mylady te staan, en zou eerlang in den echt treden. Alle jongelui moesten trouwen, zeide mylady, en de gravin verwaardigde zich naar mijn eigen familie te vragen, waarop ik u, Sam, mijn beste jongen, aan mylady noemde. Ik zal morgen terugkomen en, indien de voorgeschreven middelen de uitwerking hebben gehad, die ik er van verwacht, daarop wat Spir. lavend. comp. laten volgen en aldus mijn edele patiënte geheel opknappen. Welke schouwburg wordt het meest door de de voorname lui bezocht, hè, Sam? en naar welke uitspanning zult gij dezen avond den ouden plattelandsdokter brengen, mannetje?”
Toen mijnheer Huxter zich den volgenden dag ten twaalf uur in Jermyn Street aanmeldde, had Lady Rockminster hare kamer nog niet verlaten, maar jufvrouw Bell en mijnheer Pendennis zaten hem af te wachten. Lady Rockminster had een rustigen nacht doorgebracht en ging zeer goed vooruit. Hoe had mijnheer Huxter zich vermaakt? Was hij naar den schouwburg geweest? met zijn zoon? Wat was het een mooi stuk, wat speelde mevrouw O’Leary lief, en wat zong zij mooi! en wat een aardig mensch was die jonge Huxter! iedereen hield veel van hem en hij was een eer voor zijn stand. Hij had niet de manieren van zijn vader, dat was zeker, noch de ouderwetsche wellevendheid, die meer en meer verdween; maar een fikscher, braver jongen leefde er niet. „Hij behoorde op het land te gaan praktizeeren, mijnheer, welk besluit gij ook neemt,” zeide Arthur; „hij moest trouwen – gelijk anderen ook voornemens zijn te doen – en zich vestigen.”
„Mylady zeide gisteren juist hetzelfde, mijnheer Pendennis. Hij behoorde te trouwen. Ja, mijnheer, Sam moest trouwen.”
„De stad is vol verleiding, mijnheer,” ging Pen voort, waarop de oude heer aan mevrouw O’Leary, die houri uit Mohammed’s paradijs, dacht.
„Er is voor een jonkman geen beter behoedmiddel dan een vroegtijdig huwelijk met een braaf en lief meisje.”
„Neen, geen beter, mijnheer, geen beter.”
„En liefde gaat boven geld, niet waar?”
„Wezenlijk, dat is zoo!” zeide jufvrouw Bell.
„Met zulk eene schoone autoriteit stem ik geheel in,” zeide de oude heer met eene buiging.
„En – en indien ik u nu eens een nieuwtje te vertellen had, mijnheer,” zeide. Pen.
„God bewaar me, mijnheer Pendennis! wat bedoelt gij?” vroeg de oude heer.
„Indien ik u eens te vertellen had, dat zeker jongmensch, weggesleept door een onweerstaanbare liefde tot een mooi en allerdeugdzaamst meisje – op hetwelk iedereen verlieft – aan den aandrang van zijn verstand en zijn hart had toegegeven en in het huwelijk getreden was? Indien ik u eens vertelde, dat die man mijn vriend is, dat onze hooggeachte en in waarheid edele vriendin, de gravin-douairière van Rockminster, groot belang in hem stelt (en gij kunt zelf nagaan welke vooruitzichten een jonkman heeft, wanneer die familie hem wil voorthelpen); indien ik u meedeelde, dat gij hem kent – dat hij hier is – dat het is....”
„Sam getrouwd! God bewaar me! mijnheer; dat wilt ge toch niet zeggen?”
„En met zulk een lief meisje, beste mijnheer Huxter!”
„Mylord is op haar verzot,” zeide Pen, bijna de eerste leugen vertellende, aan welke hij zich in den loop van dit verhaal heeft schuldig gemaakt.
„Getrouwd! Is de deugniet inderdaad getrouwd?” dacht de oude heer
„Zij smeeken uwen zegen af,” zeide Pen en deed de deur open.
En binnen traden mijnheer en jufvrouw Samuel Huxter en wierpen zich voor den ouden heer op de knieën. De geknielde kleine Fanny vond genade in zijn oogen. Zij moet toch iets aantrekkelijks gehad hebben, in spijt van Laura’s oordeel.
„Ik zal het nooit weer doen, vader,” zeide Sam.
„Sta op, Sam,” zeide mijnheer Huxter; en zij stonden op en Fanny kwam telkens wat naderbij en zag er zoo lief en bedremmeld uit, dat mijnheer Huxter als onwillekeurig het meisje, dat schreide en lachte, kuste en dadelijk van haar begon te houden.
„Hoe heet gij, liefje?” vroeg hij, na een oogenblikje van die uitspanning.
„Fanny, papa,” antwoordde mejufvrouw Samuel.
ZES EN ZEVENTIGSTE HOOFDSTUK.
ALLEN AF.
Al onze personen zijn eene maand ouder dan zij tijdens de laatst door ons beschreven gebeurtenissen en gesprekken waren, en velen hunner zijn toevallig weer in het kleine landstadje bijeen, waar wij hen het eerst leerden kennen. Frederik Lightfoot, voormaals maître d’hotel in dienst van den baronet Sir Francis Clavering, van Clavering Park, heeft de vrijheid genomen aan den adel en de burgerij van –shire bekend te maken, dat hij het welbekende, uitmuntend ingerichte hotel het Wapen van Clavering heeft overgenomen en daar met de voortdurende gunst van de heeren en familiën van het graafschap hoopt vereerd te worden. „Dit oude en gunstig bekende hotel,” luidt mijnheer Lightfoot’s advertentie, „is naar den laatsten smaak verbouwd en versierd. De heeren, die met de honden van Dumplingbeare ter jacht gaan, zullen in het Wapen van Clavering uitmuntende stalling voor hunne paarden vinden. Er is aan het hotel eene ruime biljartzaal toegevoegd, en de kelders zijn goed voorzien van de fijnste wijnen en sterke dranken, door Frederik Lightfoot op de onbekrompenste wijze en met zorg gekozen. Handelsreizigers zullen het Wapen van Clavering als een aangename verblijfplaats leeren kennen, en de prijzen zijn naar een algemeen tarief geregeld, overeenkomstig den geest van spaarzaamheid, die den tegenwoordigen tijd kenmerkt.”
Werkelijk heerscht er vrij wat drukte in het oude logement. Het wapen van Clavering, boven den ingang, is prachtig opgeschilderd. De vensters der koffiekamer zien er helder uit en zijn met de in den Kersttijd gebruikelijke hulsttakken versierd. De vrederechters houden hunne zittingen in de speelzaal der voormalige societeit. De open tafel voor de landlieden wordt als vanouds gehouden en door steeds meerdere gasten bezocht, die met jufvrouw Lightfoot’s gerechten ingenomen zijn. Vooral aan haar Indische curries en hare Mulligatawny-soep valt groote bijval ten deel; majoor Stokes, de geachte bewoners van Fairoaks Cottage, de gepensioneerde kapitein Glanders en andere omwonende heeren hebben er hunne goedkeuring van betuigd, en er meer dan eens gebruik van gemaakt, zoowel bij bijzondere gelegenheden als bij het diner van het Instituut van Clavering, gegeven bij de inwijding der leeszaal, toen de voornaamste inwoners van het welvarende plaatsje daar met elkander in gezelschap kwamen en aan de uitmuntende tafel der kasteleines eer bewezen. Het voorzitterschap werd bekleed door den baronet Sir Francis Clavering, daarin bijgestaan door den geachten predikant doctor Portman, en het ondervoorzitterschap werd op uitnemende wijze waargenomen door den heer Barker (bijgestaan door de weleerwaarde heeren J. Simcoe en S. Jowls), den ijverigen chef der lintfabriek te Clavering en hoofddirecteur van den Clavering- en Chatteries-zijtak van den grooten westerspoorweg, die in het volgend jaar zal geopend worden en aan welken de ingenieurs en werklieden thans druk bezig zijn.
Eene belangrijke gebeurtenis, die waarschijnlijk plaats zal hebben in het leven van onzen talentvollen stadgenoot, den weledelgeboren heer Arthur Pendennis, heeft hem, naar wij vernemen, doen afzien van zijn plan om zich candidaat te stellen in ons district; en volgens geruchten (zeggen de Chatteries Champion, de Clavering Agriculturist en de Baymouth Fisherman – dat onafhankelijke provinciale blad, hetwelk zoo bekend is wegens zijn onwrikbare trouw aan de grondwet en zijne sympathie voor de Britsche vloot, terwijl het tevens zulk een uitmuntende gelegenheid aanbiedt om te adverteeren) – volgens geruchten, zeggen de C. C., C. A. en B. F., zou Sir Francis Clavering, indien zijn achteruitgaande gezondheid hem noodzaakte zijne plaats in het parlement te verlaten, deze ontruimen ten gunste van een jongen heer van kolossaal fortuin, verwant aan den hoogsten adel des rijks, die op het punt staat een huwelijk aan te gaan met eene lieftallige en schoone dame, door de nauwste banden aan de familie op Clavering Park verbonden. Lady Clavering en jufvrouw Amory zijn op het Park aangekomen, om er de Kerstdagen door te brengen, en wij vernemen, dat daar vele voorname personen verwacht worden en er met den aanvang van het nieuwe jaar feestelijkheden van bijzonder belangwekkenden aard zullen plaats hebben.
Met behulp van de bovenstaande nieuwstijdingen zal de schrandere lezer wel begrijpen wat er in den korten tusschentijd, gedurende welken wij ons verhaal hebben afgebroken, is voorgevallen. Ofschoon Lady Rockminster een beetje knorde omdat Laura de voorkeur aan Pendennis boven Blauwbaard gaf, zullen zij, die het geheim van dezen laatsten kennen, wel begrijpen, dat het jonge meisje geen andere keus had, en aan de welwillende oude dame, die zich tot voogdes over jufvrouw Bell had opgeworpen, mishaagde het overigens niet, dat het meisje de groote levensbestemming van alle jonge dames vervullen en een echtgenoot nemen zou. Mylady deelde hare kamenier nog denzelfden avond de gewichtige gebeurtenis mee, en natuurlijk was jufvrouw Beck, die alles haarfijn wist en door Martha van Fairoaks nauwkeurig op de hoogte was gehouden van hetgeen er voorviel, uiterst verbaasd en verheugd. „Het inkomen van mijnheer Pendennis bedraagt zóóveel; uit den spoorweg, zegt hij, dat hij nog zóóveel meer zal trekken; jufvrouw Bell bezit zóóveel en zal waarschijnlijk later nog wel iets meer krijgen. Voor menschen in hun stand zullen zij zeer goed kunnen rondkomen. En ik zal neef Pynsent eens spreken, die ik geloof dat eenmaal een oog op haar had – maar daarvan kon natuurlijk geen sprake zijn („O, natuurlijk niet, mylady; nu, dat begrijp ik best!”) – niet dat ik er iets van weet of er zelfs in het minst aan behoef de denken, – ik zal George Pynsent eens spreken, die nu eerste secretaris is van het Departement Zegelkoord en Lak, en hem zeggen, dat hij mijnheer Pendennis tot het een of ander moet laten benoemen. En morgenochtend, Bock, moet gij mijn compliment aan majoor Pendennis gaan doen, met de boodschap, dat ik te één uur een bezoek bij hem zal afleggen. Ja,” mompelde de oude dame, „de majoor moet weer in zijn humeur komen en zijn geld aan Laura’s kinderen nalaten.”
Derhalve vervoegde zich de douairière Lady Rockminster te één uur bij majoor Pendennis, die, gelijk men wel begrijpen kan, verrukt was zulk eene voorname bezoekster te ontvangen. De majoor was voorbereid, zoo niet op het nieuws, dat mylady hem kwam meedeelen, althans op de tijding, dat Pen’s engagement met jufvrouw Amory verbroken was. Toen de jonge heer aan zijn oom dacht – wij moeten bekennen, dat het dien dag voor de eerste maal was – en diens nieuwen bediende in de vestibule van het logement ontmoette, vroeg hij mijnheer Frosch naar de gezondheid van den majoor, en zette zich daarop in de koffiekamer neer om een half dozijn regels te schrijven, in welke hij zijn voogd kennis gaf van het gebeurde. „Waarde oom,” schreef hij, „indien er eenig verschil van gevoelen tusschen ons bestaan heeft, zoo is het nu voorbij. Ik ben gisteren naar Tunbridge Wells geweest en heb daar bevonden, dat iemand anders den prijs heeft weggedragen, waaromtrent wij niet wisten hoe te handelen. Jufvrouw Amory heeft, zonder eenig medelijden met mij, hare hand aan Henry Foker en zijne vijftienduizend pond ’s jaars geschonken. Ik betrapte hen in hunne minnekoozerij en vond en liet hem als overwinnaar terug.
„Het zal u zeker genoegen doen te vernemen, dat Tatham, zooals hij mij schrijft, drie stukken van mijn land te Fairoaks voor een hoogen prijs aan de spoorwegmaatschappij verkocht heeft. Ik zal u dit en nog meer vertellen, zoodra wij elkander zien, en verblijf steeds u toegenegen
„A. P.”
„Ik meen te weten wat gij mij wildet meedeelen,” zeide de majoor met den hoffelijksten lach en eene buiging tegen Pen’s ambassadrice. „Het was zeer vriendelijk van u, mij dit nieuws te willen overbrengen. Wat ziet gij er goed uit! Wat zijt gij goed! Wat zijt gij altijd voorkomend jegens dien jongen geweest!”
„Dat was om den wille van zijn oom,” zeide Lady Rockminster met groote wellevendheid.
„Hij heeft mij verslag gedaan van den staat zijner zaken en mij een lieven brief geschreven, – een heel lieven brief,” ging de oude heer voort, „en ik zie daaruit, dat zijn fortuin vermeerderd is, – ja! Alles wel beschouwd, heb ik er niet veel spijt van, dat die zaak met jufvrouw Amory is afgesprongen, ofschoon ik het eenmaal wenschte, – ja, alles wel beschouwd, ben ik er blij om.”
„Wij moeten hem troosten, majoor Pendennis, en hem eene vrouw bezorgen,” hervatte de lady; maar nu begon de waarheid den majoor voor den geest te schemeren en zag hij in, met welk doel Lady Rockminster zich wel tot ambassadrice had willen leenen.
Wij behoeven het gesprek niet mee te deelen, dat nu volgde, noch uitvoerig te vermelden hoe mylady een onderhandeling besloot, die, om de waarheid te zeggen, vrij gemakkelijk was. Er bestond geen reden, waarom Pen niet overeenkomstig zijn eigen wensch en dien zijner moeder zou trouwen; en Lady Rockminster ondersteunde het plan van haar kant door zinspelingen, die bij den majoor een groot gewicht in de schaal legden, maar van welke wij hier niets anders zullen zeggen, daar mylady nog in leven is (ofschoon natuurlijk hoog bejaard) en de familie het misschien kwalijk zou nemen. In één woord, de oude heer werd geheel overrompeld door het bepaalde plan der lady om innemend te zijn, en door hare hartelijke genegenheid voor Laura. Niets kon werkelijk wellevender en vriendelijker zijn dan Lady Rockminster’s gedrag van het begin tot het einde, behalve op zeker oogenblik, toen de majoor verklaarde, dat zijn jongen zich wegwierp waarop mylady eene kleine rede hield om den majoor aan het verstand te brengen, dat Laura – gelijk de arme Pen en zijne vrienden ook ootmoedig erkennen – duizendmaal te goed voor hem was. Laura zou de vrouw van een koning kunnen zijn; zij was een toonbeeld van deugd en uitnemende gaven. En wij moeten dan ook zeggen, dat majoor Pendennis, toen hij begreep dat eene dame van den rang der gravin van Rockminster voor jufvrouw Bell een oprechte bewondering koesterde, haar oogenblikkelijk zelf begon te bewonderen.
Toen dus de Herr Frosch naar Lady Rockminster’s vertrekken gezonden was, om aan jufvrouw Bell en mijnheer Arthur Pendennis te berichten, dat de majoor hen zou ontvangen, en Laura blozend en opgetogen aan Pen’s arm verscheen, reikte de majoor met hartelijkheid en aandoening aan elk van beiden eene bevende hand toe, en verwelkomde Laura vervolgens op nog een andere wijze, die haar nog sterker deed blozen. Gelukkige blosjes! schitterende oogen, die met het licht der liefde stralen! De verhaler wendt zich van dit groepje tot zijne jeugdige lezers, en hoopt, dat hunne oogen eenmaal alle op die zelfde wijze schitteren mogen.
Toen Pen op de meest vriendschappelijke wijze afscheid genomen had en de lieftallige Blanche haar jeugdig hart aan een blozend bruidegom met vijftien duizend pond ’s jaars verpand had, ontsproot er een gevoel van geluk in Lady Clavering’s hart en familie, gelijk de goede begum het in vele jaren niet gekend had, en ontstond er de verrukkelijkste hartelijkheid en toegenegenheid tusschen haar en Blanche. De vurige Foker trachtte den gelukkigen dag te bespoedigen, en was zoo begeerig als men maar verwachten kon, om den rouwtijd te bekorten, die hem het bezit van zooveel bekoorlijkheden en beminnelijke eigenschappen verschaft had, waarop hij tot dusverre slechts in de verte uitzicht had gehad, en waarvan hij zich nu als de gelukkige bezitter mocht beschouwen. De lieftallige Blanche, die alles was wat haar verloofde kon verlangen, was niet ongenegen om aan den wensch van haar teergeliefden Henry te voldoen. Lady Clavering kwam van Tunbridge over. Modemaaksters en juweliers werden aan het werk gezet en in dienst genomen om de heerlijke tooisels van Hymen te leveren. Lady Clavering was in zulk een goed humeur, dat zelfs Sir Francis er de gunstige gevolgen van ondervond, en het in zooverre tot eene verzoening tusschen dit echtpaar kwam, dat hij naar Londen terugkeerde, wederom aan het hoofd van zijn eigen tafel zat en zich, tamelijk goed van geld voorzien, weer in zijne biljartzalen en speelhuizen vertoonde. Op zekeren dag, toen majoor Pendennis en Arthur op Grosvenor Place gingen dineeren, vonden zij daar een ouden kennis als majordomo in dienst, en de heer in het zwart, die hun met de meeste beleefdheid en deftigheid de keus liet tusschen verschillende soorten van champagne, was niemand anders dan mijnheer James Morgan. De chevalier Strong behoorde tot het gezelschap; hij was zeer levendig en vroolijk en vergastte de aanwezigen op de beschrijving hoe hij zich buitenslands vermaakt had.
„Mylady heeft mij uitgenoodigd,” zeide Strong op zachten toon tegen Arthur; „die Morgan keek zoo zwart als de nacht, toen ik binnenkwam. Hij heeft hier niet veel goeds in den zin. Ik zal eerst weggaan, en u en majoor Pendennis aan het hek van Hyde Park afwachten.”
Mijnheer Morgan hielp majoor Pendennis bij het aantrekken van zijne overjas, toen hij zou heengaan, en mompelde zoo dat hij tijdelijk eene betrekking bij de familie Clavering had aangenomen.
„Ik heb een papier van u in mijn bezit, mijnheer Morgan,” zeide de oude heer.
„Hetgeen gij, als gij er lust toe hebt, aan Sir Francis kunt toonen, mijnheer, het is mij onverschillig,” zeide mijnheer Morgan met neergeslagen blik; „ik heb veel verplichting aan u, majoor Pendennis, en indien ik het u vergelden kan, zal ik het niet nalaten.”
Arthur hoorde die woorden, en daar hij den blik vol haat opmerkte, van welken zij vergezeld gingen, riep hij plotseling uit, dat hij zijn zakdoek vergeten had, en liep weer naar boven naar de gezelschapszaal. Foker was daar nog en kon van zijne sirene niet scheiden. Pen wierp op de sirene een veelbeteekenenden blik, en wij houden het er voor, dat zij aan veelbeteekenende blikken gewoon was, want toen Arthur, na den zakdoek, dien hij kwam zoeken, werkelijk gevonden te hebben, weer heenging, riep de sirene hem lachend na: „O Arthur – mijnheer Pendennis – ik moet u eene boodschap voor mijne lieve Laura meegeven!” en met die woorden kwam zij ook naar buiten.
„Wat is er?” vroeg zij, terwijl zij de deur sloot.
„Hebt gij Henry alles verteld? Weet gij, dat die schelm van een Morgan met alles bekend is?”
„Ja, dat weet ik.”
„Hebt gij het Henry verteld?”
„Neen, neen,” antwoordde zij. „Gij zult mij toch niet verraden?”
„Dat zal Morgan doen.”
„Neen, dat zal hij niet,” zeide Blanche. „Ik heb hem beloofd – n’importe. Wacht tot na ons huwelijk. – O, tot na ons huwelijk. Och, wat ben ik toch rampzalig!” riep het meisje uit, dat den ganschen avond de lieftalligheid, bevalligheid en opgeruimdheid zelve was geweest.
„Ik verzoek en bezweer u, het aan Henry te vertellen,” zeide Arthur. „Vertel het hem op staanden voet. Het is toch uwe schuld niet. Hij zal u alles vergeven. Deel het hem nog heden avond mee.”
„En geef haar, als het u belieft, dit – il est la – met mijne complimenten. Neem mij niet kwalijk, dat ik u heb teruggeroepen; en als zij ten half vier bij madame Crinoline kan zijn en Lady Rockminster haar kan missen, zou ik zoo gaarne een ritje met haar door het park doen,” en met die woorden keerde zij zingende en kushandjes gevende in de zaal terug, terwijl Morgan als eene kat de met tapijt belegde trap kwam opsluipen.
Toen Pen zich beneden bij zijn oom voegde, hoorde hij Blanche op hare piano de brillantste muziek maken. Onder het heengaan vertelde Arthur met korte woorden wat hij gedaan had. „Wat moest ik doen?” vroeg hij.
„Ja, wat moet er, voor den drommel, gedaan worden?” zeide de oude heer. „Wat kunnen wij anders doen, dan de zaak op haar beloop laten? Wij mogen, bij den hemel, wel dankbaar wezen, dat wij er niet meer in betrokken zijn, en ze kunnen overlaten aan degenen, welke zij aangaat.”
„Ik hoop van harte, dat zij het hem zal vertellen,” zeide Pen.
„Voor den drommel, zij zal haar eigen zin volgen,” zeide de oude man. „Jufvrouw Amory is een verduiveld slim meisje, en moet hare eigen kaarten maar uitspelen; ik ben drommels blij, dat gij er van af zijt, – drommels blij, dat verzeker ik u. Wie rookt daar? O, dat is mijnheer Strong weer. Die wil zich, geloof ik, er ook mee bemoeien. Als ik u een raad mag geven, Arthur, houd er u maar buiten.”
Strong begon een paar maal alsof hij juist over die zaak wilde spreken, maar de majoor was doof aan dat oor en praatte over den maneschijn, die op Apsley House viel, over het weer, over de huurrijtuigen, die stonden te wachten, – over alles, behalve over dat ééne onderwerp. Hij maakte eene stijve buiging tegen Strong en nam bij het ingaan van St. James’ Street den arm van zijn neef, dien hij nogmaals waarschuwde zich niet met de zaak in te laten. „Het had u heel duur te staan kunnen komen, neef, daarop geef ik u mijn woord,” zeide hij.
Toen Arthur het hotel weer uitkwam, zag hij Strong’s mantel en sigaar op eenige deuren afstands. De vroolijke chevalier kwam hem lachend te gemoet. „Ik ben ook een oud soldaat,” zeide hij. „Ik wenschte u te spreken, Pendennis. Ik heb alles vernomen wat er gebeurd is, al de wijzigingen en veranderingen, die er tijdens mijn afwezigheid hebben plaats gehad. Ik wensch u geluk dat gij gaat trouwen, en evenzeer dat gij het ontsnapt zijt, – gij begrijpt mij wel. Het ging mij niet aan, maar wel weet ik, dat zeker iemand eene kleine, aanmatigende –, nu, het doet er niet toe, wat – is. Gij hebt als man gehandeld en uw verstand gebruikt, en zijt nu wèl af.”
„Ik heb geen reden om te klagen,” zeide Pen. „Ik ben teruggegaan, om de arme Blanche te bezweren, dat zij alles aan Foker zou openbaren; ik hoop om harentwil, dat zij het doen zal, maar ik vrees van neen. De rechte weg is toch altijd de beste, Strong.”
„En gelukkig degeen, die er op kan blijven,” zeide de chevalier. „Die schelm van een Morgan heeft iets kwaads in den zin. Hij heeft gedurende de twee laatste maanden rondom onze kamers gezworven en het geheim van dien dollen Amory ontdekt. Hij heeft er achter trachten te komen waar hij zat; hij heeft Bolton uitgehoord en den ouden Cos verscheidene malen dronken gemaakt. Hij kocht den kruier van de Inn om, dat deze hem zou berichten wanneer wij terugkwamen, en door hetgeen hij al weet, is hij in Clavering’s dienst gekomen. De schurk zal er geducht zijn voordeel mee doen; onthoud maar wat ik zeg.”
„Waar is Amory?” vroeg Pen.
„Ik geloof te Boulogne. Ik liet hem daar achter, en waarschuwde hem, niet terug te komen. Ik heb mijne betrekking met hem afgebroken, na een geweldigen twist, dien men met zulk een dolleman ook te verwachten had. Het doet mij genoegen, dat hij nu bij mij in de schuld staat, en dat ik het ben, die hem voor meer dan één ongeluk bewaard heb.”
„Hij heeft zeker al zijne winsten weer verloren?” vroeg Pen.
„Neen; hij is beter af, dan toen hij wegging, of zelfs nog veertien dagen geleden. Hij was te Baden buitengewoon voorspoedig en deed de bank verscheidene avonden springen, zoodat men overal van hem sprak. Hij verbond zich daar met zekeren Bloundell, die een kring van allerlei mannelijke en vrouwelijke, Russische, Duitsche, Fransche en Engelsche oplichters rondom hem verzamelde. Amory werd zoo overmoedig, dat ik op zekeren dag genoodzaakt was hem bijna dood te ranselen. Ik had geen andere keuze; die kerel is voor niets bang en ik moest dus wel toeslaan.”
„En heeft hij u niet uitgedaagd?” vroeg Pen.
„Gij zijt zeker van gevoelen, dat niemand er iets bij zou verloren hebben, als ik hem had doodgeschoten? Neen, mijnheer, ik wachtte op zijn uitdaging, maar die kwam niet, en de eerstvolgende maal dat ik hem ontmoette, vroeg hij mij vergiffenis en zeide: „Strong, ik vraag u verschooning; gij hebt mij afgestraft, maar ik verdiende het.” Wij gaven elkander de hand, maar ik kon na het gebeurde niet meer met hem samenwonen. Ik betaalde hem wat ik hem den vorigen avond schuldig was gebleven,” vervolgde Strong met een blos. „Ik verpandde al wat ik bezat, om hem af te betalen, en ging toen met mijne laatste tien guldens naar de roulette om een kans te wagen. Indien ik ze verloren had, zou ik mij den volgenden morgen door hem hebben laten doodschieten. Ik was het leven moe. Is het, bij den hemel, geen schande, mijnheer, dat een man als ik, die eenige wissels afgegeven, doch die nooit een vriend in den nood gelaten, of een oneerlijke daad verricht heeft, niet in staat is zijne hand tot iets te zetten, om zijn brood te verdienen? Ik deed echter goede zaken aan de roulette, mijnheer, en daarmee heb ik er afscheid van genomen. Ik ga nu in den wijnhandel. De familie mijner vrouw woont te Cadix. Ik ben voornemens hier Spaansche wijnen en hammen in te voeren; daarmee is fortuin te maken, mijnheer, fortuin; hier is mijn kaartje. Als gij sherry of hammen noodig hebt, herinner u dan, dat Ned Strong daarin doet.” En bij die woorden haalde de chevalier een fraai adreskaartje uit, houdende, dat Strong en Co., in Shepherd’s Inn, de eenige agenten waren voor de beroemde Diamant Manzanilla – van den hertog van Garbanzos grande, van Spanje der eerste klasse, en voor de vermaarde Toboso, hammen uit de landstreek van Don Quijote, waar de varkens alleen met eikels gemest worden. „Kom het een en ander maar eens op mijne kamers proeven mijnheer. Gij ziet, dat ik aanleg heb voor zaken, en, bij den hemel, ditmaal zullen ze niet mislukken.”
Pen nam lachend het kaartje aan. „Ik weet niet of ik nog naar partijtjes van ongetrouwde heeren mag gaan,” zeide hij; „gij weet, dat ik ga –”
„Maar gij moet toch sherry hebben, mijnheer. Sherry kunt gij niet missen.”
„Ik zal ze van u nemen, daarop kunt gij rekenen,” zeide de ander. „En ik geloof u te mogen gelukwenschen, dat gij die andere compagnieschap ontbonden hebt. Die brave man,” liet hij er na een oogenblik op volgen, „die Altamont correspondeert met zijne dochter, naar ik hoor.”
„Ja, de kleine slimme heks schreef hem de langste kletsbrieven, die ik ooit gelezen heb, en hij antwoordde haar onder het adres van jufvrouw Bonner. In de eerste dagen wilde hij haar wegvoeren; hij moest en zou zijn kind terug hebben. Maar zij had niet veel lust om te komen, zooals gij wel begrijpen kunt; en hij drong er ook niet sterk meer op aan.” Hier barstte de chevalier in lachen uit. „En weet gij nu, mijnheer, wat de oorzaak van onzen twist en gevecht was? Er was eene weduwe te Baden, zekere baronnes de la Cruche Cassée, die niet veel meer deugde dan hij zelf, en die de schelm wilde trouwen; en hij zou het ook gedaan hebben, indien ik haar niet had meegedeeld, dat hij reeds gehuwd was. Ik geloof niet, dat zij veel beter was dan hij. Ik zag haar den dag, waarop ik naar Engeland overstak, op den steiger te Boulogne.”
En thans hebben wij ons verhaal aangevuld tot het punt, waar het bericht in den Chatteries Champion ons reeds gebracht had.
Er moesten nog maar weinige, zeer weinige dagen verloopen vóór dien zaligen dag, waarop Foker jufvrouw Blanche de zijne zou kunnen noemen; de inwoners van Clavering waren te hoop geloopen om het prachtigste nieuwe rijtuig ter wereld te bewonderen, dat in het koetshuis van het Wapen van Clavering stond en, in vergelding voor een dankbaar aangenomen slokje, aan de belangstellenden getoond werd door mijnheer Foker’s eersten koetsier. Madame Fribsby was bezig met het vervaardigen van eenige mooie kleedjes voor de boerendochters, die als een soort van bruidskoor bij het ontbijt en de trouwplechtigheid zouden verschijnen. Tevens zouden er bij deze heerlijke gelegenheid onbeschrijfelijk groote feesten in het park gegeven worden.
„Ja, mijnheer Huxter, de gelukkige landlieden, de roem van hun land, zullen zich in de ridderzaal vereenigen. De vette os zal geslacht worden, de gevulde beker zal rondgaan, de klokken zullen vroolijk galmen; en mijn schoonvader, het oog bedauwd met een traan des gevoels, zal op den drempel van het slot zijn zegen over ons uitspreken. Dat zal, geloof ik, de gang der plechtigheid wezen, mijnheer Huxter; en ik hoop dat wij u zullen zien en uw lief vrouwtje aan de zijde van haar man. Wat zult gij gebruiken, mijnheer? Jufvrouw Lightfoot, wilt ge zoo goed zijn mijn geachten vriend en lijfarts, mijnheer Huxter, mijnheer Samuel Huxter, lid van het koninklijk chirurgisch genootschap, het beste voor te zetten wat uw hotel bevat en het bedrag van het feestgelag op mijne rekening te stellen? En mijnheer Lightfoot, wat zult gij gebruiken? ofschoon ik geloof, dat gij reeds genoeg hebt gehad, – Ja, dat zie ik.”
Aldus sprak Henry Foker aan het buffet van het Wapen van Clavering. Hij bewoonde kamers in dat hotel en had daar een kring van vrienden rondom zich vergaderd. Ieder, die er kwam, onthaalde hij op drank. Hij stond op vertrouwelijken voet met iedereen. Hij gevoelde zich zoo gelukkig! Hij danste als het ware rondom madame Fribsby, jufvrouw Lightfoot’s boezemvriendin, die nadenkend in het buffet zat. Hij vertroostte jufvrouw Lightfoot, aan wier huwelijkshemel zich reeds wolkjes vertoonden; want wij moeten naar waarheid getuigen, dat de jonge Lightfoot, nu hij de volle heerschappij over den kelder voerde, die niet over zijn eigene teugellooze driften had, en van den morgen tot den avond proefde en dronken was. En het was voor zijne liefhebbende vrouw een jammerlijk gezicht, als zij den forschen jonkman over de plaats of door de koffiekamer zag zwaaien, of hem met de boeren en winkeliers zijn eigene fijne wijnen en met zorg gekozen voorraad gedistilleerde vochten zag uitdrinken.
Wanneer mijnheer Morgan, de hofmeester, den tijd kon uitbreken, kwam hij van het park overwippen en dronk een glaasje op kosten van den kastelein van het Wapen van Clavering. Met woeste en spottende gelaatstrekken luisterde hij naar Lightfoot’s dronkemanstaal. Jufvrouw Lightfoot gevoelde zich altijd dubbel rampzalig, wanneer haar ongelukkige echtgenoot onder het oog van zijn kameraad was. Pas weinige maanden getrouwd, en dan te moeten bedenken, dat het reeds zoo ver gekomen was! Madame Fribsby kon gevoelen voor haar; zij kon zelve even slechte voorbeelden van mannen aanhalen. Ook zij had verdriet gehad en treurige ondervinding van de mannen verkregen. Niemand schijnt ten volle gelukkig te mogen zijn, en er is alsem, gelijk mijnheer Foker aanmerkte, in ieders beker. En echter scheen er geen alsem in den beker van dien braven jonkman zelven te zijn! Hij liep over van geluk en opgeruimdheid.
Mijnheer Morgan was onuitputtelijk in zijn opmerkzaamheden voor Foker. „En echter mag ik hem niet lijden,” zeide de openhartige jonge heer tegen jufvrouw Lightfoot. „Hij ziet er altijd uit, alsof hij mij de maat voor mijne doodkist wil nemen. Mijn schoonvader is bang voor hem; schoonpapa is – hm! – het komt er niet op aan, maar schoonmama is een best mensch, jufvrouw Lightfoot.”
„Ja, dat is mylady ook,” erkende jufvrouw Lightfoot, met een zucht, bedenkende, dat het misschien beter voor haar ware geweest, als zij hare meesteres nooit verlaten had.
„Ik houd niet van Morgan, schoon ik de reden niet weet,” hernam Foker; „en hij wenscht, dat ik hem als hofmeester zal aannemen. Blanche wil ook, dat ik hem in dienst zal nemen. Waarom is jufvrouw Amory zoo met hem ingenomen?”
„Is jufvrouw Amory zoo met hem ingenomen?” vroeg juffer Lightfoot, naar het scheen door deze mededeeling zeer getroffen; en de waardige kasteleines kreeg nog meer redenen om ongerust te worden. Op zekeren morgen, namelijk, werd haar een brief met het postmerk Boulogne bezorgd, over welken zij en haar man aan het twisten waren toen Foker de trap langs het buffet afging, om zich naar het Park te begeven. Hij was gewoon daar te ontbijten en zich een poosje in het bijzijn van Armida te verkwikken. Daar het gezelschap van Clavering hem onuitsprekelijk verveelde en hij niet van de jacht hield, vertrok hij dan, om zich een paar uren met biljarten en het gezelschap in het Wapen van Clavering te vermaken. Aldus werd het tijd om met jufvrouw Amory uit rijden te gaan, en na bij haar gedineerd te hebben, vertrok hij weer en keerde bedaard naar zijn logement terug.
Lightfoot en zijne vrouw twistten dus over den brief. Wat beteekende die buitenlandsche brief? Waarom kreeg zij altijd brieven van buitenslands? Wie schreef die? Dat wilde hij weten. Hij geloofde niet, dat zij van haar broeder kwamen. Raakte het hem niet? Het raakte hem wel, en met een vloek greep hij zijne vrouw en tastte naar haar zak, om zich van den brief meester te maken.
De arme vrouw gaf een gil en riep uit: „Daar hebt ge hem dan!” Juist toen haar man den brief opnam en mijnheer Foker binnentrad, gaf zij op diens gezicht andermaal een gil en trachtte opnieuw het papier te bemachtigen. Lightfoot duwde haar echter weg en opende het schrijven, uit hetwelk een ingesloten brief op de ontbijttafel viel.
„Handen thuis, als gij uw leven liefhebt!” zeide de kleine Henry, toespringende. „Sla geene handen aan eene vrouw, mijnheer. De man, die de hand aan eene vrouw slaat, anders dan uit vriendelijkheid, is een – hola, dat is een brief voor jufvrouw Amory. Wat beteekent dit, jufvrouw Lightfoot?”
Jufvrouw Lightfoot begon op een klagenden en verwijtenden toon tegen haar man uit te varen: „Gij lafaard! eene vrouw, die u van de straat heeft opgeraapt, zóó te behandelen! de handen aan uwe vrouw te slaan! Waarom heb ik u ook getrouwd! Waarom heb ik mylady voor u verlaten! Heb ik daarom achthonderd pond aan het in orde brengen van dit huis besteed, opdat gij maar zoudt drinken en allerlei uitspattingen begaan?”
„Zij ontvangt brieven en wil mij niet zeggen wie die schrijft,” zeide mijnheer Lightfoot met dubbelslaande tong; „het zijn familiezaken. Wilt ge ook iets gebruiken, mijnheer?”
„Ik zal dezen brief aan jufvrouw Amory geven, daar ik zelf naar het park ga,” zeide Foker, zeer bleek wordende; en de missive van de tafel opnemende, op welke het ontbijt der arme kasteleines aangericht stond, ging hij heen.
„Hij staat op het punt van te komen, – wel verduiveld, wie staat er op het punt van te komen? Wie is J. A., vrouw? Voor den duivel, wie is J. A.?” schreeuwde de echtgenoot.
Maar jufvrouw Lightfoot riep terug: „Houd uw mond, dronken varken,” haalde snel haar hoed en doek, zag mijnheer Foker na, die de straat opging, sloeg een achterweg in, die er evenwijdig mee loopt, en vloog zoo haastig zij kon naar de portiersloge van Clavering Park. Foker zag wel eene gedaante die hem vooruitsnelde, doch toen hij aan de portiersloge kwam, was zij verdwenen. Hij vroeg daar wie hem zoo even was voorafgegaan en of het jufvrouw Bonner niet was geweest? Hij kon zich bijna niet op de been houden en de boomen dansten voor zijn oogen. Een paar malen moest hij tegen de bladerlooze stammen der lindeboomen uitrusten.
Lady Clavering bevond zich met haar zoon in de ontbijtkamer en haar gemaal zat over zijne courant te geeuwen. „Goedenmorgen, Henry,” zeide de begum. „Hier zijn brieven, hoopen brieven; Lady Rockminster zal Dinsdag komen, in plaats van Maandag, en Arthur komt met den majoor heden, Laura gaat bij doctor Portman logeeren en komt van daar naar de kerk, – en maar wat deert u, mijn jongen? Hoe ziet ge zoo bleek?”
„Waar is Blanche?” vroeg Henry met eene haperende stem; „is zij nog niet beneden?”
„Blanche is altijd de laatste,” zeide het zoontje, onder het eten van zijne kadetjes; „zij is een luilak, dat is zij. Als gij niet hier zijt, ligt zij tot aan het tweede ontbijt te bed.”
„Houd je mond, Frans,” sprak zijne moeder.
Na eenige oogenblikken kwam Blanche met een bleek gelaat en een tamelijk nieuwsgierigen blik op Foker beneden; daarop trad zij vooruit, kuste hare moeder en kwam Henry met een gelaat te gemoet, dat hare liefste lachjes tot zijne verwelkoming vertoonde.
„Hoe gaat het, Henry?” vroeg zij en stak hem hare beide handen toe
„Ik gevoel mij onwel,” antwoordde hij. „Ik – ik heb een brief voor u meegebracht, Blanche.”
„Een brief? en van wien? voyons,” sprak zij.
„Dat weet ik niet, maar ik zou het gaarne vernemen,” zeide Foker.
„Hoe zou ik dat weten, voordat ik hem gezien heb?” vroeg Blanche.
„Heeft jufvrouw Bonner u dat nog niet verteld?” vroeg hij met eene onvaste stem. „Daar schuilt een geheim onder. Geef gij haar den brief, Lady Clavering.”
Met verwondering nam Lady Clavering den brief uit de bevende hand van den armen Foker aan en bekeek het adres. Maar nauwelijks had zij dit gedaan, of zij begon aan al hare leden te beven, liet met een ontsteld gelaat den brief vallen, snelde naar Frans, dien zij aan haar hart drukte, en riep snikkende uit: „Neem hem weg – het is onmogelijk, onmogelijk!”
„Wat is er gaande?” vroeg Blanche, met een lachje, dat echter een akeligen indruk maakte: „het is maar een brief van – van een armen bloedverwant, dien wij ondersteunen.”
„Dat is niet waar, dat is niet waar,” gilde Lady Clavering. „Neen, Frans – is het wel zoo, Clavering?”
Blanche had den brief opgenomen en trad er mee naar het vuur, doch Foker liep haar na en greep haar bij den arm met de woorden: „Ik moet dien brief zien. Geef hem over. Gij zult hem niet verbranden.”
„Gij – gij zult jufvrouw Amory op die manier niet in mijn huis behandelen,” riep de baronet uit: „geef den brief terug, voor den duivel!”
„Lees hem – en zie haar eens aan,” zeide Blanche, op hare moeder wijzende; „voor haar – voor haar hield ik het geheim. Lees hem nu maar, wreedaard!”
En Foker brak den brief open en las het volgende:
„Ik heb de laatste drie weken niet geschreven, mijn schatje van een Betsy; maar deze dient om u mijn vaderzegen te geven, en ik zal er bijna even spoedig zijn als mijn brief, want ik wensch de plechtigheid bij te wonen en mijn schoonzoon te zien. Ik zal mijn intrek bij jufvrouw Bonner nemen. Ik heb een aangenaam najaar doorgebracht en woon hier in een hotel waar voornaam gezelschap bijeen is en dat op goeden voet is ingericht. Ik kan het niet geheel goedkeuren, dat gij mijnheer P. bedankt en mijnheer F. genomen hebt; ik vind Foker ook zulk een welluidenden naam niet, en naar de beschrijving, die gij van hem geeft, schijnt hij een sukkel en gansch niet mooi. Maar hij heeft duiten, en dat is het voornaamste. Dit weinige zij, totdat wij elkander zien, mijne kleine lieve Betsy, genoeg van uw toegenegen vader
„J. Amory Altamont.”
„Lees dat eens, Lady Clavering; het is te laat om het voor u te verbergen,” zeide de arme Foker; en toen de radelooze vrouw er haar blik over had laten gaan, brak zij weer in zenuwachtig gillen uit en klemde haar zoon krampachtig vast.
„Men heeft u tot een verworpeling gemaakt, arme jongen,” sprak zij. „Men heeft uw oude moeder onteerd; maar ik ben onschuldig, Frans; voor God betuig ik, dat ik onschuldig ben. Ik heb dit niet geweten, mijnheer Foker; wezenlijk, dat heb ik niet.”
„Daarvan ben ik ook overtuigd,” zeide Foker, naar haar toetredende en hare hand kussende.
„Edele, edele Henry!” riep Blanche in vervoering uit; maar hij trok de hand terug, die zich aan haar kant bevond, en keerde zich met bevende lippen van haar af. „Dat is iets anders,” zeide hij.
„Het was om harentwil, Henry – om harentwil,” en wederom plaatste jufvrouw Amory zich in postuur.
„Er had ook iets om den mijnen gedaan moeten worden,” sprak Foker. „Ik zou u genomen hebben, wie gij ook geweest waart. Alles wordt te Londen besproken, en zoo wist ik ook wel, dat het met uw vader niet – niet goed afgeloopen was. Denkt gij, dat ik u om uwe familie zou getrouwd hebben? Wel verduiveld! Met hart en ziel heb ik u twee jaar liefgehad, en ondertusschen hebt gij mij tot een speelbal gebruikt en mij bedrogen,” schreeuwde de jonkman uit. „O Blanche, Blanche, het is hard om dat te verduren,” en bij die woorden sloeg hij de handen voor zijn gelaat en snikte.
„Waarom heb ik het hem dien avond niet verteld, toen Arthur mij waarschuwde!” dacht Blanche.
„Wijs haar niet af, Henry,” riep Lady Clavering uit. „Neem haar, neem al wat ik bezit. Gij weet dat het, bij mijn dood, het hare is. Deze jongen is onterfd” – (De jonge heer Frans, die als verbijsterd dit vreemde tooneel had bijgewoond, barstte hier in een luid geschreeuw uit). „Neem tot den laatsten stuiver, dien ik bezit. Geef mij genoeg om van te leven, om mij met dit kind te gaan verbergen en beiden te ontvluchten. O, het zijn beiden slechte, slechte mannen geweest. Misschien is hij op het oogenblik reeds hier. Laat mij hem niet zien. Clavering, gij lafaard, bescherm mij tegen hem.”
Op dit voorstel sprong Clavering op. „Dat is u geen ernst, Jemima. Meent gij dat?” vroeg hij. „Gij zult u toch aan mij en Frans niet onttrekken? Ik heb het niet geweten, zoo waarlijk helpe mij –! Ik had er even weinig vermoeden van als van het uur van mijn dood, Foker, totdat de kerel overkwam en mij ontdekte, die vervloekte ontvluchte misdadiger.”
„Die wat?” vroeg Foker, en Blanche gaf een gil.
„Ja,” schreeuwde de baronet op zijne beurt, „ja, een vervloekte weggeloopen strafgevangene – een kerel, die de handteekening van zijn schoonvader, een verwenschten procureur, had nagemaakt; die een anderen kerel aan de Botany Baai vermoordde, en toen de vlucht nam naar de wildernissen, waar ik wenschte dat hij gestorven was. En hij kwam ruim zes jaar geleden bij mij en plunderde mij uit, en ik heb mij geruïneerd, om dien helschen booswicht te onderhouden! En Pendennis weet het, en Strong weet het, en die verwenschte Morgan weet het, en zij weet het, het is den hemel bekend hoelang; maar ik heb het nooit willen vertellen en ik heb het voor mijne vrouw geheim gehouden.”
„En gij hebt hem gezien en hem niet doodgeslagen, Clavering, gij lafaard?” zeide de vrouw van Amory. „Kom mee, Frans; uw vader is een bloodaard. Ik ben onteerd, maar ik ben uw oude moeder, en gij zult – gij zult mij toch liefhebben, niet waar?”
Blanche begaf zich éplorée naar hare moeder; doch Lady Clavering deinsde met een zekeren schrik voor haar terug. Raak mij niet aan, riep zij; gij hebt geen hart en hebt er nooit een gehad. Ik doorzie nu alles. Ik zie waarom die lafaard zijne plaats in het parlement aan Arthur zou afstaan; ja, die lafaard! en waarom gij dreigdet, dat gij mij zoudt noodzaken u de helft van het fortuin van Frans uit te keeren. En toen Arthur u wilde trouwen zonder dat gij een duit ten huwelijk bracht, omdat hij mijn jongen niet wilde berooven, liet gij hem varen en naamt gij den armen Henry. Laat u niet met haar in, Henry. Gij zijt er te goed voor. Trouw die – die dochter van een misdadiger niet. Kom mee, Frans, mijn lieveling; kom bij uw arme oude moeder. Wij zullen ons ergens verbergen, maar wij zijn eerlijk, ja, wij zijn eerlijk.
Onderwijl was er een zonderling gevoel van opgetogenheid in Blanche’s gemoed opgekomen. Die maand, welke zij met Henry had doorgebracht, was haar onuitstaanbaar lang gevallen. Al zijn geld en pracht was ternauwernood in staat geweest, haar aan hem zelven te gewennen. Haar geduld was uitgeput door zijn onnoozele manieren, en het stuitte haar hem verder te vleien en te bewierooken.
„Wacht even, mama; wacht even, mevrouw,” riep zij uit met een gebaar, dat gepast was, al scheen het ook wat theatraal. „Ik heb geen hart, zegt gij? Ik houd de schande mijner moeder geheim. Ik sta mijne rechten aan mijn halven broeder, mijn onechten broeder af – ja, mijne rechten en mijn fortuin. Ik verraad mijn vader niet, en echter heet het, dat ik geen hart heb. Nu wil ik mijne rechten doen gelden, en de wetten van mijn land zullen mij die toekennen. Ik beroep mij op de rechten van mijn land – ja, de rechten van mijn land! Die vervolgde man keert heden terug. Ik verlang naar mijn vader te gaan.” En het dametje zwaaide hare hand en beschouwde zich als eene heldin.
„Zult gij dat doen?” riep Clavering met een zijner gewone vloeken uit. „Ik ben vrederechter en ik zal hem, voor den duivel, laten arresteeren. Daar komt een rijtuig; misschien zit hij er in. Laat hem maar komen!”
Er naderde inderdaad een rijtuig door de laan en de beide vrouwen begonnen om het hardst te gillen, daar zij verwachtten binnen een oogenblik Altamont te zien verschijnen.
De deur ging open en mijnheer Morgan diende majoor Pendennis en mijnheer Pendennis aan, die bij hun binnentreden al de aanwezigen in dezen hooggaanden twist vonden. De ontbijtkamer was door een hoog kamerschut van de vestibule afgescheiden, en wel waarschijnlijk is het, dat mijnheer Morgan, volgens zijne gewoonte, van dat scherm gebruik had gemaakt, om zich in te wijden in hetgeen er voorviel.
Den vorigen dag was er bepaald, dat de jongelui uit rijden zouden gaan, en op het bepaalde middaguur werden mijnheer Foker’s paarden uit het Wapen van Clavering aangebracht. Jufvrouw Blanche vergezelde hem echter bij deze gelegenheid niet. Pen trad naar buiten en drukte hem op het bordes de hand, en Henry Foker reed weg, door zijn rijknecht in rouwlivrei gevolgd. Al de voorvallen, die het belangrijkste gedeelte van ons verhaal hebben uitgemaakt, waren door de betrokken partijen gedurende deze twee of drie uren besproken. Er was menige raad gegeven, menige geschiedenis verteld, menige schikking voorgeslagen; maar ten slotte reed Henry Foker heen, onder een meewarig: „God zegen’ u!” van Pen. Het was een somber diner op Clavering Park, waarbij de nieuw aangestelde hofmeester niet bediende en beide de dames afwezig waren. Na het diner zeide Pen: „Ik zal naar Clavering wandelen, om te zien of hij aangekomen is.” En hij ging de donkere laan door en de brug over en nam den weg langs zijn eigen buitenplaatsje, welks stille en hem zoo goed bekende landerijen nu verlicht werden door den gloed der ovens en smidsen van de werklieden, die den nieuwen spoorweg aanlegden; en op die wijze bereikte hij het stadje en begaf hij zich naar het Wapen van Clavering.
Het middernachtsuur was reeds voorbij, toen hij, uiterst bleek en ontroerd, op Clavering Park terugkwam. „Is Lady Clavering nog op?” vroeg hij. Ja, zij bevond zich nog in hare zitkamer. Hij ging daarheen, en trof de arme dame in een beklagenswaardigen toestand, schreiende en sidderende, aan.
„Ik ben het, – Arthur,” zeide hij, naar binnen ziende, en daarop binnentredende greep hij hare hand met warmte en drukte er een kus op. „Gij zijt altijd de voorkomendste vriendin voor mij geweest, lieve Lady Clavering,” zeide hij. „Ik houd zeer veel van u, en nu heb ik nieuws voor u.”
„Noem mij zoo niet,” gaf zij ten antwoord, terwijl zij zijne hand drukte. „Gij zijt altijd een goed kind geweest, Arthur, en het is zeer vriendelijk van u, dat gij nu komt, – zeer vriendelijk. Bij wijlen gelijkt gij bijna sprekend op uwe ma, beste jongen.”
„Lieve goede Lady Clavering” herhaalde Arthur, met bijzonderen nadruk op die woorden, „er is iets zeer zonderlings gebeurd.”
„Is hèm iets overkomen?” kon Lady Clavering ternauwernood uitbrengen. „O, het is verschrikkelijk als ik bedenk, dat ik daarom blij zou zijn – verschrikkelijk.”
„Hij is in welstand. Hij is er geweest en hij is weer weg, lieve mevrouw. Maak u niet ongerust, – hij is weg en gij zijt altijd Lady Clavering.”
„Is het dan waar, wat hij mij somtijds gezegd heeft,” kreet zij, „dat hij –”
„Dat hij getrouwd was voordat hij u trouwde,” vulde Pen aan. „Hij heeft het heden avond bekend. Hij zal nooit weer terugkomen.” Er volgde wederom een gil, maar nu sloeg zij haar armen om Pen’s hals, kuste hem en barstte op zijn schouder in tranen los.
Wat Pen onder tal van snikken en vragen te vertellen had, moeten wij in weinige woorden samenvatten, want wij hebben onze bepaalde grens bereikt en ons verhaal spoedt ten einde. Amory was aangekomen met den omnibus van den spoorweg, die de oude diligences Alacrity en Perseverance had vervangen, en aan het Wapen van Clavering afgestapt. Hij bestelde een diner onder den aangenomen naam van Altamont en wilde, daar hij van gezelligen aard was, met den kastelein drinken, die er niets tegen had van zijn wijn mee te proeven. Toen hij mijnheer Lightfoot had uitgehoord omtrent de familie op het park, en hem daaruit gebleken was, dat jufvrouw Lightfoot, gelijk zij verzekerd had, haar mond had gehouden, liet hij door mijnheer Lightfoot nog wat wijn brengen en na afloop van dit feestmaal begaven beiden zich in hoogst opgewonden toestand naar jufvrouw Lightfoot’s buffet.
Zij zat daar met hare vriendin madame Fribsby thee te drinken, en Lightfoot was thans zoo zalig, dat hij zich over niets ter wereld zou verwonderd hebben, zoodat, toen Altamont jufvrouw Lightfoot als eene oude kennis de hand schudde, die herkenning hem volstrekt niet vreemd voorkwam, maar hem alleen eene voldoende reden toescheen om nog meer te drinken. De heeren gingen dus aan den brandewijngrog, dien zij ook de dames wilden laten proeven, zonder zich om de verschrikte blikken van beiden te bekommeren.
Terwijl zij daarmee bezig waren – het was omstreeks zes uur in den namiddag – kwam mijnheer Morgan, Sir Francis Clavering’s nieuwe hofmeester, binnen en werd uitgenoodigd mee te drinken. Hij koos zijn geliefkoosden drank en het gezelschap was spoedig in een algemeen gesprek verdiept.
Na eene poos begon mijnheer Lightfoot in te dutten. Mijnheer Morgan had meer dan eens aan madame Fribsby een wenk gegeven om het vertrek te verlaten; doch die dame, naar het scheen op zonderlinge wijze hier geboeid, of wel verbijsterd, of misschien ook door jufvrouw Lightfoot aangespoord om niet te vertrekken, bleef zitten. Dit ergerde mijnheer Morgan, die zijn misnoegen te kennen gaf in bewoordingen, welke jufvrouw Lightfoot kwetsten en Altamont deden zeggen, dat hij een rare klant en niet bijzonder beleefd jegens dames was.
De woordenwisseling tusschen de beide heeren maakte de vrouwen zeer beangst, en inzonderheid jufvrouw Lightfoot, die alles aanwendde om mijnheer Morgan tot bedaren te brengen; en onder voorwendsel van den vreemde een lucifer te geven, stak zij hem een papiertje toe, waarop zij heimelijk geschreven had: „Hij kent u. Maak u uit de voeten.” Misschien wekte de wijze, waarop dat papier overhandigd werd of de gast het las, achterdocht op, want toen hij kort daarna opstond en verklaarde, dat hij naar bed ging, stond Morgan met een schaterlach ook op en zeide, dat het nog veel te vroeg was om te gaan slapen.
Toen de onbekende desniettemin zeide, dat hij zich naar zijne slaapkamer zou begeven, antwoordde Morgan, dat hij hem den weg zou wijzen.
„Kom dan maar boven,” was het wederwoord van den vreemdeling. „Ik heb daar een paar pistolen om elken verrader of spion voor den kop te schieten,” en daarbij zag hij Morgan met zulke vlammende blikken aan, dat deze Lightfoot bij zijn kraag greep en wakker schudde, en daarbij uitriep: „John Amory, ik arresteer u in naam der koningin. Leen mij de hand, Lightfoot. Deze vangst is duizend pond waard.”
En daarbij strekte hij de hand uit om zijn gevangene te grijpen; maar de ander balde zijne vuist en bracht met zijne linkerhand aan Morgan zulk een geweldigen slag op de borst toe, dat hij achter mijnheer Lightfoot neertuimelde. Deze heer, die van athletische gestalte en moedigen aard was, zeide, dat hij zijn gast de hersens zou inslaan, en maakte zich gereed die bedreiging ten uitvoer te leggen, toen de vreemdeling zijn rok afwierp en, onder het vervloeken van zijne tegenstanders, hun toebulderde, dat zij maar moesten opkomen.
Maar met een doordringenden gil wierp zich jufvrouw Lightfoot voor haar man, terwijl madame Fribsby met een nog luider kreet op den vreemdeling toesnelde en onder den uitroep: „Armstrong, Johnny Armstrong!” zijn ontblooten arm greep, op welken een hart en de letters M. F. getatoueerd zichtbaar waren.
Die uitroep van madame Fribsby scheen den vreemdeling te verwonderen en nuchter te maken, en op haar neerziende, zeide hij: „Waarachtig, het is Polly!”
„Dit is Amory niet,” ging madame Fribsby voort; „het is Johnny Armstrong, mijn ondeugende man, die mij in St. Martin’s kerk trouwde, die stuurman op een Oostindievaarder was en mij twee maanden later verliet, die booswicht! Dit is John Armstrong – hier staat het merk op zijn arm, dat hij voor mij maakte.”
„Ik ben John Armstrong, dat is maar al te waar, Polly,” zeide de vreemdeling „Ik ben John Armstrong, Amory Altamont, – en laten zij nu maar allen opkomen en zien wat zij tegen een Britsch zeeman kunnen uitrichten. Hoera! daar gaat het er op los!”
Nog altijd riep Morgan: „Arresteer hem!” Doch jufvrouw Lightfoot riep uit: „Hem arresteeren? hem arresteeren? gemeene spion! Hoe! het huwelijk stuiten, mylady ruïneeren en ons het Wapen van Clavering ontnemen?”
„Zegt hij, dat hij ons het Wapen van Clavering zal ontnemen?” vroeg mijnheer Lightfoot, zich plotseling omkeerende. „Ik zal hem ophangen, – ik zal hem worgen.”
„Houd hem vast, manlief, tot de omnibus voorbijkomt, die naar den spoorweg rijdt. Die zal dadelijk hier zijn!”
„Wel verd–! ik zal hem smoren als hij eene vin verroert,” zeide Lightfoot. En op die wijze hielden zij Morgan in bedwang tot de omnibus voorbijkwam en mijnheer Amory of Armstrong naar Londen vertrok.
Morgan was hem nagereisd; maar hieromtrent lichtte Arthur Pendennis Lady Clavering niet in, en toen hij haar verliet, bad zij ’s hemels zegen over hem af aan de sponde van haar zoon, dien zij ging kussen terwijl hij lag te slapen. Het was een drukke dag geweest.
Wij moeten de gebeurtenissen van nog één dag opteekenen, en wel van den dag toen mijnheer Arthur getooid met een nieuwen hoed, een nieuwen blauwen rok en eene blauwe das, met een nieuw fantasievest, nieuwe laarzen en nieuwe hemdsknoopjes (hem geschonken door de hooggeboren vrouwe gravin douairière van Rockminster) aan een eenzame ontbijttafel op Clavering Park verscheen, waar hij ternauwernood een enkele bete kon nuttigen. Er lagen twee brieven naast zijn bord, waarvan hij eerst den een, welks adres met eene ronde kantoorhand geschreven was, opende, om vervolgens den anderen te lezen, waarvan de hand hem beter bekend was.
De brief No. 1 luidde als volgt:
„Maatschappij voor den handel in Garbanzos-wijn, gevestigd in Shepherd’s Inn.
Maandag.
„Waarde Pendennis, Ik feliciteer u hartelijk met de gebeurtenis, die u voor uw gansche leven gelukkig zal maken, en verzoek u, mijne vriendelijkste complimenten aan mevrouw Pendennis te willen overbrengen, die ik nog langer hoop te kennen dan ik haar reeds gekend heb. En wanneer ik haar aandacht vestig op de omstandigheid, dat zuivere sherry een der noodzakelijkste artikelen is om het haar gemaal genoeglijk in huis te maken, ben ik zeker dat ik haar tot klant zal hebben om den wille van u zelven.
„Maar ik heb u andere zaken dan mijn eigene mee te deelen. Gisterennamiddag kwam zekere J. A. op mijne kamers aan, uit Clavering, dat hij verlaten had onder omstandigheden, welke gij ongetwijfeld kent. Ondanks de oneenigheid, die wij hadden gehad, kon ik niet nalaten hem voedsel en dak te verleenen (en hij maakte zoowel van de Garbanzo Amontillado als van de Toboso-ham een ruim gebruik), waarop hij mij verhaalde wat hem weervaren was, benevens nog een aantal andere verbazende avonturen. De schavuit trouwde reeds op zijn zestiende jaar en herhaalde later die plechtigheid nog vele malen – te Sidney, in Nieuw Zeeland, in Zuid-Amerika, in Newcastle, en dat alles nog vóórdat hij onze arme vriendin de modemaakster leerde kennen. Het is een volslagen Don Juan.
„En het scheen ook alsof de kommandeur hem eindelijk verraste, want terwijl wij aan den maaltijd zaten, hoorden wij drie zware slagen op mijne buitendeur, die onzen vriend van schrik deden opspringen. Ik heb hier zelf een paar belegeringen doorgestaan en ging dus naar mijn gewone plaatsje op verkenning uit. Gelukkig is er thans geen enkele wissel van mij in omloop, en bovendien melden de heeren van dat vak zich niet op die wijze aan. Ik zag, dat het Morgan, de voormalige bediende van uw oom was, met een agent van politie (die ik echter geloof dat geen echte agent was). Zij zeiden, dat zij een bevel van gevangenneming hadden tegen John Armstrong, alias Amory, alias Altamont, een ontvlucht strafgevangene, en dreigden de deur in te slaan.
„Nu had ik, mijnheer, in mijn eigen dagen van gevangenschap een kleinen uitweg langs de goot naar het venster van Bows en Costigan ontdekt, en ik zond onzen Alias nu langs dien bedekten weg, die echter zeer wrak was geworden, zoodat ik niet zonder vrees voor zijn leven was, en daarop liet ik, na eenige onderhandeling, mijnheer Morgan met zijn vriend binnen.
„De schelm was echter van het bestaan van dien bedekten weg onderricht, want hij liep dadelijk door naar de kamer en gelastte den politieagent naar beneden te gaan en op de deur te passen, waarna hij mijne kleine trap opvloog, alsof hij de inrichting van het huis kende. Toen hij het venster uitging hoorden wij eene ook aan u welbekende stem uit Bows’ bovenkamertje roepen: „Wie zijt gij, en wat duivel komt gij doen? Als ge prijs op uw leven stelt, verlaat dan die goot, want er is al een man doodgevallen.”
„En terwijl Morgan gedurende dien overtocht in de duisternis trachtte te zien of die ijzingwekkende tijding wel waar was, nam hij een bezemstok en brak met een krachtigen slag de verbindingspijp af. Van morgen vertelde hij mij opgetogen, dat deze eenvoudige list hem ingegeven was door de herinnering aan zijn schatje van een Emily, toen zij de rol van Cora vervulde, en door de brug van Pizarro. Ik wenschte, dat die schurk van een Morgan op de brug ware geweest, toen de generaal zijne list te baat nam.
„Indien ik van Alias iets nader verneem, zal ik het u melden. Hij heeft nog overvloed van geld, en toen ik hem aanspoorde daarvan een weinigje aan onze arme vriendin de modemaakster te zenden, begon de schavuit te lachen en zeide, dat hij niet méér bezat dan hij zelf noodig had; maar hij zou met genoegen eene lok van zijn haar zenden aan ieder, die er prijs op stelde. Vaarwel – leef gelukkig en geloof mij altijd
„Uw toegenegen E. Strong.”
„En nu de andere brief,” zeide Pen. „Die goede oude vriend!” en hij kuste het lak alvorens het te verbreken.
„Warrington, Dinsdag.
„Ik mag dezen dag niet laten voorbijgaan, zonder u beiden Gods besten zegen toe te wenschen. Moge de hemel u, beste Arthur en lieve Laura, gelukkig maken. Ik geloof, Pen, dat gij de beste vrouw van de wereld gekregen hebt, en hoop, dat gij haar als zoodanig zult liefhebben en koesteren. De kamers zullen zonder u, Pen, zeer eenzaam wezen; maar als ik er mij verveel, zal ik een nieuw thuis hebben bij mijn broeder en zuster. Ik oefen mij hier reeds op de kinderkamer, om mij op de rol van oom George voor te bereiden. Vaarwel! doe uw huwelijksreisje en keer dan terug naar
„Uw toegenegen G. W.”
Pendennis en zijne vrouw lazen dien brief te zamen toen het ontbijt bij doctor Portman was afgeloopen en de gasten vertrokken waren, en het rijtuig, te midden van eene bijeengeschoolde volksmenigte, voor het huis van den doctor stond te wachten. Doch een zijdeurtje leidde naar de begraafplaats der St.-Mary’skerk, wier klokken luide galmden, en hier was het, op de graszode die Helena’s graf bedekte, dat Arthur aan zijne vrouw George’s brief liet zien. Was het uit droefheid of uit besef van geluk, dat Laura’s tranen zoo overvloedig op het papier neerstroomden? En nogmaals, in de nabijheid der gewijde asch, kuste en zegende zij haar dierbaren Arthur.
Er werd dien dag slechts één huwelijk in de kerk van Clavering voltrokken want ondanks Blanche’s opofferingen voor hare lieve moeder, kon de eerlijke Henry Foker geen vergiffenis schenken aan de vrouw, die haar bruidegom misleid had, en zeer te recht beweerde hij, dat zij hem andermaal zou bedriegen. Hij deed een reisje naar de pyramiden en naar Syrië, waar hij zijn hartzeer achterliet, en kwam terug met een mooien baard en eene verzameling tarboeshes en narguilés, waarop hij al zijne vrienden onthaalt. Hij leeft op grooten voet en neemt, op Pen’s aanraden, zijne wijnen van de beroemde gewassen van den hertog van Garbanzos.
Het lot van den armen Cos is reeds in vroegere bladzijden van dit verhaal vermeld. Na zulk een leven kon men geen roemrijk einde verwachten. Morgan is een der geachtste ingezetenen in het kerspel van St. James en heeft zich bij de tegenwoordige staatkundige beweging als een man en een Brit doen kennen. Wat Bows betreft – deze werd na het overlijden van den heer Piper, den organist te Clavering, door de kleine jufvrouw Sam Huxter, die dominé Portman om haar vinger windt, uit Londen gehaald, om naar een vacanten post te dingen, en behaalde ook de overwinning. Toen Sir Francis Clavering zijn onwaardig leven eindigde, nam dezelfde onvermoeide kleine bemoeial het district stormenderhand in, dat nu in het parlement vertegenwoordigd wordt door den weledelgeboren heer Arthur Pendennis. Blanche Amory is, gelijk iedereen weet, te Parijs getrouwd, en de salons van madame la comtesse de la Blague de Montmorenci de Valentinois behoorde onder de meest bezochte der hoofdstad. Het duel tusschen den graaf en het jonge en heethoofdige lid der bergpartij, Alcide de Mirobo, was alleen het gevolg van den twijfel, dien deze laatste in de club opperde omtrent de echtheid der titels, die de edelman voerde. Madame de la Blague de Montmorenci de Valentinois ondernam eene reis na die gebeurtenis, en Bungay kocht hare gedichten en gaf die uit, met de gravinnenkroon prijkende op het werk der gravin.
Majoor Pendennis werd in zijne laatste dagen heel fijn, en was nooit gelukkiger dan wanneer Laura hem met hare lieve stem iets voorlas of naar zijne verhalen luisterde. Want deze beminnelijke dame is de vriendin van oud en jong en brengt haar leven door met anderen gelukkig te maken.
„En welk soort van echtgenoot zou die Pendennis wel zijn?” vraagt wellicht menig lezer, bezorgd voor het heil van zulk een huwelijk en voor het fortuin van Laura. Wij verwijzen de vragers naar de dame zelve, die, ofschoon zij zijne gebreken en sombere buien wel opmerkt (en ziet en bekent dat er betere mannen zijn dan hij is), hem toch altijd de standvastigste liefde toedraagt. Zijne kinderen, of hunne moeder, hebben nooit een hard woord uit zijn mond gehoord, en begroeten hem, wanneer zijne vlagen van neerslachtigheid of afgetrokkenheid voorbij zijn, weer met onverminderde achting en vertrouwen. Zijn vriend is nog altijd zijn vriend, – geheel gezond van hart, want die ziekte is nooit gevaarlijk voor een gezond orgaan. En George vervult zijne rol van peter uitmuntend en woont alleen. Indien mijnheer Pen met zijne werken meer naam gemaakt heeft dan zijn kundiger vriend, die bij niemand bekend is, zoo leeft George toch tevreden zonder dien roem. Zoo de beste menschen niet de hoogste prijzen in de loterij des levens trekken, weten wij, dat het aldus bepaald is door den Beschikker der loterij. Wij weten en zien dagelijks, dat de valschen en boozen leven en voorspoedig zijn, terwijl de goeden worden weggeroepen en de dierbaren en jeugdigen vóór hun tijd ten grave dalen; wij zien in ieders leven een verstoord geluk, een veelvuldig struikelen, een onvruchtbaar streven, een strijd tusschen goed en kwaad, waarin de sterken dikwijls bezwijken en de vluggen achterhaald worden; wij zien bloemen der deugd op onreine plaatsen groeien, gelijk wij het grootste en luisterrijkste geluk soms ontsierd zien door smetten der ondeugd en vlekken des kwaads. En laten wij nu, daar wij weten hoeveel er nog aan den besten onder ons ontbreekt, eene liefderijke hand, in weerwil van al zijne feilen en tekortkomingen, aan Arthur Pendennis toereiken, die geen held beweert te zijn, maar alleen een man en een broeder.
EINDE.
AANTEEKENINGEN
[1] In het begin dezer eeuw de toongever der modewereld te Londen.
[2] Niet met zwakke vleugelen.
[3] Herinnering aan den Vicar of Wakefield, van Goldsmith.
[4] Vanity Fair (De Kermis der IJdelheid).