← Geschiedenis van Arthur Pendennis

Geschiedenis van Arthur Pendennis (part 1 of 4)

Part 1 of 4 · William Makepeace Thackeray · Public domain text

About this edition

Source: Project Gutenberg e-text #77583, public domain in the United States · text not rewritten or summarized · How RedLectern is built

 

Contents (4)

Continue:

Geschiedenis van Arthur Pendennis

W. M. THACKERAY

GESCHIEDENIS VAN ARTHUR PENDENNIS

ZIJN VOOR- EN TEGENSPOED ZIJN VRIENDEN EN ZIJN GROOTSTEN VIJAND

DE VERTALING HERZIEN DOOR DR. M. P. LINDO

SCHIEDAM H. A. M. ROELANTS

GESCHIEDENIS VAN ARTHUR PENDENNIS.

EERSTE HOOFDSTUK.

WAARIN MEN ZIET HOE EENE EERSTE LIEFDE EEN ONTBIJT KAN VERSTOREN.

Op zekeren fraaien morgen in het hartje van het Londensche seizoen kwam majoor Arthur Pendennis van zijn kamers, om naar gewoonte te gaan ontbijten in zekere club in Pall Mall, waarvan hij een der grootste sieraden was. Daar hij onder de beste wijnkenners in Engeland behoorde, en een man was van een werkzamen, gebiedenden en onderzoekenden geest, was hij zeer te recht tot lid der commissie van beheer der club verkozen, ja men kon bijna zeggen, dat hij de bestuurder dier inrichting was; en de hofmeesters en knechts bogen voor hem even onderdanig als voor een hertog of een veldmaarschalk.

De majoor verscheen altijd zonder feil kwart over tienen, met de best gepoetste laarzen uit gansch Londen, eene geruite morgendas, waarin tot op het uur van het diner geen kreukje kwam, een geel vest, welks knoopen de koninklijke kroon droegen, en linnen zoo smetteloos, dat Brummel [1] zelf hem den naam zijner waschvrouw gevraagd had en haar zeker met zijne klandizie zou begunstigd hebben, zoo de tegenspoed dien grooten man niet genoodzaakt had uit zijn land te vluchten. De rok, de witte handschoenen, de bakkebaarden, ja tot zelfs de rotting van Pendennis waren in hun soort volmaakte toonbeelden van de uitrusting van een gepensioneerd militair. Zag men hem op een afstand, of enkel op den rug, men zou hem niet meer dan dertig jaren gegeven hebben; alleen van naderbij ontdekte men, dat zijn weelderig bruin haar niet echt was, en dat zich eenige rimpels vertoonden rondom de eenigszins verflauwde oogen in zijn niet onbevallig en blozend gelaat. Zijn neus was van het Wellington model. Zijne handen en manchetten waren sierlijk lang en blank. Aan de laatstgenoemde had hij fraaie gouden knoopen, een geschenk van zijne koninklijke hoogheid den hertog van York, en aan de eerste meer dan één eleganten ring, waarvan de voornaamste en grootste met het vermaarde wapen der familie Pendennis versierd was.

Hij nam altijd dezelfde tafel in hetzelfde hoekje van het vertrek in bezit, waaruit nu nooit iemand meer op de gedachte kwam om hem te verjagen. Een paar dolle snaken en wilde knapen hadden in vroeger tijd voor de grap, of uit plaagzucht, hem een paar malen van zijne plaats trachten te berooven; doch er was, toen de majoor zich aan het volgende tafeltje zette en zijn blik op de indringers liet rusten, zulk eene kalme waardigheid in zijne houding, dat geen mensch bij mogelijkheid rustig onder zijn oog kon zitten ontbijten, en die tafel – bij het vuur, en toch dicht bij het venster – werd zijn eigendom. De voor hem aangekomen brieven werden daar in afwachting van zijne komst neergelegd, en menig jong lid der club staarde met verbazing op dat aantal missives met de verschillende poststempels en lakken. Wanneer men weten wilde wat de etiquette voorschreef, wat er in de voorname kringen gebeurde, wie getrouwd was met dezen of genen, of hoe oud die of die hertog wel was, dan was Pendennis de man, tot wien iedereen zich wendde. Markiezinnen hielden dikwijls met haar rijtuig aan de club stil en gaven briefjes voor hem over, of kwamen hem afhalen. Hij was de minzaamheid zelf. De jongelieden wandelden gaarne met hem in het park of door Pall Mall, want hij groette iedereen, en om den anderen was het een „lord,” dien hij ontmoette.

De majoor zette zich dus aan zijn gewoon tafeltje, en terwijl de bedienden liepen om zijn geroosterd brood en zijne courant te halen, bekeek hij zijne brieven door zijn gouden dubbel lorgnet. Hij hanteerde dit zoo luchtig, dat men weinig vermoed zou hebben dat het een vermomde bril was, en onderzocht het eene elegante briefje na het andere en rangschikte ze in zekere orde. Er waren groote en deftige uitnoodigingskaarten voor diners, die aan drie entrées en eene vervelende conversatie deden denken; er waren sierlijke, kleine, vertrouwelijke briefjes, die verzoeken van dames inhielden; er was een brief op dik officieel papier van den markies van Steyne, die hem verzocht te Richmond te komen deelnemen aan een partijtje in het beroemde logement The Star and Garter, en daar Fransch te spreken, eene taal, die de majoor meester was; en een andere brief, waarbij de hoogeerwaarde heer Trail, bisschop van Ealing, en zijne vrouw verzochten de eer te mogen smaken van majoor Pendennis’ gezelschap op Ealing House, al welke geschriften de majoor met genoegen las, en dat te meer, daar Glowry, de Schotsche chirurgijn, die tegenover hem zat te ontbijten, het aanzag en een hekel aan hem had, omdat hij zooveel uitnoodigingen kreeg, terwijl nooit iemand er een aan Glowry zond.

Toen de majoor dat alles had doorgezien, haalde hij zijn zakboekje uit, om na te gaan op welke dagen hij vrij was, en welke van die vele gastvrije uitnoodigingen hij bij machte was aan te nemen en welke hij van de hand moest wijzen.

Hij liet Cutler, den Mededirecteur der Oost-Indische Compagnie, in Baker Street, in den steek, ten einde met Lord Steyne en het kleine Fransche gezelschap in den Star and Garter te kunnen dineeren; des bisschops uitnoodiging nam hij aan, omdat hij, ofschoon de maaltijd vervelend was, gaarne met bisschoppen aanzat; en zoo liep hij de lijst door en besliste naarmate van zijn lust of belang. Daarop ontbeet hij, liet de oogen over het nieuwsblad gaan, las de benoemingen, geboorten en sterfgevallen, de nieuwtjes uit de voorname wereld, onderzocht of zijn naam niet vergeten was in de lijst der gasten, die de partij bij Lord Die-en-die bezocht hadden, en onderhield zich, in de oogenblikken van verpoozing tusschen al die verschillende bezigheden, op opgeruimden toon met zijne aanwezige bekenden.

Van de brieven, die heden morgen majoor Pendennis ontvangen had, was er slechts één ongelezen gebleven; die lag eenzaam en verre van al die aanzienlijke Londensche brieven en droeg een plattelandspostmerk en een eenvoudig lak. Het adres was in eene fijne en fraaie vrouwenhand geschreven, en hoewel de schoone schrijfster er cito had bijgezet en dit woord met eene streep, die van zenuwachtigheid getuigde, onderhaald was, had de majoor echter, om bijzondere redenen, tot nog toe die nederige verzoekster van het platteland laten liggen, die dan ook onder zooveel groote lui, die hunne opwachting bij hem kwamen maken, bezwaarlijk op een gehoor kon hopen. Het was, om de waarheid te zeggen, een brief van eene schoonzuster van Pendennis, en terwijl de voorname bekenden van haar broeder ontvangen werden en een onderhoud kregen en als het ware weder wegreden, bleef de geduldige plattelandsbrief een geruimen tijd in de voorzaal, onder de spoelkom, op audiëntie wachten.

Maar eindelijk kwam ook deze brief met zijn postmerk „Clavering St. Mary’s” aan de beurt, en verbrak de majoor het lak, waarop „Fairoaks” gegraveerd stond. Er was een andere brief bij ingesloten, en de majoor begon den omslag te lezen eer hij op het binnenste aanviel.

„Was dat ook een brief van een hertog,” gromde Glowry inwendig, „dan ben ik zeker, dat Pendennis hem niet tot het laatst zou hebben gelaten.”

„Waarde majoor Pendennis,” begon de brief, „ik verzoek en smeek u, dadelijk tot mij te komen,” – dat kunt gij begrijpen, dacht Pendennis; en dan Steyne’s diner vandaag? – „ik verkeer in de grootste smart en verlegenheid. Mijn beste jongen, die tot nog toe alles geweest is wat de teerhartigste moeder kon wenschen, grieft mij vreeselijk. Hij heeft – ik kan het haast niet neerschrijven – eene genegenheid, een verblinden hartstocht opgevat,” – hier grijnsde de majoor – „voor eene actrice, die hier gespeeld heeft. Zij is minstens twaalf jaar ouder dan Arthur – die in Februari aanstaande pas achttien zal worden – en die kwajongen wil haar met geweld trouwen.”

„Hé! waarom vloekt Pendennis zoo?” vroeg Glowry in zich zelven, want woede en verwondering waren te lezen in den open mond van den majoor, toen hij die verbazende tijding las.

„Kom toch, beste vriend,” ging de van smart verslagene dame voort, „kom dadelijk tot mij als gij dezen ontvangt, en verzoek en beveel gij, als Arthur’s voogd, dat mijn rampzalig kind dit allernoodlottigst besluit opgeve.” En na nog verscheidene aansporingen van dien aard, eindigde de schrijfster met zich te teekenen, „des majoors ongelukkige, maar toegenegene zuster, Helena Pendennis.”

„Fairoaks, Dinsdag,” eindigde de majoor, de laatste woorden van den brief lezende. „Een verd..... mooi geval op Fairoaks, Dinsdag! – laten wij nu eens zien wat de jongen zelf te zeggen heeft;” en bij die woorden nam hij den anderen brief op, geschreven in eene groote ongeregelde jongenshand, verzegeld met het groote zegel der Pendennis’en, nog grooter dan dat van den majoor, en met veel noodeloos lak rondom het cachet, een bewijs van het beven en van de zenuwachtigheid van den schrijver.

De brief was van dezen inhoud:

„Fairoaks, Maandag, middernacht.

„Waarde Oom,

„Als ik u kennis geef van mijn engagement met mejufvrouw Costigan, dochter van den heer J. Chesterfield Costigan, van Costiganstown, u echter misschien beter bekend onder den naam, dien zij in de kunstwereld heeft aangenomen, als mejufvrouw Fotheringay van de koninklijke schouwburgen in Drury Lane en Crow Street, geëngageerd voor de kunstreizen naar Norwich en door Wallis, dan weet ik, dat ik u eene kennisgeving doe, die, althans naar de tegenwoordige vooroordeelen der maatschappij, aan mijne familie niet aangenaam kan zijn. Mijne lieve moeder, wie ik – God is mijn getuige – nooit eenige noodelooze smart zou willen berokkenen, is, het spijt mij dat ik het zeggen moet, diep ontroerd en getroffen door de mededeeling, die ik haar heden avond gedaan heb. Ik bezweer u, oom-lief, hier te komen, om haar tot rede te brengen en te troosten. Ofschoon mejufvrouw Costigan wegens gebrek aan fortuin genoodzaakt is een eervol onderhoud te verdienen door partij te trekken van hare schitterende talenten, is hare familie zoo oud en edel als de onze. Toen onze voorvader Rolf Pendennis met Richard II in Ierland aankwam, waren de voorvaderen mijner Emily koningen van dat gewest. Ik weet dit van mijnheer Costigan, die evenals gij een militair is.

„Ik heb tevergeefs getracht met mijne lieve moeder te redeneeren, en haar te bewijzen, dat eene jonge dame, op wier naam en afkomst niets aan te merken is, die de schitterendste gaven van schoonheid en genie bezit, die zich wijdt aan de uitoefening van een der edelste vakken, met het loffelijke doel om hare betrekkingen te onderhouden, iemand is, die wij allen eerder zouden moeten liefhebben en vereeren, dan schuwen. Mijne arme moeder is met vooroordeelen behebt, die mijne redeneeringen niet uit den weg kunnen ruimen, en weigert een meisje in hare armen te sluiten, dat levenslang hare liefhebbende dochter zou willen zijn.

„Ofschoon mejufvrouw Costigan eenige jaren ouder is dan ik, behoeft dit geen hinderpaal tegen mijne genegenheid te zijn, en ik weet, dat het een invloed op de duurzaamheid er van zal hebben. Eene liefde als de mijne, waarde oom, weet ik, dat voor het leven is. Gelijk ik nooit van liefde gedroomd had voordat ik haar zag, gevoel ik nu, dat ik sterven zal zonder ooit een anderen hartstocht te kennen: Ik heb mijne bestemming gevonden. Mejufvrouw Costigan was het zelve, die in hare kieschheid mij indachtig maakte, dat het verschil van leeftijd, waarop ik nimmer zou gelet hebben, een hinderpaal tegen onze vereeniging kon zijn. Doch na eenmaal liefde opgevat te hebben, zou ik mij zelven verachten en den naam van gentleman onwaardig zijn, indien ik aarzelde gestand te blijven aan mijne genegenheid; indien ik niet alles gaf waar ik alles gevoelde, en niet mijn gansche hart en mijn gansche fortuin schonk aan de vrouw, die mij zoo teer bemint.

„Ik dring op een spoedig huwelijk met mijne Emily aan – want waarom het toch uit te stellen? Uitstel geeft een twijfel te kennen, dien ik, als mijner onwaardig, verre van mij werp. Mijne gevoelens ten opzichte van Emily kunnen onmogelijk veranderen; op geen leeftijd kan zij iets anders zijn dan het eenige voorwerp mijner liefde. Waarom dan te wachten? Ik smeek u, waarde oom, hier te komen en mijne lieve moeder vrede te doen hebben met onze vereeniging, en ik wend mij tot u als een man van de wereld qui mores hominum multorum vidit et urbes, die geen zier van die zwakke bezorgdheid en vrees zal gevoelen, welke eene vrouw beklemt, die den voet bijna niet buiten haar dorp heeft gezet.

„Ik bid u, dadelijk tot ons te komen. Ik houd mij overtuigd, dat gij – beschouwingen van geheel wereldlijken aard, wat het geld betreft, daarbuiten gelaten – mijne Emily zult bewonderen en mijne keus goedkeuren.

„Uw toegenegen neef,

Arthur Pendennis Jr.”

Toen de majoor dezen brief uitgelezen had, stond er zooveel toorn en afgrijzen op zijn gelaat geschilderd, dat Glowry, de chirurgijn, in zijn zak naar zijn lancet zocht, dat hij altijd in zijn etui met visitekaartjes had, daar hij verwachtte, dat zijn geachte vriend eene beroerte zou krijgen. Het bericht was dan ook toereikend, om Pendennis van zijn stuk te brengen: het hoofd der Pendennis’en op het punt om eene actrice te trouwen, die tien jaar ouder was dan hij! een onberaden knaap van zins om blindelings in den strik te loopen! „De moeder heeft dien jongen schavuit door hare verwenschte sentimentaliteit en romantischen onzin bedorven,” bromde de majoor. „Mijn neef eene tooneelprinses trouwen! Genadige hemel, men zal mij zóó uitlachen, dat ik mijn gezicht niet meer zal durven vertoonen.” En daarbij bedacht hij met onuitsprekelijke zielesmart, dat hij er het diner met Lord Steyne te Richmond aan moest geven, en dat hij zijne rust moest opofferen en den nacht in eene verfoeielijke, bedompte diligence doorbrengen, in plaats van, gelijk hij had voorgenomen, zich te ontspannen in het gezelschap van het onderhoudendste en meest uitgezochte gezelschap in geheel Engeland.

En hij moest niet alleen van deze, maar een tijdlang van alle andere partijen afstand doen. Wie toch kon zeggen, hoelang die zaak hem ophouden zou! Hij ging van zijne ontbijttafel naar de aangrenzende zaal, en schreef daar, met diepe smart, weigerende antwoorden aan den markies, den graaf, den bisschop en allen, die hem genoodigd hadden. Daarop liet hij zijn knecht plaatsen bespreken in de diligence van dien avond, waarbij hij natuurlijk de reiskosten op rekening stelde van de weduwe en van den jongen guit, waarover hij voogd was.

TWEEDE HOOFDSTUK.

EEN STAMBOOM EN ANDERE FAMILIE-AANGELEGENHEDEN.

In het begin van het regentschap van George den Prachtlievende woonde in een stadje in het westen van Engeland, Clavering geheeten, zeker heer met name Pendennis. Er leefden er nog, die zich herinnerden zijn naam geschilderd te hebben gezien op een bord onder een vergulden vijzel en stamper, boven de deur van een zeer gering winkeltje in Bath, waar de heer Pendennis het beroep van apotheker en chirurgijn uitoefende, en waar hij niet alleen heeren op hunne ziekenkamers en dames in de belangwekkendste tijdperken van haar leven bezocht, maar zich ook wilde verwaardigen om eene hechtpleister aan eene boerin aan de toonbank te verkoopen, of tandenborstels, haarpoeier en Londensche parfumerieën aan den man te brengen. Deze feiten waren sommige lieden te Clavering bereid te bezweren, want de herinnering hield daar misschien langer stand dan in eene groote en drukke hoofdstad.

En evenwel was dat apothekertje, dat aan den komenden man een stuiver vlugzout of een welriekend stuk Windsor-zeep verkocht, een gentleman van goede opvoeding en van eene familie zoo oud als de beste in het graafschap Somerset. Hij bezat een Cornwallschen stamboom, die de Pendennis’en tot den tijd der Druïden deed opklimmen, en de hemel weet hoeveel hooger. Zij hadden zich eerst in later tijd met de Normandische geslachten verzwagerd en waren aan al de groote familiën van Wallis en Bretagne vermaagschapt. Pendennis had ook voor een gedeelte eene academische opleiding genoten, en zou dien weg wellicht verder met grooten roem bewandeld hebben, zoo het noodlot niet in het tweede jaar van zijn verblijf te Cambridge gewild had, dat zijn vader stierf, waardoor de arme Pen genoodzaakt werd tot den stamper en den vijzel over te gaan. Hij had altijd een afkeer van zaken gehad, en het was alleen nooddwang en het aanbod van zijn moeders broeder, een Londensch apotheker van geringe familie, tot welke Pendennis’ vader zich door zijn huwelijk verlaagd had, die John Pendennis tot zulk een afschuwelijk beroep dreven.

Hij scheidde zich spoedig na zijne leerjaren van zijn onbeschaafden oom en vestigde zich te Bath met een bescheiden medisch uithangbord. Een tijdlang had hij een harden strijd tegen de armoede te voeren, en het uiterste wat hij doen kon, was den winkel en diens vergulde sieraden behoorlijk te onderhouden en het zijner bedlegerige moeder gemakkelijk te maken. Doch het gebeurde eens, dat Lady Ribstone, op weg naar de concertzaal, door een dronken Ier, die haar draagstoel torschte, tegen Pen’s eigen deurstijl geslagen werd, waarbij de draagstok zelfs door de fraaiste lichtroode flesch heenging, die het venster van den chirurgijn versierde. De dame sprong gillende uit het voertuig en werd in den winkel van mijnheer Pendennis met een stoel geriefd, terwijl men haar met kaneelwater en vlugzout weder tot haar zelve bracht.

Mijnheer Pendennis’ manieren waren zoo ongemeen fatsoenlijk en werkten zoo bedarend, dat Milady, de echtgenoote van Sir Pepin Ribstone, baronet, van Codlingbury in het graafschap Somerset, haar redder, gelijk zij hem noemde, tot apotheker van haar en hare familie, die zeer talrijk was, aanstelde. Toen de jonge heer Ribstone van de school te Eton gekomen was om de kerstvacantie thuis door te brengen, overlaadde hij zich de maag en kreeg eene koorts, waarbij Pendennis hem met groote bekwaamheid en teedere zorg behandelde. Met één woord, hij kwam in de gunst bij de familie van Codlingbury, en van dien dag af begon het hem voor den wind te gaan. De aanzienlijke lui van Bath hielden hem de hand boven het hoofd, en het waren inzonderheid de dames, die hem op de handen droegen en bewonderden. Eerst veranderde hij zijn onaanzienlijk winkeltje in een fraaien winkel; daarop schafte hij zijn debiet van tandenborstels en parfumerieën af, als onvoegzaam voor een heer van deftige afkomst; vervolgens sloot hij zijn winkel geheel en al en behield alleen eene kleine apotheek, waarin een fatsoenlijk jonkman hem behulpzaam was; toen hield hij een wagentje met een knecht om hem te rijden; en vóór haar scheiden uit de wereld had zijne arme oude moeder nog het genoegen, uit het venster harer slaapkamer, waar haar stoel heengerold werd, haar beminden John in een gesloten eigen rijtuig te zien stappen, wel is waar een rijtuig voor slechts één paard, maar met het wapen der familie Pendennis fraai geschilderd op de portieren. „Wat zou Arthur nu wel zeggen,” vroeg zij, doelende op een jonger zoon van haar, „die mijn besten Johnny niet ééns is komen opzoeken in al den tijd zijner armoede en beproevingen?”

„Kapitein Pendennis is met zijn regiment in Indië, moeder,” merkte mijnheer Pendennis aan, „en, met uw welnemen, zou ik wenschen, dat gij mij niet Johnny noemdet in tegenwoordigheid van dien jongen man – van Parkins.”

Eerlang kwam de dag, dat zij ophield haar zoon met Johnny of eenig ander zoet naampje aan te spreken, en het was nu in zijn huis zeer eenzaam zonder die vriendelijke, hoewel klagende stem. Hij liet zijne nachtbel verplaatsen en overbrengen in de kamer waar de goede oude vrouw zoo menig lang jaar had zitten morren, en hij ging in het hooge en ruime bed daar slapen. Hij was over de veertig, toen deze gebeurtenissen voorvielen; voordat de oorlog afgeloopen was; voordat George de Prachtlievende den troon besteeg; ja vóór den tijd van deze geschiedenis: maar wat is een gentleman zonder stamboom? Pendennis had den zijne tegen dezen tijd in eene fraaie lijst en achter glas doen ophangen in zijne receptiekamer, tusschen de afbeeldingen van den huize Codlingbury in Somersetshire en het St.-Bonifacius-College te Cambridge, waar hij de korte en blijde dagen van zijn jongelingsleven had doorgebracht. Dien stamboom had hij uit een koffer gehaald, – gelijk Sterne’s officier om zijn degen riep, – nu hij een gentleman was en hem toonen mocht.

Omstreeks den tijd van het afsterven van mevrouw Pendennis overleed ook eene andere van haar zoons patiënten te Bath, en wel die deugdzame oude Lady Pontypool, dochter van Reginald, twaalfden graaf van Bareacres, en bijgevolg achter-oudtante van den tegenwoordigen graaf, en weduwe van John tweeden Lord Pontypool, alsmede van den weleerwaarden John Wales, van de Armageddon-kapel te Clifton. Gedurende de vijf laatste jaren haars levens werd Milady opgepast door mejufvrouw Helens Thistlewood, eene zeer verre bloedverwante van het bovengenoemde edele huis van Bareacres, en dochter van den luitenant ter zee R. Thistlewood, die in den slag van Kopenhagen sneuvelde. Onder het dak van Lady Pontypool vond jufvrouw Thistlewood eene behaaglijke schuilplaats, voor zooveel kost en inwoning betrof, maar zij zuchtte onder zulk eene helsche tirannie, als alleen vrouwen elkander kunnen aandoen, of van elkander verdragen. De dokter, die ten minste tweemaal daags Lady Pontypool bezocht, moest noodwendig de engelachtige zachtheid en vriendelijkheid opmerken, waarmede het meisje de smadelijke bejegeningen van hare oude bloedverwante verduurde; en het was toen zij in de achterste rouwkoets stapten, om het geëerbiedigde overschot van de oude dame naar de abdij van Bath, waar het thans rust, te vergezellen, dat hij de jonge dame in het zachte bleeke gelaat zag en besloot haar zekere vraag te doen, welker strekking zijn pols ten minste negentig slagen in de minuut deed aangeven.

Hij was meer dan twintig jaar ouder dan zij, en in geen tijdperk zijns levens had hij tot de zeer hartstochtelijke menschen behoord. Misschien had hij in vroeger tijd een minnehandel moeten smoren – misschien ware het maar goed, dat alle eerste liefdesgeschiedenissen gesmoord of verdronken wierden als jonge katjes; – maar hoe dit zij, op zijn drie en veertigste jaar was hij een bedachtzaam, bedaard heertje met zwarte kousen en een kaal hoofd, en weinige dagen na de begrafenis bracht hij haar een bezoek, en toen hij haar den pols voelde, hield hij hare hand in de zijne vast en vroeg haar waarheen zij nu gaan zou, nu de familie Pontypool op de nalatenschap was neergestreken, die in kisten gespijkerd, en in manden gepakt, en met hooi omzwachteld, en in stroo bedolven, en met drie sloten in met groen baai bekleede zilverkisten weggeborgen, en onder de oogen van de arme jufvrouw Helena weggereden werd, – hij vroeg haar waar zij nu voorgoed zou gaan wonen?

Hare oogen schoten vol tranen en zij antwoordde, dat zij het niet wist. Zij bezat een weinigje geld. De oude dame had haar – zoo waar! – duizend pond sterling vermaakt en zij zou dus in een kosthuis gaan, of op eene school; eigenlijk wist zij nog niet waarheen.

Toen vroeg haar Pendennis, terwijl hij in het bleeke gezichtje staarde en haar koude handje bleef vasthouden, of zij bij hem wilde komen wonen? Hij was oud in vergelijking van – van zulk eene bloeiende jonge dame als mejufvrouw Thistlewood (Pendennis behoorde nog tot de oude wellevende school van gentlemen en apothekers), maar hij was van goede afkomst, en, naar hij zich vleide, ook van goed karakter en humeur. Zijne vooruitzichten waren goed en werden met den dag beter. Hij stond alleen in de wereld en had behoefte aan eene welwillende en trouwe gezellin, wier geluk het doel van zijn leven zou zijn; kortom, hij zeide eene kleine redevoering bij haar op, die hij denzelfden morgen in zijn bed bedacht en in zijn rijtuig gerepeteerd en gepolijst had, toen hij bij de jonge dame zijne opwachting ging maken.

Het is wel mogelijk, zoo hij eene jeugdige amourette had gehad, dat ook zij eens van een ander lot gedroomd had dan te trouwen met een heertje, dat op de tanden beet en een gemaakt lachje vertoonde, dat allerbeleefdst was jegens den knecht, als hij de trap opsloop naar de gezelschapszaal, en overmatig vriendelijk jegens de kamenier, die de wacht had aan de deur der slaapkamer; om wien hare meesteres gewoon was te bellen als om een knecht en die daaraan met nog grooter vaardigheid beantwoordde; en die drankjes zond en anekdoten bedacht om zijne patiënten te vermaken en zijne eigene belangen te bevorderen. Misschien zou zij aan een ander man de voorkeur gegeven hebben – maar zij wist aan den anderen kant hoe braaf, hoe verstandig, hoe achtenswaardig Pendennis was; hoe goed hij voor zijne moeder was geweest en hoe onvermoeid hij voor haar had gezorgd; en het slot der bijeenkomst was, dat zij, met een hoogen blos, voor Pendennis eene zeer diepe nijging maakte en verlof verzocht – om zijn allervriendelijkst voorstel in bedenking te mogen nemen.

Zij trouwden in het doodsche seizoen te Bath, dat het levendigste seizoen te Londen was. En nadat Pendennis, door bemiddeling van een gepromoveerd vriend in zijn eigen vak, eene woning besproken had in Holles Street, Cavendish Square, bracht hij zijne vrouw in een rijtuig met twee paarden daarheen, liet haar de voorname lui zien, die op de receptie ten hove gingen, en verschafte haar in één woord al de vermaken, die de hoofdstad aanbood. Hij gaf ook kaartjes af bij Lord Pontypool, bij den graaf van Bareacres en Sir Pepin en Lady Ribstone, zijne eerste en meest welwillende begunstigers. Bareacres nam geen notitie van de kaartjes. Pontypool kwam eene visite maken, bewonderde mevrouw Pendennis en zeide, dat Lady Pontypool haar zou komen opzoeken, hetgeen zij deed door middel van haar lakei John, die haar kaartje bracht benevens eene uitnoodiging tot een concert, dat over vijf weken ten harent zou plaats hebben. Op dat tijdstip zat Pendennis weder in zijn éénspans rijtuigje en diende drankjes en pillen toe; maar de Ribstone’s hadden hem en zijne vrouw op eene partij genoodigd, en Pendennis snoefde daarop tot zijn laatsten ademtocht.

Het was altijd Pendennis’ heimelijke zucht geweest, een gentleman te zijn. Een dokter in de provincie, wiens inkomsten niet buitengemeen groot zijn, heeft veel tijd en spaarzaamheid noodig om zooveel geld over te leggen, dat hij een huis en wat land kan koopen; doch behalve dat onze vriend ingetogen leefde en een goed overleg had, hielp de Fortuin hem een handje en plaatste hem op het punt, dat hij zoo vurig wenschte te bereiken. Hij belegde wat geld zeer voordeelig in den aankoop van een huis en een landgoedje dicht bij het vroeger genoemde dorp Clavering. Geene woorden zijn in staat om zijn hooggespannen gevoel van eigenwaarde te beschrijven – en hij zou het ook niet gaarne aan iemand bekend hebben, – toen hij het beleefde, dat hij inderdaad grondeigenaar was en over landerijen gaan kon, waarvan hij heer en meester was. Een gelukkige koop van aandeelen in eene kopermijn deed zijne gegoedheid aanmerkelijk toenemen, en, slim genoeg, deed hij ze weder van de hand, toen die mijn nog in blakende gunst stond bij het publiek. Ten slotte deed hij zijne zaak te Bath aan mijnheer Parkins over, voor eene aardige som in baar geld en een jaargeld, dat hem moest uitgekeerd worden gedurende een zeker getal jaren nadat hij voor altijd het gebruik van vijzel en stamper had opgegeven.

Zijn zoon, Arthur Pendennis, was acht jaar oud toen dit gebeurde, zoodat het geen wonder is, dat deze, die Bath en de chirurgijnsaffaire zoo jong verliet, bijna geheel vergat, dat er zulk eene plaats bestaan had, en dat zijn vaders handen ooit bezoedeld werden door het rollen van afschuwelijke pillen, of het uitstrijken van smerige pleisters. De oude man zelf sprak nooit over den winkel, nooit maakte hij eenige zinspeling daarop; hij ontbood den geneesheer uit Clavering, wanneer zijn gezin hulp van dien aard noodig had, legde de zwarte kniebroek en de zwarte kousen geheel ter zijde, woonde de markten en de terechtzittingen van het gerechtshof bij, en droeg eene donkergroene jas met koperen knoopen en donkerbruine slobkousen, alsof hij zijn leven lang een Engelsch landjonker ware geweest. Hij was gewoon aan de deur van zijn portiershuisje de diligences te zien aankomen, en deftig te buigen voor de conducteurs en koetsiers, die onder het voorbijrijden den hoed afnamen. Hij was het, die het Leesmuseum van Clavering en de Samaritaansche soep- en dekenmaatschappij oprichtte. Hij was het, die teweegbracht, dat de post, die vroeger over Cacklefield liep, dat dorp liet liggen en door Clavering kwam. Ter kerke was hij een even ijverig kerkeraadslid als trouw kerkbezoeker. Elken Donderdag ging hij op de markt langs de veehokken naar de groentestallen, bekeek de monsters haver, kauwde graankorrels, betastte de beesten, drukte zijn duim in de borst der ganzen, woog die vogels met het voorkomen van een kenner, en deed zaken met de boeren in het Wapen van Clavering, zoo goed als de oudste bezoeker van dat gastvrij huis. Evenzeer als het hem vroeger een genoegen was geweest, was het hem nu eene ergernis als hij dokter werd genoemd, zoodat degenen, die bij hem in een goed blaadje wilden staan, hem altijd den titel van „jonker” gaven.

De hemel weet waar zij vandaan kwamen, maar eene gansche reeks van portretten der Pendennis’en hing tegenwoordig in de met eikenhout beschoten eetzaal van den dokter; hij bezwoer, dat al die conterfeitsels van de hand van Lely en Van Dyck waren; maar wanneer hij over de geschiedenis van de origineelen ondervraagd werd, antwoordde hij zeer in het algemeen, dat het „voorvaderen van hem” waren. Men kon aan zijne vrouw wel zien, dat zij aan die genealogische legenden niet geloofde, want doorgaans trachtte zij, zoodra hij daarover begon, het gesprek op een ander onderwerp te brengen. Maar zijn zoontje geloofde er onvoorwaardelijk aan, en Roger Pendennis van Agincourt, Arthur Pendennis van Crecy, generaal Pendennis van Blenheim en Oudenaarde waren even wezenlijke en echte menschen voor dezen jongen heer als – wat zullen wij noemen? – als Robinson Crusoe, of Peter Wilkins, of de zeven kampvechters der Christenheid, wier geschiedenissen zich onder zijne boeken bevonden.

Het vermogen van Pendennis, dat, ten ruimste genomen, niet meer dan achthonderd pond sterling ’s jaars beliep, veroorloofde hem, in weerwil van het meeste overleg en de grootste spaarzaamheid, geenszins zich op gelijken voet te stellen met de aanzienlijken van het graafschap; maar hij had een deftigen en aangenamen omgang onder de naast daaraanvolgende soort. Waren zij geen rozen, zoo tierden zij toch dicht bij de rozen en bezaten zij een goed deel van de kenmerken der voorname wereld. Zij lieten hun zilverwerk luchten, en dineerden bij elkander, op avonden als de maan scheen, tweemaal in het jaar, bij welke feestelijke gelegenheden zij van twaalf mijlen ver in het rond bijeenkwamen; en behalve het gezelschap van het platteland genoten de Pendennis’en dat van Clavering zooveel, ja meer dan hun lief was; want jufvrouw Pybus zwierf altijd rondom Helena’s broeikasten en verstoorde de geregelde werking der soepkaarten en der kolenuitdeelingen; de gepensioneerde kapitein Glanders van het 50ste regiment garde-dragonders snoefde altijd over de stallen en tuinen van den jonker en trachtte dezen te betrekken in zijne twisten met den predikant, den postmeester, den weleerwaarden heer F. Wapshot, die aan het hoofd der school te Clavering stond, welke laatste zijn zoon Anglesea Glanders halfdood gerost had, – kortom met het geheele dorp. En dikwijls wenschten Pendennis en zijne vrouw zich geluk, dat hunne huizinge Fairoaks bijna eene mijl buiten Clavering lag; anders zou hun erf nooit een oogenblik vrij zijn geweest van de nieuwsgierige oogen en het gekakel van dezen of genen der mannelijke en vrouwelijke bewoners van die plaats.

Het park van Fairoaks loopt uit op de kleine rivier Brawl, en aan de andere zijde lagen de plantsoenen en bosschen (zooveel althans als er van was overgebleven) van Clavering Park, toebehoorende aan den baronet Sir Francis Clavering. Toen de Pendennis’en zich op Fairoaks kwamen vestigen, was dit park als weidegrond verhuurd en werd het door schapen en koeien bevolkt. Luiken sloten de vensters der huizinge, een prachtig hardsteenen paleis, met groote trappen, standbeelden en portieken; men vindt er de afbeelding van in de Schoonheden van Engeland en Wallis. Sir Francis’ grootvader, Sir Richard Clavering, was den achteruitgang der familie begonnen door den bouw van dit paleis; zijn opvolger had dien voltooid door het te bewonen. De tegenwoordige Sir Francis verbleef ergens buitenlands, en er deed zich niemand op, rijk genoeg om dat ontzaglijke landhuis te huren, welks eenzame kamers, muffe en holklinkende portalen en sombere galerijen Arthur Pendennis als knaap vele malen bevende doorkruist had. Tegen zonsondergang had men van het grasperk van Fairoaks een fraai uitzicht; dit perk en het park van Clavering plachten zich dan in een gouden gloed te hullen, die beiden heerlijk stond. De bovenvensters der groote huizinge straalden met zulk een brandenden gloed, dat het aan de oogen pijn deed; het riviertje stroomde kabbelend westwaarts en verloor zich in een somber bosch, waarachter de torens der oude abdijkerk van Clavering (om welke die stad tot den huidigen dag Clavering St. Mary’s wordt genoemd) in purperpracht omhoog rezen. De gestalten van den kleinen Arthur en zijne moeder wierpen lange blauwe schaduwen over het gras, en dan begon hij (want een tooneel van landelijk schoon roerde steeds den knaap, die deze gevoeligheid van zijne moeder had geërfd) zekere versregelen op te zeggen, beginnende:

Hoe blinkt uw majesteit alom In ’t onbegrensde heiligdom Der schepping, eeuwig Koning!

tot groote stichting van mevrouw Pendennis. Zulk eene wandeling en onderhoud eindigden doorgaans met een aantal kinderlijke en moederlijke omhelzingen; want lief te hebben en te bidden waren de hoofdbezigheden van deze beminnelijke vrouw; en dikwijls heb ik Pendennis op zijne onbesuisde wijze hooren zeggen, dat hij zeker was in den hemel te zullen komen, want dat zijne moeder daar zonder hem niet gelukkig zou kunnen zijn.

Wat John Pendennis als vader des gezins en zoo voorts betreft, iedereen had het grootste ontzag voor hem, en zijne bevelen werden als die der Meden en Perzen gehoorzaamd. Zijn hoed was zoo glad geborsteld als die van wien ook in het gansche rijk. Zijne maaltijden werden elken dag op dezelfde minuut opgedragen, en wee dengenen, die te laat kwamen, zooals met den kleinen Pen, een onmanierlijken kleinen schavuit, soms het geval was. Hij deed zijne gebeden, las zijne brieven, verrichtte zijne zaken, bezocht zijn stal en tuin, zijn kippenloop en hondenhok, zijne schuur en zijn varkenskot altijd op vaste uren. Na het middagmaal deed hij altijd een dutje met de courant de Globe op zijne knie en zijn geel zijden zakdoek over zijn gelaat. (Majoor Pendennis zond de gele zakdoeken uit Indië en zijn broeder had hem geholpen om den majoorsrang te koopen, zoodat zij tegenwoordig goede vrienden waren). En derhalve, daar zijn diner ten zes ure, op klokslag af, plaats had en de bovenbedoelde bewondering van het ondergaan der zon kan gesteld worden op omtrent half acht, is het vermoedelijk, dat hij zich niet veel moeite gaf om het uitzicht van zijne vensters over het grasperk te genieten, of deel te nemen aan de dichterlijke ontboezemingen en de liefkoozingen, die daarbij plaats hadden.

Zij vielen zelden voor in zijne tegenwoordigheid. Hoe uitgelaten vroolijk moeder en kind te voren waren, zij werden ingetogen en stil zoodra mijnheer Pendennis met zijn dagblad onder den arm de huiskamer binnentrad. En hier was het, terwijl de kleine Pen, in een grooten stoel weggedoken, alle boeken las, die hij machtig kon worden, dat de „jonker” zijne geliefkoosde artikelen in de Tuinbouw-Courant las, of een deftig partijtje piket met mevrouw Pendennis speelde, of met een vriend, die eens uit het dorp was komen overwippen.

Gewoonlijk zorgde Pendennis, dat ten minste één van zijne groote diners plaats had als zijn broeder de majoor, die, na den terugkeer van zijn regiment uit Indië en Nieuw-Zuid-Wallis, zijn ontslag uit den dienst genomen had, zijn tweejarig bezoek op Fairoaks kwam afleggen. „Mijn broeder, majoor Pendennis,” was steeds het onderwerp der gesprekken van den rustenden dokter. Het gansche gezin liep hoog weg met „mijn broeder den majoor.” Hij was de schakel, die hen met de groote wereld van Londen en met de toongevers der hoofdstad verbond. Hij bracht altijd het laatste nieuws omtrent den adel mee en was gewoon met lords en groote lui te dineeren. Hij sprak van deze met militair ontzag en bescheidenheid. Zoo zeide hij bijvoorbeeld: „Lord Bareacres is zoo goed geweest mij op Bareacres te noodigen voor de fazantenjacht,” of: „Lord Steyne heeft de beleefdheid gehad mij te vragen, of ik de Paaschdagen op Stillbrook wil komen doorbrengen,” en men kan zich overtuigd houden, dat de gangen van mijn broeder den majoor door den waardigen heer Pendennis behoorlijk werden bekend gemaakt aan zijne vrienden van het Leesmuseum te Clavering, op de bijeenkomsten der vrederechters of in de provinciale hoofdplaats. De rijtuigen kwamen met bezoekers van tien mijlen in het rond om den majoor te zien als hij te Fairoaks verbleef, en zijn roem als man van de wereld was in het geheele graafschap gevestigd. Er liep een gerucht, dat hij jufvrouw Hunkle, van Lilybank, de dochter van den ouden Hunkle den procureur, zou trouwen, die ten minste vijftienhonderd pond sterling ’s jaars ten huwelijk zou brengen; doch mijn broeder de majoor wilde zich met die zaak niet inlaten, hoe voordeelig zij ook aan de meeste menschen zou zijn toegeschenen. „Ben ik ongetrouwd,” zeide hij, „dan let niemand er op hoe arm ik ben. Ik heb het geluk om te gaan met personen, zoo hoog geplaatst in de wereld, dat de eenige honderden of duizenden ’s jaars meer of minder geen verschil maken in de achting, die zij mij wel gelieven toe te dragen. Jufvrouw Hunkle, ofschoon eene hoogst fatsoenlijke dame, kan niet op de afkomst of de manieren bogen, die haar aanspraak zouden kunnen geven om ontvangen te worden in den kring, waarin ik de eer heb mij te bewegen. Ik zal als een oud vrijer leven en sterven, John; en ik twijfel niet of uwe geachte vriendin, jufvrouw Hunkle, zal wel een waardiger voorwerp voor hare genegenheid vinden dan een afgeleefden en gepensioneerden oud-soldaat.” De tijd bevestigde de juistheid der vermoedens van den grijzen man van de wereld; jufvrouw Hunkle trouwde een jong Fransch edelman, en woont op dit oogenblik te Lilybank als barones de Carambole, na van haar wilden jongen guit van een baron zeer kort na hun huwelijk gescheiden te zijn.

De majoor stond bij schier al de leden van het kleine gezin op Fairoaks in groote gunst. Hij was even goedhartig als wellevend, en koesterde oprechte genegenheid en achting voor zijne schoonzuster, die hij, en volkomen naar waarheid, voor eene echte dame, als er eene in Engeland was, en eene eer voor de familie verklaarde. Hare bedeesde schoonheid, hare natuurlijke zachtzinnigheid en lieftalligheid, en die eenvoud en waardigheid, welke onbevlekte reinheid en onschuld steeds aan eene bevallige vrouw schenken, maakten haar ook inderdaad den lof van haar broeder ten volle waardig. Ik geloof niet, dat het nationaal vooroordeel is, hetgeen mij eene fijn beschaafde Engelsche dame als de meest volkomene van alle schepselen des hemels op deze aarde doet beschouwen. In wie anders ziet men zooveel aanvalligheid en zooveel deugd, zooveel getrouwheid en zooveel teederheid, met zulk eene volmaakte verfijning en zedigheid vereenigd? En met fijn beschaafde dames bedoel ik geen hertoginnen of gravinnen. Hoe hoog haar stand ook zij, kunnen zij slechts dames wezen, en niets meer. Doch bijna ieder man, die in de wereld leeft, heeft het geluk, althans naar wij hopen, eenige zoodanige personen onder zijne bekenden te tellen, – vrouwen, in wier engelachtige natuur zoowel iets ontzagwekkends als iets schoons is waar te nemen; aan wier voeten de wildsten en onbuigzaamsten onder ons moeten nederknielen en zich verootmoedigen, vol bewondering voor die aanbiddelijke reinheid, die nooit iets verkeerds schijnt te doen of te denken.

Arthur Pendennis had het geluk eene moeder te bezitten, met deze gezegende eigenschappen bedeeld. Gedurende zijne kindsheid en jeugd beschouwde de knaap haar als weinig minder dan een engel; als een bovennatuurlijk wezen, dat enkel wijsheid, liefde en schoonheid was. Wanneer haar man met haar naar de hoofdplaats reed, of naar de bals en concerten, die gedurende den tijd der zittingen van het hof van assises gegeven werden, dan was hij gewoon met zijne vrouw aan den arm de zaal binnen te treden en de voorname lui in het gezicht te zien, alsof hij zeggen wilde: „Zie maar eens toe, mylord; kan iemand uwer mij eene vrouw gelijk deze toonen?” Zij maakte sommige dames van het platteland, die driemaal meer geld hadden dan zij, woedend door eene soort van onnavolgbare volkomenheid, die zij in haar vonden. Jufvrouw Pybus zeide, dat zij koel en hooghartig was; jufvrouw Pierce, dat zij te trotsch was voor haar stand; mevrouw Wapshot wilde, als vrouw van een doctor in de godgeleerdheid, den voorrang hebben boven haar, die maar de vrouw van een geneesheer was. Maar ondertusschen ging deze dame de wereld door, zonder zich in het minste gelegen te laten zijn aan den lof of de blaam, die over haar uitgesproken werd. Zij scheen niet te weten, dat zij bewonderd of gehaat werd omdat zij zoo volkomen was, maar bewandelde kalm den levensweg, hare gebeden verrichtende, haar gezin liefhebbende, hare buren bijstaande en haar plicht vervullende.

Dat echter zelfs eene vrouw feilloos zou zijn, is iets, dat de natuur niet gedoogt, die ons van zielsgebreken voorziet, gelijk zij ons met hoofdpijn, ziekte of dood begiftigt, zonder welke het wereldplan niet zou kunnen uitgevoerd worden, ja zonder welke sommige der heerlijkste eigenschappen van de menschheid niet in toepassing zouden kunnen worden gebracht. Gelijk pijn de geestkracht en lijdzaamheid, tegenspoed de volharding, armoede de vlijt en het vernuft, gevaar den moed en wat niet al meer voortbrengt of opwekt, zoo roepen omgekeerd de deugden zelve sommige ondeugden in het leven, en zoo was met één woord mevrouw Pendennis met de ondeugd besmet, welke de jufvrouwen Pybus en Pierce in haar ontdekt hadden, namelijk die van hoogmoed, niet zoozeer op haar eigen persoon als wel op haar gezin. Zij sprak van mijnheer Pendennis (zonder twijfel een achtenswaardig klein heer, maar er leven anderen, even braaf als hij) met een soort van eerbiedig ontzag, alsof hij de paus van Rome op zijn troon ware geweest en zij een kardinaal, die aan zijne voeten knielde en hem den wierook toezwaaide. Den majoor beschouwde zij als een soort van Bayard onder de majoors; en wat haar zoon Arthur betrof, dien jongen heer aanbad zij met eene innigheid, welke het schelmpje met bijna dezelfde koelheid bejegende als waarmede het standbeeld van den heilige in de St.-Pieterskerk te Rome de vurige kussen ontvangt, welke de geloovigen op zijn teen drukken.

Deze ongelukkige ingenomenheid en afgoderij van de goede vrouw was oorzaak van een groot deel der rampen van den jongen heer, die de held dezer geschiedenis is en die alzoo bij den aanvang er van verdient vermeld te worden.

De makkers van Arthur Pendennis op de Grauwebroedersschool verklaren, dat hij in zijne jongensjaren noch als een domkop noch als een schrandere bol de aandacht trok. Hij deed stipt wat er van hem gevergd werd en niets meer. Zoo hij zich in iets onderscheidde, het was in het maken van verzen; maar hoe groot zijne geestdrift ook mocht wezen, ze hield op zoodra hij het voorgeschreven getal regels had opgesteld (geheel anders dan bij voorbeeld de jonge Swettenham, die, zonder meer dichtvuur in zijn boezem dan mijnheer Wakley, toch in den loop van slechts één vrijen middag een honderdtal taaie hexameters aan den meester bracht; of de jonge Fluxmore, die niet alleen zijne eigen verzen, maar bovendien die van de geheele vijfde klasse maakte). Nooit las hij buiten de schooluren iets tot zijne onderrichting; maar daarentegen verslond hij al de romans, tooneelstukken en dichtbundels, die hij machtig kon worden. Hij had nooit van den meester slagen gehad, maar het was een wonder hoe hij den geesel had kunnen ontkomen. Wanneer hij geld op zak had, bracht hij het royaal door in taartjes voor hem zelven en zijne vrienden, en men herinnerde zich het geval, dat hij op één dag negen en een halven shillings had uitgegeven van de tien, die hij gekregen had. Bezat hij geene fondsen, dan haalde hij op krediet. Kon hij geen krediet krijgen, dan deed hij het maar zonder, en hij was er bijna even tevreden onder. Hij getroostte zich eens, zonder een woord te zeggen, een pak slagen, dat voor een goeden kennis bestemd was, maar een slag, hoe licht ook, van een vriend, deed hem van woede brullen. Van vechten had hij sinds zijne vroegste jeugd een afkeer, evenals van drankjes, de Grieksche spraakkunst of eenige andere inspanning, en hij wilde zich met niets van dat alles ophouden, tenzij in den uitersten nood. Zelden, zoo ooit, loog hij, en kleine jongens zat hij nooit op den kop. De meesters of groote scholieren, die goed voor hem waren, had hij met kinderlijke drift lief. En ofschoon de rector, wanneer hij zijn Horatius niet kende, of zijn Grieksche treurspel niet kon construeeren, zeide dat die jongen van een Pendennis eene schande was voor de school; een uitverkorene voor ellende in deze wereld en verdoemenis hier namaals, een verkwister, die waarschijnlijk zijn achtenswaardigen vader tot den bedelstaf en zijne moeder tot een onteerd graf zou brengen, en meer van dien aard, – zoo begon de kleine Pen, die eerst onthutst en verschrikt was over die verwijten, er langzamerhand aan te gewennen, daar de rector dezelfde lofspraak toezwaaide aan de meeste leerlingen dezer school (die toch geen in het oog loopend getal bandieten en zakkenrollers heeft opgeleverd); en werkelijk heeft hij ook tot op den huidigen dag zijne ouders niet vermoord, noch eenige daad gepleegd, welke deportatie of ophanging verdiende.

Vele van de groote jongens, met welke Pendennis werd opgevoed, matigden zich, lang voor dat zij de school verlieten, al de rechten van mannen aan. Velen, bij voorbeeld, rookten sigaren en sommigen hadden reeds een aanvang gemaakt met zich te bedrinken. Eén had een duel gehad met een luitenant van een doormarcheerend regiment, ten gevolge van een twist in den schouwburg; een ander hield waarlijk een wagentje en een paard er op na, dat hij van een stalhouder in Covent-Garden had gehuurd, en Zondags kon men hem daarmee in Hyde-Park zien rijden met een knecht met gekruiste armen en wapenknoopen. Vele der oudste jongens waren verliefd en toonden elkander in vertrouwen gedichten aan of brieven en haarlokken van jonge dames; Pen echter, als een zedige en bedeesde knaap, benijdde voor het oogenblik die makkers meer dan dat hij hen navolgde. Hij was vooralsnog niet verder dan de theorie; de practijk des levens moest nog geheel komen. En – tusschen haakjes – o, teedere moeders en deftige vaders van christelijke gezinnen, een verbazend iets is die theorie des levens, gelijk zij mondeling geleerd wordt op eene groote openbare school. Waarlijk, indien gij die veertienjarige knapen, die in tegenwoordigheid van hunne moeders blozen en stilletjes wegsluipen uit de tegenwoordigheid harer dochters, onder elkander kondt hooren spreken – het zou de beurt der vrouwen zijn om te blozen! Voordat hij nog twaalf jaar was en terwijl zijne moeder hem als een engeltje van onschuld beschouwde, had de kleine Pen genoeg hooren praten om hem op zekere punten verschrikkelijk wijs te maken, – en dat, mevrouw, is ook het geval met uw hartediefje van een zoontje met zijne rozenwangetjes, die van de kostschool thuis komt om de kerstvacantie door te brengen. Ik zeg niet, dat de jongen verloren is, of dat hem die onschuld verlaten heeft, die hij medekreeg uit „het hemelsch vaderland” maar dat de schaduwen van deze aarde snel over hem komen en dat wij zooveel mogelijk medewerken om hem te bederven.

Welnu dan – Pen had zich juist voor het eerst in het publiek vertoond met een rok, of cauda virilis, en keek met innige belangstelling in het spiegeltje op zijne kamer, of zijne bakkebaarden reeds begonnen uit te botten gelijk die van zijne gelukkiger kameraden; en in plaats van de drievoudige stem, waarmede hij placht te spreken en te zingen (want zijne zangstem was zeer lief, en als kleine jongen liet men hem „Waar kan men beter zijn,” „Mijn schoone page,” een paar Fransche liedjes, die zijne moeder hem geleerd had, en andere balladen tot vermaak van de grootere jongens zingen), was hij plotseling tot een diepen bastoon vervallen, afgewisseld met eene piepstem, die, wanneer hij op school moest construeeren, den meester en de scholieren in lachen deed uitbarsten, – in één woord, hij was ongeveer zestien jaar oud, toen hij plotseling van zijne academische studiën werd afgeroepen.

Het was tegen het einde van de voormiddagschool, en Pen was tot op dit oogenblik geheel vrijgeloopen, toen de rector hem aan het construeeren van een Grieksch treurspel zette. Hij kende er geen woord van, ofschoon de kleine Timmins, die naast hem zat, het hem uit al zijne macht influisterde. Pen had een paar erge bokken geschoten, toen de geduchte meester tegen hem losbrak.

„Pendennis,” sprak hij. „gij zijt onverbeterlijk lui en voorbeeldeloos dom. Gij zijt eene schande voor de school en voor uwe familie, en ik twijfel niet of gij zult dat in later tijd voor uw vaderland zijn. Indien die ondeugd, welke ons als de wortel van alle kwaad wordt voorgehouden, werkelijk is, zooals de zedemeesters ons hebben afgeschilderd (en ik trek de juistheid hunner beschouwing niet in twijfel), voor welk eene vervaarlijke hoeveelheid van misdaad en ongerechtigheid strooit gij dan thans, rampzalig jongeling, het zaad uit! Ongelukkig loshoofd! Een knaap, die op zijn zestiende jaar δε overzet met en in plaats van maar, is niet enkel schuldig aan onbegrijpelijke dwaasheid, domheid en botheid, maar aan eene ondankbaarheid jegens zijne ouders, die ik met huivering aanzie. Een scholier, die zijn Grieksch treurspel niet leert, bedriegt zijn vader, die geld besteedt voor zijne opvoeding. Een jongen, die zijn vader bedriegt, is niet ver verwijderd van het bestelen of bedriegen van zijn buurman. Een man, die zijn naaste bedriegt, boet zijne misdaad aan de galg. Hem echter beklaag ik niet (want hij wordt naar verdienste behandeld), maar zijne wanhopige en verslagene ouders, die door zijne misdaden naar een ontijdig graf gedreven worden of, zoo zij het leven behouden, in ellendigen en onteerden ouderdom voortkwijnen. Ga zoo maar voort, en ik verzeker u, dat de eerstvolgende fout u eene tuchtiging met de roede op den hals zal halen. Wie lacht daar? Welke kwajongen onderstaat zich daar te lachen?” brulde de rector.

En inderdaad, terwijl de meester die toespraak hield, was er een algemeen gegichel achter hem in het schoolvertrek. De redenaar zat met zijn rug naar de open deur van deze antieke kamer, en een heer, die zeer bekend was met deze plaats, want èn majoor Arthur èn mijnheer John Pendennis hadden hier school gegaan, vroeg aan een jongen van de vijfde klasse, die bij de deur zat, naar Pendennis. Grinnikend wees de knaap naar den schuldige, over wien de rector den vloed zijner rechtmatige gramschap uitstortte. Majoor Pendennis kon zijn lach niet weerhouden. Hij herinnerde zich dat hij bij denzelfden pilaar gestaan had waar Pen junior thans stond, en tal van jaren geleden door des rectors voorganger op dezelfde wijze gekastijd was. In één oogenblik ging het bericht rond, dat het Pendennis’ oom was, en een honderdtal jeugdige gezichten, tusschen verwondering en lachlust zwevende, keerden zich nu eens naar den nieuw aangekomene en dan eens naar den gevreesden rector.

De majoor verzocht den jongen uit de vijfde klasse zijn kaartje aan den rector te willen geven, hetgeen de knaap met een guitigen blik deed. Majoor Pendennis had op het kaartje geschreven: „Ik moet Arthur naar huis medenemen; zijn vader is zeer ziek.”

Toen de rector het kaartje ontving en met een vrij onthutsten blik in zijne toespraak bleef steken, barstte de tot nog toe half onderdrukte lachlust der jongens in een algemeen gejoel uit. „Stilte!” gilde de rector, op den vloer stampende. Pen keek op en zag wie zijn bevrijder was; de majoor wenkte hem ernstig met een van zijne witte handschoenen en Pen wierp haastig zijne boeken neer en kwam tot hem.

De rector haalde zijn horloge uit. Het was twee minuten over éénen. „Wij zullen Juvenalis in de namiddagschool behandelen,” zeide hij, den oudsten scholier toeknikkende; en al de jongens, begrijpende wat dit beteekende, pakten hunne boeken bijeen en stroomden het vertrek uit.

De jonge Pen zag aan het gezicht van zijn oom, dat er thuis iets gebeurd was. „Is er een ongeluk met – moeder?” vroeg hij, maar hij kon ternauwernood spreken van ontroering en van de tranen, die op het punt stonden uit zijne oogen te springen.

„Neen,” antwoordde de majoor, „maar uw vader is ernstig ziek. Ga dadelijk uw koffer pakken; er staat aan de poort een rijtuig op ons te wachten.”

Pen spoedde zich naar zijn kosthuis, om te doen wat zijn oom hem beval; en de rector, die nu alleen in het schoolvertrek over was gebleven, kwam zijn ouden schoolkameraad de hand drukken. Men zou zich bezwaarlijk hebben kunnen voorstellen, dat dit dezelfde man was. Evenals Asschepoetster op een gegeven uur van eene schitterende en prachtig gekleede prinses in een gewoon meisje in een grijs gewaad veranderde, zoo verdween al de donderende majesteit en schrikwekkende gramschap van den schoolmeester toen de klok één sloeg.

„Er is toch niets ernstigs, hoop ik?” zeide de rector. „Het zou jammer zijn den jongen weg te halen, als dit niet het geval was. Het is een beste jongen, wel wat lui en vadsig, maar een zeer fatsoenlijk kereltje, ofschoon ik hem niet zoo aan het construeeren kan krijgen als ik wel wenschen zou. Komt gij niet binnen, om het tweede ontbijt mee te gebruiken? Het zal mijne vrouw veel plezier doen u te zien.”

Doch majoor Pendennis bedankte. Hij zeide, dat zijn broeder zeer ziek was en den vorigen dag eene beroerte had gehad, zoodat het grootelijks de vraag was of zij hem nog levend zouden aantreffen.

„Er is geen andere zoon, niet waar?” zeide de rector, waarop de majoor antwoordde: „Neen.”

„Er is nog al – nog al – wat geld, geloof ik?” vroeg de eerste zoo losjes.

„Hm! wel iets!” zeide de majoor. Daarmee liep dit gesprek ten einde, en Arthur Pendennis nam met zijn oom in het rijtuig plaats, om nooit meer naar school terug te keeren.

Toen men door Clavering reed, wenkte de stalknecht, die onder de poort van het Wapen van Clavering stond, den postiljon op eene onheilspellende wijze toe, alsof hij zeggen wilde, dat alles gedaan was. De vrouw van den tuinier kwam het hek opendoen en liet de reizigers met een sprakeloos hoofdschudden door. Al de luiken te Fairoaks waren gesloten en het gelaat van den ouden huisknecht stond dof, toen hij hen binnenliet. Ook Arthur’s gezicht was bleek, doch meer van schrik dan van smart. Welke warmte en liefde de overledene mocht bezeten hebben (en hij had van ganscher harte zijne vrouw aangebeden en zijn zoon liefgehad en bewonderd), hij had dat alles in zich zelven besloten, en de knaap was nooit in staat geweest door die kille buitenschors heen te dringen. Maar Arthur was zijn leven lang zijn vaders trots en roem geweest, en zijn naam was de laatste, welken John Pendennis had trachten uit te spreken, toen hij daar neerlag met de hand zijner vrouw tusschen zijne kille en klamme vingeren, de opflikkerende geest verdween in de duisternis des doods, en het leven en de wereld voor hem voorbijging.

Het kleine meisje, welks gelaat een oogenblik onder de luiken had heengegluurd toen het rijtuig kwam aanrijden, opende de deur in het voorhuis, greep zwijgend Arthur’s hand, toen hij nederboog om haar een kus te geven, en bracht hem de trap op bij zijne moeder. De oude John ontsloot de eetzaal voor den majoor. Het vertrek was duister ten gevolge van de gesloten luiken, en in het rond hingen al de sombere portretten der Pendennis’en. Hij dronk een glas wijn. Die flesch was vier dagen vroeger voor zijn broeder opengetrokken. Diens hoed lag geborsteld op de tafel in het voorhuis, waar ook zijne nieuwsbladen lagen te wachten, met zijn brievenzak, waarop in de koperen plaat gegraveerd stond: Den weledelgeboren heer John Pendennis van Fairoaks. De dokter en de procureur van Clavering, die het rijtuig hadden zien doorrijden, kwamen een half uur na de aankomst van den majoor ook met postpaarden en gingen door de achterdeur binnen. De eerste gaf een breedvoerig verslag van de ziekte en het overlijden van den heer Pendennis, en weidde uit over zijne deugden en de achting, waarin hij in den omtrek stond, en over het groote verlies, dat het collegie der vrederechters en het bestuur van het provinciale hospitaal in hem leden, enz. Mevrouw Pendennis, zeide hij, hield zich zeer goed, vooral sedert de aankomst van den jongen heer Arthur. De procureur bleef talmen en dineerde met majoor Pendennis, terwijl zij den namiddag besteedden met over zaken te spreken. De majoor was de executeur van zijn broeder en toeziende voogd over diens zoon, die onder de voogdij van mevrouw Pendennis kwam. Alles was onvoorwaardelijk aan haar vermaakt, behalve in het geval, dat zij een tweede huwelijk aanging, – iets, hetgeen met eene zoo jonge en schoone dame licht zou kunnen gebeuren, gelijk mijnheer Tatham zeer galant zeide, indien de overledene andere bepalingen gemaakt had. De majoor zou zich natuurlijk bij deze indrukwekkende en treurige gelegenheid met het geheele bestuur over alles belasten. Het was als erkenning van dit gezag, dat de oude John de huisknecht, na den majoor de kaars gebracht te hebben om naar bed te gaan, hem volgde met het zilvermandje, en hem den volgenden morgen den sleutel van de klok in den gang kwam brengen, daar mijnheer, zooals John zeide, gewoon was die elken Donderdag op te winden. De kamenier van mevrouw Pendennis bracht hem boodschappen van hare meesteres. Zij bevestigde het bericht van den dokter, dat de aankomst van den jongen heer Arthur zijne moeder aanmerkelijk had opgebeurd.

Wat er tusschen die dame en den knaap voorviel gaat ons niet aan. Over die heilige aandoeningen van liefde en smart is het gepaster, een sluier te werpen. Het moederlijk gevoel is voor mij een heilig geheim. Wat men in de Roomsche kerken ziet verzinnelijkt onder het beeld der Moedermaagd met eene borst van liefde overvloeiende, geloof ik, dat men elken dag kan aanschouwen, waarvoor men de Almachtige Barmhartigheid dankbaar mag zijn. Ik zag nog maar kort geleden eene joodsche vrouw met een kind op hare knieën, van wier gelaat eene zoo engelachtige zachtheid op het kind afstraalde, dat ze eene soort van heiligenglans rondom die beiden scheen te vormen. Ik verklaar plechtig, dat ik voor haar had kunnen knielen om in haar de goddelijke goedertierenheid te aanbidden, die ons begiftigde met de moederliefde, welke met het ontstaan van ons geslacht begon en de geschiedenis der menschheid heiligt.

Hierdoor was het, in één woord, dat mevrouw Pendennis zich over den dood van haar gemaal troostte, dien zij echter altijd als den besten, oprechtsten, verstandigsten, edelaardigsten, talentvolsten en meest ontzagwekkenden der mannen bleef vereeren. Zou het leven uit te houden zijn, of de maatschappij aan den gang kunnen blijven, indien de vrouwen geen afgoden van ons maakten? Ieder man mag wel bidden, dat geene zijner vrouwelijke bekenden hem naar zijne wezenlijke waarde leere schatten. Indien uwe vrouw u kende gelijk gij zijt, buurman, zou zij er niet hard over treuren als zij uwe weduwe wierd en zij zou uwe graflamp zeer spoedig laten uitgaan, of misschien zelfs niet eens de moeite nemen om die te ontsteken, terwijl daarentegen Helena Pendennis een allerliefst gedenkteeken voor haar echtgenoot oprichtte en het lampje aanhoudend van de kostelijkste olie voorzag.

Wat Arthur Pendennis betreft, ik zou niet durven verzekeren, dat hij, na den vreeselijken schok, welken het gezicht van zijn overleden vader hem moet hebben toegebracht, en na den weemoed en de aandoening, die zulk een voorval ongetwijfeld opwekte, – dat hij, zeg ik, niet op het oogenblik zelf van zijne smartelijke ontroering, en terwijl hij zijne moeder omhelsde en haar teederlijk vertroostte, in zijn hart een heimelijken triomf en opgetogenheid gevoelde. Hij was nu het hoofd en de meester. Hij was Pendennis, en allen, die hem omringden, waren zijne dienstknechts en meiden. „Gij zult mij toch niet wegsturen?” vroeg de kleine Laura, die naar hem toe trippelde en zijne hand vatte. „Gij zult mij toch niet naar school zenden, – niet waar, Arthur?”

Arthur gaf haar een kus en tikte haar op het hoofd. Neen, zij zou niet naar school gaan. En dat hij zelf er ooit weer zou heengaan, dat was geheel buiten questie. Hij had besloten, dat dit tooneel uit zijn leven niet meer herhaald zou worden. Te midden van de algemeene smart en terwijl het lijk nog boven de aarde stond, had hij gelegenheid gehad om te bepalen, dat hij voortaan altemaal vrije dagen zou hebben, dat hij niet vroeger zou opstaan dan hij goedvond, dat hij zich niet meer den mantel zou laten uitvegen door den rector, met honderd andere dergelijke voornemens en besluiten voor de toekomst. Wat reizen onze gedachten snel! en hoe vaardig worden ze uit onze wenschen geboren! Toen hij met Laura aan zijne hand, na het hondenhok, de kippenloopen en andere geliefkoosde plaatsen bezocht te hebben, in de keuken kwam, stonden de dienstboden, die bij deze treurige gelegenheid daar stemmig met hunne kennissen bijeen waren en bier zaten te drinken, allen op en bogen of nijgden voor hem, – de eigenlijke dienstboden, en de daglooners met hunne vrouwen, en Sally Potter, die met den brievenzak naar Clavering ging, en de bakkersknecht van Clavering. Hij herinnerde zich dadelijk en met een onbeschrijfelijk welgevallen, dat zij den laatsten keer, toen hij met vacantie thuis was geweest, nooit voor hem waren opgestaan. De keukenmeid riep: „Heerejee!” en fluisterde: „Wat wordt de jonge heer Arthur groot!” Thomas, de stalknecht, die juist wilde drinken, zette, toen zijn meester verscheen, de kan verschrikt neer. De meester van Thomas was innig gevleid met de eer, die hem daardoor bewezen werd. Hij stapte door en ging de jachthonden zien. Flora stak haar neus in zijn vest en Ponto blafte van genoegen en rukte aan zijn ketting. Pen gedroeg zich jegens de honden als een beschermer en zeide: „Koest, koest, Flora!” op zijne genadigste manier. Vervolgens ging hij Laura’s kippen en de varkens en den boomgaard en de melkerij in oogenschouw nemen; wie weet of hij niet bloosde bij de herinnering, dat hij nog pas de vorige, vacantie den grooten appelboom zoo wat geplunderd had en door de melkmeid beknord was omdat hij room had gesnoept.

De weledelgeboren heer John Pendennis, „voormaals een aanzienlijk geneesheer te Bath en later een uitstekend vrederechter, een welwillend landheer en een voorstander van vele liefdadige inrichtingen en openbare instellingen zoo in dezen omtrek als in het geheele graafschap,” werd in de abdijkerk van Clavering St. Mary ter aarde besteld. Zijne begrafenis, zeide de koster, was eene der fraaiste, die men gezien had sedert Sir Roger Clavering daarheen was gebracht. Eene schoone marmeren plaat, van welke wij het vorenstaande opschrift gekopieerd hebben, werd boven de bank in de kerk, die voor de bewoners van Fairoaks bestemd is, in den muur gemetseld. Men ziet daarop tot den huidigen dag het wapen der Pendennis’en met het helmteeken, een adelaar, die in de zon staart, met de wapenspreuk: Nec tenui pennâ [2]. Dominé Portman zinspeelde den volgenden Zondag zeer gepast en vriendelijk op den overledene als „onze dierbare afgestorven vriend,” en Arthur Pendennis regeerde in zijne plaats.

DERDE HOOFDSTUK.

WAARIN PENDENNIS ALSNOG HEEL GROEN VOORKOMT.

Arthur was, gelijk wij zeiden, omtrent zestien jaar oud, toen hij zijne regeering aanving; wat zijn voorkomen betreft was hij wat zijn vrienden „eene dikke prop” noemden, maar mama vond hem een net figuurtje. Zijn haar was van eene mooie bruine kleur, die in den zonneschijn op goud geleek; zijn gezicht was rond, blozend, sproetig en goedhartig; en zijne bakkebaarden (toen de natuur hem die gezichtssieraden schonk, waarnaar hij zoo vurig smachtte) hadden bepaald eene roode tint; maar, zonder dat hij een mooie jongen was, had hij, alles bijeengenomen, zulk een openhartig en goedig gezicht en stonden zijne heldere blauwe oogen zoo opgeruimd, dat het geen wonder is, dat mevrouw Pendennis hem als het pronkjuweel van het gansche graafschap beschouwde. Tusschen zijn zestiende en achttiende jaar schoot hij van vijf voet zes duim tot vijf voet acht duim op, en daar stond hij stil. Maar zijne moeder was vol bewondering daarover. Hij was drie duim langer dan zijn vader. Hoe was het mogelijk, dat iemand drie duim langer kon zijn dan mijnheer Pendennis?

Men kan er gerust op wezen, dat hij niet meer naar school ging; de tucht van die instelling was gansch niet naar zijn smaak en het beviel hem thuis veel beter. De vraag echter, of hij weder naar school zou gaan, werd besproken en zijn oom was er voor. De rector schreef, dat het voor Arthur’s vooruitzichten in de toekomst hoogst noodzakelijk was, dat hij een Grieksch treurspel grondig kende; maar Pen wist zeer behendig zijner moeder voor te spiegelen wat eene gevaarlijke plaats die school der Grauwebroeders was en welke kwajongens sommige der leerlingen waren, en de bange ziel werd dadelijk ongerust en stemde toe in zijn wensch om voortaan thuis te blijven.

Nu deed de majoor het aanbod om van zijn invloed gebruik te maken bij zijne koninklijke hoogheid den opperbevelhebber, die zoo goed was om hem zeer vriendelijk te behandelen, en voor Pen eene luitenantsplaats bij de garde te voet te vragen. Pen’s hart klopte van blijdschap toen hij dit vernam; hij had Zondags, wanneer hij met zijn oom uitging, de militaire muziek in het St.-Jamespark gehoord. Hij had Tom Ricketts, van de vierde klasse, die een buisje en broek placht te dragen zoo belachelijk nauw, dat de grootere jongens hem een mijlpaal noemden – dienzelfden Tom Ricketts, gedost in karmozijn en goud, met eene reusachtige berenmuts op het hoofd, had hij onder het vaandel van het regiment zien voortwaggelen. Tom had hem herkend en met een genadig knikje vereerd, – Tom, een kleine bengel, dien hij nog het vorige kwartaal eene striem over zijn rug met een stok geslagen had, en die daar nu midden op het plein stond, de vlag van zijn vaderland torschende en van bajonetten, bandelieren en scharlaken omringd, terwijl het muziekkorps op de trompetten blies en op de bekkens sloeg! daar stond hij familiaar te praten met vervaarlijke krijgshelden met sikken aan hunne kin en Waterloo-medailles op de borst! Wat had Pen niet willen geven om zulke epauletten te dragen en in een dergelijken dienst te treden!

Doch Helena Pendennis zette, toen haar zoon haar deze zaak voorstelde, een ijselijk verschrikt en ontdaan gezicht. Zij zeide, dat zij niet wilde twisten, met degenen, die er anders over dachten, maar dat, naar haar gevoelen, geen Christen gerechtigd was, den wapenhandel tot een beroep te kiezen. Mijnheer Pendennis zou nooit – neen nooit – gedoogd hebben, dat zijn zoon soldaat wierd. Kortom, zij zou rampzalig zijn, indien hij er bij bleef. Pen nu zou zich liever neus en ooren afgesneden hebben dan zijne moeder met voorbedachten rade, willens en wetens, rampzalig te maken; en daar hij zoo mild van aard was, dat hij in staat was alles weg te geven aan iedereen, deed hij zijn denkbeeldigen rooden rok en epauletten en zijne begeerte naar krijgsroem dadelijk aan zijne moeder present.

Zij hield hem voor het edelste schepsel op het wereldrond. Maar majoor Pendennis schreef, toen zijn aanbod van eene luitenantsplaats onder dankbetuiging van de hand gewezen werd, vrij stroef en wel wat geraakt aan de weduwe terug en gaf te verstaan, dat hij haar zoon als een lummel beschouwde.

Hij was echter weer tevreden toen hij, naar gewoonte met Kerstmis naar Fairoaks overgekomen, zag hoe de knaap zich op de jacht gedroeg. Pen had eene zeer goede merrie, die hij buitengewoon flink en bevallig bereed. Met de meeste koelbloedigheid, en echter met overleg en zonder gezwets, sprong hij over de heggen en greppels. Hij schreef aan de kameraden op school over zijne rijlaarzen en zijne heldendaden in het jachtveld. Hij begon ernstig aan een rooden rijrok te denken, en zijne moeder moest erkennen, dat het hem zeker bijzonder goed zou staan, ofschoon zij natuurlijk allerakeligste uren gedurende zijne afwezigheid doorbracht en dagelijks verwachtte hem op eene draagbaar thuis te zien brengen.

Men denke niet, dat Pen onder deze uitspanningen, waarmee het wel wat al te druk ging, zijne studiën geheel verwaarloosde. Hij had van nature liefhebberij in het lezen van alle mogelijke boeken, die maar niet met zijn schoolwerk in verband stonden. Alleen wanneer men hem met het hoofd in de wateren der kennis dompelde, weigerde hij te drinken. Thuis verslond hij alle boeken, van Inchbald’s Tooneelwerken tot White’s Hoefsmid; en hij brandschatte al de boekenkasten in den omtrek. Te Clavering vond hij eene oude lading Fransche romans, die hij met vuur las; en uren lang kon hij op de bovenste sport van dominé Portman’s bibliotheekladder zitten met een folio boekdeel op zijne knieën, onverschillig of het Hackluyt’s Reizen, Hobbes’ Leviathan, de werken van Augustinus, of Chaucers Gedichten waren. Hij was zeer bevriend met den predikant, en nam van zijn weleerwaarde dien kennerssmaak voor portwijn over, die hem zijn leven lang gekenmerkt heeft. En wat die goede mevrouw Portman betreft, die in het minst geen jaloezie koesterde, ofschoon haar dominé bekende, dat hij verliefd was op mevrouw Pendennis, die hij voor verreweg de begaafdste dame van het gansche graafschap verklaarde, – haar eenige spijt was, als zij met welgvallen naar Pen opzag, die boven op de ladder zat, dat hare dochter Minny te oud voor hem was, – en waarlijk dat was wel zoo, daar jufvrouw Myra Portman op dat oogenblik slechts twee jaar jonger was dan Pen’s moeder en evenveel woog als Pen en mevrouw Pendennis te zamen.

Wie zou deze bijzonderheden flauw durven noemen? Zie op uwe eigen jeugd terug, goede vriend, en vraag u eens af, hoe het er toen mee stond? Ik denk gaarne aan een welopgevoeden, kloeken en vriendelijken, goedhartigen en liefhebbenden knaap, die de wereld met goedige en eerlijke oogen in het gelaat ziet. Wat was ze toen met schitterende kleuren getooid en wat hadt gij er eene pret in! Een man beleeft niet veel zulke jaren. Hij kent ze niet, terwijl hij ze nog in zijne macht heeft. Eerst wanneer zij lang achter den rug zijn, herinnert hij zich hoeveel waard en hoe gelukkig zij waren.

Ten einde mijnheer Pen te behoeden tegen die luiheid, waarvan zijn vriend, de rector der Cisterciensers, zulke huiveringwekkende gevolgen voorspeld had, werd mijnheer Smirke, de hulpprediker van dominé Portman, tegen een ruim honorarium aangenomen, om van Clavering naar Fairoaks te wandelen of te rijden en verscheidene uren daags met den jongen heer door te brengen. Smirke was iemand, op wien men aan eene theetafel geene de minste aanmerking zou hebben kunnen maken, die eene gekrulde lok op zijn blank voorhoofd droeg en den knoop van zijne das met eene weemoedige gratie strikte. Hij was tamelijk geleerd en een wiskundige, en hij leerde Pen zooveel als die knaap genegen was te leeren, hetgeen niet heel veel om het lijf had. Want Pen was het spoedig met zich zelven eens wat hij van zijn onderwijzer te denken had, die, wanneer hij op zijn hit het stalplein van Fairoaks kwam oprijden, de teenen zoo gek naar buiten draaide en zulk eene ruimte tusschen zijne knieën en het zadel liet, dat het voor elken knaap, die een greintje geest bezat, onmogelijk zou zijn geweest, ontzag voor zulk een ruiter te koesteren. Hij liet Smirke het bijna van schrik besterven door hem op zijne merrie te zetten en met hem een ritje over een veld te doen, waar juist de voshonden van het graafschap, op dat oogenblik aangevoerd door dien onvermoeiden ouden jachtliefhebber, mijnheer Hardhead, van Dumplingbeare, bijeen waren. Op Pen’s merrie Rebekka (aldus genaamd naar Pen’s geliefkoosde heldin, de dochter van Izaak van York, uit den Ivanhoe) verschrikte mijnheer Smirke de honden evenzeer als hij den jager ergerde; hij maakte een der eerstgenoemde kreupel door aanhoudend tusschen den troep te blijven rijden, en werd door den laatstgenoemde op eene toespraak onthaald die zich door kracht van taal onderscheidde boven eenige rede, welke hij gehoord had sedert hij de roeiers te Oxford aan de oevers der Isis had verlaten.

Smirke maakte zijn leerling in vertrouwen bekend met zijne Latijnsche en Engelsche verzen, en bood mevrouw Pendennis een bundeltje dezer laatste, in zijne geboorteplaats Clapham gedrukt, ten geschenke aan. Met kun beiden lazen zij de oude dichters en liepen die op een pleizierig drafje door, dat veel verschilde van den bedaarden, onderzoekenden stap, waarmede de Cisterciensers den classieken bodem plachten te bewandelen, waarbij zij elk woord naspeurden onderweg en elken wortel uit den grond opdolven. Pen hield volstrekt niet van talmen, maar liet, als hij te kort schoot, zijn meester construeeren, en galoppeerde in dier voege door de Ilias en de Odyssee, de treurspeldichters en den zoo prettig ondeugenden Aristophanes (dien hij voor den grootsten van alle dichters verklaarde). Doch hij vloog er met zulk eene dolle vaart doorheen, dat, ofschoon hij inderdaad een groot eind weegs op de velden der oudheid aflegde, hij in zijn later leven alles glad vergat, en slechts zulke flauwe herinneringen van de classieke studiën zijner jeugd overhield als bijv. een lid van het Lagerhuis, die nog twee of drie aanhalingen onthouden heeft, of een recensent, die, om zijn fatsoen te bewaren, een sprankje Grieksch ten beste geeft. Ons volk is het meest prozaïsche, doch te gelijk het meest getrouwe volk van de wereld; en met een merkwaardigen eerbied houden wij van geslacht tot geslacht de bijgeloovigheid in stand, ten opzichte van hetgeen wij de opvoeding van een „gentleman” noemen.

Wij kunnen de verzekering geven, dat Pen, buiten de oude dichters, ook met groote ingenomenheid de Engelsche las. Smirke zuchtte en schudde bedroefd het hoofd over Byron en Moore beide. Doch Pen was een gezworen Vuuraanbidder en Zeeroover; hij kende ze van buiten, en nam wel eens de kleine Laura bij het venster, om haar „Zuleika, ’k ben uw broeder niet!” op een zoo tragischen toon toe te roepen, dat het stille meisje er hare groote oogen nog grooter van opzette. Zij zat gansche avonden, tot het tijd werd naar bed te gaan, aan de knieën van mevrouw Pendennis te naaien en naar het lezen van Pen te luisteren, zonder ooit een woord te begrijpen van hetgeen hij voordroeg.

Hij las Shakespeare aan zijne moeder voor (van wien zij verklaarde dat zij veel hield, maar het was niet waar) en Byron en Pope, en zijne geliefkoosde Lalla Rookh, die haar maar zóó zóó beviel. Maar bisschop Heber en bovenal mevrouw Hemans, – als Pen haar die schrijvers met zijne zachte jongensstem voorlas, dan smolt zij letterlijk weg en verborg het gelaat in haar zakdoek. Het Christelijk Jaar was de titel van een boek, dat omstreeks dezen tijd verscheen. Moeder en zoon fluisterden het elkander met diep ontzag toe. – Flauw, zeer flauw, en maar zelden, hoorde Pendennis in zijn later leven die plechtige kerkmuziek; doch altijd dacht hij daaraan met liefde, gelijk aan de tijden toen ze zijn hart trof, en hij, als de kerkklok des Zondagsmorgens luidde, vol hoop en zonder twijfelingen door de velden liep.

Het was omstreeks dezen tijd zijns levens, dat Pen opdook als dichter in de kolommen der courant van het graafschap, met eenige verzen, waarover hij volkomen tevreden was. Van hem zijn de verzen, onderteekend Nep., en gericht Aan een traan, Op den verjaardag van den slag van Waterloo, Aan mevrouw Caradori toen zij bij het houden der assises zong, Op den St. Bartholomeusdag (eene vreeselijke akte van beschuldiging tegen het pausdom en eene plechtige vermaning aan het volk van Engeland om zich als één man tegen de emancipatie der roomsch-katholieken te verzetten), enz. enz., – welke meesterstukken mevrouw Pendennis ongetwijfeld alle tot den huidigen dag bewaard heeft, met en benevens zijne eerste kousjes, het eerste knipsel van zijn haar, zijne tuitkan en andere belangwekkende gedenkstukken uit zijne kindsheid. Hij placht op Rebekka over de naburige Dumplingduinen of naar de hoofdstad van het graafschap, die wij maar Chatteries zullen noemen, te galoppeeren en onderwijl zijne eigen verzen uit te galmen, waarbij hij eene volmaakt Byroniaansche bezieling bij zich zelven meende waar te nemen.

Zijn genie droeg in dezen tijd bepaald een somberen stempel. Hij legde zijne moeder een treurspel voor, dat haar, ofschoon er vóór het tweede bedrijf reeds zestien menschen in werden omgebracht, zoodanig aan het lachen maakte, dat hij het meesterstuk in eene vlaag van ergernis op het vuur smeet. Hij ontwierp een heldendicht in rijmlooze verzen, Cortez, of de verovering van Mexico, en de dochter van den Inca. Hij schreef een gedeelte van Seneca, of het noodlottige bad en Ariadne op Naxos, beiden classieke stukken met reien en strophen en antistrophen, die de arme mevrouw Pendennis een raadsel waren, en begon eene Geschiedenis der Jezuïeten, waarin hij die orde met vreeselijke gestrengheid geeselde en zijne protestantsche landgenooten tegen hare kuiperijen waarschuwde. Het deed zijne moeder goed als zij zag wat een vurig, standvastig, onwrikbaar aanhanger van kerk en koning hij in die dagen was, en bij de verkiezingen, toen Sir Giles Beanfield als candidaat van de Blauwen optrad tegen Lord Trehawk, den zoon van Lord Eyrie, een Whig en vriend der papisterij, reed Arthur Pendennis met een reusachtigen strik voor hem zelven, die zijne moeder gemaakt had, en een blauw lint voor Rebekka, naast den eerwaarden doctor Portman, die op zijne grijze merrie Slordebel zat, aan het hoofd der kiezers van Clavering, die de doctor aanvoerde, om als één man te stemmen voor den kampioen van het protestantismus.

Dien dag hield Pen zijne eerste redevoering in het Blauwe Hotel en gebruikte, naar het schijnt voor de eerste maal in zijn leven – een glaasje te veel. Genadige goedheid! wat was dat een tooneel op Fairoaks, toen hij, de hemel weet hoe laat in den nacht, kwam terugrijden! Wat was er eene beweging van lantarens op het plein en in de stallen, ofschoon de maan helder scheen; wat een oploop van dienstboden, toen Pen kletterend de brug over- en het stalplein opreed, met een half dozijn Claveringsche kiezers op zijne hielen, die het Blauwe verkiezingslied uitgilden.

Hij noodigde hen allen binnen om een glas wijn met hem te drinken – van dien besten Madera – Jan, ga wat Madera halen, – en het is niet te gissen wat de boeren gedaan zouden hebben, zoo mevrouw Pendennis niet verschenen was in een witten omslagdoek en met eene kaars – en de volijverige Blauwen zoo erg verschrikt had met haar bleek aanvallig gezichtje, dat zij de hoeden afnamen en wegreden.

Behalve deze uitspanningen en verrichtingen, waarmede mijnheer Pen zich bezig hield, was er nog ééne, die het hoofdbedrijf en vermaak der jeugd is, indien de dichters, die Pen altijd bestudeerde, de waarheid spreken; en deze jonge kerel bezat een zoo vurig hart en eene zoo levendige verbeelding, dat het niet te verwachten was, dat hij aan den hartstocht, dien wij bedoelen en dien gij, dames, zeer juist gegist hebt dat de Liefde was, lang ontsnappen zou. Pen zuchtte er eerst in het geheim naar, en opende, gelijk de minzieke knaap bij Ovidius, zijne borst en riep: Aura, veni. Wat knaap van edelen aanleg, die in zijn tijd niet eene of andere dergelijke luchtige geliefde vereerd heeft?

Ja, Pen begon de noodzakelijkheid te gevoelen van eene eerste liefde – van een alverterenden hartstocht – van een voorwerp, waarop hij al die onbestemde en wisselende inbeeldingen kon vereenigen, waaronder hij zoo zoet leed – van eene jonge dame, op wie hij in waarheid verzen kon maken, en die hij kon aannemen en aanbidden in plaats van die denkbeeldige Ianthe’s en Zuleika’s, aan welke hij de uitboezemingen van zijne milde muze richtte. Hij las en herlas zijne geliefkoosde gedichten, hij wendde zich tot de Alma Venus, de lust van goden en menschen, hij vertaalde Anacreon’s oden, en verzamelde regelen, op zijne kwaal toepasselijk, uit Waller, Dryden, Prior en dergelijken. Smirke en hij werden niet moede, in hun samenzijn over de liefde te praten. De trouwelooze onderwijzer hield hem met sentimenteele gesprekken in plaats van vertoogen over algebra en Grieksch bezig; want Smirke was ook verliefd. Wie had zich ook daartegen kunnen verweren wanneer hij dagelijks omgang had met zulk eene vrouw? Smirke was dol verliefd (voor zoover zulk eene zachte vlam als die van mijnheer Smirke dolheid mag genoemd worden) op mevrouw Pendennis. Die eerzame dame, die daar beneden bezig was de kleine Laura piano te leeren spelen, of wollen rokken te maken voor de armen in de buurt, of die zich op andere wijzen onledig hield met de kalme bedrijven van haar stil en onberispelijk Christelijk leven, vermoedde weinig welke stormen er broeiden in twee harten daar boven op de studeerkamer – in dat van Pen, gelijk hij daar zat in zijn jachtbuis, met de ellebogen op de groene schrijftafel, de handen in zijn bruin krulhaar geklemd en Homerus onder zijn neus, – en in dat van den waardigen heer Smirke, met wien hij studeerde. Hier spraken zij over Helena en Andromache. „Andromache is als mijne moeder,” placht Pen te beweren; „maar, bij den hemel, Smirke, ik zou mijn neus willen geven om Helena eens te zien!” en dan rolden zekere geliefkoosde regels van zijne lippen, die de lezer op hunne behoorlijke plaats in het derde boek zal vinden. Hij schetste portretten van haar – zij zijn nog in wezen – met een rechte neus en ontzaglijke oogen, met Arthur Pendennis delineavit et pinxit in stoute letters er onder geschreven.

Mijnheer Smirke gaf natuurlijk de voorkeur aan Andromache, en was bijgevolg buitengemeen welwillend voor Pen. Hij vereerde hem zijn Horatius van Elzevier, waarop de knaap gesteld was, en zijn klein Grieksch Testament, dat zijne eigen mama te Clapham gekocht en hem ten geschenke gegeven had. Hij kocht hem een zilveren potloodhouder, en liet hem, wat het leeren betrof, juist zooveel of zoo weinig verrichten als hij zelf goedvond. Hij scheen altijd op het punt om zijn hart voor Pen uit te storten; ja hij bekende hem, dat hij eene – genegenheid, eene vurige liefde tot iemand koesterde. Pen brandde van nieuwsgierigheid om alles daarvan te hooren, en zeide dus: „Kom, vertel ons nu eens, ouwe jongen, is zij mooi? heeft zij blauwe of zwarte oogen?” Maar dominé Portman’s hulpprediker slaakte een licht zuchtje, sloeg de oogen naar de zoldering op, en verzocht met eene flauwe stem, dat Pen over iets anders zou spreken. Die arme Smirke! Hij noodigde Pen om bij hem te komen dineeren op zijne kamer te Clavering boven madame Fribsby, de modemaakster, en eens toen het regende en mevrouw Pendennis, die met haar hittenwagen naar Clavering was gekomen om eenige beschikkingen te maken, waarschijnlijk over het afleggen van den rouw, zich had laten overhalen om op de kamer van den hulpprediker te komen, liet hij dadelijk koekjes halen. De sofa, waarop zij zat, werd hem van dien dag af heilig, en in het glas, waaruit zij dronk, hield hij sedert altijd bloemen.

Daar het mevrouw Pendennis nooit verveelde den lof van haar zoon te hooren verkondigen, kunnen wij wel overtuigd zijn, dat die schelm van een onderwijzer geene gelegenheid liet voorbijgaan om met haar over dat onderwerp te spreken. Het was voor hem misschien wel een weinigje vervelend al die historiën te moeten aanhooren over Pen’s goed hart, over zijn moed toen hij tegen dien grooten kwajongen vocht, over zijne geestigheid en zijne grappen, zijne verbazende knapheid in het Latijn, de muziek, het rijden, enz., – maar welke prijs was hem te hoog om met haar in gezelschap te zijn? en van haar kant vond de weduwe, na deze gesprekken, dat mijnheer Smirke een heel onderhoudend en kundig man was. Wat haar zoon betrof, was zij het met zich zelve nog niet eens wat hij zou worden; de eerste te Cambridge en aartsbisschop van Canterbury of de eerste te Oxford en lord-kanselier. Dat er in geheel Engeland zijns gelijke niet gevonden werd, was eene zaak, waarover bij haar geen zweem van twijfel bestaan kon.

Daar zij eene eenvoudige vrouw was, die geene de minste overhelling tot verkwisting bezat, begon zij, ten nutte van haar zoon, dadelijk te sparen en misschien wel wat al te zuinig te worden. Gedurende haar rouwjaar waren er natuurlijk geene partijen op Fairoaks geweest. Maar ook nog vele, vele jaren daarna kwamen des dokters zilveren schoteldeksels, waarop hij zoo trotsch was geweest en die over hunne geheele oppervlakte met het wapen en helmteeken der Pendennis’en versierd waren, niet meer uit de zilverkisten. De huishouding werd ingekrompen en hare kosten verminderd. Er werd een echte kluizenaarsmaaltijd gehouden, als Pen niet thuis at, en hij zelf ondersteunde bij zijne moeder de klachten der keukenbevolking over de verachterde hoedanigheid van het Fairoaks-bier. Zij werd gierig om den wille van Pen. Wie heeft ook ooit de vrouwen van rechtvaardigheid beschuldigd? Zij offeren altijd zich zelve of iemand anders op ten voordeele van een derden.

Toevallig was er geen enkel meisje in den kleinen kring van vrienden, waarmee de weduwe omgang hield, dat Pendennis bij mogelijkheid ze gelukkig kon maken met den onwaardeerbaren schat van een hart, dat hij van verlangen brandde om weg te schenken. Sommige jonge heeren vestigen in zijn geval hunne jeugdige genegenheid op Doortje de melkmeid, of werpen teedere lonkjes toe aan Mietje, de dochter van den smid. Pen beschouwde een Pendennis als een veel te hoog personage om zich zoo te verlagen. Hij was te hooghartig voor eene alledaagsche minnarij, en voor het denkbeeld eener intrigue of verleiding, indien zoo iets ooit bij hem ware opgekomen, zou zijn hart hebben teruggedeinsd als voor eene laagheid of eerloosheid. Jufvrouw Myra Portman was te oud, te dik en te veel verzot op het lezen van Rollin’s Oude Geschiedenis. De jufvrouwen Boardback, dochters van admiraal Boardback (van St. Vincents of den Vierden Juni Huize, gelijk men het noemde) ergerden Pen met de Londensche manieren, die zij van Gloucester Place, waar zij het Londensche seizoen passeerden, naar het platteland meebrachten, en zagen ook op Pen als een vlasbaard neer. De drie meisjes van den gepensioneerden kapitein Glanders, van het 50ste regiment gardedragonders, droegen nog voorschooten van ongebleekt katoen en de tippen van hare vlechten waren nog met vuil paarsch lint afgebonden. Daar onze jongeling de kunst van dansen nog niet meester was, ontliep hij de gelegenheden, die hij had kunnen vinden om op de bals te Chatteries met de schoone sekse in aanraking te komen; kortom, hij was nog niet verliefd, daar er niemand voorhanden was om op te verlieven. En de jonge schelm placht dag aan dag uit te rijden, om Dulcinea’s op te sporen, en in de wagentjes, en equipages, die over de straatwegen voortrolden, te gluren met een kloppend hart en eene heimelijke vrees en hoop, dat zij mocht zitten in die gele reiskoets, die zwaaiende tegen den heuvel opreed, of dat zij eene van de drie meisjes met kastoren hoeden mocht zijn op het achterbankje van den grooten wagen, welken die dikke oude heer in het zwart met eene vaart van vier mijlen in het uur bestuurde. De reiskoets bevatte eene snuivende oude douairière van zeventig, met eene kamenier van denzelfden leeftijd. De drie meisjes met de kastoren hoeden waren niet aanvalliger dan de knollen, die langs den weg geplant stonden. Wat hij ook deed, en waarheen hij ook reed, de betooverde prinses, die hij moest bevrijden en veroveren, was onzen eerzamen Pen nog niet verschenen.

Over deze punten sprak hij niet met zijne moeder. Hij leefde in eene eigen wereld. Welke edelaardige, vurige, levendige ziel bezit niet eene geheime plaats van uitspanning, waar zij zich verlustigt? Laten wij die niet door eene lompe bespieding of eene onverstandige bemoeienis in onze kinderen trachten te bederven. Acteon was een lomperd, dat hij wilde doordringen tot de plaats waar Diana haar bad nam. Laat uw kind, indien het eene dichterlijke ziel bezit, nu en dan ongemoeid, beste mevrouw! Zelfs uwe heerlijke raadgevingen kunnen bij wijlen vervelend zijn. Gij zijt feilloos, maar daaruit volgt nog niet, dat iedereen in uw gezin volkomen hetzelfde moet denken als gij. Dat kleine kind daar ginds kan denkbeelden hebben, te diep zelfs voor uw veelomvattend verstand, en invallende gedachten zoo schuchter en bedeesd, dat zij zich niet onthullen willen als gij er bij zijt.

Helena Pendennis giste alleen reeds door de kracht der liefde een groot aantal van haar zoons geheimen. Doch zij bewaarde die dingen in haar hart (indien wij het zoo mogen uitdrukken) en sprak er niet van. Bovendien had zij zich voorgenomen, dat hij de kleine Laura moest trouwen, die achttien jaar zou zijn als Pen de zes en twintig bereikt, zijne academische studiën voltooid en zijne reis door Europa gedaan had, en gevestigd zou zijn te Londen, waar hij zeker de gansche hoofdstad verbazen zou door zijne geleerdheid en welsprekendheid voor de balie, of nog liever in eene mooie dorpspastorie tusschen maluwen en rozen, dicht bij een lief romantisch, met klimop begroeid kerkje, op welks kansel Pen de schoonste leerreden, die ooit gepreekt waren, uitspreken zou.

Terwijl deze natuurlijke opwellingen in de borst van den braven Pen strijd voerden en verwarring stichtten, gebeurde het op zekeren dag, dat hij naar Chatteries reed, ten einde aan het dagblad van het graafschap een hoogdravend en merg en been doordringend gedicht voor het volgende nommer te brengen; en terwijl hij zijn paard als naar gewoonte in het hotel „George” aldaar op stal bracht, ontmoette hij een ouden kennis. Eene fraaie zwarte chais met scharlakenroode wielen kwam ratelend het plein van het logement op, toen Pen daar met den stalknecht over Rebekka stond te spreken, en de persoon, die het rijtuig bestuurde, riep op luiden, beschermenden toon: „Hé, Pendennis, ben jij daar?” Het kostte Pen eenige moeite om onder den breedgeranden hoed en de groote overjassen en dassen, waarin de vreemdeling gehuld was, den persoon en de gestalte van zijn voormaligen schoolkameraad Foker te herkennen.

Een jaar tusschenruimte had eene verbazende verandering bij dien heer teweeggebracht. Een jongen, die nog maar weinige maanden geleden naar verdienste met de roede gekastijd was, en al zijn zakgeld aan taartjes en koek verspild had, verscheen daar nu voor Pen zoo uitgedost, dat men in hem datgeen voor zich had, wat het publiek – waaraan ik in dit opzicht evenveel gezag toeken als aan Johnson’s Woordenboek – een „piet” noemt. Hij had een bulhond tusschen zijne beenen, en zijne roode shawldas was versierd met eene speld, die weer uit een gouden bulhondje bestond; hij droeg een vest van pluche met een aantal gouden kettingen er over; een groenen rok met ronde panden en koperen knoopen, en eene witte overjas met schotelvormige knoopen, op elk waarvan een jachttafereel of landschap gegraveerd was; al welke sieraden dezen jongen heer zoo goed stonden, dat men waarlijk niet kon zeggen of hij meer op een „bokser” op reis dan een koetsier in zijn zondagspak geleek.

„Die plaats voorgoed verlaten, Pendennis?” vroeg mijnheer Foker, uit zijn rijtuig stappende en Pendennis een vinger reikende.

„Ja, zoo wat een jaar,” zeide Pendennis.

„Beroerde ouwe kast,” merkte mijnheer Foker aan. „Haat die; haat den rector; haat Towzer, den ondermeester; haat iedereen daar. Geen geschikte plaats voor een gentleman.”

„In het geheel niet,” zeide Pen met eene houding van het allergrootste gewicht.

„Voor den drommel, mijnheer, ik droom soms nog, dat de rector op mij losslaat,” ging Foker voort (en Pen lachte bij de herinnering, dat hij zelf ijzingwekkende droomen van dien aard had). „Wanneer ik nog, voor den drommel, aan het eten denk, mijnheer, dan verwonder ik mij, hoe ik het uitgehouden heb. Schurftig schapenvleesch, taai rund vleesch, alleen Zaterdags en Zondags podding, – om een mensch te vergiftigen! Bekijk mijn paard eens – hebt ge ooit een mooier beest gezien? Van Baymouth hier naar toe gereden. Legde de negen mijlen in twee en veertig minuten af. Daar zit gang in, mijnheer.”

„Logeert gij te Baymouth, Foker?” vroeg Pendennis.

„Ik ben daar met een kruiwagen,” zeide de ander met een knikje.

„Wat!?” vroeg Pendennis op zulk een verwonderden toon, dat Foker het uitschaterde en zeide, dat de drommel hem halen mocht als hij Pen niet voor groen genoeg hield, om niet te weten wat een kruiwagen was.

„Ik ben met een kruiwagen van Oxford gekomen. Een repetitor, begrijpt ge niet, ouwe jongen?! Die kruit mij en eenige anderen voort, op weg naar het examen. Ik en Spavin houden het rijtuig samen, en zoo kwam ik op den inval eens over te wippen, om hier naar de komedie te gaan. Hebt ge ooit Rowkins de horlepijp zien dansen?” en dadelijk begon mijnheer Foker op het plein voor het logement eenige passen van dien populairen dans uit te voeren, waarbij hij den bijval van zijn knecht en van de stalknechts inoogstte.

Pen zeide, dat hij ook wel lust had om naar de komedie te gaan; hij kon na den afloop huiswaarts rijden, want het was maneschijn. Hij nam dus Foker’s uitnoodiging om met hem te dineeren aan, en de beide jongelieden stapten het logement binnen, waar mijnheer Foker naar het buffet ging en aan de jonge jufvrouw Rincer, de schoone dochter van de kasteleines, die daar het bestuur voerde, verzocht hem zijn „drankje” klaar te maken.

Pen en zijne familie waren in den George bekend sedert den tijd, dat zij zich in die streek gevestigd hadden, en de heer Pendennis stalde daar altijd zijne rijtuigen en paarden wanneer hij naar de hoofdstad van het graafschap ging. De kasteleines maakte voor den erfgenaam van Fairoaks eene zeer eerbiedige buiging, complimenteerde hem over zijn groei en zijn mannelijk voorkomen en vroeg hoe het met de familie te Fairoaks, dominé Portman en de bekenden te Clavering ging, alle welke vragen de jonge heer met de meeste minzaamheid beantwoordde. Doch hij sprak tegen mijnheer en jufvrouw Rincer met die soort van vriendelijkheid, waarmee een jonge prins het woord tot zijn vaders onderdanen richt; het kwam niet bij hem op, dat die „goede menschen” zijne gelijken waren.

Mijnheer Foker gedroeg zich geheel anders. Hij informeerde naar den welstand van Rincer en hoe het met de koude in zijn hoofd ging, gaf aan jufvrouw Rincer een raadsel op, vroeg aan de jonge jufvrouw Rincer wanneer zij hem het jawoord zou geven, en zeide eenige vleierijen aan jufvrouw Brett, het meisje, dat het buffet bediende, en dit alles binnen den tijd van eene minuut en met eene levendigheid en eene grappigheid, die al deze dames aan het giggelen bracht; en hij klokte met zijne tong, ten bewijze van zijne groote voldoening, toen hij het drankje naar binnen goot, dat de jonge jufvrouw Rincer klaargemaakt en hem toegereikt had.

„Ook een slokje hebben?” vroeg hij aan Pen. „Het is mij door den dokter aanbevolen als eene – hoe heet zoo’n ding ook? – eene maagversterking, ouwe jongen. Geef dien jongen heer ook een glas, Rincer, en schrijf het maar op rekening van uw toegenegen Foker.”

De arme Pen nam een glas, en ieder moest lachen over het gezicht, waarmee hij het weer neerzette; – jenever, bitter en nog een ander vocht waren de bestanddeelen van den drank, waarmee mijnheer Foker zoo hoog liep, dat hij dien met den naam van Fokersbitter bestempelde. Toen Pen zich verslikte en proestte en akelige gezichten trok, nam Foker de gelegenheid waar om aan Rincer mee te deelen, dat de jongen nog groen, heel groen was, maar dat hij hem wel spoedig klaar zou krijgen. Daarop gingen zij over tot het bestellen van het diner, hetgeen Foker bepaalde, dat uit schildpadsoep en wild moest bestaan, terwijl hij de kasteleines bezwoer te zorgen, dat de wijn toch vooral goed geijsd zou zijn.

Vervolgens drentelden de heeren Foker en Pen de High Street op, de eerste met eene sigaar in den mond, die hij uit een koker, bijna zoo dik als een valies, te voorschijn had gehaald. Hij liet dien weer vullen in den winkel van Lewis, praatte een poosje met dien heer, en zat onderwijl op de toonbank. Daarna wipte hij even binnen bij den Fruitverkooper, om het mooie meisje daar te zien, waaraan hij gelijksoortige complimentjes verkocht als hij aan het buffet in den George had uitgedeeld. Eindelijk gingen zij voorbij het redactiebureau van de graafschapscourant, waarvoor Pen een pakje op zak had, gericht Aan Thirsa, doch dat de arme jongen niet in de brievenbus durfde steken, terwijl hij met zulk een voornaam persoon als mijnheer Foker wandelde. Zij ontmoetten officieren van het regiment zware dragonders, dat te Chatteries in garnizoen lag, en bleven staan en praatten over de bals te Baymouth, en wat een lief meisje die jufvrouw Brown en wat een drommels mooi wijf die mevrouw Jones was. Tevergeefs riep Pen zich voor den geest wat een ezel die Foker op school placht te zijn, die nauwelijks goed kon lezen, tamelijk slordig op zijn persoon was en voor zijne bokken en domheid bekend stond. Foker had ook thans niet méér van een gentleman dan in zijn schooltijd, en toch gevoelde Pen een heimelijken trots, dat hij door de High Street kuierde met een mensch, die rijtuig hield, met officieren sprak en schildpadsoep en wild voor zijn diner bestelde. Hij luisterde, en wel met eerbied, naar mijnheer Foker’s verslag van hetgeen de studenten deden aan de universiteit, van welke die zelfde heer Foker een sieraad was, en doorstond eene lange reeks van verhalen betreffende roeitochtjes, vechtpartijen, uitspanningen op de grasperken der academie en punch, zoodat hij begon te wenschen ook aan de academie te zijn, om zulke manhaftige genoegens en uitspanningen te kunnen genieten. Toen Gurnett de boer, die dient bij Fairoaks woont, juist op dit oogenblik voorbijreed en den hoed voor Pen afnam, hield deze hem staande en gaf hem de boodschap aan zijne moeder mee, dat hij een oud schoolkameraad ontmoet had en dus te Chatteries zou blijven eten.

De beide jonge heeren zetten hunne wandeling voort en gingen het kerkplein om, waar zij de muziek der middagkerk hoorden (eene muziek, die altijd den diepsten indruk, de innigste aandoening bij Pen teweegbracht), doch waar mijnheer Foker alleen heenging, om een oogje te laten weiden over de kindermeiden, die daar altijd door de olmenlaan slenteren en te Chatteries bijzonder mooi zijn, en daar bleven zij ronddwalen tot de kleine gemeente met eene krachtige finale naar buiten gespeeld werd.

De oude dominé Portman behoorde onder de weinigen, die de eerwaardige poort uittraden. Toen zijn oog op Pen viel, kwam hij naar hem toe en schudde hem de hand, terwijl hij te gelijker tijd vol verwondering Pen’s vriend bezag, uit wiens mond en sigaar geurige wolken opstegen, die rondom dominé’s eerzaam gelaat en breedgeranden hoed omhoogkronkelden.

„Een oud schoolkameraad van mij, – mijnheer Foker,” zeide Pen. Dominé zeide: „Hm!” en keek met een zuur gezicht naar de sigaar. Tegen eene pijp op zijne studeerkamer had de waardige man niets, maar eene sigaar was hem een gruwel.

„Ik had hier zaken voor den bisschop te verrichten,” zeide de dominé. „Als gij het goedvindt, Arthur, rijden wij samen naar huis.”

„Ik – ik heb mijn woord gegeven aan mijn vriend hier,” antwoordde Pen.

„Gij zoudt beter doen, met mij naar huis te gaan,” hernam de predikant.

„Zijne moeder weet, dat hij uitblijft, mijnheer,” merkte Foker aan; „niet waar, Pendennis?”

„Maar dat is geen bewijs, dat hij niet beter zou doen, met mij naar huis te gaan,” bromde de dominé en stapte met groote deftigheid weg.

„Die ouwe jongen heeft het land aan eene sigaar, geloof ik,” zeide Foker. „Hé! wie komt daar? – daar hebt ge den Generaal, en Bingley, den regisseur! Hoe gaat het, Cos? Hoe vaart ge, Bingley?

„Hoe vaart mijn geachte en dappere jonge vriend Foker?” vroeg de heer, die Generaal genoemd werd, en een kalen militairen mantel met een versleten kraag, en een zeer schuin opgezetten hoed droeg.

„Ik hoop, dat gij in vollen welstand zijt, mijn allerwaardste heer, zeide de ander, „en dat gij den Koninklijken Schouwburg heden avond met uwe tegenwoordigheid zult vereeren. Wij geven Menschenhaat en berouw, waarin uw onderdanige dienaar....”

„In eene spanbroek en ruiterstevels kan ik u niet uitstaan, Bingley,” zeide de jonge heer Foker, waarop de Generaal met een Iersch accent aanmerkte: „Doch ik geloof, dat mejufvrouw Fotheringay als Mevrouw Haller u wel bevallen zal, of ik heet niet Jack Costigan.”

Pen beschouwde deze heeren met de grootste belangstelling. Hij had nooit van te voren een acteur gezien, en, over den schouder van den Generaal heen, zag hij nog het roode gelaat van dominé Portman, die blijkbaar heel misnoegd over de kennissen, in wier handen Pen gevallen was, het kerkplein verliet.

Misschien zou het veel beter voor hem geweest zijn, indien hij den raad van den predikant gevolgd had en met hem naar huis gekeerd ware. Doch wie onzer kent zijn lot?

VIERDE HOOFDSTUK.

MEVROUW HALLER.

In den George teruggekomen, zetten mijnheer Foker en zijn gast zich tot een fijnen maaltijd in de koffiekamer neer, waar Rincer den eersten schotel met eene zoo diepe buiging opbracht, alsof hij den lord-stadhouder van het graafschap bediende. Mijnheer Foker viel op de schildpadsoep en het wild met dezelfde graagte aan, die hij het jaar te voren aan den dag had gelegd, toen hij feest vierde met gemberbier en binnengesmokkelde taartjes. Pen moest wel ontzag voor hem als kenner krijgen, toen hij den champagne voor afgekeurden bessenwijn uitmaakte, maar bij den portwijn knipoogde. Dezen laatsten verklaarde hij voor echt, terwijl hij aan de knechts verzekerde, dat men hèm niet „beet” kon nemen. Hij kende al die gedienstige geesten bij hunne vóórnamen, en legde voor hunne huisgezinnen eene groote belangstelling aan den dag; en toen de Londensche diligences voorkwamen, welke in die dagen van den George afreden, wierp Foker het venster der koffiekamer open, riep de conducteurs en koetsiers ook bij hunne vóórnamen aan, vroeg evenzeer naar hunne respectieve familiën, en bootste met groote levendigheid en juistheid het hoorngetoet na, toen Jaap de stalknecht de dekkleeden van de paarden afwipte, en de diligences lustig wegreden.

„Eene flesch sherry, eene flesch champagne, eene flesch port en een kop koffie, – dat is nog al zoo kwaad niet, niet waar, Pen?” zeide Foker, en verklaarde, nadat al die lekkere dingen en een aantal noten en vruchten verbruikt waren, dat het tijd was om uit te rukken. Pen sprong met fonkelende oogen en een gloeiend gezicht van zijn stoel op, en beiden begaven zich naar den schouwburg, waar zij hun geld neerpasten bij de aamechtige oude jufvrouw, die in het hokje van den kassier zat te sluimeren. „Mevrouw Dropsicum, Bingley’s schoonmoeder, maak effect als Lady Macbeth,” zeide Foker tot opheldering aan zijn metgezel. Foker kende haar ook al.

Zij konden bijna overal gaan zitten waar zij wilden in de loges van den schouwburg, die niet beter bezet was dan de schouwburgen in de provinciën doorgaans zijn, in weerwil van het „buitengewone succes en den ontzaglijken toeloop,” waarvan Bingley in de tooneel-affiches gewaagde. De banken van het parterre waren met een paar dozijn menschen bezet, op de galerijen stonden nog eenigen te stampen en te fluiten, en een dozijn anderen, die vrijkaartjes hadden gekregen, bevonden zich in de loges, waar onze jonge heeren zaten. De eerste luitenants Rodgers en Podgers en de tweede luitenant Tidmus, allen van de dragonders, hadden eene afgehuurde loge. De acteurs speelden genoegzaam alleen met het oog op deze heeren, die als het ware gesprekken met hen voerden als zij niet in hunne rol behoefden te spreken, en hen bij het applaudisseeren luidkeels met name noemden.

Bingley, de regisseur, die zich met al de groote tragische en comische rollen belastte, behalve wanneer hij bescheiden terugweek voor de beroemde acteurs uit Londen, die eene enkele maal naar Chatteries kwamen, was groot in de rol van den Vreemdeling. Hij droeg dan de nauwsluitende broek en de ruiterstevels, welke die miskende man volgens de tooneeloverlevering dragen moet, met een wijden mantel en een breedgeranden hoed en eene melancholische pluim, die over zijn oud en gerimpeld gelaat neergolfde en slechts ten deele zijne bruine krulpruik bedekte. Hij had dan de tooneeljuweelen ook aan, waaruit hij de grootste en flonkerendste ringen koos; en nu en dan kwam uit zijn mantel zijn pink te voorschijn met een valschen juweelen ring aan het eerste lid, dien hij in de oogen der toeschouwers in den bak liet flikkeren. Bingley rekende het de jongere leden van het tooneelgezelschap als eene gunst aan, dat zij in vroolijke blijspelrollen met dien ring mochten pronken. Het vleide hem als zij naar de geschiedenis van dat kleinood vroegen. Het tooneel heeft evengoed als de kroon en de aanzienlijke geslachten zijne erfjuweelen. Deze ring had aan George Frederik Cooke behoord, die hem van Quin had, die hem – misschien voor een shilling had gekocht. Bingley verbeeldde zich, dat de wereld betooverd werd door den luister van het gesteente.

Hij las uit het tooneelboek voor – dat verbazende tooneelboek, dat ingebonden is gelijk geen ander boek ter wereld, maar geblanket en opgeschikt gelijk de held of de heldin, die het vasthoudt, en wel op eene wijze zooals nooit iemand een boek vasthoudt; en die dan met zijn vinger op een regel wijst, en vervolgens oog en vinger naar de zoldering opheft en zich houdt alsof hij innigen troost put uit het werk, dat in eene zoo nauwe betrekking staat tot den hemel. Ieder, die ooit onzen grooten comiek X., in eene chitsen kamerjapon zooals nooit iemand droeg, gezien heeft, wanneer hij zich voordoet als een jong ongetrouwd edelman, die zijn tijd met een roman verdrijft tot zijn vriend Sir Harry zal verschijnen, of zijn vader beneden zal komen om te ontbijten, – ieder, zeg ik, die den grooten X. met een boek zonder letters heeft gezien, heeft waarlijk een uitstekend genoegen gesmaakt en zich eene duurzame bron van overdenking zien openen.

Zoodra de Vreemdeling de jonge heeren in het oog kreeg, speelde hij om hunne aandacht te trekken, en zag plechtig over zijn verguld boek heen, terwijl hij daar op de tooneel-zodenbank lag en zijne hand, zijn ring en zijne ruiterstevels liet zien. Hij berekende welken indruk elk dezer versierselen op zijne slachtoffers zou maken; hij had besloten hen te betooveren, want hij wist, dat zij hun entrée betaald hadden, en in den geest zag hij hunne familiën van buiten komen en op de matten stoelen in zijne loges plaats nemen.

Terwijl hij op de bank lag te lezen, maakte Frans, zijn knecht, opmerkingen over zijn meester.

„Alweêr lezen,” zeide Frans: „zoo gaat het maar door, van den morgen tot den avond. Voor hem bezit de natuur geene schoonheid, het leven geene bekoorlijkheid. In drie jaren heb ik hem niet zien glimlachen” (de sombere uitdrukking, die Bingley’s gelaat bij deze opmerking van zijn trouwen dienaar aannam, was vreeselijk te aanschouwen). „Niets schenkt hem afleiding. O, hechtte hij zich maar aan eenig levend wezen, al ware het een dier – want iets moet de mensch lief hebben.”

Tobias (Goll), uit de hut komende, „O, hoe verkwikkelijk, na zeven lange weken deze warme zonnestralen weder te genieten. Dank, algoede hemel, voor het genot, dat ik smaak.” Hij neemt zijne muts af, houdt ze gedrukt tusschen beide handen, slaat het oog omhoog en bidt. De Vreemdeling ziet hem oplettend aan.

Frans, tot den Vreemdeling. „Deze oude man kan slechts een luttel deel van aardsch geluk bezitten; en zie toch hoe dankbaar hij is.”

Bingley. „Omdat hij, ofschoon reeds oud, slechts een kind is aan den leiband der hoop.” (Hij ziet strak naar Foker, die echter koeltjes aan den knop van zijn rotting blijft zuigen.)

Frans. „De hoop is de voedster des levens.”

Bingley. „En hare wieg – is het graf.”

De Vreemdeling sprak dit met het klagend geluid van een fagot, die op sterven ligt, en vestigde de oogen zoo onafgewend op Pendennis, dat de arme jongen geheel van zijn stuk geraakte. Hij dacht, dat al de aanwezigen hem zouden aanstaren, en sloeg de oogen neer. Zoo dikwijls hij ze echter opsloeg, ontmoette hij weer die van Bingley. Het geheele tooneel door speelde de regisseur voor hèm. Toen Bingley op het punt stond eene weldaad te bewijzen, en Frans met het boek wegzond, opdat die knecht geen getuige zou zijn van de edele daad, welke hij beraamde, legde hij er zorgvuldig eene vouw bij, zoodat hij de lecture, des verkiezende, zou kunnen voortzetten, zoodra hij van het tooneel af was. Maar dit alles werd rechtstreeks ten aanschouwe van Pendennis gedaan, dien de regisseur zich had voorgenomen onverbrekelijk aan zich te boeien. Wat viel den jongen een pak van het hart, toen dit tooneel was afgeloopen en Foker, met zijn rotting stampende, uitriep: „Bravo, Bingley!”

„Help eens een handje, Pendennis,” zeide Foker, „ge weet, iedereen heeft wel eens hulp noodig,” en de goedhartige jonge heer en de lachende Pendennis en de dragonders in de loge aan de overzijde begonnen met alle macht in de handen te klappen.

Eene kamer in het slot Wintersen onttrok Tobias’ hut en den Vreemdeling en diens ruiterlaarzen aan het oog, en er verschenen bedienden, die het druk hadden met stoelen en tafels aan te brengen. „Dat is Hicks en Jufvrouw Thackthwaite,” fluisterde Foker, „Eene aardige meid, vindt je niet, Pendennis? Maar wacht – hoera! – bravo! daar is de Fotheringay.”

Het parterre daverde en stampte met zijne paraplu’s; eene volle laag applaudissementen werd van de galerij afgevuurd; de dragonder-officieren en Foker klapten als razenden in de handen, en hunne toejuichingen waren zoo luidruchtig, dat men gedacht zou hebben, dat den zaal stampvol was. Tusschen de coulissen zag men het roode gezicht en den haveloozen baard van mijnheer Costigan uitgluren. Pen spalkte de oogen wijd open, toen mevrouw Haller met een neergeslagen blik binnenkwam, vervolgens, door het gedruis der toejuichingen tot bezinning komende, met een erkentelijken oogopslag de zaal rondzag en, de handen voor hare borst kruisende, eene prachtige nijging maakte. Meer applaudissement, meer paraplu’s: Pen, door wijn en geestdrift opgewonden, klapte harder in de handen en riep luider „bravo” dan iemand anders. Mevrouw Haller zag hem en iedereen; en de oude Bows, de kleine eerste viool van het orkest (dezen avond, door welwillende vergunning van kolonel Swallowtail, versterkt met een detachement van het muziekkorps der dragonders) keek van den lessenaar, waar hij zijnen plaats had, met zijne kruk naast hem, op en glimlachte over de verrukking van den knaap.

Zij, die jufvrouw Fotheringay eerst in later dagen, na haar huwelijk en hare introductie in de Londensche kringen, gezien hebben, kunnen zich bezwaarlijk voorstellen welk een prachtstuk van eene vrouw zij was, toen onze vriend Pen voor het eerst zijn oog op haar liet vallen. Zij was eene der rijzigste vrouwen en verkeerde op haar toenmaligen leeftijd van zes en twintig jaar – want zij was zesentwintig, ofschoon zij beweerde slechts negentien te tellen – in den bloei en de volheid van bare schoonheid. Haar voorhoofd was breed, het zwarte haar golfde er overheen met eene natuurlijke rimpeling (welke de dames in den laatsten tijd hebben trachten na te bootsen met behulp van friseerijzers) en was in glinsterende en dikke vlechten opgenomen langs een hals, gelijk men er een ziet op de schouders van de Venus in de Louvre – die aanbiddenswaardige, voor goden en menschen. Wanneer zij de oogen ophief om den blik op u te slaan, straalde, eer zij de purperen oogleden met de lange wimpers weer liet dalen, er eene onpeilbare teederheid en geheimzinnigheid uit. De Liefde en het Genie schenen daaruit te stralen en zich dan schuchter terug te trekken, als beschaamd, dat zij aan het venster gezien waren. Wie anders dan eene vrouw van grooten geest kon zulk een indrukwekkend voorhoofd bezitten? Nooit lachte zij (want hare tanden waren niet mooi), maar er speelde een onbeschrijfelijk teeder en zoet glimlachje om hare schoone lippen en in de kuiltjes van hare wangen en van haar snoeperig kinnetje. Haar neus tartte in die dagen alle beschrijving. Hare ooren waren als twee kleine paarlemoerschelpern, welke de oorringen, die zij droeg (ofschoon de fraaiste onder de tooneeljuweelen), slechts ontsierden. Zij was gedost in een lang en golvend zwart kleed, dat zij met verwonderlijke gratie heen en weer liet wapperen, en uit welks plooien men slechts nu en dan hare sandalen te voorschijn zag komen; zij waren niet al te klein, maar Pen vond ze betooverend als de muiltjes van Asschepoetster. Doch hand en arm waren de hoofdsieraden van dit heerlijke schepsel, en hoe het ook ging, men kon haar nooit zien dan daartusschen door. Zij omringden haar. Wanneer zij ze met gelatenheid over hare borst kruiste; wanneer zij ze in stomme smart liet neerhangen, of ze met eene trotsche, bevelende beweging ophief; wanneer zij in speelsche dartelheid de handen voor zich liet fladderen en huppelen als – wat zullen wij zeggen? – als de sneeuwwitte duiven voor de zegekar van Venus, – dan was het met die armen en handen, dat zij hare bewonderaars wenkte, terugwees, smeekte, omarmde – niet één enkelen bewonderaar, want zij was gewapend met hare eigene deugd en met haar vaders dapperheid, wiens zwaard uit de scheede zou gevlogen zijn wanneer zijn kind de minste beleediging ware aangedaan, – maar de geheele zaal, die, gelijk men dat noemt, niet tot bedaren te brengen was als zij nijgde, en boog en het publiek verrukte.

Aldus stond zij een oogenblik, onberispelijk en schoon, terwijl Pen haar aanstaarde. „Nu, Pen, is zij geen juweel?” vroeg mijnheer Foker.

„Stil!” zeide Pen. „Zij gaat spreken.”

Zij begon hare rol met eene diepe liefelijke stem. Ieder, die Menschenhaat en berouw kent, weet, dat de opmerkingen der daarin optredende personen zich niet door veel verstand, nieuwheid of dichterlijkheid onderscheiden, ja, zoo men beweerde, dat het een onbeduidend stuk is, zou men niet ver bezijden de waarheid zijn. Nooit heeft iemand zóó gesproken. Indien wij in het dagelijksche leven dwazen ontmoeten, – hetgeen wel eens gebeuren kan, – is het een groot geluk, dat zij niet zulke onzinnig hoogdravende woorden gebruiken. De taal van den Vreemdeling is onecht, gelijk het boek, dat hij leest, en het haar, dat hij draagt, en de bank, waarop hij zit, en de diamanten ring, waarmee hij speelt, – doch door dat gebazel heen loopt dat echte gevoel voor liefde, voor kinderen, voor schuldvergiffenis, waarnaar men zal luisteren waar het ook verkondigd worde en dat de deelneming van iedereen eischt.

Met welk eene gesmoorde smart, met welke treffende aandoening zeide mevrouw Haller hare rol op! Aanvankelijk, toen zij als graaf Wintersen’s huishoudster alles moest gereedmaken voor de komst van Zijne Excellentie en bevelen moest geven om het bed en het huisraad, den maaltijd enz. in orde te brengen, deed zij dit met de stomme radeloosheid der wanhoop. Maar toen zij van de botte bedienden ontslagen was en hare aandoeningen aan het parterre en de geheele zaal kon ontboezemen, stortte zij zich voor ieder toeschouwer uit alsof hij alleen haar vertrouwde was en zij hare smart aan zijn schouder uitweende: de kleine violist in het orkest (op wien zij niet scheen te letten, doch die onafgewend het oog op haar hield) schoof en draaide en knikte en wees, en toen zij kwam aan de beroemde woorden: „Ook ik heb een Willem, indien hij nog leeft – ach ja, indien hij nog leeft! En zijne kleine zuster ook! Waarom, o verbeelding, kwelt gij mij aldus? Waarom schildert gij mij mijne kinderen, wegkwijnende op het ziekbed, en roepende om – om – hunne moe – moe – oeder!” – toen zij aan die woorden kwam, begroef de kleine Bows zijn gelaat in zijn blaaw katoenen zakdoek, na eerst nog: „Bravo!” geroepen te hebben.

Het gansche gezelschap was aangedaan. Foker haalde een grooten geel zijden zakdoek te voorschijn en huilde als een kind. Pen, van zijn kant, was daarvoor te ver weg. Hij volgde die vrouw overal waar zij ging; was zij niet op het tooneel, dan waren tooneel en zaal ledig voor hem; de lichten en de roode officieren draaiden hem voor de oogen. Hij begluurde haar wanneer zij tusschen de coulissen op hare beurt stond te wachten om op het tooneel te komen en haar vader den shawl van hare schouders nam: toen de verzoening plaats had, en zij zich aan den hals van mijnheer Bingley wierp, terwijl de kinderen zich aan hunne knieën vastklemden, en de gravin (mevrouw Bingley) en baron Steinforth (met groote levendigheid en veel vuur door Garbetts voorgesteld) – kortom terwijl de overige personen eene groep rondom hen vormden, zagen Pen’s gloeiende blikken alleen Fotheringay. Fotheringay. Het scherm viel als een lijkkleed voor hem neder. Hij hoorde geen woord van Bingley, die opkwam om het stuk voor den volgenden avond aan te kondigen en, als naar gewoonte, de daverende toejuichingen op zijne eigene rekening stelde. Pen begreep zelfs niet duidelijk, dat de toeschouwers mejufvrouw Fotheringay terugriepen, en evenmin scheen de regisseur te vatten, dat iemand anders dan hij de oorzaak was van den opgang van het stuk. Eindelijk echter begreep hij het; hij trad met een grijns terug, en verscheen onmiddellijk daarna met mevrouw Haller aan zijn arm. Wat was zij schoon! Haar haar golfde los neder, de officieren wierpen haar bloemen toe. Zij drukte die aan haar hart. Zij schoof het haar achterwaarts en keek met een glimlach rond. Hare oogen ontmoetten die van Pen. Andermaal viel het scherm en zij was weg. Hij hoorde geen noot van de ouverture, welke de blaasinstrumenten der dragonders speelden – altijd met welwillende vergunning van kolonel Swallowtail.

„Dat is een dooddoener, vindt ge niet?” vroeg Foker aan zijn metgezel.

Pen wist niet recht wat Foker zeide en antwoordde maar met een enkel woord. Hij kon den ander niet zeggen wat hij gevoelde; hij had op dat oogenblik tegen geen sterfelijk wezen kunnen spreken. Bovendien wist Pendennis niet juist wat hij vooralsnog gevoelde: het was iets overstelpends, verbijsterends, overheerlijks, een koortsachtig gevoel van woeste blijdschap en onbestemd smachten.

Thans traden Rowkins en jufvrouw Thackthwaite op, om de geliefkoosde dubbele horlepijp te dansen, en Foker gaf zich met evenveel geestdrift aan de genoegens van dit ballet, als eenige minuten vroeger aan de tranen van het treurspel over. Pen gaf er niet om, had zelfs geene aandacht voor den dans, dan om zich te herinneren, dat die vrouw met haar gespeeld had toen zij voor het eerst optrad. Toen de dans was afgeloopen, keek hij op zijn horloge, en zeide, dat het tijd voor hem was om heen te gaan.

„Wees niet mal!” zeide Foker; „ge moet de Bravo met de strijdbijl blijven zien; daarin is Bingley prachtig; hij draagt eene roode kniebroek en moet mevrouw Bingley over de Pijnboombrug van den Waterval dragen, maar zij is wat zwaar. Het is allergrappigst. Blijf maar!”

Pen keek de affiche in, met eene flauwe maar zoete hoop dat jufvrouw Fotheringay’s naam hier of daar in de lijst der personen van het nastuk zou schuilen; maar die naam was daar niet te vinden. Hij moest gaan. Hij had nog een langen weg naar huis te rijden. Hij drukte Foker’s hand. Hij wilde spreken, maar hij kon niet, de stem bleef in de keel. Hij verliet den schouwburg en liep, hij wist niet hoelang wel, de stad verbijsterd rond. Daarop steeg hij aan den George te paard en draafde naar huis, en de klok van Clavering sloeg één uur, toen hij het plein van Fairoaks opreed. De vrouw des huizes was misschien nog wakker, maar zij hoorde alleen van den gang buiten zijne kamer, hoe hij in bed vloog en de dekens over zijn hoofd haalde.

Pen was niet gewoon de nachten wakend door te brengen, en viel dus dadelijk in een gezonden slaap. Zelfs in latere dagen, wanneer zorgen en andere onderwerpen hem wakker houden, begint een mensch, door lange gewoonte of vermoeienis of wilskracht, met in te slapen als naar gewoonte, en doet een dutje eer de Bezorgdheid komt. Doch spoedig maakt zij hare opwachting bij hem en trekt hem bij de mouw, met de woorden: „Kom, mannetje, werp die dommeligheid van u af; word wakker, dan zullen wij eens wat praten.” En dan beginnen zij te zamen in het holle van den nacht. Maar wat den armen kleinen Pen later ook mocht weervaren, vooralsnog was hij zoo ver niet gekomen; hij verviel in een diepen slaap, werd niet wakker vóór het vroege morgenuur, toen de kraaien in het boschje voor het venster zijner slaapkamer begonnen te krassen, en – op dat eigen oogenblik en toen zijne oogen opensprongen, stond hem het geliefde beeld voor den geest. „Mijn beste jongen,” hoorde hij haar zeggen, „gij laagt in een gezonden slaap en ik wilde u niet storen; doch ik heb al dien tijd naast uw bed gestaan, en ik wil niet, dat gij mij zult verlaten. Ik ben de Liefde! Koorts en hartstocht, woest verlangen en razende begeerte, rusteloos smeeken en zoeken breng ik met mij. Reeds sinds lang heb ik mij door u hooren roepen; en zie, hier ben ik nu!”

Was Pen door die woorden verschrikt? Gansch niet. Hij wist niet wat er komen zou; het was tot nog toe alles woest vermaak en genot. Drie jaar geleden, toen hij op school in de vijfde klasse werd geplaatst, had zijn vader hem een gouden horloge geschonken, dat de knaap als hij ontwaakte van onder zijn kussen te voorschijn haalde en bekeek; steeds zat hij het in het verborgen te poetsen en te polijsten en zonderde zich in stille hoekjes af, om naar het tikken te luisteren, zoozeer was hij met zijn nieuwen schat ingenomen; hij voelde in zijn vestzak, om zich te overtuigen, dat het daar veilig zat, wond het des avonds op, en drukte het, zoodra hij wakker werd, aan zijne borst en bezag het. – In het voorbijgaan zij gezegd, dat Pen’s eerste horloge een opzichtig, slecht bewerkt stuk was; van den beginne af ging het reeds niet goed en aanhoudend geraakte het van streek. En na het in eene lade weggeborgen en een tijdlang vergeten te hebben, verruilde hij het eindelijk tegen een uurwerk, dat meer nut deed.

Pen gevoelde zich vele jaren ouder sinds gisteren. Er was nu geene vergissing mogelijk. Hij was zoo echt verliefd als de beste held van den besten roman, dien hij ooit gelezen had. Met het grootste zelfvertrouwen verzocht hij Jan, hem zijn scheerwater te brengen. Hij trok dezen morgen eenige zijner beste kleederen aan en kwam met eene houding van gewicht aan de ontbijttafel. Hij nam een toon van bescherming tegen zijne moeder aan en tegen de kleine Laura, die reeds sinds uren hare muziekles zat op te dreunen, en hem, nadat hij het gebed gelezen had (waarvan hij geen woord verstond), met verwondering over zijn deftig uitzicht, verzocht haar eens te vertellen waar het stuk op neerkwam.

Pen weigerde dit lachend, en eigenlijk was het maar beter, dat zij het niet wist. Daarop vroeg zij hem, waarom hij zijne mooie speld en dat nette nieuwe vest had aangedaan.

Pen bloosde en deelde aan zijne moeder mede, dat de oude schoolkameraad, met wien hij te Chatteries gedineerd had, onder toezicht van een gouverneur, een zeer geleerd man, te Baymouth studeerde; en daar hij zelf naar de academie zou gaan en verscheidene jongelieden hunne studiën te Baymouth onderhielden, wilde hij wel eens daarheen rijden, om – te zien hoe zij hun werk inrichtten.

Laura zette een lang gezicht. Helena Pendennis zag haar zoon scherp aan, daar zij meer dan ooit beklemd werd door die onzekerheid en vrees, die haar niet verlaten hadden sedert den vorigen avond, toen Gurnett, de boer, haar de boodschap had gebracht, dat Pen niet thuis zou komen eten. Arthur’s oog doorstond haar blik. Zij trachtte zich te troosten en haar angst te verdrijven. De jongen had haar nooit eene onwaarheid verteld. Pen gedroeg zich onder het ontbijt zeer verwaand en uit de hoogte, en, nadat hij afscheid van de oude en de jonge dame genomen had, hoorde men hem een oogenblik later het stalplein afrijden. In den beginne ging hij langzaam aan, doch, zoodra hij meende buiten het gehoor te zijn, begon hij als een razende te galoppeeren.

Smirke, die over zijne eigen zaken nadacht en zachtkens, met de teenen naar buiten, kwam aanrijden om Pen zijne drie uren les te geven op Fairoaks, ontmoette zijn leerling, die hem als een wervelwind voorbijvloog. Smirke’s hit werd schichtig, toen de ander als een bliksemstraal langs hem heen schoot, en de zachtzinnige hulpprediker tuimelde hals over kop tusschen de brandnetels bij de heg. Pen lachte toen zij elkander ontmoetten, wees op den weg naar Baymouth en was reeds eene halve mijl ver in die richting, eer de arme Smirke weer op de been kwam.

Pen had besloten, dat hij Foker dien morgen moest zien: hij moest van haar hooren spreken, alles omtrent haar vernemen, met iemand omgaan, die haar kende; en de eerzame Smirke overwoog van zijn kant met een spijtig gevoel, terwijl hij daar tusschen de brandnetels zat en zijn hit bedaard het groen van de heg afknabbelde, of hij zich wel naar Fairoaks behoorde te begeven, nu zijn leerling blijkbaar voor den ganschen dag was uitgegaan. Hij kwam echter tot de overtuiging, dat het hem vergund was. Hij mocht mevrouw Pendennis wel gaan vragen, wanneer Arthur zou terugkomen, terwijl hij de jonge juffer Laura dan iets uit Watts’ Catechismus kon overhooren. Hij klom weder op zijn kleinen hit – beiden waren aan zijn afglijden gewoon – en richtte zich naar het huis, waaruit zijn leerling zoo even als in een stormwind was weggevlogen.

Zoo maakt de liefde ons allen, groot en klein, tot dwazen; de hulpprediker was hals over kop geduikeld, terwijl hij haar najoeg, en Pen was uitgevlogen in het eerste vuur van de dollemansvaart.

VIJFDE HOOFDSTUK.

MEVROUW HALLER THUIS.

Zonder haar gang te vertragen was de merrie Rebekka tot Baymouth voortgegaloppeerd, waar Pen haar in den stal van het logement bracht, en vervolgens recht naar Foker’s kamers ging, die hij kende uit de inlichtingen, welke die heer hem den vorigen dag had verstrekt. Toen Pen op die kamers kwam, boven den winkel van een drogist, wiens voorraad van sigaren en sodawater snel van de hand ging door de klandizie van zijne jonge inwoners, vond hij alleen mijnheer Spavin, Foker’s vriend en medeëigenaar van het rijtuig, waarmede laatstgenoemde Chatteries was binnengereden, die zat te rooken en een kleinen hond, die bij hem in de gunst stond, kunstjes leerde met een stukje beschuit.

Pen’s gezond gelaat, verhit door den rit, stak zonderling af bij de waskleurige, ziekelijke kleine gelaatstrekken van Foker’s kameraad. Dezen viel dit in het oog. „Wie is die kerel?” dacht hij. „Hij ziet er uit als melk en bloed. ’k Wed vijf tegen één, dat zijne hand ’s morgens niet beeft.”

Foker was in het geheel niet thuis gekomen. Dat was eene teleurstelling! Spavin kon niet zeggen, wanneer zijn vriend zou terugkomen. Soms bleef hij een dag, soms eene week weg. Tot welke academie behoorde Pen? Zou hij iets gebruiken? Daar stond een goed glas ale. Spavin leerde Pendennis’ naam kennen, door het kaartje, dat Pen uithaalde en neerlegde (het kan wel zijn, dat Pen in die dagen nog al trotsch was, dat hij een kaartje had) – en aldus namen de jonge lieden afscheid van elkander.

Daarop ging Pen langs de rotsen, drentelde rond op het zand, en beet op zijne nagels aan het strand der luid ruischende zee, die zich helder en onmetelijk voor hem uitstrekte. De blauwe wateren kwamen schuimend en met een heesch gebrul de baai inrollen; Pen beschouwde ze met een afgetrokken blik en zag ze nauwelijks. Welk een getij overstroomde op dat oogenblik het gemoed van den jonkman zelven, en hoe weinig kracht bezat hij om het te stuiten! Pen wierp steenen in de zee, maar nog altijd rolde zij aan. Hij was verwoed dat hij Foker niet zag. Hij had behoefte om Foker te spreken; hij moest hem spreken. „Mij dunkt ik moest den weg van Chatteries opgaan, om te zien of ik hem ontmoeten kan,” dacht Pen. Een half uur later was Rebekka gezadeld en galoppeerde zij over het gras den weg naar Chatteries op. Omtrent vier mijlen van Baymouth begint, gelijk ieder weet, de weg paar Clavering, en de merrie was natuurlijk voornemens dien in te slaan, maar Pen gaf haar een slag met de karwats over de schouder, liet dien weg links en reed tot aan den slagboom door, zonder een zweem van de zwarte chais met de roode wielen te zien.

Nu hij toch aan den slagboom was, kon hij evengoed doorijden; dat was duidelijk. Dus reed Pen naar den George en vernam van den stalknecht, dat Foker werkelijk daar was en den vorigen avond een schrikkelijk „standje” gemaakt had met drinken en zingen, en dat hij met Tom den postiljon had willen vechten, „waarvan hij, geloof ik,” zeide de man met een grijns, „slecht zou afgekomen zijn.” – „Hebt gij uw meesters scheerwater al boven gebracht?” liet hij er op zeer satirieken toon tegen Foker’s knecht op volgen, die op dit oogenblik met de kleederen van zijn meester, heerlijk geborsteld en in orde gebracht, op het plein kwam. „Wijs mijnheer Pendennis den weg eens,” en Pen volgde den knecht ten slotte naar de kamer, waar mijnheer Harry Foker midden in een onmetelijk bed lag te rusten.

Het veeren bed en de kussens zwollen geheel rondom mijnheer Foker op, zoodat men zijn klein bleek gezicht en zijne rood zijden nachtmuts ternauwernood zien kon.

„Hola!” zeide Pen.

„Wie daar, broeder? spreek op!” klonk de stem uit het bed. „Hoe! Pendennis terug? Weet uwe mama, dat gij uit zijt? Hebt gij gisterenavond met ons gesoupeerd? Neen – wacht – wie soupeerde gisterenavond met ons, Domkop?”

„Daar waren de drie officieren, mijnheer, en mijnheer Bingley, mijnheer, en mijnheer Costigan, mijnheer,” antwoordde de man, die mijnheer Foker’s toespraak met de grootste deftigheid aanhoorde.

„O ja: de beker ging rond, met scherts gekruid. Wij zongen, en ik herinner mij, dat ik met een postiljon heb willen vechten. Heb ik hem afgeranseld, Domkop?”

„Neen, mijnheer; het is tot geen vechten gekomen,” antwoordde Domkop, altijd met onverstoorbaren ernst. Hij bracht mijnheer Foker’s toiletdoos in orde, – zoo groot als een reiskoffer, een geschenk van eene liefhebbende moeder, zonder hetwelk de jonge kerel nooit reisde. De doos bevatte een verbazend talrijk stel in zilver: een zilveren zeepschotel, eene zilveren kan, zilveren doozen en flesschen voor allerlei soort van reukwerken, en eene keur van scheermessen tegen den tijd dat mijnheer Foker’s baard zou uitbotten.

„Ik zal het maar een andere keer doen,” zeide de jonkman geeuwend, en sloeg de magere armpjes boven zijn hoofd. „Neen, het is tot geen vechten gekomen; maar er is gezongen. Bingley zong, ik zong, de Generaal zong – Costigan, bedoel ik. Hebt gij hem ooit het Biggetje onder het bed hooren zingen, Pen?

„De man, dien wij gisteren ontmoetten?” vroeg Pen, geheel ontroerd, „de vader van – ”

„Van Fotheringay? – dezelfde. Is dat niet eene Venus, Pen?”

„Mijnheer, mijnheer Costigan is in de zitkamer, mijnheer, en zegt, mijnheer, dat gij hem op het ontbijt gevraagd hebt, mijnheer. Hij is er al vijfmaal geweest, mijnheer, maar wilde volstrekt niet, dat ik roepen zou, en is al hier sedert elf uur, mijnheer –”

„Hoe laat is het nu?”

„Eén uur Mijnheer.”

„Wat zou de beste der moeders zeggen,” riep de kleine luiaard uit, „indien zij mij op dit uur te bed zag? Zij heeft mij hierheen gezonden met een repetitor. Zij wenscht, dat ik mijn verwaarloosd genie zal beschaven. Hè, Pen, dat is wat anders dan de school ’s morgens om zeven uur, – niet waar, ouwe jongen?” en de jonge heer begon zoo uitgelaten als een schooljongen te lachen. Toen liet hij er op volgen: „Ga zoolang den Generaal gezelschap houden, terwijl ik mij kleed, Pendennis, en vraag hem het Biggetje onder het bed voor u te zingen, dat is iets prachtigs.” Pen ging in groote ontroering heen om mijnheer Costigan op te zoeken, en mijnheer Foker begon zijn toilet.

Van mijnheer Foker’s beide grootvaders was de een, van wien hij een fortuin erfde, een bierbrouwer; de andere was een graaf, die hem begiftigde met de inschikkelijkste moeder ter wereld. De Foker’s waren van vader tot zoon op de school gegaan, alwaar onze vriend (wiens naam men, over den muur der speelplaats heen, op het uithangbord eener herberg kon zien, waar „Fokersbier” geschilderd stond) vreeselijk geplaagd werd wegens zijn vaders beroep, zijn lomp voorkomen, zijn geringen aanleg voor geleerdheid of zindelijkheid, zijne gulzigheid en andere zwakke zijden. Doch als men weet hoe een gevoelige knaap onder de dwingelandij zijner schoolkameraden afgetrokken en gluiperig wordt, zal men begrijpen hoe hij zich binnen weinige maanden na zijne bevrijding uit de knechtschap zoodanig had ontwikkeld als nu het geval was, en hoe hij de luimige, sarcastische, schitterende Foker was geworden, met wien wij kennis hebben gemaakt. Wel is waar, bleef hij altijd een domkop, want men verwerft geene kennis door de school te verlaten en zich als student bij eene academie te laten inschrijven; maar hij was nu (op zijne wijze) een evengroot dandy als hij vroeger een sloddervos was geweest, en toen hij de zitkamer binnentrad, om zijne beide gasten op te zoeken, verscheen hij geparfumeerd en in fijn linnen gedost en oogverblindend van toilet.

Generaal of kapitein Costigan – want dezen laatsten titel scheen hij het liefst te voeren – zat in het venster, het nieuwsblad op armslengte van zich afhoudende. De oogen van den kapitein waren wat dof, en hij spelde de woorden met behulp van zijne lippen zoowel als van zijne roode oogen, zooals men dat wel meer ziet van heeren, voor wie het lezen eene zeldzame en moeielijke bezigheid is. Zijn hoed stond schuins op één oor, en daar hij één zijner voeten op de vensterbank gelegd had, kon iemand, die op zulke dingen lette, uit de gedaante en den versleten toestand der laarzen van den kapitein opmaken, dat het hem niet bijzonder voor den wind ging. De armoede schijnt eene bijzondere neiging te bezitten, om, alvorens zij zich geheel van iemand meester maakt, in de eerste plaats zijne uiterste ledematen aan te tasten; zijne hoofd-, hand- en voetbekleeding wordt hare eerste prooi. Al deze gedeelten van des kapiteins kleeding waren buitengemeen slordig en kaal. Zoodra hij Pen zag, verliet hij zijne zitplaats in de vensterbank en groette den binnengekomene, eerst op militaire wijze, door een paar vingers (bedekt met een gescheurden zwarten handschoen) aan zijn hoed te brengen en daarna dit sieraad geheel af te nemen. De kapitein had aanleg om kaal te worden, doch vlijde eene hoeveelheid lang ijzergrauw haar over zijne kruin, terwijl een paar lokken daarvan langs elke zijde van zijn gelaat neerhingen. Veel whisky had het teint bedorven, dat mijnheer Costigan in zijne jeugd misschien bezeten had. Zijn voormaals knap gelaat was nu koperkleurig. Hij droeg eene zeer hooge stropdas, met scheurtjes en vlekken op vele plaatsen, en een gekleeden rok, geheel toegeknoopt, behalve op de plaatsen waar de knoopen afscheid van het laken hadden genomen.

„De jonge heer, aan wien ik de eer had gisteren op het kerkplein voorgesteld te worden,” zeide de kapitein met eene allersierlijkste buiging en een zwaai van zijn hoed. „Ik hoop, dat gij wel zijt, mijnheer. Ik zag u gisterenavond in den schouwburg onder het spel van mijne dochter; maar toen ik terugkwam, vond ik u niet meer. Ik had haar maar even thuis gebracht, mijnheer, want Jack Costigan, ofschoon arm, is een gentleman; en toen ik weer in den schouwburg kwam om mijn compliment te maken aan mijn vroolijken jongen vriend, mijnheer Foker, waart gij reeds heengegaan. Wij hebben nog een genoeglijken avond doorgebracht, mijnheer; – mijnheer Foker, de drie jonge en dappere dragonders en uw onderdanige dienaar. Waarachtig, mijnheer, het deed mij weer denken aan sedert lang verloopen avonden, toen ik officier was bij het beroemde honderd en derde regiment.” En bij die woorden haalde hij eene oude snuifdoos uit den zak, en bood die met eene deftige houding zijn nieuwen bekende aan.

Arthur was verreweg te veel ontroerd om te spreken. Die kale en verloopen kwast was – was haar vader. De kapitein was geparfumeerd met den geur der sigaren van den vorigen avond, en krulde en trok het bosje haar aan zijne kin zoo kranig als een eerste jonge dandy.

„Ik hoop, dat mejufvrouw F–, mejufvrouw Costigan welvarend is, mijnheer,” zeide Pen, beginnende te blozen. „Zij – zij verschafte mij grooter genoegen, dan – dan ik – ik – ik ooit in de komedie genoten heb. Ik geloof, mijnheer – ik geloof, dat zij de knapste actrice ter wereld is,” bracht hij met stokkenden adem uit.

„Uwe hand, jonkman! want gij spreekt uit het hart,” riep de kapitein uit. „Ik dank u, mijnheer; een oud soldaat en een liefhebbend vader dankt u. Zij is de eerste actrice ter wereld. Ik heb mevrouw Siddons gezien, mijnheer, en mejufvrouw O’Nale – die waren groot, maar wat waren zij in vergelijking van jufvrouw Fotheringay? Ik wil niet, dat zij haar eigen naam drage, zoolang zij op het tooneel is. Mijne familie, mijnheer, draagt het hart hoog, en de Costigan’s van Costiganstown zouden denken, dat een eerlijk man, die officier geweest is bij het honderd en derde, zich vernederde door zijne dochter te veroorloven, het brood voor haar ouden vader te verdienen.”

„Er kan voorwaar geen eervoller plicht bestaan,” zeide Pen.

„Eervol! Voor den drommel, mijnheer, ik zou den man wel eens willen zien, die durfde zeggen, dat Jack Costigan zou bewilligen in iets, dat niet eervol was. Ik heb een hart, mijnheer, ofschoon ik arm ben; ik houd van menschen, die hart hebben. En daaronder behoort gij; dat lees ik in uw open gelaat en uw vasten blik. En zoudt gij wel willen gelooven,” liet hij er na een poosje op volgen, terwijl hij vol aandoening fluisterde, „dat die Bingley, die door mijn kind fortuin gemaakt heeft, haar slechts twee guinjes in de week geeft, waaruit zij hare kleeding bekostigt, en dit, met mijne eigene geringe middelen, ons geheele inkomen uitmaakt?”

Nu moet het gezegd worden, dat de middelen van den kapitein zoo uiterst gering waren, dat zij inderdaad onzichtbaar mochten heeten. Doch niemand weet hoe de wind verzacht wordt voor de geschoren Iersche lammeren, en op welke wonderlijke plaatsen zij weide vinden. Zoo kapitein Costigan, dien ik de eer had te kennen, zijne historie maar had willen vertellen, zou het een belangrijk verhaal, vol zedelessen geweest zijn. Maar hij zou die geschiedenis niet verteld hebben, indien hij het had kunnen doen, noch het hebben kunnen doen, indien hij gewild had; want de kapitein was niet alleen buiten machte om de waarheid te spreken, maar zelfs onbekwaam om de waarheid te denken, en waarheid en verdichting golfden in zijn droomerig en dronken brein door elkander heen.

Hij begon zijn leven onder schitterende vooruitzichten als vaandrig, met eene fraaie gestalte en fraaie beenen, en eene der schoonste stemmen ter wereld. Tot zijn laatsten dag zong hij met bewonderenswaardig gevoel en luim die merkwaardige Iersche balladen, die zoo opgeruimd en zoo weemoedig maken, en hij was altijd de eerste, die van aandoening daarover begon te schreien. Arme Cos! hij was te gelijk opgewekt en neerslachtig, geestig en dwaas, maar altijd goedhartig, en soms kon men hem bijna vertrouwen. Tot het laatste oogenblik zijns levens was hij bereid met iedereen te drinken en voor iedereen borg te blijven; en zijn einde was in de gijzeling, waar de deurwaarder, die hem had opgepakt, hart voor hem had gekregen.

In den korten morgenstond zijns levens, was Cos de ziel der officierstafels, en had de eer zijne drink- of sentimenteele liederen aan den disch der beroemdste generaals en opperbevelhebbers te zingen, gedurende welk tijdperk hij driemaal meer wijn dronk dan goed voor hem was en hij zijn gering erfdeel doorbracht. Wat er van hem werd nadat hij het leger verlaten had, gaat ons niet aan. Ik wil wedden, dat geen oningewijde weet hoe een Iersch gentleman zonder geld leeft, hoe hij het hoofd boven water weet te houden, welke ondernemingen hij, om wat te verdienen, met helden, die even ongelukkig zijn als hij zelf, op touw zet, door welke middelen hij de meeste dagen van de week zijne portie whisky met water weet te krijgen: dit zijn alle onoplosbare geheimen voor ons, doch genoeg, wanneer wij zeggen, dat Jack, onder alle stormen des levens, op de eene of andere wijze was blijven bovendrijven en zijn roode neus nooit bleek had behoeven te worden.

Eer hij en Pen een half uur met elkander gesproken hadden, was het hem gelukt den jongen heer een paar goudstukken af te persen voor biljetten, voor de benefice zijner dochter, die eerlang zou plaats hebben. Het was geene onderneming voor eigen rekening, gelijk verleden jaar, toen de arme jufvrouw Fotheringay er nog vijftien shillings bij had toegelegd, maar eene overeenkomst met den regisseur, volgens welke de dame een zeker aantal plaatsbriefjes verkoopen en een aanzienlijk gedeelte van den prijs voor zich zelve behouden kon.

Pen had slechts twee pond in zijne beurs en stelde die aan den kapitein ter hand voor de biljetten; hij zou niet meer hebben durven aanbieden, uit vrees van de kieschheid van den krijgsman te kwetsen. Costigan krabbelde spoedig een biljet voor eene loge neer, liet het geld luchtig in zijn vestzak glijden en sloeg met de hand op de plaats waar het nu lag. Het scheen zijne oude ribben te verwarmen.

„In vertrouwen, mijnheer,” sprak hij, „het duimkruid is tegenwoordig schaarscher bij mij dan het placht te zijn. Ik won er zeshonderd op een enkelen avond, mijnheer, toen mijn toegenegen vriend, zijne koninklijke hoogheid de hertog van Kent, te Gibraltar was.” En dadelijk begon hij Pen eene reeks van verhalen op te disschen hoeveel wijn er gedronken was, welke weddenschappen er waren aangegaan, welke wedrennen de officieren van het garnizoen gehouden hadden, en daarmede hield hij den jongen heer aangenaam bezig tot hun gastheer en het ontbijt binnenkwamen.

Het was aardig te zien, hoe de kapitein zich tegenover den gevulden kalkoen en de lamscôteletten hield! Aan zijne vertellingen was geen einde, en hij werd onder het spreken met de jongelieden aanhoudend opgewekter. Wanneer de oude lazzarone een zonnestraaltje opving, bakerde hij zich daarin; hij praatte over zijne eigen zaken en zijne vroegere heerlijkheid en over al de lords, generaals en lord-stadhouders, die hij ooit gekend had. Hij beschreef den dood van zijne teerbeminde Bessie, wijlen mevrouw Costigan, en de uitdaging, die hij gezonden had aan kapitein Shanty Clancy van de Doodhakkers, die mejufvrouw Fotheringay onbeschaamd aangekeken had toen zij in het park te Dublin reed; en vervolgens zette hij uiteen hoe de kapitein verschooning had gevraagd, een diner had gegeven in Kildare Street, waar zes van hen een en twintig flesschen wijn hadden gedronken, enz. Hij verklaarde, dat het een geluk en iets roemrijks in het leven van een oud soldaat was, met twee zulke edelaardige en milde jongelui aan te zitten, en toen hij een tweede glas curaçao had gekregen, gevoelde hij zich zoo gelukkig, dat hij begon te schreien. Alles te zamen genomen, zouden wij kunnen zeggen, dat de kapitein geen man van een krachtigen geest of een wenschelijk gezelschap was voor de jeugd; doch er zijn slechter menschen, die veel betere betrekkingen in het leven bekleeden en oneerlijker zijn, en die nooit half zooveel slechte streken gedaan hebben als hij. Zij gingen uit, waarbij de kapitein, in een suffen staat van tevredenheid, zijne beide dierbare jonge vrienden onder den arm hield. Hij keek schuins naar een paar winkels, waar hij misschien geld schuldig was, alsof hij zeggen wilde: „Zie maar eens in welk gezelschap ik ben – gij behoeft niet ongerust te zijn over uw geld,” en eindelijk namen zij afscheid van mijnheer Foker bij eene biljartzaal, waar deze afspraak had met eenige heeren van het regiment van kolonel Swallowtail.

Pen en de schrale kapitein bleven op straat rondslenteren, waarbij de kapitein, op zijne sluwe wijze, hem uithoorde omtrent mijnheer Foker’s fortuin en stand in de maatschappij. Pen verhaalde hem, dat Foker’s vader een voornaam bierbrouwer en zijne moeder Lady Agnes Milton, dochter van Lord Rosherville was. De kapitein barstte los in overdrevene complimenten en loftuitingen ten aanzien van mijnheer Foker, „wiens aangeboren aristocratie men,” zeide hij, „met een oogopslag zien kon, ofschoon ze slechts strekte om de andere hoedanigheden die hij bezat, een doordringend verstand en een edelmoedig hart, te verhoogen,” – van welke redevoering de kapitein zelf geen enkel woord volkomen geloofde.

Verwonderd, vermaakt en verbijsterd naar het gepraat van zijn metgezel luisterende, wandelde Pen voort. Het was den knaap nog niet in de gedachte gekomen, iets te betwijfelen, dat men hem verhaalde, en daar hij zelf oprecht was, nam hij natuurlijk ook hetgeen hem door anderen werd medegedeeld voor gave munt aan. Costigan had nooit een beter toehoorder gehad, en was ten hoogste gevleid door de oplettendheid en het bescheiden gedrag van den jonkman.

Zoozeer was hij met den jongen gentleman ingenomen en zoo argeloos, eerlijk en aangenaam scheen Pen hem toe, dat de kapitein hem ten slotte eene uitnoodiging deed, die hij zeer zelden tot jongelieden richtte, en aan Pen vroeg, of deze hem de eer wilde doen zijne nederige hut binnen te treden, die zeer dichtbij was en waar de kapitein de eer zou hebben zijn jongen vriend aan zijne dochter, mejufvrouw Fotheringay, voor te stellen?

Pen was door deze uitnoodiging zoo heerlijk verrast, hij was zoo getroffen door het geluk, hem dus onverwacht aangeboden, dat hij eerst dacht, dat hij van des kapiteins arm zou gevallen zijn, en toen beefde, dat de ander zijne ontroering zou bemerken. Hij stamelde eenige onsamenhangende woorden, die beteekenen moesten, dat het hem hoogst aangenaam zou zijn aan eene dame te worden voorgesteld, wier – wier talenten hij zoo bewonderde – zoo hoogelijk bewonderde; en hij volgde den kapitein, bijna zonder te weten waar deze hem heenvoerde. Hij zou haar zien! Hij zou haar zien! Bij haar was het middelpunt van het heelal. Zij was het hart der wereld voor Pen. De dag van gisteren, toen hij haar nog niet kende, scheen onnoemelijk lang geleden; er lag eene geheele omkeering tusschen hem en dien tijd, en eene nieuwe wereld stond op het punt van voor hem geopend te worden.

De kapitein voerde zijn jongen vriend naar dat stille straatje in Chatteries, Prior’s Lane geheeten, dat in het kerkelijk gedeelte der stad ligt, nabij de huizen van den deken Green en de kanunniken, en waarop de torens der hoofdkerk neerzien. Daar woonde de kapitein heel bescheiden op de eerste verdieping van een huis met een lagen gevel en met eene koperen plaat aan de deur, waarop: Creed, heeren- en dames kleermaker te lezen stond. Creed was evenwel dood. Zijne weduwe was stovenzetster in de kerk dichtbij; zijn oudste zoon was een kleine guit van een koorknaap, die kruis en munt speelde, zijne broertjes tot allerlei kattekwaad aanzette en eene stem had als een engel. Een paar van die broertjes zaten op het stoepje, dat men moest opgaan om in den gang van het huis te komen, sprongen driftig hun huisgenoot te gemoet en vlogen als bezetenen, tot Pen’s verbazing, op de rokspanden van den kapitein los, want doorgaans bracht die goedhartige heer, als hij bij kas was, een appel of een stuk koek voor deze kinderen mee, „zoodat de weduwe mij nooit lastig viel om de huur, wanneer het mij niet schikte,” bekende hij later met een veelbeteekenenden blik aan Pen, terwijl hij den vinger tegen zijn neus plantte.

Pen tuimelde het stoepje op naar binnen, en terwijl hij zijn geleider op de oude krakende trap volgde, knikten zijne knieën. Hij kon bijna niet zien, toen hij dicht achter den kapitein binnentrad en in de kamer stond – in hare kamer. Hij zag iets zwarts, dat zich bewoog alsof het eene nijging maakte, en hoorde, ofschoon zeer onduidelijk, dat Costigan eene rede hield, waarbij de kapitein, met zijne gewone hoogdravendheid, aan „zijn kind” zijn wensch betuigde om haar in kennis te brengen met „zijn dierbaren en achtenswaardigen jongen vriend, mijnheer Arthur Pendennis, een gegoed jong gentleman uit den omtrek, iemand van een beschaafden geest en innemende manieren, een oprecht beminnaar van de dichtkunst en een man, begaafd: met een gevoelig en welwillend hart.”

„Mooi weertje,” zeide mejufvrouw Fotheringay met een Iersch accent en eene diepe, volle, melancholische stem.

„Heel mooi,” antwoordde mijnheer Pendennis. Op deze min romantische wijze begon hun gesprek, en spoedig vond hij zich gezeten op een stoel en had hij gelegenheid de jonge dame aan te zien.

Zij zag er buiten het tooneel nog bekoorlijker uit dan bij het lamplicht. In elken stand, dien zij aannam, had zij iets indrukwekkends en koninklijks. Toen zij opstond en tegen den schoorsteenmantel leunde, drapeerde haar kleed zich in klassieke plooien rondom hare gestalte; hare kin rustte op hare hand en de overige lijnen harer figuur vertoonden zich in harmonische golving; zij geleek eene peinzende muze. Toen zij zich op een matten stoel zette, vlijde haar arm zich bevallig over den rug, hare hand zag er uit alsof die een schepter behoorde te zwaaien, de plooien van haar gewaad vielen van zelve regelmatig rondom haar neder, gelijk staatsdames een troon omringen: men zou haar voor eene keizerin hebben aangezien. Elke beweging was bevallig en vorstelijk. Bij den dag zag men, dat zij blauwzwart haar en eene oogverblindend blanke tint bezat, terwijl een bewijsje van een blosje hare wangen kleurde. Zij had grijze oogen met ongeloofelijk lange wimpers, en wat haar mond betreft, heeft mijnheer Pendennis mij later verklaard, dat die zoo blinkend rood was, dat de schitterendste geranium, evenmin als lak, of de uniform der garde, er mee kon wedijveren.

„En heel warm,” ging deze keizerin en koningin van Scheba voort.

Mijnheer Pen stemde dit weer toe en in dier voege ging het gesprek voort. Zij vroeg aan Costigan of hij een genoeglijken avond in den George had doorgebracht, waarop hij verslag deed van het souper en opsomde hoeveel glazen punch er gedronken waren. Haar vader vroeg van zijn kant, hoe zij haar morgen had besteed.

„Bows is tegen tien uur gekomen,” gaf zij ten antwoord, „en toen hebben wij Ophelia bestudeerd. Dat is voor den vier en twintigsten, wanneer ik hoop, mijnheer, dat wij de eer zullen hebben u te zien.”

„Zeker, zeker!” riep mijnheer Pendennis uit, terwijl hij zich heimelijk verwonderde, dat zij „Ophelia” met een Iersch accent had uitgesproken, hetgeen ook in het algemeen met hare andere woorden het geval was, ofschoon men op het tooneel niet den minsten Hibernischen tongval bij haar waarnam.

„Ik heb hem voor uwe benefice geworven, schatje,” zeide de kapitein, op zijn vestzak kloppende, die Pen’s souvereinen bevatte, en met een knipoogje tegen Pen, dat den jongen een blos naar het gezicht joeg.

„Mijnheer – mijnheer is heel vriendelijk,” zeide mevrouw Haller.

„Ik heet Pendennis,” zeide Pen, weer blozende. „Ik – ik – hoop, dat gij het – het zult kunnen onthouden.” Zijn hart bonsde zoo hevig toen hij deze vermetele woorden sprak, dat hij er bijna in stikte.

„Pendennis,” herhaalde zij langzaam en keek hem zoo vast, zoo duidelijk, zoo helder, zoo betooverend in de oogen, zij sprak dien naam met zulk eene zoete, volle, diepe stem uit, dat die blik en die stem Pen door merg en been drongen en hem met verrukking bezielden.

„Ik heb nooit vroeger geweten, dat het zoo’n lieve naam was,” zeide Pen.

„Het is een heel lieve naam,” hernam Ophelia. „Pentweazle’s naam klinkt in het geheel niet lief. Gij herinnert u toch nog wel, papa, toen wij te Norwich waren, dien jongen Pentweazle, die tweede père noble was, en met jufvrouw Rancy, de Colombine, getrouwd is? zij zijn nu te Londen bij den Schouwburg der Koningin geëngageerd tegen vijf pond ’s weeks. Pentweazle was zijn ware naam niet; Judkin had hem dien gegeven, ik weet niet waarom. Hij heette Harrington, dat wil zeggen zijn eigenlijke naam was Potts. Hij was de zoon van een dominé, een heel deftig man. Harrington kwam te Londen en stak zich in schulden. Het staat u zeker nog wel voor, dat hij als Falkland optrad met mevrouw Bunce als Julia.”

„Dat was eene mooie Julia!” viel de kapitein hier in: „eene vrouw van vijftig jaar en moeder van tien kinderen! Gij hadt voor Julia moeten spelen, of ik heet niet Jack Costigan.”

„Ik speelde toen nog geen hoofdrollen,” sprak jufvrouw Fotheringay zedig: „ik was er niet geschikt voor, tot Bows het mij leerde.”

„Dat is waar, schatje,” zeide de kapitein, boog zich tot Pendennis over en liet er op volgen: „Wij zijn wat afgetakeld, mijnheer; ik ben eenigen tijd schermmeester te Dublin geweest (er waren maar drie mannen in het heele rijk, die mij in der tijd met de floret aan het lijf konden komen, maar Jack Costigan wordt tegenwoordig oud en stijf, mijnheer) en mijne dochter kreeg een engagement aan het tooneel; mijn vriend mijnheer Bows, die haar aanleg zag en buitengewoon scherpzinnig is, gaf haar onderwijs in de kunst en maakte haar tot hetgeen zij thans is. Wat hebt gij gedaan nadat Bows vertrokken was, Emily?”

„Wel, ik heb eene pastei gemaakt!” antwoordde Emily met de grootste eenvoudigheid.

„Als gij die ten vier uur mee wilt proeven, mijnheer, zeg het dan maar,” zeide Costigan op de voorkomendste wijze. „Dat meisje, mijnheer, maakt de beste kalfsvleesch- en hampastei in geheel Engeland, en ik geloof, dat ik u wel een glas punch van het ware gehalte ook beloven kan.”

Pen had beloofd ten zes uur thuis te zullen zijn om te eten, maar de guit meende, dat hij in dit opzicht zijn genoegen met zijn plicht kon vereenigen, en nam in verrukking de uitnoodiging aan. Opgetogen en verwonderd zag hij, hoe Ophelia door de kamer trippelde om de toebereidselen voor den maaltijd te maken. Zij zette de glazen gereed, spreidde het kleine tafellaken en streek het glad, al welke plichten zij met eene bedaardheid, eene bevalligheid en eene opgeruimdheid volbracht, die haar gast meer en meer betooverden. Een der broertjes van den kleinen koorknaap bracht op het bepaalde uur de pastei van den bakker; en ten vier uur zat Pen te dineeren – waarachtig te dineeren – met de grootste tragedienne ter wereld en met haar vader, – met de lieftalligste vrouw uit de gansche schepping, – met zijne verste en eenige geliefde, die hij aanbad – sinds wanneer? – sinds gisteren, maar nu voor eeuwig! Hij at gebak van haar maaksel, hij schonk haar een glas bier, hij zag haar een glaasje punch drinken – niet meer dan een wijnglas vol – uit het bierglas, dat zij voor haar papa had gereedgemaakt. Zij was heel welwillend en vroeg of zij voor Pen ook een glas mocht maken. Het was verbazend sterk; Pen had nog nooit in zijn leven zooveel sterken drank met water verzwolgen. Was het de punch of de punchmaakster, die hem bedwelmde?

Zoodra de kapitein, die door zijne dochter met het meeste ontzag behandeld werd, onder het diner ophield over zich zelven en zijne lotgevallen te praten, trachtte Pen jufvrouw Fotheringay in een gesprek over de dichtkunst en haar eigen beroep te wikkelen. Hij vroeg wat zij dacht van Ophelia’s waanzin, en of zij het er al dan niet voor hield, dat Ophelia op Hamlet verliefd was? „Verliefd op zulk een akelig kereltje als die domme regisseur van een Bingley?” Zij kookte van verontwaardiging bij de bloote gedachte. Pen bracht haar aan het verstand, dat hij haar niet bedoelde, maar de Ophelia uit het treurspel. „O zoo! Nu, als er niets kwaads bedoeld was, zou zij het er óók bij laten. Maar anders, die Bingley – zij gaf geen zier om hem – kijk, dat glas punch niet.” Vervolgens stelde Pen haar op de proef met Kotzebue. „Kotzebue? wie was dat?” – „De schrijver van het stuk, waarin zij zoo heerlijk speelde.” – „Dat wist zij niet – de naam van den man op het titelblad van het boek was Thompson,” gaf zij ten antwoord. Pen lachte over haar aanbiddelijken eenvoud. Hij verhaalde haar, dat de schrijver van dat stuk zulk een noodlottig einde had gehad en door Sand vermoord was. Het was voor het eerst van haar leven, dat jufvrouw Costigan hoorde, dat er een Kotzebue bestaan had, doch zij zette een gezicht alsof zij er veel belang in stelde, en die schijn van deelneming was voldoende voor den eerzamen Pen.

Onder diergelijke gesprekken vloden de vijf kwartieren, die Pen zich veroorloven kon, maar al te snel voorbij, zoodat hij afscheid nam en verdween, en den snellen rit naar huis op den rug van Rebekka aanving. Het paard had bij de drie tochten, welke het gedaan had, gelegenheid om te toonen waartoe het in staat was.

„Wat sprak hij daar over de krankzinnigheid van Hamlet en de theorie van dien grooten Duitschen schrijver?” vroeg Emily aan haar vader.

„Ik weet het zoo waar niet, beste Milly,” gaf de kapitein ten antwoord. „Wij zullen het Bows eens vragen als hij komt.”

„In ieder geval is het een aardig en beleefd jonkman,” zeide de dame; „hoeveel plaatsen heeft hij van u genomen?”

„Wel, hij heeft er zes genomen en mij twee guinjes gegeven, Milly,” zeide de kapitein. „Ik geloof, dat die jonge heeren niet al te ruim bij kas zijn.”

„Hij vloeit over van geleerdheid,” ging jufvrouw Fotheringay voort. „Kotzebue! hi, hi! – wat is dat een rare naam! en heeft die arme man zijn dood gevonden door zand? Hebt ge ooit zoo iets raars gehoord? Daar zal ik Bows eens naar vragen, papa!”

„Het is zeker een zonderlinge dood geweest,” merkte de kapitein op en liet daarop dit pijnlijke onderwerp varen. „Het is een mooi paard dat de jonge heer berijdt,” vervolgde Costigan, „en op het ontbijt, dat de jonge heer Foker ons gaf, viel niets aan te merken.”

„lk zou wel denken, dat hij twee particuliere loges en ten minste twintig biljetten zal nemen.” zeide de dochter, een voorzichtig meisje, dat altijd de mooie oogen op Nommer Eén gevestigd hield.

„Daar geef ik u mijn woord op.” antwoordde papa; en op dien voet werd het gesprek nog eenigen tijd voortgezet, totdat het bierglas met punch leeg was. Spoedig sloeg ook het uur van vertrek, want jufvrouw Fotheringay moest ten half zeven weer in den schouwburg zijn, waarheen haar vader haar altijd vergezelde; gelijk wij gezien hebben, hield hij haar uit de coulisses in het oog, of dronk hij in de kleedkamer grog met het daar vergaderde gezelschap.

„Wat is zij schoon!” dacht Pen terwijl hij naar huis draafde. „Hoe eenvoudig en zacht! Wat is het verrukkelijk, eene vrouw van haar weergaloos genie zich met de lieve, maar nederige huishouding te zien bezig houden, haar gerechten te zien gereedmaken om haar ouden vader genoegen te doen, of met hare teedere vingeren haar drank voor hem te zien bereiden! Wat was het lomp van mij, dat ik over haar beroep begon te spreken, en wat wist zij er behendig eene andere wending aan te geven! Zij sprak wel is waar zelve over zaken van haar beroep, maar hoe geestig en luimig verhaalde zij dan ook die geschiedenis van haar kennis Pentweazle, zooals zij hem noemde! Er gaat maar niets boven Iersche geestigheid. Haar vader is wel wat langdradig, maar toch heel vriendelijk; en hoe loffelijk van hem, dat hij, na den dienst verlaten te hebben, waar hij de lieveling van den hertog van Kent was, les in het schermen gaf. Schermen! Ik zou mijn schermen wel willen onderhouden, of ik zal alles vergeten wat Angelo mij geleerd heeft. Oom Arthur had altijd gaarne, dat ik schermde, en zegt, dat het onmisbaar voor een gentleman is. Kom aan, ik zal eenige lessen bij kapitein Costigan nemen. Voort, Rebekka! tegen den heuvel op, oude Jufvrouw. Pendennis, Pendennis – wat sprak zij dien naam liefelijk uit! Emily, Emily! Wat is zij goed, edel, schoon, volmaakt!”

De lezer nu, die het geluk heeft gehad het heele gesprek van Pen met jufvrouw Fotheringay bij te wonen, kan zelf over de mate van hare geestvermogens oordeelen, en zal misschien meenen, dat zij bij dat onderhoud niets bijzonder geestigs of verstandigs gezegd had. Zij is sedert gehuwd en heeft hare plaats in de maatschappij als eene smettelooze en onbesprokene dame ingenomen; en ik ben verplicht te verklaren, in strijd met het oordeel van mijn vriend Pen, dat zijne aangebeden Emily geen snuggere vrouw is. Zij had werkelijk niet alleen van Kotzebue nooit gehoord, maar evenmin van Farquhar, Congreve of eenig ander tooneelschrijver, in wiens stukken zij niet optrad, en van de stukken, waarin zij eene rol vervulde, kende zij alleen het gedeelte, dat haar zelve aanging. Een grappenmaker maakte haar eens diets, dat Dante te Algiers geboren was, en vroeg haar wat Dr. Johnson het eerst geschreven had: „Irene” of „Iedereen naar zijn aard.” Maar zij kwam er het best af, want zij had nooit van „Irene” of „Iedereen naar zijn aard” of Dante of misschien zelfs, van Algiers gehoord. Het was haar allemaal hetzelfde. Zij speelde zooals Bows het haar voorschreef. – Zij snikte waar hij zeide, dat zij snikken moest, – zij lachte waar hij wilde dat zij zou lachen. Zij sprak een treffend gezegde of een snedig antwoord uit zonder het minste begrip van de beteekenis. Zij ging en gaat met een volkomen onbevlekten naam elken Zondag trouw ter kerk, en was en is zoo vrij van gezond verstand als van eenige andere misdaad.

Maar wat wist onze Pen van die dingen? Hij zag een paar schitterende oogen en geloofde daaraan; hij zag een heerlijk beeld en wierp zich op de knieën om het te aanbidden. Hij vulde den zin aan, die aan hare woorden ontbrak, en schiep zelf de godheid, die hij vereerde. Was Titania de eerste, die op een ezel verliefde, of Pygmalion de eenige kunstenaar, die waanzinnig werd om een steen? Hij had haar gevonden, – datgeen gevonden, waarnaar zijne ziel dorstte. Hij wierp zich in den stroom en dronk met alle macht. Laten degenen, die eenmaal ook dorstig zijn geweest, ons eens verhalen hoe heerlijk die eerste teug smaakt! Toen Pen de laan, die naar zijn huis leidde, opreed, schaterde hij het van lachen uit bij het zien van den eerwaarden heer Smirke, die weer bedaard op zijn hit van Fairoaks aankwam. Smirke had gepraat en zich opgehouden in de hutten langs den weg en daarna weer met Laura bij hare lessen getalmd, en was vervolgens een kijkje gaan nemen naar den tuin en de daar ingevoerde verbeteringen, tot hij mevrouw Pendennis eindelijk doodelijk verveelde, en eerst op het laatste oogenblik, toen de uitnoodiging om te blijven dineeren, waarnaar hij snakte, uitbleef, afscheid had genomen.

Pen was vervuld met een gevoel van welwillendheid en zegepraal. „Wat, weer opgestaan en zonder gebroken ribben?” vroeg hij lachend. „Kom weer mee, ouwe jongen, en eet mijn diner maar op – ik heb het mijne reeds binnen; maar wij zullen eene flesch van den ouden wijn laten aanrukken en op hare gezondheid drinken, Smirke.”

De arme Smirke keerde weer terug en hotste naast Arthur voort. Zijne moeder was opgetogen hem zoo opgeruimd te zien en heette om zijnentwil mijnheer Smirke welkom, toen Arthur zeide, dat hij den hulpprediker gedwongen had weer terug te komen om met hen te dineeren. Hij gaf daarop een allerpotsierlijkst verslag, zoo van het stuk van den vorigen avond, als van het spel van den regisseur Bingley in zijne krakende ruiterstevels en van de zwaarlijvige mevrouw Bingley als de Gravin in verkreukt groen satijn en eene Poolsche muts. Hij bootste hen zoo getrouw mogelijk na, tot groot vermaak van zijne moeder en van de kleine Laura, die van genoegen in de handen klapte.

„En mevrouw Haller?” vroeg mevrouw Pendennis.

„Die is een dooddoener, moeder,” antwoordde Pen, lachende, met de eigen woorden van zijn geachten vriend den heer Foker.

„Een wat, Arthur?” vroeg de dame.

„Wat is een dooddoener, Arthur?” riep Laura op denzelfden toon uit.

Hij gaf dus eene luchtige beschrijving van mijnheer Foker, en voegde er bij, dat hij op school Biervat en Graankorrel werd genoemd en nog andere schimpnamen moest hooren, maar dat hij nu verbazend rijk was en als een voornaam student bij het Bonifacius-Collegie ingeschreven stond. Doch hoe vroolijk en spraakzaam mijnheer Pen ook was, repte hij geen lettergreep van zijn rit naar Chatteries dien dag, noch van de nieuwe kennissen, die hij daar gemaakt had.

Toen de beide vrouwen zich verwijderd hadden, vulde Pen met schitterende oogen twee groote glazen met madera, zag Smirke vlak in de oogen en zeide toen: „Dat gaat op hare gezondheid!”

„En dit gaat op de hare!” antwoordde de hulpprediker met een zucht, terwijl hij zijn glas oplichtte en het geheel leegdronk, zoodat zijn gezicht een klein blosje vertoonde, toen hij het weer neerzette.

Pen kreeg dien nacht nog minder slaap dan den vorigen. Des morgens ging hij bijna vóór het krieken van den dag het huis uit, zadelde zelf de ongelukkige Rebekka en reed als een razende de duinen met haar over. Andermaal had de Liefde hem gewekt, en gezegd: „Word wakker, Pendennis! hier ben ik.” Hij koesterde die bekoorlijke koortsigheid, dat verrukkelijke smachten, dat vuur en die onzekerheid, als troetelkinderen, die hij voor alle schatten der wereld niet had willen verliezen.

ZESDE HOOFDSTUK.

HANDELT OVER LIEFDE EN OORLOG BEIDEN.

Een tijdlang na deze voorvallen, bekommerde mijnheer Pen zich niet heel veel om Cicero en Euripides, en de eerzame Smirke had het bij zijn leerling zeer gemakkelijk. Rebekka was het dier, dat onder Pen’s tegenwoordigen gemoedstoestand het meeste leed, want, buiten de dagen dat hij er rond voor kon uitkomen dat hij naar Chatteries ging om schermles te nemen, en dus met voorkennis van zijne moeder daarheen reed, bediende de jonge guit zich van elke gelegenheid dat hij over een drietal uren vrij beschikken kon, om den weg naar Prior’s Lane in te slaan. Hij was even radeloos van spijt toen Rebekka kreupel werd, als koning Richard te Bosworth geweest was, toen zijn paard hem onder het lijf werd gedood; en hij geraakte diep in het krijt bij den stalhouder te Chatteries voor het verzorgen van zijn paard en het huren van een ander dier.

Maar dit was nog niet alles. Onder voorwendsel van een Grieksch tooneelstuk bij Smirke te bestudeeren, ging onze jonge losbol misschien ééns in de week op den tijd uit, dat de diligence Competitor hem kon opnemen, waarop hij een paar uren te Chatteries doorbracht, en met de diligence Rival, die des avonds ten tien uur naar Londen vertrok, terugkeerde. Eens werd zijn geheim bijna door Smirke’s onnoozelheid verklapt. Mevrouw Pendennis vroeg hem, of zij den vorigen avond een goed eind met lezen gevorderd waren, of iets van dien aard, en Smirke stond op het punt om naar waarheid te verklaren, dat hij mijnheer Pen in het geheel niet gezien had, toen de hiel van dezen laatste met kracht op den teen des hulppredikers onder tafel neerkwam, bij wijze van uitnoodiging om hem niet te verraden.

Natuurlijk hadden zij menig gesprek over het teedere onderwerp met elkander gevoerd. Het is (als men zelf niet bij het onderhoud betrokken is) heel aardig, twee mannen, die verliefd zijn, te hooren spreken. Er moet altijd een vertrouwde zijn, aan wien men zijn hart kan uitstorten. De hulpprediker zeide met vrij wat ontroering, toen hij onder belofte van de onschendbaarste geheimhouding in Pen’s gemoedstoestand was ingewijd, „dat hij hoopte, dat het geen onwaardig voorwerp was, geene ongeoorloofde betrekking, die Pen had aangeknoopt,” – want ware dit het geval, dan meende de arme man, dat hij verplicht zou wezen zijn woord te breken en er Pen’s moeder kennis van te geven; en dan begreep hij – en het vervulde hem met eene akelige bezorgdheid – dat er een twist op volgen zou, en hij nooit weer gelegenheid zou hebben om datgeen te zien wat hij het liefst ter wereld zag.

„Ongeoorloofd, onwaardig!” Pen vloog op bij die vraag van den hulpprediker. „Zij is even rein als schoon; ik zou mijn hart aan geene andere vrouw schenken. Ik houd de zaak geheim voor mijne familie, omdat – omdat – er gewichtige redenen voor bestaan, die ik niet mag openbaren. Maar wie een woord ten nadeele van hare onschuld durft zeggen, tast haar en mij in onze eer, en – ik verzeker u, dat ik het niet verdragen zal.”

Met een flauw lachje antwoordde Smirke alleen: „Nu, nu, daag mij niet uit, Arthur, want gij weet, dat ik niet vechten mag!” maar door deze verklaring leverde de hulpprediker zich meer dan ooit in de macht van zijn leerling over, en het Grieksch en de wiskunde leden in evenredigheid daaronder.

Indien de eerwaarde heer veel doorzicht bezeten en de dichterskolom van de County Chronicle, die met de post van Woensdag aankwam, ingezien had, zou hij er elke week „Mevrouw Haller”, „Hartstocht en genie”, „Aan jufvrouw Fotheringay” en andere gedichten van den sombersten, treffendsten en hartstochtelijksten inhoud in gevonden hebben. Doch daar die verzen door hun sluwen schrijver niet meer nep, maar eros onderteekend waren, wist de leermeester evenmin als Helena, die goede ziel, die al de verzen van haar zoon uit het nieuwsblad knipte, dat Nep niemand anders was dan die brandende Eros, die in zulke krachtige tonen den lof der actrice bezong.

„Wie is die dame,” vroeg mevrouw Pendennis eindelijk, „die door uw mededinger aanhoudend in de County Chronicle bezongen wordt? Hij schrijft ongeveer in uw trant, lieve Pen, maar uwe verzen zijn veel beter. Hebt gij jufvrouw Fotheringay gezien?”

Pen zeide ja, en voegde er bij, „dat zij, dien avond toen hij Menschenhaat en berouw was gaan zien, als Mevrouw Haller was opgetreden. Ja, het was waar ook, zij zou hare benefice hebben en de rol van Ophelia vervullen – wij moesten dat eens gaan zien – van Shakespeare, weet ge, moeder? – wij kunnen wel paarden in het Wapen van Clavering krijgen.” De kleine Laura begon te dansen van pleizier, want zij zou zoo gaarne eens een tooneelstuk zien.

Pen sprak van „Shakespeare, weet ge” omdat de overleden heer Pendennis, gelijk een man van zijn stand betaamde, eene buitengewone achting voor den zanger van den Avon aan den dag gelegd had, in wiens werken, zeide hij – en hij kon het veilig zeggen – meer poëzie te vinden was dan in al de werken van de Engelsche dichters, door Johnson uitgegeven, bij elkander. En ofschoon mijnheer Pendennis de bedoelde werken niet veel las, vermaande hij zijn zoon toch ze te bestudeeren, en dikwijls verklaarde hij, dat het hem een groot genoegen zou zijn den knaap, zoodra hij den leeftijd had, met zijne moeder naar de opvoering van eenige goede stukken van den onsterfelijken dichter mee te nemen.

De tranen welden op in de oogen der liefhebbende moeder, toen zij zich deze woorden van haar man herinnerde, die reeds tot de ruste was ingegaan. Zij kuste haar zoon hartelijk en beloofde, dat zij gaan zou. Laura huppelde van blijdschap. Wij zullen niet onderzoeken of Pen opgetogen, dan wel beschaamd was. Toen zijne moeder aan zijn hart lag, brandde hij van verlangen om haar alles te zeggen; maar hij bedwong zich. Hij wilde eerst zien hoe zij aan zijne moeder beviel; de benefice moest daartoe het middel zijn, en, gelijk Hamlet, zou hij zijne moeder door een tooneelstuk op de proef stellen.

In de goede luim, waarin Helena verkeerde, vroeg zij, of mijnheer Smirke ook niet van de partij wilde zijn? De geestelijke heer was te Clapham door eene liefhebbende moeder groot gebracht, die een afkeer van het tooneel had, zoodat hij nog nooit eene opvoering had bijgewoond. Maar Shakespeare! – met mevrouw Pendennis te rijden en een ganschen avond naast haar te zitten! – hij kon aan het vooruitzicht op zooveel genot geen weerstand bieden, en hield eene weinig beteekenende rede, waarin hij van verzoeking en erkentelijkheid sprak en eindelijk de allervriendelijkste uitnoodiging van mevrouw Pendennis aannam. Onder het spreken wierp hij haar een blik toe, die haar erg hinderde. Die blik had haar in den laatsten tijd meer dan eens getroffen. Met elken dag werd de hulpprediker hatelijker in de oogen der weduwe.

Wij zullen niet breedvoerig uitweiden over Pens minnarij met jufvrouw Fotheringay, want de lezer heeft reeds een staaltje van haar onderhoud gezien, waarvan wij dus gewis niet veel behoeven mee te deelen. Pen zat uren achtereen bij haar en stortte zijne oprechte, jeugdige ziel geheel voor haar uit. Hij vertelde haar al wat hij wist, hoopte, gevoelde, dacht of gelezen had. Nooit werd hij moe van praten en van bij haar te zitten. Naarmate de denkbeelden in zijn vurig brein opstegen, hulde hij ze in woorden en deelde ze aan haar mede. Hare rol bij het tête-à-tête bestond niet in spreken, maar in het aannemen van den schijn alsof zij begreep wat Pen uitbraakte (hetgeen tamelijk moeielijk was, want de jonge heer sloeg geen geringe hoeveelheid onzin uit); zij behoefde maar bovenmate lieftallig te zijn en veel belangstelling aan den dag te leggen. Terwijl Pen iets heel moois zeide – en, verbaasd over zijne eigen welsprekendheid, daarop misschien wel twintig minuten lang doordraafde – had de aanvallige Emily, die geen tiende gedeelte van al wat hij voor den dag bracht begrijpen kon (dit was het fijne van de zaak), gelegenheid om over hare eigen aangelegenheden na te denken, en te overleggen hoe zij het koude vleesch zou gereedmaken of hoe zij hare zwart satijnen japon zou keeren, of hoe zij met hare linten een hoed zou kunnen maken gelijk dien nieuwen van jufvrouw Thackthwaite, en meer van dien aard. Pen vloeide over van Byron en Moore, van hartstocht en poëzie: Emily vergenoegde zich, met hare oogen omhoog te slaan of ze een oogenblik op zijn gelaat te laten rusten en uit te roepen: „O hoe mooi! O hoe heerlijk! Och, zeg die regels nog eens op!” En dan stak de knaap weer van wal en keerde zij tot hare eigen gedachten terug over het kleedje, dat gekeerd, of het vleesch, dat gekookt moest worden.

Pen’s verliefdheid was inderdaad niet lang verborgen gebleven voor Emily of haar vader, en bij zijn tweede bezoek viel zijne vurige bewondering beiden in het oog, zoodat de oude heer, toen hij vertrokken was, met een knipoogje over zijn glas grog heen tegen zijne dochter zeide: „Waarlijk, mijn schatje, ik geloof, dat gij dien jongen heer hebt aangehaakt.”

„Bah! het is nog maar een jongen, papalief!” antwoordde Emily. „Het is nog niet veel meer dan een kind.” Het zou Pen zeker veel pleizier gedaan hebben, als hij die verklaring gehoord had! Maar hij reed nu, uitgelaten van blijdschap, onder het aanhoudend uitroepen van haar naam, huiswaarts.

„Gij hebt hem zonder twijfel aangehaakt,” herhaalde de kapitein, „en ik verzeker u, dat het geen katvisch is. Ik heb er Tom in den George, en Flint, den kruidenier, die aan zijne moeder levert, naar gevraagd: – een belangrijk vermogen – houdt rijtuig – mooi park en land – Fairoaks Park – eenige zoon – al die bezittingen de zijne op zijn een en twintigste jaar: – gij zoudt lang kunnen zoeken, jufvrouw Fotheringay, om eene betere partij te vinden.”

„Die jongens praten meestal maar in de lucht,” zeide Milly zeer ernstig. „Gij weet nog wel hoe gij te Dublin over den jongen Poldoody hebt doorgeslagen, en ik heb een lessenaar vol met verzen, die hij mij schreef toen hij nog op de academie was; maar hij ging buitenslands en zijne moeder huwde hem uit aan eene Engelsche dame.”

„Lord Poldoody was een jong edelman, en van zulke heeren is dat natuurlijk. Gij stondt ook nog niet op het standpunt, dat gij thans inneemt, lieve Milly. Maar gij moet dezen jongen snaak niet te veel voet geven, want, waarachtig, Jack Costigan zou het niet dulden, dat men den draak met zijne dochter stak.”

„En dat zou zijne dochter ook niet, papa, daar kunt gij u op verlaten,” hernam Milly. „Nog een teugje punch? – ze is heel lekker. Ge behoeft u niet bezorgd te maken over dien jongen snaak – ik geloof, kapitein Costigan, dat ik oud genoeg ben om op mij zelve te passen.”

Pen kwam dus dag op dag en werd bij elk bezoek doller verliefd op het meisje. Soms was de kapitein bij hun onderhoud tegenwoordig; doch daar hij zijne dochter volkomen vertrouwde, liet hij het jonge paar dikwijls alleen, zette zijn hoed op één oor en ging, als Pen binnenkwam, eene boodschap doen. Wat waren dat zalige bijeenkomsten! De zitkamer van den Kapitein was een laag, met eikenhout beschoten vertrek, met een groot venster, dat in den tuin van den deken uitzag. Daar zat Pen dan te praten tegen Emily, die er bekoorlijk uitzag aan haar werk, en de zonneschijn viel door het groote venster binnen en verlichtte hare indrukwekkende trekken en gestalte. Te midden van het gesprek begon soms de groote klok te luiden, en hield Pen met een glimlach stil, en bleef hij het stilzwijgen bewaren tot de nagalm dier statige tonen weggestorven was. Soms gebeurde het ook wel, dat de kraaien in de olmen rondom de groote kerk tegen het ondergaan der zon een geweldig geschreeuw aanhieven, of de tonen van het orgel en van de koorzangers de stille lucht vervulden en Pen’s gepraat op zachte wijze tot zwijgen brachten.

In het voorbijgaan behoort hier vermeld te worden, dat jufvrouw Fotheringay elken Zondag, dien zij beleefde, gekleed met een eenvoudigen shawl, een eenvoudig hoedje en een sluier, ter kerk ging in gezelschap van haar onvermoeiden vader, die bij den dienst de gebeden met een onmiskenbaar Iersch accent opdreunde, de psalmen en liederen meezong en zich op de voorbeeldigste wijze gedroeg.

De kleine Bows, de huisvriend der familie, was ijselijk boos bij het denkbeeld, dat jufvrouw Fotheringay in het huwelijk zou treden met een knaap, zeven of acht jaar jonger dan zij. Bows, die kreupel ging en toegaf dat hij een weinigje mismaakter was dan Bingley de regisseur en dus niet op het tooneel kon verschijnen, was een zonderling hartstochtelijk manneke van geen geringe talenten en veel humor. Na eerst door de schoonheid van jufvrouw Fotheringay aangetrokken te zijn, begon hij haar te leeren hoe zij spelen moest. Met zijne schorre stem zeide hij de rollen op, die zijne leerlinge van zijne lippen van buiten leerde en met hare fraaie stem nasprak. Hij gaf haar elke houding aan en bracht hare schoone armen in beweging. Wie deze groote actrice op het tooneel gezien heeft, zal zich herinneren, dat zij zich altijd letterlijk van dezelfde gebaren, blikken en stembuigingen bediende; dat zij op dezelfde plank van het tooneel in dezelfde houding stond, hare oogen op hetzelfde oogenblik en even ver liet rondgaan en met dezelfde hartverscheurende smart bij stipt hetzelfde treffende woord weende. Wanneer zij bevende van aandoening voor de toeschouwers opgetreden was en er zoo uitgeput en verbrijzeld uitzag, dat men zou gedacht hebben, dat zij uit overmaat van ontroering moest neerzinken, bond zij, zoodra zij achter de coulissen was, haar haar op en ging naar huis om een lamscôteletje en een glas zwaar bier te gebruiken; en wanneer de bezwarende arbeid van den dag over was, stapte zij in bed en snorkte zoo zwaar en regelmatig als een kruier.

Bows was dan verontwaardigd bij het denkbeeld, dat zijne leerlinge hare kans op fortuin zou verspelen, door hare hand te schenken aan een klein landjonkertje. Hij voorspelde, dat zij een engagement te Londen zou krijgen en grooten opgang maken, zoodra een Londensch tooneel-directeur haar zag. Maar het ongeluk was juist, dat de Londensche directeuren haar gezien hadden. Zij had drie jaar geleden te Londen gespeeld en toen door overmaat van domheid de neerlaag geleden. Daarna had Bows zich haar aangetrokken en haar de eene rol na de andere geleerd. Wat werkte en schreeuwde hij, wat spande hij zich in! wat herhaalde hij eindeloos de regels! en met welk een onverstoorbaar geduld en botheid volgde zij hem! Zij wist, dat hij eigenlijk haar maakte tot hetgeen zij was, en zij liet het zich welgevallen. Zij was niet dankbaar of ondankbaar, of onvriendelijk of netelig. Zij was niets anders dan dom, en Pen was dol op haar verliefd.

De postpaarden uit het Wapen van Clavering kwamen op den bepaalden tijd voor en brachten het gezelschap naar den schouwburg te Chatteries, waar het Pen genoegen deed te zien, dat een tamelijk groot getal toeschouwers waren opgekomen. De jonge heeren uit Baymouth hadden eene loge genomen, waar mijnheer Foker met zijn vriend Spavin, beiden in het sierlijkste avondtoilet gedost, voorin zaten. Zij groetten Pen op vertrouwelijke wijze en namen zijn gezelschap eens op, hetgeen hunne goedkeuring wegdroeg, want de kleine Laura was een aardig meisje met blozende wangen en dikke glanzig-bruine lokken, en mevrouw Pendennis in haar zwart fluweelen kleed met het diamanten kruis, dat zij bij staatsiegelegenheden droeg, zag er buitengemeen voornaam en lieftallig uit. Achter deze beiden zat mijnheer Arthur, en de zachtaardige Smirke met de lok op zijn hoog voorhoofd en zijne witte das in de volmaaktste orde. Hij bloosde, dat hij zich op eene dergelijke plaats bevond – maar hoe gelukkig gevoelde hij zich, dat hij daar was! Hij en mevrouw Pendennis hadden de tekstboekjes van „Hamlet” meegebracht om het stuk te volgen, zooals bij eerzame plattelandsbewoners gebruikelijk is, wanneer zij in alle deftigheid naar den schouwburg gaan. Samuel, koetsier, palfrenier en tuinman van mijnheer Pendennis, nam plaats in het parterre, waar men ook den knecht van mijnheer Foker zag. Hier en daar ontwaarde men er tevens wachtmeesters van de dragonders, wier muziek, met welwillende vergunning van kolonel Swallowtail, naar gewoonte het orkest bezette; terwijl die zwaarlijvige en beroemde krijgsoverste zelf, met zijne Waterloo-medaille en een aantal zijner jonge officieren, eene mooie vertooning in de loges maakte.

„Wie is die oude heer, die tegen u buigt, Arthur?” vroeg mevrouw Pendennis aan haar zoon.

Pen bloogde tot achter de ooren. „Dat is kapitein Costigan, mama,” gaf hij ten antwoord, „een officier, die de veldtochten in Spanje meegemaakt heeft.” Het was werkelijk de kapitein in een nieuw pak kleeren en met groote wit-glacé handschoenen, met een van welke hij naar Pendennis wuifde, terwijl hij den andere over zijn hart en zijne roksknoopen streek. Pen liet zich niet verder uit. Hoe zou mevrouw Pendennis ook geweten hebben, dat mijnheer Costigan de vader van jufvrouw Fotheringay was?

De heer Hornbull van Londen vervulde de rol van Hamlet, en mijnheer Bingley stelde zich zedig tevreden met die van Horatio en bespaarde zijne wezenlijke krachten voor de rol van William, in het nastuk „de Zwart-oogige Susanna.”

Wij behoeven ons bij het stuk niet op te houden en zullen alleen zeggen, dat Ophelia er bekoorlijk uitzag en zich met bewonderenswaardig pathos van hare taak kweet; dat zij lachte, weende, verbijsterd rondstaarde, hare fraaie blanke armen zwaaide en in den wegslependsten waanzin bloemen strooide en stukken van liederen zong. Wat heerlijke gelegenheid om haar prachtig zwart haar langs hare schouders te laten golven! Zij was het bekoorlijkste lijk, dat men met oogen zien kon; en terwijl Hamlet en Laertes in haar graf streden, keek zij tusschen de coulissen nieuwsgierig naar de loge van Pen en de daar vergaderde familie.

Er ging maar ééne stem tot haar lof op. Mevrouw Pendennis was verrukt over hare schoonheid. De kleine Laura was verbijsterd door het treurspel en den geest en het stuk in het stuk (waarbij Pen, toen Hamlet aan Ophelias knieën lag, grooten lust gevoelde om mijnheer Hornbull te worgen), maar zij was onuitputtelijk in lofspraken over het schoone meisje. Pen stond opgetogen over den indruk, dien zij op zijne moeder gemaakt had – en de dominé was, wat hem betrof, geheel in vervoering.

Toen het scherm voor die groep van omgebrachte personages viel, die aan het slot van den „Hamlet” zoo spoedig aan hun einde komen en wier overlijden de kleine Laura niet weinig verbaasde, deed zich een vervaarlijk gejuich en handgeklap uit alle hoeken van de zaal hooren; de manmoedige Smirke klapte, in hevige opgewondenheid, in de handen en riep even hard: „Bravo! bravo!” als de dragonder-officieren zelven. Deze waren in de hoogste mate opgewonden, – ils s’agitaient sur leurs bancs, om eene uitdrukking van onze buren te gebruiken. Onder gejuich werden zij in den slag gevoerd door den statigen Swallowtail, die zijne muts zwaaide, terwijl de wachtmeesters in het parterre natuurlijk hunne officieren onversaagd volgden. Het bravogeroep deed de zaal daveren, en Pen behoorde onder degenen, die het luidst: „Fotheringay! Fotheringay!” riepen, hetgeen de heeren Spavin en Foker uit hunne loge teruggalmden. Zelfs mevrouw Pendennis begon met haar zakdoek te wuiven, en de kleine Laura danste, lachte, klapte in de handen en zag met verwondering naar Pen omhoog.

Hornbull leidde de beneficiante onder nieuwe uitbarstingen van geestdrift op, en met het haar nog altijd langs hare schouders golvende, zag zij er zoo schoon en betooverend uit, dat Pen ternauwernood zijne verrukking bedwingen kon, maar, over den rug van zijn moeders stoel geleund, juichte en hoera riep en den hoed zwaaide. Hij moest bovenmenschelijke kracht aanwenden om zijn geheim nog voor zijne moeder verborgen te houden en haar niet toe te voegen: „Zie eens! Dat is nu die vrouw! Is zij niet weergaloos? Die is het nu, die ik bemin!” Maar hij smoorde die gevoelens onder een vreeselijk gebrul en hoerageschreeuw.

Wat jufvrouw Fotheringay betrof en de wijze waarop, zij zich gedroeg, verwijzen wij den lezer naar eene vroegere bladzijde. Zij deed letterlijk weer hetzelfde. Zij zag de zaal met een dankbaren blik rond, zij beefde, zij bezweek bijna van aandoening boven haar geliefkoosd valluik. Zij nam de bloemen op (Foker wierp haar een reusachtigen ruiker toe, en zelfs Smirke beproefde het flauwtjes met eene roos en bloosde geweldig toen die in het parterre viel), – zij nam dan de bloemen op en drukte ze aan haar kloppend hart, enz, enz., – met één woord wij verwijzen den lezer naar bladzijde 34 hierboven. De arme Pen zag op haar boezem een medaillon glinsteren, dat hij met den laatsten shilling, dien hij bezat, en een goudstuk, dat hij van Mirke had geleend, bij mijnheer Nathan in de Hoogstraat gekocht had.

Nu volgde „de Zwart-oogige Susanna,” een lief stukje, dat onze goedhartige vrienden bovenmate beviel en roerde, en waarin Susanna, met een bruin kleedje en een rood lintje op hare muts, er volmaakt even lieftallig uitzag als Ophelia. Bingley was groot in de rol van William. Goll, in de rol van den Admiraal, geleek op het beeld op den voorsteven van een fregat, en Garbetts, als kapitein Boldweather, een schelm, die het plan smeedt om de zwart-oogige Susanna te schaken en, onder het zwaaien van een onmetelijken steek, zegt: „Wat er ook gebeure, hij zal haar ongeluk zijn,” – deze allen vervulden hunne rollen met hun bekend talent; en met wezenlijke spijt zagen al onze vrienden het scherm vallen en dat lieve en aandoenlijke stukje eindigen.

Had Pen alleen bij zijne moeder in het rijtuig gezeten toen zij naar huis reden, hij zou haar nog dien zelfden avond alles bekend hebben, maar hij zat in den maneschijn op den bok eene sigaar te rooken naast Smirke, die zich met een pijpje verwarmde. De chais en lantaarns van mijnheer Foker vlogen de bedaarde Claveringsche paarden voorbij toen zij een paar mijlen op den terugweg gevorderd waren, en mijnheer Spavin begroette het rijtuig van mevrouw Pendennis met eenige niet onbelangrijke variatiën van Rule Britannia op de cornet à piston.

Twee dagen na de boven beschreven vermakelijkheden gaf de eerwaarde deken van Chatteries ten zijnen huize een diner aan een aantal vrienden van den geestelijken stand. Het is hoogst waarschijnlijk, dat zij buitengewoon lekkeren portwijn dronken en aan het dessert kwaad spraken van den bisschop, maar daarmede behoeven wij ons voor het oogenblik niet in te laten. Onze vriend doctor Portman, van Clavering, behoorde onder de gasten van den deken, en daar hij een galant heer was en van zijne plaats aan tafel de vrouw van den deken de grasperken zag op- en neder wandelen, terwijl hare kinderen rondom haar speelden en eene paarsche parasol haar lief kopje beschermde, stapte hij door de glazen deur der eetzaal naar buiten op het perk, dat langs dat vertrek loopt, en liet de andere gestukadoorde halzen tegen mylord den bisschop uitvaren. De doctor bood aan mevrouw zijn arm en beiden begonnen dat antieke fluweelachtige perk, dat reeds voor ontelbare dekens afgemaaid en gladgerold is, op die bedaarde, stille en gemakkelijke wijze op- en neder te wandelen, waarop menschen van middelbare jaren en een kalm humeur gewoon zijn na een goed diner zich in den stillen, gouden zomeravond te vertreden, als de zon pas even achter de statige torens der groote kerk is weggezonken en de sikkelvormige maan elk oogenblik helderder in het hemelruim begint te blinken.

Nu lag, gelijk wij reeds vermeld hebben, het huis van jufvrouw Creed aan het einde van den tuin van den deken, en de vensters der kamer op de eerste verdieping stonden open, om de verkwikkelijke zomerlucht binnen te laten. Eene jonge dame van zes en twintig jaar, wier oogen volmaakt goed open waren, en een rampzalige jongeling van achttien jaar, die blind was van verliefdheid en dwaasheid, zaten in die kamer bij elkander, en daar wij die personen reeds op dezelfde plaats aangetroffen hebben, zal het den lezer niet moeielijk vallen mijnheer Arthur Pendennis en jufvrouw Costigan te herkennen.

De arme jongen had den sprong gewaagd. De arme Pen, die van hartstocht en ontroering trilde, wiens hart angstig klopte en zwoegde, wien de tranen in spijt van hem zelven uit de oogen sprongen, wiens stem van aandoening bijna in zijne keel bleef steken, had de woorden uitgesproken, die hij niet langer terughouden kon, en zijn hart en zijn ganschen schat van liefde, bewondering en vuur aan de voeten dezer rijpe schoone nedergelegd. Zou hij de eerste zijn, die dit gedaan heeft? Heeft niemand vóór of na hem al de schatten zijns leven voor een paar bedrieglijke oogen op het spel gezet, evenals een wilde zijn land en zijne bezittingen voor een teug van het vuurwater der blanken?

„Weet uwe moeder hiervan, Arthur?” vroeg jufvrouw Fotheringay langzaam. Op die vraag greep hij in driftige vervoering hare hand, die hij met duizend kussen bedekte en die zij niet terugtrok. „Weet de oude dame er van?” dacht jufvrouw Costigan bij zich zelve: „Misschien weet zij er wèl van,” en zij herinnerde zich daarbij het fraaie diamanten kruis, dat mevrouw Pendennis op den avond van hare benefice aanhad. „Zeker,” overpeinsde zij, „zal dat in de familie blijven.”

„Bedaar, Arthur-lief,” sprak zij op haar vollen, diepen toon en lachte hem zoet maar ernstig toe. Daarop streek zij met hare vrije hand zijn haar luchtig van zijn kloppend voorhoofd weg. Hij verkeerde in zulk eene vervoering, in zulk een zwijm van gelukzaligheid, dat hij ternauwernood spreken kon. Eindelijk bracht hij met moeite uit: „Moeder heeft u gezien en bewondert u ten hoogste. Zij zal u spoedig leeren liefhebben, want wie zou anders kunnen? Zij zal van u houden, omdat ik van u houd.”

„Ja, waarlijk geloof ik, dat gij van mij houdt,” zeide jufvrouw Costigan, misschien met een soort van medelijden met Pen.

Zij geloofde het maar! Natuurlijk ging mijnheer Pen hier tot eene ontboezeming over, waarin wij, daar wij ons volkomen meester zijn, den knaap niet zullen volgen. Het spreekt van zelf, dat liefde, trouw en eeuwigheid er in voorkwamen, en dat er woorden gezocht maar niet gevonden werden om de vervaarlijke diepte van zijne genegenheid te peilen. Maar wij herhalen, dat wij met die redevoering niets te maken hebben. Zij was waarschijnlijk niet heel verstandig, maar welk recht hebben wij om ze af te luisteren? Laat den armen jongen zijn argeloos hart aan de voeten dier vrouw uitstorten en laten wij hem zacht beoordeelen. Op eene verstandige manier te beminnen, is ongetwijfeld het beste; maar op eene dwaze manier lief te hebben is beter dan in het geheel niet voor liefde vatbaar te zijn. Sommigen onzer zijn er niet vatbaar voor en beroemen zich op hunne onmacht.

Toen Pen’s rede gedaan was, kuste hij die vorstelijke hand nogmaals in vervoering, en ik geloof, dat het op dat zelfde oogenblik was, juist toen de vrouw van den deken en doctor Portman met elkander in gesprek waren, dat haar zoontje, de jonge heer Ridley Roset, haar aan de achterplooien van haar omvangrijk gewaad trok, met de woorden:

„Zeg eens, mama! kijk daar eens!” waarbij hij met zijn onschuldig kopje wenkte.

Ja waarlijk, dat was een gezicht uit den tuin van den deken, zooals zelden door dekens gezien – of in kapittels behandeld wordt. De arme Pen zat daar saluutschoten op de rozenvingeren van haar, die hem betooverd had, af te vuren, en zij van haar kant nam die hulde met onverstoorbare kalmte en gelijkmoedigheid aan. De jonge heer Ridley keek op en grinnikte, de jonge jufvrouw Rosa keek haar broeder aan en stond van verbazing met een open mond. Het gezicht, dat de vrouw van den deken zette, is niet te beschrijven, en doctor Portman stond van woede en verwondering versteend toen hij dat tafereel aanschouwde en zijn ouden gunsteling en beminden kweekeling Pen in het oog kreeg.

Mevrouw Haller werd op hetzelfde oogenblik het gezelschap daar beneden gewaar, deinsde even terug en begon te lachen. „Kijk eens, daar zijn menschen in den tuin van den deken,” riep zij uit en verwijderde zich met onverstoorbare bedaardheid, terwijl Pen, met een gezicht als eene kool vuur, wegvloog. Het gezelschap in den tuin was weer naar binnen gegaan toen hij het waagde andermaal naar buiten te kijken. De halve maan stond toen reeds helder aan den hemel te blinken, de sterren flikkerden, de klok der hoofdkerk sloeg negen uur, de gasten van den deken (één uitgezonderd, die zijn paard Dumpling had laten vóórkomen en reeds vroeg weggereden was) zaten een kopje thee met krentenbroodjes in de gezelschapszaal der vrouw van den deken te gebruiken – toen Pen van jufvrouw Costigan afscheid nam.

Pen kwam op een behoorlijken tijd thuis en wilde juist naar bed sluipen, want de arme jongen was zeer afgemat en van streek en zijne opgewondenheid grensde bijna aan waanzin, – toen John, de oude lakei, hem met een onheilspellend gelaat kwam berichten, dat zijne moeder hem beneden wenschte te spreken.

Hij deed zijne das dus weer om en ging naar beneden, naar de gezelschapskamer. Daar zat niet alleen zijne moeder, maar ook haar vriend, de eerwaarde doctor Portman. Helena’s gezicht zag er bij het lamplicht zeer bleek uit, – dat van den doctor was daarentegen rood en trilde van toorn en ontroering.

Pen zag dadelijk in, dat de bom losgebarsten en de zaak ontdekt was. „Nu zal het er op aankomen,” dacht hij.

„Waar zijt gij geweest, Arthur?” vroeg Helena met bevende stem.

„Hoe durft gij die – die achtenswaardige dame en een christelijk predikant in de oogen zien, mijnheer?” viel de doctor uit, in weerwil van Helena’s smeekende blikken. „Waar was hij geweest? Daar, waar zijn moeders zoon zich had moeten schamen te komen. Want uwe moeder is een engel, mijnheer, een engel! Hoe durft gij dit huis bezoedelen, en die reine vrouw rampzalig maken door de gedachte aan uw misdrijf?”

„Mijnheer,” riep Pen uit.

„Spreek het niet tegen, mijnheer,” bulderde de doctor. „Voeg geen leugens, mijnheer, bij uwe andere schanddaden. Ik zelf heb u gezien, mijnheer! Ik heb u gezien uit den tuin van den deken. Ik zag u de hand kussen van die vervloekte geblankette –”

„Zwijg!” zeide Pen en sloeg met de gebalde vuist zoo krachtig op de tafel, dat de lamp er van schudde en hooger opvlamde. „Ik ben nog zeer jong, maar ik verzoek u in gedachte te houden, dat ik een gentleman ben. Ik wil geen kwaad hooren van die dame.”

„Dame, mijnheer!” riep de doctor uit. „Dat eene dame? Staat gij hier – hier – staat gij hier voor uwe moeder en durft gij die – die vrouw eene dame noemen?”

„Voor iedereen durf ik haar zoo te noemen,” schreeuwde Pen. „Zij zou overal op hare plaats wezen. Zij is zoo rein als eenige vrouw wezen kan; en zij is even deugdzaam als schoon. Als iemand anders dan gij haar belasterde, zou ik hem vertellen hoe ik daarover dacht; doch gij, als mijn oudste vriend, hebt zeker het recht om aan mijne eer te twijfelen.”

„Neen, neen, Pen, beste Pen!” riep Helena in overmaat van blijdschap uit. „Ik heb het u wel gezegd, doctor, dat hij degeen niet was waarvoor gij hem hieldt.” En bij die woorden kwam de teerhartige vrouw naar haar zoon en wierp zich aan zijn hals.

Pen gevoelde zich man, hij gevoelde zich opgewassen tegen al de dominé’s in de christenheid. Hij verheugde zich, dat het eindelijk tot deze verklaring gekomen was. „Gij hebt gezien hoe schoon zij was,” sprak hij tot zijne moeder met het geruststellend en beschermend voorkomen, dat Hamlet in het tooneelstuk tegenover Geertruida aanneemt. „En ik verzeker u, moeder, dat zij evengoed is. Als gij haar kent, zult gij het ook zeggen. Met uitzondering van u is zij de eenvoudigste, vriendelijkste, hartelijkste aller vrouwen. Waarom zou zij niet op het tooneel mogen komen? Zij onderhoudt haar ouden vader door middel van haar arbeid.”

„Een dronken oude schelm,” bromde de doctor, maar Pen hoorde het niet, of gaf er niet om.

„Als gij hadt kunnen zien, gelijk ik er toe in de gelegenheid ben geweest, welk een ordelijk leven zij leidt, hoe onberispelijk en godsdienstig zij leeft, – dan zoudt gij, evenals ik, – ja, evenals ik –” (en hierbij wierp hij een woesten blik op den doctor), – „den lasteraar verachten, die haar durfde bezwalken. Haar vader was een officier, die zich in Spanje roemrijk onderscheidde. Hij was een vriend van zijne koninklijke hoogheid den hertog van Kent en een goede kennis van den hertog van Wellington en verscheidene der voornaamste officieren van ons leger. Hij gelooft, dat hij oom Arthur bij Lord Hill ontmoet heeft. Hij behoort tot eene der oudste en voornaamste familiën van Ierland, ja even aanzienlijk als de onze. De – de Costigan’s zijn koningen van Ierland geweest.”

„Wel, God bewaar me!” schreeuwde de doctor, niet wetende of hij lachen moest of boos worden, „gij wilt toch niet zeggen, dat gij van plan zijt haar te trouwen?”

Pen nam de houding aan van een prins en vroeg: „Wat zoudt gij denken, dat ik anders van plan was, Dr. Portman?”

De doctor, wiens aanval ten eenemale mislukt was en die door dezen plotselingen uitval van Pen weerloos was gemaakt, had nog slechts de kracht om met eene beklemde stem te zeggen: „Laat den majoor óverkomen, mevrouw Pendennis.”

„Den majoor laten óverkomen? met het grootste genoegen,” zeide Arthur, prins van Pendennis en groot-hertog van Fairoaks, met eene fiere handbeweging. En het gesprek eindigde met het schrijven van die twee brieven, welke in den aanvang dezer waarachtige historie van prins Arthur op de ontbijttafel van majoor Pendennis te Londen gelegd werden.

ZEVENDE HOOFDSTUK.

WAARIN DE MAJOOR VERSCHIJNT.

Onze oude kennis, majoor Arthur Pendennis, verscheen op den bepaalden tijd te Fairoaks, na een vervelenden nacht in de diligence te hebben doorgebracht, waar een dikke passagier, door een aantal overjassen tot een onnatuurlijken omvang uitgezet, hem in een hoek gedrongen en door ongemanierd snorken wakker gehouden had; waar eene dame in den rouw, die tegenover hem zat, niet alleen door het ophalen van de glazen der portieren de versche lucht afgesloten, maar den wagen met den geur van Jamaica-rum vervuld had, waarvan zij telkens teugjes nam uit eene flesch, die zij in haar mandje borg; waar de arme majoor, wanneer hij een oogenblikje insluimerde, door het toeten op den hoorn bij de slagboomen, of het heen- en weer schuiven van zijn omslachtigen buurman, die hem nog dichter inmetselde, of het trappen van de voeten der weduwe op zijne eigene gevoelige teenen, telkens weer gewekt werd tot het bewustzijn van de ellende en de werkelijkheid van het leven – van een leven, dat thans voorbijgegaan en te niet gedaan is en alleen nog in de belangstellende herinnering leeft. Acht mijlen in het uur, en dit vier- of vijf en twintig uren achtereen, eene benauwde diligence, harde zitplaatsen, aanvechtingen van jicht, aanhoudende afwisseling van koetsiers, die bromden omdat uwe fooi niet groot genoeg was, een medepassagier, die te veel van grog hield, – wie heeft die ellende in den goeden ouden tijd niet doorstaan? Hoe konden de menschen bij zulk een staat van zaken reizen? En toch deden zij het, en waren nog vroolijk op den koop toe. Nabij het venster en naast den bediende van den majoor boven op de diligence, zaten een paar schooljongens, die naar huis gingen om de zomervacantie door te brengen.

Majoor Pendennis zag hen met verbazing in het logement te Bagshot soupeeren, waar zij eene hoeveelheid ham, eieren, pastei, zuur, thee, koffie en gekookt vleesch naar binnen zonden, waarover de arme majoor ontzet stond, die een kopje zeer slappe thee dronk, en met stille smart overdacht, dat juist op dit zelfde oogenblik Lord Steyne’s diner aan den gang was. De onbewimpelde gretigheid der jongens vermaakte echter den majoor, die zeer goedhartig was en nog meer belangstelling voor hen opvatte, toen hij ontdekte, dat de knaap, die met hem in de diligence reisde, de zoon van een lord was, wiens edele vader Pendennis natuurlijk in de voorname wereld, waarin hij verkeerde, ontmoet had. De kleine lord sliep den ganschen nacht door, in weerwil van de benauwde plaats en van het hoorngetoet en van de weduwe, en zag er zoo gezond als een visch uit, (gelijk hij zich ook, volgens zijne verklaring, gevoelde), toen de majoor met een geel gezicht, een ruigen baard, eene pruik uit de krul en pijnlijke rheumatische schoten door verschillende leden van zijn vermoeid lichaam, aan de kleine portierswoning te Fairoaks afstapte, waar hij door de portierster en tuinmansvrouw eerbiedig, en nog eerbiediger door mijnheer Morgan, zijn knecht, begroet werd.

Helena stond aan het venster en zag den gast, dien zij verwachtte, komen. Doch zij kwam hem niet dadelijk begroeten, want zij wist, dat de majoor niet gaarne overvallen werd en zich eerst wat moest opknappen, eer hij gezien wilde worden. Toen Pen nog een kleine jongen was, had hij zich de hoogste ongenade van den majoor op den hals gehaald, door van diens toilettafel een marokijnen doosje weg te nemen, hetwelk wij bekennen moeten, dat des majoors kiezen bevatte, die hij natuurlijk uit zijn mond liet zoolang hij in de botsende diligence zat, maar zonder welke hij zich niet vertoonen wilde. Zijn knecht Morgan maakte een diep geheim van zijne pruiken, krulde die op verborgene plaatsen en bracht ze heimelijk in zijn meesters kamer: en ook zonder zijn hoofdhaar wilde de majoor geen lid zijner familie, geen zijner kennissen ontmoetten. Hij ging dus naar het voor hem bestemde vertrek en verhielp die gebreken; en hij gromde en bromde en zuchtte en verwenschte Morgan gedurende dat toilet, zooals een oud jong heer, die den geheelen nacht door de rheumatiek is wakker gehouden en eene vervelende taak in het vooruitzicht heeft, licht doet. Toen hij eindelijk zijn rijglijf aanhad, zijne pruik had gekruld en recht op was gezet, ging hij met eene deftige en indrukwekkende houding, gelijk iemand voegde, die te gelijk een man van zaken en een man van de wereld was, naar de gezelschapskamer.

Pen was er echter niet; alleen Helena en de kleine Laura, die aan hare knieën zat te naaien en wie hij nooit meer dan zijn voorvinger gaf, gelijk hij nu, na zijne schoonzuster gegroet te hebben, ook weder deed. Laura nam dien vinger bevende aan, liet hem weer vallen en – pakte zich uit de kamer weg. Majoor Pendennis wilde haar volstrekt niet in de kamer, noch zelfs in het huis houden en had zijne eigen redenen waarom hij niet van haar hield en die wij misschien later wel eens zullen vermelden. Laura verdween dus en zwierf op het buitentje rond, om Pen te zoeken, dien zij spoedig in den boomgaard vond, waar hij in ernstig gesprek met mijnheer Smirke de paden op- en neer wandelde. Hij had het zoo druk, dat hij niet hoorde hoe Laura hem met haar helder stemmetje riep, tot Smirke hem aan zijne jas trok en naar het meisje wees, dat kwam aanloopen.

Toen zij bij hem was, legde zij hare hand in de zijne. „Kom mee, Pen!” sprak zij; „er is iemand gekomen. Oom Arthur is er.”

„Is hij er? is hij er?” riep Pen uit, waarbij zij voelde, dat hij haar handje kneep. Met ongewone fierheid zag hij naar Smirke, alsof hij zeggen wilde, dat hij hem of ieder ander zou staan. Mijnheer Smirke, sloeg echter als naar gewoonte de oogen omhoog en slaakte een deemoedig zuchtje.

„Ga maar vooruit, Laura,” zeide Pen, op een half verbolgen, half lachenden toon. „Ga vooruit, en zeg dat ik bij oom zal komen.” Doch hij lachte, om zijn grooten angst te verbergen, en verzamelde inwendig al zijn moed om de vuurproef, die hem wachtte, te doorstaan.

Sinds de beide laatste dagen had Pen mijnheer Smirke in zijn vertrouwen genomen en na de uitbarsting, die op de ontdekking van doctor Portman volgde, en gedurende elk der acht en veertig uren, welke hij in Smirke’s gezelschap had doorgebracht, over niets anders tegen zijn leermeester gesproken dan over jufvrouw Fotheringay – jufvrouw Emily Fotheringay – Emily enz., naar al welk gepraat Smirke zonder weerzin luisterde, daar hij ook verliefd was, op allerhande wijze Pen’s gunst trachtte te winnen, en bovendien zelf hoog liep met de bekoorlijkheden van die godin, wier gelijke hij nooit gezien had, daar hij nog nooit van zijn leven in den schouwburg was geweest. Pen’s geestdrift en spraakzaamheid, zijne vurige welsprekendheid en rijke dichterlijke beelden en vergelijkingen, zijn manhaftig, welwillend, warm en hoopvol hart, dat geene gebreken wilde zien in de persoon, die hij liefhad, en geene bezwaren, die hij niet zou kunnen overwinnen, – dit alles had mijnheer Smirke half overtuigd, dat de schikking, die mijnheer Pen ontworpen had, zeer uitvoerbaar en verstandig was, en dat het zeer wenschelijk zou zijn, dat Emily op Fairoaks gevestigd, kapitein Costigan voor zijn leven in de Gele Zaal onder dak gebracht en Pen op zijn achttiende jaar getrouwd zoude zijn.

Het is maar al te waar ook, dat de knaap in die twee dagen zijne moeder bijna bepraat en al hare tegenwerpingen de eene na de andere wederlegd had met die verontwaardiging en dat gezond verstand, die dikwijls het toppunt van dwaasheid zijn; en dat hij haar bijna in de stelling had doen berusten, dat, indien dit huwelijk in den hemel besloten was, daaraan niets te veranderen viel, en dat, indien het jonge meisje braaf was, zij van haar kant niets meer te eischen had; zoodat zij nu min of meer opzag tegen het bezoek van den oom en voogd, die, zooals zij voorzag, op eene geheel andere dan de eenvoudige, romaneske, nuchtere en hoogst ongerijmde wijze, waarop de weduwe reeds geneigd was zaken van dezen aard op te nemen, Pen’s huwelijk beschouwen zou.

Want, als in de oude fabel van het gouden en zilveren schild, waarover de twee ridders twistten, heeft ieder gelijk, naar gelang van den kant, waarvan hij de zaak beschouwt. Zoo is het ook met het huwelijk; de vraag of het dwaas of verstandig, wijs of het omgekeerde is, hangt af van het oogpunt, waaruit men het beziet. Indien het een lief huis op een deftigen stand beteekent, en mooie dinertjes en eene aardige equipage om in het Park te rijden, en een voldoend inkomen niet enkel voor het jonge paar, maar ook voor de telgen, die misschien te verwachten zijn, – indien dit de behoeften des levens zijn (en voor vele fatsoenlijke lieden zijn zij dat inderdaad), dan is het eene ongerijmdheid van iets anders te spreken; dan is bijv. liefde in een hutje – eene kinderachtige genegenheid, waarbij men geen rijtuig kan betalen, noch er eene fatsoenlijke modemaakster op kan nahouden – niets dan onverantwoordelijke dwaasheid en een kinderlijk droombeeld. Indien gij aan den anderen kant van meening zijt, dat menschen zonder een vast bestaan, maar met goede vooruitzichten om er een te krijgen, en met hoop, gezondheid en vurige genegenheid als prikkels, eene kans met de Fortuin om lief of leed kunnen wagen, dan wordt de fatsoenlijke theorie op hare beurt eene dwaasheid; ja, erger dan eene dwaasheid, bijna eene oneerbiedigheid degens het Opperwezen, een twijfel aan de voorzienigheid; en de man, die de vrouw zijner keuze niet gelukkig wil maken voordat hij haar in een mooi rijtuig met een paar paarden naar de kerk kan rijden, is niets anders dan een lafaard of beuzelaar, die liefde noch fortuin waardig is.

Ik zeg niet, dat de stedenbewoners geen gelijk hebben, maar Helena Pendennis was op het platteland groot gebracht, en in het boek des levens, gelijk zij het verstond, las zij eene andere geschiedenis dan de bladzijde bevat, die in de steden gelezen wordt. Gelijk de meeste zachtzinnige en sentimenteele vrouwen, waren hare gedachten voor een groot gedeelte aan het beramen van huwelijken gewijd, en ik houd mij overtuigd, dat zij overwogen had hoe haar zoon eenmaal zou verliefd worden en trouwen, lang voor dat dit denkbeeld in het brein van den jongen heer zelven opgerezen was. Met dat weemoedige genoegen, hetwelk sommige vrouwen smaken bij de gedachte, dat zij zich opofferen, peinsde zij over den dag wanneer zij alles zou overgeven aan Pen, als hij zijne vrouw in huis bracht, wanneer zij de sleutels zou overhandigen en de beste slaapkamer afstaan, wanneer zij onder aan de tafel zou zitten en hem gelukkig zien. Wat kon zij anders in het leven verlangen dan dat het haar gegeven mocht worden den jongen gelukkig te zien? Terwijl eene keizerin volstrekt niet te goed voor hem zou zijn en zich vereerd moest achten mevrouw Pen te worden, zou de moeder aan den anderen kant, indien hij de nederige Esther in plaats van koningin Vashti koos, zich tevreden stellen met de keus van mylord. Onverschillig hoe onaanzienlijk of arm het meisje mocht zijn, hetwelk die ongeloofelijke eer zou genieten, was mevrouw Pendennis bereid voor haar te buigen, haar het welkom toe te roepen en haar de eerste plaats af te staan. Maar eene actrice – eene vrouw van jaren, die sinds lang niet meer blozen kon dan door middel van blanketsel wanneer zij voor duizenden nieuwsgierige oogen stond – eene onkundige en slechtopgevoede vrouw, die waarschijnlijk in lichtvaardig gezelschap verkeerd en ongepaste taal gehoord had, – o, het was hard, dat zulk eene vrouw de uitverkorene zou zijn en dat de matrone van haar rang ontzet zou worden om plaats te maken voor zulk eene sultane!

Al deze bedenkingen had de weduwe in de twee dagen, die noodwendig vóór de komst van zijn oom moesten verloopen, aan Pen voorgehouden, die ze echter met die beminnelijke rondheid en luchthartigeid, welke aan een jong heer in dat tijdperk des levens eigen zijn, besproken en zijn moeders tegenwerpingen tot zijne eigene onbeschrijfelijke voldoening weerlegd had. Jufvrouw Costigan was een toonbeeld van deugd en fijn gevoel; zij was zoo kiesch als het beschroomdste meisje; zij was zoo rein als pas gevallen sneeuw; zij bezat de beschaafdste manieren, de lieftalligste geestigheid en genie, de bekoorlijkste verfijning en juistheid van oordeel in alle zaken van smaak; zij had het beminnelijkste humeur en was de onderdanigste dochter voor haar vader, een goed oud heer van aanzienlijke familie, maar gering vermogen, die echter in de beste gezelschappen van Europa verkeerd had: hij had geen haast en kon een onbepaalden tijd wachten – tot zijn een en twintigste jaar. Doch hij gevoelde (en hier nam zijn gelaat eene ontzettende en zielroerende plechtstatigheid aan), dat dit de eenige hartstocht van zijn leven was en dat alleen DE DOOD er een einde aan kon maken.

Helena verzekerde hem met een droevig glimlachje, terwijl zij haar hoofd schudde dat men die hartstochten overleefde, en wat lange engagementen tusschen jonge mannen en oude vrouwen betrof, wist zij door een voorbeeld in hare eigen familie – het voorbeeld van Laura’s armen vader – hoe noodlottig die waren.

Mijnheer Pen had echter besloten, dat de dood zijn lot moest zijn ingeval van teleurstelling, en liever dan het zoover te laten komen (of, in waarheid, liever dan hem verdriet te doen), zou deze dame zich elke opoffering of kwelling getroost, en knielend eene Hottentotsche schoondochter den voet gekust hebben.

Arthur kende de macht, die hij over de weduwe bezat, en de jonge tiran was geroerd, terwijl hij die uitoefende. In die twee dagen bracht hij haar bijna tot onderwerping en behandelde haar met genadige welwillendheid. Hij bracht den eenen avond bij de bekoorlijke pasteimaakster te Chatteries door, waarbij hij op zijne macht over zijne moeder snoefde; en den anderen avond besteedde hij aan het opstellen van een hartstochtelijk en hoogdravend vers aan zijne godin, waarin hij gelijk Montrose zwoer, dat hij haar door zijn degen vermaard en door zijne pen beroemd zou maken, en dat hij haar beminnen zou zooals geene sterfelijke vrouw sinds de schepping van het vrouwelijk geslacht aangebeden was.

Dien zelfden avond, lang na het middernachtsuur, zag de slapelooze Helena, terwijl zij op hare teenen voorbij de kamer van haar zoon sloop, een lichtstraal door de reet der deur in den donkeren gang vallen en hoorde zij Pen in zijn bed woelen en draaien en verzen mompelen. Zij bleef eene poos voor de deur staan en bezorgd naar hem luisteren. Menigen nacht in vroeger tijd had de goede ziel aldus op wacht gestaan, wanneer hij als kind in koortsen lag of als knaap ziek was. Zij draaide daarop het slot zeer zacht om en trad zoo onhoorbaar binnen, dat Pen haar eenige oogenblikken lang niet ontwaarde, want zijn gezicht was van haar afgewend. Zijn lessenaar was bestrooid met papieren en op zijn bed lagen er nog meer. Hij beet op een potlood en bedacht rijmen en verbeeldde zich allerlei dwaze en hartstochtelijke dingen. Hij was Hamlet, die in Ophelia’s graf sprong; hij was de vreemdeling, die mevrouw Haller in zijne armen nam, de schoone mevrouw Haller met de gitzwarte lokken over hare schouders golvende. Wanhoop en Byron, Thomas Moore en de Liefde der Engelen, Waller en Herrick, Béranger en al de minneliederen, die hij ooit gelezen had, woelden en kookten in het brein van dezen jongen heer, en hij verkeerde juist in de hevigste vlaag van opgewondenheid, toen zijne moeder hem kwam bezoeken.

„Arthur,” riep zij met hare zachte zilveren stem, waarbij hij opsprong en zich omkeerde, eenige papieren greep en die onder zijn hoofdkussen wegstopte.

„Waarom gaat gij niet slapen, beste jongen?” vroeg zij met een zoet en teeder lachje, terwijl zij zich op zijn bed nederzette en eene zijner gloeiende handen in de hare nam.

Pen zag haar een oogenblik met verwilderde blikken aan, „Ik kon niet slapen,” gaf hij ten antwoord; „ik – ik was – ik was aan het schrijven.” En daarop, zijne armen om haar hals slaande, riep hij uit: „O moeder! ik heb haar zoo lief, zoo lief!” Hoe kon zulk eene teedere ziel als mevrouw Pendennis was, iets anders doen dan hem sussen en beklagen? De lieve vrouw deed haar best daartoe, en dacht met verwondering en teederheid, dat het, als het ware, pas gisteren was, dat hij als kind in dat bed lag en zij op zon- en feestdagen bij hem placht te komen bidden vóór zijn ontwaken.

Het waren zonder twijfel zeer treffende verzen, ofschoon jufvrouw Fotheringay ze niet begreep; doch de oude Cos zeide met een knipoogje en veelbeteekenenden vinger tegen zijn neus: „Berg ze maar bij de andere verzen weg, Milly, mijn schatje. Poldoody’s gedichten zijn niets daarbij.” En Milly sloot dus de manuscripten weg.

Toen nu de majoor gekleed en vertoonbaar was, vervoegde hij zich bij mevrouw Pendennis en ontdekte binnen tien minuten, dat de arme weduwe niet alleen bedroefd was over het huwelijk, dat Pen in den zin had, maar nog bedroefder bij de gedachte, dat de knaap er zelf niet over op zijn gemak was en met zijn oom eene heftige woordenwisseling over die zaak zou hebben. Zij bezwoer majoor Pendennis, om Arthur toch zacht te behandelen. „Hij draagt het hart zeer hoog en kan geene onvriendelijke woorden verdragen,” gaf zij te verstaan. „Doctor Portman heeft hem onlangs vrij ruw toegesproken – en ik moet bekennen onrechtvaardig – want mijn lieve jongen is zoo nauwlettend op zijne eer als zijne moeder wenschen kan – maar toch schrikte ik van Pen’s antwoord, zoo verontwaardigd was hij. Bedenk, dat hij thans een man is, en wees heel – heel voorzichtig,” besloot de weduwe en legde hare fraaie, tengere hand op den arm van den majoor.

Hij nam die hand, drukte er galant een kus op en zag met verwondering en met eene minachting, die hij te beleefd was om te toonen, in haar ontsteld gelaat. „Bon Dieu!” dacht de oude diplomaat, „de knaap heeft haar reeds bepraat, en zij zou hem eene vrouw bezorgen gelijk zij hem aan een stuk speelgoed zou helpen, als de jonge heer er om schreide. Waarom hebben wij geen lettres de cachet en geene Bastille voor jongelui van geboorte!” De majoor verkeerde in zulk goed gezelschap, dat men hem lichtelijk vergeven zal, dat hij de begrippen van een edelman had. Hij kuste de schuchtere hand der weduwe, drukte die in zijne beide handen en legde ze weder op tafel met eene der zijne er overheen, terwijl hij glimlachte en haar in de oogen keek.

„Beken maar,” sprak hij, „dat gij overlegt hoe gij het met uw geweten overeen kunt brengen, om den jongen zijn zin te geven.”

Op die woorden bloosde en ontroerde zij, zooals vrouwen dat gewoon zijn. „Ik geloof, dat hij zeer ongelukkig is – en ik ben bang –”

„Om hem tegen te gaan of hem zijn zin te geven?” vroeg de ander, en liet er inwendig met groote zelfvoldoening op volgen: „Ik mag – zijn, als hij het doen zal!”

„Het is treurig er aan te denken, dat hij zulk eene dwaze, onaangename en noodlottige minnarij heeft aangeknoopt,” zeide de weduwe, „die niet anders dan nadeelig kan afloopen, wat er ook het einde van zij.”

„Maar het einde zal geen huwelijk zijn, zusjelief,” zeide de majoor vastberaden. „Een Pendennis, het hoofd van zijn huis, zal geen reizende kunstenmaakster uit eene kermistent trouwen. Neen, neen, wij zullen ons niet met de kermisklanten verzwageren, mevrouw.”

„Wanneer de verbintenis plotseling afgebroken wordt,” kwam de weduwe er tusschen, „weet ik niet wat de gevolgen zullen zijn. Ik ken Arthur’s driftigen aard, de innigheid, waarmee hij lief heeft, zijne diepe droefheid wanneer hij te leur wordt gesteld, en ik beef voor deze teleurstelling, – als het er toe komen moet. Wezenlijk, het moet hem niet plotseling treffen.”

„Mevrouw-lief,” hernam de majoor met een gezicht, dat de diepste meewarigheid moest uitdrukken, „ik twijfel er niet aan, of Arthur zal verschrikkelijk veel te doorstaan hebben eer hij dezen kleinen tegenspoed te boven komt. Maar gelooft gij, dat hij de eenige is, die een dergelijk ongeluk heeft ondervonden?”

„Neen, waarlijk niet,” antwoordde Helena met neergeslagen oogen want zij dacht aan hare eigen geschiedenis; zij was op dat oogenblik weer zeventien jaar en zoo rampzalig mogelijk.

„Ik zelf,” fluisterde haar schoonbroeder, „heb in mijn jongen tijd zulk eene teleurstelling ondergaan. Eene jonge dame met vijftien duizend pond, nicht van een graaf, allerliefst schepseltje; – met een derde van haar geld zou ik in een ommezien promotie gemaakt hebben en op mijn dertigste jaar luitenant-kolonel geweest zijn; maar het mocht niet wezen. Ik was maar een arme luitenant; hare ouders kwamen er tusschen, en ik vertrok naar Indië, waar ik de eer had secretaris bij Lord Buckley te worden toen hij opperbevelhebber was – zonder haar. Hoe ging het? wij zonden elkaar onze brieven terug en onze haarlokken” (bij die woorden streek de majoor met de vingers door zijne pruik), „wij leden er onder – maar wij kwamen het weer te boven. Zij is nu de vrouw van een baronet en heeft dertien volwassen kinderen; zij is wel is waar veranderd, maar hare dochters herinneren mij er aan hoe zij er uitzag, en de derde daarvan wordt in de volgende week ten hove voorgesteld.”

Helena gaf geen antwoord. Nog altijd dacht zij aan den ouden tijd. Ik geloof, dat, al wierd men honderd jaar oud, er sommige voorvallen uit onze jeugd zijn, welker herinnering ons altijd in het verledene zou terugvoeren, en dat Helena aan één daarvan dacht.

„Denk maar eens aan mijn eigen broeder, lief kind,” vervolgde de majoor op galante wijze; „hij ondervond zelf, dat weet gij, eene kleine teleurstelling toen hij zich pas als – als geneeskundige nederzette. Er deed zich eene goede partij op. Jufvrouw Balls, ik herinner mij den naam nog zeer goed, was de dochter van een apoth – een geneeskundige met eene zeer groote praktijk, en mijn broeder was in zijn aanzoek bijna geslaagd. Maar er rezen bezwaren; er volgde eene afwijzing en – ik moet bekennen, dat hij geen reden had om de teleurstelling, die hem deze hand verschafte, te betreuren,” eindigde de majoor, terwijl hij nogmaals met wellevendheid Helena’s vingers drukte.

„Die huwelijken tusschen menschen van zoo verschillenden stand en leeftijd zijn akelige dingen,” zeide Helena. „Ik heb gezien hoeveel ellende zij teweegbrengen. Laura’s vader, mijn neef, die – die met mij werd groot gebracht,” voegde zij er op zachten toon bij, „was er een voorbeeld van.”

„Hoogst onverstandig!” viel de majoor in. „Ik weet voor een man niets pijnlijker dan eene vrouw te trouwen, die boven hem staat in jaren, of beneden hem in rang. Verbeeld u eens eene vrouw van lagen stand te huwen en uw huis vol te zien loopen met hare verwenschte schooierige familie! Verbeeld u eens, dat uwe vrouw eene moeder heeft, die de h’s weglaat, of Miet zegt in plaats van Maria! Hoe kunt gij haar in fatsoenlijk gezelschap brengen? Lieve mevrouw Pendennis, ik zal geen namen noemen, maar ik heb mannen in de beste kringen te Londen de pijnlijkste folteringen zien ondergaan, ik heb gezien, dat men hen ontweek en dat zij ten eenemale verloren gingen, enkel omdat hunne vrouwen van zoo gemeene afkomst waren. Wat denkt gij, dat Lady Snapperton verleden jaar op haar déjeuner dansant na het gemaskerd bal deed? Zij duwde Lord Brouncker toe, dat hij zijne dochters kon meebrengen, of ze zenden mocht onder behoorlijk geleide, maar dat zij Lady Brouncker niet ontvangen wilde, die de dochter van een drogist, of iets dergelijks was. Goede hemel, wat zou de onbeduidende smart van eene dadelijke scheiding beteekend hebben, in vergelijking met de aanhoudende foltering van eene mésalliance en omgang met gemeene lui?”

„Zeker niet veel,” antwoordde Helena, half geneigd om te lachen, maar die aanvechting onderdrukkende, omdat zij zich herinnerde hoe verbazend veel ontzag haar overleden echtgenoot altijd voor majoor Pendennis en zijne geschiedenissen uit de groote wereld aan den dag had gelegd.

„Verder is dit verwenschte vrouwmensch tien jaar ouder dan die onnoozele jonge schavuit van een Arthur. Wat gebeurt er in zulke gevallen, mevrouw-lief? Ik schroom niet u te zeggen, nu wij alleen zijn, dat ellende, hopelooze ellende daarvan in de hoogste standen der maatschappij het gevolg is. Let eens op als Lord Clodworthy eene kamer binnentreedt met zijne vrouw – wel, goede hemel, men zou haar voor zijne moeder aanzien! Wat is er gebeurd tusschen Lord en Lady Willowbank, van wie het algemeen bekend is, dat zij uit liefde gehuwd zijn? Hij heeft haar reeds tweemaal afgesneden, nadat zij zich uit jaloerschheid op mademoiselle de Sainte Cunegonde, de danseres, opgehangen had, en let eens op mijne woorden, goede hemel, dat er een dag zal komen, dat hij de oude vrouw niet afsnijdt! Neen, mevrouwlief, gij verkeert niet in de wereld, maar ik wel; gij zijt een weinigje romanesk en sentimenteel (dat weet gij ook wel – vrouwen met zulke mooie groote oogen zijn het altijd); laat die zaak maar aan mijne ondervinding over. Die vrouw trouwen! Een knaap van achttien met eene actrice van dertig – bah! bah! – hij zou evengoed kunnen rondzien in de keuken en de meid trouwen!”

„Ik weet hoe ongelukkig overhaaste engagementen zijn,” zuchtte Helena. Daar zij in den loop van het medegedeelde gesprek niet minder dan driemaal hierop gezinspeeld heeft; daar zij zoo doordrongen schijnt van het nadeelige van lange engagementen en ongelijke huwelijken, en daar hetgeen wij gaan mededeelen datgeen zal ophelderen, waarnaar misschien sommigen nieuwsgierig zijn, namelijk wie de kleine Laura is, die reeds meer dan eens voor ons verscheen, zoo zat het niet ongepast zijn dit in een nieuw hoofdstuk te behandelen.

ACHTSTE HOOFDSTUK.

WAARIN PEN AAN DE DEUR MOET WACHTEN, TOTDAT DE LEZER ONDERRICHT IS WIE DE KLEINE LAURA WAS.

Er was dan eens een jong heer aan de hoogeschool te Cambridge, die de groote vacantie kwam doorbrengen in het dorp, waar Helena Thistlewood met hare moeder, de weduwe van den voor Kopenhagen gesneuvelden luitenant; woonde. Deze heer, de eerwaarde Francis Bell, had mevrouw Thistlewood tot tante en was dus een volle neef van Helena, zoodat het zeer natuurlijk was, dat hij zijn intrek bij zijne tante nam, die op een zeer bescheiden voet leefde, en daar bracht hij de groote vacantie door, terwijl hij les bleef geven aan drie of vier studenten, die hem naar het dorp vergezeld hadden. Mijnheer Bell was „fellow” van een der collegiën en ging aan de academie voor een zeer geleerd man en bekwaam onderwijzer door.

De beide vrouwen begrepen, dat de eerwaarde heer geëngageerd was en slechts op eene predikantsplaats, die zijn Collegie hem verschaffen zou, wachtte om zijn woord gestand te doen. Zijne verloofde was de dochter van een ander predikant, die in vroegere jaren Bell’s onderwijzer was geweest. Toen Bell nog onder het dak van mijnheer Coacher vertoefde en een knaap van slechts zeventien of achttien jaar was, had hij zich in jeugdig vuur aan de voeten van jufvrouw Martha Coacher geworpen, die hij in den tuin erwten hielp plukken. Voor haar en de erwten op de knieën liggende, had hij zich tot eeuwige liefde verbonden.

Mevrouw Coacher was vele jaren ouder dan de jonge heer, en reeds had menige teleurstelling op het gebied der liefde haar hart verscheurd. Niet minder dan drie leerlingen van haar vader hadden met hare jeugdige genegenheid den draak gestoken. De dorpsapotheker had haar op eene schandelijke wijze bedrogen. De dragonder-officier, met wien zij zoo ontelbaar veel keeren gedanst had gedurende den zaligen tijd, dien zij met hare jichtige grootmama te Bath had doorgebracht, had op zekeren dag vlug de teugels van zijn paard aangehaald en was heen gegaloppeerd om nooit terug te komen. Kan het verwondering baren, dat het hart van Martha Coacher, door zoovele pijlen van ondankbaarheid gewond, smachtte om ergens rust te vinden? Zeer vriendelijk en goedaardig luisterde zij naar de voorstellen van den linkschen, galanten, eerlijken knaap, en toen hij uitgesproken had, riep zij: „Heere! Bell, gij zijt nog veel te jong om aan zoo iets te denken,” maar gaf hem toch te kennen, dat zij het van haar kant ook in haar maagdelijken boezem zou overwegen. Zij kon mijnheer Bell niet naar hare mama verwijzen, want mijnheer Coacher was weduwnaar en kon, daar hij altijd in zijne boeken verdiept zat, natuurlijk de zorg voor zulk een broos en zonderling voorwerp als een dameshart niet op zich nemen, zoodat Martha zelve maar daarop letten moest.

Eene lok van haar haar, met een blauw lintje samengebonden, maakte aan den overgelukkigen Bell den uitslag van de inwendige overlegging der Vestaalsche maagd kenbaar. Reeds driemaal te voren had zij eene van hare kastanjebruine lokken afgeknipt en weggegeven. De bezitters van die panden waren trouweloos geworden, maar het haar was weer aangegroeid; en Martha had wel reden, toen zij dit minnepand aan den onnoozelen jongen overhandigde, er bij te voegen, dat de mannen bedriegers waren.

Nommer 6 maakte echter eene uitzondering op de vorige engagementen: Francis Bell was de trouwste der minnaars. Toen het tijd voor hem werd om naar de academie te gaan en het dus noodig was mijnheer Coacher met de beraamde schikkingen bekend te maken, riep de predikant uit: „Mijn hemel! ik had niet het minste vermoeden van zoo iets,” hetgeen ook zeer waarschijnlijk was, want hij was er driemaal te voren juist op dezelfde wijze ingeloopen; en zoo ging Francis naar de academie met het voornemen om lauweren te behalen, ten einde die aan de voeten zijner geliefde Martha neer te leggen.

De prijs, dien hij in het vooruitzicht had, spoorde hem tot ongeloofelijken ijver aan. Na elken studietermijn kwam er bericht van de eerbewijzen, die hem ten deel gevallen waren. Hij zond de boeken, die hij als prijzen voor zijne opstellen gekregen had, aan den ouden Coacher, en den zilveren beker, dien hij behaalde bij den wedstrijd in de welsprekendheid, aan Martha. Op den behoorlijken tijd nam hij eene der eerste plaatsen onder de verdienstelijkste candidaten in en was hij „fellow” van zijn collegie; en bij al die omstandigheden onderhield hij eene drukke en teedere briefwisseling met mejufvrouw Coacher, aan wier invloed hij, misschien niet zonder reden, de zegepralen toeschreef, die hij behaald had.

Op het tijdstip echter toen de eerwaarde heer Bell, meester in de vrije kunsten en „fellow” en onderwijzer van zijn collegie, zes en twintig jaar oud was, wilde het geval, dat jufvrouw Coacher vier en dertig jaar telde, en hare bekoorlijkheden, manieren en humeur hadden ook geene verbetering ondergaan sedert dien zonnigen dag in den lentetijd des levens, toen hij haar in den tuin erwten had zien plukken. Toen hij zijne graden behaald had, verflauwde hij in zijne studiën, en misschien was zijn oordeel en smaak ook iets veranderd. De zonneschijn van het erwtenbed had Martha verlaten, en de arme Bell vond zich verloofd – en dat verbond in duizend brieven met zijne hand bekrachtigd – aan eene ruwe, twistzieke, onbekoorlijke, ongemanierde vrouw van middelbaren leeftijd.

Het was ten gevolge van een der vele twisten (waarin Martha’s welsprekendheid uitblonk, – waarom zij zich dan ook dikwijls dat genoegen vergunde), dat Francis weigerde zijne leerlingen naar Bearlender’s Green mee te nemen, waar mijnheer Coacher zijne pastorie had en Bell gewoon was den zomer door te brengen. Hij kwam op den inval zijne vacantie te gaan slijten in het dorp bij zijne tante, die hij in verscheidene jaren niet gezien had, – eigenlijk niet sedert Helena als een klein meisje op zijne knie placht te zitten. Hij kwam dus over en nam zijn intrek bij haar. Helena was nu tot eene schoone jonkvrouw opgewassen. Neef en nicht waren bijna vier maanden, van Juni tot October, in elkanders gezelschap. Zij wandelden in de zomeravonden, ontmoetten elkander op den vroegen morgen en lazen uit hetzelfde boek, als de oude dame des avonds bij het kaarslicht zat te dutten. Wat de kleine Helena wist, had Frans haar geleerd. Zij zong voor hem. Zij schonk hem haar argeloos hart. Zijne gansche geschiedenis was haar bekend. Hij had er immers geen geheim van gemaakt, maar het afbeeldsel der vrouw, met welke hij verloofd was, laten zien, en tevens – met een blos – hare hardvochtige, scherpe, wreede brieven? De tijd snelde voort, elken dag waren zij gelukkiger en gevoelden zij zich nauwer tot elkander getrokken, elke dag deed meer vriendelijkheid, vertrouwelijkheid, medelijden ontstaan. Eindelijk kwam er een morgen in October, toen Francis naar de academie moest terugkeeren, en het arme meisje gevoelde, dat haar teeder hart hem vergezelde.

Ook Frans ontwaakte uit den heerlijken droom, om de afschuwelijke werkelijkheid zijner eigen smart weer te gevoelen. Hij trok en rukte aan de keten, die hem bond. De wensch om die te breken en weer vrij te zijn bracht hem bijna tot waanzin. Zou hij alles bekennen, zijne spaarpenningen overlaten aan de vrouw, met wie hij verloofd was, en haar verzoeken hem te ontslaan? Er was nog tijd en hij schoof het dus op de lange baan. Misschien zou hij nog in jaren geene predikantsplaats bekomen. Neef en nicht bleven droevige maar hartelijke brieven wisselen, terwijl de verloofde, in eene stuursche, jaloersche en misnoegde stemming, zich bitter, en met reden, over de verandering in den toon van haar Francis beklaagde.

Eindelijk kwamen de zaken tot eene crisis en werd de nieuwe verbintenis ontdekt. Francis bekende het, deed geene moeite om het te verbloemen, bestrafte Martha over haar slecht humeur en haar heerschzuchtigen zin en verweet haar, wat nog het ergst van alles was, hare onbeschaafdheid en hare jaren.

Haar antwoord luidde, dat zij zijne brieven, indien hij zijn woord niet hield, bij elke rechtbank in het rijk zou aanbrengen – brieven, waarin hij haar tienduizendmaal trouw gezworen had; en dat zij, na hem als een meineedige en verrader ten toon gesteld te hebben, zich zelve van het leven zou berooven.

Frans had nog één onderhoud met Helena, die intusschen hare moeder verloren had en nu gezelschapsdame bij de oude Lady Pontypool was, – een onderhoud, waarin besloten werd, dat hij zijn plicht moest doen: met andere woorden, dat hij woord moest houden, dat hij eene schuld moest betalen, die hem door een woekeraar afgedwongen werd, dat twee brave menschen rampzalig moesten gemaakt worden. Dit beschouwden die twee als hun plicht, en daarop scheidden zij.

De predikantsplaats viel hem maar al te spoedig ten deel, maar desniettemin was Frans Bell reeds grijs en afgeleefd toen hij in zijn ambt bevestigd werd. Helena schreef hem bij zijn huwelijk een brief, beginnende: „Lieve neef,” en eindigende: „Altijd de uwe.” De andere brieven en de lok van zijn haar – met uitzondering van een heel klein vlokje – zond zij hem terug. Dat vlokje lag in haar lessenaar, toen zij met den majoor zat te spreken.

Bell bracht drie af vier jaar op zijne standplaats door, toen het predikantsambt op Coventry-eiland openviel, waarom hij onder de hand aanzoek deed. Hij werd inderdaad benoemd, en toen hij zijne aanstelling aan zijne vrouw meedeelde, had zij er veel tegen, gelijk tegen alles. Op bitteren toon verklaarde hij, dat hij haar ook liefst niet meenam, en nu ging zij mee. Bell vertrok ten tijde van gouverneur Crawley en stond met dien heer in zijne latere jaren op zeer vertrouwelijken voet. Het was op Coventry-eiland, jaren na zijn huwelijk en vijf jaar nadat hij de geboorte van Helena’s zoon vernomen had, dat zijne eigen dochter geboren werd.

Zij was geen dochter van de eerste mevrouw Bell, die aan de inheemsche koortsen van het eiland overleden was, zeer kort nadat Helena Pendennis en haar echtgenoot (dien Helena met al het voorgevallene bekend gemaakt had) de geboorte van hun kind aan Bell gemeld hadden. „Ik was te oud, niet waar?” zeide mevrouw Bell de eerste. „Ik was te oud, en kon in hare schaduw niet staan, niet waar? Maar ik trouwde u toch, mijnheer Bell, en belette u, haar te trouwen!” en daarop stierf zij. Bell huwde vervolgens eene dame uit de kolonie, die hij van harte liefhad. Maar het was niet voorbeschikt, dat hij gelukkig in zijne liefde zou zijn, en toen deze vrouw in het kraambed stierf, bezweek Bell er ook onder, en zond het kleine meisje naar Helena Pendennis en haar man, met de bede op zijne stervende lippen, dat zij zich haar zouden aantrekken.

Het schaapje kwam in rouwkleederen, in gezelschap van hare min, eene soldatenvrouw, van Bristol op Fairoaks, – dus niet heel ver, – en weende bitter bij het scheiden van hare voedster. Maar onder Helena’s moederlijke zorgen hield het verdriet van het kind spoedig op.

Zij droeg aan haar hals een medaillon met haar, dat Helena, o hoeveel jaren geleden! den armen Francis geschonken had, die nu reeds dood was en begraven. Dit kind was al wat er van hem overbleef, en Helena verzorgde, gelijk men van zulk eene teedere ziel verwachten mocht, met volle liefde de kleine, die hij haar opgedragen had. Het meisje heette, volgens den brief van den stervenden man, Helena Laura, maar John Pendennis was, ofschoon hij het toevertrouwde pand aanvaardde, altijd eenigszins jaloersch op de wees, en gelastte met een somber gelaat, dat zij bij den naam van hare eigen moeder genoemd moest worden, en niet bij den eersten der beide namen, die haar vader haar gegeven had. Zij was tot het laatste toe bevreesd voor mijnheer Pendennis; en eerst toen haar echtgenoot ten grave gedaald was, durfde Helena ongedwongen toegeven aan de teedere liefde, die zij het meisje toedroeg.

Op zoodanige wijze werd Laura Bell de dochter van mevrouw Pendennis. Noch haar man, noch diens broeder de majoor, zagen gunstig op het kind neer. Den eersten herinnerde zij aan omstandigheden in het leven zijner vrouw, die hij zich moest getroosten, maar die hij veel liever had willen vergeten; en met welke oogen kon de majoor haar aanzien? Zij was niet verwant aan zijn eigen geslacht, noch aan eenigen edelman in het gansche rijk, terwijl zij voor haar gansche fortuin niet meer dan een paar duizend pond bezat.

En nu mag mijnheer Pen binnenkomen, die al dezen tijd heeft staan wachten.

Na zijne zenuwen verstaald en zich buiten de deur op de ontmoeting voorbereid te hebben, trad hij binnen met het vaste plan om zijn geduchten oom het hoofd te bieden. Hij had zich ingeprent, dat het een vreeselijke strijd zou zijn, en had besloten zich met al den moed en al de waardigheid der vermaarde familie, waarvan hij de vertegenwoordiger was, er doorheen te slaan. Hij wierp dus de deur open en trad met eene zooveel mogelijk barsche en krijgshaftige uitdrukking op zijn gelaat binnen, als het ware in harnas gedost, met gevelde lans en wapperende pluimen, en met een blik op zijne tegenpartij alsof hij zeggen wilde: „Val aan! – ik wacht u af!”

Toen de oude wereldman de houding van den knaap opmerkte, kon hij een grijns over diens onnoozele deftigheid nauwelijks weerhouden. Majoor Pendennis had van zijn kant ook het terrein opgenomen; en daar hij bevond, dat de weduwe reeds half op de hand van den vijand was en hij wel begreep, dat bedreigingen en tragische vertoogen geen invloed zouden hebben op den knaap, die onverzettelijk koppig en akelig ernstig wilde wezen, zag de majoor dadelijk van den toon van gezag af, stak met het welwillendste en natuurlijkste lachje aan Pen de hand toe, drukte vroolijk de lijdelijke vingers van den knaap en zeide: „Kom, Pen, mijn jongen, vertel er ons nu eens alles van!”

Helena was opgetogen over de edelmoedigheid en toegeeflijkheid van den majoor. De arme Pen daarentegen was er geheel van onthutst en uit het veld geslagen, want zijne zenuwen waren opgeschroefd voor een treurspel en hij gevoelde nu, dat zijne grande entrée geheel mislukt en belachelijk was. Hij bloosde en beefde van gekwetste ijdelheid en radeloosheid. Hij verkeerde in het grootste gevaar om in schreien uit te barsten. „Ik – ik – ik heb zoo pas gehoord, dat gij hier waart,” zeide hij: „het is nu – nu – zeker zeer druk in de stad?”

Terwijl Pen ternauwernood de tranen onderdrukken kon, had de majoor de grootste moeite om het niet uit te schateren. Hij draaide zich om en wierp vlug een comischen blik op mevrouw Pendennis, die ook gevoelde, dat het een even bespottelijk als sentimenteel tooneel was. En daar zij niets te zeggen had, ging zij naar mijnheer Pen en kuste hem. Het is zeer waarschijnlijk, dat de knaap ook week werd, als het hem inviel hoe lief zij hem had en hoe gaarne zij al zijne wenschen vervulde.

„Wat een paar dwazen zijn dat toch!” dacht de oude voogd. „Als ik niet overgekomen was, zou zij in staatsie uitgereden zijn om de familie der jonge dame een bezoek te brengen en het meisje haar zegen te geven.”

„Kom, kom!” sprak hij en zag nog altijd met een grijns het tweetal aan, „wij moeten zoo weinig mogelijk aan onze aandoeningen toegeven. Kom, Pen, mijn beste jongen, vertel ons maar de geheele geschiedenis eens.”

Pen nam dadelijk zijne tragische en heldhaftige houding weer aan. „De geschiedenis is gelijk ik die reeds aan u geschreven heb, oom. Ik heb kennis gemaakt met eene allerschoonste en allerdeugdzaamste dame, van eene hoogst aanzienlijke familie, ofschoon in bekrompen omstandigheden; ik heb de vrouw gevonden, waarvan ik weet, dat het geluk van mijn leven afhangt; ik gevoel, dat ik nooit, – neen, nooit aan eene andere vrouw dan haar zal kunnen denken. Ik weet, dat ik verschil van leeftijd en andere hinderpalen op mijn weg ontmoet. Maar mijne liefde is zoo groot, dat ik gevoel, dat ik ze alle kan overwinnen; – dat wij er beiden toe in staat zijn; en zij heeft toegestemd haar lot met het mijne te verbinden, en mijn hart en mijn vermogen te aanvaarden.”

„Hoeveel bedraagt dat, beste jongen?” vroeg de majoor. „Heeft iemand u geld nagelaten? Ik weet althans niet, dat gij een duit in de wereld hebt.”

„Gij weet, dat al het mijne het zijne is,” riep mevrouw Pendennis uit.

„Hemeltje-lief, zwijg, mevrouw!” had de voogd wel willen zeggen, maar hij bedwong zich, hoewel niet zonder moeite. „Zeker, zeker,” zeide hij dus, „Gij zoudt alles voor hem opofferen. Dat weet iedereen. Maar het is dan toch in ieder geval uw fortuin, dat Pen aan de jonge dame aanbiedt, en die hij op zijn achttiende jaar in bezit wenscht te nemen.”

„Ik weet, dat moeder alles voor mij over heeft,” zeide Pen, met een tamelijk onthutst gezicht.

„Ja wel, beste jongen, maar bij alles moet men zijn verstand raadplegen. Als uwe moeder het huis houdt, is het niet anders dan billijk, dat zij haar eigen gezelschap kiest. Als gij haar huis terwijl zij leeft wegschenkt en hare gelden bij den bankier op uw naam laat overschrijven ten voordeele van jufvrouw Dings – jufvrouw Costigan, – hadt gij mijne zuster toch wel als eene der voornaamste van de betrokkene partijen mogen raadplegen. Gij ziet, ik spreek met u zonder eenige boosheid of zonder het gezag te gebruiken, dat de wet en uw vaders testament mij nog voor de drie volgende jaren toekennen – maar als de eene man van de wereld tegen den ander, – en dan vraag ik u, of gij denkt, dat gij, omdat gij alles wat gij wilt met uwe moeder doen kunt, ook het recht hebt om dat te doen? Zou het, daar gij van haar afhankelijk zijt, niet passender geweest zijn een weinig te wachten eer gij dien stap deedt, en haar ten minste de beleefdheid te bewijzen om hare toestemming te vragen?”

Pen liet het hoofd hangen en begon een flauw vermoeden te krijgen, dat het bedrijf, waarop hij zich verhoovaardigd had als op een hoogst romanesk en edelmoedig voorbeeld van onbaatzuchtige genegenheid, misschien eene zeer zelfzuchtige en onbekookte dwaasheid was.

„Ik deed het in een oogenblik van opgewondenheid,” stamelde Pen; „ik wist niet recht wat ik zeide of deed” (en in dit opzicht sprak hij volkomen de waarheid). „Maar nu is het gezegd, en ik blijf er bij. Neen, ik kan noch wil het herroepen. Ik wil liever sterven dan dat te doen. En ik – ik wil mijne moeder niet tot last wezen,” ging hij voort. „Ik wil voor mij zelven werken. Ik zal op het tooneel gaan en met haar optreden. Zij – zij verzekert mij, dat ik er zeer goed zou voldoen.”

„Maar zal zij u op die voorwaarden willen nemen?” voegde de majoor er tusschen in. „Let wel, dat ik niet zeg, dat jufvrouw Costigan niet de onbaatzuchtigste aller vrouwen zou zijn; maar gelooft gij niet, oprecht gesproken, dat uwe positie als jongmensch van oude afkomst en tamelijke vooruitzichten, voor een gedeelte de reden is, waarom uw aanzoek haar welkom is?”

„Ik zou liever sterven, dan mijne trouw aan haar te verbreken,” zeide Pen, terwijl hij de vuisten balde en rood werd.

„Wie vergt dat van u, vriendje-lief?” gaf de onverstoorbare voogd ten antwoord. „Natuurlijk breekt geen gentleman zijn woord, wanneer hij het uit vrijen wil gegeven heeft. Maar in ieder geval hebt gij zoo’n haast niet. Gij zijt iets aan uwe moeder, iets aan uwe familie, iets aan mij, als den gemachtigde van uw vader, verschuldigd.”

„O, natuurlijk,” zeide Pen, die zich min of meer verlicht gevoelde.

„Nu, Arthur, wilt gij, daar gij uw woord aan haar verpand hebt, ons ook niet eene belofte doen?”

„En dat is?” vroeg Arthur.

„Dat gij geen geheim huwelijk zult sluiten – dat gij geen uitstapje naar Schotland zult doen, begrijpt ge?”

„Dat zou eene laagheid zijn,” merkte Helena aan; „en Pen heeft zijne moeder nog nooit bedrogen.”

Pen liet andermaal het hoofd hangen en zijne oogen stonden vol tranen van schaamte. Was niet deze heele intrigue eene laagheid tegenover dat liefderijke en goedgeloovige schepseltje geweest, dat bereid was alles om zijnentwil af te staan? Hij gaf zijn oom de hand.

„Neen, oom, – op mijn woord van eer als gentleman.” zeide hij. „Ik zal nimmer zonder mijn moeders toestemming trouwen!” en terwijl hij op Helena een laatsten helderen blik vol vertrouwen en hartelijkheid wierp, verliet hij het vertrek om zich naar zijne eigen kamer te begeven.

„Het is een engel, het is een engel!” riep zijne moeder in eene van hare gewone vlagen van vervoering uit.

„Hij komt van een goeden stam, mevrouw,” zeide haar schoonbroeder, „van een goeden stam van weerskanten.” De majoor was ten hoogste verheugd over den uitslag van zijn diplomatisch gedrag, en wel in die mate, dat hij andermaal de toppen van mevrouw Pendennis handschoenen aan zijne lippen drukte en den korten, mannelijken, oprechten toon, waarmede hij tegen den knaap gesproken had, liet varen, en een zeker brouwen aannam, dat hem altijd kenmerkte wanneer hij zich geaffecteerd en voornaam voordeed.

„Zusje-lief,” zeide hij op zijn wellevendsten toon, „ik geloof, dat het zeer goed was dat ik overkwam, en ik vlei mij, dat die laatste botte niet onverdienstelijk was. Ik zal u zeggen, hoe ik op het denkbeeld kwam. Drie jaar geleden liet mijne waarde vriendin Lady Ferrybridge mij roepen; zij verkeerde in de grootste ongerustheid omtrent haar zoon Gretna, wiens geschiedenis gij u wel herinnert, en bezwoer mij, dat ik mijn invloed zou aanwenden bij dien jongen heer, die in eene affaire de coeur met de dochter van een Schotschen dominé, zekere jufvrouw Mac Toddy, gewikkeld was. Ik smeekte en trachtte langs minnelijken weg mijn doel te bereiken; maar Lord Ferrybridge van zijn kant was woedend en ging ruw te werk. Gretna was norsch en stil, zoodat zijne ouders dachten, dat zij de overhand behouden hadden. Maar wat was het geval, mevrouw-lief? De jongelui waren al drie maanden lang getrouwd, eer Lord Ferrybridge er de lucht van had gekregen. Dat is de reden, waarom ik Pen die belofte afperste.”

„Arthur zou nooit zoo iets gedaan hebben,” zeide mevrouw Pendennis.

„Hij heeft het althans niet gedaan, dat is één troost,” antwoordde haar schoonbroeder.

Majoor Pendennis, die een scherpzinnig en bezadigd man van de wereld was, drong bij den armen Pen op het oogenblik niet verder aan, maar wilde het beste van den tijd hopen, en verwachtte, dat de oogen van den jonkman eerlang genoegzaam zouden opengaan, om de dwaasheid in te zien, waaraan hij zich had schuldig gemaakt. En toen hij bespeurd had hoe gevoelig de knaap op het punt van eer was, werkte hij met groote bekwaamheid op dat fijne gevoel. – Als zij na het diner hun glas wijn zaten te drinken, hield hij Pen de noodzakelijkheid van de volkomenste oprechtheid en openhartigheid bij al zijne handelingen voor oogen en drukte hem op het hart, dat hij zijn omgang met zijne belangwekkende vriendin (gelijk de majoor jufvrouw Fotheringay zeer beleefd noemde) alleen met voorkennis, zoo niet met goedkeuring, van mevrouw Pendennis zou voortzetten. „In ieder geval, Pen,” zeide de majoor met eene natuurlijkheid en rondheid, die den jonkman niet mishaagden en te gelijk de oogmerken van den onderhandelaar bevorderden, „moet gij in gedachte houden, dat gij u zelven wegwerpt. Uwe moeder zal zich misschien uw huwelijk getroosten, gelijk zij zich alles getroosten zou wat gij begeeren mocht, indien gij er maar lang genoeg om aanhieldt; maar wees zeker, dat het haar nooit genoegen kan doen. Gij haalt eene jonge vrouw van de planken van een plattelandstooneel en geeft haar de voorkeur, want dat is het geval, boven eene der achtenswaardigste dames in Engeland. En uwe moeder zal zich aan uwe keus onderwerpen, maar gij kunt toch niet verwachten, dat zij zich daarin gelukkig zal gevoelen. Ik heb mij dikwijls verbeeld, entre nous, dat mijne zuster een huwelijk tusschen u en hare kleine pupil – Flora, Laura, hoe heet zij ook? – op het oog had, en ik had mij altijd voorgenomen, zoover mijn gering vermogen strekte, zulk een huwelijk tegen te houden. Voor zooveel ik weet, bezit dat kind niet meer dan twee duizend pond. Alleen door de uiterste zuinigheid en overleg kan mijne zuster voor eene fatsoenlijke huishouding en voor uwe verschijning en opvoeding als gentleman zorgen; en ik wil u wel bekennen, dat ik andere en betere dingen met u voorhad. Met uw naam en geboorte, mijnheer; met uwe talenten, die ik vooronderstel, dat niet al te gering zijn; met de vrienden, die ik de eer heb te bezitten, zou ik u uitmuntend hebben kunnen helpen, – een bijzonder goeden stand kunnen verschaffen voor een jonkman van zulke uiterst geringe middelen, en ik had gehoopt, dat ik u ten minste eene poging zou hebben zien doen, om onzen naam in zijn luister te herstellen. Uw moeders weekhartigheid heeft een dier vooruitzichten verijdeld; anders hadt gij generaal kunnen worden, gelijk onze dappere voorvader, die bij Ramillies en Malplaquet streed. Ik had nog een ander plan gevormd; mijn uitmuntende en toegenegen vriend Lord Bagwig, die veel voor mij overheeft, zou, ik twijfel er niet aan, u wel hebben willen toevoegen aan zijn gezantschap naar Pumpernickel, en dan hadt gij in de diplomatische loopbaan kunnen vooruitkomen. Maar vergeef mij, dat ik weder op dat onderwerp kom; hoe kan iemand een jongmensch van achttien jaar van dienst zijn, die eene vrouw van dertig wil trouwen, eene vrouw, die hij uit eene kermiskraam gehaald heeft? of neen, geen kraam – eene loods. Die loopbaan is u voor goed ontzegd. ’s Lands dienst is voor u gesloten, en de fatsoenlijke wereld ook. Gij ziet, beste vriend, waartoe gij u zelven brengt. Misschien kunt gij in eene rechtsgeleerde loopbaan nog slagen, waarin ik vernomen heb, dat mannen van talent soms hunne keukenmeid trouwen; maar in geen ander vak. Of gij kunt u hier vestigen, en hier, mon Dieu! voor altijd blijven leven” (en dit zeide de majoor met een moedeloos schouderophalen, terwijl hij met onuitsprekelijke voorliefde aan Pall Mall dacht), „waar uwe moeder de aanstaande mevrouw Arthur met de meeste welwillendheid ontvangen zal; waar de fatsoenlijke lui van het graafschap u niet zullen komen bezoeken; en waar ik, bij den hemel, mijnheer, zelf huiverig zal zijn u een bezoek te brengen, want ik spreek zooals ik het meen, en ik wil u wel bekennen, dat ik liefst gentlemen tot vrienden heb; waar ge zult moeten omgaan met grogdrinkende boeren en uw leven voortslepen als de jonge man van eene oude vrouw, die, zoo zij uwe moeder het leven niet verbittert, die dame althans hare positie in de maatschappij zal doen verliezen, en haar met zich naar beneden zal slepen in dien twijfelachtigen stand van menschen, waaronder gij onvermijdelijk vervallen zult. Het is eene zaak, die mij niet aangaat, waarde heer. Ik ben niet boos. Uw val zal mij niet verder deren, dan dat hij de hoop vernietigt, die ik koesterde, om mijne familie nog eenmaal hare plaats in de wereld te zien hernemen. Alleen gij zelf en uwe moeder zult geruïneerd zijn. En ik beklaag u beiden uit den grond van mijn hart. Reik den wijn eens aan; die is van een partijtje, dat ik aan uw armen vader heb gezonden; ik herinner mij, dat ik het gekocht heb op de veiling der nalatenschap van den armen Lord Levant. Maar daar gij u verbonden hebt,” vervolgde de majoor, den wijn aandachtig proevende, „zult gij natuurlijk doen wat u als man van eer betaamt, hoe nadeelig dat ook voor u uitvallen moge. Beloof ons echter, beste jongen, hetgeen ik begonnen ben u te verzoeken, dat er niets in het geheim zal geschieden, dat gij uwe studiën zult voortzetten en dat gij alleen met voegzame tusschenpoozen uwe belangwekkende vriendin bezoeken zult. Schrijft gij haar veel?”

Pen bloosde toen hij antwoordde, dat hij haar inderdaad had geschreven.

„Zeker verzen, hè, zoowel als proza? Ik deed vroeger zelf aan verzen. Ik herinner mij, dat, toen ik pas officier was geworden, ik verzen voor mijne kameraden in het regiment placht te schrijven, en ik heb vrij aardige dingen voor den dag gebracht. Ik sprak met mijn ouden vriend generaal Hobbler over eenige regels, die ik in 1806 voor hem op het papier wierp toen wij aan de Kaap waren, en, bij den hemel, hij kon zich nog elken regel herinneren; want de oude schelm had ze ik weet niet hoeveel maal gebruikt en er zich zelfs van bediend jegens mevrouw Hobbler, mijnheer, – die hem zestig duizend pond aanbracht. Gij hebt zeker ook wel verzen gemaakt, hé, Pen?”

Pen bloosde weer en zeide ja; hij had verzen gemaakt.

„En antwoordt de schoone in dichtmaat of in proza?” vroeg de majoor, terwijl hij zijn neef met eene zeer snaaksche uitdrukking aanzag, alsof hij zeggen wilde: „O Mozes en Groene Brillen! [3] wat is die knaap een uil!”

Pen bloosde andermaal. Zij had geschreven, bekende de jeugdige minnaar, doch niet in verzen, en daarbij gaf hij zijn borstzak eene neep, met den linkerarm, hetgeen de majoor, als naar gewoonte, opmerkte.

„Daar hebt gij de brieven, zie ik,” zeide de oude krijgsman, Pen toeknikkende en op zijne eigen borst wijzende (die door den kleermaker Stultz dapper gewatteerd was). „Dat zult gij mij niet tegenspreken. Ik zou een dubbeltje geven, om ze te zien.”

„Wel,” zeide Pen, de steeltjes van de aardbeziën tusschen zijne vingers rollende, „ik – ik –,” maar die volzin werd niet voltooid, want Pen keek zoo comisch en verlegen terwijl de majoor hem aanzag, dat deze zich niet langer ernstig kon houden, maar in eene lachbui schoot, waarmee Pen eene minuut later verplicht was in te stemmen, omdat hij het ook moest uitschateren.

Hierna traden zij in eene bijzonder goede luim in mevrouw Pendennis’ gezelschapskamer. Het deed haar goed, hun lachen te hooren toen zij de vestibule doorgingen.

„Slimme guit!” zeide de majoor, met den arm op Pen’s schouder en gaf een schalkschen duw tegen den borstzak van den knaap. Hij voelde zonder twijfel de papieren, die daar kraakten. De jonge kerel was opgetogen – hij was trotsch – hij triomfeerde, – in één woord, hij was een uilskuiken.

Het tweetal kwam in de vroolijkste bui aan de theetafel. De majoor was boven alle beschrijving innemend. Hij had nooit zulke lekkere thee geproefd, en zulk brood was alleen op het land te krijgen. Hij verzocht mevrouw Pendennis, een van hare heerlijke liederen te zingen, waarbij hij verwonderd en opgetogen stond over de mooie stem van den knaap. Hij bewoog Pen zijne kaarten en teekeningen te halen en prees die als wezenlijk merkwaardige bewijzen van talent in een jongmensch. Hij maakte hem een compliment over zijne uitspraak van het Fransch. Kortom, hij vleide den eenvoudigen knaap zoo behendig als ooit een minnaar zijne geliefde gevleid heeft; en toen het tijd werd om naar bed te gaan en moeder en zoon zich naar hun vertrek begaven, waren zij letterlijk betooverd door den vriendelijken majoor.

Toen ieder op zijne kamer was, houd ik het er voor, dat Helena zich als naar gewoonte op de knieën wierp en Pen zijne brieven nog eens overlas alvorens in bed te stappen, – alsof hij ze niet reeds woord voor woord van buiten kende. Eigenlijk bestonden er maar drie van die documenten, en er was geene groote inspanning van het geheugen noodig, om ze van buiten te leeren.

In No. 1 doet jufvrouw Fotheringay haar compliment aan mijnheer Pendennis en bedankt hem, ook namens haar papa, voor zijne allerliefste geschenken. Zij zal die altijd zorgvuldig bewaren; en jufvrouw F, en kapitein C, zullen nooit den heerlijken avond vergeten, dien zij verleden Dinsdag hebben doorgebracht.

No. 2 luidde: „Waarde heer, wij krijgen aanstaanden Dinsdagavond een klein, stil gezelschapje goede vrienden aan onzen nederigen disch, die vroeg komen theedrinken. Ik zal dan de keurige sjerp dragen, die ik, met de begeleidende heerlijke verzen, altijd, altijd op hoogen prijs zal stellen, en papa verzoekt mij te melden, dat het hem veel genoegen zal doen als gij deel wilt nemen aan „het feest des verstands en de uitstorting van de ziel” in onzen vriendenkring, gelijk het een genoegen zal zijn voor uwe dankbare

Emily Fotheringay.”

No. 3 was op eenigszins vertrouwelijker toon gesteld en droeg het bewijs, dat de zaak vrij ver gevorderd was. „Gij waart gisterenavond heel ondeugend,” stond er in den brief. „Waarom zijt gij niet aan de deur van het tooneel gekomen? Papa kon niet met mij gaan wegens zijn oog, want hij heeft er een ongemak aan gekregen door een val, dien hij Zondagavond over een los kleed op de trap deed. Ik zag u den ganschen avond naar jufvrouw Diggle kijken, en gij waart zoo betooverd door Lydia Languish, dat gij nauwelijks eens naar Julia hebt gezien. Ik had Bingley wel kunnen vernielen, zoo boos was ik. Aanstaanden Vrijdag speel ik Ella Rozenberg; komt gij dan? Jufvrouw Diggle speelt ook – altijd uwe

E. F.”

Deze drie brieven las mijnheer Pen telkens over, bij dag en bij nacht, en drukte ze met een genot en een vuur aan zijn hart, waartoe zulke schoone opstellen zeker alle reden gaven. Minstens duizendmaal had hij met innigheid het gemuskeerde en gesatineerde papier gekust, dat door de hand van Emily Fotheringay geheiligd was. Dit was al wat hij er van had tot loon voor zijn hartstocht en zijn vuur, zijne geloften en uitboezemingen, zijne rijmen en zijne beeldspraak, zijne slapelooze nachten en gejaagde gedachten, zijne liefde, zijne vrees en zijne dwaasheid. De jonge wijsneus had voor dit loon alles verpand: zijn naam geteekend onder tallooze promessen, waarbij hij zijn hart aan toonder toezeide; zich voor zijn leven gebonden, en een dubbeltje als equivalent ontvangen had. Want jufvrouw Costigan was eene jonge dame van zulk eene vlekkelooze deugd en zelfbeheersching, dat het nooit bij haar zou opgekomen zijn iets meer te geven, en zij hield de schatten van hare genegenheid terug, tot zij die op wettige wijze in de kerk zou kunnen overleveren.

Hoe dit zij, mijnheer Pen was tevreden met de blijken van belangstelling, die hij ontving, en tuurde in verrukking op zijn drietal brieven, en sliep in, opgetogen over zijn vriendelijken ouden oom uit Londen, die mettertijd zeker wel aan zijne wenschen zou toegeven, – kortom, in een ongeloofelijken staat van tevredenheid met zich zelven en de gansche wereld.

NEGENDE HOOFDSTUK.

WAARIN DE MAJOOR DEN VELDTOCHT OPENT.

Degenen, die wezenlijk en oprecht belang stellen in de Londensche groote wereld en het voorrecht van eene entrée in de uitgelezenste kringen aldaar, zullen toegeven, dat majoor Pendennis zich door het offer, dat hij nu bracht, als een man van meer dan gewone edelmoedigheid en welwillendheid deed kennen. Hij verzaakte Londen in de maand Mei, – zijne nieuwsbladen en zijne ochtenden, – zijne middagen in de eene of de andere club, zijne vriendschappelijke bezoeken bij dames, zijne ritjes in het park, zijne diners, zijne plaats in de opera, zijne Zaterdags- en Zondagsuitstapjes naar Fulham of Richmond, zijne buigingen voor mylord den hertog of mylord den markies op de groote Londensche partijen en zijn naam in de Morning Post van den volgenden dag, – zijne stillere, fijnere, meer uitgezochte en heerlijke feestjes, – al deze vermaken liet hij varen, om zich op een afgelegen buitentje op te sluiten met eene eenvoudige weduwe en haar onnoozelen zoon, een zoetsappig hulpprediker en een klein meisje van tien jaar.

Hij bracht het offer, en het was des te verdienstelijker, omdat maar weinigen wisten hoe groot het was. Zijne brieven kwamen gefrankeerd uit de hoofdstad, en met een zucht toonde hij de uitnoodigingen aan Helena. Het was schoon en tragisch, hem de eene partij na de andere te zien afslaan, – althans voor degenen, die de sombere grootheid van zijne zelfverloochening konden waardeeren, – waartoe Helena niet in staat was. Hoogstens glimlachte zij over den geduchten nadruk, waarmee de majoor van het Adresboek der groote wereld sprak; doch de jonge Pen las met eerbied de groote namen, in den hoek geschreven op het adres van zijn ooms brieven, en luisterde met nooit verflauwende belangstelling en deelneming naar de verhalen van den majoor aangaande die wereld.

De oude Pendennis had duizend van die boeiende geschiedenissen in zijn welvoorzien geheugen en stortte ze, met eene welsprekendheid, die nooit faalde, in Pen’s gewillig oor uit. Hij kende den naam en den stamboom van iedereen, die op de Lijst der pairs voorkwam, en ieders familiebetrekkingen. „Beste jongen,” zeide hij wel eens, met een somberen ernst en naar waarheid, „gij kunt uwe geslachtkundige studiën niet te vroeg aanvangen; ik zou u wel iederen dag in het Register der Pairs van Debrett willen zien lezen, niet zoozeer het geschiedkundige gedeelte (want, onder ons, vele van die stamboomen zijn zeer fabelachtig, en er bestaan weinige familiën, die hare afstamming zoo duidelijk kunnen aantoonen als de onze), als wel de opgave der familieverbintenissen en der onderlinge betrekkingen. Ik heb iemands vooruitzichten in het leven vernietigd gezien, omdat hij op dit belangrijke, dit allerbelangrijkste punt onkundig was. Zie, nog pas eene maand geleden, op een diner bij Lord Hobanob, begon een jonkman, die eerst kortelings onder ons opgenomen was, mijnheer Suckling (ik geloof, dat hij een werk geschreven heeft), zeer luchtig en, mijns inziens, op de meest ongepaste wijze te spreken over de handelwijze van admiraal Bowser tegenover de ministers. Maar wie denkt gij wel, dat er naast en tegenover dien mijnheer Suckling zaten? Nu, naast hem zat Lady Grampound, de dochter van Bowser, en aan zijne overzijde Lord Grampound, de schoonzoon van Bowser. De verwaande jongen bleef altijd-door zijne aardigheden ten koste van den admiraal uitkramen, en verbeeldde zich, dat iedereen met hem meelachte; maar ik laat aan uw eigen oordeel over wat Lady Hobanob – wat zeg ik? Hobanob? – wat ieder welopgevoed man moest gevoelen, toen die ellendige indringer zich aldus ten toon stelde. Die zal nooit meer in South-Street te dineeren gevraagd worden; dat verzeker ik u.”

In dier voege onderhield de majoor zijn neef als hij op het terras voor het huis zijne twee uren beweging nam, die hem voor zijne gezondheid was voorgeschreven, of wanneer zij na het diner over hun wijn zaten. Het speet hem, dat Sir Francis Clavering na zijn huwelijk niet op het park was komen wonen en daar geen middelpunt van verkeer voor de aanzienlijke lieden uit de buurt gesticht had. Hij betreurde het, dat Lord Eyrie niet buiten was, anders zou hij Pen meegenomen en aan mylord voorgesteld hebben. „Hij heeft dochters,” zeide de majoor. „Wie weet? gij hadt misschien Lady Emily of Lady Barbara Trehawk kunnen trouwen; doch al die droomen zijn voorbij; arme jongen, ge hebt al gekozen en zult er wel bij moeten blijven.”

Al wat de jonge Pendennis van dezen aard hoorde, maakte diepen indruk op hem. Het is niet zoo boeiend in druk als wanneer het mondeling verhaald wordt; maar de anekdoten van den majoor over den grooten George, over de prinsen van den bloede, over de staatslieden en de schoone en voorname dames van dien tijd, vervulden den jongen Pen met verlangen en bewondering, zoodat de gesprekken met zijn voogd, die de arme mevrouw Pendennis vreeselijk verveelden en in de war brachten, hèm nooit te langdradig waren.

Men kan niet zeggen, dat de nieuwe leidsman, leermeester en vriend van mijnheer Pen de verhevenste onderwerpen met hem besprak of de onderwerpen, waarop hij zijne keus vestigde, op de stichtelijkste wijze behandelde. Doch zijn zedelijk begrip, van welken aard het dan ook ware, bleef zich altijd gelijk. Het zou misschien niet strekken om iemand voor hiernamaals voor te bereiden; maar het was uitnemend geschikt om zijne belangen hier op aarde te bevorderen. Men moet daarbij voor oogen houden, dat de majoor geen oogenblik twijfelde, dat zijne inzichten de eenige bruikbare waren en dat zijne leefwijze volkomen met deugd en fatsoen strookte. Hij was, met één woord, een man van eer, en hij hield de oogen, zooals hij dat uitdrukte, steeds goed open. Hij had medelijden met de groenheid van zijn neef en wilde hem ook de oogen openen.

Niemand ging, bij voorbeeld, wanneer hij zich ten platten lande bevond, geregelder ter kerk dan de oude heer. „In de stad komt het er zooveel niet op aan, Pen,” zeide hij, „want daar gaan de vrouwen, en de mannen mist men zoo niet. Maar wanneer een gentleman sur ses terres is, moet hij een goed voorbeeld aan de boeren geven; en als ik de wijs maar kon houden, zou ik zeker meezingen. Als de hertog van St. Davids, dien ik de eer heb te kennen, zich op het land bevindt, zingt hij altijd mee, en ik kan u verzekeren, dat het een verduiveld mooi effect maakt uit de familiebank. En hier zijt gij iemand van beteekenis. Wanneer de Clavering’s niet hier zijn, zijt gij de eerste persoon in de gemeente, die voor niemand uit den weg behoeft te gaan. Gij zoudt nog voor de stad in het parlement kunnen komen, als ge het goed wist aan te leggen. Uw arme goede vader zou er in gekomen zijn, als hij maar lang genoeg geleefd had, en dat kan met u ook gebeuren. Maar niet indien gij eene dame trouwt, waarmee de menschen hier, hoe lief zij ook is, niet in aanraking willen komen. – Nu, nu; het is een pijnlijk onderwerp! Laten wij over wat anders spreken, beste jongen,” Doch al veranderde majoor Pendennis van onderwerp, hij kwam er twintigmaal daags op terug, en de moraal van de les was altijd, dat Pen zich wegwierp. Nu zijn er niet veel vleierijen of listen noodig om een onnoozelen jongen te overtuigen, dat hij een heele held is.

Pen nam de raadgevingen van zijn oom ter harte en luisterde gretig, zooals wij zeiden, naar het praten van den bejaarden heer. De gesprekken van kapitein Costigan waren hem verre van aangenaam en de gedachte aan dien beschonken, ouden schoonvader vervulde hem met angst. Hij kon dien man, ongeschoren en naar punch riekende, niet in gezelschap met zijne moeder brengen. Zelfs over Emily begon hij te stotteren, wanneer zijn onbarmhartige voogd hem daaromtrent vragen deed. „Bezat zij talenten?” Hij was verplicht, „neen” te antwoorden. „Was zij geestig?” Ja, zij had een zeer goed dagelijksch verstand, maar dat zij geestig was, kon hij niet bepaald zeggen. „Kom, laat ons hare brieven eens zien.” Pen bekende, dat hij er niet meer bezat dan de drie, die wij reeds meegedeeld hebben, en dat dit slechts nietsbeteekenende uitnoodigingen of antwoorden waren.

„Zij is voorzichtig genoeg,” merkte de majoor droogjes aan. „Zij is ouder dan gij, arme jongen!” en daarop vroeg hij met de grootste rondborstigheid en nederigheid verschooning, beriep zich op Pen’s toegevendheid en verzocht hem niet boos te wezen op zijn liefhebbenden ouden oom, die alleen de eer zijner familie op het oog had – want Arthur stond altijd op het punt om in toorn te ontvlammen, zoodra jufvrouw Costigan’s oprechtheid betwijfeld werd, en zwoer, dat hij niet lichtvaardig over haar wilde hooren spreken, en dat hij haar nooit, nooit zou verzaken.

Hij verzekerde dit herhaaldelijk aan zijn oom en zijne vrienden thuis, en ook, wij moeten het bekennen, aan jufvrouw Fotheringay en hare beminnelijke familie te Chatteries, waar hij nog altijd een gedeelte van zijn tijd ging doorbrengen. Jufvrouw Emily was onthutst toen zij van de aankomst van Pen’s voogd hoorde, en oordeelde zeer juist, dat deze met vijandelijke bedoelingen ten haren opzichte kwam. „Nu zult gij mij zeker wel verlaten, nu uw voorname oom uit Londen is gekomen. Hij zal u meenemen, mijnheer Arthur, en gij zult uwe arme Emily vergeten!”

Haar vergeten! In hare tegenwoordigheid, in die van jufvrouw Rouncy, de Colombine van het tooneelgezelschap en Milly’s boezemvriendin, in tegenwoordigheid van den kapitein zelven zwoer Pen, dat hij nooit aan eenige andere vrouw dan zijne beminde jufvrouw Fotheringay zou denken; terwijl de kapitein, met een blik op zijne degens, die als eene tropee aan den muur der kamer hingen, waar hij met Pen placht te schermen, barsch zeide, dat hij niemand zou raden den spot te drijven met de genegenheid van zijne dochter, en dat hij niet kon gelooven, dat zijn dappere jonge Arthur, dien hij als zijn zoon beschouwde, dien hij zijn zoon noemde, zich ooit schuldig zou maken aan een gedrag, zoo strijdig met alle begrippen van eer en menschelijkheid.

Na dit gezegd te hebben, ging hij naar Pen en omhelsde hem. Hij schreide en veegde met eene zijner groote, onzindelijke handen zich de oogen af, terwijl hij met de andere Pen omarmde. Arthur huiverde onder die omhelzing en dacht aan zijn oom thuis. Zijn schoonvader zag er buitengemeen smerig en kaal uit, en de lucht van jenevergrog was nog sterker dan gewoonlijk. Hoe zou hij dien man en zijne moeder met elkander in gezelschap brengen? Hij sidderde bij de gedachte, dat hij aan Costigan had geschreven (ten geleide van een souverein ter leen, waaraan de waardige gentleman behoefte had), met de verklaring, dat hij zich eenmaal zijn toegenegen zoon Arthur Pendennis hoopte te onderteekenen. Hij was dien dag blij, dat hij van Chatteries, van jufvrouw Rouncy de vertrouwde, van zijn ouden beschonken schoonvader, ja van de goddelijke Emily zelve, weg kon komen. „O Emily. Emily!” riep hij bij zich zelven uit, toen hij op Rebekka’s rug naar huis rende, „weinig vermoedt gij de offers, die ik voor u breng! – voor u, die altijd zoo koel, zoo teruggetrokken, zoo wantrouwend zijt!” en daarbij dacht hij aan een zeker karakter in de werken van Pope, waarmee hij haar dikwijls onwillekeurig vergeleken had.

Pen reed nooit naar Chatteries om daar een bezoek te gaan afleggen, of de majoor ontdekte op welken tocht de jonkman was uitgeweest. Majoor Pendennis legde, getrouw aan zijn plan, zijn neef geene belemmering of hinderpaal in den weg; maar ten gevolge van Pen’s blijvend bewustzijn, dat de oude heer het oog op hem hield, en van zijne ergernis en schaamte bij de onvermijdelijke bekentenis, die hem des avonds op de eenvoudigste en natuurlijkste wijze werd afgeperst, ging hij minder dikwijls dan vóór de komst van zijn oom zijn hart aan de voeten van haar, die hem betooverd had, uitstorten. Het was nutteloos hem te willen misleiden; Arthur behoefde niet voor te wenden, dat bij bij Smirke ging dineeren, of bij Foker Grieksche treurspelen lezen; wanneer Pen van een zijner vluchtige uitstapjes terugkeerde, gevoelde hij, dat iedereen wist van waar hij kwam, zoodat hij als een misdadiger voor zijne moeder en zijn voogd verscheen, die zaten te lezen of een partijtje piket te spelen.

Toen hij eens eene halve mijl buiten het hek van de buitenplaats naar de herberg van Fairoaks gewandeld was, om met de diligence Competitor, die daar van paarden verwisselde, naar Chatteries te rijden, zag hij, dat een man boven op het rijtuig den hoed voor hem afnam: het was Morgan, de knecht van zijn oom, die eene boodschap voor zijn meester ging doen en er, gelijk hij zeide, aan de buitenplaats op geklommen was. En mijnheer Morgan kwam met de Rival weer terug, zoodat Pen in beide richtingen het gezelschap van dien knecht genoot. Thuis werd er geen woord over gesproken. De knaap scheen alle betamelijke vrijheid te hebben, en echter gevoelde hij, dat hij in stilte bespied en bewaakt werd en dat er zelfs, als hij zich bij zijne Dulcinea bevond, oogen op hem rustten.

Pen’s vermoedens waren dan ook niet ongegrond en zijn oom had moeite gedaan om alle mogelijke inlichtingen omtrent den knaap en zijne belangwekkende jonge vriendin te bekomen. De vernuftige mijnheer Morgan, een vertrouwd Londensch bediende, die zeer goed wist waar hij spreken of zwijgen moest en op wien men zich volkomen kon verlaten, had zich meer dan eens naar Chatteries begeven en daar alle mogelijke nasporingen omtrent de vroegere geschiedenis en de tegenwoordige levenswijze van den kapitein en zijne dochter gedaan. Ongemerkt hoorde hij de hotelbedienden, den stalknecht en al de menschen in het buffet van den George uit, en vernam van hen alles wat zij aangaande den waardigen kapitein wisten. Men scheen daar geen grooten dunk van hem te hebben. De knechts kregen nooit eene fooi van hem, en hadden last den armen heer geen drank te schenken, wanneer anderen de betaling niet op zich namen. Hij slenterde daar lusteloos door de koffiekamer, kauwde op een tandenstoker, zag de courant eens door en bleef, als een vriend hem ten eten noodigde. Morgan hoorde in den George, dat Pen met mijnheer Foker bekend was, en wipte naar Baymouth over, om kennis met den knecht van dien heer aan te knoopen; doch de jonge student was eene zeilpartij aan de kust gaan bijwonen en zijn bediende was natuurlijk met de toiletdoos meegereisd.

Van de oppassers der officieren in de kazerne vernam mijnheer Morgan, dat de kapitein zich daar zoo dikwijls en zoo schandelijk bedronken had, dat kolonel Swallowtail hem den toegang tot de officierstafel had ontzegd. Vervolgens knoopte de onvermoeide Morgan kennis met eenige der mindere acteurs van den schouwburg aan en hoorde hen bij sigaren en punch uit, waarbij allen eenstemmig verklaarden, dat Costigan arm en kaal was, in schulden stak en zich aan den drank overgaf. Maar op den naam van jufvrouw Fotheringay kleefde geen smet; men had gehoord, dat haar vader meer dan eens zijn moed had betoond jegens personen, die zijne dochter al te vrij wilden behandelen. Zij ging nooit anders dan onder geleide van haar vader naar het tooneel; die gentleman hield in zijne beschonkenste oogenblikken de wacht over haar. En eindelijk voegde mijnheer Morgan er uit eigen waarneming bij, dat hij haar had zien spelen en er buitengewoon over voldaan was, terwijl hij haar bovendien voor een pronkjuweel van eene vrouw verklaarde.

Jufvrouw Creed, de stoelenzetster, bevestigde deze bijzonderheden aan doctor Portman, die haar persoonlijk onder handen nam en haar op zekeren dag, na den namiddagdienst, met al de straffen der Kerk bedreigde. Jufvrouw Creed kon niets ten nadeele harer inwoonster zeggen. Zij ontving niemand dan een paar dames van het tooneel. De kapitein bedronk zich wel eens en betaalde zijne huur niet altijd geregeld, maar deed dit zoodra hij geld had, of liever, jufvrouw Fotheringay deed het. Sedert de jonge heer uit Clavering les in het schermen nam, waren er nog een paar uit de kazerne bijgekomen, namelijk Sir Derby Oaks en zijn jonge vriend mijnheer Foker, die altijd met zijn rijtuig uit Baymouth kwam. Maar jufvrouw F. was zelden bij die lessen tegenwoordig en kwam meestal naar beneden in de kamer van jufvrouw Creed.

De doctor en de majoor hielden raad, zooals zij dikwijls deden, en waren slechts weinig gesticht over die inlichtingen. Majoor Pendennis gaf openlijk zijne teleurstelling te kennen, en ik geloof, dat het den eerwaarden heer ook speet, dat hij geene zwakke zijde in de reputatie van de arme jufvrouw Fotheringay kon vinden.

Zelfs omtrent Pen luidden jufvrouw Creed’s berichten zoo gunstig, dat het was om er wanhopig onder te worden. „Als hij komt,” zeide jufvrouw Creed, „zorgt zij altijd, dat ik of een van de kinderen bij haar ben. „Jufvrouw Creed, jufvrouw,” zegt ze dan, „doe mij het pleizier de kamer nooit te verlaten, als die jonge heer hier is.” Dikwijls heb ik dien armen jongen zien kijken, alsof hij wenschte, dat ik weg was. Hij kwam dan ook wel onder kerktijd, als ik natuurlijk uit was; maar dan liet zij altijd een van mijne jongens bij haar komen, als haar pa niet thuis was, of den ouden heer Bows, om haar les te geven, of een der jonge dames van het tooneel.”

En dit was allemaal waar: welke aanmoediging Pen ook mocht gekregen hebben, voordat hij zijne liefde verklaard had, jufvrouw Emily gedroeg zich verwonderlijk voorzichtig, nadat dit gebeurd was; en de arme jongen matte zich vergeefs af tegen hare hopelooze ingetogenheid, die te gelijk zijn vuur gaande hield en zijne ergernis opwekte.

Met een zucht overzag de majoor den staat van zaken. „Als het maar eene tijdelijke betrekking ware,” zeide die uitmuntende man, „zou men het nog kunnen dragen. Een jongmensch moet eens aan den haal gaan; dat weet men. Maar eene eerlijke genegenheid is een ongeluk. Dat komt van die verd... romaneske denkbeelden, die de jongens inzuigen, als zij door vrouwen worden groot gebracht.”

„Vergun mij op te merken, majoor, dat gij een beetje te veel als man van de wereld spreekt,” gaf de doctor ten antwoord. „Er kan voor Pen niets wenschelijker zijn dan eene eerlijke genegenheid voor eene jonge dame van zijn eigen rang en fortuin. Zijne tegenwoordige verbinding betreur ik natuurlijk oprecht als gij. Ware ik zijn voogd, ik zou hem bevelen er van af te zien.”

„Dat zou, verzeker ik u, juist het middel zijn, om hem morgen met haar te doen trouwen. Wij hebben tijd met hem gewonnen, dat is de hoofdzaak, en wij moeten zooveel mogelijk daarvan partij trekken.”

„Hoor eens, majoor,” zeide de doctor bij het slot van het gesprek, waarin het bovengenoemde onderwerp behandeld was: „ik maak natuurlijk geen druk gebruik van den schouwburg, – maar wat zoudt gij er van zeggen, indien wij haar eens gingen zien?”

De majoor lachte; hij vertoefde reeds sinds veertien dagen op Fairoaks en had daaraan, zonderling genoeg, nog niet gedacht. „Wel waarom niet?” hernam hij. „In ieder geval is zij mijne nicht niet, maar jufvrouw Fotheringay de actrice, en wij hebben hetzelfde recht als het overige publiek om haar te gaan zien als wij ons geld neerpassen.” En zoo reden dan de beide oude heeren, op zekeren dag, toen Pen thuis zou eten en den avond bij zijne moeder doorbrengen, met het rijtuig van den doctor naar Chatteries, en dineerden daar als vroolijke jonggezellen in den George, alvorens naar den schouwburg te gaan.

Er waren slechts twee andere gasten in de zaal, – een officier van het regiment, dat te Chatteries in garnizoen lag, en een jong heer, dien de doctor meende reeds elders gezien te hebben. Deze beiden bleven echter aan tafel terwijl de andere naar den schouwburg gingen. Het was weer Hamlet. Shakespeare was het elfde gebod voor den dikken, ouden doctor Portman, waarvan hij gaarne ten minste éénmaal ’s jaars openlijk getuigenis aflegde.

Wij hebben reeds vroeger de voorstelling beschreven en daarbij vermeld, dat degenen, die jufvrouw Fotheringay als Ophelia zagen optreden, haar den eenen avond letterlijk hetzelfde zagen doen als den anderen. De beide oude heeren keken met buitengewone belangstelling toe, overleggende hoezeer de jonge Pen met haar ingenomen was.

„Te drommel!” zeide de majoor binnensmonds, toen zij als naar gewoonte teruggeroepen werd en voor het dun gezaaide publiek nijgde, „de jonge schavuit heeft geene slechte keus gedaan!”

De doctor juichte haar luid en oprecht toe. „Op mijn woord,” sprak hij, „zij is eene zeer bekwame actrice, en ik moet zeggen, majoor, dat zij met groote lichamelijke bekoorlijkheden begaafd is.”

„Dat denkt die jonge officier daar in de hoekloge ook,” antwoordde majoor Pendennis en vestigde doctor Portman’s aandacht op den jongen dragonder uit de koffiekamer van den George, die in de genoemde loge zat en met de meeste geestdrift applaudiseerde. Zij zag ook, naar de majoor meende, bijzonder liefelijk naar hem op; doch dat is de gewoonte van die dames, dacht de majoor en sloot zijn sierlijken tooneelkijker, dien hij op zak stak, alsof hij dien avond niets meer wilde zien. De doctor stelde natuurlijk ook niet voor, dat zij om het nastuk zouden blijven; en dus stonden zij op en verlieten de zaal: de doctor ging naar mevrouw Portman, die ten huize van den deken op bezoek was, en de majoor wandelde in diep gepeins naar den George, waar hij een bed besproken had.

TIENDE HOOFDSTUK.

WAARIN DE MAJOOR TEGEN DEN VIJAND OPRUKT.

Langzaam voortdrentelende, bereikte de majoor weldra den George en vond daar aan de deur zijn trouwen dienaar, mijnheer Morgan, die zijn meester tegenhield, toen deze juist eene kaars wilde nemen, om zich naar bed te begeven, en hem, op zijne gewone eerbiedige, maar veelbeteekenende manier toevoegde: „Ik geloof, mijnheer, dat gij in de koffiekamer een jongen heer zult vinden, dien gij misschien wel zoudt willen spreken.”

„Hoe? is mijnheer Arthur daar?” vroeg de majoor driftig.

„Neen, mijnheer, – maar zijn boezemvriend, mijnheer Foker, mijnheer; de zoon van Lady Agnes Foker, mijnheer. Hij heeft na tafel in de koffiekamer zitten slapen en heeft nu juist om koffie gescheld, mijnheer. En ik dacht, mijnheer, dat gij hem misschien zoudt willen spreken!” en met die woorden deed Morgan de deur der zaal open.

De majoor trad binnen en zag daar inderdaad mijnheer Foker, die de eenige gast was. Hij wreef zijne oogen uit en zat aan eene tafel, versierd met ledige flesschen en overblijfselen van het dessert. Ook hij was voornemens geweest naar den schouwburg te gaan, maar na het rijkelijke diner had de slaap hem overrompeld, zoodat hij zijne beenen op een stoel uitgestrekt en een dutje gedaan had, in plaats van zijne dramatische uitspanning te gaan genieten. De majoor overlegde, hoe hij het woord tot den jonkman zou richten, maar deze bespaarde hem die moeite.

„Het avondblad inzien, mijnheer?” vroeg mijnheer Foker, die altijd spraakzaam en voorkomend was, en nam de Globe op, die hij den binnentredende aanbood.

„Ik ben u zeer verplicht,” zeide de majoor met eene buiging en een lachje van erkentelijkheid. „Als ik mij niet vergis in de familietrekken, heb ik het genoegen, met mijnheer Henry Foker, den zoon van Lady Agnes Foker, te spreken. Ik acht mij gelukkig, die dame onder mijne bekenden te mogen tellen – en gij hebt, mijnheer, het gezicht van een Rosherville.”

„Hola! vraag wel verschooning.” zeide mijnheer Foker. „Ik zag u aan” – „voor een handelsbediende,” wilde hij zeggen, doch hield zich in en hernam: „Wien heb ik de eer te spreken?”

„Den oom van een vriend en schoolkameraad van u – Arthur Pendennis, mijn neef, die mij dikwijls met de grootste achting over u gesproken heeft. Ik ben majoor Pendennis, van wien gij hem misschien ook wel hebt hooren spreken. Mag ik mijn glaasje sodawater aan uwe tafel komen drinken? Ik heb het genoegen gehad aan uw grootvaders tafel aan te zitten.”

„Mijnheer, gij doet mij veel eer,” antwoordde mijnheer Foker met de meeste wellevendheid. „En dus zijt gij de oom van Arthur Pendennis? Zoo!”

„En zijn voogd,” liet de majoor er op volgen.

„Beter kerel dan hij loopt er niet, mijnheer,” zeide Foker.

„Het doet mij genoegen, dat gij zoo gunstig over hem denkt.”

„En knap is hij ook. Ik ben altijd een ezel geweest, dat is waar! Maar ziet ge, mijnheer, ik kan zeer goed onderscheiden of iemand knap is, en van zulke menschen houd ik.”

„Gij toont uw goeden smaak en uwe zedigheid beiden,” hernam de majoor. „Ik heb Arthur meermalen over u hooren spreken, en hij zeide altijd, dat gij een zeer goeden aanleg hadt.”

„Bij de boeken ben ik niet veel waard,” zeide mijnheer Foker en schudde het hoofd; „daarin heb ik nooit zin gehad – Pendennis wel – hij maakte de helft van de verzen voor de jongens – en echter,” viel de jonge heer hier eensklaps uit, – „gij zijt zijn voogd, maar gij zult het mij niet euvel duiden, als ik zeg, dat ik hem houd voor hetgeen wij heel groen noemen,” zeide de rondborstige jonkman.

De majoor bevond zich plotseling midden in een hoogst belangwekkend en vertrouwelijk gesprek, „En waarom is Arthur heel groen?” vroeg hij met een glimlach.

„Weet je,” antwoordde Foker met een knipoogje; hij zou even onbeschroomd den hertog van Wellington een knipoogje toegeworpen hebben, want hij verkeerde in dien staat van halve bewustheid, oprechtheid en onbevreesdheid, waarin men soms komt na een paar flesschen wijn gedronken te hebben – „Weet je, Arthur is heel groen, – ten aanzien van de vrouwen, meen ik.”

„Hij is niet de eerste van ons, dien het zoo gaat, waarde mijnheer Harry,” merkte de majoor aan. „Ik heb er reeds iets van gehoord, maar doe mij het genoegen er mij wat meer van te vertellen.”

„Wel, zie je, mijnheer, – het is gedeeltelijk mijne schuld. Hij ging op zekeren avond naar den schouwburg – want, weet je, ik ben in deze streek gekomen om mij gedurende de groote vacantie nog wat op mijne promotie voor te bereiden, maar ik kom tamelijk druk met mijn rijtuig van Baymouth over. Nu dan, mijnheer, wij gingen het stuk zien, en dadelijk was Pen smoorlijk op jufvrouw Fotheringay – eigenlijk heet zij Costigan, en het is inderdaad eene prachtige meid. Den volgenden morgen stelde ik hem aan den Generaal voor, zooals wij haar vader noemen – een echte ouwe schavuit, die grog met emmers drinken kan; en daar is hij nu huisvriend geworden. Hij is op haar verliefd geraakt, en ik zou mijn hoofd durven verwedden, dat hij haar gevraagd heeft,” zeide Foker en sloeg met de hand zoo hard op tafel, dat het dessertservies er van rammelde.

„Hoe? weet gij dat ook al?” vroeg de majoor.

„Of ik dat weet? Nog vrij wat meer bovendien. Wij spraken er gisteren aan de officierstafel over en namen een loopje met Derby Oaks, totdat hij zoo razend werd als een stier. Kent gij Sir Derby Oaks? Wij hebben heden middag samen gedineerd en daarop ging hij naar den schouwburg; ik herinner mij, dat wij aan de deur stonden te rooken, toen gij binnenkwaamt om te dineeren”

„Ik heb zijn vader, Sir Thomas Oaks, gekend eer hij nog ridder en baronet was. Hij woonde in de Cavendish Square en was lijfarts van koningin Charlotte.”

„Ik kan u verzekeren, dat de jonge het geld weder onder de menschen brengt,” zeide mijnheer Foker.

„En is Sir Derby Oaks ook een soupirant?” vroeg de majoor in groote opgetogenheid en spanning.

„Een wat?” vroeg mijnheer Foker van zijn kant.

„Ook een bewonderaar van jufvrouw Fotheringay?” verduidelijkte de majoor.

„Dat zou ik denken! Wij noemen hem Maandag. Woensdag en Vrijdag, en Pen Dinsdag, Donderdag en Zaterdag. Maar alles in eer en deugd. Neen, neen! jufvrouw F. houdt veel te goed de oogen open, majoor! Zij houdt den eenen door den anderen in bedwang. Twee snaren op hare viool, zooals men wel eens zegt.”

„Mij dunkt, dat gij de oogen ook vrij goed open hebt, mijnheer Foker,” merkte Pendennis lachend aan.

„Ja, vrij wel, dank u, mijnheer – hoe vaart gij?” antwoordde Foker met de meeste koelbloedigheid. „Ik ben misschien niet knap, maar ik geloof, dat ik tamelijk slim ben, en welwillende vrienden zeggen, dat ik nog al goed weet waar Abraham de mosterd haalt. Kan ik u ook in eenig opzicht van dienst zijn?”

„Op mijn woord,” hernam de majoor, ten hoogste verheugd, „ik geloof, dat gij mij een zeer grooten dienst zoudt kunnen bewijzen. Gij zijt een jong heer, die de wereld gezien heeft, en daarmee ga ik gaarne om. Als zoodanig behoef ik u niet te verzekeren, dat onze familie volstrekt niet ingenomen is met die dwaze zaak, waarin Arthur zich gewikkeld heeft.”

„Neen, dat kan ik wel denken,” zeide mijnheer Foker. „Geen aanbevelenswaardige familie. Te veel bier in huis gedronken. Liefst niet gediend van Ieren. Dat is waarschijnlijk uwe bedoeling?”

De majoor verklaarde, dat dit juist was wat hij meende, ofschoon hij Foker niet in alle deelen begreep; en daarop hoorde hij zijn nieuwen bekende uit over de lieve familie, waarin zijn neef wenschte te komen, en vernam weldra van dien rondborstigen getuige een aantal bijzonderheden, betreffende de familie Costigan.

Wij moeten mijnheer Foker het recht laten weervaren, dat hij zich zeer gunstig over het zedelijk gedrag van mijnheer en jufvrouw Costigan uitliet. „Weet je,” zeide hij, „de Generaal is verzot op een gezellig glaasje, en als ik heel zeker van mijn geld wilde zijn, zou ik het niet in zijn zak bergen; maar hij heeft altijd over zijne dochter gewaakt en hij noch zij zullen iets gedoogen, dat niet fatsoenlijk is. Pen’s beleefdheden jegens haar zijn het onderwerp der gesprekken van het heele tooneelgezelschap, en ik hoor er alles van door eene jonge dame, die vroeger zeer intiem met haar was en bij wier familie ik wel eens een vriendschappelijk kopje thee ga drinken. Jufvrouw Rouncy zegt, dat Sir Derby Oaks, sinds het eerste oogenblik dat zijn regiment hier gekomen is, op jufvrouw Fotheringay een oogje gehad heeft; doch Pen is gekomen en heeft hem ten slotte verdrongen, hetgeen den baronet zoodanig geërgerd heeft, dat hij op het punt heeft gestaan haar ook te vragen. Ik wou, dat hij het deed; dan zoudt gij eens zien naar wien van beiden jufvrouw Fotheringay zou toevliegen.”

„Dat dacht ik ook wel,” zeide de majoor. „Gij hebt mij veel genoegen gedaan, mijnheer Foker. Ik wenschte, dat ik u reeds vroeger gesproken had.”

„Ik wilde er den neus niet in steken,” antwoordde de ander. „Ik spreek niet voordat men mij vraagt, en dan, wanneer er niets is wat het verbiedt, zeg ik tamelijk onbewimpeld mijn gevoelen. Ik vernam, dat uw knecht den mijnen uitgehoord had, – ik wist zelf niet wat er gaande was, totdat jufvrouw Fotheringay en jufvrouw Rouncy die ruzie over de struisveeren kregen, en toen vertelde jufvrouw R. mij alles, van A tot Z.”

„Jufvrouw Rouncy, komt mij voor, is de vertrouwelinge van de andere!”

„Vertrouwelinge? Het mocht wat! Zij is een vrij wat knapper meisje dan jufvrouw Fotheringay; zij heeft verstand van letterkunde, en zoo meer, terwijl jufvrouw Foth nauwelijks lezen kan.”

„En schrijven,” zeide de majoor, die aan Pen’s borstzak dacht.

Foker barstte het uit met een spottend: „Hi! hi!” „Rouncy schrijft hare brieven,” zeide hij; „al hare brieven, zonder uitzondering; en nadat zij die ruzie gehad hebben, weet zij niet hoe zij zich redden moet. Jufvrouw Rouncy schrijft eene heel mooie hand, terwijl de andere ellendig schrijft en spelt, als Bows er niet bij is. Rouncy heeft in den laatsten tijd hare brieven geschreven – zij heeft eene mooie hand, dat heeft Rouncy.”

„Ik geloof, dat gij dit best weet,” zeide de majoor schalksch, waarop Foker van zijn kant tegen hem knipoogde.

„Ik zou heel wat willen geven om een staaltje van haar schrift te hebben,” ging majoor Pendennis voort. „Zoudt gij mij er niet aan kunnen helpen?”

„Neen, neen, dat zou gemeen zijn,” gaf Foker ten antwoord. „Misschien had ik zooveel niet moeten zeggen als ik gedaan heb. Het schrift van jufvrouw F, houd ik niet voor zoo heel slecht; maar zij had jufvrouw R. den eersten brief laten schrijven, en daarom is zij er mee voortgegaan. Let echter eens op, dat er geen brieven meer komen zullen, tot zij weer goede vrienden zijn.”

„Ik hoop, dat zij het nooit weer zullen bijleggen,” zeide de majoor uit den grond van zijn hart; „en ik kan u niet zeggen hoezeer ik mij verheug over het geluk, dat ik kennis met u heb mogen maken. Als man van de wereld, mijnheer, zult gij begrijpen hoe noodlottig deze stap, dien mijn neef wil doen, voor zijne vooruitzichten moet wezen, en hoezeer wij ons dus beijveren moeten om hem van dit dwaze engagement te bevrijden.”

„Het schijnt hem volle ernst te zijn,” merkte mijnheer Foker op; „ik heb zijne verzen gezien; Rouncy heeft ze gekopieerd. Toen ik ze zag, zeide ik bij mij zelve: „Zij zullen mij niet betrappen, dat ik verzen op eene vrouw maak” – anders niets.”

„Hij heeft zich als een dwaas aangesteld, gelijk menige goede jongen vóór hem. Maar hoe kunnen wij hem zijne dwaasheid doen inzien en hem er van genezen? Gij zult ons zeker wel alle hulp willen verleenen om een jongmensch, voor wien men hart moet hebben, te redden uit de handen van zulk een paar intriganten als die vader en dochter schijnen te zijn. Liefde is aan den kant der dame zeker niet in het spel.”

„Liefde!” riep Foker uit. „Als Pen, zoodra hij meerderjarig wordt, geen twee duizend pond ’s jaars had –”

„Als Pen wat niet had?” schreeuwde de majoor, buiten zich zelven van verbazing.

„Twee duizend pond ’s jaars. Heeft hij dan geen twee duizend pond ’s jaars? De Generaal zeide het toch.”

„Beste vriend,” riep de majoor met een vuur, dat hij zelden aan den dag legde: „ik dank u! ik dank u! Er gaat mij een licht op! Twee duizend pond ’s jaars! Zijne moeder bezit geen cent meer dan vijf honderd pond ’s jaars. Zij kan licht tachtig jaar oud worden, en Arthur bezit geen stuiver buiten hetgeen zij hem geven kan.”

„Hoe? Is hij dan niet rijk?” vroeg Foker.

„Op mijn woord van eer, hij bezit niets meer dan wat ik zeg.”

„En zult gij hem niets nalaten?”

De majoor had elken shilling, dien hij kon bijeenschrapen, besteed om eene lijfrente te koopen, zoodat hij Pen natuurlijk niets zou nalaten; maar dit vertelde hij aan Foker niet. „Denkt gij, dat een gepensioneerd majoor iets kan overleggen?” vroeg hij. „Indien die menschen hem als eene goede partij hebben beschouwd, vergissen zij zich geweldig – en – en gij hebt mij tot den gelukkigsten mensch ter wereld gemaakt.”

„Zeer tot uw dienst, mijnheer,” zeide Foker beleefd, en toen zij scheidden, schudden zij elkander met de grootste hartelijkheid de hand, terwijl de jonge heer aan den ouden beloofde Chatteries niet te zullen verlaten eer zij elkander des morgens weer gesproken hadden. Toen de majoor naar zijne kamer ging en mijnheer Foker nog eene sigaar in de deur van den George stond te rooken, lag Pen waarschijnlijk, op tien mijlen afstands, in bed den brief van zijne Emily te kussen.

Eer mijnheer Foker den volgenden morgen met zijn rijtuig wegreed, had de slimme majoor werkelijk een brief van jufvrouw Rouncy in zijn eigen zakboekje. Laat dit eene les voor vrouwen zijn, hoe zij schrijven. In groote opgetogenheid begaf majoor Pendennis zich naar doctor Portman, ten huize van den deken, en verhaalde hem welke verblijdende ontdekkingen hij den vorigen avond gedaan had. Terwijl zij aldus in de met eikenhout beschoten ontbijtkamer van den deken in vertrouwelijk gesprek zaten, konden zij over het grasperk heen kapitein Costigan’s venster zien, waar de arme Pen drie weken te voren maar al te zichtbaar was geweest. De doctor was woedend over de onoprechtheid der hospita, jufvrouw Creed, die de aanhoudende bezoeken van Sir Derby Oaks bij hare inwoners verborgen had, en dreigde haar uit de groote kerk te bannen. Maar de scherpzinnige majoor meende, dat alles juist naar wensch geloopen was; en, na zich dien nacht rijpelijk beraden te hebben, achtte hij zich sterk genoeg om naar kapitein Costigan te gaan en hem onder de oogen te zien.

„Ik ga den draak bevechten,” zeide hij lachend tegen doctor Portman.

„Ik geef u absolutie, mijnheer, en hoop, dat het geluk uwe onderneming zal bekronen,” antwoorde de doctor.

Het kan wel zijn, dat hij en mevrouw Portman en jufvrouw Myra, terwijl zij bij hunne vriendin, de vrouw van den deken, in de gezelschapskamer zaten, meer dan eens naar het venster van den vijand heenzagen, om te ontdekken of zij ook eenig teeken van den strijd konden waarnemen.

De majoor ging, volgens de inlichtingen, die hij bekomen had, om de kerk heen, en stond spoedig voor het deurtje van jufvrouw Creed. Hij ging binnen en kon, toen hij de trap naar het vertrek van kapitein Costigan opklom, duidelijk het stampen van voeten en het schreeuwen van: „Ha! ha!” daar binnen hooren.

„Dat is Sir Derby Oaks, die schermles neemt,” zeide het kind, dat den majoor tot gids diende. „Hij neemt les op Maandag, Woensdag en Vrijdag.”

De majoor klopte aan en eindelijk kwam een lang heer, met een degen en een masker in de eene en een schermhandschoen in de andere hand, te voorschijn.

Pendennis maakte eene eerbiedige buiging tegen hem en zeide: „Ik geloof, dat ik de eer heb kapitein Costigan te spreken – ik ben majoor Pendennis.”

De kapitein salueerde met zijn wapen en antwoordde: „Majoor, de eer is aan mij; het doet mij genoegen u te zien.”

ELFDE HOOFDSTUK.

DE ONDERHANDELING.

De majoor en de kapitein waren oude krijgers en gewoon den vijand onder de oogen te zien, zoodat wij mogen aannemen, dat beiden hunne tegenwoordigheid van geest volkomen behielden; doch het overige gezelschap in de zitkamer van Cos was wel een beetje ontsteld over de verschijning van Pendennis. Het koele hart van jufvrouw Fotheringay begon voorzeker sneller te kloppen, want er kwam een sterke en gezonde blos op hare wang, terwijl luitenant Sir Derby Oaks haar met een zuur gezicht aankeek. Het kromme, oude mannetje in de vensterbank, die het schermen der beide heeren aangezien had (wier stampen en springen zoo geweldig was geweest, dat hij alle pogingen had moeten staken om de tooneelmuziek te blijven kopieeren, waaraan hij bezig was geweest), zag nieuwsgierig naar den nieuw aangekomene op, toen de majoor met de mooi gepoetste laarzen de kamer binnentrad en rechts en links de bevalligste buigingen tegen de aanwezigen maakte.

„Mijne dochter – mijn vriend mijnheer Bows – mijn dappere jonge leerling en vriend, mag ik wel zeggen, Sir Derby Oaks,” zeide Costigan met vorstelijke beleefdheid, terwijl hij de aandacht van den majoor op elk van die personen vestigde. „Binnen een oogenblik, majoor, ben ik geheel tot uw dienst;” en met die woorden een belendend vertrekje, waar zijne slaapplaats was, binnen te vliegen, om met zijn haarborstel (een antiek en verwonderlijk voorwerp) zijn sluik haar op te strijken, zijne oude stropdas af te rukken en eene nieuwe om te doen, die Emily voor hem gemaakt had, een schoon boordje op te zetten en den nieuwen rok aan te trekken, dien hij bij gelegenheid van jufvrouw Fotheringay’s benefice had besteld, was voor den nog altijd vluggen Costigan het werk van een oogenblik.

Sir Derby volgde hem en kwam ook spoedig uit dat kamertje te voorschijn, waar hij zich in zijn uniformrokje gedost had, dat om zijne zware ledematen zeer eng sloot, en hetgeen hij en jufvrouw Fotheringay, en misschien ook de arme Pen, ten hoogste bewonderden.

Intusschen was er een gesprek tusschen de actrice en den bezoeker begonnen en waren de gebruikelijke opmerkingen over het weer gewisseld, toen Costigan in zijn nieuw pak binnentrad.

„Ik behoef mij tegen u niet te verontschuldigen, majoor,” zeide hij op zijne deftigste maar beleefdste manier, „dat ik u in mijne hemdsmouwen ontving.”

„Een oud soldaat kan zich niet nuttiger bezig houden dan met een jong krijgsman het gebruik van zijn zwaard te leeren,” antwoordde de majoor met wellevendheid, „Ik herinner mij wel in den ouden tijd gehoord te hebben, kapitein Costigan, dat gij het uwe zeer goed kondt hanteeren.”

„Hoe! hebt gij ooit van Jack Costigan gehoord, majoor?” vroeg de ander opgetogen.

Dat had de majoor inderdaad gedaan. Hij had zijn neef aangaande alles wat betrof zijn nieuwen vriend, den Ierschen officier, uitgehoord. Of hij niets anders van den kapitein wist dan hetgeen hij op die wijze had vernomen, dan wel of hij zich in waarheid zijner herinnerde, kunnen wij niet zeggen. Maar majoor Pendennis was een man van eer en onkreukbare waarheidsliefde en beweerde zich zeer goed te herinneren, dat hij mijnheer Costigan ontmoet had aan de tafel van Sir Richard Strachan, op Walcheren, waar hij hem had hooren zingen.

Bij den kalmen en hartelijken toon, waarop dit verkondigd werd, zag Bows geheel verbijsterd op. „Maar wij zullen daar later nog wel eens over spreken,” zeide de majoor, die zich misschien niet vast wilde praten; „aan jufvrouw Fotheringay is het, dat ik heden mijne opwachting kom maken, en daarbij vereerde hij haar met eene zoo hoffelijke en bevallige buiging, dat hij zich jegens eene hertogin niet eerbiediger had kunnen gedragen.

„Ik hoorde van uw spel door mijn neef, mejufvrouw,” zeide de majoor; „die dweept met u, zooals ik geloof, dat gij best weet. Doch Arthur is maar een knaap, een opgewonden jonge kerel, wiens gezegden men niet letterlijk moet opnemen, en dus beken ik, dat ik gaarne zelf wilde oordeelen. Vergun mij u thans te zeggen, dat uw spel mij verrukte en verbaasde. Ik heb onze beste actrices gezien en geloof, op mijn woord, dat gij die alle overtreft. Ge zijt zoo vorstelijk als mevrouw Siddons.”

„Waarachtig, dat heb ik ook altijd gezegd,” riep Costigan uit, met een knipoogje tegen zijne dochter. „Ga zitten, majoor.” Milly stond bij dien wenk op, nam een losgetornd satijnen kleedje van den eenigen ledigen stoel en bracht dien met eene van hare bevalligste nijgingen aan majoor Pendennis.

„Gij zijt zoo roerend als jufvrouw O’Neill,” ging hij voort na eene buiging en nam plaats. „Uw gezang herinnerde mij aan mevrouw Jordan in haar besten tijd, toen wij nog jonge heeren waren, kapitein Costigan, en uwe manieren brachten mij Mars voor den geest. Hebt gij Mars ooit gezien, jufvrouw Fotheringay?”

„Er waren twee Maher’s in den schouwburg van Crow Street,” antwoordde jufvrouw Emily; „met Fanny ging het nog al, maar Biddy was niet veel bijzonders.”

„De majoor meent zeker den god des oorlogs, beste Milly,” kwam de vader tusschen beiden.

„Dien Mars meende ik eigenlijk niet, ofschoon het Venus zeker niet euvel te duiden is, dat zij aan hem denkt,” antwoordde de majoor met een lachje rechtstreeks aan het adres van Sir Derby Oaks, die nu in zijne uniform weer binnenkwam; doch de dame begreep de woorden niet, die de majoor bezigde, en het compliment bracht Sir Derby niet in goed humeur, die het waarschijnlijk evenmin vatte en het in ieder geval zeer stuursch en stijf opnam, terwijl hij ongerust naar jufvrouw Fotheringay gluurde, met een gezicht alsof hij vragen wilde: „wat drommel doet die vent hier?”

Majoor Pendennis liet zich door de kwade luim van dien heer volstrekt niet van zijn stuk brengen. Hij vermaakte er zich integendeel mede. „Zoo,” dacht hij, „er is een mededinger in het veld,” en heimelijk uitte hij den wensch, dat Sir Derby niet alleen de mededinger, maar de overwinnaar mocht zijn in den kampstrijd tusschen hem en Pen.

„Ik vrees, dat ik uwe schermles gestoord heb, maar ik kan slechts kort te Chatteries vertoeven, en ik brandde van verlangen om met mijn ouden wapenbroeder kapitein Costigan kennis te maken en om eene dame, die mij op het tooneel zoozeer geboeid had, meer van nabij te zien. Ik was gisterenavond niet de eenige, die opgetogen was, jufvrouw Fotheringay (indien ik u zoo moet noemen, ofschoon uw eigen familienaam zeer oud en edel is). Een geestelijk heer van mijne kennis ging verrukt over Ophelia naar huis, en ik zag Sir Derby Oaks een ruiker werpen, die nooit door eenige actrice beter verdiend werd. Ik zou er zelfs een meegebracht hebben, indien ik had kunnen vermoeden wat ik zien zou. Zijn dat niet dezelfde bloemen, die ik ginds op den schoorsteenmantel in een glas water zie staan?”

„Ik houd dol veel van bloemen,” zeide jufvrouw Fotheringay, met een smachtend lonkje naar Sir Derby Oaks, – maar de baronet bleef nog altijd een zuur gezicht zetten.

„Schoon bij schoon – luidt het zoo niet in het stuk?” vroeg mijnheer Pendennis, die zoo innemend mogelijk wilde zijn.

„Waarlijk, dat weet ik niet. Waarschijnlijk wel. Ik doe niet veel aan de letterkunde,” antwoordde Sir Derby.

„Is dat mogelijk?” hernam de majoor, met voorgewende verwondering. „Hebt gij dus uw vaders liefde voor de letteren niet geërfd, Sir Derby? Het was een degelijk geleerde, en ik had de eer hem zeer goed te kennen.”

„Zoo!” zeide de ander en schudde gemelijk het hoofd.

„Hij redde mij het leven,” vervolgde Pendennis.

„Wezenlijk?” riep jufvrouw Fotheringay uit en liet hare oogen eerst verwonderd op den majoor en vervolgens met erkentelijkheid op Sir Derby rusten. Maar deze laatste was tegen die lonken bestand, en wel verre van verheugd te schijnen, dat zijn vader, de apotheker, het leven van majoor Pendennis had gered, zag de jonkman er veeleer uit, alsof hij wenschte, dat de zaak een geheel anderen loop had genomen.

„Mijn vader was een zeer bekwaam dokter, geloof ik,” zeide de baronet bij wijze van antwoord. „Ik zelf behoor niet tot dat vak. Ik wensch u goedenmorgen, mijnheer. Ik heb eene afspraak – adieu, Cos – jufvrouw Fotheringay, goedenmorgen.” En ondanks de smeekende blikken en verlokkende lachjes der jonge dame, verliet de dragonder de kamer met eene stroeve buiging. Men hoorde het kletteren van zijne sabel terwijl hij de krakende trap afdaalde, en de toornige stem, waarmee hij tegen den kleinen Tom Creed vloekte, die in den gang speelde en wiens tol Sir Derby met eene verwensching de straat op schopte.

Op het gelaat van den majoor kwam geen zweem van een glimlach, ofschoon hij alle reden had om te lachen. „Een verbazend knap jonkman – zoo’n fiksch soldaat als ik ooit gezien heb,” zeide hij tegen Costigan.

„Een sieraad van het leger en van het gansche menschelijke geslacht,” antwoordde Costigan. „Een jongmensch van beschaafde manieren, wellevend en minzaam in den omgang en met een vorstelijk vermogen. Hij houdt eene rijke tafel; bij het regiment draagt men hem op de handen, en hij weegt meer dan honderd kilo’s.”

„Het is volmaakt een ridder uit den ouden tijd,” zeide de majoor lachend. „Ik houd mij overtuigd, dat al de jonge dames hem bewonderen.”

„In weerwil van zijne zwaarte, is hij niet onbevallig nu hij nog jong is,” merkte Milly aan, „maar er zit niets bij.”

„Hij is het best te paard,” zeide Bows, waarop Milly meedeelde, dat hij bij den wedren de derde was geweest met zijn Brard Tearaway, en de majoor begon te begrijpen, dat er bij de jonge dame zelve niet heel veel zat, en zich te verwonderen hoe zij zoo onbeduidend kon zijn en toch zoo goed kon spelen.

Met Iersche gastvrijheid drong Costigan natuurlijk er op aan, dat zijn gast iets gebruiken zou; en de majoor, die even weinig honger had als gij zoudt hebben na een diner bij den lord-mayor, verklaarde, dat hij aan een beschuitje en een glas wijn de voorkeur gaf boven iets anders, daar hij flauw was van het lange vasten – want hij wist, dat de gevers zich zeer gestreeld vinden wanneer men kleine bewijzen van welwillendheid van hen aanneemt en dat de menschen u onvermijdelijk genegen moeten worden wanneer zij u gastvrijheid mogen betoonen.

„Wat van dien ouden madera, Milly, mijn liefje,” zeide Costigan met een wenk tegen zijne dochter, waarop die dame, zich met een blik van verstandhouding tot haar vader keerende, de kamer verliet en naar beneden ging, waar zij haar kleinen boodschaplooper, den jongen heer Tommy Creed, stilletjes riep, en hem een stuk geld gaf met last om in den Druiventros een half fleschje madera en bij den bakker een zakje beschuitjes te gaan halen, waarvoor hij, als hij in een ommezien terug was, twee beschuitjes tot belooning zou hebben.

Terwijl Tommy Creed daarop uit was, zat jufvrouw Costigan beneden bij jufvrouw Creed en vertelde aan hare hospita, dat de oom van mijnheer Arthur Pendennis, de majoor, boven was, een aardig, beleefd oud heer, de zachtzinnigheid zelf, en dat Sir Derby razend jaloersch weggeloopen was, zoodat zij niet wist hoe zij den vrede tusschen beiden moest herstellen.

„Zij heeft de sleutels van den kelder onder hare bewaring, majoor,” zeide mijnheer Costigan, toen het meisje de kamer verliet.

„Op mijn woord van eer, gij houdt er een juweel van een keldermeester op na,” antwoordde Pendennis galant, „en het verwondert mij niet, dat de jongelui dol op haar zijn. Toen wij in hunne jaren waren, kapitein Costigan, geloof ik, dat wij ons met minder mooie vrouwen zouden tevreden gesteld hebben.”

„Dat moogt gij wel zeggen, mijnheer – en gelukkig de man, die haar krijgt. Vraag hier mijn vriend, Bob Bows, maar eens, of jufvrouw Fotheringay niet nog schooner van ziel dan van lichaam is, en of zij niet een beschaafden geest, een fijn verstand en een lief humeur bezit?”

„O, natuurlijk,” zeide mijnheer Bows, vrij droogjes. „Daar komt Hebe blozende uit den kelder. Zoudt gij niet denken, dat het tijd wordt voor de repetitie, jufvrouw Hebe? Gij valt in de boete als gij te laat komt,” en daarbij wierp hij een blik op de jonge dame, die zeggen wilde, dat het beter was, dat zij heenging en de beide oude heeren alleen liet.

Op deze aanmaning nam jufvrouw Hebe hoed en doek, en zag er buitengemeen bekoorlijk, opgeruimd en lachend uit; en Bows rolde zijne papieren op en strompelde de kamer door om zijn hoed en stok te halen.

„Moet gij al gaan?” vroeg de majoor. „Kunt gij ons niet nog eenige minuten schenken, jufvrouw Fotheringay? Vergun een oud man, eer gij ons verlaat, u de hand te drukken, en geloof mij, dat ik trotsch ben op de eer uwer kennismaking en dat ik oprecht zou wenschen uw vriend te zijn.”

Op deze galante toespraak maakte jufvrouw Fotheringay eene diepe nijging en de majoor volgde haar tot aan de deur, waar hij hare hand op de vriendelijkste en vaderlijkste wijze drukte. Bows stond verbaasd over dit vertoon van hartelijkheid. „De familie van den knaap kan toch zeker niet wenschen, dat hij haar trouwt,” dacht hij – en aldus vertrokken zij.

„Nu gaat het er op los,” dacht majoor Pendennis. Costigan maakte dadelijk van de afwezigheid zijner dochter gebruik om het overschot van den wijn uit te drinken en zond het eene glas na het andere van den madera uit den Druiventros met eene haastige en bevende hand naar binnen. De majoor kwam aan de tafel terug, nam het glas op en dronk het, joviaal met de lippen smakkende, uit. Indien het madera uit den bijzonderen kelder van Lord Steyne en geen Kaapwijn uit eene herberg ware geweest, had hij geene grootere tevredenheid kunnen toonen.

„Lekkere madera, kapitein Costigan,” zeide hij. „Waar krijgt gij dien vandaan? Ik drink met dit glas op de gezondheid van dat betooverende meisje. Nu, kapitein, het verwondert mij niet, dat de hoofden der mannen door haar op hol geraken. Ik houd mij overtuigd, dat zij even geestig als schoon is, en ik twijfel er niet aan, of zij is even goedig als talentvol.”

„Een goed meisje, mijnheer, een goed meisje,” zeide de verrukte vader, „en ik drink van ganschen harte op hare gezondheid. Zal ik nog een fleschje uit den kelder laten halen? Het is dicht bij de hand. Niet? Ja waarlijk, mijnheer, gij moogt wèl zeggen, dat het een goed meisje is, de trots en de roem van haar vader, den eerlijken, ouden Jack Costigan! De man, die haar krijgt, zal een juweel aan haar hebben, mijnheer. Ik drink zijne gezondheid, en gij weet wel wien ik bedoel, majoor.”

„Het verbaast mij volstrekt niet, dat oud en jong op haar verlieven,” antwoordde deze, „en ik moet u ronduit verklaren, dat, ofschoon ik op mijn armen neef Arthur zeer boos was toen ik van de verliefdheid van den jongen hoorde, ik het hem, nu ik de dame zelf gezien heb, volmondig vergeven kan. Bij den hemel, ik zou zelf nog wel eene kans willen wagen, indien ik niet te oud en te arm was.”

„En een beter man zou zij niet kunnen krijgen, majoor, daar ben ik zeker van,” riep Jack verrukt uit. „Uwe vriendschap, mijnheer, verheugt mij. Uwe bewondering voor mijne dochter brengt mij de tranen in oogen. – tranen, mijnheer – manhaftige tranen, en wanneer zij mijn nederig verblijf met uwe eigen prachtige woning verwisselt, hoop ik, dat zij er een plaatsje voor haar armen, ouden vader, den armen ouden Jack Costigan, zal openhouden.” De kapitein voegde de daad bij het woord, en terwijl hij tegen den majoor sprak werden zijne met bloed beloopen oogen vochtig.

„Uwe gevoelens doen u eer aan,” zeide de ander. „Maar, kapitein Costigan, ik kan mijn lachlust niet bedwingen over één ding, dat gij daar gezegd hebt.”

„En dat is, mijnheer?” vroeg Jack, die op een te hoog heroïsch en sentimenteel standpunt stond, om er van af te dalen.

„Gij hebt van onze „prachtige woning” gesproken – mijn zusters huis, vooronderstel ik.”

„Ik meen het park en de woning van den weledelgeboren heer Arthur Pendennis van Fairoaks Park, dien ik nog eens lid van het parlement voor zijne geboorteplaats Clavering hoop te zien, als hij oud genoeg is om die gewichtige betrekking op zich te nemen,” riep de kapitein met groote deftigheid uit.

De majoor glimlachte, toen hij een pijl uit zijn eigen koker herkende. Hij was het, die bij Pen het denkbeeld opgewekt had, om zitting in het parlement te krijgen voor het naburige vlek, en de arme jongen had er blijkbaar over gezwetst tegen Costigan en de dame van zijn hart. „Fairoaks Park, waarde heer?” zeide de majoor. „Kent gij onze geschiedenis? Wij zijn voorzeker van eene overoude familie, maar ik trad de wereld in met nauwelijks geld genoeg om mijn luitenantsrang te koopen, en mijn oudste broeder was een plattelandsapotheker, die elken stuiver van zijn geld met zijn mortier en zijn stamper verdiend heeft.”

„Ik heb besloten dit over het hoofd te zien, mijnheer, uit aanmerking van de erkende oudheid uwer familie,” zeide Costigan majestueus.

„Loop naar den duivel!” dacht de majoor, doch hij boog en glimlachte.

„Ook de Costigan’s hebben tegenspoed gehad, en ons Huis het kasteel Costigan is in geenen deel meer wat het was. Ik heb zeer deftige lui gekend, die apothekers waren, mijnheer, en er zijn er wel in Dublin, die de eer hebben gehad aan de tafel van den lord-stadhouder te dineeren.”

„Gij zijt zeer vriendelijk, dat gij het niet zoo nauw met ons wilt nemen,” hervatte de majoor; „doch veroorloof mij u te doen opmerken, dat dit de vraag niet is. Gij hebt zoo even van mijn neefje gesproken als erfgenaam van Fairoaks Park en ik weet niet wat meer.”

„Ongetwijfeld nog inschrijvingen op het grootboek, majoor, en zeker op zijn tijd een aardig legaatje van u zelven.”

„Waarde heer, ik zeg u, dat de jongen de zoon van een plattelandsapotheker is,” schreeuwde majoor Pendennis uit, „en dat hij, als hij meerderjarig wordt, geen stuiver te wachten heeft.”

„Kom, kom, majoor, gij steekt den draak met mij,” hernam mijnheer Costigan; „ik twijfel niet of mijn jonge vriend heeft twee duizend pond ’s jaars te wachten.”

„Twee duizend takkebossen! Ik vraag verschooning, beste heer; maar heeft de jongen u misleid? dat ligt anders niet in zijn aard. Op mijn woord van eer, als gentleman en bovendien als executeur van mijn broeders testament, verzeker ik u, dat hij niet veel meer dan vijfhonderd pond ’s jaars naliet.”

„En met overleg is dat ook nog een aardig sommetje, mijnheer,” antwoordde de kapitein. „Wel, ik heb menschen dagelijks hunne flesch zien drinken en hunne koets met vier paarden houden in Ierland van vijfhonderd pond ’s jaars, – met stipt overleg. Wij zullen er wel mee rondkomen, mijnheer – laat dat maar aan Jack Costigan over.”

„Waarde kapitein Costigan – ik geef u mijn woord, dat mijn broeder geen duit aan zijn zoon Arthur heeft vermaakt.”

„Houdt gij mij voor den gek, majoor Pendennis?” riep Jack Costigan uit. „Spot gij met de gevoelens van een vader en een gentleman?”

„Ik vertel u de zuivere waarheid,” hernam majoor Pendennis. „Al wat mijn broeder bezat, heeft hij aan zijne weduwe vermaakt, ofschoon, dat is waar, met gedeeltelijken overgang op den knaap. Maar zij is nog eene jonge vrouw en kan hertrouwen als hij haar boos maakt, – of zij kan hem overleven, want zij stamt af uit een geslacht, waarvan allen stokoud worden. En ik vraag u, als gentleman en man van de wereld, wat mijne zuster, mevrouw Pendennis, uit een inkomen van vijf honderd pond ’s jaars, hetwelk haar gansche fortuin uitmaakt, aan haar zoon kan afstaan, om hem in staat te stellen zich zelven en uwe dochter in den rang, die zulk eene voortreffelijke jonge dame toekomt, te handhaven?”

„Moet ik dus tot het besluit komen, mijnheer, dat de jonge heer, uw neef, dien ik als mijn eigen vleesch en bloed heb getroeteld en liefgehad, een bedrieger is, die met de genegenheid van mijn geliefd kind gespeeld heeft?” riep de Generaal, ziedend van toorn, uit. „Hebt gij zelf op het ontvankelijke hart van den jonkman gewerkt, om hem te bewegen zijn engagement en daarmede het hart van mijne aangebeden Emily te breken? Pas op, mijnheer, dat gij met de eer van Jack Costigan niet spot! Als ik dat van iemand ter wereld kon vooronderstellen, dan zou, bij den hemel, zijn bloed moeten stroomen, mijnheer, onverschillig of hij oud of jong ware.”

„Mijnheer Costigan!” riep de majoor uit.

„Mijnheer Costigan kan en zal zijne eigene eer en die zijner dochter weten te beschermen,” hernam de ander. „Ziet ge die latafel? Daarin liggen stapels brieven, door die slang aan mijn onschuldig kind geschreven; daarin staan beloften, mijnheer, genoeg om er eene hoededoos mee te vullen; en wanneer ik den schurk voor den rechter gesleept en in zijne meineedigheid en schande ten toon gesteld heb, bezit ik nog een ander middel van herstel in die mahoniekouten kist, mijnheer, dat mij recht zal verschaffen, mijnheer, tegen iedereen – geef maar goed acht op mijne woorden, majoor Pendennis – tegen iedereen, die uw neef heeft aangeraden om een krijgsman en gentleman te beleedigen. Hoe? Zou mijne dochter verstooten, mijn grijze haar geschandvlekt worden door den zoon van een apotheker? Bij den hemel, mijnheer, ik wou den man wel eens zien, die dat zou durven doen!”

„Moet ik daaruit afleiden, dat gij in de eerste plaats dreigt de brieven van een knaap van achttien jaar aan eene vrouw van acht en twintig openbaar te maken, en in de tweede plaats mij de eer te bewijzen om mij uit te dagen?” vroeg de majoor, nog altijd volmaakt kalm.

„Gij hebt mijne bedoeling zeer juist gevat, majoor Pendennis,” antwoordde de kapitein, terwijl hij zijne verwarde bakkebaarden over zijne kin trok.

„Nu, nu, dat zal het onderwerp van latere schikkingen uitmaken. Maar wees zoo goed, waarde heer, eer wij tot kruit en kogels komen, bij u zelven eens na te gaan, waarmee ter wereld ik u kan benadeeld hebben? Ik heb u verteld, dat mijn neef afhankelijk is van zijne moeder, die weinig meer dan vijfhonderd pond ’s jaars hezit.”

„Ik heb mijne eigen gedachten over de juistheid van die opgave,” zeide de kapitein.

„Wilt gij er u van overtuigen bij de heeren Tatham alhier, de zaakwaarnemers van mijne zuster?”

„Ik wil met die heeren niets te maken hebben,” antwoordde de kapitein, zichtbaar ontsteld. „Als het waar is wat gij zegt, dan ben ik door iemand schandelijk bedrogen, en op dien persoon zal ik mij wreken.”

„Is het mijn neef?” riep de majoor, terwijl hij opsprong en den hoed opzette. „Heeft hij u ooit verteld, dat hij twee duizend pond ’s jaars bezat? Heeft hij dat gedaan, dan heb ik mij in den knaap vergist. Leugens te vertellen is in onze familie nooit gebruikelijk geweest, kapitein Costigan, en ik geloof, dat mijn broeders zoon dit tot nu toe ook niet geleerd heeft. Onderzoek liever eens of gij u zelven niet misleid, of dwaze overdrijvingen op hooren zeggen aangenomen hebt. Wat mij betreft, mijnheer, verzeker ik u, dat ik niet bang ben voor al de Costigan’s in Ierland en zeer goed weet hoe ik mij tegen bedreigingen van dien kant moet waarborgen. Ik kom hier als de voogd van den knaap om te protesteeren tegen een allerdwaast en allerongerijmdst huwelijk, dat niet anders dan armoede en ellende ten gevolge kan hebben; en wanneer ik het belet, geloof ik, dat ik evenzeer de vriend ben van uwe dochter (die zonder twijfel eene hoogst fatsoenlijke jonge dame is) als van mijne eigen familie; en beletten zal ik dat huwelijk, mijnheer, met al de middelen, die in mijne macht staan. Daar, dat is het wat ik te zeggen heb, mijnheer.”

„Maar niet wat ik te zeggen heb, majoor Pendennis, en gij zult nog nader van mij hooren,” zeide mijnheer Costigan, met een vervaarlijken blik.

„Voor den –, mijnheer, wat bedoelt gij?” vroeg de majoor, zich op den drempel der deur omkeerende en den onversaagden Costigan in de oogen ziende.

„Ik meen in den loop van het gesprek vernomen te hebben, dat gij in het George-Hotel logeert?” zeide mijnheer Costigan plechtstatig. „Een vriend van mij zal daar zijne opwachting bij u komen maken eer gij vertrekt, mijnheer.”

„Laat hij zich dan haasten, mijnheer Costigan,” riep de majoor, schier buiten zich zelven van woede. „Ik wensch u goedenmorgen, mijnheer.” En terwijl majoor Pendennis de trap afging maakte kapitein Costigan over, de leuning van het portaal eene prachtig uitdagende buiging tegen hem.

TWAALFDE HOOFDSTUK.

WAARIN EEN SCHIETPARTIJTJE WORDT VOORGESTELD.

Vroeger is in deze geschiedenis gewag gemaakt van mijnheer Garbetts, den eersten held in het treurspel, een veelbelovend en athletisch jong acteur, van gezelligen aard en ongeregelde leefwijze, die met Costigan op een zeer vriendschappelijken voet stond. Beiden waren de voornaamste sieraden van den vriendenkring in het hotel de Ekster, stonden elkander ten dienst in verschillende wisselzaken, die zij aan de hand hadden, en leenden elkander hunne kostbare handteekening. Kortom, zij waren vrienden, ofschoon mijnheer Garbetts zelden bij Costigan aan huis kwam, daar jufvrouw Fotheringay niet van hem hield en mevrouw Garbetts van haar kant zeer jaloersch op haar was. Het ware van de zaak was, dat Garbetts zijn hof aan jufvrouw Fotheringay gemaakt en van haar een afwijzend antwoord ontvangen had, eer hij zijne hand aan mevrouw G. had aangeboden. Hunne geschiedenis behoort echter niet tot dit verhaal; het zij genoeg, dat mijnheer Garbetts, zoodra Emily en mijnheer Bows het huis verlaten hadden, door Costigan geroepen werd, als een geschikt vriend, om in het tegenwoordige geval geraadpleegd te worden. Hij was een zwaar gebouwd man met eene luide stem en een barsch voorkomen, die de mooiste beenen van het gezelschap had, en voor de grap een pook stuk kon slaan op zijn gespierden arm.

„Loop eens gauw heen, Tommy,” zeide Costigan tegen den kleinen boodschaplooper, „en haal mijnheer Garbetts van zijne kamers boven den varkensslager, ge weet wel waar het is, en bestel dan in den Druiventros twee glazen whisky-grog, – heet, hoor!” Tommy ging er dus op uit en een oogenblik later verschenen Garbetts en de whisky.

Kapitein Costigan verhaalde hem niet al de vroegere voorvallen, die de lezer kent; maar stelde, met behulp van den grog, een dreigenden brief aan majoor Pendennis op, waarin hij vorderde, dat die heer geene hinderpalen aan het voorgenomen huwelijk van mijnheer Arthur Pendennis met zijne dochter, jufvrouw Fotheringay, in den weg zou leggen, maar een dag hoe eer hoe liever voor het sluiten van dat huwelijk bepalen, of anders hem de voldoening, die tusschen mannen van eer gebruikelijk was, geven zou. En indien majoor Pendennis geen lust mocht hebben in een dier alternatieven, gaf de kapitein te verstaan, dat hij genoodzaakt zou wezen zijne karwats op het lichaam van den majoor te laten neerkomen. Wij kunnen de letterlijke bewoordingen van dien brief niet meedeelen, om redenen, die dadelijk zullen blijken; maar hij was ongetwijfeld in den mooisten stijl van den kapitein gesteld, en zorgvuldig gesloten met het groote zilveren cachet der Costigan’s, – het eenige stuk van het familiezilver, dat de kapitein nog bezat.

Garbetts werd met de boodschap en dien brief afgezonden, en met eene zegenbede drukte de Generaal zijn ambassadeur de hand en zag hem vertrekken. Daarop haalde hij zijne eerwaardige en moorddadige duelleerpistolen met de vuursteensloten te voorschijn, die menigen lustigen knaap te Dublin tot zwijgen gebracht hadden; en na die onderzocht en in behoorlijken toestand bevonden te hebben, haalde hij uit de latafel al de brieven en verzen van Pen, die hij daar bewaarde en die hij altijd gelezen had, alvorens Emily ze mocht inzien.

Na een kwartiertje kwam Garbetts met een betrokken en neerslachtig gezicht terug.

„Hebt gij hem gezien?” vroeg de kapitein.

„Ja zeker,” antwoordde Garbetts.

„En wanneer moet het zijn?” hernam Costigan, terwijl hij den haan van een der pistolen onderzocht en ter hoogte van zijne roode oogen bracht.

„Wanneer moet wat zijn?” vroeg mijnheer Garbetts.

„De ontmoeting, beste jongen.”

„Gij bedoelt toch geen duel, kapitein?” zeide Garbetts met ijzing.

„Wat duivel zou ik anders bedoelen, Garbetts? Dien man, die mijne eer belaagd heeft, wil ik doodschieten of zelf als zijn slachtoffer vallen.”

„De duivel haal mij als ik uitdagingen overbreng,” hernam Garbetts. „Ik ben een huisvader, kapitein, en wil niets met pistolen te maken hebben. Daar hebt gij uw brief terug;” en tot verbazing en verontwaardiging van kapitein Costigan, wierp zijn afgevaardigde bij die woorden den brief met zijn groot geklad opschrift en het slordige lak neder.

„Hebt gij hem gezien en hem toch den brief niet gegeven?” riep de kapitein woedend uit.

„Ja, ik heb hem gezien, maar ik kon hem niet spreken, kapitein,” zeide mijnheer Garbetts.

„En waarom niet, voor den duivel?” vroeg de ander.

„Omdat er iemand bij was, met wien ik liefst niet in aanraking wilde komen, evenmin als gij,” antwoordde de treurspeler met eene grafstem. „Dat lievertje van een Tatham zat bij hem, kapitein.”

„Die lafhartige schurk!” bulderde Costigan. „Hij is bang en wil mij aangeven.”

„Let wel, dat ik niets met het vechten wil te maken hebben,” zeide de acteur norsch, „en ik wou, dat ik Tatham ook niet gezien had, noch dat wisseltje –”

„Houd uw mond, bluffert! Ik geloof, dat gij een bloodaard zijt,” sprak kapitein Costigan met de woorden van „Sir Lucius O’Trigger,” welk karakter hij met talent op en buiten het tooneel gespeeld had, en na nog eenige woordenwisseling ging het paar in alles behalve goede luim van elkander.

Wij hebben hun gesprek hier slechts verkort meegedeeld, en de lezer weet het hoofdpunt, waarover het liep; doch hij zal nu ook inzien, dat wij den juisten inhoud van den brief, dien de kapitein aan den majoor had geschreven, niet kunnen meedeelen, omdat laatstgenoemde heer niet in de gelegenheid was geweest de missive te openen.

Toen jufvrouw Costigan in gezelschap van den getrouwen Bows van de repetitie thuis kwam, vond zij haar vader in groote spanning zijne kamer op en neer loopende, te midden van eene sterke groglucht, die, naar het scheen, zijn onthutst gemoed niet tot bedaren had kunnen brengen. De papieren van Pendennis lagen op tafel rondom de ledige glazen en het nu overbodige theelepeltje, waarvan de kapitein zich bediend had om zijn glas en dat van zijn vriend om te roeren. Toen Emily binnentrad, sloot hij haar in zijne armen en riep haar op wanhopigen toon, en met oogen, die in tranen zwommen, toe: „Bereid u op het ergste voor, mijn kind, mijn engel van een kind!”

„Gij zijt weer beschonken, papa,” zeide jufvrouw Fotheringay, terwijl zij haar vader op zeide duwde. „Gij hadt mij beloofd, dat gij vóór den eten geen drank zoudt gebruiken.”

„Arm kind! ik heb maar een enkel slokje genomen om mijn verdriet te verzetten,” riep de troostelooze vader uit; „het is om mijne zorgen te verdrinken, dat ik het glas licht.”

„Uwe zorgen hebben veel noodig om ze te verdrinken, waarde kapitein,” zeide Bows en bootste daarbij den tongval van zijn vriend na; „wat is er gebeurd? Heeft dat lief heertje met zijn pruikje u boos gemaakt?”

„Die schelm met zijn uitgestreken gezicht! Ik dorst naar zijn bloed!” brulde Cos, onderwijl jufvrouw Milly, die zich uit zijne omhelzing had losgerukt, naar hare kamer was gegaan en daar hoed en shawl afdeed.

„Ik dacht wel, dat hij iets kwaads brouwde: hij was al te beleefd,” zeide de ander. „En wat is hij komen zeggen?”

„O Bows! Hij heeft mij verpletterd!” antwoordde de kapitein, „Er is eene duivelsche samenspanning tegen mijne arme dochter gesmeed; en ik houd het er voor, dat allebei die Pendennis’en, oom en neef, helsche verraders en schurken zijn, die van het aangezicht der aarde verdelgd moesten worden.”

„Wat is het dan? wat is er gebeurd?” vroeg Bows in geen geringe spanning.

Costigan maakte hem bekend met de mededeeling van den majoor, dat de jonge Pendennis geen twee duizend, en zelfs geen tweehonderd pond ’s jaars bezat, en gaf lucht aan zijne verbolgenheid, dat hij zijne onschuldige dochter door zulk een bedrieger had laten vleien en bepraten, en dat hij zulk eene adder in zijn eigen boezem gekoesterd had. „Maar ik heb die slang van mij af geschud,” zeide Costigan; „en wat zijn oom betreft, ik zal op dien ouden heer zulk eene wraak nemen, dat hem den dag, waarop hij een Costigan heeft durven beleedigen, berouwen zal.”

„Wat wilt gij dan, generaal?” vroeg Bows.

„Ik wil hem het leven benemen, Bows – zijn gemeen, verraderlijk leven, mijn jongen!” en daarbij klopte hij onheilspellend en woest op de oude gehavende pistoolkist. Bows had hem dikwijls een beroep hooren doen op die doodelijke wapenen, waarmede hij zijne vijanden wilde vellen; maar de kapitein vertelde hem niet, dat hij reeds aan majoor Pendennis eene uitdaging gezonden had, zoodat mijnheer Bows in dit geval niet veel acht sloeg op de pistolen.

Op dit oogenblik keerde jufvrouw Fotheringay met een volkomen gezond, gelukkig en onverschillig voorkomen uit haar eigen vertrek in de zitkamer terug, als een treffend en weldadig contrast met haar vader, die van woede, verdriet, ergernis en andere aandoeningen beefde. Zij bracht een paar satijnen schoenen mee, die vroeger wit waren geweest, en die zij nu met broodkruim zooveel mogelijk schoon wilde wrijven, daar zij er den volgenden Dinsdagavond als Ophelia – in welke rol zij dan weer zou optreden – de waanzinnige mee moest spelen.

Zij bezag de papieren, die op de tafel lagen, bleef staan alsof zij iets vragen wilde, doch bedacht zich, ging naar de kast, waar zij een bruikbaar stuk brood uitzocht om er de satijnen schoenen mee te bewerken, en keerde toen weer naar de tafel terug, ging er met de schoenen op haar gemak bij zitten en vroeg daarop, in haar ongekunstelden Ierschen tongval, aan haar vader: „Waarom hebt ge de brieven en verzen en andere dingen van den jongen heer Arthur voor den dag gehaald, pa? Gij zijt toch zeker niet voornemens dien onzin weer door te lezen?”

„O Emily!” riep de kapitein uit, „die knaap, dien ik als den zoon mijns boezems liefhad, is niets dan een schurk en een bedrieger, gij arm meisje!” en daarbij zag hij zoo tragisch mogelijk naar Bows aan de overzijde, die van zijn kant met zekere bezorgdheid naar jufvrouw Costigan keek.

„Kom, kom! De arme jongen is zoo onnoozel als een schoolknaap,” gaf zij ten antwoord. „Al die kinderen schrijven verzen en onzin.”

„Hij heeft de rol van eene adder aan deze haardstede en van een verrader in dit gezin gespeeld,” schreeuwde de kapitein. „Ik zeg u, dat hij niets is dan een bedrieger.”

„Wat heeft de arme jongen gedaan, papa?” vroeg Emily.

„Gedaan? Hij heeft ons op de gruwelijkste wijze bedrogen,” antwoordde Emily’s papa. „Hij heeft met uwe genegenheid den spot gedreven en mijne eigene fijngevoeligheid gekwetst. Hij heeft zich voorgesteld als iemand van fortuin, en nu blijkt het, dat hij niet veel meer dan een bedelaar is. Heb ik u niet dikwijls gezegd, dat hij twee duizend pond ’s jaars bezat? En nu, jufvrouw Costigan, kan ik u verzekeren, dat hij arm is; dat hij afhankelijk is van de mildheid zijner moeder, eene goede vrouw, die weer hertrouwen kan, die misschien eeuwig zal blijven leven en die maar vijfhonderd pond ’s jaars bezit. Hoe durft hij vergen, dat gij u aan eene familie verbinden zult, die de middelen mist om u te verzorgen? Gij zijt gruwelijk bedrogen en om den tuin geleid, Milly, en ik geloof, dat zijn oude schelm van een oom met de pruik in het komplot tegen ons is.”

„Die zachtzinnige oude heer? Wat heeft die gedaan, papa?” vroeg Emily weer, nog altijd met onverstoorbare kalmte.

Costigan deelde aan Milly mee, dat majoor Pendennis, met zijne dubbelhartige beleefde Londensche manieren, hem na haar vertrek onderricht had, dat de jonge Arthur in het geheel geen fortuin bezat en hem (Costigan) verwezen had naar de procureurs („die, zooals hij wist, een wissel van mij in handen hebben, zoodat ik hen niet onder de oogen kan komen,” merkte de kapitein tusschen haakjes aan), om het testament van den vader van den knaap in te zien. Ten slotte verklaarde de kapitein, dat beiden een helsch bedrog gepleegd hadden, zoodat hij een huwelijk of hun bloed eischte.

Milly keek zeer ernstig en nadenkend, terwijl zij hare satijnen schoenen wreef. „Mij dunkt, als er geen geld is, papa, zou het nutteloos zijn hem te trouwen,” sprak zij zoo deftig als een orakel.

„Waarom zeide de schavuit, dat hij geld had?” vroeg Costigan.

„De arme jongen heeft altijd gezegd, dat hij arm was,” antwoordde het meisje. „Gij waart het, papa, die volhieldt, dat hij rijk moest zijn, en mij dwongt hem te nemen.”

„Hij had oprecht moeten zijn en ons met zijne positie bekend maken, Milly,” hernam haar vader. „Een jonkman, die een kostbaar paard berijdt en shawls en armbanden ten geschenke geeft, is een bedrieger als hij geen geld heeft. Zijn oom zal ik de pruik aftrekken, als ik hem tegenkom. Bows moet hem eene uitdaging brenger en hem dat vertellen. Of er moet een huwelijk komen, of hij moet mij als man in het gevecht staan; anders trek ik hem voor een hotel of op de wandelpaden van Fairoaks ten aanschouwe van iedereen bij den neus, – zoo waar ik leef.”

„En gij kunt, zoo waar ik leef, iemand anders met uwe boodschap zenden,” antwoordde Bows lachende. „Ik ben een speelman en geen vechtersbaas, kapitein.”

„Bah! gij hebt geen moed, mijnheer!” bulderde de generaal. „Dan zal ik, als niemand mij helpen wil of partij voor mij trekt, mijn eigen secondant zijn. Ik zal mijne pistoolkist meenemen en hem in de koffiekamer van den George neerschieten.”

„En dus heeft de arme Arthur geen geld?” zuchtte jufvrouw Costigan op bijna klagenden toon. „Arme jongen! Het was een goede jongen ook; hij was opgewonden en sprak onzin, met zijne verzen en poëzie en zoo meer, maar hij was oprecht en mild; ik hield wezenlijk van hem – en hij hield van mij ook,” liet zij er zachter op volgen, terwijl zij aanhoudend haar schoen wreef.

„Waarom trouwt gij hem dan niet, als gij zooveel van hem houdt?” viel mijnheer Bows tamelijk driftig uit. „Hij is niet meer dan tien jaar jonger dan gij. Zijne moeder zal er zich misschien in schikken, en dan kunt gij op Fairoaks Park gaan wonen en geborgen zijn. Waarom wordt gij geen groote dame? Ik zou mijn kost kunnen verdienen met de viool, en de Generaal zou van zijn pensioen kunnen leven. Waarom trouwt gij hem niet? Gij weet, dat hij van u houdt.”

„Er zijn anderen, die evenveel van mij houden, Bows, en die geen geld hebben en oud genoeg zijn,” antwoordde jufvrouw Milly deftig.

„Ja voor den –,” vloekte Bows op bitteren toon, „die oud en arm en gek genoeg zijn.”

„Er zijn oude gekken en jonge ook. Dat hebt gij zelf dikwijls gezegd, malle vent,” hernam de gebiedende schoone met een veelbeteekenenden blik op het oude heertje. „Als Pendennis geen geld genoeg heeft om er van te leven, zou het eene dwaasheid zijn hem te trouwen; en daarmee is het uit!”

„En de jongen?” vroeg Bows. „Waarachtig, jufvrouw Costigan, gij werpt een man als een ouden handschoen weg.”

„Ik weet niet wat gij bedoelt, Bows,” antwoordde jufvrouw Fotheringay kalm, en begon aan den tweeden schoen te wrijven. „Bezat hij de helft van de twee duizend pond ’s jaars, die papa hem toekende, of de helft van die helft, ik zou hem trouwen. Maar waartoe leidt het, als men een bedelaar neemt? Wij zijn reeds arm genoeg. Het zou nergens toe dienen, dat ik ging wonen bij eene oude dame, die misschien stuursch en kregel is, en mij elke bete zou misgunnen. (Het is waarlijk haast etenstijd, en nog heeft Suze de tafel niet gedekt.) En,” voegde Jufvrouw Costigan er volmaakt argeloos bij, „indien er eens kleintjes kwamen? – wel, papa, dan zouden wij niet eens zoo goed af wezen als tegenwoordig.”

„Neen, waarlijk, dat zoudt ge ook niet, beste Milly,” gaf haar vader ten antwoord.

„En dus is het uit met al die mooie praatjes over Arthur Pendennis van Fairoaks Park, – van de vrouw van het parlementslid,” zeide Milly met een lachje. „Wij zouden zulke mooie rijtuigen en paarden hebben om te rijden! – daar hadt gij altijd den mond van vol, papa! Maar het is altijd hetzelfde! Zoodra een man mij maar aankeek, moest gij u inbeelden, dat hij mij zou trouwen; en als hij een goeden rok aanhad, was hij in uwe oogen zoo rijk als Crezes.”

„– Als Croesus,” zeide mijnheer Bows.

„Nu, noem hem zooals gij het goedvindt. Doch het is waar, dat papa mij in de laatste acht jaar wel twintigmaal heeft uitgehuwd. Zou ik niet Lady Poldoody van Oystertown Castle worden? Verder hadden wij dien kapitein ter zee te Porthsmouth, en dien ouden chirurgijn te Norwich, en dien methodisten-predikant hier verleden jaar, en wie weet hoeveel meer! Nu, ik wil wedden, dat ik in weerwil van al uwe plannen ten slotte nog als Milly Costigan zal sterven. En dus heeft die arme kleine Arthur geen geld? Blijf hier eten, Bows; wij hebben eene heerlijke vleeschpastei.”

„Ik zou wel eens willen weten of zij al klaar is met Sir Derby Oaks,” dacht Bows, wiens oogen en gedachten haar altijd bespiedden. „De kunstgrepen van de vrouwen gaan alle bevatting te boven, en ik ben zeker, dat zij dien knaap niet zoo licht zou opgeven, als zij niet een ander plan in het hoofd had.”

Het zal niemands aandacht ontgaan zijn, dat jufvrouw Fotheringay, ofschoon zij over het algemeen het stilzwijgen bewaarde en niet veel waard was wanneer het gesprek over poëzie, letterkunde of de schoone kunsten liep, in haar eigen familiekring onbeschroomd en bovendien verstandig spreken kon. Men kon haar juist geen romanesk meisje noemen; hare letterkundige begaafdheden waren niet groot; zoodra zij het tooneel verliet, sloeg zij geen oog meer in Shakespeare, en al den tijd, dat zij het tooneel versierde, begreep zij geen woord van hem; doch over een podding of een naaiwerk, of hare eigen huiszaken, kon zij zoo goed oordeelen als iemand ter wereld; en daar zij door geene sterke verbeelding of hartstochtelijkheid van den weg gebracht werd, had zij best de gelegenheid om een kalm oordeel te vellen. Toen Costigan, onder hun maaltijd, zich zelven en zijn gezelschap trachtte diets te maken, dat de opgave van den majoor aangaande Pen’s geldelijke aangelegenheden ongeloofwaardig en niets dan eene list van dien ouden schijnheilige was, om hun aanleiding te geven, dat zij zelven het engagement afbraken, wilde jufvrouw Milly volstrekt niet toegeven, dat er misleiding van de zijde der tegenpartij mogelijk was, terwijl zij duidelijk in het licht stelde, dat het haar vader was, die zich zelven had misleid en niet de arme kleine Pen, die nooit getracht had hun een rad voor de oogen te draaien. Wat dien armen knaap betrof, verzekerde zij, dat zij hem uit den grond van haar hart beklaagde. Zij at met buitengewoon veel smaak, tot verbazing van mijnheer Bows, die eene opmerkelijke bewondering en te gelijk minachting voor die vrouw koesterde; en onder en na dien maaltijd besprak het drietal de beste wijze, om gaan deze liefdesgeschiedenis een einde te maken. Costigan’s plan om den majoor bij den neus te gaan trekken, vervloog in rook onder het gebruik van zijn glas whisky-grog na den eten; hij was zeer onderdanig jegens zijne dochter en bereid tot elk plan, dat zij mocht vaststellen met betrekking tot de crisis, die zij zag dat ophanden was.

De kapitein, die Pen en zijn oom beiden had willen aanvliegen en neervellen zoolang hij zich voor de beleedigde partij hield, deinsde nu wel eenigszins terug voor de gedachte om den eerstgenoemde te ontmoeten, en vroeg „wat zij voor den drommel tegen den jongen zeggen moesten, wanneer hij zich aan het engagement hield en zij het van hun kant verbraken?” „Hoe?” zeide Bows. „Weet gij niet hoe men een man afschepen moet? Laat eene vrouw het u dan maar eens uitleggen!” en daarop legde jufvrouw Fotheringay uit, dat zoo iets zeer eenvoudig kon geschieden en niets gemakkelijker was. „Papa schrijft aan Arthur en vraagt hem welke beschikkingen hij in geval van een huwelijk denkt te maken en wat zijne middelen zijn. Arthur schrijft terug en meldt wat hij bezit, en dan wed ik, dat alles bevonden zal worden zooals de majoor zegt. Daarop schrijft papa weer, dat dit niet genoeg is en dat het beter is, dat het engagement afgebroken worde.”

„En natuurlijk sluit gij er een regeltje van afscheid in, waarbij gij zegt, dat gij hem altijd als een broeder zult beschouwen,” zeide mijnheer Bows, haar op zijne spottende wijze aanziende.

„Natuurlijk zal ik dat doen,” antwoordde jufvrouw Fotheringay. „Het is in mijn oog een zeer brave jongen. Och, reik mij het zout eens aan. Wat zijn dat mooie noten!”

„En zal er dus niemand bij den neus getrokken worden, Cos, beste jongen? Het spijt mij, dat gij zoo te leur gesteld wordt,” zeide mijnheer Bows.

„Neen, denkelijk niet,” antwoordde Cos, zijn eigen neus wrijvende. „Wat zult gij met die brieven en verzen en gedichten doen, Milly, mijn schatje? Gij moet ze terugzenden.”

„Pruikenburg zou er honderd pond voor geven,” zeide Bows op hoonenden toon.

„Ja, dat zou hij zeker,” zeide kapitein Costigan, die zich nu leiden liet zooals men wilde.

„Papa,” zeide jufvrouw Milly, „zoudt gij er niet voor zijn, om den armen jongen zijne brieven terug te zenden? Die brieven en gedichten behooren mij toe. Zij waren heel lang en vol van onzin en latijn en dingen, waarvan ik de helft niet begreep; om de waarheid te zeggen, heb ik ze niet alle gelezen, maar wij zullen ze aan hem terugzenden, als het er tijd voor is.” En daarop begaf jufvrouw Fotheringay zich naar eene lade en nam er een nommer van den County chronicle and Chatteries champion uit, waarin Pen gloeiende verzen geschreven had, die hare optreding in de rol van Imogene verheerlijkten, en na het blad, waarop dat gedicht voorkwam, op zijde gelegd te hebben (want gelijk de dames van haar beroep gewoon zijn, verzamelde zij alle gunstige recensiën en beschrijvingen van haar spel), pakte zij er al de brieven, gedichten, ontboezemingen en hersenschimmen van Pen in en bond het pakje netjes met een touwtje toe, zooals zij een zakje suiker zou gedaan hebben.

Onder dat bedrijf was zij in het minst niet aangedaan. Hoeveel uren had de knaap niet over die papieren doorgebracht! Van hoeveel liefde en smachten, van hoeveel edele trouw en manhaftige toewijding, van hoeveel doorwaakte nachten en koortsige uren, in eenzaamheid doorleefd, hadden zij niet kunnen getuigen! Zij bond ze toe als een pakje uit den kruidenierswinkel, en ging zitten en zette de thee met een volkomen rustig en tevreden hart: terwijl Pen op tien mijlen afstands naar haar zat te verlangen en haar beeld in het binnenste zijner ziel koesterde.

DERTIENDE HOOFDSTUK.

EENE CRISIS.

In den tusschentijd verwonderde men zich op Fairoaks, dat de majoor nog niet terug was. Doctor Portman en zijne vrouw gaven op hunne terugreis naar Clavering aan de woning van Helena’s portier een kort briefje van majoor Pendennis voor haar af, waarin hij meldde, dat hij nog een dag te Chatteries zou vertoeven, daar hij gaarne den procureur Tatham wilde spreken, en hem dien namiddag zou zien; maar er stond geen woord in over de zaken, waarmee hij zich des morgens had bezig gehouden. Het briefje was dan ook geschreven in de oogenblikken van stilstand na het eerste gedeelte van den strijd, toen de majoor er bepaald het slechtst afgekomen was.

Pen wilde zich liefst niet in de stad vertoonen zoolang zijn oom daar was. Hij wilde niet onder den indruk verkeeren, dat zijn voogd hem van het grasperk van dien akeligen deken bespiedde terwijl hij zijn hof aan jufvrouw Costigan op hare kamers maakte; en het genoegen van eene wandeling (eene zaligheid, die hij maar zelden genieten mocht) zou bedorven zijn geweest, indien hij daarop den man met de mooi gepoetste laarzen ontmoet had. Zijne bescheidene liefde kon zich in het publiek door geene uitwendige teekenen kenbaar maken, behalve door zijne oogen (waarmee de arme kerel verbazend lonkte en staarde); zij was stom in de tegenwoordigheid van anderen; en dat was ook goed, want van al het gepraat, dat in de wereld plaats vindt, is dat van verliefden het flauwste voor de oningewijden. Het is eene woordenlijst, waarvan men den sleutel niet heeft; eene lamp, waarvan men de vlam niet ziet. Laat degeen, die dit boek in handen heeft, eenige oude minnebrieven herlezen of herdenken, die hij (of zij) bezeten en vergeten heeft. Wat schijnen zij zinledig en nietsbeteekenend! Welke opgewondene dwaasheid moet het geweest zijn, die dien onzin schoon deed schijnen! Men moet zich verwonderen, hoe zulk zuchten en wauwelen ooit iemand gelukkig heeft kunnen maken. En echter is er een tijd geweest, toen gij die zotte brieven in vervoering moest kussen, toen gij op zes dwaze regels eene week lang leefdet, en toen gij, tot de tijd van omkeer kwam, rusteloos en ongelukkig waart, zoolang gij geen nieuwen toevoer van onzin ontvingt.

Dit is de reden waarom wij geen der brieven en verzen zullen meedeelen, die mijnheer Pen in dit tijdperk zijns levens schreef; wij laten het na uit loutere zorg voor den goeden naam van den jonkman. Zij zijn te kinderachtig en opgewonden. Men moest ze aan geen jonge meisjes in koelen bloede laten lezen. Wacht uw tijd af, jonge dames; misschien zult gij iets dergelijks zelve spoedig ontvangen en schrijven. Intusschen zullen wij mijnheer Pen’s eerste ontboezemingen ontzien, en ze in de couranten opgevouwen laten liggen, waar jufvrouw Fotheringay ze met een touwtje toegebonden en kapitein Costigan ze met zijn groot zilveren cachet verzegeld heeft.

De majoor keerde met zooveel opgekropte verbolgenheid van zijn onderhoud met kapitein Costigan terug, dat het gevaarlijk was hem nabij te komen. „Die onbeschaamde schelm van een landlooper durft mij dreigen!” dacht hij. „Durft er van spreken om zijne verwenschte Costigan’s te vernederen door hen met een Pendennis te laten trouwen! Mij eene uitdaging zenden! Als de kerel iemand, die op een gentleman gelijkt, vinden kan om mij de uitdaging te brengen, dan heb ik grooten lust om hem zijn zin te geven! – Bah! wat zou de wereld er van zeggen, als ik met een dronken spelleman ging vechten wegens een twist over eene actrice uit eene kermistent!” Toen de majoor dus doctor Portman sprak, die hem in gespannen verwachting naar den afloop van, zijn gevecht met den draak vroeg, wilde mijnheer Pendennis den geestelijken heer niet bekend maken met het onbeschaamde gedrag van den Generaal, maar zeide hij eenvoudig, dat het eene leelijke en onaangename zaak was, waarvan men het einde nog niet voorzien kon.

Hij drukte den doctor en mevrouw Portman op het hart, niets van het geval op Fairoaks te vertellen, waarheen hij zelf slechts het briefje verzond, dat wij reeds vermeld hebben. Daarop keerde hij naar zijn hotel terug, waar hij zijn toorn tegen zijn knecht Morgan luchtte, „en alle duivels bij elkaar vloekte,” gelijk die heer tegen Foker’s knecht zeide, toen zij samen in de dienstbodenkamer van den George aten.

De laatstgenoemde bracht dit nieuws aan zijn meester over. Mijnheer Foker, die tegen dezen tijd – het was twee uur des namiddags – zijn ontbijt geëindigd had, was nieuwsgierig naar den uitslag van het gesprek tusschen zijne beide vrienden, en na het nommer der zitkamer van den majoor gevraagd te hebben, liep hij over in zijne zijden kamerjapon en tikte aan.

Majoor Pendennis had, gelijk hij had opgegeven, eenige zaken betrekkelijk een huurcontract van de weduwe te verrichten, waarover hij den ouden procureur Tatham wilde spreken, die zijn broeders zaak waarnemer was geweest en een hulpkantoor te Clavering had, waar hij en zijn zoon op markt- en andere dagen, drie- of viermaal in de week, te spreken waren. Deze heer en zijn client zaten nu in gesprek, toen mijnheer Foker met zijne prachtige kamerjapon en zijn geborduurd mutsje aan de deur van majoor Pendennis verscheen.

Toen de bescheiden jonkman zag, dat de majoor met papier en zegels bezig was en een oud heer met een grijs hoofd bij zich had, wilde hij terugkeeren. „O, hebt gij zaken – dan zal ik wel eens terugkomen,” zeide hij. Maar Pendennis wilde hem gaarne spreken en verzocht hem dus, met een lachje, binnen te komen; waarop mijnheer Foker zijne geborduurde muts (eigenhandig door de teederste der moeders gewerkt) afnam en, tegen de heeren buigende, met een innemend lachje naderde. Mijnheer Tatham had nog nooit zulk eene schitterende vertooning gezien als dien jongen heer in „het zij,” die in een armstoel plaats nam, de karmozijnen panden van zijne kamerjapon breed uitspreidde en de twee anderen met de meeste minzaamheid en onbeschroomdheid aanzag.

„Mijne kamerjapon schijnt u te bevallen, mijnheer,” zeide hij tegen Tatham. „Mooi, niet waar? Heel netjes, en in het minst niet opzichtig. En hoe vaart gij, majoor Pendennis? kunt ge het hier nog al vinden?”

Er was in Foker’s manieren en voorkomen iets, dat een inquisiteur in goede luim zou gebracht hebben, en het deed dan ook de rimpels onder Pendennis’ pruik verdwijnen.

„Ik heb een gesprek met dien Ier gehad (gij kunt vrij uitspreken in tegenwoordigheid van mijn vriend hier, mijnheer Tatham, die al de familiezaken kent) en ik moet bekennen, dat het niet veel stof tot tevredenheid geeft. Hij wil niet gelooven, dat mijn neef arm is; hij zegt, dat wij allebei leugenaars zijn, en hij deed mij de eer, toen ik vertrok, te verstaan te geven, dat ik een lafaard was. Ik dacht, toen gij aan de deur kwaamt kloppen, dat gij de heer zoudt zijn, dien ik met eene uitdaging van mijnheer Costigan verwacht. Dat is de wijze hoe ik het hier maak, mijnheer Foker.”

„Gij meent dien Ier, den vader der actrice, toch niet?” vroeg mijnheer Tatham, die een afgescheidene was en van het tooneel niet hield.

„Dien Ier, den vader der actrice – juist denzelfden. Hebt gij niet gehoord, hoe mijn neef zich aan dat meisje verslingerd heeft?” Mijnheer Tatham, die nooit een voet binnen de muren van een schouwburg zette, had niets gehoord, zoodat majoor Pendennis nogmaals de geschiedenis der verliefdheid van zijn neef aan den procureur moest vertellen, waartusschen mijnheer Foker op zijne gewone gemeenzame wijze nu en dan toepasselijke aanmerkingen maakte.

Tatham verstomde van verbazing bij dat verhaal. Waarom, dacht hij, had mevrouw Pendennis geen man van eene ernstige denkwijze getrouwd – mijnheer Tatham was weduwnaar – en dien rampzaligen knaap van het verderf teruggehouden? Wat Costigan’s dochter betrof, wilde hij niets zeggen; haar beroep was toereikend om haar te doen kennen. Hier kwam mijnheer Foker er tusschen met de opmerking, dat hij verscheidene zeer achtenswaardige lui op de planken – zooals hij den Tempel der Muzen noemde – gekend had. Nu, het kon waar zijn, mijnheer Tatham hoopte dat ten minste – maar den vader kende Tatham persoonlijk als een man van de slechtste reputatie, een dronkaard en een steunpilaar van kroegen en biljartkamers, en een kale bedelaar.

„Ik begrijp zeer goed, majoor,” zeide hij, „waarom de kerel niet op mijn kantoor wilde komen, om de waarheid van uwe opgaven te onderzoeken. Wij hebben een vonnis tegen hem en een anderen gemeenen kerel, ook een van de acteurs, wegens een wissel, dien zij aan mijnheer Skinner alhier, een voornaam kruidenier en handelaar in wijnen en sterke dranken, een lid van het genootschap der Kwakers, afgegeven hebben. Die Costigan kwam schreiende de genade van mijnheer Skinner inroepen – hij stond te huilen in zijn winkel, en wij hebben het vonnis tegen den een zoo min als tegen den ander ten uitvoer gelegd, daar van geen van beiden een duit te halen is.”

Terwijl mijnheer Tatham deze historie vertelde, werd er weder aan de deur geklopt en kwam er een heer van athletische gestalte in eene kale jas met lussen binnen, met een brief, die een groot gespat rood lak droeg, in zijne hand.

„Mag ik de eer hebben majoor Pendennis afzonderlijk te spreken?” begon hij. „Ik heb eenige woorden aan u alleen te zeggen, mijnheer. Ik breng eene boodschap van mijn vriend kapitein Costigan!” doch hier hield de man met de basstem op, begon te stotteren en werd bleek, – want hij kreeg het roode gezicht van mijnheer Tetham, dat hij zich maar al te goed herinnerde, in het oog.

„Kom aan, Garbetts, spreek op!” riep mijnheer Foker vroolijk.

„Wel, beware, dat is de andere onderteekenaar van den wissel!” zeide mijnheer Tatham. „Wacht eens, mijnheer, wacht eens!” Maar Garbetts stamelde met een gezicht zoo bleek als dat van Macbeth, wanneer hem Banquo’s geest verschijnt, eenige onsamenhangende woorden en vluchtte de kamer uit.

De majoor kon zijne deftigheid niet bewaren en schaterde het uit, evenals mijnheer Foker, die uitriep: „Bij den hemel, dat was mooi!” evenals de procureur, ofschoon deze krachtens zijn beroep een ernstig man was.

„Ik geloof niet, dat het tot een gevecht zal komen, majoor,” zeide de jonge Foker en begon den acteur na te bootsen. „Als het zoover komt, dan kan deze oude heer – Tatham, niet waar? – veel eer, kennis met u te maken, mijnheer Tatham – de deurwaarders zenden om de strijders te scheiden,” hetgeen mijnheer Tatham ook beloofde te zullen doen. De majoor was volstrekt niet spijtig over den belachelijken afloop van den twist. „Gij schijnt altijd te moeten komen, mijnheer,” zeide hij tegen Foker, „om mij in goede luim te brengen.”

En dit was niet de eenige dienst, die mijnheer Foker dezen dag aan de familie Pendennis bewijzen zou. Wij hebben gezegd, dat hij toegang had ten huize van kapitein Costigan, en des namiddags kwam hij op het denkbeeld den Generaal een bezoek te brengen, om uit zijn eigen mond te vernemen wat er dien morgen bij het onderhoud met mijnheer Pendennis voorgevallen was. Kapitein Costigan was niet thuis; zijne dochter had hem verlof gegeven, ja aangespoord, om naar den vriendenkring in de Ekster te gaan, waar hij ongetwijfeld op dat zelfde oogenblik zat te zwetsen over zijn lust om zekeren schavuit te vermoorden; want hij was niet alleen dapper, maar hij wist dat ook, en hield er dus van om zijn moed te toonen en als het ware te luchten te hangen.

Costigan was er dan niet, maar jufvrouw Fotheringay was thuis en spoelde het theegoed om, terwijl Bows tegenover haar zat.

„Net met het ontbijt klaar, zie ik – hoe vaar je?” vroeg mijnheer Foker, terwijl hij zijn kluchtig hoofdje binnen de deur stak.

„Pak je weg, kleine guit!” riep jufvrouw Fotheringay.

„Gij meent, kom binnen!” gaf de ander ten antwoord. „Daar zijn we!” en met gekruiste armen binnengetreden zijnde, begon hij het hoofd met eene ongeloofelijke vlugheid rechts en links te draaien, evenals de clown in de pantomimes, als hij uit den dop of uit een zak te voorschijn komt. Jufvrouw Fotheringay schudde van lachen; zij kon om eene enkele beweging van Foker in den lach schieten, terwijl de bitterste spotternij van Bows haar geen glimlach ontlokte en de mooiste toespraak van Pen haar slechts in de war bracht. Toen de arlekinade afgeloopen was, liet Foker zich op ééne knie zakken en kuste haar de hand. „Gij zijt het potsierlijkste kereltje, dat ik ooit gezien heb,” sprak zij en gaf hem schertsend een tikje. Pen beefde als hij hare hand kuste en zou het van een tikje bestorven zijn.

Na deze inleiding begon het drietal te praten, waarbij Foker hen vermaakte door hun de nederlaag van Garbetts, welke hij bijgewoond had, te beschrijven, waardoor zij voor het eerst vernamen hoe ver de Generaal zijne wraakzucht tegen majoor Pendennis gedreven had. Foker betoogde in de sterkste bewoordingen, dat de majoor een waarheidlievend man en een man van eer was, en beschreef hem als een eersten piet, die in de voornaamste kringen verkeerde en zich tot geen bedrog verlagen zou, en wel het allerminst ten aanzien van zulk eene betooverende jonge dame als jufvrouw Foth.

Met kieschheid gleed hij over de teedere huwelijks-questie heen, ofschoon hij tegen wil en dank liet doorschemeren, dat hij van Pen geen groote gedachten had. Hij koesterde ook werkelijk eene misschien niet ongegronde minachting voor Pen’s hoog opgeschroefde sentimentaliteit, daar hij meende van zijn kant aan dat euvel niet mank te gaan.

„Ik wist, dat het niet gaan zou, jufvrouw Foth,” zeide hij en knikte met het kleine hoofdje. „Het kon niet gaan! Ik wilde er mij niet mede bemoeien, maar ik wist, dat er niets van komen zou. Hij is te jong en te groen voor u, veel te groen, en hij blijkt bovendien arm als job te zijn. Gij kunt hem voor geen prijs krijgen, – niet waar, mijnheer Bows?”

„En toch is het een aardige jongen,” zeide jufvrouw Fotheringay tamelijk treurig.

„Een arme bedelaar!” zeide Bows met de handen in zijne zakken en een zonderlingen blik op jufvrouw Fotheringay. Misschien dacht hij met verwondering na over de wijze, waarop de vrouwen met de mannen spelen, hun hoop geven en aan zich kluisteren en dan weer verstooten.

Doch mijnheer Bows maakte niet het minste bezwaar, om te erkennen, dat jufvrouw Fotheringay zeer goed handelde met mijnheer Arthur Pendennis te laten loopen en dat het huwelijk, zijns inziens, eene dwaasheid zou geweest zijn en jufvrouw Costigan bekende, dat zij er zelve zoo over gedacht had, maar dat zij geen twee duizend pond ’s jaars van de hand had kunnen wijzen. „Alles komt daarvan, dat papa allerlei dwaze praatjes gelooft,” sprak zij; „nu, ik beloof u, dat ik een andermaal voor mij zelve zal kiezen,” en hoogst waarschijnlijk kwam op dat oogenblik de zwaarlijvige beeltenis van luitenant Sir Derby Oaks haar voor den geest.

Na majoor Pendennis geprezen te hebben, dien jufvrouw Costigan van top tot teen voor een echt gentleman verklaarde, die naar lavendel rook en door een ringetje kon gehaald worden, terwijl hij, naar het oordeel van Bows, een goede kerel was, ofschoon wel een beetje te veel een oude fat, kwam mijnheer Foker plotseling op den inval om beiden uit te noodigen tot een diner nog dien zelfden avond op zijne kamer in den George, waar zij den majoor zouden ontmoeten. „Hij heeft beloofd hij mij te komen dineeren, en ik geloof, dat het – na de kleine onaangenaamheid van heden morgen, waarbij ik moet zeggen, dat de Generaal ongelijk had – niet anders dan beleefd zou zijn, begrijpt ge? Ik weet dat de majoor op u verliefd is, jufvrouw Foth: hij heeft het mij zelf gezegd.”

„Zoodat ze toch nog mevrouw Pendennis kan worden,” zeide Bows spottend. „Neen, ik dank u, mijnheer F., – ik heb reeds gegeten.”

„Ja, maar dat was om drie uur,” zeide jufvrouw Costigan, die een gezegenden eetlust bezat, „en zonder u kan ik niet gaan.”

„Wij zullen kreeftensalade en champagne hebben,” zeide het kleine monster, dat geen regel latijn kon construeeren en geen som kon maken, die hooger ging dan de regel van drieën. Nu zou jufvrouw Costigan om kreeftensalade en champagne – altijd in eer en deugd – een uur ver geloopen zijn, en zoo zat dan majoor Pendennis ten zeven uur inderdaad te dineeren in gezelschap van mijnheer Bows, een speelman van beroep, en jufvrouw Costigan, wier vader hem slechts weinige uren geleden voor den kop had willen schieten.

Om de kroon op het genoeglijk samenzijn te zetten, zond mijnheer Foker, die de plaatsen kende waar Costigan zich het liefst ophield, zijn knecht „Domkop” naar de club in de Ekster (waar de Generaal bezig was een roerend lied te zingen), om hem ook aan het maal te noodigen. Dat hij zijne dochter en Bows aan den disch gezeten vond, mocht waarlijk wel eene verrassing heeten. Majoor Pendennis lachte en stak hartelijk zijne hand uit, die de Generaal avec effusion, zooals de Franschen zeggen, greep. Eigenlijk was hij al aardig beschonken en had hij reeds bij zijne eigen liederen gehuild, eer hij zich bij het gezelschapje in den George voegde. Hij barstte gedurende den maaltijd meer dan eens in tranen los en noemde den majoor zijn dierbaarsten vriend. Domkop en Foker brachten hem thuis, terwijl de majoor op galante wijze den arm aan jufvrouw Costigan gaf. Hij werd met groote voorkomendheid ontvangen, toen hij den volgenden dag een bezoek kwam afleggen, bij welke gelegenheid de beide heeren elkander met beleefdheden overlaadden. Bij het afscheidnemen gaf de majoor zijn vurigen wensch te kennen om jufvrouw Costigan zoo mogelijk van dienst te zijn, terwijl hij hartelijk en dankbaar mijnheer Foker’s hand schudde en verklaarde, dat die heer hem den grootst mogelijken dienst had bewezen.

„Goed zoo!” antwoordde mijnheer Foker, waarop zij met een wederkeerig gevoel van achting van elkander scheidden.

Toen majoor Pendennis den volgenden dag op Fairoaks terugkwam, vertelde hij niet wat er den vorigen avond gebeurd was, evenmin als hij van het gezelschap gewaagde, waarin hij dien avond had doorgebracht. Maar hij noodigde mijnheer Smirke uit om te blijven eten; en iemand, die zijne manieren kende, zou ongetwijfeld, als hij er bij was geweest, opgemerkt hebben, dat er in zijne vroolijkheid en spraakzaamheid iets gedwongens was en dat hij zich ongemeen voorkomend en oplettend gedroeg als hij met zijn neef sprak. Hij wenschte Pen op de nadrukkelijkste wijze „eene aangename nachtrust,” toen de knaap zich naar bed begaf: en toen hij van mevrouw Pendennis afscheid nam, was het alsof hij iets zeggen wilde; maar hij bedacht nog tijdig, dat hij, indien hij iets zeide, hare nachtrust bederven kon, en dus vergunde hij haar in vrede te gaan slapen.

Den volgenden morgen was hij vroeger dan naar gewoonte in de ontbijtkamer, waar hij iedereen met bijzondere hartelijkheid verwelkomde. Doorgaans kwam de post tegen het einde van het ontbijt aan. Toen John, de oude bediende, binnentrad en de brieven en nieuwsbladen uit den brievenzak uitstortte, keek de majoor strak naar Pen, toen de knaap de zijne kreeg. Arthur bloosde en legde zijn brief neer. Hij kende de hand, die van den ouden Costigan, en wilde het geschrift niet in het bijzijn van de anderen lezen. Majoor Pendennis kende den brief ook: hij had hem den vorigen dag zelf te Chatteries op de post gedaan.

Hij zeide tegen de kleine Laura, dat zij moest heengaan, hetgeen het kind dadelijk deed, want zij had een onoverwinnelijken afkeer van hem; en zoodra de deur achter haar gesloten was, nam hij de hand van mevrouw Pendennis en wees haar met een veelbeteekenenden blik op den brief onder de courant, die Pen veinsde te lezen. „Gaat ge mee naar de zitkamer?” vroeg hij. „Ik moet u spreken.” En daarop volgde zij hem vol verwondering in de vestibule.

„Wat is er?” vroeg zij gejaagd

„De zaak is uit,” antwoordde majoor Pendennis. „Hij heeft daar een brief, die hem zijn afscheid geeft. Ik zelf heb het schrijven gedicteerd. Er zijn eenige regelen van de dame bij, om hem vaarwel te zeggen. Het is alles uit.”

Helena snelde naar de eetzaal terug, door haar broeder op den voet gevolgd. Pen had zich, zoodra zij weg waren, op zijn brief geworpen dien met stomme verbazing gelezen. Het schrijven behelsde wat de majoor gezegd had, namelijk, dat mijnheer Costigan gevoelig was voor de vriendelijkheid, waarmee Arthur zijne dochter had behandeld, doch dat hij thans eerst op de hoogte van de geldelijke omstandigheden van mijnheer Pendennis was gekomen; en deze waren van dien aard, dat van een huwelijk voor het oogenblik geen sprake kon zijn, terwijl het ook, uit aanmerking van het groote verschil tusschen beider leeftijd, voor het vervolg eene onmogelijkheid zou wezen. In dezen stand van zaken zeide mijnheer Costigan, hoewel met het diepste leedwezen en met een waar gevoel van hoogachting, Arthur vaarwel, waarbij hij hem een wenk gaf, dat hij, althans een tijdlang, zijne bezoeken zou staken.

Er lagen eenige regelen van jufvrouw Costigan in. Zij berustte in het besluit van haar papa, en herinnerde, dat zij verscheidene jaren meer dan Arthur telde, zoodat er aan geen engagement te denken was. Zij zou hem altijd erkentelijk blijven voor de welwillendheid, die hij haar bewezen had, en hoopte zijne vriendschap te mogen behouden. Doch voor het oogenblik, en tot het pijnlijke gevoel der scheiding zou uitgewischt zijn, wenschte zij, dat zij elkander niet meer ontmoeten zouden.

Pen las Costigan’s brief en de ingesloten letteren werktuiglijk door, bijna onbewust van wat hij onder de oogen had. Woest keek hij op en zag hoe zijne moeder en zijn oom hem met meewarige blikken aanstaarden. Uit Helena’s oogen voorzeker sprak de teederste moederlijke bezorgdheid.

„Wat – wat is dat?” vroeg Pen. „Dit is eene aardigheid. Het is haar schrift niet. Dit is het schrift van eene keukenmeid. Wie steekt aldus den draak met mij?”

„Dit briefje was in de enveloppe van haar vader gesloten” zeide de majoor. „De briefjes, die gij vroeger van haar ontvangen hebt, waren niet van hare hand – dit wel.”

„Hoe weet gij dat?” vroeg Pen barsch.

„Ik heb het haar zien schrijven,” antwoordde zijn oom. Op die woorden stoof de jongen op en zijne moeder trad vooruit en greep zijne hand, maar hij duwde haar terug.

„Hoe zijt gij bij haar gekomen? Hoe hebt gij u tusschen mij en haar gesteld? Waarmee heb ik dit aan u verdiend? Neen, het is niet waar, het is niet waar!” gilde Pen uit, met een woesten vloek. „Zij kan dit niet uit eigen beweging gedaan hebben! Zij kan het niet meenen! Zij heeft mij haar jawoord gegeven. Wie heeft haar leugens op de mouw gespeld, om haar met mij te doen breken?”

„Leugens zijn in onze familie niet gebruikelijk, Arthur,” gaf majoor Pendennis ten antwoord. „Ik heb de waarheid verteld, namelijk, dat hij geen geld bezat om haar te onderhouden; want haar dwaze vader had u als rijk afgeschilderd. En toen zij vernam hoe arm gij waart, zag zij dadelijk van u af, zonder dat ik haar behoefde te overreden. En zij had volkomen gelijk. Zij is tien jaar ouder dan gij. Zij is geheel ongeschikt om uwe vrouw te worden, en zij weet dat. Bekijk haar schrift eens, en vraag dan u zelven, of zulk eene vrouw de gezellin van uwe moeder kan zijn?”

„Ik wil van haar zelve vernemen of het waar is,” zeide Arthur, het papier ineenfrommelende.

„Wilt gij mij op mijn woord van eer niet gelooven? Hare brieven werden door eene vertrouwde vriendin geschreven, die beter schrijft dan zij – zie maar eens! Hier is een brief van die dame aan uw vriend mijnheer Foker. Gij hebt haar bij jufvrouw Costigan gezien, wie zij tot secretaris diende” – en bij die woorden, welke de majoor met een bijna onmerkbaren spot uitsprak, legde hij een briefje neder, dat Foker hem ter hand gesteld had.

„Dat is het niet,” zeide Pen, van schaamte en ergernis gloeiend. „Ik wil wel aannemen, mijnheer, dat het waar is wat gij zegt, maar ik wil het uit haar eigen mond hooren.”

„Arthur!” sprak zijne moeder op smeekenden toon.

„Ik wil haar zien,” hernam Arthur. „Ik zal haar nogmaals vragen, of zij mij trouwen wil. Dat zal ik. En niemand zal mij dat beletten.”

„Wat? eene vrouw, die genegenheid met twee ee’s en eene t schrijft? Onzin, vriendje. Wees man, en herinner u, dat uwe moeder eene dame is. Zij is nooit bestemd geweest om op gelijken voet met dien beschonken ouden oplichter of zijne dochter te verkeeren. Wees man en vergeet haar, gelijk zij u vergeet!”

„Wees man en strek uwe moeder tot steun, lieve Arthur,” zeide Helena, terwijl zij naar hem toe ging en hem omhelsde; en daar majoor Pendennis zag, dat beiden diep ontroerd waren, verliet hij het vertrek en sloot de deur achter zich, daar hij met recht oordeelde, dat het best zou zijn hen alleen te laten.

Hij had eene volkomen overwinning behaald. Hij had zelfs Pen’s brieven in zijn valies uit Chatteries meegebracht, en, toen Costigan ze teruggaf, dien heer verblijd met de teruggave van eene kleine schuldbekentenis, welke hem en mijnheer Garbetts van alle verdere bezorgdheid onthief en die de majoor van den heer Tatham gekocht had.

Pen snelde dien dag in eene woeste vlaag naar Chatteries, doch deed vergeefsche pogingen om jufvrouw Costigan te spreken, voor wie hij dus een brief, ingesloten in een schrijven aan haar vader, achterliet. Mijnheer Costigan zond den ingesloten brief terug, met verzoek, dat alle briefwisseling zou ophouden; en na nog een paar verdere pogingen van den knaap, verklaarde de Generaal, dat er een einde aan hunne kennismaking moest komen. Hij liep Pen op straat voorbij, alsof hij hem niet kende. Op zekeren dag toen Arthur en Foker de Kasteellaan op en neer wandelden, kwamen zij Emily aan den arm van haar vader tegen. Zij ging zonder een knikje van herkenning verder, en Foker voelde, dat de beklagenswaardige Pen aan zijn arm sidderde.

Zijn oom wenschte, dat hij eene reis zou doen en die streek voor eenigen tijd verlaten, en zijne moeder drong er ook op aan, want hij viel af en scheen zwaar te lijden. Maar hij weigerde en zeide ronduit, dat hij niet wilde heengaan. In dit geval was hij niet voornemens te gehoorzamen, en zijne moeder was te veel verteederd en zijn oom te verstandig om hem te dwingen. Telkens als jufvrouw Fotheringay speelde, reed hij naar Chatteries om haar te zien. Op zekeren avond waren er zoo weinig menschen in de zaal, dat de regisseur het geld liet teruggeven. Pen kwam thuis en ging ten acht uur met de koorts naar bed. „Als dat zoo doorgaat,” dacht de majoor in eene wanhopige stemming, „gaat zijne moeder het meisje nog halen.” En Pen van zijn kant dacht, dat hij zou gaan sterven. Wij zullen zijne gevoelens niet beschrijven, noch een vervelend dagboek van zijne wanhoop en zijn hartstocht meedeelen. Zijn er ook niet andere heeren, buiten Pen, in hunne liefde gedwarsboomd? Ja, waarlijk; doch zeer weinigen sterven aan die ziekte.

VEERTIENDE HOOFDSTUK.

WAARIN JUFVROUW FOTHERINGAY EEN NIEUW ENGAGEMENT SLUIT.

Kort na de hiervoren vermelde gebeurtenissen trad de regisseur Bingley in zijne beroemde rol van Rolla in Pizarro voor eene zoo buitengemeen dun bezette zaal op, dat men bijna tot de gevolgtrekking zou gekomen zijn, dat die rol op verre na zoo gunstig niet bij de bevolking van Chatteries aangeschreven stond als bij den acteur zelven. Er was schier niemand in den schouwburg. De arme Pen kon over bijna al de loges beschikken en zat daar eenzaam en met roode oogen over den rand te leunen en als wezenloos naar het tooneel te staren, toen Cora opkwam. Als zij niet op de planken was, zag hij niets. Spanjaarden en Peruanen, optochten en gevechten, priesters en zonnemaagden verschenen en verdwenen en redeneerden met elkander, zonder dat Arthur eenigszins acht op hen sloeg; hij zag alleen Cora, naar wie hij zuchtte. Later verklaarde hij, dat het hem verwonderde, dat hij geen pistool meegenomen en haar doodgeschoten had, zoo dol was hij van liefde, woede en wanhoop, en wie weet of hij, zonder zijne moeder thuis, met wie hij over zijn rampspoed sprak, maar wier stille deelneming en meewarigheid den eenvoudigen knaap, wiens hart half gebroken was, staande hield, niet tot een wanhopigen stap zou gekomen zijn en zijn leven ontijdig op het voorplein der gevangenis van Chatteries zou geëindigd hebben? Daar zat hij dan nu in zijne ellende naar haar te staren, maar zij sloeg even weinig acht op hem, als hij op de overige toeschouwers.

Jufvrouw Fotheringay zag er ongemeen lieftallig uit, in een wit gewaad en een luipaardsvel, met eene zon op hare borst en opzichtige prulbraceletten aan hare fraaie blanke armen. Heerlijk declameerde zij de weinige woorden van hare rol, en haar voorkomen beantwoordde er nog beter aan. Die oogen, die Pen bekoord hadden, rolden en blonken even schitterend als altijd; maar het was niet naar hem, dat zij zich dezen avond richtten. Hij wist niet op wien zij het gemunt hadden, en merkte het tweetal heeren in de loge naast de zijne niet op, waar de blikken van jufvrouw Fotheringay aanhoudend heengingen.

Evenmin was aan Pen de ongeloofelijke verandering in het oog vallen, die er, kort na de verschijning van die twee heeren in den schouwburg, op het tooneel had plaats gehad. Er was zoo weinig publiek in de zaal, dat het eerste bedrijf van het stuk zich lusteloos voortsleepte, en zelfs was er sprake van geweest om het geld terug te geven, evenals op dien ongelukkigen avond toen de arme Pen weggedreven werd. De acteurs bekommerden zich volstrekt niet om hunne rol, geeuwden onder hunne samenspraken en praatten in de pauzen hardop tegen elkander. Zelfs Bingley was zonder lust en mevrouw B., als Elvira, sprak zoo zacht, dat men haar bijna niet verstaan kon.

Vanwaar kwam het, dat mevrouw Bingley plotseling hare stem verhief en begon te bulken als de ossen van Bazan? vanwaar, dat Bingley, zijne lusteloosheid afschuddende, als een Kean over het tooneel vloog en gilde? Waarom gaven Garbetts en Rowkins en jufvrouw Rouncy zich zooveel moeite om hun talent of bevalligheid ten toon te spreiden, en waarom speelden, gesticuleerden, keken en declameerden zij zoo luid, met het oog op de twee heeren in loge Nº. 3?

De een was een stil mannetje in het zwart, met een grijs hoofd en een opgeruimd, slim gezicht. De ander was in alle opzichten een in het oog loopend en opmerkelijk persoon. Het was een rijzig en zwaarlijvig heer met een haviksneus en een overvloed van bruin krulhaar en bakkebaarden. Zijne jas was rijk met lussen en fluweel versierd. Hij droeg een fraai vest, schitterende ringen, eene juweelen speld, en een horlogeketting om den hals. Toen hij met de eene hand, in een witten glacéhandschoen gestoken, zijn gelen zakdoek uithaalde, verspreidde zich een heerlijke geur van muskus en bergamot door de zaal. Het was blijkbaar een heer van hoogen stand, en het kleine tooneelgezelschap van Chatteries speelde voornamelijk om hem te behagen. Het was, om kort te gaan, niemand anders dan mijnheer Dolphin, de groote Londensche tooneeldirecteur, vergezeld van zijn trouwen vriend en secretaris, mijnheer William Minns, zonder wien hij nooit op reis ging. Hij was nog geen tien minuten in den schouwburg, of zijne hooge tegenwoordigheid werd door Bingley en de overigen ontdekt, waarop allen om het mooist begonnen te spelen en zijne aandacht poogden te trekken. Zelfs jufvrouw Fotheringay’s koel hart, dat anders door niets van streek werd gebracht, begon misschien een weinig te kloppen, toen zij voor den beroemden Londenschen directeur optrad. Zij behoefde in hare rol niet veel anders te doen dan er bekoorlijk uit te zien en in eene schilderachtige houding te staan, terwijl zij haar kind omvatte; en deze taak volbracht zij op eene bewonderenswaardige wijze. Tevergeefs poogden de verschillende acteurs den bijval van den grooten tooneel-sultan te verwerven. Pizarro kon hem geen teeken van aanmoediging afpersen. Bingley bulkte en mevrouw Bingley gilde, maar de directeur nam slechts een snuifje uit zijne groote gouden doos. Eerst bij het laatste tooneel, als Rolla waggelend opkomt met het kind (Bingley is zoo sterk niet meer als vroeger, en zijn vierde zoontje, de jonge heer Talma Bingley, is een monsterachtig dik kind voor zijn leeftijd), als Rolla waggelend met het kind naar Cora komt, die met een gil toespringt en uitroept: „O God, hij is bebloed!” – eerst toen klapte de Londensche directeur in de handen en barstte in luide bravo’s uit.

Toen mijnheer Dolphin met zijne toejuiching klaar was, tikte hij zijn secretaris op den schouder en zeide: „Bij den hemel, Billy, wij zullen haar kunnen gebruiken!”

„Wie heeft haar dat kunstje geleerd?” vroeg Billy, een satiriek oud heertje; „ik herinner mij, haar in den Olympischen schouwburg gezien te hebben, en ik laat mij hangen als zij eene a voor eene b kende.”

Mijnheer Bows in het orkest was het, die haar dat „kunstje” geleerd had. Het gansche tooneelgezelschap hoorde de toejuiching en schaarde zich, toen de gordijn gevallen was, rondom jufvrouw Fotheringay om haar geluk te wenschen en haar te benijden.

Dat mijnheer Dolphin in den kleinen schouwburg van het afgelegene Chatteries verscheen, had de volgende oorzaak. In weerwil van al zijne inspanningen, in weerwil van de aanhoudende triomfkreten, van de uitgelezen sujetten, van de zegepralen van het echt oude Engelsche tooneel, welke zijne aanplakbiljetten verkondigden, verkeerde zijn schouwburg (dien wij, met uw welnemen, om niemands gevoeligheid noch belangen te kwetsen, het Museum Theater zullen noemen) in gansch geen bloeienden toestand, en de beroemde directeur stond aan den rand van den ondergang. De groote Hubbard had twintig avonden in deftige drama’s gespeeld en niemand had er voordeel van gehad dan hij zelf; de vermaarde mijnheer en mevrouw Cawdor waren in het treurspel van mijnheer Rawhead en met hun eigen geliefkoosd repertoire opgetreden en hadden geen publiek getrokken. De Duitsche Herr Garbage had met zijne leeuwen en tijgers een korten tijd opgang gemaakt, totdat een der dieren een stuk uit den schouder van den „Herr” gebeten had, waarop de lord-kamerheer er zich mee bemoeide en een einde aan deze soort van vertooningen maakte. En het groote lyrische drama, ofschoon met ongeëvenaarde pracht en bijval opgevoerd, met monsieur Poumons als eersten tenor en een ontzaglijk orkest, had op zijn zegetocht den armen Dolphin bijna verpletterd; zoodat zijn genie en zijn vermogen, hoe groot beiden ook waren geweest, uitgeput schenen. Hij sleepte zich met halve salarissen, kleine opera’s, onbeduidende oude blijspelen en zijn corps de ballet treurig door het overige van het seizoen voort, en iedereen verwachtte hem den eenen of anderen dag in de lijst der bankroetiers in de Gazette vermeld te zien.

Een heer, wiens naam in een vroeger verhaal [4] voorkomt, de ervaren kunstbeschermer en verlichte voorstander van de muziek en het drama, de hooggeboren heer markies van Steyne, behoorde onder de voorname vrienden van het Museum Theater en bezat daar eene groote tooneelloge. Ten gevolge zijner drukke werkzaamheden op staatkundig gebied kon zijn lordschap niet dikwijls en dan nog niet vroeg in den schouwburg komen. Doch bij wijlen kwam hij tijdig genoeg voor het ballet, en altijd werd hij met het grootste ontzag door den directeur bejegend, van wien hij zich soms verwaardigde een bezoek in zijne loge te ontvangen. Die loge had gemeenschap met het tooneel, en als er iets gebeurde, dat hem bijzonder behaagde, wanneer hij een nieuw gezichtje onder de koristen ontdekte, of als eene schoone danseres hare passen buitengemeen bevallig of vlug uitvoerde, werd mijnheer Wenham, mijnheer Wagg of een ander adjudant van den markies achter de coulissen gezonden, om de goedkeuring van den grooten man kenbaar te maken of de vragen te doen, waartoe zijn lordschaps nieuwsgierigheid, of belangstelling in de dramatische kunst, aanleiding gaf. De toeschouwers konden Lord Steyne niet zien, want hij zat zedig achter eene gordijn en keek alleen naar het tooneel, – maar dat hij aanwezig was, kon men zien aan de blikken, die het geheele corps de ballet en de voornaamste danseressen naar zijne loge wierpen. Zoo heb ik, bij voorbeeld, bij den palmendans in het ballet van „Cook op Otaheite,” waarin niet minder dan honderd twintig mooie wilde meisjes met palmtakken en voorschootjes van veeren rondom Floridor als kapitein Cook moeten dansen, vele dozijnen oogen naar die loge zien lonken, terwijl zij er vóór dansten, en dikwijls heb ik mij verbaasd over de tegenwoordigheid van geest van mademoiselle Sauterelle, of mademoiselle de Bondi, bijgenaamd la petite Caoutchouc, die, terwijl zij al volants in de lucht zweefden, altijd met hare mooie oogen naar de loge, waar de groote Steyne zat, bleven lonken. Nu en dan hoorde men eene krassende stem achter de gordijn: „Brava! brava!” roepen, of zag men een paar witte handschoenen daaruit te voorschijn komen, die een aanvang maakten met het applaudissement. Wanneer Bondi of Sauterelle weer op den grond kwamen, nijgden en glimlachten zij inzonderheid voor die handen, eer zij weer hijgend en verheugd naar hare plaatsen op het tooneel terugkeerden.

Op zekeren avond zat deze groote man dan met eenige uitverkoren vrienden in zijne loge in het Museum Theater, waar zij zooveel gedruis maakten en zoo luid lachten, dat het parterre zich begon te ergeren en vele verontwaardigde stemmen zoo gebiedend: „Stilte!” riepen, dat Wagg zich verwonderde, dat de politie die rumoermakers niet naar buiten bracht. Wenham vermaakte het gezelschap in de loge met uittreksels uit een brief, dien hij van majoor Pendennis ontvangen had, wiens uitstapje naar het platteland in het midden van het Londensche seizoen door zijne vrienden opgemerkt en natuurlijk betreurd was.

„Het geheim is ontdekt,” zeide mijnheer Wenham, „er is eene vrouw in het spel.”

„Wel verd –, Wenham, hij is van uw leeftijd!” zeide de heer achter de gordijn.

„Pour les âmes bien nées, l’amour ne compte pas le nombre des années,” antwoordde mijnheer Wenham heel galant. „Ik hoop, wat mij betreft, er een slachtoffer van te blijven tot aan mijn dood en mijn hart geregeld eens in het jaar te breken.” Hetgeen eigenlijk met andere woorden zeggen wilde: „Mylord, daar moest gij niet van spreken; ik ben drie jaar jonger dan gij, en tweemaal zoo goed geconserveerd.”

„Wenham, gij roert mij,” zeide de groote man met een zijner gebruikelijke vloeken. „Bij den –, dat doet gij! Ik mag het wel, dat iemand al de illusiën der jeugd tot op uw leeftijd behoudt, en dat zijn hart zoo warm blijft als het uwe. Wel voor den –, mijnheer, het is mij een genoegen zulk een edelaardig, onschuldig schepsel aan te treffen. – Wie is die meid daar in de tweede rij, met de blauwe linten, de derde van het tooneel – mooie meid! Ja, gij en ik, wij zijn sentimenteele kerels. Wagg, geloof ik, geeft er niet veel om – gij geeft meer om uwe maag dan om uw hart, Wagg, – niet waar, mijn jongen?”

„Ik houd van alles wat lekker is,” antwoordde Wagg onbewimpeld. „Belles en Bourgogne, Venus en vogels. Ik zal niet zeggen, dat de tortelduiven van Genus te verachten zijn, omdat men ze in de London Tavern niet gebraden kan krijgen; maar – maar vertel ons eens alles van den ouden Pendennis, mijnheer Wenham,” eindigde hij plotseling, – want zijne aardigheid viel in het water, daar hij zag, dat zijn beschermheer niet luisterde. Steyne had zijn kijker voor de oogen en keek naar iets op het tooneel.

„Ja wel, ik heb die aardigheid over de tortelduiven van Venusen en de London Tavern al meer gehoord – gij begint af te takelen, arme Wagg. Als gij niet oppast zal ik een anderen hofnar moeten zoeken,” zeide Lord Steyne, terwijl hij zijn kijker neerlegde, „Ga voort, Wenham, met hetgeen den ouden Pendennis betreft.”

„Waarde Wenham,” – zoo begint hij, las mijnheer Wenham, – „daar mijn goede naam sinds de drie laatste weken in uwe handen overgeleverd is geweest en gij mij ongetwijfeld volgens uwe gewoonte naar hartelust over den hekel hebt gehaald, zoudt gij tot afwisseling wel eens hulpvaardig kunnen zijn en mij een dienst bewijzen. Het betreft eene kiesche zaak, – entre nous, une affaire de coeur. Een jong vriend van mij is dol verliefd geraakt op zekere jufvrouw Fotheringay, eene actrice van den schouwburg alhier, die, ik beken het, eene zoo schoone vrouw is als men ergens zien kan en die, naar mijn oordeel, zoo goed speelt als de beste actrice, die zich ooit blankette. Zij speelt Ophelia, Lady Teazle, Mevrouw Haller en zulke rollen. Zij doet zich, op mijn woord, zoo goed voor als Georges in haar besten tijd, en munt, voor zooveel ik het beoordeelen kan, verre uit boven alles wat wij op ons tooneel hebben. Ik zou een engagement te Londen voor haar wenschen. Kunt gij uw vriend Dolphin niet bewegen haar eens te komen zien, – haar te engageeren, – haar van hier weg te halen? Een enkel woord van een voornaam vriend van ons (gij weet wel wien ik meen) zou alles afdoen, en indien gij den heer van Gaunt House op mijne hand kondt krijgen, zou ik tot elken wederdienst bereid zijn, want gij zoudt mij den grootsten dienst bewijzen, die mogelijk is. Kom, bewijs me, dat gij een best mensch zijt, zooals ik altijd gezegd heb, en beschik wederkeerig over uw toegenegen

A. Pendennis.”

„Die zaak is heel duidelijk,” zeide mijnheer Wenham, toen hij den brief uitgelezen had; „de oude Pendennis is verliefd.”

„En wil die vrouw te Londen hebben – dat is zoo klaar als de zon,” merkte mijnheer Wagg aan.

„Ik wou Pendennis, met zijne rheumatiek, wel eens op de knieën zien liggen,” hernam mijnheer Wenham.

„Of hem het voorwerp zijner liefde eene lok van zijn haar zien vereeren,” vervolgde Wagg.

„Gekheid,” zeide de groote man. „Heeft hij niet familie op het land? Hij heeft ons gesproken van een neef, die veel invloed kon uitoefenen op de verkiezing van een parlementslid. Let er eens op: het zal iets met dien neef zijn. Die jongen zit in ongelegenheid. Het is mij ook overkomen – ik zat te Eton in de vijfde klasse – dochter van een groenteboer – en zwoer, dat ik haar trouwen zou. Ik was smoorlijk op haar verliefd – arme Polly!” Hier hield hij op, en misschien rees het verledene Lord Steyne voor den geest en was George Gaunt weer een knaap en nog niet geheel verloren. „Het moet, naar het verslag van Pendennis, eene mooie vrouw zijn. Roep Dolphin eens, en laten wij hooren of hij iets van haar weet.”

Op die woorden vloog Wenham de loge uit, snelde den bediende voorbij, die aan de deur, welke met het tooneel gemeenschap had, op wacht stond en mijnheer Wenham met den diepsten eerbied groette, en had weinig moeite, daar hij op die plaats gemeenzaam bekend was, om den directeur te vinden, die bezig was, gelijk wel meer gebeurde, tegen de dames van het corps de ballet te razen en te vloeken, omdat zij haar plicht niet gedaan hadden.

De vloeken verstierven op Dolphin’s lippen, zoodra hij Wenham zag, en hij trok de vuist terug, waarmede hij eene der nalatige koristen dreigde, om de hand van den nieuwaangekomene te drukken. „Hoe vaart ge, mijnheer Wenham? Hoe gaat het heden avond met mylord? Hij ziet er bijzonder goed uit,” zeide de directeur met een lachje, alsof hij nooit uit zijn humeur was geweest, waarop hij met het grootste genoegen Lord Steyne’s ambassadeur volgde, om zijne opwachting bij den grooten man te maken.

De tocht naar Chatteries was het gevolg van dat gesprek, en mijnheer Dolphin schreef uit de stad aan mylord, dat hij zich de eer gaf den markies van Steyne te verwittigen, dat hij de dame gezien had, van wie mylord had gesproken, dat hij evenzeer door hare talenten als door haar voorkomen getroffen was, en dat hij een engagement met jufvrouw Fotheringay had gesloten, die weldra de eer zou hebben voor het Londensche publiek en voor zijn edelen en verlichten beschermer, den markies van Steyne, op te treden.

Pen las het bericht van jufvrouw Fotheringay’s nieuw engagement in het blad van Chatteries, waarin hij zoo dikwijls hare bekoorlijkheden bezongen had. De redacteur sprak met lof van haar talent en hare schoonheid en voorspelde haar eene schitterende toekomst in de hoofdstad. Bingley, de regisseur, begon te adverteeren: „De laatste avond van jufvrouw Fotheringay’s engagement.” De arme Pen en Sir Derby Oaks waren trouwe bezoekers van den schouwburg, – Sir Derby in de tooneelloge, waaruit hij ruikers wierp en waarin hij lonkjes ontving, en Pen in de bijna ledige loges, verbijsterd, rampzalig en eenzaam. Buiten die twee bekommerde niemand er zich om, of jufvrouw Fotheringay ging of bleef – of wèl misschien nog iemand, te weten, mijnheer Bows in het orkest.

Bows verliet op zekeren avond die plaats en begaf zich naar de loge, waar Pen zat, dien hij de hand toereikte en verzocht naar buiten te komen en met hem mee te wandelen. Zij liepen al pratende de straat op, en gingen in het maanlicht op de brug van Chatteries zitten en spraken over haar. „Wij mogen wel op dezelfde brug zitten,” sprak Bows, „want wij hebben lang in dezelfde schuit gevaren. Gij zijt niet de eenige man, wiens hoofd door die vrouw op hol is gebracht. En ik ben minder te verontschuldigen dan gij, omdat ik ouder ben en haar beter ken. Zij heeft evenmin een hart als de steen, waartegen gij leunt; en die steen, of gij, of ik, zou in het water kunnen vallen en nooit weer boven kunnen komen, zonder dat zij er zich over bekommerde. Ja toch – zij zou zich om mij bekommeren, omdat zij mij voor haar onderricht noodig heeft; en zij zal zonder mij zich niet kunnen redden en genoodzaakt zijn uit Londen om mij te schrijven. Maar zij zou het niet doen, indien zij mij niet noodig had. Zij heeft geen hart en geen hoofd, geen begrip, geen gevoel, geen verdriet en geen zorg; – niets hoegenaamd! Ik had bijna gezegd, dat zij geen genoegen ook had – maar zij houdt van eten en het streelt haar als de menschen haar bewonderen.”

„En dat doet gij ook?” zeide Pen, zich zelven vergetende en verwonderd over het mismaakte, eenvoudige oude mannetje.

„Dat is eene gewoonte, evenals snuiven of borrels drinken,” gaf hij ten antwoord. „Ik bewonder haar sinds vijf jaar uit gewoonte en kan haar niet meer missen. Ik ben het, die haar gemaakt hebt tot hetgeen zij is. Als zij mij niet laat roepen, zal ik haar volgen; maar ik weet, dat zij mij ontbieden zal. Zij heeft mij noodig. Eenmaal zal zij trouwen en mij wegwerpen, zooals ik dit eindje sigaar doe!”

Het gloeiende vonkje viel in het water daar beneden en verdween, en toen Pen dien avond naar huis reed, dacht hij werkelijk nog aan iemand anders dan aan zich zelven.

VIJFTIENDE HOOFDSTUK.

HET GELUKKIGE DORP.

Zoolang de vijand niet geheel uit het gezicht der vesting teruggetrokken was, had majoor Pendennis besloten te Fairoaks garnizoen te blijven houden. Hij scheen Pen’s gedrag niet te bespieden, noch eenigen dwang op zijne handelingen uit te oefenen; maar desniettemin wist hij den knaap voortdurend onder zijn eigen oog, of dat zijner handlangers te houden, en alle gangen van den jongen Arthur waren diens waakzamen voogd ten volle bekend.

Vermoedelijk is er geen mensch, onder al degenen, die dezen of een anderen roman lezen, die niet vroeger of later door het lot, de omstandigheden, de valschheid eener vrouw, of eigen schuld, in zijne liefde gedwarsboomd is. Laat zoo iemand zich dan zijne eigen gemoedsstemming in dat geval voor den geest roepen en zich daardoor Pen’s zielesmart voorstellen. O, wat treurige nachten en koortsige uren! O, wat dolzinnige begeerten, die tegen de rots der onmogelijkheid of der onverschilligheid opgolfden en van het onwrikbare graniet afstuitten! Indien wij dezen zelfden nacht eene lijst konden opmaken van de jammerkreten en gedachten en verwenschingen van rusteloos ronddwalende minnaars te Londen, wat een catalogus zou dat niet zijn! Ik zou wel eens willen weten, hoeveel percent van de mannelijke bevolking des morgens ten twee of drie ure wakker liggen, de trage uren tellen, en zich onrustig, smachtend en wanhopig van de rechter- op de linkerzijde wentelen. Wat is het eene vlijmende smart! Wel heb ik nooit gehoord, dat een man bepaald van verliefdheid gestorven is, maar ik heb wel een man van 150 pond onder den druk eener ongelukkige liefde tot 110 pond zien inkrimpen, zoodat men kan zeggen, dat ongeveer een vierde gedeelte van hem verloren was gegaan, – wat inderdaad geen kleinigheid mag heeten. Later heeft hij echter zijne vroegere zwaarte herkregen; misschien is hij thans dikker dan ooit; zeer waarschijnlijk heeft eene nieuwe genegenheid zijn hart en zijne ribben omvat en deze op hun gemak gebracht, en de jonge Pen is een man, die zich, gelijk anderen, troosten zal. Wij zeggen dit, opdat de dames hem niet te voorbarig beklagen, noch zich ernstig ongerust maken over zijne ziekte. Zijne moeder was dat wèl, maar wat bestaat er, dat de moederliefde niet zou vreezen of zich inbeelden? „Wees zeker, mijne waardste,” zeide majoor Pendennis op galante wijze tegen haar, „dat de jongen er van zal opkomen. Zoodra wij haar weg hebben, zullen wij hem wel ergens heen brengen en hem een beetje van het leven laten zien. Wees intusschen gerust. De helft der smart, die men ondervindt wanneer men eene vrouw verliest, is eer een gevolg van ijdelheid dan van liefde. Door eene vrouw verlaten te zijn, is zeker verschrikkelijk; maar let eens op, hoe gemakkelijk wij haar verlaten.”

Mevrouw Pendennis wist niets daarvan. Deze soort van kennis was niet binnen den kring van de ondervinding dezer eenvoudige dame gevallen. Zij hield dan ook niet van dit onderwerp en sprak er liefst niet over; haar hart had zijne eigene kleine ramp gehad, had er zich boven verheven en was genezen; en misschien had zij niet veel medelijden met de verliefdheid van anderen, – natuurlijk die van Arthur uitgezonderd, met wiens lijden zij zich vereenzelvigde, – zoodat zij zeer waarschijnlijk bij de vele ongesteldheden en smarten van den knaap aanmerkelijk meer dan Pen zelf leed. In zijne tegenwoordige droefenis hield zij met ijverzuchtige en stille meewarigheid het oog op hem, ofschoon hij, gelijk wij reeds vermeld hebben, niet met haar sprak over zijn rampzaligen toestand.

Het verdient gezegd te worden, dat de majoor niet weinig talent en lijdzaamheid, en eene allerloffelijkste belangstelling voor zijne familie aan den dag legde. Het leven op Fairoaks moest onuitstaanbaar vervelend zijn voor een man, die tot de helft der huizen van Londen toegang had en gewoon was zich elken avond op drie of vier partijen te vertoonen. Nu en dan een diner met doctor Portman, of een landjonker uit den omtrek, en een lusteloos spelletje triktrak met de weduwe, – die alles in het werk stelde om hem aangenaam bezig te houden, – dit behoorde tot zijne voornaamste uitspanningen. Hij zag reikhalzend naar de komst van den brievenzak uit en las het avondblad van den eersten regel tot den laatsten. Vlijtig nam hij allerlei gezondheidsmaatregelen in acht, want hij meende, dat een stil leventje, gedurende eenigen tijd, hem nuttig zou zijn na de Londensche feestdagen. Elken morgen en middag kleedde hij zich met zorg, en nam hij geregelde beweging, door het terras op en neer te wandelen. Deze waardige en wereldsche wijsgeer vrijwaarde zich aldus met zijn wandelstok, zijn toilet, zijn medicijnkistje, zijn triktrakbord en zijn nieuwsblad tegen de verveling; en zoo majoor Pendennis niet, gelijk de bijen tegen den tuinmuur der weduwe, van elk zonnig uur partij trok, bracht hij uur op uur door, zooals hij het best vermocht, waardoor hij zich zijne ballingschap eventjes draaglijk maakte. Het trok de aandacht, dat hij na dit tijdperk zijns levens gaarne het gesprek op den Amerikaanschen oorlog, den moord van Wyoming en de schitterende bedrijven van Saint-Lucie bracht, waarvan de geheime oorzaak was, dat hij een paar deelen der Britsche Jaarboeken op zijne slaapkamer gevonden en vlijtig doorgelezen had. Aldus weet een man van geregelde levenswijze zich naar de omstandigheden te schikken en zich met een kalm gelaat boven het lot verheven te toonen.

Pen ging soms des avonds aan het triktrakbord zitten, of luisterde des zomeravonds naar de eenvoudige muziek, die zijne moeder maakte, – maar hij was, in weerwil van dit alles, gejaagd en ellendig. Men zag hem zelfs vóór het aanbreken van den dag opstaan en naar een karpervijver in Clavering Park gaan, een somber water met ontelbare ruischende rietstengels en elzeboomen, waar eene melkmeid zich ten tijde van den grootvader van den baronet verdronken had en haar geest, naar men zeide, nog spookte. Maar Pen verdronk zich niet, waarvoor zijne moeder misschien bang was. Hij ging daar gaarne visschen en op zijn gemak peinzen, terwijl de dobber in de kleine kringetjes van den vijver op en neer danste en de visschen er rondom sprongen. Als hij beet kreeg, was hij zeer opgetogen, en op die wijze bracht hij meer dan eens karpers, zeelten en palingen thuis, die de majoor op de wijze, gelijk op het vasteland gebruikelijk was, toebereidde.

Bij dien vijver, en onder een boom, die zijn geliefkoosd toevluchtsoord was, vervaardigde Pen een aantal verzen, op zijne omstandigheden toepasselijk – verzen, waarover hij in later tijd bloosde, daar hij zich verwonderen moest, dat hij ooit zulke wartaal voor den dag had kunnen brengen. En wat dien boom aangaat – wel, het is in eene holte van dien zelfden boom, waar hij zijn tinnen doosje met wormen en andere vischbehoeften neerzette, dat hij later – doch wij zijn voorbarig! Genoeg voor het oogenblik, dat hij verzen schreef en daarbij veel verlichting vond. Wanneer iemands verdriet of hartstocht van dien aard is, dan moge hij zijne smart luid ontboezemen, maar zij is niet erg. Wanneer een heer zijn brein foltert, om op hemel een ander rijmwoord te vinden dan gewemel en kemel, dan is zijn verdriet dichter bij het einde dan hij zelf weet. En zoo was het ook met Pen. Hij had zijne heete en koude koorts, zijne dagen van neerslachtigheid of knorrigheid en doffe gelatenheid of wanhoop, en tusschenbeide dolle vlagen van woede en verlangen, waarin hij Rebecca zadelde en als een dolleman over de velden of naar Chatteries galoppeerde, waarbij hij den rug van het paard met de armen zat te molenwieken, en roerlieden en tolgaarders verwonderd deed opzien, door in het voorbijrijden den naam der ongetrouwe schoone luidkeels uit te galmen.

Mijnheer Foker legde in dezen tijd talrijke en welkome bezoeken op Fairoaks af, waar zijne opgeruimdheid en zijne grappen den majoor en Arthur niet weinig vermaakten en daarentegen de weduwe en de kleine Laura verbaasden. Zijn wagentje veroorzaakte groote opschudding op de markt te Clavering, waar hij een stalletje omverreed, den poedel van jufvrouw Pybus over het kaalgeschoren lichaam reed en een glaasje bitter in het Wapen van Clavering dronk. Het gansche plaatsje vernam wie hij was en zocht in het Jaarboek der pairs zijn naam onder de aanverwanten van den adel op. Maar hij was nog zóó jong en hunne uitgaven van het Jaarboek waren zóó oud, dat zijn naam in vele dier jaargangen niet voorkwam; en zijne mama, thans eene vrij bejaarde dame, stond er, onder de kinderen van den graaf van Rosherville, nog vermeld als Lady Agnes Milton. Doch zijn naam, rijkdom en deftige af komst waren spoedig in Clavering bekend, waar men zeker kan zijn, dat de kleine liefdesgeschiedenis van Pen met de actrice te Chatteries ook zeer vrijmoedig besproken werd.

Wanneer men van den weg naar Londen, die langs de portierswoning van Fairoaks loopt, den blik op het oude stadje Clavering St. Mary slaat en den snelvlietenden en blinkenden Brawl van de stad af langs de bosschages van Clavering Park ziet kronkelen en den ouden kerktoren en de puntige daken der huizen ziet uitsteken tusschen boomen en oude muren, achter welke zich een achtergrond van zonnige heuvelen verheft, die westwaarts van Clavering naar zee loopen, – dan schijnt het plaatsje zoo vroolijk en gezellig, dat menig reiziger van den top der diligence een smachtend verlangen daarnaar moet ondervonden en de gedachte gekoesterd hebben, dat het toch wel aangenaam zou zijn, aan het einde van den strijd des levens in zulk een kalm en vriendelijk hoekje een toevluchtsoord te vinden. Tom Smith, de koetsier der diligence Alacrity, wees dikwijls een boom bij de rivier aan, van waar men een fraai gezicht op de kerk en de stad had, en verhaalde dan aan zijn reisgezel op den bok, dat schilders van daar de kerk uitteekenden, die vroeger eene abdij was geweest, – en inderdaad was het een mooi gezicht, dat ik aan de schilders Stanfield en Roberts op hun eerstvolgend reisje aanbeveel

Gelijk Konstantinopel, van den Bosphorus gezien, gelijk mevrouw Rougemont, wanneer men van de overzijde der zaal haar in hare loge ziet zitten, gelijk menig voorwerp dat wij in het leven najagen en bewonderen zoolang wij het niet bezitten, is Clavering liefelijker op een afstand dan bij nadere kennismaking. De stad, die op eenige ellen afstands zoo vroolijk schijnt, ziet er zeer doodsch en vervelend uit. Men ziet niemand op straat dan op marktdagen. Het gekletter van een paar klompen klinkt de halve stad door, en men kan het kraken van het oude verroeste uithangbord van het Wapen van Clavering hooren, zonder dat men door eenig ander geluid afgeleid wordt. Er is in de societeit geen bal geweest sedert de partij, die de vrijwilligers van Clavering aan hun kolonel, den ouden Sir Francis Clavering, gaven; en de stallen, die eenmaal de paarden van dat prachtige, maar uitgestorven regiment bevatten, zijn thans somber en leeg, behalve Donderdags, wanneer de boeren daar uitspannen en hunne huifkarren en chaisen een flauwen schijn van levendigheid aan het plaatsje bijzetten, of wanneer op de rechtsdagen de rechterlijke ambtenaren vergadering houden in de kamer, die vroeger aan het kaartspel gewijd was.

Aan de zuidzijde der markt staat de kerk met hare groote grijze torens, welker fijn beeldhouwwerk in het zonnelicht schittert, hetwelk de schaduwen der zware steenen beren donker kleurt en de schitterende vensters en vlammende weerhanen verguldt. Eeuwen geleden werd het beeld van de beschermheilige der kerk boven het voorportaal weggebroken; de heiligenbeelden, welke in dien tijd van vrome vernielzucht binnen het bereik van steenen of hamers stonden, zijn hoofdeloos en verminkt, en van die, welke er ongeschonden afkwamen, kent alleen doctor Portman de namen en de geschiedenis, want zijn hulpprediker Smirke bemoeit zich niet veel met de oudheidkunde en mijnheer Simcoe (de gemaal eener „freule,” die thans mevrouw Simcoe is) beschouwt, als predikant en oprichter van de Kapel der Ruste in het lagere gedeelte der stad, die beelden als iets verfoeilijks.

De pastorie is een hecht, breed gebouw van baksteen, uit den tijd van koningin Anna. Zij komt met verschillende uitgangen in de kerk en op de markt uit, en staat aan den ingang van Yew-Tree-Lane, waar zich de school van den eerwaarden Wapshot, Yew-Tree-Cottage van jufvrouw Flather, het slachthuis van den vleeschhouwer, eene oude schuur of brouwerij uit de dagen der abdij, en de jongejufvrouwen-kostschool der dames Finucane bevinden. De zitplaatsen van de leerlingen der beide scholen waren op de galerij aan beide zijden van het orgel, totdat de doctor – toen de abdijkerk tamelijk leeg werd door het wegblijven van vele leden der gemeente, die zich naar de kettersche kapel in het lagere gedeelte der stad lieten lokken – de dames Finucane bewoog haar lieve kuddeke naar beneden te laten komen, waar de hoedjes der jonge dames aan de vrij leege banken eenig leven bijzetten. In de groote bank der familie Clavering ziet men niets dan de beeltenissen der overledene baronets en hunne vrouwen; daar is Sir Poyntz Clavering, ridder en baronet, met een baard van vierkante snede, geknield tegenover zijne vrouw met een ontzaglijken halskraag; eene zeer dikke dame, Rebecca Clavering, in haut-relief, wordt hemelwaarts gedragen door twee engeltjes, die er eene zware vracht aan schijnen te hebben – en meer van dien aard. Wat herinnerde Pen zich in latere jaren die beelden duidelijk, en wat zat hij ze in zijne jeugd nauwkeurig te bekijken als de doctor zijne leerrede van den preekstoel opdreunde en Smirke’s zachtmoedig gezicht met de ééne krul op zijn voorhoofd over het groote gebedenboek aan den lezenaar heenkeek!

De bewoners van Fairoaks gingen trouw naar de oude kerk; hunne bedienden hadden er eene bank, evenals die van Wapshot en van de dames Finucane, drie meiden en een knap jonkman in livrei. De familie Wapshot was talrijk en geloovig. Glanders en zijne kinderen kwamen geregeld ter kerk, en een der apothekers ook. Jufvrouw Pybus ging om beurten naar de kerk in de stad en naar de abdijkerk. De leerlingen der armenschool en hunne bloedverwanten kwamen natuurlijk. Wapshot’s jongens maakten een luid en hartverkwikkend gedruis, door met de voeten te schuifelen wanneer zij de kerk binnenmarcheerden en de trap naar de galerij opliepen, en hunne neuzen zeer dikwijls onder den dienst snoten. Om kort te gaan, de gemeente zag er zoo ordelijk uit als men in dezen slechten tijd verwachten mocht. De abdij kerk bezat een prachtig koorhek en vele wapens aan de muren en op de grafzerken. De doctor besteedde een groot gedeelte van zijn inkomen om zijne geliefde kerk op te knappen, en had haar met een heerlijk geschilderd glasvenster, dat in de zuidelijke Nederlanden gekocht was, en een orgel, groot genoeg voor eene hoofdkerk, begiftigd.

Doch in spijt van orgel en venster – of wel denkelijk ten gevolge van dit laatste, dat uit een papistisch land gekomen en vol afgodische voorstellingen was – bloeide de nieuwlichterskerk te Clavering op de ergerlijkste wijze onder den neus der orthodoxie, en vele leden der gemeente van den doctor liepen naar mijnheer Simcoe en de freule, zijne vrouw, over. Door hunne onvermoeide pogingen was zelfs de methodisten-kapel in de nabijheid leeggeloopen, die vóór Simcoe’s komst zoo vol placht te zijn, dat men de ruggen der toehoorders als het ware uit de kerkramen zag puilen. De traktaatjes van mijnheer Simcoe fladderden de deur van alle huisjes, die tot het gebied van den doctor behoorden, binnen, en werden even gretig aangenomen als de soep der welwillende mevrouw Portman, welke door de ondankbare schepsels nog al afgekeurd werd. Bij de werklieden in de lintfabriek, die bij het veer aan den Brawl lag en rondom welke de nieuwe stad was opgerezen, kon de orthodoxie in het geheel geen ingang vinden. De bedaarde jufvrouw Myra werd door de vurige mevrouw Simcoe en hare vrouwelijke adjudanten geheel uit het veld geslagen. Ach, het was eene zware beproeving voor de vrouw van den doctor, haar mans gemeente te zien wegsmelten; bij de weinige gelegenheden, wanneer zij met elkander in aanraking kwamen, den voorrang te moeten laten aan de vrouw van een afgescheiden dominé, omdat deze de dochter van een Ierschen pair was; en te weten, dat er in Clavering, hunne eigen stad Clavering, waaraan de doctor veel meer dan de inkomsten van zijn ambt besteedde, eene partij bestond, die hem in een kwaden naam bracht, omdat hij een partijtje whist speelde, en hem een heiden noemde, omdat hij den schouwburg bezocht. In hare verdrietige stemming spoorde zij hem aan den schouwburg en het kaartspel te laten varen – en het was werkelijk reeds zeer moeielijk een partijtje bijeen te krijgen, zoo luide werd dat tijdverdrijf veroordeeld; – maar de doctor verklaarde, dat hij doen zou wat recht was in zijne oogen en wat de groote en goede George III deed (wiens kapelaan hij was geweest); en wat betrof het afzien van het whisten, omdat die dwaze menschen er aanmerking op maakten, verklaarde hij, dat hij liever tot zijn laatsten dag toe met zijne vrouw en Myra met den blinde spelen zou, dan voor die verfoeilijke vervolging te buigen.

Van de beide familiën, die bezitters waren van de fabriek (door welke de forellenvangst in den Brawl bedorven en al het kwaad in de stad gebracht was), ging de oudste compagnon, mijnheer Rolt, naar de methodistische kapel, en de jongste, mijnheer Barker, naar de nieuwe kerk. In één woord, de menschen krakeelden in dit kleine plaatsje oneindig meer dan buren te Londen doen; en in het leeskabinet, dat de voorzichtige en vredelievende Pendennis opgericht had en dat een onzijdig gebied had behooren te zijn, werd zóó hevig getwist, dat men tegenwoordig bijna niemand meer in de leeszaal aantrof, behalve Smirke, die, ofschoon door eene flauwe vriendschapsbetrekking met de factie van Simcoe verbonden, nog altijd zekeren smaak voor tijdschriften en wereldsgezinde litteratuur behouden had; en den ouden Glanders, wiens grijs hoofd en ruige knevels men aan het venster kon zien; en natuurlijk de kleine mevrouw Pybus, die ieders brieven, welke de post aanbracht, bekeek (want de leeszaal te Clavering was, gelijk ieder weet, in de leesbibliotheek van Baker in London Street, vroeger Hog Lane) en alle advertentiën uit de courant las.

Men kan begrijpen welk eene opschudding de tijding van Pen’s liefdesgeschiedenis te Chatteries, in dit lieftallige maatschappijtje, teweegbracht. Het nieuws werd van huis tot huis rondgedragen en maakte het onderwerp der gesprekken bij hoogkerkschen, laagkerkschen en geenkerkschen uit; het werd tusschen de dames Finucane en hare secondanten besproken en hoogst waarschijnlijk ook door de jonge dames op de slaapzalen behandeld; de groote jongens van Wapshot kenden eveneens eene lezing van het verhaal en bekeken Pen nieuwsgierig als hij in zijne bank in de kerk zat, of wezen hem spottend met den vinger aan als hij over straat liep. Zij hadden altijd een hekel aan hem gehad en noemden hem Lord Pendennis, omdat hij geen grove kleeren droeg gelijk zij, een paard hield en zich zoo kwasterig voordeed.

Om de waarheid te zeggen, was het mevrouw Portman zelve, die de schiedenis van Pen’s verliefdheid hoofdzakelijk in omloop had gebracht. Elk nieuwtje, dat deze openhartige vrouw vernam, bracht zij onvermijdelijk aan hare buren over; en toen zij door het opzienbarende geval te Chatteries in het bezit van Pen’s geheim was gekomen, wist de arme doctor Portman, dat het den volgenden dag in het geheele kerspel, waar hij predikant was, bekend zou zijn. En dit was ook werkelijk het geval; het gansche stadje was op de hoogte; binnen weinige uren had de schiedenis de ronde gedaan door het leeskabinet, den modewinkel, en schoenenwinkel, den komenijswinkel aan den hoek der markt, bij mevrouw Pybus, bij de Glanders’, op de oefening bij mevrouw Simcoe, bij de eigenaren der fabriek, ja, in de fabriek zelve, en was de dwaasheid van Arthur Pendennis op ieders tong.

Al de kennissen van doctor Portman hielden hem staande, toen hij den volgenden dag over straat ging. De arme dominé wist, dat zijne Betsy de verspreidster van het nieuws was, en ergerde zich inwendig. Maar, het zou toch binnen een paar dagen uitgekomen zijn, en dan was het maar beter, dat de stad de ware toedracht der zaak kende. Wij behoeven hier niet te beschrijven wat de inwoners van Clavering dachten over de slechte opvoeding, die mevrouw Pendennis aan haar zoon gegeven had, en over de vermetelheid van dien baardeloozen schavuit van een Arthur, die met eene actrice had willen trouwen. Zoo er in ons vaderland hoogmoed bestaat (en zeker bezit men er meer dan genoeg van), dan is die nergens dieper geworteld dan bij niet rijke oude jufvrouwen in kleine plaatsjes. „Goede hemel!” ging de kreet op, „wat is die moeder blind voor dien brutalen en eigenzinnigen jongen, die op zijn volbloedpaard de houding van een lord aanneemt, voor wien ons gezelschap niet goed genoeg is, en die eene leelijke, geblankette actrice uit eene kermistent, waar hij zich zeker ook wil engageeren, zou willen trouwen. Als de goede oude heer Pendennis nog leefde, zou dit schandaal nooit gebeurd zijn.”

Neen, dat zou het waarschijnlijk niet, en wij zouden nu niet bezig zijn met Pen’s geschiedenis te verhalen. Het was waar, dat hij tegenover de bevolking van Clavering een zekeren hoogmoed aan den dag legde. Daar hij van nature fier en rondborstig was, verveelden hem hun gekakel en praatjes en nagemaakte voornaamheid, en legde hij daarvoor eene minachting aan den dag, die hij niet verbergen kon. De doctor en de hulpprediker waren de eenige menschen daar ter plaatse, in wie Pen belang stelde, – zelfs mevrouw Portman deelde in het algemeene wantrouwen omtrent hem en zijne moeder, de weduwe, die zich aan den omgang met de inwoners onttrok en dienovereenkomstig gehekeld werd, omdat zij – men zou zeggen! – zich op gelijken voet met de groote familiën van het graafschap wilde plaatsen. Zij moest zich schamen! Mevrouw Barker aan de fabriek nam viermaal meer vleesch van den slager dan de bewoners van Fairoaks, – in weerwil van al hunne voorname airs.

Enz., enz., enz. De lezer kan dit verder met bijzonderheden aanvullen, naar gelang van zijn smaak voor dorpspraatjes en zijne ondervinding daarvan. Het meegedeelde is genoeg om te doen zien op welke wijze eene brave vrouw, die zich alleen met de vervulling van hare plichten jegens hare naasten en hare kinderen bezig hield, en een oprechte, ronde knaap, met een warm hart en vol goede eigenschappen, die aan elk mensch ter wereld het beste toewenschte, vijanden en lasteraars vonden onder lieden, waar zij ver boven stonden en wien zij nooit een zweem van leed berokkend hadden. De honden van Clavering liepen rondom het huis van Fairoaks te janken en vonden er hun vermaak in, Pen te vervolgen.

Doctor Portman en Smirke zorgden wel, dat zij der weduwe het hoofd niet warm maakten met de aanhoudende praatjes, die over den armen Pen liepen, ofschoon deze er van op de hoogte gehouden werd door Glanders, die een vriend des huizes was. Men kan zich zijne verontwaardiging voorstellen: was er niemand in het stadje, van wien hij rekenschap kon vorderen? Eerlang begonnen sommige grappenmakers: „Lang leve Fotheringay!” en andere sarcastische toespelingen op het gebeurde, met krijt op de poort van Fairoaks te schrijven. Iemand anders bracht eene groote tooneelaffiche van Chatteries mede en plakte die daar op zekeren nacht met ouwels aan. Toen Pen eens de lagere stad doorreed, meende hij, dat de werklieden der fabriek hem najouwden; en eindelijk, toen hij eens door de deur van den doctor het kerkhof opstapte, waar eenige der jongens van Wapshot rondslenterden, nam de grootste van deze, een jonge heer van omtrent twintig jaar, de zoon van een klein landbezitter uit de buurt, die in de hoedanigheid van kostleerling bij mijnheer Wapshot woonde, eene tooneelachtige houding bij een pas gedolven graf aan en begon, met een afschuwelijken grijns, Ophelia’s verzen uit Hamlet op te zeggen.

Pen ontstak zoodanig in woede, dat hij met een uitroep, die heel veel naar een vloek geleek, op den langen Hobnell toesprong, hem met de karwats, die hij in de hand hield, een geweldigen striem over het gezicht gaf, de karwats daarop wegwierp, den lafhartigen schavuit toeriep, dat hij zich verdedigen moest, en een oogenblik later den verbluften jongen schelm in het graf smeet, dat op een geheel anderen bewoner wachtte.

Daarop riep hij, met gebalde vuisten en een gezicht, dat van drift en verontwaardiging trilde, Hobnell’s kameraden toe, dat hij al die schurken afwachtte, als zij maar durfden. Maar mokkend deinsden zij achteruit en bliezen den aftocht toen doctor Portman naar zijn hek kwam, terwijl mijnheer Hobnell, met akelig bebloeden neus en lippen, weer uit het graf kroop.

Met blikken, die dood en verderf aan de naar hunne zijde van het kerkhof terugtrekkende jongens verkondigden, keerde Pen door het hek van den doctor terug en onderging een verhoor van dien heer. Hij was zoo ontroerd, dat hij ternauwernood spreken kon. Toen hij antwoordde, brak hij in snikken los. „De – lafaard heeft mij beledigd, mijnheer,” en de doctor zag den vloek, waarvan dit gezegde vergezeld ging, door de vingers en eerbiedigde de gevoelens van dit eerlijke en zooveel lijdende jonge hart.

De oude Pendennis, die als echt man van de wereld eene gepaste en aanhoudende vrees voor het oordeel zijner medemenschen koesterde, was verbazend geërgerd over het zotte stormpje, dat in Chatteries woedde en Pen’s reputatie heen en weer slingerde. Doctor Portman en kapitein Glanders moesten de aanvallen der gansche maatschappij van Chatteries tegen den jeugdigen verworpeling, die als een monster van slechtheid beschouwd werd, afslaan. Pen zeide thuis niets van het gevecht op het kerkhof, maar begaf zich naar Baymouth, om zijn vriend den heer Henry Foker te raadplegen, die dadelijk met zijn rijtuig voor het Wapen van Clavering kwam, en van daar door middel van Domkop een briefje „aan den weledelgeboren heer Thomas Hobnell, ten huize van den eerwaarden heer Wapshot” zond, met de beleefde vraag wanneer hij dien heer zou mogen spreken.

Domkop bracht de boodschap terug, dat het briefje door mijnheer Hobnell geopend en aan een half dozijn van de grootste jongens voorgelezen was, op welke het diepen indruk scheen te maken; en dat Hobnell, nadat zij samen gepraat en gelachen hadden, gezegd had, dat hij na de namiddagschool, waarvoor de bel reeds luidde, een antwoord zou zenden, en dat toen juist mijnheer Wapshot in zijn doctors tabbaard te voorschijn was gekomen, – want Domkop was ervaren in de academische costumen, daar hij mijnheer Foker reeds op de Academie bediend had.

Foker ging in den tusschentijd de merkwaardigheden van Clavering bezien, maar daar hij geen smaak voor de schoone bouwkunde had, boeide doctor Portmans fraaie kerk hem weinig en verklaarde hij den toren voor zoo rot als eene oude Stiltonsche kaas. Hij slenterde de straten door en bekeek de weinige winkels. Kapitein Glanders zag hij aan het venster der leeszaal staan, en, na dien heer goed bekeken te hebben, knikte hij hem eens toe, ten bewijze van zijne tevredenheid. Bij den slager informeerde hij met den schijn van de grootste belangstelling naar den prijs van het vleesch, en vroeg wanneer er weer geslacht werd. Hij drukte zijn kleinen neus tegen de winkelkast van madame Fribsby plat, om te zien of er niet een mooi modemaakstertje in den winkel zat; maar er was geen mooier gezichtje aanwezig dan dat van den mutsenbol met eene Fransche muts op, die voor de glazen stond, en madame Fribsby zelve, die slechts onduidelijk in het achterkamertje te zien was, waar zij een roman zat te lezen. Dit voorwerp was niet belangwekkend genoeg om mijnheer Foker tot eene langdurige beschouwing uit te lokken, zoodat hij, na alles bezichtigd te hebben in de stad en in de stallen, waar geene andere beesten stonden dan een enkel oud paar huurpaarden, die den karigen kost verdienden door de fatsoenlijke lui naar de diners in het graafschap te rijden, gevaar liep geheel ten prooi der verveling te worden, toen men eindelijk iemand met eene boodschap van mijnheer Hobnell aandiende.

Dit was geen mensch anders dan de heer Wapshot in eigen persoon, die in de grootste verontwaardiging, met Pen’s brief in de hand, kwam binnenstuiven en aan Foker vroeg hoe hij zulk eene onchristelijke boodschap als eene uitdaging aan een leerling van zijne school durfde overbrengen.

Werkelijk kwam het schrijven van Pen aan zijn vijand van den vorigen dag daarop neer, dat, indien Hobnell, na de kastijding, die zijne onbeschaamdheid ruimschoots verdiend had, de voldoening mocht verlangen, die onder gentlemen gebruikelijk is, de vriend van mijnheer Arthur Pendennis, de heer Henry Foker, gemachtigd was alle schikkingen met den heer Hobnell te maken.

„En dus heeft hij u met het antwoord gezonden, mijnheer?” vroeg Foker, den schoolmeester van top tot teen in zijn geestelijk gewaad opnemende.

„Als hij die goddelooze uitdaging had aangenomen, zou ik hem afgeranseld hebben,” zeide mijnheer Wapshot met een blik op mijnheer Foker, waarin men lezen kon: „en ik zou u ook wel eens een ferm pak willen toedienen.”

„Dat is bepaald heel vriendelijk van u,” antwoordde Pen’s gemachtigde. „Ik heb mijn principaal al verteld,” ging hij met groote deftigheid voort, „dat de ander naar mijn inzien niet vechten zou. Hij wil zeker liever geranseld worden dan vechten. Zult ge ook iets gebruiken, mijnheer .....? ik heb het geluk niet, uw naam te kennen.”

„Ik heet Wapshot, mijnheer, en ben de meester van de school, mijnheer,” schreeuwde de ander; „en ik verkies niets te gebruiken, mijnheer, dank je wel, en ik heb geen lust om kennis met je te maken, mijnheer.”

„Nu – de uwe heb ik bepaald niet gezocht,” antwoordde mijnheer Foker. „In gevallen van dezen aard, weet je, vind ik het heel verkeerd, er dominés in te halen, maar – over den smaak valt niet te oordeelen, mijnheer.”

„En ik vind het heel verkeerd, dat jongens, mijnheer, zoo lichtvaardig over moord spreken als gij dat doet,” brulde de schoolmeester, „en als ik u op mijne school had –”

„Dan zoudt ge het mij zeker beter leeren, mijnheer,” vulde Foker met eene buiging den volzin aan. „Maar, dank je wel, mijnheer! Mijne opvoeding is voltooid, mijnheer, en ik ga niet weer naar school, mijnheer. Als het ooit gebeurt, dan zal ik uw vriendelijk aanbod in gedachte houden. Jan, laat dezen heer eens uit – en natuurlijk, daar mijnheer Hobnell zich verkiest te laten afranselen, kunnen wij daar niets tegen hebben, mijnheer, maar zal het ons een genoegen zijn hem daarop te onthalen, als hij ons ooit weer in den weg komt.”

Bij deze woorden maakte de jonge schavuit eene buiging tegen den bejaarden heer, die zijne kamer verliet, en ging een briefje aan Pen schrijven, waarin hij dezen berichtte, dat mijnheer Hobnell niet vechten wilde, en berustte onder de kastijding, die Pen hem had toegediend.

ZESTIENDE HOOFDSTUK.

NOG MEER STORMEN IN EEN GLAS WATER.

Pen’s handelwijze in dit geval werd natuurlijk spoedig bekend en ergerde zijn vriend doctor Portman niet weinig, terwijl majoor Pendennis er zich alleen over vermaakte. De goede mevrouw Pendennis daarentegen geraakte bijna van streek, toen zij van den twist en van Pen’s onchristelijk gedrag hoorde. Alle mogelijke ellende, last, misdaad en ergernis scheen uit het geval, waarin de rampzalige knaap zich gewikkeld had, voort te spruiten, en meer dan ooit haakte zij er naar, hem voor eenigen tijd uit Chatteries weg te krijgen, – overal heen, waar het ook was, als hij maar verre van de vrouw kwam, die hem in zoovele moeielijkheden had gebracht.

Toen Pen door zijne liefhebbende moeder vermaand en door den doctor hevig berispt werd over zijne ruwheid en zijne bloeddorstige oogmerken, nam hij met de verwaandheid en deftigheid, aan de jeugd eigen, de zaak au grand sérieux, en zeide, dat het voorgevallene hem zelven zeer speet, dat de beleediging hem was aangedaan zonder dat hij er eenige aanleiding toe gegeven had, en dat hij niemand veroorloven zou hem over deze zaak te hoonen zonder zijne eer te verdedigen; en zich daarop met groote waardigheid op zijn oom beroepende, vroeg hij, of hij als gentleman anders had kunnen handelen dan hij gedaan had door den smaad te wreken, die hem aangedaan was, en voldoening aan te bieden aan den persoon, dien hij had gekastijd.

„Vous allez trop vite, waarde jongen,” antwoordde zijn oom een beetje verlegen, want hij had zijn neef eenige zijner begrippen over het punt van eer zelf ingeplant – ouderwetsche begrippen, die veel meer naar het leger en de pistool roken dan onze bedaarder opvattingen van den tegenwoordigen tijd. – „Tusschen mannen van de wereld wil ik er niets van zeggen; maar tusschen twee schooljongens is zulk eene zaak heel belachelijk, beste jongen, heel belachelijk.”

„Het is zeer goddeloos, en van mijn zoon had ik zoo iets niet verwacht,” zeide mevrouw Pendennis met tranen in de oogen en geheel ontsteld over de stijfhoofdigheid van den knaap.

Pen gaf haar een kus en zeide met verbazenden ernst: „Weet wat, moederlief, vrouwen verstaan die zaken niet – ik heb het geheel aan Foker overgelaten – geen andere weg stond voor mij open.”

Majoor Pendennis grinnikte en haalde de schouders op. Hij was van oordeel, dat de jongelui zeer groote vorderingen maakten. Mevrouw Pendennis verklaarde, dat die Foker een goddeloos en akelig ventje was, die haar lieven jongen zeker ongelukkig maken zou, als Pen naar dezelfde academie ging als hij. „Ik denk er sterk over, hem in het geheel niet te laten gaan,” sprak zij; en zoo de liefhebbende moeder zich niet herinnerd had, dat de vader van den knaap altijd den wensch had uitgedrukt, dat zijn zoon studeeren zou dáár, waar hij zelf zijne korte academische opleiding had genoten, zou zij waarschijnlijk geweigerd hebben hem naar de hoogeschool te laten vertrekken.

Al de machten die over het lot van den knaap gezag uitoefenden, waren het met elkander eens geworden, dat hij gaan zou en wel met den eerstvolgenden herfst-cursus. Foker had beloofd hem in het beste gezelschap te introduceeren, en majoor Pendennis hechtte er groote waarde aan, dat hij het leven en den omgang aan de academie door tusschenkomst van dien bewonderenswaardigen jongen heer zou leeren kennen. „Mijnheer Foker gaat om met de voornaamste jongelui aan de academie,” zeide de majoor, „en Pen zal daar kennissen maken, die hem later van het grootste nut zullen zijn. De jonge markies van Plinlimmon, de oudste zoon van den hertog van St. David’s, is er; Lord Magnus Charters, zoon van Lord Runnymede, is er ook; het is een volle neef van mijnheer Foker (gij herinnert u toch wel, dat Lady Runnymede vroeger Lady Agatha Milton was). Lady Agnes zal hem zeker op Logwood vragen; en wel verre, dat wij zouden te vreezen hebben voor Arthur’s omgang met haar zoon, die wel een zonderling en snaaksch, maar toch zeer omzichtig en achtenswaardig jonkman is, aan wien wij groote verplichting hebben wegens zijn verdienstelijk gedrag in dat geval met jufvrouw Fotheringay, beschouw ik het als eene zeer gelukkige omstandigheid voor Pen, dat hij met dezen alleronderhoudendsten jongen heer kennis gemaakt heeft.”

Helena zuchtte, maar nam aan, dat de majoor het wel het beste zou weten. Mijnheer Foker had hun in die zaak met jufvrouw Costigan ontegenzeglijk veel vriendschap betoond en zij was er hem dankbaar voor. Maar desniettegenstaande had zij een schemerachtig voorgevoel, dat het niet goed zou gaan; en al die krakeelen en twisten en wereldsche zaken hadden haar voor de toekomst van haar zoon ongerust gemaakt.

Doctor Portman was stellig van oordeel, dat Pen naar de academie moest gaan. Hij hoopte, dat de knaap daar studeeren zou en tevens, met mate, van het beste gezelschap zou genieten. Hij geloofde, dat Pen zich zou onderscheiden; Smirke getuigde zeer gunstig van zijne kunde; en de doctor had hem zelf onderzocht, en verklaarde, dat hij het er zeer goed afgebracht had. In ieder geval was het een punt van belang, dat hij verre van Chatteries zou zijn; en Pen, door de velerlei onaangenaamheden, waartoe hij onwillekeurig aanleiding gegeven had, van zijn eigen verdriet afgeleid, zeide somber, dat hij gehoorzamen zou.

Gedurende een gedeelte van de maanden Augustus en September werden de zittingen van het hof van assises te Chatteries gehouden en waren daar wedrennen en partijen en dientengevolge een toevloed van bezoekers, en jufvrouw Fotheringay bleef nog altijd doorspelen en in den schouwburg van Chatteries van het publiek afscheid nemen. Niemand anders dan degenen, die wij reeds genoemd hebben, schenen zich hare aanwezigheid of haar aangekondigd vertrek bijzonder aan te trekken; en de voorname lui van het graafschap, die huizen te Londen hadden en jufvrouw Fotheringay waarschijnlijk verbazend toejuichten in de hoofdstad, toen de mode, die haar tot troetelkind had aangenomen, hun voorschreef, dat zij dit doen moesten, schenen niets bijzonders te vinden in de actrice, die op het kleine tooneel van Chatteries optrad. Om dezelfde reden heeft menig genie en menige kwakzalver voor en na den tijd van jufvrouw Costigan hetzelfde lot ondergaan. Deze eerzame dame droeg ondertusschen de veronachtzaming van het publiek en alle andere kruisen of bezwaren, die zij nog verder in haar leven te dragen had, met hare gewone gelijkmoedigheid; zij at, dronk, speelde en sliep met die regelmatigheid en kalmte, aan menschen van haar gestel eigen. Hoeveel verdriet, zorg en andere nadeelige aandoeningen worden niet door eene gezonde botheid en eene blijmoedige onverschilligheid voorkomen! Ik wil niet zeggen, dat deugd geen deugd is, omdat zij nooit van den rechten weg wordt afgelokt, maar alleen, dat botheid eene veel kostbaarder gave is dan wij gewoonlijk gelooven, en dat sommige lieden, die de natuur met eene goede hoeveelheid van dat verdoovingsmiddel begiftigd heeft, zeer gelukkig zijn.

Pen liep gedurende dit seizoen den schouwburg van Chatteries lusteloos in en uit, meerendeels naar gelang zijne luim het hem ingaf. Zijn gedrag beangstigde zijne moeder niet weinig en dikwijls zou zij er uit bezorgdheid over gesproken hebben, indien de majoor haar niet telkens weerhouden en te gelijk bemoedigd had; want die scherpzinnige man van de wereld meende een gunstigen keer in Pen’s ziekte waargenomen te hebben. Onder andere verschijnselen strekte vooral eene geweldige uitbarsting van verzenmakerij tot verblijding van Pen’s voogd en geneesheer. Men hoorde hem verzen opdreunen in de wandelpaden van den tuin, of ze binnensmonds mompelen als hij des avonds bij de huisgenooten zat. De majoor vond, toen hij eens in Pen’s afwezigheid het huis doorsnuffelde, een groot boek met gedichten in de studeerkamer van den knaap. Het waren Engelsche en Latijnsche verzen, met aanhalingen uit de klassieke schrijvers, op geleerde wijze, aan den voet der bladzijden. „Het kan niet heel erg met hem zijn,” dacht de wijsgeer uit Pall Mall zeer te recht; en hij maakte Pen’s moeder opmerkzaam (misschien viel het haar heimelijk wel wat tegen, want gelijk andere zachtzinnige vrouwen helde zij over naar het romaneske), dat de jonge heer gedurende de laatste veertien dagen des avonds zeer hongerig aan tafel gekomen was en ook des morgens bij het ontbijt een bewonderenswaardigen eetlust aan den dag had gelegd. „Te drommel, ik wenschte, dat ik hetzelfde van mij kon zeggen,” riep de majoor, met smart aan de pillen denkende, die hij tot bevordering van zijne spijsvertering gebruiken moest. „Wees er zeker van, dat de knaap goed begint te slapen.” Het was wel wreed, maar toch waar.

Daar Pen geen ander schepsel had, wien hij zijn vertrouwen kon schenken (want hij kon met zijne moeder niet over zijne liefdesmart spreken, zijn oom praatte er op een minachtenden en wereldschen toon over, die, ofschoon in zorgvuldig berekende en beleefde bewoordingen vervat, toch het gevoel van mijnheer Pen pijnlijk kwetste, en Foker was veel te ruw om die verfijnde sentimenteele geheimen op den waren prijs te schatten) – verdubbelde hij zijne vriendschap voor den hulpprediker, of liever Smirke kon nooit te veel naar dit onderwerp luisteren. Wat is een minnaar zonder vertrouweling! Pen maakte van mijnheer Smirke het gebruik, dat Corydon van den olmboom maakte, namelijk om er den naam zijner geliefde in te snijden. Hij bezigde hem als echo voor den naam der schoone Amaryllis. Als de herder het liedje niet meer speelt, bekommert hij zich niet veel om de fluit; doch Pen meende eene groote vriendschap voor Smirke te gevoelen, omdat hij zijn leermeester zijne liefde en zijne smart in het oor mocht fluisteren, en Smirke had zijne eigene redenen, om altijd op de wenken van den knaap te vliegen.

Pen’s liefde ontboezemde zich in eene menigte sonnetten aan den vriend zijns harten, – gelijk hij den hulpprediker betitelde, – waarmede deze zeer ingenomen was. Hij verblijdde Smirke met sapphische en alcaïsche Latijnsche verzen. De minneliederen stroomden uit zijne vlugge pen, en Smirke verklaarde en geloofde, dat zij heerlijk waren. Aan den anderen kant drukte Pen eene onbegrensde erkentelijkheid uit, dat de hemel hem op zulk een oogenblik een dergelijken vriend toegezonden had. Hij gaf zijn onderwijzer zijne fraaist gebonden boeken en zijn gouden horlogeketting ten geschenke, en wilde hem ook zijn dubbel jachtgeweer opdringen. Hij ging naar Chatteries en kocht daar een gouden potlood op krediet (want hij had geen geld en stond zelfs nog voor eenige der geschenken aan jufvrouw Fotheringay bij Smirke in het krijt), en bood dit Smirke aan met een versje, ten bewijze van zijne onveranderlijke en eeuwige toegenegenheid jegens den hulpprediker, die van zijn kant natuurlijk met elk vriendschapsbewijs van den knaap ingenomen was.

De arme hulpprediker was zeer ontstemd over het aanstaand vertrek van zijn leerling. Wanneer Arthur heenging, zouden Smirke’s bezigheden en genoegens ook ophouden. Welk voorwendsel kon hij vinden om dagelijks een bezoek op Fairoaks af te leggen en dat vriendelijk woord of dien vriendelijken blik van de bewoonster op te vangen, die hem even onmisbaar waren geworden als het sobere diner dat madame Fribsby hem voordiende? Wanneer Arthur weg was, zou hij er enkel bezoeken, op den voet van elk anderen bekende, kunnen afleggen; de kleine Laura kon niet ten zijnen gevalle meer dan ééne catechisatie ’s weeks nemen; hij had zich als klimop rondom Fairoaks geslingerd; hij kwijnde weg bij de gedachte, dat hij die plaats moest loslaten. Zou hij uitspreken wat hem op het hart lag en zich voor de weduwe op de knieën werpen? Hij peinsde over sommige punten, die hem hoop gaven. Mevrouw Pendennis had drie weken te voren zijne preek geprezen; zij had hem meer dan hartelijk dank gezegd voor een meloen, dien hij ten geschenke had gezonden voor een dinertje, dat zij geven zou; zij had hem verzekerd, dat zij altijd erkentelijk zou blijven voor de welwillendheid, die hij Arthur bewezen had; en toen hij verklaarde, dat zijne liefde en genegenheid voor dien lieven jongen geene grenzen kende, had zij bepaaldelijk op eene sentimenteele wijze geantwoord, waaruit hare vurige erkentelijkheid en achting voor al de vrienden van haar zoon bleek. Zou hij er voor uitkomen, of zou hij het nog uitstellen? Gaf hij zijn hart lucht en werd hij afgewezen, dan was het eene ijselijke gedachte, dat de poort van Fairoaks voor eeuwig voor hem gesloten zou worden en – wat binnen die poort lag was de wereld voor Smirke.

Zoo zien wij, welwillende lezers, hoe iedereen zijne eigene smarten en belangen heeft, waardoor hij meer gedrukt of bezig gehouden wordt dan door de smarten of verdrietelijkheden van iemand anders. Terwijl mevrouw Pendennis zich ongerust maakt, dat zij haar zoon zal verliezen en die nauwlettende zorg moet opgeven, die zij voor hem gedragen heeft zoolang hij in het ouderlijk nest vertoefde, waaruit hij nu zijne vlucht zal nemen in de wijde wereld, – terwijl de groote ziel des majoors met inwendige spijt overdenkt, welke groote partijen thans te Londen gegeven worden, waar hij, indien die verwenschte zaken hem niet in een ellendig gat ten platten lande ophielden, zich in den zonneschijn der blikken van hertogen en hertoginnen zou kunnen koesteren, – terwijl Pen heer en weer geslingerd wordt tusschen zijn hartstocht en eene aangenamer gewaarwording, waarvan hij zich nog geen duidelijke rekenschap kan geven, maar die reeds een grooten invloed op hem uit oefent, namelijk zijne begeerte om de wereld te zien, – terwijl dit alles plaats heeft, zit er bij Smirke eene eigen zorg naast zijne sponde en achter hem op den hit, en is hij evenmin tevreden als wij. Wat zijn wij eenzaam in de wereld; hoe zelfzuchtig en achterhoudend is iedereen! Gij hebt veertig jaar lang met uwe vrouw op dezelfde peluw gerust en verbeeldt u, dat gij beide één van zin zijt. „Bah!” schreeuwt zij het uit, wanneer gij de jicht hebt, of ligt gij slapeloos te woelen, als zij kiespijn heeft? Uwe argelooze dochter, oogenschijnlijk de onschuld zelve, die zich enkel met hare mama en de piano-les bemoeit, denkt aan geen van beiden, maar aan den jongen luitenant, met wien zij op het laatste bal gedanst heeft. De opene, ronde jongen, die juist van school komt, berekent heimelijk hoeveel geld gij hem zult geven en denkt aan de schuld, die hij bij den suikerbakker heeft. De oude grootmoeder, die in een hoekje weggedoken zit en over eenige maanden naar eene betere wereld zal overgaan, heeft zaken of zorgen, die haar alleen betreffen; het is zeer waarschijnlijk, dat zij terugdenkt aan dien avond, vijftig jaar geleden, toen zij zooveel opgang maakte en een cotillon met den kapitein danste, voordat uw vader hare hand vroeg; of dat zij overpeinst, wat een over het paard getild zottinnetje uwe vrouw is en hoe dwaselijk gij met haar ingenomen zijt. En wat uwe vrouw betreft – o, wijsgeerige lezer, antwoord mij eens: Vertelt gij haar alles? Och, mijnheer – onder uw hoed beweegt zich eene geheel andere wereld dan onder den mijne – alle zaken in de natuur doen zich aan iedereen verschillend voor – de vrouw, die wij aanzien, heeft niet dezelfde trekken; de schotel, waaruit wij eten, niet denzelfden smaak voor den een als voor den ander. Gij en ik, wij zijn slechts een paar Eilandjes, met eenige gelijksoortige Eilandjes, meer of minder dicht in onze nabijheid. Maar laten wij naar den eenzamen Smirke terugkeeren.

Smirke had ééne vertrouwde zijner liefde – die alleronverstandigste madame Fribsby. Hoe zij madame Fribsby geworden was, wist niemand; zij was als jufvrouw Fribsby uit Clavering naar eene modemaakster te Londen gegaan, en beweerde, dat zij den bedoelden rang gedurende een verblijf te Parijs gekregen had. Maar hoe kon de koning der Franschen, al ware hij er volkomen toe bereid geweest, haar zulk een titel verleenen? Wij zullen echter niet in dat geheim trachten door te dringen. Het zij genoeg, dat zij als bloeiend en jeugdig meisje vertrokken was, dat zij vrij bejaard en met een Madonnatoer en een zwaarmoedig gelaat terugkwam, dat zij de zaak van wijlen jufvrouw Harbottle voor een appel en een ei kocht, hare oude moeder bij haar liet inwonen, zeer goed voor de armen was, trouw ter kerk kwam en in een uitmuntenden naam stond. Doch er was niemand in geheel Clavering, die zooveel romans las als madame Fribsby, zelfs mevrouw Portman niet. Zij had ook ruimschoots den tijd voor die uitspanning, want buiten de bewoners van de pastorie en van Fairoaks riepen zeer weinigen hare diensten in; en door het aanhoudend lezen van dergelijke werken (die toenmaals op verre na zoo fatsoenlijk of stichtelijk niet waren als tegenwoordig) was zij zoo dwaas sentimenteel geworden, dat het gansche leven in haar oog niets anders was dan eene reusachtige liefdesgeschiedenis, en zij kon geen twee menschen in elkanders gezelschap zien, of zij verbeeldde zich, dat zij van liefde voor elkander wegkwijnden.

Van den dag af van het bezoek van mevrouw Pendennis bij den hulpprediker, waarvan wij reeds vele bladzijden geleden gesproken hebben, had madame Fribsby bij zich zelve vastgesteld, dat mijnheer Smirke op de weduwe verliefd moest zijn, waarop zij al wat zij vermocht in het werk stelde, om dien hartstocht aan beide zijden aan te vuren. Mevrouw Pendennis zag zij zelden anders dan in het publiek en in de kerkbank. Die dame held zich weinig met modes op en maakte hare meeste kleedjes en mutsen zelve; doch bij de schaarsche gelegenheden, dat madame Fribsby bezoeken van mevrouw Pendennis ontving, of zelve hare opwachting op Fairoaks ging maken, verzuimde zij nooit den lof van den hulpprediker tegen de weduwe uit te bazuinen en te beschrijven hoe engelachtig, hoe zachtaardig, hoe vlijtig, hoe eenzaam hij was, waarbij zij dan hare verwondering te kennen gaf, dat geene dame zich over hem wilde ontfermen.

Helena lachte over die sentimenteele beschouwingen en gaf hare verwondering te kennen, dat madame zelve zich niet over haar kostganger ontfermde en hem troostte. Madame Fribsby schudde haar Madonnatoer en zeide: „Mong cour a boco souffer,” waarbij zij de hand legde op hetgeen zij haar cour noemde. „Il est mor en Espang, Madame,” vervolgde zij met een zucht. Zij liet zich veel voorstaan op hare bekendheid met het Fransch, dat zij eerder vlug dan zuiver sprak. Mevrouw Pendennis stelde geen belang in de geheimen van dit gewonde hart; behalve voor hare weinige vrienden, was zij eene ingetogene en wellicht wat hooghartige vrouw. Zij beschouwde den leermeester van haar zoon slechts als een volgeling van den jongen prins en dus als iemand, die ongetwijfeld als geestelijke geacht moest worden, maar altijd op een afstand, als een onderhoorige van het huis Pendennis. Madame’s aanhoudende toespelingen op den hulpprediker waren haar dan ook niet zeer aangenaam. Er was een zeer vindingrijke sentimenteele geest toe noodig, om te ontdekken, dat de weduwe eene heimelijke genegenheid voor mijnheer Smirke koesterde, eene verderfelijke dwaling, waarvan madame Fribsby zich niet wilde laten terugbrengen.

Smirke was van zijn kant veel bereidvaardiger om over dat onderwerp met zijne gevoelige huisvrouw te spreken. Telkens als zij den hulpprediker tegen mevrouw Pendennis geprezen had, verliet zij deze dame met de overtuiging, dat deze zelve hem geprezen had. „Etre soul au monde est bien onnuyan,” sprak zij, het oog omhoogslaande naar het portret van een Franschen karabinier, met eene groene uniform en een koperen borstharnas, die hare kamer versierde, „Wees zeker, dat, als de jonge heer Pendennis naar de academie gaat, zijne ma zich zeer eenzaam zal gevoelen. Zij is nog heel jong. Men zou haar nauwelijks voor vijf en twintig aanzien. Monsieur le curé, song cour est touché – j’on suis sure – je conné cela bien – Ally, monsieur Smirke!”

Hij bloosde eventjes, hij zuchtte, hoopte, vreesde, twijfelde; en soms gaf hij zich geheel over aan het heerlijke denkbeeld. Het was een zijner grootste genoegens in madame Fribsby’s kamer te zitten en met haar over dat onderwerp te spreken, waarvan hare oude moeder (die in den tijd huishoudster, en vrouw en weduwe van den hofmeester in de familie Clavering was geweest) nauwelijks eene lettergreep verstond, daar de modemaakster het grootste gedeelte van het gesprek in het Fransch voerde.

Vandaar, dat, toen majoor Pendennis aan den leermeester van zijn neef kennis gaf, dat de jonge heer in October naar de academie zou gaan en zijn pupil dus mijnheer Smirke’s onwaardeerbaar onderricht niet meer zou noodig hebben; – voor welk onderricht de majoor, die uit de hoogte sprak als een lord, hoogst erkentelijk verklaarde te zijn, zoodat hij het zich tot een genoegen zou rekenen, als hij mijnheer Smirke eenigen wederdienst kon bewijzen, – vandaar, zeggen wij, dat de hulpprediker nu gevoelde, dat het kritieke oogenblik gekomen was, en door de vlijmende smarten vervolgd en gefolterd werd, aan dezen loop van zaken eigen.

Madame Fribsby had natuurlijk het meeste belang gesteld in mijnheer Pen’s liefdesgeschiedenis met jufvrouw Fotheringay. Zij was naar Chatteries geweest om het spel der actrice te zien en had verklaard, dat deze oud en veel te veel opgehemeld was. Zij had Pen’s verliefdheid in haar winkel tallooze malen besproken met het half dozijn oude jufvrouwen en oude wijven in manskleeren, die men in kleine landstadjes aantreft en die de fatsoenlijke bevolking van Clavering uitmaakten. De gepensioneerde kapitein Glanders had verklaard, dat Pen een drommels gevaarlijke jongen zou worden en al vroeg begonnen was, waarop mevrouw Glanders hem verzocht had, diergelijke gemeene dingen niet te zeggen en, als het hem beliefde, zijne eigen vrouw te respecteeren. Zij beweerde, dat het eene les voor Helena zou zijn, wegens hare trotschheid en hare dwaze ingenomenheid met dien knaap. Mevrouw Pybus zeide, dat vele menschen trotsch waren op nietigheden, en dat zij, wat haar betrof, niet begrijpen kon hoe eene apothekersweduwe zich zoo voornaam kon voordoen. Mevrouw Wapshot riep op zekeren dag, toen Pen op Rebecca voor den zadelmaker stilhield om eene nieuwe lis aan zijne zweep te laten maken, hare dochters van die zijde der straat terug. Al die menschen hadden uit bloote nieuwsgierigheid bezoeken op Fairoaks afgelegd om de weduwe te troosten of de zaak van jufvrouw Fotheringay op het tapijt te brengen; maar allen waren zij op hunne beurt afgestuit op de trotsche ingetogenheid van mevrouw Pendennis, – geholpen door de koele beleefdheid van haar zwager den majoor.

Deze teleurstellingen maakten echter geen einde aan de praatjes, en de laster ten aanzien van de rampzalige familie op Fairoaks nam aanhoudend toe. Glanders, de gepensioneerde cavalerie-officier, wiens pensioen en groot gezin hem noodzaakten, na zijn ontslag uit den dienst, zich met brandewijngrog in plaats van rooden wijn te bedwelmen, had nu en dan toegang op Fairoaks en lichtte zijn vriend den majoor omtrent al de verhalen in, die te Clavering in omloop waren. Mevrouw Pybus had eene plaats in de diligence naar Chatteries genomen en was naar den George gegaan om bijzonderheden te vernemen. De knecht van mevrouw Speers had met soortgelijke oogmerken den knecht van mijnheer Foker te Baymouth op een borreltje onthaald. Men vertelde, dat Pen zich uit wanhoop in den boomgaard opgehangen had, maar door zijn oom afgesneden was; dat het jufvrouw Costigan was, die slecht behandeld was, en niet de jonge Arthur; en dat de zaak alleen gesmoord was door de betaling van eene groote som, welker juiste bedrag verscheidene inwoners van Clavering konden noemen en welke som natuurlijk telkens verschillend opgegeven werd, volgens de inzichten der verhalers.

Pen schudde zijne manen en brulde als een woedende leeuw, toen hem deze praatjes, die jufvrouw Costigan’s eer en de zijne raakten, ter oore kwamen. Waarom was mevrouw Pybus geen man (zij had er baard genoeg voor), dat hij haar kon uitdagen en doodschieten? Toen Simcoe voorbijging, gluurde Pen, op Rebecca, hem zoo woest aan en omklemde zijne karwats op zulk eene dreigende wijze, dat de dominé dadelijk naar huis ging en eene preek schreef, of althans ontwierp (want hij kon zeer breedvoerig uit het hoofd preeken), waarin hij op eene zoodanige wijze sprak van Jezabel, van tooneelvoorstellingen (dat waren twee vliegen in één klap, want het was bekend, dat doctor Portman, de dominé der oude kerk, die wel bezocht) en van jongelingen, die ter helle voeren, dat de domste mensch begreep, dat Pen de bedoelde persoon was en zich op den pasgenoemden gevaarlijken weg bevond. Wie zou al de verhalen kunnen opsommen, die over den jongen Pendennis in omloop waren, terwijl hij, als een Achilles in zijne tent, om het verlies zijner geroofde Briseïs zat te treuren!

Na het gebeurde met Hobnell was Pen zoowel een moordenaar als een losbol, en zijn naam verwekte schrik en afgrijzen in Clavering. Maar dit was nog niet genoeg: hij was niet de eenige van het gezin, waarover men in het dorp de hoofden bij elkander begon te steken, en zijne beklagenswaardige moeder was het eerstvolgende slachtoffer van de dorpspraatjes.

„Het is alles al bepaald,” zeide mevrouw Pybus tegen mevrouw Speers; „de jongen moet naar de academie en dan zal de weduwe zich wel troosten.”

„Hij komt elken dag ongegeneerd bij haar, lieve mevrouw,” merkte mevrouw Speers aan.

„Het is genoeg om den armen heer Pendennis zich in zijn graf te doen omkeeren,” zeide mevrouw Wapshot.

„Zij heeft ook nooit van hem gehouden, dat weten wij best,” hernam No. 1.

„Zij trouwde hem om zijn geld, dat is bekend. Zij was eene doodarme afhangelinge van Lady Pontypool,” zeide No. 2.

„Maar het is toch al te onbeschaamd, om een minnaar aan te moedigen onder voorwendsel, dat hij komt om uw zoon te onderwijzen!” riep No. 3 uit.

„Stil! daar komt mevrouw Portman,” zeide een uit het gezelschap, terwijl de goede dominé’svrouw den winkel van madame Fribsby binnentrad, om de juist uit Londen ontvangen maandelijksche modeplaten te zien. De eigenlijke toedracht der zaak was, dat madame Fribsby niet langer in staat was geweest haar mond te houden; en op zekeren dag, nadat zij met den hulpprediker had zitten praten over Pen’s naderend vertrek, en Smirke was heengegaan om dien jongen heer eene zijner laatste lessen te geven, had zij aan mevrouw Pybus, die juist met mevrouw Speers binnenkwam, haar vermoeden, ja, bijna hare zekerheid te kennen gegeven, dat er eene neiging bestond tusschen zeker geestelijk heer en zekere dame, wier weerbarstige zoon geheel onhandelbaar was, en dat een zeker huwelijk wel spoedig tot stand zou komen.

Mevrouw Portman doorzag alles natuurlijk dadelijk, zoodra de zaak geopperd werd. Wat een sluw mensch was toch die hulpprediker! Hij helde tot de afgescheidenen over en zij had het nooit op hem gehad. En denk eens, dat mevrouw Pendennis zin in hem had, na met zoo’n man als mijnheer Pendennis getrouwd te zijn geweest! Zij kon het ternauwernood vijf minuten bij madame Fribsby uithouden, zoozeer brandde zij van verlangen om naar de pastorie te loopen en het nieuws aan doctor Portman mee te deelen.

En toen doctor Portman het nieuws hoorde, was hij zoo boos op zijn hulpprediker, dat zijne eerste gedachte was met mijnheer Smirke te breken en hem te verzoeken zijne diensten in een ander kerspel te gaan aanbieden. „Zou zoon melkbaard durven denken, dat hij eene vrouw als mevrouw Pendennis waardig was!” viel hij uit. „Hoever zal de onbeschaamdheid nog gaan!”

„Zij is veel te oud voor mijnheer Smirke,” merkte mevrouw Portman aan; „die lieve mevrouw Pendennis zou haast zijne moeder kunnen zijn.”

„Gij zoekt altijd de liefderijkste reden, Betsy,” riep de doctor. „Eene vrouw met een volwassen zoon – zij zou nooit aan hertrouwen denken!”

„Gij meent, dat alleen mannen mogen hertrouwen, doctor Portman,” antwoordde zijne vrouw geraakt.

„Gij mal vrouwtje!” zeide de doctor, „als ik weg ben, kunt gij wien gij wilt trouwen. Ik zal het in mijn testament zetten. Ik zal aan mijn opvolger een trouwring vermaken, en mijn geest zal op uwe bruiloft komen dansen.”

„Het staat een dominé heel leelijk, zoo iets te zeggen,” hernam de dame met een vaardigen tranenvloed. Doch die kleine wolkjes aan den hemel van des doctors huwelijksheil dreven altijd spoedig voorbij, en werden door kalmte en zonneschijn opgevolgd. De doctor bediende zich van een maatregel om mevrouw Portman’s onthutst gelaat tot bedaren te brengen, die van groote kracht is wanneer hij aangewend wordt tusschen een achtenswaardig paar, dat elkander oprecht liefheeft, en die ik geloof, dat „Philemon” op zijn zestigste jaar evenzeer betaamt als toen hij nog de zwartlokkige jongen van vijf en twintig was.

„Zou het niet goed zijn mijnheer Smirke eens te spreken, Jan?” vroeg mevrouw Portman.

„Als Pen naar de academie gaat, cadit quaestio,” antwoordde de dominé; „Smirke’s bezoeken op Fairoaks houden dan van zelf op, zoodat het niet noodig is er de weduwe mee lastig te vallen. Zij heeft hoofdbrekens genoeg met de zaken van dien dwazen jongen schavuit, zonder dat men haar nog het hoofd behoeft warm te maken met de koffiepraatjes van dit stadje; die malle Fribsby heeft het allemaal uit haar duim gezogen!”

„Ik heb u altijd tegen haar gewaarschuwd, dat weet ge wel, beste Jan,” kwam mevrouw Portman er tusschen.

„Dat hebt ge gedaan; gij doet dat zeer dikwijls, schatje,” antwoordde de doctor lachende. „Het is voorzeker niet uit gebrek aan waarschuwingen van uwe zijde, dat ik mijn eigen gevoelen heb over de meeste vrouwen, waarmee wij bekend zijn. Madame Fribsby is eene malloot en eene praatster, en zoo zijn er nog meer. Maar zij is goed voor de armen, zij onderhoudt hare moeder en zij komt elken Zondag tweemaal ter kerk. En wat Smirke betreft, mijn schatje –” hier kreeg het gezicht van den doctor voor een oogenblik eene comische uitdrukking, welke mevrouw Portman niet opmerkte (want zij zag juist uit het venster en verwonderde zich, dat mevrouw Pybus op de markt weer op een paar kippen stond te dingen, daar zij nog pas twee dagen te voren gevogelte van Livermore had gekocht) – „wat Smirke betreft, Betsylief, wilt ge mij beloven, dat gij nooit aan eenig sterfelijk wezen zult verklappen wat ik u als een diep geheim zal meedeelen?”

„Wat is het, Jan-lief? – natuurlijk zal ik het aan niemand vertellen,” antwoordde de predikantsvrouw.

„Nu dan – let wel, ik zeg niet, dat het waar is – maar indien gij eens hoordet, dat Smirke op dit oogenblik – of eigenlijk reeds sinds jaren – geëngageerd was met zekere jonge dame, eene jufvrouw – eene jufvrouw Thompson, als gij den naam weten wilt, die op Clapham Common woont – ja, op Clapham Common, niet ver van mevrouw Smirke, – wat zou er dan van uw verzinsel omtrent Smirke en mevrouw Pendennis worden?”

„Waarom hebt gij mij dat niet vroeger verteld?” zeide mevrouw. „Hoelang hebt gij het al geweten? – Wat hebben wij ons allen in dien man vergist!”

„Waarom zou ik mij met de zaken van een ander bemoeien, schatje?” hernam de doctor. „Ik kan een geheim bewaren – en misschien is dit ook maar een uitstrooisel, evenals die andere dwaze geschiedenis; ten minste, mevrouw Portman, zou ik u dit nooit verteld hebben, als het andere er geen aanleiding toe gegeven had, hetgeen ik u verzoek tegen te spreken waar gij het hoort.” En met die woorden begaf de doctor zich naar zijne studeerkamer, terwijl mevrouw Portman, ziende, dat het bijzonder mooi weer was, begreep, dat zij daarvan gebruik moest maken om eenige bezoeken te gaan afleggen.

Toen de doctor uit het venster zijner studeerkamer keek, zag hij de vrouw zijns harten een oogenblik later in hare beste kleeren uitgaan. Zij stak de markt over, groette de verkoopsters rechts en links, wierp een blik op den komenijswinkel aan den hoek, sloeg London Street (voormaals hog Lane) in, stond een oogenblik voor de winkelkast van madame Fribsby naar de modes te kijken en scheen onzeker, of zij er binnen zou treden; doch zij ging voorbij en stond niet stil, voordat zij den tuin en het groene hek van mevrouw Pybus bereikt had, waar zij binnenging en op de woning van die dame toestapte.

Daar verloor doctor Portman zijne vrouw natuurlijk uit het oog. „O, wat heb ik haar beetgehad!” sprak hij bij zich zelven, „en de hemel vergeve mij, dat ik mijn eigen vleesch en bloed gefopt heb. Maar er moeten geen praatjes en laster meer omtrent die familie in omloop komen. Ik moet er een eind aan maken en Smirke spreken. Ik zal hem nog heden ten eten vragen.”

Daar de doctor eene preek moest opstellen, ging hij zitten werken en had het daarmee zoo druk, dat hij eerst omstreeks vijf uur des namiddags gereed was. Daarop ging hij naar de woning van Smirke, met oogmerk om aan zijne gastvrije plannen ten aanzien van dien heer gevolg te geven. Juist toen hij aan de deur van madame Fribsby was, kwam de hulpprediker er uit.

Mijnheer Smirke was prachtig gekleed en vertoonde, toen hij zich op zijne teenen omdraaide, een paar elegante opengewerkte zijden kousen en blinkende schoenen. Zijne witte das was in een stevigen mooijen strik gelegd en zijne gouden hemdsknoopen schitterden op het sneeuwwitte linnen. Zijn haar krulde rondom zijne blanke slapen. Had hij madame Fribsby’s krulijzers geleend, om aan zijne lokken die sierlijke golving te geven? Zijn wit batisten zakdoek was geurig van het heerlijkste eau-de-cologne.

„O gracilis puer! waar moet dat heen?” riep de doctor uit. „Ik kwam u vragen om bij ons te dineeren.”

„Ik heb mijn woord gegeven om op – Fairoaks te dineeren,” antwoordde Smirke met een licht blosje, terwijl hij met zijn geparfumeerden zakdoek zwaaide. Daar zijn hit gereed stond, steeg hij op en reed meesmuilend de straat uit. Dien dag trof hem geenerhande onheil, zoodat hij met zijne das in den onberispelijksten toestand ten huize van mevrouw Pendennis aankwam.

ZEVENTIENDE HOOFDSTUK.

WAARMEDE HET EERSTE GEDEELTE VAN DIT VERHAAL BESLOTEN WORDT.

De hulpprediker was zijn dagelijksch bezoek op Fairoaks komen afleggen en bevond zich boven, op Pen’s kamer, waar hij den schijn aannam van met zijn leerling te studeeren. Het was vroeg dien zelfden namiddag, toen mevrouw Portman, na bij mevrouw Pybus afgedaan te hebben, het weer zoo buitengemeen fraai vond, dat zij besloot hare wandeling tot Fairoaks uit te strekken en daar een bezoek aan hare hooggeschatte vriendin te brengen. In den loop van het gesprek vertelde de dominésvrouw aan mevrouw Pendennis en den majoor een zeer groot geheim aangaande mijnheer Smirke, den hulpprediker, hetgeen niets minder betrof, dan dat hij eene liefde, eene zeer oude liefde koesterde, die hij lang verborgen had gehouden.

„En aan wie heeft mijnheer Smirke zijn hart geschonken?” vroeg mevrouw Pendennis, trotsch, maar toch inwendig wel wat ongerust.

„Wel, mevrouw,” antwoordde de andere dame, „toen hij pas hier was en wel eens bij ons at, zeiden de menschen, dat wij hem voor Myra trachtten te winnen, zoodat wij hem niet meer konden vragen. Toen zeide men, dat hij zijn oog ergens elders had laten vallen; maar, wat mij betreft, ik sprak het altijd tegen en zeide, dat gij –”

„Ik!” riep mevrouw Pendennis uit: „wat zijn de menschen toch onbeschaamd! Mijnheer Smirke is hier gekomen als onderwijzer van Arthur, en ik sta verstomd, dat iemand zou durven –”

„Bij mijne ziel, dat gaat een beetje ver!” zeide de majoor, terwijl hij de courant en zijn dubbel lorgnet neerlegde.

„Ik kan die mevrouw Pybus niet uitstaan,” ging Helena verontwaardigd voort.

„Ik zeide haar ook, dat er niets van aan was,” hernam mevrouw Portman. „Ik heb het altijd gezegd, mevrouw-lief, en nu komt het uit, dat onze ingetogene heer geëngageerd is met eene jonge dame – zekere jufvrouw Thompson, van Clapham Common – ik weet niet hoelang al; en ik ben er, wat mij betreft en voor Myra, blij om, want een ongetrouwd hulpprediker is altijd lastig in huis. Natuurlijk blijft dit geheel onder ons, maar ik meende het u te moeten vertellen, om onaangenaamheden te voorkomen. Maar onthoud wel: als het u belieft geen enkel woord over deze zaak!”

Mevrouw Pendennis antwoordde, met de grootste oprechtheid, dat zij dat nieuws met buitengewoon genoegen vernomen had, en drukte de hoop uit, dat mijnheer Smirke, die een zeer welwillend en beminnelijk mensch was, eene goede vrouw zou treffen. Toen de bezoekster weg was, bespraken Helena en haar broeder de zaak nog eens met het meeste welgevallen, en de vriendelijk gezinde dame verweet zich haar hooghartig gedrag tegenover den heer Smirke, dien zij in den laatsten tijd ontweken had, in plaats van hem dankbaar te zijn voor de aanhoudende zorgen, die hij aan Arthur wijdde.

„Erkentelijkheid mag men jegens dat soort van menschen wel betoonen,” zeide de majoor, „maar van gemeenzaamheid kan geen sprake zijn. Deze heer geeft zijne lessen en krijgt er zijn geld voor, gelijk ieder ander meester. Gij zijt te nederig, mijne beste! Verschil van standen en zoo voorts moet blijven bestaan. Ik heb u al vroeger gezegd, dat gij te voorkomend waart jegens mijnheer Smirke.”

Maar Helena gaf dit niet toe; en nu Arthur op het punt van vertrekken stond en zij zich herinnerde hoe uiterst beleefd mijnheer Smirke was geweest, hoe hij boodschappen voor haar had gedaan, boeken gebracht en muziek gekopieerd, hoe hij Laura zooveel geleerd en haar een aantal lieve geschenkjes gegeven had; nu verweet zij zich in haar hart, dat zij den hulpprediker ondankbaar had bejegend; en dit gevoel werd zoo sterk, dat zij, toen hij met Pen naar beneden ging en, alvorens te vertrekken, nog in het voorhuis talmde, naar buiten kwam en hem met een vrij sterken blos de hand gaf, met uitnoodiging om hare huiskamer binnen te treden, waar men, zeide zij, hem tegenwoordig in het geheel niet meer zag. Daar er dien dag een vrij goed diner zou zijn, noodigde zij mijnheer Smirke ook uit om er aan deel te nemen; en wij kunnen ons overtuigd houden, dat hij die heerlijke uitnoodiging met de grootste blijdschap aannam.

Helena, die door de ontvangen mededeelingen van allen vroegeren twijfel en achterdocht ten opzichte van den hulpprediker verlost was, gedroeg zich onder den maaltijd bovenmate vriendelijk en lieftallig jegens mijnheer Smirke en verdubbelde hare beleefdheden, misschien wel omdat majoor Pendennis zeer hoog en terughoudend jegens den leermeester van zijn neef was. Wanneer de majoor aan Smirke een glas wijn aanbood, sprak hij tegen hem als een vorst tegen een geringen onderhoorige, en wel met zooveel nederbuigende goedheid, dat zelfs Pen er om lachen moest, ofschoon hij overigens van zijn kant geneigd was even verwaand te zijn als de meeste jongelui.

Maar Smirke trok zich de ongemanierdheden van den majoor niet aan, zoolang zijne gastvrouw hem vriendelijk behandelde. Hij bracht een heerlijk uurtje naast haar aan tafel door, wendde al zijne spraakzaamheid aan om haar te behagen, handelde over geestelijke en wereldsche dingen, over de armen-loterij en de jaarlijksche vergadering van het zendeling-genootschap, over den laatst uitgekomen roman, over die mooie preek van den bisschop en over de voorname partijen te Londen, waarvan hij een verslag in de dagbladen gelezen had; kortom, hij verzuimde geen der kunstgrepen, waardoor een pas van de academie gekomen geestelijk heer, met aanleg zoowel voor luchtige als ernstige zaken en tevens met de zucht naar het voorname bezield, die een onberispelijk leven leidt en een gevoelig hart bezit, een aangenamen indruk kan trachten te maken op haar, aan wie hij zijne genegenheid schenkt.

Majoor Pendennis kwam zeer spoedig nadat zijne zuster en de kleine Laura de eetzaal hadden verlaten, geeuwende dat vertrek uit. „Wat is die man onuitstaanbaar vervelend, en wat sloeg hij door!” zeide de majoor.

„Hij is zeer vriendelijk voor Arthur geweest, die heel veel van hem houdt,” antwoordde mevrouw Pendennis. „Ik zou wel eens willen weten, wie die jufvrouw Thompson is, met wie hij gaat trouwen.”

„Ik dacht altijd, dat de kerel zijne oogen ergens anders had laten vallen,” hernam de majoor.

„Waar dan?” vroeg mevrouw Pendennis met de grootste argeloosheid. „Op Myra Portman?”

„Op Helena Pendennis, als gij het dan weten wilt,” antwoordde haar schoonbroeder.

„Op mij? Onmogelijk!” zeide Helena, die volmaakt goed wist, dat dit wel degelijk het geval was geweest. „Zijn huwelijk zal eene gelukkige gebeurtenis zijn. Ik hoop, dat Arthur niet te veel wijn zal drinken.”

Nu had Arthur, vrij trotsch op het voorrecht, dat hij de sleutels van den kelder onder zijne berusting had, en zich herinnerende, dat hij waarschijnlijk weinige diners meer met zijn dierbaren vriend Smirke zou hebben, eene goede hoeveelheid wijn voor den maaltijd laten uitzetten, en toen de oudere gasten met de kleine Laura vertrokken waren, begon hij met den hulpprediker de flesch tamelijk druk aan te spreken.

Eéne flesch gaf spoedig den geest; eene andere stortte meer dan de helft van haar bloed, voordat de twee drinkebroers nog een half uur bij elkander hadden gezeten. Pen had met een hollen lach en eene holle stem een beker geledigd op de valschheid der vrouwen, en er op sarcastische wijze bijgevoegd, dat de wijn in ieder geval eene minnares was, die nooit bedrog pleegde en een man altijd het welkom toebracht.

Smirke merkte zachtzinnig aan, dat hij, wat hèm betrof, wel vrouwen kende, die enkel oprechtheid en teederheid waren; en met zijne oogen naar de zoldering en een zucht alsof hij aan een dierbaar wezen dacht, dat niet genoemd mocht worden, nam hij zijn glas op en dronk het uit, waarop het rozeroode vocht zijn gelaat begon te kleuren.

Pen dreunde eenige verzen op, dien morgen door hem gemaakt, waarin hij aan zich zelven verkondigde, dat de vrouw, die zijne liefde versmaad had, niet waardig kon zijn hem te bezitten; dat hij uit den waanzinnigen liefdesdroom ontwaakt was en in dien staat van zaken de hardvochtige bedriegster natuurlijk ging verlaten; dat een geslachtsnaam, die eens beroemd was geweest in het land, daar nog wel eens weerklinken kon, hoewel hij nooit meer de gelukkige en onbezorgde knaap zou zijn, die hij slechts weinige maanden geleden was, en dat zijn hart nooit meer zou wezen wat het geweest was eer de hartstocht het vervuld en de smart het bijna gebroken had; dat, ofschoon de dood hem persoonlijk even welkom was als het leven, en hij niet zou terugdeinzen om van dit laatste te scheiden, indien het niet ware om den wille van dat ééne teedere wezen, welks geluk van zijn geluk afhing, – hij toch hoopte te toonen, dat hij eene waardige spruit was van zijn geslacht, en dat de valsche vrouw eenmaal zou leeren verstaan hoe groot de schat en hoe edel het hart was, dat zij verworpen had.

Pen, zeg ik, die een zeer prikkelbaar gestel bezat, droeg deze verzen met zijne volle aangename stem voor, die van ontroering trilde terwijl hij sprak. Als hij in dezen staat van opgewondenheid verkeerde, bloosde hij altijd, en ook zijne groote, eerlijke, grijze oogen leverden de bewijzen van een zoo oprecht, welgemeend en manhaftig gevoel, dat jufvrouw Costigan, indien zij een hart bezeten had, onvermijdelijk door hem vermurwd had moeten worden; en zeer waarschijnlijk is het, dat zij, gelijk hij zeide, de genegenheid, die hij aan haar verspild had, ten eenemale onwaardig was.

De sentimenteele Smirke werd aangestoken door de ontroering, die zijn jeugdigen vriend bevangen had. Over de dessertborden en de wijnglazen greep hij Pen’s hand. Hij zeide, dat de verzen heerlijk waren, dat Pen een dichter, een groot dichter was en, indien de hemel het vergunde, eene grootsche loopbaan in de wereld te gemoet ging. „Het geluk vergezelle u, lieve Arthur,” riep hij uit; „de wonden, waaraan gij thans lijdt, zijn slechts tijdelijk en juist uwe smart zal uw hart reinigen en versterken. Ik heb u altijd de grootste en de schitterendste toekomst voorspeld, zoodra gij eenige gebreken en zwakheden zult hebben afgelegd, die u tot nog toe aankleven. Doch gij zult die overwinnen, beste jongen, gij zult ze overwinnen, en als gij bekend en beroemd zijt, gelijk eenmaal het geval zal wezen, gedenk dan uw ouden leermeester en de gelukkige dagen uwer vroege jeugd!”

Pen zwoer, dat hij dit doen zou, en bevestigde het met een nieuwen handdruk over de glazen en de abrikozen heen. „Ik zal nooit vergeten hoe vriendelijk gij voor mij zijt geweest, Smirke,” sprak hij. „Ik weet niet, hoe ik er zonder u zou gekomen zijn. Gij zijt mijn beste vriend.”

„Ben ik dat wezenlijk, Arthur?” vroeg Smirke, strak door zijn bril kijkende, terwijl zijn hart zoo hevig begon te kloppen, dat hij dacht, dat Pen het hooren moest.

„Mijn beste vriend, mijn vriend voor eeuwig,” antwoordde Pen. „God zegen je, ouwe jongen!” en bij die woorden dronk hij het laatste glas van de tweede flesch van dien vermaarden wijn, dien zijn vader had opgedaan, die zijn oom in veiling had gekocht, dien Lord Levant van buitenslands had laten komen, en die nu, als een slaaf, wien het onverschillig was, genoegen verschafte aan zijn tegenwoordigen eigenaar en zijn jongen meester opvroolijkte.

„Wij zullen nog eene flesch laten komen, ouwe jongen,” zeide Pen, „bij de onsterfelijke goden, nog ééne flesch! Hoera! – de wijn kost geen geld. Oom heeft mij verteld, dat hij Sheridan in de club vijf flesschen heeft zien drinken, behalve nog eene flesch maraskijn. Dit is een van de fijnste wijnen in Engeland, zegt hij. En dat is het ook! Niets kan er mee in vergelijking komen. Nunc vino pellite curas – cras ingens iterabimur aequor – schenk nog eens in, ouwe Smirke, een okshoofd van dien wijn zou u geen kwaad doen!” En daarop begon mijnheer Pen het drinklied uit den Freischütz te zingen. De vensters der eetzaal stonden open en zijne moeder wandelde zachtkens het grasperk daar buiten op en neer, terwijl de kleine Laura naar het ondergaan der zon keek. De volle, frissche tonen van den knaap troffen het oor der weduwe. Het deed haar hart goed, dat zij hem hoorde zingen.

„Gij – gij drinkt te veel, Arthur,” zeide Smirke zacht – „gij windt u te veel op.”

„Neen,” zeide Pen, „van vrouwen krijgt men hoofdpijn, maar hiervan niet. Schenk in, ouwe jongen, en laten wij drinken – zeg eens, Smirke, beste jongen – laten wij op haar drinken – op uwe haar, meen ik, – niet op de mijne, waar ik zweer dat ik geen zier meer om geef – neen, geen duit – neen, geen pijp tabak – neen, dit glas wijn niet! Vertel eens alles van die dame, Smirke; ik heb u dikwijls om haar hooren zuchten.”

„O!!” zeide Smirke, en zijn mooi batisten overhemd met de glinsterende hemdsknoopjes zwoegde van de aandoening, die zijn teeder en overstelpt hart bewoog.

„O!! wat een zucht!” riep Pen uit, die buitenmate vroolijk werd; „schenk in, mijn jongen, en drink eens uit; gij moogt niet neen zeggen; geen gentleman weigert een toast! Dit gaat op hare gezondheid; ik wensch u veel geluk, en hoop, dat zij spoedig mevrouw Smirke zal wezen!”

„Meent gij dat inderdaad?” vroeg Smirke, bevend als een rietje. „Meent gij dat werkelijk, Arthur?”

„Of ik dat meen? Natuurlijk meen ik het. Uitgedronken! Op de gezondheid van mevrouw Smirke: hip, hip, hoera!”

Krampachtig zwolg Smirke zijn glas wijn in en Pen zwaaide het zijne boven zijn hoofd en juichte zoo luidruchtig, dat zijne moeder en Laura op het grasperk er zich over verwonderden en zijn oom, die in de huiskamer over zijn dagblad zat te dutten, opsprong en bij zich zelven zeide: „Die jongen drinkt te veel! Smirke moest er een einde aan maken.”

„Ik ben u dankbaar voor uwe vriendelijkheid,” zeide de hulpprediker blozende en met beklemde borst. „O, beste Arthur, gij – gij kent haar wel –”

„Hoe! – is het Myra Portman? Wees er gelukkig mee. Zij heeft wel een verduiveld breed middel; maar ik wensch u toch geluk, ouwe jongen!”

„O, Arthur!” kermde de hulpprediker weder, en knikte sprakeloos met zijn hoofd.

„Ik vraag u wel verschooning. Het zou mij spijten als ik u beleedigd had; maar het is toch waar, dat zij een breed middel, een verduiveld breed middel heeft,” hernam Pen, bij wien de derde flesch zichtbaar begon te werken.

„Het is juffer Portman niet,” zeide de ander met eene wanhopige stem.

„Is het iemand te Chatteries of te Clapham? Iemand hier? Kom – het is toch de oude Pybus niet, of de jonge jufvrouw Rolt uit de fabriek? – die is pas veertien jaar.”

„Het is iemand, die wel wat ouder is dan ik, Pen,” bekende Smirke, terwijl hij de oogen naar zijn vriend ophief en ze daarna weer met schuldbesef op zijn bord sloeg.

Pen barstte nu in lachen uit. „Het is madame Fribsby! bij den hemel, het is madame Fribsby! Madame Frib, bij de onsterfelijke goden!”

Nu kon de hulpprediker zich niet langer bedwingen. „O, Pen!” riep hij uit; „hoe kunt gij gelooven, dat iemand van die – van die meer dan alledaagsche wezens, die gij hebt opgenoemd, indruk zou hebben kunden maken op mijn hart, terwijl ik dagelijks in de gelegenheid was, de volmaaktheid te aanschouwen! Misschien ben ik krankzinnig, misschien wil ik mij te vermetel verheffen, misschien ben ik aanmatigend – maar twee jaar lang is mijn hart slechts met één beeld vervuld en kent het geen anderen afgod. Heb ik u niet als een zoon liefgehad, Arthur? – spreek op: heeft Charles Smirke u niet als een zoon bemind?”

„Ja, ouwe jongen, je bent heel goed voor me geweest,” antwoordde Pen, wiens genegenheid voor zijn onderwijzer echter in geenen deele op die van een zoon voor zijn vader geleek.

„Mijne middelen, ik moet het bekennen, zijn voor het oogenblik beperkt,” draafde Smirke door, „en mijne moeder is niet zoo mild als ik zou kunnen wenschen; maar wat zij bezit, zal bij haar dood aan mij komen. Hoorde zij, dat ik eene dame van stand en fortuin trouwde, dan zou zij wèl mild zijn, daarvan ben ik zeker. Wat ik bezit of later erven mocht – en dat is minstens vijfhonderd pond ’s jaars – zou ik voor haar vastzetten – en – en bij mijn dood zoudt gij – dat wil zeggen –”

„Wat drommel bedoelt gij toch? en wat heb ik met uw geld te maken?” vroeg Pen, die er niets van begreep.

„Arthur! Arthur!” riep de ander opgewonden uit: „gij zegt, dat ik uw beste vriend ben. Laat ik méér voor u zijn. O, begrijpt gij dan nog niet, dat het engelachtige wezen, hetwelk ik bemin – de reinste, de beste der vrouwen – niemand anders is dan uw lieve, lieve engel van een – moeder!”

„Mijne moeder!” riep Arthur uit, terwijl hij opsprong en in een oogenblik nuchter was. „Wel verduiveld, Smirke, gij moet gek wezen! zij is zeven of acht jaar ouder dan gij!”

„Hebt gij u daardoor laten weerhouden?” vroeg Smirke op klagenden toon en met blijkbare toespeling op het bejaarde voorwerp van Pen’s hartstocht.

De knaap voelde den steek en bloosde tot achter de ooren. „Die gevallen staan niet gelijk, Smirke,” gaf hij ten antwoord, „en gij hadt die woorden wel vóór u kunnen houden. Een man kan zijn rang wel eens vergeten en eene vrouw daartoe opheffen; maar vergun mij op te merken, dat onze omstandigheden zeer verschillend zijn.”

„Wat bedoelt gij, beste Arthur?” vroeg de hulpprediker weemoedig, wegkrimpende bij de gedachte, dat zijn doodvonnis hem aangekondigd zou worden.

„Wat ik bedoel? Ik bedoel wat mijne woorden uitdrukken. Mijn meester, ik zeg mijn meester, heeft geen recht, eene vrouw van mijn moeders stand ten huwelijk te vragen. Het is misbruik van vertrouwen! Dat zeg ik, Smirke, en dat het ongepast, heel ongepast is – eene laagheid!”

„O, Arthur!” begon de hulpprediker met gevouwen handen en een verslagen gezicht; maar Arthur stampte op den grond en trok aan de bel. „Laten wij er niet meer over spreken. Wij zuilen een kop koffie gebruiken, als gij het goedvindt,” zeide hij majestueus en verzocht daarop den ouden knecht, die op het schellen binnenkwam, dien drank te brengen.

Jan zeide, dat hij juist de koffie in de huiskamer had gebracht en dat majoor Pendennis den jongen heer Arthur verzocht daar te willen komen, waarbij de oude man een verbaasden blik op de drie leege wijnflesschen wierp. Smirke zeide, dat hij – dat hij liever niet meer binnen zou komen, waarop Arthur hooghartig antwoordde: „Zooals het u behaagt,” en last gaf mijnheer Smirke’s paard voor te brengen. De arme jongen zeide, dat hij den weg in den stal wel wist en zelf zijn hit zou halen, waarop hij in het voorhuis in de treurigste stemming zijne jas aantrok en zijn hoed opzette.

Pen volgde hem blootshoofds naar buiten. Helena wandelde nog altijd het fluweelzachte grasperk op en neer, terwijl de zon onderging. De hulpprediker nam den hoed af, boog bij wijze van afscheid, en richtte zich naar de staldeur, door welke beiden verdwenen. Smirke kende, gelijk hij gezegd had, den weg naar den stal zeer goed. Hij frommelde aan de zadelriemen, die Pen voor hem vastmaakte, legde den teugel aan en voerde den hit op het plein. De knaap was geroerd door de droefheid, die hij op het gelaat van den ander onder het opstijgen waarnam. Pen reikte hem de hand, die Smirke sprakeloos in de zijne drukte.

„Zeg eens, Smirke,” voegde Pen hem met eene ontroerde stem toe, „vergeef mij, als ik u iets hards gezegd heb, – want gij zijt altijd heel, heel vriendelijk voor mij geweest. Maar dit kan niet zijn, ouwe jongen, het kan niet zijn. Wees man! God zegen je!”

Smirke knikte zwijgend en reed het hek van het park uit. Pen zag hem nog een paar minuten na, tot hij op den weg verdween en het hoefgekletter wegstierf. Helena talmde nog altijd op het grasperk tot haar jongen terugkwam. Toen streek zij het haar van zijn voorhoofd weg en kuste hem hartelijk. Zij vreesde, sprak zij, dat hij te veel wijn gebruikt had. Waarom was mijnheer Smirke heengegaan zonder thee te blijven drinken?

Pen keek haar met eene goedhartige vroolijkheid aan en zeide lachend, dat Smirke niet heel wel was. In langen tijd had Helena haar zoon niet zoo opgeruimd gezien. Hij nam haar in den arm en wandelde met haar voor het huis op en neer. Laura begon op de ruiten der huiskamer te trommelen en te lachen en te knikken. „Komt binnen, gij met u beiden!” riep majoor Pendennis: „de koffie wordt ijskoud!”

Toen Laura naar bed was, kwam Pen, die van zijn geheim bijna stikte, er mee voor den dag en beschreef het pijnlijke, maar potsierlijke tooneel, dat plaats had gevonden. Helena hoorde het gebeurde aan, onder menig blosje, hetwelk op haar bleek gelaat zeer goed stond, en met eene verlegenheid, waarin Arthur een ondeugend pleizier had.

„Het is verduiveld onbeschaamd!” zeide majoor Pendennis, terwijl hij zijne kaars opnam. „Hoever zal de vermetelheid van die menschen nog gaan?” Pen en zijne moeder voerden dien avond nog een lang gesprek, vol van liefde, vertrouwen en vroolijkheid, en de knaap sliep geruster en werd opgeruimder wakker dan in vele maanden het geval was geweest.

Alvorens de groote Dolphin Chatteries verliet, sloot hij niet alleen een voordeelig engagement met jufvrouw Fotheringay, maar stelde hij haar ook op onbekrompen wijze eene som gelds ter hand, om de schulden af te doen, die de kleine familie gedurende haar verblijf kon gemaakt hebben en die, vooral ten gevolge van de zuinigheid en het beleid der dame, niet belangrijk waren. De kleine rekening bij den drankverkooper, welke majoor Pendennis vereffend had, was Costigan’s voornaamste schuld, en ofschoon de kapitein eens verzekerde, dat hij dat geld tot den laatsten stuiver zou terugbetalen, schijnt hij aan die bedreiging geen gevolg gegeven te hebben, en de wetten der eer schreven hem ook in het minst niet voor, dat hij zich op die wijze wreken moest.

Toen jufvrouw Costigan gezorgd had, dat de uitstaande rekeningen tot den laatsten stuiver voldaan waren, stelde zij het overschot aan haar vader ter hand, die zijne vrienden nu mild onthaalde, en aan de kleine Creeds meer appelen en koek gaf dan hij hun ooit te voren geschonken had, zoodat jufvrouw Creed de gedachtenis van haar huisgenoot altijd later in eerbiedige herinnering hield en de kleinen bitter schreiden toen hij heenging. In één woord, hij sprong zoo aardig met het geld om, dat het binnen weinige dagen geheel verteerd was en hij, toen de dag van vertrek ophanden was, op den heer Dolphin moest trekken voor eene som tot bestrijding van de reiskosten.

In eene herberg van dat landstadje hield een genootschap van heeren, die zich „de Boekaniers” noemden, wekelijks eene vergadering van een zeer levendigen, ja, van zeer luidruchtigen aard. Eenige der schranderste bollen van Chatteries behoorden tot die vroolijke club. Groves, de apotheker (geen beter kerel stak ooit eene pijp in den mond), Smart, de verdienstelijke en grappige portretschilder uit de High Street, Croker, de slimme directeur van het verkoophuis, en de onversaagde Hicks, sedert drie en twintig jaar de talentvolle redacteur van den County Chronicle and Chatteries Champion, behoorden tot de equipage der Boekaniers, waar de regisseur Bingley zich Zaterdagsavonds ook gaarne bijvoegde, als hij verlof van zijne vrouw kreeg.

Costigan was nu en dan ook wel eens een Boekanier geweest. Maar wegens onnauwkeurigheid in zijne betalingen was hij in den laatsten tijd nagenoeg van het gezelschap uitgesloten, waar hij onaangename aanmerkingen van den kastelein te verduren had, volgens wiens beweren een Boekanier, die zijne verteringen niet betaalde, onwaardig was een zeebandiet te wezen. Doch toen de Niers – gelijk de leden der club zich bij verkorting noemden – vernamen, dat jufvrouw Fotheringay een uitstekend engagement had gekregen, kwam er een groote omkeer in de gevoelens ten aanzien van kapitein Costigan. Solly, de kastelein van de Druiventros (ik behoef niet te zeggen, dat er nooit achtenswaardiger kastelein achter het buffet stond), verhaalde op zekeren avond aan de heeren in de vergaderzaal der Boekaniers, hoe loffelijk de kapitein zich gedragen had, die al zijne schulden te Chatteries had afgedaan, met inbegrip van de drie pond veertien shillings, die hier nog van hem stonden. Solly verklaarde, dat Cos een goede kerel en door en door een gentleman was, gelijk hij ook altijd gezegd had, en ten slotte wist hij zoo krachtig op de gemoederen der Boekaniers te werken, dat zij besloten den kapitein een diner aan te bieden.

Dit feestmaal had op den laatsten avond van Costigan’s verblijf te Chatteries plaats en was op de gewone uitnemende wijze door Solly bezorgd. Zijne vrouw had een eenvoudig, maar zoo degelijk oud-Engelsch diner gereedgemaakt, als ooit op eene tafel dampte. Omtrent achttien heeren zaten aan den feestdisch neder. Mijnheer Jubber (de groote lakenkooper uit de High Street) was president en had den geachten gast der club aan zijne rechterhand. De bekwame en gelijkmoedige Hicks was bij deze gelegenheid vice-president. De meeste leden waren tegenwoordig, en ook de heeren Foker en Spavin namen, als vrienden van kapitein Costigan, deel aan de partij.

Toen het dessert was opgebracht, zeide de president: „Costigan, er is wijn, als gij dien hebben wilt;” doch daar de kapitein de voorkeur aan punch gaf, werd er bij acclamatie tot dien drank besloten, en nadat Non nobis heerlijk gezongen was door de heeren Bingley, Hicks en Bullby (van het koor der hoofdkerk, een pretmaker van de eerste soort), stelde de president een toast in op den koning, die met geestdrift door de heeren van Chatteries gedronken werd, waarna hij, zonder verdere voorafspraak, het welzijn instelde van „hun vriend, kapitein Costigan.”

Toen het daverend gejuich, dat door het oude Chatteries weergalmde, opgehouden had, stond kapitein Costigan op, om te antwoorden en hield eene rede van twintig minuten, waarbij hij meer dan eens door zijne aandoening overweldigd werd.

De dappere kapitein zeide, dat men hem vergeven moest indien zijne woorden den behoorlijken samenhang misten, daar zijn hart te vol was om te spreken. Hij zou eene stad gaan verlaten, beroemd om hare oudheid, om hare gastvrijheid, om de schoonheid harer vrouwen, om de standvastige trouw, de edelmoedigheid, de gulheid harer mannen (toejuichingen). Hij verwisselde die antieke en eerwaardige stede, waar aan hij, zoolang zijn geheugen hem bleef, niet zonder aandoening en liefde zou denken, met eene hoofdstad, waar de talenten zijner dochter ten volle zouden kunnen schitteren en waar hij als een beschermengel over haar waken zou. Hij zou nooit vergeten, dat het Chatteries was, waar zij de bekwaamheid verkregen had, waarmede zij nu in een anderen kring ging prijken, en in haar naam en zijn eigen naam zeide Jack Costigan hun hartelijk dank en wenschte hij hun Gods besten zegen toe. Deze rede van den dapperen officier werd met donderende toejuichingen ontvangen.

Mijnheer Hicks, de vice-president, stelde daarop in sierlijke en krachtige bewoordingen jufvrouw Fotheringay’s gezondheid voor.

Daarvoor betuigde kapitein Costigan weer zijn dank in een diep gevoeld en welsprekend antwoord.

Mijnheer Jubber bracht een toast uit op het drama en het tooneel van Chatteries. Mijnheer Bingley wilde dien beantwoorden, doch werd daarin verhinderd door kapitein Costigan, die, uit hoofde van zijne langdurige betrekking tot het tooneel van Chatteries en ten behoeve zijner dochter, het gezelschap bedankte. Hij deelde hun daarbij mee, dat hij te Gibraltar en te Malta in garnizoen gelegen en de inneming van Vlissingen bijgewoond had. De hertog van York was een voorstander van het drama, hij had dikwijls de eer gehad met zijne koninklijke hoogheid en den hertog van Kent te dineeren, en de eerste werd met recht de vriend van den soldaat genoemd (toejuichingen).

Hier volgde een toast op het leger, en andermaal bedankte kapitein Costigan daarvoor. In den loop van den avond zong hij zijne welbekende liederen: de Deserteur, Jan van Vooght, het Biggetje onder het bed en het Dal van Avoca. Deze avond was een groote triomf voor hem, – maar eindigde toch. Alle triomfen en alle avonden nemen een einde. Den volgenden dag zaten hij en zijne dochter (die van al hare vriendinnen afscheid genomen en zich met jufvrouw Rouncy verzoend had, aan wie zij een halsketting en eene wit satijnen japon tot eene gedachtenis geschonken had) in de diligence Competitor en reden de poort van Fairoaks Lodge voorbij, zonder dat Pendennis er iets van wist.

Tom Smith de koetsier maakte mijnheer Costigan, die in een dampkring van brandewijngrog op den bok zat, opmerkzaam op Fairoaks. Maar de kapitein zeide, dat het een heel min buitentje was, en voegde er bij: „Ge moest het kasteel Costigan in het graafschap Mayo eens zien, mijn jongen!” – waarop Tom antwoordde, dat hij het inderdaad heel graag eens zou willen zien.

Zij waren weg, en Pen had niets van hen gezien! Hij vernam hun vertrek eerst den volgenden dag uit de courant, en galoppeerde toen dadelijk naar Chatteries, om te vernemen of het wel waar was. Zij waren inderdaad vertrokken. Vóór het lieve, welbekende venstertje hing een blad papier met de aankondiging: „Kamers te huur.” Hij snelde naar boven, om de kamer nog eens te zien. Lang bleef hij in de oude vensterbank, van waar hij en Emily zoo dikwijls te zamen naar buiten hadden gezien, in den tuin van den deken staren. Met eene soort van huivering trad hij haar thans ledige slaapkamertje binnen. Het was uitgeschrobd en voor nieuwe bewoners ingericht. De spiegel, die haar schoon gelaat had teruggekaatst, hing te blinken voor hare opvolgster. De gordijnen lagen vierkant opgevouwen op het bedje. Hij wierp zich neer en verborg zijn aangezicht in het verlaten kussen.

Laura had een beursje geknoopt, waarin zijne moeder eenige goudstukken had gestoken, hetwelk Pen dien zelfden morgen op zijne toilettafel had gevonden. Hij gaf één dier munten aan het kleine meisje, dat de Costigan’s bediend had, en één aan de kinderen, omdat zij zeiden, dat zij zooveel van haar hielden. Het was slechts weinige maanden geleden, en wat schenen er toch vele jaren verloopen sedert hij den eersten voet in die kamer gezet had! Hij besefte, dat alles voorbij was. Zelfs dat hij de diligence niet gezien had, scheen een noodlottig teeken. De arme knaap gevoelde zich verlaten, afgemat, diep rampzalig en eenzaam.

Zijne moeder zag aan zijn blik toen hij weer thuis kwam, dat zij weg was. Hij was nu ook verlangend om weg te vliegen, evenals andere personen binnen en buiten Chatteries. De arme Smirke wilde zich uit de nabijheid der weduwe, die eene sirene voor hem geweest was, verwijderen. Foker had genoeg van Baymouth en meende, dat nu eenige academische soupertjes geene onaangename afwisseling zouden opleveren. Majoor Pendennis snakte er naar om ook weg te komen en wat fazanten te Stillbrook te gaan schieten en zich aan al de ergernissen en praatjes van het dorp te onttrekken. De weduwe en Laura begonnen in zenuwachtige spanning Pen’s bagage gereed te maken en koffers met zijne boeken en zijn linnen te vullen. Helena schreef kaartjes met den naam „Arthur Pendennis”, die behoorlijk op de kisten gespijkerd werden, en waarnaar zij en Laura met droevige en betraande oogen keken. Eerst lang, zeer lang na dat hij vertrokken was, herinnerde zich Pen welk eene standvastige en teedere genegenheid die vrouwen hem betoond hadden en hoe zelfzuchtig hij zich gedragen had.

Spoedig breekt de avond aan, dat eene diligence met hoorngeschal en brandende lantarens aan het hek van Fairoaks stilhoudt, en terwijl de koffers van Pen en van zijn oom boven op het rijtuig worden geplaatst, klimmen beiden een oogenblik later er in. Helena en Laura staan bij de groene boschjes in het schijnsel der lantarens van de diligence; de conducteur roept, dat alles klaar is; het rijtuig rolt weer voort, de lantarens verdwijnen en Helena’s hart en gebeden gaan mee. Haar heilige zegen volgt den vertrekkenden knaap. Hij heeft het ouderlijk nest verlaten, waar het hem te nauw was geworden, doch waarheen hij, na de allereerste vlucht, bebloed en gewond teruggekeerd was. Hij smacht om weer uit te vliegen en zijne onrustige vleugels te beproeven.

Wat ziet het huis er zonder hem eenzaam uit! De koffers met touwen er om en de boekenkisten staan op zijne ledige studeerkamer. Laura vraagt verlof, om in Helena’s kamer te komen slapen; en nadat zij zich daar in slaap heeft geweend, begeeft hare moeder zich zachtkens naar Pen’s ontruimd vertrek, werpt zich op de knieën voor het bed, waarop het maanlicht nu schijnt, en bidt voor haar zoon, zóó als alleen moeders weten te bidden. Terwijl hij mijlen ver wordt heengevoerd, weet hij, dat haar reine zegen hem volgt op zijn weg.

ACHTTIENDE HOOFDSTUK.

ALMA MATER.

Hoe kort of roemloos iemands academische loopbaan geweest zij, zal hij zich zijne oude academievrienden en academiedagen altijd met genoegen en teederheid herinneren. De jonge man begint pas te leven; de aap is van den leiband bevrijd en geniet al de hem tot nu toe onbekende vermaken en voorrechten der vrijheid. Voor het oogenblik denkt hij aan geen zorgen, slechte gezondheid, schurkenstreken, armoede of latere teleurstellingen. Het stuk is nog niet zóó dikwijls gespeeld, dat het hem reeds verveelt. De nasmaak, wanneer wij verder werktuiglijk den beker lichten, moge flauw en bitter zijn; maar wat was die eerste schuimende teug des vermaaks zuiver en paarlend! Hoe gretig werpt de knaap zich op den beker en met welk eene wilde haast drinkt hij dien leeg! Doch oude epicuristen, die van de tafelgenoegens verstoken zijn en zich tot een zacht gekookt ei en een glas water moeten bepalen, zien gaarne menschen met een gezonden eetlust; en daar, als men zelf niet veel meer om eene pantomime geeft, het daarop volgende grootste genoegen dit is, dat men de kinderen er pret in ziet hebben, zoo hoop ik, dat er geen zoodanige trap van ouderdom of ondervinding, waartoe een sterveling geraken kan, bestaan moge, dat hij zulk een somber philosoof zou zijn, om zich niet te verheugen bij het zien van de blijde jeugd. Toen ik voor eenige weken terugkwam van een kort verblijf aan de oude hoogeschool van Oxbridge, waar mijn vriend de heer Arthur Pendennis een gedeelte van zijn leven heeft doorgebracht, deed ik de reis per spoorweg naast een jongen kerel, die thans student is aan die Academie. Hij had, door welke kunstgrepen dan ook, verlof gekregen en was voornemens een dag pleizierig te Londen door te brengen. Zijn mond stond niet stil van het begin tot het einde der reis (hetgeen wij, naar mijn zin, veel te spoedig bereikten, want ik kon niet te veel van zijne aardigheden en ongedwongen lachbuien hooren); en toen wij aan het station kwamen, moest hij volstrekt een rijtuig hebben, om des te spoediger in de stad te zijn en zich in de vermaken te storten, die hem daar wachtten. De jongeling rolde weg, terwijl de blijdschap uit zijn open gelaat sprak; en daar des lezers onderdanige dienaar slechts een klein valiesje bij zich had, klom ik boven op een omnibus, waar ik geduldig zat te wachten tusschen een joodschen marskramer, die stinkende sigaren rookte, en een heerenknecht, die op een poedel moest passen, tot wij onzen vereischten toevoer van passagiers en koffers kregen, waarop de voerman op zijn gemak wegreed. Wij hadden geen haast om in de stad te komen. Geen van ons was bijzonder verlangend om in dat rookende Babylon te komen, noch had plan om dien avond in de Club te dineeren, of op het Casino te dansen. Nog maar weinige jaren, en mijn jonge vriend van den spoorweg zal geen greintje ongeduldiger zijn.

In de dagen toen Arthur Pendennis naar de beroemde academie van Oxbridge ging, waren er nog geene spoorwegen; maar hij reed daarheen in eene nette diligence, binnen in en buitenop vol met oud-studenten en nieuwelingen, met hunne voogden, die hen naar de academie brachten. Een dik oud heer met grijze kousen, uit de City, die in de diligence naast majoor Pendennis zat, met zijn bleeken zoon tegenover hem, was buiten zich zelven van schrik, toen hij hoorde, dat de wagen een paar stations ver gereden was door den jongen heer Foker van de Academie, die een vriend van alle menschen, de koetsiers daaronder begrepen, was, en die evengoed als Tom Hicks in eigen persoon kon rijden. Pen zat bovenop en beschouwde den wagen, de passagiers en de landstreek met groote belangstelling en genoegen. Zijn hart klopte van blijdschap, toen men de beroemde academiestad in het gezicht kreeg en het prachtige tafereel der eerwaardige torens en spitsen, der hooge olmen en der blinkende rivier zich voor hem ontrolde.

Pen had, alvorens zij naar Oxbridge vertrokken, eenige dagen met zijn oom in diens kwartier in de Bury Street doorgebracht. Majoor Pendennis meende, dat de garderobe van den knaap wel eens vernieuwd mocht worden, en Arthur was van geen plan afkeerig, dat hem nieuwe jassen en vesten kon bezorgen. Er kwam geen einde aan de bemoeienissen, die de oom zich met zelfopoffering ten gevalle van den jongeling getroostte. Londen was vreeselijk eenzaam. Pall Mall was verlaten en tot zelfs de roodrokken waren uit de stad. Men zag bijna geen mensch aan de groote vensters der clubs. De majoor bracht zijn neef in een paar van die verlatene paleizen en schreef in één daarvan den naam van den knaap op de lijst der candidaten. Arthur was buiten zich zelven van blijdschap over die beleefdheid van zijn voogd. Met eene trilling van vreugde zag hij zich in het perkementen boek vermeld als „de weledelgeboren heer Arthur Pendennis, van Fairoaks Lodge in –shire en St. Bonifacius Collegie te Oxbridge; voorgesteld door majoor Pendennis en geappuyeerd door burggraaf Colchicum.” – „Gij zult binnen een jaar of drie aan de beurt van ballotage komen, en in dien tijd zult gij uw graad gehaald hebben,” sprak zijn voogd. Pen verlangde, dat de drie jaren voorbij mochten zijn, en beschouwde de gestukadoorde zalen en uitgestrekte bibliotheken en gezelschapskamers, alsof zij reeds zijn eigendom waren. De majoor lachte in zijn vuistje toen hij de deftige houding van den onnoozelen jongen bij het verlaten van het gebouw waarnam. Met Foker reed hij in diens rijtuig op zekeren dag naar de Grauwebroeders en vernieuwde daar de kennis met sommige oude kameraden. De jongens schoolden rondom het rijtuig samen, terwijl dit voor de poort der Grauwebroeders stond, waar de beide heeren binnentraden, en bewonderden het bruine paard, de spanbroek, de livrei en de deftigheid van Domkop, den knecht. De bel luidde voor de middagschool, terwijl zij, met hunne oude kameraden sprekende, over de speelplaats drentelden. De geduchte doctor ging met de spraakkunst in zijne hand de school in. Foker was niet op zijn gemak en deinsde een weinig terug, maar Pen stapte blozend op den grooten man toe en gaf hem de hand. Hij moest lachen bij de herinnering hoe dikwijls hij met die welbekende Latijnsche spraakkunst om zijne ooren had gehad. Hij was luchthartig, voorkomend en, in één woord, zeer verwaand en met zich zelven ingenomen.

Vervolgens reden zij naar de brouwerij van Foker’s vader. Die inrichting, uit een ontzaglijk aantal gebouwen bestaande, ligt niet ver van de Grauwebroeders, en de naam der vermaarde firma staat in gouden letters op de uithangborden van tallooze herbergen in den omtrek, die door de vasallen der firma bewoond zijn. De achtbare jongste compagnon en directeur bewees de honneurs aan den jongen lord der biervaten en diens vriend, en schonk hun uit zilveren bekers zulk krachtig bier, dat men zou gedacht hebben, dat niet alleen het vriendenpaar, maar zelfs het paard van mijnheer Henry Foker door dien drank bevangen was, want het ijlde zoo snel huiswaarts naar het westeinde der stad, dat het de uitstallingen en de vrouwen op de hoeken der straten in gevaar bracht, de trede der cab deed botsen tegen de lantarenpalen, en Domkop, die achterop stond, vreeselijk heen en weer deed zwaaien.

De majoor was zeer in zijn schik als Pen zich in gezelschap van zijn jeugdigen bekende bevond; hij luisterde met de grootste belangstelling naar Foker’s ongekunstelde verhalen, en gaf de beide knapen een fijn diner in een koffiehuis in Covent Garden, van waar zij allen naar den schouwburg gingen; maar hij was vooral verblijd, toen de heer Foker en Lady Agnes Foker, die zich nog te Londen bevonden, de eer verzochten majoor Pendennis en mijnheer Arthur Pendennis ten hunnent in Grosvenor Street op het diner te mogen zien. „Na entrée ten huize van Lady Agnes Foker bekomen te hebben,” zeide hij tegen Pen met eene minzame deftigheid, die aan het gewicht der zaak beantwoordde, „zij het uwe zorg, beste jongen, die te behouden. Gij moet nooit vergeten een bezoek in Grosvenor Street af te leggen, als gij te Londen komt. Ik druk u op het hart, om in het werk van Debrett de huwelijksverbintenissen en den stamboom der graven van Rosherville nauwkeurig na te lezen en, als gij het doen kunt, eenige toespelingen op de familiegeschiedenis te maken, iets historisch, toepasselijks en vleiends, hetgeen u, die een dichterlijken geest bezit, niet moeielijk kan vallen. Mijnheer Foker zelf is een achtenswaardig mensch, ofschoon van geene hooge afkomst en zelfs niet van veel opvoeding. Hij stelt er eene eer in, na het diner iets van zijne familie-porter te laten ronddienen, waarvoor gij onder geen voorwendsel hoegenaamd bedanken moet en die ik zelf zal drinken, ofschoon alle bier mij verduiveld slecht bekomt.” En de onversaagde martelaar offerde zich, gelijk hij gezegd had dat hij doen zou, werkelijk op het diner op, toen de oude heer Foker, aan het hoofd van de tafel, zijne gewone aardigheid over het Fokersbier uitkraamde. Ik geloof, dat het ons allen pleizier zou gedaan hebben als wij den majoor hadden zien grijnzen, toen de waardige oude heer zijne aloude grap aan den man bracht.

Lady Agnes, die zich met Henry vereenzelvigd had, de teederste der moeders en eene der goedhartigste, hoewel niet der verstandigste, onder de vrouwen was, ontving den vriend van haar zoon met groote voorkomendheid, en verbaasde Pen met een verhaal over de onafgebroken studiën van haar lieveling, waarmee zij vreesde, dat hij zijne dierbare gezondheid zou benadeelen. De oude Foker barstte bij sommige van die mededeelingen in een luiden lach los en de zoon des huizes wierp zijn vriend snaaksche knipoogjes toe. Vervolgens liep Lady Agnes haar zoons geschiedenis sinds den vroegsten tijd door en verhaalde hoe vreeselijk hij aan de mazelen en den kinkhoest geleden had, hoe hij bijna verdronken was, en hoe schandelijk men hem mishandeld had op die akelige school, waar mijnheer Foker hem volstrekt wilde heenzenden omdat hij er zelf opgevoed was, maar zij van haar kant zou het dien barbaarschen doctor nooit vergeven. Nadat Lady Agnes een uur lang zoo onophoudelijk over haar zoon gesproken had, dat men er geen speld tusschen kon krijgen, verklaarde zij, dat de beide heeren Pendennis zeer onderhoudende menschen waren; en toen de fazanten bij het tweede gerecht verschenen en de majoor opmerkte, dat het de mooiste vogels waren, die hij ooit gezien had, zeide mevrouw, dat zij van Logwood kwamen (hetgeen de majoor zeer goed wist) en dat zij hoopte, dat beiden haar daar een bezoek zouden brengen – met Kerstmis, of als haar beste Henry met vacantie thuis was.

„Ik ben over u tevreden, mijn jongen,” zeide Pendennis tegen Arthur, toen zij later in Bury Street hunne kaarsen ontstaken om naar bed te gaan. „Gij hebt die kleine zinspeling op Agincourt, waar een der Rosherville’s zich roemrijk onderscheidde zeer goed te pas gebracht, ofschoon Lady Agnes het niet volkomen begreep; maar het was uitstekend goed voor een eerstbeginnende – hoewel gij, tusschen haakjes, niet zoo moest blozen – en ik bezweer u, waarde Arthur, steeds indachtig te zijn, dat gij met eene entrée – let wel, eene goede entrée – even gemakkelijk goed als slecht gezelschap kunt hebben, en dat het een man, wanneer hij behoorlijk in die kringen ingeleid is, geen meerdere moeite of soins kost om op een goeden voet in de beste huizen van Londen te staan, als om met een procureur op Bedford Square te dineeren. Houd dit steeds voor oogen wanneer gij te Oxbridge uwe studiën voortzet, en wees, om ’s hemels wil, zeer nauwlettend op de kennissen, die gij maakt. De premier pas in het leven is de gewichtigste van alle. – Hebt gij vandaag aan uwe moeder geschreven? Niet? Nu, doe het dan eer gij naar de academie vertrekt, en vraag mijnheer Foker om eene couvert, die hij als parlementslid kan geven en die vrijdom van port schenkt. Die menschen hebben gaarne, dat men er hen om vraagt. Goedennacht. De hemel zegene u!”

Pen schreef een potsierlijk verslag van zijne ervaringen te Londen, van den schouwburg, van zijn bezoek bij de Grauwebroeders, van de brouwerij en de partij bij den heer Foker, aan zijne „dierbaarste moeder,” die in het eenzame huis te Fairoaks, met een hart vol liefde en onuitsprekelijke teederheid voor den knaap, hare gebeden ten hemel zond. Zij en Laura herlazen dezen brief, en al die er op volgden, tallooze malen en peinsden er over zooals vrouwen dat doen. Het was Pen’s eerste stap in het leven. – Ach, wat is het eene gevaarlijke reis, waarop de onversaagdste struikelen en de sterkste bezwijken kan! Moogt gij, broeder en reisgenoot! een vriendelijken arm vinden om u op den weg te steunen, en zelf eene vriendenhand hebben, ter hulp bereid voor degenen, die naast u nederzinken. Moge de waarheid u leiden, de barmhartigheid u aan het einde vergiffenis schenken en de liefde u altijd vergezellen. Wat zou de reiziger zonder die lamp blind en de weg donker en vreugdeloos zijn!

De wagen hield stil voor het oude en welingerichte logement the Trencher in de Main Street te Oxbridge, en Pen zag met blijdschap en nieuwsgierigheid voor het eerst studenten in hunne tabbaarden voorbijgaan; hij hoorde de klokken van kapellen luiden (te Oxbridge luiden de klokken van den vroegen morgen tot den laten avond) en zag torens en spitsen kalm en statig boven de trapgevels en antieke daken der eenvoudige en bedrijvige stad uitsteken. Er had vooraf eene briefwisseling plaats gehad tusschen doctor Portman en den heer Buck, leeraar van het Bonifacius-Collegie, onder wien Pen komen zou; en zoodra majoor Pendennis zich genoeg had opgeknapt om een gunstigen indruk op Pen’s onderwijzer te maken, wandelde het paar de Main Street op, ging onder de groote poort en den klokkentoren van het St.-George-Collegie door en kwam zoo, gelijk men hun opgegeven had, aan St. Bonifacius, waar Pen’s hart weer begon te kloppen toen zij het deurtje van de eerwaardige en met klimop begroeide poort van het Collegie binnengingen. Daarboven verrijst een antieke koepel, die bijna geheel met slingerplanten bedekt en met de afbeelding van den heilige, aan wien de inrichting haar naam ontleent, en met vele wapens van hare vorstelijke en adellijke weldoeners versierd is.

De portier wees een vreemdsoortigen ouden toren in den hoek van het vierkant plein aan, door welken men in mijnheer Buck’s vertrekken moest komen, en de beide heeren staken dus dat plein over, welks omtrekken zich voor nu en altijd in Pen’s geheugen prentten. De fraaie fontein, die in het midden van de nette grasperken sprong; de hooge vensters en steenen beren der kapel, die zich aan de rechterhand verhief; het voorportaal met zijne hooge glazen lantaren en zijn rond venster; de speelkamer, waar de directeur van het Collegie op eene indrukwekkende wijze uitkwam, in ruischende zijden toga gekleed; de lijnen der omliggende gebouwen, bekoorlijk afgebroken door gebeeldhouwde schoorsteenen, grijze torentjes en vreemdsoortige puntgevels, – dit alles namen Pens oogen op met de gretigheid, eigen aan alle eerste indrukken, terwijl majoor Pendennis alles bekeek met eene kalmte, welke een heer betaamt, die zich om het schilderachtige niet bekommert en wiens oogen een weinig verduisterd zijn door de aanhoudende schittering van de straatsteenen in Pall Mall.

St. George is het aanzienlijkste Collegie der hoogeschool van Oxbridge, met zijne vier pleinen en zijne fraaie groote zaal en tuinen, en de Georgianen, zooals men de studenten van dat Collegie noemt, dragen tabbaarden van eene bijzondere snede en nemen een toon van meerderheid jegens al de andere jongelui aan. Het kleine Bonifacius is maar een nietig kluizenaarsverblijf in vergelijking met het reusachtige en voorname gebouw waarnaast het ligt Doch zijn omvang in aanmerking genomen, heeft het aan de hoogeschool altijd in een goeden naam gestaan. De toon is er zeer goed; de beste familiën uit zekere graafschappen hebben hare zonen sinds onheuglijken tijd naar St. Bonifacius gezonden; de predikantsplaatsen, die het Collegie te begeven heeft, zijn buitengemeen goed; de plichten der fellows zijn niet zwaar; de studenten van Bonifacius hebben altijd meer dan hun evenredig deel van de academieprijzen behaald; hunne boot was de derde bij de wedstrijden op de rivier; het koor hunner kapel staat niet achter bij dat van St. George zelf; en de Bonifacius-ale is de beste in Oxbridge. In de gezellige oude Collegiezaal, met hare eikenhouten beschotten, hangen in de nabijheid van het standbeeld van St. Bonifacius door Roubilliac (dat een zegen over de buitengewoon goede tafel der fellows schijnt uit te spreken) de portretten van vele der beroemdste Bonifacianen. Daar ziet men den geleerden Dr. Griddle, die onder de regeering van Hendrik VIII ter dood gebracht werd, en den aartsbisschop Bush, die hem liet verbranden, – den lord-opperrechter Hicks, – den hertog van St. David’s, ridder van den Kouseband, kanselier der hoogeschool en lid van dit Collegie, – Sprott den dichter, op wiens roem het Collegie met recht trotsch is, – doctor Blogg, den vorigen directeur van het Collegie en vriend van doctor Johnson, die hem in St. Bonifacius kwam bezoeken, – en andere advocaten, geleerden en theologanten, wier beeltenissen van de muren af rondzien, of wier wapens in smaragd en robijnkleur, in goud en azuur op de hooge vensters der eetzaal prijken. De achtbare kok van het Collegie is een der voornaamste artistes te Oxbridge (zijn zoon behaalde de hoogste graden aan de zusteracademie van Camford), en de wijn op de kamers der fellows is sinds lang beroemd om zijne qualiteit en zijn overvloed.

In dit zeker niet minst aangename priëel in de academische bosschages zocht Pen nu zijn weg aan den arm van zijn oom, en spoedig bereikten zij de vertrekken van mijnheer Buck en werden zij in de kamer van dien wellevenden heer binnengelaten.

Hij was vooraf door doctor Portman omtrent Pen ingelicht, over wiens afkomst, fortuin en aanleg de eerzame doctor met niet weinig geestdrift had uitgeweid. Portman had namelijk Pen aan den geleerde geschetst als „een jong heer met eenig vermogen, een landbezitter, uit eene der oudste familiën des rijks gesproten en die een karakter en genie bezat, welke hem, onder behoorlijke leiding, een sieraad van het collegie en de academie zouden doen worden.” Na zulk eene aanbeveling ontving de onderwijzer den nieuweling en zijn voogd natuurlijk zeer hartelijk, noodigde den laatste ter maaltijd in de eetzaal van het Collegie, waar hij het genoegen zou hebben zijn neef in zijn tabbaard voor het eerst met de andere studenten te zien dineeren, en verzocht beiden na het diner op een glas wijn ten zijnent. Hij zeide, dat het hem een genoegen zou zijn, na de hoogst gunstige getuigenis, die hij aangaande mijnheer Arthur Pendennis ontvangen had, hem de beste vertrekken van het Collegie te geven, die, ten gevolge van het vertrek van een gentleman-pensioner, juist beschikbaar waren. Zij namen nu afscheid van elkaar tot aan het diner, dat reeds dicht ophanden was, en majoor Pendennis verklaarde, dat mijnheer Buck wezenlijk buitengewoon beleefd was. Wanneer een hooggeplaatst academisch beambte zich de moeite wil geven om beleefd te zijn, dan kan niemand uitstekender hoffelijkheid aan den dag leggen. Deze achtbare mannen, onder hunne boeken bedolven en door het gewicht hunner bezigheden van de wereld afgescheiden, nemen dan eene complimenteuse deftigheid aan, waarin zij ruischen en zich uitzetten, gelijk in hunne ruime staatsiegewaden. Die zijde en brocaat trekken zij echter niet iederen dag voor den eersten den besten bezoeker aan.

Toen de beide heeren van den geleerde in zijne studeerkamer afscheid hadden genomen en door mijnheer Buck’s voor- of leeskamer terugkeerden, een zeer fraai vertrek met een smirnaasch tapijt belegd en versierd met uitstekende platen en schilderijen in rijke lijsten, stond daar de bediende reeds op hen te wachten, in gezelschap van een man met een zak vol baretten en een aantal tabbaarden, waaruit Pen eene baret en een tabbaard mocht kiezen, terwijl de bediende er ongetwijfeld een commissieloon van kreeg, geëvenredigd aan de diensten, die hij bewezen had. Mijnheer Pen tintelde van genoegen, toen de drukke kleermaker hem een tabbaard aanpaste en verklaarde, dat die hem als geschilderd stond, en hij vervolgens de elegante baret van dit Collegie tamelijk fatterig en een beetje op één oor opzette, zooals hij die door Fiddicombe, den jongsten meester bij de Grauwebroeders, had zien dragen. Hij beschouwde het geheele costuum met het grootste behagen in een der kolossale vergulde spiegels, die mijnheer Buck’s leeskamer versierden; want verscheidene van die geleerden stellen evenveel belang in spiegels als eene dame, en bekijken daarin hun gewaad en hun hoofddeksel even nauwlettend als eenig lid van het schoone geslacht. De majoor glimlachte toen hij den knaap zich zag bewonderen in den spiegel, want de oude heer was niet ontevreden over het voorkomen van den knappen jongen.

Vervolgens bracht Davis, de bediende, met de sleutels in de hand, hen over het plein (en op dien tocht bloosde Pen niet weinig in zijn nieuw academisch gewaad, dat hem toch zeer behaagde) naar de kamers, die voor den nieuweling bestemd en door het vertrek van mijnheer Spicer, den gentleman-pensioner, opengekomen waren; zij waren zeer gezellig, met groote kruisbalken, hooge lambriseeringen, kleine vensters en dikke muren. Mijnheer Spicer’s ameublement stond er nog, dat volgens taxatie kon overgenomen worden, en majoor Pendennis vond goed ten behoeve van zijn neef over te nemen wat nog bruikbaar was, maar bedankte lachend (hetgeen Pen overigens van zijn kant ook deed) voor zes prenten met jachten of wedrennen en vier groepjes operadanseressen met gazen kleedjes, die de kunstverzameling van den vorigen bewoner uitmaakten.

Daarop begaven zij zich naar de eetzaal, waar Pen zich bij de andere nieuwelingen voegde en hun maal deelde, terwijl de majoor aan de hooge tafel geplaatst werd bij de professoren en de vaders of voogden, die hunne zonen of pupillen te Oxbridge gebracht hadden. Na den maaltijd dronken zij een glas wijn bij mijnheer Buck en begaven zich vervolgens naar de kapel, waar de majoor met groote deftigheid in de hooge bank zat en een goed gezicht had op den directeur van het Collegie in zijne gebeeldhouwde bank onder de orgelgalerij, waar die heer, de geleerde doctor Donne, eene prachtige vertooning maakte en, met het groote gebedenboek voor hem, een toonbeeld van deftigheid en godsvrucht was. Al de nieuwelingen gedroegen zich zeer fatsoenlijk, maar Pen ergerde zich over dien onbeschaamden kleinen Foker, die zeer laat kwam, en over een half dozijn zijner kameraden in de banken der gentlemen-pensioners, die grinnikten en babbelden alsof zij in de stalles van de opera zaten. Doch men gelieve in het oog te houden, dat dit een aantal jaren geleden voorviel, toen Willem IV nog koning was. De jongelui gedragen zich tegenwoordig veel betamelijker en bovendien was St. Bonifacius een Collegie van pretmakers.

Pen kon dien nacht op zijne kamer in the Trencher den slaap nauwelijks vatten, zoo begeerig was hij om het academieleven aan te vangen en zijne eigene kamers te betrekken. Waaraan dacht hij, terwijl hij slapeloos lag rond te woelen? Aan zijne moeder thuis, wier vrome ziel zich met de zijne vereenzelvigd had? Ja, laten wij hopen, dat hij aan haar althans een weinigje dacht. Aan jufvrouw Fotheringay en zijne onuitbluschbare liefde, die den slaap zoovele nachten uit zijne oogen had gehouden en hem zooveel ellende en hartzeer berokkend had? Hij bloosde zeer licht, en als men zich in zijne kamer bevonden had en de kaars niet uitgedoofd ware geweest, had men het gezicht van den jonkman meer dan eens kunnen zien kleuren, terwijl hij in hartstochtelijke en onsamenhangende uitroepingen omtrent die noodlottige gebeurtenis in zijn leven losbrak. De lessen van zijn oom waren bij hem in een vruchtbaren bodem gevallen; de nevel van den hartstocht was thans van zijne oogen weggetrokken en hij zag haar zooals zij was. Te moeten bedenken, dat hij, Pendennis, door zulk eene vrouw gekluisterd en daarna door haar afgewezen was! dat hij zich zoo laag had neergebogen, om in het slijk vertrapt te worden! dat er een tijd in zijn leven was geweest – en dat nog maar zoo weinige maanden geleden – toen hij bereid was een Costigan tot zijn schoonvader te nemen!

„Die arme ouwe Smirke!” Pen schaterde het na een oogenblik uit. „Nu, ik zal hem eens schrijven en den armen jongen trachten te troosten. Hij zal aan zijne liefde niet sterven!” De majoor had, ware hij wakker geweest, reeksen van zulke uitroepen van Pen kunnen hooren, terwijl deze slapeloos en onrustig den eersten nacht van zijn verblijf te Oxbridge doorbracht.

Misschien zou het voor een jonkman, die den strijd des levens den volgenden morgen beginnen moest, beter zijn geweest, den voorgaanden avond met een ander soort van waken door te brengen; doch de wereld, onder de gedaante van zijn ouden zelfzuchtigen Mentor, had macht over hem verkregen; en ieder, die met belangstelling het karakter van Pen heeft nagegaan, moet reeds bespeurd hebben, dat hij zoowel zeer zwak als zeer hartstochtelijk, zoowel zeer ijdel als zeer oprecht was, en, zoo hij een edelmoedigen aanleg bezat, toch niet weinig egoïstisch bij zijne mildheid en te gelijk wispelturig was, gelijk allen, die slechts hun eigen genoegen raadplegen.

Die hartstocht van zes maanden had hem veel ouder gemaakt. Er lag eene onmetelijke klove tusschen Pen, het slachtoffer der liefde, en Pen, den onschuldigen knaap van achttien jaar, die naar liefde smachtte. Daardoor bezat Pendennis die ervaring en meerderheid boven de jongelui, waarmee hij nu zou omgaan, die later door zijne verwaandheid en aanmatiging nog versterkt werd.

Hij bracht met zijn oom den morgen zeer genoeglijk door met het doen van aankoopen tot betere inrichting van de kamers, die hij betrekken zou. Het porselein en glaswerk van mijnheer Spicer verkeerde in een zeer haveloozen toestand; zijne lampen waren onbruikbaar en zijne boekenkasten op verre na zoo ruim niet als noodig zou zijn, indien zij den inhoud der boekenkisten moesten opnemen, die in het voorhuis op Fairoaks gereed stonden en reeds, in de hand van de arme Helena, het adres van Arthur droegen.

Die kisten, welke zijne moeder met zooveel zorg gepakt had, kwamen binnen weinige dagen aan. Pen was geroerd toen hij de adressen in die welbekende hand zag en borg al de boeken, zijne oude vrienden, en al het linnen en het tafelgoed, dat Helena uit den familievoorraad had bijeen gezocht, en al de geleipotten, die de kleine Laura in stroo had gepakt, en al die honderden eenvoudige geschenkjes uit het ouderlijke huis, op de daarvoor bestemde plaatsen. Hij had nu eene andere Alma Mater. Doch niet al hare kinderen bejegenen haar met liefde.

NEGENTIENDE HOOFDSTUK.

PENDENNIS VAN BONIFACIUS.

Onze vriend Pen had geen spijt toen zijn Mentor den tweeden dag na beider aankomst te Oxbridge afscheid van hem nam, en daarentegen kunnen wij ook zeker wezen, dat de majoor van zijn kant heel blij was, dat hij zijn plicht vervuld had en die taak nu achter den rug was. Meer dan drie maanden van zijn kostbaren tijd had die martelaar van een majoor aan zijn neef gewijd. Is ooit een grooter offer van een zelfzuchtig mensch gevorderd? Kent gij veel menschen of majoors, die er eveneens toe in staat zouden zijn? Het kan gebeuren, dat een man zijn hoofd op het blok legt, of zijn leven in gevaar stelt voor zijne eer; maar laten wij hem niet te licht vragen, om zijn gemak of de begeerte van zijn hart ten offer te brengen. Weinigen onder ons kunnen die beproeving doorstaan. Zeg eens, waardste lezer, – zoudt gij, indien gij bij geval een baard hadt, dien opofferen? Ik wil niet zeggen, dat vrouwen niet tot zulk eene verloochening in staat zouden zijn. Zij zijn er aan gewoon; wij dragen behoorlijk zorg, haar aan opofferingen te gewennen; maar de mate van zelfopoffering, waarde heer, die gij in den loop uws levens aan den dag hebt gelegd, zal, wanneer het elders op uwe rekening wordt geboekt, waarschijnlijk uw batig slot niet veel vergrooten. Maar het spreken over zulke onaangename onderwerpen dient tot niets, en gij zijt zeker te beleefd om mij het gemeene tu quoque toe te roepen. Ik wensch echter eens voor al te verklaren, dat ik den majoor ten hoogste bewonder voor zijn gedrag gedurende dit kwartaal, en dat ik geloof, dat hij alle recht op vacantie heeft. Foker en Pen brachten hem naar de diligence, waar het den eerstgenoemden heer behaagde den koetsier te verzoeken, om vooral goed op dien ouden heer daar binnen te passen. De oude Pendennis zag zijn neef gaarne in gezelschap van een jonkman, die hem zeker met de voornaamste studenten der academie in aanraking zou brengen. De majoor snelde naar Londen en van daar naar Cheltenham, om zich uit die badplaats naar eenige omliggende aanzienlijke huizen te begeven, wier bewoners niet op reis waren gegaan en waar men eene flinke jacht en goed gezelschap kon aantreffen.

Wij hebben thans een vierde van ons gansche werk aan het verslag van ééne gebeurtenis in Pen’s leven gewijd, en het is duidelijk, dat wij niet al zijne lotgevallen zóó uitvoerig kunnen beschrijven, tenzij een afstammeling van den schrijver bij diens dood de pen opvatte en het verhaal voor de nakomelingen van het tegenwoordige geslacht van lezers voortzette. Wij zullen de academische loopbaan van den jonkman op verre na niet zoo breedvoerig schetsen. Helaas! eigenlijk kan het leven van zulke knapen niet voegzaam in al zijne bijzonderheden verhaald worden. Ik wenschte, dat het mogelijk ware. Maar ik vraag u: zou dit met uw leven het geval zijn? Zeker is uwe ziel vrij gerust, zoolang datgeen, wat wij onze „eer” noemen, onbesmet is. De vrouwen zijn rein, maar niet de mannen. De vrouwen offeren zich op, maar de mannen niet. Ik zou van den armen Arthur Pendennis niet willen zeggen, dat hij slechter was dan zijne kameraden; maar slecht zijn die kameraden voor het meerendeel. Laten wij oprecht genoeg zijn, om dit ten minste te bekennen. Kunt gij onder al uwe bekenden tien onberispelijke mannen opnoemen? Mijne lijst van kennissen is vrij lang, maar ik kan er geen tien heiligen op vinden.

Gedurende den eersten termijn van het academieleven woonde mijnheer Pen de collegiën in de oude letteren en de wiskunde tamelijk trouw bij; maar toen hij na korten tijd weinig smaak of aanleg voor de wiskundige wetenschappen bij zich ontdekte en het hem misschien hinderde, dat een paar heel gemeene jongelui, die zelfs geen sous-pieds gebruikten om hunne verfoeielijk lompe schoenen en kousen te verbergen, hem op de collegiën voorbijstreefden, onttrok hij zich aan dien cursus en berichtte aan zijne liefhebbende moeder, dat hij zich uitsluitend aan de studie der Grieksche en Romeinsche letterkunde zou wijden.

Mevrouw Pendennis had er volkomen vrede mee, dat haar lieve jongen dat vak zou beoefenen, waarvoor hij den meesten lust gevoelde, en verzocht hem alleen maar, zijne gezondheid niet te ondermijnen door al te veel studeeren, want zij had de treurigste voorbeelden gehoord van studenten, die zich overwerkt en daardoor zich hersenkoortsen berokkend hadden en ontijdig, te midden van hunne academische loopbaan, weggerukt waren. En Pen, merkte zij te recht aan, die altijd eene zwakke gezondheid had gehad, moest meer voor die gezondheid dan voor ijdele eereprijzen zorgen. Ofschoon Pen niets wist van eenige verborgen kwaal, die zijn leven in gevaar bracht, beloofde hij echter gaarne aan zijne mama, dat hij des nachts niet te laat zou zitten studeeren; en hij hield woord te dien aanzien, veel beter dan in andere opzichten, waarin hij misschien wel wat nalatig was.

Spoedig begon hij in te zien, dat het bestudeeren der klassieke schrijvers hem van weinig nut was. Zijne medestudenten waren hem te dom, gelijk zij hem op het gebied der wiskunde te geleerd waren geweest. Buck, de onderwijzer, was niet geleerder dan menige jongen uit de vijfde klasse bij de Grauwebroeders; hij mocht eenige geringe kennis van het metrum en de taalkundige constructie van een regel uit Æschylus of Aristophanes hebben, maar hij had even weinig begrip van poëzie als jufvrouw Binge, die Pen’s bed opmaakte. Het verveelde Pen dus, de domme studenten en den dommen onderwijzer over eenige regels van een tooneelstuk te hooren sukkelen, die hij in een tiende gedeelte van den tijd, dien zij er aan besteedden, kon lezen. Alles bijeen genomen, was eigen studie, gelijk hij het begon te beschouwen, de eenige studie, die wezenlijke vruchten kon opleveren; en hij gaf dus aan zijne mama kennis, dat hij in zijne afzondering veel meer en op het openbaar collegie veel minder studeeren zou. De achtenswaardige vrouw wist even weinig van Homerus als van de algebra, maar zij was volkomen tevreden met Pen’s beschikkingen omtrent den verderen gang zijner studiën en hield zich innig overtuigd, dat haar lieveling de plaats zou veroveren, die hem toekwam.

Pen kwam eerst na Kerstmis thuis, eenigszins tot spijt van zijne liefhebbende moeder en van Laura, die van verlangen brandde om eene mooie sneeuwvesting voor hem te maken, zooals hij er drie winters geleden zelf eene gebouwd had. Maar hij was op Logwood genoodigd geweest bij Lady Agnes Foker, waar liefhebbers tooneelvoorstellingen gaven en een vroolijk en voornaam Kerstgezelschap vereenigd was, hetgeen majoor Pendennis voor geen geld ter wereld wilde, dat zijn neef verzuimen zou. Pen bracht echter voor het minst drie weken van de vacantie thuis door, en Laura zag met verbazing wat eene groote hoeveelheid nieuwe kleeren hij meebracht, terwijl zijne moeder zijn fikscher voorkomen en zijn manhaftigen en beslissenden toon bewonderde.

Met Paschen kwam hij niet thuis, maar toen hij met de groote vacantie overkwam, bracht hij nog meer fraaie kleeren mee. Des morgens vertoonde hij zich in schitterende jachtbuizen met verbazende knoopen, en des avonds in prachtige fluweelen vesten, rijk geborduurde dassen en allerfijnst linnengoed. Terwijl zij op zijne kamer rondsnuffelde, zag zij o zoo’n mooie toiletdoos met zilveren beslag en een aantal beeldjes van ringen en andere snuisterijen. Bovendien bezat hij een nieuw Fransch horloge met gouden ketting in plaats van den dikken ouden chronometer met de rinkelende cachetten, die uit den vestzak van John Pendennis gebengeld hadden. Bij den secondewijzer van dit uurwerk had de overleden dokter den pols van menig patiënt gevoeld. Het was nog maar weinige maanden geleden, dat Pen vurig naar dat horloge verlangd had, hetwelk in zijn oog het kostbaarste en achtbaarste uurwerk ter wereld was; en toen hij naar de academie zou gaan, had Helena het uit haar juweelkistje genomen (waar het sedert den dood van haar man onopgewonden had gelegen) en het aan Pen met eene kleine, maar plechtige en toepasselijke aanspraak betreffende zijn vaders deugden en het gepaste gebruik van den tijd overhandigd. Pen verklaarde dezen deftigen en kostbaren chronometer thans voor ouderwetsch en maakte zelfs zekere vergelijkingen tusschen dat kunstwerk en een knol, die Laura zeer oneerbiedig vond. Hij liet het horloge in eene lade liggen, in gezelschap van bevlekte paarsche handschoenen, dassen, die uit de mode waren, en dat andere horloge uit zijn schooltijd, hetwelk vroeger in dit verhaal vermeld is. Onze oude vriendin Rebecca was volgens Pen niet meer in staat hem te dragen, zoodat hij haar tegen een ander en sterker paard verruilde, waarop hij nog eene aanzienlijke som moest bijbetalen. Mevrouw Pendennis gaf den knaap het geld voor het nieuwe paard en Laura schreide toen Rebecca werd weggehaald.

Pen bracht ook eene groote kist sigaren mee, die met Colorados, Afrancesados, Telescopios, „Fudson, Oxford Street” en andere vreemde namen gemerkt waren, en begon die niet alleen bij de stallen en broeikasten te rooken, waar zij zeer goed waren voor Helena’s planten, maar op zijne eigen kamer, welke gewoonte in den beginne aan zijne moeder niet behaagde. Maar hij zeide, dat hij bezig was aan een prijsvers en dat hij zonder sigaar niet werken kon, waarbij hij dan de regels van wijlen den betreurden Lord Byron, ten gunste van het rooken, aanhaalde. Daar hij met zulk een goed doel rookte, kon zijne moeder hem natuurlijk haar verlof niet onthouden. Zelfs gebeurde het eens, dat de goede ziel, toen zij midden onder Pen’s werk in zijne kamer kwam (hij doorbladerde een pas verschenen roman, want het betaamde iederen student zich op de hoogte van de lichte litteratuur zoowel van zijn eigen land als van het buitenland te houden) – dat zij, zeggen wij, toen zij Pen op de sofa met dit werk bezig vond, liever dan hem te storen, lucifers en sigaren uit zijne naburige slaapkamer haalde, hem eigenhandig eene sigaar in den mond stak en de lucifer afstreek om hem te laten aansteken. Pen lachte en kuste de hand, die zijne moeder over den rug der sofa liet hangen. „Moedertje-lief,” sprak hij, „als ik u verzocht het huis in brand te steken, zoudt gij het, geloof ik, doen.” Zeer waarschijnlijk is het, dat Pen gelijk had en dat die dwaze vrouw zelfs daartoe in staat zou geweest zijn.

Behalve de Engelsche „lichte litteratuur”, die deze vlijtige student verslond, bracht hij kisten vol met de lichte litteratuur van het naburige Frankrijk mee, en als Helena wel eens een blik daarin sloeg, las zij dingen, die haar groote oogen deden opzetten. Maar Pen legde haar uit, dat hij die boeken niet geschreven had, ofschoon het volstrekt noodig was, dat hij zijn Fransch onderhield door thuis te zijn in de beroemdste schrijvers van zijn tijd, en dat het even duidelijk zijn plicht was om den verdienstelijken Paul de Kock te lezen als Swift of Molière te bestudeeren. En mevrouw Pendennis schikte er zich in met een zucht, die van haar twijfel getuigde. Maar jufvrouw Laura werd tegen die boeken gewaarschuwd, zoowel door de bezorgde moeder als door den strengen zedemeester mijnheer Arthur Pendennis zelven, die, al was hij genoodzaakt elken tak der letterkunde te bestudeeren, ten einde zijn geest te vormen en zijn stijl te volmaken, zulk een cursus toch in het geheel niet wilde aanbevelen voor eene jonge dame, wier levenstaak van gansch anderen aard was.

In den loop dezer lange vacantie dronk mijnheer Pen den wijn uit, dien zijn vader had opgedaan en waaromtrent wij den zoon hebben hooren verzekeren, dat men van een geheel okshoofd geen hoofdpijn zou krijgen. Toen die wijn op was, schreef hij om een nieuwen voorraad aan „zijne wijnkoopers”, de heeren Binney en Latham in Mark Lane te Londen, bij wie werkelijk de oude doctor Portman onzen Pen had geraden eene hoeveelheid port en sherry op te doen, toen hij naar de academie ging. „Gij zult uwe jonge vrienden zonder twijfel wel eens een glas wijn moeten schenken,” had de eerzame dominé tegen den knaap gezegd. „Dat was in mijn tijd de gewoonte aan de academie, en dus raad ik u, dat gij uw kleinen voorraad wijn liever van eerlijke en geachte wijnkoopers te Londen neemt, dan van de handelaars te Oxbridge, wier waar, als ik het mij wel herinner, van slechte hoedanigheid en buitensporigen prijs was.” En de gehoorzame jonge heer volgde den raad van den doctor en begunstigde, op diens aanbeveling, de heeren Binney en Latham met zijne klandizie.

Toen hij die heeren dus schreef, om eene hoeveelheid wijn voor de kelders van Fairoaks af te zenden, gaf hij hun te verstaan, dat zij zijne academie-wijnrekening maar te gelijk met de rekening voor Fairoaks moesten opzenden. De arme weduwe stond ontzet over het bedrag. Doch Pen lachte om hare ouderwetsche begrippen, zeide, dat de rekening heel matig was, dat iedereen tegenwoordig zijn rooden wijn en champagne dronk, en de weduwe eindigde met te betalen, maar gevoelde, dat hare huishoudelijke uitgaven belangrijk toenamen en dat haar beperkt inkomen ternauwernood toereikend zou zijn om ze te bestrijden. Het waren echter slechts tijdelijke uitgaven. Pen kwam voor: weinige weken met de vacantie thuis. Zij zou zich met Laura kunnen bekrimpen als hij weer weg was. Moesten zij het hem, gedurende den korten tijd, dat hij bij haar vertoefde, niet naar den zin maken?

Arthur genoot gedurende al dien tijd eene ruime toelage, veel ruimer dan de zonen van heel wat rijker lieden. Jaren geleden was, de zuinige en liefhebbende John Pendennis, wiens vurigste wensch het was, dat zijn zoon eene academische opleiding zou ontvangen, waarvan John door de verkwistingen van zijn vader verstoken was gebleven, begonnen wat geld ter zijde te leggen, waaraan hij den naam van Arthur’s Opvoedings-Fonds gaf. Zijne executeuren vonden in zijn boek jaar voor jaar sommen opgeschreven ten name van A. O. F., waarbij de weduwe sinds haar mans dood en vóór Arthur’s vertrek naar de academie nog verscheidene sommen gevoegd had, zoodat het fonds, toen Arthur naar Oxbridge ging, een aanzienlijk bedrag uitmaakte. „Geef hem een flink jaargeld,” was de raad van majoor Pendennis. „Laat hem eerst zijne entrée in de wereld doen als een gentleman en zijne plaats onder menschen van rang en stand innemen. Heeft men hem eenmaal op dat standpunt geholpen, dan is het zijne zaak er zich staande te houden. Niets is zoo verkeerd als een jongen kort te houden, of hem minder toe te leggen dan zijne kameraden hebben, Arthur zal spoedig genoeg tegenover de wereld staan en er zich doorheen moeten slaan. In den tusschentijd zullen wij hem op die wijze goede vrienden en de manieren van een gentleman bezorgd hebben, zoodat hij goed toegerust en ervaren zal zijn tegen den tijd, dat de wezenlijke strijd aankomt.” De majoor sprak zeker in dezen milden geest, ten eerste omdat hij hetgeen hij zeide voor waarheid hield, en ten andere omdat het geld niet uit zijn eigen zak behoefde te komen.

Ten gevolge van dit alles scheen de jeugdige Pen, de eenige zoon van een grondbezitter ten platten lande, met een ruim inkomen en het voorkomen en de manieren van een gentleman, een persoon van veel meer gewicht dan hij inderdaad was; en de leeraren, de winkeliers en de studenten te Oxbridge beschouwden hem als een „heer” en een lid der aristocratie. Hij had ronde, vrije, misschien wel wat al te vrije manieren, zooals men van een levendig jongmensch verwachten kan. Hij was onbekrompen en mild met het geld, waarvan hij een ruimen voorraad scheen te bezitten. Hij hield van pret en had eene goede stem voor een liedje. Het roeien was in Pen’s tijd nog niet zoo in de mode, als wij vernomen hebben, dat het sedert dien tijd aan de academie geworden is; het rijden met paard en rijtuig was toen vooral in den smaak bij de levenslustige jeugd. Pen nam loffelijk deel aan de lange jacht, en droeg een rooden jachtrok, en ofschoon hij niet buitensporig was in het rijden noch in eenig ander vermaak, gelukte het hem toch eene niet onaardige rekening bij den stalhouder Nile en bij verscheidene anderen te maken. Inderdaad bezat deze gelukkige jonge heer bijna elke liefhebberij in hoogen graad. Hij hield heel veel van boeken van allerlei soort; doctor Portman had hem met den lust voor zeldzame uitgaven bezield, en zijn eigen smaak viel op sierlijke banden. Het was ongeloofelijk hoeveel exemplaren op groot papier en hoeveel verguldsel, marmering en blinddruk de boekverkoopers en boekbinders op zijne planken plaatsten. Hij bezat een zeer fijnen smaak op het gebied der kunst en eene vurige begeerte naar platen uit de goede school – geen van die Fransche ballet-danseressen of bonte jachtprenten, die de oogen van zijn voorganger, mijnheer Spicer, verkwikt hadden; maar Stranges, en etsen van Rembrandt, en Wilkie’s vóór de letter, waarmee zijn vertrek eerlang smaakvol versierd was, zooals men aan de academie erkende, waar deze jonkman zich eene groote reputatie verwierf. Wij hebben reeds gezegd, dat hij belangstelling in ringen en snuisterijen en mooie kleeren van allerlei aard aan den dag legde; en moeten erkennen, dat hij gedurende zijn verblijf aan de academie vrij veel van eene modepop had en zich gaarne in al zijn luister vertoonde. Hij en zijne voorname vrienden kleedden zich met zooveel zorg om bij elkander te gaan dineeren, als andere lieden zouden doen om eene geliefde te gaan veroveren. Men gaf hem na, dat hij over zijne glacé handschoenen heen ringen droeg, hetgeen hij echter altijd tegenspreekt; maar tot welke dwaasheden is niet de jeugd met de haar eigene bewonderenswaardige deftigheid en onnoozelheid in staat! Waarheid is het, dat hij geparfumeerde baden nam; maar hij zegt, dat dit noodig was, als hij in de collegiezaal dicht bij sommige heel gemeene jongelui had gezeten.

In Pen’s tweede studiejaar, toen jufvrouw Fotheringay den meesten opgang te Londen maakte en hare portretten bij dozijnen werden uitgegeven, hing hij één daarvan in zijne slaapkamer op en deelde aan de studenten van zijne kennis mede, hoe ontzettend, hoe woest, hoe dol, hoe hartstochtelijk hij op die vrouw verliefd was geweest. Hij liet hun in vertrouwen de verzen zien, die hij aan haar gericht had, en zijne wenkbrauwen fronsten zich, zijne oogen rolden, zijne borst zwoegde van aandoening, wanneer hij zich dat noodlottige tijdperk zijns levens voor den geest bracht en de smart en de folteringen beschreef, die hij doorstaan had. Die verzen werden afgeschreven, ter lezing gegeven, bespot en bewonderd, en kwamen uit de eene hand in de andere. Er zijn weinige zaken, die een knaap méér in de schatting van andere knapen verheffen, dan de roep, die van hem uitgaat, dat hij een vurigen en romantischen hartstocht gekoesterd heeft. Misschien is er onder alle omstandigheden iets edels in gelegen; onder jongelui wordt het als iets heldhaftigs beschouwd. Pen werd dus voor een fameusen kerel verklaard. Men zeide dat hij bijna een zelfmoord gepleegd en met een baronet om haar geduelleerd had. Groenen wezen hem elkander aan. Als hij tegen den wandeltijd ten twee ure, omgeven van zijne aanhangers, heel kwasterig uit het Collegie naar buiten stapte, was het geld waard hem te zien. Hij was zoo sierlijk mogelijk gekleed. Hij lonkte naar de dames, die de academie bezochten en hem aan den arm van gelukkige oud-studenten voorbijgingen, en gaf met de deftigheid van een criticus, wiens ervaring hem het recht toekent met gezag te spreken, zijn oordeel over hare bekoorlijkheden of toiletten te kennen. De studenten bluften er op, dat zij met Pendennis gewandeld hadden, en waren zoo blij als zij met hem gezien werden, als sommigen onzer zijn zouden als zij met een hertog door Pall Mall wandelden. Hij en de proctor groetten elkander deftig, alsof zij wederzijds naijverige mogendheden waren, en de studenten hadden bezwaarlijk kunnen zeggen wie van beide de voornaamste was.

In den loop van zijn tweede studiejaar was Arthur Pendennis dan ook een van de toongevers aan de academie geworden. Die vaardige bewondering en die trouwhartige aanhankelijkheid der jeugd is werkelijk iets merkwaardigs. De jongelui hechten zich aan een aanvoerder, en bewonderen hem, houden van hem en bootsen hem na. Ik geloof niet, dat er ooit een knaap van edele inborst bestaan heeft, die niet een zeker gevoel van bewondering voor dezen of genen anderen jonkman heeft gekoesterd; en Monsieur Pen had te Oxbridge zijne school, zijn trouw gevolg van vrienden, en zijne mededingers. Als de jongelui in de kleerenwinkels vernamen, dat mijnheer Pendennis van Bonifacius zoo even eene karmozijn satijnen das besteld had, kon men zeker zijn in den loop der week een paar dozijn karmozijn satijnen dassen in Main Street te zullen zien, en Simon, de juwelier, verkocht niet minder dan twee gros Pendennis-spelden, van een model, dat die jonge heer uitgekozen had.

Wanneer nu iemand, die aanleg voor de rekenkunst bezit, de moeite wil nemen eens op te tellen, hoeveel geld er noodig is om onbekrompen te kunnen toegeven aan al de liefhebberijen, die wij vermeld hebben dat mijnheer Pen bezat, dan zal hij zien, dat een jongmensch, die zoo ruimschoots aan zijne smaak en zijne zucht naar genoegens voldoet, noodwendig binnen twee of drie jaren een mooien duit gelds moet uitgeven, of schuldig blijven. Wij hebben reeds gezegd, dat onze vriend Pen geen overleg bezat. Hij dreef geen zijner liefhebberijen tot het buitensporige. Het is zeker, dat Paddington’s kleermakersrekening, Guttlebury’s rekening bij den kok voor diners, Dillon Tandy’s rekening bij den prentverkooper Finn, voor Raphaël Morghens en proefdrukken van Landseer, Wormall’s rekening bij den grooten boekhandelaar Parkton voor Aldijnsche uitgaven, folio’s met Gothische letters en rijk geschilderde misboeken uit de zestiende eeuw, Snaffle’s of Foker’s rekening bij den paardenkooper Nile, – dat elk dier rekeningen, zeggen wij, oneindig hooger was dan het weinige, waarvoor mijnheer Pen bij die winkeliers in het krijt stond. Maar Pendennis van Bonifacius bezat boven al die jonge heeren, zijne vrienden en kameraden, het voordeel, dat hij in alles liefhebberij had; en terwijl de jonge Lord Paddington geen duit gaf om de mooiste prent, noch belang stelde in de mooiste vergulde lijst als zij geen spiegels omvatte, en Guttlebury er zich volstrekt niet om bekommerde hoe hij gekleed ging en een afkeer van paarden had, ja zelfs bang was voor het rijden, en Snaffle nooit een ander boek dan het Jaarboek der wedrennen, of het aan jacht en boksen enz. gewijde blad Bells Life in London las, noch zich om eenig ander manuscript dan het zakboekje, waarin hij zijne weddenschappen opteekende, bekommerde, – hield onze veelzijdige jonge vriend zich met elk dier takken van wetenschap of vermaak bezig en was in geen daarvan onverdienstelijk.

Op deze wijze verkreeg de jonge Pen eene verbazende reputatie aan de academie, waar men hem als een soort van model roemde. De prijs voor het beste Engelsche vers, waarmede wij hem op Fairoaks zoo druk bezig hebben gezien, werd dit jaar wel is waar door Jones van het Jezus-Collegie behaald, maar de jongere studenten vonden het vers van Pen veel mooier. Hij liet zijne verzen voor zijne eigen rekening drukken en deelde die, in marokijn, verguld op snee, aan zijne kennissen uit. Een exemplaar daarvan, dat ik onlangs in een stoffigen hoek van mijnheer Pen’s boekenkasten vond, ligt thans voor mij, en is samengebonden met een aantal oude verhandelingen uit Oxbridge, academische reglementen, prijsverzen van zegevierende en overwonnen candidaten, declamatiën, die in de kapel van het Collegie gehouden waren, redevoeringen, uitgesproken in de debatteerclub en waarin Arthur zijn naam en dien van zijn Collegie geschreven had: Pendennis – Bonifacius, of die hem door zijn toegenegen vriend, Thompson of Jackson den auteur, aangeboden waren. Hoe zonderling zien die opschriften in die nog bijna jongensachtige handen er uit, en welk eene aandoening overvalt ons bij het gezicht dier stukken, na verloop van eenige vijftallen jaren! Wat heeft het lot er, sinds dien tijd, verscheidene weggerukt, anderen van ons vervreemd, en allen geducht gehavend! Menige hand is thans verstijfd, die deze vriendelijke gedachtenissen schreef en die wij met de trouwhartige en edelaardige opwelling der jeugd drukten. Wat was onze vriendschap in die dagen hartstochtelijk, ongekunsteld en onbewolkt! De arm, dien gij nooit te lang onder den uwen kondt hebben in de fraaie lanen van het Collegie, of aan den oever der rivier, waar zij de Magdalen Gardens, of de Christ-Church Meadows bespoelt, of zich tusschen de Trinity en Kings-Collegiën heenkronkelt, die arm werd onvermijdelijk teruggetrokken toen gij kort daarna de wereld waart ingetreden en ieder zijn eigen weg moest kiezen, om door het gedrang op den levensweg heen te komen en er zich doorheen te slaan. Zijn wij nog dezelfde menschen, die deze opschriften nederstelden? die deze verzen lazen? die deze zoo onbeduidende, zoo hoogdravende of zoo belachelijk deftige verhandelingen en redevoeringen, zoo zonder erg uit boeken nagemaakt, en met uitgestreken baardelooze gezichten en eene verwonderlijke naäperij van wijsheid en ernst uitgesproken, zelf voordroegen of aanhoorden? Hier ligt het boek voor mij; het is ternauwernood vijftien jaar oud. Hier schreeuwt Jack, wiens academische loopbaan uit onafgebroken pretmakerij bestond, het van wanhoop en Byroniaanschen menschenhaat uit. Hier heb ik Tom’s vermetele verdediging van den zelfmoord en de republikeinsche instellingen in het algemeen, naar aanleiding van den dood van Roland en de Girondijnen, – van Tom, die thans de stijfste halsboordjes uit het gansche bisdom draagt en zich liever zou laten ophangen dan op een Vrijdag in de Vasten een biefstuk te eten. Hier is Bob, de beroemde advocaat bij de hoven van assises, die fortuin gemaakt heeft door spoorwegzaken voor commissiën uit het parlement te bepleiten en die zulke goede diners geeft – die Bob buldert hier met Tancred en Godfried van Bouillon: „Bestormt de bres, gij krijgers, die de kruisbanieren zwaait! Rukt af de Saracenenvaan, die van den walmuur waait. Op, schutters! dat een pijlenvlucht uw sterken boog ontsnell’; De strijdbijl doet zijn bloedig werk, met lans en mangonel. Beuk, stormram! Werp uw steenval uit, geduchte katapult. Jeruzalem is ons, is ons! God lof! id Deus vult!” Waarop eene zoetvloeiende beschrijving van de tuinen van Sharon en de maagden van Salem volgt, en eene profetie, dat rozen de gansche uitgestrektheid van Syrië zullen bedekken en spoedig het rijk des vredes zal gesticht worden, – alles in onberispelijke versmaat en met de kluchtigste naäperij van gezond verstand en sentiment en dichterlijk gevoel. Naast die ernstige parodieën en jongensoefeningen (die te gelijk echt en onnatuurlijk, opgeruimd en toch in zekere mate weemoedig zijn) vindt men verhandelingen en gedichten van jeugdige handen, die nooit meer schrijven zullen. Het lot is onheilspellend tusschen beide gekomen, en die jeugdige stemmen zijn tot stilzwijgen verwezen en die eenmaal zoo levendige hersens werken niet meer. Deze had genie en was van aanzienlijke geboorte, zoodat eerbewijzen, die thans weinig waarde voor hem bezitten, voor hem weggelegd schenen. Die andere bezat deugd, geleerdheid en genie – iedere eigenschap en gave, die hem liefde, bewondering en wereldschen roem verzekeren kon; en nu is een weinig bekend en eenzaam kerkhof het graf van zoovele hoopvolle verwachtingen; op den steen, die getuigt, dat zij zijn heengegaan, zag ik in den herfst van verleden jaar de zon schijnen, en uit de dorpskerk in de nabijheid hoorde ik het wegslepende gezang oprijzen. Wat doet het er toe of uwe asch in de Westminster Abdij of bij een klein dorpskerkje rust, en of de wereld u eenige dagen vroeger of later vergeet?

Onder deze vrienden dan en een aantal anderen bracht Pen ruim twee schitterende en gelukkige jaren zijns levens door. Hij genoot volop vermaak en populariteit. Geen diner of souper was volledig zonder hem; zijne geestigheid, zijne liedjes, zijn moed en zijn rond en manhaftig gedrag betooverde al de jonge studenten en ontwapenden zelfs de onderwijzers, die zich aan zijne luiheid ergerden en over zijne kostbare levenswijze meesmuilden. Ofschoon hij de gunsteling en de toongever werd van jongelieden, die in rang en rijkdom ver boven hem stonden, was hij veel te hooghartig om te trachten hen door laagheden of kruipen op zijne hand te krijgen. Hij zou den geringsten zijner kennissen niet verwaarloosd hebben, om een wit voetje bij den rijksten jongen grande van de academie te krijgen. Zijn naam wordt nog in de debatteerclub herdacht als die van een der schitterendste redenaars van zijn tijd. Wij kunnen hier in het voorbijgaan aanteekenen, dat hij, na als groen een vurig Tory te zijn geweest, plotseling omkeerde en een der heftigste liberalen werd. Hij verklaarde, dat hij het met Danton eens was, en hield vol, dat Lodewijk XVI zijn verdiend loon had gekregen. Wat Karel I betreft, zwoer hij, dat hij met eigen hand het hoofd van dien monarch zou hebben afgehouwen, indien deze zich op dat oogenblik in de debatteerclub had bevonden en Cromwell geen anderen scherprechter voor den verrader had kunnen vinden. Hij en de vroeger genoemde Lord Magnus Chatteries, de zoon van den markies van Runnymede, waren de bloeddorstigste republikeinen van hun tijd.

In het gemeenebest der studenten ontstaan reputatiën van dezen aard, geheel onafhankelijk van de academische hiërarchie. Een student kan aan het hoofd der lijst van eereprijzen staan en echter geheel onbekend zijn aan zijne medestudenten, die eigen koningen en opperhoofden kiezen, welke zij bewonderen en gehoorzamen, evenals slaven zwarte souvereinen in hun midden bezitten, aan wie zij in het geheim onderdanigheid bewijzen buiten die, welke zij openlijk voor hunne meesters en opzieners aan den dag leggen. Onder de jonge studenten werd Pen beroemd en populair, want hij voerde wel niet veel uit, maar er bestond eene algemeene overtuiging dat hij heel wat zou kunnen doen, indien hij het maar verkoos. „O, als Pendennis van Bonifacius maar wilde,” zeiden de studenten, „zou hij alles kunnen!” Men wedde, dat hij den prijs voor de Grieksche ode zou behalen, die echter aan Smith van het Trinity-Collegie ten deel viel; iedereen hield zich verzekerd, dat hij den prijs voor Latijnsche hexameters zou krijgen, waarmee echter Brown van het St.-John-Collegie ging strijken, en in dier voege ontging hem de eene academieprijs na den anderen, totdat mijnheer Pen, na twee of drie teleurstellingen, ophield met mee te dingen. Maar hij verwierf een prijs voor het declameeren in zijn eigen Collegie, en bracht naar Fairoaks een stel prijsboeken voor zijne moeder en Laura mede, gestempeld met het wapen van het Collegie en zoo dik, zoo mooi gebonden, zoo prachtig, dat de beide dames dachten, dat er nooit te voren in eenig Collegie zulk een prijs als die van Pen was uitgereikt, en dat hij het allerhoogste eerbewijs behaald had, hetgeen Oxbridge bij machte was te verleenen.

Toen de eene vacantie na de andere en de eene cursus na den anderen verliep zonder dat er tijding kwam, dat Pen naar eenige academische onderscheiding gestaan noch eenigen graad verworven had, legde doctor Portman zijne ernstige ontevredenheid aan den dag en behandelde Arthur met eene norsche hoogheid, die de knaap met gelijke munt vergold. Gedurende eene der vacantiën legde hij in het geheel geen bezoek bij den doctor af, tot groot verdriet zijner moeder, die het als eene gunst beschouwde, dat men den voet in de pastorie te Clavering mocht zetten, en met onverstoorbaren eerbied naar doctor Portman’s ouderwetsche aardigheden en verhalen luisterde, hoe dikwijls zij die ook gehoord had. „Ik kan de meerderheid, die de doctor aanneemt, niet uitstaan,” zeide Pen. „Bij behandelt mij veel te vriendelijk en veel te vaderlijk. Ik heb knapper lui gezien dan hij is, en ik ben niet voornemens mij dood te kniezen bij zijne vervelende oude geschiedenissen en zijn flauwen ouden portwijn.” Die stille veete tusschen Pen en den doctor bracht de weduwe van streek, zoodat zij ook Portman ontweek en bang was om naar de pastorie te gaan, als Arthur thuis was.

Op zekeren zondag in de laatste groote vacantie dreef de rampzalige jonkman zijn verzet zoo ver, dat hij niet naar de kerk ging, maar aan de deur van het Wapen van Clavering eene sigaar stond te rooken, ten aanschouwe van de geheele gemeente, die uit de kerk kwam. De gansche dorpsmaatschappij geraakte in geduchte opschudding, en doctor Portman profeteerde Pen’s ondergang en zuchtte over den oproerigen jongen losbol.

Helena beefde in het binnenste harer ziel en Laura evenzeer. Laura was ondertusschen een aardig, bevallig, schoon meisje geworden, dat zich aan Helena vastklemde en de weduwe met hartstochtelijke genegenheid vereerde. Beide vrouwen gevoelden, dat de knaap veranderd was. Hij was niet langer de eenvoudige Pen van vroeger, die zoo vrijmoedig, zoo oprecht, zoo teeder was. Zijn gelaat droeg de sporen van zorg en smart, zijne stem klonk holler, zijn toon was meer sarcastisch. De zorg scheen hem te vervolgen; doch hij lachte eens wanneer zijne moeder hem onder handen nam en keerde hare angstige vragen met eene of andere spotternij af. Hij bracht ook niet veel van zijne vacantiën thuis door; meestal ging hij bij den een of anderen voornamen vriend logeeren, en dan verschrikte hij het eenvoudige paar vrouwen te Fairoaks door zijn verslag van de aanzienlijke huizen waar hij genoodigd was en door lords bij hun naam te noemen zonder hun titel.

De goede Henry Foker, die Arthur Pendennis in kennis had gebracht met die soort van jongelui aan de academie, van wier omgang en vriendschap zijn oom zooveel voordeel voor hem verwacht had; die Arthur tot het zingen van zijn eerste liedje op zijn eerste souper had uitgenoodigd; en die hem had voorgehangen in de Barmeciden-club, waarin alleen de voornaamste jongelui van Oxbridge werden toegelaten (zij bestond in Pen’s tijd uit zes edellieden, acht gentlemen-pensioners en twaalf der voornaamste burger-jongelui aan de academie), zag spoedig, dat hij in de voorname wereld van Oxbridge verre achtergelaten werd door den jongen groen; en daar hij een edelmoedige en brave kerel was, die geen greintje nijd in zijn hart koesterde, was hij buitengemeen verheugd over den opgang, dien zijn jonge beschermeling maakte, en bewonderde Pen even sterk als iemand dat doen kon. Hij was het, die Pen nu navolgde en zijne geestigheden rondvertelde, die zijne liedjes leerde, ze op minder aanzienlijke soupers zong en ze nooit te veel uit den mond van den begaafden jongen dichter zelven hooren kon, – want mijnheer Pen besteedde een groot gedeelte van den tijd, dien hij met veel meer vrucht aan de voortzetting zijner studiën had kunnen wijden, aan het opstellen van balladen, die hij, volgens academisch gebruik, op de partijen zong.

Het zou voor Arthur gelukkig zijn geweest, indien de goede Foker nog eenigen tijd aan de academie ware gebleven, want in weerwil van zijne levendigheid was hij een voorzichtig jongmensch, die Pen’s overhelling tot verkwisting dikwijls gestuit had. Maar Foker’s academische loopbaan duurde niet lang meer, nadat Arthur in Bonifacius was opgenomen. Ten gevolge van herhaalde oneenigheden met de academische autoriteiten moest mijnheer Foker de universiteit van Oxbridge ontijdig verlaten. Hij bleef, in strijd met de bevelen zijner academische overheden, de wedrennen op de naburige Hungerfordsche heide bijwonen. Men kon hem de kapel van het Collegie niet met de regelmatige vroomheid doen bezoeken, die de Alma Mater van hare kinderen eischt; opene karretjes, die een verfoeisel in de oogen der professoren en leeraren waren, maakten Foker’s grootste liefhebberij uit, en hij reed zoo roekeloos, richtte zooveel ongelukken aan en viel zoo dikwijls om, dat Pen van een toertje met hem altijd zeide: „gevaar behaagt.” En eindelijk toen mijnheer Foker op zijne kamer een dinertje gaf aan eenige Londensche vrienden, rustte hij niet voordat hij mijnheer Buck’s deur met vermiljoen geverfd had, waarbij hij op heeter daad betrapt werd door den proctor; en ofschoon de jonge Zwarte Gordel, de beroemde negerbokser, die een van mijnheer Foker’s geachte gasten was en den verfpot hield terwijl de jeugdige kunstenaar de deur met zijn schilderwerk versierde, twee bedienden van den proctor neervelde en wonderen van dapperheid verrichtte, deden die heldendaden mijnheer Foker meer kwaad dan goed; want de proctor had hem herkend en bovendien was hij met den kwast in de hand gegrepen, zoodat hij bij summier proces veroordeeld en van de academie weggejaagd werd.

De onderwijzer schreef daarover een zeer beleefden en gevoeligen brief aan Lady Agnes, houdende, dat iedereen met den jonkman ingenomen was, dat hij nooit iemand leed had gedaan, en dat de onderwijzer – wat hem betrof – zeer gaarne die jeugdige en schadelooze dartelheid zou vergeven hebben, indien alles niet ongelukkigerwijze algemeen bekend was geworden, zoodat men het voorgevallene onmogelijk door de vingers kon zien. Hij besloot met de vurigste wenschen voor het welzijn van den jonkman, en die wenschen waren ongetwijfeld oprecht gemeend, want wij weten, dat Foker van moeders kant uit eene adellijke familie afstamde en van vaders kant verscheidene duizenden ponden ’s jaars zou erven.

„Het komt er niet op aan,” zeide Foker, toen hij het gebeurde met Pen besprak; „een weinigje vroeger of later doet er niet toe. Ik zou weer gedropen zijn, dat weet ik; ik kan dat Latijn niet in mijn hoofd stampen, en mama zou haar verdriet dan met den volgenden cursus gehad hebben. De ouwe zal razen en tieren, dat weet ik zeer goed, – maar dan moet hij maar weer bedaren. Ik zal denkelijk buitenslands gaan, om mijn verstand door reizen te scherpen. Ja, ja, parley-voe is het wachtwoord, – Italië, en zoo voorts. Ik zal naar Parijs gaan, om te leeren dansen en mijne opvoeding te voltooien. Maar het is niet over mij zelven, dat ik bezorgd ben, Pen. Zoolang men bier blijft drinken, zie ik er geen bezwaar in: voor u, beste jongen, ben ik echter bang. Gij zijt te hard van stal geloopen, en, ik verzeker u, gij kunt dat niet volhouden. Ik zeg dat niet om de vijftig pond, die ik nog van u krijg – betaal die of betaal die niet, naar het u schikt, – maar ik heb het oog op uw dagelijksch leven, en, geloof mij, dat zal u te gronde richten. Gij leeft alsof het geld in de kous thuis onuitputtelijk ware. Gij moest geen diners geven, maar ze krijgen. Men stelt er prijs op, u in het gezelschap te hebben. Gij moest geen geld voor paarden schuldig zijn, maar de paarden van andere kerels berijden. Gij hebt even weinig verstand van het wedden als ik van de algebra; de kameraden zullen u uw geld afwinnen, als gij hun de gelegenheid daartoe geeft. Gij waagt u aan alles. Ik zag u verleden week écarteeren bij Trumpington, en daarna met de dobbelsteenen bezig, na dat souper bij Ringwood. Zij zijn u de baas, beste Pen, al spelen zij eerlijk, hetgeen ik niet zeg dat zij doen, evenmin als ik zeg, let wel, dat zij het niet doen. Maar ik zou niet met hen spelen. Gij zijt niet tegen hen opgewassen. Gij zijt niet zoo knap als zij. Het is alsof de Zwarte Gordel het opnemen wilde tegen Tom Spring; de Zwarte is een knap bokser, maar, bewaar me! zijn arm is niet lang genoeg om Tom te raken; en ik herhaal nog eens, gij waagt het met kerels, die u de baas zijn. Hoor eens! als gij mij beloven wilt nooit meer te wedden, noch een dobbelsteen of kaart aan te raken, dan scheld ik u de vijftig pond kwijt!”

Maar Pen antwoordde lachend, „dat, ofschoon het hem op dit oogenblik niet schikte dat geld te betalen, hij echter niet kwijtgescholden wilde hebben wat hij naar recht schuldig was,” en daarop namen Pen en Foker afscheid van elkander, de laatste niet zonder een angstig voorgevoel ten opzichte van zijn vriend, die, zijns inziens, snel voortholde op den weg des verderfs.

„Men moet met de wolven huilen,” zeide Pen vrij pedant, en liet daarbij eenige goudstukken in zijn vestzak rammelen, „Een bedaard spelletje écarté kan iemand, die tamelijk goed speelt, niet veel schaden. Ik ben veertien souvereinen rijker van Ringwood’s souper heengegaan; en waarlijk! ik kon dat geld goed gebruiken.” En daarop ging hij, na afscheid van den armen Foker genomen te hebben, die met stille trom en zonder de diligence uit Oxbridge te rijden, aftrok, een klein diner besturen, dat hij op zijne kamers zou geven, voor welke diners de kok van het Collegie, die eene groote achting voor mijnheer Pendennis koesterde, altijd bijzondere zorg droeg.

TWINTIGSTE HOOFDSTUK.

DE WEG DES VERDERFS.

Korten tijd vóór mijnheer Foker’s vertrek uit Oxbridge was er in het Bonifacius-Collegie een heer gekomen, die vroeger, gelijk in het vervolg bleek, student aan de andere hoogeschool van Camford was geweest, welke hij wegens onaangenaamheden met het bestuur had moeten verlaten. Deze heer, Horace Bloundell geheeten, behoorde tot de oude Suffolksche familie Bloundell-Bloundell, – van Bloundell-Bloundell Hall in Bloundell-Bloundellshire, zooals de jonge snaken plachten te spotten; en zeker was het uit hoofde van die afkomst en omdat Dr. Donne, de directeur van het Bonifacius-Collegie, uit Suffolk geboortig en wellicht met dat geslacht verwant was, dat mijnheer Horace Bloundell in het Bonifacius-Collegie was opgenomen, na door St. George en twee andere Collegiën te zijn afgewezen. De familie Bloundell had eene rijke predikantsplaats te begeven, die mijnheer Horace gaarne hebben wilde; en daar hij bij een regiment dragonders stond toen zijn derde broeder, voor wien de plaats aanvankelijk bestemd was, ziek werd en stierf, besloot hij dadelijk de karmozijnen broek en de zwarte shako te verruilen tegen den zwarten rok en de witte das van een Engelschen dominé. De kleine ongelukjes te Camford brachten eenige stoornis in mijnheer Bloundell’s plannen; maar ofschoon de gewezen dragonder aldus op ééne plaats de nederlaag leed, liet hij zich niet ontmoedigen en trachtte hij elders de overwinning te behalen.

In den loop van Pen’s tweede studiejaar legde majoor Pendennis een kort bezoek bij zijn neef af, die hem met verscheidene zijner academie vrienden in kennis bracht, zooals met den innemenden en beleefden Lord Plinlimmon, den ronden en openhartigen Magnus Charters, den slimmen en geestigen Harland, den rijmoedigen Ringwood, die in de debatteerclub Prins Rupert werd genoemd uithoofde van zijne politieke gevoelens en de koelbloedigheid waarmee hij bokken schoot; met Broadbent, bijgenaamd Barebones Broadbent wegens zijne republikeinsche begrippen (hij behoorde tot eene afgescheiden familie te Bristol en was in het debat een echte Boanerges); en eindelijk met mijnheer Bloundell-Bloundell, die dadelijk zijne plaats onder de voornaamste jongelui aan de academie had ingenomen.

Ofschoon majoor Pendennis Harland’s Grieksche aanhalingen niet verstond, noch bijzonder ingenomen was met Broadbent’s dikke schoenen en onzindelijke handen, was hij echter wel in zijn schik met den vriendenkring, die zich rondom zijn neef geschaard had, en gaf hij zijne goedkeuring over al die jongelui te kennen, behalve over dien éénen, die zich het grootste gezag aanmatigde en het meest wilde toonen, dat hij een man van de wereld was.

Terwijl de majoor den morgen na de partij op Pen’s kamer met dezen laatste zat te ontbijten, gaf hij zijn gevoelen over die jongelui te kennen, waarmee hij zeer ingenomen was. Hij had hen op sommige zijner geschiedenissen onthaald, die, ofschoon niet zeer versch meer te Londen (waar de menschen op het gebied van anekdotes altijd naar iets nieuws hunkeren), echter te Oxbridge geheel nieuw waren, en die de jongelieden met die oprechte belangstelling, dat levendig genoegen, dat luidruchtig gelach, of dien diepen eerbied aanhoorden, die in Londen zoo zeldzaam zijn en voor den verteller van beroep zoo streelend moeten wezen. Slechts een paar keeren onder het verhalen van die anekdotes droeg mijnheer Bloundell’s gelaat een minachtenden trek, of verried het door zijne uitdrukking, dat hij met die geschiedenissen reeds bekend was. Eens zelfs had hij de vermetelheid de waarheid der bijzonderheden van eene anekdote, die majoor Pendennis verhaalde, in twijfel te trekken, en gaf hij zijne eigene lezing van die gebeurtenis, die hij zeker wist, dat de juiste was, want hij had het in de club openlijk door dien en dien en dien anderen, die er zelf bij waren geweest, hooren verhalen. De studenten staarden hun kameraad, die den majoor durfde tegenspreken, met verwondering aan. Weinigen waren in staat de melancholische gratie en wellevendheid te waardeeren, waarmee majoor Pendennis dadelijk met mijnheer Bloundell’s lezing der anekdote instemde en hem bedankte voor de terechtwijzing. Zij zetten nog grooter oogen in hunne volgende bijeenkomst op, toen Bloundell met minachting over den ouden Pen sprak en zeide, dat iedereen hem kende als een klaplooper op Gaunt House, een vervelenden ouden kerel, in één woord een ouden kwast.

Van zijn kant hield majoor Pendennis geen zier van mijnheer Bloundell. Deze soort van sympathie is onder mannen en vrouwen doorgaans wederkeerig, en indien een belangstellend vriend mij vertelt, dat die en die kwaad van mij gesproken heeft, kan ik bijna zeker zijn, dat ik van mijn kant ook een hekel aan hem heb. Wij houden al of niet van elkander, op dezelfde wijze als de menschen al of niet van den geur van sommige bloemen, of van zekere gerechten, wijnen of boeken houden. Wij kunnen niet zeggen waarom. – maar in het algemeen zal niets ter wereld ons dezen of genen doen liefhebben, en even zeker als wij een hekel aan hem hebben, zal hij een hekel hebben aan ons.

De majoor zeide dus: „Pen, mijn beste jongen, uw diner liep à merveille af; gij hebt de honneurs met tact waargenomen; gij hebt zeer goed voorgesneden; het doet mij genoegen, dat gij het voorsnijden geleerd hebt; meestal wordt dit tegenwoordig in de voorname huizen aan het buffet gedaan, maar het is nog altijd een punt van belang en kan u onder den middelstand van dienst zijn. Lord Plinlimmon is een heel aardig jonkman, het evenbeeld van zijne lieve moeder (die ik nog als Lady Aquila Brownbill gekend heb); en die republikeinsche denkbeelden zullen bij Lord Magnus wel uitslijten. Zij staan een jong patriciër bij zijne intrede in het leven niet slecht, ofschoon niets zoo stuitend is onder menschen van onzen stand. Die Broadbent schijnt welbespraakt te zijn en veel gelezen te hebben. Uw vriend Foker is altijd onderhoudend. Maar die kennis van u, die mijnheer Bloundell, schijnt mij in alle opzichten iemand toe, waarmee gij niet moest omgaan.”

„Hoe is het mogelijk, oom!” riep Pen lachend uit. „Bloundell – Bloundell is de gevierdste man van de gansche academie. Wij verkozen hem de eerste week van zijne komst tot lid van de Barmeciden-club en hielden daarvoor nog wel eene buitengewone vergadering. Hij is van voorname familie – de Bloundell’s van Suffolk, die van Blondel, den getrouwen minnezanger van Richard Leeuwenhart, afstammen: zij voeren eene harp in hun wapen en het devies: „O Mong Roy.””

„Men kan een heel mooi wapen voeren en toch een ploert zijn, beste jongen,” zeide de majoor, terwijl hij zijn ei schilde. „Let maar op mijne woorden; die man is een ploert, een gemeene vent. Ik wil wedden, dat hij zijn regiment, een heel goed regiment (want een achtenswaardiger man dan mijn vriend Lord Martingale heeft nooit in den zadel gezeten), niet met eere verlaten heeft. Die mijnheer Bloundell draagt in zijn voorkomen de onmiskenbare getuigenis van gemeene taal en gemeene levensmanieren. Hij loopt in dobbelhuizen en biljartholen – hij is thuis in clubs van den derden rang – dat kan ik hem aanzien; ik zie het aan zijne houding. In die soort van zaken heb ik mij nooit vergist. Hebt ge wel opgelet, wat overdaad van ringen en andere sieraden hij draagt? Zoo ooit op iemands gezicht het woord Schurk heeft te lezen gestaan, dan is het op het zijne. Neem mijne woorden maar ter harte en laat hem links liggen. En laten wij nu maar over iets anders spreken. Het diner was een beetje te fijn, maar ik heb er niet tegen, dat gij eenige extra frais maakt, als gij vrienden ontvangt. Natuurlijk geeft gij niet dikwijls diners, en gij doet dat zeker alleen aan degenen, die het uw belang is te fêteeren. De côteletten waren uitmuntend en de soufflé was bijzonder licht en smakelijk. Die derde flesch champagne was niet noodig geweest; maar gij hebt een goed inkomen, en zoolang gij het niet overschrijdt zal ik u niet beknorren, beste jongen.”

Arme Pen! uw achtenswaardige oom vermoedde weinig hoe dikwijls er van die diners waren, daar de onbedachtzame jonge Amphitryon gaarne zijne gulheid en zijne ervaring in tafelzaken toonde. Er is geen kunst, waarin jongelui zich zoo gaarne als kenners voordoen, en echter is er geene, die eene zoo langdurige studie vereischt, die zoo moeielijk is te leeren, die zoo ontoegankelijk en boven de middelen is van vele beklagenswaardige menschen! Kennis van wijnen en fijne schotels beschouwen de jongelui als het kenmerk van den roué, den man van de wereld. Ik zie hen wel gaarne een glas wijn tegen het licht houden, alsof zij er heel wat van wisten, en over de verdiensten van een ragoût praten – arme jongens! Eerst als zij grijs worden zien zij, dat zij niets van de wetenschap verstaan, en dan fluistert hun geweten hun misschien in, dat die wetenschap de moeite haast niet waard is, en dat een schapebout, in tevredenheid genoten, tegen eene vorstelijke tafel kan opwegen. Maar de kleine Pen beschouwde het, in zijne rol van groot heer, als eene noodzakelijkheid, dat hij een kenner en gever van diners moest zijn. Wij hebben dan ook hierboven gesproken van de groote achting, die de kok van zijn Collegie hem toedroeg, en zullen spoedig in de gelegenheid komen om het te betreuren, dat die brave man zulk een blind vertrouwen in hem gesteld had. In het derde jaar van Pens verblijf te Oxbridge was zijne trap volstrekt niet versperd door schotels en dessertbenoodigdheden, of knechts, die gerechten binnenbrachten, of jongens die de flesschen champagne glacé opentrokken. Scharen van geheel andere bezoekers met stuursche of neerslachtige gezichten klommen die trap op en af, en vielen den beklagenswaardigen knaap aan, als hij uit zijn schuilhoek te voorschijn kwam.

De raad van zijn oom had ook geen invloed en bewoog Pen niet om den omgang met den weinig aanbevelenswaardigen heer Bloundell af te breken. Wat de jongelui in hunne kameraden bewonderen en wat aan Pen een groot gedeelte van zijn eigen aanzien en populariteit verschaft had, is eene wezenlijke of vermeende kennis van de wereld. Een man, die de wereld gezien heeft, of er met een gewichtig voorkomen van spreken kan, een roué of een Lovelace, die zijne avonturen kan vertellen, is zeker eene schare bewonderaars te vinden onder de jongelui. Het is verdrietig dit te moeten zeggen, maar het is de waarheid. Wij koesteren eerbied voor die soort van dapperheid. Sinds onze schooljaren hebben wij er bewondering voor leeren koesteren. Zijn er onder de honderden Engelsche knapen, die hunne opleiding aan onze groote scholen en collegiën ontvangen hebben, onder elke honderd slechts vijf, die niet zouden moeten bekennen, dat zij op zekeren tijd huns levens Don Juan gelezen en mooi gevonden hebben? Hoe vreeselijk breidt het kwaad zich niet uit. Dat denkbeeld behoorde den man, die de pen voert, te doen sidderen van vrees, om er onwaarheid, onreinheid, ongerechten toorn, of onverdienden lof uit te doen vloeien.

Een enkel schurftig schaap van dezen aard is toereikend om eene gansche kudde aan te steken, en de professoren van het Bonifacius-Collegie begonnen te bemerken, dat spoedig na mijnheer Bloundell’s aankomst te Oxbridge de fatsoenlijkheid van het Collegie verminderde en de jongelui onhandelbaar en bijna gemeen begonnen te worden. De voorname jongelui van het naburige Collegie van St. George, die Pen goed mochten lijden en met hem omgingen, lieten zich door Bloundell’s oppervlakkige deftigheid en zijne nagemaakte voorname manieren niet om den tuin leiden. Broadbent noemde hem Kapitein Macheath en zeide, dat hij lang genoeg zou leven om opgehangen te worden. Foker wilde met karakteristieke omzichtigheid, gedurende den korten tijd, dien hij nog met Macheath aan de academie doorbracht, niets ten nadeele van den Kapitein zeggen, doch gaf aan Pen een wenk, dat hij beter zou doen Bloundell bij het whisten tot maat dan tot tegenpartij te nemen en dat hij bij het écarté liever vóór dan tegen hem moest wedden. „Ge weet wel, dat hij beter speelt dan gij,” merkte die slimme jonge heer aan; „hij speelt bijzonder goed, die Kapitein, dat doet hij; – en als ik u was, Pen, zou ik niet te hoog tegen hem wedden. Ik geloof ook niet, dat de Kapitein te dik in het geld zit.” Doch verder dan deze duistere zinspelingen en algemeene opmerkingen wilde de voorzichtige Foker zich niet uitlaten.

Zijn raad zou echter toch niet méér gebaat hebben bij een eigenzinnig jongmensch, dan gewoonlijk met goeden raad het geval is bij een knaap, die zich voorgenomen heeft zijn eigen zin te volgen. Pen was met eene onverzadelijke zucht naar vermaak bezield en wierp er zich, wanneer de gelegenheid bestond, met eene gretigheid op, die voor zijn vurigen aard en zijne jeugdige gezondheid getuigde. Pleizier hebben noemde hij „in de wereld rondzien,” en daarbij haalde hij welbekende regels uit Terentius, Horatius en Shakespeare aan, om te bewijzen dat men alles moest doen wat een man betaamt. Hij was goed op weg om binnen weinige jaren geheel op en een roué te zijn, als hij op den tegenwoordigen voet voortging.

Op zekeren avond was er op een avondpartijtje in het Collegie, dat Pen en Macheath bijwoonden, een bedaard spelletje vingt-et-un gespeeld, eene veel aangenamer uitspanning voor studenten van het tweede en derde jaar, dan die rumoerige gewoonte om liedjes te zingen, die de proctors naar de kamers lokt, en die ook vervelend is geworden, omdat ieder student al wat hij weet reeds honderden malen gezongen heeft. Toen de gasten hunne baretten hadden genomen en zouden heengaan, na weinig verloren of gewonnen te hebben, nam Bloundell als voor de grap een groen wijnglas van de tafel, aan welke men gesoupeerd had, een glas, dat voor een „afzakkertje” bestemd was geweest, maar waarin hij nog iets veel verderfelijkers deed, namelijk een paar dobbelsteenen, die mijnheer uit zijn vestzak haalde. Hij gaf aan het glas een bevalligen zwaai, die getuigde, dat zijne hand geoefend was in het werpen van de dobbelsteenen, riep daarbij „onder de zeven,” liet de ivoren blokjes zacht over de tafel rollen, schoof ze weer met eene lichte handbeweging in het glas, en herhaalde dit alles twee- of driemalen. De anderen zagen dit aan, en natuurlijk ook Pen, die tot nog toe nooit de dobbelsteenen gehanteerd had dan voor een vervelend spelletje triktrak thuis.

Mijnheer Bloundell, die eene vrij goede stem bezat, begon het koor uit de opera Robert le Diable op te dreunen, die toen zeer in de mode was, en aan dat koor namen vele der studenten deel, inzonderheid Pen, die zeer vroolijk was, daar hij met het vingt-et-un heel wat kleingeld gewonnen had, – en een oogenblik later waren de meeste gasten, in plaats van naar huis te gaan, rondom de tafel gezeten en met dobbelen bezig, waarbij het groene glas van hand tot hand ging, totdat Pen het eindelijk in stukken brak, na zesmaal de hoogste oogen geworpen te hebben.

Van dien avond af dompelde Pen zich tot over de ooren in de genoegens van het hazardspel, met al het vuur, waarmee hij gewoon was elk nieuw vermaak na te jagen. Men kan evengoed ’s morgens als na het diner of souper dobbelen. Bloundell kwam na het ontbijt op Pen’s kamer, en het was verbazend hoe snel de tijd omvloog wanneer zij de dobbelsteenen lieten rollen. Zij maakten er aardige partijtjes met gesloten deuren, die geen opzien baarden, en Bloundell vond een beker uit, die van binnen met vilt bekleed was, zoodat de dobbelsteenen geen gedruis maakten, – wat hen had kunnen verraden en de scherphoorende onderwijzers naar de kamers lokken. Eens waren Bloundell, Ringwood en Pen bijna betrapt door mijnheer Buck, die, toen hij over het vierkante voorplein ging, uit Pen’s open venster de woorden „twee tegen één op den eersten worp” meende te hooren; maar toen de onderwijzer op Arthur’s kamer kwam, vond hij de drie jongelui met hun neus over drie Homerus’en gebogen. Pen zeide, dat hij het de beide anderen trachtte in te stampen, en vroeg met een uitgestreken gezicht aan mijnheer Buck, in welken staat de rivier Scamander tegenwoordig verkeerde en of zij al dan niet bevaarbaar was.

Arthur Pendennis verdiende bij die samenkomsten met mijnheer Bloundell niet veel geld, noch leerde hij veel goeds, behalve den slag van te wedden bij het hazardspel, wat hij ook uit boeken had kunnen leeren.

De Kapitein bezat nog andere talenten, waarmee hij Pen van dienst was. Zijne verhalen maakten een diepen en noodlottigen indruk op Arthur, die nooit moe werd naar Bloundell’s geschiedenissen van veroveringen in zijne garnizoensplaatsen en heldendaden ten platten lande te luisteren. Hij was te Parijs geweest en kende eene menigte verhalen betrekkelijk het Palais Royal, het Salon en Frascati. Hij was op zekeren avond naar het Salon geweest, na gedineerd te hebben in het Café de Paris, „waar wij allemaal een verduivelden tik hadden aangekregen; en toen ik den volgenden morgen op mijne kamer wakker werd, vond ik twaalf duizend franken onder mijn hoofdkussen en honderd negen en veertig napoleons in een mijner laarzen. Was dat geen aardig fortuintje, hé?” vroeg de Kapitein. Pen’s oogen schitterden van geestdrift bij dit verhaal. Hij zag tegen den man op, die zóóveel geld kon winnen, en zuchtte onder de bekentenis, dat hij er geheel mee uit den nood geholpen zou zijn. De Kapitein lachte en schonk hem nog een glaasje maraskijn. „Ik zou u nog heel wat wonderlijker geschiedenissen kunnen vertellen,” en dat had de Kapitein ook inderdaad wel kunnen doen, zonder eenig ander behulp dan die der fictie, met welk deel der dichterlijke begaafdheid de natuur hem ruimschoots voorzien had.

Hij lachte Pen, uit over diens verliefdheid op jufvrouw Fotheringay, toen hij van Arthur iets er van vernam, zooals vrij spoedig gebeurde, want Pen was, gelijk wij gezegd hebben, geneigd om die geschiedenis aan zijne vertrouwde vrienden te verhalen, en hij en zij waren tamelijk trotsch op het gebeurde. Maar Bloundell benam Pen alle verwaandheid in dit opzicht, niet door de dwaasheid van deze verliefdheid van den knaap voor eene onbeschaafde vrouw, die veel ouder was dan hij, in het licht te stellen, maar door hem te wijzen op de ongerijmdheid van zijn voornemen, om dien hartstocht op eene wettige wijze te bevredigen. „Hadt gij haar willen trouwen!” riep hij uit: „gij hadt evengoed – kunnen trouwen,” en daarbij noemde hij eene der meest beruchte tooneeldames. „Er was geen aasje fatsoen aan haar.” Hij kende twintig mannen, die openlijk als hare aanbidders bekend stonden; hij noemde hunne namen en de sommen, die elk hunner aan haar verkwist had. Ik ken geen soort van laster, vreeselijker of algemeener dan deze wijze om vrouwen van haar goeden naam te berooven, geene mannen, die gewetenloozer en gevaarlijker zijn dan degenen, die er zich lichtvaardig van bedienen, en geen lafaards, verachtelijker dan de lieden, die deze lasteringen uitvinden.

Is het al of niet een ongeluk, dat iemand, die zelf een openhartig karakter bezit en, gelijk onze vriend, gewoon is bij alle voorkomende gelegenheden de waarheid ronduit te zeggen, zijn leven begint met alles te gelooven wat men hem vertelt? Zou het voor een jongmensch beter wezen, minder goed van vertrouwen en dus minder argelooste zijn? Het vereischt geen geringe mate van menschenkennis, om gewaar te worden, dat iemand, die er geen bijzondere redenen toe heeft, u leugens vertelt. Ik weet niet of het maar niet het beste is, een tijdlang gedupeerd te worden. Hoe het zij, onze brave Pen bezat van nature eene lichtgeloovigheid, die hem alles voor goede munt deed aannemen wat men hem vertelde, zoodat hij al de verdichtsels van den Kapitein geloofde, alsof het onbetwistbare historische feiten waren.

Spotted a typo or a problem in this chapter? Tell us